-ocr page 1-
•
I
!
sEl
ai
utt
431
* M-
n *VW"
év*\'
-ocr page 2-
mi
\\
?
t
,\\ \\
:\\
•
.\'
*H I
f \\ -
i
& • i \\ -
i.
-ocr page 3-
f\' i
•jrtt.
•. is .
-\' • - .
;--:.v :
\'
w»
r v V. >
"- ">-..
;••\' «.
♦ -
¥* •
.. - -
ill
>        !
- -n
•, - o : "j,
. r, .
/
-ocr page 4-
-ocr page 5-
BEKNOPTE
OVERWEGINGEN
VOOR ELKEN DAG DES JAARS.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
Vak 7.1
•
BEKNOPTE
OVERWEGINGEN
VOOR ELKEN DAG DES JAARS
TEN (JEBUUJKE BIJZONDER VOOK RELIGIEUZEN
NAAR
het Italiaansch van een onbekenden schrijver
DOOR
Dom ILDEPHONSUS LANSLOTS, O. S. B.
TWEEDE DEEL.
/
BIBL. CO NV,
o. r. * \\.
WIJCM LI N S
G. MOSMANS ZOON,
V Bosch.
-ocr page 8-
GOEDKEURINGEN
PAX.
Cum libcr cuius titulus nunc flandrice est Beknopte Over-
wegingen etc.
pluries, non solum italico scrmone sed ctiam in
aliam linguam versus probantibus supcrioribua et cum ntilitate
fidelitim typis fuerit evul#atus cumquo censores 1\'rovineia1
no-.tra\' Bclgicje quorum judicium expetivimus, cxamine insti-
tuto. declararint, nil obstare quomiuus etiam praesens editio
flandrica, a Bcv. P. I). Ildefonso Lanslots, Abbatise nostra;
Affligeniensismonachopresbvteroprii\'parata.inluccinprodcat,
Nos eidem hisce libentcr permittimus. ut eam, servatis aliis
servandis, typis raandet.
                                       «
Datum Roiiuc ad. S. Ambrosii
die 14 Jitlii ïSgo.
D. RüMARICUH FLUüI, Ii\'Asi\'ERiMOX\'1\' O. S. B
Abbas Generalis Congreg. Casinen a. I\'. O.
IMPRIMATUR.
Meehliniie 25 Julii 1890.
P. (_\'. C. BOGAERTS.
VIC. (1EX.
-ocr page 9-
BEKNOPTE
OVERWEGINGEN
voor eiken dag des jaars.
«mi» -------------------
SINKSEN.
Orer de komst ran den H. Geest.
Factus est repente de ccelo sonus tamquam adoenientis
spiritus....... El apparuerunt illis dispetiiue linguce, tamquam
ignis, seditque supra singulos eorum (Act. il. 2. 3.)
Plotseling ontstond er uit den hemel oen geluid .ils van een
aankomenden hevigon wind...... En er verschenen hun ver-
deelde tongen, als van vuur, en op een iegelijk van hen zette
zich eeno neder.
1. Overweeg hoe de H. Geest bij zijne komst in de
eetzaal, zich eerst uit den hemel deed hooren door een
groot geluid, als dat van een geweldigen wind, die de
apostelen opwekte en de intrede in hunne harten opende.
Op deze wijze bereidt de H. Geest gewoonlijk eene ziel voor,
om Hem te ontvangen ; Hij zendt vooraf\' het geluid zijner
stem, en den wind zijner krachtige ingevingen, waardoor
de ziel opgewekt wordt en zich gereed maakt voor du komst
van dezen goddelijken Gast. Maar indien zij aan zijne stem
en ingevingen geen gehoor geeft, en voortgaat te slapen in
u
                                                                       i
-ocr page 10-
2                             BEKNOPTE OVEK WEGINGEN.
hare onachtzaamheid, zal de H. Geest er voorzeker niet
ingaan, dewijl Hij de deur van het hart tegen Zich gesloten
vindt. In hoe verre zijt gij gereed gehoor te geven aan het
geluid van Gods ingevingen ? Verfoei uwe vorige onacht-
zaamheid, en wees in het toekomende meer bezorgd om de
luide stemmen uit den hemel teaanhooren, zoo gij wilt dat
de H. Geest in u nederdalc.
1. Overweeg dat. na dat donderachtig geluid, de
H. Geest kwam en Zich neerzette op de hoofden der leer-
lingen onder de gedaante van vuur. en in den vorm van
tongen, om aan te duiden, dat, evenals hetaan het vuur eigen
is te zuiveren, te verlichten en te ontvlammen, zoo ook dit
vuur van den H. Geest in de eetzaal kwam om de leerlingen
te zuiveren van alle aardsche aangckleefdheid, om hun ver-
stand te verlichten en hunne harten te ontvlammen met de
goddelijke liefde. Hij daalde neder in den vorm van tongen
om den Apostelen te verstaan te geven, dat hun dat vuur
gegeven werd om het te verspreiden, door de prediking van
het Evangelie, onder al de volkeren der aarde • linguis ut
essent proftui,
zooals de Kerk zingt. Gij moet om dat
hemelsch vuur bidden met eene vurigheid, die uwen nood
aan hetzelve evenredigt, ten einde uwe genegenheden te
zuiveren, uw verstand te verlichten, en uw hart met de
goddelijke liefde te doen ontvlammen. Zoudet gij bovendien
nog waardig bevonden worden dit vuur in den vorm van
tongen te ontvangen om hetzelve aan te wenden in de
apostolische bediening tot het heil der zielen; zie toe dat
gij die bediening niet uitoefent ten uwen nadeele.
3. Overweeg dat, terwijl eene der hoedanigheden van
het aardsche vuur is nooit stil te blijven, maar zich aan-
houdend te bewegen, en opwaarts te klimmen, juist het
tegenovergestelde plaats grijpt met dit hemelsch vuur,
hetwelk dit eigen heeft dat het nederdaalt en zich neCrzet
-ocr page 11-
MAANDAG NA SINKSEN.                                      3
in de harten der geloovigen : Seditque supra singulos
eorum. «
Het zette zich neder op een iegelijk van hen. »
Het komt van hierboven, want omne datum optimum, et
omne donum perfectum desursum est
(Jac. i. 17.) « Alle
goede gaaf en alle volmaakte gift is van boven. » Het zet
zich bestendig neder, want de H. Geest verlaat nooit onze
zielen, tenzij Hij er door onze zonden uit verjaagd worde :
manet vobiscam in selenium. Het zette zich nog onaf-
scheidbaarder op de apostelen neder, omdat zij in genade
bevestigd werden. Geen twijfel of gij hebt op dezen heiligen
dag, eenigermatc dien goddelijken Geest ontvangen, en dat
Hij uwen geest verlicht en uw hart met zijne liefde ont-
stoken heeft. Doch wat zal het u baten, zoo gij uw best niet
doet om Hem te bewaren, opdat Hij zijn bestendig
verblijf in u vestige, en niet genoodzaakt zij u om uwe
zonden te verlaten ?
MAANDAG NA SINKSEN.
Over de uitwerkselen der komst van deu H. Geest
in de Apostelen.
Et repleti sunt omnes Spiritu Sancto. (Act. n. 4.)
En zij worden allen mot den Heiligen Geest vervuld.
1. Overweeg welke de uitwerkselen waren, die de komst
van den H. Geest in de Apostelen te weeg bracht. Het eerste
was in hun verstand, hetwelk, bestraald met een levendig
licht van hierboven, hun de bedriegelijkheid der wereldsche
leerstelselen en de waarheid der hemelsche ontdekte ; zij
werden in staat gesteld klaar in te zien de ijdelheid van het
-ocr page 12-
4
BEKNOPTE
OVERWEGINGEN.
tegenwoordige en de belangrijkheid van het toekomende. De
komst van den H. Geest bewerkte in hen ecne zoodanige
verandering dat, wijl /ij vroeger twisten, wie onder hen de
eerste zijn zou : Quis eorum videretur esse major. (Luc.
xxn. $4); zij nu, verlicht door den H. Geest, hunne eer
zoeken in voor Christus mishandeld •en veracht te worden.
Gij moest ten minste verlangen dat uw verstand door dit
helder licht bestraald worde : het is immers tot nu toe te
veel verduisterd geweest door uwe te groote bezorgdheid
voor de achting en den lof der menseben, door uwe gevoe-
ligheid voor het mensehelijk opzicht en bovenal door een
leven in overeenstemming met de valsche voorschriften en
leerstelselcn der wereld. Smeek den H. Geest dat Hij u met
ecne straal van zijn hemelsch licht in staat stelle uwe
dwaling in te zien, ten einde uwe grondstelselen en denk-
wijze te veranderen.
2. Overweeg het tweede uitwerksel, dat de H. Geest
voortbracht in de harten der Apostelen. Terwijl zij vroeger
zoodanig vreesachtig waren, dat zij allen hunnen Meester
in het uur zijns lijdens schandig verzaakten, en dat Petrus,
hel hoofd der apostelen, Hem nog schandiger verloochende
op het gebabbel van eene eenvoudige dienstmaagd; nu,
integendeel, na de komst van den H. Geest, toonen zij zich
allen zoo manhaftig en onbeschrokken, dat zij bij klaren
dag de glorie van den Gekruiste beginnen te verkondigen,
onbevreesd voor de beschimpingen, bedreigingen, slagen en
martelingen, welke zij voor Jesus\' eer en glorie ondergin-
gen. Indien slechts één vonkje van het vuur, dat de harten
der apostelen ontvlamde, in uw hart doordrong, het zou
genoeg zijn om u teenemaal te veranderen, en te maken
dat, naarmate gij vroeger bezorgd waart om uw gemak te
zoeken, en het geringste lijden te vluchten, gij nu een des
te edelmoediger minnaar van het kruis wordt. Gij zoudt
-ocr page 13-
5
MAANDAG NA SINKSEN.
dan even zoo gaarne lijden omhelzen om aan God te beha-
gen, als gij vroeger zelfvoldoening zocht om u zelven te
behagen.
3. Overweeg het derde uitwerksel van de komst des
H. Geestes in de apostelen, namelijk, de verandering liun-
ner taal. Indien zij in het begin van niets spraken dan
aardschc zaken en tijdelijke belangen, en zelfs zoo ver gin*
gen dat zij het met Judas eens waren, om uit hebzucht, de
godvruchtige milddadigheid van Magdalena, wanneer zij
Jesus met kostbare reukstotlen zalfde, af te keuren, nu is
hunne taal gansch hemelsch, nu spreken zij van niets an-
ders. dan van de wonderbare werken Gods en de glorie
van Jesus: Loquebantur magnolia Dei. Onderzoek, hoedanig
uwe taal tot nu toe geweest is: herdenk hoe gemakkelijk
en lichtvaardiglijk gij uwen naaste gehekeld en beklad, en
u van uwen oversten beklaagd en hen veroordeeld hebt.
Bid den H. Geest, dat Hij ueene nieuwe taal leere spreken,
zoo niet de taal van eenen apostel, ten minste die van eenen
religieus, want gelijk de H. Jacobus zegt: Si quis se putat
religiosum esse non reframans linguam mam, hujus vana
est religio
(Jac, i. *2G.) « Als iemand meent godsdienstig
te zijn, terwijl hij zijne tong niet in toom houdt, diens gods-
dienst is ijdel. »
-ocr page 14-
6
DINSDAG NA SINKSEN.
Over de prediking der Apostelen
Cocperunt loqai variis linguis, pront Spiritus Sanctus dabat
eloqui Mts
(Act. n. 4.)
Zij begonnen te spreken in verschillende talen, naar dat de
Heilige Geest hun gaf uit te spreken.
1. Overweeg dat, toen dat donderachlig geluid zich door
de gelieele stad Jerusalem liad doen hooren, een groote
menigte volks spoedig ter plaats liep, getrokken, eenigen
door nieuwsgierigheid, anderen door eene bovennatuurlijke
beweegreden. De Apostelen, vol iever, beginnen aanstonds
de grootheden van Christus te verkondigen. Bewonder hier
de beminnelijke Voorzienigheid van God. in dat volk te
zamen te roepen door dat geweldig gedruis, om de predi-
king der Apostelen te hooren, en zich daardoor te bekec-
ren. Denk ook op de middelen, welke de Heer op eene zoo
liefdevolle wijze aanwendde om u tot den kloosterlijken staat
te trekken, en tot de volmaaktheid aan te zetten, alhoewel
gij deze middelen zoo dikwijls minaclittet. Zie ook nog hoe
de apostelen de gaaf van aan het heil der zielen te kunnen
medewerken, geen oogenblik ijdel hielden. Evenals het een
aki van groote hoovaardigheid \'s voor iemand, die
de apostolische bediening voor het welzijn des naasten wil
ondernemen, zonder mei de daartoe noodige deugd begaafd
te zijn: zoo ook is het afkeurenswaardig voor iemand, die
daarloe geroepen is of door de inwendige aanlokselen van
God, of door de beschikkingen der oversten, aan dezelve
of door onachtzaamheid of door luiheid geen gevolg te geven.
Tol welke dezer soorten behoort gij ?
5. Overweeg hoedanig de prediking der Apostelen was :
Loquebantur pront Spiritus Smüiis dabat eloqui illis. « Zij
-ocr page 15-
7
DINSDAG NA SINKSEN\'.
spraken, naar dat de Heilige Geest hun gaf uit te spreken.»
Zij spraken op ingeving van den H. Geest, niet uit ijdele
glorie of zelfzucht, met geen ander inzicht dan den Heer te
verheerlijken, en de grootheid van den Gekruiste aan de
volkeren bekend te maken. Zij predikten het woord van
God met oprechtheid, zonder poëtische spreuken of uitge-
zochte woorden, en zonder den zin der Schriftuur te ver-
draaien, enkel om hunne geleerdheid en verstand te toonen:
Non aduÜerantes verbum Dei C2. Gor. iv. 1.) « Het woord
Gods niet vervalschende. » Indien gij geroepen zijt tot het
ambt van prediken, dan hebt gij hier eene grootc les te
loeren, en zult gij mogelijk stof vinden om u te beschamen.
Doch mot wat gij u ook moogt bezighouden, zorg dat God
in alles uwe drijfveer zij, en dat uwe handelwijze die van
eenen religieus zij, en tot stichting van den naaste strekke;
anderszins zal er ook eens tot u gezegd worden : Seminasti
muttum et intulistiparum
(Ag. i. 6.) « Gij hebt veel ge-
zaaid en weinig ingebracht. »
3. Overweeg hoe toen het volk de Apostelen, die zij aan-
zagen voor arme visschers, ongeletterde en ruwe men-
schen, met zooveel wijsheid hoorden spreken, met schitte-
rende welsprekendheid de goddelijke geheimen uitleggen,
en met ongemeenen geestdrift de glorie en godheid van den
Gekruisten Jesus verkondigen, en z.ich bovendien nog lic—
ten hooren in zoovele verschillende talen, allen verwonderd
en verbaasd stonden en uitriepen : Quodnam vult hocesse?
« Wat mag dit toch wel zijn? » Er ontbraken er echter
ook niet, die hunnen iever belachelijk maakten en hen voor
bedronkene zotten aanzagen, alsof de wijn hun de gaaf van
talen, en de hemelsche wijsheid had kunnen instorten. Doch
het is niet te verwonderen dat er in de wereld altijd zullen
gevonden worden, die de deugd afkeuren, en hun behagen
scheppen in zelfs met de heiligste werken den spot te drij-
-ocr page 16-
8
BHKNOrTE OVERWEGINGEN.
ven. Wacht u de werken van uwen naaste af te keuren en
te veroordeelen ; liet is zoo gemakkelijk zelfs de deugd-
zaamste akten ongunstig uitte leggen: herinner u dat. met
u rechter aan te stellen in zaken, die u niet aangaan, gij
een streng vonnis op u trekt voor den rechterstoel van
God.
WOENSDAG NA SINKSEN.
Over het eerste germoon van den H. Petrus
Stans autem Petrus....... levavü vocetn suam et locittits est eis
(Act. n 14.)
Maar Petrus ilaar staande.......verhief zijne stem, en sprak
tot hen.
1. Overweeg dat toen de Apostelen zich door het volk
uitgelachen zagen en voor uilzinnigen gehouden, zij hunne
onderneming niet opgaven, noch nalieten de wonderbare
werken Gods te prediken. Zij namen van die uitjouwingen
en beschimpingen gelegenheid om het volk te onderrichten,
en met te meer vurigheid de goddelijke geheimen te ver-
klaren. Het schoonste en zekerste kenteeken van den
waren apostolischen geest, is de glorie Gods en het heil der
zielen te beoogen, zonder te duchten, de speelbal der
wereldlingen te worden. Maar hoe verschillend handelt gij ;
gij. die immer bereid zijt die bedieningen uit te oefenen,
door dewelke gij u voorstelt een grooten naam te ver-
werven, en terstond laat varen wat tot vermindering
uwer faam zou kunnen leiden. Door zulk gedrag geeft gij
klaar te kennen dat gij in uwc werken niet de glorie Gods
maar uwe eigenliefde beoogt.
-ocr page 17-
9
WOENSDAG \\\'A SINKSEN\'.
1. Overweeg hoe Petrus, het hoofd der Apostelen, met
meer dan menscheüjke wijsheid aan die gansche menigte
deed verstaan, dat. zij niet onder den invloed van wijn,
maar wel van den Hemelschen Geest waren, die door God
bij middel van den Profeet Joel beloofd was. Met wonder-
bare onbeschroomdheid verweet hij hun het schelmstuk der
godmoord, welke zij op Jesus, den waren zoon Gods, nu
glorierijk verrezen, gepleegd hadden. Hij sprak met zulken
geestdrift dat de gansche vergadering, beschaamd over zich
zelven, van hunne misgreep overtuigd werd, zoodanig dat,
terwijl de Apostelen eerst voor dronkaards aanzien werden,
zij nu voor meesters der hemclsche leer gehouden worden.
Ziedaar, wat vruchten hij mag verhopen, die met den waren
geest Gods bezield is, en het woord Gods met eene heilige
vrijheid verkondigt, zonder acht te geven op het mensche-
lijk opzicht of er zich om te bekommeren : Ubi Spiritus, ibi
libertas
(2. Cor. ui. 17.) « Waar de Geest des Heerenis,
daar is vrijheid. » Zoo gij in die bediening werkzaam zijt,
leer van de Apostelen, hoe gij dezelve moet uitoefenen : zoo
niet. bid den Heer den waren apostolischen geest te ver-
leenen aan hen, die aan het heil van anderen arbeiden.
Intusschcn moogt gij niet nalaten, uwen naaste door uwe
dagelijksche onderhandelingen te helpen en te stichten ;
indien men somtijds met uwe godvruchtige redevoeringen
lacht, later zult gij er des te meer voor geëerd worden.
3. Overweeg wat vertroosting en vreugde de Apostelen
smaakten, toen zij drie duizend menschen op eens zich
zagen bekeeren tot het geloof, ter eere, zoo mogen wij
gelooven, van de H. Drievuldigheid, en een ander maal
vijf duizend ter eere van de vijf wonden van Jesus. Om deze
bekeeringen, verhoovaardigden zij zich niet. noch gaven
zij toe aan verwaandheid : zij schreven den uitrlag toe aan
de verdiensten van het bloed van Jesus, die wilde dat het
*
-ocr page 18-
10                               BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
zou dienen voor het welzijn zelfs van lien, die medeplich-
tigen aan zijnen dood waren, krachtens het gebed, dat Hij
voor hen op het kruis deed : Pater ingnosce illis
(Luc. xxin. 34.) « Vader vergeef hun. » Wanneer hetu
gegeven is cenig goeds in de ziel des naasten te weeg te
brengen, verheug u om de glorie, die daaruit aan God
toekomt: maar wees bezorgd om den goeden uilslag aan
Hem alleen toe te schrijven, zonder u te verheffen : herinner
u dat gij zonder den bijzonderen bijstand Gods niets goeds
kunt doen. noch voor u zei ven, noch voor anderen : Sine
me nihü potestis facere
(Joan xv. 5.) « Zonder mij kunt
gij niets doen. »
DONDERDAG NA SINKSEN.
Over de eendracht en liefde van de eerste Christenen.
Erant persevemntes in doctrina aposlolorum, ei communica-
lionc fractionispanis, et orationibus
(Act. n 42.)
Zij waren volhardende in do onderrichting der Apostelen, en
in de gemeenschap van het breken des broods, en in de gebeden.
1 .Overweeg hoedanig het leven der eerste Christenen was
na hunne bekeering tot het ware geloof. Zij waren altijd
gereed om de onderrichtingen en vermaningen der Apos-
telen te aanhooren. Dagelijks vergaderden zij om de
H. Communie te ontvangen, en volhardden zij in de oefening
zoowel van het mondgebed in het algemeen, als van het
inwendig gebed in het bijzonder. Ziedaar een voorbeeld,
naar hetwelk gij uw leven schikken moet, indien gij een
geestelijk leven leiden wilt! Het verstand dier eerste ge-
loovigen was verlicht door het woord Gods, en hunne har-
ten waren versterkt en geheiligd door het dikwerf en god-
-ocr page 19-
Il
DONDERDAG NA SINKSEN.
vruchtig ontvangen der H. Communie, terwijl zij, bij middel
van het aanhoudend gebed een leven leidden eer van engelen,
dan van menschen. Indien gij in u zei ven dezelfde uitwerk -
selen niet gewaar wordt, het is een teeken dat gij of dezelfde
middelen niet gebruikt, of ten minste niet met de bchoor-
lijke zorg en naarstigheid.
\'2. Overweeg hoe de eerste Christenen, op ingeving van
den H. Geest de evangelische armoede omhelsden, en al
hunne rijkdommen en den prijs hunner bezittingen voor de
voeten der Apostelen brachtten om zoo een gcmeenschap-
pclijk leven te leiden : Habebant omnia communia
(Act. n. 44). «Zij hadden alles gemeen. » Deze volmaakte
onthechting van idle aardsche goederen, die de hoofdzake-
lijke grondslag is der religieuze volmaaktheid, werd door
de eerste Christenen stipt onderhouden ; zooals men kan
alleiden van den schielijkcn dood, waarmede Ananias en
Zaphira gestraft werden, omdat zij een gedeelte van den
verkoopprijs hunner goederen achtergehouden hadden.
Naar het voorbeeld der eerste gcloovigen. verplichten zich
de religieuzen door belofte tot eenc dergelijke onthechting,
ten einde een leven te leiden vrij van zorgen en aangekleefd-
heid aan de goederen der aarde, en zich dus met des te
meer ernst te kunnen toeleggen op het bekomen der he-
melschc goederen. Maar hoe hebt gij tot nu toe die zoobe-
langrijke belofte onderhouden ? Houdt gij u tevreden met
hetgeen men aan iedereen bezorgt, of zoekt gij zooveel mo-
gelijk, uitgezochtcre spijzen en grooter gemak ? Aanziet
gij al, wat gij ten gebruike hebt, als toebehoorende aan het
klooster, of zijt gij aan iets aangekleefd, alsof het het uwe
ware? Zoo gij gelast zijt met geldzaken, zijt gij altijd be-
zorgd om de noodige toelatingen te vlagen ? Indien gij uw
gedrag zorgvuldig onderzoekt, zult gij reden genoeg hebben
om u te beschamen,
-ocr page 20-
2                              BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
3. Overweeg hoe sterk de eendracht en de band der
volmaakte liefde onder de eerste geloovigen was; zij leefden
alsof zij slechts één hart en üénc ziel hadden — cor icnum
et anima una.
Die wederzijdsche liefde deed hen van de
heidenen erkennen voor leerlingen van Christus: met ver-
wondering waren zij gewoon volgens het verhaal van Ter-
tullianus,onder zich te zeggen: Zietwclke liefde zij elkander
toedragen, zij zouden gewillig voor elkander sterven :
Videte ut invicem se düigant, videte ut pro altero mort sint
parati.
Is die zinspreuk, dat kenleeken der ware liefde, zoo
eigen aan de leerlingen van Christus, in uw hart te vinden?
Hoe onderhoudt gij den vrede en de eendracht met uwen
naaste? Gedenk dat het niet genoeg is, die liefde in uw hart
opgesloten te houden; zij moet aan allen tastbaar zijn, gelijk
onze goddelijke Meester verklaarde : In hoc cognoscent omnes
qu ia discipuli mei eslis
. si dilectionem habueritis ad invicem.
(Joan. xm 35). "Hieraan zullen allen herkennen, dat gij
mijne leerlingen zijt, zoo gij liefde hebt voor elkander. »
VRIJDAG NA SINKSEN.
Over den moed der Apostelen.
Principes sacerdotum denuntiaverunt apostolis, ne omnino !o-
querentur, neqite docerent in nomine Jesa
(Act. iv, 18).
De opperpriesters geboden de Apostelen, volstrekt niet te
spreken of te leeren in den naam van Jesus.
1. Overweeg hoe, ten gevolge van de prediking der
Apostelen en de wonderen, welke zij in den naam van Jesus
deden, het getal der geloovigen in de stad Jerusalem gedu-
rig toenam, en hoe de hoofden der synagoog zich daarop
-ocr page 21-
13
VRIJDAG NA SINKSEN»
ontrustten en de Apostelen bevolen hun werk te staken, en
voortaan niet meer de verrijzenis en godheid van Christus
te verkondigen. Aangezien zij zelf Christus voor den waren
Zoon Gods niet wilden erkennen, alhoewel zij zeer wel
wisten, dat Hij glorierijk uit het graf was opgestaan, wilden
zij ook niet, dat het volk Hem voor zoodanig zou aanzien.
Wij zien daar reeds in de eerste jaren der Kerk een begin
der vervolgingen, waarmede de vijanden van Christus
haar aanrandden, en die in vele achtereenvolgende eeuwen
nog immer in woede toenamen. Zelfs in onze dagen hebben
de vervolgingen geen einde genomen, want zijn er onder
ons geene dwingelanden meer, er zijn er nogtans velen,
die de deugd vervolgen en beschimpen : Omnes qui pie
volunt vivere in Christo Jesu. persecationem palientur.
(2. Timoth. lil. 12). «Allen, die godvruchtig willen leven
in Christus Jes%, zullen vervolging lijden.» Vlei u dus niet
met de gedachte dat gij u in het klooster op de volmaakt-
heid kunt toeleggen zonder tegenkantingen of van huisge-
nooten of van vreemden. Deze immers zuiveren en luisteren
de deugd op van hen, die zich vlijtig en heiliglijk toeleggen
om de glorie Gods en het welzijn van den naaste te bevor-
dercn.
2. Overweeg hoe de Apostelen zich in het geheel niet
ontroerden, noch nalieten de verrijzenis en godheid van
Christus te prediken, ten gevolge van het verbod en de
bedreigingen der oversten van de synagoog. Zij beleden
kortaf dat zij verplicht waren eer God dan de menschen te
gehoorzamen, en dat zij daarom niet konden nalaten te
prediken en te getuigen wat zij van de wonderen en de ver-
hcerlijking van Christus gezien hadden : Si justum est vos
potius audire, quam Deum,judicate.
« Oordeelt of het recht
is, eerder naar u te hooren dan naar God. » Leer uit dit
antwoord der Apostelen, met welke standvastigheid gij moet
-ocr page 22-
14
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
voortgaan in den dienst van God, telkens gij iemand ont-
moet, dieu inden weg komt, en zijn best doet om u van
den rechten weg, af te helpen ; zeg dan : Ik wil eerder God
dan de menschen behagen. Indien gij dezen grondregel diep
in uw geheugen prent, zal het u gemakkelijk zijn alle
menschelijk opzicht te overwinnen, en den zegepraal over
uwe vervolgers te behalen.
3. Overweeg hoe, toen de oversten der synagoog zagen,
dat de Apostelen in het minst geen werk maakten van hun
verbod en bedreigingen, zij hen veroordeelden om de schan-
dige straf der geeseling te onderstaan. Hoe namen de
Apostelen die straf en schande aan ? «Zij verlieten het ge-
rechtshof vol vreugde en tevredenheid, omdat zij waardig
bevonden werden om Jesus\'naam te lijden ». Ibant gauden-
tes a conspectu concilü, quoniam digni habiti simt pro
nomine Jesu contumeliam pati [Ad.
v. 4 fj, en zij zetteden
hun prediken voort met nog meer iever dan te voren. Zou
het u ooit gebeuren cenige beproeving of oneer te onder-
gaan, omdat gij getrouw geweest zijt aan uw besluit van
eerder aan God, dan aan de menschen te gehoorzamen en te
behagen, gij moogt u dan inderdaad gelukkig achten. Gij
moest er u over verheugen, en uwe tevredenheid te kennen
geven. Maar helaas ! hoe dikwijls zijt gij, uit vrees van
eene opmerking of een beleedigend woord van wegc
uwer gezellen, of voor het menschelijk opzicht, aan den
eenen of anderen regel te kort gekomen, en hebt gij eenig
goed verwaarloosd of eene onderneming in den dienst van
God laten varen ? Schaam u over u zelvcn en smeek den
H. Geest u een onoverwinbarenmoed te geven, gelijk aan
dien van de Apostelen.
-ocr page 23-
15
ZATERDAG NA SINKSEN.
Over de kiczing van de Heidenen in den persoon van
Cornelins den honderdman.
iVo» est personarum acceptor heus, sed in omnigente^ qui timet
eum, et operatur justitiam, acceptus est UU
(Act. x, 34.)
God aanziet den persoon niet, maar in ieder volk, wie hom
vreest en gerechtigheid doet, is hem aangenaam.
1.  Overweeg dat, nadien de hoegmoedige joden de pre-
diking der apostelen en het geloof van Christus verworpen
hadden.God den weg voorbereidde voor de Heidenen om het-
zelvete omhelzen in den persoon van Cornelius.den honderd-
man, een vroom en godvreezend mensch, die vele aalmoezen
gaf: vir reliyiosus, limens Deum, faciens eleemusi/nas
(Act. x. 2). Ter belooning van zijne goede werken, werd
hij door eenen engel gewaarschuwd den apostel Petrus te
aanhooren, en het geloof, dat hij predikte, te omhelzen. Wat
aanspraak hadt gij op die groote genade van in de tijden des
christendoins geboren te worden, en van God in het H.
Doopsel de gaaf des geloofs te ontvangen? Donum fidei
electum
(Sap. UI, 14). En nogtans bedankt gij Hem niet
voor eene zoo uitstekende weldaad, die aan zoovele anderen
geweigerd wordt. Doch nog meer reden hebt gij om Hem
dankbaar te zijn, omdat Hij u, zonder eenige verdiensten
van uwen kant, geroepen heeft, niet alleen tot het ware ge-
loof, maar ook tot het religieuze leven, om aldus het werk
uwer zaligheid veiliger en zekerder temaken, terwijl Hij er
zoovelen. beter en verdienstiger dan gij, te midden dergeva-
ren van de wereld gelaten "heeft.
2.  Overweeg hoe God. om zijnen wil uitdrukkelijk ken-
baar te maken aan den H. Petrus, dat hij zich, namelijk,
-ocr page 24-
10
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
bijzonder zou toeleggen op de bekecring der Heidenen, en
de hardnekkige joden daarlaten, hem in cenc geestvcrruk-
king een groot linnen laken deed zien, gevuld met onzuivere
dieren, en hem terzelfder tijdeene stem deed hooren, die hem
zegde: Surge, Petre, occide et manduca (Act. x, 13). « Sta
op. Petrus, slacht en eet. » De apostel, de beteekenis van
dat geheimvol laken niet vattende, hernam : Absit, Dotnine,
quia nunquam manducam omne commune et immundum.
« Neen, Meere, dat niet! want nooit heb ik iets onheiligs,
of onreins gegeten. » Nooit geschiedde het, dat ik iets ete,
wat door de wet van Mozes verboden is! Door dat antwoord
toonde Petrus klaarblijkend, dat hij het geheim diergodde-
lijke schikking niet vatte, maar tevens gaf hij zijne bereid-
vaardigheid te kennen de wet stipt na te komen, en haar,
zelfs op uitnoodiging des hemels, ware het mogelijk,
niette overtreden. En gij, hoe dikwijls hebt hij u niet door
uwe ongeregelde genegenheden laten overhalen, om de
wetten cm voorschriften van uwe orde te breken ? Hoe gc-
lukkig zoudt gij zijn. zoo gij zeggen kont, dat gij nooit de
voorschriften van uwen regel overtreden, en u zelven nooit
eenige voldoening toegelaten hebt, strijdend met de wetten
in voege in uwe gemeente !
3. Overweeg wat Petrus van den Hemel geantwoord
werd : Quod Deus puri/icavit, tu commune ne dixeris. —
« Wnt God gereinigd heeft, noem gij dat niet onheilig. »
Er werd hem daardoor te kennen gegeven, dat in die onreine
dieren de zielen der Heidenen verbeeld waren, en dat, aan-
gezien Christus zijn bloed vergoten had om hen te zuiveren
en te heiligen, hij hen niet voor onrein moest aanzien, maar
hen moest reinigen bij middel van liet geloof en het H. Doop-
sel, en hen inlijven in de kerk van Christus. De H. Petrus
begreep de beteekenis van dat alles, toen hij korts nadien
geroepen werd door Cornelius om hem, en vele anderen te
-ocr page 25-
ZONDAG DER ALLERHEILIGSTE DRIEVULDIGHEID.           17
onderrichten, op welken dan ook terstond de II. Geest neder-
daaldc. Diezelfde woorden : Quod Deus purificavit, tu com-
mune ne direris. *
Wat God gereinigd heeft, noem gij dat
niet onheilig » moesten u ook aanzetten de zaligheid van
zelfs de diepstge\\ allene zondaars te behartigen, en geen
middel, het zij vermaning, gebed en goed voorbeeld, volgens
uwen staat, onbeproefd te laten, ten einde hen voor Chris-
tus te winnen, Die hen gekocht heeft len koste van zijn
goddelijk bloed.
ZONDAG DER ALLERHEILIGSTE DRIEVULDIGHEID.
Tres simt, qui testimonium dant in co;lo, Pater, Verbum, et
Spiritus Sanctus, et hitres unum sunt
(1 Joan, v, 7).
Drie zijn hot, die getuigen in don hemel : de Vader, het
Woord, on de H. Goest, on deze drie zijn één.
1. Overweeg dat, onder de kenteekenen van het ware ge-
loof, het aanhiddelijk geheim der Allerheiligste Drievuldig"
heid liet eigenaardigste is. Dit is immers een geheim,
waardoor wij in éénen God, één goddelijk Wezen in drie
goddelijke Personen gelooven : éénen God, Die in Zich alle
soort van oneindige volmaaktheid b-vat; ons eerste begin
en ons hialste einde: onze Weigever en opperste Koning :
Videte quod ego sim solus, et non sit alius Deus prseter me
(Deut. xxxn, 3!>). <- Ziet dat ik alleen ben. en dat er geen
andere God is dan ik. » Daarop is uwe verplichting gegrond
van God alleen te gehoorzamen en te dienen, Hem teer-
kennen voor den oorsprong van alle goed. van Hem alleen
uwe. ware gelukzaligheid te verhopen, uw hart immer tot
Hem gekeerd te houden, en Hem boven al, als uw opperste
goed te beminnen. Doch hoe dikwijls hebt gij aan uwe
luimen den voorkeur gegeven boven den wil van God.\' Hoe
t                                                                                         2
-ocr page 26-
18
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
ondankbaar zijt gij geweest jegens Hem. die u zooveel goed»
heid getoond had ? Hoe weinig betrouwen hebt gij in Hem
gesteld? en helaas! hoe veel meer liefde hebt gij aan arme
en ellendige schepselen bewezen, dan aan uwen God en
opperste goed ? Schaam u overu zelven, en in de droefheid
uws harten zeg met den H. Augustinus: Sero te amavi.
« Tc laat heb ik u bemind. »
2. Overweeg hoe God. alhoewel één in wezen, nogtans
drievoudig in persoon isi God immers met Zich zelven ie
aanschouwen en volkomen te begrijpen, brengt een zelf-
standig beeld van Zich zelven. en oneindig volmaakt voort,
hetwelk het Woord is. De Vader dat sclioonc beeld : Spkn-
dor (jlorix et figura substantix ejus
(Heb. I. 3.) « De licht-
glans zijner heerlijkheid en het afbeeldsel van zijn wezen,»
aanschouwende, bemint Het met ecne oneindige liefde; het
Woord van zijnen kant vergeldt de liefde van zijnen "Vader
op een oneindige wijze: en deze wederzijdsche liefde brengt
voort de derde Persoon, den H. Geest. In alle drie Personen
is de grootste volmaaktheid, de volkomenslc gelijkheid, en
de volmaakste overeenstemming van wil. Christus bad in
de eetzaal, dat de eendracht en gelijkvormigheid van wil,
die onder de drie goddelijke Personen bestaat, ook onder
zijne volgelingen zou heerschen : Ut sint unum simt et nos
unumswnus.
(Joan. xvn. 11.) « Opdat zij één zijn, gelijk
wij. •> Gij moet dan bovenal zorgen dezen vrede en een-
dracht te grondvesten en te handhaven, in uwe betrekkin-
gen met God, met uwe oversten, en met uwen naaste, om,
voor zooveel het u mogelijk is, de volmaakte eendracht,
welke er tusschen de goddelijke Personen bestaat, na te
volgen.
\'5. Overweeg dat gij gevormd zijt naar het evenbeeld van
God. en der allerheiligste Drievuldigheid, daar uw Schepper
u eene ziel gegeven heeft met drie vermogens begaafd,
-ocr page 27-
MAANDAG NA DE H. DRIEVULDIGHEID.                    19
zelfstandigerwij zo met haar verbonden en nogtans verschiN
lend van elkander. Nu, aangezien gij een evenbeeld van God
zijt. bestaat uwe volmaaktheid geheel en al, in die gelijkheid
met uw goddelijk voorbeeld te doen uitkomen, met na te
volgen, niet zijne almacht, hetgeen Lucifer met zoo ramp-
zaligen uitslag beproefde, ook niet zijne alwetendheid,
gelijk bet Adam ongelukkiglijk wilde, maar wel zijne\' heilig-
heid, hetgeen God ons uitdrukkelijk gebiedt: Sancti eritis,
quia egosanctussum
(Lev. xix. 2). « Weest heilig, omdat
ik heilig ben.«Om die reden, ontvangt Hij ook in den hemel
bijzondere hulde en lof van de engelscharen, die zingen :
Sanctus. Sanctus, Sanctus Dominus Deus (Apoc. ïv. 8.)
« Heilig, Heilig. Heilig is de Heer God. > Doe uw best om
uw leven zooveel mogelijk naar die volmaakte heiligheid
Gods te schikken.
MAANDAG NA DE H. DRIEVULDIGHEID.
Over de voorbereiding\' tot de H. Communie.
Ipse vobis (temonstrabit ccenaculum ijrandc stratum ; et Mie
parate nobis
(Mare. xiv, 15).
Hij zelf zal u eene groote gespreide bovenzaal wijzen, en
maakt aldaar voor ons bereiding.
1. Overweeg, met het oog op de voorbereiding waar-
mede gij deze dagen het feest van het allerheiligste Sacrament
moet laten voorafgaan, hoc Christus zelf Zich voor die ge-
beurlenis voorbereidde. Ten eerste zendt Hij zijne leerlingen
om eene groote en wel gemeubelde zaal gereed te maken :
Caenaculum grande stratum. En waarom? Indien Jesus
altijd zoo ingenomen was met de armoede, dat Hij Zich
tevreden hield met eene krib bij zijne geboorte, met een
-ocr page 28-
20
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
ellendig kamertje gedurende zijn leven, en bij zijnen dood
geenen druppel water had. waarmede zijnen dorst te
lessclicn : waarom zoekt Hij nu eene grootsclie en versierde
zaal om zijne tafel voor arme vissclicrs te spreiden? De reden
daarvan is dat Hij u wilde te verstaan geven, wat voorbe-
reiding er moet voorafgaan, alvorens de II. Tafel te naderen
en uwen God in uw hart te herbergen. Waarin heeft tot nu
toe uwe voorbereiding bestaan, toen gij het Altaar naderdet,
hetzij om Mis te lezen of de H. Communie te ontvangen ?
Zijtgij er heen gegaan wel bereid, of enkel uit gewoonte,
gelijk gij tot eene gewone tafel naderen zoudt ?
\'2. Overweeg dal de Heer eene groole zaal deed gereed
maken. Cwnarulum grande. Dusdanig moet ook uw hart
zijn om daarin cenen goddelijken gast te ontvangen: uw
hart moet groot en ruim zijn, want de Heer zal er zijne
hemelsche schatten instorten in evenredigheid met de
ruimte, die Hij er in vindt :Dilata os tuum et impkbo Mud
(Ps. lxxx. 11.) « Doe uwen mond wijd open. en Ik zal
hem vervullen. » Maar opdat uw hart geschikt zij. moet
gij het ledigen van alle ondeugende, ongeregelde e»; aard-
sche genegenheden : om het ruim te maken, moet gij uwe
verlangens en verzuchtingen uitbreiden. Gij hebt tot nu toe
zoo weinig vrucht gelrokken uil uwe menigvuldige Com-
muniën. omdat gij tot de H. Tafel genaderd zijt met een
hart. vervuld met (luizende ongeregelde driften en genegen-
heden, die uw verlangen en uwen honger naar dat bcmelsch
brood teenemaal ontnomen hebben. Eene maag met kwade
dampen gevoelt geenen honger; zoo is het ook met uw
hart. Indien gij u wel wilt voeden aan die goddelijke tafel,
ledig uw hart van alle aardsche dingen : zoo doende zult gij
naar dezelve hongeren en er vrucht uit trekken : Famelici
saturati sunt
(Iteg. n. 5.) « De hongerigen zijn verzaad
geworden. »
-ocr page 29-
DIXSDAG NA DE H. DRIEVULDIGHEID.                     21
3. Overwoog dat de eetzaal ook nog rijk gemeubeld en
versierd was met kostelijke vaten, dus aanduidende dat gij
uw hart mot deugden moet verrijken en versieren, wanneer
gij tot de H. Tafel nadert. Eenige dezer akten van deugd
moeten de H. Communie voorafgaan, andere moeten haar
volgen. De eerste bestaan in eene diepe ootmoediglioid en
een oprecht berouw: waartoe gij u moet opwekken, met te
beschouwen van den eencn kant uwe nietigheid en uwe
zonden, en van den anderen kant de waardigheid en ma-
jesleit van den Heer, dien gij zoo schaudig beleedigd hebt,
en die van den hemel nederdaalt, om met de grootste toe-
gevendheid en de uilgezochste liefde zijn verblijf in uw hart
te vestigen. Na de Communie moet gij Hem eerbiedig aan-
bidden. Hem bedanken voor zijne overgroote goedheid, en
Hem smceken u bij te staan in al uwe noodwendigheden.
Niets kan Hij u dan weigeren, wat tot uw geestelijk wei-
zijn strekken kan. aangezien Hij komt om u tot uwe
heiligmaking gansch zich zelvcn met al zijne schatten te
schenken.
DINSDAG NA DE II. DRIEVULDIGHEID.
Het Paaschlam, het zinnebeeld Tan het Allerheiligste
Sacrament.
Immolabil agnum unicersa muüüudo filiorum Israël (Exod.
xn. 0.)
De geheele menigte dor kinderen van Israël zal een lam ofle-
ren.
1. Overweeg de beweegredenen, welke den Heer aan-
zetteden om vóór het Eucharistische avondmaal het paasch-
lam te eten. De eerste was, om ons wel van dit te doordrin-
-ocr page 30-
ïl
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
gen,dat evenals onder de Joden liet eten van het paaschlam
de grootste plechtigheid en tevens het grootste geheim der
wet van Mozes was. zoo ook liet Eucharistische Avondmaal
liet plcchtigste leest en het grootste geheim was der evan-
gelische wet. waarvan het eerste slechts eenc schaduw en
zinnebeeld was. Nu. indien de Joden op uitdrukkelijk
bevel van God hun geheimvol avondmaal na eene lange
voorbereiding, met zoovele ceremoniën, en zoo grooten
luister vierden; met hoeveel te meer voorbereidingen gods-
vrucht moesten de Christenen dan dit groot geheim van het
Eucharistisch Avondmaal vieren ? Tot nu toe hebt gij onge-
lukkiglijk Ie. weinig werk van dit geheim gemaakt. Begin
nu ten minste, gedurende deze dagen van voorbereiding,
op deszelfs grootheid na te denken, opdat gij eenc meer
tcedere godsvrucht voor dat aanbiddelijk Sacrament moogt
opvatten.
cl. Overweeg de tweede reden, waarom de lieer het eten
van het paaschlam liet voorafgaan; namelijk deze: dat even-
als het joodsehe volk metgroote plechtigheid het paaschlam
at, ter gedachtenis van hunne bevrijding van de slavernij van
Pharao, zoo ook het Eucharistisch Avondmaal ons moest
herinneren, dat wij door het onbevlekt bloed van Jesus vrij
gekocht zijn van de slavernij der zonde, des duivels, en dei-
hel. Nu, aangezien onze vrijstelling van de dienstbaarheid
der zonde en des eeuwigen doods, krachtens het bloed van
Jesus, een oneindig grootere weldaad is, dan die, welke de
Joden ontvingen, met bevrijd te worden van de slavernij
van Pharao, en den tijdelijken dood des lichaams, krach-
tens het bloed van het paaschlam. waarmede zij hunne
deurstijlen besprenkelden, het is dan billijk, dat wij dit
Eucharistisch maal zouden nuttigen met veel meer gods-
vrucht en eene betere voorbereiding.
3. Overweeg dat de Joden die. plechtigheid, door de wet
-ocr page 31-
WOENSDAG NA DE H. DRIEVULDIGHEID.                   23
voorgeschreven, maar ééns in het jaar vierden, omdat zij maar
ééns ui\' de slavernij van Egypte verlost geweest waren.
Maar wij, die door het bloed van onzen Zaligmaker dage-
lijks van onze zonden gezuiverd worden, wij vieren alle
dagen dit sacramenteel Avondmaal, dat te gelijk eene her-
innering is aan de weldaad, welke de Heer ons J:ewces, met
ons vrij te koopen. en ook eene vernieuwing en terugbeta-
ling van onzen aankoopprijs. Vandaar dat het feest van
het Allerheiligste Sacrament, de grootste plechtigheid van
het geheele jaar is; want al de andere bijzondere feesten
der Gebooi\'te, Verrijzenis en Hemelvaart zijn enkel eene
gedachtenis, eene loutere herinnering aan die grootc ge-
heimen, terwijl het feest des Allerheiligsten eene ware ver-
nieuwing is van hetgeen de Heer in de eetzaal deed. Indien
gij deze waarheden rijpelijk overweegt, zult gij uwen God
met meer vurigheid en eerbied in zijne kerken en gedurende
het II. Misoffer aanbidden; gij zult u dan beter \\oorberei-
den, om Hem waardig in de H. Communie te ontvangen*
WOENSDAG NA DE H. DRIEVULDIGHEID.
Over de bereiding voor de H. Communie.
Ccepit lavare pedes discipulorum, et exler/jere linteo quo erat
preecinctus
(Joan. xai. 4.)
Hij begint de voeten dor leerlingen te wasschen, en af ta droo-
gen met den linnen doek.
1. Overweeg hoe de Zaligmaker juist vóór het Sacremen-
tcel Avondmaal, zijne bovenkleederen allegde, Zich met een
eenvoudigen linnen doek omgordde, en na een bekken met
water gevuld te hebben, als een nederige dienstknecht, voor
-ocr page 32-
21
BEKNOPTE OVERWEGINGEN
zijne leerlingen neergeknield, hunne voelen begon Ie \\vas-
sclien. Hij deed dit, om ons levendig voor te stellen, hoe
diep Hij zich voor ons vernederde in het H. Sacrament,
waar Hij zich ontbloot van alle uitwendige majesteit, en
zich bekleedt met de nederige gedaanten van brood en wijn,
en waardoor Hij nederdaalt uit het hoogste der hemelen,
om in het hart van den mensch te treden, ten einde hem
door zijn kostbaar bloed te reinigen, en met zijn goddelijk
vlecsch te spijzen. Declinavi ad eiim ut vesceretur (Ose.
xi. 4.) «Ik ben tot hem algeweken dat hij eten zoude.«Maar
indien de Apostel Petrus zoo geraakt,en als van den donder
geslagen was bij liet aanschouwen van zijnen goddelijken
Meester, in zoo nederige houding voor zijne voeten, dal bij
van verwondering uitriep : Non lavabis mihi pedes in wler-
num.
« Gij zult mij in eeuwigheid de voeten niet was-
schen :»welke gevoelens van verbaasdheid en eerbied moes-
ten er dan in uw hart niet ontstaan, wanneer gij met de
oogen des geloofs Jcsus aanschouwt, vernietigd, als het
ware, onder de gedaanten van brood en wijn. om u met
zijn bloed te zuheren. en met zijn vleesch te spijzen ?
\'2. Overweeg datJesus de vuiligheid van de voeten zijner
leerlingen afwiesen, alvorens hun de H. Communie te
geven, om te verbeelden de zuiverheid des harten, die er
tot bereiding voor de II. Communie vereischt wordt, in
zoo verre dat het niet alleen vrij van alle doodzonden, maar
ook moet vrij zijn van alle dagelijksche vlekken, en onge-
regelde driften van liefde en haat. die als de twee voeten
der ziel zijn. Om die reinheid te bekomen moet gij u was-
scheu in het Sacrament van boetvaardigheid, en de Com-
munie laten voorafgaan van akten van oolmoedigheid en
berouw, daarin het voorbeeld navolgende van Job, die
zegde : Antequam eomedam suspiro (Job Mi. 24.) « Eer
ik eet, verzucht ik. » Om wel te zijn, moeten die akten van
-ocr page 33-
WOENSDAG NA DE H. DRIEVULDIGHEID.                   25
berouw algemeen zijn, dat is, zich uitstrekken tot alle
zonden, bekende en onbekende, gebiechte en niet gebiechte;
want zoudet gij toevallig de H. Comm
4
unie in staat van
doodzonde, doch in goed geloot\', uit onplichtige onwetend-
beid, ontvangen, dit algemeen berouw, alhoewel on vol-
maakt in zichzehen, zou u in staat stellen, in kracht van
het H. Sacrament om op te staan van den dood der zonde
tot het leven der genade.
3. Overweeg dat door de zinnebeeldige voetwassching
de Heer u leert welke akten van deugd gij ten opzichte van
uwen naaste oefenen moet. bij wege van voorbereiding tot
de H. Communie. Zij bestaan in akten van ootmoedigheid
en liefde naar het voorbeeld van Christus : Eremplum deili
vobis. ut quemadmodum ego feci vobis, ita et vos faciatis
(Joan xin. 15.) «Ikhebueen voorbeeld gegeven, opdat ook
gij doet. gelijk ik u gedaan heb. » Gij moet ook deze twee
deugden van ootmoedigheid en liefde oefenen ten opzichte
van uwen Zaligmaker, die Zich zoo diep vernedert om zijne
overgroote liefde jegens u in dit Sacrament te doen uit-
schijncn. God geve,dat bij zijne intrede in uw hartJesus u
het verwijt niet loesture. hetwelk Hij richtte tot den Phariseër
van het Evangelie : IrUravi in domum tuam, aquam pedi-
bus meis non dedisti
(Luc vu, M.) «Ik beniu uw huis ge-
komen, water voor mijne voeten hebt gij niet gegeven ;» het
water, namelijk, van eene heilzame vermorzeling des
harten, waarmede te gelijker tijd mijne voeten en uwe ziel
te wasschen : Oleo caput meum non unxisli. « Gij hebt
mijn hoofd niet gezalfd met olie ,•» door de uitstorting uit uw
hart van de welriekende olie der godvruchtige gevoelens,—
osculum mihi non dedisti « Geen kus hebt gij mij gegeven,»
als een teeken van liefde en vrede, die nooit meer zullen
verbroken worden.
*
-ocr page 34-
26
H. SACRAMENTSDAG
Orer de OTergroote liefde van Jeans in de Instelling van
liet H. Sacrament.
Cum dilcxisset suos qui erant in mundo, in finem iHlcxit cos
(Joan xiii, 1.)
Na de zijnen, dio in de wereld waren, geliefd te hebben, heeft
Hij hen ten uiterste liefgehad.
1.  Overweeg tic overgroote teederheid van Jesus\' liefde
in de instelling van het H. Sacrament des Altaars. Ten
eerste, uit hooide van de gift zelve, waarin Hij u onder de
sacramenteele gedaanten zijn vleesch. zijn bloed, en zijne
godheid niet al zijne schatten geeft, zoodanig dat Hij u in
die spijs het kostbaarste geeft, wat Hij in de schatkisten
zijner godheid bezit. En gij zoudt Hem zelfs voor eene zoo
groote gift niet bedanken, noch u gedwongen gevoelen om
zijne c.indelooze liefde met wederliefde te belalen?Elke kleine
liefdeblijk, die gij van eenen mensen ontvangt, wint uw
hart, en noodzaakt u hem weder te beminnen, en een God,
die in de overmaat zijner liefde gansch Zich zelven aan u
schenkt zou er niet in kunnen gelukken uw hart te winnen
en u te verplichten Hem wederliefde te bewijzen ? Zijl gij
niet beschaamd over de gierigheid, waarmede gij tot nu toe
aan de goddelijke milddadigheid beantwoord hebt ?
2.  Overweeg de wonderbare teederheid van Jesus\' liefde,
in de wijze waarop Hij Zich aan u geeft. Hij daalt neder
van den schoot zijns eeuwigen Vaders om Zich met de sa-
cramenteele gedaanten te bekleedcn, ten einde in uw hart
te treden, en zich metu, gelijk voedsel, te vereenzelvigen;
en zoo, als het ware, zijn allerheiligst lichaam met uw
zondig vleesch te vereenigen, zijneu goddelijkcn geest met
-ocr page 35-
H. SACRAMENTSDAG.                                     27
uwe ziel, zijne godheid met uwe menschheid. Niets is
nauwer met ons vereenigd dan ons voedsel, dat zich aan
al onze ledematen mededeelt, en volstrekt van ons niet kan
gescheiden worden. Zijt gij bezorgd om die nauwe veree-
niging,eene uitvinding van Jesus\' liefde jegens u, te bevor-
deren ? Doet gij uw best om immer met Jesus door gedach-
ten en gevoelens vereenigd te blijven ? Maar helaas ! bet is
zelfs te vreezen, dat gij, gedurende de weinige oogen-
blikken, dat Hij in uw hart verblijft, van Hem met uwe
gedachten en genegenheid verwijderd blijft.
3. Overweeg hel einde en het doelwit, dat Jesus zich
voorstelde in de sacramenteele vereeniging. Jesus beoogde
niets anders dan onze lichamen te heiligen met zijn aller-
zuiverst vlcesch en onze zielen met zijne ziel en Godheid;
zoodanig dat wij met zijnen geest verlevendigd worden, en
een leven leiden meer goddelijk dan menschelijk. volgens
zeggen vanden apostel : Yivoego.jam non egojvivü vero
in me Christus
(Gal. 11, 20). « Levend ben ik niet meer,
maar in mij leeft Christus. » De goudmakers van eertijds
beweerden dat zij aan elk metaal de schoonheid en kost-
bare hoedanigheden van het goud geven konden, bij middel
van een zeker uittreksel dat zij door het vuur uit het goud
bekwamen. Zoo vereenigt zich Jesus met ons onder de sa-
cramenteelc gedaanten; Hij wordt, als het ware, onze ziel,
om ons in goddelijke wezens te veranderen. En deze ovcr-
maat van liefde wekt uwe verwondering niet! Doch wat
zullen die uitvindingen der goddelijke liefde in u uitwerken,
indien, terwijl Jesus zoo innig met u tegenwoordig is, gij
niet weet hoe u zelven door de vermogens uwer ziel in
zijne tegenwoordigheid te houden ? Indien gij de vruchten
dier gelukkige vereeniging wilt rapen, moet gij, wanneer
gij Jesus ontvangt, uw hart onthechten van alle geschapene
dingen, en uwe ziel in de eenzaamheid leiden, om u met
-ocr page 36-
.
28                               BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
uwen God alleen bezig te liouden: zoo doende, zullen deze
woorden van Isaias in u verwaarlijkt worden : Tantum
in te est Deus
(Isai. xlv, 14.) « Alleenlijk in u is God ; »
Jesus alleen in uw geheugen, Jesus alleen in uw verstand,
Jesus alleen in uwen wil.
VRIJDAG IN DE OCTAAF VAN HET II. SACRAMENT.
Over <le omstandigheden der instelling van het
H. Sacrament.
Sciens Jesus quia vcnit hora cjus, ut transeat ex hoc mundo ad
Patrem
.......in finem düexit cos (Joan. x 111, 1).
Daar Jesus wist dat zijne uur gekomen was om uit deze
wereld over te gaan tot den Vader.......heeft Hij hen ten uiter-
ste lief gehad.
1. Overweeg hoc liet geheim van het II. Sacrament luis-
terrijk uitschijnt in de omstandigheden van den tijd, waarop
het van onzen goddelijken Zaligmaker ingesteld werd. We-
tende dat hel uur voor Hem gekomen was om zijne leerlin-
gen te verlaten, besloot Hij de berooving van zijne natuur-
lijke en zichtbare tegenwoordigheid te vergoeden met zijne
sacramenteele tegenwoordigheid.enaldus de laatste hand aan
het werk onzer zaligheid Ie slaan. Gelijk Hij op aarde
gekomen was om Zich met de menschelijke natuur te be-
kleeden, zonder zijnen Vader te verlaten; zoo wilde Hij nu
tot zijnen Vader wederkeeren. zonder nogtans zijne lecrlin-
gen te verlaten. Daardoor toonde Hij. hoe vast Hem de
liefdebanden aan zijne leerlingen gehecht hadden, aangezien
zelfs de dood Hem van hen niet verwijderen kon : Delicix
mess esse cum fi\'iis hominum
(Prov. vut, 31.) « Mijne ver-
-ocr page 37-
VRIJDAG IN DK OCTAAF VAN HET H. SACRAMENT. 29
lustigingis met de kinderen der menschen te zijn. » Maar
indien Jesus Zicli zelfs voor een oogenblik niet kon verwij-
deren van zijne ondankbare schepselen,waarom kunt gij dan
zoo weinig bezorgd zijn om u in zijne beminnelijke tegen-
woord iglieid in het H. Sacrament te begeven, waar Hij u
verwacht en Zich aan u aanbiedt, om uw geleider, gcnees-
mecster, uw troost en uwe sterkte te zijn ! Venüe ad me
omnes qui laboratis et onerati estis. et ego rejiciam vos
(Matth. xi. 28.) « Komt tot mij, allen die vermoeid en
beladen zijt, en ik zal u verkwikken.»
2.  Overweeg eene andere en nog grootere verfijning van
Jesus\' liefde in de omstandigheid \\an tijd. waarvan de
Apostel met nadruk spreekt : In qua node tradebatur
(1. Cor. xi, 23.) «In den nacht, waarin hij geleverd
werd: »dus eene overmaat van verraad met eene overmaat
van liefde vergoedende, en het licht zijner goedheid des te
glansrijker doende schijnen te midden van de duisternissen
der menschelijke kwaadwillendheid : Lux in tenebris lucet
(Joan. ï, 5.) « Het licht schijnt in de duisternis. » Is het
niet genoeg om iedereen met schrik te slaan, de menschen
te zien samenspannen tegen het leven van Jesus om Hem
uit de wereld te drijven, terwijl Hij. in dien merkwaardigen
nacht, door een zoo groot wonder het middel uitvindt om
met de menschen te blijven ? Hem eene tafel te zien spreiden
van hcmclsche geneugten voor zijne leerlingen in denzelf-
deu nacht, dat Hij door ecnen hunner verraden, door eenen
anderen verloochend, en in de handen zijner vijanden door
allen ve-laten zou worden ? Zult gij dan van deze \\oorbeel-
den van Jesus\' uitstekende liefde niet leeren kwaad met
goed te beloonen en diegenen, die u haten, te beminnen.
3.  Overweeg dat Jesus bij de instelling van het Allerhei-
ligsfe Sacrament voorzag.dat wij die overmaat van liefde ten
onzen opzichte, zouden beantwoord hebben met eene over-
-ocr page 38-
30                              BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
maat van ondankbaarheid. Hij voorzag dat zijn heilig
lichaam door de ongeloovigen met de voeten getreden,
en op de schandigste wijze zou gelasterd worden ; en wat
nog erger is, Hij voorzag, hoe Hij onder de geloovigen zelf,
die zijne wezenlijke tegenwoordigheid in de H. Hostie be-
Iijden, op deautarenzou alleen gelaten, met duizende on-
eerhiedigheden bedroefd, en zclfsin harten, besmeurd met de
grofste doodzonden, zou binnengeleid worden. En nogtans
te midden van deze duisternissen wilde de goede Jesus niet
nalaten het licht zijner overgroote liefde en van zijn onover-
winbaar geduld te doen glitteren : Hospitabitur et pascet,
et potabit ingratos; et ad hsec amaraaudiet
(Eccl.xxix, 32.)
« Hij wordt geherbergd, verschaft spijs en drank aan on-
dankbaren , en moet daarenboven nog bittere woorden
hooren.» Nu indien Jesus.om uwe zaligheid te bevorderen,
Zich in dit sacrament blootstellaan zoovele en groote belee-
digingen, waarom zoudl gij voor zijne glorie niet gaarne
iets onaangenaams verdragen ? Waarom niet trachten in
zooverre het u mogelijk is, de afschuwelijke ondankbaar-
heid, waarmede Hij van het grootste gedeelte der menschen
bejegend wordt, te vergoeden met herhaalde bezoeken en
akten van aanbidding, die u slechts weinige schreden
kosten; uwe ziel vernederende in zijne tegenwoordigheid,
en uwe knieën buigende om Hem te eeren en Hem uwe
hulde zoo van in- als van uitwendige aanbidding aan te
bieden ?
-ocr page 39-
31
ZATERDAG IN DE OCTAAF VAN HET H. SACRAMENT.
Waarom Christus op onze Altaren verblijft.
Ecce ego vobiscum sum omnibus diebus usque ad consummatio-
nemscecuU.
(Matth. xsviii, 20).
Zie ik ben met u al do dagen, tot aan de voleinding der
wereld.
1.Overweeg dat hot einde, hetwelk Jcsus zich voorstelde
in niet ons te blijven in het Allerheiligste Sacrament, was,
ten onzen gunste al de voordeden te vereeuwigen, die zijne
zichtbare tegenwoordigheid op aarde medebracht; onzen
geest te onderwijzen en te verlichten, onze ziekten te genc-
zen, ons aan te moedigenen te versterken in de oefening der
deugd. Zijn eerste doelwit was ons Ie onderwijzen en te ver-
lichten van uit het tabernakel als van zijnen leerstoel. Non
faciet avolare a te ultra pr3eceptoremtuum(lsa\\as
xxx. 20).
«Hij zal voortaan uwen leeraar van u niet doen wegvliegen.«
En welke heilzame waarheid hebt gij noodig te kennen, die
Jesus u niet leert, wanneer Hij van de II. Hostie stralen van
licht uitzendt om uwen geest te verlichten, en wanneer
Hij u in het geheim tot het hart spreekt \'! loquarad cor ejus
(Ose. il, 14). De II. Thomas van Aquinen getuigt meer
geleerd te hebben metgodvruchtiglijk in de tegenwoordigheid
van het H. Sacrament te verblijven, dan met de geleerdste
boeken te lezen : Qui appropinquant pedibus ejus, accipient
de doctrina illius
(Deut. xxxm, 3).« Die tot zijne voeten na-
deren, zullen van zijne leering ontvangen. » Hoe gelukkig
moet gij u dan achten, daar gij ten allen ure de leering van
een zoo groolen meester kunt aanhooren? Maar hoe dikwijls
bezoekt gij deze school ? Hoe bezorgd zijt gij om in die god-
delijke leering onderwezen te worden ? Gedenk echter, dat,
-ocr page 40-
32
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
zoo gij wilt dooi\'den Heer onderwezen worden, uwc licha-
nielijke tegenwoordigheid niet genoeg is; gij moet ook met
den geest tot Hem naderen, u, gelijk Magdalena, voor zijne;
voeten werpen, ten einde zijne woorden en zijne leering te
aanhooren: Accedite adeum et Uluminamini(Ps. xxxin, C).
« Gaat tot Hem en gij zult verlicht worden. »
2.  Overweeg dal Christus op onze altaren verblijft om u
te genezen, evenals het metalen serpent, dat Mozes eerst
in de lucht verhief, om de joden te genezen.die door de ser-
penten gebeten waren : Qui percussus aspexerit, rivet.
(Nam. xxi. 8)..\' Die geslagen hetzelve zal aanschouwen, zal
leven. «Gedurende den tijd dat Jesus zichtbaar met de men-
schen omging, werkte Hij wonderen ten behoeve van de
lichamelijke gezondheid van hen, die Hem aanriepen. Nog
wonderbaardere en mcnigvuldigere genaden schenkt Jesus
nu. alhoewel verborgen onder de sacramenteele gedaanten,
aan de zielen, die godvruchtig tot Hem bunnen toevlucht ne-
men. Hoevelen, die tot Jesus in het H. Sacrament naderen,
worden van vergiftigde wonden genezen! Indien gij er niet in
gelukt om de genezing uwer geestelijke kwalen te bekomen,
het is, omdat gij zon zorgeloos zijt u tot Jesus te begeven,
die u alleen de gezondheid geven kan.
3.  Overweeg dat Jesus op onze altaren verblijft, om u
aan te moedigen in de oefening der deugd, met de voorbecN
den, die, Hij u voorstelt, van deugden welke bij oefende tij—
dens zijn sterfelijk leven, en ook met de voorbeelden van
deugden, welke Hij u geeft onder de sacramenteele gedaan-
ten. Het H. Sacrament daarom is eene herinnering aan al
hetgeen Jesus voor u gedaan en geleden beeft: de H. Augus-
tinus noemt het diensvolgens: Sacramentum memorias« een
Sacrament van herinneringen.» Het is eene herinnering, vol
leven, die moed en sterkte verleent om Jesus\' voetstappen te
volgen. Nog meer versterkt en moedigt het u aan, krach-
-ocr page 41-
ZONDAG IN DE OCTAAF VAN HF.T H. SACRAMENT. 33
tens dc voorbeelden, die het voor uwe oogen stelt, van
deugden, die Josus daarin oefent; b. v. van gehoorzaam-
bcid, met uit den hemel neder te dalen onder de gedaanten
op de stem van den priester: van ootmoedigheid en gedold,
met onder de gedaanten verborgen te blijven, en zoovele
oncerbiedigheden en beschimpingen om uwentwil te verdra-
gen. Stel u in de tegenwoordigheid van Jesus, en overweeg
ernstig in uwen geest dc deugden, waarvan dit sacrament de
herinnering is, en de deugden, die Hij werkelijk in dit sa-
crament oefent. Beeld u in dat de eeuwige Vader van uit het
tabernakel u toeroept, gelijk eertijds aan Mozes : lnspiceet
facsecundum exemplar
(Ex. xxv. 40). « Zie wel aan eu
doe naar het voorbeeld;» dit zal u nieuwen moed en sterkte
geven op den weg der deugd.
ZONDAG IN HE OCTAAF VAN HET II. SACRAMENT.
Over het H. Misoffer.
Hoc factie in meam commemorationem (Luo. xxn, 19).
Doet dit tot mijne gedachtenis.
1. Overweeg dat Jesus onder de sacramenteele gedaanten
komt niet alleen, om onder ons te verblijven, maar ook om
Zich voor ons op te dragen als een onbloedig offer in het sa-
crificie der mis, in dewelke Hij dagelijks het sacrificie van
het kruis vernieuwt, om ons te doen verstaan, boezeer het
Hem ter harte gaat dat wij den bitteren dood, dien Hij voor
ons opCalvarië onderging, immer voor oogen zouden hebben.
Het H. Misoffer stelt ons op verscheidene wijzen voor hetsa-
crificieen den dood van Jesus op bet kruis. Het stelt bet
-ocr page 42-
34                               BEKNOPTE OVERWEGINGEN
voor geheimzinniger wijze door de afzonderlijke consecratie
van liet kostbaar Bloed onder de gedaante van wijn, en van
zijn aanbiddelijk Lichaam onder de gedaante van brood.
Het verbeeldt liet zedelijkcr wijze, omdat het lichaam van
Jesns onder de gedaanten, als in eenen staat van dood ver-
blijft. Het stelt het sacrificie van het kruis wezenlijk voor,
omdat Christus, wanneer de gedaanten verteerd zijn. het
sacramenteel bestaan verliest, dat Hij krachtens de woorden
der consecratie opnieuw bekomt. Hoe is liet dan mogelijk
dat gij bij die verbeelding van den dood van den Zoon Gods
tegenwoordig zijt met min aandacht en belangstelling dan
gij aan de verbeelding van een treurspel op eenen schou\\v-
burg wijden zoudl?
$. Overweeg dat er in het H. Misoffer niet enkel eene
verbeelding maar eene vernieuwing plaats grijpt, van het
groot offer, dat op Calvarië aan den Eeuwigen Vader opge-
dragen werd, wien het juist zoo welgevallig is. als het
bloedige sacrificie des kruizes. In de Mis immers wordt
hetzelfde offer opgedragen als vroeger eens op Calvarië ;
dezelfde priester draagt het God op. aangezien Jesus in de
mis de bijzonderste offeraar is, en Hij draagt het zijn
hemelschen Vader op tot hetzelfde einde, en met dezelfde
genegenheid, waarmede hij eens het bloedige offer volbracht.
Het is juist alsof Hij wederom den laatsten druppel van zijn
bloed op het kruis ging vergieten. Bovendien de prijs en
waarde van de Mis wordt niet het minst verminderd door
de onwaardigheid van den priester, die dezelve leest. Deze
vernieuwing van het sacrificie des kruizes, dat dagelijks
op onze altaren geofferd wordt, werd door Jesus uitgevon-
den, opdat wij dagelijks voor de schulden en verplichtingen,
welke wij met God aangegaan hebben, konden voldoen.Wij
moeten God eerst en vooral eeren : de mis voldoet aan die
verplichting, aangezien zij een offer is ; wij moeten God
-ocr page 43-
ZONDAG IN DE OCTAAF VAN HET H. SACRAMENT. 35
voor onze zonden bedaren ; de mis voldoet daaraan, aange-
zien zij een zoenoffer is; wij moeten God bedanken voor
ontvangene weldaden: geen beter middel dan het sacrificie der
Mis, die een dankoffer is : wij moeten God smceken voor al
wat wij noodig hebben : nu de mis is juist een vredeoffer.
O wat een wonderbaar geheim is dit! Wanneer gij de H. Mis
leest of bijwoont, zorg dezelve tot alle deze einden op te
dragen, namelijk, om de Goddelijke Majesteit leecren, Haar
te bedaren. Haar te bedanken, en Haar nieuwe gunsten te
vragen. Indien gij bovendien uwc inzichten met die van
Jesus, den voornaamsten offeraar in de Mis vereenigt,
zullen zij des te welgevallige!\' aan God en voordeeliger voor
u wezen.
3. Overweeg dat dit onbloedig offer voor ons niet min
voordeelig is dan het bloedig sacrificie des kruizes. Dit was
dealgemeene oorzaak, die de schatkist van Jesus\' verdicn-
sten vulde, voor het welzijn van helgeheele menschdom. Het
H. Misoffer jiast die verdiensten toe, en deelt dezelve uit aan
iedereen in het bijzonder, met ons in dadelijke bezitting te
stellen van die verdiensten in evenredigheid met onze gestel-
tcnis en medewerking. Daar gij dan ten volle overtuigd zijt
dal Jesus op het allaar gedurende de H. Mis u eenen onuit-
putbaren schat ter beschikking stelt om u rijk te maken,
hoc kunt gij dien tijd doorbrengen, zonder op de grootheid
van het geheim na te denken, en zonder die akten van gods-
vrucht en aanbidding te oefenen, welke er van u vcreischt
worden, opdat het H. Misoffer voor u voordeelig zij.
-ocr page 44-
36
MAANDAG IN DE OCTAAF VAN HET H. SACRAMENT.
Over de innige vereeniging Tan Jesus met onze zielen in
liet H. Sacrament.
Qiti rnanducat meam carncm et bibit meutn sanguinem in me
manct et ego in Ulo (Joan. vt, 57)
Die mijn vlesscli eet en mijn bload drinkt, blijft in mij en ik
in hein.
1. Overweeg dat evenals onze beminnelijke Zaligmaker
Zich gewaardigde in liet H. Misoffereene hernieuwing in te
stellen van het sacrificie des kruizes, Hij zou ook in de
H. Communie eene uitbreiding, als het ware, heeft willen
instellen van het geheim zijner goddelijke Menschwording.
Hij maakt diegenen, die Hem waardig ontvangen, krach-
tens de sacramenteele vereeniging, deelachtig aan die onuit-
putbare schatten, welke de zelfstandige vereeniging van
zijne heilige Mcnschheid met het Eeuwige Woord mede-
bracht. Zie hoe eervol en glorierijk het voor Jesus, als
mensen, was opgenomen te worden tot de innige gemeen-
schap met de Godheid; Hij wilde echter dit voorrecht voor
Zicbzelven alleen niet behouden, maar wilde ons ook eenigs-
zins aan hetzelve deelachtig maken bij middel van de
H. Communie. Clarüalem quam dedisti mihi. dedi eis
(Joan. xvn, \'22). o Ik heb hun de beerlijkheid gegeven, die
gij mij gegeven hebt» ; zoo sprak Hij tot zijnen Vader, in
de eetzaal nadat Hij de H. Communie aan zijne apostelen
gegeven had. Hij wilde door die woorden te verstaan geven,
dat Hij zijne leerlingen deelachtig gemaakt had aan de
heerlijkheid, welke Hij ontvangen had. door de vereeniging
van zijne menschelijke natuur met het Woord, met hun zijn
eigen lichaam en bloed in het H. Sacrament te geven.
-ocr page 45-
MAANDAG IN DE OCTAAF VAK HET H. SACRAMENT. 37
0 wonderbare milddadigheid van Jesus! God geve dat gij u
nooit voor een zoo groot geheim ondankbaar toont, of het-
zelvc niet hoogacht !
2.  Overweeg dat, alhoewel deze sacramentcele vereeni-
ging min verheven is. dan de zelfstandige verceniging van
de Menschheid van Christus met het Eeuwige Woord, zij
nogtans de nauwste en innigste verceniging is, welke wij
in dit leven verhopen kunnen, omdat zij ons met Christus
lichamelijk, geestelijk en geheimvoller wijze vereeuigt. Ten
eerste, zij vereenigt ons lichamelijker wijze met Christus
door de natuurlijke aanraking van zijn allerzuiverst Vleesch,
dat onze lichamen heiligt. Zij vereenigt ons geestelijker
wijze met de Godheid, die zelfstandig met zijn heilig
Lichaam vereenigd is. Zij vereenigt ons geheimvoller wijze,
met ons geheimzinnige ledematen van Jesus te maken, ver-
levendigd met zijnen goddelijken Geest, en verheven tot een
goddelijk leven : Qui adhuret Domino unus spiritus est
(i Cor. vi. 17., B Die den Ileere aanhangt, is één geest
met Hem. » Van dat goddelijk leven, hetwelk de sacramen-
lecle verceniging met Jesus ons verleent, wordt er melding
gemaakt in deze woorden : Ego vivopropter Patrem;et qui
manducatme, vivet propter me
(Joan. vi, 58.) « Ik leef om
den Vader; en hij die mij eet zal leven om mij. .. Evenals
ik een goddelijk leven leef. dat mij medegedeeld is. krach-
lens de goddelijke verceniging van Personen, zoo ook leeft
hij, die mijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt, een godde-
lijk leven in kracht van die sacramentcele verceniging. Hoe
is het dan toch mogelijk dat wij. die deze waarheden aan-
hooren, en gelooven dat Jesus zoo innig met ons vereenigd
is, nogtans met gedachten en gevoelens zoo ver van Hem
verwijderd leven ?
3.  Overweeg dat deze sacramentcele verceniging met
Christus Communie genoemd \\ordt, omdat Hij ons daar-
-ocr page 46-
38                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
door al de schatten van verdiensten en voldoening, welke
Hij voor ons verwierf, mededeelt: Pasceris in divitiis ejus
(Ps. xxxvi. 3.) « Gij /uit gevoed worden van zijnen rijk-
dom; » zonder andere beperking dan onze gesteltenis en
bekwaamheid : In omnibus divites facti estisin Ulo (i Cor.
I, 5.) « Gij zijt in alles rijk geworden in hem, » en in bezit
gesteld van al de rijkdommen, die Jesus als God-Mensch
bezat. Met Christus aan ons te geven, heeft de hemclsche
Vader ons alle dingen gegeven, volgens deze woorden van
den II. Paulus: Quomodo non etiam cutn Ulo omnianobis
donavit
(Hom. vm. 32.) « Hoe heelt hij ons ook niet alles
met hem geschonken. » Zoo geeft ons Christus alles, wan-
neer Hij Zich aan ons geeft in de H. Communie. Maar wat
vrucht hebt gij getrokken uit zoovele Communién ? Ééne
Communie alleen moest genoeg zijn om van u cencn heilige
te maken : en nogtans zoovele herhaalde Communién zijn
niet voldoende geweest om u als een waren religieus te
doen leven.
DINSDAG IN DE OCTAAF VAX HET II. SACI1AMENT.
Het H. Sacrament ons geneesmiddel, onze schild
en onze sterkte.
Porasti in conspectu mco mensam advenus cos, gut tribulant
me
(I\'s. xxii, 5.)
Gij rieht voor wij een maaltijd aan, onder het oog van mijne
rerdrukkei\'s.
1. Overweeg dat de H. Communie ons in eene drievou-
dige hoedanigheid dienstig is, namelijk, als geneesmiddel,
als schild en als voedsel. Het is een geneesmiddel om de
-ocr page 47-
DINSDAG IN DE OCTAAF VAN HET H. SACRAMENT.         39
ziekten onzer ongeregelde driften te genezen. Al onze drif-
ten, zoo van het lichaam als van de ziel, spruiten uit onze
verbintenis mei het zondige vleesch van Adam. Het is om
deze geestelijke krankheden te genezen dat Jesus in de
H. Communie zijn vergoddelijkt Vleesch met het onze innig
komt vereenigen, onder de gedaante van voedsel, opdat wij,
die. ten gevolge van onze verbintenis mei het zondige vleesch
van Adam, onze geestelijke krankheid opgedaan hebben,
zoo ook door de vereeniging met onzen Zaligmaker een
geneesmiddelen degenezing mochten bekomen. De H.Com-
munie is dan het beste en krachtigste middel tegen den
prikkel van ons wederspannig vleesch, de beste toom waar-
mede de ongeregelde genegenheden van den ouden mensen
te beteugelen. Naarmate gij dan uwe driften onstuimiger en
uw vleesch wederspanniger bevindt, moet gij dikwijlder en
met grootere vurigheid tot de II. Tafel naderen, aangezien
het een algemeen geneesmiddel voor al de krankheden uwer
ziel is.
2. Overweeg dat de H. Communie het beste schild is
tegen de aanvallen van den duivel, daar zij eene bijzondere
kracht bezit om de hclsche geesten op de vlucht te drijven
en te overwinnen — eene kracht, waarvan de ongedee-
semdc brooden van Gcdeon, die het leger der Madianieten
versloeg, de schaduw waren. Eene ziel, versterkt met dit
Eucharistisch Brood, zal nooit door de vereenigdc pogingen
van al de legioenen duivels overwonnen worden. Zij vreezen
eene ziel, met welke Jesus tegenwoordig is, en die, zelfs
nadat de sacramenteele gedaanten verdwenen zijn, niet
ophoudt door zijne beminnelijke Voorzienigheid 0|> eene
gansch bijzondere wijze verdedigd te worden. Indien het
teeken des kruizes genoeg is om de duivelen op de vlucht te
drijven, hoeveel te meer dan Jesus in Persoon ? Si Deus pro
nobis, quis contra nos ?
(Rom. vm. 31.) « Als God voor
-ocr page 48-
40
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
ons is, wie zal tegen ons zijn ? » Zoek dan zoo nauw moge-
lijk met Jesus vereenigd te zijn, en gij zult over uwc helsche
vijanden zegepralen.
3. Overweeg dat de H. Communie veel meer moed en
sterkte geeft om voor God te werken en Ie arbeiden, dan
het onder de assche gebakken brood, dat Elias in staat
stelde om veertig dagen te gaan en den berg Horeb te be-
klimmen. In de pelgrimstocht van dit leven ontbreekt u de
noodige sterkte om bet toppunt der deugd te bereiken, en
de hinderpalen, welke de bedorvene natuur u in den weg
stelt, te overkomen : en zie! Jesus zet voor u deze tafel van
zijn allerheiligst Lichaam en Bloed, om uwe zwakheid te
versterken, om u moed in te boezemen, ten einde, alle uwc
moeiehjkheden te overwinnen, en in uw hart een cdelmoe-
dig besluit te doen ontslaan om immer in de oefening der
deugd voort Ie snellen. Het was eertijds algemeen aangcno-
men dat parelen en goud. in een drinkbaren vorm toege-
diend. de kracht hadden het menschelijk hart uit te breiden
en te versterken. Dit is het wat dit goddelijk feestmaal we-
zenlijk uitwerkt. Zorg dan u van hetzelve te bodienen om
uwe krankheden te genezen, u te verdedigen tegen uwe
vijanden, en uwe zwakheid te versterken.
-ocr page 49-
41
WOENSDAG IN DE OCTAAF VAN HET H. SACRAMENT.
Jesus is in liet H. Sacrament de spijs onzer zielen.
Caro iixea vere est cibus, et sanguis mens vere est potus
(Joan vi, 56.)
Mijn vleesch is waarlijk spijs en mijn bloed is waarlijk
drank.
1. Overweeg dat onder al de sacramenten, liet sacrament
des Altaars alleen ons bij wege van voedsel gegeven wordt;
want de andere sacramenten zijn, als het ware, zoo vele
kanalen, om eene zekere maat van heiligmakende genade
aan onze zielen mede te doelen ; het sacrament des altaars
daarentegen stelt ons in bezit van de bron zelve van alle
genaden. Die bezitneming kon in geen beteren vorm plaats
hebben dan bij wege van spijs en drank, aangezien er niets
is waarover wij grooter gezag hebben dan over ons voed-
sel: er is immers geen verschil lusschen de heerschappij,
welke wij over ons zelven, en die, welke wij over ons vocd-
sel voeren. Wanneer gij Jesus, uwen God, uwen Schepper,
uwen Zaligmaker, in uw hart ziet komen om u het bezit
en de heerschappij over Zich zelven te geven, kunt gij Hem
dan weigeren van u bezit te nemen, en u eens voor altijd
in zijne handen over te laten, opdat Hij over u volstrekt
moge beschikken, naar zijn welbehagen ?
