-ocr page 1-
ak 73
__ft jyt, .üfo gftt tkt fh, fjft fjft _jfo ■>)$)
4
i
4
ZAL IK VOLHARDEN?
DOOK
CAROLÜS VAN DEN ABEBLB, S.J.
Naar h/H- Oiid-Vlaaniscli opnieuw bewrrki
DOOK
P. R. MUIN. S. J.
m "m
>,!
1%                         GULPEN, 1890.
-i i Diu;k van M. Ai,nEnTS& Zonen. Uitgf.vf.rs.
ÿ"WWW W^TXF\'VISr~W"\'@f.
39
-ocr page 2-
-ocr page 3-
*
ZAL IK VOLHARDEN?
DOOR
CAROLUS VAN DEN ABEELE, S. J.
-^
Naar het Oud-Vlaamsch opnieuw bewerkt
DOOR
P. B. BRUIN, S. J.
m g>B;;ot —
lWHt
*\'«.
GULPEN, 1890.
Druk van M. Alberts & Zonen. — Uitgevers.
-ocr page 4-
Imprimatur.
P. MANNENS,
S. Tbeol. Doel. et Prof. Librorum Censor.
Rurcemundce, 28 Junii 1890.
-ocr page 5-
Zal ik volharden? Ziedaar eene vraag, die
zich bij godvreezende zielen zoo menigmaal
opdringt en die er zoovele beangstigt om het
onzekere antivoord, dat er op volgt. Het is
inderdaad de gewichtigste vraag; omdat het
onze eeuwigheid geldt. En hoe braver iemand
leeft, des te meer beseft hij het gewicht er
van. Toch heeft hij, die zich met hart en
ziel op de deugd toelegt, alle reden om te
vertrouwen en gerust te zijn. Aan dezulken
bieden wij dit vierde werkje van Pater Van
den Abeele aan; en wij wenschten het wel in
handen te zien van allen, die naar de vol-
maaktheid streven. Het is den godvruchtigen
schrijver hier gelijk elders hoofdzakelijk te doen
om de menschen te bemoedigen, en daarvoor
is deze kleine verhandeling uitermate geschikt.
Wij twijfelen er dan ook niet aan, of dit
boekje zal even gunstig worden ontvangen
als de drie vorige, die wij van denzelfden
schrijver bewerkt hebben.
P. B. B.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
I.
Onzekerheid van de volharding in
de genade.
1. Deugdzame christen! ik verheug mjj over
uw gedrag; want gij leeft waarlijk, gelijk liet
een kind van God en een broeder van den
Godmensch betaamt. Gij doet oprecht uw
best om den drievuldigen God, uw bovenal
beminnelijken en beminden Vader, door een
heilig leven na te volgen, Hem te gelijken,
Hem te behagen. Gij tracht u zoo goed en
zeker, als met de goddelijke genade mogelijk
is, tot een heiligen dood en eene zalige eeuwig-
heid voor te bereiden. Ik twijfel niet, of gij
ondervindt, dat in deze droevige ballingschap
niets troostrijker is, dan u aan uw goedertieren
en almogenden Vader met kinderlijk vertrou-
wen vast te houden tegen alle gevaar van
Zijne liefde te verliezen; niets gelukkiger dan
in Zijne vriendschap te leven; niets zoeter
dan Hem uit kinderlijke genegenheid en liefde
te dienen, te gehoorzamen, te believen. Ook
proeft gij zonder twijfel, hoe zoet het is in
vrede te zijn met uw geweten; wanneer gij
u bewust zijt, of althans wanneer uw geeste-
-ocr page 8-
6
lijke leidsman u verzekert, dat liet geen re-
delijken grond tot ongerustheid heeft. Gelukkig
gij. die naar het voorbeeld van David »u\\ve
ziel altijd in uwe handen hebt"; altijd gereed
om haar aan haren Schepper te geven en
haar vol vertrouwen in Zijne handen te beve-
len: altijd bedacht om elke zonde van haar
af te weren, en zoo er uit menschelijke zwak-
heid eenig vlekje, hoe klein ook, op haar valt,
altijd vaardig om dat door het heilig vuur
der boetvaardige liefde aanstonds uit te bran-
den ; zoodat u niets meer weerhoudt om tot
God te zeggen, wat de H. Augustinus uitriep,
nadat hij langen tijd heilig geleefd had: «Kom,
Heer, wanneer gij wilt: mijne ziel is bereid
om voor Uw aangezicht te verschijnen. Mijn
geweten verzekert mij, dat ik U waarlijk
bemin." Non dubia , sed certa conscientia
Dotnine amo te.
2. Maar gij, die thans met Gods hulp zoo
goed gestemd zijt tot een zaligen dood, zult
gij tot het einde van uw leven in die heilige
gesteltenis volharden ! Dit kunt gij niet met
onfeilbare zekerheid weten; want de recht-
vaardigheid kan men verliezen. Nochtans gij
hebt krachtige beweegredenen om vast te
vertrouwen , dat gij standvastig zult blijven.
Immers dat gij tot nu toe zoo lang heilig
geleefd hebt is een goed voorteeken van vol-
-ocr page 9-
7
harding in de toekomst. Daarom geloof ik,
dat er onder de christenen van uw slag zeer
weinige zijn, die niet in de heiligmakende
genade tot het einde toe volharden. Wel is
waar, David, Salomon, Tertullianus, Origcnes
en nog andere mannen van groote heiligheid
zijn ongelukkig gevallen; maar wat is hun
getal, vergeleken met de menigte anderen, die
de heilige liefde vele jaren tot den dood toe
getrouw hebben bewaard.\' En wie zal u ver-
zekeren , dat al degenen, die na eene lang-
durige heiligheid in doodzonde zijn gevallen,
ook vóór hun val zoo naarstig en standvastig
in de beoefening van het gebed en in het
verrichten van andere geestelijke oefeningen
waren als gij zijt; zoo afkeerig van de minste
vlek der ziel en — wat de H. Chrysostomus
als een zeker teeken van zaligheid beschouwt
— zoo ijverig en zoo haastig om God aan-
stonds ook na de minste zonde door kinder-
Hjke en boetvaardige liefde te verzoenen ? Wat
daarvan ook zij, dit staat vast volgens de leer
der Kerk, dat de gave van volharding tot het
einde des levens een diep geheim is; dat zij
niet als loon, niet om verdienste van heilige
zeden of goede werken, maar uit loutere
gunst, of zooals de H. Augustinus zich uit-
drukt, »alleen uit Gods allerverborgensten, al-
lerrechtvaardigsten, allerwijssten en allermild-
-ocr page 10-
8
dadigsten wil" gegeven wordt. De uitdeeling
der goddelijke genaden is ondoorgrondelijk.
Somtijds wordt een groot en verouderd zon-
daar met de genade van standvastige boet-
vaardigheid en verbetering begunstigd en
sterft heilig; terwijl een ander, die van te
voren bijna geheel zijn leven God volmaakt
bemind en Hem trouw gediend heeft, ten
laatste bezwijkt en rampzalig wordt. Zulke
gevallen zijn zeldzaam: dit is zoo. Maar hoe
zeldzaam ook , zij bewijzen genoegzaam , dat
niemand, zelfs niet de beste christen, volle,
onfeilbare zekerheid heeft van in de vriend-
schap Gods te zullen sterven. »Zal ik zalig
zijn of niet", vroeg de H. Magdalena de Pazzis
zichzelve af; en hoe groot heilige zij ook
was, zij was niet zonder vrees van door ver-
slapping der godsvrucht hare heiligheid te
verliezen. En waarlijk, kan men te bezorgd
en te nauwkeurig zijn in eene zaak van zoo
groot gewicht? »De menschen leven hieronder
elkander vermengd, zegt de H. Augustinus; ge-
loovigen en ongeloovigen, heiligen en zondaars,
uitverkorenen en niet uitverkorenen bewonen
deze vergankelijke en gevaarlijke wereld; zij
zien elkanders doen en laten, maar zij kunnen
niet helder onderscheiden, niet met volle zeker-
heid aanwijzen, wie hunner het leven gelukzalig
zullen eindigen, wie niet." Gij zelf, godmin-
-ocr page 11-
i)
nende ziel, gij weet niet, lioe uw eeuwig lot
zal wezen ; gij zult het niet onfeilbaar kennen,
tenzij na den dood. Ad vocationem perseve-
rantice pertinere nullus est homo ab homi-
nibus certa asseveratione dicendus, nisi cum
de hoc sceculo e.vierit.
3. Gij zoudt het wel genoeglijk vinden, in-
dien gij met volle en onfeilbare zekerheid
wist, dat gij in de heiligmakende genade zult
volharden, of dat God u na eene doodzonde
toch weer de genade van bekeering zal schen-
ken en niet zal toelaten, dat de dood u over-
valt, voordat gij in Zijne liefde en vriendschap
hersteld zijt. Maar hoe aangenaam die kennis
voor u ook zou wezen, de onzekerheid, waarin
gij thans leeft, is zoowel tot vermeerdering
van uwe heiligheid en zaligheid, als tot ver-
grooting van Gods eer en glorie veel nuttiger
en daarom veel wenscholijker voor u. Want
daardoor wordt gij krachtiger en meer aan-
houdend aangespoord tot ontvluchting der
zonde en tot kinderlijke vrees van uit de
vriendschap van uw God te vallen en uw
eeuwig erfdeel niet te bekomen. Zonder dat
zoudt gij niet zoo gedreven worden tot ijver
en waakzaamheid, om uw Schepper door vele
, oefeningen van liefde en van andere deugden
te dienen en de heiligmakende genade dage-
lijks meer in u te doen aangroeien, ten einde
-ocr page 12-
10
haar des te zekerder tot den dood toe te
bewaren.
4. Mag een minnaar van God zijn genoegen
zoeken in iets, wat liem in zeer groot gevaar
brengt van in de liefde tot God te verflauwen
en in de beoefening der volmaaktheid te ver-
slappen? ^Gij zoudt vreugde scheppen uit de
volle zekerheid van gelukkig te zullen sterven,
en van voortaan te kunnen leven in eene
volkomene en aangename gerustheid zonder
eenige vrees voor de eeuwige; verdoemenis;
maar wat is er thans, nu onze bedorven na-
tuur zoo zwak en broos is, anders van zulk
eene gerustheid te verwachten dan zorgeloos-
heid in de beoefening der deugden, nalatigheid
in liet gebruik van het gebed, vermindering
van den haat tegen de zonde, verslapping in
het vluchten der gevaren van God te ver-
grammen, flauwhartigheid in het weerstaan
van de aanlokselen der kwade begeerlijkheid ?
Dat zou liet meest gewone gevolg zijn van
die volle zekerheid en gerustheid. En nu laat
ik u over te denken, hoe nadeelig voor u de
bedoelde kennis zou zijn na een val in dood-
zonde. Het komt mij meer dan waarschijnlijk
voor, dat gij niet spoedig zoudt opstaan, maar
uwe verbetering tot het einde uws levens
zoudt uitstellen, vooral als die zonde u veel
zou verlustigen en behagen. xEilieve, waarom
-ocr page 13-
41
u gehaast die zoete wellusten te verlaten? Of
gij ze verlaat of\' blijft genieten, gij zijt toch
volkomen zeker, dat gij goed zult afsterven
en zalig zult zijn. Geniet ze dus gerust, ge-
niet ze nu , terwijl gij nog tijd hebt." Zoo
zou de booze begeerlijkheid redeneeren. Ik
wil niet ontkennen, dat God aan de kinderen
van Adam volkomen zekerheid omtrent een
toekomstig goed afsterven en eene zalige
eeuwigheid kan geven en tegelijkertijd maken,
dat zij in volle gerustheid kloekmoedige po-
gingen aanwenden om heilig te leven en ook
de minste zonde te vluchten: Hij is almo-
gend, Zijne genadeschatten zijn oneindig. Maar.
Hij is opperheer, Hij bestiert ons gelijk het
Hem belieft, en nu wil Hij, dat wij onze za-
ligheid niet in volle zekerheid en gerustheid,
maar met vrees en siddering bewerken. Cum
metu et tremore vestram salutem operamini.
(PM. II. 12.)
-ocr page 14-
II.
Oorzaak van de moeilijkheid der
volharding.
1. »Daar zijn twee geboorten , zegt de H.
Augustinus: de eene. uit de aarde, uit het
vleesch , uit den mensch; de] andere uit den
hemel, uit den geest, uit God." Door de
eerste zijt gij geboren tot ellende, door de
tweede zijt gij geboren tot geluk. Ut natus
filius hominis, natus es ad miserias; ut
natus ex Deo filius Dei, natus es ad deli-
cias.
(Aug.) Godminnende ziel! gij, die op-
recht kind van God zijt, geniet gij hier de
zoetste geneugten, waarvan de H. Augustinus
spreekt? Gij hebt er een voorsmaak van ;
want het is u aangenaam kind van/ God te
zijn; het is u ook zoet Hem te beminnen en
door Hom bemind te worden. Maar de on-
uitsprekelijke geneugten, waartoe gij uit God
zijt geboren, smaakt gij nog niet, en gij zult
ze eerst ten volle smaken, wanneer gij als
kind van God zijt gestorven. Vooralsnog on-
dervindt gij, dat gij kind des menschen zijt.
