-ocr page 1-
.. -rv€-v
**&:
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
I 1 Ml
-ocr page 5-
I
L.J.ü.
•
gr.*w
HET
LIJDEN EN STERVEN VAN ONZEN HEER
J
ESUS LHRISTUS.
-ocr page 6-
, ;
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000029464215B
2946 421 5
-ocr page 7-
ft6s Vïi$,
3Z)
HET
LIJDEN EN STERVEN VAN ONZEN HEER
JESÜS CHRISTUS,
UITVOERIG VERHAALD EN OVERWOGEN
H. J. I. RUSCHEBLATT,
Rustend Pastoor en Oud-Leeraar aan liet Seminarie Hageveld.
Eef^ste Deel.
Jesus ter dood gezocht. — Jesus ter dood veroordeeld
rtJjKSUttÉ/ERSITEIT
UTRECHT
COLL. THOMAASSE
\' B. Hl B 1 8 1 U g M, »\'
P. H. J. BEKKER,
1886.
-ocr page 8-
•
A1PR IM AT Uï\\.
Amstelodami                                             A. M. C. VAN COOTH,
die XII Novembris 1886.                                         Libr. Cens.
-ocr page 9-
yOORBËRICHf.
Het doel, hetwelk ik mij bij het schrijven van de Lijdcns-
geschiedenis des Jfeeren voor oogen stelde, kan in weinige
woorden verklaard worden :
—  om eene dankbare herinnering ie wijden aan liet liefdevol
lijden van onzen Heer Jesus Christus en om, door eene levendige
voorstelling van alle omstandigheden, \'welke daarvan deel uit-
maken, en van de deugden, welke Hij daarin ons ter navolging
voorhoudt, meer en meer ons tot eene werkdadigc Liefde op te
\'wekken en lot dankbaarheid voor die offervaardige liefde,
\'waarmede Jezus Zich zelvcn voor ons ter dood overleverde;
—  om Maria, de Moeder des Hcercn, die ook onze Moeder
is, te verecren door haar, waar wij ze op den lijdensweg ont-
moctcn, ons medelijden te betuigen voor het tfroole aandeel, dal
zij in het lijden van haren goddelijken Zoon gehad heeft, door
ons te stichten aan de vele deugden, waarvan zij in die treurige
dagen het voorbeeld gaf, vooral aan die bereidvaardige gchoor-
zaamheid, welke ook voor het zwaarste offer niet terugschrikte,
als des Vaders heilige wil het van hare liefde vroeg voor de
eer van God en voor de zaligheid der mensehen;
—  om — waarom het verzwegen ? — bij de noodzakelijke
Verandering van mijne levensverhouding nog cenigermatc voor de
-ocr page 10-
II                                                        VOORBERICHT.
eer van God en voor het geestelijk heil van mijne Katholieke
landgenooten te kunnen werkzaam zijn;
eindelijk om als Amsterdammer va?i geboorte en van in-
woning eenigc stecncn te kunnen bijdragen voor den opbouw
van een R. K. Gasthuis, waar alle Katholieken eene liefdevolle
en door den geest van Jestii II. Godsdienst bestuurde verpleging
in hunne ziekte kunnen vinden. Het is niet veel, wat ik geven
kan: maar gedachtig aan het \'woord van den godvreezenden
uu. IV, 9. 7\'obias: hebt gij weinig, tracht ook van dat weinige be-
reidvaardig mede te deeleii," durf ik met vertrouwen door
dit werk een beroep doen op de liefdadigheid mijner beminde
Gcleofsgenooten om mijne bedoelingen te ondersteunen. Zal ook
fesus. die ons het eerste heeft liefgehad en daarom zijn /even
voor ons gaf, zelfs toen wij zijne vijanden waren, niet eenmaal
Iatth. XXV zeggen : wat gij aan een van deze mijne geringste broe-
diers gedaan hebt. deedt gij aan Mij?
Geen ander doel stond mij voor den geest, ook geen anderen
wenseh koester ik dan dat doel te bereiken : of ik beantwoord heb
aan de eise/ieu, welke ik mij ze/ven stelde, en aan de behoeften
van degenen, voor welke ik dit werk besten/de, zal de welwil-
lende lezer zelf het best beslissen. Ik bid intusschen, dat de
goede fesus mijnen arbeid moge zegenen, dat de onbevlekte
Moeder-Maagd dien onder hare machtige bescherming neme,
opdat dit \'werk zijnen weg vindt in alle Katholieke huisgezinnen
en iels moge bijdragen om in de harten van allen, die het
zullen lezen, de liefde tol den goddelijke/t fesus en tot zijne
H. Moeder al meer te ontvlammen.
DE SCHRIJVER.
Amsterdam, 12 Juni \'8S,
Op den feestdag van hel H. Hart v Jesus.
-ocr page 11-
INLEIDING.
De onderwerpen, welke gewoonlijk ter overweging worden voor-
gehouden, zijn rijk in verscheidenheid, boeien door hunnen inhoud
en lrieden veelzijdige stof aan ter toepassing op het dagelijksehe
leven van eiken Christen. Denken wij slechts aan de zonden en hare
straffen, aan de vier uitersten van den mensch, aan de deugden, welke
beoefend en aan de middelen, welke ter bestrijding van het kwade
aangewend moeten worden, aan God en zijne volmaaktheden, aan
de meestal onbegrijpelijke leiding der goddelijke Voorzienigheid enz.
Een bovenmate belangrijk onderwerp van godvruchtige overweging
biedt ons het leven des Zaligmakers aan met zijne leer en wonderen,
met het volmaaktste voorbeeld van alle deugden, met zijn vasten,
bidden en werken.
Ahvie onderrichting voor hunnen geest en opwekking voor hun
hart zoeken, kunnen in elk van die onderwerpen eene onuitput-
telijke bron vinden, waaraan zij hunne naar gerechtigheid dorstende
zielen met volle teugen kunnen laven.
Evenwel drukken alle schrijvers over het geestelijk leven als
hunne diepe overtuiging uit, dat geen enkel onderwerp zulk eene
veelzijdige, belangwekkende en aan toepassing rijke stof ter overden-
king aan God-minnende zielen voorstelt als het lijden en het sterven
van onzen goddelijken Zaligmaker. Nergens leeren wij beter dan op
.Tesus\' lijdensweg of onder zijn kruis de afschuwelijkheid der zonde
en Gods Rechtvaardigheid, welke de overtreding van zijn gebod
-ocr page 12-
it                                          uieiDi» o.
straft; maar ook nergens zien wij schitterender bewijzen van zijne
goedheid, welke een middel ter vergeving van zonden in \'t werk
stelde, dat door geenen mensen bevroed en door eene oneindige Liefde
alleen kon uitgedacht worden. Uit geen boek gaat zulk een helder licht
op ter aanwijzing van den weg, welken wij moeten volgen om tot bet
einddoel van onze bestemming te geraken; nergens is een treffender
voorbeeld gegeven van hetgeen wij doen en laten moeten; geen
Heilige zegt ons welsprekender, hoe wij de deugd beoefenen en het
kwade bestrijden moeten, hoe de vijand onzer zaligheid het best
overwonnen, en de Hemel bet zekerst gewonnen wordt; in de ovcr-
weging van Jesus\' lijden zien wij ook, wat aan onze deugden ontbreekt,
hoe ver wij nog verwijderd zijn van het voorbeeld van Hem, die
wilde, dat wij zijne voetstappen zouden volgen; vooral op den ge-
kruisigden Jesus starende, erkennen wij onze zwakheden en onvol*
maaktheden. Van den anderen kant : wie troost en bemoediging
behoeft in de moeielijkheden en wederwaardigheden des levens, wie
sterkte en kracht zoekt tegen de hem dreigende gevaren, wie licht
voor zijn geest en warmte voor zijn hart begeert, wie zijn geloof
verlevendigen en zijne hoop bevestigen en zijne liefde ontvlammen
wil, een heilig berouw wenscht op te wekken over zijne zonden en
goede voornemens te maken voor de toekomst, wie voor Jesus wil
lijden en in zijne liefde verlangt te sterven, hij overwege met ernst
het lijden en het sterven van zijnen Verlosser. De eerbiedwaardige
Thomas van Kempen sprak dezelfde waarheden in deze bewoor-
dingen uit:
«Wilt gij uwe ziel zuiveren van alle vlekken en ze verrijken met
»alle deugden; wilt gij schitterende overwinningen op de vijanden
«uwer zaligheid behalen en overvloedigen troost in lijden en in te-
Dgenspoed ontvangen; wilt gij vorderingen maken in het gebed en
»al biddende zoete tranen van liefde storten; wilt gij volharden ten
seinde toe, heilig sterven en eeuwig heersenen in den Hemel —
«oefen u gestadig in de overweging van Jesus\' leven en sterven."
De H. Augustinus, die groote bekeerling der Kerk, bad dikwijls ;
«schrijf, o Heer! schrijf uwe heilige wonden diep in mijn hart, opdat
»ik daarin smart en liefde leze: smart, om voor U alle andere smart
»tc verdragen; liefde, om voor U alle andere liefde te versmaden »
In gelijken zin verzuchtte de H. Alphonsus: «Schrijf, o heilig
»Hart van mijnen Jesus! in mijn hart al de bittere smarten, welke
«Gij gedurende zoovele jaren op aarde verdroogt uit liefde tot mij,
-ocr page 13-
IXIIIDIXG.
V
«opdat ik bij het gezicht daarvan er naar hake om iets voor U te
«lijden of ten minste uit liefde tot U met geduld al de wederwaar*
«digheden des levens verdrage.»
Paus Adrianus, onze beroemde landgenoot, predikte ook de
overweging van Jezus\' lijden en prees die ten sterkste aan als zeer
heilzaam voor al de zondaars: «alwie van de helsche slang gebeten
«en door het venijn van de zonde vergiftigd is, hij moet Jesus aan
«het kruis met een levendig geloof, met berouw en met liefde aanzien*
»en hij zal genezing vinden. Moe zou ook wel een hart des menschen,
«al ware het nog zoo bedorven, bij de beschouwing van het onme-
«lelijk lijden des Zaligmakers koud en ongevoelig kunnen blijven
►en volharden in de boosheid?» — «Gij zult door ondervinding
leeren,» — voegt de H. Bernardus er bij — «dat er geen kracht-
idadiger middel bestaat om de wonden des gewetens te heelen dan
«eene naarstige beschouwing van Jesus\' wonden. De gevoelens van
«berouw, nederigheid, vrees, vertrouwen, geloof, liefde, van een vast
«voornemen ter verbetering des levens, in een woord: alles wat tot
«eene ware bekeering noodig is - dat alles vindt gij nergens in
«rijkere mate dan in de nabijheid van den lijdenden, dan aan do
«voeten van den gekruisigden Zaligmaker.»
• De H Bonaventura gaat nog verder en noemt die overweging
eene noodzakelijke voorwaarde om de deugd te beoefenen:» Zoo gij
«van de eene deugd tot de andere wilt opklimmen en een volmaakt
lieven wilt lijden, overdenk dan het lijden van uwen Heer Jesus
«Christus, want niets doet den mensch spoediger in de volmaaktheid
«voortgang maken dan de overweging daarvan.»
De H. Chrysostomus had reeds vóór den laatstgenoemden Kerk*
leeraar dezelfde gedachten uitgesproken en zijne overtuiging in de
volgende zinrijke vergelijking uitgedrukt: «gelijk eene lamp, welke
«des nachts midden in een huis aangestoken is, het geheele huis
«verlicht en de duisternis verdrijft, zóódat een ieder zich zei ven zien
«en ook de verschillende voorwerpen rondom hem heen onderscheiden
»kan; evenzoo heeft onze Verlosser, toen de duisternissen der dwaling
«de aarde overdekten als een helschijnende lamp boven op den
«Calvarieberg zijn Kruis opgericht, hetwelk al de donkerheid verdrijft,
zen ous de afschuwelijkheid van de zonde, de schoonheid van de deugd
«en de waarde van alle dingen aantoont. Evenals de lamp haar
«licht draagt, zoo draagt het Kruis de zon der Gerechtigheid, welke
•naar alle kanten hare stralen uitschiet en de geheele wereld verlicht.»
-ocr page 14-
VI                                                               INLEIDING.
Het zou overbodig kunnen schijnen de bovenstaande aanhalingen
met nog andere te vermeerderen. Dit alleen zij nog in herinnering
gebracht, dat de groote Apostel der Heidenen niet aarzelde aan de
• 2- Corinthiërs te bekennen: ik had niet voorgenomen onder u iets
te weten dan Jesus en dien gekruisigd; dat ook alle Heiligen
van het X. Verbond betuigd hebben, schitterender nog door hun
leven dan door hunne geschriften, hoe Jesus\' lijden en sterven niet
alleen hun voortdurend voor den geest stond maar zelfs in hun hart
geschreven was.
Om de groote voordeden, aan de overweging van Jezus\' lijden
verbonden, te genieten, om de rijkste vruchten daarvan in te oogsten,
moeten noodzakelijk eenige voorwaarden vervuld worden. Een enkel
woord ter nadere toelichting moge hier eene plaats vinden, in zoo
verre dit mij nuttig toeschijnt voor die lezers, welke ik mij voorstel.
Wie zijne overweging vruchtbaar wil maken, moet zich in die
oogenblikken van aandachtige beschouwing zooveel mogelijk voor
verstrooiing hoeden, zijne gedachten verzamelen, die niet laten rond-
doleri en ze op het gekozene onderwerp vestigen. Eene ingetoomde
verbeelding, een kalm gemoed en gezette aandacht zijn wezenlijke
vereischten voor eene goede overweging; maar daarvoor moet het
hari bewaakt en de geest aan een streng toezicht onderworpen blijven.
Hierna stelt men zich in de tegenwoordigheid van God en bidt
licht al\' om te leeren, wat aan zijne goddelijke Majesteit het wel-
gevalligst is, en ook genade om hetgeen Hem aangenaam is in
woorden te belijden en vooral in daden te beoefenen. Houdt u echter
overtuigd, dat het overwegen geenszins eene oefening is, welke boven
het bereik van veler krachten ligt, of dal gij de vele daaraan ver-
bondene voordeden met ontzaglijke moeite en als in de verte moot
gaan zoeken. Een ieder, ook wie ongeleerd is, kan de waarheden
des geloofs overdenken en daaruit gevolgtrekkingen afleiden, welke
op zijn dagelijksch leven toepasselijk zijn. Xiets meer wordt van een
ieder gevorderd dan een goed gebruik maken van die drie vermogens,
welke God aan eiken mensen geschonken heeft, en welke een elk in
het werk stelt, wanneer hij er zich toe zet om met ernst over eene
of andere tijdelijke aangelegenheid, welke hem ter harte gaat, na
te denken. Dan immers verzuimt hij nooit om eerst de geheele zaak
met al hare omstandigheden zich duidelijk voor den geest te stellen,
vervolgens ze van alle zijden goed te beschouwen, de redenen, welke
-ocr page 15-
INLEIDING,                                                            vit
hem tot het nemen van deze of gene. beslissing kunnen aansporen
en ook de kracht van elk dier redenen te overwegen; ten laatste
neemt hij zijn besluit en maakt het voornemen om den een of den
anderen weg in te slaan, beslist alzoo over zijne toekomstige handel-
wijze en bepaalt wat hem te doen staat. Niets meer behoeven wij
te verrichten om eene ^joede overweging te houden. Door de verbeel-
ding stellen wij ons in levendige kleuren die bijzonderheid uit Jesus\'
lijden vuor den yeest, welke wij ons ter overweging hebben uitge-
kozen, maar met al de omstandigheden, welke die gebeurtenis ver-
gezellen en welke op ons gemoed indruk kunnen maken; door het
verstand beschouwen wij vervolgens het feit met zijne bijzonder-
heden van tijd, plaats en personen, zonder de dringende redenenen
aanmaningen uit het oog te verliezen, welke daaruit tot ons spreken
en een overwegeuden invloed op onzen wil kunnen uitoefenen, opdat
wij ons bevlijtigen deze of gene ondeugd te verfoeien en de tegen-
overgestelde deugd te beoefenen; eindelijk - en dit moet het einde
maar ook de vrucht van elke meditatie wezen — vormen wij met
onzen wil juist bepaalde voornemens, welke wij willen ten uitvoer
leggen ter verbetering van ons leven en ter beoefening van deugd-
zame werken. Eene wonderschoone samenwerking der drie vermogens
onzer ziel is alzoo hier zichtbaar: de verbeelding stelt aan het verstand
het eene of andere gedeelte van Jesus\' lijden ter overpeinzing voor;
hel verstand overdenkt het voorgestelde onderwerp met eene tot in
bijzonderheden afdalende aandacht en kiest bij voorkeur ter nadere
beschouwing datgene uit, wat het best voorziet in de tegenwoordige
behoeften van onze ziel; aldus wordt de wil ten goede opgewekt en
aangespoord tot eene heilige liefde voor wat goed en tot een heiligen
afschuw voor wat kwaad is, en maakt zijne besluiten om al dadelijk
in het werk te stellen, wat hij als aan God welgevallig en voor bet
heil der ziel als noodzakelijk of althans als nuttig heeft loeren kennen.
En is eenmaal het vuur der ware liefde lot God en voor ons eigen
zieleheil in ons hart ontstoken, dan zullen daaruit als lichtende
vlammen goede werken en schoone deugden voortkomen, welke het
sieraad en het onderscheidend kenmerk van een leerling des Heeren
zijn moeten.
Bij de overwegingen van Jesus\' dierbaar lijden, welke wij aan
onze katholieke landgenooten ten gebruike aanbieden, hebben wij
geene andere wijze van behandeling gevolgd. Vooreerst verhalen wij
getrouw, volgens den aangehaalden tekst der Evangeliën en volgens
-ocr page 16-
VIII                                                             INLEIDING.
eene geloofwaardige overlevering, de bijzondere gebeurtenissen uit
Jesus\' lijden met al de daarbij beboorende omstandigheden, telken
male bij elk nieuw hoofdstuk den draad van ons verhaal wederom
opvattende, waar wij dien voor eene wijle moesten afbreken. Die
nauwkeurige voorstelling geeft den aandachtigen lezer stof in over-
vloed om over elke bijzonderheid dieper na te denken en daaraan
menige nuttige beschouwing te verbinden. Ook vlechten wij in ons
verhaal enkele opmerkingen in, welke den weg openen voor verder
reikende toepassingen; maar om ons verhaal niet te dikwijls te
onderbreken en veel van het boeiende niet te laten verloren gaan,
hebben wij het raadzaam geacht vele aanmerkingen hier en daar
als ter loops in te lasschen zóó echter, dat zij door den aandachtigen
lezer niet over \'t hoofd gezien worden en voor geest en hart op-
wekking aanbieden —- wij strooien ze als bloemen, welke eene
grasrijke weide sieren en geenzins aan de schoonheid van het geheele
afbreuk doen, maar den luister er van verhoogen. Eerst aan het
einde van elk besproken onderwerp plaatsen wij eenige wenken,
welke als gevolgtrekkingen uit het verhaalde van zelf voortvloeien
en dienen kunnen ter aanwijzing van die goede voornemens, welke
onze overweging moeten bekronen. Veel echter en vooral de naaste
toepassing op het christelijk leven moeten wij aan den godvruchtigen
lezer zelven overlaten; de aard van ons werk evenzeer als de
persoonlijke gemoedsgesteldheid van den lezer vorderen zulks
van ons.
Al onze aandacht hebben wij, waar het te pas kwam, gewijd aan
het groote doel, hetwelk onze goddelijke Zaligmaker Zich in zijn
lijden en sterven voorstelde, aan de veelvuldige middelen, welke Hij
ter bereiking van dat doel, in zijne oneindige Wijsheid of zelf in \'t
werk stelde of toeliet, dat anderen aanwendden. Daardoor wekken wij
ons op tot eene eerbiedige en dankbare bewondering van zijne on-
begrensde Liefde. Verder trachtten wij, zooveel als \'t mogelijk was,
zijn ondenkbaar groot lichamelijk lijden en zijn smartvol zielelijden
eenigermate te schetsen — dit moet ons tot een schuldbewust en nederig
medelijden stemmen. Ook aan de onmensehelijke wreedheid der
beulen en hardnekkige boosheid van Jesus\' vijanden, aan het onver-
winnelijk geduld, waarmede Hij leed, aan de diepe ellende, waaruit
Hij ons verloste, schonken wij al onze oplettendheid — hartelijke
dankbaarheid voor Jesus\' overgroote weldaden, een heilige afschuw
voor de verachtelijke boosheid der menschen, een diep berouw over
-ocr page 17-
IXLEIDING.
IX
de zonden, waardoor wij Jesus\' lijden verzwaard hebben, zijn de ge-
voelens, welke daardoor bij ons moeten worden opgewekt.
Velerlei omstandigheden hielpen ons om een dieper inzicht in het
geheim van Jesus\' lijdensgeschiedenis te verkrijgen. Wij beschouwden
met aandacht de personen, welke in die geschiedenis handelend
optraden, hunne waardigheid, hun stand of\' hunne betrekking, hun
inborst en hunne handelwijze, hunne deugden en hunne ondeugden.
Wij luisterden aandachtig naar elk woord, dat zij spraken, naar de
lasteringen en valsche beschuldigingen tegen Jesus ingebracht, naar
de beschimpingen en godslasteringen, waaraan Hij ten doel stond,
vooral naar Jesus\' antwoorden, welke altijd van hooge wijsheid en
bezadigdheid getuigden en slechts geëvenaard werden door zijn veel-
beteekencnd stilzwijgen. Wij herinnerden ons al de feiten, waaruit
Jesus\' lijdensgeschiedenis als was samengewevcn, de martelingen welke
Hij wilde verduren, de wijze waarop ze Hem werden aangedaan,
de onverstoorbare kalmte en het onverwinbaar geduld waarmede Hij
ze leed. Wij wierpen een weemoodigon blik in Jesus\' hart om de
medelijdende getuigen te kunnen zijn van zijne namelooze zielesmarten,
van zijne droefheid en beschaming, van zijnen angst en doodstrijd,
van zijne verlatenheid, vooral om zijne onuitputtelijke Liefde eenigzins
te kunnen beseffen, welke geen offer te zwaar vond, als het door den
wil des Vaders van Hem gevraagd en voor het heil der zondaars
of noodzakelijk of nuttig was. Eindelijk vestigden wij onze oplettend-
heid op die ongelukkigen, voor wie Jesus leed en stierf, dat is:
op alle zondaars, maar vooral op ons zelven, van wie elk in \'t
bijzonder Jesus voor den geest stond, alsof hij de eenige was, die
verlost moest worden.
Er blijft ons, na de bovenstaande opmerkingen voorop gesteld te heb-
ben, nog over eenige bronnen aan te geven, welke wij bij het schrijven
van deze «lijdensgeschiedenis» geraadpleegd en, voor zooverre het
met ons voorgenomen plan strookte, ten deele overgenomen hebben.
Uit zeer oude schrijvers kozen wij namelijk het beste, wat zij over
het door ons behandelde onderwerp hebben nagelaten.
De ZEerw. Pater L. nu la Pai.ma, als schrijver van ascetische werken
zeer beroemd, is mijn voornaamste gids op den soms nioeielijken
weg, welken ik met mijne lezers wensen af te leggen. Hij was een
spaansch Jesuïet en bereikte den hoogen ouderdom van 82 jaren.
Van het jaar 1575 tot 1641 was hij lid van de Sociëteit en leefde
alzoo in den bloeitijd van de spaansche, godsdienstige litteratuur, in
-ocr page 18-
I X L E I L> 1 X O.
het tijdvak van Lodewijk van Grenada, van Joannes van Avila, van
Lodewijk dePonle, van de H. Therisia, van den II. Joannes van het
Kiuis; zijne «Geschiedenis van liet H. lijden des Heeren» welke wij
bijna in zijn geheel hebben overgenomen, was slechts eene inleiding
tot een omvangrijk werk hetwelk, jammer genoeg, onvoltooid is ge-
bleven. Zij schijnt in de laatste paar eeuwen op den achtergrond
geraakt te zijn, maar in de laatste jaren door bevoegde kenners weder
naar verdienste gewaardeerd, in eere hersteld en door vertalingen in
het Fransen, Duitsch en ook in het Engelsch, waarvan in weinige jaren
drie uitgaven verschenen, tot een gemeenschappelijk goed van de ge-
heele katholieke wereld gemaakt. Wij achten ons gelukkig, dat een
bijzonder toeval ons dat overschoone boekje in handen speelde en ons
de gelegenheid aanbood, om het in de hoofdzaak bij onze landgenooten
bekend te maken. Wat het meer ascetisch gedeelte van deze lijdens-
geschiedenis betreft, daarin hebben wij ons tot voorgangers gekozen
don ZEerw. Pater W. Stanihurstius, eveneens een beroemd lid
der Sociëteit en schrijver van een in 1866 te \'s l?osch in het latijn
herdrukte «Geschiedenis van den in een sterfelijk lichaam lijdenden
unsterfelijken God\'\' en den H. Bonaventtira, die in zijne «Over-
\\vej;ingen van het lijden» zoo rijk is aan treffende toespelingen en
vergelijkingen, vooral aan toepassingen op het dagelijkse!) leven van
den Christen, die Jcsus\' voetstappen wenscht te drukken. Ook uit
den even geleerden als door warmen godsdienstijver bezielden
Karthuiser-monnik LuDOLPH DeSaxonia namen wij enkele zielroerende
gedachten over. Dat een ruim gebruik van de nieuwe Schriftuur-
verklaarders door ons gemaakt moest worden, zal voor een ieder
duidelijk zijn; wat echter voor velen van onze lezers van veel belang
zijn zal, is, dat wij in ons verhaal eene zeer ruime plaats hebben
ingeruimd aan de treilende opmerkingen en degelijke verklaringen
over het lijden des Heeren, welke wijlen Mgh. I\'. v. o. Pi.oeg, de
hooggeschatte Warmondsche Hoo^Ieeraar, als laatste erfenis van
zijn hart en van zijn geest aan zijne beminde leerlingen achterliet.
De vriendelijke bereid vaardigheid van een zijner uitslekendste leer-
lingen stelde mij in staat om die voortreffelijke aanteekeningen aan
mijn doel dienstbaar te maken.
-ocr page 19-
E
ERSTE ttEDEELING.
Jeses\' laatste leerinpn omtrent zijne Godheid
-ocr page 20-
-ocr page 21-
Hoofdstuk I.
Laatste gebeux\'tenissen vóór de
Lijdensweek.
Het lijden en het sterven van onzen Koning en Zaligmaker,
den Heer Jesus Christus, zou een einde maken aan zijn sterflijk
leven op aarde. Daarmede wilde Hij het heilig dienst*
werk voltooien, hetwelk Hij ondernomen had, om het geheele
menschelijk geslacht uit de schandelijke slavernij der zonde
te bevrijden en te verzoenen met zijn Vader, om het ver-
volgens te verrijken eerst met een nieuw geestelijk leven van
genade op aarde en hiernamaals met een eeuwig leven van
geluk en van glorie, in den Hemel. Van welke zijde die ont-
zaglijke geheimen ook beschouwd worden —- hetzij dat wij
op den Persoon, die lijdt, onze aandacht vestigen, of op de
wijze, waarop Hij lijdt, of op de ongelukkigen, voor wie Hij
lijdt, zij zijn de verhevenste en de heiligste en de voor ons
kortzichtig verstand ondoorgrondelijkste geheimen van Gods
oneindige Wijsheid en Lietde, welke ooit plaats grepen, sinds
God de wereld schiep, en immer zullen plaats grijpen tot aan
het einde der wereld toe. Tot duidelijker inzicht van de
\'lijdensgeschiedenis, waarin zij ons verhaald worden, kan het niet
anders dan van groot nut zijn, als wij in \'t kort enkele van
-ocr page 22-
12
HET IIJDEN- EN\' STEEVEN TAN*
die verschillende gebeurtenissen in herinnering brengen, welke
aan de Oversten der Joden en aan de Phariseön eene gezochte
aanleiding gaven, om zulk een storm tegen den Zaligmaker te
verwekken en om tot den dood van Hem te besluiten, Wien
zij, al sloten zij ook hunne oogen voor het schitterendst licht
der waarheid, toch als den grooten Profeet, als den Weldoener
bij uitnemendheid van het geheele volk hadden moeten erkennen
en belijden. Al die voorafgegane gebeurtenissen zijn ook geens-
zins op zich zelve staande feiten, maar dragen onder elk op-
zicht bij tot de groote ontknooping welke, hoe bedroevend ook.
zoo heilvol voor ons allen is; zij zijn als eene geschiedkundige
inleiding tot de lijdensgeschiedenis, eene geleidelijke overgang
tot Jesus\' gevangenneming en vreeslijk lijden. Om eene nog veel
gewichtigere reden meenen wij die gebeurtenissen te moeten
bespreken. Alles wat onze goddelijke Zaligmaker in de laatste
dagen vóór zijn sterven sprak, en werkte, zijne leeringen en won-
derwerken, waren nagenoeg de laatste en tevens de volkomenste
openbaringen, de duidelijkste verklaringen van zijn Messiasschap
en derhalve van zijne goddelijke zending. Mochten wij zóó
spreken, we zouden zeggen, dat Jesus, vóór dat Hij ging lijden
en sterven, zijn ijver als verdubbelde om schitterender en
overtuigender nog dan ooit te voren zijne Godheid en zijne
goddelijke volmaaktheden te leeren en te bewijzen, opdat aan
de ongeloovige Joden zelfs de schijn van eene verontschuldiging
zou ontnomen worden, als zij later tot straf van hun ongeloof
verworpen werden, Den Naam des Vaders te verheerlijken en
Zich zei ven te openbaren aan de menschen— naar dat doel vooral
streefde de Zaligmaker in zijne laatste levensdagen. Toen
vooral zette hij de kroon op zijn leeraarsambt en voltooide
den bouw van dien Tempel der waarheid, welken Hij voor alle
-ocr page 23-
ONZEN HEER JESUS CHRISTTS.
eeuwen oprichtte. Meer dan vroeger nog toonde Hij Zich toen
als den éénig waren Messias en openbaarde zijne goddelijke
Almacht en Wijsheid, zijne oneindige liefde — en dat alles in
een kort bestek van weinige dagen. — Al de opgegevene re-
denen deden ons besluiten om ook die laatste dagen des Za-
ligmakers binnen den kring van onze overwegingen op te ne-
men, al wijken wij daardoor af van de meest algemeen aan-
genomene wijze van behandeling, welke de lijdensgeschiedenis
begint met het uitgaan van Jesus naar den hof van Gethsemani.
Het wonder van Lazarus\' opwekking uit den dood was zóó
groot en schitterend, zóó algemeen bekend geworden, dat de
lichtstralen, welke daaruit over de waarheid van Jesus\' God-
heid en Messiasschap uitschoten, de vrijwillige verblindheid en
het hardnekkig ongeloof der Joden volslagen maakten. Ofschoon
velen, door dat wonder verlicht, hunne oogen voor de waar-
heid openden, sommigen, die ook tot Maria en Martha
gekomen waren en gezien hadden wat Jesus gedaan had,
gingen,
volhardend in hunne ongeloovigheid en daarom met JOESt X1
boos opzet, tot de Pharisacen en zeiden hun, wat Jesus
gedaan had.
Een ieder begreep, welken indruk dit wonder op
het volk maken moest. Vooral de Oversten werden door eene
groote vrees bevangen Dadelijk vergaderden zij met hunne
geestverwanten tot eene algemeene raadszitting. De eerste
vraag, welke ter beantwoording werd voorgesteld, was deze:
wat staat ons te doen, daar deze mensch vele wonderen doet?
Als wij Hem zóó laten begaan, zullen allen in Hem gelooven,
en de Romeinen zullen komen en onze plaats en ons volk
nemen.
                                                                                          JOES IX,
— Betreuren wij hier het hardnekkig ongeloof en tevens den
-ocr page 24-
HET LWBEN EM STEEVï-S VAS
14
duivclachtigen nijd der Joden: zij worden door de waarheid
van onloochenbare feiten gedwongen te erkennen, dat Jesus
vele wonderen verrichtte ter bevestiging van zijne goddelijke
zending, en zij weigeren Hem als Messias te huldigen; daaren-
boven kunnen zij niet dulden, dat anderen in Hem gelooven
/ouden en door dat geloof hun eeuwig heil bewerken; ook moest de
Zaligmaker, ofschoon aan het minste verzet tegen de heerschappij
der Romeinen geheel onschuldig, als een oproermaker worden
voorgesteld, die zich tot een wereldsch vorst wilde opwerpen.
Waartoe kan de boosaardigheid den mcnsch al niet verleiden,
als hij eens de ongelukkige slaaf van zijne lage driften is ge-
worden? Doch nog bedroevender bewijzen zullen wij daarvan
moeten aanhalen. —
Reeds een geruimen tijd hadden de beraadslagingen geduurd,
/onder dat men eene schijnbaar wettige reden vinden kon om
tot de veroordeeling van Jesus te besluiten. Het schijnt ook,
dat de vijandig gezinde Sanhedristen bij de geheime vrienden
des Zaligmakers tegenstand ontmoetten, dat deze laatsten Hem
in bescherming namen en de vijanden tot omzichtigheid dwon-
gen. Eene weifelende besluiteloosheid was daarvan het gevolg.
Waarschijnlijk zal de eene dit, de andere dat, een derde we-
derom iets anders hebben voorgesteld: maar niets van dat alles
kon aan Caiphas, die in zijne hoedanigheid van Hoogepriester
de Voorzitter van den Hoogen raad was en weldra al dat tal-
men moede werd, bevallen Toch moest er een middel ge-
vonden worden om, ware dit mogelijk, Jesus onschadelijk te
maken en Hem het doen van wonderen te beletten, al zou Hij
dan ook voor hunne onredelijke vrees en hun pharizeesch
ongeloof met zijn leven moeten boeten; maar in allen gevalle
moest een schijn van wettigheid hun misdadig opzet bedekken.
-ocr page 25-
ti
ONZEN\' HEEE JESL\'S CHRrSTLS.
Eindelijk neemt Caiphas zelf het woord en aarzelt niet hun
gebrek aan doorzicht en aan overleg, cene volslagene onwetend-
heid te verwijten en hen aldus toe te spreken, gij weet niets,
en gij weet niet, dat het nuttig is, dat één mcnsch sterve
voor het volk en niet de gansche natie te gronde ga.
Hier Joks. XI, 49
bediende zich de Heilige Geest van den huicbelachtigen mond
des Hoogepriesters, van hem die onder alle Joden de hoogste
in waardigheid was, om aan de wereld, welke naar verlossing
hijgde, de troostrijkste en verblijdenste aller waarheden te ver-
kondigen. De h. Joannes verzuimde niet ons op dat goddelijk
oogmerk te wijzen, schrijvende: dit nu zeide hij niet uit zich
zelven; maar a/zoo hij Hoogepriestcr was in dat jaar, prophe-
teerde hij, dat fcsus voor het volk sterven zou, en niet voor het
volk
(de Joden) alleen, maar ook om de verstrooide kinderen
Gods tot één te vergaderen,
om Joden en Heidenen tot ééne
kudde te maken onder éénen Herder. Van dien stond af,
waarop Caiphas zijn God-tergend woord gesproken had, was
dan ook de dood des Zaligmakers besloten en werd aan allen
het bevel gegeven, dat, zoo iemand wist icaar Jesus was, hij
daarvan kennis zoude geven, om Hem gevangen te nemen,
want Joils. XI, 56.
het gevoelen van den Hoogepriester vond bij verreweg het
grootste gedeelte van de raadsleden ingang.
— Begrepen die ongelukkige rechters niet, dat zij zich zelven
in al hunne boosheid ontmaskerden door eerst een vonnis des
doods uit te spreken en daarna den vermeenden schuldige
voor hun rechterstoel te dagen? In zijne afwezigheid werd de
Zaligmaker veroordeeld zonder Hem gelegenheid te geven om
Zich te kunnen verdedigen, terwijl de haat en nijd, tegelijk met
eene verachtelijke v rees van tijdelijke goederen te kunnen ver-
liezen, hier het onrechtvaardigst vonnis velden. Ook wanneer die
-ocr page 26-
16                                              HET r.MDEN EV STERVEN- VAX
booswichten, eenige dagen later, omgekochte getuigen tegen
Jesus lieten optreden, of Hem met een nietswaardig vertoon
van rechtspraak over zijne leer en leerlingen ondervroegen,
was het niets dan huichelarij en schijn, om aan hun reeds ge-
veld vonnis een glimp van wettigheid te kunnen geven. Zijn
ook onze voornemens ter uitvoering van het eene of andere
niet dikwijls van een dergelijk gehalte, zóó dat zij, uit booze
of onedele drift ontsproten, later door schijn-redenen als \'t ware
moeten goed gemaakt worden? Maar zou dit iemand kunnen
baten ter vergoelijking van slechte handelingen? Mogen wij
er op rekenen, dat allerlei verontschuldingen, al worden zij licht»
vaardig opgeworpen of gemakkelijk gevonden, voor den rechter-
stoel van God zullen gelden of ook maar dienen kunnen ter
afwering van verdiende straften? Wie bij het antwoorden op de
gestelde vragen nog twijfelen mocht, hij schenke zijne aandacht
aan hetgeen den Joden overkwam. Zij besloten den Zaligma-
ker om te brengen, omdat anders de Romeinen zouden komen
en volk en stad verdelgen; welnu, zij hebben hun Messias wreed-
aardig vermoord en juist om die gruweldaad te bestraften, zond
God de Romeinen, opdat zij de stad met den grond gelijk en
het eens zoo geliefd volk van God tot een »niet-volk" zou-
den maken. Wel een bewijs, dat God der menschen boosheid,
al laat Hij ze om wijze redenen toe, ten zijnen tijde wreekt en
dikwijls door dezelfde straffen, welke zij door het plegen eener
misdaad meenen te ontkomen. —
Wij laten voor eene wijle de afgunstige Joden hunne geheime
kuiperijen voortzetten en volgen den Zaligmaker op zijne laat-
ste schreden, om op te merken, hoe Hij de nog overige dagen
-ocr page 27-
i:
ONZEN HEER JESI-S CHRISTUS.
van zijn openbaar leven in den dienst des hemelschen Vaders
doorbracht.
Van Bethanie, het vlek waar de uit den dood opgewekte
Lazarus met zijne twee zusters, Martha en Maria woonde,
begaf Zich Jesus met zijne leerlingen naar eene landstreek
nabij de woestijn, waar eene stad, Ephrem geheeten, in
de nabijheid van Bethlehem lag, volgens den H. Hieronvmus,
op twintig mijlen afstands ten noorden van Jerusalem. Daar
verbleef Hij eene wijle. Ofschoon het Evangelie de reden
niet vermeldt, waarom de Verlosser naar die woeste plaats
heentrok, mogen wij toch veilig aannemen, dat Hij derwaarts
ging om het moordplan, door de Joden tegen Hem gesmeed, nog
voor eenige dagen te verijdelen, om aan den haat zijner vijanden
geen nieuw voedsel te geven en om in gebeden en overweging
den tijd af te wachten, welken de Vader voor het begin van
zijn lijden bepaald had. — Aldus leerde Hij ons in alles aan
Gods beschikkingen ons te onderwerpen, ook den gepasten tijd
en de geschikte plaats ter voorbereiding voor ons sterven
te kiezen, opdat wij niet onvoorbereid door den dood over-
vallen worden. Wie ook zal melden, hoe Jesus die dagen
van afzondering doorbracht; welke de overpeinzingen waren,
waarmede Hij, den dood nabij, Zich bezig hield; hoe vurig
Hij voor de zaligheid van alle menschen zal gebeden hebben;
welke gesprekken Hij met zijne leerlingen wisselde; hoe groot
hunne droefheid was, maar ook in welke liefde-ademende be-
woordingen zij door hunnen goddelijken Meester onderricht en
bemoedigd werden?
Niet vele dagen verbleef onze goddelijke Zaligmaker in die
ons onbekende streek; toen het Paaschfeest naderde, trok Hij
over Jericho naar Jerusalem, waar Hij het laatste Paaschfeest
-ocr page 28-
lt>                                              HET LIJDEN EN STERVEN VAN
vieren en weldra lijden en sterven zou. En met zulk eene
vastberadenheid en een zoo snellen gang zette Hij zijne reis
naar de Hoofdstad voort, dat Hij voorging en de Apostelen
Marc. X, 32. verbaasd waren over zijne beslotenheid en moed, waarmede
Hij een zekeren dood te gemoet ging. Wilde Jesus hun op
die wijze toonen, dat Hij, de Almachtige, met vrijen wil den
dood onderging en niet tegen zijnen zin ter dood gesleurd
werd? De leerlingen daarentegen waren bevreesd, verhaalt de
h. Marrus, dat ook zij zelven met Hem gevaar zouden loopen
of wel dat Hij, hun geliefde Meester, in de handen zijner
vijanden zoude vallen. Een prijzenswaardige eerbied belette
hen echter Jesus te verlaten. Zeker zal die vrees nog toege-
nomen zijn, toen Jesus, de Alwetende, de twaalf wederom tot
Zich genomen hebbende hun met schrikwekkende duidelijkheid
begon te zeggen, wat Hem overkomen zou. Zie — aldus
Marc. X, 33. voorspelde Hij — wij gaan op naar Jcrusalem, en de Zoon des
mensehen zal overgeleverd worden aan de Opperpriesters en de
Schriftgeleerden en de Ouderlingen; en zij zullen Hem ter dood
veroordcclcn, en Hem overleveren aan de Heidenen; en zij zullen
Hem bespotten en Hem bespu7oen en Hem geeselen en Hem
Luc.XVIU,i8. dooden. En ten derden dage zal Hij verrijzen. Maar de Apos-
telen — merkt de h. Lucas hierbij aan — verstonden hiervan
niets, en dit woord was voor hen verborgen, en zij begrepen niet
wat gezegd was
— niet alsof zij de beteekenis van Jesus\' \\voor-
den niet vatten of aan de waarheid daarvan twijfelden; maar
hoe Hij, die machtiger dan al zijne vijanden was, een gewei.
digen dood zou oivlergaan, en hoe zulk een smartelijk sterven
overeen te brengen was met zijn Mes>iasschap en met het
stichten van een aardseh koninkrijk, waarvan zij nog altijd
droomden, van dat alles hadden zij evenmin begrip als van de
-ocr page 29-
19
OXZEX HEEK JEZUS CHRISTUS.
verlossing des menschdoms door Jesus\' kruisdood. Aardsge-
zindheid kleefde hun nog aan en maakte hen onbekwaam om
de groote geheimen van Gods Liefde te bevroeden. — Deze on-
deugd toch houdt de oogen des menschen voor de hemelsche
dingen gesloten, om ze alleen op het vergankelijke te richten;
zij verblindt hem in die mate, dat hij elke edele geestdrift naar
hooger doeleinden in zijn hart uitdooft en als een wnrm kruipt
naar het tijdelijke, wat hij soms niet eens bereiken kan, wat hij
althans als zijner hooge bestemming onwaardig moet verachten,
wanneer dit van hem gevorderd wordt. —
Twee der meest bevoorrechte leerlingen des Heeren gaven Matt. XX,2
bij die gelegenheid ons daarvan een afschrikkend voorbeeld.
Het was op denzelfden tocht, dat de Apostelen Joannes en
Jacobus door den mond hunner moeder Salome aan Jesus het
eerzuchtig verzoek deden om in zijn nieuw, en, zooals zij
meenden, aardsch Koninkrijk, hetwelk zij hoopten, dat Hij na zijne
Verrijzenis zou stichten, de eene aan zijne rechter-, de andere
aan de linkerzijde te mogen zitten en alzoo de eereplaats in te
nemen. Dat Jesus\' Koninkrijk niet van deze wereld was, dat
de twaalf tronen, welke Hij hun kort te voren beloofd had,
geene aardsche tronen zouden zijn, konden zij niet begrijpen.
Jesus achtte het echter in zijne hooge Wijsheid raadzaam om
dit verkeerde denkbeeld voor het oogenblik onbesproken te
laten: later als de kracht uit den hooge over hen was neerge-
daald, als de H. Geest hen alle waarheid leerde, dan zouden
zij over den aard van zijn Koninkrijk beter ingelicht, bevatten
hoe onverstandig deze hunne vraag geweest was. Nu gaf Hij
hun alleen te verstaan, dat het toekennen van eereplaatsen
in zijn Rijk geene daad van willekeur of van voorliefde was,
maar dat die verdiend moesten worden door te deelen in zijn
-ocr page 30-
20
IIF.T MJÏIEX EN\' STF.ItVKN* VAN
lijden, en dat zij geschonken werden door zijnen Vader aan die-
genen, wier goede werken Hij van eeuwigheid voorzien had.
En Hij richtte zijn antwoord, niet tot de moeder die gespro-
kcn had, maar tot de twee eerzuchtige leerlingen, dewijl Hij
zeer goed wist, dat het verzoek niet eigenlijk van haar, maar
van hen kwam.
Het kan ons niet verwonderen, dat de overige leerlingen,
toen zij het baatzuchtig verzoek der twee broeders hoor-
den, zeer misnoegd waren. Een ieder van hen zal wel die eerste
plaatsen voor zich zelven gewenscht hebben. Deze veronder-
stelling is geenszins onwaarschijnlijk; al de Apostelen toch waren
toen nog met een valsch begrip omtrent Jesus\' zending behept
en reikhalsden naar eene aardsche grootheid, welke hun nimmer
ten deel zou vallen ; allen verdienden dan ook de terechtwijzing,
welke Hij hun in de volgende woorden gaf: „Gij weet, dat de
„vorsten der Heidenen hen behcerschen, en dat de grooten hunne
„macht oefenen tegen hen,
dat de heidensche machthebbers
„zich kenmerken door heerschzucht. Zóó zal, zóó mag, het
„niet wezen onder u,
die geroepen zijt om de eersten te
„wezen in mijn geestelijk Koninkrijk, waarin heersenen niet an-
„ders is clan zich zelven opofferen voor anderen, dan anderen
„dienen. Wie alzoo onder u groot wil worden, zij uw dienaar;
„en wie onder u de eerste wil zijn, zal uw dienaar wezen;
want
„wie in mijn Rijk wil uitsteken boven anderen, mag niet heersclv
„zuchtig zich boven anderen verheffen, maar moet zich zoo ge-
„dragen, als ware hij aller dienaar. In alles volge hij het
„voorbeeld van den God-mensch, die niet gekomen is om ge-
„diend te worden, maar om te dienen en zijn let\'en te ger>en tot
„een losprijs voor velen."\'\'
-ocr page 31-
2]
O.N\'ZKX HEEB JEN» CHRISTUS.
~ Voor allen, die over anderen moeten of kunnen bevelen, geldt
de bovenvermelde vermaning des Zaligmakers. „In het huis
„van den rechtvaardige, die uit het geloof leeft en nog verre
„is van zijne hemelsche woonstede, dienen ook zij, die bevelen,
„de anderen, over wie zij bevelen. Zij bevelen immers
„niet uit begeerte om te heersenen, maar volgens hun plicht
„om te zorgen, niet uit trotschheid om zich te verheffen, maar
„uit liefde om goed te doen." Aldus de h. Augustinus. Daarom
ook noemt de Paus zich en is inderdaad: dienaar der die-
naren. Wie toch dient anderen meer dan hij, die zijne krach-
ten en vermogens, zijne gezondheid en zijn leven, al de liefde
van zijn hart ten dienste stelt van zijn onderhoorige geloo\\i-
gen? —
Toen Jesus de stad Jericho genaderd Vas, wilde Hij door
een wonder zijner Almacht, door het genezen van lichamelijke
blindheid, aan de verstokte Joden aantoonen, dat Hij, die al
weldoende rondging, de ware geneesheer tier lichamen niet
alleen, maar vooral der zielen was, dat bij Hem slechts het
licht gevonden kon worden, hetwelk allen bestraalt, die in de
duisternis der dwaling en in de schaduw des doods gezeten zijn.
Immers, de wonderen door Jesus ter heeling van lichamelijke
krankheden gewrocht, zijn allen eene zinrijke veraanschouwelijking
van hetgeen Hij wezen zal voor de ziel van diegenen, welke
Hem als hunnen Verlosser erkennen. Het geschiedde dan, toen \\
Jesus JerieJw naderde, dat een zeker blinde aan den weg zat te
bedelen. En hoorendc eene schare
volks voorbijgaan — want meer-
deren hadden zich bij den Zaligmaker aangesloten — vroeg hij,
wat dit was. En men zeide hem, datjesus de Nazarener voorbij
-ocr page 32-
£2
1IKT LIJDEN EN 8TEKVEN VAN\'
ging. En hij riep, zeggende: Jesi/s, Zoon van David, ontferm u
mijner! En die vooraan gingen berispten hem, opdat hij zwijgen
zou. Doch hij riep nog veel meer: Zoon van David, ontferm
u mijner! En Jesus stil staande, beval hem lol Zich te brengen.
En toen hij genaderd w as, vroeg Hij hem, zeggende: wat wilt
gij, dat Ik u doe? Hij nu zeide: Heer! dat ik zien mo^e. En
Jesus zeide hem: wees ziende! uw geloof heeft u gezond gemaakt.
En terstond was hij ziende en volgde Hem, God verheerlijkende..
— Hoe vele onderrichtingen waren voor de Joden, en zijn ook
voor ons, in dit eenvoudig maar treffend verhaal niet opgeslo-
ten! — Jesus gaat lijden en sterven; maar om te bewijzen,
vóór dat Hij zoo diep mogelijk vernederd zal worden,
dat Hij de ware Messias, het éénige heil van allen is, ver-
kondigt Hij ten aanhoore van alle omstanders zijne macht
over de lichamen en zielen. Wat wilt gij, dat Ik u doel zulk
een woord kan, zonder gevaar van iets te moeten weigeren, Hij
alleen uitspreken, die onuitputtelijke schatten van eene godde-
lijke Almacht ten dienste van eene lijdende menschheid kan
stellen. — De vertrouwvolle bede van den blinde bedelaar luidt :
Heere! dat ik zien moge; meer behoefde hij, die het licht der
oogen miste, niet te vragen: alle andere goederen waren, bij dat
gemis, voor hem nutteloos. Ook voor ons sluit dit gebed alles
in; het belder inzicht in Gods waarheden, het levendig geloot
doet op ons alle genaden nederdalen en brengt alle deugden
voort; wie zijn geest van de duisternis der dwaling bevrijdt en
dien gevangen geeft ten dienste van Gods waarheid, zal ook
zijn hart aan de heerschappij der driften ontworstelen. — Het
geloof des blinden maakte hem gezond;
dat zelfde geloof moest
ook de Joden van hunne geestelijke blindheid genezen; doch
zij weigerden en stierven daarom in hunne zonden. Zijn wij
-ocr page 33-
OXZF.X REEB JESUS CHRISTUS.                                               23
wijzer; want wiens geloof door goede werken leeft, hij zal zalig
worden. —
Van gelijke strekking als het voormelde wonder was Jesus\'
bezoek aan Zachëus, den rijken tollenaar. Of de?e een zondaar
was in dien zin, zoo als de Joden gewoonlijk alle tollenaars met
openbare zondaars gelijk stelden en als zoodanigen verachtten,
weten wij niet en het komt ook niet aan ons toe dat te beoor-
deelen. Zeker is het, dat hij reeds veel van Jesus had hooren
spreken; dat niet enkel nieuwsgierigheid, maar eene veel hoo- Lixas XIX,2.
gere beweegreden hem deed verlangen, om den Zaligmaker te
zien en hem niet deed aarzelen een boom te beklimmen,
waardoor hij zich misschien bespottelijk maakte in de oogen
van anderen. Even zeker is het ook, dat hij, toen Jesus
bij hem aan tafel aanzat, zijn boetvaardig gemoed betuigde
en, ware hij soms vroeger tegenover anderen onrechtvaardig
geweest, zich bereid verklaarde niet alleen al het aangedane
onrecht veelvoudig te vergoeden, maar voortaan ook rijkelijk
milddadigheid te oefenen door de helft zijner goederen weg te
schenken aan armen en bchoeftigen. En Jesus van zijnen kant,
ofschoon velen morden, dat Hij bij een zondaar zijn intrek had
genomen, wilde van die gelegenheid gebruik maken om Zich
als den barmhartigen geneesheer te toonen, die ter gene\'ing
van zieken, ter bekeering van zondaars gekomen was, om te
arbeiden aan de zedelijke verheffing èn van zijnen gullen gast-
heer èn van allen, die er bij tegenwoordig waren. Zijn bezoek
bleef dan ook geenszins vruchteloos. De eeuwige waarheid
zelve verkondigde het aan de aanzittenden: heden is aan Loca» XIX,9.
dit huis zaligheid geworden, dewijl ook hij, Zaeheus, een
zoon van Abraham is,
alsof Hij zeggen wilde: „al meent
„gij ook, dat deze Zaeheus een zondaar is, en al zoude uwe
-ocr page 34-
2-i              IIKT LIJJIKN ES STUiVKN VAN\' ONZKN 1IKKR JKSl\'S t\'IIKISTI s.
„meening op waarheid berusten, nu is hij, door mijne komst
,.in zijn huis, er toe gebracht om alle hebzucht, om alle on-
„rechtvaardige praktijken te verzaken en zich als een waren
„afstammeling van Abraham, niet alleen door afkomst maar ook
„door navolging van diens geloof en diens deugden, te toonen.
10. „Want daartoe ben Ik, Je Zoon des mensehen, in de wereld
„gekomen om, gelijk een herder zijn verloren schaap, te zoeken
„en zalig te maken
V geen, vooral van Abrahams kinderen, ver-
gloren was."
— Zouden dezelfde zegeningen Gods ook niet
over ons, bij Jesus\' komst in ons hart, nederdalen, als wij ge-
lijk ZachCus, Hem ontvingen met berouw over onze missla-
gen, met bereidvaardigheid om het anderen aangedane onrecht
te herstellen, met onthechting aan aardsche goederen en met
liefde voor den naaste? — Aanbidden ook wij Hem, die niet
ophoudt op aarde te zoeken en zalig te maken, die verloren
zijn; maar die tevens bewijst, dat Hij de ware, éénige Verlosser
van allen is, nu wij opnieuw mogen zien, dat Hij de goddelijke
Liefde is, die wil, en de oneindige Almacht, die kan helpen.
-ocr page 35-
Hoofdstuk II.
Bethanië; het gastmaal aldaar; verraad van
Judas; raadsvergadering der Joden.
Op Vrijdag vóór Palm-Zondag vinden wij onzen goddelijker!
Zaligmaker wederom te Bethanië, een vlek in de nabijheid van
Jerusalem gelegen. Jesus vertoefde daar gaarne, vooral in de
laatste dagen vóór zijn lijden. Daar toch woonden zijne har-
telijke vrienden Lazarus met diens twee heilige zusters. Nog
anderen hadden daar hun verblijf, die den Zaligmaker bemin-
den en met alle bewijzen van liefdevolle toegenegenheid omring-
den. En het was voor Hem een zoete troost, als hij daar, in
het midden der Zijnen, eenige uren mocht uitrusten van zijnen
vermoeienden arbeid, als Hij in hunne liefdevolle toewijding eenige
verkwikking vond voor de grievendste zielesmart, welke nu
reeds Hem folterde.
Dat huis van Lazarus, hetwelk de nijdige Phariseen en Schrift-
geleerden zoo gaarne ten bodem toe geslecht hadden, bevatte
alzoo het nieuwe Godsrijk binnen zijne muren: Jesus, den Stich-
ter en den Koning daarvan; de Apostelen, de toekomstige ste-
dehouders en plaatsvervangers van den Verlosser; Maria, de
maagdelijke Moeder van Jesus en de geestelijke Moeder van
alle verlosten; eindelijk eene kleine schaar van oprechte en ge»
-ocr page 36-
26
HET LIJDEN EX STERVEN VAX
trouwe geloovigen. Doch hoe zalig allen zich ook gevoelden in
het geselschap van hunnen goddelijken Meester en Vriend, hoe
zalvend de goddelijke leer ook van zijne lippen vloeide, een
bang voorgevoel benauwde hunne harten. Altijd klonken die
onheilspellende woorden van Jesus hun in de ooren, waarmede
Hij zijn naderend lijden en sterven had voorspeld; zij kenden
ook het besluit van den joodschen raad, waardoor Hij ter dood
veroordeeld en zijne uitlevering bevolen was. Zooging de vreugde
over zijn oogenblikkelijk bezit gepaard met het bange voor-
uitlicht Hem weldra te zullen verliezen — twee aandoeningen,
«elke in het hart van eiken Christen moeten gevonden worden:
met volle teugen drinkt het die bovennatuurlijke blijdschap in,
welke het als eene immer vlietende bron vindt in de ge-
nadevolle vereeniging met Jesus; maar het vergeet ook niet,
dat de kostbaarste gave in broze vazen gedragen wordt, en dat
een volgend oogenblik dien band van liefde verbreken en een
goed van onwaardeerbare waarde kan doen verliezen. Waren
aldus allen op heilige wijze droef te moede en welde in menig
oog een traan op over de nabij zijnde scheiding, Jesus\' gelaat
tcekende geene droefheid maar hemelsche zielsvreugde; Hij
wenschte gedoopt te worden met het Doopsel des bloeds; Hij
luisterde niet naar de stem van vleesch of bloed; Hij haakte
naar het lijden, om ons te verlossen.
Mat. xxvi.6. Den volgenden dag bereidde de dankbaarheid van Simon,
den melaatsche, Hem en zijnen leerlingen een groot gastmaal.
Deze Simon was vroeger melaatsen geweest en waarschijnlijk
door den Zaligmaker genezen. Dat overigens van hem weinig
met zekerheid bekend is, blijkt genoegzaam uit deze omstan-
heid, dat eenigen hem den vader, anderen den echtgenoot van
-ocr page 37-
ONZEN HEEK JE8L1 CHSISTUS.                                         27
Martha noemen. Algemeen wordt hij voor een nabestaande
van de twee zusters gehouden. Ook lazarus met zijne twee
zusters waren ter maaltijd genoodigd. De zorg voor de tafel
en de bediening waren aan de bedrijvige Martha overgelaten;
en wij mogen er van overtuigd zijn, dat aan hare nauwlettend-
heid niets ontsnapte, aan haar die reeds bij eene vroegere ge-
legenheid getoond had, dat zij omtrent vele dingen was
bekommerd. De tweede zuster, Maria, (i) had een ander
en nu ook wederom een beter deel voor zich verkozen. Zij,
die den goddelijken Geneesheer der zielen zoo vurig lief had,
aan wie ook vele zonden waren vergeven, omdat zij veel be-
minde, had dit oogenblik afgewacht om aan haren Meester een
nieuw bewijs van liefde en dankbaarheid te geven. Rijk zijnde
en brandend van liefde, vroeg zij zich niet met angstvalligheid
af, hoeveel dat offer haar kosten zou; maar haar hart alleen
raadplegende, wilde zij het allerkostbaarste, wat zij geven kon,
aan Jesus ten offer brengen. Toen dan de gasten aan tafel
gelegen waren — de Oosterlingen namen hun maaltijd liggende
aan eene lange tafel zonder ruggestuk; het hoofd rustte op den
linker arm, terwijl een kussen den rug ondersteunde — kwam
zij binnen met een albasten flesch, welke met kostbaren en wei-
riekenden balsem gevuld was. Zonder schroom en door geen men-
schelijk opzicht teruggehouden, naderde zij de plaats, waar Jesus
aanlag, brak den hals van de flesch en stortte den rijken inhoud
daarvan uit gedeeltelijk over de voeten, gedeeltelijk over het
(i) Prof. Beelen merkt omtrent deze Maria het volgende aan: „Volgens
reen bijna algemeen gevoelen onder de Latijnen, zou deze zondares geene
„andere vrouw geweest zijn dan die, wetke door Luc. VIII, 2 Maria Magdalena
.genoemd wordt, en deze Maria Magdalena dezelfde persoon zijn als Maria,
„de zuster van Martha en Lazarus; doch anders is het gevoelen der Grieksche
..Vaders. De Kerk heeft aangaande dit vraagstuk geene uitspraak gedaan \'\' —
De lezer zal opmerken, dat wij het eerste gevoelen gevolgd hebben.
-ocr page 38-
28
IIKT I.IJDKN\' l.N STKRVKX VAX
hoofd van haren beminden Jesus. De voeten droogde zij ver-
Joan. XII, 3. volgens met hare lange haren af.\' En kostbaar was die balsem,
want de prijs daarvan beliep omstreeks honderd gulden; wei-
riekend ook, want het gclieele huis werd van een aangenamen
geur vervuld.
— Ofschoon het besprenkelen der genoodigden met wei-
riekende wateren, naar de gewoonte van het land, geschiedde
tot een bewijs van eerbied en van bijzondere hoogachting,
moeten wij in die daad van Maria veel meer bewon-
deren: een werk namelijk van het levendigst geloof, van die-
pen eerbied, van vurige liefde, van hartelijke dankbaarheid.
Ook navolgen. Maar hoe zal menigeen vragen? Een ieder kan
aan zijnen Jesus een dergelijk offer brengen, als hij uit vrome
godsvrucht Jesus\' kerken helpt opbouwen, zijne altaren versiert,
den luister der godsdienstige plechtigheden verheft; die lief-
dewerken duiden immers op het huis van Jesus, op zijn H. Sa-
crament, hetwelk daar bewaard wordt; zij zijn de sprekende
bewijzen van een levend en werkdadig geloof, van eene harte-
lijke dankbaarheid voorde overgroote gaven, welke zijne Liefde
ons daar te genieten aanbiedt. —
Helaas! niet allen begrepen die groote liefde-daad van de
bekeerde zondares, zelfs zij niet, van wie wij dit het eerste
mochten verwachten. Wat meer is: sommigen der leerlingen
durfden dat liefdewerk als eene berispenswaardige verkwisting
afkeuren. De leerlingen nu — verhaalt de Evangelist — dit
ziende, namen het zeer kwalijk en zeiden: waartoe dit verlies ?
Want deze
(zalf) l/ad duur verkocht en (het geld dat er
M.vr.xxyt.s. van kwam) aan de armen gegeven kunnen worden. Zóó
dachten en spraken velen. De h. Augustinus meent, dat de
leerlingen die kostbare zalving en diepe eerbiedbewijzing als
-ocr page 39-
ii
OXZFV IIKER JESIS CITRISTfS.
hinderlijk voor de nederigheid van Jesus hielden en uit \\velge-
zinde liefde voor de armen dat eerbetoon liever niet gezien
hadden. In allen gevalle, zij waren toch niet de hoofdschul-
digen. Één van hen, Judas de Iskariother, die Jesus verraden
zou, was de eerste, die openlijk zijne afkeuring durfde uitspre-
ken en door zijn slecht voorbeeld anderen medesleepte. Maar
niet omdat hij zich bekommerde om de armen — zegtdeh.Jo-
annes — zeide hij dit, maar omdat hij een aief was en, daar
hij den buidel had, de drager was van hetgeen daarin gestort
werd. Ware alzoo de zalf verkocht geworden, dan kwam het JoEs, XII, 6.
daarvoor ontvangen geld in zijne handen en kon hij, buiten
weten zijner medeleerlingen, door kleine dieverijen zich lang-
zamerhand verrijken.
— Zouden de leerlingen, toen zij weinige dagen later vernamen,
tot welk een afgrond van zedelijke bedorvenheid hun mede-
Apostel verzonken was, geen bitteren spijt gevoeld hebben, dat
zij zich door hem tot eene lakenswaardige daad lieten mede-
slepen? Zoo verderfelijk werkt een slecht voorbeeld. Maar
ook deze leering is hierin voor ons opgesloten; voorbarige af-
keuring van daden, waarvan het doel en strekking voor ons
verborgen zijn, is altijd te vermijden, al schijnt zij ook op de-
gelijke gronden te berusten. Pijnlijke misleiding is meestal
de eerste, maar welverdiende straf voor die onbezonnen voor-
barigheid. —
De leerlingen hadden zacht genoeg gesproken om door Jesus
niet gehoord te worden. Maar wat kon verborgen blijven voor
den God-mensch, die harten en nieren doorgronde ? Jesus dan,
wétende dat de liefdedaad van Maria door eenigen zijner leer-
lingen werd afgekeurd, en dat Judas de hoofdoorzaak daarvan
was, richtte zijn bestraffend woord tot hen allen, wart den hui-
-ocr page 40-
3(1
HEI LIJDEN SN STERVEN VAN
chelachtigen dief wilde Hij in zijne ontfermende Goedheid nog
sparen, en zeide: waarom doet gij deze vrouw verdriet aan,
want zij heeft,
geen afkeurenswaardig maar, een goed werk
Mat.XXVI.io aan Mij verricht. Waarlijk, wie het liefdevol hart van
den Zaligmaker slechts eenigermate kent, zal zich niet ver-
wonderen, dat het liefdewerk van Maria door Jesus zelven en
wel met kracht werd verdedigd.
Met liefderijke toelating had Jesus den dienst van Maria aan-
genomen, niet zoo zeer om het genoegen, hetwelk daarin voor
Hem was opgesloten; want Hij had reeds nu zijne voeten
aan de nagelen en zijn hoofd aan de doornen als \'t ware prijs
gegeven en verlangde ook in het minste niet Zich zelven te
verkwikken met den aangenamen geur van dien weiriekenden
balsem. Maar Hij had een groot welbehagen in Maria\'s ofter-
vaardigheid èn om de gevoelens van godsdienstige vereering,
waarmede die gebracht, èn om den geschikten tijd, waarop zij
bewezen was. Hare nu van zonden gereinigde ziel brandde van
een heilig liefde-vuur; en als zij reeds, volgens Jesus\'eigene ge-
tuigenis, veel beminde, toen zij in het huis van den PhariseOr kwam
om te weenen over hare misdaden en vergiffenis daarvan af te
smeeken, hoe veel vuriger moest zij niet beminnen, nu al diegroote
schuld haar was vergeven, en zij het schitterende wonder van de
opwekking haars broeders uit het graf gezien en Jesus\' stichtende
woorden aangehoord" en zoo groote gunstbewijzen van Hem
ontvangen had? Ook de tijd, waarop zij haar liefdewerk ver-
richtte, was zoo nabij aan zijn dood, dat hare zalving diende
tot zijne begrafenis, en dat zij Hem nog in zijn leven eene eer
bewees, welke haar niet vergund zou worden Hem, na zijn
dood, te bewijzen. Daarom verhief Jesus haren liefde-dienst
boven dien aan armen verricht, waarvan de Apostelen in deze
-ocr page 41-
.\'il
ON\'/.KV IIFKIt JKSIS CHRISTUS.
omstandigheid een te grooten ophef maakten; armen /.ouden
zij immers — zeide hun de Zaligmaker — altijd bij zich heb-
ben om hun wel te doen, maar niet hun Meester om Hem in
zijn sterfelijk lichaam te vereeren. De Zaligmaker besloot zijne
lofspraak en zijne verdediging van Maria met deze voorspelling:
Voorwaar zeg Ik u: overal, waar dit Evangelie zal verkondigd MAT.XXVI.13
worden, in geheel de \'wereld, zal ook gesproken worden van
hetgeen deze gedaan heeft, tot hare gedachtenis.
— Die voorspelling gaat alle jaren nog opnieuw in vervuU
ling. Wanneer ons in de kerken het Evangelie voorgele-
zen wordt, bewonderen wij in Maria het voorbeeld van eene
dankbare en teeder minnende leerlinge des Heeren. Maar hoe
goed ook is altijd Jesus voor elk soort van hulpbehoevenden!
Eene overspelige vrouw wilde Hij niet veroordeelen en zond
haar weg met de vermaning: zondig niet meer; de Samaritaan-
sche vrouw bekeerde Hij bij de bron van Jacob; aan de Ca-
naneesche vrouw gaf Hij, op hare bede, het herstel van hare
dochter; aan de weduwe van Naim schonk Hij de opstan-
ding van haren gestorven zoon; aan Maria, de beruchte
zondares, gaf Hij eerst vergiffenis van alle zonden, omdat zij
veel beminde, verdedigde haar later tegen het verwijt harer
zuster, en nu hare liefdebewijzen door zijne eigene leerlingen
gehekeld werden, dulde Hij niet, dat daaraan een schijn van
vlek bleef kleven. —
Wij hebben zoo even den ongelukkigen Judas genoemd, den
toekomstigen verrader. Het is hier de aangewezen plaats om
een oogenblik stil te staan en, voor zoo verre dat uit de aan-
merkingen der Evangelisten op te maken is, den voortgang
-ocr page 42-
82
HET LIJDEX ÉN STERVEN
VAN\'
van het kwaad in zijne booze ziel na te sporen — tot een
afschrikkend voorbeeld voor ons allen. Wij leeren daardoor
te gelijk, dat het gastmaal te Bethanië, in verband met de
voorafgegane opwekking van Lazarus en met het opvolgend
verraad van Judas, in elk opzicht bijdraagt tot de groote en
heilvolle ontknooping van Jesus\' lijdensgeschiedenis. Helaas! welk
een overgang. Van Maria, de heilige bekeerlinge, op Judas, den
diep gevallen Apostel; zij, eerst een slecht befaamde, openbare
zondares, bekeert zich en wordt een voorbeeld van boetvaardige
liefde; hij, door den Zaligmaker onder het getal zijner bijzon-
dere vrienden opgenomen, wordt een dief, een ongeloovige, een
verrader, een wanhopige, een zelfmoordenaar en — God weet
het — waarschijnlijk een verdoemde in de hel. Wonderbare,
goddelijke kracht der genade, welke den grootsten zondaar,
mits hij met zijnen wil medewerkt, in een heilige herscheppen
kan; maar ook noodlottige macht der hartstochten, als iemand
daarvan zich slaaf maakt; zij worden, in den beginne zwak,
weldra sterk en sleuren hem allengs, van de eene zonde na de
andere, in een afgrond van zedelijke ellende, waarvan niemand
de diepte peilen kan.
Judas was misschien het laatste door den Zaligmaker tot het
Apostelschap geroepen. Ofschoon hij in den beginne nog geenszins
de afschuwelijke booswicht van later was, schijnt hij toch den
Zaligmaker met geene vrome inzichten, maar met baatzuchtige
bedoelingen gevolgd te zijn. Jesus, voor Wiens Alwetendheid
zelfs de geheimen des harten openbaar zijn, wist het en zal
zeker niet in gebreke gebleven zijn om den leerling, eerst in
het geheim, op den heilloozen hartstocht te wijzen, welke hem
beheerschte, en hem tot eene moedige bestrijding daarvan aan
te sporen. Doch de dringendste vermaningen schijnen op Ju-
-ocr page 43-
83
UN/.F.V HKER JESUS CHRISTUS.
das\' verhard gemoed te zijn afgestooten. Alras hooren wij
de Evangelisten verhalen, dat hij aan dieverijen zich schuldig
maakte. Aan Jesus werden namelijk door de vrome geloovi.
gen ook gaven in geld geofferd, om in zijne behoeften en in
die zijner Apostelen te kunnen voorzien, om ook aan de armen
aalmoezen te kunnen uitdeelen. Het bewaren dier gelden was
aan Judas opgedragen; maar hij maakte een schandelijk mis-
bruik van het hem geschonken vertrouwen en bestal de alge-
meene kas. En zóó slim wist hij zijne onrechtvaardigheden te
bedekken, dat geene argwaan bij zijne mede-Apostelen werd
gaande gemaakt; misschien leefde hij zelfs in den ijdelen
waan, dat zij ook, voor den Zaligmaker onbekend bleven
Dat hij zich hierin deerlijk bedroog, zou hij weldra op
gevoelige wijze moeten ondervinden. Hadden toch de ge-
heime vermaningen van Jesus niet gebaat, de omstandigheden
zouden den Zaligmaker er weldra toe dwingen om hem meer
en meer, ook voor \'t oog der andere Apostelen, te ontmaske-
ren. Dewijl Judas zijn gemoed verhardde en geen blik wilde
slaan in zijn schuldig geweten; dewijl ook de liefdevolle te-
rechtwijzingen en vermanende verwijtingen van zijnen Meester
geen gewillig oor bij hem vonden, werd hij wrevelig en vijandig
tegen Jesus, begon hij diens woorden op verkeerde wijze uit
te leggen, zijne daden te gispen, misschien zelfs zijne wonderen
als bedriegerij voor te stellen. Judas werd langzamerhand een
ongeloovige, een huichelaar. Dat kon, dit mocht de Zaligmaker
niet langer toelaten; dat aanstekend voorbeeld zou op de andere
leerlingen hoogst nadeeliggewerkt hebben. Meer openlijk en met
duidelijkere aanwijzing zou Jesus, al ware het dan ook aanvankelijk
in den beginne althans, in bedekte termen maar voor Judas genoeg-
zaam verstaanbaar, hem als eenonwaardigen Apostel voorstellen.
3
-ocr page 44-
34                                              MET LtfDEX EN STEKVEN VAN
Toen Jesus de eeuwig gedenkwaardige rede gehouden had,
waarin Hij ons zijn Lichaam tot spijs en zijn Bloed tot drank
JoKs VI, 62. beloofde, en velen vit zijne leerlingen, dit gehoord hebbende,
zeiden: dat woord is hard, en wie kan dat aan hoor en ?
was Judas waarschijnlijk de eerste en voorganger van die mor-
renden; toen, van dien tijd af, velen van Jesus\' leerlingen terug-
gingen en niet meer met Hem wandelden,
was dezelfde onge-
lukkige Apostel even waarschijnlijk de aanstoker van dat op-
roerig verzet. Te eerder zijn wij tot die voor Judas verplette»
rende veronderstelling, al staat zij niet vermeld in het Evan-
gelie, gerechtigd, omdat onder andere woorden, welke Jesus bij
die gelegenheid sprak, ook deze waren: er zijn er van 11, die
niet gelooven;
vooral ook om deze reden: nadat Petrus, mee-
nende in de eenvoudigheid zijns harten, dat allen met hem
van hetzelfde gevoelen waren, op de vraag des Zaligmakers:
Joüs VI, 69. wilt ook gij niet heengaan, in naam van allen geantwoord had:
lieer cl tot wien zullen wij gaan? Gij hebt de woorden des
eeuwigen levens; en wij hebben geloofd en erkend, dat Gij sijt
de Christus, de Zoon Gods,
toen hernam Jesus, gewis met diepe
droefheid zijner ziel en op den toon van medelijdenden wee-
moed in zijne stem: heb Ik n niet twaalven uitgekozen? En één
van v is een duivel.
Maar Judas, tot wien dat woord, ter
waarschuwing en ter bedreiging gesproken was, bleef bij den
Zaligmaker, omdat hem anders eene gewenschte gelegenheid
ontsnapte om zich te verrijken.
In dien gemoedstoestand was Judas tegenwoordig bij het
gastmaal te Bethaniü: een listige slang alzoo onder eenvoudige
duiven, een wolf in schaapskleederen. Ware hij een goed
Apostel en oprechte leerling des Heeren geweest, hij zoude
zich verblijd hebben over de godvruchtige stemming van Maria
-ocr page 45-
85
ONZEN IIF.F.R JF.Sl\'S CHRISTI.\'S.
en over de eer aan zijnen goddelijken Meester bewezen. Maar
nu was die liefde-dienst in zijn begeerlijk oog eene schandelijke
verkwisting en moest bezorgdheid voor de armen als voor-
wendsel gebruikt worden om zijn wrevel tegen de boetvaardige
Maria en vooral tegen den Zaligmaker te verbergen. Want al
lang had hij een wrok tegen Hem opgevat, die eerst waar-
schuwde, dan bedreigde, ten laatste zijne bijzondere toegenegen-
heid hem onttrok. En wat er op dat gastmaal tusschen Jesus
en Judas voorviel, was geenszins in staat om den reeds ver af-
gedwaalde tot betere gevoelens terug te brengen. Immers, zijne
begeerlijkheid werd bitter te leur gesteld; Jesus sprak hem
openlijk tegen en verdedigde zelfs die vrouw, welke onrechtvaardig
aangevallen en van verkwisting werd beschuldigd. Het waren
als zoo vele druppelen olie in een brandend vuur geworpen.
In de bitterheid zijns hartens verliet dan ook Judas nu voor goed
het gezelschap zijns Meesters en spoedde zich naar Jerusalem.
Daar zou een rijker buit te halen zijn, daar vond hij, bij de
valsche Joden, genoegzame gelegenheid om al de geledene
teleurstelling en ontvangene verwijten op Jesus te wreken.
Hij wist ook, dat de leden van het Sanhedrin het besluit ge-
nomen hadden den Zaligmaker om te brengen, en dat zij het
bevel uitgevaardigd hadden om hun aan te brengen, waar Jesus
Zich ophield, opdat zij Hem konden gevangen nemen. Waar-
lijk, aan een valschaard, een geldzuchtige en wraakgierige, als
Judas geworden was, kon geen schooner gelegenheid aangebo-
den worden om aan zijne afschuwelijke hartstochten voldoening
te geven. Door Jesus te verraden zou hij zich zelven wreken,
geld verdienen en zich vrienden maken, daarenboven alle gevaar
ontloopen van te deelen in het lot van zijnen Meester en van zijne
mede-Apostelen, als de Joden hunnen haat konden bot vieren
-ocr page 46-
sa
HKT LIJDES EX STERVEN VAN
tegen het onschuldig voorwerp van hunne afgunst en tegen
diens leerlingen. Op die wijze werd het helsche plan van het
afschuwelijkst verraad rij]) in de booze ziel van Judas.
— De h. Pauhis heeft aan zijnen leerling Timotheüs geschreven :
Wie rijk willen worden, vallen in bekoring en in een strik des
duivels en in vele en onnutte begeerlijkheden, die de mensehen in
ondergang en verderf dompelen. Want een wortel van alle
kwaad is de geldzucht, waaroj> sommigen belust zijnde van het
I Tm. VI, 10. geloof zijn afgedwaald en zich in vele smarten gewikkeld hebben.
Hier is elke verklaring overbodig; de geheele geschiedenis
van den rampzaligen Judas geeft ons eene afschuwwekkende
verklaring van deze waarschuwende woorden des Apostels.
Ook wanneer het leven en het treurig einde van den gevallen
Apostel niet luide sprak voor de waarheid van Paulus*
vermaning, de rede alleen zou ons daarvan overtuigen. De
geldzucht verblindt den mensch zóó zeer, dat hij noch het
licht ziet, hetwelk van Gods openbaringen uitstraalt, noch
de helle schittering van schoone voorbeelden, welke zijn oog
op hoogere, onvergankelijke goederen richten, noch zelfs den
beklagenswaardigen toestand, waarin zijne ziel al dieper weg
zinkt; zij verhardt hem in die mate, dat vriendelijke terecht-
wijzingen en gevoelige bestraffingen hem van den weg desverderfs
niet terug brengen; zij verleidt haren slaaf tot alle misdaden,
als slechts de dorst naar goud gestild, de lust naar bezit be-
vredigd wordt. «Een gierigaard — zegt Paus Innocentius III —
«beleedigt God en den naaste en schaadt zich zei ven; aan
«God onthoudt hij, wat hij Hem verschuldigd is; aan den
«naaste weigert hij, wat hij hem moest mededeelen; aan zich
«zelven ontneemt hij, wat hem voordeelig kon zijn; hij is on-
«dankbaar tegenover God, ongevoelig tegenover zijn evenmensch,
-ocr page 47-
37
ONZEX HEER JESUS CHRISTUS.
«wreed tegenover zich zelven." Wat zal het noodlottig einde
van dat alles zijn ? Niets is snoodcr dan geldzucht — zegt de
H. Geest — ivanl zulk een mensch heeft zijne ziel veil. — ecclks. X, to.
Weldra ontmoetten wij Judas te Jerusalem in de zaal, waar
de Hooge raad der Joden vergaderd was. Waarschijnlijk was
het toen reeds Woensdag in de goede week: om het verhaal
van Judas\' daden niet te onderbreken, veroorloven wij ons deze
korte omzetting in de laatste gebeurtenissen van Jesus\' sterfe-
lijk leven; straks vatten wij den draad wederom op, waar wij
dien nu laten liggen.
In hunne vorige raadsvergadering (blz. 13) hadden de Over-
sten der Joden het voorstel van den Hoogepriester, om
Jesus ter dood te brengen, goedgekeurd. De tijd echter
en ook de wijze, waarop aan dat afschuwelijk besluit gevolg
zou gegeven worden, waren niet besproken en een onder-
werp van verdere overweging gebleven. In deze tweede ver-
gadering werden nu die twee punten behandeld en men
besloot: om Jesus door list te vangen en te dooden, maar niet
op het feest, opdat er niet soms oproer kwame onder het
volk.
Deze berekeningen hadden haren grond in eene Mat.XXVI,4.
rechtmatige bevreesdheid voor de talrijke vrienden des
Zaligmakers. Gedurende de Paaschdagen was Jerusalem vol
van allerlei Joden, uit alle streken van Palestina te zamen
gestroomd. Ook GalileCrs, bij wie Jesus in hoog aanzien
stond, zouden in groot getal aanwezig zijn. Onder hen had
Jesus het meest gepredikt en zijne goddelijke Almacht door de
schitterendste wonderen geopenbaard. Te recht moesten daar-
om de huichelachtige Joden beducht zijn, niet alleen dat die
vrienden des Zaligmakers tot een oproer zouden overslaan,
als zijn gevangen-neming hun ter oore kwam, maar ook
-ocr page 48-
38
IIKT LIJDEN EN STERVEN VAN
dat zij hunnen beminden Weldoener uit de handen zijner
vijanden zouden verlossen. Daarom liever gewacht, al
koste dit ook veel aan hunnen vinnigen haat; daarom ook
liever met list te werk gegaan, al zouden zij daarom den
gehaten Jesus van NTazareth aan mindere bespotting bloot geven-
Eerst dan, als al de vreemdelingen huiswaarts teruggekeerd
waren, en de stad haren stillen, gewonen toestand had herkre-
gen, konden zij hun verraderlijk plan gemakkelijker en zeker-
der, ook met hoop op beter gevolg, ten uitvoer leggen. Aldus
hadden zij, die valsche huichelaars, hunne voornemens vast-
gestüjd en hunne berekeningen gemaakt. Doch geheel onver-
wachts, zonder dat zij o > zulk eene gunstige gelegenheid ter vol-
voering hunner plannen durfden hopen, deed zich eene omstan-
digheid voor, welke hen geheel en al van besluit deed ver-
14 anderen. Judas ging tot hen en zcide: wat wilt gij mij
green, en ik zal Hem u overleveren.
Zulk een aanbod konden
zij, in hun haat tegen Jesus, niet afslaan; het bood hun eene
al te gewenschte gelegenheid aan, om zoo spoedig mogelijk
zich van Jesus te ontdoen; daarom dan ook liever hunne oor-
spronkelijke plannen gewijzigd dan den verrader af te wijzen.
Alle middelen immers waren goed, als deze hen slechts hielpen
om hun haat op Jesus te koelen. En zij beloofden hem der-
tig zilverlingen
— het gewone bloedgeld voor een gedooden
slaaf. Was het gierigheid of diepe verachting voor den geha-
ten Zaligmaker, welke den hoogen raad bewoog om zulk een
geringe som voor Jesus te bieden? Wij weten het niet. In
allen gevalle bewijst het aannemen van zulk een aanbod door
Judas voor zijne afschuwelijke hebzucht en voor de ontzettende
verblindheid van den gevallen Apostel. En van toen af zoeht
Judas eene goede gelegenheid om Jesus over te leveren.
-ocr page 49-
30
OMZEN\' HEER JESL\'S CIIIIISÏUS.
— Eene gewichtige opmerking moeten wij hier ter verklaring
in \'t midden brengen. Niet de Joden, maar Jesus alleen be-
stemde het oogenblik, waarop het tegen Hem beraamde plan
gelukken zou. Eerst hadden de Oversten besloten den Zalig-
maker na den afloop van de Paasch-feesten gevangen te nemen;
Jesus integendeel voorspelde, of daags vóór de besprokene ver-
gadering of op den morgen van dien zelfden dag, waarop zij
hunne laatste voornemens maakten, dat Hij op het aanstaande
Paaschfeest zou gekruisigd worden. Ook het doemwaardig aan-
bod van Judas was geenszins de oorzaak, dat het gevangen ne-
men des Zaligmakers eenige dagen vervroegd werd. Die men-
schen mochten het hoc en wanneer wikken en wegen; zij mochten
beslissen, of zij door list of geweld, heimelijk of in \'t openbaar,
volgens eigendunkelijk verwrongen regels van een of ander rechts*
titel of onder andere voorwendsels, of nu of later den Zaligmaker
wilden gevangen nemen — al hunne raadsbesluiten waren machte-
loos tegen het besluit Gods: huns ondanks werden zij, toen zij
hun boos en gruwelijk opzet volvoerden, de blinde werktuigen
ter vervulling van de profetie van Jesus. Hij, die opgeofferd
is geworden, omdat Hij zelf het wilde, bepaalde den tijd van
zijn sterven en koos dier. dood, welken Hij voor zijne liefde-
rijke doeleinden het meest gepast oordeelde. Hierin ligt echter in
geenen deele eene verontschuldiging voor die ongelukkige Joden
opgesloten: evenmin als de Alwetenheid Gods aan de hande-
lingen der menschen het kenmerk van hare vrijwilligheid ont-
neemt, evenmin zal de misdadiger verschoond kunnen worden,
omdat zijne gruweldaad door Gods Alwetendheid is voorzien.
Zij is en blijft het uitvloeisel van zijnen vrijen maar boozen
wil, en daarom strafwaardig. •—
-ocr page 50-
Hoofdstuk III.
tTesus\' intocht te Jerusalem. Hij weent
over de stad.
Den nacht, welke op het gastmaal in het gastvrije huis van
Simon den melaatsche gehouden volgde, bracht Jesus te Bet-
hanie door. Den volgenden dag, Zondag volgens onze week-
verdeeling, begaf Hij Zich naar Jerusalem, maar op eene geheel
andere wijze dan Hij voorheen altijd gedaan had. Bij herha-
ling bezocht Hij die stad, verkondigde daar de hemelsche waar-
heid, berispte de huichelarij der Phariseen en beschaamde de
kwaadwilligheid der SadduceCn, wrochtte ook daar vele wonde-
ren ter bevestiging zijner leer en zijner goddelijke zending. Toch
was zijn geheele leven tot dus verre een leven van armoede en
van nederigheid geweest, en konden de Joden niets in Hem
ontdekken van dien uitwendigen praal en aardsehen luister,
waarmede zij zoo gaarne hunnen Messias omkleed hadden ge-
zien; met opzet had Jesus tot dusverre ook vermeden Zich door
het volk als den Messias te laten uitroepen. Nu echter, nu zijn
dood nabij was, wilde Hij in plechtstatigen optocht zijne Hoofd-
stad binnentrekken, niet alleen om aan de Joden te toonen,
dat Hij hunne aanslagen niet vreesde, en dat Hij alleen den tijd
en het uur bepaalde, waarop zij hunne plannen tegen Hem
-ocr page 51-
HET LIJDEN KX STERVEN VAN                                              41
mochten ten uitvoer leggen, doch vooral om Zich door de ware
Israëlieten als den voor eeuwen beloofden Messiis openlijk te
doen erkennen en huldigen tot eene getuigenis tegen hen, die
Mem in hun hardnekkig ongeloof verwierpen. Blijken moest
het ook duidelijk en overtuigend, dat al de vóórafbeeldingen,
al de profetien, tot in alle bijzonderheden, in Hem alleen ver-
vuld werden, en dat de vervulling daarvan Hem als den waren
Messias als met den vinger aanwees. Vier dagen vóór het
Paaschfeest moest het paaschlam in plechtigen optocht uit Bet-
phage de stad Jerusalem binnen geleid worden : ook onze goddc-
lijke Zaligmaker, het ware Paaschlam, dat wegneemt de zonden
der wereld, en dat tot verlossing van allen uit de slavernij des dui-
vels geslachtofferd zou worden, wilde vier dagen vóór zijn dood
van Bethphage uit zijn plechtige intrede in Jerusilem houden.
Het was ook omstreeks vijf eeuwen geleden, dat de Profeet Za-
charias den zegepralenden intocht van Jesus voorspellende,
tot Jerusalem gezegd had: Verheug u zeer, dochter van Zach
Stort/ juich, dochter van Jerusalem ! Zie, uw Koning komt tot u,
de Rechtvaardige, de Heiland, arm en rijdende op eene ezelin! en
(en
staat hier in de beteekenis van namelijk) op het veulen, het
jong eener ezelin.
Maar — vergeten we niet dit op te merken :
— die plechtige optocht van den Koning-Messias mocht niets
van Koninklijke pracht hebben, niets van hetgeen het oog
door uitwendigen glans bekoren of boeien kan; nederig in
zijne geboorte, arm in zijn leven, met schande overladen in
zijn sterven, wilde Jesus ook bij deze gelegenheid geen uiterlijk
wereldsch praalvertoon; in zijne uiterlijke verschijning alleen
moesten de Joden eene aanduiding vinden van hetgeen zijne
onovertroffen waardigheid vorderde: slechts moesten zij eene
afbeelding aanschouwen van de toekomstige inrichting des mes-
-ocr page 52-
42                                               ONZEN HEER JESUS CHRISTUS.
sianischen Rijks in zijne heerlijkheid. Daarom trok Jesus wel
als Koning zijne Hoofdstad Jerusalem binnen, om van dat mid-
denpunt van den joodschen Godsdienst, van die afschaduwing
van het hemelsch Sion, bezit te nemen, doch ook hier liet Hij in
het nederige en in het armoedige van den optocht de tegenstelling
van zijn Rijk met de rijken dezer aarde duidelijk uitkomen:
het eenigste wat Hij toeliet, het waren de liefdebewijzen van
eene Hem aanhangende menigte, de hartelijke dankbaarheid van
hen, die Hij met weldaden overladen had, en straks de loflie-
deren van hen, in wier mond geen bedrog gevonden werd. —
Geene vereering immers is God aangenamer dan die van een
levendig geloof, van vurige liefde, van eene welgemeende dank-
baarheid, al kunnen deze gevoelens van geene rijke offers of
van stoffelijke gaven vergezeld gaan. —
Toen de Zaligmaker Bethaniö verlaten en een ander vlek,
Betphage, dat aan de helling van den Olijfberg en ongeveer
op een half uur afstands van Jerusalem gelegen was, bijna be-
reikt had, zond Hij twee zijner leerlingen daarheen en gaf hun
Matt.XXI,2 dit bevel; gaat t/aar hel dorp, dat tegenover ligt, en terstond
zult gij vinden eene ezelin, welke vastgebonden is, en een veulen.
bij haar; maakt ze los en brengt ze bij Mij; en als iemand u
iets mocht zeggen, zoo spreekt: de Heer heeft ze van tioode; en
hij zal ze terstond laten volgen.
De twee leerlingen deden wat hun bevolen was, en brachten
weldra de verlangde dieren bij hunnen Meester. Ofschoon Je-
sus hun zijne bedoeling niet scheen bekend gemaakt te hebben,
begrepen de leerlingen al ras, welk gebruik hun Meester van
die dieren wilde maken. Zij ontdeden zich daarom van hunne
opperkleederen en spreidden die bij wijze van een zadeldek
over de ezelin en haar veulen uit, niet wetende, op welk der
-ocr page 53-
43
HET LIJUEX EX SIEKVEN VAX
twee lastdieren de Zaligmaker zou gaan zitten. Hij koos het
veulen, waarop nog geen mensch gezeten had en waarvan aldus
de eerste dienst, gelijk het behoorlijk was, den Heilige gewijd
werd. Zóó werd de profetie van Zacharias in den letterlijken
zin vervuld: de ware, wettige Koning, uit het geslacht van Di-
vid afstammende, door voorspellingen beloofd en lang verwacht,
kwam als de Rechtvaardige om alle volkeren te heiligen en
zalig te maken, als de Zachtmoedige, die met geen wreed ge-
weld zal heersenen maar door liefde winnen. Zelfs het nog
ongebruikte veulen moest door zijne zachtere geaardheid den
Vorst des vredes aanduiden, terwijl de ezelin werd mede:
genomen, alleen opdat het veulen zonder tegenkanting zou
voortgaan.
Langzaam en statig reed Jesus den weg op naar Davids konings-
stad. De mare van zijnen optocht was Hem reeds vooruitge^
gaan en had vele Joden uitgelokt, om zich bij den stoet aan te
sluiten, zóódat de menigte, welke den Zaligmaker begeleidde,
al meer en meer aangroeide. En velen waren zij die, met
vrome gevoelens bezield, Hem ter eere den weg medemaak-
ten. Eene schare was Hem van Bethaniö uit gevolgd; eene
andere kwam Hem uit Jerusalem te gemoet en deze laatste be-
stond grootendeels uit die Joden, welke uit verschillende stre-
ken naar Jerusalem samengekomen waren om de Paasch-feesten
te vieren. Hoogst waarschijnlijk zullen de meesten hunner Ga-
lileers geweest zijn, die op bijzondere wijze aan den Zaligmaker
gehecht waren, omdat Hij in hun land zoo langen tijd rond-
gevvandeld en zoo vele en groote weldaden uitgedeeld had,
maar die, wijl hun het schitterend wonder van Lazarus\' op-
wekking zeker verhaald was, nu van nieuwe geestdrift voor
den Weldoener bij uitnemendheid blaakten en te vuriger ver-
-ocr page 54-
44
O.VZEN IIKER JKSl\'3 CFIRISTUS,
langden Jesus nog eenmaal te mogen zien. En omdat de liefdevolle
dankbaarheid alle middelen te baat neemt om zich in daden te
uiten, grepen zij met gretigheid de gelegenheid aan, welke een
Oostersch gebruik hun aanbood. Het was namelijk in het Oosten
eene aangenomene gewoonte om, als vorstelijke personen hunne
plechtige intrede in eene stad deden, den weg, dien zij
namen, aan beide zijden met kostbare tapijten te bedekken en
met bloemen te bestrooien: midden tusschen die versieringen
werd dan een genoegzaam breede weg open gelaten, waarover
de vorst met zijn gevolg zich kon bewegen. Wat zij, die vrome
\'en dankbare leerlingen des Heeren, in deze omstandigheden
konden, dat wilden zij ook zoo goed mogelijk volbrengen.
Jesus was voor hen de Koning, de Messias, die zijne Hoofdstad
zegevierend binnentrad. Hun plicht eischte dan ook, meenden
zij terecht, dat zij dien intocht zoo luisterrijk mogelijk moesten
m iken. In plaats van tapijten spreidden zij hunne kleedcrcn
uit op den weg,
in plaats van bloemen te strooien sneden zij
takken van de booinen,
waarschijnlijk van palm- en olijf boomen,
att. XXI, 8, en strooiden ze oJ> den weg. Nog was dit niet genoeg voor hun
minnend hart; ook lofliederen moesten hun Koning toegezon-
gen worden; en de lucht weergalmt weldra, en de omliggende
bergen herhalen den weerklank van de jubelzangen uit de
juichende menigte opstijgende: Hosanna den zoon van David,
Hosanna in den hooge!
dat is : heil den Zone Davids, en dat ook
de hemelsche Geesten Hem toejuichen: Gezegend Hij, die
komt in den naam des Heeren, de Koning Tsraels.
— Ook wij zingen den Zaligmaker, vóórdat Hij in de H. Mis
onder de gedaante van brood en wijn op het altaar tegenwoor-
dig komt, denzelfden lofzang te gemoet, om Hem bij zijne na-
dering te begroeten en als onzen God en • Verlosser te huldi-
-ocr page 55-
45
HET LIJDEN\' EN STERVEN VAN
gen. Moge het altijd zijn met dezelfde godvruchtige gevoelens,
als waarmee het van vreugde opgetogen volk jubelde! Wien
anders toch clan Jesus, den Zoon van David, geldt die lofzang,
welke aan het einde der Praefatie wordt aangeheven: Heilig,
Heilig, Heilig, de Heer, God Sabaoth! De Hemelen en de aarde
zijn vol van moe glorie. Hosanna in denhooge! Gezegend Hij,
die komt in den naam des TTeeren. Hosanna in den hooge!
—
Die kortstondige vreugde, welke door een dankbaar volk
aan Jesus was bereid, moest evenwel gestoord worden door
den vinnigen haat van zijne bittere vijanden. Onder die jui-
chende scharen, welke den Zaligmaker vergezelden, bevonden
zich ook PhariseCn; maar met vijandelijke gevoelens tegen Jesus
en zijne leerlingen hadden zij zich onder het volk gemengd. Zij
konden het ook niet verkroppen, dat Jesus, Wiens dood zij reeds
besloten hadden, nog in de laatste dagen zijns levens door hunne
beter gezinde stamgenooten uitbundig werd toegejuicht en openlijk
als Messias erkend. Zelfs dre ven eenigen hunner, die den Zalig-
maker het dichtst nabij waren, de onbeschaamdheid zóó ver,
dat zij Hem voorstelden: Meester!berisp uwe leerlingen; zelven Luc. XIX,40
die jubelzangen niet durvende tegengaan, wilden zij, dat Jesus
aan die scharen, welke Hem eene in hun afgunstig oog onge-
paste hulde brachten, het stilzwijgen zoude opleggen. Tot die
mate kan de nijd den mensch verblinden, dat hij niet alleen
gekweld wordt bij het gemis van hetgeen hij voor zich zelven
wenscht, maar dat hij ook wangunstig neerziet op hetgeen een
ander te beurt valt en het gaarne, zoo hij kon, zou verijdelen.
Maar de nijd is altijd zijn eigen strafrechter. Dit zien wij ook
hier bewaarheid. Op gevoelige wijze werden die vzlsche Jo-
den door Jesus te terecht gewezen en beliepen zelven de be»
-ocr page 56-
IC
ONZEN\' IIF.EIt JFSPS CHRISTUS.
straffing, welke zij anderen hadden toegedacht: ,,//• zeg u —
antwoordde Jesus hun — indien, dezen zwijgen, zullen de steenen
roepen.
Door dit spreekwoordelijk gezegde wilde Hij hun te
kennen geven: „Ik ben de ware Messias; Ik moet door mijn
..volk als zoodanig erkend worden, en uwe tegenkanting zal aan
..Gods besluit geen afbreuk kunnen doen; en al mocht gij ook
„door uw weerspannig ongeloof eenigen van deze menigte tot
„verwerping van Mij verleiden, uwe schuld zal daarom te zwaar-
,.der zijn, maar mijn Rijk zal Ik toch vestigen tot in alle eeu-
,,wigheid. God is daarenboven machtig, om uit steenen zelfs
„andere, geloovige kinderen van Abraham te verwekken."
Ondertusschen was de stoet met Jesus in het midden op de
kruin van den Olijfberg gekomen. Van daar kon de Zalig-
maker de stad, welke nu in hare geheele uitgestrektheid aan
zijne voeten lag, overzien. De aanblik van het ongelukkige
Jerusalem vervulde zijn hart met diep medelijden. Toen Hij
nabij kwam
— verhaalt ons de Evangelist — en de stad
4i, zag, weende Hij over haar, terwijl Hij van den eenen
kant hare ondankbaarheid en verstokte hardnekkigheid, van
den anderen kant de overgrootheid van de haar wachtende
straffen overdacht. Zij wilde Hem niet als haren Verlosser
erkennen, en na vijf dagen zou zij Hem ten kruisdood ver-
oordeelen, maar daardoor ook het vonnis harer eigene ver-
delging uitspreken. Die moordkreten, welke zij alsdan te-
gen Hem zoude aanheffen, hoorde Hij nu reeds, maar zij
zouden ook om wraak roepen ten Hemel tegen die even
wreede als Godtergende huichelaars. En toch, hoe innig
had Hij die stad lief gehad; boe \\*urig haar geluk en hare
zaligheid verlangd? Gelijk eene hen hare kiekens onder
hare vleugelen vergadert, had Jesus hare inwoners onder
-ocr page 57-
47
IIKT LIJDEN EN STERVEN\' VAN
zijn vaderlijk bestuur lot eenc kudde willen verzamelen,
maar /.ij had niet gewild. Door leering en wonderwerken had
Hij getracht haar te overtuigen, dat Hij de Messias was:
maar hoorende wilde zij niet luisteren, ziende wilde zij blind
zijn, en vreeselijke straften voor hare vrijwillige verblindheid
zouden weldra, als de wrekende gerechtigheid Gods, over haar
neder komen. Dat alles stond Jesus op dat oogenblik levendig
voor den geest — en Hij weende]
Zoo openbaarde zich ook nu, op treffende en aandoenlijke wijze,
de goddelijke Goedertierenheid jegens het weerbarstig Israël. Jesus
weende, te midden van die juichende scharen, uit een diep gevoel
van medelijden met die ongelukkigen en toonde alzoo, dat het heil
van die stad Hem nader aan het hart lag dan alle eerbewij-
zingen, welke Hem zoo kwistig werden gegeven; Hij weende
over de zonde van Jerusalem en over den naderenden val van
die rampzalige stad; Hij weende over de onboetvaardigheid van
zijn uitverkoren volk, dat door de verwerping van hunnen Mes-
sias, zich vrijwillig uitsloot van het heil, hetwelk zich zoude
uitstrekken tot al de volkeren der aarde. Met de tranen van
Liefde en van diep mededoogen in de oogen, stortte Hij den
vurigsten wensch zijns harten uit: indien gij ook erkendet, toch
nog op dezen dai?, wat tot muen vrede dient
„mocht gij, tot
„op dezen dag weigerachtig, nu eindelijk in deze voor u be-
„slissende dagen, nu de hemelsche Vader nog met de oogen
„van Barmhartigheid op u nederziet en Mij, zijnen éénigen
„Zoon, als den Vorst des vredes, ter uwer verzoening en ter
„uwer zaligheid, tot u zendt, mocht gij nu nog inzien, wat voor
„u heilzaam is; dan waart gij door uw geloof in Mij als den be-
„loofden Messias voor den ondergang bevrijd. Maar, helaas!
„het is geheel anders met u gesteld: gij zult Mij niet als uwen
-ocr page 58-
48
ONZF.V HEER JESI\'S CHRISTUS.
„Messias erkennen, integendeel Mij verwerpen; wat u ten heil
„verstrekt, blijft voor u verborgen, niet omdat het u niet ver-
„kondigd werd, maar omdat gij vrijwillig uwe oogen voor het
Lee. XIX, 4a. »,licht der waarheid sloot. Zwaar en verschrikkelijk zullen dan
„ook de straften zijn, welke u zullen treffen" want er zullen
dagen over 11 komen, dat de vijanden u niet een wal zullen om-
geven en u omsingelen en 11 benauwen van alle kanten; en zij
zullen 1/ lot den grond loc verdelgen, en uwe kinderen in 11, en
niet cenen steen zullen zij in u op den anderen laten, omdat gij
den tijd uwer bezoeking niet erkend hebt.
— Ook deze voorspelling van Jesus is in al hare verschrikkelijke
bijzonderheden vervuld geworden. Ruim veertig jaren later werd
Jerusalem door den romcinschen veldheer Titus ingenomen, uitge-
moord en verwoest. Maar wie onzer leest in die voorzegging niet
het beklagenswaardig lot van eiken verharden zondaar, of liever:
wie onzer moet, als hij aan zijne vele zonden en aan zijne wei-
nige boetvaardigheid denkt, zich niet door hevigen angst voe-
len aangegrepen, bij het hooren van die bedreigingen Gods?
Jesus weent over de zonden van zijn ongelukkig volk, en onze
oogen blijven droog bij het herdenken onzer misdaden; Hij stort
tranen, als Hij denkt aan de tijdelijke straffen, welke over die
zondaars zullen komen, en ons hart krimpt niet in een van
schrik, als wij hooren gewagen van de eeuwige straffen der
zonde, waarvan die genoemde straffen der Joden niets meer
waren dan eene flauwe afschaduwing? Worden wij dan niet be-
wogen ter oprechte bekeering, noch door Jesus\' Liefde, noch
door het ons dreigend ongeluk? Leest toch gij, Christenen! in
die tranen van den God-mensch en het ongeluk der onboet-
vaardigheid èn de wanorde der driften èn de boosheid der zonde,
maar vóór alles leest daarin de medelijdende Liefde van Jesus
-ocr page 59-
HET I.IJDKV KS REBVEH VAV -                                          49
Christus ook voor verharde zondaars; leest daarin, hoe innig
Hij alle menseben lief heeft en hoe smartelijk voor Hem de
ondergang der zondaren is; leest daarin ook deze bede tot u
gericht: „spaart Mij de grievende smart u te moeten veroor-
,,deelen, want gij ziet, hoezeer Ik u bemin." •—• De tijd van
barmhartigheid en van beproeving is voor ons nog niet gesloten,
maar wie weet hoe spoedig die beslissende oogenblikken voor
ons zullen voorbij zijn, waarin wij door eene vrije medewerking
met Gods genade ons kunnen verzekeren, wat ons tot vrede
strekt, tot heil en tot zaligheid. Laten wij daarom nu met den
Zaligmaker in de oprechtheid van een vermorzeld hart weenen
over onze zonden, om later, na uit het graf der zonden te zijn
opgestaan, met Hem ons te kunnen verblijden. Zalig immers noemt
Jesus allen, die treuren, omdat zij eens zullen getroost worden.
Toen onze goddelijke Zaligmaker Jcrusakm was binnen Mat. XXI, 10.
gekomen, geraakte de gotische stad in beweging, en van alle
zijden stroomde eene menigte volks naar den tempel,
waarheen Jesus, altijd nog door de juichende scharen verge-
zeld, heentrok. Doch niet allen, zelfs de meesten niet, waren
zoo goed voor Hem gezind als de getrouwe Galileers, van
wie wij boven zoo schoone voorbeelden van hartelijke toege
negenheid mochten opmerken. Op verschillende wijzen gaven
allen blijk van hetgeen zij voor Jesus gevoelden. Dat de nij.
dige Phariseen de juichende menigte in hun hart verfoeiden
en met bittere spijt de eerbewijzingen aanschouwden, welke
den Zaligmaker bewezen werden, kan ons geenszins be\\ieem-
den: zij haatten Hem; en toch, nadat zij reeds tot zijn dood
besloten en het bevel gegeven hadden om hun aan te wijzen,
waar Jesus Zich ophield, moesten zij het aanhooren, dat zoo-
4
-ocr page 60-
5U
ONZEX HEER JESUS CHEISTL\'S.
velen Hem als den verwachten Messias huldigden, het aanzien,
dat Hij als een Koning de Hoofdstad doortrok en ongedeerd
niet alleen, maar ook hoog vereerd en luide toegejuicht naar den
tempel opging als om bezit te nemen van zijn Rijk. En nie-
mand werd er gevonden, die hun den Zaligmaker overleverde;
en zij zelven durfden de handen aan Hem niet slaan uit vrees
voor hetzelfde volk, dat zij tegen den Zaligmaker hadden op-
geruid. Waarlijk, zij konden met alle recht maar ook ter
oes. XII, 19. hunne beschaming tot elkander zeggen: merkt gij wel, dat
wij niets vorderen? zie de heele wereld is Hem nageloopen.
Hadden zij willen zien, zij zouden begrepen hebben, dat
de grimmigste haat altijd machteloos was tegen de onver-
stoorbare kalmte van den God-mensch, die tijd en plaats voor
de macht der hel bepaalde en door zijnen almachtigen wil al-
leen de felste woede zijner vijanden, als Hij zulks verkoos, tot
machteloosheid veroordeelde. Zoo toonde Jcsus, dat Hij waar-
lijk God was, door zijn plechtigen intocht ondanks zijne bitter-
ste vervolgers gehouden, door de tranen zijner goddelijke Goe-
dertierenheid over hunne hardnekkige boosheid gestort, door
ook nu wederom midden door zijne vijanden heen te gaan.
Nog anderen legden van hunne vijandige gezindheid jegens
Mat. XXI 10. den Zaligmaker getuigenis af door te vragen: wie is deze.
Geene prijzenswaardige nieuwsgierigheid legde hun die vraag
in den mond, minder nog onwetendheid, want zij wisten
zeer goed, wie Hij was, die in plechtigen optocht door
de straten van Jerusalem reed; maar diepe verachting, trotsche
opgeblazenheid uitten zich in die minachtende vraag. Evenwel
wilde Jesus zelf niet op hunne bedekte beleediging antwoorden.
Die anderen, welke juichend en zingend Hem begeleidden,
moesten ook tegenover zijne vijanden Hem verdedigen. En
-ocr page 61-
SI
HET MJDF.V EX STERVEN VAN
bereidwillig en uit ware hoogachting zonder door een verach-
telijk menschelijk opzicht, zonder door laffe vrees voor ande-
ren zich te laten terug houden, beleden zij hun geloof\'en er-
kenden openlijk Jesus voor den beloofden Messias, zeggende;
deze is Jesus, de Pro/eet van Nazareth in Galile\'a,
— Waarlijk een treffend voorbeeld voor ons allen om, in alle
omstandigheden, ook in de tegenwoordigheid van spotters met
onzen heiligen Godsdienst, onze geloofsovertuiging niet te verza-
ken maar onverschrokken, waar omstandigheden het eischen,
Jesus en zijne leer te belijden. Wie Hem toch voor de men-
schen zullen beleden hebben, die zal Hij ook, als zijne ware
leerlingen, belijden voor zijnen hemelschen Vader. —
Des avonds van denzelfden dag keerde Jesus in stilte met
zijne leerlingen naar Bethanie terug en bracht hoogst\\vaarschijn-
lijk den nacht door in de gastvrije woning van Lazarus en diens
zusters. Tot dat zijn uur gekomen was, wilde Hij liever des
nachts de vervolging zijner vijanden ontwijken en, wanneer de
verkondiging van de goddelijke waarheid het niet noodig maakte,
hen nog niet meer verbitteren. Denken wij echter niet, dat
onze Zaligmaker al de uren van den nacht in rust zal
hebben doorgebracht. Hij, die zoo menigmaal dien langen tijd
aan waken en bidden besteedde, zal zeker in die dagen
van voorbereiding tot zijn naderenden kruisdood de prediking
van Gods woord gedurende den dag hebben doen volgen door
een langdurig gebed in den nacht. Of was de geheele inhoud
van Jesus\' leven tot aan zijn lijden toe niet: werken en leeren
ter onderrichting van de Joden, bidden voor hunne bekeering,
weenen over hunne verblindheid?
-ocr page 62-
Hoofdstuk IV.
De Vijgenboom. De reiniging des tempels.\'
Eiken dag, na zijne zegevierende intrede in Jerusalem, trok
Jesus des avonds naar Bethanie en des morgens wederom naar
den tempel, om aan het volk zijne laatste vermaningen en leeringen
voor te houden. Het was nu Maandag morgen en nog vroeg,
toen Hij naar Jerusalem ging. Denkelijk had Hij nog niets
genuttigd, althans Hij had honger. En daar Hij een vijgen-
boom zag aan den weg, kwam Hij naar hem toe; en Hij vond
niets daaraan dan bladeren alleen ; en Hij zegt lot hem: nooit
in eeuwigheid kome eene vrucht van u voort. En terstond
verdorde de vijgenboom.
Deze handelwijze van den goddelijken
Leermeester zou voor ons kortzichtig verstand moeielijk te verkla-
ren zijn, als wij bij den letter van het woord staan bleven en
vergaten, dat het oordeel, door den Zaligmaker over dien boom
uitgesproken en ook dadelijk toegepast, een veel dieperen zin
heeft. Vooreest zij dit opgemerkt: in het Oosten plantte men
den vijgenboom bij voorkeur aan den openbaren weg, omdat
het opgejaagde stof bevordelijk werd geacht voor het ontwik-
kelen en het rijpen der vrucht; er waren ook drie soorten
van vijgenboomen: eenigen droegen reeds in Juni, anderen
in Augustus, nog anderen in den laten winter of in het voor^
-ocr page 63-
53
ONZEN HEER JESUS CIIRtSTUS.
jaar rijpe vruchten. Jesus kon derhalve aan dien alleen staan-
den vijgenboom iets meer dan bladeren verwachten; ofschoon
— volgens den h. Marcus — de tijd voor rijpe vijgen in die
dagen vóór het Paaschfeest nog niet aangebroken was.
Doch waarom zocht Hij dan rijpe vruchten, waar Hij wist, dat
ze niet te vinden waren? Niet, omdat Hij de geaardheid van
den boom niet kende, maar om eene gewenschte gelegenheid
te hebben tot het doen van een wonder; om, terwijl Hij tot dus
verre altijd bewijzen van Liefde voor de menschen had afge-
legd, ook eens een voorbeeld te stellen van zijne Rechtvaardig-
heid en Gestrengheid en van zijne Almacht in het straffen. Wij
hebben hier toch eene zinnebeeldige handeling, welke ons voor-
spelt, wat er met den mensch gebeuren zal, wiens leven on-
vruchtbaar blijft; eene gelijkenis in daden, welke ons het toe-
komstig ongeluk van al diegenen aanschouwelijk voorstelt, welke
geene vruchten voortbrengen voor de eeuwigheid. Niet de
boom, al draagt hij geene vruchten het zij in of buiten den
oogsttijd, is schuldig, maar de mensch, die altijd vruchten en wel
goede vruchten moet voortbrengen voor den Hemel. Dit wilde
de Zaligmaker door den vloek over dien vijgenboom uitgespro-
ken te kennen geven, in het algemeen van alle menschen, maar
bepaaldelijk van het joodsche volk. Die verdorde vijgenboom was
het zinnebeeld van het lot, hetwelk weldra het door God zoo
hoog bevoorrechte volk treffen zou, een lot door de profeten
zoo menigmaal voorspeld en \'t welk zóó zwaar op hen wegen
zou, dat hel Rijk der Hemelen van hen zou weggenomen en
gegeven worden aan een volk, hetivelk deszelfs vruchten zou
voortbrengen.
Het Israëlitische volk was inderdaad een Mvr.XXVl
boom met bladeren maar zonder vrucht: zijne Godsdienst
was vol zinrijke plechtigheden, vol verhevene verborgenheden,
-ocr page 64-
54
HET LIJDEN EN STERVEN VAN
vol treffende vóórafbeeldingen ; het had als een kostbaar pand, ten
gebruike en ter bewaring, de hoogste waarheden en de zuiverste
leeringen van God ontvangen : en wat voordeel hadden de Joden
met al die gunsten gedaan, welke aan geen ander volk waren
geschonken? Zij hadden de ware leer van God vervalscht, zijne
wet naar verkeerde overleveringen verdraaid; hunne Oversten
waren blinde leidsmannen geworden; zij stonden op het punt
om hunnen Messias, door alles aangeduid en afgebeeld en voor-
speld, aan het schandhout des Kruises te slaan. En dor en
droog en onvruchtbaar stond daar die boom door God geplant
en zoo liefderijk verzorgd. Was het dan hunne schuld niet,
dat Jesus door eene veelbeteekenende handeling zijne veroor-
deeling over zulk een volk uitsprak, \'t welk aan uiterlijkheden
hing en zich overmoedig verhief op uitwendige werkheilig-
heid, maar van binnen vol was van allerlei onreinheid; dat Hij
het met eene eeuwige onvruchtbaarheid bedreigde, als het niet
den weg van ware godsdienstigheid en degelijke deugd ging
bewandelen, na eerst den Zaligmaker te hebben erkend en aan-
gebeden, Wien God hun gezonden had?
— Aanbidden wij hier de Goedheid en Liefde van onzen Heer
Jesus Christus, die tot nu toe van zijne goddelijke Almacht
geen gebruik maakte om zijne vijanden, zooals Hij toch wer-
kelijk konde, te treffen en te straffen; die ook, ofschoon Hij na
weinige dagen van hen de grievendste heleedigingen, de he-
vigste folteringen en den schandelijksten dood zou te verduren
hebben, liever aan een niets beteekenenden boom een wonder
zijner Almacht toonde dan aan zijn volk, dat Hij nog beminde
niettegenstaande deszelfs zonden, en dat Hij gisteren nog beweend
had om zijne hardnekkige boosheid. En Jesus deed dat won-
der niet uit wrevel, daarvoor was Hij, de God-mensch, niet toe-
-ocr page 65-
55
ONZEN IIEEB JESUS CHRISTUS.
g;inkelijk, maar ter leering en ter vermaning van\'zijne Apostelen
en van het geheele joodsche volk en ook van ons allen. — Voor
allen, want in die veroordee\'ing ligt ook voor alle menschen de
nooit te vergeten waarschuwing opgesloten: wie geene degelijke,
goede vruchten aan Jesus oplevert, zal als een onnutte boom
verworpen, uitgeroeid en in het vuur geworpen worden ; vroeg of
laat komt eens de straf over zijne schuldige onvruchtbaarheid. —
Toen de Zaligmaker den volgenden dag weder langs den
boom kwam, die geheel verdord was, waren de leerlingen, dit mat. XXI, 20.
ziende, verbaasd en zeiden : hoe is hij zoo terstond veraora ? Do
Zaligmaker antwoordde op die vraag niet: het was immers dui-
delijk, dat de verdorring het gevolg was van de door Hem
uitgesproken vervloeking; maar Hij nam daaruit aanleiding om
hun op de kracht en de noodzakelijkheid van een onwankeb
baar geloof te wijzen.
Zóó ook moet ons geloof in Jesus zijn: een geloof, dat levend
is en vruchten van liefde in goede werken voortbrengt; anders
ware het een ijdel en dood geloof. Uit de vruchten immers
wordt de boom gekend.
„Eens ook, — zegt de h. Augustinus --„in het laatste oordeel,
„zal de Rechter aan hen, die ter linkerzijde geplaatst zijn, zeg-
„gen: gaat in het eeuwig vuur, dat bereid is voor den duivel
„en zijne engelen. En Hij beschuldigt hen niet, omdat zij in
„Hem niet geloofd hebben, — dit punt zal Jesus in het algemeene
„oordeel onaangeroerd laten, omdat het verrichten of het na"
„laten der werken van barmhartigheid of van een levendig of
„van een dood geloof getuigenis aflegt — maar omdat zij geene
„goede werken gedaan hebben." Want, „opdat — zegt dezelfde
Kerkleeraar — „niemand zich het eeuwig leven belove uit
„een geloof, dat zonder goede werken dood is, daarom zegt
-ocr page 66-
5fi                                               IlfcT LIJDEN EN STERVEN VAN
„Jesus, dat Hij de volkeren scheiden zal, het eene van het an-
„dere. die goede werken verricht hebben van hen, die ze ver-
„waarloosd hebben." Dewijl dan de bijl reeds aan den wortel
gelegd, dat is: de tijd der vergelding voor ieder van ons altijd nabij
is, laten wij door goede werken onze roeping en verkiezing zeker
maken. Hoe vele voorrechten hebben ook wij niet, evenals de
Joden, boven anderen ontvangen ! God heeft ons in de rijke
weide zijner Kerk geplant, als een boom aan den waterstroom,
opdat wij vruchten geven ten bekwamen tijde. Sinds onze ge-
boorte waren wij geplaatst aan de bronnen der genade, en het
lag slechts aan ons, om uit de schatten der goddelijke Barm-
hartigheid te putten. Die allen is komen zoeken, Hij heeft ons
als besproeid met zijne tranen en gewasschen in zijn goddelijk
Bloed; in al de h.h. Sacramenten, welke wij ontvingen, werden
de verdiensten van Jesus\' lijden en sterven op ons toegepast. Wij
zijn opgenomen in het erfdeel des Heeren en het recht op den
Hemel is ons geschonken. Wij allen werden geplaatst in den
wij gaard des Vaders niet de eervolle lastgeving om daarin voor
God en voor het heil onzer ziel te arbeiden. God voedde ons
met het brood der sterken, om onze zwakke krachten te on-
dersteunen en gaf ons de heilige Kerk als eene zorgvuldige
moeder, om onze schreden te richten en ons voor\' dreigende
gevaren te beveiligen. Wat hebben wij den Heer weergegeven
voor al die teedere zorgen, waarmede Hij ons omringde, voor
al het licht, dat Hij op onze wegen liet schijnen, voor de ge-
naden, welke Hij ons toedeelde? En had Hij nog slechts te
klagen over onze onvruchtbaarheid in het goede, maar waren
wij ook niet eene verderf-aanbrengende plant in zijnen uitver-
koren wijngaard — door lauwheid, welke voor anderen aanste-
kelijk werd, door ergenis, welke anderen verleidde? De over-
-ocr page 67-
57
ONZEN HKEK .IKSl.\'S CHRISTUS.
maat van Gods Godheid, als zij misbruikt wordt, roept over
den schuldige zijne wraak af. —
Reeds den voorgaanden avond, op Zondag, had de Zaligmaker,
volgens het verhaal van den h. Marcus, bij zijne intrede in MarcXI, ii.
den tempel alles rondom gezien, om op te merken, wat daar al
geschiedde tegen den eerbied aan Gods huis verschuldigd. Daar
het
echter reeds avondstond was, ging Hij, gelijk wij reeds
vermeld hebben, niet de twaalf uit de stad naar Betlianie Hij
achtte het beter, om de bestraffing van die oneerbiedigheden
tot den volgenden morgen, dat is : tot maandag morgen, uit
te stellen.
Toen Hij dan, na op weg den onvruchtbare!) vijgenboom
veroordeeld te hebben, in den tempel kwam, zag Jesus we»
derom dezelfde misbruiken, tegen welke Hij reeds vroeger, on>
streeks drie jaren geleden, geijverd had. Om Jesus\' heilige ver-
ontwaardiging, waarvan wij dadelijk getuigen zullen zijn. beter
te begrijpen, dienen wij ons het volgende te herinneren. De
tempel te Jerusalem had verscheidene "oorhoven: in één daar-
van mochten ook de Heidenen binnengaan, en dit werd dik-
wijls, tot groote stoornis der godsdienstige plechtigheden en met
onteering van Gods huis, ingenomen door wisselaars en koop-
Heden: door wisselaars, bij wie een ieder vreemde muntspe-
cien, welke niet mochten geofferd worden, kon inruilen tegen
gangbare, joodsche munt: dat daarbij niet zelden grove on-
rechtvaardigheid gepleegd werd, laat zich gemakkelijk denken;
ook door kooplieden in duiven, andere offerdieren en verdere
benoodigdheden voor den offerdienst. Het eene en het andere;
-ocr page 68-
5S                                               HEI LIJDEN* ES STERVEN* VAN*
gaf aanleiding tot vele en groote misbruiken en was geenszins
in overeenstemming met de heiligheid des tempels noch met
de godsdienstige stemming van wie daar kwamen bidden. Dat
kon Tesus, YVien de ijver voor Gods huis verteerde, niet dul-
den; ten tweedenmale trad Hij op als de w.*eker van de eer
Mat. XXI 12. zijns Vaders en van diens huis. Wj ging den tempel Gods
in en <irecf allen uit, die ver koekten of kochten in den tempel;
en de tafels der wisselaars en de stoelen der genen, die de
duiven verkochten, stiet Hij omver. En Hij zegt tol hen:
er is geschreven: mijn huis zal een huis des gefieds genoemd
worden; doch gij hebt het gemaakt tot een rocn\'ers/iol.
Met
zulk eene verontwaardiging in stem en gebaren, met zulk een
overweldigend gezag en met zulk eene verhevene Majesteit
handelde Tesus, dat niemand zich tegen Hem durfde verzetten,
maar dat allen, geheel verbijsterd en door schrik geslagen, zich
wegspoedden, ternauwernood zich eenige oogenblikken gunnende
om het hier en daar verspreidde bij een te garen.
Diep moet de indruk geweest zijn, welken Jesus opnieuw door
een dergelijk optreden maakte. Was Hij niet degene, tot Wiens
dood besloten was, en geeft Hij door te spreken van zijn huis
niet onduidelijk te kennen, dat Hij de Zoon Gods is? Is Hij niet
het voorwerp van den nijdigen haat der joodsche Oversten, en
toch niemand durft noch kan aan zijne onweerstaanbare macht
tegenstand bieden ? Waarlijk, die zulk eene daad van het
hoogste gezag en onder dergelijke omstandigheden verricht en
met gedweeC\' onderwerping gehoorzaamd wordt, moet grooter
dan alle vroegere Profeten, moet de ware Messias zijn, de
Mal. lil, i. Hecrscher, van Wicn de Profeet Malachias voorspeld had, dat
Hij tot zijnen tempel komen zoude.
J)e Evangelisten vermelden niet, dat de Joden van Jerusalem
-ocr page 69-
59
ONZEN HEER JEZUS CHRISTUS.
tot die gevolgtrekking gekomen zijn; ook geene enkele reden
noopt ons om zoo iets van hen te veronderstellen. Zelfs het
tegendeel zien wij gebeuren, iets wat ook geheel en al\'volgens
den aard en het karakter van de Oversten der Joden was. Wat
moeten — dit mogen wij vragen •—• die ongelukkige afgedwaah
den niet in hun hart gevoeld hebben, toen zij Jesus zulk een
gezag zagen uitoefenen en dat zonder Zich eenigermate te bekom-
meren noch om hunne verordeningen omtrent het gebruik maken
van den tempel noch om het oppergezag, dat zij in Godsdienst-
zaken uitoefenden? Weldra vonden zij eene gelegenheid om hun
haat opnieuw te koelen en de gevoelens te kennen te geven,
welke hun alle rust ontnamen. Nauwelijks was de Zaligmaker
in den tempel gekomen, en er kwamen blinden en kreupelen tot Mat. XXI, 14.
Hem en Hij genas hen, na eerst den tempel van alle handel-
drijvers en woekeraars gezuiverd te hebben. De menigte, getuige
van al de wonderen en ook de onderrichtingen hoorende, welke
Jesus hield, geraakte in dezelfde geestdrift als waarvan zij daags
te voren zulke schitterende blijken gegeven had. Kinderen
zelfs herhaalden den jubelzang: Hosanna den Zoon van Davidl
en zongen Jesus ter eere, wat zij gisteren op den weg van Be-
thanie naar Jerusalem van hunne ouders gehoord hadden. Dit
was te veel voor de afgunst der Phariseön en andere huiche-
laars. Zij waren zeer misnoegd — zegt de Evangelist — niet
op die kinderen, maar op den Zaligmaker zelven, omdat Hij
Zich als Messias liet vereeren, iets wat hun hardnekkig onge-
loof volstrekt niet kon verdragen. Eenige Sanhedristen kwamen
tot Jesus, om Hem rekenschap af te vragen van het gezag, dat
Hij volgens hunne meening Zich onwettig aanmatigde, tegelijk
ook van de hulde, welke Hij Zich liet welgevallen. Ook
deze dubbele onbeschaamdheid werd naar verdienste bestraft,
-ocr page 70-
60
BEI I.IJDKN l.N STERVEN VAN
de eerste op den volgenden dag, de laatste nu dadelijk.
De Oversten wilden, dat Jesus aan de kinderen Het zingen
en het juichen zou verbieden en met bitterheid riepen zij Hem
toe: „hoort Gij wel, wat dezen zeggen ?" „Duldt Gij die uitgela-
„tenheid in den tempel Gods en neemt Gij die hulde aan als
,,de ware Messias?" En Jesus hun te kennen gevende, dat die
kinderen niets dan de volle waarheid spraken, hen herinnerende
aan eene reeds vroeger gegevene voorspelling, welke omtrent den
Messias gedaan was en nu in vervulling ging, antwoordde : ,ja
„geivis
hoor Ik het, maar hoe kunt gij u daarover ver-
I\'s. Viir, 3. „wonderen? Of hebt gij nooit gelezen : uit den mond van kin-
aderen en zuigelingen hebt Gij lof bereid."
De joodschc O ver-
sten kenden zonder twijfel die plaats uit een van Davids-
psalmen en niet minder voelden zij de strenge berisping,
welke daarin voor hen lag opgesloten; want, al haalde Je-
sus de volgende woorden niet aan, toch moesten zij daarbij
denken aan het verdere gedeelte van denzelfden psalm, waar-
door zij als met den vinger aangewezen werden en dat zoo
beschamend voor hen luidde; het geheele vers namelijk was:
uit den mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij lof bereid
ter oorzake van uwe tegenstrevers, om den vijanden en den
wraakgierige te niet te doen.
Wij kunnen ons voorstellen,
wat er in het hart van die huichelaars omging, toen Jesus alzoo
Zich den Messias, den grooten Wonderdoener noemde, toen
zij op zulk eene beschamende wijze ontmaskerd werden; ook
hoe zij, vernederd en verpletterd wegslopen; want dat zij die
vijanden en wraakgierigen waren, getuigde hun eigen boos ge-
weten luide en ontegensprekelijk. Zwijgende gingen zij
heen, maar met nog bitterder wrok in het hart tegen Jesus,
\\Vien zij ten dood toe haatten, maar Wiens blik van verr
-ocr page 71-
«I
OS7S.S HEER JESIS CHRISTUS.
ontwaardiging zij niet eens konden verdragen; tegen Wien
zij de handen nog niet durfden uitsteken, om dat zijn uur nog
niet gekomen was. De Zaligmaker echter bleef nog in den
tempel om te leeren en wonderen te werken; eerst tegen den
avond keerde Hij met zijne leerlingen naar Bethaniü terug.
Aldus wilde Jesus op elke wijze, tot aan zijn dood toe, deze
twee groote waarheden schitterend doen uitkomen: dat Hij de
ware Messias was, en dat Hij vrijwillig sterven zou.
— Wij mogen dit hoofdstuk niet besluiten zonder te wijzen op
de belangrijke les, welke aan ons allen in de tempel-reiniging
wordt voorgehouden. De eerbiedwaardige Beda merkt daar-
omtrent het volgende aan. „Wanneer onze Heer Jesus Chris-
„tus zelfs datgene, wat wel in den tempel geofferd mocht wor-
,,den, in den tempel niet wilde verkocht hebben om de zucht
„naar geld of bedrog, wat een euvel is aan vele handelaars
„eigen, hoe veel strenger zou Hij het niet straffen, als Hij zag,
„dat eenigen zich aan lachen, aan ijdele praat of aan eene of
„andere ondeugd in Gods huis overgaven? Wanneer toch
„Jesus niet duldde, dat in zijn huis dingen gebeurden, welke
„op geoorloofde wijze konden gedaan worden, te grooter straf
„zal het bij God verdienen, als iets in de aan God toege-
„wijde kerk geschiedt, wat nergens geoorloofd is." De tempel
te Jerusalem was, en nog in veel hoogeren zin, is elke van
onze kerken het huis, de woonstede, waarin God troont om de
hulde onzer vereering en aanbidding te ontvangen, ook om ons
zijne onschatbare weldaden uit te deelen. Die plaats is dus
alleszins heilig en mag alleen eene plaats des gebeds zijn:
Heiligheid komt — zingt David — Gods huis toe in de
lengte der dagen.
Toen Mozes voor het brandende braam- Ps. XCil, 5.
bosch stond en naderen wilde, moest hij zich eerst van
-ocr page 72-
62
HET LIJIIEN\' EN\' STERVEN" VA*
zijn schoeisel ontdoen, want die plaats was heilig, omdat God
daar tegenwoordig was. Zouden wij met minderen eerbied mogen
verblijven in onze kerken, waar Jesus met zijne menschheid en
ook met zijne Godheid tegenwoordig is in het Heilig Sacra-
ment des Altaars?—Nog eene andere aanmerking vraagt onze
aandacht. Door de uitwendige reiniging des tempels wilde Jesus
ons opwekken tot de inwendige reiniging des harten, zonder
welke de uiterlijke Godsvereering geen e waarde heeft. Wij
immers zijn de tempel van den levenden God, die onder ons
s Cor. VI, 16. wandelen, en onder ons wonen wil; daarom moet ook ons
leven aan die roeping beantwoorden. Zelfs onze ledematen zijn
i Cor, III, 19. ggft tempel des Heiligen Geestes en mogen dan ook niet aan
de zonde dienstbaar gemaakt worden, maar moeten de waar-
heid dienen. Onder die voorwaarden kunnen wij ware vereer-
ders van God zijn, kinderen van den hemelschen Vader, die
Heilig zijnde, ook ons heilig zien wil.
-ocr page 73-
Hoofdstuk Y.
13e eerste vraaj; der* Joden. De drie gelij-
kenissen van den Zaligmaker.
Onze goddelijke Zaligmaker bracht in stilte, verre van het
rumoer der stad, den nacht door in het vreedzame Bethanie,
het grootste gedeelte daarvan wakende en biddende. Hoe
geheel anders de ongelukkige leden van den Hoogen raad. De
onderrichtingen en wonderen des Zaligmakers in de laatste dagen
hadden op al het volk den diepsten indruk gemaakt, maar de
Oversten des te meer verbitterd Zij zonnen daarom op allerlei
middelen, om hun verloren invloed bij de menigte te herwin-
nen en den Zaligmaker gehaat te maken, en wij mogen het
voor zeker houden, dat zij in den nacht tusschen Maandag en
Dinsdag op nieuw vergaderden en beraadslaagden, hoe zij Jesus
met strikvragen zouden vangen, om Hem bij het volk in min-
achting te brengen en bij de romeinsche Overheden van op-
roerig verzet tegen \'s lands wetten of van oneerbiedigheid jegens
den Keizer te kunnen aanklagen. Toen dan ook Jesus des
Dinsdags s\'morgens naar gewoonte in den tempel kwam, bevond
Hij Zich weldra omringd door Opperpriesters, Schriftgeleerden
en Ouderlingen. Al ware Jesus niet alwetend geweest, Hij
zou in hunne valsche gelaatstrekken gelezen hebben, welke
-ocr page 74-
M                                               ONZEN [CFKR JKSI.\'S CHRISTI\'S.
snoode plannen zij tegen Hem beraamd hadden. Maar ook
nu wederom zou de uitkomst bewijzen, dat de sluwste listig-
heid des menschen niet het geringste vermag tegen de godde-
lijke Wijsheid; op nieuw zou het blijken, dat het woord van
den Psalmist op die huichelaars toepasselijk was: zij hebben
hunne tongen gescherpt als een zwaard, den boog gespannen,
een bitter woord, om in het verborgen den onschuldige te treffen.
Plotseling schieten zij hunne pijlen af op hem en vreezen niet.
Een boos woord is bij hen vastgesteld. Zij hebben afgc-
I\'s. LXIII, 6 sproken strikken te verbergen..... Zij verzonnen aanslagen.
Doch groot ook zal hunne beschaming wezen; wat toch is het
gevolg van al die zoo listig gelegde lagen? Pijlen van kin-
deren zijn hunne wonden en hunne tongen zijn stomp gemaakt
op hen zelven, verschrokken waren allen, die htn zagen,
als
booswichten door God gestraft, en vreeze beving iedereen voor
God, en zij verkondigden de werken Gods en gaven acht op
zijne daden. En de gerechtig e zal zich verblijden in den Heer
en op Hem betrouwen, en ade oprechten van harte zullen
Ps LXIII, 8. juichen. En God wordt verheerlijkt. Duidelijker, scherper
kon de gewijde zanger die goddelooze huichelaars niet teeke-
nen; elk woord geeft ons een hunner afzichtelijke trekken
terug; elk woord schetst ook de overwinnende Macht van den
zoo snood aangevallen God-mensch, die alle aanslagen zijner
vijanden tegen hen zelven keert. En Jesus wordt te meer ver-
heerlijkt, naarmate hunne aanvallen vinniger en nijdiger zijn.
Eene eerste vraag door de Sanhedristen aan den Zaligmaker,
reeds daags te voren gedaan maar toen door Hem niet beant-
Mat XXI, 23. woord, was deze: door welke macht doet Gij deze dingen ; en wie
heeft U die macht gegeven?
Zij dachten daarbij aan Jesus\' plech
tigen intocht in Jerusalem, aan zijn reinigen van den tempel, aan
-ocr page 75-
68
ONZEN HEKR JESUS CHRISTUS.
zijn optreden als Leeraar van het volk, aan zijne wonderwerken.
Die vraag kon, op zich zelve beschouwd en in den mond
van anderen een bewijs van weetgierigheid zijn, maar in
hun mond was zij onbeschaamd en beleedigend voor den Za-
ligmaker. Hadden zij de ooren niet vrijwillig gesloten voor de
luidsprekende stem der waarheid, zij zouden uit den mond van
Jesus zelven gehoord hebben, dat Hij niets predikte dan wat de
Vader Hem te verkondigen, niets werkte dan wat de Vader Hem
te doen bevolen had; hadden zij hun gemoed tegen de inwer»
king der genade niet verhard, zij zouden van Jesus\' Messias-
schap overtuigd zijn geworden door zijne wonderen, welke van
Hem en van zijne goddelijke zending getuigenis gaven. Doch
het was hun met die vraag niet te doen om onderricht te wor-
den, wel om een wapen te vinden, waarmede zij den Zaligma-
ker konden aanvallen; niet om van Jesus\' Messiasschap zeker,
heid te verkrijgen was het doel, dat zij beoogden, maar om
Hem van godslastering te kunnen beschuldigen of van verzet
tegen de overheersching der Romeinen. Jesus, die de gehei-
men van hun boos hart doorschouwde, wilde niet antwoorden.
Waartoe zou ook een antwoord gebaat hebben? Toch wilde
Hij hunne booze bedoelingen verijdelen om hen voor de om-
staande menigte te beschamen, ook om te verhoeden, dat an-
deren door hen op een dwaalspoor gebracht werden, Hij ver-
waardigde Zich daarom hun eene andere vraag voor te stellen
en zeide: Ook Ik zal u één ding vragen; en als gij Mij datMxt. XXI,24
zult gezegd hebben, zal ook Ik u zeggen, door welke macht Ik
deze aitigen doe. De doop
(de prediking en de gansche bedie-
ning) van foannes, van waar was die: uit den Hemel of uit
de tnenschen?
Deze vraag moest de afgevaardigden van het
Sanhedrin in de grootste verlegenheid brengen. „Geschiedde de
5
-ocr page 76-
66
HET UJDEX E.N STERVEN VA»
„bediening — wilde Jesus vragen — op goddelijk gezag en
„bevel en was Joannes alzoo een Gods gezant, een door God
„gezonden Profeet ? Of wel doopte en leerde hij op eigen ge-
„zag of als door menschen afgezonden?" Welk antwoord ook
de Joden mochten geven, het zou of door een beschamend
wederantwoord van Jesus gevolgd zijn, of wel door den toorn
des volks. Ware hun antwoord geweest: uit den Hemel, dan
had de Zaligmaker hun kunnen tegenwerpen: „waarom slaat
„gij dan geen geloof aan de getuigenissen, welke hij van Mij
„als den Messias heeft afgelegd; waarom gelooft gij niet, dat
„Ik waarlijk de Messias ben, daar toch Joannes, dien gij vooa
„een Profeet Gods houdt, Mij aan het volk als den waren Mes-
„sias heeft doen kennen en van Mij zeide, dat Ik grooter en eer-
„der dan hij ben, dat hij zich niet waardig achtte om mijne
„schoenriemen te ontbinden, dat Ik het Lam Gods ben, dat de
„zonden der wereld wegneemt ? Een van God gezonden Pre-
„diker kan het volk niet misleiden." — Tegen deze bewijs-
voering was niets in te brengen; want de ondergeschikte, maar
toch goddelijke zending van Joannes stond in een zoo innig
verband met het Messiasschap van Christus dat, wie Joannes
verwierp, ook den Zaligmaker verwerpen, dat daarentegen al-
wie in Joannes\' zending geloofde ook Jesus als den beloofden
Messias moest erkennen. — Zouden echter de Oversten der
Joden ten antwoord gegeven hebben: uit de mensehen, dan
hadden zij den h. Joannes voor het hoofd van eene of andere
secte-school, voor een onruststoker verklaard; maar dat
waagden zij niet uit vrees voor het volk, hetwelk den Boetge-
zant hoog vereerde, hem voor een Profeet en den Voorlooper
van den Messias hield; misschien waren zij zelfs door het volk
gesteenigd. Na eenige oogenblikken met elkander overgelegd
-ocr page 77-
ONZEM HEER JESUS CHRISTUS.                                               67
te hebben, achtten zij het raadzaam om op de klemmende vraag
het stilzwijgen te bewaren en zeiden, leugenachtig en tegen
ueter weten in: wij weten het niet. Verdiend was de besch:t-
mende bestraffing hun daarop door den Zaligmaker toegediend:
Dan zeg ook Ik u niet, door welke macht Ik dcse dingen doe. Mat.XXI,2?.
Wilde de Zaligmaker niet rechtstreeks antwoorden op de
vraag, welke de Joden Hem hadden voorgesteld, op eene andere
wijze zou Hij het hun duidelijk maken, wie Hij was en wat
zij nog verder te verwachten hadden, als zij in hunne boosheid
volhardden. Hij wilde hen als schijnheiligen, als huichelaars
doen kennen en hun God-tergend verzet tegen de beschikkin-
gen en verordeningen Gods tot een afschrikkend voorbeeld voor
allen in het helderste licht plaatsen. Hij bezigde drie gelijke-
nissen, allen even zinrijk als onheilspellend en waarin Hij, met
eene wonderschoone volgorde, de ongehoorzaamheid aan Gods
roeping en de onvruchtbaarheid wan hun leven voor de eeuwig-
heid en hunne toekomstige verwerping, als zij zich niet bekeer-
den, voorstelde. Ook wij moeten naar de leeringen, welke daarin
opgesloten zijn, met opmerkzaamheid luisteren. Mochten •—•
dit is zeker ons aller wensch — de schrikwekkende voor-
zeggingen daarin gedaan tegen allen, die evenals de Joden aan
Gods genade weerstand bieden, nimmer in ons vervuld worden!
Het vreeselijk lot toch, aan de ongeloovige Joden aangekon-
digd, zou ook voor ons de straf worden, als wij zoo wreed
tegen ons zelven waren, dat wij hunne voorbeeldelooze onge-
loovigheid en de daarmede gepaard gaande ongehoorzaamheid
aan Gods wet niet met alle zorg vermeden. Daarom is het
-ocr page 78-
e^
HET LIJDEN EX STERVEN VAN
hoogst nuttig voor ons allen, dat wij die gelijkenissen met aan«
dacht overwegen en — op ons toepassen.
t)e eerste gelijkenis is die van de twee zonen, welke beiden
van hunnen vader het bevel hadden ontvangen om in zijn
Mat. xxi, 28. wijngaard te gaan werken: De eene zeide eerst: ik wil niet,
maar later berouw hebbend over zijne ongehoorzaamheid,
ging hij heen om te werken; de andere daarentegen gaf ten
antwoord: ik ga heen, maar ging toch niet. Wie van beiden
— vroeg de Zaligmaker — heeft aes vaders ivil gedaan\'t
Zij nu antwoordden: de eerste, maar spraken daardoor hunne
eigene veroordeeling uit, gelijk Jesus zoo scherp mogelijk door
de volgende woorden te kennen gaf: voorwaar Tk zeg u: de
tollenaars en ontuchtige vrouwen zullen u voorgaan in het Rijk
Gods.
En de redenen van dien voorrang er bij voegende, ging
Hij voort: „foannes, de boetgezant, kiuam tot u en predikte
„de boetvaardigheid. En vele groote zondaars, die, gelijk aan
„den eersten zoon, in den beginne zich tegen Gods geboden
„hadden verzet, bekeerden zich op de boeteprediking van Jo-
„annes en brachten waardige vruchten van boetvaardigheid
„voort. Gij daarentegen, die u mengdet onder de toehoorders
„van Joannes, alsof gij bereid waart naar zijne vermaningen
„te luisteren en aan Gods wet u te onderwerpen, gij die, even-
„als de tweede zoon, Gods woord op de lippen draagt en den
„schijnt aanneemt van de wet Gods tot in de kleinste bijzon-
„derheden te vervullen, gij hebt den Gods-gezant met zijne
„prediking verworpen, gij leeft en leert in strijd met dat woord
„en met die wet van God, gij blijft ondanks al uw uiterlijk
-ocr page 79-
89
ONZEN HEER JESUS CHRISTUS.
„vertoon van schijnheiligheid, onboetvaardige en huichelende
„zondaars, maar zult ook de straf voor uwe misdaden niet ont-
„gaan." Dit alles mogen wij lezen in deze letterlijke woor-
den des Zaligmakers: Want Joannes is tot u gekomen op den Mat.XXI,3a
weg der gerechtigheid, en gij hebt hem geen geloof gegeven; maar
de tollenaars en de ontuchtige vrouwen gaven hem geloof: teriuijl
gij, die dit zaagt, zelfs daarna geen bcromu hebt gehad om hem
geloof te groen.
— Wie onzer hoort in deze parabel niet de door allen te be-
hartigen leering, dat de belijdenis van fesus\' leer zonder waarde
is, als zij niet vergezeld gaat met gehoorzaamheid aan zijne wetl
Overal en bij elke gelegenheid drukte Hij zijnen hoorde-
ren op \'t hart, dat het geloof zonder de werken des geloofs
dood is en aan God niet welgevallig zijn kan. Nimmer mogen
wij deze uitspraak des Zaligmakers vergeten: niet ieder, mat. VII, 21
die tot Mij zegt: Heerc, Heer e! zal ingaan in het Rijk der
Hemelen; maar wie den wil doel mijns Vaders, die in den He-
mel is, hij zal ingaan in het Rijk der Hemelen.
Geen ijdele
woorden zijn alzoo genoegzaam ter zaligheid, maar daden en
goede werken, welke van een levendig geloof getuigenis afleg-
gen, worden gevorderd. In Jesus Christus gelooven en zijne
geboden onderhouden, zijn de twee onveranderlijke eischen ter
zaligheid.
Door eene andere gelijkenis stelde Jesus aan zijne hoorderen
voor, hoe God op bijzondere wijze voor het volk van Israël
gezorgd, hoe de Israëlieten daarentegen, in het algemeen ge-
nomen, zich tegen Gods genadenrijke Voorzienigheid verzet
-ocr page 80-
70                                               HET LIJDEN EX STERVEN VAX
hadden, maar dat daarom ook de zwaarste straffen hen wach-
ten. Zij is de gelijkenis „van den huisvader, die zijnen wijngaard,
„na dien eerst goed ommuurd en van al het noodige ruim-
„schoots voorzien te hebben, aan akkerlieden verhuurde en
„daarna buiten \'s lands vertrok. Toen de tijd van het inhalen
„der vruchten gekomen was, zond hij achtereenvolgens eenigen
„zijner dienstknechten af om de vruchten op te eischen, welke
„hem als eigenaar moesten afgeleverd worden Maar, helaas !
„hoe onrechtvaardig en met hoe veel wreedheid werden die mis-
„handeld! Dezen werden geslagen, genen gedood, anderen gestee-
„nigd. Zelfs den eigen zoon des huisvaders spaarden die plicht-
„vergetene huurders niet, toen die tot hen was afgezonden, maar
„wierpen hem buiten den wijngaard en brachten ook hem om \'t
Mat. XXJ,4o, „leven." Hierop vroeg Jesus aan zijne hoorders : wat zul de Heer
des wijngaards, als hij zal toekomen zijn, dien akkerlieden doen.
Zij, zeer goed begrijpende, dat Jesus Zich zelven op\'t oog had,
durfden niettemin hunne onbeschaamdheid zóó ver drijven, dat
zij die moordenaars van den zoon veroordeelden, alsof zij niet de
minste gelijkenis met die onmenschen hadden en antwoordden:
hij zal dien kwaaddoeners een kwaden dood aandoen en zijn
wijngaard verhuren aan andere akkerlieden, die hem de vruch-
tcn zullen leveren op hare tijden.
Dit was een schandelijk vein-
zen omtrent hun eigen gemoedstoestand, omtrent hunne tegen
den Zaligmaker beraamde plannen, Toch kon het niet anders,
of zij moesten de beteekenis van die gelijkenis in al hare
onderdeden vatten en op zich zelven toepasselijk achten. Zij
begrepen zeer goed, wat Jesus, de Leeraar der waarheid, met
die gelijkenis bedoelde. De wijnberg was de Kerk van het
O. Verbond. God had ze gesticht en geordend en tevens met
alles toegerust, wat haar noodig was om aan hare roeping te
-ocr page 81-
71
0.\\ZE\\ HKER JESt.\'S CIIRFSTUS.
beantwoorden. Hij had ze van de overige, afgodische wereld
afgezonderd, om ze voor den verderfelijken, heidenschen in-
vloed te behoeden, haar door juist omschreven wetten als door
een muur omringd. Daarin stond een wijnkuip, het altaar,
waarop zonder onderbreking het bloed vloeide, dat eene vóór-
afbeelding was van het goddelijk Bloed, dat de Stichter van
een Nieuw Verbond eens voor de verlossing van allen zou
plengen; ook een toren, de Tempel, was daarin gebouwd, van
waar de akkerlieden de geheele gemeente overzien en bewaken
konden. De akkerlieden waren de Priesters en Rechters en
Oudsten des volks, de wachters van Israël, aan wie God, zoo
lang Hij in de verte vertoefde, dat is: van de wetgeving op
den berg Sinaï af tot aan het einde des O. Verbonds toe, het
bestuur over die gemeente opgedragen had, tot dat Hij zelf in zijn
eigendom kwam. De vruchten, welke de Heer des wijngaards
zich voorbehouden had, waren de erkenning van zijne opper-
heerschappij, dankbaarheid en liefde, ook zorg voor het volk om
het op den rechten weg te houden. Om die vruchten op te
vorderen en om tot het opleveren daarvan dringend te verma-
nen, zond God van tijd tot tijd zijne dienstknechten, deProfe-
ten, maar die werden door Israeis leidsmannen verworpen, ver-
volgd en gedood, tot dat eindelijk God in de volheid der tijden
zijn eenigen Zoon, Jesus Christus, zond hopende, dat zij voor
Hem eerbied hebben en naar Hem luisteren zouden. Maar
ook dien verwierpen zij en, ofschoon zij Hem voor den Erf-
genaam
des huizes, door God gezonden, erkennen moesten,
zouden zij uit nijd en hoogmoed tot zijn dood besluiten, Hem
sleuren buiten de poorten van Jerusalem en kruisigen buiten
zijn eigen wijngaard.
Jesus, Wiens gelijkenis hier eene schrikwekkende voorspel*
-ocr page 82-
72
HET LIJDEN EN STERVEN VAN
ling werd. duidde hun vervolgens met eene aanhaling uit de
Psalmen de straf aan, welke over hen komen zou: Israël was
voorbestemd tot het bevoorrechte volk van God; maar nu zij
den Messias, den sluitsteen van het door God opgetrokken
gebouw, verwierpen, zou het geheele gebouw ineenstorten
en de hoeksteen in zijnen val al diegenen verpletteren, welke
eene schendige hand naar Gods liefdewerk hadden uitgestoken.
Dit alles voorspelde Jesus met strengen ernst in deze vraag :
Mat, XXI, 42. hebt gij nooit in de schriften gelezen: de steen, dien de bouw-
lieden verworpen hebben, is tot hoeksteen geworden; van den
Ps. cxvil, s2. Heer e is dit geschied, en wonderbaar is het in onze oogen? —
Die steen, door de bouwlieden, door de joodsche Oversten, als
met verachting weggeworpen, was fesus zelf, dien zij reeds
sedert lang in hun hart verworpen hadden en straks als een
der laagste booswichten aan het Kruis zouden slaan. Maar —
wonder van Gods almachtige Liefde — die zoo mishandelde en
verguisde Jesus werd de hoek- of sluitsteen van een ander,
nieuw en onvergankelijk gebouw, dat in zijne kracht eeuwig
duren, in zijne ruimte alle volkeren der aarde zou omvatten.
En wee over hen, die door eigen schuld, door hunne boosaar-
dige hardnekkigheid het Heil der volkeren van zich gestooten
Mat. XXI, 4). hadden; vreeselijk en afschrikkend zou hunne straf zijn: daar-
om
— aldus ging \'de Zaligmaker voort — zeg Ik 11, dat tiet
Rijk Gods van u zal worden weggenomen en gegeven aan een
volk, dat deszelfs vruchten voortbrengt. En wie op dezen steen
zal gevallen zijn, zal verbrijzeld worden; en op wien hij zal
gevallen zijn, dien zal hij verpletteren,
dat wil zeggen: al wie
aan Jesus nis aan den Messias zich zal geërgerd hebben, die
zal zich zelven den ondergang bereiden; op wien echter de
Messias als straffende Rechter zal nederkomen, hem zal Hij
vernietigen, als tot stol" verbrijzelen.
-ocr page 83-
OXZEN HEER JESUS CHRISTUS.                                               73
— Wij zijn, door Gods vrije genade en zonder onze verdiensten,
in Jesus\' Kerk, dien nieuwen wijngaard, als ledematen opgeno-
men, en aan elk van ons is daarin een bepaalde werkkring aange-
wezen ter eere van God en ter zaligmaking van onze ziel. Is
het einde van onzen werktijd, het uur van ons sterven, aange-
broken, dan worden door den Rechter van levenden en van
dooden van ons de vruchten opgevorderd, welke wij in ons
leven moesten opbrengen. Daarom is het ons aller plicht, den
ons geschonken tijd te besteden in overeenstemming met Gods
wil en met onze roeping. De tijd van ons leven is kort, en
een groot gedeelte daarvan reeds voorbij gegaan als een rook,
die vervliegt; spoediger ook dan wij denken, zullen wij aan
het einde staan, aan het begin van den nacht, waarin wij niet
meer kunnen werken. En wee over allen, die geene vruchten
ingeoogst, die geene verdiensten verzameld hebben om ze den
Heer des wijngaards te kunnen aanbieden; niet alleen zal hun
het Rijks Gods, de Hemel, ontnomen worden; maar ook zullen
zij, die hun God en Wetgever veracht en beleedigd hebben,
vallen op den steen, en ook de steen zal op hen vallen, en
Christus de straf der veroordeeling over hen uitspreken in
den dag des oordeels. —
De derde gelijkenis, van gelijke strekking als de voorgaande,
is die van het koninklijk bruiloftsmaal. Zij schetst het hard-
nekkig ongeloof der Joden en hun halstarrig verwerpen der
roeping, welke hun bij herhaling gewerd om aan de genade
van het door Jesus gestichte Nieuwe Verbond deel te nemen
door in Hem als den beloofden Messias te gelooven; verder
voorspelt zij, dat de Joden tot straf van hunne ongeloovigheid
-ocr page 84-
74
HET LIJDEN EN STERVEN VAN
buiten gesloten, de Heidenen daarentegen geroepen zullen
worden tot het heil des Evangelies. De parabel is deze:
„Een Koning had een groot bruiloftsfeest aangericht ter eere
„van zijnen zoon. Hij noodigde ter bijwoning daarvan velen
„uit, zelfs liet hij, naar Oostersch gebruik, aan de reeds genoo-
„digden nog eens aanzeggen, dat zij komen moesten en dat
„alles ter hunner ontvangst bereid was. Doch zij wilden niet
„komen. En, of hij hun nogmaals deed aanzeggen, dat de spij-
„zen voor den feestmaaltijd bereid, het kalf gemest en de ossen
„geslacht en de tafel gereed was, zij bleven weigeren. Eenigen
„bekommerden zich niet om de uitnoodiging des Konings en
„gingen liever de eene naar zijne landhoeve, de andere
„tot zijnen handel. Sommigen lieten het zelfs niet bij het
„versmaden van de hun gewordene uitnoodiging, maar legden
„daarenboven eene oproerige gezindheid aan den dag en
„mishandelden en doodden zijne dienstknechten. Bij het
„vernemen van die euveldaden, ontstak de Koning \'in
„hevigen t^orn. Hij zond zijne krijgsbenden uit, verdelgde
„de moordenaars en stak hunne stad in brand. Toch
„moest het feestmaal doorgaan; en waren de eerst genoodigden
„niet waardig om de hun zoo goedgunstig toegedachte plaatsen
„in te nemen, anderen, door de dienstknechten van schei- en
„kruiswegen, waar gewoonlijk het meeste volk wordt aangetrof-
„fen, te zamen geroepen, vulden weidrade feestzaal. Het waren
„kwaden en goeden, die nu aan de uitnoodiging gehoor hadden
„gegeven. Daarom kwam de Koning binnen om zijne vreemde
„gasten in oogenschouw te nemen. Toen hij een van hen be-
„merkte, die geen bruiloftskleed aan had, liet hij .hem aan
„handen en voeten binden en naar buiten werpen, waar geween
„en geknars der tanden zijn zal."
-ocr page 85-
7B
O.VZEN HEER JESUS CHRISTUS.
Wat de beteekenis dezer gelijkenis betreft, zij kon voor de
Joden evenmin verborgen zijn als zij voor ons onduidelijk is. De
Koning is God en de Zoon des Konings, de bruidegom,is onze
Heer fesus Christus; het bruiloftsfeest beteekent de genade en
de zaligheid,
welke de Messias door zijn lijden en sterven voor
allen verdiende en in onbegrensde Liefde aan allen aanbood.
Eerst was de boetgezant Joannes, later de Apostelen en, tot aan
het einde der wereld, zullen alle geloofsverkondigers de uitnoo-
digers zijn tot het geestelijk feest. Maar, die het eerst geroepen
waren, de Joden, bekommerden zich niet om die uitnoodiging
en gaven zich liever aan zinnelijke en wereldsche beslomme-
ringen over; eenigen mishandelden zelfs en doodden degenen,
die tot hen gezonden waren. Vreeselijk zou hunne straf wezen :
die moordenaars werden verdelgd en hunne stad verbrand;
want — aldus voorspelde hier de Zaligmaker — de joodsche
staat zou door de Romeinen vernietigd en Jerusalem verwoest
worden. Dewijl de Joden geweigerd hadden aan de tot hen
gerichte uitnoodiging te beantwoorden, werden de Heidenen, die
eerst arm en zonder hulp op de openbare wegen der wereld
omgedoold hadden, allen zonder eenige uitzondering, tot den
bruiloftsmaaltijd genoodigd en binnen gelaten, als zij slechts
aan de prediking des Evangelies geloofden en door het Doop-
sel de Kerk binnentraden. Evenwel zal ook over hen het ge-
richt gehouden worden: eens komt de Koning om zijne gasten
in oogenschouw te nemen, of zij op passende wijze en behoor-
lijk gekleed zijne feestzaal zijn binnen getreden ; want niet allen
zijn waardig om aan den bruiloftsmaaltijd aan te zitten; alleen
zij, die den ouden mensch der zonde hebben uitgeschud en den
nieuwen mensch hebben aangedaan, welke naar God geschapen
is in gerechtigheid en heiligheid. Wie niet versierd is met h
-ocr page 86-
7fl
HET LIJDEN BH STERVEN VAN
bruiloftskleed, hij wordt aan handen en voeten gebonden, om
hem te beletten wederom binnen te dringen, en zóó buiten
geworpen, waar geween en geknars der tanden de wroeging
zijns gewetens en de eeuwigdurende droefheid zijner schuldige
ziel zal openbaren. En grootelijks schuldig was hij, die zonder
bruiloftskleed was binnengekomen : elke Koning van het Oosten
was gewoon aan allen, die hij aan zijne tafel noodigde, ook
aan de armen, de benoodigde feestkleederen te schenken. Die
ongelukkige had dan, hoe arm hij ook ware en hoe onverwachts
uitgenoodigd, zich van het vereischte feestgewaad kunnen voor-
zien. Hij had dus het geschenk en daarmede den gever
versmaad.
— De toepassing van deze gelijkenis ligt voor de hand. Wij, Ka-
tholieken, zijn door Gods liefdevolle beschikking, toen wij ge-
doopt werden, in zijne Kerk opgenomen. Bij onze intrede tot dat
koninklijk bruiloftsmaal, waarbij ons de kostbaarste gaven te
genieten werden aangeboden, is ook aan ons een feestge-
waad namens den Koning des Hemels geschonken: wij ontvin-
gen door het H. Doopsel het kleed der onschuld en der hei-
ligmakende genade. Eens breekt het oogenblik voor elk onzer
aan, dat de Heer des Hemels zijne gasten in oogenschouw komt
nemen om te zien, of wij met dat feestkleed versierd zijn. Dat
oogenblik is het uur van het bijzonder oordeel. Wie dat feest-
gewaad niet draagt, wordt voor altijd van den bruiloftsmaaltijd
des Lams buitengesloten en tot de eeuwige straf veroordeeld.
Ons hoogste en ons voortdurend en eenigst streven zij dan
dat feestgewaad rein en onbesmet tot aan den dag der
vergelding te bewarsn, of het wederom te reinigen van alle smet-
ten door tranen van een oprecht berouw, als wij het mochten
bezoedeld hebben door de zonde. Want zwak zijn wij, en
-ocr page 87-
ONZEN HEER JESUS CHRISTUS.                                               77
de volmaakte wet des Evangelies stelt ons hooge eischen.
Te eerder zullen wij daarom ons feestkleed bevlekken
door kleine of groote smetten. Maar de oneindige Goedheid
van den Koning stelt ons tot eene volkomene reiniging in
stata: de grootste zoowel als de kleinste zonden kunnen door
het H. Sacrament der Biecht, worden uitgewischt. Daarom gaf
Jesus aan zijne Kerk, met de zending ook de macht om, tot
aan de voleinding der tijden de zonden te vergeven. Geen
onreine kan in het Rijk der Hemelen ingaan; maar wie buiten
geworpen wordt, hij moet het wijten aan zich zelven, omdat
hij met een vermetele overmoed even als de Joden, de mid
delen ter zaligheid afwees en het Rijk Gods van zich afstootte.
Het kan ons, die de Oversten der Joden reeds genoegzaam
kennen, niet bevreemden, dat de Opperpriesters en Pharisecn
Jesus\' gelijkenissen hoorende,
niet alleen verstonden, dat Hij van mat. XXI, 45
hen sprak maar nu ook nog te meer zochten Hem gevangen te
nemen.
Nogmaals waren zij gewaarschuwd tegen de misdaad,
welke zij aan den Messias wilden plegen; maar op nieuw ook
moesten zij, door in hun ongeloof te volharden, hunne eigene
veroordeeling hooren uitspreken.
-ocr page 88-
Hoofdstuk VI.
De cijnspenning. De opstanding dex* dooden.
Plet groote gebod der wet, Wiens Zoon
is Jesus Ohi-istvis.
