-ocr page 1-
Vak 73
§
BLOEME
iet ilofke van lliith
Z E D
»
ENLESSEN
VOOK HET DAGELIJKSCB LEVEN
VAX IIKX
WERKMAN EN HET HUISGEZIN
ALS VERVOLG OP HET
BLOEMHOFKE VAN RITU
DOOR
Fpv p. VAN DEN ElSEN ,
Supprior der Abdij van Beme e» Rector run iet
(iiinniiix\'tum Ir lleenivijk.
Kerkelijk goedgekeurd.
t
DKUKKKKS en U1TWEVER8:
H. C. VAN DER AA & ZONEN,
OOSTERHOUT. (X.-lir.)
18!>4.
AéS&tAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
208
-ocr page 2-
mm >3 2 3y
-ocr page 3-
-ocr page 4-
<r
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000029505041B
2950 504 1
-ocr page 5-
^ sv
BLOEMEN
gCD
II
van
Zedenlessen
VOOR HET I» IGEL1JKS4 II LEVEN
VAN DEN
WI1KIAI II BET HUISGEZIN
MET
zes Leerreden over het Onderwijs
Fpv p. VAN DEN ELSEN,
Supprior der Abdij van Ben/e, Rector van het Gymnasium, te
Heestcijk, Lid van ile Mij der Ned. Letterkunde.
Kerkelijk goedgekeurd.
t
DRUKKERS en UITGEVERS :
H. C. VAN DER AA & ZONEN,
OOSTERHOUT (N.-Br.)
J jNJ v •
INS
W!
-ocr page 6-
Volgens art. 10 der Wet van 28 Juni 1881 ,
(Staatsblad No. 124) is het eigendom gewaarborgd.
VERGUNNING
van de Oversten der Orde van Premonstreit.
IMPRIMATUR.
Datum in Semin. Ypelaar hac 9 Aprilis 1804.
J. J. HOPSTAKEN,
Reg. Sem. Libr. Cens.
BlBLIOTH
•< DER
RIJKS\';
\'
ut;
COLL. Th
-ocr page 7-
GEACHTE LEZER.
Vooraleer gij aan dit boek begint , wenschte ik u even te
spreken. Mijn uitgever beweert bij /wogen en bij lagen, dat
het
Bloemhof ke van Ruth in den smaak i»gevallen. Baar
wij keel gaarne gelooven wat onze ijdelheid streelt en hij het
natuurlijk best weten kan, heb ik het maar voor echt en waar
aangenomen. Daarmede was hij echter niet tevreden; het
smaakt naar meer, zeide hij. IIij verlangde, dat ik nog andere
soortgelijke sielespijs leverde; trant hij meende te toeten, dat
zij veel nut zou stichten of veel gekocht zou worden , \'t geen
voor een uitgever op hetzelfde neerkomt. Ik heb mij laten
gezeggen; ik heb hem een aantal gerechten uit den ouden pot
toegezonden, op ééne voorwaarde, dat hij ze niet meer op eene
zoo ruwe schotel presenteeren zou. Aan dien wensch is nu voldaan.
Of ook de wensch van mijn lezer is vervuld f Zeker draagt
een groot deel van dit boek hetzelfde kleed als Ruth , name-
lijk:
het Torteltje, de beide Zwanen, het Boschje en de
Mollen. De overige kapittels zijn in een statiger kleed gesto-
ken, of wel omdat zoo\'n alledaagsch kostuum, daaraan niet
paste, of omdat een ander en deftiger kleermaker daaraan heeft
medegewerkt. Tot deze laatste behooren de kapittels
1, G, 7,
8 en 9. Al zijn de meeste meer dan tien jaren oud, zij zijn
toch niet uit de mode; alleen de toegift over de Mollen past
niet zoo goed meer aan den tegenwoordigen tijd. Doch daar
zal men ook nu
• nog nuttige opmerkingen aantreffen.
Het heeft veel voeten in de aarde gehad, eer voor zulk een
verscheidenheid Van stof en vorm, een algemeene naam , die
levens aan het
Bloem hof ke moest herinneren, gevonden was.
Hen mijner vrienden kreeg een gelukkigen inval; ik zou het
-ocr page 8-
kind (kopen : Bloemen, geplukt buiten het Hof ke van Ruth;
dan was aan alle eischeu voldaan. Waarlijk, hij hielp wij
uit den brand.
Bloemen maf/ ik zeggen; want zedenlessen voor het chris-
lelijk huisgezin , in zulk een gemeenzameu
, onder hondenden ,
hefderklinkenden en bevat feltj ken toon geschreven, kon ik toch
zeel bloemen hee/en. Anders had men ten minste moeten pro-
testeeren tegen den titel van het eerste boek.
Geplukt buiten het Hofke van Ruth. Kan het schooner,
om uit te drukken, dat dit tweede boekje met de geschiedenis
van Ruth niets te maken heeft, maar dat het toch een ooort-
zetting is van de zedenlessen, die hier in denzelfden trant als
ginds, worden voorgedragen.\' Waarlijk de uitvinder van dien
naam verdient een standbeeld.
Nu is hel wel waar, dal die bloemen ver, sommige heel ver,
buiten hel Hofke geplukt zijn , maar niemand zal kunnen
zeggen, dal de titel onwaarheid bevat. En mochten sommige
vitters beweren , dal de laatste kapittels en bijvoegsels eeue
geheel andere kleur hebben; zij moeten weten, dat er ook bloemen
zijn van verschillende vormen en kleuren, en alle niet even mooi.
Ten gerieve van hen, die hier coufereutii\'u of preekeu zoe-
keu
, laat ik hier eene lijst volgen van de plannen , die bij
het schrijven zijn uitgewerkt, die ten minste daaruit getrokken
kunnen worden.
Ten slotte de wensch , dat de voorspelling vervuld worde ,
dat het boekje veel nut stichte!
Hkeswijk, J\'aaschdag 1894.
Wie leest dit boek en maakt er geen,
Die lake \'t niet of inake ei* een!
-ocr page 9-
Plannen voor Conferentiën of Preeken.
Over de lectuur eu «Ie pers. 1. Invloed dei-
pers ten goede, maar vooral ten kwade bl. 7—10.
2.  Hoe die invloed ten goede moet geregeld 11 —13.
3.  Wat in werkelijkheid geschiedt. Algemeen be-
derf. Hoop op de Kerk 14—18. 4. In het lezen
en redetwisten over geloof en zeden moet de werk-
man voorzichtig zijn. Zie verder over de sluwheid
der romanschrijvers 82—8(3; alsook het Bloemhof ie
7—15.
Kalmte, ongerustheid, wroeging. 1. Over de
kalmte 22—23, alsook 40—51. 2. Ongerustheid en
bekommering door gehechtheid aan het aardsche
23—25. 3. Deze maken het leven bitter 25—26.
4.  Middelen daartegen zijn de nederigheid 28—29
en onthechting van alle ijdelheid en zonde 29—31.
5.    Neemt men deze middelen niet te baat, dan
volgt grooter en grooter onrust, gewetenswroeging
31—33, een ellendig leven 34, 35, een nog ellen-
diger dood 36, 37. Zie ook 90—91 en 104—108.
De Kiiischheid. 1. De kuischheid is eene schoone
en edele deugd 40—43. 2. Middelen om ze te bo-
waren d) eenzaamheid en huiselijkheid 44, 45, geen
uitgelatenheid 46. //) het onderzoek, biecht en coni-
munie 4(5, 47. c) gelegenheden vermijden 48, 49
53, 54 en 270, Bloemhofke 42—44. d) kalmte, geen
zielenangst, geen scrtipulen 49 —51. Zie ook 22,23.
-ocr page 10-
_ 2 — \'
IV.          »»• onkuischheid. 1. Zij is afschuwelijk 51—52.
\'2. 7a\\] kan gemakkelijk vermeden worden 53, 54. *
Zie ook 42—44. 3. Hare gevolgen zijn de grootste
gruwelen: huichelarij, schijnheiligheid, ergernis,
55, 56, waarover ook 105, 107.
V.            liet Huwelijk. 1. De eendracht maakt het
huwelijk a) schoon 59, 60, 73, b) sterk 61, c) ge-
lukkig 62. 2. Tweedracht maakt het a) ongeluk-
kig 63, 64, b) komt voort uit nietige oorzaken 65,
66, e) hoe die toestand is te dragen en te verbe-
. teren 67, 68. 3. Een ongelukkig huwelijk is de
grootste ramp, omdat het a) de gehuwden voor tijd .
en eeuwigheid ten gronde richt 69, 70, alsook b)
de kinderen 71, e) onverbreekbaar is 72. 4. Hoe
een ongelukkig huwelijk te voorkomen d) door een
goede voorbereiding, zie Bloemhofke 225—227, b)
door een persoon te kiezen van gelijken stand, enz.
77—79, c) door geen gedwongen huwelijk aan te
gaan 79—81 en 271, d) door in het huwelijk zelf
inschikkelijk te zijn 67, 68, 75, 76. Zie ook Bloem-
hofke
228—236.
VI.          Spaarzaamheid. De ijdelheid eischt vele noode-
looze uitgaven 87—91. Zie verder over de Weelde,
Bloem hofke 162 — 171.
VII.        Het buitenleven, de eenvoud. 1. Genoegelijk-
heid der bosschen en velden, vooral in den mor-
genstond 91—94 2. Bedrijvigheid 95, vroeg opstaan
96, geluk van den landman 97—99. 3. Ongedurig-
heid verderfelijk 100, Bloemhofke 137, 142. Stand-
vastigheid heilzaam 101 —103.
VIII.      Uithuizigheid. 1. De oorzaken 108—110. 2. On-
gemakken daarvan 110, 111. 3. Gevaren 111—113.
-ocr page 11-
— 3 —
Bloemhofke 57. 4. De middelen daartegen 115—110.
IX.          De mode in meubel* en kleed ing. In alles
heersclie een christelijke geest 11!\'—125. Zie IUocm-
lio/ke
151—154.
X.            De Kloosterorden. 1. Haar nut, haar werking
en kleeding 126—130. 2. Het gebed en de heilig-
heid in stille kloosters 1 HO—134. 3. Het onderwijs
en de liefdadigheid der kloosters 134—138.
XI.          De Paus. 1. Op welke wijze hij gevangen zit
13D—145. 2. Welke vrijheid hem toekomt|146—151
3. Waarom hij koning moet zijn 151 —158. 4. Hoe
is hij koning geworden 158—16(3. 5. Wanneer
Rome werd ingenomen en verwoest 166—170.
XII.        Besmettelijke ziekten. 1. Niet te vreezen 171
—173. 2. De oorzaken 174—175. 3. De middelen
175—177.
XIII.      Testament en. 1. Een testament maken is eene
gewichtige zaa.k. 2. Het geschiede op christelijke
wijze. 3. Voorbeelden 177—183.
XIV.       Aan het sterfbed. 1. Hoe men de stervenden
moet bijstaan 183 , 184. 2. Hoe men zich voor-
bereidde in de Middeleeuwen 184—186 3. Hoe
men de stervenden bijstond 186—180.
XV.         Leerreden of prceken over liet onderwijs.
1. De valsche wetenschap is eene onwetendheid en
eene dwaasheid 100—108. 2. Het neutraal onder-
wijs kweekt heidenen en wel onherstelbaar 180—
207. 3. De Kerk veroordeelt het godsdienstloos
onderwijs en waarom 207—214. 4. Het staatsonder-
wijs is het werk des duivels , ondermijnt geloof
en zeden 215—221. 5. Wat de wet der Natuur,
van God, van de Kerk en van het Land omtrent
-ocr page 12-
— 4 —
het onderwijs bepalen en kunnen bepalen 222—235.
6. Homelie voor den 2den Zondag na Paschen. De
ouders zijn herders en moeten goede herders zijn
236—244.
XVI.      De Liberalen. 1. Hunne hoedanigheden en hunne
werking 245—251). Zie Bloemho/ke 100—129.
2. Hunne huichelarij 257—267.
XVII.     Eenc Bekeei\'iiiKsgeschiedeniH. Fulco van Bern
en zijne eehtgenoote 268—281.
-ocr page 13-
BLADWIJZER.
Kav.                                                                            Blad/..
I.
Waarom ik niet ophoud te schrijven
7
-21
II.
Het arme Torteltj e
22
-37
III.
De Zwaan
37
—56
IV.
Twee Zwanen
56
—82
V.
Het Boschje
82-
-108
VI.
Buitenshuis
108-
114
VII.
Te huis
114-
-119
VIII.
Het Kruis en de Mode
119-
-125
IX.
De Kloosterorden
De nuttigheid der Kloosters
126-
-130
De stille Kloostei\'8
130-
-134
De onderwijzende Kloosters
134-
-138
X.
De Paus
Des Pausen Gevangenschap
138-
-145
Des Pausen Vrijheid
145-
-151
Des Pausen Koningschap
151-
-158
Wanneer werd de Paus Koning?
158-
-1G6
Rome is dikwijls overweldigd
16G-
170
XI.
Middelen tegen besmettelijke ziekten
171-
-177
XII.
Hoe moet ik mijn testament maken ?
177-
-183
XIII.
Hoe men in de Middeleeuwen stierf
183-
-189
-ocr page 14-
— 6 —
Leerreden over het Onderwijs.
Over de valsche Wetenschap                 190—198
Het neutraal onderwijs kweekt geen
Christenen, maar heidenen en zon-
daren                                                     198—207
De Kerk veroordeelt terecht het gods-
dienstloos onderwijs                             207—214
Oorsprong en verderfelijkheid van het
Staatsonderwijs                                    215—221
Over de Wetten in hetrekking tot
het Onderwijs                                       222—235
Homelie op het Evangelie van den
2den Zondag na Paschen, toegepast
op de opvoeding                                  236—244
TOEGIFT.
Liberalen en Mollen                                245—256
Witte Mollen                                           257—267
Fulco van Bern                                       268—281
Maria van Bern                                       282—284
Bij de plechtige eerste steenlegging van
het Gymnasium der Abdij van Bern e   285—286
Bij het vertrek der drie Eerw. Mis-
sionarissen van de Abdij van Berne
naar Noord-Amerika                           286—293
\'^SK*^^»^^
-ocr page 15-
I
EERSTE KAPITTEL.
Waarom ik niet ophoud te schrijven.
Beste lezer, daar kom ik alweer met een boek aan-
dragen. Als gij dacht, dat ik, na het lilocmhofke van
Ruth
rond\'gewandeld te hebben, niets meer wist en niet
meer schrijven kon, dan hadt gij de plank mis, zooals
gij aan dit boekje zien kunt. Ik steek mijn pen nog niet
in het dak. Waarom niet ? Dat zal ik u vertellen in dit
eerste kapittel. Maar ik moet, om de zaak goed uit te
leggen, een grooten omloop maken. Eerst moet ik u ver-
klaren, wat de gevolgen zijn van het schrijven en druk-
ken en lezen, en welk gebruik wij daarvan moeten maken.
Dan zult gij zien, dat de drukpers een moorddadig wapen
is. Toch moeten wij het hanteeren, om zelf niet vermoord
te worden: Dat leert ons het verstand, de ondervinding,
dat zegt Z. H. de Paus!
I.
Kleine oorzaken hebben soms groote gevolgen. Deze
spreuk riep ik. mij te binnen, toen ik in het leven van
Laurens Janszoon Koster de omstandigheden vernam die
aanleiding gaven tot de uitvinding der edele boekdruk-
kunst. Ofschoon buitenlanders het niet gelooven , wordt
toch in Nederland door velen verhaald en geloofd , dat
hij in den Haarlemmerhout wandelende , eenige let-
ters had gesneden uit schors van boomen en die in een
papier gewikkeld. Daar het juist regende en de schors
dus vochtig was, hadden die gesneden letters indrukken
op het papier achtergelaten ; en ziedaar den oorsprong
van de boekdrukkunst.
2 Tweede duel Ruth.
-ocr page 16-
Zou Laurens Janszoon er wel ooit aangedacht hebben,
dat die kleine ooi\'zaak zoo groote gevolgen zou bekomen
en dat hij door zulke nietige vinding eene macht in \'t
leven riep, die eenmaal de gansche wereld zou regeeren,
die machtiger en vermogender zou zijn dan alle keizers
en koningen te zanier, ? Hoe groot is lieden ten dage de
macht, welke die kunst ontwikkelt ?
Zij brengt eene gedachte, eene rede, eene overtuiging
op \'t papier, en in één oogwenk is deze gedachte over
de geheele aarde verspreid, door duizenden en millioenen
begrepen, bewonderd en aangenomen; allen gehoorzamen
aan \'t geen zij gelezen en gehoord hebben, vooral wan-
neer liet hun herhaalde malen, met redenen omkleed, is \'
Voorgesteld en ingeprent.
Zoo is dan de drukker of schrijver de beheerscher, en
de leider der gedachten, der woorden en handelingen van.
duizenden ; zoo is de pers de koningin der aarde. Geheel
de bekende werelddeelen doorreist zij, het geheele mensch-
dom bezielt en bewerkt zij.
          *
• Maar rust er op zulk een koningin ook niet een groo-
te plicht ? Heeft God haar zulke macht gegeven\', om die
te misbruiken ? Heeft Hij menschelijk vernuft zoo vinding-
rijk, zoo vruchtbaar gemaakt om tegen Hem op te staan,
of ook maar om zijne vruchten en bevindingen weg te
werpen? Neen, zonder twijfel neen. God gafdenmensch
zulk een alvermogend wapen, om de waarheid, om\' het
geloof te dienen, en om de logen, de dwaling te straffen,
te ontmaskeren, te vervolgen, te vernielen. Evenals alle
overige talenten, kunsten, wetenschappen, uitvindingen
tot Hem moeten teruggebracht worden, die er het bezit
van hoeft mogelijk gemaakt, die ze heeft geschonken om
er voordeel mee te doen voor ons eeuwig en tijdelijk
-ocr page 17-
—• 9 —
«geluk: zoo moet ook de schrijf-, lees- en drukkunst al-
leen strekken tot het einde, waartoe ons de goede Vader
des Hemels die macht geschonken heeft. Hij die twee
talenten tot aanwinst gekregen heett, moet er slechts
vier terughrengen ; maar die er vijf gekregen heeft, ver-
schijne met niet minder dan tien, wanneer er rekening
gehouden wordt.
De pers dus, de Doekdrukkunst moet de dienares des
Heeren, der waarheid, des geloofs, der H. Kerk zijn; den
waren godsdienst moet zij verdedigen, den kindei\'en der
katolieke kerk wapenen leveren ter bestrijding der logen,
de wankelenden en weifelenden opbeuren en sterken, de
getrouwen voeden en volmaken. Dit is haar dure en eenige
plicht, met vrucht kan zij ook alle ware wetenschappen
in bewaring nemen en verspreiden, de herinneringen aller
schoone ontdekkingen levendig houden, de werken van
\'t genie, de heldendaden van overwinnaars en beroemde
mannen vereeuwigen, kortom zij kan en moet de vorstin
der ware verlichting en beschaving zijn.
Doch wat doet zij ? \'t Is waar de katholieke pers, katho-
lieke geschriften en drukwerken volbrengen die plichten
op uitmuntende wijze, maar helaas ! zij zijn zoo gering
in getal en vinden dikwijls zoo weinig toegang bij velen,
terwijl de zedelooze, anticlericale, moderne, goddelooze
pers, die hare heiligste plichten met voeten treedt, overal
ingang vindt en gesteund wordt. Zij wordt wel geroemd
als de verspi-eidster der verlichting en beschaving, maar
door wie? En welke verlichtingen beschaving verspreidt
zij? Zij verricht dingen, die haar koninklijk kleed bezoe-
delen, hare koninklijke ki-oon onteeren, zij is een zielen-
moordenares. Hare trawanten telt zij bij duizenden, die
te harer beschikking dagelijks de gansche wereld door-
-ocr page 18-
— 10 —
loopen, om den spot te drijven met den driewerf heiligen
God en zijne geboden, om de boozen aan te hitsen in
hunnen feilen strijd tegen Gods H. Bruid , om onnoozelen
te misleiden en door hare zedelooze romans en verdicht*
sels de zielen van duizenden den doodelijken slag te geven-
Ik vraag het U : hoe zou de Koster der groote Kerk
van Haarlem van verontwaardiging gegloeid hebben, als
hij bij zijn leven zijn kunstproduct aanschouwd had,
gelijk het zich in onze dagen gedraagt ? Zou hij het
wangedrocht niet verafschuwen en knarsetanden van spijt
over zijne uitvinding, welke den heelen aardbol
heeft omgekeerd, het geheele menschdom heeft be-
dorven ? Maar ook, vraag ik u, wat denkt de Heer
der Heirscharen wel van dat vergiftig serpent, dat met
zijne scherpe venijnige tong de geheele schepping aansteekt
en met zijn woesten staart al wat goed en heilig is om-
verwerpt en verdelgt ? \'t Is waar, God zelf de bestuur-
der van alles, is ook de schepper der boekdrukkunst,
die Hem bijgevolg dienen moet, maar die Hem, ontrouw
is geworden ; want wie gaf aan \'t papier de kracht om
in gestelde vormen daar inkt op te vatten ? wie de pen
hare fijnheid ? wie den inkt zijne kleur en kracht, om
de geplaatste letters eeuwen lang op \'t papier te bewaren
wie eindelijk den mensch de gedachte om dit alles saam
te voegen en te verstaan, als \'t eenmaal gedrukt of ge-
schreven is ? God is het hoogste en opperste goed, van
Hem dus moet alle goed uitgaan, van Hem moet alles
afhangen, maar tot Hem moet ook alles terugkeeren.
Geen wonder, dat Z. H. Leo XIII en onze bisschop-
pen zoo dikwijls de geloovigen vermanen, om de geschrif-
ten, die hunnen plicht verzaken en nog anderen in den
opstand tegen God doen deelen, te bestrijden, en de
-ocr page 19-
— 11 —
goede boeken en bladen te helpen en te steunen.
II.
De pers, de boeken en bladen oefenen dan een grooten
invloed uit op de bewegingen der maatschappij, wier
geluk zij wel moesten bevorderen, maar welk zij helaas !
veeleer vertreden en vernietigen ; en ik geloof, dat het
beter ware, dat dit kind in zijne wieg ware gesmoord,
dat de boekdrukkunst nooit hadde bestaan, dat men er
van zeggen kon wat onze Heer van Judas zeide. Noch-
thans nu zij eenmaal bestaat, moeten alle krachten wor-
den ingespannen, opdat zij zich van het kwaad onthoude
en zooveel mogelijk de goede zaak, het geloof, de ware
wetenschap alleen diene.
Om tot dat doel te komen, moeten allen, die nog een
hart hebben voor het geluk der menschheid, de pers be-
machtigen, meester zien te worden van haren invloed,
door goede geschriften de kwade trachten te keeren,
om de verderfelijke uitwerkselen der laatste door de eerste
te weren en te verhinderen. Het is onze H. Vader de
Paus zelf, die dit bevestigt in zijne encycliek van 15
Febr. 1882 : ,. Voorts is het van grooten Invloed, zoo spreekt
hij, goede geschriften openbaar te maken en verre te versprei-
den.
Waarom moet er zooveel geschreven en gedrukt wor-
den ? waarom die geschriften zoo verre verspreid ? De
reden daarvan zijn de groote slagen, welke de H. Kerk
van dien kant te verduren heeft. Door slechte boeken
en couranten wordt zij aangevallen, gelasterd en verguisd,
door goede geschriften, boeken en bladen moet die blaam
worden gezuiverd, die smaad worden hersteld, die laster
worden vernietigd en weerlegd. Want, zoo vervolgt Z.
H. : „Zij div vervuld van haat de Kerk vervolgen, zijn gewoon
.haar door geschriften te bestrijden en deze als de geschihte
-ocr page 20-
— 12 —
en gevoeligste wapenen ie beschouwen. Van daar die droom
van afschuwelijke hoeken, van daar die ergerlijke en schan-
delijke dagbladen, wier uitbarstingen van woede noch de wet,
noch eenig gezag, welk ook verman ie breidelen. Der kerk en
den. Faux, ;oo gaat hij verder voort, .slingeren zij dagelijks
verwenschingen en valsche beschuldigingen naar het hoofd, en,
er zijn geen zoo ongerijmde of giftige meenigen, welke zij
niet .steeds zoeken te verspreiden."
Welk middel nu wijst
onze H. Vader aan tegen die schrikwekkende ergernis-
sen ? "Wat moeten de brave kinderen der H. Kerk doen,
om al die rampen te boven te komen ? Tegen dat kwaad,
zoo antwoordt onze geliefde vervolgde H. Vader, „tegen dat
kwaad, dat zoo groot is en nog dagelijks toeneemt, moet dus
met ijver een dam worden opgeworpen; men moet door ernstig
en nadrukkelijk handelen de menigte er toe brengen, het gevaar
te begrijpen en het als haar plicht te beschouwen van de lectuur
een verstandig gebruik te maken."
Buitendien, zoo gaat Z. H. voort, moeten geschriften
door geschriften wederlegd worden, opdat de kunst welke veel
onheil vermag te stichten, tot nut en welzijn der menseheid
worde aangewend, en van daar hulp kome, waar de giftige
pijlen gehaald worden."
Schoon ! het kan niet schooner !
en ik heb er niets bij te voegen dan om de aandacht
nog eens te vestigen op hetgeen Z. H. van de lezers zegt.
Van de lectuur, zegt ons aller Vader, moet een. ver-
standig gebruik gemaakt worden. Ja, is het plicht voor
hen, die kunnen, de pen te voeren tegen al die heillooze
schotsclvriften, dan is het ook plicht van de braven, om
die schrijvers te helpen, goede boeken en bladen te koo-
pen , opdat ze kunnen bestaan, voortgaan en alom
verspreid worden, dan is het ook plicht om niet alleen
de slechte niet te lezen, maar ook om de goede wel te-
-ocr page 21-
— 13 —
lezen. Hoort eens waarde lezers, de zoo merkwaardige
woorden van Christus\' Stedehouder: „Alle overigen echter,
zoo spreekt hij verder, die werkelijk run harte wenschen, dal
de kerkelijke en burgerlijke aangelegenheden met df hulp der
per* tot bloei geraken, moeten den geestesarbeid der schrijver*
mild ondersteunen, en hoe rijker iemand is, drs te ruimt re
Middelen mort hij hun doen toekomen. II uut de schrijvers h<i,-
ben recht op afzijdige ondersteuning, daar zonder deze hun, arbeid
of geene of slecht» onzekere vl\' geringe gevolgen kan hebben."
Ziedaar de hoogst belangrijke woorden van Paus Leo
XIII, die, wat ook het gezond verstand reeds leert, on-
bewimpeld verklaart, dat goede boeken en dagbladen
door alle mogelijke middelen in het leven geroepen, in
de wereld wijd en zijd verspreid en gelezen moeten wor-
den, „opdat van daar hulp home, waar de giftige pijlen gehaald
worden."
Wat nochtans het laatste, het lezen betreft,
dit is niet absoluut noodzakelijk, het is alleen noodig
voor hen (en ze zijn thans velen), die door dat lezen
alleen de voldoende kennis kunnen verkrijgen, om bij
voorkomende gelegenheden iederen dwaalgeest te woord
te staan en om door de spitvondige drogredenen zijner
kameraden of door het slechte voorbeeld der ongeloovige
wereld niet van zijn stuk te geraken en verleid te wor-
den. Ja ik durf zeggen, dat allen zoo ver het hunne
verplichtingen het toelaten, zoo ver zij beroepsbezigheden
niet verwaarloozen, verplicht zijn door het veelvuldig
aanhooren van de onderrichtingen in de kerk en ook
door het lezen van goede boeken zich te wapenen tegen
de sluwe aanvallen der over alles twijfelende wereld, om al-
dus het verspreiden der goede geschriften in de hand te wer-
ken en tevens hun eigen geluk te verzekeren. De Paus zegt:
„Van de lectuur moet een verstandig gebruik gemaakt worden."
t
-ocr page 22-
— 14 —
III.
Wat zou de H. Apostel Paulus doen, als hij op aarde
terugkwam ?
Ziedaar eene vreemde vraag, welke ik niet zou kun-
nen beantwoorden. Maar een groot Bisschop, Mgr. von
Ketteler z. g., heeft het voor mij gedaan. Hij gaf een
antwoord . dat de lezer niet verwachten zal : de groote
apostel zou ongetwijfeld een dagblad schrijven. Ja, vriend,
lach niet, een dagblad schrijven. En als gij dit opstel
gelezen hebt, zult gij niet meer lachen , dan zult gij
dien Bisschop gelijk geven.
Gij weet dat onze roemrijke Paus Leo XIII, vóór
een tiental jaren het schrijven van boeken en nieuws-
bladen met kracht en klem heeft aanbevolen. Wat doet
Paus Leo XIII zelf, om de dwalingen te bestrijden ,
waarvan onze eeuw zoo vol is ? Schrijft hij «iet ono|i-
hoiiuYIijk opstellen en brieven, welke de heele wereld
rondgaan ?
En moedigt hij niet alle schrijvers aan met
de woorden , die ik zoo dikwijls herhaalde : Bovendien
moeten geschriften door geschriften weerlegd worden, opdat van
de schrijfkunst, die zooveel onheil stichten kan, een goed
gebruik worde gemaakt en opdat vandaar hulp home, waar de
giftige pijlen gehaald worden ?
Begrijpt gij nu , lezer, waarom de H. Vader zooveel
schrijft en uitgeeft, en waarom ook de H. paulus het
doen zou ? Geschriften moeten door geschriften weerlegd
worden. Dezelfde wapenen, die onze vijanden met zulk
een heilloos gevolg hanteeren , om de Kerk afbreuk te
doen en om ons te verslaan , diezelfde wapenen moeten
wij gebruiken om hen terug te drijven.
Groot is de vloed van ongodsdienstige en zedelooze
boeken en geschriften, die He wereld in onze dagen over-
-ocr page 23-
— 15 —
stroomt. De driestheid , de sluwheid , de verwoedheid
onzer vijanden moeten ons beschamen, maar ook opwek-
ken en aanvuren ten strijde. Wat doen zij voor de kwade
zaak, voor de logen en laster, voor de zonde ? Hoe mat-
ten zij zich af, om ondeugd en goddeloosheid voort te
planten. Duizenden vrijmetselaars, die dag en nacht stu-
deeren en schrijven, om aan hunne schandelijke geschriften
een glimp van waarheid en glans te geven, om de ontucht
en het ongeloof smakelijk te maken en het rijk van
Satan uit te breiden, zoowel in het schoonste paleis als
in de armste hut.
Vijftien jaren geleden berekende men de verschillende
dag- en weekbladen , welke in de voornaamste landen
werden uitgegeven, als volgt: in ons vaderland worden
350 verschillende nieuwsbladen gedrukt, van welke zeer
velen iederen dag aan de deur hunner lezei-s verschijnen,
sommigen zelfs tweemaal per dag. In Duitschland telt
men er 5000, in Engeland 1700, in Frankrijk GOOO, in
Noord-Amerika 500 in de Duitsche, en ruim 8000 in de
Engelsche taal. Als wij dan bedenken, dat sommige dier
bladen door 100,000 inteekenaren gelezen worden, andere
door .")0,000 en velen door 20 a 30,000, en dat verreweg
het grootste gedeelte ongeloof en ondeugd in meer of
mindere mate bevordert, dat misschien geen zesde part
alleen voor deugd en waarheid strijdt en dat dit klein
gedeelte nog door weinigen gelezen wordt, o dan moeten
wij opschrikken van verontwaardiging over de woede
onzer vijanden en de bedorvenheid der wereld, dan moeten
wij uitroepen : Wee, wee der wereld om de ergernissen !
Als gij de verpletterende overmacht van het vijandelijke
leger aanschouwt, wordt gij dau niet, brave lezers, opge-
wekt tot strijdlust en tot heldenmoed , om <">f wel uwe
-ocr page 24-
— 16 —
talenten of wel uwe tijdelijke middelen te besteden ter
afwering en voorkoming van zooveel onheil ? Want al
beschikt de vijand over zulke wapenen , hij , hij heeft
slechts de logen, den laster en de ongeloovige en zedelooze
wereld tot bondgenooten ; wij, wij maken ons sterk door
den bijstand van den Almachtigen God , den Heer der
Heirkrachten. Hooren wij wat Leo XIII daarvan zegt
in zijn rondgaanden brief van den 15 Febr. 1882 : „ Wan-
neer aan dit beroep {van schrijven en goede schrijvers en hoe-
keu ie begunstigen) eenige onaangenaamheid verhouden is
,
wanneer een. strijd moet worden uitgevochten, dun moet men
dezen moedig wagen, daar er voor christenen geen verheve-
ner drijfveer tot het dulden van onaangenaamheden en moeie-
l ijk heden kan bestaan, dan te verhinderen, dat de godsdienst
door de goddeloozen worde gehoond. Want niet daarom heeft
de Kerk zonen gck/reekt en hen groot gehracht, dat zij, wan-
neer de tijd en dt nood het vordert van hen geetw hulp zou
kunnen verwachten, maar veeteer hiertoe, dat zij allen en een
iegelijk
het heil der zielen en de zaak des Christendoms
boven alle persoonlijke belangen stellen."
O schoone en waardige taal van onzen H. Vader. Door
zware otters en moeielijkheden, zegt hij, evenmin als door
de geweldige macht onzer vijanden moeten wij ons ont-
moedigen, want het geldt ons hoogste belang, het gees-
telijk en eeuwig geluk onzer zielen, het welzijn onzer
Moeder de H. Kerk, eener Moeder, welke ons met zoo-
veel zorg en teederheid heeft opgevoed , den schat des
geloofs, de waarheid, den vrede der ziel, de ware vrij-
heid, de hoop op een eeuwige vergelding heeft geschonken,
eene Moeder, die allen weldoet en zalig maakt, voor
wier belangen wij dus alles moeten veil hebben , alles
moeten opofferen.
-ocr page 25-
— 17 —
Al is de Satan machtig, machtiger is de Almachtige
God. Ook de Joden moesten , vooraleer bezit te nemen
van het beloofde land, sterke vijanden, stoute en krijgs-
haftige volkeren onderwerpen : deze steunden op hunne
wapenen, paarden en krijgswagens en werden uitgedelgd;
gene vertrouwden op den Heer, hunnen God en zij over-
wonnen. Insgelijks wij, wij steunen op onzen goddelijken
Stichter en in eeuwigheid zullen wij niet beschaamd worden.
Door menschenhanden is onze Kerk niet gesticht, door
menschenhanden heeft zij hare vroegere vijanden niet
overwonnen, door menschenhanden zal zij ook de tegen-
woordige helsche kampioenen niet overmeesteren. Neen,.
God is haar Stichter, haar beschermer, haar verdediger,
doch Hij wil dat wij al onze krachten inspannen , alsof
van ons alleen de redding moest komen, en dat wij tege-
lijk op Hem vertrouwen, omdat van Hem alleen de goede
uitkomst afhangt. Bij ons werk dus voor het heil der
Kerk en onze medebroeders moeten wij het gebed voegen.
opdat God ons pogen zegene eu ons den moed verleene,
om b\'j zooveel verwoesting den strijd vol te houden.
God beproeft ons wel, maar verlaat ons nooit, de eind-
overwinning is voor ons. Hij zelf heeft het gezegd:
„De poorten der hel zullen tle Kerk niet overweN
digen,"
dat is: al barstte de hel van alle kanten open,
al braken alle duivelen los, om al hun vuur en gal uit
te spuwen tegen Jcsus\' Bruid, het zal niet baten, geen
nood : „Ik ben met u alle dagen tot aan liet einde
der wereld."
Welaan dan, moedig en hardnekkig gestreden, de woor-
den van onzen H. Vader indachtig: „Wakker.ler dan de
zonen des lichts, hellen de goddeloozen al ceel gewaagd; ge-
vinger in getal, maar in slmrheul en middelen sterher, hellen
-ocr page 26-
— 18 —
zij bij ons in korten tijd veel kwaads aangericht. Allen, die
der Katholieke Kerk zijn toegedaan, moeten derhalve begrij-
pen, dat hel hoog tijd is op te rijzen en niet langer nalatig
en werkeloos toe te zien, daar diegenen het snelst onder het
juk worden gebracht, die traaf/ van hark\' zich in ruste ver-
meien. Mogen zij een voorbeeld nemen aan de edele en werk-
dudige kracht der voorvaderen, welke voor niets terugdeinsden
en wier arbeid en bloed de Katholieke Kerk hebben groot
doen worden.
IV.
Ten slotte nog een woord voor den werkman die
zich niet veel boeken of bladen kan of wil aanschaffen
maar die soms over zijn geloof wordt aangesproken en
wat meermalen gebeurt, wien een verdacht boek of blad
in de handen wordt gestopt. Ook gij, beste werklieden,
ook gij zijt zonen eener glorievolle Kerk, die gij niet
moet laten bespotten. Ook gij kunt en moet strijden
voor uw geloof. Licht hoort gij in fabrieken, werkplaat-
sen, of bij andere gezelschappen over godsdienstige zaken
praten : welnu, zoodra gij merkt dat de een of andere
iets voor den dag brengt wat niet kouster is, wat tegen
geloof of zeden strijdt, iets hoonends voor den Paus, de
de Kerk of priesters, iets vernederends voor de braafheid,
aanstonds zult gij u daar geraakt toonen en uwe verach-
ting te kennen geven over alle slechte geschriften en
gesprekken.
Zoo uw heer zelf of een ander voornaam persoon, het-
geen niet zelden gebeurt, u iets komen vertellen wat
niet in den haak is, dan kunt gij ofwel zwijgen of bedaard
antwoorden, dat u zoo iets minder bevalt; maar er mede
lachen of uwe toestemming te kennen geven, dat nooit.
Eens werd een braaf persoon over zijn godsdienst aange-
-ocr page 27-
— 19 —
vallen. Het was een protestant die over het geloof wilde
redetwisten. Hoe! zoo sprak de brave man, wilt gij over
geloofszaken spreken ? Daar zijt gij veel te jong voor;
gij hebt niet langer bestaan dan van af Luthers tijd,
die, ook maar een mensch en wel een afgevallen monnik
was ; maar wij, wij zijn veel ouder, wij bestaan van af
Christus en de apostelen, die door mirakels hebben ge-
toond, dat zij van God gezonden waren, dat zij goddelijke
taal spraken.
Zoo moet elk minder onderwezen katholiek alle aanvab
len afslaan : Wat! zoo moet gij zeggen, wat zoudt gij
zeggen, wat zoudt gij van godsdienst kennen, gij nieuwe-
ling, gij bestaat van vandaag of gisteren, maar wij, onze
kerk is eeuwen oud, millioenen geleerde mannen hebben
geloofd en gelooven nog wat ik geloof, en gij wijsneusje
zoudt gij het beter willen weten ! Is het protestantisme
niet oud, het liberalisme is nog veel jonger, het ongeloof
is nog geen eeuw oud en \'t zou den meester willen spe-
len ? Een oud man disputeert niet met een kindje , en
\'t is ook een slecht teeken voor de tegenwoordige waan-
wijzen, dat zij \'t bij den onbedreven werkman gaan zoe-
ken. Willen zij over geloofszaken redekavelen , dat zij
dan naar den pastoor en naar de geestelijken gaan, die
er voor aangesteld zijn om rekenschap te geven van hun
geloof en dat geloof te verdedigen.
Zou iemand het ooit durven wagen u een slechte cou-
rant ter lezing te geven, met verachting zult gij zoo iets
van de hand wijzen. Vraagt gij mij, welke dan slechte
couranten zijn , en welke slechte boeken , dan kan ik u
niet anders antwoorden, dan dat er ontzettend veel zijn,
en niets beters aanraden , dan dat gij aan brave en geleerde
Katholieken
, vooral aan mee geestelijke overheid, zulk een
-ocr page 28-
geschrift laat zien en hun raad vraagt; dat gij ten minste
geen boek leest , wat niet met eeue kerkelijke goedkeuring
is voorzien, al wordt het dan ook door Katholieke dag-
bladen aanbevolen. Deze bladen immers, recommandeeren
soms boeken, die voor sommigen aanstootelijk zijn.
Gij moet op uwe hoede zijn in het aannemen van hoe-
ken en geschriftjes, die vooral door socialisten zoo gul
worden weggeschonken. Vooral moet gij zien, Wat voor
een persoon hij is, die u zoo iets presenteert. Een god-
vergeten en slecht mensch zal u niet veel goeds aanbie-
den , bedank hem maar voor alles. Vriendelijkheid is
hier overbodig.\'
Deze personen zijn evenwel niet de gevaarlijkste, omdat
men ze gewoonlijk schuwt als een pestzieke; maar van
een erger soort zijn de bedekte verleiders, die onder het
masker van onnoozelheid de goê gemeente willen vangen.
Niet zelden zijn het protestanten van de een of andere
secte, die onder eene katholieke bevolking wonen ; som-
migen hunner doen het uit eigen beweging, anderen
worden er voor betaald door een of ander genootschap en
worden dan colporteurs geheeten.
Niet dat alle protestanten zoo handelen, maar als het op
geven van boeken aankomt, behoeven wij ze niet te ver-
trouwen, dan zijn ook sommige Katholieken zeer verdacht,
dezulke namelijk, die uit den vreemde komen of die niet
geheel kerksch zijn, die gij maar zelden aan de H. Tafel ziet.
Als gij niet gewillig hunne presentjes aanpakt, dan
zullen zij zeggen : „Kom, kom, het gaat niet over gods-
dienst, het zijn maar mooie, o zoo mooie geschiedenissen."
Ik herhaal het, vertrouw ze nooit; öf de geschiedenissen
zullen niet stichtend zijn, öf er schuilt iets meer achter.
Dit moet ge ook weten, dat Protestantsche ooren en oogen
-ocr page 29-
• — 21\' —
in den regel niet zoo teergevoelig; zijn als de onze, waar
Protestanten en verloopen Katholieken geen kwaad in zien,
daar schrikt dikwijls een braaf Katholiek op van heilige ver-
on twaardi ging. Geloof mij, ik spreek uit eigen ondervinding.
Ken man riep mij binnen en liet mij een boek zien,
« dat hij van de maréchausées gekregen had, die bij hem
in de buurt woonden ; hij verzekerde mij, dat er geen
kwaad in stond, want dit had hij eerst den maréchaussé
gevraagd ; voor de voorzichtigheid echter liet hij het mij
zien. En wat was het voor een boek ? Een der gevaar-
lijkste, welke ik ooit heb aangetroffen. Het was getiteld,
o zoo mooi; (\'lirish li jkc Verhalen, om de goede lieden
» maar zeker in de fuik te lokken ; maar er stond zulke
vuile praat tusschen die christelijke verhalen, dat ik bij
het eerste gezicht verschrok en zei, nooit zoo\'n slecht
boek gezien te hebben. De brave man sprong op, en een,
twee, drie, \'t lag in \'t vuur, waar het thuis behoorde.
Hieruit ziet gij, hoe gevaarlijk het is van zulke of ons
onbekende personen boeken, ook met mooie opschriften,
aan te nemen.
Slechte boeken en bladen zijn een kwaadaardig venijn,
en vernielen alle geloof en deugd, maar goede bdeken
en couranten zijn een weldadig voedsel voor de katholieke
zielen, die ze dus moeten bevoordeelen en lezen, als hun
stand het toelaat, opdat voor kerk en Maatschappij, gelijk
onze H. Vader zegt, vamlaar hulp kome, vaar de giftige
pijlen gehaald worden."
-e=^fes^sfe^35»K?%=3*^»-=ö—
-ocr page 30-
22
TWEEDE KAPITTEL. .
Het arme Torteltje.
31 Juli 1882. Een schoone feestdag, de feestdag van
den II. Ignatius, van dien grooten Ordestichter, die door
zijne Sociëteit van Jesus de H. Kerk in hare gevaarlijk-
ste oogenblikken te hulp kwam , duizenden ketters be-
keerd, duizenden dwalenden teruggebracht, duizenden
wankelenden bevestigd, duizenden braven tot hooge deugd
en volmaaktheid heeft opgevoerd , die zijn eigen wil en
voordeel verzakende, als een onherroepelijk afgegeven
slachtoffer alleen Gods glorie diende en het schoonste
voorbeeld van standvastige zelfverloochening en zelfopoffe-
ring geleverd heeft. Voorwaar een schoone dag. In
opgewekte stemming treden wij de ruime kapel binnen ,
om den goeden God te loven voor die grootsche stichting,
welke reeds meer dan drie eeuwen de bruid des Heeren
door woord en daad heeft bijgestaan en door hare helden-
deugden en de beoefening van allerhande wetenschappen
Gods Kerk heeft opgeluisterd. Wij treden binnen om God
te danken voor de buitengewone gunsten, aan den soldaat
van Pampöluna geschonken, en om den grooten Ignatkis
te bidden , vooral in deze treurige tijden de zoo fel be-
streden Kerk en haar opperhoofd niet te verlaten.
Zoo traden wij den tempel binnen en zongen reeds uit
volle borst, toen onze eerbiedige opgeruimdheid niet wei-
nig gestoord werd door een arm tortelduifje, dat door
onze forsche stem opgeschrikt, met veel gejaagdheid en
geraas langs het hooge gewelf heen en weder vloog.
Hoe kwam het hier ? Men zou haast gezegd hebben, dat
de H. Geest zich vertoonde, om ons aan te moedigen en
-ocr page 31-
4
- 23 -
onze lofzangen goed te keuren. Maar clan was het duifje
niet zoo beangstigd , niet zoo driftig geweest, dan had
het niet alle ramen rondgevlogen om een uitvlucht
te zoeken , want er staat geschreven , dat God niet in
onrustige beweging moet gezocht worden : nou in comm<>-
tione Dominus.
Bij toeval dus is het diertje in onze kapel
verdwaald. Bij toeval. O ja, als er een toeval bestond,
als wij niet wisten, dat God alles beschikt, geen haartje
van het hoofd, geen musch van het dak laat vallen, zon-
der zijn uitdrukkelijken wil. God dan heeft dat vogeltje
gezonden , om ons op dien merkwaardigen dag eene
schoone les te leeren en misschien ook, opdat onze vrien-
den uit deze schijnbaar nietige historie eene belangrijke
les zouden verkrijgen.
Waarlijk, deze gebeui\'tenis kan ons het leven en streven
der wereld aanschouwelijk maken, want als wij het ver-
dwaalde duifje met een medelijdend oog in stille aandacht
volgen, wat zien wij dan ? Wij zijn hier in Gods huis,
voor het aanschijn van den Heer onzen God, die rust in
den H. Tabernakel, het past niet hier naar boven te zien,
hier past alleen eene gebogene eerbiedige houding, als
die van den rouwmoedigen Publikaan. Toch mogen wij
ons nu eene uitzondering veroorloven, want daar boven
zwerft een prediker, die ons de waarheid verkondigen zal
van hetgeen een ander Prediker geleerd heeft: ik zag
alles, tcat onder de zon geschiedt en zie, \'t was alles ijdelheid
en h-welling des geesfes.
Wij heffen dan vrijmoedig met
gepasten eerbied het hoofd op. Wat zien wij ? Wij
zien het arme torteltj e met alle ongerustheid heen
en weer fladderen en met geweld tegen het raam vliegen,
om daarbuiten de volle vrijheid en \'t genot van het lieve
zonnetje terug te krijgen. Helaas! het stoot zijn bekje
:i Tweodo deel Rutli.
-ocr page 32-
— 24 —
tegen het glas, dat het niet zien kon, omdat het er door
heen keek. Het kan niet verder. Teleurgesteld ziet het
angstig om en merkt een ander venster, spoedt zich met
evenveel drift derwaarts , maar ook daar stoot het zijn
kopje. Het zucht, het rust een oogenblik en vliogt nog
eens, nog twee-, nog drie-, nog honderdmaal naar alle
kanten, waar liet eene opening meent te bemerken, maar
alles te vergeefs, overal teleurstelling en verdriet, overal
botsingen, kneuzingen en beleedigingen aan het lieve
kopje en ongelukkig bekje. Zoo blijft het arme diertje
bezig. Het zit te hijgen van vermoeienis, maar nauwe-
lijks heeft het weer eenig.szins uitgerust, en zijne krach-
ten en zijn moed en hoop hervat, of voor de honderdste
maal schiet het naar den overkant, maar altoos bedrog,
altoos ijdelheid, altoos kwelling en verdriet.
O leerrijk treurspel! Want ook daarbuiten in de wijde
wereld zijn schepselen, tallooze schepselen, die meer ver-
stand hebben dan dit gevangen duifje en die toch onverpoosd
woelen en vliegen van \'t eene vergankelijk voorwerp naar
het andere; mensehen, die zich heden met veel drift werpen
op het bezit van dit geluk, om, teleurgesteld, morgen weer
een ander te zoeken. Want het geluk, het genot, de vrijheid,
het genoegen, dat zij zochten, was slechts een doorschijnend
glas of een bedriegelijke spiegel, en nauwelijks hebben zij
dit geproefd, of zij ondervonden ijdelheid., teleurstelling,
geesteskwelling, en de dwazen, in plaats van te bedenken,
dat alles onder de zon den mensch geen waar genoegen
geven kan, dat op aarde het ware geluk niet is te vin-
den, in plaats van in rust en kalmte naar God te keeren,
de dwazen vliegen weer naar een ander schijnbaar goed,
dat hun was voorgespiegeld, waar zij meenden te zullen
verzadigd worden , maar dat hun nog meer verdriet en
-ocr page 33-
— 25 —
kwelling veroorzaakt. Het was een droom, \'t was ijdel-
heid en bedrog en men is genoodzaakt uit te roepen :
ijdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid en plagerij
des geestes.
O, als ik dien post, die bediening, dat werk eens had.
Aan dat huis, bij dien baas was ik op mijn plaats. Daar
zou ik pleizierig leven, daar zou ik geld verdienen, daar
zou ik leven op mijn gemak, daar zou ik vrij zijn. Maar
jawel. De vogel is niet overgevlogen, of hij ziet dat hij
zich deerlijk heeft vergist. Hoe meer men van plaats of
dienst verandert, hoe minder men op zijn gemak is. Hoe
meer men naar verbetering haakt, hoe ongeruster en ver-
drietiger men wordt en ondervindt, /dat alles onder de zon
slechts ijdelheid is en kwelling des geestes.
Als ik dien post eens had , dat kleed , dat huis eens
kocht, dat gezelschap eens bijwoonde, o wat zou ik gezien
en geëerd zijn, wat zou ik genoegen smaken. Als ik die
reis eens ondernam, met dien mijnheer eens omging, dat
huwelijk eens intrad , o wat zou ik gelukkig, wat zou
ik tevreden zijn. Men vliegt er zonder veel nadenken met
geweld henen, men maakt zich moede, men spant alles
in om dat schijngoed te bereiken, en dan wederom volgt
onvoldaanheid, weemoedigheid, bitterheid, armoede, ellende.
De bitterheid van \'t eene is niet geproefd , of men pro-
beert iets anders, en vooral zoekt men vrijheid in de open
lucht naar buiten, evenals het duifje deed, altoos op reis
en in de groote wereld of bij gezelschappen. En als men
dit niet verkrijgen kan, dan tracht men zich te vergenoe-
gen met het lezen van zulk ijdel nieuws, en deinst niet
terug voor de dwaze en meestal ergerlijke verdichte rei-
zen van romanschrijvers. Te laat proeft men de waarheid
van den prediker: „IJdelheid der ijdel halen."
-ocr page 34-
— 26 —
Het arme torteltje was te dom, en \'t verdient medelij-
den, als het zoo dikwijls zijn bekje kneust, maar gij, mijn
vriend, die reeds in uwe kinderjaren leerdet, dat de mensch
niet voor deze wereld maar voor God is geschapen, dat
hij in den dienst van God alleen tevredenheid en geluk
kan vinden, zooveel dit op aarde mogelijk is, gij verdient
geen medelijden, maar berisping, maar straf, als gij uw
hoogst geluk in die dwaasheden zoekt, met zooveel inspan-
ning het aardsche najaagt, en, ofschoon aanhoudend uw
hoofd stootende , bitterheid op bitterheid inzwelgende,
toch nimmer wijzer wordt, zelfs de geboden van God en
van Zijne Kerk om uwe ijdele ingebeelde genoegens
verwaarloost.
Het ongelukkig duifje kreeg ijselijken honger en dorst,
want meer dan drie dagen duurde zijne gevangenschap.
En naar mate het meer door honger werd geprangd, naar
mate het ook begeeriger en geweldiger een uitvlucht
zocht en zich inspande, om toch maar iets te vinden, wat
zijn lijden verzachten, zijn honger stillen, zijn dorst les-
schen kon. Maar nergens Yondt het uitkomst of leniging
voor zijne smart. Zoo, mijn vriend, zoo gaat het ook u,
hoe meer gij dwaalt, hoe meer gij dwalen moet en ge-
dwongen wordt te dwalen door de onverzadelijke begeerte
naar rust, naar eer en geluk en vrijheid. Uwe ziel is
arm, zij lijdt gebrek en wordt al verder en verder ver-
wijderd van \'t geen haar waarlijk groot en gelukkig en
tevreden maken kan. Zij lijdt vreeselijken honger en dorst
en het proeven dier schijngoederen verscherpt slechts haren
honger, vergroot haar lijden, overstelpt haar met droefheid.
Streef dus niet naar buiten, want het rijk Gods is bin-
nen u.
Zoek uw geluk niet in de wereld , maar bij u
zelven, in uwe ziel. Leer, zegt Thomas van Kempen, leer
-ocr page 35-
/
— 27 —
het uitwendige verachten en liet inwendige zoeken en gij zuil
het rijk Gods in u zien komen. Want het rijk Gods is vrede,
en vreugde in den II. Geest, \'t geen den boozen niet gegeven
wordt.
Ook de H. Augustinus had 30 jaren lang onstui-
mig in de aavdsche grootheid en in wellusten zijne rust
gezocht, doch eindelijk ontnuchterd, erkende hij zijne
dwaasheid en riep uit: o God, ons hart is niet te verzadi-
gen en rust niet, totdat het in Uruste.
Welaan, mijn lezer,
zoekt gij uw geluk, uwe rust, uwe tevredenheid, eer, ge-
noegens of rijkdommen, zoek ze dan in God, in dat opper-
ste Goed, waarin alle goed is opgesloten.
II.
Wij zagen het verdwaalde duifje, opgesloten in de
kapel, zich afmatten, met veel moed en hoop alle bedrie-
gelijke uitgangen beproeven, aanhoudend terugkaatsend,
ijselijk zuchtend en honger lijdend. Eveneens zagen wij
den armen zondaar of dwazen wereldling uitgangen zoe-
ken om rust en vrijheid te vinden voor zijn onverzadig-
baar hart, maar altoos teleurgesteld, zijne ijdelheid boeten
in neerslachtigheid , troosteloosheid en wanhoop. Maar
was er dan voor \'t ongelukkig schepseltje geen uitkomst,
geen redding mogelijk ? Ongetwijfeld, door dezelfde ope-
ning, door welke het was binnengekomen, kon het naar
buiten, namelijk door de hoofddeur. Maar waarom blijft
het altijd aan de hooge zoldering ? Waarom vliegt het
altijd in de bovenramen, en nog wel in de hoogste rui-
ten ? Waarom niet naar beneden, naar de deur, daar het
toch weten moet, dat het hier is binnengekomen, en over-
tuigd moet zijn van de onmogelijkheid om daarboven te
ontsnappen ?
Maar gij , geliefde vriend , gij die alles beproefd hebt
om rust te vinden voor uwe ziel, waarom vliegt ook gij
-ocr page 36-
— 28 —
altijd zoo hoog. gij die toch weet, dat alleen in Hem ,
die u geschapen en in dit leven geroepen heeft, de ware
rust te vinden is ; gij die zoo dikwijls uit uwe nagejaagde
genoegens en schijngoederen niet anders dan wrange vruch-
ten van verveling en kwelling geplukt hebt. Waarom
vliegt gij zoo hoog ? Waarom wilt gij meer zijn dan
anderen ? Altijd de eerste zijn en alle grootheid ten toon
spreiden , om menschelijken lof\', bedriegelijke eer in te
oogsten ? Weet gij niet meer, dat al wie zich verheft, zal
vernederd worden en dat de wereld den waren vrede niet
geven kan ? Waarom niet beneden in eenvoud uwe rust
gezocht ? Waarom niet tevreden met uw lot en met Hem,
die u geschapen en in dezen toestand geplaatst heeft ?
Wat is er toch gelukkiger dan een goed geweten ? Wat
zoeter dan de vaste kinderlijke hoop op de eeuwige goe-
deren, op den schoonen hemel ?
AVas ons duifje kalmer geweest, had het maar een
weinigje geduld gehad en, met zijn gevangenschap voor
:t oogenblik tevreden , zijnen tijd afgewacht. Dikwijls
genoeg werd de deur opengezet, het kon dan omlaag vlie-
gen en ontvluchten, daar, waar het gekomen was. Maai
neen, het bleef zich aftobben en honger lijden. Ook wij
moeten in dit ballingsoord met ons lot tevreden zijn, met
geduld onze kruisen dragen , die aan onzen stand zijn
verbonden, en ons wel wachten hooger te willen vliegen
en in die hoogte ons geluk te zoeken. De poort des
hemels is niet alleen eng, zij is ook laag, zij wordt alleen
met geweld ingenomen , er moet geleden en gestreden
worden ; doch zij, die den strijd uithouden, die hun hart
niet aan het aardsche hechten, en vooral zij, die het hoofd
niet te hoog opsteken, zullen niet slechts de enge poort
des hemels vinden en binnengaan , maar ook op aarde
-ocr page 37-
— 29 —
eene grootere gerustheid en vrede bezitten dan de anderen,
die altoos in genoegens baden en altoos naar meer en
grooter dorsten.
De poort des hemels is klein, want kinderen alleen
kunnen er ingaan. De Goddelijke Zaligmaker zegt immers:
als gij niet wordt gelijk kinderen, zult gij liet rijk Goi\'.s
niet binnentreden. Wij moeten dus onschuldig. eenvou-
dig, gehoorzaam, tevreden, zachtmoedig en vooral nederig
zijn, gelijk de kleinen, opdat wij, door trotschheid \'t ver-
waten hoofd te hoog opheffende , of wel steeds te hoog
opklimmende, de enge lage poort niet kunnen vinden
en binnengaan.
Die poort is eng, want zij, die in vermaken en wei-
lusten hun geluk zoeken , die in hun leven maar dooi\'-
brassen en door wulpschheid hunne harten verzadigen en
opvullen , zullen volgens de leer van den H. Apostel
Jacobus, evenals een dier worden behandeld, dat zich met
vuilnis voedt en alleen leeft om geslacht te worden.
Zulke verzadigde opgevulde menschen kunnen niet door
de enge poort.
De poort des hemels is lang, zoodat zij , die .met
aardsche rijkdommen beladen en er aan gehecht zijn, ook
niet binnen kunnen. Willen zij ingaan, dan moeten zij
den last kunnen afleggen , en dus er niet aan gehecht
zijn. Want de Zaligmaker zeide , dat een kameel, dat
plompe dier met zijn hoogen bult en langen hals. gemak-
kei ijker door het oog eener naald dringt, dan iemand ,
die op zijn geld vertrouwt en er zijn hart aan hecht, in
het rijk der hemelen binnengaat.
Toen de leerlingen dit laatste woord van .lesus gehoord
hadden, vroegen zij bevreesd en verwonderd: wie cal dan
houten zalig u-orden.\'
En de Heer beurde hunne klein-
-ocr page 38-
— 30 —
moedigheid op door deze woorden : bij de mentchen is dit
onmogelijk, maar niet bij God, vant lij God is alles mogelijk.
Zeker, zalig te worden, de kleine, enge, lage poort des
hemels te vinden , den hoogmoed , de begeerlijkheid en
hebzucht te overwinnen, gaat de kracht des menschen te
boven, wanneer hij aan zich zei ven is overgelaten. Maar
God helpt den mensch , ten minste wanneer hij slechts
zijne hulp afsmeekt; en door die hul]) wordt de weg, die
naar de poort des hemels leidt, gemakkelijk gevonden.
Gemakkelijk in tegenstelling van \'t geen zij moeten doen,
die den weg der ondeugd bewandelen en hunne lusten
involgen.
"Waarlijk , wat wordt er niet gezwoegd en gewaagd
voor het bezit van tijdelijke goederen \'i Welke ontberin-
gen en moeiten van sommigen en van velen, om kwaad te
kunnen doen en anderen kwaad te leeren ? Wat arbeidt
b. v. een dronkaard niet voor eenige borrels en hoeveel
armoede wordt geleden , ten gevolge dier ellendige lief-
hebberij ? Hoevelen helaas ! o God, hoevelen offeren hun
geld , hunnen naam , hunne gezondheid , hun leven aan
den afgod der ontucht ? En wie kent de vreeselijke wroe-
gingen en zielesmarten van al die uitgemergelde, afgetobde
wezens ! O mijn God ! Dan is het toch waarlijk beter en
gemakkelijker u te dienen, u, die niet onze gezondheid,
niet onzen naam , niet ons vermogen vordert, zooals de
duivel doet: u die uwe getrouwe dienaren niets dan ge-
wone werken oplegt en heu zelf nog helpt om die goed
te verrichten, u die onze gezondheid, onzen goeden naam
en ons leven verzekert, en boven dat alles een gerust gewe-
ten schenkt, met een vast vertrouwen op een eeuwig geluk.
Tot zulke droevige overwegingen, die helaas, maar al
te waar zijn en door velen te laat zullen begrepen wor-
-ocr page 39-
— 31 —
den, brengt ons het onschuldig duifje, dat daar zeer hoog,
op een uitstekend blok zich heeft nedergezet. Ook voor
dat vogeltje is het zeer gemakkelijk naar beneden te
komen, veel gemakkelijker dan dagen lang door \'t ruim
gewelf te vliegen en duizenden malen te vergeefs een
uitweg te beproeven. Dat het niet komt, is te begrijpen,
omdat het geen verstand heeft. Onbegrijpelijker is het
dat zij, die het hebben, \'t zelve misbruiken, om zich vrij-
willig door de zonde ongelukkig te maken, zoodat men
van hen zeggen kan, dat zij evenals sommige andere dieren
slechts leven, om zich met draf te mesten en dan gedood,
voor eeuwig gedood te worden.
Maar zie eens hoe het erbarmelijk vogeltje daar boven
uitrust, en geweldig treurt, omdat het zoovele vergeefsche
pogingen gedaan heeft, zooveel honger en gebrek lijdt,
geen uitkomst ziet en niet weet, welk zijn einde zijn zal.
En, beste vriend, werp dan een blik op u zei ven en be-
denk eens, hoevele vergeefsche pogingen gij reeds gedaan
hebt, om de rust voor uw geweten te vinden en hoevele
gij er nog doen zult., zonder ooit het gewenschte geluk
te bereiken. En wie weet, wat uw einde zijn zal! Daal
dan af, keer terug tot den ootmoed en eenvoud , zoek
God in uw binnenste, en leer van hem, dat de ware rust,
zoover die op aarde mogelijk is, alleen in den godsdienst,
in getrouwe plichtsbetrachting, in deugd en geduld ver-
kregen wordt, terwijl de booze en ook de wereldsche
mensch altoos ontevreden, in zijn hartstochten bevrediging
zoekt, maar slechts wroegingen en den dood vindt. Want
evenals dat duifje daar ginds treurt, evenzoo treurt ook
reeds in dit leven niet zelden de aardschgezinde mensch. Hij
kan vroolijk schijnen, en voor een oogenblik zijn onheil
vergeten in het gewoel en loos gejuich der wereld, in \'t
-ocr page 40-
— 32 —
volle genot zijner genoegens, maai- dit duurt niet langer
dan een nachtelijke pleizierige droom. Zij hellen hun
slaap geslapen,
zegt David, en de mannen der veelde hellen
niets in hunne handen gevonden.
Is die droom vervlogen,
dan komt neerslachtigheid en grootere wroeging zich van
hen meester maken.
III.
De H. Franciscus de Sales, de II. Gregorius van Nazianze,.
ja de goddelijke Zaligmaker zelf kozen niet zelden tafe-
reelen uit het planten- of dierenrijk tot stichting hunner
volgzame leerlingen. Denk maar eens aan de parahels
van den goeden herder, van den verdorden vijgenboom,
van den torenbouw, van het onkruid, van het mosterd-
zaadje, van de schoone parel, van het sleepnet, van de
huislamp, enz. Ook de groote David maakt er menigmaal
gebruik van en zegt onder anderen, dat gelijk de musch
voor zich een huis vindt en de tortel een nest om hare
jongen neer te leggen, ook hij alzoo een rustplaats had
gevonden aan de altaren des Heeren. Salomon in zijn
hooglied bezingt tweemaal de tortel, wier stem hij had
gehoord en wier wangen hij schoon noemt. In het Oude
Verbond bestond een wet, waaraan zich ook de H. Maagd
heeft onderworpen, dat een vrouw, die moeder was gewor-
den, ter reiniging een koppel tortels in den tempel moest
offeren, hetgeen eene voorafbeelding was voor den zondaar,
die in het Nieuwe Testament door het offer van tranen
droefheid en verzuchtingen zich zou moeten reinigen ;
want de tortel is het zinnebeeld der treurende eenzaam-
heid. Ook voor ons was de verdoolde duif een sprekend
beeld van den verdwaalden mensch, die met gejaagdheid
nu dit, dan dat aardsche schijngoed nastrevende, of altijd
te hoog vliegende, in bitterheid en teleurstelling en ver-
-ocr page 41-
nedering zijne dagen slijt en altoos ten minste inwendig
treurt en lijdt, omdat hij zijne rust niet vinden kan.
En wat de zaak nog treuriger maakt, is dat hij zoo
gemakkelijk zijn geluk bekomen kan als hij maar de
enge poort wil zoeken, die ten hemel leidt. Maar zoo
dwaas, zoo blind is hij, dat hij liever naar de ziel het
grootst gebrek wil lijden, dan luisteren naar de zoete
stem, die hem zoo dikwijls roept en uitnoodigt naarden
altijddurenden vreugdevollen maaltijd, waarmee een gerust
geweten vergeleken wordt: zooals geschreven staat: Eene
geruide ziel ia een maaltijd zonder ophouden."
Een innig mede-
lijden bewoog ons, toen wij uren en dagen lang het ver-
magerde vogeltje zagen omzwerven. En als het treurig
nederzat, dan riepen wij het meermalen en noodigden het
zachtjes uit om naar beneden te komen , want gaarne
zouden wij \'t geholpen hebben. Maar ach, het wilde niet.
Droevig draaide het zijn kopje om, en keek angstig naar
beneden , het zag ons aan , maar vertrouwde ons niet.
Ook gij, mijn zoon, ook gij, ongelukkige dochter, die zoo
lang hebt omgezworven en op een verkeerde plaats uw
pleizier hebt gezocht, ook gij hoort zoo dikwijls de stem
uwer ouders , die \'t goed met u meenen , die meermalen
in stilte over u weenen en u toeroepen van toch terug
te keeren van uwe dwaling. Maar gij vertrouwt ze niet.
(lij gelooft niet, dat gij daar beneden in eenvoud op den
zoo gelukkigen weg naar de poort des hemels, in braaf-
heid en deugd de rust zult vinden, die gij zoo lang tever-
geefs in uwe ijdelheden gezocht hebt. Gij vertrouwt de
stem uwer geestelijke leidslieden niet, die u zeggen, dat
braafheid en eerbaarheid liet grootst en zuiverst genoe-
gen schenkt, terwijl ondeugd, lichtzinnigheid en losban-
digheid slechts wroeging en zielelijden veroorzaakt. Gij
-ocr page 42-
— 34 —
\'vertrouwt de -stem uws gewetens niet, die u meermalen
waarschuwt en ten halve doet Desluiten om voortaan door
een deugdzaam leven, in gehoorzaamheid en geduld uwe
tevredenheid te zoeken. Grij vertrouwt onzen lieven Heer
niet, die zoozeer uw geluk verlangt, dat hij, als een beste
herder, de 99 schapen verlaat, om het verdwaalde op te
zoeken, over een zoo vermoeienden en doornigen weg, dat
hij er al zijn bloed vergiet en er zelfs het leven bij ver-
liest, terwijl hij steeds roept: Dorst iemand naar zijn geluk,
ik
dor.it nog veel meer j hij kome tot mij en drinke van het
levend water., dat Jtet eenwig leven geeft.
Maar gij , mijn
vriend, gij luistert niet naar de welmeenende stem van
uwe ware vrienden, van uw geweten , van uwen God,
evenmin als het onnoozel duifje, dat ons wantrouwde
en vreesde.
Wij zetten op den vloer water en graankorreltjes om
het naar beneden te lokken, zijn honger en dorst te stil-
len en een uitweg te toonen. Maar het vreesde ons, even-
als de verdoolde mensch diegenen schuwt en vreest, die
zijne wonden willen genezen , zijne geestelijke behoeften
willen lenigen en hem terug willen hrengen tot de kalmte
des gemoeds., die een eindeloos feestmaal is , of tot het
heilzaam geestelijk voedsel, dat de H. Kerk eiken Zon-
dag aanbiedt. Hij leeft onrustig voort in zijn ijdele droo-
merijen, hij holt onstuimig voort van lauwheid en onver-
schilligheid tot zinnelijkheid, van zinnelijkheid tot zonden,
van zonden tot ellenden, van ellenden tot den afgrond,
en dat alles in eenj tijd , dat de deur tot de rust zoo
dikwijls wordt opengezet en dat zoovele stemmen der
ongelukkigen tot den maaltijd des vredes roepen. Maar
eindelijk geraakt hij uitgeput. Als het einde nadert, als
hij zijne beste krachten aan ijdelheid en zonde heeft ver-
-ocr page 43-
— 35 —
spild, als hij geen macht meer heeft, om aan zijne lusten
te voldoen , als hij niet meer vatbaar is voor \'t genot,
waarop zijne zinnen verzot waren, of als hij van de hoogte
valt, door de wereld niet meer wordt gezien, door zware
rampen, door de slagen van den nijd, afgunst of verach-
ting wordt getroffen, dan eerst opent hij de oogen, dan
erkent hij de dwaasheid zijner ijdele bemoeiingen en akelig
schatert zijn wanhoopskreet: Q\'tcij waanzinnigen, wijhiel-
den het leven der eraren voor onnoozel, en hun einde voor
eerloon, ziet hoe zij nu onder de kinderen Goot worden gerekend
en met de heiligen beloond. En wij, helaas, wij,
wij hebben
dan gedwaald, gedwaald van den weg der waarheid. . . Wij
hebben ons moede gemaakt op den weg der boosheid en
des verderfs , moeielijke wegen hebben wij bewandeld.
Alles is voorbij, we zijn verloren ... In het gezicht des
doods erkent men zijne dwaling, en gelukkig , als men
in die laatste stonde nog moed en vertrouwen en kracht
genoeg bezit, om eindelijk zich te werpen in de armen
van Hem, die den stervenden moordenaar opnam en nie-
mand ooit verstiet.
Voor ons torteltje was hetj zoo ik meen, nog niet te
laat. Na vier dagen, uitgemergeld van den arbeid, van
honger en dorst, kwam het omlaag, meer gevallen dan
gevlogen. De organist, die zich de zaak bijzonder aan-
trok, redde het arme vogeltje in zijn laatste levensuur,
want het scheen te luisteren naar de zoete stem des orgels,
en daar troost te zoeken. Het kwam bij hem zitten. Hij
wilde \'t grijpen om het te voeden en naar buiten te bren-
gen. Maar ook toen nog schonk het geen vertrouwen
en spartelde tegen en onttrok zich. Het viel, want vliegen
kon het niet meer en tegen zijnen wil werd het gevat.
Het was koud, het was zeer licht geworden, het gaapte*.
-ocr page 44-
— 36 —
Hij verfrischte het, gaf het een beetje water en brood-
kruimels en bracht het toen naar buiten. Wij mogen
honen, dat het arme torteltje in de buitenlucht zijn voed-
sel zal gevonden hebben , dat het niet te zeer was uit-
geput om zijne krachten nog te herstellen, en dat het dus
weder onder zijne natuurgenooten een vroolijk leven leidt.