Uwe hooge geboorte uit God bevrijdt u hier
niet van ellenden, waaronder de inwendige
-ocr page 15-
13
kwellingen en booze neigingen u zeker liet
zwaarste en liet bitterste zijn; omdat zij aan-
leiding geven tot zondigen en diensvolgens
tot het afbreken van de vriendschap en het
kindschap van God. Verwondert het u niet,
dat ccn kind Gods, begaafd met de genaden
van heiligheid, van verstand en wijsheid, nog
gekweld wordt door de buitensporigheden en
dwaasheden van Adam en Eva? »Denkt gij
niet somwijlen: is het dan niet waar, dat
God kind van eene vrouw (van Maria) is ge-
worden , opdat ik niet meer kind van eene
vrouw (van Eva) zoude zijn ?" (Chrysost.) Is
het niet waar, dat ik herboren ben en Gods
erfgenaam geworden om het ongelukkig erf-
deel, dat mij als kind van Adam toegevallen
was, te vernietigen? Is het niet waar, dat de
Godmensen de menschelijke natuur, die door
de ongehoorzaamheid van onzen eersten vader
gekwetst en bedorven was, heeft geheeld en
hersteld? Ja, dat alles is waar. God wil niet,
dat gij voor eeuwig een krank kind van Eva
blijft; maar Hij laat toe, dat gij hier tot uwe
verootmoediging gevoelt, hoe ellendig gij uit
uwe menschelijke geboorte zijt. God heeft u
tot deelgenoot van Zijne natuur en ook tot
Zijn erfgenaam gemaakt; maar Hij laat toe,
dat u, zoolang gij sterfelijk zijt, eenige trek-
ken van den ouden Adam en sommige deelen
-ocr page 16-
14
van uw eerste erfenis overblijven. De God-
mensch heeft zich tot den dood des kruises
vernederd om liet menschelijk geslacht te
herstellen; maar Hij heeft volgens het beha-
gen van Zijnen en onzen Vader gewild, dat
»dit herstel hier op aarde slechts zou begin-
nen en in den hemel voltrokken worden."
Hij heeft u door het heilig doopsel genadiglijk
van de erfzonde verlost; maar Hij heeft u
nog krank gelaten aan zoovele wonden, of
gelijk de H. Ambrosius spreekt, aan zoovele
koortsen als ge kwade neigingen en ongere-
gelde driften hebt. De drievuldige God heeft
ons door de ingestorte genade tot Zijne kin-
deren gemaakt: die genade is voortreffelijk
en heilzaam; »maar, zoo schrijft de Engel-
achtige Leeraar, zij is hier eenigszins onvol-
maakt, in zoover zij den rnensch niet volko-
men geneest. De volle genezing zal geschieden
in het vaderland, waar de inensch niet alleen
zal kunnen volharden, maar zelfs niet zal
kunnen zondigen." Hic aliijualiter gratia im-
perfecta est, in quantum hominem non tota-
liter sanat. In palria homo non solum per-
severare poterit, sed etiam peccare non
poterit,
2. Kon God ons niet van alle ellenden be-
vrijden! Dat kon Hij zeer zeker : Hij heeft de
engelen en ook Adam en Eva vóór hun val
-ocr page 17-
15
van alle ellenden bevrijd. Maar waarom dan
niet de menschen, ten minste depenen, die Hij
heiligt en tot Zijne kinderen maakt.\' Waarom
niet? Omdat Hij niet wil. Men kan uit de
H. Schrift en uit de HU. Vaders niet weinig
redenen aanvoelen, waarom het den goeden
God behaagd heeft ook Zijne lieve kinderen
niet van zwakheden, kwellingen en andere
ellenden van geest en lichaam te bevrijden;
maar al zou niemand daarvan eenige reden
kunnen geven, het moet ons genoeg zijn, dat
het zoo Gods wil is. Wat Hij u ook wil geven
of weigeren, Hij handelt voorzeker steeds
rechtvaardig; want Hij is uw Opperheer. Ook
beoogt Zijne goedheid altijd uw welzijn ; want
Hij is uw allergoedertierenste Vader, die u
meer bemint dan gij u zelf\'. Hij weet het
best, wat u tot volharding in Zijne vriend-
schap nuttig is; want Hij is de alwetendheid.
Hij heeft liet geheel in Zijne macht om door
uwe ellenden , zwakheden. bekoringen en
moeilijkheden uwe gewensclue volharding meer
en rneer te verzekeren ; want Hij is de al-
mogende wijsheid. Laat dan anderen zoo
vermetel zijn om Gods geheime oordeclen en
beschikkingen met het verstand te willen af-
meten of doorgronden ; houd gij u vast aan
het geloof; twijfel niet aan de goddelijke
goedheid en genade, twijfel veeleer aan uw
-ocr page 18-
16
eigen goeden wil; wantrouw ootmoedig^ en
voorzichtig uw beperkt verstand; steun niet
op uwe eigene bekwaamheid en kracht; .stel
standvastig uwe hoop op God alleen; beveel
met kinderlijk betrouwen u zclven , den loop
en het einde van uw leven aan Zijne vader-
lijke liefde en leiding. Hij zal u, gelijk de
hen hare kiekens, onder Zijne vleugelen be-
waren en beschermen en »niet toelaten , dat
U iets overkome, dan wat Hij weet, dat u
nuttig en voordeelig is, al bemerkt of begrijpt
gij het ook niet." Constanter Deo crede, eique
te totum committe. Nihil tibi evenire permittet,
■nisi quod tibi prosit
, etiamsi nescias. (Aug.)
-ocr page 19-
III.
Troost in de onzekerheid.
1. Daar is niets, zegt de II. Bernardus, wat
den christen zoo in leven als in dood meer
vertroost dan de (gerustheid der ziel omtrent
■de eeuwigheid. Securitas de aeternitate. Hij
spreekt niet van eene schadelijke gerustheid,
die voortkomt uit zorgeloosheid en onverschil-
ligheid; maar van eene verstandige en ge-
regelde , die de rechtvaardige heeft in den
H. Geest en in de hoop. Animae justorum
requiescunt in Spiritu Sancto et in spe.
Om
zulk eene gerustheid te genieten, is het niet
noodig, dat men eene onfeilbare, volkomene
zekerheid hebbe van eeuwig zalig te zullen
zijn. Eene menschelijke zekerheid, voortkomend
uit ecu vast vertrouwen, is daartoe genoeg.
Bewijzen voor deze waarheid behoeven wij
niet ver te zoeken. Wij allen toch kennen
vele christenen, die met een gerust oog de
eeuwigheid aanzien en de komst des Heeren
met een blij hart verwachten. Heeft God hun
geopenbaard , dat zij tot de volharding in de
heiligmukende genade en tot de eeuwige glorie
zijn uitverkoren? O neen. Maar, gelijk de
ZAL IK VOLHARDEN ?                                                     2
-ocr page 20-
18
H. Bonaventura wel zegt, ahet geweten ver-
zekeit hen, dan hun hart rein en zuiver van
zonde is, en dat baart hun troost en gerust-
heid des gemoeds." Wel is waar God be-
gunstigt sommige christenen eenigen tijd vóór
hun dood met de volle verzekering, dat zij
zullen volharden; maar dat is eene zeer zeld-
zame gunst. Innocentius III heeft, voordat hij
paus was, geschreven, »dat zoowel de goede
als de booze, voordat de ziel van het lichaam
scheidt, den Zaligmaker ziet hangende aan
het kruis, de booze tot schande en schaamte,
de goede tot blijdschap en vreugde." Maar
dat moet men zeker niet letterlijk verstaan.
Paulinus schrijft van den H. Ambrosius, dat
hij op zijn uiterste Jezus Christus met een
vriendelijk en lachend gelaat tot zich zag
komen. Vidit Dominum Jesum advenisse, ar-
ridentem sibi.
Deze blijde en troostrijke ver-
schijning zal den H. Ambrosius zeker zeer
verheugd hebben; want zij was wel geschikt
om hem gerust te doen sterven, ook al ware
1 lij van te voren benauwd en beangstigd
geweest. Nochtans, gelijk de H. Augustinns
verhaalt, hij had haar niet noodig om gerust
en blijmoedig te zijn; want hij had een bui-
tengewoon vertrouwen op de oneindige goed-
heid van God. Dat was, gelijk hij zelf te
kennen gaf, de oorzaak van de vreugde zijns
-ocr page 21-
19
harten en van de opgeruimdheid zijns gelaats.
Ook was hij gewoon dagelijks ootmoedig ver-
gifl\'enis en kwijtschelding zijner zonden en
schulden van God te vragen tot volkomen
zuivering en rust van zijn geweten. Die wijze
leeraar wist te wel, »dat er voor de toekorn-
stige gelukzaligheid geen beter middel, geen
zekerder voorteeken bestaat dan een goed
geweten." Futurce beatitudinis non est utilius
remedium, nee certius testimonium, quam
bona conscientia
(Bern.).
2. Wat troost voor u, deugdzame christen,
wiens leven en zeden ik in het begin van dit
werkje beschreven heb! Gij zijt niet alleen
nu, maar reeds lang door het standvastig
getuigenis van uw geweten verzekerd, dat
gij rein en zuiver van doodzonden leeft, dat
gij de dagelijksche fouten met Gods genade
naarstig tracht te vermijden en te vermin-
deren , dat gij kloekmoedig uw best doet om
de heilige liefde tot den dood toe te bewaren.
Wat belet u dan de gelukkige eeuwigheid
met een gerust gemoed en opgeruimd hart
te verwachten.\' AJs de goede God uwe ziel
nu plotseling kwam halen, zoudt gij zonder
twijfel sterven met de gave van volharding.
Want door de genaden, die Hij u van alle
eeuwigheid heeft voorbereid en die Hij met
onfeilbaarheid voorzag, dat krachtdadig zou-
-ocr page 22-
20
den zijn, lieeft Hij u tot nu toe in ecne hei-
lige gesteltenis bewaard, waarmee, zoo gij nu
zoudt sterven, de volharding in Zijne vriend-
schap en het bezit der eeuwige zaligheid ver-
bonden is. Dat zou zoo wezen, zult gij zeggen,
indien ik nu stierf in de gesteltenis, waarin
gij mij vooronderstelt; maar welken waarborg
heb ik, dat ik mijn gansche leven lang tot
het einde toe daarin zal blijven.\' — Gij hebt
een waarborg hierin , dat gij thans en reeds
langen tijd u op deugd en heiligheid toelegt.
De lang beproefde trouw, oprechtheid, kloek-
moedigheid en wilskracht, waarmede gij God
bemint, dient en gehoorzaamt; uwe voort-
durende zorg om het geloot\', de hoop, het
vertrouwen, de liefde en alle deugden van uw
staat altijd meer en meer in u te bevestigen,
zijn zekere voorteekenen, dat gij de heiligheid,
waarin gij u thans moogt verheugen, niet
alleen in de toekomst zult behouden, maar
ook altijd zult doen toenemen. Welke waar-
schijnlijkheid toch bestaat er, dat gij, in wiens
hart de kinderlijke liefde en de vreeze Gods
zoo diep geworteld zijn, uw bovenal beminne-
lijken en beminden Vader zult verlaten ? Het
kan geschieden, dat is waar; maar waarschijn-
lijk is het niet, en daarom kunt gij stellig
vertrouwen, dat het niet gebeuren zal. De
ipso cursu vestro bono rectoque condiscite,
-ocr page 23-
21
vos ad praedestinationem divinae gratiae
perlinere
(Aug.).
3.   De H. Augustinus kent voor de volhar-
ding in de heiligmakeude genade geen ge-
schikter, geen zekerder middel dan de dage-
lijksche versterking van onze vriendschap met
God. Die vriendschap nu wordt dagelijks in-
niger en hechter, zoo wij dagelijks vooruit-
gaan in de christelijke volmaaktheid. »De
standvastigheid ten einde toe in den voor-
uitgang is eene zeer groote gave Gods", te
grooter, naarmate zij langer duurt. Niets heeft
zooveel waarde als het gestadig toenemen in
godsvrucht, liefde, hoop, vertrouwen, geloof,
ootmoed, gebed en in alle andere deugden;
omdat Gods eer en behagen en onze eeuwige
belooning toenemen door de vermeerdering
dier deugden. Perseverantia in bono proftciens
usque ad fltiem, magnum est Dei munus
(Aug.).
4.  O hoe gelukkig is het lang te leven, als
men in zulk eene volharding leeft! Zooiemand
leeft opgeruimd; omdat hij de komst des
Zaligmakers in rust en vrede verbeidt, in het
volle vertrouwen van te zullen sterven niet
slechts heilig genoeg om de eeuwige glorie
binnen te gaan, maar zelfs zoo heilig, dat hij
eene zeer groote glorie deelachtig zal worden.
