-ocr page 1-
IVMMWH
-ocr page 2-
\'mm \\2£go
-ocr page 3-
•
.
.
- •
\'*ïv\'-&.
*
•
-ocr page 4-
-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-
HET KRUIS EN CALVARIE.
-ocr page 8-
Bockdrukkcrij J. \\V. VAN LKKUW\'EN, Leiden.
Algemene Provincie Kataloog
Minderbroedersklo*st«r
Alverna Glid
-ocr page 9-
kip
Het Kruis en Calvarih
Aan hen die lijden,
Naak iikt Fransch van Viltor van Tricht 5. J.
DOOR
ELISE VAN ESCH.
~x ir
„Chrislo confixits mim cruci."
B»?iicfnia£a
„Ik ben mot Christus goheclit aan
licl kruis."
St.Paulusa.d.Gal. c. 2, v. 1ö.
LEIDEN,
J. W. VAN L EEUWEN,
Maarsiimnssteog.
1899.
-ocr page 10-
IMPRIMATUR.
Amstelodami,                         H. J. BORGHOLS,
die 7 Aprilis 1899.                                         Libr. Cens.
-ocr page 11-
Mijn God!
Ik schrijf deze bladzijden voor Uw aanschijn,
in de meening ter huif e ie komen aan hen die
lijden.
Gij hebt hen geroepen: „Komt tot mij, gij
allen die lijdt en die den last des levens torscht,
en nieuwen moed zal Ik u schenken."
O mijn God, mocht het mij gegeven zijn ten
minste een der diepst rampzaligen tot U terug
te voeren.
-ocr page 12-
-ocr page 13-
AAN HEN DIE LIJDEN.
» <SRUGÜM Srave super filios Adam , a die exitus
Ö$ de ventre matris eorum usque in diem
sepulturae in matretn omnium
\').
Een zwaar juk is allen kinderen van Adam
opgelegd van den dag af van hunnen uitgang
uit den moederschoot, tot aan den dag van
hunnen ingang in aller moeder."
Dat juk is het lijden.
Bij zijne geboorte schreit het kind: \'t is zijn
welkomstgroet aan het leven. De zieltogende
grijsaard perst tusschen de saamgetrokken oog-
i) Eccl. c 40, v. I.
1
-ocr page 14-
2                  HET KRUIS EN CALVARIË.
leden de laatste koude, stille tranen: \'t is zijn
afscheid van het leven. En hoeveel andere tranen
zijn er tusschen die eerste en die laatste gestort!
Wie kan ze tellen, de bitterheden en smarten
opgestapeld in het hart van den mensch, die
een lang leven achter zich heeft!
Niemand ontsnapt aan dit juk. \'t Is sinds den
zondeval het lot van iederen mensch, die komt
in de wereld , — de noodzakelijke, onvervreemd-
bare erfenis van een vader, die gefaald heeft; —
\'t is ons aandeel in de boetedoening, die een
aanvang nam bij het begin der wereld, en die
voort zal duren door alle eeuwen heen, totdat
de laatste zoon des menschen sterft.
De wijsbegeerte, onmachtig, slaat zich voor
het hoofd en zoekt; maar welke bewijsgronden
zij ook aan een schakelt, de ware oorsprong van
dit kwaad , van dit lijden , blijft haar een mysterie.
Het geloof, door goddelijke openbaring, vindt
haar neergeschreven op de eerste bladzijde der
heilige Schrift: -»Qiria audisti vocem uxoris
tuae et comedisti de ligno . . . .
\'). Omdat gij
naar den stem uwer vrouw geluisterd en gegeten
hebt van den boom."
i) Genesis c. 3, v. 17.
-ocr page 15-
HET KRUIS EX CALVAKIË.                    3
Maar, terwijl de wijsbegeerte redetwist en het
geloof openbaart, lijdt de mensch!
De een, getroffen door eene zichtbare en
verpletterende ramp, draagt als het ware op
zijn voorhoofd den stempel van al het harte-
blocd, dat hij heeft vergoten; wij hebben
deernis met hem en noemen hem ongelukkig.
Een ander gaat ons voorbij met al het ijdel
vertoon van geluk : zijn oog straalt van vreugde,
zijne lippen zijn geplooid tot een lach ; .... wij
lichten dat masker niet op, wij gelooven hem
gelukkig, wij benijden zijn lot. Ach, hoe vaak,
zoo wij hem konden volgen in zijne uren van
eenzaamheid, zouden wij hem bittere tranen
zien storten en, met doorvlijmde ziel, de handen
vastklemmen om het door doodsangst gefolterde
hart!
Anderen kennen niet die groote wederwaardig-
heden des levens; een meer verholen, minder
scherp geteckcnde kwaal ondermijnt hen: het
gevoel van de ledigheid aller dingen. De walging
van het eindige in al het aardsche is over hen
gekomen, de verveling verteert hen : »dc onver-
biddelijke verveling, die op den bodem ligt van
het leven," zoo als Bossuet zich uitdrukt.
Daar is écne zaak, die mij bijzonder treft in
-ocr page 16-
4                    HET KRUIS EN CALVAR1Ë.
dc heilige Schrift. Zij teekent ons twee menschen :
de een, getroffen door iedere soort van ellende,
is arm na rijk te zijn geweest; — hij is alleen,
verlaten door zijne vrouw en al de zijnen ; — hij
zag zijn zonen en dochteren sterven; — hij ligt
daar op eene mestvaalt en reinigt zijne wonden
van het vuil met de scherven, daar verspreid.
Het is Job.
De ander, overladen met alle soorten van
geluk, is rijk en machtig, hij is koning, hij is
geleerd, hij is de wijste van alle menschen;
hij heeft den roem, hij heeft de vreugde des
geestes en het genot der zinnen; hij zetelt op
een troon te midden der verblindende pracht
zijner hofhouding!
Het is Salomon.
Ik ondervraag Job over het leven. Hij ant-
woordt mij: » Taedetanimam meam vitac meac]).
Mijne ziel walgt van mijn leven."
Ik ondervraag Salomon en met dezelfde
woorden, in denzelfden vorm antwoordt hij:
» Taednit me vitae meae 2). Ik heb gewalgd van
het leven."
i) Job c. 10, v. I.
2) Eccl. c. 2, v. 17.
-ocr page 17-
HET KRUIS EN CALVARIË.                  5
Wie zou niet getroffen worden door deze
overeenstemming!
Is het leven dan voor niemand goedertieren ?
Neen, het leven is goedertieren voor niemand !...
*
* *
Maar indien het lijden onvermijdelijk is in
deze wereld, bestaat er dan voor hetzelve noch
genezing, noch troost? Ik vraag het mij af.
Niet in zich zelf zal het menschelijk hart die
vinden. y>Non est auxilium mild in me," zegt
Job verder. »Ik heb in mij zelven geen hulp
gevonden." Zeker, de mensch kan zijn verdriet
verzetten; hij kan zich dompelen in een voort-
durenden, afmattenden arbeid, hij kan zich werpen
in de armen van het zingenot; hij kan daar
zijn lijden vergeten en in een levendiger gevoelen
het gevoel zijner smart als het ware verzwelgen.
Maar men ontwaakt uit zulk eene verdooving,
zooals men ontwaakt uit een droom, en dan vindt
men in zich terug den wreeden prikkel der
werkelijkheid; men had het zwaard vergeten,
dat het hart doorboorde, maar dan doet het
zich weer gevoelen; het steekt nog immer in
de wonde, het snijdt, het kerft, het dringt
immer dieper door.
-ocr page 18-
6                  HET KRUIS EN CALVARIË.
Vergeten trouwens!... nemen wij aan, dat men
vergeet. Volgt niet eenc nieuwe smart op de
vergetene smart ? Brengt niet iedere dag de hare
mede? Hoe lang blijft onze hemel wolkenloos?
Wat zou dan de mensch in zich zclven vinden,
om zich in zijn lijden te troosten?
Wat vermag hij tegen den dood, wanneer
deze hem zijne dierbaren ontneemt ? Wat vermag
hij tegen de ziekte? Wat tegen den ondergang ?
Wat tegen het verlies zijner eer? Wat tegen
den walg van het leven , tegen de oververzadiging
der dingen ?
Wat men den mensch kan vragen als wapen
tegen zich zelf, het is wilskracht: het is, dat
hij niet het hoofd late zinken en de handen
niet neerlegge in den schoot, dat hij zijn hart
hoog houde en zich een man betoone. »Esto
vt\'r."
Dat is alles. En nog, hoe dikwijls vraagt
men het hem te vergeefs!
Zal het gewonde hart dan bij andere menschen
troost vinden en genezing?
Ik ontken niet, dat de eene mensch door
den ander getroost kan worden. Te vaak heb
ik de krachtdadige zoetheid der vriendschap
ondervonden, om haar opbeurende macht te
kunnen loochenen. Het doet zoo goed, wanneer
-ocr page 19-
HET KRUIS EN CALVARIË.                   7
men lijdt, te steunen op het trouwe hart van
den vriend, en zijne hand de onze te voelen
drukken. En toch, helaas, die hulp van den
mensch is ijdel, omdat zij komt van den mensch ,
die zelf ijdel en onmachtig is.
Als Rachel hare kinderen heeft zien sterven,
snellen hare vriendinnen toe en weenen met
haar. . . . Maar Rachel wil niet getroost worden
»omdat zij niet meer zijn". De deelneming, die
haar omringt, kan haar niet weergeven de
dooden, die zij liefheeft. Wat anders beweent
zij?.... y>Quia non simt".
Wie heeft ze niet ondervonden, die wreede
onmacht des menschen tegenover de droefheid
van een vriend ? Een rouw treft hem, zijn
tijdelijke welvaart gaat ten onder, de hoop zijns
levens wordt eensklaps uitgebluscht.... Hij lijdt,
zijne ziel wordt gefolterd; gij snelt toe het
hart van innig mededoogen vervuld, met uw
eigen geluk zoudt ge het zijne willen terug
koopen en, eensklaps, voor hem gekomen....
blijft uw mond gesloten, gij vindt geen woorden ,
uwe gedachten verwarren zich, gij kunt hem
slechts in de armen sluiten en toeroepen: »mijn
vriend, mijn arme vriend !"
O, ik weet het, men heeft van die geijkte
-ocr page 20-
8                     HKT KRUIS EN CAI.VARIË.
termen van rouwbeklag, geheel pasklaar gemaakt
voor iedere gelegenheid; maar de ware vriend-
schap weet zoo goed hoe ijdel zij zijn, hoe
geheel zonder troost, en zij versmaadt ze te
bezigen. Slechts wie de smart niet begrijpt, kan
ze uitspreken als de tooncelspeler zijn rol. Het
is van die troostwoorden, dat Job zeide : » Verbosi
amiei
, consolatores onerosi andivi frequenter
talia
.... nutte aulem oppressit me dolor tneus \').
Dergelijke heb ik dikwijls gehoord; (gij zijt)
lastige troosters .... nu heeft mijne smart mij
ter neer gedrukt".
O, hoe zeldzaam is de vriend, die de smart
van zijn vriend begrijpt! Hoe dikwijls ontwaart
hij slechts , wat zich vertoont aan de oppervlakte ,
zonder te vermoeden, dat het kwaad dieper
schuilt! . . . . En zoo God ons, als een zoeten
troost in ons leven , eene dusdanige vriendschap
schenkt, die begrijpt en met ons voelt, hoe
menigmaal wordt zij ons ontnomen na enkele
jaren, na enkele korte maanden! . . . . Wij ver-
liezen onze vrienden , wij moeten hen achterlaten,
zooals de balling de veelgeliefde vaderlandsche
kust; zij sterven .... en wij blijven alleen,
i) Job c. 16, v. 2 et 8.
-ocr page 21-
HET KRUIS EN CALVARIË.                     9
wij overleven de uitvaart en den rouw van
ons hart.
O, neen, het is niet van den mensch, dat
wij heul en troost moeten verwachten!
Wat blijft ons dan over? God.
*
* *
Niets is zoo treffend in de heilige Schrift, als
de onophoudelijke tegemoetkoming van God
jegens den mensch. Om hem tot zich te roepen
bezigt Hij de meest teedere vergelijkingen. Nu
eens noemt Hij zich eene voedster, die haar
zuigeling verwarmt aan hare borst, in hare
armen: » Tamquam sinutrix foveatfiliossuos" \').
Dan weer eene hen, die kloekend hare kuikens
onder hare vleugelen verzamelt: ^Qiiemadmodum
gallina congregat pul/os suos"
a). Een ander
maal vergelijkt Hij zich bij een ouden, bedroefden
vader, die de terugkomst van zijn zoon ver-
beidt , en die, als hij hem van verre ziet komen,
toesnelt, hem omhelst en hem kust met tranen
van vreugde. Wie herinnert zich niet de parabel
van den verloren zoon ? Dan weer, en het
1)  I Thess., c. 2, v. 7.
2)  Matth., c. 25, v. 37.
-ocr page 22-
IO                  HET KRUIS EN CALVARIË.
veelvuldigst, roept Hij de alles ovcrheerschende
moederliefde ter hulpe! »Obviabit Mi quasi
mater
\'). Ik zal hem te gemoet komen als eenc
moeder." nQuomodo si cui mater blandiatur
ita ego consolabor vos
2). Als ccne liefkozende
moeder zal ik u vertroosten."
Is het niet, als wil Hij alle liefdebronnen
uitputten om de lijdende zielen tot zich te
trekken ? Is het niet, als bidt en smeekt Hij
haar toch tot Hem te komen ?
En zoo zelden gaan wij tot Hem.
Waarom, waarom dan toch ?
Vreezen we, dat Hij ons niet kan troosten,
dat Hij onze tranen niet kan droogen?
Neen! Wij weten wel, dat die groote God
in zich zelven alle goedheid en alle geluk
bezit. Hoe dikwijls, als wij onze ziel tot Hem
ophieven in het gebed, hoe dikwijls hebben
wij het herhaald: »0 mijn God, al wat daar
in de wereld wenschelijk is of glorierijk, of
eervol, of beminnelijk, dat alles is in U in
den meest verheven graad, in allervolmaaktste
zuiverheid, in allerinnigste eenheid, en dat van
i) Eccl., c. 15, v. 2.
2) Isaïas, c. 66, v. 13.
-ocr page 23-
HET KRUIS EN CALVARIË.                   I I
alle eeuwigheid af en met uitsluiting van alle
onvolmaaktheden, die het geschapene aankleven.
In U worden gevonden alle weelde en alle
vervoering, al wat verheugt, al wat behaagt,
alle vertroosting en alle genot, alle schoonheid
en alle wellust, alle zaligheid en de voleinding
van alle zaligheid. Alles wat zoet is, ont-
leent aan U zijne zoetheid; alles wat schoon
is, dankt U zijne schoonheid, wat licht is,
zijn glans; al wat leeft, dankt U het leven;
al wat gevoelen heeft, dankt U het gevoel; al
wat beweegt, dankt U zijne kracht, al wat geest
en verstand is, zijne wetenschap, al wat volmaakt
is, zijne volmaaktheid, al wat goed is, zijne
goedheid" »)•
Wij weten en gelooven het. Wij weten en
geloovcn, dat God alleen ons kan vertroosten,
omdat Hij alleen de bron is van geluk. En
toch, ik herhaal het, wij gaan niet tot Hem;
wij gaan tot de menschen, wij gaan tot het
geschapene, tot het ijdele en machtelooze!
Van waar dat mysterie ? Van waar die tegen-
strijdigheid in ons zelven ?
Ik zal het u zeggen.
i) Lessius.
-ocr page 24-
12                  HET KRUIS EN CALVARIË.
Onze arme ziel wordt dermate terneergedrukt
door ons lichaam, dat zij geen anderen troost
kan smaken , dan die welke zich tot het lichaam
richt. Wij zijn zoo gewoon aan het grove,
stoffelijke leven van zinnelijk gevoel en instinkt,
dat wij het leven des geestes, het leven der
gedachte niet meer beseffen en begrijpen. God
moest, om zoo te zeggen, zich vertoonen aan
ons oog, Hij moest onze handen aanraken,
tot onze ooren spreken, opdat wij Hem konden
zieiv, gevoelen en hooren. De fijngevoeligheid
onzer ziel is afgestompt, zoodat zij niet meer
trilt van aandoening bij de teedere, geheim-
zinnige aanraking Gods.
Voorzeker , God, —• die de opperste Meester
is van den mensch en door dringt tot in de
diepste diepte zijner natuur — God kan hem
treffen, troosten, verblijden ook door het
lichaam en de zintuigen. Hij kan hem in zijn
vleesch, in zijne zenuwen en zijn gebeente de
zaligste gevoelens van geluk doen smaken. Hij
heeft het gedaan voor vele Zijner Heiligen,
Hij doet het zelfs voor ons, en Hem weten wij
dank voor de oogenblikken van zuivere ge-
neugte, waarvoor wij soms te vergeefs om of
in ons eene tastbare, stoffelijke oorzaak zoeken.
-ocr page 25-
HET KRUIS EN CALVARIË.                   13
Maar God is spaarzaam met die gevoelige in-
werking , Hij bewaart ze, als eene hoogere en
zeldzame belooning.
Gewoonlijk spreekt Hij tot ons en deelt
zich aan ons mede door het verstand en door
het geloof, \'t Is de strenge vertroosting der
ziel, die Hij ons schenkt, en, verweekelijkt
als wij zijn door de ontzenuwende koestering
der wereld, tellen wij die vertroosting zoo
weinig, wij versmaden haar, zij schijnt ons
zoo koud en van zoo luttel waarde.
O, welke dwaasheid is de onze!
*
* *
Ja, welke dwaasheid! En toch , God heeft
er deernis mede gehad. Hij, die wist, uit welk
armzalig slijk wij zijn gevormd, Hij heeft zich
verkleind tot op onze maat, Hij heeft zich
vernietigd tot het aannemen onzer natuur, den
vorm Zijner dienstknechten : *exinanivit setnetip-
sum formant servi accipiens".
Hij heeft zich
bekleed met een tastbaar vlessch, zooals het
onze, Hij heeft de taal gesproken, die onze
ooren verstaan, Hij heeft geleefd in ons midden
het leven, dat het onze is. Jezus Christus, het
-ocr page 26-
14                  HET KRUIS EN CAI.VARIË.
Vleeschgeworden Woord, de God mensch ge-
worden , zal aldus de trooster in ons lijden
wezen, onze vriend, het hart ten toevlucht
aan ons hart geopend. Alles in Jezus Christus
is mysterie voor ons zwak, wijfelend verstand,
maar van al de vraagstukken, die Zijne mensch-
wording opwerpt, datgene wat mij immer het
meest heeft aangetrokken, is te weten waarom
Hij van Zijn geheele leven een zoo nauw weef-
sel van smart en lijden heeft gemaakt.... zoo
zelfs, dat Hij zich in waarheid »den Man van
smarte" noemen kon, *vir do lor um"\'.
Om aan den mensch het geloof en zijne
plichten te leeren, om hem tot de aloude,
vergetenc wet terug te voeren, om dit alles
met eenc hoogere openbaring te bekroonen,
hadden Zijne lessen en predikingen in ruime
mate volstaan.
Om de gevallen menschelijke natuur te her-
stellen in de bovennatuurlijke orde, was het
niet noodig, dat Jezus Christus zich aan het
lijden onderwierp.
Om bij den rechterstoel Zijns Vaders onze
zondenschuld af te lossen, ware de minste
akte van eerherstel Zijnerzijds bij overmaat
voldoende geweest.
-ocr page 27-
HET KRUIS EN CALVARIË.                 15
Toch wilde Hij den kelk der boete tot op
den bodem toe ledigen.
Waarom ?
Waarom, volgens het woord der H. Schrift
»moest" de Christus lijden?
Eén antwoord weet ik slechts te geven : om
aan ons te leercn, hoc wij lijden moeten.
O, welk een Meester! O, welk een voorbeeld !
Kom dan tot die goddelijke leerschool, gij
die lijdt, en die niet weet hoe te lijden. Luister
naar de stille leering, ons voorgehouden van de
kribbe tot Calvarië, prent haar in uwen geest,
grif haar in uw geheugen, draag haar, levend
en warm, in uw hart. Zij zal wezen uwe sterkte
en uwe kracht, uwe kloekheid en uw moed.
De heilige Augustinus noemt ergens de men-
schen : y>Filii Calvariae, de zonen van Calvarië."
Ja, wij zijn de zonen van Calvarië. Daar is
het, dat Christus ons heeft voortgebracht tot
de genade; daar ook stort Hij in onze harten,
zoo zwak uit zich zelven, eene draagkracht,
eene onderwerping tegen alles bestand, en die
ons zonder vrees of schrik, zonder wijfelendc
moedeloosheid vooral, den langen stoet van
ellende doet gadeslaan, die zoo vaak zich door
geheel een menschenleven voortbewegen.
-ocr page 28-
l6                HET KRUIS EN CAI.VARIË.
En wat heeft de Meester dan gedaan?
In den rampspoedigen staat van het schepsel
heeft Hij niets veranderd. Hij heeft het lijden
niet van ons weg genomen, doch op eigen
schouders heeft Hij het geladen: »Hij zelf
heeft onze smarten gedragen. »Ver e do lor es
nostros ipsc portavit
]). Hij heeft het kruis ge-
nomen en is opgegaan naar Calvarië." Van dien
dag af is het lijden voor den mensch geworden
een glorievol teeken en als het zegel van zijn
christelijken adeldom.
Beroem u dus op uwc smarten, gij die lijdt:
gij zijt geroepen tot deelgenoot in het lijden
van uwen God. -»Ad socictatcm passionum cjns1)."
Met Hem ga op naar Calvarië, bestijg die ruwe,
onbegaanbare hoogten; geen stap zult gij er zetten,
of uw voet zal de schreden drukken van den
Gekruisigde. Geen traan zal uw oog ontvloeien,
geen druppel harteblocd ter aarde vallen, zonder
zich te mengen met het bloed en de tranen,
die Jezus Christus daar voor u heeft vergoten.
Ga op tot de kruin en zie wel toe. Beschouw
dat voorhoofd, die handen, die voeten, die
i) Isaïas C. 53, v. 4.
2) St. Paulus aan de Philipp., c. 3, v. 10.
-ocr page 29-
HET KRUIS KN CALVARIË.                 \\y
verscheurde ledematen, die bebloede oogen , dat
doorstoken hart! . . . Is uw hoofd als het Zijne
met doornen gekroond, zijn uwe handen door-
wond als de Zijne, is uw hart doorboord als
Zijn hart, wees trotsch en fier! »Gij draagt in
u de trekken van uwen Koning. Stigmata Domini
Jesa in corporc porto
\')." »Gij hebt u bekleed
met de gedaante van uwen God. Configuratus
morti e jus •)."