Gewichtige les voor den dwalenden zondaar , die ein-
delijk afgemat en uitgeput op het akelig sterfbed neder-
ligt. Zijn schijngeluk, zijn altoos nagejaagde maar nooit
genoten rust, zijne vrienden, de heele wereld heeft hem
verlaten, alles is voorbij, slechts eene treurige herinnering
aan zijne overtredingen , aan het herhaald misbruik van
Gods genade en aan het verachten van bevriende waar-
schuwingen zijn hem overgebleven. Daar nadert een pries-
ter zijne sponde, om hem in zijn laatste uur nog te redden,
maar ook nu nog vertrouwt hij hem niet, hij schrikt van
zijn conscientie, hij huivert voor zijn leven en meer nog
voor den dood en toch, hij weigert, hij vraagt uitstel.
Maar hij heeft geen macht meer nog langer tegen te
werken , als gedwongen door Gods straffende hand , die
hem een laatste uitvlucht biedt, geeft hij zich eindelijk
over, hij biecht, zooveel dit zijn vreeselijk lijden , zijn
verward geweten en groote schrik toelaat, hij ontvangt
de laatste genademiddelen en gaat zoo de eeuwigheid in.
Wij weten niet, wat er bij die gewichtige biecht is ge-
geschied, ook niet wat er in zijn binnenste heeft plaats
gehad, maar wij mogen hopen, dat hij nog wils genoeg
bezat om nu toch niet meer tegen te werken, om nu eens
goed te luisteren en ter laatste ure zich te bekeeren.
Hopen wij, dat hij nog bij zijn verstand was, dat hij een
welgemeend berouw heeft gehad en dat de biecht, het
H. Oliesel en de Communie hem nog kracht genoeg gege-
-ocr page 45-
— ;)7 —
ven hebben, om te volharden tot den laatsten snik en de
enge poort tot de ruime eeuwigheid in te gaan.
Toch is het te vreezen. Hij had zoolang gewacht, zoo
duizenden genaden vertrapt, zoovele roepstemmen gesmoord
in zijne onwillige borst, hij had zoolang gedwaald en was
zoo diep gevallen. Er was bijna niets godsdienstigs, bijna
geen geloof meer in hem. Wie weet of hij volgens zijn
ingekankerde gewoonte ook nu met alles gespot, geen moed
of hoop meer gehad en slechts godsvrucht geveinsd heeft.
Mijne vrienden, laat ons bijtijds gehoor geven aan wijze
vermaningen, geene vergankelijke goederen, geene ijdele
en vooral geen zondige genoegens najagen, maar ons geluk
alleen in God en in de braafheid zoeken, dan zullen wij
vrede hebben in dit leven en eenmaal zonder veel moeite
de poort des hemels binnengaan.
------------"»g>-6^a>ife^g>^^a»»^iJo-^------------
DERDE KAPITTEL.
De Zwaan.
I.
In het voorgaande kapittel beschreef ik de lotgevallen
van een ongelukkig tortelduifje, dat in onze kapel was
verdwaald, en daar drie a vier dagen in honger en dorst
en angsten doorbracht, totdat het halfdood kwam neer-
vallen en door eene medelijdende hand verlost werd. Dat
rusteloos en wanhopig zoeken naar vrijheid en geluk
bracht ons den ellendigen toestand voor den geest van
zoo vele blinde menschen, die hier op aarde eene valsche
-ocr page 46-
— 38 —
vrijheid en een schijngeluk, ten koste van hunne gezond-
heid, van hun leven zelfs, najagen zonder ooit de ware
tevredenheid te vinden, welke overigens in ootmoed en
deugd zoo gemakkelijk te vinden is. Onze lezers hehben
de geschiedenis van dat torteltje met evenveel belangstel-
ling gelezen, als ik ze heb aanschouwd, want een mijner
vrienden, die \'t best weten kan, schreef mij in een brief
die voor het overige alles behalve vriendelijk en vleiend
was, dat het torteltje uitstekend in den smaak is geval-
len en dat het smaakte naar meer." Daarom besloot ik
tot stichting der lezers eene andere soortgelijke geschie-
denis te verhalen, welke, als de goede God mijne pen
besturen wil, en de harten der brave lezers wil treffen,
even heilzaam zijn kan.
De gemoedelijke H. Franciscus de Sales schepte er
behagen in, uit alles wat hij zag en hoorde zijn geestelijk
voordeel te trekken. Nu was het een net gerangschikte
wijngaard , dan een bloemrijke tuin , dan wederom een
heldere beek, een schoone vallei ol rijk versierde kerk,
welke hem tot heilige gedachten stemden. Hem bewogen
soms tot schreiens toe de kiekens, die zich, op \'t onver-
wacht verschijnen van een hond, onder de vleugels der
hen verborgen, een hert, dat, door de jagers vervolgd,
bij hem zijn hulp en troost scheen te vragen. Dit alles
deed hem denken aan de teederheid van den goeden Ver-
losser , die zich zelven bij eene hen vergeleek , toen hij
het ongelukkige Jeruzalem aanschouwde, en die nog altoos
zijne vleugelen uitspreidt, om de verdoolde of door den
duivel aangerande zielen te redden. Het deed hem den-
ken aan de schoonheid des hemels, aan het geluk van
eene goede conscientie, enz., enz. Ik beschouw het als
een goed teeken , dat onze vrienden r in navolging van
-ocr page 47-
— 39 —
dien grooten Heilige er behagen in nemen, die onbedui-
dende geschiedenissen tot hun geestelijk voordeel aan te
wenden, en dat zij met graagte zich zelven spiegelen in
hetgeen uit de schepping tot hunne stichting verhaald
en omschreven wordt.
Het komt er weinig op aan, of de verhalen, die met
dat doel geschreven worden, waarlijk geschied zijn, want
ook onze Verlosser maakte dikwijls parabels en gelijke-
nissen, ter onderwijzing zijner hoorderen. De lezer behoeft
dus niet te gelooven, dat er wezenlijk een zoo\'n ongeluk-
kig duifje bestaan heeft; als hij maar beseft, welk een
dwaasheid het is zich zelven voor deze wereld, voor een
schijnbaar, nooit te verkrijgen vrijheid en geluk af te
tobben ; als hij maar bijtijds zich op de ware genoegens
toelegt, die alleen in ootmoed en deugd worden genoten;
en als hij maar niet uitstelt met zijne bekeering, totdat
hij overvoldaan van de bedriegelijke lusten der aarde,
uitgemergeld als het duifje, in wanhoop daar nederligt,
en nog het eeuwig geluk zijner ziel moet bewerken op
het tijdstip, dat de duistere nacht van een droeven dood-
strijd is gekomen en hij niet meer werken kan. Dat is
de hoofdzaak. Nochtans, hoe weinig ook aan het bestaan
van de duifjesgeschiedenis , welke ons dat alles leerde ,
gelegen ware, ik kan allen verzekeren, dat zij de zuivere
waarheid behelsde en dat alles , wat ik nu omtrent de
zwanen vertellen zal, insgelijks een historisch feit, eene
ware gebeurtenis is. Doch eerst moet ik iets zeggen over
de zwaan in liet algemeen.
De pelikaan heeft een wijdere vlucht, de albatros is
lijviger, de vuurvogel (een vuurroode ooievaar, die met
zijn lange pooten en hals vijf voet hoog is) is rijziger,
maar voor het overige is de zwaan de grootste en ook
4 Tweede doel Ruth.
-ocr page 48-
— 40 —
de schoonste watervogel. De Grieken noemden hem kuk-
nos,
de Latijnen olur of cyr/uus, de Italianen Cino, de Vene-
tianen cisauo, de Duitschers schaart, de Engelschen swan,
doch Saksers en Zwitsers oclb, dat is een witvogel, omdat
de zwaan door hare blankheid en reinheid aller oogen
bekoort. Ik spreek van witte, omdat er weinige zwarte
zijn. De wilde zwaan is wel iets kleiner, en heeft geen
vleeschknobbels op den langwerpig ronden bek, doch ook
zij is wit, wanneer ze ten minste een paar jaren oud is.
Vandaar, dat bij alle volken het spreekwoord gold : „zoo
tcit ah een zwaan."
3fajestueus en edel is haar gestalte. Met haar platrond-
vonnig, in donzen gewikkeld lichaam op het glanzend
water rustende , heft zij den fleren kop omhoog , terwijl
ze met hare vooruitstekende borst als de voorsteven van
het schip door het water klieft, hare teenen of klauwen,
die door een dun vlies verhoeden zijn , uiteenzet, door
deze als door twee roeispanen onder water zich voortdrijft,
en haar vervolgens wederom samentrekkende, als een roer
laat achternasleepen. Somtijds ook zet ze de vleugels als
tot zeilen op en vaart dan zoo snel, dat ze den vlugsten
wandelaar zal bijblijven, en niet zelden, ja bijna altoos
draait ze mannelijk en bevallig den opgeheven snavel
heen en weer in \'t rond , alsof zij trotsch was op hare
grootheid en schoonheid , alsof zij alles beheerschte , ja
laat ik zeggen, alsof zij de omstanders wilde onderwijzen.
En inderdaad, mijn vriend, zij leert, zij onderwijst ons.
Zij leert ons, hoe ook eendier ons kan trekken en treffen,
als het maar schoon en zuiver is. Hoe zuiverder en
witter, hoe beminnelijker. Niemand kan voorbijgaan zonder
dat schouwspel aan te zien. De zwaan versiert en ver-
vroolijkt alle wateren en tuinen. Men kan zich niet ver-
-ocr page 49-
— 41 —
zadigen haar te zien, men bemint haar, men spreekt haar
aan, men roept haar, men bewondert haar.
De schepper der natuur schijnt al het schoone en edele
en bevallige over dezen deftigen vogel te hebben uitge-
goten ; doch evenals wij in de ruime grachten dien varen-
den vogel bewonderen en prijzen, evenzoo staat iemand
boven ons, ver, oneindig ver boven ons, van uit het hoogste
punt des hemels op ons neer te zien. Hij, de Doorgron-
der aller harten, hij schept er behagen in de kinderen
der menschen te zien, die steeds varen op deze wereldzee,
hij ziet hen, maar niet allen bewondert hij, niet allen
prijst hij ; zijne oogen rusten op de braven, op die zielen,
welke in de H. Schrift om hare reinheid witter dan meeuw,
schooner dan de zilveren maan en heerlijk als de zon
genoemd
worden. En onder alle zuivere zielen zijn de kuischen
verreweg de schoonsten. Aan de kiiiscliheid zegt de H.
Thomas, wordt bij uitstek de naam van schoonheid geschon-
ken en boven alles schittert in verheven luister de maag-
delijkheid, die het best de kuischheid eert en bewaart. En,
zegt de H. Kerkvader Ambrosius, wie kan een schoonere
schoonheid denken dan den luister, die eene kuische maagd
versiert. Het zijn vooral de verstorvene en kuische zie-
len, wier genoegens in den hemel zijn, en die ook den
hemel vergenoegen en verblijden. Het oog des Heeren,
van zijne zuivere Engelen en Heiligen bekoren zij. Gelijk
die schoone zwanen ons hart door blijdschap verruimen,
en den wellust der vijvers en der tuinen uitmaken, zoo
verblijden die zuivere maagden het geheele hemelsche
hof, en alle Engelen staan in verrukking over de heer-
lijkheid der ziel, die zuiver als een Engel in een zwak
lichaam leeft. Zijn wij zuiver als de H. Susanna (die
in het Hollandsch ook wel Swaantje wordt genoemd) dan
-ocr page 50-
— 42 —
neemt de goede God behagen in ons ; maar zijn wij met
zonden, vooral met vuile zonden besmeurd, dan wendt
hij zijn aangezicht af, dan kan hij ons niet aanzien, dan
duit hij ons niet in zijne nabijheid, dan verwijdert hij
ons uit zijn lusthof, onttrekt aan ons de wateren der
genade en laat ons wentelen in den modder, waarin wij
allengs vergaan.
Zijt gij rein van zeden en blank als de zwaan, dan ver-
wijlt uwe ziel in een paradijs van inwendige genoegens, dan
wordt zij overvloedig gedrenkt aan de heldere bronnen van
Gods genaden, dan verlustigt zich het zuivere alziend oog
in uwe schoonheid, dan zijt gij de bi-uid, de vriendin, de
vreugde, de glorie van God. Dan ook moogt gij her het
hoofd opheffen en in volle vrijheid rustig voortvaren op
den tocht door de wereld ; dan kan geen ongeval, geen
bekoring, geen vijand, geen aarde of hel u schaden, omdat
gij wandelt of zwemt onder de bescherming van God, als
onder een glanzende zon, die u voorlicht op uwe schreden,
die u verwarmt in de goddelijke liefde, die u doet toe-
nemen in hemelsche schoonheid, in deugden en verdien-
sten. Mocht u dan iemand aanvallen of slechts aanraken,
hij raakt den oogappel des Heeren, die u ziet, u bewaakt,
u verdedigt.
Maar zijt gij onrein, heeft vooral de duivel der ontucht
uw ijdel hart bekoord en bezoedeld , dan durft gij het
hoofd niet opheffen als de fiere zwaan vogel, dan laat gij
het hoofd hangen, dan wordt gij zwaarmoedig; uw booze
hartstochten en de vleeschelijke zonden trekken uwe
oogen van den hemel af, evenals zij \'t weleer deden met
de boosaardige aanranders van Susanna\'s kuischheid. Is
het onrein , donker en zwart in uw ziel, dan zoekt gij
hier beneden uwen troost, dan schaamt gij u niet slechts
-ocr page 51-
— 43 —
voor den hemel en voor den zuiveren Heer des hemels,
maar ook voor de menschen, zoo zelfs, dat gij niemand
vrij durft in de oogen zien, alsof gij hang waart dat men
door uwen onrustigen blik den somheren staat uwer ziel
zal bespeuren, ja, mijn vriend, ja, ongelukkige vriendin,
dan schaamt gij u niet slechts voor God en voor de men-
schen, maar ook voor u eigen zelven. Dan durft gij u
zei ven niet aanzien, over uw gedrag niet nadenken, den
droevigen toestand uwer arme ziel niet beschouwen, omdat
gij weet en gevoelt, welk een monster van boosheid gij
zijt geworden, en hoe afschuwelijk die ziel is geworden,
welke vroeger door hare reinheid en schoonheid uw geluk
en \'s hemels vreugde uitmaakte, de Engelen verblijdde
en uw evenmensch stichtte.
II.
Ziedaar wederom de zuivere zwaan in het zuivere wa-
ter. liondom met sneeuwwitte pluimen of fijne dons bedekt
glijdt zij met opgeheven kop, een kop als van een snoek,
een langen hals als een paling, een lichaam als een schip,
over de spiegelende en golvende wateren van vijvers en
grachten. Het is een heerlijk beeld van den in onschuld
opgewassen Christen, die zedig en rein met een open
gelaat en deftigen tred ginds henen wandelt, altoos opge-
ruimd, altoos vrijmoedig en gerust, bedekt met een glans
van bovennatuurlijke schoonheid, de weerkaatsing van
een zuiver hart. Niet alsof hij trotsch^en hoovaardig was,
want de ware reine ziel is de groote vijandin van alle
verwaandheid en vermetelheid. Zij weet, dat zij den kost-
baren schat harer zuiverheid in brooze vaten draagt, en
dat zij alleen in het licht der eeuwige Zon, alleen door
de verlichtende en verwarmende genade van den H. Geest
hare schoonheid kan verkrijgen, bewaren en vergrooten.
-ocr page 52-
— 44 —
Daarom is zij zedig, deftig en bescheiden, nooit verwaand
of hoovaardig. Doch hij, wiens inwendige onrust zich op
zijn gelaat en in zijne oogen openbaart, hij alleen tracht
door buitensporige bewegingen, dwaze wendingen en onrus-
tige stappen zijne inwendige verwarringen en angsten
als \'t ware uit te schudden of voor het oog der wereld
te ontveinzen. In de eenzaamheid is hij droefgeestig, neer-
slachtig, wanhopig, want een zondig hart brengt zijne
eigene straf, zijne wroeging mede, daar het getuigenis
van een goed geweten, (Thomas van Kempen heeft het
gezegd) altijd blijdschap veroorzaakt. Habe bonam consc\'wn-
i\'uuti et habebü souper latitiam.
De onschuld, de blanke
onschuld trekt het mensehelijk hart.
Een kind van één jaar wordt door den volwassen man
om zijn lieven eenvoud bemind en bewonderd, en kan hem,,
als hij zijn eigen koude en ten booze geneigde inborst
beschouwt, tot tranen bewegen ; zoo roert en treft ons ook
de malsche zwier der\' sneeuwwitte zwaan en stemt ons tot
liefde voor al het edele en schoone , en tot afkeer van
en schaamte over al wat leelijk en schandelijk is in ons
binnenste en in ons gedrag.
De mensch zoekt de zwaan, de zwaan zoekt ook den
mensch. In overoude tijden en ook nog hedendaagsch
duikelt zij in de ruime vijvers van kasteelen en paleizen.,
\'t Is waar, zij wil vrij zijn, zij wil niet worden opgeslo-
ten als eene slavin of gevangene , geheel onafhankelijk
wil zij naar believen het heldere vocht doorklieven , in
wijdte en breedte en lengte door de grachten roeien, op
de oevers landen en zich verschuilen , om weldra "weer
in \'t frissche water te polsen en te dompelen. Zij wil
vrij zijn, maar nooit of zelden zal zij hare meesters, hare
woonplaats ontvluchten , wanneer haar slechts aan hui»
-ocr page 53-
— 45 —
het noodige zuivere water wordt gegund en haar heur
voedsel niet wordt onthouden. De zwaan, ik bedoel de
groote zwaan, is een huisdier, een tamme vogel en leert
ons alzoo, dat de mensch, wil hij zijn hart ongeschonden
bewaren, op eigen haard zijn geluk, zijnen vrede nioetzoe-
ken, dat hij zich niet aan uithuizigheid mag plichtig maken.
Zoo dikwijls ik onder de inenschen kwam , keerde ik
als minder mensch terug, zegt de zeer godvruchtige
Thomas van Kempen, en dat hij groot gelijk heeft, heeft
menigeen tot zijn ongeluk ondervonden. Dit ondervond,
onder anderen, Jacob\'s dochter Dina, die gaarne de groote
wereld willende zien en verlangende gezien te zijn, zich
van huis verwijderde, zonder begeleide onder een vreemd
volk kwam, wellicht zoo blank als een zwaan vertrok,
maar helaas zoo zwart als de raaf wederkeerde.
Beste vrienden , wilt gij de deugd , de deugd bij uit-
nemendheid bewaren , bewaart dan u zelven binnen de
muren van het ouderlijke huis, verschijnt niet op straat
zonder noodzakelijkheid, en gaat nooit op i-eis zonder eene
goede geleide. Ik wil daarmee niet zeggen, dat gij allen
omgang en geselschappen moet schuwen ; o neen, fee hem
d\'w altijd alleen is,
zegt de wijze man, wee hem die zich
niet op zijnen tijd met zijne huisgenooten of z\'jn even-
mensch in aangenamen kout of door het spel of anderszins
ontspant, als een zonderlinge alle mensehen schuwt. Hij
zal verwaten, eigenzinnig, droefgeestig worden en in het
geheim veel kwaad doen. Van zoo iemand pleegt men
te zeggen, dat hij het achter den mouw heeft. Stille
waters zijn vuil en hebben diepe gronden.
Dit wil ik alleen zeggen , dat men zich niet te veel
aan het publiek moet vertoonen en dan nog altoos met
eene zekere schaamachtigheid en zedigheid, nooit te ge-
-ocr page 54-
— 4(> —
meenzaam, nooit uitgelaten. Wil men kostbare reukwerken
goed bewaren , dan moeten zij worden opgesloten. Wil
men den zoeten geur der H. deugd goed in zijn hart
bewaren, dan moet men dat hart niet voor iedereen open-
zetten, dan moet men altoos ingetogen, zedig, een weinig
terughoudend, een weinig verlegen zijn.
Ook de zwaan , ofschoon zij het gezelschap der men-
schen soms zoekt, blijft altoos te huis en is stil. Zij spreekt
niet, zij zingt niet. Wel hebben de ouden gezegd, dat
zij een bekoorlijk deuntje zingen kan, vooi\'al wanneer zij
gaat sterven, doch ik heb nooit iets anders uit haar mond
vernomen, dan een weinig hinniken en snorken of mur-
melen en grommen, waardoor wij wederom leeren, dat de
schoone en Gode behagelijke ziel zich niet te veel moet
uitlaten\', want ook de H. Geest stelt in de H. Schrift
eene slechte vrouw voor als eene groote babbelaarster en
zegt uitdrukkelijk, dat bij veel praten de zonde niet ont-
breken zal. Willen wij dus ons hart bewaren, moet onze
ziel zoo schoon en zuiver zijn als de zwaan , dan moet
zij ook een afschuw hebben van de uithuizigheid en snap-
achtigheid, dan moet zij de zwaan navolgen in hare liefde
voor de eenzaamheid, stilte en ingetogenheid.
Zoo kennen wij dus de onovertreffelijke schoonheid, de
grootheid en den adel der zwaan. Wat doet zij nu om
die hoedanigheden te bewaren ? Zij gebruikt daarvoor
drie middelen. Vooreerst, zij wascht zich dikwijls en kamt
zich bijna den geheelen dag. Het is een lust om te zien,
hoe zij herhaalde malen kop en hals in het water steekt
en met eenen stoot geheel onder den waterspiegel henen-
schiet , zoodat liet water over haren rug stroomt en zij
van alle kanten druipt, terwijl zij met hare vleugelen
heen en weer over het water plast om zich aldus te be-
-ocr page 55-
— 47 —
sproeien, in het licht der helderschijnende zon te koelen
en af te wasschen. Dan ziet gij haar met den bek onder
de veeren zoeken , kammen en strijken , en niet zelden
klimt zij op den oever om des te gemakkelijker onder
den buik, over den rug en in den staart met haar langen
donzigen hals en gelen ronden bek alles na te vorschen
en alles uit te pluizen, wat haar kan hinderen of ontsieren.
Zoo , mijn lezer, zoo behooren ook wij , om blank en
zuiver te blijven, voornamelijk twee zaken te doen,
ons dikwijls te onderzoeken, door nauwkeurig al onze han-
delingen , al ons doen en laten , al wat ons omgeeft en
vergezelt te beschouwen , te beoordeelen in het boven-
natuurlijk licht der genadezon ; en ten tweede, ons zei ven
af te wasschen door een waar berouw over onze misstap-
pen en ijdelheden, en door een vast voornemen, die glans-
rijke deugd, waardoor wij den hemel verblijden, met Gods
hulp en genade ongeschonden te bewaren. Vergeten wij
dus nooit eiken avond ons gedrag te onderzoeken, aan den
goeden God, den hoogen Minnaar der zuivere zielen, ver-
giffenis te vragen, hem beterschap te beloven en vooral
iedere maand met een nauwkeuriger onderzoek, met een
oprechter berouw en een sterker voornemen tot het H. Sa-
crament der Biecht te naderen, om ons meer en meer te
wasschen door de overvloedige genaden, welke God alsdan
over ons uitstort, ons te sterken door het Brood des Hemels
en door den Wijn die Maagden voortbrengt, dat is, door het
H. Lichaam en Bloed van onzen Goddelijken Zaligmaker.
Doch al dat onderzoeken en wasschen zal weinig baten,
als wij niet het onzuivere water ontvluchten, dat ons zoo
dikwijls bevlekt heeft, als wij de gelegenheden, de gezel-
schappen, de plaatsen, de gedachten en handelingen niet
vermijden, welke voor ons een aanstoot, een ergernis zijn.
-ocr page 56-
— 48 —
Want evenmin als eene sneeuwwitte zwaan kan schoon
blijven in vuil, stilstaand, troebel water, evenmin zal de
ziel, welke zich ophoudt in eene gevaarlijke omgeving,
welke omgaat met onkuische speelgenooten, of welke zich
in luiheid als in stilstaand water verlustigt , schoon en
Grode welgevallig blijven. Weet gij dan niet, dat hij, die
met pek omgaat, besmet en zwart wordt ? En hebt gij
nooit gehoord, dat de blanke zuivere ziel zoo licht wordt
besmeurd in de gevaren en , ofschoon zij gezworen had ,
dat zij niet vallen zou, toch helaas, te veel op zich zel-
ven vertrouwende , viel, schandelijk en diep viel en tot
groot pleizier der hel, ach, ik moet het zeggen, zoo zwart
werd als een duivel.
Volg dan, voorzichtige lezer, de wijzere zwaan na, die
altoos het troebele water ontvliedt en zooveel mogelijk
heldere beken zoekt, daar rustend water bijna altoos don-
ker en vuil is. Zoekt ook gij uwe schoonheid en zuiver-
heid te bewaren, door de ledigheid en gevaarlijke vrien-
den te vluchten. Ik herhaal. De bekoorlijk schoone water-
vogel , de majestueuze zwaan , bewaart hare schoonheid
en aantrekkelijkheid, vooreerst door zich te onderzoeken,
den heelen dag te zuiveren en te wasschen, en leert ons,
hoe een herhaald en nauwkeurig onderzoek en een gedu-
rig zuiveren door berouw en biecht noodzakelijk is voor
hem, die zijne ziel ongeschonden wil bewaren. Ten tweede,
zij schuwt het vuile water, omdat men niet kan zuiver
blijven, als men omgaat met iets wat onzuiver is. Ten
derde, zij wascht en plast zonder ophouden, bij voorkeur
in loopend water, omdat stilstand en ledigheid al even
gevaarlijk is als een slechte omgeving. Ten vierde , zij
is een huiselijke vogel, die nooit of zelden zingt, om ons
te leeren , hoe kostbaar de stilte , de ingetogenheid , de
-ocr page 57-
— 49 —
eenzaamheid en huiselijkheid is voor hem, die zijn hart
voor alle verderf wil bewaren.
Willen onze geachte lezers deze schoone lessen der
schoone zwyian onthouden en nakomen, dan zal God met
veel genoegen op hunne zuivere zielen nederzien, zonder
schroom en \' zonder gewetensangsten zullen zij met een
rustigen opgeheven blik op aarde rondwandelen, bij het
naderen van den dood een lied van vrede en dankzegging
zingen, en eenmaal zal de zuivere God hen in zijn lust-
hof plaatsen, waar zij zullen baden in eeuwige genoegens.
III.
Zwaantjes met uw witte pluimen,
Met uw vlerken groot en wijd,\'
\'k Zie het wel hoe schoon gij zijt.
Als gij \'t water zoo doet schuimen,
Springen vorschen uit het meer,
\'t üngediert vlucht beek en vlieten,
En de zwarte beestjes schieten
Haastig in de diepte neer.
De zwaan heerscht op het midden der wateren als een
vredevorst, door vele kleinere vogels omringd, door nie-
mand gevreesd, door allen geëerd en bemind, evenals de
blanke kuische maagd om de zielereinheid , welke op
haar gelaat uitstraalt, door allen wordt geëerbiedigd, en
door de meest bedorvenen zelfs wordt ontzien en in stilte
geprezen. Maar de smerige kikkers, die op den oever
kwaken , en \' de zwarte insecten en misvormde beesten,
die in den modder kruipen , kunnen de schoonheid der
zwaan niet aanzien, zij deinzen voor haar terug en krui-
pen in hunne holen.
, Niet anders vluchten voor de kuische ziel die onreine
en afzichtelijke beelden en voorstellingen , welke zich
-ocr page 58-
— 50 —
soms in \'s menschen geest indringen en daar als gruwe-
lijke monsters rondzwerven. Niet dat de zuivere maagd
niet geplaagd wordt door den duivel der ontucht en
geene bekoringen ondervindt, maar die schandelijke figuren
vinden er geen ingang, zij kunnen haar zelfs niet ver-
schrikken en blijven op een afstand spoken ; want komen
zij naderbij, dan weet zij die te pijnigen en te vernielen
door den vermetelen afschuwelijken maker ervan te be-
spotten en te verachten, evenals de zwaan den snooden
kikker op zijn kop in de diepte dompelt, als hij haar
te na komt.
Jammer dat zoo menige braven dit niet goed begrijpen,
omdat zij door een beetje eigenliefde verblind, meenen
engelen te kunnen zijn, die nooit door bekoringen gekweld
worden ; kleingeestige zielen , die maar vreezen groote
zondaren te zijn, zoodra zich dergelijke dingen aan hun
kuischheidminnend oog vertoonen. Neen vriend, wij zijn
menschen, wij zijn niet beter dan de H. Paulus, die door
den boozen Engel gefolterd, den Heer verzocht van die
plagerijen verlost te worden. Maar Jezus zeide hem, dat
zulks niet noodig was, ja dat zijne deugd erdoor zou ver-
beterd worden , en dat hij tevreden moest zijn met de
genade, die sterker is dan de bekoring.
Geloof dus niet, dat gij u zelven ooit van die zinnelijke
gedachten en gewaarwordingen zult kunnen bevrijden.
De groote Apostel kon dat niet. Alleen kunt gij ze ver-
minderen, door u zelven over uwe natuurlijke bedorven-
heid te schamen, door u te vernederen voor den God der
reinheid, door uwe nauwgezette plichtsbetrachting, en door
een vurig gebed als de strijd hevig wordt. Maar een braaf
mensch doet best met zijns weegs te gaan en naar die
afzichtelijke duiveltjes niet eens om te zien , daar toch
-ocr page 59-
— 51 —
zoo\'n klein leelijk diertje de reine zwaan niet kan bevlek-
ken en haar ook niet naderen durft, als ze zelf niet
achterna zwemt. Zij verwaardigt zich niet eens op zulke
nietsbeduidende heesten jacht te maken en zich daarvoor
te vermoeien. Dan alleen, mijn goede lezer, zal zulk een
duivel u kunnen schaden, wanneer gij er schrik van hebt,
wanneer gij u ontstelt, wanneer gij met gejaagdheid die
spoken achtervolgt en alzoo uwe verbeelding verzwakt
en afmat. Door het hondje na te loopen maakt men het
boozer en stouter, zoodat men er niet meer kan afkomen.
Daarom heb ik medelijden met die onvoorzichtige men-
schen, die wel door een vuur zouden loopen om de zonden
te schuwen, doch geen onderscheid weten te maken tus-
schen eene zonde en eene bekoring. Op het zien van
den ingebeelden duivel schrikken zij op, en bewegen hemel
en aarde om maar niets te zien en niets te gevoelen ,
om zich van kwellingen te verlossen , welke hen niet
zouden schaden, als zij die maar geduldig droegen en er
zich niet mede bemoeiden. De zwaan zorgt dat zij schoon
en groot blijft; zij maakt rustig haar toilette en \'t onge-
diert, dat in den omtrek woelt, gaat haar niet aan en
besmeurt haar niet. Dit schreef ik tot troost der kuische
zielen , en thans richt ik wederom het woord tot hen ,
die weinig afschuw gevoelen voor de afschuwelijkste
der zonden.
Zoo schandelijk is de oiivcrbnarhciri, dat de Christen,
die daardoor zijn lichaam, den tempel Gods , ontheiligd
heeft, zich schaamt voor Grod, die alles ziet, zich schaamt
voor zijn medemensch, wiens aanblik hij vreest, zich
schaamt voor zich zei ven, daar hij zijn boosheid niet durft
aanzien. Zij is zoo schandelijk, dat geen zonde zoo dikwijls
verzwegen wordt in den biechtstoel, ofschoon daar alles
-ocr page 60-
— 52 —
geheim blijft en ofschoon het verzwijgen der zonde zelfs
een nieuwe en groote zonde van heiligschennis is. Het
is een zonde , waarmede of waardoor, volgens de ver-
klaring van een Heilige, alle volwassenen, die verloren
zijn, naar de hel gaan. Daarom heb ik op de eerste plaats
den schoonen zwaanvogel voorgesteld als een type van
zuiverheid , van die blanke zuiverheid , welke door alle
menschen, zoowel door de bedorvenen als door de braven,
wordt geëerd en hooggeschat. Is de ontucht afschuwelijk,
omdat zij, volgens de leer van den H. Thomas, het ver-
stand verbijstert en den wil medesleept tot ongehoorde
gruweldaden , dan is ook de H. deugd van kuischheid
eene ware parel van \'s menschen ziel. Zij is bij uitstek
de deugd van den mensch, ja wordt niet zonder reden de
deugd der Engelen of de Engelachtige deugd genoemd.
Te meer wordt zij aldus genoemd, omdat de tegenover-
gestelde passie, zooals ook de H. Thomas zegt, de sterkste
en ook de verleidelijkste is, zoodat hij, die in dat punt
over zijn bedorven lichaam zegeviert, waarlijk een Engel
en meer dan een Engel kan genoemd worden. Dagelijksch
is de strijd , zegt de H. Augustinus, en zeldzaam is de
overwinning. Het is eene reden, zooveel te meer op onze
hoede te zijn en de middelen aan te wenden, de wapenen
ter hand te nemen, om den vijand voortdurend te bevech-
ten en te verslaan.
De Protestanten houden het voor eene onmogelijkheid,
maar wij Christenen , wij weten, dat wij ons met Gods
genade kunnen en moeten onthouden, en dat duizenden
Heiligen naar het voorbeeld van onzen goddelijken Ver-
losser en Zijne H. Moeder, de zuivere Maagd Maria, door
gebed en versterving die schoone parel hebben verdiend
en onbevlekt hebben behouden.
4
-ocr page 61-
— 53 —
Toch is er een geleerd en braaf protestant geweest,
die het mogelijk achtte zulk een kostbaar kleinood onbe-
dorven te bewaren. Ziehier zijne woorden : Men moet
zich wel van de waarheid doordringen, dat er gewoonlijk
om de kuischheid te bewaren nauwelijks iets anders
noodig is , dan het vermijden van ledigheid en slechte
gelegenheden en bovendien een vast besloten wil, eene
genade welke God niet weigert aan hen die er godvruch-
tig om bidden." Zoo sprak de groote Protestant Leibnitz,
en allen moeten bekennen , dat hij een groote waarheid
uitspreekt. Maar zal men zeggen : hoe is dat te rijmen?
Zoo even is gezegd, dat het uiterst moeilijk is en hier
staat, dat het gemakkelijk is ? Op zich zelf, mijn vriend,
is de kuischheid een diep verborgen, moeielijk te vinden
schat, doch als men maar de middelen getrouw te baat
neemt, dan is het niet moeielijk haar te verkrijgen en in
gewone omstandigheden gemakkelijk te bewaren. Hoor
wat de Protestant zegt op de eerste plaats, en \'t is zeker
wel een der beste middelen : men vermijde de ledigheid.
Ten tweede men vermijde de slechte gelegenheden. Ten
derde men hebbe een vasten wil door niets het reine brui-
loftskleed der ziel te bevlekken, en om zulk een wil te
verkrijgen moet men vurig bidden. Zoo wordt datgene
wat wij van de zwaan reeds geleerd hebben, alhier heer-
lijk bevestigd door een Protestant. Moeten zich die flauwe
Katholieken niet schamen, die durven zeggen oi denken,
dat de kuischheid onmogelijk is of die zich aan hunnen
afschuwelijken hartstocht overgeven, omdat zij de moeiten
schroomen, wanneer een Protestant haar aldus aanbeveelt,
en publiek voor de heele wereld getuigt en uitroept,
dat zij zoo gemakkelijk te onderhouden is, als men slechts
bidt en ledigheid en gelegenheden vlucht ? Is het geen
-ocr page 62-
— 54 —
schande voor een Katholiek aldus door een Protestant
onderwezen, te recht gesteld en veroordeeld te worden ?
"Waarlijk op den laatsten dag zullen er uit het Noorden,
Oosten en Westen komen opdagen en in het rijk Gods
komen aanliggen , maar de kinderen des rijks , die door
hunnen roep, door hun geloof\', door sacramenten en gena-
den tot het hemelrijk waren bestemd , uitverkoren en
toegerust, zullen, helaas, in de uiterste duisternissen ge-
worpen worden, want die de eersten moesten zijn, zullen
de laatsten wezen, en de laatsten de eersten.
IV.
De H. Thomas van Aquinen , dien ik reeds dikwijls
heb laten spreken , heeft in zijn overheerlijk werk van
de Godgeleerdheid ook iets moois van de zwaan geschre-
ven. ..De zwaan ," zegt hij , „heeft een witte kleur en
langen hals en trekt haar voedsel diep uit het water,
waardoor die menschen kunnen beduid worden , welke
onder den schoonen schijn van uiterlijke rechtvaardigheid
het aardsche zoeken." Tot nu toe beschouwden wij de
uitwendige schoonheid der zwaan , daar toch het inwen-
dige voor ons oog is verborgen en dus weinig aanbelangt,
maar voor den mensch is dit niet voldoende ; hij is ge-
schapen voor God, die de harten doorgrondt en die boven
alles een zuiver hart zoekt.
Stemmen \'s menschen handelingen niet overeen met
zijn inwendige, dan kan hij voor braaf doorgaan en door
de wereld geacht zijn, maar is dan toch in waarheid niets
anders dan een Farizeeuwsche huichelaar, gelijk aan de
zwaan , die zich in al hare fierheid en pracht aan ons
oog vertoont, maar in het verborgen, diep in het water,
in den moddergrond haar voedsel zoekt. Ja, men treft
ze aan , mannen zoowel als vrouwen , die voor eerbaar
-ocr page 63-
— 55 —
doorgaan , die zelfs den schijn aannemen , alsof zij meer
dan anderen braaf, devoot en zuiver wai\'en, maar die in
\'t geheim hoozer en slechter zijn dan anderen, die in \'t
verborgen hun voedsel zoeken, in den modder der leelijk-
stc zonden. Vrouwen, die meor dan anderen schijnen te
bidden, meertlan anderen te biechten gaan, maar dit alleen
doen om de menschen en ook haar eigen knagend gewe-
ten te verschalken en te bedriegen , altoos hare afschu-
welijkheden voor den priester bewimpelen en zoo, onge-
straft en onverbeterlijk voorthollende, zich in den diepsten
afgrond nederstorten. Mannen , die zich als bijzonder
braaf weten voor te doen en zelfs den mond vol hebben
van deugd en heiligheid , om des te gemakkelijker de
onnoozele zielen in hunne strikken te vangen. Het zijn
wolven in schapenvachten, het zijn speurhonden van den
duivel, die glurende rondsluipen, om de arme, niets kwaads
vennoedende zielen door hun onzedig geblaf en gebrul
te bederven en ter helle te voeren.
Dit zeg ik niet van onze lezers, onder welke gewis geene
of uiterst weinige van zulke monsters gevonden worden,
maar voor onze lezers, opdat zij altoos op hunne hoede
zijn, wel toezien met wien zij omgaan en zich niet laten
verleiden door hen, die als schapen tot hen komen, maar
inwendig vol zijn van roofzucht en boosaardigheid ; des
te meer , daar zij weten , dat de tengere witte lelie der
onschuld zoo lichtelijk wordt bevlekt en geschonden, dat
zij, eenmaal gekrenkt, zoo möeielijk wordt hersteld, en
dat zij dan , wat men ook aanvange , toch altoos maar
eene verslenste bloem blijft. Bij dit schrijven moest ik
noodzakelijk een ernstigen toon aannemen, want wie zou
nog welgemoed kunnen zijn bij het beschouwen en over-
wegen der ijselijke verwoestingen, door die helsche zonden
ïi Tweede deel Ruth.
-ocr page 64-
56 —
aangericht ? Wie kan zijne tranen bedwingen , bij het
bestudeeren der ellende en gruwelen, door de schandelijke
zonde der ontucht hedendaags in de wereld gebracht ?
Zij bedwelmt het verstand, verslaaft den wil, verdierl\'jkt
den ïncnsch, ondermijnt de gezondheid, verwoest de fami-
lies, verdelgt de maatschappij en vernielt geloof\'en gods-
dienst! Xog eene vraag. Wie zijn de grootste twijfelaars,
Godverzakers, haters van de kuisehe priesterschap en
vervolgers van de reine bruid van Christus , van de
H. Kerk ? Ja, wie zijn liet ?.....
----------------------»>€^^-------------
VIERDE KAPITTEL.
»
Twee Zwanen.
I
Omdat men oudtijds meende, dat de zwaan eene wei-
luidende stem had en heerlijk zingen kon, misschien ook
omdat zij overvloedige stof levert tot dichterlijke bespie-
gelingen, heeft men aan zangers en dichters den over-
drachtelijken naam van zwanen gegeven. Het is om die
reden, dat ik hier in \'t voorbijgaan iets zeggen wil van
den grootsten hollandsehen dichter Joost van den Vondel.
Hij werd uit protestantsche ouders te Keulen geboren,
verhuisde reeds als kind naar Amsterdam en bekeerde
daar tot het Itoomschkatholiek geloof in 1641. Wonder*
schoone verzen heeft die man geschreven en zijne talen-
ten heelt hij gebruikt tot verheerlijking van godsdienst
en deugd. Onder anderen bezong hij in een prachtig dicht-
-ocr page 65-
;>< —
stuk Ailam in ballingschap. Geheel en al wordt gij mee-
,gesleept door de heerlijke beschouwingen, waarin hij u
de zuivere genoegens voorstelt, die de gelukkige Adam
en Eva overstroomden , en die vooral voortsproten
uit hunne onbevlekte onschuld, uit hunne we-
derzijdsche reine liefde en uit den geest van on-
derdanigheid, eerbied en toewijding, die hen aan God
verbond. Maar ook zielroerend is de beschrijving van hun
diepen val, en bezwaarlijk kunt gij uwe tranen bedwin-
.gen, als gij na zooveel geluk en grootheid den ellendigen
staat overweegt, waarin zij zich door hun ontrouw jegens
God, onzinnig en ondankbaar hebben neergedompeld. De
hemelsche reine liefde, waardoor „zij in eenzelfden geest
elkander beminnen en van dag tot dag een trap ten hemel
winnen," vergelijkt de dichter met de wonderbare liefdetrek-
ken,die wij in sommige vogels en dieren bespeuren. Hij zegt:
„De liefde wordt door liefde ontvonkt en opgewekt:
Gij ziet hoe minzaam duif en doffer trekkebekt,
De zwaan bekoort, de zwaan, die bruisend aan komt
zwemmen,
De sterke leeuw laat zich van zijn leeuwinne temmen."
Zoo brengt ons die groote dichter van zelf op de ge-
dachte , om de zwanen als een voorbeeld van liefde en
trouw aan echtgenooten voor te stellen. Tot nog toe
sprak ik slechts over de zwaan in het algemeen, als een
beeld van zuiverheid voor ongehuwden , thans komt de
beurt aan hen , die weten willen , hoe men zich in den
huwlijken staat
moet gedragen. Daarom neem ik tot
opschrift voor dit opstel „Twee Zwanen." Een aardige
historie, die nog slechts twee en een half jaar geleden
is voorgevallen, zal daarbij te stade.komen. Wij beschouw-
den de zwaan op haar zelve alleen, schoon, zuiver, vrij,
-ocr page 66-
— 58 —
met een rechtmatiger) trots genoegelijk en rustig in het
frissche water, zich voortdurend wassehende , onderzoe-
kende en zuiverende, in de stilte aan huis. Thans gaan
we haar beschouwen in vereeniging met een andere ; want
we hadden twee zwanen en op hen was het woord van
Vondel toepasselijk :
..De zwaan bekoort de zwaan, die bruisende aan komt
zwemmen."
Ze zwommen samen, gingen samen wandelen, en wag-
gelden of dreven altoos in eene rechte lijn achter elkan-
der, nu in de grachten, dan over de tuinpaden of rondom
het huis. Zij aten bij elkander, zij sliepen, gewoonlijk
rustende op het water of staande op den oever, met één
poot omhoog getrokken en met den nek in de veeren ,
altoos bij elkander ; en wanneer bij toeval de eene eenige
schreden slechts van de andere was verwijderd of aan het
gezicht der andere was onttrokken, dan werd de kop een
meter hoog in de lucht gestoken, dan ging de bek open
en het was een gehinnik of gegaggel zonder einde. Dat
duurde dan zoolang, tot dat de eene op den afstand hare
taak had verricht en wederom de andere door hare terug-
komst verblijdde. Zij aten te zamen, zij doopten de voor-
geworpen broodbrokkeltjes, de haver of het gras in het
water en slurpten het dan op door haar langen hals, zon-
der dat ik ooit heb gezien , dat de eene de andere iets
benijdde, de andere van haren maaltijd wegjoeg of eenige
spijze ontnam. Nooit of nimmer bestond er de minste
twist, altijd dezelfde liefde, dezelfde getrouwheid en wat
daaruit volgt, dezelfde vrede en hetzelfde geluk.
"Waarlijk een schoon afbeeldsel van een man en eene
vrouw, die elkander in waarheid beminnen, die getrouw
aan hunne roeping, in lief en leed elkander ter zijde
-ocr page 67-
— 59 —
staan, die volgens de wet der natuur en den uitdrukke-
lijken wil van God, elkander niet slechts meer beminnen
dan hunne bloedverwanten en vrienden , maar als \'t er
op aan komt, hun voordeel, hun gemak, hunne kennissen,
hunne broeders en zusters , hunne ouders zelfs verlaten
en den rag toekeeren , om elkander aan te hangen en
elkander ter wille te zijn. Wat de eene wil, dat wil de
andere ; de vrouw moet wel, volgens de verklaring des
Apostels , ondei\'danig zijn , de man is immers het hoofd
•der vrouw ; maar als er de heilige, krachtdadige en offer-
vaardige liefde heerscht, welke boven alles het huwelijk
heiligt en verheft, dan weet men eigenlijk niet, wie baas
is en wie onderdaan. Want beiden doen afstand van hun
wil, om slechts datgene te volgen, wat voor het gemeen-
schappelijk geluk en welzijn het meest bevorderlijk is.
Dan zijn beiden èn meester èn onderdaan; meester, omdat
altoos hun beider wil geschiedt; onderdaan , omdat zij
geen eigen wil hebben.
O, wie schept er geen behagen in, zulke brave, aan
•elkander verknochte echtgenooten aan te treffen ? Wie
roemt ze niet gelukkig en welzalig, als zij zoo vereenigd
•de lasten des levens gemakkelijk dragen , omdat zij die
met hun tweeën dragen , en de vreugde des levens ook
dubbel genieten, omdat zij die met hun tweeën genieten.
Is het wonder, dat de wijze man schreef: „Drie dingen
behagen mijnen geest en zijn aangenaam bij God en bij
de menschen : eendracht onder broeders of bloedverwan-
ten, liefde jegens de naasten of naburen en man en vrouw,
die elkander yoed verstaan.\'1\'
Is het wonder, dat de Zoon
van God zich in het midden bevindt, waar twee zulke
brave echtgenooten gezamenlijk voor zijn eer hun zalig-
heid bewerken ? Want zijn er twee in zijnen naam (dus
-ocr page 68-
— IK) —
ook door het H. Sacrament des Huwelijks, dat de eenheid
van Hem en zijne Kerk afbeeldt en verheerlijkt) verga-
derd door liefde en getrouwheid, dan is Hij zelf in hun
midden , door zijne genaden en weldaden ; dan heerseht
er geluk en vrede, deugd en heiligheid en geene rampen
of zonden kunnen dat genoegen verstoren, want Jesus is
in hun midden.
Evenals het de H. Schriftuur eene zaligheid noemt
een waren vriend gevonden te hebben, zoo prijst zij ook
zalig den man, die woont met eene verstandige vrouw,
en zalig de man, die eene goede huisvrouw heeft. Maar
hoe ? Is er dan op aarde eene zaligheid mogelijk ? Ja ,
zegt de H. Geest, eene soort van zaligheid genieten man
en vrouw , wier liefde en eenheid slechts in den hemel
dooi\' de liefde der Heiligen tot God , of door de liefde
van Christus tot zijne Kerk wordt overtroffen. En her-
haalde malen roept hij uit: ,. Eene goeie vrouw ia de/t muu»
C(//i\'///ci(/."
Zij verblijdt hem ; haar aanschijn reeds ver-
heugt hem ; zij is hem een schat, eene krone. Vrienden
en bekenden ontmoeten elkander van tijd tot tijd, maar
beiden overtreft man en vrouw, die elkander altoos ont-
moeten, altoos helpen, altoos samenwerken, want die twee
zijn slechts één , en wat God heeft gebonden , kan niet
gescheiden worden. De man bemint zijne vrouw als zich
zelven , de vrouw eerbiedigt haren man als haar hoofd ,.
en zoo bestaat die wonderbare eenheid , geheiligd door
de genade van het H. Sacrament, welke het voorrecht
bezit, de afbeelding te zijn van Jesus liefde tot zijne
bruid, de H. Kerk.
De zwaan is een vreedzame stille vogel, maar wordt
zij aangevallen, dan is zij sterk en r/eireldiy. Zij leeft op
de wateren met alle vogels in genoegelijken vrede en wordt
-ocr page 69-
— Cl —
alleen door den arend bevochten , doch zij bezit in hare
vleugelen, wanneer die niet verkracht zijn, zulke verba-
zende sterkte, dat zij en de gier alleen in staat zijn ,
om den woedenden arend te trotseeren en dood te
slaan. Men zegt, dat zelfs een mensch , die haar zonder
wapenen zou durven aanvallen , voor de macht haver
vleugelen moet bezwijken.
Nu de toepassing. Zijn de zwanen, die in schoonheid,
in liefde en vrede uitmunten, zoo machtig tegenover hare
vijanden, dezelfde macht schonk God aan man en vrouw,
die in zuiverheid van geweten , in liefde en vrede met
elkander nauw verbonden leven, dezelfde macht tegenover
alles, wat hun geluk zou kunnen storen. Een brave man
en vrouw zijn volgens de woorden der H. Schrift niet
slechts één vleesch of lichaam, maar ook naar het voor-
beeld der eerste Christenen één van hai\'t en ziel en, gelijk
het eene lid des lichaams medelijden toont en te hulp
snelt, als het andere in nood is, zoo toonen ook de echt-
genooten, die als één lichaam en geest zijn, wederkeerig
medelijden en behulpzaamheid. Wordt de eene bezocht
door kruisen, door pijnen of droefheden, de andere is ge-
reed om te verplegen, te vertroosten, te helpen. En even-
als twee ossen , die onder hetzelfde juk den zelfden weg
opgaan, ontzaggelijke vrachten kunnen trekken, zoo tor-
schen de gehuwden, die door ware liefde verbonden zijn,
met gemak de verschrikkelijke lasten, welke het juk des
huwelijks medebrengt. Als zij te lijden hebben, zuchten
zij méér over den druk der wederhelft, dan over hun
eigen hartzeer. Uit liefde tot haar klagen zij weinig over
eigen leed en trotseeren alle gevaren, dragen alle tegen-
spoeden, en bezitten alzoo eene buitengewone kracht tegen
alles, wat het huwelijk kan verstoren.
-ocr page 70-
— 62 —
De zwaan vergeet haar eigen voeding en versiering, om
zich geheel voor hare kuikens op te offeren , terwijl de
baas, zijne gewone bedaardheid verzakende, heen en weer
rondzwemt, om te zien of ook een vijand durft genaken,
die den jongen zou kwaad doen; en wee hem, die in zulke
omstandigheden het levenslustig nest durft aanroeren.
Twee jaren lang duurt het eer de jongen geheel volwas-
sen, geheel ontwikkeld zijn en de hun toekomende schoon-
heid geheel verkregen hehben, maar nog langer duurt het,
eer zij die wederom afleggen; want deskundigen verzeke-
ren, dat zij over de honderd jaren kunnen leven. Mijn
geachte lezer zal dat misschien moeielijk kunnen gelooven,
de ondervinding zal het ook niet kunnen leeren , maar
dit is zeker, dat gij, mijn vriend, als gij een man zijt naar
Gods hart en eene vrouw hebt gevonden , die wezenlijk
uw geluk uitmaakt, die uw schat, uwe kroon, uw grootste
geluk op aarde is, genoegelijk en lang zult leven. Als
gij elkander kunt verdragen en met uwe vrouw lief en
leed weet te deelen, als het eenig doel van uw huwelijk
en van de opvoeding uwer kinderen is, God te dienen,
voor wien gij zijt geschapen, voor wien gij zijt vereenigd,
en voor wien gij ook eenmaal zult moeten verschijnen ,
dan zult gij lang leven of ten minste gelukkig leven en
hierna voor eeuwig de zaligheid genieten, van welke gij
op aarde den voorsmaak beproefd hebt.
Alles is er dus aan gelegen, om een goed huwelijk aan
te gaan of om het aangegane huwelijk goed te maken.
Eene zaak is jammer; dat er namelijk tegenwoordig zoo
weinig godsvrucht is, en dat er daarom zoo vele slechte
huwelijken worden gesloten, en zoo vele worden bedorveD.
II.
Onze twee zwanen leefden in eensgezindheid en vrede,
-ocr page 71-
.
— 63 —
waren niet van elkander te scheiden en liepen of zwom-
men altijd elkander achterna, de man natuurlijk voorop,
want hij moet de baas wezen. Er kunnen gelegenheden
zijn, waarin het beter is dat de vrouw bevel voert, bijvoor-
beeld in huiselijke aangelegenheden, at als de man daar-
toe niet in staat is, als hij alles verkwist of bederft; doch
deze zijn uitzonderingen. In den regel moet de man regee-
ren , hij immers is het hoofd der vrouw. Toch gebeurt
wel eens het omgekeerde. Koningin Vasthi onder anderen
was haren man Assuerus ongehoorzaam , werd daarom
afgezet en de koning vreezende, dat andere vrouwen het
slechte voorbeeld van Vasthi zouden volgen , vaardigde
het bevel uit en maakte bekend, dat de mannen heer en
meester zijn. Doch er bestaat nog een ander gebod, dat
"meer waarde heeft. Immers, reeds aan de eerste vrouw
gebood God zelf: „Gij zult onder de macht uws mans
staan en hij zal over u heersenen;" waarom ook de groote
Apostel schreef: „de vrouwen moeten haren mannen onder-
danig zijn, daar de man het hoofd is der vi-ouw."
Ziedaar de natuui\'lijke en goddelijke wet, waaraan wij
allen moeten gehoorzamen ; doch boven alles staat de
liefdewet, die alles zoet en gemakkelijk maakt, die van
den man vordert, dat hij niet domineere, maar regele en
schikke; en van de vrouw . dat zij onderdanig zij , niet
uit schrik en voor het oog, maar dat zij uit liefde alles
dóe en meer nog doe, dan de onderdanigheid vordert; de
liefde, die van beiden eischt, dat zij zich voor elkander
opofferen, en zich naar elkander schikken tot alles, wat
voor beider welzijn nuttig is.
Het geluk van een goed huwelijk is zoo groot, dat hij,
die niet verder doordenkt, zou genegen zijn den gek uw-
den staat de voorkeur te geven ; doch om dit te voor-
-ocr page 72-
— (54 —
komen, heb ik in mijn laatste stuk op het einde met een
enkel woord herinnerd aan de veelvuldigheid van slechte
huwelijken, en ook gezegd, dat de zaligheid der echtelijke
liefde overtroffen wordt door de liefde van Jesus tot zijne
beminde zielen, en door de toewijding van dezen aan haren
bruidegom. O, als het al maar goud was wat er blonk,
als het al maar graan was wat er groeide ; maar er is
helaas, veel meer klatergoud of valsch goud en onkruid.
Daarbij komt nog, dat de beste zaken de slechtste zijn,
als zij bedorven worden. Een Christen , die zijn geloof
verzaakt, is veel slechter clan iemand, die nooit het geloof
heeft beleden. Een priester en monnik, die afvallen, zijn
veel erger, dan andere verdwaalden. Eene vrouw, die uit
hare natuur braver en godvrachtiger is dan een man, is
veel bedorvener dan hij, wanneer ze slecht is geworden.
De H. Schrift zegt: „Alle boosheid is gering bij de boos-
beid van eene vrouw," en wij zien dat voor onze oogen
bewaarheid in liet goddelooze wijf, dat onlangs geheel
Frankrijk in rep en roer zette, (\'orruptio optimi pessima.
Hoe beter iets is, zooveel te slechter is het, als het bedorven
wordt. "Welnu, wij hebben gezien dat een goed huwelijk
een voortdurend geluk en vreugde , ja eene soort van
zaligheid is op deze wereld; maar dan moet ook een bedor-
ven of slecht huwelijk een altijddurend ongeluk, een ijse-
lijk hartzeer , ja een soort van hel zijn op deze wereld.
Hoe gelukkiger een huwelijk is, wanneer het, in eer en
deugd aangegaan, aan zijn doel beantwoordt, des te onge-
lukkiger is het, wanneer het slecht of bedorven is.
De appel moet al erg rot zijn, eer men het van buiten
zien of ruiken kan. Zoo is ook een huwelijk tot diepe
ellende gezonken, eer het openbaar wordt; en niet zelden
gebeurt het, dat gehuwden in ontevredenheid, in afkeer,
-ocr page 73-
ja somtijds in vijandschap leven , zonder dat de wereld
het merkt. Niet zelden worden zij voor gelukkig gehou-
den, die inderdaad zeer ongelukkig zijn. O mochten zij,
wie het gegeven is, dieper in de geheimen van liet huis-
gezin door te dringen, anders kunnen spreken.
Om tot onze twee zwaantjes terug te keeren ; onder
haar was alles goed en welgemeend, hare natuur is kalmte,
rust en vrede eigen. Maar toch, en hier komen wij aan
het merkwaardigste punt, er is nergens een regel zonder
uitzondering, onze lieve, overigens zachtmoedige zwanen
geraakten in twist. Nauwelijks waren de wittebroods-
dagen voorbij, of de duivel der ruzie kwam in het spel,
er ontstond wrevel, afkeer, grammoedigheid. Het kwam
tot schermutselengen en eindelijk tot eene hevige vecht-
partij. Hoe zulk eer verwijdering tusschen twee zoo
vredelievende, zoo stille en aan elkander gehechte zwaan-
vogels ontstaan kon , begrijp ik niet. Hoe die twist is
begonnen, weet ik niet.; ik heb de oorzaak daarvan onder-
zocht, ik heb het allen gevraagd, die het droevig sehouw-
spel hebben gezien, maar niemand wist mij met juistheid
te zeggen, wat eigenlijk het begin en de oorsprong van
de verstoring dier wonderbare eenheid en liefde geweest
is. Zoo, ja zoo gaat het. Gewoonlijk weet men niet de
oorzaak, waaruit de brand ontstaan is. Lees de couranten
maar en gij zult bijna altoos zien, dat achter het vermel-
den van branden , de bekende formule gebezigd wordt:
„oorzaak onbekend," of wel: „de politie doet onderzoek."
Eveneens van de groote en vele branden , die binnen
\'s huis ontstaan, die thans ook al meer en meer in cou-
ranten tot veler ergernis worden rondgebazuii.ii, ook die
branden en botsingen tusschen man en vrouw hebben
gewoonlijk zulk eene nietigheid tot oorsprong en oorzaak,
-ocr page 74-
— <j<; —
dat men weldra niet meer weet, waar men mee begonnen
is. Maar dit weet ik , dat een kleine vonk een geheel
huis of bosch in vlam en vuur kan zetten, en dat een
onbeduidend ding, een kleine berisping of vei-wijt, een
kleine beleediging, als men niet voorzichtig en geduldig
is, in een oogenblik een groot vuur kan veroorzaken, en
tusschen man en vrouw eene botsing, eene wrijving, een
afkeer en verwijdering doen ontstaan , welke misschien
nooit meer wordt hersteld en welke het geheele huis in
een oneindig diepere ellende stort, dan wanneer het was
afgebrand, of in een afgrond was weggezonken.
Helaas, wat in zoo vele huwelijken geschiedt, waar
men te hoofdig is om voor elkander te buigen en elkan-
ders gebreken te verdragen, dat geschiedde ook met onze
twee lievelingen. Zij konden niet meer in vrede bij elkan-
der zijn, zij joegen elkander woedend en briesend na, zij
pikten en beten en sloegen elkander en daar natuurlijk
de man het sterkste was, moest het wijfje eindelijk het
onderspit delven. Het vluchtte , dagen achtereen werd
het door zijn boozen baas vervolgd ; hij kon het niet
meer zien en bewerkte eindelijk door zijn onophoudelijke
vervolgingen en zijn onverzoenlijken haat, dat het op een
onverwachts zijne vleugelen uitspreidde, zich hoog in de
lucht verhief en ver, zeer ver van ons wegvloog.
Ziedaar, wat er van komt, als men aan zijne driften
toegeeft en niet verstand genoeg bezit, om zich te bedwin-
gen, als men van de wederpartij iets heeft te lijden.
Onopgemerkt, ja tegen wil en dank, voert de passie tot
waanzinnigheid en tot baldadigheden, welke men met een
kalm gemoed zou verafschuwen en vervloeken. Een staaltje
daarvan. Eens vroeg ik een koetsier, die het niet heel
druk had : Zeg, kereltje, ben je getrouwd ? Deureweg,
-ocr page 75-
— G7 —
was zijn antwoord; nou of\'ik getrouwd ben, wel driemaal,
Mijnheer. — Zoo , dan zult gij wel weten wat trouwen
is ? — Asjeblief. — En hebt ge \'t nog al goed getroffen ?
Dat zal ik uw krek zeggen , mijnheer ! Mijn eerste , da
kon er door, mijn tweede, da was een kwaje en dik \'k
nou heb , is de beste van \'t dorp. — En kondt ge met
die kwaje nog accordeeren ? — Das net zoo ge \'t meent,
mijnheer. Als ze met een knuppel voor den dag kwam,
dan ging ik maar loopen, en zoo kunt ge altijd accordeeren.
Zeker heeft iemand het ongeluk een slechte vrouw te
bezitten, hij zwijge maar, hij drage zijn kruis geduldig,
dat hij waarschijnlijk door eigen schuld, door een slechte
voorbereiding tot het huwelijk , zich op den hals heeft
gehaald. Men zwijge; tegenspreken baat niet en maakt
de zaak nog erger , vooral als men niet zonder bitsheid
spreken kan. Zij zet om de minste nietigheid de kuif op,
plaatst beide vuisten in de respectieve heupen, en klept
dan als een ooievaar, „dat je geen verstand hebt, datje
geen fatsoen kent. En ik ben de baas in huis, ik doe hier
wat ik verkies en wil je mij niet hooren , dan moet je •
maar de straat op."
Waarlijk, beste man, het moet u hard vallen, zoo be-
heerscht te worden door haar, die uit liefde tot u altoos
op uwen wenk moest gereed staan. En nu, nu moet gij
maar zwijgen en uw leed diep in uwen boezem verkrop-
pen, want durft gij tusschen al dat geklap met een enkel
zoet woordje tusschenbeide schieten , dan grijpt ze naar
haar schoenen of klompen , naar een grooten soeplepel,
een ellemaat, een bezem of ijzeren gordijnstok.
"Wij, schrijvers en lezers, wij kunnen er eens mee lachen,
maar gij, mijn vriend, gij kunt niet lachen, gij zijt te diep
ongelukkig. Gij aanschouwt dat tooneel bijna iederen dag.
-ocr page 76-
— 68 —
en er bestaat geen andere troost voor u, dan te denken,
dat de hel, waarin gij thans ligt gekluisterd, niet voor
eeuwig duurt; dat gij door veel geduld uwe zonden kunt
boeten. di.e schuld zijn van zulk een ramp ; dat gij van
deze hel een vagevuur kunt maken, na niet Gods bijstand,
dien gij zoo hoog noodig hebt, en die toch nooit wordt
geweigerd , als gij geduldig bidt ; na met Gods bijstand
dien geweldigen strijd te zijn doorgeworsteld , kunt gij
in \'t andere leven gelukkig zijn. In beschaafde huisge-
zinnen gaat het er niet zoo ruw toe, de uitwendige vijand-
schap is niet zoo zichtbaar en niet zoo erg, maar de
inwendige is zooveel te vreeselijker. \'t Zij dus een gewich-
tige les voor alle echtelieden, om het kwaad in zijn begin
met wortel en al uit te roeien, ten einde alle tweespalt
te voorkomen, \'t Zij een ernstige waarschuwing voor alle
jongelieden , opdat zij bij hunne keuze voorzichtig zijn ,
niet op hun eigen oordeel afgaan, want \'t is niet genoeg
zelf braaf te zijn, maar ook het karakter der andere helft
moet èn deugdzaam zijn èn met de eerste overeenkomen.
III.
In de vastenavonddagen van het jaar 1881 is de
bekende zwaan weggevlogen. Dagen en weken hadden
wij de bloedige gevechten en vervolgingen moeten aan-
zien. Gaarne zouden wij tusschen beiden gekomen zijn,
doch de woede was zoo geweldig, dat we voor ons zelven
vreesden, en Pater van Meurs zegt niet ten onrechte, als
hij van de tweedracht tusschen echtelieden spreekt en
beschreven heeft, hoe zij in alles elkander beknibbelen
en tegenwerken :
„Wie de schuld het van die twee,
\'k Baai je, moei je daar nie mee."
Nog eens hebben we het geluk gehad den weggevlogen
-ocr page 77-
— <>!> —
vogel te zien. H\'j zwom een eind voor ons heen , was
schuw geworden, zag er mager en verplukt uit en scheen
alan groote armoede en verdriet ter prooi te zijn. Ja,
zoover is het eindelijk gekomen, dat ik den 17 Juni 1881
in mijn dagboek moest opschrijven: „de zwaan, die sinds
lang ons verlaten heeft, is eindelijk tot straf van hare
echtbreuk van honger en gebrek gestorven." Wat den
man betreft, ook deze was nu geheel alleen, hij had een
boosaardig karakter gekregen en liet niemand meer met
rust, zoodat wij eindelijk besloten, hem aan een vreenv
deling af te geven. Ik meen dat hij nog leeft, maar zijn
leven is erger dan de dood , want zoo ik gehoord heb ,
zit hij in een engen tuin en een nog engeren vijver opge-
sloten ; daar moet hij nu als in een cellulaire gevange-
nis zijne dagen slijten, en hij, die zijne wedergade zooveel
verdriet heeft aangedaan , dat zij het bestierf, snakt nu
te vergeefs naar een dood, die voor hem beter ware dan
zulk een afgezonderd ellendig leven.
Ziedaar de wraak des hemels. Wie zal de rampen en
straffen tellen van een ongelukkig huwelijk , rampen in
het leven, angsten in den dood, ellende in de eeuwigheid.
Het huwelijk brengt noodwendig vele kruisen mede, maar
zij, die niet met een goed inzicht zijn getrouwd, die het
alleen gedaan hebben om geld of goed, om schoonheid ot
zinnelijke liefde, die niet door een bovennatuurlijke liefde
verbonden, niet in Jezus naam vergaderd zijn, zullen van
zelf, wanneer zij het bedoelde geld machtig zijn, wanneer
de schoonheid is verslensd of verwend en wanneer de
natuurlijke liefde is bekoeld, elkander met onverschillig-
heid bejegenen , niets meer voor elkander willen doen ,
knorrig en afkeerig worden, elkander niet meer kunnen
lijden. De minste schijnbare beleediging zal voldoende
-ocr page 78-
— 70 —
zijn om de gramschap op te wekken, elkander harde \\voor-
den, zelfs verwijtingen toe te voegen, ja door den duivel
opgehitst, zal men elkander verwenschen en vervloeken
en misschien de handen slaan aan den persoon, met wien
men door een heiligen eed van getrouwheid is verbonden,
en dien men op aarde boven allen het meest moet lief hehben.
De vrouw zal, wanneer zij in liet huwelijk niet de eer
van God, maar haar eigen lusten gezocht heeft, de luimen
van haren man weldra niet meer kunnen verdragen. Zij
zal, in plaats van te zwijgen en haren man door goede
diensten te paaien, wraak nemen. Zij zal hem alles ont-
trekken wat zij kan , zij zal hem bespotten , verachten,
verwenschen en tergen, in de buurt de gebreken van haar
man, die zij maakt of ten minste vergroot, gaan verklap-
pen en bovendien door hare uithuizigheid, hare luiheid,
slordigheid en snoeplust het huishouden verwaarloozen.
De man, die zooveel verdriet in huis niet kan uitstaan,
zal zijn troost elders gaan zoeken, of in dronkenschap
of in nog afschuwelijker gruweldaden, en misschien zal
echtbreuk , wanhoop of\' zelfmoord het treurig uiteinde
wezen van die dagelijksche vecht- en vloekpartij. En zou
Gods zegen , die voor elk huisgezin onontbeerlijk is, op
zulk een huis neerkomen ? Neen , voorwaar. Zij zijn ge-
haat en veracht in de wereld en zooveel te meer gehaat
bij God, want zulk een huis is een moordhol, is een hel
van zonde, een hel van wroeging en van smarten.
God heeft zelf in de H. Schrift met scherpe bewoor-
dingen zulk eene aardsche hel geteekend : „ Er is geen
kwader kop dan een slangekop
, maar ook geen kwader toorn,
dan een wouwetoorm. Liever toil ik wonen hij een leeuw of
draak
, \' dan hij een hoosaardig wijf. Be hoosheid van eene
vrome geeft haar het voorkomen van een norschen heer en van
-ocr page 79-
— 71 —
een rouwzak! Haar man zucht over kaar ouder zijn uabe-
daanden en herademt dan een weinig."
Zoo ziet men door
de H. Schrift bevestigd, wat ik zooeven gezegd heb en
wat men in bijna elk dorp ondervindt. De H. Geest voegt
er bij : „Gelijk een juk van ossen , die geen gelijken tred
hebhen
, zoo is ook een Looze huisvrouw ; ivïe haar krijgt is
als iemand
, die een scorpioeu , een venijnige slang aanvat."
Waarlijk, waar tweespalt heerscht, waar de vrouw altoos
anders wil dan de man, waar de man alles tegenwerkt,
wat de vrouw verlangt, waar de een afbreekt wat de
ander opbouwt, waar de ossen niet gelijken tred houden,
maar verschillende wegen kiezen , daar kan niets goeds
tot stand worden gebracht, daar wordt veel tijd en geld
verspild , daar gaat alles den kreeftengang, daar wordt
men moedeloos, daar geeft men zich aan luiheid en ver-
veling over, daar zoekt men zijn troost in ongeoorloofde
uitspattingen.
En maakten zij zich zelren nog maar alleen ongeluk-
kig, maar wee de arme schepseltjes, die zulke twistzieke
personen tot vader en moeder hebben. Wat moet er van
deze kleinen worden , die van de wieg af niets anders
zien en hooren dan bitsheid, jaloersehheid, afkeer, haat
en zonden ? Kan een kind goed worden opgevoed, als de
moeder afkeurt wat de vader gebiedt, als zijne ouders
het nooit eens zijn ? Zij zullen opgroeien als rogge, die
door de massa onkruid, waardoor zij omgeven is, verstikt
wordt. En de kinderen niet alleen, maar ook dienstboden
en gebuven en allen die ze kennen , zullen er zich aan
ergeren, en spoedig zal het door de plaats bekend zijn,
dat die twee niet kunnen accordeeren , dat ze voor elkander
een gedurige last zijn, dat hunne kinderen slecht zijn en dat
hunne zaken achteruitgaan, dat ze arm en niet geteld zijn.
11 Tweede deel Rutli.
-ocr page 80-
— 72 —
En wat nog wel het ergste van alles is. Lastige men-
schen , die ons hard vallen , kunnen wij verwijderen of
ontvluchten , maar nooit kan eene vrouw zich van een
toornigen , gierigen , dronken of lastigen man ontdoen.
Zij zal hem en moet hem houden zoolang zij leeft. Zij
zal en moet met hem omgaan. Zij zal en moet hem die-
nen haar leven lang , en nooit of nimmer kan een man
zijne knorrige, luie, i>raat- of praalzieke vrouw wegzen-
den. Hij zal en moet bij haar blijven dag en nacht, zoo-
lang hij adem haalt. Hij zal en moet haar lijden, zoolang
hij leeft; want hij weet dat echtscheiding het grootste
ongeluk der ongelukken is. Zoo worden dan die arme
tihtgenooten, welke hun huwelijk niet met God hebben
aangegaan, of die daar iets anders dan deugd en godsdienst
zoeken , op eene levenslange pijnbank gefolterd , om na
elkander door verschrikkelijken haat, door bedreigingen
en lasteringen voortdurend getroffen, gebeten, verteerd te
hebben, eindelijk met hunne nog rampzaliger kinderen,
in eene nog grootere hel geworpen te worden.