Het is waar, een mensch kan in zulke ge-
-ocr page 24-
\'ïl
vaarlijke gelegenheden verkeeren, dat het voor
hem beter en veiliger ware spoedig te sterven
dan nog langer te leven. Maar gij , godmin-
ncnde christen, gij, die door uw staat buiten
gevaarlijke gelegenheden tot doodzonde gesteld
zijt, waarom zoudt gij nu willen sterven?
Moet gij niet veeleer verlangen nog lang hier
op den weg der verdienste te blijven, ten
einde door meerderen voortgang in heiligheid
en liefde» uwe eeuwige glorie en Gods eeuwig
welbehagen in u te vergrooten ? Welke groo-
tere weldaad toch kunt gij van God verzoeken
en kan Hij u geven, dan langdurigen en tot
den dood toe volhardenden vooruitgang in
het goede ? Perseverantia in bono proficiens.
5. Wenscht gij nochtans liever nu te sterven;
omdat gij meer van uwe tegenwoordige goede
gesteltenis dan van uwe toekomstige meent
verzekerd te zijn ; wensch zulks zooveel gij
wilt. Maar die wensch doet mij twijfelen , of
uwe liefde tot uwen bovenal beminnelijken
Schepper en Zaligmaker zoo volmaakt is als
ik zoo even meende. Immers iedere ziel, die
God vurig liefheeft, verlangt Hem hier in den
tijd en hiernamaals in alle eeuwigheid zoo
innig te beminnen als het haar met Zijne ge-
nadc mogelijk is. Daarom tracht zij dagelijks
vooruit te gaan in de heilige liefde, zonder
ooit tevreden te zijn met hetgeen zij bereikt
-ocr page 25-
23
heeft. Maar gij zijt met de mate van uwe
liefde tevreden; gij wilt niet langer tijd om
haar te vermeerderen; alsof het God niet aan-
genaam ware, dat gij Hem voortaan met
grooter liefde bemint dan gij thans doet. Maar,
zoo voert gij mij tegen, zegt niet de H. Au-
gustinus, de Leeraar der heilige Liefde, »dat
men het zekere moet kiezen en het onzekere
laten varen?" — Ja, dat zegt hij; maar dat
doet hier niets ter zake. Die kerkvader richt
dat woord niet tot u of tot iemand van uw
slag. Hij spreekt tot een zondaar, die de
eeuwige verdoemenis vreest en zich nochtans
aan de zonde blijft hechten, in de hoop, dat
hij zich op het einde zijns levens door Gods
barmhartigheid zal bekeeren en aldus de hel
ontkomen. «Verzoen u met God, zegt hem de
H. Augustinus; wees nu boetvaardig , terwijl
gij gezond zijt; en leef voortaan wel; en gij
zult niet rampzalig wezen: dit is zeker. Maar
of gij op het uiterste van uw leven boet-
vaardig zult zijn, gelijk voor de vergiffenis
der zonden en voor- de verlossing van de
eeuwige straf gevorderd wordt, dat is voor
mij en voor u verborgen: dat is onzeker.
Houd dan het zekere, en laat het onzekere
varen." Ergo tene certum, dimitte incertum.
6. De zondaar is volstrekt niet zeker, dat
hij met zijne boetvaardigheid tot het uiterste
-ocr page 26-
24
uit te stellen de eeuwige vlammen , die hij
vreest, zal ontkomen. Integendeel door dat
langdurig en vrijwillig uitstel neemt het ge-
vaar van eene rampzalige eeuwigheid toe en
wordt liet veel waarschijnlijker, dat hij in
zijne zonden zal sterven. Maar gij, vriend
van den Almogende, wat gevaar loopt gij
met nog lang te willen leven? Wij spreken
hier niet van lang te willen leven om des te
langer het ijdel genot te smaken van aardsche
wellusten; maar van lang te willen leven uit
liefdevol verlangen en uit kinderlijk vertrou-
wen van langer gelegenheid te hebben tot
grooteren voortgang in heiligheid en liefde,
om u hier in den tijd en hiernamaals in de
eeuwigheid met uw allerlief\'sten God én reeds
lang beminden Vader des te inniger te ver-
eenigen. Is het waar, wat de Engelachtige
Leeraar schrijft, dat de goedertierene liefde
God meer doet verlangen naar de vereeniging
met uwe ziel dan de natuur deze doet ver-
langen om met het lichaam vereenigd te blij—
ven; dan kunt gij zelf nagaan, welk behagen,
welke vreugde God schept in eene ziel, die
uit louter liefde tot Hem nog lang in deze
droeve ballingschap wenseht te blijven, ten
einde door Zijne genade zichzelve altijd schoo-
ner en beminnelijker en hare vereeniging met
Hem aangenamer en inniger te kunnen ma-
-ocr page 27-
25
ken. Maar als dat verlangen der ziel zoo
aangenaam is aan God, dan zal Hij daardoor
nog veel meer dan vroeger geneigd zijn haar
tot het einde toe in de heilige liefde te doen
volharden. »Die niet bemint, kent God niet,
zegt de H. Joannes. Waarom niet? Omdat
God de liefde is." Qui non diligit, non novit
Deum: quare non novit? Quia Deus dilectia
est.
(Aug.) Iemand, die een ander liefheeft,
weet, wat liefde is, en gevoelt, dat zij zijn
hart trekt tot innige vereeniging met het hart
van den persoon, dien hij liefheeft. Op deze
wijze komt hij gemakkelijk tot de kennis van
God, in zoover Hij de liefde is, en ziet helder
in, dat geen minnaar tot de innige vereeniging
met allen , die hij bemint, zoo groot verlan-
gen heeft als God; omdat Hij de oneindige
en zelfstandige liefde is. Gelijk Hij Zijne kin-
deren onuitsprekelijk veel meer bemint dan
zij zichzelve beminnen, »zoo ook, zegt de Se-
rafijnsche Leeraar, verlangt Hij onuitsprekelijk
veel meer met hen te zijn, om hen goed-
gunstig tot groote heiligheid te verheffen en
tot^een zalig einde te brengen, dan zij ver-
langen met Hem te zijn , om Zijne goedheid
en mildheid te genieten." Godvruchtige christen,
oprecht kind van God, deze bemerking moet
u wel opbeurend en troostvol zijn; maar zij
moet u ook alle belemmerende vrees voor
-ocr page 28-
26
een ongelukkig levenseinde doen verwerpen.
Tracht dan van uw kant uw hernelschen Vader
volgens uwe gewoonte volmaakt en stand-
vastig te beminnen, te gehoorzamen, te dienen,
en vertrouw op Hem in gerustheid en vrede,
Ambula de Deo securus. (Aug.)
-ocr page 29-
3TV-
Vertrouwen van te zullen volharden.
1. Ik kan de weldaden en gaven, de ge-
naden en hulpmiddelen , die wij in den staat
der bedorvene natuur van God voor de vol-
harding in Zijne liefde ontvangen hebben en
nog voortdurend ontvangen, niet duidelijker
doen uitkomen dan door ze te stellen tegen-
over die, waarmee onze eerste ouders in hun
oorspronkelijken staat waren begunstigd. Uit
de H. Schrift weten wij, dat »God Adam in
een lusthof geplaatst heeft" (Gen. II. 8). Over
dit paradijs is veel gesproken. De H. Augu-
stinus deelt daaromtrent drie verschillende
gevoelens mede. a Volgens sommigen, zegt hij,
was het alleen eene aardsche plaats; volgens
anderen was het alleen iets geestelijks; de
derde meening, die genoemde kerkvader zelf
voorstond, vatte het paradijs op als lichamelijk
en geestelijk samen:" lichamelijk, [te weten
als eene aardsche plaats, die aangenaam was
voor het oog en voor de andere zinnen; gees-
telijk, namelijk eone heilige woonstede, waarin
de geest zijn vermaak vond. Welnu, christen,
benijd Adam niet. Laat hem zijn aardsche
-ocr page 30-
28
paradijs, hoe behaaglijk ook voor de zinnen.
Wat toch baat dit voor de volharding in de
vriendschap Gods? Waren daar de zinnen niet
zoo aangenaam en verlokkelijk aangedaan ge-
weest, misschien zouden Adam en Eva in
hun gelukkigen staat volhard hebben. Immers
nadat Eva zich had laten bedriegen door de
voorspiegeling des duivels, dat het eten der
verbodene vrucht haar Gode zou gelijk maken,
zondigde zij door zinnelijkheid. i>De vrouw
heeft gezien , dat de boom goed was om te
eten, en schoon voor de oogen, en aangenaam
om aan te zien, en zij heeft van zijn vrucht
genomen en die gegeten en haren man ge-
geven" (Gen. III. 6.). Geen wonder dus , dat
Christus , de nieuwe Adam, onze Vader naar
de genade, ons de versterving der zinnen, als
een middel om ons zekerder in de deugd te
bevestigen, door zijn voorbeeld en door zijne
leering heeft aangeprezen en bevolen. Hoe
moediger men de zinnelijkheid bestrijdt, des
te zekerder is men van het behoud der hei-
ligmakende genade en des te onverstoorbaar-
der wordt de onuitsprekelijke vreugde van
het goed geweten. Het misbruik der zinnen
is de oorzaak van de meeste zonden. Dit be-
hoeft geen betoog: de treurige ondervinding
bewijst dit maar al te zeer. Datzelfde rnis-
bruik vermenigvuldigt ook de onrust en den
-ocr page 31-
29
angst des gewetens. O wat een blijdschap
schepten Adam en Eva uit hun geweten, zoo-
lang het hun getuigde, dat zij in vriendschap
en in vrede met hun God en Schepper leef-
den , Hem waarlijk beminden en behaagden!
»Die blijdschap, zegt de H. Augustinus, was
een paradijs." Dat nu hebben zij verloren
door de zonde, en zij zondigden door zinne-
lijkheid. Lcotitia queedam bonce conscientia;
paradisus est.
(Aug.)
2. Hun aangenaamste paradijs was God
zelf. Hij woonde in hen en zij in Hem. Zij
leefden uit Hem door de mededeeling Zijner
natuur; zij leefden met Hem door de ge-
meenzaamlieid der liefde. Dilectio est vita cum
Deo
(Aug.). In Hem genoten zij het hoogste
genot; want daar is geen zoeter vreugde dan
zich in den Heer der geneugten te verlustigen.
Maxima voluplas in deliciarum Domino de-
liciari.
Hun hart versmolt in de inatelooze
zoetheid, die zij smaakten in de liefde, in de
aanbidding, in de lof- en danktuiging van hun
Schepper en in hunne vreugde over Zijne
volmaaktheden en Zijne glorie. Godminnende
ziel, bemerkt gij niet, dat ook gij de twee
genoemde geestelijke paradijzen geniet door
de goddelijke genade? God is ook uwe woon-
stede, ook uwe rustplaats; ook gij zijt deel-
genoot aan Zijne natuur; gij leeft uit Hem;
-ocr page 32-
30
gij zijt uit Hem kind Gods geboren; gij leeft
met Hem door de vriendschap vcrecnigd. En
wat uw geweten aangaat, is ook dat niet
een paradijs door vrede, door rust en vreugde?
Wordt uw hart niet dagelijks verblijd door
de gewone oefeningen van teedere kinderliefde
tot uw bovenal beminnelijker) Vader.\' Ik erken
het, de zuiverheid des geestes is in u niet
zoo groot als zij was in Adam en Eva, en
gij geniet in uw geweten niet zulk eene vol-
komen onverstoorbare rust als zij in hun oor-
spronkelijken staat genoten. Want zoolang zij
daarin bleven, werd hun geweten nooit door
eenige zonde ontsteld; terwijl het uwe som-
tijds door dagelijksche zonde ontroerd wordt.
Uw hemelsche , barmhartige en goedertieren
Vader laat die zwakheid in u toe om u krach-
tiger in de liefde tot Hem te bevestigen en
uwe volharding in de deugd en heiligheid
zekerder te maken. Al is de minste zonde
een groot kwaad, Gods oneindige wijsheid en
macht weet alles, zelfs de zonde, te doen
strekken tot welzijn Zijner allerliefste kinderen.
»Wij weten, zegt de Apostel , dat dengenen,
die God liefhebben, alles ten goede helpt,
dengenen , die volgens Gods raadsbesluit tot
de heiligheid geroepen zijn." (ltom. VIII. 28.)
God bewerkt met Zijne genade, dat wij om
onze zwakheden ootmoediger, omzichtiger, be-
-ocr page 33-
:3i
hoedzamer worden en aldus zekerder in de
heilige liefde volharden. Adam en Eva waren
in het paradijs met meer genaden van heilig-
heid en liefde begunstigd dan wij ontvangen
in het heilig doopsel. Door die grootere hoe-
veelheid van genade waren zij in krachtiger
gesteltenis om er in te volharden; want, gelijk
de H. Thomas zegt, »de genade is van haar
kant standvastiger, naarmate zij grooter is.