Maar de Christus heeft er zich niet toe be-
paald het lijden glorierijk te maken. Hij heeft
het ook vreugdevol gemaakt en beminnelijk.
»Ik vloei over van vreugde te midden onzer
beproevingen," zeide de heilige Paulus, *supera-
bundo gaudio in omni tribulatiom nostra
3)."
Dit nu is der wereld een raadsel. Zij begrijpt
niet, dat men het lijden kan beminnen : het is haar
eene dwaasheid ; en om wel aan te toonen, dat op
Calvarië, aan den voet van het kruis, die dwaasheid
de menschen heeft aangegrepen, noemt zij het
de dwaasheid des kruises. Reeds ten tijde van
Paulus oordeelde de wereld aldus : »Wij prediken
i) St. Paulus aan de Gal. c. 6, v. 17.
2)  Ibid. aan de Philip, c. 3, v. 18.
3)  Ibid. 2 aan de Corint. c. 7, v. 4.
-ocr page 30-
l8                  HET KRUIS EN CALVARIË.
Christus den Gekruiste, sprak de apostel, den
heidenen eene dwaasheid. Nosantempraedicamus
Christum crucifixwn . . . . gentibus stultitiam
\')."
Maar het doet weinig ter zake, dat de wereld
het begrijpt.
Het feit is daar. \'t Is eene waarheid, dat aan
den voet van Calvarië een geslacht van menschen
is ontsproten, dat het lijden heeft liefgehad,
dat van het lijden heeft gemaakt den onaf-
scheidelijken gezel van zijne pelgrimstocht, dat
de droefheid heeft verkoren boven het genot,
de vernedering en den smaad boven de glorie,
de armoede boven den rijkdom. Het is niet
minder waar, dat dit geslacht zich heeft voort-
geplant en door goddelijke ontkiemingskracht
nog heden ten dage heerlijke loten uitschiedt.
Onze wellustige eeuw ziet, even als in de
eerste tijden der Kerk, uit haren schoot verrijzen
boetelingen te vuur en te zwaard, begeerig om
te lijden, wijl Jezus Christus geleden heeft. Onze
onafhankelijke, oproerige eeuw ziet mannen de
vernietiging der gehoorzaamheid najagen, omdat
Christus gehoorzaam is geweest tot den dood.
Onze eeuw, zoo dolzinnig verzot op het goud,
i) Ibid. i aan de Corint. c. i, v. 23.
-ocr page 31-
HET KRUIS EN CALVARIË.                   19
ziet mannen de armoede beminnen en »haar
hoogschatten als hun allerzoetste meesteres",
zooals de heilige Franciscus van Sales zich
uitdrukt, omdat Jezus Christus arm is geweest
en van de openbare liefdadigheid heeft ge-
leefd.
Wie zal het loochenen ? En hoe dan niet er-
kennen , dat Jezus Christus in het lijden heeft
neergelegd eene aantrekkelijkheid, die wij mis-
schien niet kennen, waarvan wij de zoetheid
niet weten te smaken , maar die door anderen
wordt begrepen en die hen geboeid houdt? Gij
vraagt mij naar het geheim van die wondervolle
verandering? Ziehier, het is de liefde! de liefde
die alles zoet en dierbaar maakt, wat men lijdt
voor den welbeminde ... de liefde, ontvlamd
bij het vuur van dien stillen, vertrouwelijkcn
omgang tusschen het Hart van den Goddelijken
Gekruiste en de arme harten der menschen,
die zich scharen om Zijn kruis.
Vergeten wij daarenboven niet de troostende
woorden van den Apostel: y>Mo?neiitaneum et
breve tribulationis nostrae
, supra modum in
sublimitate aeternum gloriaepondus operatur.
—
Want het tijdelijke en lichte onzer verdrukking
hier beneden, werkt eene onmetelijke, over-
-ocr page 32-
20                 HET KRUIS EN CALVARIË.
treffende zwaarte van heerlijkheid in ons 1)."
Hij, die Jezus Christus van de dooden heeft
doen opstaan, zal ons met Jezus Christus
doen verrijzen. — Scientes quoniam quisuscitavit
Jesum et nos cum Jesu suscitabit -)."
»Gelijk gij dcelgenootcn zijt van het lijden,
zult gij het ook wezen van de vertroosting. —
Scientes qtiod sicut socii passionutn estis, sic
eritis et consolationis
3)."
Gij, die lijdt, weldra zult gij bereiken —
misschien hebt gij reeds bereikt — die hoogten
des levens, waarop de toekomst meer weemoed
dan hoop inboezemt. En al voortgaande op
dien weg van uw leven, hebt gij allengs ver-
loren die edelmoedige geestdrift, die gulle
vreugde, die lachende droomen, die ongckun-
stelde, onervaren verwachtingen, al den tooi
eener lente, die niet meer is. Dat alles is ver-
flenst. De wind, die loeit om uw hoofd, is de
herfstwind, die ontbladert. Gij moet afdalen,
en de helling is steil, en aan het einde —
ach, zoo nabij reeds, — wacht u de dood. Is
i) St. Paulus, 2 Cor., c. 4, v. 17.
2)  Ibid., v. 14.
3)  Ibid., c. 1 , v. 7.
-ocr page 33-
HET KRUIS EN CALVARIË.                   21
dan het leven zoo kort en de eeuwigheid zoo
lang, kan de dood ieder oogenblik ons aan-
grijpen en neerwerpen in het graf, geloof mij,
dan is het ons zoet te denken, dat het lijden,
ons in dit leven ten deel gevallen, een vrucht-
baar zaad is van geluk , uitgestrooid in de voren
der eeuwigheid.
De christen gaat in zoo zoeten vrede ter ruste,
als hij het moede hoofd neerlegt op het kruis
van den Meester!
-ocr page 34-
Het ligt geenszins in mijne bedoeling de
navolgende bladzijden als eenegewone kruisweg-
oefening voor te stellen; in de meeste gevallen
zou zij te veel tijd verciseheu.
Maar na aandachtige lezing zal men ge-
makkelijk de hier uitgedrukte gedachten terug-
vinden, wanneer men de staties van dien weg
der smarte doorloopt.
En allen die lijden zou ik zoo gaarne dien
weg willen aanwijzen.
De ware, de eenige troost is daar te vinden.
-ocr page 35-
DE KRUISWEG.
Iste STATIK.
Jezus Christus wordt door Pilatus ter dood veroordeeld.
ook een der zijnen verkocht, door de
romeinsche krijgsknechten geboeid, van
den eenen rechter naar den anderen gesleurd
door de Joden, die dorsten naar Zijn bloed,
staat Jezus Christus daar eindelijk voor Pilatus.
De laatste hoop van den onschuldige, nier-
beneden , is de gerechtigheid. Het scheen dus,
dat Jezus mocht hopen, even als later de
heilige Paulus, op de onkreukbare rechtschapen-
hcid der romeinsche rechtspraak.
Pilatus ondervraagt Hem .... hij vindt in Hem
-ocr page 36-
24                HET KRUIS EN CALVARIË.
geenc schuld ; tot twee maal toe verklaart hij het
luide, hij zal Hem dus vrijlaten ! . . . . Neen, het
volk wil, dat de Christus sterve, en het volk is
daar, haatdragend, bloeddorstig, schreeuwend
en tierend in den voorhof van het rechthuis.
Pilatus, wijfelend reeds, kreeg cene ingeving
van allerwreedst mcdedoogen : »Ik zal Hem met
roeden laten slaan, zegt hij tot zich zelf, en
als het volk Zijn bloed ziet, zal het deernis
hebben." En onder den gecsel der Romeinen
werd Jezus Christus met bloed overdekt. Maar
het volk had geen deernis. De Christus moest
sterven. Pilatus, ontstemd over zoo groote
hardnekkigheid jegens een rechtvaardige, hoort
zich door de priesters ingefluisterd: »pas wel
op, als gij Hem niet veroordeelt, zijt gij de
vriend des Ccsars niet meer", en vreczend zijne
plaats als landvoogd te verliezen, levert Pilatus
den onschuldige over en roept uit: »Welnu,
kruisigt gij Hem, ik wasch mij de handen, ik
ben onschuldig aan het bloed van dezen recht-
vaardige." En hij liet zich een gouden bekken
hrengen, en hij wiesch zich de handen.
Jezus reikte de Zijne aan de soldaten, die
Hem ter strafplaats zouden voeren.
Het zegevierende volk jubelde van vreugde.
-ocr page 37-
HET KRUIS EN CALVARIE.                  2$
Het ging den Christus zien sterven, het zette
de krijgsknechten aan tot spoed .... Welk een
feest voor de Joden, voor de Farizeérs vooral,
zij gingen verlost worden van den prediker!
Jezus hoorde alles.....de lastertaal van zijne
aanklagers, de lafhartige overgave van Pilatus,
de beleedigingen der menigte, hare vréugde-
kreten .... en Hij zweeg. Voor acht dagen
juichte diezelfde menigte Hem toe: »Hozanna
den Koning der Joden!"
Zijne oogen zagen rond naar Zijne Apostelen,
naar hen die Hij lief had en Zijne broeders
had genoemd.
Petrus, hun opperhoofd, had gebeefd voor
de stem eener vrouw en Hem tot driemaal toe
verloochend : »ik bezweer u, dat ik dien mensch
niet ken. — Nou uovi hominem" Judas, de
verrader, had zich verhangen. De anderen waren
gevlucht op het eerste alarm en hielden zich
schuil. En Jezus zweeg.
Hij zocht of Hij onder de menigte niet de
zieken ontwaarde, die Hij had genezen, — de
blinden, aan wie Hij het gezicht had weer ge-
geven , — de kreupelen, die Hij had doen gaan,—
den hoofdman, wien Hij zijn gestorven kind had
terug geschonken, — de weduwe van Naïm,
-ocr page 38-
26                  HET KRUIS EN CALVARIR.
wier zoon Hij ten leven had opgewekt....
Niemand! Daar was wel een hoofdman, maar
hij zag toe, dat het kruis zwaar en stevig genoeg
aan een werd geklonken; . . . . daar waren wel
vrouwen, maar dolzinnig riepen zij uit: «kruisigt
Hem, kruisigt Hem? Zijn bloed kome over
ons en over onze kinderen!".... En Jezus
zweeg.
Is er dan onder al dat volk niet één enkele,
die zijne stem voor den Christus zal verheffen ?
Is er niet één hart, dat in dankbaarheid zich
herinnert? Niet één mond om de zangen te
herhalen, waarvan Jeruzalems heuvelen den
nagalm nog hebben bewaard: „gezegend Hij,
die komt in den naam des Heeren! Zalig de
schoot, die U heeft gedragen, zalig de borst,
die U heeft gevoed!"
Neen, niemand ! Jezus is alleen , verraden,
verkocht, verlaten .... alleen in de handen
Zijner beulen. En Jezus zweeg!
*
Mijn God, durf ik het wagen onze nietige
smarten bij Uwe opperste smart te vergelijken?
Wij ook, wij hebben in deze wereld den
kelk van den laster te ledigen. Men beschul-
-ocr page 39-
HET KRUIS EN CALVARIË.                2J
digt ons van kwaad, waarvan het denkbeeld
zelfs ons vreemd bleef. Men dringt door in de
verborgenheid onzer gedachte, om er plannen
en voornemens te ontdekken, welke wij nimmer
hebben gekoesterd. Men vervalscht onze woorden
en legt ze uit ten kwade. Aan onze reinste
genegenheden geeft men den schijn van vcr-
foeilijken hartstocht. Wat wij doen in kort-
zichtige onberadenhcid, wordt ons aangewreven
als boosaardigheid en kuiperij. Afgunstigen
trachten ons te verscheuren.
Worden wij begrepen, worden wij geacht
door de wereld, zooals wij meenen er recht op
te hebben ?. . . .
Laten wij dit lijden dragen met geduld, en
zwijgen wij zoo als de Christus. Verduren wij
de miskenningen, de verachting, den smaad ! . . . .
Wat is ons lijden, vergeleken bij het lijden van
onzen Meester?.... En Hij zweeg!
Leeren ook wij te zwijgen!
Wij ook, wij hebben rechters, onze natuur-
lijke beschermers, de verdedigers van ons goed
recht. Nu eens is het een vader, eene moeder,
een echtgenoot, eene overheid, welke dan ook,
soms is het een vriend, wiens achting ons meer
ter harte gaat dan alle meening der wereld.
-ocr page 40-
28                HET KRUIS EN CALVARIË.
Hebben zij ons immer naar waarheid beoordeeld ?
Helaas, menigmaal vonden wij bij hen noch
hulp, noch steun. Zij hebben geloofd aan wat
de groote menigte uitschreeuwde, zij hebben
ons veroordeeld zooals deze, en zelfs door hen
bleef onze onschuld miskend en veracht. »0,
indien een vijand mij aldus had veroordeeld,
ik zou het in stilte hebben verdragen, maar
gij wiens ziel cén was met mijne ziel! — Quo-
niavi si inimicus homo tnaledixisset viihi
sustinuissem utiquc, tu autcm homo unanimis!"1)
Laat ons zwijgen!
Wij hadden den menschen goed gedaan, met
toewijding, met zelfopoffering misschien hebben
wij getracht hen gelukkig te maken .... Waar
zijn zij, nu dat ik zelf lijd ? Ik telde het goud
niet, dat ik hen in den schoot wierp. . . . Waar
zijn zij, nu dat de ondergang mij bedreigt?
Zij zijn gevlucht! . . . Wie weet, misschien
hebben zij mij verraden en verkocht!
Ik heb liefgehad , geheel mijne ziel had ik met
mijne liefde gegeven, ik leefde slechts voor hem,
dien ik beminde. Mijne gedachten waren voor
hem, bij dag en bij nacht, en mijn arbeid en
i) Ps. 54, v. 14.
-ocr page 41-
HET KRUIS EN CALVARIK.                  29
mijne eer, en mijn geluk en geheel mijn leven.
Waar zijn zij, die ik beminde ? waar is de
vriend mijner ziel ?
Daar is een dag gekomen, waarop hij mij
heeft verlaten aan den zoom van den levensweg,
als den nutteloozen last, dien men niet langer
torsen wil .... ik ben alleen! . . .
Leer met Christus te zwijgen!
*
* *
Jezus was persoonlijk onschuldig. Hoewel Hij
ons aller zonden op zich had genomen, die
zonden vielen niet onder de rechtsmacht van
Pilatus. Aan hem en aan Zijne beschuldigers kon
Hij een vlekkeloos voorhoofd toonen en een
hart zonder smet.
Maar wij, die ons beklagen over de aantij-
gingen, het oordeel, de verlatenheid, waarvan
wij de slachtoffers zijn, kunnen ook wij dat
zuivere voorhoofd, dat smettelooze hart vcr-
toonen? Zijn wij in waarheid onschuldig?
Wellicht, ja, aan het feit waarvan wij de
schande te dragen hebben; . . . . maar voor
hoeveel andere feiten zou het schaamrood ons
op de wangen komen, waren zij niet in het
diepst van ons zelven verborgen?
-ocr page 42-
30                HET KRUIS 1ÏN CALVARIË.
Wie is de mensch, die voor het oog der
wereld zou willen verschijnen, zooals hij zich
zelven kent voor zijn geweten, met blootlegging
van al zijne daden, van al zijne gedachten,
van al wat hij wenscht, van al wat hij betreurt,
van al zijne hartstochten?
Dan eerst zouden wij beoordeeld worden naar
onze werkelijke waarde .... Wel hoc dan, wij
beklagen ons, omdat men een tipje heeft opgc-
licht van den sluier, waarmede onze eigenliefde
zoo zorgvuldig onze laagheden bedekt houdt!
Maar indien alles eens bekend ware! ... En wij
durven ons verongelijkt rekenen !
Christenen, laat ons toch zwijgen! En ook
bij het onrechtmatig vonnis der wereld buigen
wij met gelatenheid een hoofd, waaraan alleen
het berouw recht verleent zich weer op te heffen.
Justc patimur .... Wij lijden en het is recht-
vaardig, men veroordeelt ons en het is recht.
Jezus liet zich veroordeelen, Hij leed in stilte.
Onschuldig, wilde Hij onze zonden uitboeten:
wij die schuldig zijn, zullen onze boetedoening
met de Zijne vereenigen en met Hem ons vonnis
in onderwerping dragen. Lijden wij met Hem
in stilte de miskenning onzer vrienden, de aan-
klachten onzer vijanden en hun vervolging, de
-ocr page 43-
HET KRUIS EX CALVARIË.                31
minachting, het verraad. Nemen wij al het leed,
dat de menschen ons aandoen, en laden wij het
op onze schouders .... Wat is er de zwaarte
van, vergeleken bij de zwaarte van het kruis,
dat men voor Jezus Christus gereed maakt?
-ocr page 44-
32                 HET KRUIS EN CALVARIË.
Ilde STATIE.
Jezus neemt het kruis op Zijne schouders.
LLES is gereed: het kruis is ineengeslagen,
de Romeinsche soldaten staan onder de
wapenen .... Naar Calvarië! . . . . De menigte
stelt zich op, voor aan den stoet gaan de
kinderen, zingend en klappend in de handen ....
zij gaan een mensch zien sterven. Dan volgen
de priesters van het Sanhedrin, met moeite
verbergen zij de geheime vreugde huns harten
onder den uiterlijken schijn van hoogen ernst....
O gij, die in den naam van God uw bloed-
dorstigen haat durft prediken, o gij, die onder
den dekmantel van de wet en de profeten uw
lage wraak verbergt, wat heeft de Christus u
gedaan?
Daarna komt de verdwaasde menigte, het
betaald gepeupel, dat op den Christus spuwt
-ocr page 45-
HET KRUIS EX CALVARIË.                33
en Barrabas omhelst, het gepeupel der achter-
buurten en der dagen van oproer. Kom, on-
schuldige Christus, het uur is geslagen....
Vooruit! Soldaten zetten het kruis overeind,
alvorens het op de goddelijke schouderen te
laden; daar verheft het zich, en zijne donkere
lijnen tcekencn zich scherp af tegen den hemel.
En, als ontwaakte Jezus uit andere gedachten,
daar ziet Hij dat kruis, Zijne oogen stralen,
een glimlach speelt om Zijn mond, Hij strekt
de armen naar hetzelve uit, Hij neemt het
aan, Hij kust het, Hij laadt het op Zijn
schouder, met beide handen omknclt Hij dat
kruis, en dan gaat Hij op ... . naar Calvarié\',
naar den dood!
En de menigte joelt en schreeuwt altijd.
Tusschen die kreten door hoort men het ver-
ward geluid der ruwe gesprekken, die zich
kruisen, der lage scherts, die met gemeenen
schaterlach wordt begroet en beantwoord. Men
duwt, men dringt vooruit, men zou de rij der
krijgsknechten willen verbreken om den ver-
oordeelde meer van nabij te zien en Hem ge-
makkelijker te kunnen beleedigcn. En let hier
wel op, hoe de Joden zich zelven tegenspreken :
zij, immer gereed tot iederen opstand tegen
8
-ocr page 46-
34                HET KRUIS EN CALVARIË.
het romeinsche gezag, —• zij, trillend van ver-
ontwaardiging bij de herinnering aan de oude
wet en het oude vaderland, — zij, zoo slecht
gekromd onder het vreemde juk, zoo vol haat
jegens den Cesar, zij juichen de krijgsknechten
des Cesars toe, zij klappen in de handen,
omdat een jood als zij ter dood wordt gebracht,
een jood van oproer tegen den Cesar beschul-
digd .... Om het bloed van den Christus te
zien stroomen, hebben zij zich de vleiers van
Cesar gemaakt, zij, de oproerigen! . . . . zij
hebben gekropen, zij, de hooghartigen! . . . .
O laagheid van den menschclijken hartstocht! . . .
Jezus gaat in stilte voort te midden van alle
beleedigingen, die zich boven Zijn hoofd op-
stapelen als een gewelf van hoon en smaad. En
immer is Hij alleen, zonder een enkelen getrouwe,
zonder een enkelen vriend!
*
* *
Maar welk een les geeft ons hier de Meester!...
Het kruis, dat wij te dragen hebben, is het
lijden, en wat doen wij?
Wanneer het ons van verre bedreigt, lang
voor het ons heeft bereikt, bij de eerste aan-
kondiging ervan, bij de enkele gedachte aan
-ocr page 47-
HET KRUIS EN CALVARIË.                35
deszelfs mogelijkheid, kwellen wij ons van te
voren; wij kermen onder de slagen, die nog
niet op ons zijn neergekomen, wij loopen de
smart vooruit en voegen willekeurig, bij het
lijden dat ons treft, het lijden dat zal, of dat
zou kunnen komen. Onze losgelaten verbeelding
vermeerdert bij voorbaat de grootte van ons
leed. Hoe vaak hebben wij geweend over
rampen, die ons nimmer hebben getroffen.
Nuttelooze, kinderachtige tranen ! Hield Jezus
zich bezig met het kruis, toen de beulsknechten
den kruisboom velden , toen zij het hout aaneen-
klonken, toen zij het aansleepten ? Neen, in
kalme onderwerping verliet Hij zich vol liefde
op de Voorzienigheid Zijns Vaders! Laten ook
wij de toekomst rusten .... het heden, arme
ziel, is immers reeds zwaar genoeg ? De toekomst
behoort aan God! Hij alleen weet wat lijden
of geluk Hij ons nog zal toemeten. Wat ook
gebeure, slechts Gods wil zal ons geschieden!
Leggen wij ons dan neder in de armen der
Voorzienigheid Gods, ons hart gedrukt op het
Zijne; vleien wij ons dicht tegen Hem aan,
zoo als het kieken, dat bevend zich verbergt
onder de vederen en tegen het harte der moeder.
Maar staat daar het kruis overeind vóór den
-ocr page 48-
36                HKT KRUIS EN CALVARIË.
Christus, hoe aanvaardt Hij het dan! Hoe
breidt Hij de armen uit, vreugdevol en met
zoeten glimlach! En wat doen wij ?. . . .
Groote God, wij sluiten de oogen om toch
niet te zien, wij wenden het hoofd af met een
kreet van ontzetting, wij strekken de armen
uit, maar om het kruis terug te werpen, voor
het onze schouders aanraakt.... wij vluchten,
en het achtervolgt ons.....het heeft ons be-
reikt, het stort op ons neer, en dan, als alle
hoop ons begeeft, vallen wij ter aarde onder
zijn wicht en als verpletterd blijven wij liggen
zonder kracht, zonder moed , in machteloosheid
en wanhoop.