Wij zouden meenen, dat de Joden reeds genoeg door de
Wijsheid des Zaligmakers vernederd waren om geene nieuwe
aanslagen te durven beproeven; zij zelven waren in de strik-
ken, waarin zij Jesus dachten te vangen, verward geraakt;
tegen hun wil en dank hadden zij aan Jesus, Wien zij in de
oogen des volks zochten te verlagen, eene gelegenheid aan-
geboden hen te beschamen en Zich zelven in zijne eerbied\\vek-
kende grootheid te openbaren. Zij voelden zich getroffen en
geen wonder, dat zij op wraak zonnen, maar tevens op eene
wijze van wraakneming, welke hun alle kansen van welslagen
— meenden zij — aanbood. En Jesus liet Zich dat alles wei-
gevallen om hun afschuwelijken aard, ons ter leering en ter
waarschuwing, te beter te doen kennen, ook om ons te doen
inzien, tot welke verachtelijke laagheden de nijd verleiden kan,
wanneer de mensch zich slaaf van die noodlottige drift heeft
gemaakt; vooral om zijne toehoorders en ons met een heiligen
-ocr page 89-
HET LIJDES EN STERVEN VAN ONZEN NEER JEZUS CHRISTUS.             (\'J
eerbied te vervullen voor de goddelijke Wijsheid, welke in
zijne woorden sprak, eindelijk om allen te wapenen tegen de drei-
gende ergernis, welke hen allen bestoken zou, als zij denzelfden
Jesus zoo diep mogelijk vernederd, versmaad en verguisd zou
den zien. Buitendien moeten wij in Jesus\' antwoorden ten
minste eene zijdelingsche openbaring erkennen en dankbaar
huldigen van zijne goddelijke zending, en van zijn Messiasschap.
Naarmate de dagen van Jesus\' sterfelijk leven opkortten, ver-
kondigde Hij die groote waarheid al duidelijker, om ze straks,
in den nacht vóór zijn dood en voor het hoogste gerechtshof
van zijn volk, in de duidelijkste woorden, welke geen anderen
zin toelieten, en op de volkomenste wijze te verklaren en die
verklaring, weinige uren later, te bezegelen met het vergieten
van zijn Bloed en met voor die waarheid te sterven aan hei
Kruis. Een ieder, die Jesus\' antwoorden op de listige strikvra-
gen zijner vijanden hoorde, moest minstens zich in allen ernst
de vraag voorleggen: „is Hij, die zóó spreken kan, niet de
Christus, de Messias?" En wij allen, die ze nu met eerbiedige
bewondering nalezen, moeten in de volle overtuiging van ons
hart uitroepen: niemand heeft ooit zóó gesproken, als Hij
„spreekt; wie zóó spreekt, is Christus, de Zoon van den leven-
„den God, die de woorden heeft des eeuwigen levens." Eene
aandachtige beschouwing van Jesus\' antwoorden zal ontwijfelbaar
deze overtuiging in ons versterken; daarom ook moeten wij nu,
Jesus\' levensdagen overwegende, onze oplettendheid er aan
wijden.
-ocr page 90-
80                                              HET LMDEN EX STERVEN VAN
Nauwelijks had de Zaligmaker zijne drie gelijkenissen voor-
gesteld, of al spoedig daarop bestormden zijne vijanden Hem
MAT.XXII.15. met deze vraag; Meester! wij weten dat Gij oprecht zijl en
den weg Gods in waarheid leert, en dat Gij niemand ontziet,
wijl Gij geen acht geeft op het aanzien der menschen.
Niets
dan de volle waarheid verkondigden die huichelaars met zulk
eene lofprijzing des Zaligmakers, bij Wien geen aanzien van
personen gold en in Wiens mond geen bedrog gevonden
werd; maar in hunnen mond was zij eene laffe en tevens
listige vleierij om van Jesus een antwoord uit te lokken op
de vraag, welke zij gingen voorstellen: Zeg ons dan, wat
dunkt U: is het geoorloofd den Keizer schatting te geven, of
niet?
Om al de sluwe list te vatten, welke in die schijnbaar
eenvoudige vraag verscholen lag, moeten wij ons deze omstan-
digheden uit de joodsche geschiedenis in \'t geheugen terugroe-
pen. Sinds jaren waren de Joden aan de romeinsche heer-
schappij onderworpen en, gelijk alle overwonnen volkeren, ver-
plicht eene jaarlijksche schatting aan den romeinschen Keizer, die
een heiden was, te betalen. Eenigen hielden dat voor onge-
oorloofd, anderen daarentegen streden voor de wettigheid van
die cijns-betaling. De eersten waren vooral de Pharise&n,
welke in de oogen des volks golden als de door hun stand
aangewezene of als de zich vrijwillig aanbiedene wachters van de
geestelijke goederen des Jodendoms, van de reine leer, van de
overleveringen, ook als de voorvechters van de joodsche waar-
digheid en vrijheid; zij hadden dan ook de lagere klassen op
hunne hand. Dezen nu hielden die cijns-betaling voor eene
onwettige afpersing van het uitverkoren volk van God dat, van
God alleen afhankelijk zijnde, aan geen aardsch, veel minder
aan een heidensch vorst mocht onderdanig zijn en daarom ook
-ocr page 91-
U.VZEN HEER JESUS CHKIStUS.                                               81
aan niemand schatting mocht betalen ten bewijze, dat het
hem als opperheer erkende. Volgens hunne denkwijze was de
tempel-schatting, de halve sikkel door manspersonen, die den
ouderdom van twintig jaren bereikt hadden, te betalen tot
onderhoud van den tempel, het huis van hunnen God en Ko-
ning, de eenige wettige belasting der Joden. De anderen heetten
Herodianen en maakten onder de Joden eene staatkundige
partij uit, welke vijandig tegenover de Phariseen en het volk
stond en het met Herodes hield, den Koning der Joden en door
de gunst der Romeinen aangesteld; van daar ook hun naam.
Zij waren de koningsgezinden van hun tijd; werden door het
volk verafschuwd, maar stonden in blakende gunst bij het hof.
Beide partijen betwistten niet alleen elkander den voorrang, ook
zoo scherp mogelijk stonden zij tegenover elkander; maar hoe
oneenig ook, nu het er op aankwam om den Zaligmaker in
hunne strikken te vangen, reikten zij elkander voor eene wijle
de broederhand. Van beide partijen nu verschenen eenige af-
gevaardigden voor den Zaligmaker om Hem de bovenvermelde
strikvraag voor te leggen. Evenwel waren de Phariseen niet
zelven gekomen; bevreesd opnieuw een beschamend antwoord,
gelijk vroeger, van den Zaligmaker te zullen ontvangen, zon-
den zij liever eenigen van hunne leerlingen, die de kunst van
veinzen reeds genoegzaam kenden. Al die afgevaardigden had-
den het booze doel om Jesus te verstrikken; want welk ant-
woord — zoo meenden zij — Hij ook geven zou, in elke
veronderstelling zouden zij Hem kunnen aanklagen. Luidde
het antwoord, „het is geoorloofd," dan bij het volk, dat
de romeinsche overheersching als een gruwel beschouwde;
was het antwoord daarentegen : „neen, het is ongeoorloofd,"
dan konden zij Hem bij den romeinschen Landvoogd, den
G
-ocr page 92-
82                                               HET LIJDEN E* STERVEN VAV
vertegenwoordiger des Keizers, van oproerig verzet tegen het
keizerlijk oppergezag beschuldigen.
Op den toon van menschen. die niets anders dan de waarheid
zochten, hadden zij gesproken; maar Jesus, die hun boos opzet
kende en hunne geheimste gedachten doorgrondde, gaf hun
Mat.xxii, 18. ten antwoord: tuat beproeft gij Mij, gij huichelaars! Toont Mij
de cijns-munt. En zij reikten Hem een denarie aan
— de overal
in Palestina gangbare munt, waarop èn naam èn beeld
des Kei\'ers uitgedrukt stonden en zoo de onderworpen-
heid van de Joden aan de Romeinen werd aangeduid. Met
den vinger op het muntstuk wijzende vroeg hun Jesus: wiens
beeld is dit en het opschrift 1 Zij zeggen tot Hem: des Keizers.
Daarop zegt Hij tot hen: geeft dan aan den Keizer, wat den
Keizer toekomt, en aan God, wat God toekomt.
De bovenmen*
schelijke, de goddelijke Wijsheid van Jesus spreekt zich hier
wederom in elk zijner woorden uit. De zin toch daarvan is
deze: „dewijl beeld en opschrift van deze bij u gangbare munt
„getuigen, dat gij onder de heerschappij der Romeinen staat,
„geeft dan aan den Keizer wat hem, als uwen gebieder, toe-
„komt en wat gij, zijne onderdanen, hem verschuldigd zijt:
„dit is geoorloofd en tegelijk plicht. Maar geeft ook aan God,
„wat aan God toekomt; het betalen van schatting aan den Keizer
„is in geenen deele onbestaanbaar met de plichten, welke gij
„jegens Gcd en zijnen tempel te vervullen hebt; betaalt de schat-
„ting aan den Keizer, betaalt ook de schatting aan den tempel"
Door dit antwoord had Jesus beide partijen te gelijk ontwapend:
de Herodianen konden Hem niet van eenig verzet tegen de wetten
der Romeinen aanklagen ; de Phariseen konden Hem niet be«
schuldigen, dat Hij de rechten van de romeinsche overheer-
schers voorstond ten koste van Gods rechten. De listige onder»
-ocr page 93-
89
ONZEN hum; JfcSUS CHRISTUS.
vragers waren dan ook, dit hoorende, verwonderd; zulk een Mat.XXM,
antwoord hadden zij niet verwacht. Verlegen met zich zelven
en zich schamende voor de omstanders verlieten zij den Zalig-
makcr en gingen heen; —
zij gingen heen. maar evenals de duivel,
na de bekoring in de woestijn, den Zaligmaker verliet om Hem
namelijk weldra opnieuw lastig te vallen; want, niet verbeterd
of bekeerd, maar hun spijt verkroppende, dropen zij nu af om
na drie dagen Jesus\' woorden te verdraaien en dan een wapen
daaruit tegen Hem te smeden voor den rechterstoel van Pila-
tus. Doch loopen wij de geschiedenis niet vooruit; liever
vestigen wij onze aandacht op de lessen, welke in Jesus\' won-
derbaar wijs antwoord voor ons zijn opgesloten.
— Geeft aan God, wat Gode toekomt. Wij hebben niets van
ons-zelf; alles wat wij zijn en wat wij hebben: de ziel en hare
vermogens, het lichaam en zijne krachten, het leven en de
gezondheid, alle tijdelijke en geestelijke goederen, alle welda-
den in de orde der natuur en der genade — dat alles ont-
vingen wij van God; geheel ons bestaan is een samenstel van
de gunsten, welke Gods Goedheid ons schonk. Het behoort
derhalve aan God en moet ten zijnen dienste aangewend
worden; het is ons alleen ten gebruike geleend. Laten
wij ons dan met geene valsche drogredenen misleiden: wij
moeten zijn en leven en ons bewegen volgens Gods heili-
gen wil, en alles tot zijne eer en glorie terugbrengen; op die
wijze alleen geven wij aan God, wat aan God toekomt. „Wat
„is ook rechtmatiger en billijker" — vraagt de h. Augustinus —
„dan voor den God-mensch te leven, zonder Wiens dood ik
„niet leven zou ? Wat is voordeeliger dan een God te dienen,
„die mij het eeuwig leven belooft? Wat is noodzakelijker dan
„een God te dienen, die mij met de eeuwige straffen dreigt?/\'
-ocr page 94-
84
HET LIJDEN KV STEKTEN VAX
Twee redenen alzoo, welke ons bewegen moeten om met allen
ijver naar het bereiken van onze hooge bestemming te streven:
de verheerlijking Gods en het eeuwig heil onzer onsterfelijke
zielen.
ROM.XIII.7, i. — En aan den Keizer wat des Keizers is. De h. Paulus ver-
klaarde die woorden des Zaligmakers, toen hij aan de Romei-
nen schreef: geeft aan allen, wat g-i/ schuldig zijl: schatting,
wien gij schatting; tol, wien gij tol; ontzag, wiert gij ontzag;
eerbied, wien gij eerbied
(schuldig zijt.) Alle mensch zij aan de
hoogere Machten onderdanig; want er is geene macht dan van
God, en de bestaande Machten zijn van God verordend. Der-
halve, wie zich tegen de Macht verzet, die verzet zich tegen Gods
verordening; en die zich
(daartegen) verzetten, brengen een straf-
oordeel over zich zelvcn.
Alleen in één geval is L ij d e l ij k
verzet plicht: als deze of gene tijdelijke macht iets zou bevelen,
wat door eene hoogere macht of wet verboden is, in die veron-
Hand. V. 29. derstelling moeten wij met den h. Petrus zeggen : men fnoet eerder
aan God gehoorzamen dan aan de menschen.
Daarom ook stierven
de Martelaren liever den pijnlijksten dood dan te gehoorzamen
aan het wreedaardig bevel hunner vervolgers om aan valsche
afgoden den wierook der aanbidding te offeren : dit toch kon-
den zij niet zonder den eenig waren God te verloochenen,
zonder de wet van God, welke eindeloos ver boven elkemen-
schelijke wet verheven is, te overtreden.
Een tweede aanval had Jesus van geheel tegenovergestelde
zijde te verduren. Geheel verschillend van de Pharisefin wa-
ren de Sadduceers. De eersten onderscheidden zich aanvankelijk
-ocr page 95-
85
ONZEN HEER JESUS CHRISTUS.
van de overige Joden door een heiligen levenswandel en door
eene strenge opvatting van alle wettelijke voorschriften; doch
naderhand waren het menschen, minstens voor het grootste
gedeelte, die zich met een bloot uiterlijken Godsdienst verge-
noegden en inwendig zeer bedorven waren. De Sadduceërs
vormden ook eene godsdienstige secte, maar in volkomen te-
genstelling met die der Phariseön; omtrent vele punten ver-
keerden zij in de grofste dwalingen; zij waren de ongeloovigen
onder de Joden, kenden geen hooger streven dan naar hetgene
dezer aarde is, in één woord: zij waren bijna aan Heidenen
gelijk. De schepping der wereld door God namen zij aan,
maar niet zijn wereldbestuur; God had — leerden zij — voor
eens en voor altijd zijn gebod gegeven, maar verder een ieder
aan zijne eigene vrijheid overgelaten, zóó dat èn het goede èn
het kwade alleen van de keuze des menschen afhing; God be-
moeide Zich niet met den mensch : deze is meester en beschikt
over zijn lot, en alle kwaad, dat hem overkomt, moet hij aan
zich zelven wijten; God heeft daaraan niet het minste deel.
Met heidensche wijsgeeren verwierpen zij verder de on-
sterfelijkheid der ziel en het eeuwig leven; ook aan het bestaan
der Engelen geloofden zij niet. De groote meerderheid des
volks was hun dan ook afkeerig en beschouwde hen met
mistrouwen. Deze bemerkingen maken ons de vraag duidelijk,
welke ook zij op hunne beurt aan den Zaligmaker voorstelden.
Wel wetende, dat Jesus de opstanding der dooden en een eeu-
wig leven na den dood leerde, trachtten zij, die goddelijke waar-
heden bespottende en te gelijk met een even boos opzet als de
Phariseen bezield, Hem in verlegenheid te brengen. „Meester!
„vroegen zij — wanneer eene vrouw achtereenvolgens meer-
„dere mannen gehad heeft, van wien zal zij de echtgenoote
-ocr page 96-
86
HIT LIJDEN\' I.N STERVEN" VAX
„z\'jti na de opstnnding der doeden, welke Gij zegt, dit zal
„plaats heb\' en?" Die afged vaalden kleefden zulke grof zinne-
lijke denkbeelden aan, dat zij in hunne voorgewende moeie-
lijkheid een ernstig bezwaar tegen de verrijzenis des vleesches
zagen. Van de meening uitgaande, dat het eeuwig leven
hiernamaals niets anders zijn kon dan eene voortzetting van dit
aardsche en bijgevolg ook van het huwelijksleven, vroegen
zij. aan wien der mannen de vrouw zou toebehooren na het
einde der wereld; of wel — meenden zij — moest het recht
van de overigen, ten voordeele van den éénen man, geschon-
den worden, of wel eene volgens de natuur-wet ongeoorloofde
betrekking ontstaan. Beklagenswaardige waanwijzen, die zich
niet schaamden met geloofspunten, die aan anderen dierbaar
waren, te spotten en aan hunnen evenmensch een kostbaren
troost te ontnemen, dien zij zelven door hunne ongeloovigheid
verloren hadden! Een enkel woord der goddelijke Wijsheid
was genoeg om den geheelen grondslag van die gewaande
wijsheid te vernietigen. En de Zaligmaker, al las Hij in hun
hart de geheime bedoelingen, welke hun die vraag in den
mond legden, wilde toch, vooral om alle toehoorders en ook
ons voor den verderfelijken invloed hunner dwaling te vrijwa-
ren, hen met een breedvoerig antwoord terecht wijzen. Hij
deed het op tweeërlei wijze. Vooreerst bewees Hij hunne on-
kunde met de Almacht van God en dan met den inhoud der
Mat.XXII.29. H. Schriftuur. Gij dwaalt — zeide Hij hun, — niet kennende
de kracht Gods.
God immers kan. omdat Hij Almachtig is, en
zal ook, omdat Hij het beloofd heeft, de gestorvenen ten leven
opwekken. En dan zullen die verrezenen zijn als Gods Engelen
in den Hemel,
onsterfelijk; dan ook zullen zij niet kunnen uit-
gehuwd worden, omdat er geen dood meer zijn zal, en derhalve
-ocr page 97-
87
ONZEN HEER JESUS CHRISTUS.
het huwelijk en de voortplanting des geslachts onnoodig is.
Mi ir ook gij dwult — vervolgde d^ Zaligmaker— de Schrif-
len niet kennende.
On hen diarvan te overtuigen, haalde Hij
slechts ééne plaats aan uit de boeken van Mozes; en met op-
zet koos H\'j zijne bewijsvoering uit Mozes\' wet, omdat deze
ook door de Sadduceörs als goddelijk erkend werd, ofschoon
andere schriftuur-plaatsen meer uitdrukkelijk de onsterfelijkheid
der ziel leerden. Hebt gij — vroeg Hij hun — aangaande de
verrijzenis der dooden niet gelezen, wat door God tot u gespro-
ken is, als Hij zegt: Ik ben de God van Abraham en de God
van Isaak en de God van Jaeob.
„Weinu — aldus is de be-
wijsvoering des Zaligmakers — „niet zóó had God kunnen
,.spreken, als die Oud-vaders na hun sterven geheel opgehou-
„den hadden te bestaan; maar nu Hij Zich nog hun God noemt,
„ofschoon zij reeds vóór eeuwen gestorven djn, moeten zij ook
„n& hun dood nog leven, want God is geen God van dooden
„maar van levenden;
derhalve moet er nog een leven na dit
„aardsche leven zijn en ook eene verrijzenis des vleesches,
„want de ziel vereenigd met het lichaam maakt den mensch uit.
— De scharen, dit hoorende, stonden verbaasd — verhaalt de
Evangelist; zelfs eenigen van de Schriftgeleerden, die de Sad-
duceers hadden hooren redetwisten, zeiden tot den Zaligmaker:
Meester! Gij hebt goed gesproken. Zeker stemmen wij in met Luc. XX, 39.
die lofspraak, want in elk woord, dat uit Jesus\' mond kwam,
vinden wij de uitspraak van eene goddelijke Wijsheid. Tevens
danken wij den Zaligmaker, dat Hij opnieuw ons in deze zóó troost-
volle en bemoedigende overtuiging heeft versterkt: wij zullen
dan niet als een redeloos dier in de aarde worden weggewor-
pen, en ons uitzicht reikt verder dan het graf. Eens zullen wij
ook, even als Christus, uit het graf opstaan en met Hem ten
-ocr page 98-
ss
HET LIJDEN EN STERYES VAN
eeuwigen leven verrijzen. Niet alles eindigt dan met dit leven,
maar onze droefheid hier beneden gaat ginds over in blijdschap,
ons lijden in verheerlijking, ons strijden in overwinning — mits
wij hier ons aan den lijdenden Zaligmaker hebben aange-
sloten. Moed dan, Christenen ! houdt nog een weinig tijds vol:
al wie met Jesus in zijne beproevingen heeft volhard, Hem
niet ontrouw is geworden noch om de bespotting van ongeloo-
vigen, noch om de huichelachtige inblazingen van dwaalleer-
aars, noch om de hooge eischen zijner heilige zedenwet, noch om
de diepe verborgenheden zijner goddelijke waarheden, noch uit
laffe vrees voor de menschen, noch om de veelvuldige offers,
welke Jesus\' leer en wet van hem vraagt, aan hem heeft de-
zelfde Zaligmaker het deelgenootschap in zijn eeuwig Rijk van
glorie beloofd. —
De Phariseën verheugden zich over de nederlaag, welke de
Sadduceers, hunne groote tegenstanders, geleden hadden. Even-
wel moest die ook hen tot behoedzaamheid aansporen en te-
rughouden om zelven nog eene poging te wagen, of zij den
Zaligmaker door listig gesponnen vragen konden verstrikken.
Waren zij zelven ook niet reeds dikwijls met beschaming af-
gewezen of tot hunne eigene schande ontmaskerd? Maar de
zegepraal des Zaligmakers en de loftuitingen, welke Hem ten
deel vielen, waren een doorn in hunne nijdige oogen. Daarom
dan nog eens hunne listen beproefd, al stelden zij zich aan
\'t gevaar bloot van wederom geslagen te worden. — De nijd en
afgunst laten hun ongelukkig slachtoffer geene rust en stu-
wen hem op den ingeslagen weg voort, al gaapt aan het einde
-ocr page 99-
ONZEN HEER JF.SI\'S CHRISTUS.
daarvan ook een afgrond. Na eerst met elkander beraadslaagd
te hebben, zonden zij één hunner, die den hoogdravenden titel
van leeraar der wet vosrde, naar den Zaligmaker, terwijl Hij
in den tempel nog leerende was, af met den last om deze
strikvraag te doen; Meester! welk is het\'grootste gebod der we/?Mat.XXH,36.
Dat hunne bedoeling even boos was, als toen zij de vroeger
vermelde vragen aan Jesus voorstelden, kan niet betwijfeld worden;
moeilijker is het te zeggen, welke bedoeling zij met deze vraag
hadden. Als hoogst waarschijnlijk mogen wij deze veronderstelling
maken. De rabbijnen verdeelden de geboden, waaruit de geheele
wet bestond, in twee klassen: in groote of streng verplichtende,
en in kleine of minder streng verplichtende. Dewijl de b. Schrift
zelve geen onderscheid maakte, twistten zij onder elkander,
welke geboden tot de eerste, welke tot de laatste soort terug-
gebracht moesten worden. Nu wilden zij door den Zaligmaker
een algemeen beginsel hooren aangeven, dat als maatstaf ter
beoordeeling kon dienen. Doch dit was, volgens hunne mee-
ning, eene onmogelijkheid; zij zouden dan in een woordenstrijd
met Hem gewikkeld worden en Hij zelf in strijd met eene der
partijen geraken. Daarin lag de strik, welken zij den Zalig-
maker spanden, verborgen. Doch ook deze list verijdelt de
goddelijke Wijsheid. Jesus noemt twee groote, algemeene ge-
boden op, waarin al de overige geboden vervat zijn. Gij zult
— antwoordde Hij hun — den Heer uwen God liefhebben uit
geheel uw hart en met geheel uive ziel en met geheel nw ver-
stand. Dit is het grootste en eerste gebod. En het tweede is daar-
aan gelijk: gij zult uwen naaste liefhebben als u zelven. Aan
deze twee geboden hangt de ganschc Wel en de Pro/eten.
Die twee geboden maakten den hoofdinhoud uit van
alle geboden; alle andere geboden werden daartoe terug-
-ocr page 100-
90
HET LIJDEN EN STERVKN VAN
gebracht; niets had de Wet, niets hadden de Profeten bevolen,
wat niet in die twee geboden lag opgesloten; elkeen alzoo,
welke die twee geboden onderhoudt, volbrengt al zijne ver-
plichtingen jegens God en jegens den evennaaste. Dit ant-
woord maakte den diepsten indruk op den wetgeleerde; alle
lust was hem ontvallen om nog verder op twistzieke wijze met
Jesus te redekavelen. Zijn eerlijk gemoed hernam ook de bo-
venhand en, getroffen door Jesus\' bovenmenschelijke Wijsheid,
erktnt hij de waarheid van zijn antwoord en prijst Hem er
om zeggende: voortreffelijk, Meester ! naar waarheid hebt gij
gezegd, dat Hij één eenig God is, en dat er geen ander is buitev
Hem : en Hem lief te hebben uit geheel het hart en uit geheel
het verstand en uit geheel de ziel en uit geheel de kracht, en den
naaste lief te hebben als zich zelven, is meer dan alle brand-
en slachtoffers.
Jesus, dit antwoord van dien ieeraar hoorende
Makc. xn,32. en in zijn hart de oprechtheid ziende, zeide: gij zijt niet
verre van het Rijk Gods,
„gij zijt op den goeden weg om Mij
„voor den Messias te erkennen en alzoo aan de genade van
„het Evangelie deelachtig te worden."
— Wij kunnen God niet genoeg dankbaar zijn, dat
Hij ons die twee groote geboden gegeven heeft. Wij allen
zijn werklieden in den wijngaard van God; door goed
daarin te we/ken, moeten wij vruchten verzamelen voor
de eeuwigheid en, met het kleed der onschuld versierd, eens
voor God verschijnen om in den Hemel te worden binnen ge-
laten. Maar hoe ons dat geluk te verzekeren? Hoe werken en
welke vruchten voortbrengen ? Twee onfeilbare middelen daartoe
geeft de Zaligmaker ons aan; twee vuurbakens plaatst Hij
vóór ons, opdat wij op onzen weg noch ter rechter- noch ter
linker-zijde afdwalen:
-ocr page 101-
91
TAS 0S7.ES HKER JKSUS CHRISTUS.
Bemint God bovenal, uit geheel moe ziel. Wie niet bemint
blijft in den dood der zonde, maar daarentegen: wie zich door
eene innige lietde met God vereenigt en in die liefde blijft,
die blijft in God en God in hem, en hij ook zal, na eene stand-
vastige volharding, God eenmaal voor eeuwig bezitten. Geen
grooter eer kon God den mensch geven dan dit gebod, dat
wij Hem moeten beminnen. Wie toch is God, en wie zijn wij,
dat wij Hem mogen beminnen? En beminnen wij Hem, dan
worden wij daarenboven nog beloond; en om onze liefde Zich
te verzekeren, bedreigt Hij ons, als wij Hem niet beminnen,
met de zwaarste straffen. Moeten wij, evenals de h. Augustinus,
ons niet aanklagen, dit wij die oneindige Liefde te laat gekend
en te weinig bemind hebben? Dit gebod is het eerste en het
voornaamste, omdat het de eerste plaats in ons hart moet innemen
en de vervulling daarvan boven alle andere belangen, zonder
eenige uitzondering, moet gesteld worden; omdat het ons de
grootste vruchten en de rijkste zegening verzekert; ook omdat
geen voorwerp, onze liefde waardiger, kan gedacht worden
dan God.
Het tweede gebod, aan het eerste gelijk, is dat der naasten-
liefde: gelijk omdat het evenzeer door God als een gebod van
liefde gegeven is; niemand ook kan — zoo leert de h. Joannes —
God, dien hij niet ziet, beminnen, als hij den naaste, dien hij wel Joan. IV
ziel, niet bemint. Onze ziel is door God en voor God geschapen,
en zij vindt hare zaligheid alleen in de liefde tot God, met
welke de liefde tot den naaste onalscheidbaar verbonden is.
üe naasten-liefde is te gelijk liefde tot God; zij is eene en
dezelfde liefde, welke zich eerst tot God verheft en van daar
met die kracht, welke zij uit de goddelijke bron put, hare zui-
verste wateren doet uitstroomen over alle menschen, welke
-ocr page 102-
92                                               HET LIJDEN EN STEBTEN TAN
evengoed als wij naar het beeld van God geschapen zijn en
ook voorbestemd om Hem te kennen en met Hem in
eene eeuwige liefde-gemeenschap te leven. Ook daarom
nog is dit tweede gebod aan het eerste gelijk, omdat het
den gansenen tijd van ons aardsche leven en den geheelen
duur van de gelukzalige eeuwigheid omvat. Slaan wij ter ver-
duidelijking een blik op de Heiligen in den Hemel. Zij be-
minnen nu God met eene nog zuiverder en volmaaktere liefde
dan tijdens hunne omwandeling op aarde; zij beminnen ook
elkander met eene vuriger liefde dan toen zij nog op aarde
leefden, dewijl allen zich inniger met God vereenigd gevoelen;
maar eveneens beminnen zij ons, die hier nog den Hemel moe-
ten verdienen, nog hartelijker dan te voren, daar zij nu God
beter kennen, het geluk der zaligheid hooger waardeeren en
onze gevaren met grootere bezorgdheid gadeslaan. Hunne
grootere liefde tot God en tot elkander is de maatstaf van
hunne liefde tot ons en derhalve een voorbeeld en eene op-
wekking tot ware naasten-liefde; maar even duurzaam als hunne
wederzijdsche liefde is, even duurzaam moet onze liefde tot
den naaste zijn. —
Telken male had Jesus door zijne goddelijke Wijsheid de
sluwe listigheid zijner vijanden verijdeld en hunne geveinsde
leergierigheid beschaamd. Niemand durfde dan ook — merkt
Makc. XII.34, de Evangelist aan — Hem meer ondervragen, noch van de
partij der Sadducefirs, noch van die der Phariseen. Maar durf-
den zij niet meer, de Zaligmaker wilde nu op zijne beurt eene
vraag van het allergrootst gewicht hun voorleggen, deels om hen
-ocr page 103-
«3
0M2EX HEEE JESUS CHRISTUS.
te doen begrijpen, dat zij Hem geene vraag doen moesten dan
alleen uit prijzenswaardige begeerte naar onderricht in \'t geen
hunne zaligheid betrof, deels om hen nog te genezen van hunne
valsche begrippen omtrent de roeping en de werkzaamheid
van den Messias, deels om hun op gevoelige wijze hunne on-
wetendheid in Godsdienst-zaken onder het oog te brengen, vooral
om aan hen en aan het verzamelde volk een hoog denkbeeld
van zijne waaidigheid in te prenten. Wel verwachtten zij een
Messias; ook hoopten zij op den Messiis, maar hunne aardsch-
gezindheid verblindde hen in die mate, dat zij zich den Messias
niet anders voorstelden dan als een wereldsch vorst, die in aard-
sche grootheid en luister verschijnen zou, om met geweld van
wapenen het vroeger zoo machtig rijk van Israël in eere te her-
stellen, den troon van Salomon wederom op te richten en daar-
door het joodsche volk van de romeinsche overheersching te
bevrijden. Deze ijdele waan deed hen met verachting nederzien
op Jesus van Nazareth, die in armoede was geboren, in armoede
leefde en geen ander gevolg had dan twaalf arme visschers,
die Hij zijne Apostelen noemde, en eenige vrome vrou-
wen. Op de goddelijke leer, welke Jesus verkondigde en op
de wonderen, welke Hij ten bewijze zijner Goddelijke waardig-
heid en zending wrochtte, wilden zij, vrijwillig blind zijnde,
geen acht slaan. Voor meer dan een afstammeling van David
naar het vleesch gold hun de Messias niet: dat Hij echter
meer was dan de spruit uit hun vorig koninklijk huis; dat de
Profeten in duidelijke bewoordingen van zijn goddelijke afkomst
gesproken hadden — dit wilden zij niet begrijpen. De Zalig-
maker vroeg hun dan : wat dunkt u aangaande den Christus
(den Messias)? wiens Zoon is Hij? „Van wien is Hij voortge- Mat.XXII^s
„komen; is Hij van bloot menschelijke, of tevens van godde-
-ocr page 104-
94
HET I.I.IHKN KM STEEVEN VAN
„lijke natuur?" De Phnrisee\'n, geen hooger denkbeeld koes-
terende van den hun beloofden Messias dan wij zoo even
aanstipten, gaven overmoedig ten antwoord: Davids Zoon. De-
wijl dit antwoord niets meer dan de halve waarheid bevatte
en de goddelijke natuur des Zaligmakers loochende, wierp
Jesus hun eene moeielijkheid op, ontleend aan een der psalmen,
welke dezelfde David onder ingeving van den H. Geest ge-
schreven had. Met verheffing van stem, om door alle om-
standers verstaan te worden, riep Hij uit: Hoe noemt dan David
door den Geest Hem Heer, als Hij zegt: de Heer heeft ge-
zegd tot mijnen /[eer: zit aan mijne rechterhand, tot dat ik uwe
vijanden zette tot een rustbank uwer voeten ? Indien David
Hem dan Heer noemt, hoe is hij diens Zoon ?
Die vraag was klem-
mend, en het eenig goede antwoord, dat er op gegeven kon
worden, hield eene getuigenis in voor Jesus\' Godheid. De in-
houd der vraag toch was deze: „hoe kan David den Messias
„zijnen Heer noemen, als deze niets meer is dan zijn zoon,
„dan zijn afstammeling naar het vleesch? Geen stamvader is
„gewoon zijn zoon Heer te noemen; moet dan het woord door
„David, op ingeving des Heiligen Geestes geschreven, niet
„beteekenen, dat de Christus meer is dan de natuurlijke zoon,
dat Hij als Heer boven David hoog verheven, dat Hij God is ?"
Niemand kon — zegt de h. Mattheüs — Hem een woord ant-
woorden;
al die geleerden, zoo vaardig in het uitvinden van
strikvragen, moesten op die vraag des Zaligmakers het ant-
woord schuldig blijven. Echter, al hadden zij een antwoord
kunnen vinden, zij, die schijnheilige ongeloovigen, zouden
het nimmer naar waarheid gegeven hebben. Te dikwijls
hadden zij Jesus, als Hij God zijnen Vader noemde, van
godslastering beschuldigd, om nu toe te geven, dat David, die
-ocr page 105-
93
OSZEM BFFR JFSIS CHRHTUS.
in zijne koninklijke waardigheid geenen Heer dan God alleen
boven zich kon erkennen, en den Messias zijnen Heer noemde,
Hem als God gehuldigd had. Ja, hadden zij de H. Schrift g(!-
raadpleegd en naar Jesus\' leer geluisterd, zij zouden even goed
als wij en met dezelfde juistheid geantwoord hebben : „Wij er-
„kennen en belijden in den Messias twee naturen: de mensche-
„lijke en de Goddelijke; Hij is de eeuwige Zoon des Vaders,
„de tweede Persoon der H, Drievuldigheid, die in den tijd
„de menschelijke natuur aangenomen heeft en in alles, behalve
„de zonde, aan ons is gelijk geworden; Hij is dus God en
„mensch te zamen; naar de menschelijke natuur is Hij Zoon,
„naar de goddelijke is Hij Heer van David."
-ocr page 106-
Hoofdstuk TIL
Jesus\' laatste tempelbezoek.
Den volgender. morgen, Woensdag in de goede week, ontmoe-
ten wij Jesus, maar nu voor de laatste maal in zijn sterfelijk leven,
wederom met zijne leerlingen in den tempel. Hij zette Zich neder
in het vrouwen-voorhof, waar ook de Offerkist stond. Velen nader-
den om daar hunne vrijwillige giften te offeren tot onderhoud van
den tempel en van het altaar. Rijken en aanzienlijken brachten
hunne gaven met milddadigheid; ook eene arme en behoeftige
MAKc.Xi1.4ra weduwe kwam nader en wierp er twee penningen in, hetwelk is
één vier/ing,
volgens onze berekening zeker niet meer dan: een paar
centen. Zeker zal die arme vrouw hare gift aan den Zaligmaker niet
Joan.XXI,17. getoond, evenmin Hem daarvan gesproken hebben ; maar Jesus,
die alles wist, die ook harten doorschouwt, kende haren be-
hoeftigen toestand, zag de hoeveelheid van hare gave en tevens de
vrome gevoelens van haar offervaardig hart, waarvan ook die
kleine gift een sprekend bewijs aflegde. Hij kon het niet van
Marc. XII,43. Zich verkrijgen om haar niet te prijzen ; Hij riep zijne leerlingen
bijeen en sprak tot hen: voorwaar zeg Jku: deze arme weduwe
heeft meer ingeworpen dan allen, die in de offerkist geworpen
hebben. Want allen wierpen er in van hunnen overvloed
en, na
-ocr page 107-
Hït I.UDEN KN STERVEN VAX 0*tlN HEEB JEZUS CHBISTUS.             Ï7
hunne gift, bleef hun nog geld genoeg over; maar deze wierp
van haar gebrek alles, wat zij had, er in, heel haar levensonder-
houd,
«zij gaf al het geld, dat zij, bezat en noodig had om
«voor dien dag in haar levensonderhoud te voorzien." Daarom
gaf zij meer dan al de overigen, niet naar de waarde van het
geld, maar in evenredigheid van haar vermogen tot dat van de
andere gevers.
— Leerrijk en tevens troostvol voorbeeld voor ons allen, het
zij wij met tijdelijke goederen gezegend zijn of niet. »//ebt Tob. IV,
tgij veel — zeide de oude Tobias tot zijn zoon — geef dan
weel; maar hebt gij weinig, tracht ook van dat "weinige met
«bereidvaardighcid mede te deelen.
En niemand schame zich
voor God, al kan hij slechts weinig geven of ter leniging van
den nood der armen of tot opluistering der plechtigheden van
onzen heiligen Godsdienst: niet het bedrag der gave bepaalt hare
waarde, maar de goede meening, waarmede zij geschonken wordt.
Hij geeft het meeste, die van het zijne het minste behoudt.
Juist de kleine giften der mingegoeden zijn van grootere be-
teekenis dan de gaven der rijken. Waar er spraak is van
liefdewerken, vormen de bijdragen der minder bedeelden meestal
het hoofdbestanddeel: de macht der kleinigheden is onder stoffe-
lijk even als onder maatschappelijk opzicht beslissend; maar van
nog grootere beteekenis is de zedelijke waarde. Niets is treffen-
der en voor God verdienstvoller dan eene liefdegift door hen
gestort, die zelven nauwelijks in hunne behoeften kunnen voor-
zien en toch hunnen penning offeren. —
Intusschen had eene talrijke schare zich rondom den Zalig-
maker verzameld om naar zijne leering te luisteren. Toen be-
gon Hij eene allerstrengste strafrede te houden tegen de Schrift-
7
-ocr page 108-
het Lijden kn stekten tan
98
Mat. XXIII,i. geleerden en de Phariseën, die zware en ondragelijke lasten
samen bonden,
door voorschrift aan voorschrift te voegen, en ze
op de schouderen der mensehen legden, maar zelven die met
hunnen vinger niet verroerden; die,
al wat zij aan vrome werken
verrichtten, deden om van de mensehen gezien te worden; die
hunne gedenk-cedels,
strepen van perkament, waarop spreuken
uit de wet van Mozes geschreven stonden, breed maakten en
hunne boordsels,
de aan het einde van het opperkleed gedragene
kwasten, vergrootten om het oog der anderen tot zich te trekken
en een grooteren Godsdienst-ijver te huichelen, die gaarne de
eerste plaatsen op de gastmalen en in de Synagoge het voorge-
stoelte en op de marktplaatsen de begroetingen hadden, en dat zij
door de menseken Rabbi,
meester, genoemd werden om door
dien eervollen naam in hun hoogmoed gestreeld te worden.
Deze berispingen besloot de Zaligmaker met eene verma-
ning tot de Apostelen en derhalve ook tot ons, die in alles
Jesus\' bereidvaardige leerlingen zijn moeten. Wilt niet — zeide
Hij hun — dat men u Rabbi noeme; wilt niet uit dwaze eer-
zucht naar hoogen stand of weidsche titels haken, om in hoog-
moed boven uwe medemenschen u te verheffen en ter voldoe*
ning van uwe heerschzucht over anderen te kunnen gebieden;
want één is uw Meester, God is wezenlijk en in den eigenlijken
zin, van grooten niet minder dan van geringen, de Meester, de
leidsmnn of voorganger en tegenover Hem zijt gij allen broeders.
Wilt ook niemand op aarde uwen vader noemen
of — vader was
bij de Joden een gewone benaming voor leermeester — hem
met den titel van leeraar begroeten, want één is uw Vader, die
in den Hemel is, en die in den vollen zin van het woord de
éénige Leerarr, de bron van alle kennis is.
— De dwaasheid van ongeloovige maar tegelijk phariseesche
-ocr page 109-
yy
ONZEN HEER JESl\'S CHKISTUS.
vitters kan alleen in boven aangehaalde woorden des Zalig-
makers eene algemeene veroordeeling zien van het aannemen
en van het toekennen van eeretitels of van onderscheidings-
namen. Zou dan — vragen wij hun — de h. Paulus zóó weinig
ingewijd geweest zijn in den geest van Jesus\' leer, dat hij ten
onrechte zich Vader der geloovigen en Leermeester der Heidenen
noemde? Neen, niets meer verbiedt hier de Zaligmaker dan
het hoogmoedig streven en het eerzuchtig verlangen naar titels
of benamingen. Het dragen daarvan kan even goed gepaard
gaan met diepe nederigheid, als het uitoefenen van gezag over
anderen nog geenszins een hoogmoedigen mensch verraadt. Zond
ook de Zaligmaker zelf niet zijne leerlingen de wereld in als
leermeesters der volkeren, als zijne plaatsbekleeders, als gezag-
hebbenden, naar wie allen luisteren moesten? Maar, opdat zij
met de juiste mate in die verhevene gezagsuitoefening zouden
te werk gaan, opdat hunne hooge waardigheid hen niet tot
trotschheid zou vervoeren, voegde Hij vermanend er bij:
Wie de grootste is van u, moet uw dienaar zijn. En die zich
zelven verheft, zal verneaerd, en die zich zelven vernedert, zal
verheven worden.
Een ieder alzoo, die door stand of waardig-
heid boven anderen uitmunt, mag die voorrechten niet misbrui-
ken om zich boven zijn evennaaste op trotsche wijze te verheffen
of om hem zijne meerderheid pijnlijk te doen gevoelen; veeleer
moet hij trachten in zijn werkkring door minzaamheid en oot
moedigheid te schitteren en zóó de dienaar van allen te worden. —
Wij zouden de besprokene berisping des Zaligmakers eene
inleiding kunnen noemen tot de eigenlijke strafrede, waarin Hij
meer rechtstreeks tot de afgedwaalde Oversten van het joodsche
volk Zich richtte. Tegenover de acht-Zaligsprekingen in de
-ocr page 110-
-
1U0                                           HET UJIIKX ÏN STEHTEX YAM
berg-rede, waarin Hij de eischen der christelijke volmaaktheid
uiteenzette, doet hier Jesus zijn achtvoudig wee hooren over de
verkrachting van de eerste voorwaarden voor een deugdzamen
levenswandel, telkenmale de reden er bijvoegende, waarom Hij
dat vonnis der veroordeeling over hen uitspreekt, maar
tegelijk ook over ons, als dezelfde zonden in ons hart ge-
vonden worden. Immers wilde de Zaligmaker met die straf-
prediking niet alleen de Phariseën en Schriftgeleerden om hunne
grove misdaden bestraffen, ook niet slechts zijne toehoorders
voor het verleidend voorbeeld van die geslepene booswichten
waarschuwen. Zijn blik reikte veel verder en tot aan het einde
der eeuwen; waar en wanneer ook zijn Evangelie zou verkon-
digd worden, moest die tempel-rede een weerklank vinden in de
gemoederen van al zijne geloovigen. Afschuw dan voor de
goddelooze schijnheiligheid van die joodsche Oversten, maar
ook bange vrees voor eigene zwakheid moeten ons vervullen bij
het overwegen van die laatste redevoering des Zaligmakers in
den tempel. En zeker mag wel een ieder van ons in zich zelven
treden om te onderzoeken, of hij niet eenige gelijkenis heeft
met het beeld, dat zijn goddelijke Leermeester hem ter leering
en ter waarschuwing voorhoudt, zich afvragen of ook niet menige
verbetering in zijn gedrag omtrent de door Jesus behandelde
onderwerpen is aan te brengen. Zóó ook wordt elk gedeelte van
Jesus\' rede een leerrijk punt ter overweging. Hij sprak dan tot hen \\
Mat. XXIII, „ Wet u, gij huichelaarsl omdat gij het Rijk der Hemelen,
,3—33\'„het geestelijk Rijk door den Messias te stichten, de Kerk van
„Christus, sluit voor de menschen, door uw slecht voorbeeld en
„door uwe lasteringen tegen Mij; want gij zelven gaat er nietin,
„omdat gij bedorven van hart en ongeloovig van geest zijt; en
„hen, die willen ingaan, laat gij met ingaan;
terwijl gij zelven
-ocr page 111-
101
OVZEX Hf.ER JESUS CHRISTUS.
„de u aangebodene genade afstoot, belet gij anderen ze aan te
„nemen en zijt oorzaak, door uwe valsche uitlegging van de
„H. Schriftuur, dat ook anderen Mij, den Messias, verwerpen."
„ Wee u, schijnheiligen I want gij eet de huizen der weduwen
op, lange gebeden biddende; daarom zult gij een zwaarder oor-
deel ontvangen. Z\\]
baden lang en veel en maakten een niets-
waardig vertoon van buitengewone godsvrucht en heiligheid.
Hunne geheime bedoeling daarbij was om op argelooze weduwen
invloed uit te oefenen en haar dan te bewegen tot afstand van
hare bezittingen. Op schandelijke wijze misbruikten zij alzoo
den Godsdienst tot hebzuchtige doeleinden. Wel zwaar en ver-
schrikkelijk moet het oordeel over hen zijn, welke aan die twee
misdaden schuldig bevonden worden. „Op tweevoudige wijze
„wordt over hen het vonnis geveld : èn om hunne verborgene
„boosheid èn om hunne openlijke veinzerij. Om het eene worden
„zij veroordeeld, omdat zij boos zijn; om het andere, omdat zij
„voor het uiterlijke vertoonen wat zij inderdaad niet zijn." —
„Eene geveinsde deugd" — waarschuwt de h. Augustinus—„is
„geene deugd, maar eene dubbele ondeugd en daarom grootere
„straf waardig."
„ Wee u, gij huichelaars! omdat gij land en zee doorkruist,
om eenen Joden-genoot te maken ; en als hij het geworden is,
maakt gij hem tot een kind der hel, tweemaal meer dan gij
(zelven het zijt). Wel niemand zal durven denken, dat Jesus
hier de bekeering der ongeloovigen tot den waren Godsdienst
veroordeelt. Die gedachte is al te onzinnig, zij ware daarenboven
eene godslasterlijke leugen tegen Hem, die zelf uit den Hemel
was neergedaald om alle verdwaalde schapen op te zoeken en
naar den waren schaapstal te brengen. Maar niet met die heilige
bedoeling oefenden de joodsche Oversten de proselieten-makerij
-ocr page 112-
102                                            W5T UJDKN KN STKHVJ.N VAX
uit. Geen ware godsdienstijver, geen warme liefde voor het
zieleheil was hun drijfveer; misplaatste eerzucht om zich op
een groot getal bekeeringen te kunnen beroemen, misschien ook
hebzucht om van de bekeerden rijke offers te ontvangen —
daarom gaven zij zich veel moeite om een Heiden tot Jood te
maken. Geen wonder dan ook, dat zulke leermeesters slechte
leerlingen vormden, dat zij door hun slecht voorbeeld hen nog
boozer maakten dan deze misleiden waren, vóórdat zij den
joodschen Godsdienst hadden aangenomen.
„Wee u, gij blinde leidsmannen! die zegt: wie gezworen mocht
hebben bij den tempel, bij het allaar, dat is niets; maar wie
gezworen mocht hebben bij het goud des tempels..... bij de gift,
welke op het altaar is, die is schuldig (verplicht zijn eed te
houden). Wij hebben hier een voorbeeld, hoe de joodsche
leeraars der wet, door listig uitgevondene verdraaiing en
onzedelijke toevoegselen, de wet zelve krachteloos maakten
en aan allen de gelegenheid aanboden om de goddelijke voor-
schriften der wet te overtreden. Zwoer iemand b. v. bij den
tempel alleen, dan zou de eed niet geldig zijn; zwoer hij echter bij
den tempel en bij het goud van den tempel te zamën dan had hij
werkelijk een eed gezworen en was verplicht dien te houden.
Op die wijze konden vreemdelingen en eenvoudige lieden, die
van een dergelijk en belachelijk onderscheid niets wisten, in
hunne godsdienstige overtuiging geschokt, ook gemakkelijk en
dikwijls tot hunne groote schade, misleid worden. Dubbel
verdiend was dan ook het strenge vonnis, dat de Zaligmaker
over die verfoeilijke wet-verklaring uitsprak, over die aanran-
ding van de eer van God. Gij blinden! wat toch is meerder
de gift of het altaar, dat de gift heiligt, het goud of de tempel,
die het goud heiligt. Derhalve, wie bij het altaar zweert, die
-ocr page 113-
103
ONZEN HEER JF.SUS CHRISTUS.
zweert bij dit en bij alles, wal daarop is, en wie zweert bij den
tempel, zweert bij dien en bij Hem, die daarin woont.
„ Wee u, gij huichelaars ! die muntekruid en annijs en komijn
vertient,
en u nauwgezet toont in het onderhouden van kleinig-
heden, en verzuimd hebt de gewichtiger plichten der wet, het
oordeel en de barmhartigheid en de trouw: dit behoorde men
te doen eti dat niet na te laten. Gij, blinde leidslieden.\' die de
mug uitzijgt en den hemel doorzwclgt.
Waarlijk, de Zaligmaker,
die vroeger leerde, dat wij het kleine niet mogen verachten, op-
dat wij van het kleine verzuim niet in het grootere zouden
vervallen, keurt ook hier de stipte vervulling van geringere
voorschriften der wet geenszins af; maar Hij kan het niet dul-
den, als de eene of andere volgens phariseesche huichelarij met
uitwendige, voor allen zichtbare handelingen alleen zich bezig
houdt en verwaarloost wat veel gewichtiger in het oog van
God is, maar door de menschen minder kan opgemerkt wor-
den en daarom ook minder geprezen wordt. Het eene doen
— roept Hij ons allen toe — maar dan ook het andere niet
verwaarloozen; niets baat het den Christen, al ware hij in het
allerkleinste ook nauwstgezet, vooral als hij het doet om
lof te verwerven bij de menschen, wanneer in zijn hart on-
rechtvaardigheid, liefdeloosheid tegenover God heerschen.
.,Wce u, gij huichelaars! omdat gij het buitenste reinigt van
beker en schotel, maar van binnen zijl gij vol van roof en on-
reinheid
— Wee u, gij huichelaars! omdat gij gelijk zijl aan
gepleisterde gr af steden, die van buiten wel schoon schijnen aan
de menschen, maar van binnen vol zijn van doods beenderen
en allerlei onreinheid. Zóó schijnt ook gij den menschen wel
van buiten rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol huiche-
larij en ongerechlig/ieid.
Twee beelden — zouden wij kunnen
-ocr page 114-
104
HET LIJDEN EX STEEVEN VAN
zeggen — om eenen en denzelfden zielstoestand van die on-
gelukkige afgedwaalden onder een verschillend gezichtspunt te
schetsen. Onuitputtelijk is Jesus in gelijkenissen om die bloot
uitwendige, schijnbare gerechtigheid te bestraffen, waaraan
de inwendige gerechtigheid der ziel niet beantwoordt, en
welke derhalve niets meer is dan gehuichelde schijnheilig-
heid. „Reinigt" — wil de Zaligmaker zeggen — „schotel en
„beker, versiert vrij uwe grafsteden — beelden voor het uit-
„wendige van den mensch — het is prijzenswaardig en kan
„aan anderen ten voorbeeld verstrekken; maar vergeet daarbij
„nimmer om ook uw binnenste, uwe ziel, van alle onreinheid
„der zonde te zuiveren en ze te versieren met echte deugd,
„\'.onder welke elke uitwendige reinheid waardeloos is voor
„God, die in het verborgen ziet en voor Wiens alziend
„oog ook de geheimen des hartens bloot en open liggen."
De zuiverheid der Evangelische leer vordert inwendige heili-
ging des Christen, en niets is daarmede meer in strijd dan het
leven van diegenen, wier éénigst streven is om door de menschen
gezien en geprezen te worden. Helaas\' wat blijft hun overig
voor de eeuwigheid, die hun loon reeds op de wereld gezocht
en misschien ook ontvangen hebben? Zij hebben gezaaid voor
den tijd, en zullen niet maaien in de eeuwigheid. Neen, duizend-
maal neen, zij brengen geene vruchten voor de eeuwigheid voort;
zij gaan over hun levenspad, maar vergaderen geene schooven
van uitgelezene tarwe om ze den Rechter, die in het oordeel veel
zal eischen, te kunnen aanbieden. Met ledige handen zullen zij
daar ginds verschijnen, waar slechts verdiensten, om wille en met
de hulp van God verworven, aanspraak op belooning kunnen maken.
„Wee te, gij huichelaars! die de graf steden der Profeten op-
houwt en de gedenkteekenen der rechtvaardigen versiert en zegt:
-ocr page 115-
105
OtfZEN HEER JESUS CHRISTUS.
indien wij in de dagen onzer vaderen geweest waren, wij had-
den met hen geen deel genomen aan den moord der Profeten.
Gij getuigt derhalve tegen u ze/ven, dat gij kinderen zijt van
hen, die de Profeten vermoord hebben.
Ook hier keurt Jesus
geenszins dat opbouwen van grafsteden ter eere van rechtvaardigen
af; maar Hij weet, dat dezelfde Phariseön, die aldus uitwendig
een grooten eerbied voor Profeten en rechtvaardigen huichelen,
reeds in hun hart besloten hebben om Hem, die bij uitnemend-
heid is de oneindig Rechtvaardige, Wiens komst en werkzaanv
heid de Profeten met ontzettende duidelijkheid voorspelden, te
dooden. Zij zouden dan de maat vol maken hunner vaderen,
die sommige Profeten geslagen, anderen op allerlei wijze gemar
teld, zelfs gedood hadden. Hunne gehuichelde eerbied voor
Gods afgezanten was daarom een gruwel; zij toonden zich de
echte kinderen van hunne ontaarde voorouders door hetgeen
zij na twee dagen tegen den Messias en later nog tegen zijne
verkondigers van het Evangelie, welke Hij hun op nieuw wilde
zenden, zouden ondernemen. Daarom noemt de Zaligmaker
hen slangen, adderen-gebroed, dat moeielijk het oordeel der hel,
het vonnis dat hen ter helle doemt, zal ontvluchten. Jesus
spreekt dan ook niet meer in gelijkenissen, zelfs vermaant Hij
hen niet meer; al drie jaren lang heeft Hij barmhartigheid met
hen geoefend en alle middelen ter hunner bekeering aangewend,
en telkenmale zag Hij zijne beste pogingen verijdeld door hun
halstarrig ongeloof. Er blijft Hem nu niets meer over dan het
naderend strafgerecht hun aan te kondigen: al het recht-
vaardig bloed, dat op aarde vergoten is, van het bloed van
Abel, den rechtvaardige, tot het bloed van Zacharias, dien gij
vermoord hebt tusschen den tempel en het altaar, zal over u
komen. Voorwaat zeg fk u: dat alles zal komen over dit gc-
-ocr page 116-
106
FfKT LIJDEN EN «TERVEN »AN
slacht. Jerusalem, Jerusalem, gij die de Profeten doodt en hen
steenigt, die tot u gezonden zijn ! Hoe menigmaal heb Ik uwe
kinderen willen vergaderen, gelijk eene hen hare kiekens vergadert
onder hare vleugelen, en gij hebt niet gewild. Zie,
daarom en
tot straf van uw boosaardig verzet, zal uw huis, dat is: uwe
stad Jerusalem, u woest overgelaten worden. »Ik heb zoo me-
nigmaal — wil Jesus zeggen — sdoor mijne woorden en door
«mijne wonderwerken, die de waarheid m\'jner woorden beves-
»tigden, getracht u te overtuigen, dat Ik de beloofde Messias
«ben, en om u zoo tot Mij te vergaderen en u voor den on-
»dergang te beveiligen. Maar hardnekkig hebt gij geweigerd
»naar Mij te luisteren. Uwe straf zal dan ook niet uitblijven.»
En de geschiedenis bewijst met hare bloedige bladzijden, dat
Jesus\' voorspelling in vervulling is.gegaan. Hadden de Joden
hunne aardsche gezindheid afgelegd en derhalve aan geenen
Messias gedacht, die als wereldsch koning zou optreden en de
romeinsche heerschappij vernietigen, zij zouden niet tegen de
Romeinen opgestaan zijn en alzoo ook geene aanleiding gegeven
hebben tot dien verdelgingsoorlog, waarin Jerusalem verwoest
werd en de joodsche natie ten gronde ging. Hadden zij Jesus
als den beloofden Messias erkend en Hem gehoorzaamd, zij
zouden ook het eeuwig wee ontvlucht hebben, waarmede de
Zaligmaker hen bedreigde en waarvan hunne tijdelijke straffen
slechts eene flauwe afschaduwing waren.
I\'s. CXVII, i. — Looft den Heer, want Hij is goed; want zijne Goeder-
tierenheid is eeuwig van duur.
Nimmer zullen wij de waarheid
dezer woorden beter beseffen, nimmer ons meer opgewekt ge-
voelen om aan die uitnoodiging van den koninklijken zanger
gehoor te geven dan bij de overweging van wat Jesus deed en
-ocr page 117-
107
O.VJÏF.N HEER JESUS CHRISTUS.
zijn wilde voor zijn volk, ofschoon het Hem verwerpen zou.
Wij kennen het werken en het leven van dien Goedertierene,
die allereerst kwam tot de verlorene schapen van Israël. Straks
zullen wij Hem, onder de marteling van de kruisiging nog
hooren bidden om vergiffenis voor zijne beulen en vijanden,
dan Hem zien sterven ter verlossing van alle menschen. Ook
voor het volk van Israël zal dat gebed niet te vergeefs gestort,
dat goddelijk Bloed niet te vergeefs vergoten zijn. Niet het
geheele volk der Joden zal verworpen worden. Nu dwaalt het
rond over de aarde, verstrooid en veracht en met het schand-
merk van een Godsmoord op het voorhoofd ingebrand; maar
eens, want God is rijk in Barmhartigheid, na vele eeuwen
van boete, als de volheid der tijden aangebroken en de
meerderheid der Heidenen in de Kerk van Christus ingegaan
is, zal geheel Israël, als volk genomen, zich van zijn ongeloof Rom. XI, 25.
bekeeren tot het geloof in den Heer Jesus Christus. Hem blijde
toeroepen : gezegend Hij, die komt in den Naam des Heeren,
en zóó zalig worden. Die voorspelling van God, die blijde hoop
doet Paulus, die zelf een bekeerde Israëliet was, in de vervoering
zijner heilige vreugde dankbaar uitroepen: O diepte des rijk-
doms, der Wijslieia en der Wetenschap Gods! Hoe ondoorgron-
delijk zijn zijne oordeelen, en onnaspeurlijk zijne wegen ? Dit
is ook de blijde verwachting, welke ons bezielen moet, als wij
een blik slaan op het nu zoo ongelukkig volk van Israël, maar
welke ons, Christenen, ook tot een vurig gebed moet aanspo-
ren om den tijd hunner bekeering te bespoedigen Bidt ook
de Kerk niet, op goeden Vrijdag, dat God de schubben van
hunne Dogen doe vallen, opdat zij den Heer Jesus Christus
mogen erkennen, Wien Hij gezonden heeft? -*
-ocr page 118-
108                                             HET LIJDEN EN STERVEN VAN
Wij hebben de laatste rede des Zaligmakers aangehoord, welke
Hij, de Leeraar des volks bij uitnemendheid, in het openbaar
uitsprak. Acht maal achtereen sprak Hij over zijne onver-
zoenlijke vijanden zijn verschrikkelijk «wee» uit. Op den
toon van diepen weemoed over hunne verblindheid, met
eene heilige, rechtmatige verontwaardiging over hun hardnekkig
ongeloof, bedreigt Hij hen met de verschrikkelijkste straffen.
Jesus smeekt hen niet langer om zich te bekeeren, Hij vermaant
hen niet meer; voor dien zachten invloed der Liefde zijn zij
ongevoelig geworden; misschien konden nog bedreigingen, voor-
spelling van groote en algemeene rampen, zoo niet dadelijk,
allicht later, als hunne driften uitgewoed hadden, eenigen indruk
op hun verhard gemoed maken. Gelijk Mozes als Wetgever
optrad onder de toenmalige Israëlieten en evenals hij weinige
dagen vóór zijn sterven hen toesprak; evenzoo deed Jesus,
de Wetgever van het Nieuwe Verbond. Smeekend en biddend
vermaande Mozes in den beginne zijn volk om aan de Wet
van God getrouw te zijn en beloofde hun, in naam van Jehova,
de rijkste zegeningen als belooning voor hunne getrouwheid in
het onderhouden van Gods geboden; doch bij zijn uitgang,
toen hij den weerbarstigen aard van het hem onderhoorige volk
bij zoo vele gelegenheden had leeren kennen, hield hij aan de
Israëlieten den zegen voor, als zij wilden gehoorzamen, maar
ook den vloek, als zij zich aan de hun bekende Wet Gods
niet onderwierpen. Zoo ook deed Jesus bij zijne laatste ver-
schijning in den tempel. In den beginne van zijn Leeraarsambt
predikte Hij de acht zaligheden en voegde telkenmale eene
heerlijke belofte achter elk van die voorschriften van\' christe-
lijke levenswijsheid; doch nu Hij op het punt staat om zijn
leven af te leggen, en nadat Hij van alle zijden tegenkanting
-ocr page 119-
UI9
U.N7.EN HKEK JÏSIS CHRI3TIS.
en verzet tegen zijne liefderijkste werkzaamheid heeft onder-
vonden, nadat Hij zoo dikwijls in zijn openbaar leven het
Rijk der Hemelen beloofd had aan allen, die den wil zijns
Vaders deden — nu stelde Hij aan het volk en vooral aan diens
leidsmannen de rampzalige gevolgen voor oogen, welke hunne
verwerping van den Messias en hunne loochening van de door
Hem verkondigde waarheid na zich moesten slepen.
De opdracht door den Vader aan zijn Zoon gegeven, om te
verkondigen wat Hij van den Vader ontvangen had, liep nu
ten einde. Jesus had gedaan en was geweest voor de Joden,
wat Hij kon zijn en kon doen zonder inbreuk te maken op de
onschendbaarheid van hunnen vrijen wil. Hebben zij zich voor
die weldaden ook dankbaar betoond ? Helaas, zij verdraaiden
Jesus\' woorden, scholden zijne wonderen als duivelskunsten,
lasterden zijne heiligste bedoelingen en zouden, na twee dagen,
de maat van de gruweldaden hunner vaderen vol maken door
hunnen Messias te kruisigen. En niettegenstaande hunne hard-
nekkige boosheid, had Jesus\' Liefde zich in de laatste dagen
nog op alle mogelijke wijze ingespannen om hen tot inkeer te
brengen. Hij had Zich getoond in den vollen luister zijner
Messianische waardigheid; Hij had zijne goddelijke Almacht
bewezen door de opwekking van Lazarus uit den dood en door
andere schitterende wonderen; Hij had uitstekende bewijzen
gegeven zoowel van zijne Alwetendheid door zijne voorspel-
lingen als van zijne goddelijke Wijsheid door al hunne listig
gesponnen strikvragen te verijdelen en door Zelf hun vragen
voor te leggen, welke zij niet konden of niet durfden beant-
woorden; Hij had hun de oneindige Liefde van zijn vurig
minnend hart geopenbaard, nu eens door te weenen over hunne
zonden en door te werken en te bidden voor hunne bekeering
-ocr page 120-
uu
HET LIJDEN EN STERVEN »AN
dan weder door hun den ellendigen toestand hunner ziel voor
oogen te houden en hen met tijdelijke en eeuwige straffen te
bedreigen, als zij zich niet bekeerden. Waarlijk, de Zaligmaker
Is, V. 4. mocht klagend vragen: Wal heb Ik aan mijnen wijngaard
nog meer moeten doen en heb Ik niet gedaan i
Zeker hebben
de Oversten des volks in die oogen blikken gebeefd van woede
maar ook gesidderd van angst, hoe verhard zij ook waren van
gemoed en onverzettelijk in hun ongeloof. Uit die woorden
en uit die daden van Jesus van Nazareth ging een licht uit,
dat zij moesten zien, al sloten zij ook met opzet hunne oogen.
Zij konden het zich niet ontveinzen, al wilden zij het ook
loochenen, dat de ware Messias hun verschenen was, dat de
Messias tot hen gesproken had. En dien Messias zouden zij
verwerpen en dooden! Hoe vreeselijk zou hunne straf zijn en
hier en hiernamaals ! De drie gelijkenissen, door Jesus hun
voorgehouden, gaven het te duidelijk aan, dan dat zij omtrent
den diepen zin zijner woorden in \'t onzekere konden verkeeren,
terwijl bij het aanhooren van die gelijkenissen een reeds
vroeger gesproken woord \'van Jesus hun onheilspellend voor den
fo.\\.N.VIil,24. geest moest komen: Ik heb u gezegd, dat gij sterven zult in
uwe zonden; want indien gij niet gelooft, dat Ik
de beloofde
Messias ben, zult gij in uwe zonden sterven.
Mat.XXIV, 1. En Jesus ging en vertrok uit den tempel naar den Olijfberg
om daar aan de Apostelen zijne voorspellingen te doen omtrent
de verwoesting van Jerusalem, het einde der wereld en het
daaropvolgend algemeen oordeel, ook omtrent zijn lijden en
sterven op de Paaschfeesten; tegelijk gaf Hij hun nog eene
-ocr page 121-
111
ONZEN HEEK JESl\'3 CHKISI IS.
liefderijke vermaning tot waakzame voorbereiding voor de
komst des Rechters in de parabels van de talenten en van de
tien maagden.
— Met welke zielsaandoeningen onze goddelijke Zaligmaker het
Heiligdom van Israël verliet, dat Hij niet meer betreden zou —
wij moeten het meer gevoelen dan het trachten te beschrijven.
In dien tempel was Hij door zijne heilige Moeder aan den
hemelschen Vader opgedragen als Kind van nog geen jaar
oud, en doo»\' twee godvruchtige Israëlieten, Simeon en Anna,
als de beloofde Messias erkend en aangebeden, maar toen ook
voorspeld als tot val en opstanding van velen in Israël gesteld, Luc. II, 3
als een teeken, dat weersproken zou worden. In dien tempel had
Hij als Knaap van twaalf jaren drie dagen vertoefd, zittende in Luc. II 46.
hel midden der leeraars, hen hoorende en hun vragende, zóódat
allen, die Hem hoorden, verbaasd waren over zijn verstand en
zijne antwoorden.
Dien tempel had Hij, als wreker van de eer
zijns Vaders, tot tweemaal toe door goddelijke Macht gezuiverd
van hebzuchtige wisselaars en oneerbiedige kooplieden. Daar
had Hij herhaaldelijk gepredikt en vele wonderen verricht; daar
was Hij toegejuicht maar ook gelasterd, als de beloofde Messias
gehuldigd maar ook als een godslasteraar beschimpt, daarin ook
was die uit de wolken donderende stem gehoord, welke ter
eere van Jesus sprak: Ik heb mijnen Naam verheerlijkt door U, Joës xii, 2g,
door uwe zending, door uw leeren en werken, en zal dien
wederom verheerlijken door U, in het volbrengen van het ver-
lossingswerk. De dierbaarste, ook de pijnlijkste herinneringen
waren alzoo aan die geheiligde plaats voor Jesus verbonden, en
om de zonden van zijn volk had Hij de verwoesting van dat
Heiligdom zijns Vaders moeten voorspellen.
En dat huis zou verwoest en geen steen daarvan op den
-ocr page 122-
II\'.\'            HOT LIJI1ES ÏN STERVEN VAN ONZEN HEEK tt»Vt CHRISTUS.
anderen gelaten worden en daarmede het lot van Jerusalem en
van het geheele joodsche volk beslist zijn? Niets bleef aan onzen
goddelijk en Jesus meer te doen over dan om nogaanéénebe
lofte, reeds vroeger gegeven, te voldoen en dan — te lijden en te
sterven. Hij was de Leeraar van het volk geweest, de Profeet bij
uitnemendheid, de Weldoener van allen, de Vriend van de zon-
daars, de barmhartige Samaritaan — Hij zal Zich zelven tot
spijze geven voor onze onsterfelijke zielen en dan aan het
Kruis boeten voor de zonden der wereld. —
-ocr page 123-
Hoofdstuk TUI.
De Paasch«maaltijd, eerste aanwijzing
des verraders.
Het was Donderdag-morgen, de eerste dag der ongedeesemde
brooden. Onze goddelijke Zaligmaker was nog te Bethanie" of
reeds op weg naar Jerusalem, toen zijne leerlingen Hem vroe-
gen: waar wilt Gij, dat wij henen gaan en voor Ugereedheid Ma*. XIV, 12.
maken, opdat Gij het Pascha, het Paaschlam. hint eten ? Om
hen te doen verstaan, dat Hij aan die plechtige handeling reeds
gedacht had, dat Hij door zijne goddelijke Wijsheid alles be-
schikte en door zijne Voorzienigheid in alles voorzag, zond Hij
Petrus en Joanncs vit, zeggende: zie, als gij de stad ingaat,
Luc. XXII, 8.
zal u een mensch ontmoeten, die eene kruik water draagt; volgt
hem in het huis, waar hij ingaat; en gij zult tot den heer
des huizes zeggen: de Meester zegt: mijn tijd
van sterven is
nabij: bij u houd Tk het Pascha met mijne leerlingen. Waar
Mat.XXVI,i8
is de eetzaal, waar Tk het Pascha kan eten met mijne lecr- Luc. XXTl.ti.
lingen? En hij -elf zal u eene grootc, gespreide van de noodige
tafelbanken voorziene bovenzaal 7vijzen; en maakt daar het
gereed. En zijne leerlingen gingen heen en kwamen in
8
-ocr page 124-
I 1-4
HKT LIJDEN «S STKKVKN VAX
de stad; en zij bevonden alles, gelijk Hij hun gezegd had, en
zij deden, gelijk Jesus hun bevolen had, en bereidden het Pascha.
Die hoogst bevoorrechte, aan wien de buitengewone eer te
beurt viel aan Jesus een gedeelte van zijn huis, ter viering van
den Paaschmaaltijd, te mogen afstaan, was waarschijnlijk een
van Jesus\' geheime leerlingen, die uit vrees voor de Joden Hem
niet openlijk als den waren Messias durfden erkennen en be-
lijden. Was het Nicodemus of Jozef van Arimathöa of Joannes
Marcus — wij weten het niet met zekerheid: eene overleve-
ring geeft den laatstgenoemde aan en voegt er bij, dat zijn
huis in de bovenstad of op den berg Sion stond ter plaatse,
waar onder David en Salomon de Arke des Heeren veertig jaren
bewaard werd. Natuurlijk werd het verzoek van Jesus door
den bevoorrechten leerling met blijdschap ingewilligd Overi-
gens golden de huizen te Jerusalem, in de feestdagen, als een
gemeenschappelijk eigendom en mocht een ieder daarin, voor
zoo verre de ruimte het toeliet, zijn tijdelijk verblijf kiezen zonder
aan den eigenaar voor diens gastvrijheid eene andere schadevergoe-
ding verschuldigd te zijn dan het vel van het paaschlam. Wat
wij ook met recht mogen aannemen is dit, dat de vriendelijke
gastheer en de twee genoemde Apostelen in hun dienstwerk
geholpen werden door de H. Maagd Maria en door de haar
vergezellende vrome vrouwen van Galilëa en door een zekeren
Martialis, een van de 72 leerlingen.
Treden wij, door prijzenswaardige nieuwsgierigheid aangedreven,
de aangerichte feestzaal binnen, dan vinden wij eene lange, van
al het benoodigde genoegzaam voorziene tafel. Het Paaschlam,
vooraf uitgezocht, dan in het voorhof van den tempel met be-
hulp der priesters geslacht en daarna gebraden, maakte den
hoofdschotel uit. Het was de schoone en treffende vóór*
-ocr page 125-
oN/E.N bEEB JtSlS CMKISTt/S.
11S
afbeelding van het Lam Gods, dat na weinige uren voor het
heil der wereld zou geslachtofferd worden. Reeds vijftien eeuwen
lang hadden de Joden, op Gods bevel, het geslacht en gegeten ter
gedachtenis aan de bevrijding uit de Egyptische slavernij; nu
zal onze Goddelijke Verlosser het eten met zijne Apostelen ter
aanduiding, dat Hij, het voorbeduide maar ook het ware Paasch-
lam, zal geofferd worden om ons te verlossen uit de slavernij
der zonde en des duivels. Naast dat Lam zien wij op een
afzonderlijken schotel, de bittere kruiden, welke voor de Joden
eene herinnering waren aan het bitter lijden, dat hunne voor-
vaderen onder de wreede Egyptenaren te verduren hadden, en
voor ons eene vóórafbeelding zijn van de bittere smarten, welke
Jesus lijden zou om den mensch uit de slavernij te verlossen.
Ook ongedeesemd brood en wijn stonden op tafel en waren
voor een gedeelte bestemd door Jesus, om veranderd te
worden, door het woord zijner almachtige Liefde, in zijn Heilig
Lichaam en Bloed tot spijze van \'s menschen ziel en tot offer-
ande der Nieuwe Wet. Voegen wij bij het opgenoemde nog de
zoogenaamde Charoset, een dikke brij uit dadelen, amandelen,
noten en andere vruchten samengesteld en met specerijen ge-
kruid, dan hebben wij de voornaamste bestanddeelen opgenoemd,
waaruit de Paaschmaaltijd bestond.
Vóórdat Jesus met de tien overige Apostelen de stad Jeru»
salem binnen trok, had Hij eerst afscheid genomen van zijne
vrienden te Bethanie, die zoo dierbaar waren aan zijn Hart, die
Hem ook de ondubbelzinnigste bewijzen van hartelijke toegene-
genheid en van warme liefde gegeven hadden. Doch Hij kan,
Hij mag nu niet langer in het geliefkoosd Bethanie blijven;
zijn tijd van sterven is gekomen; zijn vurig verlangen om te
-ocr page 126-
i ie
HFT LWDE.V EN 8TERTF.V TAV
lijden drijft Hem naar Jerusalem. Nog één handdruk, nog één
„vaarwel" en „blijf aan Mij getrouw," nog één zegen, en Jesus
spoedde Zich naar de zaal van het laatste avondmaal, terwijl
zijne vrienden Hem met betraande oogen bleven nastaren, tot
dat Hij achter de bergen verdween.
Het was in den namiddag, omtrent het vallen van den avond,
dat Jesus n;et de twaalf Apostelen Zich aan den toebereiden
disch nederzette. Waar en wanneer Judas, nft zijn verraad ge-
pleegd te hebben, zich weder bij de andere Apostelen had aan-
gesloten, is met geene juistheid te bepalen. Zeker is het, dat
de ongelukkige aan den paasch-maaltijd deelnam. Alles was
gereed gemaakt door de zorgvuldige toewijding van hen, die
zich met de voorbereiding belast hadden. Volgde de Za!ig-
maker die wijze van het Paasch-lam eten, welke God aan de
Joden voorschreef, toen zij voor het eerst het Pascha in
Egypte nuttigden, — dan stond Hij en de twaalven als
geheel reisvaardig, met den staf in de hand en hun kleed om
de lenden opgegord en met de schoenen aan de voeten, ron-
dom de tafel geschaard ; dan doopte Hij een hijsopstruik in het
bloed des lams om daarmede den bovendrempel en de beide
posten der deur te besprenkelen, en aten allen van het vleesch
des lams met brood en bittere kruiden, maar alles in der haast,
alsof zij terstond eene verre reis moesten ondernemen Zóó
had God het aan de Israëlieten geboden ter voortdurende ge-
dachtenis aan hunne verlossing uit de dienstbaarheid van Pharao
en aan hun uittocht uit het land der slavernij naar het land
der belofte, dat van melk en honig overvloeide. Zelfa, al volgde
onze Verlosi-er dat aloude gebruik niet — de Evangelisten
vermelden alleen het feit, dat Jesus te Jerusalem paasch-maaltijd
hield, maar niet de wijze waarop •— de hooge beteekenis bleef
-ocr page 127-
OMMEN HEER JESUS CHRISTUS.                                             117
toch behouden. Het vieren alleen daarvan door den Stichter
van het nieuwe Verbond in den nacht vóór zijn lijden, terwijl
Hij n:\\ weinige oogenblikken een nieuw Offer zal instellen, dat
door Hem zelf het eerst en daarna van den opgang der zon
tot aan haren ondergang en alle eeuwen door aan God zal opgedra-
gen worden,dat reeds is vol beteekenis. Het zegt ons, dat elke vóór-
afbeelding in werkelijkheid zal overgaan, dat Jesus door de on-
eindige verdiensten van zijn Bloed ons uit de dienstbaarheid der
zonden zal overbrengen naar de vrijheid van de kinderen Gods,
dat alsdan den Heere eene reine en onbesmette offerande zal ge-
offerd worden, dat Hij ook een nieuw Piaschlam, zijn eigen
Lichaam en Bloed, aan zijn volk tot spijze op hun weg naar den
beloofden Hemel schenken zou.
Uit de aangegevene verhoudingen, welke tusschen den paaseh-
maaltijd der oude Wet bestonden, en dien, welken Jesus met
de zijnen vieren wilde, kunnen wij al reeds besluiten, hoe vurig
de Zaligmaker verlangd heeft dat Paaschlam met zijne discife-\'Lvc.XXU,
len te eten,
vooral omdat Hij dit laatste feestmaal des Ouden
Verbonds zoude heiligen door de instelling van het Allerhei-
ligste Sacrament van zijn goddelijk Lichaam en Bloed en door
de instelling van het heilig Offer der Nieuwe Wet. Zóó immers
zou Hij, die de zijnen, welke in de wereld waren, heeft HefJoAx.Xiu,
gehad, ten uiterste,
met de volmaakste Liefde en tot aan het
einde der tijden, liefhebben.
— Door zijn brandend verlangen te uiten, om aan zijne be-
minde Bruid, de Kerk, die hemel-spijze als het onwaardeerbaar
geschenk zijner oneindige Liefde voor altijd na te laten, wilde
Jesus ons leeren, dat wij nimmer vurig genoeg naar dat kost-
baar onderpand van de toekomstige glorie kunnen verlangen,
dat wij bidden moeten om in liefde tot dat gedenkteeken van
-ocr page 128-
118                                            IIFÏ MJDEN EN STEHVF.X VAN
Jesus\' lijden toe te nemen, om altijd met een van liefde vlam-
mend hart deel te nemen aan den maaltijd, waarin Hij zelf
genuttigd wordt.
Mocht Hij in elke ziel eene even bereidvaardige en liefde-
volle opname vinden als in dat huis van zijnen leerling! Hij
wenscht zoo vurig voor een ieder het Brood des levens te
breken en den Kelk des heils te plengen; in elks hart zou
Hij zoo gaarne het Paasch-feest vieren. Maar helaas! velen
wijzen Hem af en gunnen Hem geen aandeel in hunne lietde
en sluiten voor Hem den toegang tot hunne harten, even als
de Bethlemieten hunne deuren sloten bij zijne komst in de
wereld. Is het niet de plicht van alle ware Katholieken, die
toch zijne gave kennen, door verzuchtingen en gebeden het
oogenblik te verhaasten, dat allen, voor wie Jesus zijn leven
gaf, weldra aan zijnen bruilofts-maaltijd deelnemen, waar Hij
zelf de spijze ten eeuwigen leven is? —
Die maaltijd was ook het afscheidsmaal, dat Jesus vóór zijn
sterven aan zijne beminde leerlingen aanbod. Straks zou Hij
van hen scheiden, zij zouden verstrooid worden, als de
Herder was geslagen; zelfs zij zouden — wat hun nu onge-
loofelijk toescheen — op schandelijke wijze de vlucht nemen,
als hun Meester gevangen was genomen. Jesus wilde dan nog
eens zijne getrouwen om Zich vergaderen, opdat Hij zijne
laatste troostwoorden hun kon voorhouden, zijne dringendste ver-
maningen inprenten, vooral de grootste bewijzen zijner onein-
dige Liefde geven. Toen zij dan aan de tafel aanlagen, zeide
Luc.XXII, i6. Hij hun. Ik zal hel rascha niet ?neer eten, tot dat het ver-
vuld worde in het Rijk Gods.
Vóór dat Hij ging lijden, wilde
Hij nog voor de laatste maal dien maaltijd met zijne Aposte-
-ocr page 129-
OXZEN IILER JESi:S CHHISTL\'S.                                                      I LU
len vieren; maar dan niet meer. Eerst, als Hij in het Rijk
zijns Vaders wederom was teruggekeerd, en als zij Hem tot
aan den dood toe getrouw waren gebleven, zou Hij hen tot
Zich opnemen en hun de eereplaats aanwijzen, welke zij zich
door hunne verdiensten hadden verworven. En dan zou het
feest, eeuwig feest zijn, waarbij geen traan gestort en geen
zucht geslaakt werd, waarbij geen leed noch kommer zijn kon;
waar alles nieuw, waar hunne vreugde volmaakt zou zijn en hun
door niemand kon ontnomen worden. Toch wilde de Zalig-
maker met die aanduiding Zich niet tevreden stellen. Vreezende
door zijne Apostelen nog niet genoegzaam begrepen te zijn, neemt
Hij van de vier bekers, welke op de tafel stonden, een met wijn en
een weinig water gevuld, geeft dien aan zijne leerlingen en zegt
hun: neemt en deelt dien onder u: want Ik zeg u, dat Ik van Luc.XXH, 18.
het gewas des wijnstoks niet meer drinken zal, tot dat Mat.xxvi,29
het Rijk Gods zal gekomen zijn; niet meer tot op dien dag,
waarop Ik /mar (de vrucht des wijnstoks) met u nieuw
zal drinken in hel Rijk mijns Vaders, „waar gij dan
„met alle zaligen uwe volmaakte bevrijding van zonde en dood
„vieren zult, met Mij voor eeuwig in de hemelsche vreugde
„vereenigd zult wezen." Maar niet aan allen is dat genot, die
eeuwige zaligheid beschoren. Stipte vervulling van voorgeschre-
vene verplichtingen, standvastige getrouwheid aan Jesus\' leer,
onwankelbare volharding in het volbrengen zijner geboden —
het zijn de onveranderlijke voorwaarden om eene plaats in
Jesus\' onvergankelijk Hemelrijk te veroveren. Duidelijk geeft
Hij ons dit te verstaan, als Hij zijne Apostelen prijst met de
volgende woorden: gij zijt Mij bijgebleven in mijne bcproevin- Luc.XXH.28.
%en, „te midden der vervolgingen, welke Ik van de Joden heb
„moeten verduren; gij zijt mijne vrienden en getrouwe volge-
-ocr page 130-
l:J:>
Hhl\' MJIHCM LN\' MtKBVEN VAM
„lingen geweest in mijn arbeid en in mijne vernederingen. Ik
„beschik
u dan ook en beloot u, gelijk mijn Vader het Rijk
„Mij beschikt Ziee/t, dat gij in mijn Rijk eet en drinkt aan
„mijne tafel en op tronen zit, oordtelende de twaalf stammen
„Tsraels"
dat is: de hoogste gelukzaligheid geniet in heerlijk-
heid en glorie.
— Aldus troost en bemoedigt de liefderijke Jesus zijne Aposte-
len vóór zijn heengaan; doch wie onzer leest in die loftuiting
en in die belofte ook niet te gelijk de onvoorwaardelijke ei-
schen, welke vervuld moeten worden om aan dat geluk des
Hemels te kunnen deelachtig worden? Hier vooral is dat prij-
zen voor hen eene aanmaning ter volharding, voor ons eene
aansporing om hun voorbeeld te volgen. —
Pijnlijk werd het minnend Hart des Zaligmakers onder de
vreugde van dien maaltijd aangedaan. Hij ontroerde in zijn ge-
it. moed
— zegt de Evangelist. De ongelukkige Judas is daarvan
oorzaak. Wij weten reeds, dat hij met de Opperpriesters af-
spraak gemaakt heeft om hun Jesus over te leveren, en dat zij
hem dertig zilverlingen beloofden als bloedprijs voor zijn vuig
verraad. En nu zit hij daar met Jesus aan denzelfden disch,in
de onmiddelijke nabijheid en als een van de bijzondere vrien-
den van Hem, dien hij verkocht heeft. Zijne houding en drie-
ste vrijmoedigheid verbergen hem voor het argeloos oog van
de overige Apostelen. Dacht hij misschien, dat het aan Jesus ook
onbekend was, hoe hij met diens bitterste vijanden in overleg
was getreden en nu slechts eene geschikte gelegenheid zocht om
zijnen Meester over te leveren? De onbeschaamde blik, welken
hij rondom zich heen slaat, de stuitende vrijpostigheid, welke
-ocr page 131-
121
UNO.N HEKK JlftLS (.llliisri s.
hij zich veroorlooft, zelfs zijne tegenwoordigheid reeds alleen
wettigt het vermoeden, dat hij het geloof aan Jesus\' Alwe-
tendheid verloren heeft. Maar van den anderen kant:
herinnerde hij zich niet die voorspelling van den Psalmist,
waardoor hij als met den vinger aangewezen werd: had rs- LIV. *5-
mijn vijand mij gehoond, ik zou het verdragen; en had
mijn hater zich tegen mij verheven, ik zon mij voor hem
verbergen. Maar gij, o, mensch! gezind gelijk ik,
vroeger écne
ziel met mij, mijn leidsman en mijn vertrouweling, gij
die aangenaam met mij samen spijsdet, met wien ik in dezelfde
gemoedsgesteldheid het huis van God bezochtl
Las Judas het
ook niet in den stil verwijtenden blik van Jesus, dat Architofel,
het afschuwelijk beeld van verraad jegens zijn vorst, die eerst
vriend en raadsman, later samenzweerder tegen zijn Koning .
David werd, minder schuldig was dan hij zelf, die den God-
mensch verkocht had aan diens vijanden voor een verachte-
lijk geldstuk?
Jesus wist alles, Hij die de geheimen van \'smenschen hart
doorschouwt. Om aan den gevallen Judas te doen gevoelen,
dat Hij al zijne geheime plannen kende, en dat Hij met volle vrij-
heid den dood zou ondergaa::, vooral om aan den verrader den
weg tot berouw te openen en aan de andere Apostelen eene aan-
leiding tot ergernis te ontnemen, als zij later van Judas\' verraad
kennis droegen, daarom sprak Hij, bij den maaltijd onder an-
dere woorden ook deze: voorwaar, voorwaar zeg ik u: één Marc.X1V.i3.
uwer, die met Mij eet, zal Mij verraden. Aldus wilde Jesus
den verrader nog waarschuwen; en mocht Hij den verharden
booswicht ook niet dadelijk tot inkeer brengen, de Liefde dreef
Hem er toe om alles, wat Hij kon, in \'t werk te stellen, of Hij
soms nog den rampzalige van den rand des afgronds kon terug-
-ocr page 132-
1 :.>:.\'
HET LIJDEN EN STERVKN\' VAN
roepen. Wat er op dat oogenblik wel in het hart van den verrader
moet omgegaan zijn? Hij zal al de scherpte van dat woord zeker
diep gevoeld hebben, maar tot inkeer bracht het hem niet.
Zelfs schijnt het hem, zoo als later blijken zal, nog meer ver-
bitterd te hebben, en wij kunnen ons voorstellen, welk een
nijdigen blik hij op Jesus zal hebben geworpen.
Voor de andere elf was het eene pijnlijke aankondiging, wat
Jesus zoo even gezegd had. Zij werden geheel ter neergeslagen
en zeer bedroefd. Het kon ook niet anders. Zij allen immers
beminden den Zaligmaker en zouden gaarne hun leven voor
Hem geven. En toch één van hen, één van de twaalven zou
een verrader worden! Zulk een pijnlijken slag konden zij niet
verdragen. Wij zien daar bij den Zaligmaker aangezeten een
Petrus, die Jesus als den Zoon Gods beleden had, eenjoannes,
dien de Heer lief had, een Thomas, die met Jesus naar Jeru-
salem had willen gaan om met Hem te sterven, de overigen
die ook, volgens Jesus\' eigene getuigenis, Hem in de beproe-
vingen getrouw waren gebleven en toch : één van hen zou den
beminden Meester aan diens vijanden overleveren! O, wij be-
grijpen, wij zelven gevoelen, hoe bedroevend die voor-
spelling des Zaligmakers voor hen zijn moest. Zij werden wel
gedwongen hun eigen geweten met gestrengheid te onderzoeken.
Hun hart klaagt hen niet aan — en niettemin, zij beven voor
de mogelijkheid van eene misdaad, waarvan zij gruwen; hun
geweten is zuiver, maar Jesus heeft gesproken en Hem, den
Alwetende, moeten zij eerder gelooven dan de duidelijkste stem
van een schuldeloos gemoed. Verschrikt en ontsteld staren zij
elkander aan, of zij soms in de bange trekken van deze of
gene de misdaad lezen, waarvan Jesus sprak. Allen zijn be-
droefd, maar één alleen blijft onverschillig en koud, — Judas,
-ocr page 133-
ONZEN IIKEK JKSLS CHRISTUS.                                              128
de éénige schuldige; hij die weenend en vergiffenis smeekend
zich aan Jesus\' voeten moest nederwerpen, hij alleen blijft on-
gevoelig, en geen traan van berouw welt op in zijne oogen.
— De ware deugd mistrouwt altijd zich zelve en vreest voor de
mogelijkheid van eene ongetrouwheid, waaraan zij vreemd is. Zij
is altijd geneigd om met den h. Paulus te zeggen: ik ben mij i Co*. IV, 4,
niets bewust, maar daardoor nog niet gereehtvaardigd voor het
alziend oog van God. De zonde is haar een gruwel, toch beeft
zij voor hare eigene zwakheid. Doch waarom waren de Apostelen
zoo bedroefd, terwijl zij zich schuldeloos kenden? Zij be-
dachten zonder twijfel, dat geen mensch zóó vast staat in het
goede, dat hij niet vallen kan; de enkele gedachte aan de
mogelijkheid van die misdaad verbijsterde hunnen geest; gaarne
hadden zij uit den mond des Alwetenden gehoord: „gij zijt
het niet." Dit is de christelijke wijze van handelen der recht-
vaardigen tegenover de misdaad. Zij schrikken er voor terug»
als zij er van hooren gewagen; maar in plaats van ze algemeen
bekend te maken en den eene of den andere als den schuldige
te verdenken, onderzoeken zij liever hun eigen geweten; zij denken
aan hunne eigene zwakheid, aan de mogelijkheid van een diepen
val en nemen hunne toevlucht tot Hem, die alles weet en voor alle
kwaad behoeden kan. En al geeft God geenen veiligheidsbrief
tegen de zonde en geene verzekering van hunne onschuld, zij
vertrouwen op zijne hulp en worden door zijne genade tegen
verloochening van zijne liefde versterkt. Aldus zijn hier de
bedroefde Apostelen ons een treffend voorbeeld van liefde voor
Jesus, van een sterk geloof aan zijne woorden, ook van diepe
nederigheid en van geringachting van zich zelven. —
Die pijnlijke onzekerheid was echter te martelend voor hun
gevoel, dan dat zij die M{ langer konden verdragen; en tot
-ocr page 134-
124
HET LIJDEN KN STÏRVKN VAN
wien zouden zij beter om oplossing van hun bangen twijfel
MAT.XXVl.a» zicn wenden dan tot Hem, die alles wist? Zeer bedroef d ge-
worden, begon een iegelijk,
de eene voor en de andere na, aan
Jesus te zeggen: ben ik het Heer? Zij drongen alzoo bij den Za-
ligmaker er op aan, dat Hij den verrader zou aanduiden en
hen, die aan zulk eene gruwelijke misdaad onschuldig waren,
door eene ondubbelzinnige verklaring van allen angst en van alle
kwaad vermoeden bevrijden. Jesus, die zeker diep medelijden
met hunne droefheid had en, van den anderen kant, ook dank-
baar was voor de bewijzen hunner liefde, gaf hun eene eenigs-
zins duidelijkere maar nog geene volkomene aanwijzing. Zij
zelven konden immers in hun eigen geweten, vooral in de
vriendelijke blikken van hunnen Meester de onschuld huns
hartens lezen; maar Judas wilde Hij nog niet als den verrader
noemen, om hem den weg tot een rouwmoedig terugkeeren niet
af te sluiten en hem niet tot wanhoop te brengen, als hij zich
beladen voelde met den last van zijn geopenbaard verraad en
met den afschuw van zijne gewezene mede-Apostelen. Daarom
Mat.xxvi,23 antwoordde Jesus: die met Mij de hand in den schotel doopt,
die zal Mij overleveren.
Dit antwoord des Zaligmakers wordt
ons verstaanbaar, als wij bedenken, dat er dertien aan tafel
lagen en meer dan een schoteltje van de amandel-brij of
charoset op tafel stond, waarin het ongedeesemd brood en de
bittere kruiden gedoopt werden. Door nu te zeggen, dat de
verrader met Hem in denzelfden schotel doopte, gat de Zalig-
maker wel te kennen, dat deze niet ver van Hem afzat, maar
noemde den persoon zelven nog niet. Jesus wilde den verrader
nog sparen en zelf het voorschrift vervullen — ook ons ten
MAT.XVHI15. voorbeeld — wat Hij vroeger gegeven had: ah mt> broeder
tegen u gezondigd mocht hebben, ga heen en berisp hem lusschen
-ocr page 135-
QS7.T.S HEER JKSVS CHRISTUS.                                             125
tl en hem alleen; indien hij naar u luistert, zult gij uwen
broeder gewonnen hebben. Doch zoo hij naar u niet luistert,
neem met u nog /én of twee, opdat door den mond van twee
of drie getuigen alle zaak bevestigd worde.
Maar Judas wilde
niet luisteren en, ofschoon van eigen schuld bewust en ook
overtuigd, dat hij als de verrader aan de Alwetendheid van den
God-mensch bekend was, verhardde hij zijn gemoed. Ten einde
nog eene poging te doen om den rampzalige te vermurven, kon
het niet door de bekoorlijkheid zijner Liefde dan ten minste
door de bedreiging met straffen, ook om den gevallen Apostel
te doen begrijpen, dat Hij lijden en sterven zou niet uit dwang,
maar omdat Hij zelf het wilde en wenschte, liet Jesus vervol-
gens deze vreeselijke bedreiging hooren: „de Zoon des menschen MATXXV.24.
,gaat wel henen, uit het leven in den dood, gelijk er van
„Hem geschreven staat; maar toch, wee dien mensch. door
„wien de Zoon des menschen zal overgeleverd worden;
en zóó
„verschrikkelijk zal de straf zijn, welke hem wacht, dat hel
„hem beier ware, indien hij niet geboren ware. die mensch.,"
Doch ook die waarschuwing, dit blijk van Jesus\' Alwetendheid
en van zijne zich nimmer verloochenende Liefde, maken geen
indruk op het versteend gemoed van Judas. Hij hoort de ver-
schrikkelijke voorspelling van zijne eeuwige verwerping, van
een lot vreeselijker dan nooit geboren te zijn, en \'t is als 01 er
voor hem geene eeuwigheid bestaat.
— Wat moet het aan het liefdevol Hart van den Zaligmaker niet
onnoemelijk veel gekost hebben om dat woord uit te spreken,
en helaas! zijn woord van medetijden en van bedreiging valt
op een steenachtigen grond en brengt geene enkele vrucht
voort: Judas blijft hardnekkig in zijne boosheid volharden; hij
stoot elke hem aangebodene genade van zich af en snelt zijnen
-ocr page 136-
136
HET I.UUt.N KN STfcbVEN VA1
ondergang te gemoet. Want, al lag het in het raadsbesluit van
God, dat Jesus sterven zou als zoenoffer voor de zonden der
wereld, al hadden de Profeten het ook voorspeld, dat Hij het
Slachtoffer ter verlossing van den gevallen mensch worden zou —
Judas is en blijft de vrijwillige en daarom de vloekwaardige
verrader van zijnen goddelijken Meester.
— Jesus openbaarde nu gedeeltelijk, eenige minuten later nog
duidelijker het verraad van één zijner leerlingen, alvorens het
Jo\\n. xiil, 18. geschiedde, opdat de anderen — aldus leert ons de h. Joannes —
als het geschied was, zouden gelooven, dat Hij de Messias was.
En waarlijk, welk krachtiger bewijs kon de Zaligmaker geven
van de goddelijke Volmaaktheden, welke den beloofden Verlosser
aan de wereld moesten kenbaar maken? Wij bewonderen in dit
droevig tafereel van Jesus\'laatste avondmaal het bewijs van zijne
goddelijke Alwetendheid, welke het geheim gehouden verraad
van zijnen leerling kent — van zijne oneindige Liefde, welke
den dood des zondaars niet wil, maar dat hij zich bekeere en
leve — van zijne ontfermende Bannhartigheid, welke het
brandend lemmet niet uitdooft en het geknakte riet niet
breekt — van zijne voorkomende Goedheid^ welke het verloren
schaap opzoekt en naar den wijden schaapstal wil terug brengen —
van zijne bereidwillige Offervaardigheid, welke gehoorzaam aan
den wil des Vaders zijn zal tot aan den dood des Kruises,
al moest Hij ook dien lijden na het verraad van één zijner
leerlingen — van zijne Messianische Waardigheid,, dewijl in
Hem alleen al de profetien vervuld worden. Voor Judas in
het bijzonder werd die openbaring van zijn verraad met eene
heilige en genadevolle bedoeling gegeven. Jesus stond op het
punt om het H. Sacrament zijner Liefde in te stellen, en alles
was er Hem aan gelegen, dat het door geen onwaardige genut-
-ocr page 137-
121
(J.S/.ÏN HKER JtSUS CHKISTÜS.
tigd werd. En Judas, die reeds minstens zes dagen van zijne
plannen tot verraad zwanger ging, was zulk een ongelukkige.
Daarom moest hij — deze was Jesus\' bedoeling — dcor de zeker-
heid,dat zijn afschuwelijk verraad bekend was, verpletterd worden,
opdat hij of wèl zich uit het gezelschap van de heilige Apostelen
zou verwijderen om zich aan geene tweede heiligschennis plichtig
te maken, of wèl, door het bewijs van Jesus\' Alwetendheid
getroffen en door zijne Liefde gewonnen en door zijne genade
geholpen, het verschrikkelijke van zijne misdaad zou inzien en
van Jesus vergiffenis zou vragen, om als berouwvol bekeerling
aan de heilige geheimen deel te nemen. Helaas! elice goede be-
doeling van Jesus werd door de hardnekkige boosheid van
den verrader verijdeld.
-ocr page 138-
Hoofdstuk IX.
De VoetwaRSching
Van het treurig tafereel, hetwelk de boosaardigheid van Judas
ons te overwegen voorstelde, mogen wij voor eene wijle onze
blikken afwenden, om ze te vestigen op een voorbeeld van de
diepste vernedering, hetwelk Jesus zelf ons voorhoudt. De
h. Joannes leidt het verhaal van die aandoenlijke plechtigheid
in met deze verhevene woorden, waarin hij ons aan de Almacht
en Godheid en Liefde herinnert van Hem, die Zich tot het
nederig dienstwerk van een verachten slaaf verootmoedigde,
Jesus, de Koning der koningen en de Heer der heeren.
Zich bewust van zijne oneindige Waardigheid, wetende, dal
de Vader Hem alles in handen heeft gegeven
, alles aan zijne
Macht heeft onderworpen, en dat Hij van God is uitgegaan,
God van God is en in de volheid des tijds de menschelijke
natuur heeft anngenomen, en tot God henen gaat door zijne
Hemel vaart, staat op van tafel, terwijl zijne leerlingen nog
blijven aanliggen. Reeds vele, groote bewijzen van zijne Liefde
had Jesus aan zijne Apostelen gegeven. Een nog schitterender
blijk wilde Hij nu, op het einde van zijn sterfelijk leven, hun
daarvan voorhouden, maar tevens aan hen en ook aan allen, die in
-ocr page 139-
HIT LU DIN KN STEItVÏN VAN ON7.BN IIEKB tttVt CHKHTUt.             li-\'i»
Hem zouden gelooven, een geheel nieuw en ongehoord voor-
beeld van nederige dienstvaardigheid ter navolging voorstellen.
Daarom ook verzuimde de Evangelist niet om, vóórdat hij
over die ongehoorde nederigheid van den God-mensch ging
spreken, eerst van diens Godheid en oneindige Majesteit te
gewagen en op die wijze ons allen de dringende vermaning
voor te houden: „al meent gij iets te zijn, vernedert u bij elke
„gelegenheid en verheft u nimmer over hetgeen gij van God
„ontvangen hebt. Als Jesus, die de Zoon Gods en in alles aan
„den Vader gelijk was, Zich zoo diep aan de voeten van een
„mensch vernederde; wat moet dan niet de ellendige mensch
„doen, die niets dan stof en asch is?" Maar is het voorbeeld
van den goddelijken Jesus zoo onovertrefbaar schoon en zoo
hartroerend, dan ook kunnen wij geene te groote aandacht aan
de beschouwing daarvan wijden.
Jesus stond op van den paaschmaaltijd en gaf aan zijne
Apostelen een wenk om zich zóó en in die orde te plaatsen,
dat Hij zijn voornemen gemakkelijk kon ten uitvoer brengen.
Een ander schrijver meent, dat Hij Zich naar een ander, lager ge-
deelte van datzelfde vertrek begaf. Hoe dat ook moge geweest zijn,
ofschoon de Apostelen in het minst niet begrepen, waartoe het
gegeven bevel van Jesus dienen moest, gehoorzaamden zij be-
reidwillig, in stilte afwachtende, wat hun Meester voorhad. Wie
schetst echter hunne verbazing, toen zij zagen, dat Jesus Zich
van zijn oppergewaad ontdeed, een linnen doek nam en Zich
daarmede omgordde, naar de gewoonte der slaven, ah zij hunne
meesters dienden. Hunne verbazing steeg nog, toen hun godde-
üjke Meester water in een bekken goot en alzoo duidelijk blijk
gaf, dat al die voorbereidingen dienden om hunne voeten te
wasschen. Eigenlijk mogen wij ons over dat nederig dienst
0
-ocr page 140-
180
HKT (.UDEN KN STKRVEV VAM
betoon van den Godmensen niet verwonderen, van Hem die Zich
verwaardigd heeft nog veel grootere dingen te doen. „Hij legt
— merkt de h. Augustinus hierbij aan — „zijne kieederen af,
„die, in Gods gedaante zijnde, het geenen roof achtte aan God
„gelijk te zijn, maar Zich zelven ontledigde; Hij omgordde Zich
„met een linnen doek, die de gedaante van een slaaf aannam;
„Hij goot water in een bekken om de voeten zijner leerlingen
„te wasschen, die al zijn Bloed zou vergieten om den mensch
„van zijne zonden te reinigen; Hij knielde neder voor zijne
„Apostelen, die gehoorzaam is gebleven tot aan den dood des
„Kruises."
Zóó ligt dan de God van Majesteit, op den grond neerge-
knield, in de nederigste houding, aan de voeten van arme, door
eene hoogmoedige wereld verachte visschers. Hij kruipt over
den vloer der zaal van den eenen Apostel naar den andere; zijne
goddelijke handen, waarmede Hij het heelal draagt, zullen de
met stof overdekte voelen reinigen van hen, die voor zijne onein-
dige Grootheid in het stof zich moeten buigen ! O, wij begrijpen,
dat Petrus voor dat bewijs van de diepste zelfverloochening
terugschrikte en dat ook, ware hij de eerste niet geweest aan
wien Jesus zijn dienstwerk verrichtte, alle anderen — de ver-
stokte Judas alleen uitgezonderd — met ontzetting daarvoor
zouden teruggedeinsd hebben.
Met Petrus, aan wien Hij bij elke gelegenheid, als aan het
Hoofd der Apostelen, den voorrang gaf, wilde de Zaligmaker
zijn nederigen liefdedienst beginnen. Maar die gedachte: „Jesus
„Christus, de Zoon van den levenden God, zal mij de voeten
„wasschen," was voor den Apostel onuitstaanbaar. Met het
levendig geloof dat hem bezielde, maar ook met die ondoor-
dachte voortvarendheid, welke hem eigen was, vroeg hij:
-ocr page 141-
ONZEN HEEK JESUS CHRISTUS.                                                       I.", I
„Heere! wascht Gij, Zoon van God, mijn Schepper en mijn Joan XIII, 6.
„Heer, mij, die een zondig mensch, uw schepsel en uw dienst-
,.knecht ben, de voeten, het minst edele deel des lichaams, en
„dat met die almachtige handen, waarmede Gij de oogen van
„blinden geopend, melaatschen gezuiverd, dooden ten leven hebt
„opgewekt? — „Gij, God van God!" — deze woorden legt de
eerbiedwaardige Tieda aan Petrus in den mond—„Gij, Koning
„der Engelen, de vlekkelooze spiegel van Gods Majesteit, VVien
„de hemelsche Machten aanbidden, Gij zoudt mij de voeten
„wasschen, die niets meer ben dan een aardworm; Gij knielt
„voor mij neder, Gij, voor Wien elke knie zich buigt van hen,
„die in den Hemel, op de aarde en onder de aarde zijn !"
Waarlijk die vragen, getuigende van een diep gevoel van
eigene onwaardigheid maar ook van een huiverend ontzag voor
Jesus\' oneindige Grootheid, verbazen ons niet. Wie onzer zou
niet eveneens gesproken hebben? „Wie kan" — vraagt de
h. Augustinus — „aan zulk een liefdedienst door Jesus be-
„wezen denken, wie er van spreken; kan eene tong die gedachte
„uitspreken, tegen welke onze geest zich verzet ?"
De Zaligmaker liet Zich door dat verzet niet van zijn liefde-
rijk voornemen afbrengen. Petrus bood tegenstand aan Jesus\'
bedoelingen uit een waar gevoel van eerbied en nederigheid
maar tevens uit onwetendheid van de redenen, welke den
Zaligmaker tot eene zoo ongewone daad bewogen. Niet alleen
een voorbeeld van nederige en liefdevolle dienstvaardigheid
wilde Jesus geven, maar ook door die plechtige handeling aan*
toonen, dat de inwendige reinheid der ziel eene noodzakelijke
voorwaarde is om op heilige wijze zijn goddelijk Lichaam en
Bloed te ontvangen, hetwelk Hij hun straks te nuttigen geven
zou, en tevens aanduiden, dat zij die reinheid der ziel niet
-ocr page 142-
I3ü
HET UJJ1LS hlN SfERVtM VAN\'
konden verwerven dan wanneer zij als gewasschen waren in zijn
goddelijk Bloed, gezuiverd door de oneindige verdiensten van
zijn lijden. Dit alles deed Jesus duidelijk uitkomen, en nam uit
den tegenstand van Petrus aanleiding om al die heilzame lessen
aan de twaalf Apostelen en aan al zijne geloovigen van alle
tijden in te prenten. Hij zeide dan: wat Ik doe, wéét gij
thans nog niet, maar gij zult het daarna weten;
„Ik heb
„meerdere redenen om dien dienst aan u te bewijzen, en zoo
„gij die kendet, zoudt gij Mij in het verrichten daarvan niet
„hinderen; maar omdat zij u onbekend zijn, daarom verzet gij u;
„laat Mij echter u de voeten wasschen volgens mijn verlangen,
„straks zal Ik de redenen van mijne ongewone handelwijze
„ontvouwen." Ook op deze terechtwijzing sloeg Petrus geen
acht; in die voetwassching niets anders ziende dan eene bloot
uitwendige daad, waarvan de hoogere en geheimnisvolle betee-
kenis hem nog verborgen bleef, gaat hij in zijn blinden ijver
voort met te weigeren en durft, altijd die handeling des Zalig-
makers als iets tegenstrijdigs met diens goddelijke\'Waardigheid
beschouwende, Hem nog toevoegen: Gij zult mij in eeuwig-
heid de voeten niet wasschen.
Hij kon het zich nog niet anders
voorstellen, of jesus wilde slechts een voorbeeld van ootmoed
geven en wel door een allernederigsten dienst te bewijzen aan
hem, die niets meer was dan een zondig mensch. Waarlijk; wij
moeten nog eerbied hebben voor die ootmoedigheid van den
vurigen Apostel, en wij zouden hem nog willen prijzen. Maar
de liefde en de hoogachting voor zijn goddelijken Meester
hadden ten laatste toch moeten wijken voor het zoo sterk uit-
gedrukt verlangen van Jesus. Daarom is zijn volhardend verzet
niet geheel te verontschuldigen en moeten wij zijn antwoord
op Jesus\' herhaald verzoek als minder prijzenswaardig afkeuren.
-ocr page 143-
Mm HEER JESUS CHRISTUS.                                               [33
Met allen ernst richtte dan ook Jesus zijn berispend woord
tot den weerspannigen Apostel : indien Ik u niet wasscfte, zult
gij geen deel met Mij hebben,
,,indien gij halsstarrig blijft weigeren
„en Ik u alzoo de voeten niet kan wasschen, zoo als het mijn
„voornemen en mijn wil is, zult gij ter oorzake van deze uwe
„ongehoorzaamheid geene gemeenschap met Mij hebben, niet
„meer met Mij in vriendschap leven en in doodzonde vervallen
„zijn." Door die huiveringwekkende woorden, door die vreeselijke
bedreiging maakte de Zaligmaker een einde aan Petrus\' verzet.
Dat zijne weigering eene groote zonde kon worden, daaraan
had hij in zijne voorbarigheid niet gedacht, dat wilde hij ook
niet Diep ontzag voor Jesus, een nederig gevoelen van zich
zelven alleen hadden hem doen terugschrikken, maar onge-
hoorzaam wilde hij niet zijn. Bevreesd geworden door de
onheilspellende woorden van Jesus, getroffen door het aller-
grootste ongeluk, dat hem anders wacht, onderwerpt hij zich
niet slechts terstond, maar biedt nu zelfs meer ter wassching
aan, dan zijn Meester gevraagd heeft: Heere! — zegt hij —
wasch niet alleen mijne voeten, maar wasch ook, als het zoo
gesteld is en als Gij zulks wilt, mijne handen en mijn hoofd. —
„Neen" — hernam de Zaligmaker — „dat is niet noodig om
„mijn doel te bereiken : wit zich heeft gebaad, heeft niet van
„noode dan zich de voelen te wassche?i, hij is geheel rein;
zijn
„geheel lichaam is gewasschen; alleen de voeten, die bij het
„uitgaan uit het bad den grond geraakt hebben en daardoor
„bezoedeld of met stof bestoven zijn, moeten dan nog gereinigd
„worden." Toen kon de Zaligmaker aan- Petrus de voeten
wasschen en nk hem ook aan de andere Apostelen die, ware
Hij met hen begonnen, zeker even als hun Hoofd zich
tegen Jesus\' verlangen hadden verzet, maar nu, door Petrus\'
-ocr page 144-
l.\'U
HM LIJIit..v EN STERVEN TAN
voorbeeld geleerd, zich gewillig aan Jesus\' wensch onder-
wierpen.
— Met de woorden: gij sijt rein, wees onze goddelijke
Zaligmaker op den dieperen zin, welke aan die lichamelijke
wassching ten gronde lag. De Apostelen waren rein van dood-
zonden, maar niet van kleine fouten en gebreken, welke de
rijkste uitstorting der genade zouden beletten, wanneer zij na
eenige oogenblikken het goddelijk Lichaam en Bloed van Jesus
ontvingen. De gevoelens van nederigheid en van liefde,
welke door Jesus\' welsprekend voorbeeld in hen moesten opge-
wekt worden, werkten er toe mede om hen tot die volmaaktere
reinheid des harten op te voeren. Zóó leeren ons de Kerk-
vaders. De h. Ambrosius meent, dat Jesus door de voetwas-
sching de overblijfselen der erfzonde en de neigingen der
begeerlijkheid wegnam, dat Hij hen daardoor ook versterkte
om aan alle verkeerde driften weerstand te bieden. De h. Au-
gust in hs
verstaat onder de voeten, waarmede wij de aarde
aanraken, al die verkeerde hebbelijkheden, die dagelijksche
fouten en misslagen, welke ons, evenals het stof aan de voeten,
zoo licht aankleven maar afgewasschen worden door zelfver-
loochening en echte liefde tot God en den naaste. De //.
Bernardus ziet in die voetwassching eene afbeelding van het
berouw en de boetvaardigheid, welke onze ziel, zooveel mogelijk,
van elke smet moeten reinigen, vóórdat wij de H. Communie
ontvangen. „Wie gewasschen is" — zoo zegt die Kerkleeraar —
„heeft niet van noode dan zich de voeten te wasschen; en
„gewasschen is hij, die geene groote zonde heeft, wiens hoofd,
„dat is: zijne meening, en wiens handen, dat is: zijne werken
„en zijn omgang, zuiver zijn. Maar de voeten stellen de nei-
„gingen der ziel voor, en wij kunnen, zoolang wij in deze
-ocr page 145-
I.ti
ONZEN IIEFE JESUS CHRISTUS.
„wereld wandelen, niet altijd rein zijn zonder dat nu en dan,
„meer dan geoorloofd is en voor eene wijle, de ziel toegeeft
„aan ijdelheid, zinnelijkheid of nieuwsgierigheid. Want in vele JAC- \'"• *
„dingen struikelen wij allen. Niemand echter verachte die,
„want het is onmogelijk daarmede den Hemel in te gaan of
„daarvan gereinigd te worden tenzij door Christus, en zoolang
„wij er niet van gezuiverd zijn, kunnen wij geen deel met Hem
„hebben; maar niemand mag om die kleine fouten zich tot
„mismoedigheid laten verleiden, want Jesus wil ze ons gaarne
„vergeven, als Hij ziet, dat wij bezorgd zijn om ze te ver-
„beteren." Aldus wist de vindingrijke Liefde van Jesus elk
middel te baat te nemen om voor het geestelijk heil der Zijnen
werkzaam te zijn; aldus leert Hij ook ons om alle zorg aan
onzen geestelijken vooruitgang te besteden. —
Wij hebben het nederig dienstwerk overwogen, dat de God-
mensch aan zijne Apostelen bewees; maar de redenen, welke
Hem tot die diepe zelfverloochening brachten, moet Jesus zelf
ons openbaren. Gij zult het daarna weten — had Hij aan J°an. XIII
Petrus gezegd. Die belofte zal Hij nu vervullen. Toen Hij
dan, na aan de Apostelen de voelen gewasschen te hebben, zijne
klecderen genomen had en weder aan tafel zat, zeide Hij tol
hen: Weet gij, wat Ik gedaan heb,
wat die voetwassching
beteekent en wat Ik daarmede bedoelde ? De Apostelen waren
nog geheel onkundig van de liefderijke bedoelingen, waardoor
de Zaligmaker tot zulk eene geheel ongewone handeling be-
wogen was; niet minder zullen zij met een licht verklaarbaar
ongeduld, en de vurige Petrus boven allen, Jesus\' uitlegging
verbeid hebben. De Zaligmaker vervolgde dan: gij noemt Mij
Meester en Heer; en gij zegt wel, want Ik ben het
— ,.u\\v
-ocr page 146-
13fi                                              MFT l.IJPF.N VN STFRYF.V TAN
„Meester, omdat Ik u de waarheid leer; uw Heer, omdat Ik
„mijne Almacht toon door wonderen." Indien dan Ik, die
door mijne goddelijke waardigheid oneindig ver boven u ver-
heven ben, uwe voeten gewasschen en Mij niet geschaamd
heb aan u een dienst, anders door slaven verricht, te bewijzen
en zóó u een uitstekend voorbeeld van nederige dienstvaardig-
heid te geven, Ik, uw Heer en uw Meester, zoo moet ook ff ij
elkanders voeten wasschen,
en er niet tegen opzien om aan
elkander de nederigste diensten te bewijzen Want Ik heb u
een voorbeeld gegeven, opdat ook gij doet, gelijk Ik gedaan heb.
Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: een dienstknecht is niet meerder
dan zijfi Heer, en een gezant niet meerder dan die hem gezonden
heeft. Indien gij dit weet,
dat ootmoed, zelfverloochening en
liefde uw aller plicht is, zalig zult gij zijn, zoo gij het doet en
overeenkomstig die verplichting u gedraagt.
— Dat Jesus hier de onderlinge voetwassching als verplich-
tend voorschrijft, kan door niemand met eenigen grond beweerd
worden. Wat Jesus gedaan had, moest als voorbeeld dienen
niet van eene uitwendige handeling maar van eene ootmoedige,
zich zelve verloochenende liefde, welke zich in offervaardigheid
openbaart en het onderscheidend kenmerk van al zijne leer-
lingen zijn moet. Zóó begrepen het ook de Apostelen, die
het woord huns Meesters geenszins in letterlijken zin opvatten
noch de voetwassching als eene godsdienstige plechtigheid der
Kerk instelden. In de drie eerste eeuwen van hare geschiedenis
wordt dan ook geen spoor van iets dergelijks gevonden; eerst
later kwam zij allengs meer en meer in beoefening, werd onder
de plechtigheden van Witten Donderdag opgenomen en achtten
de hoogste waardigheid-bekleeders, b. v. Pausen en Christen
vorsten het een voorrecht, als zij Jesus\' voorbeeld ook in letter-
-ocr page 147-
ON/r* HÏF.R JRSI.\'S CHRISTUS.                                               187
lijken zin konden navolgen. — De voornaamste deugden, welke
de Zaligmaker ons bij die gelegenheid ter navolging voorstelde,
zijn nederigheid en liefde. Nederigheid, door welke de Christen
zijn eigen ik vergeet, zijne vermeende grootheid veracht en
zich niet te hoog geplaatst waant om aan anderen liefde-
diensten te bewijzen, welke eene hoogmoedige wereld veracht.
Altijd toch moeten wij onzen blik gevestigd houden op den
Stichter en Voltooier van ons geloof, die ons van alle deugden
het volmaakte voorbeeld gaf. Jesus leidde een arm en vergeten
leven — wij moeten derhalve onzen aangeboren hoogmoed
fnuiken; Hij was gehoorzaam tot aan den dood des Kruises
— wij mogen dus aan onze driften niet den vrijen teugel vieren ;
Hij arbeidde in de nederige werkplaats van een armen timmer*
man — wij mogen ons dan nimmer schamen, al wordt ook van
ons een in \'t oog van anderen verachtelijk werk gevraagd;
Hij wiesch de voeten zijner Apostelen — wij moeten ons nimmer
aan een nederigen liefdedienst onttrekken. En dan de liefde t
Deze toch moet elke daad heiligen en verdienstvol maken;
alles moet uit liefde tot God en den naaste voortkomen, alles
moet verricht worden om God te vereeren en den evenmensch
in zijn geestelijk heil behulpzaam te zijn ? — Echter mogen wij
ons niet door valsche redeneeringen op een dwaalspoor laten
brengen. Als gij het doet, zult gij zalig zijn — zeide de
Zaligmaker. Niet slechts het weten, eene ijdele beschouwing
van onze verplichtingen is genoegzaam ; beoefening wordt streng
gevorderd. Zalig zijn zij, die weten en doen, die gelooven en
handelen, die hunne plichten kennen en ze volbrengen; „het
„is toch niets groots" — zegt de h. Cyrillus — „de deugd te
„kennen, maar ze met ijver te beoefenen." —
-ocr page 148-
188
HF.T MJDEN EN «Tf.RVES VAN
Van zulk eene liefde, welke geene maat noch aanzien van
personen kende, gaf de goddelijke Zaligmaker in die oogen-
blikken van diepe vernedering nog een schitterender voorbeeld
dan wij boven overwogen. Hij wiesch de voeten niet alleen
van de elf Apostelen, welke rein waren, maar ook van den
rampzaligen Judas, wiens ziel met zware zonden was bezoedeld.
Ook voor den afvalligen Apostel knielde de goddelijke Majesteit
neder in de houding van een geringen dienstknecht; die handen,
welke zoo menigmaal de vrijspraak van zonden met een be-
moedigend teeken deden vergezeld gaan, raakten de voeten aan
van hem, die den heilloozen weg der boosheid was opgegaan;
dezelfde mond, welke geene andere woorden had gesproken
dan van liefde en van vergeving, kuste, gelijk eene vrome
overlevering getuigt, de voeten van hem, die geene betere
gevoelens in zijn hart koesterde dan van nijd en wraak,
Aan een vriend bewijzen van toegenegenheid te geven,
is menschelijk ; een vijand, van wien men verzoening hoopt,
met voorkomenheid te bejegenen, is christelijk ; maar een ver-
harden booswicht, die alleen aan wraak denkt en reeds het
vervolgde slachtoffer voor geld heeft verkocht en naar eene
geschikte gelegenheid uitziet om het aan diens vijanden over
te leveren, hem nog met bijzondere teekenen van b>fde te
overladen, dat is goddelijk schoon. En wij zien dat wonder
van Goedheid en Barmhartigheid betoonen door Jesus aan Judas!
Niemand kon zoo hoog verheven zijn en tevens zoo diep zich
vernederen als de Zaligmaker; maar ook niemand is ooit zoo
laag gevallen en toonde zich ooit zoo duivelachtig slecht als
de verrader. Daarom liet Judas zich door Jesus de voeten
wasschen, daarom was hij hardnekkig genoeg om den liefde-
dienst van zijnen goddelijken Meester niet te weigeren en, in
-ocr page 149-
isg
ONZEN HEEK JF.3US CHRISTUS
schijn met eene onverstoorbare kalmte, zag hij, de zondaar, de
oneindige Onschuld aan zijne voeten neergeknield Hartelijke
dankbaarheid aan den goeden Jesus, die aldus op nieuw toonde,
hoe vurig Hij wenschte ook den grootsten zondaar tot inkeer
te brengen en zijn verhard gemoed door de teederste liefde-
bewijzen te vermurwen. Doch ook schande, wee over Judas,
die koud en onverschillig blijft, terwijl de andere elf tot in het
diepste van hunne ziel ontroerd waren door Jesus\' afdalende
Liefde, die met een blik van minachting, misschien met een
spottenden lach het aanziet, hoe Jesus Zich aan zijne voeten
werpt, ze wascht en afdroogt en kust Zelfs zoo groote Goed-
heid, zoo diepe vernedering kunnen zijn gemoed niet verteede-
rcn. Sinds het noodlottig oogenblik, dat de geld-en de wraak-
zucht in zijne zwarte ziel wortel hebben geschoten, is Judas
ongevoelig voor alles geworden, zint hij op niets anders meer
dan op het voldoen van zijne lage driften, Jesus mag hem
spreken van zijn aanstaand lijden en van zijne overlevering
ter dood door een der Zijnen—Judas alleen blijft hardnekkig,
terwijl de overigen bedroefd worden. Jesus mag het nederigst
liefdewerk aan hem verrichten —Judas steekt Hem onbeschaamd
zijne voeten toe. terwijl Petrus niet dan door bedreiging met
het verlies van Jesus\' vriendschap er in toestemt om zich door
zijnen goddelijken Meester te laten wasschen. Jesus mag alle
middelen aanwenden om den rampzalige nog te winnen, niets
baat Hem — Judas\' verstokt hart biedt aan alles wederstand
en sluit zich af voor eiken weldadigen invloed der genade. Hij
heeft zijn Goddelijken Meester al reeds verraden en verkocht,
— en eene heiligschennende Communie, de wanhoop en een
zelfmoord zullen de maat zijner gruweldaden vol maken.
— Wenden wij onze aandacht van Judas af en op ons zelven,
-ocr page 150-
140            HET LIJDEN EN STE»VEN VAN ONZEN HEER JE8U8 CHRISTUS.
om eens aan ons eigen leven te denken. Wie leeft als Judas,
kan ook als Judas sterven En hij verkeert in het grootste
gevaar, die zijn hart niet sluit voor gehechtheid aan het aardsche
en hebzucht. Wij zagen hoe Judas er toe kwam, om zijn God
en Zaligmaker te verzaken. Niemand achte daarom kleine
fouten gering. Zij verminderen de liefde tot God en, zijn zij
eens tot eene gewoonte geworden, dan doen zij ons tot een
toestand van lauwheid vervallen, welke dikwijls tot de grootste
zonden verleidt. Een ieder vrage dan zich zelven af: hoe is
het met den toestand van mijne ziel gesteld ? Welke driften
heb ik vooral te bestrijden ? En wat hij voor zijn heil nood-
zakelijk acht, dat volbrenge hij, onder bijstand van Gods genade,
zonder uitstel en met alle beslistheid. —
-ocr page 151-
Hoofdstuk X.
Instelling van het Allerheiligste Sacrament,
van een nieuw Verbond, van een nieuw
Offer, van een nieuw Jr\'riesterschap.
Het was nu ruim één jaar geleden, dat de Zaligmaker deze
bclotte had uitgesproken: het brood, dat Ik geven zal, is mijn Joan. VI, 53
Vleesch. Mijn Vleesch is waarlijk spijs, en mijn Bloed is
waarlijk drank.
Zeker hadden de Apostelen al sinds lang ver-
langend naar de vervulling van die heerlijke voorzegging uit-
gezien, misschien er bij den Zaligmaker op aangedrongen, om
hun die onwaardeerbare gave te schenken, welke zij reikhal-
zend verwachtten. En nog was die belofte niet vervuld, ofschoon
zij uit de voorspellingen van Jesus wisten, dat Hij nè weinige
uren in de handen zijner vijanden overgeleverd en ter dood
gebracht zou worden. Een twijfel of Jesus hun wel geven zou,
wat Hij beloofd had, kon bij hen niet opkomen; maar zou Hij
de vervulling daarvan misschien tot na zijne Verrijzenis uit-
stellen ? Doch de handelingen, welke hun goddelijke Meester
in de laatste uren verricht had, waren zóó beteekenisvol, zijne
woorden zóó buitengewoon indrukwekkend, zijn gelaat schitterde
-ocr page 152-
142                                            HET LUIltS KB STERVKN VAN
van eene zóó heilige aandoening. Zij waren door alles, wat zij
zagen en hoorden, wel gedwongen de voltrekking van het groote
geheim van Jesus\' Liefde nu te verwachten. Nog geheel onder
den geweldigen indruk van de voetwassching, buiten zich zelven
van verwondering over het nooit gehoorde bewijs van zelfver-
nedering, bewaarden zij een diep stilzwijgen, maar konden hunne
oogen van hunnen goddelijken Meester niet aftrekken; geen
zijner woorden, geene enkele zijner bewegingen ontsnapte aan
hunne gespannen aandacht.
En Jesus ? Zijn uur was gekomen om, als de Hoogepriester
naar de orde van Melchisedech, zijn Lichaam en Bloed als
een waarachtig Offer aan zijn hemelschen Vader op te dragen
ter verzoening van den gevallen mensch, ter verlossing van de
wereld. Doch Hij wilde ook, dat hetzelfde Lichaam en Bloed,
straks op te offeren aan het Kruis, voortdurend en tot aan
het einde der tijden in zijne Kerk zou blijven bestaan onder
de gedaanten van brood en van wijn, opdat Hij ten allen tijde
het Heilig Offer van de Nieuwe Wet der genade zijn zou, en
tevens de goddelijke spijze bij uitnemendheid van onze onsterfe-
lijke zielen. Dat allerheiligste van alle Sacramenten moest, in
Jesus\' liefdevolle bedoeling, het sprekendste bewijs van zijne
onbegrensde Liefde zijn, de bevestiging van onze hoop op eene
zalige eeuwigheid, de gedachtenis aan zijn dierbaar lijden en
sterven, ons hemelsch voedsel op on/.en tocht door de woestijn
des levens naar het ons beloofde land, eene hulp en een steun
in al onze moeielijkheden en in al onzen strijd, een onderpand
van geestelijke zegeningen, eene bekrachtiging van alle beloften
des Nieuwen Verbonds. En nu Jesus, na jaren lang voor zijne
teeder beminde Kerk met eene onvermoeide Liefde gezorgd
en gewerkt te hebben, op het punt staat om den dood in te
-ocr page 153-
lt:s
ONZE* HEER JÏSUS CHKI3ITS.
gaan, zijn al zijne gedachten er op gericht om die geliefde
Bruid met dat allerhoogste Goed te verrijken voor al de eeuwen
van haar bestaan.
Nog vermoeid van het nederig werk der voetwassching had
Jesus wederom zijne plaats aan tafel ingenomen. Kalme waar-
digheid, maar ook eene hemelsche vreugde lag over zijn gelaat
gespreid, zijne oogen vonkelden van een heilig vuur, geheel
zijne houding getuigde van de ontroering, welke Hem beving,
nu Hij zijne vroegere belofte zou vervullen. Jesus nam dan
van het ongedeesemde brood, hetwelk ra den Paaschmaaltijd
was overgebleven, in zijne heilige en eerbiedwaardige handen
en overdenkend, dat Hij, de Barmhartige en Genadige, de
gedachtenis aan al zijne wonderen ging instelien en eene goddelijke
spijze geven aan allen, die Hem vreezen, sloeg Hij zijne oogen
ten Hemel, naar zijn almachtigen en eeuwigen Vader op, om
ons te doen begrijpen, dat van Hem alleen alle macht en kracht
uitgaat om wonderwerken te verrichten Hij dankte Hem ook
— en met die volmaaktheid zooals Jesus alleen dit doen kon —
voor al de weldaden, welke Hij in zijne heilige Menschheid
van den Vader had ontvangen, inzonderheid voor deze nieuwe
weldaad, dat Hij zijn Lichaam en Bloed als spijze geven mocht
aan zijne Kerk. En zoo dankzeggende zegende Hij het brood
met een bijzonderen zegen en — zooals eenigen meenen —
in nieuwe bewoordingen, en maakte daardoor de Apostelen
opmerkzaam, dat Hij een geheel nieuw, een buitengewoon
groot wonder zou verrichten. Dan brak Hij het brood
met zijne handen in zoo vele deelen als noodig waren om
aan elk der aanliggenden een gedeelte te kunnen toereiken, en
sprak vervolgens de Sacramenteele woorden : — neemt en eet:
dit w* mijn Lichaam — daarover uit en veranderde aldus
-ocr page 154-
144
HST LIJDEN ÜN STEKVtN TAN
door zijne goddelijke Almacht het brood in zijn Lichaam, zóódat
hetzelfde Lichaam des Zaligmakers, dat voor de oogen der
Apostelen zichtbaar aan tafel tegenwoordig aanlag, ook waarlijk
maar onzichtbaar tegenwoordig was onder de gedaanten van
brood. De woorden, waarmede de goddelijke Zaligmaker de
zelfstandigheid van het brood in de zelfstandigheid van zijn
goddelijk Lichaam veranderde, duidden aan de Apostelen op
de duidelijkste wijze aan, welk het voedsel was, dat Hij hun te
eten gaf, want de Zaligmaker zeide: neemt en eet, dit is mijn
Lichaam, dat voor u gegeven wordt.
En wonder van de A1-
macht der goddelijke Liefde! Nauwelijks zijn die woorden
gesproken en het brood is geen brood meer, maar Jesus
Christus zelf, de eenige Zoon van God, die voor ons is mensch
geworden, die de Zaligmaker der wereld is, de wellust der
Engelen, de schrik der duivelen, voor Wien alle knieën zich
moeten buigen.
Op dezelfde tafel stond ook een beker gevuld met wijn,
waarin een weinig water gemengd was. Ook dien kelk nam
Jesus in zijne heilige handen en, na eerst zijnen hemelschen
Vader op nieuw gedankt te hebben, zegende Hij dien op
dezelfde wijze als Hij het brood gezegend had. Toen sprak
Hij, aan zijne Apostelen den Kelk toereikende, de Sacramenteele
woorden—drinkt hieruit allen! wans dit is mijn Bloed iles
Nieuwen Testaments,
— ook over den wijn uit en veranderde
door zijne goddelijke Almacht den wijn in zijn goddelijk Bloed.
Aldus duidde de Zaligmaker op nieuw door de woorden der
consecratie aan de Apostelen aan, wat Hij hun te drinken gaf,
want Hij zeide : drinkt hieruit allen ! Want dit is mijn Bloed
des hieuwen Testaments. dat voor velen zal vergoten worden
tot vergiffenis der zonden.
En al weder is het wonder der
-ocr page 155-
146
0N7.FS HFFF! JES1S CHRISTUS.
almachtige Liefde gewrocht: nauwelijks zijn die woorden uitge-
sproken, en de wijn is geen wijn meer maar het Bloed van
den Heer Jesus Christus, hetzelfde goddelijk Bloed, dat toen
nog stroomde in zijne aderen en den volgenden dag, tot op
den laatsten druppel, zou vergoten worden aan het Kruis.
Al zoo, wat Jesus in zijne handen nam, was brood en wat in
den kelk was, dien Hij in zijne handen nam, was wijn. Maar
wat Hij aan de Apostelen te eten gaf, was geen brood, maar
zijn Lichaam, want Hij zeide : dit is mijn\' Lichaam; en wat
Hij aan zijne Apostelen te drinken gaf, was geen wijn, maar
zijn Bloed; want Hij zeide: dit is mijn Bloed. Dezelfde
Almacht, welke door het enkele woord: „het worde" alles had
gemaakt, werkte ook hier. „De hemel — zegt de h. Ambrosius —
,,en de aarde en de zeet\'n bestonden nog niet, maar hoort den
„Heer spreken, en zij werden ; Hij beval, en zij waren geschapen.
„Indien dan het woord van God zóó krachtig is, dat op zijn
„woord alleen ontstond, wat vroeger niet was, hoe veel te
„krachtdadiger zal het zijn om, hetgeen reeds bestond, in
„iets anders te veranderen ?\'\' Daarenboven : wie zou de gods-
lastering durven uitspreken, zelfs in zijne gedachte durven
toelaten, dat Jesus, die de eeuwige waarheid zelve is, in de
plechtigste oogenblikken van zijn sterfelijk leven, eene onwaar-
heid of ook maar eene onduidelijkheid zou gezegd hebben?
Neen: Hij zeide: dit is mijn Lichaam; dit is mijn Bloed, en
op hetzelfde oogenblik was het brood in zijn Lichaam en de
wijn in zijn Bloed veranderd. Wij moeten dan onze afgedwaalde
broeders en zusters van harte beklagen, die den zoo duidelijken
zin van Jesus" woorden misduiden, in schreeuwende tegenspraak
met hetgeen de God-mensch zeide, de H. Schriftuur leert, de
10
-ocr page 156-
146
HET L\'jDEN E.N STERVEN TAN
overeenstemmende getuigenis van eene eeuwenoude Overlevering
getuigt, de onfeilbare uitspraak der Kerk bevestigt? Bidden, veel
bidden voor hen is ons aller plicht, opdat ook zij eens mogen
belijden die groote waarheden, welke wij in ons dierbaar
geloof bezitten, welke ook de vreugde van ons leven en den
zoetsten troost in ons stervensuur uitmaken.
Eene eensluidende overlevering vermeldt, dat ook Jesus zelf in
het laatste Avondmaal gecommuniceerd heeft: Hij wilde daardoor"
aan zijne Apostelen een voorbeeld geven, hunnen eerbiedigen
schroom voor het nuttigen van die goddelijke spijze eenigszins
wegnemen en tegelijk Zich met hen op de innigste wijze ver-
eenigen door het gemeenschappelijk nuttigen van denzelfden
liefdemaaltijd. — Dezelfde overlevering verhaalt, dat de Zalig-
maker aan zijne Moeder, die wel niet tegenwoordig was bij het
laatste Avondmaal, doch gedurende het Paaschmaal zich in
hetzelfde huis bevond, de h. Communie óf zelf toegereikt öf door
een der Apostelen heeft laten brengen. Wie ook kon meerdere
rechten op Jesus\' heilig Lichaam en Bloed doen gelden dan zij,
die dat Lichaam in haren schoot gedragen, Hem met hare borsten
gevoed had, die in Hem haar eigen lichaam en bloed moest
erkennen ? Wie ook kon vuriger verlangen om in de nauwste
levensgemeenschap wederom met Hem te treden, dan zij die
haren Jesus negen maanden onder haar hart droeg, Hem ver-
zorgde en beminde meer dan eene andere moeder beminnen
kan ? En Jesus, die de Zijnen ten einde toe liefhad en ook
daarom hun die goddelijke spijze schonk, kon nog minder de
Moeder vergeten, welke uit liefde tot Hem alles opofferde, alles
leed, en met Hem den pijnlijksten dood, althans in hare ziel, zoude
ondergaan. Wat Hij van zijne Moeder had, zijne menschheid
namelijk, dat wilde Hij haar, met zijne Godheid vereenigd,
-ocr page 157-
147
ONZEN MEER JESUS CHRISTUS.
vóór zijn lijden nog tot spijze geven onder de gedaanten van
brood en van wijn.
— Het zou ondoenlijk zijn hier al de voordeden en gena-
den te bespreken, welke ook maar ééne waardige Communie aan
den goeden Christen schenkt. Vestigen we onze aandacht slechts
op deze weldaad, welke de goddelijke Minnaar der zielen zeker
bedoeld heeft, toen Hij het Sacrament van liefde instelde. Wie
7nijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt, die blijft in Mij en Ik in hem.
Dit zeide Jesus reeds, toen Hij beloofde zijn h. Lichaam tot
spijs en zijn h. Bloed tot drank te zullen geven. De innigste j0ES vr
vereeniging alzoo van den Zaligmaker met zijne geloovigen
en van de geloovigen met Hem is een der grootste voor-
deelen van eene h. Communie — eene vereeniging zóó
innig, dat de h. Cyrillus niet aarzelt deze vergelijking
te maken: „gelijk twee stukken was, als zij bij elkander
„gevoegd en gesmolten zijn, op eene zóó volkomene wijze ver-
„eenigd worden, dat zij niet meer te onderscheiden zijn, even
„nauw wordt ook de Christen met Jesus vereenigd, als hij zijnen
„Zaligmaker in de h. Communie waardig heeft ontvangen."
Dat wil zeggen: dan leven wij ons zinnelijk, ons zondig leven
niet meer, doch Jesus leeft in ons; zijne gedachten, wenschen
en verlangens worden als onze gedachten, wenschen en ver-
langens; zijn wil wordt als onze wil; zijn geest bezielt ons,
zijne genade bestiert ons en zijn gebod geleidt ons; één met
Hem zijn wij aan de zonde gestorven om voor Hem alleen te
leven en dan, na een leven van deugd en heiligheid, eens
het leven der eeuwige heerlijkheid in te gaan. Met het oog
op die eeuwige vereeniging met Hem in het Rijk zijner glorie,
als gevolg van eene h. Communie, zeide Jesus ook dit nog:
gelijk de levende Vader Mij gezonden heejt, en Ik leef om
-ocr page 158-
148                                            HET LIJDEN E\\ STERVEN- VAX
den Vader, zoo zal ook hij, die Mij eet, om Mij leven. Die
Joes VI, 33,56. mijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt, heeft het eeuwig leven,
en Ik zal hem opwekken ten jongste dage.
— Niet alleen met Zich zei ven wilde de Zaligmaker door de
h. Communie ons vereenigen; het h. Sacrament des altaars moest
ook het teeken der eenheid, de band der liefde, het zinnebeeld
der eendracht van alle geloovigen onderling wezen. Het teeken der
eenheid, want alle geloovigen. die aan den/.elfden liefdemaaltijd
aanzitten en dezelfde goddelijke spijze nuttigen, moeten één
van hart en één van ziel zijn. De band van liefde, want gelijk
wij door de h. Communie met Jesus vereenigd en kinderen
van denzelfden hemelschen Vader worden, eveneens moet de
liefde ons allen als broeders en zusters met elkander verbin-
den. De liefde toch tot den Vader is niet bestaanbaar zonder
eene oprechte liefde tot den naaste. Daarom ook zeide de
I. Cor. X, 17. h. Paulus zoo treffend schoon: dewijl hel één brood is, ééne
goddelijke spijze, welke wij allen ontvangen, zijn wij allen,
die deel hebben aan het ééne brood, één lichaam,
als kinderen
van één en hetzelfde huisgezin, die door liefde één zijn. Ein-
delijk een zinnebeeld van eendracht, want allen, die aan de
tafel des Heeren neerknielen, vergeten voor eenige oogenblik-
ken elk verschil van stand en elke onderscheiding van maat
schappelijke verhoudingen; in eendrachtige liefde zijn zij ver-
eenigd; de dienstknecht zit aan naast zijn heer, de arme naast
den rijke; kreupelen en lammen zijn zonder aanzien van perso-
nen uitgenoodigd tot den bruiloftsmaaltijd; daar veracht niemand
den andere; geen afkeer noch haat mogen wonen in een hart,
waarin de God van Liefde zijn intrek neemt. Bidden wij dan
vurig, dat het h. Sacrament des altaars ook in ons leven al
meer en meer de heerlijke vruchten van die heilige vereeni-
-ocr page 159-
149
IJ.VZFN" llin JI.SI\'S CHRISTUS.
ging moge voortbrengen, dat wij allen één zijn in geloof en
in liefde, gelijk de Vader en de Zoon één zijn van nature,
en dat die goddelijke spijze voor ons de bron worde van alle
genaden en van het ware leven.
Doe uwen mond wijd open, en Ik zal hem vervullen. Met
die woorden had God door zijnen Profeet in beeldspraak laten
voorspellen, dat Hij in vollen overvloed ook de meest uit-
gestrekste verlangens van ons hart zou bevredigen. In geen
werk der goddelijke Liefde werd aan die belofte op vol-
maaktere wijze voldaan dan in het Allerheiligste Sacrament.
Toen de Zaligmaker het laatste Avondmaal vierde, verving
Hij het Oude Paaschlam van het Israëlitische volk door
een Nieuw, dat Hij zelf wilde zijn. Voor de Joden had God
het Manna van den Hemel doen regenen, dat zoet van smaak
was en alle aangenaamheid in zich vereenigde, dat den Joden
geschonken werd, op dat zij op hunnen tocht door de woestijn
naar het beloofde land niet zouden bezwijken. Maar aan zijne
Kerk gaf Jesus, in het laatste Avondmaal, een nieuw Brood des
Hemels, Zich zclven namelijk, die ook van den Hemel is neer-
gedaald. In die hemelsche spijze proeven ook wij, hoe zoet de
Heer voor allen is, die Hem beminnen; in de kracht daarvan
wandelen wij ook, even als eens Elias, tot aan den berg Gods,
lot aan ons hemelsch vaderland.
Doch meer nog wilde Jesus op den laatsten avond van
zijn sterfelijk leven voor ons doen. Vroeger had God Israël
als zijn bevoorrecht volk uitverkoren, daaraan zijne wet-
ten en verordeningen — een bewijs van zijne Vaderlijke zorg
<-~ voorgeschreven en, toen het plechtig beloofd had aan Hem
-ocr page 160-
150                                            BIT LIJDEN KN STERVKN VAN
te zullen gehoorzamen, door bemiddeling van Mozes en
in het bloed van geslachte offerdieren een verbond met het-
zelve gesloten van liefde en getrouwheid. Maar de Joden wer-
den verworpen, omdat zij Jehova ontrouw werden en den
Messias niet wilden erkennen, Wien Hij had gezonden. En
Jesus, na de volmaaktere wet van het Evangelie te hebben
verkondigd, verwierf Zich een ander uitverkoren geslacht, een
heilig volk, dat gelooven en naar het geloof leven zou.
De ware Christenen, de oprechte leerlingen van Jesus, werden
zijne uitverkorenen, en met hen ook sloot de Verlosser, vóór-
dat Hij van deze wereld wegging — nu niet door bemiddeling
van een derde maar in eigen persoon, ook niet in het bloed
van dieren maar in zijn eigen en goddelijk Bloed—eennieuw
Verbond, toen Hij in het laatste Avondmaal tot de Apostelen,
die wij hier als de vertegenwoordigers van het geheele chris-
ten volk moeten beschouwen, zeide: dit is het Bloed des
Nieuwen Testaments. Leggen wij dit eenigszins nader uit.
Voorheen waren bijna alle volkeren gewoon hunne onder-
linge overeenkomsten, als zij die op de meest plechtige wijze
wilden bezegelen, te bekrachtigen door het vergieten van
bloed, somwijlen zelfs van hun eigen bloed, dat zij dan elkan-
der te drinken gaven. Toen Mozes, in naam van God, met
het volk van Israël een Verbond sloot, waardoor God zijn
onfeilbaar woord verpandde, dat Hij de Israëlieten met allerlei
zegeningen zou overladen, als zij zijne wet onderhielden, en waar-
door al het volk, nadat de geheele wet was voorgelezen, beloofde
Hem te zullen gehoorzamen, toen moest ook de bemiddelaar van
het Oude Verbond al het volk met het bloed van geslachte offer-
dieren besproeien, zeggende: dit is het Bloed des Verbonds,dat
God met u gesloten heeft op al deze woorden,
dat is: op al de
-ocr page 161-
151
O.VZEV HEER JESUS CHRISTUS.
voorwaarden, welke in de wet opgenoemd waren. Jesus deed
nog oneindig meer in het laatste Avondmaal; want nu moest
de schaduw voor het licht wijken en de afbeelding door de
werkelijkheid vervangen worden. Hij had de volmaakte wet
des Evangelies gepredikt. Wie zijne leerlingen wilden zijn,
moesten beloven die wet in haar geheel te onderhouden, ter-
wijl Hij van zijnen kant hnn voor het naleven daarvan een
eeuwig geluk in den Hemel beloofde. Dit verbond van
liefde en getrouwheid sloot Jesus in het laatste Avondmaal
met zijne Kerk, welke door de Apostelen vertegenwoordigd
werd, toen Hij den wijn in zijn Bloed veranderd hebbende,
zeide: dit is het Bloed des Nieuwen Testaments, dat voor u
vergoten wordt,
het Bloed, dat Ik pleng ter getuigenis, dat Ik
mijne belofte zal volbrengen. En opdat de Kerk ook getuigen
zou, dat zij de gestelde voorwaarden zou naleven, moest zij niet,
zoo als het Israëlitische volk, met dat Bloed slechts besprengd
worden, maar het zelfs drinken. Op de volmaakste wijze en voor
eeuwig heeft Jesus dat Verbond, ten einde het van zijnen kant
onherroepelijk zijn zoude, bekrachtigd door op den volgenden
dag al zijn Bloed te vergieten aan het Kruis; en opdat zijn
volk altijd aan dat Verbond zou herinnerd worden, en het niet
zou overtreden, liet Jesus zijn Bloed tot geestelijken drank ach-
ter in zijn h. Sacrament.
Zulk een Nieuw Verbond had God, honderde jaren nadat
het Oude gesloten was, door den Profeet Jeremias laten voor-
spellen in deze woorden: Zie, de dagen zullen komen, zegt de
Heer, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van
Tuda een nieuw Verbond sluiten zal; niet naar het Verbond, J*"1 **2iï\'3i
J                                                                                                              Hrbk.VIII.8
dat Ik met hunne vaderen maakte ten dage, dat Ik hen bij de
hand nam om keu uit het Egijpte-land te leiden; want zij,
-ocr page 162-
152
IIKT MJDKN K.N STERVEN VAN
zij bleven niet in mijn Verbond, en Ik heb Mij over hen niet
bekommerd, zegt de Heer. Want dit is het Verbond, dat Ik
met hel huis [sratl maken zal na die dagen, zegt de Heer. Ik
zal mijne wetten in hun gemoed leggen, en op hun hart zal Ik
schrijven, en Ik zal hun tot God, en zij zullen Mij lot volk
zijn. En niet zal een iegelijk zijn naaste en iegelijk zijn broe-
der lecren, zeggende: ken den Heer! want allen zullen Mij
kennen, van den kleinste tot den grootste om/er hen, want Ik zal
hunne ongerechtigheden genadig zijn, en hunne zonden zal Ik
niet meer gedenken.
Dit Verbond, door Jesus in het laatste Avondmaal reeds met
zijn nieuw uitv erkoren volk gesloten, is nieuw, omdat Jesus zelf, de
Zoon van God, èn de Stichter èn de Middelaar daarvan is; om-
dat het reeds den volgenden dag door het sterven des Midde-
laars voor eeuwig zou bevestigd worden; vooral omdat het in
de plaats trad van het Oude, dat nu vervallen werd verklaard.
Het was ook beter, omdat het de lastige en omslachtige
ceremonieele wetten van het Oude Verbond vervangt door
het zoete juk en den lichten last van Jesus\' volmaakte
wet; omdat het overvloedige genade geeft, om al de geboden
Gods te kunnen volbrengen; omdat het ons niet slechts tijde-
lijke goederen, zooals aan het grof zinnelijke volk van Israël,
maar geestelijke en daarom onvergankelijke goederen ver-
zekert — mits wij de getrouwe onderhouders daarvan zijn,
nadat wij in het Nieuwe Verbond zijn opgenomen door het
Doopsel, even als de Joden in het Oude werden opgenomen
door de besnijdenis. Eindelijk is het Nieuwe Verbond oneindig
waardiger, omdat het niet bekrachtigd is met het bloed van
redelooze dieren maar met niets minder dan met het goddelijk
Bloed van den Heere Jesus Christus.
-ocr page 163-
153
ONZKX IIKKR JKSI\'S CHRISTUS.
Is het Nieuwe Verbond zoo hoog verheven, zoo rijk aan
genaden en aan beloften, dan ook begrijpen wij, dat onze ver-
Idichtingen te grooter zijn en onze ijver te vuriger moet wezen, om
aan de heilrijke voordeden daarvan deelachtig te worden. Uit
al het betoogde leidt de h. Paulus eene dringende vermaning
af tot volharding in de belijdenis des christendoms — eene
vermaning, welke ook een elk van ons ter harte moet nemen.
„Dewijl wij, broeders!" — aldus ongeveer spreekt hij de bekeerde
Hebreen aan — in het Bloed van Jesus Christus den grond van Hlür.X, 19
„een vast vertrouwen hebben, dat een nieuw gebaande en ge-
.,opende weg naar het eeuwig leven voor ons gemaakt is;
..dewijl wij in Jesus een grooten, hoog verheven Priester be-
zitten, die aan het hoofd der geheele Kerk staat, zoo laat ons
,,met een oprecht hart en met een levendig geloof, gereinigd
„van een kwaad geweten, de belijdenis van onze hoop op eene
„zalige onsterfelijkheid onwankelbaar vasthouden, want Hij, die
„ze beloofd heeft, is getrouw en zal zijne belofte zekerlijk vcr-
.,vullen. Laat ons ook elkander tot broederlijke liefde en tot
„goede werken aansporen, de godsdienstige vergaderingen bij-
„wonen en elkander daartoe aanmanen. Verschrikkelijk toch
„zou het wezen, als wij ons aan lauwheid, aan neiging tot af-
„val, aan een verachting van Jesus, aan een heulen met zijne
„vijanden ons overgaven — wij die door zijne verdiensten van
„zonden gereinigd, door zijn Bloed geheiligd en door zijne Goed-
„heid in zijn heilig Verbond zijn opgenomen. Te zwaarder
„straf wacht ons dan in het oordeel, naarmate wij de waardig-
„heid onzer uitverkiezing beter gekend en grootere genaden
„ontvangen hebben; want aan God de wraak, Hij zal vergelden
„en zijn volk oordeelen. Vreeselijk is het te vallen in de han-
„den van den levenden God."
-ocr page 164-
134
HET I.IJDI!» EN STERVEN VAN
Het Oude Verbond werd — wij overwogen het zoo even —
in het laatste Avondmaal door een Nieuw en beter en volmaakt
Verbond vervangen, toen Jesus zijn goddelijk Bloed als Bloed
van het Nieuwe Verbond aan zijne Kerk te drinken gaf. Eene
derde onafscheidelijk daarmede verbonden instelling van den
liefdevollen Zaligmaker vraagt nu al onze aandacht.
Toen God het Oude Verbond met het Israëlitische volk ge-
sloten had, schreef Hij verschillende offers voor, welke op gezette
tijden en met juist aangegeven doeleinden aan Hem moesten
opgedragen worden. Doch het Oude Verbond werd afgeschaft
en daarmede al zijne offers. Evenwel zou ook het Nieuwe
Verbond zijn offer hebben, maar één volmaakt offer en oneindig
verhevener dan al de offers der Oude Wet, een allerheiligst Offer,
waarop al de offers van voorheen duidden, waarvan zij eene on-
volkomene afbeelding waren en waaraan zij hunne betrekkelijke
waarde ontleenden. En dat Offer der Nieuwe Wet stelde Jesus
Christus in bij het laatste Avondmaal, toen Hij het brood en
den wijn in zijn heilig Lichaam en Bloed veranderde en onder
die beide gedaanten Zich, op onbloedige wijze, aan den hemel-
schen Vader opdroeg. De woorden der instelling geven dat
duidelijk aan; Hij zeide: dat is mijn Lichaam, dat voor ü
gegeven wordt; dit is mijn Bloed dat vergoten wordt.
Aldus verklaart Jesus, dat zijn Lichaam, hetwelk na eenige
uren op het altaar des Kruises zal geslachtofferd worden, nu
reeds als Offer gegeven wordt; dat zijn heilig Bloed, hetwelk
op Vrijdag middag tot den laatsten druppel toe zal vergoten
worden ter verzoening van al de zonden der geheele wereld,
ook nu al reeds als Offer vergoten wordt. Dit alles leert ook
de Kerkvergadering van Trente met de volgende woorden:
„ofschoon onze Heer en God Zich zelven ééns op het altaar des
-ocr page 165-
155
ONZEN HEER JESUS CHRfSTUS.
„Kruises, door den dood te sterven, aan God zijnen Vader zou
„opofferen, om daar eene eeuwige verlossing te bewerken, heeft
„Hij toch in het laatste Avondmaal zijn Lichaam en Bloed onder
,,de gedaanten van brood en wijn aan God zijnen Vader op-
„geofferd om aan zijne Kerk, gelijk de menschelijke natuur
„zulks vordert, een zichtbaar offer na te laten."
Alles dus stemt ons tot dankbaarheid, het zij wij het Offer
zelf beschouwen of de wijze waarop, of de reden waarom,
of de personen, voor wie het geofferd wordt. Niets minder
dan Jesus zelf, de mensch geworden Zoon van God, is in
de H. Mis èn Offeraar èn Offerande; Hij offert Zich zelven,
onder de gedaanten van brood en van wijn, op aan God met
zijne Godheid en zijne menschheid. Dat Offer is dus van on-
eindige waarde en overtreft even eindeloos ver al de offers der
Oude Wet als Jesus alles overtreft wat toenmaals of van die-
ren of van veldvruchten of van iets anders aan God werd opge-
dragen. Het is ook van duur even lang als het bestaan der
wereld en zal opgedragen worden zoo lang er menschen zijn,
die moeten gezaligd worden; want Jesus blijft Priester in
eeuwigheid.
Het wordt ook opgeofferd over de geheele we-
reld; op elke plaats, waar een priester der katholieke Kerk zijn
voet zet, viert hij ook die heilige geheimen van onzen Gods-
dienst, en de groote profetie van Malachias gaat dagelijks nog
in vervulling: op alle plaatsen zal mijnen Naam geofferd en een mal. I, n.
rein offer opgedragen worden. Het Offer der h. Mis is het
zelfde als het Kruisoffer: in beiden aanbidden wij Jesus Chris-
tus als Offeraar en Offerande. Alleen dit onderscheid moeten
wij opmerken : op het Kruis offerde Zich Jesus op bloedige wijze
en slechts éénmaal en als door de handen van zijne beulen;
op het altaar offert Hij Zich op onbloedige wijze en meermalen
-ocr page 166-
] 56
IIKT I.IJIIKS EN STKKVKN VAN
des daags en door de priesters, die zijne bedienaren zijn in het
offeren. Door het h. Misoffer wordt echter in geenen deele
afbreuk gedaan aan het Kruisoffer, alsof dit niet voldoende
ware geweest ter verlossing van de wereld en ter verzoening
van den mensch, alsof aan de oneindige verdiensten daarvan
iets kon toegevoegd worden. Neen — aldus leert de h. Kerkver-
gadering van Trente — „door het onbloedig Misoffer wordt
„het bloedig Offer, éénmaal op het Kruis gebracht, tegenwoor-
„dig gesteld, duurt de gedachtenis daaraan tot aan het einde
„der eeuwen voort en wordt deszelfs zaligmakende kracht toe-
,,gepast tot vergiffenis der zonden, welke wij dagelijks bedrijven."
Het H. Misoffer kan aan God opgedragen worden voor levenden,
om b. v. de genade van bekeering af te smeeken, ook voor de
overledenen om voor hen te verkrijgen vermindering of geheele
kwijtschelding van straffen en daarmede de blijde verlossing
uit het vagevuur en de opname in de glorie des Hemels. Door
dat allerheiligste Offer aanbidden wij de goddelijke Majesteit
en wel op eene volmaaktere wijze dan alle Heiligen en Engelen
te zamen God kunnen vereeren; danken wij God voor zijne
weldaden en genaden en bieden wederkeerig tot dank-
zegging Hem het beste aan, wat wij geven kunnen; bidden wij
voor ons zelven en voor anderen af, wat ons nuttig is naar
ziel en lichaam, ook voor de zielen in het vagevuur vermin-
dering van pijnen en kwijtschelding van straffen; eindelijk ver-
zoenen
wij God en verwerven zij, die in staat van genade en
rouwmoedig de h. Mis bijwonen, vergiffenis van hunne dage-
lijksche zonden, en zij, die buiten Gods liefde leven, kunnen
de genade van boetvaardigheid verwerven.
— Het doet ons leed, dat het doel en het bestek van ons werk
eene breedere uiteenzetting van die aangestipte waarheden niet
-ocr page 167-
157
ONZO HEF* JKSUS CHRISTUS.
veroorlooven. Toch zal een ieder, die met een dankbaar hart
ze overdenkt, zich genoopt gevoelen om met den koninklijken
zanger te juichen: Loof den Heer, want Hij is goed, want zijne Ps.CV, i.
Goedertierenheid is eeuwig van duur. Wie kan des Heeren
weldaden uitspreken, wie al zijn lof verkondigen? God
spaarde zelfs zijnen eenigen Zoon niet, maar heeft Hem voor
ons allen overgeleverd, en hoe heeft Hij ons ook niet alles RoM- VI11> 32-
met Hem geschonken, wat wij ter zaligheid behoeven ? Een nieuw
Paaschlam en een nieuw hemelsch Brood, een nieuw Verbond,
een nieuw goddelijk Offer! Waarlijk , wij zouden meenen, dat
Jesus de volheid zijner Liefde uitgestort, al den rijkdom zijner
wondermacht in \'t werk gesteld had om ons gelukkig te maken;
en nog vindt Hij in de schatten zijner Wijsheid en Almacht
eene andere bron en opent die in het laatste Avondmaal voor
zijne beminde Bruid, opdat zij daaruit de wateren putte ten
eeuwigen leven. —
Voor wie bestemde Jesus — aldus moeten wij vragen •— al
de weldaden, welke wij boven besproken hebben? Waren die
aan de Apostelen alleen toegedacht of hoogstens ook aan die
Christenen, welke in het Apostolisch tijdvak den naam van Jesus
zouden belijden? Neen, zoo uitsluitend was de Zaligmaker in
zijne Liefde niet; zijn blik reikte tot aan de uiteinden der we-
reld; in zijne gedachte omvatte Hij alle menschen, die ooit op
aarde zouden leven. Hij was immers gekomen om allen za-
lig te maken; voor allen moesten dan ook zijne genaden be-
reikbaar wezen, voor allen zijne instellingen ter zaligheid dienen.
Herinneren wij ons nog eens de woorden der instelling. Je-
-ocr page 168-
158
MET LIJDEN EN STERVEN VAN?
sus had gezegd: dit is mijn Lichaam; dit is mijn Bloed. Op
die eeuwig gedenkwaardige woorden liet Hij onmiddelijk vol-
gen, tot zijne Apostelen sprekende: doet dit tot mijne ge-
dachtenis. Hij gaf hun met die woorden — leert de Kerk-
vergadering van Trente — het bevel om hetzelfde te doen,
wat Hij zelf zoo even had gedaan, namelijk om het brood
in zijn Lichaam en den wijn in zijn Bloed te veran-
deren; en omdat de Zaligmaker nooit eenig bevel gaf zonder
ook te gelijk de macht te verleenen om het bevolene te kun-
nen doen, gaf Hij hun te gelijk daartoe de vereischte macht.
Het is even als of Jesus zeide: ,,verandert het brood en den
„wijn in mijn Lichaam en Bloed, draagt dat offer op aan God,
„neemt gij zelven en deelt het uit aan anderen," Hij wijdde
hen alzoo tot Priesters van het Nieuwe Verbond en stelde
een nieuw Priesterschap in, dat in zijne waardigheid en in
zijne volmacht nameloos ver het priesterschap des Ouden Ver-
bonds overtreft, dewijl dit aan God niets beters kon opdragen
dan het bloed van dieren en de vruchten der aarde.
Maar alles, wat Jesus, als Stichter der Kerk, instelde, moest
in die Kerk blijven voortbestaan tot aan het einde der tijden,
zoo lang er menschen leven, die de voordeden van zijne
Liefde kunnen genieten en daardoor gezaligd moeten worden.
Derhalve moest ook de macht, welke de Zaligmaker aan zijne
Apostelen mededeelde, en de wijding, welke zij van Hem ont-
vingen, overgaan op hunne opvolgers in het Apostolaat. Wij
hooren dan ook de Priesters van het Nieuwe Verbond de
woorden des levens verkondigen en zien hen de heilige ge-
heimen vieren. Zij trekken de wereld door al predikende maar
ook offerende en het Brood des levens brekende aan de geloo-
vigen, die Jesus\' getrouwe li erlingen willen zijn.
-ocr page 169-
1.VJ
ONZEN HKKH JESUS CHl:ISTÜS.