Maar van zijn kant is de mensch standvastiger
en bestendiger in de genade, naarmate hij
ootmoediger, omzichtiger en nauwlettender
is." Daardoor komt het, dat sommigen met
een geringeren graad van heiligheid gelukkig
tot het einde toe volharden door dieperen
ootmoed en grootere zorg in het vluchten der
zonde; terwijl anderen met grootere heiligheid,
maar minder ootmoedig en minder waakzaam
tegen de zonde, ten laatste naar het voorbeeld
van onze eerste ouders bezwijken en de hei-
ligheid verliezen. Homo tanto stabilius in
gratia permanet, quanto est cautior et hu-
milior.
3. Adam en Eva waren van alle kwalen
bevrijd, wij zijn aan vele onderworpen. Daarom
hebben wij geheel bijzondere genaden noodig:
de goedertierene en barmhartige God heeft er
ons vele geschonken. Hij heeft ons welwillend
vele zoete en krachtige middelen voorbereid
-ocr page 34-
:?2
zoowel om Zijne vriendschap te bewaren, als
om haar te herstellen, wanneer zij verbroken is;
middelen, die zij in den oorspronkelijken staat
niet hebben gehad. Om dit met orde uiteen te
zetten, zullen wij beginnen met de groote en
troostrijke gunst, waardoor de H. Maagd Maria,
de Moeder Gods, ons tot moeder, tot vriendin,
tot beschermster, tot voorspreekster, tot mid-
delares, tot toevlucht, tot vrijplaats, tot lust-
hof gegeven is. Tot haar roept vol bewonde-
ring de H. Bernardus: »o Moeder der oneindige
Schoonheid! o Bruid der eeuwige Liefde!
Waarmee zal ik U vergelijken! Gij zijt waar-
lijk het paradijs van God." Vere paradisus
Dei es tu.
Gij zijt ook ons paradijs. In U is
onze ziel beter verzekerd tegen het verlies
harer verdiensten en krachtiger beveiligd tegen
de listen van haren vijand, dan onze eerste
ouders het waren in hun aardschc paradijs.
In U rusten wij veilig. Van het serpent heb-
ben wij niets te vreezen. Dat hebt Gij mach-
teloos gemaakt en verpletterd. De H. Bona-
ventura bewoonde voortdurend met geest en
liefde het H. Hart van Maria. Zijne ondervin-
ding leerde hem , »dat men na God geene
grootere zoetheid smaakt dan in Maria, geen
grootere vreugde en blijdschap schept dan
uit Maria." Het is mijn doel hier niet uit te
wijden over alle heerlijkheden van Maria, maar
-ocr page 35-
33
alleen u aan te toonen, dat gij tot uwe vol-
harding in de genade en tot uwe eeuwige
zaligheid velerlei voortreffelijke middelen hebt,
die de bewoners van het aardsche paradijs
niet hadden. Zoo zij zondigden, bevonden zij
zich als verlaten. Daar was niemand, die hen
onder zijne vleugelen tegen de Goddelijke
wraak kon beschermen. Toen zij Gods stem
hoorden, hebben zij zich midden in het hout-
gewas van het paradijs verborgen, alsof dat
houtgewas God belette hen te zien en te
straffen. Maar hebt gij, christen, liet ongeluk
uwen hemelschen Vader te vergrammen, dan
hebt gij een toevlucht, eene vrijplaats: gij
hebt Maria, Refugium peccatorum. Welke
zondaar heeft zich ooit met vertrouwen aan
Haar aanbevolen, zonder dat Zij hem heeft
beschermd en geholpen.\'\' Wie heeft Haar stand-
vastig geëerd, gediend en uit genegenheid alle
dagen iets goeds tot Haar genoegen gedaan,
zonder dat Zij door Hare voorspraak ten laatste
zijne bekeering en zijne verzoening met den
Schepper bewerkt heeft.\' Haar Hart is door
de goedertierene liefde ik zou haast zeggen
oneindig groot; het is vol van barmhartigheid •
het neemt genadiglijk alle zondaars op; dat
wil zeggen allen, die Haar achten en loven
gelijk het behoort. Want wee dengenen, die
Haar niet achten en van Hare verheven-
ZAL IK VOLHARDEN?                                                     3
-ocr page 36-
31
heid, macht, mildheid en hulpvaardigheid geen
gebruik maken: »zij zullen in hunne zonden
sterven." Qui neglexerit eam , morietur in
peceatis suis.
(Bonav.)
4. Is de lieve Maagd zoo goedhartig, zoo
hulpvaardig en genadig voor de zondaars, hoe-
veel te meer is Zij het voor de rechtvaardi-
gen, voor do volmaakte minnaars en vrienden
van God! Hen acht en bemint Zij als Hare
oprechte kinderen. De IJ. Paulus verzekerde
eertijds den christenen van Philippi, dat »hij
hen in het hart droeg" (Pliil. I. 7.). Met hoe-
veel teederder en vuriger liefde draagt Zij al
Hare minnaars en minnaressen in Haar hart!
De H. Anselmus verheugde zich zeer over het
geluk van allen, die de II. Maagd standvastig
beminnen. Hij beschouwde die standvastige
liefde tot Haar als een zeker toeken van voor-
beschikking tot een zaligen dood. Ook wij
mogen ons wel verblijden, dat er zulk eene
lieflijke, zulk eene goedhartige, zulk eene ge-
Tiadige en machtige Moeder Gods is. Wel kan
Zij niets uitwerken door Hare eigene kracht,
«laar Zij slechts cin schepsel is; maar dewijl
«Ie Almogende Haar iian zichzelven zoo aan-
genaam en beminnelijk heeft gemaakt, dat
Hij Haar boven al Zijne andere schepselen
liefheeft, daarom <-taat Hij Haar alles toe, wat
Zij van Hem vraagt. Zij nu vraagt niets dan
-ocr page 37-
35
wat Hem aangenaam is. Maar wat is Hem
aangenamer clan de zaligheid der menschen?
Ofschoon Zij de wellust is der drie Godde-
lijke Personen, heerscht Zij nochtans bijzonder
over het Hart van den Godmcnsch, Haren
Zoon. Bij Hem is Zij alvermogend om Hare
moederlijke liefde tot Hem en Zijne kinder-
lijke liefde tot Haar. Niet zonder reden noemt
Petrus Damianus Haar »de smeekende al-
macht," om7iipotentia supplex. Dat zi) op die
wijze alvermogend is moet ons niet meer ver-
wonderen, dan dat zij waarlijk de Moeder Gods
is. Door Hare alvermogende voorspraak maakt
Zij, dat Hare bijzondere minnaars en Hare
liefste gunstelingen tot het einde huns levens
in de goddelijke vriendschap volharden; of,
mochten zij ongelukkig, gelijk menschelijk is,
in doodzonde vallen, dan bezorgt Zij hun eene
krachtdadige genade van boetvaardigheid, waar-
door zij opstaan, zalig sterven en ten laatste
met onuitsprekelijke blijdschap ondervinden,
dat zij uitverkoren kinderen zijn van God en
van Zijne lieve Moeder. »() Maria , mijne al-
lerliefsto Moeder, Gij weet, dat ik U van
mijne teederste jeugd af standvastig heb be-
mind, geëerd en gediend. O, dat ook mijn
naam dooi\' U onder de rechtvaardigen, onder
de eeuwige kinderen van God geschreven
worde." Zoo bad de H. Bonavonlura. Per te,
-ocr page 38-
36
o Maria, intev justos scribatur nomen
meum.
5. Wij hebben nog een ander paradijs, dat
onze eerste ouders niet hadden, »een paradijs,
zegt de H. Bernardus, dat veel aangenamer
en verkwikkender is dan liet hunne was: ons
paradijs is Christus." Paradisus nosler Chris-
tus est.
Kan men genotrijker paradijs uitden-
ken! »In Hem, zoo leert de H. Paulus, woont
de gansche Godheid lichamelijk" (Col. II. 9.).
Alles is er dus onbegrijpelijk genotrijk. Hoe-
wel de H. Maagd Maria een zeer zoet paradijs
is, woont zij nochtans zoeter in Haren Zoon
dan in zichzelve." Dulcius habitat in Filio
quam in seipsa.
(Laur. Just.) Voor dit lust-
oord is geen cherubijn, geen vlammend zwaard
geplaatst om den toegang te beletten. Van
binnen is het vlammend, niet om te verschrik-
ken , maar om tot binnentreden uit te noo-
digen; want het blaakt alleen van de vlammen
der vriendenliefde tot de goeden en der barm-
hartigc liefde tot de boozen. Altijd is het
open, ook voor de boetvaardige zondaars. Men
komt er in door vijf deuren, vijf wonden, die
elk voor zich ook een vrijplaats zijn tegen de
Goddelijke wraak. Voor de zondaars immers
heeft Jezus gewond willen worden, en in Zijn
verheerlijkt lichaam heeft Hij de vijf wonden
opengehouden als schuilplaats voor de vrees-
-ocr page 39-
37
achtige en beangstigde zielen. Deze wonden
zijn ook als vijf monden, waarmee Hij hun
toeroept: »Komt tot Mij allen, die belast en
beladen zijt, en Ik zal u verkwikken." Hij
roept niet alleen de rechtvaardigen, die door
inwendige bekoringen der kwade begeerlijk-
heid gekweld en benauwd worden , tot zich
om hen te helpen, te troosten en te verster-
ken; maar ook de zondaars; zij toch zijn de
ongelukkigsten, zij zijn de meest bezwaarden.
Hen roept Hij tot zich om hen te herstellen,
reficiam vos; dat is, om opnieuw hen te hei-
ligen en tot kinderen Gods te maken , om
hun alle bovennatuurlijke genaden en ver-
diensten , waarvan zij door de zonde beroofd
waren, terug te schenken. O met wat troost,
vreugde en blijdschap zouden de harten van
Adam en Eva overstelpt geweest zijn, indien
God hen in het aardsche paradijs na den
zondeval zoo genadig en zoethartig tot Zijn
schoot geroepen had, om hen door boetvaar-
digheid wederom in Zijne vriendschap op te
nemen met teruggave van alle genaden en
verdiensten, die zij door hunne ongehoorzaam-
heid hadden verloren. Paradisum habemns
multo delectabiliorem, quam primi parentes
habuerunt: paradisus noster Christus est.
(Bern.)
6. Onze Jezus is geheel zoet: zoet als ge-
-ocr page 40-
38
boren uit don Vader, die de ongeschapene zoet-
lieid is, zoet als geboren uit de allerzoetste
Moeder. Md de Den Patre, fa vut ex Virgine
Maria.
(Bern.) Maai- hoe zoet Hij ook is in
alle opzichten, nergens smaakt men Zijne
zoetheid verkwikkender dan in Zijn 11. Hart.
Ook dat Hart is een lustoord, het is de woon-
stede van alle heilige liefde. De drievuldige
God de eeuwige liefde, Maria de Moeder der
schoone liefde , alle engelen , alle zielen , die
door goddelijke liefde ontstoken zijn, bewonen
dat beminnende en beminnelijke Hart. Och
mijn Jezus, maak, dat alle menschen het be-
wonen. »God is mijn getuige, schrijft de
II. Paulus aan de christenen, hoe ik u allen
verlang in het binnenste van Jezus Christus"
(1\'hil. I. 8.). Het binnenste van Jezus is Zijn
Hart. Hij verlangt, dat wij het bezitten;
daartoe heeft Hij den weg doen banen , zegt
de H. Augustinus. Longinus heeft Zijne H. Zijde
met de punt van een lans geopend, en de
H. Kerk noemt in een harer gezangen die
lanspunt ivreed: lancece mucrone diro. Maar
volgens de bedoeling van den Zaligmaker was
zij de sleutel, waarmee de toegang tot Zijn
II. Hart, als tot het genotrijk paradijs der
minnende zielen, geopend werd. Wij weten
uit de H. Schrift, »dat in het aardsche pa-
radijs een bron uit de aarde ontsprong, die
-ocr page 41-
39
de geheele oppervlakte der aarde besproeide"
(Gen. II. (i.). Ook waren er rivierwateren. Maar
daar was geen water, dat den doist in alle
eeuwigheid leschte. In liet Hart van Jezus
echter is eene bron van bloed en ook van
water. »Wie daarvan drinkt, zal in der eeuwig-
beid geen dorst hebben. Dat water zal in
bem worden eene bron van water springend
ten eeuwigen leven" (Joan. IV. l.\'J, 14.). Dat
water nu bevat de gave van volharding voor
allen, die het drinken gelijk het behoort. Wie
onder de christenen, die niet geheel en al
goddeloos is, zal Jezus niet bidden: »Heer,
geef mij dit water." Domine, Ja tnihi hanc
aquam.
(Joan. IV. 15.)