Is dat mannenmoed ? —• Hoe vol smart het
leven soms moge wezen, God meet haar af
volgens onze krachten. Vergrooten wij dan
niet ons leed ter verontschuldiging van onze
weekhartigheid; hoe zwak wij ook zijn, wij
vermogen meer tegenover het lijden.
O, indien ook wij, rechtstaand en met opge-
heven blik het kruis durfden aanschouwen,
het zou ons niet zoo schrikwekkend voorkomen....
Indien ons verstand onze dwaze, kinderachtige
verbeelding kon breidelen, wij zouden de don-
kere kruisarmen niet zien groeien en zich uit-
-ocr page 49-
HET KRUIS EN CAI.VARIË.                 37
strekken over onzen geheelen gezichtscinder,
wij zouden weten, dat alles voorbij gaat hier
beneden, zelfs de smart en zelfs het lijden.
En vooral wanneer onze oogen voor hooger
licht zich konden openen door een levend,
krachtdadig geloof, hoe zou de sluier der
zichtbare dingen wegvallen van voor onzen blik....
Niet de romeinsche soldaten brengen dan het
kruis, \'t is God die het zendt .... Het is geen
foltertuig, maar een werktuig tot geluk en
glorie .... Die dood is geen wraakoefening
der menschen, niet het werk van een vijand ,
\'t is een gave Gods, \'t is het goud, dat ons de
eeuwige zaligheid koopt.
*
* *
En hoc is dit alles mogelijk? Hoe wordt het
kruis in de oogen der getrouwe ziel het werk-
tuig van haar geluk en van hare glorie? Wijl
het kruis zuivert de ziel door het kwaad be-
smeurd, wijl het vrijkoopt de ziel aan het
kwaad verkocht, wijl het kruis het middel is
ter voldoening van de boete, die haar is opgelegd.
Het valt den mensch hard schuld te bekennen,
zijne eigenliefde komt er tegen op en lijdt er
onder. Maar hoe hij tegenstreve, zijn geweten
-ocr page 50-
38                HET KRUIS EN CALVARIË.
dwingt hem er toe. Het roept in ons luider
dan al het gedruisch, dat wij maken om zijne
stem niet te hooren, en — getuige van onze
zonden, — daagt het ons ter verantwoording
bij dag en bij nacht .... Hoe dan te ontkennen
in tegenwoordigheid van dat geweten, dat alles
heeft gezien, alles gehoord , dat immer tegen-
woordig was tot in de diepste schuilhoeken
van ons hart?
Die eigen bekentenis aan ons zelven valt ons
hart, maar wat is zij vergeleken bij de bloot-
legging onzer feilen voor den rechterstoel der
menschen! O, hoe verzet zich ons hart bij die
gedachte, tot wat huichelspel leenen wij ons
om er aan te ontkomen! Wat middelen denken
wij uit, wat moeite getroosten wij ons om
alles te verbergen!
En toch, zwaarder dan dit alles is ons het
dragen zonder morren van de straf om onze
misdaden verdiend, de uitboeting van het
kwaad, dat wij hebben bedreven!
Waarlijk, men zou zeggen, dat wij nimmer
den Christus hadden aanschouwd!
»0 Jezus, onschuldige Jezus, roept Bossuet
uit, moet Gij bekennen de doodstraf te hebben
verdiend? Mijne broeders, het moet, het moet!
-ocr page 51-
HET KRUIS EN CALVARIË.                39
De menschen betichten Hem van misdaden,
die Hij niet heeft begaan, maar God heeft op
Hem geladen onze ongerechtigheden en voor
deze gaat Hij eerherstel geven ten aanschouvvc
van hemel en aarde. Zoodra Hij het kruis ont-
waart, waaraan Hij weldra zal worden geklon-
ken, roept Hij uit: »o mijn Vader, Ik heb
het wel verdiend, niet voor de misdaden Mij
door de Joden aangewreven, maar voor die,
waarmede Gij Mij belast. Kom, o kruis, dat
Ik u omhclze, het is rechtvaardig, dat Ik u
drage, omdat Ik u zoo zeer heb verdiend." In
die gevoelens neemt Hij het kruis op Zijne
schouders, Hij verzamelt al Zijne krachten om
het te sleepen tot op Calvarië; en als Hij het
op Zijne schouderen laadt, belast en bekleedt
Hij zich op nieuw met al de schulden der wereld,
om ze op dit schandhout te gaan uitboeten."
Aldus doet onze Meester.
En wij, zouden wij weigeren de straf onzer
persoonlijke zonden te ondergaan! .... Zouden
wij terugdeinzen voor het kruis, dat wij zoo
wel hebben verdiend! . . . .
Neen, met Gods hulp, neen !
-ocr page 52-
40                  HET KRUIS EN CALVARIË.
lilde STATIE.
Jezus valt onder het kruis.
EZUS schreed voort onder het zware kruis.
Sinds de krijgsknechten, op aanwijzing van
den verrader, Hem in den hof van Gethsemani
hadden gevangen genomen, ja, zelfs sinds het
laatste Avondmaal had Jezus Christus niets ge-
nuttigd. In den kerker van Annas, den Hooge-
priester, had Hij den nacht zonder rust of slaap
doorgebracht; Hij had in den vroegen morgen
het arglistig verhoor van dien eersten rechter
ondergaan. Toen had men Hem gesleept voor
Caïphas, van daar naar Pilatus; Pilatus had
Hem gezonden naar Herodes, die Hem den
witten spotmantel der zinneloozen had omge-
hangen. Weer was hij teruggevoerd naar Pilatus
onder scheldwoorden en vervloekingen van een
losgelaten gepeupel; Pilatus had Hem doen
-ocr page 53-
HET KRUIS EN CAI.VARIË.                  41
geeselen en de zweepslagen der Romeinen hadden
met bloedig diepe sporen Zijn onschuldig vleesch
doorploegd. Vaak gebeurde het, dat het slacht-
offer bezweek onder die riemen en geesels;
Jezus was staande gebleven, maar Zijn bloed
had gestroomd uit duizenden wonden. Kn had
men zich daarna niet de vreugde verschaft
dien »kon ing der Joden", door de Joden ovcr-
geleverd, met doornen te kronen! Van Zijn
aanbiddclijk gelaat, van geheel Zijn hoofd had
het bloed gevloeid in purperen stralen ; het had
afgedropen tot op Zijn gezegende schouderen.
En het was, toen Zijn levenskrachten aldus
waren uitgeput, terwijl Zijn geopende wonden
nog voortbloedden onder Zijne kleederen, dat
Hij met zooveel geestdrift het kruis had aan-
vaard.
Maar in spijt van dien grooten moed, was
Zijn arm lichaam ten einde toe uitgeput; Zijne
borst zwoegde, Zijne ledematen, langen tijd
ondersteund door eene wilskracht sterker dan
Zijn lijden, bezweken ten leste, Zijne knieën
wankelden, Hij viel..... en het kruis stortte
neer op Hem.
Dat bracht ontsteltenis te weeg onder het
volk, het meende zijn prooi te verliezen. Toen
-ocr page 54-
42                  HET KRUIS EN CALVARIË.
het zag, dat de Christus nog leefde, was het
gerust en hief niet nieuwe woede zijne smaad-
kreten aan. De romeinsche soldaten hielpen den
veroordeelde op ruwe wijze weer op de been,
en zonder deernis voor dien jood , die toch ging
sterven en dien zij minachtten zooals geheel
Zijn geslacht, wierpen zij het kruis weer op
Zijne schouders en dreven Hem voort zonder
Hem een oogenblik van verpozing te gunnen.
En Jezus, bleek en bebloed, ging voort.
* *
Kloekmoedig zijn kruis opnemen, de smart
aanvaarden als God ons dien beker te drinken
geeft, \'t is een groot en edel hart eigen. Het is
de eerste schrede op den weg naar Cal var ië.
Hoe zwaar het moge wezen, de christen is er
toe in staat. Kene zekere opwinding van de
eerste ure, die een verheven gemoed bezielt bij
het verrichten van eene groote daad, of het
dragen van eene zware beproeving, zijn zeer
menschelijke gevoelens, die ons helpen tot eene
heldhaftige aanvaarding.
Bijna geen grootmoedig hart, dat in den
aanvang niet tot het martelaarschap bereid is.
Maar er is iets zwaarder dan het lijden, het
-ocr page 55-
HET KRUIS EN CALVARIË.                  43
is de aanhoudendheid van het lijden. Wanneer
de opwinding en de geestdrift voorbijgaan,
wanneer de mensch, teruggedaald tot zijn ge-
woon peil, zich van aangezicht tot aangezicht
met Rct voortdurende lijden bevindt, o, hoe
zwak is hij dan! .... Lijden één dag lang,ja,
de mensch kan het, in zijn hart vindt hij
daartoe moed en kracht, maar lijden gedurende
weken, maanden, jaren, altijd dezelfde smart,
altijd dezelfde foltering, altijd hetzelfde ziels-
verdriet .... dat is te veel voor zijn zwakken
wil .... en uitgeput stort hij neder onder het
kruis.
Ondervraag die arme gewonde ziel, door
hare tranen heen zal zij u antwoorden:
»o, dat lijden is te zwaar, ik heb geen moed
het te dragen, waarom laat God mij niet
sterven! . . . . Hoe zoet en welkom zou de dood
mij zijn ! . . ."
God verhoede, dat ik ooit den mensch die
bezwijming van zijn wilskracht, die uitputting
van zijn moed zou verwijten, daar Jezus Christus
zélf nederstort ter aanmoediging in dat lijden.
Voorzeker noch de wil des Meesters, noch Zijn
moed begaven Hem ; slechts de zwakte van Zijn
lichaam houdt geen gelijken tred met de geest-
-ocr page 56-
44                HET KRUIS EN CALVARIË.
kracht Zijner ziel. Bij ons, arm als wij zijn,
stort alles neer, ziel en lichaam, en onze wil
bezwijkt met onze krachten.
O goddelijke Meester, hoewel begrijpt Gij ons
arm hart! Gij wist dus, dat onze moed slechts
een enkel uur, een enkel oogenblik staande blijft,
dat onze kracht vervliegt als een ademtocht,
als een licht, dat even straalt en dan in den
donkeren nacht verdwijnt .... Neen, het ver-
wondert U niet, ons zoo zwak te zien en ons vallen
is U geen reden om U van ons af te wenden.
Gij hebt deernis met ons gehad, Gij hebt willen
neerstorten zooals wij.
Maar Gij, o Jezus, Gij richt u weer op!
Zullen wij niet Uw voorbeeld volgen ? Zullen wij
ter aarde blijven liggen zonder eene nieuwe
poging om op te staan ? Op, christenziel! hervat
uw kruis, zooals Jezus Christus het Zijne weder
heeft opgenomen en treed voort met Hem!
*
* *
Maar \'t is niet alleen in de smart, dat wij
ons weer moeten oprichten, want \'t is niet
alleen in de smart, dat wij bezwijken. De weg
van den plicht is een andere weg van Calvarië,
en helaas, op dien weg hoe menigmaal storten
-ocr page 57-
HET KRUIS EN CALVARIË.                45
wij neer ! De plicht valt den mensch vaak bitter
en zwaar; om hem waarlijk lief te hebben wordt
een streng hart vereischt. En terwijl de plicht
zich aan ons voordoet onder een ruw en koud
uiterlijk, omgeeft de hartstocht ons zoo lachend
en warm, zoo verlokkend, zoo vleiend. En zoo
leeft de mensch tusschen die beide tegenstrijdige
aanzoekingen, van het oogenblik af dat zijn
verstand ontwaakt, tot het uur van de eeuwige
rust des doods. Wat is in die spanne tijds zijne
geschiedenis ? Ik zonder enkele heiligen uit,
weinigen nog in getal, door God met bijzondere
genade voorkomen.
Wat is de geschiedenis van den mensch
tusschen zijn geweten en zijne begeerten, tusschen
zijn plicht en zijn hartstocht ?
\'t Is de geschiedenis van die vaartuigen, door
tegenwind heen en weer geslingerd, die hun
zeil nu ter rechter-, dan ter linkerzijde uitspannen
om vooruit te komen .... Zoo gaat de mensch
van den een naar den ander, hij verlaat den
plicht voor den hartstocht, hij keert terug tot
den plicht, hij loopt andermaal over naar den
hartstocht, en aldus gaat zijn leven voorbij.
De geredden, de uitverkorenen zijn zij, die
immer wederkeerend tot den plicht zich op zijn
-ocr page 58-
46                HET KRUIS EN CALVARIË.
pad bevinden, als de onzekere ure slaat, waarop
God hen tot zich roept. De vervloekten, de
verlorenen zijn zij, die het worstelen moede,
met gestreken zeilen zich aan het kwaad
overgeven.
Nog eens, dat vallen en hervallen is
menschelijk: hij die er geen deernis mee heeft,
noch mededoogen met derzelver arme slachtoffers,
hij bezit niet den waren geest van Christus.
Kwam hij in aanraking meteene ziel, hij zou
haar tot wanhoop kunnen voeren. — ?>Nescitis
cujtis spiritus estis."
Maar het is noodzakelijk dat de gevallene
opsta, al ware hij honderd-al ware hij duizend-
maal neergestort, al ware iedere schrede een
val geweest, hij moet, hij moet opstaan....
God is immer bereid ons vergiffenis te schenken,
hoe dan zouden wij niet immer bereid zijn Hem
die vergiffenis te vragen?
Ach, arme zielen, om Gods wil, ik smeek het
u, verliest nimmer den moed! Als eene moeder
haar kindje leert loopen, heeft zij dan geen
medelijden, wanneer het valt ? En hoe vaak doen
zijn wankelende voetjes een misstap! Maar zoo
haar kind bovendien gebrekkig en verlamd ter
wereld is gekomen, zal de moeder dan wel ooit
-ocr page 59-
HET KKUIS EN CALVARIË.                47
verstoord kunnen wezen? Ach zij zou geene
moeder zijn! Welnu is de liefde die God ons
toedraagt niet grooter dan die der teederste
moeder ? Weet Hij niet, dat wij in deze wereld
gekomen zijn verblind naar den geest, verlamd
in onzen wil? En God zou geen mededoogen
hebben!
Ja, het kwaad vertoornt Hem, onze zonden
zijn Hem een gruwel, maar bij de eerste poging
der ziel om zich tot Hem te wenden en op te
staan, o hoe liefdevol breidt Hij naar haar Zijne
armen uit.
Wat het dus kosten moge, arm hart, sta op,
sta op !
-ocr page 60-
48               HET KRUIS EN CALVARlE.
IVde STATIE.
Jezus ontmoet Zijne lieve Moeder.
rayE vluchtende leerlingen hadden zeker
getracht aan Maria het vreeselijke van
\'s Heeren toestand te verbergen, maar weldra
ingelicht door de geruchten, die zich als een
loopend vuur hadden verspreid, spoedt zij zich
voort.... Haar Zoon! zij wil haar Zoon ont-
moetcn! De liefde verhaast haren tred, de
angst doorvlijmt haar \'t harte. Door de nauwe
straten van Jerusalem weet zij den afstand te
bekorten, en eensklaps, bij eene kromming van
den weg staat Jezus voor haar, bleek, bebloed,
gebukt onder het kruis, dat Hem schier ver-
plettert....
O moeder, is dat uw kind! . . . .
Een angstkreet ontsnapt aan Maria, noch
de menigte, noch de krijgsknechten houden
-ocr page 61-
HET KRUIS EN CALVARIË.                49
haar tegen, en snikkend slaat zij de armen om
den hals van haren Zoon en overdekt Hem
met kussen. i>Nec potuit diccre verbum", zegt
de heilige Bonifacius: »zij kon geen woord
uiten". Zij sprak dus niet, zij weende slechts
en ook op de lippen van Jezus Christus legt
de overlevering geen enkel woord. Is het voor
moeder en Zoon wel noodig te spreken, om
elkander te begrijpen! Hunne tranen spreken
genoeg en hun harten, die tegen elkander klopten.
O Maria, arme Maria, ziedaar dan uw Kind,
uw eenigste, de welbeminde van uwen schoot!
Uw Jezus zoo goddelijk schoon, dien gij zoo
menigmaal op uwe knieën in slaap hebt ge-
wiegd, dien gij met zoo innige teederheid hebt
geliefkoosd, —- uw Jezus, dien gij in Egypte
gingt verbergen, om Hem te ontrukken aan
de afgunst van Herodes, — uw Jezus, die na
dertig jaren onder uw maagdelijk oog te hebben
geleefd, u had verlaten om Zijn volk te onder-
richten en te redden, — ach zie, wat Zijn
volk van Hem heeft gemaakt! O, verlaat Hem
nu niet meer, moeder, verlaat uw Zoon niet
meer, Hij gaat sterven!
Er is in den blik der moeder eene overwel-
digendc kracht, als bij instinkt doet hij volk
1
-ocr page 62-
50                 HET KRUIS EN CAI.VARIË.
en soldaten wijken, zoo als later, naar men
zegt, te Florence bij den angstkreet en den
blik eener moeder een leeuw het kind losliet,
dat zijn prooi was geworden. — Maar weldra
werd dit betere gevoel door de opbruischende
lage driften overstemd. Men rukte Jezus los
van Maria, de stoet, een oogenblik opgehouden,
zette zich weer in beweging en vervolgde zijnen
weg. En Maria, tusschen de menigte, ging
voort met Jezus.
\'t Was als had het ontmoeten Zijner lieve
moeder aan Jezus nieuwe krachten geschonken.
Eén minnend hart ten minste vergezelde Hem
op den weg der smarte. Hij was niet meer
alleen om te lijden!
*
* *
Ik dank U, Heer, wijl Gij hebt toegelaten,
dat het eerste liefdeblijk op den smartvollen
weg U door een moederhart werd aangeboden.
O, de liefde eener moeder! wat is elke andere
liefde vergeleken bij haar! Heer, zij verdiende
tot U te komen en U te troosten vóór elke
andere liefde. Andere liefdeblijken zullen U
ook geworden, o mijn God, doch als bij toe-
voeging, deze zal U niet meer ontbreken.
-ocr page 63-
HET KRUIS EN CALVARIË.                 51
Ziedaar dan de eerste troost, die Jezus ten
deel valt. Ik neem de les des Meesters in hare
meest natuurlijke beteekcnis. Gij lijdt, mijn
zoon, welnu, ga tot uwe moeder, in hare armen
zullen uw tranen zich zoo gemakkelijk droogen !
Maar wat behoef ik u dien raad te geven. Als
van zelf voelt het lijdende hart zich tot het
moederhart getrokken ! En als eene moeder de
smart ziet van haar kind, o hoe week en zacht
weet zij haar stem te buigen, hoe warm, hoe
troostend en teeder hare liefkozingen te maken!
Hoe voelt men dat zij het is, zij met haar
kind, het vleesch van haar vleesch, het bloed
van haar bloed, het leven van haar leven ....
Zie naar Monica en Augustinus aan den oever
der zee, waar de golf aan hunne voeten komt
breken. Maar wat spreek ik van Monica en
Augustinus, hebben wij zelf geenc moeder
gehad? Hebben wij haar vriendelijk oog, haar
zoeten glimlach niet aanschouwd, haar tecderc
woorden opgevangen, heeft zij niet onze wangen
gestreelt, onzen mond gekust?
Wie kan het hebben vergeten, dat zij de
ware toevlucht onzes harten was ? Maar, helaas,
indien de mensch een weinig in het leven is
voortgetreden volgens den gewonen loop der
-ocr page 64-
52                  HET KRUIS EN CALVARIË.
dingen, dan rest hem doorgaans van die onuit-
sprekelijke liefde niets anders dan de herinnering!
Om tot zijne moeder te gaan moet hij de ver-
blijfplaats der dooden bezoeken, en wat vindt
hij daar? Een weinig stof, dat niet meer hoort,
dat niet meer tot hem spreekt! Wel hoe, is
dat alles wat ons overblijft van haar, die ons
zoo teeder heeft liefgehad ?
Ach, wanneer toch zullen wij de grove men-
schelijke gevoelens afleggen om eindelijk te
gelooven en bij het licht des geloofs te leven ?
Onze moeder gestorven? Neen, zij leeft, zij
ziet, zij hoort ons, zij heeft ons lief en door
de geheimzinnige sluiers heen, die het ballings-
oord scheiden van het vaderland, de aarde van
het hemelsch paradijs, weet zij ons met troos-
tcnde teederheid te omgeven. Waarom dan
gaan wij niet tot haar? Waarom leggen wij
haar onze ellende niet bloot? Waarom tooncn
wij haar niet ons arm gebroken hart?
Maar dit is niet alles: op den berg van
Calvarië, dien de Christus bestijgt, zal eene
tweede moeder ons gegeven worden.
De Maagd, die haar snikken onderdrukt en
haar tranen inhoudt, terwijl zij haren Zoon op
den lijdensweg volgt, Maria, de koningin der
-ocr page 65-
HET KRUIS EN CALVARIË.                 53
smarten, zal onze moeder worden. Zij ook zal
vol liefde zich over ons heen buigen, evenals
over haar kind. Zij ook zal deernis met ons
hebben en vol medelijden ons gadeslaan. Zij
ook zal ons door hare tegenwoordigheid troosten
en opbeuren.
Moed dan, o mijne ziel, evenmin als de
Meester zijt gij in uw lijden alleen: daar zijn
twee harten , die met u weenen, die u liefhebben
en u troosten. Al waart gij door allen verlaten,
geheel alleen op de wereld, alleen met uwe
smart, die twee harten zouden nog met u zijn :
het hart uwer moeder en het hart van Maria,
de moeder van Jezus, uwe moeder ook. Gij
lijdt, mijne ziel, maar gij lijdt minder dan de
Meester, en toch mogen uwe lippen met de
Zijne heul en vertroosting putten aan den-
zelfden beker.
*
* *
Die troostende macht van Maria, de ware
moederliefde, die zij toedraagt aan allen die
lijden, de teederheid waarmede zij hen omringt....
is het wel noodig over dit alles uit te weiden?
Ieder christenhart immers weet het bij onder-
vinding ! Zij is zoo in den volsten zin des woords
-ocr page 66-
54                HET KRUIS EN CALVARIË.
onze moeder! »Somtijds", zegt Bossuet, »zult
gij ecne moeder op geheel bijzondere wijze een
vreemd kind zien liefkozen, enkel en alleen
omdat het op haar kind gelijkt. Juist aldus,
zal zij denken, legt het zijne handjes, aldus
ziet het rond, dit is zijne houding en zijne
wijze van doen. Eene moeder ziet zoo scherp
tot in de kleinste bijzonderheden. En wat is
dit anders, zou ik durven vragen, dan een
gang, die de liefde der moeder onderneemt, om
haar kind te zoeken overal, waar zij maar iets
van hetzelve kan ontdekken, onvoldaan als zij
is met het alleen in zijn eigen persoon te beminnen.