Ën dat alles ter gedachtenis van Jesus, zoo als Hij zelf
het bevolen heeft, of — wat hetzelfde beteekent — om aan
de vermaning des h. Paulus te gehoorzamen: Zoo dikwijls gij Cor. xi, 25.
dit brood zult eten en dien kelk drinken, snit gij den dood des
Heeren verkondigen, tot dat Hij komt,
als Rechter van levenden
en van dooden. Die herinnering dringt zich dan ook on\\veer-
staanbaar aan onzen geest op. Het was immers op den voor-
avond van zijn lijden en sterven, dat Jesus ons die goddelijke
spijze gaf en dat aanbiddelijk Offer instelde. Het kan niet an-
ders dan dat wij, het zij wij de H. Communie ontvangen, hetzij
wij de H. Mis bijwonen, in onze gedachten dankbaar ver-
wijlen bij Hem, die ons al die hemelsche gaven schonk, vóór-
dat Hij leed en stierf. Daarenboven legde de goddelijke Za-
ligmaker in het Offer der Nieuwe Wet en in zijn H. Sacrament
van Liefde al den rijkdom van die genaden en van die ver-
diensten, welke Hij voor de Kerk verwierf door gehoorzaam
te worden tot aan den dood des Kruises. Alles doet ons
alzoo denken aan den dood des Heeren: zijne tegenwoordig-
heid, zijne opoffering, de genaden welke Hij mededeelt.
— Wij begrijpen, dat heilige zielen van aandoening weenen, als
zij voor het Allerheiligste liggen neergeknield. Dan aanbidden
zij een wonderbaar Sacrament, eene onwaardeerbaie gave, de
oneindige Liefde; een brood der Engelen, dat den zwakken
mensch geschonken is, opdat hij op den gevaarvollen weg
naar den Hemel niet bezwijke. Het was eene groote en door
ons niet verdiende weldaad van God, dat Hij ons uit het niet
trok, ons het leven gaf en onze ziel met de schoonheid zijner
gelijkenis versierde. Nog grooter was zijne weldaad, toen Hij
zijnen Eenig geboren Zoon in de gedaante van een dienstknecht
op de wereld zond, om den gevallen mensch uit zijne diepe
-ocr page 170-
160
HE.T LIJ HEN F.N STHRVEN VAX
ellende op te heffen en voor hem leed en stierf. Kan
iemand nog grootere liefde betoonen dan zijn leven te
geven voor zijne vijanden? Jesus vond, en Hij alleen kon dit,
in de onpeilbare diepten van zijne goddelijke Almacht en Wijs-
heid en Goedheid nog een ander middel om ons tot Zich te
trekken. Hij stierf om ons het verloren leven der genade te-
rug te geven; Hij offert Zich dagelijks nog om op ons de onein-
dige verdiensten van zijn kruisdood toe te passen; Hij zelf
wordt onze spijze om ons het eeuwig leven te kunnen schen-
ken. God is wonderbaar in al zijne werken, moeten wij met
den Psalmist uitroepen. Even als in bet leven der Kerlc de
droefheid van den Goeden Vrijdag opgevolgd wordt door de
vreugde van het Paaschfeest; gelijk in het leven van eiken
mensch de smart van het berouw en de hoop op vergiffenis,
het gevaar van eiken dag en de verwachting op verlossing el-
kander afwisselen; zoo ook is Jesus in het H. Sacrament arm
en nederig als in de kribbe, en toch troont Hij ook daar in
den glans zijner goddelijke Majesteit; Hij is daar tegenwoordig,
die aan het Kruis stierf, maar ook de wereld overwon en allen
tot Zich trekt, voor Wien ook elke knie zich buigt. Daar is
de Calvarie-berg, waar wij treuren onder het Kruis, maar ook
de Tharbor, waar wij onze tenten zouden willen opslaan; daar
doet alles ons denken aan Jesus\' dood en wij vinden er het
leven voor onze ziel. In Jesus, verborgen onder geheimzinnige
gedaanten, leeren wij de beteekenis van ons leven, scheppen
wij moed en kracht om ons met Hem en voor Hem op te
offeren. Hij leert ons het offer hoogschatten als den wortel
en de bron van al wat waarlijk groot en edelmoedig in des
menschen leven is, en het wordt voor ons een lust en geluk
ons aan Hem te verbinden, die alles voor ons wilde zijn. Het
-ocr page 171-
161
0M7KN USER JKSUS CHRISTUS.
altaar is, in éen woord: het Heiligdom der Kerk, de bron
van het ware leven; daar worden de Martelaren gesterkt, de
Belijders onderwezen, de Maagden gevormd, de Heiligen ge-
maakt. Daar begint voor een ieder het leven, dat voortduren
moet in eeuwigheid.
-ocr page 172-
Hoofdstuk XI.
Laatste aanwijzing van den verrader.
Jesus neemt afscheid van zijne
Apostelen.
Het is pijnlijk voor ons gevoel, dat wij van zulke aandoen,
lijke tafereelen, als wij in de voetwassching en in de instelling
van het Allerheiligste Sacrament overwogen hebben, worden
afgetrokken om onze aandacht alweder te moeten vestigen op
den in zijne boosheid verharden Judas. Doch onnoemelijk
pijnlijker moet het voor Jesus\' minnend Hart geweest zijn, toen
Hij zag, dat het versteende gemoed van dien booswicht door
niets te verteederen was. Jesus had hem reeds op verschillende
wijzen doen blijken, dat zijn verraad, ofschoon in het geheim
gesmeed en zorgvuldig voor de andere Apostelen verborgen ge-
houden, aan zijne Alwetendheid bekend was; Hij had gewaar-
schuwd, bedreigd met de vreeselijkste aller straffen, hem allen tijd
en elke gelegenheid aangeboden tot berouw en tot terugkeer;
zoo even nog had Jesus zelf voor hem geknield en hem met
even veel Liefde als den beminden leerling en zeker met het
teederste medelijden de voeten gewasschen, maar niets vermurwde
dat verstokte hart. Op velerlei manieren had Jesus getoond,
dat Hij den dood van dien zondaar niet wilde maar wel, dat
-ocr page 173-
nr.i i.miEN r.i stervkx tan onzen mff.ii jf.svs chkistu*.        IBS
hij zich bekeeren en zóó leven zou. En om de kroon te zet-
ten op al zijne barmhartigheden had de Zaligmaker hem zelfs
niet uitgesloten van de deelname aan zijn goddelijk Lichaam
en Bloed; want liever wilde Hij van zijn verrader de afschu-
welijkste verguizing ondergaan dan, door hem van den liefde-
maaltijd uit te sluiten en vóór de instelling van het Allerhei-
ligste Sacrament weg te zenden, hem nog meer verbitteren en
den weg ter bekeering moeielijker maken.
Hoe weinig — of liever, dat al die vermaningen en openba
ringen, dat al die verschrikkelijke bedreigingen en onuitspre-
kelijke groote liefdebewijzen des Heeren niet den minsten in-
druk maakten op Judas, daarvan gaf hij de stuitendste blijken
Toen Jesus het h. Sacrament ingesteld had, werd Hij ontroerd Joan.xUI,ai.
in den geest; het ijzingwekkende van Judas\' misdaad, zijne
ongeloofelijke verharding ontroerde het gemoed van Jesus meer
dan het lijden, dat Hij voorzag, en Hij sprak: voorwaar, voor-
waar, Ik zeg u: één uwer zal Mij verraden.
De andere
Apostelen zaten bij het hooren van die herhaalde voorzegging
verslagen en door droefheid overmand; maar de verrader alleen
blijft koud en huichelt nog onverschilligheid. Dewijl de Apos-
telen reeds uit eene vorige aanduiding van Jesus wisten, dat
de verrader niet ver af zat, gaf Petrus, die waarschijnlijk aan
Jesus\' linkerzijde geplaatst was, aan Joannes, die op de borst
des Heeren rustte, een wenk om nog op eene nadere aandui-
ding des verraders aan te dringen. De beminde leerling, den
wensch van zijnen mede-Apostel begrijpende, vroeg fluisterend,
zóó dat de anderen het niet konden hooren: Heer! wie is het? Joaw.XUI.i6
Hierop wilde de Zaligmaker het antwoord niet schuldig blijven
en zeide nauw hoorbaar aan den leerling, wien Hij lief had:
hij is het, wien Ik het brood (dat Ik in mijne hand houd) als
-ocr page 174-
164
HET LIJDEN RN STERVEN VAN
Ik het ingedoopt heb, zal toereiken. En toen Hij het brood had
ingedoopt, gaf Hij het Judas Iscarioth, Simons zoon.
Alleen
aan Joannes en Petrus was nu de verrader aangeduid, maar
niet met name genoemd, want Jesus wilde aan Judas nog altijd
gelegenheid tot berouw laten: zóó eindeloos groot is Gods
Barmhartigheid. De gevallen Judas had zeker uit het fluiste-
rend spreken van Jesus met Joannes opgemaakt, dat hij als de
verrader was hekend gemaakt. Toen daarop hem ook nog
de bete broods werd toegereikt, werd hij hevig vertoornd en
met een nijdigen blik op zijn God en Zaligmaker vroeg hij
Hem met moeielijk verkropten toorn: ben ik het, Rabbi? ja
luidde nu het antwoord—gij hebt het gezegd, gij zijt het; maar nog
zacht gesproken werd dat antwoord gegeven, zóó dat de andere
A postelen het niet hoorden — gegeven met de trilling van
diepe aandoening in de stem, met tranen van medelijden in de
oogen. O, die ongelukkige Judas! dat hij zijn hart sloot voor
de teederste en dringendste aanmaning van eene genadevolle
Liefde, welke hem tot bekeering noodigde; datjhij niet luisteren
wilde naar de vreeselijke bedreiging van Hem, die eens zijn
onverbiddelijke Rechter zijn zou.
— Even als de Liefde, zoo ook heeft de boosheid hare geheimen.
Wij aanbidden de ondoorgrondelijke Liefde van den Zaligma-
ker, die Zich uitput om ook den diepst gevallen zondaar uit
zijne ellende op te beuren; wij verafschuwen ook de helsche
boosheid van den rampzaligen Judas, die tegen de inwerking
van Gods genade zich blijft verzetten. Op hem, maar ook op
eiken zondaar, die aan Gods Goedheid weerstand biedt, is deze
SprcukIV, 19 uitspraak der H. Schriftuur toepasselijk: de weg der goddeloo-
zen is duisternis ; zij weten niet, waar zij vallen.
Al wie de
genade Gods miskent, van God, die zelfs den zondaar met wel-
-ocr page 175-
165
ONZEN HEER JKSUS CHRISTUS.
daden bevoorrechtte, zoo lang met diens overtredingen geduld
had, zoo lang de straffende hand zijner Gerechtigheid inhield, zulk
een kan zich niet vleien, dat de straf nimmer over hem komen
zal. Elke versmade vermaning, elke misbruikte weldaad, elke
afgewezene genade, elke niet gebruikte gelegenheid tot berouw,
zullen eens in den dag des oordeels tegen den onboetvaardigen
zondaar getuigen. Door zijn verhard gemoed verzamelt hij op
zijn hoofd schatten van gramschap in den dag der openbaring
van Gods Rechtvaardigheid. Over hem, die hier in zijn leven,
weerspannig blijft aan de tot bekeering vermanende stem
van Gods Lankmoedigheid, ongehoorzaam is aan de waarheid
en der ongerechtigheid blijft dienen, zal angst komen en ver-
drukking in alle eeuwigheid. Judas wist het, alle zondaren
weten het en toch — wie begrijpt dit geheim van boosheid? —
zij blijven hardnekkig volharden in hun misdadig gedrag. Heli
een hoogepriester, Saul een koning door God gekozen, Judas,
door Jesus onder zijne Apostelen opgenomen, weigerden
Gods genaden en werden door God verworpen, omdat zij op
den dag der bezoeking Gods stem niet wilden hooren en hun
gemoed verhardden. Aldus wreekt God altijd het verachten
van zijne Goedheid.
Nog was het tijd geweest voor berouw en bekeering, maar
Judas sloot meer en meer zijn hart voor de vermanende stem
der Liefde. Zelfs het overreiken van die bete broods — voor
Joannes een teeken om den verrader te leeren kennen — was
voor Judas nog eene bijzondere onderscheiding, want de gast-
heer in het Oosten pleegde aan dischgenooten, welke hij door
een bijzonder bewijs van achtingen vriendschap vereeren wilde,
-ocr page 176-
166                                           HET LIJOEN EX STERVEN VAX
het in eene toespijs ingedoopte brood aan te bieden; voor
Jesus was het dus nog een middel om op het gemoed van den
gevallen Apostel indruk te maken en, bleef deze niet onver-
/ettelijk, van zijne boosheid te bekeeren. Doch die verharde
booswicht werd door eigen schuld, bij al de middelen, welke
eene oneindige Liefde tot zijne verbetering uitdacht en aan-
Xlil,27. wendde, verharder. Na die bete uit de handen des Zaligmakers
aangenomen te hebben, voer de Satan in hem. „Welk een ramp-
zalige" — roept de h. Cyrillus uit — ,,die in zijn hart eerst
.Jesus had opgenomen, waarin hij nu aan Satan eene plaats
„inruimt. Jesus, om Hem te doen sterven, Satan, om hem te
„doen heersenen; Jesus, YVien hij aan het Kruis zal slaan, Satan
„aan wien hij eene onbeperkte heerschappij toestaat; Satan,
„welken hij boven Jesus stelt, en Jesus, Wien hij als slachtoffer
„ter kruisiging aan Satan geeft." Reeds vroeger had de duivel
den rampzalige door geldzucht verleid om zijnen Meester te
verraden en diens overlevering voor eenige zilverlingen te be-
loven; nu echter nam de duivel geheel en al van hem bezit
of liever: Judas gaf zich geheel aan zijne macht over en neemt
het besluit om nog dienzelfden nacht zijn Meester aan de
joodsche Oversten uit te leveren Als een bezetene vliegt hij
van zijne zitplaats op om naar buiten te ijlen; in dat gezel-
schap kan hij het niet langer uithouden. Jesus kende zijn
verraad; hij moest denken, dat althans eenigen van de Aposte-
len hem voor den verrader aanzagen; hun verwijtenden blik
kon hij niet verdragen, en de duivel stuwt hem voort op den weg
des verderfs. Nog roept de Zaligmaker hem na, met zijne ge-
XIII,28. wone kalmte en treffenden toon: wat gij doen gaat, doe dat
spoedig.
Niet als een bevel luiden die woorden; zij dienen
veeleer nog als eene vermaning voor Judas om van zijne booze
-ocr page 177-
167
ONZE.N HEER JESUS CHRISTUS.
plannen af te zien. Het is als of de Zaligmaker zeggen wilde:
„Ik ben bereid om den kelk te drinken, dien mijn Vader Mij
„te drinken heeft gegeven; gaarne wil Ik sterven voor de ver-
.,lossing van alle menschen en zal door mijne Almacht, gelijk
„Ik kon, uwe goddelooze plannen niet verijdelen; mijn uur om
„te lijden en te sterven is gekomen en vrijwillig, enkel omdat
„Ik wil, ga Ik den dood te gemoet. Gij van uwen kant wilt uwe
„booze inzichten niet laten varen; al mijne vermaningen, al mijne
„bedreigingen zijn vruchteloos geweest; volhardt gij in uw verra-
„derlijk opzet, ga dan en verlaat deze plaats en ontreinig ze
..niet langer door uwe tegenwoordigheid; mijne onderrichtingen
„en vertroostingen, welke Ik nog aan mijne getrouwen zal voor-
„houden, zijn voor u niet."
Niemand der aanliggendcn wist, waar toe fesns hem dit zcide. ]o\\s.\\\\\\l,ij.
Want sommigen meenden, omdat fudas den buidel had, dat Jesus
hem gezegd had: koop wat wij voor het feest noodig hebben,
voor het feest, dat wel reeds met den ondergang der zon op
dien dag begonnen was, maar ook den volgenden dag nog
ra oest voortgezet worden.En zij konden in die meening verkee-
ren, omdat het koopen en verkoopen op feestdagen niet volstrekt
verboden was; want, al waren de joodsche feestdagen ook rust-
d:igen, de rust op den wekelijkschen sabbath-dag voorgeschre-
ven sloot veel meerdere handelingen uit dan die, welke op
hoogtijden moest onderhouden worden. Anderen, misschien
ook dezelfden, dachten, dat Judas door dat woord des Heeren
het bevel ontving om aan de armen eenige aalmoezen te gaan
uitdeden, omdat de groote voorliefde des Zaligmakers voor de
behoeftigen hun sinds langen tijd bekend was. En Joannes en
Petrus, ofschoon de verrader hun nu bekend was, konden zij
gissen, dat hij nog in dien zelfden nacht van het hooge Paasch-
-ocr page 178-
LM
HET LIJDEN EN STERVEN TAN
feest, na dien plechtigen Paasch-maaltijd gevierd en na de uit-
stekendste bewijzen van Jesus\' Liefde ontvangen te hebben, het
allersnoodst verraad zou plegen, wat ooit in \'smenschen be-
dorven ziel is opgekomen? Hun eerlijk gemoed en meer nog
hunne reine ziel verzetten zich tegen zulk eene gedachte, welke
hun reeds een gruwel toescheen.
Eén alleen verstond die woorden van den goddelijken Mees-
ter; het was de rampzalige Judas zelf. En nog is het tijd voor
hem te kiezen: hij kan zich met berouw over zijne booze
plannen aan Jesus\' voeten nederwerpen, in de volle zekerheid
vergiffenis te zullen verwerven, of volharden in zijne zonden
en zijn verraad volvoeren. Helaas! die ongelukkige! hij kiest
Ioak-XUI.30, het laatste; als hij de bete genomen had, ging hij na een nij-
digen blik op Jesus en de Apostelen geslagen te hebben,
voortgestuwd door Satan, terstond uit de feestzaal om zijn
schelmstuk te plegen. En het was nacht, dat is: volgens
onze tijdrekening tusschen negen en tien uren in den avond.
Doch, o God! welk eene nacht, welk eene stik donkere duis-
ternis in de schuldige ziel van Judas ! Daarin schitterde niet
meer het licht der waarheid noch het schoone der deugd;
daarin heerschte nu de vorst der hel met vele andere duivelen;
daarin spookte de afzichtelijkste zonde, het schandelijkste ver-
raad, de laagste snoodheid; daar knaagde de wroeging van
een allerschuldigst geweten; en dat alles is het verschrikkelijk
beeld van den eeuwigen nacht, waarin hij zich na weinige
uren later werpen, en waarop geen dag meer volgen zal, want
gehuil en geknars der tanden en uiterste duisternis zullen daar
zijn zonder einde.
— De alles vermogende genade van den besten der Vaders
moest dan onderdoen voor de verharding van den afschuwe-
-ocr page 179-
169
ONZEN HEEK JE8U8 CHRISTUS.
lijksten der zondaars. Hoe menig maal geschiedt dit nog niet
heden ten dage. Harden strijd moet het aan Judas gekost
hebben, dat hij zich tegen de inwerking der genade verzette.
Waarlijk, het plegen van zulk eene afschuwelijke misdaad eischt
strijd, een langen en heeten strijd tegen al die hulpmiddelen,
welke de Barmhartigheid Gods in \'t werk stelt om eene ziel
van den ondergang te redden. Hadde menigeen zooveel ge-
leden en gestreden om Satan van zich af te weren, als hij leed
en streed om zich aan hem gevangen te geven, hij ware een
groot heilige geworden. Voor Judas was, even als voor zoo
vele anderen, de onwaardige nuttiging van de H. Communie
de beslissende stap tot zijn verderf Niet zonder reden schreef
de H. Paulus: Wie onwaardiglijk eet en drinkt, hij eet en ICor. XI, 29.
drinkt zich een oordeel. Deze gruweldaad verbreekt zoo licht
den laatsten band, waarmede de mensch nog met God verbon-
den is, en welke hem nog voor het nederstorten behoedt in
een afgrond van bedorvenheid en volslagen boosheid; maar
juist daarom tracht ook de duivel den zondaar tot heiligschen-
nis te verleiden en juicht met helsche lust, als hij die misdaad
ziet bedrijven. Hij kan dan bezit nemen van eene ziel en ze
als zijne slavin beheerschen. —
Toen Judas 7uas uitgegaan om zijn goddelijken Meester aan J0AN.XIH.31
den hoogen raad over te leveren, voelde Jesus zijn gemoed
als verlicht. Het bijzijn van den verharden zondaar, het aan-
schouwen van den verrader, op wiens verstokt hart als op een
steenen muur al de vurige pijlen der barmhartige Liefde vruch-
teloos waren afgestuit, had Hem met bittere droefheid vervuld.
Nu Judas was heengegaan, rustte Jenis\' oog met welgevallen
-ocr page 180-
170                                            HY.t MJDF.N EX STERVt.N VAN
op de elf, die Hem getrouw waren, en denkende aan zijn na-
derend einde, ziende ook de toekomst als reeds tegenwoordig,
voorspelde Hij aan zijne beminden, welke glorie en heerlijk-
lieid zijn vernederend lijden en smadelijk sterven èn aan Hem
zelven, den menschgeworden Zoon van God, èn aan zijnen
[oak.XM,3i. hemelschen Vader zouden schenken. Nu is— aldus sprak
Jesus — de Zoon des mcnschen verheerlijkt; „nu Judas en mijne
„vijanden samenspannen om Mij, hunnen Messias, gevangen te
„nemen; nu mijn lijden nabij is en door den kruisdood zal
„gevolgd worden, nu ben Ik in waarheid verheerlijkt." Diq>-
zinnig woord, hetwelk ons het geheim van Jesus\'kruisoffer open-
baart! Jesus was reeds in alles verheerlijkt: in de voorspellingen
en vóórafbeeldingen omtrent zijne Messianische waardigheid; in
zijne nederige geboorte en in zijne gedwongene vlucht naar
Egypte zoowel als in zijne goddelijke openbaringen, toen Hij
>prak zoo als nooit iemand gesproken had; ook in zijne won-
deren, grooter dan ooit één der Profeten gedaan had — maar
/.\'jne hoogste glorie bereikte Hij eerst in zijn lijden en in zijn
iterven, als Hij, gehoorzaam geworden tot aan den dood des
Kruises en in schijn zelf overwonnen, zegevieren zal over zonde
en dood en hel, Satans macht vernietigen, den Hemel herope-
nen en de aarde van den vloek bevrijden. Doch wordt aldus
Jesus verheerlijkt door zijn lijden en sterven, dan ook — aldus
verklaart Hij zelf — is God in Hem, in den zegepralenden
Verlosser, verheerlijkt, omdat in geen ander werk der godde-
lijke Almacht zoo schitterend, als in de verlossing des gevallen
mensehdoms, de oneindige volmaaktheden Gods geopenbaard
worden, vooral zijne Rechtvaardigheid in het straffen der zon-
den, welke zulk een zoenoffer eischen, en zijne oneindige Liefde,
welke den eeniggeboren Zoon niet spaarde maar Hem ten
-ocr page 181-
171
ONZEN HEER JESt\'S C11RISTLS.
kruisdood overleverde, opdat deze in zijn Bloed alle zielen
reinigen zou van de besmetting der zonden. En — zoo be-
sluit onze dierbare Jesus — indien God verheerlijkt is in Hem,
dan zal God Hem verheerlijken in Zich zclven; en terstond zat
Hij Hem verheerlijken.
Waarlijk, onze Zaligmaker heeft zijnen
Vader in alles verheerlijkt. Immers, alles wat Hij deed en leed.
was ter glorie, ter verheerlijking van zijn hemelschen Va-
der; zijn Naam maakte Hij bekend aan de wereld, zijn wil
volbracht Hij, zijn werk deed Hij ten einde toe. De beloo-
ning voor die gehoorzaamheid mocht en kon niet uitblijven;
zij moest terstond volgen ter verheerlijking van den mensch-
geworden Zoon. En hoe heerlijk was die belooning! De won-
deren, welke den dood des Zaligmakers vergezelden, zullen ge-
tuigen luider dan woorden het kunnen uitdrukken, dat God de
Vader zijnen Zoon, ofschoon die stierf aan het schandhout des
Kruises, zoo spoedig mogelijk verheerlijkt heeft; boven alles
echter getuigde het de glorievolle Verrijzenis uit het graf, de
wonderbare Hemelvaart en het daarop volgend onvergankelijk,
eeuwig leven in het Rijk des Vaders. Ziet, dat alles was het
toppunt van heerlijkheid voor den Zoon des menschen, die,
eens gestorven, niet meer sterft maar eeuwig leeft gezeten aan
de rechterhand des Vaders.
— Hoe blijde van gemoed zullen wij zijn, ook als moeielijk-
heden des levens ons wachten, wanneer wij, even als Jesus on-
zen blik in de toekomst slaande, na onzen strijd, van Hem, die
alle goed beloont, de verheerlijking mogen hopen? En toch
niet veel is daartoe van ons gevraagd; slechts deze voorwaarde
worde vervuld: indien wij Jesus verwant zijn geworden door r0m. VI, 5
gelijkheid aan zijnen dood, dan zullen wij het tevens ook wezen door
gelijkheid aan zijne opstanding;
als\'wij mctjesusleven tot aan den
-ocr page 182-
172
IIH LIJDEN EX STERVEN VAN
dood in gehoorzaamheid aan den Vader, dan ook zullen wij
met Hem verheerlijkt worden en eeuwig leven.
De gedachte aan zijn nabij zijnden dood stemde onzen god-
delijken Zaligmaker tot droefheid. Niet, omdat Hij zelf het slacht-
offer zijn zou: immers, zoo even nog had Hij Zich daarover
verheugd om de heerlijkheid, welke zoowel den Vader als Hem
zelven door zijn lijden en sterven zou geworden. Maar zijne
Apostelen waren op die scheiding nog weinig voorbereid; zij
vermoedden niet, dat reeds na één paar uren de Herder ge-
vangen genomen zou zijn en de schapen verstrooid, dat zij
zwak waren en ontrouw zouden worden. Hij wilde hun dan
nog eens en in duidelijker woorden dan voorheen zijn aan-
staanden dood verkondigen en aan die voorspelling zijne laat-
ste vermaningen vastknoopen. Op een toon van weemoedige
Liefde sprak Hij hen toe en gebruikte eene benaming, welke
Joan.XIü,33. Hij misschien tot nu toe nog niet gebezigd had: Kinderkens \'
— zeide Hij hun — nog een luttel tijds ben Ik bij u, mijn
uur om te gaan sterven is bijna geslagen: Gij zult Mij zoeken
en Mij wederom in uw midden terugwenschen; maar te ver-
geefs, want Ik \'moet sterven; en gelijk Ik vroeger tot de Joden
zeide: waar Ik heenga, kunt gij niet komen
— zóó zeg Ik
het thans ook tot u.
In geheel anderen zin dan nu had de god-
delijke Zaligmaker dezelfde woorden vroeger gebezigd: toen be-
teekenden zij, dat er voor de Joden eens een tijd, de ramp-
volle tijd van het goddelijk strafgerecht over Jerusalem, zou
komen, waarop zij Hem zouden zoeken om bij Hem hulp en
redding uit den nood te vinden, maar dat Hij alsdan voor
hen niet meer op aarde zou te vinden zijn en dat zij bij Hem
-ocr page 183-
178
ONZEN IÏFFR JFSVS CHRIOTI.\'K.
in den Hemel, waar Hij dan was, niet konden komen om Hem
van daar weder op aarde te brengen ter hunner bevrijding.
Nu daarentegen gaven die woorden aan de Apostelen te ver-
staan, dat Hij den dood te gemoet ging, maar dat voor hen
de tijd nu nog niet gekomen was om hunnen goddelijken
Meester in zijn lijden en sterven te volgen.
Tegelijk met de voorspelling van zijn nabijzijnd sterven wilde
Jesus een nieuw bewijs van zijne Liefde aan de elf getrouwen
geven. Meer bezorgd over hunne droefheid dan over zijn
eigen lijden, wil Hij balsem gieten in hunne wonden en hen
in hunne smartvolle verslagenheid niet zonder troostmiddelen
achterlaten. Wanneer een teederbeminde vader van een waarlijk
christelijk huisgezin zijn einde voelt naderen, roept hij zijne
kinderen rondom zijn sterfbed om van hen een hartelijk afscheid
te nemen. Dat is altijd een hartverscheurend tafereel. \\Vee-
nende en jammerende zien wij de kinderen hun stervenden
vader omringen; zij vragen om zijn laatsten zegen en bidden
hem om nog één woord van troost en vermaning uit zijn
mond te mogen vernemen. Dat ook is de wensch van den
stervende; geene andere reden bewoog hem om zijne geliefden
voor het laatste rondom zich te verzamelen. Met stamelende
tong, nauw hoorbaar fluistert hij zijne laatste woorden; maar
elk woord komt hem uit het hart en gaat tot in het diepste
van de ziel der zijnen. Het is een kostbaar erfdeel, dat hij
hun als een onderpand zijner liefde medegeett op hunnen
verderen levensweg, opdat zij in het getrouw bewaren daarvan
een troost en eene kracht, ook een middel om de onderlinge
eensgezindheid te bewaren zouden bezitten. De goede Jesus
wilde, vóórdat Hij sterven ging, niet minder doen. Al zijne
laatste vermaningen, welke Hij tot zijne Apostelen en derhalve
-ocr page 184-
174                                             IIKT UJUKN KN STKRVKN VAN
ook tot ons richtte, kunnen in deze twee woorden samengevat
worden: „bemint uwen Zaligmaker, bemint uwen naaste."
Velen meenen, dat zij Jesus beminnen; maar hoe dik-
wijls laten zij het bij woorden alleen\' Hoort men hen over de
liefde spreken, ja dan zou men zeggen, dat zij van liefde blaak-
ten; maar beminnen zij ook in waarheid en met der daad?
Niet in eene vrome stemming des gemoeds, noch in het ge-
voel van geestelijke vertroosting, zelfs niet in godvruchtige oe-
feningen alleen bestaat de echte liefde tot God. Die zielstoe-
standen en die uitwendige handelingen kunnen een middel of
eene voorbereiding zijn om die deugd van God te verkrijgen,
maar de deugd zelve zijn ze niet. De ware liefde bestaat in
de volkomene overeenstemming van onzen wil met den wil
van God en diensvolgens in de stipte vervulling zijner heilige
geboden. In de allerduidelijkste bewoordingen heeft de god-
delijke Zaligmaker die waarheid aan zijne Kerk op het hart
willen drukken in de afscheidsrede, welke Hij tot de Apostelen
hield. Indien gij Mij lief hebt — zeide Hij —bewaart mijne
Joan. XIV, geboden..,, die mijne geboden heeft aangenomen en ze bewaart,
5,2
            die is /iet, die Mij lief heeft; maar ook terstond liet Jesus op
die woorden deze andere volgen: die Mij niet lief heeft, be-
waart mijne woorden niet.
Aldus wordt ons allen de echte
toetsteen aangeboden, waarop het goud der liefde aan eene
nauwgezette keuring wordt onderworpen, om als echt door
God hooggewaardeerd of als valsch met verachting verworpen
te worden. Zijn onze werken, hoe gering zij in \'t oog eener
waanwijze wereld ook mogen schijnen, in den dienst en vol-
gens den heiligen wil van God volbracht, ja dan staan zij glans-
rijk de proeve door en worden door God aangenomen en be-
loond als geldige bewijzen van de echte deugd der liefde;
-ocr page 185-
175
OX7.EX IIEKI1 JFSIS CHRISTUS.
veronderstellen wij daarentegen, dat onze werken niet in overeen-
stemming met den wil Gods bevonden worden, dan zijn zij geene
werken der liefde en moeten door God als valsch klatergoud
afgekeurd worden, al zou de wereld ze ook met uitbundigen
lof prijzen. De wil van God, uitgedrukt in zijne geboden en
in die zijner Kerk, is onze eenige maar onfeilbare regel, waar-
mede wij onze woorden en daden, zelfs onze geheimste bedoe-
lingen moeten vergelijken om te kunnen opmaken, of zij het
kenmerk der ware liefde dragen of niet. Elke overeenkomst
daarmede maakt ze behagelijk in Gods oogen; elke afwijking
daarvan doet ze alle waarde voor den Hemel verliezen. Daarom
ook zullen eigenliefde, baatzucht, verlangen naar de achting
der menschen, of andere dergelijke ondeugden een smet werpen
zelfs op onze beste handelingen en kunnen ze van alle waarde
in Gods oogen berooven. Het gehoorzamen aan Gods wet is
niet de drijfveer daartoe; de belooning op ware oefeningen
van liefde gezet, zal daaraan dan ook onthouden blijven.
Nader nog verklaart ons dit de H. Joannes in den eersten
zijner zendbrieven: hieraan weten wij, dat wij God kennen I. Joan. II,3.
met verstand en hart, indien wij zijne geboden onderhouden.
Wie zegt, dat hij Hem kent en zijne geboden niet onderhoudt,
die is een leugenaar, en in dezen is de waarheid niet; maar
die zijn woord onderhoudt, in dezen is in waarheid de liefde
Gods volkomen geworden, en hieraan weten wij, dat wij in
Hem,
door ware liefde aan Hem verbonden zijn. —
Niet alleen de liefde tot God en de daarmede gepaard gaande
vervulling van Gods geboden moesten het onderscheidend ken-
merk van Jesus\' leerlingen wezen, ook oprechte liefde tot
den naaste moest hen bezielen. Dit was de tweede verma-
-ocr page 186-
176
HET LIJDEN EN STERVEN VAN
Joan.xiii,34. ning door Jesus den Apostelen en ons als erfdeel nagelaten. Een
nieuw gebod geef Ik u
— aldus sprak Hij — dat gij elkander
lief hebt; dat, gelijk Tk u heb lief gehad, ook gij elkander lief
hebt.
Reeds in het eerste gebod van God te beminnen was
ook dit opgesloten en het eene kan niet zonder het andere
worden volbracht: maar nu vooral was de hoogste klaarheid
gevorderd; geen schijn van onduidelijkheid noch van onvolle-
digheid mocht in Jesus\' woorden kunnen gevonden worden;
zijn laatste wil moest voor geene verkeerde opvatting vatbaar
zijn. Al zou Hij later door zijn Apostel doen verkondigen:
rom. XIII, 8. Wie zijn naaste lief heeft, heeft de wel vervuld; de gansche
rvet wordt in één gebod vervuld: gij zult uwen naaste
liefhebben als
« zelven; nu vooral wilde Jesus elk der twee
liefde-geboden afzonderlijk aandringen en aan geen van beide
eenige afbreuk doen door het eene in het andere te besluiten.
Wat echter voor alles onze aandacht verdient, is dit ééne woord:
oak. X1U, 34. Ik geef u een nieuw gebod. Waarlijk, het gebod der naastenliefde
was zoo oud als de wereld: God had het reeds In de harten
der eerste menschen diep ingedrukt; het is een eisch der men-
schelijke natuur en de vervulling daarvan wordt evenzeer aan-
gedrongen door de stem des harten als door den wil Gods;
Mozes moest het in juist omschrevene termen afkondigen en
de Wetgever des Nieuwen Verbonds bekrachtigde het herhaalde
malen. Hoe dan •— vragen wij met belangstelling — kan onze
Zaligmaker dat gebod in zijne afscheids-rede nieuw noemen?
Niet de inhoud van het gebod is nieuw, maar wel de
wijze waarop het vervuld moet worden; den naaste te bemin-
nen is altijd de plicht van allen geweest, maar hem te bemin-
nen, gelijk fesus ons heeft lief gehad, daarvan konden de
vorige geslachten geen denkbeeld hebben; eerst moest dat voor-
-ocr page 187-
OV/.KN lil KK JKSIS l\'IIRISTIS                                                       177
beeld van de volmaaktste Liefde ons ten plicht gesteld
worden. En hoe omvangrijk is, door het bijvoegen van die
nieuwe bepaling, dat gebod niet geworden, hoe ver zijn de
grenzen daarvan niet uitgezet! Beminnen den naaste, gelijk Jc-
sus ons bemind heeft!
Maar Hij heeft ons bemind met eene
eeuwige Liefde, met eene Liefde, welke vrijgevig en offervaardig
was tot zulk een hoogen graad, dat Hij alles, ook Zich zel-
ven aan ons gaf, eerst tot spijze van onze zielen, toen ten zoen-
offer voor onze zonden. Is het voor ons zwakke menschen
wel mogelijk om zulk een allerovertrefFendst voorbeeld van
Liefde na te volgen? Laten wij •— om Jesus\' woorden goed te
verstaan — hier eene vergelijking maken tusschen het nu behan-
delde woord des Zaligmakers en tusschen een ander, hetwelk
Hij vroeger tot de scharen der Joden richtte. Toen zeide Hij:
wees/ gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader volmaakt is; nu ,\\[AT. v. i*.
beveelt Hij: bemint elkander, gelijk Ik u bemind heb. Welnu:
evenmin als de Zaligmaker door het eerste woord gebiedt, dat
wij even volmaakt moeten zijn als God volmaakt is; evenmin
beveelt Hij door het tweede woord, dat wij den naaste dezelfde
bewijzen van onze liefde moeten geven, als Hij zelf ons gaf
Die volmaaktheid Gods kan niemand bereiken; dat voorbeeld
van Jesus\' Liefde kan niemand in zijn geheel navolgen; maar
het voortdurend en het onvermoeid streven om altijd in de
vervulling van beide geboden voort te gaan, dat is plicht van
eiken Christen; onze volmaaktheid moet zooveel mogelijk op die
van God, onze naastenliefde moet zoo veel mogelijk op die van
Jesus gelijken. In dien zin is het gebod der naastenliefde waarlijk
geheel nieuw in Christus, omdat nog nooit aan den mensch zulk
een ongeëvenaard voorbeeld van Liefde ter navolging is voorge-
houden; omdat hem nooit grootere drangredenen voorgesteld
12
-ocr page 188-
178
HET LIJDEN EN STERTEN VAN
en evenmin ooit krachtigere genademiddelen aangeboden zijn
om die wet te vervullen. Het leven der eerste Christenen was
eene verklaring van Jesus\' nieuw gebod, van wie zelfs de Hei-
denen, in weerwil van hun haat tegen het Christendom, moesten
getuigen. „Ziet die Christenen, hoe zij elkander beminnen en
„voor elkander willen sterven;" en, Gode zij dank! ook in de
latere geschiedenis der Kerk van Christus hebben nooit de
schitterendste voorbeelden van eene zelfopofferende liefde ont-
broken, terwijl die buiten haar nergens in die mate gezien
worden.
Nadat Jesus die leerrijke vermaningen, waartoe alle andere
kunnen teruggebracht worden, aan zijne Apostelen had voor-
gehouden, wilde Hij hen ook troosten. Hij zag, hoe zijne
laatste voorspelling omtrent zijn nabij zijnden dood hen met
bittere droefheid had vervuld. Zijn liefdevol Hart brak van
medelijden en met de krachtigste beweegredenen sprak Hij
hun niet alleen moed in, om hen te versterken tegen de nabij
zijnde scheiding, maar wilde hen tevens wapenen tegen de veel-
zijdige moeielijkheden, welke zij in het hun opgelegde dienstwerk
weldra zouden ontmoeten. Elk der woorden van den bezorg-
den Zaligmaker vindt ook in ons zijne toepassing en kan, als
wij ze in ons hart met graagte opnemen en aandachtig over-
wegen, ook ons ten steun en ten troost verstrekken op eenen
soms moeielijken levensweg.
Voor den kortstondigen tijd huns levens kon Jesus aan zijne
Apostelen geen duurzaam geluk beloven. Voor hen, meer
nog dan voor zijne andere volgelingen, zou de wereld een
worstelperk zijn, eene plaats van strijd en van lijden, van
-ocr page 189-
179
ON/.ÏN HEER JMU8 CHRISTl\'8.
allerlei beproevingen en ten laatste van eenen in \'t oog dier wereld
smaadvollen dood. Bij herhaling had Jesus hun dat alles voor-
zegd. Daarom richt Hij nu hunne blikken naar den Hemel en
zeide hun: laat uw hart niet ontroerd worden. Gij gelooft Joak. XIV i
in God; gelooft ook in Mij. In het huis mijns Vaders zijn
vele woningen
en daar is plaats voor u allen; zoo niet, Ik zoude
het u gezegd hebben, want Ik ga u eene plaats bereiden. En
als Ik heengegaan ben en u eene plaats bereid heb, dan kom Ik
weder
ten jongsten dage, en zal « tot Mij nemen opdat, waar
Ik ben, ook gij zijl.
Na hen eerst tot ware liefde jegens God
en den naaste, dan tot een onwankelbaar geloof in den Vader
en in Hem aangemaand te hebben, bevestigt nu Jesus hen in
de blijde hoop op de eeuwige zaligheid. O, hoe verheugd
zullen de Apostelen geweest zijn, toen zij uit den mond van
de eeuwige waarheid zelve de blijde verzekering mochten ver-
nemen, dat zij voor den Hemel waren uitverkoren. Hun god-
delijke Meester zou van hen scheiden, maar die scheiding zou
slechts kortstondig wezen; Hij zou van hen heengaan, maar
weldra terug komen om eerst, na hun dood, hunne ziel alleen, en
later, n& het laatste oordeel, hunne ziel en hun lichaam te za-
men op te nemen, opdat zij voor eeuwig zijn zouden, waar
Hij was, in den schoonen Hemel. Kon de goede Jesus ster-
kere drangredenen aanvoeren om hun moed te ondersteunen,
om hen aan te wakkeren tot volharding ten einde toe, welke
moeielijkheden zij ook moesten overwinnen of welk lijden zij
ook te verduren zouden hebben?
— Ook voor ons zijn reeds de woningen in den Hemel be-
reid, en wij kunnen ze ons verzekeren door goede werken.
Door de beoefening van echte deugd zal ons de ingang ver-
leend worden in hel eeuwig Koninkrijk van onzen Heer en
-ocr page 190-
180
IIKT l.lJIirN KM STKRVKN* VAN
Zaligmaker, Jesus Christus. Dat wij daarom den goeden strijd
moedig strijden zonder de armen te laten zakken; de tijd der
beproeving is kort, die der belooning is eeuwig. „Daar in het
„Koninkrijk des Hemels — zegt de h. Augustinus — is geen
„dood meer, geen kommer, geene afmating, geene zwakte, geen
„honger en geen dorst, geene kwelling noch droefheid.
1- Cok, ii, 9. „Doch wilt gij weten, wat daar te vinden is? Geen oog heeft
„het gezien, geen oor heeft het gehoord, en nooit is het in\'\'s men-
„schen hart opgekomen, wat God bereid heeft voor hen, die
„Hem liefhebben.
Niet alleen het bezit van alle goederen,
„maar nog onnoemelijk meer: de bron en de oorsprong van
„alle goed, het bezit van God zelven, dat alles zal het erfdeel
„der Heiligen zijn." Is die prijs niet een oogenblikkelijk lijden
o verwaardig?
Een \' tweede vertroosting gaf Jesus aan de Apostelen in zijne
Joan. XIV, 16. belofte van den H. Geest te zullen zenden. Ik zal den Vader
bidden
— zeide Hij hun — en Hij zal 11 een anderen Helper
geven om in eeuwigheid bij u te blijven, den Geest der waar-
heid, dien de wereld niet kan ontvangen, omdat zij Hem niet
ziet en ook niet kent. Doch gij zult Hem kennen, omdat Hij
bij 11 zal verblijven en in u zijn.
En alles, waaraan de Apos-
telen behoefte hadden, zou de H. Geest voor hen wezen: Hij
zou hun verstand verlichten door hun alle waarheid te leeren;
Hij zou hun wil versterken door het rijkelijk mededeelen der
goddelijke genade; Hij zou in hun hart het vuur der vol-
maaktere liefde aanwakkeren; door hun mond zou Hij spreken,
zóódat geene menschelijke wijsheid daartegen bestand was; in
de kracht des Heiligen Geestes zouden zij teekenen en wonderen
doen, om alle verstand tot de gehoorzaamheid aan Jesus Christus
-ocr page 191-
IM
OS/.I.N HI-.K1C JK3US CHRISTUS.
te onderwerpen; geen vrees of angst zou hen voor den rechter-
stoel van de machtigen dezer wereld doen beven, want de
H. Geest zou hun de woorden in den mond leggen ten
antwoord op alle bedreigingen en hun moed tot onwankelbaar-
heid schragen; door de genade des H. Geestes zouden zij zich
zelfs verheugen, als zij voor Jesus\' Naam smaad en vervolging
mochten lijden. Hoe heerlijk, hoe schitterend openbaarde
zich die even veelzijdige als heilrijke werking van den derden
goddelijken Persoon der H. Drievuldigheid in de Kerk van
Christus! Vestigen wij, om ons daarvan te overtuigen, onze aan-
dacht slechts op de verandering, welke plaats greep in de Apos-
telen, toen zij op den plechtigen Pinksterdag bekleed werden
met de kracht uit den hooge. Eerst zwak en wankelmoedig
in hun geloof, weifelend in hun vertrouwen en aardschgezind,
lafhartig in hunne vrees, zijn zij, na den H. Geest ontvangen
te hebben, in geheel andere menschen herschapen. Moedig
en vastberaden verkondigen zij Jesus, den Gekruisigde, eerst
in Jerusalem, ten aanhoore van de gezworen vijanden des
Zaligmakers, die Hem weinige dagen te voren ter dood
veroordeelden; dan prediken zij Hem, die van den dood is
verrezen, in geheel Palestina en roepen allen op tot boetvaardig-
heid over hunne zonden en tot het geloof in Hem, in Wiens
Naam alleen de mensch kan zalig worden; zij dragen zijn Naam
voor vorsten en voor koningen, belijden Hem onder geeselslagen
en in de gevangenis; tot aan het uiteinde der wereld onder-
wijzen zij, allen leerende te onderhouden, wat Jesus hun be-
volen had. Niets kon hen van de liefde, welke de H. Geest
in hunne harten had uitgestort, scheiden: noch vervolging,
noch zwaard, noch lijden, noch sterven. Zij worden gevloekt
en zij zegenen; zij worden versmaad, en zij verblijden zich.
-ocr page 192-
l^L\'
HET LIJDEN\' EN STERTEN TAN\'
Het leven en het werken voor Jesus is hun eene vreugde en
in alle verdrukking vloeien zij over van geestelijke blijdschap,
de dood zelfs is hun een gewin. En dat alles werkt één en
dezelfde Geest, die hun zijne zeven gaven mededeelde.
Joel n, 28. — Ik zal mijnen Geest uitstorten over alle vleesch — heeft
God door zijnen Profeet doen voorspellen. Derhalve zal de
Vader dienzelfden Geest met al zijne genade-gaven zenden aan
allen, die Hem vragen. Kn is de H. Geest over ons gekomen,
dan verlicht Hij ons verstand, opdat wij erkennen mogen, wat
waar en goed en heilzaam is; dan heiligt Hij onze zielen, want
door zijne genade wordt de mensch, zoo even nog bevlekt
met de smetten der zonden, blinkend rein gemaakt als het
licht der zon; dan versterkt Hij onzen wil tegen elke bekoring
en tegen alle vervolging, opdat wij, bestraald door Gods genade,
den vijand onzer zaligheid kunnen verslaan. Reeds Salomon
Spr.xXVUI.i zeide: de vrome is onversaagd als een leeuw zonder schrik. —
Ten derde vertroostte en bemoedigde Jesus zijne beminde
leerlingen door hen te wijzen op de alvermogende kracht des
gebeds. Wat zij nog verder noodig hadden, al wat zij ter vol-
voering van den hun opgedragen en zoo gewichtigen last, ter
bewerking van hun eigen heil en van dat hunner evennaasten
konden verlangen, zouden zij door bidden kunnen ver-
krijgen. Dit beloofde hun Jesus, vóór zijn scheiden, met deze
\'oan.XIV, 15. duidelijke woorden: al wat gij mijnen Vader in mijnen Naam
zult vragen, dat zal Ik doen, opdat de Vader in den Zoon vcr-
heerlijkt worde.
De Zaligmaker behoefde niet verder over dit
onderwerp uit te wijden. Dit ééne woord riep den Apostelen al
die vermaningen, al die beloften in het geheugen terug, welke Hij
gedurende zijn drie-jarig leeraarsambt omtrent het gebed deed
-ocr page 193-
183
ONZIN HEER JEZUS CHRISTUS.
hooren. Of had Hij hun niet aanbevolen te volharden in het
gebed, te blijven kloppen en onvermoeid te zoeken, totdat
hun de schatkamer der goddelijke Goedheid geopend werd, tot-
dat zij den parel gevonden hadden, dien zij zochten. En nim-
mer zou God hun een scorpioen in plaats van een visch of
een steen in plaats van brood geven; nimmer hunne bede af-
wijzen, als of zij ooit ter ongelegener tijde kon geuit worden.
Neen: door Engelen-handen, in gouden schalen gedragen, zou-
den hunne gebeden, als een wierook van aangenamen geur, door
de wolken heendringen tot voor den troon van Gods genade,
om daar verhooring te vinden ten bekwamen tijde. Wij lezen
in de handelingen der Apostelen, hoe zij aan die aanmaningen
van den goddelijken Meester gevolg hebben gegeven, welk een
onbegrensd vertrouwen zij op de kracht des gebeds stelden. Tien
dagen achtereen bleven zij in een broederlijk gebed vereenigd,
om den H. Geest af te smeeken; later, toen het werk der pre-
diking en de zorg voor de armen te veel van hunne krachten
vorderden, legden zij de laatstgenoemde zorg op de schouders
van diakens, om uitsluitend zich met de verkondiging van
Gods woord te kunnen bezig houden en — met het gebed. Op
bijna elke bladzijde van de brieven der Apostelen bewonderen
wij hun ijver in het gebed èn voor zich zelven èn voor an-
deren, vinden wij uitdrukkingen, waarin zij hunne geestelijke
kinderen tot een volhardend gebed aansporen en te gelijk een
hartelijke smeekbede voor zich zelven vragen. Waren ook de
Apostelen geen mannen des gebeds geweest, zij hadden het
Rijk van Jesus niet uitgebreid, zij hadden niets voor zijnen
Naam kunnen doen, zelfs waren zij der lichtzinnige wereld en
vooral der helsche machten een voorwerp van bittere spotternij
geworden. Elke Christen toch, die niet gesteund en geholpen
-ocr page 194-
184
HIT L1JDL.N L.N STEkVLN VA.N
wordt door de kracht des gebeds, is gelijk aan een krijgsknecht
zonder wapenen, die niet alleen op zijn vijand geene \\erove-
ringen kan maken maar zich zelfs niet kan verweren tegen
diens aanvallen.
— Hoe vele en hoc groote genaden zouden wij ons van
Gods milddadige Goedheid verzekeren, als wij ijveriger in het ge-
bed waren? Waarom — zoo mogen wij vragen — worden vele
voornemens niet ten uitvoer gelegd, de geboden van God en
zijne Kerk zoo lichtzinnig overtreden? Waarom hebben de be-
koringen een zoo geweldigen invloed op ons hart ? Waarom
blijft zoo menige zondaar jaren lang als gebonden in de strikken
van schandelijke gelegenheden en slechte gewoonten? Waarom
/ij wij kleinmoedig in tegenspoed, lauw in het godsdienstig
leven, ontevreden met onzen stand en met Gods wijze besehik-
kingen? Waarom worden onze beroepsbezigheden en godsdienst"
plichten met blijkbaren tegenzin en daarom achteloos vervuld?
Geen meer afdoend antwoord kan op die beschamende vragen
gegeven worden dan dit eene: omdat de ware geest des ge-
beds aan al die zwakken van gemoed geen kracht noch be-
moediging geeft, geen prikkel ten vooruitgang is. Dit ant-
woord geeft ons tevens den sleutel ter verklaring van deze
kernachtige spreuk van den h. Alphonsus de Ligorio: „Wie
goed bidt, wordt zalig; wie niet bidt, gaat verloren." —
Nog één wensch en nog ééne bede lagen den goeden Jesus
op het Hart. Vrede laat Ik u — zeide Hij den Apostelen tot
Joan.XIV. 27. een laatsten afscheidsgroet — mijnen, vrede geef Ik 11; niet
zóó gelijk de wereld, geef Ik u,"
„den geestelijken vrede
„schenk Ik u, den inwendigen, den waren vrede des harten,
„welken de wereld evenmin geven als ontnemen kan,
-ocr page 195-
188
OXZKN flfcUI JISCS CHRISTUS.
„den vrede, die u kracht en sterkte zal verleenen, om met de
„volle gerustheid van een vast vertrouwen naar de zalige eeu-
„wigheid te streven en ook om vele anderen door uwe pre-
„diking, door gebed en door voorbeeld, in één woord: door
„uw geheel dienstweik aan hetzelfde geluk deelachtig te maken."
Zulk een vrede wesscht Jesus in zijne oneindige Goedheid aan
de Apostelen niet alleen toe, Hij gaf hun dien ook in zijne
Almachtige Liefde.
Ën nu nog één gebed, heiliger en indrukwekkender dan er
ooit op aarde is of kan uitgesproken worden. Eerst bad
Jesus voor Zich zelven: Vader l de ure is gekomen voor Mij Joan. XVII, s,
om te lijden en te sterven ; verheerlijk uwen Zoon, maak Mij
„als uwen goddelijken Zoon aan de wereld bekend door na
„mijnen dood Mij uit de dooden op te wekken en daarna ten
„Hemel op te nemen; opdat uw Zoon U ver heerlijke door de
„kennis en de aanbidding van U op aarde te bevorderen, als
„Ik door mijne Opstanding uit het graf en mijne Hemelvaart
„de goddelijkheid mijner leer en de waarheid mijner zending
„ten overvloede bewezen en het geloof in Mijn woord als nood-
„zakelijk ter zaligheid aangetoond heb."
Daarop bad Jesus voor zijne Apostelen, „ Vader\', bewaar hen, Joan.XV1I.ii
„die Gij Mij gegeven hebt, in uwen Naam, doe hen volharden
„in de belijdenis van uwen Naam en in het geloof aan de leer,
„welke Ik hun verkondigd heb, opdat zij één zijn van hart en
„van ziel, één in het geloof en één in de liefde, gelijk wij één
„van natuur, van denken en van willen zijn. Bewaar hen van
„den booze,
van dien helsehen vijand, welke alles, wat goed is,
„wederstreeft en hen zeker vervolgen en tot afval zal trach-
„ten te brengen. Heilig hen in de waarheid, maak hen door
„vermeerdering van geloof en van liefde tot alledns waardige
-ocr page 196-
180            HET LIJDEN EN STKETIN VAN O.VZEN HEER JESUS CHRISTUS.
„predikers der waarheid, welke Ik der wereld geopenbaard
heb-"
Maar ook voor al degenen bad de goedertierende Jesus,
die, door het woord der Apostelen en hunne opvolgers bekeerd,
eens in Hem zouden gelooven. Hij bad voor hen ook tot
JoanXVH,2o den Vader: opdat zij allen eén zijn, gelijk Gij, Vader! in Mij
en Ik in U, dat zij ook in Ons één zijn.
De gemeenschap der
geloovigen, de Kerk van Jesus, ingeplant in het God-mensche-
lijke, in het verheerlijkte leven van den Zaligmaker, moet na-
melijk eene afschaduwing zijn van het goddelijk leven der
Allerheiligste Drievuldigheid. De drie goddelijke Personen zijn
één van wezen, gelijk aan elkander in volmaaktheden. Eren-
zoo moeten alle Christenen door éénheid van geloof, van liefde
en van hoop innig met elkander verbonden zijn en gezamenlijk,
hand aan hand, elkander helpende en ondersteunende, den weg
naar den Hemel zich gemakkelijker maken. Daarom bad Je-
sus ook dit nog voor alle toekomstige geloovigen af: Vader!
Joak.XVII, 24 Ik begeer, dat, waar Ik ben, ook zij, die Gij Mij gegeven hebt,
met Mij zijn ; opdat zij mijne heerlijkheid aanschouwen, die Gij
Mij gegei\'en hebt.
— De eeuwige gelukzaligheid, het\'eeuwig leven met Jesus, Gods
oneindige Majesteit voor altijd te aanschouwen en in de aan-
schouwing daarvan onuitsprekelijk gelukkig te zijn — dit is
het éénig ware geluk: wie dat bereikt, heeft alles gewonnen.
Hoe goed moet Jesus zijn, dat Hij het voor ons heeft willen
afbidden, meer nog: dat Hij het voor ons heeft willen verdie-
nen door zijn lijden en zijnen dood! —
-ocr page 197-
Hoofdstuk XII.
Maria en het verlossingswerk. Jesus neemt
afscheid van zijne Moeder,
Het kan niet aan den minsten twijfel onderhevig zijn, dat de
H. Maagd de reden kende, waarom de Zoon van God in ha-
ren schoot de menschelijke natuur had aangenomen. Zij wist
dat de beloofde Messias het menschelijk geslacht zou ver-
lossen door het vergieten van zijn Bloed, door te sterven
aan een Kruis als slachtoffer voor de zonden der wereld. Reeds
in hare kindsche jaren had zij, in den tempel God dienende»
die waarheid geleerd door het lezen en het overwegen der heilige
Schriften van het Oude Verbond. Nog dieper werd zij in dat ge-
heim der goddelijke Liefde ingewijd door de boodschap, welke
de Engel haar van den Hemel bracht en waardoor haar voorspeld
werd, dat haar Kind zijn volk van hunne zonden zou zalig maken:
ook de grijze Simeon openbaarde haar, dat Jesus gesteld was
tot val en tot opstanding van velen in Israël, tot een teeken»
hetwelk weersproken zou worden. Ook Jesus wees haar op
zijne zending, toen Hij, na drie dagen zoekens eindelijk in den
tempel gevonden, haar zeide, dat Hij met de zaken zijns
Vaders moest bezig zijn. Maar bovenal leerde zij dat geheim,
-ocr page 198-
188                                             IIKT I.IJDK.V KN «TUVEM VAN
voor zoo ver een mensen het begrijpen kon, in zijne volle
uitgestrektheid en ontzaglijke diepte kennen uit die menig-
vuldige gesprekken, welke Jesus met haar over dat onderwerp
hield in het huisje van Nazareth. Als Jesus meermalen — de
Evangelisten verzekeren het ons — in zijn driejarig openbaar
leven de Apostelen op zijn lijden en sterven wees; dan zeker
zal Hij bij herhaling, gedurende zijn dertigjarig verborgen
leven, over dat zelfde onderwerp met zijne Moeder gesproken
hebben.
Er ligt eene rijke stof ter overweging opgesloten in die
langdurige en afzonderlijke samenspraken, welke de Verlosser
der wereld met zijne Moeder hield, zoo lang zij nog zijn bij-
zijn mocht genieten. Dan opende Hij haar het rechte begrip
der h. Schriften en bewees haar, dat de Christus eerst lijden
en sterven moest, vóórdat Hij in zijne heerlijkheid kon in-
gaan ; dan gaf Hij haar een duidelijker inzicht in zijn ver-
lossingsweik. Dit alles zeker om zijne beminde Moeder te
troosten en te bemoedigen, vóórdat een zevenvoudig zwaard
van droefheid haar hart doorboorde. Ook Zich zelven ter
vertroosting; want Jesus was en toonde Zich ook mensch en,
zou Hij het niet versmaden in den hof van Gethsemane door
een Engel versterkt te worden vóór het begin van zijn lijden; te
minder zal Hij het beneden Zich geacht hebben zijn Hart uit
te storten voor de teederste van alle Moeders, vóór het begin
van zijn openbaar leven.
De Apostelen begrepen bijna niets van het geheim deslijdens;
daarom ook kon Jesus bij hen geene ware deelneming vinden,
als Hij Zich met hen daarover onderhield. Wel trachtten zij,
zoo als van Petrus bij name vermeld staat, Hem te over-
reden, dat zulk een lijden het deel van Hem niet zijn mocht;
-ocr page 199-
ONZEN\' HEER JESUS (\'KRISTEN.                                             lH\'.t
wel werden zij bedroefd en ook bevreesd, toen Jesus op het-
zelfde onderwerp terug kwam, en hun alle hoop ontnomen was
om Hem daarvan terug te houden. Maar dat waren pijnlijke
gebeurtenissen voor het Hart des Zaligmakers, en Hij zag Zich
genoodzaakt, nu eens hun onbezonnen ijver te matigen door
eene strenge berisping, dan weder hen te bemoedigen door
troostwoorden. Pijnlijker nog zou het wezen voor Jesus, als
Hij in den hof zien moest, dat zij, ofschoon te voren gewaar-
schuwd en onderricht over hetgeen aanstaande was, zich door
den slaap lieten overmannen en als \'t ware hunnen Meester
vergaten, zelfs toen Hij in doodsangst water en bloed zweette.
Zocht Jesus als mensch ooit troost in zijne droefheid bij de
Apostelen, wij mogen het zonder overdrijving zeggen: Hij
heeft dien bijna nooit bij hen gevonden.
Wel bij zijne beminde Moeder, zoo dikwijls Hij haar vertrou-
weling maakte van de geheimen zijner ziel. Tn die zalige oogen-
blikken legde Hij aan haar zijn Hart bloot en vergunde haar
een blik in de nog eenigszins verwijderde toekomst. Dan
schetste Hij de lasterlijke beschuldigingen, welke tegen Hem
zouden ingebracht worden, den haat en nijd en de vervolgingen
der Joden, de wreedheid zijner beulen, zijn smartelijk en ver-
nederend sterven, in een woord: den storm, welke tegen Hem
verwekt zoude worden. Zeker, Jesus zal al zijn lijden op de
duidelijkste wijze en met al de omstandigheden daarvan met
zijne Moeder besproken hebben; maar vond dan ook dat deel-
nemend medelijden, hetwelk altijd een zachte balsem is zelfs
voor de diepste wonden der ziel. Dan nam zij, al was het
met tranen in de oogen, levendig deel aan zijn verlossingsplan,
om uit Liefde tot God en tot den ongelukkigen mensch zelfs
het zwaarste lijden niet te duchten en den srmadvolsten dood
-ocr page 200-
19D                                            HET LIJDEN EN STERVES VA»
niet te vreezen. Hoe goed verstonden die twee harten elkander
en welk een schat van troostwoorden, al leed zij zelve name-
loos veel bij de gedachte aan Jesus\' dood, vond die goede Moeder
in hare liefde voor alle menschen — zij die allengs een die-
per inzicht in Jesus\' Liefdegeheim verkreeg, die het lijden van
haren goddelijken Zoon met volkomene onderwerping aan Gods
heiligen wil aannam, die het met groote liefde aan den Vader
opdroeg, die zich in alles met Jesus vereenigde, ofschoon zij
al de zwaarte van dat offer gevoelde.
Het doet ons goed aan \'t hart Maria te beschouwen in het huisje
van Nazareth, terwijl zij het goddelijk Kind verzorgt. Voort-
durend v^as zij — de Profeten immers van het Oude Verbond
hadden haar dat voorspeld — met het aanstaande lijden van ha-
ren Jesus in den geest bezig; hare liefde en hare smart trokken
hare gedachten telkens op nieuw naar dat voor haar zoo pijn-
lijk onderwerp. En kon het anders dan dat zij door hevige
droefheid overstelpt werd, als zij haar goddelijk Kind aan-
schouwde, hetwelk voor het vreeselijk lijden was geboren, dat
zij, zoo dikwijls zij haren Jesus aan \'t hart drukte, ook in hare
ziel al die pijnen en kwellingen voelde, welke Hem eens zou-
den overkomen, en dan met den zanger van het Hooglied uit-
Hoogi., 1. 14 riep: een bundel van myrrhe is mijn beminde; Hij zal rusten
tusschen mijne borsten.
Hoe menigmaal zal die medelijdende Moeder gedacht hebben
aan dat droevig oogenblik, waarop zij Hem, die haar nu den
zoeten naam van Moeder gaf, aan liet kruishout zou hooren
zeggen: Vrouw / ziedaar uw Zoon 1 Hoe menigmaal zullen
haar, als zij den kleinen Jesus verzorgde, voor den geest gestaan
hebben èn de koorden, waarmede Hij door de straten van
Jerusalem gesleept, èn de geeselroeden, waardoor zijn onschul-
-ocr page 201-
191
OXZEM HEER JESUS CHRISTUS.
dig lichaam verscheurd, ên de nagelen, waarmede zijne han-
den en voeten doorboord zouden worden? Als zij haargodde-
lijk Kind voedde of kleedde, als zij Jesus op hare armen droeg,
moet zij dikwijls tot zich zelve gezegd hebben: „voor den
„pijnlijken en vernederenden dood des Kruises voed ik U op,
„mijn dierbaar Kind!" Die pijnlijke gedachten kwelden haar
onophoudelijk; zij was niet bij machte die uit haren geest te
verdrijven; dag en nacht, als zij waakte en sliep, altijd en overal
zweefde Jesus\' lijden en sterven haar voor den geest; immer
was zij daarmede bezig, maar ook elk oogenblik doorboorde
een nieuw zwaard van bittere droefheid hare teedere ziel.
Alles, wat zij wist en hoorde en zag, verkondigde haar alzoo
Jesus\' Kruis en dood. Maar, hoe hevig dat lijden ook ware,
hoe hevig de droefheid en de angsten haar ook mochten kwel-
len, zij volhardde op den haar voorgeschreven lijdensweg en
kende geen afwijken noch bezwijken. En daarin is zij al weder
een welsprekend voorbeeld voor eiken Christen, die ten koste
van soms zware offers moeilijke plichten te vervullen heeft en
bewijzen van volharding moet geven op een pijnlijken lijdens-
weg, waarop God hem geplaatst heeft en gebiedt moedig voort
te gaan.
Uit die onafgebrokene overweging van het aanstaande lijden
van haren goddelijken Zoon ontsprongen, als uit eene rijke bron,
de heiligste gevoelens in het teederminnend hart der Moeder-
Maagd. Door het bovennatuurlijk licht, hetwelk Jesus haar in
de ruimste mate. mededeelde, bevatte zij beter dan eenig ander
schepsel zoowel de verhevenheid der goddelijke Majesteit, welke
door de zonden der menschen beleedigd was, als de ongenoeg-
zaamheid der menschen, die zich zelven uit hunne diepe ellende
-ocr page 202-
HET I.IJIiEN* KN 8TEBVEN VAX
1\'.\'-\'
niet konden redden, en de bitterheid der smarten, welke Jesus
voor hen lijden wilde. Dat alles overwegende en met elkan-
der vergelijkende nam zij al meer en meer toe in de kennis
van het eeuwig raadsbesluit, dat God ten gunste van de geval-
len menschheid genomen had; maar dat dieper inzicht — hoe
kon het anders — deed in hare medelijdende ziel al meer het vuur
ontbranden van de zuiverste liefde tot God, die ook den zon-
daar nog beminde en zelfs zijn eigen Zoon niet spaarde, maar
bereid was om Hem, ter verlossing van het menschelijk geslacht,
aan den smadelijksten en pijnlijksten dood over te leveren. Ook
innige dankbaarheid bezielde haar voor dien God van alle
Liefde; want groot, en grooter dan voor een ander der men-
schen, was haar deel aan de oneindige verdiensten des lijdens
en des stervens van haren Jesus; immers aan haar alleen
was het gegeven om, als de nederige dienstmaagd des Hee-
ren en als de Moeder des Verlossers, mede te werken tot
de zaligheid van allen, die haar Jesus zou vrijkoopen door
dat Bloed ne in dat lichaam, hetwelk Jesus uit haar had
aangenomen zij zou ook gedurende alle eeuwen, in hare
onvergelijkelijke waardigheid van Moeder van Gods Zoon,
mogen optreden voor den troon der goddelijke genade, als de
eerbiedwaardige voorspreekster voor allen, die hulp behoevend
waren. Niet minder werd door die godvruchtige overdenking
een teeder medelijden in haar aangekweekt voor alle zondaars,
zóódat zij hen allen in haar hart droeg en, in navolging
van haren Jesus, vurig verlangde om zich zelve, voor zoo veel
zij znlks vermocht, aan hun heil en geluk te wijden. Immers,
als zij werkzaam was voor hunne zaligheid, werkte zij mede
tot het hooge doel, waartoe haar Jesus in de wereld gekomen
was en later sterven wilde; dan oogste zij de rijkste vruchten
-ocr page 203-
19S
\'1V7FV ItKRR JKSrs rlIRISTl-S.
in van hare bereidwillige toestemming om Moeder van Gods
Zoon te worden; dan ook verwierf zij de schoonste verdiensten
van haar lijden , dat zij in vereeniging met het lijden van ha-
ren Zoon verdroeg.
— Wij hebben in bovenvermelde waarheden den zekersten
waarborg van Maria\'s verlangen om ons in allen nood te wil-
len helpen. In Jesus zag zij ook jaren lang het volmaakte
voorbeeld van Liefde voor de menschen; uit Liefde voor hen,
zelfs toen zij zijne vijanden waren, had Hij hunne natuur aan-
genomen; zij zag Hem alle soort van smart en smaad verduren,
deel nemen in al hunne ellende en met liefderijke hand in
al hunnen nood hulp bieden ; zij zag Hem arbeiden voor hunne
zaligheid; zij zou Hem zien lijden en zien sterven op het Kruis.
Welk een indruk moest dit maken op het teeder hart van
Maria? Kan zij, de Moeder, ongevoelig zijn voor het geluk van
hen, voor wie Jesus, haar Zoon, dat alles deed en leed? De liefde
deed haar ons allen als kinderen aannemen, de liefde doet haar
ook altijd medelijden hebben met onze zwakheden en behoeften.—
De gezegende Maagd, toegerust met zulk een helder begrip
van het lijden van haren goddel ijken Zoon en na het voort-
durend en ernstig overwogen te hebben, wetende ook, dat Hij
in dien nacht ter dood wilde overgeleverd worden, kwam —
aldus verhaalt ons eene even eerbied- als geloofwaardige over-
levering — na Jesus te Jerusalem en nam met de heilige vrouwen,
welke haar gewoonlijk vergezelden, haar intrek in hetzelfde
huis, waarin onze Zaligmaker het laatste Avondmaal vieren
zoude. Uit bescheidenheid evenwel en overgegeven aan den
wil van haren goddelijken zoon bleef zij buiten de zaal,
waarin Jesus met zijne Apostelen gezeten was. Toch
13
-ocr page 204-
194
HKT 1.I.IIMN KN BTKBVËN VAV
volgde zij, tot in de kleinste bijzonderheden en van minuut
tot minuut, alles wat de Zaligmaker deed en zeide en in-
stelde. Met eene alles over treffende liefde en groote nede-
righeid had zij den Paasch-maaltijd helpen bereiden, zooals
zij reeds een en andermaal te voren gedaan had; ook geene
bediening, hoe gering, versmaadde zij, daar zij wist, dat haar
goddelijke Zoon zelf de voeten der Apostelen met eigene han-
den wasschen zou. Toen ook vernam zij, hoe Hij aan zijne
Apostelen zijn H. Lichaam te eten en zijn H. Bloed te drinken
gaf onder de gedaanten van brood en van wijn, en hoe Hij
het heilig Sacrament des altaars instelde met dien uitdrukke-
lijken wil, dat het in de Kerk voortdurend zou blijven bestaan.
Dewijl zij echter van grootere liefde brandde voor haren God-
delijken Zoon dan eenig ander schepsel, dewijl zij meer dan
eenig ander mensch door God den H. Geest verlicht was, be-
vatte zij ook dieper èn de verhevene waardigheid van dat
Liefde-geheim èn de onmetelijkheid der weldaad, welke daarin
den menschen als erfdeel van Jesus\' oneindige Liefde nagelaten
werd. Om dezelfde redenen was ook hare dankzegging tot
God hartelijker dan van anderen voor den troost en voor
die opbeuring, welke zij nu reeds in dat Liefde-geheim ge-
noten had, toen haar de H. Communie of door Jesus zel-
ven of door een der Apostelen gebracht was, en welke
zij daarin gedurende haar nog overig verblijf op aarde,
als Jesus naar den Hemel teruggekeerd was, zeker vinden zou
totdat zij voor eeuwig met Hem in den Hemel vereenigd werd.
Toen Jesus zijne afscheidsrede tot de Apostelen geëindigd
had, stond Hij met kalme vastberadenheid op en te zamen
-ocr page 205-
!>\\-ZFN llf.fR JESUS CHRISTIN.                                            195
met zijne leerlingen dankte en loofde Hij God. Na den lof-
zang gezegd te hebben
—verhaalt de Evangelist—gingen zij uit MARC.XIV,a6.
naar den Olijfberg. Waren het de zeven psalmen, welke
de Joden gewoonlijk na het einde van hunne maaltijden
aanhieven, of was het een nieuwe lofzang, welken Jesus toen
voor die bijzondere plechtige gelegenheid opstelde? Wij
weten het niet, ofschoon de Evangelist op een algemeen
bekend lof- en dankgebed schijnt te willen wijzen. In allen
gevalle moeten wij uit die door het Evangelie vermelde bij-
zonderheid — ter onzer leering en ter onzer stichting — op-
maken, hoe zorgvuldig onze goddelijke Zaligmaker was om aar
zijnen hemelschen Vader voor elke weldaad dank te zeggen,
daar Hij zelfs in dien nacht van zoo groote bezorgdheid en
van zoo veel onrust het niet vergat, om aan zijn Vader eene
dankzegging nfl den maaltijd aan te bieden en een gebruike-
lijken of een nieuwen lofzang te zingen. Aldus gaf Jesus ons
het voorbeeld van het getrouw vervullen des gebods: Als gij Deut.VHI.io.
zult gegeten hebben en verzadigd zult zijn, zegen dan den Heer,
uwen God, voor dit overgoede land, hetwelk Hij u gegeven heeft.
De H. Maagd, — wij volgen hierin de voorstelling van den
h. Bonaventura — ziende dat Jesus opgestaan was, begaf zich
naar het achterste gedeelte van hare kamer om zijne laatste
omarming en zijn laatste vaarwel af te wachten — een afscheid
hetwelk haar zulk eene bittere smart zoude veroorzaken. Wei-
dra zag zij Hem binnentreden met zijne gewone kalmte en in-
getogenheid. Zijn eerbiedwaardig gelaat gloeide nog van het
vermoeiend werk der voetwassching, van de lange rede, welke
Hij na den maaltijd gehouden had, vooral van het vuur der
Liefde, welke in zijn heilig Hart brandde. Met al de genegenheid
en alden eerbied, welke zulk een Zoon aan zulk eene Moeder
-ocr page 206-
Lflfl
FtKT I.MIiKV KS STKRVKN VAN
moest toedragen, zeide Hij, tot haar toetredende: ,,Ik kom tot
,,u, mijne Moeder! niet om u mede te deelen, wat gij reeds
sinds langen tijd weet, maar om van u afscheid te nemen, op-
,,dat Ik de zending volbrenge, welke u bekend en door mijn
„hemelschen Vader Mij opgedragen is. Menige oogenblikken
„heb Ik doorgebracht met daarover u te onderhouden. Dank
„den goeden God, dat gij zijt voorbeschikt geworden
„om een Zoon te hebben, die sterven zal ter verzoening
„van de Rechtvaardigheid van den Vader, die voldaan, en
„voor de rechtvaardigmaking van den mensch, die met zijn
„God verzoend moet worden. Wees getroost, moeder! de
„vruchten zijn groot en de beproeving is kort, want spoedig
„zal Ik u wederom bezoeken en dan onsterfelijk en glorievol.
„Door heden te doen, wat Ik nu moet doen, vervul Ik de taak,
„welke Mij is opgelegd, volbreng Ik des Vaders heiligen wil
„ten einde toe. De éénige troost, welken Ik op mijn lijdens-
„weg wil medenemen, is deze dat Ik u niet zonder volkomene
„onderwerping aan dienzelfden heiligen wil achterlaat. Nu de
„tijd geen uitstel duldt, geef Mij, moeder! uwe hand, uw vaar-
„wel, uw afscheidsgroet."
Bitter waren de tranen toen door Maria gestort; maar hoe
pijnigend de droefheid ook ware, welke toen haar hart door-
boorde, zij bleef desniettemin moedig in haar leed en be-
sloten om te gehoorzamen en zich te onderwerpen aan hetgeen
God van haar eischte. Ook haar vervulde eene brandende liefde
om den Goddelijken Zoon, al beminde zij Hem meer dan haar
leven, te offeren voor de eer van God en voor het heil der
menschen: „dat de Vader — zal zij snikkende geantwoord
„hebben — U zegene en sterke van uit den Hemel; volbreng
„den heiligen wil uws Vaders en drink den kelk des lijdens»
-ocr page 207-
L97
ON/I.N III KI: JESUS CIMIIVILS.
„hoe bitter die ook zij, ten bodem toe uit; uwe verheerlijking
„zal daarna te grooter zijn. Deze scheiding is mij smartvol,
„maar ik ben de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede
..naar Gods wil." En Jesus, die tranen stortte, toen Hij Maria
Magdalena haren broeder zag beweenen, weende toen Hij op
het punt stond zijne Moeder te verlaten. Overstelpt door hun
gevoel, vielen zij zonder te spreken in elkanders armen en rie-
pen slechts met tranen van liefde elkander het laatste vaarwel
toe. Jesus moest Zich eindelijk uit de omhelzing zijner Moeder los-
rukken, en zij bleef Hem nastaren, totdat Hij uit haar gezicht
verdween. — Kunnen wij het offer van Maria wel naar waarde
schatten, daarvoor genoegzaam onze dankbaarheid betuigen en
ons aan haar hoog genoeg verplicht rekenen voor dat ontzag-
lijk groot offer, hetwelk zij bracht, toen zij haren Zoon gaf
om voor ons te lijden en te sterven?
EINDE DER EERSTE AFDEELING.
-ocr page 208-
^WEEDE AfDEELING
JESUS IN DEN HOF VAN GEfHSEMANE.
Hoofdstuk I.
Jesus gaat naar den hof van Olijven.
J0AN.XIV.31. Laat ons van hier gaan: aldus besloot Jesus de afscheids-
rede, welke Hij tot zijne Apostelen in de zaal van het laatste
Avondmaal hield. Toen Hij dan ook een hartelijk vaarwel aan
zijne beminde Moeder had toegeroepen, stonden zijne Aposte-
len, die zijn wenk begrepen hadden, Hem reeds af te wachten,
en gezamenlijk met hen verlaat Hij nu het huis van zijnen
leerling, waar Hij den plechtigen Paasch-maaltijd gehouden en
de heiligste geheimen gevierd had. Voor het laatste ook door-
liep Hij vrij en ongebonden de straten van het ondankbare
Jerusalem, dat Hem als zijn Messias niet wilde erkennen, en
Hij liet de Synagoge, welke Hem verwierp, aan hare vrijwil-
lige verblinding over.
-ocr page 209-
HKT LUIM N EN slhl.VKX VAN" USZKN llhfcK JtSUS CHRISTUS.              199
Jesus sloeg den weg in naar den Olijfberg, op een afstand
van omstreeks vijftien minuten gaans van Jerusalem gelegen.
De naam duidt reeds aan, dat daar veel olijfgeboomte was, en
nu nog zijn er acht eerbiedwaardige olijfboomen over,—aldus
verhalen de reisbeschrijvingen van het H. Land — welke
getuigen waren van Jesus\' daar geleden doodsangst. Verschei-
dene hofsteden of landhoeven lagen rondom den berg. Een
daarvan heette Gethsemane. Daar trad Jesus binnen om te
bidden, volgens zijne gewoonte. Want die eenzame en afgelegene
plek bood eene stille rustplaats aan en noodigde uit tot een
aandachtig gebed. Ook de toegang was voor Hem gemakke-
lijk, omdat de hof het eigendom van een zijner vrienden
was en op korten afstand van de stad, aan de overzijde van
de beek Cedron lag. Eenigszins diep in den hof bevond zich eene
onregelmatige, door de natuur gevormde grot, waar de olijven
geperst werden. Het is de grot van den doodsangst, waar
Jesus water en bloed zweette.
Denzelfden weg had ook David, voor duizend jaren, gevolgd,
toen hij, de Koning van Israël, vluchtte voor zijn trouweloozen
zoon Absalom en voor zijn ondankbaar volk, hetwelk hij zoo innig
lief had, maar dat hem nu voor eenen plichtvergeten opstan-
deling prijs gaf. Verraden door zijnen vroegeren raadsman
Achitophel, beschimpt door den laaghartigen Semeï, door zijn
eigen zoon ter dood vervolgd, door slechts weinige getrouwen
vergezeld, ging hij, onder zijn leed gedrukt, met bedekten hoofde
en barrevoets den Olijfberg op. Ook zoo was hij, de Koning
en de Profeet, in zijn lijden en in al de omstandigheden daar-
van de treffende vóórafbeelding van den vervolgden en den
verraden Verlosser. Alleen dit groote verschil bestaat er tus-
schen David en zijn grooten Zoon naar het vleesch — en deze
-ocr page 210-
200
HIT LIJD L.N K.N STMIVKS VAN
waarheid kunnen wij ons niet diep genoeg in het gemoed pren-
ten — Jesus ontvlucht zijne vijanden niet, integendeel: Hij wil
lijden; omdat Hij zelf het wil, zal Hij worden opgeofferd. Hij
begeeft Zich naar zijne gewone plaats van gebed, welke ook
zijn verrader kent, waar Hij weet, dat zijne vijanden zullen
komen om Hem gevangen te nemen. De weg des lijdens ligt
voor Hem open, aan het einde daarvan staat het Kruis — en
met opzet slaat Hij dien weg in, want Hij zal aan den wil
van zijnen hemelschen Vader gehoorzaam zijn tot aan den dood.
Vroeger, toen zijn uur nog niet geslagen was, onttrok Jesus,
nog Kind zijnde, Zich aan de vervolging van Herodes en vluchtte
naar Egypte; op lateren leeftijd, in zijn openbaar leven, ont-
week Hij de aanslagen zijner vijanden en ging, als zij Hem
wilden steenigen, in het midden van hen door; maar nu zijn
tijd om te gaan lijden en om te gaan sterven gekomen is, be-
geeft Hij Zich, waar Hij weet, dat zijn verrader Hem zal over-
leveren, waar zijn lijden zal beginnen. En waarom moet juist
een hof buiten Jerusalem gelegen, en niet b. v. het huis van
Lazarus en zijne beide zusters of de tempel te Jerusalem of
de woning van een of ander leerling van Jesus in de stad, de
bevoorrechtte plaats worden, waar het ontzaglijk werk van
onze Verlossing een aanvang zal nemen? Gelijk in het ge-
heele leven van den Messias, even zoo en wel vooral in al de
bijzonderheden van Jesus\' lijdensgeschiedenis — wij zullen meer-
malen gelegenheid hebben dit op te merken — is er eene
treffende overeenstemming met gebeurtenissen uit het Oude
Testament aan te wijzen, vooral eene leerrijke vervulling
van vroegere vóórafbeeldingen, hetzij in personen of in feiten
voorgesteld. Zóó ook hier. „Evenals in een hof, het Eden of
Paradijs" — aldus leert de H. Chrysostomus — „het begin
-ocr page 211-
201
ONZKN HKER JKSI.\'S CHRISTUS.
„werd gemaakt — en de oorzaak werd gesteld van des men-
,.schen tijdelijk en eeuwig lijden, van zonde en van dood, even*
„eens zou in een anderen hof — Gethsemane — door Jesus\'
„lijden een begin gemaakt worden met de herstelling van \'s men-
„sc.hen ongeluk, een begin van zijn tijdelijk en eeuwig heil,
„van heiligheid en van leven." Tegenover Adam, die de zonde
in de wereld bracht, en met de zonde den dood, staat Jesus»
die voor de zonden der menschen boette en het leven der ge-
naden teruggaf; tegenover den boom, welks verboden vrucht
door den eersten mensch gegeten was, staat het Kruis, waar»
aan Jesus stierf om de schuld der menschen te voldoen; te-
genover de zinnelijke lust, welke den eersten mensch tot on-
gehoorzaamheid verleidde, staat het vreeselijk lijden van het
goddelijk Zoenoffer. Zoo is alles in het lijden van Jesus diep
van beteekenis, vol leering, vol opwekking. Doch wij mogen
de volgorde der gebeurtenissen niet vooruitloopen en moeten
ons hier met die eenvoudige aanmerkingen vergenoegen.
Vastberaden, verlangend zelfs om met het Doopsel des bloeds
gedoopt te worden, slaat Jesus den weg in naar den hof van
angst en verschrikking. Opgeruimd, als een held ter baan gaat, ps. xvïil
zal Hij zijne vijanden te gemoet treden. Hij gaat immers een
nieuw, een geestelijk Koninkrijk stichten in zijn Bloed, een
rijksgebied veroveren, waarvan de grenzen Hemel en aarde
omsluiten, waarvan de duur dien van de eeuwigheid evenaart,
waarvan het doel de eeuwige zaligheid van alle menschen en
de hulpmiddelen zijne oneindige verdiensten zijn. Het zal
Hem zijn leven kosten, maar gestorven zijnde leeft Hij eeuwig
en uit zijn tijdelijken dood ontspringt het eeuwig leven voor
allen, die in Hem gelooven en Hem op den lijdensweg zullen
gevolgd zijn. Hij heeft dat alles van eeuwigheid gewild, Hij
-ocr page 212-
202
HUT blJDKX h.\\ STKRVKX VAX
heeft het meermalen voorspeld en ook zelf voorbeschikt, omdat
Hij met een eeuwige Liefde ons beminde. — Zóó leert Jesus ons
allen, dat wij blijmoedig gaan moeten, waar Gods wil ons roept,
al zou een zwaar offer van on\'.e gehoorzaamheid gevorderd \\vor-
den; want een kruis moet ons steeds voor oogen staan en, wanneer
het ons te dragen aangeboden is, met liefde omhelsd worden.
Neerslachtig, bedroefd en met angst volgden daarentegen de
elf Apostelen den Zaligmaker op zijne schreden. Alles stemde hen
dan ook tot droefgeestigheid. Het was reeds nacht, en de slechts
flauwe schijn der maan maakte het dal van Josaphat, hetwelk
zij doortrokken en dat eenzaam en tusschen bergen ingesloten
lag, dat akelig was reeds om de herinneringen, welke daaraan ver-
bonden waren, nog schrikwekkender. Dat dal immers was de
begraafplaats van Koningen en Rechters, van Profeten en eerbied-
waardige Zangers, welke voor eeuwen reeds daar begraven waren,
terwijl de ingevallene en half geopende graven als\'t ware verkondig-
den, dat het gericht des oordeels en der vergelding reeds
over hen gehouden was, hetwelk eerst na het einde der tijden daar
door den Rechter van levenden en van dooden over allen zal ge-
houden worden. Ook de beek Cedron wekte vrees aanjagende her-
inneringen op. Zij, zwarte beek bijgenaamd, liep door eene van
vierhonderd voeten hooge rotsen omheinde vallei. Daar wer-
den eertijds door de godvreezende Koningen van Juda de bed-
den van Baal en andere afgoden verbrand en de asch daarvan
uitgestrooid, waarom dat dal ook dal der assche genoemd werd.
De beek zelve vormde de oostelijke grens van het dal Gehenna,
later dat van Josaphat geheeten, waar eens kinderen op de
gloeiende armen van den afgod Moloch geofferd en de Profeet
Isaias doorgezaagd was. Alles dus sprak hier van dood, van
gruweldaden en moordtooneelen, welke het gemoed met afgrij-
-ocr page 213-
20.1
ONZEN IIF.EPI JKSUS CHRISTUS
zen moesten vervullen. Daarenboven heerschte in \'t rond eene
akelige stilte, bijwijlen onderbroken door een onheilspellend
rumoer, dat uit de stad tot in de ooren der Apostelen door-
drong. Alles ook deed hen aan een naderend ongeluk denken.
De verdachte Judas was afwezig, en zij wisten niet, waar hij
zich ophield, noch welke plannen hij beraamde; Jesus\' laatste
woorden waren zoo treurig geweest: Hij had immers van verraad,
van een ziften door den duivel, van scheiden, van lijden, van
heengaan gesproken, van vluchten en van verstrooid worden.
Dit alles, ofschoon het hun nog raadselachtig voorkwam, ver-
vulde hen met angst en wel te meer, omdat zij zich geen juist
denkbeeld konden vormen van het gevaar, hetwelk hun boven
het hoofd hing.
— Met geheel andere gevoelens dan waarmede de Apostelen
bezield waren, sluiten wij ons bij dien droevigen stoet aan. Jesus,
de groote Strijder, trekt uit om over de helsche machten en
overheden te zegepralen. Onze belangstelling in dien strijd, om
onzentwille gestreden, kan niet te groot wezen; onze ijver om
in de overheerlijke vruchten van dien ontzaglijken kamp te
deelen, mag geene grenzen kennen, want naar evenredigheid
van die belangstelling en van dien ijver zullen ons ook de
voordeden toegemeten worden. Met Hem gaan dan ook wij
uit, luisterende naar de vermaning van den Zanger van het
Hooglied: Kom, mijn beminde/ laten wij uitgaan naar hetCamt. Vil.ia
veld, verwijlen wij in de dorpen; dat mijn beminde in zijnen
hof kome.
Daar zullen wij de ooggetuigen wezen van gebeur-
tenissen, welke ons gemoed tot diep medelijden stemmen, oor-
getuigen zijn van woorden, welke een overweldigenden indruk op
onze ziel maken. Vóór alles echter moeten wij, ten einde veel
nut uit onze aandachtige beschouwing te trekken, deze twee
-ocr page 214-
3"-*                                            II l-T I.IJDI -.N IN MII.\'YIN VAN
waarheden ons levendig voor den geest stellen: wij zullen daar
als in de sprekendste trekken aanschouwelijk zien voorgesteld,
eerstens: de Rechtvaardigheid des \\ aders, die om wille van
onze zonden zijn Zoon z^o gestreng straft, en vervolgens de
Goedertierenheid des Zoons, die zoo liefdevol voor onze mis-
daden boet. De eerste zal ons aansporen tot een oprecht be-
rouw over het helaas! zoo groot deel, dat wij hebben in der
menschen zonden, waarvoor Jesus leed; de andere zal ons, nu
de Verlosser ook voor onze zonden heeft voldaan, tot eene
vurige liefde opwekken voor Hem, die onze misdaden in zijn
lichaam droeg tot op het Kruis. Met die Gode welgevallige
gevoelens, met berouw en met liefde in den mond niet alleen
maar ook in het hart, zullen wij volbrengen, wat David reeds
aan allen op het gemoed drukte, toen hij vermanend uitriep:
Ps xxxm,15. u\'ijk af van het kwade en doe het goede. Als wij met die zielsge-
steldheid toegerust zijn, ziet God gaarne ons Jesus volgen, Hem
die de weg en de waarheid en het leven is. Met die heilige
voornemens gewapend, mogen wij ook onzen goddelijken
II. Kon.XV.2i Zaligmaker in waarheid toeroepen: de Heer ftiijn Koning
leeft; waar ook Gij zijn zult, hetzij in leven of in den dood,
daar zal uw dienaar zijn.
Dan aanschouwt Jesus met dank-
bare vreugde ons aan zijne zijde, hetzij Hij in den hof van
angst water en bloed zweet, of in het paleis van Caiphas den
kaakslag ontvangt, of door Herodes met zijn hof bespot wordt,
of op den Calvarie-berg aan het Kruis sterft; dan ook zal Hij
ons eens met Hem doen heersenen, als wij eerst met Hem ge-
leden hebben. —
-ocr page 215-
80B
nv/KV IIKl\'IS JKSIIS CHRISTUS.
Vóórdat wij met den goddelijken Zaligmaker den hof des
tijdens binnentreden, willen wij eerst nog onze aandacht wijden
aan de droevige voorspellingen, aan de dringende vermaningen,
welke Hij aan zijne Apostelen op den weg naar Gethsemane
voorhoudt. (tok voor ons is daaruit veel te leeren.
Terwijl allen in diepe stilzwijgendheid voortgingen, elk in
zijne gedachten verzonken, richtte Jesus eensklaps zijn blik op
de Apostelen en sprak één van die woorden, welke hen pijnlijk
treffen, hunne droevige stemming nog vermeerderen moest. Xog
in de zaal van het laatste Avondmaal zijnde, had Jesus hun
voorspeld, dat zij Hem ontrouw zouden worden. „Ziet" —
zeide Hij toen — „het uur komt en is reeds gekomen, dat gij Joan. xvi,32
verstrooid zult worden, een iegelijk naar het zijne, en Mij
„alleen zult laten"
Nu echter wilde Hij die treurige aan-
kondigirg in nog duidelijker woorden herhalen, om hun
opnieuw een bewijs zijner goddelijke Alwetendheid te geven
en daardoor hen voor de volgende dagen in hun geloof te
versterken, als zij door eene bittere ondervinding geleerd, de
waarheid zijner vroegere voorzeggingen omtrent zijne aanstaande
gevangenneming bevestigd zagen. „Gij allen1\' —• zeide Hij mat.XXVI,3i
nu — „zult in dezen nacht aan Mij gccrgcrd worden; alles,
„wat Mij dezen nacht overkomt, zal u een aanstoot zijn; gij
„zult in uw geloof aan Mij wankelen en de vlucht nemen;
„ziende dat Ik weerloos aan mijne vijanden overgeleverd word,
„zult gij aan mijne Godheid twijfelen en Mij alleen laten.
„ Want er staat geschreven: Ik zal den Herder slaan, en de
„schapen der kudde zullen verstrooid worden."
Doch zij moch-
ten daarom den moed niet verliezen: na Hem verlaten te heb-
ben, moesten zij tot Hem terugkeeren, want die oogenblikkelijke
zwakheid zou Hij in zijne Liefde hun gaarne vergeven. Twee
-ocr page 216-
200                                 het r.rjnEN en sterven van
omstandigheden vooral zouden hen ook \'troosten en bemoe-
digen: zijne Verrijzenis ten derden dage en het spoedig terug-
zien van hunnen goddelijken Meester. Dit alles gaf Jesus hun
Marc.xiV,28. duidelijk te verstaan met deze woorden: „nadat Ik zal op?e-
staan zijn, zal Ik n voorgaan naar Galilea,
en daar zal Ik u
„wederom om Mij verzamelen; komt ook gij daarheen."
Reeds tweemaal te voren, onder het laatste Avondmaal, had
Jesus den Apostel Petrus berispt over zijne onstuimige voort-
varendheid. Deze toch durfde, zich sterker dan de andere
leerlingen wanende, driestweg betuigen, dat hij bereid was met
zijnen goddelijken Meester gevangenis te lijden en den dood
zelven te ondergaan; ook had hij zich, zooals weldra blijken
zou, met een zwaard gewapend. Diezelfde vermetelheid, dat
overdreven zelfvertrouwen, verleidde ook nu wederom hem er
toe om zijnen Meester tegen te spreken en zich boven de aan
allen gedane voorspelling verheven te achten: al werden ook
Mat.xxvi,33 a^en — zeide hij in zijn overmoed — aan U geërgerd, ik,
ik zal nimmer geërgerd worden. En of Jesus, nu tot hem al-
leen het woord richtende, zijne voorspelling stellig en met
schrikwekkenden"nadruk al herhaalde: voorwaar, Ik zegu,dat
gij in dezen nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, dat is:
vóórdat de dageraad begint, Mij driemaal verloochenen zult
— nog is Petrus niet verslagen en herhaalt, vermetel op zijne
oogenblikkelijke stemming vertrouwende: al moest ik ook met
ü sterven, verloochenen zal ik U niet, noch in dezen nacht
noch ooit, wat er ook mocht gebeuren. Desgelijks spraken ook
al de leerlingen, en legden, alhoewel minder voortvarend van
aard dan Petrus, maar nu door zijn voorbeeld medegesleept, de
verklaring van hunne onwankelbare getrouwheid af. Hierop
wilde de Zaligmaker niet verder antwoorden; Hij, die \'smen-
-ocr page 217-
207
ONZEN HEEK .II\'.SI S (ÏIRIMTS
schen doen en laten voorziet, wist, dat een betreurenswaardige,
drievoudige val van Petrus en de aanstaande vlucht van al de
Apostelen, zijn woord zouden bevestigen. Dat was Hem genoeg
en liever dan hen in dit oogenblik nog meer te bedroeven,
wilde de goede Jesus het aan de volgende gebeurtenissen over-
laten om hun overmoed te beschamen en hen tot inkeer te
brengen. Het is ook dikwijls beter, om wie misdoet en een
of andermaal de best gemeende vermaningen afwijst, door up-
volgende omstandigheden van zijne dwalingen te laten genezen.
— Wij hebben zeker eerbied voor de goede gezindheid van
Petrus en voor zijn tegenwoordig gevoel van liefde en gehecht-
heid jegens den Zaligmaker; maar zijn gedrag blijft ook bij
deze gelegenheid afkeurenswaardig. Hoe vermetel hij sprak,
zou weldra blijken; al zijne betuigingen zouden vergeten, zijne
beste voornemens overtreden, zijne heiligste bedoelingen ten
schande gemaakt worden. Dit moeten wij uit zijn verkeerd
gedrag leeren: onze kracht ligt niet in een hoogmoedig zelf-
vertrouwen maar uitsluitend in de hulp van God. Uit ons
zelven vermogen wij niets, maar alles in Hem, die ons versterkt;
wie op den Heer vertrouwt, zal door de Goedertierenheid des Ps. XX, 8.
Aller/worsten niet wankelen. Al wie daarentegen op zich zelven
steunt, hij bouwt op zand, en zulk een gebouw bezwijkt bij den
eersten storm.
Toen Jesus in den hof van Gethsemane gekomen was, beval Mat.xxvI,
Hij aan zijne leerlingen: Zit hier neder, terwijl Ik derwaarts
ga en bidde.
Evenals Abraham, de stamvader van het Israë-
litische volk, toen hij aan Gods bevel gehoorzaamde, met zijn
zoon Iz.-.ak alleen den berg der opoffering besteeg en zijn dienst-
-ocr page 218-
208                                             HET MJRKN IN STKTtVKN VA.N
knechten aan den voet des bergs achterliet, eveneens liet Jesus,
toen Hij Zich zelven als offer ging opdragen, zijne leerlingen
aan den ingang van den lijdenshof achter. En Hij ging bidden,
om Zich voor dat ontzaglijk groote werk voor te bereiden,
dat Hij op Zich genomen had. Aldus leerde Hij ons, dat wij
elke zaak van belang met bidden moeten beginnen, en dat in
een vurig gebed de zekerste waarborg voor een gelukkig wei-
slagen gelegen is. Hij gaf dan ook aan zijne Apostelen, vóór-
dat Hij Zich van hen verwijderde en dieper den hof inging
Luc.XXII,40. deze dringende vermaning: bidt, dar gij niet in bekoring komt.
Drie Apostelen echter, Petrus, Joannes en Jacobus, nam Hij
verder met Zich mede. Deze drie waren de verbaasde getui-
gen van Jesus\' verheerlijking op den berg Thabor en van de
wondervolle opwekking van Jairus\' dochter uit den dood geweest,
zij zouden nu ook de getuigen wezen van zijn doodsangst; zij
hadden den God-mensch aanschouwd in den schitterenden
luister van de hemelsche glorie en van zijne goddelijke Almacht,
zij moesten Hem nu zien als den Man van smarten, die al de
ongerechtigheden der wereld op Zich geladen had, en van Hem
de onderwerping aan Gods wil en de noodzakelijkheid des ge-
beds leeren.
Marc.XIV,33. En Jesus begon — aldus leidt het Evangelie het verhaal in van
Jesus\' doodstrijd in den hof — beangst te worden — Hij liet
toe, dat een gevoel van vrees en benauwdheid, tot dusverre Hem
vreemd, Hem aangreep te gelijk met eene zóó hevige droef-
heid, dat Hij behoefte gevoelde zijn gemoed uit te storten en
de drie bevoorrechte Apostelen deelgenooten van zijn zielelij-
den te maken: mijne ziel — riep Hij hun weeklagend toe — is
bedroefd tot den dood toe.
Om ons de hevigheid van dat zielelijden
te schetsen, bezigen de Evangelisten verschillende bewoordingen:
-ocr page 219-
ONZEN HKRR JESl.\'S CHRISTUS,                                             209
zij noemen het droefheid, welke eene zielesmart is, veroorzaakt
door het lijden van een reeds aanwezige ramp, ook vrees en
angst,
welke ontstaan door het vooruitzien van een kwaad, dat
dreigend nadert. Doch hoe wij die zielsaandoeningen ook
noemen willen, zij drukten als zulk eene ondenkbaar zware last
op het Hart van Jesus, dat zij, gelijk Hij zelf verklaarde, Hem
den dood zouden berokkend hebben, zoo Hij door de Almacht
zijner goddelijke Natuur de zwakheid zijner menschelijke natuur
niet hadde ondersteund.
Welk een tafereel van een onbegrijpelijk zwaar zielelijden!
Jesus kende van den beginne af al het lijden, dat over Hem
komen zou; om de verdienstelijkheid er van te verhoogen,
dacht Hij er voortdurend aan en sprak er meermalen over,
zonder dat een enkele trek van droefgeestigheid zijn altijd op-
geruimd gelaat benevelde of eene klacht over zijne lippen kwam,
— en nu is Hij op eenmaal ten prooi aan den meest pijnigen-
den angst en van de meest martelende droetheid; Hij beeft
als een riet, dat door een stormwind geslingerd wordt. Maar
ook welk een ondoorgrondelijk geheim van Liefde! Hij, die
ons vermaand had om geen mensch te vreezen, welke slechts
het lichaam dooden maar de ziel niet schaden kan, »die zelfde
„Godmensen — roept de h. Laurentius Justinianus uit—wordt
„bedroefd en beangstigd? Hoe, Hij wordt droevig, door Wien
„de bedroefden getroost worden? De sterkte vreest en de
„kracht voelt angst en, die anderen genas, wordt zwak? Wij
„zien nog geene gewapenden naderen, geen zwaarden flikkeren,
„geene stokken dreigend opgeheven, en Jesus vreest ? Hij is
„de Aanvoerder van het Christen-heerleger en gaat ons voor
„ten strijde tegen de machten der duisternis; Hij wordt ge-
„naamd en is ook de Heer der heerscharen en kwam niet den
14
-ocr page 220-
210
IfF.T LIJDEN F.N STKRVKN VAN
„vrede maar het zwaard brengen op de aarde, en zou Hij zelf
„vreezen den strijd te aanvaarden? Maar, als de Aanvoerder
„vreesde, wat moet dan wel van zijne volgelingen te verwachten
„zijn? Hij is toch niet beneden zijne krijgsknechten te stellen?
„En zij hebben wel rijken overwonnen, allerlei martelingen ver-
„duurd, het vuur uitgedoofd, wilde beesten getemd, den dood
„zelven niet gevreesd! Hij, de Voltooier van ons geloof, heeft
„de belijders van dat geloof boven de zwakheid der mensche-
„lijke natuur door zijne onverwinbare genade verheven — en
„zelf wilde Hij bedroefd en bevreesd en beangstigd worden!"
Hoe is dat alles — zouden wij willen vragen — mogelijk ge-
weest ?
„Jesus heeft Zich tot ons afgelaten om ons uit onze ellende
„op te beuren; Hij heeft Zich vernederd om ons te verheffen."
Dit algemeene antwoord is op geheel zijn lijden en derhalve
ook hier toepasselijk, maar legt ons het geheim van Jesus\'
angst en droefheid slechts ten deele uit. Wij moeten trachten
dieper, voor zoo ver als dit den zwakken mensch gegeven is,
in die wondervolle geheimen door te dringen en het ons ter
stichting eenigszins duidelijk te maken, hoe het kon gebeuren,
dat de Godmensen aan zulk een folterend zielelijden ten prooi
was. De overweging van dit geheim van eindelooze I.ietde zal
ongetwijfeld op ons hart een heilzamen invloed uitwerken en
ons vergunnen het oneindig minnend Hart des Zaligmakers beter
te leeren kennen.
Onze goddelijke Zaligmaker had in den geheelen duur van
zijn sterfelijk leven vele redenen tot droefheid en tot angst en
vrees gekend, welke zijn teergevoelig Hart konden benauwen;
maar thans wogen" die redenen, met zoovele andere vermeer»
-ocr page 221-
211
ONZEN HEER .I\'SIS CHRISTfS.
derd, nog drukkender en pijnlijker op zijn gemoed. Wel
genoot zijne menschelijke ziel, van het eerste oogenblik harer
schepping af, de aanschouwing Gods, was zij volkomen zalig
en kon ook geen enkel oogenblik ophouden zalig te zijn, omdat
zij de ziel was en bleef van den tweeden Persoon der H. Drie-
vuldigheid; ook Jesus\' heilig lichaam zou, omdat het met
zijne goddelijke natuur was vereenigd, in dien staat van heilig-
heid evenmin als b.v. het lichaam van Adam vóór de zonde
of dat der H. Maagd na hare Hemelvaart, of dat der Geluk-
zaligen na de algemeene opstanding des vleesches, eenig leed
gekend hebben — maar de goddelijke Zaligmaker kon, aan
zijne ziel het genot der zaligheid onttrekkende, haar, overeen-
komstig hare natuur, aan de pijnlijkste zielsaandoeningen, en
eveneens zijn lichaam aan de grootste smarten overgeven.
Vandaar dan ook die martelingen in zijn heilig lichaam en die
kwellingen zijner heilige ziel; terwijl Hij daardoor bewees waar-
achtig mensch te zijn en tevens, dat Hij alles leed met volle
vrijheid en uit Liefde voor de gevallen menschheid. Het was
geene zwakheid in Jesus, als Hij hongerde of dorstte of ver-
moeid was in zijn lichaam; het was evenmin eene zwakheid
in Hem, als zijne ziel door angst of vrees gemarteld werd.
Als de oorzaken daartoe aanwezig waren, kon Hij in zijne ziel
en in zijn lichaam lijden, omdat Hij dat lijden uit Liefde voor
ons wilde, omdat Hij het niet wilde beletten. Eene eenvoudige,
uit het dagelijksch leven genomen vergelijking stelt ons in
staat, deze waarheden beter te begrijpen. Wanneer iemand
door hevige pijnen in een of ander deel zijns lichaams gekweld
wordt, maar een zeker werkend geneesmiddel, dat hem ter ver-
drijving van alle smarten ten dienste staat, niet wil aanwenden
hetzij tot boetedoening voor eigen schuld, hetzij ter verzoening
-ocr page 222-
812
TIKT I.IJDKV FX 3TERVKN VAN
van de zonden van anderen, dan zeggen wij met het volste
recht, dat hij vrijwillig en uit liefde lijdt en dat hij tegelijk een
mensen en, even als alle anderen, voor het lijden vatbaar is.
Eveneens moeten wij van den Godmensch, Jesus Christus, zeg-
gen. Alhoewel Hij door de Almacht zijner Godheid en krach-
tens zijne aanschouwing Gods, zoo wel zijn lichamelijk lijden
als zijne smartvolle zielsaandoeningen had kunnen verhinderen,
verwekten toch dezelfde oorzaken, die ons naar ziel en naar
lichaam met leed overstelpen, in Jesus\' ziel droefheid en angst
en in zijn lichaam smarten, omdat Hij dat lijden niet belette,
maar Zich volkomen vrijwillig daaraan overgaf, omdat Hij dat
lijden voor Zich als zijn deel had uitverkoren. Zóó toonde Hij
waarlijk Mensch te zijn. die volgens zijne menschelijke natuur
kon lijden, en die uit oneindige Liefde in zijne menschheid
•wilde lijden om voor onze zonden te voldoen en ons uit de
slavernij des duivels te verlossen. Jesus Christus is God en
mensch. Hij kon lijden, maar leed niet meer, noch in zijn
lichaam noch in zijne ziel, dan Hij zelf wilde; als mensch kon
Hij aan alle pijnlijke aandoeningen der ziel en aan alle lichamelijke
smarten onderworpen zijn, maar als God bepaalde Hij en het
oogenblik en den duur en den omvang daarvan; geen lijden
kon Hem overvallen noch verrassen; alles wat Hij leed, liet
Hij vrijwillig over Zich komen naar eigen goeddunken, maar
altijd toch uit gehoorzaamheid aan den Vader en uit Liefde
voor den mensch.
— Het is voor ons een groote troost, dat Jesus bedroefd, be-
vreesd en beangstigd heeft willen zijn. De grootste vrienden
van God, Heiligen, worden niet zelden door een pijnigenden
angst aangegrepen bij de levendige voorstelling van eenig lijden,
dat hen wacht, of door de bekoring van eene hevige neerslach-
-ocr page 223-
218
ONZEN- ItEKR JES17S CHRISTUS.
tigheid gekweld, wanneer zij reeds onder een of ander leed ge-
bukt gaan. Niemand mag daarom, als hem dergelijke aandoe*
ningen bestormen, moedeloos worden of meenen, dat hij Gods
vriendschap verbeurd heeft. Die vrees voor het lijden, ook
dat gevoel van droefgeestigheid, is den mensch van nature eigen;
zij is geene zonde, maar een teeken van onze menschelijke
zwakheid. En die zwakheid heeft ons goddelijk Voorbeeld, in
alles behalve in de zonde aan ons gelijk geworden, op Zich
genomen, opdat wij ons zouden beijveren om bij tegenspoed
Hem na te volgen in standvastige volharding en in volkomene
onderwerping aan Gods heiligen wil. „De grootste standvastig-
„heid wordt ook niet getoond, wanneer de rampen het grootste,
„maar wanneer het lijden het gevoeligst is; „niet hij" — zegt
de h. Ambrosius — »legt de schoonste bewijzen van onver-
„schrokkenheid ai, wiens wonden hem voor de pijn ongevoe-
„lig maken, maar wiens pijnen het scherpst zijn." — Onze
goddelijke Zaligmaker wilde ook daarom nog in ons lichamelijk
en zielelijden deelen, opdat Hij, tot zulk een hooge mate de
Man van smarten geworden en deelgenoot von onze ellende, ons
de verdiensten van zijne ondenkbare smarten zou kunnen
schenken. „Hij hepft" — zegt dezelfde Kerkleeraar — „onze
„droefheid op Zich genomen, om ons zijne vreugde te kunnen
„mededeelen; Hij betrad onzen weg tot aan de kwelling des
„doods, opdat wij zijne voetstappen volgende het leven zouden
„terugvinden. Hij moest dan wel de droefheid voelen, niet om
„ze van Zich verwijderd te houden, maar om ze te overwin-
„nen." — Bovendien nam onze Zaligmaker de bitterste medi-
cijn voor onze zwakheden op Zich, opdat wij daarvan zouden
genezen worden, en in Zich-zelf kastijdde Hij onze overtredin-
gen en boette voor onze zonden, ten einde wij vergiffenis zouden
-ocr page 224-
214             HET LIJDEN EN STÏRYEN VA.V ONZEN HEER JESUS CHRISTUS.
verwerven. Evenals Hij leed voor onzen hoogmoed door de
versmadingen, welke Hij wilde ondergaan, en voor onze gul-
zigheid door de gal en den azijn, welke Hij dronk, en voor
onze buitensporige vermaken door de pijnen, welke Hij leed,
op gelijke wijze wilde Hij voor onze uitgelatenheid, maar
vooral voor onze inwendige zonden van gedachten en begeer-
ten boeten door de droefheid, welke zijne ziel benauwde.
Om al die redenen en om nog andere, welke wij straks
overdenken, was het onzen goedertierenden Heer en beminne-
lijken Zaligmaker niet slechts genoeg de geeselslagen te ont-
vangen op zijne schouders en kaakslagen in zijn heilig aange-
zicht en de doornen op zijn gezegend hoofd en de nagelen in
handen en voeten, maar ook folterenden angst en de bitterste
droefheid wilde Hij lijden in zijne heilige ziel. En gelijk Hij
aan de dienaren der duisternis de macht en het verlof verleende
— zonder zijne toestemming waren zij tot niets in staat geweest
— om Hem te martelen, zoo ook liet Hij toe, dat de droefheid
en de vrees zijne ziel bestormden.
-ocr page 225-
Hoofdstuk II.
Uitwendige oorzaken van Jesus\' angst
Wij kunnen ons gemakkelijk voorstellen, hoe verbaasd die
drie Apostelen zullen geweest zijn, toen zij den Zaligmaker
bevreesd en zoo diep bedroefd zagen en klagend hoorden zuch-
ten: mijne ziel is bedroefd tot den dood toe, toen zij zagen, dat MAT.XXVI.38
Hij begon bedroefd en treurig te ivorden. Wel hadden zij Hem
tot driemaal toe zien weenen, maar nooit eene klacht hooren
uiten. Hoe ernstig ook gestemd Hij ware, zijn gelaat was al-
tijd helder en opgeruimd, in slem en in gebaren spiak de op-
gewektheid van zijn geest en de blijmoedige stemming van zijn
Hart; met eene indrukwekkende waardigheid paarde Hij voor-
komende vriendelijkheid voor anderen; nooit stroef of bits,
wist Jesus allen voor Zich te winnen en verwijderde nooit iemand
van Zich door een onnoodig hard woord; ook gelaten en Zich
zelven volkomen meester had Hij Zich in alle omstandigheden
zijns levens getoond. Denken wij evenwel niet, dat Jesus\'
Hart niet altijd door bittere droefheid gekweld werd. Of kon
Hij ware vreugde smaken op eene wereld, waar zijn hemelsche
Vader zoo schandelijk beleedigd en zoo ondankbaar vergeten
werd door de menschen, die liever zich aan den dienst van Satan
-ocr page 226-
216                                              IIKT LHDKN K.V STKKVKN\' VAN
verbonden en zóó hun eeuwigen ondergang te gemoet snelden,
liever dan God tot hunnen Heer en Meester te kiezen en daar-
door zich een onvergankelijk geluk te verzekeren in den He«
mei? Maar, die geheimen zijns Harten hield Hij voor zijne
leerlingen verborgen, om hen niet te bedroeven, en klaagde ze
slechts onder tranen en zuchten aan zijnen Vader in die vu-
rige gebeden, welke Hij zoo dikwijls Hem opdroeg, om genade
en barmhartigheid voor de ongelukkige zondaars af tesmeeken.
Nu echter, nu Hij lijden en sterven ging, wilde Hij aan zijne
Apostelen en tegelijk aan alle volgende geslachten het leed
zijns Harten openbaren, om met des te meer recht ons te
Klaagl.t,ia. kunnen toeroepen: „Komt en ziet, of er eenc smart is,
gelijk aan de mijne;
ziet, hoe naamloos veel Tk voor
„u geleden, hoe innig Ik u bemind heb;" maar ook, om
van ons met te meer aandrang eene oprechte, deelnemende
en offervaardige wederliefde te kunnen eischen. Wanneer alzoo
de goede Jesus ons vergunt een blik te slaan in zijn door
de bitterste droefheid verzadigd en door martelende vrees ver-
scheurd Hart, dan zeker is het onze plicht, willen wij het ver-
wijt van ongevoeligheid niet op ons laden, de redenen van die
zielesmarten te overwegen; opdat een liefdevol medelijden met
Jesus\' lijden en vooral een heilig berouw over de zonden,
waarvoor Hij lijden wilde, Hem eenige vergoeding schenke
voor zijne doodelijke zielskwelling.
De redenen nu, welke onzen Zaligmaker zoo bittere ziele-
smarten veroorzaakten, waren veelvuldig en, dewijl Hij ze niet
krachteloos maken maar ze haren pijnlijken invloed wilde laten
uitwerken, op zóó overweldigende wijze ter nederdrukkend, dat
zij Hem ten dood toe martelden, dat Hij van droefheid en
van angst bezweken ware, hadde de goddelijke Almacht Hem
-ocr page 227-
217
osresa kker naat christus
niet voor het volgend lijden gesterkt en ware het door een
goddelijk raadsbesluit niet bepaald, dat de Verlosser aan het
Kruis moest sterven.
Vooreerst, Jesus was reeds uitgeput van krachten door al de
vermoeienissen, welke Hij den geheelen vorigen dag ondergaan
had, toen Hij van Bethanie naar Jerusalem ging, aldaar met
zijne leerlingen den plechtigen Paaschmaaltijd vierde en hun
de voeten waschte — een werk van diepe vernedering en even-
zoo van zware lichamelijke inspanning. De instelling van het
H. Sacrament des altaars, die lange afscheidsrede, zijn hoog-
priesterlijk gebed, waarin Hij de schatten van zijne onuitput-
telijke Liefde had uitgestort, waardoor Hij de Apostelen op
alle mogelijke wijzen had getroost en bemoedigd, hen zijne
kinderen, zijne vrienden, de deelgenooten zijner beproevingen
noemde — dit alles had Jesus teergevoelig Hart diep ontroerd.
Hij had hun voorspeld, dat hun lijden kortstondig maar hunne
vreugde eeuwigdurend wezen zou; dat Hij hen niet als
weezen achterlaten, maar hun den H. Geest als Vertrooster, als
Leeraar der waarheid geven zou; dat Hij zelf voor hen
strijden ging en wonden in zijn eigen lichaam ontvangen,
ten einde zij door Gods kracht eene schitterende overwinning
over de booze wereld behalen konden; dat Hij naar den Vader,
van Wien Hij was uitgegaan, terugkeerde, maar ook hun eene
plaats in zijn eeuwig Koninkrijk bereiden ging en dan zou
terugkeeren om hen op te nemen, waar Hij was — dit alles
had Jesus\' ziel geschokt en Hem tot tranen toe bewogen. Hij
had Zich zelven vergeten om alleen te zorgen voor zijne be-
minde geloovigen van alle eeuwen, zijne eigene droefheid onder-
drukt om die van anderen niet te vermeerderen, en alzoo aan
-ocr page 228-
218
11 KT I.IJIIKX Ka STKRVKN VAN
de eischen van zijn minnend Hart voldaan, ten koste van pijn-
lijke inspanning.
Veel, onbeschrijfelijk veel had Jesus geleden van den ramp-
zaligen verrader, die in zijne nabijheid aan tafel aanzat, met
Hem uit denzelfden schotel at en uit Jesus\' handen zijn god-
delijk Lichaam en Bloed had durven aannemen. Nu eens met
toespelingen op diens ongelukkigen zielstoestand, dan met dui-
delijker bewoordingen, nu met bewijzen van teedere Liefde, en
een andermaal met dreigende vermaningen en onheilspellende
bedreigingen had de Zaligmaker beproefd op dat verstokte hart
eenigen indruk te maken, en helaas! geen enkel van die mid-
delen, door liefdevolle belangstelling in Judas\' eeuwig geluk in-
gegeven, had hem kunnen vermurwen: de zoon des verderfs
bleef in de boosheid verhard. Wat moet die goede Herder der
zielen daardoor niet geleden hebben, Hij die gekomen was om
alle verlorene schapen op zijne schouders naar den schaapsstal
terug te brengen, maar nu zijn dood te gemoet ging in de
volle zekerheid, dat Hij één der zijnen verloren had?
Met ongeëvenaarde teederheid en met een Hart door droet-
heid verscheurd had Jesus aan zijne beminde Moeder zijn laatst
vaarwel toegeroepen. En vooral in de oogenblikken van die
hartverscheurende scheiding, waaraan de herinnering alleen ook
het ongevoeligst hart van smart doet ineenkrimpen, moest de
Zoon meeseer van zijne aandoening blijven en Zich zei ven be-
heerschen om, door zijne eigene droefheid te laten blijken,
der Moeder het zwaard van droefheid niet dieper in het hart
te steken. Wat er op dat oogenblik in zijn Hart omging,
-ocr page 229-
819
ONZEN UEIR JESUS CHRISTUS,
wilde Hij verbergen om te beter haar te kunnen troosten, die
de Moeder der smarten was. Eerst in de eenzaamheid van den
hof en alleen met de drie leerlingen, toen Hij buiten de tegen-
woordigheid van Maria was en zijne zuchten niet door haar
konden gehoord worden, ontlastte Hij zijn overstelpt gemoed
en, zijne droefheid niet langer bedwingende, opende Hij zij-
nen mond tot die droeve klacht: mijne ziel is bedroefd
tot den dood toe.
Wie ooit onder den druk van diepe droef-
heid nog een opgeruimd gelaat moest toonen om het leed van
anderen niet te verzwaren, kan eenigszins beseffen, welke
een smart Jesus\' ziel pijnigde, toen Hij haar op zulk eene wijze
moest verlaten en aan de bitterste droefheid ten prooi, alleen
en bijna zonder hulp en troost, achterliet, zonder haar zijn Hart
te mogen openleggen.
Niet minder bedroevend voor den Zaligmaker was het den
boozen wil en den haat der Joden te kennen, die Hij met wei-
daden had overladen, maar die nu niet alleen zijn dood be-
raamden, ook op allerlei middelen zonnen om Hem met de
laagste beschimpingen en diepste vernederingen te overladen,
om zijn sterven zoo pijnlijk en zoo smaadvol mogelijk te ma-
ken. Zij zouden zich op Hem werpen als op een gezworen
vijand, die door hen overwonnen en door God verlaten was,
van Wien zij lasterend zeiden, wat de Profeet had voorspeld:
God heeft Hem verlaten, vervolgt en grijpt Hem, want niemandPs. LXX, n,
kan Hem redden. Dit verpletterend gevoel, dat Hij aan zijne
vijanden zou overgeleverd worden, en dat de tijd voor hen
gekomen was om al hunne woede tegen Hem bot te vieren en
hunne aanslagen aan Hem te kunnen voltrekken, had Jesus
reeds vroeger door den mond van Jeremias aan zijnen Vader
-ocr page 230-
HET LIJDEN EN STERTEN VAN
Klaagl. 1,9. geklaagd, toen Hij diens hulp inroepende zeide: Zie, o Heer!
mijne bedroefdheid, daar mijn vijand zich verheft.
Wanneer
iemand — een godvruchtig schrijver maakt deze vergelijking
— het brullen van een leeuw hoorende, al bevindt hij zich in
veiligheid, door hevigen angst zich voelt aangegrepen, omdat
hij zich voorstelt, welk eene slachting zulk een woest dier
kan aanrichten, aan te grootere vrees was Jesus ten prooi, die
omstuwd en aangevallen zou worden door vijanden, welke als
wilde dieren zonder teugel, in volle vrijheid en naar hartelust
zich op Hem gingen werpen. Toen wilde Hij ten prooi zijn
aan dien pijnigenden angst, waardoor eene menschelijke ziel
gefolterd kan worden bij eene levendige voorstelling van de
martelingen, welke haar wachten. Hij zag op dat oogenblik,
Jer. XII, 13. hoe de profetie van Jeremias: mijn erfdeel is mij geworden als
een leeuw in het woud; hij brult tegen Mij,
hoe ook die akelige
Ps. XXI, 13. voorspelling van David in vervulling zou gaan: menigte van
varren hebben Mij omringd, vette stieren Mij omsingeld. Zij
sperren den muil op tegen Mij als een verscheurende en brui-
lende leeuw;
want zijn eigen, zijn bemind, het zoo hoog bevoor-
rechte volk van Israël zou zich tegen Hem keeren, de Over-
sten der Joden Hem, hun Weldoener en hun Messias, vervolgen
ten dood toe. Hij zag in dat oogenblik van verschrikking tot
in al de bijzonderheden de booze aanslagen zijner haters, den
nijd van de meesten zijner rechters en de lafhartigheid der
anderen, de geheime plannen en helsche listen van al zijne vij-
anden. Dat alles stond Hem levendig voor den geest en, dewijl
Hij het wilde lijden, sloeg het Hem met doodelijken angst.
Reeds eeuwen te voren voorspelde de H. Geest door den mond
van den profeet Jeremias, wat vrees en angst Jesus daardoor
Jek. XI, 18, verduren moest: Heere! Gij hebt het Mij geopenbaard en Ik
-ocr page 231-
g81
ONZEN IIKKR JKSI.S CHRISTUS.
weet het. Gij hebt Mij hunne plannen aangetoond. Ik echter
was als een geduldig lam, dat ter slachtbank gevoerd werd.
Ook wist Jesus dat Hij, als straks zijne vijanden Hem
aanvielen, weerloos en zonder hulp, verlaten door vrienden en
bekenden, verlaten zelfs, in zekeren zin, door den Vader, aan
hunne woede zou overgeleverd wezen. Ik sla — mocht Hij Ps. CLIX, 5.
toen van Zich zelven zeggen — het oog ter rechterhand en zie;
maar niemand kent Mij. Het vluchten is voor Mij verloren,
en niemand is bekommerd voor mijn leven.
En welk eene grie-
vende smart zijn gevoelig Hart leed door zijne verlatenheid,
zóódat zijne vrienden Hem alleen lieten en zijne vijanden al
hun haat en nijd op Hem konden koelen, heeft Hij zelf
ons willen openbaren, toen Hij door David liet voorspellen:
als water word Ik uitgestort, en al mijne beenderen zijn ont- Ps. XXI, 15.
wricht; ?nijn Hart is geworden als was, dat wegsmelt in mijn
binnenste; mijne kracht is, als een potscherf, verdroogd, en mijne
tong kleeft aan mijn verhemelte, en Gij brengt Mij tot het stof
des doods.
Wat boven alles de heilige ziel des Zaligmakers met een
angst en eene vrees vervulde, waarvan wij ons geen denkbeeld
kunnen vormen, was het vreeselijk vooruitzien van den dood,
die met al zijne verschrikkingen en martelingen naderde,
die voor Hem zoo pijnvol en zoo smaadvol zijn moest. Ook
elk lijden, elke soort van foltering, welke de onmenschelijke
wreedheid zijner vijanden tegen Hem zou uitdenken, dat alles
zag Hij in één ondenkbaar oogenblik tegelijk. Hij kende, Hij
voelde reeds al de pijnen, welke Hij moest verduren. Wanneer
wij wisten, dat een onzer evennaasten ter dood was veroordeeld,
zou een ieder, door een medelijdend gevoel aangedreven, zijne
-ocr page 232-
282
HET LIJDEN EN STKItVEN VAN
beste pogingen aanwenden om het lijden van dien ongelukkige
te verzachten, vooral door zijne gedachte van het akelig schrik-
beeld des doods af te trekken, want pijnigender nog dan den
dood te ondergaan is dikwijls de vrees daarvoor. Maar Jesus
zocht geene verlichting in zijnen angst; omdat Hij ons zoo
vurig lief had, wilde Hij reeds vóóraf al de bitterheid van zijn
lijden proeven en aanschouwde den vreeselijksten dood met volle
bewustzijn en, zou Hij ondenkbaar veel lijden in zijn lichaam,
eveneens moest de grievendste zielesmart zijn deel wezen. Van
* \'\'Hem ook moest het kunnen gezegd worden: de wateren der
verdrukking zijn tot aan de ziel gekomen. Daarom gaf Jesus
den vrijen loop aan zijne gedachten, vestigde ze zelfs met
volle vrijheid op het geheele verloop van zijn lijden en op de
omstandigheden daarvan, riep dat alles voor zijnen geest, alsof
het tegenwoordig was en reeds een begin van uitvoering verkre-
gen had. Hij beschouwde, hoe de onrechtvaardige rechters
Hem, die de Rechtvaardigheid zelve is, onder verdichte voor-
wendsels gevangen zouden nemen; met welken euvelmoed die
nietswaardige wormen der aarde Hem, den Heer des Hemels en
der aarde, mishandelden; met welk eene vermetele stoutheid
ellendige slaven Hem bonden, die de ware vrijheid gaf. Hij
zag in den geest, met welk een woest getier en met hoe
groote beschaming zij Hem door de straten van Jerusalem
zouden sleuren, waar Hij zoo vele en schitterende wonderen
gewerkt had, en hoe de Oversten door allerlei lage kunstgrepen
valsche getuigen omkochten tegen Hem, die door niemand van
éénige zonde kon overtuigd worden. Daarenboven stelde Hij
Zich voor, hoe zij hunne gedweee handlangers aanspoorden
om Hem in het aangezicht te spuwen en te slaan, en hoe die
dienaren der hel aan hun haat bot vierden door Hem, den
-ocr page 233-
0X7.KN F1FKR .TESl.S CHRIST1S.                                             223
Koning van alle Majesteit, met de afschuwelijkste beleedigingen
te overladen.
Hij overwoog, dat Hij aan Pilatus en de Heidenen werd
overgeleverd, dat de landvoogd, uit menschelijk opzicht, Hem
naar Herodes zou zenden, waar Hem niets wachtte dan bespot-
ting, dan de vernederenste mishandeling, als of Hij een dwaze,
een zinnelooze ware. Door Pilatus zou Hij gegeeseld, door
moedwillige krijgsknechten met doornen gekroond, door eene
geheele bende als een spot-koning verguisd worden. Achter
een moordenaar en struikroover moest Hij gesteld, als een
misdadiger van de laagste soort met een kruis beladen worden,
onder het gejuich zijner gezworen vijanden naar den door allen
verafschuwden berg van Calvarië optrekken, en alleen door vrome
vrouwen, welke Hem of uit Galilëa gevolgd waren of nu uit
Jerusalem vergezelden, beweend worden. Waarlijk: wij kunnen
ons niet verwonderen, dat Jesus reeds eeuwen te voren voorspeld
had: als eene zee is mijne droefheid.
                                          Klaaol.11,13
En dan dat vreeselijk Kruis, waaraan Hij drie uren lang
onder naamlooze pijnen hangen zal, uitgestrekt zóódat zijne
beenderen te tellen zijn, de handen en voeten doornageld, naakt
en ten schouwspel van Hemel en aarde —dat vooruitzicht doetzijne
menschelijke ziel, welker natuurlijke zwakheid Jesus door zijne
Almacht niet wil genezen, van vrees en angst wegkwijnen; Hij
werd bedroefd en treurig en beangst; van uur tot uur, elk
oogenblik vermeerderen zijne droetheid en benauwdheden; de
strijd, welken Hij vrijwillig op Zich genomen heeft, wordt zóó
hevig, dat doodelijke angst over Hem kwam. „Als eene ondra-
-ocr page 234-
224                                             HKT I.UDF.N F.X SÏF.KVF.X VAN
gelijke last" — aldus schetst de h. Irenaeus dit zielelijden des
Zaligmakers — „drukte het op zijn gemoed; het samengeperste
„hart stremde den omloop des bloeds; de keel, krampachtig
„samengeknepen, belette de ademhaling; de ineengewrongene
„handen zonken slap en machteloos op den grond; de knieën
„zonder kracht knikten en sloegen tegen elkander — en Jesus
„wankelde, viel neder en lag met zijn aangezicht in het stof.
„De sterke van Israël, Hij die het schild der helden is, de
„leeuw uit den stam van Juda, ligt als gebroken op den grond
„te nauwernood nog kracht genoeg bezittende om te kunnen
„zuchten. En als Hij Zich met moeite opricht en zijn blik
„ten Hemel slaat, waaraan de maan in stille heerlijkheid schijnt,
„is de bodem met ontelbare druppelen bevochtigd, en die
„drnppelen zijn het hartebloed van den God-mensch, dat onder
„de persing van de vreeselijke ziele-smart door alle zweetgaten
„des lichaams heendrong. Zijn zweet werd als druppels bloed,
„dat ter aarde afdroop.
Die bloedige zweetdroppelen vielen
„op de aarde om ze van den vloek te bevrijden en riepen,
„even als het bloed van Abel, ten Hemel, niet om wraak maar
„om barmhartigheid.
— Jesus, de sterke God, wilde voor al de martelingen, welke
over Hem zouden komen, bevreesd worden tot verzoening
van onze zonden, en helaas! de mensch leeft alsof hij niets
te duchten had, en de zondaar lacht, staande aan den rand
van een peilloozen afgrond. Laten wij toch, een ieder voor
zich, deze volgende woorden tot ons zelven richten, opdat wij
voor den ons dreigenden toorn ons behoeden. „Als gij buiten
„Gods genade zijt, moet gij eene eeuwige straf verwachten; en
-ocr page 235-
onzen* heer jesus Christus.                                      225
„hoe weinig is er noodig om in den afgrond neer te storten,
„waar eeuwige pijn, eeuwige wroeging heerschen? Niets meer
„dan één oogenblik tijds. Ook geens groote klove ligt
„tusschen u en die plaats van nimmer eindigende folte-
„ringen, maar eene enkele schrede slechts scheidt u daarvan
„nog. Zoo gij in den staat van doodzonde, waarin gij mis-
„schien verkeert, op die plaats waar gij nu staat, in dit oogen-
„blik waarin gij ademt, den laatsten snik geeft, wordt gij be-
„graven in de hel, en het laatste oogenblik van uw kortstondig
„leven op aarde is het begin van een ongelukkig leven in de
„eeuwigheid. Dat u dit ongeluk, het allergrootste wat denk-
„baar is, niet overkome, hangt af van Hem, die aangesteld is
„tot Rechter van levenden en van dooden. Wanneer dezefde
„Jesus, die voor ons bevreesd heeft willen worden in den hof,
„één oogenblik zijne hand van u terugtrekt, begint gij alle denk-
„bare pijnen te lijden, elke vertroosting te derver voor eeuwig.
„Maar die goede Jesus heeft vrijwillig om uwentwil die marte-
„ling van vrees en angst willen voelen, opdat gij door eene
„heilige vrees zoudt bevangen worden en zóó zoudt vreezen,
„dat een heilig berouw uw hart vermorzele, dat eene berouw-
„volle belijdenis der zonden u de verlorene genade doe terug-
„vinden."
Wie weigert aan die uitnoodiging der liefde tot bekeering
gehoor te verleenen, stoot de aangebodene genade van zich
af en van hem — God weet hoe spoedig — zal eenmaal,
als hij volhardt in zijn boos opzet, de vreeselijke bedreiging
waar worden, welke God door zijn Profeet deed hooren: het
einde komt, er komt het einde; het is ontwaakt tegen u, het komt. ezech. VII, 5.
De vernieling komt over u, die op aarde woont..... Nu is
15
-ocr page 236-
226
HET LIJDEN K.N\' STERVEN VAN
het nabij, dat Ik mijnen toorn over u uitstort en mijne gram-
schap over u loslaat
..... en gij zult weten, dat Ik de Heer ben,
die slaat. Daarom moeten wij, zondaren, vreezen voor den nade-
renden toorn van God, vol angst zijn voor het grootste aller
onheilen, dat ons dreigt. Ook ons stervensuur is misschien
nabij, althans het leven is kort en de eeuwigheid eindeloos lang.
Ps. V, 14. Intusschen heeft de hel haren muil opengesperd om alle zielen in
Ps VII 13
\' J\' te zwelgen, en bedreigt ons de goddelijke Gerechtigheid." als
gij u niet bekeert, dan zwaait Hij zijn zwaard: zijn boog heeft
Hij gespannen en toegericht; doodelijk wapentuig legde Hij er
op; tot brandpijlen maakte Hij zijne schichten.
Maar ook de
Joel, 11, 12. ontfermende liefde vermaant ons nog: bekeert u tot Mij uit
geheel uw hart met vasten en weencn en klagen, en verscheurt
uwe harten maar niet uwc kleederen ; en bekeert u tot den Heer,
uwen God; want Hij is goed en barmhartig, geduldig en van
groote erbarming en overwint het kwade.
Mochten wij dan in
Ps. LV1, 6. waarheid van ons kunnen getuigen: vrees en beving hebben mij
overvallen
— vrees, omdat wij de oneindige Majesteit hebben
durven beleedigen; beving, voor het vreeselijk strafgericht van
den vergramden God. Dat ware het begin der wijsheid, welke
ten heil voert; het ware een waarborg, dat van ons bewaarheid zal
Ezech. XVlll, worden: Ik wil den dood des zondaars niet; bekeert u en leeft.
„O, Liefde!" — laten wij deze verzuchtingen ten Hemel
zenden — „spaar den zondaar; o, Barmhartigheid! zie gunstig
„neder op een ellendige; o, Goedheid! neem hem in genade
„weder aan, die zijne misdaden verfoeit." Jesus verlangt als
vergelding voor het groote en pijnlijke offer, hetwelk Hij om
onzentwil den Vader heeft aangeboden, niets meer dan dat wij
vreezen voor ons eigen ongeluk en Hem beminnen, met geheel
-ocr page 237-
OKZKN HIEK JESUS CHRISTUS.                                            2Ü7
ons hart beminnen voor ons eeuwig heil. Maar dan ook moet
het ons oprecht leed zijn, als wij vroegere jaren in lauwheid
en onverschilligheid hebben doorgebracht; dan moeten wij het
vroeger verzuimde door grooteren ijver inhalen, door werken
van boete en van deugd goed maken wat helaas! in ons treurig
verleden misdreven is. Die heilzame vrees behoedt ons voor
het hervallen in de zonde; die liefde spoort ons aan tot het
goede. —
-ocr page 238-
Hoofdstuk III.
Inwendige oorzaken van Jesus\' droefheid.
Geene enkele reden, hoe pijnlijk ook, kan onzen goddelijken
Zaligmaker minder bereidvaardig maken, om den vernederendsten
en smartvolsten doodstrijd te ondergaan uit gehoorzaamheid
aan zijnen hemelschen Vader en uit Liefde voor de ongelukkige
menschheid. Evenwel drukte de last, welken de Vader Hem
opgelegd en Hij met volkomen vrijen wil op Zich genomen
had, zóó pijnlijk zwaar op zijne heilige ziel, dat Hij in doods-
angst geraakte en bloed zweette. Die taak, voor welke Hij
Zich vrijwillig aangeboden had, om namelijk vrede te stichten
tusschen den Hemel en de aarde, om God met den mensch
te verzoenen, om te voldoen voor al de zonden der geheele
wereld, om aan de oneindige Rechtvaardigheid van God een
genoegzaam zoenoffer aan te bieden voor alle Hem aangedane
beleedigingen, om hel en dood te overwinnen en ons een
nieuwen weg naar den Hemel te banen — die taak was zóó
uitermate zwaar en van zóó hoog belang, dat zij het Hart
van Jesus dieper ter neer drukte dan al het lijden en al de
smaad, welke Hij in zijn lichaam wilde verduren. Daarom
moeten wij, voor zoo veel ons doenlijk is, ook die inwen-
-ocr page 239-
229            1IKT MJDEX EN ÏTKRVKN VIN ONZES HEKU JI.SIJS CHRISTUS.
dige oorzaken van zijn pijnlijken doodstrijd in den hof ons dui-
delijk voorstellen en met een dankbaar medelijden overwegen.
De onmetelijke Liefde van den God-mensch voor den Vader
was de eerste oorzaak van Jesus\' bittere droetheid. Zijne hei-
lige ziel genoot van het eerste oogenblik harer schepping
de zalige aanschouwing van het goddelijk Wezen even volko-
men als nu in den Hemel. Zij wist dan ook, dat de Majesteit
Gods alle eer en den nederigsten dienst van alle schepselen
overwaardig is, en verlangde met al het vuur van die Liefde,
welke haar was ingestort, God vereerd en gediend te zien.
Maar terzelfder tijd zag Jesus ook al de beleedigingen, welke
de boosheid der menschen van het begin der wereld af Gode
aangedaan had en tot aan het einde der wereld nog zou aan-
doen. De smart over die verguizing van God was even groot
als zijne liefde brandend was, dat wil zeggen: dat noch de eene
noch de andere voor ons beperkt verstand te bevatten is.
God, de oneindige Majesteit, de oneindige Liefde, beleedigd
door den ellendigen mensch! niemand kan uitspreken, nie-
mand ook kan bevroeden, welke ondenkbare smart het hei-
lig Hart van Jesus daardoor moet geleden hebben. Wij lezen
van sommige bekeerde zondaren, dat zij van berouw over
hunne zonden gestorven zijn. Welk een afschrik heeft ook
niet elke heilige ziel voor ééne doodzonde; en wat is de on-
schuldigste ziel in vergelijking met het onbevlekte Lam Gods?
Wie meet dan af, wie peilt de diepte van Jesus\' zielelijden, die
met de vurigste Liefde zijnen Vader en God den Heiligen Geest
liefhad, als een enkele vonk van dat liefdevuur bij machte was
om het hart van menschen van rouw te doen breken? Waar-
-ocr page 240-
aso
II! I LMDF.N KX M\'lRVtN VAN
lijk, als wij ons over iets moeten verwonderen, dan is het hier-
over, dat Jesus\' rnenschheid bij de gedachte aan al die zonden
niet bezweek — en dat wij zoo weinig afschuw voor de zonde
hebben, ook dat wij in weerwil van onze menigvuldige over-
tredingen zoo weinig vreezen. Of moet niet een ieder van ons
in zich zelf treden en bedenken, dat hij een zwaren last op
het Hart van Jesus gelegd heeft en dan met een vermorzeld
iiKon.XXIV, hart den rouwmoedigen David nazeggen: Ik ben het, die
gezondigd heb, ik heb onrecht gedaan. Keer, ik bid het U, o
Heer! uwe hand tegen mij.
Bij die Liefde des Zaligmakers tot zijn Vader voegde zich
de onbegrensde Liefde tot de menschen. Van eeuwigheid had
de Zoon Gods hen lief gehad en geen zaliger vreugde zou
Hij van hen genoten hebben dan wanneer zij nimmer ge-
zondigd hadden en immer de dankbare kinderen van hunnen
Schepper gebleven waren. Doch helaas! zij misdeden en veel
en grootelijks. Maar Jesus alleen met den Vader en den Hei-
ligen Geest konden volkomen beseffen, welk eene ramp het voor
de zondaren was Gods genade te hebben verloren, gescheiden
van God en buiten zijne vriendschap een leven te moeten
leiden, rampzalig voor den tijd maar rampzaliger nog voor de
eeuwigheid, dewijl zij het recht op den Hemel verloren had-
den. Die gedachte aan het zoo groote ongeluk van allen,
welke Hij innig liefhad, kwelde het Hart van Jesus met eene doo-
delijke droefheid. God, zijn Vader, zwaar beleedigd; de mensch
diep ongelukkig door de zonde — het was voor Jesus een tweevou-
dig zwaard, dat zijne ziel doorboorde, gaande tot aan de
scheiding van ziel en geest. Zijne liefde voor den Vader was
oneindig, omdat Hij de God-mensch en derhalve de Liefde
-ocr page 241-
281
ONZEN HEKU .IKSIS CHRISTUS,
zelve is; Hij beminde ook den mensch met eene eeuwige
Liefde, omdat die zijn schepsel was, waarin Hij zijne gelijkenis
en zijn beeld aanschouwde. Neen, wij zouden Jesus\' Hart niet
moeten kennen, waren wij verbaasd over zijn bloedig angst-zweet,
over zijn bitter zieleleed. Hij zou onze Verlosser niet geweest
zijn, als Hij niet getreurd had over de beleedigingen zijnen
Vader aangedaan; als Hij niet geweend had over de ellende
van den mensch en niet vurig verlangd om aan zijn Vader
alle voldoening te geven en om den zondaar uit zijn ellendi-
gen toestand te redden. Als de h. Paulus getuigt, dat de zorg
voor al de gemeenten hem heviger kwelde dan al het lijden,
dat hem door de vervolgers van het Christendom in het lichaam
werd aangedaan, dat hij in elke geestelijke zwakheid der ge-
loovigen deelde, dat hij brandde van smart, als één zijner gees-
telijke kinderen tot ongeloof of zonde verleid was, hoe groote
zielesmart moet dan het ongeluk van alle menschen niet be-
rokkend hebben aan Jesus, wiens Liefde oneindig grooter was
dan die van den Apostel der Heidenen.
Zeker verlangde Jesus vurig om te lijden voor de zonden
der menschen, om ze uit te wisschen in zijn Bloed: voor die
pijnlijke opdracht had Hij Zich met vrijen wil en uit Liefde
voor ons aangeboden. Met dat liefdevol doel was Hij ook
op de wereld gekomen en had Hij de menschelijke natuur
aangenomen. Denken wij evenwel daarom niet, dat die zon-
den-last Hem niet pijnlijk ter neer drukte, dat zij Hem niet
het bloedig angstzweet uit het lichaam perste en zijne ziel niet
met eene doodelijke droefheid verscheurde. Hij, de oneindige
Heiligheid zou alle zonden van alle tijden dragen in zijn lichaam
-ocr page 242-
232                                             1IKT l.MDKN F.N STFIIVEX TAN
Ps. LUI, 6. 0p het Kruis! Wij allen tvaren als schelpen afgedwaald; een
iegelijk week af van zijnen weg; maar op Hem heeft de Heer
al onze misdaden gelegd.
En de goede Jesus zag in dat oogen-
blik van bangen doodstrijd alle zonden van alle menschen,
van Adam af tot den laatsten tijd der wereld; Hij zag toen
met volkomen helderheid voor zijnen geest staan al die heilig-
schennissen, al die moorden, al die echtbreuken, al die schan-
delijke begeerten, diefstallen, al dat kwaadspreken, die meineeden,
die godslasteringen — in één woord: alle misdaden, welke ooit
bedreven waren en nog tot aan het einde der wereld zouden
bedreven worden. Met eene heilige huivering zag Hij tegelijk
èn de verzwarende omstandigheden, die de zonden vergezelden,
èn de afschuwelijkheid daarvan, dewijl de Liefde van God zoo
gruwelijk er door verguisd werd, „Die droefheid van Jesus
.,over de zonden der menschen overtrof» — zegt de h. Tho-
mas — „eindeloos ver het berouw van alle boetvaardigen, om-
„dat zijne droefheid voortkwam uit eene diepere kennis van het
„kwaad en uit eene vurige Liefde tot God, ook omdat Hij die
„droefheid leed over alle zonden te zamen van de geheele
„menschheid." Waarlijk, Jesus naamloos te zien lijden in zijn
lichaam, moet het hart van eiken mensch doen breken van
smart; maar zijne heilige ziel ter dood toe gemarteld te zien
onder onzen zonden-last — geen Christen kan het zich voorstellen
zonder tranen van een diep gevoeld medelijden te storten. Jesus\'
oneindige Liefde alleen was in staat zich aan dat strenge oordeel
des Vaders te onderwerpen, zich zelve aansprakelijk te stellen
voor alle overtredingen der wereld en in zijne heilige mensch-
heid te boeten voor hetgeen de schuldige menschheid mis-
daan heeft.
-ocr page 243-
288
ON7.KN HEEK .TFSrs CHRISTUS
Wat ons nog een dieper inzicht geeft in Jesus\' onbegrijpelijke
Goedheid en tevens in zijne matelooze droefheid gedurende dien
treurigsten aller nachten, is dat Hij niet alleen den losprijs
ter onzer verzoening met God voldoen zou, maar dat Hij het
ook deed, alsof Hij zelf de schuldige, alsof onze zonden de
zijne waren. Wanneer borgen betalen moeten voor wie zij hun
woord verpand hebben, dan moge hun die liefdedienst eenig
geldelijk verlies berokkenen, hunne eer blijft toch ongeschon-
den, zelfs zij stijgen bij anderen in achting te hooger, naarmate
hun medelijdend hart een zwaarder offer bracht. Geheel an-
ders leed de goede Jesus voor ons: Hij vereenzelvigde Zich
met ons als het hoofd met de ledematen; Hij wilde, dat onze
misdaden als de zijne aangezien werden; Hij wilde daarvoor
voldoen niet alleen door zijn Bloed, dat Hij vergieten zou maar
ook door de beschaming, welke Hij nu reeds daarom leed. En
waarlijk, die schaamte maakte niet het geringste deel uit van zijn
doodsangst in den hof van Gethsemane. De Profeet zag dit nieuwe
soort van lijden des Verlossers reeds eeuwen te voren, toen hij
uitriep: den gansehen dag staat mijne schande Mij voor oogen,
en de schaamte mijns aan^ézichts bedekt Mij;.,.. om uwentwil
lijd Ik smaad, dekt beschaming mijn aangezicht;
en dit ziele-
leed aan God klagende, sprak hij in den persoon des Verlos-
sers: Gij, o, Heer! Gij kent mijnen smaad en mijne schande
en mijne beschaming.
Een ieder van ons moet daarin een nieuw en schitterend
bewijs zien èn van Jesus\' diepe zelfverloochening èn van zijne
alles opofferende Liefde. Hoe schandelijk onze zonden ook
waren, Hij wilde de schande daarvan dragen door ze op Zich
te nemen ; Hij pleitte en smeekte voor de vrijspraak van groote
misdadigers, even alsof hunne schuld de zijne was. Niet zelden
-ocr page 244-
284                                              HET I.MUF.N" KN STERVF.X TAN
zien wij gebeuren, dat iemand zich aan eene groote mis-
daad schuldig gemaakt heeft en daarom door zijne naaste be-
trekkingen verzaakt en door zijne beste vrienden verlaten wordt;
zij vreezen de besmetting van die schande; en mocht die on-
gelukkige al soms een vader of vriend vinden, die den moed
heeft en medelijden genoeg, om ter zijner verdediging op te
treden, ook deze zal niet nalaten zijne scherpe afkeuring over
die euveldaad uit te spreken en zijne handen daarvan rein te
wasschen. Doch niet zóó de groote Minnaar der zielen. De
barmhartige Jesus ontzag Zich niet om zijn aangezicht met
het vuurrood der schaamte te overdekken om wille van al die
zonden der schande, welke wij bedreven; Hij verzaakte ons
niet, al waren wij zondaars, maar durfde ons nog voor den
rechterstoel der goddelijke Alwetendheid belijden als zijne broe-
ders, zelfs als de toekomstige ledematen van dat geheimzinnig
lichaam der Kerk, welke Hij stichten wilde in zijn Bloed en
waarvan Hij het eerbiedwaardig Hoofd zijn zou. Vandaar, dat
Hij niet slechts ten onzen gunste als voorspreker optrad, opdat wij
vergiffenis onzer zonden verkrijgen zouden, maar dat Hij ook
Zich zelven, als ware Hij de misdadiger, aan den dood overgaf,
om de straf te lijden, welke wij verdiend hadden. Al bad dan
ook Jesus tot driemaal toe, dat de lijdensbeker van Hem mocht
weggenomen worden, Hij wist, dat het onmogelijk was om
wille der zonden, welke Hij op Zich genomen had. De dringende
bede zijner droevige, menschelijke ziel werd niet verhoord,
want Gods raadsbesluit luidde, dat de God-mensch als zoen-
offer voor onze zonden zou geslachtofferd worden. Omtrent
Hem, den Man van smarten, ofschoon Hij klaagt over zijn
IN. xxi, 2 lijden, was voor eeuwen geschreven: verre van mijn heil zijn
de woorden mijner zonden;
dat is: het wraakgeroep der zonden
-ocr page 245-
X7.EN HKf.lt .11 SIS CHRISÏl S.                                            235
welke Hij op Zich genomen had, maakte zijn gebed vruchte-
loos. Wat schaamte zal Hem dan gefolterd hebben, die de
oneindige Heiligheid zelve was, toen Hij voor den rechter-
stoel van God zulke afschuwelijke dingen op Zich genomen
had, als de zonden der menschen zijn? En dat alles leed
Hij voor ons, die alleen de beleedigers waren!
Eene andere reden voor Jesus\' groote droefheid, welke tevens
een nieuw bewijs van zijne vurige Liefde tot ons is en ons
met een heiligen moed bezielt, bestond hierin, dat zijn lijdens-
weg ook het levenspad voor al diegenen moest wezen, die aan
de vruchten zijner Verlossing wenschten deel te verkrijgen. Voor
zijn geest stonden toen, tot in de kleinste bijzonderheden, al
de beproevingen, al het lijden, al het waken en vasten, al de
boetedoeningen en de vervolgingen, de vermoeienissen en de
arbeid, de beleedigingen en verguizingen zijner volgelingen,
zelfs het martelaarschap, dat zoo velen zijner getrouwen zou-
den ondergaan. En dat alles beschouwde Jesus niet als een
lijden, dat Hem niets deerde maar als een lijden, dat Hem
zelven trof. Hoe kon het ook anders? Het waren immers de
kwellingen van hen, die Hij liefhad als de ledematen van zijn
lichaam; het waren beproevingen, geleden uit liefde tot Hem,
geleden hetzij om te boeten voor eigene zonden of voor die
van anderen, hetzij om Hem niet te beleedigen noch te ver-
zaken ; het was een lijden den dienaren van Jesus aangedaan
door verbitterde vijanden van zijnen Naam, door hen die Jesus\'
rechtvaardigen vervolgen, omdat dezen Hem aanhangen en
zijne belangen voorstaan. Om al die redenen moest de voor
het geringste liefdeblijk dankbare Jesus het gewicht van hun
lijden in Zich zelven voelen c t als zijn eigen lijden beschouwen;
-ocr page 246-
i\'it                                        HET l.HOKN EV STERVEN VAN
Hij was daarover bedroefd, alsof het Hem zei ven overkwam.
Als toch Jesus later tot Paulus, die de eerste Christenen ver-
Hakd. IX, 4. volgde, zeide: waarom vervolgt gij Mij, dan moeten wij daar-
uit besluiten, dat de steenen, welke het lichaam van den h. StL-
phanus wondden, en het vuur, dat de ledematen van den h.
Laurentius roosterde, en de folterwerktuigen, welke de Martelaren
verscheurden, aan Jesus niet slechts bekend waren maar tevens
door Hem op hunne waarde geschat werden en met medelijdende
Liefde aangenomen en dankbaar in een vurig gebed aan den
Vader aangeboden zijn. Wat zij allen lijden zouden om zijnent-
wil, vermeerderde Jesus\' smarten en kwelde Hem niet minder
pijnlijk, dan wat Hij zelf in zijn eigen lichaam leed.
Doch, helaas! Jesus\' droefheid kon nog bitterder zijn dan
wij ze reeds overwogen hebben. De zwarte ondankbaarheid
der menschen en hunne schuldige nalatigheid, om zijne Liefde
met wederliefde te vergelden, dragen daarvan de schuld. Te
moeten zien, dat zoovelen zijne overgroote weldaden niet waar-
deerden noch dankbaar zich bewezen, dat zij geen nut wilden
doen met die heilmiddelen, welke Hem zoo onbegrijpelijk veel
zouden kosten; te moeten zien, dat, nadat Hij al zijn Bloed
gegeven had tot een geneesmiddel voor onze geestelijke krank-
heden en tot een Doopsel ter afwassching van alle onreinheden
der ziel, zoo velen zich niet zouden reinigen in het Bloed des
Lams en daardoor den eeuwigen dood vonden — dat was eene
oorzaak van droefheid, welke door niemand in al hare diepte
kan begrepen, minder nog door iemand in al hare uitge-
strektheid kan beschreven worden. Werd Jesus bedroefd, om-
dat zijne getrouwe dienaren veel en sommigen zeer veel om
-ocr page 247-
887
ONZFN HEKR JKSl\'s WIRISItS.
zijnen Naam zouden te lijden hebben en Hem in hun leven
moesten gelijken, Hij wist toch ook dat zij, na met Hein
in de beproeving volhard te hebben, eens met Hem zouden
heerschen. Maar die ondankbaren zouden hunnen eeuwigen
ondergang te gemoet snellen. En dit vooral verscheurde Jesus\'
liefdevol Hart door de bitterste smart. Wie ooit voor het wei-
zijn van anderen gewerkt en zware offers gebracht heeft, maar
voor zijne weldaden niets anders inoogste dan ondankbaarheid,
miskenning en beleedigingen, kan eenigermate het pijnigende is. XLIX, 4.
zieleleed van Jesus begrijpen, toen Hij, met het oog op die
ongelukkigen, de klacht moest uiten, welke de Profeet Hem reeds
eeuwen te voren in den mond had gelegd: te vergeefs heb Ik
Mij ingespannen
, zonder nut en voor niet heb Ik mijne kracht
verteerd.
Zijn lijden zou dan vruchteloos blijven, zijn Bloed
te vergeefs vloeien voor die rampzaligen, welke in hunne
wreedaardige hardvochtigheid zijne Liefde bespotten en
zijne weldaden verachtten. Maar pijnlijker nog griefde
Hem de ondankbaarheid, welke Hij van diegenen zou
moeten verduren, welke zich te nauwer aan Hem moesten aan~
sluiten en Hem des te hartelijker erkentelijkheid moesten be-
wijzen, omdat zij Christenen, zijne meest bevoorrechte vrienden
heeten, in één woord: personen die meerdere en grootere wei-
daden van Hem ontvingen. — Wanneer zij zich gevoeliger
beleedigd achten, die hunne liefde met onverschilligheid zien
beloond, wie zegt ons dan, wat Jesus moet gevoeld hebben,
die zoo vol Liefde was voor de menschen, maar bij hen zoo
veel vergeetachtigheid, ondankbaarheid, liefdeloosheid vond.
— Jesus was bedroefd tot den dood toe, vooral omdat wij van
den engen weg afwijken, welke ten leven geleidt, en den
breeden weg bewandelen, welke naar den dood voert. Jesus is
-ocr page 248-
aas
HKT I.IJDKN KN SiEKVEN VAX
bedroefd, en een iegelijk van ons moet met diep leedwezen
belijden: „ook ik ben een dergenen, om en over wie Jesus
„treurde; omdat ik zondigde, was Jesus bedroefd en ofschoon ik
„zondigde, was mijne ziel niet bedroefd, maar ik gedroeg mij als
Spreuk 11,14. „die ongelukkigen die zich verblijden in kwaad te doen en juichen
„over slechte daden."
Nu Jesus door de bitterste droefheid is ge-
pijnigd geworden om de zonden der menschen, mcesten wij om
elke, zelfs om de minste zonde zóó zeer treuren, dat wij met
den boetvaardigen tollenaar vol berouw ons op de borst klop-
uc.xvill, 13 ten en nederig baden: Heer! wees mij, zondaar, genadig;
dat wij met de bekeerde Maria Magdalena, door smart over-
heerscht, slechts in zuchten en in tranen onze zielsdroefheid
openbaarden; dat wij met den om de zonden zijns volks treu-
Jbr. IX, 1. renden Profeet smeekten: wie zal aan mijn hoofd water geven
en aan mijne oogen eene bron van tranen, opdat ik beweene dag
en nacht de verslagenen van de dochter mijns volks?
dat wij met
Ps. VI, 2. den\' boetvaardigen David riepen: O, Heer! luchtig mij niet
in uwe verbolgenheid en kastijd mij niet in uwe gramschap;
Ps. vi, 7. dat wij zijne woorden tot de onze konden maken: ik ben af-
gemat van mijne zuchten; lederen nacht bevochtig ik mijn bed
met mijne tranen, ik besproei er mijne sponde mede.
Maar, helaas!
waar is het berouw, nu wij zonden bedreven hebben veel in
getal en groot in hare zwaarte? Jesus\' ziel is bedroefd om de
beleedigingen aan zijnen hemelschen Vader aangedaan, en onze
zonden zijn gestegen boven het aantal der haren van ons hoofd
en zij schreeuwen voor Gods troon om wraak — en geen traan
bevochtigt onze oogen en geen berouw vermorzelt ons hart?
Integendeel: vreugde moet nog ons deel zijn en in uitgelaten-
heid willen wij onze dagen doorbrengen! Maar wat kunnen
wij dan, na het einde van ons leven, als wij het goede in ons
-ocr page 249-
030001 HEK* JKSI s CHKISTl s.                                            239
leven ontvangen hebben, anders verwachten dan dat wij met
den rijke ook gefolterd worden? Of heeft de eeuwige waarheid
ons niet voorspeld: indien gij u niet bekeert, zult gij allen luc
desgelijks omkomen? Alwie dat grootste aller ongelukken wil
ontvluchten, hij zegge tot den barmhartigen Jesus, maar met
een vernederd en door berouw verscheurd hart: „O, Jesus!
„om mijnentwille zoo diep bedroefd, ik ben die ongelukkige,
„welke U deed weenen, welke U dwong door mijne misdaden
„die pijnlijke zuchten te slaken. Tegen U heb ik gezondigd.
„Maar ik wil mijne zonden tegen mij belijden, ze beweenen
„dag en nacht in de bitterheid mijner ziel. Het is mij leed
„van harte U, mijne Liefde, vergramd, U, de oneindige Goed-
„heid beleedigd te hebben. Mijn berouwvol hart zult Gij niet
„versmaden, want ik weet, dat Gij meer blijdschap hebt over
„éénen zondaar, die zich bekeert, dan over vele rechtvaardigen,
„die geene bekeering noodig hebben. Mocht ik dan ook uwe
„droefheid in vreugde veranderen en die U nimmer ontroofd
„worden door mijn hervallen in de zonde. Geef mij daarom
„uwe genade, opdat ik in leven de uwe zij en blijve in alle
„eeuwigheid."
-ocr page 250-
Hoofdstuk IV.
Jesus en zijn hemelsche Vader.
Met gebed des Zaligmakers.
Geheel en al onder den pijnigenden j indruk van zijne
vrees en droefheid, welke Hem toen reeds den dood be-
rokkend had den, ware de Almacht zijner Godheid aan de
zwakheid zijner menschheid niet te hulpe gekomen, nam
Jesus zijne toevlucht tot het gebed, ons daardoor leerende,
dat wij in al onze moeielijkheden en beproevingen hulp
en troost moeten zoeken en ook kunnen vinden, bij God.
Jac. V, 13. Is iemand onder u bedroefd, hij bidde — aldus liet Hij later
door zijnen Apostel Jacobus allen vermanen, en zal nu ons
het schoonste voorbeeld van zulk een bidden geven. Er
bestaat ook geen krachtdadiger troostmiddel dan het gebed.
Ps. LXXVl,3. Daarom zeide reeds de koninklijke Psalmist: Ten dage mijns
noods zocht ik God, des nachts waren mijne handen tot Hem
opgeheven, en ik werd niet te leur gesteld. Mijne ziel wil zich
niet laten troosten; ik denk aan God en verblijd mij.
Maar
willen wij dien troost vinden, dan moeten wij ons wenden tot
God — zooals Jesus deed — en niet tot de menschen. Waar-
toe zou het ook dienstig wezen zijn leed en zijn lijden aan hen
-ocr page 251-
TIKT LIJDEN EX STERVEN VAX ONZEN MEER JESUS CHRISTUS.             241
te klagen, die weinig troost en soms nog minder hulp kunnen
aanbrengen. Na een enkel oogenblik van voldoening, hetwelk
men geniet door het klagen en beklaagd worden, vervalt men
weder in den vorigen toestand van mismoedigheid, en het leed-
gevoel wordt wederom levendig, dikwijls nog pijnlijker door
de wroeging des gewetens, dat in die uitstorting des harten
meer of minder met de schuld ot van ongeduld of van
wrevel beladen werd. De wederzijdsche vertrouwelijkheid,
waarvan de wereld een ruim gebruik — liever misbruik —
maakt om hare moeielijkheden en teleurstellingen aan ande-
ren te openbaren, is voor eenigen eene oorzaak van vele zonden.