Spaar, o God, spaar onze lezers voor zulk een onder-
gang. Geef dat zij zich tot dien hoogstgewichtigen staat
niet door zondige verkeeringen, maar door een godsdien-
stigen levenswandel voorbereiden en dat zij in dien staat
leven, alleen om elkander te helpen, elkander tot braaf-
heid te stichten, door de bovennatuurlijke liefde en genade
gesterkt, alles voor elkander op te offeren en heilige kin-
deren voor uwen naam voort te brengen. Deugd en gods-
dienst alleen kunnen zoo iets bewerkstelligen. O God ,
geel\' dat allen die zulk een staat omhelzen, waarlijk deugd-
zaam en godsdienstig zijn. Zoo verstaan het brave echte-
lieuen , wier overgroot geluk op aarde ik vroeger reeds
beschreven heb. Zij zijn alleen getrouwd om des te beter
-ocr page 81-
hunne zaligheid te bewerken, zij hebben alleen die gewich-
tige taak op hunne schouderen genomen , om , door de
genade des huwelijks gesterkt, door eeuwige liefde ver-
bonden , elkander op het pad der deugd te geleiden en
kinderen voort te brengen , die zij door onophoudelijken
arbeid en waakzaamheid in geloof en deugd opvoeden.
„Eene brave huisvrouw is, volgens den wijzen man, meer
waard dan de schatten, die van verre landen worden aangevoerd.
Het hart haar» mans verlaat zich op haar en \'t ontbreekt hem
.niet aan overvloed. Zij doet hem. goed haar geheele leven lang.
Zij zorgt voor wol en vlas en bewerkt die met hare handen.
Zij staat op als het nog nacht is, en voorziet hare huisge-
nooteu van spijzen, ja hare lamp wordt des nachts niet uitge-
dwm,
dat is, zij werkt \'s avonds zoo laat en \'s morgens
zoo vroeg, dat de lamp niet schijnt uit te gaan. Zij opent
hare hand voor den U\'hoeftige en voorziet haar gezin met
dubbele Meeren., wanneer hou en sneeuw genaken. Boor de
voortreffelijkheid der vrouw wordt ook d^ man groot en geroemd;
hij zit onder de raadslieden des lands. Zielskracht en icel-
voegel ijkheid is haar gewaad, en zoo goed zorgt zij voor de
toekomst, dat zij die gerust en lachende afwacht. Haar mond
spreekt niet dan wijsheid en zachtmoedigheid. Nauwkeurig let
zij op alles, wat er in haar huis omgaat, en eet haar brood
in ledigheid niet. Hare zonen staan op en roemen haar zalig.
Haar man staat op en prijst haar, zeggende:
„ Vele dochters
hebbeu rijkdommen vergaderd
, maar gij overtreft ze allen;
want ledriegelijk is lichamelijke bevalligheid en ijdel de schoou-
heid, maar lofwaardig is de vrouw, die den Heer vreest. Zij
zal de vruchten plukken van haren arbeid."
Dat is de lange, maar overheerlijke lofspraak, waardoor
God zelf in de H. Schriftuur de brave vrouw verheft,
•de vrouw, van welke vooral het huwelijksgeluk af-
-ocr page 82-
— 74 —
hangt. Mochten allen dien lof verdienen !
Het huwelijk heeft lasten genoeg, men behoeft die niet
door wederzijdschen wrok te verzwaren. Neen, men moet
die verlichten door wederkeerige liefde en huldebetoon.
Brave echtgenooten hebben kruisen, maar zij dragen die
met tweeën, zij helpen elkander, zij troosten elkander,
zij bidden voor elkander, en dragen uit liefde voor elkan-
der het wee, dat hen drukt van den kant hunner kinde-
ren , hunner boden , van dure tijden , enz., en wat het
voornaamste is, de goede God komt met zijn zegen die
brave lieden versterken en steunen, want waar er twee
in zijnen naam vergaderd zijn, daar is hij in hun midden.
Is de man soms oploopend en driftig, de vrouw weet
te zwijgen, door zachtheid hem te winnen en aldus veel
kwaad te beletten, dat uit de grammoedigheid kan voort-
komen. Is de vrouw kwistig, vadsig, ijdel, de man zal
haar met liefde deze fouten onder de oogen brengen, en
zij zal eene spaarzame, eenvoudige, nette, ijverige huis-
moeder zijn. Is de man genegen tot drinken en uitgaan,
zij zal hem thuis weten te believen. Zij zal hem het
huis op alle geoorloofde manieren genoegelijk maken; en
hij zal uit liefde en medelijden voor zijne brave vrouw
ook haar genoegen doen , hare braafheid navolgen , een
braaf en oppassend huisvader worden. Zoo zullen zij
elkander in deze wereld voorthelpen en stichten, een genoe-
gelijk schouwspel zijn voor God en de menschen, en even-
als in één God drie personen zijn, zoo ook zullen vader,
moeder en kinderen in deugdzaamheid eikander nastreven
en gelijken , door een nauwen heiligen liefdeband met
elkander verbonden zijn, alsof zij maar één persoon uitmaak-
ten. Zij zullen op aarde een zelfden vrede en geluk genieten,
en ook in eeuwigheid niet van elkander gescheiden worden.
-ocr page 83-
— 75 —
IV.
Treurig was het uiteinde van de twee zwanen, die
aanvankelijk in liefde en vrede leefden, maar weldra
over een onbeduidende kwestie tegen elkander in het
harnas geraakten, en tot zulke baldadigheden oversloe-
gen, dat algeheele scheiding noodzakelijk werd. Doch
ook dit bracht hun geen heil. Integendeel. Tot straf van
vijandschap \'stierf de eene een akeligen hongerdood, ter-
wijl de andere zit te zuchten in eene cellulaire gevan-
genis, waaruit zij wellicht nooit meer zal verlost worden.
Deze geschiedenis is eene gewichtige waarschuwing
voor hen, die in het huwelijk elkander eeuwige getrouw -
heid hebben beloofd, en wier gezworen eenheid door een
H. Sacrament is voltrokken en bekrachtigd. Wordt zulk
een heilige band door afkeerigheid, oneenigheid of scheu-
ring geschonden, dan zal de straf zooveel te grooter zijn,
naarmate de verplichting om elkander door oprechte liefde
aan te hangen, zekerder, dringender en zwaarder was.
Bovenal dus hebben dezen zich te wachten voor die
kleine beleedigingen, welke de aanleiding of oorzaak
kunnen zijn van een ongeneeslijke afgekeerdheid, van
een verderfelijken haat. Zij moeten dus altoos elkander
sparen en eerbiedigen, ook in zulke zaken, welke op
zich zelve niets beteekenen, maar die de wederhelft niet
kan verdragen ; en het minste vonkje van tweedracht
moet oogenblikkelijk worden uitgebluscht.
Men verhaalt dat een man en vrouw eens woorden
kregen over een patrijs of kip, die zij het vorig jaar ge-
geten hadden. „Weet je nog, zei de een, hoeveel moeite
wij verleden jaar met elkander gehad hebben , over de
vraag, ot die gebraden vogel een patrijs was of een kip?"
„O zeker, zei de ander, maar ik had toch wel gelijk."
-ocr page 84-
— 76 —
„Neen, gij hadt ongelijk" — en zie, het treurspel begon
opnieuw. Gansch verkeerd. Van zulke dingen moet de-
man zwijgen, als hij weet, dat zijne vrouw het wellicht
niet zal kunnen verdragen. En omgekeerd moet de vrouw-
zwijgen , als zij vreest, dat zij haren man in zijn zwak
treffen zal. Er kan hun immers geen grooter verdriet
en ellende overkomen, dan door onderlinge verwijdering
en afkeerigheid. Zij moeten dus tegenover elkander geen
hoofd hebben , dan alleen om het te buigen. Daarom
zegt de geestige pater Poirters :
,.Jong of oud, arm of rijk,
Breng geen hoofd ten huwelijk."
In het huwelijk moet wel de man het hoofd en de
meester zijn, maar het is beter, als hij zijn meesterschap
ten opzichte van zijne vrouw kan missen; beiden moeten
het hoofd afleggen, beiden moeten buigen en het zal
hun welgaan.
Twee schaapjes kwamen elkander tegen op een lange-
smalle brug. Teruggaan kunnen zij nietr wijken kunnen
zij niet; gaan zij vooruit, dan stooten zij elkander in het
water. Wat dan aangevangen \'i Het eene knielde op zijn
pootjes neder en het andere sprong over den rug henen.
Een mooie parabel , zoo moesten alle echtelieden doen.
Dagelijks, bijna elk uur ontmoeten zij elkander op den-
zelfden weg. De eene wil zus, de andere wil zoo ; den
een dunkt dat dit moet geschieden, de andere denkt dat
het juist zoo geheel verkeerd is. Volgt ieder zijn zin r
dan stooten zij elkander ; van stooten komt botsen, van
botsen pijn , verdriet, wrevel en afkeer , haat en diepe
val. Wat dan gedaan? Men legge zijn hoofd af, men
make zich gewoon het hoofd te buigen, bij elk verschil
zich neer te leggen , vooral wanneer het zaken betreft,.
-ocr page 85-
— 77 —
die van minder belang zijn. Hij die dat doet is het ver-
standigste en zal zich veel ongenoegens besparen. In
sommige gevallen , in zaken van gewicht, kan de man
zijn wil doordrijven, maar hij doe het met zachtheid en
trachte zijn vrouw minzaam te overtuigen van haar ver-
keerde inzichten.
Doch genoeg. Ik heb nog iets anders mede te deelen.
Tot nu toe heb ik niet juist kunnen achterhalen, wat de
eigenlijke oorzaak geweest is van de spanning en ver-
wijdering tusschen onze twee lieve zwanen. Thans ben
ik iets meer te weten gekomen, dat ik den leergierigen
lezer niet mag terughouden, ofschoon de artikels over de
zwanen reeds lang gesloten zijn.
\'t Was mij en alle mijne vrienden een raadsel, hoe toch
die mooie zwaantjes, wier karakter zoo zacht is, dat zij
niet slechts met hare natuurgenooten , maar ook met al
het pluimgedierte steeds in de beste verhouding staan ,
met elkander in onmin konden geraken, door eene oorzaak
zoo onbeduidend, dat niemand ze heeft kunnen opmerken.
Zeker iemand , die veel belang stelde in de zwanenge-
schiedenis, heeft mij nu geopenbaard, dat die oorzaak reeds
vroeger bestond, dat onze zwanen, vooraleer zij hier op
hare bestemming kwamen, elkander geheel vreemd wai-en,
dat zij van ongelijken leeftijd waren , vroeger elkander
nooit hadden gezien, maar door een menschenhand waren
bijeengebracht, dat het dus eene gedwongen vereeniging
gold. Is dit waar, dan is het begrijpelijk, hoe zoo spoe-
dig de vriendschap kon worden verbroken. De eensge-
zindheid van de eerste dagen was dan slechts eene schijn-
bare, geene ware, geene sterke liefde, maar slechts eene
beleefdheid en voorkomendheid , welke men aan vreem-
delingen betuigt, en die in norschheid ontaardt, als de
-ocr page 86-
— 78 —
gast wat lang vertoeft , of als een kleine moeielijkheid
die losse vriendschap komt storen.
"Waar is liet, dat tusschen personen, die in leeftijd, in
stand, in vermogens, in karakter, gewoonten en gebruiken
van elkander verschillen, bezwaarlijk eene duurzame liefde
zal kunnen bestaan ; vooral niet, wanneer zij meer uit
dwang dan uit eigen begeeren tot eene vereeniging ge-
komen zijn. Zij zullen alle kunstmiddelen moeten te baat
nemen, veel moeten laten, veel moeten zwijgen, veel moe-
ten lijden , veel moeten bidden , om het bij elkander te
kunnen uithouden.
Evenals een manke moeielijk gaan kan , omdat zijne
beenen niet even lang zijn, evenzoo kan het moeielijk goed
gaan in een huwelijk, waar man en vrouw in jaren, in
middelen, in beboetten, in manieren niet overeenkomen.
Een groote os kan wel met een kleine ploegen, een sterke
met een zwakke, maar de ploeg zal op zij worden gelicht;
of, als \'t waar is dat het verstand in de hersenen zit, dan
zal de een ontevreden zijn over den andere.
Ik wil hiermee niet zeggen, dat man en vrouw juist even
oud, even wijs, even groot en even machtig moeten zijn,
want de Schepper zelf heeft de vrouwen kleiner, zwak-
ker en teederder gemaakt en daardoor al mede te kennen
gegeven, dat het zelfs wenschelijk is, dat de vrouw ook
in het huwelijk in jaren, in verstand en vermogen minder
zij ; doch er moet altoos evenredigheid bestaan. De man
moet meerder zijn en het verschil moet niet te groot zijn.
Men merke evenwel hierbij op : deugd en braafheid kan
veel aanvullen , zij kan wat eenigszins ongelijk is , in
elkander voegen en schikken.
De gelijkheid kan in het huwelijk ook te groot zijn ,
n.1. : de gelijkheid van familie, de bloed- of aanverwant"
-ocr page 87-
— 79 —
schap. Niet zonder redenen heeft de H. Kerk huwelijks-
vereenigingen tusschen familiebetrekkingen verboden. Hoe
nader men elkander bestaat, hoe grooter gevaar voor een
noodlottig huwelijk. Daarvan zegt het spreekwoord: „Of
vroeg sterven, of geene erven of verderven." Geene kin-
deren of ongezonde en gebrekkige kinderen. Te Lyon
telde M. Baudin in 1868 van de honderd doofstommen 25,
die geboren waren uit ouders, bloedverwanten in dichten
graad, te Parijs waren er 28, te Bordeaux 30 per hon-
derd. Is er in een gewoon huwelijk maar ééne kans voor de
geboorte van een doofstom kind , dan zijn er 18 kansen
voor de huwelijken tusschen neef en nicht, 37 tusschen
oom en nicht en 70 tusschen neef en tante. {Moniieur
de Rome
8 December 1883).
Dit zij gezegd van ongelijke vereenigingen, nu
ten slotte van het slot nog iets over gedwongen
huwelijken.
Een huwelijk wordt somtijds opgedron-
gen door ouders en voogden en andere machthebben-
den, en het gebeurt wel eens, dat vader of moeder en
overheid, verblind door geld en eer, hunne kinderen en
ondergeschikten bepraten en bewerken , totdat deze, uit
vrees van hen te mishagen, het zware juk des huwelijks
aanvaai\'den met iemand, van wien zij een onoverkomelij-
ken afkeer gevoelen. Soms ook zijn de ouders zoo dwaas
en vermetel, dat zij , als zij vele kinderen hebben , het
eene voor een klooster, het andere voor een huwelijk in
dezen of genen stand, met dezen of dien persoon bestem-
men, zonder om te zien naar de geneigdheid van het kind,
wiens geluk of ongeluk er geheel van afhangt.
Zelfs Van hout geldt het spreekwoord : „Alle hout is
geen timmerhout"
en wilt gij dan uwe dierbare kinderen
nog willekeuriger behandelen dan uw eik of canadas ?
-ocr page 88-
— 80 —
Weet gij dan niet, dat van de keuze van een levensstaat
het geheele leven afhangt? En wie heeft u de macht
gegeven over het kind in zijn ouderdom ? Hij die trouwt,
maakt eene heschikking over geheel zijn levensloop,
evengoed als iemand , die geloften doet in een klooster.
Daarom moet hij het vrijwillig doen, daarom kan niemand
hem dwingen, het is eene zaak, die hem alleen aangaat.
Dat zegt het gezond verstand.
Ook het geloof leert het. Ieder moet voor eigen zalig-
heid zorg dragen en zoo noodig mag hij zelfs zijne ouders
in den steek laten, ja zich hun haat op den hals halen,
om zijne zaligheid te hewerken. De zaligheid nu hangt
grootendeels af van de goede keuze van een levensstaat.
Hij dus, die voor eigene zaligheid moet zorgen, moet ook
zorgen voor zijn levensstaat.
Ouders , wie geeft u dan het recht uwe kinderen te
beletten van naar een klooster te gaan of hen tot een
huwelijk te dwingen ? Wie geeft u het recht over geheel
hun leven en hunne zaligheid te beschikken ? Ik heb
wel geweten , dat God den mensch tot een of anderen
staat roept en uitkiest, maar nooit heb ik gehoord, dat
God daartoe iemand dwingt en veel minder, dat gij de
macht hebt iemands roeping te bepalen en daartoe te dwin-
gen. Ook de H. Kerk gebiedt geen huwelijken, maar
wel verklaart zij zulke echtvereenigingen ongeldig, wel-
ker toestemming alleen door vreesaanjaging is afgeperst.
Het huwelijk is een groot werk, een eenvoudige onver-
breekbare verbindtenis, een algeheele opoffering en over-
dracht van zijn eigen ik voor zijn geheele leven, welke-
dus uit eigen vrijen wil moet volbracht worden. Kan
een huwelijk, dat niet uit liefde, maar uit vrees, uit heb-
zucht of door dwang is gesloten, duurzaam gelukkig zijn ?
-ocr page 89-
— 81 —
"Wat leert de ondervinding ? Het mist zijn besten steun,
het mist de ware oprechte liefde, zonder welke de lasten des
huwelijks ondragelijk zijn. Velen, helaas, hebben het te laat
begrepen, dat voor eene gelukkige echtvereeniging iets meer
noodig is dan geld en goed en uiterlijke gelijkvormigheid.
Een huwelijk kan niet alleen door de overheid, maar
ook door de partijen zelven eene gedwongen vereeniging
worden, \'t Is dan wel geen eigenlijke dwang, maar toch
eene noodzakelijkheid , waarin bruidegom en bruid niet
door de ware, maar door de zinnelijke liefde gebracht zijn.
Blindelings hebben zij in hunne jeugdige lichtzinnigheid
een verkeer aangegaan, zonder raad te vragen. Zonder
te letten op wederkeerige toestanden hebben zij zich door
eene onzinnige liefde laten vervoeren, totdat zij eindelijk
zich niet meer kunnen losscheuren, hoe gaarne zij het ook
zouden doen ; eensdeels , omdat men door een langdurig
verkeer te zeer aan elkander gehecht is, ten andere, omdat
het een soort van schande is zulk een verkeer af te bre-
ken ; eindelijk , omdat men begrijpt, dat men voor een
nieuw verkeer minder geschikt is geworden.
„Domme zinnen van die minnen,
\'t Schijnt in \'t eerst al honingzoet,
En zij wagen blinde slagen,
Die men lang bezuren moet.
Zie met huiken en met fuiken
Gaat het juist denzelfden gang,
Want het trouwen dat /\'# hoi\'\'en,
Eens, maar voor uw leven lang."
Door dat honingzoete der vriendschap laat men zich
in zijn domme zinnen verleiden, men blijft veikeeren om
te verkeeren , men geraakt in de fuik , in de noodzake-
lijkheid van te trouwen, en voor altijd te timtwen, want
-ocr page 90-
— 82 —
trouwen dat is houen ; en zoo is dat beetje honingzoet
de oorzaak van veler bederf. „Paululum gusfavi meletecce
nune morior."
Verzint dus, mijne vrienden , eer gij een
verkeer begint, bedenkt wel wat gij gaat doen , vraagt
raad aan uwe ouders en biechtvader, eer het te laat is
en bidt den goeden God vurig om een zaligen levensstaat.
VIJFDE KAPITTEL.
Het Boschje.
I.
We hebben gehad de historie van het torteltje en van
de zwanen ; welk beestje kiezen wij nu ? Niet lang be-
hoefde ik er op na te denken. Den 28n Januari jongst-
leden (1884) beleefde ik een geschiedenis, die mij een
aardig diertje aan de hand gaf. Ik zal dat wijd en breed
vertellen , maar ik durf nog niet zeggen, wat dat voor
een schepsel was. Ik durf het aan het hoofd van mijn
artikels niet plaatsen, want het is een zoo erg bespotte-
lijk ding en zoo leelijk, dat het den lezer zoo afschrikken.
Romanschrijvers, die iets heel vuils aan den man willen
brengen, kiezen mooie titels voor hunne opstellen, zij
gaan niet rechtstreeks op hun doel in, maar zij vertellen
eerst iets heel onschuldigs, soms zeer nuttige samenspra-
ken , soms zelfs godsdienstige en heilige lesjes, maar
langzamerhand, als men er geen erg meer in heeft, komt
de aap uit de mouw , dan treft men schandelijke voor-
stellingen, geheimzinnigen en dubbelzinnigen vuilen praat,
die dan, om beter ingang te vinden, slechts in het voor-
bijgaan, als niets tot de zaak afdoende worden aangestipt.
-ocr page 91-
— 83 —
Mij is er eens een in handen gevallen, \'t Was een ver-
telseltje, onder aan een courant geplaatst, in den vorm
van een feuilleton , in het Hollandsch vrij vertaald een
vuile tong.
Die courant was mij bij toeval of bij abuis
toegezonden , want zij was gebruikt om bestelde boeken
in te pakken. Heel onnoozel niet waar ? Maar die onnoo-
zelheid komt hedendaags zoo dikwijls voor, zij komt in
allerhande pakjes bij zoovele menschen, dat zij, mijns
bedunkens, niet onnoozel blijven kan, dat zij in boozen
toeleg moet ontaarden.
Nieuwsgierigheid is, evenals de mazelen en de stuipen,
den kinderen eigen, maar groote menschen lijden er ook
wel eens aan, en zoo gebeurt het, dat de onnoozele om-
windsels uit boeken of couranten gescheurd, de onnoozel-
heid van menigen jongman, en ja, ik zal \'t maar zeggen,
ook van menige juffrouw , die haar nieuwsgierig neusje
over alle vodpapiertjes henenschuift, groote schade doen.
\'t Zijn een soort van muizenvallen, die in hoekjes ver-
borgen worden. Het spek of het zwoord lokt het gulzig
muisje, het hapt en het sterft. De mooie titel, het lieve
vertelsel, dat men op zoo\'n prulblaadje bij toeval in een
of anderen hoek , in een pakje , in een „ulevelleke" op
de straat, of zekere plaats ontmoet, prikkelt de nieuws-
gierigheid, men leest en ach ! men denkt nog meer, want
het stukje spreekt niet duidelijk, ook al bij toeval zijn
eenige woorden weggelaten , of dubbelzinnig gesproken
en ... . het muisje zit in de val.
Ik beken het, ik spreek van ondervinding. Ook ik
leed een weinigje aan de kinderziekte, die men nieuws-
gierigheid noemt; maar dit mag ik tot verschooning aan-
brengon, dat ik in de val beklemd zittende, roep en
schreeuw om anderen te waarschuwen, terwijl het gevan-
-ocr page 92-
— 84 —
gen muisje door zijn pijnlijk geschrei en gesnik zijn zus-
jes veeleer uitlokt dan afschrikt. Ik las, om eens te weten,
hoe de zieltjes gevangen worden en om mijn vrienden,
eens klaar aan te toonen, hoe gevaarlijk en verderfelijk
de slechte lezing is, hoe leep en fijn, hoe listig en bedrieg-
lijk, zoovele argelooze zielen door kwade geschriften ver-
strikt worden. Want dat ik niet veel moois zou vinden,
wist ik van te voren, daar het stukje hehoorde tot een door
en door liherale courant, die er hehagen in schept, om,
onder een onschuldigen naam, het vervalschte of verzon-
nen nieuws van den dag aan den man te brengen, dat
den godsdienst, den Paus en de priesters bij het volk
gehaat moet maken.
En het bedoelde artikeltje had tot opschrift: hij de lamp,
of iets dergelijks. Was het maar bij het licht der lamp
gebleven, maar volgens de gewoonte van hen, die truffel
en schootsvel dragen, zoekt men het donkere, de duister-
nis. In den beginne dus was alles lief en wel, maar on-
gemerkt wordt de lezer op iets voorbereid, dat hij niet
had kunnen vermoeden, al zijne aandacht wordt daarheen
getrokken, en als hij eindelijk met handen en voeten is
gebonden, dan wordt hij verraderlijk op een gladde steile
helling losgelaten en hij schiet van zelf in een afgrond.
Toen het leelijk stukje ook mij aldus bedriegelijk had
meegesleept, toen liet het mij los, want er volgden eenige
geheimzinnige puntjes. Bah, hoe smerig! Ik schudde het
hoofd, als hadde mij een horzel iu de lippen gestoken,
ik heb nooit geweten, dat de kinderen der duisternis zoo
slim zijn, dat zij zoo behendig hunne strikken spannen,
door zoo zoete woorden kunnen boeien en dan, als gij
niets kwaads vermoedt, u de afschuwelijkste dingen kun-
nen vertellen door eenige puntjes. Gij wordt geblinddoekt
-ocr page 93-
85 —
in een vrijmetselaarshol gelokt en daar wordt u het ver-
gif ingemoffeld.
Zie , dat zijn de mooie verhalen, die men in liberale
kranten, in losse blaadjes en kleine boekjes aantreft, welke
men in spoortreinen , in stations , op straat, in boeken
en pakjes koopt of krijgt. Met hoe goede bedoeling ik
mijne lezing begonnen had, het speet mij, begonnen te zijn,
ik schaamde mij , ik scheurde verontwaardigd het prul
aan stukken en had haast een leeuw willen zijn, om ook
den snooden schrijver te verscheuren. Helaas ! hoevele
duizenden nieuwsgierigen worden dagelijks door dergelijk
lokaas in bet verderf gesleurd. Wie weet hoe velen door
dit ééne stuk zijn verleid, en wie huivert niet bij de ge-
dachte, dat onnoozelen zonder tal de millioenen gifmeng-
sels, die dagelijks door de drukpers worden bereid, gretig
verslinden.
De kinderen dezer wereld, de kinderen der duisternis, zijn
doorgaans in hun doen veel slimmer en voorzichtiger dan d$
kind-ren des lichts.
Wij moéten hun niet zelden de kunst
afzien , hoe men best den lezer of hoorder kan winnen ,
treffen en bewegen, \'s Menschen gemoed is toch altijd
meer genaakbaar voor kwade, dan voor goede indrukselen.
Was hij nog zoo ongerept schuldeloos als Adam in zijn
eersten staat, dan zou hij van zelf het kwaad, hoe aan-
lokkelijk ook voorgesteld, vermijden, hij zou de binder-
lagen beter inzien, hij zou het goede liefhebben en zoeken,
ook al werd het hem op een minder aangename wijze
voorgehouden, hij zou het gezonde brood der Christelijke
zedeleer met graagte eten, ook al was het een weinig te
hard of te bitter voor zijne lichamelijke gesteldheid. Maar
hij is nog als een kind, wiens boterham men met suiker
bestrooit, om haar smakelijk te maken. Wij zijn wel
-ocr page 94-
— 86 —
groot geworden, hoog steken wij het hoofd op , maar
eigenlijk gezegd , zijn wij maar jongens die op stelten
loopen. De gezonde spijs der zedeleer moet ons zoet ge-
maakt worden ; men moet er iets onder mengen wat de
nieuwsgierigheid prikkelt, men moet de kunstmiddeltjes
gebruiken, welke de slechte schrijvers en leeraars zoo goed
kennen , en ziedaar de reden, waarom ik niet aanstonds
op den man heb durven afgaan, mijn opstel niet durven
noemen met zijn eigen naam , en in de plaats van een
woord dat schrik, walging, spot of wat ook zou verwekt
hebben, een deftiger opschrift heb gekozen, en wel
..liet liosrlije."
Intusschen behoeft de lezer niet te vreezen, dat ik hem
een roman zal opdisschen. Slechts één heb ik er in mijn
leven gelezen en er toen zulk een afschuw voor opgevat,
dat ik niets, wat in dien vorm geschreven is, kan lezen,
hooren of zien, hoe stichtend ook het voorwerp zij, dat
men behandelt. Ik heb alleen den lezer voor den zoo-
veelsten maal op de gevaarlijkheid der romans willen
wijzen. Hij denke daar eens over na, totdat wij weder
spreken over ons „boschje."
II.
In het laatste nummer zei ik, waarom ik voor mijn
opstel geen anderen titel heb gekozen, nu wil ik zeggen
waarom ik dezen „liet Boschje" heb geschreven.
Om de historie, die ik wil mededeelen, (die wel lang
zal zijn , maar die toch niet vervelen zal, omdat ik ze
aan kleine stukjes gesneden heb,) goed te kennen,
moet gij , opperbeste lezer, weten , dat ik dicht bij een
boschje woon. Ik ben nu druk bezig met schrijven, maar
gij begrijpt wel, dat ik tusschenbeide eens op den uitkijk
ga staan, om grazende koeien of schapen, om boomen of
-ocr page 95-
I
— 87 —
schoorsteenen te tellen , om mijne vermoeide ingedoken
borst eens uit te zetten en vrijen adem te scheppen; als
ik dan opsta en, door mijn raam kijkende, het hoofd naar
rechts keer, alsof ik daarbuiten iemand wilde groeten ,
dan zie ik links voor mij een dennenbosch , waaruit ik
van mijne kamer de vogeltjes zou kunnen opjagen, mits
ik een zoo knap slingeraar was als de jonge held David.
De lezer, die een weinig met den landbouw bekend
is, (en wie is dat niet ? op school leert men tegenwoordig
alles) zal uit het bovenstaande opmaken, dat ook ik niet
slechts een landbouwer ben, daar ik over koeien sprak,
maar hij zal ook vermoeden, dat ik een arm boertje ben.
„Hé ! zal hij zeggen, als je zoo dicht bij een dennenbosch
woont, dan woon je op mageren zandgrond, dan wed ik
tien tegen een, dat je maar een arme boer bent."
Ik haal daarbij de schouderen op en zeg: och, mijn
vriend, arm zijn is geen schande meer, maar wel arm te
.schijnen. "Wie is in den tegenwoordigen tijd niet arm ?
Allen klagen bitter, zoowel de winkelier als de ambachts-
man, zoowel de burger als de boer, in de klei zoo goed als
in de hei. Het ligt dus ook niet aan den grond, het ligt
aan den tijd. Alles is duur. Voor dienstboden, die niet
half zooveel werken als vroeger en eens zooveel eten, betaalt
men meer dan dubbel geld. De huishuur is schrikkelijk
gestegen. Kleederen en eetwaren, die tienmaal slechter
zijn dan vroeger, zijn ook wel tienmaal duurder, en moeten
toch in veel meer hoeveelheid worden aangekocht; want
worden de boden den heelen dag niet ruim en lekker
voorzien, dan gaan zij loopen; en de kinderen worden boos en
werken niet, wanneer zij geen schooner kleederen, wanneer
zij minder eten of minder te verteren krijgen dan het dienst-
personeel. Vader en moeder kunnen wel sober leven en
7 Tweede \'doel Rntli.
-ocr page 96-
I
— 88 —
zich dood werken, maar wat helpt dat ? Als zooveel huur,
zooveel helastingen , zooveel salaris moet worden uitge-
geven. \'t Is waarlijk een ellendige tijd, vooral als er nog
magere jaren en overstroomingen bij komen , en het is
geen wonder, dat er zoovele arme boeren zijn.
Onze voorouders hadden een veel geringer inkomen en
naar evenredigheid bijna evenveel lasten. Maar zij konden
dat zinrijk en kostelijk spreekwoord beter in toepassing
brengen : „zet de tering naar de nering." Thans echter
wordt men door de gewoonte des tij ds meegesleept en
gedwongen grootere verteringen te maken, dan de nering
lijden kan. Vroeger moest men op boerendorpen naar
een herberg zoeken, vooreerst, omdat er zoo weinige waren
en tweedons, omdat er altijd een ander bedrijf bij uitge-
oefend werd , zoodat zij veelal meer op boerderijen dan
op herbergen geleken. Manufactuurwinkels wai-en er niet.
Had men een jas noodig, dan ging men elders naar de
markt of naar een stad, en men getroostte zich die moeite,
omdat het maar een paar keeren in het leven voorviel
en van de versleten jas werden onderkleederen gemaakt
en dan schoot er nog een buisje van over, voor het zoontje
bij zijn eerste Communie. Men kocht geenen japon, geen
broek of vest, of men moest het geld van een koe, een
kalf of varken in den zak hebben. Men vierde maar ééns
in \'t jaar feest; dan tracteerde men de heele familie op
„heufivff." O, dat was zoo prettig, dan praatte men zoo
gezellig over den bloeienden toestand der huisgezinnen ,
en hoe onze lieve Heer den oogst had gezegend, en hoe
men het op stal en op het land zou overleggen , om in
het volgend jaar weder een duitje over te leggen.
Zoo wisten zich onze voorgangers met weinig te behel-
pen en zij waren evengoed gezond en misschien meer
-ocr page 97-
— 89 —
tevreden dan wij. En kwamen eindelijk vette jaren, dan
had men de gelegenheid zich beter te voeden en te klee-
•den. Dat was een goede vooruitgang, maar men ging te
ver. Men had er geen erg in , dat er nog eens magere
jaren konden terugkeeren, de weelde nam een verbazende
vlucht, men holde vooruit en men kon zich niet meer
inhouden, \'t Is nu eenmaal de mode geworden, elk jaar
de mode nog hooger op te drijven. En de verleiding is,
zoo groot. Er zijn zooveel spoorwegen, booten en tram-
men, die niet mogen stilstaan, zooveel winkels en herber-
gen, die niet mogen ledigstaan, er loopen zooveel venters
met mooiigheden en lekkernijen rond, de huizen af, wier
manden niet mogen volstaan. Het is geen schande meer
schulden te maken, en hoe armer het heele dorp ja, hoe
meer moeite het doet om rijk te schijnen. Wie kan dien
machtigen stroom van ijdelheid tegenhouden ? Wie laat
zich niet medesiepen ? Men diende een ijzeren hart en
wil te hebben , om aan zooveel verleiding weerstand te
bieden. De beurs schreeuwt van magerheid, de sehuld-
eischers schreeuwen van teleui-stelling, maar boven alles
schreeuwt de juffer met haar gedurig verwisselend goud
•en zijde, de jonge mijnheer met zijn pleizier en partijen,
de huisbaas met zijn jeneverflesch , de huismoeder met
haar altoos heeten koffiepot, hare cadetjes en mikjes, de
kleine knaap met eene sigaar, die hij nauwelijks dragen kan.
O die verkeerde wereld, die zoo blindelings voortholt,
die maar feesten viert, pleizieren smaakt, gemakken zoekt
en pronkt en praalt, en de vertering zoo hoog voert, alsof
de nering er beter van werd. Het schoone woord is ver-
sleten : „/et de tering naar de nering." Ouders , die den
moed hebben , door woord en voorbeeld hunne kleinen
van jongs af spaarzaamheid en matigheid te leeren, kun-
-ocr page 98-
— 90 —
nen den toestand eenigszins verbeteren , maar algeheele
ommekeer, dunkt mij, kan niemand te weegbrengen dan
God, die, als de maat vol is, zijn volk zal straffen en
genezen door oorlogen, pest, hongersnood en andere alge-
meene rampen.
Doch genoeg. Ik heb bewezen , dat niemand het mij
kan kwalijk nemen, als ik maar een arme boer ben, die
bij een dennenboschje woont. Allen zijn wij arm, allen
gaan terug, behalve misschien de ouderwetsche stalen man,
die in dezen tijd van verkwisting zich tegen honderde
verleidingen kan verzetten en in het midden van den
stroom als een zware houten paal kan staan blijven,
waarop geschreven staat: zet de tering naar de nering.
III.
Zooeven sprak ik over het Boschje, waar ik bij woon,
nu over de vogels in dat boschje , later over het leelijk
beest onder de vogels in dat boschje.
"We zijn in de Meimaand. Gisteravond , toen zich de
lieve zon achter de westerkim verborg, verborgen zich
ook alle Knngci\'K van het boschje in het donkergroene
loover, wenschten elkander eene aangename nachtrust en
sliepen zachtjes in. De spreeuwen vlogen nog in groepjes
rond, maar streken eindelijk neer in het donkere nacht-
verblijf\' , terwijl ook allengs de musch aan haar avond-
gebabbel een einde maakte. Er heerschte een doodsche
stilte, geen windje roerde tak of blad, geen stem werd
meer gehoord, alles zweeg, en de hoogopgeschoten masten,
omringd door statige eiken, schenen te luisteren naar de
bevelen van den almachtigen God, die het heelal bestuurt
en stilte gebiedt.
Zoo rust ook eens de woelige mensch, als het levens-
licht is uitgegaan , en de stilte des grafs verkondigt de
-ocr page 99-
— 91 —
Almacht van Hem , op wiens wenk de heerschzuchtige
vorst, zoo goed als de arme bedelaar, eenmaal zwijgt en
het hoofd nederlegt. Zoo wordt het ook stil en donker
in de ziel van den sterveling, die door de zonde het licht
der genade verliest, zijn levenslust is over en maakt plaats
voor duisternis , wroeging en verdriet, totdat de genade-
rijke Vader des hemels in zijne erbarming dat schoone
licht wederom ontsteekt , den boetvaardigen bekeerling
vergiffenis schenkt en hem tot een nieuw leven ver-
rijzen doet.
Ook over ons boschje is de zwarte nacht eindelijk heen-
gegaan. De dageraad, de voorlooper des lichts, haalt lang-
zaam het groene tapijt van loover uit de duisternis
te voorschijn ; en in het midden der plechtige stilte ver-
kondigt dra de waakzame merel de aankomst van het
nieuwe licht. Zijn welluidend orgaan, begeleid en versterkt
door de echo, wekt al het pluimgediert.
Welhaast ontwaakt het vinkje uit zijn zoeten droom,
de houtduif opent hare oogen, het sijsje springt te voor-
schijn, en binnen weinige oogenblikken zijn allen op de
beenen. Zij schudden hunne kopjes, scherpen hunne bek-
jes en het gansene bosch weergalmt van een verrukkelijk
accoord. Het is alsof een convent van kloosterlingen ,
uit hunne legersteden opgesprongen, in den vroegen mor-
gen, in het koor der kerk, met opgeheven geest en hart,
met heilige vreugd op \'t gelaat, den lof des Scheppers
zingt, die daai-boven troont, met innig welgevallen dat
heerlijk schouwspel aanziet en de zoete tonen opvangt.
De overste heft het loflied aan en alle monniken vallen
in, met verschillende stemmen, maar tintelend van een-
zelfden liefdegloed jegens den Allerhoogste, dien zij prij-
zen, danken, bidden.
-ocr page 100-
— 92 —
Zoo opent de merel, met zijn gulden bekje, het koor
der natuur en weldra springen allen bij. De tortel kirt,
de houtduif kreunt, de distel tjilpt, de goudvink kweelt,,
de spreeuwen fluiten , de huismusch sjirpt, het winter-
koninkje babbelt, de gele merel wielewaalt, de kauw
kwaakt, de ekster krijt, de kraai krast, de meerkol
krijgscht, het meesje herhaalt: „tsiet, tsiet, zingje mee,
zingje mee," de botvink zegt onvermoeid zijn voortreffe-
lijk deuntje op en wordt telkens door zijn broeder in de
nabijheid beantwoord. In de verte konkelt de grasmusch,
de leeuwerik kwinkelt hoog in de lucht, tureluurt en
gorgelt; de kwikstaart wipt en schiet over \'t grasveld
heen en neuriet: „siepsewiet." De schoone zwanen kwak-
kelen in de frissche wateren , die de wortels van het
boschje drenken , de krekel kriekt aan de boorden der
grachten en de schrijvers roepen in de struiken: bidden,
bidden , bidden wat uw plicht is. Allen begroeten den
gloeienden dageraad en hun gezang weerkaatst in den
blauwen hemel, om den Heer der Schepping te loven, die
aan alles een nieuw leven geeft, die alles bezielt en jui-
chen doet. "Wie kan zich langer tegenhouden ? Wie zaL
niet medezingen ?
Lieve Broeders, komt naar buiten,
Vroolijk lacht de lentedos,
Hoort, hoe lief de vogels fluiten,
Kwinkeleeren in het bosch.
Hoort het vinkje, hoort het sijsje,
Allen hebben juichensstof,
Ieder zingt zijn eigen wijsje,
Allen zingen : „God zij lof."
Wie geraakt niet in verrukking bij het hooren van
zulk een lofgezang ? Wie zal den goeden God niet min-
-ocr page 101-
— 93 —
ren, in wien het gansche vogelenheir zijn behagen schept ?
Wie schaamt zich niet in zijne ziel, de vriendschap te
derven van Hem, die zoo dooi- de stomme natnur wordt
geprezen, verheei-lijkt, aangebeden en toegejuicht?
Tot overmaat van geluk zag ik verleden jaar herhaal-
delijk een paar ooievaren over het vroolijk boschje henen-
schuiven en al klappende zich neervleien op een nest,
in het toppunt van een nabijzijndeu eik. Toen zong ik :
Ooievaar, lepelaar,
\'k Zit zoo graag naar u te kijken,
Als gij, dragend dat ge zweet,
Over \'t weemlend bosch komt strijken,
En van rusten noch poozen weet."
En wat ik nooit vergeten zal, in Mei van \'82 hebben
wij een bezoek gehad van een onovertroffen nachtegaal,
liet open raam en open ooren zat ik toen te luisteren
naar zijne zoete melodiën. Zijn bekoorlijk gekweel wekte
mij \'s morgens zeer vroeg, bracht mij \'s avonds ter ruste,
deed mij insluimeren in een vreugdevollen droom en heeft
mij niet zelden naar den hemel verplaatst. Waarlijk het
was een hemel=ch geluid. Om twee of drie uren in den
nacht, als zijne makkers nog sliepen , weergalmde zijn
veeltonig speeltuig van uit het donkere boschje over akkers
en weiden en alles scheen in stomme verbazing nog laat
in den avond toe te luisteren. O ! dat kwinkeleeren met
duizenderlei klanken en tonen en slagen en kweeltjes en
fluitjes in éénen adem zonder ophouden, hoe verrukkelijk
schoon , hoe zielbetooverend! Wanneer ik dan de def-
tige zwaan door het heldere water zag roeien of met
uitgestrekte wieken er over heen plassen, zonder een fatsoen-
lijk liedje te kunnen opzeggen, dan dacht ik bij mij zei ven:
Mooi zijt ge, zwaantje, boven velen,
-ocr page 102-
— 94 —
Slank en statig buiten kijf,
Kostbaar dons bedekt uw lijf,
Maar wat kan dat andren schelen ?
Zie den kleinen nachtegaal,
Grauw en pover in do veeren,
Maar wat kan hij kwinkeleeren !
Zwaanlief, hé, dat \'s meer dan praal!"
Gewis de blanke zwaan, met al haar schoon gevederte
en hare fiere houding , is niets bij dat grauwe vogeltje
zonder kleurenpracht, dat, arm en nederig in het donkere
hout verscholen, door zijn welluidend orgel alle geesten
vervoert, alle harten verteedert.
Zij, die nederig en klein, zich voor het oog der men-
schen trachten te verbergen, worden, door de milddadig-
heid van den Algoede, met inwendige gaven verrijkt en
winnen door hunne zedigheid en eenvoudigheid zonder
moeite de genegenheid van God en van de menschen,
terwijl pronk- en praalzucht slechts bespotting verwekken.
De kleine nachtegaal is het beeld van den nederigen
Christen , die geen werk maakt van zijn lichaam, van
zijne kleeding, van zijn naam, maar die in verborgenheid
door de schoone stem zijner ziel de hemelen bekoort.
Meer nog is die kleine zanger het beeld van de Engelen
hierboven, die volstrekt geen lichaam hebben en voor het
menschelijk oog geheel onzichtbaar zijn , maar die door
alle eeuwen heen den God der Heerscharen toeroepen ,
zingende: „Heilig, Heilig, Heilig."
O, mijne broeder», heeft de groot-e God kier op aarde in de
verstandelooze fiat uur zulke verrukkelijke koren
, wat zal de
muziek dan in den hemel zijn ?
IV.
Wij bevinden ons in de vogelenwereld. Zooeven ver-
-ocr page 103-
— 95 —
maakten wij ons met hare poëzy, laat ons nu tot de
proza overgaan. De vogel» toch zingen niet alleen
zij werken ook
; anders zou aan het zingen spoedig
een einde komen.
Na een tijdlang den schoonen morgen door hun liefe-
lijk gejubel te hebben opgeluisterd en den goeden God
dankbaar lof gezongen te hebben, beginnen zij te werken.
De een zoekt voedsel voor zich zelven , de ander voor
zijne jongen , een derde bouwt een nest, allen werken ,
niemand luiert. Zoo moet ook de mensch, wil hij genoe-
gelijk leven, \'s morgens vroeg de matte leden rekken, en
in één, twee, drie de gewasschen handen aan het werk
slaan. Om dit goed te vatten en onze ziel daarvan te
doordringen, tik ik met mijn stemsleutel op den rand van
mijne tafel, breng hem aan mijn oor, ik luister en hef
het lied aan van een groot dichter, opdat al mijne lezers
medezingen :.
...........ziet in \'t rond,
Hoe elk gedierte ontwaakt met d\'eerste morgenstond,
De frissche leden rept met rennen, dartlen, springen,
Met klappren door de lucht en \'t ochtendlied te zingen!
Zich alles weeralen en krioelen over \'t land,
En klaatren in den stroom en wiemlen door het zand."
De vogeltjes zijn nooit vroolijker, speelscher, dartelder,
ijveriger en werkzamer, dan in den gloed van den lieven
morgenstond. De haan stapt haastig voort en draait zijn
kop heen en weer om zijn voedsel te vinden, terwijl hij
zich nauwelijks den tijd gunt om zijn kraaienden buur-
man te beantwoorden. Hij bukt dan weder aanstonds neer,
hij kijkt, hij zoekt, hij pikt. De hen verraadt door haar
aanhoudend kakelen , dat ze haar ei reeds heeft gelegd
en ze schijnt er op te zwetsen , dat niemand weet waar
-ocr page 104-
— 96 —
het ligt. De leeuwerik steigert naar den hemel en houdt
het grazend vee voor den gek, dat hem niet genaken kan.
Alle hoornen en gewassen bewijzen door den sterken ver-
kwikkenden geur, dien zij verspreiden, dat zij nooit heter
leven, nooit harder werken, dan in de eerste stralen van
de gloeiende morgenzon. De geheele schepping leeft en
tiert en dartelt en werkt; en de mensch ? De koning
der schepping, zou dan nog achter dikke gordijnen ver-
scholen, in de veeren en dekens begraven, in zwarte duis-
ternis gehuld , als een doode in zijn somber graf daar
nederliggen , beroofd van al de edele genoegens , al dat
glanzend licht, al den levenslust van daarbuiten. Neen,
lieve vrienden, fluks op de beenen, de haan wekt u, de
vogeltjes bespotten u, de groote zonneschijf is schaamrood
over uwe luiheid, fluks uit de veeren; hart en geest naar
den goeden God, die alles herrijzen doet, hoofd en handen
diep in het frissche water, de knieën op den grond voor
het beeld van den Gekruiste , en dan fluks naar buiten
in al de weelde van den lieven schoonen dag aan het
werk, aan den arbeid ! . . . .
Hebt gij het geluk niet te werken onder rund- en
pluimgedierte en met den leeuwerik of den merel Gods
lof te zingen daarbuiten, werk dan ijverig in uwe kamer
of winkel, vraag \'s morgens den lieven Heer, dat hij al
uw werk van den dag met zijn genadedauw besproeie en
als een reuk- of dankoffer aanneme. Hard is uw lot, als
gij u niet bewegen kunt in de vrije natuur, maar begeef
u dikwijls in den geest derwaarts en vereenig u met de
zoete accoorden, wier geluid, helaas, niet tot u doordringt.
Maar wacht u wel met verachting neer te zien op de
buitenwereld of het landelijk leven en te zeggen : „\'t Is
maar ecu plat en stil dorp met lompe boeren."
-ocr page 105-
— 97 —
Geheel anders dacht daarover de beroemde latijnsche
dichter , wiens verzen ik zoo goed mogelijk voor u wil
vertalen. Luister dan :
Welzalig hij, die ver genoeg
Van \'t eeuwig stadsgewemel,
Van \'s vaders erf met os en ploeg,
Zich schept een stillen hemel.
Hij evenaart het voorgeslacht
In onschuld, sterkte en vrede.
Geen woekerjood komt onverwacht
Zijn levenslust vertreden.
Ja, zooveel er waar geluk op aarde te vinden is, het
wordt niemand in ruimere mate toebedeeld, dan hem die
wei-kt, en op de eerste plaats hem, die werkt in de vrije
lucht , den landman , den boer, met zijn roode dikke
wangen ; met zijne heldere oogen, de spiegels van tevre-
denheid ; met zijne stevige vereelde handen ; met zijne
uitgezette schouderen ; maar vooral met zijne onschuldige,
geruste en blanke ziel. Waarom is hij zoo gelukkig ?
Omdat hij de wereld met al hare ellenden niet kent,
omdat hij zich tevreden stelt met een stuk grond, met
zijns vaders erf en zijn vee, \'t geen in alles voorziet;
omdat hij weinige behoeften heeft ; omdat hij werkt en
altijd werkt en het hardste werkt en werken zijn plei-
zier is ; omdat hij zijn werk verheft en adelt en heiligt
door zijn groot geloof en door zijn vast vertrouwen op den
goeden God , van wien hij dagelijks den zegen behoeft
en vraagt over zijne velden en vruchten.
Hij behoeft geen geneesheer, omdat hij sterk en gezond is
als de Patriarchen van de oude wet of als de oude Bata-
vieren, omdat hij geen vervalschte spijzen eet en de klei-
nere ongesteldheden, die hem soms aangrijpen, met werken
-ocr page 106-
— 98 —
en zweeten en huismiddelen verzet. Hij behoeft geene
vrienden, want hij heeft genoeg aan „zijn wijf en twalef
kienders," en zijne vrienden zijn zijn paard en zijne koeien,
die hem en zijn huisgezin onderhouden. Hij weet zeer
goed, dat vele vrienden, drinkebroers en speelmakkers,
geen voordeel aanbrengen, want het „Masker van de
wereld" heeft hem in zijne jeugd ingeprent:
„Zij zeggen, dat Jan een beste man is,
Zoolang er bier in de kan is.
Maar wacht, als het bier er eens uit is,
Dan zegt men, dat Jan maar een guit is.
Op het veld praat hij met zijn paard of fluit met de
vogels ; binnenshuis in de lange winteravonden vertelt hij
aan zijn huisgezin, waar hij als een koning wordt geëerd,
uit zijn jongen tijd, uit een of ander schoolboek, uit de
bijbelsche geschiedenis of uit den catechismus. Des nachts
slaapt hij gerust, vooreerst omdat zijne vermoeide lede-
maten geen ratten of muizen hooren, ten tweede, omdat
hij den effectenhandel niet kent, noch ooit het doodzweet
van couponknippers en loters en waaghalzen begrepen
heeft, ten derde, omdat hij voor geen dieven beducht is,
want deze weten zoo goed als de baas, dat er weinig te
happen is. Pater van Meurs zegt: Wie op rijkdom slapen,
wil, ligt geen tien minuten stil.
Maar hij bezit het geluk,
dat de wijze man verlangde, toen hij zeide: „O God geef
mij noch armoede, noch rijkdom, maar schenk mij slechts wal
noodig is voor mijn onderhoud."
Hij is. gelukkig, omdat hij
van zijn land en van zijn stal alles trekt, wat hij noodig
heeft en geen bakker, geen slachter, ja, haast geen kleer-
maker behoeft aan te spreken. Zijn sterke arm of de
nijvere vingeren van zijne vrouw en van zijne kloeke
dochters verschaffen hem alle benoodigdheden.
-ocr page 107-
— 90 —
Hij heeft den tijd of den lust niet, zich in de tallooze
gevaren te hegeven , in \'t midden eener dwaze wereld;
hij vreest en dient zijn goeden God , die dagelijks zijne
landouwen besproeit, zijn vruchten doet leven, wasdom,
vreugde geeft. Waarlijk, \'t is een stille hemel, zulk een
hedrijvig, afgezonderd, genoegelijk en onschuldig huisgezin!
Het is maar jammer dat sommige boeren den fijnen
heer gaan spelen en daarmede hun geluk verspelen. Jam-
mer dat zij zich door de wereld laten misleiden, hun
genoegen buitenhuis gaan zoeken, en zoo de liefde voor
hunnen stand, den ijver voor hun werk, de gehechtheid
aan hun huis verliezen, en ongemerkt zich zelven diep,
en dieper nog hunne kinderen, in ellende dompelen. O
mochten allen de lieve vogels in hunne werkzaamheid,
hunne spaarzaamheid en huiselijkheid navolgen !
Y.
De koude winter echter ontvolkt ons boschje, want
het meerendeel der zangers kan de guurheid van het
jaargetij niet verdragen en vlucht naar warmer oorden.
Maar zoodra de groene lente nadert, keeren allen terug
en de vogelenkenners getuigen, dat zij, hoever ook ver-
wijderd geweest zijnde, dezelfde plaats weten terug te
vinden, dat de ooievaar en anderen hetzelfde nest wederom
innemen, tenzij buitengewone omstandigheden zulks niet
gedoogen. Het mag waarlijk een wonder heeten, dat zij
uit een ander werelddeel terugkomende, zonder landkaart
of spoortrein of wegwijzer een zoo verre reis kunnen
maken en regelrecht terugzeilen naar de oude woonstee.
Men zal zeggen dat hun instinkt hen daartoe drijft, maar
dan moet dit instinkt zelf iets wonderbaars wezen, het
moet geleid en ingegeven worden door een verstandig,
ja een alwetend wezen, door den voorzienigen God, die
-ocr page 108-
— 100 —
alles bestuurt, zoowel den winterkoning als den ooievaar
en struisvogel.
Het is voor ons een vingerwijzing, wij zien hierin,
dat onze lieve Heer ook van den mensch verlangt, dat
hij bestendig op de plaats blijve, die voor hem is bestemd
en de veranderlijkheid, liet zwervend leven in niet
alleen een groot gebrek, maar ook een groot ongeluk.
De wereld is ongedurig , zij wil altoos op een andere
plaats zijn dan waar zij is en zijn moest. Men heeft geen
vaste woonplaats meer, men doet niets dan vertrekken,
verhuizen en reizen. Men is nergens in geen dienst of
stand content, men is nauwelijks aangekomen of iets be-
gonnen, of men vertrekt weder en drentelt rond van het
eene huis naar het andere , van de eene bediening naar
de andere, en het ergste is, dat men nooit tevreden, altoos
weer naar rust en tevredenheid zoekt en zucht, „want de
iooov.plaal* ver ander ing" zegt Thomas van Kempen, „heeft
velen bedrogen."
De dienstboden en werklieden vinden het geluk niet,
dat zij nu hier dan ginds met zooveel drift najagen, en
zij worden in tijdelijk en geestelijk opzicht al langer hoe
slechter, als zij zich niet weten te schikken in de lasten
en kruisen, die hen omgeven, en zich niet voegen naar
de luimen der menschen , met wie zij wonen en onder
welke zij staan. Zij moeten , zoolang het kan , blijven
waar zij zijn, mits geen billijke redenen tot het tegendeel
dwingen. Zij moeten zich schikken en zij zullen geluk-
kig zijn. Het is zoo aangenaam te hooren, dat deze of
die 25 , 50 jaren bij eenzelfden baas heeft gewoond of
eenzelfden patroon heeft gediend. Zij worden als kinde-
ren des huizes beschouwd. Zij gevoelen zich in de vriend-
schap en het vertrouwen huns meesters echt gelukkig.
-ocr page 109-
— 101 —
Wat komt er echter van hen , die nergens kunnen
blijven ? Dat zij veelal vreemd zijn en nooit een waren
„tehuis" vinden. Niemand acht hen, niemand vertrouwt
hen. Hoe gedragen zij zich? De Pastoor kent ze nauwe-
lijks of ze zijn weer heengegaan. En als hij ze kent, wat
zegt hij dan ? „Dat vreemd volk is in den regel slecht,
het is niet te vertrouwen, het zijn lompe, losbandige men-
schen ; die wispelturige zwervelingen , ze hebben geen
bestendige woonplaats en daarom ook geen eigene parochie
of pastoor, zij bemoeien zich weinig met de kerk en den
godsdienst, en ik heb liefst dat ze maar geen vrienden
vinden , dat niemand mijner getrouwe parochianen met
hen omgaat."
Ook daarom is de landman zoo gelukkig, dat hij in
dezelfde buurtschap wonen blijft, waar zijne ouders en
voorouders, soms tot in het tiende geslacht gewoond heb-
ben. Het gebeurt somwijlen dat het huis der ooievaars
bouwvallig wordt, dat een roofzieke kat de jongen ver-
moordt van den zoetluidenden nachtegaal, en in dit
geval zijn die naarstige dieren genoodzaakt een ander ver-
blijf te zoeken , maar zij verhuizen niet ver, en als de
kleinen tot den mannelijken leeftijd gekomen zijn, bouwen
zij hun nestje in de nabijheid der anderen. Zoo wordt
ook soms den landman gedwongen een andere woning te
zoeken, maar hij blijft liefst in \'t ouderlijk huis, ten min-
ste in de parochie, waar hij gedoopt is, waar hij de men-
schen kent, waar hij door de menschen wordt gezien en
geacht, waar hij den aard van den grond weet.
Ja, het is zoo nuttig en aangenaam voor lichaam en
ziel in hetzelfde huis te wonen, denzelfden grond te be-
bouwen, in dezelfde kerk te bidden, als vader en groot-
vader en overgrootvader en voorovergrootvader eeuwen-
-ocr page 110-
— 102 —
lang gedaan hebben. Men houdt het huis en erf in eere,
omdat men begrijpt, dat men werkt voor kinderen en klein-
kinderen, die daar zullen blijven ; de huiselijke haard is
veel aangenamer, omdat daar ook de voorvaderen gezeten
en gepraat hebben , omdat men er van jongs af aan ge-
wend is ; men werkt graag op het land, men maakt met
vreugde den grond vet en vruchtbaar, als hij een geschenk
is der ouders , die in \'t zweet huns aanschijns daar hun
God hebben gediend en als men weet, dat de kinderen
er de vruchten van zullen plukken.
AVelzalig hij, die ver genoeg
"Van \'t eeuwig stadsgewemel,
Van \'s vaders erf met os en ploeg
Zich schept een stillen hemel!
Ja, dat huis met zijne landouwen, met altoos dezelfde
brave familie , ja, het is een stille, een eeuwendurende
hemel, het afbeeldsel van de zalige woonstede hierboven,
die altoos dezelfde blijft en waar niet slechts dezelfde
familie, maar ook eeuwig dezelfde personen het grootste
geluk genieten ! Eigen haard is soiul waard, maar
hoeveel kostbaarder is dan de haard, die niet alleen eigen-
dom is, maar het ook altoos van een en dezelfde familie
geweest is ? Die leuningstoe], waarin grootvader zijn pijpje
rookte en zijn rozenhoedje bad ; dat spinnewiel, waaraan
grootmoeder menig duit je heeft uitgespaard, waarlijk, ze
zijn dierbaar aan rechtgeaarde kinderen.
De ooievaar behoudt zijn nest,
Doe dit ook, dan doet gij best.
VI.
Om nu te eindigen, waarmede ik had moeten beginnen,
ga ik eindelijk vertellen, welk soort van beest den 29n
Januari 1884 in ons bosch zulk een rumoer maakte,
-ocr page 111-
— 103 —
den geheelen omtrek ontstelde, de lucht vol vogels joeg,
mij den schrik op het lijf joeg en zes nummers in dit
hoekje joeg.
\'t Was \'s morgens vroeg. De hanen waren wakker, de
hoeren nog niet. De klok had nog geen vijf geslagen. De
lezer zal echter willen gelooven, dat zij, die hij zulk een
jolig boschje wonen, als ik de vorige keeren beschreven
heb, gemakkelijk de gewoonte krijgen om vroeg uit de
veeren te kruipen en voor dag en dauw den neus even
buiten de deur te steken, om te zien welk soort van
weer we van daag hebben zullen. Welnu \'t was nog voor
vijven.
\'t Was buiten donker, zeer donker. De maan had haar
gezicht omgekeerd en kon dus geen blik werpen op ons
verscholen boschje , en het sterrelicht werd door dikke
wolken belemmerd. Een zoele wind streek langs mijne
wangen. In den omtrek lag nog alles in diepe rust. De
hanen lieten zich bij wijlen hooren, maar onze vogeltjes
waren nog niet uitgeslapen.
Wat hoor ik daar ?.. Een angstgeschrei snijdt door
mijne ooren, dringt door tot merg en been en doet mij
huiveren, wat is dat ? Hoor! het is het kermen van een
kind — neen — ja toch van een kind ... Ik spring voor-
uit en luister nog eens waar de stem vandaan komt.
— Uit een boschje, ja uit de grachten van het boschje.
En meteen ontstaat een opschudding in alle boomen en
takken, in eens fladderen alle vogels, die in den kouden
winter in ons dicht en warm boschje komen overnachten,
naar boven, hoog in de lucht. Zij zwerven angstig rond,
en door de duisternis misleid, komen velen in hetzelfde
bosch terug, om van schrik weer aanstonds weg te vlie-
gen. Ik nader en ik luister, en het wordt mij duidelijk,
j< Tweede deel Kuth.
-ocr page 112-
— 104 —
dat het niet de noodkreet is van een kind, maar liet
gekerm van een duif boven in de takken. Het akelig
geluid wordt onderbroken, \'t wordt zachter en sterft lang-
zaam weg. Nu begreep ik, dat een armzalig duifje door
een roofvogel was gewurgd, dat ik dus niet verder behoefde
te gaan en gerust kon zijn omtrent den vermeenden
drenkeling.
Ik keerde mij dus om , maar het geval had mij zoo
geschokt, dat ik het niet aanstonds uit mijn geest kon
verzetten. Daar kwam nog bij dat deze gebeurtenis juist
plaats had op den feestdag van den H. Franciscus de
Sales. den man, die uit alles, wat hem overkwam. gees-
telijke lesjes wist te trekken. Ik had zooeven zijne ge-
schiedenis gelezen en mij herinnerd, hoe hij alles wat hij
leerde, door gelijkenissen uit het dierenrijk wist op te luis-
teren. Is het dan wonder, dat ik een poging deed, om
dien grooten man voor dezen keer eens na te volgen, en
te overwegen, wat de moord, die mij daar ontroerd had,
wel beduiden kon ?
Helaas ! dacht ik, hoevele duifjes worden op dergelijke
wijze in de duistere wereld gegrepen. Zij slapen een
heelen langen nacht gerust en zie , op eens komt daar
de roofvogel en wurgt ze zonder genade.
O lieve Hemel! heb medelijden met zooveel duizenden
ongelukkige zieltjes, en als ik er iets aan doen kan, och,
laat mij haar dan wakker schudden door een hartelijk
woordje, opdat zij de oogen openen, voor haar naderenden
ondergang, en wederkeeren tot liet licht des geloofs en
dor genade.
Zoo orgeveer deed de goede God mij denken en nog
deuzelfden dag brachten de hiervolgende woorden van
Dr. Schaepinan in De Tijd mij het voorval van den mor-
-ocr page 113-
— 105 —
gen weder te binnen : ,.De Kerk , zoo schreef hij toen ,
is als de zon. Telkens als zij ter kimme daalt, verschij-
nen de kinderen van den nacht en zingen den ondergang
van het licht. Maar de morgen komt en het licht her-
rijst. En de goedige zon sluit de oogen der nachtvogels
door de macht harer gouden stralen, opdat zij voortdroo-
men in hun ijdelen zegedroom." De Kerk is die heerlijke
zon , die alle harten en hoofden verlicht en verwarmt.
Buiten de Kerk niets dan dwaling en koude en duister-
nis. Zij die in den donkeren nacht van het ongeloof ver-
scholen liggen , die het licht des geloofs niet kennen ,
kennen ook de boosheid der zonde niet, kennen geene
eeuwigheid, geen hel, geen duivel; zij slapen, hun gewe-
ten is verstompt, hun geest droomt van aardsch geluk en
blindelings vallen zij in de armen van den eeuwigen dood.
Ook zijn er, en hun lot is nog veel erger, die wande-
len onder de zon , maar haar licht niet willen zien en
hare warmte niet gevoelen, die wel in de Katholieke Kerk
zijn gedoopt, misschien ook het onwaardeerbaar geluk
hunner eerste H. Communie genoten , maar allengs
hunne oogen voor het licht der waarheid gesloten hebben.
Zij zijn ongelukkig in handen gevallen van makkers, die
meer wilden weten dan de Pastoor of Kapelaan; zij heb-
ben boeken gelezen, welke met de mirakelen spotten en
over de Kerk en hare Priesters veel kwaad wisten te ver-
tellen waarvan ze nog nooit hadden gehoord , maar dat
ze toch langzamerhand meenden te moeten gelooven; zij
lazen couranten , die er maar op aan liegen , omdat er
altijd iets van hangen blijft. En zie, daar ze weinig van
hun catechismus onthouden hadden, begonnen zij te twij-
felcn, en zij vonden het veel pleizieriger hunne opkomende
hartstochten den vrijen teugel te laten, niet meer te gaan
-ocr page 114-
— 106 —
biechten of ten minste alleen voor den schijn te biechten,
om vader en moeder tevreden te stellen. En zoo, helaas!
zoo geraakten zij al langer hoe meer in dwaling, in
duisternis en ellende, zij wendden hunne oogen af, om het
licht der schoone zonne niet meer te zien, de vermanin-
gen der Katholieke Kerk uit den mond liarer priesters
en van brave Christenen niet meer te hooren, hun goed
voorbeeld niet meer te volgen. De deur huns gewetens
werd gesloten, en dat geweten sliep, en sliep zijn eeuwi-
gen doodslaap. En de ziel wordt niet meer wakker, dan
wanneer de akelige zeis des doods haar tegengrijnst. Dan
mogelijk slaakt het ongelukkig geweten een akelig nood-
geschrei, maar te laat. Het is te donker om nog te ont-
vluchten, men moet sterven, eeuwig sterven !.
Welzalig dan zij , die altoos blijven wandelen in het
licht des geloofs , in de onderwijzingen der Katholieke
Kerk licht blijven zoeken en warmte in hare H. Sacra-
menten. Worden zij tot zonde bekoord , zij weten wat
te doen. Zij kennen er de boosheid van, omdat zij zien.
Wat zien zij ? Zij zien de hel, den hemel, den Gekruiste
in het licht, dat de Kerk hun schenkt, in het licht des
geloofs , dat hen leert voorzichtig te zijn , en zich door-
het gebed tegen alle aanvallen te wapenen.
De Kerk, die verlichtende zon, leert hen het onschat-
baar geluk van een goed geweten, leert hen den raad in
te winnen van brave ouders, altoos op hunne hoede te
zijn , alle gevaren te vluchten. De Kerk verlicht hen
dus en verwarmt en versterkt hen door hare H. Sacra-
menten , om met gemak alle driften te beteugelen , alle
gevaren te trotseeren en na mogelijken val oogenblikke-
lijk op te staan, om bij haar nieuwe krachten te putten
en sterker dan ooit te voren te wandelen op den weg der
-ocr page 115-
— 107 —
deugd. En als de laatste dag gekomen is, hooren zij hen,
die hier in de duisternis alle genoegens des levens volop
genoten , al zuchtende weeklagen en wanhopend uitroe-
pen : „Daar zijn ze, die we eens veracht en bespot.hebben.
Wij meenden, dat zij dwazen waren en ach ! hoe dwaas varen
wij gelven. Ziet eens
, hoe zij opgenomen zijn onder de kin-
deren des Hemels en met de Heiligen gelukkig zijn !
Wat was nu het afgrijselijk beest, dat een zoo jong
en weerloos duifje wurgde ? Het was een dier , dat wel
oogen heeft, maar het daglicht niet verdragen kan, \'t moet
een uil, ja een leelijke uil geweest zijn.
En tot loon van mijn arbeid , die thans ten einde is ,
vraag ik u, lieve lezer, slechts twee zaken, die van groot
belang zijn en die gij nooit vergeten moet. Vooreerst,
dat gij niet aan een uil gelijk wordt, door uwe oogen te
sluiten voor het schoone zonnelicht, dat de ware Chris-
tenen in de Katholieke Kerk genieten, dat gij de chris-
telijke onderwijzingen gaarne hoort en leest. Waartoe
anders dienen uwe oogen dan om te zien ? Waartoe
anders dient het onschatbaar licht des geloofs, dat de goede
God u schonk, dan om in dat licht te wandelen en braaf
te leven.
Ten tweede vraag ik u , dat gij den uil niet gelijk
wordt, door in het donkere rond te waren en op roof uit
te gaan. De uil is zoo geschapen , maar gij zijt van God
uitverkoren om in het glanzend licht der H. Kerk de
waarde van uwe ziel en het groot belang uwer eeuwige
zaligheid te kennen. Welk een ondankbaarheid en boos-
heid, van dat geluk, waarvan, helaas, zooveel verstoken
zijn , geen goed gebruik te maken en zijnen wellust te
zoeken in de duisternis , in de zonde , in het donker en
ellendig rijk van Satan. Maar vooral welk een gruwel,
-ocr page 116-
— 108 —
onschuldige zieltjes, die nog geen kwaad kennen, in de-
duisternis te vermoorden , haar in de zonden te smoren
en te dompelen iu een eeuwigen ondergang. O mijn vriend,
aleer gij zoo iets begaat, aleer gij door woord of daad
anderen ergert, laat u eerst met een molensteen aan den
hals in de zee werpen. Dit is de raad van den goddelijken
Verlosser der zielen en ook van den schrijver.
-----------------—e> fe»wafc^S>»V^M=» vl3"-^------------------
ZESDE KAPITTEL.
Buitenshuis.
De wereld is in zeker opzicht veel vooruitgegaan. Na-
tuurkundige wetenschappen hebben een ongekende hoogte
bereikt en de schat dier wetenschappen wordt nog voort-
durend door nieuwe ontdekkingen verrijkt. Om iets te
noemen : het oude olielampje, met een vlammetje als een
gloeiende spijker, is reeds lang verdrongen door het veel
heldere petroleumlicht; behalve de petroleumlamp wordt
het gaslicht gebezigd, om straten en winkels en kamers
te verlichten , en beiden loopen weer gevaar eerlang te
zullen moeten wijken voor het electrische licht. Per tele-
graaf heeft men in weinige oogenblikken naar een andere
stad of land of werelddeel bericht gezonden. De telephoon
stelt ons in staat, om ons met afwezigen mondeling te
onderhouden.
Waar vroeger de kar tot haar as toe in het slijk zonkr
daar rijdt men thans over gladde kunstwegen. De voor-
vaderlijke trekschuit heeft uitgediend, de schepen worden
door de kracht van den stoom over den golvenden water-
-ocr page 117-
•
— 109 —
spiegel gedreven. Geheel Europa is verbonden door een
net van spoorwegen, welke u in weinig tijds door heiden
en weiden , door akkers en bosschen , over rivieren en
onder bergen door, uren ver verplaatsen, De tramweg
is al weer een nieuw middel van verkeer. Al die uit-
vindingen hebben een gi-ooten invloed gehad op den gang
der maatschappij, maar hoe voortreffelijk en vooi\'deelig die
zaken ook zijn voor het handelsverkeer en den stoffelij-
ken bloei des lands, toch moet gezegd worden , dat zij
mede invloed hebben gehad op het zedelijk leven van
den mensch. Het is waar , de telegraaf, de telephoon ,
spoor- en tramwegen kunnen geen rechtstreekschen invloed
hebben op \'s menschen gedrag, maar zij stellen de eene
plaats met de andere, het eene land met het andere, het
eene volk met het andere in gemeenschap; men hoort en
ziet en leert vreemde zeden en gewoonten ; men komt
willekeurig of onwillekeurig met de groote wereld in aan-
raking, men leert hare ijdele manieren, zinnelijke verma-
ken en zondige uitspattingen kennen en weldra zoeken
en beminnen, en zoo zijn de plaatselijke gewoonten, deug-
*den, zeden en gebruiken door vreemde elementen van
lieverlede verbannen geworden. Dit is nog te gereeder
geschied, wijl de mannen van onzen tijd door slechte lec-
tuur en onderwijs bevooroordeeld , blindelings het oude
verwerpen , zich van de banden van gezag en overheid
trachten te ontdoen, vrijheid en onafhankelijkheid zoe-
ken, en slechts streven naar nieuwigheden en overdreven
zingenot.