En indien zij aldus bewogen wordt door eene
flauwe gelijkenis, wat zullen wij dan zeggen
van Maria als zij in der christenen ziel de
onsterfelijke trekken ontwaart van de volmaakte
schoonheid haars Zoons, door Gods vinger zoo
overheerlijk daar in gegrift. En niet slechts
zijn wij de levende afbeeldsels van den Zoon
Gods, wij zijn ook Zijne ledematen, met Hem
vormen wij één lichaam, welks Hoofd Hij is,
wij zijn, zooals de Apostel leert, Zijn lichaam
en Zijne vervolmaking .... Dat is het, wat de
liefde der heilige Maagd zoo grootelijks op ons
aftrekt, dat geene moeder haar gelijkt....
-ocr page 67-
HET KRUIS EN CALVARIË.                 55
Gaat dan, christenen, gaat tot die onvergelijkelijke
moeder. Gelooft, dat zij u niet zal onderscheiden
van haar welbeminden Zoon, dat zij u zal be-
schouwen als »het vleesch van Zijn vleesch,
het gebeente van Zijn gebeente" \'), als de zielen
voor wie en in wie Zijn bloed heeft gevloeid,
en om nog verder te gaan, in ieder van u zal
zij een anderen Jezus Christus op aarde zien. De
liefde voor haren Zoon zal de maatstaf wezen
van hare liefde voor u, en bijgevolg vreest
niet haar moeder te noemen, zij bezit in aller-
hoogste mate al de teedere liefde, die voor die
hoedanigheid wordt gevraagd".
i) Eph., c s, v. 30.
-ocr page 68-
56                HET KRUIS EN CAI/VARIË.
Vde STATIE.
Simon van Cyrcnc helpt Jezus het kruis dragen.
HRISTUS schreed immer voort onder den
last van het kruis, maar het was voor
een ieder duidelijk, zelfs voor Zijne beulen >
dat Hij den langen weg naar Calvarië niet zou
kunnen voleinden. Daar komt een Cyrener
voorbij, hij is onkundig van het treurtooneel,
dat gaat worden afgespeeld, doch nieuwsgierig
naar de reden van dien volksoploop, treedt hij
nader bij. De soldaten leggen beslag op den
voorbijganger en gelasten hem den veroordeelde
zijn kruis te helpen dragen. Het was cene dienst-
verrichting, die de romeinsche hoofdlieden
konden opleggen, aan wien hen goeddacht.
Simon kende Jezus niet, Zijne zaak was hem
onverschillig, hij koesterde voor Hem noch
liefde, ncch haat; hoogstens had men hem ge-
-ocr page 69-
HKT KRUIS EN CALVARIE.                57
sproken over den profeet van Nazareth, die
geheel Judea in vervoering bracht. Geen enkele
goede opwelling dus ware in staat geweest hem
er toe te brengen Jezus hulp te bieden ; wei-
licht kon zijn goed hart hem deernis doen ge-
voelen met den ongelukkige, maar dat oppcr-
vlakkig mededoogen week spoedig voor het
natuurlijk misnoegen van iemand, aan wien men
onverwachts eene zware, onaangename taak oplegt.
Toch kon hij er niet aan ontkomen, hij moest
er zich bij neerleggen .... hij onderwierp zich.
Zoo nam hij dan op den schouder het einde
van den zwaren kruisboom , dat over den grond
sleepte en droeg het met Jezus voort.
Jezus Christus werd door die hulp verlicht,
wel verminderde zij geenszins het gewicht, dat
Hem neerdrukte, maar Hij behoefde niet meer
voort te trekken met pijnlijke stooten, die Zijne
wonden openreten, een balk, die bij elke oneffen-
heid van den weg opschokte.
En zonder acht te slaan op de onverschillig-
heid van Simon, beloonde Hij hem voor het
goede Hem bewezen, al was dit ook met een
onwillig hart.... en Hij riep hem tot het licht.
* *
-ocr page 70-
58                 HET KRUIS EN CALVARIË.
Die onverschillige, onbekende Simon van
Cyrene, zonder liefde of haat, en die toch onze
smart lenigt en ons hulpe biedt, wordt hij ook
op onzen levensweg aangetroffen ?
Ja! Ik zie zijne afbeelding in die ver
verwijderde gebeurtenissen, welke voltrokken
worden onafhankelijk van onzen wil en welke,
zonder ons lijden weg te nemen, toch als eenc
nieuwe richting geven aan onzen levensloop.
In de meeste gevallen kunnen wij ons leed
aan niemand wijten: algemeene oorzaken, die
de wereld beroeren volgens schier noodzakelijke
wetten zonder juist op ons te doelen, treffen
ons en vellen ons ter neder .... Een doodelijke
ademtocht vaart over onze hoofden, tusschen
duizenden uit dringt hij door in onze borst en
werpt ons neer ten prooi aan de ziekte, mis-
schien aan den dood. Waar is de schuldige?
Eene crisis in nijverheid of handel strekt
zich uit over eene geheele landstreek vol-
gens even vaste wetten als de wetten der
natuur, zij drijft mij ten ondergang .... Waar
is de schuldige?
Eene moeder weent bij het lijk van haar
kind, een echtgenoot op het graf zijner vrouw,
een zoon op dat zijner moeder .... is de dood
-ocr page 71-
HET KRUIS EN CALVARIK.                59
niet een der algemeene menschelijke wetten ?
Aan wien dan de schuld?
En zelfs wanneer ons lijden geheel en al
voortkomt uit den vrijen wil der menschen, is
die wil nog niet immer zoo opzettelijk boos-
aardig, als het ons in den aanvang wil toeschijnen.
Hebben zij inderdaad ons dat kwaad willen
aandoen ? Was het hunnerzijds niet eer zwakte
dan kwaadwilligheid ? Betreuren zij niet reeds
de gevolgen, welke zij niet hadden voorzien ?
En even als die omstandigheden, die gebeur-
tenissen, die menschen ons hebben doen lijden
zonder het te weten of te willen, evenzoo zonder
het te weten, zonder het te willen, komen daar
andere omstandigheden, andere gebeurtenissen,
andere menschen ons troosten en opbeuren.
Het is opmerkelijk, dat bij het eerste treffen
der smart deze ons immer onoverkomelijk toe-
schijnt.
Wij zien niet hoe het mogelijk is een dus-
danige slag te overleven, de eenige uitkomst
schijnt ons de dood. De tijd spoedt voort en
wij sterven niet! En vragen wij ons af na
enkele maanden, na enkele jaren, hoe \'t mogelijk
is geweest die beproeving te boven te komen,
dan vinden wij ten antwoord slechts die toe-
-ocr page 72-
6o                HET KRUIS EN CALVARIË.
vallige omstandigheden en gebeurtenissen, die
een lichtstraal hebben geworpen in een nacht,
welken wij eeuwig waanden, en hoop stortten
in een hart, dat ons voor immer gesloten scheen
voor het geluk.
Dat zijn onze Cyrencrs, en wij doen hun
onrecht met niet op hunne hulp te rekenen.
Noch onze vreugden , noch onze smarten reiken
zoo ver als wij hadden gemeend, niets geschiedt,
noch zoo goed , noch zoo slecht als wij hadden
gedacht; hoe treurig of hoe blijde wij ons de
toekomst droomen, onze verbeelding vergroot
haar altijd.
Maar wat spreek ik van toevallige gebeurte-
nissen, van noodlottige omstandigheden, van
blinde wetten ? Is dat de taal van een christen ?
Neen, duizendwerf neen. \'t Is God, dien wij in
alles moeten zien, onzen goeden God en Vader.
Hij is het, die alles om en voor ons regelt, die
ons levenspad afbakent, die afwisselend smart
zendt en vreugde, tranen en verblijding, droefheid
en troost. Hoe hard en moeielijk onze weg moge
zijn, Hij maakte hem naar onze krachten, Hij
meette hem af naar onzen moed. Hij bemint ons,
en Zijne liefde, Zijne liefde alleen is Hem ten
richtsnoer in alles.
-ocr page 73-
HET KRUIS EN CALVARIË.                6l
Wel hoe, Zijne liefde? Gewis, \'t is Zijne liefde ,
die ons doet lijden, en \'t is Zijne liefde, die
ons opbeurt en versterkt in de smart. Voor het
arme, kleine verstand van den mensch is dit
alles een raadsel. Maar God begrijpt en weet
wat onze ziel van noode heeft om te komen
tot het ware geluk. Zouden wij zelven het
weten ? En is het dan niet wijzer vol vertrouwen
ons lot in Zijne handen neer te leggen?
*
* *
Simon van Cyrcne heeft Jezus geholpen in
het dragen van Zijn kruis. Toen de romeinsche
soldaten het hem gelastten kon hij hun toevoegen :
»waarom? Ik ben noch veroordeeld, noch be-
schuldigd, waarom moet ik dan declcn in
onverdiende straf?"
Als God aan het lijden toelaat onzen moed
te beproeven, als hij het uiteinde des kruises
op onze schouders neer legt, wie onzer kan dan
zeggen : »ik ben noch schuldig, noch veroordeeld !
Wat heb ik gedaan om aldus in de uitvoering
der straf te deelen ?"
Wij immers zijn de ware schuldigen, wij alleen !
Voor ons, ter uitboeting van onze zonden, is
Jezus Christus geslachtofferd .... Wij moesten
-ocr page 74-
62                HET KRUIS EN CALVARIË.
met de geheele zwaarte van het kruis worden
belast! En ach, als het ongeluk ons treft zijn
wij zoo geneigd te vragen: »wat heb ik God
toch gedaan om aldus door Hem behandeld te
worden?..." Wat gij God hebt gedaan?...
Maar sla dan een blik in uw binnenste, luister
naar uw hart, herinner u uw leven .... Is alles
in dat hart en in dat leven zoo rein ? . . .
Stellen wij ons liever nederig en gelaten achter
den Meester, nemen wij op onze schouders het
einde des kruises, dat Hij ons aanbiedt, nemen
we het met moed, met vreugde zelfs, wijl Hij
ons toestaat te deelen in Zijn lijden en Zijne
voldoening.
Christenen, vergeten wij niet, dat Hij on-
schuldig is en dat wij schuldig zijn. »Nos
quidem digna factis recipimus.
— Wij ontvangen
wat wij verdiend hebben."
Het lijden is in de wereld gekomen met den
val des menschen, God had het er oorspronkelijk
niet in gesteld. Het is de straf van den mensch
geworden, en dit is rechtvaardig. Danken wij
God, dat het tenminste terzelfder tijd onze
boetedoening en onze losprijs wezen mag.
-ocr page 75-
HET KRUIS EN CALVARIË.                6$
Vide STATIE.
Eene vrouw uit Jerusalem wischt het aanschijn
des Heeren af.
ET voorbeeld van Maria, die overstelpt
van smart, doch moedig en sterk haren
Zoon volgde, gaf moed aan de meest vrees-
achtigen. Spoedig vergezelden haar eenige
vrouwen, als zij met deernis bewogen en wee-
nend met haar. Jezus bood toen een droevig
schouwspel aan: altijd gebukt onder het kruis,
altijd bleeker en zwaarder hijgend, ging Hij
wankelend voort, terwijl groote zweetdruppels
parelden op Zijn gezegend voorhoofd en zich
mengden met het bloed, dat Zijn goddelijk
gelaat besproeide. De joden beschimpten Hem,
de krijgsknechten stompten Hem, en Hij, als
een lam dat ter slachtbank werd gevoerd, Hij
liet hen begaan en uitte geen enkele klacht.
Bij zooveel lijden, bij zooveel hoon, bij het
-ocr page 76-
64                HET KRUIS EN CALVARIË.
aanschouwen van dat goddelijke, bebloede aan-
gezicht voelt eene vrouw haar hart van mede-
lijden overstelpt; zij werpt zich tusschen de
rijen der soldaten , valt op de knieën voor Jezus
neer en biedt Hem een linnen doek, waarmede
de Christus zich het gelaat afwischt. De ovcr-
levering verhaalt, dat toen Hij den doek haar
wedergaf, de gelaatstrekken des Heeren met
bloedige lijnen in het linnen waren geprent.
Daar de naam dezer vrouw onbekend is ge-
bleven, noemt men haar Veronica, het ware
afbeeldsel.
Dit is het tweede blijk van liefde, dat Christus
ontvangt en dankbaar aanneemt, het eerste gaf
Hem Zijne Moeder, het tweede wordt Hem
door vriendenhand toegereikt. Wijst ons dit
niet de twee eerste bronnen van troost, waar-
aan onze arme ziel zich mag laven: het huis-
gezin en de vriendschap?
*
* *
De heilige Schrift noemt de vriendschap »het
geneesmiddel des levens—Medicatnentutn vitac".
In het verhaal van David en Jonathas, geeft
zij er ons een teeder en treffend voorbeeld van.
i>Aniina Jonathae cotiglutinata est animae
-ocr page 77-
HET KRUIS EN CALVARIE.                  65
David et dilixit eum Jonathas quasi animam
suam
*). De ziel van Jonathas was innig gehecht
aan de ziel van David, en Jonathas beminde
hem als zijn eigen leven."
Maar die heilige, heerlijke vriendschap, hoe
zeldzaam is zij onder de menschen! Hoeveel
eigenbelang, hoeveel zelfzucht, hoeveel wispel-
turigheid, hoeveel hartstocht zelfs verbergt zich
onder dien naam! Hoc verkwistend gaat men
met haar om, hoe vaak wordt zij geschonden,....
de vriendschap.... ach, hoe menigmaal ver-
raden !
Heeft God in Zijne goedheid een waren,
trouwen vriend u gegeven, o, dank Hem er
voor en stel die gave op hoogen prijs. Leg uw
hart bloot voor dien vriend, reeds het tooncn
uwer smart zal u verlichting schenken.
Evenwel, noch de liefde van Maria, noch de
vriendschap van Veronica hebben het kruis
van Jezus kunnen wegnemen, nog steeds drukt
het zwaar op Zijn gezegende schouders; maar
zij hebben ten minste eenige zoetheid gestort
in het hart van den Meester.
Aldus zullen onze vrienden doen; bij hun
1) 1 Reg. c. 18, v. 1.
5
-ocr page 78-
66                HET KRUIS EN CALVARIË.
belangstellend medelijden zal uwe smart niet
verdwijnen, nog immer knaagt zij aan uwe ziel,
maar hare bitterheid zal verminderen. Hun
woorden zullen wezen als de balsem, die de
gapende wonde niet sluit, maar die de pijn
minder schrijnend maakt. Smaak dus de zoetheid
der vriendschap, wijl God u door Zijn voorbeeld
hiertoe uitnoodigt. Geef u over aan het genot
van lief te hebben, wijl de vriendschap het
geneesmiddel is voor de kwalen des levens.
Helaas, wat schreef ik neer bij den aanvang
dezer bladzijden?
Begeven en verlaten onze vrienden ons niet ?...
Onttrekt de afwezigheid hen niet aan onze oogen
en aan ons hart ?. . . . Sterven zij niet ?. . . . O,
hoe bitter is de vergetelheid! . . . . hoe droevig
het afscheid! .. . . hoe hartverscheurend is de
dood ! . . . .
Te moeten zien, dat zij ons al meer en meer
vergeten en ontvallen, terwijl wij op hen al
onze hoop en het geluk van ons leven hadden
gebouwd!
Hen te zien vertrekken .... voor zóó ver ....
en voor altijd! Hen te zien sterven vooral, den
een na den ander en geheel alleen zijn dier-
baren te overleven!
-ocr page 79-
HET KRUIS EN CALVARIË.                67
Is het niet de opperste smart voor het arme
hart van den mensch! Hoor, hoe David Jonathas
beweent: »Uwe helden, o Israël, zijn gedood
geworden op uwe bergen: hoe zijn zij gevallen,
de sterken? Wilt niets verkondigen in Geth,
noch iets mededeelen in de drukke wegen van
Ascalon, opdat de dochters der Philistijnen, de
dochters der onbesnedenen zich niet verheugen.
Bergen van Gelboë, dat noch dauw noch regen
over u kome, want bij u is het schild der
sterken afgeworpen. Dochters van Jerusalem
weent! Ik treur over u, o mijn broeder Jonathas,
over u, schoon en beminnelijk boven de liefde
der vrouwen. Gelijk eene moeder haar eenig
kind bemint, zoo beminde ik u. Hoe zijn zij
gevallen, de sterken!" \')
Helaas, wie weet niet hoe onze dierbaren
ons komen te ontvallen ? Wie draagt niet in
\'t harte dien rouw zijner dooden ?
Maar staan wij dan alleen, wanneer aldus
alle menschelijke vriendschap aan ons lijdend
hart ontzinkt?
Neen, ons blijft één Vriend, die nimmer
sterft, die nacht en dag ons wacht en ons
1) 2 Reg. c. 1.
-ocr page 80-
68                  HET KRUIS EN CAI.VAKIË.
roept, gereed in Zijne onuitsprekelijke liefde
zich zelf geheel aan ons weg te schenken.
Het is Jezus Christus.
Hij heeft zich zelf aldus genoemd, toen Hij
ons den naam van vriend heeft gegeven: »//<?«
jam dicam vos servos, sed aniicos. — Ik zal
U geen dienaren meer noemen, maar vrienden" \').
Ziedaar dan de onsterfelijke Vriend onzer
ziel. Alvorens het kruis op te nemen, dat Hij
zou slepen naar Calvarië, had Hij aan Zijne
apostelen Zijn eigen Vleesch te eten gegeven,
Zijn kostbaar Bloed te drinken, ten einde één
met hen te wezen. »Die Mijn Vleesch eet en
Mijn Bloed drinkt blijft in Mij, en Ik in hem."
Aldus had Hij gesproken. Lees en herlees in
het Evangelie het indrukwekkende afscheid
des Hecrcn van hen, die Hij Zijne vrienden
genoemd had ; het vloeit over van tecderheid
en liefde!
Waarom dan gaan wij niet tot dien god-
delijkcn Vriend? Waarom vergeten wij Hem
in ons lijden ? Waarom laten wij Hem in Zijn
tabernakel alleen ?
* *
i) 2 Reg. c. I.
-ocr page 81-
HET KRUIS EN CALVARIË.                69
De vriendschap van Christus!
Hoeveel christenen begrijpen niets van dit
woord, en verliezen door hunne onwetend-
heid al den troost, al de zoetheid dier god-
delijke vriendschap. Ter aarde gebogen door
hun lichaam, kunnen zij zich niet voorstellen,
dat er iets anders, iets hoogers bestaat dan
dit stoffelijk leven.
O, zij begrijpen zoo goed de vriendschap
tusschen twee menschen, die zich zien en
spreken. Hadden zij geleefd ten tijde van Jezus
Christus, zij zouden tot Hem zijn gegaan,
zonder aarzeling, zonder vrees, en zij hadden
Hem liefgehad.
Eveneens begrijpen zij de goddelijke vriend-
schap tusschen Christus en die uitverkoren zielen,
die heiligen, van wie zij lezen, dat Jezus aan
hen verscheen, tot hen sprak, hen ondervroeg
en hun antwoordde. Zij benijden het geluk
dier bevoorrechten .... O, hoe hartelijk zouden
zij Jezus beminnen, wanneer Hij zich aldus aan
hen vertoonde.... alle vrienden der wereld
hadden zij voor Hem veil!
Maar buiten deze tweevoudige vriendschap
kennen zij geen andere! . . .. En hoe hen te
overtuigen? Hoe hen te doen beseffen de ge-
-ocr page 82-
JO               HET KRUIS EN CALVARIË.
hcimzinnige vertrouwelijkheid, die de genade
onderhoudt tusschen Jezus Christus en de ziel,
het zoet verkeer, dat uit ons hart opstijgt tot
het Hart van den Meester door het gebed, en
van het Hart des Meesters afdaalt tot het onze
door voorlichting, kracht en troost!
O, al begrijpt ge ze niet, die wederkeerige
liefdebctuigingen, wil er ten minste de proef
mede nemen en er de zoetheid van smaken.
Als gij lijdt, ga naar den voet van het altaar,
en daar, neergeknield voor het tabernakel waar
Jezus Christus rust, met gevouwen handen en
zonder naar schoone vormen of woorden te
zoeken, zeg Hem eenvoudig dat gij lijdt,
zooals een vriend tot zijn vriend zou spreken;
noem Hem uwe mociclijkhedcn, uw hartzeer,
uwe verlangens, en roep Zijne hulp in... .
En dan luister naar de inspraken van uwe
ziel, het is Jezus Christus, die haar beroert,
het is Zijne genade, die in haar werkt,
het is de Vriend die haar troost en haar
antwoordt:
i>Nec lingua valct dicere
Nee lit/era exprimere
Expertus potcst credere
Quid sit Jesinn diligere!"
-ocr page 83-
HET KRUIS EN CAL.VARIË.                  "J \\
»Geen tong kan het uiten, geen woord kan
het schetsen, wat het is Jezus te beminnen. Hij
alleen, die het gesmaakt heeft, kan het geloovcn
en begrijpen."
-ocr page 84-
72                HET KRUIS EN CALVARIË.
Vilde STATIE.
Jezus valt ten tweeden male onder het kruis.
NDANKS dc hulp van Simon van Cyrene,
ondanks de verkwikking Hem door Maria
en Veronica gebracht, voelde Jezus toch meer
en meer Zijne krachten bezwijken: ten tweede
male stortte Hij neer. Dit gebeurde ter hoogte
van een der stadspoorten : de poort der recht-
spraak. Gedachtig dc overlevering, als zouden
de christenen bij het hernemen van Jerusalem
door die poort de stad binnen rukken, hebben
de Joden dit willen voorkomen en haar dicht
gemetseld.
Die val bracht nieuwe ontsteltenis in het hart
van Maria en Veronica, zij onderdrukten een
kreet van angst en wilden voorzeker toesnellen
om Jezus hulp te bieden. Maar de volksmenigte
en de soldaten hielden haar tegen. Met onzachten
-ocr page 85-
HET KRUIS EN CAI.VARIË.                73
greep brachten de beulen Jezus weer op de been.
Een oogenblik had Simon alleen de zwaarte des
kruises te torsen gehad, nu legde hij het weer
op den schouder van den veroordeelde. Men trok
verder. Lang evenwel kon de foltering niet meer
aanhouden. Reeds verwonderde zich het volk
dat een zoo uitgeput lichaam zoo langen tijd
eene dusdanige wreedc marteling kon verduren.
Wie kan zich voorstellen in welken toestand
onze goddelijke Meester zich toen bevond?