Hoe veel voordeeliger zou het wezen, zijn kruis in stille gelatenheid
te dragen! Een kruis wordt de bron van vele en groote ge-
naden, wanneer het geheim gehouden wordt en men er niet
van spreekt dan alleen in een nederig gebed tot God. En
niemand zegge: „ik kan in de treurige omstandigheden, waarin
„ik mij bevind, niet bidden; mijn gemoed is te zwaar dan dat
„het zich tot God kan verheften." Jesus kon bidden, in weer-
wil van zijnen angst en van zijne droefheid, derhalve kunnen
wij het ook; en Hij bad werkelijk, derhalve moeten wij het ook
doen. Dit alles en nog veel meer zal Jesus door zijn bidden
tot den hemelschen Vader ons in den hof leeren. Nu zijne
heilige menschheid, geheel overeenkomstig hare natuur, voor
het lijden en den dood terugschrikte, nu Hij den storm van
vervolgingen zag naderen, welken de haat en nijd van Schrift-
geleerden en Phariseën, ook de trots en ijverzucht van de Hooge-
priesters tegen Hem verwekten, wilde Hij zijn nood klagen
en zijn overstelpt gemoed uitstorten in een gebed tot zijnen
Vader, wetende dat zonder diens toelating geen haar van
"s menschen hoofd valt, dat de Vader door zijnen heiligen wil
IC
-ocr page 252-
242
HET I.uriF.N" EN STERVEN VAX
alles bestuurt en volgens de wijze beschikkingen zijner Voor-
zienigheid regelt.
Het was nacht; en in de sombere stilte van den bleeken
maneschijn, in dien eenzamen hof, waar niemand Hem zien
kon, werpt Jesus, die Hemel en aarde door het woord zijner
Almacht schiep, zich plat ter aarde neder met de heiligste ge-
voelens van nederigheid, van eerbied en van aanbidding. Een
steenworp ver had Hij Zich van de drie leerlingen verwijderd,
ver genoeg om in zijn doodstrijd door hen niet gezien, nabij
genoeg om in zijn bidden en zuchten door hen gehoord te
worden: ver genoeg om in die eenzame en stille afzondering
den vrijen loop aan zijne zuchten en tranen te kunnen geven,
in genoegzame nabijheid om aan zijne leerlingen te doen be-
grijpen, hoe pijnlijk die scheiding van zijne beminden voor
zijn minnend Hart was, tevens om hun een luid sprekend voor-
beeld te geven, hoe zij in lijden tot God moesten bidden.
Daar ligt dan de eeuwige Zoon van God, de Heilige en On-
schuldige, om ons mensch geworden, diep terneergebogen, plat
op den grond uitgestrekt, met zijn aanbiddelijk aangezicht den
om de zonden der menschen gevloekten grond aanrakende;
Jesus, die in onze plaats ging lijden en sterven, lag daar voor
het aanschijn zijns hemelschen Vaders als een worm in het
stof, gelijk het den ongelukkigen, armen zondaar betaamt, als
hij voor de oneindige Majesteit van God verschijnt. Zijn ge-
laat is doodsbleek en overdekt met het kille angstzweet; zijne
ledematen sidderen, geheel zijn lichaam beeft. Nauw hoorbaar
zucht Hij en klaagt het leed zijner gemartelde ziel aan den
hemelschen Vader; Hij stamelt een gebed — een kort maar
-ocr page 253-
348
ON\'ZKN\' REES JKSUS CHRISTUS
hartelijk en voorwaardelijk gebed, dat een vreeselijk licht ver-
spreidt over Jesus\' smarten maar tegelijk zijne volkomene onder-
werping aan den heiligen Wil des Vaders en zijne grenzen-
looze Liefde tot den mensch ons openbaart; een gebed, dat de
smeekbede voor alle lijdende zielen van alle tijden zijn moet.
Die ternauwernood hoorbare beden, welke de akelige stilte
van dien treurigen nacht onderbreken, moeten wij opvangen
en in ons hart bewaren. Zij zullen niet alleen een diepen in-
druk op ons gemoed maken, maar ook de treffendste leeringen
ons ter beoefening voorhouden. Tegelijk echter zal het, ter
voorkoming van alle misverstand, dienstig wezen, dat wij ons
den zin der woorden, waarin Jesus zijn gebed inkleedde, dui-
delijk maken.
Jesus stelt zijn lijden voor onder het gewone beeld van een
kelk, die bij de Joden in overdrachtelijke beteekenis een ge-
lukkig of ongelukkig lot, maar hier in Jesus\' mond slechts het
smartelijkst lijden aanduidde. Hij bidt, dat die Kelk Hem Mat.XXVI,
moge voorbijgaan, dat Hij dien niet behoeve te drinken —
indien het mogelijk, indien het met Gods wil overeen te bren-
gen is. Al dadelijk rijst de vraag op: hoe kon de Zaligmaker,
die nog kort te voren met zulk eene kalme waardigheid en
tevens met een volmaakt overgegevene gelatenheid over zijn
door een eeuwig raadsbesluit van God vastgesteld lijden en
sterven gesproken had, weinige oogenblikken later bidden om
er van bevrijd te blijven; hoe kon Hij zeggen: „indien het
mogelijk is," daar Hij den wil des Vaders kende, dat Hij door
zijn dood de wereld uit de slavernij des duivels verlossen
moest? Het antwoord op deze schijnbaar moeielijke vragen
biedt ons wederom de gewenschte gelegenheid aan om een
-ocr page 254-
2M
!fKT LIJDEN F.N STF.RVKN V.VN
dieperen blik in Jesus\' Hart te slaan en ons al meer van zijne
Liefde jegens de menschen te overtuigen.
Jesus was Gcd en mensch; in Hem waren de goddelijke en
menschelijke natuur onafscheidelijk vereenigd. Doch zijne
menschelijke natuur had, even als de onze, een natuurlijken
afkeer voor het lijden, /ij schrikte terug voor den dood, zij
sidderde van angst bij het naderen der martelingen, welke haar
bereid werden. En dat alles onderging Jesus met volkomen
vrijheid, omdat Hij het wilde; Hij liet ook toe, dat zijne men-
schelijke natuur handelde en bad, alsof zij niet kende het raads-
besluit Gods, hetwelk wilde, dat de Zoon des menschen door
zijn kruisdood den mensch met God verzoenen en den kop
van het helsch serpent verpletteren zou. Zóó moest het op-
nieuw blijken, dat Jesus mensch was en in alles, behalve in
de zonde, aan ons gelijk ; zoo moest het duidelijk blijken, dat
Hij alles vrijwillig, uit gehoorzaamheid en Liefde leed, ook dat
zijn lijden uit Liefde voor ons doorstaan, nameloos groot
was. Want zien wij Hem straks zijne vijanden onverschrok-
ken te gemoet gaan, hooren wij Hem geene enkele klacht
uiten, als Hij weldra in eene zee van smarten en vergui-
zingen gedompeld is, dan zal dat kermend klagen en die
droeve smeekbede in den hof tot den Vader opgezonden
nog weerklank vinden in ons hart en ons luide blijven toe-
roepen: „ziet en herdenkt, hoe ondenkbaar veel Mij uwe
„verlossing gekost heeft, met welke brandende Liefde Ik u
„heb bemind."
Tevens wilde Jesus ons een leerrijk voorbeeld geven, hoe
wij allen, zelfs onder den druk van het smartvolste lijden, tot
den Vader om bevrijding of vermindering daarvan vragen mo-
gen, maar altijd voorwaardelijk: in zoo verre het God behaagt.
-ocr page 255-
ONZEN nu n ji.sis cilRimm.                                      245
Nimmer toch mogen wij vergeten, hoe ons goddelijk Voor-
beeld in den hof gebeden heeft. Mijn Vader! indien het Mat.X
mogelijk ia, — aldus sprak Jesus — laat deze kelk Mij voor-
bijgaan,
alsof Hij zeggen wilde; „vergenoeg U met het lijden
„en de vernedering, welke Ik tot nu toe alreeds voor de ver-
,,lossing des menschen verduurd heb; verg van Mij die gee-
„seling, die doornen-kroning, dien smartvollen kruisdood niet\'
„indien dit met uwen heiligen wil overeenkomstig zijn kan."
Nimmer zullen wij deze even troostvolle als leerrijke waarheid
genoegzaam kunnen overdenken; wij moeten ze dan ook van
alle zijden beschouwen, opdat haar helder licht ons op den
soms pijnlijken levensweg geleide en voor afdwaling behoede.
Jesus\' menschclijke natuur deinsde met huivering en schrik terug
voor het pijnlijke werk der verlossing en slaakte ook den wensch,
maar met vol komene onderwerping aan den wil des Vaders,
dat de lijdenskelk mocht voorbijgaan; die zelfde natuur kon,
omdat zij al onze zwakheden, behalve de zonde en wat met
Jesus\' volmaaktheden in strijd zou geweest zijn, had aangeno-
men, sidderen voor het lijden, maar zich verzetten tegen den
wil des Vaders kon zij niet; zij kon beven van angst en vrees
om hetgeen haar wachtte, maar zich niet te onderwerpen aan
Gods wijze beschikkingen, zou eene onvolmnakthcid in den
God-mensch geweest zijn. Biddende: neem dezen kelk van Mij
weg,
toonde Jesus mensch te zijn, omkleed met onze zwakheid:
maar altijd zou Hij degene zijn, die van Zich zei ven mocht
getuigen: wat Ffcm bchagelijk is, die Mij gezonden heeft, doe Joan.V
fk altoos. Wij hooien dan ook den Zaligmaker aan zijnedrin-
gende bede deze voorwaarde verbinden: indien liet mogelijk is,
„indien het, o Vader! uw «dl is, indien het niet in strijd is met
„uw verlangen, uwen wil, uw besluit; want Ik wil niets anders
-ocr page 256-
246
HET LIJDEN EX STERVEN
VAN
Mat.xxvi,23 „dan wat Gij wilt," niet mijn wil, maar uw wil geschiede. A1-
dus onderwerpt Jesus zijn mensohelijken wil aan den goddelij-
ken wil zijns Vaders en volbrengt daardoor eene oneindig
verdienstelijke offerdaad van eene onvoorwaardelijke gehoor-
zaamheid en van de grootste verheerlijking Gods.
Doch de bittere lijdenskelk zou Jesus niet voorbijgaan;
Hij moest dien drinken tot den laatsten druppel toe. Dit im-
mers was de wil des Vaders, dat de God-mensch al het lijden
naar ziel en lichaam ondergaan moest, wat de eeuwige Recht-
vaardigheid vorderde van Hem, die al de zonden der wereld
op Zich genomen had om daarvoor het zoenoffer te zijn, en
de straffen onzer misdaden boeten zou tot op het Kruis. En
Jesus wist dat en Hij wilde al dat lijden, en met volkomene
gehoorzaamheid onderwierp Hij Zich aan dat vonnis van Gods
vergramde Majesteit en herhaalde met volmaakte gehoorzaanv
Mat.XXVI,39 heid: niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij.
— Staan wij hier een oogenblik stil en overwegen wij Jesus\'
woorden in ons hart. Het is zulk een wondervol schoon gebed,
zoo rijk aan leering voor ons allen. Jesus\' gebed leert ons in
de eerste plaats, welk een krachtig middel het is ter vermeer-
dering van ons vertrouwen en ter opbeuring van onzen moed,
wanneer wij, met kruisen beladen en door tegenspoed ter neer
gedrukt, ons te binntn brengen, dat een Vader, die met eene
oneindige Liefde allen bemint, ons kastijdt en voor ons geestelijk
heil zijne hand zwaar op ons doet drukken. Het eerbiedig en
kinderlijk uitspreken van den naam van Vader, al zien wij
Hem met het zwaard in de hand, is dan reeds voldoende om,
even onderworpen als weleer de gehoorzame Izaak onder het
offermes zijns vaders, gelaten te bukken onder de hand zijner
-ocr page 257-
ON\'ZKN HEKS .TESts CHRISTUS                                              24"
Gerechtigheid, die wel slaat, maar ook de geslagen wonden
heelt. Verder laat Jesus ons in zijne menschheid, welke
onder het gewicht harer smart bijna bezweek, duidelijk zien,
dat het natuurlijk gevoel van droefgeestigheid onder het lijden en
van tegenzin voor beproeving, welke soms dreigen zich van ons
meester te maken, in geenendeele aan de volmaaktheid der
deugd afbreuk doen, wanneer de wil zich aan Gods beschik-
king onderworpen toont en met den lijdenden Zaligmaker blijft
zeggen: Vader.\' mu wil geschiede; dat het ook geenszins ons
als eene fout of gebrek zal aangerekend worden, wanneer wij
nederig bidden van het ons drukkend leed bevrijd te worden,
indien wij slechts, in navolging van Jesus, daaraan de voor-
waarde verbinden: „indien het mogelijk, en met uwe liefde-
,,volle beschikking, Vader! in overeenstemming is." Maar,
helaas! dit is een der grootste gebreken van ons gebed,
waardoor wij ook vele en groote vruchten, anders zoo
gemakkelijk uit een goed bidden in te oogsten, verliezen.
Wij, ongelukkige slaven der zonden, hebben zoo veel verdiend,
meer dan wij hier lijden en lijden kunnen voor onze overtre-
dingen van Gods wet, en des niet te min wij bidden als on-
verstandige kinderen, alsof God gedwongen is Zich naar onze
verlangens te schikken en zelfs aan zijne meest liefdevolle oog-
merken met ons zieleheil geen gevolg mag geven; alsof wij
dadelijk moesten verhoord worden, en te blijven lijden niet
dikwijls veel voordeeliger ware voor onze zaligheid dan er
spoedig van bevrijd te worden. Niet zóó leerde Jesus ons bid-
den, wel dat Gods wil in ons volbracht worde, al zou het ons
pijn doen en veel en langdurig leed berokkenen. —
-ocr page 258-
348
HIT i.IJDI X t.S STtRVI.N VAN
Tot tweemaal toe wil Jesus voor eenige oogenblikken zijn
gebed onderbreken om zijne zorg aan de leerlingen te wijden
en hen tot bidden en tot waken aan te sporen. Maar wat Hij
aan allen door zijn voorbeeld wil voorhouden: het was Hem niet
genoeg slechts éénmaal zijn Hart voor den hemelschen Vader
te hebben uitgestort; tot driemaal toe klaagde Hij zijnen nood.
Kn telkenmale werd zijn gebed hartelijker; telkens ook werd
de uitdrukking van volkomene onderwerping aan den wil des
Vaders krachtiger, totdat de rustige kalmte in Jesus\' mens<:he-
lijke ziel teruggekeerd is, de zwakheid der menschelijke natuur
zich volkomen en bereidvaardig aan den goddelijken wil on-
derwerpt.
Op nieuw dan werpt Zich de goddelijke Zaligmaker plat ter
aarde neder, door de pijnlijkste droefheid neergedrukt „om ons de
„hevigheid van zijn zielelijden" — zegt een even godvruchtig als
geleerd schrijver — „te openbaren en een voorbeeld van
„diepe nederigheid te geven; om ons duidelijk te maken,
„hoe zwaar de last onzer zonden op Hem drukte, vooral uit
„diepen eerbied voor zijnen goddelijken Vader, tot Wien Hij
\' *2 „zijne bede opzendt." Mijn Vader/ — luidt het nu — kan
deze kelk niet voorbijgaan, tenzij Ik hem drinke, uw wil ge-
schiede,
en zoo ook bad Hij ten derden male, dezelfde \\voor-
den herhalende. Hoe lang telkens de Zaligmaker bad, of Hij
nog andere woorden sprak dan welke de Evangelisten opge-
teekend hebben — wij weten het niet; doch onwaarschijnlijk
is het geenszins, dat Jesus uren lang gebeden heeft; want na
elke vermaning, welke Hij tot de Apostelen richtte, sliepen zij
wederom in, en zij zullen toch wel niet dadelijk, na tot waken te
zijn aangespoord, wederom ingesluimerd wezen: ook is het niet
te denken, dat Jesus telkens na een kort gebed op nieuw zal
-ocr page 259-
849
ONSEN HEM JKSI S CHKISTITS.
opgestaan zijn; daarenboven verliepen er tusschen Jesus\' ver-
trek uit de zaal van het laatste Avondmaal en tusschen zijne
gevangenneming minstens verscheidene uren. En wat de woor-
den betreft, waarin Jesus bad: wij mogen aannemen, dat slechts
die woorden in het Evangelie opgenomen zijn, welke Hij luid
op uitsprak en zóó, dat de .4 postelen ze konden hooren en aan
alle toekomstige geslachten ter leering en ten voorbeeld ovcr-
leveren. Doch wij behoeven ons met deze onoplosbare vragen
niet langer bezig te houden: van veel hooger belang is de
overweging der voorbeelden, welke Jesus in zijn herhaald gebed
ons ter navolging voorstelt.
— Driemaal bad onze Zaligmaker om ons te leeren, dat wij
volhardend moeten vragen, totdat ons smeeken verhoord is;
dat wij volhardend moeten kloppen aan de deur van Gods
Barmhartigheid, totdat onze nederige bede is ingewilligd; dat
ons bidden te dringender moet worden, naarmate onze nood
drukkender is. Zoo immers bad ons hoogst Voorbeeld in den
hof. Jesus leed onbeschrijfelijk veel en zóó veel, dat de H.
Lucas zijn lijden een doodsangst noemde; maar wat al onze
aandacht verdient: dezelfde Evangelist merkt daarbij op: in Luc.XXn.44.
doodsangst geraakt zijnde, bad Jesus te meer, te langer en
te dringender en vuriger; hoe langer de droefheid duurde, en hoe
pijnlijker die was, hoe meer Hij ook bad. De levende voor-
stelling van den pijnlijksten en smaadvolsten dood welke, ge-
wapend met den verklaarden wil des Vaders, Hem naderde,
streed tegen het natuurlijk gevoel zijner menschheid, terwijl
van den anderen kant zijn Geest, tot alles bereid en vol kracht,
de zwakheid des vleesches aanmaande om het laatste lijdenen
den dood uit Gods hand aan te nemen en zich aan diens wil te
-ocr page 260-
250
IIKÏ I.IJDKX KX STLKVKN VAN
onderwerpen. In dien harden strijd van Jesus\' menschelijke
natuur klom de vrees en angst en steeg hare benauwheid tot
zulken graad, dat niet alleen het koude doodszweet Hem van
het aangezicht druppelde, maar dat ook het bloed Hem uit
het lichaam geperst werd. Doch hoe meer Jesus leed, hoe
vuriger Hij bad; de graad van zijn lijden bepaalde de innig-
heid en den duur van zijn bidden; een bloedig zweet kleurde
den grond, maar een te vuriger gebed steeg op ten Hemel.
Hoe eindeloos goed is Jesus, die met vrijen wil dat lijden
zijner menschelijke natuur toeliet en ook verkoos om ons te
schitterender voorbeelden te kunnen geven! Op die pijnlijke en
voor Hem vernederende wijze gaf Hij ons een zichtbaar bewijs
èn van den bitteren strijd, welke in zijn binnenste gevoerd
werd, èn van de volkomene onderwerping, waarmede Hij den
bittersten lijdenskelk uit de handen van zijn Vader aannam;
maar tegelijk leerde Hij ook ons allen, dat het hevigste lijden
ons nimmer den mond mag sluiten; dat wij nimmer den moed
mogen opgeven, dat wij nimmer moede van het strijden mogen
worden, alsof het bidden tegen het ons overkomen leed geen
hulp kan aanbrengen.
Maar de lijdenskelk — zal misschien deze of gene opwer-
pen — werd niet weggenomen van Jesus. Het is waar: Jesus
moest alles lijden, wat van Hem geschreven stond, en den
dood ondergaan, welke Hem voorspeld was. Toch werd zijn
voorwaardelijk gebed verhoord. Zien wij, ter onzer onderrich-
ting, op welke wijze.
Terwijl de God-mensch in de nederigste houding in den hof
van Gethsemane vurig en lang biddende lag neergeknield, ver-
-ocr page 261-
osjzen 11fh:r: jksi.s Christus.                                      251
keerden al de Engelen des Hemels, hun smeeken met zijn ge-
bed vereenigende, in gespannen afwachting, welk het antwoord
des Vaders op het bidden van zijnen menschgeworden Zoon
wezen zou. Mocht die lijdenskelk Hem voorbijgaan; bleef
het smartvol lijden en de vernederendste dood Hem gespaard;
zou het zwaard, dat zijn leven bedreigde, tegengehouden \\vor-
den even als weleer, toen Izaak, de groote vóórafbeelding van
den gehoorzamen Zoon des Vaders, den\'offerdood ontkwam?
God verklaarde aan geheel het hemelsch hof, hoe het zijn on-
herroepelijke wil was, dat zijn Zoon den dood lijden zou; hoe
Hij diens gebed aannam, waarin deze met zoo groote zelfver-
loochening en volkomene onderwerping Zich tot alles bereid
verklaarde, wat des Vaders wil van Hem verlangde. Doch
tevens verkondigde God aan de Engelen, dat Hij door zulk een
pijnlijk middel zijne Rechtvaardigheid en Liefde aan de men-
schen openbaren zou, zijne beleedigde eer wreken, aan de we-
reld licht, aan den gevangene redding, aan den zondaar ver-
giffenis schenken en aan allen het recht teruggeven om hunne
verlorene plaatsen in den Hemel weder in te nemen. En alle
heilige Geesten aanbaden met den diepsten eerbied de Godde-
lijke Majesteit, welke hun zóó een nieuw bewijs wilde geven
van hare oneindige Wijsheid en oneindige Goedheid en legden
zich, met volmaakte onderwerping, bij Gods onveranderlijk
raadsbesluit neder, met een heilig ongeduld de Verrijzenis
van Jesus verbeidende, waardoor Hij mar verdiensten zou ver-
heerlijkt worden.
Maar daarom zou de Vader zijn beminden Zoon in diens
lijdensuren niet vergeten. Een nederig en volhardend gebed
blijft immers niet onverhoord voor den troon van Gods Barm-
hartigheid. Al verwerft het niet juist datgene, wat de biddende
-ocr page 262-
2S2
rfET I.MIIKN KX STKRVKS VAN
vraagt, toch doet het andere en, de verschillende omstan-
digheden in aanmerking genomen, betere weldaden over
hem nederdalen. Ook in Jesus zien wij nu deze waarheid
bevestigd.
Wel veranderde de Vader zijn raadsbesluit niet, dat Hij voor
eeuwen reeds omtrent het sterven van den God-mensch en met
volkomene instemming van zijn Zoon had vastgesteld; doch
in zooverre verhoorde Hij Jesus\' bidden, dat Hij een Engel uit
den Hemel zond om Hem te versterken en te troosten. Die
Engel verscheen aan den Zaligmaker in zichtbare, menschelijke
gedaante en :sprak tot Hem; hij wordt ook, en te recht, met
een kruis of met een kelk in de hand afgebeeld ten teeken,
dat de bittere lijdenskelk van Jesus niet zou weggenomen wor-
den. Eenige meenen, dat het de Aartsengel Gabriel was, wiens
naam „Man Gods" of „Sterkte Gods" beteekent; anderen houden
hem, en met groote waarschijnlijkheid, voor den Aartsengel
Michael, dewijl deze, onder alle Engelen, meer geëigend was
voor de hooge waardigheid van den Zoon Gods, en als over-
winnaar van Lucifer met diens aanhang eerder geroepen scheen
om Jesus\' heilige menschheid voor den aanstaanden strijd te
versterken, waarin de duivel opnieuw moest overwonnen worden.
Evenwel, met welke troostredenen — vragen wij misschien —
kon een Engel den goddelijken Zaligmaker bemoedigen, die
alle middelen ten zijnen dienste had om zijn moed te onder-
steunen; wat Hem leeren, aan Wïen niets onbekend was?
Kon een Engel aan Jesus iets zeggen wat troostvoller of zelfs
even troostrijk was, als hetgeen de Zaligmaker in het laatste
Avondmaal aan zijne beminde Apostelen ter hunner bemoediging
had voorgehouden? Bewonderen wij hier al wederom de
Goedheid en de nederigheid van ons goddelijk Voorbeeld.
-ocr page 263-
0V7.KN IIFKR JF.SIIS CHRISTUS.                                            258
Ootmoedig van harte, versmaadde Hij niet, dat zijne ge-
boorte door Engelen werd aangekondigd en bezongen, dat
Hij na de bekoring in de woestijn door Engelen gediend
werd; evenmin wilde Jesus, de Heer der heerscharen en de
Koning der Engelen, weigeren, dat een Engel Hem in het
geheugen al de redenen als \'t ware terugriep, welke ook zijn
menschelijken wil konden bewegen om het bitterste lijden uit
de handen van den hemelschen Vader aan te nemen. Daaren-
boven ,,om ons duidelijk te maken — zegt de eerbiedwaardige
„Beda — dat in Jesus twee naturen zijn, wordt ons in het
„Evangelie verhaald, dat de Engelen Christus dienden, als ook
„dat zij Hem versterkten." Als Schepper behoefde Hij de
hulp zijner schepselen niet; maar als mensch wilde Hij, die
om onzentwil bedroefd werd, ook om onzentwil getroost worden.
Wij mogen dan ook deze woorden in den mond des Engels
leggen: „Uw gebed, o, Zoon des Allerhoogsten ! is den Vader
„hoogst welgevallig, omdat Gij, ook volgens uwe menschelijke
„natuur voor het lijden en den dood terugschrikkende, uwen
„wil aan dien des Vaders onderwerpt. Leg nu alle droefheid
„af en betreed met moed den lijdensweg. Zóó zult Gij den
„Vader en U zelven verheerlijken, den mensch verlossen en
„voor hem de eeuwige zaligheid verdienen. Verdraag het
„Kruis om de U voorgestelde vreugde. Daardoor zult Gij
„ook bewerken, dat de Martelaren U met heldenmoed navol-
„gen en alle ware geloovigen eene schitterende overwinning over
„al hunne vijanden behalen. Gij wordt dan de roemrijke Aan-
„voerder van het heerleger van alle Heiligen."
— Aldus leert ons Jesus dat wij, bij eigen lijden in ons zelven
den troost niet vindende, waarmede wij anderen zoo menig-
maal uit hunne neerslachtigheid opbeurden, ons moeten tevre-
-ocr page 264-
254                                            HET T.IJDEX EX STERVEX VAX
den stellen met de vertroosting, welke God ons door den even-
naaste toezendt.
De bangste strijd was volstreden. Met diepen ootmoed had
Jesus de woorden des Engels, Hem in naam des Vaders toege-
sproken, aangehoord. Getroost, gesterkt en bemoedigd staat Hij
van het gebed op. De bijna bezwekene kracht van Jesus\' mensche-
lijke natuur was nu hersteld, en Hij ook als mensch wederom de
moedige strijder van vroeger geworden. Als overwinnaar keert Hij
uit dien strijd terug; Hij spreekt weder over zijn lijden en zijn
sterven als over eene verheerlijking van Zich zelven en van
zijn Vader; Hij verheugt Zich daarin als in eene schitterende
overwinning. Vastberaden en onverschrokken gaat Hij zijne
vijanden te gemoet: Ziet — zeide Hij tot de drie leerlingen —
het uur is gekomen, en de Zoon des menschen zal worden over-
Makc.xiV\', 41 geleverd in de handen der zondaars. Staat op, laat ons gaan!
Die Mij verraden zal, is nabij.
— Wonderbare kracht van een hartelijk bidden! Altijd vindt
het verhooring voor den troon van Gods genade en schenkt
den biddende rijke vruchten. Al verkrijgen wij niet altijd, wat
wij gevraagd hebben, God is zóó goed en zóó machtig dat
Hij, ons weigerende wat voor het heil onzer ziel minder
voordeelig zou wezen, ons daarvoor iets anders geeft, wat
strookt met zijne liefderijke bedoelingen en beter is voor
onze zaligheid. Al neemt Hij van ons den lijdenskelk niet
weg, Hij zal ons ten minste moed inboezemen en het
geduld geven om dien te ledigen ter zijner eer en ter
vermeerdering onzer verdiensten. — Ook dit nog leert ons de
biddende Jesus: wij gevoelen dikwijls eene dringende behoefte
om ons hart voor God uit te storten en Hem onzen nood te
-ocr page 265-
onzfa\' iik.kü ttsm ciirisïiis.                                  255
klagen; om Hem onze vrees en onzen angst te openbaren. Ons
daarvoor te schamen zou eene onredelijke zwakheid wezen;
Jesus en, vóór Hem, deed het ook David, zooals hij zelf ge-
getuigt : ik stort mijne bede uit voor zijn aangezicht, en aan Ps, CXL, 3.
Hem klaag ik mijnen nood; maar is de tijd van lijden geko-
men en wordt een bittere kelk te drinken ons. aange-
boden, dan moet ook ons gelaat opgeruimd en onze moed
onbezweken blijven, terwijl wij op God alleen hopen en van zijne
Goedheid uitkomst afwachten. Wie onzer, aan wie soms een
zwaar kruis is opgelegd, denkt ook niet dikwijls met innige
blijdschap aan die voorspelling, welke Gods vaderlijke Voor-
zienigheid aan alle lijdende zielen ter bemoediging en tot troost
door den koninklijken Profeet liet voorhouden: Die met tranen
zaaiden, zullen maaien met gejuich. Al gaande en weenende
ps. cxxV, 6
zaaien zij hun zaad, maar met gejuich zullen zij wederkomen,
dragende hunne garven.
Merken wij ten slotte nog deze waarheid op: de in den hof
lijdende en biddende Jesus biedt een tafereel aan, waarin met
de levendigste kleuren èn de boosheid der zonden èn de straf-
fende Rechtvaardigheid des Vaders èn de verzoenende Liefde
des Zoons worden afgeteekend: de loosheid der zonde, opdat
wij ze met een eeuwigen haat zouden verfoeien en door een
heilig berouw uitwisschen; de Rechtvaardigheid\'Gods, opdat wij
Hein zouden vreezen, in Wiens handen te vallen zoo verschrik-
kelijk is; de Liefde des Zoons, opdat wij Hem wederkeerig
zouden liefhebben, die met eene eeuwige Liefde ons bemint
en daarom ten koste van een onbeschrijfelijk groot lijden ons
verlost heeft.
-ocr page 266-
Hoofdstuk Y.
Jesus en zijne leerlingen.
Toen de goddelijke Zaligmaker den hof van Gethsemane
was binnen getreden, scheidde Hij van zijne elf Apostelen:
acht van hen liet Hij bij den ingang van die landhoeve achter;
drie, Petrus, Joannes en Jacobus, nam Hij verder mede en
verwijderde Zich toen ook van hen op een afstand van een
Mat xxvi.37 steenworp. Doch eerst nog zeide Hij hun: zit hier neder,
tenvijl Ik derwaarts ga en bidde
„niet om Mij voor u of voor
„anderen te verbergen, maar om te bidden en door mijn voor-
„beeld u te leeren, dat gij in droeve omstandigheden tot het
„gebed uwe toevlucht nemen en in stille afzondering uw har
„voor God uitstorten moet." Die scheiding was zeker eene
groote reden van droefheid voor het Hart van Jesus: Hij be-
Joan. XV\', y. minde hen meer dan eene moeder hare kinderen; Hij had
hen lief, gelijk de Vader Hem liefhad,
en nu moest Hij hen
verlaten, in het uur van gevaar en van strijd; Jesus was met
hen één van ziel en één van hart, en zij mochten Hem niet bij-
blijven! Vóórdat de vijanden Hem wegsleurden, ging de Her-
der heen van zijne schapen, de Meester van zijne leerlingen,
de Aanvoerder van zijne onderhoorigen, de almachtige Bescher-
-ocr page 267-
I1F1 I.IJDF.V F.S STF.RVKN VAN n\\ZF\\\' IIFFR .IFS1S (\'IIÏMSTIS.             2">ï
nier van die in nood verkeerden! Wie onzer gevoelt niet, hoe
pijnigend die scheiding voor het minnend Hart van den goeden
Jesus wezen moest, .welk eene hittere droefheid zij ook aan
de Apostelen berokkende? Met angst en droefheid zagen zij
Hem na en in hunne smeekende blikken was de bede te lezen:
laten wij U volgen om, zoo noodig, met U te lijden en te
sterven; maar de goede Jesus wil hun het treurig gezicht van
zijn doodstrijd besparen. Evenwel vergat Hij hen in zijne
Liefde niet. Hij zou hen niet als weezen achterlaten, had Hij
in zijne afscheidsrede gezegd; ook in zijn hevigst zielelijden
zou Hij aan hen blijven denken, door de diepste smart ter
neer geworpen, zijne waakzame zorg nog aan hen wijden. God is
getrouw en houdt zijn woord. Kan eene vrouw — zegt God \'s- XLIX, 14.
door den Profeet Isaïas — haar kind vergeten, zóódat zij zie/i
niet ontferme over den zoon van haren schoot? En als zij het
al vergeet, Ik zal u toch niet vergeten; zie, in mijne handen
heb Ik u getcekend.
Zouden wij dan niet op God blijven ver-
trouwen in alle omstandigheden des levens? Kan een Christen,
die gelooft, moedeloos worden en zich tot de onredelijke klacht
„God vergeet mij," laten verleiden, als hij Jesus in die uren
van bangen doodstrijd nog ziet zorgen voor zijne leerlingen?
Vóórdat Jesus zijn eerste gebed stortte, had Hij zijne
bevoorrechte Apostelen dringend vermaand en hun gezegd: „ver- M.vr.XXVJ.,38
„beidt hier en waakt met Mij, om van Mij onderwerping aan
„den wil van God te leeren en Mij door uwe deelneming en
„gebeden te troosten\'" Maar dit woord was op een steenach-
tigen grond gevallen. De Apostelen sliepen weldra in. De
vermoeienissen van den vorigen dag en het lange nachtwaken
hadden hunne krachten uitgeput, terwijl de hevige zielsaandoe*
17
-ocr page 268-
258
I1KT l.miKV l:\\ STKEVKS VAS\'
ningen van de laatste uren hen zóó zeer geschokt hadden, dat
zij de kracht misten om tegen de afmatting des lichaams te
worstelen. Deze omstandigheden mogen eenige verontschuldi.
ging voor hen wezen, toch moet het voor den lijdenden Jesus
bedroevend geweest zijn, toen Hij na zijn eerste gehed ten
Hemel gezonden en de Apostelen opgezocht te hebben, zoo
weinig deelneming bij hen vond. Zijne dringende vermaning,
en ook Hij zelf was vergeten en wel door hen, op wier trouw en
gehechtheid Hij het meest moest kunnen vertrouwen. Zij, die
boven alle anderen door Hem bevoorrecht waren, die Hem
ook de ondubbelzinnigste verzekeringen van genegenheid ge-
geven hadden, konden inslapen, toen hun Meester van angst en
droefheid den dood nabij was? De Vader nam den kelk deslijdens
van Jesus niet weg; zijne Moeder kon Hem niet ter zijde staan;
de Apostelen sliepen; zijne anders getrouwe volgelingen waren
afwezig; werwaarts Hij zijne blikken sloeg — Hij zag niemand
dan den Engel, die Hem troostte. En Judas, de verrader,
sliep niet, maar waakte en smeedde zijne laatste plannen en
maakte de beslissende afspraak met de Oversten der Joden om
zijn Meester over te leveren! Ook de andere vijanden gunden zich
de zoete rust niet; hun nijd en haat waren rusteloos in de weer
om valsche beschuldigingen uit te denken, om getuigen te-
gen Hem om te koopen, om allerlei middelen te beramen,
hoe zij den gehaten Wonderdoener machtig worden, hoe Hem
martelen en ter dood konden brengen; Annas verheugt zich reeds
Jesus gebonden te zien; Caiphas laat de leden van den Hoogeraad
ter vergadering oproepen, en door de straten van Jerusalem sluipen
reeds die afzichtelijke gestalten, welke straks hun reeds zoo be-
zoedeld geweten nog met een vrijwilligen moord zullen be-
zwaren! O, wij begrijpen, dat Jesus, die dat alles in een
-ocr page 269-
ONZI-X IIKF.R JKS1S ClIRISTrS.                                             259
ondenkbaar klein oogenblik tijds overzag, van droefheid vervuld
werd, toen Hij van het gebed opgestaan zijnde, zijne Apostelen
niet wakende, gelijk Hij hun bevolen had, maar slapende vond.
Zich beklagende over de geringe deelneming in zijn toestand,
voegt Hij op berispenden toon, maar toch met zachtmoedig-
heid en op verschoonende wijze, eerst aan Petrus deze \\voor-
den toe: „Sitnon/ slaapt s;ij! vermoogt gij niet één uur metMij\'Marc.XIV\',
„te waken? Gij, die zoo grooten ijver voorwendet en met ver-
„metelheid u bereid verklaardet met Mij gevangenis te lijden
„en in den dood te gaan eerder dan u in Mij te ergeren; nu
„zijt gij te zwak om met eenige inspanning den slaap te over-
,,winnen en te waken met Mij, die bid en onnoemelijk veel lijd
„ook om uwentwil." Maar ook de anderen waren niet minder
schuldig. Zij hadden immers het voorbeeld van Petrus gevolgd
en even voorbarig als hij gesproken. Daarom richtte, zooals
h.. Mattheüs vermeldt, Jesus hetzelfde verwijt tot de overigen.
En liefderijk allen vermanende liet Jesus deze waarschuwing
er op volgen: „waakt en bidt, dat gij niet in bekoring Mat.XXVI,4i
„komt; de geest is wel gewillig, doch liet vleesch is zwak;
„vertrouwt niet op den goeden wil, die u bezielt; want al is
„de geest bereid om met Mij te lijden, uwe zinnelijke natuur
„is zwak en strijdt tegen den geest en zal dien overwinnen, als
„gij uwe kracht niet zoekt in de waakzaamheid en in het
„gebed."
— Wie zich onschuldig achten durft aan datgene, wat wij in
de Apostelen moeten afkeuren, hij werpe den eersten steen op hen.
Doch wie kan zich de handen rein wasschen? Wat doen in
het algemeen de menschen anders dan \\vaken,als tijdelijke belaiv
-ocr page 270-
260                                            HET I.Uni-V KV STKRVEV VAN
gen moeten behartigd worden, dan slapen, wanneerhetde7.org
geldt voor geestelijke belangen? De meesten handelen, alsof
het heil hunner ziel eer verwaarloosd dan behartigd dient te
worden. Voor dingen, welke een korten tijd duren, spannen
zij alle krachten in: voor de eeuwige goederen hebben zij
ter nauwernood één oogenblik over. Ken uur te bidden; een
honderste gedeelte van hun leven te besteden aan het verzekeren
hunner zaligheid door goede werken; eenige minuten lang zich
met aandacht te wijden aan de voorbereiding tot het waardig ont-
vangen derH. H. Sacramenten; hunne godsdienst-plichten te ver-
vullen, te zorgen voor eene christelijke opvoeding hunner kinde-
ren — het is hun dikwijls te veel en te lastig. Maar dag en nacht
te zwoegen voor een tijdelijk gewin; de hitte en koude van
den dag te verdragen en hun geest met allerlei zorgen te kwel-
len om aan hunne zaken uitbreiding te geven — daarvoor of-
feren zij gaarne zelfs hunne nachtrust op, stellen zij zich aan
veelvuldige gevaren bloot en achten geene moeite te groot noch
eenige inspanning te langdurig. Wat is de mensch toch een
onoplosbaar raadsel! Zijne hoogste belangen laten hem dikwijls
koud en onverschillig; ondergeschikte aangelegenheden bezielen
hem met eene blakende geestdrift; de Hemel verrukt hem niet,
maar de aarde verovert geheel zijn hart; hij grijpt naar eene
schaduw, maar de werkelijkheid wekt zijne belangstelling niet.
Hij waakt, als hij zich aan eene geoorloofde rust mag over-
geven, maar helaas! hij sluimert in, wanneer niemand minder
Eph. V, 4. dan Jesus zelf hem vermanend toeroept: ontwaak, gij die
slaapt, en sta op van de dooden; en Christus zal u verlichten.
Zou daarom niet menigeen deze woorden van den eerbied-
waardigen Salvianus op zich moeten toepassen: „Welk eene
„verblindheid, welk eene schande! Met grooten ijver bewerkt
-ocr page 271-
26]
ONZI\'.N llhl.li JfcSLS CHRISTUS.
„gij, dat gij in de eeuwigheid ongelukkig zijt, en met hoeveel
„minder zorg en mindere inspanning kondet gij bewerken, dat
„gij voor alle eeuwigheid gelukkig waart?\'\' Waarlijk! met
mindere zorg: dour .slecht» korten tijd met Jesus te waken.
Gedurende ons kortstondig leven op aarde, waar wij eeuwig
blijvende goederen moeten verdienen, is het ook de tijd niet
om in te sluimeren in eene zorgelooze rust en ons aan eene
vadzige werkeloosheid in betrekking tot onze hoogste belangen
over te geven; maar wel om in het land onzer vreemdelingschap
onvermoeid voort te wandelen naar het beloofde land; om op
deze omstuimige zee vastberaden te blijven worstelen tegen de
woedende golven, opdat wij de veilige haven bereiken; om
dapper den strijd des geloofs te voeren, opdat wij den prijs
der overwinning behalen; om hier vlijtig te zaaien, opdat wij
ginds rijke vruchten inoogsten. En geen oogenblik mag die
inspanning verflauwen; wie ook een korten tijd slechts inslui»
mert, stelt zijn heil in de waagschaal en zich zelven aan tien on-
dergang bloot. Doch wie wenscht met Jesus eens te heerschen,
moet zich niet ontzien nu met Hem te waken. Dit zij dan ons
aller leus: waken met den lijdenden Zaligmaker, tot dat het
uur — ons verborgen maar God bekend — slaan zal, waarop
wij uit deze wereld naar onze eeuwige woning zullen verhuizen;
dan zal God ons eens zeggen: rust nu uit van uwen arbeid.
—- Nog een ander soort van slapers dienen hier gegispt te
worden. Wij zien hen alle dagen, zelfs moeten wij ons zelven
misschien onder hun getal rekenen. Jesus\' geheimzinnig Li-
chaam, zijne Kerk, zucht in onzen tijd onder groote verdruk-
king, onder den last van een onafgebroken strijd. Dagelijks
gaat zij nieuwe moeielijkheden te gemoet, hare vijanden ver-
meerderen bijna elk oogenblik en toonen zich steeds driester en
-ocr page 272-
262                           hf.t i.unrx fv stffvfx v.\\n
ook begeerlijker om hare vrijheid in te korten, om haar te
mishandelen en zoo mogelijk aan het kruis te slaan. En wat
doen zoovelen van hare kinderen en leerlingen? Zij sluime-
ren in en blijven werkeloos; zij hebben voor Christus en zijne
Bruid geen hart, zij hebben voor hunne Moeder geen troost, geen
hulp, zij betoonen haar zelfs geene deelnemende belangstelling.
— Jesus wil, dat wij eiken mensch, inzonderheid onze bedrukte
broeders en zusters in het geloof, als ons zelven beminnen. Hij
beschouwt als aan Hem gedaan, wat wij hun doen. Hebben
wij in onze omgeving niemand, die met bitteren nood te kam-
pen beeft, wiens bleek en uitgeteerd gezicht van nijpenden
kommer getuigt? En boe velen, ofschoon rijk aan goederen,
sluiten hunne oogen voor het leed van hunnen evennaaste en
hooren jammerklachten zonder door medelijden bewogen te
worden tot weldoen. Hun aller slaap is schuldiger dan die
van de Apostelen, omdat hij voortkomt uit lichtzinnigheid of
uit hardvochtigheid of uit gehechtheid aan het aardsche, maar
daarom wacht hen ook een zwaarder oordeel dan wat Jesus
over de slapende leerlingen uitsprak.
Na ten tweeden male gebeden te hebben keerde Jesus naai
zijne Apostelen terug en wederom vond Hij hen slapende, wam
hunne oogen waren bezwaard.
Ook nu wekte Jesus hen uit
hunnen slaap op en sprak hen aan; met welke woorden verhaalt
ons het Evangelie niet; maar veel zal hun de goede Meester
niet gezegd hebben. Hij wilde hen niet bedroeven; ook was
dit alleen reeds eene strenge berisping voor hunne zorgeloos-
heid, dat zij al wederom door Hem slapende gevonden werden.
Zij waren dan ook zóó beschaamd, dat zij niet wis/en, wat zij
-ocr page 273-
263
ONZEN\' IIKIR J7.SUS CHRISTUS.
Hem zouden antwoorden, wat zij ter hunner verontschuldiging
zouden inbrengen.
Van het gebed ten derden male en voor goed opgestaan zijnde MAT.XXVI43
en tot zijne leerlingen gekomen, vond Hij hen al weder slapende , yXu
van droefheid.
Het is van algemeene bekendheid, dat de
droefheid der ziel, even als zij tranen doet storten, ook in de
hersenen vochten verwekt, waaruit lusteloosheid en slaperigheid
ontstaan: wij zien dikwijls daarvan het bewijs niet alleen bij
zwakke kinderen, die, na veel geweend te hebben, diep insla -
pen, maar ook bij sterke menschen, die in droevige omstan-
digheden door den slaap vermand worden. Jesus wekte de
Apostelen uit hunne sluimering op en zeide hun, maar nu met
strengen ernst, om met nadruk zijne afkeuring uit te druk-
ken, dat zij in zulk een plechtig maar tevens gevaarvol
uur in waakzaamheid te kort schoten : slaapt nu en rust; MAT.XXVI.45
ziet, hel uur is genaderd, en de Zoon des mensehen zal
07\'ergeleverd worden in de handen der zondaren; staat op, laat
ons gaan ? Die Mij verraden zal, is nabij.
Het is alsof Jesus
zeggen wilde: „waarlijk, het is nu wel de tijd en de plaats en
„de gelegenheid om u aan den slaap over te geven, nu\'alles
onheil voorspelt en mijne vijanden reeds naderen. Slaapt en
„rust nu, zoo gij kunt; tot nu toe heb Ik u vermaand en ge-
„beden om met Mij te waken en Mij door bewijzen uwer deel-
„neming te troosten; maar die weinige inspanning hebt gij Mij
„geweigerd. Wat Mij betreft, slaapt nu, als gij zulks vermoogt;
„doch het zal 11 niet mogelijk zijn. Maar genoeg hierover.
„Het is nu geen tijd van slapen, want het oogenblik is daar,
„dat Ik gevangen zal worden genomen. Staat dan op, en
„wij zullen onze vijanden te gemöet gaan." Terwijl Jesus al-
dus sprak, kwam het bedroevend beeld van Judas Hem weder
-ocr page 274-
264
HIT I.I.IDKN EN STKHYKS \\AN
voor den geest. Hij zag, hoe die ongelukkige afvallige den
bloedprijs voor zijn afschuwelijk verraad zou ontvangen en
reeds met eene bende in aantocht was om aan de gedane be-
lofte gevolg te geven. Dit kwelde Hem meer dan de haat
der Joden; de ontrouw van één zijner Apostelen was voor Hem
een bitterder lijden dan alles wat de wreedheid zijner vijanden
tegen Hem kon uitdenken. Dit pijnigend gevoel wilde Jesus
voor zijne Apostelen niet verborgen houden. Na hen streng
berispt te hebben vervolgde Hij ongeveer op deze wijze:„gijlieden
„hebt geslapen, en hij, die Mij overleveren zal, heeft gewaakt en
„kende geene rust in dezen verschrikkelijken nacht; hij heeft zijne
„hclsche plannen beraamd; hij nadert met rassche schreden om
„ze uit te voeren. Ik ga hem te gemoet om hem te toonen,
„dat Ik den dood niet vrees, dat Ik het lijden verlang."
— Wij bewonderen den bovennatuurlijken moed van onzen god-
delijken Zaligmaker; doch leeren wij ook, waaruit Hij die be-
wonderenswaardige kracht geput heeft. Tot driemaal toe heeft
Jesus, den geheelen nacht wakende, gebeden, om ons een voor-
beeld te geven en om uit het waken en uit het bidden dien
moed en die kracht te putten, welke Hij wilde noodig hebben,
ten einde ook naar zijne menschelijke natuur het lijden en den
dood met onverschrokkenheid en een onverwinnelijk geduld te
ondergaan. Door woord en door voorbeeld leerde Hij ons
aldus èn te waken èn te bidden, opdat wij de gevaren der be-
koring zouden overwinnen. Beide deugden zijn voor ons gees-
telijk leven dringender noodzakelijk dan een krachtig voedsel
voor het onderhoud van ons lichaam. Daarom vermaande de
Zaligmaker zijne Apostelen: waakt en bit/t, dat gij niet in bc-
koring valt.
Eerstens moeten wij waken, want niemand weet,
wanneer hem de duivel zal aanvallen, die altijd komt als een
-ocr page 275-
ONZEN IIK1.K JI.SI\'S CHRISTUS.                                                      2C<~1
dief in den nacht; wanneer de bruidegom nadert, wien wij met
brandende lampen moeten te gemoet gaan; wanneer de lieer
ons zal oproepen, aan Wien wij rekenschap verschuldigd zijn;
waken dus om altijd op onze hoede te zijn , opdat wij niet
onverwachts overvallen worden en den toegang tot ons hart en
onzen geest voor onzen vijand gesloten hebben — waken om
op ons zelven te letten en met goede werken ons bezig te hou-
den. De waakzaamheid toch in het geestelijk leven bestaat
niet alleen in eene kloeke en behoedzame voorzichtigheid maar
ook in eene deugdzame werkdadigheid. Het eerste moet ons
helpen, om tegen een plotselingen aanval des duivels beveiligd
te zijn, wat dikwijls niet eene schandelijke nederlaag eindigt;
het laatste moet als eene borstwering, als eene geestelijke wa-
penrusting der ziel wezen, waartegen de aanvallen des vijands
afstuiten. En nog, al worden al die maatregelen genomen, is
dat alles tegen over zulk een bestrijder, als Satan is, niet vol-
doende. De geest kan gewillig zijn, maar het vleesch is zwak
en werkt ontzenuwend op den geest. Het lagere deel des men
schen is altijd geneigd om de wapenen neer te leggen, zelfs
onder het vaandel des vijands zich te scharen en een Judas\'
rol te spelen. Daarom vermaande ons de goddelijke Aanvoer-
der ook tot het bidden. Ons zwak en vermoeid oog heeft be-
hoefte aan eene goddelijke zalve, opdat het scherper zie; onze
geest aan eene goddelijke wapenrusting, opdat hij alle aan"
vallen afsla; ons hart aan een krachtige beschutting, opdat
het bestand zij tegen de vergiftige inwerking der bedorvene
natuur en tegen tic verleiding der wereld. In één woord:
wij hebben vele genaden noodig. Uit ons zelven zijn wij te
zwak om alle aanslagen van den vijand onzer zaligheid
-ocr page 276-
26fl                                             HET LIJDEN IX STLRVIJX VAX
te verijdelen; wij kunnen ook niet eenig goed ter zalig-
heid zonder Gods genade verrichten, bovenal niet volharden
ten einde toe. Al wie derhalve niet wil bezwijken maar den vijand
overwinnen, hij hanteere het krachtigst wapen, dat God hem
in de handen geeft; wie verdiensten voor den Hemel wenscht
te vergaderen, hij vrage de daartoe noodzakelijke genade door
een krachtig gebed; al wie volharden wil en zóó zalig worden,
hij bidde veel en goed. „Na het Doopsel ontvangen te hebben"
— leert de H. Thomas — ,,is het volhardend gebed voor den
.,mensch noodzakelijk om den Hemel binnen te gaan. Ofschoon
,,ons door het Doopsel de zonden vergeven zijn, blijft toch nè.
„liet Doopsel de prikkel der zonde in ons over, welke ons
„van binnen bestookt, terwijl de duivel en de wereld ons van
„buiten aanvallen." Opdat dan Jesus, de Rechter van leven-
den en dooden, eens in waarheid tot ons kunne zeggen: ziet,
het uur is genaderd, rust nu,
is èn het waken èn het bidden
voor ons allen eene dringende verplichting,
Maar — deze vraag komt een ieder voor den geest — hoe
moet onze waakzaamheid, hoe ons bidden wezen? Geen betere
leermeesters kunnen wij ter oplossing van deze moeielijkheid
raadplegen dan de Heiligen, die door woord en voorbeeld ons
die groote kunst geleerd hebben, die dat groote geheim niet
voor zich zelven alleen hebben bewaard, maar uit liefde aan
ons hebben medegedeeld.
De waakzaamheid moet eene tweevoudige zijn, — aldus
waarschuwt ons de H. Laurentius Justinianus. Drie vijanden
hebben wij te bestrijden: den duivel, de wereld en het vleesch.
I. Ve. V, 8. De duivel loopt rond als een brullende leeuw, zoekende wien hij
zal kunnen verslinden, en als hij door geweld niet slaagt in
-ocr page 277-
ONZEN- HKKlt JFSI.S CHRISTIS.                                             267
zijn boos opzet, neemt hij in zijne aanvechtingen en bekoringen II. Cok.XI, 14
de gedaante aan van een Engel des lichts en weet door zijne hel-
sche list zich zóó voor te doen, alsof hij een prediker der waar-
heid en der strenge zedewet ware, altijd met de geheime be-
doeling om, onder den schijn van deugd, argeloozc en onbe-
dachtzame zielen te verleiden tot het kwade. Eveneens bereidt
de booze wereld en de zinnelijkheid met hare lage lusten aan
den mensch eene menigte van hoogst gevaarlijke verzoekingen.
Wij hebben ons slechts de verscheidene ondeugden, welke hem
soms beheerschen, en die lastige en vernederende driften, welke
in zijn hart een hevigen storm verwekken, ons voor den geest
te brengen om het gevaar te beseffen, hetwelk hem de vriend-
schap met God en de eeuwige zaligheid dreigt te ontrooven.
Wie tegen al die vijanden niet waakt, niet op zijne hoede is,
zal zeker in dien rooeielijken strijd bezwijken. ,,Kan dan iemand"
— vraagt genoemde Heilige — „zalig worden zonder d<. nood-
„zakelijke kennis van zich zelven? Alwie dan een vlijtige be-
„oefenaar der deugd zijn wil, geve nauwkeurig acht op de
inwendige beweging van zijn hart en zie goed toe, naar welke
„zijde zijn gemoed heen getrokken wordt*" Doch ook uitwen-
dige
waakzaamheid is hoogst noodig en deze bestaat, volgens
denzelfden Heilige hierin: ,.de ziel moet nauwgezet gadeslaan.
„zvat zij doet, opdat zij niet verkeerd handele en geen goed
..ver/.uime, Zij moet verder nagaan, hoc zij het eene of het
„andere doet, ten einde onder den schijn van goed niet eenig
..kwaad in haar binnenste insluipe en zij zich zelve niet door
..hare driften late medesiepen. Zij moet aan zich zelve ook
„rekenschap geven, in welke orde zij iets verricht, opdat het
„eene niet gedaan worde, vóórdat het andere moet gesehie-
-ocr page 278-
268
IH.T I.UIH.N K-N STEKVK.N\' VAM
„den, aan het tijdelijke niet boven het eeuwige, aan het men-
„schelijke niet boven het goddelijke de voorkeur gegeven worde.
„Eindelijk moet een ieder zich vergewissen, of wel alles ten
„geschikten tijde gedaan wordt om de voortvarendheid geen na-
,,deel te doen toebrengen, om eene misplaatste voorliefde geen
,,bedrog te laten plegen, om de onbezonnenheid geen afkeer te
,,doen verwekken in de oefeningen der godsvrucht. Meteen voor-
„zichtig overleg schouwt de waakzaamheid in de toekomst en het
„tegenwoordige regelt zij met wijs inzicht, opdat zij zonder aanstoot
„wandele met den evennaaste. Rijpelijk beproeft zij de begeerten,
„de inblazingen, aanvechtingen en ingevingen. Het verledene
„bewaart zij getrouw in haar geheugen om uit hare onder-
,,vinding het tegenwoordige en het toekomstige te beoordeelen."
„Zóó moeten wij waken en dan het gebed beoefenen, waarvan
de kracht" — de genoemde Heiiige is nog altijd aan het woord —
„zoo groot is en hetwelk door de handen der Engelen aan God
„wordt aangeboden, altijd in de veronderstelling, dat het met
„vurige liefde, met een levendig geloof, met eene goede mee-
„ning en met nederigheid gestort, dat het ook door geene zonde
„bezoedeld maar met goede werken gesierd worde. Zulk een
„gebed verzoent God, verblijdt de Engelen en Heiligen, dringt
„door tot in den Hemel en verwerft het gevraagde. Het jaagt
„den duivel schrik aan, overwint de vijanden, hervormt de
„menschen, kweekt aandacht aan, vervult de biddenden met
„eene hemelsche zoetigheid, verzamelt de verstrooide gedach-
„ten en doet den biddende in eene heilige aandacht ver-
,,wijlen. Hoe machtig een volhardend gebed is, vermag nie-
„mand op genoegzame wijze te zeggen."
Doch al die macht bezit het slechts dan, wanneer het de
-ocr page 279-
369
ONZt\'.V IIKF.R mUS CHRISTI\'S.
vereischte voorwaarden bezit. Het moet aandachtig zijn en wij
mogen God niet alleen met de lippen, moeten Hem ook met
het hart vereeren: oneerbiedigheid of vrijwillige verstrooidheid
maken het gebed, minstens voor een gedeelte, vruchteloos, zelfs
zondig; ,,evenals het lichaam met de ziel" — zegt de H. Gre-
gorius van Nazianze — „en de tak met den stam en de zon-
„nestraal met de zon moet vereenigd blijven, evenzoo moeten
„wij in het hart met God verbonden blijven, als ons gebed krachtig
„zijn zal." Vervolgens moet ons gebed nederig zijn, want aan J vc. IV, 6
de hoogmoedigen weerstaat God, maar aan de nederigen geeft
Hij zijne genade, en de nederige tollenaar ging gerechtvaardigd
naar zijn huis terug, niet zoo de trotsche Phariseör. Met die
nederigheid des harten moet gepaard gaan een groot vertrou-
wen op • Gods Goedheid, want die twijfelt, is gelijk aan eetie JAC- L 6-
zee-golf, welke door den wind bewogen en geslingerd wordt, die
is ongestadig en zal ook in het gebed niet volharden; hijmeene
dan niet die mensch, dal hij iets van den Heer ontvangen zal,
omdat hij niet in die zielsgesteldheid zich bevindt, welke tot
een goed gebed vereischt wordt. Eindelijk moet ons gebed
volhardend zijn: men moet altijd bidden — beval de Zaligma- Luc. XVIü
ker — en niet moede worden, al wordt ons gebed ook al
niet dadelijk verhoord; weest — vermaant de H. Paulus — RoM\' XIIi
volhardend in het gebed; „de vrome herinneringen aan God" —
leert de H. Basilius — „moeten wij als een onuitwischbaar,
,,ingedrukt merkteeken in onze ziel dragen." Doch hoe kan
de Christen, wiens aandacht zoo menigmaal door andere, min-
dere belangen wordt ingenomen, zich altijd met bidden bezig-
houden?,, Door alles" —zoo lost de H. Thomas die moeielijkheid
op — „wat wij uit liefde tot God doen, wordt het bidden onder-
-ocr page 280-
2"0             HET LIJDEN ES STERVEN VAN UXZKN" HEER IKSUS CHRISTUS,
„houden;"..... „uw verlangen" — zegt de H. Augustinus —
„is uw gebed, verlangt gij altijd te bidden, dan zal dit verlan-
„gen ook uw gebed zijn\'" De Zaligmaker heeft Zich verwaar-
digd ons dit in eene zijner openbaringen aan de H. Catharina
van Sienna duidelijk te maken: „alles wat men" — aldus
sprak Hij tot die heilige Maagd — „uit liefde tot God en tot
„den naaste doet, kan een onafgebroken gebed genoemd
„worden; want al wie niet ophoudt goed te doen, die houdt
„ook niet op te bidden."
-ocr page 281-
Hoofdstuk TI.
Jesus en Judas.
De boosheid van den afvalligen Apostel.
Zoodia Judas, omstreeks acht uur in den avond, voortgedre-
ven door den duivel, die in hem gevaren was, de zaal van het
laatste Avondmaal verlaten en zich van de andere Apostelen
gescheiden had, maakte hij zijne laatste plannen en nam alle
noodige maatregelen, om zijnen goddelijken Meester aan de
Oversten der Joden te kunnen overleveren. Hij, eerst een dief,
zou nu onschuldig bloed verraden; eens Apostel en des Hee-
ren dischgenoot en vertrouweling, wordt nu verachtelijker nog
dan een vadermoorder, schuldiger dan een godloochenaar; hij
gaat zich toonen als een duivel in het vleesch. Wij zien in
onze verbeelding hem door de straten van Jerusalem loopen,
van het eene huis zich naar het andere spoeden; nu klopt hij
de voornaamsten der Synagoge uit hunnen slaap op, aan allen
zich aanbiedende om de gedane belofte te vervullen, allen
waarschuwende, dat de geschikte tijd is aangebroken om zich
van Jesus van Nazareth meester te maken, terwijl hij tegelijk het
plan ontwikkelt, dat hij ontworpen heeft, opdat Jesus niet zou
kunnen ontsnappen. Daar Judas sinds lang niet meer in den
-ocr page 282-
272                            hit M.rniN EN srr.RvKV van
Zaligmaker en evenmin in diens Godheid geloofde, maar Hem
misschien, evenals vele Joden, voor een valschen Profeet hield,
achtte hij het geraden om zijne maatregelen zóó te nemen, datzijne
voorzorgen haar doel niet misten. Dat hij in zijn boosaardig opzet
alle gewenschte medewerking vinden zon, behoefde hij niet te
betwijfelen. Alle vijanden des Heeren leenden hem dan ook
eene bereidvaardige hand en ondersteunden zijne pogingen,
welke zoo zeer in overeenstemming waren met de wenschen
huns harten. Zij gaven hem dan ook gaarne de beschikking
over die romeinsche soldaten, welke zij bij hooge feesten, zoo
als nu met Paschen, mochten gebruiken ter handhaving van de
orde. Sommigen meenen, dat het honderd en vijfentwintig man-
schappen waren. Vreezende echter, dat dit aantal van krijgsknech-
ten nog te gering mocht zijn, bevalen de Phariseèïi en andere
Oversten der Joden, dat hunne dienaren hen zouden vergezellen,
om alle hulp te verleenen, wanneer die noodig mocht zijn en
eenig geweldadig verzet zich vertoonde. Opdat de onderne-
ming niet mislukken zou bij afwezigheid van aanvoerders en
leidsmannen, besloot men, dat bij die bende ook Opperpriesters
zich zouden aansluiten, onder welke mannen van groot aanzien
waren, die ook het Hoogcpriesterschap in vorige jaren bekleed
hadden, Om nog grooter vertoon van macht te maken en alle
gewicht aan die nachtelijke gevangenneming bij te zetten, zou-
den daarenboven verschillende bedienaars van den tempel, die
met het onderhoud van het gebouw of met de zorg voor de
offerande belast waren, tegenwoordig wezen.
De bende was dus talrijk en geheel en al uitgezonden door
de Opperpriesters en Ouderlingen des volks, door de Schrift-
geleerden en de Phariseön. Welk eene ergenis alzoo door die aan-
zienlijken, oudsten, geleerdsten en ook door de in schijn vroom-
-ocr page 283-
OVZEX BEER JESIS CHRISTIS.                                       2?8
sten van het voorheen uitverkoren volk van God gegeven —
door hen die vertegenwoordigers van dat volk, op godsdienstig
gebied, waren; op wie vóór allen de verplichting rustte om den
schuldige te verdedigen, maar die nu verwoed naar Jesus\'
leven stonden en zelfs de anders gehate Romeinen, Heidenen
dus, aan hunne booze plannen dienstbaar maakten. Verschrik-
kelijk voorbeeld van hetgeen de haat, gekrenkte hoogmoed,
eigenliefde en schijnheiligheid vermogen en dikwijls ook on-
dernemen. Macht en rang en leeftijd en aanzien en geleerd-
heid moeten dan opgeofferd worden om de allerschandelijkste
oogmerken te bereiken.
Al die menigte was gewapend met zwaarden en stokken om
op elke gebeurtenis, die zich kon voordoen, voorbereid te
zijn; anderen droegen fakkels, ter voorlichting op hunnen weg
en ter voorkoming, dat de Zaligmaker soms, bij den bleeken
schijn der maan, in het struikgewas of achter boomen Zich ver-
borgen hield of zelfs ontsnapte; maar ook brandende lantaarns had-
den zij medegenomen om, mochten de fakkels het zij door den wind
of door eene andere oorzaak uitgaan, deze dadelijk weder aan-
gestoken konden worden. Uit al die voorbereidselen en voor-
zorgen kunnen wij opmaken, welk eene werkkracht de onge-
lukkige Judas ontwikkelde om het boosaardig doel, dat zijne
zwarte ziel vervulde, te bereiken; welk eene beweging en rumoer
in de anders zoo stille uren van den nacht te Jerusalem werden
verwekt: eene talrijke bende, samengesteld uit allerlei slag van volk
uit Joden en Heidenen, uit slaven en vrijen, uit leeken en pries-
ters, uit mannen van den vrede en van den krijg, trok
de stad uit om één enkel persoon gevangen te nemen, die Zich
geen ander levensdoel had voorgeschreven, dan allen uit de
boeien der zonde te verlossen. Belachelijk \'Vrhalve waren al
18
-ocr page 284-
57-t                                             HET l.MIHN KN STl\'KVIX VAX
die buitens])orige voorzirhtigheids-maatregelen, maar ook nut-
teloos. Wat toch zouden zij gebaat hebben, indien Jesus Zich
niet vrijwillig in de handen zijner vijanden had overgegeven?
. XXI, 30 Geen wijsheid, geen beleid\', geen raad is immers bestand
tegen den Fleer;
hadde Jesus niet willen gevangen genomen \\vor-
den, dan ware zeker toen reeds in en door Hem vervuld geworden
die treffende en groote Messianische profetie, waarin de verne-
II, ,. dering voorspeld werd van al de vijanden Gods: Waarom
woeden de Heidenen en maken de Tolken ijdele plannen/ De
koningen der aarde staan op en de vorsten spannen samen tegen
den Heer en tegen zijnen gezalfde..... Die in den Hemel woont
zal hen belachen en de Heer zal hen bespotten. Doch onze
goddelijke Zaligmaker, die de macht had om het leven we-
derom aan te nemen, zou het vrijwillig afleggen; Hij zou ge-
vangen genomen en ter dood geleid worden, omdat Hij door
zijne gevangenneming ons de vrijheid der kinderen Gods en
door zijn dood ons het ware leven schenken moest.
De aanvoerder en leidsman dergenen, die Jesus kwamen
grijpen, was de diep gevallen Judas. Hij vervulde die taak
dan ook op eene wijze, welke hem de lofprijzing zijner hand-
langers n:oest doen inoogsten maar zijne schuld bij God te
zwaarder maakte. Vooreerst koos hij, om zijne helsche plannen
ten uitvoer te leggen, een stil uur van den nacht, met het ken-
nelijk doel, dat elke opschudding vermeden en minder gelegen-
heid aan de getrouwe leerlingen des Zaligmakers gelaten werd,
om ter zijner verdediging op te treden; zóó ook matigde hij
de vrees der Opperpriesters, die beangstigd waren, dat het volk
tot oproer zou overslaan, als Jesus op den feestdag gevangen
genomen werd, wanneer vele Galileërs, meest allen innig aan
den Zaligmaker gehecht, ter feestviering in de stad zich be-
-ocr page 285-
on7.i:\\ hi:fr jksis CHRlBTim.                                             .\'.\'T"\'
vonden. Vervolgens achtte hij niet Jerusalem, ook de zaal van
het laatste Avondmaal niet, maar eene plek buiten de stad ge-
legen als de meest geschikte plaats voor zijne helsche plannen :
daar immers zou de Zaligmaker alleen zijn en niet zoo gemak -
kelijk verdedigd kunnen worden door degenen, die Hem aan-
hingen. Kn het was aan Judas geenszins onbekend, waarjesus
Zich gaarne afzonderde om te bidden en zijne leerlingen te
onderrichten in de geheimen van de waarheid, welker predi-
king Hem door den Vader was opgedragen. Mocht echter
soms de Zaligmaker pogingen in het werk stellen of om te
ontvluchten of om met behulp van zijne getrouwen weerstand
te bieden, ook daartegen had de booswicht zijne maatregelen
genomen door zijne gehoorzame bende te voorzien met allerlei
verlichtingsmiddelen en wapentuig. Ook was het voor het
welslagen van Judas\' onderneming eene dringende noodzake-
lijkheid, er was hem alles aan gelegen, dat zijne handlangers
zich niet vergisten in den persoon, Wien zij moesten gevangen
nemen, noch in het gunstige oogenblik, waarop zij de hand aan
hun slachtoffer slaan moesten; daarom gaf Judas hun een zeker
teeken, namelijk de gewone en ook onder de Joden gebruike-
lijke wijze van begroeting: Wien ik kussen zal— had hij metMAT.XXVI.48
hen afgesproken — die is het. Zóó trad hij op in de verachte-
lijke rol van een verrader die, valsch van aard en dubbelhar-
tig als hij is, een tweeledige bedoeling daarbij had: op die
wijze kon hij zijn Meester overleveren en tegelijk zijn booze
plannen voor Hem — met die ijdele hoop streelde hij zich
misschien altijd nog — verborgen houden en zich, na het verraad
gepleegd te hebben, bij de andere Apostelen aansluiten, alsof
eene geheel onschuldige bezigheid zijne aandacht voor eenige
uren gevorderd had en hij in het minste niet eenig deel had
-ocr page 286-
are
HET T.TJI1EN\' F.V STPRYEN VA\\
in die snoode daad, waarvan zij getuigen waren. Doch in
allen gevalle moest de bende, als Judas zich huichelachtig bij
de andere leerlingen gevoegd had, voorzichtig en tevens met
kracht te werk gaan: ook dit had hij hun scherp ingeprent
Mahc.XIV,45 bevelende : grijpt Hem en leidt Hem behoedzaam weg. Het
was alsof hij hun zeide: „het is nacht, en velen van u kennen
„Jesus niet genoegzaam van aangezicht; ook is Hij iemand,
„die het niet beneden Zich acht om ons strikken te spannen en aan
„onze aanslagen een hinderpaal op te werpen. Doet daarom
„niets, vóórdat ik het afgesproken teeken geef. Wien ik kussen
„zal, Hij is het, dien gij vatten moet; maar volbrengt dan mijn
„bevel met alle behoedzaamheid en groote zorg, opdat Hij niet
„aan uwe handen ontkome of zijne aanhangers Hem niet
„bevrijden."
Luc xvi, 8. — -Ö* kinderen dezer wereld zijn in hun geslacht (in hun
soort) omzichtiger (in het bezorgen hunner belangen) dan de
kinderen des lichts.
Aldus sprak de Zaligmaker, toen Hij de
handelwijze van den onrechtvaardigen rentmeester afkeurde.
Wij zien die uitspraak, in dubbelen zin toepasselijk, op bedroe-
vende wijze waargemaakt door den rampzaligen Judas Hoe
veel zorg, welke inspanning besteedde hij niet om het b!oed-
geld te verdienen, dat hem was beloofd voor het laaghartigst
verraad, hetwelk denkbaar is? IJver, werkkracht, sluwe bere-
kening, listige kuiperijen, opoffering van alle rust, aanhitsing
van Tesus\' gezworene vijanden, alles stelde hij, de diet en ver-
rader, in het werk, om zich te verrijken en de dertig zilver-
lingen machtig te worden. Geen middel werd ongebruikt ge-
laten, als het slechts dienstbaar kon gemaakt worden om het
hartstochtelijk gewenschte doel te bereiken. Welk een ver-
-ocr page 287-
ONZEN\' HEKH JKSUS CHRISTUS.                                             277
schil tusschen hem en een later Apostel van Jesus ! De h. Fran-
ciscus Xaverius weende van smart en droefheid, toen hij zien
moest, dat zoo velen allerlei gevaren trotseerden om een tijde-
lijk gewin, terwijl zoo weinigen zich eenige moeite getroosten
om eeuwige goederen. Kn Judas spant alle krachten in en
spaart zich geene vermoeienis en gunt zich ook in den nacht
niet eenige ïust —• om het reeds door onrechtvaardigheid ver-
worvene geld door nog boozer middelen te vermeerderen. Dit
moge wijsheid der wereld heeten, milder elk opzicht is zij vijandig
aan God. Daarenboven, al zijne bemoeiingen zijn even zoo
vele zonden, waardoor hij zich zelven in het ongeluk stort en
anderen op den weg des verderfs medesleept. Hij is slim en
sluw en werkzaam tot zijn ongeluk veel meer, dan de kinderen
des lichts ter zaligmaking van hunne ziel. Maar het baatte
hem niet, dat hij alles won, terwijl hij schade leed aan zijne
ziel; integendeel: naarmate hij beter slaagde in het booze, stortte
hij zich dieper in het ongel ak. Evenals er vele trappen naar
den Hemel leiden, zoo ook bestaat de weg naar de hel uit
ontelbare hellingen, en wie zich eens op ééne van die hellin-
gen waagt, hij nadert den afgrond in steeds sneller vaart, naar-
mate hij dieper daalt. Wie alzoo voor den laatsten val zich
behoeden wil, hij vermijde den eersten; wie niet verzinken wil
in den afgrond, hij werke zich voortdurend naar boven. Moch-
ten toch de ongelukkige zondaren begrijpen, wat kwaad de
zonde hun berokkent en hoeveel zij aan den Zaligmaker gekost
heeft, fn elke zonde is een tweevoudig vergift verborgen, van
boosheid namelijk en van dwaasheid. Ten opzichte van God
sluit elke zware en groote zonde eene beleediging in, welke
oneindig groot moet genoemd worden, omdat zij tegen de on-
eindige Majesteit Gods gericht is; in betrekking tot den mensch
-ocr page 288-
•2~S                                             HET LIJDEN E.N STKRVKN VAN
is zij de grootste dwaasheid, omdat hij zich, om wille van
eenig kortstondig genot of van tijdelijk gewin, van het hoogste
goed berooft en aan een eeuwig ongeluk overgeeft. Om voor
de boosheid der /.ouden van de geheele wereld te boeten, nam
Jesus alle lijden en zelfs den dood op Zich; om voor de dwaas-
heid der zonden te voldoen, liet Hij Zich op alle wijzen ver-
nederen, verguizen, zelfs als een dwaze bespotten. En r.og blijft
de zondaar zijn spotten met Gods vergramde Rechtvaardigheid
voortzetten. De diepste oorzaak van alle zonden is zeker deze,
dat de menschen de beleediging niet achten, welke aan God
wordt aangedaan, en niet beseffen, aan welk een ongeluk zij
zich voor eeuwig blootstellen. Hunne voldoening kan ten hoogste
kortstondig zijn; maar hunne schade pijnigt hen, als zij niet
door boetvaardigheid hunne schuld delgen, voor eeuwig. Wat
heeft het Judas gebaat, dat hij die verachtelijke dertig zilverlin-
gen door zijn verraad verdiende, daar hij nu daarvoor reeds acht-
tien honderd jaren lijdt in de hel en eeuwig, eeuwig lijden zal?
Onder geleide van Judas trok die bende, haren afschuwe-
lijken aanvoerder waardig, op naar den hof van Gethsemane, met
eene machtsvertooning, alsof zij eene geheele rooversbende
moest gevangen nemen. Zij betraden den ingang der land-
hoeve juist op het oogenblik dat de Zaligmaker, van den Vader
door een Kngel versterkt en naar zijn lijden verlangende, aan
zijne Apostelen zeide: Zie, die Mij zal overleveren, is nabij.
Zoodra Judas zijn Meester, die zijne vijanden te gemoet was
gegaan, in \'t oog kreeg, trad hij op Hem toe en zeide Hem:
.Xxvi, Wees gegroet, Meester f en hij kuste Hem. Nooit, zelfs niet toen
50 Satan den Zaligmaker in de woestijn bekoorde, stonden duivel-
-ocr page 289-
ONZEN HKKR JKSI s CHRISTUS.                                            279
sche boosheid en goddelijke Goedheid zoo nabij tegenover el-
kander, als in dit oogenblik. Het scheen, alsof Hemel en
hel zich inspanden om elkander te overtreffen „De vrucht des
doods" — zegt een godvruchtig schrijver — nadert den boom
„des levens; de buit der hel raakt het hoofd des Verlossers:
„de giftige slang rust aan het Hart, dat van Liefde brandt."
Terwijl wij zouden verwachten, dat God vuur van den Hemel
liet dalen om dien booswicht te verdelgen, ziet Jesus nog met
ontfermende Liefde neder op Judas\' gelaat, dat door afschu\\ve-
lijke driften akelig misvormd is. Waar de zonde overvloedig RoM- V\' 3V-
werd, daar is de genade alUrovervloedigst geworden. Dit
woord van den grooten Paulus mogen wij hier wel in herin-
nering brengen en te eerder, omdat het ons verklaart, hoe
het mogelijk is dat Jesus die gruweldaad toelaat? Die afschu-
welijke mond van Judas, door woorden van verraad bezoedeld,
door leugen en laster en godloochening onteerd, door heilig-
schennis besmeurd, raakt het aanbiddelijk gelaat aan van den
God-mensch, Wien te aanschouwen het grootste geluk der Za-
ligen in den Hemel uitmaakt. En Jesus, de oneindige Liefde
duit dien smaad en verdraagt die vernedering. Waarom an-
ders dan om te beproeven, of Hij nog een diep gevallen zon-
daar redden kan? Hoe vurig wenschte Hij ook dat Judas nog in
dat uur den tijd zijner bezoeking gekend hadde! Zeker, het
Hart van den oneindig liefdevollen Jesus was nog niet gesloten
voor hem, die zich eens Jesus\' uitverkorene en Apostel noe-
men mocht, huisgenoot en tafelvriend, zijn reisgezel en den
vertrouweling zijner geheimen. Nog was het tijd voor hem,
om zich aan de borst van Jesus te werpen en onder het storten
van tranen te belijden: „Vader! ik heb tegen U gezondigd
„en tegen den Hemel. Ik ben niet waardig een Apostel ge-
-ocr page 290-
280
HET MJDKN EX STEBVfcX VAN
„noemd te worden: maar neem mij wederom in genade aan
„als een van uwe geringste leerlingen." Die bede ware niet
onverhoord gebleven; dat woord had weerklank gevonden in
het Hart des Zaligmakers; vele zonden waren hem vergeven
geworden, als hij geloofd en bemind had. Het was reeds eene
bijzonder groote genade, dat Jesus zijne omhelzing toeliet en
hem niet afstiet. Ook Judas kon toen nog alles hopen van
Jesus, die zoo vele zondaren had aangenomen; hij mocht nog
vertrouwen op Jesus\' Barmhartigheid, die gekomen was om
allen op te zoeken en zalig te maken, die verloren waren.
Maar, hij moet zich spoedig bekeeren; weinige uren slechts
blijven hem nog over. En als hij zich niet bekeert, zal er
weldra eene groote klove zijn tusschen Jesus en hem; dan zal
hij, nog vóórdat de zon is Qndergaan, liggen in het diepste der
hel, voor eeuwig gescheiden van Christus, met eeuwige banden
onder de duisternis in bewaring gesteld en de straf des eeuwi-
gen vuurs lijdende.
Ons christelijk gemoed wordt met diepe droefheid vervuld,
als wij zien moeten, hoe die ongelukkige afvallige, hardnekkig
in de boosheid blijvende, schrede na schrede zijn laatsten en
voor alle eeuwigheid beslissenden val nader komt. Eerst in
het gezelschap van Jesus, staat hij nu in dienst van Satan;
vroeger uitgezonden om de blijde boodschap van het Evangelie te
prediken, is hij nu een leeraar in leugen en bedrog; voorheen
een Apostel, is hij nu een duivel in \'t vleesch geworden; voor
driejaren was hij door den God-mensch tot de waardigheid van het
Apostel-ambt beroepen en bekleed met de macht om Jesus\'
heilige leer te verkondigen en zieken te genezen en duivelen
uit te drijven; voor weinige dagen nog in schijn een leergierig
aanhoorder van Jesus\' openbaringen; voor weinige uren nog
-ocr page 291-
281
ONZES BEER JESUS CHRISTUS.
gevoed met Jesus\' goddelijk Lichaam en Bloed, wiens heilige
handen hem toen ook de voeten wieschen, en nu, helaas!
is hij zóó diep gevallen, dat hij, door den kus des vredes op het
aanbiddelijk gelaat van Jesus te drukken, Hem verraadt aan
de Joden, en door eene huichelachtig vriendschappelijke om-
helzing Hem overlevert aan de Heidenen.
— De zondaar, als hij eens de slaaf zijner driften is geworden,
schudt niet alleen alle menschelijk gevoel uit, hij vergeet
ook de grootste weldaden, hij misbruikt ze zelfs om zijnen
weldoener zoo grievend mogelijk te beleedigen. Geen afschu-
welijker voorbeeld van die zwarte ondankbaarheid bieden ons
de eeuwen der geschiedenis aan dan wij in Judas verfoeien.
Uit loutere Goedheid en zeker daarenboven nog met het hei-
lige doel om zijne ziel te redden, nam Jesus hem onder het
getal der Apostelen op — en hij misbruikt zijne hooge roeping
om te beter zijn Meester te kunnen verraden. Toen Judas
onder Jesus\' bijzondere vrienden werd opgenomen, was hij nog
geen volslagen booswicht, bezat ook hij eenigen aanleg ten
goede; en lag er in zijn hart eene sterke neiging tot het kwade,
in den omgang met Jesus vond hij opwekking en hulp om
zijne driften te bestrijden; maar hij wilde van die buitenge-
woon heilrijke gelegenheid geen gebruik maken, en wat was
daarvan het gevolg ? Een akker, die niet bewerkt of met slecht
zaad bestrooid wordt, zal te meer onkruid voortbrengen, naar-
mate hij van nature vruchtbaarder is. Jesus schonk aan hem,
boven zoovele anderen, groote voorrechten, en Judas smeedde
die tot wapenen, waarmede hij zijnen goddelijken Weldoener
belaagde. Weldaden vergold Judas met beleedigingen, Liefde
met een onverzoenlijken wrok; een barmhartig zoeken beant-
woordde hij met hardnekkigheid in de boosheid; de hand der
-ocr page 292-
III 1\' I.I.IIH..V IX STERVEN VAX ONZEN HEEK .IESIS CHRISTUS.
vriendschap, hem op onvergelijkelijke wijze ter redding toege-
stoken, klonk hij in boeien, en wie hem het leven der genade
wenschte terug te geven, dien leverde hij uit ten dood. —
Zoo Judas, zoo ook elke plichtvergeten Christen, die, al is hij
niet met zóó vele zonden als Judas beladen, zich altijd tegen -
over God als een ondankbare en als een trouwelooze gedraagt.
Als een ondankbare; want reeds in den schoot zijner moeder
was hij de uitverkorene van God, voorbestemd om met rijke
genaden te worden overladen, en aan die roeping beantwoordde
tevens de mededeeling en uitstorting van Gods weldaden, van
de eerste dagen zijns bestaans af en geheel zijn leven door tot
aan het oogenblik, waarop hij zich voor immer van zijn God
door eigene, maar dan ook onuitwischbare schuld scheiden zal;
— als een trouwelooze; want de heiligste beloften en plech-
tigste verbintenissen, eerst aangegaan en daarna menigmaal
hernieuwd en bekrachtigd, heeft hij geschonden, even dik-
wijls als hij des Heeren wet overtrad. In plaats van zijn
f*s. XV, 5. eerste betuiging : „De Heer is mijn crfdecT heeft hij
Jerem. II,20.voor zijn levensregel eene andere leus aangenomen: „Ik zal
niet dienen?\'
Geen rampzaliger toestand is voor eiken ontrou-
wen Christen, zoo lang hij nog leeft, denkbaar dan de beschre-
vene was voor Judas. En toch, evenals voor Judas de armen
van barmhartige Liefde nog uitgestrekt waren om hem wederom
in genade aan te nemen, als hij slechts met berouw terugkeerde,
zoo kan de grootste zondaar immer vergiffenis vinden bij Hem,
EzechXXXU1 die tot allen gezegd heeft: fk wil den dood des zondaars niet,
maar dat hij zich bc keer e en leve.
Geen ander bewijs voor
deze troostrijke waarheid behoeven wij aan te halen dan de
liefdevolle woorden, welke de oneindige Goedheid tot Judas
sprak als antwoord op diens verraderlijken kus.
-ocr page 293-
Hoofdstuk VII.
Jesus en Judas.
De ontfermende Liefde des Zaligmakers.
Hoe beleedigend die verraderlijke kus van Judas ook zijn
mocht voor Jesus, die harten en nieren kende en daarom wist,
met welke afschuwelijke bedoeling de verrader Hem dat teeken
van liefde gaf, weigeren wilde Jesus niet en te eerder niet, omdat
Hij zóó opnieuw een indrukwekkend bewijs van zijne onbegrensde
Goedheid zou geven en nog eene laatste poging beproeven, om
het verstokte gemoed van den afvalligen Apostel te vermur-
wen door eene Liefde, welke wel verguisd maar niet uitge-
doofd kon worden. Terwijl Judas, door zijn onboetvaar-
digheid, zich een overgroote mate van toorn vergaderde voor
den verschrikkelijken dag des oordeels, hield Jesus\' Go2der-
tierenheid niet op hem tot bekeering aan te manen. De
diepste vernedering, de teederste benaming aan een verrader
gegeven, de meest beschamende vraag voor den afvallige —
het waren de hulpmiddelen, welke de goede Jesus in liet laatste
oogenblik nog in het werk stelde om den ongelukkige te be-
hoeden voor den hem dreigenden ondergang. Doch alles was
te vergeefs: Judas wilde zich verharden tegen alle inwerking
der genade; hij zou dan ook het vonnis van Gods ve-roordee-
-ocr page 294-
284
HET I.WDEX F.N STERYF..V VAN
ling niet ontvlieden. Wij zullen in korte trekken den loop der
gebeurtenissen schetsen.
Vóóraf gaf Jesus nog aan allen, die aldaar tegenwoordig \\va-
ren, eene nieuwe openbaring van zijne Godheid en een bewijs,
dat Hij Zich vrijwillig in de handen zijner vijanden overleverde.
Al hadden dezen een beproefden leidsman en een juist oin-
schreverj teeken, waardoor zij den Zaligmaker konden herken-
nen; al beschikten zij over eene meer dan voldoende macht
om Hem te kunnen gevangen nemen; al zocht de verrader
achter gehuichelde vriendschapsbetuigingen zijne afschuwelijke
oogmerken te verbergen — Jesus\' vijanden kenden Hem niet,
vóórdat Hij Zich zei ven bekend maakte; zij voerden Hem niet
weg, vóórdat Hij hun daartoe vergunning had verleend; Judas
kon zich niet verbergen, maar werd openlijk en ten aanhoore
van allen als een verraderlijke vriend aangeduid.
Jesus ging ook, zoodra de bende in aantocht was, vast-
beraden, door geen vrees voor eenig lijden teruggehouden
maar ook door geene noodzakelijkheid gedwongen, zijnen vij-
anden te gemoet zonder evenwel reeds den hof te verlaten: van
uit het verder gelegen gedeelte, waar Hij gebeden had, ging Hij tot
bij den ingang van de landhoeve, welken de booswicht met zijne
bende reeds overschreden had. Kn toen Judas met eene duivelach-
tige onbeschaamdheid, alsof hij een vriend en getrouwe leerling,
geen vijand en geen verrader ware, eerst zijn vorigen Meester
huichelachtig groette en dan Hem den kus —- een gewoon be-
wijs van toegenegenheid, maar nu een middel tot verraad —
Ps. iXIX. 7. op het aangezicht drukte, toen wilde Jesus, die Trecdzaain is
zelfs tegenover degenen, die Hem haten.
Zich verwaardigen dien
kus van den mond van Judas te ontvangen. Want blijken moest
-ocr page 295-
285
ONlIEN HEKR JESfS CHtUStCS.
het aan allen, niet alleen dat Hij zelfs dengene nog liefhad
die Hem verried, maar ook dat Hij Zich vrijwillig aan zijne
vijanden overgaf, daar Hij het teeken niet afwees, dat de ver-
rader hun gegeven had. Wat echter al ons begrip verre te
boven gaat, is deze bijzonderheid, welke oudere schrijvers
over Jesus\' lijdensgeschiedenis ons mededeelen: Jesus zou Zich
zoo diep afgelaten hebben, dat ook Hij zelf aan Judas, in wien reeds
de duivel gevaren was, den kus gaf om zoo nog eene poging te
doen, of Hij dien ongelukkige door Goedheid winnen en tot
Zich trekken, of Hij wellicht door den adem zijner goddelijke
Liefde, welke van Hem uitging, het doodelijk vergift van den
haat en van de trouweloosheid, dat Judas den eeuwigen onder-
gang berokkende, uit diens binnenste kon verwijderen. Daarom
zien wij — wonderbaar schouwspel — Jesus en Judas in el-
kanders armen, wier harten van de tegenstrijdigste gevoelens
blaakten.
Op die wijze kon Judas, een wolf in schaapskleederen
de geldgierige en wraakzuchtige verrader in het kleed van
een Apostel, een duivel in menschelijke gedaante, den Zalig-
maker naderen en kussen, die het Lam was, hetwelk de zon-
den der wereld wegneemt, de Vriend der zondaren en de Over-
winnaar van duivel en van hel. Wij lezen nergens in het
Evangelie, dat Jesus den kus des vredes van iemand anders
ontvangen of aan iemand anders gegeven heeft. Waarschijnlijk
heett noch de vurig beminnende Petrus, roch Joannes, de
leerling dien Jesus liefhad, noch wie ook dat voorrecht genoten.
Alleen van den zoon des verderfs, wien het beter ware nooit
te zijn geboren, lezen wij, dat hij zijn God den kus geven en
— volgens sommigen — van Hem den kus mocht ontvangen.
Groote God! hoe is het mogelijk! Hoe kon Jesus, de onein-
-ocr page 296-
$8fi
HOT I.IJDKN RN STERVEN VA*
dige Heiligheid, Zich aldus door den allergrootsten zondaar,
welken de aarde ooit droeg, laten bespotten ; hoe kon Hij, de
God der eeuwige glorie, Zich zoo diep vernederen tot een el-
lendeling, die reeds aan den afgrond der hel stond! Toen
David den dood van zijnen oproerigen zoon Absalom in de
bittere droefheid van zijn vaderhart beweende, verweet de
veldheer Joab hem zijne troostelooze smart op ruwe en onbe-
schaamde wijze: „gij beschaamt heden" — sprak hij — „het
„aangezicht van uwe getrouwen, die uw leven met dat van
„uwe zonen en dochters en van al de uwen gered hebben. Gij
„bemint die u haten, en gij haat die u liefhebben; heden
„toont gij, dat gij oversten en krijgsknechten voor niets telt."
Verre zij het van ons aan den goeden Jesus, die allen bemint,
maar bijzonder wie Hem liefhebben, er een verwijt van te
maken, dat Hij ook den ongelukkigen Judas nog eene groote
Liefde bewijst. Doch wij kunnen onze bewondering over dat
ondoorgrondelijk geheim van voorkomende, ontfermende genade
niet sterk genoeg uitdrukken. Ken Judas aan de borst van
Jesus! Zoo iets had niemand durven hopen ook van Jesus\' Goed-
heid niet, al geldt het de bekeering van den diepst gezonken
zondaar. Al doorbladeren wij de vier Evangeliön, nergens le-
zen wij een voorbeeld van eene Liefde zóó kwistig, zóó afda-
lend, zóó zich zelve vergetende. Wel zien wij eene overspe-
lige vrouw verdedigd tegen hare beschuldigers, eene Maria, de
beruchte zondares, in genade aangenomen, eene samaritaansche
vrouw bekeerd, een Zacheus vereerd met Jesus\' bezoek; wij
lezen de zielroerende geschiedenis van den berouwvollen tolle-
naar en van den verloren zoon en van den weenenden Petrus;
wij hebben Jesus zien weenen over Jerusalem; wij zullen Hem
hooren bidden voor zijne vijanden en het paradijs beloven
-ocr page 297-
a8t
OS/IN HEER JKSIS CIIKIKTI\'S.
aan den goeden moordenaar; wij vernemen met verbazing, hoe
de Phariset\'n aan Jesus durven verwijten, dat Hij de vriend
van zondaren was, met hen at en dronk en hen vriendelijk
ontving — maar dat een verrader ligt in de armen van den
God-mensch, Wiens uitlevering hij voor eenige stukken geld
beloofd had, dat hij zijne afschuwelijke lippen op het godde-
lijk aangezicht van Jesus mag drukken, dat Jesus in die omhel-
zing der Liefde tranen van een voor ons bijna onbegrijpelijk
medelijden uitstort op het ijskoude gelaat van den verharden
booswicht, dit is een tooneel zóó onbeschrijfelijk roerend, zóó
aangrijpend en zóó diep van beteekenis, dat eene oneindige,
eene goddelijke Liefde alleen het aan onze dankbare bewon-
dering kan voorhouden.
— Welk een zoeten troost en bemoediging, welk eene reden
tot het onbeperkst vertrouwen op de vergevingsgezindheid van
God kunnen wij uit die Liefde van Jesus putten! Van troost,
omdat wij uit deze geschiedenis leeren, hoe zeer het heil, ook
van eene enkele ziel, Jesus ter harte gaat, dewijl Hij in zijne
onverwinnelijke Liefde zelf het schurftige schaap nog naloopt,
steeds bereid om het naar den schaapstal terug te dragen, als
het slechts naar zijne stem luisteren wil, en dewijl Hij niet eer-
der van het zoeken aflaat dan nadat het zich door eigen schuld
reddeloos in den afgrond heeft gestort — van bemoediging,
want als Jesus zijne omhelzing zelfs aan Judas niet weigerde,
dan zal Hij nimmer een zondaar van Zich afstooten, hoe zwaar
die moge gezondigd hebben; dan mag niemand, al ware hij
de grootste booswicht, wanhopen van Jesus vergiffenis zijner
zonden te verkrijgen, als hij in droefheid des harten tot den
goeden geneesheer der zielen terugkeert; dan moet een ieder
hopen, dat Jesus ook hem den kus des vredes geven zal, als hij
-ocr page 298-
2S8                                           HET LU1>FV FN 8TFSVFN VAN
zijne zonden met vernederd hart aan diens plaatsbekleeder
belijdt.
Doch Judas was niet bekeerd; met onverzettelijke boos-
heid bleef hij weigeren aan de inwerking der genade zich ge-
vangen te geven; met een hart, koud en ongevoelig als een
steen, ontvangt hij de teedere blijken van de welmeenendste
vriendschap; schaamteloos staat hij daar voor Jesus, hardnekkig
in zijne helsche plannen, vervoerd door eene lage geldzucht,
fel in zijn afkeer en haat tegen zijn goddelijken Meester; „met
„een onderpand der liefde" •—• zegt de h. Ambrosius — slaat hij
„wonden; door een liefdedienst vergiet hij bloed; door een
„teeken des vredes brengt hij den doodsteek toe." En nog is
Jesus\' Liefde niet uitgeput. Hebben de schitterendste bewijzen
van een deelnemend medelijden met den die]) ongelukkigen
toestand van Judas niet gebaat, misschien zullen zalvende woor-
den beter indruk maken op dat verstokte gemoed. Daarom
wilde Jesus bij zijne nooit te evenaren daden nog dringende woor-
den van Liefde voegen. Want geene enkele gelegenheid mocht
voorbij gaar. om hem goed te doen, die zoo boos was.
Jesus wilde ook tegenover Judas waar maken, wat tot lof van
Gods Lankmoedigheid door den wijzen Salomon gezongen was;
O, Heer e! hoe goed en zachtmoedig is uw geest in alles!
wijsh 12. i. Daarom straft Gij hen, die afdwalen, langzamerhand en,
hen om hunne zonden kastijdende vermaant Gij hen, opdat
zij, het kwade latende, aan U, o Heere, ge/ooveti ?
Hij
vermaande dan nog eens den rampzaligen Judas, in be-
woordingen, niet zooals Judas\' misdaden het verdienden, maar
zooals eene onverwinnelijke Liefde ze ingaf en de beklagens-
waardige zielstoestand van den afvallige ze vorderde. Jesus
-ocr page 299-
ONZKN IIKFK JMl\'S CHRISTUS.                                             289
wilde Judas nog vriend en bij zijn naam noemen, om hem
een nieuw bewijs van vriendschappelijke toegenegenheid te ge-
ven en tegelijk de afschuwelijkheid van zijn verraad onder
het oog te brengen. Hij wilde minstens door die vraag
Judas gelegenheid geven om, terwijl hij aan den afgrond
stond, de oogen te openen en de boosheid van zijne euvel-
daad te beseften. „Vriend.\'"" aldus sprak Jesus, niet ver- mat.XXVI.so
wijtend maar vragend, alsof zijn Hart weigerde aan zulk een
ongehoord gruwelstuk, als de verrader in zijn hart beraamd had,
te gelooven: „waartoe zijt gij gekomenf Welke reden voert u
„herwaarts, met welke bedoeling zijt gij hier? Het is dan vreese-
„lijke waarheid geworden, wat Ik u voorspelde, dat gij, een
„van mijne twaalf Apostelen, Mij, uw God en uw Zaligmaker,
„aan mijne vijanden zult overleveren! O, hoe diep zijt gij ge-
,.vallen; hebt gij wel met ernst nagedacht over al de gevolgen,
„welke deze laaghartige daad na zich slepen zal en wel tot in alle
„eeuwigheid, als gij niet spoedig van den boozen weg terugkeert?"
— Hoe nuttig zou het voor een ieder van ons wezen, zoo die
vraag van Jesus dikwijls weerklank vond in ons hart, vooral
als wij op het punt staan God door eene of andere zonde te
beleedigen, als de ijver in het vervullen onzer verplichtingen
verkoelt, ons hart voor het moeielijke van onze levenstaak
terugschrikt en de genietingen der wufte wereld meer dan de
hoop op eene eeuwige belooning onze genegenheid beheerschen,
als in de uren van aandacht ons hart, door verstrooidheden
bestookt, niet warm wordt en vergeet, dat het in een kinderlijk,
eenvoudig gebed met God moet spreken. De uitwerking van
zulk eene klemmende vraag zou dan niet anders dan heilzaam
wezen, ten minste als wij niet, even als Judas, alle gezindheid
en alle gevoel voor wat tot onze zaligheid strekt, verloren had-
19
••
-ocr page 300-
2*0
mr i.MiiKN rx stkkvkn v«v
den en ook van ons, gelijk van hem, niet moest gezegd worden :
als de goddeloost in diepte van zonden gekomen is, dan spot hij
Spu XVIII, 3.
met wat men deugd noemt.
Judas wilde niet, noch aan Jesus noch aan zich zei ven bekennen,
waartoe hij gekomen was, om in de uitvoering van zijne helsche
plannen niet verhinderd te worden. Daarom zou Jesus niet
alleen vermanen ; Hij zou ook een beroep doen op het hart van
dien rampzalige, of hij nog tot schaamte over zijne wandaad te be-
wegen, of hij nog voor berouw toegankelijk ware. Judas! —
Luc. XXII, 9 vroeg Jesus meer biddend dan berispend — levert gij den
Zoon des mensehen met een kus?
„met een geveinsd bewijs
„van vrede begint gij tegen Mij den strijd; met een huichel-
„achtig teeken van vriendschap en van liefde levert gij Mij
„over aan een zekeren dood •— en u zelven aan den eeuwigen
„ondergang? Gij gedraagt u tegenover Mij, alsof Ik steeds
„uw geslagen vijand ware geweest, terwijl Ik u met weldaden
„altijd overladen heb, aan u de teederste bewijzen van eene
„liefderijke toegenegenheid gegeven heb. Voorheen telde Ik
„u onder het getal mijner getrouwen. O, mocht gij het altijd
„geweest en tot nu toe gebleven zijn! Maar helaas! tot welk eene
„laagheid en trouweloosheid zijt gij vervallen. Ik klaag niet
„over Mij zelven, want Mij kan niemand eenig nadeel toebren-
„gen, tenzij Ik zelf het wil lijden; maar Ik klaag over u, over
„het vreeselijk ongeluk, dat u treffen zal. Had mijn vijand Mij
„gehoond. Ik zou, zonder eenige klacht te uiten, het verdra-
„gen; maar gij, dien Ik zoo gaarne nog mijn leerling zou noemen
,,— niet omdat gij Mij warme genegenheid toedraagt of zulks
-ocr page 301-
UN/.KN IIKfcK JKSUI CHKISTl\'S.                                             291
„door uw gedrag verdient, maar omdat mijne Liefde Mij daar-
„toe aanspoort en Ik ook het verlossingswerk, dat door den
„Vader Mij is opgedragen, niet minder voor uwe zaligheid
„dan voor die van anderen wil volbrengen — helaas! welke
„plannen koestert gij, welk een afgrond graaft gij voor
„u zelven. Ik /al lijden en sterven, omdat Ik het wil; maar
„welk zal uw dood, welk uw lot voor eeuwig zijn ? Ik zal glorie-
„vol uit het graf ten eeuwigen leven opstaan; maar gij, in uwe
„boosheid volhardende, zult in de hel neergeworpen worden."
Judas bleet dezelfde; alle middelen door eene vindingrijke
Liefde aangewend stuitten af op het onboetvaardig hart van
den afgevallen Apostel; u.aar daarom zou ook in hem die be-
dreiging in vervulling gaan, welke de h. Paulus, met eene ver-
gelijking ter afbeelding van Gods wrekende Gerechtigheid, over
al degenen uitsprak, die de waarheid erkend en al den rijkdom
van Gods genaden genoten hadden en daarna moedwillig van
Christus afvallig waren geworden: een akker, die den menigmaal
op hem vallenden regen indrinkt, maar distelen en doornen voort-
He b r. VI. 7.
brengt, die wordt ajgekcurd en is den vloek nabij, en zijn einde
is verbranding.
De goddelijke Zaligmaker had zijn laatste
woord tot den rampzalige gesproken, Hij had hem met zijne
Liefde ten einde toe vervolgd om hem te bekeeren. Dat
oogenblik was voor dien zondaar nog een zalige tijd, nog een
uur des heils. Judas stond daar bij Hem, die gekomen was voor
allen, die naar de ziel krank waren; een enkel woord met het
berouw van David gestameld: ik heb gezondigd , ware genoeg-
zaam geweest om Jesus\' Liefde te bewegen tot het antwoord: God
heeft ook uwe zottden van u weggenomen.
Maar Judas weerhield ii.kom.XII,i8
die belijdenis, door God Hem ingegeven, op zijne lippen, om-
dat hij zijn hart voor het berouw gesloten hield. De armen
-ocr page 302-
292
HET LIJDEN KN STERVEN VAV
der goddelijke Barmhartigheid waren nog uitgestrekt om hem
te ontvangen; het Hart van Jesus klopte ook voor hem nog,
om hem wederom in liefde aan te nemen; maar Judas trok
zich opzettelijk terug en wierp zich liever in de handen van
den eeuwig rechtvaardigen God, hoe vreeselijk het ook zij.
Huichelend en spottend durfde hij Jesus toevoegen: wees gegroet,
Meester.\'
en Jesus moest bij Zich zelven denken: weg van Mij^
Judas.\' weg van Mij, voor eeuwig, Satan!
De Zaligmaker zou
den ongelukkige niet meer terugzien, vóórdat Hij in groote
macht en heerlijkheid zou verschijnen op de wolken des He-
mels om te oordeelen de levenden en de dooden. Dan zal
Hij den onboetvaardige niet als een vriend omhelzen maar als
een schuldige veroordeelen; dan klinkt niet langer meer het mee-
warig, vermanend woord: vriend!\'waartoe zijt gij gekomen? maar
het voor alle eeuwen onherroepelijk vonnis: ga van Mij naar
het eeuwig vuur;
dan zal voor immer Judas wanhopend uitroe-
pen: hoe slecht en bitter is het den Heer mijnen God verlaten
te hebben. Maar te laat; het einde van den tijd ter bekee-
ring is dan reeds lang gekomen. Hij heeft Jesus\' Goedheid
met kwaad vergolden en Hem haat voor Liefde gegeven; hij
Ps. CVIII. 18. hield van vervloeking en zij is hem overkomen; hij had geen
lust aan zegening, die zal verre van hem afblijven; hij trok
vervloeking aan als zijn gewaad; zij is als water in zijn bin-
nenste en als olie in zijn gebeente gedrongen.
— Dit is het lot van al degenen, die de Goedheid des Heeren
lasteren , die spotten met zijne genade en het goddelijk Bloed
des Lams met voeten treden, dat geslachtofferd is geworden
voor al de zonden der geheele wereld. Vreeselijk lot van den
zondaar, die zich niet bekeert! God zal hem daartoe niet dwin-
gen; want vrij ook tot het kwade is en blijft de mensch; maar
-ocr page 303-
ONZK.V IIEKK JKSUS CHRISTUS.                                            29.\'i
hij kan het goede willen en volbrengen en derhalve ook ach
hekeeren, omdat hem altijd de noodige genade gegeven wordt
door God, wiens natuur Goedheid, wiens werk Liefde is. Wie
verloren gaat als Judas, moet het even als de/.e aan zich
zelven alleen wijten. God reikt aan een ieder de behulpzame
hand toe om uit zijne ellende te kunnen opstaan: al wie de hem
tocgestokene hand weigert aan te nemen, werpt zich met voll^
vrijheid in den afgrond van een eeuwig wee. Zoo lang de
zondaar leeft, is Jesus voor hem de goede Herder, die het ver-
lorene schaap blijft opzoeken en hem daarom vermanend toe-
roept: „Vriend! waartoe zijt gij gekomen; bedenk den toestand,
„waarin gij verkeert; overweeg welk het einde van uw leven
„zijn moet; vrees voor het lot, hetwelk u wacht, als gij in die
„zonden sterft." Maar na het leven is de tijd van ontferming
voorbij en die van straf en wraak aangebroken.
Zalig hij, die niet als Judas zich verhardt tegen de inspraak
der genade, maar als de verloren zoon zich in de armen zijns
Vaders werpt en schuld belijdt en zijn hart verscheurt door
berouw. Al waren zijne misdaden ook gewassen boven het
aantal der haren ^an zijn hoofd, de boosheid van zijne godde- Ez.XXXIlIia.
loosheid zal hem niet schaden op den dag, waarop hij zich van
zijne goddeloosheid bekeert^
en uit den mond der eeuwige Liefde
zal hij mogen hooren: vertrouw, mijn zoon f uwe zonden wor-
den u vergeven.
Een oogenblik. ééne zucht des harten, ééne
traan uit waar leedwezen gestort — is genoeg om den
slaaf des duivels te herscheppen in een kind Gods, om voor
hem de hel van den onboetvaardiger) Judas te sluiten en den
Hemel van den bekeerden Petrus te openen. Zoo eindeloos
goed is God, die zoo hartelijk wenscht, dat alle menschen
zalig worden. —
-ocr page 304-
Hoofdstuk YIII.
Jesns en zijne vijanden.
Zoodra Judas den kus des verraads op het gelaat van Jesus
gedrukt had, ging hij, verbijsterd door de Zachtmoedigheid van
zijn slachtoffer maar niet veranderd, aangeklaagd door de ver-
wijtende stem van zijn geweten maar niet bekeerd, eenige schre-
den achteruit. Evenwel mengde hij zich niet onder de andere
Apostelen — daarvoor scheen hem de moed te ontbreken —
maar voegde zich wederom bij de bende van soldaten en
dienstknechten, waar hij ook beter op zijne plaats was. Ook niet
dadelijk vielen Jesus\' vijanden op Hem aan. Hadden zij mis-
schien niet begrepen, wat Judas met het afgesproken teeken be-
doelde; of was hij te ver vooruit gegaan, zóódat zij het niet
gezien hadden, toen hij Jesus den kus gaf? Die verondersteb
lingen kunnen waar zijn; maar boven allen twijfel is het ver-
heven, dat Jesus alles zóó bestierde, dat Hij niet op de door
Judas bepaalde wijze gevangen genomen zou worden, maar
op eene wijze, die zonneklaar moest bewijzen, dat Hij Zich
vrijwillig en zóó en dan eerst, als Hij zelt het wilde, aan de
handen zijner vijanden overgaf. Niet het verraad van Judas
noch de macht zijner vijanden mochten Hem de boeien aan-
-ocr page 305-
HET LMDFV EX STEKVEX VAN ON/.KN HEKU JESUS CHUISTUS.              295
leggen; zijn vrije wil en zijn verlangen om te lijden alleen moes-
ten Hem den dood te gemoet voeren. Opdat ook nimmer aan
Jesus eenige zwakheid of onmacht, zelfs niet in zijne gevangen-
neming noch in zijn lijden noch in zijn dood, kon verwaten
worden, zoude Hij, vóór Hij zijne handen uitstak om Zich te
laten binden, nog eene schitterende getuigenis afleggen van zijne
oneindige Majesteit, een wonder doen van zijne Almacht. Dewijl
die bende hunne heiligschennende handen aan Hem nog
niet slaan mocht, trad Jesus, alles wetende wat Hem zou
overkomen, verlangende om den lijdensbeker, dien de Vader
Hem te drinken had bevolen, te ledigen tot den bodem toe,
met eene onverstoorbare kalmte en indrukwekkende waardigheid
vooruit naar zijne vijanden en vroeg hun : Wien zoekt fijt Doch JOAN\'XVl"ö-
zij schenen zóó verblind te zijn, dat zij Jesus niet herkenden,
ofschoon Hij daar dicht en in persoon voor hen stond en Judas,
die zich onder hen geschaard had, hun den Zaligmaker kon
aanwijzen. Eerst moest Jesus Zich zelven openbaren. Vandaar
ook het vreemdsoortig antwoord, dat zij gaven en waarin zij
als van een hun onbekenden persoon gewaagden. Wij zoeken
— luidde hun antwoord — fesus, den Nazarcner. Nu het
hun overtuigend gebleken was, dat al hunne voorzorgen, al
hunne listen ijdel en nutteloos waren, dat zij Jesus niet kenden
en minder nog konden gevangen nemen, als Hij zelf Zich niet
aan hen bekend maakte, zeide Hij hun, Ik ben het.
— Welk een wondervol treffend woord! Hoe zinrijk en machtig
tevens! Het werd uitgesproken, niet op den toon van beleedigde
Majesteit maar van vriendelijke Goedheid: doch het doet ons
ook denken aan zoo vele andere woorden, waardoor [esus vroe-
ger dikwijls zijne verbitterde vijanden beschaamde, hunne
huichelarij ontmaskerde, hunne handen, die zich dreigend tegen
-ocr page 306-
2g«
HET LIJDEN\' ES STERVEN VAX
Hem verhieven, krachteloos maakte; vooral aan \'lat woord,
waarmede Hij aan de zieken de gezondheid terugschonk en
aan de dooden het leven en zelfs aan de zondaars de vergiffe-
nis gaf. Ik wil, word gereinigd; sta op en wandel; jongeling!
sta op; Lazarus! kom uit; uwe zouden worden u vergeven;ga
in vrede en wil niet meer zondigen
—wij hebben ze menigmaal
gehoord die woorden van goddelijke Almacht en van barm-
hartige Liefde, en zij sloegen ons met stomme verbazing maar
dwongen ook eene dankbare hulde at voor Hem, die ze mocht
uitspreken. En nu is het dezelfde God-mensch, die aan zijne
verwoedde vijanden, welke zijn dood gezworen hebben,
durft toevoegen: Gij zoekt Jesus van Nazareth; Ik ben het.
Maar nu noopt eene andere reden den Zaligmaker tot die ver-
klaring: de eerbiedige gehoorzaamheid aan zijnen Vader, de
medelijdende Liefde voor de diep ongelukkige menschheid,
het brandend verlangen om haar door zijn lijden van de eeu-
wige straffen te verlossen, dat alles dringt den goeden Jesus
Zich aan zijne haters te openbaren. Zóó spreekt alleen de on-
eindige Liefde van een God, die gehoorzaam wenscht te wor-
dcn tot aan den dood des Kruises.
Ook voor een ieder van ons is in die twee woorden eene lange
reeks geopenbaard van weldaden, welke ons geschonken zijn
en voortdurend nog geschonken worden! Veertig eeuwen hebben
gezucht en onder tranen gebeden om den beloofden Messias,
die de boeien der hel verbreken zou, de zonden der wereld
wegnemen, des satans macht fnuiken, den mensch de ware vrij-
heid hergeven — en Jesus alleen kan in waarheid zeggen: Ik
ben hei.
Er was eenmaal een tijd, vóór eenige jaren, dat wij
in een ondoorgrondelijk niet bedolven lagen; God dacht reeds
aan ons en wij bestonden nog niet; wij zouden nimmer het
-ocr page 307-
ONZEN HEER JESUS CHRISTUS                                             297
zoete leven genoten hebben, als God door het woord zijner
Almachtige Liefde ons niet uit dien grondeloozen afgrond ge-
roepen, naar zijn beeld en gelijkenis gevormd en ons den
adem des levens ingeblazen had — en vraagt gij: wie was het,
die ons schiep? dan mag en moet Jesus u antwoorden: Ik was
het, door Wien alles, wat werd gemaakt is.
Nauwelijks ge-
schapen, hebben wij onzen Schepper vergeten, zijn wij met zon-
digen overmoed tegen Hem opgestaan en schaamden ons niet
zijne Goedheid met zwarten ondank te vergelden, zeggende:
wij willen U niet dienen; maar opstandelingen geworden tegen
het heilig gezag des Vaders, schuldig aan schennis van eene
goddelijke Majesteit, werden wij kinderen van gramschap, die
verdienden naar eene plaats van straf gesleurd te worden, waar
een nimmer eindigend wee, eeuwig gehuil en geknars der tanden
zijn zal, waar de knagende worm van een schuldig geweten
nimmer sterven kan. Wie was het wederom, die uit den hoogen
Hemel nederdaalde en Zich aan de pijnigers overgaf en, onze
schuld op Zich nemende, boette in zijne menschheid, wat wij
niet konden voldoen? Jesus wederom antwoordt: Ik ben het,
die ujioor mijn Bloed heb vrijgekocht;
Ik ben de ,,goede Herder,
„die het verloren schaap opzocht, totdat Ik het vond, en toen op
.,mijne schouderen naar den éénigen waren schaapstal terugbracht."
Het is alzoo een woord, dat van Almacht, van Liefde, van
Barmhartigheid tot ons spreekt, maar tevens — en mochten wij
het nimmer vergeten — van onverbiddelijke Rechtvaardigheid;
Ik ben het, roept Jesus ons toe, uw Vader, Wien gij beminnen,
uw Leermeester, Wien gij hooren, uw Loon, waarvoor gij wer-
ken, uwe Kracht, waardoor gij volharden moet — maar ook:
Tk ben het, die uwe zonden kent en oordeelt en straft; Ik ben
het,
in Wiens handen te vallen zoo vreeselijk is, en die ziel en
lichaam kan werpen in de hel.
-ocr page 308-
298                                             BET I.I.IDKN KN STERVEN VAX
12 • Dat woord van Jesus is levend en werkdadig en doordringen-
der dan alle tweesnijdend zwaard en gaande tot aan de schei-
ding van ziel en geest, van gewrichten en merg.
Het is het
woord van Hem, die eens uit het brandende doomenbosch sprak:
9\' Ik ben, die is; van Hem, van Wien Daniel zeide: ik hoorde de
stem zijner rede en, toen ik ze hoorde, lag ik verschrikt op mijn
aangezicht en mijn gelaat raakte den grond;
het is het woord
van Hem, die met den adem zijnes geestes den toen nog hoog-
moedigen en vervolging-zieken Saulus ter aarde wierp O, gij
dwazen! die u tegen Christus durft verzetten, Hij spreekt: fk
ben het,
en gij ligt ter aarde. (Jij, onzinnigen! gij hebt samen-
gezworen om te vernietigen, wat Jesus heeft opgebouwd, om de
Kerk af te breken en de rots te doen springen, waarop zij ge-
grondvest is: één woord des Heeren, één ademtocht zijns monds
is voldoende, en gij stort machteloos in het stof. En wat zal
het zijn, als dat woord van den Machtigen God eens uit den
mond van den rechtvaardigen Rechter over het dal van Tosa-
phat weergalmen zal: Ik ben Jesus, dien gij vervolgd hebt.
Gij hebt getwijfeld, maar dan zal al uw twijfel verdwijnen;
gij hebt zijne Godheid geloochend, en Hij zetelt daar voor
uwe verbijsterde oogen in de heerlijkheid van zijne goddelijke
Rechtsmacht; gij hebt niet geloofd aan de onsterfelijkheid, en
Hij zal door zijne Almacht u tot een leven zonder einde ver-
oordeelen. Gij, die zoo menigmaal met de straffen van God
gespot hebt, zult dan van angst en vrees en bange verwachting
van hetgeen gaat gebeuren, verdorren; gij die, om de wroe-
ging van uw geweten te smoren, de geboden Gods als men-
schelijke uitvinding hebt veracht en de schandelijkste zonden
a!s zwakheden der natuur verontschuldigen wildet, zult dan,
als gij den Zoon des menschen op de wolken ziet, wenschen
-ocr page 309-
299
OMCKS HKKR JKSIIS CHRISTUS.
dat de bergen op u vallen en de heuvelen u bedekken. Maar
dat zal den zondaar niet gegeven worden. Zijne vernedering zal
nog smartvoller zijn dan die van de bende in den hof, en
pijnlijker ook, omdat zij onherstelbaar is.
Ook die ongelukkigen in den hof, welke gekomen waren om
Jesus gevangen te nemen, werden ondanks zich zei ven gedwongen
van zijne goddelijke Almacht getuigenis af te leggen. Opheten-
kele woord: Ik ben het — een woord van eerbiedwekkende
Majesteit, tegelijk van verpletterende verschrikking — deinzen
die dienaren des duivels van schrik terug en vallen toen, als
waren zij door een hemelsch vuur getroffen, plat ter aarde ne-
der; ook Judas deelde in die diepe vernedering van hen, wier
afschuwelijke aanvoerder hij was. Zóó moest al weder een
nieuw licht verspreid worden over de waarheid, dat Jesus\' vij-
anden niets tegen Hem vermochten, dat Hij hunne overmacht
en listige aanslagen kon ontkomen, als Hij zelf Zich niet aan
zijne vijanden overgaf; zóó ook wilde Jesus ons met eene
heilige vrees vervullen voor het naderend oordeel als Hij, de
Rechter van levenden en dooden, aan de door schrik verbijs-
terden zal toevoegen: „Ik ben het, die het vonnis uit-
„spreekt, dat de goddeloozen ten gronde gaan door den adem job. IV, 9.
„Gods en verslonden worden door den adem zijns toorns ; Ik, van
„Wien voorspeld was, dat Hij de aarde slaan zou met de roede
„zijns jnotuls en den goddcloozc zou dooden met den adem zijner
..^ jjl, 4-
lippen." >,Wat toch zal Hij — aldus vraagt de h. Augustinus
dat woord van Jesus overwegende — „doen, als Hij zelf zal
„komen oordeelen, die zoo doet, als Hij geoordeeld wordt ? Wat
„zal Hij niet kunnen, als Hij eens zal heersenen in zijn Rijk, die
-ocr page 310-
800                                             IIKT I.IJDKN KN STKKVKN VAN
.,zulke dingen doen kan, nu Hij op het punt is van te sterven." Rn
toch hoe gering is het getal van hen, die dat ander woord, door
den heiligen man Job gesproken, diep in hun hart inprenten : wie
Job. IX, 4. heeft God wcderstaan, en is onverlet gebleven ?
Moed en vreugde zullen zeker de zielen van de elf Aposte»
len hebben vervuld, toen zij het wonder van Jesus zagen, die
door één woord de geheele bende op den grond deed neder-
vallen; waarschijnlijk zullen zij, begrijpende dat Jesus\' vrijheid
bedreigd werd, maar tevens aardschgezind als zij waren en nog
geenszins vertrouwd met het geheim van Jesus\' lijden, de hoop
gekoesterd hebben, dat hun Meester andermaal midden door zijne
vijanden zou heen gaan en al hunne sluwe plannen verijdelen.
Doch hoe spoedig werd die zoete hoop teleurgesteld. De
nacht des lijdens, het uur der duisternis was immers aange-
broken.
Gedurende al den tijd, dat de krijgs- en dienstknechten op
den grond lagen uitgestrekt, stond de Zaligmaker in kalme
waardigheid en met een hemelsch geduld daar voor hen, tot-
dat zij, voelende dat dezelfde macht, welke hen ter aarde had
geworpen, hun het opstaan vergunde, zich hadden opgericht.
Joau,Xlli,6. Voor de tweede maal vroeg hun nu Jesus: Wien zoekt gij?
Ook zij herhaalden hun reeds gegeven antwoord, alsof zij niets
buitengewoons ondervonden hadden: Jesus, den Nazarener.
Even rustig en waardig als de eerste maal hernam de Zaligma-
ker: Ik heb u gezegd, dat fk het ben, hen daardoor herinne-
rende aan hetgeen zoo even met hen geschied was en hun op
nadrukkelijke wijze hunne machteloosheid verwijtende. Om hun
nog een ander bewijs van zijne Oppermacht te geven zegt Hij
hun, niet op smeekenden toon maar op den toon van een streng
bevel: indien gij dan Mij zoekt, laar dezen gaan. Aldus gaf Jesus,
-ocr page 311-
301
ONZEN HEKK JF.SI\'S CIIWSU\'S.
die door cén woord zijne vijanden ter nederwierp, den dood
nabij nog een bewijs van zijne Liefde en zorg voor zijne elf
Apostelen en strekte zijne beschermende hand over hen uit.
Want zwak waren zij nog in hun geloof en niet bestand tegen
de vervolging; hunne gevangenneming had voor hen eene te
zware beproeving kunnen wezen en hen tot afval ver-
leiden. Daarom bond Jesus door een nadrukkelijk bevel de
handen zijner vijanden en verbood hun iets tegen zijne Apos-
telen te ondernemen. En die woestelingen moesten gehoorza-
men aan dat verbod, want eene hoogere macht sprak daarin
dan de dolle drift hunner onbeteugelde hartstochten, dan de
wraakzucht, welke hen verteerde en naar het bloed van Jesus
en zijne volgelingen dorstte. Hoe zou ook anders Petrusjden hof
ontkomen en vrij en ongedeerd in weerwil van die overmacht
ontvlucht zijn, vooral nadat hij zich door zijne voorbarigheid
had laten vervoeren en het oor van den dienaar des Hooge-
priesters afgehouwen had. Zóó werd ook de voorspelling ver-
vuld, welke Jesus in dien zelfden nacht gedaan had : van degenen, Joan.xviii,9,
die Gij Mij gegeven hebt, heb fk niemand laten verloren gaan.
De onstuimige aanval van Petrus, waarvan wij zoo even ge-
waagden, had op de volgende wijze plaats. Onder de menigte
van dienstknechten, welke met de soldaten gekomen waren,
bevond zich een zekere Malchus, dienaar van den Hoogepries-
ter. Hetzij hij minder nog dan de anderen genegen was om
voor het dreigend woord van Jesus, ai ware het één oogen-
blik, zijne booze plannen op te geven, hetzij hij laatdunkend
en vol eigenwaan zich als iemand, die tot het huis van Caiphas
-ocr page 312-
soa
HKT I.MT1KV F.N STF.RVKN VAN
behoorde, het recht tuekencie om het eerst de handen aan
Jesus te mogen slaan, hetzij hij zich vijandiger nog dan zijne
medegezellen tegen den Zaligmaker toonde om al de lasteringen,
welke hij in zijns meesters huis tegen Jesus had opgevangen, hij
scheen, om welke reden dan ook — zoo mogen wij het ons voor-
stellen — zich op den voorgrond geplaatst te hebben. Toen
dan Jesus Zich aan de bende bekend gemaakt en hun het op-
staan vergund had, was Malchus de eerste, die zijne heiligschen-
nende handen naar Hem uitstrekte. De Apostelen, dit ziende
en misschien uit het zoo even gebeurde opmakende, dat Jesus
verdedigers zocht en op ontvluchten bedacht was, schoten toe
Luc, XXII49, en vroegen Jesus: ff eer! willen wij toeslaan met het zwaard 1
Waarschijnlijk hadden zij, uit verkeerd begrip van Jesus\' woor-
Luc. XXII, 38 flen n& net laatste Avondmaal gesproken: die geen zwaard heeft,
verkoope zijn kleed en koope een zwaard,
twee zwaarden mede-
genomen. Petrus althans had er één onder zijn kleed verbor-
gen en, zoo deerlijk als hij evenals de overige Apostelen zich
in de beteekenis van Jesus\' woorden misleid had, even onbe-
dachtzaam maakte hij van dat gevaarlijk wapen misbruik. Voort -
varend als hij altijd was, wacht hij het antwoord van Jesus
niet af, maar slaat onbezonnen op Malchus in, treft hem op
het hootd en houdt hem het rechteroor af.
Wij mogen die daad van Petrus bestempelen met den eere-
naam van ijver en van moed in het verdedigen van zijnen
Goddelijken Meester, toch kleeft daaraan de smet van onbe-
suisdheid en van overmoedige onbezonnenheid. Hoe licht
ontbrandt een God-minnend hart; hoe zwaar valt aan hetzelve
om gelaten en werkeloos toe te zien, als het kwade de over-
hand heeft en de onschuld onderdrukt wordt. Ook Mozes wilde
liever sterven dan van de afgoderij van zijn volk getuige te
-ocr page 313-
OX/KX HEKU .IKSI.s (FllllM\'l\'S.                                             "03
moeten wezen; Elias verborg zich in eene spelonk om de gru-
weldaden van Israël niet te moeten aanschouwen; Jeremias had
geene tranen genoeg om de zonden van de afvallige [oden te
beweenen. Zeker, wij zouden moeten wenschen, dat er in
onzen tijd van lauwheid meerdere naturen als die van Petrus
waren, om zich tegen hen te verzetten, die zich aan Jesus ver-
grijpen. Doch niet alle ijver is volgens de voorschriften der
wijsheid. De roekelooze daad van Petrus werd dan ook door Jesus
zelven op strenge wijze afgekeurd en de dader zelf met groo-
ten ernst berispt. De Zaligmaker moest den minsten schijn
vermijden, als ging Hij gedwongen den dood in, als wenschte
Hij door aardsche macht verdedigd te worden. Zoo even nog
had Hij zijne vijanden op den grond geworpen, hen verslagen,
vóórdat Hij hun gevangene werd, hen verpletterd door één
enkel woord, vóórdat Hij Zich liet binden — en nu zou Hij
de machtelooze hulp zijner Apostelen aannemen? Altijd en
op elke wijze had Hij in woorden geleerd en door daden ge-
toond, dat Hij zijn leven zou afleggen, zóó en wanneer Hij dit
wilde, dat Hij sterven zou, omdat Hij zelf den dood als zijn
deel verkoren had. Op nieuw gaf Hij ook nu het bewijs, dat Hij met
vrijen wil den weg des lijdens insloeg en vervolgen zou tot aan
het einde. Daarom scheidde Hij, die vrede kwam stichten tusschen
Hemel en aarde, de strijdenden en maakte vrede tusschen den
onberaden Petrus en de bende, welke van alle zijden op den
Apostel aanviel. Met groote gestrengheid sprak Hij tot Petrus,
ook om te voorkomen, dat de andere tien het slechte voor-
beeld van hun mede-Apostel zouden navolgen: „Laat het zóóLuc
„ver komen, dat zij Mij gevangen nemen; steek inu zwaard in
„de schede;
het is nu geen tijd om met wapengeweld te strijden,
„maar om met geduld alles te lijden en zóó te overwinnen."
-ocr page 314-
304
IIKT I.MDKN KN STKRVEX VAN
Daarenboven, om zijne taak als Leermeester ten einde toe te
volbrengen, gaf Hij nog aan zijne leerlingen eene belangrijke
onderrichting en tevens een overtuigend bewijs van zijn vurig
verlangen, dat de wil des Vaders door Hem in alles volbracht,
dat alle voorspellingen, welke op Hem betrekking hadden, ver-
vuld werden. Op die wijze hoopte Hij ook op het gemoed der
Joden eenigen indruk te maken, als Hij hun de straften voor
oogen stelde, waaraan zij zich blootstelden door een Onschul-
dige ter dood te brengen. Daarom voegde Jesus bij de reeds
aangehaalde woorden tot Petrus nog deze toe, en wel ten aan-
Mat XXVI,52 hoore van allen: >>die het zwaard genomen hebben, die zonder
,,wettig gezag het zwaard gebruiken en tegen alle recht in ie-
„mand dooden, zij allen zullen door het zwaardomkomen." im-
mers allen moesten het weten, dat men gestraft wordt, iuaar-
\'\'7\' door men gezondigd heeft;
dat een ieder, die in gevangenschap
leidt, in gevangenschap zal gaan; dat wie doodt, met het zwaard
Opbhb XIII.io gedoodzal worden; „wat mij betreft" —aldus wilde Jesus verder
zeggen — ,,lk wensch niet der dood te ontvlieden, maar neem
„dien bereidwillig aan; want Ik beschouw dien niet als door
,,\'s menschen hand Mij berokkend maar als door den Vader
Joan.XVIII,11 ^fyr;j voorbeschikt. Zou Ik den kelk dan niet drinken, diende
„ Vader Mij gegeven heef tl Mocht Ik echter in dit onzalig uur
„hulp verlangen, gij, noch uwe mede-Apostelen, zoudt Mij kun-
„nen verdedigen, zwak als gij zijt en ongewapend en weinig in
„getal; maar Ik had slechts mijn mond te openen en mijnen
„Vader te bidden. Of meent gij, dat Hij Mij niet terstond
Mat. XXVI.53 „meer dan twaalf legioenen Engelen — voor ieder van hen en
voor Zich zelven één legioen, d. i. vele duizenden Engelen —
„zal verschaffen? Doch verre zij die bede van Mij; hoe zou-
„den anders de Schriften vervuld worden, die zeggen, dal het
-ocr page 315-
ONZEN" NFER JKSIS CHRISTUS.                                            305
„zóó geschieden moei, dat Ik een gewelddadigen dood moet ster-
„ven ter verlossing en zaligmaking van het gevallen mensch-
„dom."
Daarna herstelde Jesus het onrecht, hetwelk Petrus in zijne
onbezonnenheid veroorzaakt had. Altijd vol medelijden zelfs
voor het onheil van zijne bitterste vijanden; evenzeer bezorgd,
dat Petrus\' misslag voor die krijgsknechten niet eene aanleiding
worden zou tot wraakoefening; niet minder verlangend om allen
schijn te vermijden, alsof Hij door de zijnen geweld had laten
gebruiken ; ook om aan zijne vijanden geen enkel voorwendsel
te geven ter zijner veroordeeling, alsof Hij Zich verzet had;
om al die redenen wilde Jesus niet, dat Malchus eenigszins leed
door de onberadenheid van een Apostel. Hij nam het afge-
slagen oor, zette het op zijne plaats en genas de wond door
zijne Almacht. Zoo leerde ons de Zaligmaker in daden, wat
Hij vroeger in woorden had verkondigd: doet wel aan die u Mat.
haten; zoo wilde Hij zijne vijanden onder eene nieuwe ver-
plichting tot dankbaarheid leggen en, kon het, hunne harten
winnen door een herhaald bewijs van zijne Goedheid; maar ook
— en mocht ons die vertroostende waarheid in allen lichame-
lijken nood levendig voor den geest staan — zóó zien
wij, dat bij Hem heeling te vinden is voor alle wonden, welke
ons door de zonden of om de zonden geslagen zijn.
Eindelijk leeren wij uit Jesus\' woorden ook dit nog: de wa-
penen, welke door een Christen tegenover onrecht moeten ge-
hanteerd worden, bestaan in een lijdzaam geduld en een deugd-
zaam voorbeeld. Daardoor worden de lastertongen het beste
tot zwijgen gebracht en de aanslagen van benijders of belagers
het eerst machteloos gemaakt. Waren gebed en tranen ook
niet altoos de geliefkoosde wapenrusting der Kerk, zonder dat
20
-ocr page 316-
SM
HET l.IjnKX F.N STFRVFN VAN
haar zegetocht ook maar één oogenblik vertraagd werd door
de schijnbare zwakheid van hare wapenen ? Of heeft ooit eenig
mensch zich moeten beklagen, als hij zijne handelwijze regelde
naar dit voorbeeld van den vervolgden David: op God stel ik
Ps. LV, 5. mijn vertrouwen; ik vrees niet; wat zou een sterveling ?n ij doen!
De hoofdschuldigen in het treurig tooneel van Gethsemane
waren, behalve Judas, de Oversten der Joden; de anderen wa-
ren niets meer dan huurlingen of handlangers, door geld om-
gekocht of door een hoog bevel medegezonden. Tot de eersten
richtte Jesus dan ook eene korte maar strenge strafrede, waarin
Hij hun al het beleedigende van hunne handelwijze tot een
verdiend verwijt maakte. Al waren zij ook met die eerbiedige be-
hoedzaamheid te werk gegaan, welke aan de waardigheid van
Jesus\' Persoon verschuldigd was, nog zou het feit alleen van
zijne gevangen-neming als hoogst smaadvol en onteerend moe-
ten verafschuwd worden, dewijl Jesus over den grootsten invloed
bij het volk beschikte en om zijne woorden, deugden en won-
deren en weldaden hoog vereerd en bemind werd. Door die
nooit geëvenaarde voorrechten en hoedanigheden was de woede
zijner vijanden al drie jaren lang bedwongen, want herhaalde
malen had de lust hen bekropen, hadden zij reeds allerlei plan-
nen gesmeed om aan Jesus de handen te slaan; maar nooit
hadden zij hun boos opzet ten uitvoer durven brengen ui vrees
voor het volk, dat Hem minstens voor een groot Profeet hield.
En nu waren zij in den nacht komen aanrukken met gawa-
pende macht, alsof het de gevangen-neming gold van een door
allen gevreesden booswicht. Die opzettelijke beleediging was
-ocr page 317-
!>nzkx nv.y.R jmi-s cHRtsTin.                                  -\'iO"
pijnlijk voor den Zaligmaker en werd ook zóó diep door Hem
gevoeld, dat Hij daarover het stilzwijgen niet wilde bewaren;
andere verguizingen in zijne lijdensuren verdroeg Hij zonder
daarover eenige klacht te uiten, maar van deze wilde Hij niet
zwijgen. Kalm en Zich zelven volkomen meester, met eene
majestueuse waardigheid, niet minder als met hoogen ernst bracht
Hij aan zijne vijanden onder \'t oog, met hoeveel smaad zij Hem
overlaadden en hoe schandelijk zij zich in dienst stelden van
de macht der hel. Tot de geheele menigte, welke daar ron-
dom Hem stond, in het bijzonder tot de Oversten der Joden
en de Ouderlingen des volks sprak Hij: „evenals te&en een roover
„zijl gij uitgetrokken met zwaarden en stokken. Toen Tk dagelijks
,,— dag aan dag en vele dagen achtereen, in den laatsten tijd dage-
„lijks — met u in den tempel was, hebt gij de handen testen Mij
„niet uitgestoken, omdat toen niet de macht daartoe aan u ver-
„leend werd; maar dit is uw uur en dit de macht der duister- Luc.XXII, 52
„nis; nu is het uur gekomen, dat gij uw boos opzet kunt vol-
„brengen, dat de macht van Satan, wiens werktuigen gij zijt,
„is vrij gelaten."
Nadat Jesus die woorden gesproken en daardoor aan zijne
vijanden alle vrijheid gegeven had om hunnen haat op Hem
te koelen, was het oogenblik gekomen, waarop de Zoon des men-
schen in de handen der zondaars Zich zou overleveren, maar
ook het beslissend oogenblik, waarop het zaad der vrouw den
kop van het helsch serpent verpletteren ging. Jesus stak dan
vrijwillig zijne handen uit om Zich te laten binden en als een
Lam ter slachtbank te laten leiden. En allen, de aanvoerder
met zijne manschappen, de Oversten der Joden met hunne dienst-
knechten, vielen eenparig en bevend van woede op Hem aan.
Touwen en koorden en ketenen waren weldra om hals en len-
-ocr page 318-
808
IIF.T LIJDEN FN STFRVFN VAN
den en handen geslagen van Hem, die Zich liet gevangen ne-
men om aan allen de ware vrijheid te hergeven, Wiens boeien
• \'3« de ketenen onzer zonden verbrijzelen. Als honden en dolle
slieren, als een brullende leeuw
hadden zij de handen aan Hem
geslagen en Hem gegrepen, alle voorzorgen gebruikende, welke
de verrader hun aanbevolen had, en onmiddelijk daarop gaat
een woest gejuich op uit die door haat zinnelooze menigte,
nu zij hun gevreesd Slachtoffer in hunne macht hebben; tierende
en brullende van een helsch genoegen, omdat nu althans hunne
aanslagen met het gewenschte gevolg bekroond zijn, sleuren zij
den goddelijken Zaligmaker als een verachten booswicht, die
alle medelijden onwaardig is, weg naar Jerusalen en — welk
een verschil — langs denzelfden weg, welken Hij gevolgd had,
toen Hij vóór vier dagen als Sions Koning zijne Hoofdstad zege-
vierend en toegejuicht binnentrok. Welk een verschil — zeiden
wij — bitter zeker voor den goddelijken Lijder, maar leerrijk
tevens voor ons, opdat wij, wanneer voorspoed ons voor een
oogenblik toelacht, ons altijd gewapend houden voor den na-
derenden tegenspoed; opdat wij altijd voorbereid zijn op alle
wisselvalligheden van ons leven op aarde.
— Het kan onze verbazing niet verwekken, als wij de ge-
tuigen er van zijn, dat de vijanden der Kerk haar, die de verte-
genwoordigster van Christus is op aarde, voortdurend op gelijke
wijze behandelen. De grootsche overwinningen, welke zij
op het ongeloof en de zedeloosheid heeft bevochten, staan
in de geschiedenis opgeteekend; de wonderen, welke zij in
haar achttien honderd-jarig bestaan gewerkt heeft, zijn met zulk
schitterende letters geschreven, dat een blinde alleen ze niet zien
kan. En toch staan duizenden, met grimmigen haat bezield,
ten strijde toegerust om haar te vernietigen, minstens om haar
-ocr page 319-
309
OJfZKS I1KKR J~SLS CHRISTUS.
in zóó enge boeien te slaan, dat een langzaam sterven het
noodzakelijk einde zou moeten zijn. Doch nimmer zal hun die
toeleg gelukken, daar Jesus door zijn lijden en zijnen dood
voor haar de glorie der onvergankelijkheid heeft verworven.
Nauwelijks zagen de Apostelen, dat Jesus geboeid werd wegge-
voerd of allen verlieten Hem en vluchtten weg. Alleen Petrus
en een andere leerling, de h. Joannes, keerden weldra terug
en volgden hun goddelijken Meester van verre. De Herder
was geslagen, en de schapen werden verstrooid.
Dat was
meermalen van de Apostelen voorspeld, maar werpt niet
te min een treurig licht op \'smenschen onstandvastigheid,
ook na de beste voornemens. Hoe pijnlijk moet die zwak-
heid der Apostelen voor het Hart van Jesus geweest
zijn! Om hunne veiligheid te verzekeren had Hij aan
zijne beulen bevolen hun geen leed aan te doen; zijne teedere
zorg moest hun een waarborg zijn, dat zij in zijne nabijheid
geen letsel zouden bekomen, en toch namen zij schandelijk de
vlucht, toen zij hunne liefde en aanhankelijkheid het meest
moesten betoonen, toen Jesus hun troost en hunne hulp het
dringendst scheen te behoeven. Waar zijn ze nu gebleven al
die edelmoedige besluiten van onwankelbare trouw; waarin
toonen zich nu die betuigingen van onverbreekbare gehecht-
heid? Thomas wilde met Jesus ten dood gaan; Petrus achtte
zich sterk genoeg om nimmer in de vernedering van zijnen
Meester get\'rgerd te worden, om met Hem gevangenis en alles
te lijden; ook de anderen hadden met hem ingestemd. Al die
voornemens zijn dan in rook vergaan; al die verzekeringen zijn
dan gebleken niets meer te zijn dan ijdele woorden, welke door
-ocr page 320-
310                                             IIKT LIJIIhN KN STLRVKN VAX
den wind worden medegevoerd en geen vasten grond vinden.
Helaas! zoo zwak is de mensch, vooral wanneer hij, evenals
de Apostelen het bidden en het waken vergeet. Zoo wordt
de laffe vlucht der Apostelen voor ons nog een afschrikwek-
kend en leerrijk voorbeeld; en liever willen wij uit hun ge-
drag een voorzichtig mistrouwen op eigene krachten leeren dan
hen overmatig beschuldigen. Waarschijnlijk zijn wij in minder
hachelijke omstandigheden bezweken, voor een minder groot ge-
vaar teruggeschrikt dan waarin zij op dat oogenblik zich bevonden.
Hoe vinnig de leerlingen van Jesus gehaat werden, blijkt dui-
delijk uit eene omstandigheid, welke bij de gevangen-neming
van Jesus voorviel en door den Evangelist Marcus ons wordt
medegedeeld. Een jongeling, die volgens alle waarschijnlijk-
heid een vriend en leerling des Zaligmakers was en in de na-
bijheid van den hof van Gethsemane woonde, werd door het
nachtelijk rumoer uit zijn slaap opgewekt en, verschrikt opge-
staan zijnde om te zien wat er gaande was en om, zoo
het den Zaligmaker betrof, Hem te verdedigen, volgde
hij in zijn nachtgewaad den geboeiden Jesus een eind
wegs. Doch nauwelijks opgemerkt, werd hij door de bende
gegrepen en kon slechts aan hunne woede ontkomen door zijn
bovenkleed in de handen zijner vijanden te laten. Wel een
bewijs, wat de Apostelen van die woeste en aan alle leerlingen
des Heeren vijandig gezinde menigte te vreezen hadden, als
zij door het machtwoord van Jesus — laat ken gaan — niet
beveiligd waren.
Al de elf Apostelen zullen wij eerst — volgens eene geloof-
waardige overlevering — in den loop van Zaterdag te zamen
vereenigd vinden in het zelfde huis, dat zij Donderdag in den
avond met Jesus verlaten hadden. Daar ook verbleef de heilige
-ocr page 321-
311
OV/.hS I1KIR JkSUS CHRISTUS).
Maria in stille overweging met de andere vrouwen verzonken.
Weenende over de scheiding van haren Jesus, aanhoorde
zij — waarschijnlijk uit den mond van den H. Joannes — het
pijnigend verhaal van het gevangen nemen en van al de om-
standigheden, welke er mede gepaard gingen. Doch hoe ook
door de grievendste smart gefolterd, zij bleef de Koningin der
onoverwinnelijke Martelaren, medelijdend met haren godde-
lijken Zoon en te gelijk volkomen onderworpen aan den heili-
wil des Vaders.
Vóórdat wij den hof, zoo rijk aan dierbare herinneringen,
voor goed met Onzen goddelijken Zaligmaker verlaten, wijden
wij nog eens onze aandacht aan die verblinden, welke Jesus\' god-
del ij ke wondermacht hadden ondervonden en toch zich niet be-
keerden. Als groote zondaren waren zij ter nedergeworpen, maar
zij stonden niet op als boet vaardigen. Van hen ook gold hel
vreeselijk woord van den Profeet; Gij, o Heer ! hebt hen geslagen, Je»
en zij voelden niet; Gij hebt hen verbrijzeld, en zij wilden de luch-
tiging niet aannemen ; zij hebben hunne voorhoofden harder ge-
maakt dan een steenrots, en zij willen zie h niet bekeer en.
Hoe ver-
schrikkelijk groot is toch de kracht der geestelijke verblindheid!
Alwie daaraan zich overgeven, zien en hooren niet, zij voelen
niets. Inspraken der genade, vermaningen, bedreigingen, wroe-
ging van het geweten, een schrikverwekkend maehtvertoon van
God — alles laat hen koud en onverschillig. De angsten des
harten worden gesmoord in de verstrooiing van nieuwe zonden;
tuchtiging en rampen des levens worden geweten aan een on-
>erbiddelijk noodlot, niet aan de straffende Rechtvaardigheid
van God, die daardoor tot inkeer aanmaant; plotselinge sterf-
-ocr page 322-
312                                            HET I.IJKKV KN STUIVEN VAS
gevallen soms van metgezellen in de boosheid mogen voor
één oogenblik den schrik om het hart slaan, maar worden wei-
dra vergeten in den roes van bedwelmende hartstochten. Zulke
ongelukkige verblinden waren die Joden en Heidenen in
den hof; doch ook onder de Christenen worden zondaren aan-
getroffen, even blind, omdat hunne oogen zelfs door geene
zichtbare wonderen geopend worden, even hardnekkig in het
kwade, omdat hun gemoed niet vermurwd wordt door de tee-
derste bewijzen van belangstelling. Wat meer is : er zijn er
helaas! die Gods weldaden misbruiken als middelen tot het
plegen van nieuwe misdaden en, vermetel op Gods Barmhartig-
heid vertrouwende, voortgaan in de zonde, omdat God goed is.
Een ieder vrage zich in allen ernst af: mag de mensch
zich door te zondigen ongelukkig maken, omdat hij zoo me-
nigmaal Gods Liefde heeft ondervonden, nd zijne zonde;
op nieuw aan zonden zich overgeven, omdat Jesus in zijn
aardsch leven de zondaars liefderijk ontving? God heeft aan
een ieder van ons door zijnen prediker doen aanzeggen: voeg
geene zonde bij zonde en zeg niet
met een vermetel vertrouwen:
Eccl. V, 6. groot is de Barmhartigheid des Heeren, Hij zal Zich over de
menigte mijner zonden ontfermen ; want erbarming en gramschap
gaan spoedig van Hem uit en zijn toor?i rust op de zondaars,
dat is: Barmhartigheid daalt neder over hen, die zich op be-
keering en verbetering van leven toeleggen, maar toorn komt op
hen, die zich in hunne boosheid verharden. Wie alzoo door
een vermetel vertrouwen op Gods Lankmoedigheid zijn knagend
geweten meent te kunnen stillen en zich veilig waant met
Ez.XXXiil.ii. het woord van God door den Profeet verkondigd: Ik wil
den dood des zondaars niet, maar dat hij zich bekeere en leve,
of zich tegen elke straf verzekerd acht, omdat hij al menigmaal
-ocr page 323-
ONZEN HEK» JESUS CHRISTTS.                                             818
tot zich zelven heeft kunnen zeggen : ik heb gezondigd en watEccL- v-
leed is mij overkomen1} hij moge bedenken, dat dezelfde God,
Wiens geduld hij tergt, ook gezegd heeft: de goddelooze zal in Ez. in, 18.
zijne boosheid sterven; de ziel, welke gezondigd heejt, zal ster- Ez. XVIII, 30.
ven. Zeker, God is rijk in Barmhartigheid, en Hij heeft aan
vele, groote zondaren bijna onnoemelijke misdaden vergeven:
Adam en Eva nam Hij wederom in genade aan; van David
nam Hij allergrootste zonden weg; Saulus maakte Hij vaneen
vervolger der Kerk van Jesus tot den Apostel der Heidenen;
de tranen van den berouwvollen Petrus waren Hem dierbaar;
— maar die zondvloed dan, die verdelging van vijf steden, dat
vergaan van den verharden Pharao met zijn goddeloos leger, de
afgrijselijke dood van duizenden in de woestijn, het verwerpen
van Saul, het plotseling sterven van Heli en zijne twee zonen, het
omkomen van die achttien, welke door een invallenden toren in
Siloë verpletterd werden, het akelige sterven van een Judas —
verkondigen zij niet luide en schrikwekkend de waarheid, welke
Jesus eenmaal uitsprak: als gij geen boetvaardigheid doet, tulttxc. XIII,4.
gij allen op gelijke wijze vergaan ? Is uw ziel kostbaarder in
Gods oogen dan die der oproerige Engelen, welke om ééne
enkele zonde verloren gingen, dan zoo vele andere zielen,
welke om mindere en .kleinere zonden aan eeuwige vlammen
zijn prijs gegeven? Of zou God om uwentwil zijn eeuwig
besluit veranderen? Wee over hem, die zulks zou verwachten;
het allergrootste van alle ongelukken zou hem uit die bedrie-
gelijke rust doen opschrikken maar dan ook voor eeuwig. Bij
God is geen verandering noch overschaduwing van terugkeer;
Hij heeft het eens gezegd: „de zondaar, die zich niet bekeert,
zal in zijne zonden vergaan," en het blijft voor eeuwig vastge-
steld. Wij mogen, of liever: wij moeten blijven hopen op zijne
-ocr page 324-
314            HtT LIJUtN EN STKRVKX VAN ONZEN HhEK Jl-.SUS CHRISTUS.
Goedheid maar tegelijk zijne Rechtvaardigheid vreezen — ho-
pen om niet tot wanhoop, vreezen om niet tot vermetelheid
te vervallen; Jesus is het Lam, dat de zonden der wereld weg-
neemt, maar ook de Rechter, die nÉtdat wij uit het leven
gescheiden zijn, met de strengste Rechtvaardigheid oordeelt. Laten
wij daarom gehoorzaam zijn aan zijne vermanende stem als
aan die van eenen ontfermenden Vader, maar tevens zijne straf-
fende hand duchten als die van een vergramden Rechter.
Dit was de wijsheid van allen die eens zondaren waren en
nu heiligen zijn geworden. In alle omstandigheden van ons
tijdelijk leven moet dit treffend woord van den h. Augustinus,
dien grooten boetvaardige, ons levendig voor den geest blijven:
„Wat is billijker en rechtmatiger dan dat wij leven voor een
„God, zonder Wiens sterven wij niet zouden leven; wat is
„voordeeliger dan dat wij een God dienen, die ons eene eeuwige
„belooning belooft; wat is noodzakelijker dan dat wij een God
„dienen, die ons met eeuwige vlammen dreigt?"
-ocr page 325-
Derde Afdeeling
JESUS VOOR DE GEESTELIJKE RECHTERS.
Hoofdstuk I.
Jesus wordt naar Annas gesleurd.
De Heilige Israels werd, als een misdadiger geboeid, door
den haat van zijne verwoede vijanden naar Jerusalem ter dood
gesleurd, maar in de plannen van God als de Hoogepriester,
die in zijn lijden aan God een welgevallig offer zou aanbieden
ter verlossing van de wereld en het nieuwe Verbond bezegelen
zou door het vergieten van zijn Bloed. Het moest reeds na
middernacht geworden zijn, want hoeveel was er al gebeurd,
sinds Jesus het laatste Avondmaal geëindigd had? Het was
al laat, ruim acht uur in den avond, toen Judas uitging en de
Zaligmaker zijne lange afscheidsrede en daarna zijn hoog-pries-
terlijk gebed begon; de weg naar Gethsemane was met lang-
zamc schreden afgelegd; tot driemaal toe en langen tijd, waar-
-ocr page 326-
316
hlt LIJDEN i:.v sterve* van
schijnlijk drie uren, had Jesus gebeden; veel tijds was er
verloopen met het gesprek tusschen Tesus en zijne vijanden,
met het berispen van Petrus en het genezen van Malchus; ook
het gevangen-nemen en het binden van Jesus hadden eenigen
tijd gevorderd. Daarom mocht nu, meende die bende, niet
getalmd, met spoed moest gehandeld worden, indien de alreeds
vergaderde raadslieden niet in hunne verwachtingen te leur
gesteld en de gevangene Jesus nog vóór het aanbreken van
den morgen ter dood veroordeeld zou worden. Met haast
stelt zich dan die woedende bende, onder luid geschreeuw en
woest getier, in beweging, en sleept den stevig geboeiden Jesus
voort, evenals weleer Josef, door zijne broeders als slaaf ver-
kocht, door de Madia nieten naar eene harde slavernij werd
weggevoerd. Allen juichen over het welslagen hunner pogin-
gen, en de geduldige Jesus lijdt naamloos veel van de brood-
dronkenheid en de wreedheid zijner vervolgers.
Wij hebben reeds den weg aangewezen, welken de goddelijke
Lijder gedwongen werd te volgen; doch wie kan naar waar-
heid beschrijven alles, wat Hij in ziel en lichaam bij de eerste
schreden, die Hij op zijnen langen lijdensweg zette, ondergaan
heeft? Even smaad~ als smartvol was die tocht en toen reeds
mocht Jesus deze klacht van Sirachs zoon op Zich toepassen:
Eccl. LI, 10. men omringde Mij van alle kanten, en niemand stond Mij bij.
Ik zag uit naar hulp van menschen, maar die was er niet.
Met gebonden handen, met ketenen of koorden om hals en
lendenen geslagen, werd onze Zaligmaker, nu eens aan zijne
boeien voortgesleurd, dan weder onder stompen en slagen voort-
gestuwd. Afgemat en daarenboven belemmerd in zijne bewe-
ging kon Jesus Zich niet zoo snel vooruit spoeden, als de on-
stuimige haast der bende het van Hem vorderde, en was, nu
-ocr page 327-
817
ONZEN HEER JMIJS CHRISTUS.
eens struikelende, dan plat ter aarde neergevallen, het voorwerp
van bittere spotternij en lage mishandeling. Van alle kanten
vielen dan de stokken met bonzend geweld op het onschuldig
lichaam van Jesus neder om Hem tot opstaan te dwingen,
terwijl diepe groeven aan hals en handen de bewijzen leverden,
met welk eene wreedheid die beulen hun Slachtoffer voortsleur-
den. Zijn Bloed teekende den weg, waarlangs Hij meer voort-
getrokken werd dan Zich voortbewoog, terwijl de omliggende
heuvelen weergalmden van de vloeken en godslasteringen, welke
tegen Hem werden uitgeworpen. Zóó ging het altijd voort van
Gethsemane, en over de beek Cedron tot aan het huis van
Annas. Zelfs vermeldt eene geloofwaardige overlevering, dat
Jesus op de Cedron-brug neerviel en den indruk der beide
knieën in een steen achterliet, ook dat Hij door die ellendelin-
gen in het morsige, modderige water van die beek, waarin zich
door een riool het offerbloed en de onreinheden van den tem-
pel en wellicht ook van de stad ontlastten, werd neergeworpen
en toen doornat en met slijk en vuil overdekt door middel
der koorden en ketenen er uitgetrokken is.
Dat de Zaligmaker eerst naar den in jaren en in ondeugden
vergrijsden Annas, den schoonvader van Caiphas geleid werd,
is door het Evangelie-verhaal boven allen twijfel verheven.
Geen enkel der Evangelisten geeft echter ons van die bal-
dadige vernedering aan Jesus met opzet aangedaan de reden op.
Annas was zeker een man van hoog aanzien te Jerusalem en
vroeger Hoogepriester geweest; maar was hij ook de voornaam-
ste drijver van al hetgeen tegen Jesus ondernomen werd? Had
-ocr page 328-
318
HK.T I.IJD1-.N KN STFRVKN VAV
hij aan zijn schoonzoon in last gegeven, om die eer, dat Jesus
bij hem gebracht werd, aan zijn schoonvader te bewijzen, en
hoopten de dienaren des Hoogepriesters voor hunne bereid-
willige gehoorzaamheid eene goede belooning te ontvangen, als
zij aan Annas de gelegenheid gaven zich in Jesus\' vernedering
te kunnen verlustigen; had Annas de 30 zilverlingen aan Judas
beloofd en moest de verrader ze bij hem in ontvangst nemen:
was het afgesproken, dat Jesus zóó lang bij Annas zou vertoe-
ven, totdat een genoegzaam aantal leden van den hoogen raad
in het huis van Caiphas bijeen waren? Met groote waarschijn-
lijkheid kunnen al deze vragen bevestigend beantwoord worden ;
dit is in allen gevalle zeker, dat Annas die onderscheiding, als
de voorstelling van Jesus aan dien booswicht zulk een naam
verdient, te danken had aan den grooten invloed, waarover hij
beschikte, vooral aan zijn bekenden haat tegen Jesus, ook aan
zijne sluwe listigheid, welke bij het volgende rechtsgeding te
stade kon komen.
Tot dus verre slechts volgden de gewapende romeinsche
krijgsknechten; zij hadden den van hen gevorderden dienst
meer dan genoegzaam bewezen en konden nu met eene gel-
delijke belooning ontslagen worden. Ook Judas was bij de
bende gebleven, ontving — volgens de oude schrijvers — zijn
bloedgeld uit de handen van Annas en vertrok om zijnen god -
delijken Meester, dien hij overgeleverd had, niet terug te zien,
vóórdat deze ten oordeel kwam. Wat Petrus betrof, deze zou
op zijne vlucht, na Jesus\' gevangen-neming zich eenigen tijd in
eene grot — aldus verhaalt eene niet onvertrouwbare overle-
vering — schuil gehouden hebben maar weldra, tot bezinning
gekomen, den stoet gevolgd hebben dien hij bij het licht
der flambouwen uit de verte gemakkelijk kon onderschei"
-ocr page 329-
SI»
ON7FN heer .iets rimr-Ti\'».
den. Eene zeer begrijpelijke nieuwsgierigheid, vooral hartelijke
gehechtheid aan Jesus gunden hem geene rust, maar eene laffe
vrees voor de vijanden zijns Meesters hield hem op verren af-
stand. Ook Joannes had zich nu bij hem gevoegd en de
beide bevoorrechte leerlingen gingen te zamen naar Jerusalem
op, waarschijnlijk langs denzelfden weg, dien Jesus volgde.
Zoo was dan onze goddelijke Zaligmaker, die weenende ter
wereld kwam en in droefheid en vernedering geleefd had, het
laatste en het pijnlijkste gedeelte van zijn lijdensweg ingeslagen.
Aan het einde daarvan stond het Kruis; maar niets kon den
goddelijken Lijder terughouden om den lijdensbeker ten bodem
toe te ledigen. Hij had de ketenen van onze zonden Zich la-
ten aandoen; door de banden zijner Liefde werd Hij met een
zoet geweld naar den dood getrokken. In die twee omstan-
digheden, welke wij nimmer uit \'toog mogen verliezen, ligt
voor elk onzer eene duidelijke aanwijzing opgesloten, met welke
gevoelens wij van nu af tot aan het einde toe den Zalig-
maker op zijn lijdensweg moeten volgen. Om de boeien
van onze zonden te verbreken en ons de vrijheid van kinderen
Gods terug te geven, liet Hij Zich knevelen. Hij kon van zijne
Goedheid niet verkrijgen, dat wij, de schepselen zijner almach-
tige Liefde, in de slavernij der zonde en des duivels onzen
eeuwigen ondergang te gemoet gingen, en wilde daarom onze
geheele schuldenlast op Zich nemen en Zich als een misdadi-
ger laten binden om door zijn lijden ons van het pijnigend
juk der zonden te bevrijden. Wij moeten dan wel met den
Profeet Jeremias verzuchten: de Gezalfde, de Heer, werd Klaagl.iv.io
gevangen in onze zonden. Berouw alzoo, een heilig leed-
wezen moet ons bezielen over het groote aandeel, dat
wij hebben in de zonden, waarvoor Jesus lijden en sterven
-ocr page 330-
«o
HET I,t.ir>F.N RN STERVEN VAN
gaat. Doch ook de volgende woorden van denzelfden Pro-
feet moeten wij in ons gedrag waar maken: in uwe schaduw
Klaagl.V.io. •willen wij leven onder de volken, onder de schaduw van uwe
genade en in de liefde tot U, mijn God en mijn Verlosser.
Of heeft Jesus Zich ook niet daarom laten binden om ons
door de zoete boeien van eene dankbare liefde met Zich te
vereenigeri? Welk een gelukkige ruil: aan ongelukkige zonda-
ren worden de vernederendste ketenen van schande en van
schuld afgenomen en daarvoor in plaats bood Hij hun de ban-
den der Liefde aan. Met de handen der Liefde trok Ik hen aan
Osek. XI, 4. — mag Jesus herhalen — en Ik was voor hen, alsof Ik het
juk van hunnen nek nam en Ik ivendde hun spijze toe.
Kan er
dan iets rechtmatiger zijn dan dat wij Hem uit liefde volgen,
die alle liefde waardig is en uit Liefde tot ons heeft willen
geboeid worden? Zeker, het juk des Heeren blijft altijd een
juk en wij allen moeten met Hem verbonden blijven door het
onderhouden van zijne geboden en door ons te onderwerpen
aan de beproevingen, welke Hij ons overzendt; aan eenigen zelfs
geeft Hij de uitstekende genade hen door de belofte van de
Evangelische raden nog nauwer met Zich te vereenigen; maar
Eccli. VI, 31. al die boeien zijn banden des heils. Ons leven op aarde mag
geen leven van ongebondene vrijheid, van laffe rust, van on-
gestoorden vrede zijn, maar het moet een leven wezen van dienst-
baarheid onder de wet van God, van onafgebroken inspanning
voor het hoogste goed, van een strijd zonder einde tegen eiken
vijand. Wie daartegen opziet, zou, evenals de Apostelen bij
de gevangenneming van Jesus vluchten, zijn Zaligmaker in de
uren zijns lijdens schandelijk verlaten; wie daarentegen zijne
bloedige voetstappen blijft volgen, erkent en huldigt Hem als
zijn voorbeeld met de volle zekerheid, dat hij in zijn leven
-ocr page 331-
»2 I
ONZEN HF.FR JKSls < HHIS\'U».
wel vele kruisen zal te dragen hebben, maar dat hij ook na
zijn dood met den nu verheerlijkten Jesus zal beloond worden.
Wat God van de eeuwige Wijsheid zeide, mogen wij op de
Liefde tot den goddelijken Zaligmaker toepassen: Luister, mijn Eccli. VI 23.
zoon! en neem verstandige raadgeving aan en verwerp mijnen
raad niet. Steek uwen voet in hare ketenen en uwen hals in
haren halsband; buig uwe schouders en draag haar en laat
hare kluisters 11 niet verdrieten; kom tot haar met geheel uwe
ziel en onderhoud hare wegen en uit al uwe krachten; zoek
haar op en zij zal zich aan u doen kennen ; en zijt gij\' haar
machtig geworden, verlaat haar niet; want itt \'t eind zult gij
rust vinden in haar, en zij zal voor u in blijdschap verkeeren.