2. Overweeg dat Jesus ons gegeven wordt bij wege van
spijs om aan te duiden dat Hij in onze zielen dezelfde uit-
werkselen te weeg brengt, als het stolfelijke voedsel in onze
lichamen. De sacramenten zijn terzelfder tijd teekenen en
oorzaken, die uitwerken wat zij beduiden. Van daar dat,
evenals het aan het stoffelijk voedsel eigen is het leven des
lichaams te behouden en te vermeerderen, het zoo ook aan
il                                                                                         3
-ocr page 50-
42                              BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
deze geestelijke spijs eigen is, het leven der ziel te behouden
en te vermeerderen; doch met dit verschil, dat het stoffelijk
voedsel het leven des lichaams slechts tot een zeker punt
vermeerderen kan. en aldus den dood voor een korten tijd
terughouden, terwijl de Eucharistische spijs het leven der ziel
verbetert zonder paal of perk. met het immer te doen aan-
groeien en bet onsterfelijk te maken. Die spijs wordt Paras
vila> — Brood des levens genoemd, omdat zij al de voor-
deelen van een waar leven bevat: zij geeft ons het leven
der genade, het leven der glorie, en op den laatsten dag,
een onsterfelijk leven zelfs aan onze lichamen. Zijn deze
voordeden niet genoeg om in uw hart een onverzaadharen
hongei\' op te wekken naar dit hemelsch voedsel? Merk echter
op. dat, evenals het stoffelijk voedsel van weinig nut is om
het leven des lichaams te behouden\' en te vermeerderen,
tenzij het wel geknauwd en de maag in een gezonden toe-
stand is, hetzelfde plaats grijpt met deze Eucharistische spijs
en de gesteltenis uwer ziel. Hoc dikwijls zijt gij niet tot de
H. Tafel genaderd, en hebt gij er weinig of geene vrucht
uitgetrokken, omdat gij dat hemelsch hrood gegeten hebt
zonder de knauwing van godvruchtige overdenkingen, en
met d.; ziel besmeurd met ondeugden.
3. Overweeg dat Jesus deze Eucharistische tafel spreidt
onder de gedaanten van brood en wijn oin te toonen dat Hij
u eene volle maaltijd bereidt, waarmede den honger uwer
ziel te verzadigen, juist gflijk brood en wijn een vol maal
ukmaken om den honger des lichaams te verzadigen. Zou
iemand die met God, de bron van alle goed. gespijsd wordt
nog kunnen honger hebben ? Anima saturata calcabü
favutn
(Prov. xxvn, 7.) « Die verzadigd is, treedt de
honigraat met voeten. » Zou een hart. dat zich met zijnen
God gevoed heeft, aarzelen de ellendige vermaken, welke de
goederen dezer wereld medebrengen, te verachten ? Alle
-ocr page 51-
43
OCTAAF VAN HET H. SACRAMENT.
andere giften, die wij uit de handen der goddelijke mildda-
digheid ontvangen, zijn God zelf niet, en wij genieten in
dezelve de bezitting van God zelven niet. liet is enkel aan
de Eucharistische tafel dat wij de bezitting van God zelven
genieten, waar Hij onder de sacrainenteele gedaanten onze
ware spijs en drank is. Dit goddelijk voedsel moest in u den
honger er. dorst naar al liet aardsche uitdooven ! Quidenim
borium ejus. et quid pukhrum ejus, nisi frumentum elec-
torum. et vinum germinans virginesl
(/.ach. ix. 17.)
« Want wat is zijne goedheid, en wat is zijne schoonheid,
dan de tarwe der uitverkorenen, en den wijn maagden
voortbrengende ? »
OCTAAF VAN HET H. SACRAMENT.
Het H. Sacrament een onderpand van eeuwig leven.
Qui manducat meam carnem et bibit meum sanguincm habet
vitam ceternam
(Joan vi 55.)
Die mijn vloosch eet en mijn bloed drinkt hooft hot oeuwigo
leven.
1. Overweeg dat er in deze woorden niet gezegd wordt
dat alwie het lichaam van Christus in het H. Sacrament nut,
het eeuwige leven zal hebben, maar dat hij het eeuwige
leven heeft — habet vitam setemam. De reden daarvan is
dat onze goddelijke Zaligmaker mei Zich aan ons voor spijs
te geven, ons een zoo zeker onderpand geeft der toekomende
glorie, dat het reeds aan de bezitting derzelve gelijkt ; aan-
gezien dit onderpand evenveel waarde heeft, dan het goed,
welk wij verhopen. Wie zou zich niet verlaten op de bclof-
ten van iemand, die zich zelven voor onderpand geeft?
-ocr page 52-
44
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
Kunt gij wantrouwen van de beloften van eenen God-Mensch
die Zicli zelven aan u geeft in de H. Communie, als een
onderpand der toekomende glorie ? Daarom, telkens gij tot
de H. Tafel nadert, zeg van ganscher harte: Deus spei meae.
« Gij zijt de God mijner hoop. » Gij zijt, o mijn God. de
verzekering van al mijne verlangens ; Gij daalt uit den
hemel op de aarde neder om zachtmoedig en ootmoedig in
mijn hart te verblijven, en aldus geeft gij mij de stellige hoop
dat gij mij eens tot U zelven in de glorie zult opnemen :
Speret in nomine Domini et innüatur super Deum mum
(Isai. l. 10.) "Dat hij hope in den naam van zijnen Heer, en
steune op zijnen God. » Wat er echter nu nog te zien blijft
is, of die hoop, zoo stellig van den kant van Jesus in het
H. Sacrament, niet wankele van uwen kant, en niet geheel
verdwijue door uwe schuld.
\'2. Overweeg dat Jesus in het H. Sacrament een onder-
pand is van de glorie, die u te wachten staat — Pignus
futurx glorise
— maar een onderpand, dat u terzelfder tijd
helpt om naar de glorie te streven en u het bekomen der-
zelve vergemakkelijkt, met u de sterkte te geven, om uwe
begeerlijkheid te overwinnen, aan de bekoringen te we-
derstaan, en al te doen wat in uwe macht is om de eeuwige
glorie te verdienen. Dit sacrament is immers bijzonder inge-
stcld, om u te dienen tot teerspijs op den weg naar de
eeuwigheid, en u tot de nooit eindigende rust binnen te
leiden. Telkens gij dan te Communie gaat, maak u gereed
om Jesus te ontvangen als eene teerspijs, alsof gij Hem voor
de laatste maal ontvingt, en juist op het punt waart naar
de andere wereld te vertrekken. Deze oefening zal u van
groot nut wezen, zoo gij er ook het inzicht bijvoegt aan
het gebod van op het einde uws levens de Communie te
ontvangen, te voldoen, bijzonder indien gij met een schie-
lijken dood moest verrast worden.
-ocr page 53-
45
OCTAAF VAN HET H. SACRAMENT.
3. Overweeg hoe bij middel van de H. Communie, deze
woorden van den Zaligmaker verwezenlijkt worden : Ecre
regnum Deiintravos est
(Luc. xvn, 11.) « Zie, liet rijk
Gods is onder u, «want wij ontvangen in onze harten al
wat het volmaakt geluk der inwoners des hemels uitmaakt.
Hij gect\'t ons aan de Eucharistische tafel dezelfde spijs, die
al de verlangens der engelachtige geesten bevredigt: Panem
angelorum manducavit homo
(I\'s. lxxvh,$5.)» De mensch
at het brood der Engelen. » Hctccnige verschil is, dat de
gelukzaligen in den hemel zich met hunnen God voeden
in het licht der glorie, terwijl wij, pelgrims op aarde, het-
zelfde doen in het licht des geloofs. De gelukzaligen zitten
neer aan deze tafel met genoegen en vermaak, wij met ver-
meerdering van genade en verdiensten. Hoe komt het dan
dat gij geenen aanhoudenden honger gevoelt naar dat god-
delijk feestmaal, hetwelk de vreugde van gansch het
hemclsch hof uitmaakt? De gelukzaligen in den heniel kun-
ncn geenc scheiding meer lijden van het opperste goed,
welk zij genieten in het licht der glorie. Gij ook moogt niet
verwijderd leven van uw opperste goed, alhoewel gij het
nu enkel kunt genieten in het licht des geloofs; gij moest
trachten in cene bestendige liefdevereeniging met Jesus
te leven, bij herhaalde bezoeken aan het H. Sacrament, bij
eene minzame herinnering aan Hem en door uwe sacra-
menteele en geestelijke Communien. Dan kunt gij in der
waarheid met den H. Petrus zeggen : Bunum est nos hic
esse
(Matth. xvn, 4.) <• Wij zijn hier goed. »
-ocr page 54-
FEESTDAG VAN H. HART. *
Het Hart van Jesus, de bron aller genaden.
Ilaurietis aqaas inr/aurtio de fonlibus Salvatoris. (Isai.xn, 3.)
Gij zult met blijdschap wateren putten, uit des Zaligmakers
fonteinen.
1. Overweeg hoe grool de vreugde der Israëlieten moest
zijn, toen zij, naeene lange reis in de wildernis, in den
uitersten nood bij gebrek aan water, eindelijk de bron van
Elini bereikten, waar iedereen naar verkiezen water schep-
pen kon. Doch er is geene vergelijking tussehen de bron
van Klim, en die van Calvarië, waar Jesus\' hart doorstoken
werd.en waaruil nu bronnen van genaden,voor uw welzijn,
aanhoudend voort vloeien. Deze is de bron, waaruit gij put-
tcn moet, zooveel gij kunt, om u te verkwikken in de wil-
dernis van dit tranendal. De goddelijke genade wordtin de
H. Schriftuur water genoemd, om de hoedanigheden der-
zelve uit te drukken. Immers, evenals het water de
eigenschappen bezit van te zuiveren, vruchtbaar te maken
en den dorst te lessclieu. zoo brengt de goddelijke genade die
uitwerkselen, doch op eene verhevenere wijze, in de ziel
te weeg. Indien gij uw besl doet om die belangrijke hoeda-
nigheden der genade in u te ondervinden, zult gij ook meer
bezorgd zijn om de wateren der genade uit de nooit ontbrc-
kende fontein van Jesus\'Heilig Hart Ie putten.
1 De overweging, welke de schrijver voor dezen dag aan-
gowezen had, weinig betrek hebbende op het feest, dat ho-
den de geheele heilige Kerk door gevierd wordt, hebben wij de
vrijheid genomen dezelve te verwisselen met de overweging
voor den Vrijdag in de zeventiende week na Sinksen, met
eenige toepassende veranderingen.
-ocr page 55-
FEESTDAG VAN HET H. HART.                            47
. 2. Overweeg dat de eerste eigenschap van dit water der
goddelijke genade daarin bestaat, dat het de vlekken weg-
neemt, niet van het lichaam, maar van de ziel. en dat het haar
terzelfder tijd nieuwe sterkte en eene zoodanige schoonheid
geeft, dat God zeil\' er mede ingenomen is. Ten tweede maakt
hel de ziel vruchtbaar, met haar te verrijken met de bloe-
men van goede werken, gelijk een wel gewaterde hof, en
haar in staat te stellen voor God welgevallige vruchten voort
te brengen. De derde eigenschap van het water, dat uit het
hart van Jesus vloeit, is dat het den kwaden dorst uitdooft,
dien onze onbeteugelde driften voor gevolg hebben, en ter-
zelfder tijd den goeden dorst vermeerdert, die bet uitwerk -
sel van de geregelde gesteltenis der ziel is. Het doofl den
kwaden dorst uit, met de nuttelooze begeerten en slechte
genegenheden weg te nemen, of ten minste met dezelve in
toom te houden en te beletten dat zij u te veel plagen en
kwellen, volgens deze woorden : Quibibevit et aqua hac
quam ego dabo ei, non sitiet in seternum
(Joan. ïv. 13.)
« Wie gedronken zal hebben van bet water dat ik hem
geven zal, zal in eeuwigheid niet dorsten. » Het \\eimeer-
dert eenen heilzamen dorst, omdat het het verlangen van
God te beminnen en te dienen, Hem te genieten, en voor al-
tijd met Hem vcreenigd te zijn, doet toenemen. Dit is het
water, hetwelk uit Jesus\'hart. gelijk uil zijne bron vloeit,
en in zijnen loop de ziel medesleept tot het Hart van Jesus.
hare rustplaats : Fons aqua; salientis in vitam xlernam
(Joan. ïv, 14.) " Eene bron van water, dat springt tot in
het eeuwig leven.» Waarom dan zoudt gij twijfelen ofhetu
ook gegeven is, naar behagen deze wateren te putten uit de
fonteinen uws Zaligmakers ?
3. Overweeg dat, indien gij eene overvloedige hoeveel-
heid van dit water niet geniet, de schuld daarvan alleen
aan u zelven toe te kennen is; want het Hart van Jesus is
-ocr page 56-
<9                               BEKKOPTE OVERWEGINGEN.
eene fontein die voor allen open is : Fons patens domui
David
(Zacb. xm, 1). <• Eene fontein open voor het huis
van David. » Al wat er vereischt wordt is, dat gij hetzelve
vuriglijk vraagt: vrees niet dat het u zal geweigerd wor-
den, indien gij slechts bereid zijt hetzelve te vragen, want
Jesusisbegeerigeroin u zijne genaden te verieenen dan gij om
dezelve Ie ontvangen. Zorg dan uw verblijf te vestigen in
de nabijheid dier bron van genade. Het H. Hart van uwen
gekruisten Jesus zij altijd voor uwe oogen: aanroep Het,
aanbid Hel, want daaruit moet gij al uw goed putten ! Uw
waar geluk bestaat in de ondeugden te vluchten en de deug-
den te oefenen, en in deze wereld niet anders te zoeken dan
God alleen. Deze gesteltenis zal u eenen overvloed van het
water der goddelijke genade, die uit het H. Hart van
uwen Zaligmaker vloeit, verwerven, indien gij met betrou-
wen uwen toevlucht tot Hetzelve neemt, en uw verblijf in
Hetzelve vestigt: Haurietis aquas in gaudio de fontibus
Salvatoris.
« Gij zult met blijdschap wateren putten, uit
des Zaligmakers fonteinen.
ZATERDAG NA DE OCTAAF VAN HETH. SACRAMENT.
Over de werkdadigheid der evangelische leerstelselen.
Si quis sermonetn meum servaverü, mortem non videbit in
eeternum
(Joan. vin, 51).
Zoo iemand mijn woord bewaard zal hebben, hij zal in
eeuwigheid den dood niet zien.
1. Overweeg dat de leerspreuken van Christus gelijk
zijn aan die eenvoudige voorwerpen en kruiden, begaafd
met wonderbare eigenschappen, waareen onervaren herder
-ocr page 57-
ZATERDAG KA DE OCTAAF VAN HET H. SACRAMENT. 49
geen acht op geeft, en welke hij zonder nadacht met de
voeten treedt, terwijl een ervaren scheikundige naar dezelve
zoekt, ze vergadert, en dezelve met zorg bewaart om er
later voor zijn eigen voordeel gebruik van te maken. Juist
hetzelfde geschiedt met de woorden en spreuken van liet
Evangelie. Iemand, die de wonderbare kracht derzelven niet
kent, heeft er ook geene achting voor: een andere, die
hunne waarde kent, zal ze aandachtig aanschouwen en
bewaren. Veronderstel dat er een kruid ware, hetwelk de
buitengewone kracht bezit, den dood van u voor ver-
schcidene eeuwen af te weren, hoe zorgvuldig zoudt gij
het opzoeken, en bewaren na het gevonden te hebben. Met
hoeveel meer zorg en naarstigheid moest gij dan de spreu-
ken van Christus bewaren, aangezien zij de kracht hebben
voor alle eeuwigheid van u den dood verwijderd te houden.
1. Overweeg van waar het komt dat de woorden des
Hceren eene zoodanige kracht bezitten. Wij zijn onder\\vor-
pen aan eenen tweevoudigen dood. dood des lichaams en
dood der ziel. "Wat den dood des lichaams aangaat, hij die
zijne woorden bewaart, zal in eeuwigheid den dood niet
zien: miniem non videbit in seternum.niet dat hij nooit ster-
ven zal, maar omdat hij na den dood eens tot een geluk-
kiger leven zal geroepen worden, waarin hij den dood
nimmer meer zien zal: een geluk, dat den verdoemden niet
ten deel valt. die voor alle eeuwigheid zullen leven, om de
folteringen van een eeuwigen dood te ondergaan. Wat den
dood der ziel aangaat, namelijk de zonde, hij die de woorden
des Heeren bewaart, zal den dood niet zien — mortem non
videbit;
hij zal nooit in doodzonde vallen, want alwie de
leering van Christus naleeft, zal nooit het leven der genade
verhezen : Serva mandata mea et vives (Prov. vu, cl).
« Onderhoud mijne bevelen en gij zult leven. » Men verliest
gewoonlijk het leven der genade of ten gevolge van den
-ocr page 58-
50                               BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
ongeregelden staat zijner driften, of van de gevaren en gele-
genheden van zonde, of van de aanvallen der duivelsche
bekoringen : of eindelijk, van eene samenvoeging van die
drie oorzaken. Nu, de woorden van Christus hebben eene
bijzondere kracht om onze driften te regelen, ons te behoe-
den voor het gevaar van de gelegenheden van zonde, en de
aanvallen des duivels af te weren. Leer daarvan wat waar-
de zij hebben, en wal prijs gij er aan moest hechten ; FM
mi! ad eloquia mea indina aurem tuam, vita enim sunt
invenientibus ea
(Prov. ïv, 10). « Mijn zoon ! neig uw oor
tot mijne reden, want zij zijn het leven voor die ze vinden.»
3. Overweeg hoe gij de woorden van Christus bewaren
moet. zoo gij er groot nut uit trekken wilt. Gij moet
dezelve bewaren eorde. are, et operej in uw hart. met er op
gestelde tijden aan te denken, dezelve te beminnen met de
gevoelens van uwen wil, en dikwijls in uw geheugen te
roepen, bijzonder wanneer gij in gevaar van zondigen zijt.
Ore « in uwen mond. » met te toonen dat gij er een hoo-
gen prijs aan hecht, en dit met er dikwijls het voorwerp
uwer samenspraken van te maken, en met beschaamd
te zijn dezelve openlijk voor de wereld te belijden. Opere,
«
in uwe werken,» met dezelve getrouw ten uitvoer te
brengen, zoodat gij ook in der waarheid zoudt kunnen
zeggen : Levavimanus meas ad mandata tua quse dilexi (Ps.
cxvm. 48). « Ik hief mijne handen op tot uwe geboden,
die ik lief heb. » Schijnt het u misschien dat dit u te lastig
vallen zal ? Gedenk hoe groot het nut en de vruchten ervan
zijn, het is immers eene vrucht des levens — verba vit se,
en wel van eeuwig leven.
-ocr page 59-
51
DERDE ZONDAG NA SINKSEN.
Jesus de goede Herder.
Vadit ad ovem, quee perierat, donec inveniat eam,et cum inve-
ncrit eam, imponixin humeros gawiens
(Luc. xv, 4.)
Hij gaat naar het verloren schaap zoeken, totdat hij het
vindt ; en als hij het gevonden heeft, legt hij het blijde op zijne
schouderen.
1.  Overweeg dat gij dat verloren schaap van het Kvan-
gelie zijl. hetwelk de goddelijke Herder getracht heelt niet
zooveel moeite naar zijnen schaapstal terug te brengen en
in veiligheid te stellen ; want toen gij in de wereld leefdet,
dwaaldet gij te ver van uwen Herder, en bewandeldet gij
eenen weg bezaaid met duizende gevaren. Terwijl de Heer
zoovele anderen te midden der gevaren van de wereld liet,
heeft Hij u gezocht en na vee! moeite is Hij er in gelukt u
tot den kloosterlijken staat te leiden, ten einde uwe zalig-
heid te verzekeren. Erken de groote verplichting, welke gij
voor de weldaad uwer roeping jegens God te vervullen hebt,
en wees Hem van harte dankbaar:, want alhoewel gij Hem
slecht gediend hebt in het klooster, gij zoudt Hem nog
slechter gediend hebben in de wereld.
2.   Overweeg wat het den Heer koste u uit de wereld
te trekken en tot het klooster te brengen. Hoevele ingevin-
gen en inwendige stemmen heeft Hij u in uw hart doen ge-
voelen, welke gij nogtans verwaarloosd hebt? Hoevele ver-
lichtingen en aanzettingen heeft Hij u niet gegeven, waar
gij een zoo langen wederstand aan geboden hebt ? en on-
dertusschen hield de goede Heer niet op u zijne uitnoodigin-
gen te vernieuwen en zijne genaden te verdubbelen. Dan
nog om voor u deze ingevingen en genaden te verdienen,
-ocr page 60-
52
BEKNOPTE OVERWEGINGEN\'.
wat moeite, wat arbeid en pijnen heeft Hij in zijn leven en
in zijnen dood niet moeten doorstaan ! Wat Hij voor allen
gedaan en geleden heeft, deed en leed Hij voor uwe zalig-
hcid alleen, alsof er op aarde niemand anders geweest
ware om zalig te maken : dilexü me et tradidit semetipsum
pro me
(Gal. 11.20.) « Hij heeft mij liefgehad en zich
zeken geleverd voor mij.» Dit zoo zijnde, het mag dan wel
gezegd worden dat Hij u op zijne schouders gedragen en
geheel den last op zich genomen heeft. Jesus werd ook niet
aangedreven om u die gansch bijzondere liefde te toonen,
omdat Hij u noodig had, maar enkel omdat gij den uiter-
slen nood had aan die uitgezochte liefde: Hij voorzag
immers dat gij zeker verloren gingt. zoo Hij u aan de ge-
varen der wereld niet onttrok. Hoe hebt gij lot nu aan die
zoo groote liefde en barmhartigheid beantwoord ?
\'S. Overweeg dat er in het evangelische verhaal gemeld
wordt dat men den goeden herder geluk wenschte, omdat
hij hel verloren schaap gevonden en tot den schaapstal
terug gebracht had. De engelen inderdaad verheugen zich
en wenschen den Heer geluk, wanneer zij cene ziel na de
zonde zien opstaan, en zoo onttrokken aan het gevaar van
verloren te gaan. Zoo ook was er groote feestviering in den
hemel, wanneer gij de wereld verliet, en u zelven in den
dienst van God inlijfdet in het klooster; doch pas op dat
deze vreugde niet in jammering verandere : Versa est in
luctiim eühara mea
(Job. xxx, 31.) « Mijne harp is ge-
keerd tot treuren » indien gij soms meer ingenomen zijt
met de wereld dan mei God. Indien gij wilt dat de vreugde
in den hemel voorldure, maak dan het vast besluit u voor-
taan ernstig loe te leggen op het bekomen der deugden,
eigen aan uwen staat, op de verbetering uwer gebrekenen
onvolmaaktheden : zoo zidt gij de vreugde van Jesus Chris-
tus en van geheel hel heinelsch hof volmaken.
-ocr page 61-
53
MAANDAG IN DE DERDE WEEK NA SINKSEN.
Over liet goede inzicht in oiize handelingen.
Attcnditc ne justitiam vestram faciatis coram hominibus, ut
videamini ab eis
(Matth. vi, 1.)
Ziet toe, dat gij uwe gerechtigheid niet doet voor de men-
schen, oia van hen gezien te worden.
1. Overweeg dal hier door gerechtigheid alle goede wer-
ken verstaan worden, die zich tot drie soorten bepalen :
vasten, waarin begrepen zijn alle werken van boet\\aardig-
heid, die ons rechtvaardigen ten opzichte van ons zelven ;
aalmoezen geven, waarin besloten zijn alle werken van
liefde, die onze handelwijze met onzen naasten regelt ; en
bidden, waaronder alle akten van godsdienst komen, die
ons leven ten opzichte van God regelen. Nu het is goed dat
deze deugdzame eu verdienstelijke werken van anderen ge-
zien worden om hun hel goed voorbeeld te geven; maar de
Heer wil niet dal gij die werken verricht met het inzicht
de goedkeuring en den lot\' der meiischen te bekomen. On-
derzoek eens wel met wat inzicht gij deze werken verricht.
\'2. Overweeg dat er twee soorten van goede werken
zijn : eenige zijn eigen aan uwen staat en worden verricht
door de geheele gemeente, andere zijn zonderling en buiten-
gewoon. Hel is zekerder en beter de zonderlinge werken
in het geheim te verrichten, om geene gelegenheid te ge-
ven voor toegejuieh en verwondering; maar wat de andere
algenieene akten aangaat, gij zijl verplicht dezelve in het
openbaar te verrichten, volgens de gebruiken van uw
klooster; en gij moest u van dezelve voor geene reden ont-
slaan, ten einde geene verergenis te geven. Maar helaas !
hoe dikwijls en hoe gemakkelijk verwaarloost gij deze goede
II                                                                      4
-ocr page 62-
54                               BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
werken, niet om de ijdele glorie te vermijden, maar om aan
uwe luiheid en uw gemak te voldoen.
3. Overweeg hoe belangrijk hel is, in al uwe goede wer-
ken dit recht inzicht te hebben. Elke akt van ijdelheid, die
u aanzet uwc goede werken te verrichten, beneemt u de
verdiensten ervan, zoodat geheel uwe belooning zou beslaan
in de achting, welke gij hier op aarde in de oogen der men-
schen verworven hebt; die achting, welke gij steldet boven
liet welbehagen van God : nooit in der eeuwigheid zult gij
daarvoor iets van God bekomen. Merk niettemin op. dat niet
elke akt van ijdelheid u van alle verdiensten voor God
berooft. Het is enkel die, welke het werk voorafgaat, en
alleen voor doelwit heeft, het behagen der mensehen; dit
is die verborgene worm, die het goede werk gansch be-
derft. Een geringe akt van ijdelheid, die bet goede werk
vergezelt of volgt, bederft hetzelve niet geheel en gansch,
alhoewel hij nogtans verkeerd en af te keuren is; want bet
goed werk hangt er niet van af, als van zijn einde. Over-
denk nu een weinig hoe belangrijk bet is, dat gij in bet
begin uwer werken uw inzicht vormt, en dat gij tracht
dezelve te verrichten, niet om de mensclicn, maar om God
alleen te behagen.
-ocr page 63-
55
DINSDAG IN\' DE DERDE WEEK NA SINKSEN.
Over de vermetelheid van den zondaar.
Dedit ei Deus locwn pcenüentüe, et Me abutitur co in sttper-
biam
(Job. xxiv, 23.)
God heeft hein plaats gegeven van boetvaardigheid, maar hi
misbruikt die tot hoovaardij.
1.   Overweeg wat een verbazend wonder het is dat de
Aln.iach.tige, de God van oneindige majesteit, na allersma-
delijkst door den mensen beleedigd te zijn, den mensen, die
niet meer dan een vuile aardworm is. niet uit verplichting
maar uil loutere goedheid, alle middelen ter hand stelt om
zich te herouwen, en in zijne gunst en genade wederom
opgenomen te worden : Dedit ei locum pcenüentüe. Hij
geeft hem lijd en genade, ingevingen en bijstand, en o
wonder ! de menscli misbruikt dit allesom nog wanhopiger
te zondigen. Maar nog wonderbaarder is het, dat Hij u, die
zoo dikwijls uwen God vergramd hadt, uit loutere goedheid
geroepen heelt tot den religieuzen staat, om u meer tijd en
middelen te geren, om boetvaardigheid te doen en uw leven
te beteren, en dat gij die barmhartigheid zoudi misbruiken
om uwe zonden en uwe ondankbaarheid te vermeerderen !
Bewonder de groote goedheid van God ten uwen opzichte,
en beween uwe ondankbaarheid.
2.  Overweeg dat de reden, waarom de zondaar zoo slecht
gebruik maakt van den tijd, dien God hem geeft, is, omdat
hij zich in zijn oordeel misleidt. Omdat de Heer hem niet
oogenblikkelijk gestraft, maar hem nog het leven en tijde-
lijken voorspoed gelaten heeft, komt hij tot hel besluit, dat
hij ten slotte aan geen groot kwaad plichtig is. Had God
Item gestraft op den oogenblik zelven, dal hij zijne zonden
-ocr page 64-
56
BEKNOPTE OVERWEGINGEN\'.
bedreef, o, hoc diep zou hij zich vernederd hebben ! Quia
non proferlnr cito contra molos sententia, absque timore
filii hominum perpet runt inala
(Eccl. vjii. 11). « Omdat
er niet spoedig een vonnis wordt uilgesproken tegen de
boozen, daarom bedrijven de kinderen der menschen het
kwade zouder cenigen schroom. •> Zoudt gij van het geial
diergenen willen zijn. die misbruik maken van de lang-
moedighcid en het geduld des lleeren in hen te verdragen ?
Indien God, in plaats van u tot hel klooster te roepen om
boetvaardigheid te doen voor uwe zonden, u had neèrge-
stort in de hel, welke gij zoo dikwijls verdiend hebt, dan
inderdaad te midden van die verslindende vlammen, zoudt
gij de afschuwelijkhcid uwer zonden kennen, en uwe dwaas-
In\'ui verfoeien: maar te vergeefs. Waarom dan aan de.
genade Gods zoo slecht beantwoorden en misbruik maken
van zijne goedheid? Wat boetvaardigheid hebt gij tot nu toe
gedaan, geëvenredigd met de grootheid uwer zonden,
indien reeds de onderhouding van uwen regel u te zwaar en
moeielijk schijnt?
3. Overweeg dat de zondaar vermetel wordt, omdat,
aangezien God hem zoo lang verdragen heelt, hij zich tijd
en gelegenheid belooft in de toekomst om zijne ziel zalig te
maken, en de zaken van zijn geweten in order te stellen op
liet einde van zijn leven. Doch hoe bedriegelijk is die ongc-
gronde hoop van de zondaars, en hoevelcn eindigen dien-
tengcvolge slecht en gaan voor eeuwig verloren ? Gedenk
dat hetzelfde overkomt aan zeer vele religieuzen, die ten
gevolge van eene ondankbare misbruikmaking der godde-
lijke barmhartigheid, eindelijk door haar verlaten worden.
Vraag u zeiven af, waarom de Heer u dezen tijd in het
klooster verleend heeft? om geene andere reden, dan opdat
gij tijd zoudt hebben om boetvaardigheid te doen. Verneder
u dan en wees beschaamd over u zeiven ; wacht u van zoo
-ocr page 65-
WOENSDAG IX DF. DERDF. WEEK KA SINKSEN.            57
groote barmhartigheid van den kant van God misbruik te
maken, want daardoor maakt gij u plichiigaan ecnegroote
bcleediging tegen Hem, en brengt gij u /elven de grootste
mogelijke schade toe.
WOENSDAG IN DE DERDE WEEK NA SINKSEN
Over de herinnering; aan de vier uitersten.
In omnibus operibtis tuis niemorare novtssima tua, et w celer-
num non pecaibis
(Eccl. vu, 40).
Denk in al wat gij doet op uw uiterste, en gij zult in eeuwig-
heid niet zondigen.
1.  Overweeg hoe achtenswaardig het voor ons is geene
doodzonde te bedrijven. Om die gunst te bekomen. bestorm-
den de Heiligen den hemel, met hunne aanhoudende gebc-
den. Nu. ditzelfde voorrecht is ook in uw bereik, zoo gij
enkel het besluit neemt in al uwe werken op uwe uitersten
te denken. Het is niet genoeg dat gij den dood alleen, het
eerste der vier uitersten, voor oogen hebt. want dikwijls
geeft bet gedacht des doods aan de goddeloozen aanleiding
om zich nog grootere vrijheid te veroorloven : Transibit vita
nostra... venüeergo, fruamurbonisqusesunt
(Sap. u, 3, d).
« Ons leven zal verdwijnen... welaan dan. laat ons de te-
genwoordige goederen genieten. » Opdat liet gedacht des
doods heilzaam voor u weze, moet gij ook gedenken, dat er
op den dood een streng oordeel volgen zal, waarmede het
vonnis gepaard gaat of van eeuwige straf of van eeuwige
belooning, of hel of hemel. Daarin bestaat de kracht der
herinnering aan ons laatste einde.
2.  Overweeg waarvan de wonderbare krachtdadigheid
-ocr page 66-
58
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
dier gedachte voortkomt. Daarvan, dat gij mot de vier
uitersten voor oogen te hebben, de gewoonte verkrijgt der
vier nootzakelijke deugden, die al uwe vermogens regelen.
De voorzichtigheid regelt uw verstand, opdat het niet 1\'ale.
De rechtvaardigheid bestuurt de werkingen van den wil.
opdat hij oprecht zij. De matigheid bedwingt uwe begeer-
lijklieid, opdat zij de aanlokselen der ondeugd verachte. De
sterkte leidt uwe drifligheid. opdat gij met geduld alle
moeielijkheden in de oefening der deugd moogt overkomen.
Ku opdat deze deugden in u de overhand hebben, geen beter
middel dan de herinnering aan de vier uitersten. Immers de
herinnering aan den dood verdrijft van uwen geest den rook
van eerzucht en hoovaardigheid. die uw verstand verduis-
tert, en geeft u de voorzichtigheid. De herinnering aan het
oordeel stelt u voor oogen den strengen Rechter, die eens
de rekeningen van uw hofmeesterschap zal onderzoeken,
en geeft u de rechtvaardigheid. De herinnering aan de hel
bedwingt uwe begeerlijkheid naar ongeoorloofde vermaken,
die later in zulke ijselijke pijnen zouden veranderen, en
geeft u de matigheid. De herinnering aan den hemel ver-
mindert den afkeer voor de beproevingen, die in nooit cin-
digende vreugde zullen veranderen, en geeft u de sterkte.
Dus hoe kan het dan mogelijk zijn dat gij zondigt? Memo-
rare novissima tua, et in aeternum non peccabis.
« Denk op
uw uiterste, en gij zuil \'m eeuwigheid niet zondigen. »
3. Overweeg dat deze belofte van den Ecclesiasticus in
vele gevallen niet verwezenlijkt wordt, omdat vele menschen
er slechts oppervlakkig aan denken, alhoewel zij eroversprc-
ken, overtwisten.cn dezelve op papier en steen verbeelden ;
maar zij denken er niet aan. als hen persoonlijk aangaande;
juist daarom wordt er gezegd : Memorare novissima tua.
« Denk op uw uiterste. » Gij moet u werkelijk voorstellen
dat gij het zijt, die weldra op uw doodsbed uitgestrekt,
-ocr page 67-
DONDERDAG IN DE DERDE WEEK NA SINKSEN.           59
in cenc kist gelegd, en naar liet graf zult gedragen worden;
dat gij het zijt, die voor dat schrikkelijk oordeel zult ver-
schijnen : dat voor u die vreeseüjke tormenten bestemd
zijn, zoo gij aan de bekoring toestemt, en dat ook voor u
die hemelsche belooning bereid is, zoo gij aan de bekoring
wederstaat. Het moet cenc werkdadige herinnering zijn :
in omnibus operibus tuis. « In al wat gij doet. >. Het zal u
weinig baten schoone schilderijen, die de vier uitersten
voorstellen, in uwe cel te houden, er schoon over teschrij-
ven of te prediken ; deze zijn enkel doode beelden. Gij moet
dezelve voor oogen houden in al uwe werken. Die leven-
dige herinnering, welke u mogelijk nu zoo bitter schijnt,
zal u later zeer aangenaam worden, omdat zij in u den
vrede van een goed geweten zal handhaven, dal volgens
den Ecclesiasticus de grootste vreugd uitmaakt: Non est
oblectamenlum super cordis gaudiutn
(Eccl. xxx, 1G).
» Geene vroolijkheid overtreft de vreugde des harten. »
DONDERDAG IN DE DERDE WEEK NA SINKSEN.
Over deu haat, dien God de zonde en den zondaar
toedraagt.
Similüer.odio suut Deo impius et impietas ejus (Sap. xiv, 9).
De goddelooze en zijne goddeloosheid zijn eveneens hatelijk
bij God.
1. Overweeg dat de haat, dien God de zonde toedraagt,
gelijk is aan de liefde, welke Hij Zich zelven toedraagt, dat
is, onaftnetelijk, oneindig en wezenlijk. Daarom heeft Hij
altijd de zonde mei de schrikkelijkstc straffen vervolgd,
-ocr page 68-
co
BEKNOPTE OVF.RWF.CIS\'GF..V.
zeoals.mct vloeden van water, regens van vuur. aardbcvin-
gen. plagen, en talloozc andere kwalen. Maar dit alles is nog
niets. Opdat God zijnen haat vcor de zonde kunne toonen,
moet er noodzakelijk cene licl zijn, maar zelfs dit is niet
voldoende, want na mjllioenen eeuwen, zal de zondaar, in
die vrceselijke pijnen gedompeld, aan Clotl niet in het
minste, eene geëvenredigde voldoening gegeven hebben.
Om zijnen grooten haat voor de zonde te toonen, en er eene
volledige voldoening voor te ontvangen, ging God zoo ver
dat Hij de zonde strafte in den persoon van zijnen eenigen
Zoon, met Hem tot den dood des kruizes te verwijzen,
alhoewel Hij in Zich van de zonde niets bad dan den schijn :
Ad ostentationem juslüisemse. «Om zijne rechtvaardigheid
te toonen. » Is dit niet genoeg, om u een gedacht te geven
van den haat. dien God de zonde toedraagt.
"2. Overweeg dat God zoodanig de zonde haat, dat al de
eindelooze liefde, welke Hij beeft voor al de goede werken,
die ooit verricht zijn geweest dooi\' de zuiverste zijner schcp-
selen. de aartsvaders, de profeten, de martelaars, gewo-
gen in de schaal zijner rechtvaardigheid, het overwicht
niet zou hebben over den haat. welken Hij eene enkele
uwer zonden toedraagt; zoodat. konde Hij lijden, ééne
uwer zonden Hem meer zou bedroeven, dan al de goede
werken van alle heiligen te zanten, alhoewel nog zoo ver-
heven, Hem zouden verheugen. Bijgevolg, ware het moge-
lijk dat al die goede werken afhankelijk waren van zelfs de
kleinste zonde. Hij nooit kan wenschen, maar wel toelaten,
dat er ééne bedreven worde: ook kan het zijn wil niet zijn
dat. gij dezelve wenscht. Daarom, kondet gij met eene
leugen de bckeering van al de heidenen tot het ware geloof
bekomen, gij moogt toch niet liegen. O ! wat een groote
haat voor de zonde is deze !
?>. Overweeg dat met dezelfde maat. waarmede God de
-ocr page 69-
DONDERDAG IN DE DERDE WEEK NA SINKSEN.             61
zonde liaat, Hij u ook haat, zoo gij een zondaar zijt : Simi-
liter odibiles sunt Deo impius et impietas ejus *
I)c godde-
deloozc en zijne goddeloosheid zijn eveneens hatelijk bij
God. «Vandaar dat het voor u een minder kwaad zou zijn,
eene slang of een wild dier dan een zondaar te zijn, aange-
zien God gecne van zijne schepselen, maar de zonde alleen
haat. Gij zoudt het voor een groot ongeluk aanzien, indien
gij u den haat op den hals moest halen van al uwe kennis-
sen of medeburgers; is het nngtans voor u niet veel erger
een voorwerp van haat voor God eu geheel het hcmelsch
Hof te worden? ïussehen den haal. dien God den zondaar
en de zonde toedraagt, is er niettemin dit verschil, dat de
zonde noodzakelijk en ten allen tijde door God moet gehaat
worden, terwijl de zondaar, zoo hij het verkiest, een voor-
werp van Gods liefde worden kan, met op te honden zon-
daarte zijn, zich zelvcn ie haten, en het kwaad, dat hij
gedaan heeft, van ganscher harte tebcweeneu. Begin dan
u tegen uw wederspannig vlecsch en tegen uwe ongeregelde
driften te verontwaardigen, met dezelve te versterven : gij
zult dan ophouden plichtig te, zijn in de oogen van God en
God zal beginnen u te beminnen. Indien gij reeds van de
goddelijke barmhartigheid de genade bekomen hebt uit den
zondenstaat op te staan, laat niet na den Heer te bedanken
en voor de schulden uwer zonden te voldoen. Gedenk dat gij
inliet religieuze leven geene grootere zekerheid hebt van niet
te vallen, dan Adam in den slaat der onschuld of Lucifer op
zijnen troon in den hemel.
*
-ocr page 70-
62
VRIJDAG IN DE DERDE WEEK NA SINKSEN.
Over de versterving.
Qui simt Christi, carticm snaai cntcifixerunt cum vitiis ctcon-
cupiscentiis
(Gal. v. 24).
Zij die Christus toebehooren, hebben hun vleesch niet zijne
ondeugden en begeerlijkheden gekruisigd.
). Overweeg dat liet toeken ecner bijzondere voorliefde
van Christus jegens u daarin niet beslaat, dat gij een \\von-
derdoener, een groole redenaar of geleerd man zijt, maar
wel in ecne groote versterving; iels waartoe wij allen niet
de hulp Gods kunnen geraken, zoo wij liet enkel willen.
Deze versterving wordt eenc kruisiging genoemd, omdat
zij moot geoefend worden uit liefde tot den Gekruiste, en
niet liet verlangen aan Hem gelijkvormig te worden. Roven-
dicn moet die versterving smartelijk en voortdurend zijn,
evenals de kruisiging van Jesus. die in de uiterste smar-
ten onbewcegbaar op het kruis genageld bleef, totdat Hij
den geest gaf. Overdenk eens wel, of uwe versterving eeni-
gerwijze aan die van Jesus gelijkt, ofwel of zij onstandvastig
is, en of gij dezelve zooveel mogelijk vlucht. Te min gij de
versterving bemint, te min zal Jesus u beminnen.
$. Overweeg dat gij eerst en vooral uw vleesch moet
versterven, om zoo de bijl aan den wortel van al het kwaad
te slaan. Het vleesch is immers de wortel van al de kwa-
len, welke de ziel aanranden : daarom, wilt gij de gene-
zing uwer ziel bekomen, gij moet beginnen met uw vleesch
te bedwingen. Wal lichamelijke boetplegingen verricht gij?
Zijt gij bezorgd om uw vleesch te bedwingen of hetzelve te
vleien? Herinner u ook dat de uitwendige versterving van
het vleesch niet voldoende is, Wat baat het, de oorzaak
-ocr page 71-
VRIJDAG IN DE DERDE WEEK N\'A SINKSEN.             03
van de koorts weg te nemen, zoo de koorts zelf niet ver-
dwijnt? Daarom moet gij bij de uitwendige versterving de
inwendige voegen; dikwijls moet gij de eerste laten varen
om vrijen toom te geven aan de andere, die van veel groo-
ter belang is.
3. Overweeg welke dingen gij door die inwendige ver-
sterving vernietigen moet. Het zijn uwe ondeugden, of in
andere woorden, uwe zonden, en uwe begeerlijkheden, drtt
is te zeggen, uwe driften. Gij moet eerst beginnen met uwe
zonden, met uwe ziel van dezelve te zuiveren, en daarna
met uwe driften, met dezelve in bedwang te brengen. Welke
zijn de driften, die in u de overhand hebben? Zorg dezelve
te kennen met het inzicht dezelve te versterven, opdat,
indien zij moeten leven, zij ten minste aan het kruis gena-
geld leven. Door ondeugden worden eigentlijk niet verstaan
de dadelijke zonden, maar de zonden, welke gij uit gc-
woonte bedrijft. Het is mocielijk met de versterving zoo ver
te komen dat men geene enkele dadelijke, zonde bedrijft;
maar het is zeer wel mogelijk zoo ver te komen, dat men vrij
is van alle gewoonten van zonden. Daarom zijn het bijzon-
der de ondeugden, welke gij met de versterving moet aan-
randen : mogen zij groot of klein zijn. vergenoeg u niet met
dezelve aan het kruis gehecht te laten leven: vervolg ze
totdat zij op het kruis sterven. Met de hulp van Gods ge-
nade zult gij dezen zegepraal over uwe ondeugden bekomen,
zoo gij vast besluit dezelve ongenadig te versterven.
-ocr page 72-
04
ZATERDAG ITS DE DERDE WEEK NA SINKSEN.
Over het vonnis der eeuwige verdoemenis.
Sagiltw tuce transeimt; vox tonitrui tui in rota. (Ps i.xxvi,
18. 19).
Uwe pijlen vlogen daarheen ; do stem uws donders rolde door
hot zwerk.
1.  Overweeg dat dc verschillende kwalen, zoonis ziekten,
beproevingen, en ongelukken, die u on aarde uit de hand
Gods toekomen, als zoovele pijlen zijn. welke God u uit den
hemel toeschiet, of om u te straffen, ot\'oin u ie beproeven.
Deze pijlen zijn bitter, men kan het niet loochenen : scherpe.
pijlen, die ons doorboren en het bloed doen vloeien : maar
liet zijn pijlen, die spoedig voorbij gaan : Sagittè tuxtran-
seutit.
Welk is dan dat schrikkelijk onheil dat nooit eindigen
zal \'.\' Het is dat vrecselijk vonnis, hetwelk Christus inct
donderende stem in de ooren der zondaars zal doen weêr-
galmen, en waarmede Hij hen uit zijne tegenwoordigheid
zal drijven, zeggende : Discedite a me maledicti in ignem
aeternum
(Math. xxv. 41). « Gaat weg van mij. gij ver-
vloekten ! in het eeuwig vuur. » Dit vonnis zal voor alle
eeuwigheid in dc ooren der verdoemden klinken, evenals
helgroot wiel dei\'eeuwigheid immer ronddraait in deszelfs
eindeloozen cirkel. En gij, die zoo bevreesd en met schrik
bevangen zijt voor tijdelijke ongelukken, hoe komt het dat
gij niet ontroerd en ontsteld wordt door het gevaar van de
eeuwige kwellingen, welke u bedreigen.
2.  Overweeg dat dc stem. met welke Christus het vonnis
over de verdoemden zal uitspreken, cene stem des donders
genoemd wordt: Vox tonitrui; want evenals de donder
veroorzaakt wordt door de samenkomst der electrische
-ocr page 73-
ZATERDAG IN DE DERDE WEEK NA SINKSEN.           05
vochten, die in de wolken samcngedrongen zijnde en dezelve
overladen hebbende, eindelijk met gekletter uitbarsten om
hunne macht en woede te tooncn. en allen met schrik te
bevangen : zoo zal ook de stem van Christus op dien dag
eene stem des donders zijn : zij zal zijne rechtmatige ver-
ontwaardiging en wraak aanduiden, die zoolang weerhou-
den en in zijn hart. opgesloten, nu met des te meer geweld
uitbarsten zal over de ongelukkige verdoemden, naarmate Hij
langer uitgesteld heelt zijne gramschap ten hunne opzichte
te openbaren. Die stem zal hen met zulken schrik en angst
bevangen, dat zij de bergen zullen smeeken hen te begraven,
en de afgronden hen in te zwelgen : Ttwui semyer. Mini.
paiiens fui. ut pari wiens lot/uur
(Isai. xm, 14). « Ik heb
altijd gezwegen, ik ben stil geweest, ik ben verduldig ge-
weest, ik zal spreken als eene vrouw die in barensnood is.»
Dus spreekt Hij u door den mond van Isaias, en zoudt gij
nu zoo vermetel durven zijn Hein tot gramschap uit te
dagen? Begin dan ernstig op die stem des donders na te
denken : Discedüe a me maledicti in ignem nierman.
«
Gaat weg van mij, gij vervloekten ! in het eeuwige
vuur ; » om die stem des donders op den laatsten dag niet
te hooren uitbarsten, zult gij volgaarne de kwellingen ont-
vangen, welke de Heer u in dit leven toezendt.
3. Overweeg dat er van de stem van dien donder gezegd
wordt, dat zij in een wiel is in rota. omdat zij de geheele
ronde bevat van de eeuwigheid, die nooit einde hebben zal:
zoodat wanneer millioenen en millioenen jaren zullen ver-
vlogen zijn, er nog altijd meer toekomend zijn. Het wiel der
eeuwigheid, gelukkig of ongelukkig, beweegt zich niet.
Alwie zich eens van boven op het wiel bevindt, zal daar
vooraltijd blijven i die van onder is, blijft voor allijd in de
diepte. Wat zou er van u geworden, zoo gij u onder in dat
wiel moest bevinden : Perditus in aeternum erin (Jercm. i.i.
-ocr page 74-
66
BEKNOPTE OVERWEGIKGRX.
16), « Gij zijt verloren in der eeuwigheid. » De tijd zal
rond draaien, maar niet liet lot van hem, die geen tijd meer
heeft om goed te doen. Zorg dan u in veiligheid te stellen,
met het goed te doen, terwijl gij nog tijd hebt.
VIERDE ZONDAG NA SINKSEN.
Over de wonderbare vischvangst.
Per totnm noctem laborantes nihil cepimus (Luc. v. 5).
Den gansehen nacht dooi1 hebben wij gearbeid, en niets
gevangen.
1. Overweeg wie degenen zijn, die in den nacht dezer
wereld veel arbeiden, maar zonder vrucht. Het zijn in hel
bijzonder de religieuzen, die zich bezig houden met wereld-
sche zaken en ondernemingen, tegenstrijdig aan hunnen
staat; het zijn degenen, die zich toeleggen op de studie,
het prediken, en andere bedieningen, die overigens goed
zijn, maar niet verricht worden met het inzicht om God te
dienen, maar enkel uit mehschelijke beweegredenen, om
geacht en toegejuicht te worden, of om een verhevener ambt
of grooter gemak te bekomen. Het zijn eindelijk (liegenen,
die hunne werken, zoo goede als onverschillige, als het
ware. in den duistere verrichten, zonder zich eenig deugd-
zaam en lofwaardig einde, vooroogen te stellen. Alle dezen
zullen, nadat de nacht van hun leven voorbij is, zien, dat al
hunne moeite, al hun arbeid vruchteloos is geweest, en is
gelijk een pijl. die het schijf niet raakt, en wat nog erger is,
enkel geschikt is voor brandhout, om het vuur te voeden :
Labores populorum ad nihilum, el gentium in igneni
(Jer. li. 58). « De Wérken der volkeren zullen tot niets
-ocr page 75-
07
VIF.RDE ZONDAG NA SINKSEN.
vergaan, en die der heidenen zullen in het vuur gaan* »
Keer in u zelven, denk op de wijze, waarop gij uwe wer-
ken verricht, om ecu zoo groot verlies niet te lijden, en u
zelven niet onherroepelijk te leur gesteld te zien.
2.   Overweeg wat de Heer aan den H. Petrus zegde, om
hem in staat te stellen eene overvloedige vischvangst te
doen, na den geheclen nacht door vruchteloos gevisclit en
gearbeid te hebben : Duc in altum. « Steek af naar de
diepte. » Hij zegt hem zich van den oever te verwijderen,
en verder in de zee te gaan. Hetzelfde moet gij ook doen,
indien gij met vrucht wilt arbeiden : gij moet u onthechten
van alle aangekleefdheid aan aardsche en vergankelijke
goederen, en uwen geest verheffen tot de beschouwing der
hemelsche en eeuwige waarheden. Zoolang gij meluwe
gevoelens aan het tegenwoordige vastgekleefd blijft, en op
het toekomende niet denkt, zult gij nooit uwe gedachten
tot God. of tot het bekomen der zelfstandige goederen des
hemels kunnen verheffen : maar gij zult in at uwc wei ken
altijd de oogen van uwen geest gevestigd houden op aard-
sche einden, zooals, eer, genade en wereldsche voordeden :
allen laboresad nihilum, « Werken die tot niets vergaan. »
Daarom, duc in altum. « Steek af naar de diepte, » verhef
uwe gedachten, uwc inzichten, en uwe gevoelens tot God en
den hemel.
3.   Overweeg dat Pcirus eene zoo overvloedige visch-
vangst deed, omdat hij zijne netten uitwierp in den naam
des Hccren, en op zijn bevel. Ziedaar het middel om u rijk
aan verdiensten te maken en met vrucht te arbeiden ! Dat
al uwe werken geregeld wezen door de gehoorzaamheid, en
door de schikkingen en voorschriften van uwe regelen ; dat
al uwe werken, zelfs de onverschilligste, geschieden in den
haam des Heeren en tot bevordering zijner glorie : Omne
ilitodcumque facitis in verbo et in opere, omnia in nomine
-ocr page 76-
68
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
DominiJem Christi facite (Col. 111. 17.) « Al wat gij doet
in woord of werk, doet liet alles in den naam van den Heer
Jesus Christus. » Zoo doende zullen uwe moeiten u cenc
overvloedige vangst opleveren voor de eeuwigheid.
MAANDAG IN DE VIERDE WERK NA SINKSEN.
Over de lielooning beloofd aan degenen, die volharden,
Bonum facientes non deficiamns; tempore enim suo metcmus
non (
leficient.es (Gal. vi, \'.)).
Laat ons in hot goede te doen niet moede worden ; want te
zijner tijde zullen wij maaien, indien wij niet moede worden.
1. Overweeg dat alwie het geestelijke zaad zaait zhh
op eene zoo groote winst mag verwachten, dal hij gee:i tijd
mag verliezen noch moede worden, (lij licht misschi.m uwc
kloosterlijke loopbaan zeer jong begonnen : ga v.ort met
uw werk. alhoewel gij nu gevorderd in deugd en jaren
mocht wezen : Mane semina seinen tuum, et vespere non
cesset manu» tua
(Ecele. xi. f). > Zaai uw zaad des mor-
gens, en laat uwe handen niet rusten des avonds. » Laat u
niet overwinnen door verveling en afkeer, want qui parce
seminat. parce et metet
(5 Cor. ix. (i). « die spaarzaam
zaait, zal ook spaarzaam maaien. » Wat daarom die goede
werken van versterving en boetvaardigheid, van liefde en
godsvrucht aangaat, gij kunt niet te zorgvuldig zijn om in
de oefening derzelve met ernst en vreugde voort te gaan ;
bonum facientes non deficiamus. « Laat ons in het goede te
doen niet moede worden, » want indien gij nalaat te zaaien,
zult gij zeer gemakkelijk alles verliezen.
-ocr page 77-
MAANDAG IK DE VIERDE WEEK NA SINKSEN.             C9
2.  Overweeg\' dat er niets meer geschikt is om de moeiten
van den armen landbouwer te verzachten, dan het gedacht
aan den toekomenden oogst. Met hoeveel te meer reden moet
gij u dan aanmoedigen om de moeiten van goede werken voort-
durend te verdragen door de gedachten der belooning. welke
u te wachten staat ? Het loon. dat gij in de eeuwigheid voor
uwe goede werken ontvangen zult. zal een oogst wezen van
glorie en geluk, die nooit einde hebben zullen : Metetvitam
ader nam.
Nu indien de opbrengst eeuwig duurt, is het dan
juist en redelijk dat gij. gedurende de weinige dagen levens,
welke God u schenkt, door verveling ot\' moeite de hand van
het begonnen werk aftrekt. De landbouwer moet tijdens den
zaaitijd zwaar arbeiden, en wanneer hij inhaalt, verheugt
hij zich, doch dan ook moet hij werken. Gij, integendeel,
hebt slechts voor een korten tijd te arbeiden in liet zaaien,
en zult u verheugen in het maaien zonder ooit moede te
worden : Qui seminant in lamjmis, in exultatione metent
(Ps. cxxv, 5). Die niet tranen zaaiden, zullen maaien met.
gejuich.
3.  Overweeg dat. om dien gelukkigen oogst te bekomen
in de andere wereld, wiens verwerven niet zeker is. maar
die overvloedig zijn zal. bet noodig is, niet alleen het zaad
van goede werken aanhoudend uit te werpen, maar
hetzelve te beschermen tegen de roofvogels, evenals een
zorgvuldige zaaier doet. die later het zaad bedekt. Dit
doen de ootmoedigen. Dezen zijn bezorgd om het goede, dat
zij doen, te bedekken, terwijl de ijdelen zoeken, dat hunne
goede werken gezien worden, en bijgevolg, verliezen zij al
hunne verdiensten niet, zij verliezen er ten minste een groot
gedeelte van. Seminasti miiUnm et inlulisti puriim
(Ag. i, 0). « Gij hebt veel gezaaid en weinig ingehaald. »
Indien gij veel wilt winnen met het goede dat gij doet,
verberg het, wanneer gij verplicht zijt het te verbergen en
-ocr page 78-
70
BEKKOPTP. OVERWEGINGEN.
het te beveiligen tegen gedachten van ijdele glorie : deze
zijn immers de vogels, die liet opeten : Yolucres cmü comc-
derunl illud
(Luc. vm, 5).
DINSDAG IN DE VIEP.DE WEEK NA SINKSEN.
Over het bijzontier oordeel.
Quül faciam citin surrexerü ad jwlicandum Deus, et cum
queesierit, quidrespondebo UU?
(Job. xxxr, 14).
Wat zal ik doen als God zal opstaan om te oordoelen ; en als
hij vragen zal, wat zal ik hom antwoorden i
1. Overweeg dat dezelfde Jesus, die op aarde gekomen,
zijn laatsten druppel bloed voor uwe zaligheid vergoot, en
nu gezeten aan de rechterhand zijns Vaders uw Voorspre-
ker is, op het oogenblik uws doods zal opstaan, en u te
gemoet komen, niet als Voorspreker, maar als uw opperste
Rechter. Wat zal er dan van u in dat uur geworden, nadat
gij een zoo machtigen voorstander verloren hebt. Al het
goed, dat gij nu geniet, al het geduld, dat de goddelijke
rechtvaardigheid ten uwen opzichte toont, gij hebt het te
danken aan de voorspraak van Jesus. Maar in het laatste
uur, bij uwen dood, zal Jesus het ambt van bemiddelaar
en voorspreker neerleggen, en gij zult Hem veranderd zien
in eenen onherroepelijken Rechter ; ecnen Rechter, die wel
bekend is met el uwe gedachten, al uwe woorden, en al uwe
werken, omdat Hij alles gezien en gehoord heeft, en bij
alles tegenwoordig geweest is. Wat zult gij doen bij eene
verschijning, die voor u zoo noodlottige gevolgen hebben
kan?
-ocr page 79-
DINSDAG IN DE VIERDE WEEK NA SINKSEN.           71
5. Overweeg welke gedragslijn gij onder die schrikkc-
lijke omstandigheden aannemen kunt. Zult gij zoeken Hem
te bedaren, of uzelven te verontschuldigen? Gij zult er niet
in gelukken Hem te bedaren .het is dan geen tijd voor smee-
kingen, maar voor straf. Hij is een rechter, die, naarmate
Hij al de dagen uws levens langmocdiger was, nu des te
onmeedoogender zijn zal: er valt dan ook niet te hopen
vergiffenis te bekomen of zijne gramschap te bedaren, die
te recht de gramschap van het Lam genoemd wordt, om te
tooncn, dat zij onverzoenbaar wezen zal: Abscondite nos ab
ira agni
(Ap. vi, 16). «Verbergt ons voor den toorn des
Lams.» Denk dan dikwijls op hetgeen gij doen zult ? Quid
faciea ?
Zult gij misschien beginnen te bidden dat de lier-
gen u mogen verpletteren en u in het diepste der aarde
begraven om u voor zijnen toorn te verbergen ? .Maar wat
zal het u balen ? Gij moet toch het omstandig verhaal van
de geringste bijzonderheden van uw leven aanhooren, om
het eindelijk vonnis, dat er van afhangt, van zijne godde-
lijkc lippen te ontvangen.
3. Overweeg dat gij u in dat schrikkelijk uur niet zult
kunnen veuledigen of verontschuldigen : u niet verdedigen,
want uwe zonden zullen te klaar en zeker zijn ; u niet ver-
ontscbuldigen, want de voorwendselen uwer zonden zouden
zich lot deze twee bepalen, namelijk : onwetendiicid en
zwakheid. Maar wat onwetendheid kunt gij voorgeven, gij,
die in de kerk van Christus opgebracht zijt, en in den
religieuzen staat geleefd hebt, in eeneu overvloed van heil-
zame verlichtingen, goede voorbeelden, en zalige leeringen 1
Hebt gij uwe oogen gesloten om dat helder licht niet te zien?
Uwe onwetendheid zal u een des te strenger vonnis op bet
hoofd trekken. Zult gij misschien uwe zwakheid bijbren-
gen ? Maar hoe kunt gij dat. aangezien uwe zwakheid uwe
eigene verkiezing was, daar gij de geschikte hulpmiddelen
-ocr page 80-
72
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
niet wildot gebruiken, u aan God niet aanbevelen doorliet
gebed, uwc regelen niet onderhouden, n niet laten geleiden
door de gehoorzaamheid, n niet verwijderen van de gelegen-
lieden van zonde en gevaarlijke afgronden\'.\'Hoedanig zal dan
uwe geinoedsgesleltenis zijn. wanneer gij u veroordeeld ziet
om voor uwe zonden te voldoen in het vuur — veroordeeld
door Hem, die op liet kruis zijn laatstcn druppel blosd voor
u vergoot, en nu gezeten aan de rechterhand des Vaders,
nooit opgehouden heeft voor u te bidden en ten beste te
spreken, als uw goedhartigste voorspreker?
WOENSDAG IN DE VIERDE WEEK NAAMSEN.
Over liet betrouwen op God ten tijde van geestelijke
dorrigheid.
Si moram freeril, expecla ülwn, quia vcniciis veniet et non
tardabit
(Hab. n, 3).
Indien Hij toot\'t verwacht het, want het zal weldra komen en
niet toeven.
1. Overweeg dat eene der grootste moeielijkheden in den
dienst van God schijnt te bestaan, iu nooit van zijne, voor-
zieuiglieid te wantrouwen tijdens tegenspoed, geestelijke
dorrigheid of\' inwendige duisternis, bijzonder wanneer deze
beproevingen ons konden doen gelooven. dat Hij zich geheel
aan ons onttrokken heeft. Zoolang wij zijne goddelijke tcgen-
woordigheid genieten, is het gemakkelijk goed te doen,
maar het is zeer moeielijk. wanneer wij. om zoo te
spreken, in den duistere gelaten worden. Bevindt gij u in
dien toestand, wees verzekerd dat de Heer uwe standvastige
-ocr page 81-
WOEXSDAG IN DE VIERDE WEEK NA SINKSEN.           73
heul wil beproeven. Daarom zegt Hij u Hem geduldig af\' te
wachten, omdat Hij zeker komen zal. Daardoor wil Hij dat
gij uwen j>ost nTet verlaat, maar voortgaat, gelijk vroeger,
in de oefeningen van uwe gewone goede werken, zooals.
het gebed, de H. Communie, boetplegingcn, en de klooster-
lijke regeltucbt. alhoewel gij er geen behagen of voldoening
meer in vindt. O! hoc verdienstig is eene dergelijke stand-
vastigheid ! Dit is inderdaad God om God dienen.
1. Overweeg dat deze standvastigheid moet gepaard
gaan met eene groote langmoedigheid : het is immers niet
«moeiclijk dezelve voor eenigen tijd te oefenen, maar op den
duur wordt liet zeer lastig. Daarom wordt er u gezegd :
Simnram fecerit, cvjiecta Mum. « Indien Hij toeft, ver-
wacht Hem. » Het schijnt u dat Hij traag is om weder te
keeren. alhoewel gij het uwe gelooft te doen, zoo goed gij
kunt, met Hem te bidden en te smeeken, en Hem door uwe
gebreken en onvolmaaktheden gecne gelegenheid te geven
Zich aan u te onttrekken, en nogtans begunstigt de Heer
u niet met zijne tegenwoordigheid. Doch twijfel niet, Hij zal
eindelijk terug komen, en naarmate het uitstel, zult gij
zijne tegenwoordigheid genieten. Dit zal eene aangename
belooning zi\'n voor uw lang wachten met een levend geloot
en dan zult gij van ganscher harte kunnen uitroepen :
Lsetati sumus pro diebus quibus nos humiliasti : annis
quibus vidimus makt
(I\'s. i.xxxtx. 15). « Wij verheugen
ons naar het getal der dagen, dat Gij ons hebt vernederd,
naar de jaren, dat wij \'t kwade ondervonden. «
3. Overweeg dal, zoudet gij zelfs uwen Heer moeten
afwachten al de dagen uws levens in eenen staat van geeste-
lijke dorrigheid en mistroosting. hetgeen eventwel zeer zel-
den gebeurt, gij toch zult ondervinden dat Hij met u is in
hei uur des doods. O ! dan zal Hij voor uwe oogen zijne
schoonheid ontsluieren, u bijstaan, en u doen gevoelen dat
-ocr page 82-
7-1
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
Hij u altijd meer beminde dan gij liet zelfs verhopen kont!
Deze is gewoonlijk de belooning voorhehouden voor hen, die
den Heer getrouw gediend hebben ten tijde van mistroos-
ting en beproevingen, namelijk, sterven te midden van de
grootste zoetigheid : in osculo Domini, in de zoele omhel-
zingen van Jesus, en in dien oogenblik zien verdwijnen
alle angstvalligheid en twijfelachtiglieden. Mogelijk zijt gij
den dood zeer nabij : wat zal er van u geworden, zoo gij
intusschen onstand\\astig wordt ?
DONDElïDAG IN DE VIERDE WEEK NA SINKSEN.
Over de kwade gevolgen van kleine fouten te minachten.
Quispernit modica, paulatim decidet (Eccli. sis, 1).
Die het kleine versmaadt, gaat allengskens ten gronde.
1. Overweeg dat de Heer hier niet zegt dat alwie dage-
gelijkschc zonden bedrijft, allengskens in doodzonden zal val-
len, maar Hij zegt dat van alwie dezelve versmaadt, en zich
geene moeite geelt om dezelve te vermijden alsof zij in de
zaak zijner zaligheid van geen gevolg waren. Indien gij u
toevallig in dien bedriegelijken toestand bevindt, dan loopt
gij bet grootste gevaar van uwe ziel te verliezen. Herinner
u dal deze de onfeilbare woorden des Heeren zijn, dat al-
wie de kleine zonden minacht, allengskens in grove zonden
zal vallen : Paulatim decidet, dat is, gelijk de H. Thomas
zegt, a probitate et a statu gratia; « Hij zal afvallen van de
gerechtigheid en den staat van genade. >< Wat baat het een
schip in de opene zee, dat de spleten maar klein zijn, indien
zij niet nagezien worden : hel zal ondergaan, juist alsof
-ocr page 83-
DONDERDAG IN DE VIERDE WEEK NA SINKSEN.         75
het groote openingen waren? Zoo zal het ook inetu gaan,
indien gij de kleine fouten versmaadt.
"2. Overweeg dat gij, niet goen werk van kleine fouten
te maken, u terzelfder tijd een tweevoudig nadeel toebrengt.
Ten eerste, gij verliest trapsgewijze de vrees, die u van
groote fouten weerhoudt: want.aangezien kleine zonden niet
oogenblikkclijk hunne slechte gevolgen doen zien, gelijk de
doodzonden, maar enkel gelijk eene stompe vijl. nadat zij
eenigen tijd aan het wfirk geweest zijn, worden zij aanzien,
als van geen gevolg zijnde. Zoo ook gaat er de mensch zoo
lang in voort, totdat zij hem den dood veroorzaken. Wij
gaan daarmede te werk gelijk met het vergif: wij schuwen het
vergif, dat terstond doodt, maar bedienen ons greetiglijk
van zekere vergiftige stollen, die op den duur den dood ver-
oorzaken. Het tweede nadeel, dat de dagelijksche zonde ons
toebrengt is dat, terwijl wij het kleine minachten, de nei-
ging van onze bedorvene k\'geerlijkheid lot het kwaad gedu-
rig toeneemt: te meer wij haar toelaten, te meer zij cischt,
evenals het vuur, dat, te meer brandstollen men er op-
werpt, te heviger wordt, en nooit verzadigd is. Zoo ook de
ziel, niet tevreden met het genoegen, hetwelk zij schept in
dagelijksche zonden, zoekt er grooter in de doodzonden. Om
daarin te gelukken vraagt de duivel van u in het begin niets
anders dan toestemming aan eenig klein kwaad, omdat hij
daardoor gemakkelijker den weg opent en bereidt voor de
doodzonde. Wat doet gij dan, wanneer gij zoo gewillig toe-
geeft aan de eerste aanvallen des duivels, en van uwe be-
geerlijkheid, die gevaarlijker is dan alle duivelen?
3. Overweeg dat het niet zoo zelden, als gij u misschien t t
wel inbeeldt, in het klooster gebeurt, dat men in zake vairs^* *
zonde, van het kleine tot het groole overgaat. wantjU^"^
straft dikwijls kleine zonden, met aan de ziel loe te-lnten
             t*p
in grootere te vallen, en dit
nadat Hij gezien Reeft dat • ^\\
sty \':* v^
-ocr page 84-
70                              BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
heilzame vermaningen niet \'meer helpen, en de dagelijksche
zonden vermeerderen, zonder dat men er acht op geelt. Zeg
niet dat uwe zonden niet groot zijn, hun getal maakt ze
op het einde onverdraagzaam in de oogen van God. Ik.
geel\' u toe dal uwe zonden niet groot zijn, maar zij zijn
toch al te menigvuldig. Droog hooi is licht: maar wanneer
het in overgroole hoeveelheden opeen gestapeld is, gelijk
in den hooitijd. dan kraken de wagens meer onder het hooi,
dan onder ecne vracht steencn. Het schijnt dat de H. Geest
op deze menigte dagelijksche zonden wilde zinspelen, wan-
neer Hij zegt hij den proleet Amos : Ecce strideo subter
vos, mul stridcl plaustrum onustum fceno
(Amos n. 13).
« Zie, ik zal onder u kraken, gelijk een wagen met hooi
geladen kraakt. » Indien de lieer dan zich beklaagt dat gij
Hem zoodanig met geringe fouten beleedigt, wat wonder,
dat Hij u beroofl van zijne bescherming, en u dien bijzon-
deren bijstand ontneemt, zonder welken gij weldra zijne
genade zult verliezen, en in doodzonde vallen.
-ocr page 85-
77
VRIJDAG IN DE VIERDE WEEK NA SINKSEN
Over de eeuwige bclooning voor de kortstondige
beproevingen van dit leven.
ld quod in prwsenti est momentaneuni et leve tribulationis
noslrce, svpra modum in sublimitale eeternum gloria;pondus ope-
ratur in vobis
(2. Cor. iv, 17).
Onze tegenwoordige kortstondige en lichte verdrukking be-
werkt in ons een bovenmate uitnemend eeuwig gewicht van
heerlijkheid.
1.  Overweeg dat de Apostel kortstondig en licht noemt al
wat gij nu te lijden hebt: want aanschouwt gij de beproevin-
gen, die voorbij zijn. zij doen ugeen pijn meer; slaat gij uwc
oogen op uwe tegenwoordige kwellingen, wat zijn zij tencin-
de? Momentaneum et leve « kortstondig en licht ». Het zijn
wel is waai\', geene vermaken, maar zij zijn kortstondig.dat
is, van korten duur in zich zelven, en korter nog in vcrgelij-
king met de eeuwigheid. Zij zijn tevens ook licht in verge-
lijking met de schulden, die gij voor uwe zonden te betalen
hadt; licht ook. indien gij in acht neemt de overvloedige
genaden, die gij ontvangen hebt om dezelve te verdragen;
licht eindelijk in vergelijking met de belooning, die u te
wachten staat, indien gij dezelve met geduld verdraagt.
Breng u deze waarheden te binnen in uwe tegenwoordige
kwellingen, en gij zult ze dan aanschouwen voor wat zij
inderdaad zijn, kortstondig en licht.
2.  Overweeg wat groot goed u uw aandeel van verdruk»
king zal bijbrengen. Het zal een goed zijn sitpra modum,
« boven maat, » zoodat het uwe verdiensten ver overdrett;
in sublimitale, uitnemend, omdat het niet onderworpen is
aan de wisselvalligheden van deze ellendige wereld; maar
5
-ocr page 86-
78                              BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
onverstoorbaar, onveranderlijk en eeuwig. De glorie des
hemels wordt genoemd : glorise pondus « een gewicht van
heerlijkheid, » niet dat het voor de gelukzaligen een last
of oor/aak van verveling worden kan. maar omdat de gc-
neugten, die zij inhoudt, zoo overmate groot zijn, dat de
vermogens van onze inenschelijke natuur er zouden door
verpletterd worden, waren zij niet versterkt door het licht
der glorie. Verhef dan dikwijls uwen geest tot de beschou-
wing dezer eigenschappen van de eeuwige glorie, om u aan
te moedigen op aarde alle verdrukkingen met geduld te
verdragen; en herinner u dat de glorie, die u te wachten
staat, overvloedig, onveranderlijk en eeuwig is.
3. Overweeg wat er van de verdrukking gezegd wordt,
namelijk, dat zij in u zelven uwe toekomende heerlijk-
heid bewerkt, niet als ecne natuurlijke en werkende, maar
alseene zedelijke en verdienstelijke oorzaak, opdat gij zondt
verstaan dat de eeuwige glorie niet ecne loulere gift. maar
cene belooning is, overvloedig als zij ook is. Beeld u daarom
in dal, evenals God Adam in het aardsche Paradijs plaatste :
ut operaretur illum (Gen. n, 15), « opdat hij hel bebou-
wcn en bewaren zou, » Hij u zoo ook geplaatst heeft te
midden uwer beproevingen, vernederingenen ziekten, met
het inzicht, in u een nog edeler Paradijs te bereiden. Laat
daarom den Heer met u handelen naar zijn goeddunken, te
meer verdiensten gij uit uwe beproevingen trekt, des te
grooter zal uwe belooning zijn. Zou hel geen uitzinnige
landbouwer zijn. die met zijnen opziener misnoegd is, omdat
deze zijn land mishandelt, daar hij hel met ploeg en eg
opbreekt?
-ocr page 87-
•
79
ZATERDAG IN DE VIERDE WEEK NA SINKSEN.
Over den scliielijken dood.
Stutte, hac nocte repetunt animam tuam a te; quee autcm pa-
rasti, cujus erunt ?
(Lue. xu, 20).
Gij dwaas ! in dozen nacht eiseht men uwe ziel van u op ; en
wat gij bereid hebt, voor wien zal het zijn \\
1.  Overweeg dat Christus dwaas noemt dien rijke, wien
de wereld, niet zonder nijd. voor wijs en voorzichtig zou
gehouden hebben, omdat liij. na een overvloediger oogst
ingezameld te hebben, bij zicli zelven dacht, hoe hij hem
best kon bewaren, ener voor een langen tijd genot van heb-
ben, in annos plurimos. Maar door den Heer wordt hij een
dwaze genoemd, omdat hij niet erkende, dat hij aan God alles
verschuldigd was, en er Hem bijgoolg ook geencn dank voor
betuigde, maar enkel dacht het alles te benuttigen voor het
welzijn van zijn lichaam, zonder acht te geven op zijne
ziel. Ga nu een weinig na. hoeveel uitzinniger iemand te
werk gaat, die. na aan de wereld vaarwel gezegd, en alle
aardsche goederen verlaten te hebben, om zich enkel bezig
te houden met de hemelsche, noglans met de goederen van
dit voorbijgaande leven, die niets waard zijn. ingenomen
is, en de eeuwige en eenig belangrijke goederen verwaar-
loost. Zorg dat gij onder die uitzinnigen. wier getal schier
ontelbaar is, niet gerekend wordt: stuUorum infinitus est
numerus.
2.  Overweeg den ellendigen toestand van dien dwaze
van het Evangelie, die in den naeht zelven, dat hij nieuwe
plannen maakte, hoe bij best zijn inkomen kou besteden,
de aanwijzing hoorde dat zijne ziel het lichaam verlaten
moest : Hac node animam tuam repetunt a te, « in dezen
nacht cischt men uwc ziel van u op. » Merk op, dat er niet
-ocr page 88-
•
80                                 BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
gezegd wordt peturU « men vraagt » maar repetunt « men
eisclit op j> om aan te duiden dat liij reeds te voren meer-
malen gewaarschuwd was. door een inwendig voorgevoel,
en de voorbeelden van zoovele anderen, die een ouvoor-
zienen dood gestorven waren, en die hem allen vermaan-
den zich voor den dood bereid te, houden. Hoe dikwijls hebt
gij niet gezien en gehoord dat sommige van uwe kennissen,
vrienden en gezellen onverwachts gestorven ïijn : dit was
telkens eene vermaning voor u om immer voor den dood
bereid te zijn: en nogtans denkt gij er niet op en maakt gij
er geen werk van.
\'S. Overweeg wat verwijt dezen rijke toegestuurd werd :
El qua.\' parasti cujus muit. « en wat gij bereid hebt. voor
wien zal het zijn ? » Dit verwijt moest hem dubbel bitter
zijn : ten eerste, omdat hij nu zag verdwijnen al die goc-
dcren, welke hij ten koste van zooveel zweet en zorgen
voor het welzijn van zijn lichaam vergaderd had; ten
tweede, en veel meer. omdat hij zich berooid zag van die
goederen, welke bij in zijn leven verwaarloosde, en hem nu
in het uur zijns doods voor het welzijn zijner ziel zoo
dienstig zijn zouden. Begin dan ernstig na te denken op het
ééne belangrijke, indien gij een dergelijk verwijt niet ver-
dienen wilt. Wat zullen u uwe studiën, uw arbeid en uw
zweet, die niet God, maar bet bekomen van ecnig tijdelijk
goed voor doelwit hadden, baten ? Wat. zullen die eerambten
u balen, welke gij bekwamt ten koste van de onderhouding
uwer regelen ? Wat zal u het gemak baten, dat gij met
zooveel verstrooidheid van geest nagejaagd hebt ? Wal zul-
len u die bijzondere vriendschappen zoo binnen als buiten
huis baten, welke gij aanknoopte! ten nadeele van uwe
ziel ? God geve dat gij u niet afmat om u zelven arm te
maken! Wat voorde zaligheid der ziel niet diensügis.is voor
niets goed. Eene zaak alleen is belangrijk, — de gedachte
van het eeuwige.
-ocr page 89-
SI
VIJFDE ZONDAG NA SINKSEN.
Over de volmaaktheid, welke Jesus van ons vraagt.
Nisi abundaveritjustilia vestraplus quam scribarwn el phari-
seorum non intrabüis in regnum ccelorum
(Matth. v. 20).
Indien uwc gerechtigheid niet overvloediger is dan die der
schriftgeleerden en Phariseërs, zoo zult gij in het rijk der
hemelen niet ingaan.
1. Overweeg dat de Heer met recht grootere volmaakt-
lieid vereischt in de onderhouding van de evangelische wet,
dan iu die van Mozes. Deze was eene onvolmaakte wet, en
aan een volk gegeven, dat leefde in eenen staat van slaafsche
vrees, en aan hetwelk slechts aardsche goederen beloofd
werden: Niku ad perfedum attitu.iïl let (Hebr. vn, 19).
« De wet heeft niets tot voltooiing gebracht. » De Evan-
gelische wet. integendeel, is verhevener en volmaakter; zij
geeft klaardere verlichtingen, en eenen krachtdadigeren
bijstand der genade ; en daarom eisclit zij grootere vol-
maaktheid, niet alleen voor wat de uitwendige werken aan-
gaat. maar ook voor de inwendige gesteltenis der ziel.
Indien dan de christenen tot grootere volmaaktheid gehou-
den zijn onder de wet van het Evangelie, dan de joden
onder de wet van Mozes: hoeveel grootere verplichting heb-
ben dan de religieuzen om volmaakter te zijn dan de we-
reldschen, aangezien zij zooveel meer verlichtingen en
hulpmiddelen hebbén ? Bijgevolg, het weinige goed, dat
voor de wcreldschen genoeg is om zalig te worden, zal
zeker voor u als religieus niet voldoende zijn. Wordt gij
niet schaamrood bij het aanschouwen van zoovele wereld-
schen, die u in deugd ver overtreffen ? Vrees, dat de Heer
uwe ondankbaarheid niet straffe.
-ocr page 90-
82                              BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
1. Overweeg in welke punten bijzonder de Evangelische
wet grootere volmaaktheid van de christenen vraagt. Bo-
venal in de liefde jegens den naaste, want indien de wet van
Mozes verbood zijnen naaste te benadcelen in zijn leven en
in zijne goederen, de wet van het Evangelie verbiedt, niet
alleen hem te mishagen met beleedigende en verachtende
woorden, maar in zijn harl cenig gevoelen van kwaadwiU
ligheid of gramschap te voeden : Qui irascitur fratri suo,
reus erü judicio.
(Matlh. v. c>2). « Al wie zich vertoornt
op zijnen broeder, zal schuldig zijn voor het gerecht. » Nu.
indien dit alles reeds van de wereldschen gevraagd wordt,
hoeveel gestrenger zal het van de religieuzen geeïschl wor-
den \'.\' O, hoezeer bedriegt gij u. indien gij onder het getal
dergenen zijt. die min bevreesd zijn voor de fouten tegen
de liefde, en er min werk van maken dan van de andere,
tevens gevoelens van bitterheid in luiii hart voedende, zon-
der er zich geheel en al van te willen ontmaken!
3. Overweeg met welken nadruk de Heer op zijn gebod
steunt, dat gij elk niet welwillend gevoelen tegen uwe broc-
ders uit uw hart verbant, en de liefde ongeschonden be-
waart, aangezien Hij wil. dat, gingt gij Hem eene gift op
het altaar offeren, ja zelfs het H. Misoffer opdragen, en u
herinnert uwen broeder eenig ongelijk aangedaan te heb-
ben, of tegen hem in uw hart wrok te dragen, gij het offer
daarlaat, en u eerst gaat verzoenen met uwen broeder,
niet alleen inwendig maar ook uitwendig: en dat gij
dan terugkeert om uw offer op te dragen. Hij toont u
daardoor dat Hij vuriger verlangt, dat gij dien akt van
liefde jegens uwen broeder verricht, dan Hem dien akt
van eer bewijst, welke Hem toekomt. Is dit alles niet
voldoende, om u eene grootere achting te doen opvatten
"\\oor de eendracht en de liefde jegens uwen naaste, dan
voor elke andere deugd ?
-ocr page 91-
83
MAANDAG IN DE \\IJFDE WEEK NA SINKSEN
OTer het laatste oordeel.
Venii hora, in qua omnes, qui in monumentis sunt, audicnt
voccm filii Dei, et procedent, qui bona fecerunt, in resurrtc-
lioncn vi/ce, qui vero mala, in resurrcclionem judicit
(Joan
v. 28.29).
Hot uur komt, waarin allen, dio in de graven zijn, de stem
van den Zoon Onds zullen hooron, en zij zullen uitgaan : die het
goede gedaan heblien, tot de opstanding des levens ; maar die
het kwade gedaan hebben, tot de opstanding des oordeels.
1.  Overweeg lioe krachtig de groote trompet van den
aartsengel Michaé\'1 in aller ooren zal klinken, de dooden uit
hunne graven opwekken, en hen dagen om in de vallei van
Josaphal te verschijnen. Men maakt gebruik van de trom-
pet voor twee redenen, om groote feestvieringen op te luis-
teren, en om ten tijde van oorlog de krijgslieden tot den
strijd te roepen. Zoo zal ook de trompet van don aartsengel
aan dat tweevoudig einde beantwoorden. Het zal een teeken
van oorlog zijn voor de verworpenen, en van feestviering
voor de uitverkorenen. Voor degenen, die nu de stem, met
welke de Heer hun in zijne ingevingen toespreekt, of de
woorden zijner dienaars, niet willen aanhooren. zal de trom-
pet op dien laatsten dag eene oorlogsverklaring wezen. Voor
degenen, die nu voor de stem des Meeren hunne ooren niet
stoppen, zal die trompet onuitsprekelijke vreugde verkon-
digen. O gij ongelukkige, indien gij nu de stem uws Heeren
veracht ; schrikkelijken angst za! het geschal dier trompet
in u verwekken !
2.  Overweeg dat al de dooden bij die uitdaging uit hunne
graven zullen opstaan : grootenen kleinen, rijken en armen,
geleerden en ongeleerden, Doch met wat oneindig verschil?
-ocr page 92-
84                              BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
De uitverkorenen zullen opstaan niet hunne lichamen, die
niet meer zwak zullen zijn en de gevolgen hunner strenge
boetvaardigheid niet meer zullen dragen, maar schitterend
van glorie en schoonheid zullen wezen. De verdoemden inte-
gendeel zullen opstaan met hunne zoo afschuwelijke en stin-
kende lichamen, dat de aanneming derzelve een groot ge-
deelle hunner straf zal uitmaken. Bij het aanschouwen van
die groote verandering in hunne lichamen, wat verschillende
gesteltenis zal dan ook bezit nemen van die zielen ? Hoe zul-
len dan de verdoemden de onbeteugelde liefde verwenschen,
welke zij hunne lichamen toedroegen? Hoe zullen dan de
uitverkorenen zich verheugen over de boetplegingen, die
hun dikwijls zooveel te lijden gaven ? Nog veel indrukwek-
kender zal de scheiding door de Engelen, der goeden van de
kwaden zijn: Exibunt angeli, et separabunt molos de
medio justorum
(Matlh xm, 49.) •> De Engelen zullen uit-
gaan en de boozen afscheiden uit. het midden der rechtvaar-
digen. » De goeden zullen omhoog verheven worden om
Christus te gemoet te gaan : Obviam Christo in aëra
(1 Thess. iv. IC); de boozen zullen van onder blijven met
het uitvaagsel van het heelal. Wat geween ! Wat knersing
der tanden ! Wat gekerm en gehuil van hen, die op aarde
gewoon waren boven anderen verheven te zijn en te gebic-
den, en die zich op dien dag zoo diep vernederd zullen zien!