Zoo tallooze schokken hadden al Zijne wonden
heropend, het bloed verwdc Zijn kleed en droop
af van Zijne voeten, het droop af van Zijn
goddelijk voorhoofd en purperde Zijn gelaat.
Een hart van steen ware verteederd geworden
het hart der Joden bleef meedoogenloos en koud ;
zoo zij vrees koesterden, het was dat de dood
te spoedig zou intreden en het aangrijpend
schouwspel der kruisiging hen aldus zou ontgaan.
En onderwijl dacht Jezus aan dit volk: Hij
zag in de toekomst Jerusalem verwoest, geplun-
derd, ingenomen. En Hij weende over haar en
hare kinderen, Hij weende over het volk, dat
Hem ging dooden : »Jerusalem, Jerusalem, die
de profeten doodt, en steenigt degenen, die tot
u gezonden zijn! Hoe menigmaal heb ik uwe
-ocr page 86-
74               HET KRUIS EN CALVARIË.
kinderen willen bijeen vergaderen, gelijk eene
hen hare kiekens vergadert onder hare vleu-
gelen, en gij hebt niet gewild!" \') Neen, niet
over eigen lijden denkt Jezus, maar aan het
lijden van zijn volk: *Popule mens!"
*
* *
In dezen tweeden val zie ik een dubbele les
voor den mensch.
Christus, de Meester toont ons hier, dat, hoe
zoet de menschelijke vertroosting moge wezen,
zij toch onmachtig is om ons te helpen. Zij
blijft ons toegestaan, wijl Hij zelf ze heeft
willen smaken, doch uit vrees, dat wij te veel
op haar zullen steunen, wil Hij aanstonds
daarna ons voor ijdele verwachtingen hoeden.
Na de liefkozingen Zijner moeder te hebben
ontvangen, na door Simon te zijn ondersteund,
nadat Veronica Hem het gelaat heeft gereinigd,
begeven Hem Zijne krachten en stort Hij
ellendig neer op de harde steenen van den weg.
Ik zeide het reeds: vriendschap, moederliefde,
iedere menschelijke genegenheid kan een oogen-
blik onze smart lenigen, \'t Is de olie en de wijn
1) Matth. c. 23, v. 37.
-ocr page 87-
HET KRUIS EN CALVARIË.                75
door den voorbijgaanden Samaritaan gegoten
in de wonden van den reiziger; maar hier
schuilt het euvel: de Samaritaan gaat voorbij!
De zoetheid der vriendschap is niet van blij—
venden aard, zij gaat voorbij! . . . .
Hoc vaak tot den vriend, die ons verlaat,
hebben wij smeekend geroepen, als weleer de
leerlingen van Emmaus tot den Meester: »Mam-
nobiscum, Domine, quoniam advesperascit.
—
O, blijf, blijf bij ons, want het wordt nacht."
Maar hij gaat henen! .... En het wordt nacht
in ons binnenste, wij hervallen in die duistere
eenzaamheid, die onze gedachten met schrik-
beelden vervult. Onze smart wacht ons daar,
zij herleeft, zij groeit aan, zij herneemt hare
afschrikwekkende kleuren en afmetingen. Weldra
is het gedaan met onzen moed en wij zakken
machteloos ineen.
Helaas, wij vermogen zoo weinig voor onze
vrienden, en dit weinige we kunnen het slechts
voor zoo korten tijd!
Doch nog meer wilde Jezus ons leeren door
ten tweede male onder den last des kruises te
bezwijken. Hij wilde ons voorbereiden op het
telkens ontzinken van onzen moed.
Wanneer het leed ons treft, nemen wij edel-
-ocr page 88-
j6                HET KRUIS EN CALVARIË.
moedige voornemens, en in den aanvang weten
wij te zegepralen .... Ach, niet van langen duur
is die overwinning, onze wilskracht verflauwt
zoo spoedig, weldra is ze geheel uitgeput en wij
storten neer onder den last.
Laat ons weer opstaan en hernemen wij onzen
moed! \'t Is cene tweede overwinning; maar
nogmaals ontzinkt hij ons en nogmaals vallen
wij plat ter aarde onder het kruis, dat ons
verplettert. Wij worden aangegrepen door
afmatting en moedeloosheid, door een zekere
walg van die telkens te behalen zegepraal op een
vijand, die ons telkens weer verslaat .... Zal ik
dan steeds van voren af aan moeten be-
ginnen ? Ja, arme ziel, gij moet iederen dag
van voren af aan beginnen, iederen dag uw moed
weer bij een rapen. Maar hebt gij niet Jezus
ten voorbeeld? Is Hij vooral niet immer gereed
u nieuwe kracht te schenken ?
En niet alleen bij het lijden moet gij iederen
dag uw moed verlevendigen, doch ook en vooral
ter wille van de deugd en de plichtsbetrachting.
Wanneer de mensch een eerste maal bezwijkt
en toegeeft aan het kwaad, dan heeft zijn wil
-ocr page 89-
HET KRUIS EX CALVARIË.                77
eerst strijd gevoerd, daarna is hij aan \'t wankelen
gegaan, de tegenstand werd al zwakker en
zwakker, eindelijk is hij bezweken. Maar nauwe-
lijks is het kortstondig genot van het kwaad
voorbij, of het verstand, een oogenblik beneveld,
werpt opnieuw zijn licht in de ziel, en beschaamd
en verlegen ziet de mensch bij dat licht al de
afzichtelijkheid van het bedreven kwaad, ... hij
walgt van zich zelvcn, hij verwijt zich met bittcr-
heid aan het kwaad te hebben toegegeven, zich te
hebben verlaagd en bezoedeld — en dat voor zóó
luttel genot!... hij heeft berouw en staat op.
Deze beide gewaarwordingen zijn onafschei-
delijk van een eersten val, ... de wroeging volgt
de voldoening der hartstochten op den voet; hoe
betooverend deze ook moge zijn, de eerste is
zoo bitter en wrang, dat in waarheid de arme
ziel kan getuigen het kwaad niet te hebben
gezocht en bemind, maar door het kwaad te
zijn meegesleept.
Een tweede, een derde val brengen nog in het
hart die zelfde tegenstrijdige gevoelens te weeg.
Hoe meer het kwaad echter eene gewoonte
wordt, des te dieper schiet het wortel, des te ster-
ker wordt het verlangen er naar en terzelfder tijd
verzwakt en verstompt de prikkel der wroeging!...
-ocr page 90-
78                HET KRUIS EN CALVARIË.
En zoo komt er een oogenblik waarop, van
val tot val, door het »zwelgen der ongerechtig-
heid," zooals de heilige Schrift zich uitdrukt,
de trek naar het kwaad zich zoo heeft vast-
geworteld, de prikkel der wroeging dermate is
afgesleten, dat alleen de eerste door de ziel wordt
gevoeld; de tweede ach .... zij bespeurt dien
niet meer, of wanneer zij dien nog ontwaart, is
het van tijd tot tijd, met lange tusschenpoozen,
bij gelegenheid dat een woord, eene gebeurtenis,
een ramp haar plotseling wakker schudt en terug
roept tot den plicht.
O, dan is die ziel er toegekomen het kwaad
lief te hebben! Zij is er aan geketend, zij is er
aan verkleefd, zij wordt er door omstrengeld, . . .
zij ligt daar plat ter aarde in het slijk!
Wie ziet dan niet in, dat het eenige middel
om hieraan te ontkomen gelegen is in onze wils-
kracht om telkens weer op te staan. Bij iedcrcn
nieuwen val moesten wij ons met grootere kloek-
moedigheid oprichten, om tegenwicht te geven
aan den ontzenuwenden invloed der gewoonte.
Sta op dan, mijne ziel, telkens weer, telkens
met grooteren spoed!
-ocr page 91-
HET KRUIS EN CALVARIË.
79
VlIIste STATIE.
Jezus ontmoet de weenende vrouwen.
EZUS had zich weer opgericht en voort-
gaand met vernieuwden moed, was Hij
gekomen tot buiten de muren der stad. Op
honderd schreden van daar, ter plaatste waar
de helling van den weg steiler wordt, ont-
waarde Hij eene groep bedroefde vrouwen die
Hem tegemoet kwam; waarschijnlijk waren zij
gcloovigen, wellicht de moeders wier kinder-
kens Hij gezegend had; misschien bevond zich
daar de weduwe van Naïm aan wie Hij den
zoon had weergegeven, die reeds grafwaarts
gedragen werd.
Hij herkende haar, Hij zag haar tranen,
Zijn vriendelijke blik dankte haar en dan, ter
openbaring van al de bekommering Zijner ziel,
sprak Hij haar toe met zachte indrukwekkende
-ocr page 92-
8o                HET KRUIS EN CALVARIË.
stem: »dochters van Jerusalem, weent niet
over Mij, maar weent over u zelven en over
uwe kinderen! Want ziet er zullen dagen komen,
waarin men zeggen zal: zalig de onvruchtbaren
en de schoot die niet gebaard heeft en de
borsten die niet gezoogd hebben! Alsdan zal
men tot de bergen beginnen te zeggen: valt
op ons! en tot de heuvelen: bedekt ons!"
\'t Was een treffenden weergalm der profe-
tiën van enkele dagen geleden: »dat zij die
in Judea zijn, naar de bergen vluchten en die
in het midden daarvan zijn uittrekken, en die
in de landstreken zijn niet in hetzelve ingaan!
Want deze zijn de dagen der wrake! Maar
wee de zwangere en zogende vrouwen in die
dagen .... Zij zullen vallen door de scherpte
des zwaards en gevankelijk weggevoerd worden
onder alle de volken, en Jerusalem zal door
heidenen vertreden worden, totdat de tijden
der heidenen zullen vervuld zijn."
Terwijl Jezus sprak heerschte er groote stilte
onder de menigte. De Joden hoorden Zijne
stem, maar zij haatten dien ongeluksprofeet en
zij antwoorden Jezus met gejoel en bijtenden
spot.
Later, als die dagen zullen zijn aangebroken,
-ocr page 93-
HET KRUIS KN CALVARlR.                   8l
zal een andere Jezus, zoon van Ananus, te
midden der stille plechtigheid van het feest
der tabernakelen, op zijne beurt uitroepen:
»\\vee aan de stad, wee aan den tempel! Stemmen
uit het Oosten, stemmen uit het Westen, stern-
men uit de vier windstreken, wee aan Jeru-
salem!" Men zal hem geeselen, maar bij iederen
zweepslag zal hij met klagende stem uitroepen :
»wee aan Jerusalem!" Gedurende vier jaar
zal hij het herhalen op de openbare pleinen,
in de straten, op de bolwerken, overal, en
overal met steeds treuriger stem. Eens bij den
kreet: »wee aan Jerusalem" voegde hij er aan
toe: »wee aan mij!" Een steen geslingerd uit
een der verdedigingswerken van de Romeinen
had hem getroffen, hij viel dood ter aarde.
Eenige dagen later werd Jerusalem met den
tempel verwoest in de vlammen van een ont-
zettenden brand.
*
* *
Door Zijne gedachten af te trekken van eigen
lijden, en ze te brengen op dat van anderen,
leert de Meester ons een krachtdadig middel
om de bitterheid van ons lot te verzachten.
Evenals Hij moeten wij den blik van onze
6
-ocr page 94-
82                  HET KRUIS EN CAI.VARIË.
eigene droefheid afwenden en met deernis het
leed van anderen beschouwen.
Wij zijn zoo geneigd ons zelf de ongeluk-
kigste menschcn ter wereld te vinden. Zoo
licht meenen wij, dat onze ellende buitengewoon
groot is, dat niemand lijdt zooals wij, dat nie-
mand een leven heeft zoo hard als het onze.
Helaas, neen, hoe ongelukkig wij ook zijn,
wij zijn geene uitzondering onder de menschen.
\'t Is ons aller lot: allen lijden wij. Voorzeker,
God meet niet aan ieder eenzelfde zwaarte
van lijden toe, maar niemand blijft er van
verschoond. Niet een ieder wordt getroffen in
hetzelfde gedeelte der ziel, maar allen zijn wij
gekwetst.
De oorzaak onzer zelfverblinding ligt hierin,
dat wij de wereld verkeerd beschouwen. Eene
moeder verliest het kind, dat zij lief heeft....
En zij ziet op naar de moeder, aan wie God
al hare kinderen liet behouden .... Waarom
wendt zij niet den blik naar die andere moeder,
die er drie, vier of vijf heeft gehad en ze
allen, het een na het ander op eenzelfden leef-
tijd aan dezelfde kwaal zag bezwijken ?
Eene welgestelde familie wordt door eene
handelscrisis ten ondergang gevoerd .... Zij
-ocr page 95-
HET KRUIS EN CALVARIK.                83
ziet op naar hen, die niet in hun fortuin werden
getroffen, die voort kunnen gaan aan alle
luimen der weelde te voldoen, terwijl zij zelve
hare uitgaven grootelijks moet inkrimpen en
zich tevreden stellen met de middelmatigheid
des levens. Zij ziet niet om naar de armen, die
ongelukkige armen, wien soms dagen lang een
bete broods ontbreekt.
De armen, ziedaar de groote uitkomst voor
het lijdende hart!
Aan hen denken, belang stellen in hunne
ellende, er volgens ons vermogen aan te gemoet
komen, tot hen spreken en hen aanhooren, hun
hulp bieden, hen verzorgen, zich maken tot hun
vriend of hunne vriendin, zich zelf voor hen
opofferen, hen dienen zooals Jezus Christus hen
gediend heeft, hen liefhebben eindelijk, want
men komt er zoo spoedig toe den arme lief
te hebben!
Het kost u wellicht moeite te begrijpen hoe
de zorg voor de armen, de liefde tot de armen,
het bezoeken der armen, eigen verborgen leed
kan verzachten. Ach, neem er de proef mede.
Ga tot hen als een vriend, en wat gij niet kunt
begrijpen, gij zult het gevoelen. Vraag het ten
overvloede aan de leden der Vereeniging van
-ocr page 96-
84               HET KRUIS EN CALVARIË.
den heiligen Vincentius, aan al die ware christen
vrouwen, die er groot op gaan de armen te
dienen. Dat zij u schetsen, indien het hen
mogelijk is, de zoete en krachtige gewaarwor-
dingen, den machtigen troost, die tot hen is
gekomen van uit die vunzige verblijven en hutten,
waar zij de ongelukkigen hebben opgezocht.
O, de aalmoes is goed, maar toegeworpen van
verre beteekent zij zoo weinig. Treed dichter
bij de armoede en de ellende, en bij het zien
dier zielen, ongelukkiger dan gij zelf en die toch
met moed, ja met blijdschap hun leed verduren,
zult ook gij lecren lijden.
* *
Christenen, de armen naar het lichaam, zij
die naakt zijn, die hongeren en dorsten, zijn
niet de eenige armen dezer wereld. Voorzeker
hun ontbering is treurig en wekt ons medelijden
op. Volgens een schoon woord van Bossuet heeft
God den arme gesteld in de hoede van den rijke
en hem het levensonderhoud aangewezen uit
des rijken overvloed : » Ut fiat aequalitas",\') zegt
de heilige Paulus, »opdat er gelijkheid worde."
i) H. Paul. 2. Cor. c. 8, v. 14.
-ocr page 97-
HET KRUIS EN CALVARIË.                85
Uoch er is nog droeviger armoede en ellende :
de geestelijke armoede, de ellende der ziel.
Hocvelen zijn aldus van alles ontbloot, onwetend
omtrent hun geloof, hunnen plicht, hunne be-
stemming, of voortlevende in onverschillige
vergetelheid van dit alles ! . . . Hoevelen hongeren
en dorsten naar waarheid, naar licht, naar goeden
raad. —
Denkt dus aan hen ; zijt gij rijk in die bovcn-
natuurlijke gaven, stort ze dan over hen uit,
reikt hun die allerkostbaarste aalmoes. O, hoe
vaak zijn wij gierig en terughoudend met deze
munt ter zaligheid zelfs tegenover hen, die wij
liefhebben! Uit vrees van hen te ontstemmen,
hen te krenken, hun leed te veroorzaken, laten
wij hen ongedeerd hun verderf te gemoet gaan.
Ken zacht, voorzichtig verwijt, een warm, rond-
borstig woord kon hen redden, en wij zwijgen !
Dit is het apostolaat, dat God ons jegens onze
broeders heeft opgelegd. Laten wij er niet aan
te kort schieten ....
D"at geen enkele der menschelijke rampen
ons onverschillig late .... Dat iedere smart
van den broeder weerklank vinde in ons hart . . . .
Zij roept en weeklaagt, snellen wij toe te
harer hulpe.... Maken wij ons los van ons
-ocr page 98-
86                HET KRUIS EN CALVARIË.
zelven; om te gaan tot anderen .... Wij lijden
en ook anderen lijden, vergeten wij eigen leed
om het leed van anderen te verzachten. Gelooft
mij, terzelfder tijd zal het onze vertroosting
vinden.
»Het is een groote verzachting", heeft een
der ouden gezegd, »in zijn lijden een deelgenoot
te ontmoeten". . . . Zoeken wij ze dan op, die
welbeminde deelgenoten onzer ellende en volgen
wij met hen den Christus, die ons voorgaat en
ons den weg aantoont.
Gij zoekt troost en genezing, hier hebt gij
ze beide: bemin Jezus Christus, dien Jezus
Christus in den persoon Zijner armen, in de
armen naar het lichaam, in de armen naar de
ziel, in de armen aan goud en in de armen
aan geluk!
-ocr page 99-
HET KRUIS EN CALVARIË.                87
IXde STATIE.
Jezus valt voor de derde maal onder het kruis.
AN de poort der rechtspraak tot aan de
kruin van Calvarië telt men ongeveer
twee honderd schreden. — Het was ter helfte
van dien weg, datjezus de dochters van Jerusalem
ontmoette; thans, bijna aan het eind gekomen,
wankelde hij opnieuw en stortte ten derde male
neder.
Men richtte Hem weer op, men liet den
kruisboom nogmaals op Zijne schouders vallen
en, door de soldaten voortgedreven, voleindde
Hij den weg.
*
* *
Waarom die derde val van den goddelijken
Meester ?
Waarom ons nogmaals de les herhaald, dien
Hij reeds twee malen ons had gegeven ? Weten
-ocr page 100-
88                 HET KRUIS EN CALVARIË.
wij dan niet dat onze moed telkens verslapt, dat
wij immer opnieuw ons moeten opheffen ? Ja,
wij weten het, maar wij weten het niet genoeg,
en te vaak - naar onze daden te oordeelcn — zou
men zeggen, dat wij het in \'t geheel niet wisten.
O, als ons hart in rust is en in vrede, is het
zoo gemakkelijk over dit alles te spreken ; in
onze herinnering zien wij de geledene smart
en hoe dwaas wij zijn geweest er ons aldus aan
over te geven; dan vooral nemen wij de meest
vaste besluiten : voortaan zullen wij moed houden,
voortaan zullen wij strijden tegen die weeke
neerslachtigheid, waarin wij vroeger vervielen;
wij zullen weten te lijden als de ure mocht
slaan! Helaas, en als die ure is gekomen, ver-
vliegen onze voornemens als rook ! Onze knieën
weigeren ons langer te dragen, wij vallen plat
ter aarde en klagend blijven wij daar liggen.
Het groot gevaar van dat hervallen, van
die bezwijming, ligt noch in den val, noch in
de bezwijming zelve.
Die zwakheden zijn zoo menschelijk, het
voorbeeld des Meesters toont genoegzaam, dat
Hij er deernis mee heeft.
Het gevaar schuilt niet in een aanval van
ontmoediging, die voorbijgaat, dien men te
-ocr page 101-
HET KRUIS EN CALVARIË.                 89
boven komt: het is gelegen in de ontmoediging
die blijft, waarvan men zich niet weer opricht.
Hoe vernederend het nu voor den mensch moge
zijn zonder wilskracht, zonder moed te blijven
liggen op een van tranen doorweekten grond,
de verleiding er toe nadert hem zoo snel en
zoo gemakkelijk. Zij komt tot hem onder
tweeërlei vorm: » waartoe dient het op te
staan, als ik telkens toch weer herval ?" zoo
spreekt hij ; of wel, zonder eenigen dekmantel
meer te werpen op zijne zedelijke trangheid:
»ik heb den moed niet meer om moed te scheppen!"
Die weekheid, die lafhartigheid, die walgelijke
flauwheid van den mcnschelijken wil tegenover
het lijden, helaas, het is geen zeldzaam schouw-
spel in deze wereld. En toch , het is de dood
der ziel! Wat vermag nog de ziel, die zich
zelve aldus laat gaan ? Zij heeft geen veerkracht
meer, geen vuur; zij gaat over tot bederf. Ach,
laten wij ons toch nimmer aan die algeheele
moedeloosheid overleveren. Strijden, strijden
moeten wij ten einde toe. Als wij vallen, richten
wij ons op, nogmaals en altijd, ja, op twee schreden
van den dood, zooals Jezus Christus, richten
wij ons op!
*
* *
-ocr page 102-
go                 HET KRUIS EN CALVARIË.
Ik heb gezegd, dat het voortdurend neer-
storten op het pad der deugd ons weldra
voert tot het liefhebben van het kwaad, of
tenminste tot het bedrijven der zonde zonder
leedwezen of berouw; het wordt als een onaf-
scheidelijk deel van ons leven, zoo zeer hebben
wij er de gewoonte van aangenomen.
Het is wel een diepe val van den mensch
er toe te zijn gekomen, dat hij niet meer
gevoelt hoe hij afdaalt en zinkt. Evenwel er
is een nog lagere trap, een nog diepere val.
Het is, na zich het kwaad zóó eigen te hebben
gemaakt dat men er niet meer buiten kan,
het in zich zelven te rechtvaardigen.
Door dat voortdurend instemmen met het
kwaad is het niet alleen de wil die bedorven
is, ook het verstand wordt verblind en ver-
duisterd door den hartstocht. Voor die ziel is
het niet voldoende kwaad te doen, zij tracht
ook het kwaad te verontschuldigen, te ver-
goelijken, ja er bijna eene deugd van te maken.
Slaan wij een ernstigen blik in ons hart: wij
zullen er ontwaren dat pogen van den bedorven
wil om op zijne beurt het verstand te beder-
ven. De beweegreden, die den mensch hiertoe
aanzet is duidelijk. Hoe zeldzaam ook de wroeging
-ocr page 103-
HET KRUIS EN CALVARIË.                91
zich doe gevoelen in het hart van den aan de
zonde verslaafden mensch , nog is zij hem te veel.
Het geweten is hem een zoo lastig bezoeker!