Intusschen beginnen wij vooral gevaar te loopen ons
schoonste sieraad, onze oude en welbekende ilcuud van
huiselijkheid
te verliezen. Velen beginnen hun genot
en eenigste voldoening niet in huis, maar elders te gaan
-ocr page 118-
— 110 —
zoeken. In eigen werkkring, in plichtsbetrachting, in hui-
selijke eendracht en liefde vinden ze geen vrede meer.
Het schijnt, als hebben zij het zich vast als eene manie
in het hoofd gezet, dat men om genoegen en uitspanning
te hebben, naar den vreemde moet. Men zou haast zeggen,
het eigen dak dreigt hen — des Zondags vooral — op het
hoofd te vallen. Een knappe dokter, die hen van zoo inge-
kankerde dwaalbegrippen genezen zal! En toch moeten
zij zelven bekennen , dat al die gezochte verstrooiing,
afleiding en uitspanning eerder bezwaart dan verkwikt ,
en dat men veel gelukkiger is , wanneer men lust, vol-
doening en tevredenheid vindt in eigen huis, in zijn eigen
werk en bij zijn eigen volk , dan wanneer men die bij
andere menschen of op andere plaatsen moet gaan zoeken.
Inderdaad, wat moet men al niet ondervinden, als men
te dikwijls voor zijn pleizier uitgaat ? Bij den eenen zijt
gij niet recht welkom, gij wordt er koeltjes ontvangen,
er wordt u niet veel bijzonders gepresenteerd , er wordt
niet zoo hartelijk en zoo druk met u gesproken als gij
wel wenscht; gij verveelt u en gij haast u om te ver-
trekken, een paar uren vroeger dan gij van plan waart.
Bij een ander schijnt gij welkom te zijn, maar ongelukkig
voor u is er ook iemand, die daar bijzonder in de kas
ligt; deze krijgt de eereplaats en in alles den voorrang,
alle attentie is hem gewijd , en gij — die wellicht zoo
goed of beter denkt te zijn als die andere — gij schijnt
er maar voor een te meer bij te zitten : het hindert u
erg, en gij zoudt wel wenschen met goed fatsoen weg te
zijn om wat vrijer te ademen. Bij een derde komt gij
onverwacht, gij brengt de menschen in verlegenheid, en
wordt door hunne verlegenheid wederkeerig in verlegen-
heid gebracht; wenscht gij dan niet, dat gij die visite
-ocr page 119-
— 111 —
maar niet afgelegd had ? Bij een vierde is men niet tehuis:
wat aangevangen ? Ge schaamt u om weer recht naar
huis te gaan, een andere uitvlucht te beproeven, is dik-
wijls te gewaagd.
En hoezeer wordt niet zelden uwe teergevoeligheid ge-
prikkeld, nu eens gesard of beschaamd, dan weer als een
speelbal door het liefdelooze gezelschap bejegend, dat
zoudt gij onder de uwen niet geleden hebben. Nu eens
wordt het geheele gezelschap door een derde ten zijnent
genoodigd, alleen gij wordt merkbaar uitgesloten; dan eens
wordt er gesproken over iets wat u hindert, of wel gij
wordt beschaamd gemaakt, uwe geheimen worden ont-
sluierd, uwe hoop ingeslagen ; dan zult gij wel denken,
het is onbeleefd , maar wat kunt gij er aan doen , wat
anders dan schaamrood veinzen ze niet te hooren en stil-
letjes zwijgen. En al is ook alles geweest, gelijk gij het
wenschen kunt, dan nog komt gij tehuis met een verwar-
den geest, met een bezwaard gemoed en een vermoeid
lichaam. In plaats van naar geest en lichaam frisch en
uitgerust, weder beter te kunnen werken — wat toch het
doel onzer uitspanning moet zijn — zijt gij minder geschikt
geworden, en in plaats van meer mensch te zijn, zijt gij
minder mensch. Gij gevoelt u in uw eigen gezin en in
uw eigen huis minder te huis en minder gelukkig en
tevreden met uw gewone bezigheden, als gij uw vermaak
op den duur elders gaat zoeken, terwijl de uitspanning,
in eigen huis en familie genoten, het dagelijksch geluk en
de inwendige tevredenheid pleegt te vermeerderen.
Grooter nog zijn de gevaren voor \'t geestelijk leven van
den mensch. Toezicht, vrees en schaamte zijn al mede
van de krachtigste beweegredenen voor de onnadenkende
jeugd om liet kwaad te laten. Door de uithuizigheid van
-ocr page 120-
— 112 —
ouders en oversten komen dochters en dienstboden buiten
toezicht; \'t zal „vrijhof\' zijn en dat weten zij geregeld
reeds lang te voren ; wat al afspraakjes kunnen er niet
gemaakt worden ! Dan kan men joelen en jubelen, dan kan
men zeggen en doen, wat het hart ingeeft, want er zal
uit de school niet geklapt worden, dan kan komen wie
wil, men heeft zich voor niemand te schamen en niets te
vreezen. En als vader en moeder \'s avonds laat te huis
komen, dan is alles doodstil, men steent en geeuwt alsof
men \'t al dien tijd van verveling bijna heeft moeten be-
sterven, er is immers niemand geweest, er is niets gebeurd!
En dezen — onnoozel genoeg — nemen \'t al voor goede
munt aan, onderzoeken niet verder en gaan den volgen*
den keer al weer even gerust er op uit. Mocht er eens
iemand de onbeschaamdheid (!) hebben van hun op te
merken : ik begrijp niet, hoe gij dat jonge volkje zoo
alleen te huis durft laten, dan is het antwoord kortaf en
vinnig: „gij hebt gelijk, een ander zou dat niet mogen
of kunnen doen , maar mijne dochters zijn zoo stil van
aard, zij zijn — God dank — niet voor de gekheid, ik
weet zeker, al kwam er iemand om, als zij zoo alleen te
huis zijn , ze zouden er geen woord voor over hebben."
Zoo spi-eekt men, gerust als men is door zijne verblind-
heid, alsof huichelarij en achterhouding niet meer bestaan,
alsof ook stille waters geen diepe gronden hebben , en
alsof de gelegenheid den dief niet koude maken.
Door de uithuizigheid der onderhoorigen onttrekken zij
zich zelven aan het noodzakelijk toezicht, en daar
zij den vreemde niet te vreezen hebben en voor den onbe-
kende zich niet zoozeer behoeven te schamen, kunnen zij,
desverkiezende, gaan en staan met wien zij willen, waar
zij willen en gelijk zij willen , daar zal geen haan naar
-ocr page 121-
— 113 —
kraaien. Dooi- niemand in het oog gehouden, denkt men
maar al te dikwijls van niemand af hankelijk, aan niets
gehonden en van zicli zelven geheel en al baas te zijn.
Zou men te huis voor het ontzag van ouders en oversten
tegen de verleidingen zijner jaren grootendeels beschut en
gewaarborgd zijn, elders loopt men dikwijls gevaar zich
zelven voor \'t oogenblik te vergeten en geen paal of perk
meer te kennen.
Te huis of onder de zijnen verbeeldt men zich te veel
gebonden, maar buiten\'s huis heeft men kans om vrij te
zijn, in den modernen zin van \'t woord. Daar wordt men
door niemand verhinderd om kennis te krijgen met de
menschen en kennis te maken met wien men wil ; daar
kan men eens vertrouwelijk — te vertrouwelijk wellicht —\'
met iemand omgaan ; daar, zegt men, leert men wat meer
van de wereld kennen, om \'s werelds ijdelheden te leeren
minachten ; maar het omgekeerde zal geschieden, men zal
hare ijdelheden en verloksels onverstandig genoeg leeren
kennen, beminnen en hartstochtelijk najagen. Dat weet
men wel, maar desniettemin is alwie lijdend is aan de
viïjheids-ziekte van onzen tijd, overal liever dan te huis,
zoodat men wel zou mogen zeggen, dat zij dan alleen te
huis zijn, wanneer zij niet te huis zijn. Vragen wij nu —
na dit alles eens rijpelijk overwogen te hebben — ons
zelven af: waar zou \'t dan wel het beste zijn ? En zijn
wij door de gehechtheid aan hetgeen wij dagelijks zien en
hooren, niet te zeer bevooroordeeld, dan zullen wij het moe-
ten houden met het oude spreekwoord :
Oott West, thuis \'t best.
Dit .alles worde evenwel niet zoo verstaan , alsof het
buiten noodzakelijkheid altijd verkeerd ware een bezoek
af te leggen of een uitstapje te doen ; beleefdheid, ware
-ocr page 122-
— 114 —
liefde en erkentelijkheid jegens zijne vrienden en naast-
bestaanden vorderen immers , dat wij elkander van tijd
tot tijd bezoeken.
Men mag wel eens een of ander heiligdom bezoeken
en eene bedevaai\'t houden ; het kan zelfs zijn nut hebben
voor sommige personen dat zij , overeenkomstig hunnen
stand, voor hunne gezondheid, voor een eerlijke uitspan-
ning of om andere redenen eens een reisje maken; in plaats
van schadelijk , zal het hun naar ziel en lichaam voor-
deelig zijn, het zal hen verkwikken en verlichten, om met
vernieuwden lust en ijver hunne plichten te doen. Doch
het geschiede op gepasten tijd, op gepaste wijze en altijd
met volkomene voorkennis en vrije toestemming van
ouders en oversten, terwijl men tevens bedacht zij op de
noodige voorzorgen tegen alle mogelijke gelegenheden en
gevaren , om geen schade te lijden naar de ziel. Men
moet evenmin uit het oog vei\'liezen , wat Thomas van
Kempen zegt: „die veel reizen, worden zelden zalig."
--------*€asS^5?>O0<3^2As»<---------
ZEVENDE KAPITTEL.
Te huis.
De godvruchtige Thomas van Kempen schrijft in zijn
boekske over de navolging van Chrüttu de volgende mei-k-
waardige woorden : cella conünuuta dulcescif, wat in het
Hollandsch vertaald, zeggen wil: de kloostercel, voortdurend
betooond, wordt zoet;
en ofschoon dit gezegde, zooals uit
de woorden zelven blijkt, onmiddellijk van toepassing is
voor de kloosterbroeders, geldt het niet minder voor de
-ocr page 123-
— 115 —
menschen van de wereld, omdat daarin is uitgedrukt eene
algemeene waarheid, die allen omvat. Zoo kunnen wij
naar waarheid zeggen : voor hem, die voortdurend te huis
is, wordt het huis dierbaar en zoet.
De huiselijkheid, die recht Hollandsche deugd, is uit
ons volksleven gelukkig nog niet verbannen, maar het
kan zijn nut hebben te wijzen op de middelen, welke
de beoefening dier deugd vergemakkelijken, om de huise-
lijkheid meer lief te hebben en het gevaar van uithui-
zigheid, dat onze kinderen bedreigt, af te wenden.
Wanneer de vrouw haren man te huis wil houden,
wordt als eene eerste voorwaarde vereischt, dat zij vrien-
delijk, opgeruimd en vroolijk is
gedurende den tijd, dien
haar man te huis doorbrengt. De man, die weet, dat hij
bij zijn vrouw met een vriendelijk gelaat ontvangen wordt,
zal verlangen naar het uur, dat zijn werk afgeloopen is
om naar huis te komen, waar de hartelijke en gulle vroo-
lijkheid, waarmee zijne echtgenoote hem ontvangt, hem
niet slechts zeggen, dat zij verheugd is hem te zien,
maar die tevens de dikke nevelen van bange zorgen ver-
drijven en de rimpels van zijn voorhoofd wegvagen. O
de man doet zooveel voor den lieven lach en dankbaren
blik zijner vrouw ! Maar als de vrouw bij \'s mans tehuis-
komst altijd mort en een zuur gezicht zet; als zij hem
ter nauwernood groetend ontvangt en zich verder met
hem weinig of niet bezighoudt; als zij hem de kleine
diensten, welke zij hem bewijzen kan, zopals laarzen hei-
pen uittrekken, goed aanemeu, niet bewijst; als zij dade-
lijk gereed is alle ongelukken, dien dag haar overkomen,
met ellemaat uit te meten, en steen en been te klagen
over de lastigheid en ondeugendheid der kinderen ; als
zij, vooral wanneer de zaken niet voordeelig gaan, ter-
-ocr page 124-
— 116 —
stond bij de binnenkomst haars mans in jeremiaden en
klaagtonen uitbreekt over den slechten tijd en duizend
akeligheden meer; dan wordt het begrijpelijk, dat de
man met loome schreden huiswaarts keert, omdat hij weet
wat hem te wachten staat. En als iemand zegt, dat menige
vrouw, die haar man hartelijk liefheeft, minder uit boos
opzet, dan wel, omdat zij er geen erg in heeft, dikwijls
mokt en jammert, dan mag dit de schuld der vrouw ver-
minderen, maar daarmee wordt de ontvangst van den
man niet vriendelijk. Het eerste middel derhalve om aan
den man het huis aangenaam te maken bestaat hierin,
dat de vrouw vriendelijk en opgeruimd is.
Het tweede middel is orde en zindelijkheid. De man is
de hoofdpersoon, naar wien alles moet geregeld worden.
Gaat hij \'s morgons vroeg naar zijn werk, dan zorge de
vrouw, in gewone omstandigheden, dat de man vóór dien
tijd eten en drinken heeft; komt hij \'s middags van het
werk, dan moet het eten op tafel staan en eveneens, als
hij des avonds naar huis wederkeert.
Wanneer nu de man ziet, dat er orde heerscht in zijn
huis en dat zijn vrouw altijd gereed is, zal dit hem ge-
noegen doen , en hij zal zelf zich aan de oi-de houden ;
maar als de viouw nooit op tijd gereed is en de man
dikwijls te vroeg te huis komt, zal hij van zelf iets later
komen , en te laat komen is het begin van uithuizighe-
,den. Ditzelfde geldt van de zindelijkheid : als de vrouw
in hare kleederen en haar huishouden niet rein en helder
is; als slordigheid en wanorde den boventoon voeren;
als haar linnengoed niet wit, de tafel niet helder is en
de borden niet schoon zijn ; als de man van zijn mede-
werklieden hooren moet, dat het bij hem aan huis niet
proper is ; als hij altijd tegen een vuilen boel en een vuile
-ocr page 125-
— 117 —
•vrouw moet opkijken, zal ziek bij hem een zekeren tegen-
zin en walg openbaren , welke de uithuizigheid maar al
te veel bevordert.
Ook moet de vrouw — en dit is het derde middel om
de uithuizigheid te voorkomen — zoo vrijgevig en royaal
mogelijk in huis zijn. De huismoeders , die onverstandig
zuinig zijn, mogen bedenken, dat zij door hare domme inhalig-
heid dikwijls het uitloopen in de hand werken. Wanneer
, de man, die goed geld verdient en alle verdiensten te huis
afgeeft, niettegenstaande zijn harden en moeilijken arbeid
des middags mager eten en voor koffie en thee iets, wat
wij gevoegelijk slootwater kunnen noemen, en nooit een
sigaar of borrel krijgt , wanneer er nooit een buitenge-
woontje is, niet uit gebrek of armoede , maar omdat de
vrouw zoo gierig is , geeft dit een onpleizierig leven in
huis en is tegelijk een naaste gelegenheid voor den man,
om iets achter te houden , ten einde zich schadeloos te
stellen voor de ontberingen, welke hem noodeloos worden
opgelegd. Geen beter middel om den man en de kinde-
ren, ook groote kinderen, voortdurend te huis te houden,
dan naar staat en stand goed eten en drinken en een
enkele maal een buitenkansje te hebben. Eenieder begrijpt,
dat wij hier geen zinnelijk leven aanbevelen en de spaar-
zaamheid niet veroordeelen, maar alleen de al te groote en
onverstandige zuinigheid afkeuren, welke niet zelden aan-
leiding wordt van groote onheilen. Als wij zien hoe in
onze dagen de herbergen paleizen worden , waarbij het
verblijf van vorsten kinderspeelgoed is, hoe de kasteleins
mooi weer spelen van de centen des werkmans en hunne
dochtei-s voiles en handmoffen dragen , begrijpen wij ge-
makkelijk, dat schraalhans bij den arbeider keukemeester
is, en beklagen wij tevens den handwerkman , die zijn
-ocr page 126-
— 118 —
geld in de kroeg verteert, waarvan hij te huis een goed
leven hebhen kon. Weg dan met alle misplaatste zuinig*
heid ! De arbeider is zijn loon waardig.
Zoo moet de vrouw door vriendelijkheid en opgeruimd-
heid , door orde en zindelijkheid en door een gulle vrij-
gevigheid haar best doen, dat haar man het te huis beter\'
heeft dan overal elders, en maken, dat hij naar huis ver-
langt, omdat hij het nergens beter kan krijgen.
Evenwel . wij bekennen het gaarne , zijn dit slechts .
middelen om de uithuizigheid te voorkomen ; vóór alles
moet de man willen, en wanneer de man kwaadwillig is,
zal het moeielijk zijn hem te genezen. Wanneer de mon-
nik de overweging en studie niet lief heeft, zal het kruis-
beeld en de bibliotheek hem het verblijf in de kloostercel
niet aangenaam maken. Om dezelfde reden moet ook de man
willen: daarom moet hij zijn vrienden, die hem willen mede-
nemen, afzeggen ; daarom moet hij den trek naar het ver-
bodene bestrijden ; daarom moet hij het lidmaatschap van
clubs en vereenigingen, die de uithuizigheid bevorderen,
opzeggen ; daarom moet hij luisteren naar de liefdevolle
vermaningen zijner echtgenoote; daarom moet hij zijne
behoeften tot de noodzakelijkste beperken en zijn huis zal
hem dierbaar en zoet worden ; hij zal naar huis verlan-
gen, hij zal gaarne bij zijn vrouw zijn en zich gaarne met
zijn kinderen bezig houden ; hij zal ondervinden, dat het
huiselijk genoegen het hoogste genot op aarde is.
De brave ambachtsman , die de lange winteravonden
te huis doorbrengt, verveelt zich niet gemakkelijk; hij
kan zich te huis grootere weelde veroorloven , dan een
ander, die zijn geld naar de herberg brengt; hij schrijft
iets of leest in een goed boek, hij knutselt en doet huis-
werkjes voor zijn vrouw ; in een woord, de avond en de
-ocr page 127-
— 119 —
geheele winter is voorbij , voordat de verveling hem
lastig valt.
De huiselijkheid is een deugd, welke niet alleen slechts
gewaardeerd wordt door de beoefening, maar waartoe ook
de genade Gods ons holpen moet; en daarvoor moeten
wij bidden, dat God ons die schoone deugd schenkt en
daarom ook wordt zij het meest onder brave menschen
aangetroffen.
Ouders, beoefent de deugd der huiselijkheid. Gij zult
daardoor een heerlijk voorbeeld geven aan uwe kinderen
en uwe jongens zullen later hunne vrouwen en uwe doch-
ters later hare mannen gelukkig maken, gij zult daardoor
uw eigen geluk bevorderen, niet alleen in voorspoed,
maar vooral in rampen des levens, want dan vooral, als
een yreeselijk onweder zich boven uw huis samenpakt,
is de huiselijkheid een noodzakelijke, maar ook onschat-
bare deugd ; gij zult daardoor een voorsmaak genieten
van den hemel, die ons eeuwig tehuis zijn moet, naar
het woord van den Apostel Paulus : Wij hellen hier geen
blijvende tcoonplaats, maar zoeken een toekomstige.
Die hier
op aarde zijn tehuis liefheeft , zal eenmaal met vertrou-
•wen het huis zijner eeuwigheid binnengaan, om in de
genieting der hemelsche vreugde zijn eeuwig tehuis te
vinden.
------------—e c*»iE^agft-^o»£>—------------
ACHTSTE KAPITTEL.
Het Kruis en de Mode.
Gaat men een bezoek afleggen bij eene echt christelijke
familie — en gelukkig zijn er zoo nog velen in ons va-
9 Tweede deel Rnth.
-ocr page 128-
— 120 —
derlaud — dan zult gij onwillekeurig\' opmerken, hoe daar
het zedige en godsdienstige in alles doorschijnt, niet slechts
in \'t huiselijk leven en manieren, maar zelfs in lijfsieraden-
in stoffeering en meublement. De kamer, waarin gij ont-
vangen wordt is misschien wel eenvoudig, maar toch net-
jes en christelijk gemeubileerd. Daar geen heidensche
voorstellingen, daar geen hall\' naakte figuren, waardoor
het oog des toeschouwers kan geërgerd worden, daar niets
van dit wufte, ijdele en wereldsche, waarin niet een en-
kelc straal van het godsdienstige doorschemert : of gij
daar bij geloovige menschen zijt, dat behoeft gij niet te
vragen, dat ziet gij. Op de breede lijst van den schoor-
stccnmantel staat b. v. een verguld crucifix tusschen de
beeldjes van Maria\'s onbevlekte ontvangenis en van het
H. Hart van Jezus. Tegen den muur hangen godsdien-
stige schilderijen, eene b. v. voorstellende den H. Jozef
met het kindje Jesus, eene andere de bedrukte Moeder,
eene derde den H. Petrus met de sleutels, of wel het is
een afbeelding van den „Ecce Homo" met veel expressie.
Een portiet of gravure van den Paus zal bij hen, als
getrouwe zonen van de kerk, niet ontbreken. Door dit
alles wordt gij overtuigd dat gij hier in een katholiek
gezin zijt, bij menschen die uitwendige belijdenis durven
doen van hunne heiligste overtuiging, van hun geloof.
Wat een beschamend voorbeeld voor diegenen, die met
dien eenvoudigen godsdienstzin van het volk plegen te
spotten, die zulke goede praktijken slechts „nietigheden,
kleinigheden, minutieusiteiten" noemen, en die op hoogen
toon beweren, dat zij meer van de zaak houden dan van
al die formaliteiten en dat zij ook zonder die ,.kwezela-
rijeu" zoo goed katholiek zijn als iemand.
Wij katholieken echter moeten niet te veel hechten
-ocr page 129-
— 121 —
aan de woorden „nietigheden, kleinigheden, minutieusitei-
ten", welke wij door onverschilligen maar al te dikwijls
hooren misbruiken, wanneer er sprake is van iets, wat liet
godsdienstige raakt. Wie nering doet in \'t klein, moet op
de kleintjes passen ; in zijne zaak moet hij zien op een
enkelen cent, want het weinige zal hem door de menigte
eeu ruime winst moeten geven. Eyenzoo zijn wij, wat
onze ziel en zaligheid betreft, voor het meerendeel maar
neringdoenden in \'t klein, voor groote zaken zijn er slechts
weinigen geroepen ; niet door buitengewone zaken, maar
door de menigte van kleine zaken, door het dagelijksche
moet de mensch veel trachten te verdienen en het ijver-
vuur voor den godsdienst in zich trachten te ondsrhouden
en te verlevendigen.
De mensch heeft een hart, en dat hart heeft behoefte
aan gevoelige indrukken, zonder deze zal het koud en
dor blijven. Wat nu zal beter aan die behoefte voldoen,
wat zal er al meer indruk maken op ons hart dan juist
die zoo gelaakte „kleinigheden", niet omdat zij klein zijn,
maar omdat wij ze gedurig onder het oog hebben ,
omdat wij onder derzelver voortdurenden invloed als \'t
ware leven en ons bewegen ; de zaak zelve, zonder die
kleinere bijzaken is voor den gewonen mensch wat te
weinig aanschouwelijk en aantrekkelijk.
Nog om een andere reden meen ik stellig te moeten
ontkennen, dat het al te „minutieus" zou zijn, als een voor-
beeld te wijzen op een godsdienstig meublement en ver-
siering van onze huizen, enz. Wat is wel het meest in
strijd met het Katholiek volksleven, en wat maakt in on-
zen tijd wel het meest inbreuk op den christelijken geest?
Het is eene zekere uitwendige onverschilligheid in het
godsdienstige, die zoo lichtelijk tot die rampzalige inwen-
-ocr page 130-
— 122 —
dige onverschilligheid leidt, het is eene verkeerd begre-
pene onzijdigheid en verdraagzaamheid, eene laffe schaamte
om van zijne godsdienstliefde publiek te laten blijken r
eene overdrevene vrees, om voor zijne edele overtuiging
uit te komen. Sluw heeft zich de godsdienstvijand aan
den argeloozen volksgeest weten op te dringen. Een enkel
voorbeeld : vroeger droeg de christene vrouw als borst-
siei-aad een gouden kruisje. Hoe schoon, hoe zedig en echt
christelijk stond dat! Daardoor beleed zij voor de wereld,
wat zij was, daardoor werd zij zelve aan de voornaamste
geheimen van ons H. Geloof gedurig herinnerd, in droef-
heid en lijden kon zij dat kleinood tegen de lippen druk-
ken , en stortte het een vertroostende zalving uit over
haar geschokt gemoed; in vertwijfeling en zwaarmoedig-
heid was het heur kruisje , dat haar versterkte , en dat
haar, tusschen de duisterste nevelen der beproeving, naar
een zalige uitkomst heenwees. Want het kruis blijft
toch altijd het anker onzer hoop en het teeken der over-
winning. „In hoc sigito vinces."
Maar dat kruisje was al te christelijk. Hoe zou de
wereld ongeloovig kunnen worden, als de christene vrouw
den standaard des geloofs op het hart bleef dragen ! Die
mode moest dus afgeschaft worden, en dat werd ze. Geen
gouden kruis meer, \'t is al te ouderwetsch, maar een gou-
den medaillon, een horloge, een kostbare steen en wat
al meer, — dat zou veel mooier staan, dat zou het oude
kruisje wel verdringen, en binnen weinige jaren zou het
niet meer te zien zijn, dan op de borst eener min gegoede
vrouw , of eene boerin van den ouden stempel. En de
heeren van de mode konden elkander geluk wenschen
met hun onverwacht succes. Er kwamen jaren van over-
vloed , — dat er ook nog schrale jaren konden komen r
-ocr page 131-
— 123 —
•daaraan dacht men niet. — Wat minder werken, wat
•meer vermakelijkheden genieten, wat lekkerder eten, wat
netter wonen en wat meer volgens de nieuwste mode ge-
kleed gaan, dat werd de eisch van den dag.
Ach, dat arme gouden kruisje, wellicht een oud familie-
stuk, met wie weet hoeveel gedachtenissen daaraan ver-
honden , was bijna het eerst aan de beurt ; hoe zuiver
ook van gehalte, toch werd het voor een prikkie verkocht
(de jood zal er het best meê geweest zijn), en de stand-
aard des Heeren moest plaats maken voor de insigniën
der ijdelheid. Maar enfin , het was de mode. Goddank,
•dat er toch altijd nog gebleven zijn, die het gouden kruis
in eere hielden, en is het niet aan die godsdienstige vrou-
wen te danken, dat er vooral bij den deftigen stand een
soort reactie tegen de nieuwe mode merkbaar wordt, door
welke het gouden kruisje weder opnieuw in de mode
«chiJLt te zullen komen? Moge het eerlang weer de borst
van iedere christene vrouw versieren, om nooit meer die
plaats te ruimen voor eene nieuwe vinding van de mode.
Het kruis toch is iets meer dan enkel versiersel. Dat
bleek nog onlangs, toen eene Meierijsche vrouw, uit den
,gegoeden boerenstand , met haar gouden kruis aan , een
reisje door België deed. Uit den trein gestapt, zou zij
te voet door de plaats wandelen , maar wat haar het
meest verwonderde was , dat zij door allen zoo bekeken
werd, zonder nog juist te weten waarom ; toen haar ech-
ter door eenigen met veel geestdrift werd toegeroepen :
.„vive la foi! vive la croix ! leve het geloof! leve het
kruis," toen begreep ze , dat niet zij , maar heur kruis
het mikpunt aller oogen was, en dat ook die menschen
het christelijk karakter van het kruis als versiersel
•erkenden.
-ocr page 132-
— 124 —
Opmerkelijk is het ook, dat er in den laatsten tijd in
Frankrijk — het land van de mode — eene alliance of
vereeniging is ontstaan, waardoor katholieke huismoeders
zich onderling verbinden , om het kruis als sieraad te
dragen en aan hunne kinderen een katholieke opvoeding
en onderwijs te verschaffen. Zekereene verrassende samen-
knooping van twee hoofdconditie\'s, kruis en katholiek
onderwijs. Of ook zij de strekking der mode hebbeu
begrepen !
Het kruis verdween niet slechts van de borst der chris-
tene vrouw, het moest ook de kamer uit. Bij joden en
vrijdenkers is dit genoeg te verklaren, zij zijn de vijau-
den van het kruis, en met zijn vijand te moeten huizen,
dat is al te onpleizierig; dat zij dus geen kruis voor
huissieraad willen hebben, zal wel niemand bevreemden,
en dat ook de onverschillige katholiek niet aanhoudend
op het crucifix wil kijken, is al evenmin te verwonderen,,
omdat het kruisbeeld toch altijd, ook voor hem, een pre-
dikstoel blijft. Maar dat het kruisbeeld en schilderijen,,
welke iets godsdienstigs voorstellen, bij sommige overigens
godsdienstige menschen niet meer gezien worden, hoe dat
uit te leggen ? Och, alweer de mode.
Dat kruisbeeld en al die heiligenbeeldjes . . . het staat
zoo kwezelachtig, die prenten van de H.H. Harten, van
den H. Jozef, van >St. Peter en soortgelijke meer, och,
wat moois is daaraan ! Men is daar of daar eens in huis
geweest, daar heeft men eene pendule gezien van moder-
nen stijl, porseleinen vazen en schilderijen, welke Duit-
sche , Zwitsersche of Italiaansche landschappen te zien
gaven, dat was heel wat anders dan zoo vier Evangelis-
ten ; dat zou heel wat deftiger f!) staan dan zoo een kruisje
of een heiligenbeeldje. Men wilde natuurlijk bij een ander
-ocr page 133-
— 125 —
niet achterstaan. Men kocht nieuwerwetsch goed ; eerst
werd de schoonste kamer volgens den tegenwoordigen
smaak gemeubeld, en zoo ging het zachtjes aan al verder
en verder vooruit, tot eindelijk aan het Kruis met Sint
Jozef en de Moedermaagd nauwelijks een plaatsje gegund
werd in een verborgen achterhoekje. En zelfs het oude
wijwatervaatje begon al leelijk in den weg te hangen, het
paste daar niet meer ; het moest weg en kreeg een plaatsje
zoover van de hand , dat men er allengs niet meer aan
denkt, om het nog iederen morgen en avond in zijn ver-
afgelegen ballingsoord een bezoek te brengen. Het is wel
bedroevend, maar het helpt niet. \'t Is de mode.
Men heeft echter sinds lang kunnen opmerken, dat met
al die nieuwe modes ook het huiselijk leven een geheele
verandering onderging , en geen wonder: uit de oogen ,
uit de harten. Is al het godsdienstige uit de huiskamer
verdwenen, dan ook houdt het op die gevoelige herinne-
ring aan iets hoogers en dien aanhoudenden , ofschoon
ongemerkten indruk op het familielever, en wel vooral
op de eerste kinderjaren, te maken. De gezamenlijke
oefeningen van godsvrucht, welke men vroeger in iedere
christelijke familie gewoon was te doen , gei-aakten bij
velen, te gelijk met de godsdienstige kamerornamenten,
langzamerhand liet huis uit, en daarmede ook al het har-
telijke en zalvende, dat alleen de godsdienst in een huis-
gezin kan aanbrengen. Is het de wensch des Pausen, dat
het rozenhoedje in elk huisgezin wcderkeere, gewis ook
verlangt hij, dat elk huis door zijn meublement en elke
christen donr zijn kleeding een godsdienstig aanzien
terugbekome.
-ocr page 134-
— 126 —
NEGENDE KAPITTEL.
De Kloosterorden.
I.
De nuttigheid der kloosters.
Wanneer wij bedenken, lioe ten allen tijde, maar vooral
in onze verlichte eeuw, de kloosterorden in verscheidene
landen zijn aangevallen, beleedigd en van hare goederen
beroofd , dan zouden wij bijna gedrongen worden te ge-
looven. dat zij waarlijk nutteloos, verderfelijk of. gelijk
de verlichte mannen zeggen. »/admjrevaarliji zijn. Immers,
om slechts van het onlangs gebeurde te spreken, het is
bekend, hoe de kloosterlingen in Italië mishandeld, ver-
dreven en hunne goedelen verbeurdverklaard zijn , hoe
jammerlijk zij in het Duitsche Rijk door de treurige Mei-
wetten werden getroffen en hoe eindelijk de Fransche
revolutie hun ie te lijf gevallen, de deuren hunner huizen
met geweld opengebroken of bestormd heeft, en hen zon-
der medelijden of eerbied uit hunne kloosters gejaagd en,
als waren het oproennakers, verstrooid heeft.
Doch juist het nut. dat die dappere strijders stichten
voor Kerk en maatschappij , juist de groote kracht, die
zij ontwikkelen in \'t bestrijden der revolutie, is de reden,
waarom de booze wereld liet altoos op hen gemunt heeft,
zulke jacht maakt op de vreedzame bewoners der kloos-
ters en hunne goederen in beslag neemt, onder het voor-
wendsel van het algemeen welzijn daardoor te dienen.
Zij zijn er van overtuigd, dat zij zeer gemakkelijk de ge-
heele maatschappij zullen omverwerpen , zoo zij slechts
derzelver steunpilaren, de kloosterorden konden vernielen;
-ocr page 135-
— 127 —
waarom zij op allerlei middelen uitzien, om deze hunne
gehate vijanden uit den weg te ruimen.
Maar wat meer de verwondei\'ing der braven wekt, is,
dat er ook onder de christenen gevoiiden worden , die ,
misleid zoo het schijnt door de lasterlijke taal en brutale
aanvallen der goddeloozen , in den waan verkeeren , dat
de kloosterlingen, vooral wanneer zij door een streng be-
waakt slot van de maatschappij zijn afgescheiden, weinig
nut stichten. Men zal niet zeggen, dat zulke afgezonderde
leden der maatschappij schadelijk zijn, maar toch ook niet
willen gelooven, dat zij groote diensten doen.
Geheel anders denkt hierover ons aller II. Vader, Paus
Leo XIII. Ongeveer veertien jaren geleden ontving Zijne
Heiligheid honderd Generaals of Procuratores Generales
van geestelijke Oi-den en, toen hij eene hartelijke toespraak
had aangehoord, antwoordde de Paus en verklaarde plech-
tig: dat de kloosterorden de bolwerken zijn van Christus1
Kerk, eene groote kracht tot instandhouding der maatschappij;
•dut zij overal hulp en troost schenken, en ontelbare weldaden
rondom zich verspreiden.
Wien, denkt gij wel, dat het beter
bekend is, waar de steun der H. Kerk moet gezocht
worden , dan aan onzen H. Vader ? Hij , die de plaats
van God op aarde bekleedt., die het Opperhoofd is der
strijdende Kerk, de eerste Generaal van dat ontzaggelijk
leger. Hij voorzeker kent zijne medestrijders, de kam-
pioenen voor waarheid en recht, het beste. Hij kan niet
missen, als hij verklaart, dat de kloosters in dat gi-oote
kamp als onoverwinnelijke bolwerken vooropstaan, en den
on verzoen lij ken vijanden van den godsdienst den besten
wederstand bieden, de gevoeligste slagen toebrengen.
Omdat verschillende vijanden op verschillende wijzen
«de H. Kerk bestrijden, is ook daartegenover een verschil"
-ocr page 136-
- 128 —
lende taak aangewezen aan verschillende kloosterorden ,
welke allen heerlijk samenwerken tot de verdediging der
goede zaak, tot luister der Kerk, door elke op hare manier
den haar tegenovergestelden vijand aan te vallen.
Dezen leggen zich hoofdzakelijk toe op de wetenschappen
tot bestrijding der moderne dwalingen en ongerijmdheden;
genen hebben ten doel het woord (lods onder het volk
te verkondigen, om een dam op te werpen tegen de groote
ergernissen en gevaren, welke de zielen bedreigen: ande-
ren munten uit door christelijke liefdadigheid , om de
hedendaag.sche weeke philantropische wereld de ware liefde
te leeren , en den zoozeer verwaarloosden minderen man
den troost van den godsdienst mee te deelen ; anderen
zorgen voor een deugdelijk katholiek onderwijs , als een
geneesmiddel voor de groote dwaasheden, welke reeds den
kleinen worden ingeprent : wederom anderen schitteren
voor het oog der verbaasde wereld door groote gestreng-
heid, afzondering, zelfverloochening, vernedering. boet-
vaardigheid, om haar, niet door woorden alleen, maar ook
door daden en voorbeelden te leeren, dat geen aardsche eer of
zingenot den mensch gelukkig maakt: om haar beschaamd te
maken over hare zucht tot gemak, tot weelde, tot pleizieren,
om haar een spiegel te zijn van ware eer én deugd.
Overeenkomstig het verschillend doel der Orden, vol-
gen zij ook verschillende regels , onderwerpen zich aan
verschillende wetten en beloften, dragen zelfs verschillende
eereteekens en kleederen. Hommige waanwijzen, die alles
bevitten , wat zij niet kennen, zijn daarin geërgerd en
vragen zich af, vuurtor r/ir bonte Meeren dienen. Zoo vroeg
eens een Dominé , (en het is hem te vergeven , omdat
zulken in den regel weinig begrip hebben van onze instel-
lingen) aan een Katholiek, waartoe toch die verscheiden*
-ocr page 137-
— 120 —
heid van kleederdracht tusschen priesters en kloosterlingen
onderling dienen moest.
Ter snede was het antwoord van den Katholiek: Mijn-
heer, zeg mij eens, waarom de soldaten zoo verschillende
kleeding dragen ! — Wel, omdat zij een verschillenden
post hebben, opdat men aan hun uiterlijk hunne bestem-
ming zou kennen, en opdat die vei-scheidenheid zou bij-
dragen tot opluistering van het leger.
— Welnu , evenals onze Koning, zoo heeft ook het
hoofd onzer Kerk, de Koning der zielen, zijne soldaten.
De li. Kerk is een lichaam, een geestelijk rijk: zij moet
verdedigd worden en strijders hebben, welken eene ver-
schillende taak is opgelegd en een verschillend habijt
gegeven, opdat men daaraan hunne heerlijke roeping zou
kennen, opdat zij zelven ook zich voortdurend hunne hooge
waardigheid zouden herinneren, aan hunnen roep getrouw
zijn en aldus door hunne leefwijze en verscheidenheid van
kostuum het hemelsch leger der H. Kerk zouden sieren
en verheerlijken. Wanneer ketterij en ongeloof samen-
spannen en allerlei drogredenen opeenstapelen. om hunne
dwalingen een schijn van waarheid te geven, dan is het
vooral de kloosterling, die op zijne eenzame cel een schat
van geleerdheid vergaderd hebbende, door degelijke rede-
neringen hunne valsche bewijsvoeringen als een kaarten-
huis ineen doet vallen en de waarheid der Katholieke
leer in een helder daglicht plaatst. Niet in het gewoel
der rustelooze wereld, maar in de stille kloostercel wordt
niet slechts de volmaaktste deugd , maar ook de uitge-
breidste, de zuiverste en diepste kennis van alle godde-
lijke en menschelijke dingen aangekweekt e;i tot volko-
menheid gebracht. Denk maar eens aan den grooten
leeraar, den H. Bernardus, den H. Thomas en duizenden,.
-ocr page 138-
— 130 —
die bijna hun geheel leven tusschen enge muren zaten
opgesloten, en toch aan Kerk en Maatschappij meer dienst
hebben gedaan, dan honderd anderen te samen.
II.
De stille Kloosters.
Hoe nuttig de Kloosterorden zijn, bleek ons reeds uit
de hevige aanvallen, welke zij van de vijanden der H.
Kerk te verduren hebben, uit de schoone woorden van
ons aller Vader, Leo XIII, wiens lijfwachten zij uitmaken,
uit de verschillende doeleinden waartoe zij zijn ingesteld
en verder uit de geleerdheid van zoovele beroemde man-
nen, die achter de kloostermuren niet slechts zijn opge-
leid, maar ook hun geheele leven daar hebben doorge-
bracht in het bestudeeren van allerlei wetenschappen.
Doch het is niet alleen de wetenschap, waardoor de
Kerk van Christus moet worden verdedigd, want ook
het woord Gods moet overal verkondigd worden ter be-
strijding der vijanden die haar belagen. Wij zien nu den
kloosterling zijne eenzame cel verlaten om hen, die afge-
weken zijn van het pad der deugd, terug te voeren, en
medelijdend den armen zondaar te verlossen uit den af-
grijselijken modderpoel, waarin hij zich vrijwillig heeft
neergestort. "Wij zien hem als missionaris de zeeën over-
steken, om met het kruis in de hand de wilde stammen
tot de kennis van God te brengen, op gevaar af van door
de wilde dieren te worden verscheurd of door de men-
schen zelven, die zij komen gelukkig maken, omgebracht,
misschien verslonden te worden. Zij zijn dus waarlijk de
strijders van Christus, de verdedigers zijner Kerk ; en
onzen H. Vader zeide terecht. dat zij de voorvechters
zijn van het rijk van God op aarde. Zij strijden vurig,
-ocr page 139-
— 131 —
doch zonder wreedheid met zachte wapenen ; zij strijden
zonder vermoeid te worden, nooit gedreven door heersch-
zucht ot ijdel winstbejag, daar zij al het aardsche heb-
ben vaarwel gezegd ; maar alleen uit ijver voor de zie-
len, welke onze Zaligmaker tot den dood toe bemind en
door zijn goddelijk bloed heeft vrijgekocht.
Sommige vragen wel eens : Waartoe dienen die kloosfer-
orden, wier leden zich acht-er een onverbreekbaar dot opslui-
ten en die een stilzwijgen bevaren, dat o f wel nooit of slechts
een enkelen keer onderbroken wordt ? Hoe kunnen dezulken
nuttig zijn voor anderen, daar zij den heelen dag slechts bid-
den en overwegen en hun gansche leven \'m boetvaardigheid
binnen de kloostermuren doorbrengen ?
Ik heb daar reeds
op geantwoord met te zeggen, wat er de H. Vader van
denkt; welke deugd en geleerdheid binnen die muren
wordt opgedaan, om door preeken, geschriften of boeken
de wereld haren weldadigen invloed te doen gevoelen, of
wel enkel om door het goed voorbeeld van boetvaardig-
heid en heiligheid, dat machtig werkt en trekt, de wereld
te beschamen en tot inkeer te brengen. Ik voeg hier
nog bij, wat een pastoor antwoordde, tot wien een katho-
liek dezelfde vraag had gericht: Hoe, zeide hij, gij ziet
het nut niet in van de paters Trappisten, van Slotzusters
en anderen, die zich nooit aan de wereld vertoonen, gij
zegt, dat zij steden en dorpen slechts tot last zijn, maar
ik verklaar u, dat de zoo diep bedorven steden, Sodoma
en Gomorrha, waren bewaard gebleven, als er maar een
enkel dergelijk klooster van tien personen geweest was.
God immers beloofde zelfs , dat hij ter wille van tien
braven die ongelukkige steden zou gespaard hebben. Ja,
weinig scheelde het, of één rechtvaardige, namelijk Abra-
ham, had die zedelooze menschen nog van den ondergang
-ocr page 140-
— 132 —
verlost. En gij zoudt dan durven beweren, dat die per-
sonen, welke zich alleen op eigene heiligheid toeleggen,
voor de maatschappij van geen of weinig nut zijn ? Als
hun voorbeeld niet werkt op het gedrag der volken, dan
werkt hun gebed nog bij den barmhartigen God en
erlangt ontferming.
Inderdaad , ook heden kunnen wij met recht vreezen
voor een stortregen van vuur en zwavel , voor de ver-
nietiging van het geheele nienschdom ; want ook in onze
dagen van verregaande zedeloosheid en algemeen zeden-
bederf, is het evenzeer strafbaar, als in de dagen van
Abraham en Loth of Xoë. Ue naam van God, van onzen
goddelijken Zaligmaker , de H. Maagd Maria en al wat
heilig is , wordt op de gruwzaamste wijze gehoond en
bespot. Vreeselijk zijn de godslasteringen in boeken en
kranten , en walgelijk de zedeloosheid , op de tooneelen
aanschouwelijk gemaakt. Meer dan ooit is het thans te
vreezen, dat God eens ophoudt geduldig te zijn, en zijne
rechtmatige gramschap aan het gevallen nienschdom doet
gevoelen. Maar neen ; er worden nog eenige braven ge-
vonden, en om hunnentwille zal God ook de anderen sparen.
Wie zijn die braven ? Op de eerste plaats de klooster-
lingen, die zich uitsluitend op eigen volmaaktheid toeleg-
gen. Zij toch hebben ouders, vrienden, bloedverwanten
verlaten, vaarwel gezegd aan alles, wat hun in dit leven
eenige voldoening schenken kon , alle genoegens dezer
aarde veracht, om afgescheiden van de spelende wereld,
ongestoord hun God te dienen.
Zij bidden voor de bekeering der zondaren , voor de
volharding der rechtvaardigen ; zij loven en eeren den God,
die door de wereld zoo miskend , vergeten , beleedigd
wordt : zij smeeken biddend voor den goddelooze, die hen
-ocr page 141-
— 133 —
hoont en lastert, zij eeren het H. .Sacrament, dat op vele
plaatsen te vergeefs op aanbidders wacht. en , als ware
de dag nog te kort om God een behoorlijk eerherstel te
geven , aarzelen zij niet, om ook een gedeelte van den
nacht aan zijn H. Dienst te wijden. Wanneer anderen
een zoete rust genieten ; wanneer de goddeloozen zich aan
slemppartijen overgeven , gaan zij, alle ongemakken des
lichaams trotseerende, met blijde stem den lof des Heeren
zingen, en vurig bidden voor het behoud van het afdwa-
lende menschdom.
O heilige Paters, o Godgewijde Maagden, gij zijt ons
geluk, ons behoud. Gij weert niet slechts de gramschap,
den dreigenden arm des Heeren af, maar door uwe voor-
spraak volharden ook velen op den goeden weg of komen
terug, als zij hun God dwaas en ondankbaar verstooten
hebben. De rijke , die een klooster bezoekt, zal zich
schamen ; de arme zich opbeuren. Terwijl anderen altijd
hooger en hooger willen klimmen en zich met den groot-
sten gelijk stellen , doen zij hun best om ootmoedig en
klein te zijn ; terwijl anderen alles opofferen om schoon
gekleed, gezien, geacht te zijn, zoeken zij hun geluk in
het arme kloosterkleed, in vergetelheid, in den omgang
met God en zijne heiligen. Waarlijk, een steenen hart
moet hij hebben, die niet getroffen wordt, als hij ziet, dat
onder die arme paters en zusters lieden zijn, die, zoo zij
in de wereld leefden, een hoogen rang konden bekleeden,
en om hunne begaafdheden , hunne bezittingen en hun
stand als \'t ware konden aangebeden zijn. Doch ook de
behoeftige vindt zich daar getroost en gesterkt om de
lasten der ontberingen en armoede te dragen, welke die
paters en nonnen, waaronder menige rijken, met zooveel
vreugde vrijwillig op zich genomen hebben en thans zoo
-ocr page 142-
— 134 —
blijmoedig dragen. Waarlijk , hem zal de lust vergaan
om zich boven anderen te verheffen, als hij ziet, dat zich
daar de rijkste gelijk stelt met den armsten daglooner.
Wie zal dan de verdiensten van zulke afgesloten kloos-
terlingen niet waardeeren ? Wie hun gebed, hunne deugd
en hun voorbeeld niet hoogschatten ?
III.
De onderwijzende Kloosters.
Beschouwen wij eens ernstig de gruwelen, welke heden-
daags, geheim en publiek, door grooten en kleinen bedre-
ven worden, dan denken wij dikwijls en roepen soms
uit: Mijn God, hoe is het mogelijk dat gij zulke en zoo-
vele schandalen kunt aanzien zonder ze te straffen ! Hoe
is het mogelijk, dat de aarde niet van schrik wegzinkt
onder de voeten dier ellendelingen ! Had God den mensch
geboden kwaad te doen, dan nog konden geen grootere
afschuwelijker misdaden worden uitgedacht; zoo bedor-
ven is de wereld, en \'t zou mij niet verwonderen, dat
honderden steden Sodoma en Gomorrha in boosheid over-
treffen. Hoe komt het dat zij niet vergaan ?
Ik heb het gezegd. De reden is, dat er nog meer dan
tien braven zijn, onze H. Kerk telt nog heiligen, pries-
ters en kloosterlingen en schittert vooral door dezulken
die aan eigene volmaaktheid, in hunne cel voor eeuwig
afgezonderd, alle zorgen wijden, den toorn des Heeren ver-
bidden en door hun heilig voorbeeld de wereld beschamen.
Daarover genoeg, elk katholiek zal er van overtuigd
zijn dat de H. Kerk die kloosterorden niet zonder reden
heeft ingesteld, dat zij nuttig en voor het geluk der we-
reld noodzakelijk zijn. Nu nog een enkel woord van lof
voor andere kloosterorden, wier nut door de goddeloozen
.
-ocr page 143-
— 135 —
zelven erkend wordt. Het grootste nut stichten zij wel
door de katholieke scholen, waar de kinderen een gods-
dienstig onderwijs gegeven wordt. Wat toch wordt er
van de kinderen, die de openbare scholen moeten bezoeken,
waar zij van geen God of hemel hooren en bovendien niet
zelden ongeloof en zedeloosheid, ten minste onverschillig-
heid aanleeren ? Helaas, wat is de man, wiens geloof in
den hedendaagschen strijd, in gezelschappen en geschriften,
zoo hevig bestreden wordt, wat is die man, als hij van
zijne jeugd af weinig of zelden van een God en Christus
heeft hooren spreken ? Wat is hij in het midden van aan-
houdende verleidingen en bekoringen , wanneer niet in
zijn jeugd alle gelegenheden zijn te baat genomen , om
hem standvastig te doen worden ?
Het zijn de religieuze scholen alleen , waar mannen
worden gevormd, die later, als zij aan lijden, vervolging
of gevaren zullen blootstaan, nog den moed zullen hebben,
hun geloof te belijden, zich voor hun deugd en godsvrucht
niet te schamen, maar kloekmoedig aan alle verleidingen
het hoofd te bieden. Onschatbaar zijn de vruchten, welke
de H. Kerk van het onderwijs der kloosterlingen plukt.
Men smaalt wel eens op den rijkdom der kloosters, doch
deze is veelal denkbeeldig, slechts bestaande in het brein
van den gierigaard, wiens hart ineenkrimpt, als hem iets
gevraagd wordt ter ondersteuning van zoo nuttige gestich-
ten, of van den ongeloovigen nijdigaard, die de heilzame
werking der kloosters niet kan aanzien, of begeerig aast
op hunne bezittingen. Neen, zij zijn niet rijk en leven
in alle gevallen matig en voorbeeldig, en deelen den
overvloed, en meer dan dat, aan de armen uit, of beste-
den het tot instandhouding van goede scholen, van arme
priesters, katholieke missiën, enz.
10 Tweede deel Ruth.
-ocr page 144-
— 130 —
Hoe, men misgunt hun geld en goederen ! Maar wil
men dan, dat wij de wereld stichten, onderrichten, bekee-
ren ; armen, weezen, verlatenen en ouden bijstaan, zonder
bezittingen ; of dat wij zelf van honger vergaan ? Men
laat rijke barons en anderen, die slechts voor zich zelven
leven, ongedeerd, en men benijdt de goederen van paters
en nonnen , die zelf er sober van leven , en het geheele
overschot besteden tot welzijn van ongelukkigen, tot luis-
ter van den godsdienst! Men schuift de lasten van een
goed onderwijs, van verpleging, van versterving en ge-
strengheid op de kloosterlingen ; en men zal geen cent
geven, om hun die lasten gemakkelijk te maken ? Wan-
ï.eer men zoover gekomen is , dat de kloosters zijn uit-
geplunderd en uitgeroeid, dan eerst ondervindt men, hoe
nuttig en vooi\'deelig zij waren, dan weet men geen raad
met armen en ongelukkigen. Een voorbeeld.
Vóór bijna drie eeuwen had men in ons land een kloos-
ter (ik wil den naam niet noemen , omdat er zoovelen
eenzelfde lot ondergingen) verbrand , en zijne goederen
aangeslagen. Ue armen van den omtrek, die van deszelfs
aalmoezen leefden, meldden zich toen aan bij de burgers
en het gemeentebestuur, welke door hunne aanvragen
zoozeer overstelpt werden, dat zij geen raad meer wisten
en, den grooten nood niet meer kunnende aanzien, zelfs
de hulp moesten inroepen van de kloosterlingen, die van-
daar verjaagd en van alles beroofd waren. Doch deze
konden niet eens zich zelven onderhouden ; zij schreven
daarom terug, dat men zich wenden zou tot de Regeering
en andere rijke Protestanten, die hunne goederen hadden
ingepalmd. Toen eerst ondervonden de ingezetenen, welk
geluk het is in de nabijheid een klooster te hebben, dat
armen en behoeftigen helpt; en welk verschil het geeft,
-ocr page 145-
wanneer de bezittingen dier weldadige gestichten in han-
den komen van de rijken ot van de Regeering.
Dan worden de armen en ongelukkigen menigvuldiger
en ongeduldiger, de misdaden nemen toe en door dronken-
schap, luiheid, enz., is weldra de geheele streek verarmd
en verwilderd ; want behalve dat de rijken veelal niet
zoo milddadig zijn, verstaan zij ook de kunst niet om de
zieken te verplegen, de droeven te ti\'oosten, de on weten-
den te onderrichten, en de zondaren door woord of voor-
beeld op den rechten weg terug te brengen, of voor hen
Gods erbarming af te smeeken, gelijk de goede klooster-
lingen doen. Zij, die van dit alles nog niet genoeg over-
tuigd zijn , moeten maar eens een klooster bezoeken en
zien , welke afgrijselijke wonden daar worden gezuiverd
met eigene handen, met welk geduld daar wordt onder-
richt , met welken moed daar wordt gevast, gebeden ,
geleden ; en dat alles zonder tijdelijke belooning, zonder
eer of aanzien , zonder genoegens. Is een bezoek niet
voldoende om dit te begrijpen , men neme dan zelf eens
eenige maanden de proef, men begeve zich in een kloos-
ter en men vange eens aan met dezelfde liefdewerken ,
maar ook met hetzelfde geduld en dezelfde blijmoedigheid.
Hebt gij er den moed niet toe, welnu, houdt dan op te
lasteren en te bespotten, wat gij niet kent of niet onder-
zoeken wilt of zelf niet dragen kunt.
Genoeg, de kloosters, welkdanige ook, zijn een zegen
voor het mensehelijk geslacht, en hoe meer zij elders
gehaat en vervolgd worden, hoe meer de brave Katholiek
hen zal eerbiedigen en hoogschatten en naar zijn vermo-
gen die vervolgde en gelasterde heiligen door zijn geld
ondersteunen en bijstaan, opdat zij met hun weldoen kun-
nen voortgaan. De billijkheid vordert, dat wij iets terug-
-ocr page 146-
— 138 —
geven voor de ontelbare en schatbare gunsten, welke wij
naar ziel en lichaam van hen ontvangen ; vooral , daar
zij meestal van de aalmoezen der brave christenen moe-
ten leven en daardoor alleen in staat zijn hunne liefde-
werken voort te zetten. De Regeering immers helpt
hen niet.
Zijn de kloosterorden zoo verheven en nuttig, dan moe-
ten wij ze niet slechts achten en ondersteunen, maar als
wij er toe geroepen zijn, niet aarzelen ons bij dat heilig
leger aan te sluiten en eene zoo gelukkige roeping in te
volgen. O , hoe gelukkig zijn zij , die de werken der
kloosterlingen niet slechts waardeeren en bevorderen r
maar ook den moed hebben zich van de wereld los te
scheuren en zich geheel en al aan den dienst van God en
het geluk des evennaasten op te offeren. Gelukkig ook
de ouders en voogden, die daartoe het hunne bijdragen,
aan de roeping der hunnen geen hinderpalen in den weg
leggen , en aldus het werk des duivels niet verrichten ;
maar integendeel, zich ook eenige lasten en moeiten ge-
troosten, om hunne lievelingen aan God en de H. Maagd
Maria toe te wijden.
TIENDE KAPITTEL.
De Paus.
I.
Des Pausen gevangenschap.
De Notaris. Zoo Willem, komt gij betalen ?
Willem. Ja, mijnheer de Notaris, ik heb een goeden
oogst gehad. Ik ben gewoon te betalen , zoo gauw ik
-ocr page 147-
— 139 —
kan. En ik zei tegen mijn vrouw : de Notaris heeft een
groote reis gemaakt, en reizen kost geld, daarom zal ik
welkom zijn.
De Notaris. Goed gedacht, Willem, reizen gaat thans
heel gauw en heel gemakkelijk , maar er is veel geld
toe noodig.
Willem. Maar, mijnheer de Notaris, mag ik ook weten,
wat uw reis u gekost heeft ?
De Notaris. Een reis naar Rome, vriendlief, kost 500
a G00 gulden, als ge \'t voor pleizier doet en er alles op
uw gemak wilt afzien.
Willem. Zoo, mijnheer de Notaris , lijt gij te Rome
geweest ? Hebt ge den H. Vader ook gezien ?
De Notaris. Den Paus, Willem, heb ik niet kunnen
spreken, maar ik heb toch zijn paleis, het Vaticaan gezien.
Willem. Maar dan moet gij mij eens vertellen , wat
het Vaticaan is; het is immers de woning van Zijn Hei-
ligheid ?
De Notaris. Ja, Willem, daar woont de Vader aller
Katholieken, daar woont de Paus. Het wordt Vaticaan
genoemd , omdat het gebouwd is op den Vaticaanschen
berg, een der zeven heuvelen, waarop Rome weleer werd
gesticht. Het bestaat uit vele bij en naast elkander ge-
legen gebouwen, en telt meer dan 1000 groote zalen of
kamers. Reeds in het jaar 000 , toen het veel kleiner
was, woonden er de Pausen. Omtrent 1145 werd het op
groote schaal herbouwd, en in 1376, toen het meer dan
70 jaren, ter oorzake van oproeren en oorlogen, door de
Pausen was verlaten , verwaarloosd en vervallen , werd
het wederom hersteld en vergroot, en het is sinds altoos
hun verblijf geweest, altoos verfraaid en verrijkt met oud-
hedeu, standbeelden, schilderstukken en boeken, zoodat
-ocr page 148-
_ 140 —
het ook volgens de bekentenis der protestanten het schoon-
ste paleis der wereld is. Ofschoon de Franschen onder
Napoleon I vele kostbare boeken hebben weggenomen ,
bevat nochtans de Vaticaansche bibliotheek 350,000 ge-
drukte boeken en 30,000 handschriften.
Willem. Zijn er ook kerken bij ?
De Notaris. Ja, Willem, in het Vaticaan zelf zijn ver-
schillende kapellen en daarnaast staat de grootste tempel
der Christenwereld, de St. Pieter, die 187 ellen lang, in
het dwarsschip 137 ellen breed, en in den koepel 117
ellen hoog is, de kostbaarste schilderingen en gedenkstuk-
ken bevat, en circa 150 millioen gekost heeft.
Willem. Als dat waar is, hoe komt het dan toch, dat
de Paus gevangen zit, kan hij dan geen vrij gebruik
maken van al die schoone zalen en kapellen en kerken ?
Ik heb dat dikwijls hooren zeggen en wil het goed ge-
looven, maar ik kan het met mijn boei-enverstand maar
niet goed begrijpen, dat zulk een schoon paleis eene ge-
vangenis kan genoemd worden. Mijnheer de Notaris zoudt
gij dat niet kunnen uitleggen ?
De Notaris. O beste Willem, dat is gemakkelijk. Ver-
onderstel eens, dat ik in mijn huis werd opgesloten. Mijn
huis is toch groot en schoon genoeg niet waar ? Maar
als ik er niet meer uit kon, en geen verkoopingen meer
kon doen, en alleen door mijne kamers en mijn tuin kon
"wandelen, wat had ik dan ? Zat ik dan niet gevangen ?
Kon ik dan nog mijn Notarisambt uitoefenen ? Zou ik
dan nog iets kunnen verdienen, nog lang kunnen leven ?
Begrijpt gij nu niet, dat de H. Vader, die wel geen Nota-
ris , maar toch Paus is, en als Paus al zijne kin-
deren over de heele wereld vrij moet kunnen spreken of
schrijven en besturen , dat de Paus , hoe vele schoone
-ocr page 149-
kamers hij ook hebbe, in zijn paleis opgesloten en gevan-
gen zit ? Dat de Paus zijn ambt niet meer kan uitoefe-
nen, zoolang hij niet geheel onafhankelijk vrijen toegang
heeft tot de geheele wereld ?
Willem. O ja, mijnheer, dat begrijp ik. Dat de Paus
zijn paleis niet verlaten kan, dat begrijp ik ook, want ik
lees bijna eiken Zondag, welke booswichten rondom liet
Vaticaan zitten te brullen en te schelden en te loeren
op den Paus, dien zij zeker met steenen zouden doodwer-
pen. Zij spaarden zelfs Pius IX z. g. niet, die reeds dood
was, en in den nacht in \'t geheim naar zijn grafkelder
gebracht werd. In dien zin dus zit de Paus opgesloten,
maar hij kan toch binnen het Vaticaan zijne bedieningen
waarnemen. Om zijne H. Kerk te besturen, is het, zou
men zeggen, niet noodig, dat hij buiten zijn paleis komt,
want ook vroeger verscheen hij zelden buiten het Vati-
caan. Zeg mij eens, kan hij door brieven en telegrammen
de Kerk niet regeeren ? Vooral als alle bisschoppen vrij
hem kunnen naderen en spreken ?
De Notaris, \'t Is waar, Willem, de booswichten, vrij-
metselaars en joden laten den Paus nog veel schrijven
en spreken en bezoeken ontvangen ; maar ook in de ge-
vangenis wordt het soms toegelaten brieven te schrijven
en vrienden te spreken ; en toch blijft het een gevange*
nis, omdat die bezoeken en briefwisseling niet langer
duren, dan de cipier of gevangenbewaarder wil. Zoo hangt
ook de Paus geheel af van zijn bewakers , die hem om-
singelen en in hunne macht hebben. Een cipier , ambte-
naar of gevangenbewaarder is nog aan wetten gebonden
en kan dus met zijn gevangenen niet doen wat hij wil,
maar zij, die den Paus omgeven, zijn bittere vijanden en
helsche beulen , die geen wetten meer eerbiedigen , aan
-ocr page 150-
- 142 —
geen God of gebod gelooven, en hunne prooi slechts be-
waken om met hem te spotten, hem te beschimpen, hem
de gebalde vuist te laten zien en die hem opsluiten en
bewaren, om hem ter gelegener tijd van kant te maken.
De Paus zit daarom niet slechts opgesloten en gevan-
gen , maar is ook nog ter dood veroordeeld en wordt
bewaakt, niet door een cipier, maar door zijn vijanden, die
hem alles ontstolen, die zijn dood gezworen hebben, en
hem zeker zouden ombrengen , als God zulks gedoogde.
"Willem. Ik dank u , Heer Notaris , gij hebt gelijk.
Nog kort geleden las ik, dat die vreeselijke naburen des
Pausen een gedrukt briefje verspreid hadden, waarop de
ijselijke woorden stonden , dat er op het Vaticaan een
spook zit, hetwelk weldra verdwijnen zal en dan een
geweldigen stank zal achterlaten. Zoo, zoo schrijft en
spreekt men van den Plaatsbekleeder van God; dat hooren
en lezen wij dagelijks, en dat zouden wij wel meer hoo-
ren en zien, als wij te Rome woonden. Maar hebben die
booswichten dan wezenlijk den Paus in hunne handen ?
En zoo ja, hoe komt het, dat zij hunne prooi niet ver-
slinden ? dat zij hem nog zooveel vrijheid laten ?
De Notaris, Ja vriend, zij hebben hem in handen, als
zij willen. De koning van Italië heeft, zooals bijna overal
elders, niets meer te zeggen. De schennis van Pius\' lijk
kon hij niet beletten, den grootsten vijand der Kerk, den
boosaardigen Garibaldi, dien Victor Emmanuel zoo dik-
wijls had gestraft en vastgezet , moest Humbert na zijn
dood als een afgod vereeren , omdat het de booswichten
zoo wilden ; de Koning heeft hun alles toegegeven,
is door hunne hulp Rome binnengedrongen, heeft met hen
altoos den Paus bestreden en is alzoo hun slaaf gewor-
den , zoodat hij den Paus niet meer kan beschermen en
-ocr page 151-
— 143 —
redden , al zou hij het ook willen. De booswichten en
vrijmetselaars zijn dus geheel en al meester en overrom-
pelen het Vaticaan en boeien den Paus, zoodra zij willen.
Willem. En hoe komt het, dat zij dit nog niet doen ?
De Notaris. O, mijn vriend, het helsche serpent is zoo
sluw en slim, het wil langzaam voortwerken en het zoo
aanleggen, dat wanneer deze Paus eenmaal dood is, geen
andere meer gekozen wordt. Het wil langzaam de H. Kerk
doen kwijnen. Het weet, dat het beter is voor zijn doel,
niet met geweld , maar met list en bedrog te werk te
gaan en zal zeker den grooten slag slaan , wanneer het
geschikte uur gekomen is , om het zoo gehate Pausdom
in de diepste ellende te storten.
Willem. Ik begrijp het, Notaris, \'t is zeker, dat zij
den ondergang des Pausen op het oog hebben en aan het
Pausdom een einde willen maken ; dit immers zeggen en
schreeuwen zij eiken dag. Waarom zij uitstellen , dat
weten de slimme duivels beter dan wij, doch dit uitstel
kan met geen ander oogmerk bepaald zijn , dan om de
Kerk nog zwaarder te treffen en het verlies nog onher-
stelbaarder te maken. Maar, mijnheer de Notaris, is het
dan niet waar, dat God machtiger is en Zijn Kerk voor
eeuwig bewaren zal, zoodat zij onvergankelijk is ?
De Notaris. Zeer zeker, Willem, de Kerk vergaat niet,
het Pausdom ook niet, maar het is en blijft waar, dat het
hoofd der Kerk in een verschrikkelijken en gevaarlijken
kerker zucht en dat de ledematen der Kerk er veelom lijden.
Willem. O ja, Notaris, de Kerk en het Pausdom ster-
ven niet, maar zij kunnen toch veel lijden, en lijden zon-
der twijfel, wanneer bet hoofd der Kerk een speelbal is
in de handen der helsche booswichten, overgegeven aan
de genade zijner vijanden.
-ocr page 152-
«
— 144 —
De Xotaris. Zeker veel lijden, niet zoozeer naar het
lichaam, dan wel naar de ziel. Want het valt den H. Vader
hard , aldus tusschen die razende wolven opgesloten te
zijn en zijne vrijheid te missen, die voor het goed hestuur
der Kerk noodzakelijk is, zonder welk bestuur ontelbare
zielen verloren gaan. Wat hem zelven aangaat, hij is
geheel onschuldig. Voor een moordenaar kan het troost
heeten te denken, dat hij om zijne eigene schuld gevan-
is, en boet voor zijne gruweldaden ; maar onze H. Vader
heeft niets kwaads gedaan. Alleen om zijne deugd, om
zijne bestrijding van het kwaad, om de verdediging van
de belangen der H. Kerk heeft men hein in zijn paleis
gedrongen. Niet hij heeft gestolen of gemoord, maar zij,
die hem in den kerker wierpen en hem thans bewaken.
Zijne bewaarders hebben hem zelven, al zijne goederen,
zijn geheel rijk ontstolen en hem toen nog zooveel plaats
in zijn rijk overgelaten, als noodig was, om er voor hem
eene gevangenis van te maken , om hem in het oog te
kunnen houden en hem te kunnen bespotten en verguizen.
O hemeltergende boosheid ! De Paus , die groote heilige
man, na God de eerste op aarde, in zijn huis als in een
gevangenis opgesloten , niet slechts gevangen , maar be-
waakt — en bewaakt, niet door een getrouwen ambtenaar,
maar door hen zelven , die hem alles ontrooven en zijn
dood gezworen hebben ; dus niet alleen gevangen en be-
waakt door zijn bittere vijanden, maar ook ter dood ver-
oordeeld, en dat geheel onschuldig, alleen om zijn ijver
voor God en de zielen ! Bestolen, gevangen, veroordeeld,
onschuldig en heilig, en dan nog verguisd door die hem
bewaken, en uitgescholden als een spook, een bedrieger,
een moordenaar!.. . Is er zwaanier yevutigenht ? Is het
niet duidelijk , dat vooral in zulk een boozen tijd voor
-ocr page 153-
— 145 —
den Paus het koningschap noodzakelijk is , dat hij ook
een aardsch koninkrijk moet hebben ?
I I.
Des Pausen vrijheid.
Zij, die het gesprek tusschen den Notaris en Willem
hebben afgeluistei\'d, zullen hegrepen hebben, dat de Paus
waarlijk een gevangene is op het Vaticaan, die evenwel
van een gewoon gevangene verschilt, lo. omdat hij
geheel onschuldig gevangen zit, ja zelfs om zijne deugd
en heiligheid is opgesloten, 2o. omdat hij geen gewoon
mensch, maar de opperste plaatsbekleeder van God en
een bestolen en onttroonde Koning is, Üo. doordat hij
niet door een getrouw cipier, maar door zijn grootste vij-
anden wordt bewaakt, die over zijn handel en wandel
en zelfs over zijn leven kunnen beschikken, 4o. doordat
hij niet slechts gevangen, maar ter dood veroordeeld is
en ten overvloede nog op de laagste wijze bespot en
beschimpt en veracht wordt. Vrijheid van spreken en
schrijven wordt hem nog gelaten, evenals de cipier den
gevangene soms laat spreken en schrijven ; dit hangt
van zijne {goedwilligheid af. Doch dat \'s Pausen vijan-
den hem eenige vrijheid laten, is niet uit goedwilligheid
maar omdat zij niet in eens, niet met geweld, maar lang-
zamerhand en sluw hem alles ontnemen willen, aan de
wereld den schijn willen geven, alsof zij het niet op den
ondergang van het Pausdom gemunt hebben, en hunne
booze plannen nog willen verbergen, totdat alles gereed
is voor de vernietiging der katholieke Kerk. Doch hoo-
ren wij onzen Willem, die inmiddels zijne schulden aan
den Notaris heeft afgedaan.
Willem. Ook de eerste Paus, de H. Petrus heeft ge-
vangen gezeten, maar G-od verlostte hem door een wonder.
-ocr page 154-
— 14(i —
Notaris. Juist Willem, de eerste Christenen wisten
hoe ongelukkig het voor de H. Kerk is, dat de Paus
geen vrijheid heeft; zij baden daarom te samen allen zoo
vurig, dat God, die den ongelukkigen toestand der Kerk
doorschouwde , zelfs een mirakel en een groot mirakel
deed, om dien eersten Paus te redden. Een les voor ons.
Ook wij moeten beseffen, welk een gemis en ongeluk het
voor de Christenheid is , als de Paus niet vrij is en tot
zulk eene schandelijke opsluiting is gedoemd ; ook wij
moeten doen wat wij kunnen, om hem uit dien toestand te
verlossen ; dan zal God ook op onze gebeden genadig neder-
zien, onze vijanden beschamen en rust en vrede aan de Kerk
wedergeven, al zou daarvoor ook een mirakel noodig zijn.
"Willem. Mijnheer de Notaris , gij hebt mij zoo juist
verklaard , in welk een onhoudbaren toestand de Paus
zich bevindt, ik dank u daarvoor en erken, dat het hoofd
der Kerk in het midden zijner vijanden, evenals Daniël
in den leeuwenkuil, in een hoogst gevaarlijken kring woont,
en dat hij aan zijne vijanden ontrukt, op een vrije, geheel
vrije onafhankelijke plaats zijn moet; zeg mij nu eens
welke en hoe groote vrijheid de l\'aus moet hebhen.