En hare ketenen zullen 11 tot een sterk beschutsel dienen en tot
een stevigen grond, en hare kluisters tot een prachtgewaad. —
Wij aarzelen geenszins om de meest gevolgde voorstelling
tot de onze te maken en houden het er voor, dat bij Annas
niets bijzonders voorviel, en dat onze goddelijke Zaligmaker
spoedig naar den Hoogepriester van dat jaar overgebracht
werd. De Evangelist Mattheus geeft de door ons gevolgde
orde van gebeurtenissen aan; alleen de h. )oannes schijnt aan
te duiden, dat het eerste verhoor en het geven van den kaak-
slag in het huis van Annas voorvielen. Doch die moeilijk-
heid wordt gemakkelijk opgelost. Eerst houdt Joannes zich
bezig met een gedeelte van hetgeen bij Caiphas voorviel; later
bemerkte hij, hoe hij voorbijzag te melden, dat de Zaligmaker
van Annas\' naar Caiphas overgebracht was: na dit verzuim
door eenige ingelaschte woorden goed gemaakt te hebben, zet
hij zijn afgebroken verhaal weder voort. Wij hebben ons der-
halve niet verder met den booswicht Annas te bemoeien. Van
21
-ocr page 332-
388
HET I.MDE.V EN STEKTEN VAV
hem vermeldt de geschiedenis ook niets bijzonders: wij weten
alleen, dat hij een Sadduceër was, en dus aan geene onster-
felijkheid der ziel geloofde, geene straf noch belooning na dit
leven verwachtte, al zijn geluk in de wereld zocht en geen prijs
op deugd of godsdienst stelde. Toch ging hij er grootsch op, dat
vijf zijner zonen de hoogpriesterlijke waardigheid achtereenvolgens
bekleedden. Leerrijk is het echter voor ons hier op te merken,
welk eene afschuw-wekkende voorstelling wij in dien man zien van
eiken verharden zondaar. Annas laat niet af van kwaad te doen en
van kwaad te stoken; zijn ambt mag hij verliezen en zijn stand
mag veranderen, maar in zijne boosheid en in zijn haat tegen
God blijft hij zich gelijk tot in hoogen ouderdom. Anders
slaapt hij in dat nachtelijk uur; maar nu er spraak van is om
Jesus te vervolgen, kan hij geene rust vinden — evenzoo de zon-
daar: elke inspanning voor het goede is hem te lastig; maar
rust en gezondheid, krachten en geld, alles heeft hij veil, als
hij slechts zijne booze lusten kan involgen. Annas verheugt
er zich over, dat hij Jesus gebonden voor zich mag zien, dat
hij over Hem mag zegevieren, die zoo menigmaal en in de
scherpste bewoordingen het misdadige drijven en de huichelarij
van de phariseesche en andere secten gegeeseld heeft. Nu zou
hij en zijn aanhang in het vervolg wel niet langer door den
gehaten Nazarener verontrust worden! Eveneens is de ge-
waande overwinning, de valsche rust van den boosdoener, die
zijn geweten gesust heeft en door allerlei drogredenen over de
waarheden van het Evangelie meent gezegevierd te hebben.
Hoe kort duurt die vermeende zege! Nk drie dagen triomfeerde
de verrezene Jesus over alle pogingen om Hem uit den weg
te ruimen; weldra zouden er geen Judas, geen Annas, geen
Caiphas, geen Herodes noch Pilatus meer zijn op aarde;
-ocr page 333-
:?2.°>
ONZF.N IIF.KR PKSfS CHRISTUS.
maar Jesus zou leven in eeuwigheid. Hoe ras \'lillen ook alle
droombeelden van den zondaar voor den rechterstoel van den
vergramden God als rook vergaan zijn?
A! nemen wij aan, dat het huis van Annasop geringen afstand —
volgens eene overlevering 170 schreden— lag van Caiphas\' pa-
leis •— het was toch eene nieuwe en pijnlijke vernedering voor
Jesus, toen Hij andermaal door ruwe en baldadige dienstknech-
ten over Jerusalems straten, met ketenen beladen en stevig
geboeid, werd voortgesleurd. En dat Hij van zulk een doortrapten
deugniet, als Caiphas was, geen vriendelijker of zelfs \\velwil-
lender behandeling mocht verwachten, kunnen wij met zeker-
heid opmaken uit hetgeen wij van hem vermeld vinden. Hij
was een trotsch en verwaand mensch; door geld had hij de Hooge-
priesterlijke waardigheid van den wreeden Herodes gekocht: som-
migen meenen, dat hij zich tien jaren achtereen in die waardig-
heid had weten te handhaven; in den Hoogen raad had hij zich
reeds lang weden-rechtelijk van den voorzittersstoel meester ge-
maakt; op zijne waardigheden was hij zeer naijverig, omdat zij
hem aanzien, rijkdom en grooten invloed verschaften; hij had,
evenals zijn schoonvader, den Zaligmaker een vinnigen haat toe-
gezworen, was het algemeen erkende hoofd van Jesus\' vijanden,
en had de andere leden van den Hoogen raad tot zijn boos
opzet overgehaald en reeds bij voorbaat het doodvonnis over
Jesus geveld, beslissende, „het is nuttig, dat één mensch sterve,
„opdat het geheele volk niet ten gronde ga." Dat zulk een
booswicht niet slechts zijne reeds lang beraamde plannen ten
uitvoer leggen, maar ook met eene duivelachtige wreedheid zou
uitvoeren, was geheel in overeenstemming met zijn eerloos karakter.
-ocr page 334-
:!24                                  iik.t lijden kn stikten van
Hij beschikte tevens over eene bende huurlingen even ge-
dwee in het o])volgen zijner wenken als laag van aard en on-
menschelijk van inborst. Of zij den Zaligmaker niet kenden,
nooit iets van Hem gehoord of gezien hadden, wat hunnen
nijd kon wekken, alleen van zijne wonderen en leer had-
den hooren gewagen, dit hield hen niet terug om tegen Jesus
als tegen hun bittersten vijand te woeden. Zij hadden Caiphas
en Annas en andere Oversten der Joden den Zaligmaker zoo
dikwijls hooren lasteren en met de zwartste kleuren hooren af-
schilderen: zij waren daarenboven door schoone beloften om-
gekocht, door loftuitingen geprikkeld over hetgeen zij dien
nacht alreeds verricht hadden: zij wisten, dat een hooger loon
gezet was op grootere mishandelingen van Jesus. Kortom:
door allerlei hulpmiddelen, waarvan de boosheid alleen het
geheim bezit en de kracht kent, was hun afschuwelijke geaard-
heid tot een feilen haat opgezweept tegen Jesus, aan Wien zij
geene enkele schuld konden ten laste leggen, aan Wien zij
tot dus verre geheel vreemd waren gebleven.
Hoog in aanzien, maar in deugd en in liefde voor recht en
billijkheid ook al tot een laag peil gezonken, was de Hooge
raad der Joden, het zoogenaamde Sanhedrin, waaraan het ver-
raad van Judas zijnen Meester had overgeleverd. Die raad
bestond uit Opperpriesters, uit Schriftgeleerden en ook uit
Ouderlingen, welke uit de aanzienlijksten van den leekenstand
gekozen werden. De Hoogepriester was de Voorzitter en maakte
het getal van de 72 volledig. Het kon alzoo een hoogst eer-
biedwaardige vergadering zijn, waarin de deugd en rechtscha-
penheid en wetenschap en bezadigdheid haren troon hadden
opgeslagen, maar helaas! op haar was van toepassing gebleven,
wat de Profeet Isaias in zijnen tijd van de geheele stad jam-
-ocr page 335-
ONZEN HEER JESUS CHRISTUS.                                              825
merende klaagde: hoe is zij geworden gelijk een ontrouwe, die Is. I, at.
getrouwe stad, die vol recht was / De rechtvaardigheid woonde in
haar en thans is zij een moordhol. Uw zilver is veranderd in schuim
en uw wijn met water vermengd. Uwe vorsten zijn onrechtvaardig
en gezellen van dieven.
De ellendige Caiphas, de listige vijand van
Jesus is hun aller hoofd en voorganger in het booze; Annas
was zijn evenbeeld in aanleg en in karakter; de anderen evenaarden
hen in het bestrijden van Jesus\' leer, in het loochenen zijner
wonderen, in het verachten van zijne goddelijke zending; geen
enkele hunner erkent Jesus voor hetgeen Hij is, allen haten
Hem als den Wonderdoener, Wien het volk vereert; slechts
twee, in zoo verre wij weten, hielden Jesus voor een Leeraar
door God gezonden; al de zeventig overigen waarschijnlijk be-
schuldigden Hem van omgang met den duivel en zochten, door
hun haat voortgedreven, Hem te dooden; in hun afgunstig oog
was Jesus niets minder dan een bedrieger, een opruier van het
volk, een mededinger naar de volksgunst, die, hoe clan ook,
onschadelijk moest worden gemaakt.
Nu wij de verwoede vijanden kennen, wier uur gekomen is;
nu wij weten, aan welke naar bloed dorstende onmenschen de
oneindige Onschuld, de Heilige der Heiligen is overgeleverd,
moeten wij met den lijdenden Verlosser het huis van Caiphas
binnen treden, waar Jesus ondenkbaar veel lijden zal tot boete
voor onze overtredingen maar tevens de schitterendste getui-
genissen zal afleggen ter onzer leering, ook de treffendste voor-
beelden van deugd zal voorhouden ter onzer onderrichting.
Toen reeds een groot gedeelte der raadsleden vergaderd was,
toen ook eene onstuimige menigte, door de mare van Jesus\'
gevangenneming en door het nachtelijk rumoer gewekt, zich
voor liet paleis van den Hoogepriester had verzameld, werd
-ocr page 336-
32li                                           HKT MJDKX EN STKUVF.X VAN
onze goddelijke Zaligmaker naar zijn bittersten vijand heenge-
sleurd. Niet allen echter werden met Hem binnen gelaten;
alleen de dienstknechten en die tot het huis van Caiphas be-
hoorden mochten binnen gaan; voor de overigen, hoe nieuws-
gierig zij ook waren naar hetgeen ging gebeuren en welke po-
gingen zij ook aanwendden, bleef de deur gesloten en werd —
vrouwen waren oudtijds vooral bij de Joden als deurbewaak-
sters aangesteld — door eene dienstmaagd bewaakt. Een van
Jesus* leerlingen echter, naar alle waarschijnlijkheid de h. Joannes,
kwam zonder eenige hindernis binnen, want hij was bij den
Hoogepriester bekend, daar hij of van aanzienlijkere familie
dan de overige Apostelen of vroeger met Caiphas meermalen
in aanraking geweest was. De bedienden kenden hem dan
ook, en de dienstmaagd liet, ofschoon zij anderen moest afwijzen,
hem zonder moeielijkheid te maken binnen treden. Maar Petrus
stond nog buiten. Zoodra Joannes dit bemerkte, wisselt hij
eenige woorden met de portierster en op zijne voorspraak mag
nu ook Petrus binnen gaan.
In het voorhof of op de binnenplaats vinden zij eenige die-
naren rondom een vuur gezeten, hetwelk dezen ontstoken had-
den om zich tegen de koude des nachts te beschermen. Zon-
der zich te bedenken en met zijne gewone koelbloedigheid
neemt ook Petrus daar zijne plaats om te zien, hoe het met
Jesus zou afloopen. Dat de h. Joannes bij hem bleef, is meer
dan onwaarschijnlijk. Zou hij anders den onbedachtzamen
Apostel, of door woorden of minstens door gebaren, niet ge-
waarschuwd en voor den noodlottigen v.i] behoed hebben.?
Jesus staat nu aan de willekeur zijner verbitterde vijanden over-
-ocr page 337-
327
ONZEN HEER JESUS CHRISTUS.
geleverd. Zij hebben Hem in hun haat gezocht en — tot hun
ongeluk gevonden. Een lichtstraal der goddelijke genade was
reeds meermalen in hunne booze ziel doorgedrongen; menig
woord des Verlossers had zoo dikwijls hun schuldig geweten
doen ontwaken, maar alles te vergeefs. Dewijl zij in hun on-
geloot en in hunne boosaardigheid wilden volharden, in hun
zondig leven niet wilden gestoord worden, trachtten zij den
goddelijken Leermeester der waarheid en der zedenwet uit den
weg te ruimen, in hunne daden het woord van Jeremias ver-
tolkende: laat ons Hem uit het land der levenden verdelgen, Jerem.xi,*9.
opdat zijn naam niet meer herdacht worde. Zij mochten hunne
gezindheid verbergen achter huichelachtige schijnheiligheid,
maar Hij die harten en nieren doorgrondt, had hun reeds lang te
voren het masker afgerukt, zeggende: Gij, gij hebt den duivel J üan, VIII.44
tot vader en wilt de lusten uws vaders doen: die was een men-
schenmoorder van den beginne af, en hij is in de waarheid niet
staande gebleven.
Ook die verdiende bestraffing bracht hen
niet tot inkeer, maar verhardde hen nog meer in het kwade,
zóódat Jesus, die alles vooruit wist, hun reeds bij een andere
gelegenheid dreigend toevoegde: Ik ga heen, en gij zult Mij Joan. VII, 34-
zoeken en in uwe zonde zult gij sterven.
— Zóó waren de Joden ten tijde des Zaligmakers; even schuldig
zijn de verstokte bestrijders van Jesus\' Naam in onze dagen.
Sinds Jesus ten Hemel gevaren en aan de rechterhand des Vaders
gezeten is, kunnen de goddeloozen Hem niet meer naar het
leven staan, maar doen in hunne verblindheid, wat Saulus
vóór zijne bekeering deed: zij vervolgen Jesus in zijne h. Kerk.
Die moet gehoond, gelasterd worden en, gedaagd voor de
vierschaar, waar waanwijsheid en ongeloof en opzettelijke ver-
draaiing of verminking van historische feiten het pleit be-
-ocr page 338-
328             HET LMDEN EN STERVEN VAN ONZIN HKER JKSLS CHRISTUS.
slechten, veroordeeld worden alsof zij zedeloosheid en ver-
valsching van begrippen predikt. En die strijd tusschen
het Rijk Gods en het rijk van satan op aarde zal immer,
volgens Jesus\' voorspelling, onafgebroken voortduren tot
aan het einde der tijden. Terwijl de goddelijke Stichter
er voor zorgt, dat steeds nieuwe kampioenen voor zijne
eer en voor het heil der zielen in het strijdperk treden, is
satan er op uit om zijne aanhangers voltallig te houden en zoo
mogelijk te vermeerderen ten aanval en ter bestrijding van al
wat waar en zedelijk is. Doch merken wij hier het groote
verschil op tusschen voorheen en nu. Jesus gaf met vrijen
wil Zich over ter dood, en Hij stierf; maar door zijn dood
verdiende Hij een onvergankelijk, eeuwig leven voor zijne
Kerk. Zij kan dan wel vervolgd, en hare kinderen gemarteld
worden, maar sterven kan zij nimmer; haar bloed wordt een
vruchtbaar zaad; haar lijden eene onverwelkbare kroon, elke
strijd eene nieuwe overwinning. Dit is de beschaming harer
bestrijders maar tevens de troost harer dienaren. De beproe-
ving duurt slechts kort voor eiken strijder van Jesus en gaat
voorbij als eene schaduw, maar kan een eeuwig gewicht van
onvergankelijke glorie bewerken, als zij met christelijken moed
en met eene heilige volharding verdragen wordt. Te schitte-
render ook zal de kroon der vergelding voor een ieder wezen,
naarmate hij een roemrijker aandeel in dien soms bangen strijd
zal gehad hebben. —
-ocr page 339-
Hoofdstuk II.
Kerste verhoor voor* Caipha-s.
Jesus wordt in \'t aangezicht geslagen.
Zoodra Jesus voor Caiphas stond, —Jesus die de Hoogepriester
in eeuwigheid is en door zijn dood een eeuwig leven voor
allen verdienen zou, — voor Caiphas, den uitgedienden Hooge-
priester der Oude Wet, die den Messias ter dood ging veroordeelen
maar zelf verworpen werd — begon die huichelaar met een
voorloopig onderzoek, al waren nog niet alle raadsheeren te-
genwoordig. Dit was geenszins de éénige onregelmatigheid,
waaraan hij zich schuldig maakte. Volgens de joodsche
wetten, toenmaals geldig, moesten de terechtzittingen over
halszaken bij dag plaats hebben; elke vrijspraak werd nog
dienzclfden dag, maar elke veroordeeling eerst den vol-
genden bekrachtigd; op een feestdag of op den vooravond
daarvan mocht geen oordeel geveld, aan den beschuldigde
moest een pleitbezorger gegeven en getuigen ter zijner verde-
diging gehoord worden; het begin des rechtsgedings moest aan-
vangen met hetgeen ten voordeele, niet met hetgeen ten zijnen
nadeele pleitte. Al die door billijkheid voorgeschrevene wette-
lijke bepalingen werden op de allcrschandelijkste wijze ovcr-
-ocr page 340-
sso
HET LIJOEN KN STERVEN VAN
treden ; geene enkele daarvan werd tegenover Jesus onderhouden.
Dat hunne wetten op de overtreding van die voorschriften
strenge straffen en ongeldigheid van het vonnis bepaald had-
den, werd nu evenmin door die onrechtvaardige rechters in
aanmerking genomen als zij straks zullen bedenken, dat de
Mozaische wet op het afleggen van valsche getuigenissen dezelfde
straf gezet had, welke op de betichte misdaad stond. Tegen-
over den gehaten Jesus van Nazareth scheen alles geoorloofd:
voor den oneindig Rechtvaardige bestond geen recht, en Hij,
die in de wereld was gekomen om ons van de verdiende streng-
heiil der goddelijke wet te verlossen, wilde al de hardheid
van eene wederrechtelijk toegepaste menschelijke wet lijden
Aldus stond de Onschuld zelve weerloos overgegeven aan den
haat van hoogst schuldigen, die niets minder dan zijn onder-
gang gezworen en zijn doodvonnis reeds vooraf bepaald hadden;
— de eeuwige Rechter van levenden en van dooden voor zijne
schepselen, aan wie Hij zelf het eerbiedwaardig rechtsambt
over zijn uitverkoren volk in handen had gegeven, maar die
het nu schandelijk misbruikten om den Heer van leven en
van dood te doen sterven. In de geheele lijdensgeschiedenis
is er geen tafereel, waarin de bewonderenswaardige Zacht-
moedigheid van Jesus tegelijk met dt afschuwelijke boos-
aardigheid van zijne vijanden duidelijker uitkomt dan nu de
goede Jesus als een boosdoener staat tegenover den huicbelen-
den Caiphas.
Met het doel om het terrein, als wij zoo mogen spreken, te ver-
kennen en zich te vergewissen welke beschuldigingen met de
meeste hoop op welsligen tegen den Zaligmaker konden ingebracht
worden, begon Caiphas zijn eerste onderzoek. Maar op welk eene
-ocr page 341-
SS]
ONZEN HEER JESUS CHKISTU8.
schandelijke wijze ? In een vroeger gehouden raadsvergadering
had hij zich — men verlieze dit niet uit \'t oog om het onwet-
tige van zijne handelwijze te vatten — als beschuldiger van
Jesus opgeworpen en nu trad hij op als zijn rechter; hij had
den Zaligmaker reeds vroeger des doods schuldig verklaard, vóór-
dat hij Hem gehoord had; nu ging hij alle pogingen aanwen-
den om Hem voor een opruier des volks, voor een bedrieger
en voor een dwaalleeraar tegen de wet en overlevering te
doen doorgaan. Hij ving aan met Hem over twee punten te
ondervragen: over zijne leerlingen; wie en van waar zij waren;
hoe Hij hen verzameld had, en waar ter plaatse zij zich nu op-
hielden; vervolgens over de leer, welke Hij verkondigd had.
Hoe eenvoudig in schijn die vragen mochten wezen , zij
teekenden sluwe listigheid van den I loogepriester. Hij on-
dervroeg Jesus over zijne leerlingen, om Hem te kunnen beschul-
digen van oproer te stichten door Zich in het geheim een aan-
hang gemaakt te hebben tegen het gezag der Romeinen; hij
ondervroeg Jesus over zijne leer, om Hem te kunnen beschul-
digen van godslastering door in het verborgen tot afvalligheid
van de Mozaïsche wet te hebben aangemaand. Het doel, den
booswicht geheel waardig, was alzoo om Jesus in zijn antwoord
te kunnen vangen en in zijne woorden iets te vernemen, wat tot
eene hatelijke beschuldiging aanleiding kon geven. Maar ook
de geslepen Caiphas zou, niet minder dan zijne voorgangers in
strikvragen, door de eeuwige Wijsheid beschaamd worden.
Op de eerste vraag wilde Jesus het antwoord schuldig blijven.
Zijne leerlingen waren immers genoegzaam hekend; een ieder wist,
dat zij slechts twaalf in getal en daarenboven ongeletterde en
ongewapende mannen waren, van wie niemand iels te vreezen
had; daarenboven hadden zij allen zich in hun Meester geer-
-ocr page 342-
332
HET LIJDEN EK STEKTEN VAN
gerd en in dien droevigen nacht de vlucht genomen, zóódat
Jesus weinig ter hunner eer of verdediging kon en tot hunne
schande niets wilde inbrengen; coTc zou uit zijn antwoord om-
trent zijne leer genoegzaam blijken, wat er van zijne leerlingen
was. Wat Jesus\' leer betrof, daarover een onderzoek in te stellen,
behoorde zeker tot de bevoegdheid van den Hoogepriester,
die toezicht over elke nieuwe leer moest houden. Had dan
ook Caiphas volgens geweten en uit plichtsbesef gehandeld, hij zou
gewis een ander antwoord van Jesus ontvangen hebben; nu
verdiende hij geen duidelijker dan het volgende. De Zaligma-
ker antwoordde met een beroep op de geheele openbaarheid van
zijne leer; zij was door allen gehoord en kwam van God, en daarom
kon Hij zijne leerlingen ook niet met eene slechte bedoeling ver-
oan. XIII.20. zameld hebben. Ik heb openlijk tot de wereld gesproken —
zeide Hij — ; fk hel\' altoos in de Synagoge en in den tempel ge-
leer d, waar alle Joden samen komen; en in het Ter borgen heb
Ik niets gesproken,
„niets dat met mijne openbare leering niet
„overeenstemde of voor openbare verkondiging niet bestemd
„was; Ik sprak altijd vrij en onbewimpeld, ten aanhoore van
„allen, die Mij wilden hooren, voor eene groote menigte van
„allerlei stand, in kleinere synagogen en inden grooteren tempel.
„Ik behoef dus Mij zelven niet te verdedigen; dat kunnen allen
„doen, die mijne hoorders waren" ]Vat ondervraagt gij Mijl
^ondervraagt hen, die gehoord hebben, wat Ik tot hen gespro-
„ken heb ; zie, zij weten, wat Ik gezegd heb,
want al heb Ik
„soms met mijne leerlingen afzonderlijk besproken, wat Ik in
„gelijkenissen aan het volk voorstelde, nooit predikte Ik iets
„in \'t geheim, wat verschillend was van hetgeen Ik in \'t open-
„baar zeide, of wat zij verborgen moesten houden en aan de
„geheele wereld niet mochten verkondigen."
-ocr page 343-
ON/.EX HKKR JKSI.S CHKISITS.                                            :!.\'!."
— Dit antwoord even waardig als beteekenisvol, waardoor Jesus
ook duidelijk te kennen gaf, dat Hij in geenen deele bevreesd
was zijn levenswandel en zijne leer te rechtvaardigen, bracht
Caiphas in eene niet geringe verlegenheid, daar hij er niets in
vinden kon, wat tot eene beschuldiging aanleiding gaf. Voor
ons daarentegen zijn heilrijke lessen in dat antwoord opgeslo-
ten. — Het eeuwig Woord des Vaders, de bron van alle waarheid
en van alle wijsheid, wordt behandeld als een bedrieger des
volks, de eeuwig rechtvaardige Rechter staat als een schuldige
voor een booswicht, die de heilige waardigheid van het Hooge-
priesterschap misbruikt om te beter een onschuldige te kun-
nen veroordeelen. Klagen wij dan de ondoorgrondelijke oor-
deelen van God nimmer aan, als wij soms in de wereld de
boosheid zien zegevieren over de deugd, onschuldigen onder-
drukt zien door zondaren, als aan slechten boven goeden de
voorkeur gegeven wordt. God is goed en wijs, en zou dat
kwaad niet toelaten, indien Hij tevens niet machtig genoeg was
om daaruit veel en groot nut te trekken. —In zijne diepe ver-
nedering behoudt Jesus eene openhartige vrijheid van spre-
ken en maakt er een heilig gebruik van, als het gevorderd
wordt om den wil zijns Vaders te volbrengen of om diens eer
te verdedigen; ook wij mogen nimmer zoo vreesachtig of laf
zijn, dat wij uit een verachtelijk menschelijk opzicht aan de
waarheid te kort doen of Gods heiligen Naam aan de spotternij
van anderen prijs geven, door te zwijgen als spreken dienstig
zijn kan. — Oprecht en waarheidlievend was ons goddelijk voor-
beeld altijd in al zijne woorden en in geheel zijne leer, zóódat
Hij zijne toehoorders ten allen tijde als getuigen durfde oproepen
van hetgeen Hij gesproken had; zijn wij met zijnen geest be-
zield, dan moet elk van onze woorden en elke van onze daden
-ocr page 344-
334                                           IIKT LIJDKN BS MKRTI N VAN
den stempel dragen van ongekunstelde eenvoudigheid en op-
rechtheid, zóódat wij ons over niets behoeven te schamen noch
voor de mensc.hen, noch voor God, als in den grooten dag
des oordeels de meest verborgen handelingen en de geheimste
bedoelingen des hartens geopenbaard zullen worden.
De verlegenheid, waarin Jesus\' kalm en bondig antwoord den
Hoogepriester bracht, werd door een der omstanders opgemerkt.
Om aan Caiphas een dienst te bewijzen, overtuigd ook dat
tegen Jesus geene wreedheid ongeoorloofd was, gaf hij den Za-
XVIII, ligmaker een slag in het aangezicht, Hem bijtend toevoegende:
moet gij zóó antwoorden aan den Hoogepriester?
Hoe durfde — die vraag komt onwilkeurig bij ons op —
een ondergeschikte dienstknecht zich aan zulk eene onbe-
schaamde handeling plichtig maken: zich zulk eene daad van
laagheid en gremeenheid veroorlooven? Hij had met het rechts-
geding niets te maken; hij mocht zelfs in de tegenwoordigheid
der rechters het woord niet nemen, minder nog eigendunkelijk
beslissen of Jesus goed of kwaad gesproken had; en in zijn
overmoed gaat hij zóó ver, dat hij Jesus een kaakslag geeft!
Onbeschaamder kon het niet. En door die hooge vergadering
wordt geen enkel woord van berisping over die snoode daad
uitgesproken, geen teeken van afkeuring gegeven! Hoe diep
moeten die rechters niet gezonken zijn! Of hadden zij dan
alle gevoel uitgeschud niet slechts voor billijkheid en recht,
ook voor betamelijkheid? Een weerlooze, een onschuldige mag
door een laaghartigen ellendeling — sommigen noemen hem
den ons reeds bekenden Malchus — mishandeld worden en dat in
-ocr page 345-
S.-K.
OXZKN HEKR JKSL\'S CHRISTUS.
de tegenwoordigheid van mannen, die daar gezeten zijn om
naar plicht en geweten te oordeelen! Misschien hebben zij dien
onverlaat bovendien nog door een goedkeurenden glimlach
beloond, in allen gevalle zich aan de snoode daad mede]>lichtig
gemaakt door hunne stilzwijgendheid. Hooren wij, hoe de
h. Augustinus zijne diepe verontwaardiging over die gruwel-
daad uitdrukt: „als wij overdenken, Wie den kaakslag ontvangt,
„dan is het waarlijk niet te verwonderen, zoo de wensch in ons
„hart opkomt, dat er vuur uit den Hemel neerdaalde om den
„booswicht te verdelgen, of dat de aarde openscheurde om hem
„te verzwelgen, of dat de duivels hem aangrepen om hem te
„verscheuren of dat hij met nog grootere straffen mocht ge-
,.troffen zijn."
De gedachten der menschen zijn niet die van God. Beven
wij van een heiligen toorn bij het herdenken van die wreede
mishandeling den Zaligmaker aangedaan; ook dankbaar veree-
ren wij de onverwinnelijke Goedheid van den geslagen Jesus
in het schoone voorbeeld van Zachtmoedigheid, dat Hij bij deze
gelegenheid ons voorhoudt. Die kaakslag was zoo wreedaardig
mogelijk, allersmadelijkst, beschamend en tevens hoogst on-
rechtvaardig. Wreedaardig, want hij werd toegebracht door
een woedenden dienstknecht, die van verlangen brandde om
de beleediging, welke volgens zijne meening aan zijnen meester
was aangedaan, te wreken; hij werd toegebracht door de
met eene ijzeren handschoen gewapende hand en met zulk eene
kracht, dat — zooals de h. Vincentius mededeelt — Jesus op
den grond geworpen en eene diepe wond in zijne wang ge-
slagen werd. Smadelijk, want in de tegenwoordigheid van de
aanzienlijksten des volks werd Jesus, de oneindige Majesteit en
tevens de door het volk als een groot Profeet beminde Leer-
-ocr page 346-
3:<c
HM I.IJUFN KN RBKTKK VAN
meester, onteerd door een man uit de laagste volksklasse en zóó,
dat de bloedige sporen van die pijnlijke vernedering op zijn
beminnelijk gelaat voor allen zichtbaar bleven. Beschamend,
omdat die mishandeling Jesus werd aangedaan onder het ver-
nederend verwijt, alsof Hij op oneerbiedige wijze gesproken
had tegen de vertegenwoordigers van het hoogste gezag onder
de Joden, en daarvoor niet streng genoeg gestraft kon worden.
Onrechtvaardig ook, omdat wraak alleen over een vermeende
beleediging, geenszins een volgens de wet en met billijkheid geveld
vonnis de snoode hand van den wreedaard bestierde. En
Jesus was nog niet eens van eenig misdrijf beschuldigd, veel
minder overtuigd en veroordeeld; niets anders had Hij gezegd
dan hetgeen de strenge waarheid van Hem vorderde en be-
woordingen gebezigd, waarin het heilig bewustzijn van eigene
onschuld zich uitsprak, maar geene beleediging voor den Hoo-
gepriester lag opgesloten. Was er iets strafwaardigs in die
woorden? En wie moest het beoordeelen en veroordeelen en
ook bestraften, als er iets misdreven was? Zeker geen lage
huurling, geen door hartstocht verblinde woesteling.
En wat doet de zachtzinnige Jesus? Zijn heilig Bloed vloeit
met stroomen uit de gapende wonde; de rechters verheugen
zich over de vernedering en marteling Hem aangedaan; die
dienstknecht ziet, nog dreigende met zijn bebloede vuist, Hem
met een valschen grijnslach in het bloedende gelaat; de om-
standers bespotten Hem. Wat zal de Zoon Gods doen? Vuur en
zwavel van den Hemel laten regenen om al die rampzaligen te dooden
en in een eeuwig verderf neer te werpen ? Als wij dit van Hem
verwachtten, zouden wij het verwijt verdienen, hetwelk Hij
vroeger tot Joannes en Jacobus richtte, die ziende, dat eene
stad der Samaritanen hunnen goddelijken Meester niet wilde
-ocr page 347-
CJ!KZKN HEKlt JKSIS CHBISTVS.                                            \'137
ontvangen, Hem vroegen: Il eer e! wilt Gij, dat wij zeggen, Luc. ix, 55
dat er vuur van den Hemel nederdale en hen verslinde 1 En
wat gat Jesus hun ten antwoord? Gij weet niet, van hoedani-
gen geest gij zijt. De Zoon des mensehen is niet gekomen om
zielen te verderven maar om ze te behouden.
O, neen; zoo
lang de tijd van Barmhartigheid nog niet gesloten is,kentHij,
die nederig en zachtmoedig van harte is, geen ander vuur dan
dat der Liefde en wil Hij liever zachtmoedig berispen dan ge-
streng straffen. Met de teederste Zachtmoedigheid en met 011-
verstoorbare kalmte richt Hij het woord tot den booswicht,
die Hem geslaeen heeft en zegt hem: indien Tk kwalijk J0AN- xv\'"
gesproken heb, getuig van het kwade; „toon dan het onbetamelijke
, van mijn antwoord hier voor de rechtbank aan; maar heb Ik
„wel gesproken
en is er niets berispelijks in mijne woorden,
„waarom slaat gij Mij dan zonder reden." Dat was een be-
/.adigd antwoord, tevens een voorbeeld van rustige terechtwij-
zing en van voldoende afkeuring over zulk eene wijze van
rechtspleging. En Jesus wilde het geven, opdat niet de minste
schijn zou blijven bestaan, alsof Hij den Hoogepriester iets
onbetamelijks gezegd had. — „Welk antwoord" — aldus
vraagt de h. Augustinus — „kon meer waar en edelmoedig
„zóó afdoende ter zelfverdediging en zóó redelijk zijn? Hij,
,,die de wereld had geschapen, kon elke straf op dengene doen
„nederkomen, welke zijne heiligschennende hand tegen Hem
„had opgeheven; maar Jesus wilde ons de lijdzaamheid leeren,
„waardoor de wereld veroverd is. En zoo iemand vraagt,
„waarom Jesus, volgens zijne eigene woorden, de andere wang
„niet aanbood nè. op de eene geslagen te zijn, dan luidt ons
„antwoord, dat Hij bereid was om niet alleen de andere wang
„maar zelfs zijn geheel lichaam aan de beulen over te geven,
22
-ocr page 348-
.\'M8                                            HKT LIJDEN KX STERVI.X VAX
„opdat het door geeselslagen verscheurd en aan \'t Kruis kon
„genageld worden. Doch hier leerde Hij ons door zijn voor-
,,beeld, dat de Evangelische raad van volmaakt geduld niet
„nageleefd moet worden door eene bloot uitwendige, lichame-
„lijke vertooning, maar door eene nederige voorbereiding des
„harten. Het kan zoo licht gebeuren, dat wie de andere wang
„voor de slagen aanbiedt, in een opgewonden toestand van
„toorn daartoe overgaat, terwijl het beter ware, als hij van de
„waarheid getuigenis aflegde in oprechtheid en met kalme
„waardigheid, tevens bereid om met gelatenheid nog grooter
„onrecht te lijden."
—- Hoe vele voorbeelden, welke leerrijke vermaningen worden
ons allen hier voorgehouden in woorden en in daden! Jesus
had tot Caiphas de bitterste verwijtingen kunnen richten; al
zijne aanslagen, kuiperijen en listen, geheel zijne huichelarij
kunnen ontmaskeren; Hij had dien booswicht dadelijk met den
dood kunnen straffen, welke Hem in het aangezicht sloeg, en
die zeker veel schuldiger was dan Oza, die tegen Gods uit-
drukkelijk verbod met zijne hand de wankelende verbondsark
ondersteunde en om die oneerbiedigheid op staanden voet met
den dood gestraft werd. Doch Jesus wilde ons de deugd van
zachtmoedigheid en de wijze van beoefening daarvan leeren.
Hij vernedert Zich en geeft nog een ernstig antwoord aan den
Hoogepriester, alsof Hij tegenover welgezinde rechters staat —
maar een antwoord, waarin tevens eene vriendelijke terecht-
wijzing ligt opgesloten; Hij lijdt en vraagt liever aan zijn vijand
naar de reden van die mishandeling dan dat Hij ze naar ver-
dienste bestraft. Wie denkt hier niet aan het vroeger gespro-
ken woord van denzelfden Jesus: leert van Mij, want Tk ben
Math.xi, 29. zachtmoedig en nederig van hart?
-ocr page 349-
onzen iikek ji-sis Christus.                                      :{:W
Hoe schoon is die zachtmoedigheid en hoe rijk aan de
beste vruchten. Zij maakt ons lievelingen van God en van
de menschen; zalig immers zijn — verklaarde Jesus — de Mat. V, 4.
zachtmoedigen, want zij zullen de aarde of het land der le- Mat. XI, 30.
venden, den Hemel, bezitten en tevens, terwijl zij nog hier
strijden, zullen zij rust vinden voor hunne zielen; en wat den
naaste aangaat, die als beschuldiger wordt beschouwd: Zoo Rom. XII, 20
uw vijand honger heeft, geef hem te eten — vermaant de
h. Paulus — heeft hij dorst, geef hem te drinken; want dit
doende, zult gij kolen vuurs op zijn hoofd vergaderen,
dat wil
zeggen: gij zult hem eene gevoelige smart van beschaming aan-
doen, welke hem tot inkeer zal brengen, tot berouw over het
u aangedane ongelijk en welke hem aldus van vijand tot uw
vriend zal maken.
Hooien wij, in welke gloeiende taal de h. Ephrem den lof
van die deugd bezingt: ,,de zachtmoedige is met elke andere
,,deugd versierd. Hij verheugt zich, wanneer hij beleedigd
„wordt en, wie toornig zijn, weet hij te bedaren. Hij blijft kalm
„onder de berisping, gelaten in moeielijkheden, opgeruimd in
„beproevingen. Geen overmoed kan hem bedroeven, en ver-
„nederingen maken zijne vreugde uit. In voorspoed wordt hij
„niet trotsch, tegenover een ieder behoudt hij zijne bedaard-
„heid, is gehoorzaam met alle onderdanigheid en bereidvaardig
„tot alle goede werken. Hij staat ook bij allen hoog-
„aangeschreven en wordt door een iegelijk geprezen. Van alle
„huichelarij is hij vreemd en vijand van alle boosheid. Hij
„verlaagt zich nimmer tot eenige valschheid en wordt nimmer
„slaaf van den nijd. Lastertaal verafschuwt hij, en het kwaad-
spreken duldt hij niet. Wie anderen bedillen zijn hem een
„gruwel, wie van anderen het kwade rondventen, veracht hij
-ocr page 350-
340
HET MJIIEN EN STERVEN VAN
„O , welk een rijkdom van zaligheid ligt in de deugd van zacht-
„moedigheid opgesloten; hoe oogst zij den bijval in van alle
„weidenkenden."
Maar van den anderen kant: hoezeer is het te bejammeren, dat
die deugd zoo weinig gekend en nog minder beoefend wordt!
Waarlijk, de zoete vrede zou op aarde heersenen en een nu
ongekend geluk het zalig deel van allen wezen, zoo zij van
goeden wille waren. Doch dat zalig genot aan de zachtmoe-
digen verzekerd wordt met onbegrijpelijken overmoed afgewe-
zen door zoovelen, die liever zich slaven maken van ongetemde
hartstochten en daardoor aan zich zelven en aan zoovele
anderen alle rust en allen vrede des harten ontrooven. Eene
wraakgierige wereld veracht de zachtmoedigheid als eene laffe
/wakheid en spot er mede als met eene kleingeestigheid van
een verweekt gemoed. Haar stelregel luidt: geene beleediging
dulden; geen onrecht ongewroken laten; voldoening eischen
voor elk hatelijk woord. Vandaar ook, dat de gramstorige,
niet alleen wanneer hij geslagen wordt, maar ook wanneer hij
slechts een minder aangenaam gezegde hooren moet, in drift
opvliegt. Dan kookt zijn bloed, het rood des toorns kleurt
zijn gelaat, de lippen trekken krampachtig samen, zijne oogen
schieten vuur, zijne tong stoot onverstaanbare geluiden uit en
met eene van woede bevende hand grijpt hij naar elk voor-
werp, wat een wapen kan worden om zijn vermeenden tegen-
stander te treffen. En nog is zijn wraak niet bevredigd: las-
tertaal en kwaadspreken, geheime kuiperij en oorblazerij
moeten den vijand zedelijkerwijze dooden, hem in den goeden
dunk bij anderen zoo laag mogelijk doen dalen en in zijne
stoffelijke welvaart benadeelen. Zóó wil het de onzinnige
hoogmoed, het trotsche eergevoel eener wereld, welke vijandig
-ocr page 351-
341
•XZKM IILKR JESLS CHRISTUS.
is aan de liefdevolle wet des Christendoms „Wie — vraagt
de li. Bernardus —" dwaalt hier? Christus, die den kaakslag
„ontving maar, geslagen zijnde, niet dreigde, of de wereld, die
„elke ook ingebeelde beleediging wreken wil?" Geen twijfel:
wie zich nog Christen noemt, moet de uitspraak van Christus
als zijn levensregel onderschrijven. Doch —welke eene sehro-
melijke afwijking? — Velen van hen, die Jesus\' leer huldigen
en zijn voorbeeld prijzen en zijne wet aannemen, maken zich
vrijwillig aan overtreding van het grootste gebod der naasten-
liefde schuldig! „O, booze dienstknecht des Heeren," — moe-
ten wij hier met Jesus zei ven zeggen — uit uw eigen mondde xix, 22.
wordt gij geoordeeld\'; gij veroordeelt u zelf, terwijl gij Jesus\'
voorbeeld toejuicht en het niet navolgt! Gij geeft toe
dat, volgens uwen goddelijken Leermeester , beleedigingen
niet mogen gewroken maar moeten vergeven worden — en
gij zoekt u te wreken! Wat gij in uwen Zaligmaker bewon-
dert, doet gij niet; wat Hij door zijn voorbeeld verbiedt, wilt
gij niet laten! Onwetendheid kunt gij niet als verontschuldi-
ging aanvoeren; derhalve klaagt uwe boosheid u aan en is
uw schuldig geweten uw rechter. Wat beroemt gij 11 nog op
den eerenaam van Christen, als gij de deugd, welke eiken
Christen sieren moet, niet beoefent? Bid toch, dat gij Jesus
niet in woorden alleen maar vooral in daden zóó bemint, dat
gij zijne voetstappen drukt en met Hem alles lijdt, alles ver-
draagt, aan Hem de wraak overlatende, die rechtvaardig oor-
deelt. Dit is een der voorwaarden, opdat gij Jesus, om u
vernederd en geslagen, van aangezicht tot aangezicht eens
zult mogen aanschouwen." —
-ocr page 352-
Hoofdstuk III.
Tweede verhoor voor Caipha,s.
De getuigen.
Ware het eerste verhoor door den Hoogepriester naar recht
en billijkheid ingesteld en geleid, dan zou Jesus zeker door het
boven vermelde antwoord reeds alleen dit althans gewonnen
hebben, dat het of als goed aangenomen of als slecht \\veder-
legd en Hij zelf daarvan overtuigd ware geworden. Geen van
beiden gebeurde, omdat het verhoor onregelmatig en daaren-
boven de rechters partijdig, door de laagste drift vervoerd wa-
ren, en de geheele raadsvergadering reeds bij voorbaat besloten
had om den Zaligmaker ter dood te brengen. Wraakzucht,
haat en nijd waren de drijfveeren, welke al hunne gangen be-
stuurden en hun de hatelijkste plannen ingaven; terwijl eene
denkbeeldige vrees, dat de Romeinen zouden komen en volk
en tempel verwoesten, als voorwendsel genomen werd, waar-
achter zij hunne booze lagen verborgen. Toch moest er een
schijn van wettigheid aan hel rechtsgeding gegeven en daar-
om tegen Jesus getuigen opgeroepen en gehooid worden,
die eene verklaring aflegden of eene beschuldiging in-
brachten welke, hoe valsch dan ook, eene gewenschte aanlew
-ocr page 353-
S48
HKT LIJDEN KN STUIVEN VAN ONZEN UK KR JKSUS CHRISTUS.
ding kon zijn om Hem ter dood te veroordeelen. Ofereenege-
noegzame reden aanwezig was om Jeen doodvonnis tegen Jesus
volgens recht te kunnen uitspreken, daaraan was hun weinig ge-
legen: een schijn van wettigheid was hun voldoende Dan was
hun goede naam gered en tevens een gewenscht middel voor-
handen om straks op den romeinschen landvoogd een heilloozen
invloed te kunnen uitoefenen.
Het eerste verhoor van Caiphas, wat wij een voorloopig verhoor
mogen noemen, was geëindigd met het ons bekende antwoord
des Zaligmakers en met den door Malchus gegeven kaakslag.
Intusschen waren de Opperpriesters, Schriftgeleerden en Ouder-
lingen — leden van den Hoogen Raad — voltallig geworden;
alleen Josef van Arimathëa en Nicodemus, de twee vrienden
en leerlingen des Heeren, waren afwezig. Wij mogen aannemen,
dat het reeds twee uur nè. middernacht was geworden. Deze
eigenlijke zitting van het Sanhedrin was dus tegen eene duidelijke
wetsbepaling, welke elke rechterlijke vergadering des nachts ver-
bood en de daarin genomene besluiten krachteloos verklaarde.
Maar deze moeielijkheid werd zonder angstvalligheid door die wet-
schenners over \'t hoofd gezien: in eene morgen-zitting zouden
zij die onregelmatigheid — dachten zij — herstellen kunnen.
Van hooger belang achtten zij een ander voorschrift der rechts-
pleging. Volgens dejoodsche wet werden er, om iemand ter dood
te kunnen veroordeelen, minstens twee getuigen gevorderd, die
niet alleen eensluidend in hunne verklaring bevonden werden,
maar die ook hem beschuldigden van eene misdaad, waarop
de doodstraf bepaald was. Dat dit ten laste van Jesus ten
eenenmale onmogelijk was, kan door niemand in twijfel wor-
den getrokken. Zijn leven was zóó vlekkeloos rein en zijne
-ocr page 354-
344                                            IIK.1. LIJDEN K.N STERVEN VAN
leer zóó goddelijk volmaakt, dat noch in het eene noch in het an-
dere Hem eenige smet kon aangewreven worden. En toch zaten die
ellendigen daar om over Jesus recht te spreken, neen: om Hem
aan hunnen haat op te offeren. Maar ook nu zou de boosheid
in hare eigene strikken gevangen worden. Wij kunnen zon-
der moeite ons voorstellen, hoe blijde die handlangers der
hel waren, toen zij Jesus gebonden en diep vernederd voor zich
zagen staan. Zoo vele leden van den raad als er waren, zoo
vele kinderen van Satan die, allen door hoogmoed opgeblazen en
door haat en nijd verteerd, er naar haakten om het bloed van
dien Onschuldige te vergieten. Met de diepste verachting sloe-
gen zij hunne oogen op hun gevangene ; in hunne gelaatstrek-
ken, in hun grijnslach, in de blikken, welke zij met elkander
wisselden, sprak hunne wraaklust en stonden hunne oogmerken
te lezen. Wij gissen dan ook reeds, wat het getuigen-verhoor
zijn zal, hetwelk zij als dekmantel voor hunne plannen zullen
gebruiken. Het mag geene verdediging zijn van Hem, dien z;j
ten onrechte haatten, maar het moet niet anders dan eene beschu!-
diging van Hem wezen. Daarom worden niet zij als getuigen
opgeroepen, die door Jesus genezen of ten leven opgewekt zijn,
in één woord: niet zij, die eene of andere weldaad van den Zaligma-
ker ontvangen hebben: dezen mochten eens ten voordeele van
Hem spreken en herhalen, hetgeen zij vroeger ter zijner eere
Makc. Vii.37. luide verkondigden: Hij heeft alles wel gedaan. Integendeel, die
Mat.:xxvi,56 verkrachters van alle recht zochten valschegetuigen; zij raapten
allerlei slag van volk bijeen; anderen kochten zij om: allen, die
zich aanboden om tegen Jesus te getuigen, en daardoor zich in de
gunst van de Oversten der Joden wilden dringen, waren hun wei-
kom Zij wilden geene andere getuigen dan tegen Jesus,en daarom
moesten zij sulkc getuigen zoeken en er op bedacht zijn val-
-ocr page 355-
OX7.EN HF.KR JBSliS CURISTl S.                                            345
se/te getuigen aan te werven, want het was hun er niet om te
doen omtrent Jesus en zijne leer onderricht te worden, maar
Hem ter dood te kunnen leiden. Doch, tot hunne groote
beschaming, vielen /.ij zelven in den kuil, welken zij voor
Jesus gegraven hadden. Al die aangeworvene getuigen spra-
ken elkander tegen; hunne getuigenissen — zegt het Evangelie Marc XIV
— kwamen niet overeen en boden alzoo geen enkelen rechts-
grond aan, waarop een of ander vonnis, minder nog een dood-
vonnis tegen Jesus kon geveld worden. Hoe kon het ook
anders? Jesus was de Onschuld, de oneindige Heiligheid zelve,
in Wiens mond geen bedrog gevonden werd, voor Wien den
heiligen wil des Vaders te doen eene dagelijksche spijze was
Konden zij ook iets anders tegen den Zaligmaker inbrengen
dan hetgeen zij Hem vroeger reeds verweten hadden: dat Hij
met den vorst der duivelen omging door den duivel uit te rlrij -
ven; dat Hij den Sabbath-dag overtrad door het genezen van
zieken; dat Hij met tollenaars en zondaren verkeerde? Jesus ha>!
even dikwijls al die beschuldigingen als ongerijmd en lasterlijk
afgewezen en overtuigend wederlegd door een beroep op zijne-
volmaakte onschuld, toen Hij aan zijne vijanden toeriep: Wievan Joak.VIII,
// zal Mij van zonden overtuigen") Of zouden zij Hem beschuldigen,
zooals eenige uren later hunne Oversten voor Pilatus, dat Hij hei
volk opruide, dat Hij het volk verbood om aan den Keizer
schattting te betalen? Een enkele blik van Jesus ware vol-
doende geweest om die God-vergetene rechters opnieuw het
vuurrood der schaamte op het aangezicht te jagen, evenals toen
Hij voor de eerste maal hunne listen verijdelde en hunne sluw
overlegde strikvragen ten schande maakte.
Aldus werd de leugen beschaamd door de waarheid en de
verlegenheid van den Hoogepriester niet weinig vermeerderd
-ocr page 356-
34fi
NET UJHEN KN STERVEX VAN
door het diepe stilzwijgen, dat de Zaligmaker tegenover die
valsche getuigen bewaarde. Geen woord kwam over zijne lip-
pen ter zelf-verdediging of ter verwering tegen die beschuldigin-
gen. Ten laatste traden twee andere getuigen op met eene
aanklacht welke, zoo zij gegrond en genoegzaam bewezen
ware geweest, misschien voldoende reden voor eene ver-
oordeeling ter dood had opgeleverd. De eene beschuldigde
Mat.XXVI.3i.Jesus, als had Hij gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken
en dien hintten drie dagen weder opbouwen;
de andere haalde
Jesus\' woorden aan maar met eenige verandering en zeide:
Makc XIV,58. wij hebben Ifem hooren zeggen: Ik zal dezen tempel, die met
handen gemaakt is, a/breken en in drie dagen cenen anderen
bouwen, die niet met handen gemaakt is.
Het doel van deze
beschuldiging was blijkbaar om den Zaligmaker te kunnen be-
tichten, dat Hij lasterlijk of met minachting van den heiligen
tempel Gods gesproken had. Doch het was eene onder alle
opzichten valsche getuigenis. Vooreerst had Jesus geenszins
gezegd: //• kan of Ik zal dien tempel afbreken, maar tot de
Joden sprekende, die Hem een bewijs zijner goddelijke zending
Joan 11, 19. vroegen, had Hij gezegd: breekt dezen tetnpcl af. Verder had
Jesus met zijne woorden niet bedoeld den stoffelijken, uit steenen
opgetrokken tempel maar den levenden tempel zijns lichaams,
daardoor te kennen gevende dat, zoo de Joden Hem het leven
ontnamen, Hij het den derden dag daarna wederom zou aan-
nemen door zijne Opstanding uit het graf. Valsch derhalve en
door boosheid uitgedacht was die beschuldiging; zij legde aan
Jesus woorden in den mond, welke Hij niet gebruiKt, en ver-
draaide den zin van die, welke Hij gesproken had. Zóó moest
Jesus bij het volk gehaat gemaakt en aan de rechters een voor-
wendsel gegeven worden om Hem te kunnen veroordeelen.
-ocr page 357-
347
(INZVV IIEEK JKM\'S CHRISTIS.
K ven wel werden alle plannen der boozen verijdeld: de raad
zelve durfde aan deze aanklacht geene meerdere waarde toe-
kennen dan aan de vorige, terwijl Caiphas al meer in verle-
genheirl werd gebracht.
En Tesus bewaart bij het aanhooren van al die lasterlijke
aantijgingen, in \'t midden van die door hartstocht verleide
getuigen, een waardig stilzwijgen met zulk eene kalmte en be-
daardheid, alsof niet over Hem gesproken werd. Doch wat
zou het spreken Hein ook d:iar gebaat hebben, waar slechts
een verachtelijke schijn van rechtbank zetelde, waar Hij wist,
dat zijn dood reeds besloten was, waar dus niet het rech t
maar de haat alleen het oordeel velde? Ook was er niets straf-
waardigs tegen Hem ingebracht, terwijl de rechters met geen
ander doel ondervroegen dan om in zijne antwoorden of in
de woorden van anderen iets te vernemen, wat tot een schijn•
baar wettig vonnis aanleiding kon geven. Zijn eerste antwoord
was ook zóó slecht ontvangen, dat het wel voor allen duidelijk
moest zijn, hoe de geheele raad afkeerig was om naar de waar-
heid te luisteren. Redenen genoeg voor den goddelijken Za-
ligmaker om, dewijl Hij door te spreken onder die aanwezigen
geen nut kon stichten, aan alle volgende eeuwen door zijn stil-
zwijgen een leerrijk voorbeeld van bewonderenswaardig geduld
en van nederige zachtmoedigheid voor te houden. Caiphas
echter kon zijn ongeduld niet bedwingen; hij zag in, dat
alle listen niets gebaat hadden, dat hij op die wijze zijn doel
niet zou bereiken, dat a! de aanklachten der getuigen geen
enkelen grond ter vcroordeeling aanboden; hij moest al-
thans voor zich zei ven erkennen, dat de onschuld van Jesu.-.,
Wien hij met onverzoenbaren haat vervolgde, schitterend be-
wezen was door de tegenstrijdigheid der beschuldigingen, welke
-ocr page 358-
848
HKT LU DEN EN STERVEN VAN
op zijn aanstoken tegen den Zaligmaker waren ingebracht. Bla-
kenrle van toorn nam hij zijne toevlucht tot sen nog ongebruikt
middel om Jesus te dwingen zijn stilzwijgen te verbreken.
Den schijn aannemende alsof zwaarwichtige en ware beschul-
digingcn tegen den Zaligmaker waren aangevoerd, stond hij van
zijnen /on onwaardig door hem bekleeden zetel op en vroeg
op verwijtenden toon: antwoordt Gij niets op hetgeen dezen
Mvr.xwi \'.2 tegen (I getuigen? Waarschijnlijk hoopte de Hoogepriester, dewijl
hij met alle aangewende middelen zijn doel, om den Verlosser als
schuldig aan staatsburgerlijke misdaden te kunnen brandmerken,
toch nietbereikte, dat Jesus in zijne verdediging reeds nu verklaren
zou de ware Messias te zijn, en dat hij daarop de beschuldiging
van godslastering kon inbrengen en het doodvonnis uitspreken
i.Ev.xxiv.ió volgens eene door God zelven gegeven wet: al wie den Naam
van God lastert, zal den dood sterven; steenigen zal hem de
qansche gemeente.
Doch voor die belijdenis der hoogste waar-
heid was nu het oogenblik nog niet aangebroken; plechtiger en
schitterender zou Jesus straks die grondwaarheid des Christen •
doms getuigen; daarom zweeg de Zaligmaker en antwoordde niets.
— Hij leert ons alzoo, dat stilzwijgendheid een buiten-
gewonen luister en eene hoogere volmaaktheid aan de lijdzaam-
heid bijzet, dat het van groote deugd getuigt onder ver-
smadingen in stil geduld te lijden en daarin te volharden:
vooral wilde Hij ons de waarheid inprenten, dat onze ver-
diensten bij God des te grooter zullen zijn en onze rechtvaar
digheid op hoogere belooning bij God mag aanspraak
maken, als wij onder den last van grievende beleedigingen en
van lasterlijke beschuldigingen nog een nederig en voor ande-
ren beschamend stilzwijgen onderhouden. Zooeven nog, toen
Caiphas Hem over zijne leer ondervroeg, had Jesus het ant-
-ocr page 359-
OXZEX HEER JE&IS CHRISÏIS                                                .\'U8
woord niet willen schuldig blijven, omdat het strekken kon tot
eer van zijnen hemelschen Vader en ter onderrichting van
zijne vijanden; ook toen Hij in het aangezicht geslagen was,
berispte Hij den woesten dienstknecht, omdat Hij niet dulden
mocht, dat er een blaam zou kleven op zijn ongeschonden naam ;
straks zal Hij ook spreken, omdat Hij zijne Godheid moet
belijden; maar nu wil Hij geen woord uiten, omdat hier zelf
verdediging nutteloos was en ons voorbeelden van diepe verne-
dering en van een alles overwinnend geduld moesten voorge-
houden worden. Jesus leert ons daarenboven, dat het spreken
bij dergelijke gelegenheden, zelfs al zijn onze woorden op
zich zelve goed, iets zeer gevaarlijks is, omdat allicht daarbij
andere woorden gevoegd worden, welke door wrevel of toorn
ingegeven zijn. In vele omstandigheden is het daarom beter
en veiliger te zwijgen dan te spreken, overeenkomstig het voor-
beeld van den Psalmist, die van zich zelven getuigde: Ik wil Ps.XXXVIIl.a
behoedzaam zijn op mijn gedrag, dat ik niet zondige met mijne
tong; ik breidelde mijnen mond, als de goddeloozc tegen mij
stond. Ik verstomde en vernederde mij.
Terzelfder gelegenheid
hield ons Jesus opnieuw een schitterend voorbeeld voor oogen
van die groote en nooit volprezene deugd van zachtmoedigheid
van harte, welke eeuwen te voren van Hem voorspeld was
door den koninklijken Profeet die, alsof hij bij het besproken
tafereel tegenwoordig ware geweest, den Persoon van Jesus
sprekende invoert: mijne vrienden en bekenden komen in mijne Ps.XXXVli.ia
nabijheid, maar blijven slaan, en mijne nabestaanden honden
zich in de verte. En zij, die uit zijn op mijn leven, oefenen
geweld, en die mijn ongeluk zoeken, spreken leugens en smeden
listen den gansehen dag. Doch ik, aan een doo7\'e gelijk, hoorde
niet en, even als een stomme, deed mijnen mond niet open. En
-ocr page 360-
360
HET LIJDEN ES MEST K.N VA>
//• ben geworden ah een mensch, die niet verstaat en in wiens
mond geen tegenredenen zijn.
Ook wij zouden, ware altijd ons
geweten zuiver en konden wij met den h. Paulus getuigen:
Cor. I, 12. onze roem is deze: de getuigenis van ons geioeten, dat wij
in deze wereld in eenvoudigheid des harten en in oprechtheid
Gods verkeerd hebben,
tegen den haat onzer vijanden geen
krachtiger verweermiddel ter onzer verdediging hebben dan in
een indrukwekkend stilzwijgen, aan God de zorg voor onzen
goeden naam overlatende; dan zouden wij gelaten kunnen
zwijgen en met geduld verdragen, als lastertongen ons ver-
volgen of de nijd ons aanvalt of eene kwaadsprekende tong
reeds lang vergetene geheimen openbaart om den herwonnen
goeden naam te bezwalken. „Geen schooner voorbeeld" —
zegt de h. Ambrosius — „dan Jesus. Toen Hij ondervraagd
„werd, zweeg Hij om aan te toonen, dat de verdediging onzer
„onschuld niet gelegen is in luid geschreeuw, niet in het op-
„roepen van getuigen voor eene rechtbank, maar in de zui-
„verheid van geweten."
Caiphas werd door al dat oponthoud in zijne booze plannen
gedwarsboomd, omdat hij zoo gaarne met allen spoed een einde
aan dat nachtelijk verhoor gemaakt zag; bovendien was hij niet
weinig te leur gesteld. Zijn eerste toeleg was geweest om Jesus
aan overtreding van de romeinsche wetten schuldig te kunnen
verklaren en als een staatsmisdadiger veroordeeld te zien.
Maar de getuigen spraken elkander tegen; alle beschuldigingen
bleken valsch te zijn; de boosheid was overtuigd tegen zich
zelve gelogen te hebben, en Jesus had geen beteren verdediger
van zijne schuldeloosheid kunnen vinden dan juist het getui-
-ocr page 361-
ONZEN" HEF.li JKSl-s (\'llRIsns.
881
gen-verhoor, dat tegen Hem was ingesteld. Nu dan alle listen,
al de sluwe berekeningen van den Hoogepriester te schande
gemaakt waren, werd hij genoodzaakt eenen anderen weg in te
slaan en den Zaligmaker tot eene voor den geheelen raad af-
gelegde belijdenis van zijne Godheid als te dwingen. Allen,
die daar als rechters zaten, wisten zeer goed, dat Jesus Zich bij her-
haling den Zoon van God genoemd had, den Messias door af-
beeldingen aangeduid, door de Profeten voorspeld en door
den Vader gezonden. Doch dit was hun niet genoeg. Zij wilden
die goddelijke waarheid nu zelven uit zijn eigen mond vernemen,
niet om in de leer des heils onderricht te worden, maar om den
God-mensch wegens godslastering te kunnen veroordeelen.
— Hier moeten wij opnieuw de bijzondere leiding van Gods
Voorzienigheid bewonderen: onze goddelijke Zaligmaker wil
en zal sterven, maar van geene andere misdaad beticht dan
van die, dat Hij Zich den Zoon van God had genoemd. Zóó
worden die ongelukkige Joden gedwongen de diepste geheimen
van hun boos hart open te leggen. Zij willen Jesus niet voor
hunnen Messias erkennen. Al pleiten alle voorspellingen van
het Oude Verbond voor Hem: al heeft eene stem uit den
Hemel Hem tot driemaal toe en luide als den welbeminden
Zoon des Vaders verkondigd; al heeft Jesus zijne goddelijke
zending door de reinheid van zijne leer en door de heiligheid van
zijnen levenswandel zoo wel als door de voorspelling van de toe-
komst en door zijne wonderen op de schitterendste wijze bewe-
zen — Hij mag, Hij zal — zoo willen zij in hunne verblindheid —
hunMessias niet zijn.en daarom moet Hij sterven. Kunnen zij Hem
om geene andere reden veroordeelen, welnu: liever nog hunne
afschuwelijke plannen geopenbaard dan Hem in \'t leven gespaard.
-ocr page 362-
Hoofdstuk IV.
Jesus door den 1 loog-en raad
ter dood veroordeeld.
Wij staan altoos nog met den goddelijken Lijder voor den
rechterstoel van den onrechtvaardigen Caiphas en van zijnen
gelijkgezinden raad; maar zullen nu de oorgetuigen zijn van
de treffendste belijdenis door Jesus zelven van zijne God-
heid afgelegd. Wij dringen dan ook zoo dicht mogelijk tot
Jesus door om geen enkel zijner woorden te missen. Eerst
moeten wij vernemen, wat de huichelachtige Caiphas aan Jesus
ter beantwoording voorstelde om dan het antwoord van Jesus
te aanhooren en te overwegen.
Met allen nadruk en met eene bijzondere klem zegt dan
M.vr.XXVU3 Caiphas tot Jesus: Ik bezweer V bij denlevenden God, dat
is: „ik beveel U in den Naam van den waren God en op
„zijn gezag verplicht ik U, terwijl Gij aan oneerbiedigheid
„tegenover Hem en mij, zijnen Hoogepriester, zult schul-
„dig zijn, als Gij nu nog zwijgt, en aan meineed, als Gij ons
„de waarheid niet openbaart, dat GO ons zegt, of GO de
„Cltrist-us zOt, de zoon Gods.
Dit
was opnieuw eene schen-
ding van een algemeenen regel des rechts, die verbiedt, dat
-ocr page 363-
HET (.IJDFN KV STERVEN VAX ON7.EN HEER JKSIIS CHRISTI").              353
een beschuldigde geplaatst worde tasschen de moeielijke keuze
om een meineed te doen of om zijne eigene zaak te verzwaren.
Wat was daaraan voor die goddelooze rechters gelegen, voor
hen, die muggen uitzogen en den kemel doorzwelgden, die de
boosheid als wijn dronken?
Genoeg is het voor ons doel die wetsverkrachting aangestipt te
hebben. Andere, gewichtigere onderwerpen vragen nu al onze aan-
dacht. Elk woord, elke omstandigheid van ons verhaal zegt ons,
dat het nu een der plechtigste oogenblikken is van de geheele
lijdensgeschiedenis des Heeren. Hij die vraagt, is de, ofschoon
onwaardige, Hoogepriester van Gods uitverkoren volk; de
raad, in wiens naam hij het woord neemt, is de aanzienlijkste
vergadering ter wereld, die over de heiligste belangen van het
volk Gods moet beslissen; Caiphas gebruikt voor zijne
woorden den vorm van een eed en plaatst het verwachte ant-
woord onder de hoede van Gods Waarachtigheid; de Persoon,
Wiens belijdenis gevraagd wordt, staat daar geboeid en diep
vernederd als een booswicht, maar is in waarheid de eeuwige
Zoon van den levenden God; de zaak, welke behandeld wordt,
is van een alles overwegend belang en beslissend voor tijd en
eeuwigheid. In ademlooze stilte verbeidt de geheele vergade-
ring, ook alle Engelen des Hemels, zelfs de hel met alle dui-
velen het antwoord van Jesus.
Zal onze Zaligmaker ook nu zwijgen of, zoo als Hij meer-
malen deed, de listige onderrragers door eene wedervraag
beschamen? Zoo Jesus het gewenschte antwoord geeft, dan is
zijn sterven zeker en geeft Hij aan zijne goddelooze rechters
het zoo vurig verlangde middel in de hand om Hem te kunnen
veroordeelen ?
Eeuwige dank aan den goddelijken Lijder! Ofschoon Hij
23
-ocr page 364-
:!54
DR UIOEÜ KV SrKRVK.V VAN\'
wist, dat de veroordeeling op zijne getuigenis volgen zou,
nu het de waarheid gold van zijn Messiasschap en van zijne
Godheid, wilde Jesus niet zwijgen maar beleed die waarheid
niet kalme en verhevene Majesteit. Met diepen eerbied voor
den aangeroepen en heiligen Naam zijns Vaders en om in geen
punt te kort te doen aan de waarheid, welke Hij ten allen tijde ge-
MAr.XXV[,64 predikt had, antwoordde Jesus met alle klem: Gij hebt het ge-
gezegd, Ik ben het.
En opdat niemand door zijne kortstondige
vernedering, waarin Hij voor zijne haters staat, geërgerd en van
het geloof in die waarheid teruggehouden zou worden, voegde
Hij als in een adem, maar ook als eene bedreiging voor alle
ongeloovigen, er bij: Gij zult den Zoon des mensehen zien ge~
zeten aan de rechterhand der Kracht Gods en komende met de
wolken des hemels.
Het verdient al onze aandacht, met welk een bijzonderen
nadruk de goddelijke Zaligmaker Zich in zijn antwoord aan
Caiphas den Zoon des menschen noemt. Daarin is een groot
geheim opgesloten, het geheim namelijk van de Menschwording
van Gods Zoon. Onder die benaming was Hij voorspeld ge-
Dan. VII, 13. worden : ik zag in een nacht-gezicht — aldus verhaalt de Profeet
Daniel — en zie, er kwam een op de wolken des Hemels als
eens menschen Zoon en Hij kwam tot den Oude der dagen
(den eeuwigen God) en werd voor zijn aangezicht gebracht
— die voorspelling was ook aan de Oversten der Joden bekend.
Eveneens zag Stephanus, weinige dagen na Jesus\' Hemelvaart,
Hand. VII 55. den Zoon des menschen staan aan Gods rechterhand. Jesus zelf
noemt Zich bij voorkeur den Zoon des menschen, die niets heeft,
Math.VIII,2o waarop Hij zijn hoofd kan te ruste leggen, maar de macht
Math. lx, 6. bezit om de zonden te vergeven; Zoon des menschen, die door
Math. XI, 19, zijne vijanden gescholden wordt als een vraat en wijndrinker
-ocr page 365-
ONZIN HEKR IBin CHRISTIs.                                            :!5Ó
maar de Heer is van den Sabbath ; Zoon des menschen, die «W» Math. XII, 8.
hel Kruis verheven, maar door den Vader zal verheerlijkt Joan. Xll.34,
worden. Wat aldus — dit alles moeten wij in die benaming JOAN- XII,a3,
lezen — het Woord, de tweede Persoon der H. Drievuldigheid,
van nature niet was, dat is Hij uit Liefde tot de menschen
geworden: Hij nam de gedaante van een dienstknecht aan en
werd Mensch; Hij is echter de Zoon des menschen bij uitnemend-
heid, ontvangen van den H. Geest, geboren uit eene onbevlekte
Maagd, zooals Isaias voorspelde; Hij is de Eerstgeborene
onder vele broeders, Hoofd van een nieuw geslacht, de Erfge-
naam der beloften. Het is alsof Jesus met dat woord verklaart:
Ik ben, die komen zou en werkelijk kwam en nog eens komen
zal. In die benaming ligt zijne Liefde en nederigheid, maar
ook zijne toekomstige verheerlijking en rechtsmacht geopenbaard;
daarin zien wij het verledene zoo wel als het tegenwoordige
en het toekomende verkondigd, hoe Hij alleen de Verwachte
van alle eeuwen was, de vervulling van alle profetieën werd,
het Middenpunt is van alle tijden, de Vader der toekomende
eeuw zijn zal.
Die, voor alle ware leerlingen des Heeren verblijdende, maar
voor Caiphas en zijn goddeloozen raad verpletterende \\vaarhe-
den moesten die God-vergetene huichelaars uit den mond van
den vernederden Jesus aanhooren. Zij moesten vernemen, dat
die door hen gehate Jesus eens als Opperheer en als Opper-
priester zou gezeten zijn aan de rechterhand des Vaders om
een wereldoordeel te houden en reeds in het bijzonder oordeel
zou recht spreken over goed en kwaad.
Welk een antwoord, gegeven in de zekerheid van daarom
den dood te moeten ondergaan? Een antwoord, dat de hel
-ocr page 366-
356
HIT I.1JDKN EX STERVEN VAN
doet beven van woede, maar ook alle Engelen van heilige
vreugde doet juichen, omdat door de belijdenis van Jesus\' God-
heid millioenen den Hemel zullen binnen gaan —• een antwoord
dat Jesus nog bevestigen zal door er voor te sterven.
Laten wij die woorden wel beseffen en diep in ons hart
prenten; zij zijn aan ons allen als eene dierbare erfenis nagelaten,
van Hem, die voor onze zaligheid sterven gaat. „Ik ben het" —
antwoordt Jesus aan de Joden — „en bezweer het bij den levenden
„God, mijnen hemelschen Vader, dat Ik de ware Messias ben, dien
„uwe Profeten hebben voorspeld, dien alle vóórafbeeldingen van
„het oude Verbond aangeduid hebben, dien ook God reeds in het
„Paradijs heeft beloofd. Geen anderen Verlosser kunt gij ver-
„wachten; in niemand anders dan in Mij is heil te hopen; wie in
„Mij gelooft, zal zalig, wie in Mij niet gelooft, zal veroordeeld
,,worden; want Ik alleen ben de weg en de waarheid en het
„leven. Het is Mij niet onbekend, dat gij aan mijne woorden
„geen geloof slaat, en daarom is het dienstiger, dat Ik door
„schrikwekkende teekenen dan met woorden tot u spreek.
„Weet dan, en Ik zeg het ulieden met allen nadruk; van nu
„af aan zult gij, uit al hetgeen met Mij gebeuren en over u
„komen zal, moeten opmaken, dat Ik alleen degene ben, tot Wien
Ps. CIX, i. „is gezegd: zit aan mijne rechterhand, en Wien Daniël zag op
Dan. VII, 13. j>(/f wolken des Hemels komen om te oordeelen levenden en dooden.
„Dan is het de dag van jammer en van wee; dan zult gij smee-
„ken, dat de bergen op u vallen en de heuvelen u bedekken,
„maar te vergeefs: het is de groote dag van vergeldingen van
„wraak, en de hoeksteen, dien gij nu verwerpt, zal u ver-
„pletteren. Nu ziet gij Mij nog in mijne vernedering en ver-
„smading, als een beschuldigde en verworpene; maar dan zult
„gij Mij aanschouwen in mijne goddelijke Majesteit en voor
-ocr page 367-
OV7.KX IIEKR JESUS CHRISTV8.                                             357
„Mij sidderen van angst als voor den almachtigen Bestuurder
„van de geheele wereld, die zijn volk ter overwinning heeft
„geleid, als voor den Rechter van allen, die aan een ieder
„vergeldt naar zijne werken."
Die getuigenis van Jesus is zeker hoogst kostbaar voor ons
geloof. Die verklaring door Jesus afgelegd op dat allerge-
n ichtigst oogenblik, voor Caiphas, den Hoogepriester en voor-
zitter van een raad, welke het geheele volk van Israël verte-
genwoordigt door zijne eersten in rang, in geleerdheid en in
ouderdom — die belijdenis was de plechtigste en volledigste
getuigenis, welke Hij ooit van zijne Godheid heeft gegeven,
terwijl Hij die nu met een eed bevestigde en straks met zijn
Bloed zal bezegelen. Ook aan duidelijkheid liet zij niets te
wenschen over; geen enkel zijner woorden kon in een ande-
ren zin opgevat worden dan waarin het bedoeld en uitgespro-
ken was. De Joden namen dan ook met het volste recht
Jesus\' uitspraak in den letterlijken zin op en zijn aldus, zeker
huns ondanks, eene getuigenis voor het geloof in Jesus\' God-
heid, hetwelk wij dankbaar belijden. En alles, wat bij Jesus\'
sterven voorviel zoo wel als wat over het joodsche volk geko-
men is, geeft getuigenis voor de waarachtigheid zijner woorden;
de natuur, welke Hem als haren Schepper vereert bij zijn dood,
de wonderen, welke Hem als God verkondigen, de zon welke
over zijn sterven treurt, het scheuren der rotsen en des voorhang-
sels, het opengaan der graven, dat alles — niet minder de ver-
woesting van Jerusalem en de ondergang der Toodsche natie
en de verwerping van dat rampzalig volk verkondigen luide:
waarlijk deze is de Zoon Gods, de beloofde Messias, in en door
Wien wij moeten zalig worden, uit Wien alle heil is, in Wien wij
alles kunnen vinden wat ons noodig is om tot den Vader te komen.
-ocr page 368-
368
IIT.T LMDEK KX STEKTEN VAN
— Welk eene lange reeks van gevolgtrekkingen vloeien uit die
ééne waarheid voort voor een iegelijk, die beter dan Caiphas
op zijne eeuwige belangen bedacht is? Jesus Christus is God;
derhalve moeten wij in Hem en in zijne openbaring gelooven;
Jesus Christus is God, derhalve moeten wij aan Hem en aan
zijne geboden gehoorzamen. Ons geloof moet alzoo beleden
worden met den ruond en met het hart, vooral door werken,
want anders leven wij niet uit het geloof en zou ons geloof dood
wezen. Verder nog: Jesus is God, maar dan ook is zijne Kerk
eene goddelijke instelling, eene onfeilbare leermeesteres der
openbaring, de zuil en grondvest der waarheid, en hare gebo-
den zijn verplichtend als die van Jesus, Wiens plaatsvervangster
zij op aarde is; de Sacramenten zijn bronnen, waardoor Jesus\'
verdiensten ons toestroomen; genoegzame genaden worden ons
gegeven om onze verplichtingen te vervullen, om de door
Jesus gegevene beloften vervuld te zien, om de door Hem
bedreigde straffen te ontkomen. Aan het klemmende van die
gevolgtrekkingen kan niemand zich ontwringen Wie in Jesus
gelooft, moet al die andere waarheden als zijn levensregel aan-
nemen. En eens zal Jesus, op de wolken des Hemels gezeten,
komen oordeelen, om den eene als zijn waren leerling te be-
lijden, den andere als een loochenaar zijner goddelijke Majes-
teit te verzaken.
Wij zouden mogen verwachten, dat die bedreiging door Je-
sus op dat plechtig oogenblik uitgesproken eenigen indruk op
den Hoogen raad en den voorzitter gemaakt, dat zij ten minste
hen tot nadenken gebracht had om de waarheid van Jesus\'
-ocr page 369-
ON\'ZKV HEER .TKSIS CHRISTI.\'S                                              859
getuigenis te onderzoeken en van Hem bewijzen voor zijne be-
wering te vorderen. De zaak was toch ernstig genoeg en ver-
diende aller belangstelling. Doch niets van dat alles geschiedde;
de felste haat had hen met volkomene blindheid geslagen. Noch
het aller belangrijkst onderwerp, hetwelk behandeld werd, noch
het hooge aanzien, hetwelk Jesus bij het volk genoot, worden
in aanmerking genomen.
Caiphas, in zijn hart verheugd, toen hij Jesus aldus hoorde
spreken, zou zijne rol van huichelaar blijven vervullen ten
laatste toe. Hij veinsde daarom droefheid over de, zooals hij Jesus\'
belijdenis noemde, uitgesprokene godslastering en scheurde, gelijk
de Joden bij diepe verontwaardiging of groote droefheid gewoon
waren te doen, zijne kleederen, waarschijnlijk van den hals tot
aan den gordel; maar hij vergat tevens zich zelven in die mate,
dat hij het oordeel der andere rechters vooruit liep en, zonder
hun gevoelen te vragen of hunne meening te vernemen, opnieuw
ook het joodsche strafrecht schennende, dat verbood een aan-
geklaagde op zijne eigene bekentenis alleen ter dood te veroor-
deelen, dadelijk zijn oordeel en tevens zijn vonnis velde, uit-
roepende: Hij heeft God gelasterd! Wat hebben wij nog ge- mat.xxVI
tuigen van noode? Zie, nu hebt gij de godslastering gehoord.
Wat dunkt u
tot welke straf moet hij veroordeeld worden?
En zij antwoordden en zeiden: Hij is des doods schuldig,
— Waarlijk, Jesus was des doods schuldig — niet omdat
Hij eene godslastering gesproken had, want Hij was de eeuwige
Zoon van God; maar omdat Hij, God zijnde en mensen geworden,
al de zonden der wereld op Zich genomen had om daarvoor
te boeten en te lijden tot aan den dood des Kruises; omdat
Adam den dood in de wereld gebracht had door zijne zonde,
en Jesus, de Stamvader van een nieuw geslacht, in de we-
-ocr page 370-
.•,r,n
1IKT L1JDI.N ER STLRVKN VAN
reld gekomen was om alle menschen aan den eeuwigen dood
te onttrekken door zijn sterven. Er ging dan ook onder de
tallooze rijen van hemelsche Geesten een blij vreugdegejuich
op, nu de verlossing van de gevallen menschheid door het
Bloed van den God-mensch aanstaande was; de Vader bekrach-
tigde het vonnis op de aarde over zijn Zoon uitgesproken, en
Jesus zelf, brandende van verlangen om met zijn Bloed de
schuld der menschen te delgen, herhaalde in de stilte des har-
Ps. xxxix.7 ten, wat Hij in de wereld komende gezegd had; slachtofferen
offerande wildet Gij niet, o God!
ter verzoening van de zonden,
maar een Lichaam hebt Gij Mij toebereid; brandoffers voorde
zonden behagen U niet. Toen sprak Ik, zie Ik kom om uwen wit
te doen
door mijn leven te offeren ter verlossing van de wereld.
Maar daarom waren die Oversten der Joden niet minder
schuldig. Verblind door haat en nijd hadden zij den Heer des
levens en den Koning der eeuwige Glorie verworpen, zóó ook
alle voorrechten vertreden, welke de Goedheid Gods aan zijn
uitverkoren volk toebedeeld had. De straf volgde hunne mis-
daad op den voet. „Caiphas — zeggen vele schrijvers — „ver-
,,scheurde zijne kleederen en vertoonde daardoor de afzichte-
„lijke boosheid en de helsche afgunst, welke in zijne lage ziel
„huisvestten; die in misdaden vergrijsde Hoogepriester schold
,Jesus\' belijdenis voor eene godslastering, maar door het loo-
„chenen van die. waarheid ontnam hij aan de Synagoge de
„reden van haar bestaan en verzaakte eene waarheid, waarop
„de katholieke Kerk steunt en zoo den storm der eeuwen
„trotseert en de machten der hel overwint."
Het was nu ruim drie uur in den nacht geworden. De raads-
hceren gingen uiteen om de nog weinige uran van den nacht
-ocr page 371-
86]
UMSKH HfU JKSUS CIIHISTUS.
aan den slaap te wijden, als de zoete rust hare plaats kon
vinden in een gemoed, hetwelk door de hevigste hartstochten
bestookt, door de afzichtelijkste boosheid bezoedeld was.
En Jesus ? Helaas! welk een bedroevend antwoord geven ons
op die belangstellende vraag de Evangelisten, als zij ons het
volgende, afschuwelijke tafereel voor oogen houden, waarin
wreedheid en helsche boosaardigheid om den voorrang dingen.
-ocr page 372-
Hoofdstuk ¥.
Mishandelingen, en bespottingen van Jesus
Aan den grootsten booswicht wordt nog medelijden betoond,
vooral als hij ter dood veroordeeld is. Het menschelijk gevoel,
dat bij weinigen zich verloochent, heeft deernis met zijn onge-
lukkigen toestand en reikt hem ook nog zijne liefdegaven ter
leniging van zijn leed en ter verzachting van het pijnlijke zijner
laatste oogenblikken. Spijs en drank, ten minste ook een el-
lendig strooleger worden hem aangeboden om zijne verzwakte
krachten te herstellen en hem te versterken voor den naderen-
den doodstrijd, troostwoorden worden hem toegesproken om
zijn gezonken moed op te beuren. Voor den goeden Jesus
echter mocht geene verlichting van smarten bestaan. Hem mocht
geen oogenblik van rust gelaten worden; integendeel, allen
spannen samen, als waren zij duivels voor eenige uren aan de
hel ontvloden, om Hem zoo wreedaardig mogelijk te pijnigen
en zoo laaghartig mogelijk te verguizen.
Inderdnnd, als duivels waren die beulen, aan wier baldadige
brooddronkenheid de Sanhedristen den Zaligmaker hadden
overgeleverd, toen de raadsvergadering was opgeheven. Als
-ocr page 373-
HET LIJDEN ES STERVEN VAN\' ONZEN MtSKH JKSIIS CHRISTUS             363
honden dol van woede vielen die gerechtsdienaars en knechten
van den Hoogepriester op het Lam Gods aan; met een helsch
genoegen omringden zij Jesus om aan Hem hunne onmensche-
lijke wreedheid te beproeven, evenals het grauw altijd gewoon
is te doen, wanneer aan zijne willekeur aanzienlijke personen
worden prijsgegeven, wier deugd hunne woede prikkelt, omdat
zij hun een scherp verwijt is. Doch alle moedwil, welke ooit
in lateren of vroegeren tijd in soortgelijke gevallen vertoond werd,
staat eindeloos ver achter bij die gruweldaden, welke de Proteten
en ook Jesus zelf voorspeld hadden en de Evangelisten nu in
slechts weinige woorden schetsen. Wel huiveren wij van ver-
ontwaardiging, als wij dat akelig schouwspel overdenken, maar
verwonderen kunnen wij ons niet. De overheden van die on-
menschen hadden hun niet alleen vrijheid gelaten, maar tevens
hen tot die wreedheid aangespoord, door lasteringen en bespot-
tingen hen met diepe verachting voor Jesus bezield, door een
verleidelijk voorbeeld geleerd, dat tegenover Jesus hun alles
geoorloofd was; ook den haat, waarvan zij zei ven gloeiden,
hadden zij in hun hart aangestookt. Die wreedaards hadden
daarenboven gezien, dat de aan Jesus gegevene kaakslag ongestraft
gebleven en zelfs met een glimlach beloond was; zij waren dus
overtuigd, dat het hun tot eene verdienste zou aangerekend
worden, als zij Jesus op \'tgrievendst hoonden en op \'twreedaardigst
pijnigden. Jesus was immers, gelijk zij het zich wilden voor-
stellen, als een godslasteraar, als een valsche profeet veroor-
deeld, die geen aanspraak op mededoogen maken mocht en niets
beter verdiende dan als een volksbedrieger gemarteld te worden.
Bovendien geeft de h. Marcus niet onduidelijk te verstaan,
dat eenigen der raadsleden, hunne waardigheid ten eenemale
vergetende, dat onmenschelijk spel met Jesus begonnen en aan
-ocr page 374-
364                                              1IKT I.IJDLX KN REKTEN VAN
die woestelingen een voorbeeld gaven, hoe zij den veroordeel-
den Jesus liefst mishandeld zagen.
Wel een gruwzaam spel dreven zij met den God-mensch.
I». L, 6. De Profeet Isaias had het voorzegd: mijn lichaam bied Ik hun,
die Mij slaan, mijne wangen hun, die Mij den baard uiiruk-
ken; mijn aangezicht keer Ik niet af van hen, die Mij schelden
en bespuwen.
Vreeselijke nacht voor den goddelijken Lijder
— een nacht, welke met de sterkste verbeelding spot. Nog
meer in bijzonderheden afdalende dan de voorspelling van
Isaias is de akelige schildering, welke de h. Marcus, leerling
van denzelfden Petrus, die dat hartverscheurend tafereel uit
Marc,XIV,6s. de verte aanschouwde, ons daarvan geeft: En cenigen begon-
nen Hem te bespuwen, en zijn aangezicht te bedekken, en
Hem met vuisten te slaan, en tot Hem te zeggen: profeteer!
En de dienaren gaven Hem kaakslagen.
Voegen wij hierbij
nog, wat de h. Lucas mededeelt: de mannen, die Hem in
bewaring hielden, bespotten Hem en sloegen Hem. En Hem
overdekt hebbende, sloegen zij Hem op het aangezicht en vroegen
Luc.XXll.63. Hem, zeggende: profeteer, wie is het die U geslagen heeft, en
vele andere dingen zeiden zij al lasterende tegen Hem
— dan zijn
wij eenigermate in staat om ons een flauw denkbeeld te vormen
van hetgeen Jesus in die vreeselijke uren der duisternis heeft
moeten lijden. Doch daarmede mogen wij ons niet tevreden
stellen; tot in bijzonderheden moeten wij dat lijden van Jesus
overwegen. Wij verplaatsen ons dan in den geest naar de ge-
vangenis, waar Jesus zoo veel voor ons verdragen heeft, waar Hij
om onzentwil zoo diep vernederd is geworden. Het is waar-
schijnlijk een vunzige ruimte, ter nauwernood door het sombere
licht van eene walmende lamp of flambouw verlicht, maar genoeg
-ocr page 375-
M5
(1XZKN IIKKIt JESUS CMRISII\'S.
om de afzichtelijke tronk\'n en wreede gelaatstrekken van de beulen
te onderscheiden. Sommigen meenen, dat zij den Zaligmaker met
ketenen aan eene lage zuil gekluisterd hebben om zonder tegen-
stand te ontmoeten hun afschuwelijk werk te kunnen voortzetten.
Nog eens, welk tafereel! Eenigen begonnen Hem te bespmven —
een teeken wan de diepste verachting, een bewijs van afkeer
zóó groot en vernederend, dat het menschelijk gevoel er van
gruwt en Joden en Heidenen eenstemmig het als de laagste be-
leediging beschouwden, welke iemand kon aangedaan worden.
De Joden kenden daarenboven al het verachtelijke van eene
zoodanige mishandeling uit hunne wet en uit verscheidene ver-
ordeningen Gods; zij wisten uit hunne heilige boeken, hoe Job
het als een smartelijk lijden beklaagde, dat eenigen hem in het
aangezicht spuwden — en zulk een smaad moest onze Jesus
verduren, bij Wiens geboorte de Engelen van blijdschap zon-
gen: „Eere zij God in de Hoogste\'\'\' (hemelen); over Wiens Luc. K 14.
hoofd, na zijn doop in den Jordaan, de Hemel zich opende,
en de H. Geest in de gedaante van eene duif nederdaalde, en
van Wien de Vader getuigde: Deze is mijn welbeminde Zoon, mat. III, 17.
in Wien Ik mijn behagen heb. Die Jesus onderging zulke be-
leediging in zijn heilig aangezicht, welks aanschouwing nu het
zalig genot der Engelen en Heiligen uitmaakt! Bij die teeke-
nen van de diepste verachting voegden die booswichten de
pijnlijkste mishandeling: zij sloegen Hem nu eens met vuisten
dan weder met de vlakke hand, onverschillig waar de slagen
vielen, vooral in het aangezicht of op de wangen om de pij-
niging tegelijk te vernederender te maken; de h. Cyril-
lus vermeldt het als zeker, dat zij den Zaligmaker zelfs met
roeden in het aangezicht geeselden. En geen onderbreking
van dat gruwzaam spel geeft eenige verademing aan den ge-
-ocr page 376-
:m
HKT LU DEN KN STERVEN VAN
martelden Jesus: nauwelijks heeft de eene zijne woede gekoeld
en aan zijne spotlust voldaan, of een ander treedt toe met de-
zelfde wreedheid in \'t hart en beproeft, onder hoongelach der
omstanders, zijne woeste kracht op het heilig gelaat des Zalig-
makers, totdat ook hij, moede van het slaan, zijne eerlooze plaats
inruimt voor anderen, die branden van verlangen en wier vuis-
ten jeuken om hun aandeel in die algemeene mishandeling te
hebben. Nog is hunne vindingrijke baldadigheid niet uitgeput.
Hun mond kon geen afzichtelijk vuil meer uitwerpen; hunne
rechterhand is krachteloos geworden; maar zij kunnen den
Zaligmaker nog bespotten en lasteren. En God alleen is het
bekend, welke zielesmart, grievender dan alle lichamelijk lijden,
Jesus toen heeft moeten verduren. Wij kennen reeds die las-
teringen, welke zoo dikwijls tegen onzen goddelijken Zaligma-
ker gedurende zijn leven werden uitgebraakt door wie Hem
haatten. En nu werden zij niet alleen herhaald indien vreeselijksten
aller nachten, ook nog vermeerderd met andere, welke aan den
goeden Jesus — zoo mogelijk — alle eer ontnamen, Hem
voorstelden als den laagste, als den verachtelijkste der menschen.
En dan die bespotting? Mij dunkt, wij hooren die ellendigen
aan Jesus toebijten: „Gij wilt een Profeet heeten, Gij wilt
„Koning genoemd worden — wij zullen U toonen, welk een
„Koning Gij zijt en U kroonen, zooals Gij het verdient, en
„U een troon oprichten aan een Kruis. Gij wilt den tempel
afbreken — wij zullen U dien overmoed pijnlijk vergelden.
„Maak U bereid voor een gruwzamen dood. Gij, Galileör! zult
„uw loon ontvangen. Wat Gij nu lijdt is niets in vergelijking van
„hetgeen U wacht. Geen strat te zwaar, geen sterven te pijn-
„lijk voor een godslasteraar en volksopruier." En opnieuw
regenden de slagen van alle zijden op het heilig Hoofd van Jesus.
-ocr page 377-
M7
ONZKN HKKR JKSI\'S CHRIS\'I\'S
Drie uren lang, omstreeks van drie uur in den nacht tot zes uur
in den morgen, duurt die foltering naar ziel en lichaam. Jesus,
de Koning der Glorie, staat daar voor ons niet een gelaat door
afzichtelijk uitwerpsel bedekt; Hij, de schoonste der menschen-
kinderen, draagt in zijn heilig aangezicht de bloedige sporen
van de vuistslagen; de Engelen Gods bedekken hun gelaat
voor de Majesteit van den Zoon Gods en nu is het Hoofd
van den God-mensch opgezwollen en met bloed geverwd!
Aanschouwt den Zaligmaker in dien medelijden-wekkenden
toestand en — aldus vraagt de h. Chrysostomus — „meent
„gij niet, dat de duivels uit de hel zijn losgebroken en dat zij
„van de lichamen dier verachtelijke handlangers van bedorven
„meesters bezit hebben genomen om door hen hunnen haat
„op den Verlosser der wereld uit te storten? Zoo vele beulen,
„zoo vele duivelen in menschelijke gedaante! En in het midden
„van hen staat de zachtmoedige Jesus, bespuwd, ten bloede toe
„geslagen, diep vernederd en schandelijk verguisd!"
— Wij weten, waarom Jesus dat alles wilde lijden. Omdat
Hij namelijk allen met eene eeuwige Liefde heeft bemind. Doch
dit antwoord lost het raadsel niet op, waarom de Zaligmaker ook
dat lichamelijk" en dat zielelijden als zijn smartelijk deel heeft
uitverkozen. Nog eene andere reden dan zijne buitensporige
Liefde lag daaraan ten gronde; want elk soort van zijn lijden
voldeed voor eene of andere soort van der menschen zonden. Jesus
heeft dat zware offer zijner vrijheid in die akelige gevangenis
willen brengen en Zich door snoodaards laten martelen, om te
boeten voor die noodlottige vrijheidszucht der zondaren, die
geen ander doel schijnen te kennen dan te voldoen aan hunne
lage lusten, aan hunne schandelijke begeerlijkheid en hoovaardij.
De overtreder van goddelijke wetten heeft geen begrip van de
-ocr page 378-
MtS
Il KT I.MI>K\\ KN sTKKVKN VAN
ware vrijheid der kinderen Gods. Hij kent en zoekt geene an-
dere vrijheid dan zich los te maken van Gods geboden, dan
teugellooze ongebondenheid in zijn doen en laten. Daarom sprak
God reeds door een zijner Profeten den zondaar aldus verwij-
Jkr. II, 20. tend toe: gij hebt mijne banden verbroken en gezegd: ik wil
U niet dienen.
En welk is het antwoord door den zondaar,
althans in daden, gegeven? „Ik wil mijn eigen heer en mees-
„ter zijn; zelfstandig, zonder mij door lastige voorschriften
„te laten binden, wil ik door het leven gaan; mijnen wil alleen
„zal ik in al mijn doen en laten volgen." Door deze en der-
gelijke uitspraken verklaart hij zich vrij en van alle wetten on-
afhankelijk. Maar die gewaande vrijheid voert naar het ver-
derf. De gehoorzaamheid daarentegen der kinderen van God,
die zich door de goddelijke Wijsheid en Liefde laten geleiden,
maakt hen waarlijk vrij — vrij van zonden en van de
verlagende heerschappij der hartstochten. Dit verklaarde de
Joan. Vin, 32. Zaligmaker zelf, toen Hij tot de Joden zeide, de waarheid zal
11 vrij maken.
Wel mogen wij daarom de volgende woorden tot
de onze maken .
„Jesus wilde — aldus spreekt een godminnend schrijver —
„in die gevangenis opgesloten en aan de wreedste mishandelin-
„gen prijs gegeven worden om door zijne oneindige verdiensten
„ons van de eeuwige pijnen der hel te verlossen, om ons van
„de knellende banden der zonde te bevrijden, ook om onzen
„eigen wil te binden en in de gevangenschap der gehoorzaam-
„heid aan God te brengen. Die Liefde, ons waar geluk be-
„oogende, moet door ons met wederliefde beantwoord worden.
„Wij moeten dan van nu af aan de gevangenen van Jesus zijn,
„geboeid, evenals de h. Paulus, aan Hem door de lietde-
„banden, zóódat niets ons voortaan nog van Hem scheide,
-ocr page 379-
onzkx iiklk jksi.s cnkisi\'1 s.                                              WH
„Maar zoo dikwijls hebben wij de treurige ondervinding van
„onze ontrouw en wankelmoedigheid opgedaan. Een nederig
„en dringend gebed tot den lijdenden Jesus blijve daarom ons
„wapen ter volharding."
Met opzet hebben wij eene aan Jesus in den kerker aange-
dane beleediging nog onbesproken gelaten. Wij vestigen daarop
nu al onze aandacht. Jesus werd namelijk op de gruwzaamste
wijze gehoond in zijne heilige waardigheid als Profeet, evenals
Hij door de doornen-kroning in zijne koninklijke en op het Kruis
in zijne Hoogpriesterlijke waardigheid beschimpt zal worden. Hij
was in waarheid de goddelijke Leermeester, in IVien alle schat- coi. il, 3
ten van Wijsheid en van Wetenschap verborgen waren — het Joan. I, 9.
ware Licht, hetwelk lederen mensch verlicht, die komt in deze
wereld
— de weg en de waarheid en het leven. Hij had Zich Joan.XIV.i6.
als den Profeet bij uitnemendheid geopenbaard; ook het volk had
Hem vereerd en bemind als een Profeet, machtig in woorden
en in werken; Hij had de geheimen der toekomst verkon-
digd en overtuigend " bewezen, dat niets aan zijne Alwe-
tendheid verborgen kon blijven. En nu helaas! welk eene
bespotting! Hem overdekt hebbende, sloegen zij Hem op het luc, xxil.64.
aangezichten vroegen Hem, zeggende: profeteer! wie is het,die
U geslagen heeft ?
Zoo wilden die booswichten de profetische
waardigheid des Zaligmakers belachelijk maken en Hem als
een bedrieger des volks verguizen. Die boosheid was zeker
een allergrootste misdaad tegen de oneindige Heiligheid en
Waarachtigheid van den God-mensch gepleegd, maar die dienst-
knechten en dat andere gespuis waren de hoofdschuldigen niet.
24
-ocr page 380-
370
IIKT LIJDEN KM STKItVKN VAN
De geheele zwaarte van die afgrijselijke bespotting valt op de
Oversten der Joden, die de anderen opgehitst hadden tot die
gruweldaad, opdat Jesus zijn naam als Profeet en daarmede zijn
invloed bij het volk verliezen zou. Was toch de Zaligmaker
eenmaal in die waardigheid verguisd en aan het volk de mee-
ning opgedrongen, alsof Hij het misleid had, dan zou het
geen partij voor Hem trekken en aan zijne vijanden vrij spel
laten om Hem naar hartelust ter dood te brengen.
Hoe liefdevol daarentegen was Jesus\' bedoeling in het onder-
gaan van die grievende vernedering 1 Aan zijnen hemelschen
Vader wilde Hij eene genoegdoening aanbieden voor al die
zonden, welke tegen de goddelijke waarheid bedreven worden.
Door Zich te laten beschimpen in zijne heilige waardigheid van
Afgezant Gods, van dengoddelijken en laatsten aller Profeten, vol-
deed Jesus voor dat gruwelijk ongeloof en die zedelooze afgoderij
Kom. i, 23. der Heidenen, die de heerlijkheid van den onbederf dijken God
verwisselden met de gelijkenis eens beelds van een bederfelijk
mensc/i, en van vogelen en van viervoetige en van kruipende
dieren,
— voor de vervalsching der waarheden en verdichting van
overleveringen door de f oden, die het gebod van God overtra-
Mat. XV, 4. den om hunne valsche overleveringen, — voor het halsstarrig verzet
van alle ongeloovigen, die het gehoor afwenden van de waarheiden
21 im IV 4 **^ keeren tot fabels, in één woord: voor de zonden van al die on-
gelukkigen, op wie dit woord van den Profeet toepasselijk is:
wee u, die het booze goed en het goede boos noemt, de duisternis
Is. V 20. tot "ch* cn He* ticht tot duisternis maakt, die het bittere in zoet
en hel zoete in bitter verandert. Wee u, die wijs zijt in uwe
eigene oogen.
Ook boette Hij voor hen, die steeds in list en
bedrog met anderen omgaan, die aan leugentaal, als ware zij
niet zondig, zich overgeven, die door schuldige onwetendheid
-ocr page 381-
s»1
ÜNZKM HM K JhSl* CHhlStlS.
de geboden van God overtreden, die hunne zonden door
ijdele verontschuldiging trachten te vergoelijken.
Wij, Katholieken! hebben — en Gode zij eeuwige dank — van
onze prilste jeugd het ware geloof ontvangen en zijn daarin
bevestigd door een grondig onderricht, terwijl voorbeelden van
allerlei deugden ons met een zoet geweld overhaalden tot het
naleven van die voorschriften, welke datzelfde geloof voor ons
verplichtend maakte. Vergeten we dan ook nimmer, welken smaad
en hoe vele bespottingen Jesus heeft willen lijden om al die
genaden voor ons te verdienen; stellen wij ook, medewerkende
met Gods genade, alle pogingen in \'t werk om dat geloof niet
alleen met den mond te belijden maar vooral door een god
vruchtig en rein leven te betuigen. Wie die gaven Gods op
hare waarde schatten, zullen ook zich verre houden van alle
vergift, hetwelk heden ten dage verspreid wordt. Dagbladen,
slechte boeken, verkeerde gezelschappen zijn het, die de hate-
lijke rol van die deugnieten overgenomen hebben, welke
den Zaligmaker sloegen en bespotten. Wie alzoo hunnen Ver-
losser waarlijk beminnen en Hem hartelijk dankbaar zijn voor
de overgroote weldaden, welke Hij ons in zijne onverdiende
Goedheid boven zoo velen heeft geschonken, zij moeten dat
kwaad verre houden èn van zich zelven èn van allen, voor
wie zij eens verantwoording af te leggen hebben.
-ocr page 382-
Hoofdstuk VI.
Vetrus verloochent den Heer
Jesus Christus.
Wij kunnen ons eenigszins den gemoedstoestand van Petrus
voorstellen, waarin hij verkeerde, toen hij op voorspraak van
den h. Joannes binnen gelaten was. Schaamte, dat Hij zijnen
goddelijken Meester lafhartig had verlaten, liefde voor Jesus,
eene belangstellende nieuwsgierigheid naar hetgeen met zijnen
Meester gebeuren zou, verdringen zich in zijn hart. Met die
voor hem eervolle gevoelens trad hij binnen; maar zonder er
op voorbereid te zijn, ziet hij zich onverwachts geplaatst tegen-
over eene woeste bende, welke daar rondom een kolen-vuur
geschaard is en op luidruchtigen toon allerlei verhalen omtrent
Jesus\' gevangen-neming opdischt, terwijl een elk het aandeel
roemt, dat hij daarin gehad heeft. Ook de valsche getuigen
— dunkt ons — zijn aanwezig, welke tegen Jesus beschuldigingen
ingebracht en zoo hun Judas-loon hebben verdiend; zij ma-
ken allerlei afspraken, als hun dienst nog mocht gevraagd
worden, en mengen daarbij vele godslasteringen tegen den
gehaten Galileör, terwijl zij hunne vreugde uiten, dat de list
en sluwheid van Jesus\' vijanden eindelijk zullen zegevieren.
-ocr page 383-
HET LIJDEN\' KX STKRV1V VAN ONZEN HEER JES1.S CHRISTUS.            373
In zulk een gezelschap bevindt zich eensklaps de Apostel; eene
oogenblikkelijke verrassing maakte zich van hem meester en,
zonder een besluit te kunnen vormen omtrent de wijze, waarop
hij zich gedragen zal, is hij reeds te midden van eene gevaar-
lijke gelegenheid, welke voor hem de noodlottigste gevolgen
zal voortbrengen. Hij waande op een goeden weg te zijn,
schreef zich de heiligste bedoelingen toe, maar zonk daar het
diepst weg, waar hij het hoogste, verre boven alle anderen,
meende te staan. Wat hem, den vurigen Apostel, overkwam,
kan te eerder aan zwakke zielen gebeuren. Daarom ligt in
deze treurige geschiedenis van Petrus een hoogst leerrijke ver-
maning voor ons allen opgesloten.
üe plaats van Petrus\' diepen val stellen wij ons volgender
wijze voor. Het paleis van Caiphas vormt een ruim vierkant,
hetwelk van alle zijden een groot voorhof of binnenhof om-
sluit. Daarbij was een voorgebouw of portaal, van waar men
naar het platte dak en naar de boven-verdiepingen opging. Uit
dit portaal trad men ook door eene deur in het binnenhof, waarop
de beneden-vertrekken van het paleis uitkwamen. Blijkens de
voorstelling van den h. Marcus lag de zaal, waarin Tesus voor
Caiphas en het Sanhedrin te recht stond, een weinig hooger dan
het binnenhof, [n de onmiddelijke nabijheid van de gerechts-
zaal bevond zich de gevangenis, waarheen Jesus na zijne ver-
oordeeling gebracht werd en waar Hij de boven beschrevene
mishandeling te lijden had. Op het binnenhof was door de
knechten des Hoogepriesters en de gerechtsdienaren een groot
vuur ontstoken om zich tegen de koude des nachts te verwar-
men. Alle opmerking verdient het, dat de h Marcus, de lccr-
-ocr page 384-
S74
«KT MJtlFV KV STERVEJ» VA"<
ling van den Prins der Apostelen, de verloochening van Petrus
vollediger verhaalt dan een der andere Evangelisten. „Marcus
— zegt de h. Chrysostomus — „is daarvan door zijnen leer-
„meester zelven onderricht, en. daarom moeten wij hem hierom
„inzonderheid bewonderen, dat hij de schuld van zijnen meester
„niet slechts niet verzweeg, maar die voor alle geslachten nauw-
,,keuriger dan zijne mede-Evangelisten te boek stelde." Maar
ook dit mogen wij uit het verhaal van dien leerling besluiten:
welk een levendig berouw moet de ziel van den gevallen Petrus
niet verscheurd hebben, dat hij altijd aan zijne zonden dachten
zelfs al de treurige bijzonderheden van zijnen drievoudigen val
door zijnen leerling vooralle eeuwen liet opteekenen? Wij mogen
dan ook eene nauwkeurige beschrijving van die verloochening
geven zonder vrees van te kort te doen aan den eerbied, welken wij
aan het Hoofd der Apostelen, den eersten Paus, verschuldigd
zijn, en te eerder is dat niet ongeoorloofd, omdat God om hoog
wijze redenen dien val toeliet. De groote boeteling van het
Nieuw Verbond is in zijne zonden voor ons zeker een afschrik-
kend, maar ook in zijne bekeering een opwekkend voorbeeld.
Terwijl het voorloopig verhoor van den Zaligmaker, ruim
twee uur na middernacht, door Caiphas en eenige leden van den
Hoogen raad plaats greep, stond Petrus in den binnenhof bij
Ioan.XVIII,i7 het vuur zich te warmen. Hij was alzoo binnen — zooals de
h. Joannes zegt — binnen het paleis van Caiphas, maartevens
MJaXXVI6 />?«\'&« — zoo als de h. MatthCus vermeldt, buiten de gerechts-
zaal. Waarschijnlijk zal Petrus, zich vreemd in zulk een slecht
gezelschap gevoelende, eene onverschillige houding aangenomen
hebben en ook den schijn, als stelde hij geen belang in het
geen met Jesus gebeurde. Uit ontrok hem eene wijle aan de
-ocr page 385-
ONZEN HKFR JESIJS CHRISTUS.
aandacht der aanwezigen. Lang echter kon hij niet onopge*
merkt blijven. De dienstmaagd, welke hem had binnen gela-
ten, kreeg achterdocht. Was zij beangstigd, omdat zij Petrus
tegen het haar gegeven bevel toegang verleend had; viel haar de
vreemde houding van den Apostel op; wilde zij hem verlegen
maken en aan de verachting van de omstanders prijs geven?
Zeker zal eene of andere dezer redenen haar bewogen hebben
om Petrus in het nauw te brengen. Een oogenblik haar dienst-
werk aan de deur verlatende, treedt zij op den Apostel toe en
hem, bij het licht des vuurs in het gelaat aanziende, vroeg zij
eerst nog met eenigen twijfel: tijt gij ook niet een der lecrlin- joan.xviii,i7
gen van dien mensch ? maar, na nogmaals Tetrus scherp te heb-
ben aangestaard, was elke twijfel bij haar weggenomen en durfde
zij zonder aarzeling het als zeker voorstellen en hernam; ook
gij waart met fesus den Galilcer
en zich tot alle omstanders M.vr.xxvi.eg
wendende, riep zij uit: ook deze was met Hem. Er lag eene LucXXII, 56.
diepe verachting voor den goddelijken Zaligmaker in die woor-
den opgesloten; de naam van Nazareör, van Nazareth, waaruit
volgens der Joden meening niets goeds kon komen — en van
Galilecr, dien zij volgens MatthtHis Hem gaf, waren in den mond
van Jerusalemsche Joden volstrekt geene eeretitels. Toch was
die vraag, die aanval van eene geringe dienstmaagd niet zóó
vreeswekkend. De Hooge raad zocht toen Jesus\' leerlingen nog
niet; en die woeste dienstknechten zullen nog onder den indruk
van Jesus\' machtig bevel, laat dezen gaan, geweest zijn. Was
Petrus, bij het zien van een hem dreigend zwaard, door eene
oogenblikkehjke vrees bevangen, dan kon men vermoeden, dat
de grootheid van het gevaar hem verbijsterd had, en wij
zouden hem te meer nog beklagen eerder dan veroordeelen; maar
door eene zwakke dienstmaagd zien wij den Apostel overwonnen,
-ocr page 386-
87fl
hkt i.i.im:x m macrts van
die zich onvenvinnelijk waande; die onverschrokken strijder
in den hof van Olijven wordt door een enkel woord omver-
geworpen. Doch verwonderen wij ons daarover niet. Petrus
zelf was zwak geworden, omdat hij de vermaning van zijnen
goddelijken Meester in den wind geslagen en verzuimd had
te bidden en te waken. Vroeger had hij, toen hij de zee on-
Mat. XIV, *. der zijne voeten voelde wegzinken, gebeden: Heere! behoud mij,
en bleef behouden; maar nu zonk hij diep, omdat hij met de
kracht des gebeds zich niet gewapend had. Ten aanhoore van
allen gaf hij dan ook aan die dienstmaagd ten antwoord: Ik
Joan.XV1II,i7 ^m fof Hjg(. fa wee( „fa en jfc versta niet wat &ij zegt. Tk
Mar. X!V, 68. ken Hem niet. Zoo bleek dan de waarheid van Jesus\' woorden :
ViAT.XXVl.47. fef yieesch is zwak. Nu Petrus gezift werd als tarwe door
Satan, die zich hier, evenals weleer in het paradijs, bedient
van den mond eener vrouw om den sterkeren man ten val te
brengen — nu valt hij en verloochent zijn goddelijken Meester.
Het is waar: Petrus zondigde meer door verrassing en met
leugenachtige ontkenning; maar hoe was het mogelijk, dat die
woorden: „ik ben zijn leerling niet, ik ken Hem niet" — den
Apostel over de lippen kwamen, die zoo kort te voren nog
ter verdediging van Jesus het zwaard getrokken en een dienst-
knecht het oor afgeslagen had?
— Hoe dat mogelijk was in hem, die blaakte van liefde voor
Jesus, die zoo vurig was in zijn geloof en bezield met de beste
voornemens — kunnen wij slechts uitleggen door het ver-
metel vertrouwen, waarmede Petrus zich ongewapend, noch
door bidden noch door waken ten strijde toegerust, aan de
grootste gevaren blootstelde. Hij dacht er niet aan, dat hij,
uit zich zelven zwak, Gods genade dringend noodig had; hij
meende sterk te zijn tegen alle gevaren en nergens lezen wij.
-ocr page 387-
877
ONZEN HEER JESUS CHRISTUS.
dat hij gebeden, wel dat hij geslapen heeft. Roekeloos ging
hij een huis binnen, waar geen geloof aan Jesus gevonden werd,
waar de goddelijke Meester gehaat en mishandeld, waar diens
aanhangers belasterd en bespot werden. Petrus mengde zich
onder de vijanden van Jesus, maar wilde Hem getrouw blijven;
hij wilde zich met de kinderen der wereld aan een kolenvuur
warmen en zijne ziel van de besmetting des omgangs met boozen
zuiver houden; vuur in de handen dragen en zich niet branden. Een
schromelijke val bewijst, dat zulk eene vermetelheid ten ondergang
leidt. Door een misdadig vertrouwen op zich zelf verblind, had hij
niet geluisterd naar Jesus\' vermaningen, als deze in zijne Liefde
hem tot gebed en waakzaamheid aanspoorde; hij vreesde niet,
al voorspelde Jesus hem den diepsten val, en hij achtte zich tot
het moeielijkste in staat, al zeide Jesus hem het tegendeel. Zulk
een hoogmoedig zelf-vertrouwen maakt den mensen zorgeloos,
wiegt hem in een doodelijken slaap en ontzenuwt hem ten
eenemale. Het geheim daarentegen van eene onverwinnelijke
kracht ligt in het bewustzijn van eigen zwakheid verbonden met
een onwrikbaar vertrouwen op God; in eene voortdurende
waakzaamheid vereenigd met een ootmoedig smeeken. Al wie
deze vier verweer-middelen aanwendt, is sterk tegenover den
machtigsten vijand en blijft overwinnaar; wie ze echter verwaar-
loost, is zwak, al wordt hij door eene machtelooze dienstmaagd
aangevallen, en zal niet alleen bezwijken, maar ook vervallen
van kwaad tot erger. Petrus diepere val strekt daarvoor ten
bewijze. —
Het was dringend noodzakelijk voor Petrus, dat hij het ge-
-ocr page 388-
878
HET MJDEX EX STERVEN- VAN
vaarlijk gezelschap verliet. Denkelijk vernam hij reeds de
verwijtende stem van zijn schuldig geweten; althans hij verwij-
derde zich en ging door eene openstaande deur uit het binnen-
hof naar het boven beschrevene portaal, Het was omstreeks
drie uren in den nacht geworden en Jesus stond voor den nu
voltalligen hoogen raad. De haan kraaide voor de eerste maal
en werd waarschijnlijk door den Apostel gehoord; maar in
zijne verlegenheid dacht hij niet aan Jesus\' voorspelling.
Toen Petrus de deur uitgegaan was, trad hem eene andere
dienstmaagd in den weg en hem ziende, riep zij den omstan-
MAT.XXVI.7a ders toe: deze was ook met Jesus den Nasar eer. Dit éénc
woord deed den Apostel besluiten om op zijne schreden terug
te keeren. Was het valsche schaamte, om voor geen leugenaar
gehouden te worden, of het verlangen om den schijn te ver-
mijden, alsof hij uit vrees de vlucht nam, of de wensch om
alle verdenking, dat hij met den gevangen Jesus in eenige be-
trekking stond, verre van zich te houden, welke hem de nood-
lottige gedachte ingaf, om zijne vorige plaats bij het kolenvuur
te hernemen en zich opnieuw aan de gevaarlijkste gelegenheid
bloot te stellen? In allen gevalle: hoe deerlijk zal hij voor die
vermetelheid boeten? Nauwelijks staat hij weder onder dat slecht
gezelschap, of eerst één en daarna meerderen spreken hem aan
Joan.XV111,=5 en vragen: zijt ook gij niet een van zijne leerlingen? Petrus,
door vrees en angst overmeesterd, ook zijne eerste verklaring
willende staande houden, verloochende Jesus voor de tweede
maal, maar veel dieper viel hij nu: de eerste maal loochende
hij met een leugen; nu loochende hij met eene valsche be-
zwering: en wederom — zegt de Evangelist — loochende hij
Mat.XXVI,72 met een eed: ik ken Hem niet. Helaas! hoe weinig gelijkt nu
Petrus op zich zelven van vorige dagen, toen hij tot Jesus
-ocr page 389-
178
OXZEN I1EKR .TtSUS CIIRISTI\'S.
zeide: Heerlga van mij, want ik ben een zondig mensen. — Heer.\' Luc V, 8.
tot wien zullen wij gaan? Gij alleen hebt de woorden des eei/- Joan. VI,69.
wigen levens — Gij zijt de Christus, de Zoon van den leven- Mat. XVI, a
den God.
— De weg der zonde is glibberig; wie er zich op waagt,glijdt
al lager en lager naar den afgrond af; een moedig terugkeeren
alleen kan voor een volslagen ondergang behoeden. Daarom
is gelukkig de mensch, die niet wandelt naar den raad der Ps. I, 1.
goddeloozen, noe/i op den weg der zondaren staat.., maar die
zijn vermaak vindt in de wet des Heeren en dag en nacht zijne
wet overdenkt; hij zal zijn gelijk aan een boom aan een waterstroom
geplant, die zijne vruchten geeft ten zijnen tijde.
Doch Petrus
had gedurende de laatste uren verzuimd in de overweging van
Jesus\' woord en vermaning de noodige kracht te putten tegen den
hem zoo duidelijk voorspelden strijd; hij had daarenboven uit
eene laffe vrees zich van den Zaligmaker verre gehouden,
daarentegen met eene onverklaarbare onbezonnenheid vrijwillig
zijne plaats in het gezelschap der boozen gekozen, en hij moest
tot zijne diepe beschaming en tot zijn \'altijd-durenden spijt
ondervinden, dat de eerste stap op den weg der zonde tot
verdere en altoos verderfelijkere stappen leidt.
Bij den eersten val wordt het geweten nog door wroeging
verontrust; bij een tweeden val is de angrt al minder evenals
de afschuw voor het kwaad; maar bij een derden kost de
grootste misdaad den zondaar al zeer weinig en de hardvochtig-
heid neemt al meer en meer eene noodlottige overhand boven
de heilzame vrees van vroegere dagen. Fmi is eenmaal die
worm van het knagend geweten door eene opeenstapeling van
zonden tot zwijgen gebracht, dan is alle kracht tot tegenstand
gebroken en aan den duivel bijna vrij spel gelaten met zulk
-ocr page 390-
380
HIT LIJDEN EN 3TKKVF.N VAN\'
eene ongelukkige ziel. Elke nieuwe zonde verwijdert meer van
God, versterkt den vijand onzer zaligheid, verzwakt den zon-
digen mensch en brengt hem zijnen ceuvigen ondergang al meer
nabij. Hoe kon Petrus dit dreigend woord der H. Schriftuur,
dat hem zeker bekend was, in dat uur van bekoring vergeten:
Eccli. XIX,i. die het kleine versmaadt, gaat allengskens ten gronde.
Terwijl Jesus de plechtigste verklaring van zijne Godheid
en van zijne waardigheid als Messias aflegde en daarom door
den Hoogen raad ter dood veroordeeld werd, moest Hij aldus
de grievendste beleediging van zijn meest bevoorrechten leerling
Luc. XXll, 59. ondervinden. Na een tusschenpoos van omstreeks één uur nd.
de tweede verloochening staat Petrus wederom op de binnen-
plaats. Hoe hij daar kwam; waarom hij die voor hem zoo
noodlottige plek opnieuw opgezocht had, weten wij niet en
de Evangelisten vermelde., het evenmin. Dat echter die plaats
voor hem nog noodlottiger dan vroeger werd, bewees de uit-
komst. Verschillende en bijna gelijktijdige, maar daarom ook
allergrootste aanvallen brengen hem tot den diepsten val. In
Gethsemane had Petrus alleen voor zijnen Meester gestreden
en daardoor zich het meest doen kennen. Nu komt er een van
Caiphas\' dienstknechten, een bloedverwant van Malchus, wien
Petrus het oor had afgehouwen, en ooggetuige van hetgeen in
J0AN.XVIII.27 Jen hof gebeurd was, en zegt: heb ik u niet bij Hem in den
hof gezien?
Petrus antwoordde met een nieuwe leugen; maar
alles hetgeen hij inbrengt om zijne onbekendheid met den Za-
ligmaker te betuigen, verried hem te meer. Hij was van ge-
boorte een Galileë:, en zijne uitspraak maakte hem als zooda-
nig kenbaar. Dewijl nu de meeste van Jesus\' leerlingen als
-ocr page 391-
.",M
ONZIN\' Hl.tl: JKSIS rllmsll*.
Galileérs bekend stonden, bevestigde de tongval van Petrus het
door de dienstmaagd reeds gewekte vermoeden, dat ook hij een
van hen was, die Jesus van Nazareth volgden. En zóó afdoende
was dat bewijs voor velen, dat zij, die daar stonden, toetraden en
tot Petrus zeiden: Voorwaar, ook gij si/\'t een van hen, want
ook uwe spraak maakt u bekend. Dewijl de Apostel liet niet MAT.XXVU.73
kon ontkennen, raakte hij al meer en meer in verlegenheid en,
niet wetende wat te doen, maar ook zich zelven niet willende
bloot geven, begon hij (zich zelven) te vervloeken en te zweren :
dat hij dien mensch niet kende. Begrijpen wij dit wel om de
geheele diepte van den afgrond te peilen, waarin de ongeluk-
kige Apostel zich nederwierp; het was alsof hij zeide: „Gij, o
„God! hoor mij; verpletter mij met uwe gerechte wraak, als
„ik tegen mijne overtuiging spreek ; de aarde moge onder mijne
„voeten wegzinken; ik mag op dezen stond den verschrikkelijk-
„sten dood sterven, als ik een van Jesus\' leerlingen ben, -.elfs
„als ik Hem ken."
Hoe diep was Petrus gevallen! Hij die, toen Jesus zijn val
en de ergernis van alle Apostelen voorspelde, zoo onwankel-
baar vast in zijne trouw en dermate tot alles bereid meende
te zijn, dat hij aan den Alwetenden Jesus durfde verzekeren
nimmer in Hem te zullen geërgerd worden, gaarne met Hem
gevangenis en zelfs den dood te willen lijden. En nu
hij zijnen goddelijken Meester bespuwd, geslagen, bespot zag,
nu dus het oogenblik daar was om Jesus moedig te belijden als
zijnen Meester, in Wien hij geloofde en Wien hij als den Mes-
sias aanbad, nu bleef hij bij dat gruwelijk schouwspel niet al-
leen lijdelijk toezien, maar verloochende daarenboven zijnen
God, en niet eens, maar tot tweemaal, tot driemaal toe, en telken
male erger: eerst met een leugen, toen met een valschen eed,
eindelijk met eene zelf-ver vloeking.
-ocr page 392-
S82
I1K1 LIJDEN KV STKKVKX VAN
diepere en pijnlijkere wonden werden daardoor in het teer-
gevoelig Hart van Jesus geslagen dan door de mishandelingen
van zijne vijanden in zijn heilig aangezicht. Omstuwd van ra-
zende wreedaards, aan de laagste spotternijen ten doel gesteld,
ter dood veroordeeld, moet Jesus nog lijden, dat Hem ile
bitterste zielesmart wordt aangedaan door twee van zijne Apos-
telen : Judas is zijn verrader geworden, en Petrus verloochent
Hem! Alle omstandigheden droegen er ook toe bij, om dat
lijden zoo bitter mogelijk te maken. Petrus was een zijner
meest beminde leerlingen, wien Hij tot steenrots zijner Kerk,
getuige van zijne verheerlijking op den berg Thabor en van
zijne doodelijke droefheid in den hof van Gethsemane gemaakt,aan
wien Hij de sleutels van het Rijk der Hemelen gegeven had.
Al die hem uit loutere Goedheid geschonkene voorrechten
weerhielden Petrus evenmin om Jesus, zijn Leermeester en zijn
Zaligmaker, af te zweren als al de vermaningen, al de buiten-
gewone verlichtingen, welke hij zoo ruimschoots ontvangen had;
zelfs eenige weinige uren te voren had hij nog Jesus ontvan-
gen onder de gedaanten van brood en wijn. En nu, vreeselijke
zwakheid van den mensch! Petrus verloochende Jesus in \'t
openbaar en nam den schijn aan, als hadde Hij nooit eenige
gemeenschap met Hem gehad, en schaarde zich aldus, minstens
voor het uiterlijke, onder het getal zijner verbitterde vijanden;
Petrus pleegde die gruwelijke misdaad niets slechts éénmaal
als bij verrassing, maar beging ze opnieuw, tot driemalen, tel-
kenmale daarbij eene omstandigheid voegende, welke de belee-
diging grievender maakte; eindelijk, Petrus verloochende zijnen
Heer en Meester, toen deze meer dan ooit troost behoefde
en aan het bitterste lijden ten prooi was. Judas had Hem zoo
even in de handen zijner vijanden overgeleverd — dat had
-ocr page 393-
3b8
ONZEN I1KKK JKKI.\'S 1 HKIS l\'l\'!>.
Petrus gezien — en in plaats van aan Jesus hartelijker liefde-
en grooter trouw te betoonen ter verzachting van zijn ziele-
smart, zondigde hij zoo zwaar mogelijk tegen denzelfden god-
delijken Zaligmaker. Alle omstandigheden vereenigden zich
derhalve: èn de bijzondere uitverkiezing van Petrus èn de aard
zijner zonde èn het getal zijner misdaden èn de tijd, waarin
zij gepleegd werden — al die bijzonderheden maakten zijn val
voor hem schandelijker en voor den goeden Jesus te smartvoller.
— Wie eenig begrip heeft van de vurige Liefde, waarvan Jesus\'
Hart brandde, kan het eenigermate beseffen, hoe ondenkbaar
veel Hij geleden heeft door dat verraad van het Hoofd zijner
Apostelen. Doch vergeten wij niet — deze vermaning houden ons
de Kerkvaders voor — hier de wijze toelating der goddelijke
Voorzienigheid in den val van den Apostel dankbaar te hul-
digen. Niet zonder reden liet God dien drievoudigen en ge-
durig zwaarderen val toe van hem, wien Jesus tot Hoofd
zijner Kerk had aangesteld. Petrus moest door zijne gebleken
menschelijke zwakheid van alle vermetel zelf-vertrouwen voor
altijd genezen worden, en door zijn betreurenswaardig voorbeeld
aan ons ter waarschuwing toeroepen: wie meent te staan, zie \\ cor. X,r
toe, dat hij niet valle. Maar is iemand ook diep gevallen als
Petrus, — dit ook leeren wij uit Petrus\' voorbeeld — hij wan-
hope niet aan Gods Barmhartigheid, dewijl ook Petrus — ge-
lijk wij straks zullen overwegen — door tranen en berouw
zijne overgroote schuld uitwischte en de verloren vriendschap
van zijnen Jesus herwon. Nederig ook en nauwgezet in be-
hoedzame waakzaamheid op zich zelven moest de h. Petrus
worden; daarom schiijft de h. Augustinus: „ik verstout mij
„tot die hoovaardigen te zeggen, dal het voor hen, die door
-ocr page 394-
384
HEi MJOK.1 KN STKRVKN VAN OSZK.X IIKKK JfcSl\'N (JHRISTDS.
„welbehagen in zich zelven gestruikeld zijn, nuttig is in eene
„openbare zonde te vervallen, opdat zij daardoor aan zich
„zelven mishagen. Het was voor Petrus voordeeliger, toen hij,
„over zich zelven ontevreden, weende om zijne zonde, dan
„toen hij, met een volledig vertrouwen op eigen krachten, in zich-
„zelven behagen vond." „Ook moest Petrus leeren" — zegt de
h. Gregorius — „hij die de toekomstige herder der Kerk was,
„medelijden te hebben met alle zwakken." Ten laatste : Pe-
trus, de eerste Paus der Kerk, hij die aan allen boetvaardig-
heid ter vergiffenis van zonden zou prediken, moest zelf een
voorbeeld van de strengste en volhardende boetvaardigheid zijn.
Zoo weet God, ons ter leering en ter opwekking, ook uit
het kwade nuttige lessen te trekken. Kn buitengewoon groot
is het aantal van degenen, die door Petrus\' voorbeeld van
hunne zedelijke bedwelming moeten genezen worden. Eenigen
verloochenen Jesus in zijn leven, daar hun leven aan het zijne
niet gelijkvormig is: anderen verloochenen Hem in zijn Kruis,
als zij onder tegenspoed morren, zelf-overwinning en verster-
ving vluchten; dezen verloochenen Hem in zijne Leer, als zij
die zich niet willen eigen maken noch op hare waarde schatten, en
aan de valsche leerstellingen der wereld boven haar den voorrang
geven; genen verloochenen Hem, in zijne Instellingen, wanneer zij
geen eerbied koesteren, geene gehoorzaamheid betoonen, geene
aandacht wijden aan zijne onfeilbare Kerk, aan zijne H. Sacra-
menten en andere hulpmiddelen ter zaligheid. Al wie dan
Petrus op de eene of andere wijze in zijne verloochening na-
gevolgd is, hij volge hem ook in zijne boetvaardigheid.
-ocr page 395-
Hoofdstuk VII.
De bekeering van Tr\'etrus.
Buitengewoon groot was de zonde van den diep gevallen
Apostel; zij droeg het hatelijk karakter van heiligschennis, om-
dat Petrus priester en Apostel was;.zij sloot de grootste erge-
nis in tegelijk met de zwartste ondankbaarheid. Zal ook de
straf, door den heleedigden God-mensch aan den trouweloozen
Petrus opgelegd, geevenredigd zijn aan de misdaad? Jesus had
vroeger gezegd: die Mij zal\'verloochend hebben voor de menscheti, Mat. x, 33.
dien zal Ik ook verloochenen voor mijnen Vader, die in den Hemel
is.
Maar de Profeet had ook van Hem voorspeld: een geknakt\'Mat. XII, 20.
riet zal Hij niet breken, en een rookend lemmet niet uitdooven.
Wat moeten wij dan van de Almacht der beleedigde Majesteit
verwachten: eene wrekende Gerechtigheid of eene vergevende
Barmhartigheid? Het oordeel der verwerping wordt door God
over den mensch niet uitgesproken dan na zijn dood; zoo lang
hij de grens der eeuwigheid niet heeft overschreden, kan ook
de grootste zondaar nog vergiffenis vinden en wordt zelfs door
de Liefde van God, dien hij beleedigde, vervolgd en tot bekee-
ring dringend en op velerhande wijzen aangemaand. Voor
alle zondaren, zoo lang zij leven, blijft Jesus de goede Herd«r,
die het verlorene schaap opzoekt om het op zijne schou-
-ocr page 396-
:isc,
HET LIJDEN BS STEKTE» VAN"
ders naar den verlaten schaapstal terug te brengen. Dit was
Hij ook voor den ongelukkigen Petrus.
Luc XXII,61. Terwijl Petrus nog sprak, kraaide de haan voor de tweede
maal. Petrus hoort het —• dit was voor hem eene eerste ge-
nade — en hij siddert van angst en schrik; zijne zonde staat in
al hare afschuwelijkheid hem voor den geest en drukt met al
hare zwaarte op zijne misdadige ziel. Maar de barmhartige
Jesus, ofschoon door hem verloochend, vergeet hem niet. doet
zijn schuldig geweten ontwaken en reikt hem eene medelij-
dende hand toe om hem uit zijn diepen val op te beuren.
Het was omstreeks drie of vier uur in den morgen, en de
haan had de eerste schemering van den dageraad aangekon-
digd. Het doodvonnis was over Jesus geveld, en Hij zelf zou
weldra zijn of was reeds ten prooi aan de bespottingen en
mishandelingen van Caiphas\' ellendige dienaren. Terwijl Hij
uit de gerechtszaal naar de gevangenis geleid werd of alreeds
— gelijk eenigen het voorstellen •— op allerlei wijze verguisd
en als een worm vertrapt werd, dacht Jesus nog aan zijn die])
Marc.X1V,72. gevallen, maar altijd nog beminden leerling: festis keerde Zich
om
— verhaalt de Evangelist Marcus — en zag Petrus aan.
En Petrus herinnerde zich het woord, dat Jesus tot hem gezegd
had: eer de haan tweemaal kraait, zult gij Mij itrictnial ver-
loochenen. En hij begon te weenen.
Die blik was voor den
diep gevallen Apostel eene tweede genade.
En welk een blik moet dat geweest zijn! Een blik van diepen
weemoed en bittere droefheid, maar ook van onuitputtelijke
Liefde en goddelijke Erbarming. Alles moet de ongelukkige
-ocr page 397-
uX/.KX HKKK -IK.SI> ÜMKiSTI\'K.                                              W,
Apostel daarin lezen: een zacht verwijt over zijne zonde, ook
eene aansporing tot vertrouwen. Die blik was voor zijn geest
als een lichtstraal en voor zijn hart eene vonk, welke het vuur
der liefde deed ontbranden. In één oogenblik herinnerde Pe-
trus zich Jesus\' voorspelling, tevens de woorden des levens,
welke hij zoo menigmaal uit Jesus\' mond had gehoord; hij
herdacht de vele van Jesus ontvangene weldaden, de gunstbe-
wijzen hem boven de andere Apostelen verleend; hij bracht
zich ook zijne herhaalde betuigingen van onveranderlijke ge-
trouwheid, zijne heilige voornemens te binnen. Hij die twee
boven genoemde, uitwendige genaden voegt Jesus nog eene
inwendige genade, welke buitengewoon groot en krachtig
moet genoemd worden. Jesus vernedert Petrus, terwijl Hij
hem te gelijk ondersteun); Hij beschaamt hem door hem te
toonen, welke eene Goedheid \'iij beleedigde; Hij openbaart
hem de afschuwelijkheid zijner zonden, maar verzekert hem
ook de vergiffenis van al zijne misdaden, als hij slechts berouw
heeft; Hij bedroeft, maar troost hem ook; Hij slaat hem, maar
geneest terzelfder tijd. En Petrus! f), welke zalige uil zoete
aandoeningen maken zich meester van zijn hart! Helaas!
met een leugen, met een eed en met een vloek heeft hij
zijn Meester verzaakt en is in zijn eigen oogen hatelijker ge-
worden dan die wreedaards, welke hij zijn goddelijken Meester
ziet martelen. En nog is die Jesus zóó eindeloos goed, dat
Hij een blik van medelijden en van Barmhartigheid op hem,
den ontrouwen leerling, werpen wil. „Wanhoop niet, vraag
vergeving en Ik ben voor u wederom de liefdevolle Meester
van voorheen." Petrus las dat alles in Jesus\' oogen, en zijn
hart werd vermorzeld door een heilig berouw; hij verafschuwde
zich zelven, maar hoopte nog op de Liefde van zijnen Jesus.
-ocr page 398-
:i8K
iirr i.uni-v vs stkrvkx van"
Marc. Xiv,72. Petrus herinnert zich het woord — schrijft de h. Marcus
dat Jesus tol hem gezegd had, niet alleen het woord,
waardoor zijn val voorspeld was, maar ook dat woord, waar-
mede Jesus zoo menigmaal aan groote zondaars alles verge-
ven had, die gelijkenissen waarin Gods Barmhartigheid met
de levendigste trekken geteekend werd, ook de Liefde, waar-
mede Jesus eene beruchte zondares en eene overspelige vrouw
ontvangen had — al die herinneringen van voorheen worden
in hem opgewekt, en zijne ziel wordt door bittere droefheid
verscheurd. Hij begon te weenen uit een diep gevoeld berouw,
te weenen om vergiffenis af te smeeken, te weenen ook uit
vrees voor zijne zwakheid, of hij soms nog in het toekomende
wankelen zou in zijne getrouwheid, te weenen met de nederige
bede om hulp en kracht.
Zoete tranen ! die het overstelpt hart ontlasten, Gods gramschap
stillen, de ziel rein wasschen van alle smetten; kostbaar zijn ze
in de schatting van God, weldadig voor den berouwvollen zon-
daar. Zij waren ook eene buitengewone groote genade van
den barmhartigen Jesus, en Petrus heeft daaraan op buitenge-
wone wijze beantwoord. Ter bekeering is de genade van God
noodzakelijk maar ook de medewerking van den mensch; zonder
die twee voorwaarden kan dat werk ter zaligheid niet tot stand ko-
men. Leerrijk voor ons allen is het daarom in bijzonderheden
na te gaan, hoe de h. Petrus zich van zijnen val oprichtte en
na zijne opstanding geleefd heeft.
Spr. XXIV, 16 De rechtvaardige struikelt zevenmaal en staat wederom op;
maar de goddeleozen storten neder in het onheil.
Ook den heiligste
kan het ongeluk overkomen, dat hij in zonden valt; maar dit
-ocr page 399-
88Ö
ONZEN HKKR JKSL\'S CHRISTUS.
is het kenmerkend onderscheid tusschen eene oogenblikkelijke
zwakheid en eene verharde boosheid, dat de eerste de boet-
vaardigheid als middel ter verzoening met God aangrijpt, de
laatste daarentegen ze veracht. Petrus koos, in tegenstelling
met Judas, het beste deel en werd behouden.
Veelsoortig en tevens hoogst leerrijk was vooreerst de onder-
vinding door Petrus in zijn val opgedaan. Hij had nu geleerd,
dat alle goede voornemens, de heiligste beloften, zelfs eene
jarenlange oefening in de deugd de ziel niet beschutten
tegen het gevaar van een diepen val, als zij niet toegerust is met
een groot mistrouwen op hare eigene krachten en met een
nog grooter vertrouwen op Gods alvermogende genade. Ver-
volgens had hij ondervonden, dat de ware liefde zich eerst
voor goed openbaart, niet zoo zeer wanneer geen aanval de
rust der ziel komt storen, maar als een storm van bekoring
opsteekt, en de duivel zijne helsche macht in \'t werk stelt, zoe-
kende hoe hij haar aan plicht en geweten ontrouw kan maken.
Zou ook de h. Petrus later niet dikwijls bij zich overdacht
hebben, dat geen gevaar gering mag geacht, dat elk slecht ge-
zelschap, ook voor wie zich sterk wanen, eene naaste aanlei-
ding tot ontrouw aan God kan worden, dat eene eerste stap
op den weg der zonde gewoonlijk voor velen, zoo niet voor
allen, het begin is van verdere afwijkingen, dat wie het gevaar
bemint daarin zal vergaan? En dan die vermaningen des
Zaligmakers, die aansporing tot waken en tot bidden — nim-
mer meer zullen zij hem uit het geheugen gewischt zijn.
Door eigene, droevige ondervinding geleerd, waarschuwde hij
dan ook later met allen nadruk zijne beminde geloovigen tegen
de verleiding des satans, wiens heillooze kracht hij zelf zoo
bitter had ondervonden. Het was alsof hij zijn eigen val,
-ocr page 400-
390                                             HET LIJDEN EX STUtVEX VAN
hun en ons ter onderrichting, beschreef, toen hij hun toeriep:
I Pe. V, 8. Weest nuchter en waakt! want uw tegenstander, de duivel,
gaat rond ah een brullende leeuw, zoekende wien hij zal kunnen
verslinden. Weerstaat hem, sterk zijnde in het geloof.
Fin
wie kan /.onder aandoening deze andere vermaning van den
I Pe. lil, 13 Prins der Apostelen lezen? Wie zal u kwaad doen, als gij
ijveraars in het goede zij tl Maar ook, als gij iets lijdt om
wille der gerechtigheid, zalig zijt gij. Vreest niet uit vreeze
voor hen en wordt niet ontroerd, maar heiligt den Hcerc Chris-
tus in uwe harten; en weest altijd bereid tot verantwoording
aan een iegelijk, die u rekenschap vraagt van de hoop, die
in u is.
Dat alles leerde Petrus voor geheel zijn volgend leven
uit zijn noodlottigen val. Niet minder opwekking moeten wij
allen daarin vinden om de grove tekortkomingen te vermijden,
waaraan die Apostel zich schuldig maakte en welke de onmi<l-
delijke aanleiding voor zijne drievoudige verloochening waren.
Do"h moeten wij soms evenals hij eene grocte ontrouwheid
jegens God betreuren, zijn schitterend voorbeeld van eene heilige
en strenge boetvaardigheid is ons een onfeilbare aanwijzing,
hoe de verlorene heiligmakende genade herwonnen, hoe de
verbeurde vriendschap met God weder aangeknoopt moet
worden.
Ofschoon Petrus, de groote boeteling, door een diep gevoeld
berouw getroffen en zijn hart als doorwond was van een
heilig leedwezen wilde hij niet, zoo als misschien menigeen
verwacht zou hebben, zijne verloochening van Jesus in \'t openbaar
Luc. XXH, ta. herroe]>en. Hij ging naar buiten, buiten het paleis van Caiphas,
om in \'t geheim den vrijen loop aan zijne tranen te laten.
Want zijn val had hem nederig van harte gemaakt, en zijn
-ocr page 401-
39 I
IlSZt.S HEEI JKSI.\'S ( IfKISTlS.
vertrouwen op zich zelven geschokt of liever geheel vernietigd;
hij durfde zich aan geene nieuwe proef, zijne zwakheid aan
geen tweede gevaar blootstellen. Zoo leerde hij aan alle zwak-
ken — en wie onzer is het niet — de gevaarlijke gelegenhe-
den te vluchten, elk verlangen te onderdrukken, hetwelk hen zou
aandrijven om zich, na eene vóór korten tijd tot stand gebrachte
bekeering, al aanstonds met een onnoodig vertoon als boet-
vaardigen te doen kennen en als geheel veranderd van gezind-
heid zich in het openbaar voor te doen, zonder dat zij tegen de
beproeving, welke hen dan zeker zou overkomen, door de kracht
van boven genoegzaam zijn gesterkt. Evenmin deed de h. Pe-
trus eene enkele poging om zich aan de voeten van Jesus te
werpen ten einde vergeving en barmhartigheid af te bidden;
de schaamte en een diep gevoel van onwaardigheid hielden
hem terug; liever wilde hij daarom door tranen en zuchten al
datgene afsmeeken en verkrijgen, wat in woorden af te vragen
hij, na zulk een diepen val, nog niet durfde. Meer dan
eene reden bewoog hem ook om in een stil smeeken zich
te verdiepen, dewijl hij overtuigd was, dat geene veront-
schuldiging behoeft gevraagd te worden voor een misslag, welke
beweend wordt, en dat zelfs een ieder, al gebruikt hij geene
woorden ter verschooning, toch zijne ziel van alle smetten reinigen
kan door tranen van berouw. Om dan een vrijeren loop aan zijne
tranen te kunnen geven, ging hij naar buiten; want die plaats
onder de gerechtdienaars met haar rumoer en wilde uitgela-
tenheid was wel geschikt om den eene of den andere tot
afval te brengen, maar niet voor het waardeeren van de tra-
nen der liefde. Veel troost echter en bemoedigende opbeuring
had hij noodig; en tot wie kon hij zich beter wenden dan tot
de heilige Moeder van Jesus? Haar klaagde hij dan ook — le-
-ocr page 402-
39:2
HET LIJDEN EN STEEVEN TAN
zen wij bij een godvruchtig schrijver — zijn leed; in haar
deelnemend hart stortte hij zijn vermorzeld hart uit; aan haar
beleed hij het eerste zijne overgroote schuld; en zij verstiet
hem niet, maar sprak hem moed in en vertrouwen, hem wijzende
op de oneindige Goedheid van haren goddelijken Zoon. Aldus
bemoedigd door haar, die toen reeds als de toevlucht en voor-
spraak der zondaren optrad, ging hij heen en verborg zich,
volgens eene geloofwaardige overlevering, in eene rotsspelonk
om te zuchten en in een vloed van tranen zijn overstelpt ge-
moed te ontlasten, maar ook zijne ziel van alle schuld te rei-
nigen.
Wij noemden boven den h. Petrus den grooten boeteling
van het Nieuwe Verbond. Hij verdient dien eeretitel ten volle,
en is ook daarin voor ons allen een leerrijk voorbeeld. Zijn
berouw bezat alle eigenschappen, welke het noodzakelijk heb-
ben moet om geldig te zijn voor God en om de vergiffenis van
zonden te doen verwerven. Niet in woorden alleen of met
den mond slechts betreurde Petrus zijne misdaden; woorden
schenen hem zelfs overbodig; maar zijn hart was verbrijzeld
door een heilig leedwezen en uit geheel zijne ziel verfoeide hij
zijne kortstondige ontrouw aan Jesus. En dat alles kwam bij
hem voort, niet uit afschuw voor zijne zwakheid noch uit wre
vel over zijn weinigen moed, zelfs niet uit vrees voorde groote
straffen, welke hij door zijne zonden had verdiend o, neen,
maar omdat hij zijnen beminden Meester, den goeden Jesus,
zoo grievend had beleedigd, zoo schandelijk had gehoond,
daarom stortte hij tranen van bittere droefheid. Het gekraai
van den haan had hem uit zijn doodslaap wakker geschud;
de genadevolle blik van Jesus was als eene lichtstraal in zijn
-ocr page 403-
soa
OSZEN IIEKR JK8US CHRISTUS.
geest gevallen om hem de voor een oogenblik vergetene \\vaar-
heden in \'t geheugen terug te roepen, was als een vuur in zijn
ijskoud geworden hart doorgedrongen om het te verwarmen
met den gloed der bovennatuurlijke liefde. Petrus liet die
groote genaden niet ongebruikt voorbijgaan. Hij was in een
oogenblik van een groot zondaar veranderd in een heiligen
boetvaardige. Al zijne zonden stonden hem in een ondenk-
baar klein oogenblik voor oogen; hij kende ze, verfoeide ze uit
het diepste van zijn hart; zij waren hem oprecht leed uit liefde
tot Jesus, Wien hij zwaar beleedigd had, maar op Wiens Liefde
en Goedheid hij toch bleef vertrouwen. Zóó weenende, zóó
met het aangezicht op den grond neergedrukt en de koude
aarde met de heete tranen van een heilig berouw besproeiende,
bidt hij vergeving af. Geen der menschen ziet of hoort hem;
maar God, die in het verborgen ziet en de zuchten des harten
hoort, ziet met welgevallen neder op den berouwvollen zon-
daar en spreekt in den Hemel het woord der vergeving uit.
Wat vreugde onder de koren der Engelen, toen zij Petrus
in den vroeger zoo vurig minnenden Apostel herschapen zagen
— meer vreugde over hem, den boetvaardige, dan over de
andere tien, welke niet zoo diep gevallen waren. Zijne
bekeering was dan ook volkomen. Zoo even nog een groote
zondaar, brandt hij nu van liefde; zoo even nog zwak, is hij
nu wederom de onwrikbare rots, waartegen de machten der
hel te vergeefs hare aanvallen zullen richten. Wonderbare
kracht der goddelijke genade, welke de zwakheid in kracht
doet verkeeren, den gevallene niet alleen opricht, maar zelfs uit
een vreesachtige den onverwinbaar sterke weet voort te brengen!
Evenals het berouw van Petrus volmaakt was, zoo ook zijn
voornemen. Beiden moeten samengaan. „Het berouw —• al-
-ocr page 404-
304
HET MJDEN EN STERVEN VAN
dus leert de Kerk van Jesus — „is een leedwezen des harten
,,en eene verfoeiing der bedrevene zonden met het vaste voor-
,,nemen ze niet meer te bedrijven." Laten wij het wel o ver-
denken, hoe de eerste Paus der onfeilbare Kerk ook aan deze
voorwaarde heeft voldaan. Zijn voornemen was even vast als
algemeen en werkdadig. Welke moeielijkheden hem ook over-
kwamen of aan welke beproevingen en gevaren hij ook bloot-
gesteld was, van wankelen en minder nog van bezwijken zien
wij nergens meer eenig spoor: door Gods genade gesterkt, die
hem na zijne bekeering opnieuw tot de eeuwige heerlijkheid
in Christus Jesus had geroepen, leed hij en werkte hij jaren lang
onvermoeid voort, zóódat hij in het goede al meer vervol-
maakt werd. Ook hij moest zeker niet minder dan de h. Pau-
II Cor. Vil, 5. lus van zich getuigen: wij leden allerlei druk: van buiten strijd,
van binnen vrees;
ook hem zal misschien evenals zijn mede-
Apostel een engel Satans gegeven zijn om hem door bekorin-
gen te kwellen; maar dien weerstond hij sterk in het geloof
zijnde en, na eens door eene droeve ondervinding geleerd te
hebben, hoe Vret toegeven aan eene oogenblikkelijke zwakheid
den mensch van kwaad tot erger doet vervallen, vreesde hij
voortdurend, dat hij, na anderen gepredikt te hebben, zelf zou
verloren gaan, en liep zóó in den wedstrijd om eene onvergan-
kelijke kroon, dat hij die verkreeg, en zijne roeping zeker maakte
door goede werken.
Ps. L, 5.            Hij erkende zijne ongerechtigheid, en zijne zonde stond hem
steeds voor oogen. Deze woorden van den koninklijken Zanger
vinden ook op den bekeerden Petrus hunne volle toepassing,
-ocr page 405-
sas
OSZÏX IIELR JtSVS CHRISTUS.
Toen al zijne zonden reeds van hem waren weggenomen, wilde
hij nog geheel zijn volgend leven lang boete en strenge boete
doen. De h. Clemens, een leerling en tweede opvolger van
den h. Petrus, verhaalt, dat zijn berouw zóó groot en voort-
durend was, dat hij gedurende alle jaren van zijn leven
eiken nacht, als hij het gekraai van den haan hooide, zich
op de knieën wierp en bitter begon te weenen, dat hij nimmer
ophield vergiffenis voor zijn misslag af te bidden. Ken ander
schrijver uit de tweede eeuw, Nicephorus, verzekert, dat
zijne oogen van het vele weenen bloedrood en zijne wangen
doorgroefd waren van de stroomen van tranen, welke hij ver-
goot. Zijn lichaam behandelde hij hard en kon het niet ver
getcn, dat eene overdrevene vrees voor lichamelijke pijnen
ook eene aanleiding was geweest voor zijne drievoudige ver
loochening. Door lichamelijke boetplegingen strafte hij zich
zelven voor die zwakheid en gebruikte, volgens getuigenis van
den h Gregorius van Nazianze, voor spijze niets anders dan
brood, kruiden en smakelooze peulvruchten. Aldus tuchtigde
hij het lichaam, dat voor hem een werktuig van zonde was
geweest, door jarenlange versterving. Maar de tranen van
boetvaardigheid waren hem niet voldoende, als hij daarmede
het zweet en het bloed van het Apostolaat niet verbond. Duizend
levens zou hij willen gegeven hebben voor zijnen Jesus ,die zoo
goed was, maar Wien hij zoo grievend had beleedigd. Vermocht
hij echter dat niet, ten minste zal hij door arbeid, door lij-
den en door eenmaal den marteldood te sterven zijne liefde
tot Jesus betuigen. Hij heeft zooveel goed te maken, groote
ergernis te herstellen. In het paleis van Caiphas, in tegenwoor-
digheid van eene menigte dienstknechten had hij zijnen Mees-
ter verloochend, zijne ontrouw was ook algemeen bekend ge-
-ocr page 406-
396                                            HET LUOKN EN STEKVEN VAX
worden. Weldra zou hij op eene openbare plaats, ten aanhoore
van duizenden, zonder vrees voor gevangenis of geeseling of
dood, Jesus als den Heilige en den Rechtvaardige belijden en aan
allen, het volk en zijne Oversten, in de duidelijkste woorden
verklaren, dat er voor niemand zaligheid te hopen is dan
in Jesus den gekruisigde. En niet alleen Jerusalem, maar de
geheele wereld zal die aanmaning tot het geloof in den God-
mensch en tot boetvaardigheid over bedrevene zonden verne-
men uit den mond van hem, die zelf eens zijnen Meester ver-
loochende en zich zóó aan groote misdaden schuldig maakte.
Eindelijk mocht hij zijn boetvaardig en werkzaam leven met
een roemrijken marteldood besluiten. Onder den wreeden
Nero, een der hardnekkigste vervolgers van het Christendom,
werd hij ter dood veroordeeld. Na eerst op de wreedaardigste
wijze, bijna ten doode toe, gegeeseld te zijn, zou hij sterven
aan een kruis. Doch hij had nog kracht genoeg om als eene
gunst te verzoeken, dat hij met het hoofd omlaag aan het
kruis geslagen werd. Zijne diepe nederigheid dulde niet, dat
hij sterven zou als zijn goddelijke Meester gestorven was.
— Zóó zien wij in Petrus\' bekeering de kracht der godde-
lijke genade uitschitteren; zoo is hij ook een opwekkend voor-
beeld voor alle zondaren om hem na te volgen in zijn heilig,
berouwvol leven, daar ook zij allen niet minder dan hij bij
den goeden Jesus eene medelijdende Eiefde en eene voorkomende
vergevingsgezindheid zullen vinden, mits zij slechts vertrouwen
op zijne Goedheid hebben en medewerken met de genaden,
welke Hij hun aanbiedt. Dagelijks nog geeft Jesus de tref-
fendste bewijzen van die Barmhartigheid en Goedheid; zelfs
een ieder van ons moet het dankbaar met den h, Thomas
-ocr page 407-
S»7
li\\/.KX IIKF.R .IKSt\'S (Hlllslrs.
van Villanova uitroepen: „Wie kan het uitspreken, hoe groot
„de Barmhartigheid des Scheppers is jegens den zondaar, zoo
„lang deze nog in leven is. Zie, daar is een schepsel, het
„maaksel van Gods almachtige handen, voor wien de Hemel
„als erfdeel bereid is, en toch ontziet zich de mensen niet om
„tegen zijnen Schepper op te staan, Hem te vergrammen, diens
„geboden te verachten en nog op zijne zonden te roemen. Die
„mensch maakt er niets uit zijnen God te beleedigen en Hem
„tot vijand te hebben. God ziet dat alles, en Hij doet alsof
„Hij niets zag; zelfs roept Hij dien zondaar nog en geeft hem
„goede gedachten in; Hij wacht hem af en noodigt hem uit
„ter bekeering. Intusschen voedt hij nog dien mensch, bewaart
„hem nog voor ongelukken en bewijst hem veel goed. Doch
„de hoogmoedige zondaar veracht God en luistert niet naar de
„stem des roependen. Hij vlucht en God, die den zondaar tot
„een eeuwig vuur veroordeelen of in een oogenblik vernietigen
„kon, gaat hem na, opdat hij zich bekeere. Nog meer doet
„God: als de zondaar, na langen tijd en na vele jaren, slechts
..eene enkele traan van oprecht berouw stort, dan vergeeft
„hem God, neemt hem aan als zijn kind en omarmt hem met
„de Liefde eens vaders; Hij denkt niet meer aan diens zonden,
„vermenigvuldigt zijne geestelijke gaven, overlaadt hem met
„weldaden, versiert hem met zoovele genaden, als hadde die
„zondaar een geheel leven lang, onafgebroken getrouw, zonder
„eenige beleediging Hem gediend. Overgroote Barmhartigheid,
„oneindige Goedheid!
-ocr page 408-
Hoofdstuk VIII.
Het laatste verhoor van Jesus voor CJaiphas;
zijne tweede veroordeeling.
J udas\' wanhoop en dood.
Het was de morgen van Vrijdag geworden — van dien eeu-
wig gedenkwaardigen dag, — otigclukkig voor dat in zijne
verblindheid hardnekkige volk der Joden, hetwelk nu cle maat
zijner vaderen vol maken en door de afschuwelijkheid van een
Godsmoord de zwaarste straffen op zich laden zou. —gezegend
van den anderen kant boven alle dagen, omdat die dag niet
eindigen zou, vóórdat de zonden der menschen geboet, de Vader
door het Bloed van zijnen goddelijken Zoon verzoend, de we-
reld verlost en de heerlijkheid des Hemels, door de zonde ver-
loren, wederom herwonnen zoude wezen. Ofschoon reeds in
den nacht te voren de raad der Joden in het huis van Caiphas
vergaderd was geweest en na vele valsche getuigen te hebben
gehoord, den Zaligmaker op zijne eigene bekentenis veroordeeld
had, belegde de Hoogepriester zoo spoedig mogelijk eene derde ver-
gadering in den vroegen morgenstond. Eene dringende reden
noopte hem daartoe. Het voorgaande, in den nacht gevelde vonnis
-ocr page 409-
HET LIJDEN EN STERVEN VAN ONZIN HKEH JESUS CHRISTUS.             899
was onwettig en zeker in de oogen des volks zonder waarde.
Dat die raadsvergadering in den morgen belegd werd alleen
om deze reden, dat niet alle leden bij het tweede verhoor zouden
aanwezig geweest zijn, kunnen wij niet aannemen. Hetgeen de
Evangelist Joannes ons van het derde verhoor in den morgen-
stond vermeldt, dat namelijk het geheele Sanhedrin, al de Opper-
priesters en Schriftgeleerden en Ouderlingen vergaderd waren,
datzelfde verzekert ons de Evangelist Marcus van het tweede
verhoor in den nacht. Neen; deze laatste raadsvergadering
werd zeker gehouden met het hoofddoel ten einde Jesus ter dood Mat.XXVH,2.
te brefigen en met de neven-bedoeling om te beraadslagen, hoe
zij het zouden aanleggen om het door hen gevelde doodvonnis
door den romeinschen Landvoogd te doen bekrachtigen, want
zonder hem konden zij geene doodstraf toepassen. En zij
maakten allen spoed. Al waren ook al de leden van den Hoo-
gen raad reeds grijsaards of minstens hoog in jaren gevorderd,
en al mochten de raadsvergaderingen van het Sanhedrin niet
voor acht of negen uur in den morgen beginnen, hunne angs-
tige gejaagdheid gunde hun geene rust en liever overtraden zij de
door eene wet vastgestelde bepalingen dan aan hun ongedul-
dig gemoed eenige perken te stellen. Wij zien hen allen dan
ook reeds omstreeks vijf uur in den morgen wederom bijeen,
of wel in de gewone vergaderzaal of wel nog in het paleis
van Caiphas. Dit laatste gevoelen beroept zich en, volgens onze
meening, te recht op deze woorden van den h. Joannes: zij
voerden Jesus van Caiphas naar Pilatus,
waardoor hij schijnt Joan.XVIH.sS
aan te duiden, dat Jesus onmiddelijk uit het huis van den
Hoogepriester naar het paleis van den Landvoogd gevoerd
werd.
Nè. eerst overwogen te hebben, welke beschuldigingen zij
-ocr page 410-
md
II KT I.1.IIIKN K\\ STKR.VKN VAN
Pilatus konden inbrengen en hoe zij dezen tot instemming in hun
doodvonnis konden overhalen, doen zij Jesus opnieuw voor hunne
rechtbank brengen. Wel zijn de boeien van Hem voor eenige
oogenblikken geslaakt maar in welk een ellendigen toestand ver-
schijnt Hij voor zijne goddelooze rechters! Zijne polsen en zijn hals
zijn opgezwollen en gescheurd van het sterk aanhalen der koor-
den; zijn baard is gedeeltelijk uitgerukt; zijne wangen zijn gewond
door de slagen en geheel zijn gelaat met bloed en afzichtelijk
vuil overdekt. Zoo staat dan degoddelijke Opperpriester van het
Nieuwe Verbond wederom als een verachtelijke boosdoener,
voor Wien geene versmading en vernedering te groot kunnen
zijn, voor eene vierschaar van onrechtvaardige rechters. Ge-
tuigen, die voor Hem pleiten, zijn niet opgeroepen, een verde-
diger van Hem is er niet; zelfs worden er geene getuigen gehoord,
die Hem aanklagen. De afspraak schijnt gemaakt, dat Caiphas
in naam van den geheelen raad nogmaals de vraag zal her-
halen, welke hij reeds in de nachtelijke zitting gedaan had;
hetzelfde antwoord van Jesus — meenden zij te recht — moest
gegeven worden en daarmede eene genoegzame reden om den
Luc.XXii, 66. Zaligmaker opnieuw te veroordeelen.
Indien Gij de CJiristus zijt — zoo luidde dan opnieuw hunne
Joan. X, 24 vraag — zeg het ons. Reeds vroeger hadden zij, volgens het
verhaal van den h. Joannes, aan Jesus hetzelfde gezegd: hoe lang
houdt Gij ons gemoed in (wij/el? Indien Gij de Christus zijl, zeg
het ons dan openlijk.
Toen antwoordde hun Jesus niet rechtstreeks
op hunne vraag, maarberiepZich eerst op hetgeen Hij hun aangaaiv
de zijn Persoon en zijne bediening meermalen geleerd had, en ver-
volgens op zijne bediening en op zijne werken of wonderen, welke
van Hem getuigenis gaven. De Joden, den zin van zijne woorden
juist met de meeste hoop op welslagen tegen den Zaligmaker bij
-ocr page 411-
Uil
ONZEN HKEB JKSl\'N.i\'MKIS\'rrs.
voorkeur opvattende, hielden zijn zijdelingsch antwoord voor
eene getuigenis zijner Godheid en daarom voor eene godslas*
tering; zij namen dan ook steenen op om Hem te dooden.
Maar toen ontging Jesus hunne handen, omdat zijn uur nog niet
gekomen was en Hij niet den dood der steeniging maar den
dood des kruises sterven moest.
Nu echter was \'t uur der duisternis en ook de tijd gekomen
om nog eens met verpletterende duidelijkheid zijne Godheid en
zijne Messianische waardigheid te belijden. Vooreerst wilde Jesus
aan zijne vijanden toonen dat Hij, de Alwetende, zeer goed wist,
wat er in hun hart omging en dat zij geenszins hunne vraag
deden om de waarheid te kennen, maar alleen om eene be-
schuldiging te vinden, waarop zij met een schijn van recht een
doodvonnis konden uitspreken. Hij antwoordde hun daarom:
„indien Ik het u zeg, gij zult Mij niet gelooven, al zou Ik het Luc. xxn,68
„uit uwe wet en uit de Profeten ook bewijzen; en zoo Ik n
„ook ondervraag, gij znlt Mij geen antwoord geven,
al zou Ik
,,door het stellen alleen van vingen u het bewijs leveren, dat
,,Ik waarlijk de Christus ben. Of heb Ik u niet, in de laatste
,,dagen nog, ondervraagd over den doop van Joannes, over
,,den Messias, den Zoon en tevens den Heer van David, over
„den bouwsteen, die door de bouwlieden is verworpen maar
„tot hoeksteen was bestemd en ook geworden is? Op al die
„vragen hebt gij het antwoord willen schuldig blijven om geen
„antwoord te moeten geven, dat uw ongeloof beschaamde. Ook
„zult gij Mij, wat Ik ook zeggen ot vragen zou, niet loslaten,
„want gij zoekt niets anders dan Mij te dooden. Doch al zijt
„gij daarom niet waardig om de waarheid te hooren, welke
„gij niet zoekt, al verdient gij niet, dat Ik die groote waarheid
„voor u belijd, toch wil Ik daarvan voor u en voor alleeeuwen
2f.
-ocr page 412-
4ii:.\'
Ili:i\' M.IIIKN I.N STERVEN VAN
„getuigenis afleggen, opdat liet blijke, dat geene vrees zelfs niet
„voor den dood, welke Mij wacht, Mij kan terughouden van
„de belijdenis eener waarheid, welke Ik moet verkondigen.