Maar van waar komt de wroeging, tenzij van
het verstand, dat het kwaad inziet en der ziel
toeroept: »het is het kwaad, dat gij bedrijft,
het is het kwaad, dat gij liefhebt, het is het
kwaad, waaraan gij u hebt overgeleverd". Ach ,
zoo het verstand maar minder juist zag en
oordeelde! Zoo het maar niet die onwrikbare
zekerheid bezat, zoo het de zonde maar on-
schuldig, gewettigd kon vinden , een geoorloofd
genoegen, het zou niet aldus zijne stem ver-
heffen ; het ware gedaan met de wroeging, en
zonder schroom konden wij ons overgeven aan
den stroom der hartstochten, die onzen wil
meesleepen.
De beweegreden bij den zondigen mensch om
het verstand te vervalschen is dus helder en klaar.
Maar zal hij er toe geraken?
Ja, in genoegzame mate om den zondaar
een zekere verdooving des gewetens te waar-
borgen , in welke rust hij zijne eeuwigheid op
het spel zet. Ondervraag de wereld over een
kwaad, meer in het bijzonder dierbaar aan den
menschelijken hartstocht.... zij zal u ant-
-ocr page 104-
92                   HET KRUIS EN CALVARIË.
woorden, dat het een onbeduidende misslag is\',
neen, in hét geheel geen kwaad , — dat men wel
streng moet oordeelen om daar iets in te zien.
Waag het aan een verstokten zondaar den
gruwel zijner euveldaden voor te houden
hij ziet u verwonderd aan en glimlacht; gij
spreekt tot hem eenc taal, die hij sinds lang
is vergeten. En hoeveel misdaden worden aldus
bedreven door de menschen, die, af keerig van
het licht dat hen veroordeelt, liever de duisternis
zoeken en ze eindelijk hebben gevonden!
Het kwaad bedrijven uit zwakheid: eerste
val van de menschelijke waardigheid.
Het kwaad beminnen: tweede en diepere val.
Het kwaad rechtvaardigen: laatste en schier
onherstelbare val, want door de wroeging uit
de ziel te verdrijven, neemt men den ecnigen
prikkel weg, die haar kan aanzetten om op te
staan en te herleven.
Willen wij niet komen tot een zoo droevig
einde, laat ons dan over ons zelven waken;
onze herhaalde feilen zullen er ons schier onver-
mijdelijk toe brengen, tenzij wij telkens weer
opstaan en, moed scheppend, den moed in ons
versterken en doen aangroeien. Onze wilskracht
in den strijd tegen ons zelven moest gelijken
-ocr page 105-
HET KRUIS EN CALVARIË.                93
tred houden met het aantal onzer nederlagen
Helaas, en zoo vaak laten wij iedere neder-
laag iets buit maken van die zoo noodzakelijke
wilskracht!
*
* *
Die groote zwakheid van den mensch , vallend
en hervallend telkens weer en waarvan wij bij
ons zelven zoo treurige ondervinding opdoen,
moest ons met groote toegevendheid vervullen
jegens de fouten van anderen. Hoc moesten
wij ons hoeden voor de minachting, de ver-
smading , de bittere verwijten, die zoo ge-
makkelijk in ons hart opwellen, als wij het
kwaad zien bedrijven! Zijn wij zelf dan zoo
rein en zonder blaam ?
Voorzeker, men moet het kwaad, de zonde
verafschuwen, maar hoe diep medelijden moet
men koesteren met den zondaar! Voelen wij
niet in ons zelven, hoe gemakkelijk het is te
falen? Hoe licht wij uitglijden, hoe snel wij
vallen ? En wij zouden geen deernis hebben met
hen die bezwijken ! . . . .
En zoo zij weer opstaan, zullen wij dan hun
val niet vergeten? Zullen wij dien voortdurend
in herinnering brengen aan ons zelven en aan
-ocr page 106-
94                HET KRUIS EN CALVARIË.
anderen, als om die treurige gedachtenis te
vereeuwigen? Deed Jezus aldus met Maria
Magdalena ? En toch, wat was Magdalena voor
haar boete en berouw?
O, laat ons toch goedertieren en barmhartig
zijn voor anderen! Zie, hoe Jezus het is voor
ons! Zelfs voor wie Hem beschuldigen en ver-
oordeelen, zelfs voor wie Hem martelen, Hem
slaan, voor wie Hem spuwen in het gezegend
aangezicht, zelfs voor wie Hem gaan hechten
aan het kruis!
-ocr page 107-
HET KRUIS EN CALVARIE.                95
Xde STATIE.
Jezus wordt van Zijne kleederen ontbloot.
INDELIJK is men ter plaatse. Het kruis
wordt van Jezus\' schouders afgenomen
en de laatste toebereidselen worden gemaakt
tot voltrekking der doodstraf.
De menigte, op afstand gehouden door de
wacht der romcinsche soldaten, schaart zich
in een kring om slachtoffer en beulen. Vooraan,
met gebroken hart, maar toch moedig en sterk
zie ik Maria, naast haar Magdalena en ein-
delijk ook een vriend, Joannes, den wclbemin-
den leerling.
Terwijl eenige krijgsknechten den kuil graven,
waarin het kruis zal worden geplant, en andere
hamer en spijkers aandragen, gaan twee van
hen Jezus ontkleeden: zij nemen Hem den
mantel af, zij onttrekken Hem Zijn kleed, dat
-ocr page 108-
96                HET KRUIS EN CALVARIË.
zelfde kleed door Maria eigenhandig gesponnen
en geweven voor haar goddelijk Kind. Die
kleederen van den terechtgestelde zijn de buit
der soldaten; straks zullen zij den mantel in
stukken scheuren, en dobbelen om het bezit
van Zijn kleed.
En de Christus staat daar, geheel naakt, de
oogen ten hemel geslagen, ten schouwspel aan
het heelal.
Het bloed, dat uit Zijne heropende wonden
stroomt, is Zijn koninklijke mantel, de door-
een gevlochten doornen, die in Zijn goddelijk
hoofd dringen, vormen Zijn koningskroon ! Zie-
daar de Christus, de Meester, de Oppcrheer der
Schepping! Hij is het, Hij zelf, van alles ontbloot!
Wat blijft Hem nog over ?
Is het goud of goed? Hij heeft geleefd van
den arbeid Zijner handen en van de aalmoezen
Hem geschonken, en het weinige dat dienen
moest tot Zijn onderhoud en dat Zijner leer-
lingen werd Hem door Judas ontstolen ....
Een woonstede ? Sinds lang kon Hij in waar-
heid getuigen, dat Hij zelfs geen steen bezat
om er het hoofd op neer te leggen.... Glorie
en roem? Hij gaat sterven op een schandhout
tusschen de twee booswichten, die daar naast
-ocr page 109-
HET KRUIS EN CALVARIË.                97
Hem staan om met Hem gekruisigd te worden....
Is het dan eer ? Ach, men heeft Zijne eer
gelasterd, men heeft Hem een lagen opruier
gescholden, een bezetene, een dwaas, men
heeft gevonden dat Barrabas hooger stond dan
Hij .... Bleven Hem dan leerlingen, getrouwe
aanhangers ? Waar zijn ze ? . . . . Zij namen de
vlucht en houden zich schuil! .... O, toen het
er op aan kwam den Meester te vergezellen op
Zijn zegetocht, toen waren zij wel aan Zijne
zijde .... Maar thans .... Nog bezat Hij een
ellendig stuk klecding .... men heeft het Hem
ontnomen en de soldaten twisten er om.
Wat rest Hem dan nog?
O, iets blijft Hem over, iets zoo teeder en
zoet.... O mijn God, ik dank U, dat Gij
dien schat hebt willen behouden en er mij
deelgenoot van hebt willen maken. Nog heeft
Hij Zijne moeder en twee getrouwe vrienden:
Magdalena en Joanncs. Die zielen behoudt Hij
voor zich, Hij zal er zich niet van ontdoen.
Waarom anders zal de romeinsche wacht
toelaten, dat zij zich scharen onmiddelijk onder
het kruis, tenzij omdat Jezus wilde dat Zijn
laatste blik op hen zou neerzien.
Het was gewoonte bij de Romeinen aan de
7
-ocr page 110-
98                HET KRUIS EN CALVARIË.
veroordeelden voor de voltrekking van het dood-
vonnis een mengsel van wijn en myrrhe te
geven; die drank, zoo bitter dat hij bij gal
kan worden vergeleken, gaf den ongelukkigen
eene zekere verdooving en ontnam hun aldus
grootendeels het gevoel van hun lijden. Dit
blijk van menschelijk mcdedoogen werd ook
aan Jezus gegeven. Hij wilde het erkennen en
smaken, maar Hij wilde er niet van drinken,
om ons aldus te leeren, dat niet in de verdoo-
ving, niet in den slaap des lichaams de ver-
zachting onzer ellende moet gezocht worden.
En toch, zooveel edele naturen, zooveel fiere
karakters hebben getracht zich aldus te be-
dwclmen! Ach, zij hebben niets gevonden dan
de vcrachtelijkheid eener verstomping, meer
geëigend aan het redeloos dier, dan aan den
mensch!
Maar wat heeft de Christus ons willen leeren
door die algeheele ontblooting van zich zelven,
waarom ontnam men Hem tot Zijne kleederen ?
Ik zal het u zeggen:
Pater de Ravignan schreef: »het zou eene
afschuwelijke godslastering zijn te beweren, dat
er ter wereld ééne smart is, ééne beproeving,
één vallen of hervallen, één lijden, dat Jezus
-ocr page 111-
HET KKUIS EN CALVARIË.                99
niet op Zijn bebloede schouders heeft genomen."
Christenen, gij peilt niet de uitgestrektheid
van zooveel leed en ontbering, omdat uw
eigen ongeluk niet tot zóó diep afdaalt; gij
begrijpt het niet, omdat de Voorzienigheid,
zelfs als zij u trof, u niet in zoo matelooze
ellende heeft gestort.
Maar gij zijt niet de eenigen in de wereld!
Er zijn armen, die niet hebben om zich te
kleeden, die van deur tot deur bedelen om het
schamel stuk stof, dat hen moet dekken. Er
zijn huisvaders, die met het zweet huns aan-
schijns een harden arbeid hebben besproeid,
waarvan de opbrengst hun haveloos kroost niet
kan onderhouden. Er zijn moeders, die bij het
naderen van den dag waarop haar kind tot de
Eerste Heilige Communie zal worden toegelaten,
weenend uitzien, maar te vergeefs, naar den
cenvoudigen, doch zcdigen tooi waarin die
arme kleine zijn God zal kunnen ontvangen,
en toch, Jezus noodigt dien arme met even
groote liefde als het kind van den rijke.
Wel hoe, gij zoudt dit alles niet weten? Gij zoudt
niet weten dat in de groote steden, op enkele
schreden van uwe woning misschien, mannen,
vrouwen, kinderen geen bete broods bezitten ?
-ocr page 112-
IOO               HET KRUIS EN CALVARIË.
Maar kunt gij ook meenen dat Christus die
armen zal vergeten? Gelooft ge, dat Hij hun
lijden niet ziet, dat Hij hun niet ten voorbeeld
en ten troost zal wezen?
Ja, ter wille van hen staat Hij op de kruin
van Calvarië van alles ontbloot, ter wille van
de armen, Zijn welbeminde armen, die Hij tot
Zijn broeders heeft verheven , . . . . want ver-
geet het niet, gij rijken, niet in uw midden,
maar te midden der armen heeft de Christus
willen geboren worden en leven.
Wie de armen en geringen niet lief heeft,
de verstootenen, de verachten der wereld, hij
verstaat niets van de liefde van Jezus Christus.
* *
Somtijds dcelen wij naar het lichaam in die
ontblooting van onzen Meester, wanneer de
Voorzienigheid ons de goederen der fortuin
ontneemt. Maar meer veelvuldig legt zij ons
die beproeving op door wat ik noemen zal de
onthechting, de ontblooting der ziel.
Zijt gij bereid, o mijne ziel, om van alles
afstand te doen ?
Afstand van uwe begeerten, ten einde de
verlangens van anderen in te willigen ?
-ocr page 113-
HET KRUIS EN CALVARIË.                 IOI
Afstand van uwen wil, om dien te buigen
naar den wil van uwe overheden ?
Afstand van uwe genegenheden, om te ge-
hoorzamen aan de plichten van uwen staat,
aan de bevelen van God ?
Ik ga verder: zoo God u vroeg Hem uwe
vrijheid te offeren, zijt gij bereid?.... Uw
geheugen ? . . . . Uw verstand ? . . . . Ja, zoo God
in Zijne onnaspeurlijke raadsbesluiten u het licht
des verstands ontnam en u sloeg met die
vreeselijke kwaal, die den mensch het merk-
teeken der menschelijkheid ontneemt, zijt gij
bereid ?
En toch, waarover zoudt gij u te beklagen
hebben ?
Wat zoudt gij antwoorden, zoo God u zeidc:
»ik had u verlangens gegeven om te kunnen
haken naar het goede, gij hebt ze tot het
kwaad aangewend. Ik had u een wil gegeven,
opdat deze zich hechten zou aan den plicht,
gij hebt hem gebruikt tot den opstand. Ik gaf
u de macht om te beminnen, opdat uw hart
zich zou keeren tot Mij, de Beminnelijkheid
zelve, en gij gingt tot al wat vergankelijk is
en ijdel en schandelijk en schuldig. Ik ontneem
u die goederen, waarvan gij slechts misbruik
-ocr page 114-
102                HET KRUIS EN CALVARIË.
wist te maken. Ik ontneem u die vrijheid, die
gij hebt verkracht. Ik ontneem u dat verstand,
welks licht gij hebt versmaad."
Wat zoudt gij antwoorden ? Gij had slechts
één woord te zeggen: »Heer, het is recht,
ontneem mij alles."
Beklagen wij ons dus niet; de goederen, die
God ons ontneemt en waarvan wij het verlies
betreuren, ze zijn zoo gering vergeleken bij de
hoogere gaven, die Hij ons laat behouden
niettegenstaande het misbruik, dat wij er van
hebben gemaakt.
Danken wij Hem, en lijden wij met geduld.
-ocr page 115-
HET KRUIS EN CAI.VARIË.                IO3
Xlde STATIE.
Jezus wordt aan het kruis vastgehecht.
E Evangelisten hebben slechts één woord
om de kruisiging van Jezus Christus te
schilderen. tCrucifixerunt eutn ," zegt de heilige
Marcus. Hetzelfde woord wordt gebezigd door
den heiligen Mattheus, den heiligen Lucas, den
heiligen Joanncs. *Crucifixerunt eutn. — Zij
kruisigden Hem." Zonder verder stil te staan
bij die allerwreedste marteling, gaan zij over
tot de bijzonderheden, die er op volgden.
De overlevering van schilders en beeldhouwers
schijnt te doen gelooven, dat de Verlosser op
het kruis werd geklonken, toen dit nog ter
aarde lag, dat men het daarna oprichtte en
plantte in een daartoe gereedgemaakten kuil.
Die overlevering, voortdurend gebracht onder
het oog der geloovigen, is vrij algemeen als
-ocr page 116-
104                HET KKUIS EN CALVARIË.
waarheid aangenomen. Toch is het niet waar-
schijnlijk, dat zij de juiste is.
Niet aldus kruisigden de Romeinen. Het kruis
werd eerst geplant; de veroordeelde, van zijne
kleederen ontbloot, werd gebracht aan deszelfs
voet; men trok een touw onder zijne armholten
door, de einden ervan werden over den kruis-
balk geslagen en men heesch den ongelukkige
ter bepaalde hoogte. Dan bracht men de ladders
aan, de beul beklom ze, strekte de handen
van het slachtoffer een voor een uit en bond
ze vast aan het hout, dan klonk hij met groote
nagelen handen en voeten daarop vast.
Indien de romeinsche soldaten, belast met
de terechtstelling van Jezus Christus, van die
gewoonte en gebruiken waren afgeweken, de
Evangelisten zouden het zonder twijfel hebben
opgeteekend.
Ziedaar dus wat met Christus, den Meester
geschiedde! Zijn lichaam, niet meer dan ééne
wonde, wordt aan het kruis geheschen; de
scherpe touwen, die handen en voeten binden,
dringen door in het vleesch ; de zware nagelen
eindelijk boren er groote gaten in, en onder de
hamerslagen, die het bloed met stroomen doen gut-
sen, worden zij aan het kruishout vastgeklonken.
-ocr page 117-
HET KRUIS EN CALVARIK.                IO5
En dat alles onder het oog Zijner Moeder!
En de Joden juichten het toe. Die stroomen
bloeds, dat sidderend lichaam, die wcenende
moeder, dat alles is hun een genot en geeft
voedsel aan hun haat.
Hoor, hoe zij Hem beschimpen: »kom, Gij,
die den tempel van Jerusalem zoudt afbreken,
en in drie dagen weer opbouwen, red nu U zelf
van den dood!"
»Zoo Gij de Zoon Gods zijt,daal af van het kruis!"
»Ach," spot een derde, »anderen heeft Hij
gered, zichzelven kan Hij niet redden!"
En op al die smaadredenen antwoordt het
gepeupel door een afgrijselijken schaterlach.
De romeinsche soldaten ook lachten en schimp-
ten. Zelfs een der twee moordenaars, die met Hem
gekruisigd waren, wierp Hem smaadwoorden toe.
Jezus liet het hoofd op de borst zinken en
Zijn gebroken oogen bleven rusten op Maria,
op Magdalena en Joannes.
Toch antwoordde Hij op den bitteren spot
der menigte, Zijne lippen openden zich, Hij
zag op ten hemel: »Vader," riep Hij uit, «ver-
geef het hun, want zij weten niet wat zij doen !"
*
* *
-ocr page 118-
IOÓ                HET KRUIS EN CALVARIK.
Waarom heeft Christus al dat bloed willen
vergieten ? Waartoe al die folteringen ? Waarom
dat arm lichaam gegeeseld, dat voorhoofd met
doornen gekroond, die handen en voeten ver-
scheurd en doorboord ?. . . . Waarom heeft Jezus
dat alles willen doorstaan?
Hij was Zijn martelaren het voorbeeld schul-
dig; zelf wilde Hij al de smarten verduren, waar-
toe Hij duizenden Zijner getrouwen zou roepen.
Zooveel eeuwen zijn over het Coliseüm en de
Catacomben heengegaan, de martelaren schijnen
ons zoo ver van ons verwijderd, dat wij schier
vergeten, wat het hun heeft gekost om aan
Jezus Christus getrouw te blijven. Wij vergeten
dat andere martelaren hen zijn gevolgd in al
de tijden van het Christendom, ja, dat iedere
eeuw de haren telt, en dat aan allen het lijden
van den Meester ten voorbeeld is geweest.
Niet Jezus Christus alléén leert ons dit. Daar
onder het kruis staat ook Zijne Moeder, zonder
bezwijmen staart zij op de martelingen van
haren Zoon. Niet slechts het lichaam van
Christus wordt door de beulen verscheurd, elk
dier slagen, iedere wonde, iedere druppel blöeds
doorwondt ook het hart van Maria. Dat ziel-
togend slachtoffer is immers haar Zoon!
-ocr page 119-
HET KRUIS EN CALVARIE.                IO7
Het moest aldus geschieden , dat ook Maria
ons dit groote voorbeeld gaf! Want er zouden
tijden komen, dat moeders hare zonen ten
marteldood zouden voeren en hen aanschouwen
in hunnen dood ! Al het lijden , al de folteringen
der menschheid in alle eeuwen van haren loop
vinden voorbeeld en troost in de goddelijke smart.
En nu noodig ik u uit: »kom, en zie of uwe
smart gelijk is aan deze smart?"
En gij durft klagen! . . . . gij verliest den
moed ! . . . . gij schijnt God te verwijten dat Hij
uw lot aldus heeft beschikt! . . . . gij vraagt u
af hoe en wanneer gij zooveel lijden hebt ver-
diend ! . . . . gij durft uitroepen : »wat heb ik God
gedaan I"
Had de Meester al die smarten verdiend?
Wat had Hij, de Godmensen, God gedaan ?
Hij heeft geleden. »Hij moest lijden", zegt
het Evangelie, »en aldus ingaan in Zijne hcer-
lijkheid. — Noiuie haec oportuitpati Christum
et ita intrare in gloriam suam"
\').
En ziedaar waarom ook gij lijdt en lijden
moet: om te komen tot het geluk en de heer-
lijkheid.
1) Luc. c. 24, v. 26.
-ocr page 120-
108               HET KRUIS EN CALVARIË.
O, mijn God, wat zijn dan al die goederen
der wereld, dat wij zoo troosteloos het verlies
er van betreuren ? Wat is er dan toch in de
vreugde hierbeneden, dat ons arm hart zoo
bitter lijdt, wanneer het er van wordt verstoken !
Is dat alles niet ijdel en vergankelijk ?. . . . Heeft
ooit een van die geneugten , een van die goederen
mijn hart kunnen verzadigen ?. . . . En zoo God
er ons het offer van vraagt als eene nietige
munt, waarmede wij het geluk des hemels kunnen
koopen, dan wijfelen wij, wij trekken terug
als vonden wij dat geluk te duur betaald!
Ach, zoo wij eens goed begrepen wat de
wereld is en wat de hemel, dit nietige leven
hierbeneden zoo vluchtig en zoo kort en dat
eeuwige leven hierboven! Indien wij er ons van
doordrongen , dat lijden in dit leven gelijk staat
met genieten in het andere! O, hoe spoedig
zouden onze klachten verstommen! . . . . Hoe
zouden wij onze beproevingen zegenen! . . . .
*
* *
Ziedaar dan Jezus gehecht aan het kruis....
Zijn lijden loopt ten einde: weldra zal de dood
komen en de reeks Zijner smarten afsluiten.
Werpen wij thans een blik achterwaarts....
-ocr page 121-
HET KRUIS EN CAl.VARIË.                IO9
Wat deed Jezus te midden zijner folteringen?
Ik laat het woord aan Bossuet:
»Eén woord van de H. Schrift zegt het ons:
» Tradebat au tem judicanti se indigne. — Hij
gaf Zich over, Hij leverde zich zelf aan wien
Hem onrechtvaardig veroordeelde"; en wat
hier gezegd wordt van Zijnen rechter moet
eveneens verstaan worden van allen, die Hem
beschimpten: » Tradebat autem". — Hij geeft
zich aan hen, opdat zij met Hem konden han-
dclen naar willekeur. Men wil Hem kussen, Hij
biedt Zijne lippen aan; men wil Hem binden ,
Hij strekt de handen vooruit; men wil Hem
slaan, reeds kromt Hij den rug; onmenschelijk
geeselcn, Hij reikt Zijne schouders; men be-
schuldigt Hem voor Caïphas en Pilatus, geen
woord spreekt Hij tegen; Herodes en zijn hof
bespotten Hem en zenden Hem heen als een
dwaas, Hij beaamt alles door Zijn stilzwijgen.