Denkt gij het dan niet raadzamer, aanziet gij het niet voor
een groot geluk, nu een leven te leiden van ootmoedigheid
en boetvaardigheid, ten einde op dien schouwburg den
heerlijken rol te spelen, welke de uitverkorenen zal aange-
wezen worden, en niet verplicht te zijn uwe plaats te
nemen onder de verworpenen.
3. Overweeg dat er van dat zoo verschillend lot geene
andere reden aangewezen wordt dan het verschil van wer-
ken, gedurende het leven verricht. Dezen, die zich toeleg-
-ocr page 93-
DINSDAG IN DE VIJFDE WEEK NA^SINKSEN.               85
don om het goede te doen, qui bom fecerunt, waren zij
ook van lage afkomst, of arm, of onwetend procedent in
resurrectionem vitse.
zullen uitgaan tot de opstanding des
levens. Zij integendeel, die het kwaad gedaan hebben, qui
makt egerunt,
waren zij rijk of edel, prinsen of koningen,
zullen uilgaan tot de opstanding des oordeels, procedent in
resurredionem judicii.
Wat zegt gij daarvan, gij. die mis-
schien niets min ter harte neemt dan goede werken ? Op
dien laatsten dag zult gij verslaan hoeveel meer waarde een
enkele akt van deugd heeft, dan al de grootheden, dan al
de geleerdheid der wijsten op aarde, aangezien men opdien
dag ten goede niets anders rekent dan goede werken en
niets anders straft dan de kwade. Leer daarvan wat gij
alleen te waardeeren en te vreezen hebt.
DINSDAG IN DE VIJFDE WEEK NA SINKSEN.
Over de bestendige droefheid over de zonde.
Amplius lava me ab iniquitate mca, et a pcccalo meo manda
me, quoniam iniquitatem meam ego coynosco, et peccatum tnewn
contra me est semper
(Ps. l, 4. 5).
Wasch mij ter dege van mijne ongerechtigheid, en reinig mij
van mijne zonde ; want ik erken mijne ongerechtigheid, en
mijne zonde staat mij steeds voor oogen.
1. Overweeg dat David, zijnen val berouwende, uit den
mond van den Profeet Natlian hoorde dat God hem ver-
gitfenis geschonken had. Natlian zegde hem : Dominus
quoque transtulit peccatum tuum
(-2 lieg. xn, 13). « God
ook heeft uwe zonde weggenomen » zoodat hij zeker mocht
zijn dat zij hem vergeven was. En nogtans, niettegenstaande
-ocr page 94-
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
eeno zoo stellige verzekering, hield liij niet op zijne zonde
te beweericn en God immer opnieuw om vergiffenis te
smeeken. Nu, wat doet gij. gij. die niet alleen niet zeker
zijl. maar misschien wel reden hebt om te twijfelen of God
inderdaad uwe zonden vergeven heeft ? Hoevele tranen hebt
gij tot nu toe over uwe zonden gestort om hunne vlekken
uit te wasschen ? Wat boetvaardigheid licht gij er voor
gedaan? Zie! hoevele tranen, slaaplooze nachten aan David
liet kwaad van een enkelen nacht koste, hoe zeker hij ook
was van de vergiffenis !: Lavabo per singulas noctes lec-
tum meum
(Ps. vi, 7). « lederen nacht bevochtig ik mijn
bed mei mijne tranen. » En het dunkt u dat gij reeds ten
volle voldaan hebt voor uwe schulden, met ééns. aan de
voeten van den biechtvader neergeknield, vergiffenis ge-
vraagd Ie hebben voor zoovele zonden, van wier kwijtschel-
ding gij niet zeker zijt ?
2. Overweeg dat David voortging zijne zonden te ver-
foeien. zelfs nadat hij kwijtschelding derzelve bekomen had,
zeggende:ampliuslavame« wasch mij terdege »; wantom
volkomen zuiver te zijn. is het niet genoeg dat de zonde
vergeven zij. men moei ook nog de gevolgen en overblijfselen
van liet bedrevene kwaad uit den weg ruimen. O! indien
gij slechts kont begrijpen wal eene menigte slechte genegcn-
heden eene enkele zonde in u achterlaat, niettegenstaande
dat zij gebiecht en vergeven is. gij zoudl u niet vergenoegen
met dezelve ééns beweend te hebben, maar gij zoudt voort-
gaau haar te beweenen en hartelijk te verfoeien : want eene
vergevene zonde kan u nog zeer veel nadeel doen ter oorzake
van hare slechte gevolgen : De propitiato peccalo noli es.se
sine metu
(Eccli. v, 5). <> Wees over de verzoende zonde
niet zonder wees. » Ziet gij niet, welke slechte gevolgen de
erfzonde in u naliet, alhoewel gij van dezelve gezuiverd
werdt in het H. Doopsel ? Zoo is het ook met uwc dadelijke
-ocr page 95-
WOENSDAG IK DE VIJFDE WEEK NA SINKSEN.             87
zonden, alhoewel vergeven in het sacrament der biecht.
3. Overweeg dat de boetvaardige David om nooit op te
houden zijne zonde te beweenen, en altijd meer en meer
gezuiverd te worden, zich ernstig toelegde om de afschu-
welijkheid derzelve te herdenken : Quoniam iniquüatem
meam ego cognosco
(Ps. l. 5). « Want ik herkeu mijne
ongerechtigheid. » Evenals het onmogelijk is, het opperste
goed te kennen en niet allervurigst te beminnen, zoo is het
ook onmogelijk het opperste kwaad, namelijk de zonde, ie
kennen en niet oprecht te halen. Weet gij. waarom gij
geene droefheid meer gevoelt over zonden, welke gij eens
gebiecht hebt ? liet is. omdat gij er de afschuwelijkheid niet
ten volle van kent. Begin eens ernstig na te denken op de
groote boosheid, welke elke zonde inhoudt, en gij zult nooit
ophouden dezelve te haten en te beweenen. David\'s zonde
was altijd voor zijne oogen, en verweet hem altijd zijne
vorige ondankbaarheid ten opzichte van God. met een dier-
achtig vermaak te stellen boven zijnen heiligen Wil; maar
gij werpt de herinnering uwer zonden achter den rug en
daarom verwekken zij in u geene ootmoedigheid of drocf-
hcid.
WOENSDAG IN DE VIJFDE WEEK NA SINKSEN.
Dal wij onzen eigen wil moeten afstaan.
Confimdetur Israël in vohtntale sua (Os. x, 6).
Israël zal beschaamd worden in zijnen wil.
1. Overweeg dat de bijzonderste reden waarom zelfs
geestelijke personen zoo gaarne hun eigen wil doen, is,
omdat zij hopen daardoor rust en vrede te bekomen; en
-ocr page 96-
88                             BEKNOPTE OVERWEGINGEN\'.
nogtans juist het tegenovergestelde heeft plaats. Niets ter
aarde brengt u in grootere verwarring dan het volgen van
uwen eigen wil. Gij zult altijd twijfelen of iets beter is op
deze wijze dan op degene, of het beter is te slapen of te
waken, te vasten ofwel te eten : en hoe meer gij er over
denkt, des te twijfelachtiger zult gij wezen. Indien gij in
gerustheid wilt leven, neem dan het voornemen niet naar
uwen zin te leven, maar u in alles te onderwerpen aan den
wil van uwen bestuurder of van uwen overste.
<2. Overweeg eeue tweede reden, waarom allen zoo gaarne
hunnen eigen wil doen ; het is niet alleen om rust en vrede,
maar ook om zelfvoldoening te bekomen en geëerd te wor-
den. juist alsof eens anders wil doen een teeken van laagheid
en dienstbaarheid, en zijn eigen wil doen iets groots en
schilterends was. En nogtans juist het tegenovergestelde is
waar: Confundetur in voluntate sua. « Hij zal beschaamd
worden in zijnen wil.» Want, wanneer God iemand ziet, die
te veel geneigd is om zijne luimen te voldoen, welke hem, als
ongetemde paarden, naarden afgrond vervoeren, wat doet
Hij ? Hij laat toe dal het paard struikelt, en de rijder valt op
zijn aangezicht plat ter aarde neer. Gij zoekt misschien een
leeraarsambt, eenc bediening,waar gij hoopt u met. eer en
roem van te zullen kwijten. Indien God u zijne bijzondere
iefde wil toonen. zal het u geheel anders uitvallen : het zou
u immers te schadelijk zijn. indien uwe. plannen gelukten ;
gij zoudt eindelijk zoo gehecht aan uwen wil worden, dat
gij er uwe ziel door verliest. Laat u dan geleiden door
iemand, wiens plicht het is : Obedite proepositis vestris et
subjacete eis
(Hebr.xin, 17). «Gehoorzaamt uwc oversten,
en weest hun onderdanig. » Obedite « gehoorzaamt » dat
is. met bereidvaardigheid : subjacete eis « weest hun onder-
danig. » met de onderwerping van uw verstand, en met de
overtuiging, dat, wat bevolen wordt, voor u het beste is.
-ocr page 97-
DONDERDAG IN DE VIJFDE WEEK NA SINKSEN.            89
Hoe geleerd en bekwaam gij 0ok moogt zijn, wijk nooit af
van dien geest van onderwerping. Indien gij de voorschrif-
ten van uwen wil volgen wilt, maakt gij u zeker ongeluk-
kig : Confunderis in voluntate tua.
3. Overweeg het groote geluk van den kloosterlijken
staat, in welken gij in gedurige gehoorzaamheid leven moet.
Hij dat middel zijt gij zeker nooit beschaamd gemaakt te
worden, en een bestendigen vrede te genieten, op voor-
waarde enkel dat gij gehoorzaamt aan uwe oversten. Of gij
veel versterving doet of weinig, of gij studeert of psalmen
zingt, ol gij predikt of biecht hoort, of gij u bezig houdt in
de keuken of op een Iceraarsstoel, gij zijt altijd zeker dat te
doen, wal God welgevallige!\' en voor u verdienstelijker is
Is dit geene hoogst bemimienswaardige en wonderbare
rust ? Qui custudü proeceptum, non experietw quidquam
mali
(Eccle. vin, 5). « Hic het gebod in acht neemt, zal
niets kwaads ondervinden. »
DONDERDAG IN HE VIJFDE WEEK NA SINKSEN.
Dat dit leven een tijd van strijd is, die spoedig
voorbijgaat.
Cunctis diebus, quibus nunc milito, expeeto, donec veniat im-
mutatio mca
(Job. xrv, 14).
Alle dagen in welke ik nu strijd, verwacht ik, tot dat mijne
verandering kome.
1. Overweeg dat gij in deze wereld gesteld zijt, om. als
een krijgsman, te strijden tegen die drie wel bekende vijan-
den, denduivyl. de wereld en het vleeseh, die, alhoewel zij
li                                                                                                     6
-ocr page 98-
90
BEKNOPTE OVERWEGINGEN,
u niet gedurig aanranden, u nogtans verplichten altijd de
wapens in handen te houden ; want telkens zij u eenigen
wapenstilstand schijnen te geven, hernemen zij den aanval
met meer woede dan ooit. Zoo moet gij in gedurigen schrik
en angst leven ; immer zijt gij bedreigd, zonder hoop van
ooit vrede te. hebben. Cunctis diebus milUo.
5. Overweeg dat gij u daarom niet moet ontstellen of den
moed verliezen, want het handelt zich slechts van weinige
dagen. Een dergelijke strijd valt u laslig, omdat gij u
inbeeldt, gelijk de meeste meiischen, dat gij zeer lang zult
leven, dat er u nog jaren en jaren overblijven. Beeld u
liever het tegenovergestelde in. naar het voorbeeld van Job,
die zich bij elke voorkomende omstandigheid de kortheid
van zijn leven herinnerde, en het vergeleek nu met eeue
schaduw, die voorbijvliegt; dan niet een blad of bloem, die
terstond verdroogen en verwelken.De gedachte, dat de strijd
weldra eindigt, zal u aanmoedigen om met een onoverwin-
baar geduld de beproevingen te ondergaan, die u omrin-
gen. Maar, ongelukkiglijk, gij zijt gewoon juist het legen-
overgestelde te doen ; en daarom wordt gij boven mate
moedeloos. O! hoeveel korter zal misschien uw leven zijn,
dan gij u wel inbeeldt : Ecce venio cito. tene quod habes !
(Apoc. m, 11). « Zie, ik kom spoedig, houdt wat gij
hebt. »
3. Overweeg dat om u des te krachtdadiger aan te moe-
digen uwe tegenwoordige kwellingen te verduren, gij u niet
alleen de kortheid van uw leven moet herinneren, maar
ook de verandering van toestand, die zal plaats hebben,
wanneer gij van den strijd zult overgaan tot de bezitneming
van een koninkrijk, en van eenen troon, dien gij in den
dienst van uwen Heer heldhaftig gewonnen hebt : EtpectO
donec veniat immululio mea.
« Ik verwacht, tot dat
mijne verandering kome. » O! hoe zal u de verandering,
-ocr page 99-
VRIJDAG IN DE VIJFDE WEEK NA SINKSEN.               91
welke gij verhopen moogt,indien gij u als een goede krijgs-
man gedraagt, het hart opbeuren, wanneer gij het ver-
schil in uwen toestand in acht neemt : nu zijt gij in eenen
staat van arbeid, angst en moeite: dan zult gij wezen in
cenen staat van rust. veiligheid en vreugde, eene vreugde
die enkel de glorie des hemels geven kan. Zeker is het, dat,
kondet gij het geluk van eenen zoo verrukkenden toestand
begrijpen, gij hem niet ongeduld zoudt te gemoet zien.
Maar om in der waarheid met Job te kunnen zeggen : Ec-
spedo donec vcniat.
a Ik verwacht tot dal het kome,» moet
gij ook alle dagen een goed en heilig leven leiden, want de
dood kan u eiken dag wegrukken. Onderzoek uwe levens-
wijze, opdat gij niet onder het getal dergencn zijt. die den
dood wel vreezen, maar niet afwachten, omdat zij door
den dood geene verbetering van toestand kunnen ver-
hopen.
VRIJDAG IN DE VIJFDE WEEK NA SINKSEN.
Over de verheffing onzes Hceren.
Sicut Moyscs exaltavit serpenlem in deserto, ita cxaltari oportet
Filium hominis : ut omnis, qui credit in ipsum, non pereat, sed
hnbeat vitam ceternam (Joan. m, 14).
Gelijk Mozes in de woestijn do slang verhief, alzoo moot do
Zoon des nienschen verheven worden ; opdat ieder, die in hein
gelooft, niet verloren ga, maar het eeuwige leven Lebbe.
1. Overweeg dat Christus, hangende aan het kruis, ver-
geleken wordt mei de bronsen slang in de wildernis. Die
slang\' was niet plichtig. noch in staat den dood te veroor-
zakeu aan zoovele nienschen, die door wezenlijke en vergif»
tige slangen gebeten waren : zij was enkel eene slang in
-ocr page 100-
92                               BEKNOPTE OVERWEGINGEN".
schijn, gevormd van gesmolten brons, wie liet ten deel
viel. aan liet kruis vastgemaakt te worden, om de gebeten
Israëlieten, die baar aanschouwden te genezen. Zoo ook
nam Christus, die geene zonde kon bedrijven, krachtens
het vuur zijner overgroote liefde, de gedaante van ecnen
zondaaraan. en hangt aan het kruis, opdal wij arme schep-
selen, gewond door het vergif onzer zonden, mochten gene-
zen worden niet onze oogen op Hem te vestigen. Aanschouw
dan uwen Zaligmaker opdat Hij u geneze. Wordt gij niet
volkomen genezen, het is een teeken, dat gij uwe oogen niet
aanhoudend op .lesus gevestigd houdt, op Hem, die uit
liefde tot u arm, veracht, en in de uiterste smarten aan het
kruis hangt.
\'2. Overweeg dat .lesus zijne hanging aan het kruis, gelijk
een plichtige booswicht, zijne verheffing noemde. aange-
zicn het Hem tot eer, niet tot schande strekte : Oportet
exaltari Füium hominis.
« De zoon Gods moet verheven
worden.» Maar waarom dat woord oportet «Hij moet?» Zou
er misschien aan Christus eenige grootheid of glorie ont-
broken hebben, had Hij voor u zoovele beschimpingen en
smarten niet ondergaan 7 Zou Hij niet even gelukkig gc-
weest zijn, waart gij voor eeuwig verloren gegaan ? Hoe
komt het dan dat gij niet verbaasd staat over deze oneindige
liefde ? Schaamt gij u niet bij het aanschouwen van
uwen God en Zaligmaker, die zich geëerd gevoelt met voor
u zooveel te lijden V En nogtans, hoe weinig zijt gij be-
zorgd om op uwc beurt iets te lijden uit liefde toteenen
Zaligmaker, die zich roemt op het kruis voor u te sterven.
3. Overweeg dal de slang in de wildernis verheven wierd
voor een teeken : Pone eum pro signo (Num. xxi, 8).
« Stel haar voor een teeken. » Zoo hangt ook Christus aan
het kruis voor een teeken. pro siyno, van waar iedereen
zijne zaligheid verhopen moet: Hij is daar als een teeken,
-ocr page 101-
ZATERDAG IX DE VIJFDE WEEK NA SINKSEN.           93
dat voor vlag en standaard dient aan de geloovigen, die
belijden onder zijn vaandel te strijden. De goede krijgsman
verliest de vlag nooit uit liet oog, hij volgt haar, waai\' zijn
bevelhebber hem ook leiden mag. En gij, in uwe hocdanig-
heid van religieus, die openlijk belijdt een krijgsman van
den gekruisten Christus Ie zijn op eene gansch bijzondere
wijze, gij moet aanhoudend den blik gevestigd houden op
den glorierijken standaard des kruizes, en de voetstappen
van den gekruisten Jesus zoo nauw mogelijk volgen, indien
gij een religieus met de daad. niet enkel niet den naam en
den schijn zijn wilt.
ZATERDAG IN DE VIJFDE WEEK NA SINKSEN.
Over de bereiding tot de bekoring.
Fili, accedens ad servitutem Dei, sta in justitia et timore, et
preepara animam tuam ad tentationem
(Eceli. n, 1).
Mijn zoon, als gij in tien dienst van God treedt, sta dan vast
in de gerechtigheid en in de vrees, en bereid uwe ziel tot do
beproeving.
1. Overweeg dat in liet religieuze leven allen bekoord
worden, doch bijzonder de beginnenden. Dezen vooral
vermaant de Ecclcsiasticus zich voor te bereiden; omdat men
veronderstelt dat de gevorderden reeds voorbereid zijn.
Indien zelfs deze, alhoewel in bunnen staat gevestigd, aan
de hevigste bekoringen onderworpen zijn, dan zijn toch
zeker de beginners nog meer blootgesteld aan de aanvallen
der bekoring, ter oorzake van de woede des duivels, wan-
neer bij ziet, dat zij voor goed aan zijne heerschappij den rug
-ocr page 102-
91
BEKXOPTE OVERWEGINGEN.
gaan keeren. Daarom indien do gevorderden in vrees moe-
ten leven, en bereid moeten zijn tot de bekoring, veel meer
bevreesd moesten dan de beginners zijn, opdat zij mogen
vast staan in hun goed voornemen van voortaan God te
dienen. Sta injustitid <>t timore. « sta vast in de gerecht ig-
heid en in de vrees. » In de gerechtigheid, met goede
werken te doen, waardoor gij Gods bescherming zult ver-
dienen : in de vrees, door een volmaakt wantrouwen van
u zei ven.
2. Overweeg dat de eerste voorbereiding voordien strijd
beslaat in de listen van den bekoorder te ontdekken. Deze
zijn gewoonlijk dezelfde als die, waarmede de boozc geest
Christus in de wildernis aanrandde. Hij zette Hem eerst
aan lol ecne kleine zonde, daarna tot cene grootere, en ein-
delijk tot eenc afschuwelijke misdaad. Ziende Hem zoo
zwak en uitgemergeld (en gevolge van zijn langdurend
vasten, blies hij Hem in Zich voedsel te bezorgen bij mid-
del van een mirakel. Teleurgesteld in zijn eersten aanval,
bekoor! hij Hem in den tweeden, om door een akt van ver-
metelheid te doen uitschijnen, hoezeer Hij op de helpende
hand van God betrouwde, te midden van zijne moeielijk-
hcden, met Zich zelven. onbezorgd voor zijn eigen leven,
neder te storten. Eindelijk den derden keer valt hij Hem
aan met eene bekoring van eerzucht, met Hem de heer-
schappij over de gebeele wereld aan te bieden, zoo Hij Zich
voor zijne voeten op de knieën wierp en hem aanbad. Op
dergelijke wijze randt de duivel dengene aan, die de wereld
verlaten heeft, om een nieuw leven in het klooster te hegin-
nen : hij stelt hem voor oogen zijne lichamelijke zwakheid,
en de gestrengheid van het religieuze leven, en bekoort hem
tot kleinmoedigheid, hem doende gelooven, dat hij zonder
een klaai blijkend mirakel er niet in volharden kan. Indien
de vurigheid des geesics hetn de lichamelijke strengheden
-ocr page 103-
ZATERDAG IN DE VIJFDE WEEK NA SINKSEN.             95
voor gering doet aanzien, dan spoort de duivel hem aan,
om zijn lichaam zonder omzichtigheid te mishandelen en
bekoort hem tot vermetelheid, opdat zijne sterkte onder den
last bezwijke. Gelukken deze listen niet, dan stelt hij in
gouden kleuren voor de oogen van den jongen religieus de
vrijheid en het geluk, dat hij in de wereld kon genoten
hebben, de waardigheden en eerambten, welke hij kon ver-
hoopt hebben, en hij bekoort hem om het klooster te ver-
laten. Deze is de bekoorders handelwijze, hij wil iemand
het grootste kwaad aandoen: niet op eens echter, maar
allengskens. Hebt gij aan den eers!en aanval kloekmoedig
weerstaan, betrouw niet te veel op u zelven, maar bereid
u voor eene nog hevigere bekoring.
3. Overweeg dat gij van Christus leeren moet hoe gij de
listen en aanvallen des duivels moet afkeeren. Christus
begon met den bekoorder niet te redekavelen, maar wees
hem af alle drie keeren met macht, haast en kon af. Doe
gij hetzelfde, twist niet met die inbeeldingen, waaronder
de duivel zich verschuilt om u te bestrijden. Wanneer hij
u bekoort tot kleinmoedigheid, om u op ongeoorloofde wijze
te doen verflauwen in de kloosterlijke regeltucht, zeg hem
dan : Non in solo pane vivit homo (Deut. vin, 3). «De
mensen leeft niet van brood alleen. » ik ben tevreden met
wat de Heer voor mij zal beschikken. Bekoort hij u tot
vermetelheid, met u op te wekken met haastige en gevaar-
lijke sprongen tot ongewone en onbezonnen akten van
vurigheid, in de hoop van eenen buitengewonen bijstand
der genade, zeg hem : Non tentabis Dominum Deum tuum
(Deut. vi, 16). i Gij zult den Heer, uwen God, niet beko-
ren,» en laat u geleiden door uwen bestuurder. Bekoort
hij u tot eerzucht, en bedriegelijke verwachtingen, zend
hem van waar hij kwam : Vade, Satana. « Weg met u
Satan. » Hij zal u afschilderen al wat schoon en verleidend
-ocr page 104-
96
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
in de wereld is, en u beloven wat Iiij niet geven kan, om u
aan te lokken, maar hij verbergt u zorgvuldiglijk al de
bitterheid, al de hartverscheurende en menigvuldige kwa-
len, welke de boosaardige vader der leugentaal, en uw
onverzoenbaarste vijand, op u zou willen zien komen, en
waarin hij zoekt u te doen vallen.
ZESDE ZONDAG NA SINKSEN.
Over de wonderbare vermenigvuldiging der brooden.
Misereor super turbam, quia ecce triduo sustinent me (Mare.
vin, 2).
Ik heb medelijden met do schare, want, zie, zij zijn nu reeds
drie dagen aanhoudend bij mij.
1. Overweeg de godvruchtigheid van die scharen geloo-
vigen,die Christus gedurende drie dagen aanhoudend volgen,
zonder te denken zich van het noodige voedsel te voorzien,
zonder vrees van honger te sterven, alhoewel Christus niet
beloofd had voor hen te zorgen, en dat zij geene voorbereid-
sclen zagen om aan hunnen nooddruft te voldoen. Gij,
integendeel, hebt de beloften gehoord, zoo dikwijls door den
Heer herhaald in de II. Schrift, en welke gij hebt bekrach-
tigd gezien door tallooze voorbeelden van die liefdevolle
zorg, welke de Heer voor dezen heeft, die Hem volgen ; van
zijne Voorzienigheid in te voorzien in de noodwendigheden
van dezen,die. Hem aankleven; en niettemin zijt gij zoo zeer
bezorgd voor u zelven. en betrouwt gij zoo weinig op de
goddelijke Voorzienigheid. Zoo. bij voorbeeld, wanneer gij
u door de gehoorzaamheid eene plaats of bediening aange-
-ocr page 105-
07
ZESDE ZON\'DAG NA SINKSEN.
wezen ziet, vreest gij aanstonds, dat sterkte en gezondheid
u zullen ontbreken, ot\' iets anders, dat tot een volkomen
geluk vercischt wordt ; alsof de goddelijke Voorzienigheid
voor u geene genoegzame zorg draagt. Leg cene dergelijke
bezorgdheid voor u zelven terstond at\' en stel uw betrouwen
op God, gelijk de H. Petrus u vermaant : Omnem sollicüu-
dinem vestram projicientes in eum, quoniam ipsi est cura
de vobis
(i. Petr. v, 7). •< Werpt al uwe bekommernis op
hem, want hij draagt zorg voor u.»
2. Overweeg met welke bezorgdheid en teedere genegen-
hcid Jcsus ondernam in de noodwendighedeii van die god-
vruchtige schaar te voorzien : Misereor super turbain. «Ik
heb medelijden met de schare. » Hij heeft voor hen de inge-
wanden van ecnen vader. Hij wil zelts niet dat zij nuchter
naar hunne huizen terugkeeren. opdat zij onderweg niet
zouden te lijden hebben : maar door de wonderbare ver-
menigvuldiging der brooden bereidt Hij bun een overvloedi-
gen maaltijd in de wildernis. Aldus zal de Heer ook met u
te werk gaan, indien gij u zelven slechts wilt vergeten, en
u toelegt om Jesus te volgen en Hem oprecht te dienen. Jesus
zegde eens aan de H. Catharina van Senen : Denk op mij en
ik zal op u denken;
van dien oogenblik af, gaf de heilige
geen acht meer op bare eigene bciangen. hare gezondheid,
haren goeden naam. op haar leven zelf; zij was nu alleen
bezorgd om Hem te dienen en te k\'hagen. tot haargrooter
voordeel, aangezien zij immer onderde bijzondere bescher-
ming van Jcsus leefde. Is u dat niet voldoende om haar na
te volgen?
3.  Overweeg dat die gansche menigte voldaan en verza-
digd werd met niets anders dan het brood, dat op zoo won-
derbare wijze was vermenigvuldigd geworden: saturati sunt
« zij werden verzadigd. «Verkwikt in den geest door zijne
hemelsche leer en door de wonderen, welke Hij uitwerkte;
*
-ocr page 106-
98                              BEKNOPTE OVERWEGINGEN\'.
vcr/adigd voor wat het lichaam aangaat door dit brood, dat
allen smaak inzich bevatte, omdat liet uit de handen kwam
van Gods almacht. Eene dergelijke; verzadiging en vertroos*
ting geniet alwie, al zijn betrouwen op God stellende, Hem
tracht te dienen, zonder op zich zelvcn te denken, en geheel
en al afhankelijk te zijn van de goddelijke Voorzienigheid.
Zoek dan te leven volgens de schikkingen van God. die Hij
u kenbaar maakt door uwe oversten; niets zal u dan ont-
breken van al wat strekken kan, om u een gelukkig en
tevreden leven te doen leiden.
MAANDAG IN DE ZESDE WEEK NA SINKSEN.
Over den dood en het oordeel.
Stalulumest hominibus seniel mori;post hoc autem judicium
(Hebr. ix, 27).
Het is don mensehen gestold éénmaal te storven, on daarna
het oordeel.
1. Overweeg dat de wet, krachtens dewelke de menscli
den dood onderworpen is, een besluit genoemd wordt; want
voor hem is het geeue natuurlijke wet, gelijk voor de ove-
rige dieren, maar eene stellige wet: de menscli was im-
mers door God onsterfelijk geschapen, de staal in acht
genomen van oorspronkelijke gerechtigheid, waartoe hij
verheven was. Nogtans, aangezien de eerste mensen voor
zicbzelven, en alle zijne nakomelingen dat schoone voorrecht
verloor, is het vonnis des doods algemeen en strekt zich tot
allen uit. Doe ahvat gij kunt, neem alle mogelijke voorzorgen,
om uw leven te verlengen; op het einde sterven moet gij.
-ocr page 107-
MAANDAG IN DE ZESDE WEEK KA SINKSEN.               99
Hebt gij niet gehoord van Laincch, hoc hij den ouderdom
van zeven honderd jaren bereikte en dan mortuus est«gestor-
ven is? » Van Malalecl, die acht honderd jaar leefde en dan
gestorven is? Van Mathusalem, die negen honderd jaren
oud werd, en dan gestorven is? Hetzelfde zal eens van u
gezegd worden : en herinner u dat gij na verloop van \\vei-
nige jaren sterven moet. Hoe is het dan mogelijk dat gij aan
de aarde zoo vastgehecht blijft? Denkt liever dat gij haar
eens verlaten moet. en denkt er dikwijls op.
*2. Overweeg dat het gesteld is éénmaal te sterven —
stalutumest semelmori. Indien die daad ééns slecht ver-
richt is. kan zij niet meer terecht gebracht worden: sterft
men in staat van doodzonde, men kan de misgreep niet
meer herstellen. Waar denkt gij op, dewijl gij u niet erns-
tig bezig houdt om dien grooten stap wel te doen. een stap
des te belangrijker, omdat hij maar ééns kan gedaan wor-
den? Overdenk waartoe u die stap brengen zal;hij zal u
in het huis uwer eeuwigheid brengen, dat is, in een ver-
blijf van eeuwige vreugde of van eeuwig gekerm.
3. Overweeg dat die stap van het leven tot den dood
schrikwekkend is, meer uit hooide van hetgeen erop volgt,
dar. van hetgeen, waarvan hij het einde is : Post hoc judi-
rtum,
« daarna het oordeel. » Op dezelfde plaats, op het-
zelfde oogenblik, waarop gij sterft, zult gij voor u zien dat
schrikkelijk gerechtshof, wiens voorgedacht zoo vele heiligen
aanzette om het graf immer voor oogen te hebben. Daar,
voor dien rechterstoel, geheel alleen, zonder gevolg, zonder
vrienden, zonder uw lichaam zelve, zult gij u een enkelen
geest aanschouwen in de tegenwoordigheid van een al-
machtigen rechter, die u, zonder inachtneming van perso-
nen, zal oordeelen naar uwe verdiensten. Wat zult gij dan
doen?Er zal geene hoop zijn om Hem te bedaren of te smee-
,cen, want op het oogenblik dat gij den geest geeft, zal het
-ocr page 108-
100
BF.KNOPTE OVF.RWEGINGEK.
gehcele geding reeds vastgesteld en het vonnis uitgesproken
zijn, of van eeuwige belooning of van eeuwige straf: en dat
alles op eenen oogslag. Maar eiken mensen leeft voort, om
zoo te zeggen, na den dood op verschillende wijzen: hij gaat
voort te leven in het geheugen der nienschen. die voor
goed aanzien, iemand die inderdaad slecht was, en voor
slecht dengene, die goed was. Hij leeft voort in zijne ge-
schriften, die verschillende gevolgen hebben, eenige goed,
andere slecht: daarom zal hel bijzonder oordeel aangevuld
worden door het algemeen oordeel, bij hetwelk de waarheid
zich aan iedereen zal vertoonen. gelijk zij is: iedereen zal
dan loon naar werken ontvangen, zelfs voor hclgecn de
belooning of de straf des lichaams aangaat. Indien gij deze
waarheid immer voor de oogen van uwen geest hadt, zoudt
gij den dood en het oordeel min vreezen.
DINSDAG IN DE ZESDE WEEK NA SINKSEN.
Over lijden en vernedering.
Omne, quod tibi applicüum fuerit, accipe, et in dolore sustine,
et in hwnilitate tua patientiam habe; quoniam in igne probatur
aurum et arf/entum, hommes vero receptiOiles in camino humi-
liationis
(Eccli. II, 4).
Alles wat u overkomt, neem het op, wees lijdzaam in uwc
smai\'te, en oefen geduld in uwe vernedering ; want goud en zil-
ver worden in het vuur beproefd, maar menschon, die Gode
welgevallig zijn, in de smeltoven der vernedering.
1. Overweeg dat er drie soorten van zieken zijn. Eenige
ziin zeer begeerig om de gezondheid te bekomen, maar
willen zich niet bedienen van onaangename en pijnlijke
geneesmiddelen. Andere onderwerpen zich aan geneeskun-
-ocr page 109-
DINSDAG IN DE ZESDE WEEK NA SINKSEN.              101
dige behandeling, maar enkel in zooverre, als het hun aan-
slaat. Andere, eindelijk, zijn bereid elk geneesmiddel te
nemen, en zeggen tot den Heer: Hrand. snijd, handel met
mij naar uw welbehagen, ik ben in uwe handen. Nu, deze
is de eenige wijze om van uwe kwalen genezen te worden.
Laat toe, dat de Heer Zich ten uwen opzichte van het ge-
neesmiddel hcdiene dat Hem best schijnt, omdat Hij alleen
weet, welk onder alle u dienstigst zijn kan : Quod tibi ap-
plkïtum fuerit. accipe.
« Alles wat u overkomt, neem het
op. >\'
2. Overweeg dat het u zoo lastig niet valt een onaange-
naam geneesmiddel te nemen, zooals lichamelijke ziekte of
inwendige kwellingen, weikeu rechtstreeks van God toegc-
zonden worden: maar het valt u veel moeielijkcr met geduld
eene beproeving of vernedering te ondergaan, welke God u
toezendt of door middel van uwc oversten, of door toedoen
van kwaadwilligen. Maar weet gij niet dat de geneesheer
niet altijd met eigene handen het geneesmiddel aan den
zieke toedient, en dat hij zich zeer dikwijls bedient van de
hulp van cenen heelmeester of van een eenvoudigen be-
diende? Zoo gaat ook God te werk. Hij wil dat deze of gene
tegenkanting, die uw geneesmiddel zijn moet. niet onmid-
delijk van Hein koiue. maar van iemand anders, ja, dikwijls
zelfs van eenen oiiderhoorige. Daarom moet gij niet zien,
wie u het geneesmiddel ter hand stelt, maar wie het bevo-
len heeft, en deze is niemand anders dan God; te meer daar
Hij in dit geval de hand van den heelmeester bestuurt, op-
dat het geneesmiddel niet dan zijne heilzame uitwerksels
zou hebben. Waarom verliest gij dan den goddelijken
Geneesheer, die u het geneesmiddel voorschrijft, uit liet oog,
en aanschouwt gij enkel den persoon, die u deze of gene
versterving aandoet. Geen wonder, dat gij u ontstelt en
ongeduldig wordt!
-ocr page 110-
102
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
3. Overweeg wat een nuttig geneesmiddel elke tegenkaiv
ting zoo smartelijk als vernederend is, welke u overkomt of
rechtstreeks uit de hand van den goddelijken geneesheer ol\'
door het toedoen der menschen. Hoe dikwijls gebeurt het
niet dat gij ingenomen met u zeken zijt, zoolang God u met
tegenspoed niet beproeft? Gij verlaat u op die godvruchtige
verlangens, voornemens en genegenheden, welke gij tijdens
het gebed gevoelt: maar komt gij tot de proefneming, dan
begint gij ook u zelven te kennen en te zien hoeveel gij te
kort komt aan hetgeen gij u zelven voorsteldet ; want ter-
stond beklaagt en ontroert gij u, en verliest gij alle onder-
werping aan den wil Gods. Zoolang liet goud en het zilver door
den toetssteen niet beproefd zijn. weet men niet van welke
samenstelling zij zijn ; zoo kan men ook van u niet zeker
zijn, zoolang gij niet beproefd geweest zijt : In camino
humiliatioitis «
in den smeltoven der vernedering. » Bedank
dan den Heer, die u niet zelden ecne dergelijke gelegen-
heid aanbiedt; want de zekerste weg naar den hemel is de
weg der vernedering en des tijdens; doch smeek Hem ook
u te versterken, opdat gij u in die omstandigheden heldhaftig
mocht gedragen.
-ocr page 111-
103
WOENSDAG IN DB ZESDE WEEK NA SINKSEN.
Over den vrede en de eendracht met onzen naaste.
Obsec.ro vos, ut dlgnamnilmlctis vocatione, qua vncali cstis, cum
Omni humilitalc ctmmnsuetiuline, supporttmtrs invieem in chnri-
tatë"; solliciti servare".writatcmspiri(1tti-iii oittculo pacis
(Eph.
iv, 1.3).
Ik smeok u, dat gij wandelt dor roeping waardig, waarmede
gij geroepen zijt; mot allo ootmoedigheid, en zachtmoedigheid,
elkander in liefde verdragende, u beijverende om do oonhoid dos
Goostos to bewarsn in den band des vredes.
1.  Overweeg dat uwe roeping de volmaakste van allen is,
omdat zij uitgeoefend wordt in eenc religieuze; gemeente.
Nu de volmaaktheid ecner religieuze gemeente, indien men
het wel nagaat, is gegrondvest geheel en al op de eenheid
des geestes ; wanl een kloosterlijke gemeente is slechts één
zedelijk lichaam, en dat lichaam moet verlevendigd worden
door dcnzelfden geest Unum corpus et unus spiritu* (Ëph.
iv, 4). « Eén lichaam en één geest. » Daarom het kenmerk
van een waren religieus is niet de godvruchtigheid, noch
de versterving, noch de zedigheid, maar de oprcchle broe-
dcrlijke eendracht. En nogtans zoudt gij meer werk maken
van elke andere deugd dan van deze, ten behoeve van de-
welke de apostel zoover gaat, dat hij er u om smeekt: Ob-
secro vos.
2.  Overweeg dat de ondeugden, die met deze aan reli-
gieuze gemeenten zoo eigene en noodzakelijke eendracht,
meest strijden, de hoovaardigheid, de gramschap, de onver-
duldigheid, en de onbezonnen iever zijn. En eerst en vooral,
de hoovaardigheid, want inter superbas semper jurgia simt
(Prov. xui, 10). <\' Onder trotschen is gedurig krakeel. »
Daarom wordt u op de eerste plaats de in- en uitwendige
-ocr page 112-
104
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
ootmoedigheid aanbevolen : Cum omni humililate « met
alle ootmoed ighcid.» De tweede hinderpaal is de gramschap,
want homo ii aanidus suttcitat riseas (Prov. xxvi. "21). « Een
grammoedig mensch ontsteekt krakeel. » Daarom wordt u
aanbevolen de zachtmoedigheid te oefenen in woorden en
werken. Dan komt de onverduldigheid. die eene kleine be-
leediging niet kan door de vingeren zien : daarom wordt n
op de derde plaats bet gedold voorgesteld, dat aan liet kra-
keel een einde stelt. Eindelijk de onbezonnen iever. die de
daden van anderen beknibbelt en beoordeelt: daarom wordt
gij gewaarschuwd de gebreken van anderen te verdragen,
gelijk gij wilt dat men de uwc verdrage. Supportantes in-
vicem
« elkander verdragende. >• Onderzoeku zeken, en zie
of er niet eene van deze ondeugden in uw hart schuilt :
tracht dezelve, zoo goed gij kunt te verbeteren door de oefe-
ning van de vier aangehaalde deugden.
:}. Overweeg dat er gewoonlijk verschillende soorten van
ecnigbeden zijn in de religieuze buizen. Er is eene slechte
eenigheid, de eenigheid van partijschap of aanhang, die te
recht de plaag van het klooster mag genoemd worden. Er is
de natuurlijke eenigheid. die vaderland, bloedverwantschap
of bediening voor grondslag beeft: deze is niet af te keuren,
indien zij de kloosterlijke eendracht geen nadeel toebrengt.
Doch deze soorten van eenigheid strekken zich niet uit tot
allen, en zijn ook niet standvastig : daarom de heilige en
kloosterlijke eenigheid is die. welke allen verbindt door eene
bovennatuurlijke beweegreden,namelijk,omdat God bet wil:
Hoc est prseceptum meum >• Dit is mijn gebod :» zelfs wan-
neer de beminde geenc aanspraak op uwe liefde schijnt te
hebben. Gelukkig zijt gij, indien die band van vrede in
uw klooster bestaat in vinculo pacis : houd u enkel bezig
met het uwe, en bemoei u niet met de zaken, die u niet
aangaan, want er kan geen vrede bestaan, waar de orde
-ocr page 113-
DONDERDAG IN DE ZESDE WEEK NA SINKSEN.          105
gestoord wordt: Pax estJranquiUUas ordinis. « De vrede
is de rust van goede orde, » zegt de H. Augustinus.
DONDERDAG I>\' DE ZESDE WEF.K NA SINKSEN.
Over het hooreii der stem van het geweten.
Eslo consentiens adeersario tao cito.....na fvte tradat te ai!ver-
sarius juclici (Matth. v, 2r>).
Stom met uwen tegenstander spoedig\' overeen.....opdat niet
soms de tegenstander u ovorlevere aan den rechter.
1. Overweeg dat de tegenstander, waarvan er hier ge-
sproken wordt, uw geweten is. Gij moet met uw geweten
te werk gaan, gelijk gij met een machtigen tegenstander
die gegronde eisenen tegen u heeft, zoudt omgaan. Gij
zoudthem de gevraagde voldoening geven, of door terugbc-
taling, of door het anderszins met hem eens te worden,
alvorens hij u voor het gerechtshof brengt. Zoo moet gij ook
te werk gaan met de stem uws gewetens, om door den op-
persten Hechter niet veroordeeld te worden, uwe schuld lot
den laatslen penning te betalen. Indien gij op deze waarheid
nadacht, zoudt gij zoo licht de knagingen van uw geweten,
die zeer dikwijls maar al te wel gegrond zijn, niet ver-
achten.
$. Overweeg dat uw geweten hier uw tegenstander ge-
noemd wordt, niet omdat het uw vijand is, maar omdat het,
uw welzijn ter harte hebbende, met uwe ongeregelde d rif-
ten strijdt. Uw ware vijand is de prikkel uwer begeerlijk-
heid. Daarom esto consentiens cito « Stem met hem spoedig
overeen, » stel uw geweten in orde, en tracht deszelfs
eischen te voldoen, zoo spoedig gij kunt, dum es in via.
-ocr page 114-
100
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
« terwijl gij nog met hem op den weg zijt, >< zonder uit-
stcl. Gij zijt mogelijk liet einde uwer pelgrimstocht zeer
nabij, want post viam, na den dood, zal uw geweten
een tegenstander en aanklager worden, die tegen u groote
klachten zal inbrengen voor den rechterstoel van Hem, legen
wiens vonnis er geen beroep is. en die in liet oordeel, dat
Hij over u zal uitspreken, bijzondere acht zal geven op de
aanklagingen van uw geweten, welke gij tijdens uw leven
zoo dikwijls veracht hebt. Voor dien rechterstoel zal uwe
droefheid van met dien tegenstander op aarde niet overeen
gekomen te zijn. u niets baten.
3. Overweeg dat eenigen. om de onaangename vermam u-
gen van dien tegenstander niet te hooren. in plaats van hem
aanstonds voldoening te geven, hem zoeken rond den tuin
te leiden, en hem door bewijzen en gekleurde voorwendsels
trachten over te halen, om over hunne ongeregelde luimen
de oogen te sluiten, opdat zoo de slem des gewetens, niet
gehoord worde. Wee u, indien gij op deze wijze te werk
gaat! Zwijgt het geweten nu, het zal zich later wel doen
hooren, en niet luider stem tegen u uitvaren voorden rech-
terstoel van Christus, die u tot de gevangenis zal veroor-
deelen, en wel eene gevangenis van vuur. uit dewelke non
exies, donee reddas novissimum quadrantem,
« gij niet
zult uitkomen, tot dat gij den laatsten penning betaalt.» Die
gevangenis zal of de hel of ten minste het vagevuur zijn,
en de straf of eeuwig of lijdelijk ; in alle geval zal de straf
veel bitterder en strenger zijn, dan al wat gij zoudl te
lijden gehad hebben, waart gij bijtijds met uwen tegen-
stander, uw geweten, overeengekomen.
-ocr page 115-
107
VRIJDAG IN DE ZESDE WEEK NA SINKSEN.
Over liet betrouwen op God iu den tegenspoed.
Patior, sednon confundor: scio enimcui credidi, et oerlus sum,
quia potens est depositum mewn seroare in Mum diem (2
Tim.
I. 12).
Ik lijd, maar ik schaam mij niet, want ik weet wien ik geloofd
heb, en bon zeker, dat hij machtig is mijn pand te bewaren voor
dien dag.
1.  Overweeg dat do ergste bekoringen in het geestelijk
leven de bekoringen tot wantrouwen zijn. onder welker
invloed het zou schijnen, dat al wat men voor God doet
of lijdt vruchteloos en te vergeefs is. Wapen u dan tegen
dezelve met deze woorden van den Apostel: Patior sed non
confundor
« Ik lijd, maar ik schaam mij niet. » Hij be-
kent dat hij veel te lijden heeft, maar al dat lijden ontstelt
hem niet. Gelooft gij misschien dat de Heiligen, brandende
van liefde tot God, niet te lijden hadden ? Dit is het geval
niet. Zij hadden hun aandeel er van en gevoelden het zeer
wel, maar zij verloren den moed niet, omdat zij wisten aan
wiens zorgen zij zich toevertrouwd hadden. Scio cui credidi
« Ik weet wien ik geloofd heb. » Gij zijt zoo gevoelig, /.egt
gij, aan die smarten van ziel en lichaam, maar wat dan ?
Indien gij ze niet gevoeldet, zoudt gij niet lijden. Wees dan
tevreden met uw lijden, en verlies den moed niet. verleven»
dig uw geloof, en stel een onbeperkt betrouwen op God.
2.  Overweeg welk het pand is. waarvan hier de Apostel
melding maakt: Certus sum, quia potens est depositum
meum servare in illum diem.
« Ik ben zeker, dat hij mach-
tig is mijn pand te bewaren voor die.ï dag. » Het waren de
smarten, welke hij uit liefde tot God. doorstond, omdat hij
ze allen in Gods handen ter bewaring gesteld had; en daar-
-ocr page 116-
108
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
om was liij zeker, dat de Heer dezelve een voor een met de
grootste nauwkeurigheid voor hein bewaren zou. Tracht
hetzelfde te doen : doe uw best. werk en lijd uit liefde, tot
God. Zeg Hem. dat gij gansch van Hem wilt afhangen, en
gansch u zelven aan zijne beschikking overlaten : In mam-
bus luis sortes me<v.
(Ps. xxx, 1G). « Mijn lot is in uwc
handen. » Zoo doende zult gij zeker zijn al de vruchten van
uw lijden te dragen.
3. Overweeg dat de Apostel zegt dat het pand zijns lijdons
bewaard werd. niet voor dit leven, met op aarde voor
dezelve beloond te worden, maar in Mum diem — voor
dien dag, dal is. voor dien laatstcn dag van het bijzonder
oordeel, omdat er in dit leven geen dag zijn kan. die tege-
lijk vol goed voor de deugdzamen,en vol kwaad voor de boo-
zen is. Dien dag moest gij immer levendig in hel geheugen
hebben om u aan te moedigen; en gedenk dat bij het
bijzonder oordeel uw hemelsche Meester u bcloonen zal. in
zooverre de ziel aangaat, voor al wat gij uit liefde tot Hem
geleden hebt; en op den dag van bet algemeen oordeel zal
Hij u bovendien hetzelfde lichaam teruggeven, waarin gij
geleden hebt. Daarin bestaat dan het pand, waarvan de
Apostel in dei\' waarheid zeggen kan : Potens est depositum
meum servare in Mum diem.
« Hij is machtig\' mijn pand
te bewaren voor dien dag. »
•
-ocr page 117-
109
ZATERDAG IN DE ZESDE WEEK NA SINKSEN.
Over de zuiverheid des harten.
Lava a malitia cor tiwm, ut salen fias : usquequo nwrabun-
tur in te co/jüaliones noxicc.
(.Ier. iv, 14).
Wasch uw hart van de boosheid, opdat gij moogt behouden
worden ; hoe lang zullen do nadeelige gedachten in u wonen.
1. Overweeg hoe weinigen er zijn, die hun hart van de
Loosheid wasschen. Velen zuiveren hunne harten van de
zonden, waarmede zij liet bezoedeld hadden, in het sacra-
nientder biecht, maar weinigen wasschen het zoodanig, dat
er geene gehechtheid aan hunne zonden overblijft. Gij
beschuldigt u, bij voorbeeld, van bet ijdel gejuich der men-
scben gezocht te hebben : maar gij doet u geene moeite aan,
oin u terzelfder tijd te onthechten van bet verlangen, welk
gij nog koestert, naar de achting der menschen. Zoo doende,
zuivert gij uw hart eenigerwijze, maar gij wascht het niet;
bet is immer hetzelfde met die min lofwaardige vriendschap-
pen, de zucht naar eer en vermaken. Indien hel zoo gemak-
kelijk ware uw hart te wasschen. als hetzelve enkel te zui-
veren, zou er tot Jerusaleni. dat is. lot de Gode toegewijde
ziel niet gezegd worden : Lava cor tuum. ut «//ra fias—
« Wasch uw hart. opdat gij moogt behouden worden. »
5. Overweeg dal de nadeelige gedachten bet kenmerk
zijn, waarbij gij welen kunt of gij uw hart van boosheid
gewasschen hebt of niet. Indien de gedachten, welke gij er
herbergt, gestempeld zijn met eene doodelijke zonde, uw
hart is dan geenerwijze gezuiverd : indien zij min plichtig
zijn, maar u toch allengskens tot doodzonde brengen kun-
nen, zooals de gedachten van wereldsche grootheid en
vermaken, het is een teeken, dat uw hart, alhoewel gedeel-
-ocr page 118-
110
BEKKOPTE OVERWEGINGEN.
telijk gezuiverd, toch niet gewasschen is. Er dient echter
opgemerkt te worden dat kwade en slechte gedachten
meermalen door de geesten van allen trekken, en dat dit
toch geen bewijs is van aangekleefdlieid aan de zonde. Het
bewijs van gehechtheid aan het kwade is het verblijf dier
gedachten in den geest : Usquequo morabuntur in te cogi-
taliones noxise
? « Hoe lang zullen nadeelige gedachten in
u wonen ? » Het nadeelige komt van vrijwillig zijne aan-
dacht aan die gedachten te wijden : de zuiverste balsem
wordt niet bedorven door de vliegen, die er over trekken,
maar door die. welke er zich op neerzetten. Onderzoek u
zelven, en zie of gij uw hart zuiver houdt, niet alleen van
zondige, maar ook van nadeelige gedachten: gij zult dan
weten, van welke, genegenheden gij uw hart wasschen
moet.
3. Overweeg hoe gij beginnen moet om uw hart van ver-
keerde genegenheden te zuiveren, en het aldus inderdaad
te wasschen. Zorg, eerst en vooral, een hevigen haat tegen
de zonde op te vallen, wantom niet opnieuw te beminnen,
wat zoo groote kracht heeft om onze bedorvene natuur tot
zich te trekken, is een lichte haat niet genoeg, hij moet
diepgezeten en hevig zijn. Aldus handelde de koningin
Esther. die, om niet gehecht te zijn aan het diadeem, dat
zij op haar hoofd droeg, zich gewoon maakte hetzelve te
verachten : Tu scis quod abominor signum superbis» et
glorise mem
(Esth. xiv, 1G). « Gij weel dat ik dit teeken
van mijne hoovaardij en glorie verfoei. » Zij was ten volle
overtuigd, dat, had zij het niet hevig gehaat, zij hetallengs-
kens, meer dan geoorloofd was, zou hebben liemnid. Wij
zien daar een voorbeeld van in de Israëlieten, die ten
gevolge hunner bijzondere voorliefde voor de ajuinen van
Egypte, eindelijk zich aan eene zonde plichtig maakten,
welke zij in Egypte nooit bedreven hadden, namelijk die
-ocr page 119-
ZEVENDE ZONDAG NA SINKSEN.                        I 1 1
van de knie te buigen voor afgodenbeelden. Gij. die liet
Hfeypte der wereld verlaten hebt. wees op uwe hoede;
wacht u van cenige aangeklecfdheid voor de goederen der
wereld te behouden, indien gij het gevaar wilt ontwijken
van dezelve te aanbidden.
ZEVENDE ZONDAG NA SINKSEN.
Dat men op zijne hoede moet zijn tegen <lc valsclie
profeten.
Atlondite a falsis proplielis, gut veniunt ad vos in vcstimenlis
oviutii, intus autern sunt lupi rapaces
(Matth. vu, 15).
Wacht u voor de valsche profeten, die in schaapskleede-
ren tot u komen, doch inwendig roofzuchtige wolven zijn.
1.  Overweeg welke degene zijn, die onschuldige lamme-
ren schijnen, maar inderdaad wolven zijn, die u zoeken te
verslinden. Het zijn die onbeteugelde begeerten, welke de
eigenliefde in het binnenste uwer ziel voortbrengt en voedt,
en die u listiglijk pogen over te halen om eer en gemak te
zoeken, en uwe luimen te voldoen niet vernederingen en
kruisen te vluchten. De roofzuchtige wolven zijn ook nog
builen u. die vrienden en nalatige gezellen, die u door
slechte voorbeelden en raadgevingen, uitnoodigen en aan-
lokken om een vcrslapter leven te leiden, geen werk te ma-
ken van de bevelen der oversten, en u aan een zorgeloos
gedrag over te geven. In plaats van dezen als zoo vele wol-
ven te vluchten en te balen, hebt gij hen tot nu toe verweN
komd en behandeld, als getrouwe en onschuldige vrienden.
2.  Overweeg dat het zeer moeiclijk is de begoochelingen
-ocr page 120-
112
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
en het bedrog\'dezer begeerten, die liet gevolg der eigen-
liefde en dier slechte gezellen zijn, te ontdekken, omdat zij
u onder voorwendsel van goed tot liet kwaad lokken. Zij
noodigen u uit, voor u achting en faam te verwerven, om
met des te meer vrucht aan liet zielenheil te kunnen wer-
ken: gemak en uitspanningen te zoeken, om uwe\'gczond-
heid niet te benadeelen of uwc krachten niet uit te putten;
de geestelijke oefeningen na te laten, om uwen geest niet te
veel te vermoeien, lloevelen laten zich niet overhalen door
deze beweegredenen, goed in schijn en tevens welgevallig
aan de eigenliefde, om de oefening der deugd te laten varen,
en ondeugende gcwoonlen aan te nemen ! Indien gij niet
meer wilt bedrogen worden door deze roofzuchtige wolven,
in schapen verkleed, dan moet gij hen eerst erkennen en
hun bedrog ontdekken bij het licht des geloofsen der evan-
gelische waarheden; en ernstig overdenken het groot na-
deel, dat gij u zelvcn in het vciicdene toegebracht hebt,
met de luimen uwer eigenliefde in te willigen en het voor-
beeld van slechte gezellen na te volgen.
3. Overweeg, om des te beter op uwe hoede te zijn tegen
de listen der slechte voorbeelden en uwer eigene ongeregelde
begeerten, dat. indien gij de eeuwige verdoemenis wilt ont-
komen en zalig worden, het niet genoeg is uitwendig als
religieuste leven, zonder de oefening van ware deugd. De
enkele vertooning van schoone bladeren zonder vruchten
zaleen boom niet beletten afgehouwen en in het vuur ge-
worpen te worden : Non omnis qui rfirit mild Domine, Do-
mine, intrabit in regnum codorum. sed qui facit volunta-
teml\'atmmei qui est in coslis
(Malh. vu, -21 ). <« Niet
ieder, die tot mij zegt: Heerc, Heere! zal ingaan in het
rijk der hemelen; maar wie den wil doet mijns Vaders,
die in den hemel is. » Regel dan uw gedrag niet naar het
slechte voorbeeld van anderen, en laat u nog veel min ge-
-ocr page 121-
MAANDAG IN DE ZEVENDE WEEK NA SINKSEN. ] 13
leiden door de ingevingen der eigenliefde ; maar gij moet
uw gedrag in alles schikken naar Gods wil, die u ver-
openbaard wordt door zijne geboden en evangelische raden,
en de bevelen uwer oversten, die voor u de plaats van God
bekleeden. Daarin bestaat de ware belijdenis vaneen reli-
gieus leven.
MAANDAG IN DE ZEVENDE WEEK NA SINKSEN.
Over de toekomende belooning.
Gaudete in Ma die, cl cxtiltaie, ecce enint nierces cesira multa
est in cwlo
(Luc. vi, 23).
Verblijdt u ton dien dage, en juicht! want zio uw loon is
groot in den hemel.
1. Overweeg dat de Heer, niet zonder reden, van u
vraagt dat gij u verblijdt en juicht te midden van de be-
proevingen, welke gij uit lietdc tot Hem doorslaat, want
daardoor wint gij eenc overgroote belooning in den hemel,
waar gij zult bezitten en genieten al het goed, dat God bc-
zit en Hem zeken gelukkig maakt : Ego merces tua magna
nimis
(Gen. xv, t). « Ik ben uw loon bovenmate groot. »> De
landbouwer schept behagen in de moeite en den arbeid,
waaraan hij zich in den zaaitijd onderwerpen moet. en dat,
uit hooide van den oogst, welken hij zich voorstelt. Hebt
gij dan niet veel meer reden om u Ie verheugen dat gij iels
uit liefde tot God lijden moogt, en cenige beproevingen
doorstaan, zooals, ziekten, smarten, verstervingenen ver-
volgingen? Van dat alles zult gij immers in den hemel een
zoo overvloedigen oogst van glorie, rapen, dat zelfs de
minste graad ervan al de pijnen der verdoemden zoo ver
Il                                                                                         7
-ocr page 122-
114
BEKNOPTE OVERWEGINGEN\'.
overtreft, dat het hun al de folteringen der hel zou doen
vergeten. Gij kunt u niet verheugen in uwe beproevingen,
omdat gij uwe gedachten enkel vestigt op hetgeen gij nu
te lijden hebt; denk op de belooning. welke gij verdient
met dezelve uit liefde tot Jesus te verdragen, en gij zult re-
den genoeg hebben om u te verblijden en te juichen, niet
alleen in Ma die « ten dien dage », maar in het lijden zelve,
gelijk de Heiligen deden, van wieu er geschreven staal.dat
zij « al gaande en weenende bun zaad zaaiden, maar met
gejuich zullen zij wederkomen, dragende hunne garven. »
Euntes ibant cl flebant, mitletües semina sua. Vetüentes
autem venient cum emltatione. portantes manipulos suos
(Ps" cxxv, (!). Flebant—i Zij weenden «door het diep ge-
voel hunner smarten en de zwakheid der natuur, die niet
anders dan gevoelig zijn kan aan hetgeen zij lijdt; maar
eiuUantes « met gejuich, » want liet vooruitzicht der be-
looning verblijdt hunnen geest en hun verstand.
3. Overweeg dat de glorie des hemels in liet Evangelie
met verschillende namen genoemd wordt, zooals, belooning,
krans, kroon, erfdeel; maar in den aangehaalden tekst
noemt de Heer ze cene belooning : mei-ces vetfra copiosa est
in caiis
•• uw loon is groot in den hemel, » om u te ken-
nen te geven, hoe zeker gij zijt die belooning te bekomen.
Kooit kunt gij zekerder zijn de glorie des hemels te win-
ncn, dan met gaarne in dit leven voor God te lijden, en
u gelijkvormig te maken aan Jesus, die voor u geleden
heeft en gekruisigd werd : Conformes fieri imaijinis Fïlii
Dei
(Rom. vm, 59). » Om gelijkvormig te worden aan bet
beeld v;m den Zoon Gods. » Er is geen zekerdei e aan-
spraak op belooning, dan die welke steunt op gedaan werk,
als daguur, en die zelfs onder de mensenen niet miskend
wordt. In de andere goede werken kan de eigenliefde inslui-
pen; in te lijden uit liefde tot God, heeft zij volstrekt geen
-ocr page 123-
MAANDAG IN DE ZEVENDE WEEK NA SINKSEN.         1 15
aandeel. En gij zoudt nog durven twijfelen dat God liet u
beloofde loon zal weigeren? Promisü,qui non mentüur Deus
(ïit. i, 1.)"God, die niet liegt, heelt beloofd.» Non est Deus
simt homo. ut mentiatur
(Nuni. xxm. 19). « God is niet
gelijk de mensen, dat hij zon liegen. »Is eene zoo zekere en
heerlijke belooning niet genoeg om u aan te moedigen,
gaarne en met vreugde in dit leven te lijden.
3. Overweeg wat al onaangenaamheden de wcreldlingen
niet te verbijten hebben, in den krijgsdienst, ten hove of
elders in de hoop van eene bclooning, welke zij doorgaans
niet bekomen. Maar veronderstel dat alles naar wensen
gaat, dat zij al verkrijgen wat zij willen, het is toch enkel
eene aardsche belooning, die slechts zoo lang zal duren als
zij op aarde zijn. In andere woorden, het is eene belooning,
die niet zelfstandig, veilig of standvastig is : zij is niet zelf-
standig omdat zij, immer met zooveel bitterheid gepaard
gaande, \'s menschen hart niet kan tevredenstellen : zij is
niet veilig, omdat zij gemakkelijk kan verloren worden : zij
is onstandvastig omdat zij met \'s menschen leven ook een
einde neemt. Gij. integendeel, hebt ongetwijfeld voor God
menige, zeer dikwijls harde beproevingen te doorstaan in
bet klooster, slechts voor korten tijd : maar uwe bclooning
zal nooit einde hebben: zij za! oneindig overtreffen
al wat gij nu Ie lijden hebt; zij zal volmaakt zijn en
al inhouden wat gij wenschen kunt : Satiabor, aan appa-
rueiït gloria tua
(Ps. xvi,15). «Ik zal verzadigd worden,
als uwe heerlijkheid zich vertoonen zal.» Te midden van
uwe beproevingen, stel u voor oogen het geluk van dat
ander leven, hetwelk gij weldra zult genieten : in die
gedachte zult gij meer reden vinden om u te Verblijden
dan om u te bedroeven, te midden van uwe beproevin-
gen. Eece merces vestra. Zie, aanschouw uwe belooning,
denk er wel over! juist alsof zij u wezenlijk tegenwoordig
ware.
-ocr page 124-
116
DINSDAG IN DE ZEVENDE WEEK NA SINKSEN.
Over onze plichten jegens ons zelven, jegens onzen naaste
en jegens God.
Indicabo HM, o homo quid sit bonum et quid Dominus requirat
a te. Utiquc facere judicium, düigere misericordiam, et sollicite
ambulare cum Deo tuo
(Mich. vi, 8).
Ik zal u tonnen, o mensch ! war goed is on wat God van u
begeert. Voorwaar recht te doen, do barmhartigheid te bemin-
non, on zorgvuldiglijk te wandelen mot uwen God.
1. Overweeg dat de Heer door deze woorden voor uw groo-
ter welzijn drie zaken van u vraagt. De eerste gaat u zelven
aan : Facere judicium « recht te doen, » namelijk, dat gij u
zelven niet gestrengheid oordeelen moet, door een nauw-
keurig onderzoek van al uwe werken, door een rechtvaar-
dig vonnis over dezelve, en door eeue strenge strafoplegging
voor dezelve. Wacht u van een zorgeloos leven ; maar
onderzoek nauwkeurig al uwe werken, al uwe woorden, al
uwe gedachten, en de geheimste bewegingen van uw hart.
Spreek bovendien over u zelven een vonnis uit. dat door
uwe driften niet ingegeven zij. Ach. hoe gemakkelijk is het
zich zelven te vleien, en de fout van al zijne gebreken op
anderen te werpen, die liet niet verdienen ! Dan nog moet
gij u zelven eene strenge straf opleggen, met boelplegingen
te doen, die eenigszins geêvenredigd zijn met de fout, welke
gij bedreven hebt, en die u voor de toekomst iu bedwang
houden. Indien gij op deze wijze u zelven oordeelt, zult gij
door God niet streng geoordeeld worden.
2.  Overweeg de tweede zaak, die er van u vereischt
wordt en die uwen naaste betreft, te weten : barmhartig*
beid ten zijnen opzichte. Deze zult gij tooncn met nooit
zijne gebreken te onderzoeken, met aan zijne droefheid
-ocr page 125-
DINSDAG IN DR ZF.VF.NDF. WEEK NA SINKSEN.          117
deel Ie nemen, hem alles gewillig te vergeven, en hein in
alle voorkomende gelegenheden bij Ie slaan, voor zooveel het
in uwe macht is. Merk ook op dat er gezegd word diligere
miseiicordiam «
de barmhartigheid te beminnen »; want
indien gij oprecht begeerig zijl barmhartigheid te toonen,
zult gij zeker de noodwendigheden van uwen naaste wel
ontdekken, en hem spoedig eene helpende hand toereiken,
volgens dat uw staat zulks toelaat.
3. Overweeg wat de Heer van u ten zijnen opzichte ver-
eischt, namelijk, dat gij zorgvuldig zijt om in zijne tegen-
woordigheid te wandelen: Sollicite ambulare cum Den tuo.
Gij moet u, in den korlstondigeu pelgrimstocht van het
tegenwoordige leven, nooit van Hem verwijderen, maar
Hem aankleven, en. waar Hij ook gaan moge, Hem gezel-
schap houden, zelfs op den weg naar Calvarië. Volg het
voorbeeld niet na van degenen, die, gelijk lafaards, Hem
verloochenen op Calvarië ie midden van allerlei kruisen,
en Hem enkel volgen naar den Thabor, in het uur van ver-
troosting en glorie. Onderzoek u zelven, en zie of gij zorg-
vuldig zijt in Hem na te volgen, Hem te gehoorzamen, in
Hem te eeren en aan Hem te behagen : onderzoek in het
bijzonder, wat moeite gij u aandoet om Hein niet te verlie-
zen op den weg des levens, te midden van zoovele listige
vijanden, die er altijd op uit zijn om u van zijne genade te
berooven. Deze zorgvuldige kommer is lofwaardig en hoogst
noodzakelijk, maar hij moet gepaard gaan met een vol-
maakt betrouwen op den Heer, en dan kunt gij verzekerd
zijn dat Hij u de sterkte zal geven om Hein te volgen, en om
krachtig te weerstaan aan allen, die u van Hem zouden
willen wegrukken.
**
-ocr page 126-
118
WOENSDAG IN DE ZEVENDE WEEK NA SINKSEN.
Het rijk der hemelen Hjdt geweld.
Regnum ceelorum vim pcitiiw, et violenti rapient Mud.
(Mat\'th. xi, 12).
Het rijk der Hemelen lijdt geweld, on do geweldigen rooven
het.
1.  Overweeg dat liet rijk der hemelen geen louter geschenk
is, maar iets dat men door een hevigen strijd winnen moei:
daarom heeft Jol) gezegd: Mililia est vitu hominis. (Job.
vu. 1). « \'s Mensehen leven is een strijd. » Hoe kunt gij u
dan inbeelden dat gij het bekomen zult, zonder er u moeite
voor aan te doen ? Dat is eene onmogelijkheid. Zie, wat
zweet, watboetplegingen, wat bloed zelfs hel. aan eiken
Heilige gekost heeft! Aanschouw den Koning der Glorie
zclven : wat heeft Hij niet gedaan en geleden om den hemel
te verdienen, niet voor zich zelven, want hij behoorde Hem
reeds, maar voor ons allen ! Opoduit ClwislumpalL et ita
intrure in gloriam suam
fLucxxiv, 20). « Christus moest
lijden, en zoo ingaan in zijne heerlijkheid. » En gij, wat
hebt gij tot nu toe gedaan om Christus na te volgen, die u
met de overmaat zijns lijdens tot de verovering wilde aan-
moedigen van een zoo groot rijk.
2.  Overweeg dal het rijk der hemelen door den strijd,
ja door een geweldigen strijd, eene bestorming, moet ver-
worven worden: Violenti rapiutü Mud. Gij moet dit geweld
aanwenden met u zelven en te gelijk met God; met u zelven
door eene volmaakte zelfverloochening, en door uwc onge-
regelde driften te wederstaan en te onderdrukken; met God,
bij middel van het gebed, juist alsof gij met geweld uw recht
op den hemel uit zijne handen rukken moest. Door het
-ocr page 127-
WOENSDAG IK DE ZEVENDE WEEK NA SINKSEN. 119
gebed alleen kan men God\'geweld aandoen. Hebt gij ooit
eenen soldaat zien stormloopcn ? Hij spant alle mogelijke
krachten in om immer voort te gaan, hij strijdt met den
vijand, die hem van de schransen wil wegdrijven. Op dcr-
gclijke wijze moet gij God geweld aandoen door het gebed,
en u zelvcn met te strijden tegen uwc ongeregelde driften.
;3. Overweeg dat zoo gij u den noodigen moed niet gevoelt
om edelmoedig u zclven en God alle mogelijk geweld aan te
doen. gij nogtans liet hemelrijk kimt winnen, op voorwaarde
dat gij er u zelvcn laat invoeren door de pogingen van ande-
ren. Dit moet geschieden, in geduldig nit liefde lot God te
verdragen het geweld, dat u aangedaan wordt, in den vorm
van tegenkantingen, vervolgingen en ziekten, welke de Heer
geordend heeft om u op de eene of andere wijze voor het
geluk des hemels geschikt te maken. Indien iemand in eene
kerk of andere plaats wil binnendringen, waar er reeds
eene groote menigte vergaderd is, gaat hij zoowel vooruit
met zich door de menigte te laten voortdrijven, als met alle
pogingen in te spannen om voort te gaan. Zijt gij zwak in
het geestelijk leven, en niet sterk genoeg om u zelvcn het
noodig geweld aan te doen, om in den hemel toegelaten te
worden, laat ten minste toe, dat die ziekten, beproevingen,
en vervolgingen, uwe krachteloosheid vervangen, en u
bijstaan,om het hemelrijk te veroveren.
-ocr page 128-
120
DONDERDAG IN DE ZEVENDE WEEK NA SINKSEN.
Over liet nut «Ier bekoringen.
Bealus vir qui suffcri tcntationcm; quoniam cum probatus
fuerit accipiet coronam vitcu, quam repromisit Deus diliyentibus
sa
(Jac. i, 12).
Zalig de man, dio de verzoeking verdraagt! want daar hij
een beproefde is geworden, zal hij de kroon dos levens ontvan-
gen, die God beloofd hoeft aan die hem liefhebben.
1.  Overweeg de reden waarom de Heer toelaat dat gij
door den duivel aangevallen en door allerlei beproevingen
belegerd wordt. Het is om te doen blijken of gij Hem bemint.
Het is gemakkelijk voor u te zeggen dat gij God bemint,
wanneer alles naar uwen wensch gaat. Maar wanneer gij
beproefd wordt door eene onzuivere bekoring, eene ziekte,
cene versmading ot\' inwendige mistroosting, dan zijl gij
ongelukkiglijk een geheel ander mensen. De duivel lachte
met al de deugd van Job, zoo lang zij niet beproefd was ;
hoe durft gij dan op de uwe rekenen ? Neen ! laat toe dat de
Heer u bcproeve, gelijk Hij het goedvindt: bet tegen\\voor-
dige leven is een tijd van beproeving: Tentatio est vitahomi-
nis super terram
(Job. vu. 1). « \'s Menschcn leven op
aarde is eene beproeving,» zooals de zeventig overzetters der
H. Schriftuur lezen.
2.  Overweeg dat, indien gij onder de beproeving der
bekoring getrouw blijft, gij gelukzalig zult zijn en de kroon
des levens zult ontvangen : Accipies coronam vitae. Met
welke glorie zult gij omgeven zijn, wanneer de Heer op
uwen krooningdag de kroon op uw hoofd zal zetten ! Eer-
tijds streed men om eene laurier, klimop of pijnkroon, die
toch spoedig moest verwelken, te bekomen, en gij hebt den
moed niet te vechten tegen de driften van het vleesch, de
-ocr page 129-
DONDERDAG IN DE ZEVENDE WEEK NA SINKSEN. 121
Icerstelselen der wereld en legen de aanvallen des duivels,
om de onverwelkbare kroon der glorie te verwerven : Immar-
cescibilem gloriie coronan
(1 Petr. v, 5). Zij wordt ook
cene kroon des levens geheeten, omdat zij aan de \\erwoes-
tingen des doods niet onderworpen is.
3. Overweeg dat deze heerlijke kroon des levens zeker is
en u niet ontbreken kan. want God heelt dezelve herhaalde
malen op bijna elke bladzijde der II. Schriftuur beloofd :
repromml Deus. (lij zoudt volgaarne geloof hechten aan het
woord van eenen prins, die u eene groote belooning belooft
voor eenen ren. alhoewel gij de belooning zelve niet gezien
hadtV En gij zoudt God op zijn woord niet gelooven ! Indien
Godu ééns enkel de kroon toonde, welke Hij voor u bestemd
heeft, o ! welken moed zoudt gij niet opvatten, welke vast-
beradenheid, welke vreugd zoudt gij niet gevoelen ! Maar
om u meer te doen winnen toont Hij u dezelve niet. Hij wil
dat gij op Hem betrouwt, liovendien hoe wilt gij dat Hij u
dezelve toone. dewijl zij nog niet voleindigd is ? Te grooter
uw lijden en uwe verduldigheid is. des te rijker en schooner
zal uwe kroon wezen : herinner u dat deze kroon geen lou-
ter geschenk, maar de belooning uwer verdiensten zijn
moet.
-ocr page 130-
122
VRIJDAG IN DE ZEVENDE WEEK NA SINKSEN.
Oyer de verachting van al het aardsche om Christns.
Quce mihifuerunt lucra, heeo arbitratus sum propter Christurn
detrimenta. Verumtamen exislimo omnia dctrinienhtm esse,
propter eminentem scicntiam Jesu Christi Dotnini mei; propter
quem omnia dctrimentum feci, et arbitror ut stercora, ut Chris-
tum lucrifaciam
(Philip, in, 7. 8).
Wat voordeelen ik had, die hob ik om Christus\' wil nadeelen
geacht. Ja, en ik acht alles nadeel, om do overtreffende kennis
van Jesus Christus, mijnen Heer ; om wille van wien ik dat
alles verloren heb en als drek acht, opdat ik Christus gewinno.
1. Overweeg hoe helder het licht des geloofs en van de
evangelische leer was, dat in den geest van den apostel
Paulus doorscheen, dewijl wij zien, dat onder den indruk
van dat licht, dezelfde voorwerpen, die hij eerst voor de
grootste winst aanzag, hein nu eer als een verlies dan alseene
winst voorkomen. Alwie een dergelijk licht ontvangen heeft,
kan ook in zich zelven dezelfde verandering bespeuren. Hoe
verbaasd staat zoo iemand wanneer hij denkt, dat hij ooit
zoo blindelings de leerstelselen der wereld aankleefde, zoo-
veel werk maakte van vruchtelooze mededingen, van voor-
rang en gejuich der menschen ! Wat u aangaat, indien gij.
na het religieuze leven omhelsd te hebben, u niet beschaamd
gevoelt over u zelven, omdat gij in het verledcnc de tijde-
lijke voordcelen, welke gij nu uit liefde tot Christus verlaten
hebt, nagejaagd hebt: dat zou een teeken zijn dat dit
hemelsch licht uw geleider in het leven niet is: Justitise
linnen non liuït nobis
(Sap. v, C). « Hel licht der gerech-
tigheid bestraalde ons niet. »
1. Overweeg dat de apostel niet alleen voor een verlies
hield wal hij vroeger als eene winst aanzag, maar nog ver-
-ocr page 131-
VRIJDAG IN DE ZEVENDE WEEK NA SINKSEN.          123
der ging en voor verlies rekende al wat niet Christus was,
zooals edeldom, welsprekendheid, talenten en andere be-
gaafdheden : want alwie aan deze dingen zijn hart hecht
moet alle gedacht opgeven van Christus te volgen of zijnen
dienst tecnemaal verlaten. Deze gesteltenis, die cenc ziel
alle tijdelijke voordeden, welke de wereld zoo hoog acht, als
verlies doet rekenen, maakte van den H. Paulus cenen
apostel door die overtreffende kennis, welke hij in de school
van Jesus Christus verwierf. Daar leerde hij dat men geen
volgeling van Christus kan zijn, indien men al wat men is,
en al wat men heeft niet ten volle verzaakt: Qui non renun-
tiat omnibus qusepossidet, non pot est meus esse discipulus
(Luc. xiv. 33).« Die niet alles verzaakt, wat hij bezit, kan
mijn leerling niet zijn. » Die verhevene wetenschap moet gij
trachten te bekomen. Indien gij er toe geraakt, zullen alle
tijdelijke goederen, die gij in de wereld bezat, ja, al wat gij
mogelijk bezitten kont, u een verlies voorkomen : en Jesus,
naakt hangende aan het kruis, zal dezelve vervangen en uwe
verlangens meer dan al het overige verzadigen.
3. Overweeg wat achting de Apostel had voor alle moge-
lijke goederen der wereld. Hij aanzag dezelve als drek :
Arbüror ut stercora. want hij begreep het verschil tusschen
de goederen der aarde en Jesus Christus. Indien wij de voor-
dcelen en vermaken der wereld nagaan, zullen wij ontdek-
ken dat die, welke betrek hebben op de begeerlijkheid des
vleeschcs, met den stank der zonde bezoedeld zijn ; dat die,
welke behooren tot de begeerlijkheid der oogen, in andere
woorden, tol de geldzucht, vuil en laag zijn ; en dat die,
welke de hoovaardij des levens, dat is, de eerzucht na-
jaagt, vol verrotting en bederf zijn.Daarom zegde Je Apostel
aangaande dat alles: Arbitror ut stercora » Ik acht dezelve
als drek. « Hoe droevig zou het niet wezen, indien gij in
plaats van den apostel na te volgen, uwe roeping vergat en
-ocr page 132-
124
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
Christus verzaaktet, om de bedorvene goederen en vermaken
der aarde na te jagen, welke de Apostel van de hand wees
om den gekruiste!) Jesus te bezitten.
ZATERDAG IN DE ZEVENDE WEEK NA SINKSEN.
Over de plichten der Christenen,
voor zooveel zij soldaten van Christus zijn.
Laliora sicitt bonus miles Chrisli (2 Tim. il, 3).
Arbeid als oen goed krijgsknecht van Christus.
1. Overweeg dal elke ware Christen een krijgsknecht
van Jesus Christus zou moeten zijn, strijdende of gelijk de
martelaren tegen de dwingelanden, of gelijk de doktoors der
Kerk tegen de dwalingen, ot gelijk elke geloovige tegen de
driften des vleesches en de aanvallen des duivels. Gij beeldt
u misschien in dat niet eene der drie aangehaalde soorten
van strijden op u toepasselijk is, maar gij bedriegt u ; zij
passen op iedereen: want, alhoewel het niet noodig is altijd
werkelijk vechtend te zijn. men moet zich toch altijd voor den
strijd bereid houden. Juist daarom, zegt u de Apostel niet
ceiia •< strijd » maar labora sicut bonus miles « arbeid als
een goed krijgsknecht.« Zelfs ten tijde van vrede zijn de sol-
dalen niet werkeloos. Zoo gij ook, alhoewel gij nu niet te
strijden hebt legen de dwingelanden, gij moet toch de mar-
telaren na volgen, met te zoeken den luister des geloofs
onbevlekt te bewaren, juist alsof gij het voor eene openbare
rechtbank te belijden hadt: met u gewoon te maken het
leven te verachten, en uw lichaam te haten en te versterven,
alsof gij het weldra onder het mes van den beul te \\erlie-
-ocr page 133-
ZATERDAG IN DE ZEVENDE WEEK NA SINKSEN.         125
zen hadt. Maar indien gij genegen zijt om uw gemak te
zoeken, en uw vleesch te streden, hoe kunt gij u dan roe-
men een krijgsknecht van Christus te zijn ?
2.  Overweeg dat alhoewel gij misschien tegen de dvva-
lingen niet zult te strijden hebben, gelijk de doctors der
Kerk of de predikanten, gij noglans in uwe hoedanigheid
van krijgsknecht van Christus, u moet gereed maken om te
strijden tegen de valschc leerstelselen en gebruiken, welke
men zoo dikwijls onder de Christenen ziet, en die geenszins
overeenkomen met de evangelische leering. Gij moet u in
staat stellen die door uw gedrag te wederleggen, zoo, b. v.,
dat het smadelijk is cenen vijand ie vergeven, soms zijn
eigen gedacht op te geven, zich te weerhouden van gram-
schap of wraak, zich te vernederen, en meer dergelijke.
Hoe kunt gij u uitgeven voor eenen soldaat van Christus en
u niet bereid toonen om die dwalingen te veroordeelen,
welke de wereldlingen overal verspreiden, en die iegenstrij-
dig zijn aan de evangelische waarheid ? Labora sicut bonus
miles Christus.
« Strijd als een goede krijgsknecht van
Christus.
3.  Overweeg dat uw plicht van waren krijgsknecht van
Christus bestaat, niet alleen in te strijden tegen uwe kwade
driften en hunne aanhangers, de duivels, wanneer zij u
aanranden, maar in, zelfs wanneer zij u een korten \\vapen-
stilstand verlcenen, altijd met de wapens in de handen op
uwe hoede te zijn. Juist wanneer gij u veiligst gelooft, is
er de grootste waakzaamheid van noode, want juist dan
laat de Heer hun toe. u nog raziger aan te vallen tot straf
uwer onachtzaamheid. Voor gecnen soldaat blijft de dadelijke
strijd altijd duren, maar elke soldaat is aanhoudend aan
menige wederwaardigheden blootgesteld. Bovendien om u te
gedragen als een ware krijgsknecht van Christus, moogt gij
niet strijden gelijk een huurling, die op niets anders dan
II                                                                                        8
-ocr page 134-
120
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
zijn huurgeld uit is; maar gelijk een vrijwilliger, die voor
zijnen koning alleen vecht. l\'w eenig doelwit in den strijd
tegen de vijanden van uwen Heer moet zijn. Hem te beha-
gen, die over u van op zijnen troon waakt om te zien, hoc
gij u in uwe moeielijkheden gedraagt: Ut ei placeat, qui se
probavit
(2. Tim. it, 4). « Om te behagen aan wie hem
heeft goedgekeurd.
ACHTSTE ZONDAG NA SINKSEN.
Over de parabel van den ontrouwen rentmeester.
Filii hujtcs sceciili prudentiores filiis lucis in generatione sua
simt
(Luc. xvi, 8).
De kinderen dezer wereld zijn in hun geslacht, omzichtiger
dan de kinderen des lichts.