7. Het Goddelijk Hart van Jezus is ook de
geboorteplaats der II. Kerk, Zijne Bruid. Een
der oudste leeraars zegt, dat de slaap van
Adam in het paradijs, gedurende welken Eva
uit hem gevormd werd , moet worden bc-
schouwd als een voorafbeelding van den slaap
des Zaligmakers op het kruis. «Eva, zegt de
H. Augustinus, is gevormd uit de zijde van
den slapenden Adam; de Kerk uit de zijde
van den stervenden Christus." Eva ontving
het leven om de natuurlijke bruid van Adam
en de moeder der levenden te zijn; de Kerk
werd uit Christus geboren om Zijne geestelijke
bruid en moeder der geloovigen te wezen.
-ocr page 42-
40
Eva heeft aan Adam niet meer dan een zijner
ri\'jben gekost; de Kerk is Christus onverge-
lijkelijk veel duurder te staan gekomen; want
Hij heeft voor haar Zijn Bloed en Zijn leven
gegeven. En, wat voor Adam onmogelijk was,
Hij zelf heeft haar uit Zijn dierhaar Bloed in
Zijn Hart ontvangen en mot Zijn H. Geest
begiftigd, geheiligd en bezield. Voortdurend
nog bezielt en bestiert Hij haar door den-
zelfden Geest, spijst haar met Zijn Lichaam,
laaft haar met Zijn Bloed, laat haar Zijne
genaden uitdeden door zeven Sacramenten,
als door zeven bronaders, waaruit heilzame
wateren stroomen tot zuivering, tot heiligheid,
sterkte en zaligheid van hare ledematen. Dat
zijn »de bronnen des Zaligmakers," waarvan
Isaias spreekt (XII. 3.) en waartoe die pro-
feet ons uitnoodigt: »Gij allen, die dorstig
zijt, komt tot de wateren" (Is. LV. 4.); en
waarheen ook de Zaligmaker ons roept: »In-
dien iemand dorst heeft, dat hij tot Mij kome
en drinke" (Joan. VII. 37.). Verstaat gij het,
christen , dat gij die wateren moet drinken
met dorst, om door hunne kracht volgens het
woord van Christus geen dorst meer te hebben
in eeuwigheid 1 Zonder dorst gebruikt, lesschen
zij niet. Daarom worden de dorstigen geroe-
pen en uitgenoodigd om te drinken. Voor hen
alleen zijn zij nuttig en heilzaam en verster-
-ocr page 43-
il
kend om de heilige liefde tot den dood toe
gelukkig te bewaren en ten laatste den drie-
vuldigen God in Zijne glorie te bereiken. »Bij
Hem, zoo zingt David, is de bron des levens.
Hij is liet, die met den stroom Zijner ge-
neugten Zijne eeuwige kinderen als dronken
maakt en volkomen verzadigt" (Ps. 35.). Om-
nes sitientes ventte ad aquas. Si quis sitit
veniat ad Me et bïbat.
-ocr page 44-
\'
Het verzuim der biecht eene oorzaak
van onstandvastigheid.
1. De vlucht der zonde is zonder twijfel
een der zekerste middelen om de goddelijke
liefde te bewaren; en dewijl liet heilig sa-
crament van boetvaardigheid niet alleen de
bedrevcne zonde vergeeft, maar ook de ge-
nade meedeelt om de zonde te vermijden,
daarom wordt het door den iï. Thomas ge-
noemd »een waarborg der toekomstige glorie."
Zondaar, gij hebt zeer dikwijls gebiecht: ver-
zekert uw geweten u thans, dat gij de eeu-
wige glorie zult verwerven.\' »\\Vie zal zich
niet verwonderen over de goedertierenheid en
zachtmoedigheid van God, die, zoo Hij ver-
smaad wordt, den versmader wederom tot
den kus van verzoening roept!" zegt de H.
Bernardus. Maar wie, o zondaar, zal niet nog
meer verbaasd staan over uwe schromelijke
ondankbaarheid, kwaadwilligheid, boosaardig-
heid, waarmede gij voortgaat den goeden God
grootelijks te vergrammen; God, die te voren
zoo dikwijls u de zonde vergeven en u in
genade en vrede wederom opgenomen heeft!
-ocr page 45-
43
Gij beklaagt u somtijds over den val van
Adam; maar hoeveel meer zoudt gij klagen
over- zijn gedrag, indien hij, na zeer dikwijls
gezondigd te hebben en even dikwijls in Gods
vriendschap en in liet paradijs hersteld te zijn
geweest, toch was voortgegaan liet goddelijk
gebod te overtreden , en u door zijne laatste
overtreding erfgenaam van zijne zonde had
gemaakt! Voorwaar gij moogt u over uw
eigen gedrag veel bitterder beklagen; want
door uwe vrijwillige zonde hebt gij u zei ven
grooter kwaad berokkend dan Adam u door
de zijne veroorzaakt heeft; en God uw Schep-
per heeft onvergelijkelijk veel grooter afkeer van
u, wanneer gij met eene dadelijke doodzonde
bezoedeld zijt, dan Hij van u had toen gij
slechts met de erfzonde besmeurd waart. Ik
laat u zelf te denken over , hoeveel gij thans
Gods genade onwaardiger zijt en hoeveel
grootere straf gij in alle eeuwigheid verdient.
Majus est peccatum acluale quam originale
(Thom.).
2. Het is niet noodig, dat ik u de afzich-
telijkheid van uw kwaad levendig voor oogen
stel. Gij hebt uw geweten. En dat is de ge-
tuige en beoordeelaar van uw gedrag. Gij
kunt doen alsof gij het niet hoort; maar het
roept te luid tegen u om het in werkelijkheid
niet te hooren. Het is eene uitvloeiing van
-ocr page 46-
44
Gods onfeilbare wetenschap: gij kunt het
niet bedriegen, noch met valsche redeneering
of ijdele verontschuldigingen bevredigen. Wat
toch zult gij inbrengen om uwen verwerpe-
lijken staat te verschoonen? Dat gij zwak zijt
door de bedorvenheid der menschelijke natuur?
Dat is waar; maar uw geweten overtuigt u
uit uw geloof, dat God u middelen genoeg
gegeven of aangeboden heeft, waardoor gij
alle doodzonden kondet vermijden. Met welk
voorwendsel zult gij u vervolgens verontschul-
digen, dat gij tot nu toe een onboetvaardig
zondaar en vijand van uw Schepper zijt, zon-
der den oprechten wil om u door eene goede
biecht met Hem te verzoenen, en u te her-
stellen op den weg naar een zaligen dood en
eene gelukkige eeuwigheid? Wee u, zoo gij
komt te sterven in den staat, waarin gij nu
zijt: uw eigen geweten zal u eeuwig folteren,
zijn worm zal eeuwig aan uw hart knagen,
en bitter zal het u verwijten, dat gij voor
eeuwig verdoemd zijt door uw schuld. Het
zal om uwe droefheid te vergrooten u voor-
houden, dat gij u in uw sterflijk leven tot de
biecht, die bron van heilzame wateren tegen
de zonde, bijna nooit begeven hebt uit waren
dorst. Gij gingt misschien wel biechten, maar
niet met waren dorst naar de vriendschap
van God. Want dorst naar iets hebben is
-ocr page 47-
45
iets vurig begeeren. Zoo dorst de hoovaardige
naar eer, roem en hooge waardigheden der
wereld; omdat hij ze verlangt met drift. Zoo
dorst de onzuivere naar vleeschelijk vermaak;
omdat hij het zoekt met vurigheid. Zoo dorst
de gierigaard naar geld en rijkdom ; omdat
hij er naar streeft met geweld. Maar met
zulk een dorst kwaamt gij niet biechten.
3. De waarlijk godminnende christenen we-
ten bij ondervinding wat dorstige hoop, wat
dorstige liefde tot God is. Gij echter, zondaar,
weet beter, wat dorst is naar het kwaad.
Want daardoor komt het, dat gij zwaar en
veel gezondigd hebt en nu nog in zonde blijft.
Hadt gij uwe voorgaande biechten gesproken
met zulk een grooten dorst naar de verbe-
tering uws levens, naar de heiligheid en rein-
heid uwer ziel, naar de liefde en vriendschap
Gods , naar de volharding in de genade, als
gij sinds lang gehad hebt en nog hebt naar de
verbodene lusten of naar de voldoening dei-
ongeregelde liefde van uw eigen persoon, gij
zoudt of in het geheel niet, of althans niet zoo
gemakkelijk, noch zoo onbeschaamd, noch zoo
dikwijls gezondigd hebben. Ik wil evenwel
niet zeggen, dat onze lieve Zaligmaker het
sacrament van boetvaardigheid of eenig ander
heilig sacrament zoo krachtig heeft gemaakt,
dat het den mensen, die het ontvangt gelijk
-ocr page 48-
46
liet betaamt, noodzakelijk in de rechtvaardig-
heid doet volharden. Want geen goddelijke
genade, hoe groot en krachtig ook, ontneemt
ons de vrijheid van onzen wil. Adams wil
was in het paradijs door een voorrecht van
God geheel gezond, goed, sterk, vrij van
kwade neigingen ; toch is hij in dien volmaak-
ten wil niet volhardend gebleven. Waarom
niet? »Omdat hij daarin niet standvastig heeft
willen blijven; hij is, gelijk de H. Augustinus
zegt, door eigen schuld in de hekende ellenden
gevallen." Profecto ejus culpa est. Uit onbe-
grijpelijke goedheid-en liefde tot ons is de
Zoon Gods uit eene allergoedertierenste en
allerbarmhartigste Maagd mensch geworden,
en als geneesheer gekomen om ons niet
alleen van de zonde, die wij van Adam heb-
ben geërfd , maar ook van onze eigene , per-
soonlijke zouden genadiglijk te genezen. Wordt
gij van de uwc niet genezen, zondaar; sterft
gij rampzalig in uwc zonden; het is uw eigen
schuld. Gij doodt u zei ven ; gij beneemt u
liet eeuwig leven uit eigen vrijen wil; omdat
gij de geneesmiddelen van uwen Heiland vrij-
willig versmaadt, of niet gebruikt op de wijze
en in de gesteltenis, die Hij u voorschrijft.
Quantum in medico est, sanare venit maro-
tum. l)>se sa interimit, qui preecepta medici
óbsercare non vuil
(Aug.). Is dan onze barm-
-ocr page 49-
47
hartige Zaligmaker niet almachtig.\' Kan Hij
niet allen, die Hij wil, genezen en tot het
einde des levens in volle gezondheid bewaren?
Hij is zeker almachtig; »Hij geneest die Hij
wil, en bewaart allen, die Hij wil, tot het
einde toe in gezondheid; maar Hij wil noch
u, noch iemand anders genezen of\' gezond
houden, zoo gij zelf uwe genezing en het be-
houd uwer gezondheid niet oprecht wilt. Hij
wil u niet genezen tegen uw vrijen wil."
Sanabil te Christus\', sed opus est, ut sanari
velis. Sanat omnino Me quidem, sed non
sanat ihvitum
(Aug.).
-ocr page 50-
VI.
Het H. Sacrament des Altaars, een aller-
krachtigst middel voor de volharding.
1. »Adam heeft in zijn oorspronkelijken staat
van God de genade ontvangen, waardoor hij
kon volharden; maar de gave van volharding,
waardoor zeker tot het einde volhard wordt,
is hem niet gegeven." Non accepit ut perse-
veraret
(S. Thom.). »Thans echter ontvangen
velen door de genade van Jezus Christus de
gave, waardoor zij niet alleen kunnen vol-
harden , maar ook metterdaad volhaiden."
Lieve Jezus, och, had ik die gave! Lieve ziel,
die zult gij verkrijgen, zoo gij haar oprecht
begeert. »Mijn Vader geeft u waarachtig brood
van den hemel" (Joan. VI, 32). Dit brood
geeft de kracht om te volharden; want »wie
van dit brood eet, zal leven in eeuwigheid
(ib. 52). Ik ben het brood des levens (ib. 48),
het brood , dat van den hemel afkomt, opdat,
zoo iemand daarvan eet, hij niet sterve" (ib. 50).
Lieve Zaligmaker, zijt Gij dat hemelsch brood;
geef mij, bid ik U, geef mij dan U zelven;
opdat ik volgens Uw woord niet sterve, maar
leve in der eeuwigheid. Domine, semper da
-ocr page 51-
49
nobis panem hunc (ib. 34). Ziel, »het brood, dat
Ik geef, is Mijn vleesch(52). Mijn vleesch is waar-
lijk spijs, en Mijn bloed is waarlijkdrank. Die Mijn
vleesch eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij
en Ik in liem" (ib. 56). O hoe troostrijk moet
het allen godvruchtigenzielen zijn zulke waarhe-
den uit den mond zelf van Jezus Christus, het
eeuwig Woord, de onfeilbare alwetendheid, de
oneindige waarachtigheid te hooren ! Kan men
iets meer verlangen dan hier op aarde in Gods
vriendschap standvastig te blijven en in alle
eeuwigheid gelukkig te leven? Si quismandu-
caverit ex lioc pune, vivet in ceternum.