De Notaris. Niet alle mensehen, Willem, hebben dezelfde
vrijheid noodig, dat wil zeggen , niet dezelfde uiterlijke
vrijheid, want wat de inwendige vrijheid betreft, moet elk
niensch, om mensch te zijn een vrijen wil hebben, nooit
gedwongen worden tot het kwaad en volle vrijheid heb-
ben om het goed te doen. Doch over zulke vrijheid spre-
ken wij niet, wij spreken alleen van de uiterlijke vrijheid
of onafhankelijkheid, en dan zeg ik , dat ieder volgens
zijn stand en rang eene bepaalde vrijheid of vrijen werlo
kring hebben moet, dien hem niemand kan ontnemen ,
zonder hem onrecht aan te doen.
-ocr page 155-
— 147 — .
Willem. Begrepen, • mijnheer; een boer b. v. moet vrij
zijn óp zijn eigen land om er te ploegen, te zaaien en te
werken, gelijk hij het zelf verkiest; een notaris in zijn
huis en op alle plaatsen binnen en buiten het dorp, zoo-
dat iedereen hem kan laten veilen en verkoojien; een Burge-
meester en veldwachter in de gemeente, om er hun plicht
te doen ; een gouverneur in zijne provincie , een koning
in geheel zijn rijk; een Paus over de geheele wereld.
De Notaris. Zeer juist, Willem, de Paus moet vrij zijn
over de geheele aarde , niet alsof hij koning moest zijn
over de geheele wereld, maar hij moet vrij zijn om overal
zijn plicht te kunnen doen, zijn geestelijk ambt te kunnen
uitoefenen. Ook een Notaris behoeft niet baas te zijn in
de gemeente, maar hij moet tocli vrij overal kunnen komen.
Zoo behoeft ook de Paus over de heele aarde niet baas
en koning te zijn , maar hij moet toch alle zielen , alle
katholieken kunnen besturen en regeeren in geestelijke
zaken. Dat mag hem niemand beletten en als het belet
wordt, dan mist hij de noodige vrijheid en onaf hankelijk-
heid ; dan kan hij de H. Kerk niet besturen, dan woi\'dt
de herder van zijn schapen verwijderd en dan zijn de
schapen aan de woestheid der wolven ter prooi.
Willem. Zeer waar, Notaris, zou men dit niet op Prui-
sen kunnen toepassen, alwaar misdaden en ongeloof eiken
dag toenamen , waar ook vele katholieken , vooral vele
flauwen, tot gi-oote zonden en afval kwamen, omdat zij
van hunne herders beroofd waren ?
De Notaris. Ja, Willem, in Pruisen was de Paus niet
vrij gelijk hij zijn moest, daar kon hij niet vrijelijk bis-
schoppen aanstellen, daar konnen de bisschoppen niet vrij
pastoors benoemen, daar waren vele godsdienstoefeningen
verboden , daar was niet slechts de Paus ,. maar ook de
-ocr page 156-
•                                                       *
. — 148 —
geestelijkheid belemmerd en gevangen of bewaakt; \'t is
dus geen wonder, dat velen daar flauw en\' onverschillig
werden ; maar erger is het, als de Paus van affe.i is buitenge-
sloten en nergens meer werken kan, niets meer kan doen, dan
met toelating zijner vijanden. De vervolging in Italië is dus
erger dan in Pruisen, want te Rome wordt het hoofd der
Kerk zelf vastgehouden en door zijn vijanden gedwongen,
terwijl in Pruisen slechts een gedeelte der Kerk werd
verdrukt en vervolgd. Dat weten de vrijmetselaars en
daarom hebben zij het meer op Rome dan op Duitsch-
land gemunt.
Willem. Mijnheer de Notaris, zou men dit niet kunnen
vergelijken met een bijenzwerm ? Hebt gij honderd , ja
duizend bijen gevangen, dan hebt ge nog weinig, de zwerm
ontvlucht u, maar hebt gij de koningin, dan hebt gij alles.
De Notaris. Juist zoo, Willem. Om de geheele Kerk
te vangen en te boeien en te vernietigen, vangen de vrij-
metselaars en liberalen den Koning der Kerk, den Paus,
want zij weten, dat hij de steenrots is, waarop het geheele
gebouw rust. Is hij uit den weg geruimd, dan valt het
geheele gebouw van zelf. Daarom hebben zij de vrijheid
en de macht des Pausen langzamerhand besnoeid en ver-
kleind en in de stad Rome zelf zijn zij bij elkaar geko-
men , om te beraadslagen , hoe zij het best zonder veel
opspraak aan het Pausdom, dat zij in handen hebhen, en
dat zij een gevaarlijk spook noemen , een einde zullen
maken. Eerst hebben zij hem zijn aardsch koninkrijk
ontnomen, toen de kloostergoederen en andere geestelijke
bezittingen, waarvan hij en zijne getrouwste dienaren in
Italië en in de vreemde Missiën moesten leven, ingepalmd.
Het overige moet langzaam maar zeker volgen.
Willem. Ik heb gelezen, dat hem behalve zijn konink-
-ocr page 157-
— 140 —
rijk, aan kerkelijke en kloostergoederen 650 millioen frank
ontstolen is ; ik begrijp, dat in zulk een kwaden tijd het
koningschap, ik wil zeggen het wereldsch koningschap,
voor den Paus noodzakelijk is, maar weet niet, waartoe
zooveel geld noodig was.
De Notaris. Dat iemand veel geld heeft, is geen reden
om hem te bestelen, zeker niet voor een koning, die het
voorbeeld van rechtvaardigheid geven moet. En ook was
dat geld geen overvloed, want het waren de bezittingen
van duizenden kloosters en kei\'ken in Italië ; en wat er
overschoot, behoorde aan de armen en aan de buiten-
landsche Missiën. Rome alleen telde 328 kerken en
186 kloosters.
Willem. De Paus moet dan heel vrij zijn ; omdat hij
de hoogste persoon op aarde is, ook de grootste vrijheid
hebben en dus koning , ook aardsch koning zijn ; maar
heeft de koning van Italië , toen hij Home innam, niet
beloofd, dat hij voor den Paus zal zorgen en hem evenals
een koning geheel vrij laten ?
De Notaris. Och Willem, begrijpt gij dan niet, wat
zulke belofte beteekent in den mond van een dief en
roover ? Veronderstel eens , dat gij door roovers aange-
vallen, alles moest afgeven, dat men u nog eene kamer
overliet en dat één der roovers u beloofde, dat hij u in
die kamer bewaren zou, terwijl al de anderen daarbuiten
tegen u zitten te vloeken en zeggen, dat zij ook u zei ven
moeten hebben ? Zoudt gij daarmee tevreden zijn ? Zoudt
gij op uw gemak zijn ? Zoudt gij uwen bewaker, die het
meest gestolen heeft, vertrouwen ? Vooral als gij wist,
dat hij geen macht heeft en u alleen maar zoo mooi toe-
spreekt om u stil te houden, en om u te beletten hulp te
roepen ?
-ocr page 158-
— 150 —
Juist zoo geschiedt het te Rome. Daar sluit men den
Paus op, en één der roovers zegt hem , dat hij hem be-
schermen zal, opdat de Paus maar zwijgen zou, geen hulp
zou roepen en den bijstand der Katholieke volken niet
zou inroepen , om hem aldus langzamerhand geheel uit
te plunderen en zachtjes de keel toe te nijpen. Waarlijk,
het is een groot ongeluk voor de Kerk , dat zij het zoo
sluw aanleggen en de wereld in den waan brengen, alsof
de Paus geen hulp noodig heeft en de katholieken bedot-
ten ; want helaas ! velen zijn er, die door zulke huiche-
ling misleid , denken dat te Rome alles in orde is , dat
de Paus volkomen vrij is en geen koninkrijk noodig heeft.
En ofschoon de Paus zelf hun boozen toeleg goed kent,
en bijna eiken dag om hulp roept en aan de wereld zijn
hachelijken toestand blootlegt, zijn er toch velen , zelfs
Katholieken , die er niet meer naar luisteren , die stil
zitten , omdat zij den nood des H. Vaders niet inzien ,
omdat ze misleid zijn door de valsche vrijheid , die hij
nog geniet, terwijl de belhamels zachtjes aan hunne prooi
zitten te knagen, dagelijks sterker worden en veld win-
nen , en den ondergang des Pausdoms ongemerkt voor-
bereiden.
Begrijpt gij nu, Willem, wat die beloften beteekenen
en waartoe de waai\'borgenwet dient ?
Willem. Ja, mijnheer, \'t is huichelarij, het is om de
Katholieken en allen, die nog een rechtschapen hart heb-
ben, te blinddoeken en om des te zekerder hun doel te
bereiken. Dit is ook gebleken bij de schennis van Pius\'
lijk, die men niet wilde, of ten minste niet kon beletten;
alsmede uit de honderde satanische samenscholingen, die
te Rome plaats hebben, om te beraadslagen over de ver-
nietiging van Paus en Kerk. Duidelijk is het mij , dat
-ocr page 159-
— 151 —
de Paus tegenwoordig ook een aardsch koninkrijk hebben
moet en het spijt mij, dat ik er niet altijd zoo over heb
gedacht. Maar kan God zijn hoogen plaatsbekleeder niet
op een andere manier de noodige vrijheid geven ?
De Xotaris. Zeker, Willem, God kan wonderen doen
en Hij zal ze doen, als zijne Kerk op geen andere manier
kan gered worden. Hij heelt den H. Petrus en vele ande-
ren uit den kerker verlost. Hij heeft nooit den opper-
priester verlaten, maar wat ik gezegd heb, blijft waar;
de kerk is in rouw, zij lijdt veel en zal nog lang lijden,
als wij de zaak niet ter harte nemen , gelijk de eerste
christenen deden ; als wij niet strijden voor ons geloof,
als wij niet bidden en ons best doen. Dan immers zijn
wij niet waard door God geholpen te worden, \'t Is tijd,
dat wij moeten scheiden, maar kom eens terug, dan zal
ik u bewijzen , dat de Paus in dezen ongelukkigen tijd
geheel vrij moet zijn en een aardsch koninkrijk moet hebben.
III.
Des Pausen Koningschap.
In de fabels van Aesopus lees ik, dat op zekeren tijd,
toen alle dieren in vrede leefden, de wolven aan de scha-
pen den oorlog verklaarden; doch de honden vochten zoo
dapper mede, dat zij de wolven op de vlucht dreven.
Toen zonden deze een bode af en verklaarden aan de
schapen, dat zij, indien zij in vrede wilden leven, de
honden moesten uitleveren. De dwaze kudde gaf hieraan
gehoor en toen de honden waren weggestuurd, verslonden
zij den herder en verscheurden de schapen zonder moeite.
Zoo, mijn lezer, zoo leggen het de vraatzuchtige wolven
aan, die de H. Kerk, de kudde des Heeren, willen ver-
slinden. Wij kunnen de Kerkelijke Staten de waakhon-
den van onzen Opperherder, van den Paus noemen. De
11 Tweede deel Kuth.
-ocr page 160-
— 152 —
koning van Italië, Garibaldi, Mazzini en andere wolven
beloofden geluk en vrede, als die waakhonden, die staten,
welke den Paus beschermden , werden uitgeleverd , om
vervolgens met gemak den Herder en zijne geheele kudde,
de katholieke Kerk te verdelgen. Zij hebben de bewa-
kers gestolen en den Paus opgesloten, evenals een wolf
soms zijn schaap opsluit en het spaart, omdat hij nu nog
geen honger heeft, of omdat hij alvorens het te verslhi*
den, de kans ziet nog meer buit aan te brengen. Zoo
staat het met onzen H. Vader; hij is beroofd van zijn
grootsten tijdelijken steun ; men is zijn rijk binnengedron-
gen, en men sluipt nu langzaam voort zonder veel gerucht
te maken. Men laat den Paus een schijn van vrijheid,
opdat hij de hulp der katholieke wereld niet zou in roe-
pen en opdat zij hem met gemak en langzaam zouden
kunnen verteren, zonder dat de kudde het bemerkt. Onze
waakhonden, de Kerkelijke Staten, het koningschap des
Pausen zijn geroofd, de schaapstal staat nog niet open ;
maar is rondom door wolven bezet, die den herder nog
een wijl sparen om, als de wrereld is ingesluimerd in
den droom der valsche rust, de kooi te overrompelen en
alles te vernielen. Zij houden zich een weinig in, opdat
de schapen, die buiten zijn, niet te luide blaten, en hulp
verkrijgen uit de wereld.
Luisteren wij nog eens naar de samenspraak van Wil-
lein en zijn Notaris.
Willem. Mijnheer de Notaris , daar is mij in mijne
afwezigheid nog iets te binnen gevallen. Gij hebt gezegd,
dat de Paus geheel door zijne vijanden ingesloten en be-
laagd, gevangen en veroordeeld is op het Vaticaan, dat
dat hij dus, om vrij te zijn, ook koning moet zijn. Maar
aangenomen dat hij koning was , zou hij dan ook niet
-ocr page 161-
— 153 —
•door zijne vijanden omgeven en bespot en vervolgd worden?
De Notaris. O ja "Willem , zonder twijfel; ook toen
de Paus nog koning was, werd hij vervolgd ; maar de
vervolging kon hem toen toch niet beletten zijn plicht
te doen, zooals zij thans kan. Was hij koning, had hij
een rijk, dan kon hij door zijn leger- of politiemacht even
goed zijne vijanden weren ah een ander vont.
Zeg mij welke
koning verkeert in een toestand als Leo XIII ? Is er
een vorst in de wereld , die zoo van de genade zijner
grootste vijanden afhangt en zoo weinig macht heeft om
zich te verdedigen ? Daarenboven zouden de belhamels te
Rome , die thans zoo sterk , zoo talrijk en zoo vermetel
zijn, nooit zulke macht verkregen hebben, als de koning
van Italië, in plaats van de Kerkelijke Staten met hen
in te nemen , zich tegen hen verzet en gezamenlijk met
den Paus hen onderdrukt had. Maar die koning was
heerschzuchtig en blind, hij maakte gemeene zaak met de
roovers, die hem een goeden buit beloofden. Hij zag niet
of wilde niet inzien , dat zij , machtig genoeg gewor-
den , ook zijn koninkrijk zouden ongelukkig maken.
Want hunne machtspreuk, hun doelwit is, zooals zij zelf
durven zeggen : „den laatsten koning aan den darm van
den laatsten Paus op te hangen."
Willem. Goed, Notaris, maar leg mij nu ook eens uit,
dat in deze ellendige tijden eeu aardsch koninkrijk voor
den Paus noodzakelijk is ?
De Notaris. Gij erkent dus, Willem, dat de Paus, als
hij koning was, gelijk hij geweest is, zijne vijanden zou
kunnen weren, gelijk een ander koning, maar u dunkt,
dat in tijd van vrede zulk een koningschap niet nood-
zakelijk is. Maar Willem , zijt gij dan vei\'geten , wat
onze pastoor laatstelijk zei, dat namelijk voor de II. Kerk
-ocr page 162-
— 154 —
op deze wereld geen vrede bestaat, dat zij nog strijdende
is en strijden zal, zoolang zij niet, geheel en al in den
hemel opgenomen, triomfeert ? Moet de Kerk altoos strij-
den, wordt zij, volgens het woord van den Zaligmaker,,
altoos door de wereld gehaat en vervolgd, dan voorzeker
zal op de eerste plaats het hoofd dier Kerk , de Paus ,
door de wereld gehaat en bestreden worden. En is er
wel ooit een tijd geweest, dat de wereld den Paus in rust
liet ? Neen, nooit. Zelden heeft zij zooveel macht over
hem gehad, als zij thans heeft, maar altoos heeft zij haar
best gedaan om er toe te komen. De gansche wereld ligt
in den booze, zegt de H. Joannes; het is dus geen won-
der , dat zij den Paus tot het mikpunt van hare woede
kiest, en dat zij ook altoos door de H. Kerk , met den
Paus aan het hoofd, bestreden wordt. Vrede dus is er
met de wereld niet te maken. Altijd strijd, altijd oorlog.
Ziedaar, waarom de Paus door eene tijdelijke macht moet
omgeven en versterkt zijn.
Willem. O ja, als de wereld dan nog maar streed
gelijk de Paus doet. Doch, terwijl de Paus en de pries-
ters alleen door het gebed , een deugdzaam voorbeeldig
leven de wereld trachten te winnen , gebruikt zij niet
anders dan listen, bedrog en geweld, zooals bleek bij de
inname van Rome in 1870, alsook ten tijde van Napo-
leon I, en zooals wij nog dagelijks zien en hooren uit
hunne gemeene boeken en couranten. Maar zeg eens ,
Notaris, was het niet voldoende, dat een ander machtig
koning den Paus verdedigde en beschermde en volle vrij-
heid gaf ? In zulk geval behoeft hij toch zelf niet
koning te zijn ?
De Notaris. O mijn vriend, wijs mij eens een koning,,
die dat zou willen en zou kunnen doen. Welk een koning
-ocr page 163-
— 155 —
zou zoo goed zijn ? En hoe lang zou zijne goedheid duren?
Is er staat te maken op de hedendaagsche vorsten ? Doen
zij in hun rijk wat zij willen ?
Willem. O neen, Notaris, gij heht gelijk, \'t Zijn meest
protestanten of liberalen of vrijmetselaars. Bovendien
regeeren zij zelven niet, maar hunne ministers en Kamers
en deze veranderen bijna elk jaar.
De Notaris. En veronderstel nu eens, dat er een zoo
goed en machtig koning was , die den Paus in zijn rijk
zulke macht en vrijheid geven wilde , zou de Paus dan
zulk een welwillenden koning niet moeten ontzien, veel
toegeven en als \'t ware zijn dienaar worden ?
Willem. Neen, Notaris, dat geloof ik niet, daar zijn
de Pausen te groot voor. Pius VII, in den kerker, ont-
zag zelfs een Napoleon niet.
De Notaris. Welnu, als hij zijn beschermer niet ontzag
•en niet toegaf, dan geloof ik niet, dat hij lang de vriend
van zijn vorst blijven zou. Dan zou hij, tot toegeeflijk-
heid gedwongen , nog minder vrij zijn dan in \'t midden
zijner vijanden. Menschelijker wijze gesproken, zou het
dan den Paus gaan, evenals de Bisschoppen en Patriar-
chen ., die in vroegere tijden zich in de armen van een
vorst geworpen hebben. Zij zijn hunne slaven geworden
en afgevallen. Zie maar eens den Patriarch van Constan-
tinopel en de afgevallen Bisschoppen van Engeland.
Willem. Maar Notaris , laat ons dan eens veronder-
stellen, dat alles goed gaat, dat de vorst den Paus goed
beschermt en hem volle vrijheid laat, evenals vroeger de
Pioomsche Keizers deden.
De Notaris. Dan kon het nog niet deugen. Andere
vorsten en volken zouden dan vreezen, dat de Paus, een
gunsteling zijnde van zulk een goeden koning, niet onzij-
-ocr page 164-
— 156 —
dig, niet vrij, maar volgens den wil van zijn koning de
Kerk zou regeeren, zij zouden van hem af keerig worden,
vooral in de dagen , in welke zij tegen zulk een vorst
zouden oorlog voeren en hem vijandig zijn. Zouden de
Pruisische Katholieken zooveel op hebben met een Fran-
schen Paus, als zij thans hebben met Leo XIII, die niet
onder Frankrijk , niet onder Spanje staat en aan Italië
vijandig is. I)e Paus dus moet onder geen rijk behooren,
maar zelf\' een rijk hebben.
Iets anders was het, als geheel Europa eenzelfden koning
had, en als deze koning zoo gunstig ten opzichte van den
Paus gezind was , gelijk in vroegere tijden somtijds de
Roomsche Keizers waren. Maar ook in zulk geval was
de waardigheid van den Paus niet verzekerd ; en hoe
men het ook keere , de vijand van den beschermer des
Pausen zou allicht de vijand des Pausen zijn , zoodat
weldra de H. Kerk niet grooter zou zijn , dan het rijk
van zulk een koning.
Willem. Daar denk ik aan Engeland. Wezenlijk, het
hoofd der Engelsche kerk heeft niets te zeggen buiten
Engeland. Het hoofd der Grieksche niets buiten Rusland.
Waarlijk, is het hoofd der Kerk een beschermeling van
een vorst, dan wordt dat hoofd een slaaf des konings en
de Kerk een wapen voor het rijk. Zij vervalt en wordt
gehaat door allen, die niet tot de onderdanen of vrienden
van zulk een rijk behooren , terwijl de Paus , hoe klein
een koninkrijk hij ook heeft , over de katholieke harten
van alle landen en werelddeelen regeert, omdat allen weten,
dat hij zijne macht niet zoekt in het tijdelijke, maar alleen
het geestelijk welzijn beoogt, en dat hij, een klein konink-
rijk bezittende, van alle vorsten en vijanden onafhankelijk
is, vrij handelt en spreekt, gelijk zijn plicht het vordert.
-ocr page 165-
— 157 —
De Notaris. Zoo, Willem, zult gij begrijpen, dat Z. H.
Paus Pius IX niet zonder reden in den syllabus diegenen
veroordeelt, welke durven beweren , dat de koninklijke
macht van den Paus schadelijk en een betwist vraagstuk is.
Willem. Zoo! heeft de Paus dat zelf verklaard ? Dat
hadt gij, mijnheer, wel eer kunnen zeggen, dan was de
kwestie uit geweest.
De Notaris. Ik heb dit niet gedaan, Willem, omdat
ik de zaak eerst eens goed wilde uitleggen en bewijzen,
opdat gij zooveel te vaster er aan gelooven zoudt. Ik
weet wel, dat gij geen bewijzen vraagt, als de Paus ge-
sproken heeft, maar \'t is goed de bewijzen te kennen om
ook anderen te overtuigen, die niet zoo gemakkelijk het
Pauselijk woord aannemen.
Willem. De zaak is uit en ik dank u voor de juiste
verklaringen. Eén ding zou ik nog gaarae weten : wat
moet ik zeggen , als men mij tegenwerpt, dat de eerste
Pausen geen koningen geweest zijn ? Ten tijde van Nero
was toch ook wel een tijdelijke macht noodzakelijk voor
Christus\' Stedehouder ?
De Notaris. Willem, gij begrijpt toch wel, dat iets,
wat noodzakelijk is, niet altoos bestaat. De mensch heeft
brood noodig en toch heeft hij het niet altijd. Zoo kan
ook de Kerk soms gebrek lijden, zoo lijdt zij thans, zoo
leed zij onder de revolutie. Wat de eerste tijden van het
Christendom betreft, God wilde niet, dat de Kerk op eens
in alle glorie op aarde verscheen. Zij moest langzaam
aangroeien en groot worden , evenals de mostaard boom.
God wilde in de eerste bloedige vervolgingen liet Paus-
dom beschermen, niet door tijdelijken steun, niet door een
koning of koninkrijk, maar door zijne wonderkracht, opdat
des te duidelijker blijken zou, dat zijne Kerk eene god-
-ocr page 166-
— 158 —
delijke is en opdat de menschen, door die wonderen ge-
troffen, zich in massa bekeeren zouden. Toen die boom
nog jong was, besproeide hij hem met zijne buitengewone
genade, breidde zijne takken uit door buitengewone wer-
ken en wonderen, maar eenmaal groot geworden en door
de wereld verspreid , zijn zulke buitengewone wonderen
in zoo groot getal niet meer noodzakelijk. Er zijn toch
teekenen genoeg om dien boom, die Kerk, te kennen, en
middelen genoeg om er in zalig te worden. Op een ande-
ren keer zal ik u nog vertellen, hoe des Pausen koning-
schap ontstaan is.
Willem. Genoeg, Notaris, ik geloof en weet en begrijp,
dat de Paus als opperste bestuurder der zielen in den
voortdurenden geweldigen strijd tegen de wereld , eene
koninklijke macht moet hebben, 1°. om geheel vrij te kun-
nen regeeren over de zielen van vorsten en onderdanen,
2°. om den schijn niet te hebben , dat hij de dienaar is
van een vorst, en .\'5°. omdat zijne waardigheid zóó verhe-
ven is , dat het niet betaamt, dat hij aan een tijdelijk
koning zou moeten gehoorzamen.
IV.
Wanneer werd de Pan» Koning?
De Notaris heeft u beloofd te zullen vertellen, hoelang
de Paus Koning is geweest en hoe hij zijne tijdelijke macht
verkregen heeft. Ik heb die vraag onderzocht en omdat
> het antwoord minder goed voor een samenspraak geschikt
is, daarom wordt het hier als afzonderlijk opstel gedrukt.
Eerst moet ik u mededeelen, wat Paus Pius IX zeide
in zijne toespraak van 20 April 1840: „De Goddelijke
Voorzienigheid heeft er voor gezorgd, dat de Paus, wien
het bestuur over de gansehe kei\'k is toevertrouwd, na
de verdeeling en splitsing van het romeinsche Rijk, een
-ocr page 167-
*
— 159 —
burgerlijk vorstendom hebben zou, opdat hij, om de kerk
te besturen en hare eenheid te bewaren, de volle vrijheid
zou bezitten, welke voor de uitoefening van zijn hoog aposfo-
lisvh ambt noodzakelijk is.
Want iedereen begrijpt, dat de
geloovige volken, naties en rijken nooit een vol vertrou-
wen zullen schenken en volkomene onderdanigheid zul-
len bewijzen aan den roomschen Opperpriester, als zij
zien, dat hij, aan de heerschappij van een vorst of gou-
vernement onderworpen, niet vrij is. Zij zouden immers
vermoeden en vreezen, dat de Paus zijne handelingen zou re-
gelen naar den wil der Regeering, op wier gebied hij vertoefde
•en zouden onder zulk een voorwendsel niet zelden zich tegen
zijne verordeningen verzetten.1\'
Aangenomen dus dat er eene regeering werd gevonden,
van welke men zeker was dat zij altijd den Paus zou
beschermen, dan is het nog niet raadzaam, dat hij zich
onder zulke bescherming begeve en zijn koninkrijk ver-
late ; want, de menschelijke zwakheid der volken be-
schouwd, zou daardoor altoos argwaan, verwijdering en
verdeeldheid worden opgewekt, zooals ook de ondervin-
ding van de hoofden van andere kerken genoegzaam be-
wezen heeft. Dit alles voorzag de Goddelijke Yoorzienig-
heid, en daarom schonk zij den Paus na den val van
het romeinsche Rijk eene eigene tijdelijke heerschappij,
opdat hij altoos zich zelven zou kunnen weren, buiten
en boven alle regeeringen en partijen zou staan, en alzoo
alle regeeringen, partijen en volken in het geestelijke volko-
meu vrij zou kunnen besturen.
Deze vrijheid is vooral nood-
zakelijk in onzen tijd, nu de hevigste strijd tegen de
Kerk is aangespannen en alle regeeringen zwak, ver-
anderlijk en vijandig gezind zijn tegen den Paus.
Gelijk de ziel, een geest zijnde, in haren huidigen
-ocr page 168-
— 160 —
toestand niet denken en handelen kan zonder het lichaam,
gelijk zij in haar leven op aarde de zintuigen des lichaams,
ook in hare geestelijke werkingen, niet missen kan; zoo
kan ook de Paus. wiens macht vooral in het geestelijke
bestaat, deze macht niet uitoefenen, zonder menschelijke en
tijdelijke middelen. Met zijne geestelijke macht moet eene
tijdelijke macht verbonden zijn. Daarom zorgde God er
voor, dat de Pausen, toen zij nog geen koninklijken sehep-
ter voerden, door Hem zelven beschermd, toch een soort
van tijdelijke macht hadden ; zoodat de geweldigste tiran-
nen en wreedste keizers niet konden beletten, dat zij ook
in gevangenissen en onderaardsche kelders verborgen of
opgesloten, met hunne bisschoppen en geloovigen zich
onderhielden. De Pausen waren altoos in zooverre vrij
en onafhankelijk van de keizers, als tot het behoud en
den bloei der kerk noodzakelijk was. Zij wai-en zichzelven
genoeg meester, om de Kerk te besturen, en, werd hun
een oogenblik deze macht ontnomen, dan deed God een
wonder om hen te veidossen, zooals wij in Petrus zagen
geschieden.
Ik schreef daar , dat God de tijdelijke macht aan de
Pausen gegeven heeft. "Waarlijk, dat is zoo, zij zelven
hebben er niet naar gevraagd; zij hebben ze niet gekocht,
ook niet door ooidogen gewonnen. God gaf ze hun en
breidde ze langzaam uit, totdat zij volmaakt was. De ziel
met al haar vermogens wordt op eens geschapen ; maar
het lichaam , eerst klein en zwak , moet zich langzaam
ontwikkelen, en eerst als het groot is geworden, kan de
ziel volkomen vrij gebruik maken van hare vermogens ,
de mensch is dan volmaakt en kan zijne taak verrichten,
waartoe hij geschapen is. Niet anders ging het met het
Pausdom. Zijne geestelijke macht verkreeg het in hare
-ocr page 169-
— 161 —
volheid van zijn goddelijken Stichter. „Gij zijt de steen-
rots, weid mijne lammeren, weid mijne schapen." Doch
de tijdelijke macht, eerst klein en onbeduidend , werd
langzamerhand grooter en eerst in de achtste eeuw kan
men zeggen, dat het lichaam zijne grootte en zijne vrij-
heid bereikte, en dat de geestelijke met de tijdelijke macht,
samen volkomen vrij en sterk geworden, haar plicht kon
doen en aan het heil van alle volkeren arbeiden.
De II. Petrus en zijne eerste opvolgers hadden slechts
zooveel tijdelijke macht en onafhankelijkheid , dat de
koningen en keizers hen niet zoo vast konden opsluiten,
en zóó lang gevangen houden als zij wilden en als noodig
was, om de Kerk te vernietigen. Zij bezaten eene hooge,
volkomen geestelijke macht, en deze macht bracht van
zelve mede, dat zij ook tijdelijk waren gezien en geëerd;
zoodat aanzien en rijkdommen hun toevloeiden en tot een
koninkrijk aangroeiden. Christus dus stelde het Pausdom
in, gaf de opperste geestelijke macht aan den EL Petrus
en legde tevens de kiem voor de tijdelijke moeit, voor het
aardsche koningschap, hetwelk eerst in latere eeuwen tot
volkomenheid zou gebracht worden. En evenmin als men
van den jongeling kan zeggen, in welk uur, welken dag,
welk jaar zelfs hij juist volmaakt man geworden is, evenmin
kan men met zekerheid opgeven, in welk jaar, zelfs niet
in welke eeuw, de tijdelijke macht des Pausdoms tot een
volmaakt koningschap was aangegroeid.
De jongeling wordt man, zonder dat hij daartoe mede-
werkt, zelfs zonder dat hij het merkt. Een zeer geleerd
staatsman, de Maistre, zegt: „dat het waarlijk wonder is,
te zien hoe de Pausen koningen zijn geworden , zonder
het te merken, en zelfs tegen hun wil. Een onzichtbare
wet, schrijft hij, verhief den Stoel van Itome, en men kan
-ocr page 170-
— 1G2 —
zeggen, dat het hoofd ter Kerk mutereln gehoren iê" De
eerste Pausen waren als \'t ware kroonprinsen, die eens den
troon moeten bestijgen. En hoe kon het anders ? Hoe
kon de opperste plaatsbekleeder van God, de bestuurder
dier wonderschoone , heilige , groote Kerk Gods bestaan
en gekend zijn , zonder geëerd , bemind , verheerlijkt en
verrijkt te worden ? Hij had voor de eer en uitbreiding
ïijner Kerk ook aardschen luister en rijkdommen en vrij -
heden noodig ; en de eerbied, de liefde, de godsvrucht en
het geloof zijner geestelijke onderdanen brachten dit in
overvloed. De macht des Pausen werd te Rome van lie-
verlede zoo groot en luistervol, dat de keizer zich daar
niet meer op zijn gemak gevoelde. Constantijn de Groote
begreep, dat dezelfde stad niet een Paus en keizer, beiden
als machthebbende personen bevatten kon , dat het, om
zijne waardigheid op te houden en aan den bloei der
Kerk mede te werken, beter was zijnen troon te verplaat-
sen. Daarom liet hij Rome aan den Paus over en vestigde
zijnen rijkszetel te Constantinopel, omtrent het jaar 330.
Het spreekt van zelf, dat door de verwijdering des
keizers, des Pausen aanzien en macht aanmerkelijk toe-
nam. De Pausen bleven evenwel in het tijdelijke de keizers
eerbiedigen, geboden aan veldheeren en volk den keizer
onderdanig te zijn , en riepen hunne macht in tegen de
Gothen, Lombarden en anderen, die meermalen Italië uit-
plunderden. Doch de opvolgers van Constantijn werden .
al langer hoe zwakker. Door hun wanbestuur bedierven
zij hun rijk, waren allengs niet meer in staat om de bar-
baren het hoofd te bieden, en maakten zelfs een verbond
met hen.
Zoo werd Italië geheel aan zich zelven overgelaten ,
uitgeplunderd en vreeselijk verwoest door die wilde hor-
-ocr page 171-
— 163 —
den. „In het midden dier rampen , schrijft de Maistre,
was de Paus hun eenige toevlucht, en zonder het te willen,
alleen door den nood gedwongen , kwam de Paus in de
plaats van den keizer, en allen plaatsten zich onder zijne
hoede." Zoo hleef de Paus jaren en eeuwen lang met zijne
getrouwe Italianen, die zijne machtige hulp hadden inge-
roepen , het schiereiland tegenover de invallen der hei-
denen en Mahomedanen verdedigen. Feitelijk was hij
koning, alleen de titel ontbrak hem nog.
Eindelijk in de achtste eeuw kwam liet tijdelijk ko-
niiigschap des Pausen tot zijne voltooiing,
niet door
zijn eigen toedoen, maar door de bewerking van G-od, die zijne
Kerk geleidde en wederom uit de algemeene rampen haar
voordeel trok. De keizers regeerden nog slechts in het Oos-
ten en in Italië , waar de Pausen in hunnen naam het
volk beschermden. Doch keizer Leo verklaarde in 726
den oorlog aan den Paus zelven, die hem om zijne wreed-
heden en zijne beeldstormerij berispt en bestraft had. Hij
sloot een verdrag met den koning der Lombarden , om
Rome te overweldigen en den Paus te vermoorden. Paus
Gregorius II werd aanstonds door de Italiaansche legers
geholpen, en bracht zijne twee groote vijanden tot inkeer.
Zijn opvolger, Paus Gregorius III, trachtte keizer Leo
van zijne vervolging terug te roepen , doch te vergeefs.
De keizer zond eene vloot af om den Paus, de Romeinen
en Italianen te verdelgen, doch hij leed schipbreuk in de
Aziatische zee. De Paus, niet meer bij machte om zijne
inlandsche vijanden en barbaren af te weren, en geen hoop
meer hebbende van nog door de keizers geholpen te wor-
den, zond gezanten naar den koning van het Frankenland
en smeekte hem om bijstand in het jaar 740.
In 741 sloot Paus Zacharias een verbond met den koning
-ocr page 172-
— 1Ü4 —
der Lombarden , die hem nu rondom Rome vele steden
teruggaf, welke hij eerst had uitgeplunderd. Eenige jaren
daarna vielen de Lombarden wederom op de Romeinen
los, maar de Paus temde den koning door zijne welspre-
kendheid, zoodat deze den schepter arlei en monnik werd
in 749.
Paus Stephanus II riep nogmaals in 752 tegen de
Lombarden de hulp des keizers in, doch deze hield zich
liever op met beeldstormerij en vervolging, en liet even-
als zijne voorgangers de Italianen in den steek. Daarom
nam de Paus zijne toevlucht tot Pepijn, den koning der
Franken. Deze vorst viel den Paus eerbiedig voor de
voeten , beloofde hem hulp en teekende met zijne zonen
een verdrag, waarbij zij zwoeren de overweldigde staten
•te zullen innemen en aan den Paus teruggeven. Deze moe-
dige krijgshelden volbrachten hunne beloften in 7ó4; de
verslagen Lombarden vroegen vrede en beloofden de Po-
meinsche steden, die zij overrompeld hadden, te herstellen.
Zij braken hun woord, doch in 755 werden zij wederom
door Pepijn overwonnen en hun koning gevangen geno-
men ; waarna Pepijn alles aan den Paus teruggaf en deze
restitutie door den Lombard liet bezweren. Zoo ki-eeg
Zijne Heiligheid de kerkelijke Staten, die reeds lang te
voren door de Oostersche keizers verlaten, zonder koning
geweest waren en door de Lombarden waren bemachtigd,
in het jaar 77;5 van Karel den Groote terug ; zoo was
des Pausen tijdelijke heerschappij voor goed en volkomen
gevestigd ; zoo is de Opperpriester een volmaakt vrij
koning geworden.
De Italianen, zegt de Maistre, tot wanhoop gevoerd,
verlaten van hunne meesters, verscheurd door de barbaren,
kozen zelf hun aanvoerders. De Pausen, door den drang
-ocr page 173-
— 105 —
der omstaudighedeii , bestuurders van Rome geworden ,
konden niet langer aan de smeekingen dier ongelukkige
menschen weerstaan, welke zich in hunne armen wierpen.
Toen de Pausen niet meer wisten, hoe deze arme volken te
verdedigen, wendden zij de oogen naar de Fransche prinsen.
Zoo werd de Paus koning van eenige staten rondom
Rome, welke hij sinds dien tijd bezeten heeft zonder ze
ooit uit te breiden. Des Pausen macht immers is vooral
eene geestelijke macht, daarom wilde hij nooit eene grootere
wereldlijke macht hebben dan noodig was, om vrij zijne
geestelijke uit te oefenen. De ziel, de geestelijke macht,
kon nu vrij en onafhankelijk aan de bekeering der volken
en den bloei der Kerk werken, want het lichaam, de tijde-
lijke vrijheid en onafhankelijkheid, had hare hoogte be-
reikt. De jongeling was door Gods Voorzienigheid onge-
merkt en langzaam een man geworden. De mostaardboom
groeide nu weelderig, en verspreidde zijne takken en
vruchten over den geheelen aardbodem.
Uit dit alles blijkt ten overvloede , hoe noodzakelijk
een koninklijke macht den Paus moet beschermen. Had
hij zulk een troon niet noodig , dan zou God de zaken
zoo niet geleid hebben, dan had Hij, terwijl alle andere
rijken vergaan, dit koninkrijk tegen de stormen van eeuwen
en eeuwen niet zoo gehandhaafd. Geen rijk is zoo oud,
geen rijk is zoo geleidelijk ontstaan, geen rijk heeft zich
door alle wisselingen en rampen heen, ofschoon zoo klein
en zoo wrak , zoo lang staande gehouden. Waarlijk de
vinger Gods is hier !
Ziedaar, mijn vriend, hoe de tijdelijke macht, welke zoo
noodzakelijk is voor de geestelijke, als het lichaam voor de
ziel, door Gods bijzondere bescherming zich tot eene konink-
lijke onafhankelijkheid heeft ontwikkeld. Leer hieruit,
-ocr page 174-
— 166 —
welk een verlies de H. Kerk door de wederrechtelijke
berooving dier macht in 1870 geleden heeft, en help uwe
bedroefde, beroofde en vervolgde Moedei-. Hoe gij dat
kunt ? Eerstens door veel te bidden voor den onschuldig
gevangen, veroordeelden, verguisden Petrus, en tweedens
door raildelijk bij te dragen voor den St. Pieterspenning,
opdat hij ten minste door zijn geld nog een weinig tijde-
lijke macht bezitte.
V.
Rome is dikwijls overweldigd en zeven-
maal verwoest.
Allerbeste lezer, gij dankt mij voor de inlichtingen,
die ik u omtrent het koningschap des Pausen heb gege-
ven, maar uw leergierig hart is nog niet content en
vraagt, hoe het met Rome verder is gegaan. Aan uwe
vrome weetgierigheid wil ik hier voldoen en ik wijs u
tevens op den tienden jaargang van het Zondagsblad der
H. Familie, alwaar over deze quaestie veel schoons ge-
schreven en te lezen is.
Ik voeg hierbij wat de groote Kardinaal van Engeland,
Mgr. Manning, den 24 Jan. 1882 in de algemeene ver-
gadering van Engelsche Katholieken daarvan gezegd heeft.
Hij beschrijft de opkomst der pauselijke tijdelijke macht
aldus : „ Uit de majestueuze gestalte des roomsclien bisschops
ontsproot als van zelven een gezag over Rome,
\'t welk zoo
groot werd, dat de eerste Christen Keizer (Constantijn)
er eerbiedig voor terugweek en Eome verliet; dewijl
volgens zijne eigene woorden, geene macht zich plaatsen
kan boven die, welke alle machten der aarde overtreft.
Hij liet alzoo de stad in \'s Pausen beheer, hetwelk in
de volgende eeuwen al meer en meer werd gevestigd,
totdat omstreeks het jaar 800 de heerschappij des Pau-
-ocr page 175-
1
— 167 —
sen nog uitdrukkelijk werd verzekerd, waarna zij voort-
duurde, totdat de overweldiging Rome\'s poorten open-
brak en den Opperherder van zijne wereldlijke macht be-
roofde. Geen roof was ooit in gruwzaamheid aan dezen
gelijk; en sinds dien tijd waren Pius IX en zijn opvolger
inderdaad gevangenen, in de strengste beteekenis van hel woord."
Zoo sprak de doorluchtige Engelsche Kardinaal, en om
zijne toehoorders te bemoedigen, voegde hij er ten slotte
bij : „Meen echter niet dat ik eenige vrees koester voor
de katholieke Kerk of den H. Stoel. Voor een paar jaren
heb ik eens de moeite genomen te onderzoeken, hoeveel
Pausen uit Rome verdreven zijn of nooit den voet in de
eeuwige stad gezet hebben. Ik telde er 46. Verder vond
ik, dat Rome ministens zevenmaal geplunderd en verwoest is;
\'t is dus niet te verwonderen, dat het ook voor de achtste
maal geschieden kon. Hoe dikwijls Home wederrechtelijk in
bezit is genomen , is niet te berekenen;
doch dit was het
werk van een enkelen indringer, terwijl alle overige vor-
sten zich aan de zijde des Pausen schaarden. Alleen bij
de laatste overweldiging hebben alle gekroonde hoofden
zoo goed als toegestemd. Zeker zijn er tijden geweest,
die er veel somberder uitzagen als thans. Daarom zeide
Leo XIII : „Ik deel het lot mijner voorgangers; zij heb-
ben nog duisterder dagen aanschouwd dan ik, en ik koes-
ter het vertrouwen, dat ik helderder dagen zien zal dan zij."
De Kardinaal telde dus 46 Pausen, die Rome hebhen
moeten verlaten, of die er nooit geweest zijn. Hij zegt,
dat Rome minstens zevenmaal is uitgeplunderd en zoo
dikwijls is ingenomen , dat hij het niet berekenen kon.
Alweder een bewijs voor de noodzakelijkheid der tijdelijke
macht en voor den bijzonderen bijstand Gods, altoos aan de
H. Kerk verleend. Zóó handhaafde God des Pausen koning-
12 Tweede deel Kuth.
-ocr page 176-
— 1(38 —
schap , dat de aanhoudende beroeringen en bestormingen
van meer dan duizend jaren den Paus nooit van zijne
koninklijke rechten hebben kunnen berooven, en dat hij,
hoe dikwijls ook door list en geweld van zijn troon ge-
stooten , telkens weder hersteld en ook in het feitelijk
bezit van zijn troon werd bevestigd.
Al die beroeringen te beschrijven is ondoenlijk. Alleen
wil ik in \'t kort de zeven overrompelingen en verwoes-
tingen der stad zelve aanstippen , daar de plunderingen
der omliggende kerkelijke steden en staten ook ontelbaar
zijn. Voor de eerste maal werd ïtome overweldigd door
Alaric. koning der West-Gothen, in het jaar 410, onder
den eersten Westerschen keizer Honorius , die z,elf zijn
dappersten veldheer Stilicho met zijne bloedverwanten in
408 liacl laten vermoorden. Aldus had de laffe Honorius
zich zei ven zwak gemaakt, en de Grothen vielen ongehin-
derd in de eeuwige stad, waar zij drie dagen lang brand-
den, moordden en plunderden.
De tweede rampzalige aanval greep plaats in 455, toen
Genseric, de aanvoerder der Vandalen, met zijne woeste
horden voor de stad verscheen, voor de majesteit van den
H. Paus Leo , die ook drie jaren te voren den Hunnen-
koning Attila had bedwongen, zijne woede wel eenigszins
temperde, maar toch van 15 tot 20 Juni roofde en moordde.
De derde verwoesting werd aangericht door de Lom-
barden, die in 740, 752 en 756 Rome, en meer nog zijne
omstreken uitplunderden.
Den vierden keer kwamen de woeste Saracenen uit
Afrika in 84G eene menigte Romeinen neersabelen, en de
schoonste en rijkste kostbaarheden uit de St. Pieter
en andere kerken wegsleepen.
Van r>7.\'3 tot 09(» werd Rome dikwijls inwendig beroerd,
-ocr page 177-
— 1G9 —
>en twee Pausen werden door opstandelingen gedood, tot-
dat keizer Otto in 096 en 998 het oproer kwam dempen
en de booswichten straffen.
Geheel anders handelde een ander Duitsch keizer, de
bekende man van Canossa, Hendrik IV , door wien in
1083 en 1084 Rome ten vijfde male bestormd en deerlijk
gehavend, werd, omdat de H. Paus Gregorius over den
tiran den ban had uitgesproken, en hem om zijne kerk-
vervolging en wreedaardig wanbestuur van den keizers-
troon had vervallen verklaard.
Een volksopruier, Arnold van J3rescia, die omstreeks
1154 den Paus uit Rome verdreef, vond zijn dood op den
brandstapel, en de opstand werd gestuit door den pas
gekroonden keizer Frederik Barbarossa, in 1155. Doch
weldra werd Frederik ontrouw. Hij stelde zich aan het
hoofd der partij, Ghibellijnen genoemd, die meer dan 100
jaren in Duitschlaud en 300 in Italië gevochten hebben,
om de geestelijke macht aan de tijdelijke te onderwerpen
en\' door beide over de volken te heerschen. Paus Alexander
III verzette zich ; tegen-pausen werden benoemd, de stad
overmeesterd en een groot gedeelte aan de vlammen prijs
gegeven. Deze zesde verwoesting geschiedde den 29 Juli
1107. In 1177 bekeei\'de de keizer zich, en in 1178 trok
Alexander III zegevierend Rome binnen.
De Ghibellijnen bleven nog drie eeuwen lang aanspraak
maken op Italië, en de strijd tegen de Welfen bracht
groote rampen over Rome en Italië, veroorzaakte niet
zelden de, benoeming van een tegen-paus en was in 1309
nog zóó geweldig, dat de Paus het raadzaam oordeelde,
den H. Stoel naar Avignon in Frankrijk te verplaatsen.
Daar bleef de Paus tot 1377, terwijl hij inmiddels altoos
.zijne rechten op Rome behield, dat evenwel door de ge-
-ocr page 178-
•                                                                                                                                   *
»
— 170 —
durige opstanden van bijna al zijne sieraden was beroofd
geworden. De boerenkrijg, aangeblazen door den papen-
haat van Luther, bereikte in Mei 1527 de eeuwige stad,
en vernielde daar drie weken lang alles wat onder het
bereik kwam , totdat de pest er een eind aan maakte.
Het was de zevende verwoesting. Wij kunnen hier nog
bijvoegen, dat aan Pius VII in 1797 zijne staten, en in
1798 ook Rome door Generaal Bonaparte ontnomen werden,
dat hij , naar Valencia gesleurd , in het 25ste jaar van
zijn Pausschap in 1799 in de gevangenis stierf. Door Gods
bijzondere beschikking werd reeds in Maart 1800 Pius VIII
gekozen, die na vier maanden het bestuur der kerkelijke
staten te Rome aanvaardde ; doch in 1806 werd Rome
wederom door keizer Bonaparte ingenomen , in 1809 de
Paus te Savona gevangen gezet, in 1812 te Fontaine-
bleau ; en in 1814, toen Napoleon gevallen was, keerde
hij onder een groot gejubel naar Rome terug. Pius IX
vluchtte voor de revolutiemannen den 24 November 1848
verkleed uit Rome naar Gaeta, terwijl vreemdelingen van
Rome een hel van zonden en gruwelen gemaakt hadden..
De belhamels werden in het volgende jaar door de katho-
iieke vorsten belegerd, gebombardeerd, overwonnen en ge-
straft, en den 12 April 1850 keerde Pius terug. Den
20ste Sept. 1870 werd Rome andermaal tegen alle recht
ingenomen door de schuld van den derden Napoleon, die
zoowel als den eerste zwaar daarvoor gesfraft is.
Ten slotte herhaal ik wat Paus Leo XIII zeide : „Ik
deel het lot mijner voorgangers, zij hebben nog duister-
der dagen aanschouwd dan ik, en ik koester het vertrou-
wen, dat ik helderder dagen zien zal dan zij."
-ocr page 179-
— 171 —
ELFDE KAPITTEL.
Middelen tegen besmettelijke ziekten.
Welke middelen het menschelijk vernuft ook uitdenkt
om de besmettelijke ziekten te voorkomen, te keeren of
te genezen, zij zullen altijd bestaan en altijd besmettelijk
blijven. Geleerde mannen mogen vergaderingen houden
om middelen te beramen, ten einde de verschillende soor-
ten van pestziekten te verwijderen, welke zooveel schrik
verspreiden onder de brassers en Balthassers onzer eeuw,
het zal weinig baten. Wij willen hiermede niet zeggen,
dat men de voorschriften der geneesheeren mag verwaar-
loozen ; neen, de voorzichtigheid gebiedt, dat men ze nauw-
keurig onderhoude en vooral, dat men zorg drage voor
reinheid en zindelijkheid. Maar daarin alleen te berusten
zou ijdel, zou dwaas en onchristelijk zijn. Deskundigen
moeten bekennen , dat een der beste verweermiddelen is
de kalmte dex gemoed*.
Wij willen dan ook door dit te schrijven geen noode-
.looze vrees aanjagen. Integendeel, wij willen onze lezers
geruststellen en hen leeren, welke de beste middelen zijn,
om die gerustheid te bekomen, ten einde den moordenaar
te verwijderen of ten minste machteloos te maken.
Een groote kalmte van geest wordt door allen aanbe-
volen, jammer maar, dat zij in geen apotheek te koop is.
Al is men nog zoo rijk , zoo machtig, zoo voorzichtig,
indien men ontevreden is over zich zelven , omdat men
aan de inspraken des gewetens weerstand biedt, dan is
die inwendige gerustheid, in welke brave zielen wande-
-ocr page 180-
— 172 —
len, onmogelijk. Er is geen vrede voor de goddeloozen,.
zegt de II. Geest; derhalve hebben de moderne ongeloo-
vigen en de naam-Christenen redenen genoeg om bang te
zijn , juist gelijk een misdadiger door schrik bevangen
wordt, als hij het oogenblik ziet naderen , waarop zijn
vonnis zal geveld worden.
De christen alleen, de brave christen kent geen vrees,,
dan de vrees voor de zonde. Alle overige rampen kunnen
hem voor een oogenblik ontstellen , maar hij houdt het
oog steeds op de eeuwigheid gevestigd , en hij zoekt en
vindt zijne rust in de armen van den goeden God , die
alles ten beste van zijne welbeminden schikt. Het eenige
middel om de vereischte kalmte te verkrijgen is dan een
goed christen
te zijn, zijn geweten in orde te brengen, zijn
vertrouwen op God te stellen en zijne toevlucht te nemen
tot de Heiligen, die als beschermers tegen besmettelijke
ziekten bekend staan.
Dus verstaat de christen alleen de kunst om de cho-
lera machteloos en onschadelijk te maken. Ja , als hij
een volmaakt christen is, geheel doordrongen van de leer
van Jesus, zal hij uit de grootste rampen de meeste voor-
deelen trekken. Den braven katholiek is het gegeven,
met een kalm gemoed den dood in de oogen te zien. Zie.
maar eens met welk eene onversaagdheid de priesters de
pesthuizen bezoeken, met welk een moed en blijheid van
geest onze liefdezusters zich wagen aan de bedsponde van
de vreeselijkste pestzieken. Door de vriendschap van
God gevoelt hij zich veilig en sterk en door zijn genade
gesteund, vreest hij geen tijdelijke rampen , blijft hij in
alle omstandigheden tevreden , bedaard en gerust en is-
alzoo het minst vatbaar voor de kwaal, die zoovele ande-
ren ten grave sleept, diegenen vooral, welke in staat van
-ocr page 181-
— 173 —
zonde verkeeren. Zij, die geen of weinig hoop hebben
op een toekomstig leven , zijn terecht beducht voor een
ongeval , dat hun al hun geluk ontnemen zal, dat hen
zelfs naar een eeuwig ongeluk zal overvoeren. Maar wat
kan eene ziekte schade doen aan hem, die daardoor zon-
der vele en langdurige pijnen verlost wordt van een leven,
dat vol gevaren en ellende is, en overgebracht wordt naar
het gelukzalig vaderland , dat de goede God aan allen
belooft, die Hem volgens hun vermogen dienen ? Ziedaar
de schoone gedachten, welke den geloovigen moed geven
en hem zooveel mogelijk buiten gevaar stellen. In de
jaren tusschen 1020 en 163(3 werd Europa en niet het
minst Nederland door zware oorlogen en verschrikkelijke
pesten geteisterd. Armoede, hongersnood. geloofsvervol-
ging , alles kwam zich vereenigen om onze goede voor-
vaderen te beproeven. Het is waar, de wereld was toen
in diepe zedeloosheid vervallen en de rampen , die haar
overkwamen, waren niets anders dan de wraak des Hemels,
maar men had het geloof niet verloren en men begreep,
dat men gestraft werd. Men erkende zijne schuld, men
deed ernstig boete en men maakte de vreeselijkste ellende
dragelijk door gebed en geduld.
In die dagen werd een schoon boek uitgegeven door den
"WelEerw. Heer A. Wichmans, een boek, dat 400 blad-
zijden telde, vele zielen in haar lijden heeft gesterkt en
tot titel droeg: „Apotheek van geestelijke geneesmiddelen tegen
de pest en andere hetmettelijke ziekten."
Dat boek zou thans
nog veel nut kunnen stichten, maar het is in het latijn
geschreven en maar zelden wordt het te koop aangeboden.
Daarom wil ik hier de hoofdgedachte van den geleerden
Wichmans wedergeven.
Wil men eene ziekte geheel en al uitroeien, dan moet
-ocr page 182-
— 174 —
men op de eerste plaats have oorzaken zoeken en weg-
nemen. Als eerste en algenieene oorzaak van de pest en
andere rampen, wordt door den schrijver genoemd de erf-
zonde.
Door deze toch is het geheele menschdom , van
zijn oorspronkelijk geluk beroofd, in ellende gedompeld.
Grod heeft hen, die door de wateren des H. Doopsels zijn
gewasschen, van die smet gezuiverd en door de verdien-
sten van den Verlosser in zijne vriendschap weder aan-
genomen , doch hij heeft hen niet ontheven van andere
geestelijke en tijdelijke kwalen, en de Godgeleerden zijn
van meening , dat de mensch in lang niet aan zooveel
ziekten en ellenden zou onderhevig geweest zijn, wanneer
hij gebleven was , gelijk hij volgens zijn natuur zou ge-
schapen zijn, dat is, wanneer hij nooit in een staat van
oorspronkelijke rechtvaardigheid was geweest en ook nooit
door de erfzonde was besmet geworden. Als tweede oor-
zaak van zoo vele en vreeselijke ziekten, worden door den
schrijver genoemd de persoonlijke zonden, voor welke op de
eerste plaats de zondaar zelf, maar ook niet zelden zijne
ouders, zijne kinderen, zijne familie, ja soms zijne stad en
zijn land gestraft worden. Sommige zonden zijn zoo hemel-
tergend , dat er eene geheele familie , zelfs een geheele
gemeente of een geheel rijk voor boeten moet, vooral wan-
neer ze bedreven worden door hen, aan wier zorgen zulk
eene vereeniging of zulk een volk is toevertrouwd.
Als derde oorzaak van die boosaardige ziekten vermeldt
de schrijver de behoefte die wij allen hebben aan beproeving.
Is er niets wat tegen onzen zin ingaat, dan worden wij
lui, onverschillig, hoovaardig; maar de tegenspoed, en vooral
de besmettelijke ziekten zijn de beste zweepslagen voor
ons ter aarde geneigd lichaam, voor onzen verkeerden wil,
en volmondig wordt het erkend, dat eene pest of cholera
-ocr page 183-
I
— 175 —
een beste missionaris mag heeten, die vele onverschilligen
en lauwen naar de kerken jaagt en tot bekeering brengt,
ook dan , wanneer andere middelen niet gebaat hebben.
O, hoevelen zijn er in den jare 18(5f) uit schrik voor de
cholera bekeerd en ten hemel gevaren, die anders zeker
waren verloren gegaan !
Als vierde oorzaak van die vreeselijke plagen geldt bij
den schrijver de glorie, welke Gode uit zulk een toestand
gebracht wordt, hetzij door liet geduldig lijtien der beproef-
den, hetzij door de heldendeugden, welke bij zulke gele-
genheden door de liefdadige verplegers en weldoeners in
beoefening worden gebracht, en de wereld in stomme ver-
bazing voeren. Deugden , die ten tijde van voorspoed
verborgen blijven, verschijnen plotseling in al hare schoon-
heid, als openbare rampen haar uitlokken.
Na aldus de oorzaken ontvouwd te hebben, is het den
schrijver gemakkelijk geworden, de geneesmiddelen aan te
wijzen. Is de pest de dienaar van Gods gerechtigheid ,
dan zijn ook hef gebed en de geest van boetvaardigheid de
beste middelen, om zich daartegen te behoeden. Wat toch
door de zonde , zoowel de erfzonden als de persoonlijke
zonden, bedorven is, kan door versterving, gebed en boete
vergoed worden. Wil men dat God het volk spare, het
volk spare dan vooral zijnen God , het roepe door zijne
godslasteringen, zijne ontuchtigheden, zijne heiligschennis-
sen en andere groote misdrijven de wraak des hemels niet
af, maar het keere tot den God zijner vaderen terug en
het legge zich toe op goede werken, het onderhouden dei-
kerkelijke geboden , het late niet na eiken Zondag Mis
te hooren, de geboden vastendagen en feestdagen behoor-
lijk te vieren, op zijn tijd de H.H. Sacramenten te ont-
vangen en te bidden. Zoo zal van den eenen kant den
-ocr page 184-
— 176 —
dreigende arm van de Goddelijke wraak worden tegenge-
houden en van den anderen kant zal de gerustheid en
noodige kalmte worden verkregen, die door alle genees-
heeren vereischt wordt. Bovendien zal men zijn ziel zui-
veren en bereid maken voor den overgang tot de eeuwig -
heid, zoodat de pest, ook al mocht zij ons aantasten en
ten grave voei-en, ons meer goed dan kwaad zal doen en
ons wel voorbereid naar den hemel zal overbrengen, het-
geen misschien niet zou gebeuren , als wij onvoorziens
moesten sterven of als eene schrikwekkende plaag ons
niet tot inkeer bracht.
Nog ééne vraag wil ik hier beantwoorden, wie wij tot
afwering van de pest, typhus, pokken, enz. en cholera
voornamelijk moeten aanroepen. Tijdens besmettelijke ziek-
ten zijn dikwijls groote gunsten bekomen door de voor-
spraak van de Allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria,
van haren H. Bruidegom, Josef, van den H. Abt Anto-
nius, van den H. Kochus, Remigius, Gregorius den Won-
derdoener, Carolus Borromeus, den H. Martelaar Laurentius,
de H. Genoveva, Theresia, Cunera, de H.H. Martelaren
van Gorkum en vele anderen. Processies ter hunner eer
en bedevaarten naar hunne heiligdommen, vooral naar die
van de H. Moeder Gods en van den H. Rochus hebben
dikwijls wonderen gewerkt en geheele parochies van be-
smettelijke ziekten gered. Dezelfde oefeningen ter eere
van de Z. Bronislava, patrones tegen de cholera, hebben
vele geloovigen van de kwaadaardige cholera gered. (Men
leze daarover Het OlFer, 2de jaargang, bl. 123.) Verder
zijn aanbevelenswaardig het bidden der litanie van Alle
Heiligen, het bijwonen der H. Mis en der processie met
het H. Sacrament, dikwijls een kruisteeken te maken, het
Evangelie van St. Jan te lezen, bij zich dragen een door
-ocr page 185-
— 177 —
den Paus gewijd Agnus Dei, en relekwiën vooral van die
Heiligen, welke als Patronen tegen besmettelijke ziekten
vei-eerd worden , de woning voorzien van kruisteekens ,
wijwater, gewijde palm, enz.
Het is de geest der Katholieke Kerk niet al deze mid-
delen gezamenlijk te gebruiken, het zou eenig mistrouwen
verraden en de zaak niet beter maken; neen, men moet
slechts een of twee der voornaamsten bij afwisseling uit-
kiezen, volkomen berusten in den H. Wil van den goeden
God, die de Heiligen , welke wij eeren en aanroepen ,
gaarne verhoort, doch boven alles moeten wij ons geweten in
orde brengen, ten einde de zoek\' runt en kalmte ie verkrijgen,
welke brave zielen eigen u.
Met deze middelen kan de
vreeselijkste pest geen kwaad doen, en zal zij zelfs veel
goeds tot stand brengen. Moge de verblinde, bandelooze
wereld , door zoo schrikkelijke rampen gewaarschuwd ,
voor den Almachtige zich nederbuigen en Zijne heerschappij
erkennen, dan heeft de pest haar zending volbracht.
TWAALFDE KAPITTEL.
Hoe moet ik mijn testament maken ?
Het spreekwoord zegt: Den eenen zijn dood, den ande-
ren zijn brood;
en letterlijk wordt dit vervuld bij den
dood van iemand die een zwaren geldbuidel nalaat. Ook
niet zeldzaam is dit het geval, dat de erfgenamen behalve
het brood, en juist om het brood, ook den dood erven.
Hoe dat ? Luister mijn vriend. Als de rijke man, naar
wiens dood men jaren\' lang had uitgezien, eindelijk voor-
-ocr page 186-
- 178 -
goed zijn biezen heeft ingepakt, dan komen zijne bloed-
verwanten toegeschoten. Waarom ? om hem op zijn sterf-
bed bij te staan, om voor hem te bidden ? Neen, want
men was hem reeds lang zoo moede als koude pap. Dus
niet om te treuren of te bidden, maar om met ontoom-
bare begeerlijkheid zijne nalatenschap na te vorschen
en in te palmen. Evenals sommige vraatzuchtige huis-
dieren aan den voederbak al knorrende en jankende
elkander tegen den snuit stooten om de beste brokken
te hebben, zoo ziet men, helaas, soms deftige Christenen
elkander in het haar vliegen, om het overschot van den
overledene meester te worden. Altijd klaagt men dat
men veel meer verwacht had, dat de eigene portie te
klein is, dat anderen bevoorrecht zijn, men mort en
schreeuwt, men twist en raast, men vat een afkeer en
haat o]) tegen elkander. Green der partijen wil toegeven;
altoos blijft men zijne eischen aanhouden ; men leeft in
haat en tweedracht zoolang men adem haalt: men tracht
kinderen en vrienden tot zijne partij over te halen ; en
men vormt aldus in eene familie twee groepen, die el-
kander door haat en nijd bij elke gelegenheid vervolgen
elkander altoos tegenwerken en tijdelijk en eeuwig onge-
lukkig maken. Begrijpt gij nu niet, beste vriend, dat
met liet brood ook de dood dikwijls wordt geërfd ?
Begrijpt gij nu niet, dat hij, die zulke rampen in zijne
nakomelingen wil voorkomen, bijtijds over de rijkdom-
men beschikken moet, die de goede God hem heeft ge-
schonken ? en dat hij met alle voorzichtigheid zijne na-
latenschap moet verdeelen , om niet de aanleidende oor-
zaak te zijn van den ondergang zijner familie?
Onze voorouders begrepen zeer wel, van hoe groot belang
die uiterste wilsbeschikking is. Daarom maakten zij geen
-ocr page 187-
— 179 —
testament, dan na vurig gebeden en alles wel overwogen
te hebben. Dan gingen zij de H. Communie ontvangen,
en in tegenwoordigheid van God in \'t H. Sacrament en
van hunnen herder of pastoor, neergeknield voor liet hoog-
altaar in de kerk, als dit mogelijk was, verklaarden zij
plechtig, wat zij wilden dat na hun dood geschieden zou.
Tot stichting en leering zal ik hier een paar voorbeel-
den inlasschen :
„Bij den inhout van dezen tegenwoordigen instrument
zij kennelijk eenen iegelijk, dat in den jaer 1011, den
30 Oct. compareerden voor mij Stephaen Guens, Pastoor
te Heeswijck, Peeter Sijmon Claessen sieck, ende kranck
te bedt liggende , nochtans zijn verstandt ende memorie
wel machtich, aenmerckende datter geen dinck sekerder
en is als de doot, heeft hij met goede voorsichtichheit
zijn testament willen maken ende gemaeckt met desen
zijn testament. In den eersten dan maeckt hij zijne ziel
(aan) God almachtich ende zijn lichaem (aan) der gewijde
erden op den Kerckhoff van Heeswijck eens begraven te
worden , item soo maeckt hij Ariën Henrix... een stuck
lants gelegen... gemoempt het stelstuck, enz.
O, hoe eenvoudig, hoe voorzichtig, hoe heilig! Men
overweegt, dat er niets zekerder is dan de dood, dat men
dus nog bij volle keunis over zijne zaken van hierna
beschikken moet. Met een heilige eenvoud vermaakt men
eerst zijne ziel aan God en zijn lichaam aan de gewijde
aarde van het Kerkhof. Een ander voorbeeld :
„Den 19 Juni van het jaar 1597 stierf eene bejaai\'de
ongehuwde vrouw, Adriana Antonie Puijnsels. Den
13 April 1594 had zij het H. Sacrament en de Paasch-
communie ontvangen. Het was Woensdag in de Paasch-
week. Zij heeft haar testament gemaakt ende voor den
-ocr page 188-
— 180 —
hogen altaar op haar knieën sittende geordineert, haar
ziele (aan) God almachtig, (aan) Maria der moeder Gods ,
en \'t geheel hemelsche heijr, d\' lichaem der gewijder aerden,
haer begraefnisse met eene eerlijke vuijtvaert, legaterende,
oft zij buijten haer kennisse ende weten ennich onrecht-
verdich goet mocht hebben , daer voer onze Kerck drie
stuver eens, noch tot haer ende heur ouders ende Wal-
ravens heur breudersjaergeteijt jaerlijks te doen met Misse
vigiliën seven gulden eens, die de Kerckmeesters beleg-
gen sullen, om den persoon drie ende een halyen stuver,
den custer 1 stuver ende .\'J oirt daer af jaerlijks voir
hueren dienst te gheven , ende eenen stuver een blanc
voir d\' beluchten, noch tot beluchtinge van \'t heijlig Sacra-
ment jaerlijks een kan ofte drie pont olie ende .inden
altaer onzen liever vrouwen jaarlijx een pont wasch int
hoochtijt van lichtmisse. Den aermen van Heeswijck te
spijnden opten dach heurder begraefnisse off in coren off
aen broot een malder roggen : den iersten oogst ende den
tweden oogst na haren doot, telkens een malder roggen, enz."
Aldus beval die brave vrouwe, geknield voor het altaar
hare ziel aan God , aan Maria en aan alle Engelen en
Heiligen. Zij herinnert zich niet aan iemand iets schuldig te
zijn, maar \'t kon gebeuren; en voorzichtigheidshalve maakt
zij daarvoor iets aan de kerk. Zoo leert zij ons, dat
niemand met schuld beladen, de eeuwigheid mag ingaan.
Alsook, dat men in zijn testament het verheven Godshuis
niet vergeten mag, waar men gedurende zijn leven het
hoogste geluk gevonden heeft, waar men zijnen God begon
te bidden, den Catechismus leerde, de H. Sacramenten
duizendmaal ontving, in één woord, waar men allen troost
en steun in het lijden dezes levens genoten heeft. Hoe
liefdevol ook, een deel af te zonderen voor de arme lede-
-ocr page 189-
— 181 —
maten van Jesus, en deze brave zielen alzoo tot een vurig
gebed aan te sporen. Dezelfde eenvoud, voorzichtigheid,
liefde en heiligheid leert het volgend testament:
..Barbara Andriesen, wijf van Jan Peeters Veraelsfoirt,
die gezond van lichaem , en met goeden verstande maar
zwack van ouderdom in de Kerck haer testament gemaekt
heeft , ontfangende de h. Sacramenten op den dach van
Maiïe visitatie 2 Julii 159(5. Maekende hare ziel aan
Godt en der gemeynschap der heyligen, in den hemel,
ende haer lichaem, aen de h. erden, legaterende aen de
Cathedrale Kerck van St. Jan Evangelist eens een reale,
onze parochie ende patroons St. Wilboert drie stuver eens,
haer twe sonen voer vuitsetsel, voer haren goetwilligen
ende getrouwe hulp ende dienst ende volherdige bijstant,
elck een peert ofte vijftich gulden daer voer, elck een
mael van twee jaeren, elck een van de beste bedstede,
elck een kiste, elck een coperen pot, ende elck een renne.
Yoerts allen alsulcken vuitsetsel van koe, bedde, enz. als
heur andere bruers ende susteren voerens gehad hebben,
voerts nogh en dikken daelder voer den armen van watter
overschiet. Ghedaen voor het alderheiligste voer ghetui-
gen llumoldus Kepkens en Jan Christoffels custer. Ita
esse testor A... v. Vessem Pastor."
Hier zien wij , dat aan twee kinderen meer gegeven
wordt dan aan de anderen , hetgeen prijzenswaardig is,
wanneer zij hunne ouders beter en langer hebben bijge-
staan ; doch dit geschiede wederom met alle billijkheid,
zonder overdrijven.
Men houde vooral in het oog, dat niet gebeure , wat
P. Chrysologus zegt: „De erfenis verdeelt de erfgenamen,
voor dat de goederen verdeeld zijn."
Men overwege dus wel,
men bidde , men make zijn uitersten wil als er iets te
-ocr page 190-
— 182 —
maken valt, en als \'t noodig is om oneenigheid te werenT
bijtijds. Men denke vooreerst aan zijne ziel , opdat zij
Gode bevolen zij ; dat is, dat zij zuiver zij van zonden,
vóór die laatste ure komt, en opdat voor haar H. Offeran-
den en gebeden geschieden ; vervolgens aan zijne sclmld-
eischers , dan aan godsdienstige instellingen en kerken.
Maar hoe aangenaam zulke geestelijke giften zijn voor
God, zij bevallen hem niet, wanneer nabestaanden daar-
voor gebrek zouden moeten lijden. Verder vergete men
zijne weldoeners en de armen niet. \'t Is niet noodig, dat
gij uwen hond of kat iets vermaakt, gelijk sommige libe-
ralen tegenwoordig doen , maar de behoeftigen en hun ,
die u veel dienst in geestelijke of tijdelijke zaken bewezen
hebben, moet gij bij uwen dood een goede gedachtenis laten.
In uw testament, dat een van de gewichtigste werken
uws levens is, moet gij ook toonen, dat gij christen zijt
en uw geloof belijden. Op de volgende manier kunt gij
\'t opstellen of de Notaris laten opstellen : „In den naam
der Allerheiligste Drievuldigheid, den Vader, den Zoon
en den H. Geest, amen. Ik getuig, dat dit geschrift mijn
testament bevat, met welks uitvoering ik belast N. N.
Plechtig verklaar ik bij dezen te willen sterven in \'t ware
geloof der R. K. Kerk, waarin ik geleefd heb. Ik bid
den almachtigen God, dat Hij in zijne oneindige Goedheid
mijne ziel genadig ontvange, om de verdiensten van J. C.
en zijne onbevlekte Moeder-Maagd Maria, van den H. Jozef,
en mijne Patronen N. N. Ik wil dat mijn lichaam begra-
ven worde met eene eerlijke uitvaart op \'t R. K. Kerkhof
van N. en dat men voor de rust mijner ziele (volgen
missen en jaargetijden). Ik vermaak enz. aan familie,
vrienden — armen......