1. Overweeg hoe de onrechtvaardige rentmeester van het
Evangelie, uit vrees van afgedankt, en door zijnen meester
vervolgd te worden, om reden van zijn slecht bestuur,
ernstig liegint op zijne eigene belangen na te denken, en
middelen te beramen om in zijne toekomst te voorzien. En
gij, die zoovele van God ontvangene weldaden verkwist
hebt, gij vreest het kwaad en het onherstelbaar nadeel niet,
welk u bij de vereffening der rekeningen te wachten staat ?
Helaas! hoe vele goederen van lichaam en ziel, van natuur
en genade, welke de Heer u gegeven had, om in zijnen
dienst te besteden, en voor zijne glorie te gebruiken ;
hoevele dezer, zeg ik, hebt gij verkwist of slecht besteed
ten voordeele van uw lichaam, van uwe. kwade genegen-
lieden en van uwe eigenliefde? En alhoewel gij innig
overtuigd zijt, dat gij weldra eenc gestrenge rekening zult
-ocr page 135-
ACHTSTE ZONDAG NA SINKSEN.                        127
moeten afleggen voor het\' scliandig ongelijk, welk gij den
Almachtige hebt aangedaan, denkt gij er nogtans niet aan
en doet gij geene pogingen om Hem eenige vergoeding te
geven. O! hoe waar is het dat de kinderen dezer wereld
omzichtiger zijn. Filii hujussaeculi prudentiores sunt!
1. Overweeg dat liet arglistige plan. waarvan de rent-
mcester zich bediende, gansch tot zijn eigen voordeel, en
hel nadeel van zijnen meester strekte. De meester prees
nogtans zijne arglistigheid, omdat hij zich bijtijds zijne
schuldenaren tot vrienden had weten te maken, met het
bedrag hunner rekeningen te verminderen, opdat zij hem
van de noodige levensmiddelen zouden voorzien . Quantum
debes ?...... Centum cados dei.....scribe quinquaginta.
« Hoeveel zijt gij schuldig?.... Honderd vat olie.... Schrijf
vijftig. » Met God is het het tegenovergestelde: gij kunt Hem
nooit eenig ongelijk aandoen met voor uwe eigene belangen
te zorgen ; gij kunt Hem enkel belcedigcn met u zelven
nadeel toe te brengen.Waarom verwaarloost gij dan zoovele
middelen, waarmede gij in uwen uitersten nood kunt voor-
zien, en tegelijk uw eigen voordeel en Gods welbehagen
kunt bevredigen? Ga een weinig na, hoe bezorgd de
wereldsche menschen zijn om hun vernuft te scherpen en
hunne tijdelijke belangen te bevorderen: hoe bekommerd zij
zijn om niet te verliezen wat zij reeds bezitten, om te
bekomen wat zij verlangen, en met welk vooruitzicht zij
hunne toekomende en mogelijke noodwendigheden tegemoet
zien ? En nogtans al deze aardsche voorwerpen zullen geen
honderd jaren bestaan ; de dood stelt er een einde aan. Hoc
gelukkig zoudt gij zijn, indien gij zoo bezorgd waart «n
zoovele pogingen aanwendet om de oneindige goederen des
hemels te bekomen en in veiligheid te stellen.
3. Overweeg dat het leven kort en de dood onzeker is ;
hij kan u alle oogenblikken overvallen, en dan — Jam
-ocr page 136-
128                         BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
non poteris villicare. « Gij zult niet meer rentmeester
kunnen zijn. » Gij zult clan geen tijd meer hebben om uwe
rekeningen te vereffenen, en de verdiensten uwer goede
werken te vergaderen, waarmede gij kunt vergoeden de
verkwisting van zoovele gaven, welke gij van God in het
religieuze leven ontvangen hebt, van zoovele verlichtingen,
van zoovele ingevingen, van zoovele goede voorbeelden,
voor dewelke gij in het uur des doods eene gestrenge rekc-
ning zult moeten geven : het Evangelie verzekert er u van:
Omni, cid multum datum est, multum quseretur ab eo
(Luc. xii, 48). « Van al, wien veel gegeven is, zal veel
gevorderd worden. »
MAANDAG IN DE ACHTSTE WEEK NA SINKSEN.
Over de ware barmhartigheid jegens onzen naaste.
Estote misericordes sicut et Pater tester misericors est (Luc. vi,
30).
Woest barmhartig gelijk uw Vader barmhartig is.
1. Overweeg dat de ware barmhartigheid —debarm-
hartigheid, waardoor gij aan den hemelschen Vader moet
gelijken, die niet is, welke voortspruit uit een gevoelen van
tecderheid en medelijden met de ellende uws naasten, maar
die, welke haren oorsprong heeft in de deugd der liefde, en
u aanzet om uwen naaste bij te staan uit liefde tot God. Is
het deze beweegreden, die in uw hart een gevoelen van
medelijden opwekt, dan is uwc barmhartigheid volmaakt,
want dan begeert gij niet alleen de ellende van anderen te
verzachten, maar ook dezelve te deden en er bedroefd over
-ocr page 137-
.MAANDAG IN DE ACHTSTE WEEK NA SINKSEN.          129
te zijn. Zoodanig is de barmhartigheid, die God ten uwen
opzichte getoond heeft, dewijl Hij zoo goed geweest is, u
niet alleen te helpen in uwe armoede, maar zelfs mensch te
worden om u zijn teeder medelijden te toonen : Delmit \\>er
omnia fratribus assimilari ut misericors jieret
(Heb. n,
17). « Hij moest den broederen in alles gelijk worden, op-
dat iiij barmhartig zou zijn. » Die volmaakte barmhartige
heid moet gij ten opzichte van uwen naaste toonen, met hem
te helpen uit liefde tot God, en zijne kwalen te gevoelen
alsof het de uwe waren.
2. Overweeg dat die barmhartigheid en dat medelijden
zich niet moeten bepalen tot vrienden en naastbestaanden,
maar moet getoond worden zelfs ten opzichte van onwaar-
digen, vreemdelingen en vijanden, jegens wien gij natuur-
lijker wijze tot medelijden niet bewogen wordt. Dergelijke
barmhartigheid zal volmaakter zijn en meer gelijken aan de
barmhartigheid van God, die de gebreken van de zondaars
verontschuldigt en zijn overvloedigen bijstand zelfs aan zijne
vijanden leent. Merk hier wel op, dat Christus u de barmhar-
tiglieid Gods ter navolging voorstellende, Hem op deze
plaats met den naam van Vader noemt : Estute miserieordes
simt et Pater venter misericors est.
« Weest barmhartig
gelijk uw Vader barmhartig is : » want Hij weet de. gebre-
ken zijner kinderen te verontschuldigen, en hen teederhartig
bij te staan, zelfs wanneer zij oneerbiedig of wederspaunig
zijn. Hoe dikwijls gebeurt het niet. dat, in plaats van mede-
lijden of droefheid te gevoelen, wanneer gij eenen vijand of
een onverdienend mcdeschepsel door eenig ongeluk over-
vallcn ziet, gij er eerder behagen in schijnt te scheppen ?
In zulke gevallen, indien gij u niet bewogen gevoelt tot
oprecht medelijden, zorg ten minste hen te helpen en bij te
staan ; zoo niet met stoffelijke middelen, ten minste met
gebeden voor hun welzijn. Doe dat uit liefde tot den Zalig-
-ocr page 138-
i:jo
BEKNOPTE
OVERWEGINGEN.
maker, die cenc cindeloozc liefde ten uwen opzichte getoond
heeft, alhoewel gij zoo ondankbaar en onwaardig waart,
want Hij heeft uwe ellende op Zich genomen, en heeft u
gered ten koste van zijn bloed.
3. Overweeg dat onder al de goddelijke deugden, Christus
er u niet eene in het Evangelie zoo dringend ter navolging
aanbeveelt als de barmhartigheid, omdat deze u meest aan
God zal doen gelijken. De eigenschap der barmhartigheid,
gelijk zij in God is. en zich in hare uitwerksels veropen-
baart, is de grootste van al zijne eigenschappen, omdat het
de barmhartigheid was, die Hem bewoog het menschdoni
ten koste van zijn bloed te verlossen : Seeundum miseiï-
eordiam mam salvos nos fecit
(Til. in, 5). « Naar zijne
barmhartigheid heelt bij ons zalig gemaakt. » Zoo is dan
ook de barmhartigheid de grootste deugd voor u : want de
oefening der barmhartigheid ten opzichte van uwen naaste
om God. is eene oprechte liefde, die u met God en levens
met uwen naaste verbindt, en u menigvuldige gelegenheden
verschaft om bijzonder ten behoeve van de meest noodlij-
denden vele akten van deugd te oefenen, waarin de eigen-
liefde geen aandeel heeft. Voed dus in uw hart eene vurige
liefde voor de barmhartigheid, om zoo meer aan uwen
hemelschen Vader te gelijken.
-ocr page 139-
•131
DINSDAG IN DE ACHTSTE WEEK NA SINKSEN.
De dood is de weergalm van liet leven.
Si ceciderit lignum ad austrum, aut aquilonem ; in quocwif
que loco ceciderit, ibicrit
(Keclo. xi, 3).
Al8 een boom valt ten zuiden ot\'ton noordon, waar hij valt,
daar ligt hij.
i. Overweeg dal gij die boom zijl, waarvan er hier
spraak is. Indien gij, afgehouwen door de zeisen dos doods,
ter rechterhand, — ten zuiden valt, in hel zuiden zuil gij
blijven ; valt gij ter linkerhand, — ten noorden, in liet
noorden zult gij blijven. Nooit zal er de geringste hooi»
wezen, die ligging te veranderen. Gij zult voor altijd of een
prins op zijnen troon of een slaaf in ketenen wezen, voor
altijd achtbaar en geëerd of voor altijd met schande bedekt.
Gaat u een zoo verschillend lot niet aan\'.\' Is het de
moeite niet waard er op na te denken ? Hoe komt het dan
dat gij, die altijd kasteelen in de lucht bouwt, en met hart
en ziel streeft om cenig eerambt te bekomen en te behouden,
ofeenig gemak, dal slechts weinige dagen duren zal; hoe
komt het. dat gij zoo weinig op die twee lotgevallen denkt,
waarvan binnen kort noodzakelijk het eene of het andere het
uwe wezen zal ?
5. Overweeg dat. indien gij begeerig zijt Ie weten tot
welken kant gij vallen zult. gij slechts te zien hebt lot wel-
ken kant gij overhelt. Nadat de zaag eenen boom doorsneden
heeft, valt hij zeker naar den kant, naar denwelken hij
overhelt. Hangt hij over naar het zuiden, naar het zuiden
zal hij vallen : hangt hij over naar het noorden, naar het
noorden zal hij vallen. Wanneer de dood u neervellen zal,
beeld u niet in dat gij naar het zuiden vallen zult, indien gij
-ocr page 140-
132
BEKNOPTE OVERWEGINGEN".
naar bet noorden overhelt. Het gewicht van den boom doet
hem naar eenen kant overhangen: evenzoo zijn uwe gene-
genlieden en gevoelens oorzaak tlat gij naar den eenen of
anderen kant overhelt. Doen deze u overhellen naar het
noorden, te recht vreest gij dan uw lot. Die religieuzen zijn
niet weinig in getal. die. na hunne genegenheden naar
de aardsche goederen en de achting der wereld gekeerd te
hebben, bij den dood een allerellendigst lot ontmoetten.
3. Overweeg dat. zoo gij het verkiest,er nog tijd is om
eene gunstige overhelling aan te nemen, met uwe ondeu-
gende genegenheden en ongeregelde gevoelens geweld aan
te doen. Maar ste! niet langer uit.Eene aangenomen gewoon -
te is gelijk een boom : te ouder zij wordt, des ie onbuig-
zamer wordt zij. Begin dan eens wel uw hart naar God en
uwe gedachten naarde eeuwigheid te keeren, en geel\' geen
acht op deze vergankelijke wereld, dan kunt gij u naar den
dood op een gelukkig lot verwachten. Hebt gij het religieuze
leven niet omhelsd om uwe eeuwige gelukzaligheid te
verzekeren \'.\' Waarom dan zooveel aandacht geven op zaken,
die uwen staat niet belamen, en u in gevaar stellen van ver-
loreu te gaan V Gij kunt u nu geen volledig gedacht vor-
men van hetgeen de kracht der gewoonte, zoo goede
als slechte, zal hebben in het uur des doods.
-ocr page 141-
133
WOENSDAG IN DE ACHTSTE WEEK NA SINKSEN.
Over do intrede van Jcsus in Egypte.
Ecce ascendit Dominus super nubem levetn, et ingredielur
Egyptum, et commovelntntur simulacra Egypti a facie Domiiii
(Isai. xix, 1).
Zie, de Heer zal op eene lichte wolk klimmen, en in Egypte
komen, en de afgodenbeelden van Egypte zullen ontroerd
worden voor zijn aanschijn.
1. Overweeg dat, toen onze goddelijke Zaligmaker, ^\'er-
borgen onder de wolk zijner menschheid, Egypte binnentrad,
al de afgodenbeelden van dat land daverden en ten gronde
vielen, zooals Isaias voorzegd had. Uw hart is gelijk een
ander Egypte, waar er zoovele afgodenbeelden als ondeu-
gende genegenheden, welke gij hulde bewijst, schuilen.
Dit niettegenstaande, gewaardigt Zich de Heer in het
Egypte van uw hart te komen onder de wolk der sacra-
nienteele gedaanten, niet om Zich zelven het leven te reddeu
voor het zwaard van Herodes, maar om u uw leven te red-
den, telkens gij Hem ontvangt in de H. Communie. Hoe
kunt gij zoo onverschillig blijven bij deze liefdevolle intrede
van Jesus in uw hart ? Waarom haast gij u niet Hem uwe
hulde te bowijzen ?
1. Overweeg dat zoohaast de Heer Egypte binnengetreden
was, al de afgoden beelden getuigenis gaven van zijne
almacht en zich ontroerden voor het aanschijn van den
Schepper der wereld : A facie Domini. Het is dan veel
rechtvaardiger en betamelijker dat de ondeugden van uw
hart daveren en ten gronde vallen bij de tegenwoordigheid
des Heeren, en in het aanschijn der voorbeelden, welke Hij
u geeft in het sacramentzijner liefde. Nu, hoevele afgoden zijn
er in uw hart niet ? Een afgod is de ondeugd van hoovaar-
-ocr page 142-
134
BEKNOPTE OVERWF.GINGF.N.
digheid, een ander uwe grammocdigheid en onverduldig-
heid, een derde nog, de overgroote lietde voor een grootcn
naam en het doen van uwen eigenen wil. Hoe is liet moge-
lijk dal deze afgoden kunnen blijven staan, wanneer gij
uwen God, zoo diep vernederd ziet in de H. Hostie, met
eene onoverwinbare zachtmoedigheid verdragende om
uwentwil al de belcedigingen, welke Hem onder de sacra-
menleele gedaanten worden aangedaan, en Zich aan het
bevel zijner dienaars, hoc onwaardig ook onderwerpende.
Bij de woorden der consecratie immers daalt Hij op het bevel
des priesters van den schoot zijns heinelschen Vaders
neder, overal waar Hij geroepen wordt. Is het dan niet
redelijk dat al uwe afgoden ten gronde geworpen wor-
den. en dal Jesus in uw hart de overwinning zou behalen
gelijk eertijds in Egypte.
3. Overweeg dat de profeet Isaias niet zegt dat de afgo-
dcnbeelden van Egypte van den bliksem geslagen of met
geweld door den Heer neergeworpen werden, maar dat zij
daverden en van zich zelven ten gronde vielen voor het
aanschijn des Heeren. Zoo moet het ook met de ondeugden
in uw hart gaan. Gij moet niet wachten totdat uw Zalig-
maker dezelve met geweld nederwerpe, maar gij moet
zorgen dat uw wil ze plaals doe maken en ten gronde doe
vallen, en Hem deze hulde bewijzen uit liefde eerder dan
uit dwang. Tracht dan uit eigene beweging uwe ondeugende
genegenheden ten gronde te doen vallen in de tegenwoor-
digheid des Heeren ; anderszins zullen uwe afgoden onbuig-
zamcr en wederspanniger worden, dan de. steenen afgoden-
beelden, die Hem in Egypte eene zoo schitterende gctuige-
nis gaven.
-ocr page 143-
135
DONDERDAG IN DE ACHTSTE WEEK NA SINKSEN.
W«j moeten strijden indien wij wenschen gekroond
te worden.
Qui certat in ar/onc non coronabitw, nisi Icr/itimc certavcril
(2 Tim. ii, 5).
Wie in het strijdperk kampt, wordt niet bekroond, zoo hij
niet gekampt hoeft naar de wetten.
1. Overweeg dat, om bekroond te worden.gïj moet strijden
tegen uwe ongeregelde drillen, want de kroon van glorie,
die de belooning is van een heilig leven en van de religieuze
volmaaktheid, kan niet verworven worden alleen door god-
vruchtige oefeningen, luchtroede, of vasten uit vrije \\erkie-
zing ondernomen ; zij kan enkel gewonnen worden door
een volledigen zegepraal over u zelven ; al het overige
zijn slechts middelen om tot die overwinning te komen.
Wat kunnen alle uitwendige oefeningen van deugd u haten,
indien intusschen uwe inwendige gebreken den vrijen toom
hebben, indien gij meer van u zelven dan van anderen
denkt, indien gij zoo licht fout vindt met uwe broeders, en
u ontstelt bij elke kleine opmerking, indien gij u zelven
traag in de gehoorzaamheid toont en immer en in alles u
zelven en uw gemak zoekt ? Deze is zeker de weg niet om
de kroon te winnen.
1. Overweeg dat om gekroond te worden, het zelfs niet
genoeg is te strijden, gij moet noodzakelijk strijden naar de
wetten, dat is, gelijk de H. Augustinus zegt, zonder moede
te worden of op te houden, zoolang de ziel zich in het st"ijd-
perk dezes levens bevindt. Gij moogt nooit de wapenen
neerleggen ; lijdt gij nu en dan eene gedeeltelijke neder-
laag, geduld ! De Heer gebiedt u niet zóó over uwe driften
-ocr page 144-
136
BEKN\'OPTn OVERWEGINGEN.
te zegevieren, dat zij zich nooit meer vertoonen : maar Hij
bevoelt u nooit een wapenstilstand met den vijand te sluiten:
Usque admortoncertapro justitia(Eccli. ïv, 33). «Strijd
tot aan uwen dood voor de gerechtigheid.
3. Overweeg dat gij in dezen aanhoudendeu strijd tegen
uwe driften den moed niet moogt verliezen, want ten slotte
deze is de gemakkelijkste manier om dezelve te bestrijden,
omdat zij van hunne krachten verliezen, zoo gij hun nooit
vrede ot\' rust laat. en ook omdat de geestelijke krijg met
iW\\i stott\'elijken niet kan vergeleken worden: in dezen
immers, hoe meer pogingen men inspant, des te meer mat
men zich af: in genen, hoe meer moeite gij u zclven aan-
doet, des te sterker wordt gij. naarmate de genade die de
bron uwer sterkte is, in u toeneemt. De wapenen, waarvan
gij u in den strijd bedienen moet. zijn wantrouwen van u
zelven, betrouwen op God, en gebed. Wantrouwen van u
zelven zal u aanzetten de vermetelheid te vluchten, behocd-
zaam vooruit te gaan, en in geval gij struikelt, u te verne-
deren, zonder u nogtans te ontstellen, in de volle overtuiging
dat gij van u zelven niets kunt. Van den anderen kant
betrouwen op God zal u in staat stellen de overwinning te
behalen, die de Heer u geven kan en geven wil. en einde-
lijk het gebed zal ude hulp verzekeren,welke gij noodig hebt.
Eertijds in de olympische spelen werd door de rechters
eene krans geschonken aan den overwinnaar, maar geenc
hulp werd aan de strijders verleend. De Almachtige doet
beide, Hij belooft u eene kroon van glorie\', en geeft u den
bijstand zijner genade, zoo gij Hem denzelven met betrou-
wen en volharding vraagt.
-ocr page 145-
137
VRIJDAG IN DE ACHTSTE WEEK NA SINKSEN.
Over den dood van den vnrigen en lanwen volgeling van
Christus.
Beati w.ortui qui in Domino moriuntur. Ainodo jam, dicit
Spiritus, ut requiescant a laboribus suis.
Apoc. xiv. 13.
Zalig zijn do dooden, dio in den Hoero sterven. Van nu aan
reeds, zegt de Uoest, zullen zij rusten van hunnen arbeid.
1. Overweeg hoe, alhoewel de dood allen zonder onder-
scheid necrvelt, er noglans een groot verschil bestaat tus-
schen den dood van den vtuigen en den dood van den
lanwen religieus. De dood van den lanwen wordt eenc
nachtwaak genoemd: Cum dormierit.... aperiet oculos
(Job. xxvn, 19). « Wanneer hij zal ontslapen.... zal hij de
oogen openen. » De dood van den vnrigen daarentegen
wordt eene rust genoemd : ut requiescant a laboribus suis
« zij zullen rusten van hunnen arbeid. » De dood van den
lauwen is eene nachtwaak, omdat hij. op het oogenblik dat
hij sterft, zijne oogen opent, en dan ziet, verdwenen gelijk
een droom, al de voldoeningen welke hij zich zelven toege-
laten had; verdwenen die vrijheid, welke tegenstrijdig was
aan de gehoorzaamheid: verdwenen het gejuich, hetwelk hij
zocht tot liet groot misnoegen zijns Hecren; dat alles ver-
dwenen geijk rook : Aperiet oai\'os et nihil inveniet (Job.
xxvn, 19). « Hij zal de oogen openen en niets vinden. »
De dood van den vurigen religieus integendeel is eene rust,
omdat hij een einde stelt aan al zijne boetplegingen. zijne
armoede, versterving, en kruisen; de dood zal hem niets
ontnemen dan wat hij sedert lang uit liefde tot God veracht
had; dat alles zal hij veranderd zien in schatten van ver-
diensten : upera illurum sequuntur illos. (Apoc. xiv, 13).
-ocr page 146-
138
BF.KXOPTF. OVERWEGINGEN.
« Hunne werken volgen hen. » Wat zal de dood voor o
wezen ? Eene rust of\' ceno, nachtwaak ? Wilt gij den dood
van een vurigen religieus sterven, dan moet gij ook het
leven van een vurigen religieus leiden.
3. Overweeg dat de dood van een lauwen religieus eene
ontwaking is, niet alleen uit hooide van hetgeen hij ziet
verdwijnen, maar veeleer uit hoofde van hetgeen hij voor
zich ziet verschijnen, om zijnen geest op de schrikkelijkstc
wijze te pijnigen. Waar hij ook keert ot\'niet. alles boezemt
hem schrik en angst in : van binnen verontrust hem een ge-
weten besmeurd met zonden: rondom zich, vindt hij een
legioen duivels, die hem aanranden, en door hunne inge-
viugen zijne verwarring vermeerderen ; boven zich ziet hij
den Rechter, die op het punt is hem voor zijnen rechterstoel
te dagen : onder zich ziet bij d.~ straffen en tormenten, die
bijverdiend heeft. O ! wat een droevig en ongelukkig out-
waken ! De vurige religieus, van den anderen kant, is \\vei-
nig verontrust over zijne zonden, omdat hij wel weet dat
hij dezelve beweend en voor dezelve voldaan heeft: hij vreest
den duivel niet, omdat hij onder de vaderlijke bescherming
van God is: hij wacht met vurige begeerten de komst van
zijnen Rechter af, om uit zijne handen het loon van een
getrouwen dienst te ontvangen, zeggende met den Apostel :
Iionum eertamen cerlavL cursum consummavi. jldem serva~
vit. h\\ reüquo reposita est mihi corona justüise.
(2 Tim. iv,
7). « Ik heb den goeden strijd gestreden, den loop volein-
digd, het geloof bewaard. Voorts is mij weggelegd de kroon
der gerechtigheid. » Moest de dood u op dezen oogenblik
overvallen, zoudt gij in dier voege kunnen spreken ?
3. Overweeg dat het pijnlijkste waken voor den lauwen
religieus, en de zoetste rust voor den vurigen, op hunnen
laatsten ademtocht volgen. De vurige zal zich gedragen
zien om te rusten in den schoot van God, en de gelukwen*
-ocr page 147-
ZATERDAG IN DE ACHTSTE WEEK NA SINKSEN. J3!)
schcn van de ontelbare seharen van heiligen en engelen te
ontvangen, omdat hij over den duivel, de wereld en het
vleesch gezegevierd heelt. De lauwe religieus, zoo hij in de
ongenade van God sterft, zal zich veroordeeld zien tot een
eeuwig waken van tormenten en ellende, die in hevigheid
onbescfbaai\' en in duur oneindig zijn: en zoo hij in den
staat van genade sterft, wat een lang en bitter waken zal hij
moeten ondergaan, totdat hij tot den laatsten penning zijne
schulden betaald heeft, in den brandenden oven des Yage-
vuurs, waar hij pijnen zal lijden, die in hevigheid al wat
hij ooit 0]) aarde ondervonden heeft, ver zullen overtreffen,
en dat voor jaren en jaren ! Zie nu een weinig of het voor
die kortstondige voldoeningen, welke de lauwe religieus zich
toelaat, wel de moeite waard is. zoo te ontwaken in bet uur
des doods: of eerder, of het niet te wenseben is, bij middel
van een verstorven leven, de rust te genieten, die op den
dood van een vurigen religieus volgt.
ZATERDAG IN DE ACHTSTE WEEK NA SINKSEN.
0?er de hoop cn liet betrouwen op God.
Boalus vir cujus est nomen Domini spes cjus ; et non respexit
in vanitates, el insanias falsas
(I\'s. xsxix, 5).
Gelukkig hij, wiens toeverlaat üe naam des Heoron is ; en die
zich niet wendt tot ijdelheden on bedriogelijke dwaasheden.
1. Overweeg dat wel te recht de man gelukkig genoemd
wordt, die al zijne hoop en betrouwen stelt op Jesus. onzen
Zaligmaker niet enkel met den naam, maar metterdaad.
Hij is gelukkig, omdat bij berust op iemand, die de
-ocr page 148-
\\
140                         BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
oneindige macht, de oneindige vrijheid, en de oneindige
goedheid zelve is; en die daarom niet alleen de macht
en de kennis bezit om ons alle goed te vcrleenen, maar
bovendien nog hoogst begeerig is liet te doen. Niet zoo geluk -
kig is hij, die zijn betrouwen op de menschen stelt. Hoe zal
hij teleurgesteld worden ! want zeer zelden wenschen de
menschen ons eenig goed te doen. en al wenschen zij
liet, zij weten zeer dikwijls niet hot; hotte doen, of zijn niet
in staal bet te doen. Neem dan eens vooraltijd uwen !oe-
vlucht tot Jesus, uwen Zaligmaker, en stel op Hem al uwe
hoop; zoo doende zult gij oprecht gelukkig zijr,. Tot nu toe,
helaas! hebt gij maar al te dikwijls achter de menschen
geloopeu in de hoop van ecne nietige gunst te bekomen, en
zijt gij bijgevolg dikwijls bedrogen geweest.
2. Overweeg dat he\' zoo gemakkelijk niet is die hoop en
dat betrouwen m den Heer te hebben: en daarom alwie zoo
ver komt wordt viv — een man bij uitnemendheid g«;-
noemd: want er wordt groote sterkte vereisclit oüi de
oefening der hoop te beginnen, en nog grootere om dezelve
niet daar te laten. Velen beginnen niet, omdat zij zich te
hevig ontstellen over hunne ellende, en niet gelooven dat zij
geschikt zijn om van den Heer groote gunsten te bekomen.
Velen beginnen, maar volharden niet, alsof hunne hoop
vruchteloos ware, ofwel omdat de Heer hen langen tijd voor
zijne gunsten laat bidden, ofwel omdat Hij hun dezelve ver-
leent buiten hunne weet. Volg dezen niet na: maar volhard
in de oefening der hoop, neem uwen toevlucht tot God met
gelijk betrouwen, zoowel ten tijde van dorrigheid, als ten
tijde van vertroosting, in voorspoed gelijk in tegenspoed, en
gij zult voorzeker alles bekomen wat u oprecht gelukkig
maken kan. Niets is aan onzen Zaligmaker welgevalliger,
niets eert Hem meer, dan dat wij onze ellende de maat van
ons betrouwen op Hem maken : Etjo autem semper sperabo,
-ocr page 149-
ZATERDAG IN DE ACHTSTE WEEK KA SINKSEN.         141
et adjiciam super omtiem laudem tuam. (Ps. lxx, 14).
(i Ik zal bestendig hopen,en al uwen lof nog vermeerderen. »
o. Overwoog dat hot eigen is aan eone ziel, die al haar
betrouwen op God gestold hoeft, de goederen dezer wereld
te verachten. Haar is de gekruiste Jcsus voldoende; Hij
vervangt alles, voldoet aan elke noodwendigheid, en geelt
grootore vertroosting dan al het overige. Daarom alwie dit
waar en vast betrouwen in zijn hart diep geworteld hooit,
die veracht alle aardsche vermaken zoodanig, dat hij dezelve,
niet eens aanschouwen wil : hij aanziet dit alles voor
bedrog en uitzinnigheid. Wat u aangaat, wat achting hebt
gij voor de goederen dezer wereld ? Indien gij waarlijk uwe
hoop op den gekruisten Jesus gestold hebt. gelijk iedere reli-
gicus zou moeten doen. wacht u dan de oogen te vestigen op
zulke voorwerpen,opdat zij u niet verleiden, gelijk zij zoo-
vele anderen verleid hebben,die hunne misgreep maar zullen
ondervinden, wanneer het te laat is. Dan zullen zij kermen
en uitroepen : Ergo erravimus u viaveritatls... etsolintelr
ligentiae non est ortus nobis
(Sap. v. G). « Wij waren dan
afgedwaald van den weg der waarheid... en de zon des
verstands ging niet op voor ons. « Welke uitzinnigheid do,
fout hunner duisternis te werpen op de zon der gerechtig-
heid, van wier stralen zij zich onherstelbaar beroofd
hebl)en.
-ocr page 150-
142
NEGENDE ZONDAG NA SINKSEN.
Jesus weent over Jerusulem.
Non relinquent in te lapidem super lapiilem, eo rjuod non cor/~
novcris tempus visüationis luw
(Luc. xix, 44).
Niet eenen steen zullen zij in u op don anderen laten, omdat
gij den tijd uwer bezoeking niet erkend hebt.
1.  Overweeg\' dat de verwoesting, waarover Jesus zoo
bitter weent, en die de ongelukkige stad Jerusalem te
wachten stond, veroorzaakt werd dooi\' bare weigering om
voordeel te trekken uit zijne komst, die geen ander doelwit
had, dan hare heiliging. Een dergelijk lot staat die zielen te
wachten, die de geheime bezoekingen weigeren, welke hun
Zaligmaker haar met opzet aflegt, om haar met zijne gaven
te verrijken. Deze gaven bestaan in ingevingen, en harte-
lijke uitnoodigingen, waardoor Hij de zielen aanzet om de
deugd te beoefenen : Ecce sto ad ostium et pulso (Apoc.
in. 20). « Zie, ik sta aan de deur en klop. » Hoe gelukkig
is de ziel die deze gaven aanvaardt; en hoe ongelukkig van
den anderen kant zij, die dezelve weigert, of er, niet aan
beantwoordt!Gij, die zoo dikwijls met die bezoekingen van
den Heer begunstigd zijl geweest, bezoekingen, die geen
ander doelwit hadden dan uwe zaligheid te bewerken, boe
hebt gij dezelve bejegend ?
2.  Overweeg wat groot nadeel gij te gemoet loopt, met
die bezoekingen niet te willen ontvangen. Ten eerste; de
Heer zal u niet meer met zijne krachtige ingevingen bezoe-
ken, of ten minste zullen deze zeldzamer en min gevoeliger
zijn. Indien gij nu geen nut trekt uit die liefdevolle bezoe-
kingen, wat goeds kunt gij dan verhopen, wanneer gij van
die bijzondere hulp zult beroofd wezen, en zijne bezoeken
-ocr page 151-
143
NEGENDE ZONDAG NA SINKSEN.
ophouden, dewijl gij zonder dezelve zelfs geen goed gedacht
kunt vormen? Een tweede verlies, welk gij lijdt, wanneer gij
eens van dien bijzonderen bijstand zult beroofd zijn, is dat
de Heer u inde macht zal laten uwer ongeregelde driften,
en gedogen zal, dat gij cene prooi wordt voor uwe helsche
vijanden, die, u ontwapend en niet meer beschermd ziende
door den machtigen bijstand des hemels, nu nog stout-
moediger worden, circumdabunt te — zij zullen u omge-
ven met hevige en aanhoudende bekoringen : ad terram
prosternent te «
zij zullen u tot den grond toe verdelgen, »
zij zullen u schandig doen vallen en van een kwaad tot een
grooter doen overgaan, zij zullen beginnen met vrijwillige
dagelijksche zonden, en eindigen met de schrikkelijkste
doodzonden. Hoe vele van die noodlottige verwoestingen ziet
men zelfs in de kloosters niet ?
3. Overweeg, van den anderen kant, de groote voordee-
len, welke eene ziel ten deel vallen, die deze bezoekingen
ontvangt, spoedig aan de ingevingen Gods beantwoordt,
zich teenemaal aan Hem overlaat en zich onderwerpt aan
den goddelijken wil. gelijk de bruid van het Hooglied, die
zegde : Anima mea liquefacta est, ut dilectus locutus est
(Cant. v, G). « Mijne ziel is gesmolten toen mijn beminde
sprak. » Zoo ook laat zich de ziel in alles leiden door de
stem des Heeren, zonder eene aangekleefdheid aan haren
eigen wil te behouden. Indien gij hetzelfde doet, zult gij den
Heer in het binnenste van uw hart hebben : Si quis audierit
vocem meam, etaperuerit mihi januam, introibo adittum
(Apoc. ui, 20). « Zoo iemand mijne stem zal hooren, en
de deur opendoen, ik zal tot hem inkomen, » en met zijne
tegenwoordigheid zal Hij u verdedigen tegen de bekoringen
en al de aanvallen van uwe vijanden ; Hij zal u voeden
met geestelijke vertroosting ; Hij zal u verkwikken door
opheldering van geest, en u in staat stellen voor Hem een
-ocr page 152-
144
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
maal van goede werkenen uitgezochte deugden te spreiden:
Introiho ad Mum et cienabo cum Ulo et ipse mecum. « Ik
zal tot hem inkomen, en met hem maaltijd houden en hij
met mij. » O! wat al voorrechten geniet hij, die het oor
leent aan de stem zijns Zaligmakers, en zijne hezoeken
bereidvaardig aanneemt ! Hoevelen zijn er die, gelijk een
Joannes Gualbertusen ontelbare anderen, tot eene verheve-
ne heiligheid gekomen zijn, omdat zij in het begin aan de
stem Gods beantwoordden, die hen tot oenen akt van hcld-
haftige deugd uitnoodigde.
MAANDAG IN DE NEGENDE WEER NA SINKSEN.
Over het laatste oordeel.
Omncs nos manifestari oportetantetribunal Christi, ut referat
unusquisque piopria corporis, pront ycssit, sive bonum, sivc
maium
(2 Cor. v, 10).
Wij allen moeten openbaar gemaakt worden voor den rech-
terstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, wat zijn
lichaam toekomt, naar hetgeen hij gedaan heeft, hetzij goed,
hetzij kwaad.
1. Overweeg dat het algemeen oordeel bijzonder geordend
is, om aan eiken mensen kenbaar te maken wat belooning
ot\'straf aan al de overigen ten deel valt. Daarom moeten
allen voor dien grooten rechterstoel verschijnen en vcropeiv
baren al, wat nu verborgen is. in gedachten, woor-
den en werken. Wat schaamte en verwarring zal de
wereldling niet gevoelen bij die schrikkelijke ontdekking
van de noodlottige misgrepen, welke hij gedurende zijn
-ocr page 153-
MAANDAG IN DE NEGENDE WEEK NA SINKSEN.          145
leven bedreef met te\'verachten, wat hij moest hebben
bemind, en te beminnen wat hij moest hebben veracht.
Intusschen, wat u aangaat, waarom zijt gij zoo bevreesd
voor de oordeelen der wereld ? Wat raakt het u dat de
gcheele wereld u verwenscht. indien God u looft? Wat baat
het u dat de gcheele wereld u prijst, indien God u \\croor-
deelt ? Weet gij voor zeker, hoe gij voor den rechterstoel
van Christus verschijnen zult ?
2. Overweeg dat deze veropenbaring van gansch ons
zelven zal geschieden door een naarstig onderzoek, dat de
kleinste schuilhoeken in ons zal ontdekken, evenals een
spiegel in het licht der zon den weerschijn geeft van het
kleinste stofje dat er op ligt. Dan zullen de valschbeid en
de waarheid, de menschelijkc boosheid en de goddelijke
goedheid, de ondankbaarheid van den mensch en de mildda-
digheid van God aanschijn tot aanschijn gebracht worden.
Wat schaamte zal u dan overvallen, wanneer gij u onder
de oogen van allen zoo verschillend ziet van hetgeen de
menschen u geloofden te zijn ? Gij vormt u nu een gedacht
van de boosheid uwer zonden, naar het oordeel dat er de
menschen meestal over uiten, en ongelukkiglijk hoe dik-
wijlder eene zonde herhaald is, des te min werk maakt
men er van. Op dien dag zult gij uwe zonden beoordcelen
naar hetgeen zij zijn in de oogen van God. die de waarheid
zelve is : Ante Iribunal Christi; in de schaamte en ver-
warring van anderen, zult gij dan nog des te klaarder uwc
eigene boosheid zien uitschijnen.
3.  Overweeg dat bij het algemeen oordeel, iedereen in
het bijzonder de belooning of de straf zal ontvangen, die
hem toekomt, en dit niet alleen voor wat de ziel. maar ook
voor wat het lichaam aangaat : Ut referat unusquisque
propria corporis prout gessit, sive bonum. sive malum
« opdat een iegelijk wegdrage, wat zijn lichaam toekomt.
-ocr page 154-
146
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
naar hetgeen hij gedaan heeft, hetzij goed. hetzij kwaad. »
Wat eenschrikkelijk vonnis ! Een weergaloos geluk zonder
mengeling van kwaad, of eene overgelijkbare ellende
zonder het minste goed! Is het mogelijk dat gij daarop
zelfs niet nadenkt, aangezien er voor u alles van afhangt ?
Voor den rechterstoel van Christus geeft men geen acht op
edele afkomst, geleerdheid of rijkdommen, maar enkel op
onze werken. Die goed gedaan heeft, zal wel varen : die
kwaad gedaan heeft, zal slecht varen ; en dat voor alle
eeuwigheid : Secundum opera manuum eorutn tribue illis
(Ps. xxvn. 4). ii boe hun naar hunner handen werk. »
Waarom u dan niet met hart en ziel toeleggen op het ééne
belangrijke ?
DINSDAG IN DE NEGENDE WEEK NA SINKSEN.
Jcsns nodigt alle noodlijdenden uit tot Hem te komen.
Ventte acl me omnes, qui laboratis, et oncrati cstis, et ógo refi-
ciam
txw(Matth. xi, 38).
Komt tot mij, allen die vermoeid on beladen zijt en ik zal u
verkwikken,
1. Overweeg wie degenen zijn, die vermoeid zijn en
wier eenige beloon ing is het gewicht van hunnen last te
gevoelen. Het zijn degenen, die hunnen troost zoeken in de
vermaken en rijkdommen der wereld, want dezen arbeiden
om schatten te vergaderen en hunne driften te voldoen, en
zijn nooit verzadigd, en wat nog erger is, na al die pogin-
gen en moeiten, gelukken zij er niet eens in te bekomen
wat zij begeeren : Laborant et onerati sunl. « Zij zijn ver-
moeid en beladen. » Niet weinige dezer ongelukkige zielen
-ocr page 155-
DINSDAG IK DE NEGENDE WEEK NA SINKSEN.           147
worden er zelfs in de kloosters gevonden; zij vermoeien
zich, de eenc om een grooten naam te bekomen, een ander
om zich grooter gemak te bezorgen, en zijne luimen te
voldoen ; en dan eindelijk vinden zij zicli beladen met
ongerustheid, teleurstellingen en knagingen van geweten ;
zij wikkelen zich zei ven in eene menigte van zonden, ter
welker gevolge zij den smaak verliezen voor alle geestelijke
oefeningen, en het religieuze leven als een onverdragelijkcn
last gevoelen. Wee u, indien gij ooit van het getal dier
ellendigen waart!
2.  Overweeg dat. om u van dien ongclukkigen toestand
vrij te maken. Jesus u uitnoodigt om uwen toevlucht tot
Hein te nemen, en dat Hij u zal helpen en verkwikken :
Venite ad me omnes qui laboratis et onerati estis. et ego
rejiciam vos.
« Komt tot mij, allen die vermoeid en bela-
den zijt, en ik zal u verkwikken. » O liefdevolle woorden,
die het hart van teederheid zouden moeten doen smelten !
Dewijl Jesus zelf u uitnoodigt en u belooft te troosten, hoe
kunt gij dan nog twijfelen ? Denkt gij misschien dat Hij u
niet vertroosten zal. nadat Hij u zoo minzaam uitnoodigt ?
Of vreest gij misschien dat Hij u niet vertroosten kan, Hij
die de oorspronkelijke bron van alle vertroosting, van alle
sterkte is ? Indien gij slechts het besluit wildet nemen om
geenc aardsche vertroostingen meer te zoeken, en recht tot
Jesus te gaan. gij zoudt spoedig van den last verlost zijn :
Auferetur onus de humero tuo (Isai. x, 27). « De last zal
weggenomen worden van uwe schouder. » Ga een weinig
na en zie, wie uwer broeders in de grootste rust en tevre-
denheid leeft! Is het degene, die er altijd op uit is. om
wercldsche vertroostingen te zoeken,ofwel degene,die geen
anderen troost wil of ergens anders zoekt dan aan de
voeten van den gekruisten Jesus?
3.  Overweeg dat de verkwikking, welke de Heer u
-ocr page 156-
148                               BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
geven zal. tweevoudig is. dat is, eene ontkennende en eene
stellige verkwikking. De eerste bestaat in u te verlossen van
den last der moeiten en teleurstellingen in vertroostingen te
zoeken, die niet kunnen gevonden worden inde goederen
der aarde, maar enkel ia God. De tweede bestaat in u uit-
werkseleu te doen gevoelen, die liet tegenovergestelde zijn
van degene, welke gij in het najagen der aardsehe vertroos-
tingen gewaar werdt : want, terwijl dit vruchteloos zoeken
naar wereldschen troost, alleen dient om u te verbitteren en
te verontrusten, uw geweten te bezwaren en u in gevaar
te stellen van eeuwig verloren te gaan. zal de daad alleen
van geenc vertroosting te zoeken, dan aan de voeten van
Jcsus. u de rust van een goed geweten geven, u versterken
door den bijstand der genade en uw hart vervullen met de
vreugdevolle hoop van de belooning. die tot uwe volmaakte
verkwikking in den hemel voorbereid is. Dit moest toch
zeker genoeg zijn, om u aan te zetten de uitnoodiging van
Jesus te aanvaarden, en in aller haast uwen toevlucht lot
Hem te nemen.
WOENSDAG IN DE NEGENDE WEEK NA SINKSEN.
Over de uitzinniglicid «Ier wcreldliiig,enJ
Vcevobis, qui ridetis mme, quia lugebitis et flcbitis (Luc. vi,
23).
Weo u, die thans lacht! want treuren zult gij en weonen.
1. Overweeg dat de Heer al degenen berispt, die zich
geheel en al aan de vermaken overgeven en hunnen tijd
zoeken vroohjk door te brengen, omdat zij lachen in valle
lacrymarum
« in het tranendal der wereld, » waar er
-ocr page 157-
WOENSDAG IN DE NEGENDE WEEK NA SINKSEN.         149
niets anders te vinden js dan ongeluk, zonde en ellende,
hetwelk hen eerder tot tranen zou moeien bewegen. Deze is
de tijd niet om Ie lachen ; daartoe is de toekomende heter
geschikt: Tempus flendi, et tempus ridendi (Eccle. Hi,4).
« Een tijd om te weenen, en een tijd om te lachen. » De
Heer berispt hen bovendien omdat zij lachen met zaken, die
hen eerder bitter moesten doen weenen. Lsetantur, mm
vuile f\'ecerint. et evuüant in rebus pessimis
(Prov. n. 14).
ii Zij verblijden zich in kwaad te doen, en juichen over
slechte daden. » Leer ten minste mei die ongelukkigen
medelijden te hebben, en bedank den Heer u in staat
gesteld te hebben om de wereld te verlaten, en van de
wereldscbe uitzinnigheid verlost te zijn. Maar intussclien
denk op u zelven, en zie toe dat de te groote vrijheid en
ovcrdrevcne voldoeningen, die gij u zelven veroorlooft, u
geen geween en droefheid baren.
1. Overweeg de straf, waarmede Christus die ongeluk-
kigen bedreigt : Fee vobis.... quia lugebitis et flebitis :
«Wee u....want treuren zultgij en weenen.«De ziel treurt,
het lichaam weent; dit gelreur en geween zal de zielen
het lichaam tot in het diepste der hel solgen. Overdenk,
eerst en vooral, het onuitsprekelijk getreur, dat zij in hunne
ziel zullen gevoelen, uit hoofde van de pijn van verlies. In-
dien zoovelen in dit leven zich ontroostbaar achten om het
verlies van een groot erfdeel, van eenc bezitting of aanzien-
lijke bediening; wat hartverscheurende droefheid zal die
onachtzame zielen dan overvallen, wanneer zij zich voor
eeuwig berooid zien van hunnen God. hun oneindig goed :
en dat verloren te hebben voor een laag en kortstondig
vermaak! O! hoe zullen hun angst, hunne smarten en
hunne waanhoop nog vermeerderen door de klare kennis
van het opperste Goed, dal de inwoners des hemels genie-
ten ; een genot, dat in graad hunne eigene ellende nog
-ocr page 158-
150
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
verre overtreft. Denk daar ernstig op na, en dan zult gij u
gelukkig achten in hunne vreugde geen deel te hebben, en
zoo geen deelgenoot te worden van hunne weeklachten hier*
namaals.
3. Overweeg het getreur en geween, dat de vermaak-
zoekcrs zullen ondergaan in hunne lichamen door de pijn
van gevoel. Zie hoe eene hevige pijn in de ingewanden
den armen lijder tranen uit de oogen perst! En nogtans,
wie op aarde lijdt iets in vergelijking niet hetgeen elke
verdoemde in de hel lijdt ? In venlre ejus ignis ardebü
(Eccli. xi., 3-2). « in zijn ingewand brandt ecu vuur. »
Dit vuur zal hen terzelfder tijd alle soorten van pijnen doen
gevoelen, alhoewel in natuur zoo tegenstrijdig met elkan-
der: versmachtende hitte, bijtende koude, de tormenten
desjichts, de zwakteder uittering, de smarten van inwen-
dige ziekten, en de vreemdste zenuwontsteltenissen. in
uno igne omnia tormenta sentienL «
in het zelfde vuur
zullen zij allerlei pijnen gevoelen » zegt de H. Hieronymus.
Wat stroomen van bittere tranen zullen die ongelukkigen
storten, wanneer zij gevoelen dat de duivels hunne beende-
ren ontwrichten, en op duizende wijzen hunne ledematen
folteren zoodanig, dat het geene pen beschrijven kan, en
nadenken dat hunne kortstondige uitzinnigheid oorzaak is
van dat eeuwig geween en gekerm. Hoeveel raadzamer is
het dan voor u, u zelven in dit leven de vermaken der we-
reld te ontzeggen, uwe zonden en die van uwen naaste te
beweenen.om niet verplicht te zijn dezelve vruchteloos en
hopeloos te beweencn in de andere wereld, waar de maat
van het tijdelijk genot de maat zal zijn van het geween en
van de pijnen : Quantum glorifkavit se. et in deliciis fuit,
tantum date UU tormentum et luctum
(Apoc. xvm. 7).
« Zooveel zij zich zelve verheerlijkte en weelderig was.
doet haar even zooveel smart en rouw aan. »
-ocr page 159-
151
DONDERDAG IN DE NEGENDE WEEK NA SINKSEN.
Over de werkingen van den H. Geest.
Spiritus ubi vult, spirat; et vocem cjus altdis, scd nescis unde
vcniat aut quo vndnt; sic est omnis, qui natus est ex spiritu
(Joan. m, 8).
De wind waait waar hij wil; en zijn geluid hoort gij wol,
maar gy weet niet. van waar hij komt, of waar hij henengaut,
alzoo is een iegelijk, die uit den geest geboren is.
1. Overweeg dat de geborenen van menschelijke ouders
gelijk zijn aan de ouders dielicn voortbrachten, maar slechts
trapsgewijze hunne volmaaktheid bereiken ; zoo ook is hij.
die dooi\' bovennatuurlijke medewerking uit den geest gcbo-
ren is, gelijk aan den geest des Heeren, die hein het leven
gaf, alhoewel hij Hem niet gelijkt in volmaaktheid, zelfs
nadat hij in den hemel zal volwassen zijn in het geestelijke
leven. Van daar dat al de werken van een oprecht geestelijk
man iets goddelijks in zich bevatten, en evenaren in zeke-
ren zin de eigenschappen, welke Christus aan de ingevingen
des H. Geestes toekent, die in de aangehaalde woorden
aan den wind vergeleken wordt. De eerste eigenschap is.
dat de Geest blaast waar Hij wil : Spiritus ubi vult sjiirat,
met volmaaktheid van handelen, niet onderworpen aan
wel of regel. Zoo zijn ook de werken van eiken oprecht
geestelijken mensch, sic est omnis qui natus est ex Spiritu.
Voor zulken is het genoeg den wil Gods te kennen, om
Hem aanstonds te volbrengen, zonder te letten op den
wederstand der natuur en van het menschelijk opzicht.
Geniet gij zoodanige vrijheid in geestelijke zaken, en al
wat den dienst van God aangaat ? of zijn er misschien
duizende beletselen, die u weerhouden? Er is niets hatelij-
-ocr page 160-
152                        BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
kers aan den Geest Gods,dan eene gedwongene handelwijze.
1. Overweeg de tweede eigenschap van den Geest Gods,
namelijk dat Hij tot uw hart spreekt op zoodanige wijze,
dat het u niet mogelijk is zijne stem niet te hooren, el vocem
ejns audis.
Gij kunt aan zijne goddelijke ingeving wedcr-
stand bieden ot\'dezelve weigeren, maar gij moet noodzakelijk
zijne stem liooren, zelfs wanneer gij de ooren toestopt. Zoo
is het ook met den oprecht geestelijken mensch, hij is
statig in zijne handelingen, bedaarden niet aanmatigend:
hij bezit den waren geest van ootmoed en gehoorzaamheid.
die stilzwijgend tot het hart spreekt, en u tot het goede
lokt, zoodanig dat gij wel kunt weerhouden hem na te vol-
gen, maar niet kunt beletten zijne uitnoodiging te hooren.\'
Heeft uw gedrag die verrukkende stem? Spreekt zij lot
allen en noodigt zij allen uit tot het goed? Gelukkig, indien
zulks het geval is ! Wacht u van een gedrag, dat anderen
eer tot kwaad dan tot goed aanzet.
3. Overweeg dat men niet weet van waar de stem des
Heeren komt en waar zij henengaat : Nescis unde veniat
aut quo vadat.
Onmogelijk te weten van waar zij komt.
want eens komt zij van het aanschouwen eens lijks, dan
weer van het aanhooren van een sermoon, of van het
lezen van een geestelijken bock, of van eene onderhande-
ling met een godvruchtigen persoon. Men weet ook niet
waar de stem des Heeren henengaat. En inderdaad, wie
kan vooruit zien. welke inzichten de Heer over ons heeft,
wanneer Hij ons tot een volmaakter leven roept.? Wie kan
zeggen of Hij wil dat wij apostelen, martelaren of voor-
beelden van geduld wezen ? Quis poteiït cogitare quid velit
Deus
(Sap. ïx, 13). « Wie kan uitdenken wal God wil. »
Dusdanig is ook de gedragslijn van een geestelijken mensch.
Tevreden met God alleen voor getuigen van de beweegre-
denen en einden zijner goede werken te hebben, geeft hij
-ocr page 161-
VRIJDAG IN DE NEGENDE WEEK NA SINKSEN.           153
geen acht op het ijdel gebabbel der mer.schen ; en alhoewel
hij zijne deugdzame werken niet bedekt, verbergt hij toch
zijne inzichten en de middelen, welke hij aanwendt, voor
allen, behalve voor hem wien hij verkozen heeft voor zijnen
bestuurder om ten zijnen opzichte Gods plaats te bekleeden.
Het is een onfeilbaar tceken dat gij den oprechten geest dei-
deugd niet bezit, indien gij u over uwe deugden roemt, en
er van spreekt aan hen, wiens plicht het niel is u iu
geleiden.
VRIJDAG IN DE NEGENDE WEEK NA SINKSEN.
Over den drievondigen strijd der Christenen.
Deponcntes omne pondus, et circumstans nos puccalum, per
palientiam curramus adpropositum nobis certamen, aspicientes
in auctorohx fidei, et consummatorem Jesura, qui propnsito sibi
yaudio suslinuit crucem confusione conlempta
(Hebi\'. xii, 1,2).
Laat ons allen last on de ons omringende zonde afleggen, en
den wedloop, ons voorgesteld, met volharding loopen, ziende
op don Stichter en Voltooier dos geloofs, op Jesus, die om de
vreugde, hem voorgesteld, het kruis heeft verdragen, de schan-
de verachtende.
1. Overweeg dat de wedstrijd, waartoe gij geroepen zijt
deel te nemen, een strijd is tegen die drie welgekende.
vijanden, de ongeoorloofde en overdrevene liefde voor rijk-
dommen, vermaken en eer. Gij moet u tot dien strijd aan-
moedigen bij middel van een vast beraden besluit om te
lijden, en met geduld te aanvaarden armoede, smarten, en
verachting, tot dewelke alle tegenkantingen, die gij in den
dag ontmoet, kunnen teruggebracht worden. .Maar om
daarin te gelukken is het eerst en vooral noodig, niet alleen
M
-ocr page 162-
154
BEKNOPTE OVERWEGINGEN\'.
den last uwer bedrevene zonden af te leggen, maar ook de
gelegenheden te vluchten, om in diezelfde zonden niet te
hervallen. Hoe kunt gij u van alle ongeoorloofde vermaken
weerhouden, en u niets gelegen laten aan eer en \\vereld-
schc grootheid, zoolang gij omringd zijt van zoovele bedrie-
gelijke aanlokselen der wereld ?
\'2. Overweeg dat, nadat gij u van al die beletselen ontmaakt
hebt. gij u vervolgens moet aanmoedigen niet het voorbeeld
van Christus: Hij. die zooveel geleden heeft uit liefde tol u,
zal u in staat stellen de bereidvaardigheid en het geduld te
bekomen om te lijden uit liefde tot Hem. Vestig dan, om u
op te wekken, de oogen op Jesus, die, ten einde u met zijn
voorbeeld vooraf te gaan, met opzet de tijdelijke eer \\vei-
gerde. die Hem toekwam; en voor zijn aandeel armoede,
smarten en verachting koos: Proposito sibi gaudio sustiniiü
crucem, confusione contempta.
«Om de vreugde, hem voor-
gesteld, heelt hij hel kruis verdragen, de schande verach-
tende. » Wal anders was het leven van Jesus, dan een
aanhoudend kruis, waaraan Hij genageld werd door die drie
beulen, armoede, smarten en verachting? Deze waren zijne
gezellen bij zijne geboorte, gedurende zijn leven en bij
zijnen dood. Houd dan gestadig uwe oogen op Jesus geves-
tigd, en, gelijk de bronzen slang in de wildernis, zal Hij
u sterkte geven om uwe zwakte te overkomen.
3. Overweeg dat Jesus hier de Stichter en Voltooier des
geloofs genoemd word : Auctorem fidei et consummatorem;
want aangezien Hij de Stichter des geloofs is, moet Hij u
aanmoedigen om te streven naar hetgeen Hij u nu belooft :
en in zijne hoedanigheid van Voltooier des geloofs moet Hij
u aanzetten te trachten naar hetgeen Hij u later geven zal.
Jesus is de Stichter des geloofs hier op aarde, het mededee-
lende door zijne leer, bevestigende door zijn voorbeeld, en
versterkende door zijne menigvuldige verlichtingen en heil-
-ocr page 163-
ZATERDAG IX DE NEGENDE WEEK NA SINKSEN.         155
zamc ingevingen. Hij zal de Voltooier des geloofs zijn hier-
namaals in den hemel, met het te beloonen, naarmate gij
hetliierbeleden hebt. door een helder aanschouwen: het
geloof zal dan immers ophouden en plaats maken voor het
klaar aanschouwen der wezenlijkheid. Maar de maat van
dat gelukzalig aanschouwen zal in evenredigheid zijn niet de
maat. waarmede gij u in den tegenwoordigen strijd zult
gelijkvormig gemaakt hebben aan zijn voorbeeld met de
armoede teomhelzeii.de rijkdommen te schouwen, het lijden
te verwelkomen en de vermaken te vluchten, de verachting
en vernederingen gaarne te ontvangen, en alle soorten van
eer en verheffing van de hand te wijzen.
ZATERDAG IN DE NEGENDE WEEK NA SINKSEN.
God is onze leermeester.
Ei/o Dominus Deus tuus docens ie utilia (Isiii. XLVIlt, 17).
Ik bon de Heer uw God, leerende u nuttige dingen.
1. Overweeg dat God zelf onze bijzondere meester wil
zijn in de kunst des gebeds, om er u de grondbeginselen
van te leeren en eru vordering in te doen maken. Wanneer
Hij lot u spreekt door den mond zijner dienaren op den
predikstoel, onderricht Hij u, als de meester van de\'geloo-
vigeu in het algemeen ; maai\' wanneer Hij met u onderhan-
delt in het gebed, onderricht Hij u alleen ; Hij is dan uw
gansch bijzondere leermeester. Hoe bemint gij die bijzon-
dere lessen? hoe gretig zijl gij om die school bij te wonen?
Het is het inzicht van uwen goddelijken meester u in die
school geene verhevene en geheimzinnige, maar nuttige
-ocr page 164-
150                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN\'.
waarheden te leeren, docens te utilia, dingen, die u in staat
zullen stellen om uwc ondeugden uit te roeien, deugden te
bekomen en u innig met God te vereenigen. Het zekerste
teeken, waarbij gij kennen kunt of uw gebed goed is, is niet
de verlichtingen, die gij ontvangt of de tranen, die gij
stort, maar de vrucht, welke het voortbrengt, van een
meer verstorven leven, grootere edelmoedigheid en vurig-
heid in de oefening der deugd. Indien uw gebed geen lioïl—
zamen invloed heeft op uw gedrag, wees achterdochtig,
want het gebed is eene school die de oefenende \\vczenlijk-
heid voor doelwit heeft.
2.  Overweeg dat uw goddelijke meester u niet alleen
met woorden, maar ook niet voorbeelden onderricht: Ego
ipse qui Ivquebar. ecce adsum
(Isai. lii. 6). «Ik zelf die
sprak, zie ik ben hier. •• Het is niet noodiguwcinbeeldings-
krachten in te spannen om een goeden regel in uwe bande-
lingen te vinden ; het is genoeg dat gij Christus aan-
schouwt en ziet hoe Hij zich gedroeg in die bijzondere om-
standigheid, waarin gij u nu bevindt. Alle andere regels zijn
gebrekkig en bedriegelijk ; de gemakkelijkste en zekerste
is : uwe oogen gevestigd te houden op de werken van uwen
goddelijken meester. Erunt oeuli tui videntes prseceptorem
tuum
(Isai.xxx,20). «Uwe oogen zullen uwen leermeester
aanschouwen. » Geene gelegenheid kan zich aanbieden,
waarin gij niet aanstonds, met het leven van Jesus te over-
wegen, het voorbeeld ter hand hebt, naar hetwelk gij uw-
gedrag regelen moet. te midden van de beproevingen,
waaraan de Heeru onderwerpt, \'t zij van tegenspoed, ver-
volgingen of de aanvallen des duivels. Hoe bezorgd zijt gij
geweest om uil die voorbeelden nut te trekken ?
3.  Overweeg dat de goddelijke meester u in de school des
gebeds niet alleen nuttige lessen geeft, maar ook de
bekwaamheid om dezelve wel te begrijpen en de sterkte
-ocr page 165-
TIENDE ZONDAG NA SINKSEN\'.                            15T
om dezelve in oefening (e stellen. Zie dan met welke gretig-
heid gij die verhevene school des gebeds moest bijwonen !
Menige eenvoudige boerin heeft, door de /uiverheid des
levens, door het gelied de kennis van waarheden bekomen,
die aan de grootste godgeleerden tcenemaal onbekend
waren. Hocvele zielen gevoelen zich tijdens het gebed aan-
gedreven om zich ernstig toe te leggen op het geduld, de
ootmoedigheid en de liefdedeugdeu welke hun vroeger te
moeielijk schenen om verwezenlijken !Trachtdan de leeiïng
van zoo grooten meester te waardeeren, die, terwijl Hij u
zijne leerstelselen voorhoudt, u ook de bekwaamheid en de
sterkte geeft om u bij middel van dezelve te heiligen :
In scientia ma justifkabit ipse justus sertnis meun mullos
(Isai. uu, 11). >• Door zijne kennis zal deze mijn recht"
vaardige dienaar velen rechtvaardig maken.
TIENDE ZONDAG NA SINKSEN.
Over de parabel van den Pharisëer en den tollenaar.
Duo hommes ascenderunl in templum, ut orarent, unuspha-
risceus et alterpublicanus
(Luc. xvui, 10).
Twee nienschen gingen op naar den tempel om te bidden,
de eene een Pharisëer en de andere een tollenaar.
1. Overweeg in dezen Pharisëer van het evangelie, het
ware afbeeldsel van een trotschen en hoovaardigen geest.
Eerst en vooral in zijn uitwendig gedrag : hij gewaardigt
zich niet hoofd of knie te buigen, zelfs niet in de tegenwoor-
digheid van God : Stans urabat. Nog hoovaardiger was hij
in zijne inwendige gesteltenis; hij verheften roemt zich
-ocr page 166-
158
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
over het weinige goed, dat hij gedaan heeft, zonder acht te
geven op zijne ondeugden en zijnen hoogmoed. Van de
anderen, integendeel, ziet hij slechts de gebreken, hij
denkt alle mogelijk kwaad van hen, en geeft zich zelven
den voorkeur hoven allen : Non sum sicut cuieri homines.
« Ik hen niet gelijk de overige menschen.» In het gcl)cd
vraagt hij aan God niets, gcenerwijze beveelt hij zich aan
Hem aan, alsof hij zeggen wilde : Sufjiciens mini sum
(Eccli. xi, 2(i). " Ik heb genoeg. » Keer nu uwe oogen op
u zelven. en zie of uw uitwendig gedrag ten opzichte van
God en de menschen. dat is van een hoovaardigen wereldling
of van een ootmocdigen religieus. Onderzoek of gij u looft
en verheft om het weinige goed, dat gij doet, en geen acht
geeft op uwe ondeugden ; of gij gemakkelijk de gebreken
van anderen beoordeelt, en u zelven boven anderen stelt;
want indien deze geest van hoovaardigheid zoo zeer aan
God mishaagt in eenen Phariscer, hoeveel te meer dan in
eenen religieus.
2. Overweeg in den armen tollenaar het gedrag van
eene oprecht ootmoedige ziel. Hij treedt den tempel binnen
gansch doordrongen van zijne onwaardigheid voor God en
de menschen : Stans a lontje. « Van verre staande. » gelijk
iemand die in den ban is, en onwaardig met wien ook.
betrekkingen te hebben : Notebai nee oculos ad cielum
levare.
« Hij wilde zelfs de oogen niet opheffen naar den
hemel. >• Vervuld met een gevoel van schaamte, en ter
aarde gebogen, dorst hij zelfs zijne oogen niet ten hemel
verheffen: Percutiebat pectiis suum. « Hij sloeg op zijne
borst, » ten gevolge van een oprecht leedwezen over zijne
zonden, en zich zelven voor den ellcndigsten der zondaars
bekennende, smeekt hij God om medelijden : Propüius esto
mihipeccatori. «
Wees mij zondaar genadig. » Ziedaar een
voorbeeld voor u om na te volgen, wanneer gij God uwc bede
-ocr page 167-
TIENDE ZONDAG NA SINKSEN.                           159
aanbiedt om barmhartigheid Ie bekomen : Oratio humilian-
tis se. nubes penetrabit
(Eccl. xxxv, 11). « Het gebed
van die zich verootmoedigt, dringt door de wolken heen.
3. Overweeg hoe in den hoovaardigen Pharisëer en den
ootmocdigen tollenaar deze woorden van Christus verwezen-
lijkt worden: Qui se exaUat humiliabitur, et qui se humiliat
exaUabitur.
«Al wie zich verheft, zal vernederd, en wie
zich vernedert, zal verheven worden: « want de hoovaar-
digheid is van alle ondeugden de hatelijkste aan den hemel,
en die, welke ons meest van God verwijdert; terwijl de
ootmoedigheid van alle deugden de welgevalligste is aan
den hemel, en die. welke ons innigst met God vereenigt.
God zal lichter eenen mensch verdragen, vervuld met alle
ondeugden, dan eenen anderen, opgeblazen met hoovaar-
digheid. Een plichtig geweten vergezeld van ootmoedigheid
is in zijne oogen min hatelijk, dan de onschuld zelve ge-
paard met hoovaardigheid : Superbis resistil. humilibus
autem dal gratiam. «
Hij wederstaat den hoovaardigen,
maar den nederigen geeft hij genac\'e. » Van daar dat,
evenals de ootmoedigheid de zonde verdrijft en de vlekken
derzelve wegneemt, zoo de hoovaardigheid de deugd ver-
giftigt en ondeugden voortbrengt. Is n dat nog niet voldoen-
de om u een grooten afkeer te doen opvatten voor de
hoovaardigheid, en eene bijzondere liefde voor de oot-
moedigheid. Deze is de deugd, welke Jesus ons op eene
gansch bijzondere wijze door zijn voorbeeld geleerd heeft,
opdat wij konden verbeteren die eerste aller ondeugden,
de hoovaardigheid, waaraan Lucifer zich eerst plichtig
maakte, en die hij reeds van den beginne in het aardsche
paradijs voortplantte, en welke wij allen van onze eerste
ouders geërfd hebben. Leg u ernstig toe om aandachtig te
overdenken de voorbeelden van ootmoedigheid, welke uw
Zaligmaker u gegeven heeft; gij zult dan welhaast begee*
-ocr page 168-
100                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
riger zijn om ecu leerling\' van Jesiis, den grootcn leermees-
ter der ootmoediglieid te zijn, dan van Lucifer, den leeraar
van alle hoovaardighcid.
MAANDAG IX DE TIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over de noodzakelijkheid der omzichtigheid.
Quise existimatstare, videatnecadat (1. Cor. x, 12).
Wie meent te staan, zie too dat hij niol vallo.
1. Overweeg dat de H. Paulus niet zegt 1/111 stut, « wie
staat. » zie toe dat hij niet valle, maar wie meent te
staan : want inderdaad wie slaat er zoo vast dal hij niet
waggele, of geen gevaar loope van te vallen ? Zoudt gij u
misschien willen inbeelden dal gij in den religieuzen staat in
veiligheid zijt? O ! hoe bedriegt gij n. Breng u te binnen
het voorbeeld van Lucifer, van den hemel neergevallen,
van Salomon en vanDavid, en beeld u niet in, dat vallen
op den weg ten hemel slechts voorkomen onder de begin-
uers; men ontmoet er ook onder de meest gevorderden.
Die heilzame vrees van te vallen moet men hebben niet
alleen in zijne jonkheid, maar bewaren zelfs in een gcvor-
derden ouderdom, evenals de Ecclesiasticus zegt : Serva
UmoremDomini, et in Ulo veterasce
(Eccl. 11, 6). « Blijf in
de vreeze Gods en word er grijs in. »
2. Overweeg dal er gezegd wordt videat < dal hij toezie»:
dal is, gij moet op uwe hoede zijn en hel oog houden op
u zei ven, en trachten te vinden waarin het grootste gevaar
van te vallen voor u bestaat; of het is de overgrooie zelf-
verzekoring, of vermetelheid op uwe eigene krachten: of
-ocr page 169-
MAANDAG IN DE TIENDE WEEK NA SINKSEN.           161
het te vinden is in de groote nalatigheid, waarmede gij uwe
geestelijke oefeningen verricht, en uwen toevlucht tot God
neemt, ofwel in de overdrevene toegevendheid, waarmede
gij uw lichaam behandelt, of onvoldoende waakzaamheid
over uwe zinnen; of in de gevaarlijke gelegenheden, welke
gij moest vermijden, en in het voorbeeld van slechte gezel-
len, die gij moest schuwen ; of eindelijk in uwe traagheid
in het weerstaan aan de duivclsche aanvallen en de onge-
regelde begeerlijkheden van het vleesch. Om niet te valien
en u nooit in veiligheid te gelooven, moet gij een waakzaam
oog houden op al die gevaren, te midden derwelke gij uw
geheel leven doorbrengen moet.
3. Overweeg dat, indien gij u tegen het vallen wilt ver-
zekeren, het niet genoeg is de gevaren te bemerken. waar-
aan gij blootgesteld zijt; gij moet dezelve ook met de
grootste naarstigheid verwijderen. Nogtans, nietlegen-
staande al uwe naarstigheid zult gij er nooit in gelukken u
te verzekeren over al die hinderpalen niet te struikelen,
tenzij gij u voorziet van eenen geleider en eenen steun. Uw
geleider moet een gojde geestelijke vader zijn, die u den
zekeren weg aanduide. Uw steun is Gods hulp, welke gij
aanhoudend vragen moet. Op die wijze alleen zult gij alle
hinderpalen ontkomen, terwijl gij zonder geleider en
zonder steun geen enkelen stap op den weg hemelwaarts
doen kunt, zonder het dringendste gevaar te loopen.
ia
it
-ocr page 170-
162
DINSDAG IN DE TIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over het opnemen van Christus\' juk.
Tollite jugum meum super oos, et discite a me, quia mitis sum,
et humilis corde
(Matth. xi, 29).
Neemt mijn juk op u, en leert van mij, want ik ben zachtmoe-
dig en nederig van harte.
1. Overweeg dat de evangelische raden liet eigenlijke juk
van Christus zijn. Zij worden een juk genoemd, omdat zij
iemand verplichten te leven, niet naai\' zijne luimen, maar
onder het bestuur van hem, die ten zijnen opzichte Gods
plaats bekleedt. Zij worden bovendien Gods juk genoemd,
jugum meum, omdat Hij, als God, de oorsprong van dit
juk is, en het droeg als mensch. gedurende drie-en-dertig
jaren, zijne dagen doorbrengende in de grootste armoede,
de grootste versterving, en de grootste onderwerping. Dit
is geen juk voor dieren, maar voor menschen met rede be-
gaafd, en bijgevolg moet het uit vrijen wil en verkiezing
gedragen worden. Daarom zegt de Heer : Tollite jugum
meum super vos
« Neemt mijn juk op u. » om u te doen
verstaan dat gij dit juk niet op uwe schouders moet
nemen met gemor of wederstand, en er niet alleen het
lichaam, maar ook de hoogere vermogens, die den mensch
van onredelijke schepselen onderscheiden, moei aan onder-
werpen. Rationabile obsequium vestrum iRom. xn, 1).
« Ulieder geestelijke eeredienst, » Zie nu of gij het juk van
het kloosterleven met tegenzin, of zelfs uit dwang, gelijk
een lastdier draagt: ofwel, gelijk het een redelijk schepsel
betaamt, of gij u zelven goedwillig aan hetzelve onderwerpt,
niet alleen voor wat het uitwendige, maar ook voor wat
uwe inwendige gesteltenis aangaat: Collum vestrum sul>-
-ocr page 171-
DINSDAG IN DE TIENDE WEEK NA SINKSEN.            163
jicüe jugo, et suscipiat\'anima vestra disciplina (Eccli. i.i,
34) : » Buigt uwe halzen onder het juk, en laat uwc zielen
zich onderrichten.
5. Overweeg dat er bijzonder twee ondeugden zijn die
den religieus zijn juk met tegenzin doen dragen, namelijk,
de onverduldigheid en de hoo\\ aardigheid. De onverduldig-
heid, omdat zij dit juk immer te zwaar doet schijnen ; de
hoovaardigheid, omdat zij het te vernederend doet \\oorko-
men. Daarom zegt u Christus dat gij van Hem het geduld
en de ootmoedigheid moet leeren: want indien gij naar
liet voorbeeld van Christus verduldig en ootmoedig zijt,
zal de last van zijn juk licht worden en gij zult rust vin-
den. Werp u dan voor de voeten van Jesus om de ware
zachtmoedigheid en oolmoedigheid te leeren; zoo doende
zult gij geenen last te zwaar vinden.
3. Overweeg dat al wal u kan mismoedigen en de gc-
rustheid van geest doen verliezen van binnen ot\' buiten u
zelven komt.Van buiten komen verachting, mishandelingen,
ongelukken; van binnen alle zedelijke en natuurlijke gcbre-
ken. Tegen deze in- en uitwendige kwalen zijn de ootmoe-
digheid en zachtmoedigheid de krachtigste en noodzake-
lijkste wapens ; de zachtmoedigheid tegen verachting en
kwalen, die udoor anderen aangedaan worden: de ootmoe-
dighcid tegen uwe, hetzij natuurlijke heizij zedelijke gebre-
ken, waarvan gij zelf de oorsprong zijt. Met deze twee
deugden gewapend zult gij. evenals eene rots te midden
van cencn storm, altijd kalm en standvastig blijven.
-ocr page 172-
164
WOENSDAG 11S DE TIENDE WEEK NA SINKSEN.
Ons teren is een pelgrimstocht.
Non habemus hic manentem civitatem, scd fuluram inquirimus
(Hebr.xm. 14.)
Wij bebben hier geene blijvende stad, maar zoeken de toe-
komende.
1.  Overwoog dal deze ellendige wereld geenszins de stad
is, waar gij cenc bestendige verblijfplaats bebben kunt. Uwe
ware verblijfplaats is de hemel: dezen vergelijken met de
aarde zoude hetzelfde zijn als de paleizen van het oude
Rome vergelijken met eene ellendige hut. Welken plicht
van dankbaarheid hebt gij dan jegens God te vervullen, die,
met u tot het klooster te. roepen, u uwe aardschc verblijf-
plaatsdeed verlaten, opdat gij voorlaan geen ander vader-
land zoudt erkennen, dan den hemel: civitasperfecti decoris
(Thren. n, 15). » De stad van volmaakte schoonheid. »
De H. Franciscus van Assisië verheugde zich groolelijks,
toen hij in de tegenwoordigheid van zijnen bisschop afstand
deed van bet vaderlijk erfdeel, omdat hij dus, van alles ont-
bloot, voortaan geene gelegenheid meer zou hebben eencn
anderen vader dan zijnen Hemelschen Vader te erkennen.
Verheug u ook in het religieuze leven geen ander vaderland
te bebben dan den hemel.
2.  Overweeg dat gij u bijgevolg in deze wereld moet
gedragen, evenals een vreemdeling in eene stad, waarbij
geene bestendige verblijfplaats heeft. Hij beeft geen belang
met derzelve bezigheden ; bij is dezelve niet aangekleefd, hij
aanschouwt dezelve voor iets, dat hem niet aangaat. Zoo
moet gij ook te werk gaan. zoolang gij in deze wereld leeft.
Deze is uwe stad niet, gij zijl hier als een vreemdeling. En
-ocr page 173-
DONDERDAG IN DE TIENDE WEEK NA SINKSEN. \' 165
nogtans zijt gij zoo bezorgd om u hier te vestigen, en stelt
gij zulk belang in de zaken van uwe naastbestaanden, van
uw huis en geboorteplaats, juist alsof gij dezelve nooit te
verlaten hadt. Deze is cene ongeregeldheid, die het grootste
nadeel aan uwe ware en bestendige belangen toebrengt.
3. Overweeg dat gij op deze aarde niet enkel een vreem-
deling, maar ook een pelgrim zijt: Futuram inquirimus.
Een pelgrim, die op zijnen tocht verschillende plaatsen
doortrekt, is enkel bezorgd, om zich van het volstrekt nood-
zakelijke te voorzien ; hij gaat zoo onbelemmerd mogelijk,
zoo weinig beladen als maar zijn kan, en zoekt den recht-
stcn weg naar zijn vaderland. Aldus moest gij ook te werk
gaan op uwe pelgrimsreize in deze wereld. Gij moet hier-
beneden enkel zijn met het lichaam, maar den geest
opwaarts verheven, evenals een pelgrim slechts lichamelijk
is in de plaats, welke hij doortrekt, maar met zijne gedach-
ten en verlangens in de plaats, welke hij wenscht te berci-
ken. Maar helaas ! hoe verschillend is uwe handelwijze,
aangezien gij zoo weinig aan den hemel denkt, alsof hij uw
vaderland niet was.
DONDERDAG IN DE TIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over de gevolgen van goede en slechte werken.
Quce seminaverit homo, hcec et metct (Gal. vi, 8).
Wat iemand zaait, dat zal hij ook maaien.
1. Overweeg dat het tegenwoordige leven een tijd van
zaaien en het toekomende een tijd van maaien is. Het zaad
zijn onze werken, de oogst de uitbetaling voor dezelve.
Alwie tarwe gezaaid, of in andere woorden, wel geleefd
-ocr page 174-
166\'
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
heeft, zal wel varen ; en alwie onkruid gezaaid, dat is,
slecht zal geleefd hebben, zal slecht varen. Deze is eene
wet, die geene uitzondering aanneemt, zij is voor allen.
Wez? hij koning of bedelaar, geen verschil zal er gemaakt
worden. Waarom geeft gij dan zoo weinig aandacht op uwe
werken ? Uwe werken zijn een zaad dat noodzakelijk zijne
vrachten in de eeuwigheid moet voortbrengen. Onderzoek
dan wel uwe werken, en zie of zij goed of slecht zijn :want,
zijn zij slecht, gij zult het te berouwen hebben. Wat eene
zee van ellende staat u dan te verwachten. Maar zijn zij
goed, ga dan met een blij gemoed vooruit, want gij zult een
eeuwig goed inzamelen.
2. Overweeg dat, om zich van een goeden oogst te ver-
zekeren, het niet genoeg is goed zaad te zaaien, men moet
het ook zaaien op goeden grond, want een onvruchtbare
grond zal een slechten oogst opleveren : Seminaverunt
triticum, et spinasmessuerunt
(Jer. xu. 13). «Zij hebben
tarwe gezaaid en doornen gemaaid. » Gij hebt in u twee
gronden, de eene goed, dat is de geest, de andere slecht,
namelijk liet vleesch. Van daar de woorden van den apostel:
Qui seminat in carne su«, de carne et melet corruptionem;
qui autem seminat in spiritu, de spiritu metet vitam
Mei-nam
(Gal. vi, 8). «Wie zaait in zijn vleesch, zal
ook van het vleesch verderf maaien ; maar die in den
geest zaait, zal van den geest het ecuwig leven maaien. »
Hij. die ten voordeele van het vleesch werkt, zaait in het
vleesch : en hij, die ten voordeele van den geest werkt,
zaait in den geest. Het is dan niet voldoende, dat uwe
werken goed in zichzelven zijn. zij moeten lol doelwit heb-
ben het welzijn van den geest, niet dat van het vleesch.
Wanneer gij arbeidt in eene bediening, die u door de gc-
hoorzaamheid is opgelegd, wanneer gij studeert of predikt,
zaait gij een goed zaad: maar indien de eerzucht de bevveeg-
-ocr page 175-
VRIJDAG IN DE TIENDE WEEK NA SINKSEN\'.            167
redenen van al dien arbeid is, dan zaait gij in het vleesch,
en zult gij bijgevolg verderf maaien : Metes corruptionem.
Indien gij een voordeeligen oogst wilt inzamelen, zaai dan
ten voordeele van den geest, niet met het inzicht om de
driften van het wederspannig vleesch te voldoen.
3. Overweeg dat. indien de goed- ot\' kwaaddoener zijn
aandeel van goed of kwaad terstond in deze wereld moest
ontvangen, elkeen voorzeker omzichtiger zou zijn in zijne
dagelijksche bezigheden. Doch beeld u niet in dat dit het
geval is, want \'s menschen werken zijn gelijk aan het
zaaien; voor belooning of straf moeten wij den toekomenden
tijd van den oogst afwachten in de eeuwigheid. Hebt gij
tot hiertoe slecht gedaan, zeg niet : Peccavi, quid mihi
accidit triste
(Eccli. v, 4). « Ik heb gezondigd en wat
leed kwam mij over, » want gij zult op zijnen tijd een
al te overvloedigen oogst van straf verzamelen. Hebt gij
goed gedaan, wees verzekerd dat gij een eeuwig loon zult
inoogstcn. Zie met wat geduld de landbouwer den oogst
afwacht; heb gij ook een dergelijk geduld : Quoniam
adverdus Domiiü appropinquavit
(Jac. v. 8). « Want de
komst des Heeren is nabij.»
-ocr page 176-
168
VRIJDAG IN DE TIENDE WEEK NA SINKSEN.
Het lijden yan Christus onze schild.
Christo autem passo in came, et vos eadem cogilatione ar-
rnamini
(I. Petr. iv, 1).
Dewijl Christus dan in het vleesch geleden heeft, zoo wapent
ook gij u met dezelfde gedachte.
1. Overweeg dat, indien Christus in zijn vleesch zooveel
geleden heeft, het niet was om het te bedwingen, het was
immers allerzuiverst en allergehoorzaamsi aan den geest,
maar om uw immer oproerig en wederspannig vleesch te
overwinnen en te temmen. Daarom zou het redelijk ge-
schenen hebben dat de H. Petrus u aanmoedigde uw vleesch
te bedwingen met hetzelfde lijden, dat Christus onderging,
namelijk, geeselslagen, doornen en nagels. Desniettegcn-
staande wil de Apostel, die uwe zwakheid wel kende, dat
indien gij u niet wapent met het lijden van Christus, gij u
ten minste zoudt wapenen met de gedachte aan hetzelve.
Wat verontschuldiging zult gij kunnen inbrengen, zoo gij
zelfs dat niet wilt doen.
5. Overweeg dat dit schild tweevoudig zijn moet; het
eene verwerend, om de aanvallen van het wederspannig
vleesch af te keeren,het ander aanvallend, om u in staat te
stellen hetzelve aan te randen en in bedwang te houden.
Nu de gedachte van hetgeen Christus voor u geleden heeft,
is het beste wapen.zoo verdedigend als aanrandend, dat gij
hebben kunt. Zij is het beste, verdedigend wapen volgens
deze woorden van den Profeet : Dabis eis sentum cordis
laborem luim
(Thren. in, 65). « Gij zult hem geven het
schild des harten, uwen arbeid, » want hoe is het mogelijk
dat, terwijl gij Christus aanschouwt badende in zijn bloed
-ocr page 177-
VRIJDAG IN DK TIENDE WEEK NA SINKSEN.           1Ü9
op het kruis voor uwe zonden, gij op een en denzelfden lijd
zoudt denken uw lichaam ongeoorloofde vermaken te gun-
nen. Die gedachte zal u ook voor een aanrandend schild
dienen, want zij zal in uw hart eene heilige verontwaardi-
ging tegen u zelven ontsteken, om u aan te zetten uw
lichaam te mishandelen en Ie versterven, en uw vleeschde
straf op te leggen, welke het verdient. Doch daartoe is eene
oppervlakkige overdenking van het lijden niet voldoende ;
gij moet er met aanhoudende aandacht op nadenken ;
want indien het vlcesch immer goed is om u den oorlog te
verklaren, dan moogtgij de wapens niet neerleggen, die u
tegen hetzelve zoo nuttig zijn.