2. De Zaligmaker heeft het H. Sacrament
des Altaars niet ingesteld om het lichaam
hier in het leven te houden. Zijn heilig Li-
chaam en Zijn dierbaar Bloed is het voedsel
van de ziel alleen; niet tot bewaring van
haar natuurlijk leven; want zij is geest en
van nature onbederfelijk en onsterfelijk; maar
tot behoud van haar bovennatuurlijk of god-
delijk leven, dat zij in het heilig doopsel ont-
vangen, en, zoo zij het misschien later heeft
verloren, dooreene goede biecht terugverkregen
heeft. De ziel, zegt de H. Augustinus, is het
natuurlijk leven van het lichaam, en God is
het zalig leven van de ziel. Door de scheiding
van de ziel sterft het lichaam ; de ziel sterft
en verliest het goddelijk leven, zoo zij van
ZAL IK VOLHARDEN?                                              4
-ocr page 52-
50
de vereeniging met God wordt beroofd; en
gelijk de ziel met God vereenigd is door de
heilige liefde, zoo wordt zij door de doodzonde
van Hem afgerukt. \\ita animo; Uur Deus;
mors animae amissio Dei.
Het Ff. Sacrament
des Altaars nu vereenigt de ziel met God
door den hechtsten liefdeband, vereenigt liaar
met Hem zoo volmaakt als in dit ballingsoord
mogelijk is. liet verfrisebt en versterkt haar
goddelijk leven, en maakt haar onoverwinne-
Jijk\' tegenover den dood, zoo zij liet behoorlijk
volgens de instelling en liet inzicht van Jezus
Christus ontvangt. »Het doopsel is, volgens
de leer van den H. Thomas (P. III. Q. 73. a. 3),
het beginsel van het bovennatuurlijk leven,
en de andere vijf sacramenten bevorderen de
volmaaktheid van dat leven en versterken
tegen de zonde, elk overeenkomstig het bij-
zonder doel. waarvoor het is ingesteld. Maar
het allerhoogwaardigste Sacrament is de vol-
trekking en het einde van alle andere sacra-
menteiv\' Want behalve dat bet veel grooter
genade en liefde in de christelijke harten in-
stort, heeft liet eene bijzondere kracht om
de ziel voortdurend gezond, frisch , kloek en
vroom te bewaren, haar steeds tot de over-
vinning over de zonde te voeren en haar
zeker in de heiligheid des levens te doen
volharden. »0 christen, roept de H. Augustinus
-ocr page 53-
51
uit, wat grooter geluk kunt gij op aarde ver-
langen dan de heiligheid des levens als in
uwe hand, en de gezondheid uwer ziel in
uw wil te hebben!" Quid beatius, quam ut
tamquam in manu vitnrn, sic et in volun-
tale habeas sanitatem.
3. Laat ons om dit beter te begrijpen nog
eens den blik slaan op Adam in zijn oor-
spronkelijketi staat. Hoe volmaakt zijn lichaam
toen ook was, het was toch niet een ver-
heerlijkt lichaam. Om hot loven te bewaren
moest hij eten en drinken. Evenals wij nu,
had hij toen spijs en drank noodig tot herstel
der stoffen, die zijn lichaam dagelijks door de
natuurlijke werking verloor. En ofschoon het
gewone voedsel voldoende was om hem tot
een hoogen ouderdom te brengen, hij zou
nochtans alleen daardoor den dood niet ont-
komen zijn. Want zijn lichaam zou natuur-
lijker wijze op hoogen ouderdom allengs al
zwakker en zwakker geworden zijn en door
verval van krachten zijn gestorven. Maar God
had in het paradijs een boom doen groeien,
den boo in des levens, lignum vit<r. De vrucht
daarvan kon Adams lichaam niet alleen in
het leven, maar ook voortdurend in volle ge-
zondheid, frischheid en kracht behouden; zoo-
dat hij, hoe oud hij ook werd, nooit den dood
zou beproefd hebben, maar zonder sterven
-ocr page 54-
52
de eeuwige en gelukzalige onsterfelijkheid zou
ingegaan zijn. De zonde heeft hem van dien
heilzamen boom beroofd. Maar wat God ge-
daan bad in het paradijs tot behoud van het
lichamelijk leven, dat heeft Hij in de Kerk
gedaan voor het leven der ziel. Jezus Chris-
tus de Godmensch, haar Bruidegom , »heeft
ziclizelven geschonken als het zekerste heil-
middel tegen den dood der zielen (Aug.); Hij
is het Brood d es L e ve n s; Hij geeft ons brood,
dat van den hemel afkomt, opdat al wie
daarvan eet, niet sterve." Ut si quis ex ipso
manducaverit, non moriatur
(Joan.).
4. Onboetvaardige zondaar, vleit gij u mis-
schien, dat het H. Sacrament des Altaars ook
voor uwe ziel het brood des levens zal zijn,
en haar zal bevrijden van het eeuwig ver-
derf, van dien tweeden dood, gelijk de H.
Joan nes het noemt? Weet wel, dat het niet
de spijs is der verworpelingen, maar der uit-
verkorenen ; niet het voedsel van de kinderen
des duivels, maar van de kinderen Gods.
Frumentum electomm; vere panis filiorum.
»Het is daardoor, zegt de H. Cyprianus, dat
de kinderen van belofte in de vriendschap
huns Vaders en in het goddelijk kindschap
tot het einde volharden"; dat zij leven in ge-
rustheid zonder vrees voor den tweeden dood,
dien gij met groote schreden te gemoet loopt.
-ocr page 55-
53
Gij hoort mij niet gaarne aan, als ik u spreek
van eene spijze voor het leven der ziel. Ecu
vleeschelijk mensch waardeert niet de zaken,
die den geest aangaan. Sprak de Zaligmaker
u van een brood, welks kracht het lichaam van
den dood zou kunnen bevrijden en het altijd
gezond, jeugdig, frisch en sterk behouden,
dan zoudt gij daarnaar even gretig zijn als
de Joden. Deze namen de uitdrukking van
Christus, toen Hij hun sprak van het Brood
des Levens, op in een vleeschelijken zin, en
zeiden tot Hem : »Heer, geef ons altijd dat
brood." Gij zijt niet minder vleeschelijk dan
zij ; want gij mishaagt uw Schepper om uw
vleesch te voldoen. Wat zoudt gij gaarne hier op
aarde eeuwig leven om u in lichamelijke lus-
ten eeuwig te vermaken. Maar of gij wilt of
niet, sterven zult gij. Maar welk een dood!
Zoo gij voortgaat met volgens uw oude ge-
woonte te leven, wat hebt gij dan anders te
wachten dan een rampzaligen dood, gelijk
aan dien van den rijken en onbarnihartigen
mensch, dien de H. Lucas verhaalt, dat in
de hel begraven is. De hel zal eveneens uw
graf zijn. Daar zult ook gij tot Jezus Christus
kunnen roepen en Hem bidden, dat Hij de
pijn der vlammen met een druppel van Zijn
dierbaar Bloed verzachte; want een enkele
druppel u geschonken ware zeker genoeg om
-ocr page 56-
54
de pijnen der hel niet alleen te verminderen,
maar geheel te verdrijven. Doch de Zalig-
maker zal u laten roepen en bidden. Zoo
menigmaal heeft Hij u geroepen en uitgenoo-
digd om Zijn heilig Bloed te drinken; toen
hebt gij Hem den rug gekeerd en Hem laten
roepen en nooden; op den dag uwer verwer-
ping zal Hij ook u den rug en niet Zijn aan-
gezicht toonen. Dorsum et non faciem osten-
dam eis in die perditionis eorum
(Jerem.
XVHI, 17).
-ocr page 57-
T7-II.
De veelvuldige Heilige Communie.
1. Christen, ik heb u de wonder vol Ie kracht
van het Goddelijk Lichaam en het dierbaar
Bloed van Jezus Christus om het leven der
ziel te onderhouden, uit Zijne eigene woorden
aangetoond. Vraagt gij mij nu, hoe het komt,
dat zoovelen de liefde en de vereeniging met
God, waarin het bovennatuurlijk leven bestaat,
hebben verloren na eerst het H. Sacrament
des Altaars naar belmoren en met vrucht
ontvangen te hebben; dan zal ik u gaarne
antwoorden. Maar zeg mij eerst eens, hoe het
komt, dat Adam, die toch wel de vrucht van
den boom des levens zal gegeten hebben, toch
den dood des lichaams is gestorven. Gij zult
zeggen, dat hij zich door eigen vrijen wil den
dood berokkend heeft; omdat hij zichzelf door
eene vrijwillige zonde van den boom des levens
beroofd heeft. Welnu zoo antwoord ik u, dat
elke christen, die na eene goede en heilige
Communie niet standvastig is geweest in het
goddelijk leven, door eigen schuld zijne ziel
gedood heeft; omdat hij door vrijwillig te
-ocr page 58-
56
zondigen de invioeiing heeft verijdeld der da-
delijke genaden, die uit kracht en volgens
eisen van dit H. Sacrament door den H. Geest
tot volharding worden gegeven. Daar is echter
een aanmerkelijk verschil tusschen Adam en
den christen na het bedrijven der zonde. Want
Adam heeft na zijn val den boom des levens
niet meer kunnen gebruiken; God heeft hem
den weg daartoe voor immer afgesneden. Maar
de christen kan tot het brood des levens we-
derkeeren, hoe dikwijls hij ook gezondigd heeft.
De weg tot dat versterkende brood is de
biecht. Deze doet de doode ziel herleven en
stelt haar in staat om, door de spijs en den
drank van het eeuwig leven, opnieuw frisch
en krachtig te worden en haar vernieuwd leven
te behouden. Zoo goed en genadig is onze
Godmensen Jezus Christus, dat Hij den mensen,
die door de doodzonde Zijn Lichaam wederom
heeft gekruisigd en Zijn Bloed vertreden, vol
goedertierenheid weer uitnoodigt om Zijn
Vlcesch te eten, Zijn Dloed te drinken en het
eeuwig zalig leven eindelijk te bekomen. Za-
ligmaker als Hij is, wenscht hij uit barmhar-
tigheid , dat wij Zijne heilmiddelen gebruiken
om zeker zalig te worden. Hij is het leven:
Ego mm vita; Hij wil niet, dat wij den eeu-
wigen dood smaken, maar dat wij eeuwig door
Hem en in Hem leven. Nolo mortem mori-
-ocr page 59-
57
entis, dicit Dommus Deus; revertimini et
vivite.
(Ezecli. XVIII. 32.)
2.  Wij weten niet, hoelang Adam , als hij
niet gezondigd had, in liet aardsche paradijs
zou geleefd hebben, voordat God hem in den
hemel had opgenomen. Maar daar is niets tegen
de vooronderstelling, dat hij door Gods goed-
heid verscheidene jaren in dien lusthof zou
gebleven zijn om zijn Schepper langen tijd van
ganscher harte te beminnen, te aanbidden, te
loven, te danken, te dienen en aldus meer ver-
diensten tot grootere glorie te vergaderen.
Perseverantia in bono proficiens. In die voor-
onderstelling meent de Engelachtige Leeraar,
dat hij zeer dikwijls van den boom des levens
zou gegeten hebben. Want zijn lichaam was
ook in den oorspronkelijke)! staat van nature
bederfelijk. Hij kon het onbedorven houden
door de heilzame vrucht van dien boom; maar
die vrucht had niet zulk eene kracht, dat het
genoeg was haar eene enkele maal te genie-
ten oin het bederf des vleesches voor langen
tijd tegen te gaan. Met de andere spijzen had
zij dit gemeen, dat zij van tijd tot tijd moest
gebruikt worden, vooral bij het naderen van
den ouderdom.
3.  Het allerheiligste Sacrament des Altaars
is voor de volharding van het geestelijk leven
minstens even heilzaam als de bedoelde boom
-ocr page 60-
58
voor de bewaring van liet lichamelijk leven.
Het is gelijk wij weten oneindig waardig en
voortrellelijk. Nochtans het heeft den Zalig-
maker behaagd de uitwerking zijner kracht te
beperken, en te regelen naar de mate van de
godsvrucht van den mensch, die het ontvangt.