„Weet dan en neemt het wel ter harte: van nu aan zal de
,,/oon des menschen,
dien gij hier als uw veroordeelde en in
een staat van diepe vernedering voor u ziet staan, gezeten zijn
„ter rechterzijde der kracht Gods."
Veel beteekenend en vreesverwekkend antwoord! De aange-
klaagde daagt zijne rechters om hunne hardnekkige verblind-
ding voor zijn rechterstoel; Hij houdt hun voor oogen, dat
egenover vrijwillig ongeloovigen elke leering, tegenover ver-
stokte zondaars alle pogingen om hen op den rechten weg te-
rug te brengen, vergeefsch zijn; Hij laat Zich veroordeelen,
maar kondigt Zich tevens aan als den Wreker van alle onrecht.
Waardig ook was dat antwoord, getuigende van goddelijke
Majesteit niet minder dan van bovenmenschelijken moed ; het
moest die snoode rechters doen sidderen van angst. Zij hooi-
den het en begrepen den zin er van; maar de stem van hun
schuldig geweten smorende en den schijn aannemende, alsof zij
het nog duidelijker wilden hebben uitgedrukt, zeiden zij nu allen;
Lüc. XXII,7o. zijt Gij dan de Zoon Gods? En Jezus zeide: gij zegt het; want
Ik ben het.
Hunne vraag is beantwoord zoo duidelijk mogelijk;
zij zullen Tesus nu van godslastering opnieuw kunnen beschuP
digen en Hem andermaal ter dood veroordeelen. Meer wen-
schen zij niet; zij kunnen nu aan hunnen helschen haat bot
vieren. Nauwelijks hebben zij dan ook Jesus\' woorden verno-
men, of zij schreeuwen het uit: wat behoeven wij nog getuigen
tegen Hem van eene of andere misdaad? Want wij zelven heb-
ben" het uit zijnen mond gehoord,
dat Hij Zich voor den
MAT.XXVI.65 yMon Gods uitgeeft. Kn evenals voor eenige uren in den
-ocr page 413-
4113
ONZEN mui JKSU8 ( hkintis.
nacht, zullen zij ook nu met eene duivelsche vreugde uitgeroe-
pen hebben: Hij heeft God gelasterd: Hij is des doods schuldig.
Priesters, Ouderlingen en Schriftgeleerden, al die drie voor-
naamste standen van het joodsche volk, waren met geheel
hunne ziel vijandig tegen Jesus, die niet in den luister der
koninklijke waardigheid opgetreden was, die daarenboven de
aanmatigingen der Priesters en de aardschgezinde verwachtingen
der Oversten van het volk en de kleingeestige xtterzifterijen
der Schriftgeleerden met zoo veel kracht bestreden en te
schande gemaakt had. Zulk een Messias wilden zij niet en
vroegen Hem dan ook slechts, of Hij de Christus was, om
in zijn bevestigend antwoord eene reden te vinden voor zijne
veroordeeling. Aldus bestierde het God, dat zelfs de vinnigste vij-
anden des Zaligmakers tot de bekentenis gedrongen werden,
dat Jesus\' waardigheid als Messias, als Verlosser des mensche-
lijken geslachts, de éénige reden van zijne veroordeeling was,
maar ook, dat zij zelven het vonnis onderschreven, waardoor
zij als volk Gods verworpen werden.
Zij leulden Jesus, na Hem opnieuw gebonden te hebben, weg M.utc. XV, 2.
en leverden Hem over aan Pilatus, den romeinschen Landvoogd.
Hoe gaarne zouden wij, even belangstellend als Petrus om
te weten wat met den Zaligmaker gebeuren zal, Hem aanstonds
naar Pilatus volgen. Doch een ander onderwerp, akelig en ver-
schrikkelijk, vergt nog eerst onze aandacht. De ongelukkige Judas,
de verrader van Jesus, zwerft rond door de straten van Jeru-
salem met den duivel in zijne ziel en de wanhoop in zijn hart.
Wij hebben hem uit het oog verloren bij het paleis van Annas
-ocr page 414-
404
HET LIJDEN KN\' STERVEN VAN\'
en ontmoeten hem nog eens, maar helaas! nu voor de laatste
maal, in den vroegen morgen bij den tempel des Heeren.
Waar hij in die lange uren van den nacht geweest is, wat
hij gedaan heeft, weten wij niet en geen enkel woord van
het FA-angelie wettigt eene of andere gissing. Alleen dit is ze-
ker, dat hij zijn bloed-geld ontvangen heeft, maar ook dat het
hem als vuur in de handen brandt. Vreeselijk moet het ziele-
lijden van den rampzalige geweest zijn. Elk uur, elk oogen-
1,\'lik had hem de afschuwelijkheid van zijne misdaad beter doen
inzien en tevens de wroeging van zijn geweten vermeerderd.
Het blijkt niet, dat Judas zulk een noodlottigen afloop van zijn
verraad, als Jesus\' ter dood-veroordeeling was, verwacht had ;
minstens had hij zich zelven trachten te overtuigen, dat zijne
lage daad niet zulk eene treurige uitkomst zoude hebben en dat
de haat van Jesus\' vijanden zich met eene of andere bestraffing
zou tevreden stellen. Maar zoodra hij vernomen had, dat de
llooge raad den Zaligmaker eerst in den nacht ter dood ver-
oordeeld en in den morgen het vonnis bekrachtigd had, toen
hij met eigen oogen zag, dat Jesus, als een ter dood veroor-
xx.vii,3. deelde, geboeid naar Pilatus gevoerd werd, kreeg hij berouw,
besefte het lage en het afschuwelijke van zijne misdaad,
werd onder de folterende wroeging over zijne snoode daad als
verpletterd en wenschte zijn verraad te kunnen herroepen.
Maar het berouw, dat vergiffenis doet verwerven en de verlo-
rene vriendschap van Jesus doet herwinnen, dat ontspruit uit
liefde tot God, die beleedigd is •— zulk een berouw kende het
verstokte hart van Judas niet. Het was niets meer dan spijt,
voortkomende uit gewetenswroeging, slechts eene bittere wrevel
tegen zich zelven, omdat de gevolgen van zijn snood verraad
erder reikten dan hij bedoeld had; niet over de boosheid
-ocr page 415-
ONZEN HEER JESUS CHB1STUS.                                            405
zijner misdaad, ook niet over de boosaardige oorzaak zijner
zonden, maar alleen over de rampzalige uitwerkselen van zijne
euveldaad had hij berouw. Met zulk een berouw had hij zich
nog kunnen verheugen, als Jesus b. v. slechts gegeeseld ware.
„Zijn berouw" — zegt een godvruchtig schrijver—•„was als dat
„van iemand, die vrijwillig een ander gevaarlijk wondt, maar spijt
„gevoelt, wanneer deze aan de ontvangene wonden bezwijkt."
Daarenboven nam de duivel, die reeds in hem gevaren was, al
meer en meer bezit van zijne ziel; en terwijl hij, vóór het plegen
der misdaad, deze als minder snood aan Judas had voorgesteld,
liet hij ze hem, nu zij volbracht was, in al hare afzichtelijke
boosheid zien, ontneemt hem bovendien alle vertrouwen op
vergiffenis en stort in zijn hart de wanhoop der hel.
Was er dan ook voor dezen ongelukkige geen hoop meer? Ach !
had hij geweend evenals Petrus en zijne droefheid geklaagd aan de
heilige Moeder van Jesus, zij zou, hoe zwaar deze door hem mocht
beleedigd zijn, voor hem eene voorspraak geweest zijn om
de genade van een oprecht berouw te verkrijgen, zij had hem
vertrouwen op de onuitputtelijke Liefde van haren goddelijker!
Zoon ingeboezemd, zij had hem moed ingesproken en hem herin-
nerd, dat hij nooit eenigen zondaar, hoe zwaar die ook mis-
dreven had, door haren Jesus had zien afwijzen. Of hadde
hij slechts gebeden in de stilte zijns harten, dan zou ook zijn smee-
ken voor den troon van Gods Barmhartigheid niet onverhoord
z:jn gebleven en de alvermogende genade had ook zijn geest
verlicht om te erkennen, dat hij de goddelijke Liefde in Jesus
had gehoond, en zijn hart vermurwd om door een voor
God geldig leedwezen, door een berouw, dat hij zich vergrepen
had tegen de oneindige Goedheid des Meeren, vergiffenis te
verwerven.
-ocr page 416-
406
HET LIJDEN EN STERVEN VAN
Maar niet dien waren weg der bekeering sloeg Judas in.
Niet tot God, niet tot de liefderijke Moeder van Jesus wendde hij
zich; naar Jesus\' vijanden, naar hen, die hem in het ongeluk ge-
stort hadden, begaf hij zich. Naar de Opperpriesters, naar de Ou-
derlingen, allen leden van het Sanhedrin, spoedt hij heen, terwijl zij
of zich nog in het huis van Caiphas bevonden, of reeds op weg
Mat.xxvii.4 naar Pilatus of in den tempel waren, en bracht hun de dertig zil-
verlingen en 7uier/> ze weg in den tempel.
Om eenigszins zijne mis-
daad goed te maken, wilde hij den koopprijs van zijn verraad
teruggeven; want — zoo mogen wij ons zijnen gedachtengang
voorstellen — verbrak hij het eens aangegane verdrag en gaf
hij de reeds ontvangene geldsom terug, dan zou hij niet schul-
dig zijn aan hetgeen verder nog over den Zaligmaker komen
kon. Bij dit herstellen van zijne ongerechtigheid voegde hij nog
eene in zijn mond allergewichtigste bekentenis van Jesus\' vlek-
kelooze onschuld en van zijne afschuwelijke misdaad: „Ik heb
gezondigd
—• riep hij hun in zijne wanhoop toe •—door recht-
„vaardig bloed over te leveren"
met andere woorden: ,,ik mag
„dat geld, door een schandelijk verraad verdiend, niet behou-
„den: ik wil om wille van dat geld niet verantwoordelijk we-
„zen voor al hetgeen die menseh, in wien geene schuld is,
„lijden zal, noch u eenige reden ter verontschuldiging van uwe
„boosheid overlaten, zóódat gij zoudt kunnen zeggen: een
„van zijne leerlingen, die Jesus van Nazareth goed kende, heeft
„Hem aan ons overgeleverd. Want verneemt dit van mij: ik,
„die zijn leerling geweest ben en drie volle jaren met Hem
„verkeerd heb, ik getuig het voor ü allen: Hij is een Recht-
„vaardige en een Heilige. Het is waar: door mij werd Hij
„voor geld aan u verraden en overgeleverd; maar dat was
„mijne misdaad, welke ik nu erken en voor u belijd en ten
-ocr page 417-
107
ONZEN" HEER JESIS CHRISTUS.
„bewijze van de waarheid mijner woorden — het sterkste bewijs
„hetwelk ik geven kan, die altijd aan het geld gehecht was —
„ik verzaak aan dat schandelijk verdrag; ik wil die zilverlin-
„gen niet langer behouden; daar, neemt gij uw geld terug."
Wij zouden bij het zien, hoe hij het bloed-geld haat, bij het
hooren, hoe hij zijne schuld belijdt en Jesus\' onschuld betuigt,
waarlijk beginnen te hopen, dat hij den éénig goeden weg ter
bekeering is ingeslagen. En inderdaad : nog ééne traan van
berouw, nog ééne bede om vergiftenis en ook Judas ware gered.
Maar neen : hij heeft alle vertrouwen verloren en de akelige
wanhoop der hel overmeestert hem. Een weerga van den ramp-
zaligen Apostel vinden wij in den goddeloozen Antiocliiis, van
wien, in weerwil van zijn spijt over de uit den tempel tejeru-
salem geroofde schatten, in weerwil van zijne belijdenissen en
van zijne voornemens, welke ondraaglijke pijnen hem afpersten,
gezegd is: ook deze booswicht bad tot den Heer, van wien hij a Mach.IX,13
toch geene Barmhartigheid verkrijgen kon, dat wil zeggen : niet
kon verkrijgen met die gemoedsgesteldheid, welke niet uit een
vermorzeld, God minnend hart voortkwam: ook een weerga in
die biechtelingen, welke hunne zonden betreuren slechts om
natuurlijke redenen of uit slaafsche vregp en welke, zonder een
oprecht terugkeeren tot God, meenen te kunnen volstaan met
eene oppervlakkige belijdenis en het bidden der opgelegde boete.
Wie zou ook niet verwacht hebben, dat Judas\' tweevoudige
belijdenis eenigen invloed op het gemoed van die Oversten der
Joden had uitgeoefend? Wel was hij diep gevallen, een bedor-
ven mensch geworden; maar hij was toch ook een van hunne
gedweOe handlangers geweest, die zich aan hunnen dienst had
verkocht ten nadeele van Jesus, en nu ook diende gehoord te
worden in zijne verdediging ten gunste van Jesiis. Wie zou
-ocr page 418-
408
HET LIJDEN EN STEK VEN VAN
ook niet verwacht hebben, dat die Joden hem minstens eenige
troostwoorden hadden toegevoegd? Maar neen : die onmenschen,
door hunnen ingekankerden haat voor alle menschelijk gevoel
ontoegankelijk geworden, te verblijd dat zij eindelijk het sinds
lang beoogde doel bereikten, hebben voor hem niets over dan
diepe verachting en wijzen hem met bittere spotternij af, zeg-
Mat.xxvh 5. gende: „wat gaat ons dat aan ; zoo gij gezondigd hebt, dat is
„uwe, niet onze zaak; gij moogt toezien, hoe gij dat goed
„maakt; wij voor ons hebben verkregen, wat wij zochten; wij
„hebben ons doel getroffen door uwe bemiddeling; gij zelf zult
„uwe verantwoording dragen voor het deel, hetwelk gij hebt
„in den dood van Hem, Wien gij nu onschuldig genoemd, maar
„wij ter dood veroordeeld hebben.*\'
Welke priesters, welk antwoord! Zij, die booswichten, geven
toe, dat hij gezondigd heeft, dat hij onschuldig bloed overleverde;
en tegelijk beweren zij, dat het zijne schuld alleen, niet ook de
hunne is! Zoo het misdadig was Jesus te verraden, niet minder
schuldig waren zij, die dat verraad voor geld gekocht hadden;
zoo Judas zijnen goddelijken Meester schandelijk verkocht, zij
waren even misdadig, die de verachtelijke voordeden er van
genoten; zoo de euveldaad, welke Judas tot wanhoop bracht,
geene andere was dan dat hij Jesus in de handen van diens
vijanden had overgeleverd, zij veroordeelden hunnen Messias
ter dood en willen Hem aan het kruis slaan. En desniettemin
durfden zij, toen Judas de overeenkomst verbrak en den prijs
daarvan hun wenschte terug te geven, zich daaraan houden en
tegelijk alle schuld van zich afwerpen.
En welk een wreedaardig antwoord! Judas zocht troost bij
hen en vroeg om hulp, en zij zien hem met verachting aan;
hij was hun medehelper geweest en uu verstouten zij hem; zij
-ocr page 419-
ONZEN HEKR JESt\'S CHKISTl\'S.                                            409
zien den ongelukkige ten prooi aan de vreeselijkste zielsfolte-
ring, maar daarover bekommeren zij zich niet; zij hebben hem
immers betaald; wat kan hij meer vorderen? Eén hartelijk,
één deelnemend woord had hem misschien van de vertwij-
feling der wanhoop teruggehouden en belet om de hand aan
zijn eigen leven te slaan, maar hun ijskoud antwoord \\erplet-
tert hem Nog een oogenblik zal hij hen met verwilderde
blikken hebben aangestaard; hunne minachting, hun grijnslach
verbittert hem nog meer; hij vervloekt hen in zijn hart en
werpt de geldstukken in den tempel.
En hij vertrok — laat de Evangelist er op volgen — uit
den tempel en zwierf eenigen tijd in de straten van Jerusaleni
rond, alleen, door allen verstooten, zonder hoop op God.
Welke pijnigende gedachten zullen zich van hem meester gemaakt,
welke kwellende herinneringen zich aan hem opgedrongen heb-
ben! naar, in dat huis had hij met Jesus aan tafel aangelegen
en zijne laatste vermaningen aangehoord; daar in die straat
had hij aan Jesus\' zijde gewandeld en de bewijzen van eerbied
en van liefde gezien, waarmede zoo velen zijnen Meester om-
ringden. Wie hij ontmoette, vreesde hij, want in hunne blik-
ken vol verachting las hij het woord „verrader"; zijne door angst
en wroeging verwrongene trekken maakten hem tot een voor-
werp van afschuw voor wie hem zagen; hij zoekt de eenzaam*
heid en zij drukt hem loodzwaar op het hart: gaarne zou hij
zijn bedrukt gemoed in het hart van een vertrouwden vriend
hebben uitgestort en het scheen hem, dat allen hem ontvluchtten:
zonder te weten waar hij liep, met de haren ten berge gere/en,
met het kille angstzweet op het gelaat, waggelende op zijne
voeten, van vertwijfeling zijne handen wringende, ziet hij zich
eensklaps geplaatst voor de zaal van het laatste Avondmaal.
-ocr page 420-
110
HU I.MDF.N Kü STEEVEN VAN\'
Andere herinneringen worden wederom in hem wakker! Daar
heeft Jesus hem, den onwaardige, niet uitgesloten van de hoog-
ste liefde-bewijzen, zelfs niet van de deelname aan zijn heilig
Lichaam en Bloed; daar ook zijn gepleegd verraad geopen-
baard, hem nog gesmeekt om terug te keeren, gedreigd met de
zwaarste straffen; hij hoort opnieuw het verschrikkelijk woord:
MAT.XXVl.24 „ Wee den mensch, door wien de Zoon des menschen zal overge-
„levcrd \'worden ; het ware hem heter, zoo hij niet geboren roare."
en hij kon het niet uithouden; hij zou voor altijd dat alles
vergeten, zich zelven vernietigen willen; maar dit is hem niet
gegeven. Voort weer, altijd voort; waarheen weet hij niet;
eene angstige gejaagdheid laat hem geene rust; hij doolt weer
verder en — daar hoort hij rumoer en geschreeuw — onwib
lekeurig richt hij daarheen zijne schreden; hij staat voor het
paleis van Pilatus en — ziet Jesus, dien hij verried, geboeid
en ter dood veroordeeld. Het is eene genade, welke God hem
nog geeft. Wat zal hij doen? Door die woeste menigte heen-
dringen, zich aan Jesus\' voeten neerwerpen en uitroepen: „ver-
„giffenis mijn Jesus! genade en erbarming met een diepgevaU
„len zondaar! „Maar" — geeft de duivel hem in — „Hij zal
„u niet aanhooren, u van Zich verstooten, en gij zult ten spot
„zijn van al die omstanders.*\' En Judas? „Het is waar" —zoo
lastert hij -- „mijne zonde is te groot dan dat ik vergiftenis
„verdien; Jesus zelf heeft het wee over mij uitgesproken; voor
„mij geene zaligheid, geen hemel meer," Door den duivel voort-
gedreven ijlt hij heen en, uit gewoonte, slaat hij den weg in
naar tJethsemane. Nieuwe herinneringen martelen hier zijne
gefolterde ziel. Daar hoorde hij: „Judas verraadt gij Mij met
„een kus? Vriend! waartoe zijt«ijgekomen?\'
Nog ziet hij.hoe de
vijanden van Jesus en ook hij zelf op het enkele woord: ,lk
-ocr page 421-
OXZKN HEEK JKSITS CHRISTUS.                                             411
„ben het, Wien gij zoekt" door eene goddelijke macht verplet-
terd op den grond nedervielen. En dien Jesus heeft hij ver-
raden, ter dood geleverd! Het leven wordt hem een last; de
dood alleen, meent hij dwaselijk, kan een einde maken aan de
marteling, welke hem foltert. Waarom het leven nog bemind,
dat hem geen • erademing schenken kan, en de dood niet ge-
zocht, welke alles zou doen eindigen? Die gedachte aan zelf-
moord — satan weet ze als eene uitkomst hem voor te stellen
— en Judas denkt nog een oogenblik na; geen ander middel,
meent hij, blijft hem over om aan de foltering van zijn spijt
en wroeging te ontkomen ; hij slaat een touw om een tak van
een vijgeboom — eenigen meenen, dat het de vijgeboom was,
welken Jems kort te voren gevloekt had — hij steekt zijn
hoofd door den strik en verhangt zich, en toen hij zich ver- Hani.. I, 18.
hangen had, is hij doormidden gebarsten, nadat zijn lichaam,
waarschijnlijk door het breken van den strop, voorover gevallen
was, en zijn zijne ingewanden uitgestort.
Ongelukkige Judas! Verdiend hadt gij de grootste straffen en
zij zijn over u gekomen tot straf voor uwe misdaden, en om-
dat het voor elk ander onmogelijk was u naar verdiensten voor
uwe misdaden te doen boeten, daarom zijt gij uw eigen rechter en
uw eigen beul geworden. Verafschuwd door Engelen en door
menschen, hebt gij niet gewild, dat de aarde uw lichaam en
de hemel uwe ziel zou bezitten, en koost gij voor verblijfplaats
de lucht, waar de duivelen wonen, die zich van u meester
maakten en, volgens de voorspelling van den Profeet, a/s rij-
anden zich aan uwe rechterhand plaatsten.
                                   ps. CVHI.,6»,
O, Judas! slechtste van alle menschen! gij hebt bij al uwe
-ocr page 422-
112
HKT LIJDEN F.X STKRVEX VA*
andere misdaden nog eene grootere gevoegd; gij hebt ge\\van-
hoopt aan Gods Barmhartigheid en die boosheid overtreft nog
ver al uwe andere zonden. Ach! Waarom riept gij, in die uren
van wanhoop, niet den tijd in uw geheugen terug, toen gij met
Jesus omwandeldet en met eigen oogen mocht aanschouwen,
hoe die goede Herder der zielen het verloren schaap opzocht
en alle zondaars met Liefde ontving? Al waren uwe zonden
onder alle opzichten buitenmate groot en afschuwelijk, gij
moest u herinnerd hebben, dat dezelfde Jesus, ofschoon uw
hart en uwe plannen kennende, u de voeten wiesch en u zijn
goddelijk lichaam en Bloed tot spijs en drank reikte, hetwelk
Hij ook voor u offeren <ou; dat op hetzelfde oogenblik, waarop
gij Hem verriedt, Hij u nog tot zijne vriendschap uituoodigde
en nog zijn vriend noemde. Gij hadt kunnen, gij hult moeten
vertrouwen, maar gij hebt niet gewild.
O, gij rampzaligste van alle menschen! Durfdet gij niet tot
Jesus u wenden, waarom u niet in de armen geworpen van de
modelijdenste aller moeders? Maria zou u bij de hand naar
Jesus geleid hebben om voor u vergiffenis af te bidden, a\'s
Hij verrezen was, of toen Hij nog hing nan het Kruis, om ook
voor u te lijden en te sterven. Zij zou ook voor u eene alles
vermogende middelares geweest zijn. Ach! hadt gij slechts ge-
hoopt! Toen Jesus bad voor zijne vijanden, zou Hij ook voor
u den hemelschen Vader gesmeekt en de vergeving verworven
hebben. Ongelukkige verblinde! Gij liet u door den duivel
verleiden tot zonde niet alleen, ook tot wanhoop en vergat de
oneindige Goedheid; door uw eigen geweten aangeklaagd en
veroordeeld, hebl gij u zelven, omdat gij niet wildet vertrou-
wen, in een eeuwig ongeluk neergestort!
Judas is heen gedaan naar zijne plaats — zeide deh. Petrus
-ocr page 423-
(1NZKN IfKKK JESUS CHRI8TI\'».                                             418
— naar de plaats der verdoemden, welke hij door eigen schuld Hani.. I, 25.
tot zijne plaats gemaakt had. „Hij heeft\'* — merkt de h. Paus
Leo aan — „zijne misdaad tegen het Hoofd aller Heiligen op
„zijn eigen hoofd doen nedervallen. Kerst vonnist hij zich
„zelven en wordt dan de onzalige voltrekker van zijn eigen
„straf. Zelf werpt hij zich in den tijdelijken en eeuwigen dood;
„hij vergrijpt zich aan het tijdelijke leven van Hem, die het
„eeuwig leven is, en hij schiet het tijdelijke en het eeuwige
„leven er bij in. De zonde is haar eigen rechter en beul ge-
„worden." Dit oordeel vellen alle heilige Vaders over het ramp-
zalig uiteinde van den verrader. Slechts twee Kerkleeraars meenen,
dat hij misschien nog in de laatste oogenblikken van zijn zondig
leven door een oprecht berouw genade heeft gevonden bij
den rechtvaardigen God. Zeker, bij God is niets onmogelijk;
een oogenblik is genoegzaam om den grootsten booswicht de
verlorene vriendschap met God te doen herwinnen. O, mocht
de ongelukkige Judas dat zalig oogenblik gekend hebben ! De
oneindige Liefde van Jesus luidde gezegevierd over een verstokt
gemoed, en de hel telde een verdoemde minder.
Wat ons aangaat, het oordeel aan God overlatende, die in alles
rechtvaardig oordeelt, willen wij uit Judas\' waarschijnlijk ramp-
zalig einde leeren, waartoe de mensch vervallen kan, die zich
aan de misdaad overgeeft.
Ook voor hem was een troon bestemd en het rechtersambt
weggelegd: Ik beschik u — had Jesus tot de twaalf gezegd — Luc.XXII.
dat gij in mijn Rijk eet en drinkt aan mijne tafel, en op tro-
nen zit, oordeelende de twaalf stammen IsraCls.
Wat heeft hem
van die tafel geweerd en van dien troon gestooten en uit het
rijk verbannen, hem van de hoop op eeuwige goederen be-
roofd? Niets anders dan de begeerlijkheid, welke eene wot• x Tm, VI, 10.
-ocr page 424-
m
H1ST LIJDKN KV STKRVKN VAX
tel is van alle kwaad. Hij wilde rijk worden aan geld
en werd arm aan genade en verloor daardoor het recht
op de eeuwige glorie. De geldzucht vlechtte een strik voor
zijne voeten, waarin hij zich verwarde, maar ook een koord
voor zijn hals, waarmede hij zich verhing. Uit zijne heb-
zucht ontsproot zijn verraad, door zijn verraad kwam hij
tot wanhoop, zijne wanhoop wierp hem waarschijnlijk in de hel.
Doch, is hij een verworpeling geworden, zijn eigen verderf was
hij zelf, niet het oordeel van Jesus, die gekomen was om allen
zalig te maken. Een woord; „red mij, goede Jesus!" en ook
Lic. Vil, 50. hij zoude gehoord hebben: uw geloof heeft u behouden; ga in
vrede.
Maar nu: welk eene beschaming zal zijn gelaat be-
dekken, als hij zijne vorige mede-Apostelen als rechters zal
zien zitten over alle volkeren der aarde, als hij Matthias on-
der hun getal zal opmerken, de plaats innemende en de waar-
digheid van het Apostelaat bekleedende, waarvan hij is afge-
weken! Welk een ongeluk op dienzelfden dag in de hel neer
te dalen, waarop de Zaligmaker der wereld het werk der Ver-
lossing volbracht en stierf voor de zaligheid van alle menschen!
Mocht ook Judas op dien dag erkend hebben, wat hem tot vrede
was! Maar de wanhoop maakte de maat zijner boosheid vol.
— De grootste beleediging, welke God aangedaan kan worden,
is deze: wanhopen aan Gods Barmhartigheid. Wie aan die
misdaad zich plichtig maakt, loochent God, omdat hij door
zijne vertwijfeling beweert meer zonden te kunnen bedrijven
dan God kan of wil vergeven, en alzoo ontkent hij, dat God on-
eindig is in zijne Volmaaktheden. Doch waarom zou een zondaar
ooit aan de wanhoop zich overgeven? Zou Jesus dan den eeuwigen
ondergang van een zondaar willen, voor wien Hij gestorven is?
Hij verbiedt een ieder te twijfelen aan zijne Liefde, en Hij gebiedt
-ocr page 425-
ONZEN HFKR JK.SI S CHRISTUS.
iin
aan ieder te blijven hopen; en zal Hij, die wil, dat wij ver-
giffenis afbidden, ze weigeren aan hen, die ze,afsmeeken? Jesus
leed en stierf, opdat allen zalig kunnen worden; en na zijn
sterven zou Hij een zondaar verstooten, die vergeving vraagt
om wille van zijne oneindige verdiensten? O, neen, duizend-
maal neen: Jesus houdt niet op oneindig goed te zijn, omdat
de mensch diep in de boosheid is gezonken; des menschen
misdaden kunnen niet zoo afschuwelijk zijn als Jesus\' Goedheid
groot is; de schuld des zondaars kan zeer zwaar wezen, maar de
verdiensten van Jesus zijn oneindig. Mochten wij allen, wanneer
de satan ons door de voorstelling onzer zonden het vertrouwen
wil ontnemen,1 toch altijd bedenken, dat Jesus voor allen de
vergiffenis van alle zonden verdiend heeft, en dat wij, met be-
rouw tot God terugkeerende, in Hem een liefdevollen Vader
vinden, die ons aan zijn hart drukken en aan ons den kus des vre-
des geven zal. Al hebben wij ook zwaar gezondigd, Hij is en
blijft de Barmhartigheid zelve, op Wien wij hopen moeten en
door Wien wij nimmer zullen beschaamd worden. —
De Oversten der Joden hadden geweigerd de hun door Judas
aangeboden zilverlingen aan te nemen; want zij wilden in
geenen deele het eens met hem gesloten verdrag verbreken en
daardoor zich berooven van de groote voordeden, welke het
hun schonk. Door ze in ontvangst te nemen, zouden zij zich
verplicht hebben om van alle vervolging tegen den Zaligmaker
af te zien en Hem de vrijheid te hergeven. Dit was in het
minste hunne bedoeling niet; integendeel waren zij vast beslo-
ten hunne goddelooze plannen ten einde toe ten uitvoer te
leggen en niet te rusten, vóórdat zij Jesus ter kruisdood
-ocr page 426-
-tl(i                                           ItKT M.ltlF.X KN STERVEN VAN
verwezen zagen. Al meende Judas gezondigd te hebben; zij
daarentegen wendden voor eene prijzenswaardige daad verricht
te hebben door het leven te koopen var Hem, Wien zij een
godslasteraar durfden noemen. Zij hadden dan ook — vol-
gens een waarschijnlijk gevoelen van geloofwaardige schrijvers
— het geld ter betaling van het allersnoodst verraad uit den
gewijden Tempelschat genomen, omdat het voor eene zaak
besteed werd, welke den Godsdienst betrof, omdat zij daar-
voor, veinsden zij, den dood kochten van Hem, dien zij als
een bedrieger en opruier des volks scholden.
Doch nauwelijks had de wanhopige Judas die geldstukken
met verachting in den tempel geworpen en zich verwijderd, of
hunne hebzucht kwam boven. De Opperpriesters raapten de
zilverlingen op en beraadslaagden wat er mede te doen. Het
Mat.XXVIi,6. U niet geoorloofd — zeiden zij tot elkander — die in de schat-
kist des tempels te werpen, omdat het een bloedprijs is. Die
valsche huichelaars! zij maakten er geene zonde uit een bloed-
pnjs uit te betalen aan een verrader, die zijn Meester had
verkocht, en het daarvoor benoodigde geld uit de heilige schat*
kist te nemen; maar nu het verraad gepleegd en het bloedgeld
hun met verachting door den rampzaligen verrader voor de
voeten was geworpen, nu mocht het niet in dezelfde schat-
kist teruggebracht worden. Zij, die kameelen hadden doorgeslikt,
vertoonen zich nu in de rol van angstvalligen en ziften muggen.
Maar, op welke wijze zou dan die som besteed worden ?
Spoedig was hun plan gemaakt De rijken onder de Joden
bezaten hunne familie-graven; de minder gegoeden werden
op eene algemeene, voor hen bestemde begraafplaats ter
aarde besteld ; maar jaarlijks stierven er te Jerusalem
vele vreemdelingen , vele niet-Joden of Heidenen , wier
-ocr page 427-
n;
ONZKN HEER JKSUS CHRISTUS.
Stoffelijk overblijfsel zij niet wilden bijzetten onder de lijken van
hunne geloofsgenooten. Zij kochten daarom voor die zilverlingen
van een pottenbakker een akker, die van geringe waarde was, deels
omdat al het leem, hetwelk voor een dergelijk bedrijf gebruikt kon
worden, er reeds uitgehaald was, deels omdat het stuk gronds lag
in het dal Hannam, dat voor de meest verafschuwde plaats bij [eru-
salem en voor eene afbeelding der hel gehouden werd. Judas, die in
de nabijheid van die gevloekte plaats zich opgehangen had, was de
eerste die er begraven werd. Hij verwierf a\\zoo een akker van het Hand. VI, 13.
loon zijner ongerechtigheid — het loon van zijn verraad, het loon
dat eene bedriegelijke wereld uitdeelt aan allen, die om hare
luimen zondigen.
— Het is vol van beteekenis en van diepen zin, dat voor den
prijs van Jesus\' Bloed eene rustplaats werd aangekocht voor de
Heidenen, die zouden geroepen worden tot de kennis der ivaa»
heid, als de Joden die versmaad hadden. Daarenboven ver-
vulden die joodsche Oversten, ofschoon onbewust, door het
aankoopen van dien akker, eene oude voorspelling van den
Profeet Zacharias, die van een Herder gewaagt, aan Wien de kinde-
ren Israels dertig zilverlingen uitbetaalden, opdat zij van Hem be-
vrijd zouden worden; en de Profeet wierp ze daarop, op bevel des
Heeren,den pottenbakker toe. Toen de h.Evangelist Mattheuszijn
Evangelie schreef, droeg die akker nog den naam van Hakeldama
d. i. van bloedakker en wordt heden ten dage nog aan de pelgrims
onder dien naam aangewezen. Het was bekend geworden, voor
welk geld hij was aangekocht en van de eerste tijden des Christen-
domsaf werd die herinnering aan de misdaad der joodsche Oversten
door een scheldnaam vereeuwigd, ofschoon zij hunne booze daad
achter den schijn van menschlievendheid trachtten te verbergen.
:-\'7
-ocr page 428-
Vierde Afdeeling
JESUS VOOR DE WERELDLIJKE RECHTERS.
Hoofdstuk I.
Jesus wordt naar Pilatus gevoerd.
„Zoodra het doodvonnis voor de tweede maal over Jesus
„door den Hoogen raad der Joden was uitgesproken, stonden
„alle raadsleden op en voerden Jesus geboeid naar den toen-
„maligen Landvoogd, Pontius Pilatus." Met deze korte, maar
beteekenisvolle bewoordingen schetst het Evangelie-verhaal ons
het begin van den eigenlijken lijdensweg van onzen Heer Jesus
Christus. Wij zullen achtereenvolgens de verschillende omstan-
digheden van dat bittere lijden ons zoo duidelijk mogelijk voor-
stellen en ook breedvoerig uiteenzetten. Dit is noodzakelijk
tot recht verstand van de volgende gebeurtenissen, dienstig ook
ter opwekking van ons medelijdend gevoel voor den lijden-
den Zaligmaker.
-ocr page 429-
HET M.mEN F.N STERVEN\' VAN ONZEN IUCKK .TtSlTS CHRISTUS             419
Nauwelijks was het doodvonnis herhaald, of Jesus werd op-
nieuw, en waarschijnlijk steviger nog dan vroeger geboeid met
touwen aan de handen en met een koord of keten om de
lenden en den hals. Het was namelijk bij de Joden eene gewoonte
om, wanneer iemand door de geestelijke macht aan den wereldlij-
ken arm werd uitgeleverd, hem stevig en met ketenen te binden
ten bewijze, dat hij geoordeeld en zijne zaak onderzocht,
dat hij om zijne misdaden ter dood veroordeeld was. Te eer-
der zullen de Joden dit gebruik tegenover Jesus gevolgd heb-
ben om Hem des te meer aan de algemeene verachting prijs
te geven en te heviger Hem te kunnen pijnigen.
Welk een treurig tafereel biedt ons dat nieuwe lijden te aan-
schouwen! Jesus, die twee dagen te voren nog predikte inden
tempel en door eene goddelijke Wijsheid al zijne listige onder-
vragers beschaamde; die zes dagen vroeger hetzelfde Jerusalem
zegevierend als de Messias was binnengetrokken onder het
vreugdegejuich van een met weldaden overladen maar ook
dankbaar volk en onder loftuigingen, waarvan die stad nooit
voorheen getuige was geweest; die drie jaren lang om zijn
heilig leven en goddelijke leer als een bij uitstek groot Profeet
werd vereerd en door de macht zijner wonderen duizenden
aan zijn Persoon had verbonden, diezelfde Jesus werd nu, als een
booswicht van de ergste soort gekneveld en omstuwd van ver-
achtelijke gevangen-bewaarders, door dienstknechten zonder
menschelijk gevoel langs de straten gesleurd. Het was reeds
volle morgen, zes uur op den dag. De geheele stad is op de
been; al de straten zijn vol van nieuwsgierigen; aan deuren
en aan vensters staan duizenden om een schouwspel te zien,
dat geheel nieuw voor hen is. Nooit was iemand, zoo wel be-
kend en zoo algemeen geacht, aan zulk eene diepe vernedering
-ocr page 430-
420                                           HET LIJDEN EN ITFJtVEN VAN
prijs gegeven. Dat de gevoelens des volk verdeeld waren, hebben
wij reeds vroeger opgemerkt; velen zullen zich dan ook over Jesus\'
lijden verheugd, velen ook daarover tranen van medelijdende
liefde gestort hebben. Onder de laatsten behoorde voor allen
de h. Moeder des Heeren. Zij was, wie kan er aan twijfelen,
Van alles onderricht, wat met haren goddelijken Zoon gebeurde.
Het was haar medegedeeld, hoe Jesus voor den Hoogen raad
gebracht en daar ter dood veroordeeld was; dat Hij nu door
het Sanhedrin aan de macht des Romeinschen Landvoogds werd
overgeleverd, opdat het vonnis zou voltrokken worden. Het hart
van die minnende Moeder werd door de bitterste droefheid
overstelpt bij de gedachte aan hetgeen haar Jesus leed. Zij
wilde echter getuige van zijn lijden, ook deelgenoot daarvan
wezen, al kon zij Hem in zijnen deerniswaardigen toestand niet
aanschouwen zonder dat de grievendste smart hare teedere ziel
verscheurde. Zij verliet dan voor eene wijl de plaats harer
afzondering en werd gevolgd door de h. Maria Magdalena en
andere vrouwen, ook door den h. Joannes, die zich bij haar aar.ge-
sloten had, terwijl de andere Apostelen waarschijnlijk door de stra-
ten der stad of over het veld rond doolden vol bezorgdheid om zich
niet als Jesus\' leerlingen bekend te maken, maar tevens met eene
belangstellende nieuwsgierigheid naar hetgeen hunnen Meester
zou overkomen. Doch de h. Maagd, wier hart altijd zoo innig
met dat van Jesus was vereenigd, kon het niet van zich ver-
krijgen om op verren afstand van Hem te blijven; zij wilde
hare tranen mengen met zijn zweet en bloed, met Hem zelven
lijden om door hare deelneming Hem te vertroosten en zijn
lijden door haar medelijden zoo veel mogelijk te verzachten.
Zij schaarde zich daarom onder de menigte op den weg, waar-
langs Jesus gesleurd werd, maar met zóó groote behoedzaam»
-ocr page 431-
131
ONZEN IIEFR JESUS CHRISTUS.
heid en zelfbeheersching, dat zij aan die woeste benden,
welke haar voorbij trokken, geene aanleiding gaf om haar
eenig beleedigend woord toe te voegen of haar op onbe-
tamelijke wijze te behandelen. Het verdient ook al onze
opmerking, dat Jesus gedurende al de uren van zijn lijden
de grootste zorg droeg voor de eer en voor den eerbied
aan zijne heilige Moeder verschuldigd; nergens vinden wij
vermeld, dat bij eene of andere omstandigheid iemand van
Jesus\' vinnigste haters zich aan hare waardigheid vergreep of
ook slechts door een enkel woord haar zelve griefde. Evenwel
volgde zij den lijdenden Jesus als op den voet en stond naast
Hem onder het Kruis, te midden van woestelingen en wreed -
aards, die alle menschelijk gevoel schenen te hebben uitge-
schuil. Zóó wilde het Jesus; de tongen en handen zijner vijan-
den, die Hem zelven beschimpen en mishandelen, breidelde
Hij door zijne Almacht, opdat geen enkele zijne beminde
Moeder zelve kon deren. Haar martelaarschap moest geheel
in haar hart geleden worden, waarin zij met de diepste nederig-
heid maar tegelijk met al den gloed van hare ongeeven-
aarde liefde aan den hemelschen Vader opofferde èn haren
goddel ijken Zoon èn met Jesus ook haar eigen leed en lijden.
Geheel verschillend was de gemoedsstemming van die ge-
rechtsdienaars en andere lage handlangers van den Hoogen
raad, welke den Zaligmaker of voortstuwden of voortsleepten
en door hunne wojste vreugde en luidruchtig geschreeuw ge-
noegzaam vertolkten, welk een vinnige haat tegen Jesus van
Nazareth in hunne bedorven ziel woedde. Wat die Over-
sten der Joden, welke den stoet openden, aangaat: uit hunne
minachtende gebaren, uit hunne spottende woorden, uit hunne
afzichtelijke tronies kunnen wij opmaken, hoe verblijd van
-ocr page 432-
U\'.<
HET M.IDEX EN STERVEN VAN
harte zij zijn, nu zij den gehaten Jesus naar een wissen dood
geleiden. Al die Opperpriesters, nog verbitterd, omdat Jesus hun
zoo dikwerf het masker der huichelarij heeft afgetrokken, al
die Schriftgeleerden, de kastijding der beschaming nog voelende,
evenals toen Jesus hunne dwalingen uit de heilige Schriften
wederlegde, al die Ouderlingen nog verontwaardigd, omdat
Jesus hunne menschelijke overleveringen verwierp door een
plechtig beroep op de geschrevene wet van God, ook omdat
Hij hunne aardschgezinde verwachtingen omtrent een Messias,
die als wereldsch vorst zou optreden, had te schande ge-
maakt — zij allen brandden van een onzalig verlangen om den
vrijmoedigen en toch nederigen Jesus te zien sterven. Die
ellendelingen kenden nu geen grooter genot dan Jesus op den
weg naar zijn dood zoo schandelijk mogelijk verguisd en ver
trapt te zier..
Hun haat werd ruimschoots voldaan. De weg, welken
Jesus gedwongen werd te volgen, was lang en moeilijk. Van
de hoogte af, waarop het paleis van Caiphas gelegen was, werd
Hij naar de beneden stad gevoerd om het rechthuis te b:-
reiken; straks zal Hij langs denzelfden weg naar het paleis
van Herodes geleid worden, om weldra door dezelfde straten
wederom teruggebracht te worden naar den rechterstoel van
Pilatus. Driemaal alzoo moet Jesus denzelfden weg maken
onder dezelfde pijnlijke en vernederende omstandigheden, ten
prooi aan de mishandelingen van het laagste gemeen. Of de
Oversten der Joden ook ruimschoots gelegenheid hadden om
zich te verzadigen in het aanschouwen van Jesus\' lijden, reeds
vóórdat Hij naar den Calv arie-berg ter kruisiging gesleurd
werd!
Nu wij de vijanden van Jesus kennen, moeten wij ook weten
-ocr page 433-
OXZE.M IIKER JESUS CHRISTUS.                                            423
wie Pontius Filatus was, voor wien wij weldra Jesus als een ter
dood veroordeelde zullen zien staan, want aan de Joden was
sinds hunne overheersching door de Romeinen het recht ont-
nomen om eenig doodvonnis ten uitvoer te brengen. Dit be-
rustte bij uitsluiting van alle anderen in handen van den ro-
meinschen Landvoogd, en Pilatus bekleedde, in den laatsten
tijd van jesus\' leven, die waardigheid over een aanzienlijk ge-
deelte van Palestina, Hij was van aanzienlijke geboorte, maar
wreed van inborst, hebzuchtig en wispelturig; hij was dan ook
bij de Joden /eer gehaat; alleen met Caiphas stond hij op
goeden voet, dewijl hij gedurende zijn tienjarig bestuur dezen
of minstens leden van diens familie bijna onafgebroken in de
waardigheid van Hoogepriester gehandhaafd had. Vele en
groote misdaden worden hem ten laste gelegd: de godsdiens-
tige gebruiken van het volk eerbiedigde hij, in strijd met het
uitdrukkelijk gebod des Keizers, al zeer weinig; het geld van den
tempel gebruikte hij voor vreemde doeleinden: als een bewijs van
zijne wreedheid halen wij alleen aan, dat hij vele Galileërs, terwijl
zij in den tempel offerden, wreedaardig had laten ombrengen.
Uit al die bijzonderheden kunnen wij opmaken, waarom Pila-
tus zoo bevreesd werd, toen de joodsche Oversten hem met
eene aanklacht bedreigden, als hij Jesus durfde loslaten. Welnu,
voor zulk een man werd onze Zaligmaker terecht gesteld, en wie
van het rechtsgevoel van dien Pilatus nog eenige goede ver-
wachting mocht koesteren, zal weldra door den treurigen loop
der gebeurtenissen beschaamd worden.
Omtrent het hoofddoel, waarmede de Oversten der Joden
den Zdigmiker aan Pilatus overleverden, kan, volgens onze mee-
ning, geen de minste twijfel bestaan. Pilatus moest het door
\'t Sanhedrin gevelde doodvonnis door zijn rechterlijk gezag be-
-ocr page 434-
424
HET LIJDEN EN STERVEN VAN
krachtigen en door zijne soldaten doen uitvoeren. Om hem
te eerder daartoe over te halen, wilden de Joden Jesus niet
door drie of vier leden slechts, als gevolmachtigden van den
geheelen raad, overleveren; al de raadsheeren moesten voor
Pilatus verschijnen om aan hunne aanvrage meerderen nadruk
te geven en op den rechter te grooteren invloed uit te oefe-
nen; de Landvoogd moest door het aanzienlijk aantal en door
de hooge waardigheid van de aanklagers bevreesd gemaakt wor-
den, opdat zij te gereeder hun oogmerk bereikten. Het was
hun dan ook hoogst welgevallig, toen zij zagen, dat eene groote
menigte volks zich bij den stoet aansloot: zóó werd den rech-
ter ontzag ingeboezemd, aan hunne volgende beschuldigingen
meer kracht bijgezet en tevens op bedekte wijze met oproer
gedreigd, als soms Pilatus weigeren mocht hunne onrechtvaar-
dige eischen in te willigen.
Om het gezegde doel —• het vurig verlangen van hunne
boosaardige ziel — te bereiken, zouden zij twee middelen in
\'t werk stellen. Kerst wilden zij nog beproeven om Jesus als
staatsmisdadiger, als schuldig aan overtreding van romeinsche
wetten te doen doorgaan; Pilatus moest dan wel, meenden zij,
als wreker van \'stands wetten en als handhaver van \'s Keizers
oppergezag optreden en zijn doodvonnis vellen, terwijl zij zel-
ven, als hij eens op den voorgrond geplaatst was, voor de ge-
vreesde vrienden van Jesus beveiligd zouden wezen. Hetgeheele
verloop van het volgend rechtsgeding toont dit allerduidelijkst
aan. Mocht evenwel dit plan niet gelukken, dan konden zij
altijd nog, als op een tweede middel ter veroordeeling van Jesus
door Pilatus, op hunne eigene wet zich beroepen, welke eiken
godslasteraar ter dood veroordeelde, en Jesus was, volgens hun
goddelooze meening, te recht als zoodanig door de hoogste
-ocr page 435-
42S
OXZfc.V IIKER JKSUS CHRISTUS.
rechtbank van het joodsche volk gebrandmerkt. Zoo dachten
zij van den gewenschten uitslag zeker te wezen. Slaagde de
eerste poging niet, zeker toch zou dé Landvoogd aan hunnen
tweeden dringenden eisch niet kunnen, niet durven weerstaan en
minstens den Zaligmaker aan hunnen haat overlaten, om met Hem
naar goedvinden te laten handelen. Of zij de stille hoop koes-
terden, dat Pilatus den Zaligmaker ter kruisdood zou veroor-
deelen, is niet moeielijk uit te maken. Wel geeft het Evangelie
niet de minste aanduiding voor dat gevoelen; ook houden
eenige Schriftuurverklaarders het voor onwaarschijnlijk; toch
komt het ons voor, dat al wie genoemde bedoelingen aan de
Joden toeschrijven, het veel gemakkelijker verklaren eerstens,
waarom in het geheele rechtsgeding voor den Landvoogd geen
enkele maal gerept wordt van de steeniging, welke door
de joodsche wet als straf bepaald stond op godslastering, waar-
voor Jesus ter dood was veroordeeld; ten tweede, waarom
Jesus\' vijanden straks Pilatus op zijne vraag: „wat moet ik met
den Koning der Joden doen" toeschreeuwden: kruisig, kruisig
Hem/
alzoo eene straf eischten, welke niet dan door de Ro-
meinen en wel voor de grootste misdaden alleen, vooral voor ma-
jesteit-schennis en opstand, waarvan ook de Joden den Zaligmaker
voor Pilatus in den beginne beschuldigden, werd toegepast.
— Liever dan ons in dergelijke ondergeschikte geschilpunten
te verdiepen, bewonderen wij ook hier de bijzondere leiding der
goddelijke Voorzienigheid. Huns ondanks moesten de Joden
door al hetgeen zij tegen den Zaligmaker beraamden en ook
in \'t werk stelden de plannen van God dienen Zonder het te
weten en te willen, bewerkten zij, dat de Profetie van Jesus in ver-
vulling ging; sij zullen Hem overleveren aan de Heidenen om Hem Matu.XX,*c.
te bespotten en te gceselen en te kruisigen, dat ook, toen zij door
-ocr page 436-
426             HET MJDKN\' EN SÏKRVKN VAX ONZEN IIKlIt JESUS CHRISTUS.
den geheelen raad, als vertegenwoordiger van het gansene volk,
den Zaligmaker aan de Romeinen overleverden, die vóoraf-
beelding van Jesus bewaarheid werd, welke van Hem in de
Exou.XiI.fi. opoffering van het Paasehlam gegeven was: deganschegemunte
van de kinderen Isralls zal het slachtofferen.
Bovendien zal
die profetie van Zacharias hare vervulling verkrijgen, welke
Z.-uii. XII, 6. luidde: zij zullen opzien tot Mij, Wien zij doorboord hebben.
Wal echter het aandeel der menschen betreft, hetwelk zij door
hunne boosheid in al dat lijden van den hun geschonken Mes*
sias zullen hebben, dat liet God toe voor zoo veel als het
Hem goeddunkte om zijne plannen te volvoeren. De Vader
had besloten, dat zijn eenige Zoon, mensen geworden, geen
anderen dood dan den kruisdood sterven zou, en de Joden
werden door eigen schuld daartoe de handlangers van Satan,
die nu op het Slachtoffer voor de zonden der wereld zijne hel-
sche macht kon uitoefenen, omdat de vergunning hem van
boven gegeven was. Ten slotte vinde nog deze opmerking
hare plaats. Jesus werd door den geheelen raad ter dood ver-
oordeeld ; van den Hoogepriester naar den Landvoogd gevoerd;
door de Joden aan de Heidenen overgeleverd; allen der-
halve spanden samen tot den dood van den Verlosser der we-
reld, die ook voor alie menschen sterven zou. Allen hadden
de ware vrijheid der kinderen Gods gehaat en waren van den
eenigen weg der waarheid afgeweken: maar Jesus zou door
zijn sterven voor allen de ware vrijheid verdienen en voor
hunnen geest een licht doen opgaan, dat allen, die in de scha-
duw des doods gezeten waren, beschijnen moest, opdat zij, uit
de duisternis dei dwaling en des bederfs verlost en tot kinde-
ren des lichts en der heerlijkheid Gods gemaakt, aan God een
oftcr zouden opdragen van lippen, welke zijn Naam belijden,—
-ocr page 437-
Hoofdstuk II.
Kerste verhoor van Jesus voor Pilatus.
Meestal hadden de romeinsehe Landvoogden over dat gedeelte
van Palestina, waartoe ook Jerusalem behoorde, hunne gewone
verblijfplaats te CaesarCa. Alleen bij hooge feesten sloegen zij
voor eenigen tijd hun zetel op te Jerusalem en lieten zich ver-
gezellen door eene aanzienlijke troepen-macht om te beter
de orde te kunnen handhaven en, des noods, elk begin van
oproer dadelijk te kunnen onderdrukken. Ter gelegenheid van
het Paasch-feest had ook Pilatus de gewoonte zijner voorgan-
gers gevolgd. Zijne krijgsknechten waren gelegerd in de burcht
Antonia, welke de ruimte van een paleis had. Op een rots
van ongeveer vijftig ellen hoog gelegen, was zij door onder-
aardsche gangen met den tempel verbonden; aan de vier
hoeken stonden vier torens, drie van 50 en een van 70 ellen
hoog; links en rechts liepen trappen naar beneden en boden
den soldaten eene geschikte gelegenheid om zich in de stad
te verspreiden ten einde het volk in bedwang te houden en
elk welslagen van eenig oproer te voorkomen. In of bij die
burcht moet ook het rechthuis, tevens tijdelijke woning van den
Landvoogd, geweest zijn; eene voorzaal en eene daaraan ver-
-ocr page 438-
IIKT LIJDEN EN STKRVt.N\' VAN\'
bondene binnenplaats van verschillende vertrekken en ook van
de gerechtszaal omringd, mogen wij voor de voornaamste af-
deelingen van dat gebouw houden; aan de voorzijde was eene
verheven met steenen belegde plaats — wij zouden ze „stoep"
noemen — aangebracht; daar stond de rechterstoel, waarop
de Landvoogd zich nederzette, zoo dikwijls als hij recht sprak,
minstens als hij een doodvonnis velde. Die verhevene plaats wordt
door den Evangelist meteen grieksch woord „Lithrostotos\'d.i. met
steenen geplaveid, ook „Gabbatha" d. i. „verhevenheid" genoemd.
Zoodra de Oversten der Joden met den geboeiden Jesus aan
het rechthuis gekomen waren, lieten zij Hem door degerechts-
dienaars naar binnen leiden, maar zij zelven bleven buiten staan,
om niet verontreinigd te worden. Het binnengaan namelijk
in de woning van een Heiden, gedurende de feestdagen van de
ongedeesemde brooden, scheen hun ongeoorloofd toe: hoe licht
zouden zij daar iets verbodens aantreffen en, zóó verontreinigd
tot aan den avond, verhinderd worden te eten van de vreugde-
offers, welke in den voormiddag opgedragen en dan genuttigd
wer len. Merke n wij hier al weder de huichelarij van die
schijn-vromen op: zij waren beducht voor eene mogelijke wet-
telijke verontreiniging; maar zij waren niet beangst om zich te
beladen met eene bloedschuld door den dood van een onschub
dige te eischen; zij waren er op badacht om zich het nuttigen
van de paaschoffers, welke slechts eene vóórafbeelding van
Christus waren, niet onwaardig te maken; maarzij schroomden
niet het ware Paaschlam ter dood te brengen. Misschien koes-
terden zij ook eene stille hoop, dat Pilatus daarom te spoedi-
ger hun eisch zou inwilligen, als h<j bemerkte, dat zulke vrome
en op het punt van godsdienst zoo bij uitnemendheid nauw-
gezette minnen eene veroordeeling van hem vroegen.
-ocr page 439-
UW
DNZI-N MKEK JKSUS CHRISTUS.
Hierin bedrogen zich die huichelaars, die weldra zei ven,
volgens het werk hunner handen, het kwade tot loon hunner zon -
den zouden ontvangen. Eene enkele inschikkelijkheid echter wilde
de Landvoogd, tegen zijne gewoonte in, hun betoonen door
aan hun godsdienstig bezwaar te gemoet te komen en hen niet
tot het binnentreden in zijn paleis te dwingen : hij kwam «(^JoAN.XVltl.ag
uit tot hen; maar verder ging zijne toegevendheid niet. Wij
mogen het voor zeker houden, dat hij eenigszins bekend
was geworden met hetgeen Jesus betrof; hij was immers
een vriend van Caiphas en zal wel uit diens mond iets van
de plannen der Joden vernomen hebben; ook waren van hem
eenige soldaten gevraagd om bij Jesus\' gevangenneming hulp te
verleenen. Wist hij ook toen reeds niet, dat de Joden Jesus
van Nazareth uit nijd hadden overgeleverd ? Waarschijnlijk zal
hij ook dadelijk na het binnenkomen des Zaligmakers eenige
woorden met Hem gewisseld hebben en, door diens kalme
en eerbiedwekkende waardigheid getroffen, ten zijnen gunste
gestemd geworden zijn. Altemaal redenen voor Pilatus om
niet aanstonds in het vonnis der Joden te berusten en zonder
een persoonlijk onderzoek daaraan zoo dadelijk maar gevolg te
geven. Neen — en hierin prijzen wij hem — naar recht en
plicht wil hij zelf onderzoeken en oordeelen, en zal misschien
nu tot Jesus\' vijanden hetzelfde gezegd hebben, wat later een
zijner opvolgers tot de vijanden van Paulus zeide: „de Ro- Ham>.XXVi6
„meinen zijn niet gewoon iemand te veroordeclcn, eer dat de
„beschuldigde zijne beschuldigers voor oogen hebbe en gelegenheid
„tot verantwoording krijge om zich van het aangetijgde te zui-
„veren.
Gij hebt dezen mensch, die naar allen schijn vrij van
„alle blaam en onschuldig is, voor mij gebracht; welke beschut J0AN.XVHl.29
„diging brengt gij tegen Hem in f\' In die vraag lag ®ok eene
-ocr page 440-
480
IIKT LIJDEN* T.S STERVEN VAN\'
uitdrukking van afkeuring over de mishandelingen, welke zij
den Zaligmaker hadden doen ondergaan en waarvan de rechter
de bloedige sporen vooral in Jesus\' aangezicht zag
Niet weinig waren de Joden over deze vraag van den romein-
schen landvoogd gebelgd; hunne waardigheid en hun aantal —
zoo waanden zij — moesten eiken twijfel onmogelijk maken aan
de schuld van Hem, dien zij, leden van den Hoogen raad, over-
leverden. Toch durfde Pilatus hen ter verantwoording op-
roepen en hen aldus zijdelings of van eene onredelijke vijande-
lijke gezindheid tegen Jesus of van eene laakbare vooringeno-
menheid met zich zelven beschuldigen. Dat was te veel voor
het trotsche gemoed en den nijdigen aard van die Joden. On-
XVlH.jo hebbelijk en verbolgen luidt dan ook hun antwoord: indien
deze geen boosdoener ware, zonden wij Hein aan u niet hebben
overgeleverd
\'/het is als wilden zij zeggen: „het moest om u te
„overtuigen, genoegzaam zijn dat wij, geleerde en rechtschapene
„mannen, zelfs priesters en de voornaamsten des volks, u de
„bekrachtiging van een met algemeene stemmen door ons ge-
„veld vonnis komen vragen. Welk eene onbeschaamdheid om van
„ons nog eene juist omschreven aanklacht te vorderen; ons woord,
„onze daden moeten luid genoeg tegen dien mensch getuigen."
Welke afschuwelijke leugenaars, welke valsche huichelaars!
Een voorgehangen masker van vroomheid moet de allersnoodste
beschuldiging van „boosdoener," tegen den Heilige der hei-
ligen ingebracht, goed maken! Jesus een boosdoener! Groote
God! hoe is het mogelijk, dat Gij niet den mond deedt ver-
stommen, die zulk eene godslastering tegen uwen Eeniggebo-
ren Zoon durfde uitbrengen? Zij allen mogen hier als getuigen
optreden, die door Jesus van den onreinen geest zijn verlost,
de zieken die door Hem genezen, de melaatschen die gerei-
-ocr page 441-
OXZKX HEER JESVS fHBISTIS.                                           431
nigd zijn; al de dooven die van Hem het gehoor, de
blinden die het gezicht, de dooden die van Hem het leven
herkregen. Wie Jesus als WeJiloeuer wil leeren kennen, hij
ondervrage den blindgeborene, en deze zal antwoorden, dat
hij ziende werd door dat de almachtige, goede Jesus zijne
oogen met een weinig speeksel bestreek — den sinds acht en
dertig jaren lamme, die door één enkel woord van Jesus het
volle gebruik van zijne ledematen herkreeg — de dochter van
den Overste der Synagoge, die door Jesus ten leven werd op-
gewekt in het bijzijn harer ouders en van drie Apostelen.
Zijn de getuigen van die wrondervolle weldaden nog te gering
in aantal — de geheele stad Naïm getuigt blijde van de opwek-
king van den jongeling der weduwe, bijna geheel Jerusalem
van de opstanding van Lazarus. Duizenden en duizenden
kunnen als ooggetuigen geroepen worden, dat Jesus hen, na hunne
zieken genezen te hebben, op wonderdadige wijze spijzigde in
de woestijn, eveneens de scharen, welke Hem ter eere jubelden:
„Hij heeft alles wel gedaan." Van den anderen kant: al die gezwo-
ren vijanden des Zaligmakers konden, hoewel zij den gansenen
nacht gezocht en valsche getuigen en ook leugens te baat geno.
men hadden, Hem van geene enkele misdaad overtuigen. Toch
hielden die booswichten, die Jesus zonder reden haatten en
goed met kwaad vergolden, het in hunne gehuichelde nauw-
gezetheid van geweten voor eene beleediging van hunne waar-
digheid, toen de rechter eene juist omschrevene beschuldiging
en bewijzen van schuld vroeg. Zonder het te willen, vervulden
zij aldus eene profetie, welke van den Messias gezegd was, en
legden derhalve zonder het te weten, eene schitterende getui-
genis af van de waarheid, dat Jesus de ware Messias was, toen
zij de volgende woorden waar maakten: zij sperren den mond va. XXI, 14.
-ocr page 442-
4.1:;                                             HET MJIIKX II STERYKX VA\\
oj> tegen Mij, als een verscheurende en brullende leemt1;.... de
CVIU, 2. wond des goddeloozen en de mond des arglisiigen is tegen Mij
geopend; zij spraken tegen Mij met cene valsclie long; s/j om-
ringden Mij met woorden des kaals en zonder reden bestreden
zij Mij.
Zoo is dan ook hier wederom de hand van God
zichthaar. Terwijl de boosheid liegt, viert de waarheid hare
zegepraal; huichelaars lasteren den goddelijken Zaligmaker,
maar door hunne lasteringen zelve verkondigen zij, dat Jesus
niemand anders is dan de Messias zelf, van Wien het voorzegd
was, dat Hij aldus gelasterd zou worden. Dikwijls zijn de vin-
nigste vijanden der waarheid — wij zien hier er een sprekend
voorbeeld van •— hare luid-sprekendste verkondigers. Daarom
ook hooren wij Jesus geen enkel woord ter zelfverdediging in-
brengen ; Hij kan die zorg aan zijne onverzoenlijke haters over-
laten; zij mogen met woorden Hem een boosdoener schelden;
inderdaad roepen zij Hem als den Messias uit.
Ook voor Pilatus was het duidelijk, dat hij te doen had
met menschen, die van hoogmoed opgeblazen en door drift
verblind waren. Hij gevoelde, dat andere, dieper liggende re-
denen, dan welke hem bekend waren, de Joden er toebrachten
om van hem, zoo eensklaps en nog zoo vroeg in den morgen
een vonnis te vergen tegen iemand, die minstens voor het
uiterlijke alle waarborgen gaf van eene onbevlekte onschuld,
van Wien hij nooit eenig kwaad vernomen had. Bovendien,
dacht hij er in de verte niet aan, dat het Sanhedrin de
bekrachtiging en de voltrekking van een doodvonnis van
hem verlangde; hij ging van de veronderstelling uit, dat het
hier, niet om eene halszaak, maar slechts om ondergeschikte
-ocr page 443-
4:l.">
ODZEN HEEK JESI\'S CIIRISTIS.
rechtszaken te doen was, welke voor de joodsche rechtbank
konden afgedaan worden, waarmede hij zich niet behoefde in
te laten en waarvan hij liever al de verantwoordelijkheid op
de Joden wilde schuiven. Hij gaf hun daarom dit eenigszins
ontwijkend en schuchter antwoord: neemt gij Hem en oordeelt J°\'-s\' XVUl.y.
Hem naar uwe wet.
Dit antwoord, ofschoon het zwak was en blijken gaf van een
vreesachtig gemoed en van een geheim verlangen getuigde
om buiten de zaak te blijven, noopte toch de Joden tot eene
duidelijkere verklaring van de geheimen huns harten; zij kon-
den nu niet langer verzwijgen, dat zij den dood van den
Zaligmaker wilden: ons — antwoordden zij — is het niet geoor-
loofd iemand ter dood te brengen,
als zeiden zij: „wij hebben
, Hem reeds ter dood veroordeeld, maar de macht om dat vonnis
„uit te voeren is ons ontnomen; wij brengen Hem daarom
,,voor uwen rechterstoel, ten einde gij ons vonnis zoudt bekraclv
„tigen en dan volgens de wetten van uw land voltrekken."
Treffend is de bemerking, welke de h. Joannes hierbij
maakt: dit alles geschiedde, zegt hij, opdat het woord van Jesus Joan.XViii,32.
vervuld wier de, dat Hij gesproken had, aanduidende welk een
dood Hij sterven zou.
En inderdaad, duidelijk was het voor-
zegd, welken dood de beloofde Messias zou ondergaan. Reeds
de oude profetieën hadden gesproken van het doorboren der
handen en voeten van den Messias, van zijne verheffing aan
een kruis, van het openen zijner zijde; Jesus zelf had bij her-
haling voorspeld, dat Hij aan de Heidenen overgeleverd en
aan het Kruis genageld zou worden. Deze soort van strafoe-
fening wenschten dan ook de Joden op Jesus toegepast te zien en
niet die der steeniging: een dood zoo gruwzaam en zoo ver-
nederend mogelijk moest het einde van den Zaligmaker wezen.
28
-ocr page 444-
434
HET LIJDEN EX STERVEN TAN
Uit dat antwoord der Joden ging voor Pilatus een nieuw licht
op; hij hoorde het in de duidelijkste bewoordiging uitgesproken,
dat zij niets minder beoogden dan Jesus\'ter </<w</-veroordeeling;
maar tevens begreep hij, dat hij, nu het eene halszaak betrof, zijne
rechterlijke tusschenkomst niet weigeren mocht en wel gedwon-
gen was die aangelegenheid voor zijn rechterstoel te behandelen.
Den Joden werd het uit de houding, welke Pilatus aange-
nomen had, al meer en meer klaarblijkelijk, dat een niet met rede-
nen omkleede eisch in geenen deele genoegzaam was om Pilatus
voor hunne oogmerken te winnen; dat zij beschuldigingen
Luc. XXIU, i. moesten voordragen om hun doel te bereiken. En zij begonnen
Jesus te beschuldigen zeggende: wij hebben bevonden, dat deze
ons volk verleidt en verbiedt schatting te betalen aan den Keizer
en zegt, dat Hij zelf Christus, de Koning, is.
Drie beschuldigingen, drie lasterlijke leugens! Ook die
booswichten zelven waren daarvan overtuigd ; maar als zij slechts
Jesus ter kruisdood konden brengen, waren ook de afschuwe-
lijkste middelen hun welkom. Of hadden zij ooit den Zalig-
maker verrast, terwijl Hij geheime vergaderingen hield en door
opruiende redevoeringen het volk opzette? Zijne leer verkon-
digde Hij ten aanhoore van allen, in den tempel en in de
Synagoge, waar het volk te zamen kwam; daar had Hij allen ver-
maand om te gehoorzamen aan hunne Oversten en Schriftge-
leerden, omdat dezen de plaats innamen en gezeten waren op
den stoel van Mozes; door de heiligste leeringen had Hij ten
allen tijde het volk tot het goede aangespoord; toen zij naar den
hof van Gethsemane optrokken, om Hem gevangen te nemen,
lag Jesus in een diep gebed verzonken; toen Caiphas Hem
over zijne leer ondervroeg, durfde Hij Zich beroepen op
allen, die Hem gehoord hadden. Wat de tweede beschuldiging
-ocr page 445-
4.1S
ONZKN IIKKR JF.SIS CilRISTIS
betrof — het was nog geen drie volle dagen geleden,
dat Jesus die huichelaars beschaamde en hunne strikvra-
gen ten schande maakte door te leeren: geeft den Keizer,
wat des Keizers is:
ook de heffers van de jaarlijksche tempel-
schatting konden getuigen, hoe nauwgezet Jesus in het betalen
daarvan was, dewijl Hij zelfs een wonder gedaan had om de
vier drachmen voor Zich en voor Petrus te betalen. De derde
beschuldiging, dat Jesus zich Christus, den koning, genoemd
had, vraagt al onze aandacht.
Toen het volk Jesus Koning wilde maken, vluchtte Hij naar
de bergen en ontweek daardoor aan den aandrang der scharen:
Hij toch schuwde elke aardsche grootheid. Evenwel was de be-
schuldiging — stellen wij dit voorop — waar, niet in den zin,
welken de Joden aan de benaming van Koning hechtten,
maar wel in de beteekenis, die wij door Jesus zelven daar-
aan straks voor Pilatus zullen hooren geven. De Joden
hadden — reeds meermalen moesten wij het opmerken —
een valsch begrip van het Messiasschap: zij verbonden
daaraan een aardsch koningschap. Volgens hunne dwaal -
begrippen moest de Messias een wereldsch vorst wezen en het
oude koninkrijk van Israël in zijn vorigen luister herstellen;
zelfs de leerlingen des Zaligmakers waren van die meening niet
vrij gebleven. Dewijl nu Jesus èn vroeger èn voor weinige uren
nog voor den Hoogen raad verklaard had de Messias te zijn, maak-
ten zij nu daaruit, geheel in strijd met Jesus\' duidelijke verklariiv
gen en tegen hunne eigene overtuiging, de valsche gevolg-
trekking, en droegen die als eene beschuldiging voor, alsof
Hij Zich voor een wereldsch Koning uitgaf, derhalve het volk van
den Keizer aftrok en een oproermaker was. Zoo schreven zij hunne
eigene en opzettelijk verkeerde opvatting den Zaligmaker toe;
-ocr page 446-
436
HET LIJDEN EN STERVEN VAN
zoo maakten zij van datgene, wat zij zelven hoopten, eene grief
tegen Jesus, ofschoon Hij bij elke gelegenheid deze dwaze meening
bestreden had; zoo bouwden zij eene akte van beschuldiging
oj) hetgeen zij verwachten en Jesus altijd had afgewezen. Ware
huichelaars en leugenaars! Dat Pilattis die beschuldiging in
Vollen ernst opnam, mogen wij hem niet euvel duiden: het
was zijn recht en zijn plicht. Zij raakte een teeder punt aan,
inzonderheid voor een romeinschen Landvoogd, die voor het
gezag des Keizers moest borg blijven; ware zij ook bewezen,
dan zou Jesus daarom reeds alleen schuldig aan hoog verraad
wezen en, volgens de romeinsche wetten, den kruisdood ver-
diend hebben; bovendien mocht die beschuldiging, vooral
onder de toch reeds licht tot oproer overslaande Joden,
en nu duizenden vreemdelingen in de stad opgehoopt wa-
ren, niet voorbij gezien worden. Deze opmerkingen stellen
ons in staat om de gedragslijn, welke Pilatus gaat volgen,
te begrijpen en, van zijn standpunt af beschouwd, te waardeeren.
De eerste aanklacht achtte hij de minste aandacht geheel en
al onwaardig: ware zij gegrond geweest, wie zou er eerder van
vernomen hebben dan hij, die door zijne spionnen van alles
onderricht werd, wat er in zijn gebied voorviel. De tweede
aanklacht kon voor Pilatus alleen in aanmerking komen, als de
derde beschuldiging bewezen was; immers had Jesus Zich als
wereldlijk koning opgeworpen, dan zou hij ook verboden
hebben aan den Keizer schatting te betalen; had Hij daaren
tegen Zich niet als koning uitgegeven, dan ware de vraag over de
wettigheid van die schatting een geschilpunt, hetwelk toch
reeds door de Joden in verschillenden zin werd besproken en
waarin een landvoogd zich niet behoefde te mengen, als slechts
het geld gestort werd. Pilatus hield zich dan, en om zeer
-ocr page 447-
\'
DMSIM IIJSER JISL\'S CIIKISTIS.                                             437
goede redenen, alleen met de derde beschuldiging bezig, maar
die behandelde hij ook met alle nauwgezetheid. De Joden
buiten latende staan, ging hij naar binnen en als rechter liet hij
Jesus, die intusschen binnen het rechthuis aan de bewa-
king der gerechtsdienaars was overgelaten, voor zijn rechterstoel
brengen. „Hij doet dit" — merkt de h. Chrysostomus aan
— „omdat hij een hoogen dunk van Jesus had en alles nauw-
„keurig wilde onderzoeken, verwijderd van de woelige en nij-
dige Joden." Dat deze laatsten onderwijl het welslagen van
hunne helsche plannen berekend en overwogen, ook het volk
tegen den Zaligmaker opgezet zullen hebben, is aan geen twij-
vel onderhevig.
Fn Jesus staat voor den Landvoogd. Hij heeft alle vrijheid Mat.XXVH,
van spreken en zal daarvan ruimschoots gebruik maken — ter
onderrichting van Pilatus en ook van ons allen. Het volgende
gesprek ontspon zich nu tusschen den onschuldigen Zaligmaker
en den tot nog toe onpartijdigen rechter. Zijt gij — vroeg
Pilatus — de Koning der Joden f Het kan zijn, dat de
Landvoogd deze vraag op eenigszins spottenden toon uitsprak
om den deerniswaardigen toestand, waarin Jesus daar voor hem
stond; wij mogen evenwel niet vergeten, dat de verhevene ma-
jesteit, welke altijd in Jesus\' houding en gelaat uitschitterde, en
de heiligste onschuld, welke in Jesus\' blikken te lezen was, den
rechter onwillekeurig diepen eerbied afdwongen, dat Pilatus vol-
gens recht en billijkheid een onderzoek naar de hoofd-beschul-
diging moest en ook wilde instellen. Jesus, die als Alwetend
God alles wist, wat er tusschen Pilatus en de Joden was bespro-
ken, ofschoon Hij de beschuldigingen der Joden niet gehoord
had, die ook wist, in welken zin de Landvoogd de vermelde
vraag tot Hem richtte, voegde zich echter naar zijn toestand
-ocr page 448-
IIKT LIJDEN KN S\'DMIVKX VAN
van aangeklaagde en stelde deze wedervraag aan Pilatus:
Joak.XVIU.34 zegi gij dit ,,i( ii zdven, of hebben anderen het u van Mij
gezegdl
De zin van deze vraag des Zaligmakers is deze:
„zegt gij dit in de beteekenis, welke gij als Romein en Hei-
„den aan dat woord van „koning" verbindt, of wel in die,
„welke mijne beschuldigers daaraan hechten; bedoelt gij eene
„koninklijke waardigheid volgens uwe eigene opvatting of wel
„zulk eene, waarvan de geestelijke, geheimnisvolle beteekenis
„aan mijne aanklagers geenszins onbekend is, maar welke zij
„met opzet miskennen om Mij van iets strafwaardigs te kunnen
„betichten?" — en dringender nog voor Pilatus — „hebt gij
„uit eigene ondervinding eenige reden om Mij te betichten,
„dat Ik tegen den Keizer ben opgestaan; of is het alleen, om-
„dat mijne landgenooten Mij van zulk een misdaad beschuldigd
„hebben ?" Aldus werd Pilatus tot nadenken gedwongen en
moest gevoelen, dat Jesus ten onrechte en valschelijk beschub
digd was; aldus ook wilde Jesus te kennen geven, dat het Hem
wel degelijk bekend was, wie die steenen op Hem geworpen
hadden, al waren de handen ook verborgen, welke ze slingerden.
Het schijnt, dat het woord van den Zaligmaker den rechter
eenigszins wrevelig maakte; althans met minachting voor alle
Joan xviu.35 joden bijt hij Jesus toe: „ben Ik dan een Jood, dat ik van
„joodsche zaken en twistvragen iets weet of mij daarmede be-
„moei; weet ik in welken zin de Joden hun koningschap op-
„vatten, wat de Joden onder de benaming van koning, dien
„zij ook Messias noemen, gewoon zijn te verstaan? Kon ik die
„vraag uit mij zelven stellen, als anderen ze mij niet hadden
„ingegeven? Ik vraag het u dan ook niet, omdat de zaak mij
„persoonlijk aangaat, maar omdat ik rechter ben, die over eene
„tegen U ingebrachte beschuldiging moet oordeelen. Uw volk
-ocr page 449-
430
ONZEN HUW J£8U8 CHRISTUS
„<?// de Opperpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat
„hebt Gij gedaan, dat tot die beschuldiging aanleiding kon
„geven?" Op deze laatste vraag had Jesus, aan alles geheel
onschuldig, het antwoord kunnen inhouden. Doch zijdelings
wil Hij den rechter te woord staan, door met alle vrijmoedig-
heid getuigenis af te leggen van zijn Koningschap en van zijn
Rijk; daardoor tegelijk zijne onschuld bewijzen en, Pilatus van
zijne onschuld overtuigende, aan den rechter te kennen
geven, dat Hij meer was dan een gewoon mensch. Met
andere woorden: Jesus verklaarde aan Pilatus, dat Hij werke-
lijk Koning, de Messias-Koning is, maar niet in den verkeer-
den en door zijne vijanden uitgedachten zin van een aardsch
vorst; Hij zegt hem ook, wie alleen zijne volgelingen, zijne
ware onderdanen zijn. Mijn Koninkrijk — zeide Jesus — is J0Ax.XVl1l.36
niet van deze mereld. Eenvoudige, maar veel beteekenende woor-
den! Jesus\' Koninkrijk is niet alleen het hemelsche Rijk der
gelukzaligen, maar ook de gemeenschap van alle geloovigcn,
die Christus\' leer belijden, de Kerk welke Jesus door zijn
prediking en lijden heeft verworven. Dat Rijk is wel in de
booze en bedorven wereld, maar niet van die wereld. Dat
Rijk heeft geen aardschen oorsprong, maar ontleent zijn ont-
staan aan God, dewijl Jesus, de menschgeworden Zoon des
Vaders, het stichtte. Ook het doel en de krachten daarvan be-
hooren niet tot deze wereld: het beoogt niets anders dan de
eeuwige zaligheid der zielen, en de middelen welke daarin
werken, en de wetten welke er in heerschen, en de belooningen
welke er in voorgesteld worden — dat alles is bovenaardsch.
Eveneens is het verheven boven de vergankelijkheid en den korten
duur van al wat in deze wereld is. Om dit aan den heidenschen
Landvoogd door een voor hem duidelijk en dcor een voor allen
-ocr page 450-
440                                            HKT LIJDEN EN STERVEN VA!»
afdoend bewijs te staven, wijst Jesus hem op het beteekenis-
volle feit, dat er bij zijne gevangenneming geen geweld tegen
geweld gepleegd is, en laat op de voorgarnde verklaring on-
oan.XVIU.jó middelijk volgen: „indien mijn Koninkrijk van deze wereld
„ware, mijne dienaren,
die Mij dan zeker ter zijde stonden,
„zouden ivel strijden, dat Fk niet overgeleverd werdc aan de
„Joden; maar nu
niemand voor Mij ten strijde trekt, moet het
„ook voor u blijkbaar zijn, dat mijn Koninkrijk niet van
„hier,
niet van deze wereld is, en va» Mij noch voor u noch
„voor uwen K eizer iets te vreezen is, dat derhalve de beschul-
„diging der Joden tegen Mij ingebracht geheel ongegrond is."
Ofschoon Pilatus den geheelen en diepen zin van die \\voor-
den niet vatte, en als Heiden ook niet kon vatten, maakte hij
toch deze juiste gevolgtrekking er uit op: Gij zijt dus een
Koning ?
En Jesus, die slechts zijdelings geantwoord had, toen
Hem gevraagd werd: Zijt Gij een Koning der Joden, legt
nu de allerduidelijkste verklaring af: „Gij zegt het, Ik ben een
„Koning,
„maar" — begrijpen wij dit wel —„niet alleen van
„een of ander vclk, maar van allen, én van Joden én van
„Heidenen, die Ik allen in mijn geestelijk Rijk wil opnemen.\'\'
Nog nader wil Jesus aanduiden, van welken aard zijn Ko-
uan.XV111,37 ninkrijk is. „Hiertoe ben Ik geboren — aldus gaat Hij voort
„-— en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, om getuigenis van
„de waarheid te geven,
om de waarheid en niets anders dan
„de waarheid te prediken. En wilt gij mijne onderdanen ken-
„nen? Al wie uit de waarheid is, die uit de waarheid en niet
„uit de leugen is, die rechtgeaard van gemoed is en aan
„de genade beantwoordt, hij neemt de waarheid, welke Ik ver-
„kondig, meer en meer aan, hoort naar Mijne stem, gehoor-
„zaamt Mij als Koning en onderhoudt mijne geboden."
-ocr page 451-
Hl
ONZKN HKKR JESUS CHRISTUS.
Gewis, het was er ver af, dat Pilatus de onuitputtelijk diepe
beteekenis van al die openbaringen des Zaligmakers begrepen
heeft; maar zoo veel ten minste heeft dat onderhoud uitge-
werkt, dat bij hem de overtuiging werd gevestigd, eerstens dat
Jesus geheel en al onschuldig was aan de Hem toegedichte
misdaad van te streven naar een aardsch koningschap, ten tweede
dat er geen enkele reden bestond, waarom Hij Jesus volgens
den eisch der Joden ter dood mocht veroordeelen. Evenwel
was hij niet genegen om het gesprek over wat waarheid is
voort te zetten, en evenmin verlangend om nader ingelicht te
worden omtrent hetgeen Jesus zijdelings aan de Oversten der Jo-
den ten laste had gelegd, dat zij namelijk de waarheid haatten en
daarom ook den Prediker der waarheid vervolgden. Met eene
laakbare luchthartigheid, alsof er voor hem niets aangelegen
was, met een spottenden twijfel, alsof ook hij daarnaar niet
moest onderzoeken, riep hij lichtzinnig uit: wat is waarheid,
wat gaat die mij aan? Tegelijk gaat hij naar buiten tot de
Joden, neemt Jesus mede, geeft zijne diepe overtuiging te ken-
nen en roept hun toe op Jesus wijzende : Ik vindgeene schuld joan.XVHI,39
in Hem aan al datgene, wat gij Hem ten laste gelegd hebt.
Hiermede eindigde het eerste verhoor van Jesus voor Pilatus;
dit was ook de eerste maal, dat Pilatus eene openlijke verkla-
ring aflegde èn van Jesus\' onschuld èn van de onrechtvaardige
handelwijze zijner beschuldigers.
Ook wij luisteren, maar met grootere leergierigheid dan die
Romeinsche Landvoogd, naar Jesus\'vtel beteekenende woorden.
Wel staat de onschuldige Jesus als een misdadiger voor den
wereldschen rechter, maar in ons oog is en blijft Hij de Profeet
bij uitnemendheid, die de woorden des eeuwigen levens ver-
-ocr page 452-
U-2
HET LIJDEN EN STERVEN VAN
kondigt. Wel staat Hij, de verzoenende God-mensch, maar ook
de Rechter des Hemels en der aarde, voor den rechterstoel
van zijn schepsel, in de nederigste houding en als een verach-
telijke booswicht geboeid; maar wij weten, dat Hij door het
wreede oordeel, hetwelk over Hem geveld zal worden, ons de
genade verdient, opdat wij onze ziel voor de zegenrijke inwer-
king zijner waarheid open stellen en zoo een barmhartig oor-
deel van God mogen verwachten. Wat is waarheid?.— deze
vraag, door de waanwijzen der wereld met een spottenden glinv
lach afgewezen, moet al onze aandacht innemen, want in de
oplossing daarvan ligt het geheim van ons bestaan, het doel
van ons leven, de aanwijzing van onze bestemming opgesloten.
Van de juiste beantwoording dier vraag hangt ook ons tijdelijk
en meer nog ons eeuwig geluk af. Wij kunnen God niet ge-
noeg danken, dat wij deelgenooten zijn geworden van dat Rijk
van Jesus, waarin de genade wordt gegeven, welke ons vrij
maakt van de banden der zonde, en waarin de waarheid wordt
gepredikt, welke als een fakkel ons voorlicht op den weg naar de
eeuwigheid, en wetten gelden, welke al onze neigingen zelfs de
geheimste gedachten regelen, al onze handelingen besturen.
Al wie dan ook een goed gebruik maakt van de voorrechten,
welke zijn Koning hem heeft geschonken, volgt diens voorbeel-
den en beoefent diens deugden en zal eens in zijne glorie dee-
len. Maar daarvoor wil ook de Koning Jesus naar zijn wei-
gevallen beschikken over den tijd en de krachten en den arbeid
van al zijne onderdanen, zonder bij iemand eenigen tegenstand
te ontmoeten; onder die voorwaarden is Hij beminnelijk in zijne
macht, vaderlijk bezorgd voor het geluk der zijnen en bereidt Hij
voor zijne getrouwen eene kroon van onverwelkbare glorie. Dat
Rijk der waarheid maakt ook den last der geboden licht, omdat
-ocr page 453-
4 18
iN/.r.X HEEI JESUS CHRISTUS.
het de genade geeft en tegelijk den moed inboezemt om de lastige
heerschappij der driften te onderdrukken, en het den mensen
\'t zoete juk van Jesus\' wet doet zoeken uit liefde voor God
en uit verlangen naar de belooning, welke hem is weggelegd;
dat Rijk doet ons eene zoete vreugde smaken zelfs te midden
van het lijden, van de vernederingen en van de verachting der
menschen, want het leert ons, dat alwie met Jesus zijn kruis
gedragen heeft, ook eens met Hem zal verheerlijkt worden:
eindelijk, dat Rijk verheft ons tot eene waardigheid, waarmede
geene enkele dezer wereld kan vergeleken worden: het maakt
ons meester van ons zelven, vriend van God en erfgenaam
des Hemels. Vernieuwen wij daarom de zoo dikwijls vergetene
voornemens en zeggen wij het aan den lijdenden Jesus, »Gij,
„alleen, o, Heer! zult heersenen over mijnen geest en mijn
„hart, over mijne ziel en mijn lichaam; geef mij de genade,
„dat Gij mijn Koning zijt in mijn leven en mijn sterven om
„mijn Koning te blijven in alle eeuwigheid."
-ocr page 454-
Hoofdstuk III.
Jesus voor Herodes.
Welk een verpletterend woord voor de Joden moet het ge-
XXIII,4. weeS(. zijnj ^at püatus hun wrevelig toevoegde: Ik vind geene
schuld in dezen mensch!
Zij hadden hunne drie beschuldigingen
tegen Jesus ingebracht; hij had ze onderzocht en den beklaagde
ondervraagd; en nu komt hij, na een nauwgezet verhoor, hij
die als rechter was ingeroepen, zijne beslissing mededeelen en
zegt hun met volle overtuiging: „dezen mensch heb ik onschub
„dig bevonden aan alles, waarvan gij Hem hebt aangeklaagd;
„in Hem is geene schuld, geene misdaad te ontdekken." Ver-
nederender kon die uitspraak niet zijn voor die hatelijke leu-
genaars, ook niet beschamender voor die hoogmoedige Oversten,
welke nu als vuige lasteraars gebrandmerkt waren in het oog
van hun eigen volk en zelfs van de door hen verachte Romeinen.
Zij hadden Jesus een boosdoener durven noemen, en Pilatus
XV, 17. verklaart Hem ten aanhoore van allen onschuldig. Wie een
gerechtige veroordeelt, is een gruwel voor God,
had hun wijze
koning Salomon vroeger gezegd. Zouden zij in dat oogenblik
van vernedering aan dat woord van veroordeeling niet gedacht
hebben? Hoe dit zij, hunne booze plannen gaven zij niet op.
-ocr page 455-
HET LIJDEN EN STERVEN VAN (1N/.I.N HEER JESl S CHRISTl\'S.             445
Wel waren zij door de moedige houding van Pilatus gedwars-
boomd, wel zagen zij al hunne hoop voor \'t oogenblik verij-
deld, maar te luider herhaalden zij hunne valsche aanklachten,
ze met nieuwe vermeerderende; te onstuimiger drongen zij op
de veroordeeling des Zaligmakers aan. De h.h. P^vangelisten
hebben ons hunne afschuwelijke lasteringen willen overleveren,
ten einde het lage van hun karakter in een helder licht te
stellen. Zij hielden aan — aldus verhaalt de h. Lucas — zeg- Loc. XXili, 5
geilde: Hij ruit het volk op, door geheel Judc\'a kerende, na
begonnen te hebben van Galilea tot hiertoe. — Toen Hij door de
Opperpriesters en de Ouderlingen beschuldigd werd, — zegt de MAT.XXVll,ta
h. Mattheus, maar voegt er veel beteekenend bij —antwoordde
Hij niets. Zij mochten Hem, luidkeels schreeuwende, betichten,
dat Hij een oproermaker en volksverleider, een verachter der
wet en schenner van den Sabbath, in één woord: een boosdoe-
ner was, die goddelijke en menschelijke wetten voor niets achtte;
maar op het hooren van al die aanklachten onderhield Jesus een
diep stilzwijgen. Hij had immers geene verdediging noodig,
daar Hij reeds onschuldig verklaard was; elke verdediging zou
ook nutteloos geweest zijn, daar zijne vijanden niet de waarheid
wilden hooren, maar door haat en nijd zich lieten verleiden.
Is het ook wel te verwonderen, dat Jesus eindelijk de verkon-
diging der waarheid onthoudt aan hen, die zich al zoo lang
tegen de waarheid bezondigd hadden ? Jesus zwijgt ook daarom,
omdat Hij zoo de leugen beschaamt, de voorspellingen vervult,
zijns Vaders wil volbrengt en aan allen, die evenals Hij on*
rechtvaardig beschuldigd worden, een voorbeeld geeft van lijd-
zaam geduld.
Voor Pilatus was dit stilzwijgen onbegrijpelijk: zoo iets was
hem gedurende de vele jaren van zijn rechtersambt nog niet
-ocr page 456-
•146                                           IIF.T LIJDEN EN STERVEN VAX
voorgekomen. Een aangeklaagde doet geen enkele poging om
zich vrij te pleiten van de hem aangewrevene misdaden en wel
van misdaden, waarop als straf de gruwzaamste dood stond!
Daarvan kon hij, de Heiden, zich geen begrip vormen. Zelfs
trachtte hij den Zaligmaker tot zelf-verdediging aan te zetten,
Mat.XXVH, 14 zeggende: hoort Gij niet, hoe veel zij tegen U getuigen? Doch
fesus bleef zwijgen en antwoordde hem op geen enkel woord,
zóódat de stedehouder zich zeer verwonderde,
niet slechts over
die kalme bedaardheid en dat onverwinnelijk geduld, over die
doodsverachting, waarvan Jesus opnieuw blijk gaf, maar ook
over die eerbied afdwingende waardigheid, welke nu nog schit-
terender uitkwam dan zooeven in het rechthuis.
Onderwijl vermeerderde de verlegenheid van den Landvoogd
van minuut tot minuut Den Zaligmaker veroordeelen wilde Hij
niet, dewijl Hij van Jesus\' onschuld overtuigd was; Hem loslaten
durfde hij niet, daar hij de Joden vreesde. En nog altoos stijgt
de woede van de Oversten des volks; al dringender eischen
zij Jesus\' veroordeeling. Reeds boven vernamen wij, dat de
joodsche Oversten hunne vorige beschuldigingen, al waren die
alreeds door den ingeroepen rechter afgewezen en voor niet ont-
vankelijk verklaard, opnieuw inbrachten en door aanwijzing
Van plaats, waar die verdichte misdaden zouden gepleegd zijn,
daaraan meerdere kracht wilden bijzetten. „Hij verkondigt eene
„leer, welke het volk tot opstand tegen, het gezag des Keizers aan-
„zet; Hij begon die al in Galilea te prediken, ging vervolgens
„geheel Judea door en heeft ten laatste die leer ook hier, in
„deze hootdstad. verbreidt, zóódat er alle gevaar bestaat voor
„een algcmcenen opstand, als de hoofdleider niet uit den weg
„geruimd en het oproer niet in zijne geboorte gestikt wordt."
Aldus schreeuwden zij. Ofschoon nu Pilatus van al die laster-
-ocr page 457-
ONZEN HEER JEBUS CHRISTIS.                                             447
lijke aantijgingen niets geloofde; toch waren zij hem welkom
en boden eene gewenschte gelegenheid aan om zich aan deze
netelige zaak te onttrekken. Was Jesus, — zoo redeneerde de
Landvoogd —• ofschoon te Bethlehem in Judea geboren, van
opvoeding en verblijf een Galilëer, dewijl Hij bijna dertig jaren
te Nazareth gewoond had, dan behoorde Hij tot het rechtsge-
bied van Herodes, die juist ter gelegenheid van het paaschfeest
zich te Jerusalem ophield. Zijn besluit was dan ook spoedig
genomen: Vernemende, dat Jesus uit liet gebied van Herodes Luc. XXIII, 7
was, zond hij Hem tot Herodes, die ook zelf in die da^en te
Jerusalem was. Meer dan eens reden bewoog Pilatus tot dien
gevaarlijken stap. Was er in Galilëa oproer gepredikt, dan zou
— daarmede wiegelde de laffe rechter zijn geweten in slaap —
Herodes het best over de schuld van Jesus daaraan kunnen
oordeelen; hij zelf zou door zoo te handelen die lastige rechts-
zaak zich van de schouders schuiven zonder de Joden tegen zich
in het harnas te jagen en zich achter het oordeel van Herodes, het-
zij dan vrijspraak of veroordeeling bevattende, kunnen verschuilen
tegenover zijn eigen geweten en de Joden en eveneens tegenover
den Keizer. Gevaarlijk echter en gewaagd ook was in hoogemate
die stap: vooreerst gaf Pilatus eene zaak uit de handen, welke
aan zijne rechtsmacht was onderworpen en waarover hij be-
slissen moest; dan stelde hij Jesus, dien hij aan alles onschuldig
erkend en ook verklaard had, aan eene mogelijke veroordeeling
bloot; ten laatste zette hij den wankelenden voet op den glib-
berigen weg van eene laakbare toegevendheid, van een schuldig
wijken voor den aandrang van Jesus\' vijanden, die hij veeleer
om hunne valsche aanklachten had moeten bestraffen. Doch
aan dat alles was Pilatus weinig gelegen, mits hij zijne handen in
onschuld meende te kunnen wasschen. Moed maakt altijd
-ocr page 458-
448
HET I.I.IDKX EN\' STERVEN\'VAX
sterk, maar vrees, laffe menschenvrees ontzenuwt zelfs den sterk -
ste en verleidt hem tot daden waarover hij, zoodra hij tot be-
zinning is gekomen, niet alleen zich schamen moet, maar welke
hem zelfs tegen wil en dank van kwaad tot erger vervoeren,
totdat hij eindelijk neerstort in een afgrond van ongerechtigheid,
welke spot met alles wat heilig is. De geheele lijdensgeschie-
denis geeft ons daarvan geen afschrikwekkender voorbeeld dan
wij in Pilatus moeten verafschuwen.
Herodes bijgenaamd Anti pas, tot wien de Zaligmaker gezon-
den werd, was viervorst van Galilëa en broeder van Philippus,
viervorst van Iturea, en van Archelaus, viervorst van Judëa.
Deze laatste was, uit hoofde van zware beschuldigingen, welke
tegen hem te Rome waren ingebracht, door den Keizer naar
Vienne in Frankrijk verbannen, en sinds dien tijd werd Judëa
door romeinsche Landvoogden bestuurd, van welke Pontius
Pilatus de zesde was. De drie bovengenoemde broeders waren
zonen van Herodes den Groote, koning van Judëa en moor-
denaar der onnoozele kinderen van Bethlehem en omstreken.
Drie diepbedorven telgen alzoo van een afschuwelijken vader.
Herodes Antipas, soms, maar in oneigenlijken zin, „koning" be-
titeld, wordt door de geschiedenis geschandmerkt als een wel-
lusteling, als valschaard en huichelaar en als wreedaard. Voor
zijne Overheid in Rome kroop hij als een lage vleier, omdat
zijne macht en zijn aanzien daarvan afhingen; tegenover me-
dedingers was hij sluw en listig, maar tegenover zijne onder-
dinen heerschzuchtig en hardvochtig. Godsdienst bezat hij
niet; van geboorte een Heiden, hield hij het voor \'t uiterlijke
met de Joden om dezen te believen, maar onderhield van het
-ocr page 459-
OXZKX ItFFR JISIS CIIRISTls.                                           44\'J
Judaïsme niet meer dan hij voor zijne staatkundige doeleinden
dienstig oordeelde; het liefste heulde hij met de SadduceCrs,
welke aan de onsterfelijkheid der ziel niet geloofden en een
wellustig leven leidden; hij behoorde alzoo tot de klasse van
die verblinden, welke slechts het tegenwoordige wilden genie-
ten en zich om de eeuwigheid niet bekommerden. Ofschoon
gehuwd met eene Arabische prinses, leefde hij in bloedschendi-
gen en overspeligen omgang met de echtgenoote van zijnen
broeder Philippus, Herodias genaamd, en liet op verzoek harer
dochter den heiligen Joannes den Dooper, die het ergelijk ge-
drag van den viervorst berispt had, in de gevangenis onthoof-
den. Uit het Evangelie van den h. Lucas vernemen wij, dat
hij alles vernomen had, wat Jesus verrichtte, maar het beneden
zich achtte zelf den Zaligmaker op te zoeken en naar zijne leer
te luisteren; dat hij, door Jesus\' wonderen verschrikt, meende
dat de h, Joannes de Dooper van den doode was opgestaan;
dat hij zelfs den Zaligmaker, dien hij niet gaarne in zijn ge-
bied zag, met eene list, door Hem schijnbaar welmeenend te
laten waarschuwen voor een levensgevaar, zocht te verwijderen.
Op aansporing van zijne eerzuchtige boeleerster ging hij later naar
Rome om den koningstitel te vragen; doch hij zag zich bitter
te leur gesteld; niet alleen werd hem de afgebedelde gunst ge-
weigerd, maar integendeel, van vele en groote misdaden aange-
klaagd, werd hij naar Lyon verbannen; eindelijk stierf hij in Spanje.
Gedurende zijn bestuur over Galilöa leefde hij in vijandschap met
Pilatus, waarschijnlijk om een verschil over den voorrang en
de machtsoefening, vooral omdat hij, na de verbanning van
zijnen broeder, zoo vurig het gebied over Judea begeerde, dat
nu door Pilatus bestuurd werd. De bekende joodsche geschied-
schrijver, Flavius Josephus, geeft nog eene andere reden van
29
-ocr page 460-
450
IIKT MJIlKX EN STF.RVKN VAN
die vijandschap aan. Pilatus had, ter herstelling van eene
kostbare waterleiding, van de Joden groote geldsommen uit
hunnen tempelschat afgeperst en van Herodes werklieden ge-
vraagd. Terwijl reeds over dien gewelddadigen maatregel van
den Landvoogd groote verbittering onder het volk heerschte,
gaf de sluwe Herodes, om het volk tot nog grootere woede
op te zweepen, aan zijne bouwlieden den geheimen last het
metselwerk scheef op te trekken. Dit geschiedde, en weldra
lag de toren van Siloë in puin, in zijn val achttien Jerusalem-
mers verpletterende. Later wreekte zich Pilatus, toen hij bij
het volgende Paaschfeest vele der Galileers bij het offeren door
Luc. XIII i. verkleede Romeinen liet ombrengen en hun bloed met hunne
offers mengde.
Kr ontstond toen een oproer, waarbij Barabbas
en waarschijnlijk ook de twee andere moordenaars werden ge-
vangen genomen.
Monsters van dat soort heerschten toenmaals over de Joden;
aan zulke diep gezonkene wezens werd ook de oneindige On-
schuld overgeleverd. Zelfs aarzelde Pilatus niet, hoewel hij
den aard van Herodes zeer goed kende, zijne oude vijandschap
te vergeten en aan zijn mededinger een blijk van erkenning
en van rechtsbevoegdheid te geven door Jesus naar hem te
zenden. Dat hij den Zaligmaker reeds voor onschuldig ver-
klaard had, dat hij door den Zaligmaker aan een wellustigen
en wreedaardigen mensch uit te leveren zijne eigene lafhartig-
heid openbaarde; dat hij den Onschuldige aan het grootste ge-
vaar prijs gaf, dit alles baarde hem geene zorg, als hij slechts
buiten dat lastig rechtsgeding blijven kon. Ook mogen wij
aannemen, dat de Joden, nu zij den Landvoogd voor hunne
piannen nog niet gewonnen hadden, geenszins onwillig waren om,
wat zij van Pilatus niet verkregen hadden, bij Herodes te be-
-ocr page 461-
«81
OTMEN HEKR JESUS CHRISTUS.
proeven. Deze had zich immers altijd inschikkelijk voor de
Joden getoond; hij was lichtzinnig en vijand van elke strenge
opvatting der zedenwet; en wat het zwaarste bij hen woog: hij
was de gelijkgezinde zoon van dien vader, welke den Zaligmaker
al dadelijk na diens geboorte naar het leven had gestaan; hij had
ook den Boetgezant laten onthoofden, en te eerder zou hij Jesus
veroordeelen, nu zij Hem van oproerigheid en van opruiing der
Oalileers zouden beschuldigen. Zóó dachten die vijanden van
Jesus; maar de wijze beschikkingen der goddelijke Voorzienig-
heid beoogden geheel iets anders: Jesus moest terecht staan voor
elke soort van rechtbank: eerst voor Annas, dan voor Caiphas
en voor den Hoogen raad, die oordeelden als de hoogste gees-
telijke macht der Joden; vervolgens voor Herodes, de hoogste
wereldlijke macht der Joden; ten laatste voor Pilatus, de hoog-
ste wereldlijke macht der Heidenen. En verstouten wij ons
om voor een oogenblik de reden daarvan te gissen — wie
onzer aarzelt dankbaar te erkennen, dat Jesus\' vlekkelooze on-
schuld voor al die rechters moest uitschitteren, en dat Hij ons
bij elke gelegenheid nieuwe voorbeelden van zijne stilzwijgend-
heid, lijdzaamheid en nederigheid zou geven. Zóó weet God
ook in het bitterste lijden van zijnen goddelijken Zoon voor
hen, die Hem beminnen, alles ten goede te doen keeren.
Spoedig waren de Joden na Pilatus\' besluit vernomen te
hebben, met het onschuldig slachtoffer van hunnen haat op weg
naar het paleis van Herodes. Dezelfde treurige stoet, welke wij
reeds opgemerkt hebben, bewoog zich wederom door de straten
van Jerusalem. Het was omstreeks acht uur in den morgen, toen
Jesus voor Herodes stond, waarschijnlijk in het huis van diens
vader, dat in de nabijheid van de burcht Antonia lag, waarin
-ocr page 462-
45è
HKT l.I.IHKX EN STF.KVKN VAN
voor eenige jaren de drie Wijzen uit het Oosten gevraagd had-
Math ii, 2. den, waar is de nieuw geboren Koning der Jodcnï Wij heb-
ben zijne ster gezien in het Oosten en zijn gekomen om Hem
te aanbidden,
waaruit ook het krijgsvolk gezonden was om al
de kinderen van het mannelijke geslacht beneden de twee jaren
in Bethlehem en binnen deszelfs landpalen om te brengen. Het
gerucht, dat Jesus van Nazareth naar den viervorst van Galilëa
werd overgebracht, had zich weldra verspreid en eene nog
grootere menigte op de been gebracht. Ook Herodes wist al
spoedig, welke eene eer hem te beurt zou vallen en was ver-
heugd Jesus voor zijn rechterstoel te zullen zien staan, van
Wien hij zoo veel gehoord en Wien hij sinds langen tijd verlangd
had van aangezicht tot aangezicht te mogen aanschouwen; zelfs
koesterde hij de stille hoop, dat Jesus wel op zijn verzoek een
of ander wonder zou verrichten om zijne gunst te winnen en
zoo in vrijheid gesteld te worden. Hoe pijnlijk zou hij
teleurgesteld worden. Ware het zijn verlangen geweest goed
Onderricht te ontvangen, niets had hem belet Jesus te hooren,
die sinds drie jaren in \'t openbaar predikte en niemand, ook
den armsten bedelaar niet, van zijn gehoor had uitgesloten;
maar een Meester, die ook tot het gewone volk sprak, die Zich
met armen bezig hield, was voor dien hooghartigen viervorst
te gering; Hem op te zoeken en onder zijne hoorders zich te
scharen, dat scheen aan dien trotschaard vernederend toe. Te
dieper zou hij, die listige vos, nu beschaamd worden tot zijne
Math. VII, 6. welverdiende straf. Had ook Jesus niet gezegd: geeft het heilige
niet aan de honden en werpt uwe parelen niet voor de zwijnen.
Zoodra de Zaligmaker voor Herodes verschenen was, begon
Luc XXII 1,6. deze Hem met vele woorden te ondervragen en zocht gelegen-
heid om met Hem verscheidene onderwerpen te bespreken.
-ocr page 463-
ONZEN HEES JKSUS CHRISTUS.                                             453
Wat Herodes al vroeg, vermeldt ons het Evangelie niet. Waar-
schijnlijk zal hij te kennen gegeven hebben, welk een genoegen
het hem deed een man voor zich te zien, die in zijn gebied
geleefd en gepredikt, die aldaar een grooten naam verworven
had door zijne leer en zijne wonderen; hij zal denkelijk gezegd
hebben, dat hij sinds langen tijd verlangde Hem te zien en
dat hij nu in de gelegenheid was om Hem uit eene groote
moeielijkheid te redden en Hem zoude vrijlaten, als Hij van
zijnen kant zijn aanzoek niet afsloeg; hij zal Jesus misschien
ondervraagd hebben, of Hij degene was, aan Wien koningen
uit het Oosten geschenken ter aanbidding hadden aangeboden
tot groote ontsteltenis van zijnen vader en van geheel Jerusa-
lem, of wel de h. Joannes de Dooper, dien zijn vader had laten
onthoofden. Wat die wonderen zelve van Jesus aanging, zal
hij gevraagd hebben, of alles waar was, hetgeen de faam over
zijne wondermacht vermeldde, en ten laatste zal hij de geheime
wenschen zijns harten geopenbaard hebben, Jesus mocht ook
voor hem en voor zijn hof een wonder verrichten op zijne
bede, hetgeen Hij zoo herhaaldelijk in tegenwoordigheid van
anderen gedaan had zonder daartoe te zijn aangezocht; hij was
immers zijn vorst en rechter, die over leven en dood beschikte.
Dit zijn gissingen, maar zeer waarschijnlijke gissingen. Zeker
is het, dat Herodes geene enkele vraag deed, welke een ant-
woord noodig had of waardig was. Hij werd dan ook behan-
deld, zoo als hij het verdiende: Jesus antwiordde Hem niets, EuaXXIil.i
wilde geen wonder doen, zelfs geen enkel woord spreken. Aan
Pilatus had Jesus een antwoord niet geweigerd, omdat deze
een Heiden was, die de waarheid wenschte te vernemen en te
verdedigen, ofschoon hij zich later door laffe vrees liet over-
meesteren. Doch Herodes, die uit ijdele nieuwsgierigheid vroeg
-ocr page 464-
454
HET LIJDEN KN STtRVEN VAN
en met eene kinderachtige lichtzinnigheid om een wonder be-
delde, die daarenboven uit haat tegen de waarheid den predi-
ker van Gods wet had laten onthoofden en de stem van den roe-
pende in de woestijn had doen verstommen, was elk antwoord
onwaardig. Aan eenvoudigen en nederigen van harte had
Jesus met groote Liefde alles geopenbaard en verklaart!, wat het
Rijk der Hemelen betrof; maar de heiligste mond opende zich
niet voor een ijdel geklap; aan waanwijzen der wereld, aan
hoogmoedigen van geest gaf Hij niet meer dan zijne Recht-
vaardigheid eischte — en ruimschoots had die ongeloovige en
zedelooze vorst dat ontvangen. Doch die genaden had hij
verwaarloosd, en tot straf liet Jesus hem over aan de verblind-
heid van zijnen geest en aan de bedorvenheid van zijn hart.
Minder nog zou hij Jesus een wonder zien werken. Genoeg
had Herodes van de wonderen, door den Zaligmaker ver-
richt, hooren gewagen; ware hij bezorgd geweest om de waar-
heid te kennen en de bevestiging daarvan te lezen in wonder-
teekenen, hoe gemakkelijk ware het hem geweest om oor- en
ooggetuigen te ondervragen, die hem zeker alle waarborgen ge-
geven hadden voor de echtheid van de wonderen, welke van
Jesus vermeld werden, en hij zelf had daaruit de gevolgtrek-
king kunnen maken, dat, wie zulke werken uit eigen macht
deed, door den Vader moest gezonden zijn en meer dan mensch,
dat hij God was. Doch Herodes bekommerde er zich niet over,
of hij den waren weg des heils niet kende noch leerde wat
hem ter zaligheid dienstig was. En om aan zijne ijdele trotsch-
heid voldoening te schenken of om hem in \'t oog van laffe
vleiers te verheffen — waarlijk, daarvoor was Jesus niet in
de wereld gekomen.
Uuc XXIil,iQ. Evenals de koning worden ook de Opperpriesters en Schrift-
-ocr page 465-
ONZEN HEER JESUS CHRISTUS.                                             455
geleerden, die daar stonden Jesus hevig beschuldigende door den
Zaligmaker op gevoelige wijze bestraft. Zij hadden de vragen van
Herodes gehoord en met gespannen aandacht toegeluisterd, of de
Zaligmaker een antwoord zoude geven; zij wisten hoe vurig Hero-
des verlangde een wonder te zien en waren bevreesd, dat Jesus
diens gunst door een wonderteeken winnen zou. Om eiken voor
hunne plannen nadeeligen invloed te weren moest Herodes, hoe
dan ook, vijandig gestemd worden tegen Jesus; daarom namen
zij ook nu wederom tot valsche beschuldigingen hunne toe-
vlucht. Voor Caiphas luidde het, dat Jesus den tempel wilde
verwoesten e\'1 Zich godslasterlijk den Zoon Gods noemde; voor
Pilatus, dat Hij Zich koning maakte en verboden had aan
Caesar schatting te betalen; nu voor Herodes zal het geheeten
hebben, dat Hij met Joannes samen gespannen had om hem
bij \'t volk te belasteren wegens zijn huwelijk met Herodias,
dat Hij dienzelfden Joannes geprezen en hem daarentegen een
vos genoemd had; dat zijn koningschap gevaar liep, nu die
mensch tot den mannelijken leeftijd gekomen was, dien nog
kind zijnde zijn vader meende te moeten vreezen. Doch hen
evenmin als Herodes verwaardigde Jesus met eenig antwoord;
Hij geeft hun zelfs de reden niet op van zijn stilzwijgen en
bestraft hunnen hoogmoed door niets te antwoorden.
— De waanwijsheid der wereld kan dit welsprekend zwijgen
niet begrijpen; wij moeten, voor zooveel het ons gegeven is,
de Eeuwige Wijsheid met eerbiedige aandacht beschouwen te-
genover de dwaasheid van den eigenwaan.
Jesus heeft in zijn lijden enkele malen gesproken, meerdere
malen gezwegen, aldus door zijn voorbeeld het opvolgen aan-
dringende van eene kernspreuk, welke Hij zelf reeds voor
eeuwen door Salomon liet verkondigen: er is een tijd van spre- eccli. ui, 7.
-ocr page 466-
456
HET LIJDEN" EN STERVEN VAN
ken en een tijd van zwijgen. Toen Caiphas den Zaligmaker
vroeg: zijt Gij de Zoon van God, en toen Pilatus Hem vroeg:
zijt Gij Koning, antwoordde Jesus: Gij zegt het; Ik ben het,
want het was toen de tijd van spreken, omdat de eer des Va-
ders en de verkondiging der eeuwige waarheid en de liefde
voor de menschen het spreken vorderde, en Jesus zweeg bij die ge-
legenheden niet, ofschoon het spreken Hem het leven zou kosten.
Toen een dienstknecht des Hoogepriesters, om zijn meester te
believen, Jesus in het aangezicht sloeg, Hem te gelijk eene les van
welvoegelijkheid gevende, ook toen sprak Jesus, omdat Hij een
antwoord verschuldigd was tot zijne rechtvaardiging, want het
vermoeden, dat Hij onbetamelijk tegen den Hoogepriester ge-
sproken had, mocht niet blijven bestaan noch in de meening
van zijne rechters of van zijne beulen noch in de geschiedenis
van zijn lijden; toen sprak Hij ook te onzer onderrichting en
ter beschaming van zijne vijanden.
Daarentegen: toen Schriftgeleerden en andere Oversten der
Joden, ofschoon hunne woorden bij het volk voor onomstoot-
telijke waarheden golden, als slangen hunne tongen tegen Hem
scherpten, bewaarde Jesus een diep stilzwijgen, Hij die de ton-
gen der kinderen welsprekend maakt en de woorden des le-
vens heeft, aan Wiens Wijsheid ook al zijne vijanden geen weer-
stand konden bieden; toen de Hoogepriester Hem vroeg:
„antwoordt Gij niets op hetgeen dezer, tegen U getuigen,"
zweeg Jesus en antwoordde niet; toen de romeinsche Landvoogd,
om Hem eene geschikte gelegenheid ter zelfverdediging aan te
bieden, zeide: „zie eens, van hoevele dingen zij U beschuldigen",
antwoordde Jesus niets, zóódat Pilatus zich verwonderde; toen
Jesus door Herodes ondervraagd en door de Joodsche O ver-
sten valschelijk aangeklaagd werd, opende Hij zijnen mond
-ocr page 467-
451
ONZKN HKKR JKSIIS CHRISTUS.
niet tot eenig antwoord. Bij al die gelegenheden, al werd Hij i Pe. II, 23
gescholden, wilde Hij niet weder schelden; al leed Hij, dreigde
Hij niet, maar gaf Zich over aan die Hem onrechtvaardig
oordeelden.
Rijk aan treffende en veelzijdige leeringen is dit
zwijgen van ons goddelijk Voorbeeld. Wij stippen alleen de
belangrijkste daarvan aan.
Jesus\' zwijgen was in de eerste plaats eene boete voor de
verontschuldigingen, welke wij ten onrechte inbrengen, en voor
onze overtredingen, welke wij door te spreken bedrijven. Jesus
behoefde Zich niet te verdedigen: in zijn mond was geen be-
drog gevonden, en niemand kon Hem van zonde overtuigen.
Aan Hem zou ook eens eene schitterende en eeuwige rechtvaar-
diging gegeven worden voor Hemel en voor aarde. Doch om
voor onze schuld te lijden, liet Hij zich voor zijne rechters de
houding welgevallen van een zondaar, die met eene overgroote
schuld beladen was, en Zich van allerlei misdaden aanklagen,
omdat wij zoo onnoemelijk veel met onze tong misdoen. Of
hebben wij niet gezondigd door onnutte woorden, door een
morrend klagen in tegenspoed, door misdadige verontschuldi-
gingen in de biecht, als wij onze overtredingen aan een toeval,
aan verrassende omstandigheden, aan den duivel alleen toe-
schreven, misschien zelfs God daarvoor in zekere mate aan-
sprakelijk stelden? Bezwaren ons niet die eerrooverij door kwaad-
spreken of lastertaal, die uitingen van toorn, van verachting
afgunst en leedvermaak, van oorblazerij of van laaghartige vleierij
— alle zonden tegen de liefde des naasten bedreven ? Daarvoor
boette Jesus door zijn stilzwijgen bij het aanhooren van de
gruwelijkste lasteringen, want aller zonden had Hij op Zich
genomen en wilde onder de boosdoeners gerekend worden,
omdat Hij de misdaden van allen droeg. Verder was Jesus\'
-ocr page 468-
458                                            HET LIJDEN EN STERVEN\' VAN
stilzwijgen een voorbeeld van diepe vernedering. Nooit werd
e ene hoogere waardigheid, eene heiligere onschuld zoo be-
leedigend gehoond en zoo smaadvol belasterd als die van onzen
Heer Jesus Christus. Hij was de eeuwige Zoon des Vaders,
de Schepper van allen, de Rechter van levenden en dooden;
Jesus had derhalve het volste recht, toen Hij in die drievou-
dige waardigheid verguisd werd, om de strengste genoegdoening
voor die beleedigingen te eischen; maar Hij verkoos een ne-
derig zwijgen en een geduldig lijden, om ons te leeren, hoe
wij ons in dergelijke omstandigheden te gedragen hebben.
Waarlijk, wij zouden over valsche beschuldigingen en zelfs over
een veroordeelend afkeuren der menschen ons al zeer weinig
verontrusten, als wij van de overtuiging doordrongen waren,
dat elke ongerechtigheid met geduld geleden voor den rech-
terstoel van God eene bron van geluk en van glorie zal wor-
den. Eindelijk was Jesus\' zwijgen een voorbeeld van zacht-
moedigheid.
Wie ooit versmadigingen heeft moeten ondervinden,
weet hoe licht het hart des menschen tot gramschap geneigd
is en hoe gaarne het zich wreken zou. Bij Jesus vinden wij
van dat alles niet het minste spoor. Wel voelt Hij in zijn
hart het grievende der verguizingen, maar Hij offert die zie-
lesmart met eene alles overtreffende Liefde voor ons arme zon-
daars op aan den hemelschen Vader, die Hem gezonden had
om zielen zalig te maken. Aldus houdt Hij in zijn voorbeeld
ons ter navolging voor, wat Hij vroeger in woorden ons gezegd
Math.XI. 29. hacL\' leert van Mij, dat Ik zachtmoedig en ootmoedig van harte
ben.
Hoe verre zijn zij van dat voorbeeld verwijderd, die tel-
kenmale in toornige woorden losbarsten, als een minder aan.
genaam woord hun toegevoegd wordt, als eene of andere han-
deling voor hunne eer beleedigend schijnt. Dan wordt zoo ras
-ocr page 469-
4.V.I
ONZKX HEEB JI.SUS Clillisrus.
aan lage driften de vrije teugel gelaten en — wat aanelkrede-
Hjk mensch onbegrijpelijk moet voorkomen — wat wij van
anderen niet willen verdragen, hetzelfde doen wij alsdan ande-
ren aan; wij achten ons beleedigd en ontzien ons niet den
evenmensen metterdaad te beleedigen; onze waardigheid of eer
meenen wij gekrenkt en toornen daarover, maar tegelijk ver-
lagen wij ons zelven en vergeten alle betamelijkheid door granv
storig te worden. Komt hier de spreuk niet te pas: meet met
dezelfde maat uit, waarmede gij luilt, dat u toegemeten worde;
en ook deze: doet aan anderen, wat gij wilt, dat anderen aan
u doen?
Verlangen wij door anderen met voorkomendheid en
op liefdevolle wijze behandeld te worden, laten wij zelven dan
onze ziel in lijdzaamheid bezitten, en een ieder zal eerbied voor
onze deugd hebben en zich ontzien ons te krenken hetzij in woor-
den hetzij door daden. Geen beter middel is er om harten te
veroveren en de liefde van allen te winnen dan de geduldige
zachtmoedigheid van Jesus ook onder de smadelijkste beschim-
pingen na te volgen.
-ocr page 470-
Hoofdstuk IY.
Jesus wordt door Herodes bespot en naar
Ir\'ilatus terug gezonden.
Herodes had begeerd Jesus te zien, niet met eene prijzens-
waardige bedoeling, zooals Maria Magdalena, om door een
boetvaardig berouw de vergiftenis van zijne vele en zware zon-
den van Hem af te smeeken, maar om zijne nieuwsgierigheid
te bevredigen en misschien ook om zijn twijfel omtrent den
persoon van Jesus, het gevolg van eigen kwaad geweten over
den moord aan den h. Joannes den Dooper gepleegd, te doen
ophouden. Het zien van Jesus bleef dan ook voor hem vruchte-
loos en maakte hem niet tot een bekeerling; wel werd zijne
begeerte vervuld en kon hij zich verblijden in het aanschou-
wen van Jesus, maar die blijdschap miste alle zedelijke waarde
voor God, omdat zij voortkwam uit het voldaan worden van
eene ijdele nieuwsgierigheid en hem niet, evenals Zacheus,
aanspoorde om het gedane orrecht goed te maken en zijn
berouw door werken van liefde te betoonen. Hij ondervroeg
ook den Zaligmaker met vele woorden, maar Jesus, die het
booze hart van den trotschen wreedaard en vuigen wellusteling
doorschouwde, zweeg op al die vragen, omdat Hij in diens
-ocr page 471-
HET M.1DFN F.N STERVEN VAN ONZEN HEEK JESlIS CHRISTUS.             4(il
hart geene liefde voor deugd en waarheid ontdekte, zelfs geen
geloof aan God en aan de eeuwigheid zag. Herodes bedelde
om een wonder te zien, en Jesus gaf hem geen ander teeken
te bewonderen dan van een nederig en lijdzaam zwijgen te mid-
den van de lasterlijkste aantijgingen, maar de overweldigende
kracht en de diepe beteekenis van dat schitterend wonder ble-
ven voor dien dwaas verborgen.
Het bevreemdt ons dan ook geenszins, dat Herodes zich be-
schaamd gevoelde door de waardige houding van Jesus, diep
vernederd ook voor zijne hovelingen, van wie hij gewoon was
niets anders te hooren dan laffe vleitaal, die hem zelfs afgodi-
sche eer bewezen; dat hij zich machteloos gevoelde tegenover
den geboeiden Jesus en barstte van spijt, nu zijn hoogmoed
gekwetst was. Doch hij zou zich wreken en wel op de laag-
hartigste wijze; hij meent veracht te zijn en zal smaad met
smaad vergelden. Het beteekenisvolle zwijgen van Jesus had
de bewondering opgewekt van Pilatus, die nog wel een Heiden
was; datzelfde zwijgen wekte de woede op van Herodes, die
voor een geloovigen Jood wilde doorgaan, maar een trotschaard
was en zijn hoogste genot vond in loftuitingen teaanhooren en
eerbewijzingen te ontvangen. Herodes had aan Jesus geen enkel
woord kunnen ontlokken van dankbaarheid voor de diensten,
welke hij Hem aanbood, van bede om van het gevaar des
doods bevrijd te worden, van zelfsverdediging tegen zware be-
schuldigingen, ook geen enkel blijk van goeden wil om aan
zijne verlangens te gemoet te komen. Zulk eene wijze van
handelen — meende hij — kon haren grond niet hebben in men-
schelijke wijsheid — en daarin had hij recht — maar volgens zijne
valsche meening in dwaasheid en onverstand; hij zal dan Jesus
bespotten als een onmachtige, omdat Hij geen wonder doet;
-ocr page 472-
468
HET LIJDEN EX STERVEN VAN\'
als een onwetende, omdat Hij niet antwoordde; als een lafhar-
tige, omdat Hij Zich niet verdedigde.
— Herodes\' handelwijze moet wijsheid der wereld heeten, welk e
de Wijsheid Gods dwaasheid durft noemen; maar van zulk een
waanwijze heeft God gezegd : Ik zal de wijsheid der wijzen
I Cok. i, 19. vernietigen en het verstand der verstandigen zal Ik verwerpen.
Herodes mag het diepzinnig zwijgen voor domheid houden,
dat geduld voor ongevoeligheid, die schijnbare werkeloos-
heid voor onmacht; eens, maar dan waarschijnlijk tot zijn
schrik, zal hij moeten aanschouwen, dat aan Jesus alle
macht in den Hemel en op aarde gegeven is, dat Hij met den
adem zijns monds de goddeloozen verplettert. Gelukkig daar-
entegen zij, die Jesus in zijne diepste vernedering nog als hun-
nen God erkennen en door woord en daad belijden; zij zullen,
al worden zij door eene wufte en lichtzinnige wereld als dwa-
zen gescholden, Hem als Rechter niet behoeven te vreezen;
hunne onmacht voor de wereld zal machtig blijken te zijn
voor God, hunne vermeende dwaasheid ware wijsheid, hunne
schijnbare onwetendheid de echte wetenschap, welke de eeu-
wige glorie zocht en ook gevonden heeft.
LucXXIII.it Herodes met zijne krijgslieden verachtte Hem; en Hem een
wit kleed omgedaan hebbende, bespotte hij Hem.
Aldus spreekt
het Evangelie, doch treedt in geene verdere bijzonderheden
om ons te melden, waarin die bespotting en die verachting
bestond. Wie zal echter in staat zijn om de beleedigingen
en verguizingen door die twee woorden aangeduid, te be-
schrijven? Hij verachtte, hij bespotte Hem — welk eene
diepte van boosaardige vernedering aan Jesus aangedaan ligt
-ocr page 473-
ONZEN HKER JKSIS CHRISTUS.                                            4CS
in die woorden opgesloten, welk eene wraak door den gekwet-
sten hoogmoed van Herodes uitgedacht. Wie bedenkt, dat
eene ongeloovige en zedelooze hofhouding, dat verdierlijkte
menschen hier den spot drijven met den Heilige der heiligen,
kan eenigermate beseffen, hoe ondenkbaar veel Jesus in dat uur
heeft moeten lijden. Zij hadden veel van den Zaligmaker ge-
hoord en van dat alles maakten zij een voorwerp van bittere
spotternij: Jesus werd •— aldus mogen wij het ons voorstellen
— beschimpt om zijne nederige geboorte, om zijne armoede,
om zijne schamele kleeding; men verweet Hem, dat zijne Moe-
der eene vergetene vrouw was, dat Hij geene andere leerlingen
dan twaalf onwetende visschers had kunnen vinden ; zijne woor-
den werden verwrongen en zijne keringen verdraaid en zijne
wonderen nagebootst; niets werd vergeten, geheel het leven en
al het werken van den Zaligmaker in een bespottelijk daglicht
voorgesteld; vooral zijn koningschap stond ten doel aan be.
schimping en Hij, die de ware Messias van hen allen was,
werd als een zinnelooze verguisd. Dan barstten alle omstanders
in een luidruchtig lachen uit en Herodes, nu blijde dat hij
aan zijn wrok eenige voldoening kan geven, stemt met dat
hoonend schaterlachen in, en spoort bovendien zijne laffe
hovelingen, nu eens door woorden dan weder door handgeklap,
aan tot nog andere beleedigingen. Jesus laat Zich dat alles wei-
gevallen en, met de oogen neergeslagen, opent Hij zijnen mond
niet tot eenige klacht, minder nog tot eenig verwijt. De onein-
dige Liefde wil met de diepste verachting overladen worden
om te boeten voor onzen hoogmoed.
De spotlust van die wellustelingen is nog niet voldaan. Zij
kunnen den Zaligmaker ook door daden verguizen. Koningen
-ocr page 474-
«A4
HF.T IJJTIKN KX STKRVRX VAX
en bekleeders van hooge waardigheden droegen dikwijls,
ter onderscheiding van hunnen stand, witte met goud om-
zoomde kleederen, ook die naar eene of andere hooge waar-
digheid dongen, kleedden zich in zulk een gewaad; maar ook
menigmaal werden zij, die van hun verstand beroofd waren, in zulk
een kleed gestoken om hen bespottelijk te maken. Welnu, Jesus
heeft zich Koning genoemd en Zich in hun oogen als een
zinnelooze voorgedaan; daarom dan ook Hem een wit kleed
omgeslagen en Hem aldus tot een voorwerp van nieuwen
spot gemaakt. Die inval behaagde aan Herodes zóó bui-
tenmate, dat hij dien niet alleen toejuichte maar ook den
Zaligmaker met dat spotkleed omhangen door de straten
van Jerusalem naar Pilatus terug liet voeren. Daardoor moest
tevens blijken, wat die ongelukkige vorst met zijne bedorvene
vleiers van Jesus dachten: Hij scheen hun een dwaze toe, en
de eeuwige Wijsheid Gods moest, als een onnoozele uitgedoscht,
aan de algemeene bespotting worden prijsgegeven.
— Voor onze door het geloof verlichte oogen, ook volgens
Gods beschikking, heeft dat witte kleed eene geheel andere
beteekenis: het teekent ons de volmaaktheid van Jesus\' vlek-
kelooze onschuld, en het leert ons, dat wij de bloedige
voetstappen van het Lam Gods zonder smet moeten drukken
in onbevlektheid der ziel, opdat wij eens onder het zalig
getal van degenen mogen gerekend worden, van wie door
den h. Joannes in het boek der openbaring gezegd wordt:
Openb. III,4. Ztf zullen met Mij wandelen in witte kleederen; want zij zijn
het waardig. Wie overwonnen heeft, zal zóó met witte kleederen
bekleed worden, en zijnen naam zal Ik niet nitwisschen vit
het boek des levens, en Ik zal zijnen naam belijden voor mijnen
Vader en zijne Engelen.
-ocr page 475-
I6R
WX/.KS\' HKKK JKKUx onMRW.
Merken wij ook dit n".g op tot onzen troost, als wij even-
als ons goddelijk Voorbeeld om de deugd bespot worden.
De wereld is niet rechtvaardiger voor ons dan Herodes
voor Jesus was; gelijk de spotzieke viervorst den Zaligmaker,
ofschoon hij Hem van geene schuld kon overtuigen, aan de
algemeene verachting wilde prijs geven, niet minder ver-
guist de booze wereld den braven Christen, die aan God en
zijn geweten getrouw blijft. Zelfs in hare wijze van spreken
verraadt zij haren afkeer van al hetgeen goed en rechtvaardig
en zedelijk is: de misdaad wordt geprezen en de deugd belas-
terd; bij de wereld heet openbaring van geheimen beleefdheid in
den omgang, ongebondenheid is beschaafdheid in manieren, sluw-
heid geldt bij haar voor wijsheid, wraakneming wordt geroemd als
een bewijs van mannelijken moed; daarentegen wordt de wijze
voorzichtigheid der braven als lompheid gescholden, zedigheid
als onbeholpenheid bespot, godsvrucht voor veinzerij, eenvou-
digheid en waarheidsliefde voor bekrompenheid van verstand
en dwaasheid gehouden. Aldus weet de in het booze verzon-
kene wereld door allerlei drogredenen aan elke handeling die
kleur te geven, welke met hare beginselen het meeste strookt,
juist als Herodes een wit spotkleed vond om den Zaligmaker
verachtelijk te maken. Zou echter het eindoordeel eens door
den Rechter over allen te vellen ook luiden evenals dat der
wereld? Niemand die het gelooft, zelfs de diepst gevallen mensch
niet, als hij buiten het gewoel der wereld geplaatst naar de
stem van zijn geweten luistert.
Na Jesus bespot te hebben, zond Herodes Hem naar Pilatus
30
-ocr page 476-
4f.fi                                            llKT LllDKrf KV STERVF.X VAX
terug. Het witte kleed hing den Zaligmaker nog om de schou-
ders en stelde Hem aan het schaterend spotgelach eener groote
menigte bloot, welke de straten vulde of in hunne huizen Hem
zagen voorbij sleuren. Evenwel ontving Jesus in zijne diepste
vernedering nog van zijne vijanden, huns ondanks, een schit-
terend bewijs van zijne algeheele onschuld aan al de misdaden,
van welke Hij voor Herodes was beschuldigd. Door de een-
voudige terugzending van Jesus naar Pilatus, getuigde namelijk
Herodes, dat de Zaligmaker niets strafbaars in Galilëa had be-
dreven, dat ook de aanklacht, alsof Jesus door zijne leer het volk
in die landstreek zou hebben opgeruid, allen grond miste en
geene enkele reden aanbood om het rechtsgeding tegen den
beschuldigde voort te zetten; en, daar de beschuldigers aan
den Zaligmaker verweten, dat Hij in Judëa hetzelfde gedaan
had als in Galilea, was daarmede de geheele aanklacht verval-
len en Jesus opnieuw\' onder alle opzichten onschuldig verklaard.
Nog meerdere malen zullen wij dergelijke onschuldigverkla-
ring van Jesus uit den mond van zijne bitterste vijanden zelven
hooren herhalen; want God wilde, dat Jesus voor elke rechtbank
beschuldigd werd, maar Hij beschikte het ook zóó, dat zelfs
de vijanden van Jesus het „niet schuldig" moesten uitspreken.
Luc.XXlli.iï. Op dienselfde» dag werden — aldus gaat de Evangelist Lucas
verhalend voort — Herodes en Pilatus vrienden; want te vo-
ren waren zij met elkander in vijandschap.
Dit verwondert
ons geenszins. Pilatus was in groote verlegenheid, maar eene
geveinsde betuiging van achting jegens Herodes, wiens onder-
danen hij had doen vermoorden, kan hem er uit redden en
hij zond den onschuldig verklaarden Jesus naar de recht-
bank van zijn vijand; Herodes daarentegen zag in het onder-
werpen van Jesus\' rechtsgeding aan zijne uitspraak een bewijs
-ocr page 477-
ONZKS Mtkl JKsi s imristis.                                      4*57
van erkenning zijner vorstelijke bevoegdheid, beschouwde dit
als eene genoegdoening voor vroeger ontvangene beleedigingen
en, toen hij zijn toorn gewroken had op Jesus, wist hij niet
wat hij verder met Hem doen zou: — het beste, meende hij, zou
zijn om de beleefdheid van Pilatus te beantwoorden — en hij
zond Jesus naar den romeinschen Landvoogd terug. Aldus werd
de lijdende Jesus eene schijnbaar toevallige aanleiding, dat twee
gekrenkte, elkander vijandige bewindvoerders, een Jood en
een Heiden, vrienden werden, en tegelijk de speelbal van twee
booswichten, die spotten met het lijden van een onschuldige.
— Hoe dikwijls zien wij ook nu niet, dat de vriendschap
der boozen de ondergang is van de onschuld? Door we-
derzijdsche plichtplegingen en beleefdheden werden die twee
onrechtvaardige rechters vriendschappelijk gezind; doch, terwijl
beiden zich aan die netelige zaak wilden ontrekken, werkten
zij, elk op zijne wijze, samen tot den dood van den schulde-
loozen Jesus, dewijl elk van beiden Hem aan de versmading
en de foltering, ook aan den moedwil van den andere over liet,
ofschoon zij beiden zijne Onschuld betuigden en volgens hunnen
plicht Hem moesten vrij laten. Reeds de eerste Christenen
gaven aan hunne verontwaardiging over zulk eene snoode
onrechtvaardigheid lucht, toen zij later, God een dankgebed toe-
zingende over de bevrijding der Apostelen, uitriepen: waarom Hanoi.IV,25
hebben de Heidenen gewoed en de volkeren ijdele dingen verzon-
nen 1 De koningen der aarde zijn opgestaan en de vorsten zijn
bijeengekomen tegen den Heer en tegen zijnen Gezalfde. Want
in waarheid zijn in deze stad legen uwen heiligen dienstknecht
Jesus, dien Gij gezalfd hebt, bijeengekomen Herodes en Pontius
Pilatus met de Heidenen en de volkeren Israels, om te doen
-ocr page 478-
4IS8
MVT I.IWKX KX STMVfcH VAN
wat uwe hand en uw raadsbesluit bepaald hadden, dat ge-
schieden zou.
Het aanknoopen van vriendschapsbetrekking met Herodes
woog in geenen deele op tegen de bittere teleurstelling, welke
Pilatus ondervond, toen de Zaligmaker opnieuw voor zijnen
rechterstoel gebracht werd. Hij had gehoopt en ook verwacht,
dat Herodes dit zoo moeilijk rechtsgeding ten einde zou bren-
gen door den beschuldigden Jesus of vrij te laten ofteveroor-
deelen. Daar echter Herodes den Zaligmaker wel bespot maar
niet veroordeeld terugzond, werd de Landvoogd gedwongen om
zich met die rechtzaak wederom bezig te houden, waarvan
hij zich zoo gaarne bevrijd had. Ook trokken Jesus\' onver-
biddelijke vijanden, de Oversten van het volk, al weder naar
het rechthuis op, altijd blakende van woede tegen hunnenMessias.
Wat zou Pilatus doen ? Den Zaligmaker ter dood uitleveren ver-
bood hem zijn geweten; Hem loslaten durfde hij niet uit vrees
voor de Joden. Het schijnt, dat hij voor \'t oogenblik een man-
l.uc.XXUI,X3. moedig besluit nam. Hij riep de Opperpriesters en de Oversten
en het volk te zanten
en gaf hun een kort overzicht van hetgeen
tot dusverre besproken en verhandeld was omtrent Jesus.
„Gij hebt — zeide hij tot hen —dezen mensch tot mij gebracht
„als eenen, die het volk verleidt. En zie, ik heb Hem
eerst
„afzonderlijk, toen ik Hem bij mij in de rechtzaal liet komen,
„vervolgens in uwe tegenwoordigheid, toen He Hem naar buiten
„had laten brengen, ondervraagd, en vond in dezen mensch
„geene schuld aan de dingen, waarvan gij Hem beticht. Maar
„ook Herodes niet; want ik heb 11
met den beschuldigde tot hem
gezonden, en zie, er is niets door Hem bedreven, dat den dood
-ocr page 479-
OXZCX HEER JES1 S CHRISTUS.
469
„verdient, anders zou die vorst Hem niet zóó terug gezonden
„maar ter dood veroordeeld hebben."
Wij juichen die moedige taal des Landvoogds zeker van
harte toe en zijn hem dankbaar voor deze hvcede onvoorwaar-
delijke verklaring van Jesus\' volkomene onschuld. Doch —
wie zou het uit den mond van een rechter kunnen verwachten
— die vrijspraak van elke misdaad wordt gevolgd, niet door:
„ik zal Hem dus de vrijheid teruggeven en zijn leven en zijne
„veiligheid weten te beschermen" maar door dit alleronrecht-
vaardigst besluit: ik zal Hem dan kastijden d. i. geeselen
en dan loslaten. Wij gloeien van verontwaardiging, als een
rechter zijne openlijke betuiging van de algeheele onschuld
des aangeklaagden besluit met het vonnis Hem te doen gee-
selen? Wat heeft Jesus dan misdaan, waardoor Hij die gruw-
zame en vernederende straf verdiend heeft? Tot tweemaal toe
heeft Pilatus verklaard, dat er gcene schuld in Jesns is — en toch
laten geeselen? „Wees het — roept een godvruchtig schrijver
den rechter toe — „met u zelven eens, Pilatus! Zoo Christus
„onschuldig is, waarom spreekt gij Hem niet vrij? Zoo gij
„meent, dat Hij gegeeseld moet worden, waarom noemt gij
„Hem dan onschuldig?" Tot zulk eene diepte van laagheid
doet de rampzalige menschenvrees den laffen dienaar van
eens anderen grillen vervallen; hij kent zijnen plicht en durft
dien niet vervullen; hij veroordeelt het kwade en bedrijft het
om wille van anderen; hij erkent de onschuld van zijnen even-
mensch en, ofschoon schoorvoetend, vervolgt hij hem om an-
deren niet te mishagen. Zoo handelen alle bloohartigen, die
liever hunne eer wegwerpen en hun geweten bezoedelen dan
de gunst van anderen verliezen. Even diep viel ook Pilatus.
De uitvoering echter van zijn even wreed als onrechtvaardig
-ocr page 480-
►70
II KT U.IIIF.X KN STEKTEN VAX
vonnis bleef nog eenigen tijd uitgesteld om redenen, welke wij
in het volgende hoofdstuk bespreken.
— Wij hebben eerst nog den plicht van hartelijke dankzeg-
ging te vervullen aan onzen goddelijken Zaligmaker voor zijn
voorbeeld van vrijwillige vernedering en voor de pijnlijkste
boete, welke Hij ter voldoening voor onzen hoogmoed op Zich
genomen heeft. Niets was voor ons dringender noodzakelijk.
Ecci.. X, 15,7. /-/c( begin van alle zonden is de hoovaardij; wie zich aan haar
overgeeft, zal zich aan vele gruwelen schuldig maken, en zij
zal hem eindelijk ten gronde richten.
Geen wonder dan ook,
dat zij bij God en de mensehen gehaat is. De eerste zonde
werd bedreven, toen Luciter aan God gelijk wilde wezen en zijn
troon opslaan boven dien van zijnen Schepper; de eerste zonde
werd op aarde bedreven, toen Eva naar de verleidelijke in-
blazing van den door hoogmoed gevallen satan luisterde: „gij
„zult gelijk goden zijn." Sinds dien dag van jammer is de
hoovaardij des levens te zamen met de begeerlijkheid des
vleesches de grootste zedelijke kwaal van alle tijden. Door
die zonde ook is de dood in de wereld gekomen en met den
dood tijdelijke en eeuwige rampen. Daarom wilde Jesus zoo
onnoemelijk veel lijden in zijne eer en goeden naam, zoo sma-
delijk gehoond en verguisd worden, om te boeten voor den
hoogmoed der menschen en hun de deugd van nederigheid
te leeren. God wilde in Christus Jesus alles herstellen; daarom
moest onze Zaligmaker zelf de verworpeling der mer.schen
worden om hen op te richten uit die peillooze diepte van zede-
lijke bedorvenheid, waarin zij verz-onken waren. Doch geen
her.uel is voor den gevallen mensch mogelijk, als hij zich niet
vernedert onder de machtige hand v.n God. De nederigheid
is de moeder van alle deugden evenals de hoogmoed de va-
-ocr page 481-
471
ONZEN HEER JKSl.s CHRISTUS.
der is van alle ondeugden. Een trotschaard beoefent niet de
deugd van geduld, is niet zachtmoedig, kent geene toewijding,
verbreekt den gemeenschappelijken band der liefde, hoopt niet,
omdat hij in zich zelven alles meent te vinden, en veracht een
kinderlijk, eenvoudig geloof; genaden ontvangt hij weinig, om-
dat God aan de hoogmoedigen weerstaat; verdiensten voor den
Hemel vergadert hij niet, omdat hij zijn loon bij de menschen
zoekt. Het heerlijk deel van den nederige is juist het tegen-
overgestelde: vriend van God, wordt hij met allerlei gunsten
overladen, loopt den weg van Gods geboden met reuzen-schre-
den af en, al gaat hij soms weenende langs moeielijke paden,
met vreugdegejuich bereikt hij den eindpaal zijns levens, een
rijken schat van verdiensten mededragende, Wie een enkel
oogenblik aan die waarheden zijne aandacht wil schenken, be-
grijpt de dringende vermaning van Jesus: leert van Mij, dat math. XI, 2.
Ik nederig van harte ben: hij bevat ook den diepen zin van
dit andere woord van Hem, waardoor Hij het noodzakelijke
der ootmoedigheid in een veelbeteekenend beeld ons voorhoudt:
Ik leeg 11, tenzij gij u bekeert en wordt als de kinderen, die van mat.xxviu,3
geen rang of eerzucht weten maar eenvoudig en nederig zijn,
zult gij niet ingaan in het Rijk der Hemelen. Verwonderen
wij ons over die uitspraak niet. Zonder deugd is de Hemel
onbereikbaar, maar ook zonder nederigheid is geene ware deugd
mogelijk. Verheven is het geloof, maar is de nederigheid de be-
geleidster daarvan niet, dan zal het geen enkel oogenblik beveiligd
voor afdwaling wezen; troostvol is de hoop, maar bij het gemis van
nederigheid zal zij ontaarden of in een vermetel vertrouwen of
in wanhoop; kostbaar in Gods oogen is de liefde, maar zonder
nederigheid is zij verwaten, stoot den evennaaste af en werkt
niets ten goede; verdienstvol is een aandachtig gebed, maar als
-ocr page 482-
472            «FT MJBF.S KN STERVEN VAN ONSEN HEER JMUt CHRISTUS.
de nederigheid ontbreekt, wordt het huichelarij als dat van
den Phariseer; het schoonste sier.xad der ziel is de zuiverheid,
maar die gaat ras te loor, als zij door geene nederigheid be-
schut wordt; in één woord: elke deugd is schoon en verdiens-
telijk voor God, als zij de nederigheid tot gezellin heeft,
maar zonder deze is zij verdacht en waardeloos.
-ocr page 483-
Hoofdstuk Y.
Jesus, Barabbas en Procula.
Het woord „loslaten" zooeven doorPilatus uitgesproken, werd
misschien met eene geheime bedoeling gebezigd. Het was Paasch-
feest voor de Joden, en op een dier dagen mochten zij naar
hunne keuze de invrijheidstelling van een gevangene eischen.
Die gewoonte dagteekende van het begin der romeinsche over-
heersching; althans voor dien tijd wordt daarvan geene melding
gemaakt. Bij de Romeinen was het reeds sinds lang een ge-
bruik om op hunne hooge feestdagen aan een of anderen ge-
vangene ter eere hunner afgoden de vrijheid te geven; ook
op de geboortedagen der Keizers werd aan eenige staatsmisda-
digers kwijtschelding van straf verleend. Bij de Grieken was
dezelfde gewoonte in zwang gekomen. Dit heidensch gebruik
brachten de romeinsche overweldigers over in de door hen
onderworpene gewesten, om zich zelven den schijn van groot-
moedigheid te geven en den overwonnenen voor het werkelijk
verlies hunner vrijheid eenigermate schadeloos te stellen door
hun eene schaduw van machtsbevoegdheid in te willigen. Bij
de Joden hadden zij daarvoor het hoogste feest, het Paasch-
feest aangewezen, waarschijnlijk om, volgens hunne sluwe staat-
-ocr page 484-
tTJ                                             IIK.I MJDRN EN STERVEN VAN
kunde, hen de herinnering te doen vieren van hunne be-
vrijding uit de Egyptische slavernij, waarvan het Paschen tel-
ken jare de gedachtenis verlevendigde, en zoo hunnen nationa-
len trots te streelen. Op dat gebruik scheen Pilatus te doelen,
toen hij van het loslaten des Zaligmakers sprak; maar om
toch aan de Joden nog eenigszins ter wille te zijn, zou hij
Jesus eerst laten geeselen en door zijn Bloed den dorst van
Makc. XV 8. diens vijanden naar wraak trachten te lesschen. Als dan de
schare opgekomen was en begon te etsenen hetgeen Pilatus altijd
voor hen gedaan had,
was die eisch hem zeer welkom. Dat aan
de Joden toegekende recht kon — meende hij — als hij die gele-
genheid goed wist te gebruiken, een geschikt middel worden om
Jesus uit de handen der Oversten te bevrijden. Immers de overhe-
den
alleen hadden den dood van Jesus geeischt, maar de
keuze van den gevangene was aan het volk overgelaten; stelde
hij nu slechts een bij het volk gehaten booswicht tegenover
Jesus, Wien hunne Oversten uit nijd hadden overgeleverd, maar
die reeds bij herhaling en voor elke rechtbank aan elk mis-
drijf onschuldig was verklaard, dan werd zonder eenigen twijfel
door het volk, dat Jesus genegen was, de voorkeur aan den
Zaligmaker gegeven, zijne invrijheidstelling en de terechtstelling
van den andere geeischt. Aldus dacht Pilatus, maar deerlijk
zal hij te leur gesteld worden, al schijnen alle omstandigheden
gunstig voor zijne plannen te wezen.
Drie boosdoeners bevonden zich in de gevangenis, welke ter
kruisdood veroordeeld waren en op dienzelfden dag moesten
sterven. \'De misdadigste van die drie en misschien hun aan-
voerder heette Barabbas. Hij was een struikroover, een oproer-
maker en had in een opstand, waarvan wij reeds boven spraken,
een moord bedreven: misdaden, welke hem tot een voorwerp
-ocr page 485-
478
ONZEN HEER JESIS CHRISTUS.
van afschuw hij het volk gemaakt hadden, waardoor hij derhalve
aller toegenegenheid verheurd, aller haat beloopen had. Tegen-
over dien heruchten booswicht stelde Pilatus den goddelijker!
Zaligmaker, die bij het volk bekend stond als een weldoener,
die het geheele land rondgegaan was aan allen zijne weldaden
uitdeelende, die om zijne leer geëerd was als de Profeet bij
uitnemendheid, grooter dan er ooit een door God was op-
gewekt, die door zijne wonderen aller verbazing gaande ge-
maakt maar ook veler dankbaarheid en liefde gewonnen had.
Dit alles wist Pilatus en opzettelijk stelt hij het volk voor de
keuze tusschen die twee alleen, daarbij rekening houdende met
den afkeer des volks voor een roover en moordenaar en met
de genegenheid der beweldadigden voor Jesus, van welke er
nu velen te Jerusalem tegenwoordig waren. Zijne bedoeling
moge dan ook goed geweest zijn, toen hij het volk vroeg:
wiett wilt gij, dat ik u loslate1 Barabbas, of Jesus, die C/iristttsMiT.XXVii
genoemd ivordt,
„die algemeen als de Messias aangezien wordt
„maar ook daarom alleen aangeklaagd is, omdat Hij Zich als
„den Messias verklaard heeft" — toch moet zijn voorstel als
hoogst onrechtvaardig veroordeeld worden en wel om eene
tweevoudige reden.
Vooreerst plaatst hij door zijne wijze van doen den onschul-
digen Jesus op ééne lijn met een beruchten booswicht, en hield
zich alsof hij beiden, voor het uiterlijke althans, als gelijk-
staande beschouwde. Grievender beleediging kon aan Jesus
niet aangedaan worden. Veronderstellen wij voor een oogeiv
blik, dat Barabbas een rechtschapen mensch, een hei\'i ; man
geweest ware, ook dan nog mocht zijn naam, tegenowr dien
van Jesus, zelfs niet genoemd worden. Wij allen belijden, dat
Jesus het eeuwig Woord des Vaders, de in den tijd mensch
-ocr page 486-
*7«
HET MJDKX EX STEKVKX VAX
geworden Zoon Gods is, de Heilige der Heiligen, God van
alle eeuwigheid. Hij is de weg, de waarheid en het leven;
zonder zijne hulp kunnen wij niets verdienstelijks voor den
Hemel verrichten. Hij is aller Verlosser, de liefdevolle Ge-
neesheer van onze zielen, de barmhartige Vriend van alle men-
schen; Hij is de grootste Weldoener van allen en ons opperste
Goed, uit Wiens volheid wij allen alles ontvangen, genade in
dit tegenwoordige, glorie in het toekomende leven. Al spreken
wij tot lof en eer van Jesus alles wat we vermogen, het blijft
nog eindeloos ver beneden hetgeen Hij verdient; geene tong
der menschen, zelfs der Kngelen niet, is in staat om den
Zoon des Vaders en den Zaligmaker der menschen naar be-
hooren te prijzen. Wie siddert en beeft niet van verontwaardiging,
als hij die oneindige Goedheid en Heiligheid gelijk ziet gesteld
met een deugniet, met een beruchten misdadiger, die de
schrik der menschen was? Een roover op eene lijn geplaatst
met den Gever van alle goed, een moordenaar met Hem, die
het leven kwam geven aan de geheele wereld! Waarlijk, deze
beleediging overtreft nog den smaad, welken Jesus leed aan
het Kruis: toen werd Hij gerekend als te behooren onder misda-
digers, nu werd Hij met den beruchtste van allen gelijk gesteld.
Verfoeielijke ongerechtigheid der menschen, maar ook onbegrijpe-
lijke Liefde van den God-mensch, die zulk eene versmading
wilde lijden om te voldoen voor onze dwaasheid, daar wij
meenen God en zondige begeerten tegelijk te kunnen dienen.
Daarenboven laat Pilatus het geheel en al van de keuze des
volks afhangen, of Barabbas, die reeds om rechterlijk bewezen
misdaden ter dood veroordeeld is, of wel Jesus, die reeds door
een joodschen en heidenschen rechter van alle schuld is vrij-
gesproken, ter dood zal worden uitgeleverd. En toch hij alleen
-ocr page 487-
»;:
ON7.KN\' HES» JESUS CHRISTI S.
was rechter, die over schuld of onschuld moest oordeelen
en de straf bepalen, als de schuld bewezen was. Recht en
billijkheid werden alzoo op heiligschennende wijze verkracht
en overgeleverd aan de luimen van een volk, dat wispelturig
van aard en daarom gemakkelijk nu eens tot dit, dan weder
tot een ander gevoelen was over te halen. Zonderlinger en
onrechtvaardiger wijze van rechtspleging zal wel nooit gehoord
zijn. Reeds heeft de rechter tot tweemaal de onschuld des
aangeklaagden betuigd, en opnieuw roept hij de beslissing
in van de omstanders, afsof niet hij alleen het vonnis kan en
moet vellen. Zulk eene laffe daad wekt afschuw, ook al gold
zij den oneindig Heilige niet. Zelfs in de boven vermelde
gewoonte kon de onrechtvaardige rechter geene enkele ver-
dediging .van zijne lafheid vinden. Wel is het hem er om
te doen om Jesus te redden, maar het doel heiligt de midde-
len niet; wel moest hij die geringe inwilliging aan het volk
doen, dat hij, de oppermachtige stadhouder, hun de keuze liet
om de vrijheid van één gevangene te vorderen uit de velen,
welke in die dagen hunne terechtstelling moesten verwachten;
maar hij had aan hunne keuze de drie ter kruisdood veroordeelde
moordenaars kunnen voorstellen; wel eischte het Paaschfeest,
het eigenlijke verlossingsfeest der Joden, dat hun ter herinne-
ring daaraan de invrijheidstelling van een veroordeelde vergund
werd, maar daarom mocht hij den onschuldig verklaarden Jesus
niet plaatsen naast den ellendigsten booswicht. Het was ter
zijner verontschuldiging ook niet genoeg, dat hij aan de Joden
als \'t ware in den mond gaf, wien zij moesten kiezen, toen hij
hun voorstelde: Wie wilt gij, dat ik loslate, Barrabas of Jesus, Mat.XXVH.i8
die Christus genoemd wordt1} Wilt gij, dat ik u den Koning Marc XV, 9.
der Joden loslate 1 Hij was immers van Jesus\' volkomene on- J0AN- XVUI*
39.
-ocr page 488-
4,18
HKT I.I.IhKX KX STKKVKX VAX
schuld overtuigd; hij wist, dat de Oversten der Joden Hem uit
nijd hadden overgeleverd. Daarom had hij den Zaligmaker een-
voudig moeten loslaten en aan het volk de keuze laten tus-
schen boosdoeners, welke door het gerecht reeds veroordeeld
waren; dan had hij \'s lands wetten naar recht gehandhaafd
en tevens het voorrecht des volks geëerbiedigd zonder krenking
van zijn geweten.
— Maar de door satan ingegevene vrees sloot hem den
mond, toen hij ter verdediging der onschuld spreken moest.
Diezelfde duivel belet de slaven van het menschelijk opzicht
zich voor God te verklaren, ofschoon zij Hem in het geheim
des harten aanbidden; zich te verzetten tegen de zedeloosheid
of ongerechtigheid, waarvan zij getuigen zijn, ofschoon zij in-
wendig er over zuchten. De waarheid houden zij als gevangen
en maken zich door hun stilzwijgen aan een soort van ge-
loofsverzaking schuldig. Aldus wordt de deugd, zelfs door
hen die haar liefhebben, verraden en overgeleverd aan de be-
spotting van wie haar haten; aldus worden de goddeloosheid
en de losbandigheid aangemoedigd en verbreid door hen zel-
ven, die op godsdienst en zedelijkheid nog prijs stellen. Wie
zulke zwakken van hart van deze hunne voor anderen ergelijke
en voor hen zelven noodlottige kwaal wil genezen, hij valle
hen aan door hunne laaghartigheid hun duidelijk voor oogen
te stellen, opdat zij zich schamen, ook door hen met eene
heilige vrees voor een hoogeren Rechter te doordringen, opdat
zij van den verderfelijken weg terugkeeren. Niet anders han-
delde God met Pilatus om hem tot inkeer te brengen en voor
verdere en nog noodlottigere stappen op den weg van lakens-
waardige toegevendheid te behoeden.
-ocr page 489-
4 7\'.\'
OS/KS IIKKR JKSI\'X CIIK1STI \'X.
Toen Pilatus zich op den rechterstoel had neergezet en in
bange verwachting verkeerde, aan vvien der twee voorgestelden
«
door het volk de vrijheid zou gegeven worden, verschijnt er
plotseling een bode, die van wege zijne echtgenoote hem deze
waarschuwing overbrengt: „bemoei u niet met dien rechtvaar- Mat.XXVU.i9
„dtge, wacht u wel iets ten nadeele van dien onschuldige te
„doen," en om aan hare vermaning nog meer klem bij te
zetten, liet zij deze bijzonderheid er bij voegen: want ik heb
heden in een droom veel geleden om Hem.
Volgens eene geloofwaardige overlevering heette die vrouw
Claudia Procula, was met een moedig karakter toegerust en had
reeds de afgoderij afgezworen na de kennis van den waren God ge-
leerd te hebben. Zij behoorde, evenals toenmaals meerdere romein-
sche vrouwen, welke in het land van Palestina vertoefden,\' onder
de bekeerlingen tot het Jodendom. Het driejarig werken en
leeren van Jesus was voor haar niet onvruchtbaar geweest; het
had haar met eerbiedige bewondering vervuld voor den groo-
ten Profeet, voor den goddelijken Wonderdoener. En niet
alleen had zij een hoogen dunk van Jesus opgevat; zij hield
zich ook van zijne volkomene onschuld overtuigd en vreesde
niet die te verdedigen, waar het te pas kwam. Dat zij door God
op bijzondere wijze is beloond geworden voor haren ijver ge-
looven wij gaarne op het gezag van vele Kerkvaders. Men
verhaalt ook van haar dat zij, door nog meerdere ge-
naden begunstigd, na Jesus\' Verrijzenis het katholieke geloof
heeft aangenomen en in geur van heiligheid is gestorven.
Haar naam staat dan ook vermeld onder het getal der
Heiligen, welke in \'t bijzonder door de Grieksche Kerk vereerd
worden. Eenigen meenen, dat de h. Paulus van haar melding
maakt in zijn tweeden brief aan Timotheus. „De zon der
-ocr page 490-
(80
II KT I.IJUKV KN STKHVEX VAN\'
„gerechtigheid" — merkt de geleerde Origenes hierbij aan —
„werd voor den rechterstoel van Pilatus verduisterd, maar
„verlichtte door het uitgieten harer slralen in die mate de
,,vrou\\v van Pilatus, dat zij Jesus als den Zaligmaker der we-
„reld erkende en aldus de eeuwige zaligheid verworven heeft;
„Hij, die als een schuldige voor Pilatus\' rechterstoel stond,
„trof als God het gemoed der vrouw met schrik en angst,
„niet opdat Hij vrijgesproken, maar opdat zij behouden zou
„worden."
Voor Pilatus was de waarschuwing, welke zij hem deed toe-
komen, van ver uitgestrekte beteekenis en vol van leefing. Het
was, als liet zij zeggen: „laat dien mensch los, omdat zijne zaak
„zeer netelig is, liever nog: spreek Hem vrij, want ik ben
„van \'zijne onschuld overtuigd. Ik geef het u wel in bedenking.
„Velen noemen uit nijd Hem schuldig, maar zij kunnen het
„rechterlijk niet bewijzen; velen beschuldigen, de Oversten der
„Joden veroordeelen Hem, maar niemand kan Hem van eenige
„misdaad overtuigen. Laat u in deze zaak meer leiden door
„den eisch der billijkheid dan door het geschreeuw der Joden;
„laat ons liever de vriendschap van allen verbeuren, mits de
„onschuld verdedigd en het recht gehandhaafd blijve. Dat
„die Mensch rechtvaardig en derhalve onschuldig is aan alles,
„wat Hem ten laste gelegd wordt, daarvan bun ik zóó over-
„tuigd, — ik weet niet door welke droomen, welke mij dezen
„nacht met angst vervuld hebben — dat al de beschuldigingen
„door de Joden tegen Hem ingebracht, mij van het tegen-
„overgestelde niet kunnen overtuigen."
— Op eene schrikwekkende wijze was door middel van een
droomgezicht aan Claudia de afschuwelijkheid der misdaad aan-
getoond, welke tegen den Zaligmaker gesmeed werd. Van dit
-ocr page 491-
481
ONZEN HEER JESUS CHRISTl.\'S.
buitengewone voorrecht maakte zij — wij hoorden het reeds
— het beste gebruik. Geenszins als die vreesachtige karakters,
welke voor elke moeielijkheid terugschrikken, welke liever in
een laf niets-doen indommelen dan zich aan een mogelijken
ongelukkigen uitslag hunner bemoeiingen blootstellen, bleef zij
werkeloos of zweeg zij waar spreken plicht was. De achting voor
fesus drong haar om van zijne onschuld getuigenis af te leggen;
de eerbied voor Hem deed haar elke Hem aangedane belee-
diging levendig gevoelen en gaf haar het verlangen in ze alle
zoo veel mogelijk te voorkomen. De liefde voor haren echt-
genoot
liet haar geen rust; zij wilde hem, den rechter, zijne
verplichting voorhouden om geen onschuldige te veroordeelen;
zij wenschte zoo vurig hém van den weg des verderfs terug
te houden, kon het niet door hoogere beweegredenen dan ten
minste door liefde voor zijne vrouw en door vrees voor de
rampen, welke hem anders zeker zouden treffen. Het is van
het hoogste belang — dit leeren de gehuwden vooral uit het
gedrag van Claudia, — dat echtelieden elkander van het kwade
afhouden en tot het goede aanmanen, en dit te meer, omdat
zij ten allen tijde toegang tot elkander hebben, terwijl anderen
dikwijls de stem der vermanende waarheid niet kunnen doen
hooren, vooral omdat zij om hunne wederzijdsche liefde drin-
gender tot elkanders hart kunnen spreken.