3. Overweeg dat indien gij groot voordeel uit de gedachte
des lijdens trekken wilt, gij bijzonder moet overpeinzen
Wie het is, die voor u zooveel geleden heeft. Al had de Zoon
Gods voor u niets anders gedaan, dan een weinig van den
edik proeven, dat alleen moest genoeg zijn om een ellendi*
gen aardworm gelijk gij, zijn leven te doen doorbrengen in
eene zee van bittere droefheid uil liefde tot Hem. Wat zal
het dan zijn, indien gij de overgroote smarten overdenkt,
welke de Zoon Gods in zijn lichaam doorstond, hetwelk Hij,
om er niet onder te bezwijken, met bovennatuurlijke sterkte
moest begaven. Zoohaast Tobias wist dat zijn liefdevolle
geleider de Aartsengel Raphaél was, viel hij, halfdood van
aandoening, ter aarde neder; dusdanig uitwerksel moest
ook op u de gedachte hebben, dat Hij, die uit den hemel
op de aarde nederdaalde om zulke tormenten voor u te
lijden, niemand anders is, dan de Zoon Gods zelf. Deze
gedachte moet u doen leven, als het ware, dood aan u zel-
ven, opdat dus uw vleesch niet meer in staat zij u te kvvel-
len : Memoria mentor ero, et tabescet in me anima mea
(Thren. ui, 20). « Ik zal mij gedenken en herinneren, en
mijne ziel zal in mij kwijnen. »
*
-ocr page 178-
170
ZATERDAG IN DE TIENDE WEEK NA SINKSEN.
Otcf het nnt dat wij uit onze gebreken trekken knnnen.
Libcntcr r/loria/jnr in infirmitatibus mets; ut inhabitet in me
virtus Christi
(2. Cor. XII, 9).
Ik zal jraarno roomen op mijne zwakheden, opdat do
kracht van Christus in mij wono.
1. Overwoog hoe tic H. Paulus herhaalde malen on zeer
vuriglijk den Hoor bad. om van den prikkel dos vleeschos
verlosl te zijn : Ter Dominum rogavi ut discederet a me
« Ik heb den Hoor driemaal geboden dat die van mij mocht
wijken.» alhoewel hij aan de bekoring niet toestemde, maar
zijn vleesch kastijdde en in bedwang hield. Nogtans, zoo-
haast hij van don Hoer hoorde, dat het voor hem boter was,
gelijk de overige menschen, aan die zwakheden onderwor-
pen te zijn : Sufficit tibi gratia tnea, nam virtus in in/ir-
mitate perjkitur
« Mijne genade is genoog. want de kracht
wordt in zwakheid volkomen. » roemt hij er zich over :
Libenter gloriabor in infirmitatibus meis « Ik zal gaarne
roemen op mijne zwakheden, «omdat hij daardoor golegen-
heid vond do kracht van Christus in zicli te bevestigen.
Leer daarvan niet te roemen omdat gij vrij zijt van beko-
ringen. ja zelfs onzuivere, maar omdat gij er dat voordeel
uittrekt, welk Christus beoogde, ten voordeele van uwe
ziel.
\'2. Overweeg waarin die kracht van Christus bestond,
welke de zwakheden van den H. Paulus in hem bevestigden.
Voorzeker in de ootmocdiglieid ten opzichte van zich zel-
vcn, en in de zachtmoedigheid in zijne k-trekkingen met
andoren. Deze was de kracht, deze waren de deugden, welke
Christus boven alle andere aanprees en oefende : Discite
-ocr page 179-
ZATERDAG IN DE TIENDE WEEK NA SINKSEN.            171
a me, quia muis mm et\'humitis conté (Matth. 11, 29).
« Leert van mij, want ik ben zachtmoedig en ootmoedig
van harte.» Nu, liet was juist de prikkel des vlecschos, die
terzelfder lijd den Apostel in de ootmoedigheid hield, te.
midden van zoovele beweegredenen tot ijdele glorie, en in
de zachtmoedigheid ten opzicht van anderen, dewijl hij hem
medelijden inboezemde voor de gebreken en zwakheden
van anderen. Indien gij ook van uwe zwakheden leerdet
ootmoedig en zachtmoedig te zijn, dan kont gij ook begin-
nen op dezelve te roemen. Uwe gebreken en zwakheden
moesten voor u zoovele vensters zijn, die de stralen der zou
in de kamer uwer ziel binnenlaten, en u aldus verlichten
door een laag gevoelen van u /elven, en u verwarmen door
liefde jegens den naaste. Zoudt gij dan een zoo groot
goed minachten ? Jnfirmitas gravis sobriam facit animam
(Eccli. xxxi, 2). « Eene zware zick\'.c houdt de ziel
wakker. »
3. Overweeg dat. alhoewel gij ook dezelfde beweegre-
dencn tot ijdele glorie niet hebt. gelijk de H. Paulus. gij
nogtans grooteu nood hebt aan eene herinnering van uwe
eigene ellende, aangezien gij immer toeneemt in eene uit-
ziunige hoovaardigheid. Stort gij twee of drie tranen in het
gebed, dan beeldt gij u in dat gij reeds den derden hemel
bereikt hebt, en neemt gij terstond een uitwendig van ge-
strengheid aan, om de anderen te beoordeelen en te beris-
pen. Dunkt het u dan niet zeer redelijk, dat de Heer in u
die zwakheden toelate, waarvan zelfs de heiligste zielen
niet vrij zijn ? Er bestaat echter dit verschil tusscheu bei-
den, dat voor heilige zielen die zwakheden toegelaten wor-
den, opdat zij standvastig blijven ; in uw geval zijn zij ge-
decltelijk eene straf, omdat gij te gelijk noodlijdend en
hoovaardig zijt. Denk dan een weinig na, wat een groot
goed de ootmoedigheid en de zachtmoedigheid is, aangezien
-ocr page 180-
172
REKNOPTE OVERWEGINGEN
om die twee deugden te bekomen, het zelfs de grootste hei-
ltgen gunstig was aan de schandigste bekoringen des
vleesches onderworpen te zijn.
ELFDE ZONDAG NA SINKSEN.
Over de genezing van den doofstomme.
AdducurU ei surdum et mutum..... et apprehrndcns eum de
turba seorsum, misit digitos suos in auriculas ejits (Mare. vu, 32)
Zij brengen tot hem iemand, die doof en stom was.... Hij nam
hem van de schare af tot zich afzonderlijk, en stak zijne vinge-
ren in deszelfs ooren.
1. Overweeg dat Christus u in de genezing van dezen
doofstomme drie middelen aanwijst om uwe ondeugden wel
te genezen en een godsdienstig en vurig leven te leiden.
Ten eerste, apprehendit eum de turba seorsum « Hij nam
hem van de schare afzonderlijk. » Dat is voor u het eerste
geneesmiddel tegen uwe ondeugden ; begin u zelven af te
zonderen van de schaar van zoovele gedachten en genegen-
lieden voor de zaken dezer wereld, van zoovele onderhande-
lingen en ijdele vermaken, die enkel dienen om u te ver-
strooien ; begin in u zelven te keeren en ernstig op den
staat uwer ziel na te denken ; want in dien staal van een-
zaamheid zult gij van God meer licht en hulp ontvangen,
om u met goeden uitslag op de verbeteringuwer ondeugden,
en het aanwerven van deugden toe te leggen : Ducam eam
in solitudinem. et loquar ad cor ejus
(Ose. n, 14). « Ik zal
haar in de eenzaamheid leiden, en tot haar hart spreken. »
Ontmaak u dan van zoovele beletselen, die u omringen,
-ocr page 181-
173
ELFDE ZONDAG VA SINKSEN\'.
van al wat uwen staat tan religieus niet betaamt, indien
gij inderdaad wenscht uw leven te beteren : Sedebit
solitarius et tacebit; quia levavit super se
(Thren. in, 28).
« Hij zal alleen zitten en zwijgen ; omdat hij het op zich
genomen heelt.
2. Overweeg het tweede geneesmiddel, dat u aangebo-
den wordt: suspiciens in ccdum « opziende naar den
hemel. » Jezus verheft zijne oogen ten hemel om u te lceren,
dal gij u niet alleen moet onttrekken aan de onnoodige
zorgen en genegenheden van aardsche goederen, maar u
oprecht moet toeleggen op zaken, die den hemel en de
eeuwigheid aangaan, evenals de heilige koning David ge-
woon was te doen. Met altijd zijne gedachten op de eeuwig-
heid gevestigd te houden, was hij niet het minst bezorgd,
ja ! verachtte hij zelfs de vergankelijke en kortstondige
goederen dezer aarde, die na verloop van weinige dagen ver-
dwijnen en in rook vergaan. Indien gij ook uwe oogen ge-
vestigd hieldt on het toekomende, zou het u gemakkelijk zijn
het tegenwoordige te verachten, en uwe kwade genegcnhe-
den te verbeteren, dan zoudt gij u ernstig toeleggen op het
bekomen der deugd en met den Profeet zeggen : Et dixi :
Nunc csepi. hsec mutatio deitene Excelsi
(Ps. i.xxvi. 11).
« En ik zeide : thans begin ik : deze verandering komt van
de rechterhand des Allerhoogsten. »
3. Overweeg dat gij u niet kunt verheffen tot de beschou-
wing der eeuwige zaken, noch u losrukken van de gedaeh-
ten en genegenheden voor het tegenwoordige, zonder een
bijzonderen en krachtdadigen bijstand der goddelijke gena-
de. Daarom bestaat het derde geneesmiddel daarin, dat gij
den Heer te voet valt, opdat Hij u dien bijstand verleene,
en er Hem vuriglijk om smeekt in het gebed, gelijk Chris-
tus u met zijn voorbeeld leert : Suspiciens in cselum inge-
muit
« Opziende naar den hemel verzuchtte Hij. » Uwe
-ocr page 182-
174
BEKNOPTE OVERWEGINGEN\'.
smcckingen moeten geene koude en ongemeende woorden
zijn, maar eene vurige uitstorting des harten, vergezeld
van tranen en verzuchtingen, dat is, tranen van waar bc-
rouw over uwe bedrevene fouten, en verzuchtingen, voort-
koniende van een brandend verlangen om geholpen te wor-
den in de oefening der deugd. Een kind vraagt dikwijls in
moeders armen opgenomen te worden zonder het te beko-
men : maar zelden wordt zijn wensen weerstaan, indien het
zulks al weenende vraagt.
MAANDAG IN DE ELFDE WEEK NA SINKSEN.
Over de goedheid en strengheid van God.
Vide bonitaieni cl severitatem Dei: in cos, qui ceciderunt seve-
ritatcm; in te autetn bonitatem Dei, sipermanseris in bonitatc,
alioquin et tu excideris
(Roin. XI, 22).
Zie do goedertierenheid en de gestrengheid Gods: gestreng-
heid omtrent de gevallenen, doeh omtrent u do goedertierenheid
Gods, indien gij blijft in die goedertierenheid, want anders zult
ook gij uitgehouwen worden.
1. Overweeg de goedertierenheid en de gestrengheid des
Heeren : zijne goedertierenheid in de weldaden, welke Hij
ons verleent zonder eenige verdiensten van onzeutwege ;
zijne gestrengheid in de strall\'en, welke Hij ons overzendt
ter oorzake onzer zonden. God is nooit volstrekt streng,
omdat Hij nooit de volle straf geert, welke Hij zou kunnen
geven,maar Hij is altijd goedertieren.Doch Hij wordt streng
genoemd,wanneer Hij meer zijne rechtvaardigheid dan zijne
barmhartigheid doet blijken. De beschouwing dezer goe-
dertierenheid en gestrengheid moet de ladder zijn, langs
-ocr page 183-
MAANDAG IN DE F.I.FDE WEEK NA SINKSEN.             175
welke gij de klauwen uwer Vijanden kunt ontkomen. Wordt
gij bekoord lot wanhoop, klim op tot de beschouwing van
Gods goedheid, zelfs jegens degenen, die er niet de minste
aanspraak op hebben, vide bonüatem Dei. Wordt gij be-
koord tot vermetelheid, kom naar beneden, en beschouw
Gods gestrengheid, zelfs ten opzichte van zijne geliefkoosde
dienaren, vide severitatem.
•2. Overweeg de gestrengheid Gods in den persoon van
zoovele menschcn, welke Hij liet vallen van de verbevenste
hoogten van waardigheid en heiligheid ; herinner u Judas,
Saül, Salomon, Origenesen vele anderen. Hoevelen zijn er
immer niet. die van een verheven trap van heiligheid vallen,
en in de diepten der hel neergestort worden, velen mis-
sehien, die, na liet begaan van hunne eerste doodzonde,
weggerukt worden ! O ! welke schrikkelijke gedachten !
Van den anderen kant overweeg de goedheid Gods opzich-
tensuzelven. daar Hij met u geduld heeft, niettegenstaande
uwe menigvuldige zonden, en u zelfs tot het kloosterleven
geroepen heeft. Gij kunt zeker die weldaad niet toeschrijven
aan uwe verdiensten, zij komt u onverdiend van Gods
goedheid. Maar weesop uwe \'uoede ! gij zijt neg niet zeker
van uwe zaligheid ; gij weet immers niet of de Heer ten
gevolge uwer slechte beantwoording aan zijne goedheid,
jegens u dezelve nog langer zal toonen. Gij zult uwe ziel
zalig maken, indien de Heer voortgaat u te begunstigen
met zijne bijzondere genade, welke Hij niet verplicht is u te
verleenen : Si permanseris in hmitate, « indien gij blijft in
die goedertierenheid. » Doch wie kan u verzekeren dat dit
het geval zijn zal ?
3. Overweeg dat, ware de Heer van u zijne barmhartige
band te onttrekken, gij voorzeker verloren zijn zoudt:
Excideris, gij ook zoudt zonder medelijden van den boom
des levens afgehouwen en in do eeuwige vlammen gewor-
-ocr page 184-
17(5
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
pen worden. Daarom beveel u vuriglijk en aanhoudend den
Heer aan, lioud u tussclien vrees en hoop, en herinner u
dat Hij te gelijk goedertieren en streng is.
DINSDAG IN DE ELFDE WEEK NA SINKSEN.
Over de hoovaardigheid en hare gevolgen.
Superbiam numquam in tuo sensu, aut in tuo verbo domi-
nari permütas, in ipsa enim initium sumpsit omnis perditio
(Tob. iv, 14).
Laat nooit toe dat de hoovaardiglioid in uwen geest, of in uwe
woorden heersche, want in haar heeft alle verderf zijnen oor-
sprong genomen.
1. Overweeg hoe de hoovaardigheid, die een ongeregelde
drift naar voorrang is. de oorzaak was van het verderf van
Lucifer en van Adam, die beiden aan God gelijk wilden
zijn. Welken afkeer moesten wij dan opvatten tegen die
ondeugd, welke haren oorsprong had in het paradijs; niet
alleen in den hof van Eden, maar zelfs in het hemelsche
Sion. Lucifer begeerde aan God gelijk te zijn, en gezag te
hebben over de sterren : Super astra Dei exaltabo solium
meum
(Isai. xiv. 13). « Boven de sterren Gods zal ik
mijnen troon verheffen. » Adam van zijnen kant wilde in
kennis aan God gelijk zijn : Evitis sicut dii. scientes borium
et malum
(Gen. in, 5). « Gij zult zijn gelijk goden, goed
en kwaad kennende. » Zie dan hoe noodzakelijk het voor u
is in de palen te blijven, die God u gesteld heeft, in weten-
schap, gezag of waardigheid. Zoohaast gij die overschreedt,
wordt gij onder het getal der hoovaardigen gerekend.
•2. Overweeg de schrikkelijke gevolgen der hoovaardig*
-ocr page 185-
DINSDAG IK UE F.I.FDE WEEK NA SINKSEN.             177
heid van Lucifer en Adam. Lucifer werd op eenen oogen-
blik uit het hoogste der hemelen in het diepste der hel neer-
gestort, te zamen met al zijne aanhangers, die eertijds
edele geesten, de schoonste van Gods schepselen. O ! wat
een onzeglijk groot kwaad moet de hoovaardigheid zijn,
dewijl een enkel hoovaardig gedacht een zoo vreeselijken
ondergang te weeg bracht ! Niet min droevig waren de
gevolgen er van voor Adam in het aardsche paradijs. Hij
werd beroofd van zijn gezag over de andere schepselen, en
van de oorspronkelijke gerechtigheid, en veroordeeld tot
allerlei ellende, niet alleen voor zich zelven, maar voor alle
zijne nakomelingen, zonder ophouding of vermindering van
die straf van onherstelbare kwalen. Zoudtgij dan toelaten
dat eene ondeugd, die van God zoo zeer gehaat en zoo streng
gestraft wordt, in u, ware het maar voor eenen oogenblik,
de overhand hebbe.
3. Overweeg dat de hoovaardigheid, waarvan er spraak
is in den aangehaalden lekst tweevoudig is, namelijk in
sensu
en in verbo, >< in gedachten en in woorden ; » deze
zijn de twee toegangen langs waar zij \'gewoonlijk insluipt,
en waarvan gij haar bijgevolg het verst moet verwijderd
houden. Wilt gij beletien dal de hoovaardigheid in uwen
geest doordringe, herdenk dan dikwerf wie gij zijt, wie God
is. en gij zult zien hoe redelijk het is dat gij Hem in alles
onderdanig zijt, en u in alles aan den goddelijken wil gelijk-
vormig maakt. Wilt gij dat uwe woorden vrij zijn van
hoovaardigheid, herdenk dan hoe onbetamelijk het is, ja
hoe belachelijk het u voorkomt, wanneer gij anderen eene
taal hoort spreken, aan den hoogmoed ontleend. Bovendien,
de hoovaardigheid is eene zeer schrandere ondeugd, die
zich gemakkelijk onder den sluier van zelfs goede werken
verbergt; licht zal zij u dan verrassen en eenigszins be-
heerschen. Maar zoohaast gij hare tegenwoordigheid ge-
-ocr page 186-
178
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
waai* wordt, verjaag haar terstond, of met eenen tegenstrijd
digen akt van ootmoedigheid, of zoo zij u lastig blijft vallen,
met haar te verachten en uwe gedachten naar iets anders
te wenden. Indien gij die ondeugd vermijdt, zult gij
vlekkeloos in de oogen van God zijn ; maar indien gij u
door haar vrijwillig laat overheerschen, wee u !
WOENSDAG IN DE ELFDE WEEK NA SINKSEN.
Over den plicht van onzen naaste te helpen.
Recupcra proximum secundum virtutem tuam, et attentie
tibi, ne incidas
(Eccli. xxix, 27).
Help uwen naaste uit zijnen noo\'1 naar uw vermogen, maar
zorg voor u zelvon dat gij niet valt.
1. Overweeg hoe groote en menigvuldige verplichtingen
gij ten opzichte van uwen Schepper en Zaligmaker hebt,
wiens liefde zoo ver ging, dat Hij voor u op het schandige
hout des kruises stierf. Even zoo groote en menigvuldige
verplichtingen hebt gij ten opzichte van uwen naaste, ten
wiens gunste uw Zaligmaker zijn recht op uwe diensten
afstond i want evenals Hij persoonlijk niets noodig heeft,
zoo wil Hij dat gij voor de dienaren doet wat gij voor den
Meester niet doen kunt. En gij zoudt het hart hebben die
rechtmatige erkentenis te weigeren aan eenen Meester, die
voor de u zoovele groote bewezene weldaden, van u ver-
langt dat gij in de noodwendigheden van uwen naaste
voorziet, en zijne lasten helpt dragen.
2. Overweeg dat de wet der liefde u verplicht uwen
naaste te beminnen gelijk u zelven en zijn nadeel als liet
-ocr page 187-
WOENSDAG IN DE ELFDE WEEK NA SINKSEN.           179
uwe te gevoelen. Nu, het verlies dat gij het levendigst ge-
voelen moet is de geestelijke schade der ziel, omdat deze de
aannierkelijkste is, en dat er zeer velen minst voor bezorgd
zijn, die, gelijk lage slaven, zich naarde hel doen geleiden
zonder den minsten wederstand te bieden. Iedereen doet
zijn best om van tijdelijke kwalen verlost te zijn, maar hoe
weinigen zijner, die oprecht trachten zich te bevrijden van
de kwalen der zonde ; hoevclcn helaas ! die daar volstrekt
geen werk van maken. Veronderstel dat gij een geliefden
vriend als slaaf vervoerd zaagt worden naar een ver alge-
legen land, zoudt gij niei lot medelijden bewogen zijn. en
uw best doen hem de vrijheid te bezorgen, indien u zulks
mogelijk ware ? Waarom wendt gij dan niet alle pogingen
aan om zielen te onttrekken aan de schrikkelijksle aller
slavcrnijen, en terug ie brengen tot Jesus Christus, die
hen vrijkocht met den laatsten druppel van zijn kostbaar
bloed voor hen te vergieten ?
3. Overweeg dat gij u om geene reilen moest laten
aftrekken van dat verheven liefdewerk, noch uit hoofde
uwer zwakheid, noch onder voorwendsel van gebrek aan de
noodigc talenten. Merk wel op dat deze woorden van den
Ecclesiasticus ook tot u gericht worden : Recupera proxï-
mum tuum secundum virtutem tuam.
« Help uwen naaste
uit zijnen nood naar uw vermogen. » Het is u misschien
niet gegeven te onderrichten van den predikstoel, of den
oceaan over te varen, om zielen voor God te winnen, maar
men kan ook zielen winnen met heilzame raadgevingen,
geheime berispingen, gebed, versterving en goed voor-
beeld. O ! wat onmetelijke diensten kunt gij op die wijze
uwen naaste bewijzen ! Non enim in sermone est regnum
Dei, sed in virtute
(1 Cos. iv, 50). « Want niet in woorden
bestaat het rijk Gods, maar in kracht. » Doch let ter
zelfder tijd wel op de minzame vermaning, die u gegeven
-ocr page 188-
180                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
wordt : Altende tibi ne incidas. » Zorg voor u zclven dat
gij niet valt; » in andere woorden, vergeet u zelven intus-
schen niet, en zorg dat gij uwe eigene ziel niet verliest met
aan de zaligmaking van anderen te arbeiden. Geef acht op
u zelven, opdat gij met anderen uit de moeras der zonde te
willen redden, gij u zelven aan geen gevaar blootstelt van
er in te vallen. Wacht o wel van. om anderen te helpen, u
zelven te verwaarloozen met uwe gewone gebeden en god-
vruchtige oefeningen te verzuimen, en er de versterving en
kloosterlijke ingetogenheid voor te slachtofferen. Dat een
goede regel en groote omzichtigheid de leiders uwer hande-
lingen wezen ! Mende tibi ne incidas. « Zorg voor u zel-
ven dat gij niet valt. » Hoevelen zijn er. helaas ! die, na
vele zielen naar den hemel geleid Ie hebben, zelf in het
diepste der hel begraven worden.
DONDERDAG IN DE ELFDE WEEK NA SINKSEN.
Over de eindclijkc afscheiding van goeden en kwaden.
Ventilabrum in manu ejus et purgabit aream suam ; et con-
gregobil triticum in horreum suum, paleas autcm comburet igni
inextinguibili
(Luc. ui, 17).
Zijne wan is in zijne hand, en hij zal zijnen dorschvloer uit-
zuiveren ; en de tarwe zal hij verzamelen in zijne schuur, maar
het kaf zal hij met onuitbluschbaar vuur verbranden.
I. Overweeg dat de wan in de hand van Christus, het
zinnebeeld is van de rechterlijke macht, welke Hij uitoefent,
als God en Mensen : als God, krachtens zijne opperste
heerschappij; als Mensen, omdat Hij dezelve op verschil"
-ocr page 189-
DONDERDAG IN DE ELFDE WEEK NA SINKSEN.         181
lende wijzen verdiend heeft; in liet bijzonder met Zich als
eenen booswicht te laten behandelen voor de rechterstoelen
van Pilatus en Herodes. Het is immers billijk dat de Zalig-
maker der wereld, die Zich voor ons door een alleronrecht-
vaardigst vonnis liet veroordeelen voor den rechterstoel der
menschcn, gezeten zij op eenen troon van majesteit om het
geheele mcnschdom te oordcelen. Verheug u met Hem over
de glorie, welke Hem op den dag van het algemeen oordeel
te wachten staat; roep tevens vurig zijne barmhartigheid
in, nu dat Hij nog uw bemiddelaar is ; want op dien schrik -
kelijken dag zal Hij. als rechter, niets dan gestrenge recht-
vaardigheid uitoefenen. Overweeg dat door den dorschvloer
de kerk der geloovigen alleen verstaan word;, aangezien de
ongeloovigeu, die buiten de kerk zijn. slechts oppervlakkig
zullen geoordeeld worden : qui non credit jam judicatus est
(Joan. in, 18). « Die niet gelooft is reeds geoordeeld. «
Daarom zal de wan op den laatstcn dag enkel gebezigd
worden voor de geloovigen. om het kaf van den dorschvloer
te verwijderen, en de verdoemden van de uitverkorenen af
te scheiden. Nog geslrengcr zal deze onderzoeking voor de
kloosterlijke gemeenten zijn, wierieden, goed of slecht, hun
leven te zamen doorbrengen. Denk nu een weinig na, wat
er van u op dien dag zal geworden. Wat zal uw lot wezen,
dat van het graan, of dat van het kaf ?
2. Overweeg dat de goeden vergeleken worden met het
graan, uit hoofde van de menigvuldige vruchten, welke zij
dragen, en van den heilzamen en zelfstandigen invloed,
welken zij in de wereld uitoefenen. De kwaden worden met
het kaf vergeleken, ter oorzake van hunne onvruchtbaarheid,
hunne lichtheid en onstandvastigheid. Nu zijn de goeden
gemengeld met de kwaden; want. evenals de gemeenschap
met het kaf het graan bevoorrecht, zoo worden ook de
goeden bevoorrecht door de gelegenheden, welke hunne
-ocr page 190-
182
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
betrekkingen met de kwaden hun opleveren, om zediger,
meer verstorven en ootmoediger te zijn. Die mengeling van
kaf en graan, van goeden en kwaden, ontmoet men zelfs
dikwerf in de kloosters : en indien gij nu toevallig verstor-
ven en ondergehouden wordt, evenals bet goede graan,
benijd het kaf niet, hetwelk, juist omdat het zoo licht is,
zich boven het graan verheft. Weldra zal het kaf van het
graan gescheiden, en in den wind geworpen worden : Dis-
pergam eos ventilabro
(Jer. xv, 7). « Ik zal ze verstrooien
met eene wan : » daarom, zoudt gij zijn gelijk het kaf,
beter u bijtijds, opdat gij niet in den afgrond geworpen
wordet.
3. Overweeg het. vervolg van die scheiding : CongregaMt
triticum in hoireum mum, paleas aulem cumburet igni
inextinguürili.
« De tarwe zal hij verzamelen in zijne
schuur, maar het kaf zal hij met onuilbluschbaar vuur ver-
branden.» Deze schuur is de hemel, waar de uitverkorenen
in vrede en veiligheid hun verblijf zullen vestigen, vol
vreugde, omdat zij nu allen vereenigd zijn door de banden
der liefde, om God te loven en te zegenen, en omdat zij nu
verlost zijn ^au alle betrekkingen met de boozen, die hen tot
hiertoe zoo bitter beproefden. Oneindig beter is het voor u,
kost wat kost u hel gelukkig lot van het graan te verze-
keren. dan met het kaf medegedreven en in de vlammen
der hel geworpen te worden, waar de boozen zullen bran-
den, om nooit tot asch te vergaan en immer de wreedste
pijnen te lijden, in igne inextinyuilrili, «in een onuitblusch-
baar vuur.» Overpeins nu wat het zeggen wil voor ecuwig
branden in het midden dier schrikkelijke vlammen, in ver-
gelijking van dewelke het aardsch vuur slechts een afbeeld-
sel is. Dan zult gij inderdaad uw best doen om onder hel
graan, niet onder het kaf, gevonden te worden.
-ocr page 191-
183
VRIJDAG IN DE ELFDE WEEK NA SINKSEN.
Over de herinnering aan het lijden van Jesus.
Recogitate cum, qui talem sustinuil a peccatoribus adversus
semetipsum contradictionem; ut nc fatigemini animis vestris de-
ficientes; Nondum enim asque ad sanguinem restitislis, adver-
suspeccatum repugnanlcs
(Hebr. xir, 3, 4).
Denkt aan hem, die zulk eone tegenspraak van de zondaars
tegen zich verdragen heeft, opdat gij niet moede wordt in uwe
zielen bezwijkende ; Gij hebt immers, strijdende tegen do zonde,
nog niet ten bloode toe wederstand geboden.
1.  Overweeg dat gij nooit moest moede worden op den
gekruisten Jesus te denken, als een geneesmiddel voor uwe
kwalen. Dit moest uwe aanhoudende bezigheid zijn. reco-
(jitare,
herhaalde malen denken, wie liet is die lijdt. Het is
de Koning der Glorie, die, alhoewel Hij van het begin der
wereld in zijne heiligen, in den persoon van Abel, Joscph,
Jeremias en anderen geleden heeft, nu lijdt, niet meer in
zijne dienaren alleen, maar ook in Zich zei ven, adversus
semetipsum ?
Door wien wordt Hem dat lijden aangedaan ?
Door dezen, voor wier zaligheid Hij aan hel kruis genageld
wordt, door de zondaars. Wat lijdt Hij ? De hevigste, de
schandigste en de onrechtvaardigste vervolging onder alle
opzichten. Tracht deze drie omstandigheden wel te vatten,
gij zult daarin leniging vinden voor al uwe kwalen.
2.   Overweeg dat. om u aan te moedigen veelte lijden,
niets krachtiger bijdraagt dan het veelvuldig nadenken op
het lijden van Jesus. Niets boezemt eenen krijgsman meer
moed in dan het aanschouwen van zijnen koning zelven, uit-
geput van krachten en met bloed bedekt aan het hoofd van
zijn leger. Beeld u niet in dal gij niet aanhoudend nieuwen
moed van noode hebt. Zie hoe gemakkelijk gij bij elke
-ocr page 192-
184
BEKNOPTE OVERWEGINGEN,
kleine tegenkanting den moed verliest, en in den dienst des
Heeren verslapt.
3. Overweeg met welke schaamte dit gebrek aan edel-
moedigheid u moest overdekken, wanneer gij er over
nadenkt aan de voeten van den Gekruiste. Uwe zonden
konden uwen Zaligmaker geen nadeel toebrengen, en
nogtans, zie wat tormenten Hij op het kruis doorstond, om
u van dezelve te bevrijden. Maar aan u brengen uwe zonden
een oneindig nadeel toe ; en nogtans, wat hebt gij gedaan
om ze van u verwijderd te houden. Hebt gij daarom ooit
een enkelen druppel bloed vergoten ? Het is dan maar al te
waar, wat de Apostel zegt : Nondum usque ad sanguinem
restUistis adversus peccatum repugnantes. «
Gij hebt,
strijdende tegen de zonde, nog niet ten bloede toe wedcr-
stand geboden. » Niet alleen wilt gij uw bloed niet vergieten,
maar gij wilt zelfs niet het geringste ongelijk aan faam of
gezondheid verdragen, of u ecne ijdele zelfvoldoening ont-
zeggen. Zoo kan het niet gaan ; gij moet wederstand
bieden, en strijden door dik en dun, usque ad sanguinem,
« ten bloede toe ; » er zijn immers te groote belangen in
de sdiaal ; er is spraak van geenen ingang te geven
aan uwen vijand, de zonde. Het was om die te vernietigen
dat Jesus tot den laatstcn druppel van zijn kostbaar bloed
vergoot.
-ocr page 193-
185
ZATERDAG IN DE ELFDE WEEK NA SINKSEN.
Dat wij spoedig moeten wederstand bieden aan de beko-
rinsren van den duivel.
Dixerunt anima turn : Incurvare ut transeamus, et posuisti u
terram corpus tuum, et quasi viam transeuntibus (Isai. u, 23).
Zij hebben tot uwe ziel gezegd : Buig u, dat wij doorgaan, en
gij hebt uw lichaam gesteld als aarde, en als eenen weg voor de
voorbijgangers.
1.  Overweeg dat wanneer de duivel u tot zonde bekoort,
hij poogt u den voet op den hals te zetten, en u als een ge-
niecnen slaat\' niet de voeten te treden. Maar, aangezien het
in zijne macht niet is u daartoe te verplichten of u geweld
aan te doen, en u enkel kan overhalen of aanhitsen, vraagt
hij u dal gij u uit eigene verkiezing buigt, en u verlaagt
niet vrijwillig aan zijne kwade ingevingen toe te stemmen.
Wat dunkt u aangaande die lage dienstbaarheid, welke gij
al zondigende den bekoorder zoo dikwijls getoond hebt ?
Schaamt gij u niet over u zelvcn met te denken dat gij u zoo
dikwijls onder de voeten geworpen hebt van die vuile dui-
velen, welke liet uw plicht was met de voeten te treden ?
2. Overweeg dat de duivel tegen u altijd de slechtste ont-
werpen heeft en van u nogtans enkel vraagt dat gij u slechts
voor eenen oogenblik zoudt buigen en neerbukken, want
met van u alleen een begin van kwaad te vragen, dat on-
hcduidend schijnt en u niet te zeer verschrikt, zal hij
allengskens verkrijgen wat hij wenscht. Zoo gemakkelijk
is het op het pad der ondeugd van klein tot groot over te
gaan, dat van eenen oogslag, eene begeerte naar de verbo-
den vrucht, gelijk het geval was niet Eva, hij u gemakke-
lijk tot uwen ondergang zal brengen. Waarom u dan niet
terstond en kloekmoedig verzetten tegen de ingevingen van
u                                                                      il
-ocr page 194-
186                              BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
uwen vijand, indien gij niet wilt dateene buiging nu, later
eene ter aarde werping worde, in andere woorden, indien
gij grovere zonden wilt vermijden ?
3. Overweeg dat zoo eene ziel zich ter aarde werpt om
zich van de duivelen met de voeten te laten vertreden, het
noodzakelijke gevolg zijn zal, dat zij. als het ware, een
openbare weg wordt, waar hare vijanden naar goedvinden
kunnen heen en weer gaan. Zoo verre geraakt eindelijk de
zondaar : van de dadelijke zonde gaat hij over tot zonden
uit gewoonte; door de eerste maakt hij zijne ziel cenen
grond, door de andere, eenen weg voor de \\oorbijgangcrs :
ut terram corpus mum et quasi viam transeuntibus. Dit
is het wat de duivel beoogt, wanneer hij van u enkel eenen
doorgang vraagt, u niet de voeten te treden, gelijk eenen
schandigen slaaf\', vooralle eeuwen. Wees dan zoo uitzin-
nig niet om u zoo schrikkelijk te laten bedriegen; geeft
gij hem eenen doorgang, dan zal hij weldra recht op een
openbaren weg eisenen. Helaas! hocvele zielen, zelfs on-
der de religieuzen, zijn aldus geslachtofferd geworden ; zij
gaven eerst toe in kleine zaken, en hebben zich later in
groolcre onherstelbaar doen vangen ! Wacht u wel van ooit
aan uwen gezworen en verraderlijken vijand eenen doorgang
te geven.
-ocr page 195-
187
TWAALFDE ZONDAG NA SINKSEN.
Over der liefde Gods.
Diliges Dominum Deum tuum ex toto eorde tuo (Mare.
xii, 3u).
Gij zult den Heer, uwen God, liefhebben uit geheel uw hart.
1. Overweeg wat de Hoor van u vraagt door dit gebod.
Hij wil dat uw hart, dat is, uw wil tot Hem gericht zij ;
dat uwe genegenheden geene andere wet erkennen dan die
van God, dat gij in uwe begeerten niets anders zoekt dan
met God vereenigd te zijn; dat uwe vreugde geen ander
voorwerp hebhe dan de eer Gods, en uwe droefheid de be-
leediging Gods, en uwe vrees het mishagen van God.
Bovendien wil Hij, dat gij al de ledematen van uw lichaam
zoudt aanwenden om de glorie Gods te bevorderen, en dat
al de vermogens uwer ziel naar God streven, zoodat gij in
uwe studiën of andere bezigheden niets anders beoogt dan
Gods welbehagen. Dit gebod is het eerste in rang en het
belangrijkste van al: omdat het het einde van al de overige
geboden uitmaakt, en het overtreft de andere in uitmun-
tendheid, dewijl het u verheft lot de ware en innige vriend-
schap met God. Had de Heer u niet geboden Hem te bemin-
nen, dan zoudt gij vuriglijk moeten bidden, om toegelaten
te worden Hem te mogen beminnen : zoodanig is Hij
uwer liefde waardig. Hoe komt het toch dat gij Hem zoo
weinig bemint, nu dat Hij het u gebiedt?
1. Overweeg d?t gij dit gebod niet op aarde, maar enkel
in den hemel volmaakt kunt volbrengen. Gij moet nogtans
uw best doen om het ten minste gedeeltelijk te volbrengen
met uwen God, als zijnde uw laatste einde, in alles en in
alle omstandigheden de eerste plaats te geven. Aanschouw
-ocr page 196-
188
BEKNOPTE OVERWEGINGEN\'.
den gierigaard, hoe liij zijn geld bemint alsof het zijn
laatste einde ware: eerst en vooral is hij bezorgd om tegen
alle voorvallen zijnen schat in veiligheid te stellen, nooit
stemt hij aan eene vermindering dcszelfs toe. Zie nog, boe
hij beraamt, hoe bij zich afmat, wat al pogingen hij aan-
wendt, hoe vurig hij begeert, zijn geld te bewaren en te,
vermeerderen. Nu. indien voor een valschen god, gelijk
het geld is. een gierigard gansch zich zelven besteedt, om-
dat het hem dunkt in zijn goud al zijn geluk te bezitten;
waarom kunt gij dan hetzelfde niet doen voor den waren
God. in wien gij wezenlijk al uw geluk en genot vindt ?
3.Overweeg de bijzonderste middelen .welke gij aanwenden
moet om God te bezitten. Het eerste iseene zoo volmaakte ken-
nis van God te bekomen als u mogelijk is, door de bcschou-
wing van zijne hoedanigheden. De Heiligen in den hemel
beminnen Hem zoozeer, omdat zij Hem kennen en aanschou-
wen facie ad faciem •< aanschijn tot aanschijn ; » doe uw
best om Hem ten minste van verre te kennen in de menig-
vuldigc weldaden, welke Hij u verleent, in zijne werken der
natuur, der genade en der glorie. Het tweede middel, dat
gij bezigen moet, is, u te oefenen in herhaalde akten van
liefde tot God, en u gewoon te maken al uwe werken te ver-
richten uit liefde tot Hem. Eindelijk, als een derde middel,
moet gij door aanhoudend gebed de genade der goddelijke
liefde afsmeeken, want er is God, die u meteene oneindige
liefde bemint, niets welgevalliger, dan dat gij Hem wcder-
liefde betoont. Hij bemint u zonder eenig eigen belang, gij
moet dan ook trachten Hem te beminnen zonder acht te
geven op uw eigen voordeel, en u van de vrees der straf en
de hoop der belooning enkel bedienen om u aan te moedi-
gen Hem immer meer te beminnen.
-ocr page 197-
189
MAANDAG IN DE TWAALFDE WEEK NA SINKSEN
Oyer de liefde jegens onzen naaste.
Diligesproximum tuum sicut teipsum (Mare. xu, 31).
Gij zult uwen naaste liefhebbon als u zelven
1.  Overweeg dat het gebod der naastenliefde gepaard
gaat met het gebod der liefde tot God, omdat zij tweeling-
deugden zijn, terzelfdertijd voortgebracht. De liefde tot God
wordt het eerste gebod genoemd, en de liefde tot den naaste
het tweede, omdat wij den naaste moeten beminnen om
God. en God om Zich zelven, niet om den naaste.0\\erigens
staan deze twee geboden in zoo nauwe betrekking, dat
men den naaste niet kan beminnen zonder God lief te
hebben, noch God zonder den naaste. Daarom zijn deze
twee liefden meer dan tweelingen, want niet alleen worden
zij terzelfder tijd geboren, zij moeten ook noodzakelijk te
gelijk sterven. Hoe komt het dan dat gij van dit gebod zoo
weinig werk maakt ?
2.  Overweeg dat de liefde tot den naaste daarin bestaat
dat gij hem goed wenscht naar ziel en lichaam,en datgij hem
beminnen zult gelijk u zelven, sicut teipsum, alleen dan,
wanneer gij hem dit tweevoudig goed wenscht, gelijk aan
u zelven. Gij moet hem dat wenschen voor zooveel hij uw
naaste is, dat is te zeggen, voor zooveel hij met u uw deel-
genoot in de eeuwige gelukzaligheid zijn kan ; en daarom
moet gij aan allen zonder uitzondering goed wenschen, zijn
zij groot of klein, medeburgers of vreemdelingen, goed of
kwaad, vrienden of vijanden: wantallen kunnen uwe gezel-
len in den hemel zijn. Bijgevolg indien gij slechts een enke-
len van uwe liefde uitsluit, is er in uw hart geene oprechte
naastenliefde meer, evenals er geen waar geloof meer is in
**
-ocr page 198-
190
BF.KNOrTF. OVERWEGIHGEK.
hem, die slechts een enkel leerpunt deszelfs loochent. En
nogtans hoc velen zijn er, die zich vleien de naastenliefde
te bezitten, en ten opzichte van meer dan eenen die goed-
willigheid nalaten, welke zij verplicht zijn door de wet dei-
liefde aan allen zonder onderscheid te toonen, verplichting
die juist zoo groot is. als de liefde tot Gcd zelven.
3. Overweeg dat de liefde jegens uwen naaste drie voor-
waarden hebben moet. Ten eerste, gij moogt uit liefde tot
den naaste, hem nooit iets toestaan dat onredelijk of onrechl-
vaardig zij. want met zoo te doen, wenscht gij hem niet
alleen geen goed, maar gij haat hem, gelijk de duivel, met
hem tot zonde aan te sporen, en hem daarin te helpen.
Ten tweede, gij moet uwen naaste beminnen om hem zel-
ven. Daarom, indien gij hem bemint of om het vermaak,
dat gij vindt in zijn gezelschap, of ten oorzake van weder-
zijdsche belangen, verbreekt gij ook hel gebed niet, gij ver-
vult het toch niet: want gij bemint hem niet om hem zelven,
als uwen naaste en gelijke, maar voor uw eigen voordcel.
Ten derde, gij moet uwen naaste goed willen, niet met
eene koude en onwerkzame goedwilligheid, maar met eene
werkdadige liefde : In charitate non ficta (2 Cor. vi, C).
« Door ongeveinsde liefde. » Wat al moeite doet gij u niet
aan, wanneer gij u iets voorstelt dat u voordeelig zij ? Indien
gij uwen naaste oprecht bemint, moet gij ten zijnen opzichte
hetzelfde doen : tanquamteipsum. « als u zelven. » O ! hoc
weinigen zijn er op aarde, die dit schoon gebod volmaakt
volbrengen ! Velen beminnen hunnen naaste met eene na-
deelige liefde, anderen met eene belanghebbende liefde,
anderen nog met een liefde, die meer dood dan levend
is. Overdenk een weinig onder welke soort uwc liefde moet
gerangschikt worden.
-ocr page 199-
101
DINSDAG IN DE TWAALFDE WEEK NA SINKSEN.
Over de liefde Gods voor zijne aangcnomcne kinderen.
Hic est filius mcus düectus, in quo mihi bene complacui ; ip-
sum audile
(Matth. jcvii, 5).
Deze is mijn welbeminde Zoon, in wion ik mijn welbehagen
heb gesteld, hoort hem aan.
1.  Overweeg dat Jesus de Zoon van den Eeuwigen Vader
is, welbemind, in de volste bcteekenis des woords, om Zich
zelven, omdat Hij zijn Zoon door natuur is, terwijl de
rechtvaardigen kinderen Gods zijn enkel bij aanneming, en
bemind worden ter oorzake van Jesus. die hen verhief tot
de waardigheid van zijne broeders, en deelgenoten zijner
goddelijke natuur. Daarom tot bewijs zijner liefde, gaf de
Vader aan Jesus alle macht zonder uitneming of beperking,
ondat. evenals wij door Christus verheven wierden door de
genade, tot de waardigheid van kinderen Gods, wij zoo ook
van Christus alle gaven zouden ontvangen in evenredigheid
met onzen verheven staat. Met welke liefdegevoelens moest
gij dan dien Goddelijkcn Zoon beminnen, in wiende Eeuwige
Vader zijn welbehagen had gesteld, en die u zulke over-
maal van liefde toonde met uw broeder te worden, en u te
verheffen tot de waardigheid van kind Gods. Verheug u
met Hem over die schoone benoeming van welbeminde en
over de glorie, welke Hij geniet aan de rechterhand des
Vaders ; maar tracht, zooveel .mogelijk door de liefde
vereenigd te blijven met Jesus, die u eene zoo uitstekende
weldaad bewezen heeft, en van wien gij al wezenlijk goed
te verwachten hebt.
2.  Overweeg dat wanneer de eeuwige Vader zegde :
Hic est filius meus dilectiis, in quo mihi béne complacui.
-ocr page 200-
192
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
« Deze is mijn welbeminde Zoon, in wien ik mijn \\velbelia-
gen gesteld heb » Hij niet enkel zijne voldoening wilde te
kennen geven met Hem de volheid zijner godheid in zijne
aangenomene menschheid verleend te hebben, maar ook
nog wilde doen uitschijnen, dat zijn welbehagen in zijnen
Zoon oorzaak was van al de weldaden welke Hij door de
verdiensten van zijnen Zoon. aan het menschdom schenken
zou : Proposuü.... instaurare omnia in Christo (Eph
i, 9). « Hij bad voorgenomen... in Christus alles tc
herstellen, » met de menschen te verlossen van de dienst-
baarheid der zonde, en hun genade en glorie te verleencn.
Nu is het geen allergrootst wonder dat het den Eeuwigen
Vader behaagde aan ons ellendelingen zijn welbeminden
Zoon voor Zaligmaker te geven, zonder ecnig eigenbelang,
of verdiensten van onzen kant ? Doch daarin is juist de
bijzonderheid der goddeiijke liefde gelegen. Kunt gij u dan
weerhouden Hem te beminnen, die u zoo oprecht heeft
liefgehad ? Nu, indien de liefde Gods jegens u zich getoond
beeft door hetgeen Hij voor u gedaan heeft, dan is het ook
billijk dat gij door uwe werken getuigenis zoudt geven van
uwe liefde jegens Hem.
3. Overweeg hoe de eeuwige Vader, met te beschikken,
dat wij alles zouden ontvangen door Christus, mensen ge-
worden gelijk wij, en onzen broeder, ons leerde met welk
onbegrensd betrouwen wij tot Hem moesten gaan in al onze
noodwendigheden, om te bekomen wat wij verlangen. Maar
indien gij wilt dat Christus u aanhoort, dan is het ook rcde-
lijk dat gij naar Hem luistert, en werkstellig maakt, wat
Hij u in zijne hoedanigheid van meester leert. Om eene
gunst van een aardschen koning te bekomen, moet men
zijne bede aanbieden en er meermalen op terug komen,
maar om gunsten van Christus onzen Heer tc bekomen,
moet gij eerder uwe ooren dan uwe lippen openen, eer
-ocr page 201-
WOENSDAG IN DE TWAALFDE WEEK NA SINKSEN. 193
luisteren dan smecken : ipsum audite, <• hoort naar hem; »
want indien gij acht geeft op hetgeen Hij u leert met
woord en voorbeeld, en doet wat Hij van u vraagt, zult gij
door zijne bemiddeling verdienen van spoedig verhoord te
worden, en zal Hij over u de volheid zijner schatten uit-
slorlen.
WOENSDAG IX DE TWAALFDE WEEK NA SINKSEN.
Over de drie groote dagen des Heeren.
Uniuscujusque opus manifestant erit ; dies enim Domini de-
clarabit, quia in iyne reoalabitw, et uniuscujusque opus
qualc sit, probabit
(i Cor. lil, 13).
Eens iogelijks werk zal openbaar worden ; want de dag des
Heeren zal het aantoonen, omdat die dag verschijnen zal met
vuur, en hoedanig eens iegolijks werk is, zal hot vuur be-
proeven.
1. Overweeg dat er in de H. Schriftuur drie dagen ver-
meld worden, die in een bijzondcren zin dagen des Heeren
genoemd worden. De eerste is die van het algemeen oor-
deel : Dies Domini magnus (Soph. 1. 14). « De groote dag
des Heeren. » De tweede is die van liet bijzonder oordeel:
Dies Domini sieull fur veniet (i. Thcss. v, 2). « De dag des
Heeren zal zoo komen, gelijk een dief in den nacht. » De
derde is die der beproeving, welke in zich zelve eene soort
van oordeel is, dat het bijzonder oordeel voorafgaat, en
waarin God den mensen beproeft, om te zien of hij getrouw
is. Nu, het is van elkeen dier dagen, welke God gekozen
heeft om de deugd der menschen te beproeven, dat de
Apostel zegt: Dies Domini deelarabit « De dag des Heeren
-ocr page 202-
194                              BEKNOPTE OVERWEGINGEN,
zal aantoonen. » Overdenk eens wel hoe gij op elk dier
dagen zult te voorschijn komen, want het zijn alle drie
dagen, waarop gij zult geoordeeld worden.
g2. Overweeg hoe op den dag van het algemeen oordeel
uniuseujusque opus manifestum erit « eens iegelijks werk
zal openbaar gemaakt worden. » Al de verborgenste wer-
kcn zullen dan onder de oogen van de geheele wereld in
het licht gebracht worden. Het baatu daarom niets dat gij
nu zoovele listen gebruikt om uwe boosheid te bedekken
voor de oogen van de gemeente, waarvan gij lid zijt. Zoo
ook bij het bijzonder oordcel: Uniuseujusque opus manifes-
tum erit,
« eens iegelijks werk zal openbaar worden :» dan
immers zal de arme man, die nu zoo verlaten en veracht is,
gelijk Lazarus, ten hemel gevoerd worden om in Abrahams
schoot te rusten, en de rijke, die nu zoo gestreeld, gevleid
en beneden wordt, zal door de duivelen in liet diepste der
hel gesleept worden zonder de minste hoop dat in der
eeuwigheid zijn lot zal veranderen. Weet gij wat rol gij zult
spelen in dat groote schouwspel ? Het derde oordeel is de
dag der beproeving, op welken de Heer den mensen be-
proei\'d en hem doel kennen, hoedanig hij is. Hoe \\erschil-
lend zijt gij zeer dikwijls ten tijde van de beproeving van
hetgeen gi\' u loonde! ten tijde van den voorspoed ? Dit is
juist bet oordeel, waaraan de Heer u onderwerpt, wanneer
Hij u cenige beproeving overzendt. Indien gij in de vervol-
ging, ongenade en ziekte niet standvastig en getrouw
blijft, zult gij niet van het getal dergenen zijn, van wie er
geschreven staat : Deus tentavit eos, et invenit ittos dignos
se
(Sap. m, 5). « God heelt hen beproefd en Hij heeft hen
zijns waardig l>evonden. »
3. Overweeg dal die drie oordeelen bij middel van vuur
zullen te weeg gebracht worden : Quale sit. ignis probabit:
« Hoedanig het is, zal het vuur beproeven, » evenals men
-ocr page 203-
DONDERDAG IN DE TWAALFDE WEEK NA SINKSEN. 195
door het vuur liet ware\'goud van liet valsche kan onder-
scheiden. Op den dag van het vuur, dat de gehcele wereld
zal omringen, en de uitverkorenen van de verdoemden on-
derscheiden, zullen de eersten het niet gevoelen, terwijl de
laatstcn er schrikkelijk door zullen gefolterd worden. Hij het
bijzonder oordeel\'zal het vuur des vagevuurs de proef zijn
der uitverkorenen en dat der hel die der verdoemden. Ein-
delijk op den dag der beproeving is het krachtens het vuur
van lijden en tegenkantingen dat het ware goud van het
valsche, den goede van den kwade gekend wordt, want
de goede weerstaat en blijft standvastig, de kwade bezwijkt
en wordt slechter. De goede gevoelt natuurlijk het smart-
vollevan het vuur der beproeving, maar dat benadeelt zijne
deugd niet, zoo hij slechts getrouw blijft, en zich niet uil-
laat in klachten en onverduldigheid. Indien gij dan de be-
proeving. welke God u overzendt, diep gevoelt, verlies den
moed niet. het is genoeg dat gij standvastig blijft, zoo niet
met de krachten der natuur, ten minste met den bijstand der
genade.
DONDERDAG IN DE TWAALFDE WEEK NA SINKSEN.
Hoe wij als de mond win God zijn kunnen.
Sisepardocrus pretiosuM cl vili, quasi os meum eris (Jer. xv,
17),
Indien gij het kostbare wilt scheiden van • het snoode, zult gij
als mijn mond zijn.
1. Overweeg den eersten zin dier woorden, die is, dat
zoo gij in u zelven het kostbare afscheidt van het snoode, en
aan God toeschrijft wat gij van Hem ontvangen hebt, na-
-ocr page 204-
196
BEKXOPTE OVERWEGINGEN.
melijk, al liet kostbare, en aan u zelven, wat gij van u zel-
ven hebt, namelijk, al wat laag en nederig is. gij dan zult
wezen gelijk de mond van God zelven, want dan zult gij
altijd de waarheid spreken. Alle menschen worden leuge-
naars genoemd: Omms homo menden (Ps. cxv, 11);
omdat iedereen zich toeschrijft, wat hem niet toekomt. Zeg
eens, wat hebt gij van u zelven, dat iets waard zij ? Edele
afkomst, misschien, talenten of kennis ; maar dat alles zijn
giften van God.INog meer zoo zijn alle geestelijke zegeningen
ecne gift Gods; en dus blijft er u niets meer over, dat u
eigen zij. dan de zonde. Maak dus eene rechtmatige schei-
ding mei aan God toe te kennen wat van God komt, en aan
u zelven wat u eigen is. Indien er in u dan iets goed is. bc-
lijd openlijk met enkel met de lippen maar met het hart,
dat gij het niet zijt, maar God die het in u bewerkt, aange-
zicn gij van u zelven niets dan kwaad doet; aldus\' zult gij
gelijk de mond van God worden.
2. Overweeg den tweeden zin van de aangehaalde woor-
den, namelijk, dat zoo gij op deze aarde wel onderscheid
maakt tusschen hetgeen achtens- en verachtenswaardig is,
gij zult zijn gelijk de mond van God. In den mond der men-
schen wordt hij gewoonlijk gelukkig geacht, die overvloed
heeft van alles, die gezag voert over anderen, en alle ge-
mak geniet: Beatum dixerurü pupulum, rui hsec mnt
(Ps. CXLiit, 15). « Gelukkig noemen zij een volk, wien
zulks te beurt valt. » God integendeel noemt hen gelukkig,
die al hun geluk en hunne tevredenheid in God alleen stel-
len : Beatus populus cujus Dominus Deus ejus <• Gelukkig
het volk. welks God de Heer is. » Hoe spreekt gij ? Hebt
gij in den religieuzen staat reeds geleerd de i\'oodige schei-
ding te maken,en geen ander goed te achten dan de genade
Gods? Al het overige is enkel achtenswaardig in zoo verre
dat het kan veracht worden, en ons dus eene vermeerde-
-ocr page 205-
DONDERDAG ÏN DE TWAALFDE WEEK NA SINKSEN. 197
ring van genade verwerven. Hoe droevig is het eenen reli-
gieus zijne ingenomenheid te hooren uitdrukken met de goe-
deren der wereld. Indien gij eerst de noodige onderschei-
ding in uwen geest maakt, zult gij hetzelfde doen met de
tong en gelijk worden aan Gods mond.
3. Overweeg den derden zin van die woorden, namelijk,
dat, indien gij u zelven toelegt om zielen te redden uit het
graf der zonde, gij het kostbare van het snoodo zult schei-
den, en als de mond van God zelven zijn, omdat God door
uwen mond zal spreken. Dit was het wat Jesus op aarde
deed; Hij was als de mond van zijn hemelschen Vader; dit
hebben de Apostelen gedaan en al hunne wettige opvolgers.
Tracht gij ook zorgvuldig dezen plicht na te komen, voor
zooveel uw staat en uwe talenten zulks toelaten. Kunt gij
niet prediken of u naar de verafgelegene missiën begeven
om de zielen van de zonde af te trekken, laat ten minste niet
na ze tot God te trekken met goede raadgevingen in uwe
gemeenzame onderhandelingen,die dikwerf grooteren indruk
op het hart maken dan al de schitterende welsprekendheid
van eenen redenaar.
ii                                                                                        12
-ocr page 206-
108
VRIJDAG IN DE TWAALFDE WEEK NA SINKSEN
Dat wij der wereld moeten gekruisigd zijn.
Mihi autcm absit glariari, nisi in crucc Domini noslri Jestt
Christi, per quem mihi munclus cruci/ixus est, et ei/o mutulo
(Gal. vi, 14).
Doch van mij zij het verre te roemen dan op het kruis van on-
zen Heer Jesus Christus, door wien de wereld mij gekruisigd is,
en ik der wereld.
1. Overweeg dut de Apostel zich in der waarheid kon
roemen op zijne wijsheid, zijne godvruchtigheid, ja zelfs op
de bovennatuurlijke macht van wonderen te doen, en nog-
tans roemt hij zich op niets anders dan op het kruis. Ge-
lukkig zoudt gij zijn. indien gij ooit zoo ver kwamt, dat gij
ook dien schoonen roem waardeerdet. Zonder twijfel, als
Christen, als volgelingen leerling van den Gekruiste, roemt
gij u eenigszins op het kruis van Christus; maar acht gij
gij het ook cenc eer aan het kruis genageld te zijn naar het
voorbeeld van uwen goddelijken Zaligmaker, in de uiterste
armoede, pijnen en ongenade ? De wereld stelt haren
roem op de rijkdommen, het gemak en de eerambten ; de
roem van eenen religieus, die openlijk belijdt Christus te vol-
gen, moet juist het tegenovergestelde zijn,
2. Overweeg welke de eigenlijke beteekenis dezer woor-
den is: Mihi mundus crudfixus est et ego mundo«De wereld
is mij gekruisigd, en ik der wereld. » Zij willen zeggen,
dat uwe gevoelens en begeerten het tegenovergestelde van
die der wereld moeten zijn. Wanneer twee aan hetzelfde kruis
gehecht zijn, moet de ecne noodzakelijk den rug aan den
anderen kcereu. Zoo is bet ook met u : de wereld keert u
den rug, bijgevolg moet gij ook den rug aan de wereld
keeren. De wereld drijft den spot met u, omdat gij nietbe-
-ocr page 207-
VRIJDAG IN DE TWAALFDE WEEK NA SINKSEN.         199
zorgd zijt voor de goederen, welke zij aanbidt : op uwe
beurt nu, lach met de wereld. De wereld bemint of acht u
niet: daarom bemin en acht haar niet. Deze is de volmaakte
kruisiging, welke de Apostel openlijk beleed, en waarin gij
hem als religieus moet trachten na te volgen.
3. Overweeg dat. om tot die kruisiging te geraken,
noodzakelijk de wereld voor u moet dood zijn en gij aan de
wereld. De wereld sterft voor u, wanneer gij werkelijk al
hare goederen verzaakt, want dan heeft zij niets meer,
waarmede u aan te lokken, en daarom is zij als dood voor
u. Gij sterft aan de wereld, wanneer gij alle aangckleefd-
heid aan dezelve verzaakt: dan immers kunt gij door haar
niet meer verleid worden, en bijgevolg zijt gij als dood voor
haar. Wanneer gij den religieuzen staat omhelsdet. begont
gij openlijk te belijden, dat gij dood voorde wereld waart
en de wereld voor u. Overdenk nu een weinig, en zie in
hoeverre gij de wereld met alle hare rijkdommen, gemak
en eerambten verzaakt hebt. niet alleen uitwendig, maar
ook inwendig in uwe gevoelens. Waar is het echter, dat gij
nooit tot die gelukkige kruisiging, dien gelukzaligen dood
zult geraken, tenzij bij middel van eene ware en vurige
liefde tot den gekruisten Jesus, die alleen u kan onthechten
van het bezit en de aangekleefdheid aan alle aardsche goede-
ren : Fwtis est ut mors ditectio (Cant. vin, G). « Sterk als
de dood is de liefde. »
-ocr page 208-
200
ZATERDAG IN DE TWAALFDE WEEK NA SINKSEN.
Hoc God de hoovaardigen en de ootmoedigeii behandelt.
Deus superbis resisiit, humilibusautemdatgraliam (.lac. iv, 6).
God wednrstaat de hoovaardigen, maar den nederigen geeft
hij genade.
1. Overweeg\' dat, evenals iedereen wederstand biedt
aan eenen dief, die hem wil benemen hetgeen hem toebe-
hoort. hetzij goederen, faam of leven, zoo God wcderstaat
aan de hoovaardigen, omdat zij Hem van het zijne willen
beroovcn. O ! wat een eerlooze dief zoudt gij zijn. wanneer
gij, ten gevolge van cene natuurlijke gaaf of deugdzame
hoedanigheid, u zelven verhoovaardigt en anderen veracht,
wanneer gij er op roemt en stoft, aangezien het alles een
geschenk van God is ! Quid habes quod non accepisti ?
(1. Cos. xiv, 7). « Wat hebt gij, dat gij niet ontvangen
hebt? » En indien het zijne gaven zijn, waarom er u over
verheffen ? Waar is het. dat gij met uwen vrijen wil mcdc-
werkt tot de akten van deugd, maar zelfs die medewerking
is ecne gaaf van God : Deus est qui opercUur in te veile
(Philipp. ii, 13). « Het is God, die in u hel willen vol-
brengt, i\' Uw lichaam draagt bij tot de verschillende wer-
kingen van gezicht, beweging en zoo voorts, en nogtans
zou hij krankzinnig zijn, die zulke werkingen toeschrijft
aan het lichaam en niet aan de ziel, die hetzelve bestuurt.
Zoo ook is het met uwen vrijen wil : zonder de genade is
het een lichaam zonder ziel. Het zou u inderdaad wel gaan,
indien gij deze waarheid welbegreept.
"2. Overweeg dat God volgaarne aan de ootmoedigen de
rijkdommen zijner genade toevertrouwt, omdat zij gelrouwe
bewaarders zijn, die niet stelen, zich niets toeëigenen,
-ocr page 209-
ZATERDAG IN DE TWAALFDE WEEK NA SINKSEN. 201
maar al wat zij bezitten,"gebruiken voor de eer van Hem,
die het hun gaf. Hij weet dat Hij zijne schatten in getrouwe
handen stelt, die Hem alles zullen wedergeven, evenals,
volgens zeggen van den Wijzen man. de rivieren terugkee-
ren van waar zij voortkwamen. Hoe billijk is het dan dat de
Heer jaloerscb zij van zijne glorie, want glorie komt Hein
alleen toe. Wanneer gij u verootmoedigt, dan bekent gij
de waarheid, en daarom behaagt gij aan God ; wanneer gij
u verheft, dan zijt gij een leugenaar, en bijgevolg hatelijk
aan God.
o. Overweeg wat u te doen staat, wanneer gij een lastig
werk voor Gods eer onderneemt. Gij moet eerst rechtzinnig
uwe eigene nietigheid en uiterste zwakheid erkennen, en
dan u wel overtuigen dat juist om die reden de Heer Zich
zal gewaardigen met u mede te werken, want uwe onbe-
kwaamheid zal het des te klaarblijkender maken, dat Hij
het is, die het werk verricht, met een zoo ellendig werktuig.
Gewapend met dit vast betrouwen, zult gij alle moeielijk-
heden overwinnen, want gij zult den Aimachtige met u
hebben : Erit Omnipotens contra hosten tuos (Job. xxu, $5).
i De Almachtige zal tegen uwc vijanden zijn. »
-ocr page 210-
202
DERTIENDE ZONDAG NA SINKSEN.
Over de tien melaatschen.
Deccm viri leprosi stoter unt « long e, et lecaoerunt vocem.... ,
anus uutem ex Mis regrcssus est
(Luc. xvir, 12, 15).
Tien melaatscho mannen bleven van verre staan, en verhie-
ven hunne xtem.....één van hen keerde terug.
1.  Overweeg dat allen gewoon zijn hunnen toevlucht tot
God te nemen om geholpen te worden in bijzondere ot\' open-
bare rampen. Maar deze melaatschen, die tot Jesus gaan om
gezuiverd te worden, loonen u hoe gij het moet aanleggen,
indien gij zeker wilt zijn de gevraagde gunst te bekomen.
Ten eerste dan, steterunt a lontje. « Zij bleven van verre
staan, » zich onwaardig achtende met hunne walgende
ziekte Hem dichter te naderen. Dan levaverunt vocem,
« verhieven zij hunne stem, » hun vurig verlangen te ken-
nen gevende om genezen te worden : Prseceptor miserere
nostri
« Meester, ontferm u onzer. » hunne bede aaubie-
dende met betrouwen en tevens met overgeving. Zoo moet
gij te werk gaan, wanneer gij in uwe noodwendigheden God
te voet valt. Gij moet u onwaardig achten in zijne godde-
lijke tegenwoordigheid te verschijnen, besmeurd als gij zijt
met de melaatschheid van zoovele zonden. Gij moet door
vurige en aanhoudende smeekingen uw verlangen te ken-
nen geven om verhoord te worden, en met het grootste be-
trouwen nogtans overgegeven zijn aan Gods welbehagen.
Indien uwe gebeden gestempeld zijn met eene ware oot-
moedigheid, een vurig verlangen, eene volmaakte overgeving
en een onbeperkt betrouwen, dan zijt gij zeker een gunstig
anlwoord te ontvangen.
2.   Overweeg hoe deze tien melaatschen van Jesus de
-ocr page 211-
DERTIENDE ZONDAG NA SINKSEN.                      203
gunst bekwamen welke zij vroegen, die, namelijk, van gezui-
verd te worden van hunne melaatschheid, en zulks, toen zij
naar de priesters gingen, gelijk hun opgelegd was. opdat
gij zoudt verstaan, dat, wilt gij bekomen wat gij vraagt,
gij ook moet doen, wat God u gebiedt. Uwc beden zullen
ongetwijfeld verhoord worden, indien uwe werken aan de-
zelve beantwoorden. Wanneer gij den Heer smeekt, bekent
gij Hem voor den oppersten Meester en den (lever van alle
gaven, ja. gij toont u bereid u zelven gansch in zijne hau-
den over te laten. Maar indien gij Hem in uwe werken niet
gehoorzaamt, en naar uwen eigen zin wilt handelen, dan
zijn uwe daden in opene tegenspraak met uwe smeekingen,
die dan ook veel van hare kracht verliezen.
3. Overweeg dat er van die melaatschen slechts één, een
Samaritaan terugkwam om den Heer voor de ontvangene
weldaad te bedanken. Nonne decem mundati simt, et novem
idn sunt ?
o Zijn niet de tien gereinigd geworden ? en de
negen waar zijn zij ? » Wij zien bier onze eigene handel*
wijze afgeschilderd ; wij zijn immers veel meer bezorgd om
onzen toevlucht lot God te nemen in onze noodwendigheden,
dan om onze dankbaarheid te betoonen. nadat wij van onze
bedruktheden verlost zijn. Hoevele weldaden hebt gij aan
God te danken ? en hoe weinig dankbaar hebt gij u tot nu
toe ten zijnen opzichte geloond ? De dankbaarheid opent de
bronnen om nieuwe en uitstckendcre weldaden te ontvan-
gen. Daarom bekwam deze Samaritaan die, regressus est
mm voce magna... gratias agens,
« terugkwam met luider
stem... hem bedankende, » behalve de gezondheid des
lichaams, ook die der ziel: Vides tua te salvum fecit, « uw
geloof heeft u behouden. »
-ocr page 212-
204
MAANDAG IN DE DERTIENDE WEEK NA SINKSEN,
Over de aangekleefdheid aan de goederen dezer wereld,
O mors, quam amara est memoria tua honiini pacem habenti
in substantiis suis
/(Eccli. XLI, 1). \',
O dood ? hoe bitter is uw aandenken voor den mensen, die rus-
tig leeft in het bezit zijner goederen.
1.   Overweeg hoc droevig do toestand is van cenen
mensch, die zijn hart gehecht heeft aan de goederen dezer
wereld, aan eer, gemak of rijkdommen: hij kan op den
dood niet denken, in andere woorden, hij kan niet denken
op hetgeen, waarvoor ons het leven gegeven is, namelijk,
zich voor te bereiden voor den grooten overtocht, waarvan
eene eeuwigheid van Mooning of straf afhangt. En merk
wel op dat er van dezulken niet gezegd wordt, dat de af-
wachting des doods bitter valt. maar het aandenken des-
zelfs : O mors, quam amara est memoria tua : « O dood !
hoe bitter is uw aandenken, » want zulke menschen ver-
wachten nooit den dood, en bereiden er zich nooit voor.
Hooren zij toevallig, of zien zij onder hunne oogen den dood
nu van cenen vriend, dan van eenen medeburger, of naast-
bestaande, wie kan de bitterheid beschrijven, die hunne
ziel overstelpt, terwijl zij redenen zoeken om zich van een
dergelijken dood bevrijd te kunnen gelooven. Beween den
droevigen toestand van een zoo groot aantal menschen, en
doe uw best om niet onder hun getal gerekend te worden.
2. Overweeg de onbeschrijfelijke gemoedsgesteldheid van
die menschen, wanneer de dood hen overrast: de dood
zal hen met geweld wegrukken niet alleen van hunne licha-
men, maar ook van al die bezittingen, welke zij gelijk het
lichaam en veel meer dan hunne zielen beminden. Ach!
-ocr page 213-
MAANDAG IN DE DERTIENDE WEEK NA SINKSEN. 205
dan zullen die ellendelingen in wanhoop uitroepen : Sic-
cineseparat amara mors?(l
Heg. xv, 32).«Scheidt de bit-
tere dood op deze wijze? » eiken oogenblik tot zichzelven
zeggende : Siccine separas, komt gij ons vverrukken van
onze vermaken, reizen, jachten en feestmalen ? Sleept gij
ons weg van onze vrienden, bloedverwanten en vaderland?
Berooft gij ons van eer, waardigheden en rijkdommen? Hoe
veel wijzer hadden die ellendelingen gehandeld, hadden zij
begonnen zich allengskens vrijwillig te onthechten, en met
verdiensten, van al die dingen, welke zij op het einde toch
zullen genoodzaakt zijn te verlaten tot hunne uiterste drocl-
heid en smart.
3. Overweeg hoe dankbaar gij jegens den Heer zijn
moet, omdat Hij u vóór het aankomen des doods alle aard-
sche goederen deed verlaten en om zijuentwil verzaken,
met u tot het kloosterleven te roepen. Aardsche goederen
worden somtijds wereldsch bestaan genoemd, omdat de \\vc-
reldlingen gelooven, dat zij zonder dezelve niet bestaan
kunnen, en daarom kunnen zij ook niet nalaten dezelve te
beminnen. Maar hoc veel lichter valt die scheiding aan
iemand, die ondervonden heelt, dat hij zonder dezelve
in de grootste tevredenheid leven kan ! Doch wees in-
tusschen op uwc hoede, opdat, nadat gij dezelve inderdaad
verlaten hebt, gij ze met de begeerten niet najaagt,
hetgeen helaas ! maar te dikwijls gebeurt. En wees nog
veel meer bezorgd, dat na de goederen van de buitenwe-
reld verlaten te hebben, gij u niet hecht aan de goederen van
de geestelijke wereld in het klooster, aan eerambten, hooge
bedieningen, en gemak; dat alles immers zou u den dood
pijnlijk maken. Indien gij een pijnloozfen dood sterven wilt,
zorg dat hij u van niets tegen uwen wil te berooven hebbe.
*
-ocr page 214-
206
DINSDAG IN DE DERTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over de liefde jegens onze vijanden.
Diliijite inimico» vcstros (Matth. v, 44).
Hebt uwe vijanden lief.
1. Overweeg dat dit een /eer belangrijk gebod is in de,
kloosters, waar somtijds onaangenaamheden en oneeniglieden
ontstaan, die noodlottige wanorders te weeg brengen. Zij-
nen vijand beminnen is cène moeiclijke laak. omdat het
tegenstrijdig is aan de voorschriften der natuur en der eigen-
liefde i maar het is wezenlijk zoo lastig niet als men het
zich wel inbeeldt, want Hij. die het gebod oplegt, geeft ons
ook de genade om het te volbrengen : en de genade geeft de
sterkte om de natuur en de eigenliefde te overwinnen :
Omnia possumin eo, qui me confortat (Philip. ïv, 13).
« Alles vermag ik in hem, die mij versterkt.» Zie hocvelen
over de natuur met de hulp van Gods genade gezegepraald
hebbeu. zoodanig, dat zij zelfs uit liefde tot Jesus hun
bloed vergoten. Zult gij dan met de medehulp van Gods
genade er niet in gelukken, uwe eigenliefde te overwinnen
met gewillig aan uwe vijanden te vergeven ?
•2. Overweeg dat het Christus\' inzicht niet was, met u
dit gebod te geven, dat gij de kwaadwilligheid van uwen
vijand zoudt liefhebben, maar dat gij hem zoudt beminnen
als uwen naaste, geschapen naar het beeld van God, en als
gewasschen in het bloed van Jesus. die zoo verre ging, dat
Hij voor u, die zijn vijand waart, zijn leven en bloed ten
beste gaf.Het gebod van uwen vijand lief te hebben verplicht
u hem te beminnen in het algemeen, dat is, hem niet
uit te sluiten van de gewone goedwilligheid, welke gij uwen
naaste toedraagt. Daarom moogt gij aan eenen vijand de
-ocr page 215-
DINSDAG IN DE DERTIENDE WEEK NA SINKSEN. 207
gewone leckens van vriendschap niet weigeren, welke gij
jegens anderen in gelijke omstandigheden toont; doch het
is enkel cene aanbeveling dat gij hem die teekens van bij-
zondere liefde geeft, welke gij niet aan allen onverschillig,
maar aan sommigen om bijzondere redenen loont. Zie nu
welke uwe gesteltenis is ten opzichte van iemand, die u
haat toedraagt of eenig ongelijk heeft aangedaan. Zeg niet
dat gij hem vergeven hebt, dat is niet genoeg, gij moet
zulks uitwendig toonen in uwe handelwijze. De Heer zegt:
In hoc cognoscetü omnes, t/uia discipuli mei estis, si dilec-
tionemhabuerüis ad invicem
(Joann. xni, 35: «Hieraan
zullen allen erkennen, dat gij mijne leerlingen zijt, zoo gij
liefde hebt tot elkander. » Aldus moet gij aan allen loo-
nen dat gij uwen vijand bemint en hem geenen haat toe-
draagt.
3. Overweeg dat Christusmetdit gebod te geven niet alleen
beoogde, dat gij uwen naaste zoudt beminnen, maar ook
dat gij hem zoudt weldoen : opdat gij niet zoudt zijn. gelijk
de vijgeboom van het Evangelie, onvruchtbaar en ver-
wenscht. Deze weldaden moeten tweederlei zijn, de eene
louter ontkennend, met te vermijden hem eenig ongelijk toe
te brengen : Dilectio pmiïmi malum non operator
(Hom. xm, 10) « De liefde doet den naaste geen kwaad :»
de andere werkelijk : Benefucitc /u\'s. qui oderunt vos
(Luc. vi, 27) " Doet wel aan die u haten. » De eerste
soort van weidoening is een gebod, de tweede cene aanbe*
vel\'mg. Maar indien gij weigert hem eenig goed te doen, tot
hetwelk gij verplicht zoudt geweest zijn, ware bij uw
vijand niet, dan wreekt gij u en beleedigt gij hem. Aan wien
kunt gij met grooter voordeel voor u zelven eenen dienst
bewijzen, dan aan uwen vijand ? Geenc goede daad,
aan uwen naaste bewezen, zal u meer verdiensten en ver-
troosting bekomen, dan liefdadigheid ten opzichte van uwen
-ocr page 216-
208
BEKKOPTE OVERWEGINGEK.
vijand uit liefde tot Jesus. Dit is het zekerste tceken dat gij
een waar kind van God zijt : UI sitis jiüi Patris vestri qui
in ccelis est
(Matth. v, 45). « Opdat gij kinderen moogt
zijn van uwen Vader, die in de hemelen is,» en het is tevens
het zekerste bewijs eener oprechte liefde tot God. Een vuur
is des te heviger, naarmate het zijne vlammen verder uil-
strekt ; zoo ook zal uwe liefde tot God des te vuriger zijn,
naarmate zij zich verder uitstrekt, om uit liefde tot Hem
diensten te bewijzen, zelfs aan ecnen vijand.
WOENSDAG IN DE DERTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over de lankmoedigheid van God.
Ignoras, quoniam benignitas Dei, ad pcenitentiam te adducit
(Rom. n, 4).
Weet gij niet, dat Gods goedertierenheid u tot bekeering
leidt.
1. Overweeg hoe nadeelig het is, dat gij niet wel verstaat,
waarom de Heer u zoo verduldig verdraagt, niettegen-
staande uw zoo lauw leven in het klooster. Hij verdraagt u,
niet omdat Hij u niet verlaten kan of naar uw verderf laten
loopen, maar omdat Hij dat niet doen wil. hopende dat gij
intusschen tot betere gevoelens komen en uw leven beteren
zult. Gij ziet dus dat de langmoedighcid des Heeren u niet
alleen uitnoodigt u te beteren en boetvaardigheid te doen ;
maar voor zooveel het van Hem afhangt, wekt Hij u op, en
dwingt Hij er u toe door zijne verlichtingen en ingevingen.
Hoe is het mogelijk, dat gij aan die uitnoodiging dan nog
durft wederstand bieden, wanneer gij beschouwt dat de
-ocr page 217-
•WOENSDAG IN DE DERTIENDE WEEK NA SINKSEN. 209
Heer van oneindige. majesteit zoo menige beleedigingen,
welke gij Hem aandoet, verdraagt, alleen opdat gij, ellen-
dige aardworm, niet zoudt verloren gaan ? Is deze zoo
wonderbare goedertierenheid niet genoeg, om een steencn
hart te smelten ? Propterea expectat Dominus, ut mise-
reatur vestri
(Isai. xxx, 18). « Daarom verbeidt de Heer,
opdat Hij uwer ontferme. »
2. Overweeg aan welk schrikkelijk kwaad gij u plichtig
maakt, indien gij van de langmoedigheid des Heeren ten
uwen opzichte gelegenheid neemt, om Hem des te vrijer te
vergrammen. Wilt gij dan nog boozer worden, omdat Hij
voortgaat u met weldaden te overladen, en zulks gedaan
heeft in het vcrledene : omdat Hij Zich voor u met de
menschelijke natuur bekleed heeft: omdat Hij voor u zooveel
zweet gelaten en bloed vergoten heeft, en zelfs voor u ge-
storven is op een kruis ? Zie eens welke afschuwelijke ge-
volgtrekking : en nogtans. gaat gij uw leven te rade. dan
vindt gij dat gij dezelve werkstellig maakt in uwe hande-
lingen. De goedheid des Heeren schijnt u niet te bewegen,
ad pomitentiam, om boetvaardigheid te doen, maar eerder
ad impomitentiam, om uw hart te versteenen met uwc zon-
den te vermenigvuldigen.
3.  Overweeg dat de goeden ierenheid des Heeren eene
gansch onverdiende gunst is ; Hij kan u immers verlaten
wanneer het Hem Behaagt. Hoe is het mogelijk dat die gc-
dachte u niet doel sidderen ? Wat zou er van u geworden,
zoo Hij u moest verlaten, gelijk gij het maar al te zeer ver-
dient ? Heeft Gods langmoedigheid misschien geen tijd en
getal vastgesteld in de ondooigrondbare raadsbesluiten der
Voorzienigheid ? Wie weet of gij dien tijd en dat getal niet
reeds bereikt hebt ? Gods barmhartigheid is in haar zelve
oneindig, maar in hare werkingen en gevolgen is zij bc-
perkt. Wees dan zoo uitzinnig niet om nog langer misbruik
.
-ocr page 218-
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
210
te maken van de goedheid uws Zaligmakers, die u tot nu
toe verdragen heeft, maar doe uw best om er zonder uitstel
gebruik van te maken, om te voldoen voor uwe bedrevene
zonden en uw leven te beteren, volgens de staat, welken
gij aangenomen hebt, van u vereischt,
DONDERDAG IN DE DERTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over liet eeuwig vuur der hel,
Quis poterü habitare de vobis cum iync devorante (laai.
xxxiii, 14).
Wie van u xal kunnen wonen mot hot verslindend vuur.
I, Overweeg dat het vuur der hel een verslindend vuur
genoemd wordt, niet omdat het de verdoemden verteert of
vernietigt, maar om deszelt\'s werkdadigheii en hevigheid
aan te duiden. Ons vuur doet zijn werk trapsgewijze, maar
het verteert de brandstoffen niet in eens; liet vuur der hel
integendeel verricht zijne verwoestingen op een oogenblik,
en met dezelfde hevigheid, waarmede het zijn slachtoffer
aanrandde bij zijne intrede in de hel, gaat het voort het voor
eeuwig te verslinden, zonder iels van zijne kracht te verlie-
zen. Wat een hartverscheurend lol voor den ellendigen
verdoemde, zijn eeuwig verblijf te midden van die vlammen
te moeten vestigen ! Waart gij veroordeeld om opgesloten
te worden in een gevang, wiens muren, vloer en dak ge
smolten ijzer waren, en de lucht, welke gij inademt, niets
dan vuur, wat zoudt gij er over denken? Wat zal het dan
zijn in een nog veel pijnlijker vuur te liggen, dat tot het
merg der beenderen verbrandt, en te zijn als eene massa
-ocr page 219-
DONDERDAG IN DE DERTIENDE WEEK NA SINKSEN. 211
van glooiend ij/er, in "ccnc phals waar hel vuur van het
ijzer noch het ijzer van het vuur verschilt ? Zoudt gij dan
zoo uitzinnig zijn om u in gevaar te stellen voor eeuwig in
dat vuur te moeten verblijven, voor wat ijdele glorie,
eene luim ot\' een kortstondig vermaak?
2.  Overweeg welken afschrik gij zoudt gevoelen, zoo gij
moest opgesloten worden in cene kooi van bloeddorstige
wilde dieren : denk nu eens wat liet zal zijn in de hel te
moeten verblijven, waar de duivels wrecder zijn dan de
wildste dieren en razend van woede. Bovendien, elke ver-
doemde zal vuur worden en met zijne vlammen de anderen
folteren en verslinden : Iijnis üevorans, evenals brand-
stokken, in eenen oven geworpen, elkander verslinden. Vlei
u dan nog met de gedachte dal. zoo gij naar de hel gaat,
gij er niet alleen zijn zult ! Beeldt gij u misschien in dat
zoovele medegezellen in uw ongeluk te hebben u eenige
vertroosting zal verschaffen?
3.  Overweeg dat dit vuur nog een verslindend vuurge-
noemd wordt, omdat hel alleen de brandende, kracht van
het vuur heeft, zonderdeszelfs ophelderende hoedanigheden :
Vox Domini intercidentis flammam ignis (Ps. xxvm, 7).