»Dit II. Sacrament, zegt de H. Thomas, wordt
ons onder de gedaante van voedende spijs ge-
geven, om daardoor te kennen te geven, dat
de kinderen Gods dikwijls tot de II. Communie
moeten naderen; opdat hunne ziel standvastig
tot het einde toe vurig blijve in de heilige
liefde, en het goddelijke leven door langdurige
verwaarloozing van het goddelijke voedsel niet
verliezc." De ondervinding leert, dat het li-
chaam door de kracht der natuurlijke hitte
dagelijks iets verliest, en daarom dikwijls met
spijs en drank moet gevoed worden tot herstel
der verlorene stollen. Zoo moet ook de ziel
zich dikwijls met het heilig Lichaam en het
dierbaar Bloed van haren Zaligmaker verkwik-
ken, en zich in de vorige innigheid der liefde
herstellen. »Want de hitte der begeerlijkheid,
<lie door de vonk der zonde ontstoken wordt,
maakt, dat ook onze geest dagelijks iets ver-
liest door dagelijksche fouten." Die groote
leeraar erkent, dat de dagelijksche zonde de
ziel noch van de heiligheid, noch van de deugd
van liefde berooft; maar het hoogwaardig Sa-
-ocr page 61-
59
crament, gelijk hij verder doet opmerken,
vermeerdert niet alleen de rechtvaardigende
genade en de ingestorte liefde, maar het ont-
steekt ook in het hart de devotie, de warmte
der liefde, fervor cliaritatis, en neemt de da-
gelijksche zonde weg. »Deze zonden, zegt hij,
strijden niet tegen de liefde, in zoover zij in-
gestort is of eene gesteltenis is der ziel; maar
zij schaden de warmte der liefde , die in dit
Sacrament wordt opgewekt, en doen hare vu-
righeid verminderen." Hoe langer men vrij-
willig uitstelt het Allerheiligste te ontvangen;
des te meer neemt doorgaans het aantal dier
zonden toe en derhalve doet men de ziel des
te meer in de liefde verllauwen. Daardoor
neemt het vertrouwen van in Gods vriendschap
tot het einde toe te volharden op eene bekla-
genswaardige wijze steeds meer en meer af
en verdwijnt bijna geheel om het gevaar, dat
er bestaat, van ten laatste door te groote
lauwheid of zwakheid onder groote kwellingen
of bekoringen tot doodzonde te bezwijken. Spi-
rüualiler autem quotidie aliquid in nobls
deperditur ex calore concupiscnntice per pec-
cata venialia, quce diminuunt fervorem cha-
ritatis.
(S. Thomas.)
4. Wij zijn op deze wereld als pelgrims;
-wij hebben hier geen vaste woonplaats: wij
haken naar eene betere, wij reizen naar het
-ocr page 62-
uo
hemelsch vaderland. De reis is lang en moei-
lijk, de weg gevaarlijk, zoowel om de menigte
vijanden en belagers als om onze natuurlijke
zwakheid. Het zou ons onmogelijk zijn de reis
tot het einde toe gelukkig te volbrengen, als
de goedertieren Zaligmaker ons niet wel be-
zorgd had. Welnu Hij heeft het allerheiligste
Sacrament ingesteld; opdat het ons een voedsel
zij, dat ons op de reis versterkt en verkwikt,
en opdat het ons tevens diene tot wapening
tegen onze vijanden. Zoo wij het op zijn tijd ont-
vangen, zijn wij onsterfelijk en onverwinnelijk.
De H. Petrus vermaant ons, »dat de duivel,
onze erfvijand, rondloopt als een brieschende
leeuw, zoekende wien hij zal verslinden."
(I Pet. V. 8.) Laat hem rondloopen zooveel
hij wil, wij behoeven hem niet te vreezen: hij
kan niemand verslinden tenzij dengene, die
zelf verslonden wil worden. Wapent u tijdig
met het II. Sacrament, raadt ons de H. Ephrem
aan; »zoo gij het Lichaam van Jezus Christus
eet, en Zijn Bloed drinkt, eet en drinkt gij
vuur," namelijk het vuur der heilige liefde.
Want dit Lichaam en Bloed zijn vereenigd
met het eeuwig Woord, wiens wezen liefde is
en «lat de Liefde voortbrengt. Verbum spirans
amorem.
(S. Thomas.) Door dit vuur worden
wij sterk, moedig, vurig en verschrikkelijk
voor den helschen leeuw. Tomquam leones
-ocr page 63-
61
ignem spirantes, diabolo terribiles. (Chry-
sost.)
5. Wij hebben van den helschen geest niet
zooveel te vreezen als van onze inwendige
vijanden. De liefde tot de wereld, de liefde tot
het vleesch en de lichamelijke lusten, de on-
geregelde liefde, waardoor wij ons zelve te
veel en onzen naaste te weinig beminnen, zijn
de grootste en meest gewone oorzaken van
onze zonden en van den dood der zielen. Maar
het allerhoogwaardigste Sacrament des Altaars,
»het Sacrament van liefde," gelijk de II. Tho-
mas en andere heilige leeraars het noemen,
overwint alle verkeerde liefde. Gelijk de slang,
waarin de roede van Aaron veranderd was,
alle slangen verslond, die de Egyptische too-
venaars door geheime en bedrieglijke kunsten
te voorschijn riepen, zoo vernietigt dit Sacra-
ment elke giftige en schadelijke liefde, of
maakt haar zoo krachteloos, dat zij den vrijen
wil van den merisch, die het op tijd ontvangt,
niet vergiftigt, noch zijne ziel doodt. Het is
het zekerste behoedmiddel tegen het venijn der
booze neigingen. »Het verwekt in ons hart de
allerheiligste liefde en de allerzuiverste nei-
gingen en begeerten," waardoor wij over de
ongeregelde eigenliefde, over de liefde tot de
wereld en het vleesch, en over alle kwade be-
geerlijkheden der bedorvene natuur volkomen
-ocr page 64-
62
zegevieren. Arnorns sacralissimos et concupis-
centias immaculatlssimas excitat.
(Guill. Paris.)
6.  Vooreerst het ontsteekt in ons een steeds
vuriger liefde tot den Godmensen Jezus Chris-
tus, tot Zijne godminnende Ziel, tot Zijn bran-
dend Hart. 0 Jezus, riepen eertijds de IIH. Rer-
nardus, Laurentius Justinianus, Thomas a
Villanova en andere heiligen uit; o Jezus, waar-
om bemint Gij mij zoo zeer! Uwe liefde is
mateloos, zij is waarlijk te groot. Deed mij
het geloof IJ niet kennen als de eeuwige wijs-
hcid en de oneindige gerechtigheid , ik zou
meenen, dat het tegen alle reden in is een
nietig schepsel gelijk ik zoo zeer te beminnen.
"Ware ik een Godmensch gelijk Gij zijt, Gij
zoudt mij geen grooter liefde kunnen bewijzen
dan Gij mij, die niets meer dan mensen ben,
bewezen hebt, en nog voortdurend bewijst met
mij Uw Goddelijk Lichaam tot spijs en Uw
Goddelijk Bloed tot drank te geven! Uw god-
delijke woord alleen doet mij U kennen en
huldigen als zulk een minnaar; anders zou
ik nooit hebben gedacht, nooit hebben kunnen
denken, dat zulk een goedwillige, zulk een zoet-
liartige, zulk een weldadige Jezus mogelijk was.
Quomodo me amas, o bone Jesu! Amor tuus
vere nimius est, nescit habere modum.
(Bern.)
7.   Hetzelfde Sacrament vergroot ook de
liefde tot God den Vader, die Zijn eeuwigen
-ocr page 65-
G.3
Zoon uit goedertierenheid en barmhartigheid
tot ons gezonden heeft om menscli te worden,
om voor ons te lijden en te sterven en ons
te voeden met Zijn Vleesch en Bloed. Het
vermeerdert eveneens de liefde tot den II. Geest,
ilen Bruidegom van Jezus\' Moeder, rnet Wiens
medewerking Hij het brood des levens, ons
voedsel, in en uit haar maagdelijk lichaam
gevormd heeft. Het is in alle opzichten het
geheim der liefde, Sacramentum pietatis
(S. Thom.). Het verruimt het hart door de
vermeerdering van de kinderlijke liefde tot den
dricvuldigen God als onzen Vader, en van de
broederlijke liefde der kinderen Gods, waardoor
zij elkander liefhebhen en samen in vrede en
eendracht leven als wettige zonen der H. Drie-
vuldigheid en ware medebroeders van den
Godmensen. Daarom wordt het door den
H. Augustitius genoemd »het geheim van vrede
en eendracht." Mysterium jiacis et unitatis.
8. Wekt dit Sacrament in ons de broeder-
lijke liefde op tot alle christenen , hoeveel te
meer ontsteekt het onze harten van het vuur
der kinderlijke liefde tot de allerheiligste Maagd
Maria. Wie bestaat ons na de drie Goddelijke
Personen nader dan de Moeder van God en onze
Moeder? En tot welk schepsel zal onze lieve
Zaligmaker, onze minnende Broeder, die ons
door Zijn Lichaam en Bloed alle heilige liefde
-ocr page 66-
6i
instort, onze zielen liever en vuriger doen
vlammen dan tot de allerreinste en allerwaar-
digste Maagd, uit wie Zijn Lichaam en Bloed
maagdelijk is voortgekomen.\' Hij, die door de
inatelooze zoetheid harer maagdelijke moeder-
melk als dronken, zoo teeder en zoo sterk
aan haai\' gehecht was, dat Hij zich, gelijk
de H. Ambrosius schrijft, geen oogenblik zon-
der geweldigen tegenstrijd des harten van
hare tegenwoordigheid kon afscheiden, zal Hij
ook ons niet door het heilig Sacrament van
liefde zoetelijk dronken maken en ons aan
onze allerliefste Moeder, die ook Zijne Moedor
is, zoo teeder en vurig mogelijk doen hechten
door steeds meer onze kinderlijke liefde te
vergrooten, vooral wanneer wij op het oogen-
blik dei\' H. Communie Hem om die vermeer-
dering der liefde vragen? En wie zal er niet
gaarne om vragen, zoowel uit eerbied voor
die voortrell\'elijke Maagd als uit liefde tot
zichzelven ; dewijl de groote en gestadige liefde
tot haar een allerzekerst teeken is van uit—
verkiezing tot een gelukkigen dood en eene
zalige eeuwigheid! Niemand weet beter dan
de Zaligmaker zelf, welke de veiligste mid-
delen zijn ter zaligheid. Welnu Hij geeft ons
door dit H. Geheim genoegzaam te kennen,
dat Hij in ons eene dankbare gedachtenis aan
Zijne lieve Moeder en eene groote achting en
-ocr page 67-
03
genegenheid tot haar vordert. Immers Hij liad
een Sacrament kunnen instellen, waarin Zijne
heilige Ziel onder zichtbare gedaante onze
levensspijze zou geweest zijn. Misschien schijnt
liet zelfs voegzamer, dat een geestelijk voedsel
zijne kracht ontloene aan iets, wat geest is-
Maar neen, het heeft Hem behaagd de sacra-
menteele kracht om onze ziel tot een zalig
leven te voeden, niet in Zijne ziel te plaatsen,,
maar in Zijn heilig Lichaam, derhalve in iets,
wat Hij van Zijne lieve Moeder had ont-
vangen. »Hij heeft het vleesch ontvangen uit
het vleesch van Maria, zegt de H. Augustinus,
en datzelfde vleesch van Maria heeft Hij ons
ter zaligheid te eten gegeven." De carne
Manos carnem accepit, et ipsam carnem Ma-
rice nobis manducandam ad salutem dedit.
Nu laat ik u zelf verder bedenken , christen,
welke eene dankbaarheid en welk eene we-
derliefde gij geheel uw leven, maar bijzonder
op het oogenblik der II. Communie, verschul-
digd zijt aan de allerbeminnelijkste en aller-
mildste Maagd, »die uit het binnenste van haar
onbevlekt lichaam voor u de spijs der zalig-
heid heeft voortgebracht." De intemeratw
earnis suae visceribus cibum . nobis protulit
nnimarum.
7.AL IK VOLHARDEN?                                               5
-ocr page 68-
VIII.
De veelvuldige H. Communie verzekert
onze volharding.
i. Wij lezen nergens, dat God aan Adam
en Eva lieeft te kennen gegeven, wanneer
en hoe dikwijls zij in eene week, in eene
maand, in een jaar van den boom des levens
moesten eten, om alle zwakheid en ook den
dood des lichaams onfeilbaar zeker te voor-
komen. Zeer waarschijnlijk heeft Hij aan
hunne wijsheid en vrije keuze overgelaten,
wanneer zij de vrucht des levens zouden ge-
bruiken. Al hadden zij duizenden jaren in het
aardsche paradijs moeten blijven, het natuur-
lijk verlangen om het lichaam altijd even
frisch, even krachtig, even schoon te bewaren,
had hen genoegzaam gedrongen om alle dagen
van den boom des levens te eten ot] ten
minste niet zoolang daarmee te wachten, dat
het uitstel gevaarlijk werd. Hunne lichamen,
door God zelf zonder medewerking van
eenig schepsel gevormd, waren ongetwijfeld
zeer schoon. En al staat de lichamelijke
schoonheid oneindig ver achter bij de boven-
-ocr page 69-
67
natuurlijke schoonheid der ziel, toch is zij,
gelijk de H. Augustinus zegt, eene gave Gods.