Wie aan de echtgenoote van Pilatus dat droomgezicht heeft
ingegeven, daarvan melden de Evangelisten ons niets. Van
de Kerkvaders echter geven verre weg de meesten als hun ge-
voelen te kennen, dat niemand anders dan God aan de vrouw
31
-ocr page 492-
482
HFT r.IJDEN\' EN STKRVEXVAX
van Pilatus die boodschap zond, en wel met het doel om haar
de onschuld des Zaligmakers te openbaren en om den goeden
wil van Pilatus te versterken door middel der vermaningen,
welke zij aan hem moest doen toekomen. Volgens dit gevoe-
len wist zij ook, dat Jesus een rechtvaardig en heilig man,
misschien zelfs dat Hij de Zoon van God was, en dat groote
rampen de stad Jerusalem en hare inwoners boven het hoofd
hingen, omdat zij met zoo vinnigen haat den dood van hun
Verlosser eischten. Zij zou dan ook beangstigd geweest zijn, dat
haar echtgenoot, die Jesus\'rechter was, ruimschoots deelen moest
in de straffen, door welke de valsche beschuldigers bedreigd wer-
den. Vandaar hare bede: vergrijp u niet aan dien Rechh>aar-
dige;
„zorg geen deel te hebben in de veroordeeling en den
„dood van dien onschuldigen Mensch; want weet het wel,
„reeds heb ik, in den verloopen nacht, om zijnentwil, vele angs-
„ten en pijn doorgestaan door dingen, welke mij in een visioen
„getoond zijn."
Dat aan de vrouw van Pilatus en niet aan hem zelven die
verschijningen door God gegeven zijn, daarvoor vinden wij
de meest gegronde reden hierin, dat Pilatus daaraan misschien
geen geloof geslagen, of ze ten hoogste als een niets beduidenden
droom beschouwd, ze ook verzwegen, en had hij al er over-
gesproken, het joodsche volk ze toch niet geloofd zou hebben,
dewijl het zijne ingenomenheid met den Zaligmaker kende,
en \'t er voor gehouden had, dat hij ze verdichtte om Jesus
uit hunne handen te redden. Daarom ontving die goede
vrouw die openbaringen, leed daardoor veel; zij ook geloofde
daaraan en had den moed om ze te openbaren. Wij kunnen
ons verbeelden, hoe Pilatus bij het vernemen van die bood-
schap zijner echtgenoote ze niet slechts met angstige bezorgd-
-ocr page 493-
488
ONEEN HEER JESUS CHRISTUS.
heid overdacht, maar ook aan den bode èn vele vragen voor-
stelde èn menig antwoord mede gat om het aan zijne vrouw
over te brengen. Uit dat alles kon het volk opmaken, wat
er gaande was en weldra werd door de stad verspreid, wat aan
de echtgenoote van Pilatus ten voordeele van den Zaligmaker
in een visioen geopenbaard was. Dat allen daarin eene on-
wraakbare getuigenis erkennen moesten omtrent Jesus\' onschuld
uitgesproken en tevens een blaam op al diegenen geworpen,
welke Hem haatten en beschuldigden, kan voor niemand aan
eenigen twijfel onderhevig zijn.
Eenige schrijvers zijn van meening, dat het de duivel was,
die Pilatus\' vrouw door die verschijningen vrees aanjoeg om
zóó den dood des Zaligmakers te voorkomen, welke, zooals hij al
meer en meer begon in te zien, de omverwerping van zijn rijk der
duisternis zou ten gevolge hebben. Doch dit gevoelen is meer dan
onwaarschijnlijk. Wie toch kan gelooven, dat satan van den
eenen kant het sterven des Verlossers verhinderen wilde door
de vrouw van Pilatus met verschijningen te verschrikken, en
van den anderen kant de Joden aanhitste om met zoo groote
woede en met onbuigzame hardnekkigheid den dood van Jesus
van Nazareth te eischen? Had hij werkelijk Jesus\' lijden willen
doen eindigen en diens sterven willen voorkomen — wij spreken
hier natuurlijk naar de wijze der menschen — geen gereeder
en gemakkelijker middel stond hem ten dienste dan het ge-
moed der priesters tot medelijden te bewegen. Immers,
hadden de Joden hunne valsche beschuldigingen ingetrok-
ken, dan ware de geheele zaak geëindigd en de Landvoogd
had er niet verder op aangedrongen. Al nemen wij voor een
oogenblik ook het onwaarschijnlijke aan, dat die verschijningen
het werk des duivels waren, hoe dan is daarmede te rijmen
-ocr page 494-
484
HET LIJDEN EN STERVEN "VAN
de niet te loochenen omstandigheid, dat zij inderdaad tot meer-
dere eer en glorie van den Messias strekten? Jesus is ter
dood veroordeeld op eene wijze, dat allen van zijne onschuld
getuigenis aflegden, niet alleen menschen, zooals Herodes die
Hem bespotte, zooals de rechter die Hem veroordeelde, en
Pilatus\' vrouw, welke hem die boodschap zond, en de hoofdman
en soldaten, welke Hem kruisigden, maar ook de geheele na-
tuur, welke bij Jesus\' dood beroerd werd — had nu de duivel
die droomen aan Pilatus\' vrouw ingegeven, dan ook moeten
wij aannemen, dat de duivel zelf getuigd had voor Jesus\' on-
schuld. Wie dit aanneemt, geeft doorslaande bewijzen, dat hij
des duivels geaardheid niet in aanmerking neemt.
De vermaning moest wel diepen indruk op het gemoed van
Pilatus maken, dewijl zij hem door eene beminde vrouw was
voorgehouden, vooral wijl zij het gevolg was van een droom-
gezicht, waaraan vele Heidenen als aan eene uitspraak van hunne
goden gewicht hechten. Hij, de zwakke rechter, stond dan
nu tusschen twee vuren; van de eene zijde bepleitten Jesus\'
vrijspraak zijne eigene overtuiging, de dringende vermaning
van zijne vrome gemalin en de haar ingegevene onthullingen;
van de andere zijde eischten Jesus\' veroordeeling het onstui-
mig dringen der joodsche Oversten en zijne eigene laffe
vrees. Helaas! ook nu wederom zal hij bij dezen tweestrijd
in zich de stem van zijn beter geweten smoren, plicht en eer
met den voet vertreden en zich vrijwillig in het verderf storten.
Zóó zal ook in hem bewaarheid worden: een verblinde laat
zich niet door visioenen verlichten; bij goddeloozen blijven
-ocr page 495-
485
ONfEX HEER JESUS CHRISTUS.
alle vermaningen vruchteloos. Had Pilatus willen luisteren, hij
zou in den droom zijner vrouw deze aansporing Gods gehoord
hebben: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op van de dooden, en Eph,
Christus zal u verlichten.
— Merken wij ter onzer onderrichting nog dit op. Bij dit
tooneel zien wij van beide kanten verschillende invloeden, ten
goede en ten kwade, voor en tegen Jesus, werkzaam: tegen
Jesus de Oversten der Joden, het geheele Sanhedrin als de
vertegenwoordiger van het gansche volk; voor Jesus — wónder-
volle beschikking der goddelijke Voorzienigheid — de heiden-
sche Landvoogd, ofschoon zwak, en zijne vrouw maar deze
beslist en krachtig. Zou hierin ook eene voorbeduiding te
lezen zijn van de later, en door eigen schuld, gevolgde uitslui-
ting der Joden uit de Kerk van Jesus en Van de opname der
Heidenen daarin? — Ten slotte moeten wij de Liefde des Za-
ligmakers zelfs voor zondaren dankbaar bewonderen.
Waarlijk, Jesus toont in alle omstandigheden, dat Hij de
Verlosser van allen is, dat Hij de zaligheid van allen wil. Pi-
latus herinnerde Hij aan het heil zijner ziel door den droom van
diens vrouw, Judas door den kus, Petrus door het kraaien van
den haan, Herodes door een vermanend stilzwijgen, Malchus
door hem het afgeslagen oor te genezen, de Joden door zijne
wonderen, anderen door zijne weldaden, allen door de sprekendste
bewijzen zijner Godheid. Wie ook deze bladzijden moge lezen,
wanneer hij een blik op zijn afgelegde levensbaan werpen wil,hij zal
moeten bekennen, dat de mensch door God op vele en won-
derbare wijzen ter zaligheid geroepen wordt. Eeiiigen drijft God
als door geeselslagen in zijn schaapstal binnen, anderen trekt
Hij tot Zich door de zoete banden van liefde; dezen lokt Hij
door voorspoed, op anderen werkt Hij door tegenspoed; met
-ocr page 496-
486             HET LIJDEN E.N STEPTEN VAN ONZEN HEER JESl\'S CHRISTUS.
den eene handelt Hij op zachte, met den andere op krachtige
wijze. Niemand kan zoo vurig zijne zaligheid wenschen, als God
die verlangt. Om de menschen zalig te maken, is God
de Zoon zelf mensch geworden en voor allen gestorven.
Hoe zouden wij dan nog kunnen twijfelen aan de moge-
lijkheid van vergiffenis te verwerven, nadat wij gezondigd
hebben, of van het verkrijgen der noodzakelijke genaden om
niet in zonden te hervallen? Wij kunnen ook niet in dezelfde
mate ellendig zijn, als God barmhartig is. „Ja, o, mi n God! —
„roepen wij dankend uit — wij belijden het: uwe Goedheid is
„grooter dan onze boosheid zijn kan; al waren onze zonden
„vermenigvuldigd boven de zandkorrels aan het strand der
„zee, zij zullen nimmer uwe Goedertierendheid overtreffen;
P*- VI, 5. „daarom ook bid ik nu: maak mij zalig om uwe Barmhartig-
,,/ieid."
-ocr page 497-
Hoofdstuk VI.
Jesus wordt achter Barabbas gesteld.
Van het korte oponthoud, door de boodschap van Procula
aan Pilatus veroorzaakt, maakten de Oversten der Joden een
schandelijk misbruik door het volk tegen den Zaligmaker op
te hitsen en het over te halen om den dood van Jesus en de
bevrijding van Barabbas te eischen. Welke middelen ter overre-
ding zij daartoe gebruikten, staat nergens vermeld ; maar wij
zullen niet ver van de waarheid verwijderd blijven, als wij hun
de volgende woorden in den mond leggen:
„Al is Barabbas een roover en moordenaar, erger nog is het
„een godslasteraar te zijn; al heeft gene in een oproer den
„eene of andere gedood, wat is dit in vergelijking met de mis-
„daail van den tempel Gods, welke door de geheele wereld
„geëerbiedigd wordt, te willen afbreken? Daarenboven, het is
„een geringer misdrijf oneenigheid of twist te verwekken in eene
„enkele stad dan oproer te prediken in een geheel land. Zou
„Barabbas zich ook al niet verbeteren ter vergelding van de
„weldaad, welke gij hem door zijne bevrijding bewijst, dan
,,hebt gij altijd nog de macht in handen om hem naar ver-
„diensten te straffen; maar neen: gij moogt iets beters van hem
-ocr page 498-
488                                           HET LIJDEN KX STEE.VEX VAX
„verwachten; met de levendige herinnering aan den akeligen
„toestand, waaruit gij hem redt, en met innige dankbaarheid
„voor de hem bewezene gunst zal hij een gehoorzaam burger
„worden en zich nimmer meer tegen de wetten des lands noch
„tegen het recht van anderen verzetten. Doch die daar. is
„zóó ingenomen met Zich zelven dat, al bevrijdt gij Hem van
„den dood, Hij u nimmer dankbaar wezen, zóó vrij in het
„uiten van zijne meening, dat Hij altijd dezelfde blijven zal,
„gaande van stad tot vlek om overal de driften van het volk
„aan te wakkeren. Toont gij u nu medelijdend jegens Hem,
„nimmer zult gij weder in de gelegenheid wezen om zijn ver-
„derfelijken invloed te fnuiken. En meent gij dien rechter te
„kunnen vertrouwen? Met geene andere bedoeling stelt hij de
„loslating van Jesus, die Zich zelven Koning genoemd heeft en
„het volk tegen den Keizer opruide, aan u voor dan om in
„uwe keuze een bewijs te vinden, dat gij Hem tot Koning
„verlangt, en om ons tot straf daarvoor onder den hardsten
„druk der romeinsche heerschappij te doen lijden. Wantrouwt
„die twee: beiden zijn uwe geheime vijanden; beiden spannen
„samen om u alle vrijheid te ontrooven. Kiest dan, als gij
„uwen tempel, uwen God, uwe vrijheid en uwe welvaart lief
„hebt, Barabbas en niet Jesus! De eene vrij, de andere aan het
„kruis." Met dergelijke valsche voorstellingen wisten zij het
volk tegen den Zaligmaker op te zetten — het volk, dat altijd
met diepen eerbied naar Jesus\' leer geluisterd en zijne won-
derteekenen toegejuicht had, maar nu zou bewijzen, hoe ver-
anderlijk het was in zijne genegenheid en vatbaar voor alle
verkeerde indrukken. Satan heeft door den afschuwelijken
mond van de Sanhedristen een moordkreet onder die menigte
geworpen, en men kan reeds in hunne woeste blikken lezen,
-ocr page 499-
tS\'.l
.1NZKN HF.KR JhSUS CHRISTUS.
dat zij wedra met de woede der hel den kruisdood van den on-
schuldigen Jesus zullen eischen. Van de wereld is geene dank-
baarheid te verwachten. Wij zien het in de geheele lijdens-
geschiedenis van den Zaligmaker bewezen. Maar dit mag ons,
evenmin als het ons goddelijk Voorbeeld terughield, niet af-
schrikken om ook aan ondankbaren wel te doen.
Ofschoon nu nog meer dan vroeger door angst gepijnigd,
ook van wege God gewaarschuwd, alhoewel nog vuriger ver-
langende om Jesus te kunnen loslaten, kon toch Pilatus zich
niet boven zijne vrees voor de Joden verheffen. Hij verviel
in zijne vorige zwakheid en onrechtvaardigheid; voor de tweede
maal deed hij de onverstandige vraag; welke van de huee wiltMAT.XXVU,a
gij dat u losgelaten worde? Zelfs scheen hij al het gewicht van
zijn laaghartig voorstel nog niet eens te gevoelen, niet te be«-
vroeden, dat Jesus, al werd Hij door het volk bevrijd, toch
door de gelijkstelling alleen met Barabbas onteerd zou zijn, dat
Hij alsdan niet als een Onschuldige losgelaten maar als een
boosdoener begenadigd was door de vrijwillige keuze van eenige
duizenden, die uit enkel medelijden en om wille van het plech-
tig Paaschfeest Hem het leven geschonken hadden maar even
gemakkelijk zijn doodvonnis zouden hebben uitgesproken. Even-
wel was het volk in het minste niet genegen om deze geringe gunst
aan hunnen Weldoener te schenken. Het was dan ook door Gods
raadsbesluit voorbeschikt, dat Jesus aan zijn volk en aan allen,
die ooit leefden, de hoogste weldaad nog zou bewijzen door
voor alle menschen te sterven, en God liet toe, dat de Joden
hunne vrijheid misbruikten en door hun haat zich lieten ver"
blinden. Er stijgt dan ook, op de herhaalde vraag van Pilatus,
uit die menigte een algemeene moordkreet op; het woest ge?
schreeuw der gansche schare weergalmt over het plein en door de
-ocr page 500-
490                                           HET LIJDEN EX STERTEN VAN
Luc. XXWl.ig. omliggende straten: maak dezen van kant en laat ons Barab-
bas los.
—  Rampzalig volk van Israël! Het moet kiezen maar volgt
roekeloos zijne verblinde leidsmannen en stort zich in het ver-
Hand. III, i4- derf door den Heilige en den Rechtvaardige te verloochenen en
te eischen, dal een moordenaar hun geschonken werd, door den
Oorsprong des levens, te dooden.
Aldus verwerpt het zijn Koning,
zijn Messias, om straks te vorderen, dat Hij ter kruisdood uitge-
leid worde, om te wenschen, dat zijn Bloed over hen en over
hunne kinderen kome. Het zijn nu niet alleen de verbitterde
Sanhedristen, die Jesus\' dood eischen; maar het geheele volk
zelf, misleid en opgehitst door hunne Oversten, spreekt de ver-
werping van hun Messias uit. Hetzelfde volk, dat vijf dagen
geleden Jesus als hunnen Koning, als den door God gezonden
Verlosser begroette, verzaakt nu Hem, die het verloren leven
der genade komt hergeven en de verbrokene orde herstellen;
maar het zou zich daardoor ook zijn geestelijk leven ontnemen
en zijn maatschappelijk volksbestaan verwoesten. Zoo vinnig
was ook hun haat, dat zij zelfs den Christus niet met name
wilden noemen, maar Hem vol verachting slechts aanduidden
door hun godtergend woord: weg met dezen.
—  Niet alleen de stemmen van het volk van Israël schreeuw-
den om den dood des Messias; nog meer vragen de wraak -
roepende zonden van alle menschen den kruisdood van hunnen
Hkbr VI, 6. Verlosser. Zoo dikwijls toch zij, die eenmaal verlicht zijn ge-
weest en ook de hemelsche ^ave gesmaakt hebben en aan den
Heiligen Geest zijn deelachtig geworden, en ook gesmaakt heb-
ben het goede ivnord van God,
zoo dikwijls zij zijn afgevallen....
even vele malen kruisigen zij den Zoon Gods opnieuw.
Elke bekoring is eigenlijk niets anders dan eene voorge-
-ocr page 501-
491
ONZEN REER JESUS CHRfSTllS.
stelde keuze tusschen goed en kwaad, dat is: tusschen Jesus
en Barabbas; maar elke instemming in de bekoring is evenzoo
eene achterstelling van Jesus bij Barabbas — alzoo eene keuze,
waardoor boven het allerhoogste Goed aan het grootste
kwaad de voorkeur wordt gegeven, waardoor de mensch
niet minder dan de Joden zich aan de grootste dwaasheid en
te gelijk aan de zwartste ondankbaarheid tegenover Jesus schub
dig maakt. Buitensporig dwaas immers handelt hij, die zich
door Satan, zijnen grootsten vijand, laat overhalen om het zoete
juk van Jesus\' heilige wet te verwisselen voor de onteerende
dwingelandij van de laagste hartstochten, om God en den Hemel
prijs te geven voor de schande en de pijnen van de hel; ondank-
baar
ook handelt hij, die Jesus, zijn Weldoener, ofschoon deze
zelf arm is geworden om allen rijk te maken, den Gever van
alle goed, die de schatten zijner Liefde uitstort over allen,
verwerpt maar den duivel verkiest, die tijdelijke en eeuwige
rampen over het geheele menschelijke geslacht heeft gebracht. —
Verslagen en teleurgesteld hoort Pilatus die moordkreten,
welke van alle kanten opgaan. Nochtans voldoet hij niet op
staanden voet aan den eisch van de opgeruide Joden. In
weerwil van den hardnekkigen haat der Oversten, hoopt hij
altijd nog bij het lagere volk betere gevoelens te kunnen
opwekken. Ook voor eigen behoud moet hij bezorgd zijn;
de waarschuwing zijner echtgenoote: „bemoei u niet met dien
„rechtvaardige; ik heb dezen nacht veel om Hem geleden,"
staat hem altijd nog levendig voor den geest. Hij is en blijft
overtuigd van Jesus\' onschuld, maar eene laffe menschen vrees weer-
houdt hem van doortastend betoon van moed. Liever wil hij de
-ocr page 502-
493
HET LIJDEN EN STERVEN VAN
vrijheid van Jesus afbedelen dan volgens hem verleende vol-
Luc. XXin, 21 macht zelfstandig handelen. Andermaal sprak hij hun toe,
M\\rc, xv,is. ^^r h\'j Jesus wilde loslaten, wat wilt gij, dat ik doe met den
Koning der Joden,
alsof hij zeggen wilde: „laat u door ver-
,,keerde inblazingen van den rechten weg niet afbrengen noch
„door eene oogenblikkelijke drift vervoeren; zoo gij tusschen
„twee booswichten te kiezen hadt, zou uwe keuze ten gunste
„van Barabbas niets onrechtvaardigs in zich bevatten; maar
„nu leidt de bevrijding van een moordenaar tot de veroor-
„deeling van een Onschuldige, die reeds alleen daarom moest
„bevrijd worden uit de handen van uwe Oversten, omdat zij
„Hem uit nijd aan mij uitleverden."
Elke redenering is evenwel vruchteloos tegen het woest ge-
weld der hartstochten. Pilatus heeft zich beroepen op eene woe-
dende menigte, en hij ontvangt geen antwoord dan een nieu-
Mar XIV n. wen> door afschuwelijken haat ingegeven eisch: zij schreeuwden:
yix-ï.XYMW^kruisig Hem; allen zeggen: laat Hem gekruisigd worden. „Hij
„is beschuldigd van oproer; dat Hij de gewone straf voor
„oproermakers onderga." Zoo moet Jesus niet alleen ver-
worpen, ook tot de wreedste en vernederendste straf verwezen
worden. Eerst heette het „Barabbas vrij;" toen: „weg met
Hem;" nu: „kruisig Hem." Drie moordkreten, waarmede
dat rampzalig volk met klimmende woede zijnen Verlosser
tot den schandelijksten dood veroordeelt en op zich zelf
voor tijd • en — God weet het — misschier ook voor
eeuwigheid alle rampen laadt. Nog wil Pilatus zich niet
gevangen geven; nog zal hij eene welgemeende schoon zwakke
poging in \'t werk stellen om Jesus te redden: hij vraagt het
hun, met allen ernst en diep verontwaardigd over eene zoo
Luc XXHI.23. verregaande en zoo hardnekkige boosheid af: wat kwaads
-ocr page 503-
ONZE» HEER JESUS CHRISTUS.                                             493
heeft Hij dan toch gedaan! Ik vind geene doodse huid in Hem.
Zoo betuigt hij dan voor de derde maal Jesus\' onschuld, maar
— merken wij dit op — naar mate de woede des volks drei-
gender wordt, al zwakker wordt zijne verdediging, al meer
wijkt hij voor den onstuimigen aandrang van Jesus\' vijanden.
Eerst verklaarde hij: „ik vind geene schuld in Hem;" daarop:
„ik heb geene schuld in Hem gevonden aan datgene, waarvan
„gij Hem beschuldigt" — maar nu luidt het al: „ik vind geene
„doodschuld in Hem." Doch heeft de Heiligheid zelve dan
iets anders misdaan; is de onschuldige Jesus van een of an-
der misdrijf overtuigd, waarvoor Hij eene mindere straf dan
de kruisiging verdiend heeft? Wij weten het beter en Pilatus
ook. Eigenbelang, toegevendheid aan onwettige eischen, laag-
hartige vrees van de volksgunst te verliezen doen den zwakken
rechter al dieper vallen. Wat helpt het hem? Al luider
en woedender weergalmt de moordkreet. Pilatus mag zeggen:
ik zal Hem kastijden en dan loslaten, het volk is er niet door
voldaan; zelfs het woord „loslaten" doet de woede des volks
al hooger stijgen; schreeuwend en tierend gilt die onstui-
mige menigte uit, als eenig antwoord op zijn onrechtvaardig
voorstel: Kruisig Hem, kruisig Hem. Israël bereidt aldus het
kruis voor zijnen Verlosser, die niets dan goed aan zijn volk
gedaan heeft; maar wij zien ook door het afschuwelijk geweld
der hartstochten van het volk en door de verfoeilijke zwak-
heid van den rechter Jesus\' dood voorbereid en het eeuwig
raadsbesluit van God in werking gaan.
— Wij verfoeien van ganscher harte de boosheid der Jo-
den; evenwel mogen wij niet verzuimen hier wederom de
goddelijke Barmhartigheid jegens den zondaar te bewonderen.
Jesus wordt smaadvol verguisd en verworpen, maar tegelijk
-ocr page 504-
494                                           HET MJDEN RN STKRVKX VAN
wordt de verlossing van het geheele menschelijke geslacht
beslist overeenkomstig Gods beschikkingen. Zelfs voor Ba-
rabbas was het een buitengewoon groote genade, dat hij met
achterstelling van Jesus van den dood gered werd. Al deed
zijne vrijlating hem slechts de aandacht op Jesus vestigen en
al dreef eene zeer begrijpelijke nieuwsgierigheid hem slechts
naar den Calvarie-berg, om van Jesus\' sterven getuige te zijn,
ook dan nog moest alles wat hij zag en hoorde een overwel-
digenden indruk op hem maken, en meer nog dan op den
goeden moordenaar, die zich in het laatste uur bekeerde. Of
hij echter den vroegeren bondgenoot in de misdaad gevolgd
is in zijne bekeering weten wij niet.
Doch Barabbas is voor ons meer dan een enkel persoon: hij
is de vertegenwoordiger van het met zonden beladen menschelijk
geslacht. Dat mocht niet verworpen, dat moest gered worden;
daarom wilde Jesus in zijne plaats en in de plaats van alle zondaren
ter kruisdood overgeleverd worden,Jesusdie gekomen wasomallen
zalig te maken. Elke zondaar is niet minder een moordenaar
en opstandeling dan Barabbas was. Onze stamouders stonden
in het Paradijs tegen God op en berokkenden aan zich zelven en
al hunne nakomelingen — de h. Maagd alleen uitgezonderd —
den tijdelijken en den eeuwigen dood. Ook een ieder, die
doodzonde bedrijft, verzet zich tegen God en zijne wet en
scheidt zich als oproerling van de gemeenschap met God af; hij
is ook een moordenaar, niet alleen van zijn eigen zieleleven
maar dikwijls ook van dat van anderen door zijn slecht voor-
beeld en door de ergernis, welke hij geeft. Aanbidden wij hier, bij
het overdenken van die bedroevende waarheden, de oneindige
Goedheid van den beleedigden God. Voorzeker, niets ware recht*
vaardiger geweest, dan wanneer Hij den booswicht Barabbas en met
-ocr page 505-
ONZEN HEER JESUS CHRISTTS                                               495
hem eiken zondaar aan de verdiende straffen prijsgegeven en zijnen
Eeniggeboren Zoon van den gruwzamen dood des Kruises bevrijd
had. Maar neen: Jesus moet sterven om den schuldigen Barab-
bas te bevrijden; het Lam Gods geslacht worden om de zon-
den der wereld weg te nemen. O, gij Engelen des Hemels!
staat verstomd en gij, menschen ! beeft en siddert van aandoe-
ning. Een nooit gezien tafereel wordt aan uwe oogen voor-
gehouden: de met schuld beladen mensch wordt gespaard uit
Barmhartigheid en op den onschuldigen Jesus vallen al de slagen
der goddelijke Gerechtigheid; de zondaar wordt vrijgesproken,
omdat de Heilige der Heiligen is veroordeeld; de boosheid
wordt uitgewischt, omdat de Onschuld ter kruisdood zal over-
geleverd worden; hij die geestelijk dood was, zal ten leven
worden opgewekt, omdat Hij, die ons aller Leven is, sterven zal.
-ocr page 506-
Hoofdstuk VII.
Ir\'ilatus besluit Jesus te laten geeselen.
Het offer, door den romeinschen Landvoogd aan de woede
van het joodsche volk gebracht, was geenszins onbeduidend.
Ik zal Hem dan kastijden en loslaten, had Pilatus tot de Joden
gezegd en zou nu dat voornemen ten uitvoer brengen. Ofschoon
Jesus in het huis van Caiphas reeds zoo wreedaardigin het aange-
zicht geslagen, zoo schandelijk bespuwd en bespot en mishandeld,
zoo even nog door Herodes op de laaghartigste wijze beschimpt
was, durfde die onrechtvaardige rechter nog aan de Joden voor-
stellen den Zaligmaker te laten kastijden, te zullen geeselen.
Geene enkele geldige reden kon hij aanvoeren voor het recht-
matige van die strafoefening, welke even vernederend als pijn-
lijk was en volgens de van kracht zijnde wetten der Romeinen,
alleen op slaven en de grootste booswichten mocht toegepast
worden. De geheime bedoeling, waardoor Pilatus zich tot die
onrechtvaardigheid liet verleiden was — dunkt ons — deze:
hij wilde aan den haat der Joden eenige voldoening geven.
Bij de Romeinen was de geeseling in zwang of wel als een gedeelte
der doodstraf of wel als middel om eene schuldbekentenis af te
persen of als straf voor mindere misdaden. Maar Jesus als een ter
-ocr page 507-
io:
HET LIJDEN EN STERTEN TAN ONZEN HEER JESI\'S CHRISTUS.
dood veroordeelde of als een misdadiger te doen geeselen of om
Hem te dwingen schuld te belijden — geene dier redenen kon
Pilatns tot zijn laffe daad bewegen: hij had immers nog geen
vonnis over Jesus geveld, zelfs Hem onschuldig verklaard. Neen,
door die geeseling moesten de Joden bevredigd worden, en te
eerder omdat Jesus, na die vernederende strafte hebben onder-
gaan, voor altijd in de oogen des volks onteerd zou zijn en
derhalve nimmer meer naar de waardigheid van het koning-
schap zoude durven staan noch Zich eenigen aanhang kunnen
verwerven. Bovendien ware hij zelf op die wijze van dat lastig
rechtsgeding ontslagen en voor den Keizer verantwoord, als hij
nu of later door de Joden van toegevendheid voor Jesus of
van geheime verstandhouding met Hem beschuldigd werd.
Wij voor ons meenen geene andere bedoeling aan den Land-
voogd te mogen toeschrijven. Dat de stem der gerechtigheid
zich tegen dat schandelijk besluit verzette baatte niet; zij werd
gesmoord door de lage zucht naar eigen belang en door eene
verachtelijke neiging om het menschelijk opzicht te dienen.
Al bemerkte Pilatus dan ook zeer goed, dat zijn voorstel geen
gereeden ingang bij de Joden vond, wilde hij toch zijn plan
ten uitvoer leggen, hopende dat zij, Jesus gegeeseld ziende,
van gezindheid zouden veranderen.
Bij die misdadige bedoeling voegde Pilatus eene laffe vrees.
Door den onstuimigen eisch der Joden in \'t nauw gebracht,
bevreesd ook voor een oproer en beducht voor zijne persoon-
lijke veiligheid wilde hij liever eene gruweldaad plegen door
het heilig recht te schenden dan de onschuld te verdedigen
door eenig gevaar moedig onder de oogen te zien. Hij had
iets gedaan om Jesus uit de handen zijner vijanden te bevrij
den, maar niet alles wat hij doen moest; goedgunstig voor
-ocr page 508-
498                                             :iVT I.IJDEH KX STUiVEX VAX
Jesus gestemd, gedroeg hij zich te gelijk dienstvaardig tegen-
over de Joden. Ten laatste bezweek hij voor den aandrang
der boozen en, om aan kwaadwilligen niet te mishagen, pleegde
hij het schreeuwendst onrecht. Uit twee kwaden koos hij het
grootste; want het was voor hem een grootere ramp, dat hij
den Rechtvaardige liet geeselen, dan het fiere verzet tegen den
haat der Joden voor hem had kunnen worden. Vreesde hij
een oproer, hij beschikte over genoegzame krijgsmacht en ook de
verplichting rustte op hem om het te onderdrukken; vreesde
hij voor zijn leven, hij had moeten bedenken, dat het roemvol
is zijn leven te geven voor de verdediging der onschuld; dit
ware ook voordeelig voor hem geweest: dan had hij den tij-
delijken dood in dien eervollen strijd kunnen vinden maar
waarschijnlijk het eeuwig leven verworven.
Doch geene dezer redenen hield Pilatusopden weg der boos-
heid tegen. Het was de eerste zwakheid niet, waaraan hij zich
schuldig maakte; het zou ook niet de laatste zijn. Hij dacht
en hoopte, dat die ééne onrechtvaardigheid hem voor eene
tweede zou vrijwaren, en zij werd voor de wraakgierige Joden
eene aanleiding om hem tegen wil en dank op den eens be-
treden weg al verder voort te stuwen. Het volgende verloop
der lijdensgeschiedenis zal dit duidelijk aantoonen. Intusschen
meende de onrechtvaardige Landvoogd — zoo mogen wij het
ons voorstellen — zich bij den Zaligmaker te moeten veront-
schuldigen. Hij begaf zich met Jesus in den voorhof van het
rechthuis en, waarschijnlijk zich beklagende over den wreeden
aard en de hardnekkigheid van het joodsche volk, dat hem nood-
zaakte lot eene misdaad, welke hij zelf verfoeide, zal hij —
dunkt ons — den Zaligmaker in dezer voege hebben toegespro*
ken: „Gij hebt de woede van het volk opgemerkt en ook de
-ocr page 509-
ÖV7FV IIKFR JKSl\'S (\'HRTSTrS.                                              4ö{)
„middelen, welke ik aanwendde om U te bevrijden. Ik zie
„duidelijk in, dat de tegen U opgewekte storm het gevolg
„is van haat en van boosheid; maar wie kan een woedend volk
„tegenhouden of doen luisteren naar de stem der rede? Het
„is noodzakelijk, dat Gij eenig kwaad lijdt, om een grooter te
„ontkomen. Reeds stelde ik mij aan een groot gevaar bloot
„door U te verdedigen; wilde ik nog verder U de hand boven
„het hoofd houden; dan stortte ik mij zelven en misschien het
„geheele wingewest in het verderf; en wildet Gij aan elke kastij-
„ding ontsnappen, gij zoudt uw leven verliezen. Slechts één
„middel blijft er over om daarvoor gevrijwaard te worden:
„met geduld moet Gij eene strafoefening ondergaan, waardoor
„uwe vijanden kunnen bevredigd worden. Dan ben ik van
„allen verderen aandrang bevrijd, en Gij hebt uw leven gespaard;
„zoo het noodig is, bereid U er op voor om gegeeseld te
„worden."
Welk ander antwoord kon de goede Jesus, altijd nederig en
zachtmoedig van harte, lijdende ook met geduld, op dat voor-
stel geven dan in de stilte zijns harten te herhalen, wat
de koninklijke Profeet zeide: „ik ben bereidvoor degeeselslagen, ps.xxx.v\\\\,is
„bereid\'voor alles in den volsten zin des woords, als Ik slechts
„lijden kan voor den ongelukkigen mensch, wien Ik zoo innig
„lief heb." Jesus weet, dat een stortvloed van slagen op Hem
zal nederkomen, dat het getal slagen naar de grootheid van het Deüt xxv
misdrijf zijn zal, derhalve zonder maat en getal, want ook
de zonden, voor welke Hij boeten wil, zijn ondenkbaar groot
en ontelbaar — en Jesus zegt; Ik ben bereid; Hij weet, dat
vele smarten den goddelooze wachten, en daar Hij voor ons ps> xxxi, n
-ocr page 510-
60Ö                                              IIF.T LIJOEN EN STF.hVF.N VA\\\'
een vloek heeft willen worden, is Hij bereid alle pijnen in
zijn lichaam te lijden in onze plaats; Hij weet, dat er geene
gezondheid in onze ziel is, dat Hij te onzer genezing over
zijn geheel lichaam moet gewond worden, en Jesus herhaalt
het: Ik ben bereid voor de geeselslai>en.
Wij behoeven niet ver de redenen te zoeken, waarom onze
Verlosser ook de geeseling als een gedeelte van zijn lijden Zich
had voorbeschikt.
Onze goddelijke Zaligmaker verklaart Zich tot het smartelijkst
en vernederendst lijden bereid, omdat Hij de onmetelijke voor-
deelen kent, welke daaruit zullen voortspruiten. Het heilige
werk van der menschen verzoening moest volgens de beschikking
van God door een overgroot lijden volbracht worden, want Jesus
wilde door een overmaat van smarten en vernedering aan de
goddelijke Rechtvaardigheid een meer dan voldoend zoenoffer
opdragen. Bovendien, daar Jesus voor elk soort van zonden op
eene geheel bijzondere wijze wilde boeten, daarom zou
Hij, door de geeseling in zijn lichaam te lijden, voldoen voor
den schuldigen opstand van ons vleesch, voor al de zonden van
zinnelijkheid en van wellust door gedachten en begeerten, door
woorden en werken bedreven. Geen beter middel ook om
den zondaar de afschuwelijkheid zijner misdaad en het lage
zijner driften aan te toonen en den afgrond van zedelijke ellende
te openbaren, waarin de onkuische zich vrijwillig nederstort,
als hij zich tot slaaf van de schandelijkste hartstochten verlaagt.
Eindelijk wilde Jesus, door die ondenkbaar groote pijnen te onder-
gaan, voor ons de genade verwerven, dat wij ons vleesch met
zijne begeerlijkheden kruisigen en eene deugd beoefenen,
welke den mensch aan Engelen gelijk maakt.
-ocr page 511-
50]
ON7.KN HEER JESUS CHRISTUS.
— Bij het overwegen van de opgenoemde redenen, waarom
Jesus wilde gegeeseld worden, moeten wij met dankbare be-
wondering uitroepen: Jesus\' Liefde is onuitputtelijk in hare
offervaardigheid; zij meent niets gedaan te hebben, zoo lang zij
niet alles gedaan heeft! Hoe treffend toch toont zich hier wederom
de Barmhartigheid des Verlossers ook met de grootste zondaars;
hoe brandend is zijne Liefde om hen uit de diepte hunner
ellende op te beuren. Doch welk een schrille tegenspraak
tusschen ons gedrag en Tesus\' voorbeeld! Hij is bereid om
alles voor ons te lijden, en wij willen zijne voetstappen niet druk*
ken, al geldt het ons eigen zieleheil. Zelfs dan zijn wij niet alleen
voor onze hoogste belangen dikwijls onverschillig, maar schijnen
ook slechts bereid te zijn om Hem te vergrammen. Als ver-
leiders ons tot ongerechtigheid uitnoodigen, zeggende: werpt Spk. I, 14.
het lot met ons; een buidel zij ons aller buidel; als brassers ons
toeroepen: komt, laten wij den wijn halen en volop ons dronken^ LVI, 12
maken; als wufte slaven van deze wereld ons willen overhalen
en zeggen; welaan dan, laat ons de tegenwoordige goederen Wijsh. II,
genieten en de schepselen gebruiken, terwijl wij nog jong zijn,
en spoedig; laat ons met kostelijlten wijn en balsem ons ver-
zadigen, en dat geen bloem des tijds ons ontga.
— in al die
tot zonde leidende omstandigheden zijn velen zoo lichtvaardig be-
reid de stem van den verzoeker te volgen. Doch als Jesus
ons toeroept: „onderhoudt mijne geboden, volgt Mij, neemt
„mijn kruis op" dan zijn wij niet bereid, en durven we zelfs
zeggen: wij bidden U, houd ons voor verontschuldigd, en gaan,
evenals de jongeling uit het Evangelie, bedroefd heen, want
het is ons zoo moeilijk om van de verbodene vermaken der we-
reld te scheiden en de strikken te ontvluchten, welke zij in
dartelen overmoed aan onze deugd spant, om de gevaren te
-ocr page 512-
:>02
HKT UIDFJI ES STERVEN VAN
ontwijken, waarin de deugd zoo dikwijls voor de verzoeking
bezwijkt.
Daarenboven hebben wij waarschijnlijk alreeds dikwijls, hetzij
door Gods genade aangespoord of door eene dringende verma-
ning van onzen Zielsbestuurder opgewekt, met den Profeet uit-
P» LVI. 8. geroepen: bereid is mijn hart, o God! mijn hart is bereid, ook
om te boeten voor onze verledene zonden; maar nauwelijks
voelen wij Gods vaderlijke hand over ons gekomen om ons in
het vuur der beproeving te louteren, en wij roepen even spoedig
met een anderen Profeet uit: uwe hand zij verre van mij, en
uwe verschrikking kome niet over mij.
Even dikwijls hebben
wij met Petrus pochend gesnoefd, wanneer wij in een nog
eenigszins verwijderd verschiet moeielijkheden zagen, welke
overwonnen moesten worden om aan onze gemaakte voorne-
Luc.XXll.33. mens getrouw te blijven: Heere! met U ben ik bereid ook in
den kerker en in den dood te gaan,
en helaas! op het woord
eener zwakke dienstmaagd, dat is: bij den eersten aanval der
bekoring of bij het gevoelen van eenige zwarigheid bezweken
wij opnieuw, vergaten onze voornemens en hervielen in onze
vorige ongerechtigheden.
Niet zóó mogen wij de belooning der deugd verwachten;
Math.vii,2i. immers, niet ieder die tot Jesuszegt: Heere, Heere! zal ingaan
in het Rijk der Hemelen, maar wie den wil doet mijns Vaders,
die in den Hemel is, hij zal ingaan in het Rijk der Hemelen.
Het baat ons niet betuigingen van liefde en van gehechtheid met
woorden te uiten, als wij ze dadelijk metterdaad tegenspreken;
het helpt ons niet, als wij rap met de tong zijn in het be-
looven, maar even traag in het volbrengen.
-ocr page 513-
503
OVZKN\' HEKU JESUS CHRISTUS.
Wij hebben getracht een blik te slaan in het gemoed van den
romeinschen Landvoogd en van den goddelijken Verlosser. Groote
God! welk een verschil tusschen den onrecht vaardigen rechter
en het onschuldig slachtoffer van diens zondige zwakheid!
Pilatus treedt het heilig recht met de voeten, hij zal on-
schuldig bloed doen vergieten om aan de wraakzucht van Jesus\'
vijanden eenige voldoening te geven; Jesus daarentegen wil
gegeeseld worden om aan Gods Rechtvaardigheid een zoenoffer
aan te bieden, en zijn heilig Bloed zal bij stroomen vloeien om
zelfs voor zijne bitterste vijanden genade en barmhartigheid te
verwerven.
Verfoeilijk in onze oogen is Pilatus om zijne vreesachtigheid,
verfoeilijker nog de Joden om hunne boosaardigheid. Zij toch
hebben door hunnen onstuimigen eisch, datjesus ter dood uitgele-
verd zou worden, denLandvoogd tot dat wanhopig besluitgedreven,
en nu zij bemerken, dat de Zaligmaker het slachtoffer van Pilatus\'
zwakheid worden zal, verheugen zij zich alreeds in het lijden,
dat over den gehaten Jesus zal nederkomen en waaronder Hij
volgens hunne meening of bezwijken of wat — indien hij blijft
leven — een voorspel wezen zal tot een vernederenden dood,
welken zij wel van den toegevenden Landvoogd zullen weten
af te dwingen. Wij zien hen dan ook, met den grijnslach van
het leedvermaak om hunne lippen, in breede rijen geschaard
voor het rechthuis — die rampzaligen, welke vroeger door den
Zaligmaker in eene heilige verontwaardiging genoemd waren
slangen-gebroed, schijnheiligen, van buiten wit gepleisterde maar
van binnen met afzichtelijk vuil gevulde graven, kinderen vjin
Profeten-moordenaars. Wij zien daar staan — de Oversten der
Joden, die anderen tot ergenis verstrekken en hen in de mis-
daad voorgaan; de Ouderlingen, die rijk aan jaren maar arm
-ocr page 514-
504                                             HET MJDEN EN STERVEN VAN
aan deugden zijn; — de Schriftgeleerden, wier namen niet in
het boek des levens staan opgeteekend, omdat zij de wet,
welke door hen gekend en aan het volk voorgehouden wordt,
zelven niet volbrengen; — de Priesters, die, door haat ver-
blind, leidsmannen van blinden zijn geworden; — de Phariseen,
die geslepene huichelaars, welke alleen op de volksgunst azen
en liever hun geweten bezoedelen dan de achting van anderen
verbeuren. Al die ellendelingen beheerschen het volk, waar-
onder het uitvaagsel der joodsche natie zich bevindt. En die
allen hijgen van verlangen om Jesus te zien geeselen en zijn
Bloed te zien stroomen, zelfs zullen zij door woorden en ge-
baren, ook door beloften de al gereedstaande beulen aansporen
om al hunne macht op Jesus te beproeven.
— Geheel andere gevoelens moeten ons bezielen, als wij de
drie aangrijpende tafereelen: Jesus ontkleed, fesus aan de kolom
gebonden, fesus gegeeseld,
zullen overwegen. Geene andere ge-
voelens mogen wij koesteren dan die van een teeder medelij-
den met den gefolterden Jesus en van eene hartelijke dank-
baarheid voor zijne onbegrensde Liefde. Vooral mogen
wij niet nalaten een vurig gebed tot Hem te richten, dat
Hij in onze harten minstens een enkele vonk van die Liefde
ontsteke, waarvan Hij brandde, toen Hij Zich door en voor
zijne schepselen liet geeselen; dat wij mogen weenen over Hem
even hartelijk als Hij voor ons zijn Bloed vergiet; dat wij
door zijn smartvol lijden tot in het diepste onzer ziel mo-
gen getroffen worden evenals Hij medelijden heeft met onze
ellende. Ook moeten wij van Hem afsmeeken die heilzame
vrees voor Gods strenge Rechtvaardigheid, welke zulk eene pijn-
lijke en vernederende voldoening voor onze zonden eischt van
-ocr page 515-
ONZEN I1KKR JESIS CHRISTUS.                                             505
het Lam zonder vlek, en vervolgens eene geduldige gelatenheid,
als wij door de hand van dien vergramden Vader met tijde-
lijke rampen gekastijd worden, terwijl wij eeuwige straffen ver-
diend hebben.
Van den anderen kant mag eene zoete hoop ons bemoedigen
bij het overdenken van Jesus\' smaad — en smartvol lijden.
Het is immers zoo troostvol te mogen denken, dat van den
schuldenaar geene afbetaling meer gevorderd zal worden, als
zijne schuld gedelgd is door een woord-getrouwen borg; dat
Gods Rechtvaardigheid niets meer van ons eischen zal,
mits wij onder de gestelde voorwaarden ons voordeel willen
doen met de voldoening, welke Jesus, voor ons lijdende, haar
aanbood. Die voldoening is ook overvloedig groot; zij over-
treft eindeloos ver alle schuld der menschen. Wij zondige en
ondankbare kinderen van een Vader, die met eene eeuwige
Liefde ons beminde, hadden gevangen genomen, gegeeseld en
bespot, ter dood veroordeeld moeten worden; maar Jesus, God
en mensch, leed wat wij verdiend hadden en delgde door een
verzoenend lijden van oneindige waarde alles wat wij aan
God verschuldigd waren. Met dankbare liefde alzoo en met
het volste vertrouwen op te zien naar den Stichter en Vol-
tooier van ons heil, naar Jesus, die het lijden en het Kruis
heeft verdragen — dit is ons aller dure plicht, vooral wan-
neer wij Hem aan den geeselpaal zien gefolterd door ondrage-
lijke smarten.
-ocr page 516-
Hoofdstuk VIII.
Jesus wordt ontkleed en aan de geesel-
kolom gebonden.
Nauwelijks had Pilatus het bevel gegeven, dat Jesus moest
gegeeseld worden, of de beulen grepen onder woest getier Heai
aan en sleurden Hem naar de plaats, welke voor het pijnigen
der booswichten bestemd was. Jesus met de woorden van
cxvili.95. den Psalmist op de lippen: booswichten wachten op Mij, om
Mij te verderven,
treedt die plaats van afgrijzen binnen, waar
Hij zoo ondenkbaar veel zal moeten lijden. De krijgsknechten
of de uitvoerders van Pilatus\' onrechtvaardig vonnis moeten Hem
naar de geeselkolom als \'t ware voortslepen, want Jesus is afgemat
van vermoeienis en bezit te nauwernood kracht genoeg om staande
te blijven. Hoe bleek Hij ook is, en al zou aan anderen zijne
wankelende houding reeds alleen medelijden inboezemen,
voor die onmenschen, welke elk zedelijk gevoel hadden uitge-
schud, voor de nijdige Joden en wreedaardige Heidenen is Hij
al dadelijk een voorwerp van bittere spotternij. Toch slaat Hij,
de barmhartige God-mensch, die gekomen is om allen zalig
te maken, een medelijdenden blik over allen, die Hem als
dolle honden omringden en zich zoo vreeselijk zullen vergrij-
-ocr page 517-
507
IIKT LIJDEN F.X STKRVEX VAN ONZEN HKBK JISIJS CIIKISTUS
pen aan de Majesteit van den mensch-geworden Zoon van God.
Zelfs vindt Hij in zijne Liefde nog kracht om tot zijn hemel-
schen Vader een gebed te richten, waarin Hij genade en er-
barming vraagt voor zijne pijnigers. Nog een oogenblik en
Jesus staat daar naakt aan de kolom gebonden, terwijl al zijne
ledematen trillen van namelooze smarten onder duizenden malen
herhaalde geeselslagen. Intusschen klonk reeds het wreede bevel,
dat Hij Zich van zijne kleederen zou ontdoen, terwijl zijne
beulen, met den spotlach om den mond, Hem alreeds dreigen
met de geesels, welke weldra op zijn onschuldig lichaam zul-
len vallen. Jesus, altijd nederig en zachtmoedig, ofschoon de
Koning des Hemels en der aarde, gehoorzaamt aan den
wil zijner beulen. Zich ontkleedende, bereidde Hij Zich voor
om de diepste vernedering met het smartelijkst lijden te onder-
gaan. Misschien liet de Zaligmaker Zich de kleederen door de
beulen van het lichaam rukken, opdat de smaad te bitterder
zou wezen, of begon Hij zelf met dat beschamend werk om
het geheel door die anderen te laten voltrekken, totdat Hij
ontbloot was.
Zoo was dan het Engel-reine lichaam van den God-mensch on-
gedekt en aan aller blikken blootgesteld; de Arke des Verbonds
was niet meer met het voorhangsel omkleed om ze voor on-
gewijde oogen te verbergen; Hij, die de schoonste der men-
schen"kinderen is, lijdt de beschaming der naaktheid om voor
ons, die het kleed der onschuld en daarmede het eeuwig leven
verloren hadden, het sieraad der genade en het gewaad der
onsterfelijkheid te verdienen. Dat zuiver en vlekkeloos reine
lichaam, dat geene zonde, zelfs geene begeerlijkheid kende,
dat door God den Heiligen Geest gevormd en door God den
-ocr page 518-
308                                            HET LIJDEN KN STERVEN VAN
Zoon aangenomen is in den zuiveren schoot van de onbe-
vlekte Maagd, was ontbloot om voor ons de genade te ver-
werven, dat wij ons lichaam met allen eerbied behandelen en
daarvan een onbesmet offer zouden maken voor God; Hij, die
de minnaar en tevens de kuische Bruidegom van reine zielen is,
Wiens schoonheid den mensch rein maakt en Wiens Majesteit
de oogen der Engelen verblindt en tot diepen eerbied dwingt,
staat blootgesteld aan de onbeschaamde blikken van spotzieke
Joden en Heidenen.
Ofschoon in geheel anderen zin dan Michol, de echtgenoote
van David, moet de geheele Kerk van Jesus met den diep-
sten eerbied zeggen, wat zij haren echtgenoot honend toe-
beet, toen deze in het gewoon linnen-gewaad van een leviet de
2K0X.VI, 20. Ark Gods vooruitging: „Wat was Isracls Koning heden vol
„qlorief Hij vertoonde zich daar voor de oogen van de slavin-
„nen zijner slaven onbekleed, in hel gewaad van de laagste
„volksklasse."
Zoo durfde zij zich uitlaten, en waarschijnlijk
zullen de omstaande Joden en de beulen Jesus even beleedigend
bespot hebben in zijne naaktheid; doch wat David aan zijne
trotsche vrouw ter hare bestraffing toevoegde, mogen wij ook
Jesus nu in den mond leggen: „Voor Jehova, voor den Heer,
„die Mij tot Koning van Israël verheven heeft, wil Ik Mij nog
„dieper vernederen en gering zijn in mijne eigene oogen. En
„die slavinnen zullen Mij daarom hooger eeren."
Ja, hooger eer,
vuriger liefde, inniger dankbaarheid wijden wij aan Jesus, dewijl
Hij om onzentwil die pijnlijke beschaming heeft willen onder-
gaan. Heerlijker ook vertoont Hij Zich nu aan onze oogen
dan op den berg Thabor, toen zijne kleederen wit waren als
sneeuw.
Waarlijk groot en eerbiedwekkend is de vernederde Jesus
-ocr page 519-
omtBM hkkr tam ciiristi s                               509
in zijne kuische naaktheid. Toen Hij daar ontbloot stond en
verachtelijk toescheen aan zijne spottende vijanden, toen isT,M
\'"\'3 "•12-
verschenen de Goedertierenheid en Menschlicvendheid van God
onzen Zaligmaker en leerde ons, dat wij, de goddeloosheid en
wereldschc begeerlijkheden verzakende, ingetogen en rechtvaardig
en godsdienstig leveti moeten in deze wereld.
Waarom anders
wilde onze goddelijke Verlosser ontkleed worden dan omdat
de kinderen van Adam beroofd waren van de genade en de
vervloeking als een kleed hadden aangetrokken, dan met het
oogmerk, dat wij allen opnieuw zouden omhangen worden met
dat schitterend bruiloftskleed, hetwelk ons in die dagen sierde,
toen de hemelsche Bruidegom zich huwde aan onze ziel, welke
Hij met eene eeuwige Liefde beminde.
Ook de hemelsche Vader wilde, dat zijn mensch-geworden
Zoon door dat pijnigend zielelijden zou gestraft worden voor
ons gebrek aan eerbaarheid. Jesus kwam af van Jericho en
viel in de handen van roovers, die Hem met wonden overdek -
ten en van alles beroofden; maar God, die door zijn Profeet
beval den naakte te kleeden, zond geen Kngel uit den Hemel
af om Jesus\' naaktheid te bedekken en Hem, zooals zijne
waardigheid het vorderde, te omhangen met een plechtgewaad,
waarop met gulden letteren geschreven staat: de Koning der Open.XIX.i6.
Koningen en Heer der Hccren. Nauwelijks was de verloren zoon,
die in ongebondenheid alles en ook zijne kleederen had ver-
kwist, onder het oog zijns vaders gekomen, en aanstonds klonk
het liefdevol bevel: breng spoedig het beste kleed; maar nu Jesus, Luc. XV, 23
de Zoon van God, die kwistig was in zijne Liefde, daar ont-
bloot stond in het midden van eene brooddronken menigte,
maakte de Vader voor Hem niet, zooals voor het eerste, zon-
dige menschenpaar, kleederen van vellen om Hem te dekken,
-ocr page 520-
510
HKT I.IJhKX EN\' STERVEN VAX
zelfs geen Engel mocht Hem, als in den hof, komen troosten,
ofschoon de schaamte Hem niet minder het bloed naar zijn
goddelijk aangezicht joeg als de angst Hem in den Hof van
Olijven water en bloed deed zweeten.
— Hoe afschuwelijk voor God moet de zonde van wei-
lust zijn, hoe diep moet de slaaf van die zonde wegzinken in
een modderpoel van zedelijke ellende, als Jesus, Wiens schaamte-
gevoel verre boven het bereik van ons begrip verheven was, Zich
zóó diep vernederd heeft, dat Hij, om den zondaar uit zijne
schandelijke zonde op te heffen, die beschaming heeft willen
lijden. Hij, de Heilige der Heiligen, de allerzuiverste Jesus,
boette toen voor alle oneerbare woorden, voor alle onzuivere
gesprekken, voor alle de zedigheid kwetsende gebaren en schan-
delijke ongebondenheden; daarom wilde Hij tot dien staat ge-
LXVIII,8. bracht worden, dat Hij met den Psalmist moest zeggen: om
uwentwil lij Je Ik smaad, dekt beschaming mijn aangezicht.
Helaas! het kwaad is geschied, de zonde is door zoo velen
bedreven; niets blijft hun, om het verledene goed te maken,
meer over dan een berouwvol smeeken tot den vernederden
Jesus om vergiffenis. Wat zij in de toekomst doen moeten,
heeft de h. Paulus ons reeds geleerd: „wercldsche begeerlijkheden
„verzaken en ingetogen leven"
of, zooals hij op eene andere
plaats zegt: „den ouden mensch ajleggen door ons vleesch met
„zijne begeerlijkheden te kruisigen en dan Jesus Christus aan-
„doen door zijne deugden na te volgen!\'\'
Dit is een beter middel
om de schande hunner naaktheid te bedekken, dan Adam in
het Paradijs te baat nam, toen hij na de zonde zich tusschen
het struikgewas verborg en in zijne beschaming naar vijgen-
bladeren greep. Mochten zij dan naar den voorhof van Pilatus\'
-ocr page 521-
Bil
0V7.KN\' HKF.K JF.SI.S CHRISTUS.
rechthuis vluchten en daar uit Jesus\' lijden leeren, wat wij allen
zonder uitzondering verzaken, wat wij allen zoeken moeten.
Vooreerst mag niemand bij dat voor alle menschen bescha-
mend tafereel tegenwoordig zijn gekleed, als de rijke vrek uit
het Evangelie, in het purper en fijn lijnwaad der zinnelijkheid.
Ook alle overdrevene zorg voor kleeding _n opschik is mins-
tens ongepast voor den Christen, te meer daar wij weten, dat
weldra de mot onder ons de legerstede en de wormen ons deksel \'s XIV, n.
zullen wezen, dat wij, misschien arm aan verdiensten, zeker
verlaten van allen en ook beroofd van alles, wat ons op aarde
dierbaar was, spoedig voor het oordeel van den eeuwig recht-
vaardigen God zullen staan Werpen we dan af al die overtollige
praal, waarmede wij ons omhangen hebben en steken we ons liever
in zak en boetekleed. Boven alles leggen we aan Jesus\' voe-
ten neder al die nietswaardige verontschuldigingen, die ijdele
uitvluchten en valsche redeneeringen, waarmede wij zoo menig-
maal onze geestelijke armoede willen bedekken. Het is te ver-
geefs,alswij daarachter voor het alziend oog van God onze schande
trachten te verbergen. Wie onzer wijs wil handelen, hij volge het
voorschrift van den grooten Apostel: verzorg uw lichaam niet Rm. XIII, 13
tot begeerlijkheid; kruisig hei met zijne begeerlijkheden. Dit is gal. V, 24.
eene der voorwaarden om eens uit den mond des Rechters te
mogen hooren: trek aan de kleederen uwer heerlijkheid.
           Is. Lil. 1.
Doch daarmede kunnen wij niet volstaan: wij moeten niet
slechts verzaken, wat ons verlaagt: wij moeten ook den Heer
Jesus aandoen door in al onze werken een nieuwen mensch te
openbaren. Arm aan geestelijke goederen zijn wij op deze
wereld gekomen, maar niet zóó zullen wij den Hemel binnen
gaan. Aan een elk, die den drempel der eeuwigheid heeft
overschreden zonder met het kleed der heiligmakende genade
-ocr page 522-
51:\'
HKT MJDF.N EN STERVEN\' VAX
Mat. XXII,12. omhangen te zijn, zal de vraag gesteld worden : hoe zijt gij
hier binnen gekomen zonder een bruiloftsklecd aan ie hebben ?
En het veroordeelend vonnis van den Koning zal dan luiden:
bindt zijne handen en voeten, en werpt hem uit in de duisternis
daar buiten, daar zat. geween zijn en geknars der tanden.
Daarom: worden wij geboren zonder verdiensten, zorgen wij
niet te sterven zonder verdiensten vergaderd te hebben. Alle
huisgenooten van God moeten in het schitterend gewaad der
genade en der glorie gehuld wezen; alle burgers van het
hemelsch Jerusalem moeten witte kleederen dragen om het
Lam zonder vlek te kunnen volgen, werwaarts het gaat. Wie
ontbloot van verdiensten is, blijft daar buiten gesloten.
Maar hoe dan moeten wij, die het eerste kleed der onschuld
verloren hebben, het terugvinden om den Hemel te kunnen
binnentreden? Geen ander middel blijft ons over dan wat de
verloren zoon in \'t werk stelde. Ook wij hebben ons van den besten
der vaderen verwijderd, zijn naar een vreemd land getrokken
en hebben daar al onze goederen door uitspatting van allerlei
aard schandelijk verkwist. Toen gold ook van ons het woord
Openb.II 1,17. van den Profeet: gij zijt een erbarmelijke en arm en blind en
naakt.
En waar hulp, waar voorlichting en een gepast kleed te
zoeken, waar dat alles te vinden? Aanhooren we wat de ontkleede
Opesb.iii,i8. Jesus ons toeroept: Tk rade u aan goud van Mij te koofien,
door het vuur beproefd, opdat gij rijk wordet en u kleedet met
witte kleederen, en de schande van uwe naaktheid niet openbaar
worde.
Aan die liefdevolle aanwijzing geven wij gehoor, als
wij den eerst afgedoolden maar later bekeerden zoon op zijne
schreden volgen. Eerst moeten wij tot het bewustzijn komen,
dat wij verre van den weg der deugd zijn afgedwaald, dan op-
staan en tot den goeden Vader, Wien wij zoo schandelijk ver-
-ocr page 523-
ÓVZEN HEER JESUS CHRISTUS.                       .\'                   518
lieten, terugkeeren, vervolgens aan zijne voeten nedervallende
onze overgroote schuld belijden en met een rouwmoedig hart
bekennen: Vader! ik heb gezondigd te^en den Hemel en tegentae. XV, 22.
U; ik ben niet waardig uw zoon genoemd te worden; maak
mij als een muer huurlingen.
En dan, — welk eene vreugde voor
den bekeerden zondaar — zal de Barmhartigheid Gods op die
berouwvolle belijdenis dadelijk antwoorden: haalt spoedig hel
eerste
(het beste) kleed en trekt het hem aan.
Laten wij ons dan tot Jesus, onze toevlucht en hoop, wenden
met deze schuldbekentenis op de lippen: tot op deze ure lijden 1 Cor. IV, 1.
wij en honger èn dorst en zijn naakt en rvorden geslagen en
zwervende dolen wij rond.
Ons vertrouwen zal niet beschaamd
worden. Hij zal eerst ons in onze ellende bedekken met die
heiligmakende genade, welke Hij door zijn lijden voor ons
verdiend heeft, dan ons voeden en laven met zijn goddelijk
Lichaam en Bloed, opdat wij versierd met zijne genade en
versterkt door eene spijze des Hemels, als eens onze aardsche
woonhut ontbonden is, een huis niet met handen gemaakt,
eene eeuwige woonstede in den Hemel mogen vinden en den
nu verheerlijkten Jesus, evenals de vier en twintig ouderlingen,
mogen toezingen met witte kleederen gekleed en gouden kronen
op \'thootd* Gij, o Heer, onze God.\' zijt waardig te ontvangen Openb. IV, 12
de heerlijkheid en de ter en de kracht.
De dienaren van Satan, aan wie in dat uur van jammer en
van verschrikking alle macht gelaten werd, bonden den godde-.
lijken Zaligmaker aan de voor eene geeseling bestemde steenen
kolom. En sterk waren — zonder twijfel — de koorden, waar-
33
-ocr page 524-
514
KKT r.IJDFX IN STF.RVhN VAN\'
mede Jesus gebonden werd; nauw werden zij ook om zijne han-
den toegehaald. Hij, die zoo vele wonderen gedaan had, — dit
vreesden die verblinden —• mocht eens van zijne Macht ge-
bruik maken en Zich aan de wreedheid zijner beulen willen
ontrukken. Dwaze inbeelding der Joden, ijdele vrees der beu-
len! Al maken zij hunne koorden sterk°r dan de zeven nog
versche pezen waren, waarmede Samson door zijne trouwelooze
vriendin werd gekneveld, zij kunnen den Almachtige niet binden,
als Hij niet wil lijden. Neen, Jesus zal niet vluchten. De banden
van zijne Liefde zijn sterker dan de boeien der wreedheid: hadden
de eerste ontbroken, niets had den God van Almacht kunnen
tegenhouden. Jesus kon ontkleed en gebonden en gegeeseld
worden, alleen omdat Hij dat alles als een gedeelte van zijn
lijden gewild had. Vele redenen dreven Hem daartoe aan;
„Jesus liet Zich binden" — leert de h. Laurentius Justini-
anus — „om aan onze overgroote ellende te gemoet te komen,
„om de eer zijns Vaders te bevorderen, om aan Gods onein-
„dige Rechtvaardigheid te voldoen en om ons zijne onein-
„dige Liefde te betoonen."
Wat leed reeds toen de goede Jesus, nog vóór het eigenlijk
begin der geeseling — hoe veel na een slapeloozen nacht,
afgemat en uitgeput door vermoeienis, door slagen en stooten,
door het onmeedoogend voortsleuren langs moeilijke wegen,
door het wreedaardig aanhalen der koorden, zóódat zij diep
in het vleesch doordrongen, door zijne naaktheid in eene koude,
welke zoo scherp was, dat Petrus ofschoon goed gekleed hui-
verde van koude en verwarming zocht bij een goed onderhou»
den vuur? Welk een zielroerend schouwspel! Jesus, de arm Gods,
de sterkte des Heeren, op Wiens schouders het gewicht des
geheelen hemels rust, Hij staat daar gebonden aan eene kolom
-ocr page 525-
:, 15
UNZfcM HKRR JKSUS CHRISTUS.
en ziet rondom Zich verspreid de akelige werktuigen zijner
aanstaande marteling. Geesels en roeden, lederen riemen, touwen
met knoopen — hoe moeten wij ze noemen: werktuigen der
menschelijke wreedheid of geneesmiddelen in de hand der
goddelijke Liefde? Onze beminde Zaligmaker laat zijne oogen
daarover heengaan, slaat zijne blikken op de rechters, dan
op de beulen en alle omstanders, eindelijk wendt Hij Zich
tot zijnen Vader, nog eens in stilte des harten zeggende:
Ik, de Zoon Gods, ben tot de geesels bereid.
Zóó bidt Jesus tot zijnen Vader; maar wie met godsdienstige
stemming eens den blik gaan laat over zijn leven en de schuil-
hoeken van zijn hart doorschouwt, vooral wie het leven der
Christenen met eenige nauwlettendheid gadeslaat, hem zal het
zeker niet bevreemden, als wij deze klachten in den mond
leggen van Jesus, die aan de kolom gebonden is in geduldige
afwachting van de geeseling, welke Hij ondergaan wil om
nieuwe weldaden aan den diep gevallen zondaar te schenken.
Die klachten worden Hem afgeperst door de ijskoude on-
gevoeligheid en zwarte ondankbaarheid zelfs van hen, die zich
zijne leerlingen noemen.
„Ik ben de eeuwige Wijsheid, en hoe weinigen raadplegen
„Mij; — de onfeilbare Waarheid, en hoe weinigen gelooven
„zóó aan mijn Woord, dat zij uit dat geloof leven; — de on-
„eindige Goedheid, en hoe weinigen beminnen Mij metter-
„daad: — de onbegrensde Barmhartigheid, en hoe weinigen
„bouwen op Mij alleen hunne hoop en verwachting; —
„de onkreukbare Rechtvaardigheid, en hoe weinigen vreezen
„Mij genoegzaam om de zonde te vermijden; — de onvergan-
,,kelijke Schoonheid, en hoe weinigen beijveren zich om Mij
„eens voor eeuwig te kunnen aanschouwen; — het ware Licht,
-ocr page 526-
51fi
HF.T TJJDF.K F.N STF.RVF.X VAX
„dat iedereen in deze wereld komende beschijnt, en hoe wei-
„nigen komen tot dat Licht, omdat hunne werken boos zijn;
„— de éénige Leidsman, de ware Weg, welke ten leven voert,
„en hoe weinigen volgen Mij om het eeuwig leven eens te
„kunnen ingaan; — de Koning der Koningen, en velen scha-
„men zich Mij te dienen; —• Ik ben bereid aan allen alles te
„geven, en velen verzuimen Mij te vragen wat hun noodig is."
— Wie onzer voelt zich, geleerd door eene treurige ondervin-
ding, niet gedrongen om die doordringende klachten van den god-
delijken Lijder te beamen? Maar dan ook ligt deze verpletterende
gevolgtrekking voor de hand. Als wij, niettegenstaande Jesus
dat alles en nog veel meer voor ons allen was en voortdurend
blijven wil, toch nog ons eeuwig geluk missen en verloren
gaan, neen, dan kunnen wij het niet wijten aan eenige tekort-
koming van Jesus\' voorkomende en helpende genade, maar
moeten het alleen wijten aan de schuldige zwakheid van onzen
eigen wil. Onze zaligheid is uit de oneindige verdiensten van
Jesus\' lijden en sterven, maar ons verderf is uit onze eigene
boosheid. En wij gaan onzen eeuwigen ondergang te gemoet,
als wij Jesus verlaten. Derhalve moet dit ons aller besluit
wezen: opdat wij niet deelgenooten worden van Lucifer, die van
God afviel en daarom tot de eeuwige straffen verwezen werd,
willen wij Jesus, den weg en de waarheid en het leven, volgen
tot aan het einde onzer dagen, zóó innig aan Hem ons ver-
binden, dat wij door niets van Hem gescheiden worden. Ge-
bonden aan Hem door de zachte boeien van eene heilige
liefde, willen wij Hem toebehooren in leven en in sterven;
zijne wet zal ons een levensregel wezen, zijn voorbeeld een
richtsnoer, zijn woord eene vraagbaak, zijn leven een toonbeeld
-ocr page 527-
BI 7
OXZKN HKER JKSUS CHRISTUS.
voor hetgeen wij doen, voor hetgeen wij laten moeten. Doch
wij zijn zwak in onze goede voornemens, wankelmoedig in onze
besluiten; eene treurige ondervinding van vele jaren heeft ons
genoegzaam overtuigd, dat wij nu eens als een zwak riet door
den wind van eer- of gemakzucht heen en weer geslingerd,
dan weder door een storm van moeielijkheden en tegenkan-
tingen ter neergeslagen worden. Daarom moeten wij ons aan
die geesel-kolom vastklemmen en op die kolom mogen wij
in onze zwakheid steunen; daarvan gaat eene goddelijke kracht
uit, welke ons in staat stelt om zelfs tegen den lastigsten vijand
onzer zaligheid den moeielijken strijd des levens zegevierend
te voeren, om eene kroon van onvergankelijke glorie te ver-
dienen. Dan ook zullen wij leven volgens de vermaning van den
Profeet des Heeren: houdt wat gij hebt, opdat niemand uwe Open». 111,12.
kroon none; wie overwint, dien zal Ik maken tot een pilaar in
den tempel van mijnen God.
—
Hetgeen de h. Paulus later in woorden uitdrukte omtrent
zijne liefde tot God: Wie zal ons dan scheiden van Christus\'\'Rom;VHI, 35.
liefde: verdrukking! of angst 1 of honger ? o f naaktheid ? of
gevaar? of zwaard? of vervolging ?
— datzelfde toont Jesus, aan
de geesel-kolom vastgebonden, in daden, welke van de hoogste
Liefde voor den mensch getuigen. De Apostel riep in de ver- ,
voering zijns harten uit: Wie zal mij scheiden van Christus\'
liefde? Jesus bewijst ons, dat niets in staat is zijne Liefde voor
den mensch, al is deze wankelmoedig in het goede en zwak
in zijne voornemens, uit te dooven, zelfs niet te verminderen.
Verdrukking en angst komen nu van alle kanten over onzen
-ocr page 528-
518
HET LIJDEN EN STERVEN VAN
Zaligmaker, maar vurig blijft Hij verlangen de pijnlijkste smar-
ten voor ons te lijden; Hij heeft veertig dagen voor ons hon"
ger en dorst geleden en ook nu is Hij uitgeput van afmatting,
maar Hij blijft dorsten en hongeren naar de zaligheid van
ons allen; beroofd van alles, ontkleed staat Hij in het midden
zijner schepselen, en ofschoon de beschaming zijn gelaat kleurt,
brandt zijn hart van eene heilige Liefde voor allen, ook zijne
vijanden niet uitgezonderd; meest allen vervolgen en verdruk\'
ken Hem, en Hij offert Zich op als slachtoffer voor de
zonden der geheele wereld; met zwaarden en stokken zijn
zijne haters uitgetrokken om Hem gevangen te nemen, en nu
zij Hem aan de kolom gebonden hebben, scherpen zij tegen
Hem nog hunne tongen als die van eene slang en adderen •
vergif is onder hunne lippen, maar Jesus wil alles zoowel in
zijne ziel als in zijn lichaam lijden, als Hij slechts den zon-
daar van het eeuwig ongeluk kan bevrijden. Kortom: niets
zal in staat zijn om Jesus\' Liefde voor den mensch te ver-
koele 1: noch boeien, noch geeselslagen, noch doornen, noch
nagels, noch kruis. Hij heeft den mensch van alle eeuwig-
heid lief gehad, Hij zal hem blijven beminnen ten einde toe,
tot in den dood des kruises.
— Kunnen wij nog sterkere bewijzen van Jesus\' Liefde v ragen
dan die vele zweetdroppelen, welke Hem de vermoeienis op
zijne verre tochten en de doodsangst in den hof en het lijden
in het rechthuis afpersten, dan de tranen, welke Hij in de kribbe
en in zijne nachtelijke gebeden, bij het graf van Lazarus en
bij de gedachte aan Jerusalems ongeluk stortte, dan het bloed,
dat vloeide reeds bij zijne besnijdenis maar bij stroomen vloeien
zal in zijne geeseling? Er is niet aan te twijfelen: de Engelen
-ocr page 529-
510
ONZEN\' HEER JESirS CHRISTUS.
en alle Heiligen beminnen God vuriger dan wij kunnen be-
seffen, maar oneindig meer bemint de goddelijke Jesus een elk
van ons, en Hij toont die Liefde daardoor, dat Hij voor ons,
toen wij no? zondaars waren,
geleden heeft en gestorven is. Maar
moeten wij dan niet van verbazing als verstommen, wanneer
wij bedenken, dat er nog zoo velen gevonden worden, die den
goeden Jesus niet wederkeerig beminnen? Waarlijk, dit moest
als het grootste wonder van ondankbaarheid door allen veraf-
schuwd worden, dat zoo velen onder de Christenen hunne liefde
niet betuigen door zich voor zijne eer en zijnen dienst op te
offeren, door te spreken voor zijne belangen, door met geduld
de kruisen te dragen, welke Hij in zijne vaderlijke Goedheid
hun overzendt, door met onvermoeide inspanning aan eigene
heiliging te arbeiden, door dagelijks in de deugd vooruit te
gaan, door al meer en meer zich gelijkvormig te maken aan
den heiligen wil van God. Wel beminnen velen met woorden
en met de tong, maar hoe weinigen met daad en in waarheid,
zóódat hun dagelijksche handel en wandel in overeenstemming
blijft met hetgeen zij in de heiligste bewoordingen uitspre-
ken? Anderen zullen goed beginnen en aanvankelijk hunne
woorden door daden betuigen; vol ijver in den beginne, ge-
dragen door de oogenblikkelijke opwekking van een gods
dienstig gevoel, meenen zij bergen van hinderpalen te kunnen
verzetten en tot alles in staat te zijn — maar ten tijde der
beproeving vallen zij af en vergeten wederom de liefde, welke
zij aan Jesus hadden toegewijd. Zij laten zich met iederen
wind van indrukken en van invloeden als onbedachtzame kin-
deren rondslingeren; boosheid der dwaling, arglistigheid der
menschen, onbestendigheid van eigen gemoed en onvastheid van
wil, al die verkeerde inwerkingen doen hen al spoedig die
-ocr page 530-
520
HET LIJDEN EN STERVEÜ VAN
vastheid verliezen der liefde, welke hun vroeger voor God tot
eere verstrekte maar weldra hunne beschaming wordt.
Joam. XV. 9. Blijft in mijne liefde — riep de Zaligmaker aan zijne
Apostelen tot afscheid toe, vóórdat Hij lijden ging. Het-
zelfde is tot ons gezegd. Niet slechts moeten wij in Jesus\'
liefde beginnen, maar blijven, maar volharden ten einde toe, even-
als ons goddelijk Voorbeeld gehoorzaam aan den wil zijns Va-
ders bleef tot aan den dood des kruises. Jesus is de wijnstok
en wij zijn de ranken; alleen zij, die met Hem, als de ranken
met den wijnstok, door een levendig geloof en werkzame liefde
vereenigd blijven, zullen van Hem alle kracht en leven ontlee-
nen en door Hem vruchten voor de eeuwigheid voortbrengen.
Daarentegen, al wie met Jesus niet door eene heilige liefde verbon-
den blijven, worden doode en onvruchtbare ranken en, alsgeene
vruchten voortbrengende, van zijne gemeenschap afgescheiden.
Of met Jesus, of tegen Jesus; of de genade en het leven en de
zaligheid, of de dood en de onvruchtbaarheid! Wie aarzelt hier
in zijne keuze? Zeker, ook wij zullen daardoor bloot staan,
evenals Jesus, aan het lijden, aan de verwoede slagen der booze
wereld en aan de tegenspraak van onze begeerlijkheid. Jesus
heeft voorspeld, dat zijne getrouwe leerlingen gehaat en ver.
volgd zullen worden, gelijk Hij zelf gehaat en vervolgd is;
dat zij onafgebroken tegen de machten der duisternis strij-
den moeten. Maar dat vooruitzicht mag ons niet afschrikken.
De Helde tot Jesus maakt elk juk licht en eiken last zoet. En
wie zou niet gaarne om Jesus eenige moeielijkheid, eenige ver-
volging willen verduren, te meer als hij daardoor aan den ge-
boeiden Jesus leniging van smarten kan aanbrengen en zich
vele verdiensten vergaderen, als hij zóó — volgens de uitdruk-
Eph. III, 1. king van den h. Paulus — de geboeide van jesus kan worden,
-ocr page 531-
ONZEN HEER JESUS CHRISTUS.                                            521
en ten laatste eene eeuwige kroon van heerlijkheid verwerven
zal volgens dit woord van onzen goddelijken Verlosser:
Gij zijt het, die Mij zijt bijgebleven in mijne beproevingen, tuc. XXII, 28.
en Ik beschik u..... dat gij in mijn Rijk eet en drinkt aan
mijne tafel en op tronen zit, oordeelende de twaalf stammen
fsraels.
-ocr page 532-
Hoofdstuk IX.
Jesus wordt gegeeseld.
De geeseling van onzen goddelijken Zaligmaker is een dier
tafereelen uit zijne lijdensgeschiedenis, hetwelk al onze aandacht
vraagt en te gelijk hoogst leerrijk is voor onze godsvrucht.
Wij zullen daarin aanschouwen een groot bloedverlies niet
slechts uit eene of andere wond, maar uit bijna even vele won-
den, als er slagen zullen vallen op het onschuldig lichaam
van den goddelijken Lijder; wij zullen daarin als een wedstrijd
zien aangegaan tusschen hetgeen de onmenschelijke wreedheid
van bloeddorstige beulen vermag en hetgeen het onuitputtelijk
geduld van Jesus wil verdragen; wij zullen daarin op vrees-
wekkende wijze aanschouwelijk zien voorgesteld èn de open-
baring van Gods Heiligheid, welke zulk een offer ter verzoening
eischt, èn de afschuwelijkheid der zonde, welke zoo zwaar ge-
boet moet worden. Nu eerst zal dan ook de voorspelling van
den Profeet ten volle in vervulling gaan, dat de Verlosser der
Js. I. 6. wereld van den zool der voeten tot aan de kruin des hoof ds
moet gewond worden, zoodat er geene gezonde plek in het
lichaam overblijft; want Jesus wilde door zijn lijden al de
wonden genezen, welke door de zonden in onze ziel geslagen
waren.
-ocr page 533-
HET LIJDEN EN STERVEN VAN ONZEN HEER JESUg CHRISTUS.             523
Terwijl Hemel en aarde, Engelen en menschen, zelts de
duivels al hunne aandacht op dat aangrijpend tafereel uit Jesus
lijden gevestigd houden en reikhalzend uitzien naar hetgeen
gebeuren zal, stamelen wij, die ook de ooggetuigen er van zul-
len zijn, eerst nog dit gebed: „Laat ons, o Jesus! uw lijden
,.met diepen eerbied vereeren, en Gij hemelsche Vader! wilt
„niet toornig worden op de menschen, nu uw goddelijke Zoon
„nameloos veel lijden en bijna sterven zal onder de handen
„van zondaren. Gij zelf toch hebt door den mond van een on-
„waardigen Hoogepriester laten voorspellen, dat het ons nuttig j
„is, dat één mensch voor het volk sterre, en niet de gchcelc natie
„ten gronde ga.
Heb dan, om wille van uwen Zoon, medelij"
„den met den zondaar en reken hem de schuld niet aan, welke
„hij aan het lijden van Jesus heeft door zijne misdaden."
Opmerkelijk kort zijn al de vier Evangelisten in het ver-
melden van Jesus\' geeseling. Pilatus nam Jesus en geeselde j0AN- xix
He?n: na Hem gegeeseld te hebben, gaf hij Hem over om ge- marc. XV,
kruisiga te worden. Dit is alles, wat zij daarover mededeelen.
Zij beschrijven die strafoefening niet, want iedereen van dien
tijd wist, wat zij in had; misschien ook was de schildering van
al de omstandigheden te pijnlijk voor hun gevoel. Wij ech-
ter moeten de geschiedenis raadplegen om des te aanschouwe.
lijker dat akelig tafereel ons voor oogen te stellen en zóó beter
te beseffen, wat Jesus voor ons geleden, hoe vurig Hij zelfs
de zondaren bemind heeft.
Door zijne soldaten, alzoo opromeinsche en niet op jood-
sche wijze liet de Landvoogd den Zaligmaker geeselen. Deze
-ocr page 534-
524
HKT LIJDEN EN STERTEN VAN
enkele omstandigheid doet ons reeds denken aan eene onmen-
schelijk wreedaardige ten uitvoerlegging van Pilatus\' schandelijk
vonnis. Volgens de latere rechtspleging der Joden werden aan
geen veroordeelde meer dan negen en dertig slagen toegediend;
2 Cor. XI,25. de h. Paulus schreef dan ook: vijfmaal heb ik van de Joden
veertig min één ontvangen.
Bij de Romeinen daarentegen was
het aantal slagen onbepaald en hing grootendeels af van de meer-
dere of mindere wreedheid der rechters en der beulen. Met Jesus
gingen de soldaten met den uitgelatensten moedwil en de groot-
ste wreedheid te werk, en legden zich er op toe Hem zoo veel
mogelijk te folteren en hun gemoed in zijn lijden te verlustigen:
en dit met stilzwijgende toestemming van den lafhartigen rech-
ter, want hoe gruwzamer Jesus gemarteld en hoe meer diens
lichaam door de geeselslagen verscheurd werd, te eerder hoopte
hij bij de Joden medelijden voor Jesus te zullen opwekken.
Dit was zeker een even onvoorzichtig als onrechtvaardig middel,
maar van een vreesachtigen rechter, als Pilatus was, kunnen wij
niets beters verwachten. Reeds eenmaal had hij zich aan die
karakterlooze halfslachtigheid schuldig gemaakt, maar door dat
laffe heulen met twee partijen was hij van kwaad tot erger
vervallen. Hij wilde Jesus niet veroordeelen en zond Hem
naar Herodes, maar werd zoo de oorzaak, dat Jesus in den
erbarmelijksten toestand door de straten van Jerusalem gesleurd
en door Herodes\' hof op de laagste wijze bespot werd; nu
durfde hij den onschuldig verklaarden Jesus niet loslaten, en
om aan vinnige vijanden voldoening te geven, laat hij een
schuldelooze geeselen.
Op welke eene mededoogenlooze wijze! Er waren bij de
Romeinen drie wijzen van geeseling gebruikelijk. De straf der
stokslagen voor gewone misdadigers; de afstraffing der slaven>
-ocr page 535-
ON\'ZEN HEER JE8US CFIRISTUS.                                              525
welke ook gebezigd werd om den vermeenden schuldige tot
bekentenis te brengen; eindelijk de geeseling, welke onmiddelijk
aan de voltrekking van het gevelde doodvonnis voorafging. Deze
laatste werd voor eene even zware straf r.ls de kruisiging ge-
houden en dikwijls zoo wreedaardig toegepast, dat de slacht-
offers niet zelden onder die marteling bezweken: de handelin-
gen der Martelaren bieden daarvan meerdere voorbeelden aan.
Het is aan geen twijfel onderhevig, dat Jesus op de laatst-
genoemde wijze gegeeseld is. V-r is ook niets tegen om
de vrome overlevering te volgen, welke vermeldt, dat onze
goddelijke Zaligmaker met verschillend marteltuig gefolterd
werd : met roeden, met buigzame en te zamen gebondene dunne
takken van boomen en met lederen riemen, aan wier uiteinden
om de smarten nog te vermeerderen en het lichaam van een te
rijten, knoopen gelegd of scherpe haken aangebracht waren.
Wat het aantal slagen betreft, welke de Zaligmaker wilde ver-
duren, daarvan is weinig met zekerheid bekend. Vele god-
vruchtige schrijvers hebben zich met die vraag bezig gehouden,
en allen komen hierin overeen, dat het getal minstens vijfdui-
zend bedroeg. Doch waarom met eene overigens prijzenswaardige
nieuwsgierigheid daarnaar onderzocht, terwijl eene alle gezag
hebbende openbaring ons ontbreekt. Wij weten ook, dat God
alles beschikt naar maat, getal en gewicht; dat Jesus, die allen Wijsm. XI,
in Liefde overtreft, alles geduldig verdroeg, dat Hij geene maat
in zijn lijden wilde kennen, geene kleingeestige berekeningen
maakte en evenmin den duur als de zwaarte van zijne pijnen
angstvallig afmat. Wij bevatten eveneens gemakkelijk, dat het getal
dier slagen en het gewicht zijner pijnen en de duur van zijn
lijden buitengewoon groot moeten geweest zijn, als wij slechts
de diepe ellende en de menigvuldigheid der zonden van hen
-ocr page 536-
526                                           HET MJDKN KN STERVF.X VAV
in aanmerking nemen, wie Hij in zijn Bloed met den Vader
wilde verzoenen.
Zoo staat dan de goddelijke Middelaar tusschen God en den
zondaar ontkleed en met gebogen rug aan de geeselkolom gebon-
den, welke volgens een waarschijnlijk gevoelen weinig hooger
dan drie voeten was en van boven en van onderen een ijzeren
ring had, waaraan de handen en de voeten van den Lijder met
stevige touwen waren vastgebonden. Elke beweging, waardoor de
kracht der slagen eenigermate kon verminderd worden, was Hem
derhalve onmogelijk gemaakt, terwijl alle ledematen bloot ston-
den aan de geeselslagen. Dat de beulen met alle kracht sloegen,
blijkt reeds genoegzaam uit deze enkele omstandigheid, dat zij, om
niet uit te glijden, hunne voeten gewoonlijk plaatsten op de klee-
deren van den veroordeelde. Nauwelijks was dan ook de straf-
oefening begonnen, of wij zien, hoe Jesus ineen krimpt van
ondragelijke pijnen, hoe al zijne ledematen beven van smart,
en weldra zijn onschuldig Bloed over geheel zijn lichaam
stroomt. Gij hoort hier niet de klaagliederen weleer met rouw-
misbaar aan de rivier van Babyion gezongen door hen, die
daar treurend nederzaten en weenden over het verlies van hun
vaderland, ook niet de droeve toonen van Davids harpenspel,
als hij snikkend bad: erbarm U mijner, o God! volgens de
menigte uwer barmhartigheden. Hier weenen
geen priesters
J          \' 7\' tusschen het altaar en den voorhof om te smeeken : spaar,
o Heer! uw volk; zelfs de rouwmoedige stem van den terugkee-
Luc. XV, 21. rencien zoon: Vader! ik heb gezondigd tegen den Hemelen
tegen U,
verneemt gij niet. Niets anders hoort gij hier dan de
woeste kreten der buitenstaande Joden, dan de spotternijen der
beulen, dan het snerpend geluid der geeselriemen, dan de sla-
gen, welke op Jesus\' onschuldig lichaam nedervallen. Evenwel
-ocr page 537-
K2?
Ö.N\'/KV HF.KR Ji:srs CHRfSTIts.
boven alles uit spreekt luide de stem des Bloeds van onzen
broeder Abel, die door zijne nijdige broeders bijna ter dood
toe geslagen wordt, die stem welke ten Hemel stijgt — niet
om wraak te roepen over die broeder-moordenaars, maar alleen
om Barmhartigheid voor den zondaar af te bidden, die zich
zelven en zijn God vergeten heeft.
Zes beulen zijn de uitvoerders van de macht der hel. „Twee
„zijn gewapend — aldus beschrijft de h. Hieronymus deze mar-
teling des Zaligmakers — „met doornen roeden, twee anderen
„met riemen waarin knoopen gelegd zijn, de overigen met ijze-
„ren ketenen. De eersten beginnen uit al hunne kracht te
„geeselen; wond op wond wordt geslagen en Jesus\'Bloed vloeit
„overvloedig. Toen zij door vermoeienis waren afgemat, wor-
„den zij door de twee anderen opgevolgd, welke bij de reeds
„geslagene wonden nog andere voegen. De laatsten nemen het
„werk der vorigen over en scheuren met ijzeren punten vel
„en vleesch van het lichaam." — „Zoo gruwzaam" — voegt
de h. Bernardus hierbij — „werd de Zaligmaker gegeeseld,
„dat het Bloed naar alle zijden om Hem heen spatte." Vele
Vaders meenen ook, dat de duivels in dat uur van afgrijzen
van de lichamen der beulen bezit hadden genomen om hen tot
grootere woede aan te hitsen.
Hooren wij nog, wat de h. Maagd zelve heeft willen open-
baren omtrent die marteling van haren goddelijken Zoon.
Want —• wonder van moederlijke teederheid, maar ook van een
onovertroffene vrouwelijke zielskracht — zoodra zij vernam,
dat Jesus zou gegeeseld worden, spoedde zij zich om zoo nabij
mogelijk bij die plaats van lijden te wezen. Ofschoon zij
het zieleleed voorzag, dat haar hart van smart zou verscheuren,
ofschoon zij in tranen baadde, zij wilde haar eigen leed, even-
-ocr page 538-
528
HET LIJDEN EX STERVEN VAN
als de heldhaftige moeder der zeven machabeesche Martelaren,
vergeten om door haar medelijden de pijnen van haren Zoon te
verzachten. Jesus zou de Man van smarten worden, zij wenschte
de Koningin der Martelaren te zijn, al zou zij in haar teeder
hart lijden wat haar Jesus in zijn lichaam leed, al zou de
geeseling van Jesus haar even veel tranen afpersen, als zij
bloeddroppels uit Jesus\' lichaam sloeg. Wat die liefhebbende
Moeder toen hoorde en ?ag, welk zwaard van droefheid
toen hare ziel doorboorde, heeft zij in eene van hare openba-
ringen aan de h. Birgitta willen verkondigen: „Toen de tijd
„van te lijden" — aldus sprak zij — „voor mijnen Zoon was
„aangebroken, grepen Hem zijne vijanden, sloegen Hem in den
„hals en op zijn wangen; toen zij Hem naar de kolom ge-
„sleurd hadden, ontdeed Hij zelf Zich van zijne kleederen,
„legde de handen op de kolom en zijne vijanden bonden
„Hem daaraan vast. Ik was er bij tegenwoordig, en bij den
„eersten slag viel ik in bezwijming. Weder tot mij zelve ge-
„komen, zag ik zijn lichaam gegeeseld tot op de beenderen toe,
„zóódat zij geheel zichtbaar waren en — wat nog hartver-
„scheurender was om te zien — toen de geesels werden weg-
„geworpen, waren zij met stukken vleesch als beladen. Mijn
„Zoon stond daar bloedende aan alle zijden, over het geheele
„lichaam verscheurd, zóódat er geene plaats voor] nieuwe
„wonden overbleef. Eindelijk vroeg een der omstanders met
„angstige bezorgdheid: „wilt gij dan dien mensch doodmartelen,
„vóórdat Hij veroordeeld is." „Dit zeggende sneed hij de
„koorden door, waarmede Jesus gebonden was."
Het zal wel nimmer aan eenig mensch gegeven worden om de
naamlooze smarten te beschrijven, welke Jesus in ziel en lichaam,
-ocr page 539-
589
ov/.K\\ HEER JESUtJ CHRISTUS.
de God-mensch in zijne allerzuiverste en allerheiligste, maar
daarom ook allergevoeligste nienschelijke natuur gedurende
die geeseling heeft ondergaan. Alle omstandigheden van Hem,
die lijdt, van hen die Hem doen lijden, van hen voor wie Hij
lijdt, van tijd en van plaats, al die bijzonderheden vereenigen zich
hier om dat lijden ondenkbaar groot te maken. Niemand ook
kan beschrijven, wat onbeschrijfelijk is. God alleen kan naar hare
volle waarde beseffen èn de vernedering èn de boetedoening,
welke Jesus aan de geeselkolom vrijwillig op Zich genomen had.
Maar Hij heeft het ons toch eenigermate willen verklaren door
den mond van zijne Profeten die, aangeblazen door den H. Geest,
ons den gegeeselden Jesus in de akeligste kleuren afteekenden.
Overdenken we slechts deze uitspraken van den grooten ziener
Isaias, en geen onzer, die niet huiveren zal van diepe aandoening
bij het aanschouwen van zoo groote ellende. Hij draagt onze Is. LUI, 4,
kwalen, Hij torscht onze smarten; wij hielden Hem voor cenen
melodische, door God geslagen en vernederd, maar om onze on•
gerechtigheden is Hij verwond, om onze misdaden is Hij ver-
brijzcld ; de kastijding, die ons vrede brengt, is op Hem, en door
zijne striemen worden wij genezen... Hij heeft geene schoort\'
heid en geen luister; wij zien Hem, maar Hij heeft geene ge-
stalte.
—. En alsof die teekening van den lijdenden Verlosser
nog niet duidelijk genoeg ware, gaan David en Isaias samen om ze
in al hare onderdeelen, tot in de laatste bijzonderheden, af te
werken. Op zijn rug —• voorspelde de koninklijke Profeet — Ps.cxxviu,3
smeeden de boozen, ploegers ploegden op zijn rug en maakten is. I. 6.
lange ploegsneden ; van de voetzool tot aan de kruin des hoof ds
— voegt Isaias beteekenisvol er bij — is niets gezonds in Hem;
daar zijn wonden en striemen en ojtgeziüolleu builen, welke noch
verbonden noch met artsenij geheeld noch met olie ver-zacht zijn.
34
-ocr page 540-
830
IIK.1. l.l.TDRX KV STKKVKS VAV
Hij is het uitvaagsel der menseken geworden, meer gelijkend
op een aardworm dan op een mensch;
geen enkel lid, dat niet
lijdt; geen schoonheid, geen luister, gcenc gestalte heeft Hij meer.
Wij zoeken in Hem naar den Almachtige en wij vinden den
Man van smarten, die de ellende kent; wij vragen naar den
God der eeuwige Glorie en zien den door God vervederde en
geslagene, die om onze ongerechtigheid gewond is, om onze
misdaden verbrijzeld.
Welke zouden wel—dit mogen wij ons met angstige bezorgd-
heid afvragen — de gevoelens van Jesus geweest zijn, toen
Hij door zijne schepselen met zooveel smaad overladen en
zoo gruwzaam mishandeld werd, van Hem die in dat uur van
het grootste lijden in alle waarheid van Zich zelven mocht
LXX, 14. zeggen: lic word gekweld den gansehen dag, en mijne tuchli-
ging vangt aan met iederen morgen,
maar tot betuiging van
zijne vlekkelooze onschuld onmiddelijk op die klacht kon laten
I XVIII, ?. v°lgen: talrijk zijn mijne vervolgers, zij die Mij ongerechtvij-
andig zijn; Wat Ik niet geroofd had, gaf Ik weder,
„Ik
boette, wat Ik niet misdreven had." Jesus zelf heeft Zich ver-
waardigd reeds eeuwen te voren, door den mond van een zijner
. XIX, 11. Profeten het antwoord op onze angstige vraag te geven. „Ik
„weet de gedachten, welke Ik over 11 heb. de gedachten ten vrede
„en niet ter verdrukking;
Ik denk er aan, niet welken on-
,,vruchtbaren boom Ik zal uitroeien, maar wat Ik nog meer
„voor mijnen wijngaard doen kan; — niet, hoe Ik op aarde
„straffen, maar hoe Ik in den Hemel beloonen zal; —• niet aan
„het nemen van wraak, maar aan het vergeven van schuld."
-ocr page 541-
53 i
O.V\'.KN\' MKKI! .11 SIS CHR IS\'ITS
Zoo goed is Jesus, zoo barmhartig gezind ook jegens ons,
groote zondaren, en toch — wie durft het tegenspreken? —•
wij waren de oorzaak van zijn lijden. Onze zonden waren de
geesels, welke zijn lichaam verscheurden, de redenen waarom
Hij veroordeeld werd, gefolterd is en ter dood zal gebracht
worden. Wonderbare rechtspraak van God, geheimnisvolle orde!
De ongerechte zondigt, en de Rechtvaardige wordt gestraft; de
schuldige bedrijft de misdaad, en de Schuldelooze boet ze; de
Heer betaalt wat de slaaf bedorven heeft, en de Zoon Gods
neemt de schuld over van zijn schepsel. Zoo diep mogelijk heeft
Jesus Zich voor ons vernederd, zoo veel mogelijk geleden; zijne
Liefde was onuitputtelijk, zijn medelijden met ons kende geene
grenzen. Velen waren vol trots en Hij de nederigheid zelve; velen
bliezen zich op van hoogmoed, en Hij nam de gedaante van
een slaaf aan; velen waren ongehoorzaam, en Hij boette er voor
door gehoorzaam te worden tot aan den dood des kruises;
velen waren zinnelijk en wellustig, en Hij leed voor die zon-
den in de geeseling; velen brandden van onreine lusten, en Hij
brandde van Liefde.
Dat alles deed Jesus, en wat moeten wij doen? Hebben wij
ons eerst standvastig in het geloof getoond door den versma-
den Jesus als onzen God en Zaligmaker te belijden en te aan-
bidden, laten wij nu onze ziel tot het grootste vertrouwen ver-
heffen. Immers, wij mogen en moeten van den lijdenden Je-
sus alle goede gaven hopen, nu Hij Zich zelven niet gespaard
en ons met zijn Bloed voor God vrijgekocht heeft r/it allen stam ,
en taal en volk en natie. Hoe onwaardeerbaar die weldaad
is, beseffen wij het beste, als wij bedenken, welke afgrijselijke
beleediging door de zonde Gode wordt aangedaan. Zij is zóó
bovenmate groot, dat geen mensch, al ware hij zuiverder en
-ocr page 542-
582
HET UJOKN EN STERTEN VAN
heiliger dan de Cherubijnen en Seraphijnen, dat zelfs niet eene
geheele wereld, al kon zij een onnoemlijk aantal van zulke
Heiligen aanwijzen, niet in staat is om voor ééne enkele dood-
zonde aan de goddelijke Rechtvaardigheid eene genoegzame
voldoening te kunnen aanbieden, wat zij ook gedurende eene
geheele eeuwigheid doen of lijden zoude. Stellen wij daartegen-
over de al het geschapene verre overtreffende, de oneindig
verhevene waardigheid van onzen Heer Jesus Christus, die door
de zonde beleedigd wordt, maar van Wier. ook ééne enkele
daad, veronderstellen wij de in schijn allernietigste, van zulk
eene oneindige waarde is. dat Hij daardoor, volgens den eisch
van de strengste Rechtvaardigheid Gods, kon voldoen voor alle
zonden, welke ooit bedreven zijn of nog immer bedreven kunnen
worden, al waren die zonden ook onnoemelijk in getal. Bijaldien
dan ééne enkele handeling van Christus, ééne enkele gedachte zijns
geestes of eene verzuchting zijns harten van zoo groote verdienste
bij den Vader en van zoo groote waarde voor ons is, wat mogen wij
dan niet venvachten door de kracht van Jesus\' goddelijk Bloed,
dat Hij in zoo rijken overvloed voor ons in de geeseling vergoten
heeft? Beschouw hier, Christen ziel! met dankbare bewonde-
ring de onmetelijke schatten, welke gij in Jesus bezit. Een
druppel van zijn heilig Bloed is genoegzaam, opdat gij verkrijgt
het geloof van Abraham, de zuiverheid van Jozef, het geduld
van Job, de zachtmoedigheid van Mozes, de heiligheid van
David; opdat gij verwerft de liefde der Apostelen, de standvas-
tigheid der Martelaren, de kuischheid der Maagden. „Dewijl
„dan, o, Jesus !" — wie stort niet uit ganscher harte aan de
voeten van den gegeeselden Jesus dit gebed — „alle goederen
„door den Vader U geschonken zijn en al het uwe het mijne is}
„kan ik niet zoo vele en zoo groote goederen wenschen, als
-ocr page 543-
ONZKN* HERB JESUS CHBISTIS,                                            533
„Gij mij kunt en wilt geven, als ik ook kan verkrijgen.
„Daarom weet ik dan ook, dat in het vervolg geen aanval des
„vleesches of der wereld of des duivels zoo hevig meer zijn
„zal, dat ik dien niet kan overwinnen, geene ondeugd zoo inge-
„worteld dat ik ze niet kan uitroeien, geene deugd zoo moeie-
,,lijk dat ik ze niet beoefenen, geene zonde zoo verleidelijk
„dat ik ze niet kan vermijden, niets zoo groot of voortreffelijk
„wat ik niet kan verwerven — en dat alles door uwe oneindige
„verdiensten, welke uwe Liefde op mij toepast. Ja, ik vertrouw
„dat ik door uwe genade alles zal vermogen; dat ook mij een-
„maal, na een leven in uwen dienst doorgebracht, de poor-
„ten van uw Rijk zullen ontsloten worden. Gij, o, God! si/\'t Ps. CXLI,
„mijne hoop en in eeuwigheid zal ik niet beschaamd wor-
„den."
— Dat alles kunnen alle menschen verkrijgen door de kracht,
van Jesus\' Bloed, maar helaas! dat nu ook nog de klacht van
David in den mond van Jesus past: „wat voordeel brengt wi/nPs- XXIX
„Bloedaan, dat Ik met zoo groote Liefde voor allen vergoten
„heb en wel tot den laatsten druppel toe ? Het was genoeg*
„zaam om niet slechts velen maar om allen zalig te maken, en
„het getal van hen, die zalig zullen worden, is gering; Ik kwam
„allen zoeken, die waren afgedwaald, en maar weinigen luisteren
„naar mijne stem ; allen zijn geroepen en zij, die den Hemel
„binnengaan, zullen weinigen zijn; Ik toonde de goede Herder
„van al mijne schapen te zijn, en de meesten wijken van den
„waren weg af; Ik ging allen voor op den lijdensweg, die
„naar de glorie geleidt, en slechts eenigen nemen hun kruis
„op om Mij na te volgen. Ik heb al mijn Bloed gegeven,
„opdat de mensch nederig zou worden en hij blijft trotsch,
-ocr page 544-
534                                            HET LIJDEN EN STERVEN VAX
„kuisch en hij blijft aan de wellust overgegeven, getrouw en
„hij maakt zich aan overtreding mijner wet schuldig, godsdiens-
„tig en hij verzuimt zijne plichten. Allen zijn afgeweken, alle
,gader ondeugend geworden; niemand is er, die goede doet, zelfs niet
„één.
Wat voordeel levert Mij het vergieten van mijn Bloed op ?
„Zijn er vele tranen gestort, vele zuchten des harten geslaakt
„om mijn lijden? Sloegen velen één enkele maal op hunne borst
„uit diep gevoeld schuldbesef? Hebben velen uit liefde tot Mij
„ééne zonde vermeden? Een landbouwer zaait en maait en
„oogst vruchten in een rijken overvloed; de wijngaardenier ver-
„zorgt zijn wijngaard en plukt de druiven, en Ik, Ik strooide gued
„zaad uit en vind vele distelen en doornen; Ik plantte mijn
,.uitverkoren wijngaard en wachtte, dat hij goede druiven voort-
„bracht; helaas! Ik vind zoo vele wilde druiven. Zoo werd
„dan mijn Bloed, mijn zweet, mijne tranen, mijne wonden
„door velen vruchteloos gemaakt. Zoo trok Ik dan weinig nut uit
„mijne nederigheid, mijne zachtmoedigheid, mijn geduld, mijne
„armoede, mijn lijden?"
Wie onzer moet zich verwonderen, wie niet treuren, dat Te-
sus\' kostbaar Bloed, waardoor wij zijn vrijgekocht, aldus vrueh-
teloos gemaakt wordt door de boosheid van vele menschen? Wij
allen moesten Hem, die alles voor allen geworden is, beminnen
even vurig als de Seraphijnen des Hemels; er mocht geen enkele
gevonden worden, die Hem nog beleedigde. Doch, schande
en beschaming over de menschen, die nog het booze doen!
Helaas! misschien behooien ook wij tot het getal van die ondank-
baren, welke hunnen plicht, hunne bestemming, hun eenig waar
geluk hebben vergeten en liever Jesus opnieuw geeselen door
zonden te bedrijven dan hun lichaam met zijne begeerlijkhe.
de:i te kruisigen uit liefde voor Hem. Maar Jesus\' is barmhartig
-ocr page 545-
535
ONZEN HhKH JKSLS CHRISTUS
en de Barmhartigheid zelve. Werpen wij ons daarom in den
geest voor zijne voeten neder en smeeken wij Hem met David :
ontferm U onzer. Uit Liefde voor de zondaars heeft Hij Zich
laten ontkleeden, binden en geeselen; al waren dan ook onze
zonden vermenigvuldigd boven de haren van ons hoofd, wan-
neer wij met een heilig berouw en met het vaste voornemen
ze in het vervolg van ons leven te vermijden tot Hem met Da-
vid bidden: ontferm U onzer om de menigte uwer Barmhartig*
he<ien,
dan zal Hij onze misdaden niet meer gedenken.
-ocr page 546-
Hoofdstuk X.
Jesus wordt met doornen gekroond
Zoodra de koorden, waarmede Jesus aan de geeselkolom
stond vastgebonden, waren doorgesneden, viel Hij op den met
zijn goddelijk Bloed doorweekten grond, uitgeput en krimpende
van pijn. Ter nauwernood bleven Hem nog zoo veel krachten
over, dat Hij op handen en knieën Zich kon voortslepen
naar zijne kleederen om zijn doorwond lichaam te bedek-
ken. Doch ook nu mag Jesus nog geene rust vinden. De-
zelfde beulen, welke Hem gegeeseld hadden, sleurden Hem
van de plaats dier foltering naar den voorhof van het recht-
huis om den afgemartelden Zaligmaker met eene nieuwe soort
van pijniging en van bespotting te overladen, waarvan de lange
geschiedenis der Martelaren geen tweede voorbeeld vermeldt,
welke ook aan die onmenschen door den vinnigsten haat der
Joden of door de wreedheid der hel moet ingegeven zijn.
„Waarlijk, een ieder zou het voor onmogelijk houden" — aldus
roept de godvruchtige Lodewijk van Granada uit — „dat een
„zoo gruwzaam spel door eene menschelijke ziel kon uitge-
,,dacht worden. Die smarten toch der doornen-kroning waren
„zóó vreeselijk, dat een ieder, die zijnen doodsvijand in zulk
-ocr page 547-
587
HET LIJDEN F.N STEKTEN VAN ONZEN 1IKKR JESUS CHRISTUS.
„een lijden had aanschouwd, van een innig medelijden vertee-
„derd zou wezen, zelfs al bezat hij het ongevoeligst hart. De-
„wijl echter de duivel zelf de uitvinder van die pijniging en de
„lijder de God-mensch was, dewijl ook de ingekankerde haat
„en de vervolgingswoede van dat booze volk der Joden in
„geene soort van marteling verzadiging vond, daarom wilde
„ook de oneindige Goedheid in de overmaat harer Liefde met
„geene mindere smarten Zich vergenoegen." Dat die huur-
lingen alle mensehelijk gevoel hadden uitgeschud, dat zij voor
geene zachtere aandoening toegankelijk waren, hebhen wij reeds
meermalen moeten aanmerken. Daarenboven werd hun, wien
het martelen eene lust was, alle vrijheid gelaten om aan hunne
dierlijke wreedheid geen genoegen te weigeren. De Joden
hadden uit vrije keuze en in hun bloeddorstigen haat hun Ko-
ning en Messias aan den moedwil der Heidenen prijs gegeven,
en Jesus wordt nu het voorwerp der bitterste spotternij en der
wreedaardigste foltering van een ellendig soldaten-geboefte, van
het uitvaagsel des heidendoms. Alles ook maakt dien spot
zoo grievend, dat lijden zoo pijnlijk mogelijk. De bedrijvers
van die wandaad zijn ongeloovige Heidenen, die lachen met
alles wat heilig is en naar Godsdienst zweemt; de Lijder is
Jesus, die Zich God en Koning genoemd heeft en Wiens geduld
zij door geene geeseling overwinnen, Wien zij zelfs geene klacht
hadden kunnen afpersen. Niet minder verachtelijk was hunne
bedoeling. Zij zullen, in hunnen afkeer en diepen haat voor
de Joden, Jesus, hun zoo gezegden Koning en hun Koning-
schap op de laagste wijze bespotten. De h. h. Evangelisten hangen
ons dan ook een akelig tafereel op van deze nieuwe marteling.
De krijgsknechten namen Hem mede in het rcchthuis en verza- Mat.XXVU
melden rondom Hem de gansche krijgsbende, welke gewoonlijk
-ocr page 548-
536
11 KT LIJDKN KN STERVEN VAX
MatXXVU.sS 600 man telde. En Hem ontkleed hebbende, wierpen zij Hem
t ,«. viv een scharlaken mantel om, vlochten eenc kroon van doornen en
JOAN. XIX, 2.
zetten die op zijn hoofd en eenrietstok (gaven zij Hem) in zijne
rechterhand. Aldus hadden zij Hem als een spotkoning toe-
gerust met mantel, kroon en schepter, als een theater-koning
uitgedoscht. Maar ook de inhuldigingsplechtigheid mag niet
ontbreken, het :;roningsfeest moet nagebootst worden. Voor
MatXXVH,29 Hem neervallende dreven zij den spot met Hem en begonnen
Makc. XV,18. Hem te begroeten, zeggende: Wees gegroet Koning aer Joden.
Joax. xix, 3. En zij gaven Hem kaakslagen, en bespuwden Hem en namen
den rietstok e?i sloegen Hem met den rietstok op het hoofd, en
neder knielen de aanbaden zij Hem.
Uitvoerig schetsen alzoo
de Evangelisten dat afschuwelijk spel van die barbaren.
Van de geeseling behoefden zij slechts melding te maken,
dewijl het onmenschelijke van die strafoefening aan hunne
tijdgenooten duidelijk voor den geest stond; doch van zulk eene
bespotting en mishandeling, als de doornen-kroning was, had
nog nooit iemand gehoord. Allen moesten het ook besef-
fen, op welke wijze Jesus van zijn geestelijk en eeuwig Ko-
ninkrijk bezit nam. Wij, de onderdanen van dien Koning der
eeuwige Glorie, zullen trachten al de bijzondere omstandighe-
den en den diepen zin van die kroningsplechtigheden te
doen uitkomen.
Wanneer een koning, ten dage zijner inhuldiging, met den
koninklijken mantel omhangen en met de rijkskroon en schepter
versierd, op den troon gezeten is, naderen zijne rijksgrooten
in de nederigste houding om de betuigingen van hunnen die-
pen eerbied en de verzekering van hunne onwankelbare ge-
trouwheid af te leggen. Dit alles zullen die beulen, wier han-
den nog rood zijn van Jesus\' heilig Bloed, met hunne even
-ocr page 549-
ONZEN" HEER JESU8 (IIIMSTIS                                             ö.\'ii)
afschuwelijke makkers nabootsen. Zij hebben gehoord, velen
hebben ge/.ien, hoe Herodes Jesus van Nazareth bespotte en in
een spotkleed naar Pibtus terugzond; zij weten, dat de ver-
achte Nazarener Zich Koning der Joden genoemd heeft; en
dewijl zij ook de wijze kennen, waarop een Oostersch Vorst
het grievendst kan beleedigd worden, zullen zij den goddelijken
Zaligmaker ook zoo verguizen. Welke schuld de lafhartige
Pilatus daaraan gehad heeft, kan met geene zekerheid gezegd
worden. Had hij, middelerwij] Jesus gegeeseld werd, of
reeds vóór het begin daarvan de gerechtsplaats verlaten om
geen getuige van die strafoefening te zijn en aan de beulen
meerdere vrijheid te geven; had hij voorzien, hoe zij Jesus
nog nü de geeseling zouden mishandelen en zóó door ooglui-
king en stilzwijgende toestemming\' aandeel in die bespotting
genomen? Zijn doel om aan den haat der Joden eenige vol-
doening te geven en Jesus zóó te kastijden dat zij van den
eis\'-h der kruisiging afzagen — mag een bevestigend antwoord
niet onwaarschijnlijk maken, doch het Evangelie zwijgt daarover
en geeft ons geene reden om" hem eene nieuwe schuld ten
laste te leggen. Voor ons is er ook weinig aangelegen om
gissingen te wagen, nu de heilige geschiedenis daarvan niets
meldt. Daarentegen is het voor ons van het hoogste belang en
van veelzijdige toepassing opnieuw de overgroote Liefde te
overdenken, welke Jesus ook in dit gedeelte van zijn lijden
es betoond heeft. De liefde — zoo leert de"*h Paulus —1 Cok
zoekt het hare niet; zij verdraagt alles, zij verduurt alles.
Deze drievoudige lofspraak zullen wij wederom door den goe-
den Jesus verdiend zien in zijne doornen-kroning, maar ook
daardoor te meer ons opgewekt gevoelen om de oneindige
Goedheid met alle krachten onzer ziel te beminnen en op de
innigste wijze ons aan Hem te verbinden.
-ocr page 550-
540
HET LIJDEN EN STKRVKX VAN
ATXXVIl,a8 Jesus ontkleed hebbende, wierpen zij Hem een scharlaken
mantel om.
Met deze woorden leidt de Evangelist het ver-
haal in van het allertreurigst tafereel, hetwelk wij overwegen.
Of zij den Zaligmaker geheel ontkleedden en daardoor zijne
diepe wonden openscheurden, of wel Hem het oppergewaad
alleen afnamen, weten wij niet; in allen gevalle zal het eene
of het andere door die ruwe soldaten niet zonder groote pij-
nen aan Jesus te berokkenen gedaan zijn. Om den besehermen-
den mantel, het wijde, purperen gewaad der koninklijke majes-
teit te verbeelden, wierpen zij Jesus waarschijnlijk den korten,
rood geverfden soldaten mantel om, welken zij slechts voor het
grijpen hadden onder die bende van krijgsknechten en welke in
hnn oog het geschikte kleed was om Hem als spot-koning voor
te stellen. Voor ons echter is in die verguizing eene geheel
andere, eene diepe beteekenis opgesloten. In die nieuwe
ontkleeding van Jesus moeten wij zijne Liefde aanbidden,
welke alles wegschenkt om ons allen te redden.
De wreedheid der Heidenen en der Joden had het maagdelijk
lichaam van den mensch-geworden Zoon van God zóó door
geeselslagen verscheurd, dat het overal met diepe wonden was
doorploegd. Doch, alsof die wonden nog niet genoeg zicht-
baar waren, wilde Jesus in tegenwoordigheid van die gansche
bende en van de omstaande Joden ontkleed, door allen met
diepe wonden overdekt gezien worden. Zoo werd de gelijkenis,
eens door den Zaligmaker van den verloren Zoon gebezigd, in
Hem zelven maar in geheel anderen zin vervuld. Ook Hij
zeide tot zijnen hemelschen Vader: geef Mij van \'t goed het
gedeelte, dat Mij toekomt..... en Hij 7verd verhoord om zijne ecr-
biedigheid.
De hemelsche Vader gaf aan zijnen Zoon, toen deze mensch
-ocr page 551-
541
ONZEN HEKB JESUS CHRISTUS.
werd, — eene ziel met onnoemelijke en overgroote voorrech-
ten versierd — een Lichaa-n, dat het schoonste was, hetwelk
ooit gezien werd, en door eene bijzondere inwerking van God
den H. Geest in den zuiveren schoot van de onbevlekte
Maagd Maria gevormd was — een Bloed uit het luisterrijkst
koninklijk geslacht ontsproten; de Vader schonk daarenboven
aan Jesus eene onverwinbare Kracht en sterke gezondheid; Hij
rustte Hem uit met eene onmetelijke Wijsheid en Weten-
schap,
met eene ongeëvenaarde Welsprekendheid; in Jesus schit-
terden alle Volmaaktheden in den hoogsten graad.
Met die buitengewone gaven verrijkt, kwam de Zoon Gods,
nadat Hij mensch was geworden, hier op aarde rondwandelen,
wonen in eene woestenij, op onmetelijken afstand van zijns
Vaders huis. In dit akelig gewest,, waar zonde en lijden
en dood heerschen, verkwiste Hij, als wij zóó mogen spreken
al de Hem geschonkene gaven — uit buitensporige Liefde
voor diep ellendige zondaren. Hij was schoon van ge-
daante boven alle kinderen der menschen, en is geworden als
een melaatsche, met wonden overdekt; zijn Lichaam bood Hij Is i„ 6.
aan hen die Hem sloegen, zijne wangen aan hen, die Hem den
baard uitrukten, zijn aangezicht keerde Hij niet af van hen,
die Hem scholden en bespuwden; zijn Bloed vergoot Hij bij
stroomen; zijne zalige ziel liet Hij door de grievendste smart
en doodelijke droefheid verscheuren; vroeger riepen zij, die
Hem hoorden spreken, vol verbazing uit: nooit heeft een Joan. VII, 46.
mensch gesproken gelijk deze mensch, en nu, door zijne vijan-
den beschuldigd, was Hij als een stomme die zijnen mond niet Ps.XXXV\'11,14
opent, en door Pilatus tot zelfverdediging aangespoord, heeft Hij
met geen enkel woord geantwoord; Hij was de eeuwige Wijs-
heid en liet Zich als een dwaze bespotten, de oneindige A1-
-ocr page 552-
542                                  iikt I.UhfcN ix sn:im:.\\ v.itt
macht en liet Zich als een slaaf binden, de onuitputtelijke Rijk-
dom en liet Zich van zijne kleederen berooven; weleer moest
Spr. III 18. j-ijj van 2ich zelven zeggen: bij Mij zijn eer en rijkdommen
en grootsche schatten, en nu klagend, uitroepen : Ik ben een be-
Ps. XIX, 18. \'Maar geworden en arm. Waarlijk, de Liefde is sterk ais de
Cant. Vin,6.dood en overwint alles; zij is milddadig en schenkt alles weg.
Jesus heeft Zich zelven ontledigd niet alleen door zijne god-
delijke Majesteit onder de gedaante van een slaaf te verbergen
maar ook nog door alle voorrechten, welke Hem van den
Vader gegeven waren, als niets te achten en, om allen voor
den Hemel te winnen, zelfs als het uitvaagsel der menschen
te worden.
•— O, gij! die deze woorden leest, vraagt het u zelven eens
af: is het mogelijk Hem nog te vergrammen, die alles voor u
leed en opofferde; is het mogelijk Hem niet te beminnen,
die u met eene eeuwige Liefde beminde? Of is het zoo moeie-
lijk Hem lief te hebben en uwe liefde door daden te bewijzen?
Indien gij Hem niet bemint, bedreigt de Vader u met eene
eeuwige straf; indien gij Hem wel bemint, verzekert de Vader
u eene eeuwige belooning. Hoort, wat de God-minnende Augus-
tinus na zijne bekeering tot zich zelven zeide en ons ter ver-
maning in zijne „belijdenissen" opteekende: „Wat ben ik voor
„u, o, God! dat Gij mij beveelt U te beminnen en dat Gij
„vertoornd wordt en mij met de zwaarste straffen dreigt, als
„ik zulks niet doe? Is het dan een gering ongeluk, als ik U
„niet beminde? Kan een grooter ramp of door een mensch ge-
„vreesd of door een Engel uitgedacht of door God overgezonden
„worden dan Jesus niet te beminnen, dan de Liefde te haten ?"
Och, mocht de Liefde van den lijdenden Jesus, die het zijne
niet achtte maar alleen op onze zaligheid bedacht was, ons
-ocr page 553-
OSUXKN IIKFR /KM1S CHRISTUS.                                             543
hart van alle verkeerde neigingen zuiver en ons los maken van
alle schepselen om geheel voor Hem te leven ! „Wie niet
„voor Jesus leeft" — roept de h. Bernardus uit — „is niet
„waardig te leven, of liever, hij is reeds dood ; hij. die niet
„voor Jesus alleen in de wereld is, verdient er niet in te zijn."
Is Jesus ook niet genoeg voor elke minnende ziel? Laten wij
dan met den Apostel alles verlaten om Jesus aan te hangen en
te volgen. Dan zullen wij ook eens met Hem deel hebben aan
al de goederen des Vaders en duizendvoudig terug vinden in
de eeuwigheid, wat wij hier op aarde om Hem verzaakten.
Hoe kwistig ook Jesus met alles was, hoe bereidvaardig Hij
ook alles om wille der mensrhen weggaf, toch was er iets,
wat Hij in zijn lijden niet missen wilde. De purper roode
mantel
moest zijne schouders dekken, dien leende Hij zelfs
van zijne vijanden. Zoo wilde, zoo beschikte Hij het, om-
dat daarin vele geheimen opgesloten zijn, daarin velerlei aan-
wijzingen gegeven worden ten opzichte van het leven der ware
Christenen.
Mijn Geliefde is wit en rood, lezen wij in het Hooglied Hoogl. V,
van Salomon. Tweemaal liet Jesus Zich als Koning bespot-
ten: eerst in het paleis van Herodes en Hem werd een wil
kleed omgehangen, want Hij was de oneindige onschuld zelve;
toen in het rechthuis van Pilatus, en de soldaten wierpen
Hem een rooden mantel om, want Jesus was de Verlosser der
wereld door zijn Bloed. God wilde, dat aldus zijn Zoon als
Koning begroet en dat reeds bij de plechtigheid zijner inhul-
diging zinnebeeldig aangeduid werd, dat niemand onderdaan
van dat Rijk zijn kan, die niet omhangen is of met het witte
kleed der onschuld of met het roode kleed der boete Maar
-ocr page 554-
544                                            11KT UIDEN KN STERVEN VAN
allen hadden het kleed «Ier onschuld verloren en moesten van
hunne zonden gereinigd worden in het Bloed des Lams. Daarom
kleefde die roode mantel aan de nog versche wonden van Jesus\'
heilig lichaam en werd doortrokken met zijn heilig Bloed,
want het feestgewaad, waarmede Hij eens versierd zou worden
en hetwelk de heerlijkheid van zijn Koninkrijk moest afbeeb
den, zou bestaan uit de door zijn Bloed gereinigde zielen, gelijk
de Profeet Isaias voorspeld had: Sla uwe oogen naar alle
Is. XLIX, is. zijden en zie, die allen verzamelen zich en komen lot U; zoo
waar Ik leef, zegt de Heer, gij zult u met hen allen als met een
sieraad kleedcn en als eene bruid zult Gij u met hen omhangen.
Wie alzoo met Jesus\' verdiensten hun voordeel hebben gedaan,
in wien de oude mensch gestorven en de begeerlijkheid des
vleesches beheerscht is, al wie tot nieuwe menschen herscha-
pen en alzoo schitterend van schoonheid geworden zijn, met
hen zal eens de Koning der eeuwige Glorie Zich omkleeden
evenals de bruid zich tooit met haar bruiloftsgewaad, en zij
allen zullen het Lam Gods, dat voor hen geslacht is, aanhangen
en het volgen op al zijne schreden.
Behalve deze twee grondwaarheden, welke de voorwaar-
den aangeven, waaronder de verloste menschheid in \\verke-
lijkheid eerst van Jesus\' Rijk op aarde en daarna van diens
Rijk in de eeuwigheid deel kan uitmaken, duidde die roode
mantel ook nog aan, waarvoor een ieder zich moet voorberei-
den, als hij in zijn leven een ware leerling van zijn Zalig-
maker zijn wil. Evenals Jesus ons niet wilde heiligen zonder
zijn eigen Bloed te vergieten, evenmin zal iemand deelgenoot
zijner heerlijkheid worden dan na eerst in dit leven met Jesus
geleden te hebben. De Zaligmaker stichte zijn Rijk in zijn
Bloed. Hij was de Koning van de Martelaren en van al die
-ocr page 555-
DN7.KN mm IfSl\'S CHRISTUS.                                                   ">4*>
onder zijne banier strijden; Hij wilde ook aan allen het sein
geven van dien bloedigen strijd, waarin hun lichaam als slacht-
offer zoude vallen, minstens in de beoefening der deugd ge-
kruisigd worden met zijne begeerlijkheid. En welk gepaster
teeken kon Hij hun tot dien strijd geven dan den bloedroo-
den mantel, waarmede Hij in zijn lijden werd omhangen. „Die
„Koning van onze harten" — zegt de h. Ambrosius — „ver-
„toont Zich aan ons in een scharlaken, in een purperen mantel
„gekleed om ons de overwinning en de zegepraal van het mar-
„telaarschap aan te duiden." De overwinning\'. Ja, maar niet
dan na een zeer harden strijd. 1 )aarom moeten wij in dat bloed-
rood gewaad van den lijdenden Zaligmaker de herhaling lezen
van die vermaningen, welke Hij ons reeds zoo menigmaal of
zelf of door den mond zijner Apostelen voorhield: »neemt uw
„kruis op en volgt Mij, verloochent u zelven en belijdt Mij
„voor de menschen; wie zich zelven meer beminnen dan Mij,
„zijn Mijner niet waardig. Des noods moet gij ten bloede toe
„weerstand bieden, en altijd moet gij u gelukkig achten, als gij
„om Mijnentwille gehaat zult zijn en vervolgd wordt. Alleen zij,
„die Mij in mijne beproeving, in mijne vernedering en in mijn
„lijden zijn bijgebleven en daarin volhard zullen hebben, zij
„zullen Mij volgen in mijne heerlijkheid en met eere en glorie
„gekroond worden in het eeuwig Rijk mijns Vaders"
as
-ocr page 556-
Hoofdstuk XI.
De soldaten zetten Jesus eene kroon
van doornen op.
Naast de Liefde van Jesus, welke het hare niet acht, zien wij
tevens de Liefde, welke alles lijdt. De Liefde hield zich
nog niet voldaan, ofschoon zij alles had weggeschonken om
ons allen rijk te maken; zij wilde ook alles lijden om voor
allen te boeten en naar den aard der zonden de straffen daar-
van te dragen. De boosheid en wreedheid hieden raad om
den goddelijken Lijder nieuwe martelingen aan te doen, en
Jesus neemt ze met een minnend hart aan, omdat Hij daar-
door voor onze zonden kan voldoen,
Joan. XIX, 2. De krijgsknechten — verhaalt de Evangelist — vlochten eene
kroon van doornen en zetten die op zijn hoofd.
Wie zal kunnen
zeggen, wat hier het grootste is: of de smart, welke Jesus in zijn
lichaam lijdt, of de Liefde, welke brandt in zijn heilig Hart.
Klaagl.I, iz. Het lichaam zegt: ziet, of er eene smart gelijk is aan de mijne;
Jer. XXXI, 3. het Hart roept ons toe: met eene eeuwige Liefde heb ik bemind.
Verwonderen wij ons ook niet, dat beiden, èn smart èn Liefde,
den hoogsten graad in Jesus bereiken. Hij immers, die lijdt,
is de onbegrensde Barmhartigheid, en Hij lijdt om den zondaar
-ocr page 557-
HF.T MJDF.N F.N SPF.RVF.N VAN OttZBN HF.KR .IFS1TS tHRtSTUS.             54?
van het grootste ongeluk te bevrijden. Wij zullen dan ook de
dankbare getuigen er van mogen zijn, hoe in den lijdenden
Zaligmaker dit woord van Israëls wijssten Koning in ver-
vulling gaat: Aanschouwt den Koning Salomon met de kroon, Hoogl hi.ii.
waarmede zijne moeder hem gekroond heeft op den dag zijner
verloving en op den dag van de vreugde ïijns harten.
Heden
immers, nu Jesus, de nieuwe Salomon, in zijn Bloed Zich met
zijne bruid, de Kerk, welke Hij stichtte, verlooft, zal zijne
moeder, de Synagoge der Joden, Hem kronen maar met de
scherpe doornen, welke hare nijd en hare haat voor Hem
vlochten. Te minder zal Hij die pijnlijke kroon weigeren,
omdat de luchthartigheid van de kinderen dezer wereld zich
met de zoo spoedig verwelkende rozen der aarde alleen wilde
sieren en Hem, die voor alle zonden kwam boeten, niets over
\'iet dan de doornen. Ook eene vóórafbeelding wordt aldusr
werkelijkheid. Isaak zou aan God geofferd worden, maar God
herriep het gegeven gebod, en in Isaaks plaats werd een ram
als brandoffer geslacht, die met de hoornen in de struiken ver
ward was geraakt. Eveneens zal nu het Lam Gods, welks
hoofd met doornen gekroond wordt, opgeofferd, maar de kin-
deren der menschen gespaard worden.
Zoodra Jesus binnen het voorhof gesleurd was, dwongen
Hem de soldaten op eene lage, gemeene bank neer te zitten,
opdat zij des te gemakkelijker hunne verguizingen volvoeren
en zich ten zijnen koste konden vermaken. Daarop vlochten
zij eene kroon van lange doornen en drukten die — werktuig
van diep gaande pijn en zinnebeeld van de allerlaagste be-
-ocr page 558-
848
HKT r.l.lr>KX KN STKRVKN VAN
schimping —• op zijn gezegend hoofd; en alsof die doornen
nog niet diep genoeg in Jesus\' hoofd, dat reeds door de kaak-
slagen gewond was, doordrongen, namen zij den rietstok en
sloegen Hem daarmede ofi het hoofd.
Van alle zijden worden
de aderen geopend, maar ook voor ons allerkostbaarste wonden
gemaakt, want daaruit ontsproten zoovele rozen van Liefde, als
bloeddroppelen er aan ontvloeiden. Zóó veranderde Jesus zijne
smarten in hulpmiddelen te onzer verheffing en zijne doornen
in pijlen, om daarmede het Hart zijns Vaders te treffen,
en het door mededoogen met de ongelukkige zondaars te vertee-
deren.
Die nieuwe marteling des Zaligmakers moeten wij gelooven,
maar ze in hare geheele uitgestrektheid beschrijven, kunnen wij
niet. Laten wij daarom liever met stille aandacht luisteren naar
hetgeen de h. Maagd omtrent dit lijden van haren Zoon aan
de h. Birgitta heeft willen openbaren en naar hetgeen Heiligen
ons als vrucht hunner overweging mededeelen. „De doornen-
>,kroon wondde" — aldus spreekt de h. Moeder — „het eerbied-
„waardig hoofd van mijnen Zoon zóó hevig, dat het afvloei-
„ende Bloed zijne oogen en ooren vulde en zijnen geheelen
„baard bevochtigde. De doornenkroon sloot om het hoofd
„en reikte tot aan het midden van \'t voorhoofd. Vele beken
„van bloed vloeiden uit die plaatsen, waarin de doornen door-
„gedrongen waren, op \'t aangezicht af. De haren, de oogen
„en de baard waren zóó zeer daarmede bevochtigd, dat ik
„niets anders op zijn gelaat zien kon dan bloed; ofschoon ik
„zeer dicht bij het Kruis stond, kon Hij mij toch niet zien, als
„Hij niet door het samendrukken der oogen het bloed daaruit
„had verwijderd."
Niet alleen het overvloedige bloedverlies stemt ons tot
-ocr page 559-
0!*ZK.V HEEK JESUS CHRISTUS.                                               549
medelijden met den goeden Jesus, ook zijne ondragelijke pijnen
verscheuren ons hart. Deze waren nog heviger dan die der
geeseling, omdat het hoofd fijner gevormd en daardoor voor
elke smart gevoeliger is. „Wie beschrijft" — roept de h. Leo-
nardus van Portu Mauritio uit — „de smarten van Jesus? Een
„enkele doorn, welke den voet van een leeuw doorstoken heeft,
„veroorzaakt hem zulke hevige pijnen, dat hij brult en het
„woud van zijn gehuil doet weergalmen. Doch welke vreeselijke
„pijnen verwekten zoo vele doornen, niet in een voet maar in
„het allergevoeligste hoofd van Jesus? Wie toch weet niet, hoe
„smartelijk de hoofdpijn is ? Het hoofd is immers de zetel van
„\'t leven, waarin alle uit- en inwendige zintuigen te zamen loo-
„pen, waarin alle aderen en zenuwen hunne werkzaamheid uit-
„oefenen, hetwelk ook in de innigste levensverhouding met het
„hart staat. Lijdt dan het hoofd, dan kan de pijn niet gering
„zijn en wat in andere ledematen eene lichte smart is, dat
„wordt in het hoofd eene ware marteling. Wij moeten derhalve,
„en met recht, zeggen, dat de doornenkroon aan onzen Jesus
„een even veelvuldigen dood berokkende als er doornen aan
„waren, welke Hem doodelijke pijnen veroorzaakten en, zon-
„der Hem te doen sterven, in eene zee van de bitterste smar-
„ten dompelden. Wij kunnen ons dan ook niet verwonderen,
,,dat zelfs Pilatus, toen hij Jesus zoo mishandeld en aan de
„hevigste pijn ten prooi zag, door schrik bevangen werd. Het
„aanschouwen daarvan bewoog hem zóó zeer tot medelijden,
„dat, zooals hij meende, ook Jesus\' onverzoenlijkste vijanden
„daardoor zouden getroffen worden." „Ik weet niet wat ik zeggen
„zal" — aldus schrijft de reeds vroeger aangehaalde eerbiedwaar-
dige Lodewijk van Granada — „is de beleediging, welke onze
„Verlosser onderging, of wel de smart, welke Hem werd aange-
-ocr page 560-
550
HET LIJDEN EN STERVEN TAN
„daan, het grootste? Wie herinnert zich ooit gezien of gelezen
„te hebben, dat iemand op zoodanige wijze gefolterd is ge-
„worden, dat eene van doornen gevlochten kroon hem tot in
„de hersenen doordrong en hem van den eenen kant met
„smaad overlaadde en van den anderen kant hem ondragelijke
„smarten bereidde? Het kon de wreedheid en woestheid van
„die onmenschen niet voldoen, als zij den Zaligmaker met ge-
„wone en gebruikelijke straffen pijnigden; zij moesten nieuwe
„en ongehoorde martelingen verzinnen, opdat Jesus zoo
„grievend mogelijk beleedigd en zoo smartelijk mogelijk ge-
„folterd werd." Toen de h. Birgitta dit smartvol lijden van
onzen Verlosser overwoog, riep zij in de vervoering van hare
dankbare liefde uit: „o, Jesus, spiegel der waarheid, zinnebeeld
„der eenheid, band van liefde! gedenk uwe ontelbare wonden,
„welke U van het hoofd tot aan de voeten overdekt en met
„uw heilig Bloed rood geverfd hebben. Gedenk, welke smar-
„ten Gij in uw maagdelijk lichaam voor ons geleden hebt.
„Wat hadt Gij nog meer voor ons kunnen doen? O, goede
„Jesus! ik bid U: grif al uwe wonden met uw kostbaar lijden in
„mijn hart, opdat ik daarin uwe smarten en uwen dood leze en
„tot aan \'t einde van mijn leven U daarvoor dankbaar blijve."
Ja, vurige, hartelijke dankbaarheid is ons aller plicht. Waar-
om toch leed Jesus al dat ondenkbaar lijden? Het eenige ant-
woord, door ons schuldig geweten op die vraag te geven,
moet luiden: Hij leed die smarten om daardoor te voldoen voor
den grenzenloozen hoogmoed — heillooze bron van zoo vele zon-
den — voor alle zondige gedachten en voorstellingen van zoo
velen. Het hoofd wordt te recht als de zetel van alle werkingen
des geestes aangemerkt en door slechte, geheime gedachten wordt
-ocr page 561-
551
ONZEN HEER JESUS CHRISTUS.
somtijds de ziel zwaarder gewond dan door openlijke zonden.
Die weeken van hart en wuften van gemoed, die lichtzinnigen
van geest, wier mond bijna geen ander dat dit wellustige woord Wxjsh. II,
kent: laten we ons met rozen kronen; die aan niets anders
dan aan opsmuk denken, die hun tijd met nietswaardige din-
gen dooden, die geen zin hebben dan voor wat hunnen trots
streelt, dan voor wat hunne geheime lusten voldoet — zij heb-
ben hunnen Zaligmaker met scherpe doornen gekroond; voor
hunne zinnelijke zonden boette Jesus door onbeschrijfelijke
smarten. Eveneens hebben zij aan den Zaligmaker die pijn-
lijke kroon op \'t hoofd gedrukt, die in het gebed aan vrijwib
lige verstrooidheden zich overgeven, die slechts oogen hebben
voor hetgeen dezer wereld is en met euvelen moedwil hunne
gedachten aftrekken van hemelsche zaken; verder allen, die
toegeven aan onrechtvaardige oordeelvellingen, aan wraakgierige
plannen, aan liefdelooze vermoedens. In één woord: — want
alle zondige gedachten hier op te tellen is even nutteloos als
ondoenlijk — elke zondige werking van onzen geest, tegen welke
wet ook zij moge aandruischen, is eene doorn aan Jesus\'kroon
gevlochten, welke Hem wondde en pijnigde. En voor elke
van die zonden wilde Jesus in dat uur van ondenkbare smarten
boeten. Maar hoe nameloos veel moet Hij dan ook niet geleden
hebben, want ontelbaar vele waren en zijn nog voortdurend die
misdaden van den boozen mensch. O, wreede doornen! of
liever, wreedaardige overtredingen der menschen! Zij heb-
ben die doornenkroon voor den God-mensch gevlochten; en
nog, even dikwijls als een Christen aan misdadige gedachten
of voorstellingen van ijdelheid, van hoogmoed, van liefdeloos-
heid, van onreinheid of van wellust toegeeft, drukt hij op-
nieuw die folterende kroon in het doorwonde hoofd van zijn
-ocr page 562-
552
HKT LIJDEN KN STERVEN VAN
God en Zaligmaker. En nog zouden zij, die dienaren van
eene zinnelijke, van eene trotsche wereld, meenen hier langs
een met rozen bezaaiden weg te kunnen wandelen en zóó den
Hemel te kunnen binnengaan, welke niet verworven wordt
dan door nederigheid, versterving en liefde? Bedriegen we ons
niet: Jesus\' doornenkroon predikt ons luide en voortdurend
den harden plicht der zelfverloochening, „want" — zegt de
h. Bernardinus — „het past niet, dat onder een met doornen
„gekroond Hoofd ledematen gevonden worden, welke aan eene
„zinnelijke weekheid verslaafd zijn." Het is ook onmogelijk
dat hij, die zich hier met rozen wil versieren, ginds met glorie
zal gekroond worden; daarentegen zal hij in den Hemel ver-
heerlijkt worden, die op aarde om wille van Jesus en van de
deugd geleden heeft. „Indien wij met Jesus gestreden en
geleden hebben" — leert de h. Paulus — „zullen wij met
„Hem overwinnen en heersenen." Jesus\' Kruis, de roem en de
eer van eiken Christen, is ook het middel en de weg ter be-
looning.
Nog andere geheimenisvolle waarheden zijn hier op te mer-
ken. Jesus\' kroon was gevlochten uit scherpe doornen. Er
was op aarde, welke om de zonden der menschen met een
vloek beladen was en distelen en doornen voortbracht, niets
anders te vinden, waaruit Jesus\' hoofdsieraad kon gevlochten
worden; aan Hem, die de Koning was van alle lijdende zie-
len en geene andere volgelingen zocht dan wie bereid waren
met Hem het martelaarschap des bloeds, minstens der liefde,
het lijden en den smaad te gemoet te gaan, past ook geene
-ocr page 563-
553
OinSISM HEKR .IESUS CHRISTUS.
andere kroon. Zou een krans van bloemen wel een sieraad
en niet veel meer eene wreede bespotting voor den lijdenden
Jesus geweest zijn, en gaven die doornen niet beter den aard
van zijne koninklijke waardigheid te kennen dan elke andere
hoofdwrong? Jesus is immers geen Koning, die genoegens
op deze aarde belooft maar wel het lijden en de vervol-
ging voorspelt; onder zijne hovelingen duldt Hij geene zin-
nelijken noch lichtzinnigen, maar alleen hen, die de gemak-
ken des levens kunnen verzaken en niet slechts belust zijn op
hetgeen de zinnen streelt of aan de lagere neigingen des men-
schen voldoening schenkt. Wie zich onder zijne banier wil-
len scharen, moeten ook hun aandeel in zijne smarten niet
weigeren.
Bovendien, alles wat hier op aarde bloeit, alles wat voor
vermaak of grootheid gehouden wordt, vergaat zoo spoedig en
is niets meer dan schijngoed of klatergoud; maar de verdienste
der wederwaardigheden, welke evenals de doornen voor een
korten tijd wonden en pijn doen, blijft eeuwig. Daarom, al moe-
ten wij hier beneden iets lijden, ook dit mag ons niet ont-
moedigen. Wel is hier, in dit dal van tranen, in deze gewesten
van straf en boete, een rijke oogst van die scherpe doornen;
doch onze goddelijke Zaligmaker nam het grootste deel daarvan
voor Zich zelven, vlocht daarvan een kroon en drukte die
op zijn gezegend hoofd om de pijnen daarvan in onze plaats
te lijden en om tevens — wonder van Jesus\' Liefde — het
nog voor ons overblijvend lijden des tijds, alle distelen en
doornen des levens, de pijnen des lichaams en de angsten der
ziel, tot een Gode welgevallig offer te verheffen en te heiligen.
Aldus verdiende onze goddelijke Zaligmaker door de doornen,
welke Hij van ons wegneemt en op zijn heilig Hoofd over-
-ocr page 564-
554
HKT LMI1KN EN STKRVEX VAN
plantte, voor Zich eene onverwelkbare kroon van eeuwige heer-
lijkheid; maar te gelijk maakte Hij onze doornen, door ze te be-
vochtigen met zijn kostbaar Bloed, tot bloemen, welke bloeien
tot in eeuwigheid.
Nog eene andere beteekenis heeft Jesus\' smartvolle kroon voor
\',l6 elke mediteerende ziel. De kroon is van ons hoofd gevallen,
wee ons, omdat wij gezondigd hebben,
aldus riep de Profeet
Jeremias klagend uit. Eene kroon van blijdschap en van
vreugde, van heiligheid en van onsterfelijkheid was door den
God van Liefde den mensch in het paradijs opgezet, maar hij
wierp ze in dartelen overmoed in \'t slijk en vertrapte ze, alsof
zij geene waarde voor hem had. Doch Jesus, die de alles
overtreffende waarde daarvan kende en ook kwam om alles
goed te maken, wat de mensch door de zonde had bedorven,
raapte die kroon op en zette ze op zijn heilig Hoofd om ze
in zijn Bloed van alle smet te reinigen en ze opnieuw aan
den mensch te schenken door zijn lijden. En diep drukte
Hij ze in zijn Hoofd, want vast en stevig moest zij voortaan
op het hoofd van zijne verlosten staan; geen geweld van\'smen-
schen vijand moest haar kunnen ontrooven.
Zoo staat dan de lijdende, diep vernederde Jesus voor ons
geloovig oog in eene Grootheid, welke door geen wereld-
schen glans of aardsche praal kon geëvenaard worden. Met
glorie en heerlijkheid is Hij gekroond; een diadeem als van het
zuiverste goud versiert zijn eerbiedwaardig Hoofd en de vele
bloeddruppelen, welke uit zijne wonden vloeien, vonkelen als
edelgesteenten van het zuiverste gehalte. Wat is Hij schoon,
de Zoon des menschen, al heeft zijne stiefmoeder Hem een
kroon van martelende doornen ingedrukt. Nu reeds is Hij,
wat Hij eens voor ons allen zijn moet en zijn wil — de Ko-
-ocr page 565-
156
ONZEN HEEK JESIS CHRISTIS
ning der Glorie. Den vloek, over Adam en zijne nakomelingen
uitgesproken, neemt Hij weg of liever: verkeert dien in zegen;
Hij heiligt ons lijden en verwerft ons de kroon der eeuwige
vergelding. Mochten wij Hem daarom te getrouwer dienen, des
te vuriger beminnen. Zijne kroon is voor Hem het werktuig van
de diepste vernedering en van het smartelijkst lijden, maar
voor ons een onderpand der toekomstige heerlijkheid. Om
ons daarmede eens te kunnen versieren, vraagt Hij van ons
slechts de vervulling van deze ééne voorwaarde, dat wij namelijk
ons niet aan deze wereld gelijkvormig maken, niet gezind
zijn, niet denken noch handelen gelijk deze booze wereld, maar
ten allen tijde in ons leven een beeld vertoonen van Jesus\'
lijden en sterven.
-ocr page 566-
Hoofdstuk XII.
De krijgsknechten geven Jesus een rietstok
in de hand en bespotten Hem.
In het treurig tafereel, hetwelk wij overwegen, neemt de be-
spotting van den goddelijken Lijder eene derde en voorname
plaats in. Jesus\' Liefde had alles weggeschonken, om allen rijk
te maken aan bovennatuurlijke goederen; zij heeft ook reeds
onbeschrijfelijk veel geleden, om voor alle zondaren te boeten j
nog meer zal en wil zij lijden door de smadelijkste beschim-
pingen, om den diep gevallen mensch uit zijne ellende op te
heffen.
-29 De krijgsknechten gaven Hem een rietstok in de hand —
met die woorden verhaalt de Evangelist die nieuwe wreed-
heid der brooddronkene soldaten. Een riet, een broos en zwak
riet moest dienst doen om het tegeno vergestelde te verbeelden
van hetgeen een schepter aanduidt in de handen van een we-
reldsch vorst. De rijksstaf beteekent kracht en macht van
hem, die de drager er van is. Maar om Jesus en zijn heilig
en bovenaardsch Koningschap te verguizen, moest Hij een
riet, het zinnebeeld van broosheid en van zwakheid, in zijne
handen dragen. Hij moest immers als een spotkoning voor-
-ocr page 567-
HKT I.IJDKX K.N STERVEN VAN\' ONSEN HKKR JKSI.\'S CHRISTUS.             55*
gesteld worden; in hunne oogen was Hij niet beter dan een
indringer, die zich wel Koning genoemd had maar inderdaad
niets minder heeten mocht dan een verleider des volks, die
anderen te zijnen voordeele bedroog.
Hoe eindeloos ver kan een mensch, die zijne oogen voor
het licht der waarheid sluit, van den goeden weg afdolen;
maar ook, met hoe groote Wijsheid weet God hem, zelfs
bij de onzinnigste afdwalingen, aan zijne grootsche plannen,
aan zijne liefdevolle oogmerken dienstbaar te maken. Toen
die krijgsknechten Jesus als een spotkoning aankleedden, er-
kenden zij, tegen wil, Hem voor dengene, die Hij inderdaad
was, als den Koning, die zijn geestelijk Rijk in zijn eigen Bloed
stichten, het ook door de kracht van zijn Bloed zou uitbreiden
tot aan de grenzen der aarde. Nu zij Hem zoo grievend mo-
gelijk zullen beleedigen, werkten zij er toe mede om de doel-
einden des Hemels te bevorderen, „niet volgens hunne meening"
— merkt hier de h. Ambrosius aan — „maar volgens de be-
,,doeling van God." „Die gebeurtenissen" — mogen wij hier
met den h. Augustinus zeggen — „geschieden wel op aarde,
„maar toch volgens de beschikkingen des Hemels; wel door
„menschen, maar toch naar verordening Gods." De Vader wilde,
dat zijn Zoon als Overwinnaar begroet, als de beloofde Messias
gehuldigd en ook als Koning zou vereerd worden, maar als
Koning van een gebied, dat niet door wapengeweld veroverd
en verdedigd werd, rcaar door de schijnbare zwakheid van den
bespotten Verlosser gewonnen werd. Wat alzoo in de bedoe-
ling van die soldaten een gruwzaam spel was, moest volgens
Gods beschikking de uitdrukking zijn van eene hooge waarheid.
Een even diepzinnig als wonderbaar geheim, dat al onze aan-
dacht overwaardig is.
-ocr page 568-
558
IIKT LIJDEN KN STI\'.RVKN VAN
Nu de Koning met zijn plechtgewaad getooid is, met de
kroon op het hoofd, den rietstok in de hand en den mantel
om de schouders, nu Hij ook op zijn troon, een steenen
bank, gezeten is, mag ook de begroeting, de huldiging niet
ontbreken. Maar, o God! op welk eene wijze vieren die ellen-
delingen den vrijen teugel aan hun spotlust. Wanneer een vorst
dezer wereld op den dag zijner kroning door de onderdanen
gehuldigd wordt, komen dezen tot hem, buigen hunne knieën
om hem te vereeren, roepen hem juichend het „wees gegroet,
„o, koning!" toe en kussen hem de hand uit eerbied voor zijne
hooge waardigheid. Ook nu, bij Jesus\' bespotting, zal geene
enkele van deze drievoudige schijnvereering achterblijven;
maar een zedeloos grauw, een heidensch gespuis vervullen hier
die afschuwelijke rol en wel met eene onbeschaamdheid en
eene wreedheid, welke niet geëvenaard kunnen worden. De
Evangelisten hebben niet verzuimd al die akelige bijzonderhe-
den, ofschoon in enkele woorden, op te teekenen; maar zij be-
grepen, dat eene korte vermelding van al dat lijden van Jesus
ook voor ons genoegzaam zijn moest om ons te overtuigen,
dat wij nimmer de diepte van Jesus\' vernedering peilen, nim-
mer zijn onverwinnelijk geduld naar waarde kunnen schatten.
Eerst beginnen de soldaten Hem te begroeten, of gelijk de
Joan, XIX, 3. h. Joannes verhaalt — zij kwamen tot Hem, als om juichende
en eerbiedig groetende Hem te vereeren, maar inderdaad om
Marc. XV,19. Hem te bespotten, en zeiden: wees gegroet, Koning der Joden /
Dan knielden zij neder en aanbaden Hem in schijn om
Hem, volgens Oostersch gebruik, als aan een allermachtigsten
heerscher de nederigste vereering te bewijzen. Nog is hun
spotlust evenmin als hunne wreedheid hiermede voldaan. Om
den handkus te verbeelden, grijpen zij al lachende en honende
-ocr page 569-
559
OMZt.N HEER JKSI\'S CHKISII\'S.
den rietstok uit Jesus\' handen en sloegen Hem daarmede op
het Hoofd
en deden alzoo de doornen al dieper in de hersenen
doordringen. Nog verder gaat hunne kwaadaardige onbeschoft-
heid: zij gaven Hem kaakslagen of met hunne gespierde vuisten of
met den rietstok en ten laatste bespuwden zij Hem, het afzichte»
lijkst teeken van de diepste verachting gebruikende.
Wie dit afgrijselijk en duivelsch werk van die onmenschen
eenigszins wil beoordeelen, hij bedenke, wie Hij is, die al die
smarten en al dien smaad lijden wil om de zondaren uit
hunne zedelijke ellende op te heffen. Uie de Eerstgeborene Coi j
voor alle schepselen is, wordt beschimpt en verguisd als de ver-
achtelijkste der menschen; Hij, op Wiens schitterend gewaad
met gulden letteren de weidsche titel geschreven staat: de Ko- Opb. XVll,i4
ning der koningen en de Heer der heerschers, wordt door on-
beschaamde slaven onder een grijnzend hoongelach bespot in
zijne waardigheid van Koning der Joden en met een gescheur-
den rooden mantel omhangen; Hij, die ?net zijne drie vingers Js XL I2
het gevaarte der aarde draagt, moet in zijne almachtige hand
een brozen rietstok houden; Hij, voor Wiens aanbiddelijk aan-
gezicht de Engelen zelven, uit diepen eerbied, het gelaat mei Is. VI, a.
hunne vleugelen bedekken, wordt door deugnieten bespuwd;
Hij, voor Wien de vier en twintig ouderlingen in den Hemel in
stomme aanbidding nedervallen, Hem eer en lof en glorie en
heerlijkheid toezingende, wordt door verachtelijke huichelaars,
na een beschimpend kniebuigen, in het aangezicht geslagen;
Hij, in Wiens aanschouwing de Heiligen hun eeuwig geluk
genieten, wordt onteerd, verguisd, vertrapt door een aller-
laagst gemeen.
— Had Jesus, onze God en Zaligmaker, meer Liefde kunnen
toedragen aan de menschen, al brandden zij van liefde voor Hem
-ocr page 570-
5611                                           HKT I.MDKN IN STERVEN VAX
evenals de Seraphijnen in den Hemel? Daarentegen, hadden
de ongelukkige menschen Hem vinniger haat kunnen toedragen
dan zij doen door Hem te beleedigen, al had de goede
Jesus hun meer kwaad — akelige veronderstelling — berok-
kend dan de duivel zelf hun wenscht aan te doen ? Doch neen !
houden wij ons met die beschamende gedachten niet op. De
onuitputtelijke Liefde van onzen beminden Verlosser moet nu al
onze aandacht innemen. Het is Hem immers eigen te sparen
en erbarming te oefenen, zijne vijanden te beminnen, te lijden
voor die Hem vervolgen. Hij wiesch wel de voeten van den
afvalligen Apostel, -die Hem verraden zou; Hij genas het oor
van den soldaat, die Hem kwam gevangen nemen; Hij vergaf
alle zonden aan Petrus, die Hem met een godslasterlijken eed
verloochende. Daaraan erkennen wij zijn van Liefde brandend
Hart; daarom ook moeten wij, hoe schuldig wij zijn en hoe
groot het aandeel zij, dat wij in zijne bespotting en pijniging
gehad hebben, op zijne grenzenlooze Barmhartigheid een onbe-
perkt vertrouwen blijven stellen. Hij immers lijdt alleen om
voor ons te voldoen, om ons van den eeuwigen ondergang te
redden. Vergeten wij echter niet deze vermaning ter harte te
nemen, welke dit nieuwe lijden van Jesus ons voorhoudt. Nim-
mer mogen wij, ook in het allerminste niet, gelijken aan die
plicht-vergetene huichelaars, die Hem met hunne lippen en met
uitwendige plechtigheden schijnen te vereeren, maar wier hart
verre van Hem is: wij, Christenen, moeten Hem aanbidden in
geest en waarheid, Hem beminnen, niet alleen in woorden,
maar inderdaad en met werken. Daarenboven; wie onzer, die
een blik slaat op den lijdenden Jesus, zou zich nog over eene
geringe beleediging durven beklagen, of liever zich niet ver-
blijden, als hij voor Jesus of met Jesus versmading lijden mag ?
\\
-ocr page 571-
SCI
OS/.KS\' HEEK JKSLS (HKISTIS.
Treffend en behartigenswaardig is hetgeen de h. Augustinus aan-
merkt, als hij dat droevig tafereel van Jesus\' bespotting heeft
overwogen: „Zoo werd vervuld, wat de Christus van Zich zel-
„ven voorspeld had; zoo werden de Martelaars gevormd om
„alles te verduren, wat de vervolgers hun ooit zouden aandoen;
„7oo werd het geduld, hetwelk wij moeten navolgen, ons door
„Jesus aanbevolen, terwijl zijne ontzagwekkende Macht een
„oogenblik verborgen bleef; zoo overwon het Rijk, hetwelk
„niet van deze wereld is, de trotsche wereld, niet door een
„wreeden strijd maar door den ootmoed in het lijden; zoo
„werd die graankorrel, welke vermenigvuldigd moest worden,
„gezaaid in eene vreeselijke versmading, opdat hij zou ontkie-
„men met eene wondervolle glorie."
Ja, Jesus overwon de booze wereld door ootmoed en geduld !
Dit vooral is de geheimnisvolle beteekenis van dien brozen
rietstok, die den schepter van Jesus, den Messias en den Koning,
moest vervangen. Wilden zijne vijanden daardoor aanduiden,
dat zijn Koninkrijk broos als een riet, nietswaardig zijn zoude?
IJdele spotternij van een diep gezonken volk! Alsof Jesus
niet machtig was om door hetgeen bij velen zwak heette het
schijnbaar machtige te overwinnen. Al droeg de verguisde
Verlosser in zijne handen niets dan een rietstaf; al had het den
schijn, dat Hij zwak en hulpeloos, dat Hij, ofschoon Zich
Koning noemende, arm en verachtelijk was, dat geene waar*
digheid Hem sierde en geene volgelingen Hem vereerden ;
in werkelijkheid was Hij de Almachtige, die in Zich zelven
alle macht vond en door Zich zelven alles, wat Hij wilde, ten
uitvoer legde. Zijne beulen konden Hem voor een oogenblik
beschimpen en vernederen, toch zou van Hem de profetie van
David omtrent Gods vijanden in vervulling gaan: Gij zult ze Vs. U, y.
80
-ocr page 572-
5(12
ƒ1 KI I.IJIlKX KX Ml ItVKX VAX
beheerschcn met een ijzeren schepter en als aardewerk hen verbr/j:e-
len.
Of heeft die toen verachte God-mensch niet koninkrijken en
gewesten nan zijn gezag onderworpen,woeste volkeren getemd door
de leer des Kruises, zijne machtigste vijanden overwonnen door de
macht, welke van Hem uitging, en een geestelijk Koninkrijk ge-
sticht, hetwelk in kracht en uitgestrektheid en duurzaamheid docr
een ander niet kan geëvenaard worden? Wie denkt ook hier
niet aan die andere voorspelling van den Koninklijken zanger:
ix 2. van Sioti zal de Heer den Schepter moer macht doen uitgaan:
heersch in het midden moer vijanden! bij U is de heerschappij
ten dage uwer kracht in heiligen luister.
Ook deze voorzeg-
ging is letterlijk vervuld geworden. De geheele geschiedenis
van Gods Rijk op aarde toont ons in de levendigste kleuren
de vervulling van die Godspraak aan. Het Koninkrijk van den
Heer Jesus Christus, zijne heilige Kerk, ontstond in Jerusalem
en is van daar uit over den ganschen aardbodem verbreid ge-
worden. De Apostelen gingen uit Davids stad en verspreidden
zich over de toenmaals bekende wereld, welke zij door Jesus,
den Gekruisigde, te prediken en door, in zijnen Naam, wonde-
ren te doen, dienstbaar maakten aan de leer des Kruises. Xiet
door eigen macht konden zij dat alle menschelijke krachten te
boven gaande reuzenwerk ten uitvoer brengen; maar de op
aarde bespotte Jesus, aan Wiens zijde altijd de overwinning is,
bekleedde hen met eene goddelijke macht uit den Hooge,
bevestigde hunne prediking door wonderwerken, boezemde
hun moed in om zijnen Naam voor volkeren en vorsten te
dragen, maakte hen, die uit zich zelven zwak en vreesachtig
waren, machtig door zijne genade, eenvoudig als duiven maar
tevens voorzichtig als slangen. Zóó heeft Jesus, die in zijn
tijdelijk leven op aarde Zich liet verguizen en beschimpen,
-ocr page 573-
ONZEN HE FR JESL\'S CHRISTUS.
R63
barbaarsche en in de ellende van afgoderij en zedeloosheid
weggezonken volkeren uit hunne verlaging opgeheven, de dui-
vclen beschaamd en de helsche machten op de vlucht gejaagd,
zijn Koninkrijk gegrondvest op de puinhoopen van een at-
schuwelijk Heidendom en de grenzen van zijne Kerk uitgezet
tot aan de uiteinden der wereld. Zwakke middelen bezigde
Hij al/.oo om een goddelijk werk tot stand te brengen. Waarlijk,
wij hebben alle redenen om met den lofzang van den h. Paulus in
te stemmen, welken hij bij de overdenking van Gods wondervolle
leiding aanhief: het divaze der wereld heeft God uitverkoren om * Cox. I. 2;.
het sterke te beschamen ; en hei onedele der wereld en het verachte
heeft God uitverkorenen hetgeen niets is, om hetgeen iets is te niet te
doen. Dat dwaze, zwakke en dat onedele der wereld waren — zegt
de h. Athanasius — de volgens de wereld onwetende, mach-
telooze en onaanzienlijke Apostelen, die evenwel door Gods kracht
de waanwijzen der wereld, de machtigen en die bij de wereld
voor groot gehouden werden, niet alleen beschaamden, maar
ook door de kracht van Jesus\' leer wonnen voor zijne Kerk
en in nederige dienaren der waarheid herschiepen. Wie on-
zer huldigt dan niet met vurige dankbaarheid de onmetelijke
kracht van dien rietstok, welke volgens de bedoeling van Jesus\'
vijanden het teeken van zwakheid zijn moest, maar inderdaad in
zijne handen het zinnebeeld van goddelijke macht geworden is?
Maar — vergeten wij dit nimmer — daarom ook wilde de
Vader, dat Jesus\' schepter een rietstok zijn zoude, opdat geen 1 Cuk. I,ag
vleesch roeme voor zijn aangezicht. De wonderen door Jesus
èn in zijne Apostelen èn in zijne getrouwe volgelingen bewerkt,
mogen niet toegeschreven worden aan het brooze riet, maar
uitsluitend aan de Almachtige handen, die het droegen.
— Besluiten we deze korte opmerkingen met het volgende
-ocr page 574-
584                                 \' HET UJDEN EN sn:l:v!\'.\\ VAN
schoone gebed, dat de h. Bernardus bij de overweging van de ge-
heimen der goddelijke Almacht stortte, en waarin de behoeften ook
van onze ziel staan uitgedrukt: „O, mijn God!" — riep hij uit, zich
tot Jesus wendende „dewijl zelfs de zwakste dingen in uwe handen
„zoo groote kracht en macht verkrijgen, en dewijl daarin een riet-
„stok als een schepter en als eene roede van ijzer was om vol-
.,keren te beheerschen, neem mijn hart in uwe handen; het is
„niets dan een broos, hol riet, leeg aan goede werken en aan
„verdiensten; niets dan een buigzaam en beweegbaar riet, dat
„om zijne buitengewone lichtheid door eiken wind heen en
„weer geslingerd en door den minsten druk geschokt wordt.
„Doch van het oogenblik af dat het in uwe handen zal rusten,
„zult Gij het met uwe genade en met de kracht van uwen
„goddelijken wil vervullen; Gij zult er een hart van maken,
„dat edelmoedig en onwankelbaar, vol vurigen ijver is; een hart
„bereid om alle moeielijkheden te boven te komen, om alle
„hinderpalen, door eene onvermoeide volharding, te ovcrwin-
,,nen." Zou er onder de Christenen wel één zijn, in wiens
mond die dringende smeekbede niet gepast, niet noodzakelijk is?