« De stem des Ileeren splijt vlammen vuurs. «God heeft het
helsche vuur geschapen met enkel de helft der hoedanighe-
den eigen aan het onze: hel brandt en pijnigt, maar ver-
kwikt of verlicht niet. Overdenk toch hoe gij zoudt gesteld
zijn, moest gij voor eeuwig branden in die schrikwekkende
duisternissen. Beeldt gij u misschien in, dat kloosterlingen
gelijk gij nooil verdoemd worden, dat het hun lot niet zijn
kan voor eeuwig in liet diepste van dien afgrond te bran-
den ? Een heilige broeder zegde eens aan den gelukzaligen
Egidius, dat de Heer hem toegelaten had de hel voor zijne
oogen open te zien, en dat hij daar geen enkelen broeder
bemerkt had. Juist zoo.antwoordde de gelukzalige Egidius,
-ocr page 220-
212
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
gij hebt er niemand van uwe broeders gezien, die verdoemd
zijn. omdat zij in de uiterste diepte der hel begraven liggen,
dewijl zij van die bijzondere genaden, welke zij in liet
klooster ontvingen, om liunne zielen zalig te maken en de
eeuwige ellende te ontkomen, misbruik gemaakt hebben.
VRIJDAG IN DE DERTIENDE WEEK NA SINKSEN
Over de aanspraak van Christus op onze liefde.
Charitas Christi uryetnos....... ui qui viouiti, iam non sibi
mvant, sed ei, qui pro ipsis mortuus est (2 Cor. v. 14. 15).
De liefde van Christus dringt ons.......opdat zij die leven ook
niet meer voor zich zolven leven, maar voor hem, die voor
ben gestorven is.
1. Overweeg dat, toen Christus in eenen vloed van on-
bedenkelijke smarten voor u stierf op het schandige hout
des kruises, zijn ecnig inzicht niet was. u van de slavernij
der hel vrij te koopen, een enkele traan of zucht zou immers
genoeg geweest zijn om dat te bewerken, maar Hij wilde
daardoor uw hart zoodanig winnen, dat gij voortaan niet
meer vooru zelven zoudt leven, en u zoudl genoodzaakt ge-
voelen om voor Hem alleen te leven.Dit ishet wat de Apostel
bedoelt, wanneer hij zegt : Charitas Bei urget nos « De
liefdcGods dringt ons,, omdat deze liefde hem dwong nooit
te rusten in den dienst van zijnen Meester, en zich met hart
en ziel toe te leggen om voor Jesus zielen, zoo kostbaar in
zijneoogen, terug te winnen. In hoe verre gevoelt gij dien-
zelfden aandrang in uw hart ? Indien gij lot nu toe deszelfs
kracht nog niet gewaar geworden zijl, doe ten minste uw
-ocr page 221-
VRIJDAG IN DE DERTIENDE WEEK NA SINKSEN. 213
best om hem te bekomen, volgens dat uw staat van u vcr-
eischt.
5, Overweeg dat de Apostel niet zegt : Mors Christi
urgetnos, «
de dood van Christus dringt ons. » maar cha-
ritas Christi,
"de liefde van Christus, » want, alhoewel gij
moest geraakt zijn bij hetaanschouwen van al hetgeen Chris*
tus voor u geleden heeft, nog veel meer reden echter hebt gij
om geraakt te zijn door de liefde, met dewelke Hij dat alles
voor u verdroeg. Al wat Christus voor uwe zaligheid ge\\vaar-
digde te lijden is niets in vergelijking met hetgeen Hij voor
u bereidwillig zou geleden hebben, ware het zijns Vaders
wil geweest; die zee van schande en smarten was niet gc-
noegoni het vuur zijner liefde uit te dooven. Indien dan. hei-
geen Christus voor u geleden beeft u moest opwekken, om
voor Hem alleen te leven, de liefde waarmede Hij dat alles
leed, moet er u toe dwingen. Zijn lijden had palen, zijne
liefde kende er geene; heden nog behoudt Hij ten uwen op-
zichte dezelfde liefde, die Hem deed nederdalen van den
schoot zijns Vaders om Zich met onze menschelijke natuur
te bekleeden, en Zich zei ven voor uwe zaligheid te slachloffe-
ren op het kruis: Christus heri et hodie (Hebr. xm, 8).
« Christus is gisteren en heden.
3. Overweeg wat het is voor zich zclven leven. Het betee-
kent leven naar zijn eigen wil, voor zijne eer en gemak. Dit
alles moest ophouden in u, aangezien Christus voorn met
zoo groote liefde gestorven is: en de reden daarvan is dat,
indien Hij werkelijk zijn eigen leven van oneindige waarde
voor u ten beste heeft gegeven, bet niet te veel gevraagdis
dat gij Hem het uwe zoudt geven, dat ten slotte nietig in
zich zelven en den dood schuldig is. Zijt gij nog zoo ver
niet gekomen dat gij gestorven zijt voor Hem. gij zijt ten
minste gehouden voor Hem te leven, hetgeen zooveel ge-
zegd is, als leven om Hem te beminnen, en anderen Hem te
-ocr page 222-
214
BEKNOPTE OVERWEGINGEN\'.
doen beminnen, en zijne glorie te bevorderen met alle mid\'
delen, die in uwe macht zijn.
ZATERDAG IN DE DERTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Beweegredenen tot zelfvernedering.
Hwnüiaiio tui in medio tui (Midi. vi, 14).
Uwe vernedering zal in hot midden van u zijn.
1.   Overweeg dat, bijaldien gij stof wilt vinden om u
zelven te vernederen, gij dezelve niet zoeken moet buiten u,
maar binnen u, in medio tui. Aanschouwt gij u zelven van
buiten, zult gij u misschien eerder verhoovaardigen. omdat
gij u mogelijk zult verheven zien lot eenc hooge bediening,
toegejuicht, geacht en bemind ; maar niet zoo, indien gij u
zelven wel van binnen aanschouwt. Het is genoeg dat gij
eens wel nadenkt op hetgeen gij inderdaad geweest zijt, op
hetgeen gij nu zijt en wezen zult. Elk van die drie bemer-
kingen is voldoende om u te vernederen ; overdenk dan
weieene van de drie naar verkiezen.
2.  Overweeg dan de boosheid van uw verleden leven, en
in wat ellendigen staat gij u bcvondt, wanneer gij in de
wereld in de macht van Salan gevallen, en zijn onge!uk-
kige slaat\' geworden zijt en verdiendet te branden in de
helsche vlammen, welke gij door uwe zonden voorbereid
hadt. Nu dat gij in het klooster zijt, zullen wij veronder-
slellen dat gij niet meer in dien bewcenlijken toestand ver-
keert ; maar denk eens na, hoe ondankbaar gij u geloond
hebt ten opzichte van Hem, die u uit die ellende gered heeft.
-ocr page 223-
\'
ZATERDAG IN DE DERTIENDE WEEK NA SINKSEN. 215
Hoc beantwoordt gij aan do inzichten van dien beminnelij-
ken God, die u zoo genadevol tot den religieuzen staal ge-
roepen heeft ? Zie hoc verslaafd gij zijt aan uwe luimen, hoc
ijdel, on verstorven, on verduldig en. genegen tol zelfs de
schandigstc zonden. Wat het toekomende aangaat, kunt gij
misschien voorspellen, wat er, uw zwakke en onstandvas-
tige wil in acht genomen, van u zal geworden ? Indien
zelfs zuilen van het uilspansel ingestort zijn. wat hebt gij
dan niet Ie vreezen, gij die slechts een buigzaam riet zijt ?
Is de hevige aanval eener drift niet genoeg om u neer te
slaan ? En eens ten gronde, wie weet of gij nog zult kunnen
opstaan en hoe gij sterven zult ? Deze gedachten bieden u
stof genoeg aan om u te vernederen.
3. Overweeg dat indien er eenig goed in u is, het in u
zijnen oorsprong niet heelt, maar van hierboven komt:
Desursum est. De grond uws harten kan van zich zelvcn
niets anders voortbrengen dan distels : dus in medio tui,
« in het midden van u. » vindt gij slechts slof tot vernede-
ring. Deze zelfvernedering echter moet niet louter bespiegc-
lend zijn, maar ook werkend, zootlat gij in uw hart een
laag gedacht van u zelven koestert, en dat gij u zelvcn de
uitwendige achting niet toeeigent, welke u van buiten komt,
maar dezelve terstond aan God wedergeeft in gedachten,
woorden en werken.
-ocr page 224-
216
VEERTIENDE ZONDAG NA SINKSEN.
Over de onmogelijkheid van twee meesters te dienen.
Ncmopotest duobus dommis seroire (Mattht TI, 24).
Niemand kan twee heeren dienen.
1.  Overweeg dat dit gezegde van het Evangelie waar is
voor alle Christenen, doch bijzonder voor die religieuzen,
welke God en tevens de wereld zouden willen dienen, het-
gecn cene onmogelijkheid is ; want quicumque voluerit
amictts esse sseculi hitjtts. inimicus Dei constüuitur
(Jac. iv, 24) « Al wie een vriend wil zijn van deze wereld,
die stelt zich tot een vijand van God. « Christus heelt den
oorlog verklaard aan de wereld, en de wereld aan Christus,
niemand kan ooit vriend zijn van Leiden ; bovendien
Christus wil niet gediend zijn bij halven. Hij eischtgansch
ons zelven : alwie dus eer. gedeelte van zich zelven aan de
wereld geeft, dient zich zelven, niet Christus. Toen gij den
religieuzen staat omhelsdet, hebt gij voorgenomen Christus
te dienen, en de dienstbaarheid der wereld te verlaten. Laat
dan de minnaars der wereld de wereld dienen, maar leg gij
u toe om Christus te dienen, zonder u met de wereld te
bekommeren, om zoo doende een vriend van Jesus te zijn,
en zeg tot Hem, zoo nogtans dat uwe woorden de gevoelens
van uw hart uitdrukken : Servus tuus sim ego (Ps. exvm,
125). « Uw dienstknecht ben ik. »
2.  Overweeg waarin de strijdigheid tusschen Christus
en de wereld bestaat. Christus wil dat gij Hem dient in
armoede, vernedering, verachting en verloochening van u
zelven. De wereld integendeel wil dat gij haar dient met
vermaken en geneugten na te jagen, eer en grootheid te
zoeken. Hoe is het dan mogelijk dat de dienst van Christus
-ocr page 225-
VEERTIENDE ZONDAG NA SINKSEN.                     217
gepaard kan gaan mot den dienst der wereld ? Maar wan-
neer Christus u wenscht zijn kruis te omhelzen, maakt Hij
het. terzelfder tijd zoet voor u door inwendige vertroostingen,
door den bijstand zijner genade, den vrede des harten en
de hoop eener eeuwige belooning. De wereld daarentegen
belooft vermaken, maar inderdaad slechts angst, want zij
mengelt met elk gering voordeel zooveel ongerustheid, dat
cene harer beproevingen al haar geluk verbittert. Aan-
schouw wien ook van uwe gezellen, die Jesus oprecht dient,
en gij zult zien, hoe tevreclener hij zijne dagen slijt met het
Kruis op zijne schouders dan een andere, die de wereldsche
goederen najaagt.
3. Overweeg de belooning welke de wereld aan hare
dienaars voorhoudt, en die welke Christus aan de zijne geeft.
Na hare minnaars in dit leven bedroefd en mishandeld te
hebben, doet de wereld hun in het andere leven niets anders
vinden dan smarten en vlammen. Christus integendeel
geeft zijne volgelingen, te midden van de kruisen dezes
levens, een aanhoudenden vloei van vrede en vertroosting
smaken, die al hunne beproevingen zoet maakt, en in de
andere wereld schenkt Hij hun een koninkrijk zonder einde
en een zoo groot geluk,dat zij voor eeuwig zullen leven,zwem-
mend in eene zee van eindelooze geneugten. Komt u clan de
dienst van Christus niet wenschelijker voor dan die der we-
reld ? Breek dus af met de wereld, en wijd u geheel en al toe
aan den dienst van Christus ; bedank Hem voor de groote
genade, dat Hij u bij middel van de religieuze roeping de
wereld heeft doen verlaten, om Hem dus meer van nabij te
volgen.
-ocr page 226-
218
MAANDAG IN DE VEERTIENDE WEEK NA SINKSEN."\'
Over onze eeuwige verblijfplaats.
Ibit homo in domion mlcrnüatis suce (Ecclo. x:i, 5).
De niensch zal het huis zijner eeuwigheid ingaan.
1.  Overwoog dat liet huis, waarin gij woont, het uwe niet
is, maar enkel eene woning is, waarin gij voor een korten tijd
verblijft. Uw eigen huis zal het graf zijn: Sepulchra eorum
domus eorum in wternum
(Ps. xlviii, 12).« Hunne graven
zijn hunne huizen vooreeuwig,»waar gij niet zult uitgaan vóór
de algemeene verwoesting der wereld, wanneer al wat gij
nu in de wereld zoo zeer acht en bewondert, tot stof zal ver-
gaan zijn. Nogtans het huis uwer eeuwigheid is eigenlijk
het graf niet, want gij zelf zult er niet ingaan of blijven, uw
levenloos lichaam alleen zal daarheen gedragen worden,
wanneer de ontbinding reeds begonnen is. Het wezenlijke
huis uwer eeuwigheid zal of de hel of de hemel zijn. O ! wat
een overgroot verschil tusschen die twee verblijven ! Weet
gij welk van de twee u zal ten deel vallen ? God geve dat
gij nooit reden hebt om te antwoorden : Infeinus domus
meaest
f Job. xvn. 13). « De hel is mijn huis. »
2.  Overweeg dat gij nu tusschen die twee verblijfplaatsen
te kiezen hebt, want eenieder zal gaan waar hij gaan wil:
Ecce do coram vobis viam vitte et viam mortis (Jer. xxi, 8).
« Ziet, ik zet voor u den weg des levens en den weg des
doods. » Zult gij zoo uitzinnig zijn om aan de hel den voor-
keur te geven ? Doch alvorens gij die zotte keus doet,
overdenk eerst wel, wat het zeggen wil voor eeuwig in het
helsche vuur te branden, zoodat. wanneer duizenden en
inillioenen eeuwen zullen vervlogen zijn, uwe straf op-
nieuw een aanvang zal nemen. Ontroert gij u niet bij het
-ocr page 227-
MAANDAG IN DE VEERTIENDE WEEK NA SIKKSEN. 219
aanschouwen van de onzeglijke tormenten der eeuwige hel,
gij, die zoo bevreesd zijt voor de lichte en kortstondige
pijnen van het tegenwoordige leven ! Verhel\' bovendien uwe
oogen ten hemel, en aanschouw den eeuwigen vrede, en de
bestendige vreugde, welke de uitverkorenen smaken in
hunne gelukzalige verblijfplaats : Lcvtilia sempiterna super
caput eorum
(Isai. xxxv, 10). En na deze zoo zeer ver-
schillende verblijfplaatsen vergeleken te hebben, kies die,
welke u meest aanstaat.
3. Overweeg hoe velen er zijn die meer arbeiden en sla-
ven om de hel te winnen, dan gij doen moet om den hemel
te verdienen. Welke uit/innigheid dan van uwen kant, wan-
neer er spraak is van zoo verschillende huizen der eeuwig-
beid, als hemel en hel, niet alle pogingen aan te wenden
om den hemel te verdienen, te meer daar gij hem met veel
min moeite koopen kunt, dan anderen de hel! Zie eens wat
al moeite zich zeer vele menschen geven, de eene om zich
te wreken, de andere om eene ongeregelde drift te voldoen;
vergelijk dezelve met hetgeen gij in hel klooster te lijden
hebt, en gij zult inzien hoeveel lichter uw last dan de hunne
is. Zou het u dan nog hard schijnen uwen regel te onder-
houden en aan den wil van anderen onderworpen te zijn.
denk dan op de eeuwige straffen, waarvan gij u door dat
middel bevrijdt; denk op de eeuwige belooning. welke deze
onderwerping en het geduldig dragen van uw kruis in het
klooster u zullen verwerven : zoo doende zal het kruis u zoo
zwaar niet schijnen, maar licht worden en een voorwerp
van liefde wezen.
-ocr page 228-
220
DINSDAG IN DE VEERTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Oyer het kwade der rijkdommen.
Va\' vobis dioitibus : quia, habetis consolationom vestram (Lue.
vi, 24).
Wee u, gij rijken, want gij hebt uwen troost al weg.
1. Overweeg dat dit schrikkelijk woordje «Wee»niet enkel
eene vreeselijke ramp aanduidt en beweent, maar tevens
ook eene bedreiging inhoudt, en voorspelt voor de rijken ;
niet omdat zijstelen, niet omdat zij de armen verdrukken,
niet omdat zij branden of moorden, maar omdat zij al hun-
nen troost in dit leven ontvangen ; quia habetis consolatio-
nemvestram.
En gij, in plaats van medelijden te hebben
met de rijken, zoudt schier hunne grootheid benijden ! Wan-
neer gij dus de pracht hunner kasteclen, den luister hunner
treinen en gevolg aanschouwt, wacht u wel hen te bewon-
derenof gelukkig te achten, maar zeg eerder : Va vobis
divitibus.
« Wee u, gij rijken. »
"2. Overweeg waarom de rijken medelijdenswaardig zijn.
Het is omdat zij hier hunnen troost hebben, hetgeen een zeer
slecht teeken is: het is een teeken dat zij met hunnen troost
bier te hebben, er hiernamaals geencn zullen vinden: even-
als gezegd werd tot den rijke van het Evangelie : Memento
quia recepisti bona in vita tua
(Luc. xvi, 25) « Herinner
u, dat gij het goede ontvangen hebt in uw leven. Dit tec-
ken heeft bovendien nog eene bijzondere beteekenis voor de
rijken, aangezien hun geld bun zoovele gelegenheden ver-
schaft om hunne driften in te volgen, en de ongeregelde
genegenheden der bedorvene natuur te voldoen, gelegenhe-
den. die hen in groote zonden doen vallen en hun verderf
doen te geinoet loopen. Hoeveel beter is het dan niet, hier op
-ocr page 229-
DINSDAG IN DE VEERTIENDE WEEK NA SINKSEN. 221
aarde de vertroosting niel te hebben van te doen gelijk, men
wil; het is immers ecne onverbrekelijke wet dat men zich
niet kan verheugen en alle genot smaken in deze wereld en
in de andere. Betuig den Heer uwen hartclijksten dank,
omdat Hij u aan dit gevaar onttrok, en u in het klooster de
evangelische armoede deed omhelzen, krachtens welke gij
eene grootere volheid van geluk zult genieten in de andere
wereld, naarmate gij er in deze min van zult gesmaakt heb-
ben : Vee, vobis divitibus ! Beati pauperes ! « Wee u, gij
rijken ! Zalig zijn de armen! » Wat een verschil tusschen
beide vonnissen uitgesproken door den mond der ongescha-
pene Wijsheid zelve !
3. Overweeg dat, wanneer Christus de rijken ongelukkig
noemt, Hij die rijken bedoelde, die met het hart aan hunne
rijkdommen gehecht zijn, en in dezelve al hunnen troost
stellen, als een middel om al hunne luimen te kunnen vol-
doen. Hij bedoelde diegenen niet, wier hart aan de rijkdom-
men niel gehecht is, en die dezelve aanwenden voor zulk
doelwit, als God toelaat of gebiedt. Evenzoo, wanneer Hij
de armen zalig noemt, bedoelt Hij degenen, die uit eigene
verkiezing arm zijn, beati pauperes spiritu, en niel dege-
nen. die arm zijn tegen hunnen wil, en het goud begeeren
en beminnen. Zijt gij een vrijwillige arme, of is uw hart
gehecht aan het goud en benijdt gij degenen die het bezit-
ten? Zijt gij arm tegen uwen wil, dan past de schrik-
kelijke bedreiging des Heeren « Wee u » eer op u, dan
op vele welhebbende Christenen, die inde wereld min aan
de rijkdommen gehecht zijn, dan gij in het klooster, gij die
om vertroostingen en gemakte vinden,door middelen, uwen
roep onwaardig, zoekt geld te bezitten of te bekomen. Is
zulks uw toestand, dan zijt gij inderdaad te beklagen; de
woorden van Christus tot Judas mogen dan wel op u loege-
past worden : Melius erat tibi si natus non fuisses, beter
ii                                                                                        13
-ocr page 230-
222
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
ware het u geweest nooit voor het religieuze leven geboren
te zijn, want gij zult noch de beloofde belooning van de
armen genieten in de andere wereld, noch de vertroostingen
der rijken in deze hebben.
WOENSDAG IN DE VEERTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over Gods handelingen met de hoovaardigen en de
ootmocdigen.
Confiteor tibi, Pater, Domino Cceli et terrce, quia abscondisti
hcec a sapientibus et prudentibus, et revelasti ea parvulis
(Luo.
x, 21).
Ik loof u, Vader, Hoer van hemel en aarde, dat gij deze din-
gen voor wijzen en verstandigen verborgen en ze aan kleinen
geopenbaard hebt.
1. Overweeg welke de stol\' van deze uitboezeniing van lol\'
en dankbetuiging was, die Christus aan zijnen hemelschen
Vader deed. Het was dat Hij voor de wijzen dezer wereld
die wonderbare waarheden en leeringen verborgen had, die
betrekking hebben op het verstand, en die zij hoogmoedig
verachten, omdat zij boven hunne verstandsvermogens
gaan ; en ook omdat Hij voorde verstandigen dezer wereld de
waarheden en leeringen verborgen had, die betrek hebben
op den wil, en die zij vermetelijk beschimpen, omdat zij
strijden met hunne verkeerde zienswijze. Hij bedankt en
looft bovendien zijn hemelschen Vader, omdat Hij al die
bespiegelende en werkende waarheden geopenbaard had aan
de ooimoedigen, die dezelve bereidwillig omhelzen. Zie dan
hoe nuttig in de school van Christus de ootmoedigheid, en
-ocr page 231-
WOENSDAG IK DE VEERTIENDE WEEK NA SINKSEN. 323
hoe nadcelig dehoovaardigheid is. Ware wijsheiden voor-
zichtigheid in de school van Christus is niets anders dan de
christelijke ootmoedigheid ; /ij bestaan daarin dat men een
kind wordt, niet bij gebrek aan gezond oordeel, maar door
de afwezigheid van schuld of boosheid. In den hemel zal
men zien dat een godvruchtig oud vrouwke meer ware
wijsheid bezat dan een Aristoteles of een Tacitus, omdat zij
haar laatste einde kende, en er in gelukte het te bereiken.
Overdenk inlusschen, hoe noodzakelijk u die ootmoedige
eenvoudigheid is, die tegenstrijdig is aan de ijdele achting
van zich zei ven, die inderdaad de uilzinnigste en nadeeligste
onwetendheid is.
2.  Overweeg op welke wijze de bemelsche Vader zijne
waarheden en leeringen voor de hoovaardigen verbergt en
aan de ootmoedigen openbaart. Aan de ootmoedigen open-
baart Hij dezelve met hun bijzondere verlichtingen te geven,
om dezelve ie kennen en te waardeeren. Hij verbergt dezelve
voor de hoovaardigen met hun die bijzondere verlichtingen
te weigeren, en hun juist genoeg licht te geven, als noodig
is, om tot de kennis derzelve te komen, zoo zij er zich ernstig
op toeleggen, en genoeg is. om hen onverschoonbaar te
maken. Deze is de reden, waarom Christus zijnen Eeuwigen
Vader looft en bedankt, dat Hij zijne barmhartigheid jegens
de ootmoedigen en zijne, rechtvaardigheid ten opzichte van
de hoovaardigen getoond heeft. O ! wat krachtige beweeg-
reden om u in de ootmoedigheid te vestigen ! Van u zelven
zijl gij niet in staat een enkel verdienstelijk werk te ver-
richten, tenzij God u genadiglijk die bijzondere verlichting
en hulp verleene, welke Hij gewoon is aan de ootmoedigen
te geven, en aan de hoovaardigen te weigeren, maar welke
Hij in rechtvaardigheid niet gehouden is u te schenken.
3.  Overweeg dat Christus zijnen Vader bij deze gelegen-
heid Vader en Heer noemt : Pater, Domine caii et terra\'.
-ocr page 232-
224
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
« Vader, Heer van hemel en aarde. » Hij noemt Hem Heer
uit hooide van de rechtvaardigheid, welke Hij ten opzichte
van de hoovaardigen uitoefent, en Vader uit hoofde van de
barmhartigheid, welke Hij den ootmoedigen loont. Deus
superbis resistü
(1 Pctr. v, 5) « God wederstaal de hoog-
moedigen. » in zijne hoedanigheid van Heer en Meester ;
humilibus autem dat gratiam •< maar den nederigen geeft
Hij genade. » in zijne hoedanigheid eens minzamer) Vaders.
Wilt gij dat Hij voor u een liefdevolle Vader wcze in al uwe
noodwendigheden, dan moet gij met ootmoedigbeid en be-
Irouwen uwen toevlucht lot Hem nemen, en u werpen in
de armen zijner Voorzienigheid, evenals een klein kind zich
werpt in de armen zijner ouders.
DONDERDAG IN DE VEERTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over de heilige vrees Gods.
Si non in timore Domini tenuerü te inslanter, cüo subvertetur
domus tua
(Hccli. xxvii, 4).
Indien gij niet zorgvuldig vasthoudt aan de vreeze des Hoeren
zal uw huis spoedig te gronde gaan.
1. Overweeg wat al moeite er niet gevraagd wordt om
een geestelijk gebouw op te richten, wat al akten van zelf-
verloochening. gehoorzaamheid, ootmoedigheid, versterving
en boetvaardigheid er daartoe niet vereischt worden ! En
nogtans kan dit gebouw, de vrucht van een langdurigen
arbeid en hevig lijden, op eens instorten. Eene enkele dood-
zonde, ware het ook maar in gedachte, is daartoe vol-
doende ; en indien God toeliet dat op dien oogenblik de
dood u verraste, of u niet ter hulp kwam met den overvloed
-ocr page 233-
DONDERDAG IN DE VEERTIENDE WEEK NA SINKSEN. 225
zijner genade om u op te helpen, liet ware met u gedaan.
Helaas, hoevele edele gebouwen, schooner dan het uwe, zijn
op die wijze niet ingestort ! Breng u te binnen den schrik-
kelijken afval van zoovele zielen, die eens zoo vurig waren,
en zoo veel goed gedaan hadden. Wat al reden hebt gij dan
niet om te vreezen, gij die niets dergelijks verricht hebt.
•2. Overweeg welk de oorsprong van dat overgroot gevaar
is. Het komt daarvan dat God u eiken oogenblik en zonder
u eenig ongelijk aan te doen, kan berooven van den bijzon-
deren bijstand zijner genade, die gij aanhoudend van noode
hebt om niet in doodzonde te vallen. Hoeveel goed gij ook
in het verledene mocht gedaan hebben, gij kunt God nooit
onder de verplichting stellen u dien nieuwen bijstand der
genade te verlecnen. die u eiken oogenblik noodig is om
in de deugd te kunnen volharden. Bijgevolg is de volharding
ecne onverdiende gunst Gods, niet alleen betrekkelijk het
einde van uw leven, maar eiken stond daarvan : het is een
geschenk dat Hij u kan weigeren zondcru eenig ongelijk aan
tedocn,aangezien Hij ten uwen opzichte geene verplichtingen
heeft, die het gevolg zouden zijn van weldaden, welkt; gij
Hem bewezen hebt ; integendeel Hij is het, die u lallooze
gunsten gedaan heelt, voor dewelke gij Hem niets dan on-
dankbaarheid getoond hebt. O ! in welke ootmocdigheid en
vrees moesten u deze waarheden houden !
3. Overweeg dat, te midden van zoo dringend gevaar,
uwe veiligheid gelegen is in eene bestendige vrees. Juist als
iemand, wien licht het hoofd draait, en die over eene enge
brug gaan moet, waaronder een snelle stroom vloeit, de
hand van zijn geleider grijpt en hem zoo dicht mogelijk bij-
blijft, zoo moet gij u vasthechten aan de vrees des Heeren,
met immer voor oogen te houden de noodzakelijkheid van
zijnen bijstand, en er Hem altijd en vurig om te smeeken,
want de volharding is eene onverdiende weldaad van God,
**
-ocr page 234-
226                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
maar die men onfeilbaar bekomt, als men dezelve vraagt,
gelijk het betaamt. De gebeden van sommigen worden ter-
stond verhoord, die van anderen een weinig\' later, volgens
zijn welbehagen, en aangezien gij niet weet, hoe lang gij
moet wachten, eer Hij uwe bede verhoort, daarom juist zijt
gij nooit volstrekt zeker van uwe volharding, hoeveel gij er
ook voor mocht gebeden hebben. Laat echter niet na er
vurig om te snieeken ; want, indien gij eens nalaat er om
te bidden, dat zou voor u een slecht teeken wezen.
VRIJDAG IN DE VEERTIENDE WEEK NA SINKSEN
Jcsus, ons yoorbeeld.
Quos precscieit, et preedestinavit confonncs fieri imaginis Filii
sui
(Roni. vut, 29).
Die hij vooruit gekend hoeft, die hooft hij ook vooruit be-
stemd om gelijkvormig te worden aan liet beeld zijns Zoons.
1. Overweeg dat de Eeuwige Vader zijnen goddelijken
Zoon op aarde zond, om Zich met onze mcnsclielijke natuur
te bekleeden, hoofdzakelijk ten einde Hij voor ons een voor-
beeld mocht wezen, welk wij in onze handelingen zouden
navolgen; want al onze volmaaktheid bestaat in de heilig-
hcid van den Zoon Gods in ons zelven uit te drukken, en
levende afbeeldsels van Jesus Christus te worden. Elke
christen is verplicht zijn leven naar dal goddelijk voorbeeld
te regelen, indien hij onder het getal der uitverkorenen wil
gerekend worden. Doch met veel meer reden is de religieus
daartoe gehouden : want, vrij zijnde van de beletselen en
-ocr page 235-
VRIJDAG IN DE VEERTIENDE WEEK KA SINKSEN. 227
valsche voorschriften der wereld, belijdt hij openlijk een
volgeling en innige gezel van Jcsus te zijn. In hoeverre
hebt gij tot nu toe getracht uw gedrag naai\' de voorbeelden
van Jesus te schikken ? Kunt gij in der waarheid met Job
zeggen : Vestigia e jus secuttis est pes mem (Job. xxm,
11). « Mijn voet heeft zijne stappen gevolgd. » God geve
dat gij niet van het getal dergenen zijt.die Hem openlijk den
rug keeren !
$. Overweeg waarin gij bijzonderlijk Jesus moet navol-
gen ; in dat alles, wat Jesus van zijne geboorte tot aan zijnen
dood onafgebroken beleden heeft, namelijk armoede, lijden
en verachting. Gedurende de drie en dertig jaren, welke Hij
op aarde doorbracht, hield Hij Zich niet aanhoudend bezig
met onderwijzen, zieken genezen of wonderen doen : maar
Hij leefde bestendig in armoede, lijden en verachting : Pau-
per sum ego. et in laboiïbusa juventute mea
(Ps. lxxxvh,
16). « Ellendig ben ik en in verdrukkingen van mijne
jeugd af. » Zijt gij een minnaar van die drie onafscheid-
bare gezellen van Jesus? In hoeverre zoekt gij dezelve ?
in wal geest ontvangt gij ze. wanneer zij u overkomen, bij
voorbeeld, wanneer gij de gevolgen der armoede gevoelt,
wanneer gij ziek zijt. of wanneer n ongelijk of hoon
aangedaan wordt ? Deze zijn de liniën en kleuren waarmede
gij in u het afbeeldsel van Jesus moet namaken : Conformes
fieri imaginis Filii sui
« om gelijkvormig te worden aan
het beeld zijns Zoons.
3. Overweeg hoe gij Jesus navolgen moet. Schijnt het u
misschien dat de deugden van Jesus nabootsen eene onder-
neming is, die uwe krachten ver te boven gaat ? Ont-
stel u niet. want men vereischt van u niet dat gij Hem
evenaart, maar enkel dat gij Hem gelijkt, met Hem ten
minste van verre te volgen ; zoodat van u gelijk van
Ezcchias mocht gezegd worden : Adhwsü Domino, et non
-ocr page 236-
228                             BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
recessit a vestigiis ejus (4. Reg. xvm, 6). <> Hij kleefde
den Heer aan en week nietaf van zijne voetstappen. » De
Heer vraagt van u ook niet dat gij Hem in alles navolgt,
maar enkel in liet geen aan uwen staat eigen is.Allegc!oovi-
gen zijn ledematen van Jesus\' geheimzinnig lichaam : Unum
corpus sumus in Quinto
(Rom. xu, 5). « Wij zijn één
lichaam in Christus. « Nu evenals elk lidmaat van ons
lichaam eene verschillende werking heeft, het oog deze, de
hand of voet eene andere : Omnia membra non eumdem
act urn habenta
alle leden hebben dezelfde verrichting niet.»
zoo moet gij Jesus trachten na te volgen alleen in de wer-
ken. die aan uwen staat van kloosterling eigen zijn, gelijk :
in de zorgvuldige nakoming van uwen regel, in de gehoor-
zaamheid, de armoede én de versterving, en in uwe bijzou-
dere bediening zoo getrouw mogelijk te vervullen; gij moet
aldus streven aan uw goddelijk voorbeeld gelijkvormig te
worden : Conformes jieri imaginis Filii sni.
ZATERDAG IN DE VEERTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over de belieersching onzer driften.
Sedebitpopulus mens in puMirüudme pocis, et in tabemaculis
fiduciue, et in requie opv.lenta
(Isai. xxxn, 18).
Mijn volk zat zitten in de schoonheid des vredes,en in de ten-
ten des betrou-wens en in eene rijkelijke rust.
1. Overweeg dat het gelukkige volk, waarvan lsaïas
spreekt, degenen zijn, die na lang en dapper tegen hunne
driften gestreden en dezelve overwonnen te hebben, ten
-ocr page 237-
ZATERDAG IK DE VEERTIENDE WEEK NA SINKSEN. 229
laatste tot het genot dev beheersching over zicli zclven ge-
komen zijn, zonder vrees van nog te moeten vechten : Sede-
bit in pulckritudine pacis.
« Het zal zitten inde schoonheid
des vredes. » De vrede wordt genoemd : Tranquiüitas or-
dinis.
« De gerustheid van goed order. » Dien schoonen
vrede geniet hij alleen,die de beheersching over zijne driften
bekomen heeft, want hij is wel geordend ten opzichte van
zijnen naaste, wien hij niet benijdt, met wien hij niet twist,
over wien hij zich geen recht aanmatigt, en met wien hij in
vrede weet te leven. Hij is wel geordend in zich zei ven, om-
dat zijne genegenheden aan de rechte rede onderworpen
zijn. Eindelijk hij is wel geordend ten opzichte van God.
wien hij teenemaal onderdanig is. O ! wat een geluk, indien
gij dien schoonen vrede door den zegepraal over uwe drif-
ten kondet bekomen!
2.  Overweeg dat die beheersching over u zei ven u in
staat zal stellen niet alleen om in vrede te leven, maar in
het uur des doods zult gij u bevinden « in de tenten des
betrouwens » in tabernaculis fiducim, dat is te zeggen, in
de wonden van uwen Zaligmaker ; gij zult dan in uwe ziel
een betrouwen ondervinden, dat geé\'venredigd is met uwe
eerbiedige vrees in het leven. Gij zult dan verwezenlijken
hoe onmogelijk het is, dat een zoo goede Vader u in den
uitersten nood, in het uur des doods wille verlaten, en hoe
Hij u zal verdedigen tegen de aanvallen uwer vijanden in
de veilige schuilplaatsen zijner heilige wonden, evenals de
duif in de openingen van de steenrots in veiligheid is legen
de listen van den sperwer, columba in foraminibus petrus
(Cant. n, 14). Al zijt gij dan ook nooit volkomen zeker tot
den laatslen ademtocht, gij zult in dat laatste uur vol bc-
trouwen zijn in de verdiensten van Jcsus.
3.  Overweeg dat gij, na den vrede dien gij gesmaakt hebt
in uw leven, na het betrouwen, dal gij zult genieten in het
-ocr page 238-
230                           BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
uur des doods, zult zitten in de « rijkelijke rust » des hemels
in requie opuknta. Dan zullen uwe begeerten volkomen ver-
wezenlijkt worden, en gij zult verzadigd worden met de-
zelfde volheid, die in God zelvcn is. Want evenals God
buiten Zich niets noodig heeft, zoo zult gij ook in den hemel
buiten u zelvcn niets noodig hebben, want gij zult God
bezitten zonder gevaar van Hem ooit te verliezen. Maar om
tot die inderdaad rijkelijke rust te komen, moet gij u wel
wachten van neer te zitten vóór den tijd. Wilt gij den
vrede, dan moet noodzakelijk eerst de oorlog voorafgaan,
gij moet eerst uwe driften bedwingen en uwe genegenhe-
den versterven. Verlangt gij betrouwen in het uur des
doods, dan moet het nu voorafgegaan zijn van ecne heil-
zamc vrees, die daarin bestaat, dat gij alles vermijdt dat
Hem zou kunnen mishagen, wiens hulp gij in dat oogen-
blik zult inroepen, en dat gij u dikwijls aan zijne barmhar-
tigheid aanbeveelt. Wilt gij de rust na den dood. arbeid en
moeiten moeten daarvoor den weg bereiden, gij moet u
zelvcn geheel en gansch toewijden aan den dienst van God.
totdat gij zult gedaagd worden, om van uwen arbeid te
rusten : Ut requiescas a labarums luis (Apoc. xiv, 13).
VIJFTIENDE ZONDAG NA SINKSEN.
Over de verrijzenis van »lcn zoon der weduwe.
Defunctus effarebatur fdiiis unicus matris suce (Luc. vu, 12).
Er werd een doode uitgedragen, een eenige zoon zijner
moeder.
1. Overweeg dal er niet zonder geheimzinnige beteckenis
in de H. Schriftuur het verhaal voorkomt van de verrijzenis
-ocr page 239-
VIJFTIENDE ZONDAG NA SINKSEN.                      231
door Christus van drietiooden, allen in verschillende afwis-
selingen des levens : de eerste was een kind, de dochter
van den overste der synagoog, de tweede, een jongeling,
de zoon der weduwe van Naïm, de derde, een volwassene,
de broeder van Magdalena en Martha. Daardoor wordt u te
verstaan gegeven, dat de dood geen aanzien heeft voor
ouderdom, noch uitzondering maakt voor rang. Hij gaat
rond gewapend met zwaard, lwog en pijlen ; met het
zwaard velt hij neer den mannelijken ouderdom, die nader
in zijn hereik is ; met den boog en pijlen treft hij de jonk-
heid, die hem nog verwijderd gelooft. Gladium mum vibra-
bit. et arcum suutntetendit
(Ps. vu. 13). « Hij zwaait zijn
zwaard en heeft zijn boog gespannen. » Daarom, welk uw
ouderdom ook zij, wees bereid voor den dood, en terwijl er
dagelijks jongelingen en ouderlingen sterven, dan wanneer
zij het minst verwachtten, wees overtuigd dat u hetzelfde
zal overkomen. Hoort gij niet wat de Heer u in het Evan-
gelie zegt ? Estote parad, quia, qua hora non putalis. Filius
hominis veniet
(Luc. lu2, 40). « Weest bereid, want op
een uur, waarop gij het niet meent, zal de Zoon des men-
schen komen. »
2. Overweeg dat er door die drie dooden, welke door
Christus tot het leven teruggeroepen werden, drie soorten
van personen verbeeld worden, die, dood aan de genade
door de zonde, door Christus opgewekt worden. Door den
dood van het kind worden de zielen verbeeld, die in zonde
vallen uit onwetendheid of mcnscbelijkc zwakheid; door den
dood van den jongeling, de zielen, die, aangehitst door eenc
hevige drift, in zonde vallen, daar Lazarus een beeld is van
hen, die in zonde vallen door de boosaardigheid van hunnen
wil. Aan welken van de drie gelijken uwe fouten en zonden ?
Alhoewel men gelooven mag dat de religieuze staat u zal
behoed hebben van grove fouten en doodelijke zonden, het
-ocr page 240-
232
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
is nogtans hoogst waarschijnlijk dat gij in vele dagelijksche
zonden valt. Beschouw dan een weinig, of uwe dagelijksche
fouten voortkomen, of uit menschelijke zwakheid, of van
den aanval eener hevige drift, of met volkomen beraad uit
de boosheid van uwen wil: want alhoewel zij allen maar
dagelijksche zonden zijn. is echter de cene meer schadelijk
dan de andere. Uit zwakheid vallen zelfs somtijds de heili-
ge n ; de. hevigheid van onbeteugelde driften zal dikwijls den
val (jer onvolmaakten veroorzaken, maar wien de Heer
toelaat zelfs in doodzonde te vallen, die hebben dat te danken
aan de bedorvenheid van hunnen wil.
3. Overweeg dat Christus bij den dood van het kind niet
toeliet dat iemand weende, ook niet bij den dood van den
jongeling ; hij zegde immers tot de bedroefde moeder : Noli
fiere.
« ween niet; » daar Hij integendeel bij den dood van
Lazarus, niet alleen toeliet dat de twee zusters, Martha en
Magdalena, weenden, maar zelf weende : Lacrijmalus es
Jesus
(Joan. n, 35). De reden daarvan is. zooals reeds ge-
zegd is, dat in den persoon van Lazarus diegenen verbeeld
zijn, die uit boosaardigheid zondigen met openc oogen. Voor
iemand die te midden der gevaren van de wereld leeft,
zonder de buitengewone verlichtingen\'en gaven des hemels,
zal het gemakkelijker zijn genade en barmhartigheid te
vinden ; maar diegenen, welke in den religieuzen slaat
zondigen, na versterkt geweest te zijn met zooveel ir.wen-
dig licht en uitwendige hulp, zullen dezelve niet zoo gemak-
kclijk vinden ; de val van zoo eenen is betreurenswaardig
en afschuwelijk voor geheel het hemelsei! hof.
-ocr page 241-
233
MAANDAG IN DE V.IJFTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over de gevolgen der toegeving aan zijne driften.
Si prcestes anima tucc concupiscentias cjus, facict te in gau-
diutn inimicis tuis
(Eceli. xvm, 31).
Indien gij uwe ziel in hare lusten toegeeft, dan zal zij u ten
spot maken van uwe vijanden.
1. Overweeg dat uwc doodelijkc vijanden, de duivels,
nooit meer tevreden zijn, dan wanneer zij u bereid zien
uwe natuurlijke genegenheden, en de ongeoorloofde luimen
van uwen wil in te volgen, omdat zij wel weten, dat gij oi>
die manier, als door een onbeteugeld paard, tot den afgrond
zult geleid worden. Zij houden zich zeker van de overwin-
ning, wanneer gij den toom laat gaan, en geen acht geeft
waar gij gaat. Het is dan noodig dat gij u gewoon maakt
uwe genegenheden te weerstaan in geoorloofde dingen ;
anders zult gij weldra tot het ongeoorloofde overgaan.
3. Overweeg dat die verloochening u ten allen tijde en in
alles bevolen is, zonder eenige uitzondering. Vasten. tucht-
rocde. gebed hebben elk hunnen gestelden tijd ; maar de
verloochening van uwen wil heeft geen vasten tijd ; zij
moet geoefend worden ten allen tijde en in alle zaken. Uw
wil is gelijk ecu ondeugend paard, waar gij zonder teugel
nooit staal op kunt maken. Gij moet hem dan altijd in toom
houden, indien gij niet wilt, dat hij van den rechten weg
afdwalc, en u in eencn afgrond storte.
3. Overweeg dat gij den moed niet moogt verliezen,
alsof deze plicht te zwaar voor u ware. want, met er u aan
gewoon te maken, zal zij u eiken dag gemakkelijker vallen.
Het is juist gelijk een ondeugend paard temmen. In het
begin is het moeielijk hetzelve te naderen, te overmeesteren,
il                                                                                                     14
-ocr page 242-
234
BEKNOPTE OVERWEGINGEN\'.
te geleiden, bijzonder indien liet langen tijd volle vrijheid
genoten heelt: Equüs indomilus evadel durus (Eccli. xxx, 8)
« Een ongelemd paard laat zich niet mennen. » Maarzoo-
haast het aan den toom gewoon is. is het niet lastig het te
besturen en te geleiden. Hetzelfde zult gij met uwen wil
ondervinden, indien gij u gewoon maakt hem te verlooche-
nen ten allen tijde, en in alle gelegenheden, die zich aan-
bieden, \'t zij van den kanl uwer oversten, uws gelijken of
uwer onderdanen. Zoohaast uw wil gewaar wordt dat hij
niet kan verkrijgen, wat hij verlangt, zal hij u niet meer
vragen, tenzij wat hij te recht zoeken mag.
DINSDAG IN DE VIJFTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over de verplichtingen der evangelische wet.
Abundaniüis oportet obseroare nos en, quee audici,nus, ne forte
pcre/llnamns
(Hebr. II, 1).
Wij moeten te meer acht geven op hetgeen wij gehoord heb-
ben> opdat wij niet misschien verloopen.
1. Overweeg dat deze woorden passen op alle Christenen,
die verplicht zijn de evangelische wet met grootere vol-
maaktheid Ie onderhouden, dan de Joden, de wet van Mozes.
De wet van Mozes beoogde het bekomen van aardsche goe-
deren, en was uiterst lastig uit hoofde van de zware vcr-
plichlingen, die zij oplegde, en den geringen bijstand,
dien zij geven kon. De wet van het Evangelie integendeel
is gericht tot het bekomen van heraelschc goederen ; zij is
een juk veel lichter om dragen en zij verleent grootere hulp
door de genade, die zij op het menschdom uitstort. Aange-
-ocr page 243-
DINSDAG IN DE VIJFTIENDE WEEK NA SINKSEW 235
zien gij dan het geluk hebt geboren te zijn geweest in een
Christen land. en u bevindt in het genot van eene zoo verhe-
vene wet, en zulkcn overvloed van genade, denk een
weinig na, hoe grooter uwe verplichting is die wet getrouw
te onderhouden, en hoe verschrikkelijker uwe veroordeeling
zijn zou, indien gij dezelve niet onderhieldt.
1. Overweeg dat die spreuk van den Apostel nog nader
betrek heeft op die uitverkoren Christenen, die, na de wereld
vaarwel gezegd te hebben, zich uitsluitelijk bezig houden
met het oefenen der deugden en het volbrengen der evan-
gelische raden. Gij zijt dan verplicht volmaakt te onder-
houden wat de Heer van u vraagt door die inwendige ver-
lichtingen en heilige ingevingen, welke Hij vergezelt met
zoovele vertroostingen en godvruchtige verlangens, opdat
gij tot de volmaaktheid zoudt kunnen komen. Indien gij
zijne gaven en verlichtingen verwaarloost, zal Hij u verla-
ten : Enulire. Jerusalem, ne f\'orte recedat anima mea a te
(Jer. vi, 8) « Wees onderricht. Jerusalem, opdat mijne ziel
zich van u niet verwijdere. » Vergeet niet, dat gewone hei-
ligheidin uwen staat niet voldoende is. Gij zijt in de school
der volmaaktheid, bijgevolg zijt gij verplicht van de gelc-
genheid goed gebruik te maken ; anders gaat gij verloren.
3. Overweeg dat die spreuk in het bijzonder gemeend is
voor diegenen, welke geroepen zijn aan het heil der
zielen te arbeiden. Voor dezen is het, boven alle anderen,
noodzakelijk zorgvuldig te zijn in al hetgeen de Heer van hen
vraagt, anderszins loopen zij groot gevaar van zich zelven
te verliezen met anderen te zoeken. Indien gij u onder dat ge-
tal bevindt, wees bezorgd zóóde gaven Gods aan uwen naaste
uit te deelen, dat gij een goed gedeelte daarvan voor uzelven
behoudt. Let wel op dat gij u somtijds in de eenzaamheid
van uw hart begeeft, en alleen op u zelven denkt: want
niets zal het u baten, indien gij de geheele wereld wint ten
-ocr page 244-
236
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
koste van uwc eigene ziel: Quid prodest homini, si mundum
universum lucretur, anima\' vero sux detrimentum patiatur?
(Matth. xvi, 26). « Wat toch baat het den menscli, zoo hij
de gehcelc wereld wint, maar zijn leven verliest?
WOENSDAG IN DE VIJFTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over de zelfverloochening.
Diccbatad omncs : Siqais vult post me vcnirc, obneget semet-
ipsum, et tollat crucem suam, et sequatur me
(Luc, ix, 23).
Hij zeidc tot allen : Indien iemand mijn volgeling wil wezen,
hij verloochone zich zelven, en neme zijn kruis op, en
volgemij.
1. Overweeg dat, indien Christus aan alle geloovigen
aanbeveelt en tot allen richt, deze groote spreuk van zijn
Evangelie, gelijk gij zoo even gehoord hebt, aangaande
zelfverloochening en versterving : Dicebat ad omnes etc;
zij nogtans, op eene gansch bijzondere wijze gemeend
is voor ecnen religieus, die openlijk belijdt naar de vol-
maaktheid te trachten, en een inniger leerling en getrou-
wer volgeling van Christus te zijn. Nu om een oprecht
leerling en gezel van Jesus te zijn, is het niet genoeg zijne
leering te aanhooren en zijne livrci te dragen : gij moet,
zooals gij gehoord hebt, u zelven verloochenen, uw kruis
dragen, en Hem stap voor stap volgen op den bebloeden
weg van Calv.arié\'. Daar moei gij ernstig op nadenken. Be-
merk bovendien, dat Christus zegt: Qiti vult « Indien
iemand wil: » omdat Hij wenscht dat gij Hem volgt met
vrijen wil en eigene verkiezing, zooals de uitnoodiging van
-ocr page 245-
WOENSDAG IN DE VIJFTIENDE WEEK NA SINKSEN. 237
eenen zoo beminnclijken Heer verdient «aanvaard te worden,
die uit liefde tot u zoo verging, dat Hij stierf op het kruis.
Ongetwijfeld hebt gij in het religieuze leven te lijden en u
zelven te versterven in vele zaken; maar onderzoek of gij
u daar met vreugde aan onderwerpt uit liefde tot den Ge-
kruiste, want dit is juist waar de Heer behagen in schept.
Merk op, dat Hij niet zegt: ferat crucem« hij drage zijn
kruis,»maar tollat,« hij neme het op,» om u te tooiicn, dat,
indien gij een waar religieus en een oprecht volgeling van
Christus zijn wilt, gij uw kruis moet omhelzen met bereid-
vaardigheid en vreugde,en niet wachten totdat het u op de
schouders gelegd wordt, zooals de Cyreneër deed: gij moet
het ook niet achter u slepen uit louter bedwang. Gelukkig
zijt gij, indien gij het met blijdschap draagt, gij zult dan
meer verdienen en minder lijden.
5. Overweeg dat uw kruis met vroolijkheid omhelzen en
dragen, geen werk is voor weinige dagen of voor cenige
keeren, maar voor alle dagen en alle tijden : Tollat crucem
snam quotidie.
Door het kruis moet verstaan worden elke
tegenkanting, lijden, of beproeving. De kruisen, die op den
weg der wereldlingen zoo dik gestrooid zijn, ontbreken ook
aan de religieuzen niet. in den vorm van gehoorzaamheid,
onderhouding der regelen, verdriet, angstvallighedcn of
lichamelijke ziekten. In deze en meer dergelijke beproeviu-
gen bestaat uw kruis; gij moet het met vreugde omhelzen
in alle voorkomende gelegenheden, niet gelijk het haren
kleed, de ijzeren keting, of meer andere werktuigen van
boetvaardigheid, welke gij somtijds bezigt, en andere
keeren daarlaat : Tollat crucem snam quotidie, « hij neme
zijn kruis dagelijks op. » Indien gij zoo handelt, zult gij
voor u zelven groote schatten van verdiensten en glorie
vergaderen.
3. Overweeg dat in het dragen van uw kruis in alle
-ocr page 246-
238                           BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
voorkomende gelegenheden, de eigenliefde de grootste hin-
dcrpaal is. Daarom vraagt Christus van u eerst en vooral
dat gij u zeken geheel en gansch verloochent: Abneget se-
metipsum,
« hij verloochene zich zelven. » Weet gij, wat
beteekent zich zelven verloochenen? Het wil zeggen dat gij
aan uwc genegenheden, en ongeregelde verlangens van het
vleesch weerstaat, hetzelve aanziende en behandelende als
eencn vijand, die zich. zooals gij ondervonden hebt. ten
uwen opzichte menigmaal verraderlijk gedragen heeft. Gij
zult nooit gelukken in die bedorvene genegenheden te ont-
wortelen ; daarom gebiedt u de Heer dezelve onder te hou-
den : Abneget semetipsum, « Hij verloochene zich zelven »
dat wil zeggen dat gij nooit moet toelaten, dat zij de over-
hand hebben, of, gelijk de H. Paulus zegt: Non regnet pec-
catum in vestro mortali corpore, ut obediatis concupiscentii*
ejus
(Hom, vi, i\'ï) « Dat de zonde. » te weten, de begeer-
lijkheid,«niet hcerschc in uw sterfelijk lichaam, zoodat gij
aan zijne begeerlijkheden zoudt gehoorzamen.» Indien gij
dit doet, dan zal uw kruis u licht schijnen, dan zult gij het
met vreugde omhelzen en de voetstappen van Jesus volgen.
DONDERDAG IN DE VIJFTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Dat men in het geestelijke leven immer moet voortgaan.
Cam consummavcrit homo, tune incipiet (Rccli. XVIII, G).
Als de mensch aan het einde is gekomen,dan begint hij eerst.
1. Overweeg de eerste beteekenis van deze woorden, die
is, dat gij u in het religieuze leven altijd moet aanschouwen
als een beginner, en den iever, waarmede gij begont God
-ocr page 247-
DONDERDAG IN DE VIJFTIENDE WEEK NA SINKSEN. 239
tc dienen, levendig moet bewaren, met frisch in uw ge-
heugen te houden de eeuwige waarheden, welke den grond -
slag van het geestelijk gebouw uitmaken. Dus, alhoewel gij
dagelijks in de volmaaktheid zult voortgang maken, moet
gij toch immer op denzelfden weg blijven, welken gij in het
begin gevolgd hebt. Beeld u niet in, gelijk sommigen doen,
dat gij toteenen staat van onzondigheid zult komen, of dat
gij ver genoeg in de volmaaktheid gevorderd zijt. Gewa-
pcnd met Gods heilige vrees, moet gij altijd op uwe hoede
zijn tegen de zoude, en u toeleggen op werken van boet-
vaardigheid. Indien deze uwe. gedragslijn niet is, zult gij
in hoogen ouderdom beginnen zonden te bedrijven, waar
gij in uwe jonkheid vrij van waart.
\'2. Overweeg de tweede beteekeuis van den aangehaal-
dcn tekst, welke is, dat zoohaast gij in den dienst van God
een werk volbracht hebt. gij er aanstonds een ander moet
beginnen, zonder een oogenblik in ledigheid te verliezen.
Verlangt gij sterk en gezond van geest te zijn? wees dan
altijd bezig, want de luiheid is de oorsprong van alle
kwaad. Denkt gij misschien, dat gij aan God geen rekening
zult moeten geven van den tijd, dien gij verkwist, of vcr-
kwist hebt? Gij zult dat verstaan op uw sterfbed, wanneer
de tijd u begint te ontbreken; dan zult gij klaar inzien,
hoeveel goeds gij gedurende uw leven zoudt kunnen gedaan
hebben. Daarom, zooals de Wijze man zegt:/i/j conserva
tempus,
« mijn zoon, maak het beste van uwen tijd », met
van een werk lot een ander over te gaan ; van het gebed
tot het handwerk, van den arbeid des geestes tot dien des
lichaams, zonder uwen tijd in gebabbel en onnuttige onder-
handelingen te verkwisten.
3. Overweeg de derde bctcekenis van die woorden : Cum
consummaverii homo, tune incipiet
« Als de mensen aan
het einde is gekomen, dan begint hij eerst. » Het is deze :
-ocr page 248-
240                             BEKNOPTE OVERWEGINGEN\'.
wanneer gij in liet geestelijke leven grootcn voortgang ge-
maakt hebt, dan zult gij beginnen in te zien, dat gij slechts
begint. Nu zoudt gij misschien kunnen denken, dat gij zeer
volmaakt zijt, aangezien gij nog maar een beginner zijt.
Wanneer gij inderdaad voortgang gemaakt hebt, dan zult
gij begrijpen, dat gij geenszins zijt, wat gij u nu inbeeldt.
Te hooger een reiziger eenen berg beklimt, des te meer ver-
wijderd schijnt hem het toppunt, dat hij in het begin dacht
niet eenige stappen te kunnen bereiken. Zoo ook met u : te
grooteren voortgang gij zult gemaakt hebben in de vol-
maaklheid, des te verder zult gij u zelven zien van den
waren geest van versterving en zelfverloochening, van de
oprechte ootmoedigheid en gehoorzaamheid, van de vol-
rnaaktc overgeving en gelijkvormigheid aan den wil van
God : dan zult gij ook met David uitroepen : Nunc ecepi
(Ps. lxxvi, 11) « Thans begin ik ; » en dit is het zekerste
teeken dat gij ecnigen voortgang in liet geestelijke leven
gemaakt hebt.
VRIJDAG IN DE VIJFTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over onze verplichtingen jegens Christus, omdat Hij onze
Verlosser is.
An nescüis quoniam.,,. non estis vestri ? empti enim eslis
pretio magno
(1. Cor. vi, 19, 20).
Weet gij niet dat.... gij u zelven niet. toebehoort ? want gij
zijt voor een grooten prijs gekocht.
1. Overweeg hoe waar het is, dat gij u zelven niet toe-
behoort, aangezien de Heer u ten koste van zijn dierbaar
bloed gekocht heeft. Denk dan, welk ongelijk gij Hem aan-
-ocr page 249-
VRIJDAG IN DE VIJFTIENDE WEEK NA SINKSEN.          241
doet, met over u zelven ie beschikken, gelijk gij het goed-
vindt. Uwc oogen zijn de uwe niet, uwe ooren zijn de uwe
niet, uwe tong is de uwe niet, en zoo met de overige lede-
maten uws lichaains ; gij behoort geheel en gansch aan den
Heer, die u gekocht heeft. Er kan dan geen schaduw van
twijfel wezen, dat het uw plicht is, nooit eenig gedeelte van
uw bestaan te gebruiken, tenzij voor Hem, wien gij toebe-
hoort.
1. Overweeg de groote gunst, welke de Zaligmaker u
deed, met u te koopen. Had Hij u misschien noodig ? Was
Hij niet even gelukkig zonder u ? Neen ! voor uw voordeel
alleen, kocht Hij u vrij van de slavernij des duivels. Alhoe-
wel het te dien einde genoeg was dat Hij slechts een druppel
van zijn bloed gaf, verkoos Hij niettemin, het gansch te
vergieten, en zijn eigen leven te slachtofferen, te midden
van de hevigste smarten. Indien gij iemand zaagt, die voor
duizend goudstukken een juweel koopen kan, en er tien
duizend voor geeft, zoudt gij niet uitroepen : Wat een vas-
ten wil en hevig verlangen moet die man hebben om dat
juweel te bezitten ! Veel grooter echter was de wensch van
Jesus, om u ten uwen voordeele uit de handen van Lucifer
te verlossen. Zoudt gij dan weigeren Hem toe te belmoren,
nadat Hij u met zooveel liefde en zoo groote kosten vrijge-
kocht heeft ?
3. Overweeg dat, indien gij wilt beantwoorden aan de
overmaat van liefde van uwen Zaligmaker, gij gansch u
zelven moet besteden en toewijden aan zijne glorie, zonder
ooit uwe eigene belangen te zoeken. Indien gij rondreizen
moet uit liefde tot God, zeg tot uwc afgematte voeten :
Wien behoort gij ? Hetzelfde met uwe oogen en ooren, wan-
neer gij dezelve uit liefde tot God versterven moet; herhaal
dat aan uwe tong, en aan al uwe andere inwendige of uit-
wendige vermogens, hun herinnerende, dat zij hunne eigene
*
-ocr page 250-
242                             BEKNOPTE OVERWEGINGEN
meesters niet zijn : Non estis vestri, empli enim estis pretio
magno « Gij behoort u zelven niet toe. want gij zijt voor
een grooten prijs gekocht. » Om diezelfde reden moet gij
bezorgd zijn om uwe ziel van alle gevaar te bevrijden, want
zij behoort Jesus toe. In het algemeen wordt u gezegd met
ernst aan de zaligheid uwer ziel te arbeiden, omdat het ge-
luk van uwe onsterfelijke ziel er van afhangt: Cuslodite sol-
Ucüe animas vestras
(Deut. iv, 15). « Bewaart zorgvuldig
uwe zielen. » Nu zoude ik u bijna het tegenovergestelde
willen zeggen, te weten : dat gij uw best moet doen, om uwe
ziel zalig te maken, omdat zij de uwe niet is. maar Jesus
toebehoort, die dezelve voor Zich gekocht heeft. Dit is de
edelste aller beweegredenen, die u moeten bezielen in uwe
pogingen om de hel te ontkomen.
ZATERDAG IN DE VIJFTIENDE WEEK NA SINKSEN,
Over «Ie wereldsehe wijsheid.
Nolile r/loriari, ei mendaces esse adversus vcritatcm. Kon est
enim istn sapientia desursum descendent, sed, terrena, animalis,
diabolica
(Jac. m, 14, 15).
Roroemt uniet en lieg-i niet togen do waarheid. Want dat is
goono wijsheid, die van boven afdaalt, maar eone aardsohe,
eene zinnelijke, eeno duivolseho.
1. Overweeg dat de leer der wereldlingen, die hun geluk
stellen in rijkdommen, vermaken en eerambtcn, de leer is
eener valsche wijsheid, welke door den H. Jacobus,
aardsch, zinnelijk en duivelsch genoemd wordt. De wijs-
heid, die het geluk in de rijkdommen stelt, is aardsch,
omdat haar voorwerp de goederen der aardezijn. Die, welke
-ocr page 251-
ZATERDAG IN DE VIJFTIENDE WEEK NA SINKSFA\'.         243
het geluk zoekt in do vermaken, is dierachtig en zinnelijk,
omdat zij alleen de lichamelijke goederen beoogt. Eindelijk
de wijsheid, die het geluk doet bestaan in eerambten, is
duivelsch, omdat zij hetzelfde doelwit heeft, waar Lucifer
naar streefde: Her super omnes /Mos superHx (Job. xli. 25)
« Koning over al de kinderen van hoogmoed. » Geene
de/er is dan de ware wijsheid, aangezien die alleen de ware
wijsheid zijn kan, welke God voor haar laatste einde erkent,
en alles regelt om dat einde te bereiken, volgens de wetten,
die Hij zelf voorgeschreven heeft.
2.   Overweeg hoe elk dezer drie soorten van wijsheid
valsch en den naam onwaardig is. De aardsche wijsheid be-
looft valschelijk het hart gelukkig te maken bij middel van
rijkdommen, die, als een laatste einde, in zichzelvcn niet
goed zijn, maar enkel goed zijn als een middel en een
zeer onzeker middel, want dikwijls eonservantur Mvüüe in
malum domini sui
(Eed. v, 1*2) « Rijkdommen worden
bewaard ten nadeele van den bezitter. » Zinnelijke wijsheid
belooft hare leerlingen gelukkig te maken, bij middel van
lichamelijke, niet geestelijke vermaken, alhoewel de ziel het
edelste gedeelte van den mensch is ;deze wijsheid zoekt den
knecht te bevredigen, niet den meester. De duivelsche wijs-
lieid belooft den mensch gelukkig te maken bij middel van
eerbetuigingen, die de voortreffelijkheid van den mensch
niet uitmaken, maar slechts te kennen geven; daarom zijn
zij enkel teekencn, zeer dikwijls valsch en bedriegelijk,
gansch verschillend van de eerbetuigingen, welke van God
komen, die niemand eert. tenzij hij het verdiene.
3.  Overweeg dat de ware wijsheid die alleen is, welke
den mensch leidt tot het bekomen van zijn einde, de ware
gelukzaligheid. Hoe meer de ziel onthecht is van rijk-
domuien, vermaken en eerbetuigingen, des te vrijer is zij van
al wat haar van haar laatste einde zou kunnen terughouden;
-ocr page 252-
244
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
zij trekt haar nader tot hetzelve bij wege van verdiensten in
het tegenwoordige leven, en bij wege van belooning in het
toekomende. Bovendien beginnen de heiligen niet zelden
reeds in dit leven de belooning te smaken, een voorteeken
van het geluk, dat hun hiernamaals voorbehouden is. Deze
ware en verhevene wijsheid wordt enkel verkregen in de
school van Christus, die dezelve met Zich uit den hemel
bracht, en met eigen mond leerde, wanneer Hij onder an-
dere zegde : Beult pauperes spiritu (Malt. v, 3) « Zalig
zijn de armen van geest. » Wat moet gij dan doen om die
te bekomen ? Gij moet de wijsheid der wereld edelmoedig
verstooten, zooveel vooruitgang mogelijk maken in de school
van Christus, Hem aanhoudend smeeken dat Hij u door-
dringe met zijne goddelijke wijsheid, nadat Hij u in zijne
barmhartigheid onder het getal zijner uitverkoren lcerlin-
gen gerekend heeft.
ZESTIENDE ZONDAG NA SINKSEN.
Hoe noodzakelijk de ootmoedigheid is.
Recumbe in novissimo loco c/c, quia omnis qui se exaliat
humiliabitur, et qui se hurniliat, exaltabitur
(Luc. xiv, 10, 11).
Zit aan op de laatste plaats enz.,\'want al wie zich verheft,
zal vernederd, en wie zich vernedert, zal verheven worden.
1. Overweeg den\'grondrcgel van ware ootmoedigheid,
dien Christus u hier leen.: Recumbe in novissimo loco » Zit
aan op de laatste plaats. » Gij moet u eerst en vooral op de
laatste plaats stellen in uw eigen hart en in de achting van
uzelven, en denken dat iedereen beter is dan gij. En opdat
-ocr page 253-
ZESTIENDE ZONDAG NA SINKSEN.                       245
deze oefening min lastig vallc aan uwen hoogmoed, begin
aandachtig te overdenken uwe onvolmaaktheden, zoo na-
tuurlijke, als zedelijke ; uwc ondankbaarheid, nadat gij
zoovele weldaden van den Heer ontvangen hebt, en uwe
zonden, voor dewelke gij verdiendet van Lucifer zelven met
de voeten vertreden te worden. Gij zult dan wel reden vin-
den om met David te zeggen : Eru humilis in oculis meis
(3 Keg. vi, 22) «Ik zal in mijne oogen nederig zijn. »Niet-
temin hebt gij tot nu toe juist het tegenstrijdige gedaan,
met uwe oogen te sluiten voor uwc eigene onvolmaaktheden,
zonden en hoogmoed, en alleen acht te geven op de gebre-
ken van anderen. Het is geen wonder dan dat, verre van u
zelven op de laatste plaats te stellen in uwe eigene achting,
gij u zoo gemakkelijk boven anderen de voorkeur geeft.
Hoevele zijn er niet onder uwe broeders, wien gij nu ge-
ringer gelooft, dan gij, en die u nogtans, voor God, ver
overtreffen in deze wereld, en ver boven u zullen zijn in de
andere?
1. Overweeg dat gij u in novissimo loco « op de laatste
plaats, » moet stellen, ook wat hel uitwendige aangaat,
met in alles, voor zooveel de gehoorzaamheid het toelaat,
de laagste plaats te zoeken, en verheugd te zijn, wanneer
gij door de beschikkingen uwer oversten u daarin bevindt.
Wanneer omstandigheden u op eene hoogere plaats stellen,
moet gij door het uitwendige doen blijken het gering ge-
dacht, dat gij van u zelven hebt, en u met alle rechtzinnig-
heid minder achten dan anderen in begaafdheden en ver-
diensten. Dat laag gedacht van u zelven moet gij nog doen
uitschijnen in uwe woorden, met te zwijgen van al wat tot
uwen lof zou kunnen strekken, en uwen naaste te prijzen,
wanneer de gelegenheid zich aanbiedt; met te beminnen
dat men u over uwc fouten berispe, en met de gebreken
van anderen door de vingeren te zien. Indien gij aandach-
-ocr page 254-
246
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
tig nadenkt op uw gedrag in hot verledcne, zult gij reden
genoeg vinden om uwen hoogmoed te beschamen.
3. Overweeg, ten einde u aan te moedigen, om uwe hoo-
vaardighcid te onderdrukken, en de laatste plaats te be-
minnen, dat de gewichten en maten, welke Jcsus gebruikt,
verschillig zijn van die, welke de wereld bezigt. De wereld
acht en maakt meest werk van hem. die zich hoogst ver-
heft, maar door Christus wordt diegene, die zich diepst
vernederd, meest geëerd; want door de ootmoedigheid wor-
den wij gelijk aan Jesus, die Zichzclven verootmoedigde :
Humiliavit semetipsum (Philip, n, 8), en naarmate wij
Hem meer gelijken door de ootmoedigheid in deze wereld,
zullen wij Hem ook meer gelijken door de glorie in de toeko-
mendc: Qui sehumiliat, exaüabitur.«Wie zich vernedert, zal
verheven worden.» Het is gelijk met eenc fontein; hoc dieper
de fontein is,des te hooger zullen hare waters zich verheffen.
Wat meer is, welke religieuzen worden, zelfs van de we-
reldlingen, meest geacht en geëerbiedigd ? Niet de trotsche,
eerzuchtige of hoovaardigc; maar de ootmoedige, zooals
een H. Franr.iscus en meer andere, die om de voetstappen
van Christus te volgen, de ootmoedigheid ter harte namen,
en zich na allen stelden, vluchtende, zooveel zij konden,
de eerbetuigingen en eerste plaatsen. Wat schandigere
onregelmatigheid kan men uitdenken, dan eenen religieus
te zien, die openlijk belijdt de ootmoedigheid van Christus
na te volgen in hel klooster, zoodanigen te zien, zeg ik,
gedreven door eerzucht, eerambten najagen, op wereldsche
eerbewijzingen staan, opgeblazen met eigen lof, zich boven
anderen stellen, en de hoogste plaats zoeken? Indien het
voor alle Christenen waar is dal: Qui se exaltat, humiliabi-
tur
« Al wie zich verheft zal vernederd worden,» hoe-
veel te meer voor den trolschen en hoovaardigen religieus in
den tijd en in de eeuwigheid.
-ocr page 255-
247
MAANDAG IN DE ZESTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over het beknibbelen der gebreken van onzen naaste,
Quid vides feslueam in oculo fratris tui, trabem autem, quee in
ocitlo tuo est, non consideras ?
(Luc. vi, 41).
Wat ziet gij den splinter in hot oog uws broeders, en bemerkt
gij niet don balk in uw eigen oog ?
1.  Overweeg hoc onredelijk liet is voor u, de kleine ge-
breken van uwe broeders op te merken, te beknibbelen en
te veroordeelen, daar gij er vele grootere hebt, die uwe
aandacht wekken en waar gij nogtans geen acht op geeft.
Alvorens de gebreken van anderen ie oordeelen, denk op
de uwe : Ante judicium interroga ie ipsum (Eccli. 18-20)
\'i Onderzoek u zclven vóór het oordeel. » Wees geen geest-
drijvende ijveraar ; want alwic op zoo onaangename wijze
te werk gaat. wordt door Christus met den schandigen
naam van schijnheilige begroet. : Hypocrita, ejice primum
trabem de ocub tuo
(Luc. vi. 42) « Gij huichelaar, trek
eerst den balk uit uw eigen oog. » En te recht; want hij
zou willen beter schijnen dan anderen, zooals de schijnhci-
ligen gewoon zijn te doen, en zulks niet door goede werken,
gelijk aalmoezen geven, gebed ol\' andere dergelijke ; maar
zooals de Phariseër in den tempel deed. met trots de aude-
ren te versmaden, wien hij zou moeten gelooven beter te zijn
dan hij zelf is. Nu wal zou er van u geworden, indien gij
zoo schandigen naam waardig waart, u zelven zoekende te
verheffen met anderen te vernederen, die beter zijn dan gij ?
2.  Overweeg dat, met de kleine gebreken van uwe broe-
ders te veroordeelen. zoudet gij het zelfs doen uit iever, niet
uithoovaardij. gij daar geen voordeel uit trekt voor u zel-
ven. Veronderstel zelfs dat gij zoudt gelukken, al de splin-
-ocr page 256-
248                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
ters te verwijderen van bet oog uws broeders, wat zal het u
baten, indien gij den balk, die u in den afgrond storten
zal, in de uwe bewaart ? Qui alium doces, te non doces
(Uoin. 11, 91). « Gij, die een ander leerI, leert u zelven
niet. >> Wat goeds kan er voor u uit voortkomen ? Gij bc-
wijst daarmede ook gcenen dienst aan uwen naaste, want,
daar gij u zoo ijverzuchtig toont voor de mindere gebreken
van anderen, zonder in bet minst bezorgd te zijn voor de
uwe, die veel grooter zijn, zullen zij u niet alleen uitlachen,
maar nog verergerd zijn te zien, dat gij u het ambt van
overste en rechter aanmatigt in ecne zaak, waarin gij plich-
tiger zijt dan zij. Wat wilt gij anderen berispen aangaande
overtreding van regelen, welke gij slechter onderhoudt dan
zij ! Indien gij echter met vrucht de gebreken uwer broeders
verbeteren wilt, doe het met het goed voorbeeld ; want met
op u zelven te letten, en u van uwe gebreken te beteren,
zullen de anderen leeren de hunne te verbeteren.
3. Overweeg dat gij, met de gebreken van anderen te
berispen, zonder eerst de uwe te verbeteren, niet alleen een
onnuttig en verkeerd werk doet, maar een werk dat u zelven
nog uiterst nadeelig is : in quo enim judicas alterum, te
ipsum condemnas
(Mom. n, 1) « want waar gij een ander
over oordeelt, daarin veroordeelt gij u zelven. » Gij matigt u
eene macht aan, welke niet toekomt aan u, die met de zorg
van anderen niet belast zijt : gij tergt de rechtvaardigheid
Gods, die niet wil, dat gij u als rechter over uwen naaste
aanstelt. Begin dan eerst met u te ontmaken van uwe
fouten, dan zult gij wettiglijk uwe broeders met liefde kun-
nen vermanen nopens gebreken, welke zij misschien niet
kennen, en tegen dewelke zij bijgevolg op hunne hoede niet
kunnen zijn.
-ocr page 257-
249
DINSDAG IN DE ZESTIENDE ^YEEK NA SINKSEN.
OTer de eer die wij onze ziel verschuldigd ziju.
Fili, in mansuciudinc seroa animam tuam, et da illi honorem
secundum meritum suum
(Eccli. x, 31).
Mijn zoon, bewaar uwe ziel in nederigheid, en houd haar in
eero naar hare waarde.
1.  Overweeg welke die eer is, die gij aan uwe ziel ver-
schuldigd zijt. Zij bestaat, op de eerste plaats, daarin, dat
gij toeziet dat zij gebiede, en niet gehoorzame, want zij is
geschapen om te gebieden, gelijk eeue koningin, over de
begeerten van het lichaam, niet om aan dezelve te gehoor-
zamen, gelijk eene slavin : Sub te erit appetitus ejus, et tu
dominuberis illius
(Gen. iv, 7) « De begeerlijkheid derzelve
zal onder u zijn, en gij zult over haar de heerschappij
hebben. » Zie dan, wat groot ongelijk gij de ziel aandoet,
met haar te onderwerpen aan de slavernij des lichaams, in
zijne meest verlagende noodweiidighedeu, zooals eten,
drinken, slapen, en zelfs zinnelijke begeerlijkheid. Handel
zoo niet. maar geef aan uwe ziel de plaats, die haar toe-
komt, de plaats van gebieder.
2.  Overweeg de tweede wijze, waarop gij uwe ziel moet
eer aandoen, namelijk, met haar den voorrang te geven,
zooals het behoort, boven alles wat minder waard is dan
zij, dat is te zeggen, boven al het vergankelijke en tijde-
lijke ; want het tijdelijke komt tot een einde, terwijl zij
eeuwig is. Gij moet haar daarom hooger schatten dan de
ijdele vriendschap der menschen, dan een grooten naam,
dan de rijkdommen, dan het leven zelve, dat u zoo duurbaar
is; dit verdient de ziel : Cuncta, quse habet homo, dabit
pro anima sua
(Job. u, 4) « Al, wat een mensch heeft,
-ocr page 258-
250
BEKNOPTE OVERWEGINGEN\'.
zal hij voor zijne ziel geven. » Wie zou dan niet ween en bij
hel aanschouwen van zoovelen in de wereld, die niet vreezen
hunne ziel voor een niet aan den helscben vijand te ver-
koopen ? Wacht u wel dezen na te volgen, gij zoudt het te
bitter berouwen in de eeuwigheid.
3. Overweeg de derde manier van uwe ziel te eeren. Zij
bestaat daarin, dat gij haar niet alleen behandelt als konin-
gin. en haar, naar behooren. den voorrang geeft boven al
de goederen der aarde, maar dat gij ook zorg draagt, dat zij
God geniete, het einde voor hetwelk zij geschapen is, en dat
gij. in uwe hoedanigheid van religieus, dat genot niet uit-
stell tot het andere leven, maar het haar verschaft reeds in
het tegenwoordige, zooveel u mogelijk is : Anima mea HU
vivet
(Ps. xxi. 31) " Mijne ziel zal voor Hem leven. » Dit
geluk zult gij verkrijgen met u zorgvuldig op het gebed toe
te leggen, op God te denken, van God te spreken, u met
God te onderhouden, en in zijne goddelijke legen\\voordig-
heid te wandelen : Vivemus in conspectu ejus (Ose. vi, 3).
« Wij zullen in zijn aanschijn leven. » Met .zoo te doen,
zult gij uwe ziel grootelijks eeren. Dit zal het bewaren ver-
gemakkelijken van de tweevoudige eer, die haar toekomt.
Indien gij u dikwijls met God onderhoudt, zult gij de zinnc-
lijke vermaken verachten, en hun de ziel nooit, als eene
slavin, onderwerpen : nog min zult gij uwe ziel slachtoffe-
ren, zelfs niet ten prijze van al wat de wereld u geven kan.
Door die oefening van inwendige ingetogenheid zult gij uwe
ziel beletten rond te zwerven, gelijk een landlooper, langs
de gevaarlijkste wegen ; zij zal in u blijven, gezeten, gelijk
cene koningin, op haren troon.
-ocr page 259-
251
WOENSDAG IN DE ZESTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over het beantwoorden aan de genade.
Terra scepe venientcm super se bibens imbrem, et generans
herbam......accipit benedictionem a Deo, proferens autem spinas
ac tribulos, rcproba est et maletlicto proxima, cujus consummatio
in combustionem
(Hebr. vi, 7,8).
Een akker die den \'menigmaal op hem vallenden regen
indrinkt, en gewas draagt..... die verkrijgt zegen van God ;
maar brengt hij doornen en distelen voort, dan wordt hij at\'ge-
keurd en is den vloek nabij, en zijn einde is verbranding.
1.. Overweeg dat, evenals een akker geen scheutje gras
kan voortbrengen, zonder door den regen bevochtigd ge-
weest te zijn, zoo cene ziel door haar zelve hoegenaamd
geenc vrucht van deugd kan voortbrengen, zonder den bij-
stand der goddelijke genade. Tracht deze waarheid grondig
te begrijpen, gij zult dan leeren u zelven gansch te mistrou-
wen, en uit den grond van uw hart tot God zeggen : Anima
mea. sicut terra sine aqua tibi
(Ps. cxi.n, G) « Mijne ziel
dorst naar u, gelijk een smachtend land. » Maar de genade
is ook niet voldoende zonder uwe medewerking, en dus be-
staat er hetzelfde verschil tusschen twee zielen, beiden door
den Hemel gelijk begunstigd, maar niet even getrouw,
als tusschen twee akkers, die denzelfden regen ontvangen,
en nogtans niet even vruchtbaar zijn : van daar dat de eene
door God gezegend, de andere vervloekt wordt. Tot welke
soort behoort gij ? Er is geen middenweg.
2. Overweeg een weinig, hoe dikwijlder en overvloediger
de regen der goddelijke genade op uwe ziel gevallen is, dan
op zoovele andere in de wereld, die grootcr gebrek aan gees-
telijke hulp hebben. Onderzoek nu hoe gij daaraan beant-
woord hebt ? Wat vruchten hebt gij voortgebracht met
-ocr page 260-
252
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
dien overvloed van genade, welke gij van den Heer in den
religieuzen staat ontvangen hebt ? Indien gij goede vruchten
gedragen hebt, dan moogt gij u verheugen, bij de gedachte
dat de Heer u gezegend, en eene belooning voor u in den
hemel bereid heeft. Maar indien gij integendeel niets dan
sjrinas et tribubs, « doornen en distelcn » voortgebracht
hebt. dat is, dagelijksche zonden, verbeeld door dedoornen, en
doodzonden,verbeeld door de distelen: dan zijt gij inderdaad
te beklagen ! Wat eene schrikkelijke straf wacht u !
3. Overweeg de drie verwenschingen, welke tegen den
onvruchtbaren akker uilgesproken werden. De eerste is de
veroordeeling, want een der zekerste teekens dat eene ziel
verloren zal gaan. is. dat zij veelvoudigen bijstand ontvangt
om goed te doen, en daar nogtans geen gebruik van maakt.
De tweede is het vonnis van verdoemenis nabij zijn ; want
God verdraagt gewoonlijk niet lang zulke ondankbaarheid.
De derde verwensching is de straf van het helsche vuur,
want het vuur is de evenmatige straf voor die afgrijselijke
onvruchtbaarheid. Tracht daarom te beantwoorden aan die
ontelbare genaden, welke de Heer over u uitstort, en zoo zal
uwe ziel zijn, gelijk een vruchtbare akker, en dagelijks meer
en meer besproeid worden met eenen overvloed van verlich-
tingen en gunsten : Et accipiet benedictionem a Deo, « en
zij zal zegen van God verkrijgen. »
-ocr page 261-
253
DONDERDAG IN DE ZESTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Oycr de ware wijsheid.
Etsi quis crit consummatus inter filios hominum, si ah Ulo
abfuerit sapientia tua in nihihtm computabitur
(Sap. ix, G).
Al was er ook iemand volmaakt onder de kinderen dor mcn-
schen, hij zou toch, als hem uwe wijsheid ontbrak, voor niets
te achten zijn.
i. Overweeg hoe vele menschen er zijn, die werken en
slaven voor al het overige, uitgenomen voor het. ééne be-
langrijke. Hoe vele scholen zijn open, en hoc velen wonen
dezelve bij om te leercn.eenigen de letterkunde èn de weten-
schappen ; anderen, het rijden of het gebruik der wapenen;
anderen nog zingen of schilderen? Maar hoe weinigen die
de school van zaligheid bijwonen, en zich toeleggen om de
heilige vrees Gods te loeren! En ten slotte deze is nogtans de
eenigc ware wijsheid: zijne handelingen weten te regelen
naar het bereiken van zijn laatste einde, dat is, de gelukza-
lige eeuwigheid; want de inensch, die haar niet bezit, laat
hem in de letteren en wetenschappen nog zoo ervaren zijn,
bezit niets : Ad nihilum computabitur, « hij zal voor niets
te achten zijn. » Gij zijl geroepen geweest tot het religieuze
leven, dat de school van ware wijsheid is, maar hebt gij
reeds geleerd deze heilige vrees Gods meer te achten dan
al het overige ?
2. Overweeg dat de Wijze man in hot algemeen niet zegt,
dat de kennis der letteren, wetenschappen of kunsten tot
niets dient; maar alleen dat zij tot niets dient, wanneer zij
niet vergezeld is van de heilige vrees Gods; omdat die
begaafdheden zeer wel kunnen verkregen worden op eene
verdienstelijke wijze, en kunnen bijdragen tot het bekomen
-ocr page 262-
254
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
van de vrees Gods en tot zijn heiligen dienst. Gij moet u toe-
leggen op die wetenschappen en kunsten, welke u bekwaam
maken om uw ambt uil te oefenen, en welke u dientenge-
volge helpen om de heilige vrees Gods te verkrijgen. Zie-
daar den regel, aan welken gij u houden moet ! Wat de
andere begaafdheden aangaat, die u daartoe niets baten,
maar eerder een hinderpaal zijn, bekommer u er niet om.