Men gelieve alles nauwkeurig te bepalen en niets aan
-ocr page 191-
de willekeur vaneen of anderen over te laten, waaruit zeer
lichtelijk oneenigheden en partijschappen geboren worden.
Zoo zal mijn vriend of vriendin\' een waarlijk Christe-
lijk en heilig testament maken, vele rampen voorkomen,
veel verdienen bij Crod, en in volle gerustheid zijne zuivere
ziel aan haar Schepper wedergeven.
--------^^g-^iS^^^S^^^^^-------
DERTIENDE KAPITTEL.
Hoe men in de middeleeuwen stierf.
De gelukzalige Lanfrancus, die in de elfde en twaalfde \'
eeuw leefde, schreef aan de monniken van den H. Bene-
dictus, wier leermeester en abt hij was, den volgenden
regel voor : „als eene zieke op zijn uiterste is gekomen,
moet de ziekenverpleger een raat op den grond spreiden,
daarover assche strooien in den vorm van een groot
kruis en vervolgens den stervenden monnik daarop neder-
leggen." Dat dit werkelijk zoo geschiedde, getuigt onder
andere Chiibertus van Nogent, die in zijne eigene levens-
beschrijving verhaalt, dat hij, in een klooster vertoevende,
in het midden van \'den nacht door het gebruikelijk hamer-
geklop gewekt werd, om een stervenden monnik in zijne
laatste oogenblikken bij te staan. Hij was geheel buiten
zich zelven, zoo schrijft hij, en werd op den grond over
een hai-enkleed (cilicium) uitgestrekt; er werden psalmen
gezongen en andere gebeden gelezen, zooals dat bij de
stervenssponde gewoonlijk gebeurt.
Eene heerlijke gedachte bij den dood zich van alles
1:) Tweede deel Ruth.
-ocr page 192-
.• •
— 184 —
te ontdoen, zich tot den grond te vernederen en gelijk
wij slechts stof en assche zijn, in de assche te sterven.
Doch wij kunnen dit van den gewonen christen niet vor-
deren, \'t ware echter wensehelijk dat nooit een Katholiek
van deze wereld scheidde, dan vergezeld, gesterkt en
gesteund door de vurige gebeden zijner vrienden en
bloedverwanten.
Een goed Christen zorgt er voor, dat het H. Oliesel
wordt toegediend, maar dikwijls wacht men zoolang, dat
er volstrekt geen hoop meer is op levensbehoud en dat
de zieke niet meer in staat is een goede biecht te doen,
en veel minder om zich behoorlijk tot dien allergewichtigsten
overgang, den overgang van den tijd naar de eeuwigheid,
voor te bereiden. Meermalen ook wordt aan het sterf-
bed wel geschreid en geweeklaagd, maar weinig gebeden,
ofschoon de ziel, welke in doodstrijd verkeert, niets meer
dienstig en heilzaam is dan het gebed.
Bezoeken wij een stervenden vriend, dan moeten wij
hem op de eerste plaats troosten, versterken in zijn lijden,
en opbeuren met de hoop op een beter leven. Maar kun-
nen onze woorden hem niet meer genaken, dan moeten
wij neerknielen en bidden.dat de goede .God zijne arme
ziel. helpe. Vooral moeten wij onze gebeden verdubbelen,
als zij op het punt is voor Gods rechterstoel te verschij-
nen, daar toch van het allerlaatste oogenblik het aller-
meest afhangt.
II.
In het klooster van Cluny was een cel, juist groot
genoeg om een meirechelijk lichaam te bevatten, alleen
bestemd voor de stervenden, die daar gebracht werden
om op eensmat en in de asch den geest te geven. Wij
zagen dat deze wijze van sterven den monniken eigen
-ocr page 193-
— 185 —
•was, die alle mogelijke strenge boetplegingen uitdachten
om meer aan Christus gelijk te «orden, die op een hard
Kruishout stierf. De schrijvers van dien tijd getuigen
dat ook vele leeken den moed hadden om dergelijke ver-
ordeningen te geven, voor het geval dat zij zouden
moeten sterven, en dat verscheidenen dien regel zeer
nauwkeurig opvolgden, als zij den dood van een ouder of
echtgenoot of kind zagen naderen. Velen, ja bijna alle
beschaafde burgers waren in de kloosterscholen onder-
wezen en opgevoed en brachten later in beoefening, wat
zij daar hadden zien gebeuren.
Vele rijke edellieden, Bisschoppen, ja zelfs Koningen
begaven zich op het einde van hun leven in een of ander
klooster, om zich daar waardig tot den dood voor te
bereiden en er te sterven op de wijze der monniken. Zoo
was Lodewijk de Dikke, koning van Frankrijk, in de
abdij van S. Denys opgevoed, trok aldaar op het einde
van zijn leven de monnikspij aan en stierf op den gi-ond
op een tapijt in het bekende asschenkruis. De regel van
Cluuy verordende ook, dat de monnik, die zijn einde voelde
naderen, geheel zijn geweten, dat is zijn geheele levens-
loop, aan zijn abt of prior moest bekend maken. Wilde
hij openbare belijdenis doen, dan werd hij op de handen
van twee broeders naar de kapittelzaal gedragen en
beleed daar in de tegenwoordigheid van allen \'t geen
hij tegen hen en tegen God misdaan had. Dan absol-
veerde de Prior hem, en allen die hem hadden beleedigd;
en terwijl het „amen" door de zaal weerklonk, werd de
lijder opgenomen, en op een bed in het midden van een
cel neergelegd om daar, omringd van zijne broeders, met
de H. Olie gezalfd te worden.
Een openbare belijdenis is nooit geboden geweest, liet
-ocr page 194-
— lbO —
. was een werk van godsvrucht van die helden, welke
niet slechts alle aardsche eer en goederen, maar ook
zich zelven verzaakten en slachtofferden , ter liefde van
den oneindig goeden God. Voor ons is het voldoende,
maar is het ook zeer nuttig en soms noodzakelijk, dat
wij hij tijds als wij nog goed ons zelven bezitten, geheel
onzen levensloop nagaan, ons beschuldigen voor den
biechtvader en ons zelven oordeelen alvorens voor het
oordeel Gods te verschijnen.
III.
De koster moest voor alles zoi\'gen, wat bij de toediening
van het H. Oliesel noodig was. Hij gaf de H. Olie aan den
Prior, eene Albe en stool aan den dienstdoenden priester,
wijwater, het kruis en de kaarsen aan leekebroeders, en
als dit in gereedheid gebracht was, trok het heele con-
vent processiesgewijze, onder het zingen van den psalm
„miserere" naar de cel, in wier midden de kranke op den
grond lag. De priester kwam achteraan en deed de zal-
ving op de volgende wijze.
Hij maakte met den duim, welken hij in de H. Olie
gedoopt had, het kruisteeken op beide oogen, zeggende
„door deze zalving en door zijne genadige barmhartigheid
vergeve u de Heer al wat gij door het gezicht misdaan
hebt." Vervolgens zalfde hij beide ooren met de woor-
den : door deze zalving.....wat gij door het gehoor mis-
daan hebt." Bij de zalving van de lippen zeide hij.....
door den smaak. . . Van den neus. .. . door den reuk.....
Van de handen. .. . door het gevoel. . .. (de handen wer-
den van binnen gezalfd, als de zieke geen priester was).
Van de voeten.. .. door den gang. . .. Van de lendenen. . . .
door het vuur der wellust.
Na de zalving wreef de priester zijne handen met brood
-ocr page 195-
— 187 —
of met assche en wiesen ze af met water, en deze voor-
werpen werden verbi-and of op eene zuivere en verbor-
gene plaats uitgegoten of neergelegd.
Dan keerde men naar de kerk terug, om de H. Hostie
te halen. Men goot water en wijn in een kelk, alsof eene
Mis moest gezongen worden. De priester nadert voor
het hoogaltaar, waar het lichaam des Hoeren bewaard
wordt en bewierookt het Allerheiligste, breekt vervol-
gens het H. Brood boven den kelk, legt het gedeelte
dat hij niet noodig heeft op zijne plaats in de ciborie
en houdt het andere gedeelte, dat hij medeneemt, boven
den kelk vast. De koster windt een allerzuiversten doek
om den kelk en de handen des priesters, en terwijl deze
door de kerk en de panden van het klooster gaat, vallen
allen die hij ontmoet op den grond en blijven liggen
tot hij voorbij is.
Ondertusschen wordt de mond van den zieken gewas-
schen en gespoeld, en als de priester met Ons Heer is
binnengetreden, bidt men het Confiteor, de aanwezige
broeders antwoorden mlsereatw vestri en de priester zegt:
Indulgentiam et remissionem enz. Dan doopt hij het H. Li-
chaam des Heeren in den gemengden wijn welke in den
kelk aanwezig is , doet het den zieke nuttigen , en laat
hem ook den wijn des kelks uitdrinken. Doch als het
de lijder niet kan, moet iemand anders den wijn nemen,
alsmede het water, waarin de priester zijne vingeren gezui-
verd heeft.
Ook laat men bij den zieke een kruis om het te ver-
eeren en te kussen ; en ten slotte zegt de kranke een
laatste vaarwel aan zijne broeders, omhelst eerst den
.priester, dan de andere monniken en eindelijk volgens
•oud gebruik ook de kinderen, die in het klooster wor-
-ocr page 196-
— 188 —
den opgevoed. Vervolgens keeren allen naar hunne cel-
len of naar hun werk terug.
De zieke moet, als hij bediend is, altijd een bezorger
bij zich hebben, welke niets anders te doen heeft; en
des nachts moeten allen die in het ziekenhuis dienen,,
toezien dat zijn dood niet onverwachts overkome. Een
kruis moet aan zijn hoofdeinde staan, en een kaars moet
bij hem branden tot op den lichten dag. Elke monnik,,
die uit een bijzondere godvruchtigheid bij den zieke wil
waken, kan daartoe verlof bekomen bij den Prior.
De bedienden, die hierin goed ingelicht en ervaren
zijn , zullen , als zij zien , dat het uur van verscheiden
nadert, een cilicium, boetekleed, op den grond uitspannen,
daarop kruisgewijze assche strooien , den stervende uit
zijn bed opnemen en hem daar nederleggen. Vervolgens
moet een ziekenoppasser den Prior bericht doen, dat zijn
einde nabij is. Dan zal de Prior, als de lijder het nog
hooren kan, de passie doen voorlezen ; is de zieke buiten
zichzelven, dan zullen twee of vier monniken zonder op-
houden psalmen zingen, totdat het zeker zij, dat hij ziel-
togende is. Dan loopt een dienaar met de tabula naar-
de deur van de slaapzaal en klopt daar hard en gauw en
het geheele convent komt te zamen, om de gebeden voor
de stervenden en overledenen te doen......
Ziedaar, lezer, een schoon uittreksel uit den regel van
Cluny, welke niet slechts vele monniken, maai-, zooals
ik u door bewijzen mededeelde, ook vele Christenen
onderhielden, zoover hun dit mogelijk was. Protestanten
en Katholieken kunnen er uit leeren, hoe de Christenen
dier eeuwen vóór de geboorte van Luther en Calvijn in
het II. Sacrament des Altaars geloofden, het vereerden,
aanbaden en ontvingen, hoe zij te biechten gingen en zelfs
-ocr page 197-
— 180 —
gemeenlijk openbare belijdenis deden, eindelijk met welk
een eerbied een ander H. Sacrament, het II. Oliesel,
werd toegediend.
(Al deze bijzonderheden zijn getrokken uit Migne Patr.
torn, CLVI. pag. 1109—1112.)
.et mj&r\\tsW&)\'*t* r»\'
-ocr page 198-
LEERREDEN
OVER HET 0 IDEE WIJS.
Over de valsche Wetenschap.
Si <iuis existimat se scire (alitjuid) nondum cognovit, quemad-
modum oporteat eum scire ; si ijuis autem Denm diligit, nic cogni-
tus est ab Eo.
                                                       I Cor. VIII, 2, 3.
Indien iemand meent iets te weten , hij heeft nog niet gekend ,
gelijk hij behoort te kennen. Maar indien iemand God liefheeft,
die is door Hem gekend.
Uit deze tekstwoorden, M. G., kunt gij opmaken, dat
niet alle wetenschap goed is. Er zijn twee wetenschap-
pen, eene goede en eene kwade, eene vruchtbare en eene
ijdele, eene heraelsche en eene wereldsche, of gelijk we
thans zouden zeggen , eene Christelijke en eene neutrale
of goddelooze. Zij verschillen niet zoozeer in stof, als
wel in wijze en doel. De H. Paulus keurt het veel weten
alleen af, als men de wijze van weten niet kent. De
liefde Gods, zegt hij, moet ons in alles geleiden; zij moet
het richtsnoer en de drijfveer zijn van onze wetenschap,
onze studiën, onze geleerdheid. Geleidt haar niet de liefde
Gods, dan is zij eene ijdele, eene valsche, eene verderfe-
-ocr page 199-
— 191 —
lijke wetenschap; dan noemt haar de H. Schrift: „Sapien-
tla hujus mundi"
de wijsheid der wereld. En dit verklaart
de H. Thomas: „Dhitur autem sapientia hujus mundi, qvae
prvncipaliter muiulo innitltur
, nam Ma qvae per res hujus
mundi ad J)cum attingit non est sapientia mundi, tted sapit n-
tia Bel tecundum il/ud: invisibilia enim ipsivs"
etc. AVereld-
sche wijsheid is die wijsheid, welke in de wereld berust;
maar tracht zij door de wereldsche zaken naar God op te
klimmen, dan is zij de wijsheid Gods.
De wereldsche wijsheid nu, welke alleen in de wereld
haar heil zoekt, is de zoo hoog geroemde wetenschap,
welke thans op de scholen geleerd wordt, onder den
onschuldigen naam van de neutrale. De liberalen zeg-
gen , dat deze de eenige ware wetenschap is , die den
mensch groot en gelukkig maakt, maar ons natuurlijk ver-
stand en het onfeilbaar woord des Heeren toonen, dat die
aardsche, neutrale, natuurlijke geleerdheid is:
1°. eene ijdelheid, 2°. eene dwaasheid, .\'5°. een soort
van krankzinnigheid.
I.
De wijsheid, die alleen natuurlijke dingen navorscht en
zich met God en het bovennatuurlijke niet bemoeit, is
eene ijdele wijsheid, eene onwetendheid. Dit blijkt
1°. uit mijne tekstwoorden : Meent gij geleerd te zijn en
veel te weten, gij kent de ware wijze nog niet om geleerd
te woi-den, welke wijze hierin bestaat, dat men met zijne
wetenschap de liefde Gods vereenigt, dat men niet alleen
geleerd, maar ook godsdienstig is. Dan immers, als meu
God bemint, zal men God zoeken ; men zal zijne groot-
heid, zijne macht, zijne liefde, zijne werken willen ken-
nen ; men zal Hem in alles trachten te behagen, bij al
zijne studiën het einddoel, de liefde Gods , altijd voor
-ocr page 200-
— 102 —
oogen houden. Men zal eerst en vooral datgene willen
weten, wat noodig is om God behoorlijk te dienen, wat
door Hem is geopenbaard , wat door zijne Kerk wordt
geleerd , wat Heilige en verstandige mannen hebben ge-
schreven. Als men de liefde Gods bezit, dan zal men
datgene willen weten , wat de Kerk en hare Heiligen
hebben geleerd omtrent de bestemming van den mensch
hier op aarde , omtrent de middelen om zijne eeuwige
zaligheid te bereiken. Men zal willen weten datgene, wat
noodig is om volgens zijn stand te kunnen leven, en in
dien stand, door eei. waar christelijk leven zijne zaligheid
te bewerken. Men zal dan ook van zijne kinderen vor-
deren, dat zij volgens diezelfde beginselen onderwezen en
opgevoed worden.
Maar bezit men de liefde Gods niet, dan zal men dat
alleen begeeren te weten, wat den mensch alleen op aarde
vroolijk, rijk, groot en gelukkig maken kan. En evenals
alle aardsche goederen, genoegens en eerbewijzen in zich
zelven ijdel en nietig zijn, zoo is ook de wetenschap daar-
van eene ijdele, eene nietswaardige wetenschap, wanneer
zij niet dienstbaar gemaakt wordt aan het groote doel,,
aan de liefde Gods en de eeuwige zaligheid.
\'2° Die wetenschap is niet alleen ijdel en nietswaardig, zij
is vol van ijdelheid, want zij maakt den mensch hoo-
vaardig en wekt met die hoovaardigheid allerlei booze
hartstochten. Zulke wetenschap, welke de kennis en de
liefde Gods buitensluit, kan slechts dienen, om van den
mensch een hoovaardig, bijgevolg een aardsch, een heb-
zuchtig, een wellustig schepsel te maken.
Daarom voegt er de Apostel bij : scientia inj/at, c/tari-
tas vero (edijicat
— de wetenschap op xich-zelf blaast den
mensch op,
maakt hem hoovaardig, doet hem met minach-
-ocr page 201-
— 19:5 —
ting op zijn medemenschen, ja op den godsdienst, op de
H. Kerk zelven nederzien en stort hem aldus in zijn
ongeluk. Maar de liefde sticht; de liefde sticht en maakt
den waren, den braven, den gelukkigen mensen, maakt
hem niet half geleerd, maar doet hem op de eerste plaats
de kennis zoeken van alles, wat tot zijne waarlijke groot-
heid en zijn werkelijk geluk noodig is. De wetenschap
zonder God is dus eene ijdele wetenschap. Al spreek ik
<le talen van menschen en engelen, wanneer ik de liefde niet
bezit, ben ik als een klaterend metaal of een klinkende schel
(I Cor. XIII : 1) ; dan kan ik wel veel gerucht maken,
de ooren der menschen tot vervelens toe vullen, maar ik
zal noch mij zelven, noch anderen nuttig zijn. Met school-
sche geleerdheid kan ik pronken en geniisch maken, maar
nooit mijzelven of anderen zalig maken.
3°. Gij kent ongetwijfeld den grooten grondregel, welke
eenmaal door het grootst gezag op aarde, door den H. Geest
zelven, in de H. Schrift is vastgesteld : De vreeze des
Heereu is het begin «Ier wijsheid,
initium sapientva
timor Domini.
God te vreezen en bijgevolg hem te kennen
en te dienen, is het begin der wijsheid. Hoe geleerd dus
iemand zij , hoezeer hij zich op de wetenschap ook toe-
legge, hoezeer hij roeme op zijne kennis, als hij zijn God
niet kent, dien God niet boven alles zoekt te behagen,
dan bezit hij zelfs het begin der wijsheid nog niet, hij is
dan nog aen ongeleerde, een onwetende; evenals een kind,
dat nog beginnen moet te leeren ; zijne wetenschap is
eene ijdele wetenschap.
4". Na de uitdrukkelijke verklaringen van God zelven
uitgelegd te hebben, behoef ik niet meer te spieken van
de veroordeelingen, door de H. Kerk, de Pausen en Bis-
schoppen uitgesproken tegen de wereldsche wijsheid in
-ocr page 202-
— 194 —
de scholen, waar alleen natuurlijke wetenschappen worden
aangeleerd , dan behoef ik u niet te herinneren aan de
woorden van Paus Pius IX z. g., die verklaarde, dat de
godsdienstleer in het onderwijs zoodanig moet overheer-
schen , dat alle andere wetenschappen als bijzaken be-
schouwd worden. (\') Dit alleen wil ik u nog vragen :
Wat zoudt gij zeggen van een landman, die veel couran-
ten leest, en veel weet te vertellen van vi-eemde landen
en vreemde menschen.... die over stoom, telegraaf, blik-
sem, zon, enz. kan meepraten.... maar die geen voor kan
recht ploegen ?.... Hij is met al zijne geleerdheid een
domme landman. Waarom ? Omdat hij veel weet, maar
het noodzakelijkste niet weet. Wat zoudt gij zeggen van
een timmerman, die.... een naaivrouw, die.... een soldaat?
Welnu, na. g., wat zegt gij van dien knappen kop, die
de hoegrootheid, de beweging, den afstand van de hemel-
lichamen kent, die vele talen spreekt, die alle vogels op
zijn duimpje kan noemen ; als hij niet eens weet wat hij
zelf is , waar hij vandaan komt, wie hem en waarvoor
hij geschapen is ? Wat zult gij dan moeten zeggen ? Hij
is een onwetend , lomp , een dom , een dwaas mensch.
Waarom ? Omdat hij wel veel weet, maar het noodzake-
lijkste niet weet.
De wereldsche wijsheid , de natuui\'lijke wetenschap is
dus op zich zelve een ijdele wetenschap. Het is geene
wetenschap, \'t is eene onwetendheid, eene nietswaardige
wetenschap. Als ik weet, hoeveel grasspiertjes op een
weide staan, hoeveel kikvorschen in een sloot zwemmen,
enz. Wat heb ik daaraan \'i Vermeerdert dat mijne geleerd-
heid ? Evenzoo , als ik alle aardsche wetenschap bezit,
maar de christelijke leer niet ken , wat weet ik dan ?
(1) Syn. Prov. p. 31».
-ocr page 203-
— 195 —
Wat baat mij dat ?.... Xu zult gij wel begrijpen, waarom
Thomas van Kempen zegt: ., Beter voorwaar is een nederige
boer, die God •dient, dan een hoovaardige philosoof, die, ctc/t
zelcen venraarlooiende, den loop des hemels bestudeert.
Immers op de eerste plaats moeten wij God dienen, God
kennen. Missen wij den godsdienst en de noodige deugd,
dan missen wij het voornaamste, dan missen wij alles ;
en hoe uitgebreid onze kennis ook zij, het is eene niets-
waardige , eene ijdele kennis , eene valschnamige weten-
schap. Fufsi nomina scieutia, tjuaw quidam....
II.
Uit hetgeen ik gezegd heb. kan iedereen opmaken, dat
de menschelijke wijsheid alleen niet slechts eene ijdelheid
is, maar ook eene dwaasheid , ja eene dwaasheid. De
wetenschap, die alleen het aardsche beoogt, is geene wijs-
heid, het is eene dwaasheid. De groote Apostel verklaart
dit met even zoo vele woorden : „Sapientia kujus mundi
stultitia est apud Deunt."
De wijsheid dezer wereld is eene
, dwaasheid bij God. En de H. Thomas van Aquino legt
het uit: „de wijsheid, die alleen op de wereld steunt, het
aardsche zoekt, wordt volgens Gods oordeel voor eene
dwaasheid gehouden." Is nu die wetenschap eene dwaas-
heid in het oog van God, dan moet zij het in onze schat-
ting ook zijn.
Wat is een dwaas ? Hij, die, met de verhevene gave
des versta"ds begiftigd, niet leeft en niet handelt volgens
zijn verstand en dingen doet, welke het verstand afkeurt;
die juist het tegenovergestelde doet van hetgeen een ver-
standig mensch doen zou ; b. v. een rijkaard, die meer van
zijn geld houdt, dan van zich zelven, en gebrek lijdt.
Wat doet een geleerd man, die zijn catechismus niet kent,
die geen geloof heeft, of die, omdat hij niet genoeg onder-
-ocr page 204-
— 19(3 —
wezen was, omdat hij op de staatsschool niet anders dan
minachting van den ehristelijken godsdienst geleerd heeft,
omdat zijne opvoeding den waren grondslag, de godsvrucht,
heeft gemist en later door slechte hladen of slechte mak-
kers tot twijfeling en onverschilligheid is gebracht ? Wat
doet hij ? Hij houdt meer van zijn lichaam dan van zijne
ziel, stelt de aarde boven den hemel, zijne lusten boven
God, den tijd boven de eeuwigheid. Is dat geen dwaasheid?
Hij zal de zonden niet schuwen , de deugd niet achten ,
slechts voor dit leven eer en naam en genot zoeken, en
dit alleen voor goed en gelukkig houden. Maar op eens
zal de groote Hechter komen en hem zeggen : „Stulte ,
hoc nocte repetent animam tuam." Dwaas, dezen nacht wordt
uwe ziel opgeëischt, en wat zal het antwoord zijn : „ JSr-
ravimus. ATos insensati, vitam illorum cestimabamus insa-
niam et jinem illorum sine konore. Ecce quomodo computatie
sunl intor Jilios Dei.
Wij hebben gedwaald. Wij, dwazen,
meenden dat hun leven waanzinnigheid en hun einde
eerloos was. Maar zie hoe zij onder Gods kinderen geteld
worden en onder de Heiligen hunne plaats vinden."
III.
Volgens het gezond christelijk verstand is het dus eene
dwaasheid, niet allereerst voor de eeuwigheid zorg te dra-
gen , niet eens te weten , wat daartoe leiden kan , zich
alleen met het aardsche op te houden. Wat meer is ;
de eerbiedwaardige Thomas van Kempen noemt het niet
slechts eene dwaasheid, maar eene groote dwaasheid:
„Grandis in&ipientia quod neglectw utililuset necessariit, ultro
intendimm curiosis et dampnosis."
Eene groote dwaasheid
is het, dat wij het nuttige en noodzakelijke verwaarloo-
zen en het ijdele en schadelijke najagen. Is het voor een
christen eene groote dwaasheid het noodzakelijkste achter
-ocr page 205-
— 197 —
te laten, het ïmttelooze na te streven, hoe groote dwaas-
heid moet het dan zijn in den waan te verkeeren , dat
men\' zoo handelen moet? Met al zijne geleerdheid niette
weten, dat er nog een andere, oneindig verhevener weten-
schap bestaat, waardoor men zich voor tijd en eeuwigheid
kan gelukkig maken ? Met al zijne wijsheid niet het ge-
wicht en de noodzakelijkheid te beseffen van een christe-
lijke levenswijze ? En hoe zal men daartoe komen , als
men zich slechts met de wei-eldsche wetenschap bezighoudt?
Het is om die reden, dat men de wereldsche wijsheid
kan vergelijken met kiiuik/.imiiuhcid. want niet slechts
handelt zij tegen het gezond verstand, door de hel boven
den hemel, den duivel boven God te stellen ; maar zij
bevindt zich ook in de noodzakelijkheid, om aldus te han-
delen , omdat zij blind en onwetend is , de waarde der
zie], de grootheid van God, de belangrijkheid eener eeuwig-
heid niet kent. Zij zal deugd noemen wat zonde is, haar
geluk zoeken, waar het niet te vinden is. Zij kan ook
niet anders , omdat zij niet anders geleerd heeft, omdat
zij , zooals ik in mijn eerste deel zeide , eene volslagen
domheid en onwetendheid is. Niet zonder reden dan zegt
de Apostel van de heidensche filosofen , dat die wijzen ,
ofschoon zij door hunne geleerde geschriften over tijdelijke
dingen onze bewondering afdwingen, eigenlijk maar dwazen
waren : dicentes se este sapientes, stuift facti ment. En de
geleerde Alvarez wilde allen, die in zulke dwaasheid ver-
keeren, in een krankzinnigengesticht opsluiten, dewijl zij
om hunne blindheid geheel onverbeterlijk zijn.
HESLUIT. Ziedaar dan, b. C, de zoo hoog geroemde
wereldsche geleerdheid in hare ware gedaante. De Katho-
lieke Kerk veroordeelt de wetenschappen niet; o neen ,
zij heeft die altoos liefgehad en beoefend. Haar geleerd
-ocr page 206-
— 198 —
•
Opperhoofd. Paus Leo XIII, moedigt zijne zonen aan, zich
met kracht er op toe te leggen ; maar wat de H. Kerk
veroordeelt, is die wetenschap, die ijdele geleerdheid, die
alleen de natuur en het menschelijke onderzoekt, God en
godsdienst buiten de scholen sluit; die wetenschap, welke
zich met geen God of hemel bezighoudt, die aldus stil-
zwijgend hun bestaan loochent, en alzoo den mensch belet
om het noodzakelijkste te weten en voor zijne zaligheid
de noodige kennis op te doen ; die daarom geene geleerd-.
heid, maar eene ijdelheid en domheid is, en door God en
het christelijk verstand als eene dwaasheid en onverbeter-
lijke groote dwaasheid wordt veroordeeld. Wilt gij dan,
g. C, waarlijk geleerd zijn en uwe kinderen de ware
wijsheid leeren , zorg dan dat geloof en deugd hun het
eerst, en voortdurend, en vooral worden ingeprent: lnl-
tium aapientiae, fimor Domini.
Het neutraal onderwijs kweekt neen Christenen,
maar heidenen en zondaren.
Non potest arbor bona malos fractal facere; neque arbor mala
bonos fructus facere. Een goede boom kan geen slechte vruchten ,
een slechte boom geen goede vruchten voortbrengen. Matth. VIL 18.
Zoo zware rampen, M. G., dreigen door het liberaal
of neutraal onderwijs over ons dierbaar vaderland neer
te komen, dat onze HoogEerw. Bisschop het noodzakelijk
oordeelde, aan zijne ondergeschikte geestelijkheid aan te
bevelen , daarover tweemaal in het jaar eene bijzondere
onderrichting of toespraak te houden. Daar er zijn, die
de noodzakelijkheid van dezen wenk niet inzien , die in
den waan verkeeren , dat het schoolonderwijs zoo slecht
niet is , dat het zelfs beter is dan vroeger , zal het zijn
-ocr page 207-
— 199 —
nut hebben u eens te doen zien, dat de Kerk allereden
heeft het staatsonderwijs te vevoordeelen. Dit zal u duide-
lijk zijn, wanneer gij beseft, dat zulk onderwijs 1*. geen
christenen, maar heidenen kweekt en 2\'. dat de kwade
gevolgen er van onweerstaanbaar en onherstelbaar zijn.
I.
Het staatsonderwijs, dat zich met geen godsdienst in-
laat, kweekt geen Christenen. En om dit te bewijzen
behoeven wij slechts den oorsprong en dsn aurd van dat
onderwijs na te gaan.
1°. Is het door de H. Kerk of door goede Christenen
ingevoerd , dan zal het goed zijn. Is het van den booze
of zijne trawanten, de ongeloovigen, de liberalen, vrijmet-
selaars enz., dan kan het niet anders dan verderfelijk
zijn ; want een goede boom brengt goede vruchten voort,
een kwade boom slechte vruchten.
Wie zijn nu de mannen, die ons het neutraal onderwijs
verschaft hebben ? Wie heeft daarvoor het meest geijverd ?
de Katholieke Kerk ? de Bisschoppen ? de priesters ?
Christelijke staatsmannen ? Integendeel. Zij hebben het
altijd bestreden en veroordeeld. Het zijn alleen de onge-
loovigen, de vijanden van godsdienst en Kerk, die daarvoor
hebben geijverd, met geen ander doel, dan om onze kin-
deren ongeloovig en onverschillig te maken , gelijk zij
zelven zijn. Zij weten zeer goed, zegt het Prov. Concilie,
hoe van eene goede opvoeding de ware christelijke geest
afhangt, welke geest alleen de grondslagen van orde en vrede
kan bewaren. Toch laten zij niets onbeproefd, om de jeugd
aan de onderwijzing en het toezicht der Kerk te ontrukken,
opdat zij eenmaal op hoogeren leeftijd zich alleen met aard-
sche zaken bezighouden en dehemelsche verwaarloozen.(\')
~(1) Conc. Prov. p. 319.
14 Tweede deel Knth.
-ocr page 208-
— 200 —
Zij willen dat niet bekennen, zij hebben zelfs in de AYet
durven schrijven, dat de school tot christelijke en maatschap-
pelijke deugden opleidt; maar dit is niets anders dan
huichelarij en schijnheiligheid ; want bedenkt wel, dat zij,
die juist het hardste over christelijke en maatschappelijke
deugden schreeuwden , het minst christenen waren , dat
zelfs een jood (Godefroi) een der grootste ijveraars daar-
voor was. De duivel verandert zich in een engel des
lichts. Hij weet wel, dat ons christelijk volk eene o.nchris-
telijke school verfoeit. Om nu hun onderwijs aanlokkelijk
te maken, verkondigen zij den volke, dat hun onderwijs
niets kwaads beoogt, dat het zelfs christelijke deugden
aankweekt; maar hun eigen mond veroordeelt hen. Al
dat geroep toont ons duidelijk, hoe zij begrijpen, dat liet
volk er anders over denkt; hoe zij zelven wel gevoelen,
dat zulk een getuigenis noodig is , om het volk te mis-
loiden. Wie , wie zal het gelooven , dat ongeloovigen ,
liberalen en joden zich zooveel moeite zullen geven om
een onderwijs, dat niet met naam, maar in de daad chris-
telijk is ? en dat de Kerk zulk een onderwijs zou verwer-
pen ? Neen, zoo laten wij ons niet om den tuin leiden.
De makers, de scheppers van die instelling zijn voor ons
een onomstootbaar bewijs, dat de staatsschool alles behalve
christelijk is, dat zij volstrekt geen christenen kweeken zal.
2°. Dit blijkt ook genoegzaam uit den aard eau het
nudenrijx
zelven. Immers, in hetzelfde art. .\'5.*>, waar gezegd
wordt , dat het schoolonderwijs moet dienen tot ontwik-
keling van de verstandelijke vermogens der kinderen en
tot opleiding in alle christelijke en maatschappelijke deug-
den , wordt ook gezegd, dat de onderwijzer niets leeren
mag. ,:wat strijdig is niet den eerbied, verschuldigd aan
de godsdienstige begrippen van andersdenkenden." De
-ocr page 209-
— 201 —
zin daarvan is, zooals later herhaalde malen is gebleken,
dat in de school niets mag geleerd worden, wat met een
of anderen godsdienst strijdt, m. a. w. het onderwijs moet
neutraal, onzijdig zijn, zich op geen godsdienstig terrein
begeven , zooals de Israëliet Grodefroi verklaarde, en door
alle liberalen met den wetgever incluis werd toegejuicht. (\')
Wanneer nu alle godsdienst en godsdienstleer buiten de
school geweerd wordt, wanneer daar nooit over de daden
en woorden van den Goddel ijken Zaligmaker mag gespro-
ken.worden, nooit van Zijne instellingen, van Zijne Kerk,
van de H. Sacramenten, enz., dan behoef ik u niet meer
te zeggen, dat in de staatsschool geene christenen worden
gevormd ; dan begrijpt gij allen , dat daar niet anders
gevormd worden dan ontwikkelde natuurmenschen , hei-
denen, ongeloovigen, goddeloozen.
Neen, de neutrale school kweekt geen Christenen, zij
kweekt alleen opgeblazen wijsneuzen, die u in vele noode-
looze kundigheden overbluffen, die over alles durven mee-
praten, van de natuur en hare werking meer weten, dan
zij mogen weten, en zich op die kennis veel laten voor-
staan ; maar die in waarheid verwaten en verwaande
weetnieten zijn, daar zij niet eens weten, wat zij op de
allereerste plaats moesten weten: de grootheid en de waarde
der ziel, der deugd, der gehoorzaamheid, der ootmoedig-
heid ; de oneindige grootheid, almacht en liefde van God,
vooral in zijn verlossingswerk ; de noodzakelijkheid van
een christelijk leven, van het bidden, enz., enz.
De staatsschool dus kweekt geen christenen, maar hei-
denen. De slechte boom brengt slechte vruchten voort.
II.
De gevolgen van zulk een onderwijs zijn onweer-
(ïj Memorie van Beantw. bl. lil.
-ocr page 210-
— 202 —
staanbaar en nooit geheel herstelbaar. De jeugdige
leeftijd is voor alle goede en kwade indrukken vatbaar.
Evenals een jonge heester gemakkelijk kan geleid, gebo-
gen en gekromd worden ; evenals een jong dier gemak-
kelijk kan getemd en nog gemakkelijker wild en woest
gemaakt worden, evenzoo kan een kind gemakkelijk tot
het goede en veel gemakkelijker tot het kwaad worden
opgeleid ; en het kwade, dat het eenmaal in zijne jeugd
heeft aangeleerd, dat leert het nooit meer geheel af. Dan
begrijpt gij, ouders, van hoe groot belang het is, alles
van uwe kinderen af te weren, wat hun hart kan beder-
ven, alles aan te wenden, wat hun verstand en wil kan
volmaken ; hoe noodzakelijk het is , hen nooit over te
leveren aan het godsdienstloos onderwijs, en, wanneer gij
het niet vermijden kunt, dan alle krachten in te spannen,
om de kwade gevolgen ervan te verhinderen.
Dit is moeilijk, ja zeer moeilijk en het is een bewijs
te meer, dat de H. Kerk zulk een onderwijs terecht ver-
oordeelt. Ik zeide zoo even, dat de staatsschool heidenen
vormt en ik voeg er bij, nog erger dan heidenen. De
heidenen geloofden nog aan hunne goden en vonden in
dat geloof eene aansporing tot het goede, een afschrik van
het kwaad; maar onze kinderen zullen, wanneer niet alle
krachten worden ingespannen om de indrukken, op school
ontvangen, te verzwakken en weg te nemen, nog slech-
ter worden dan de heidenen. Dewijl zij toch op school
nooit van den gekruisten Zaligmaker, nooit van de H. Kerk,
den Paus en de Bisschoppen, den hemel, de hel, de eeu-
wigheid hooren gewagen, moeten zij denken, dat er geen
hemel, hel, enz. bestaat, of ten minste zij niet zooveel
aandacht waardig zijn, dat zij niet tot de waarheden
behooren, welke in zoo groote menigte op de school wor-
-ocr page 211-
— 203 —
den ingeprent. Zij leeren dus aan niets bovennatuurlijks
te gelooven, bekomen ten minste niet die vaste overtui-
ging, welke het geloof en een braaf christelijk leven
vordert; en , hoe godsdienstig de meesters ook zijn , zij
zijn door de wet gedwongen eene houding aan te nemen
van minachting en onverschilligheid in godsdienstzaken.
Daar nu zoowel de hoedanigheden als de lessen van den
meester en de geest van zijne leerboeken langzamerhand
in de harten der kinderen overgaan en diep wortel schie-
ten, zal het uiterst moeilijk zijn de kwade gevolgen van
zulk onderwijs te weren. Daar ook de meester algemeen
door de kinderen voor den geleerdsten en bekwaamsten
man van het dorp gehouden wordt, zullen de ouders, en
dikwijls ook de priesters, vergeefsche moeiten doen, met
die kwade indrukken door hun godsdienstige opvoeding
weg te nemen. De buigzame en volgzame knapen zullen
zich vormen naar hetgeen zij in de school zien gebeuren;
zij worden flauwe christenen en twijfelaars, misschien vol-
slagen godloochenaars. Een kwade boom, in dit geval,
een wilde boom , die niet is ingeënt met de beginselen
van het christendom, kan geen goede vruchten, geen chris-
telijke werken voortbrengen. De kwade gevolgen van
het neutraal onderwijs zijn dus niet te keeren, noch ge-
heel te verbeteren.
Er wordt wel eens gezegd, dat de ouders en pries-
ters
veel kunnen goed maken. Waarlijk, dit valt niet
te ontkennen en het is onze plicht, daarvoor alle pogin-
gen aan te wenden, maar met onze pogingen zullen wij
nooit alles kunnen goed maken, en het neemt niet weg,
ja het bevestigt, dat zulk onderwijs gebrekkig is.
Wat de ouders aangaat , hebben zij de macht en de
bekwaamheid en het gezag en den tijd, die noodig zijn,
-ocr page 212-
— 204 —
om te verbeteren wat in de school bedorven is ? Zullen
de kinderen, wanneer zij al naar hunne lessen willen
luisteren, niet veeleer geloof slaan aan de geleerdheid van
den meester, en er aan twijfelen of het wel waar is, dat
de hemel zoo schoon, de hel zoo verschrikkelijk en God
zoo groot is ? Daar toch de meester , die trouwens over
alles spreekt, van zulke dingen nooit een woordje rept.
En veronderstelt eens, dat de ouders dat alles verbete-
ren kunnen, is het dan nog geen dwaasheid de kinderen
in de bekoring te brengen van twijfel en onverschillig-
heid ? Is het zelfs geen zonde zijne kinderen zonder reden
aan zulk gevaar bloot te stellen ? Zijt gij verantwoord,
wanneer die onverschilligheid later verbeterd wordt ?
Ouders zijt gij gerust ? Durft gij uwe kinderen aan het
bederf overgeven , als er kans bestaat, dat zulk bederf
later zal worden uitgeroeid ? Laat gij uw kind door het
ijs vallen, als er goede hoop is, dat het niet verdrinken
zal ? Is het dan geen dwaasheid een onderwijs te laten
geven, dat gevaarlijk is, dat elders door ouders ofpries-
ters moet verbeterd worden ? Zenden wij onze kinderen
dan naar school, om manieren aan te leeren, die moeten
afgeleerd worden ? Moet dan zooveel geld aan scholen en
onderwijzers besteed worden, om de kinderen onverschil-
lig te maken nopens datgene , wat het verhevenste en
voornaamste van alles is, nopens den godsdienst ? Moet
dat geld dienen, om van de kinderen heidenen te maken ?
Al konden dus de ouders ook alles weer goed maken ,
het onderwijs zelf wordt er niet te beter om.
Maar, zoo zegt men, de priesters moeten zorgen voor
het godsdienstonderwijs ; dat is de taak niet van de school,,
evenmin als van de ouders.
Wij antwoorden, dat wel degelijk op de ouders de ver-
-ocr page 213-
— 205 —
plichting rust, om voor het onderwijs en de opvoeding
der kinderen onder alle opzichten te zorgen. Zij mogen
die taak gedeeltelijk aan anderen overdragen , maar zij
hlijven verantwoordelijk en het onderwijs wordt slechts
in hunnen naam en in hunne plaats gegeven.
Daar zij zelven niet in staat zijn om in eigen persoon
aan de kinderen al het onderwijs te geven, dat zij noodig
helmen, laten zij dit door de geestelijkheid en de school*
meesters aanvullen en volmaken. En daar de godsdienst
het voornaamste is van alle leervakken, moeten zij zor-
gen, dat daarvan ook het meeste werk wordt gemaakt,
dat dus eerst en vooral de Catechismus worde geleerd .
hetzij in de school, hetzij in de kerk. Daar bovendien
een christelijke geest altijd en overal moet heerschen,
christelijke deugd altijd en overal moet beoefend worden
en wel voornamelijk in de jongelingsjaren, is het duide-
lijk, dat ook geheel het schoolonderwijs en schoolopvoeding
christelijk zijn moet. Hieruit volgt, dat het godsdienst-
onderwijs wel grootendeels aan de priesters kan worden
opgedragen, maar godsdienstig moet het onderwijs altijd
en overal zijn. Want, M. G., onthoudt het wel, de Kerk
eischt niet, dat de onderwijzers den Catechismus leeren,
ofschoon zij daarin moeten behulpzaam zijn : maar wat
zij vooral vordert en gebiedt is, dat elk onderwijs gods-
dienstig zij, dat God en godsdienst nergens worde buiten-
gesloten, dat de lessen en leerboeken eene geestelijke en
godsdienstige strekking hebbe, en dat geheel het onder-
wijs in haren geest gegeven worde.
De staatsschool minacht God en godsdienst, en de hei-
densche begrippen , daar opgevat, kan ook de priester
moeilijk wegnemen. Want men houde wel in het oog,
dat het kwaad altijd gemakkelijker ingang vindt dan het
-ocr page 214-
— 206 —
gnede, en dat de kinderen het grootst gedeelte van den
dag in de school doorbrengen. Zal de priester dan in dat
ééne enkele uur, hetwelk grootendeels voorbijgaat met de
catechismusles op te zeggen, de verkeerde indrukken kun-
nen weren of wegnemen van de school, in welke zij vier
of vijf uren doorbrengen ? Ik herhaal het; het is niet
zoozeer om den catechismus te doen ; want deze kan ook
nu nog met veel inspanning van ouders en geestelijken
tamelijk wel geleerd worden : maar het ergste is, dat de
godsdienstleer op den achtergrond wordt gedrongen , als
een bijzaak wordt beschouwd en nog erger, dat de onver-
schilligheid omtrent godsdienstzaken, uit de school mede-
genomen, haast niet is uit te roeien : dat met die onver-
sehilligheid verwildering en zedeloosheid gepaard gaan.
Helaas , ja , de ondervinding heeft reeds genoegzaam
geleerd , welke vruchten deze kwade boom voortbrengt.
De H. Kerk doet wat zij kan. Broederschappen. Missiën,
Cor.gregatiën, herhaalde Communiën, stichtelijke boeken,
veelvuldige preeken , dat alles wordt honderdmaal meer
gedaan dan vroeger ; en, bij onze voorouders vergeleken,
moesten wij heiligen zijn. En zie wat gebeurt \'i Bij dat
alles gaat ongeloof, afval en zedeloosheid met den dag
vooruit, en men hoort van gruwelen, die bij onze vaderen
onbekend waren. Hoe is zulk eene tegenstrijdigheid te
verklaren ? Niet anders dan door de vernauwing\' van het
geloof, gekweekt in de scholen, gevoed door den omgang
met slechte meuschen en boeken, wier verderfelijke geest
eveneens in de godsdienstlooze school zijn oorsprong vindt.
BESLUIT. Een onderwijs, dat onherroepelijk zoovele
kwade vruchten draagt, wordt met alle recht door de H. Kerk
veroordeeld en moet door ons zooveel mogelijk ontweken,
tegengewerkt en door veel ijver schadeloos gemaakt worden.
-ocr page 215-
- 207 —
Het is bekend, dat een gedeelte van ons onderwijzers-
personeel zijn best doet om het kwaad te keeren en het
gebrekkige aan te vallen, en wanneer zij den wensch
van hun Christelijk hart konden voldoen, dan zou hun
onderwijs in den waren zin Christelijk zijn : maar door
de liberale wet zijn hunne handen gebonden en wie
weet hoe spoedig wij met onderwijzers zullen gezegend
worden, die, op de hoogere liberale scholen opgeleid,
niet bestand geweest zijn tegen de verleidelijke en ver-
derfelijke beginselen, en die in het geloof totaal schip-
breuk geleden hebben. Dan zullen wij, ouders en priesters,
den verderfelijke!) stroom veel minder ku.inen tegengaan.
Maar hoe ook de onderwijzers mogen zijn. liet onderwijs
en de manier van opvoeding is en blijft zeer gebrekkig
en wij van onzen kant moeten des te meer alle krachten
inspannen, om van het geloof en de goede zeden nog te
behouden, wat te behouden is en te verbeteren, wat ook
met den besten wil der onderwijzers bedorven wordt.
Be Kerk veroordeelt terecht het godsdienst-
loos onderwijs,
De schoolwet van het jaar IX, door de liberale vijan-
den van de Kerk en van allen geopenbiarden godsdienst,
ingevoerd, heeft zich nog niet volkomen van onze scholen
meester gemaakt en zal misschien op onze katholieke dorpen
nooit geheel uitgevoerd worden. Onze schoolmeesters blij ven
grootendeels, het zij tot hun lof gezegd, aan het voorvaderlijk
geloof getrouw, niettegenstaande hun goede geest door
hunne opleiding en omgeving op zoo zware proet wordt
gesteld. Hun goed hart weet in de school, aan welke
de Wet haar katholiek karakter tracht te ontnemen,
nog altijd gelegenheid te vinden, om door hun houding
-ocr page 216-
— 208 —
en hun voorbeeld den kinderen eerbied in te boezemen
voor het ééne ware geloof, voor de ééne en ware Kerk.
Waarvan het gevolg is, dat wij en onze kinderen aan den
slechten invloed der staatsschool ontkomen zijn en door
de zorgen van onze ouders en herders der Kerk getrouw
zijn gebleven.
Toch is het te vreezen, dat ook hier eenmaal gebeuren
zal, wat in grootere plaatsen geschied, dat minder goed-
gezinde meesters nieuwere en meer „verlichte" hoofden,
slaven van de letter en den geest der wet, in het ongeloof
opgeleid, eenmaal onze school zullen besturen, zoodat
geheel de Christelijke geest daar verdwijnen zal om
plaats te maken voor den kouden adem van de moderne
wetenschap. Dat ik waarheid spreek , leert ons de H.
Kerk zelve, het hoogste leergezag op aarde, de columua
et Jirmanienium. veritatis
(I Tim. 15) de kolom en de vas-
tigheid der geopenbaarde waarheid. Dit te verklaren, zal
de stof uitmaken van deze leerrede. Eerst zal ik aantoo-
nen wat de Kerk des aangaande leert, tweedens dat zij
volkomen gelijk heeft.
I. Dat het onderwijs in de school godsdienstig zijn moet,
dat daar de Christelijke wetenschap moet onderwezen
worden, heeft het opperste gezag der Kerk zelf ver-
klaard.
Pius IX z. g. zeide het met i-onde woorden
en het is door al onze HoogEerw. Bisschoppen erkend,
aangenomen en afgekondigd met de volgende woorden :
„De godsdienstleer moet in het onderwijs en de opvoeding
de eerste plaats innemen, en wel zoo, dat het alle andere
leervakken overheerscht en dat deze slechts als bijzaken
beschouwd worden."
Deze leer \'der Kerk staat dus lijnrecht tegenover die
onzer wetgeving ; want deze verklaart, dat de godsdienst-
/
-ocr page 217-
leer geheel en al buiten de school geweerd en aan de
priesters moet worden overgelaten. De Catechismus is
dus op onze scholen niet de hoofdzaak ; hij is zelfs geen
bijvak meer; hij is geheel uit de school verbannen en
er woi\'dt maar weinig tijd gelaten, om buiten de school
dat essentieel gebrek eenigszins aan te vullen.
En wat niet minder ongelukkig is ; niet slechts is de
godsdienstleer minachtend op zij geschoven, ook is geheel
het onderwijs aan den invloed der Kerk onttrokken, ook
is aan andere leervakken en aan de opvoeding alle chris-
telijk karakter ontnomen : het onderwijs raag in geen
opzicht meer godsdienstig zijn, moet geheel onaf hankelijk
zijn van de Kerk en mag zich met niets bezighouden ,
wat de begrippen van andersdenkenden zou kunnen kren-
ken. Er mag evenmin gezegd worden, dat Christus God
is, als dat Luther en Calvijn bedriegers waren ; zoodat
de leermeesters zich uitsluitend tot het aardsche en de
natuur moeten bepalen, en belooningen en sti-affen moeten
uitdeelen , zonder te mogen spreken van de grootste en
beste belooning, den hemel, van de grootste en zwaarste
straf, de hel.
Zoo is tot groote ergernis der jeugd wederrechtelijk
gescheiden, wat nooit had moeten gescheiden worden: de
Kerk en de school, de godsdienstige en de natuurlijke
wetenschap. Zoo is de school aan het toezicht der Kerk
onttrokken, en gevolgelijk aan de willekeur der verander-
lijke, in ongeloof verzinkende, wereld overgeleverd. Zoo
heeft ook de opvoeding al hare kracht , het gezag der
Kerk , de macht van G-ods woord , den eenigen waren
grondslag van een braaf leven verloren. Zoo z\'jn de kin-
deren aan den afgod van hebzucht, eerzucht en wellust
opgeofferd. Is het wonder, dat Pius IX z. g. in zijn beroem-
-ocr page 218-
— 210 —
den Syllabus de stelling veroordeelde : „Katholieken kuu-
nen het goedkeuren , dat de jeugd buiten allen invloed
van het katholiek geloof en van de macht der Kerk ,
alleen in de natuurlijke wetenschappen onderwezen worde,
en dat de onderrichting alleen of hoofdzakelijk het maat-
schappelijk leven voor oogen hebbe."
Bijgevolg mag geen katholiek zonder gewichtige rede-
nen zijne kinderen naar eene school zenden , welke zich
met geen godsdienst of Kerk bemoeit, van geen bidden
of andere godsdienstoefeningen weten wil. En opdat gij
het gewicht en goed recht van dit besluit beter kennet,
wil ik in \'t kort daarvan de gronden mededeelen.
II. Waarom verbiedt de Kerk een onderwijs en
opvoeding, afgescheiden van geloof en godsdienst?
Voor ons is het genoeg te weten , dat onze Moeder de
H. Kerk, de onfeilbare leermeesteres, het zegt. Wij ge-
looven onze Moeder op haar woord; als zij ons iets leert,
dan vragen wij niet, waarom ? Hare uitspraak is vol-
doende. Doch om onze tegenstanders den mond te sluiten,
alsook om zelf van het gewicht der waarheid meer overtuigd
te zijn, is het wel eens goed, de redenen na te gaan, welke
onze H. Moeder tot zulk eene uitspraak gebracht hebben.
1". De eerste reden, die alle andere in zich besluit, is
deze, welke door ons Provinciaal Concilie wordt voorop-
gezet : dat de H. Kerk door God is ingesteld , om de
menschen en hunne handelingen te heiligen, overeenkom-
stig de geopenbaarde waarheid, m. a. w. om van de men-
schen goede christenen te maken. Een braaf en christelijk
leven toch gaat boven alles ; het is onze allereerste en
voornaamste plicht de zaligheid onzer ziel te bewerken.
En de ouders zijn verplicht meer voor het geestelijk dan
voor het tijdelijk geluk hunner kinderen te zorgen, want
-ocr page 219-
— 211 —
de ziel van het kind staat oneindig veel hooger dan het
lichaam. Op zware zonden zijn zij verplicht voor de
lichamelijke ontwikkeling hunner kinderen zorg te dragen,
en hen bekwaam te maken om eenmaal volgens hun stand
in hun onderhoud te kunnen voorzien. Maar hoe meer
de ziel het lichaam overtreft, des te zwaarder is de ver-
plichting, hen tot een braaf, een godsdienstig, een chris-
telijk leven op te leiden ; en dit nog des te meer, omdat
tijdelijk geluk meestal van een deugdzaam leven afhangt.
Dewijl nu de ontwikkeling, de vorming en opvoeding der
kinderen voornamelijk in de school geschiedt, is het ook
noodig, dat daar vooral datgene geleerd wordt, wat de
ziel kan volmaken en heiligen, wat brave en christelijke
menschen kan vormen ; dat daar dus niet alleen in den
godsdienst onderricht gegeven, maar dat de grondslag van
ware christelijke deugden daar gelegd worde; en dat de
natuurlijke kunsten en wetenschappen , die onmiddellijk
het tijdelijk geluk beoogen, werden aangeleerd, als mid-
delen, om daardoor het eeuwig geluk te bevorderen.
Wat zal het ons en onze kinderen baten , door onze
geleerdheid de heele wereld overtroffen te hebben, als wij
onze ziel verliezen ? Wat zal het ons en hen baten, alles
geweten te hebben, behalve wat het noodzakelijkste is,
den godsdienst en de deugd ? Alles geleerd te hebben ,
behalve den weg naar den hemel ? Op den dag des oor-
deels, zegt de eerbiedwaardige Thomas van Kempen, zal
mij niet gevraagd worden, wat ik gelezen of geweten heb,
maar wat goeds ik heb gedaan. Onderwijs en opvoeding
in de school moeten dus christelijk zijn, en de H. Kerk
heeft alle recht, die leerwijze te veroordeelen, welke den
christelijken geest en alles wat den godsdienst aangaat,
miskent en buitensluit.
-ocr page 220-
— 212 —
\'2°. En dit nog des te meer, omdat, volgens de woor-
den van hetzelfde Prov. Concilie, de leeringen te diepef
in de harten dringen , naarmate zij in jeugdiger leeftijd
worden ingeprent. Kinderen zijn gevoelig en vatbaar voor
alles. In de jeugd wordt gemakkelijk het goede, en ge-
makkelijker nog het kwaad aangeleerd. Dit begrijpen de
ongeloovigen, de vijanden der Kerk, even goed als wij ;
en het is de reden, waarom zij de school met geweld aan
den invloed der Kerk onttrokken hebben, waarom zij den
godsdienst uit de school hebben verbannen. Zij weten,
dat daar, waar het goede, de christelijke wetenschap en
deugd , niet geleerd worden , het kwaad vanzelf wortel
schiet; dat dus de neutrale school vijanden der Kerk, ten
minste flauwe en ontrouwe zonen der Kerk kweeken zal.
"Want de mensch wijkt op hoogeren leeftijd niet af van
den weg, dien hij in zijne jeugd bewandeld heeft.
.V. Dit wordt nog duidelijker, als men overweegt, dat
in de jongelingsjaren de grondslag voor het latere leven
gelegd wordt. Evenals de grondslag van een gebouw
hechter en sterker moet zijn dan het gebouw zelf, zoo
moet ook de jeugd in den godsdienst bijzonder goed onder-
wezen, en in de deugd goed geoefend zijn, om ten einde toe
in een braaf en christelijk leven te kunnen volharden.
Hoe toch zal men op hoogeren leeftijd den Catechismus
leeren , als men het in zijne jeugd niet heeft gedaan ?
Hoe zal men, jongeling geworden, godvruchtig, gehoor-
zaam, kuisch zijn, als men in zijne kindsche jaren niét
geleerd heeft veel te bidden, trouw ter kerk te gaan, in
den wil der ouders den wil van God te eerbiedigen, den
schoonen hemel als het hoogste geluk te beschouwen, de
hel en de zonde als de grootste ramp te vreezen ? Neen,
wanneer in den jeugdigen leeftijd geen stevige grondslag
-ocr page 221-
— 213 —
is gelegd, de kennis van God en godsdienst niet diep en
vast in verstand en geheugen is geprent; wanneer in de
jeugd het hart niet brandt van liefde tot de deugd, niet
gruwt van de zonde; dan zal de duivel op lateren leef-
tijd, wanneer de bekoringen geweldiger, de driften hevi-
ger, de verleidingen veelvuldiger, de onderrichtingen en
vermaningen zeldzamer worden, gemakkelijk spel hebben.
4°. Want, M. G. bedenkt het wel en het is eene nieuwe
reden, waarom in de school vooral de christelijke geest
moest heerschen, en een echte Christelijke grondslag moest
gelegd worden, bedenkt het wel dat eene goede Christe-
lijke opleiding nooit zoo noodzakelijk geweest is als thans.
De wereld holt voort op den weg van ongeloof en zede-
loosheid ; en, ak een overstroomende rivier, rukt zij in
hare woeste vaart alles mede, wat niet diep en stevig
in den grond is vastgeworteld, alles wat niet van jongs
af, dag in dag uit, in de Christelijke leer onderwezen ,
in de Christelijke deugd geoefend , door aanhoudend
bidden gesterkt en gewapend is tegen de vreeselijke wor-
steling , die niet loslaat voor dat wij in het stille graf
nederdalen.
Is het dan niet allerdringendst noodzakelijk, dat niet
slechts in huis en in de kerk, maar ook in de school alle
middelen worden aangewend, alle krachten ingespannen,
óin de jeugdige buigzame harten aan. godsdienst en gods-
vrucht te gewennen ? Is het dan niet onvergeefelijk en
gruwelijk , dat juist op die plaats , waar de ontwikke-
ling en opvoeding vooral tot stand komt, juist door die
personen, die als de voornaamste opvoeders zijn aangesteld,
die door het kind als zoodanig worden geeërd, hooggeschat
en nagevolgd, alle Christelijk onderwijs en opvoeding met
een soort van minachting geheel wordt op zijde gescho-
-ocr page 222-
— 214
ven? Is het dan verantwoordelijk dat juist op die gewich-
tige plaats en door die invloedrijke personen nooit wordt
gebeden, nooit over Christus, over de H. Maria, over
hemel of hel wordt gesproken ? Is het niet hemeltergend,
dat daar uren en dagen worden versleten met het beschrijven
en ontleden van muizen en ratten, van boomen en planten en
honderd andere nietswaardige wetenschappen, terwijl aan
de eeuwigheid, aan de hoogste bestemming van den mensch,
nooit een enkel uur, geen minuut, geen oogenblik wordt
gegund ? Is dan de mensch geschapen, om als een blinde
mol zijn leven lang in den grond te wroeten, zich alleen
met het aardsche bezig te houden en zich nooit naar
boven te verheffen? Neen, de school, het heiligdom, waar
de onschatbare ziel van het kind als was wordt gekneed,
waar zij wordt voorbereid en gewapend tegen den grooten
en langen levensstrijd; de school, die de toekomst van
ieder mensch, van iedere gemeente, van het vaderland,
van de gansche Kerk in handen heeft, de school vooral
moet boven alles christelijk zijn, en de Kerk heeft alle
recht de staatsschool te veroordeelen, die zich met geen
christendom bemoeit. Zulk een school kan goed zijn voor
het dresseeren van honden en paarden, niet voor het vor-
men van hoogere wezens , van menschen , die voor iets
anders geschapen zijn dan om te eten, te drinken , te
slapen en in de aarde te wroeten.
Zoo is dan bewezen dat het onderwijs in de school
Christelijk moet zijn dat de Kerk terecht het onchriste-
lijk en staatsonderwijs veroordeelt. Dit zal nog duidelij-
ker worden, wanneer wij de zaak op eene andere wijze
beschouwen en nagaan, hoe zulk onderwijs geloof en zedeni
ondermijnt. Daarover de volgende leerrede.
-ocr page 223-
— 215 —
Oorsprong en verderfelijkheid, van het
Staatsonderwijs.
In deze onderrichting gaan wij zien, lu waaruit het
staatsonderwijs is voortgesproten, 2" dat liet verderfelijk
is voor geloof en zeden.
I. De Goddelijke Zaligmaker heeft eens gezegd, dat
hij geen vrede kwam brengen , maar oorlog: ,wu ve-ni
pact-m mittere sed gladium,
en in de daad, de geschiedenis
getuigt, dat zijne Kerk altijd heeft moeten strijden. En
wat in de Kerk plaats heeft, dat ondervindt elk christen
in zich zei ven ; een voortdurenden strijd tusschen den goe-
den en kwaden geest , tusschen de deugd en de zonde ,
den hemel en de hel. Om den mensch tegen dien altijd-
durendeu en gevaarvollen strijd te harden, heeft de H. Kerk,
die de Goddelijke zending ontving, om de volken te
onderwijzen en de handelingen der menschen met de ware
leer gelijkvormig te maken , altijd zich erop toegelegd ,
om in de nog buigzame en ontvankelijke harten der jeugd de
kiem der deugd te leggen en het hemelsch zaad uit te
strooien; overtuigd als zij is, dat de mensch den weg niet
verlaat, dien hij in zijne jeugd bewandelt. In vroegere
dagen heeft zij , toen alle verstandelijke beschaving en
ontwikkeling door de wereld werd verwaarloosd, niet
slechts de geestelijke, maar ook de verstandelijke ontwik-
keling op zich genomen. (Prov. Concilie p. .118.)
Maar, zooals ik zeide, ook de Kerk zelve vindt nimmer
rust en de wereld was boos en ondankbaar genoeg, om
zich aan den weldadigen invloed dier opofferende Moeder
te onttrekken, haar zelfs de macht te betwisten, om den
18 Tweede deel Kuth.
-ocr page 224-
— 216 —
kinderen de eeuwige waarheden en christelijke deugden
voor te houden. De duivel, die de aap van God genoemd
wordt, begreep, welk een machtig wapen de Kerk in het
onderwijs bezat; hij begreep , dat van de opvoeding de
geheele levensloop afhangt, stiet de Kerk uit de school,
ging zelf in den leerstoel zitten , en liet door zijne tra-
wanten op zijne manier aan de jeugd onderwijs geven.
De Kerk protesteerde. Zij kon het niet aanzien, dat
hare dierbare kinderen genoodzaakt werden te luisteren
naar den valschen leermeester, den moorddadigen indrin-
ger. En nu, om zich van zijn post te verzekeren , om de
wettige leermeesteres te verdringen en zich onherroepelijk in
de school te vestigen, maakte de aap de menschen wijs, dat
hij zich alleen met tijdelijke wetenschappen zou ophouden
en het godsdienstige aan de kerkgenootschappen zou over-
laten. Zoo werd de naam van neutraal of onzijdig onder-
wijs uitgevonden, zeker een onzijdige en onschuldige naam;
maar de zaak is er niet beter om. Men heeft het onzijdig
genoemd , alsof het jegens den godsdienst onzijdig bleef
en daaraan geen kwaad zou doen. Maar zijn oorsprong
toont reeds duidelijk, dat het positief kwaad beoogt, dat
het te doen is om de Kerk ten onder te brengen. Dit
wordt nog duidelijker , als men zijne uitwerking nagaat
en ziet hoe liet geloof\' en zeden umin mijnt.
Het is gemakkelijk te bewijzen, dat het neutraal onder-
wijs, zooals het door onze wet geboden wordt, verderfelijk
is voor geloof en zeden. Wat het geloof betreft, heb ik
vroeger reeds aangetoond, dat zulk onderwijs geen chris-
tenen, maar heidenen kweekt. Hoe kan het anders ? Hoe
kunnen er christenen worden gevormd, als geen christe-
lijke waarheden geleerd worden ? Hoe zullen de kinderen
diepen eerbied koesteren voor het woord Gods, den gods-
-ocr page 225-
— 217 —
•dienst hoogachten en liefhebben, in het gebed hun kracht
•en steun zoeken, wanneer de hoogste Overheid zelve daar-
voor geen achting koestert, wanneer zij zelfs verbiedt,
•en voor dat verbod een wet uitvaardigt, over zulke ge-
\'wichtige zaken te spreken; wanneer de schoolmeester nooit
daarvan gewaagt en zelf voor zijn persoon niet eens laat
•merken, of hij christen is of jood ? Wanneer ook in de
schoolbanken nooit ofte nimmer wordt gewaagd van datgene,
wat ouders en priesters als het voornaamste beschouwen ?
Even nadeelig als het is voor een kind een joodschen
•of ongeloovigen vader te hebben, even gevaarlijk is het,
zulk een school, zulk een onderwijzer te bezitten. Een
godsdienstige moeder kan door haar woord en gedrag veel
verbeteren; maar als de vader ongeloovig of jood is; wan-
neer hij geen eerbied toont voor het ware geloof, de lessen
•der \'moeder niet door woord en voorbeeld staaft, maar
•slechts onverschilligheid aan den dag legt; dan is dit
reeds voldoende , om het kind onverschillig te maken.
Dan zullen hare lessen geminacht, hare vermaningen in
•den Vind geslagen worden ; en men mag het een wonder,
een buitengewoon geluk noemen, als zulk een kind gods-
dienstig en braaf blijft. De Kerk heeft dus alle recht zulke
scholen, evengoed als de gemengde huwelijken, af te keuren.
Gelijk het huwelijk één is, gelijk vader en moeder moe-
ten samenwerken, om het kind in geloof en deugd op te
voeden , zoo moeten ook de priesters en schoolmeesters ,
• die in de opvoeding de medehelpers der ouders zijn , de
handen in elkander slaan, volkomen één zijn. En wanneer
•de ééne partij, de school, slechts ten halve hare plichten
vervult; erger nog, wanneer zij geen eerbied betoont voor
datgene , wat het verhevenste en noodzakelijkste is van
alles, dan is de school gelijk aan een heidenschen vader.
-ocr page 226-
— 218 —
Dan bestaat er geen eenheid tusschen Kerk en school.
Evenals de scheiding of oneenigheid tusschen de ouders
op zich zelve reeds een groot schandaal is voor de kin-
deren, zoo is ook de scheiding van Kerk en school op zich
zelve reeds, eene groote ergernis. Daar komt nog bij, dat
het kind den meesten tijd onder de hoede staat van dien
heidenschen vader, terwijl aan zijne moeder, de H. Kerk,
nauwelijks één uur gegund wordt , om zijn verstand te
verlichten door de stralen des geloofs en zijn hart te vor-
men naar de beginselen van het H. Evangelie. Zoo wordt
het kind heen en weer getrokken, in voortdnrenden strijd,
in onverschilligheid en twijfel groot gebracht. Zoo valt
het langzamerband in de klauwen des duivels; want men
vergete niet, dat het kwaad, de onverschilligheid, de los-
bandige vrijheid geen planting, geen kweeking, geen
bemesting behoeven, vanzelf wortel schieten en welig op-
groeien. Is dus de school onzijdig, is het onderwijs kleur-
loos, bemoeit het zich niet met godsdienstzaken, dan is
het daardoor alleen in hooge mate verderfelijk. Met alle
recht heeft dus de Paus zulk eene echtscheiding tusschen
Kerk en school veroordeeld. (\')
Wanneer nu zulk onderwijs verderfelijk is voor het
geloof, dan begrijpt gij van zelven, M. Gr., dat het ook
verderfelijk voor de zeden moet zijn , want waar geen
ware godsdienst is, daar kan ook geen ware deugd bestaan.
De grondslag toch van ware deugd en zedelijkheid is het
geloof in eene eeuwigheid , het geloof in een algoeden ,
alles besturenden, alom tegenwoordigen, alles vergeldenden
God. Zeg mij, hoe zal het kind op verderen leeftijd zijn
geweldige driften bedwingen , zijne begeerlijkheid naar
ijdele grootheid , naar onrechtvaardigheid , naar wellust
(1) Syllabus Prop. 48.
-ocr page 227-
intoomen, wanneer het niet ten volsten overtuigd is van
het bestaan eener eeuwigdurende hel, van een alzienden
God? wanneer het niet voortdurend dienzelfden God de gena-
den afsmeekt om zijne verkeerde lusten in toom te houden?
Zeg mij , hoe zal dat kind zich ontworstelen aan den
alles verzwelgenden kolk der zedeloosheid in de heden-
•daagsche bedorven wereld, wier verleidingen en schandalen
de zuiverste oogen bevlekken, de koenste harten bestor-
men , de grootste helden doen vallen ; hoe , hoe zal het
dien geweldigen strijd tegen al die in- en uitwendige vijan-
den doorstaan, wanneer het niet van jongs af telken dage,
in huis en kerk en school godsdienst en deugd heeft leeren
hoogschatten, lauwheid en ondeugd heeft leeren verfoeien ?
Wanneer het in zijne hevige bekoringen nog al denkt
aan de goede lessen, die het in zijne jeugd van christen
ouders ontvangen heeft; zal dan de sluwe duivel niet
zijn best doen , om die goede indrukken weg te nemen
en te wijzen op het voorbeeld van zijne vroegere mees-
tei-s, die zulke lessen geen vermelding waanlig keurden?
Het neutraal onderwijs, M. Gr., geeft maar een halve
•opvoeding, en door zijne halfheid bederft het den ganschen
mensch. De mensch heeft hoofd en hart, verstand en wil
en beide moeten ontwikkeld, beide gesterkt, beschaafd en
geheiligd worden. De neutrale school houdt zich alleen
bezig met het verstand, verwaarloost den wil en de be-
•oefening der christelijke deugd, ja erger nog, het hederft
het verstand door zijne heidensche leerwijze, het bederft
den wil door ijdele zedelessen , aan welke alle degelijke
grondslag ontbreekt; het is dus bederfelijk voor geloof en
zeden en kweekt niet slechts heidenen, maar ook zondaren.
Evenals een fruitboom in uwen tuin geen smakelijke,
.geen gezonde vruchten dragen zal, maar slechts nuttelooze
-ocr page 228-
— 220 —
takken en bladeren en wild smakeloos ooft, wanneer die-
boom niet bijtijds is ingeënt; zoo kan ook de wilde natuur
des menschen geen edele christelijke vrachten dragen ,.
als zij in hare jeugd niet is ingeënt door een christelijk
onderwijs. Evenmin als het lichaam van de ziel kan ge-
scheiden worden, evenmin scheidt men straffeloos de tijde-
lijke van de eeuwige belangen, het natuurlijk onderwijs
van het godsdienstige, en de H. Kerk heeft goed gedaan
met zulk eene echtscheiding tusschen Kerk en school te
veroordeelen.
Legt men zich alleen toe op het tijdelijke, dan verliest
men reeds daardoor het geestelijke en de geringste han-
deling, welke niet geschiedt overeenkomstig de regels des
geloofs, in staat van genade en uit liefde tot God of om
een ander bovennatuurlijk doel , verliest alle waarde en
alle recht op den hemel. Zullen wij nu rekenschap moeten
geven van een ijdel en nutteloos woord, een verbum ofio-
numj
wat zal het dan zijn, als wij de geheele opvoeding,
of ten minste het grootste deel daarvan geheel ijdel, bui-
ten den invloed van den godsdienst en de genade laten
voorbijgaan ? Wat zeg ik ? in ijdelheid laten voorbijgaan ?