Nog één oogenblik verwijlen wij bij den gekroonden Jesus, om
in het aanschouwen van zijn lijden de volle beteekenis, in zoo
verre dit een menseh gegeven is, van de doornenkroning te be-
grijpen. Onmetelijk toch zijn de schatten van genaden, welke Hij
door die smarten en die vernedering voor ons heeft verwor-
ven. Om slechts enkele van die genaden aan te halen,
zullen wij op de twee volgende alleen wijzen. Hij heeft den
vioek van de aarde weggenomen en, in plaats daarvoor den
zegen over ons allen brengende, den gevallen menseh uit zijne
-ocr page 575-
ONZKX HEKU .IKSUS tHKlsCLS.
505
vernedering opgebeurd om hem eens met eer en glorie te kun-
nen kronen; den ijdelen waan van den hoogmoed heeft Hij tot
schande gemaakt en de vermeende dwaasheid der nederigheid
tot hooge eer verheven. Verklaren wij dit nader.
Jesus, de Koning der eeuwige G.orie, waarachtig God en in
den tijd mensch geworden, neemt de straffen onzer zonden op
Zich en wordt om onze misdaden geslagen, opdat Hij aan
den mensch, den door eigene schuld onttroonden Koning der
schepping, het verloren rijk des Hemels kon terug geven. Adam
had aan God de gehoorzaamheid opgezegd, maar verloor daardoor
de vriendschap met God, het schoone paradijs der aarde en het
nog schoonere des Hemels; hij boette zijnen hoogmoed met het
verlies van vele voorrechten, bij name van de heerschappij over de
aarde, welke vóór de zonde aan zijn bevel gehoorzaamde, maar nu,
weerbarstig en beladen met den vloek van God, distelen en
doornen voortbracht. De kroon was den mensch alzoo van
\'t hoofd gevallen en van Heer der schepping was hij slaaf der zin-
nelijke lusten geworden; eene trotsche ongehoorzaamheid had
hem van zijn troon in de diepste ellende neergeworpen. In
zijne eindelooze Barmhartigheid daalde de Zoon Gods uit den
Hemel op aarde neder, nam de gedaante van een dienstknecht aan,
omkransdc Zich, als het Offerlam dat voor ae zonden der we-
reld moest geslacht worden, met scherpe doornen en laadde,
ofschoon Hij de Heer der heerscharen was, op zijne schouders
al den smaad, welke op Adam en zijn geslacht gevallen was.
En misvormd wilde Jesus worden, lijden in lichaam en ziel, om-
dat de mensch door zijne zonden Gods evenbeeld in zich ge-
schonden en naar lichaam en ziel straf verdiend had. Zoo
boette de mensch-geworden Zoon van God door eene grenzen-
looze vernedering voor den grenzenloozen hoogmoed van den
-ocr page 576-
56fl
HET LIJDEN EN STtRVE* VAN\'
zondaar. Doch ook zoo verdiende Hij, die alles kwam her-
stellen, voor den gevallen mensch al de goederen terug, welke
deze door zijne overtreding van Gods gebod verloren had:
de vernedering van Jesus werd het begin niet alleen van
\'s menschen opheffing, tevens het middel ter zijner verheerlij-
king, en de schijnbare zwakheid van den goddelijken Lijder
openbaarde zich als de oneindige kracht ter herstelling van de
gevallen menschheid. Een spotkoning verdient het ware, ecu-
wige koninkrijk voor zijne verlosten; zijne bloedige doornen-
kroon verwerft voor hen eene glorie-kroon in den Hemel; een
spotschepter van riet verovert den staf der heerschappij in het
onvergankelijk Rijk des Vaders; een roodkleurige, purperen
mantel voorspelt een vorstendom door het Bloed van Hem
verworven, die het Hoofd en de Aanvoerder is, ook de kracht
en de vergelding van hen allen, die als ware kruishelden met
Hem en voor Hem tot het laatste toe standvastig zijn gebleven.
Maar verder nog moeten wij onze blikken werpen. Jesus
is vernederd geworden en heeft ons daarin een nieuw voor-
beeld ter navolging gegeven. De doornenkroning van Jesus
met al het daarmede verbondene lichaams- en zielslijden was, in
zijne almachtige Liefde, niet alleen een middel om ons uit de
peillooze diepte van onzen val op te heffen, ook voor Hem
zelven heeft zij de beteekenis van eene zegekroon. Spotten-
der wijze knielen de soldaten daar voor Hem neder en nemen
de houding aan, alsof zij Hem aanbidden, maar door die ver-
nedering verdiende Hij, dat elke knie zich buige van hen, die
in den Hemel, op de aarde en onder de aarde zijn; zij schreeu-
wen, huichelende en lachende, Hem het „Wees gegroet! Koning
der Joden!" tce, en nu gaat uit aller hart en mond de jui-
chende en dankbare lofzang op, om noch op aarde noch in
-ocr page 577-
ON/.KN IIKKH JESUS CHRISTUS.
507
den Hemel meer onderbroken te worden: hei Lam, dat qc- Opevb.
dooi is geworden, is waardig te ontvangen de Macht en de
Godheid en Wijsheid en Eer en Heerlijkheid en Dankzegging;
zij slaan Hem met den rietstok op zijn gezegend Hoofd en
met de vuist in zijn eerbiedwaardig aangezicht, en nu breidt Hij
zijnen vreeselijken Rechterstaf en de ijzeren roede der vergel-
ding over zijne hardnekkige vijanden uit en ziet, aan des Va-
ders rechterhand gezeten, zijne vijanden tot een rustbank zijner
voeten gemaakt. Hij is aldus zoo laag mogelijk verguisd geworden,
maar n& gestorven te zijn, is Hij nu met te grootere heerlijkheid
gekroond, en ook daarin is Hij het toonbeeld van ons allen; want
zooals het Hoofd is, moeten ook de ledenmaten wezen. Onder
voorwaarde evenwel, dat wij alle zondige ijdelheid afleggen, den
hoogmoed, wortel van vele zonden, verzaken. Jesus heeft de nede-
righeid tot hemelsche eer verheven. Voor zijne komst op aarde
was zij bijna onbekend, maar door zijn woord en voorbeeld heeft
Hij ons geleerd, hoe noodzakelijk zij ter zaligheid, hoe kostbaar zij
in Gods oogen is. Omdat Hij Zich zoo diep vernederd heeft,
—    en de doornenkroon is daarvan het treffendste zinnebeeld
—  werd Hem een Naam gegeven, welke boven alle namen is.
Wie alzoo waarlijk groot wil worden, moet eerst waarlijk ne-
derig zijn; wie eens in het Rijk der glorie met eene schitte-
rende kroon van heerlijkheid wil versierd worden.moet het moedig
besluit maken om hier met Jesus eene doornenkroon te dragen.
De rijke en blijvende belooning, welke voor die deugd is weggelegd,
zal toch wel ecnigc inspanning waard zijn. Wij kunnen de doornen
tellen, waaruit Jesus\' kroon gevlochten was, maar niemand zal in
staat zijn om de genaden op te sommen, welke God zelf aan de
beoefening der nederigheid voor hier en namaals verbonden heeft.
-ocr page 578-
Hoofdstuk XIII.
Jcsus wordt aan het volk voorgesteld.
De Zoon Gods, die eenmaal uit de doornen van het bran-
dende braambosch tot Mozes sprak, om hem de zending op te
dragen zijn uitverkoren volk uit de slavernij der Egyptenaren
naar de vrijheid van het beloofde land over te voeren, wilde,
nu zelf gekroond met doornen, wel is waar stilzwijgend maar
daarom niet minder indrukwekkend, spreken tot zijn volk, nu
Hij op het punt staat hen door zijn dood uit de slavernij des
duivels te bevrijden. Daarenboven beschikte God, dat de betce-
kenisvolle kroning van den Verlosser niet in een beperkten
voorhof besloten bleef, niet slechts aan eene enkele bende van
soldaten voorgehouden werd, maar dat de Koning der zielen in
zijn geheimzinnig plechtgewaad aan geheel zijn volk door een
ongeloovigen Heiden werd voorgesteld. Waren ook niet reeds
voor eeuwen alle inwoners van Jerusalem en in hen alle verlosten
door Salomon uitgenoodigd om den goddelijken Bruidegom,
gekroond met den bloedigen krans van het Martelaarschap,
welken de ondankbare Synagoge Hem in \'t hoofd had gedrukt,
-Ioogl.hi,ii. te gaan aanschouwen, toen hij uitriep: Gaat uit, dochters van
Sion.\' en ziet den Koning Salomon met den diadeem, waarmede
-ocr page 579-
HET LIJDEN EN\' STERVEN VAN ONZEN\' HEER JESUS CHRISTUS.            5gg
Hem zijne moeder gekroond heeft ten dage zijner verloving en
ten dage van de blijdschap zijns harten.
Wij zullen dan
dat zinrijk tafereel in al zijne bijzonderheden beschouwen met
het voor Jesus zoo troostend voornemen, om daaruit heilrijke
lessen voor ons godsdienstig leven te trekken.
Het voorhof, waar Jesus gegeeseld en met doornen ge-
kroond was, had door eene deur gemeenschap met de
rechtzaal, waar de Landvoogd de beschuldigingen aanhoorde
en onderzocht. Aan de voorzijde van de rechtzaal bevond
zich eene verhevene, met steenen geplaveide plaats —
wij hebben ze eene breede stoep genoemd. Daar stond de
zetel van den rechter; daar ook sprak hij gewoonlijk zijn
vonnis uit. De Joden stonden nog altijd buiten op de
straat om niet door het binnentreden van de woning eens
Heidens, voor de nog volgende plechtigheden verontreinigd
te worden: schijnbaar nauwgezet in het onderhouden van
geringere voorschriften der wet, verwaarloosden zij het zwaar-
dere — het geloof, de rechtvaardigheid en de barmhartigheid.
Toen de soldaten aan hunne wreedheid en spotlust ten koste
van Jesus allen teugel gevierd hadden, sleurden zij Hem uit
het voorhof naar Pilatus in de rechtzaal. Het geeft veel en
wel ten nadeele van den Landvoogd te denken, dat zij
Jesus in dien allerdeerniswaardigsten toestand, afgemarteld en
op de laagste wijze verguisd, aan de oogen durven voorstellen
van den rechter, die ook den meest schuldige niet mag laten
mishandelen en daarenboven reeds tot driemalen toe de on-
schuld van Jesus openlijk betuigd had. Moeten wij daaruit
-ocr page 580-
670
HET I.MDKX EX STKKVEN VAN
en ook uit deze omstandigheid, dat die beulen den Zaligmaker
zoo langen tijd achtereen — omstreeks een vol uur — gefolterd
en hun meester even lang hadden laten wachten, met den h. Au-
gustinus besluiten: „daaruit is het duidelijk, hoe dat alles niet
„buiten weten van Pilatus maar op zijn bevel, minstens met zijne
„toestemming geschied is?" Het oordeel daarover aan God over-
latende — want alle zekere gegevens ontbreken ook hier ten eene-
male — moeten wij evenwel te zijner eere opmerken, dat Pilatus
zelf door den beklagenswaardiger! toestand van Jesus getroffen
scheen en er een middel van wenschte te maken om Hem van
den dood te bevrijden. Zelf door medelijden bewogen, hield hij
zich overtuigd, dat het aanschouwen van Jesus in zijne diepe
ellende hetzelfde gevoel in het hart der Joden zou opwekken.
Hij gaat dan, aan Jesus bevelende hem te volgen, naar bui-
ten tot de Joden. De Zaligmaker gehoorzamende aan den wil
zijns Vaders tot "aan den dood des Kruises, was tot alles be-
reid en volgde als een Lam, hetwelk ter slachtbank geleid
wordt. Helaas! in welken deerniswaardigen toestand? Slechts
ten halve gedekt door den rooden mantel, vertoont Hij de
nog bloedende sporen van de geeseling; zijne handen, met
koorden gebonden, dragen den verachten rietstok: diep in zijn
hoofd is de kroon van doornen ingedrukt; zijn aangezicht is
hoog opgezwollen van de vuistslagen en bedekt met bloed en
met het afzichtelijk uitwerpsel der beulen. Zoo gaat onze Za-
ligmaker, bevende van koude en afmatting, wegkrimpend van
pijn, welke zijn geheele lichaam doorvlijmt, met gebogen hoofd
en terneergedrukt door smarten en beschaming, met onzekeren
tred naar de plaats, waarheen Pilatus Hem geleidde.
Zoodra de Landvoogd met Jesus aan zijne zijde — een tafereel
zóó aandoenlijk, dat het de meest ongevoelige harten vermurwen
-ocr page 581-
O.VZKN HEES .IKSI\'S CHRISTUS.
671
moest — op het vooruitstekend gedeelte van het rechthuis stond,
gebood hij stilte en sprak het volk met de/e woorden toe;
Zie, ik breng Hem lol u builen, opdat gij welen moogt, dat ik Joak. XIX.4.
geene schuld in Hein vind, daardoor willende doen uitkomen,
dat hij den van vele misdaden aangeklaagden Jesus tegen
zijne overtuiging in had doen kastijden om hun te believen,
maar nu met te meer recht van hen mocht vorderen, dat zij
van den eisch der kruisiging afzagen. Al letten wij voor \'t
oogenblik niet op het verschrikkelijk vonnis der veroordeeling,
hetwelk Pilatus met die woorden over zich zelven uitspreekt,
daar hij bekent niet volgens zijn geweten noch volgens zijne
overtuiging maar alleen uit menschenvrees gehandeld te heb-
ben, toch zal niemand hem van lafhartigheid vrijspreken, nu
hij opnieuw het recht over leven en dood uit zijne handen
geeft en het woedende volk tot rechter aanstelt in eene hals-
zaak, waarin hij alleen het vonnis moet vellen. Zelfs zijn vol-
gend beroep op het gevoel en vooral op het medelijden des
volks verschoont zijne handelwijze niet.
— Jesus andermaal onschuldig verklaard! Zal Hij toch ster-
ven, dan is het, omdat Hij het uit Liefde gewild, niet omdat
Hij het door schuld verdiend heeft. Maar is Jesus onschuldig,
dan zijn wijde schuldigen, en zal I lij nog meer lijden en ook den
dood ingaan, het zal alleen om onze zonden zijn. Waarom ons
geschaamd dat oprecht te belijden, dewijl wij ons niet schaamden
het kwade te doen, ofschoon de Hemel tegen ons getuigde. En
helaas! nog gaan wij voort, Hem bijna elk oogenblik te be-
leedigen en beminnen Hem schier nooit, zoóals de strengste
verplichting het van ons eischt. Hij daarentegen heeft ons ge-
spaard en ons de zonden vergeven en voor ons de zaligheid
verdiend, toen vele redenen Hem als dwongen om ons
-ocr page 582-
573
HET MJDEN KN STMtvts VAN
te straffen en voor eeuwig van Zich te verwijzen. Vanwaar
die boosheid des menschen en die Liefde van den beleedigden
s. 1.3.        God? De os kent — aldus klaagde God reeds onder het
Oude Verbond — zijn eigenaar en de ezel de kribbe van zij-
tien heer; maar Israël kent Mij niet en mijn volk begrijpt niet
! ?. xvir, 20. (wie zijn weldoener is.) Doch Jesus verloste ons, omdat Hij
welgevallen aan ons had
en met eene eeuwige Liefde ons be-
minde —
Pilatus, die zich in dit rechtsgeding des Zaligmakers meer
vreesachtig dan billijk toonde, wilde Jesus aan het volk niet alleen
voorstellen om hun medelijden op te wekken, maar ook ter
verdediging van Jesus zoude hij nog eene poging wagen. Even-
wel, welk een onrechtvaardig rechter moet hij geweest zijn, die
des Zaligmakers onschuld reeds herhaaldelijk en openlijk ver-
klaard en desniettegenstaande Hem tot zulk een deerniswaar-
digen staat van ellende gebracht had, dat hij, de woede van
Jesus\' vijanden kennende, zich kon inbeelden, dat het aan-
schouwen alleen van Jesus\' toestand hun hardvochtig gemoed
verteederen zou? O, Engelen des Hemels! gij die bij dat schouw
spel tegenwoordig waart, mocht gij voor aller oogen zichtbaar
geweest zijn, hoe gij daar nederknieldet om Jesus\' heilige
menschheid te vereeren en om te belijden, dat al uwe liefde
voor Hem met die van Jesus voor de zondaren vergeleken
koud was, kouder was dan ijzer; hoe gij daar in aanbiddende
houding met gevouwen handen laagt gebogen om te getuigen,
dat Jesus\' wil en zijn gebod alleen u er van terughielden om
de Hem aangedane beleedigingen te wreken. O, volk der Jo-
den! eens het uitverkoren en net beminde volk van God, hoe
was het mogelijk dar zuik eeae verblindheid uwe oogen be-
-ocr page 583-
fi?;<
ONZES HEKS JKSLS LHKIsTL\'S.
dekte, dat zulk eene verstoktheid van hartu beheerschte om de on-
schuld van den oneindig Heilige niet te willen erkennen? Gij hebt
immers het geheele rechtsgeding in de handen van een we-
reldschen rechter gegeven; waarom u nu dan niet onderworpen
aan zijne beslissing en zijne uitspraak niet aangenomen? Naar
de stem van God hebt gij niet willen luisteren; opent nu ten
minste uwe ooren voor de woorden van Pilatus, die van zijn
rechterstoel en in tegenwoordigheid van Jesus zelven u toeroept
om u te beschamen en tegelijk tot medelijden te stemmen:
„Zie, de metuchl wien gij beschuldigd hebt? Hij is het, Wien
„gij aan mij overgeleverd hebt en ter nauwernood kunt gij
„Hem nog herkennen na de wieede strafoefening, welke Hij
„ondergaan heeft. Vraagt u zelven af, of Hij verdiend heeft
„om zoo wreed tegen Hem te woeden? Hij is met geene Ko-
„ninklijke waardigheid gesierd, maar door smaad vernederd;
„waart gij vroeger nijdig op Hem, omdat Hij Zich Koning
„noemde, hebt nu medelijden met Hem, omdat Hij tot zoo
„diepe ellende vervallen is; houdt u er van overtuigd, dat
„Hij nimmer meer den titel van Koning zal aannemen of Zich
„een aanhang kan verwerven; Hij is bespot, gegeeseld, ge-
„kroond met doornen, gekleed in een ouden versleten mantel,
„door allerlei soort van verguizing onteerd, gehoond door
„duizende uitvindingen van smaad en beschimping — wat eischt
„gij meer? Gij hebt meer verkregen dan gij verlangd en gevraagd
„hadt, en ik, om u te believen, heb meer gedaan dan ik wenschte
„en dan ik bedoelde. Nu de strafoefening aan Hem vol*
„trokken en de smaad Hem aangedaan zoo buitensporig groot
„zijn geweest, nu hebt gij eene reden te meer om uwen toorn
„te stillen en uwen haat te vergeten. Of zou er in uw hart
„nog plaats voor nijd overblijven, terwijl er in zijn lichaam
-ocr page 584-
574
IIKT IIJÜEN EN STERVEN VAN*
„geene gezonde plaats meer over is, waar de nijd nieuwe won»
„den slaan kan?" Zoo ongeveer sprak Pilatus; maar wij zullen
uit den mond van het toegesprokene volk weldra vernemen,
dat noch het voorstellen van den bespotten Jesus, noch de
smeekende woorden van den rechter iets uitwerkten op het
verharde gemoed der Joden. Wij moeten echter eerst ons
nog met heiligere gedachten bezig houden.
Op bovenstaande wijze hebben wij gemeend de drie woorden
te mogen omschrijven, welke de Landvoogd tot het verbitterde
joodsche volk richtte. Voor ons, geloovige Christenen, zijn er
veel hoogere waarheden in opgesloten. Wij aanbidden in dien
diep vernederden Jesus den God van eeuwige Majesteit, onder
Job. IX, 13. Wien zich buigen, die den aardbol dragen, d. i. de machtigen,
die de aarde beheerschen. Jesus is voor ons de God-mensch,
door Wien alles gemaakt is en zonder Wien niets is; in Wien
wij zijn en leven en ons bewegen; zonder Wien wij allen ster-
ven, door Wien wij allen behouden worden; Hij is, die van alle
eeuwigheid was en in den beginne Hemel en aarde geschapen
heeft, aan Wien ook alle macht in den Hemel en op aarde
gegeven is. Hij is de God mensch, Wiens geheele leven voor
ons een onderricht is, Wiens handelingen ons een zekeren
levensregel voorschrijven, Wiens woorden onfeilbare leerstukken
zijn; van Wiens leven ook slechts een enkel oogenblik meer waarde
heeft en van hoogere beteekenis is dan de geheele duur van de
eeuwigheid der Hemelingen; Wien allen aanbidden; Wien te dienen
de hoogste waardigheid is, en aan Wien te gehoorzamen aan de
-ocr page 585-
OVZF.N HIER JKSIS CHRISTUS.                                           575
menschen ware vrijheid schenkt; aan Wien zich te onderwerpen
eene eer is en aan Wien onderdanig te zijn glorie geeft, Wien te
beminnen een geluk is. Vreest gij het kwade en hoopt gij wat goed
is? De met doornen gekroonde Jesus is de God-mensch, door Wiens
genade gij al het kwade vermijden kunt, mnar van Wiens Goed-
heid gij ook al het goede verwachten moogt — goederen des
ichaams en dei ziel, tijdelijke en eeuwige goederen, der na-
tuur en der genade, goederen der aarde en des Hemels. Einde-
lijk; die Jesus, Wien wij in de Glorie zijner vernedering daar
zien staan, is de God-mensch, van Wien alleen ons eeuwig heil
afhangt, alle glorie welke wij verwachten, alle gelukzaligheid
welke wij hopen. Overdenk het bij u-zelf, o, mensch! wat gij
aan dien God-mensch verschuldigd zijt! Hij, Hij heeft u ge-
schapen toen gij nog niet waart; Hij heeft u het leven bewaard,
nadat Hij het u gegeven had, en, opdat gij voor eeuwig ge-
lukkig zijn zoudt, heeft Hij u met zijn eigen Bloed vrijgekocht,
toen gij onder de slavernij des duivels gevangen waart; Hij
gaf Zich zelven aan u, toen gij door de zonde verloren waart; Hij
nam u op onder het getal der kinderen van zijne Kerk en
maakte u deelgenoot van zijne H. H. Sacramenten, erfge-
naam van zijn Rijk, en gedurende uwen geheelen levens-
loop was er geen enkel oogenblik, waarin Hij u niet vele
weldaden schonk. De verguisde Jesus is de God-mensch, die
ons dat alles gaf, nadat wij kwaad voor zijne oogen gedaan
hadden. Wat zullen wij Hem wedergeren voor alles, wat Hij
ons gegeven heeft 1
Die God-mensch staat daar voor onze oogen in een zoo
deerniswaardigen toestand, dat zelfs de bloeddorstige Joden,
volgens Pilatus\' meening, door het aanschouwen van die ellende
moesten bevredigd worden. In den hof k\'aagde nog Jesus: mijne
-ocr page 586-
570                                            HKT I.1.IUKN KN STKHVEX VAN
ziel is bedroefd tot den dood; maar nu ontneemt de smart Hem
alle kracht tot spreken. Doch kan zijn mond geene klacht
uiten, zijn gelaat en zijne geheele houding spreken luider
en indrukwekkender nog dan de droevigste woorden. Al zijne
gelaatstrekken getuigen van de grievendste smarten naar ziel
en lichaam. Zijn voorhoofd is door bloed onkenbaar geworden;
uit zijne oogen, welke Hij uit schaamte niet durft opslaan,
vloeien tranen, welke zich mengen met het bloed, dat van \'t
voorhoofd afdruppelt; de half geopende mond openbaaart de
doodelijke beklemdheid van zijn hart; de bleeke kleur van
zijne lippen en van zijn gelaat teekent den stervende; zijne
gebogene gestalte torscht ter nauwernood den ondragelijken
last des lijdens, terwijl zijne ziel verscheurd wordt door de
smadelijkste bespottingen, waaraan Hij ten doel staat.
„Waarom, — zoo moeten wij vragen—- o, hemelsche Vader I
„al dat lijden naar ziel en lichaam op een gehoopt op uwen
„Zoon, Wieil niemand van eenige zonde kan overtuigen ? Waarom
„aan Hem uwc rechtmatige verbolging doen gevoelen, terwijl Hij
„zonder schuld is?" —Ook God roept ons toe, schoon in geheel
anderen zin dan Pilatus tot de Joden, en op ons zei ven wijzende:
„Zietden tnensch. Ik had den niensch naar mijn beeld en naar mijne
„gelijkenis geschapen, geplaatst in het wonderschoone paradijs en
„overladen met vele en overgroote weldaden en voorrechten.
„Doch hij werd ongehoorzaam aan mijn gebod, verviel in de
„diepste ellende en sleepte zijn geheele nakomelingschap mede
„in \'t verderf. Eene zondige begeerlijkheid, welke in hem nu
„leefde, deed hem van zonde in zonde vallen en vermeerderde
„van dag tot dag zijne schuld. — \'/.iet den mensch, hoe diep
„hij gevallen is; zijn verstand is verduisterd en zijn verzwakte
„wil ten booze geneigd. Ik maakte hem vrij en hij heeft zijne
-ocr page 587-
O.VZhN HK.KK JKSIS CHRISTUS.                                              577
„vrijheid misbruikt om slaaf te worden van zijn vijand, den
„Satan; Ik noemde hem mijn zoon en hij zelf heeft zich een
„kind van gramschap gemaakt; hulpeloos lag hij in het booze
„verzonken en zou reddeloos verloren geweest zijn, als mijne
„grenzenlooze Barmhartigheid geen middel had uitgevonden om
„hem uit zijne ellende op te richten. Daarom wilde Ik, dat
•mijn Keniggeboren, Goddelijke Zoon, door te lijden hem ver-
„lossen, door vernederd te worden hem in eere herstellen, door
„te sterven hem het leven der genade hergeven zou."
Hoe vele gedachten bestormen alzoo onzen geest, welke
treffende herinneringen worden bij ons levendig, wanneer onze
oogen staren op een beeltenis, waaronder het Eeet Homo ge-
drukt staat! Daarin toch lezen wij de geheele geschiedenis
van het menschelijk geslacht; daarin zien wij met de leven-
digste kleuren aanschouwelijk voorgesteld, wat de mensch eens
was, toen hij, met het schitterend gewaad der heiligmakende
genade omkleed, in het paradijs heerschte als koning der schep-
ping; daarin lezen wij ook, hoe diep hij door zijne zonde ge-
vallen is, en welk een beklagenswaardige slaaf hij werd én van
zijn gezworen vijand, den Satan, én van zijne eigene, tot het
kwade geneigde, begeerlijkheid; maar ook — en die verblij-
dende gedachte moet ons alsdan bemoedigen — wij zien
afgebeeld, welke krachtige middelen eene oneindige Liefde én
uitdacht èn in \'t werk stelde om ons allen uit onze zedelijke
ellende op te beuren en in de verlorene grootheid te hersteh
len. Die gescheurde mantel om de schouders van den God-
mensch geworpen, die rietstok in de handen van den Almach-
tige, die doornenkroon op het hoofd van den Koning der
koningen, zij verkondigen overtuigend, dat de mensch, door
het Bloed van den Verlosser rein gewasschen, en met de
37
-ocr page 588-
.11.1 Uibt.S in sfi kvkm On1
57S
noodige kracht uitgerust is om zich een Rijk van eeuwige
heerlijkheid te kunnen verwerven.
Maar niet zonder streng gevorderde voorwaarden wordt die
overwinning over zonde en dood en hel bevochten. Dat beeld
van den lijdenden Jesus wijst aan ons allen den weg, welken wij
voortaan bewandelen moeten om eens in de heerlijkheid te
kunnen binnengaan.
Treed nader, gij, mensch van zonden! en leer hier van uwen
i Pet. il,at. vernederden Jesus de deugd van ootmoedigheid, van Hem, die
voor ons geleden heeft, u een voorbeeld nalatende, opdat gij xijne
voetstappen zoudt volgen.
Door hoogmoed zijn wij diep ge.val-
len, door nederigheid kunnen wij uit onze verlaging opstaan,
als wij namelijk worden als kinderen, die noch van rang noch van
eerzucht weten, die niet hoogmoedig van harte of eigenwijs van
gezindheid zijn, die niet naar het hooge trachten maar in het nede-
rige welgevallen hebben, die zich zelven niet groot wanen, maar
een gering gevoelen van zich zelven hebben. Of dringen ons,
die onnutte knechten zijn en in vele dingen misdoen, niet alle
redenen om met den ootmoediger, tollenaar, in deemoedige
Ltc.Xviii, 13 houding, de schuldbekentenis te stamelen: God! wees mij
zondaar genadig;
of durven wij vol zelfverheffing voor het
aangezicht van een alwetenden God het den trotschen pharisaeër
nazeggen: God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de overige
menschen?
Letten wij wel op: de onfeilbare Waarheid
Luc. XIV,ii. heeft het ons ter waarschuwing voorgehouden: al wie zich
verheft zal vernederd, en wie zich vernedert, zal verheven
worden.
De nederigheid moest daarom de lievelingsdeugd van alleChris-
tenen zijn. Doch, helaas! het is bij velen geheel anders. Het groot
aantal van Jesus\' leerlingen in aanmerking genomen, zijn er
-ocr page 589-
67\'J
us/.i-.x üKKi: jisi\'s CHRISTUS.
weinigen, die genoemde deugd trachten te beoefenen, velen
daarentegen, die den hoogmoed in hun hart aankweeken. Toch
is die ondeugd afschuwelijk in de oogen van God en van
de menschen. Een hoovaardige heeft welgevallen aan zich
zelven en meent talenten, eigenschappen, zelfs deugden in
eigendom te hebben, welke hem boven het gewone peil der
menschen verheffen en hem op alle eer en achting van anderen
aanspraak geven zouden. Lof en dank inoogsten is zijn grootste
genoegen en, worden ze hem niet bereidwillig gegeven, dan moe-
ten alle hulpmiddelen in \'t werk gesteld, slinksche wegen inge-
slagen worden om de opmerkzaamheid op zijne daden te ves-
tigen en hem eer te doen geven. Ook ontziet hij zich niet
de loftrompet over zijn eigen gedrag te steken en zich als den
prijzenswaardigste voor te stellen Maar blaam of afkeuring zijn
hem onverdragelijk, verbitteren zijn gemoed en maken hem troos-
teloos. Zijn evennaaste, al is die beter en lofwaardiger, veracht
hij; gaarne ziet hij anderen veracht en verheugt zich over
hunne vernedering, maar verbijt zich van spijt, als hij een ander
geprezen hoort. Hij immers is alleen goed en deugdzaam,
maar in \'t oog van zijn evenmensch zijn altijd zware balken te
vinden. Hij alleen mag ook alles beoordeelen ; voor zijn rech-
terstoel moet alles gebracht worden, en zijne liefdelooze uit-
spraak moet als eene wet voor allen gelden; maar over zijne
woorden en daden en bedoelingen mag nimmer eene afkeurende
stem opgaan. Hij is zich zelf genoeg en vergeet God.
Is het te verwonderen, dat Jesus over zulk eene gezindheid
zijne sterkste verontwaardiging uitsprak, ze veroordeelde met
een zevenvoudig wee, dat Hij ook, om voor de zonden van
hoovaardij te boeten, zóó diep vernederd, bespot, beschimpt,
verguisd heeft willen worden, dat Hij aan zijne verwoede vij-
anden als het uitvaagsel der menschen voorgesteld werd?
-ocr page 590-
san
HKT LIJDEN KN 8TKRVBN VAI
Hoe schoon en kostbaar echter in Gods oogen, hoe be-
minnelijk voor de menschep, is de tegenovergestelde deugd !
Een nederig mensch heeft cene geringe meening van zich zel-
ven, want elk oogenblik staat hem zijne nietigheid en ook zijne
ellende voor oogen; hij kent zijne misslagen en verafschuwt
zijne fouten, maar daarom acht hij zich ook allen lof onwaar-
dig en meent zelfs berisping te verdienen. Voor zich zelven
kiest hij de laagste, maar anderen acht hij de eerste plaats
waardig. In zijne schatting tot weinig goeds in staat, is hij
hoogst voorzichtig in zijn oordeel over zijn evennaaste en veel-
eer geneigd tot prijzen dan tot laken. Hij is ook blijde, wan-
neer anderen geëerd worden, en het doet hem leed, als hij hen
veracht ziet. Hij schrijft zich geene deugden toe en stelt het
op rekening van eene vergissing, wanneer hij geprezen wordt.
Zeer bescheiden in zijne woorden, is eigen lof hem geheel
vreemd en nimmer zal hij het wagen iets ten zijnen voor-
deele te zeggen; veeleer zal hij beweren, dat aan zijne daden
veel ontbreekt, dat hij in zijne bedoelingen te kort schiet. Zich
zelven verachtende, prijst hij anderen en legt hij woorden en
daden van eik ander ten goede uit. De goede naam des naas-
ten vindt in hem een getrouwen verdediger; als hij zelf be-
schuldigd wordt, meent hij het verdiend te hebben en terecht-
wijzing neemt hij nimmer euvel op. Al zijne woorden dragen
den stempel van eenvoudigheid en oprechtheid, want pochen
noch veinzen kent hij evenmin als klagen, wanneer hem eenig
leed overkomt. Naar die gevoelens richt hij zijne geheele han-
delwijze in. Zijne goede werken verbergt hij onder een dich-
ten sluier des geheims om ze te beter voor de eeuwigheid te
bewaren, en zijne goede bedoelingen verzwijgt hij om bij God
alleen eer in te oogsten. Het liefst leeft hij in het verborgen,
-ocr page 591-
581
OSY.t.S IIKHI JISL\'S CIIIilSTL\'S.
dingt naar geen voorrang en zoekt nimmer boven anderen te schit-
teren. In kleeding en houding is hij altijd de nederige van
harte, maar zonder daarvan eene ijdele vertooning te maken.
Van alles, wat hij goeds doet, geeft hij aan God alleen alle
eer; bij Hem zoekt hij altijd hulp, van Hem alleen verwacht
hij den goeden uitslag zijner plannen en zijner inspanning.
Wij begrijpen nu, waarom Jesus de nederigen van harte
zalig prees en hun de genade Gods beloofde, ook waarom Hij
in geheel zijn leven, vooral in zijn lijden de tieffendstc voor-
beelden van nederigheid ons voorhield. Bidden wij daarom den
goeden Jesus, die een stortvloed van versmading en verguizing
over Zich liet komen, dat wij zoo veel mogelijk zijne voet-
stappen mogen drukken, dat wij aan die deugd eene groote
p-aats in ons hart inruimen, dat wij ze beminnen en in de
vernedering ons verheugen. Zij maakt onze ware grootheid
uit en verzekert ons cene buitengewone hulp van God in ons
leven, een schitterende kroon in de eeuwigheid.
-ocr page 592-
Hoofdstuk XIV.
Jesus wordt door de Joden, ter kruis-
dood yeeisolit.
Het strekt onze natuur tot hooge eer, dat het aanschouwen
van een lijdenden natuurgenoot haar tot medelijden stemt. Vooral
wordt dit edel gevoel het sterkst in ons hart, als de lijder,
door velen voor onschuldig gehouden, aan de hevigste
folteringen en aan den grievendsten smaad is overgeleverd en
desniettemin zijn leed met een bovenmenschelijken moed
verdraagt. Dit gevoel beheerschte Pilatus en, naar alle waar-
schijnlijkheid ook het volk, toen het Jesus in zijne smarten
en in zijne vernederingen aanschouwde. Althans deh.Joannes
]:>an XIX, 6 vermeldt uitdrukkelijk, dat de Opperpriesters en de dienaren
— alzoo de hoogste en de laagste klasse der maatschappij —
schreeuwden: kruisig, kruisig Hem. Zouden wij uit die nauw*
keurige aanwijzing van die schreeuwende personen niet mogen
opmaken, dat aanvankelijk de burgerij, de middelklasse, /oor
dat tooneel van smarten scheen te verstommen en met Pilatus
in te stemmen. Maar die anderen, wier geest door haat ver-
blind, wier gevoel door nijd afgestompt was, beducht ook dat
het volk zich door zijn gevoel zou laten medesiepen, hieven
-ocr page 593-
5.83
HKÏ I.CJDKN KN 8TEBVKN VAN ONZBN HKEB JKS1 s flIUISTlS.
dadelijk hun moordkrcet aan en eischten voor hun Koning en
Messias een dood, die bij de Heidenen het smartelijkst en
tevens het smadelijkst, bij de Joden met den vloek van God
beladen was volgens dit woord der H. Schrift; gevloekt is hij\'b-
door God, die aan het hout hangt.
Doch als een slecht voor-
beeld door hoogere standen gegeven wordt, vindt het al ras
navolging in de lagere klassen. Eveneens gebeurde het ook
bij deze gelegenheid, zóódat allen weldra hetzelfde moordge-
schreeuw lieten hooien. Elk oogenblik klimt dan ook de boos-
aardige nijd van het geheele volk en eeue oogenblikkelijke
stemming ten goede moet wijken voor den aandrang ten kwade.
Het is alsof allen, door nieuwen haat aangevuurd, Pilatus toe-
voegen: „Wat gij tot dusverre gedaan hebt, is goed maar niet
„genoeg; voltooi uw werk, want Hij verdient aan \'t Kruis ge-
„slagen te worden."
Dit antwoord kon niet anders dan Pilatus ten hoogste ver-
bazen. Hij had zich verwaardigd zelf uit \'t rechthuis tot het
volk te komen, op eene openbare plaats met het volk te on-
derhandelen. Zou hij zich wel die moeite getroost, zijn gezag
in de waagschaal gesteld hebben, ware hij niet overtuigd ge-
weest, dat hij door het deerniswaardig schouwspel des Zalig-
makers en door zijne afdalende vriendelijkheid de Priesters
gemakkelijk tot zijn gevoelen overhalen en van het volk ver-
krijgen zou, wat hij verlangde? Doch hunne hardnekkigheid
ziende en zich verwonderende over hunne hardvochtigheid
zoowel als vertoornd over hunne wreedheid, daarenboven ver-
ontwaardigd, omdat zijn plan mislukte en hij zijn doel niet zou
bereiken, kon hij zijn wrevel noch zijne minachting voor zulke
lage wezens verbergen en, als iemand die in zijne plannen ge-
dwarsboomd en door toorn overmeesterd is, roept hij uit: neemt gij J
-ocr page 594-
5r4                                          /IF.T LIJDEN KN STH1VKN VAN
en kruisigt Hem, want ik vind geene schuld in Hem. Wij
vergissen ons niet in de bedoeling des Landvoogds, als wij die
woorden van hem in dezer voege omschrijven: „verlangt gij
„misschien door nvjne handen uwen haat te koelen en van mij
„een werktuig te maken, waardoor gij aan uwen nijd voldoe* «
„ning geeft? Meent gij, dat ik mij zal verlagen om een on-
,,schuldige te veroordeelen op uw geschreeuw? Neen, niet
„zoo: ik ben de handhaver van het recht en geenszins van
„plan de bewerker van onrecht of van onderdrukking te
„worden. Ik ben een rechter om den schuldige te straffen
,,\'.-n wil niet de beul van een onschuldige zijn. Wat ik t<->t
„dus verre gedaan heb, ik deed liet in geenen deele om Hem te
„straffen maar om Hem uit uwe handen te verlossen, ook om-
„ lat ik verwachtte in uwe harten nog eeuig gevoel van men-
„schelijkheid te vinden, wanneer ik gedeeltelijk aan uwe wen-
„•ichen te gemoct kwam. Nu gij u in geheel uwe afschuwelijke
„ geaardheid zoo duidelijk openbaart, drijft geene enkele reden
„mij aan om nog verder te gaan. Billijkheid en rechtvaardigheid
„beiden verbieden mij evenzeer om wien ook zonder reden te
„veroordeelen en in de^en Mensch heb ik niets gevonden, wat
„het inwilligen van uwen eisch, zelfs niet datgene, waartoe ik
„mij reeds heb laten vinden, zou kunnen wettigen. Zoo gij
„echter iets in Hem gevonden hebt, welnu neemt gij Hem dan
„en kruisigt Hem, maar op uwe verantwoording, en zóó dat
„gij van zulk een onrechtvaardige moord rekenschap kunt
„afleggen aan wie ze van u eischen zullen."
Toen de Hoogepriesters en het volk deze woorden van Pila-
tus vernamen, begrepen zij aanstonds, dat zij niet zoo zeer een
verlof inhielden om ten uitvoer te brengen, waarnaar zij ver-
langden, als wel eene uitvlucht om zich zelven uit de verlegen-
-ocr page 595-
633
ONStKN HKKR .IKSUS CHRISTUS
heid te redden, niet eene toestemming in hunne onbillijke ei-
schen maar wel een verwijt over hunnen nijdigen en gloeien-
den haat, welke zelfs voor geene onrechtvaardige veroordeeling
ter dood terugschrikte, niet een toegeven aan hunnen \\vraak-
gierigen aandrang als wel eene bittere spotternij met hunne
machteloosheid om een doodvonnis te voltrekken. Om den
Landvoogd te doen gevoelen, det zij den zin zijner woorden
gevat hadden, vooral om hem door eene nieuwe beschuldiging
in nog grootere moeilijkheden te wikkelen, schreeuwden zij
hem toe: wij hebben eene wet, en volgens die wetmoet Hijster- Joes. XiX, 7
ren, omdat Hij Zich teken Zoon van God gemaakt heeft, alsof
zij zeggen wilden: „Gij, Pilatus! hebt reeds meermalen be-
„tuigd, dat deze Mensch onschuldig is, dat gij noch den wil
„noch den moed hebt om Hem te doen kruisigen, maar dat
„wij zelven Hem aan \'t kruis moeten slaan, alsof wij menschen
„zijn, die geene achting voor de wet, geene vrees voor God
„kennen. Welnu, weet dan; wij hebben eene wet en weieene
„wet ons door den waren God gegeven; zoo gij, overeenkom-
„stig uwe meening, geene schuld in Hem vindt, het is omdat gij
„vele goden aanbidt, omdat gij aan die goden kinderen
„toekent, omdat gij het voor geen doemwaardig misdrijf
„houdt, als menschen zich zonen van God noemen. Wij daar-
„entegen erkennen, overeenkomstig onze heilige leer, slechts
„één God, en deze Mensch is des doods schuldig als een
„godslasteraar, dewijl Hij Zich zelven als den waren Zoon van
„God uitgeeft."
Welk eene verblindheid in die Joden, welk eene hoogmoe-
dige verwaandheid in hen, die zich er op beroemen, dat zij
eene wet van God ontvangen hebben, en zich den schijn willen
-ocr page 596-
186
HET LIJDEN EN STKRVEH VAN
geven, dat zij de getrouwe beoefenaars dier wet zijn! Wij
hebben reeds aangestipt, hoe zij de geringere voorschriften
onderhielden maar het gewichtigere, het zwaardere verwaarloos-
den. Barmhartigheid, medelijden kenden zij niet en werden
daarin door een Heiden, zooals Pilatus was, beschaamd ge-
maakt; rechtvaardigheid bleef hun zóó vreemd, dat zij in dit
voor hen zoo schandelijk rechtsgeding menigvuldige ongerech-
tigheden pleegden, dat zij alle recht met voeten traden, dat zij
hunne beschuldigingen veranderden, zoo dikwijls als zij zulks
voor hunne plannen dienstig achtten. Eerst betichtten zij den
Zaligmaker, dat Hij Zich als Koning opgeworpen, dat Hij
schatting aan den Keizer te betalen verboden, en het volk
opgeruid zou hebben; maar zoodra zij bemerkten, dat de
Landvoogd in al die beschuldigingen geen schijn van schuld
ontdekken kon, namen zij tot een nieuw hulpmiddel hunne
toevlucht en dienden eene andere aanklacht in, welke voor
den Landvoogd onverstaanbaar was en hem in nog grootere
moeielijkheid verstrikken moest — dat namelijk Jesus Zich tot
Zoon van God maakte. Doch ook hier moeten wij wederom
de beschikking Gods bewonderen; want Jesus dwingt hen, of-
schoon Hij daar gebonden staat, om voor den heidenschen rechter
te erkennen, dat zij Hem om geene andere reden — zooals reeds
voor het joodsche Sanhedrin gebleken was, — ten dood eischten
dan omdat Hij Zich den Zoon Gods genoemd had. En Jesus
is de ware Messias en de waarachtige Zoon Gods; om de
belijdenis van die waarheid zou Hij sterven, die getuigenis
bekrachtigen met zijn Bloed en dood. Dit moest volgens
Gods wil bekend worden aan Joden en aan Heidenen, aan
de geheele wereld voor alle eeuwen, opdat allen den gekruisig-
den Jesus als hun God en Zaligmaker zouden aanbidden.
-ocr page 597-
on/.fn iii\'Ui jksis ciii.lsTrs                                        5S7
De wet, welke door deze pleitbezorgers van onrecht en van
boosheid aangehaald werd, kon geene andere zijn dan deze:
al wie den Naam des Heeren zal gelasterd hebben, hij m/Lev*xlV\'i6-
den dood sterven en de menigte salhem steenlyen. Maar onder
geen enkel opzicht kon die wet tegen den Zaligmaker aangevoerd
worden. Wel wilden de Joden het als eene godslastering beschou-
wen, zoo dikwijls Jesus Zich als den beloofden Messias, als den
Zoon van God verklaarde. Toen Hij, onder anderen, te Jerusalem
op het feest der tempel wijding hun zeide, dat Hij één van
wezen met den Vader is, namen zij steenen op om ze op Hem
te werpen. De Zaligmaker vroeg hun: vele goede werken J»an. X. 3\'-.
heb Ik u van wtge mijnen Vader geloond; om welk dezer wer-
ken steenigt gij Af ij?
En de Joden antwoordden Hem: wij stee-
ttigen U niet om eenig goed werk, maar wegens godslastering,
en omdat Gij, een mensch zijnde, (I zelven tot God maakt.
Wel een blinden hardnekkig volk! Jesus\' leer en leven, zijne
wonderen en voorspellingen waren dan voor hen vruchteloos
gebleven! „Konden zij" — vraagt de h. Chrysostomus — „af-
„keuren, dat Hij Zich den Zoon Gods noemt, die uit eigen
„macht de werken van God doet, die op velerlei wijzen overtui-
„gend bewezen heeft, dat Hij de ware Messias, de Zoon Gods
is?" Maar verder nog: zoo die leer van Jesus godslastering
was, waarom eischten zij dan nu eerst zijn dood? Waarom
hebben zij Hem vroeger niet gesteenigd? Waren zij toen zóó
zeer verslagen door de weinige woorden, welke Jesus bij de ver-
melde gelegenheid te zijner verdediging sprak, dat zij niet in
staat waren om Hem met een enkel woord te antwoorden? De
steenen, welke zij toen in hunne handen hielden, zouden zij nu op
Hem willen werpen, nu Hij niet de minste poging doet om Zich
te verdedigen en Pilatus hunne redenen niet kan begrijpen?
En — om voor een oogenblik eene ongerijmdheid te veron-
-ocr page 598-
)
!ISS                                             HET UIDEN KN STKItVKX VA»
derstellcn — bijaldien Jesus wegens godslastering zou verdienen
te sterven, met welk recht eischten zij dan den dood der.
krtiiscs, terwijl de wet, waarop zij zich beriepen, den dood der
steenii;im: als straf op godslastering bepaalde. Nog andere vra-
gen dringen zich hier aan ons op. Wat dreef hen aan om Jesus
aan de wereldlijke macht, welke over godslastering geen oordeel
kon vellen, uit te leveren en met zoo veel aandrang den dood
des kruises te eischen, welke bij de Romeinen alleen nog in
zwang was? En als zij volgens hunne bekentenis — ons is hel
niet geoorloofd iemand ter dood te brengen
— niemand mogen
kruisigen, is het dan volgens hunne wet, als zij dien dood voor
een onschuldige vorderen? Met andere woorden: zoo de mis-
daad, waarvan zij Jesus beschuldigden, slechts volgens hunne
wet strafbaar was, waarom eischten zij dan eenc andere dood-
straf dan welke hunne wet voorschreef? Terwijl de Romei-
nen geene wet hadden, welke de godslastering verbood, hoe
kunnen zij dan van Pilatus vorderen, dat Jesus een dood stervc,
welke in de romeinsche wet nog alleen was opgenomen?
Het moet voor een ieder zonneklaar wezen, dat het aanstip-
pen van vermelde onregelmatigheden reeds alleen èn de ver-
blindheid van dat ongelukkige volk èn de hooge mate van hunne
drift en van hunnen hoogmoed aantoonen, wanneer zij durven
beweren: volgens onze wet moet Hij sterven, Doch evenmin
als Caiphas wist, wat hij zeide, toen hij het profetisch woord
uitsprak: het is beter, dat een menseh sterve dan dat het ge-
hecle volk verga,
evenmin begrepen zij het gewicht van hunne
woorden en bevroedden niet, dat zij eene groote, eene geheim-
zinnige waarheid uitspraken, toen zij de bedoelde beslissing der
wet aanhaalden. Ja, zij hadden eene wet, door God hun voor-
geschreven; de hun verkondigde voorspellingen waren door God
gegeven ; de hun bevolene offers waren door God gewild. Het
-ocr page 599-
OttZBN HKKR JKSLS CIIKISTl!».
BS\'J
was ook volko men waar, dat Jesus Zich Zoon van God ge-
noemd had, maar dat was geen roof aan God gepleegd. Hij
matigde Zich niet aan wat eens anders was, omdat Hij waar-
achtig de Zoon van God, God van God was. Hij verdiende
alzoo, niet om godslastering te sterven maar als de ware Mes-
sias door allen aangebeden te worden. Zou Hij toch den doo.1
ondergaan, het was alleen, omdat het aldus in de wet geschre-
ven stond, door de offers afgebeeld, door de Profeten voorzegd
was. Ook de geheele verordening der wet verkondigde luide
deze waalheid, dat de Zoon Gods, eens mensch geworden,
sterven moest, niet den gewonen dood van alle stervelingen,
maar den dood des kruises uit gehoorzaamheid aan zijn Vader
en ter verlossing der wereld. Daarom ook verklaarde Jesus, toen
Hij van zijn dood sprak: Gelijk Mozes de slang in de woestijn Joan III,
verheven heeft, a/soo moei de Zoon des menschen verheven wor-
den, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verloren ga,
maar het ecuwig leven hebbe.
—  Pilatus moest het betreuren, dat hij den Zaligmaker met
al de uitwendige teekenen van diens ziels- en lichaamslijden
aan de onbarmhartige Joden te vergeefs had voorgesteld ; hij had
hen immers niet tot medelijden kunnen opwekken. Voor an-
deren echter is die voorstelling, evenmin als elke andere bij-
zonderheid uit Jesus\' lijden, zonder vrucht gebleven. Velen
zijn, door een geloovig opzien tot hunnen lijdenden Verlosser,
genezen geworden van de wonden hunner ziel, welke de beet
der helsche slang hun toegebracht had; velen ook Lebben met
zulk een groot mededoogen het lijden van hunnen Zaligmaker
overwogen, dat zij voor Hem gegeeseld, voor Hem als met
doornen gekroond, voor Hem in hun hart gekruisigd zijn en
zóó een; eeuwige heerlijkheid bij Hem verdiend hebben.
—  Laten wij ook — volgens de voorgehouden Wet G jds —
-ocr page 600-
nOO                                           «KT LIJDEN EN STERVEN VAN
geloovig opzien naar den Bewerker van onze zaligheid en Hem
zoo veel mogelijk teruggeven, voor alles wat Hij ons gegeven
heeft. Daardoor bieden wij aan den lijdenden Jcsus tevens eenige
vergoeding aan voor het leed, dat de joodsche Oversten Hem
berokkenden, toen zij van Pilatus zijne kruisiging afdwongen.
Eerst derhalve moeten wij den met doornen gekroonden God-
mensch met een heiligen eerbied aanschouwen, Wierj de Aartsva-
ders en Profeten verlangden te zien, en die aan ons door den he-
nielschen Vader als de Leeraar der waarheid is gegeven, Wiens
voorbeeld wij ook navolgen, Wiens bloedige voetstappen wij
drukken moeten. Vooral moeten wij tot Hem opzien om tot
medelijden gestemd en tct berouw opgewekt te worden, om te
vveenen en boete te doen, dewijl ook wij door onze zonden
I lem tot dien deerniswaardigen toestand gebracht hebben en
niemand den dood der ziel kan ontgaan, die niet vol geloof
>p Hem zijn blik vestigt; want Jesus alleen is niet slechts het
teeken maar ook de werkende oorzaak van behoud voor
dien, die in geloof en in vertrouwen en met liefde naar
Hem hunne oogen en verlangens richten. Eindelijk moeten
wij naar Hem opzien en zijn misvormd gelaat aanschouwen,
om in Hem als in een spiegel de gebreken te zien, welke ons
nog aankleven, en te leeren, wat wij zijn en wat wij met zijne
genade worden moeten In één woord: door het beschouwen van
den lijdenden Jesus moeten wij in de heiligste waarheid onderricht
worden, din goeden weg zoeken en het eeuwig leven vinden.
Wanen wij evenwel niet, dat wij door die gevoelens alleen,
zelfs niet door^ het rein wasschen van onze zielen in het Bloed
des Eams aan a/onze verplichtingen jegens den lijdenden Zalig,
maker voldoen Hij heeft Zich opgeofferd om ons zalig te
maken; ook wij moeten van ons lichaam en van onze ziel, van
geheel ons leven eene Hem welgevallige, eene heilige en on-
-ocr page 601-
UN7.KS HEKR JKSI.\'S CHRISTTS.
"01
bevlekte offerande maken. Niet te veel is dat van ons ge-
eischt. Al geven wij Hem alles, wat wij zijn en hebben en
alles wat wij kunnen, en dit alles voor den geheelen tijd van
ons leven, het zou bijna nog even weinig zijn als wanneer wij
niets gaven. En wat blijft ons dan nog over voor de andere
weldaden, welke wij van Hem ontvingen? Het is zeker, dat
al wijden wij Hem ook alles toe, Hij niets ontvangen zou, wat
niet reeds vroeger even goed het zijne moest genoemd worden.
Doch Hij eischt van ons die toewijding, die opoffering voor
ons eigen geluk. Om dan alle goederen te doen terug keeren
tot de bron, waaruit zij gevloeid zijn, zeggen wij uit een welge-
meend hart: „aan U, mijn Jesus! geef en wijd ik toe mijn
„lichaam, mijne ziel, mijn leven, mijne gezondheid, mijne vrij-
„heid, mijne krachten, mijne bezittingen, mijne voorrechten,
„in één woord : alles wat ik nu ben of ooit zijn zal. Ik geef
„aan U terug en wil ook, dat tot U terugkeere alles,
„wat ooit, hetzij nu of later van mij zal uitgaan: mijne
„gedachten, woorden en werken, mijne plannen en mijne
„inspanning, mijne eenzaamheid en mijn verkeer met anderen,
„mijn voorspoed en tegenspoed, al het vreugdevolle en
„het treurige, mijne liefde voor het goede en mijn afschuw
„voor het kwade, kortom: alles wat Gij van mij verwachten
„kunt, zij aan uwen dienst toegewijd. Alles tot Jesus en alles
„om Jesus, omdat ook alles van Jesus en alles uit Jesus is.
„De Joden schreeuwden tegen U: „kruisig Hem;" ik daarente-
„gen roep U toe: Leve, heersche Jesus! Alles voor Jesus! Dit
„alleen vraag ik van U ter belooning, dat Gij, mijn Zaligmaker,
„mij moogt geleiden voor het aanschijn van uwen Vader en
„deze weinige woorden ten gunste van mij moogt spreken: zie,
„de mensch, voor wien Ik, uw Zoon, benmenscti geworden."
-ocr page 602-
Hoofdstuk XY.
IN"ieu.w onderhoud van Pilatus met Jesus.
De Hoogepriesters en andere Oversten der Joden haatten den
Zaligmaker, gelijk in hunne wet geschreven stond, zonder re-
den en daarom werden zij, in plaats van medelijden met den
gc-martelden Jesus te hebben, al onstuimiger en eischten, toen
Pilatus Hem aan het volk vertoond had, met klimmenden aandrang
zijn kruisdood, Hem beschuldigende, dat Hij Zich Zoon van
Joan. XIX, 8. God genoemd had. Als Pilatus dal gehoord had, werd hij
meer bevreesd,
ofschoon het geene geringe vrees was, welke
hem reeds van het eerste oogenblik af bevangen had, waarop
deze zoo netelige en gevaarvolle rechtszaak aan zijn oordeel
onderworpen was. Nu echter nam zijn angst nog toe bij het
vernemen van die nieuwe beschuldiging Tot dus verre had-
den de vijanden van Jesus die aanklacht verzwegen en slechts
de andere op den voorgrond gesteld, dat Hij wenschte Zich
als Koning op te werpen — eene misdaad, welke aan de ma-
jesteit van den Keizer te kort deed; en daarom hadden zij
gehoopt, dat Pilatus, veel meer ijver zou betoonen, in het
bestraffen van majesteitschennis dan van eene andere misdaad,
-ocr page 603-
fiKÏ LIJDEN KN\' STERVEN VAN ONZEN HEER JESUS CHRISTUS.           598
welke Gods eer aantastte. De eerste beschuldiging had Pilatus
alreeds den schrik om het hart geslagen. Van den ecnen kant
kende hij de onschuld van Jesus, die in niets misdreven had
noch tegen de joodsche wet, noch tegen den Keizer; van den
anderen kant zag hij den haat en den nijd van het volk, het-
welk den Zaligmaker met groote hardnekkigheid betichtte
van eene misdaad, welke zóó zeer tegen des Keizers waardig*
heid en belangen aandruischte, dat de enkele vermelding daar*
van aan hem, als aan een getrouw onderdaan, de verplichting
voorschreef om met vertoon van groote gestrengheid daartegen
op te treden. Aldus was hij van weerszijden in het nauw ge-
bracht en wist niet, wat hij doen zou. Veroordeelde hij den
Zaligmaker, dan beging hij niet alleen eene hoogst strafwaardige
zwakheid door een onschuldige uit vrees te veroordeelen, maar
ook elk van zijne persoonlijke vijanden kon hem verantwoor
delijk stellen voor den dood van zulk een groot Heilige en van
zulk een uitstekend Profeet. Liet hij daarentegen den Zalig-
niaker los, dan konden het geheele volk en de Oversten hem
beschuldigen, dat hij de vrijheid geschonken had aan iemand,
dien zij een verrader noemden, die — volgens hun zeggen •—
er naar streefde om Zich op den troon te plaatsen — eene
aanklacht, welke zij aan den Keizer Tiberius, die hoogst ach-
terdochtig van aard was, gemakkelijk als gegrond konden voor-
stellen. In die verlegenheid greep Pilatus, gelijk ieder wankel-
moedige en in de verdediging der waarheid zwakke mensch,
naar hulpmiddelen, welke menschelijke wijsheid hem aan de hand
gaf. Eerst had hij beproefd zich uit de moeielijkheid te redden
door den Zaligmaker naar Herodes te zenden; vervolgens trachtte
hij met het volk zoo veel mogelijk tot een vergelijk te komen,
een middel zoekende om hen van den eisch, dat Jesus gekrui*
38 .
-ocr page 604-
n94
in T i.i.inrv en sti kvkn van
sigd 7.011 worden, goedschiks te doen afzien. Hiertoe nam hij
zijne toevlucht tot twee maatregelen: hij stelde Jesus tegenover
Barabbas ten koste van des Zaligmakers eer en aanzien; hij
liet Hem wreedaardig geeselen en met doornen kronen ten
koste van een onmetelijk lichamelijk lijden.
Geen van ie maatregelen, welke Pilatus genomen had gaf het
gewen-chte gevolg. Maar ook de Oversten der Joden hadden
tot dus verre hun doel gemist en van Pilatus geen doodvonnis
kunnen afdwingen. Zij lieten daarom voor een oogenblik hunne
staatkundige beschuldigingen varen om hunne aanklacht op
godsdienstig terrein over te brengen. Was Pilatus vroeger
reeds door vrees overmand, nog grooter vrees beving hem bij
het hooren van deze tweede beschuldiging. Hij bracht zich
Jesus\' antwoord voor den geest, dat zijn Koninkrijk niet van
deze wereld en Hij alleen daartoe in de wereld gekomen was
om der waarheid getuigenis te geven; ook merkte hij bij Jesus
zoo veel waardigheid in zijn gedrag op, zoo groote voorzich-
tigiieid in zijne antwoorden en — wat bij hem nog meerdere
verbazing verwekte — eene buitengewone zielskracht en stand-
vastigheid in zijn stilzwijgen en in zijn lijden; hij had daaren-
boven zoo vele wondervolle feiten van Hem gehoord, dat hij
het niet onwaarschijnlijk achtte: Jesus mocht soms zijn, wat Hij
beweerde te wezen, de Zoon van God. In die opvatting
werd hij nog versterkt door de valsche meening van den Hei-
den, die het voor waar hield, dat de goden kinderen onder de
menschen hadden, welke, ofschoon van moeders zijde sterfelijk
en lijdelijk, van vaders zijde buitengewone hoedanigheden be-
zaten en uitstekende daden konden verrichten. En daar de
wonderen, van Jesus vermeld, zoo groot en zoo menigvuldig
waren, dat zij niet dan door eene goddelijke macht konden ge-
-ocr page 605-
ONZKS\' HKth JKSUS CHRISTI\'S.
\',<>\'
wrocht zijn, werd de Landvoogd in zijne meening niet aan het
wankelen gebracht doordat Jesus Zich lijdelijk en sterfelijk
voordeed. Ken hevige angst overviel hem dan ook, cmdat hij
iemand, die misschien van goddelijke afkomst was, had laten
geeselen en bespotten; zijne verlegenheid, om te weten wat
hem te doen stond, nam nog toe, dewijl hij kiezen moest om
of wel aan een godslasteraar, zooals de Joden Jesus no mden,
de vrijheid te schenken of over een Zoon van een God, wat
hem niet onwaarschijnlijk voorkwam, het doodvonnis uit te
spreken •—• in beide gevallen moest hij de wraak des hemels
duchten.
Pilatus hield dm, om zich uit deze moeieh\'jkheid te redden,
een tweede onderhoud met Jesus, zocht Hem vervolgens uit
de handen der Joden te verlossen, maar bezweek toch ten laat-
ste uit laffe menschenvrees.
Dewijl deze zaak aan Pilatus hoogst belangrijk en alle aandacht
overwaardig toescheen, ging hij door vrees en angst gekweld
naar zijne gehoorzaal, riep den Zaligmaker ter zijde en vroeg
Hem: van waar zijl Gij? Deze vraag betrof niet Jesus\' va-joEs. xix, 6.
derland of vaderstad, want Pilatus wist zeer goed, dat Jesus van
Nazareth en een GalileCr was, maar zij doelde op zijne hemelsche
ofaardscheafkomst. Het was,alsof hij zeggen wilde: „wat is er
„waarvan die Godheid, welke Gij, volgens de beschuldiging van
„uwe geloofsgenooten, u toeschrijft? Wie rijt Gij; wie zijn uwe va-
„deren; komt Gij uit den Hemel of van een verborgen en ver-
„wijderd oord der aarde; leidt Gij uwe afkomst van een God
„of van een mensch af?" Dit alles was in die vraag besloten.
-ocr page 606-
59(5
HET LIJDEN K.N SIK.IIYKS VAN
Onze goddelijke Zaligmaker gaf //cm geen ankvoord, omdat
Pilatus zich elk antwoord onwaardig gemaakt had. Toen Jesus
hem omtrent het Rijk der waarheid had willen inlichten, toonde
hij zich onverschillig en liep luchthartig over dat belangrijk
onderwerp heen, alsof het hem niet aanging; nu vroeg hij alleen
om een einde aan zijnen martelenden angst te maken maar geens-
zins om in de leer des heils onderricht te ontvangen; ook zijne vrees
was niet de ware, welke uit liefde voor gerechtigheid en uit eer-
bied voor God ontspruit, maar die slaafsche vrees, welke voor
geene zonde terugdeinst, als er slechts geene strrf op volgt; het
was ook nu de tijd voor Jesus niet, om die verhevene waar-
heid, zijne eeuwige afkomst van den Vader, te verklaren aan
Pilatus, die ze niet begrepen zoude hebben, of, had hij ze be-
grepen, daardoor zijne schuld zou vermeerderd hebben, dewijl
Jesus vooruit zag, dat hij, ook na dat onderricht, in zijne
zwakheid een doodvonnis zou vellen. Te eerder nam Jesus
dit besluit, omdat Pilatus reeds eene genadenvolle openbaring,
uit zijn mond had mogen hooren omtrent zijn geestelijk, bo-
Venaardsch Koningschap; maar daarmede evenmin zijn voor-
deel gedaan had als met de vermaning, welke God hem door
zijne echtgenoote had voorgehouden om zich met dien Recht-
vaardige niet in te laten. Het is waar: tot tweemaal toe had
de Zaligmaker op eene dergelijke vraag van de joodsche Pries-
ters in de meest duidelijke bewoordigingen geantwoord, dat Hij
de Zoon van God was. Doch aan hen gaf Hij dat antwoord,
omdat zij Priesters waren, die door de H. Schriftuur voorge-
licht en verplicht waren om die waarheid aan anderen te leeren.
Ook wilde de Zaligmaker aan niemand eenige aanleiding geven om
te meenen, dat Hij Zich van den dood wenschte te bevrijden
door een leek en een Heiden van eene waarheid te willen
-ocr page 607-
507
ONZKN HEER JESUS CHRISTUS.
overtuigen, welke Hoogepriesters en Schriftgeleerden als eene
godslastering beschouwden. Aldus zweeg de Zaligmaker, als
het zijne verdediging en zijne eer betrof, maar sprak, als zijn
spreken noodzakelijk was voor de eer van zijn Vader en voor
het heil der menschen; aldus was Hij, niet antwoordende stil-
zwijgend als een lam, maar sprekende leerde Hij als een
Meester in Israël. Kon ook Pilatus met recht nog een antwoord
verwachten, die Jesus, na zijne verklaring, dat Hij in de wereld
gekomen was om der waarheid getuigenis te geven, en in Wien
hij geene schuld vond, had doen geeselen en na die geeseling
nog durfde vragen: van waar zijt Gijl Waarlijk, des Zaligmakers
stilzwijgen was een streng oordeel over Pilatus\' gedrag en te-
gelijk de vervulling der profetie van Isaias: gelijk een schaap \'s. LIH, 7.
werd Hij ter slachting geleid, en gelijk een lam slemmcloos is
voor dien, die het scheert, alzoo deed Hij zijnen mond niet open.
Pilatus had verwacht, dat Jesus hem niet alleen een deemoedig
en voldoend antwoord geven maar ook ecnige redenen Ier
zijner verdediging bijbrengen zou; doch Jesus zweeg en Pilatus
was nog meer verbaasd over dat stilzwijgen dan hij over welk
antwoord ook zou geweest zijn. Dat een beschuldigde in zulk
eene belangrijke en tevens voor hem hoogst gevaarlijke rechts-
zaak het antwoord wilde schuldig blijven aan zijn reehter en
nog wel aan een rechter, die Hem met ongewone kracht ver-
dedigde en om zijnentwil zich zoo veel moeite getroostte, dit
was een nieuw verschijnsel en wel in staat om eens ieders ver-
wondering op te wekken. Ook konden misschien geene woorden
den heidenschen landvoogd in de meening, welke hij nu omtrent
den Zaligmaker koesterde, zoo zeer versterkt hebben als dat wei-
sprekend stilzwijgen. Hij liet aan Jesus dan ook gevoelen niet al-
leen, dat hij te leur gesteld was, maar ook dat hij zich verwonderde
-ocr page 608-
RP
JET LIJDEN KM STMIVKN VAN
Over de weinige ingenomenheid, welke Jesus voor zijne ijverige
bemoeiingen toonde en wilde met veel goeden wil aan Jesus
de gedragslijn aanduiden, welke Hij voor zijn eigen belang
fofisXlV, 10. had moeten volgen; daarom zeide hij: spreekt Gij totmijniet?
Weet Gij niet, dat ik macht heb U te kruisigen, en macht heb
U los te laten?
Pilatus bedacht niet, dat hij geene scherpere
veroordeeling over zich zelf kon uitspreken dan in de aange-
haalde woorden vervat was. Hij zal straks zijne handen niet be-
hoeven te wassehen en daardoor den schijn niet behoeven aan te
nemen, alsof hij de schuld van Jesus\' dood op de Joden wierp : hij
getuigde nu zelf dat hij, ofschoon den moed en de zedelijke kracht
missende, de macht had om den Zaligmaker de vrijheid te schen-
ken. Maar hij gevoelde zich machtig tegenover Jesus, diegebonden
voor hem stond, alhoewel hij tegenover de woedende menigte zich
klein en zwak gedroeg. Daarom durfde hij dan ook dat onzinnige
woord uitspreken „of doen kruisigen of loslaten," alsof hij als rech-
ter niet reeds tweemaal voor het „loslaten" beslist had, en het
aan zijne willekeur was overgelaten om iemand te doen kruisigen.
Zijne toespraak was alzoo aanmatigend en getuigde van zijnen
heerschzuchtigen aard, als ware aan hem het onvoorwaardelijk recht
van leven en dood geschonken. Wel moeten wettig aangestelde
rechters de uitvoering van een rechtvaardig vonnis op de uit-
spraak der gerechtigheid laten volgen, en zóó kunnen zij den
onschuldige loslaten en den schuldige veroordeelen, maar
geenszins mogen zij het omgekeerde doen, gelijk die dicpgc-
Dah.XIII,sa.zonken rechter, tot wien Daniel zeide: oude booswicht.\' nu
komen de zonden 07\'cr u, welke gij voorheen bedreven hebt,
toen gif onrecht spraakt, de onschuldigen onderdrukiel en de
schuldigen vrij liet, terwijl de Heer gezegd had: een onschuldige
zult gij niet dooden.
Helaas! al die rechters volgen dat boozc
-ocr page 609-
on;;i;n ukkii jesus chkistus.
eoo
voorbeeld, die de uitspraak der wet verdraaien tegen recht en
tegen rede, die door eigenbelang of eerzucht zich laten verblinden
en de rechtszaak, welke aan hun oordcel onderworpen is, op eenc
dusdanige wijze weten te behandelen, dat zij uitloopt op de
schuldigverklaring van den onschuldige en op de vrijspraak
van den schuldige; van hen ook profeteerde Isaias: Wee aan Is. V, 20.
11, die liet goede slecht en het slechte goed noemt.... wee aan u,
die om wille van geschenken aan den goddelooic recht verleent en
aan den rechtvaardige zijn recht ontneemt.
Om aan Pilatus te doen gevoelen, dat het misbruik, dat
rechters van hunne macht maken, grootelijks aandruischt tegen
het algemeene belang des volks en tegen de heilige wet van God,
van Wicn alle recht uitgaat, daarom verbrak nu de Zaligmaker
het stilzwijgen. Hij, die de Rechter van levenden en dooden is,
die ook in de wereld gekomen was om de waarheid aan allen te
verkondigen, wilde nu, ofschoon van alle zijden door doodsgeva-
ren omringd, niet langer zwijgen en niet in gebreke blijven om eene
hoogst belangrijke leering te prediken, vooral nu de omstandig-
heden de verkondiging daarvan dringend vorderden om den
hoogmoed van Pilatus te beschamen en hem te gelijk omtrent
den oorsprong van zijne machtsbevoegdheid te onderrichten.
Daarom zeide Jesus: gij zoudl tegen Mij gcene macht hebben, Joan.xix.i
ware u die niet van boven gegeven; daarom heeft hij, die Mij
aan u overleverde, grootere zonde.
Waardig antwoord, dat evenzeer van hooge Wijsheid als van
groote Liefde getuigenis aflegde. Jesus erkent de macht van
Pilatus als Landvoogd en als rechter, maar geeft hem tegelijk
duidelijk te verstaan, dat alle macht van God komt, dat hij
in het gebruik maken daarvan afhankelijk van Gods wet is en
eens aan God rekenschap zal moeten geven van het gebruik,
-ocr page 610-
PW
HKT LIJin N EN STI-.RVEN TAS
hetwelk hij er van gemaakt heeft. Evenwel zou hij ook zijne
rechtmatige macht tegen Jesus, die als Gods Zoon eindeloos
ver boven alle aardsche macht verheven is, niet kunnen be-
zigen, bijaldien het niet door een bijzonder raadsbesluit van
God beschikt was, die nu het oogenblik gekomen achtte om
de machten der hel tegen zijnen Gezalfde los te laten.
Van die goddelijke beschikking kon de heidensche rechter
geen denkbeeld vormen, zelfs giste hij het bestaan er van niet;
voor hem loste het geheele rechtsgeding zich op in een twee-
strijd tusschen den vinnigen haat der Joden, die Jesus\' kruisiging
eischten, en tusschen zijn rechtvaardigheidsgevoel, hetwelk
Jesus\' loslating krachtig bepleitte. Toch is hij schuldig, om-
dat hij uit misdadige zwakheid en tevens met volle vrijheid tot
het voltrekken van een doemwaardig doodvonnis zal mede-
werken., omdat hij als een lafhartig werktuig dienst zal doen
ter voldoening van den nijd en van de afgunst der vijanden van
Jesus, omdat hij tegen recht en geweten, alleen om de mogelijk-
heid van eenig tijdelijk verlies te voorkomen, de Onschuld aan
den haat van wraakgieriger) zal opofferen. Maar veel schuldiger
dan Pilatus zijn de Joden, vooreerst Judas, vervolgens de Hoogc
raad, eindelijk het geheele volk, die den Zaligmaker aan den hei-
denschen rechter overleverden. Zij immers waren door openba-
ringen van allerlei soort, door voorspellingen en vóórafbeeldingen,
door prediking en wonderen tot de kennis der waarheid geroe-
pjn, maar verwierpen die hardnekkig, terwijl Pilatus de waarheid
wel niet zocht maar ook niet haatte; zij waren schuldiger, omdat
zij niet uit zwakheid of uit vrees voor \'t menschelijk opzicht, zooals
de rechter, maar uit helsche boosheid hun Messias ter dood zou-
den brengen, en bovendien door hun woest drijven en door hun
onstuimig dwingen en door hunne weldra volgende bedreiging
-ocr page 611-
0N9SI-.N HKUt JKSI\'S (\'HRISTl\'S.                                            801
de hoofdoorzaak zijn, dat de Landvoogd voor den aandrang
hunner onrechtvaardige cischen bezwijkt.
—  Aldus doet de liefdevolle Jesus nog voor \'t laatste een
beroep op het gemoed van Pilatus om in zich-zelf te treden en
ernstig te overwegen, wat hem te doen staat, vóórdat hij
zijn onherroepelijk vonnis uitspreekt. Zelfs schijnt de Za!ig-
maker de schuld van Pilatus te verkleinen; Hij wil hem niet
verbitteren en liever de misdaad niet noemen, welke hij op
\'t punt is om te bedrijven, maar nog niet ten volle begaan
heeft. Wat er op dat plechtig oogenblik in het diep geschokte
gemoed van den Landvoogd wel mag omgegaan zijn? Hij, die
zich een onafhankelijk rechter waande, ontleent zijne macht tegen
Jesus van boven en slechts middellijk van den Kei der; hij zal dus
ook van het gebruik daarvan aan eene bovenaardsche macht
rekenschap moeten afleggen! Pilatus had eerbied genoeg voor
het welmeenend woord van Jesus, voor diens kalme maar indruk-
wekkende waardigheid om niet tot in het binnenste van zijne
ziel getroffen te worden door zulk eene taal, zooals hij z; nog
nooit gehoord, door zulk eene houding, zooals hij ze nog nooit
gezien had. Het kan ons dan ook niet verwonderen, dat hij, onder
den indruk van dat alles en in den angst, waarin hij verkeerde,
van toen af, vuriger nog dan vroeger, begeerde Hem los te laten. JoanXIX, 12.
—  Ook voor ons is in die woorden van Jesus eene dringende
vermaning opgesloten. Alle goede gave en alle volmaakte ;v//Jac. I, 17.
is van boven, nederdalend van den Vader der lichten, die aan
allen overvloedig geeft, maar zonder Wien wij ook niets zijn,
niets hebben. Wij mogen ons niet beroemen iets te bezitten, wat
wij niet van den Gever van alle goed ontvangen hebben. Onze
talenten, onze bezittingen, ons leven — alles in één woord is
een genade, een geschenk van den goeden God. Aan Hem bc-
-ocr page 612-
002             HKÏ 1.I.IDKX KN STERVKN VAN ONZKN IIKKR JKSI.\'S CHRISTUS.
hoort dus alles toe; tot zijnen dienst en te zijner eere moet
alles gebruikt worden. De vrije beschikking daarover is niet
aan onze willekeur overgelaten, maar moet geregeld worden
naar den uitdrukkerijken wil van Hem, die het ons gaf. Wij
zijn geene onafhankelijke eigenaars maar verantwoordelijke
vruchtgebruikers. Daarom zal ook eens tot ons gezegd worden:
r.i:c. XVI, 2. geeft rekening van uw rentmeesterschap. Gelukkig hij alleen,
die in dat strenge oordcel van God zal knnnen bestaan: hem
zal het verblijdend woord toegevoegd worden door den recht-
M.vi xxv,21. vaardigen Rechter: Zeer wel gij goede en getrouwe knecht!
omdat gij over \'vcinig getrouw si/\'t geweest, zal Ik u over veel
stellen: ga in tot de vreugde uws Heer en.
-ocr page 613-
Hoofdstuk XVI.
De Joden, verwerpen Jesus als hun Koning.
Pilatus was op ernstige wijze gewaarschuwd en wel door den
God-mensch zelven, dat hij een Rechter in den Hemel had,
aan Wien hij eens rekenschap zou afleggen van hetgeen hij be-
sliste; hij had vernomen, dat zijne schuld, ofschoon minder
dan die van de Joden, groot zou wezen, bijaldien hij Jesus ver-
oordeelde. Deze weinige woorden maakten op dien man, welke
nog nooit in zijn leven zulk eene verhevene taal gehoord had,
een diepen indruk. Maar ook Jesus beloonde hem er voor, dat
hij eenige oogenblikken aandachtig had toegeluisterd, met de ge-
nade van eene hevige ontroering en van een goed voornemen.
Pilatus nam van dat oogenblik af het kloeke besluit om zijne
zonde niet te verzwaren door een onschuldige ter dood uit
te leveren; hij zocht van toen af — hebben wij den h. Joannes joan xrx, i
reeds hooren verhalen — /estis tos te laten. Wel had hij reeds in de
laatste uren eenige pogingen in \'t werk gesteld om aan Jesus
de vrijheid terug te geven, zelfs hoogst onrechtvaardige mid-
delen tot dat doel aangewend: herinneren we ons slechts de
gelijkstelling met Barabbas en de gecseling; maar nu hij tot
diep in zijne ziel geroerd is door de dringende woorden en
-ocr page 614-
BM
HLT LIJDEN EN STERVEN VAN
door de onovertroffen zielsgrootheid van den Zaligmaker, nu
hij ook in Jesus meer dan een gewoon mensch vereert, schijnt
hij onwankelbaar in zijn besluit vast te staan: Hij wil Hem red-
den en zal aan den eisch van Jesus\' vijanden een beslissenden
weerstand bieden. Naar buiten gaande, spreekt hij het ver-
gaderde volk toe en besluit zijne rede met het voor de Joden
verpletterend woord „los laten." — Het begin is alzoo goed
en prijzenswaardig; maar hoe spoedig zullen zijne beate voor-
nemens door den stormwind van de /oede des volks als weg-
gevaagd zijn! Pilatus is een van die weifelaars, van die wan-
kelmoedigen, welke wel goede voornemens maken kunnen, maar,
als eene moeielijkheid zich voordoet, geen moed hebben om
hun voornemen met kracht door te zetten, welke zich meer
door de zucht naar de volksgunst dan door het besef van
plicht, meer door eigenbelang dan door den eisch van het
geweten laten geleiden. Zij willen twee heeren dienen en be-
denken niet, dat zij of den eenen haten en den anderen
liethebben, of den eenen voorstaan en den anderen verachten
moeten. Ook zoo gedroeg zich de romeinsche Landvoogd, of-
schoon men hem een onbuigzaam karakter toeschrijft. Hij
trad ditmaal met vasten moed op, en toch zullen wij na wei-
nige oogenblikken hem door vrees voor het menschelijk opzicht,
door zucht naar zelfbehoud en door zwakheid van geest zóó ver
zien afdwalen, zóó diep zien vallen, dat hij tegen alle overtuiging
in aan de schandelijkste onrechtvaardigheid zich schuldig
maakt en zijn naam voor alle eeuwen schandvlekt.
Nauwelijks hadden de Joden het besluit van Pilatus verno-
men, of zij schreeuwden het uit van woede — niet alleen de
Oversten, maar nu het geheele volk. Om de ontknooping,
-ocr page 615-
C05
()\\ZKN IIKKR JESUS CHRISTUS.
welke hunne bloeddorstige wreedheid moest voldoen, te ver-
haasten, lieten zij de beschuldiging van godslastering •— een
terrein waarop zij niet naar hun wensch geslaagd waren — weder-
om varen en brachten hunne aanklacht nogmaals op staatkundig
gebied over, dat namelijk Jesus Zich Koning had genoemd; maar
zochten het persoonlijk belang van Pilatus zoo veel mogelijk er in
te betrekken en voegden daarom er nu de sluw",crekende bedrei-
tfing
bij, dat hij de gunst des Keizers zou verliezen, als hij den-
gene niet strafte, die naar koninklijke waardigheid gedongen en
alzoo Zich tegen den Keizer verzet zou hebben. Zoo gij dezen joan XIX,=.
loslaat, zijl gij geen vriend des Keizers, roepen zij hem toe — want
al wie zich tot Koning maakt, verklaart zich tegen den Keizer.
„Is
„het voor u van geen belang" —willen zij zeggen —„dat Jesus
„een lasteraar van God is, vergeet ten minste niet, dat Hij
„een verrader tegen den Keizer is. Gij zijt de dienaar van
„Tiberius; gij bevindt u hier om zijn gezag te handhaven en
„zijne macht te doen eerbiedigen. Het is al veel, dat wij, om
,.als trouwe dienaren van zijn rijksgebied ons te gedragen, dezen
„mensch, ofschoon Hij onze lands- en geloofsgenoot is, aan u
„hebben uitgeleverd. Verkiest gij Hem te verdedigen en los
„te laten, wij van onzen kant zullen al onze verplichtingen
„tegenover den Keizer weten te vervullen en hem bekend ma-
„ken, welk soort van dienaren hij hier aangesteld, aan wie hij
„zijn vertrouwen geschonken heeft."
Wij kennen reeds genoegzaam den vreesachtigen en daarom
zwakken aard van Pilatus om te beseffen, dat deze bedreiging
der Joden zijn gemoed allerhevigst moest schokken. Zij wisten,
dat de Keizer Tiberius een achterdochtig heerscher was, die
geene misdaad zwaarder strafte dan gekwetste majesteit en
reeds op het vermoeden alleen van ecnige tekortkoming ten
-ocr page 616-
rl06
HU\' I.IJOKN\' KV Sïl KVKN VAN
minste het vonnis der ballingschap, somtijds de doodstraf had
uitgesproken, dat ook alle aanklachten van die soort, tegen de
bestuurders zijner wingewesten bij hem ingebracht, gereeden
ingang vonden. Daarenboven was het geweten van Pilatus
niet geheel zuiver; reed:; meermalen had hij de Joden verbitterd
en het was hem niet onbekend, dat er reeds klachten over zijn
bestuur te Rome waren ingediend; hij achtte de Joden ook in
staat om aan hunne bodreiging gevolg te geven, dewijl zij wel
den ouden Herodes te Rome beschuldigd hadden en besloten
schenen de rechtzaak tegen Jesus tot het uiterste toe door te
drijven. Ook de groote toevloed van vreemdelingen drong
hem tot toegeven, omdat de Paasch-feesten al meermalen tot het
verwekken van een oproer misbruikt waren. Alzoo, een opstand
in het naaste verschiet, eene aanklacht bij den achterdochtigen
Tiberius, aanwijzing van een kroon-pretendent en ten gevolge
van dat alles de ongenade des Keizers — meer was er niet noodig
voor Pilatus om de vrees voor een tijdelijk onheil en de zucht
naar zelfbehoud te doen zegevieren over zijn rechtvaardigheids\'
gevoel. Wat kon hem, — zoo redeneerde die laffe rechter —
die geen hoogere dan aardsche belangen kende, er ook aangelegen
zijn, als hij Jesus van Nazareth opofferde om zijne eigene eer en
waardigheid en veiligheid te redden; van Jesus, al werd deze niet
veroordeeld, meende hij niets tekunnen hopen,maar van den Keizer
moest hij, eens aangeklaagd, alles vreezen. Hij bezweek dan ook
voor den hardnekkigen aandrang van Jesus\' vijanden en was wei-
dra besloten om de stem van zijn geweten te smoren en liever
Jesus aan een wissen dood prijs te geven dan zijn eigenbelang
over \'t hoofd te zien. Evenwel niet eerder dan nd eerst nog
eene laatste poging beproefd te hebben, of hij Jesus aan de
woede zijner vijanden kon ontrukken; maar in zijne verlegen-
-ocr page 617-
ilNZhS HEER JESLS CNRISTirS.
«or
heid deed hij het op eene wijze, welke de nijdige Joden eer
verbitteren moest dan winnen kon.
Het was nu — zegt de h. Joannes — voorbereiding van Pasehen Joes XIX. 14
dat is: Vrijdag in de Paaschwcek, of Vrijdag waarop Paschen
viel, en wel om/rent het zesde uur volgens de joodschc urentel-
ling, welke ten zes ure in den morgenstond haar eerste uur begon
te rekenen; het was alzoo omstreeks elf uur in den morgen.
Pilatus plaatste zich op zijn rechterstoel, welke op het steenen
uitstek stond, en liet Jesus opnieuw naar buiten brengen: voor-
bereidingen, welke door wet en gewoonte waren voorgeschreven,
vóórdat een doodvonnis mocht uitgesproken worden, maar
waaruit de Joden ook, en te recht, opmaakten, dat de Land-
voogd besloten was, om aan hunnen eisch te voldoen. Zij
beschouwden dan ook al hetgeen volgde als eene gezochte
uitvlucht, meer als een middel tot uitstel dan als een ernstig
gemeende poging om Jesus te bevrijden. Met bitteren spot
zeide hun Pilatus: ziedaar uw Koning, als wilde hij zeggen:
„gij hebt dezen beschuldigd, dat Hij Zich Koning maakte; ziet
„nu, hoe Hij geenszins het voorkomen van een Koning, ter nau-
„wernood de gedaante van een slaaf heeft. Is het geene dwaasheid
„zulk één te laten kruisigen, alleen omdat Hij Zich Koning
„noemde?" De Joden altijd nog eenigermate beducht, dat Pilatus
weifelen en eindelijk ten voordeele van Jesus beslissen mocht,
hielden aan met luid geschreeuw en eischten, dat Hij gekruisigd Luc.XXlII.23
zou worden; weg, weg met Hem — riepen zij — kruisig Hem.
Nog eens vroeg Pilatus, verbitterd over die wreedheid en zijne
spotternij voortzettende: zal ik uw Koning kruisigen; „wilt Joes XIX, 15
„gij u-zelf zóó verlagen, en voor anderen zóó belachelijk maken,
„dat een ieder u bespotten kan, zeggende: wie zich een Koning
"der Joden noemde, dien hebben zij aan het kruis geslagen?" Voor
-ocr page 618-
608
HKÏ LIJDEN K.N STKRVtN YAN
gecne overtuiging vatbaar, te verwoed om naar rede te luiste-
ren, antwoordden de Opperpriesters, en in naam van het ge-
heele volk: wij hebben geencn Koning dan den Keizer.
Staan wij hier een oogenblik stil; want verschillende gedach-
ten verdringen elkander in onzen geest. Pilatus spotte met
den titel van „Koning*\' maar trad hier, schoon onbewust, als
tolk op van God, die hem tot rechter over Jesus had aangesteld.
Hem was de taak opgedragen om aan het joodsche volk te vra-
gen, of het Jesus, die daar voor hen stond, die reeds als Messias
in het Paradijs en later nog meermalen beloofd, die vurig
afgebeden en op verscheidene wijzen afgebeeld en bij herhaling
voorspeld was, die Zich ook den Messias genoemd en betuigd had
door de schitterendste wonderen — of het Hem als zijn Messias,
als zijn Koning met diens geestelijk Rijk van waarheid en van
zedelijkheid wilde erkennen. Voor de laatste maal werd die
vraag aan de Joden voorgelegd. En het verblinde volk ant-
woordt met het afgrijselijk woord : Weg met Hem; kruisig Hem.
Met die woorden zegt het ontaarde Jodendom zijn verbond
met God op, verzaakt Gods heerschappij en kiest in zijne
plaats den romeinschen Keizer, wien het met den vinnigsten
haat verafschuwde. Hoe peilloos diep is dat rampzalig volk
weggezonken! Toen Jozue op het punt was van te sterven en
afscheid nam van zijn volk en het bezwoer geene vreemde
goden te dienen maar den waren God alleen getrouw te blijven,
Jo/.xxiV,24 betuigden al de Israëlieten: Jehova, onzen God, zullen wij dienen
en gehoorzaam zijn aan zijne geboden.
Ook in de volgende
tijden waren de Joden, blijkens hunne kerkelijke schrijvers,
-ocr page 619-
ONZES HEER JESUS CHRISTUS.                                             609
altijd nog gewoon te zeggen: „wij hebben geenen Koning dan
„God alleen." Nu daarentegen hooren wij hen den lang ver-
beiden Messias en Koning verwerpen. Doch van zijnen kant
wilde God, nu zij toch in hun hardnekkig ongeloof volhardden,
dat zij hunne booze gezindheid, ofschoon geen twijfel daarom-
trent mogelijk was, in de duidelijkste bewoordingen vertol-
ken en ook met de meest mogelijke openbaarheid zouden uit-
spreken, omdat het eene zaak van het grootste gewicht en van
verre strekking gold. Terwijl dan de Zaligmaker zelf tegen-
woordig en tevens het geheele joodsche volk in hunne Over-
sten, Priesters, Schriftgeleerden en Ouderlingen vergaderd,
terwijl ook eene ontzaglijk groote menigte van vreemdelingen
van heinde en verre naar Davids stad toegestroomd was, zwoe-
ren zij den Messias af, die hun door God beloofd en ook ge-
geven werd, en verzaakten hunnen waren Koning, om in zijne
plaats een heidenschen Keizer als hunnen Heer te erkennen, diei
zij in het diepste hunner ziel haatten. Op eene openbare plaats
van hunne Hoofdstad, op den vollen middag en in de ander
>:oo blijde dagen van hun plechtigst feest, dat hen aan de ver-
lossing uit eene wreede slavernij herinnerde, verloochenden zij de
ware vrijheid der kinderen Gods om een ander slaven-juk te gaan
torschen! Van de dwingelandij der Egyptenaren bevrijd, stelden
zij vroeger er eene eer in God alleen als Koning te hebben; en nu
onderwierpen zij zich, uit haat tegen den Messias, aan de ver-
foeide overheersching der Romeinen. Zwaar woog dan ook de hand
Gods op die ongelukkigen. Zij zijn geen volk meer gebleven,
maar verstrooid geworden onder de Heidenen, nadat hunne Hoofd-
stad verwoest was. Zij hebben hun volksbestaan vrijwillig prijs
gegeven, en zetten de overlevering hunner boosheid voort tot
in eene afgelegene wijk van het weleer heidensche maar nu
39
-ocr page 620-
610
IIKT I.I.IDKV KN ST1.RVKN VAN
christelijk geworden Rome, waar als Vorst des vredes de Ste-
dehouder zetelt van den Messias, Wien zij niet erkenden.
W1jsH.Xl.17. — Waarin men gezondigd heeft, wordt men gestraft. Aldus
spreekt de H. Schriftuur, en wij zien die vreeswekkende waar-
heid bevestigd in de geheele volgende geschiedenis der Joden
na Christus. Zij hebben Jesus als hun Koning verworpen en
kwamen, tot straf daarvoor, onder de vernederende heerschappij
van hunne wreede vijanden, door wie hun bestaan als volk
vernietigd werd. Vreeselijke vóórafbeelding van het ongeluk,
dat den Christen dreigt, die Jesus niet als zijn Koning wil
dienen. Hij verloochent Christus, maar plaatst zich daar-
door in den harden dienst van Satan en gaat zijn tijdelijk en
eeuwig ongeluk te gemoet. Op hem zal eenmaal, in den vollen
zin des woords, toepasselijk zijn, wat Jesus eertijds in eene
Luc. 19. 27 zijner gelijkenissen voorstelde: doch die vijanden van Mij, die niet
willen, dat Tk Koning wezen zou, brengt ze hier en doodt hen
voor mijne oogen.
Geen Christen, die niet de rampzaligste ge-
volgen van zijne verblinding, van zijne heillooze tegenkanting
tegen Jesus\' koningschap zal ondervinden en hier en hierna-
maals. Eens immers, aan het einde der tijden, zal Hij, gezeten
op de wolken des Hemels, in Majesteit terug komen om over
allen te oordeelen en allen naar hunne werken te vergelden.
Wij begrijpen, hoe noodlottig het voor allen is, Jesus niet als
Koning te gehoorzamen. Weinigen zullen dan ook, als hun
geloof niet ten eenenmale is uitgedoofd, dit ontkennen in \\voor-
den, maar wie onzer durft in waarheid beweren, dat hij Jesus
ten allen tijde en in alles metterdaad als zijn waren Koning eer-
biedigt. Ga eens uw levenswijze na van den morgen tot den
avond. Er moest geen enkel vermogen van uwe ziel, geen
deel van uw lichaam, geene enkele beweging uwer handen,
-ocr page 621-
en
OV/.KN HKKB JlsIS (\'IIKISTI\'S
geen woord van uwen mond, geene gedachte van uwen geest,
geene begeerte van uw hart zijn, waarover Christus niet heerschte,
opdat Hij in waarheid uw Koning zij. Maar is er wel een ge-
deelte van uw bestaan, waarover Hij alleen en geheel beveelt?
Heerscht Hij in uwe oogen, wanneer gij die daarheen keert,
waar het bederf u aangrijnst; — in uwe tong, als die praatziek,
uitgelaten, lichtzinnig, lasterziek en kwaadsprekend is en even
dikwijls anderen hindert, beleedigt, of zedelijk doodt, als zij
woorden uitbrengt; — in uwe handen, wanneer zij valsche
stellingen ter neer schrijven of wat onwaar of onbillijk is on-
derteekenen of naar verbodene voorwerpen worden uitgesto-
ken; —• in uwe neigingen, gedachten en begeerten en in
uwe handelszaken of betrekkingen met anderen? Of heeft
daarin de begeerlijkheid niet grooter gezag dan de wet van
Christus, zóódat gij meer de drift eener bedorven natuur
dan de aansporing der goddelijke genade involgt? Waarom toch
het juk Gods verbrijzeld en zijne boeien verbroken en ge-
zegd: ik zal U niet dienen, en waarom niet liever den last van Jerf.m. II.
Gods geboden zóó gedragen, dat Christus over u heerscht? Wel
mogen wij die noodzakelijkheid dankbaar prijzen, welke ons
noopt of wel Christus te verzaken en met de Joden te
zeggen: wij hebben geenen Koning dan den Keizer, of wel Je-
sus alleen als onzen Heer te erkennen en met den psalmist te
zeggen: ik vertrouw op U, o Heer! ik zeg: mijn God zijt ps- Xxx
Gij! Mijn lot is in uwc handen. Eene keuze moet gedaan
worden en wel tnsschen die twee uitersten. Wie niet voor
Christus is, zal tegen Hem wezen. Vernemen wij daarom wat
de h. Bernardus hieromtrent ons vermanend leert, opdat wij te
gemakkelijker eene goede keuze doen.
,,Kom, Heere Jesus! en neem alle ergernis weg uit uw rijk,
-ocr page 622-
612
HET LIJDEN- EN STERVEN VAN
„dat is, uit mijne ziel, opdat Gij, zooals het U toekomt, daarin
„moogt heersenen. De gierigheid wil in mijn hart haren zetel
„opslaan, de ijdelheid mij heheerschen, de trotschheid mijne
„koningin zijn, de wellust zegt: ik zal heersenen; de eergierig-
,,heid, de kwaadsprekendheid, de afgunst, de gramschap strij-
,,den in mij en om mij, van wie vooral ik de slaaf zijn zal. Ik
„echter weerstreef zoo veel ik kan, ik verzet mij zoo veel ik
„met Gods hulp vermag en roep mijn Jesus aan. Ik verdedig
„mij zelven, omdat ik mijne vrijheid waardeer. Ik houd mij
„aan God en mijn Heer en zeg Hem : ik heb geen anderen
„Koning dan den Heer Jesus. Kom dan, Jesus! en verstrooi
„uwe vijanden in uwe kracht, en Gij zult in mij heersenen,
„omdat Gij mijn Heer en mijn God zijt, die het heil in Jacob
„beveelt."
Driemaal gelukkig zij, wier Koning Hij alleen is, die de
Koning der koningen is, Wiens rijk ook geen einde zal hebben.
Laten wij dan tegen het geschreeuw der Joden in: wij hebben
geenen Koning dan den Keizer,
met vereenigde stemmen
luide uitroepen: „wij hebben geenen Koning dan Jesus alleen;
„anderen mogen aan den Keizer alleen geven wat des Keizers
„is, wij zullen ook aan Jesus geven was Godes is. Daarom, o,
„Jesus! ten bewijze dat ik U erken en van nu af ook als mij-
„nen Koning verkies, geef ik mij en onderwerp ik mij geheel
„en al aan uwen wil, aan uwe macht, aan uw gezag, opdat
„Gij als Koning over mij onder alle opzichten beschikt, zoo
„als het U behaagt. Het is mij dan ook onverschillig, of ik
„arm of wel rijk ben, gezond of ziek, veracht of geëerd, droe-
„vig of verheugd, mits ik zoo ben als Gij mij wenscht te zien.
„Dat is het toppunt van mijne wenschen, dat is het hoogste
„geluk, wat ik voor mij zelven begeer; niets anders wensch ik
-ocr page 623-
813
ON\'ZKN HEER JESIIS CHRISTUS.
„in den tijd en in de eeuwigheid, op de aarde en in den He-
„mel dan mij geheel en al aan uwen oneindig beminnelijken
„wil te onderwerpen. Ik aanbid ook, nederig voor uwe Majes-
„teit neergeknield, uwe goddelijke Voorzienigheid, en ik ver-
„lang geen enkel gevoel van vreugde, zelfs geen graad van ge-
„nade noch van glorie boven hetgeen Gij voor mij beschikt hebt.
„Ik wil ook niet, dat aan mijne keuze iets worde overgelaten
„van al datgene, wat den staat mijns levens, het uur of de wijze
„van mijn sterven aangaat of wat ook in eene of andere aangele-
„genheid zich kan voordoen. Snijd af, ruk uit, verwijder uit
„mijne plannen al hetgeen in tegenspraak zijn kan met uwe inzich •
„ten omtrent mij; bepaal voor mij wat Gij wilt, als mijn Heer en
„mijn Koning, zóódat alles, wat ik kan, U ten dienste sta, alles
„wat ik ben, het uwe zij, zóódat ik de uwe en Gij de mijne
„zijt, ik uw dienaar, Gij mijn Koning in alle eeuwigheid."
-ocr page 624-
Hoofdstuk XYII
Jesus wordt ter dood veroordeeld.
De bloedige ontknooping van het allertreurigste tafereel, dat
de aarde ooit aanschouwde, is nabij. Wij zullen de getuigen
wezen van Jesus\' veroordeeling ter kruisdood — eene gebeur-
tenis door den Zaligmaker zoo vurig gewenscht, hoogst zegen-
rijk voor den diep ongelukkigen mensch, ook reikhalzend ver-
wacht en volhardend afgesmeekt door de heilige zielen in het
voorgeborchte der hel, maar ook eene gebeurtenis, welke
beschamend en verschrikkelijk voor den duivel zijn zal.
Dat dit doodvonnis tegen den Gever van ons aller leven
onverdiend en onrechtvaardig was, getuigden onder anderen
èn Judas, die beleed onschuldig Bloed verraden te hebben,
èn Caiphas die profeteerde, dat één mensch voor de red-
ding van het geheele volk zoude sterven, èn Herodes die
Jesus onveroordeeld terugzond, èn de echtgenoote van Pi-
latus door hare hem overgebrachte waarschuwing om zich
met dien Rechtvaardige niet in te laten, èn Pilatus zelf door
zijne herhaalde verklaringen en nu ten laatste door zijne ijdele
handenwassching, waarmede hij zich aan het bloed van dien
Rechtvaardige onschuldig meende te kunnen betuigen. Ver-
volgen we dan, door de medcdeelingen van de Evangelisten
-ocr page 625-
HET LIJDEN EN STEEVEN TAN ONZEN HEER JESl\'S CHRISTUS                B15
voorgelicht, den loop van het rechtsgeding ten einde toe. Ook
nu zullen wij de onrechtvaardigheid, welke uit haat haar
slachtoffer ten dood eischt, overwonnen zien door eene onein-
dige Liefde, welke uit grenzenlooze Barmhartigheid den dood
verkiest om voor ons het leven der genade en der glorie te
verdienen.
Toen Pilatus zag; dat hij niets vorderde, maar dat er meer MatXXVH.s
opschudding kwam, nam hij water en wicsch zich de handen
voor het volk, zeggende: ik, ik ben onschuldig aan het bloed
van dezen Rechtvaardige; gij moogt lieden toezien.
Welk een ontzettend tafereel, in weinige trekken ons geschetst,
doch waarvan elk woord eene geheele reeks van gedachten in
zich besluit. Bij alle Heidenen was het een door de wet
voorgeschreven gebruik, dat de rechter niet staande maar zit"
tende zijn beslissend oordeel over de aangeklaagden moest uit-
spreken: niet alleen omdat op die wijze zijne rechterlijke
waardigheid met grooter ontzag omkleed werd, ook opdat hij
door geen toorn vervoerd noch door de oogenblikkelijke op-
welling van eenige drift medegesleept worden, maar met
ernstige bedaardheid zijn oordeel vellen zou. Ook de beschub
digde moest, volgens romeinsch gebruik, naar buiten, in te-
genwoordigheid van den rechter en van het volk gebracht
worden. Al deze voorschriften zien wij hier opgevolgd: Pila
tus is op zijn rechterstoel gezeten, welke geplaatst was op
het steenen, met verschillende kleuren van marmer ingelegde
uitstek. Voor hem staat Jesus nog met de doornenkroon
op \'t hootd, den purperen mantel om de schouders en den
rietstok tusschen de gebonden handen — de Onschuldige
voor hem, die zich aan de afschuwelijkste misdaad gaat
-ocr page 626-
61f>                                           IIKT LIJDEN ».N STKRVEX VAN
schuldig maken, de oneindig rechtvaardige Rechter voor hem,
die het heiligste recht schenden en den Heilige veroordeelen
maar een moordenaar zal loslaten.
Het volk, het vergeefsche dralen van Pilatus moede en aange-
zet door zijne Oversten, dringt onstuimiger op Jesus\' veroordee-
ling aan. Zelfs dreigt het tot oproer over te slaan. Pilatus
— afschrikwekkend toonbeeld van menschelijke zwakheid —
ofschoon hij overtuigd is van Je^us\' onschuld en ook den
wensch koesterde om Jesus\' leven te redden, werd door de vrees
voor de menschen weerhouden om moedig aan het woest geweld
der Joden weerstand te bieden en zijn plicht te betrachten. Hij
had gehoopt, dat het volk, minder vijandig aan Jesus dan zijne
Oversten, naar de stem van de overtuiging en van een mede-
lijdend gevoel zou luisteren en terugschrikken voor de misdaad
van een moord, maar ziet zich in zijne verwachting te leur
gesteld. Hij neemt nu zijne toevlucht tot eene ijdele plechtig-
heid en vergenoegt zich met eene verklaring, waarvan hij het
onbeduidende reeds tot vijfmaal toe gevoeld heeft.
Eerst wiesch hij zijne handen, daarin de gewoonte niet van
de Heidenen maa. van de Joden volgende. Wanneer namelijk
dezen zich van de verdenking, dat zij in eene of andere mis-
daad betrokken waren, wilden zuiveren of hunne onschuld aan
deze of gene misdaad betuigen, vooral wanneer zij verklaren
wilden, dat zij geen deel hadden aan het vergieten van het
bloed eens menschen, waschten zij hunne handen, over-
I 6. eenkomstig hunne wet: als in het land, dat de Heer u
geven zal, het lijk van een verslagene gevonden en de moorde-
naar onbekend is..... zullen de oudsten der (naastbijgelegene) stad
hunne handen boven (eene geslachte) jonge koe wassehen en
zeggen: onze handen hebben dit bloed niet vergoten en onze
-ocr page 627-
ONZEN HEER JESUS CHRISTUS.                                            617
oogcn hebben het niet gezien. Dit eeuwenoud gebruik nam ook
Pilatus nu te baat en voegde bij deze zinnebeeldige handeling,
om te kennen te geven, dat hij den zin er van begrepen had,
de betuiging zijner schuldeloosheid: ik ben onschuldig aan het
Bloed van dezen Rechtvaardige; maar om tegelijk alle verant-
woordelijkheid van die misdaad van zich af en op de Joden te
werpen, laat hij er op volgen: gij inoogl toezien, „ik wil de
„schuld van zijn dood niet op mij nemen; ziet toe, wat gij doet,
„want alles zal op u neerkomen." Tot antwoord op die uitdaging
schreeuwde het geheele volk : zijn Bloed home over ons en
over onze kinderen. Nu de Joden in hun eisch volharden en
Pilatus, zwak van karakter en baatzuchtig van aard, liever
aan het volk genoegen wil geven door een wettelijken
moord te begaan dan zich aan een verwijderd gevaar bloot
stellen door den Onschuldige aan de woede van een opgeruid
volk te ontrukken, is het onzettend pleit beslist. De laffe rech-
ter geeft uit zwakheid Jesus prijs en voldoet aan den dubbelen
eisch van diens vijanden: hij geeft hun Barabbas, die om ««MARC.XV.15.
oproer en moord in den kerker was, vrij en levert Jesus aan \' " \'24
hun wil over om gekruisigd te worden.
Aldus verhaalt ons het Evangelie het laatste bedrijf van dat
vreeselijk tafereel, waarin wij van den eenen kant de woede
en den onverzoenbaren haat der Joden maar ook de karak-
terlooze toegevendheid var. den Landvoogd in hunne geheele
afschuwelijkheid ons zien voorgesteld, van den anderen kant
de volkomene Offervaardigheid en de oneindige Liefde van
den goddeiijken Lijder moeten huldigen.
-ocr page 628-
818
HET LIJDEN EX STEKTEN VAX
Pilatus had zijne laatste getuigenis omtrent Jesus\' onschuld
afgelegd en onmiddellijk daarop — wie kon het vermoeden —
Hem ter dood veroordeeld. Waarlijk, een vreemd en onge-
hoord vonnis! Andere rechters verklaren, dat zij genoodzaakt
zijn te veroordeelen, omdat een nauwkeurig onderzoek en het
bewijs voor de schuld des aangeklaagden hun een vonnis ter
veroordeeling afdwingen. Pilatus daarentegen verklaart ten aan-
hoore van het geheele volk en voor de zesde maal, dat hij
geene schuld in Jesus vindt en desniettemin veroordeelt hij
Hem ter kruisdood. Hij spreekt derhalve onwaarheid, als hij
zich aan het bloed van dien Rechtvaardige onschuldig noemt.
Of kan een rechter schuldeloos wezen, als hij het vonnis der
veroordeeling uitspreekt tegen iemand, in wien hij, terwijl een
tweevoudig onderhoud hem alle gewenschte inlichting gegeven
had, met volle overtuiging en na rijp beraad tot zes malen toe
verklaart geer.e schuld gevonden te hebben? Nooit is sehreeu-
wender onrecht gepleegd, nooit zijn de eerste beginselen der
rechtspleging op God tergender wijze verkracht. Pilatus oordeelt
tegen zijn geweten in, hij veroordeelt tegen zijne overtuiging, hij
geeft eene beslissing, welke hij onrechtvaardig noemen moet,
hij beveelt, wat hij wenscht niet ten uitvoer te zien gebracht, en
zoo toont hij zich als een dier lafhartigen, welke liever vrien-
den willen zijn van de wereld dan van God, liever hun plicht
verzaken dan de volksgunst verbeuren, welke de stem van hun
ontwaakt geweten smoren om hun eigenbelang niet uit \'t oog te
verliezen — en ten laatste de bewerkers van hun eigen ongeluk
worden. Of heeft het Pilatus iets gebaat, dat hij onrecht deed om
de vriendschap des Keizers niet te verliezen? De geschiedenis ver-
meldt, dat het uiteinde van Pilatus ongelukkig was: kort na het
tijdvak, waarin ons verhaal voorvalt, werd hij beschuldigd van
-ocr page 629-
819
ON\'ZK.N HLKR JhSL\'S CHRISTUS.
wreede handelwijze tegen de Samaritanen, te Rome veroordeeld,
v an zijne waardigheid ontzet en naar het zuiden van Frankrijk ver-
bannen, alwaar hij zelf zich het leven benam door zich te ver-
hangen of — zooals anderen berichten — zich in een meer
van het kanton Luzern te verdrinken.
Evenmin als de verklaring van Pilatus, dat Jesus rechtvaardig
en zonder schuld was, hem zelven onschuldig maakte aan een
Gods moord, evenmin kon het ijdel vertoon der handenwas-
sching hem van zijne zonde reinigen. Door elke betuiging
van Jesus\' onschuld bezwaart hij zijne ziel, en hoe plechtiger
hij in tegenwoordigheid van het geheele volk erkent Jesus als
den Rechtvaardige te moeten vrijspreken, des te grooter wordt zijne
misdaad, als hij Hem ter kruisiging uitlevert. Al wiesch hij
dan ook zijne onreine handen voor het volk, zijn geweten be-
zoedelde hij voor het alziend oog van God met het bloed van
een Onschuldige. Of kunnen slechte handelingen door schoone
woorden vergoelijkt, gruwelijke misdaden door nuttelooze ui-
terlijkheden bedekt worden voor\'t oog van Hem, die in \'t verbor-
gene ziet en als rechtvaardig Rechter, harten en nieren doorschou-
wende, de bedoelingen beoordeelt en de werken weegt naar
den regel van een eeuwig recht? Neen, al de wateren des he-
mels konden Pilatus niet rein wasschen; al had hij met Petrus
gewenscht, dat zijn geheele lichaam gewasschen werd, zijne
misdaad ware even groot gebleven, zijne zonde niet uitgewischt.
Op hem is onder elk opzicht toepasselijk deze uitspraak van den
Profeet Jeremias: al zoudt gij n ook met loog wassche» en veel Jeu il 22
potasch gebruiken, toch zijl t^ij in mee boosheid onrein voor Mij\',
spreekt God, de Heer. Ook baatte het hem niets, dat hij de
schuld op anderen wierp, zeggende: ziet gij toe. Hetzelfde
hadden de Priesters tot Judas gezegd, maar daardoor zich niet
-ocr page 630-
620
HET LIJDEN KM STERVEN VAN
van vreemde zonden vrij gehouden. Voor het strenge
Ps, XXX. 6, oordeel van God wordt meer gevorderd, vóórdat men zijne
handen onder de onschuldigen wassehen
mag en zich de getui-
genis geven: ik heb het mijne gedaan; anderen mogen nu toe-
zien, wat hun te doen staat.
— Pilatus wilde aan het Bloed van den rechtvaardigen Jesus on-
schuldig zijn — dien wensch zijns harten kunnen wij niet anders
dan prijzen — maar hij gebruikte voor dat doel het juiste middel
niet. Vooreerst had hij de Onschuld ten einde toe moeten verdedi-
gen en dan, voor hetgeen hij reeds misdaan had, vergiffenis afsmee-
ken van Hem, die alle berouwvolle zondaren reinigt in zijn
Goddelijk Bloed. Pilatus behoefde slechts zijne oogen in \'t rond
te slaan om de herinnering te verlevendigen aan het onrecht,
dat hij reeds tegen Jesus gepleegd had: het voorhof, waar Jesus
gegeeseld en met doornen gekroond was, en het plaveisel,
waarop Hij stond, vertoonden de sporen van Jesus\' onverdiend
lijden, maar waren ook de beschamende getuigen van Pilatus\'
wreede lafhartigheid, van zijne onrechtvaardige toegevendheid
aan den haat der Joden. Misschien kon hij zijn rechterstoel
niet beklimmen zonder Jesus\' heilig Bloed te vertreden; nog
op dat zelfde oogenblik kon Hij Jesus\' Bloed zien vloeien uit
vele wonden — en van al die mishandelingen droeg hij de
schuld, omdat hij den onschuldigen Jesus aan de wreedaardige
baldadigheid der soldaten had overgeleverd. Doch vóór hem
Zach. XIiI. t. stond de liefdevolle Jesus, die eene bron. geopend had ter reini-
ging des •zondaars,
niet alleen voor het huis van David en voor
de bewoners van ferusalem,
ook voor allen, die met geloof en
vertrouwen naar Hem opzien. Bij Hem, maar bij Hem ook alleen
had Pilatus reiniging van schuld, vergiffenis zijner zonden kun-
nen vinden, niet door die niets afdoende wassebing van zijne
-ocr page 631-
621
ONZKN HEER .IKS1S CHRISTUS.
met onschuldig bloed bevlekte handen, maar door een nederig
smeeken en een oprecht leedwezen.
— Pilatus heeft meermalen de genade, welke God hem lief-
devol aanbood, niet gebruikt, maar wel verstooten. Ons komt het
niet toe daarover te oordeelen, minder nog om daarom hem te
veroordeelen. Aan God alleen is het oordeel en de wraak.
Wat wij echter met alle zekerheid mogen zeggen, is dit:
noch de Joden, wien hij wilde behagen, noch de Keizer, wiens
vriendschap hij zocht, noch de Romeinen, wie hij in hun
haat tegen den joodschen godsdienst volgde, zullen hem voor
het oordeel van God eenige hulp, eenige bescherming hebben
kunnen bieden. Daar stond hij van allen verlaten, alleen met
zijne vreeselijke verantwoording.
Doch de ongelukkige Landvoogd was niet de éénige schuldige
aan Jesus\' uitlevering ter kruisiging. Onnoemelijk groot is het getal
van hen, die door hunne zonden hun God en Zaligmaker opnieuw
gekruisigd hebben. En wie onzer durft beweren: onder het getal
van die verraders ben ik niet geweest? Des menschen hebzucht
jeverde Jesus aan Judas over om Hem te verraden, een schande-
lijke ongebondenheid van leven aan de soldaten om Hem te binden,
de gramschap aan den krijgsknecht om Hem in het aangezicht te
slaan, de afgunst aan de Joden om Hem valschelijk te beschuldi-
gen, de eerzucht aan Herodes om Hem te bespotten, de wellust
aan Pilatus om Hem te geeselen, de hoogmoed aan de beu-
len om Hem met doornen te kronen — eindelijk de onbe-
schaamdheid en hardnekkigheid in het zondigen aan de Ro-
meinen om Hem aan \'t Kruis te slaan. Wie zich aan de eene
of andere van die misdaden schuldig moet erkennen, hij moet
bidden, dat het kostbaar Bloed van Jesus hem reinige. Dan
eerst zal hij schuldeloos van handen en rein van gemoed wezen, ps XXIII,
-ocr page 632-
W2                                            HKT I.1J11KN EN STKRYKN VAN
Ps. L, 7, ƒ>/ ongerechtigheden — moeten wij met David verzuchten —
werd ik ontvangen en in zonden ontving mij mijne moeder.
Doch nauwelijks waren wij met de erfsmet bezoedeld op de
wereld gekomen, of God heeft ons door het heilzame bad des
Doopsels rein gewasschen. Toch moeten wij elk van ons dage-
lijks bidden: wasch 7>iij meer en meer van mijne zonden ; want reeds
als kinderen maakten wij ons misschien aan vele overtredingen
schuldig; als meer volwassenen bedreven we wellicht nog groo-
tere zonden. Maar niemand dan die zuiver van harte is, zal God
zien. Daarom luide ons smeekgebed: Schep in mij, o, God!
Job. XIV. 4. een zuiver hart. En wie kan hem rein maken, die van
ren otuein zaad ontvangen is? Zijt gij het niet alleenl
„O,
„Jesus," — laten wij dit van zijne Goedheid afbidden — „wasch
„mij meer en meer in uwe tranen, want om mijnentwille hebt Gij
„geweend; wasch mij meer en meer in uw heilig zweet, want
„om mijnentwille hebt gij bloed gezweet; wasch mij meer en
„meer in uw goddelijk lïloed, immers ook om mijnentwille hebt
„Gij het vergoten. Eerst dan zal ik mogen hopen eens onder het
„getal van die uitverkorenen te behooren, van wie geschreven
OPENB,Vll,r4. staat: dezen zijn het, die hunne kleederen gewasschen en zvit ge-
maakt hebben in het Bloed des Lams.
Schuldiger nog — Jesus zelf verklaarde het ons — dan Pi-
latus waren de Joden. Niet slechts hadden zij in hunne boos-
heid den Zaligmaker vervolgd, valschelijk beschuldigd, ter
dood getiseht; nu zij hunne wenschen vervuld zullen zien,
durven zij nog, om het volvoeren van hun moordplan te bespoe-
digen, den vloek, welke aan het vergieten van onschuldig bloed
-ocr page 633-
oNZfcS HfckB JESUa ciikls\'rus.                                      Hi:i
kleeft, over zich zelven en — wat ons van ontzetting doet huiveren
—• ook over al hunne nakomelingen afroepen. In woorden kan
hunne boosheid zich niet schrikkelijker uiten; alleen door hun Ko-
ning en Messias te kruisigen voeren zij die ten toppunt. Ten he-
mel schreeuwt om wraak hunne bloeddorstige wreedheid, luider
nog dan het bloed van den onschuldigen Abel door eene broe-
derhand vermoord. De Joden vervloeken zich zelven en zij
trekken den vloek aan als een kleed, dat niet veroudert.
Met die verschrikkelijke ontboezeming van verblindheid en van
woede laden zij al den smaad en al de straften, welke aan Jesus\'
dood verbonden zijn, op zich en hun nageslacht, en stellen zich
en de hunnen verantwoordelijk, tot in de laatste eeuwen, voor
liet onrecht op hun aandrijven door den Landvoogd te plegen.
De straf volgde bijna onmiddellijk op de misdaad: geen zeven-
tig jaren later, toen zij andermaal tegen de overheersching der
Romeinen in opstand waren gekomen, werd hun tempel verbrand,
lag hunne stad in puinhoopen, en werden al de inwoners van
Terusalem en omstreken vermoord met uitzondering van weinigen,
die of in de bergen vluchtten of met ketenen beladen de zegekar
van den overwinnenden veldheer als oorlogsbuit moesten \\oor-
uitloopen. Akelig zijn de bijzonderheden, welke de geschiedenis
ons van die treurige gebeurtenis meldt. In stroomen van bloed
werd over het vergieten van Jesus\' heilig Bloed wraak van hen
geöischt. Van stad tot stad, van het eene gewest tot het andere,
werden ware slachterijen onder de Joden aangericht; van 30-
tot 50 duizend werden dikwijls in eene enkele stad neergehou-
wen, totdat eindelijk bij den ondergang van Jerusalem, het-
welk den moordkreet tegen den Verlosser had aangeheven, da-
gelijks honderden en duizenden in het gezicht der stad aan
het kruis geslagen werden, en een millioen lijken de schrikwek-
-ocr page 634-
62 l
HET MJDKN RN STKEVF.N VAX
kende getuigen waren van het vonnis, hetwelk God over dat
ongelukkig volk had uitgesproken.
Aldus werd het vreeselijk strafgerecht Gods voltrokken aan
de Joden, die vroeger Gods volk bij uitnemendheid waren,
maar nu „geen volk" heeten. Weinigen bekeerden zich op de
prediking der Apostelen en vonden in het zalig gevoel van
rust en vrede, welke de Kerk van Jesus hun aanbood, eene meer
dan genoegzame vergoeding voor het verlies van hun maat-
schappelijk volksbestaan. De anderen zwerven, gebrandmerkt,
evenals Kaïn, met het schandmerk van den Godsmoord, rond,
zonder Messias, zonder Koning, zonder tempel, zonder hei-
ligdom, zonder altaar, zonder priesterschap, en hebben geen duim
gronds meer over gehouden van het land van belofte, dat
God aan hunne Voorvaderen schonk, maar waarvan zij zulk
een slecht gebruik gemaakt hebben. Helaas! hoe waar
zijn de woorden, welke de h. Hilarius weleer over de Joden
schreef: „Israël door God van Pharao\'s slavernij bevrijd, in
„de zee afgewasschen, in de woestijn met het brood der En-
,,gelen gevoed, door de wet Gods onderricht, door de Profeten
„bestraft, zelfs bij Jesus\' geboorte als ledematen van zijn lichaam
„aangenomen en door zijn Kruis gered, zoo het geloofd had, ook
„door zijne verrijzenis verheerlijkt, zoo het Hem beleden had :
„Tsraöl heeft niets van dat alles geloofd, niets van dat alles willen
„behouden. Toen het zich moest verheugen over het bezit van
„het Manna, verlangde het naar de vleeschpotten van Egypte;
..toen het de wet had, aanbad het een kalf; de Profeten heeft het
„vermoord, den hun voorspelden Zoon der Maagd gelasterd,
„in den mensch geworden God niet geloofd, Hem, die de
„zonden vergeeft, van eene verdichte misdaad beschuldigd,
„voor geld zijn dood gekocht, Hem aan het Kruis geslagen,
-ocr page 635-
n%
ONZEN IIÜKK JLSL\'S C\'HMsTLS.
„de getuigen zijner verrijzenis omgekocht, opdat zij zwijgen
„zouden, de Apostelen omgebracht." Slechts ééne hoop blijft,
evenals voor alle menschen, nog voor dat diep ongelukkig volk
over: dat de verdiensten van het goddelijk Bloed van den Verlos-
ser ook over hen komen, opdat zij zich van hunne trouwlooze
hardnekkigheid bekeeren en gelooven in den Heere Jesus
Christus, VVien de Vader ook hun gezonden had, maar dien zij
verwierpen en aan het Kruis sloegen. — Wij voor ons moeten
bidden, dat God ir» zijne eindelooze Goedheid dat gezegend
oogenblik verhaaste, opdat het overblijfsel van het vroeger
uitverkoren volk Gods behouden worde.
Jesus\' ter dood veroordeeling was de vervulling van den
wensch der Joden en de voltooiing van de misdaad van Pila-
tus. Zij hadden Hem ten dood toe, sinds zijne geboorte af,
vervolgd, onder andere redenen, ook omdat Hij hun hoogmoed
vernederde, hunne huichelarij ontmaskerde en hun ongeloof be-
schaamde; Pilatus echter, ofschoon hij van oordeel was Tesus
te moeten loslaten, heeft Hem ter kruisiging uitgeleverd — uit
vrees voor de menschen. Helaas! hoe dikwijls zien wij in
onze dagen datzelfde duivelsch werk hernieuwd door de boos-
heid en door de zwakheid; de boosheid vervolgt de deugd
en het menschelijk opzicht levert haar uit. Werpen wij,
te onzer waarschuwing, slechts een vluchtigen blik op het
doen en laten van zoo vele Christenen en al aanstonds springt de
waarheid van onze opmerking in \'t oog.
Hebben zij Mij vervolgd — aldus voorspelde de Zaligmaker Wijsh. u
— zij zullen ook u vervolgen. De geschiedenis der Kerk staaft
op elke van hare bladzijden de vervulling van deze profetie.
40
-ocr page 636-
624
HF.T l.IJDKN\' EN STERVEN- VAN\'
Dikwijls hoort men zelfs door onwaardige Christenen eene taal
bezigen, welke een schrille naklank is van hetgeen de wijze
sh. II. 12. Man in deze hewoordingen uitdrukte: Zaal ons den gerechtige
belagen, want hij dient ons niet; hij verset zich tegen ons ge-
drag, hij verwijt ons, dat wij zondigen tegen de wet, en brengt
ons in kwaden naam om onze overtredingen. Hij beroemt
zich God te kernen en noemt zich een kind Gods. Hij is ons
een bcstraffcr geworden van onze gedachten. Zelfs hem aan
te zien valt ons lastig, omdat zijne levenswijze niet is gelijk
die van anderen, en omdat hij een zonderling is in zijn gedrag.
En waarom die vervolging van hen, die zich Gods kinderen
noemen? Omdat een ieder, die het kwade doet, het licht
schuwt; omdat de vijanden van Christus\' Kruis door de deugd
van Jesus* volgelingen in hunne boosheid beschaamd en hunne
werken openbaar gemaakt worden voor hetgeen zij zijn. Al
wie zich volgens het gebod der Kerk door een plichtmatig
vasten versterft, staat bloot aan de laffe spotternij van hen,
die liever brassen en aan onmatigheid zich overgeven; al wie
de kuischheid lief heeft, wordt veracht door de wellustigen van
aard en van leven; wie op Gods Voorzienigheid vertrouwt,
staat in minachting bij allen, die al hunne hoop op mensche-
lijke berekeningen bouwen; een oprecht en eenvoudig Christen
is een afschuw voor die veinzaards, welke uit zijn op het ver-
bloemen van hunne bedoelingen, op het verborgen houden
van hunne gedachten, op het bewimpelen van hunne booze
daden; wie geen aanzien van personen kent en aan God alleen
wil behagen, wordt veracht door al wie dingen naar de gunst
van machtigen en bedelen om de vriendschap van grooten
dezer wereld. Tegen al de Christenen, welke hunnen plicht lief-
hebben en hun geweten zuiver willen houden, gaat uit den
-ocr page 637-
OKZEN HKKR JKSt\'8 CHRISTUS.                                             62"
mond der goddeloozen, evenals weleer uit den mond der Jo-
den tegen Jesus, de kreet op: „weg met hen; zij zijn ons een
„doorn in \'t oog; omdat hun leven een luidsprekende afkeu-
,,ring van onze daden is, moeten zij beschimpt en belachelijk
„gemaakt worden; wij kunnen hen niet dulden en zij dienen
„als een voorwerp van spotternij aan de verachting van alle
„verlichten te worden prijs gegeven." Daarom moet de goede
lijden, omdat hij niet slecht is, de rechtvaardige veroordeeld
worden, omdat hij onrecht haat. Hoe bedorven is de wereld,
hoe ver afgedwaald hare volgelingen! Jesus, de oneindige Hei\'
ligheid zelve, stond ten doel aan de vervolging der Joden,
omdat Hij de zonde bestreed; maar is het dan te verwonderen,
dat de goede Christenen, om den naam van Jesus, vele ver-
volgingen te lijden hebben van de slechten? Een dienstknecht
is immers niet meerder dan zijn Heer, een leerling niet beter
dan zijn Meester! Nijdige en afgunstige Joden zullen er altijd
gevonden worden; maar Jesus\' lijden is ons een voorbeeld,
tevens een troost en eene kracht. Ook wij moeten in ons lijden om
wille van de deugd welgemoed blijven. Jesus heeft de wereld
overwonnen en door het geloof in Hem zullen ook wij de we-
reld, hoe boos en wreed zij tegen ons moge wezen, overwin-
nen; en aan hem, die in dien harden strijd overwinnaar is o
gebleven, — zegt Jesus — zal Ik gei\'en te zitten op mijnen
troon, gelijk ook Ik overwonnen heb en gezeten ben met mijnen
Vader op zijnen troon.
Wat wij echter nog dieper dan al ons lijden van dezen tijd
moeten betreuren, het is dat de deugd niet alleen vervolgd
wordt door de wereldlingen maar zelfs verraden wordt door
zoo vele Pilatussen, die schijnen liever Gods genade te willen
verliezen dan de vriendschap der menschen te verbeuren.
-ocr page 638-
B28
HET I.I.MJEN EX STEKVEN ÏAN
Wanneer van volksgunst ook slechts spraak is, dan wordt, helaas!
dikwijls de stem des gewetens tot zwijgen gebracht, dan geldt
geen recht meer, dan wordt de godsdienst veroordeeld, de
deugd veracht en het heil der ziel verwaarloosd. Zoo han-
delde ook Pilatus. Toen de vrees van den Keizer te mishagen
ingang in zijn hart gevonden had, week daaruit de vrees vnn
God te beleed\'^en, en van een rechtvaardig rechter, zooals
hij had moeten zijn, werd hij een moordenaar der onschuld.
Liever sterve Christus, dan dat de Keizer hem vijandig gezind
worde*! De onschuld, de billijkheid, elke deugd moge voor hem
eenige waarde hebben, kostbaarder in zijn schatting was de
vriendschap van Caesar. — Noodlottige ijver om meer aan de
menschen te behagen dan aan God, laffe vrees voor den persoon
der menschen, — hoe machtig zijn zij om zelfs sterken te doen
vallen, om tot elke euveldaad ook goer\'.en te verleiden! Wat
noch de lasterlijke beschuldigingen der Phariseön, noch het
beroep der Oversten en van het volk op hunne wetten, noch het
woeste geschreeuw der Joden op Pilatus\' gemoed vermochten,
dat werkte het hooren van één woord uit: „gij zijt de vriend
des Keizers niet;" dat vermocht de vrees voor de menschen.
Maar wat is dan die laffe menschenvrees, welke bij zoo velen
de oorzaak is van een schromelijken achteruitgang in hun ze-
delijk leven? Niets minder dan eene verachting van God en
van de heiligste verplichtingen, dan eene laffe zucht aan
menschen niet ongevallig te zijn, dan een misdadig zoeken om
hun te behagen. Het is het nalaten van eenig goed werk om
door anderen niet bespot, het bedrijven van eenig kwaad om
door anderen toegejuicht te worden. O, hoe velen maken zich
aan groote zonden schuldig, hoe velen storten zich misschien
in een eeuwig verderf om dit eene woord: „wat zullen de men-
-ocr page 639-
828
OXZEX HKEH JESLS CHKISTt.S.
schen zeggen?" Wanneer ik in het huis van God, on-Ier de
heilige godsdienstplechtigheien, m\'jnc knieën buig, en daar
met gevouwen handen en neergeslagen oogen, in een woord:
met dien eerbied en met die aandacht daar tegenwoordig ben,
zooals het past en plichtmatig is — wat zullen de menschen
zeggen? Wanneer ik, geslagen zijnde, niet terug sla, wanneer
ik, volgens Gods gebod, het kwaad met goed vergeld en mij
over de ontvangene beleedigingen niet wreek — wat zul-
len de menschen zeggen? Wanneer anderen, aan een feest•
maal gezeten, met hunne lasterzieke tongen den goeden
naam des evennaasten bezoedelen ot door verdachtmaking
aanranden, "maar ik hunne zondige gesprekken niet toejuich,
en die veroordeel door een verachtend stilzwijgen of door
een afkeurend fronsen der wenkbrauwen; wanneer ik mij
schaam over losbandige onbeschaamdheid of wulpsche dartel-
heid en met wellustigen niet wellustig word — wat zullen de
menschen zeggen? Derhalve, om aan de menschen niet te
mishagen — weg met de deugd, weg met Christus\' leer, weg
met Gods gebod; de eerbaarheid wijke dan voor onzuiver-
heid, de zedigheid voor schaamteloosheid, de schaamte voor
wulpschheid, de billijkheid voor onrecht, plicht voor flauwhar-
tigheid, in één woord: elke deugd voor elke ondeugd. Gods
wetten, de geboden der Kerk, de raadgevingen van Christus\'
dienaren — dat alles worde als met den voet vertreden, als
ik slechts aan menschen voldoening schenk.
Zoo spreken eenige onbeschaamden met den mond, doch
velen door hun gedrag, en maken hun leven gelijkvormig aan
het betreurenswaardig voorbeeld, hetwelk wij in Pilatus veraf*
schuwen. Omdat hij aan het volk behagen wilde, ontzag hij
zich niet zijn geweten met de afschuwelijkste misdaad, welke
denkbaar is, te bezwaren Eveneens beleedigen velen, om den
-ocr page 640-
BSO
HKT LWDEW BN 8TF.RYK3? VAN
menschen niet ongevallig te zijn, Hein die door allen moet
gediend worden. Velen zeggen zoo menigmaal: als wij dit of dat
doen, wat zullen dan de menschen zeggen. Waarom zeggen zij niet
liever: als wij het verbodene doen, wat zullen de Engelbewaar-
der, de h. Maagd, Christus, God zeggen? Niet de menschen, maar
Jesus Christus alleen zal eens onze Rechter zijn; daarom moet er
ons weinig aangelegen wezen, of wij door den menschelijken dunk
geoordeeld worden. Welke zullen onze gedachten, welke onze
gevoelens zijn, als wij eens onzen laatsten strijd zullen strijden
en aan ons, op het uiterste liggende en van alle menschen ver-
laten, geene andere troost meer overblijft dan God alleen, maar
dien wij om der menschen wille in ons leven verzaakt hebben ?
Zullen dan onze eenige, onze onpartijdige Rechters niet de woor-
Ps. LI. 8. den van den Profeet David herhalen: de gerechtigen stillen het
zien, en zij zullen vreezen, en zij zullen hem belaehen en zeqgen :
ziedaar de man, die God niet nam tot zijnen helper
— of deze
Ps. LH. 6 woorden van denzelfden Psalmist: God verstrooit het gebeente
dergenen, die aan de menschen zoeken te behagen —
of deze woor-
Delt.xxxii. den door God zelven aan Mozes ingegeven: waar zijn hunne
0 \' goden, in wie zij hun vertrouwen hadden? Dat zij oJ>staan en u
helpen en u in uwen nood beschermen.
Pilatus ligt en brandt
misschien in de plaats der eeuwigdurende smart. Waar zijn
nu die goden, om wie hij zoo gruwelijk misdeed tegen de
eeuwige Rechtvaardigheid? Kunnen zij hem eene behulpzame
hand bieden om hem te verlossen, of eenige leniging aan-
brengen in de smarten, welke hij lijdt? Wij huiveren van schrik,
wanneer wij ons in een dergelijken toestand verplaatsen en
zeker te recht. Maken wij dan een vast besluit en zeggen wij
tot den lijdenden Jesus, maar uit de volheid van ons hart:
,,Dewijl ik, o, Jesus! van niemand eenige hulp kan ver-
„wachten, geen troost bij iemand vinden kan, dan bij U alleen,
-ocr page 641-
ONZEN HEER JESUS CHRISTUS.                                               631
„wil ik. wanneer het uwen dienst geldt, aan U alleen, met ver-
„achtingvan het oordeel der menschen, behagen, gedachtig aan het
„woord van uwen grooten Apostel: indien ik nog aan de menschen Gal.
„behaagde, zou ik Christus" dienaar niet zijn. Ik wil niet rusten»
„in niets behagen nemen, vóórdat ik het zoo ver gebracht heb,
„dat, evenals Gij van uwen Vader, ook ik van U in waarheid
„zeggen kan: hetgeen zijn welbehagen is, doe ik altoos. Ik wil JOAS
„dan ook liever door ééne enkele handeling van één jogenblik
„aan U alleen dan in alles aan alle menschen gedurende de
„geheele eeuwigheid behagen; zelfs acht ik het voor een grooter
„geluk U slechts éénmaal te behagen dan het gebied over de
„geheele wereld te voeren. Welk eene eer, welk eene zaligheid
„U, o, God! te kunnen dienen! Wanneer ik U toch behaag,
„bemint Gij mij, en, wanneer Gij mij bemint, overlaadt Gij mij met
„weldaden en dan zal het mij wel gaan naar ziel en lichaam, in
„tegenspoed zoowel als in voorspoed, in den tijd en in de eeuwig-
„heid. Wanneer ik, hier banneling op aarde, doe wat U, o, God !
„behaagt, dan zal ik ook eens in het land der levenden met en
„door U verheerlijkt worden." Maar wie van den goeden Jesus
de noodzakelijke genade verkrijgen wil om aldus zijn geheel
leven ten offer te brengen aan den Koning der eeuwige Glorie,
hij bidde ook en volhardend en vurig, dat de verdiensten van
Jesus\' goddelijk Bloed over hem komen, opdat het hem, even-
als het bloed van het geslachte Offerlam de Joden in Egypte,
voor den verderf-engel beware en in het beloofde land binnen-
leide, waar hij dan uit Jesus\' mond zal mogen hooren : omdat Mat,
ft/ Mij hebt beleden voor de menschen, daarom zal ook Ik u,
als mijnen getrouwen leerling, belijden voor mijnen Vader, die
in den Hemel is.
EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
-ocr page 642-
INHOUD
YAN HET EERSTE DEEL,
Jesus ter dood gezocht. — Jesus ter dood veroordeeld.
VOORBERICHT. Doel van dit werk. 1—III.
INLEIDING. Vele onderwerpen zijn geschikt ter overwe-
ging. lint belangrijkste is het Lijden en het Sterven van
O. H. Jesus Christus; uitspraken der Heiligen daaromtrent. —
Voorwaarden voor eene goede overweging zijn: ingetogenheid;
bidden om licht en genade; oefening van het geheugen, van
het verstand en van den wil. — Onze wijze van behandeling
om het lijden van Jesus in zijnen geheelen omvang te beschou-
wen. — Bronnen voor dit werk gebruikt. III—X.
J3ERSTE y^FDEËLING.
Jesus\' laatste leeringen omtrent zijne Godheid.
Hoofdstuk I Voorafgaande gebeurtenissen. Opwekking van Lazarus; de
Laatste ge- Joden beraadslagen wat hun te doen staat en beslissen tot Jesus\'
beuitenissen dood; — ijdele uitvluchten ter vergoelijking van zonden ver-
vóór de lij- minderen hare strafwaardigheid niet. Jesus verblijf bij Ephrem.
densweek.
        Qp weg naar Jericho voorspelt Jesus nogmaals zijn aanstaand
lijden en sterven — aardschgezindheid der Apostelen. Jesus bc-
rispt hen om hunne eerzucht en leert aan alle overheden eene
nederige dienstvaardigheid. Genezing van een blinde; — een
wonder ter genezing van de geestelijke verblindheid der Joden
en van ons. Jesus\' bezoek bij Zachëus — Hij toon! Zich als den
liefdevollen geneesheer der zi-den 11-21.
-ocr page 643-
B3S
Bethanië en het huis van Lazarus. Gastmaal hij Sinion den Hoofdstuk II.
mclaatsche. Mirtha en Maria; — hoe haar na ie volgen? De Bethanië.
leerlingen keuren Maria\'s liefdedaad af, maar Jesus verdedigt
haar; — Goedheid des Zaligmakers voor allen. Judas, een dief,
een ongeloovige, een wraakgierige, een verrader; — hel verder-
felijke der geldzucht. 24 41
Jesus trekt als Messias op naar Jerusalem, zijne Hoofdstad, Hoofdstuk III.
onder het blijde gejuich zijner vrienden. De goode gezindheid Palmzondag.
van zijne vereerders wordt beloond, de nijd der Phariseën be-
schaamd. Jesus weent over de stad; — wij moeten weenen over
onze zonden. Hij gaat met zijne leerlingen naar Bethanië terug.
41—52.
Jesus vervloekt den onvruchtbaren vijgenboom ; -- die on vracht* Hoofdstuk IV
baarheid een zinnebeeld van de joodsene natie en van alle Christe- Maandag in
nen, die geene goede werken opleveren. De tweede reiniging des de goede week.
tempels; de nijdige Joden worden opnieuw beschaamd; — de
tempel-zuivering leert ons eerbied voor Gods huis en innerlijke
reiniging onzer harten. 52 -63.
De Sanhedristen overleggen, hoe zij Jesus door strikvragen
zullen vangen, üe eerste vraag, welke zij Hem voorstellen,
is deze: in welke macht doet Gij die dingen? Jesus antwoordt
door drie gelijkenissen: a) van de twee zonen; — wij moeten
gelooven en uit het geloof leven; b) van den huisvader, die
zijn wijngaard verhuurde ; — wij moeten in ons leven vruchten
vergaderen voor de eeuwigheid; c) van den Koning, die een
bruiloft smaal aanrichtte; — zonder bet kleed der onschuld treedt
niemand den Hemel binnen. 63—78.
Tweede vraag der Sanhedristen over bet betalen van den
cijnspenning; — wat wij aan God, wat aan den Keizer verschul
digd zijn. Derde vraag over de opstanding der dooden; — na
dit leven van lijden wacht ons een leven van verheerlijking.
Vierde vraag over het groote gebod der wet; — waarom is
het gebod der liefde tot. God het voornaamste en dat der naaston-
lielde daaraan gelijk? Vraag des Zaligmakers aangaantle den
Messias; — wij belijden Hem als God en mensch. 78-06.
De gift der weduwe; — wij moeten geven wat wij kunnen
en met eene goede meening. De hoogmoed van Sehriftgeleer-
den en Phariseën berispt; — een ieder blijve nederig ook in
verhevene waardigheid Straf red e tegen de Phaiiseën: Goed-
heid van Jesus Wat de Zaligmaker deed, was voor het joodsche
volk Jesus" laatste tempelbezoek. 9U-1I3.
De zaal van het laatste Avondmaal. Jesus neemt afscheid
van Bethanië. Vervulling der voorafbeeldingen van het O. Ver-
bond. Eerste aanwijzing van den verrader; - Liefde van Jesus,
verstoktheid van den gevallen Apostel. 113-128
Hoofdstuk V.
Dinsdag in
de goede week.
Hoofdstuk VI.
Nog Dinsdag
in de goede
week.
HoifdstukVII
Woensdag in
de goecle week.
HoofdstukVlll
De patsch\'
maaltijd..
-ocr page 644-
634
INHOl\'I).
Hoofdstuk IX. Voorbereidingen des Zaligmakers voorde voetwassching; onstel-
De voetwas- tenis dr Apostelen. Petrus weigert eerst, maar wijkt ten laatste
sching.             voor j,.sus\' bedreiging; .lesus geeft ons een voorbeeld van
liefde en van nederigheid. Ook aan Judas wascht Hij de voelen ;
Jesus\' voorkomende Goedheid en Judas\' boosheid. 128-141..
Hoofdstuk X.
Instellingvan
het Allerhei-
ligste Sacia-
ment, van een
nieuw Ver-
bond, van een
nieuw Offer en
van een nieuw
Priesterschap.
Jesus had reeds vroeger beloofd, dal Hij zijn Lichaam en
Hloed ons tot spijs en drank zou geven; sinds lang hadden de
Apostelen naar de vervulling van die belofte verlangd; Jesus
vervult ze nu en verandert bet brood en Jen wijn in zijn H. Li-
chaam en in zijn Bloed, — voordeelen van eene H. Communie.
Jesus sluit een nieuw Verbond met zijne Kerk; — ongelukkig
zij, die dat Verbond verbreken. Jesus geeft een nieuw, een god-
delijk Ofier; — alles stemt ons tot dankbaarheid. Jesus stelt
een nieuw Priesterschap in; — het altaar is voor allen de bron
van een nieuw leven. 141-102.
Judas blijft hardnekkig in zijne boosheid; — ongeluk van
den verstokten zondaar. Satan voer in Judas\' ziel; — eene hei-
ligschennende Communie verbreekt allicht den laatsten band
tusschen de ziel en haren God. Jesus zal nu door zijn lijdon
en sterven den Vader verheerlijken en door Hem verheerlijkt
worden; — wie met Jesus wil verheerlijkt worden, hij zij ge-
boorzaam aan den Vader. Jesus drukt aan zijne Apostelen en
aan ons het gebod der liefde tot God en tot den naaste op het
hart. Jesus belooft aan de Apostelen eene plaats in den Hemel;
— dezelfde belooning wacht allen, die den goeden strijd ten einde
toe strijden. Jesus belooft den Apostelen den H. Geest; - ook
ons ter sterkte in alle moeielijkheid. Jesus vermaant zijne Apos-
stelen tot het gebed; — hoeveel zouden wij vorderen, als wij
goed baden 162-187.
Maria kende en overwoog voortdurend het lijden van haren God-
delijken Zoon. Hoor die overweging werden alle deugden in
Jiaar vervolmaakt, vooral liefde tot God, dankbaarheid voor zijne
weldaden, medelijden met de zondaars; - redenen voor ons
om door hare voorspraak alles te hopen. Jesus neemt afscheid
van Maria. 187—198.
Hoofdstuk XI.
Laatste aan-
wij/.ing van
den verrader.
Jesus neemt
afscheid van
de Apostelen.
HoofdstukXH.
Jesus en zijne
H. Moeder.
^WEËDE /iFDEELmG.
De hof van Gethsemane
Hoofdstuk I. Jesus verlaat Jerusalem. Zijn tocht naar Gethsemanie Ge-
Jesus gaat nioedsstemming des Zaligmakers en der Apostelen; — met
naarfM«n \' °f we"4e gevoelens wij Jesus moeten volgen. Op weg naar den
van u ijven. j^ VOorspelt Hij aan zijne Apostelen hunne aanstaande er-
-ocr page 645-
INHOUD.                                                       
genis, maar zij gelooven Hem niet. In den hof gekomen,
begon Hij bevreesd en bedroefd te worden. Hoe dit mogelijk
was; — Jesus\' angst is voor ons een groote troost. 198 — 215.
Jesus\' vermoeienis en afmatting; de verhardheid van Judas; Hoofdstuk II
het afscheid van Maria; de haat der Joden; het vooruitzien Uitwendige
van zijn lijden, van zijn kruis en van zijn dood; — wij moeten
oorzaken van
Jesus\' angst.
vreezen gedurende ons leven, om de eeuwige rust te kunnen ge-
nieten. 215-2-28.
Zijne Liefde tot God, die zoo zwaar beleedigd, en tol den HoofdstukIII.
menseh, die in de diepste ellende vervallen was; Hij was be-
        Inwendige
laden met de zonden der geheele wereld en lag gebukt onder oorzaken van
de schande van de misdaden aller menschen; Hij voorzag, dat Jesus\' dro?f-
zijne getrouwen veel om Hem zouden lijden, en dat anderen neld-
zijne weldaden mei ondankbaarheid zouden vergelden. — Wij
moeten Jesus\' droefheid vereeren door berouw over onze zon-
den en door verbetering van ons leven. 228 — 240.
Jesus bidt in zijne droefheid, en Hij bidt om van het lijden Hoofdstuk IV.
verschoond te blijven - maar voorwaardelijk, als het Gods h. wil jesus en zijn
is; — ook wij mogen vragen van tijdelijke rampen bevrijd te hemelsche
worden of verschoond te blijven, mits onder dezelfde vonr- Vader.
waarde. Jesus bad tot driemaal toe en al vuriger; — wij mo-
gen nimmer in het gebed verflauwen. Hoe Jesus\' gebed verhoord
wordt; — wonderbare kracht van een goed gebed; wat de hot\'
ons verder leert üiO—256.
De Zaligmaker verwijdert Zich van zijne leerlingen, na hen Hoofdstuk V.
eerst tot waakzaamheid en gebed aangemaand te hebben; — Jesus en zijne
Jesus\' Liefde voor de zijnen. De Apostelen vallen in slaap, maar leerlingen.
de vijanden van Jesus rusten niet ; — onverklaarbare zorg der
menschen voor tijdelijke, zorgeloosheid voor eeuwige belangen.
Tweede en derde vermaning door den Zaligmaker aan de
Apostelen gegeven; — wie zalig wil worden, hij wake enbidde;
hoe wij moeten waken en bidden. 256-271.
De hardnekkige boosheid van den verrader. Hij verzamelt Hoofdstuk VI.
zijne bende en geleidt haar naar den hof van Oethsemane;
        Jesus en
— de kinderen der duisternis zijn bedi-ijviger dan die des lichts. Judas
Judas geeft aan Jesus den verraderlijken kus; - Zachtmoedigheid
des Zaligmakers; ondankbaarheid en trouweloosheid des zon-
daars. 271 - 281.
De ontfermende Liefde van Jesus. De Zaligmaker ontvangt HoofdstukVII.
van - en geeft den kus aan Judas; — reden voor eiken zon-
        Jesus en
daar om van Jesus vergiffenis te hopen. Jesus vermaant en be- Judas.
dreigt Judas; treurig lot van den on boet vaardigen, zalig geluk
van den bekeerden zondaar. 283 - 294.
-ocr page 646-
886
INHOUD.
HoofdstukVlll. Jesus gaat zijne vijanden te genioet en zegt hun: Ik ben
Jesus en zijne het, dien gij zoekt; zij vallen op den grond neder: —dal woord
vijanden.          Jes Zalig makers herinnert ons aan zijne weldaden maar ook aan
de verschrikking van zijn oordeel. Jesus berispt Petrus — en
leert ons de zachtmoedigheid. Hij verwijt aan zijne vijanden
hunne lage handelwijze; — gelijk de Stichter wordt ook zijne
Keik vervolgd. De Apostelen vluchten; — wij jiediagen ons
dikwijis nog lafhai tiger. Vermetel vertrouwen van den zondaar.
294 -315.
pERDE y^FOEELING.
Jesus voor de geestelijke Rechters.
Hoofdstuk 1. Waarom Jesus naar Annas gesleurd werd. De romeinsche sol-
Jesus voor (jajenj Judas ; Petrus en Joannes. -- Wij moeten niet Jesus den
Annas.
lijdensweg ten einde toe afloopen. Caiphas, zijn dienstpersoneel
en zijn raad. - Evenals Jesus vervolgd werd, zoo ook zijne
Kerk en hare dienaren. 315-329.
Hoofdstuk 11. Vonrloopig verhoor hij Caiphas. Hij ondervraagt Jesus over
Jesus voor zijMe leerlingen en zijne leer; — het waardig antwoord des Za-
Caiphas.          hamakers leert ons in alle oprechtheid en zonder vrees te spre-
ken, en te handelen. De kaakslag : wreed, beschamend, Sïna-
delijk en onrechtvaardig; Jesus\' antwoord leert ons de deugd
van zachtmoedigheid. 329—342.
Caiphas moet valsche getuigen zoeken om zijn doel te berei-
ken maar zij stemmen niet overeen Hij vraagt, of Jesus
op die beschuldigingen niets heeft te antwoorden. — De Zalig-
maker zwijgt en leert ons daardoor in nederigheid en iachtmoe-
digheid te lijden. Als ons geweten zuiver is, behoeven wij de
lastertaal der menschen niet te vreezen 324—352.
Hoofdstuk 111.
Tweede ver-
hoor voor Cai-
phas.
Hoofdstu!; IV.      Caiphas, in verlegenheid gebracht, bezweert Jesus om te zeg-
Jesus door  gen, of Hij de Zoon Gods is Nu antwoordt Jesus en wel beves-
den Hooien   tigend. Zijne belijdenis is eene bevestiging van ons geloof;
Raad veroor-  gevolgt)okkingen daaruit. Jesus wordt des doods schuldig ver-
deeld\'              klaard — om onze zonden. 352 302.
Hoofdstuk V.      Jesus wordt bespuwd, geslagen, beschimpt; — Hij boet daa.-
Mishandeling   door voor de misdadige vrijheidszucht der mensehen. Jesus wordt
en bespotting   bespot in zijne waardigheid als Profeet; Hij boet daardoor voor
jn den nacht.   a]|,. ZOnden tegen de waarheid. 362-3"2.
-ocr page 647-
•
•
687
Gemoedsstemming van den Apostel; de plaats, waar hij zich Hoofdstuk VI.
bevindt. Eerste verloochening; zijn zelfvertrouwen doet hem De verloo-
vallen Tweede verloochening met een eed; — de eene zonde ^hening
Petrus.
leidt tot eene andere. Derde verloochening met eene zelfver-
vloeking; — alle omstandigheden vereenigen zich om Petrus\'
zonde te verzwaien. Hoe Jesus door den val van Petrus k\'ed,
waarom God dien toeliet; lessen ver ons. 372- 385.
Jesus zoekt het afgedwaalde schaap door uitwendige en in-
wendige genade op. Petrus herinnerde zich het woord des Hee-
ren en begon te weenen. Zijn berouw; zijn voornemen; zijne
boetvaardigheid; — Gods Barmhartigheid met den zondaar
385-398.
Hoofdstuk Vil.
De bekeering
van Petrus.
Bedoeling der Joden met deze herhaalde vergadering. De   HoofdstukVUl
vraag van Caiphas en van alle raadsleden Jesus belijdt op-
       Derde ver-
nieuw zijn Godheid en wordt ten tweedenmale veroordeeld,
   hoor in den
Judas heeft spijt, geen waar berouw over zijne misdaad. Ook
   morgen. Wan-
hij had vergiffenis kunnen bekomen, maar slaat een verkeerden
   J]oop van Ju"
weg in. Judas en de priesters. Judas\' wanhoop en zelfmoord;
    as°
wanhopen aan Gods Barmhartigheid is het grootste kwaad.
Wat de Joden doen met de dertig zilverlingvn. 3!)8- 418.
yiERDE y^FOEELING.
Jesus voor de wereldlijke rechters.
Jesus door de straten van Jerusalem gesleurd. Maria; de vijau-    Hoofdstuk 1.
den van Jesus; Pdalus. Met welke bedoelingen en berekeningen      Jesus wordt
de Joden den Zaligmaker ban Pilatus overleveren; wij moeien   natir Pilatus
in dat alles de beschikking der Voorzienigheid Gods erkennen.   §esl urd-
418 - 4\'27.
Het paleis van Pilatus. De Joden blijven buiten staan; Pi- Hoofdstuk 11.
latus vraagt bun, welke beschuldigingen zij tegen Jesus inbren- Eerste ver-
gen. Zij antwoorden, dat Hij een boosdoener is. Door Pila-
hoor voor Pi-
latus.
tus in \'t nauw gebracht, brengen zij eene drievoudige beschul-
diging in. Op de derde beschuldiging alleen slaat Pilatus acht
en vraagt Jesus, of Hij Koning is Jesus verklaart, welke de
aard van zijn koninkrijk is en welke zijne onderdanen zijn.
— Wij moeten vragen: wat waarheid is, door die waarheid
ons laten geleiden om door die waarheid gelukkig te worden
427 - 444.
De Zaligmaker, door Pilatus onschuldig verklaard maar door Hoofdstuk 111.
de Joden andermaal beschuldigd, zwijgt. Pilatus\' verlegenheid; Jesus voor
vernemende dat Jesus uit Galilëa is, zendt hij Hem naar Herodes. Herodes.
-ocr page 648-
Ü38
ISHOUU.
Waarom hij dit deed. Wie Hei odes was. De viervorst is ver-
blijd, vraagt naar vele dingen en wenscht een wonder te zien,
maar wordt door Jesus naar verdiensten behandeld. De Joden
beschuldigen opnieuw den Zaligmaker maar worden door een
voor hen beschamend stilzwijgen gestraft. Soms antwoordde
de Zaligmaker, soms niet. Jesus\' zwijgen was eene boetedoening
voor onze zonden, een voorbeeld van nederigheid. 4i4- 400.
Hoofdstuk IV. Hoe Herodes dezelfde blijft. Zijne laaghartige wraak; de wijs-
Jesus door lieid der wereld veracht de wijsheid Gods. Herodes bespot den
Herodui be- Zaligmaker en hangt Hem een wit kleed om; — beteekenis van
spot                dat kleed voor ons. [Ierodes zendt Jesus naar Pilatus terug en
legt zóó getuigenis van Jesus\' onschuld af. Herodes en Pilatus
worden vrienden. Verlegenheid van den Landvoogd; —Jesus be-
spot boet voor den hoogmoed en leert de nederigheid. 460-471.
Hoofdstuk V. Gewoonte bij de Romeinen, berekening van Pilatus. Dub-
Jesus, Barab- bele onrechtvaardigheid van den Landvoogd, toen hij aan het
bas roProcula Volk de keuze liet tusschen Jesus en Barabbas; — Jade men-
schenvrees sluit den mond, als spreken plicht is. De verma-
nende Procula; wie zij was en geworden is. Niet Pilatus maar
zij ontving dat visioen en wel van God ; — een nieuw bewijs,
dat God de zaligheid van allen wil. 471 —487.
Hoofdstuk vi. De Oversten der Joden zetten het volk tegen Jesus op. Pi-
Jesiis wordt latus vraagt: »\\Yien wilt gij, dat ik u zal loslaten?» Het volk
achter B;ir.ib- antwoordt: >>weg met dezen;» — eveneens doet een ieder,
as gesteld. ^ jn jfi bekoring toestemt. Nieuwe tusschenkomst van Pilatus
ten gunste van Jesus; nieuwe verwerping van Jesus door het
volk; — Jesus is nog barmhartig ook voor den grootsten zon-
daar. 487-496.
Hoofdstuk vil. Bedoeling en vrees van Pilatus. Zijne woorden tot den Zalig\'
Pilatus bo maker. Jesus verklaart Zich tot de geesels bereid; waarom Hij
sluit Jesus te <\\\\e geeseling wilde lijden; — hoe weinig bereid zijn wij om
doen geeselen. resus je volgen. De Joden verheugen zich over Jesus\' lijden en
vernedering; met welke gevoelens wij de geeseling moeten over-
wegen. 496 - 506.
HoofdstukVlll. De beschaming van Jesus, door God gewild, opdat Hij boeten
Jesus wordt zouden voor s\'menschen schandelijke ongeregeldheden: — Jesus
ontkleed en ontkleed leert ons, wat wij moeten afleggen, wat wij moeten aan-
aebonden°
        trekken; middelen orn liet verloren kleed der onschuld te her-
yL                   winnen. Jesus laat Zich binden, omdat Hij lijden wil. Hij be-
klaagt Zich over de ondankbaarheid der nienschen; —wij moe-
ten Hem in zijn lijden troosten door ons aan Hem te ver-
binden. Jesus\' Liefde voor ons kan door niets verminderd wor-
den; — wij moeten door niels ons van Hem laten scheiden.
D06 — 522.
-ocr page 649-
6:J9
tNHOI.t).
De Evangelisten vermelden daarvan geene bijzonderheden. Wat Hoofdstuk IX.
de geschiedenis, de h. h. Vaders, ook de II. Maagd daarover zei- Jesus wordt
den. De Profeten beschreven Jesus na de geeseling. Gedachten gegeeseld.
van den gegeeselden Zaligmaker. —Jesus\' voldoening is oneindig
groot; wij mogen dan ook alles van zijne genade verwachten;
helaas! dat zoo weinigen hun voordeel met zijne verlossing doen.
522 — 536.
Wie den Zaligmaker aldus martelden Aandeel van Joden en   Hoofdstuk X.
van Pilatus daarin. Jesus laat Zich op nieuw ontkleeden om ons
     De doornen-
te toonen, dat Hij alles met Liefde voor den mensch weg-
   kroning. De
schenkt. Beteekenis van den purperen mantel, welken de so!da-
   purperen man-
tel.
ten Hem omhangen. 536 — 546.
Voorstelling en voorbeduiding van die kroning. Wat Jesus   Hoofdstuk XI.
daardoor leed; voor welke zonden Hij door dit nieuwe lijden Zij zetten
boette; drievoudige beteekenis van die kroon van doornen.   Hem een door-
546 — 556.                                                                                        nenkroon op.
De laagste verguizing gaat hier gepaard met de pijnlijkste
smarten — en dat alles lijdt Jesus, de goddelijke Majesteit.
Wat wij hieruit leeren. Beteekenis van den rietstok. De ver-
nederde Jesus herstelt den gevallen mensch in eere maar leert
ook de noodzakelijkheid der nederigheid. 556 — 568
Pilatus verklaart ten vierden male Jesus voor onschuldig en
doet een beroep op het medelijden des volks; - Jesus onschuldig
en wij de schuldigen. Ziet, den mensch; beteekenis van die
woorden voor Pilatus, voor God den Vader en voor ons.— Atschu-
welijkheid van den hoormoed, voortreffelijkheid van den ootmoed.
568 — 582.
Hoofdstuk XII.
Zij geven
Hem een riet-
stok in de band
en bespotten
Hem.
HoofdstukXUl
Jezus wordt
aan het volk
voorgesteld.
Gezindheid van de menigte. Verontwaardiging van Pilatus. De   HoofdstukXlV
Joden veranderen hunne beschuldigingen en beroepen zich op hunne       jesus wordt
wet. Hoe zij die misduiden. Wat wij tot den Zaligmaker moe-   ler. k;"ls<1°ocl
ten zeggen in plaats van «Kruisig Hem " 582 - 592.                     geëiscnt.
Nieuwe verlegenheid van den Landvoogd om de nieuwe be-   HoofdstukXV,
schuldiging, welke de Joden Hegen Jesus\' inbrengen. Hij vraagt      Tweede on-
aan Jesus: »van waar zijl Gij?", maar ontvangt en verdient   derhoud van
geen antwoord. Hij toont zich verbolgen en beroept zich op   Pilatus met
zijne macht; Jesus\' beschamend en leerrijk antwoord; - wij   Jesus-
leeren daaruit alle gaven van God goed te gebruiken. 592 — 603.
Pilatus wil den Zaligmaker loslaten; de Joden bedreigen hem   HoofdstukXVl
met de ongenade des Keizers. Hij vraagt: »zal ik den Koning
    De Joden ver-
der Joden kruisigen?" Zij antwoorden: „wij hebben geen Koning
   w«?rpen hun-
dan den Keizer." — Zij verwerpen, maar wij moeten Jesus als
   nen MessiaSi
Koning erkennen en dienen. 603 614.
-ocr page 650-
640
INHOUD.
Hoofdsi. XVll. Pilatus wascht zijne handen, verklaart len zesden male Jesus
Jesus wordt voor onschuldig en werpt de schuld op de Joden; geen dier
ter dood \\er- middelen maakt hem schuldeloos voor God, terwijl hij Jesus
oordeeld.           (L.,- d,,0l| overleverde; - alle zondaren hebben Jesus gekruisigd.
Schuldiger dan Pilatus waren de Joden, die Jesus tot den dood toe
vervolgd hebben en nu schreeuwen:" Zijn Moed kome over
ons." — Voortdurend nog wordt de deugd door de boosheid ver-
volgd en door lalfe vrees uitgeleverd 614 — 034.
GTSJ12»ra-