Onderzoek u zelven, en neem dicnsvolgens een besluit.
3. Overweeg dat eene ziel, die deze goddelijke wijsheid
van de vrees Gods niet bezit, in het algemeen verklaard
wordt niets waard te zijn : in nihilum computabitur, « hij
zal voor niets te achten zijn, » opdat gij zoudet verstaan,
welk geld in den hemel koers lieert. Hoe denkt gij dat men
in den hemel oordeelt over den moed van eenen Alexander,
de geleerdheid van eenen Aristoleles, de welsprekendheid
van eenen Cicero, en van al de meesterstukken der grootste
kunstenaars ? Dit alles heeft volstrekt geene waarde:
in nihilum computatibur, « hij zal voor niets te achten
zijn. i) De armste bedelaar, integendeel, bedekt met zwee-
ren, bezield met de hei\'ige vrees Gods, wordt in den
hemel hooger aanzien, dan al die grootheden der wereld te
zamen genomen. Gelooft gij deze waarheden V Hoe komt
het dan dat gij dezelve niet in oefening stelt ? Een bord
wasschen uit liefde lot God, eene versterving of vernede-
ring verdragen, een akt. hoe klein ook, van ootmoedig-
heid, gehoorzaamheid, of liefde maakt u meer achtbaar in
den hemel, dan indien gij een Plato of een Demosthenes
waart.
-ocr page 263-
255
VRIJDAG IN DE ZESTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Dat wij voor God leren moeten.
Nemo nostrum sibi vivit, el nemo nostrum sibi moritur. Sive
enim vivimus, Domino vivimus; sioe morimur, Domino mo-
rimur. Sioe ergo vivimus, sioe morimur, Domini sumus.
(Rom.
xiv, 7.8).
Niemand van ons leeft voor zich zelvon, en niemand sterft
voor zich zelven ; want is hot dat wij leven , wij lovon voor den
Heer ; is het dat wij sterven, wij sterven voor den Hoer ; hetzij
dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, den Heore behooren
wij toe.
1. Overweeg dal de inonarken der aarde onder hunne
legers gewoonlijk eenen troep soldaten hebben, die de lijf-
wacht des konings genoemd wordt; dezen zijn hem zoo
verknocht, dat zij nauwelijks hun leven aanzien als het
hunne, en niet aarzelen hem ter zijde te snellen in de wan-
hopigste ontmoeting, zoude het zelfs hun leven kosten. Een
dergelijke krijgsman was de H. Paulus, wiens leven geen
ander doelwit had, dan den dienst van God, en die ook niets
anders zocht in zijnen dood, dan de glorie van God. Dit is
juist water u te doen staat in den religieuzen staat, in wei-
ken gij u aan den dienst van God gansch toegewijd hebt,
voor Hem leven en sterven. Maar wat is uw gedrag
onder dit opzicht? Gij hebt den moed niet uitsluitelijk voor
God te leven, met u te onthechten van die gemakken, welke
u voor u zelven doen leven, en u beletten u zelven ooit aan
het kleinste gevaar bloot te stellen van te sterven uit liefde
tol Hem.
*2. Overweeg wie degenen zijn, die voor zich zelven le-
ven en sterven. Het zijn die, welke leven op hunne manier
en naar hunne grillen, en wier dood een gevolg is van de
-ocr page 264-
256
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
groote wanorders, en overmatige moeiten, waaraan zij
zich onderwierpen ten gunste hunner eerzucht en genegen-
lieden. Integendeel diegenen leven voor den Heer, die zich
geheel overgeven aan de schikkingen van God, hun best
doen om zijne glorie te bevorderen, hunne tong, hunne
handen, al hunne zintuigen en vermogens gebruiken voor
de eer van God „ en gereed zijn voor Hem zelfs het leven te
geven, dat zij toch eens verliezen moeten. Gelukkig zijt gij,
indien gij tracht voor God te leven en te sterven, en zoo
vermijdt onder het getal diergenen gerekend te worden,
die voor zicli zelven leven en sterven.
3. Overweeg dat, wat des konings lijfwacht meest aan-
moedigt om alle gevaren voor niets te achten, de gedachte
is dat zij niet strijden voor zich zelven, maar voor den
koning, wiens vaandel zij verdedigen. Deze gedachte moet
u ook moed inboezemen. Gedenk wien gij toebehoort, en
hoevele titels van bezitting de Heer over u heeft : empti
emm estis pretio magno. » want gij zijt voor een grooten
prijs gekocht. »Ten einde, het is niets groots dat een nede-
nge dienaar leve en sterve voor Christus, daarbij weet dat
Christus voor hem zijn leven gegeven heeft en op het kruis
gestorven is. Besteed gaarne uw leven in den dienst van
God. wees niet bevreesd het voor Hem te verliezen, want
het verhezen zal u overbrengen lot een eeuwig leven, des
te uitmuntendcr, naarmate gij dit voorbijgaande en stoll\'elijk
leven voor God met grootere vurigheid besteedt en slacht-
offert.
-ocr page 265-
257
ZATERDAG IN DE ZESTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over het
verschil tnsschen den wijzen en dwazen nienseh.
Homo sanctus in sopientia mand, sicut sol; nam stultus sicut
luna mutatur
(Eccli. xxvn, 12).
Een vroom raenseh blijft in de wijsheid, gelijk do zon ; maar
de dwaze is veranderlijk gelijk de maan.
1. Overweeg dat de heilige en vrome mensen zoo verschil*
lend is van den zondigen en dwazen, als de zon van de
maan. De zon wordt eene vaste ster genoemd, niet omdat
zij zich niet beweegt, maar omdat zij altijd dezelfde is, en
nooit haar licht of kracht verliest. De maan integendeel
draait, verdwijnt en verandert eiken oogenblik: nu is zij
vol, dan weer duister. Zoo ook een vroom mensen beweegt
zich en blijft staan terzelfder tijd ; hij beweegt zich met al-
tijd in de deugden toe te nemen, hij blijft staan met niets
te verliezen van de deugden, die hij reeds verkregen heeft.
De dwaze doet juist het tegenovergestelde; hij verandert
aanhoudend; wat hij heden wint, verliest hij morgen; be-
gint hij eenig goed te doen, hij verandert aanstonds, en
keert om. Is uwe standvastigheid in het goede onwankeU
baar, gelijk de zon ?
1. Overweeg hoe de goede en voorzichtige mensen stand»
vastig blijft in de oefening der deugd ; hij dwaalt nooit af
van heleinde, dat hij zich eens voorgesteld heeft van God
altijd te zoeken. Nu is hij bezig met het gebed, of de studie,
dan in den dienst van den naasle of het volbrengen der
plichten, die de gehoorzaamheid hem oplegt. Maar hij
blijft altijd in de wijsheid, met niets anders te beoogen dan
in alles zijnen God meer en meer te behagen. Hij verliest
den moed niet, noch blijft halfwege staan, ter oorzake der
n                                                                              15
*
-ocr page 266-
258                            BEKXOrTE OVERWEGINGEN.
moeiclijkhcden, welke hij ontmoet: maar hij gaat aanhou-
dend vooruit in zijne onderneming, namelijk, het bereiken
van zijn einde. Gij zult inderdaad gelukkig zijn, indien gij
standvastig en onwankelbaar blijft in deze eenige ware
wijsheid, die daarin beslaat, dat, gij altijd uw einde voor
oogen hebbende, in alle uwe werken niets andei\'s zoekt dan
het welbehagen van God: zoo doende zult gij lot de heilig-
heid geraken.
3. Overweeg de reden waarom de dwaze mensch zoo
veranderlijk is. als de maan. Het is omdat hij geene vaste
gedragslijn heelt, noch de oogen gevestigd houdt op zijn
laatste einde, maar zich schikt naai\' de voorschriften
der wereld en de slechte voorbeelden van anderen; zijn
doelwit is niet God behagen, maar doen gelijk de anderen :
en aldus handelende naar hetgeen hij hoort en ziet, blijft hij
nooit in denzelfden staat : numquam in entlem statu perma-
net.
Te meer, dat zelfs de kleinste moeite, welke hij op
den weg der deugd ontmoet, hetzij menscheiijk opzicht, of
tegenzin der bedorvene natuur, hem verschrikt, en van
zijne onderneming doet terug deinzen. Hoe noodzakelijk is
het dan niet dat gij u zelven kent, om u niet zoo gemakke-
lijkdoorde anderen te laten verleiden, dat gij kloekmoedig
de hinderpalen overwint, die u in den weg staan, om aldus
onbelet tot uw einde te komen, zooals de ware wijsheid van
u verlangt.
-ocr page 267-
259
ZEVENTIENDE ZONDAG NA SINKSEN.
Over de liefde tot God.
Diligcs Dominum Deum iuum ex toto conla tuo, cl in tota
animo, tua, et in tota inentc tua
(Mntth. xxn, 37).
(jij zult don Hoer uwen God liefhebben uit gohool uw hart,
on mot geheel uwe ziel, on met gohool uw verstand.
1 .Overweeg dat om dit eersteen grootste gebod van God
lief te hebben, wel te volbrengen, gij zorgvuldig deze drie
punten moet in acht nemen: hoe beminnelijk God in Zich-
zelven is, hoc zeer Hij u bemint, en hoe vurig Hij verlangt
door u bemind te worden. Niets is beter geschikt om hel
hart te winnen, en anderen aan te zetten om te beminnen,
dan door weldaden te toonen dat men op hunne lietde staat.
Dit heelt de Almachtige, ten uwen opzichte gedaan. Als
Schepper der natuur, heelt Hij u uit bet niet getrokken, u
de voorkeur gegeven boven ontelbare anderen, die beter
zouden geweest zijn dan gij, bewaart Hij u eiken oogenblik,
en wendt Hij te gelijk zijne Almacht aan. om ten uwen voor-
deele al de schepselen dezer wereld te bewaren. Als Gever
der genade, heeft Hij u met zijn eigen bloed vrijgekocht,
deed Hij uvan Ghristene ouders geboren worden, bevoor-
rechtte Hij u met de gaaf des geloofs in het II. Doopsel, gaaf
aan zoovelen geweigerd, eindelijk door eene bijzondere in-
geving heeft Hij u tot het religieuze leven geroepen. Ten
laatste als Koning der glorie, bereidt Hij u zijn koninkrijk,
en belooft Hij u gelukkig te maken in hel bezit van Hem
zelven. Zijn al deze groote en ontelbare gunsten niet vol-
doende om uw hart te winnen, en u tot wederliefde aan te
zetten? Doch vergeet niet, dat de ware liefde moet getoond
worden door de werken; zij is gelijk het vuur, dat nooit
-ocr page 268-
2(30                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
werkeloos zijn kan ; daarom zegt de H. Joannes : Non (Uli-
gamus verbo, neque lingua, sedopere et veritate
(1. Jo.
111,18) «Laat ons niet liefhebben met woorden tong, maar
met daad en waarheid. »
3. Overweeg hoc zeer de Heer u bemint. De liefde is bo-
ven alle gift, zij is de ziel zelve van de gift. Nu God
beminde en bemint u, zonder palen, zonder eigen belang,
en zonder medewerking van uwen kant. Zonder palen,
want Hij beminde u van alle eeuwigheid, en voor zooveel
het van Hem afhangt, wenscht Hij u te beminnen zonder
einde. Zonder eigen belang ; want wat nood kon Hij
aan u hebben, daar Hij altijd oneindig gelukkig in Zich
zelven is. Zonder medewerking van uwen kant, want
voor al die liefdeblijken, ontvangt Hij van u duizende
belcedigingen en ondankbaarheden, welke Hem noglans
niet beletten u te beminnen. Waar is de mensch, die zich
zoo behandeld ziende door het voorwerp zijner liefde, wiens
liefde niet zou verkoelen of gansch ophouden? Leer van
daar eens voor altijd, den Heer te dienen uit zuivere liefde
en voor zijne glorie, zonder acht te geven op uwe eigene
belangen.
3. Overweeg hoe beminnelijk de Heer in Zichzelven is,
uit hoofde zijner oneindige eigenschappen en voortreffelijk-
heden. Zien wij iemand uitmunten in begaafdheden en
deugd, wij worden, als gedwongen,hem te beminnen.Doch
hoe grooter zou uwe bewondering niet zijn, hoe meer zoudt
gij u niet getrokken gevoelen, indien gij in éénen mensch
al de begaafdheden en deugden vereenigd zaagt, die tot
nu toe onder de menschen verdeeld zijn geweest ? Nu God
bevat in Zich al het goede en schoone, waar wij hier en
daar een schaduw van onder de menschen verspreid zien,
maar oneindig volmaakter. Hij bezit bovendien andere on-
telbare eigenschappen, die alle gedacht oneindig overtref"
-ocr page 269-
ZEVENTIENDE ZONDAG NA SINKSEN.                    261
fen. Hoe kunt gij u\'dan weerhouden God te beminnen om
Hem zelven ? Al het goede en schoone in descliepselcn moet
gij beminnen in Hem, die de oorsprong en Schepper van
alle goed is.
MAANDAG IN DE ZEVENTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over de volharding tot liet einde.
Esto fidclis usque ad mortem, et dabo tibi coronam vitw
(Ap. ii, 10).
Weos tot den dood toe getrouw, en ik zal u de kroon dos
levens geven.
1.  Overweeg dat de getrouwheid onder al de deugden
eens dienaars meest geacht wordt: Si est tibi servus /idelis,
sit tibi quasi anima tua
(Eccl. xxxni, 31) « Hebt gij een
getrouwen slaaf\', hij zij u zoo lief als uw leven. » Gij zijt
een dienaar Gods, dienaar in den gestrengsten zin ; hel is
dan geen wonder dat-God u door zoo verhevene beloften
aanzet tot altijd grootere getrouwheid. Maar wat beteekent
het een getrouwe dienaar zijn ? Het wil zeggen dat gij de
belangen van God boven de uwe moet stellen; dat, wan-
neer het er op aankomt God te behagen, gij geen werk
moet maken van gezondheid, faam, of het leven zelf.
Een getrouwe dienaar bemint zijnen Heer boven zich zel-
ven. Gelooft gij die getrouwheid te bezitten ? Zonder haar
is het onmogelijk de kroon te verwerven.
2.  Overweeg dat het niet genoeg is deze getrouwheid te
oefenen enkel voor een korten tijd ; gij moet haar be\\va-
ren tot den dood : usque ad mortem, want de volharding is
**
-ocr page 270-
262
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
het zekerste bewijs der getrouwheid. Gij zijt bezorgd om
wel te sterven, maar niet zoo bezorgd om wel te leven.
Wees zoo uitzinnig niet; doe uw best om den Heer getrouw
te zijn geheel uw leven lang usque ad mortem; zoodanig dat
indien Hij u eene ziekte, versmading of vervolging over-
zendt of toelaat, zouden zij tot uwen dood moeien duren, gij
nogtans in al deze beproevingen standvastig en getrouw
blijft.De getrouwheid wordt bijzonder geloond in den tegen-
spoed, en daarom, nadat zij ten volle beproefd is geweest,
ontvangt zij hare belooning. Denk een weinig\'na of uwe
getrouwheid onwankelbaar blijft in de kleine tegenkantiu-
gen, die gij in het religieuze leven ontmoet: gij zult dan
Vunnen hopen aan groote beproevingen te kunnen weerstaan.
3. Overweeg dat gij met schrik bevangen wordt bij de
gedachte, dat gij tot den dood toe usque ad mortem in alle
wederwaardigheden moet getrouw blijven, omdat gij u in-
beeldt dat gij den ouderdom van Adam zult bereiken ; mis-
schien zijt gij reeds den dood dichter nabij, dan gij wel
denkt. Doch veronderstel dat uw leven zoo lang weze, als
gij maar wenschen kunt. Wilt gij dat het u zeer kortstondig
schijne ? Denk dan op de eeuwige belooning, die u beloofd
is: Dabo tibi coronam vitse « Ik zal u de kroon des levens
geven. » Een leven dat zich altijd zal herhalen, en nooit
einde hebben. Een leven van geluk, waar het genot eeu-
wigdurend zal zijn. Is dit niet voldoende om u den schrik, te
benemen voor het weinige, dat gij te lijden hebt om aan God
getrouw te blijven? Gij zoudt integendeel moeten wenschen,
dat de tijd om te lijden langer ware, aangezien uwe vreugde
eeuwig zijn zal.
-ocr page 271-
263
DINSDAG IN DE ZEVENTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Dat wij Christus voor de inenschcn moeten belijden.
Omnis, quicumque confessies f\'uerit me coram hominibus, et
Filius hominisconfitebitür Mum coram anjelis Dei
(Luc.sii,8).
Een iegelijk, die mij boleden zal hebban voor do menschen,
dien zal ook do Zoon dos manschen belijden voor do Engebn
Gods.
1.  Overweeg wat eene groette eer de Heer u door deze
woorden belooft. Hij belooft u dat Hij u zal belijden voorde
Engelen Gods, die op den dag des oordeels rond zijnen troon
zullen geschaard zijn, op dezelfde wijze dat gij Hem getrouw
zult beleden hebben voor de menschen. Hij verklaart Zich te
zullen roemen over u, in liet bijzijn van duizenden hoogst-
verhevene geesten, en u te zullen waardig erkennen om tus-
sclien hen, op een schitterenden troon plaats te nemen, als
zijn ware onderdaan, oprechte volgeling, en dappere krijgs-
man. Is er eene eer op aarde, die daarmede kan vergeleken
worden?Gij, die heteenezoogroote eerzoudt achten, indien
een der machtigen der aarde u onder zijne bescherming nam,
en u loofde in de tegenwoordigheid van zijn bof. hoc veel
hooger moet gij de eer niet waardeeren, dat God zelf Zich over
u roeme. en u lovc in het bijzijn van al de Engelenscharen ?
Denk dikwijls op de eer en glorie, die u voorbehouden is,
en gij zult de achting en den lof der menschen in dit leven
voor niets aanzien.
2.  Overweeg dat gij, om die groote eer waardig te wor-
den in het toekomende leven, Jesus Christus moet belijden,
en dat niet alleen met het hart, maar ook met den mond
en de werken : Corde, ore. et opere. Want indien gij Hem
slechts met het hart belijdt, met zijn geloof aan te kleven,
-ocr page 272-
264
BEKNOPTE OVERWEGINGEN\'.
en Hem te erkennen voor uwen Meester, Leider, en Koning,
spreekt het van zelf dat gij Hem daardoor weinig eer aan-
doet. Daarom zegt Hij juist: Quicumque confessus fuerit
me coram hominibus *
Een iegelijk, die mij zal beleden
hebben voor de menschen, » opdat gij zoudet ver-
staan, dat gij geen acht moet geven op het menschelijk
opzicht, dat gij uw best moot doen Hem te belijden en te eercn,
niet alleen tusscheu de muren uwer cel, maar ook op
de straten, in de huizen der grooten, in de kerk zoo-
wel als in alle openbare plaatsen. Jesus zal u dan bclij-
den in de tegenwoordigheid van al zjjne Engelen coram
angelis suis;
het is daarom uw plicht Hem te erkennen,
Hem te prediken voor alle menschen, zooals zijne oneindig-
heid vereischt. T)it moet gij doan niet alleen op den predik-
stoél, indien gij daartoe geroepen zijt, maar nog meer,
wat gemakkelijker is, in uwc gemeenzame oiiderhandelin-
gen, met zijne leer, zijne grondstelselen, zijne deugden te
loven, om daardoor anderen aan te zetten Hem te ecren;
met vrijelijk te veroordcelen de valsche leerspreuken der
wereld, tegenstrijdig terzelfder tijd met zijn Evangelie ;
met u te verzetten tegen de godslasteringen, welke men
ongelukkiglijk zoo dikwijls hoort in den mond der wereld-
lingen. Is het niet bewecnenswaardig, dat men uit den
mond van ecnen religieus, die zich toegewijd heeft aan de
bevordering van Gods eer, niets hoort dan eene wereldschc
taal, van niets sprekende dan van aardsche grootheid en
pracht, en geen werk makende van hemclsche zaken ?
3. Overweeg dat, opdat deze belijdenis volmaakt zij, gij
daartoe niet alleen uw hart en uwe tong moet gebruiken,
gij moet die belijdenis afleggen door uwe werken ; gij moet
metterdaad toonen in uwen handel en wandel, dat gij een
waar religieus en oprecht volgeling van Jesus zijt. Wat eer
bewijst gij Hem, ik vraag u, indien gij u voor de menschen
-ocr page 273-
*
DINSDAG IN DE ZEVENTIENDE WEEK NA SINKSEN. 265\'
schaamt openlijk te belijden, die ootmoedigheid, dat geduld,
die zachtmoedigheid en zedigheid, welke Hij u door zijn
voorbeeld geleerd heeft, en welke zoo eigen zijn aan uwen
staat van religieus ? Het is eerder voor Jesus eene bescha-
ming Zich in het openbaar die hulde van daden en woorden
geweigerd te zien ; nog te meer dal Hij dus behandeld wordt,
niet van eenen vreemdeling, maar van u, zijnen huisgenoot.
Des te grooter zal dan uwe beschaming zijn op den dag
des oordeels.
WOENSDAG IN DE ZEVENTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over de werkdadiglicid der goddelijke genade.
Omniapossum in co, qui me confortat (Philipp. iv, 13).
Alles vermag ik in hem, die mij versterkt.
1. Overweeg den grooten moed, waarvan de H. Paulus
door deze woorden blijk geeft. Hij toont alsof hij zich, schier
almachtig geloofde : Omnia possum, <• alles vermag ik, »
niet door zijne kracht, maar door den Heer, die alleen hem
zoo machtig maken kon. Nu deze gesteltenis in den
H. Paulus was geene hoovaardigheid, maar moed ; want
de ootmoedigheid bestaat niet in te gelooven, dat men voor
God niets kan doen, maar in te gelooven dat wij dat uit en
door ons zelven niet kunnen. Somtijds schijnt het u onmo-
gelijk dit of dat gebrek te overkomen, deze boetplegingen te
verrichten, in die plaats te leven, het ambt te vervullen,
dat u door de gehoorzaamheid is opgelegd, omdat gij enkel
de oogen slaat op u zelven. Verhef uwe oogen en vestig ze
op God, vast overtuigd zijnde dat uwe macht van den Heer
-ocr page 274-
266                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN\'.
komt, die verkiest Zicli van een zwak, onbekwaam schep-
sel, gelijk gij. te bedienen, om te toonen dat Hij de uilvoer-
der en oorsprong is van hetu opgelegde werk. Dus bande-
lende, zult gij tegelijk ootmoedig en dapper zijn.
2.   Overweeg dat, wanneer de Apostel zegt: Omnia
possum in eo, qui me confortat,
« alles vermag ik in hem,
die mij versterkt, » hij wil te kennen geven, dat hij inder-
daad alles kon doen, niet door zijne eigene natuurlijke
krachten, maar door de macht van Dengene, die in hem
eene bo\\ennatuui\'lijkc kracht instortte. Wat u ook moet
aanmoedigen voor groote ondernemingen is de gedachte,
dat gij dezelve te vcnullcn hebt niet den bijstand van God:
evenals een dwerg, aan welken een reus zijne kracht zou
bijzetten, om gezamentlijk eene groote massa te bewegen, zoo
zult gij ook door Gods genade versterkt.tot alles in staat zijn.
Dominus mihi astitit et confortavit me (5, Tim iv, 17) •> De
Heer heeft mij bijgestaan en mij kracht verleend. » Aldus
schreef de H. Paulus aan Timotheus, om ons te doen ver-
staan, dat de bijstand dei\' genade ons gegeven is, opdat wij
uit eigene vrije verkiezing met dezelve medewerken, en dat
zoo de verdiensten daarvan aan ons mogen toegekend
worden.
3.  Overweeg op welke dingen de Apostel zinspeelde, toen
hij zegde : omnia possum. « alles vermag ik. » Hij bedoelde
zulke dingen, als de ongemakken der armoede, kruisen die
de krachten der natuur, aan haar zelven gelaten, over-
trefïen ; want de goddelijke bijstand benam hem het gevoel
van lijden en ongemakken niet; maar hij verdroeg dat alles
heldhaftig. Gij ook, betrouw op God, en wees zorgvuldig
geene hinderpalen te stellen aan de genade, die u verster-
ken moet; zoo doende zult gij den moed niet laten zinken,
zelfs te midden der hardste beproevingen, maar gij zult
zeggen, gelijk de Apostel : Omnia possum in eo qui me
confortat «
Alles vermag ik in hem die mij versterkt. »
-ocr page 275-
2e:
DONDERDAG IN DE ZEVENTIENDE WEEK
NA SINKSEN.
Over de gelijkvormigheid aan den wil van God.
Füleles in düeclione acquiescont illi (Sap, in, 9).
Die hem liefhebben mot volharding\', zullen bij Hem verblijven.
1. Overweeg dat een zeker tecken, waaraan gij kennen
kunt, of gij uwen God met volharding liefuebt, is, in alles
zijnen heiligen wil volbrengen. Het is gemakkelijk Hem te
beminnen, wanneer Hij alles geeft wat gij verlangt,
vrede, gezondheid en geestelijke vertroostingen. De
moeite is, Hem te beminnen, wanneer liet uw lot is te doen
gelijk Hij wil, in ziekte, oneer, en geestelijke dorheid.
Hel is zijn wil dat er u nooit het eene of andere lijden
ontbreke ; gij vraagt van Hem niets anders telkens gij
tot Hem zegt : Fiat voluntas tua « Uw wil geschiede; »
want de wil des Heeren is dat gij u heiliget : llsec est volun-
tas Dei sanclificatio vestra
(1 Thes. ïv, 3) « Dit is Gods
wil uwe heiliging; » en niemand zal ooit tot de heilig-
heid geraken, dan langs den weg des lijdens : Omnes qui
placuerunt Deo, per miiltas tribidationes transierunt fideles
(Judith vin, "23). « Allen die God behaagd hebben zijn door
vele beproevingen gegaan, getrouw blijvende. »
Qï. Overweeg dat deze gelijkvormigheid van wil om vol-
maakt te zijn, eene volkomene berusting moet zijn in de
schikkingen Gods; niet dat het lagere deel in den mensch
ongevoelig moet blijven te midden der beproevingen, maat-
dat zijne hoogere vermogens altijd eene eerbiedige onder-
worpenheid behouden. Uw verstand en uw wil moeten zoo
gesteld zijn. Het verstand laat zich in vele personen nog
moeielijker overhalen dan de wil; het komt hun vreemd
-ocr page 276-
268
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
voor, dat de Heer hen op deze of gene wijze behandelt: zij
kunnen zich zclven niet overtuigen, noch gclooven dat die
ziekte, die vervolging der kwaadwillenden, of die beschikking
der oversten, welke hen belet vele godvruchtige oefeningen
te verrichten, of meer voorde zaligheid van den naaste te
arbeiden, zij kunnen niet gclooven, zeg ik, dat dit voor
hen het beslc is. Indien gij van dat getal zijt, uwe gelijkvor-
migheid aan Gods wil is niet volmaakt: gij hebt Hem niet
lief met volharding.
3. Overweeg dat de volmaakte gelijkvormigheid aan
Gods wil die is, welke meer dan al het overige, vrede aan
uwe ziel geeft; daarom wordt ook de gelijkvormigheid eene
berusting genoemd. Zoolang gij zult zoeken den wil Gods,
of dien van den overste, die voor u zijne plaats bekleedt,
met den uwen te doen overeenstemmen, zult gij nooit vrede
des harten hebben, maar altijd ontrust zijn door angsten,
zorgen, en knagingen van geweien. Dan alleen zult gij rust
en vrede vinden, wanneer gij toelaat, dat de Heer, of zijn
plaatsvervanger, over uwen wil beschikkc met de volko-
mene onderwerping van uw verstand. Stel u dan, zonder
voorbehoud, ter zijner beschikking, volgens den raad van
Job : Acquiesce igitur et habeto paccm (xxu, 21) « Onder-
werp u dan aan Hem, en heb den vrede.
-ocr page 277-
269
VRIJDAG IN DE ZEVENTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over de voorbeschikking.
Quos prcescivil, et predestinavit conformcs fieri imaginis filii
sui, ut sil ipse primogenitus in mullis fratribus
(Remi. vin, 29).
Die hij vooruit gekend heeft, die heeft Hij ook vooruit be-
stemd, om gelijkvormig te worden aan het beeld zijns Zoons,
opdat Hij do eerstgeborene zij onder vele broeders.
1.  Overweeg dat het zekerste teeken uwer voorbeschik-
king is, dat gij Jesus gelijkt, evenals een afschrift aan het
oorspronkelijke. Jesus werd door zijnen Vader gekozen voor
zijnen eigen, eerst "geboren en natuurlijken Zoon, en voor-
uit bestemd om den glorierijken titel van Verlosser te ver-
dienen door de uitoefening van zeer lastige deugden. Zoo
heeft Hij ook anderen gekozen voor zijne aangenomene kin-
deren, en om Jesus, hun voorbeeld gelijkvormig te zijn, op-
dat de aangenomene. kinderen, gelijk zij in het vaderland
aan hun oudsten Broeder moeten gelijkvormig zijn door de
glorie, hier op hun pelgrimstocht Hem zouden gelijken in
zijn lijden en vernederingen : Sicut portavimus imaginem
terreni, portemus imaginem cixkstis
(1 Cor. xv, 4ü).
\'i Gelijk wij het beeld des aardsclien gedragen hebben, zoo
laat ons ook hel beeld des hemelscben dragen. » Zoodanig
dat onze gelijkvormigheid met Christus in den hemel onze
gelijkvormigheid met Hem op aarde zal evenaren. Be-
schouw nu of gij een getrouw afschrift zijt van dat godde-
lijk voorbeeld; zoo niet, schrik en beef dat gij misschien
niet onder het getal der uitverkorenen zijt.
2.  Overweeg dat, gelijk God wilde dat Jesus de eerstge-
borene zou zijn onder vele broeders, primogenitus in multis
fratribus,
Hij ons, zijne aangenomene kinderen niet kon
n                                                                                                         1G
-ocr page 278-
270
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
toelaten deel te nemen in zijne glorie, tenzij op voorwaarde
dat wij zijnen eerstgeborene zouden navolgen, en de glorie
des hemels winnen ten koste van veel lijden. Van daar dat
men alleoogenblikken doornenen kruisen ontmoet;zij ont-
breken aan niemand.Doch, alles wel in acht genomen .is het
gemakkelijker voor een iegelijk arm ie zijn, gelijk Christus,
dan een overvlo?d van rijkdommen te bezitten; zich te ver-
nederen dan zich te verheffen; te gehoorzamen dan te ge-
bieden, en zoovoorts. Al wat er van noode is, is een
krachtdadige wil om u aan uw goddelijk voorbeeld gelijk-
vormig te maken.
3. Overweeg dat. om u aan te zetten naar die gelijkheid
te streven, uw geliefkoosd voorwerp van gebed moet zijn,
de beschouwing der voorbeelden van armoede, ootmoedig-
heid, gehoorzaamheid, zachtmoedigheid, die Christus u
gegeven heeft ; en van het verschil tusschen dat voorbeeld,
en deszelfs navolging. Aanschouw aandachtig het beeld van
den Gekruiste, en zeg dan tot u zei ven : Ch.istus is naakt,
ik ben wel gekleed; Christus is te midden der kwellingen,
ik zoek mijn gemak; Christus is verlaten, ik jaag de verma-
ken na ; Christus is veracht, ik wensch geëerd te worden.
Indien die vergelijking u niet aanzet om te lijden, smeek
den Heer dat Hij u dwinge te lijden, opdat er toch eenige
gelijkheid zoude bestaan tusschen u en uw voorbeeld : Con-
f\'ormes fieri imaginis Filii sui « om gelijkvormig te worden
aan het beeld zijns Zoons. »
-ocr page 279-
271
ZATERDAG IN DE ZEVENTIENDE WEEK NA SINKSEN
Over onze getrouwheid in kleine zaken.
Qui timet Dewn, nihil negligit (Eccl. vil, 17).
Arwie God vreest, verwaarloost niets.
1.   Overweeg de eerste beteekenis van de woorden,
waarmede de Wijze man bevestigt dal alwie God vreest
nihil negligi « niets verwaarloost. » Hij wil zeggen
dat de ziel, die de vrees Gods bezit, geene gelegenheid laat
voorbijgaan om goed te doen. niets dat inderdaad goed is,
als overtollig beschouwende. Van tijd tot tijd eenig goed
nalaten uit zwakheid, geschiedt zelfs onder de heiligen:
maar eeuig goed nalaten, dat men gemakkelijk doen kon,
uit zorgeloosheid, en zich vergenoegen met hetgene vol-
doende is om de genade Gods niet te verliezen, dat is de
nalatigheid, die door den Wijzen man verfoeid wordt, en
eigen is aan diegenen, welke God weinig vreezen. Door die
handelwijze immers doet men afstand van alle aanspraak
op de overvloedige genaden, die God gewoon is te \\erlee-
nen aan degenen, die naarstig zijn om Hem te behagen; en
bij gebrek aandien buiteiigewoonen bijstand, hoüvelen gaan
er niet dagelijks verloren! Alhoewel deze nalatigheid in haar
zelve gcenc doodzonde zij, zij leidt toch langzamerhand lot
het bedrijven van doodzonden. En gij vreest dat gevaar
niet?
2.   Overweeg den tweeden zin van die woorden : Qui
timet Deum, nihil negligit t
Alwie God vreest, vervvaar*
loost niels, » namelijk deze, dat de ziel, die God vreest,
geene zonde, hoe klein ock, veracht, omdat zij van geen
belang is. De heiligen zelf bedrijven somtijds dagelijksche
-ocr page 280-
272
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
zonden: In multis offendimus omnes (Jac. m, 2). " In vele
dingen struikelen wij allen. » maar zij minachlen dezelve
niet, bijzonder wanneer zij ten volle vrijwillig zijn. integen-
deel zij zijn er ten uiterste bedroefd over.Droevig is uw lot,
indien eene zoo uitzinnige dwaling de uwe is! Eenc dage-
lij ksc lic zonde is een grooter kwaad dan alle andere kwa-
len der wereld tezamen genomen, de doodzonde alleen uit-
gezonderd : zoodanig dat cene enkele dagelijksche zonde op
liet geweten hebben een grooter kwaad is, dan op zijn bed
genageld te zijn door de hevigste koortsen, of door al de
duivels djr hel aangerand te worden : daarom inoogt gij in
geweten gecne enkele dagelijksche zonde bedrijven, zoude
het zelfs gelden daardoor de grootste ongelukken te vermij-
den. Het is ongeoorloofd eene dagelijksche zonde te bedrij-
ven, al kondet gij daardoor al de Joden, Turken, en ket-
ters der wereld tot het geloof van Christus terug brengen.
Voor zoo eene daad zou de Heer u allcrstrengst straffen, met
de verschrikkelijke pijnen des vagevuurs. omdat gij Hem
door de dagelijksche zonde onteert en beleedigt. Dit zoo
zijnde, zoudt gij zoo uitzinnig durven zijn om geen werk te
maken van de dagelijksche zonde?
3. Overweeg dat niets goeds vcrwaarloozen, als over-
lollig ; geene dagelijksche zonde minachten, juist omdat het
enkel eenekleire zonde is, niet alleen eigen is aan de Heili-
gen ; het is een plicht voor allen, die God vreezen, en de
zaligheid hunner ziel ter harte hebben. Het is stellig dat
God dikwijls zijne overvloedige genaden, die ter zaligheid
zouden noodig zijn, onttrekt ten gevolge van de dagelijksche
zonde. Denk hoe grooter die verplichting voor u is, die uit
kracht uwer geloften naar de volmaaktheid streven moet.
Indien gij in uwen staat geen werk maakt van de dage-
lijksche zonde, en het goede nalaat, dat niet onder dood-
zonde verplicht, sidder en beef, dat de Heer u niet verlate,
-ocr page 281-
273
ACHTTIENDE ZONDAG NA SINKSEN.
en in u niet verwezenlijkt worde wat voor zoovele anderen
waar is geweest: Declinantes in obligationes adducet Domi-
nus cum operantibus iniquitatem
(Ps. cxxiv, 5). « Die
afwijken op kromme wegen, die zal de Heer aanvoeren met
de werkers der ongerechtigheid. »
ACHTTIENDE ZONDAG NA SINKSEN.
Over de wonderbare genezing van eenen lamme.
Confide fili, remütuntur libipeccata lua... Sur ge, tolle leclum
tuum
(Matth. ix, 2, 6).
Heb betrouwen, zoon ! uwe zonden worden u vergeven... Sta
op, neem uw bed op.
1. Overweeg hoe de Heer tot medelijden bewogen werd
door het geloot\' van die goede lieden, die in de onmogelijk-
heid zijnde den lamme in zijne tegenwoordigheid te bren-
gen, ter oorzakc van de groole menigte volks, hem neerlieten
door het dak, in de hoop dat Jesus, zijne ellende ziende,
hem zou genezen. Bij dat gezicht, begon Jesus den zieke aan
te moedigen om in den goddelijken bijstand zijne hoop en
zijn betrouwen te stellen : Confide fili •< Heb betrouwen,
zoon ! i) Hij geeft u daardoor te verstaan dat, alhoewel di-
bijstand, dien gij krijgt door de gebeden van anderen, goed
en nuttig is, bet nogtans volstrekt noodzakelijk is dat gij,
door uwe eigene akten van betrouwen en smeeking, u gereed
maakt om de genade des hemels te ontvangen. Want de Heer
heeft Zich alleen verbonden ons te verhooren in betgene
wij voor ons zelven vragen, niet in hetgene wij vragen
voor anderen : alhoewel Hij ons in zijne goedheid dikwijls
-ocr page 282-
274                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
verhoort, zelfs wanneer wij voor anderen bidden : Petite
et (la\'ntur vobis (Maltii.
vu, 7) « Vraagt en u zal gegeven
worden. » Waarom zijt gij zoo bezorgd len tijde van nood.
dat anderen voor u zonden bidden, en zoo nalatig om zelf
uwen toevlucht tot den Heer te nemen? Het is lofwaardig dat
anderen voor u bidden, en gij voo;\' anderen : doch het is
meer belangrijk dat gij zelf nvt betrouwen en vurige gebe-
den den H.;er vraagt wat u ontbreekt.
1. Overweeg dat de lamme de "gezondheid des lichaams
alleen verlangde e:i vroeg ; maar Jesus, die ons altijd meer
wil geven dan wij vragen, schonk hem terzelfder tijd de
gezondheid des lichaams, en die der ziel: Hij genas zijne
ziel van de zonde, en zijne ledematen van de lamheid. Zoo
geschiedt het met u. telkens gij in uwe noodwendigheden
en kwellingen d.\'n Heer om hulp roept. Gij smeekt Hem,
bij voorbeeld, u te verlossen van eene hevige bekoring, eene
angstvalligheid, of lichamelijke ziekte ; indien uw gebed
wel gedaan, en de gevraagde gunst u ter zaligheid nuttig
is, zal de Heer u meer geven dan gij vraagt : want niet
alleen zal Hij u het gewenschte verleenen. maar bovendien
nog uwe ziel verrijken met scha\'ten van verdiensten en
deugden, als een gevolg van uwe akten van eerbied, ooi-
moedigheid en betrouwen, die in uw gebed uitschijnen.
Zoudet gij zelfs niet verkrijgen wat gij vraagt, gij wint
niettemin deze geestelijke rijkdommen. Is deze beweegreden
niet voldoende, om u aan te zetten in al uwe noodwendig-
heden door smeekgebeden uwen toevlucht tot den Heer te
nemen ?
3. Overweeg dat Jesus aan den lamme eerst de gezond-
heid der ziel. daarna die d.*s lichaams schonk, om te loonen
dat zeer dikwijls de tijdelijke straffen, en de lichamelijke
ziekten hunnen oorsprong hebben in de geestelijke kwalen of
de zonden: en ook om te doen blijken hoeveel noodzakelijker
-ocr page 283-
MAANDAG IN DE ACHTTIENDE WEEK NA SINKSEN. 275
het is van de geestelijke lamheid en krachleloosheid verlost
te worden. Indien gij ten gevolge uwer lauwheid in die
ziekte gevallen zijt, haast u lot den Heer te gaan. opdat Hij
deze krachtdadige woorden tot uw hart rich:e : Suvge, Mie
lectum tuum.
« Sla op. neem uw bed op. » Hij zal u dan in
staat stellen uwe slechte gewoonten af te leggen, en de
sterkte der ziel terug te vinden, zoodat gij het bed van uw
vlcesch en zinnelijkheid dragende, waarin gij zoolang gele-
gen hebt, met bereidvaardigheid doet, wat de rede en de
geest u ingeven.
MAANDAG IN DE ACHTTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over het betrouwen op God.
Habe fiduciam in Domino ex toto corde tuo, et ne innüaris pru-
dentioe tuce. In omnibus viis Juts cogüa illum, et ipse diriget
gressus luos
(Prov. ui, 5, 6).
Vertrouw op <ien Heer uit geheel uw hart, en verlaat u niet
op uw eigen \'loorzicht. Denk op Hem op al uwe wegen, en Hij
zal uwe schreden bestieren.
1. Overweeg dat, wanneer u hier gezegd wordt uw
betrouwen op God te stellen, dat geenszins beteekent, dat
gij geen gebruik moogt maken van de voorzichtigheid, die
God u gegeven hcel\'t, maar dat gij u op dezelve niet moogt
verlaten ot\'steunen. De H. Petrus zegt: Esbte prudeutes et
vigünte in orationibus
(1 Petr. iv, 7)« Wees bedachtzaam
en waak in de gebeden ; » omdat deze twee zaken, de voor-
zichtigheid en de toevlucht lot God doorliet gebed. ver-
eenigd moeten zijn in al uwe werken. Indien gij u laat ge-
leiden door de voorzichtigheid alleen, dan toont gij. dat gij
-ocr page 284-
276                             BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
volgens uwe denkwijze, Gods bijstand of verlichtingen niet
noodig hebt. Van den anderen kant God aanroepen, zonder
de middelen te gebruiken, welke de voorzichtigheid u voor-
schrijft, is Hem verplichten wonderen te doen. Aan God
behagen noch de vermetelcn noch de al te voorzichtigen.
1. Overweeg de reden, waarom gij op uwe eigene voor-
zichtigheid niet moogt steunen, maar op God betrouwen
moet. Het is omdat uwe voorzichtigheid bedriegehjkis, en
dat zij de toekomende gebeurtenissen niet kan kennen,noch
in dezelve voorzien. Gij moet u nogtans laten geleiden,
volgens hetgeen de voorzichtigheid en de gezonde rede u
ingeven ; maar. na dal gedaan te hebben, moet gij door hel
gebed uwen toevlucht lot God nemen, Hem den goeden uit-
slag der zaak aanbevelen, op Hem betrouwen, niet op uw
eigen oordeel : Habe fiduciam in Domino « Vertrouw op
den Heer. » Het vertrouwen, dat de Wijze man van u
vraagt, is cene vaste en sterke hoop, die in uw hart geene
plaats laat voor vrees van het tegenstrijdige, en van u ver-
drijft dien overgrooten angst, waarin uwe voorzichtigheid
gewoonlijk ontaardt. Indien gij op den Heer vertrouwt uil
geheel uw hart ex toto corde. Hij van zijnen kant zal altoos
gereed zijn u te beschermen.
3. Overweeg dat de Heer, opdat Hij u bescherme, wil
dal gij aan Hem denkt : in omnibus viis tuis cogita illum.
«
Denk op Hem op alle uwe wegen; » dat wil zeggen, dat
gij, zooveel mogelijk.vóór elk werk. het goede inzicht moest
vernieuwen, van Hem alleen te behagen; opdat Hij alleen
de drijfveer en het einde zij van al uw doen en laten: zoo
zal het zijn, indien gij op Hem altijd de oogen gevestigd
houdt. Indien gij aldus handelt, hebt gij niets te vreezen,
want Hij zal al uwe schreden en ondernemingen bestieren,
op zulke wijze dat Hij u naar den hemel zal geleiden, en u
van den afgrond behoeden. Het zal u ook niet lastig vallen,
-ocr page 285-
DINSDAG IN DE ACHTTIENDE WEEK NA SINKSEN. 277
altijd de oogcn op Hem gevestigd te houden, indien gij
maar wel doordrongen zijt van deze groote waarheid, na-
melijk, dat gij van u zelven hoegenaamd niets kunt. en dat.
niettegenstaande al uwe voorzichtigheid, gij eiken oogen-
hlik zoudet verloren zijn, indien God u niet de hand gal\'
en u geleidde. Veronderstel dat gij gaat langs onhi\'kende
wegen, waar gij aanhoudend in gevaar zijt van te vallen,
gij zoudt zonder moeite eiken OOgenblik denken op den ge-
leider, die u vergezelt. Zoo zult gij jegens God handelen,
zoohaast gij wel verstaat, hoe noodig u zijn bijstand in
alles is, om niet verloren te gaan. Wal goed gij ook gedaan
hebt, of welke deugden gij ook oefent, dit alles beneemt u
geenszins den nood aan den goddelijken bijstand. Gij zijt
gelijk een klein kind. dat zijns moeders hulp van noode
heeft om te kunnen gaan, niettegenstaande dat zij het tot
dus verre bijgestaan heeft.
DINSDAG IN DE ACHTTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over de bekeering der zondaars.
Gaudium erit in ccelo super unopeccatorepcenitentiam agente,
quam super nonaginta nooemjustis, qui non indigentp<xniten-
tia
(Luc. xv, 7).
Kr zal in den hemel blijdschap zijn over éénen zondaar, die
zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen,
die geene bekeering noodig hebben.
1. Overweeg dat de Heer u door deze woorden zegt, dat
er in den hemel grootere feestviering en vreugde is over de
bekeering van éénen zondaar, dan over de deugd van ne-
*
-ocr page 286-
278
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
gen en negentig rechtvaardigen. De reden daarvan is,
dat, alhoewel de rechtvaardigen in eenen staat zijn van
grootere achting in de oogen van God. de boeteling nietle-
min de gelegenheid daarstelt van grootere vreugde, ter oor-
zake van de winst eener onsterfelijke ziel : en die vreugde
zal des te grooter zijn, naarmate de moeieliikheden en de
hopeloosheid der bekeering grooter waren. Dus lezen wij van
den goedhartigen vader, dat hij met buitengewone vreugde
de terugkomst van zijn verloren zoon vierde: omdat hij hem
nu. na zoovele jaren, wederom met zich had. en hein aan-
zag. alsof hij van den dood opgestaan was. Van daar kunt
gij afleiden, wat vuige liefde de Heer u toedraagt, aange-
zien Hij uwe bekeering van den staat der zonde tot dien der
genade, eene gelegenheid maakte tot groote feestviering, en
dat zijn hart bij uwe terugvinding verheugd werd. Wat
andere beweegreden kon Hij daarin hebben, dan die over-
groote liefde, die Hem praamt u en uwe belangen zoo zeer
ter harte te nemen ? Zoude Hij misschien niet even gelukkig
geweest zijn zonder u? Hoe komt het dan, dat gij van
uwen kant niet ontstoken wordt meteene brandende liefde
jegens uwen Zaligmaker? Gij inoet naar uwe zaligheid
streven niet alleen voor uw eigen goed, maar bovenal om
uwen Zaligmaker te behagen.
\'2. Overweeg dat de engelen zich met Christus verheugen
over de bekeering van eenen zondaar, en dat om drie rede-
nen. Ten eerste, ten opzichte van God. omdat zij de glorie
zien, welke den Almachtige door de bekeering des zondaars
aangedaan wordt.Ten tweede, ten opzichle van den mensch,
omdat evenals zij vurig wenschen de vreugden des hemel»
met ons. kinderen van Eva, te deelen, zij zich evenzoo ver-
heugen in het aanschouwen van eenen zondaar, die hel recht
tot den hemel terugvindt, dat hij door de zonde verloren
had. Ten derde, ten opzichte van zich zelven : omdat, aan-
-ocr page 287-
DINSDAG IN\' DE ACHTTIEXDE WEEK NA SINKSEN. 279
gezien de engelen bijdragen tot de zaligheid der menschen,
zij ook behagen scheppen, wanneer zij zien, dat zij hun
ambt met vrucht uitoefenen, en zegepralen over de duivels,
die zich aanhoudend tegen hen verzetten. Leer van de en-
gelen u te verheugen om de drie aangehaalde redenen. tel-
kens gij ziet of hoort van de bekeering eens zondaars. Gij
zoudt daarover grootere tevredenheid moeten gevoelen, dan
over welk aardse!) geluk het ook zij, en hoeveel werk gij er
ook \\an moget maken.
3. Overweeg dat deze beweegredenen u moeten aanzetten
om de bekeering der zondaars te bewerken, voor zooveel
uw staat en krachten toelaten. De zondaars worden bekeerd
niet enkel door sermonen of missiën : velen bekeeren zich
ook door goede raadgevingen, geheime onderhandelingen,
goed. voorbeeld, en bovenal door vurige gebeden, vergezeld
van boetplegingcn. die gij ten dien einde aan God opdraagt.
Van daar, dat menige zondaar, wiens bekeering toegeschre-
ven werd aan het hooien van een sermoon, dezelve eer te
danken had aan een geheim gebed, dan aan al de moeite of
welsprekendheid van den predikant. Volg daarom den raad
van den H. Geest : Recupera prorimum tuum secundum
virtutem tuam
(Eccl. xxix. 27). « Help uwen naaste uit
zijnen nood naar uw vermogen : » gij zult daardoor meer
verdiensten vergaderen, en min tot ijdele glorie aangedreven
worden.
-ocr page 288-
280
WOENSDAG IN DE ACHTTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over de kleininoedigheid.
Adjutor meus et protector n.eus es tu (Ps. xxxix, 18).-
Mijn helper en beschermer zijt gij.
1. Overweeg wat u te doen staat wanneer u eene lastige
bediening opgelegd wordt, wanneer gij verplicht zijl u naar
eene andere plaats te begeven, of iets moeielijks te onderne-
men hebt. Bij zulke gelegenheden zullen eene menigte moeie-
lijkhcden. inbeeldingen van gevaren, of ziekten u overvallen :
dientengevolge ontstelt gij u en laai gij den moed zinken,
in de gedachte dat gij gcenc sterkte van geest of lichaam ge-
noeg hebt om dezelve te boven te komen. In zulke omstan-
digheden echter moet gij uwe gedachten niet vestigen op de
wezenlijke of ingebeelde gevaren, die gij vreest: dit zoude tot
niets dienen dan om u te verschrikken. Wanneer de bekoor-
der al die mocielijkheden u levendiger voor den geest brengt,
om u den moed te doen verliezen, moet gij die gedachten
verdrijven met ootmoedig tot den Meer te zeggen : Adjutor
meus et protector meus es tu «
Mijn helper en beschermer
zijt gij. » Zoo doende zullen de groote moeielijkhcden, die u
eerst verschrikten, van uwen geest verdwijnen, gelijk ne-
velwolken, die kortstondig het heldere uitspansel verduis-
teren.
1. Overweeg dat, evenals het wantrouwen, hetwelk gij
gewaar wordt, voortkomt van de ware en innige kennis van
uwe zwakheid en ellende, die u niet zonder reden u zelven
doen vreezen, zoo ook het betrouwen op God, zijn oorsprong
moet nemen in de levendige kennis van de goddelijke
goedheid, en den bijstand Gods, die in evenredigheid zal
zijn met het wantrouwen op u zelven. Dit wantrouwen op
-ocr page 289-
WOENSDAG IN DE ACHTTIENDE WEEK NA SINKSEN. 281
u zelven is een veel geschikter middel om Gods hulp te ver-
krijgen, dan eene ingebeelde zekerheid van immer standvas-
tig te blijven, en aan geen gevaar blootgesteld te wezen ;
want de Heer schept behagen in de vermetelen beschaamd
te maken. Hoe velen zijn er niet die, te veel op zich zelven
betrouwende, wanneer de gelegenheid zich aanbood, schan-
dig vielen ? Anderen integendeel, die te voren beefden, ston-
den sterk, gelijk eene rots, omdat het innig gevoel van
hunne eigene zwakheid, hen aanzette om met ootmoedig-
heid en aanhoudend gebed Gods bijstand af te smeeken.
Wel doordrongen van uwe eigene krachteloosheid, stel uw
betrouwen op den Heer, en doe van uwen kant, wat er
vereischt wordt, om zijne hulp waardig te worden. Dit zal
geene vermetelheid, maareen voorzichtig betrouwen zijn.
3. Overweeg dat gij niet moet nalaten op God te ï>etrou-
wen, alhoewel gij op den oogenblik die sterkte van geest
niet gevoelt, om de moeielijkheden te overkomen, die uwe
zwakheid op de proef stellen : want indien de Heer u die
sterkte nu niet geeft, Hij zal u dezelve bijtijds geven, opdat gij
zegevierend uit den strijd kornet. De Heer noemt Zich :
Adjutor in opportunitalibus (Ps. ix, 10) « Een bijstand ter
rechter tijd, >• want Hij schenkt zijne bijzondere hulp, wan-
neer het noodig is, anders niet. Wanneer het hachelijk
oogenblik daar is, zal Hij u de sterkte geven, welke u nu
ontbreekt: lnsiliet in te Spiritus Domini.....et mutaberis
in virum alium (1 Reg. x, 6). « De Geest des Heeren zal
op u komen.... en gij zult in een ander man veranderd
worden. » Er wordt van de heiligen gezegd, dat zij zich
dapper in den oorlog gedroegen : fortes facti sunt in bello
(Hebr. xi, 34), want zij ontvingen eene bovennatuurlijke
kracht, wanneer zij geroepen werden zich voor Gods eer te
toonen.
-ocr page 290-
282
DONDERDAG IN DE ACHTTIENDE WEEK NA SINKSEN.
O Ter den weg der Yolmaakthcid.
Ducam te per semitas cequitatis : qtias cum ingressus fueris,
non arctabunturgressus tui, et currens non habebis o//\'endiculum
(Prov. ïv, 11, 12).
Ik zal u geleiden langs de paden der gerechtigheid : als gij
dien weg inslaat, zult gij ruime baan hebben, en loopen zonder
struikelen.
1. Overweeg dat. gelijk de geboden wegen genoemd
worden : Yias tuas demonstra tnihi (Ps. xxiv. 4) « Toon
mij uwc wegen. » zno de evangelische raden paden gehee-
ten worden : Et semitas tuas edo ceme, « en leer mij uwe
paden kennen. » De evangelische raden worden paden ge-
nocmd om drie redenen. Ten eersle, omdat zij eenc engere
baan uitmaken, dan de geboden : docb verschrik niet, ziende
dat het pad in bet begin eng is, later zult gij het zonder
moeite bewandelen : cum ingressus fueris non arctabuntur
gressus tui.
« als gij dien weg inslaat zuil gij ruime baan
hebben. » De gevoelens zijn, als hel ware. de schreden door
dewelke wij tot God gaan: doch deze geestelijke schreden zijn
zeer verschillig van de stoffelijke. In het wandelen wordt
men op den langen duur afgemat, en men vertraagt; in het
geestelijk vooruitgaan integendeel wordt men al loopende
sterkeren vlugger. Immers dit loopen is niets anders, dan
eene brandende liefde tot God. die belet dat men moeielijk-
heden of hinderpalen ontmoet in het onderhouden der evan-
gelische raden. Eene oprecht God beminnende ziel loopt
immer vooruit in hare vurige liefde voor de zuiveiheid,
armoede, en gehoorzaamheid. Integendeel hoe gemakkelijk
is het voor eene ziel. die in den dienst van God langzaam
en op haar gemak gaat. te struikelen en te vallen !
-ocr page 291-
DONDERDAG IN DE ACHTTIENDE WEEK NA SINKSEX. 283
1. Overweeg de tweede reden, waarom de evangelische
raden paden genoemd worden : het is omdat zij door het
kleinere getal b?loopen worden Doch gedenk dat het hemel-
rijk aan de. weinigen, niet aan het groot getal, toebehoort.
Ziet gij niet dat. aangezien deze binnenwegen min beloopen
worden, het des te gemakkelijker voor u is dezelve Ie be-
wandelen. zonder de hinderpalen van menschclijk opzicht,
verstrooiende vermaken of slecht voorbeeld, die uwen voor-
uitgang zouden beletten, en die gij zoudt ontmoeten op den
weg. welke door de groote menigte gevolgd wordt ? Alhoe-
wel de religieuzen slechts het kleine getal uitmaken in ver-
gelijking met de geheele wereld, zij zijn echter in evenre-
digheid het grootste getal dergenen, die naar den hemel
gaan. en door de Kerk heiligverklaard worden. Wees uwen
Zaligmaker van harte dankbaar, dat Hij u uitverkoren heeft
om de paden der evangelische raden te bewandelen.
3. Overweeg de derde reden, waarom deze raden paden
genoemd worden. Het is. omdat zij de kortste weg zijn. die
u spoediger naar den hemel leiden zal ; niet in den zin, dat
zij u doen sterven vóór den tijd ; neen ! de versterving ver-
vroegt den dood niet. maar wel de overdaad, de zinnelijk*
heid en de overige zonden : Stimulus mortis peccatum
(ï Cor. xv, 5t\'>) « De prikkel des doods is de zonde. » De
evangelische raden zijn de kortste weg naar den hemel,
omdat zij de rechtstc zijn : zij maken dat gij met grootere
volmaaktheid leeft, en bijgevolg min tijd in het vagevuur
zult door te brengen hebben ; bijzonder indien gij op dien
weg vergezeld gaat door den bijstand van boetplegingen.
aflaten, en de voorspraak der Heiligen. Gij ziet dan dat om
vele redenen : non arctabuntur gressus (ui, et currens non
habebis offendiculum. «
gij ruime baan zult hebben, en loo-
pen zonder struikelen. » indien gij slechts op deze paden
blijft, die enger, rechter, en korter zijn dan de overige.
-ocr page 292-
284
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
Doch indien gij wilt gelukken, moet gij eene voorwaarde
volbrengen, dat is, nooit moede worden te loopen, nooit stil
blij\\en staan, en nooit terugkeeren ; onlbreckt gij daaraan,
dan zult gij menige moeielijkheid te gemoet loopen : en de
evangelische raden in plaats van u te dienen als geleiders
naar den hemel, zullen tot niets strekken dan om u den
weg naar het eeuwig ongeluk af te korten, want nemo
mittens manum mam ad aratrtim et respiciens retro aptus
est regno Dei
(Luc. ïx, 62), « niemand, die zijne hand aan
de ploeg geslagen heeft, en achterwaarts ziet, is voor het
rijk Gods geschikt. »
VRIJDAG IN DE ACHTTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Hoe de ware liefde moet getoond worden.
Quis nos separabü a charüate Christi ? TribukUio? an angus-
tia? an fames ?....... Sed in his omnibus superamuspropter
ewn qui dilexit nos (Rom. vin, 35, 37).
Wie zal ons dan van Christus\'liefde scheiden i verdrukking ?
of angst I of honger?....... Maar in dat alles zijn wij overwin-
naars on^Hern, die ons heeft liefgehad.
1. Overweeg hoe vurig de liefde was, welke den Apos-
tel Paulus zoo onafscheidbaar met zijnen Zaligmaker ver-
eenigde.Hij verklaartdat hoegenaamd geene ongelukken hem
konden beletten Jesus te beminnen. Hij achtte zich zelfs ge-
lukkig in den dienst van God beproevingen te ondergaan,
zooals verdrukking, angst, honger, naaktheid, vervolgin-
gen, ja ! den dood zelven. Indien ééne van deze beproevin-
gen genoeg is om u van de liefde van Jesus te scheiden,
* dan kunt gij licht begrijpen hoe groot de liefde van Paulus
-ocr page 293-
VRIJDAG IN DE ACHTTIENDE WEEK NA SINKSEN. 285
zijn moest, aangezien al deze beproevingen te zamen hem
van Jesus niet konden wegrukken.
2.  Overweeg dat gij u somtijds ten tijde van het gebed
inbeeldt dat gij door de vervolgers in liet gevang geworpen,
en op eene openbare plaats ter dood gebracht wordt: het
schijnt u dan dat gij moed en sterkte genoeg hebt om dat
alles uit liefde tot Jesus te verdragen, omdat die voorvallen
ver verwijderd en geenszins waarschijnlijk zijn. Misschien
zelfs ten tijde van het gebed, gelooft gij u inderdaad bereid
voor de beproevingen, welke u mogelijk zullen overvallen,
zooals. gebrek aan voedsel of kleeding, berooving van de
gemakken, waaraan gij gewoon waart. Maar later, wan-
neer gij op de proef gesteld wordt, hoc gauw bezwijkt gij;
indien gij u zei ven in het eene overkomt, valt gij in het
andere; weerstaat gij aan lichamelijke beproevingen, gij
laat u zelven overwinnen door de geestelijke. Zie dan, hoe
diep gegrond en vurig de liefde van den H. Paulus voor
Jesus was; aangezien hij voor al die gevaren te zamen niet
schroomde, maar dezelve edelmoedig te gemoct ging, en
over alles zegepraalde : In his omnibus superamus. « In
dat alles zijn wij overwinnaars. »
3.  Overweeg dat gij, naar het voorbeeld van den H. Pau-
lus, ook kunt, indien gij wilt, edelmoedig overwinnen al de
moeielijkheden, welke u gedurende den dag overvallen.
Het eenigste dat daarvoor noodig is. is dat gij ook een vu-
rige minnaar van Jesus zijt. Wat anders, dan de liefde, gaf
aan den Apostel moed en sterkte om alles te trotsen en te
overwinnen? In his omnibus superamus propter eum qui
düexit nos
« In dat alles zijn wij overwinnaars om Hem,
die ons heeft liefgehad. >• IS u de woorden propter eum « om
Hem, » geven de tweevoudige oorzaak aan van zijne boven-
naluurlijke kracht,namelijk, de liefde, die hij God toedroeg,
en den bijstand, dien hij van God ontving; beide oorzaken
-ocr page 294-
286
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
zijn in uw bereik. Indien gij deze vurige liefde en kracht-
dadige hulp wensclit te ondervinden, herdenk ernstig hoe
zeer de Heer Zich gewaardigd heeft u te beminnen, en voor
u te lijden ; wat al verdrukkingen en angsten H j doorstond
om uwentwil, welken honger en naaktheid ! wat geweldige
vervolgingen ! hoe vele doodelijke wonden brachten de door-
nen, de nagels en de lans Hem toe op den autaar van het
kruis ? Indien Hij u eerst zoodanig bemind heeft, wilt gij
dan de liefde niet met wederliefde betalen, om. zoodoende,
aanspraak te hebben op zijnen lijzondcrcn bijstand, en in
al uwe beproevingen met den Apostel te kunnen uilroepen :
In his omnibus superamus propler eum qui dilerit nos.
« In dat alles zijn wij overwinnaars om Hem, die ons heeft
liefgehad. »
ZATERDAG IN DE ACHTTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Dat wij niet weten of wij liefde of haat waardig zijn.
Nfscit homo utrum anwe cm odio dignus sit; sed omnia in
futurum servantur incerta
(ficcle. lx, 12).
De mensch weet niet of hij liefde of haat waardig is, maar
alle dingen worden voor den toekomenden tijd onzeker gehou-
den.
1. Overweeg dat. alhoewel een mensch. die zeker is in
staat van doodzonde te zijn. zeer wel weet dat hij een voor-
werp van Gods haal is, niemand, zij hij nog zoo heilig, met
zekerheid weten kan of Hij Godsliefde waardig is. Wij we-
ten allen dal de heiligmakende genade, die wij in het doop-
sel bekomen, de erfzonde uitwischt. evenals de genade, die
in het Sacrament van boetvaardigheid gegeven wordt, de
-ocr page 295-
ZATERDAG IN DE ACHTTIENDE WEEK NA SINKSEN. 287
dadelijke zonden vergeeft: maar wij kunnen met zekerheid
niet welen, of de noodige gesteltenissen van den kant van
dengene, die het Sacrament bediende of ontving, voorafge-
gaan zijn. Niemand kan met zekerheid weten of hij waardig
is van die liefde, welke God zijne uitverkorenen toedraagt,
ter oorzake van hunnen to; komenden slaat van volkomene
genade, of wel van den haat van eeuwige verdoemenis voor
eene grootezonde, waarin hij sterft. In een woord, zoo lang
wij niet verschijnen voor den rechterstoel van God, zullen
wij altijd in de onzekerheid van onze zaligheid leven. Indien
deze onzekerheid van uwen legenwoordigen en toekomen-
den toestand u niet doet vreezen, wees dan verzekerd dat
gij met geestelijke blindheid geslagen zijt.
9. Overweeg dat deze onzekerheid aangaande uwen te-
genwoordigen en toekomenden toestand u nu zeer dienstig
zijn kan. Waart gij zeker dal gij nu in den staal van genade
zijt, dan zoudt gij u misschien verhoovaardigen; waart gij
zeker van uwe eeuwige zaligheid, dan zoudt gij mogelijk u
zelven weinig gadeslaan in het tegenwoordige. Wat groote
vrucht trokken de heiligen uit deze onzekerheid! Zij hield
hen in eene ware en aanhoudende ootniocdighcid ten op-
zichte van God, in Wiens handen zij hunne toekomst zagen.
Zij maakte hen ook ootmoedig ten opzichte van de men-
schen, die zij voor het tegenwoordige en het toekomende als
beter aanzagen dan zich zelven. En gij zoudt u toch in ach-
ting boven de anderen willen stellen, daar zij misschien van
God nu meer genaden ontvangen, en hiernamaals boven u
zullen verheven zijn in glorie ? Wees dan ootmoedig. aange-
zien ten uwen opzichte alles zoo onzeker is.
3. Overweeg dal deze onzekerheid voor u van zoo groot
voordeel is, dat. ware het in uwe keus. een belicht van
eeuwige zaligheid van den hemel te ontvangen, het bijna
beter ware te blijven in den slaat, waarin gij nu zijt. Indien
-ocr page 296-
288                           BEKKOPTK OVERWEGINGEN.
gij slechts wist, hoe verdienstig het voor u is, in alles met
groot betrouwen van de goddelijke barmhartigheid afhanke-
lijk te zijn, zeggende met den Profeet: Ecce Deus Salvator
meus, fiducialiter agam, et non timebo
(Isai. XH, 5). « Zie !
God is mijn Zaligmaker, ik zal vertrouwelijk handelen, en
niet vreezen ! » Waait gij wel doordrongen van die waar-
heid, gij zoudt het betrouwen navolgen van een grooten
Heilige, die verklaarde dat, hadde hij in handen een ge-
schrift van den hemel, dat hem verzekert van zijne eeuwige
voorbeschikking, hij het aanstonds aan stukken zou scheu-
ren en van Gods goedheid geheel afhankelijk blijven. De
getuigenis dan eener goede conscientie, die u geene docd-
zonde ten laste legt, zij u voldoende : laat nooit na u aan
God te bevelen, Hem te smeeken dat Hij u nooit toclate zijne
genade te verliezen. Zoo doende, kunt gij met gegrond be-
trouwen uwe zaligheid verhopen.
NEGENTIENDE ZONDAG NA SINKSEN.
Over de parabel van het huwelijksfeest.
Amice, quomodo huc intrasti, non habens vestem nuptialem f
Multi sunt vocali, pauci vero electi
(Matth. xxn, 12, 14).
Vriend ! hoe zijt gij hier binnengekomen, zonder een brui-
loftskieed aan te hebben? Velen zijn geroepenen maar weinigen
zijn uitverkorenen.
1. Overweeg dat de Heer iedereen uitnootligt tot het
gastmaal, ter gelegenheid van de bruiloft van het Woord
met zijne allerheiligste menschheid ; doch de religieuzen
worden op gansch bijzondere wijze uitgenoodigd aan dit
-ocr page 297-
NEGENTIENDE ZONDAG NA SINKSEN.                    289
gastmaal deel te nemen. Zij immers, vrij van alle aardsche
zorgen en wereldsche beletsels, aan deze tafel gezeten, heb-
ben overvloediger deel aan het maal, dat hun in de
H. Sacramenten, de goddelijke verlichtingen en ingevingen,
de goede voorbeelden, die hen omgeven, voorbereid is. De
roep tot het religieuze leven is ecne loutere genade van God,
zonder ecnige voorafgaande verdiensten of aanspraak van
uwen kant op denzelve. Hoevelen b^ter en verdienstelijker
dan gij liet God niet in de wereld ? Erken die weldaad, en
wees de goddelijke goedheid er dagelijks van harte dank-
baar voor.
2. Overweeg dat, hoe meer gij door den Heer begunstigd
zijt geweest, het Hem des te onverdraagzamer valt, u te zien
zonder het bruiloftsklecd, dat is te zeggen, zonderde deug-
den, die aan uwen slaat eigen zijn. Denk zorgvuldig na,
hoedanig uw handel en wandel zijn. Zijn zij niet die van
een waren religieus, schrik en beef, dat er u niet gezegd
worde : Amice ! quomodo hac intrasti non habens vestem
nuptialem ?
« Vriend ! hoe zijl gij hier binnen gekomen,
zonder een bruiloftsklecd aan Ie hebben ? » Wordt gij ook
niet uit het klooster gejaagd, gij zult toch van Gods aanschijn
verdreven worden, in tenebras exteiïures, «in de duisternis
daar buiten, » beroofd van het hem^lschc licht, en met
geestelijke blindheid geslagen, ligatis manibus et pedibus,
aan handen en voeten gebonden, zonder uwe ondeugende
gewoonten lekunncn afschudden, noch eenen stap voorwaarts
op den weg der zaligheid te kunnen doen. Ziet gij niet in
het Evangelie van dezen dag, dat degene, die zonder het
bruiloftsklecd binnen gekomen was, veel strenger gestraft
werd, dan diegenen, welke zeer onbeleefd de uitnoodiging
van de band wezen ? Gij kunt u dan ook op grootere straf
verwachten, indien gij in het klooster leeft, gelijk een we-
reldling.
-ocr page 298-
290                             BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
3. Overweeg dat velen tot het religieuze leven geroepen
zijn. maar dal weinigen de volmaaktheid van dien staat
bereiken : Mulli sunt vwatL pauci vero elecli « Velen zijn
geroepenen, maar weinigen zijn uitverkorenen. » Beeld u
niet in, dat gij reeds genoeg gedaan hebt. met de wereld te
verlaten, en liet religieuze leven te omhelzen. Dit alles is
eene gaaf van God. Nu is het uw werk. aan de goddelijke
genad\'. te beantwoorden, ten einde gewoontens van deugd
te verkrijgen, en de ondeugden van den ouden menseh uit te
roeien : alhoewel dit de belangrijkste plicht van eenen
religieus is, wordt het nogtans door velen veronachtzaamd.
Volg daarom, het voorbeeld, niet van de lauwen, maar van
de vurigen. Indien gij u met de menigte laat medesiepen,
gedenk dal dit voor den rechterstoel van God. geene veront-
schuldiging zijn zal. daar gij vooruit weet dat « velen zijn
geroepenen, maar weinigen zijn uitverkorenen. » Multisunt
vocati, pauci vero elecli.
MAANDAG IN DE NEGENTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Zalig zijn de doodcn die in den Heer sterven.
Beati mortui qui in Domino moriuntur. Arnodo jam dicit Spiri-
tus, ut rcquiescanl a laboribus suis
(Apoc. xiv, 13).
Zalig zijn de dooden die in den Heer sterven. Van nu aan
reeds, zegt de Geest, zullen zij rusten van hunnen arbeid.
1. Overweeg wie die gelukkigen zijn, qui in Domino
moriuntur,
« die in den Heer sterven. » Het zijn diegenen,
die ofschoon zij niet sterven voor den Heer gelijk de mai te-
laren, ten minste in den Heer sterven, gelijk de belijders en
-ocr page 299-
MAANDAG IN DE NEGENTIENDE WEEK NA SINKSEN. 291
de maagden, omdat zij sterven met de gevoelens eener vol-
maakte overgeving aan God. Zij sterven, als het ware. in
zijne heilige wonden, in zijn heilig Hart. in zijne zoete
omhelzingen: In osculo Oomini. Wat een schoone dood !
Hoe zeer is hij niet te wenschen ! doch het is niet genoeg
zulken dood te begeercn. men moet denzelve verdienen.
2.  Overweeg dat zulke dood gewoonlijk niet ten deele
valt aan eenieder, die in staat van genade sterft, maar enkel
aan diegenen, die eerst aan zich zelven gestorven zijn om
gansch voor Christus te leven. Doch wat wil zeggen, aan
zich zelven sterven ? Het beteekent ons vooruit onthechten
van al wal dj dood ons toch eens benemen zal. zooals. rijk-
dommen, vaderland, ouders, vermaken, en bovenal de onge-
regelde liefde tot zich zelven. om, indien zulks mogelijk
ware, in hut lichaam zonder het lichaam te leven. Toen gij
in het klooster tradt, naamt gij voor, door de getrouwe on-
derhouding der geloften, u van zulken dood waardig te
maken : maar het is niet genoeg wel begonnen te hebben,
gij moet het ondernomene tol het einde 10e standvaslig
voortzetten. Wat zou het u baten eens gestorven te zijn om
voor Christus te leven, indien gij later toch wederom begint
voor u zelven te leven, met uw gemak te zoeken, de te
groote liefde voor ouders en vaderland uw hart te laten
overmeesteren, en volle vrijheid te geven aan de ongerelde
luimen uwer eigenliefde ? Gij moet tevreden zijn met aan u
zelven dood te blijven, tot dat gij eindelijk in den Heer sterft.
3.  Overweeg dat, indien de gedachte van den eersten
dood u verschrikt, gij u troosten kunl met de gedachte van
den tweeden, die met zich de eeuwige rust brengt: Amodo
jam dicit Spiritus, ut requiescanl a laboribus suis.
« Van nu
aan reeds, zegt de Geest, zullen zij rusten van hunnen
arbeid. » Merk op dat de Geest, die u nu aanzet om veel
voor God te lijden, te arbeiden, en u zelven te versterven,
-ocr page 300-
292
BEKNOPTE OVERWEGINGEN
en in het uur des doods u zeggen zal te rusten, de Geest
Gods is. Integendeel de geest, die u aan deze zijde van het
graf aanraadt te rusten van arbeid en verstervingen, niet de
Geest Gods is, maar uw eigen geest, of de geest der wereld,
ofwel de booze geest. De Geest Gods zegt, dat diegenen
alleen, die genoeg gearbeid hebben, na den dood zullen
rusten. Wat recht kunt gij dan hebben op die wcnschelijke
rust, zonder voorafgaande vermoeienissen ? Zie, hoe de
heiligen gearbeid hebben om daartoe te komen : hoe de
Heer zelf zich afgemat heeft om die rust voor u te verwer-
ven. Maar de vrucht van al wat de Heer voor u ondergaan
heeft, zal u niet toegekend worden, zonder uwen persoon-
lijken arbeid : daarom zegt Hij : Ut requiescani a laboribus
suis. « Zij zullen rusten van hunnen arbeid. »
DINSDAG IN DE NEGENTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over de getrouwheid aan de ingevingen der genade.
Ecce sto ad ostium et pulso. Si quis audierit vocem meam, et
aperuerit mihi januam, intrabo ad illum, et cxnabo cam Ulo, et
ipse mecum
(Apo. in, 20).
Zie, ik sta aan de deur en klop. Zoo iemand mijne stem zal
hooren, en de deur opendoen, ik zal tot hem inkomen, en met
hem maaltijd houden, en hij met mij.
i. Overweeg dat de Heer komt en u roept, en aan de
deur van uw hart klopt, opdat gij zoudt opendoen en Hem
binnen laten, telkens Hij u begunstigt met zijne heilige
ingevingen, of in u knaging van geweten opwekt. Hij wil
er door geweld niet binnentreden ; Hij lrfat u de heerschappij
-ocr page 301-
DINSDAG IN 1JE NEGENTIENDE WEEK NA SINKSEN. 293
van uwen vrijen wil, opdat gij de verdiensten zoudt hebben
van Hein met vrije verkiezing te ontvangen. Hoe dikwijls
wordt gij niet gewaar, dat Hij u roept en aan uw liart
klopt ? Zijl gij dan aandachtig om zijne stem te hooren ?
Toont gij u aanstonds bereid om Hem de deur te openen ?
Indien gij, zoohaast Hij roept, u niet aan de (\'cur van uw
hart stelt, door de eenzaamheid en ingetogenheid, om zijne
stem te aanhooren, maar integendeel u met bcuzelingen
ophoudt ten einde dezelve niet te hooren. wat wonder dan,
dat de deur gesloten blijft, en dat Hij ten slotte Zich ver-
wijdert ?
2.  Overweeg dat, wanneer de Heer u roept, het niet ge-
noeg is dat gij aandachtig zijne ingevingen aanhoort, gij
moet bovendien de deur openen, indien gij wilt. dal Hij
binnentrede. Dit geschiedt door eene bereidvaaidige aan-
bieding van uwen wil, om dat goed te doen. wat de Heer
van u verlangt, en den bijstand zijner genade te vragen om
het te verrichten, zooals het behoort, zeggende met den
H. Augustinus : Da quod jubes, et jube quod vis. « Geef mij
de kracht te doen wat gij gebiedt, en gebied dan wat gij
wilt. » Doch hoe verschillend is uwe handelwijze ? Nadat
gij de stem des Heeren gehoord hebt, in plaats van u aan-
slonds gewillig te toonen, laat gij u afschrikken door de
moeielijkheden, welke de eigenliefde u voorstelt, en gij geeft
geen acht op de zegeningen, die de Heer met Zich brengt.
Denk ernstig na, wie degene is, die tot u komt, waarom Hij
komt, en gij zult u haasten om Hem de deur van uw hart te
openen.
3.  Overweeg dat. bij de intrede van den Heer in uw hart,
daar een dubbel maaltijd aangelegd wordt; het eene bereidt
gij voor den Heer, het andere bereidt de Heer voor u : Cae-
nabo cum Ulo, et ipse mecum
« Ik zal met hem maaltijd
houden, en hij met mij. » Het maal, dal gij voor den Heer
n                                                                      n
-ocr page 302-
294                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
bereidt, en dat Hem verkwikt, is de vrucht der goede wer-
ken, die gij verricht niet eene onderdanige gehoorzaamheid
aan zijne ingevingen. Hel maal, dat door den Heer voorn
bereid wordt, zijn de geestelijke vertroostingen, en de bij-
stand der genade, die Hij u schenken zal in evenredigheid
met den vlijt, waarmede gij Hem ontvangen hebt. Maar, be-
halve dit maal. bereidt Hij u een ander, dat het laatste zijn
zal, en gegeven zal worden in het licht, niet des geloot\'s,
maar der glorie. Gelukkig zijl gij, indien gij eens waardig
bevonden wordt, aan zoo uitgezochte maaltijd neer te zitten !
Doch gij moet eerst zorgen voor de maaltijd, welke de Heer
van u wenscht, uut naar zijne slem te luisteren, en Hem in
uw hart te ontvangen ; want indien gij u nu dool\' houdt voor
zijne ingevingen, zult gij licht uilgesloten worden van de
maaltijd der eeuwige glorie.
WOENSDAG IN DE NEGENTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Over de nietigheid der menschelijke grootheid.
Quod hominibits altv.ni est, abominalio est ante Deum
(Luc. xvi, 15).
Wat hoog is onder de menschen, is een gruwel voor God.
1. Overweeg deze groote spreuk van de mensch gewor-
den Wijsheid Gods. Christus verklaart dal al wat in de
oogen en achting der menschen, rang. grootheid en roem
uitmaakt, voor God niets dan een gruwel is. De menschen
aanzien voor rang, bevel voeren met pracht en vei waand-
heid; zij achten als ware grootheid, overvloed en builen-
sporigheid gepaard met ijdelheid en hoogmoed; zij hou-
-ocr page 303-
WOENSDAG IN DE NEGENTIENDE VTEEK NA SINKSEN. 295
den voor roem, ecnen mededinger tegenhouden of eenen
vijand verpletteren. En zoo. al wat hoog is onder de men-
schen : Quod hominibus altum est, alles, zonder uitzonde-
ring, is een gruwel voor God. abominatio est ante Deum.
Gij die in de school van Christus zijt. wat is uw gevoelen
desaangaande ? Wat denkt gij er over V Volgt gij de leering
der menschen, of die van Jcsus Christus? Wat is het kost-
baarste in uwe oogen. begaafdheden of deugden? Onder-
zoek zorgvuldig uwe gedachten en gevoelens, en zie naar
welken kant gij overhelt.
1. Overweeg echter eerst en vooral wie degenen zijn, die
zoo verschillend oordeelen van de wereldsche grootheid, en
in wiens oogen zij slechts een gruwel is. Zij wordt hoog-
geachtdoor menschen. maar op verre na niet door allen :
niet door de menschen van gewone heiligheid, verstand of
gezonde rede. maai\' alleen door degenen, die zich zclven of
anderen gemakkelijk bedriegen, door degenen, die zich la-
ten geleiden door hunne driften, en eene schier dierachtige
levenswijze volgen, en weldra het aas der wormen zijn zul-
len. Integendeel overdenk de uitmuntendheid van Hem, in
wiens aanschijn, al wat door de menschen hooggeacht en
als grootheid aanzien wordt, slechts een gruwel is. Het is
niemand anders dan de Almachtige. Wat vergelijking
kan er bestaan tusschen eene vuile massa wormen, en
eenen God van oneindige Majesteit? Zoudt gij bekwaam
zijn van zoo schandig ongelijk, de achting der menschen
stellen boven de achting van God. en van zoovele millioenen
heiligen en engelen, in een woord, van gansch het Hemel-
hof? Indien gij voor grootheid aanziet, wat in Gods oogen
maar gruwel is, dan toont gij meer voortgang in de school
der wereld, dan in die van Chrisius gedaante hebben.
3. Overweeg dat Christus, ten einde de wereldsche grool-
heid aan de menschen verachtelijk te maken, uit den hemel
-ocr page 304-
296                             BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
op de aarde nederdaalde, in armoede en verlatenheid gebo-
ren werd in een ellendigcn stal, des nachts naar Egypte
vluchtte, om Zich aan den haat van Herodes te onttrekken,
onbekend leefde, in een armen winkel werkte, duizende
kwellingen, vervolgingen, en versmadingen van den kant
van zijn volk doorstond, en eindelijk tot den schandigen
dood des kruises veroordeeld werd. Zijn al die voorbeelden
niet vol :oende om u van gedachten te doen veranderen, en
u aan te zetten om de pracht der wereld te verachten, en
de ootmoedighiid te beminnen, die Christus u in geheel
zijnen levensloop leerde.
DONDERDAG IN DE NEGENTIENDE WEEK NA
SINKSEN.
Orer de lauwheid in den dienst run God.
Habeo adversum te, quod charitatem tuam primam reliquisti
(Apoc, il, 4).
Ik heb tegeu u, dat gij uwe eerste liefde verlaten hebt.
1. Overweeg dat deze klacht des Heeren een ieder treft,
die na eerst begonnen te hebben God met vurigheid te die-
nen, zich later overgeeft aan een lauw leven, met immer
zijn gemak te zoeken, en de versterving te vluchten, met de
regellucht en de geestelijke oefeningen te vcrwaarloozen,
en geen werk te maken van vrijwillige dagelijksche zonden.
Deze lauwheid is om drie redenen hoogst nadeelig. Ten
eerste, ten opzichte van den lauwe zelf, omdat hij is gelijk
een boom, waar men veel zorg voor draagt, die op zeer
goeden grond geplant is, en nogtans geene goede vruchten
-ocr page 305-
DONDERDAG IN DE NEGENTIENDE WEEK NA SINKSEN. 297
voortbrengt. Waar is de vrucht van zoevele Communiën,
zoovele geestelijke oefeningen, zoovele stichtende voorbee!-
den van vurige gezellen ? Zij brengen niets voort dan door-
nen, tot niets dienstig dan om in het vuur geworpen te
worden. Zoovele overtredingen van den regel, zoovele on-
deugden, zoovele zonden, wie zou dezelve kunnen optellen ?