Neen, als wij een opvoedingstelsel dulden, dat niet slechts
ijdel is, maar geloof en zeden geheel ondeimijnt.
Wat moeten wij dan doen om den toestand te verbe-
teren en ons geweten gerust te stellen ? Het antwoord
is eenvoudig. We hebben de raadgevingen te volgen van
onze geestelijke overheid, die van ons eischt: 1° dat wij
onze kinderen naar christelijke scholen zenden en, daar-
mede niet tevreden, ook zelven door woord en daad alles:
doen wat mogelijk is, om de tengere hoofden en harten
door christelijke beginselen tegen de menigvuldige ver-
leidingen te wapenen.
-ocr page 229-
— 221 —
2°. Is dat niet mogelijk, meenen wij voldoende redenen
te hebben, om de kinderen naar eene staatsschool te zen-
den, dan wordt dit toegelaten op voorwaarde, dat des te
meer pogingen worden aangewend . om buiten de school
niet alleen te verbeteren wat daar bedorven wordt, maar
het kind reeds van te voren daartegen te versterken door
veel bidden, door goede lessen, door christelijken levens-
wandel, door het getrouw bijwonen van den catechismus.
Wat dit laatste betreft, mogen de ouders wel overtuigd
zijn, dat de christelijke leer, de catechismusles. nooit zoo
noodzakelijk geweest is als thans ; en het ware te wen-
schen , dat ouders en kinderen van die waarheid beter
doordrongen wai-en. De ouders zouden dan meer ijver,
de kinderen meer lust hebben voor het godsdienstonderwijs.
Ten laatste is het de wil der Kerk. dat overal zooveel
mogelijk christelijke scholen worden opgericht, dat bijge-
volg gegoede katholieken door geldelijke bijdragen zulk
een onderwijs steunen. Groote sommen gelds worden ver-
zonden voor het onderhoud en den bloei van vreemde
missiên, en het is een schoon bewijs van den goeden geest,
die nog onder de onzen heerscht. Maar men vergete niet,
dat ons eigen vaderland, onze eigene kinderen op de eerste
plaats verdienen gered te worden. Wordt daarin niet
voorzien, dan zal dit land van lieverlede verwilderen en
ónze nakomelingen zullen veel slechter zijn dan de zwarte
Afrikanen, \'t Is immers beter de waarheid nooit gekend
te hebben, dan dezelve te verzaken. Worden alle krach-
ten ingespannen , dan kan het kwaad nog eenigermate
worden gekeerd, dan ten minste kan ons geweten gerust
zijn. dan hebben wij onzen plicht gedaan.
-ocr page 230-
___. <>•>•> ___
Over de Wetten in betrekking tot het
Onderwijs,
Zoo ver is het gekomen, zulke verwoestingen heeft
het nieuwe onderwijs reeds aangericht, zulke onheilspel-
lende wolken hangen nog dreigend boven het hoofd der
vaderlandsche jeugd, dat onze waakzame Bisschap, Mgr.
A. Godschalk z. g.. bij de vele inlichtingen en waarschuwin-
gen, welke reeds door Zijn Heiligheid den Paus door deCon-
gregatio de Panda fide. door de Bisschoppen van Nederland,
nog den wensch uitte, ja het uitdrukkelijk gebod voegde, dat
over het onderwijs tweemaal in het jaar opeen zondag in iedere
gestelde Mis breedvoerig zou gehandeld of gesproken worden.
Dit dringend gebod was den HoogEerw. zorgvollen Her-
der nog niet genoeg. Hij voegt er nog bij : dat de her-
ders ook in den loop des jaars, zoo dikwijls de gelegen-
heid daartoe zich aanbiedt, de ouders aan plichten moe-
ten herinneren, welke hun door God of de H. Kerk zijn
opgelegd. Wat moet wel de reden zijn van zulk een
belangrijk bevel ?
Z, D. H. zegt het zelf t. a. p. : n. 1. opdat alle belang-
hebbende weten, en onderhouden wat dienaangaande is
voorgeschreven. Daarom ga ik U in deze onderrichting
leeren welke de rechten en verplichtingen zijn, welke U
te dezen opzichte toekomen.
I.
Wat moet gij, M. G. van het onderwijs wet\'en ?
Gij. B. C. die van jongs af geleerd hebt onvoorwaarde-
lijk geloof te schenken aan hetgeen U God door de bediening
-ocr page 231-
— 223 —
der H. Kerk en door den mond zijner gewijde gezanten open-
baart, gij verlangt niets anders te weten, dan welke uwe ver-
plichtingen zijn bij de opvoeding uwer dierbare kinderen.
.Dochom die plichten goed te kennen is het noodig,dat wij in
de kwestie dieper doordringen en aan de hand van onze
Moeder de H. Kerk de bron dier verplichtingen opsporen.
Welke zijn dan de bronnen, waaruit onze plichten in
zake het onderwijs voortvloeien , en waaruit hun aard
•en omvang kan gekend worden ?
Mijn antwoord is: plichten zijn zedelijke bauden, een
zekere aandrang of\' dwang om iets te doen of te laten.
Doch niemand kan ons zedelijker wijze dwingen, binden
•of verplichten dan hij die eenigerleiwijze macht heeft over
ons. Onze plichten moeten dus berusten op den wil en
de wetten van God, of van de H. Kerk of van den Staat;
en daar God zijn wil op twee manieren openbaart, óf
onmiddellijk, óf middellijk door de natuur, wier Heer en
•Schepper Hij is , zijn er vier soorten van wetten , aan
welke wij onderworpen zijn en die ons tot eene handeling
kunnen binden, dwingen, verplichten, n. 1. :
1° de wetten der natuur, 2" de wetten van God, .\'i" de
wetten van de H. Kerk, 4" de wetten desLands.
1". Nu komt de kwestie, welke rechten de Natuur
geeft en welke plichten zij oplegt nopens liet onderwijs.
De natuurwetten, die door het gezond verstand gekend
worden, geven iedereen het recht om zijn evenmensch te
onderrichten, mits er geen dwaling of zonde geleerd wor-
deu, en mits dat recht door geen hoogere macht ontnomen
zij. Heeft iedereen , die daartoe bekwaam is , het recht
zijn naasten in eene of andei\'e duisterheid, twijfel, onwe-
tendheid, dwaling of vergissing voor te lichten, en doet
hij zelfs een veel geprezen liefdewerk , door zijn mede-
-ocr page 232-
— 224 —
broeders aldus bij te staan, even zeker en duidelijk is het,
dat niet op allen de verplichting rust, zich in den leer-
stoel neer te zetten. Dien plicht schonk de natuur en dus
ook God, die de natuurwetten schiep en ordent, alleen aan
hen, aan wie Hij het groot geluk gaf hun geslacht en hun
naam voort te planten en te vereeuwigen : aan de ouders.
Het kind, als het ter wereld komt, heeft behoefte aan
alles. En wie zou het eerst verplicht zijn voor dat tenger
schepseltje te zorgen, tenzij diegenen, die het voortbrach-
ten , tenzij de ouders, aan welke het kind toebehoort,
omdat zij het uit hunne eigene zelfstandigheid geteeld
hebben en omdat het dus als een deel der ouders moet
beschouwd worden. FUim quodammodo paris pat ris est. (\')
Wie zou het ook beter kunnen verzorgen en opvoeden ,
dan zij, wie van nature daartoe de geschiktheid, de ge-
neigdheid en liefde gegeven is, zoodat er in het oog der
ouders geen grooter gruwel, geen grooter onrecht is uit
te denken, dan kinderen aan de macht der ouders te ont-
rukken , hen te stelen of te bederven. De ouders dus
hebben het recht en den plicht hunne telgen op te voe-
den , totdat zij zelven in staat zullen zijn om in hunne
behoeften te voorzien, zoo naar de ziel als naar het lichaam.
Omdat dit eene wet is van de natuur , is het ook de
dieren eigen, en nooit zult gij een dier woedender maken,
dan wanneer gij zijne jongen steelt of kwaad doet. Dit
verschil bestaat er, dat de mensch, daar hij door zijn ver-
stand ver boven het dier verheven is, ook om de ingeving
des verstands moet doen , wat het dier slechts instinkt-
matig doet; dat hij, wil hij zijn kroost aan zich gelijk-
vormig maken , eerst en vooral voor de verstandelijke
(1) S. Thoiii. intorpretann Aristoteloin in VIII. Kthlcomin pap. XII ef. Zfgliara
cditionc üii ]). 211 et 212.
-ocr page 233-
ontwikkeling van zijn kind moet zorg dragen.
Niet dat alle ouders onderwijzers moeten worden, want
de meesten hebben noch den tijd noch de macht, om alleen
hun kroost het noodzakelijk onderricht te geven ; maar
zij hebben het recht het onderwijs te kiezen, en zijn ver-
plicht, dat onderwijs te geven of te laten geven, \'t welk
het best aan \'s menschen bestemming beantwoordt.
Ziedaar der ouderen plicht, maar ook tevens hun recht.
Zij moeten dat en daarom mogen zij het. En dat recht is
onvervreemdbaar, juist omdat het een natuurlijke plicht
is. Zij mogen wel aan anderen de zorg voor de opvoeding
hunner kinderen toevertrouwen , maar altijd blijven zij
verantwoordelijk voor hun geweten en voor God.
2° Wat de wet der Natuur den ouders in het hart heeft
gegrift, dat heeft de geopenbaarde wet des Heeren
niet afgeschaft of veranderd, maar verklaard, verduidelijkt,
aangedrongen, uitgebreid en volmaakt.
Door de openbaring, door het gesproken en geschreven
Woord Gods, weten wij, hoe verheven de bestemming des
mensrhen is, hoe onwaardeerbaar groot en schoon en kost-
baar de ziel is van het kind, voor welke Jezus zooveel
geleden heeft.....welk eene belooning het wacht, wan-
neer het God kent en dient, en welke vreeselijko straffen
in de eeuwigheid bei-eid zijn, als het zijn God niet kent
of, niet sterk in zijn geloof gevestigd, eenmaal van het
pad der deugd afwijkt. Door de openbaring dus weten
wij ook, hoe zwaar de rekening der ouders voor den eeu-
wigen Rechterstoel zijn zal, als zij voor de opvoeding en
het onderwijs hunner zoo kostbare panden niet eene even
groote en onophoudelijke zorg aan den dag hebben gelegd.
Meer bijzonder overtuigt ons van den ernst dezer aan-
gelegenheid het II. Sacrament des Huwelijk», waarom door
-ocr page 234-
— 22(! —
Mgr. A. Godschalk in een vastemandement met plechtigen
nadruk daarop gewezen werd : „Het huwelijk werd van
den beginne der Schepping door God zelven in het
Paradijs tusschen onze voorouders, Adam en Eva, inge-
steld, ,.opdat de kinderen in het ware geloof en als die-
naren van de ware godsdienst zouden opgevoed worden"(\').
Met hetzelfde doel werd het huwelijk in het nieuwe
verbond door Christus onzen Heer tot de waardigheid
van een eigenlijk Sacrament verheven, en daaraan tevens
die genade verbonden, welke man en vrouw nocdig heb-
ben, om vooral dien last, die godsdienstige opleiding hun-
ner kinderen, naar behooren te volbrengen. Op U ouders
rust derhalve de zware en onmiskenbare plicht, uwe kin-
deren van jongs af in de beginselen van het ware geloof
te onderrichten en hen in den dienst van God op te voe-
den." Dat is het doel van het Huwelijk, \'t welk in het
O. T. wordt bekrachtigd door den wijzeman die legt: Hebt gij
kinderen, onderwijst hen van hunne jeugd af, (*) en elders
„leert uwe kinderen (mijne geboden) opdat zij die over-
wegen" (\'). Dat huwelijksdoel geldt veel meer in het
X. T. waar den ouders te dien einde bijzondere hulpmid-
delen door het H. Sacrament des Huwelijks verzekerd
zijn. „Wee dengenen , die in het vervullen van dezen
grooten plicht te kort schieten : in waarheid en met volle
recht is op hen toepasselijk, wat de leeraar der heidenen
in zijn eersten brief aan Timotheus schreef: zoo iemand
voor de zijnen en inzonderheid voor zijne huisgenooten
geen e zorg draagt, hij heelt het geloof verloochend en is
erger dan een ongeloovige." (*)
(1)    (Jat. Kom. de matr. No. 1">.
(2)    Keel. VII, 20. Filii tibi sunt V eruili illos et eurva illos a pucritia illorum.
(3i Deut. XI. 19. Docete tilios vertos ut illa (verba) meditentur. quaiulo sederis
in doluu tua. et ambulavcris in via et accubueris atque surrexeris.
\'4 M^r. Godschalk, vastemand. 187i*.
-ocr page 235-
Zoo zwaar is de verplichting, welke de Goddelijke
openbaring den ouders oplegt. Zoo sterk verbinden hen
de goddelijke wetten, aan hunne kinderen een onderwijs
te geven of te laten geven, dat hen bekwaam maakt om
eenmaal hunne verheven bestemming te bereiken, en niet
voor eeuwig verloren te gaan.
Het spreekt van zelf, M. G., dat de opvoeding, welke
de natuur en de goddelijke openbaring u oplegt . ^een
halve, geen onvolmaakte, maar eene ware, een volmaakte
christcNjke op\\ oedinij is De mensch immers is mensch
door zijn verstand, en bijgevolg zooveel te meer mensch,
naarmate zijn verstand beter , volmaakter , vaardiger en
bekwamer, en door het geloof meer veredeld is. Hoor de
woorden van den Ecclesiastes: ^Deum time et mandata
ejus
ob.setca: hoc ent omnis homo." God te beminnen en
zijne geboden te onderhouden, (\'t geen grootendeels van de
ware kennis van God en godsdienst afhangt) dat is de
mensch en dat is de heele mensch ; daarin bestaat zijn
wezen, zijne grootheid, zijn geluk, zijne volmaaktheid.
De natuur heeft alzoo aan het bestaan van den mensch
de verplichting vastgeknoopt van zijn kroost op te voeden,
totdat het een volmaakt redelijk wezen geworden zij; terwijl
God met het ontstaan van den bovennatuurlijken mensch,
toen hij het plan vormde hem tot een heraeling te verheffen,
tevens de verplichting voor den ouder schiep, om zijn kind
niet slechts tot een volmaakt mensch, maar ook tot een
volmaakt Christen te vormen.
„Et cos patres.... educate Mos in diêdplina et correptione
Domini."
(\') Wat is de opvoeding, die gij als christelijke
ouders volgens de vermaning van den Apostel verplicht
(1) Ad Eph. VI. 4. De uitlegging van dezen tekst is woordelijk getrokken uit
vastemand. 187Ü van Z. D. H. den Bisschop van Breda.
-ocr page 236-
— -J-JH ___
zijt aan uwe kinderen te geven ? Die opvoeding, B. G.,
is niet enkel het vormen der jeugd tot welgemanierde en
kundige menschen, bekwaam om in de wereld fortuin te
maken. Dit toch doen ook de heidenen. Neen, die opvoe-
ding bestaat vóór alles daarin , dat men het kind , als
redelijk schepsel Gods, opleide en bekwaam make, om het
verheven doel te bereiken van zijn aanzijn hier op aarde.
Welnu, B. G , gij weet het. dat doel is God, het begin
en het einde (Apoc. I, 8) van al het geschapene. De
mei.sch is derhalve op aarde om God te kennen, Hem te
beminnen, Hem te dienen en om daardoor zich waardig
te maken eenmaal bij God eeuwig te leven in de hemel-
sche heerlijkheid. Ter bereiking nu van die verhevene
bestemming voor tijd en eeuwigheid het kind te vormen
en op te leiden, ziedaar wat de Apostel noemt eene op-
voeding „in de tucht en vermaning des Heeren.7\' Aldus
verklaart Mgr. H. Van Beek wat eene christelijke opvoeding
is . die ons door de Goddelijke wet geboden wordt. Hij
voegt er bij : De opvoeding dus, die gij, vaders en moe-
ders, verplicht zijt aan uwe kinderen te geven, moet eene
echt godsdienstige en christelijke, opvoeding zijn. Zij moet
gegrond zijn op- en geheel doortrokken van degeloofs-en
zedeleer van onzen heiligen godsdienst. (\')
De Goddelijke openbaring vordert dus eene christelijke
opvoeding en bijgevolg een christelijk onderwijs, laat ons
nu zien , wat ih- kerkelijke wellen in zake opvoeding en
onderwijs voorschrijven.
i)°. De derde macht, die ons eenige wetten kan voor-
schrijven en verplichtingen opleggen , is de II. Kerk ,
aan wie de Verlosser, die van God was uitgegaan, gezegd
heeft: qvaecumqve lüfaveriti*.... qui vos audil me awlil....
\'t) Vastemand. ibid.
-ocr page 237-
— -J29 —
Si Ecclesiam non audierif.... eunte* doceie.... Die u hoort,
hoort mij, enz. De H. Kerk, die in onzen H. Vader, den
Paus als het Opperhoofd der christenheid, en onze Hoogw.
Bisschoppen voortleeft, de H. Kerk, „de zuil der waar-
beid," de steunpilaar waarop de waarheid rust, (•) omdat
God haar de waarheid heeft toevertrouwd, en „de vas-
tigheid," omdat zij de waarheid standvastig bewaart,
beschermt en verdedigt, zoodat „buiten haar op aarde geen
christelijke waarheid, maar slechts dwaling en leugen is;
terwijl in haar de geopenbaarde waarheid een onverstoor-
baar en onvergankelijk bestaan heeft." (*) Welnu, deze
zuivere onomstootbare ..waarheidszuil , door God vastge-
steld, om allen menschen het goddelijk geloof te verkon-
digen en het haar overgeleverde pand der goddelijke leer
zuiver en ongeschonden te bewaren, alsook, om der men-
schen handel en wandel overeenkomstig die geopenbaarde
leer te richten en te vormen, (*) heeft altijd op eene bij-
zondere wijze dien heilzamen invloed, welken zij volgens
Gods instelling op de maatschappij heeft uitgeoefend,
op het onderwijs der jeugd toegepast." (*) Naar het voor-
beeld van den Goddelijken Verlosser, die de kleinen tot
zich liet komen, hun de handen oplegde en een verschrik-
kelijken vloek uitsprak tegen allen, die hen zouden erge-
ren (\'"\'), heeft de H. Kerk als eene ware moeder de jeugd
altoos in hare bijzondere bescherming opgenomen, en scho-
(1; Lipman 1 Tim. III. 15. „De pilaar en vastigheid der waarheid, een onver\\vin-
baar bolwerk (en het kéniu op aarde) tegen twijfclgeloof. dwaalgotoof en ongeloof."
Ib. hl. 687.
(2) Zoo spreken Prott. geleerden over de Kerk bij Lipman ib. Nota. Ecclesiam
dici cor.UMNAM et fiumamkntxjsi verit.vtis i. e. columnam bene firmatam et rirman-
tem veritatem (C a Lap.) passivk quia firmata, fulcita, stabilita in ipsa veritate
i. e. fundata super Christuui.... active... firmans, fulciens. stabilieus. stistentans et
attollens ipsam veritatem (Piconio), passive tirniata a Deo per illfall. ass. Spriritus
S. aetive per eam fidelea eontirmat fa Lapide).
(.1) Litt. Pii IX ad arehiep. Trib. 1864.
(4)    Conc. Prov. 1)1. 318.
(5)    Matth. XIX. 14 : XVIII. ü.
-ocr page 238-
— 230 —
len voor hen opgericht, om tegelijk niet hun verstand
ook hunne zeden te vormen, om aldus aan te vullen en
te voltooien, wat de ouders begonnen hadden of verwaar-
loosden. ,.Nog bij den Munsterschen vrede in 1(14^ moest
men naast kerken en hospitalen ook nog de scholen onder
de heilige en kerkelijke zaken optellen.")\') Zoo heeft de
H. Kerk de macht, den wil en de liefde, noodig om zich
het onderwijs der jeugd umuif de ouder* aan te trekken ,
zoo heeft zij van die macht gebruik gemaakt , zoo hare
liefde getoond.
De H. Kerk, die door God was aangesteld om alle
volken te onderwijzen run feu docete om nes genie», die be-
greep hoe onwaardeerbaar schoon de ziel en hoe groot de
bestemming is van het kind, dat noodzakelijk op zijn leef-
tijd de wegen zal bewandelen, welke het in zijne teedere
jongheid heeft leeren kennen en hoogschatten : adolescent
juxta c\'iam suam....A\\e
zorgzame moeder de H. Kerk heeft
altoos den ouders den duren plicht voorgehouden, hunne
kinderen Christelijk op te voeden en hun naar goede scho-
len te zenden, daar de ouders zelven veelal de bekwaam-
heid niet bezitten om hunne kinderen een onderwijs te
geven, dat in allen deele aan de steeds op tijdelijk gebied
toenemende verlichting beantwoordt, en dat voldoende
zal zijn om aan de menigvuldige gevaren voor verleiding
en verdorvenheid op verderen leeftijd het hoofd te bieden.
Zoo ooit, dan hebben hedendaags de ouders de hulp van
geleeideren en vooral van de onfeilbare H. Kerk noodig.
Dit sluit echter niet uit, dat de ouders altijd, doch op
de eerste plaats verantwoordelijk blijven.
Hier doet zich als van zelve de vraag op, wie in het
recht op het onderwijs der kindei\'en den voorrang heeft,.
(1) Mandement 18*;k.
-ocr page 239-
— 231 —
de H. Kerk of de ouders ? Wie het meeste recht heeft,
wie het eerste verplicht is ? Deze vraag is niet van be-
lang ontbloot, want vele ouders verkeeren in den waan,
dat zij geheel den last aan de Kerk, aan zuster- of fra-
terscholen, kunnen overgeven; dat zij er niet meer naar
behoeven om te zien, naar geen bidden, naar geen Cate-
ehismus behoeven te vragen, wanneer zij bij Christelijke
onderwijzers, bij broeders of zusters ter school gaan. Zij
verkeeren in dwaling en als zij zoo handelen, zal de op-
voeding eene zeer gebrekkige zijn. Want de ouders doen
dan nagenoeg hetzelfde, wat de neutrale school doet: zich
onverschillig toonen. Ik geloof dat een kind hetwelk van
zijne ouders dagelijks goede lessen ontvaiigt en thuis
christelijk woi-dt opgevoed, maar ook de neutrale staats-
school bezoekt, beter zal opgevoed worden , dan een
ander dat wel eene Christelijke school bezoekt, maar
thuis niets dan onverschilligheid in godsdienstzaken waar-
Deemt. De ouders zijn op de eerste plaats verplicht; ont-
trekken zij zich geheel aan de opvoeding, toonen zij zich
onverschillig, dan moet dit nog slechter gevolgen hebben
dan de onverschilligheid der staatsschool.
Het kind behoort aan de ouders krachtens zijne geboorte.
Zij en zij alleen bezitten de eerste en oorspronkelijke macht
over het pasgeboren schepseltje. Zij zijn de eerste onmid-
delijke opvoeders. Wel heeft God eene grootere macht
over het kind; doch door de H. Kerk als leermeesteres
der volken te stichten, heeft hij de orde der natuur niet
verbroken, integendeel den band tusschen ouders en kinde-
ren nog nauwer toegehaald door de bovennatuurlijke genade,
door het geloof. Het kind dus als Vind letchouwd staat on-
middelijk onder het gezag en de leiding zijner ouders en
middelijk onder dat van de H. Kerk, in zoo verre deze
16 Tweede deel Ruth.
-ocr page 240-
— 282 —
krachtens hare goddelijke zending het huisgezin door de
prediking des goddelijken woords, door de toediening van
de H. Sacramenten enz. Christelijk maakt, de ouders over-
tuigt van de noodzakelijkheid een er Christelijke opvoeding
en hun daartoe de middelen verschaft.
Ook zou het den priester niet mogelijk zijn de eerste
grondslagen tot eene christelijke opvoeding te leggen, dewijl
meu daannede reeds een begin moet maken „vóór dat de
kinderen het gebruik der rede hebben. Dan toch is hunne
verbeelding reeds voor vele indrukken vatbaar en vertoo-
nen zich hunne Verkeerde neigingen, die men later niet
dan met moeite zal kunnen tegengaan.... De christelijke
huismoeders moeten hare kinderen leeren bidden, hunne
handjes aandachtig leeren samenvouwen... de H.H. Xamen
van Jesus en Maria tegelijk met die van vader en moe-
der leeren stamelen." (l) Ook op verderen leeftijd is het
voor den priester niet doenlijk, geheel alleen het kind in
den godsdienst te onderwijzen. Hij kan dat niet zonder
de hulp der ouders. Deze zijn altijd op de eerste plaats
daartoe gehouden. Zij blijven de eerste en voornaamste
opvoeders ; zij moeten altijd op het gedrag en de vorde-
ringen toezicht houden. Toonen zij zich in zulk een ge-
wichtige zaak onverschillig, dan geven zij groote ergernis,
dan zal de opvoeding altijd veel te wenschen overlaten,
dan zal een christelijke school, de godsdienstige onderrich-
ting en ile Catechismusles de gewenschte uitwerking missen.
Zoo stemmen alle machten, de wetten der natuur, de
wetten van God, geopenbaard door onzen Goddelijken
Zaligmaker en de H. Schrift, en de wetten der H. Kerk ,
te zamen tot een en hetzelfde gebod: dat de natuurlijke
ouders of hunne plaatsvervangers, de voogden, op de eerste
(1) Vastemamlcmunt v&n Mgv. van Beuk 1871).
-ocr page 241-
— 2;33 —
plaats gehouden zijn hunne kinderen op te voeden en
voor een goed onderwijs te zorgen. Zien wij nu nog wat
•de burgerlijke wetten in deze vermogen te doen.
4». De viei\'de macht welke wetten kan samenstellen
en verplichtingen opleggen is de snuif, de tijdelijke Re-
, .geering, aan welke wij om de verordening van God gehoor*
zaamheid verschuldigd zijn. Omni» animapotestaübmsullv-
mioribu* subdita sit. Non est enlm potestas niti a Deo; quacum-
qite autem suni a Deo ordinata tunt.
Elke ziel zij aan
hoogere machten onderwoi-pen. Want er is geen macht
dan van God en de machten die er gesteld zijn, zijn door
. God gesteld. (\') De koning dus, en allen die deelen in zijne
macht, hebben hun gezag van God. Daaruit volgt dat
ook zij aan God moeten onderworpen zijn, dat zij tegen
Gods wil geene wetten kunnen maken, dat de Goddelijke
wetten altijd meer verplichten dan de hunne, ja, dat hunne
wetten geen wetten zijn, als zij met de goddelijke wetten
in botsing komen. In het laatste geval geldt het woord
der Apostelen, gesproken tot de-burgerlijke overheid van
het Jjodenland: oportet magis obedvre Deo qnam hominibus.
Men moet God meer gehoorzamen dan de mensch. (5)
Daar nu de wetten der natuur eveneens door God zijn
bepaald en dieper en duidelijker in de harten des men-
schen gegrift zijn, dan de geopenbaarde waarheden; daar
bovendien ook de H. Kerk ver boven alle tijdelijke mach-
ten door Jesus verheven is, wijl haar de waarheid en het
geestelijk en bovennatuurlijk geluk der volken is toe-
vertrouwd, terwijl aan den Staat slechts de zorg voor het
tijdelijk en maatschappelijk welzijn is overgelaten ; zoo
volgt uit dit alles, dat de Staat aan de wetten der natuur,
van God en van de Kerk niets kan veranderen en dat
" ï\\~ A<nTom.~xïnr ï7
(8) Act. Ap. V, S8.
>
1
-ocr page 242-
— 234 —
de opvoeding, welke den ouders is verzekerd, door den
Staat niet kan worden toegeëigend. Evenmin als het Land
onze goederen, onze huizen, onze spijzen of kleei-en kan
opeischen, dan wanneer de algemeene nood het vordert,
evenmin en veel minder kan hij den vader de macht over
zijn kind ontnemen of hem dwingen, om zijn kind anders
op te voeden dan hij verkiest. (\')
Z. H. de Paus Leo XIII zeide in zijne beroemde En-
cycl. over het gezag: „Daar is maar één geval, waarin
de menschen recht hebben van niet te gehoorzamen, dat
is, zoo men van hen iets vordert, dat in blijkbare tegen-
spraak is met het natuurlijk of goddelijk recht, want
alles wat de natuurwet of de «et eau God (en dus ook van
zijne stichting, de H. Kerk) schendt, is evenzeer verbo-
den op te leggen als te volbrengen. Zoo het dan iemand
mocht overkomen , dat hij gedwongen wordt te kiezen
tusschen de verachting van Gods bevelen of de bevelen
der vorsten , dan moet hij gehoorzamen aan J. C. , die
beveelt den Keizer te geven wat des Keizers is, maar
aan God wat Godes is." (2)
De maatschappij, het rijk, is slechts samengesteld, aan
den koning is slechts zijne macht gegeven, om zijne onder-
danen in kunne rechten ie betehermen, niet om hunne rechten
te ontnemen, (\')
opdat allen een vreedzaam leven leidenT
. en des te gemakkelijker kunnen werken aan hunne hei-
ligheid , om alzoo eenmaal hunne eeuwige zaligheid te
bereiken : „qui in suMimitate sunt, ut quietum et tranquillam,
vitam agamus in omni pietate."
(*) Het is dus de plicht der
(1)    Vide haec principia in Zij*l. Eth. p. 215, et Liberatoru ib.
(2)    Encycl. 2!l Juni 1881. cf. Zigl. p. 289. 300, 321.
(3)    Zigliara Eth. p. 21-1. „Gum enim in societatem formandam familiae conveniant.
ut auxilia a communitatc liabcant, quae solac aut nullo modo aut nounisi im-
perfecte in promptu babere possunt; neecsse est ut de jure et officio socialis
auctoritatis sit illa media aptiora suppeditare.\'*
(4)    I Tim. II, 2.
-ocr page 243-
i
*
— 23Ö —
regeering, niet het onderwijs en de opvoeding te verhin-
deren of\' te onttrekken , maar te waken, dat de ouders
van hun recht kunnen gebruik maken, aan hunne kinde-
reh volgens de wetten der natuur en van God eene chris-
telijke opvoeding kunnen schenken. En hoe meer de staat
voor de ouders die plichtsvervulling zal vergemakkelijken,
des te beter zal hij aan zijne roeping beantwoorden. (\')
BESLUIT. De geheele strijd van het onderwijs komt
neer op deze vraag : Wie heeft het recht onderwijs te geven?
Antwoord : Van de natuur of van God, die de natuur
geschapen heeft, ontvangen de ouders en voogden den
plicht, hunne kinderen tot volmaakte menschen op te lei-
den. Welnu, om een volmaakt mensch te worden, is het
bovenal noodzakelijk, dat van jongs af het verstand worde
ontwikkeld en de ziel met „de geestelijke onvervalschte
melk" ("\') der goddelijke leer, waarvan de H. Kerk als
„bewaarster en uitdeelster" (*) door God is aangesteld ,
worde gevoed, gesterkt en geheiligd.
Ergo zijn ouders en voogden verplicht, en hebben dus ook
het recht aan hun kroost vetw christelijke opvoeding te
geven , en voor een katholiek onderwijs te zorgen. De
Kerk en de Staat mogen en moeten ieder op zijn gebied
de ouders daarin behulpzaam zijn, de H. Kerk door gees-
telijke, de staat door tijdelijke middelen.
(1)    Misschien (absoluut beschouwd) kan hij de ouders dwingen tot eigen gekozen
onderwijs, doch dit is gevaarlijk en dus praetisch niet geoorloofd. Zigliara. .1. van
der Aa ontkent het absoluut in zijne Ethica Ed. 2 hl. 2:t2.
         4
(2)    Sieut modo geniti infantes rationahile sine dolo lac eoncupiseite I Petr. II. 2.
(;ï) „Custos et interpres Ecclesia.\'\' Prov. Conc. p. 15.
-ocr page 244-
— 236 —
H O ME L I El
op liet Kvang. van dvn 2en Zondag na I\'asehen..
((iciicpii-i on de opvoeding..
Kijo smii Pastor bonus. I k ben ile goede Herder. Joan. X. 11. 14.
De goede Herder bij uitnemendheid, welke ook in het
voorgelezen Evangelie bedoeld wordt,, is onze goddelijke
Zaligmaker , is Christus zelf, die zijn leven voor zijne
schapen op het kruis geofferd heeft, opdat dezen zouden
leven, en in overvloed zouden leven. Hij is de Herder
bij uitnemendheid, omdat alle herders zijner beminde Bruid
door hem herders geworden zijn. Si enim praeposÜi Eecle-
siae.... pastores su/it, quomodo nniu pastor mi. nisi quia sunt
il/i om neg unius membra pastori»? Kt quidem quod pastor est,
dedit et membris .mis: nam et Petrus Pastor, et eaeteri Apos-
lo/i pastores, et omnes boni episcopi pastores.
(\') Wat nu in dit
voortreffelijk Evangelie van den grooten Herder Christus, en
door Hem en om Hem van alle herders der Kerk is gezegdr
wil ik heden toepassen op de ouders , die in hun huisge-
zin , onder hunne lieve kinderen , als herders onder de
schapen kunnen beschouwd worden r omdat zij door de
natuur en door God als de bestuurders, geleiders en op-
voeders dier teedere schapen zijn aangewezen en te hunnen
opzichte plichten te vervullen hebben, gelijkvormig aan
die, welke den herders der Kerk zijn opgelegd.
Christus zegt van zich zei ven: Kf/o sum, 1* pastor, bonus.
Dienovereenkomstig zullen wij zien , I dat de ouders (h
herders
zijn hunner kinderen. II. Dat zij goede herders-
moeten zijn.
il) S. Aug. tract. 4G et 17 in Joann. apud S. Thorium in iatkria aikka.
-
-ocr page 245-
237 —
I.
Christus noemt zich herdei-, vooreerst, omdat hij door
de deur was binnengekomen : qui a/item itdrat per ont\'mm,
paêtor egt ovinm.
(\') ..Christus kwam in de Kerk door zich
zei ven en werd haar Herder door zijn eigen gezag. Alle
anderen gaan er binnen door de macht, die zij van Chris-
tus ontvangen." (*) Aldus komen ook de ouders in htt
huisgezin, dat als de schaapstal kan beschouwd worden,
door Christus. Het groot heilig Sacrament des Huwelijks,
door Christus ingesteld, is de grondslag van het huisge-
zin, de deur tot den schaapstal en de teerbeminde schapen,
die zij eenmaal rondom zich zullen vergaderd zien. Het
is de oorsprong der ouderlijke macht, door Christus zelveri
gewettigd , geheiligd en bekrachtigd , welke geen gezag
ter wereld zal kunnen ontnemen.
Christus wordt Herder genoemd, 2° omdat de portier
of deurbewaarder voor hem geopend heeft: „Auicostlarltu
aperü."
Deze deurbewaarder nu is de H. Geest, die aan
Christus toegang tot de Kerk verleende , toen hij diens
zending door zijn getuigenis, zijne genade en mirakelen,
b. v. bij zijn H. Doopsel , met zijn gezag omkleedde.
(Auctoravit) (\')
Zoo is ook voor de ouders door den H. Geest de deur
opengedaan tot het christelijk huisgezin, toen hij over hen
met zijne genade nederdaalde op het oogenblik , dat zij
voor het Altaar des Heeren den eeuwigen bond sloten ;
toen de geest van christelijke liefde en sterkte over hen
werd uitgestort, om een geestelijk huis des Heeren, een
braaf en vroom geslacht op te bouwen, om „vooral den last
eener christelijke opleiding naar behooren te volbren-
(1)    joann. X. 2.
(2)    MaMon apnd Corn. a Lap. in BURC textcm.
(3)    Corn. a Lap. ïbid.
-ocr page 246-
— 238 —
gen."(\') Zoo hebben zij door het huwelijk de macht verkre-
gen, om als herders hunne familie te regeeren en de bekwaam-
heid, om met de genade des H. Geestes ware herders te zijn.
Christus is ten 3" de Herder der Kerk, omdat hij zijne
schapen bij hunnen naam roept, hen uitleidt en zij hem
volgen. Et oven vocem e jus audiunt et proprias oven vocat
nomina firn et edueit cax. (\')
Zoo kennen de ware geloovi-
gen hunnen herder , Christus en zijne plaatsbekleeders ;
zij liooren zijne stem en gehoorzamen. (\') Ook hij kent de
zijnen. Novit iJnux qvi gunt cjux en roept allen en ieder
uit om hem naar de weiden te volgen, (*) en om hen te
voeden met zijne H. Leer, zijne genade en sacramenten.
Gelijkerwijze zijn de ouders de herders van hunne kin-
deren, omdat deze hunne stem kennen en volgen. Even-
als de natuur den ouders eene innige liefde heeft ingeseha-
pen tot de kleinen, die zij naar hun evenbeeld en gelijkenis
hebben voortgebracht, en die niet slechts in hun aanschijn
en vorm, maar ook in hoedanigheden de getrouwe levende
afbeelding zijn van vader en moeder, die in hen blijven
voortbestaan ; evenzoo is den kleinen ook eene onweer-
staan bare neiging ingeboren tot de ouders, van welke zij
naast God alles bezitten , wat zij bezitten. Zij kennen
hen en volgen hen en alle anderen zijn hun vreemd. (s)
Dit is van dien aard , dat een kind , wiens ouders zóó
vroeg gestorven zijn. dat het die nooit heeft gezien, ook
op lateren leeftijd nooit zooveel aandrang van liefde zal
gevoelen , nooit zooveel achting en eerbied zal bezitten
voor zijne voogden, al hebben ook deze in alle opzichten
(1)    Vastemandement van Mgr. A. Gtadschalk 1879.
(2)    Joaim. X. 8.
(:t) Corn. a Lap. ibid.
(4) Ibidem.
<;>) Du Voorzienigheid heeft Je neiging tot navolging dor ouders in hot kinder-
liart gelegd.
-ocr page 247-
— 230 —
de plaats der oudevs ingenomen. Het is een bewijs, dat
zij alleen de ware natuurlijke herders zijn, die op zoo
bijzondere wijze door het kind gekend en bemind worden,
en die wederkeerig het kind als hun evenbeeld, als een
gedeelte van hen zelven, animae dimidium (\') liefhebhen,
dag en nacht voor hen zwoegen , hun leven voor hen
offeren, om hun een overvloedig leven, een eerlijk bestaan
te verwerven : anima»/ dat pro ooilus... ut vitam habeant
et abundant/us habeant. (\')
Zoo zijn dan de ouders de herders van het huisgezin,
de eigenlijke opvoeders der kinderen, omdat zij door de
deur, door Christus, door het H. Sacrament daarbinnen
zijn gekomen ; omdat de deurbewaarder, de H. Geest, hun
daartoe de genade en sterkte heeft geschonken (3) en
omdat ouders en kinderen door den grooten natuurlijken
liefdeband aan elkander verbonden zijn. (*) Zijn de ouders
de eigenlijke eenige herders en opvoeders hunner kinde-
deren , zoo , dat niemand hun dat recht kan ontrooven ,
dan is het ook van het grootste belang en zeer\'noodza-
kelijk, dat zij de kunst verstaan om hunne kinderen goed
oj) te leiden, dat zij goede herders zijn. Hierover in het
tweede deel.
II.
Ego sum Pastor bonus. Christus was de Herder bij uit-
stek en de goede Herder. De goede Herder, omdat hij
voor zijne kudde eene bijzondere zorg aan den dag legt,
door de schaapjes bij hunnen naam te roepen, naar voed-
(1)    Horatins en Augustinus.
(2)    .loaun. X.
(:() Leo XIII Knevel. 2S Deo. 1878. ..De waru aard van de huiselijke Maatschappij
— aan tlo noodzakelijkheid van liet natuurrecht beantwoordende, —steunt vóór
allen op den onverbreekliaren band tussehen den man en de vrouw en wordt
aangevuld door de weder/.ijdsche rechten en pliehten tussehen ouders dn kin-
deren, meesters en dienaren.
(4) Hieruit volgt ook dat vreemden. CUP! mercexarii i.atro^is, zoonis liberalen
en sommige regooringon, geen recht tot opvoeding der kinderen hebben.
-ocr page 248-
— 240 —
zame grasvelden te geleiden, door hen voor te gaan (ante
eas railif)
op den weg des eeuwigen levens en door zijn
leven voor het hunne op te offeren, animam mam dat pro
ocibtu suis ut citaiii habeant et abundantius habeant.
Eveneens moeten de ouders , willen zij goede herders
zijn, 1° hunne kinderen voorgaan, ante eau railif, een goed
voorbeeld geven. De H. Thomas zegt: educate Ufo» in
diteiplïna se. verberum et correptione se. verborum;
(\') en de
geleerde Kardinaal Zigliara (2) voegt er dan bij : Opdat
de zedelijke opvoeding iets uitwerke, ejjicaciam kabeat, is
het noodig, dat de ouders een goed voorbeeld geven ;
want omtrent de zeden geldt het spreekwoord: woorden
wekken, voorbeelden trekken: Bedenkt wel, vaders en
en moeders, dat al uwe vermaningen en zelfs bestraffin-
gen voor de godsdienstige opvoeding uwer kinderen, wei-
nig of niets zullen baten, indien gij die niet beki\'achtigt
door uw goed voorbeeld. De kinderen zijn genegen u na
te volgen , oves Mum sequuntur , de schapen volgen den
herder. Gij moet dus uwe kindei\'en voorgaan in al wat
goed is: in het gebed. . (\') in het aanhooren van het
woord Gods, enz.
\'2". Wanneer de daden spreken , zal het nauwelijks
noodig zijn , er woorden bij te voegen , doch omdat het
kinderhart, vooral om zijne vatbaarheid voor slechte in-
drukken, (\') aan was gelijk is, zal het niet overbodig, ja
noodzakelijk zijn, bij het goede voorbeeld ook het stich-
tend woord te voegen. De goede Herder immers roept
zijne schapen bij hunnen naam ; zoo moeten ook de ouders
zelven met hunne eigen stem die teedere schaapjes leerenr
(1) S. Thom. ad "Kpli. VI, 1.
(ü) "Ethica Pd 8a, p. 214.
i.\'i) Mgr. van Mcok, Vastem&nd. 1879.
(1) Horatius do art. puutica. „Ckrki\'k in vitiitm fï.kiti.... itkiï." S. Basil. reg..
lib. interr. XV ibidem.
-ocr page 249-
— 241 —
„Hebt gij kinderen, zoo onderricht en buigt \\ien van kinds-
been af." (*) Uw woord heeft op het buigzame hart meer
invloed, dan dat van anderen. Leert en berispt hen dus
zelf en weet, „dat de ondeugden der jeugd het gebeente
zullen doordringen
en den mensch volgen tof aan zijn graf." (*)
Van de opvoeding der jeugd hangt grootendeels de toe-
komst af der gansche maatschappij, het geluk of het ouge-
luk der familie, de eeuwige zaligheid of de eeuwige
verdoemenis der zielen... Die christelijke opvoeding moet
gij hen geven in de ouderlijke woning; da;ir in den dage-
lijkschen omgang met uwe kinderen, moet gij hun steeds
godsdienst en deugd leeren kennen , leeren beminnen .
leeren beoefenen , hun bij elke gunstige gelegenheid een
diepen afschuw inboezemen voor alle ongerechtigheid....
hen vermanen, beloonen of bestraffen. (*)
3°. De goede Herder brengt zijne schapen naar het
veld, waar zij vrij heen en weer zullen wandelen, ingre-
dietur et egredietur,
en overal smaakvolle weide vinden,
et paseua inveniet. (*) Welke weiden ? pabulttm animae, het
voedsel der ziel, waardoor zij zullen zalig worden (mlva-
bitur)
; want ofschoon in dit sterfelijk leven hun de weide
niet ontbreken zal , zullen zij toch eerst ten volle ver-
zadigd worden in het paradijs. (*) Zoo zullen ook goede
ouders zorg dragen , dat hunne kinderen overal voedsel
vinden voor hunne ziel, door hen te leeren alle werken
van den dag te heiligen , dikwijls te bidden , veel over
godsdienstzaken, over hemel en hel te spreken, godvruch-
tige boekjes in handen te geven, den catechismus te leeren
(1)    Eccli. VII. 25. „Filii tibi Kunt V Krudi illos et curva illos apueritia illurum."
(2)    Job XX, II. „Ossa (\'jus implehuntur vitiis adolcscontiac ejus tt cum eo in
pulvere dormient.*\'
(!l) Mgr. Paralis in zijn herderlijken brief van 1« April 1879.
(4)    Sic explioftt Corn. a Lap. ib.
(5)    S. Aug. in Cateria irarea ed 1802 toino 8, p. :17.
-ocr page 250-
— 242 —
en vooral door hen naar goede scholen te zenden , waar
hunne zielen door christelijke onderwijzingen gevoed en
gesterkt worden , om eenmaal ,.de weide te vinden van
eeuwige vreugde en eeuwige rust, waar ons de Heer zal
binnenleiden." (\')
a)   De goede Herder was gekomen , zegt hij , om hun
het leven te geven : ut ci/am habeant. Welk leven ? Niet
het natuurlijke. Want dit bezitten wij reeds door de
schepping, maar het bovennatuurlijke, het leven der genade,
dat ons de Verlosser alleen, niet met goud of zilver, maar
met zijn bloed moest koopen. (\') Zoo zijt ook gij, geliefde
ouders, door die groote deur, het H. Sacrament des Huwe-
lijks , niet in huis gekomen om slechts het natuurlijk
leven te geven, maar vooral om hun het bovennatuurlijk
leven der ziel te schenken, want „het huwelijk is inge-
steld , opdat de kinderen in het ware geloof en als die-
naren van de ware godsdienst zouden opgevoed worden." (3)
b)  En dat bovennatuurlijk leven gaf de goede Herder
in overvloed, et abundant lus habeant, zoodat zijne schapen
overvloed hebben aan leer en genade , en door haar in
den geest vaardig, levendig, verheugd en schoon (pinouex) (")
geworden zijn. Ook dat moet gij doen, ouders. Uwe
kinderen moeten door godsdienstleer en genade overvloedig
gewapend zijn tegen de latere bekoringen of misleidingen
der dwalende wereld, \'t Is dus niet genoeg, dat zij tot
eerlijke menschen worden opgeleid en slechts natuurlijk
braaf zijn ; neen, zij moeten leven door het leven der genade.
Niet genoeg, dat zij oppervlakkig den catechismus kennen,
en voor het oogenblik braaf zijn; zij moeten door goede begin-
(1)    Theophylaotiu ibidem p. 3;">.
(2)    I Petr. I, 18. 19.
(!i) Cat. Hom. <lc matr. No, ir».
[4] Corn. a Lapide ibid.
-ocr page 251-
— 24;) —
selen aanhoudend gesterkt, in de deugd volmaakt wor-
den, en in overvloed christelijke deugd, christelijk leven en
kracht hezitten; anders zullen zij niet volharden: Memento
creatorü tui in diebus juventutis tuae, antequam veniat tempus
\' afflictionië, et appropinqttent anni, de quibtu dicas: non wild
placent.
(\') De kinderen moeten dus in hunne jeugd met eene
grondige kennis der waarheden van onzen H. Godsdiensten
met een voorraad van genade en deugden zijn toegerust,
vooraleer zij het moeielijke strijdperk der wijde wereld
binnentreden. Daarom is het eene eerste vereischte, dat
„de school, waar het kind met zijn jeugdig hoofd en
teeder hart het grootste gedeelte van den dag doorbrengt,
en bijna geheel aan den onderwijzer behoort, (") door de
godsdienst beheerscht worde." Is de school neutraal,
houdt zij zich buiten alle geloof, dan zal voor het kind
zijn schoonste tijd verloren gaan, de tijd, waarin de ziel,
nog kneedbaar als was, haar voedsel moest ontvangen voor
dat bovennatuurlijk leven, dat zij in overvloed moet bezitten.
c) Om uwen kinderen zulk een christelijk overvloedig
leven te geven, dat alleen in katholieke scholen gekweekt
wordt, moeten u, ouders, geene moeiten, geene kosten te
groot zijn , want de goede Herder geeft alles , zijn eigen
leven
zelfs voor zijne schapen : animam. suam dat pro nouis
suis.
Gij moet dus niet klagen over schoolgeld of bijdra-
gen tot katholiek onderwijs, \'t Geldt hier niet den naam,
de eer, den rijkdom uwer kinderen, \'t geldt het kostbaar-
ste, wat zij bezitten en ook het kostbaarste wat gij
bezit, de ziel, de zaligheid. (*) duid prodest homini,si mun-
dum universum....
[1] Eccles. XII, 1.
[2] Vastomanil. van Mgr. Soliae»iuan 1879.
[3] Cf. mandement van 1868.
-ocr page 252-
— 244 —
BESLUIT.
Zoo zullen dan de ouders als goede herders hunne
kinderen voorgaan, hen roepen en naar goede weide bren-
gen, om hen in geloof en deugd overvloedig te sterken.
Nog ééne zaak staat er van den goeden Herder geschre-
ven, welke helaas ! niet op de ouders kan worden toe-
gepast : rl oitam aeternam do eis. (\') Niets zoo vurig ver-
langen de ouders, dan hunne kinderen en kleinkinderen
eenmaal rondom zich in den hemel te zien. Haar dit
leven schenken kunnen zij niet: Non est meum dure voïjis,
sed quilvs pafatum est a Faire.
Üudei-s, gij kunt uwen lie-.
velingen niet het eeuwig leven schenken, maar geeft hun een
christelijk leven , zorgt voor eene christelijke opvoeding,
want er staat ook geschreven, dat de jongeling nimmer
den weg zal verlaten , dien hij in zijne jeugd heeft be-
wandeld(\') en dat hij, die ten einde toe volhard zal
hebben, eeuwig zal zalig zijn. (»*)
[1] Joann. X, 28.
\\\'J] Ailolcscons juxta viaiu saam etc.
[8] Qui persevoraverit usqne in ftnom.
-ocr page 253-
— 245 —
U Xa Ur JL Jc X .
Liberalen en Mollen,
t
Een vreemdsoortig opschrift, niet waar, lezer? En toch
wanneer gij dit stukje overzien hebt, zalt gij moeten be-
kennen, dat er niet weinig gelijkheid bestaat tusschen
die twee creaturen. Ge zult zeggen, dat het wel wat plomp
is een liberaal naast een mol te plaatsen, maar ge weet
toch ook. dat inen de koe bij de horens moet pakken en
wel zonder handschoen ; \'t is ook mijn plan recht op de
man af te gaan zonder veel complimenten, en de liberale
lui maar vlakweg onder het molengeslacht te rangschik-
ken Deed dit ook de woestijn prediker niet, toen hij Pha-
riseén van zijnen tijd een addergebroedsel noemde ? Mag
ik dan niet met evenveel recht de moderne Phariseün
met den naam mollenbroedsel bestempelen ?
Voorop moet ik echter aanstippen , dat hier niet alle
liberalen bedoeld zijn, b. v. geen burgemeester, die zijnen
Pastoor eens gaarne den rug laat zien, om een wit voetje
bij den gouverneur; geen schoolmeester, die wel veel
gelezen heeft, maar niet genoeg verstand bezit om in \'t
liberalisme groot kwaad te zien ; geen meester advocaat
of meer dergelijke meesters, die niet uit beginsel, uit over-
tuiging, maar om den wille van\' de smeer, om postjes en
baantjes , op den naam van liberaal groot gaan ; die op
onafhankelijkheid, vrijheid en eigen overtuiging brallen,
maar, och arme ! aan handen en voeten gebonden, af han-
kelijk zijn van de groote lui, die zij als slaven dienen
en vleien tegen hun geweten in ; die geen grijntje \\ry-
-ocr page 254-
— 240 —
beid meer bezitten , omdat zij door den geldgod of door
den hoogmoed tegen beter weten in, naar alle ongerijmd-
heden worden voortgedreven ; en die geen andere over-
tuiging meer hebben, dan die, welke in het brein hunner
huichelachtige vrienden, boeken en couranten zit. Maar
ik bedoel dezulken , die alle geloof als domheid hebben
weggeworpen, die zich boven alle gezag, ja boven God
verheffen, zich zelven op zijn troon plaatsen, en in hunne
zelfvereering, zelfvoldoening en zelfvergoding hun laatste
einde zoeken. Opdat gij, beminde lezer, u door die mon-
sters niet laat misleiden, opdat gij, die nog gelooft aan
een God en zijn Plaatsbekleeder, die verwaten schepsels
beter kennet en u wachtet voor hunne verdei\'felijke leer
en grondstellingen, die dagelijks in een massa geschriften
worden rondgevent; daarom zal ik in \'t kort u hun karak-
ter blootleggen, en om dit duidelijker te maken een libe-
raal vergelijken met een mol.
I.
Laat ons een mol voor den dag halen. Een levenden
of een dooden ? Zonder twijfel een levenden, dan kunnen
wij hem later nog dood slaan, als het noodig is. Daar
is er een. Hoe ziet hij er uit ?
1". Zwart, zwarter dan roet, zwart van alle kanten, van
kop tot teen, van den snuit tot den staart. Hij is zwart,
een duisterling. Hij is gehaat bij de menschen en wordt
gevangen en doodgeslagen , als hij in ons bereik komt.
En de liberaal ? O vriend , als gij hem kendet in zijn
ware gedaante, ge zoudt zien hoe zwart hij is, hoe afschu-
welijk voor God en de menschen , hoe gehaat bij God,
dien hij overal vervolgt, in scholen, kerken en huisgezin-
nen, hoezeer hij ook door Gods vrienden diende vervolgd
en gestraft te worden. Maar hij houdt zich schuil, want
-ocr page 255-
— 247 —
2°. Ook de mol verbergt zich in den grond. Nooit ver-
schijnt hij in het licht, en, geheurt het bij ongeluk, dat
hij, van den weg verdwaald, boven komt, dan zoekt hij
aanstonds weer de diepte en vlucht het oog der menscheu.
Zoo ook verbergt zich de liberaal; hij steekt zijne looze
bedoelingen in \'t duister, hij durft er niet voor uitkomen,
dat hij aan geen Grod , geen ziel of eeuwigheid gelooft ,
en dat hij daarom alleen de jongens op zijn school wil
hebben, om hun alle geloof te benemen, en hen heidenen
te maken gelijk hij zelf heiden is. Zijn aard leert
men kennen, wanneer hij bij ongeluk uit zijne vrijmetse-
laarscholeu te voorschijn komt; men moet dien opmaken
uit eenige bijzondere gevallen, als zijne plannen in\'tge-
heim beraamd, bij toeval uitlekken, door dat een of andere
grootheid die geheimen uit de school klapt. B. v. als
een hoofdonderwijzer te Roermond, in een vuile courant
al zijn gal uitspuwt tegen de geestelijkheid en den gods-
dienst; als een liberaal predikant, De Jong, publiek zegt,
dat het dwaasheid is te gelooven aan menscheninslikkende
visschen en sprekende ezels; als een ander schoolman
zijne jongens durft straffen, wanneer ze hem niet nazeg-
gen : „dood is dood ;" wanneer in de Tweede Kamer zelfs
door een onvoorzichtigen verkondigd wordt, dat de gods-
dienst voor den Staat gevaarlijker is dan de neutrale
school, dat men den godsdienst als anti-nationaal moet
uitroeien ; als te zelfder tijd een ander mijnheer zegt,
dat men op de openbare school deugden van joden en
vrijmetselaars christelijk moet noemen, opdat het volk niet
afkeerig zij van de staatsschool; dan, beminde lezer, dan
komt de aap uit de mouw, dan zien we, wat die vrijraet-
selaarstroep eigenlijk in haar schild voert. Maar zelden
komt de mol te voorschijn.
17 Tweede deel Ruth.
-ocr page 256-
— 248 —
3". Gij hebt, waarde lezer, tot een jeugdigen wijsneus
wel eens hooren zeggen, en misschien zelf\'wel ooit gezegd,
dat hij zooveel praats niet hebben moet, daar hij aan
zijn kaken nog zoo zacht is als een mollevel. Ja , de
mollenhuid is zacht, en ook de liberalen zijn mollenvellen,
uiterlijk zacht, vleiend, innemend. O ze weten zoo mooi
te praten , en zoo schoone beloften te doen. Ze zullen
prachtige scholen bouwen als paleizen, en uwe kinderen
kunnen daar gratis onderwijs genieten , ze leeren daar
alles en komen zonder moeite tot hooge bedieningen, die
veel geld geven ; maar ze zeggen niet, dat gij die kost-
bare scholen, die dure onderwijzers op slot van rekening
toch zelf moet betalen ; ze zeggen niet, dat gij daarvoor
belastingen moet opbrengen. Ze maken van uwe kinde-
ren geleerde lui, dat is verwaande lui, bedorven jongens,
die , als ze daar den geest der moderne vrijheid hebben
ingezogen, in hunne verwaandheid u als domkoppen, bij-
geloovigen en dwazen zullen verachten, en helaas ! hunne
ziel verliezen. Want ook de oude liberalen noemen zich
de verlichte wereld , de ware denkers, en ons , die nog
aan een God en gezag gelooven, slechts achterlingen en
domkoppen. Ze beloven aan het land welvaart en geluk,
maar intusschen laten ze door hunne knoeierijen de Indi-
sche inkomsten verloren gaan, bouwen onnoodige heerlijke
scholen, en deelen aan hunne vrienden de beste postjes
uit, zooals notariaten, terwijl wij alleen geroepen worden,
als het tijd is van betalen; want
4". De mol is vet, ja vet en dik is hij, zoodat ge nau-
welijks een hals aan hem onderscheiden kunt. Zoo zit
er ook bij alle mooie beloften niemand mooier bij dan
de liberaal. Hij leeft van de schatkist, hij verrijkt zich
met ons geld , de een helpt den ander op de baan , de
-ocr page 257-
— 249 —
«en vergroot de traktementen van den ander, hij brengt
zijne kinderen zonder onkosten groot, en zoekt alle mid-
delen uit, om de opvoeding der onzen maar duur te maken.
II.
Het lijf van den mol hebben wij gezien. Laten wij hem
nu eens bij den kop pakken ; daar merken wij
1°. Een spitten muit, waarmee hij den vasten grond
doorboort, en tot in alle hoeken en diepten doordringt.
Heeft ook de liberaal niet een spitsen snuit, die hij in
alles insteekt ? Hij steekt zijn neus in kloosters, in ker-
ken; hij loert processies, predikaties en ceremonies af, om
eenigaas te vinden voor zijn spotlust. Zoo heeft in den zomer
van \'80 een liberale vlegel een bedevaart.... ja een bede-
vaart gedaan. Waarheen? Naar Reek, wat deed hij daar ?
Hij kwam er alles afneuzen, om er publiek in de X. \'R.
Courant mee te spotten. Hij heeft daar een Capucijn
gezien, een H. Donatus gezien, biddende menschen gezien.
O , dat was zoo dwaas voor hem ! Hij kon maar niet
begrijpen, hoe die boeren zoo onverstandig kunnen zijn,
dat zij door een heilige tegen het onweder bij God hulp
gaan zoeken. Weet de dwaze dan niet, dat er een
God is, die de wereld en ook de donders bestuurt, en die
zoo gaarne den eenvoudigen landman verhoort op de voor-
spraak van een heilige ? Als hij nog zoo lomp is, dat hij
dan zijn nous maar in zijn schulpen trekt; dan behoeft
hij den boeren geen les te geven.
2°. üe mol heeft vele Jijne tandje* en onder de boven-
lip twee groote slagtanden , waarmee hij soms de wortels
van tengere plantjes doorbijt. Zoo bijt ook de liberaal
aan den wortel der menschheid , aan de jeugd ; hij dóet
wat hij kan om deze het ongeloof in te prenten, hij bijt
aan de heiligste instellingen, hij wil het huwelijk afschaf-
-ocr page 258-
— 250 —
•
fen, (om maar een naam te noemen, de zoo gevierde Mr.
van Houten , die in de Tweede Kamer zit) hij bijt aan
de priesterschap , aan de Congregaties , aan de klooster-
goederen, aan het Pausdom zelfs, dat zij op de gruwelijk-
ste wijze aanvallen en verscheuren willen. Maar vuile
Comedies worden geduld en voortgezet. Waarom ? Omdat
ze geloof en zeden bederven. Velen weten nog, hoe gewel-
dig de liberalen den burgemeester van \'s Bosch uitschol-
den , toen hij een zedelooze voorstelling verboden had.
Ook het gespuis der vrijmetselaars heeft vrijen loop.
Waarom ? Omdat er vele liberalen, om niet te zeggen
de meesten, tot dat gespuis belmoren.
3". Wanneer ge den mol op zijn neus tikt, dan geeft
hij een akelig geschreeuw. Hij is daar zeer gevoelig. Kijk
eens , hoe schoon dit op de liberalen past. Zij kunnen
het niet uitstaan, dat ge ze eens op den neus tikt en eens
goed de waarheid zegt. Wat doen zij, als ge hen door
degelijke bewijzen in \'t nauw zet en op den kop slaat ?
Dan doen zij niets dan schreeuwen als een mol en schel-
den , omdat ze u niet wederleggen kunnen. Toen de
katholieken hun adres naar den koning zonden, en hand-
tastelijk bewezen was, dat zij de nieuwe schoolwet ver-
foeiden, toen scholden zij ons uit voor oproermakers, zij
zeiden , dat wij bij den koning den baas wilden spelen ;
maar zijn de liberalen geen onruststokers en oproerlingenr
als zij tegen den wil des volks zulke onrechtvaardige
wetten maken en door hunne meerderheid den Koning
dwingen , om ze te bekrachtigen ? Zij kiinnen dus niet
lijden , dat ze op hunnen neus getikt worden , maar ik
houd het er voor, dat ze ook geen knip voor hunnen
neus waard zijn. Dat blijkt nog uit het volgende.
4°. Zij zijn zoo blind als een mol. Hoe, heeft de mol
-ocr page 259-
*
— 251 —
dan geen oogen , ziet hij niet ? Laat ons eens kijken ?
Boven zijnen snuit merkt ge twee kleine gaatjes. Daar
schijnen twee bijna onzichtbare kijkertjes in te zitten; ze
zijn zoo diep verborgen, opdat zij tegen het zand, waarin
hij altoos werkt, zouden beschut zijn. Hij wordt blind
genoemd , maar ziet toch. Zoo , mijn vriend , zoo staat
het ook met den liberaal, hij houdt zich blind. Hij ziet
"wel degelijk, maar wil niet zien, hij is ziende blind. Hij
weet wel , dat de ouders alleen het recht hebben om
onderwijs voor hunne kinderen uit te kiezen , maar hij
wil dit niet weten , hij maakt den oudei-s elk onderwijs
ontoegankelijk, behalve het goddeloos onderwijs. Hij weet
"wel, dat een onzijdige school don godsdienst bepaald moet
vernietigen, dat zij voor ons dus onaannemelijk is, maar
hij wil \'t niet weten. Hij weet wel, dat den kleinen van
jongs af\' , aanhoudend en vooral op school geloof en deugd
diende ingeprent te worden , dat ze anders nooit gods-
dienstig en braaf zullen zijn, maar hij wil \'t niet weten,
hij is ziende blind. Hij ziet wel, dat het onrechtvaardig
is, dat de rijke liberale kinderen van onze belastingen
worden opgevoed, en dat wij van datzelfde geld weinig
terugkrijgen , maar hij wil het niet zien. Hij ziet heel
goed, dat de grondwet ten onzen gunste moet of ten
minste kan uitgelegd worden , maar hij wil niet zien.
Hij weet wel, dat een ongodsdienstige opvoeding niets
dan booswichten teelt, dat door hunne vrijdenkerij en
vrijheid van alle waar gezag, de wereld vergaan moet,
maar hij wil niet weten, hij is een zoogenaamde blinde mol,
ziende blind. Hij weet wel, dat er een God bestaat boven ons,
dat deze den menschen wederzijdsche liefde, gehoorzaam-
heid en zelf behee:-sching heeft opgelegd, hij is een dwaas,
maar een vrijwillige dwaas, hij is blind, maar ziende blind.
-ocr page 260-
— 252 —
Zij moesten weten, dat er een oppermachtige God is T
die ieder mensch het recht gaf, om voor zich /.elven te
zorgen, en aan elke regeering den plicht oplegt, om voor
het waar geluk van den mensch te zorgen , in zoover
deze het zelf niet doen kan ;\' maar neen , zij willen dit
niet weten en zeggen, dat de regeering aan geen wetten
van God, aan geen rechten van de Kerk of van de men-
schen gehonden is, en dat zij naar believen wetten maken
kan tegen God en zijne Kerk ; daarom verjagen zij de
priesters, verbieden processies en bedevaarten, en zenden
mannen uit naar hunne keuze , om volgens hunnen wil
de jeugd te onderwijzen. Toen een joodsch kind, dat door
de meid gedoopt was, door Pius IX z. g. Koning zijnde,
in den katholieken godsdienst, tegen den wil der joodsche
ouders werd opgevoed, toen zetten de liberalen de gansche
wereld in beweging, toen schreeuwden zij dood en wraak;
en ziet eens, lezer, wat zij zelven nu doen. Thans roo-
ven zij niet één kind , maar duizenden en millioenen.
AVant zoovelen zullen voortaan gedwongen zijn hunne
scholen te bezoeken. Zoo matigt zich eene liberale regee-
ring alles aan, zij stuurt reeds mannen om op hun manier
onze kleinen te onderrichten ; wie weet, of er nog niet
een tijd zal komen, dat zij er ook zenden zal, om hunne
kribben op te maken en hunne vl.....te vangen ? Ik
sprak daar van hunne school, een mollenschool had ik
moeten zeggen ; want evenals de mol altoos in den grond
bezig is, zoo moeten ook hunne meesters met hunne leerlin-
gen door den grond wroeten. Hierover in \'t volgende punt.
III.
Xa lijf en kop gezien te hebben, moeten wij nog zijn
woning en zijn werkkring kennen.
1". Waar woont de mol ? Hij leeft en beweegt zich
-ocr page 261-
— 253 —
in den grond, niet in den zandigen , maar in den vetten
grond. Daar vindt hij zijn vermaak , zijn voedsel , zijn
geluk , zijn leven en dood. Ziedaar , waarom ik zeide ,
dat de staatsscholen mollennesten zijn. \'t Is den onder-
wijzer , dien duren onderwijzer, niet geoorloofd in die
dure school over godsdienst, over eene H. Kerk .
over eene ziel, over hemel of hel te spreken, alleen met
het aardsche moet hij zich bezighouden , het hemelsche
mag hij niet aanraken. En al zou hij het mogen . zal
hij het dan doen ? Immers , wat soort van meesters zal
er komen ? Mannen , die hunne opleiding middellijk of
onmiddellijk genoten hebben op hoogere scholen, waar de
schandelijkste godslasteringen geleerd worden. Onze drie
universiteiten zijn broeinesten van ongeloof. De profes-
soren van Wijk, Opzoomer en Scholten prediken hunnen
studenten voor , dat er geen God is , als wij zelven de
God Diet zijn. Publiek durven zij de Godtergende stel-
lingen leeren en schrijven, dat alles wat er bestaat God
is, dat wij zelven dus ook Goden zijn, dat wij dus kun-
nen zondigen, zooveel wij willen, kunnen vloeken ....
Maar ik wil niet langer aan zulke afschuwelijke dwaal-
leer mijne pen vuil maken. Gij, lezer, gij begrijpt wat
er worden moet van Nederland , wanneer op de hooge
scholen dergelijke schandelijkheden worden uitgebraakt,
wanneer zoo onze onderwijzers worden gevormd, wat moet
er dan van onze kinderen komen ? In den beginne kun-
nen wij nog op de openbare scholen goede onderwijzers
hebben, die van den ouden stempel zijn, maar hoe lang
zal \'t duren ? En al zijn ze goed, toch zijn ze door de
wet gedwongen met hunne leerlingen, in navolging van
den zwarten mol, altoos in liet aardsche rond te wroeten.
Als we niet al ons geld opofferen, om eigen broeder- en
-ocr page 262-
— L>54 —
zusterscholen op te richten , dan zal ook ons nageslacht
geen godsdienst meer achten, tot zedeloosheid vervallen,
die godslasteraars navolgen en de maatschappij omwoelen.
2°. Ook de mol wroet alles overhoop ; schoone gras-
velden bedekt hij niet dorre aardhoopen , ten spijt van
den landman , die veel tijd besteden moet om dien boel
weer uit elkander te gooien ; hij doorboort en doorwroet
alles, en opent soms de dijken, zoodat het water er door-
breekt en alles vernielt, \'t Schijnt ook de eenige lust der
liberalen te zijn alles om te wroeten , aardhoopen op te
werpen, alles het onderste boven te keeren. Den werk
man wordt de vrijheid gepredikt, men zegt hem, dat hij
zoo goed is als zijn meester, men vleit hem en noemt
hem niet meer werkman, maar, lacht niet vrienden, men
noemt hem werkheer; men spot met alle gezag, dat men
zelf niet noodig heeft; men zet door vrijheidsleuzen de
geloovigen tegen de herders, de burgers tegen den koning,
de schepselen tegen den Schepper op. Wat moet daaruit
volgen ? Eene algeheele omwenteling, eene overstrooming
van zedeloosheid , want daar geen God of gezag erkend
wordt, zoekt ieder zijn eigen voldoening, jaagt met on ver-
zadigbaren honger al zijne lusten en begeerlijkheden na,
en werpt alles omver, wat zich daartegen verzetten zon.
o°. Eene andere eigenaardigheid van den mol is , dat
hij. zoodra zijne gaten en sporen zijn ingetrapt, aanstond»
wederkeert
en ze heropent. Hebt ge vandaag de sleuf
aangevuld of toegestampt , morgen is zij weer dezelfde ,
ja grooter nog. Insgelijks , hoe dikwijls ook de gaten ,
waardoor de liberalen een uitvlucht zoeken voor hunne
goddelooze dwaalleer, worden ingetrapt en gestopt, hoe
dikwijls ook hunne dwaze stellingen wederlegd zijn en
hoe duidelijk ook verslagen, spoedig komen zij weer door
-ocr page 263-
— 255 —
dezelfde gaten gekropen, dezelfde dwaasheden verkondigen,
alsof er niets gebeurd was. Zij noemen ons dompers en
weetnieten, en hoe duidelijk het ook herhaalde malen
bewezen zij , dat de grootste geleerden in de katholieke
Kerk zijn voortgebracht, dat de wetenschappen in de kloos-
ters bewaard zijn gebleven , dat elk katholiek priester
met gemak al hunne bewijsvoeringen kan omstooten, toch
noemen ze ons weetnieten. Hoe dikwijls ook de vrijden-
kerij is ingetrapt en bewezen, dat men niet zonder groote
verwaandheid en domheid aan God en zijn Kerk geloof
kan weigeren en onderworpenheid , dat wij geen slaven
zijn van den Paus en van onze bisschoppen , maar vrij-
willig uit overtuiging en met recht hun gehoor geven in
die zaken , welke door God hun zijn opgedragen ; dat
wij, die om God aan onzen koning in burgerlijke zaken
gehoorzamen , meer vaderlandslievend en betere staats •
burgers zijn, dan zij, die uit de schatkist rooven, en het
volk ongodsdienstig, zedeloos en oproerig maken ; toch
komen zij met diezelfde afgezaagde verwijten terug, toch
blijven ze het oude stokpaardje berijden , en ons dom ,
slaven der geestelijkheid, staatsgevaarlijk en vijanden
noemen van allen vooruitgang, geluk en vrede.
Zoo kruipen zij door de oude sleuven heen, evenals de
hardnekkige mol, en willen naar geen redenen luisteren.
Ofschoon het handtastelijk is bewezen, dat een sle\'cht gods-
dienstloos onderwijzer, al mocht hij in de school van geen
dwaalleer spreken , toch zeer veel kwaad doet aan de
kinderen \'en aan de gemeente, waarin hij voor een groot
man door de onwetenden gehouden wordt , ofschoon het
klaar bewezen is, dat de thans heerschende zedeloosheid,
de menigvuldige diefstallen, moorden en andere gruwel-
daden niet uit gebrek aan onderwijs, maar uit gemis van
-ocr page 264-
— 256 —
godsdienst voorkomen ; toch sluipen zij door \'t oude gaatje
en beweren met een leuk gezicht, dat neutraal onderwijs
geen kwaad doet, ja dat het noodzakelijk is, om de heer-
schende werkeloosheid, armoede en zedenbederf uit te
roeien. Ziedaar het eeuwigdurend wroeten en woelen van
den blinden mol.