Men levert Hem over aan de krijgsknechten en
dienaren, Hij zelf levert zich nog meer. Uat
aanschijn voorheen zoo vol majesteit, dat hemel
en aarde in verrukking bracht, onbewegelijk
en recht houdt Hij het voor aan het gepeupel om
bezwalkt te worden met zijn speeksel; haren
en baard rukt men Hem uit en Hij zegt niets
-ocr page 122-
I 10                HET KRUIS EN CALVARIË.
en Hij slaakt geen zucht; Hij is als het arme
schaap, dat zich laat scheren. »Komt, makkers,"
zoo roept het ruwe krijgsvolk, »hier in het
wachthuis is die dwaas, die zich inbeeldt koning
der Joden te zijn; zet Hem een kroon op het
hoofd, een kroon van doornen!" en Hij laat
er zich mee kronen. »Zij houdt niet stevig
genoeg, drijf haar vaster in met stokslagen",
sla toe, hier is dat gezegend hoofd .... Herodes
heeft Hem getooid met het witte kleed der
zinneloozen : »wcrp Hem thans dien ouden pur-
peren soldatenmantel om", hier zijn Zijne
schouders; »gcef thans Uwe hand, koning der
Joden en neem dat riet, het is Uw scepter",
ziehier Zijne hand, doe er mede naar goed-
dunken. »Neen, thans is het geen spel meer,
Uw doodvonnis is geteekend, geef nogmaals
die hand, dat men ze vastklinke aan het kruis",
hier is zij ten andere male! . .. ."
»Jezus antwoordt niet als men Hem beschul-
digt, Hij beklaagt zich niet als men Hem slaat,
en zelfs veroorlooft Hij zich niet die onbestemde
kreet, dat zacht gekreun, eenigstc treurige
uiting der verdrukte zwakheid, waarmede zij
poogt een medelijden op te wekken, dat door
niets anders kon worden gaande gemaakt. Bij
-ocr page 123-
HET KRUIS EN CALVARIE.                I I I
al die gewelddaden hoort men niet slechts geen
klacht, maar zelfs Zijn geluid verneemt men
niet: *Non aperuit os suam" \'); meer nog, Hij
wendt zelfs het hoofd niet af van de slagen.
Ach, zelfs de aardworm, vertreden onder den
voet, kromt zich in een machteloos pogen om
te ontkomen; en Jezus blijft onbewegelijk, Hij
tracht niet een enkele slag te ontgaan: y>Faciem
mcam non averti"
2).
Christenen, lijdt gij aldus?
i) Isaïas 43 , 7.
2) Isaïas 50, 6.
-ocr page 124-
112                HET KRUIS EN CAEVARIK.
Xllde STATIE.
Jezus sterft aan het kruis.
HRISTUS hing aan het kruis, druppel voor
druppel zijpelde Zijn bloed ter aarde en
Zijn leven vlood langzaam henen. De Joden
verlustigden zich reeds in dien naderenden
dood. Maria bleef steeds overeind, de oogen
op haar Kind gevestigd. Aan hare zijde stond
Joannes en was als zij in droefheid verzonken.
Geknield hield Magdalena de armen geklemd
om den kruisboom; in snikken en tranen kuste
zij de doorwondc voeten haars goddelijken
Meesters. Tegen den middag werd de hemel
verduisterd, eene akelige, schrikwekkende nacht
overdekte de aarde .... Jezus gevoelde dat Zijn
uur was gekomen. »Mocder," sprak Hij tot
Maria op een toon van onbeschrijfelijke tccder-
heid, »Moeder, ziedaar uw zoon" .... en Zijne
-ocr page 125-
HET KRUIS EX CALVARIË.               I T 3
oogcn richtten zich op Joanncs, den welbc-
minden leerling. Dan wendde Hij zich tot
Joanncs: »Ziedaar uwe moeder!"
En als wilde Hij een laatste maal afdalen in
de diepte onzer menschelijke zwakheden: »o
mijn God," zoo riep Hij uit, Zijne blikken ten
hemel geslagen, »o mijn God, waarom hebt
Gij Mij verlaten!" Maar aanstonds daarna
richtte Hij zich weer op in Zijn goddelijke
kracht en sprak: »allcs is volbracht!" dan
met luider stemme uitte Hij den kreet: »Mijn
Vader, in Uwe handen beveel Ik Mijnen
geest" .... en Hij boog het hoofd .... en Hij
stierf....
Eensklaps in den tempel, van de gewelven
tot aan den bodem, werd de groote voorhang
van het heilige der heiligen door midden gc-
scheurd. De aarde beefde op hare grondvesten
als zou zij vergaan. De rotsen spleten, de been-
deren der dooden werden met vlccsch omkleed
en stonden op uit de graven .... Een bloedige
sluier bedekte de zon.
En sidderend van angst sloeg de honderdman
der wacht zich op de borst en riep uit: »ach,
zoo is het waar, deze was werkelijk de Zoon
van God". En hij ging henen van daar.
8
-ocr page 126-
I 14              HET KRUIS EN CALVARIË.
Zijn krijgsknechten volgden hem, daarna ook
het joodsche volk , welks haat was verzadigd ....
geheel die menigte verspreidde zich lang-
zaam, hare ontzetting verbergend onder een
duivclschcn grijnslach .... en slechts Maria,
Joannes en Magdalena bleven over bij het
goddelijk lijk.
Toen de groote menigte reeds verre was,
traden nog twee andere vrouwen naderbij: Maria,
de moeder van Jacobus en Salome, de moeder
van Joannes, die tot dusverre terzijde waren
gebleven.
Te zamen, zwijgend en bedroefd, bij dat
kruis waaraan de Meester hing, begonnen zij
de nachtwake bij den doodc.
*
* *
De dood! God heeft hem ondergaan ....
ook wij moeten hem ondergaan .... misschien
is hij niet meer verre, misschien reeds dragen
wij zijn kiem in onze borst, wellicht is zijn
zegel reeds gedrukt op ons hoofd.
Sterven! . . . . Sterven ! . . . . ik zal dan moeten
sterven, ik ook! Dit woord klinkt zoo hard
in het oor van den mensch! En toch hij moet
-ocr page 127-
HET KRUIS EN CALVARIË.                 I 15
sterven.... »De dagen des menschcn gaan
voorbij als het gras, zij verwelken als eene
bloem des velds. — Homo sicut foenum dies ejus,
tanquam flos agri sic efflorebif
\').
Vanwaar komt de afschrik, dien de dood ons
inboezemt ?
Ach, in deze wereld leven wij slechts door
onze zinnen, door deze komen ons de gedachten
en zij zijn het, die onze genegenheden koesteren,
onze verlangens doen ontstaan. Geheel ons
leven dan ook, hoe vlekkeloos het moge wezen,
is vervuld van stoffelijke, tastbare zaken ; deze
slechts zien wij, deze slechts hebben wij lief.
De dood ontrukt ons gewelddadig aan die
gehcelc wereld der zinnen; hij scheidt er ons
van en voor immer; het is dus niet meer dan
natuurlijk, dat hij ons vreeselijk voorkomt.
Maar waarom ook hebben wij ons aldus aan
die voorbijgaande zaken gehecht? Weten wij
niet, dat wij dat alles eenmaal moeten achter-
laten en zonder dat alles henengaan ?
God heeft op al het geschapene het zegel
des doods gedrukt.... Hij wilde dat alles ons
de vergankelijkheid van het aardsche zou voor
i) Ps. 102, v. 15.
-ocr page 128-
I 16                HET KRUIS EN CALVARIË.
houden ... De bloemen ontbladeren zich voor onze
oogen , de vruchten vallen af ... . het geboomte
sterft.... De dag gaat over in den nacht
Het vooglengezang, dat u bekoort, verliest zich
in de stilte des wouds, het is voorbij. Tot zelfs
de reusachtige rotsen, die den tand des tijds
schijnen te weerstaan, zij worden verbrokkeld
en vergaan langzamerhand tot stof.
En hoeveel sterft er in ons zelf?
De daad, welke wij op dit oogenblik stellen,
is ons in het volgende ontgaan .... Hoe vaak
in haar haastige vlucht willen wij haar achter-
halen , om haar beter en waardiger te vol-
brengen .... maar het is te laat. De tijd, dat
geheimzinnige beeld van het leven, wat is hij
anders dan eene opvolging van oogenblikken ,
waarvan het eene sterft zoodra het andere
aanbreekt. Onze gedachten gaan voorbij, onze
wil verandert, onze genegenheden sterven af,
de eene na de andere. Alles roept ons toe:
ik ga sterven! . . . . En alles in ons, en alles
om ons sterft af. Wat is er op deze wereld
onveranderlijk en duurzaam ? En wij, wij die
zoo dorsten naar eeuwige liefde en genegenheid,
wij zouden ons hechten aan die wereld, welke
wij zoo spoedig moeten verlaten!
-ocr page 129-
HET KRUIS EN CALVARIË.               WJ
En gesteld, dat alles om ons heen onver-
gankelijk ware, wat zou het ons baten ? Wij
zelf moeten sterven, en is die wetenschap niet
voldoende om ons toch niet bloot te stellen
aan de droefheid van eenc onvermijdelijke en
algeheele scheiding ?
En toch neen; het is juist wanneer de dood
nadert, wanneer de rimpels zich groeven in
het voorhoofd, wanneer de haren vergrijzen,
dat wij ons als een arme drenkeling met de
kracht der wanhoop vastklampen aan de ijdele
liefde en de geneugten der wereld!
Aan wien dan de schuld, zoo het sterven
ons zwaar valt?
*
* *
Toch is het afgrijzen voor den dood eigen
aan de menschelijke natuur.
In dit leven bestaat onze persoonlijkheid
uit ziel en lichaam, de dood die beiden van
elkander scheidt, is ons dus eene verscheuring
van ons zelven. Eindelijk hij gaat vergezeld van
ziekte, lijden en doodstrijd en ook van dezen
wendt zich onze geest al bevend af.
Het redeloos dier zoowel als de mensch
ondergaat dien natuurlijken afschrik en zelfs
-ocr page 130-
Il8                HET KRUIS EN CAI.VARIË.
de sterkste, de heiligste ziel kan er zich niet
immer voor vrijwaren.
Hoe zou het ons bevreemden ? De dood is
een straf! Door de zonde is hij in de wereld
gekomen .... hij is de soldij der zonde
Laten wij hem als zoodanig aannemen, christenen,
en in de erkenning onzer schuld het hoofd
buigen voor de goddelijke gerechtigheid, die
ons kastijdt. Het is gebruikelijk dat de priester,
die een stervende bijstaat, hem de gedachte
voorhoudt den dood vrijwillig te aanvaarden ....
Wat wil dat zeggen ?
Den dood aanvaarden, als hij onvermijdelijk
is, als hij ons reeds heeft vastgegrepen, als
niets ter wereld ons uit zijne handen kan
losmaken!
Ja, christenen, hem aannemen in zacht-
moedigheid, in gelatenheid, met een onderworpen
hart, als hoogste en uiterste boetedoening!
O, dit is eene groote en verhevene gedachte,
het is eene der edelste pogingen waartoe de
mcnschelijke v/il in staat is: oefenen wij ons
van stonde af aan om er onzen wil toe voor
te bereiden. Aanvaarden wij den dood van te
voren, bekennen wij dat wij hem hebben ver-
diend. Volgen wij den Meester, die den dood
-ocr page 131-
HET KRUIS EN CALVARIË.               I 19
ondergaande, onze schuld uitboette. Geen vrees
of angst op Zijn voorhoofd; ternauwernood
die droeve klacht, die als het ware wilde
tegemoet komen aan onze kreten vol ontzetting
en wanhoop: »mijn God, mijn God, waarom
hebt Gij Mij verlaten!"
O welk een Meester, hoe moesten wij voort -
durend Zijn voorbeeld voor oogen houden om
ons voor te bereiden tot den dood!
Soms verleent God dien grootcn stervens-
moed aan de nederigen en eenvoudigen van
harte. Eene vrouw vol geloof —• niet van dat
diepe, beredeneerde geloof, dat slechts het deel
is van enkelen, — maar eene vrouw, toegerust
met het kinderlijk geloof der armen van geest,
voelde, na veel te hebben geleden, dat de
ziekte haar ten grave zou voeren. »Mijn uur
is gekomen," sprak zij tot hare dochter, »verlaat
mij niet meer!" Zelve liet zij den priester
komen, biechtte, ontving de heilige Teerspijze
en het laatste Oliesel, en toen men poogde
haar nog op beterschap te doen hopen, zeide
zij: »neen, neen, ik heb mijn deel van lijden
gehad, nu ga ik uitrusten in den hemel." Zij
2elve bestelde alles wat bij en na haren dood
noodig zou wezen met volkomen kalmte en ge-
-ocr page 132-
120                HET KRUIS EN CALVARTË.
rustheid des geestcs. Enkele dagen later, zonder
vrees of schrik, toen eene ongewone beklemming
haar overviel, sprak zij tot hare dochter: »mijn
kind, dit is de doodstrijd .... tot weerziens bij
God!".... En zij stierf!
-ocr page 133-
HET KRUIS EN CAI.VARIË.                 121
XlIIde STATIE.
Jezus wordt van het kruis afgenomen en op den
schoot Zijner moeder gelegd.
ET uur van den Sabbath naderde. De
joodsche wet liet niet toe, dat de lichamen
der terechtgestelden aan het kruis bleven hangen
gedurende den heiligen dag. Dus gingen de
priesters tot Pilatus om hem verlof te vragen
de beenderen der drie gekruisigden te breken,
ten einde aldus hunnen dood te verhaasten;
daarna zou men ze afnemen. Het bevel werd
gegeven: met ijzeren staven verbrijzelden de
soldaten de beenen der twee moordenaars,
maar toen zij bij Jezus hetzelfde wilden doen,
zagen zij dat Hij reeds gestorven was en gingen
voorbij. Een van hen, minder overtuigd en
om iederen twijfel weg te nemen, stak zijne
lans in de zijde des Heeren en doorboorde het
-ocr page 134-
122                HET KRUIS EN CALVARIË.
hart. Het lichaam schudde aan de nagelen en
uit de wonde vloeide water en bloed.
En dat alles onder het oog van Maria!
Volgens joodsch gebruik werden de lichamen
der veroordeelden in een algemeenen kuil ge-
worpen ; zij bleven daar onbedekt liggen tot
dat het vleesch geheel was vergaan. Eerst dan
was het aan de nabestaanden veroorloofd de
beenderen te verzamelen en ze bij te zetten in
de begraafplaats van hun geslacht.
Jozef van Arimathea, raadslid van het San-
hedrin, kon niet gedoogen dat die laatste
smaad zijn Meester zou worden aangedaan.
Sinds lang was hij een leerling van Jezus, maar
uit vrees voor de Joden slechts in het geheim.
In het Sanhedrin was zijn moed niet groot
genoeg geweest om den onschuldige te ver-
dedigen; nu was zijne verontwaardiging ten top
gestegen en maakte hem onbevreesd. Hij spoedde
zich naar Pilatus, en zonder schroom verzocht
hij hem om het lichaam van den Gekruisigde.
Pilatus stond het hem toe en Jozef keerde naar
Calvarië terug.
Daar, geholpen door eenige leerlingen, die,
nu de menigte was afgetrokken, het lijk van
hun Meester durfden naderen, ging hij het
-ocr page 135-
HET KRUIS EN CALVARIK.             123
lichaam van Jezus afnemen. Ladders werden
tegen het kruis geplaatst, de nagels uitgetrokken
en voorzichtig liet men het goddelijk lichaam
af. Aan den voet van het kruis zat Maria neer
en opende hare armen. Bebloed, verscheurd,
koud en verstijfd werd het lichaam van den
Zoon op den schoot der moeder neergelegd.
* *
O Maria, herinnert gij u den dag, waarop
in den stal van Bethlehem God Hem u gaf
op uwe knieën, in uwe armen, dien Zoon zoo
schoon en beminnelijk, herinnert gij u hoc
Zijn glimlach uw eerbiedige liefkozingen beant-
woordde! Ziehier nu wat de menschen met Hem
hebben gedaan, hoe zij Hem u terug geven!
O, wat stortte zij een stroom van tranen!
in welke droefheid was zij verzonken, de treu-
rende Maagd, toen zij haar Zoon, van het
schandhout losgemaakt, terug ontving in hare
armen."
»0 quod undis lacrymarum
Q110 dolore volvitur
Luctuosa, de cruento
Dum revulsum stipite,
Cemit ulnis incubantem
Virgo Mater Filiitm."
-ocr page 136-
124              HET KRUIS EN CALVARIË.
»Zijn lieflijke mond, Zijn teedere borst, Zijn
allerzoetste schoot, Zijn verscheurde handen,
Zijn met bloed bevlekte voeten, geheel Zijn
lichaam, . . . . zij baadde het in hare bittere
tranen."
»Os suave, mite pectus
Et latus dulcissimum,
Dexteramque vulneratam
Et sinistram sauciam,
Et rubras cruore plantas
Aegra tingit lacrymis"
»Honderd-, duizendmaal klemde zij Hem in
hare armen, drukte hare lippen op Zijne
wonden, — reinigde die aldus volgens de uit-
drukking der H. Kerk — en was geheel ver-
slonden in die omhelzingen vol droefheid."
i>Centiesque, milliesque
Stringit arctis nexibus
Pectus Mud et lacertos,
lila sugit vulnera,
Sicque tota colliquescit
In doloris osculis!"
\').
Ik heb hier den lofzang weergegeven, die
de heilige Kerk haren priesters doet aanheffen
i) Hymne der Eerste Vespers van het Feest van
O. L. Vrouw der Zeven Smarten.
-ocr page 137-
HET KRUIS EN CALVARIE.                Ï2$
op den dag waarop zij het feest der smarten
van Maria herdenkt. Voorzeker geen enkele
moeder, die ooit een harer kinderen zag sterven,
of zij begrijpt dien ten volle.
O, als eene moeder haar zoon ziet sterven....
dan twijfelt zij nog, zij kan het niet gelooven.
Neen, hij is niet dood .... Hoe kon hij ster-
ven ___ haar zoon !.... Zij beschouwt hem ....
ging daar geen ademhaling over zijne lippen....
was . daar geen beweging op zijn gelaat....
Maar als zij in hare armen het kleine lichaam
voelt verstijven en koud worden, als iedere
begoocheling moet wijken, als ook zij moet
uitroepen: »mijn kind.... mijn zoon is dood!"
wie zal zeggen wat daar dan breekt in hare ziel!
En zij zelven kunnen aan die droefheid niet
sterven!
Ach zoo zij het konden! Zoo zij die dier-
baren konden volgen in het graf!
Maar neen, zij moeten lijden, zij moeten
leven .... en zij gaan daarhenen vele jaren
misschien met eene wonde in het hart, die
zich nimmer meer zal sluiten ! »Quia non simt —
want zij zijn niet meer."
Ongelukkige moeders, ziet op tot Maria!___
Ziet of uwe smart gelijk is aan de hare! Zoo
-ocr page 138-
126                 HET KRUIS EN CAI.VARIË.
gij uwe dooden beweent, gaat ze beweenen bij
haar! . .. . Zij heeft geleden als gij, meer dan
gij, zij zal u zoo goed begrijpen! Zij zal tot
uw hart het juiste woord spreken, dat sterkt
en opbeurt en den moed doet herleven! Gaat
tot haar: zij is moeder zooals gij, en zoo als
gij heeft zij haar Zoon zien sterven, haar
eenig kind ! . . . .
* *
En gij allen, wie gij ook zijn moogt, welke
droefheid u ook kwelt, gaat tot Maria....
Gij lijdt! ach, luister naar wat haar leven gc-
wecst is.
Dochter van koninklijken bloede, heeft zij
geleefd in een staat van armoede en verval tot
aan haar zestiende jaar. Zij, de dochter uit het
huis van David, huwde toen een armen timmer-
man. God geeft haar een zoon en welk een
zoon ! . . . . in een stal, waar het vee des nachts
een onderkomen vindt, brengt zij Hem ter
wereld .... Ternauwernood is Hij geboren, of
zij moet met Hem vluchten naar Egypte uit
vrees, dat men Hem zal vermoorden! . . . . Na
langdurige ballingschap keert zij terug en hervat
met Jozef en het kind Jezus het nederig leven
-ocr page 139-
HET KRUIS EN CALVARIË.               127
van een werkmansgezin. Jozef sterft, Jezus ver-
laat haar om Zijn volk te prediken en, na drie
jaren, heeft zij Hem nu in de armen, haren
Jezus, gehoond , bespuwd , belasterd , veroor-
deeld, gegeeseld, gekruisd, gestorven eindelijk!....
en nu alleen, bij Joannes, bij een vreemde gaat
zij haar leven voleinden !
En sinds Bethlehem heeft zij die geheele
toekomst met profetisch oog aanschouwd ! Dertig
jaren lang, bij dag en bij nacht, zag zij Judas,
Pilatus , de beulen, die koorden en gcesels, die
doornen, dat kruis, die wrecde nagelen, die
bespuwing, dat bloed, dien gestorven Christus,
verstijfd en koud!
Wat zijn uwc smarten vergeleken bij de hare ?
En toch Maria sprak: »mij geschiede naar
uw woord!"
Aanzie haar dan, aanzie haar in dit eigen
vrccsclijk uur, waarop zij haar welbeminden
Zoon in de armen knelt .... beklaagt zij zich
thans? Hoort gij haar morren? Vraagt zij
rekenschap aan God: »waarom hebt Gij mij
mijn Kind ontnomen?" Verfoeit zij het leven,
roept zij den dood ter hulpe? Luister wel toe
in die plechtige stilte van Golgotha .... niets___
niets.... slechts het onderdrukt geluid van
-ocr page 140-
128              HET KRUIS KN CALVARIË.
haar snikken en wecnen! want o, zij lijdt zoo
ontzaglijk veel!
Haar hart is gebroken en verbrijzeld van
smart, zij lijdt alles wat gij lijdt, moeders, die
uwe kinderen ziet sterven; maar zij bezwijkt
niet, zij beheerscht hare droefheid, zij laat
haar geen vrijen teugel in uitbundig gekrijt. Zij
is onderworpen, en van hare bevende lippen
en uit haar gefolterde ziel komt immer weer
dat woord dat de leuze haars levens was: »hier
ben ik, handel met mij naar Uw welgevallen,
zie de dienstmaagd des Heeren."