Dit doet mij meenen, dat, ofschoon Eva van
eene te langdurige onthouding van de bedoelde
vrucht niets anders te vreezen had dan rim-
pels op het voorhoofd, zij nochtans dikwijls
genoeg er van zou gegeten hebben om de
schoonheid van haar gelaat niet te vermin-
deren. Ook twijfel ik er niet aan, of Adam
zou dezelfde vrucht menigmaal gebruikt heb-
ben ter voorkoming van rimpels, die hem aan
zijne gemalin minder behaaglijk zouden ge-
maakt hebben. En die voorzorg was in hen
volstrekt niet te laken. Maar hoeveel rede-
lijker en passender is het dan , dat wij zeer
dikwijls tot de H. Communie naderen om aan
onzen lieven Zaligmaker en aan geheel de
HL Drievuldigheid behaaglijker te worden.
Want liet Brood des Levens bewaart niet
alleen de ziel krachtig, jeugdig, ongerimpeld
sine ruga; maar verhoogt ook altijd meer
hare schoonheid en lieflijkheid naarmate men
het menigvuldiger godvruchtig ontvangt. Zeer
juist zegt de H. Thomas: ïindien de mensch
nooit zondigde, dan zou hij de biecht niet
noodig hebben; maar het allerheiligste Sacra-
ment des Altaars zou toch voor hem nood-
zakelijk zijn tot geestelijk voedsel"; opdat
zijne ziel altijd sterk, ijverig en vurig zou
-ocr page 70-
08
blijven om haren Schepper zoo volmaakt te
beminnen en te dienen, als het een schepsel,
dat Hij uit zuivere liefde tot Zijn kind heeft
aangenomen, uit wederliefde en dankbaarheid
betaamt. Nisi homo peccaret actualiter, pce-
nitentia non indigeret; indigeret tarnen Eu-
charislia , quce est spiriluale nutrimentum.
2.
Onder alle voorteekenen van een zaligen
dood ken ik geen zekerder dan het vurig
verlangen naar de H. Communie. Maar hoe
dikwijls moet men noodzakelijk te Communie
gaan om daardoor zeker tot het einde toe in
de goddelijke liefde te volharden ? Dat weet
ik niet. Wie zal daarvoor een algemeenen
regel, die voor iederen geloovige geldt, aan-
geven ? Gelijk de drievuldige God voor Adam
en Eva niet den tijd bepaald heeft, waarop
zij van den bekenden boom noodzakelijk moes-
ten eten, wilden zij de frischheid van hun
lichamelijk leven bewaren; zoo heeft de Za-
ligmaker niet uitdrukkelijk gezegd, hoe dik-
wijls wij ons met Zijn Goddelijk Lichaam en
Bloed noodzakelijk moeten voeden om het
geestelijk leven standvastig te behouden. Om
de bedorvenheid hunner natuur hebben alle
geloovigen heilmiddelen noodig tegen de zonde;
maar dewijl niet allen even zwak zijn , niet
allen even geneigd tot het kwaad, daarom
kan men onmogelijk bepalen : dit of dat tijd-
-ocr page 71-
69
stip is voor allen even noodzakelijk om liet-
zelfde heilmiddel te gebruiken. Iedere geloo-
loovige kent het best de kwalen en de ge-
steltenis zijner eigene ziel en kan dus, zoo
hij verstandig is, beoordeelen, wanneer liet
tijd is, om zich door het II. Sacrament te
verkwikken en te versterken. Is hij misschien
niet tot zulk een oordeel in staat; dat hij
dan zijn gewonen biechtvader, den geestelijken
geneesheer van zijn geweten, daarover raad-
plege en doe, wat deze hein zegt of\' beveelt.
Voorzeker de wijsste leeraars wenschen, ge-
heel in den geest der Kerk, dat de christen
zoo dikwijls nadert tot de H. Communie als
het volgens zijn staat gevoeglijk geschieden
kan. »Dat Sacrament, schrijft de H. Thomas,
wordt ons gegeven onder de gedaante van
eene spijze, die wij dagelijks eten, en was
öok eertijds voorafgebeeld door het manna,
dat alle dagen aan het volk van Israël werd
toegedeeld." Waarom ontvangt gij het dan
niet alle dagen, als gij geen gegronde rede-
nen hebt om het niet dagelijks te ontvangen?
stiet is onsdagelijksch brood; wij vragen het
dagelijks in het gebed des Heeren", zegt de
H. Cyprianus; welnu eet het dan dagelijks.
Het is hemelsch brood; het is het brood der
kinderen Gods; het is het zoetste en tevens
het heilzaamste brood; het baat u altijd, wan-
-ocr page 72-
70
neer gij liet eet, voor de volharding in de heilige
liefde en voor meerdere bevestiging uwer za-
ligheid. »Eet het dan dagelijks, zegt de H. Au-
gustinus, opdat het u dagelijks bate." Accipe
quotidie ut tibi quotidie prosit.
3. Deze uitspraken richtten de HH. Vaders
niet tot alle christenen zonder onderscheid,
maar alleen tot de godvruchtigste , die dage-
lijks of\' bijna dagelijks tijd en gelegenheid
hebben om zich tot de nuttiging van het lirood
des Levens goed voor te bereiden, en het met
betamelijke zuiverheid des harten en behoor-
lijke liefde te ontvangen. In de eerste Kerk
was het de gewoonte om dagelijks tot de
H. Communie te naderen. Hieruit kan jmen
wel afleiden, dat de eerste christenen zeer
heilig leefden en niet belast waren met moei-
lijke ambten of\' vele bezigheden , die de da-
gelijksche Communie doorgaans verhinderen.
Daaruit blijkt ook , dat zij de standvastigheid
hunner liefde tot Christus op de zekerste wijze
bevestigden. Maar daaruit volgt niet, dat wij
thans de dagelijksche Communie noodig heb-
ben om tot het einde toe in de vriendschap
met God te volharden. Wie toch zal de groote
menigte tellen van godvruchtige, voorbeeldige,
uitverkorene christenen, die langen tijd tot
den dood toe standvastig zijn geweest in de
heiligheid, ofschoon zij, door overmaat van be-
-ocr page 73-
71
zigheden en beslommeringen verhinderd, niet
meer dan eens in de weck, velen hunner niet
meer dan eens in de maand, sommigen slechts
op de hoogtijden en op de voornaamste feesten
van de H. Moeder Gods, zich met het H. Sa-
eramont des Altaars gevoed, versterkt en gc-
wapend hebben.\' De geloovigen zijn onder paus
Fabianus slechts verplicht geworden om op
de drie hoogste feesten van het jaar te com-
municeeren, en ook die kerkelijke wet is on-
der ïnnocentius III ingetrokken: wij allen
kennen het gebod der jaarlijksche Communie
omtrent Paschen. Maar gelijk de eerste Kerk
door hare gewoonte van dagelijks te commu-
niceeren geenszins verklaarde, dat de dage-
lijksche Communie strikt noodig is om van
den eenen dag op den anderen in de heilig-
heid te volharden ; zoo verzekert dezelfde Kerk
thans niet, dat het voor alle geloovigen genoeg
is eens in het jaar het Brood des Levens te
eten om van het eene jaar op het andere
standvastig in de goddelijke liefde te blijven.
Wel wil ik aannemen, dat de Kerk vele hei-
ligen telt, die, werden zij in de onmogelijkheid
gesteld dit heilzaam brood te nuttigen, zonder
het genot van die spijs niet slechts een jaar,
maar vele jaren lang, op het voorbeeld van den
H. Paulus den Kluizenaar en anderen, in de
vriendschap Gods standvastig zouden blijven.
-ocr page 74-
72
Maar ik geloof ook, dat zij dan de zuiverheid
des harten en de vurige liefde tot Jezus Chris-
tus zouden trachten te behouden door de gees-
telijke Communie, die bestaat in een oprecht
en vurig verlangen om het H. Lichaam en
het H. Rloed des Zaligmakers te ontvangen
tot inniger vereeniging van ons hart met liet
Zijne. Door zulk een verlangen kunnen wij,
volgens de uitdrukking van den H. Thomas,
in Christus veranderd worden en aan Hem
worden vastgehecht. Dat is voorzeker een zeer
troostrijk middel voor alle godvruchtige zielen,
die om ziekte of andere beletselen de H. Com-
munie niet zoo dikwijls kunnen genieten als
de brandende liefde , waarvan zij voor Jezus
Christus gloeien , hen doet wenschen. 1\'otest
nliquis in Chrislum mutari et ei incovporari
mto mentis, etiam sinc hujus Sacramenti per-
ceptione.
(S. Thom.)
4. Hoe volmaakter gij u tot de H. Com-
niunie voorbereidt, des te meer sterkte geeft
zij u om in de hciligmakende genade te vol-
harden. Waarin de volmaaktste voorbereiding
bestaat en hoe gij uw honger naar het Brood
des Levens kunt vermeerderen, wil ik hier
niet verder ontwikkelen. Alleen wil ik u nog
vermanen, dat gij het allerheiligste Sacra-
raent altijd ontvangt met eene liefde zoo vurig,
als u dooi- de goddelijke genade maar mogelijk
-ocr page 75-
T3
is. Hot is immers liet geheim van liefde. Het
is voor u uit matelooze liefde ingesteld. Het
is liet bewijs der grootste liefde, die de goe-
dertieren God u kan toonen. De vurigheid der
liefde is zijn uitwerksel, en het bevat het Li-
ehaam en het Bloed der ongeschapene en der
geschapene Liefde. Het bevat de Liefde zelve,
die de allerbeminnelijkste Maagd Maria in haar
maagdelijk lichaam met de menschclijke natuur
bekleed heeft. Is er dan iets betamelijker dan
dat wij de oneindige Liefde met alle moge-
lijke liefde ontvangen.\' O God geve , dat gij
uwe eerstvolgende Communie met zeer vurige
liefde begint en voltrekt; «want het Brood
des Levens vergroot de liefde in evenredigheid
met de liefde, waarmee men het eet. Eet gij
het met groote liefde, dan wordt uw liefde
door zijhe kracht ook grootelijks vermeerderd;
en hoe meermalen gij het met vermeerderde
liefde eet, des te meer wordt gij in liefde ont-
stoken, en tevens altijd beter voorbereid om
het op de volmaaktste wijze te eten." Hieruit
ziet gij duidelijk, dat gij aldus de volharding
in de heilige liefde ook altijd vaster en vaster
bevestigt, en tevens uwe hoop en uw vertrou-
wen verzekert van tusschen de armen van uwen
bovenal beminden Jezus in vurige, brandende
liefde tot Hem, tot Zijn eeuwigen Vader, tot
den H. Geest en tot de lieve Moeder Gods, te
-ocr page 76-
74
zullen sterven. Hunc cibum plus manducat
(jui plus amat; et plus amando rursus,
qui plus et plus manducat, et plus et plus
amat.
(Anselm.)
Ad Majorem Dei gloriam.
BIBLIOTECA
f co
NV. WIJCHEMS
kV «Rn. f»»r. mN.
-ocr page 77-
INHOUD.
Uladz.
I.  Onzekerheid van de volharding in de
genade ....... 5
II.  Oorzaak van de moeilijkheid der vol-
harding . .
               . . . .12
III.  Troost in de onzekerheid . . .17
IV.  Vertrouwen van te zullen volharden . 27
V. Het verzuim der biecht eene oorzaak
van onstandvastigheid . . . .42
VI. Het H. Sacrament des Altaars, een aller-
krachtigst middel voor de volharding . 4S
VII. De veelvuldige Heilige Communie . . 55
VIII. De veelvuldige II. Communie verzekert
onze volharding . . , - . .. (56
-ocr page 78-
■M---------------------------------------------------\'------------------■--------------------------------------------------\\
Hij tin. uitgevent iIpzus zijn mfiilf nersehenen en
alom verkrijgbaar:
GELOOF TAN DEN CHRISTEN.
Verhandeling voor ontwikkelde leeken.
Door A. v.\\x Gestel, S. .1.
Prijs: 00 cent.
Vroeg sterven ot\' Lang leven. Door
Caroltis Van don Abeele, S. J. Naar het Oud-
Vlaamsch opnieuw bewerkt door P.B. Bruin. S.J.
Gebrocheerd f 0.20.
Do God vreezend e Ziel en de D a g e-
lijksche Zonde. Door Caroltis Van den
Abeele, S. .1. Naar liet Oud-Vlaamsch opnieuw
bewerkt door P. J>. Bruin, S. J.
Gebrocheerd f 0.15.
In den strijd tegen de bekoringen.
Door Carolus Van den Abeele, S. .1. Naar het
Oud-Vlaamsch opnieuw bewerkt door P. B.
Bruin. S. .T.
                     Gebrocheerd f 0,12
Regelen en Statuten van de Iloof\'d-Con-
gregatie der H. Maagd te Rome en van de
overige met baar vereenigde Congrcgatiëu,
door den Z. Eerw. Pater Marijnen, S. J., uit
bet Latijn vertaald. — Het zijn letterlijk de
Regelen, die door den Algemeenen Overste
der Sociëteit van Jesus in 1855 opnieuw her-
Men en goedgekeurd zijn.
Gebrocheerd t. 0,10.
Verzameling van Gezangen voor
Congreganisten.
         Gebrocheerd f. 0,10.