4». Zou die leelijke mol dan nergens goed voor zijn ?
Jawel, geachte lezer, anders had de goede God hem niet
geschapen. Hij aast op onderaardsche insecten, hij vangt
pieren en andere schadelijke wormen, en heeft hij een lief
plantje omgewroet , de anderen groeien er te beter om.
Zoo ook laat God de zwarte liberalen en vrijmetselaars
bestaan, om den grond te zuiveren, en valt er een schoone
plant in de H. Kerk, de anderen, die flauw zijn, worden
dan door het ongeluk van dezen opgewekt, en maken
dan zooveel te meer vooruitgang in geloof en deugd. En
als de revolutie eens heeft uitgewoed, als die booswich-
ten elkander, en helaas, ook velen der onzen in den af-
grond hebben gestort, dan bloeit de H. Bruid van Christus
weer schooner dan te voren ; wanneer de overstrooming
voorbij is, zal er wel veel verloren zijn, maar wat over-
bleef, staat weelderiger dan ooit, en brengt goede vruch-
ten voort.
Zoo ziet gij, beminde lezer, dat ik niet zonder reden
den liberaal naast den zwarten mol geplaatst heb, want
op twaalf punten van gelijkheid heb ik u gewezen.
Oordeel zelf of ik gelijk heb.
-ocr page 265-
— 257 —
Witte Holle o.
i.
Ik heb de liberalen met zwarte mollen vergeleken, doch
nu ben ik te weten gekomen , dat er ook witte mollen
zijn. Ten minste, ik heb in de couranten gelezen, dat
er te Schijndel een witte gevangen is. Of dit waar is
valt te betwijfelen. Ik houd het er voor, dat gewoonlijk
drie vierde part\' van het courantennieuws gelogen is.
Vertelt men, dat er honderd menschen verdronken zijn,
dan schat ik ze op twintig. Schrijft men, dat een Koning
of President is doodgeschoten, dan denk ik, dat hij aan
wangen of handen een schram heeft gekregen. Ik geloof
dat couranten-lozen gevaarlijk is voor kinderen, vrouwen
en allen, die maar aanstonds alles voor echte munt aan-
nemeu ; zij vinden zich zoo dikwijls bedrogen, zij moeten
zoo dikwijls eene overtuiging verwerpen of veranderen ,
dat zij allengs geene overtuiging meer hebben , en ook
de heiligste onfeilbaarste waarheden niet meer vast genoeg
gelooven, en dan over alles beginnen te twijfelen.
Maar te Schijndel, zoo schrijft men, is een witte mol
gevangen, misschien wel geschoten ! Het is couranten-
nieuws, dus niet vertrouwbaar. Die mol zal dus een
witte vlek op zijn schobben gehad hebben, misschien had
er een vogel op gespuwd, misschien had hij door een kalk-
kuil gewroet, misschien droeg hij een witte veder of papier
om een nest te bouwen, misschien een witten vlinder in
zijn staart, om zijne jongen te voeden, misschien.... mis-
schien. Er is niets aan te doen. Er wordt geen koetje
bont genoemd, of er is een vlekje aan. De mol moet dus
-ocr page 266-
— 258 —
iets wits gehad hebben. Wat nu gezongen, zei de kos-
ter, en de kerk stond in brand. Wat nu ? Ik heb gezegd,
dat de liberalen gelijk zijn aan mollen en dus zwart,
leelijk, veracht en gehaat zijn bij God en de menschen,
en nu komt een man uit Schijndel, die geleerder is dan
ik, vertellen , dat niet alle mollen zwart zijn. Wat nu
gezongen ? Ik weet geen uitvlucht. Ik zal maar ootmoe-
dig bekennen , dat ik abuis heb gehad met alle mollen
en liberalen zwart te noemen, ik zal maar ronduit erken-
nen, dat er ook bonte en witte mollen en liberalen zijn.
II.
Er zijn dan mollen met witte vlekken , er zijn ook
liberalen , die niet geheel en al zwart en afschuwelijk
zijn, maar een of andere witte plek, een goede hoedanig-
heid hebben, \'t Is waar, ze zijn gehaat bij God, die hen
in hunne ware hoedanigheid kent, en ziet, dat, hoe vele
goede hoedanigheden zij ook hebben, toch het voornaam-
ste altoos ontbreekt, namelijk het geloof; maar de men-
schen worden dikwijls misleid door den uiterlijken schijn,
door hunne innemendheid, zachtzinnigheid, milddadigheid
en andere natuurlijke begaafdheden. Die bekwaamheden,
dat goed karakter maakt hen eenigszins wit, en soms zoo
wit, dat de menschen nauwelijks meer kunnen ontwaren,
dat het toch een mol, een liberaal is , die steeds in de
aarde wroet en blind is voor het ware geluk des men-
schen, blind voor zijne hoogere bestemming en maar niet
zien wil, dat de Koning der Schepping niet slechts voor
aardsch geluk, maar boven alles geschapen is, om door
het aardsche het hemelsche te bereiken. Ze gelooven wel
aan geen God of gebod, ten minste twijfelen ze aan de
macht van onzen H. Vader, ten minste verachteloozen
zij de stem van Herders en Bisschoppen , maar zij ver-
-ocr page 267-
— 259 —
bergen die twijfelingen, die minachtingen, en zij trachten
door hunne lieftalligheid den eenvoudigen katholiek om
den tuin te leiden. Er zijn er, die in de tijdelijke zaken
ervaren zijn , met landbouw , koophandel , nijverheid en
kunsten vertrouwd zijn , die een goede tactiek hebben
van rekenen, ovei\'leggen en administreeren, die ook lief-
derijk, voorkomend en weldadig zijn jegens de armen, den
werkman volop te werken en een goede belooning geven.
Ziedaar eenige goede hoedanigheden , die hen wit
en schoon, maken voor \'t oog des volks en hunne harten
winnen, zoodat het, doordien uiterlijken schijn misleid, zulke
vermomde, half zwarte mollen aanhangt en bij de eerste
verkiezing afvaardigt voor de Kamers, de Staten of den
Gemeenteraad, terwijl het zijne oogen sluit voor de hoofd-
zaak en vergeet, dat het toch altijd een mol is, een libe-
raal is , die zich maar lief aanstelt om aan het bewind
te komen en zich zelven door de beste baantjes dik en
vet te maken. Heeft hij de macht in handen, dan gaat
hij voort met in schijn het volk goed te doen, maar tracht
het intusschen zware belastingen op te dringen voor zijne
schoolpaleizen, in dewelke geen God mag genoemd wor-
den , geen Onze Vader en Wees Gegroeet mag worden
gebeden, geen kruis mag hangen ; in welke geleerd wordt,
dat een jood zoo goed is als een christen ; in welke de
kleine hoofden worden opgevuld met alle onnoodige hoog-
moedig makende wetenschappen, terwijl het voornaamste,
het dagelijksche leven, de arbeidzaamheid, de deugd, de
gehoorzaamheid , de godsvrucht wordt verwaarloosd en
geminacht; zoodat die kleine hansjes weldra groote pieten
zijn, veel meer weten dan vader en moeder, ja meer dan
pastoor en kapelaan, naar hen niet meer luisteren, tegen
hunnen wil alle pleizieren en nieuwigheden, alle slechte
-ocr page 268-
— 2Ü0 —
boeken en bijeenkomsten zoeken, en aldus als echte mol-
letjes diegenen navolgen , in welke hunne ouders zich
hebben bedrogen.
Zij immers, die geen godsdienst achten , alle
gezag verwerpen , de ware deugd , het geluk der ziel
verwaarloozen , geen God , geene Kerk , geen e priesters
eerbiedigen, maar slechts streven naar aardseh geluk, zijn
geen menschen met ziel en lichaam ; „zij hebben geen
ziel," zegt de H. Judas Thaddeus , want deze is door
armoede en gebrek aan deugd als \'t ware gestorven , ze
zijn redelooze dieren, ze zijn onderaardsche mollen gewor-
den. O zoo schoon zegt de eerste Paus, de rots der Kerk,
de H. Petrus : „Er zijn, zoo schrijft hij in zijn tweeden
brief, valsche profeten onder het volk geweest, en altijd
zullen er onder u bedriegelijke leeraren zijn, die dwaal-
leer en verderf onder n zullen brengen en Hem, den lieer,
die hen heeft vrijgekocht , willen zij niet kennen ; en
velen zullen hunne uitspattingen volgen, terwijl de weg
der waarheid (de H. Kerk, de Paus, de Bisschoppen) zal
gelasterd worden, en in hunne gewinzucht (omzich een goed
tractement te verschaffen) zullen zij door hunne geveinsde
taal , (waardoor zij u veel voorspoed en aardsch geluk
voorspiegelen) met u koopmanschappen (u aan den dui-
vel verkoopen)..... Ze zijn als redeloos vee, dat een dag
van wellust als zijn hoogste geluk beschouwt , (dat in
dit korte leven zijne voldoening zoekt.)
TIL
Jammer maar, dat de kinderen der wereld in hun doen
voorzichtiger zijn dan de kinderen des lichts. De katho-
lieken\' zijn het licht der wereld , bet licht dat aan den
hemel glanst en de heele wereld in hare duisternissen
den rechten weg toont. Maar evenals er zwarte mollen
-ocr page 269-
— 261 —
zijn met witte plekken , zoo zijn er heldere lichten met
donkere vlekken. Het zijn die katholieken, die wel de
goede beginselen aankleven, het met de H. Kerk en hare
leer wel hoog op hebben, maar wier daden met hun ge-
loot in sommige punten strijdig zijn.
De zon kan soms te veel branden, zoodat zij door een ieder
gevlucht en vermeden wordt; ze kan ook te flauw schijnen,
zoodat zij aan de levende wezens niet genoegzame warmte ,
en aan den grond geen vruchtbaarheid geelt ; zoo kan ook
een katholiek te schei\']), te heet, te bijtend zijn en door
zijne overdrijvingen, zijne bitse woordvoeringen of zijne
singuliere gedragingen zich gehaat maken ; en aan den
anderen kant kan hij te laf, te bloohartig. achteloos en
flauw zijn, zoodat hij weinige vruchten voortbrengt. Het
licht kan eenige duistere vlekken hebben, ook de katho-
liek is soms eerzuchtig, gierig, karakterloos, inhalig, be-
krompen, onbeleefd, onhandig, terugstootend en lastig;
soms niet ijverig genoeg, om de groote waarheden met
hare onomstootbare bewijsvoeringen te hooren en te be-
studeeren, of niet genoeg bezorgd voor het tijdelijke wei-
zijn ; want ofschoon allereerst het rijk Gods moet gezocht
worden, mag toch het tijdelijk geluk niet veracht en ver-
waarloosd worden. Hij is soms niet genoeg bedreven in we-
reldlijke aangelegenheden, misschien ook meteenige in \'t oog
loopende ondeugden behept, welke hij door de vingers ziet.
Zoo gebeurt het dat hij niet geacht is , en ner-
gens invloed heeft, nergens bijval vindt, en zelfs de
katholieke beginselen te schande maakt. „Lasteren zij
(door hunne handelwijze) den goeden naam (den naam
van Christus) niet, waarnaar gij (Christenen) genoemd
wordt ?" Zegt de H. Jac. God beware ons van de libe-
xalen, die open of bedektelijk de maatschappij en den
-ocr page 270-
— 262 —
godsdienst omwroeten, maar Hij beware ons ook van
zulke flauwe en slechte katholieken, die door hunne
slechte voorheelden en ergernissen meer kwaad kunnen
doen, dan verklaarde vijanden der Kerk.
IV.
Tot dusverre hebbeu wij verondersteld, dat het couran-
tennieuws voor de grootste helft onwaar was; doch het
zou kunnen zijn , dat de Schijndelsche mol geheel wit
was, daarom moet ik ook bewijzen, dat een liberaal geheel
wit en schoon zijn kan. Ja, mijne vrienden, er zijn witte
liberalen. Ze zijn goedhartig, menschlievend, ja, als \'t
gewed is, ook katholiek. Ze gaan op hunnen tijd naar
de kerk, ze maken er een kruis, ze bidden er, ze offeren
er een cent in de schaal , ze geven aan den armen , ze
gaan zelfs met Paschen, misschien meermalen te biechten
en te communie ; wat wilt gij meer ? En toch, hoe wit,
hoe goed, hoe schoon de mol uitwendig ook is, hij is en
blijft een mol. Een liberaal, hoe christelijk ook schijnende^
blijft een liberaal. Maar hoe zullen wij hem dan toch
kennen, als hij uiterlijk in alles aan een braaf katholiek
gelijk is ? Luistert, mijne vrienden ; welke kleur een mol
ook hebben moge, nooit zal hij het wroeten afleeren, altijd
zal hij een spitsen snuit, een paar scherpe slagtanden
hebben, en altoos zal hij in den grond met zijne kame-
raden verwijlen.
1°. Een mol zal altoos wroeten met zijn spitsen snuit
en aan de wortels bijten met zijne scherpe tandjes. Zoo
zal een liberaal-katholiek zijnen spitsen neus in vele zaken
steken , welke hem niet aangaan. Hij zal het heiligste
niet sparen. Hij komt in de kerk om er alles af te neuzen
en te bevitten, hij kent aanstonds alle bestaande of niet
bestaande gebreken der priesters , hij doorsnuffelt hun
-ocr page 271-
— 203 —
gedrag, hunne woorden, hunne predikatiën ; hij heeft er
altoos iets op te zeggen ; hij kan niet nalaten te smalen
op sommige heilige gebruiken ; hij kijft op de pracht dei-
kerken ; hij haat de kloosterlingen, vooral hen, die uu en
dan om een cent komen bedelen. Zoo snuffelt, zoo wroet,
zoo bijt hij aan alles en in alles wat goed, wat christe-
lijk, wat heilig is.
2°. Hij zal zich ook steeds in den grond ophouden, in
aardsche zaken zijne bevrediging zoeken. Groot te zijn
in de wereld, een vette beurs te hebben en vele pleizieren,
dat zijn zijne verlangens, zijne gesprekken, zijn streven.
Om de rest geeft hij weinig. Maar hij bidt, hij biecht
en communiceert toch, ten minste met Paschen. Dat is
goed mogelijk ; dat moet de huichelaar doen , om zijnen
naam te behouden ; dat doet hij voor het oog. Is dat waar?
Zijn er zulke afschuwelijke monsters op de wereld ? Ja,
brave vrienden , ze zijn er, en de dag des oordeels zal
uitmaken, hoevelen er zijn. Helaas, ze zijn er, ik zeg het
met huivering en schrik, ze zijn er, goddelooze booswich-
ten, katholiek gedoopt, onder katholieken opgevoed, af-
komstig van goede ouders, maar door slechte boeken en
couranten en scholen en makkers , eindelijk zoover van
den goeden weg verdwaald, dat zij het allerheiligste ont-
eeren en honderden heiligschennissen plegen, om maar een
katholieken naam te hebben. O, die rampzaligen, moch-
ten zij hunne schanddaden erkennen, mocht de goede God
hunner ontfermen en de oogen openen door zijne krachtige
genade! Maar kunnen die ongelukkigen dan niet te goe-
der trouw dwalen ? De goede trouw wordt van zulke
katholieken niet verondersteld. Al te duidelijk heeft onze
H. Vader de Paus gesproken , al te veel is er over ge-
schreven en gewreven, dan dat nog iemand, die een weinig
18 Tweede deel Ruth.
-ocr page 272-
— 264 —
verstand bezit, te goeder trouw in dwaling zou kunnen
zijn. Ieder katholiek weet, dat hij aan de uitspraken
van den H. Stoel zich moet onderwerpen ; dat hij het
onderwijs moet veroordeelen, als er alleen natuurlijke
\'wetenschappen geloerd worden en de godsdienst wordt
verzwegen ; dat het niemand vrij staat te denken, te oor-
deelen en te schrijven wat hij wil, maar dat men alles
zonder bedenking en zonder twijfelen moet aannemen, wat
de H. Kerk, door den H. Geest voorgelicht, den menschen
verkondigt; dat men alleen in de ware Kerk kan zalig
worden en onfeilbaar zeker verloren gaat, als men haar
kennende, haar niet wil dienen ; dat elke regeering, elk
bestuur moet rekening houden met den godsdienst, dat is,
dat het den waren, alleen zaligmakenden godsdienst niet
mag \' tegenwerken , zelfs niet ignoreeren , maar de kerk
helpen moet, om aldus gezamelijk, ieder in zijnen kring,
voor het geluk der volken te werken. Deze en meer
andere waarheden zijn door de Pausen en Bisschoppen
meer dan eens voorgehouden, duidelijk genoeg aan allen
geopenbaard, zoodat elk katholiek, die anders denkt of
anders handelt , zich wijzer waant dan de H. Kerk, die
door God is aangesteld als de onfeilbare leermeesteres
der volken , zich plichtig maakt aan ongehoorzaamheid
jegens het hoogste gezag, ergernis geeft aan allen, die hij
tot zijn gevoelen tracht over te halen, ja een ware ketter
is, in zooverre hij twijfelen zou aan de onfeilbaarheid van
den Paus of van de H. Kerk , wanneer dezen in zake
van geloof en zeden iets als eene goddelijke overgeleverde
waarheid voorstellen.
Die goede trouw dus kan moeilijk bestaan; hoewel hij
soms wegens eene schuldige onwetendheid nog eenige ver-
schooning vindt bij God, zal hij voor zijn medemensen,
•
-ocr page 273-
-»- 265 —
voer de Kerk en maatschappij, niet minder gevaarlijk en
schadelijk zijn, dan een ander, die wetens en willens dwaalt
en geen acht geeft op de leer der H. Kerk, of uit boos
opzet daarnaar niet wil onderzoeken. Verwonder u niet,
katholieke lezer, dat er zulke huichelachtige schijnheilige
katholieken zijn. Dusdanigen kende reeds de H. Apostel
Judas Thaddeus : „Eenigen zijn (in de kerk) geslopen ,
zegt hij, die in hunne boosaardigheid de genade van onzen
Heer (zijne ingevingen, zijne sacramenten) misbruiken tot
hunne begeerlijkheid (om daardoor hunne goddelooze plan-
nen te volvoeren).... Deze zijn morrende klagers (tegen
de geestelijkheid en godsdienstige instellingen), ze leven
volgens hunne lusten en hun mond spreekt hoovaardij
(zoo hoovaardig zijn zij, dat zij zich boven de H. Kerk
en boven God, den stichter en bestuurder der H. Kerk,
verheffen), ze vleien het volk (door hun godsdienstig en
vroom uiterlijk) om zich njk (en groot) te maken."
3*. Het derde en voornaamste teeken, waaraan gij den
liberalen katholiek zult kennen, is zijne omgeving, zijn
gezelschap. Een witte mol verkeert ook met zwarte mol-
len. Ziet maar eens welke couranten en boeken zij lezen,
met welke vrienden zij omgaan. Ze moeten buitengewoon
geleerde koppen zijn, alle katholieke waarheden, gebruiken,
rechten en instellingen grondig kennen, de spitsvondig-
heden en listen onzer vijanden goed kunnen doorschouwen,
om door hunne drogredenen, hunne valsche voorstellingen,
hunne sluwe gevolgtrekkingen niet van het rechte pad
te worden afgeleid en niet in een afgrond van dwalingen
en twijfelingen neer te storten. ,."\\Vie kan vuur in den
schoot dragen , zonder te branden ?" zegt de wijzernan.
Neen, \'t is niet mogelijk dag in dag uit die bestudeerde,
fijne, huichelachtige redeneeringen aan te hooren, zonder
-ocr page 274-
— 2(36 —
daardoor besmet te worden. En Paus en Bisschoppen
zeggen het: slechte geschriften zijn de pest. En wie gaat
er dagelijks met een pestzieke om, zonder niet eens aan-
getast te worden ? En heeft het de ondervinding niet
geleerd ? Hoe was het anders mogelijk , dat er zoovele
booswichten zijn , als ik boven beschreven heb , en dat
de grofste dwaasheden door zelfs geleerde mannen worden
aangenomen. Hoe anders, dat dag en nacht wordt gestu-
deerd, geschreven en gedrukt, om de Kerk en priesters
maar gehaat te maken, om de jeugd te bederven, en alle
mogelijke dwaasheden uit te vinden, ten einde te bewijzen,
dat er geen God is, geene Kerk is, dat onze voorouders-
apen waren en dergelijke dolzinnigheden meer.
Ziet dus maar, lezers, welke couranten en geschriften
er gelezen worden, alsook met welke personen men omgaat.
„Zeg mij, met wien hij verkeert,
En ik heb zijn aard geleerd."
Men werpt op , dat men die slechte couranten noodig
heeft voor plaatselijk nieuws , voor den handel, om het
gevoelen der tegenpartij te kennen , enz. , doch dit zijn
ijdele voorwendsels, dikwijls genoeg weerlegd.
liet Handelsblad, Het Niemvs van den Dag% I)e Nieuice
Rotterdammer
en honderd andere nieuwsbladen, zijn bladen
van joden en liberalen. Verder zijn alle couranten min
of meer gevaarlijk, die de katholieke beginselen niet ver-
dedigen. Christus heeft gezegd : „Die niet vóór mij isr
is tegen mij." Het blad dus, dat altoos zwijgt van katho-
lieke zaken en ze niet verdedigt, is onchristelijk of libe-
raal, het is tegen Christus.\'Aan zulke bladen, aan zulke
personen zal een liberaal-katholiek gekend zijn. Nog ééne
vraag: kan een liberaal-katholiek te biechten gaan, kan
hij geabsolveerd worden ? Mijn vriend , de biecht is een
-ocr page 275-
— 2G7 —
geheim, daarover moeten wij niet spreken. Een liberaal,
die boosaardig genoeg is om overal te huichelen, zal ook
in den biechtstoel niet zeggen, dat hij liberaal is; hij zal
zich ook daar wit maken. Wij mogen dit van iemand
afzonderlijk niet licht vermoeden, maar zeker is het, dat
hij verkeerd handelt, dat hij, hoe wit en schoon ook uit-
wendig, met zijne mollenbeginselen de maatschappij om-
wroet en, hoe goed hij \'t ook meene, de kerk ten gronde
helpt, en daarom als zoodanig moet verafschuwd woi\'den.
Nog eens : zijn er bonte en witte mollen, er zijn ook
wit gevlekte en schoonschijnende liberalen, maar hoe wit
ze ook zijn, ze blijven altoos snuffelen, wroeten, bijten,
ze houden zich op met het aardsche, en hunne vrienden
zijn bekende zwarte mollen, hunne lectuur is joodsch of
onchristelijk.
-><=^&i!^C>^Ö/^:55i£=^>
-ocr page 276-
— •268 —
F u 1 e o ? & a Bern.
i.
Aardsche grootheid is slechts ijdelheid. Eer, aanzien en
hegaafdheden dompelen den mensch in zijn ongeluk, wan-
neer ze niet door een waren godsdienstiin geheiligd zijn.
Dit leeren ons de lotgevallen van den held, wiens belang-
rijke geschiedenis ik hier in \'t kort verhalen wil.
Fulco was een echte ridder der middeleeuwen. Afstanv
meling uit het huis van Cleef, en zelf den titel van Graaf
van Teisterbant voerende, ontbrak het hem niet aan moed
en bekwaamheid, om den luister zijner grafelijke afkomst
te handhaven, en door schitterende daden die nog te ver-
grooten. Hij was vurig en opstuivend van aard, maar
niet minder edelmoedig en oprecht; zijn rechtschapenheid en
ervarenheid verwierven hem van den Keizer het leenheer-
schap of de z-echtspraak over de dorpen die tusschen
Maas en Waal gelegen zijn. Daarenboven bezat hij een
sterk kasteel bij Heusden, te Bern, waaraan hij zijnen
naam van Heer van Bern ontleende. Deze heerlijkheid
verschafte hem gelegenheden genoeg, om zijnen moed en
dapperheid te toonen , zijne kracht te ontwikkelen en
zijnen naam uit te breiden.
Te Bern werd hij herhaaldelijk door naburige Heeren
en Graven aangevallen, die door nijd, wraak of hebzucht
gedreven, aanhoudend met hunne soldaten en wapenen
voor zijne poorten verschenen, om het kasteel te besprin-
gen, en den zoowel gevreesden als gehaten Fulco met
zijn gevolg uit den weg te ruimen. Maar deze wist door
zijn beleid en moed die aanvallen af te weren, en bracht
het soms zoo ver, dat zijne vijanden niet alleen druipende
»
-ocr page 277-
— 269 —
van het bloed huiswaarts vloden, maai- ook nog werden
nagezet tot onder de muren hunner eigene steden en
heerlijkheden. Jammer maar, dat \'de verbitterde Fulco
zich in zijn geluk niet genoeg wist in te toornen, en don
glans van zijnen roem bevlekte door wreedheden, welke
zijn overigens goedaardig karakter in tijd van rust en
vrede zou hebben verafschuwd. Zoo gebeurde \'t eens, dat
hij over een beuzeling met den Heer van Wijk in twist
geraakte, en deze in zijn toorn een speer door \'t lijf joeg,
zoodat hij dood voor zijn voeten nederzeeg.
Aldus wist de stoute ridder, ofschoon niet altoos even
billijk, zijn gezag te handhaven, zijn naam te vergrooten
en allen schrik in te boezemen voor zijne burcht en wa-
penen; maar, helaas, de groote man, die zooveel gehar-
naste krijgslieden had neergeploft, overwon zich zelven
niet. De sterke Samson, op wiens naderende voetstappen men
beefde van angst, liet zich verleiden, bedriegen, verschal-
ken door eene, door eene.......ja dooreene zwakkevrouw!
Vele weken vertoefde de graaf op het kasteel te Alt-
forst bij Megen, alwaar zijne ouders woonden, en hij bracht
dan ook menig bezoek aan het zoo vroolijk gelegen kas-
teel van Maasmond, dat niet ver van Bern verwijderd
was. Hier verbleef een zekere Kraft, wien op zijn hooge
jaren nog de lust bekroop, om een huwelijk aan te gaan
met een jeudig en aanminnig meisje, dat Bessela heette
en van Someren afkomstig was. Met vreugde stemden de
ouders in zulk een huwelijk toe, want de heer Kraft was
zeer rijk en van veel hooger afkomst; het huwelijk ging
aan, en Kraft nam Bessela mede; doch het kind kon
met den ouden suffer niet heen, en kreeg zulken afkeer
van hem, dat het op eens de vlucht nam, en bij zijne
moeder te Someren in het Peelland kwam aangeloopen.
-ocr page 278-
— 270 —
Gij kunt begrijpen, waaide lezer, welke droefheid den
ouden heer verpletterde, toen hem zijn hoogst geluk ont-
nomen was, en welke moeiten van beide zijden werden
aangewend , om de twee wederom te vereenigen. Doch
alle smeekingen en bedreigingen leden schipbreuk op het
afkeerige hart der jonkvrouw, totdat haar eindelijk de
stellige verzekering werd gegeven, dat de oude Kraft bij
testament haar zijn prachtig kasteel met alles wat hij
bezat vermaken zou. Die schatten lachen haar toe, want het
vooruitzicht bestaat, dat de grijze man niet lang meer
leven zal; daarom geeft zij zich gewonnen, stemt toe en
keert met hem naar Maasmond weder.
Onze Fulco kwam hier dikwijls en wellicht werd de
invloed van den gezelligen vermaarden ridder gevraagd,
om door zijn spraakzaamheid en bevallige manieren voor
Bessela het kasteel genoeglijk te maken. Maar, o wee!
\'t Is de raad van Achitofel, het begin van beider onder-
gang. O dappere ridder, moedige David, die honderden
vijanden in \'t zand deed bijten, zal dan de lage wellust
ook uwe stalen borst bekruipen, ook u nedersmakken en
begraven in de schande der ontucht ? O groote Fulco ,
waag u niet in de gelegenheden ; gij zult de zegevierende
vleugels van uwen roem en dapperheid aan dit onzuiver
vuur verzengen ; meet u niet met dezen vijand, hier baat
geen aanvallen ; vlucht, mijn vriend , vluchten is hier
overwinnen, vluchten is hier zegepralen ! maar ach !
Gelijk een os zijn levensdagen,
Gestijfd in \'t juk, gehard door plagen,
Den zwaarsten last geschouderd heeft,
En, argeloos aan dunne lokken
Dan naar de slachtbank voortgetrokken,
Op \'t outer van een afgod sneeft. (Prov. VII: 22.)
-ocr page 279-
— 271 —
Zoo strompelt de onverwonnen ridder,
(Mijn hemel, hoe kan \'t zijn, ik sidder!)
Naar Venus altaar schand\'lijk voort;
Daar ligt de lafaard vastgebonden,
Daar, in den vuilen walm der zonden,
Wordt al zijn roem en glans gesmoord.
Daar ligt nu de groote Sanison in de diepte neerge-
vallen. Daar ligt hij in banden gekluisterd, in banden
van ontucht. Daar ligt al zijne grootheid begraven, ver-
stikt, gesmoord in den vuilen zondendamp. O armzalige
ridder. "Waar is nu al uw roem, uw rijkdom, uw vroolijk
en gelukkig karakter? Waar is nu uw luister en geluk?
Helaas ! dat alles is vergaan , bezwalkt, vernield door
uwe lage misdrijven. O , waar zult gij u van schaamte
bergen, waar vluchten voor de wroeging van uw angstig
geweten ! O, of gij nimmer hadt bestaan, of gij door de
aarde mocht ingezwolgen worden, om den gloed der wroe-
ging te koelen.
En gij, arme Bessela, die als vele anderen het slacht-
offer geworden zijt van een opgedrongen huwelijk , die ,
alleen door goud uitgelokt, u daartoe liet brengen, helaas,
hoe heeft men u bedrogen ! wat hebt gij nu aan uwe
schatten, nu uwe ziel eene prooi van satan is geworden
en door de ijsselijke beten der wroeging gefolterd wordt?
O , ongelukkige Euleo ! O , beklagenswaardige Bessela !
Wat baat u rijkdom, macht en weelde,
En alles wat uw harten streelde,
Nu gij verwijderd leeft van Grod ?
Want in een zondenpoel vervallen,
Ziet ge uw geluk en vreugd vei\'gallen,
En huivert voor uw eeuwig lot.
Ja, waarde lezer, \'t was een zondenpoel. Geen mensch
-ocr page 280-
— 272 —
is \'t bekend , wat al gruwelen tusschen beiden gepleegd
zijn, maar zeker is het, dat er geen halt bestaat op de
baan der boosheid ; men glijdt daar voort van afgrond
tot afgrond, en nimmer is de afgod van den wellust ver-
zadigd; hij eischt grooter en grooter offers , hij eischt
have en goed , eer en faam , lichaam en ziel , leven en
dood. Wij weten niet veel van de verregaande boosheid
dezer twee ongeiukkigen, maar zeker is het, dat de oude
Kraft kort na die gruweldaden een lijk was, dat Fulco
met Bessela huwde, en met haar al hare bezittingen in
handen kreeg.
Nu een woord tot u, geliefde ouders, die deze geschie-
denis leest. Gij kunt hieruit leeren , welke rampzalige
gevolgen zulke huwelijken na zich sleepen, die alleen om
geld of eer, vuilen wellust of ook wel tegen den wil der
kinderen worden aangegaan. Gij ziet het in Kraft en
Bessela. En gij , beminde kinderen , onthoudt het wèl,.
tot welke ongehoorde gruweldaden de zondige gelegen-
heid ook den sterken Fulco, ook de getrouwe Bessela voerde
eu ook u in gelijke omstandigheden zou kunnen voeren.
Bidder Fulco heeft den ovei-speligen David gevolgd
in zijn diepen val, hij zal hem ook volgen in zijne boet-
vaardigheid.
IL
Hij moge pralen met lauwrieren,
Met bloemenkransen \'t hoofd versieren,
Die sterke steden overwon ;
Maar bovenal is prijzenswaardig,
Die tegen eigen wil strijdvaardig
Zichzelven ook beheerschen kon. (Prov. xvi: 32.)\'
De dappere ridder heeft machtige legers verslagen, ook
over zijn eigeu zondig gemoed zal hij zegevieren ; maar
-ocr page 281-
— 273 —
niet zoo gemakkelijk. Zijn val was veelvuldig, peilloos
diep en zooveel te minder verbeterlijk, naarmate hij meer
tijdelijken voorspoed daardoor verkregen had ; de schoone
Bessela en alle goederen van Kraft waren de zijne gewor-
den ; en \'t is zoo uiterst moeilijk , eene ware droefheid
te gevoelen over misdrijven , die zooveel geluk hebben
aangebracht. Doch de zonde, hoe bekoorlijk en winstgevend
ze zijn moge, zij heeft ook hare schaduwzijde, en de ge-
vallen ridder proefde het: de slagen der wroeging bons-
den geweldig tegen zijne onverzettelijke borst; hij voelt
het thans wat het is, voor een ijdel en schandelijk genot
de hooge Majesteit des Heeren in \'t aangezicht te slaan,
haar te versmaden en minder te achten dan de zonde.
Dit toonde hem de oprechtheid van zijn karakter, maar
ook kwam daarbij de stem van den oneindig goeden God.
Deze toonde hem alle genoten weldaden, bleef voortgaan
met zijne ondernemingen te begunstigen en gaf voort-
durend zegen aan zijne wapenen, om door die liefderijke
bejegening het verloren sshaap terug te roepen en zijn
ondankbaar hart te treffen. Helaas! de verdwaalde ridder
luistert niet, en schijnt er slechts lust in te hebben, om
nog meer te verdwalen; hij doet geweld aan de ernstige
verwijten van zijn geweten ; door gedurigen voorspoed
overmoedig geworden, waant hij zich sterk, dat God noch
mensch hem deren kan. Daarbij doen zijne ononderbroken
gevechten hem zijnen val bijna vergeten , en mocht die
sombere stem aan zijn hart roepen, zij wordt overschreeuwd
door de luidruchtige jubelkreten zijner glansrijke over-
winningen. O, \'t is zoo bezwaarlijk voor een onkuischaard,
om op zijne eerste schreden terug te komen, hij holt blin-
delings voort op den weg des verderfs, en de zoete beris-
pingen van den weldadigen God dienen slechts, om hem
-ocr page 282-
— 274 —
nog verder te voeren en hardnekkiger te maken.
Maar de dag der wrake is nabij, \'t Is de wraak van
den onuitsprekelijk goeden God , die geen andere wraak
schijnt te kennen, dan zijne onuitputtelijke weldaden in
ruimere mate uit te storten, naar gelang zij meer vertrapt
zijn. Wil de ridder naar geen smeeken hooren, kan voor-
spoed en geluk, hem door God zoo mildelijk toebedeeld,
zijn onbreekbaar hart niet verteederen, wil het ongeluk-
kig schaap met geen zachtheid, met geen wenken en
lokken en liefkozen uit zijnen afgrond opstaan, dan zal
de goede Yader des Hemels, evenals voor een Paulus en
Norbertus , zijnen donder en bliksem afzenden , om het
ongevoelig hart te verbrijzelen en met geweld van het
pad der zonde af te slaan. O oneindige, grenzelooze goed-
heid des Heeren ! Hebt gij dan niets anders te doen, dan
met uwe genade den verworpeling na te loopen, en nadat
hij al die gunsten misbruikt, veracht en versmaad heeft,
bem nog altoos na te loopen en met toenemenden aan-
drang zijne bekeering af te smeeken ? Moet uwe Almacht
daarvoor dienen, om eindelijk na al die vruchtelooze uit-
noodigingen den onverlaat, tegen wil en dank als \'t ware,
gelukkig te maken ? Wij, kleine mensehen, wij verstaan
dit niet, onnaspeurlijk zijn uwe wegen, onbegrijpelijk uwe
volmaaktheden !
De dag des heils is voor onzen ridder aangebroken, de
gelukkigste, de schoonste dag zijns levens. Overpeinzende
misschien zijne vroegere euveldaden, (want geheel en al
ze vergeten kon hij niet) rijdt hij, zonder iets kwaads te
vermoeden , maar toch zwaar gewapend , door den Bom-
melerwaard bij Nederhemert. Maar eensklaps verschijnen
zijne gezworen vijanden, met blinkende sabels, zwierende
door de lucht. Eulco keert zich ijlings om en vlucht,
-ocr page 283-
— 275 —
maar helaas! daar ziet hij zich van alle kanten ingeslo-
ten: den Maasstroom in \'t gezicht, den vijand in den
rug. Er is geen uitkomst meer, de ridder is verloren.
Maar neen, in dit bange oogenblik klopt de goede God
voor den laatsten keer aan de deur van zijne benauwde
ziel, een straal der genade dringt er in door , en stelt
hem nogmaals zijne zonde in al hare afschuwelijkheid
voor den geest. De ridder schrikt. Hij ziet de hel voor
zijne voeten gapen, die hem aanstonds verslinden zal, hij
wendt het oog naar boven , waar liet rouwmoedig hart
altoos genade vindt ; het spijt hem tot zoo lang Gods
goedheid uitgetart te hebben, zoo lang en zoo onmensche-
lijk de reikende hand des Vaders te hebben afgeslagen,
zoo lang en zoo gruwelijk den medelijdenden Vader be-
droefd te hebben ; het berouwt hem uitermate en dit
innig en waar berouw vermorzelt zijn zondig hart, ver-
scheurt den helsehen band , die hem nog aan de zonde
gekluisterd hield ; dit berouw boezemt hem een onver-
gankelijken afschuw in voor zijne begeerlijkheden , voor
de wereld en voor zichzelven. De berouwvolle ridder doet
afstand van zijn zondig leven en zweert voor God en de
H. Maagd Maria , dat hij zichzelven met al zijne bezit-
tingen aan den dienst van God opoffert. Triomf! de zon-
daar is bekeerd en de engelen juichen over het herstel
dier edele ziel. De nood heeft haar gered.
Een huis in brand. De binten kraken.
Het vuur dringt knettrend door de daken,
Brengt binnen groote ontsteltenis ;
\'t Gezin, onmachtig dit te stuiten,
Werpt angstig \'t beste tuig naar buiten,
En redt wat nog te redden is.
-ocr page 284-
— 276 —
Zoo redt, door \'t vuur der wraak omgeven,
De bange ridder \'t dierste leven,
Het leven zijner kostbre ziel....
Triomf! De geest aan God geschonken ;
Wat kwaad, als \'t lichaam werd verdronken,
Of wel in vreemde handen viel ?
Neen, \'t komt er niet meer op aan, wat met zijn lichaam
gebeure. Toch zal ook dit behouden blijven. De brave
man heeft zich gewijd aan God , hij heeft Maria aange-
roepen , en waar, waar zou hij beter uitkomst vinden ?
Vol vertrouwen werpt hij zich met paard en wapens in
de golvende wateren en , o wonder! hij zwemt op zijn
moedig ros door den sterken stroom naar den overkant.
En zij, die op den oever stonden en in den aanvang hunne
pijlen den koenen zwemmer achterna joegen, hebben ver-
teld, dat zij eene schoone vrouw achter over \'t paard
zagen zweven , als om den bekeerling te beschermen én
tegen zijne verwoede vijanden en tegen de golvende baren.
Ongetwijfeld was het de H. Maagd, die deze gunst van
den algoeden God voor haren teruggevonden zoon ver-
kregen had. Zulke vreugde, beminde lezer, zulke vreugde
vervult den hemel bij de bekeering des zondaars, dat
hij zelfs mirakelen doet om ook zijn tijdelijk leven te redden!
Zoo is dan des ridders bekeering voltooid; en Bessela ?
O, hoe beefde zij van schrik, toen zij de lotgevallen van
haren echtgenoot vernam. Wat ging er wel om in haar
onboetvaardig hart, toen haar gemaal vertelde uit hoe
groot gevaar en op hoe wonderdadige wijze de goede God,
dien zij zooveel kwaad deden , hem verlost had, en hoe
plechtig hij had gezworen , te breken met de zonde en
te leven voor God ? Toen kon ook Bessela niet langer
den aandrang der genade weerstand bieden, toen vlamde
-ocr page 285-
— 277 —
ook zij van verlangen , om in \'t groot geluk van haren
man te deelen en te bekeeren met hem.
De trouwe ridder begon aanstonds zijne beloften te ver-
vullen en zijn kasteel Bern tot een klooster of abdij in te
richten. Den 3 Augustus van het heugelijk jaar lli>4,
twee maanden na den dood van den H. Norbertus, kwa-
men de Norbertijnen zich te Berne vestigen; de bekeerde
echtelieden stonden hunne uitgestrekte goederen te hun-
nen behoefte af, zooals het gansche dorp Erp, Altforst,
Meersbergen en wat zij bezaten te Maasmond; maar wat
de kroon op het werk zette, om beter boete te kunnen
doen , om voor hun grooten Weldoener voortaan alleen
te leven , namen zij voor altoos afscheid van elkander,
Fulco om in de Abdij van Bern als eenvoudig leekebroe-
der te dienen en Bessela, om te Betborch in Pruisen bij
de Norbertinessen den sluier aan te nemen. Zoo weet de
Alwijze goed te trekken uit het kwaad, zoo weet hij de
zwaksten, de ellendigsten uit te kiezen tot zijn verheven
doel, opdat niemand op zich zelven roeme, maar alle glorie
geve aan Hem, die van het eene uiterste tot het andere,
alles zacht en wijselijk bestuurt.
III.
Zuster Bessela gedroeg zich dusdanig , dat zij weldra
aan \'t hoofd werd geplaatst van het klooster te Woord
bij Altforst, hetwelk op hare kosten gebouwd was , en
dat onder hare leiding niet minder dan 70 zusters telde ;
verder werden nog van hare goederen gebouwd een non-
nenklooster te Meesbergen bij Amersfoort, en een ander
te Honswijk bij Woudrichem. Lange jaren leidde zij een
heilig en voorbeeldig leven, muntte uit in godsvrucht tot
Onze Lieve Vrouw , die haren man had gered en aan
wier voorspraak ook zij hare bekeering dankte. Zij stierf
-ocr page 286-
— 278 —
te Woord in geur van heiligheid. Haar afsterven wordt
herdacht den 19 Augustus.
En nu broeder Fulco in de Abdij. Evenals de andere
religieuzen onderhoudt hij de lange strenge vasten en
gebruikt nimmer vleesch ; evenals zij staat hij eiken nacht
op, om in het koor meer dan een uur te bidden ; even-
als zij opent hij nooit den mond , dan om God en zijne
Moeder Maria te danken en te prijzen ; zoowel als zij
bewaart hij een altijddurend stilzwijgen , hij zucht over
zijne zonden, smeekt God om barmhartigheid en bedankt
hem voor het onschatbaar geluk, door zijne genade ver-
kregen en, wanneer hij de gestelde gebeden heeft gedaan,
gaat hij naar buiten met de anderen , om den akker te
bewerken of te waken over de runderen. O, welk eene
verandering! Hoe is het mogelijk ? Wie kan het geloo-
ven ? „Waarlijk de vinger Gods is hier. God woont op
deze plaats , het is de poort des hemels en ik wist het
niet." Ja, God is hier werkzaam met zijne alvermogende
genade ; wij wisten het niet, want wie had ooit kunnen
denken , dat het dreigend kasteel met zijne strijdlustige
soldaten eene woonplaats zou worden van God, met bid-
dende religieuzen ? En wat meer te verwonderen is , in
wiens brein zou het zijn opgekomen, dat de geharnaste
ridder een arme broeder zou worden, dat in zijn bezoedeld
hart, in dien schuilhoek van satan, de groote God zijnen
tempel eenmaal zou opslaan ? Ja waarlijk, de vinger Gods
is hier, het is het werk van den Algoede en Almach-
tige ! U, o God, U zij lof in eeuwigheid over uwe onuit-
puttelijke genadeschatten, waarmee gij jaren en jaren lang
den zondaar overlaadt en niet ophoudt, dan na het ver-
steende hart vermurwd en overwonnen te hebben !
Fulco was een dapper ridder , hij is ook een getrouw
-ocr page 287-
— 279 —
religieus. Hij , die voor geen mensen ter wereld , voor
geen zwaard of speer het hoofd wou buigen , hij kruipt
thans als een ootmoedige broeder aan de voeten van zijn
oversten. Hij, die door zijne heldenfeiten de wereld ver-
baasde, leeft thans verborgen, van de wereld vergeten of
veracht; hij schaamt zich niet de laagste diensten te doen,
de koeien te weiden. Hij, die vroeger geen onrecht kon
verdragen, den kleinsten misstap zou gewroken hebben,
hij voelt thans de zwaarte der beleedigingen, Gode aan-
gedaan, nog altoos op zijn geweten drukken. Alle boet-
plegingen zijn hem welkom, elke vernedering beschouwt
hij als eene vergoeding voor den smaad, dien hij vroeger
snoodelijk het Opperwezen heeft toegebracht, en daarom
ontziet hij zich zelfs niet, met den melkemmer naar de
weide te gaan. O brave, o heilige broeder! O, hoe geluk-
kig zijt gij thans ! De wereld heeft u vergeten, de wierook
harer loftuigingen wordt u niet meer toegezwaaid; maar
de Bestuurder der wereld vergeet u niet, Hij ziet met
blijdschap neder op uwen eenvoud en boetvaardigheid, hij
schept behagen in uwe zuivere ziel en overstelpt ze met
heilige genoegens, met eenen geestelijken troost en tevre-
denheid, waarbij al het aardsch genot van vroeger slechts
rook is en ijdelheid.
Zoo was de heldhaftige ridder, de deugdzame broeder,
15 jaren lang een voorbeeld van kloosterlijke boetvaar-
digheid en heiligheid. Eindelijk is de tijd gekomen, dat
de goede God, over de offers van zijn dienaar tevreden,
hem tot zich roepen zal. Door eene zware ziekte werd
hij aangetast, wier pijnen hij met zooveel moed verdroeg,
dat men nauwelijks eenig teeken daarvan aan hem zien
kon. Toen hij wist, dat zijn stervensuur nabij was, liet
hij den Prelaat Everardus en alle zijne broeders bij zich
1» Tweede deel Kuth.
-ocr page 288-
— 280 —
komen, om hun een laatst vaarwel toe te roepen. Geen
pen is in staat dit hartroerend tooneel te beschrijven.
Die bevende stem van den stervenden broeder Fulco, die
laatste handdrukken, die woorden van wederzijdsche dank-
betuigingen. verootmoedigingen, opbeuringen, vertroostin-
gen, die hartelijke tranen, als zoovele blijken van oprecht-
heid , van lieide en heilige genegenheid , zij laten zich
denken, niet beschrijven. De geschiedenis zegt alleen, dat
zijne woorden, die niets dan liefde en heiligheid ademden,
het bedroefde hart der aanwezigen zoozeer ontroerden ,
dat bij allen overvloedige tranen uit de oogen geperst
werden. En geen wonder, hij was hun beste vader, hun
hoogste weldoener, hun geliefde broeder , hun innigste
vriend , de levende regel der opkomende Abdij, die nog
zoozeer zijne bemoediging, zijn voorbeeld , zijn invloed
noodig had.
De goede broeder ontving de laatste H. Sacramenten
met veel eerbied en godsvrucht, beval zich nogmaals drin-
gend in de gebeden van allen, wendde zich tot het kruis,
nam het met schromenden ootmoed in zijn handen , om-
helsde het met eene heilige teederheid, aanbad den Gekruiste
met eene hevige aandoening van godsvrucht, waarvan
zijne ziel vol was en, terwijl hij dat zaligmakend kruis
aan zijne borst houdt vastgeklemd, geeft hij zijne schoone
ziel aan den goeden God terug. Het was den 12 April
van het jaar 1149.
De held is heengegaan , maar zijn naam en roem zal
blijven , zijne Abdij staat daar als eene eeuwigdurende
gedenkzuil, en ofschoon haar oorspronkelijk verblijf door
de vervormende hervormers is uitgeplunderd en verwoest,
elders blijft zij onder de bescherming van God en van
haar zaligen stichter voortbestaan , door alle tijden van
-ocr page 289-
— 281 —
Teformatiën, revolutiën en woelingen heen; van geslacht
tot geslacht zal zij van zijne groote daden spreken en het
werk der beschaving en heiliging, dat hij heeft ingesteld,
met Gods hulpe voortzetten.
De geschiedenis dezer twee doorluchtige bekeerlingen
is vol van geestelijke lessen, maar boven alles zien wij
uitschitteren de oneindige goedheid van God, die zoo rijk
is aan genadegaven, met onvermoeide inspanning het in
doornen en struiken gewikkelde en verwonde schaap zoekt,
liefkoost, koestert en uitlokt en losrukt, en dan met het
geredde lammetje op zijne afgematte schouderen van
vreugde huppelend naar de schaapkooi wederkeert. Ten
tweede zien wij , tot welke bedorvenheid de rustelooze
hartstochten den mensch medesleepen, wanneer hij weigert
aan de genade gehoor te geven , naar de roepstem des
Herders te luisteren ; maar ten derde zien wij ook , tot
welke heiligheid de ziel opklimt, die met de genade mede-
werkt. Het zal van God niet afhangen of wij aan onze
roeping beantwoorden ; Hij verlangt ons geluk meer dan
wij. Hij geeft ons daartoe overvloedige genaden ; de zaak
is maar, dat wij ze niet verstooten, dat wij ze met beide
handen aannemen , om door haar en met haar tot onze
bestemming te komen.
Waart gij, mijn vriend! een Fulco in uw jeugd,
En gij, vriendin, een Bessela;
O ! God is goed, bekeert u, volgt hun deugd
En moed van later jaren na.
-x^=ï^iS^i?(Q<2i^T^B<\'
-ocr page 290-
— 282 —
Maria van B e r n e,
Omspoeld door \'t schuimend golfgeklots
Met donderend geraas,
Prijkt Berae als eene steile rots
In \'t midden van de Maas ;
G-ij ziet, zijn torenspitsen klieven door de wolken,
Zijn zware muren baden in de waterkolken.
Maar even stei-k en stout en lier
Is de beroemde held,
Die binnen dat geducht kwartier
Zich oefent voor het veld :
\'t Is Fulco, de eedle Graaf, wiens forsgespannen bogen
Verspreiden schrik alom en Berne\'s roem verhoogen.
Op hem ziet rustloos de ijverzucht
Van Herman, Heusden\'s Heer,
Voor Berne\'s overmacht beducht,
Met tijgerwoede neer.
Hij viel hem aan; vergeefs: steeds keerde hy met schande.
De gloed der wrake klimt en \'t zwaard trilt in de hande.
\'t Gevogelt tjilpt, de zomervaag
Streelt zacht de rustende aard.
De ridder draaft met man en maag
Vrij door den Bommlerwaard ; —
Daar hoort hij aan zijn zij de krijgstrompetten schallen;
Een woeste bend springt toe, om rondom aan te vallen.
Hij wordt bedreigd van allen kant,
Zijn vrienden neergeveld ;
Heer Herman heeft hem aangerand,
Verloren is de held !
-ocr page 291-
— 283 —
Maar neen, hij wringt zich los en rent door weide en veenen
En vliedt op \'t snelle ros voor zijn vervolgers henen.
Doch in zijn overijlde vaart
Verliest hij \'t spoor, helaas !
Daar deinst verschrikt zijn snuivend paard
Voor \'t golven van de Maas.
Rampzalige ! Wat nu ? De vijand op de hielen,
En voor uwe oogen wentlen bodemlooze wielen !
Geen nood! de koene ridder kent
De veilge ster der zee,
Hij geeft den moed niet op en zendt
Tot haar de vuurge beê:
„O Moeder van Mijn God ! O machtigste aller vrouwen,
Eed, red mij uit den nood, en \'k zal een klooster bouwen."
Dit zweert de held en zonder schroom,
En aan Maria\'s hand
Zwemt hij door \'t midden van den stroom
Tn \'t zaal naar d\'overkant.
En Herman staat verstomd het wonder aan te staren,
Hij raast, maar wacht zich wel den vijand na te varen.
De brave ridder dankt zijn God,
En blijft zijn woord getrouw,
Hij wijdt zijn grootsch en machtig slot
Aan Onze Lieve Vrouw.
Hij gaat en zoekt en vindt Norbertus volgelingen,
Die daar Maria\'s lof voortdurend zullen zingen. .
Een wenk! De trotsche standaard wijkt
Voor \'t vredelievend kruis,
Dat op de fiere torens prijkt;
En Berne wordt een kluis.
En \'t lofgezang weerklinkt, om luide te verkonden,
-ocr page 292-
— 284 —
De grootheid van de Maagd, door Folkert ondervonden.
Daar in dat biddend koor ziet gij
Een vromen stillen leek,
Gedoken in een witte pij,
Van boete en vasten bleek,
\'t Is Fulco, Berne\'s roem, de parel zijner Orde,
Want Saül is profeet, de wolf een schaap geworden.
Hij heeft den krijgsrok neergelegd
Voor \'t nederig habijt,
Heeft weelde en lust vaarwel gezegd,
Aan de armoO zich gewijd;
Zijn ridderlijk bestaan, zijn have en goed en leven
Aan Haar, aan wie hij \'t dankt, vrijwillig weergegeven..
Daar gloeide in hem een liefdevlam,
Steeg in den hoogsten top,
Verteerde hem . .. Maria nam
Haar vriend ten hemel op.
Daar zegeviert de held, ziet neder op zijn broeders
En roept de voorspraak in der teederste aller moeders.
O Maagd, die zeven eeuwen lang
De fel vervolgde Abdij
Bevrijd hebt voor den ondergang
En \'t gif der ketterij,
Verhoor nog eens den held, die bidt voor zijne kindren.
Opdat geweld noch list \'t herbloeiend Berne hindren.
Voer het, door \'t buldrend golfgewoel
Der wereld, ongestoord
Naar \'t eenig nooit vergeten doel,
Naar d\'eeuwgen oever voort!
Dan zal uw glorienaam door \'t aardrijk heen weergalmen.
En wierook U ter eer door \'t ruim des hemels walmen.
-ocr page 293-
— 285 —
lij de plechtige éérste-steenlegging van het
Gymnasium der Abdij van Berne.
4 ^PRIL 1889.
Mngna erit gloria domus istius
uovissiina\' plus quam prinm- ilieit
Douiinus cxtTcituuni.
Aggena II. 10.
Wat rijst daar langs die bidkapel?
Zoo statig uit den grond ?
Is \'t niet een woon der wetenschap,
Die nieuwe kracht verkondt ?
De kracht der oude abdij van Bern,
Die FüLCO heeft gesticht,
Die Sint Nobbëbtus met zijn geest
En wijsheid heeft verlicht.
Die stei\'ke dochter, eeuwenlang
Gehaat, vervolgd, gekweld,
Vertrapt, verbannen, vaak gewond,
Doch nimmer neergeveld.
Zij leeft, zij bloeit, zij wordt weer jong,
Zij bidt in die kapel,
Zij onderwijst in deze school,
Studeert in gindsche cel.
Haar dierbre zusters zijn reeds lang
In \'t krijgsgewoel vergaan,
Zij bleef, door haar Patroon beschut,
Onoverwinlijk staan.
Met nieuwen moed grijpt de heldin,
Haar roeping steeds getrouw,
\'t Getijdenboek in deze kerk,
De pen in dat gebouw.
-ocr page 294-
— 286 —
Zij laat die wapens nimmer los,
De studie en \'t gebed ;
Want daarmee staat ze of valt ter neer,
Verwint of wordt verplet.
Geef, goede God, den ouden roem,
Aan de vernieuwde Abdij ;
Ja, maak dat van dit nieuwe huis,
De glans veel grooter zij.
BIJ HET VERTREK
der drie Eerw. Missionarissen der Abdij van Berne
n a ar X o o r <l - A m e r i ka, 1 Nov. 1803.
1.
Reeds kruit de Maas met immer kreunend stenen,
Drie eeuwen lang, haar glinstrend golvenheir
Naar \'t droevig graf van \'t oude Berne henen :
De roem der Maas, die lusthof is niet meer.
Een grijze put, nooit uitgeput van \'t weenen, (\')
Houdt wacht bij \'t graf trots eeuwen wind en weer.-
Getrouwe put, verhaal de droeve neven,
Wat ruw geweld hun Moeder heeft doen sneven !
2.
Roofgierig, immer azend, nimmer zat,
Was \'t geuzenrot met geene macht te temmen.
\'t Werpt schansen om, vermorzelt op zijn pad,
Wie zich verstout zijn dolle vaart te stremmen.
Wie \'t Roomsche kleed met zonden niet bekladt,
Mag aan zijn hart de droeve resten klemmen.
Van bedehuis, van woonst, van have en goed
En vluchten of — zich plassen in zijn bloed.
(1) De Abdij van Berne ontleent huren jiaam aan Bern bij Heusden. waar zij
aan dun linkeroever ilcr Maas in 11 "4 werd gesticht ; in de lGile eeuw werd zij
uitjreplunderd en verwoest, zoodat er niets meer ovor is, dan een grooto put
in het midden van eene weide.
-ocr page 295-
— 287 —
3.
Zoo moest ook gij, o dierbaar Berne, vallen ;
Ik hoor dien val. Nog duurt dat dreunen voort.
Uw scepterkrans (\') is onder \'t zegeschallen
Verbroken en in smeulende asch gesmoord.
Gelijk een eik, die onder \'t onweerknallen
Daar neerbonst op den daverenden grond
En wijd en zijd doet schudden alle dreven ;
Zoo doet uw val de ontroerde wereld beven.
4.
Gelukkig zand, druk zacht het heilig stof,
Het overschot van \'t roemrijk grijs verleden,
Prang in uw schoot het puin van d\'Englenhof,
Getuige van onnoembre zaligheden !
Gij golfgejoel, herdenk nog lang den plot,
Die ons geluk en glorie heeft vertreden !
Leg onzen gToet op \'t eenzaam kille graf,
En kus voor ons het mos der zerken af!
5.
Moest zij vérgaan ? Mocht zij niet langer leven ?
De fiere bloem, die uit de baren rijst, (!)
Wier sterke geuren d\' omtrek frischheid geven,
Wier rijke vrucht den armen buurman spijst,
Verdoolden redt, die in den modder kleven,
Die vriend en vijand naar den hemel wijst ?
Moest zij vergaan ? Waar is dan \'t woord gebleven :
Die de armen mint, den zondaar redt, zal leven ?
ti.
God sprak en \'t was. De woeste storm verstomt.
De macht der hel, in woede losgebroken,
(1)    Het wapen der AImUj Instaat uit acht gouden scepters, in Jen vorm van e^u
ster in elkander gestoken.
(2)    De Abdij stond zon dicht hij de Maas, dat zij daaruit scheen op te rijzon.
-ocr page 296-
— 288 —
Stuit op dat woord. Zij knarsetandt en bromt,
Maar Israël, voor de overmacht gedoken,
Herkent Gods hand, herrijst, verjongt en komt
Den driesten draak in \'t eigen nest bestoken.
Weet dan dat Bern, vernederd in zijn val,
Weldra vernieuwd, uit de asch herrijzen zal.
7.
Hoe zij herrees ? Ziet ginds den Ceder (\') prijken,.
Het pronksieraad van haar geliefden tuin.
Zij spilt voor hem haar teerste liefdeblijken;
Hij schut haar met zijn hoogverheven kruin,
En stilt den storm. De vijanden bezwijken.
Een nieuwe abdij rijst uit het oude puin :
Maria trok haar Fulco uit de baren,
Redde ook zijn kroost in \'t barnen der gevaren.
8.
De gouden wapenspreuk herovert thans
Haar oude kracht; de fakkel is herboren. (2)
Zij brandt en gloeit met ongekenden glans ;
Haar schittrend licht is sterk als nooit te voren,
Dringt door tot in den versten hoek des Lands,
Ja, schiet een sprank, gaat in den vreemde gloren.
Want Holland is voor zulk een vuur te klein :
\'t Zoekt over zee een nieuw en ruim terrein.
9.
O wonder Licht, verhevene Lucerne,
Een tijd vernauwd, verschijnt ge in nieuwen gloed,
Uw glans verdooft de schitterendste sterren,
Genaakt de zon, ja, volgt haar op den voet,
Naar \'t Westend dragend d\' ouden naam van Berne,
Zijn liefdevuur, zijn roem, zijn heldenmoed.
(1)    De H. Maagd Maria wordt door do H. Kerk meermalen bij con Ckdeu vergeleken.
(2)    De wapen-sprei;k is IiERXA i\'T Lixkena, Berne als een fakkel.
-ocr page 297-
_ 289 —
De gouddorst jaagt den stervling in het duister; (\')
Gij jaagt hem na met goddelijken luister.
10.
Komt, Englen, spreidt uw vlugge vlerken uit.
Des vooglenrits belust u na te streven,
Ruste op uw dons, als in een veilge schuit;
Gelijk een vink, door d\' ooievaar opgeheven (\')
In \'t warme woud van \'t weelderige zuid,
De plaats bereikt, waar \'t wriemlend nest zal leven;
Zoo voere uw wiekslag deze kostbre vracht
Naar \'t Land, waar hen een zielenleger wacht.
11.
Gaat, Broeders, gaat, door Englenvlucht gedragen,
Waar talrijk kroost uw blijde komst verbeidt!
Ontrukt u \'t oord, waar gij Gods welbehagen
Steeds hebt gediend in stille zaligheid ;
De school, waar gij tot ridders zijt geslagen
Met de oude leus: „Tot elk goed werk bereid." (\')
Uw frissche geur zal onder ons niet sterven,
Zal nieuwen moed, zal nieuwe strijders werven.
12.
De tranen, die gij in onze oogen ziet,
Verkonden U, hoezeer wij U beminnen ;
Zij melden U der weezen zielsverdriet, (")
Maar ook hun vreugd. O, hoe verrukt hun zinnen
Uw eedle ziel, die \'t Vaderland ontvliedt,
Ja, de aarde ontsnapt en ijlt naar \'s Hemels tinnen.
Verblijd, verbaasd, vervoerd door de arendsvlucht,
Begeeren ze U te volgen in de lucht.
(1)    De gouddorst jaagt velen naar liet in godsdienstig opzicht (luister Amerika.
(2)    Men zegt. dat sommige trekvinken op den rug der ooievaars over de zee
gevoerd worden.
(3)    Dit is de leus der Orde. Zie beknopte Levensgeschiedenis van den H. Nor-
bertus. bl. 20, 98.
(4)    Het hoofd der Missionarissen was tot nog toe Noviccnmeester.
-ocr page 298-
— 290 —
13.
Verheven God, die op uw wolkentronen
De onmeetlijkheid gebruikt tot voetschabel,
Die luistert naar de lage gorgeltonen,
Voortvloeiend uit een reine hartewel;
Aanhoor ons beê ; wil Gij den vlijt bekronen
Des veldheers, die ons \'t sluw geweld der hel
Trotseeren leerde, en thans, aan \'t hoofd der helden
Ten strijde rukt naar andere oorlogsvelden.
14.
Het vlammend oog op buit en roem gevest,
Schudt deze leeuw zijn rustelooze manen.
Rent bliksemsnel naar \'t wild en woest gewest,
Waar nimmermeer zijn gloriezon zal tanen ;
Waar hij zijn dorst aan reine zielen lescht,
En met dien buit den hemelweg zal banen.
Wat moed! Wat kracht! Al wat hem tegenstreeft
Valt voor zijn voeten neer en sterft en — leeft.
15.
Een jonge borst, denzelfden stam ontsproten,
Wien, nauw volgroeid, de koorts der zielen blaakt,
Een telg des leeuws springt op, volgt onverdroten
Des meesters spoor. Zijn gloeiende ijver haakt
Naar \'t veld van eer, vast aan diens zij gesloten,
Verovert hij al wat zijn blik genaakt.
Zijn roofzucht zal geen rust, geen vrede vinden,
Zoolang in \'t woud nog wild is te verslinden.
16.
\'t Verheven beeld der Godheid zweeft voor \'t oog,
Drievoudigheid, maar één natuur en leven.
Zoo zal ccn hart, een heiige blik omhoog
Een drietal hier vast in elkander weven.
-ocr page 299-
— 291 —
De kleurenpracht van d\'éénen regenboog
Zal in de lucht der ruwe Vankee\'s zweven.
Wie is de held, die \'t heerlijk schouwtooneel
Volledige en de derde rolle speel ?
17.
De zonnebloem ontplooit een krans van blaren, (\')
Als wachters, die, gewekt door \'t licht der zon,
Het hart der bloem flankeeren en bewaren,
Indien soms vorst of wind haar deren kon.
De broedren, die zich om de priestren scharen,
Vei\'kwikt door ééne licht- en liefdebron,
Volmaken \'t werk ; ze dienen in hun ootmoed
De Priesterschap en dekken ze, waar \'t nood doet.
18.
Zie één van hen, die zijn Patroon benijdt, (2)
Wiens lauwerkroon de Maasstad dankt haar glansen,
Aanvaardt de rol, stapt moedig in den strijd,
Bereidt en scherpt, als schildknaap, pijl en lansen,
En deelt met hen, de snoode held ten spijt,
Gevaar en nood en wisslende oorlogskansen.
Het tweede zaad, door Norberts hand gestrooid,
Is rijp ; het heeft het groote werk voltooid.
19.
Ga, drietal, ga! Ga uwe stappen drukken
In \'t zalig spoor van den ontdekkingsheid, (\')
Die van zijn troon in Goddlijk zielsverrukken
Uw heldendaad den Hemel rondvertelt.
Hij slaat II ga en bidt voor \'t welgelukken
Van \'t grootsche plan, voor Gods eer vastgesteld.
(1)    Het wapon van den tegcnwoordigon Abt van Berno is een zonnebloem, met
de zon in top.
(2)    Do H. Servatius, wien de Maasstad, Maastricht, haar grootheid dankt.
(3)    Cohimbus, wiens zaligverklaring te Rome is ingeleid.
-ocr page 300-
— 292 —
Hij zingt: „Hoe schoon, hoe lieflijk zijn de treden
Der voeten, die verkonden heil en vreden." (\')
20.
Ja, schoon uw gang! vol zwier, vol ridderraoed,
Vol adeltrots, vol hoop en vol verblijden ;
Al grijnst u toe een kille jamrarenstoet,
Al ziet gij niets dan lijden, niets dan strijden.
Neen ; hel noch dood verkoelt den feilen gloed,
Die u verteert, dien de Engelen benijden,
Dien God zelf uit den Hemel medebracht,
Opdat hij gloeie in dezen donkeren nacht. (\')
21.
De zee kan glad, de zee kan hobblig wezen ;
Maar aan den trans ziet gij de sterre staan.
In haren glans is Bern hoop opgerezen,
Is Fulco eens den bleeken dood ontgaan.
In haren glans hebt gij geen storm te vreezen,
Doet elke golf u dansen op uw baan.
In haren glans zal \'t tweede Berne bloeien,
En boven \'t hoofd der oude Moeder groeien. (")
(1)    Quaiu pulcliri super montes pedes cvangelizantiura pacciu, evangolizantium
buna.
                                                                                               Isaïas I, II.
(2)     Woorden des Zaligmakers : Ignem veni mittere in terram et quid volo nisi
et accendatur.
(3)    Magna erit gloria domus istius uovissimao plus quain primie, dieit Doniinus
Exereituuin.
                                                                                   Agg. II, lrt.
-ocr page 301-
— 293 —
VERBETERINGEN.
• Bladz. 80, regel 8 van onderen, lees : onrechtvaardige
vreesaanjaging.
Bladz. 92, regel 7 van boven, krijgscht, lees krijscht.
„ 95 „ 10 van onderen wiemleu, lees wriemlen.
„ 224 „ 4 „
          „ doc/i, lees en wel.
Bij bladz. 215, regel 5 van onderen zij de lezer opmerk-
zaam gemaakt op hetgeen in de Studiën, Deel XXXVI,
bl. 223—252 voorkomt. Daar wordt bewezen
1°. Dat de Kath. Kerk in vroeger eeuwen altijd het
onderwijs heelt behartigd. Ons Vaderland telde omtrent
60 collegiaalkerken met kapittelscholen, bl. 210; meer
dan 500 kloosters, bij welke het gemis van eene school
volgens Prof. Moll eene zeldzaamheid was, bl. 216;
bovendien een aantal parochiescholen 221—223 en win-
kelscholen of bijscholen 230—232.
2°. Al deze scholen hadden aan de Kerk haar aanzijn
te danken, waren van haar afhankelijk en werden door
haar of hare dienaren bestuurd, 223—230.
3°. Zij werden ten allen tijde, ook in de 12de en 13de
eeuw, druk bezocht en het sprookje van „de domme mid-
deleeuwen en de nog dommere ridders en baronnen," is
uitgevonden door domme schrijvers van later tijd, die er
belang bij hadden, om den grooten zegen (?) der Refor-
matie of der Revolutie te doen gelooven. Niemand min-
der dan Dr. M. de Vries durft verklaren : „Thans is dit
algemeen bekend en aangenomen , en wie nog aarzelen
mocht erin toe te stemmen, zou alleen zijne onbekendheid
met den vooruitgang der wetenschap verraden." bl. 237.
-ocr page 302-
Boekdrukker^ van II. C. VAN DER AA & ZONEN, Oost
Werken van Kit. li. VAN DKN ELSEN, Nupprior dei auuij
van Berne, Rector van liet Gymnasium te Heeswijk en Lid van de
Mü der Ned. Letterkunde.
BLOEMIIOFKE VAN Rl III.
2:1 verschillende conferentlën voor H. FamiliënofCongregatiën rijk
aan stichtende, lessen en zalige raadgevingen, voornamelijk betreffende
de zedenleer, ook omtrent Liberalisme en Socialisme, geschreven in
een gemeenzamen, hoogst aangenamen en bevalligen stijl franco f 1.00
£}^"" <)ok verkrijgbaar bij den ZeerEerw. Heer A. Deckers ter Abdij
van Tongerloo bij westerloo (België!, ii 2.25 francs fr. p. p.
VONDELS TREURSPELEN,
.1 0 Z E F l N 1) 0 T II A N en .1 0 Z E F 1 N \'T H 6 F,
VONDELS TREURSPEL,
P E TER E N PAÜWELS,
ieder in 5 bedrijven. Beide werkjes zijn kerkelijk goedgekeurd en
kosten ieler 40 cent, **r. p.p. Bjj 12 ex 25 cent per ex. óf 50 centimes.
HET LEVEN VAN DEN ZAL. FREDERICUS
tm\'t cent\' nette gravuur, geitouwe nabootsing van (i. de Mutlrri/,
55 cents franco per post. Franc 1.25. Dit merk is zeer geschikt
voot schoolprijzen en kost hij 100
25 cent per ex. of ;">0 centimes
St\'inita Christianae Perfcctiouis
opus posthumum R. J). JOANNIS FRANCISCI CLEMENT, Can.
Reg. Ord. Praem. Abbatiae Bernensis, l\'arocbi in Lithoyen elapso
anno defuncti. protiiun Hor. 2.25; francs 4.50
In de Revue Tliéologique XXV p. 535—537, leest men eene breed-
voerige beoordeeling van de Semita Perféclionis, waarvan bet slot
aldus luidt : Onze wenseh is, dat dit boek de metgezel, het V«tle
nieciim,
worde van alle geestelijken, zoowel seculieren als regulieren.
Als zij hun gedrag daarnaar regelen, zal men van hen kunnen zeg-
gen, dat zij het gebod van den (ioddelijken Zaligmaker: Weest vol-
miirtltl gelyk uw llt\'.melsrtti\' Vader volmaakt in,
volkomen hebben
vervuld.
ZUSTER KOSA, haar leven en haar werk de Mis van Eerherstel,
door Abthur Lotii , uit het fransen vertaald A. M. D. (i. Prijs
ƒ1.25. Nog enkele keurig gebonden ex. voorhanden a f 1.75.
Verkrijgbaar in de Abdij van Tongerloo (België), a 2.50 francs.
HET OFFER, Tijdschrift van bet Aartsbroederschup der II. Mis
van Eerherstel, bewerkt in de Abdij van Berne, verschijnt tienmaal
in het jaar en wordt franco per post geleverd voor 00 ets. in Hol-
land ; voor België fr. 1.25.