Hoe menigmaal zagen wij onze dierbaren
sterven !.... hoe menigmaal zullen wij het nog be-
lcvcn, voor dat God ons oproept tot het uur van
onzen eigen dood ? Hij, die niet gestaan heeft bij de
stcrvenssponde van eene moeder, van een kind,
van een vriend .... hij, die nimmer heeft gezien
hoe die dierbare oogen hun laatste tranen ver-
goten , hoc die mond verbleekte , die arme borst
zwoegde en dan eensklaps stil hield .... hij die
nimmer zijne lippen gedrukt heeft op dat reeds
koude voorhoofd.....hij weet niet wat lijden is !
En toch Maria was volmaakt onderworpen
en gelaten. Waar dan putte zij hare kracht?
Ik zal het u zeggen.
-ocr page 141-
HET KRUIS EN CALVARIË.              129
Zij wist dat de dood slechts eene kortstondige
scheiding is, en dat zij in den hemel haar Zoon
zou wedervinden.
Maar weten dan wij niet hetzelfde? Weten
we niet, dat ook wij onze moeder, ons kind,
onzen vriend, al onze in God gestorvenen zullen
wedervinden ? Ja, wij zullen hen wedervinden ,
wij zullen hen herkennen! De schakel van al
onze heilige genegenheden, voor korten tijd
verbroken, zal, onder Gods oog, weer te zamen
worden gevoegd, en daarboven zullen wij elkander
liefhebben, zooals wij elkander op aarde hebben
liefgehad, maar dan voor immer en altijd !....
Laten wij dan als Maria bij een dierbaar
graf onze droefheid meester blijven, en zeggen
wij aan God terwijl wij Hem ons bloedend hart
opdragen: »Hcer, Uw wil geschiede!"
o
-ocr page 142-
130              HET KRUIS EN CALVARIË.
XlVde STATIE.
Jezus wordt in het graf gelegd.
3^
ELDRA namen de leerlingen het lichaam
van Jezus weer op en brachten het
vol eerbied naar den voet van Calvarië. De
heilige Maagd, Magdalena en de andere vrouwen
vormden den kleinen lijkstoet. Zwijgend schreden
zij voort in het duister van den vallenden nacht.
Het goddelijk lichaam werd neergelegd op een
grooten steen; met zachte, eerbiedige handen
werd het gereinigd van het bloed, waarmede
het was bevlekt. Dan balsemden de vrouwen
het met een mengsel van myrrhe en aloé\', waar-
van Jozef honderd pond had gekocht. Zij hulden
het lichaam in eenc lijkwade en volgens joodsch
gebruik wikkelden zij het in smalle windsels
van fijn linnen. Zonder twijfel was het Magdalena
die deze droeve plechtigheid leidde, want niet
-ocr page 143-
HET KRUIS EN CALVARIË.                 13 I
zoodra zal de Sabbath voorbij zijn, of wij zullen
haar met haast naar het graf zien terugkeeren
om het werk te voleinden, dat wegens het late
uur wat al te haastig had moeten verricht
worden. Vlak daarbij in de rots was het graf,
dat Jozef van Arimathea voor zich en de zijnen
had laten uitbouwen. Men bracht er het om-
wikkelde lichaam des Heeren heen. Maria kuste
het een laatste maal, langen tijd beschouwde
zij het nog, daar roerloos voor zich uitgestrekt....
dan werd de groote steen naar voren gewen-
teld .... en het graf gesloten.
Alles was afgeloopen!
Evenwel noch Maria, noch de heilige vrouwen
konden de plaats verlaten waar haar Welbeminde
rustte.
Het Evangelie merkt op: »dat zij nederzaten
bij het graf, ziende naar de plaats waar men
Hem gelegd had .. . ."
Maar weldra werd het geheel en al nacht,
en men moest vertrekken ....
De heilige Maagd, voortaan alleen, en Mag-
dalena, de troostelooze, keerden langzaam naar
de stad terug .... Op den weg, bij iedere schrede
ontdekten zij het bloedig spoor van haren Jezus !
-ocr page 144-
132                HET KRUIS EN CALVAKIË.
Wanneer de dood ons scheidt van hen die
wij liefhebben, is het als of wij in het eerste
oogenblik niet het volle besef hebben van de
wonde ons toegebracht. Wij zijn als bedwelmd
door den slag, nog kunnen wij ons de uitge-
strektheid van ons verlies niet voorstellen. En
geruimen tijd is er noodig om ons oog te ge-
wennen aan den gruwel van dit nieuwe schouw-
spel, om ons hart te doen voelen de kilte, de
diepte van het ledige om ons. Maar dat uur
komt, het uur der naakte werkelijkheid
Wanneer het lichaam wordt weggedragen, wan-
neer de lijkkist wordt neergelaten in de groeve ,
wanneer deze langzaam aan zich met aarde
vult, dan dringt een vrceselijk gevoel door tot
in het binnenste onzer ziel, het gevoel van het
onherstelbare, dat men de bekroning der smart
heeft genoemd.
Ik ken geen wanhopiger smart! . . . .
En niet de dood alleen doet haar ons ge-
voelen ! . . . . Zij gaat gepaard met het verlies
van schier alle goederen, die ons leven ver-
aangenamen.
Als een vriend ons verlaat, twijfelen wij nog
zoo lang, geslingerd tusschen hoop en vrees;
dan, eindelijk slaat er een uur waarop het ver-
-ocr page 145-
HET KRUIS EN CALVARIË.               133
raad van hem, die ons liefhad overtuigend zich
opdringt aan onze straks nog verblinde oogen
Het is gedaan .... het is voor immer gedaan !....
Ons fortuin gaat ten onder, wij weten dat
de armoede ons aangrijnst, maar nog gevoelen
wij haar niet, nog is er aan onzen hemel cene
flauwe flikkering van licht! . . . . Dan komt er
een dag, waarop de werkelijke nood zich doet
gevoelen .... O, dit is het uur van het onher-
stelbarc .... en dit uur is verschrikkelijk!. . . .
En zoo is het met alles!
Ach, zoo lang in de verte een kleine straal
van hoop den mensch overblijft, kan hij met
wilskracht zijn moed behouden ; maar zoo alle
hoop hem ontzinkt, zoo alles verloren is, alles
geëindigd! . . . . maar als hij zich alleen voelt,
evenals Maria, alleen in den stillen nacht! . . . .
Arm lijdend hart, waarom bedriegt gij u aldus?
Niets is ooit geëindigd, niets is ooit onher-
stelbaar verloren, omdat alles voleindigd wordt,
teruggevonden , hersteld in de eeuwigheid !
Ja, wanneer wij ons leven beschouwen als
ingesloten tusschen die twee aardsche eindpalen :
de geboorte en den dood, ja, hoeveel is er dan
voor immer gedaan en voor immer verloren ! . . . .
Maar dit is slechts een gedeelte, een klein, zeer
-ocr page 146-
134              HET KRUIS EN CALVARIË.
klein gedeelte van ons eigenlijk leven. . . . Ver-
geet gij dan, dat het zal worden voortgezet
daarboven en zonder einde zal worden vervolgd
door de geheele onmetelijke eeuwigheid ?
Waarom toch hebben wij zoo weinig geloof?
Ons ware leven is als een boek, waarvan wij
hierbeneden enkele bladen omslaan, al spoedig
slaat de dood ook het zijne om ; maar het boek
is niet geëindigd daar, waar hij het aanraakt.
Geen enkele zin , geen woord is er van onder-
broken ; zonder vertraging, zonder tusschenpoos ,
zooals het vorige blad geopend werd , zoo opent
zich het volgende .... in de eeuwigheid.
O, kon ik u doordringen van die gedachte!
Nimmer zullen wij ophouden te leven, geen
der ons dierbaren heeft opgehouden te leven :
wel is er een uur gekomen, waarop hun bestaan
hierbeneden een einde nam , evenals er een uur
zal aanbreken waarop ons aardsche leven zal
worden afgesloten, maar om ons aanstonds
daarop in de eeuwigheid een nieuw leven te
doen beginnen.
In het leven van den mensch is geen
tusschenpoos!
Bezaten wij dit levendig geloof, wij zouden
niet al onze gedachten, al onze voornemens en
-ocr page 147-
HET KRUIS EN CALVAR1Ë.               135
plannen, al onzen arbeid, al ons pogen, al onze
liefde begrenzen tot deze wereld, waar wij geen
blijvende woonplaats bezitten. Wij zouden doen
als de reizigers, die de groote zeeén oversteken
om in de Nieuwe Wereld aan te landen. Zoeken
zij op het vaartuig een vast verblijf? Beperken
zich slechts tot daar al hunne plannen en be-
moeiingen? Neen, zij denken aan het land, dat
zij weldra zullen bereiken, en het is hun leven
aldaar, dat zij voorbereiden en regelen. Moeten
wij niet eveneens handelen ? Is het tegenwoordig
leven iets anders dan een overtocht ? O, wat
zijn de verveling en de mocielijkheden der reis
van geringe beteekenis voor wie gaat naar het
vaderland .... Valt het ons zoo zwaar nog
verre te zijn van hen die wij liefhebben, wanneer
wij ons reeds bevinden op den weg, die ons tot
hen brengt, wanneer iedere dag den tijd en
den afstand verkort, die ons nog van hen
scheiden ? Wat al troost en verzachting kan
deze gedachte aan onze droefheid geven!
Zij zou nog een ander voordeel hebben. Zij
zou onze oogen veelvuldiger openen voor dat
toekomende, eenig duurzame leven, en wij
zouden er meer aan denken ons daar een ge-
lukkig lot te bereiden. Want zoo het geloof
-ocr page 148-
136               HET KRUIS EN CALVARIË.
ons leert, dat de dood ons dit leven binnen
voert, het zegt ons ook, dat de eerste schrede
daar gezet ons brengt voor den rechterstoel
des oppersten Meesters.... Hoe zal ik daar
verschijnen, als mijne handen ledig zijn van
goede werken en deugden ?. . . . Hoe zal ik
daar verschijnen als mijne ziel onzuiver is en
besmeurd?.... Hoe zal ik daar verschijnen
wanneer ik niets heb gedaan voor den hemel,
wanneer ik slechts gezwoegd heb voor de aarde,
voor deze wereld, die mij zoo spoedig ontvalt ?
Maar zoo ik het goede heb liefgehad, zoo
ik naar de rechtvaardigheid heb gestreefd, zoo
mijn hart gesloten is gebleven voor de boos-
heid en voor allen kwaden wil ... . vooral zoo
ik den Christus heb mogen volgen op den
koninklijken weg des kruiscs .... o hoe troostvol
en gezegend zal die ure dan zijn .... Zij zal
het einde wezen van mijne smart, het begin
van mijn verblijden !. . . . van het ballingsoord
zal ik overgaan naar het vaderland ....
Daar wachten mij mijne welbeminde dooden.
Daar zal ik zelf de levenden, die ik achterliet,
verbeiden tot den dag waarop God daar bijeen
zal brengen al de zielen van goeden wil, aan
wie Hij de vrede is komen brengen.
-ocr page 149-
HET KRUIS EN CALVARIË.                 137
Het tegenwoordige leven is zoo kort! . . . .
in waarheid het is niets, vergeleken bij het
leven hierna.... Wat maakt het dan hier voor
enkele korte uren goederen te verliezen, die
wij daarboven zullen terugvinden en dan voor
altijd.
Christenen, laat, bij het bewecnen uwer dooden,
deze heilige hoop diep wortel schieten in uw
hart, het is zoowel hoop voor u als voor hen . . . .
Hebben zij hierbeneden veel lijden doorstaan,
zijt gij zelf zwaar beproefd geworden, schept
vertrouwen en moed .... Lijden is het kenteeken
der goddelijke uitverkiezing .... Het lijden is
de groote schulddelger: het wascht ons schoon
in het bloed onzes harten, en onze zielen, aldus
gepurperd, zijn welgevallig in de oogen van
Christus; Hij ziet haar in het kleed, dat Hij
zelfheeft gedragen toen Hij opging naar Calvarie.
-ocr page 150-
138              HET KRUIS EN CAI/VARIË.
ET was op den Vrijdagavond, dat Jezus
in het graf werd neergelegd ; Maria begaf
zich naar het huis van Joannes, dat nu voor-
taan het hare zou wezen. In haar gebroken
hart mengde zich de bitterste droefheid met de
vaste overtuiging aan de spoedige opstanding
haars Zoons van den dood.
Magdalena, minder voorgelicht, scheen geen
hoop meer te koesteren; van die zijde is zij
meer menschelijk, dichter bij onze zwakheid,
en haar willen wij volgen.
De Sabbath ging voorbij in tranen; reeds
op den Vrijdag had zij kostbaren balsem en
specerijen gekocht om de zalving van het
lichaam haars Meekers te voltooien. -s>Etrever-
tentes paraverunt aromata et tuiguenta et Sabbato
-ocr page 151-
HET KRUIS EN CALVARIË.              139
quidem siluerunt secundum mandatum." v).
Maar de wet verbood haar zelfs dit god-
vruchtig werk op den heiligen Sabbathdag te
verrichten. Hoe traag kroop hij om voor haar!
Den volgenden morgen bij de eerste ochtend-
schemering, in de stilte en eenzaamheid van
den opkomenden dag toog zij uit met eene
andere Maria, en te zamen met haastigen tred
spoedden zij zich naar het graf. De groote
steen, die het afsloot, was weggenomen ....
Huiverend traden zij in de rotsholtc.... de
doeken lagen verspreid ter aarde, maar het
lijk van Jezus was er niet meer. Ontsteld over
dit wonder, waarvan zij het geheim niet konden
doorgronden en buiten zich zelve van droefheid
snelde Magdalena naar de Apostelen en zeidc
hun: »zij hebben onzen Heer weggenomen en
ik weet niet, waar zij Hem hebben gelegd."
En na haar kwamen de andere vrouwen de
waarheid harer woorden bevestigen. Maar de
Apostelen zagen hierin slechts de verhitte ver-
beelding van opgewonden vrouwen. Magdalena
bleef niet om hen te overtuigen; zij keerde
terug naar het graf, en daar, in de omliggende
1) Luc. c. 23, v. 56.
-ocr page 152-
140               HET KRUIS EN CAI.VARIË.
tuinen, in het struikgewas, tusschen de bouw-
vallen en in de spleten der rotsen, overal, en
twintigmaal terugkeerend op dezelfde plaats,
zocht zij het lichaam van haren Meester. »Vrouw,
waarom weent gij," vroeg men haar. — »Men
heeft mijnen Heer weggenomen, antwoordde
zij, en ik weet niet, waar men hem gelegd
heeft." En hare tranen stroomden overvloedig.
En zie, terwijl zij zocht stond een man voor
haar. Ook hij vroeg haar: »Vrouw, waarom
weent gij, wien zoekt gij?" Zij meende in hem
den tuinier van Jozef van Arimathea te zien:
»Ach , riep zij uit, zoo gij het zijt, die Hem hebt
weggenomen, zeg mij waar gij Hem geborgen
hebt, opdat ik Hem mede neme."
»Maria," sprak Jezus ....
Bij dat woord, dien toon, bij die gemeen-
zame en goddelijke teederheid sidderde het
hart van Maria. Zij hief het hoofd op, haar
oogen ontmoetten de oogen van Jezus: »o
Meester," riep zij uit en wierp zich aan Zijne
voeten.
Wie zal den onuitsprekelijken troost beschrij-
ven, die toen in het hart der treurende neder-
daalde! . . . .
Haar Meester, haar goddelijke, haar welbe-
-ocr page 153-
HET KRUIS EN CALVARIË.                14I
minde Meester stond daar vóór haar! . . . . Hij
leefde dus !.... Hij was haar weergegeven !....
Zij zag, zij hoorde Hem, Hij lachte haar toe
met den liefderijken glimlach waarmede Hij
de zondares had ontvangen, den glimlach die
Hem was bijgebleven op den zwaren lijdensweg
en slechts was geweken in de verstijfde trck-
ken des doods.
*
*     *
Arm harte van den mensch, wij zijn als
Magdalena. Wij doorkruisen al weenend rotsen
en tuinen, zoekend naar onze verloren goederen,
onze verdwenen vreugde, onze gestorven ge-
negenheden .... Tot al het aardsche roepen
wij: »men heeft mij mijn geluk ontstolen, o
indien gij het zijt, die het verborgen houdt,
zeg het mij opdat ik het terugneme!"
Ja, wij ondervragen al wat van de wereld is,
wij smaken, wij betasten het, wij zouden het
willen doorgronden, om in hetzelve dat geluk
te vinden, welks najaging ons geheel leven in
beslag neemt en uitput. En al dat geschapene
eindigt met ons toe te roepen: -»non est hic !—
hier is het niet!" Slechts dat woord zullen wij
hooren gedurende geheel ons ellendig leven ....
thioii est hic! — hier is het niet. . . ."
-ocr page 154-
142              HET KRUIS EN CALVARIË.
De kleine vreugden, het weinigje ijdel genot,
dat wij hier beneden smaken, zijn als de windsels
en de zweetdoek, welke Maria vond bij het graf,
die wel den Beminde haars harten hadden aan-
gcraakt en nog als het ware den geur van Zijn
lichaam bewaarden, die zonder twijfel wel door
haar werden ter hand genomen en opgelicht, maar
waaronder zij het lichaam van Jezus niet vond.
Het geluk berust niet in die ijdele, vergankc-
lijke zaken, ter nauwernood hebben zij er een
Mauwen geur en nasmaak van.
En wij zoeken, al weenend, immer voort!
Maar voor ons, als eenmaal voor Magdalena,
zal het uur aanbreken waarop Jezus ons ver-
schijnen zal... . Zooals Hij haar riep bij haren
naam, zoo zal Hij ons bij onzen naam roepen,
en eensklaps stralend van liefde en opgetogen-
heid zullen onze oogen zich openen. Daar zal
een helder licht op gaan in onze ziel, en het
zal ons klaar worden dat ons geluk, ons cenig,
ons waar geluk berust bij God. »0 Meester",
zullen wij uitroepen met haar, en evenals zij
zullen wij neervallen aan Zijne voeten.
Dat uur zal wezen het uur des hemels!
De hemel, zie daar het laatste woord van al
ons lijden! . . . .
-ocr page 155-
HET KRUIS EN CALVARIË.              143
Niet hier beneden, in niets van al wat de
aarde raakt, zullen wij den troost vinden, waar-
naar onze zielen hongeren en dorsten. Ieder
groot leed draagt het zegel van het onherstel-
bare, waarvan ik hierboven heb gesproken. Wat
dan te doen om het te verzachten ? Het woord
van Rachel is schier immer waar: »zij zijn niet
meer!.... Zult gij ze mij weergeven?" Neen,
niet de aarde, niet de wereld geeft ons het
verloren geluk terug. Zij stelt een ander geluk
in de plaats, ik geef het toe, maar dat nieuwe
geluk is als het eerste broos en vergankelijk.
Wij verliezen het weer, en al wordt het nog-
maals door een ander vervangen, ook nogmaals
zullen wij het ten onder zien gaan. En bij dat
wreede spel raakt ons hart uitgeput zonder
vrede of troost te hebben gevonden.
O, hoe beklaag ik de ziel, die als zij lijdt,
hare hoop stelt op wat is hier beneden!
Maar de hemel!
De hemel is de geëigende plaats van het
geluk, zegt Bossuet, zooals de aarde de ge-
ëigende plaats is voor de ellende. De hemel
is het bezit van God door onze zielen gesmaakt,
van God, de oneindige, eeuwige schoonheid, de
oneindige, eeuwige goedheid, de oneindige,
-ocr page 156-
144             HET KRUIS EN CALVARIË.
eeuwige liefde! In de aanschouwing van God,
zegt een beroemd godgeleerde, Lessius, voelen
wij God als met beide handen, wij houden
Hem vastgedrukt tegen ons hart, wij bezitten
dit goed als het onze, als iets waarvan wij
mogen genieten. Het is ons recht al Zijne
zoetheid te proeven, al de weelde te smaken,
die uit Hem als uit haren oorsprong voortkomt \').
Indien wij aldus mogen genieten van den
Maker aller dingen, is het dan niet duidelijk,
dat wij in Hem zullen smaken alle geneugten,
die het geschapene ons kan bieden ? . . . . dat
het drinken aan dien onuitputtelijken beker
eindeloos verre overtreft de weinige vréugde-
druppels, die het schepsel ons kan reiken en
die toch reeds onze ziel in vervoering brengen ?
En ik zelf zal het wezen, die aldus zal
mogen genieten, ik, die thans zoo lijd!. . . .
O, indien mijne persoonlijkheid zich moest
oplossen in ik weet niet welke onbestemde,
nevelachtige gelukzaligheid, wat zou de hemel
mij maken? Ik zou niet meer geven om het
slof mijner ziel, dan om het stof van mijn
lichaam. Maar ik zelf ben het, die door God
i) Lessius, de summo bono.
-ocr page 157-
HET KRUIS EN CALVARIË.               145
word geroepen tot het geluk, het is mijn arm
bloedend hart, dat sidderen zal van goddelijke
zaligheid; het zijn mijne oogen, nu badend in
tranen, die de zoetheid van den Heer zullen
aanschouwen;.... het zijn mijne lippen, die
het hemelsch ambrozijn zullen drinken, zij die
hier beneden slechts gal en bitterheid hebben
gesmaakt;.... het zijn mijne armen, die de
vreugde zullen omvatten, zij, die zich zoo dik-
wijls hebben gewrongen in de wanhoop dezer
wereld.
Ja, ik ben het, ik zelf!
*
* *
Ach, wanneer dan zal die dag der wcdcr-
geboortc aanbreken? Wanneer zullen wij ons
daar wedervinden, wij allen die lijden ? Wanneer
zal de Heer aan ons verschijnen evenals aan
Magdalena? Het uur weten wij niet.... wat
wij weten is dat het niet spade zal wezen. Het
leven gaat zoo spoedig voorbij! . . . . Zoodra is
men tot het midden gekomen en van het midden
tot het einde is slechts één schrede!
O gij die lijdt, houd dan moed! . . . . de
hemel is zoo nabij en de hemel is zoo schoon ! . . ..
O gij die lijdt, loof God! . . . . Het heden is
-ocr page 158-
146             HET KRUIS EN CALVARIË.
zwaar te dragen .... ja, maar hebt gij niet
den Gekruisigde tot voorbeeld en Meester ? . . . .
O gij die lijdt, loof God! . . . . Het heden is
zwaar te dragen.... ja, maar het heden is
niets, de toekomst is alles en de toekomst
is het geluk!
O gij die lijdt, loof God! .... Het heden is
zwaar te dragen.....ja, maar zie, reeds is
het voorbij .... Jezus Christus roept u. . . .
»Maria" zeide Hij tot Magdalene ....
Luister, het is uw naam, die Zijne lippen
gaan spreken ....
»0, kom, Heer, kom ... — Veni, Domvie, vcni!"