De lauwheid doet den religieus een ongelukkig leven leiden;
want, van den oenen kant, heeft hij een grooten tegenzin en
walg voor alle geestelijke oefeningen, en religieuze bezighe-
den; en, van den anderen kant, is hij toch beroofd van die
wereldschc vertroostingen, waarnaar hij verlangt. Indien
gij het inwendige kont zien van twee religieuzen, den eenen
vurig en verstorven, den anderen, lauw en verslapt; hoe
zoudt gij den vurige benijden, en medelijden hebben met
den lauwe.
2.  Overweeg ten tweede, hoe nadeclig de lauwheid is,
ten opzichte van den naaste. De religieus, die een gemeen-
schappelijk leven leidt, is verplicht den naaste te helpen ;
zulks kan hij doen met het gebed, het goede voorbeeld,
stichtende onderhandelingen, of wijze raadgevingen. Nu
een lauwe religieus helpt zijnen naaste niet met het gebed:
want of hij laat het gebed varen, of doet het slodderig; verre
van bet goede voorbeeld te geven, veroorzaakt hij ergernis;
zijne gesprekken en raadgevingen zijn nog slechter dan zijn
voorbeeld.In een woord .een lauwe religieus is in hetkloos-
ter gelijk een onvruchtbare en vergiftige boom; hij is een
tweekantig zwaard, dat hem zei ven en den naaste te gelijk
kwetst. Hoevele beschuldigers zal hij voor den rechterstoel
Gods vinden, hoevelen die Gods wraak tegen hem zullen
inroepen !
3.  Overweeg ten derde dat de lauwheid zeer nadeelig is
ten opzichte van God. Zij berooft Hem immers van deglo-
rie en bijzondere hulde, die Hij beoogde met hem tot het
**
-ocr page 306-
298                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
religieus leven\'te\'roepen, en boven anderen te begunsti-
gen. Zijne ondankbaarheid belet de goddelijke milddadig-
heid over hem die bijzondere gaven uil te storten welke
God hem anders zou verleend hebben.Hij hitst de goddelijke
rechtvaardigheid aan om hem te verlaten .en hem Ie berooven
van dien buitengewonen bijstand, die hem noodig zoude
zijn om in het klooster te blijven, en lot het einde toe te vol-
harden. Hoe groot is. helaas! het gelal dergenen niet. die
allengskens verslappende en verflauwende, in schandige
zonden gevallen zijn. en een ongelukkigen dood stierven !
Het ergste van al is. dat. alhoewel er velen van de koude
van een oprecht slecht leven, verheven geweest zijn tot
groole heiligheid, men bijna nooit ziet dat een lauwe reli-
gieus tot zijne eerste vurigheid terugkeert: zijne afgrijse-
lijke ondankbaarheid belet dat God ten zijnen opzichte zijne
barmhartige goedheid toone. Onderhoud in u altijd eene
zalige vrees, opdat dusdanig ongeluk u niet overkome.
VRIJDAG IN DE NEGENTIENDE \\YEEK NA SINKSEN.
Hoe wij van de slavernij des duivels bevrijd worden.
Nunc judicium est mundi ; nuncprinceps hujus mundi ejicie-
tur foras ; et ego si exaltaties fuero a terra, omnia traham ad me-
ipsum,
(Jo. xii, 31, 32).
Nu is het oordi el dezer wereld daar, nu zal de vorst dezer
wereld worden buitenge worpen. En ik. wanneer ik van de aarde
zal verhoogd zijn, zal alles tot mij trekken.
1. Overweeg dat Christus door deze woorden wilde te
kennen geven de twee allergelukkigste uitwerkselen, welke
-ocr page 307-
VRIJDAG IX DE NEGENTIENDE WEEK NA SINKSEN. 299
zijn dood Ie weeg bracht. Heteene was. den duivel de heer-
schappij, die hij voerde over het menschdom. te ontnemen,
tot straf, omdat hij onrechtvaardig den dood des Zaligma-
kers veroorzaakt had. Het tweede was, dat Hij Zichzelven
met die oppermacht bekleedde, omdat Hij door de verdiensten
van zijnen dood voldaan had voor de schulden, die wij door
onze zonden, aangegaan hadden ; deze zonden waren de
oorzaak dat wij in de slavernij des duivels gedompeld lagen.
Daaruit volgt, datalwie nu in de macht des duivels zijn. in
dien ellendigen staat verkeeren. niet omdat de duivel over
hen de heerschappij heelt, welke hij zoude gehad hebben,
was Chiistus voor ons niet gestorven, maar omdat zij zulks
uitzinniglijk verkiezen, en. gelijk de verachlelijkste slaven,
de vrijheid niet willen, wanneer zij hun aangeboden wordt.
En gij beweent de deerniswaardige uitzinnigheid niet van
zoovele ongeloovigen, en slechte christenen ? Doch let wel
op : draagt gij misschien het uwe niet bij. om dat getal te
vermeerderen ?
Qï. Overweeg dat Christus bekleed werd met de opper-
macht, welke de duivel over het menschdom had. omdat Hij
door zijnen dood alle menschen van de slavernij verlost
heeft. Hij kon dan met recht zeggen : Omnia iraham ad
meipsim «
Ik zal alles tot mij trekken, » want allen behoo-
ren Hem toe : allen zonder uitzondering zijn zijne onderda-
nen : allen, zeg ik. godvruchtigen en goddeloozen. goeden
en slechten : Ad Ie omnis caro veniet (Ps. lxiii. 3) « Tot u
komt alle vleesch. » en daarom op den dag des oordeels.
Omnes slabimus ante tribunal Christi (Hom. xiv, 10)
•< zullen wij allen staan voor den rechterstoel van Chrislus.»
De goeden en godvruchtigen om deelgenoten te worden van
zijn rijk : de slechten en goddeloozen om, voor hunne onge-
trouwheid, veroordeeld te worden tot de eeuwige pijnen.
Keer nu aandachtig in u zelven, en denk dat gij u toch
-ocr page 308-
300                             BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
vroeg of laat voor de voeten van Jesus moet werpen, of nu,
als een getrouwe volgeling, of later, als het schuldige slacht-
otfer zijner rechtvaardigheid ; kies nu wat meest tot uw
voordeel slrekke.
3. Overweeg op welke wijze en door welke middelen de
gekruisic Zaligmaker ons tot Zich trekt, ten einde ons ge-
trouwe volgelingen en deelgenoten van zijn rijk te maken.
Hij trekt ons door de kracht zijner overtuigingen, weldaden
en medelijdendheid. Door overtuigingen, bij middel van zijne
hemelsche leer, en nog meer, van zijne voorbeelden ; met
voor ons te sterven in de uiterste armoede en verlatenheid
op een kruis, tusschen twee dieven, en met zulken vrede en
ootmoedigheid. dat Hij zelfs de harten zijner beulen won.
Hij trekt ons door zijne weldaden, daar Hij ons, ten koste
van zijn eigen leven, verloste van den eeuwigen dood, en
voor ons de deur des hemels opende. Hij trekt ons, einde-
lijk, door zijne medelijdendheid, met te tooncn dal.Hij waar
Mensch was, aangezien Hij stierf op het kruis, en waar
God, aangezien Hij over den dood zegepraalde. Als Mensch
trekt Hij ons door zijne deelnemende liefde, die daaruit
voortkomt, dat Hij uit liefde tot ons, aan ons gelijk werd ;
als God. trekt Hij ons nog heviger, als ons waar middel-
punt en laatste einde. Is het toch mogelijk dat. niettegen-
slaande al deze verschillende liefdeblijken, Hij er niet in
gelukt om u tot Zich te trekken, en u een godvruchtig en
getrouw gezel van den Gekruiste te maken ?
-ocr page 309-
301
ZATERDAG IN DE NEGENTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Orer de hoedanigheden der ware liefde.
Filioli mei, non diligamus verbo neque lingua, sed opere et
verüate
(1 .Jo. lil, 18).
Kinderkens ! laat ons niet liefhebben met woord of tong, maar
met daad en waarheid.
1. Overweeg dat onze liefde tot Jcsus, geene liefde in
schijn alleen moet zijn, die zich zou te kennen geven door
zoete woorden, teedere gevoelens of tranen van aandoening,
bijna gelijk een onvruchtbare boom, die pronkt enkel met
bladeren en bloemen. De ware liefde moet werkend, gedul-
dig en zegevierend zijn. Ten eerste moet zij werkend zijn.
Evenals de gezondheidstoestand van den mensch gekend
wordt door het slagen van den pols, zoo wordt de liefde ge-
kend door de werken. De Zoon Gods werkte gedurende drie
en dertig jaren van zijn sterfelijk leven onophoudelijk voor u,
zijne vermoeienissen en zijn zweet opofferende voor uwe za-
ligheid. Indien gij voorgeeft Jesus te beminnen, zie wat
moeite gij aanwendt om in zijnen dienst en voor zijne glorie
te werken. Het vuur, dat niet brandt, is geen vuur, het is
slechts cene gedaante ; zoo ook met de liefde ; indien zij niet
werkend is, is het geene liefde : Si non operatur, amor non
est.
Dit is het onfeilbare leeken, waaraan gij kennen kunt of
gij Jesus oprecht bemint.
1. Overweeg dat de liefde tot Jesus niet alleen werkend,
maar ook geduldig moet zijn ; de verdraagzaamheid is im-
mers het zekerste teeken der ware liefde. Zoolang gij niet
bereid zijt om het kruis voor God niet alleen te dragen, maar
zelfs te omhelzen, kunt gij nooit zeker zijn dat gij Hem be-
mint; want wat u eene ingeving der genade of een uitwerk -
-ocr page 310-
302
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
sel der liefde schijnt, is misschien niets dan eene natuurlijke
genegenheid of een gevolg uwer eigenliefde. Het kruis alleen
is de toetssteen, waardoor gij de ware liefde van de valsche,
de aardsche van de hemelsche kunt onderscheiden. De reden
daarvan is. dat gij met te lijden aan uwe eiger.liefde en aan
de genegenheden der bedorvene natuur moet wederstaan.
Het goud dat de vuurproef niet weerstaat, is geen echt goud
en heeft bijgevolg geenc waarde.
3. Overweeg dat onze liefde tot Jesus bovendien nog eene
zegevierende liefde zijn moei. Het \\uur overkomt eiken hin-
derpaal, omdat het omvat al wat het ontmoet: het veran-
dert vruchtbare landen in barre woestijnen : het verslindt
en doordringt alles. Zoo moet ook de liefde tot Jesus in uw
hart alle gevoelens overwinnen en in bedwang houden: zoo-
dat. zoude er ooit eenigc mededinging bestaan lusschen de
liefde tot God en die tot eenig geschapen goed, de eerste al-
tijd de overhand en in uw hart de eerste plaats hebbe.
Nog meer, de liefde lot Jesus moest in uw hart niel alleen de
eerste plaats hebben, zij moest er de eïmigc bezitter van
zijn, met in hetzelve elke andere liefde uit te dooven, even-
als een vuur. dat alles omvat en vernietigt. Jesus immers is
uw eenig goed. dat u niet ontbreekt in hel leven, u bijblijft in
den dood, en in de eeuwigheid uwe volmaakte vreugde zal
uitmaken. Sla eenen oogslag op al het geschapene, en gij
zult niets vinden dat uwe liefde waardig zij buiten Jesus, of
zonder betrekking tot Jesus. Indien de liefde van Jesus\'
Heilig Hart zegevierde over alle andere ge\\oelens; waarom
zou uwe liefde jegens Hem niet hetzelfde uitwerksel heb-
ben?
-ocr page 311-
303
TWINTIGSTE ZONDAG NA SINKSEN.
Over de genezing van den zoon des hofbeambten.
Domine, descende, priusjuam moriatur filius meus (Jo,iv,49),
Heer ! kom toch af, eer mijn zoon sterft.
1. Overwoog di3 reden waarom Jesus, die Zich aanstonds
bereid toonde, om op hel gebed van dm Honderdman, naar
zijn huis te gaan, len einde den dienaar te genezen, die ge-
vaarlijk ziek was, nu de smeeking van een aanzienlijk
man, om naar zijn paleis te gaan en zijn stervenden zoon
te genezen, van de hand wijst. De reden van dat verschil
was, ze^t de H. Gregorius, dat Jesus onzen hoogmoed
wilde beschamen, die ons altijd gereed maakt om aanstonds
onze diensten aan de grooten der wereld aan te bieden,maar
ons niet laat bewegen, om arme en verlatene menschen,
welke in liet algemeen aan God duurbaarder zijn, bij te
staan. Zulk verschil maken is tegenstrijdig inet de ware
liefde, die in den naaste niets anders beschouwt dan het
schepsel en evenbeeld van God, niet de waardigheid of rijk-
dommen, die enkel aanhangsels zijn zonder wezenlijke
waarde: Non est acceplio personarum apud Deum (Col. ui,
25).«Bij God is geene aanneming van personen ;» dit moet
gelijkelijk waar zijn voor hem, die den naaste dient in God
en voor God.
*2. Overweeg de tweede reden waarom Jesus niet naar
het huis van den hofbeambte wilde gaan ; het was om de
onvolmaaktheid van zijn geloof te verbeteren. Hj aanzag
Jesus voor een grooten Profeet, die van God de gaaf had
ontvangen van wonderen te doen; maar hij geloofde nietdat
Jesus te gelijk Mensen en God was, en daarom overal te-
-ocr page 312-
304
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
genwoordig. Van daar dat hij dacht dat Jesus lichamelijk ter
plaats moest zijn om zijn stervenden zoon te genezen.Ziedaar
een der groolste hinderpalen, om welke uwe gebeden niet
vérhoord worden, de zwakheid en onvolmaaktheid van uw
,ge!oof. Het geloof is de eerste stap, dien de mcnseh naar God
richt; het is ook de hoofdzakelijke voorwaarde, zonder
welke hij van God geene genade bekomt. Tracht dan, ten
tijde van het gebed, uw geloof te verlevendigen en te zuive-
ren, zoodanig dat het in een vast betrouwen verandere ;
vraag deze gunst aan den Heer met deze of dergelijke
woorden : Domine, adjuva incredulitatem meam (Mare.
ïx, 23). « Heer, kom mijn ongeloof ter hulp.»
3. Overweeg dat Jesus in het begin de smeekingen van
den hofbeambte verwierp, ten einde hem aan te zetten om
te volharden in het vragen dier gunst, en er zich op die
wijze waardig van te maken. De standvastigheid in het af-
smeeken van genaden is zoo aangenaam aan God, dal zij
al onze gebreken in de manier van vragen goed maakt en
ons meer doet bekomen dan wij verdienen. God immers
kan niets weigeren aan dengene,dicHem door aanhoudende
smeekingen lastig valt, zooals Hij zelf verklaart rij den
H. Lucas (xi, 8). Si perseveraverit pulsans, si non dabit
UU, eo quod amicus ejns sit. propter improbitatem dabit
« Zoo gene bleef kloppen, al zal hij ze niet geven, omdat
hij zijn vriend is ; nogtans om zijn onbescheiden aanhou-
den, zal Hij ze hem geven. »
-ocr page 313-
305
MAANDAG IN DE TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN.
Over de volmaakte gehoorzaamheid.
Quasi peccatum ariolandi est repugnare; et quasi scelus ido-
lolatrice nolle acquiesccrc
(1 Reg. xv, 23).
Wederspannig zijn is gelijk de zonde van tooverij, en niet
willen gehoorzamen gelijk de misdaad van afgoderij.
1. Overweeg dal om oprecht gehoorzaam te zijn, het
niet genoeg is. het bevel des oversten te volbrengen, enkel
omdat het naar uw behagen is. of omdat gij de gevolgen
vreest, zoo gij hel veronachtzaamt, ofwel omdat gij er
cenig voordeel uit verhoopt. Wat gij doen moet. is uwen
overste gehoorzamen, omdat hij gebiedt, u dus schikkende
naar zijnen wil, met alleen voor wat het stolïelijk
werk aangaat, maar met uwen eigen wil. De ware
gehoorzaamheid bestaat in de berusting van den wil in
dien van den overste. Om in dien geest het bevel na te ko-
men, moest gij u overtuigen eerst en vooral, dat de overste
zeer wel handelt met u dit of dat op te leggen. Nogtans het
is niet verboden aan den overste de moeielijkheden voor te
stellen, die gij in den weg ziet: maar. nadat gij zulks ge-
daan hebt, is het u verboden tegen te spreken of moeiten te
maken, ten einde den overste naar uw gedacht over te
halen.
w2. Overweeg waarom gezegd wordt, dat wederspannig
zijn aan het oordeel van den overste gelijk is aan de zonde
van tooverij : quasi peccatum ariolandi; het is, omdat met
zoo te handelen, uwc gedragslijn slechts vermoedenswerk is;
gij oordeelt dan enkel bij gissing, wat goed of slecht is.
Indien gij u integendeel schikt naar het oordeel van den
overste in alles, wat gij niet stellig weet zonde te zijn, zijt
H                                                                                   18
-ocr page 314-
306
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
gij zeker van aan God te behagen, en te doen wat best is;
want alle uwe werken, gedaan uit gehoorzaamheid, vcree-
nigd als het ware met den goddelijken wil, zijn een gevolg
te gelijk van den wil Gods en van den uwen. Gij kunt nooit zoo
zeker zijn, indien gij uw eigen oordeel volgt, zoudet gij zelfs
werken verrichten, voor het overige lofwaardig, van boel-
vaardigheid of godsvrucht. God geve, dat bij uwen dood u
niet gezegd worde, gelijk eertijds aan de Hebreen : Quis
qusesivit hsec de tnanibus vestiïs ?
(Isai. i, 12) « Wie
heeft van uwe handen deze dingen verzocht ? •> Nu, achter
te laten wat de gehoorzaamheid van u vereischt, en wat
gij bijgevolg zeker weet goed te zijn, om het onzekere te
verrichten volgens uw eigen oordeel, is inderdaad bij gis-
sing te werk gaan. Waarom handelt gij toch zoo dikwijls
op die wijze met aan uwen overste wederspannig te zijn,
telkens hij voor u deze plaats, gene bediening of dat werk
beter oordeelt ?
3. Overweeg de reden, waarom niet willen gehoorzamen
afgoderij genoemd wordt. De reden daarvan is, dat de
ongehoorzame met naar zijn eigen oordeel te handelen, zijn
eigen wil erkent, als de hoofdregel van al zijn doen en
laten ; nu dit komt met recht en reden aan God toe, en
aan degenen, die God in zijne plaats over u gesteld heeft:
Qui vosaudit me audit (Luc. x, IC) « Die naar u hoort,
hoort naar mij. » Aangezien gij dan die eigenschap ont-
necmt aan wien ze God medegedeeld heeft, om dezelve op
uwen eigen wil over te brengen, aanbidt gij u zelvcn, en
met altaar tegen altaar op te rechten, geeft gij de voorkeur
aan uwen eigen wil boven dien van God. Denk dan zorg-
vuldig na, wat ecne grove zonde het is, aan zijne oversten
wederspannig en ongehoorzaam te zijn, en tevens zijn eigen
oordeel staande te houden. Doch hoe veel grootor is die
zonde niet, indien men den plaatsvervanger van God zoekt
-ocr page 315-
DINSDAG IN DE TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 307
te verplichten aan zijne hardnekkigheid onder te geven ;
en dus de wederzijdsche verplichtingen van oversten en
onderdanen om te keeren en te vernietigen !
DINSDAG IN DE TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN.
Over de getrouwheid in kleine zaken.
Qui fiftelis est in m\'inimo, et in majori fidelis est, et qui in mo-
dico iniquns est, et in majori iniquus est
(Luc. xvi, 1U).
Die getrouw is in het geringe, is ook in het grootere ge-
trouw ; on dio in het geringe onrechtvaardig is, is ook in het
grootere onrechtvaardig.
1.  Eene der grootste dwalingen in het religieuze leven
is Ie wenschen voor God groote dingen te ondernemen, die
misschien nooit zullen verwezenlijkt worden, en terzelfder
tijd de stipte nakoming van de verplichtingen, die God ons
opgelegd heeft, te verwaarloozen. Deze begeerten om
groote zaken te verrichten, hoe vurig zij ook zijn, kunnen
dikwijls voor u hoogst nadeelig worden, omdat zij uw hart
en geest van uwe dagelijksche plichten af keeren, en dikwijls
uwe ijdelheid vermeerderen, met u te doen gelooven dal gij
een religieus van groote deugd zijl. Alvorens te zuchten
naar groote ondernemingen, zooals. missionaris leven in
Indië of elders, of den marteldood, moet gij u eerst gewoon
maken, om u wel te kwijten van uwe kleine plichten, en
dan kunt gij naar iels verheveners verlangen. Indien gij
zooveel mogelijk in het kleine gelrouw zijt, dan kunt gij
verhopen van ook in het grootere getrouw Ie blijven.
2.  Overweeg hoe belangrijk en verdienstelijk deze ge-
-ocr page 316-
308                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
trouwlieid in kleine zaken is ; juist omdat zij dikwijler of
aaniioudend voorkomen, vallen zij lastigst aan de natuur,
en strijden meest met onze eigenliefde, en ook, omdat zij
niet zoo gemakkelijk stof geven tot ijdelheid ; bijgevolg
verwerft gij daardoor groote verdiensten, en bekomt gij de
goede gewoonte van den tegenzin der natuur te overwinnen.
Yan den anderen kant, gelegenheden om groote dingen te
verrichten komen zeer zelden voor, en daarom kunnen zij
niet altijd uitgeoefend worden ; bovendien in groote onder-
nemingen sluipt gemakkelijk de ijdelheid in. Leer dan,
bijlende woorden geduldig te verdragen, geen acht te geven
op de onbeleefde handelwijze van den naaste ten uwen
opzichte, en stipt en zorgvuldig alles, hoe gering ook, wat
uw staat vereischt, te verrichten, en gij zult aldus grooten
voortgang maken : Qui fidelis est in minimo et in majori
fidelis est
« Die getrouw is in het geringe, is ook in het
grootere getrouw. » Indien gij niet stipt zijt in het kleine,
wees wel overtuigd, dat gij ook in het grootere niet ge-
trouw zult zijn.
3. Overweeg dat evenals iemand die de kleine winsten
veracht, geen goeden uitslag in groote verdragen kan ho-
pen, zoo ook indien iemand niet vreest kleine zonden te be-
drijven, moet hij met recht vreezen in groote te vallen. Qui
in mudico iniquus est, et in majori iniquus est. «
Die in
het geringe onrechtvaardig is, is ook in het grootere on-
rechtvaardig. » Dat gevaar van in doodzonde, te vallen be-
staat zoo zeer niet voor hem, die somtijds schier onvrijwiU
ligc dagelijksche zonden bedrijft, of door onoplettendheid,
of door de zwakheid der bedorvenc natuur; maar voor
dengene, die niet schroomt, dikwijls en vrijwillig, zonder
vrees of knaging van geweten, in kleine zonden te vallen ;
want de slechte gewoonte, gevoegd bij de bedorvenc gene-
genheden, zal hem gemakkelijk in grove zonden doen val-
-ocr page 317-
WOENSDAG IN DE TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 309
lcn. Daarom, indien gij u zei ven laat misleiden en de
gewoonte aanneemt om kleine zonden van eerzucht, over-
daad of zinnelijkheid te bedrijven, wees verzekerd dat gij
weldra van het kleine tot hetgroote,vande dagelijksche zonde
tot de doodzonde zult overgaan : Qui in modico iniquus est,
et in majori iniquus est.
« Die in het geringe onrechlvaar-
dig is. is ook in het grootere onrechtvaardig. » Let wel op,
dat er niet gezegd wordt : iniquus ent « hij zal onrecht-
vaardig zijn, » maar est, « hij is » onrechtvaardig, want
alhoewel dat kwaad slechts toekomend is, het is zoo nabij
dat de Heer van hetzelve als reeds tegenwoordig spreekt ;
• en nadat gij eens in doodzonde gevallen zijt, God geve, dat
de val niet onherstelbaar zij.
WOENSDAG IN DE TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN.
Over de onevenredigheid tnsschen de zonde en de
verdiende straffen.
Pcccavi, et vere deliqui, et ut eram dignus non recepi (Job.
xxsiii, 27).
Ik heb gezondigd, en waarachtig misdaan, en ik heb niet
ontvangen wat ik verdiend had.
1 .Overweeg wat al redenen gij hebt om altijd deze woor-
den van Job op uwe lippen te hebben. Gij beklaagt u dik-
wijls over God, omdat Hij toelaat dat gij gekweld en be-
proefd wordt; het schijnt u dat de hand des Heercn te hevig
op u drukt. O ! wat eene beleedigende taal ! Verander
ten spoedigste en zeg dal God, met al de kwellingen, die
Hij u overzendt, met die ziekten en beschimpingen, die aan
-ocr page 318-
310                           BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
uwe eigenliefde zoo hard vallen, u enkel een zeer klein
gedeelte doet betalen van al die schulden, welke gij door
uwe zonden van bedrijf of verzuim, ten opzichte der godde-
lijke rechtvaardigheid, aangegaan hebt. Roep niet Job uit:
Peccavi. et vere deliqui, et ut eram dignus non recepi.
« Ik heb gezondigd, en waarachtig misdaan, en ik heb
niet ontvangen wat ik verdiend had. »
\'2. Overweeg dat om met innig gevoel deze woorden te
kunnen zeggen, gij eerst wel moet doordrongen zijn van
hunne waarheid. Gij zult nooit gelooven, hoe waar zij
zijn ten uwen opzichte, tenzij gij wel tracht in te zien, hoe
slecht gij u jegens uwen Heer gedragen hebt. Herdenk ten-
dien einde, hoe ontrouw en onrechtvaardig gij jegens den
Heer geweest zijt gedurende de jaren, die gij in de wereld
doorgebracht hebt. hoe ondankbaar voor die groote
weldaad van u uil de gevaren der wereld gered te hebben,
hoe onachtzaam om aan de verplichtingen uwer geloften
en regelen te voldoen, hoe verwijderd van het bezit der
deugden, welke de religieuze staat van u vereischt. Her-
denk dat alles, en dan zult gij inderdaad uit het innigste
uws harten zeggen : Peccavi. et vere deliqui. et ut eram
dignus. non recepi
« Ik heb gezondigd, en waarachtig
misdaan, en ik heb niet ontvangen, wat ik verdiend
had. » Gij zult dan verstaan dat er volstrekt gecne evcn-
redigheid bestaat tusschen de beproevingen, welke de Heer
u overzendt, en de pijnen die gij in de hel zoudt te verduren
hebben.
3. Overweeg dat elke verdoemde in de hel diezelfde
woorden zeggen kan. alhoewel hij dezelve niet uitdrukt :
de waarheid immers wordt niet aangenomen, waar blinde
razernij de overhand heeft. Hoe streng ook God de ziel eens
verdoemden straft, hare pijnen zijn altijd min dan zij voor
eene enkele doodzonde verdiende. Vraag u zelven nu af,
-ocr page 319-
WOENSDAG IN DE TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 311
of de beproevingen, die de Heer u in dit leven overzendt,
min of meer zijn dan gij verdiendet voor uwe menigvuldige
zonden. Wat zijn toch de kwellingen van dit leven in ver-
gelijking met die der hel, welke de Heer u gespaard heeft ?
Zij zijn niet meer dan een geschilderd vuur in vergelijking
met het ware. Het schijnt u,dic verdiend hadtvoor ecuwig
door Lucifer met de voeten vertreden te worden, het schijnt
u te veel hier voor een korten tijd eenc groote vernedering
te ondergaan. Het valt u onverdragelijk hier op een bed
van smarten genageld te zijn, gij, die verdiend hadt voor
eeuwig te branden in het helsche vuur. Het schijnt u een
al te ellendig leven, van uwc gemakken beroofd te zijn, u
aan de vermaken niet te kunnen overgeven, gij, die in den
schrikkelijken afgrond geen druppel water zoudt vinden,
waarmede uwe lippen te koelen, evenmin als de rijke van
het Evangelie! Denk op dat alles ernstig na, en gij zult
overtuigd zijn van de waarheid dier woorden : Peccavi, et
vere deliqui
« Ik heb gezondigd, en waarachtig mis-
daan » en gij zult er bijvoegen : et ut eram dignus non
recepi
« en ik heb niet ontvangen wat ik verdiend had.»
-ocr page 320-
312
DONDERDAG IN DE TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN
Dat wij onze oogen altijd op den Heer moesten gevestigd
houden.
Oculi mei semper od Dominum, quoniam ipse eoellet de laqueo
pedes meos
(Ps. xxiv, 15).
Mijne oogen zijn gedurig op den Heer, want Hij zal mijne
voeten uit het net ontslagen.
1.  Overweeg dat de wereld vervuld is met hinderlagen
van den duivel, en dat, om er niet in te vallen, men de
oogen niet op de aarde,maar hierboven op God gevestigd moet
houden; evenals dienaars gewoon zijn de oogen naar hunne
meesters te richten. Dienaars handelen aldus voor drie rede-
nen; om beter de bevelen hunner meesters te volbrengen,
om gereed te zijn hen overal te volgen, en om hun hulp te
vragen, wanneer het noodig is, of vergiffenis, wanneer zij
plichtig of onachtzaam zijn geweest. Aldus moet gij ook de
oogen op den Heer gevestigd houden, ten eerste om zijne
bevelen, \'t zij Hij ze rechtstreeks, of bij middel uwer over-
sten geve, na te komen; want indien gij stipt gehoorzaamt,
zal er voor u niet alleen geen gevaar bestaan van te vallen,
maar zelfs niet van de strikken te raken, die u gelegd zijn.
Dit is het grootste voorrecht van de gehoorzamen, in veilig-
heid te zijn, waar anderen verloren gaan. Waarom acht
gij zoo weinig dat groot voorrecht ? Quicustoditprwceptum.
non ejeperietur quidquam mali
(Eccle. viii, 5) « Alwiehet
gebod nakomt, zal geen kwaad vinden.
2.   Overweeg de tweede reden, waarom de dienaren
de oogen op hunne meesters gevestigd houden; het
is. om hen te kunnen volgen en vergezellen. Zoo moet
-ocr page 321-
DONDERDAG IN DE TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 313
gij u ook jegens den Heer gedragen, om in alle
voorvallen zijne voetstappen te kunnen drukken. Doch
hoe kunt gij zulks doen, indien gij niet gedurig de
oogcn op Hem gevestigd houdt, en u herinnert hoe in ge-
lijke gevallen uw goddelijk voorbeeld zich gedroeg gedu-
rende zijn sterfelijk leven op aarde ? Indien gij in al uwe
werken en bezigheden de voorbeelden aanschouwt, die Hij
u nagelaten heeft, opdat gij dezelve zoudet navolgen, dan
kunt gij zeker zijn nooit een valschen stap te doen : Qui-
cumque hanc regulam seeuli fuerint. par super Mos
(Gal.
vi, 10) « Hoevelen dezen regel zullen gevolgd hebben,
vrede over hen. «Waarom legt gij u dan niet toe, om zorg-
vuldig te overwegen de handelingen vanJesus, beschreven
in het H. Evangelie? Zij moeten u dienen tot geleider, even
als de kaart den stuurman op de opene zee geleidt, om
veilig inde have ie komen.
3. Overweeg eene andere reden, waarom een dienaar ge-
woon is de oogen op zijnen meester gevestigd te houden ;
het is om hem vergiffenis, hulp of bescherming te vragen.
Op deze wijze moet gij met uwen Zaligmaker omgaan :
want uwe veiligheid tegen de listen uwer vijanden hangt
hoofdzakelijk af van uw aanhoudend smeeken om vergiffenis
voor uwe zonden, en om bijstand in uwe noodwendigheden.
Zoohaast gij nalaat zijne hulp in te roepen, zult gij begin-
nen wederspannig te worden aan zijnen wil, en het tegen-
strijdige te doen van hetgeen Hij u door zijne voorbeelden
leert. Daarom moet gij voortgaan met vragen, zelfs nadat
gij bekomen hebt, wat gij verlangdet, want zoo gij het be-
komen hebt. kunt gij het ook verliezen, indien gij zijne be-
stendige hulp niet ter hand hebt. Gij zijt plichtig, arm en
in groot gevaar, en bijgevolg door u zelven onbekwaam
om recht op den hemel te bekomen. Hoe kunt gij dan
moede worden uwe oogen op God gevestigd te houden,
-ocr page 322-
314
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
daar al uwc hoop op Hem berust ? Zog eerder : Oculi mei
semper ad Dominion -<
Mijne oogen zijn gedurig op den
Heer. »
VRIJDAG IN DE TWINTIGSTE WEER NA SINKSEN.
Over het betrouwen op «Ie goddelijke voorzienigheid.
In fide vico Filii Dei, qui dtlensit me, et tradnlit semetipsum
pro me
(Gal. n, 20).
Ik leef in het geloof in Gods zoon, die mij hooft liefgehad, en
zichzelven geleverd heoft voor mij.
1. Overweeg wat betcekend wordt door leven in het ge-
loof vivere in fide. Het wil zeggen dat gij u aan Jesus
Christus gansch moet toevertrouwen, zeker zijnde, dat,
zoolang gij u gansch op Jesus verlaat, alles met u zal wei-
gaan. Zcnde Hij u dorheid van geest, ziekten des li-
chaams, of vernederingen, werp u altijd in de armen van
den Zaligmaker, die u zoo zeer bemind heeft, en die ten
slotte alles zal doen keeren tot uw grooter voordeel. Zeg
daarom met al de vurigheid uws harten : In fide vivo. » Ik
leef in het geloof. »
^.Overweeg hoe ver Jesus de liefde tol u gedreven heeft:
Tradidit semetipsum pro te « Hij heeft zichzelven voor u
geleverd. » Hij verkoos zelf het groote slachtoffer te zijn,
dat voor uwe zaligheid moest opgedragen worden ; Hij liet
toe dat Hij door Judas verraden, en aan zijne vijanden
overgegeven werd, omdat Hij Zichzelven leverde : Tradidit
semetipsum.
Hij verdroeg dit alles voor u persoonlijk, di~
leiit me, et tradidit semetipsum pro me.
« Hij heeft mij lief
-ocr page 323-
VRIJDAG IN DE TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 315
gehad, en zich zelven geleverd voor mij. » Zoo stierf Hij
zoowel voor u afzonderlijk, als voor allen te zamen ; en op
hetoogenblik zelf van zijnen dood. dacht Hij op u, bad Hij
voor u, en droeg Hij aan zijnen Vader het bloedige slachl-
offer van het kruis voor u op. Was het noodig geweest, Hij
zou voor u alleen uit den hemel nedergedaald zijn, evenals
Hij nu deed. om voor allen te lijden en te sterven. Zie dan
of Hij u niet oprecht bemint, en of gij geene gegronde reden
hebt om op Hem te betrouwen, en u in alles aan zijne va-
derlijke beschikkingen over te laten.
3. Overweeg wat groot ongelijk gij den Heer aandoet,
indien gij, nadat Hij zich geheel en al aan u gegeven heeft
tot den dood des kruises, u zelven niet gansch wilt over-
geven aan Hem, met voortaan te leven in de armen van
zijne liefdevolle voorzienigheid. Dit kunt gij doen met u,
zonder voorbehoud, ter beschikking te stellen van zijnen
goddclijken wil, als een slachtoffer van gehoorzaamheid ;
en toe te laten, dat Hij of rechtstreeks, of bij middel uwer
oversten, die zijne plaats voor u bekleeden, over u bescluk-
ke, zonder u te bekommeren met de gedachten uwer eigene
belangen. Leef in het geloof, in fule, gelijk een kind op den
schoot zijner moeder, waar het rust en voedsel neemt, in de
zekerste gerustheid.
-ocr page 324-
31G
ZATERDAG IN DE TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN.
Over de vrees Gods.
Condyc thnorc luo cames meas, a judiciis enim tuis timui
(Ps. cxvni, 120).
Doornagel mijn vleesch met vreeze voor u, want ik ben be-
ducht voor uwe oordeelcn.
1. Overweeg dat, alhoewel David erkende\'God gevreesd
te hebben in het verledene. en Hem te vreezen in het tegen-
woordige, hij nogtans God smeekte, hem opnieuw met
zijne heilige vrees te vervullen. Hij verlangde dat de vrees,
die in zijne ziel heerschte, ook zijn vleesch zou doordringen,
opdat hij aldus zoude in staat zijn, zijne zinnelijke natuur
te bedwingen, evenals hij zijne hoogere vermogens in be-
dwang hield. Gelukkig zijt gij, indien gij dit kunt te weeg
brengen ! Bid ten minste aanhoudend den Heer, dat Hij
met zijne heilige vrees uwe oogen. uwc tong. uwe ooren,
al uwe zintuigen en gansch u zelven doornagele. opdat gij
niet te veel zoudt te lijden hebben van de moedwilligheid
van uw vleesch. Wanneer het lichaam doorboord wordt,
gaat het wapen door het lichaam tot het hart: wanneer de
ziel geestelijker wijze doornageld wordt, gaat de vrees Gods
van het hart tot het lichaam over. De \'heiligen, na hunnen
geest door tle onderwerping aansGod[gekruisigd te hebben,
gelukten er ook in om hun vleesch te kruisigen en in be-
dvvang te houden. Verwonder u niet dat uw vleesch altijd
moedwilliger wordt; het is omdat de vrees Gods uwe gees-
telijke vermogens nog niet doordrongen heeft ; gij hebt een
al te breed geweten, en daarom hoopt gij vruchteloos dat de
vrees Gods hcersche in uw vleesch, dat altijd laatst is om
de wapens neer te leggen.
-ocr page 325-
ZATERDAG IN DE TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 317
5. Overweeg dat de reden, waarom David gedurig deze
vrees van God afsmeekte, was, omdat de oordeelen van God
hem verschrikten : A judiciis tuis timui « Ik ben beducht
voor uwe oordeelen.» Door deze oordeelen kunnen verstaan
worden de goddelijke geboden volgens deze woorden van
den Psalmist : Sprevisti omnes discedentes a judiciis tuis
(cxvin, 188) « Gij verfoeit allen die afwijken van uwe
geboden. » Zij kunnen ook beduiden de oordeelen van Gods
ondoordringbare raadsbesluiten : Judicia tua abyssus multa
(Ps. xxxv, 7) « Uwe oordeelen zijn als de wereldzee. »
Zij kunnen nog genomen worden voor het gestrenge oor-
deel, waar wij allen aan zullen onderworpen zijn bij ons
vertrek uit deze wereld. David smeekte dan den Heer, dat
Hij de begeerlijkheid van zijn vleesch zou beteugelen, omdat
hij vreesde, dat het oorzaak zou zijn van zijnen val in
grove zonden, en dat uit dien hoofde, God, in zijne ver-
borgene raadsbesluiten, zou toelaten dat hij zich in het
ongeluk storte. Ecne andere reden was, omdat hij wel wist
dat God elk gedacht, elk woord, en zelfs het onbeduidenste
werk streng zal oordeelen. Daarom vreesde hij, dat zijne
onbeteugelde begeerlijkheid hem zou leiden tot iets onge-
oorloofds in daad, begeerte ot behagen, hetwelk hij nu
minachtte en dat later voor den rechterstoel Gods hem zou
opgeworpen worden. Wat zegt gij daarvan ; gij, die zoo
weinig vreest Gods genade te verliezen, u zoo licht de vol-
harding tot het einde belooft, en u zoo lafhartig toont tegen
de kwade ingevingen, die u overvallen ? De zekerheid is de
vrucht, niet van de vermetelheid, maar van de heilige vrees
Gods.
3. Overweeg dat gij niet alleen van God met grootevu-
righeid de genade vragen moet om uw vleesch in bedwang
te kunnen houden, Confige timore tuo carnes meas « Door-
nagel mijn vleesch met vreeze voor u ; » gij moet bovendien
-ocr page 326-
318
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
alle pogingen aanwenden, om u van die genade waardig te
maken. Gij moet daarin David navolgen, die zijn vleesch
pijnigde met nachtwaken, boetkleed en asch, met vasten
en andere strengheden. Indien gij u aan dat alles niets gelc-
gen laat, zal uw vleesch nooit gekruisigd, maar immer aan
den geest wederspannig zijn.
EEN EN TWINTIGSTE ZONDAG NA SINKSEN.
Over «Ie gelijkenis van de twee schuldenaren.
Oblaius est ei unus, qui debebat ei decem millia talenta
(Matth. xviii, 24).
Er word een voor hem gebracht, die hom tien duizend talen-
ten schuldig was.
i. Overweeg dat gij die dienaar zijt welke aan God tien dui-
zend talenten schuldig is, uit hoofde van de menigvuldige
gelegenheden en wijzen, waarop gij zijne wet overtre-
den hebt. Uwe schulden, voor wat de zonde en de straf
aangaat, zijn zoo bovenmate groot, dat gij het niet beseffen
kunt: de schuld ten gevolge van uwe geringste zonde is zoo
groot, dat al de goede werken van al de heiligen te zamen
niet in staat zijn om er van henzehen voor te voldoen ;
want de haat.welke God eene dagelijksche zonde toedraagt,
is grooter dan het behagen, dat Hij schept in de hulde van
al de schepselen te zamen. De schuld voor de straf is ook
zoo groot, dat het niet verstaan wordt, dan door hen, die
dezelve tot den laatstcn penning moeten betalen, in het
vagevuur of in de hel. Zou het u dan, die zooveel aan God
schuldig zijt, te lastig vallen, u voor God rechtzinnig te
-ocr page 327-
EEN EN TWINHGSTE ZONDAG NA SINKSEN.            319
vernederen, Hem vergiffenis te vragen, evenals de dienaar
in het Evangelie Z\'jnen meester om vergiffenis bad : Proci-
dens orabat dicens
Patietüiam habe in me « Hij viel nc-
der, en bad hem zeggende : Heb geduld met mij. »
5, Overweeg hoe gemakkelijk en bereid de Heer is, om
u die groote schulden voor zonde en straf kwijt te schelden,
op voorwaarde enkel, dat gij u uit ganseber harte van het
bedrevcne kwaad terugtrekt, dat gij hetzelve openhartig in
het sacrament der biecht belijdt, en de boetplegingen vol-
brengt, die u door den priester opgelegd worden. Hij mid-
del van dit Sacrament voldoet Jesus voor u aan de godde-
liike rechtvaardigheid met de oneindige waarde zijns lij-
dens. Bedank dan Jesus van ganscher harte, omdat Hij
voor u zoo volmaakte kwijtschelding en vergiffenis bekwam,
ecne vergiffenis, die u inderdaad weinig kost, maar die Je-
sus oneindig veel gekost heeft.
3. Overweeg dat, evenals de Heer immer bereid is, om
uwe bedrevenc fouten te vergeven, Hij zoo wil dat gij aan
uwe broeders vergeeft liet ongelijk dat zij u zouden kunnen
aandoen. Hij verklaart immers, dat Hij nooit uwe over-
grootc schulden zal kwijt schelden, indien gij niet van
ganscher harte aan uwe broeders hunne beleedigingen ten
uwen opzichte vergeeft: Sic et Pater meus cselestis faciet
vobi.t, si non remiseritis unusquisque fratrisuo de cordibus
vestris
(Matth. xvm, 35). « Aldus zal ook mijn hemelsclie
Vader u doen, indien gij niet, eeniegelijk zijnen broeder,
van ganscher harte zult vergeven hebben » God de Vader
draagt eenieder van ons zoo teedere liefde toe, dat niets Hem
grooter behagen geeft, dan te zien, dat wij in vrede, als
ware broeders leven. Geen wonder dan, dat hij aan God
welgevallig is, die vergeet en vegeeft al het leed, dat hem
aangedaan wordt, en waarvan de herinnering enkel zou
dienen om hem te stooren. Van den anderen kant alwie
-ocr page 328-
320
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
bitterheid in zijn hart bewaart, dat eiken oogenblik tot
twist en tweedracht kan leiden, is hatelijk aan God. Van
daar dat wij lezen van meer dan eencn, dat een enkele akt
van edelmoedige vergiffenis voldoende was om van hen
groote heiligen te maken, gelijk het geval was met .den
H.Joannes Gualbertus: en dat integendeel een enkele akt van
weigering van vergiffenis genoeg geweest is om de schoone
kroon der marteldood te verliezen ; getuige daarvan de
ongelukkige Sapricius.
MAANDAG IN DE EEN EN TWINTIGSTE WEEK
NA SINKSEN.
Over de broederlijke liefde.
Hoc estprceceplum meum, ut diligatis invicem (Joa. xv, 12).
Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt.
1. Overweeg hoe gewillig gij dit gebod der broederlijke lief-
de moest volbrengen, om reden dat dit alleen, onderzoo vele
andere geboden, door den Heer, zijn gebod genoemd wordt.
Deze liefde echter om volmaakt te zijn moet drie hoedanig-
heden hebben ; gij moet uwen naaste beminnen met eene
oprechte, krachtdadige, en kostelooze liefde. Met eene op-
rechte liefde, dat wil zeggen, dat gij zijne geestelijke wei-
vaart boven de lichamelijke moet stellen ; dat gij in hem
de schoonheid der natuur bemint, die hij van God ontvan-
gen heeft, en die geschapen werd naar Gods evenbeeld en
gelijkenis, dat gij terzelfder tijd in hem haat het kwaad dei-
zonde, dat zijn eigen werk is; dat gij elk in het bijzonder,
en allen in het gemeen bemint, om die verhevene bewceg-
-ocr page 329-
MAANDAG IN DE EEN EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 321
reden, te weten, den uitdrukkelijken wil van God, die u
verplicht allen zonder uitzondering te beminnen. Tot hoe
ver verwezenlijkt gij die oprechtheid van inzicht, die grond-
leer der ware liefde ? Bemint gij in uwen naaste meer de
welvaart der ziel, dan die des lichaams? Bemint gij hem,
voor hetgeen gij in hem moet beminnen, of bemint gij hem
om zijne gelijkheid van gesteltenis, om familiebetrekkin-
gen, of persoonlijke hoedanigheden en aantrekkelijkheden ?
1. Overweeg dat uwe liefde jegens den naaste krachtda-
dig moet zijn, dat is, niet bepaald tot den wil alleen, maar
zicli moettoonen door de werken. Christus kon onze zalig-
heid bekomen, door ecne enkele smart, of zucht; en nog-
tans wilde Hij dezelve bewerken ten koste van zijn bloed.
Kunt gij u roemen op eene krachtdadige liefde jegens uwen
naaste? Waar zijn uwe vermoeienissen en uw zweet voor
het welzijn der zielen, of ook der lichamen, voor zooveel
uw staat zulks toelaat ? Laat ons hopen dat gij niet van het
getal dergenen zijt, die den naaste enkel beminnen door
woorden,maar die van die liefde niet het minste blijk geven
in hunne werken; of wat nog erger is, van het getal der-
genen, die in schijn hem beminnen en metterdaad hem ha-
ten. Het eerste is veinzerij, het andere verraderij, het eene
nog slechter dan het andere. De ware liefde jegens onzen
naaste is : dilectio sine simulatione. (Bom. xn, 9) « De
liefde zonder geveinsdheid. »
3. Overweeg de derdeen verhevenste hoedanigheid, die
de liefde tot den naaste kronen moet. De liefde, namelijk,
moet kosteloos zijn ; dat is te zeggen, dat gij den naaste
moet beminnen, niet om gunsten, welke gij van hem
verhoopt, ook niet om weldaden, welk gij van hem ont-
vangen hebt; maar enkel om eene aan God welgevallige
zaak te verrichten, en om te gehoorzamen aan een gebod,
dat de Heer u zoo zeer aanbevolen heeft. Indien gij den
-ocr page 330-
322
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
naaste bemint om gunsten, welke gij van hem verhoopt,
dan bemint gij hem niet, maar u zelven. Bemint gij hem
om weldaden, welke gij van hem ontvangen hebt; gij ver-
vult een prijsbaren plicht van dankbaarheid, doch gij vol-
brengt niet ten volle het gebod des Heeren, die wil dat gij
uwen naaste bemint.zij hij uw vriend of vijand. Aanschouw
Christus op het kruis genageld, die zonder eenig eigen be-
lang. zijnen Vader bidt voor zijne wreede beulen. En nog-
tans, al de glorie, die Hij van zijnen Vader bekwam, in
zijne hoedanigheid van Verlosser, kon Hij bekomen krach-
tens zijn goddelijk Zoonschap.
DINSDAG IN DE EEN EN TWINTIGSTE WEEK NA
SINKSEN.
Hoe wij altijd kunnen en moeten bidden.
Oportet seinper orarc et non dcficere (Lue. xvm, 1).
Men moet altijd bidden en niet moede worden.
1. Overweeg wat de Heer van o vraagt, wanneer Hij
zegt, dat men altijd moet bidden en niet moede worden ;
Oportet semper ware, et non dejicere. Verlangt Hij dat
gij altijd op uwe knieën in het gebed zoudt zijn ? Zeker neen!
Maar wat Hij wil, is, eerst en vooral, dat gij niet nalaat
te bidden op de vastgestelde en door uwen regel bepaalde
tijden, evenmin als gij nalaat op gestelde uren voedsel te
nemen om uw lichaam te verkwikken. Ten tweede, dat gij
u op het gebed toelegt, voor zooveel u mogelijk is, zelfs
buiten de vastgestelde, tijden. Men zegt met recht, dat
iemand die zooveel studeert, als hij kan, altijd studeert,
-ocr page 331-
DINSDAG IN DE EEN EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 323
uit hoofde van zijne liefde voor de studie; dit moest in u
waar zijn, voor wat het gebed aangaat. Ten derde, dat,
zoudet gij niet verhoord worden, gij niet moogt wanhopen,
noch het gebed laten varen, maar dat gij getrouw moet
aanhouden ; dit is de eigenlijke zin van die woorden: Opor-
tet semper orare et non defieere «
Men moet altijd bidden
en niet moede worden. » Onderzoek uzelven en zie. of gij
bidt 0]) de vastgestelde tijden, of gij u buitendien op het
gebed toelegt zooveel gij kunt, of gij aanhoudt met vragen,
wanneer het u schijnt, dat de Heer Zich met uwe zaken niet
bekommert. Indien gij dat alles onderhoudt, wees verzekerd
dat gij altijd bidt, en dat gij uwe zaligheid zult bcwer-
kcn.
2. Overweeg de reden waarom de Heer wil, dat wij tot
Hem altijd bidden, aangezien het oneerbiedig zou kunnen
schijnen, dat Hij, die van zijne natuur zoo goedertieren en
milddadig is, gedurig door onze smeekingen overvallen
wordt. Verre van daar! Hij wil van ons gedurig aanroepen
worden, omdat Hij ons zoo zeer bemint. God bidden is niet
gelijk een aardschen koning om ecne gunst vragen; want
in het geval, dat gij niet bekomt, wat gij vraagt, is het een
louter verlies de aardschc koningen te voet vallen. Doch
zoo gaat het met God niet ; vragen zelf is reeds eene zeer
groote winst; want hoevelc akten van deugd verricht gij
daardoor niet, akten van godsdienst, geloof, betrouwen,
ootmoedigheid, geduld, en meer andere? Nooit wordt ecne
smeeking aan God aangeboden verworpen; of gij verkrijgt
wat gij vraagt, of gij hebt ten minste de verdiensten van
het gevraagd te hebben. Daarom zegt de Heer u te recht :
Oportet semper orare et non defieere « Men moet altijd bid-
den en niet moede worden. »
3.  Overweeg wat groot nadeel gij u zelven aandoet, met
het gebed te laten varen, aangezien gij ten tijde van het
-ocr page 332-
324                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
gebod toch altijd iets bekomt, ware het ook niet hetgeen gij
vraagt; en dat gij met het gebed na te laten, rijke schatten
van verdiensten verliest. Daarom het gebed moet niet
alleen als een middel, maar ook als een einde beschouwd
worden; van daar dat er ons gezegd wordt : Sine in-
termissione orate
(1. Thess. v. 17) « Bidt zonder
ophouden. » Wat is er aan gelegen, indien gij niet be-
komt wat gij vraagt: want gij verkrijgt iets dat nog wen-
schelijker is, namelijk, toegelaten te worden, u met God te
onderhouden. Aanschouw de begunstigden ten hove, wat
eene eer zij hot aanzien met hunnen koning te kunnen sprc-
ken, alhoewel zij ook het gewenschte niet bekomen ; en gij
zoudt eene onderhandeling met God zoo weinig achten!
WOENSDAG IN DE EEN EN TWINTIGSTE WEEK
NA SINKSEN.
Over het geloof.
Justus meus ex fide vioit (Hebr. x, 38).
Mijn rechtvaardige leeft uit geloot\'.
1. Overweeg wie de Heer zijne geliefkoosde rechtvaar-
digen noemt. Het zijn degenen, die een leven leiden van
levendig geloof, dat is, een geloof bezield door de liefde ;
zoo het geloof dusdanig niet is, is het een dood geloof, dat
nimmer leven geven kan. Nu, er wordt van den rechtvaar-
dige gezegd, dat hij uit geloof leeft, omdat God het leven der
ziel is, en dat het geloofde eerste deugd is, die de ziel met
God vereenigt. Het leven des lichaams hangt af van het hart,
-ocr page 333-
WOENSDAG IN DE EEN EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 325
omdat het hoofdzakelijk het hart is, dat de ziel met het
lichaam vereenigt. Zoo is het ook met het geloof: Credere
oportet accedentem ad Deum
(Hebr. xi, 6) « Die tot God
nadert, moet gclooven. » Het is dan uw plicht alle pogingen
aan te wenden om dat levengevend geloof te bewaren. Gij
moet zeker ook bezorgd zijn voor alle andere deugden,
zooals de liefde, het geduld en zoo voorts ; maar toch bij-
zonder voor het geloof, dat ten opzichte der deugden is,
wat het hart is ten opzichte der overige deelcn van het
lichaam. Daarom, draag zorg van de bekoringen tegen het
geloof spoedig te verwijderen, met uwe belofte van getrouw-
heid aan den Heer te vernieuwen, en het hoofd te buigen
in obsequium fidei, met ootmoedige onderwerping, zonder
u te bekommeren ov er hetgene uwe gedachten u tegen uwen
dank ingeven : Omni custodia serva cor tuum. quia ex ipso
vita procedit
(Prov. iv, \'23). « Bewaak uw hart met de
grootste zorgvuldigheid, want daaruit komt het leven
voort.»
1. Overweeg dat de rechtvaardige uit geloof leeft, niet
alleen omdat het geloof hem het leven der ziel geeft, maar
ook omdat het te gelijk dat leven onderhoudt en versterkt,
bijna gelijk wij gewoon zijn te zeggen dal de sperwer leeft
van rooven, de kameleon van de lucht. Van daar, dat wij
zien, indien wij het goed nagaan, dat elke schade aan de
ziel toegebracht, haren oorsprong heeft in het gebrek aan
geloof. Alvvie een levendig geloof heeft en vast staat met zijn
verstand in verbo verüatis « in het woord der waarheid, »
blijft ook onwankelbaar met den wil in virtute Dei « in de
kracht Gods. » Zoo iemand verheft zich niet in den voor-
spoed, en wordt niet mismoedigd in den tegenspoed, aan-
gezien hij wel overtuigd is en altijd voor oogen heeft dat
niets, dan het eeuwige, zijne achting waardig is. Integcn-
deel iemand met een zwak geloof kwijnt, gelijk een half
-ocr page 334-
326
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
uitgehongerde zieke. Doe dan uw best om dat geloof in u te
vermeerderen met herhaalde akten van geloof te ver\\vek-
ken, met boeken te lezen die zullen bijdragen om het te
versterken, en bovenal met die genade dikwijls aan den
Heer te vragen : Domine,adauge nobis/idem (Luc. xvn, 5).
« Heer, vermeerder ons bet geloof. »
3. Overweeg dat de rechtvaardige uit geloof leeft, omdat
het zijn gewoon voedsel is. Men kan niet zeggen, dat
iemand leeft van iets, waar hij zich slechts eens in honderd
keeren van bedient, maar van hetgene hij gewoonlijk eet;
zoo is het geloof de bijzonderste spijs voor de ziel van den
rechtvaardige. Somtijds is het zelfs zijne eenige spijs tel-
kens, namelijk, als hij zich van God, als het ware, gansch
verlaten ziet, en de hemelsche verlichtingen en geestelijke
vertroostingen hem volkomen ontbreken : in zulke gevallen
moet hij leven uit geloof alleen en uitroepen :Scio cui credidi
(2 Tim. i, 1*2). o Ik weet wien ik geloofd heb. » Zie dan,
wat een voorraad van geloof gij u moest bezorgen, om in
zulke omstandigheden standvastig te blijven. Indien gij dan
geen sterk geloof hebt, zult gij het niet lang uithouden. Si
non crediderüis, non permanebitis
(Isai. vu, 9). « Indien
gij niet gelooft, zult gij niet blijven. »
-ocr page 335-
327
DONDERDAG IN DE EEN EN TWINTIGSTE WEEK
NA SINKSEN.
Hoe wij ons moeten bereiden voor een goeden dood.
In timore Domini esto lota die, quia habcbis spem in novissimo
(Prov. xxin, 17, 18).
Wees den geheelen dag in de vreeze des Heeren, want gij
zult in \'t eind verkrijgen wat gij gehoopt hebt.
1.  Overweeg wat heilzame vruchten de heilige vrees
Gods niet zich brengt, al was liet niets anders, dan het
betrouwen dat zij in hel uur des doods inboezemt. Dit is
een algemeene regel. Gij zult waarschijnlijk getuige ge-
wecst zijn van den dood van cenige leden uwer gemeente.
Gij zult dan opgelet hebben dat degenen, die in hun leven
het breedste geweten badden, minst nauwkeurig waren in
het onderhouden van den regel, minst angstvallig in de
vervulling der plichten hunner heilige geloften, gij zult op-
gelet hebben dat die vol onrust en wantrouwen waren in
het uur des doods, en dat, integendeel, diegenen, die in bun
leven een vreesachtig geweten hadden, zich in dat schrik•
keiijk oogenblik vol hoop en betrouwen toonden. Denk een
weinig na onder welk getal gij u nu bevindt, en gij zult dan
nagenoeg met zekerheid kunnen vooruitzien, welke uwe
gesteltenis in \'t eind zal wezen in novissimo.
2.   Overweeg dat, zoo gij in het uur des doods dat be-
trouwen hebben wilt, nu voor u ecne gewone vrees niet
voldoende is : zij moet dusdanig zijn dat haar invloed zich
doe gevoelen in al uwe werken en ten allen tijde, liet moet
cenc vrees zijn, niet gelijk die van eenige angstvalligen, die
in zekere zaken en voor zekere tijden nauwer zijn dan de
rechtvaardigen, maar voor al het overige een zeer breed
-ocr page 336-
328                          BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
geweten hebben ; bet moet cene vrees zijn, die u van
\'s morgens tot \'s avonds op uwe hoede doet zijn. opdat gij
niets doet of zegt, dal God zou kunnen beleedigen oi\' misha-
gen ; in een woord, cene vrees, die u omringt, evenals de
zee eenen visch omringt, zoodat het u onmogelijk zij buiten
haar bereik te gaan. In timore Domini esto Ma die
« Wees den gehcelen dag in de vrceze des Heeren. » Ge-
lukkig zijt gij, indien gij uw leven doorbrengt niet enkel
in herhaalde, maar aanhoudende vrees.
3. Overweeg dat aan hem, die deze heilige vrees bezit,
een vast betrouwen beloofd wordt in het uur des doods van
in staat jseslcld te worden om voorspoedig den donkeren
overgang van dit lot het andere leven over te zetten, en on-
der het getal der gelukzaligen te zijn : Habebis spem in
novissimo
« gij zult in \'t eind verkrijgen wat gij gehoopt
hebt. «Merk op dat er u gecne zekerheid,maar cene wel ge-
gronde hoop beloofd wordt, opdat gij zoudt verstaan, dat
niemand volstrekt zeker van zijne zaligheid zijn kan, zoude
hij ook werkelijk zijn leven in de heilige vrees Gods door-
brengen ; want de eeuwige zaligheid van eenieder, zelfs
van de heiligen, hangt af van den bijzonderen bijstand dei-
dadelijke genade, welke de Heer in zijne milddadigheid hun
verleent. Indien dan de heiligen in dat allerbelangrijkst
oogenblik geenc andere zekerheid hebben dan cene ge-
gronde hoop, wat zal er van u geworden, indien gij nu God
en zijne oordeelen zoo weinig vreest ? Doe dan uw best om
cene aanhoudende vrees te verkrijgen, en niets hoc gering
ook, te doen dat God mishage ; dan zult gij in het uur des
doods met zekerheid den goddelijkcn bijstand kunnen ver-
hopen.
-ocr page 337-
329
VRIJDAG IN DE EEN EN TWINTIGSTE WEEK NA
SINKSEN.
.Icsus de weg, de waarheid, en het leven.
Ego sum via, et veritas et vita (Joa. xiv, G).
Ik ben de weg, en de waarheid on het leven.
1.  Overweeg dat Christus de weg is, en u, als zoodanig,
den reciitsten weg naar den hemel leert. Welke is dan de
weg, die Christus ons aanduidt ? Het is de weg der evan-
gelische raden, welke Christus door zijn voorbeeld toonde en
leerde. Er zijn drie hinderpalen, die ons op den weg des
hemels beletten vooruit te gaan. namelijk, de liefde voor het
vlcesch, de liefde voor de rijkdommen, en de liefde voor
onzen eigen wil.Christus, met u door zijn voorbeeld de raden
van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid te leereu vol-
gen, heeft u den reciitsten weg naar den hemel getoond.
Deze raden zijn gecne wetten.die u met gezag opgelegd \\vcr-
den, maar wetten, die men uit liefde op zich neemt: daar-
om werden zij aan het Joodsche volk niet gegeven, omdat
eene wet van liefde niet geschikt was voor een volk in sla-
vernij gedompeld. Beschouw dan, wat al redenen gij hebt
om dankbaar te zijn jegens den Heer, die u van een zoo
groot voorrecht deelgenoot maakte, en hoe noodzakelijk het
voor u is, deze raden gel rouw na te leven uit liefde.niet uit
dwang.
2.  Overweeg dat Christus de waarheid is, in de wereld
gekomen, om de menschen door zijne predikingen de eeu-
wige waarheden te leeren: Evangelizare pauperibusmmt me
(Luc. iv, 18) « Om aan armen het Evangelie te prediken
heeft hij mij gezonden. » Hij gaat immer voort met deze
II                                                                                       19
-ocr page 338-
330
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
groote waarheden voor te houden aan bon, die zijne volge-
lingcn en leerlingen zijn willen. De middelen, welke Hij
gebruikt, om die eeuwige waarheden te leeren, zijn deH.
Schrift, die Hij aan zijne Kerk achterliet, eu in het bijzon-
der de verlichtingen, die Hij in den geest, van eenieder doet
schijnen, en ook de geheime woorden, die Hij tot het harl
spreekt van allen, die, Hem gaarne aauhooren, en te dien
einde zich ootmoediglijk, gelijk Magdalena, voor zijne voe-
ten werpen: Secus pedes Dumini, audiebat verbum iltius
(Luc. x, 30) « zij zette zich neder aan de voeten des Hee-
ren. en aanhoorde zijn woord. » Hoe begceiïg zijt gij om
in deze school voortgang te maken, en eenen meester te
aanhooren, die alleen u die waarheden kan leeren ?
Hoedanig is uwe liefde voor de H. Schrift, en de gees-
telijke lezingen in het algemeen? Blijft gij gaarne voor de
voeten van den Gekruiste, om zijne stem te hooren? Qiti
appropinquant pedibus ejus accipient de doetrina Mins
(I)eut. xxxiu, 3) « Die bij zijne voeten komen, zullen van
zijne leering ontvangen.»
3. Overweeg dat Christus niet alleen de weg en de waar-
hcid, maar ook het leven is. Hij is ons leven nu door de
genade, hiernamaals door de glorie. Evenals het leven der
glorie de gelukzaligheid is van ons hcmelsch vaderland, zoo
is het leven der genade het grootste geluk tijdens ons
aardsch ballingschap. Alwie volmaakt de evangelische ra-
den onderhoudt, en zich loelegt om naai\' Jesus\' leer te luis-
teren, bezit het leven der genade, en laat zich aan niets
anders gelegen om hier gelukkig te zijn. Hoe velen zijn er
niet. die volkomen tevreden leven in hunne cel, of in de
eenzaamheid, zich enkel bezig houdende met de stem van
Jesus te hooren en zijne raden te volgen ? Indien gij dat
genoegen, die gerustheid in het religieuze leven niet
smaakt, het is, omdat gij de evangelische raden niet vol-
-ocr page 339-
ZATERDAG IN DE EEK EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN\'. 331
maakt onderhoudt, en omdat gij. in plaats van aan de stem
vanJesus gehoor te geven,u ophoudt met wereldsch nieuws
en beuzelingen. Wat eene rampzalige uitzinnigheid, de ware
vreugden van een gerust leven te slachtofferen voor aard-
sche en ijdele vertroostingen !
ZATERDAG IN DE EEN EN TWINTIGSTE WEEK NA
SINKSEN.
Over de ware rijkdommen.
Dicüice salutis sapientia et scien/ia. Timor Domiiii ipsc est
thesaurus ejus {la&i.
xxxiii, G).
De rijkdommen dor zaligheid zijn wijsheid en kennis. De vrees
des Heeren is zijn schat.
i. Overweeg het verschil, dat er bestaat, tusschen tijde-
Iijkc en geestelijke rijkdommen. Aardsdie rijkdommen zijn
eene oorzaak van verdoemenis voor hen. die dezelve teveel
beminnen; daar integendeel hoe meer wij de geestelijke rijk-
dommen beminnen, des te meer zij bijdragen tot onze zalig-
heid. Aardschc rijkdommen helpen alleen, wanneer wij er
goed gebruik van maken; het louter bezit en de zorgvuldige
bewaring der geestelijke rijkdommen zijn ons reeds van
groot nut. En nogtans, wie is er. die de helft der moeite en
naarstigheid, die men gewoonlijk aanwendt tot het samen-
hoopen van aardschc rijkdommen ten voordeele van het
lichaam, besteedt voor de geestelijke rijkdommen ten voor-
deelcvande ziel? Herinner u ook, dat aardsche rijkdom-
men kunnen verkregen worden bij wege van geschenk of
erfdeel, maar dat men de geestelijke niet heeft zonder
moeite.
-ocr page 340-
332
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
$. Overweeg dat die. geestelijke rijkdommen van zalig-
hcid de wijsheid en de kennis zijn. De wijsheid heeft voor
voorwerp ons laatste einde, dat God is; de kennis,demidde-
len,die tot het bekomen van dat einde kunnen dienstig zijn.
Indien gij de ware wijsheid wilt bezitten, houd de oogen
gevestigd op het einde, waarvoor gij geschapen zijt; indien
gij de ware kennis wilt verkrijgen, tracht te ontdekken
welke middelen best geschikt zijn, om lot dat einde te gera-
ken; daarin beslaan de ware rijkdommen der zaligheid.
Onderzoek het binnenste uws harten, en zie wat einde gij
beoogt in uw leven en in uwe werken, als religieus ; ot\' het
God is, of de afgoden van ijdelheid, eer, waardigheden en
gemakken. Smeek den Heer aanhoudend dat Hij u de ware
wijsheid geve, die u doe werken voor uw laatste einde al-
leen ; en de ware kennis, die u zal toonen welke middelen
gij moet gebruiken om tot dat einde te komen.
3. Overweeg dat het niet genoeg is deze rijkdommen te
bezitten, zoo gij geene veilige plaats hebt om dezelve te be-
waren. Daarom, evenals een gierigaard zijnen schat, dat
is, zijne kas heelt, waarin hij zijn geld bewaart achter slot en
grendel, zoomoet gij ook uwe schatkist bebben, namelijk,
de heilige vrees Gods: Timor Domini ipse est tliesaurus ejus
« De vrees des Hoeren is zijn schat. " Deze is het, die de
rijkdommen der ware wijsheid en kennis in veiligheid zal
bewaren tegen de dieven, die u van dezelve zouden willen
beroovcn. Zij zal u dezelve bewaren tegen het menschelijk
opzicht; want, daar gij meer bevreesd zijt om aan God te
mishagen dan aan de menschen, zal zij niet toelaten, dat de
menschen u van uw laatste einde aftrekken, noch van de
middelen, die daartoe dienstig zijn. Zij bewaart u dezelve
tegen de duivels; want, aangezien zij u de gramschap Gods
meer doet vreezen dan de razernij der helsche geesten, zal
zij u de ooren doen sluiten voor hunne bekoringen. Zij be-
-ocr page 341-
TWEE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA SINKSEN.           333
waart u dezelve tegen uwe huiselijke vijanden, namelijk,
uwe ongeregelde driften ; want, daar zij u meer doet vree-
zen God te verliezen dan al de aardschc goederen, zal zij
u niet laten bezwijken onder hunne aanvallen. Dat, daarom,
de vrees Gods uw bewaker zij. want zonder haar, zijt gij
immer in gevaar om van uwe schatten van zaligheid be-
roofd te worden.
TWEE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA SINKSEN.
Over den dubbelen cijns.
Reddite qitce sunt Ccesaris Ccesari, et quee sunt Dei Deo
(Mattk. xxn, 21).
Geeft aan den keizer wat den keizer toekomt, en aan God wat
God toekomt.
1. Overweeg het schoone antwoord, dat de Heer gaf, op
de arglistige vraag der Phariseén, of aan den keizer de
cijns moest betaald worden. Zij hoopten daardoor Hem in
haat te brengen, of van de Romeinen, zoo Hij loochenend
antwoordde, of van de Joden, zoo Hij hen verplichtte, den
cijns te geven : Reddite qux sunt Cxsaris Caesari, et qute
sunt Dei Deo
.< Geeft aan den keizer wat den keizer toe-
komt, en aan God wat God toekomt. » Zoo moet gij ook
doen ; aan de wereld laten, wat de wereld toekomt; eer,
grootheden, gemak, rijkdommen komen de wereld toe; dit
alles moet gij dan laten voor degenen, die in de wereld le-
ven. Gij hebt dit alles reeds verlaten, toen gij \'de wereld
den rug keerdet, en den religieuzen staat omhelsdet bij
middel der heilige geloften; maar onderzoek eens wel ot
-ocr page 342-
334                            BEKMOPTE OVERWEGINGEN\'.
gij de verkleefdheid aan dezelve ook verlaten hebt. Tracht
gij te leven, het hart onthecht van alle aardsche zaken, of
zoekt gij zoo veel mogelijk eerambten en gemak? Schaam u
over eenen levenswandel, zoo tegenstrijdig met uwe hei-
lige roeping.
2. Overweeg dat liet niet genoeg is aan de wereld te
laten, wat de wereld toekomt, gij moet ook aan God geven,
wat God toekomt. Gij behoort God toe onder de verschillende
titels van schepping, verlossing en roeping. Gij behoort
Hem toe door de schepping; Hij immers heeft u uit het niet
getrokken, en een lichaam gegeven, volmaakt in zichzelven,
en eene onsterfelijke ziel, geschapen naar zijn beeld en ge-
lijkenis. Door de verlossing: Hij immers heeft u vrijgc-
kocht van de dienstbaarheid der zonde, en de slavernij des
duivels ten koste van zijn bloed en zijn leven. Gij behoort
Hem toeten gevolge uwer roeping i gij hebt immers uzel-
vcn door uwe geloften ganschaan Hem toegewijd. En nog-
tans. hoe dikwijls hebt gij den dienst van God verzaakt,
om aan uwe ongeregelde begeerlijkheden te voldoen, hoe
dikwijls uwe vermogens en begaafdheden gebruikt om aan
de schepselen te behagen, en tevens den Schepper te mis-
noegen ?
3.Overweeg waarin aan God geven wat aan God toekomt
eigenlijk bestaat. Het bestaat daarin, dat gij ernstig over-
tuigd zijt, dat al wat gij hebt en zijt, aan God toebehoort.
Uw lichaam, uwc ziel, uwe zintuigen en vermogens, alles
behoort aan God, die u dezelve gegeven heeft, en gij moet
dat alles aan God wedergeven met het te gebruiken voor
zijne glorie en in rijnen dienst. Het verstand,de gezondheid,
en andere natuurlijke hoedanigheden, en al het goed dat
gij door dezelve uitwerkt, behoort aan God; gij moet dat al-
les aan God wedergeven,met het te erkennen als zijne gift,
aan Hein er den lof en glorie van toeschrijven, zonder u
over iets te verhoovaardigen. Aan God behooren insgelijks
-ocr page 343-
MAANDAG IN DE TWEE EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 335
alle gaven van genade, daar gij van u zelven niets hebt
dan de zonde. Leer dan wel te begrijpen, dat al het goede
van God komt, en Hein voor alles te bedanken, enootmoc-
dig te belijden dat gij van u zelven tot niets anders in staat
zijt dan tot kwaad. Zoo gij getrouw zijt in weder te geven
aan God, al wat Hij u gegeven heeft, dan zal Hij zich im-
mer milddadiger toonen om u met zijne gunsten en gaven
te overladen.
MAANDAG IN DE TWEE EN TWINTIGSTE WEEK
NA SINKSEN.
Over de vree» van God» oordeel.
Non inlres in judicium cum servo ttio, quia non justificabitur
in conspectu tuo omnis vivens
(Psal. cxlii, 2):
Kom niet in \'t gericht mot uwen dienaar ; want geen monsch
leeft er die voor uw aangezicht rechtvaardig is.
1. Overweeg hoe zeer al do heiligen het goddelijk oor-
deel vreesden. Een Hilarion, na God zeventig jaren getrouw
gediend te liQbben, sidderde en beefde bij die gedachte. In-
dien gij het niet vreest, hebt gij des te meer reden om het
te duchten, aangezien gij zoo weinig aan de heiligen gelijkt.
Gij moest dat oordcel bijzonder vreezen, want, indien er
zelfs onder de heiligen niemand is, die zich vrij van zonden
noemen kan : Quis potent dicere : mundum est cor meum;
purus suma peccato
(Prov. xx, 9) \'. Wie kan zeggen :
mijn hart is rein: ik ben zuiver van zonde,» zult gij zulks
kunnen zeggen, nadat gij meermalen door uwe zonden, de
genade en onschuld des doopsels verloren hebt, en niet zeker
-ocr page 344-
336
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
zijt, dat gij door behoorlijke boetvaardigheid dezelve terug-
gevonden hebt? Zoo gij dezelve teruggevonden hebt, wie
verzekert u. dat gij haar niet opnieuw verliezen zult?
Hoor wat Job u zegt: Ecce inter sanctos ejus nemo immu-
tabilis
(xv,15).«Zieonder zijne heiligen is er niemand on-
veranderlijk, n Indien wij getuigen zijn van schandige val-
len, zelfs onder de heiligen, wat al reden hebt gij dan niet
om te vreezen, gij,die in geheel uwen levensloop zoo slecht
beantwoord hebt aan de verlichtingen, ingevingen, en uit-
noodigingen van God ? Gij. die zoo onachtzaam geweest zijt
in het goede, zoo ondankbaar voor de weldaad uwer roe-
ping, en die dagelijks zoo vele dagelijksche zonden bedrijft?
Zie dan, of\' gij reden hebt voor het oordcel Gods bevreesd
te zijn.
cl. Overweeg dat gij dat oordeel nog meer moet vreezen,
in acht genomen de persoon van den Rechter, die de hei-
ligheid zelf is, den grootsten afschuw heeft voor zelfs de
kleinste vlek van zonde, die dezelve allernaarstigst onder-
zoekt, en allergestrengst straft : Ego sum scrutans renes
et corda
(Apoc, u, 23) « Ik ben het, die nieren en harten
doorgrondt, » zonder iets over te slaan, of het geringste
kwaad ongestraft te laten. David riep dan met recht uit: Non
justi/icabitur in conspectu Uw omnis vivens
« Geen mensch
leeft er. die voor uw aangezicht rechtvaardig is ; » want
zijn al doordringend oog zal vlekken vinden, zelfs in diege-
nen, die in de deugd meest gevorderd zijn. Cceli non sunt
mundi in conspectu ejus
(Job. xv, 15). « De hemelen zijn
niet zuiver voor zijn aanschijn. » Hoe goed ware het voor
u, indien gij u van een zoodanig oordeel kont ontslaan !
3. Overweeg dat het beste middel om dat verschrikkelijk
oordeel Gods te ontkomen, is, u zeken nu overtuigd en ver-
oordeeld tegelooven, en, op voorhand ootmoedig te belijden
dat gij plichtig zijt. Indien gij zoo handelt, zal de Heer met
-ocr page 345-
DINSDAG IN DE TWEE EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 337
u niet in oordeel treden, aangezien gij u zelven reeds geoor-
deeld hebt. Het groot voordeel, dat cene ziel trekt met
zich uit der harte plichtig te verklaren, is dat zij oogenblik-
kiglijk vrijgesproken wordt: Si nosmetipsos judkaremus.
nonutique judiciremur
(1. Cor. xi, 31) « Indien wij ons
zei ven beoordeelden, wij zouden voorwaar niet geoordeeld
worden.» Tracht altijd wel doordrongen te zijn van uwe
eigene ellende, beveel haar dikwerf\' aan God, heb dezelve
altijd vooroogen, zeggende tot den Heer met een berouw-
hebbend hart: Non intres in judicium cum servo tuo.«Kom
niet in \'t gericht met uwen dienaar, en gij zult zien wat
groot voordeel gij uit die oefening trekken zult.
DINSDAG IN DE TWEE EN TWINTIGSTE WEEK NA
SINKSEN.
Over de belooning der getrouwheid.
Vos cstis quipermansistis uiccum in tcnlationibus meis; et ego
dispono vobis, siciit disposuit mild Pater meus regnw>i,ut cdatis,
et bibatis super mensam meam
(Luc. xxir, \'£è, 30).
Gij zijt het, ilie mij zijt bijgebleven in mijne beproevingen ;
en ik beschik u, gelijk mijn Vader mij hot Rijk beschikt heeft,
dat gij eet en drinkt aan mijne tafel.
1. Overweeg dat Christus aan zijne apostelen belooft
hen te onthalen aan zijne tafel in den hemel, niet omdat
men in den hemel eet of drinkt, want regnum Dei non est
esca etpotus
(Hom. xiv, 17) « Het rijk Gods is niet spijs
en drank ; » maar opdat zij zouden verstaan onder de gelij-
kenis vaneen gastmaal, daar hun verstand dan nog zeer
-ocr page 346-
338
beknopte overwegingen.
beperkt was. dat zij daarboven, cenc volheid van geneugten
zouden smaken ,die hunne begeerten volkomen zouden voldoen,
en dat zij de eer zouden hebben altijd met Hem aan tafel te
zitten, dat is, naast Hem in zijn rijk zouden wezen. Ge-
lijk, aan deze belofte is er cenc andere namelijk, dat in het
algemeen oordeel de apostelen zouden zitten op tronen
van macht, gelijk aan die van Christus, om met Hem het
geheele menschelijk geslacht te oordeelen. Hij verzekert hen.
dat Hij hun zijn rijk zal geven, evenals zijn hemelsche Va-
der het Hem gegeven had, dat is te zeggen, met dezelfde
liefde, en hetzelfde voorrecht van het aanschouwen Gods.
\'Welke zijn dan uwe gedachten aangaande dat erfdeel, die
glorie, eu de koninklijke macht,die Christus aan zijne apos-
telen schonk? Indien gij nu aan Christus getrouw zijt in
uwen staat van religieus, dan zult gij ook aan al die voor-
rechten deelachtig zijn, in evenredigheid met uwe getrou\\v-
heid.
\'2. Overweeg de reden, waarom de Zaligmaker zijne
apostelen tot cenc zoo hooge plaats verheffen wilde. Het
was, omdat zij Hem getrouw waren gebleven in zijne be-
proevingen : Vos estis qui permansistis meeuw in tenla-
tionibus meis.
Bewonder de milddadigheid van een zoo
goeden Meester ten opzichte van zijne dienaren; omdat
de apostelen Hem een weinig getrouwheid getoond hadden
tijdens zijn lijden, maakt Hij hen bijna zijne gelijken in zijn
rijk. Verlangt gij nog niet met eene brandende begeerte,
om Hem te vergezellen, Hem aan te kleven, Hem getrouw
te zijn, waar Hij ook met zijn kruis beladen gaan moge,
trachtende van, naar het voorbeeld der heilige apostelen,
immer bij Hem te blijven ?
3. Overweeg dat de apostelen, wel is waar, aan .lesus
getrouw bleven in zijne beproevingen, gedurende de eerste
driejaren, doch later, tijdens zijn lijden verlieten zij Hem :
-ocr page 347-
WOENSDAG IN DE TWEE EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 339
on niettemin, noemt de Heer hen getrouw, aangezien zij,
aanstonds na zijne verrijzenis tot Hem zouden terugkeeren,
gelijk verlorene schapen tot hunnen herder, en Hem getrou-
wer zouden zijn dan te voren. De Heer immers geelt geen
aandacht op fouten, die met bloedige tranen van berouw
uitgewischt zijn. Indien gij, ongelukkiglijk, door uwe lauw-
heid en een leven, dat weinig overeenkomt met hetgene
er van een volgeling van Christus vereischt wordt, u van
Christus gescheiden hebt, haast u om terug te keeren :
Non tantes converti ad Dominum (Eccli. v, 8) « Draal niet
met u tot den Heer te bekeeren, » want niettegenstaande
eene zoo trouwlooze scheiding, zal Hij u behandelen alsof
gij Hem nooit verlaten hadt, op voorwaarde en&el, dat het
u van harte berouwt Hem versmaad te hebben.
WOENSDAG IN DE TWEE EN TWINTIGSTE WEEK
NA SINKSEN.
Over liet geduld in de beproevingen.
Meliov estpatiens viro forti, et qui dominatw animo suo, cx-
pugnatore urbium
(Prov. xvi, 32).
Een langmoedig man is moer dan een krijgsheld, en dio zich
zelven beheorscht, overtreft een overwinnaar van steden,
1. Overweeg dat door cenen krijgsheld hier moet verstaan
worden, hij, die edelmoedig eene groote beproeving ont-
moet, en door een langmoedig man degene, die dezelve met
moed en geduld verdraagt. De wijze man verklaart dat hij,
die met geduld de ongelukken verdraagt, die hem overval-
len, beter is dan hij, die dezelve vrijwillig zoekt en tegemoet
-ocr page 348-
340
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
gaat; omdat do deugd van den eerste vaster en duurzamer
is. Gij zijl misschien een minnaar van lijden, zooals van
zelf opgelegd vasten, verstervingen, of lijfkastijdingen ;
maar wanneer de Heer u eenc beproeving overzendt, of dat
de oversten u eene versterving opleggen, of dat iemand
anders u eene onaangenaamheid veroorzaakt, gij wordt
aanstonds ontsteld door dat ingebeeld ongelijk. Weet dan,
dat gij van grootere deugd zoudt blijk geven en meer ver-
diensten vergaderen, indien gij met volmaakte overgeving
aan Gods wil, de gelegenheden van lijden, die u in den dag
voorkomen, zoudt ie baat nemen, dan indien gij dezelve
zoekt naar uwen wil en luimen ; want in eigenwilligc ver-
stervingen sluipt gemakkelijk het zelfbehagen : daar gij
integendeel zeer groote ootmoedigheid oefent met de u door
anderen opgelegde verstervingen geduldig te verdragen.
\'2. Overweeg dat. om die langmoediglieid te bekomen,
gij u zclven moet behcersclien. en zoo gij die volkomcnc
heerschappij over u zelven verkrijgt, dat gij die glorierijke
overwinnaars van sleden, dat is, die vurige en volkslie-
vendc predikanten, die de volkeren bewegen en tot boet-
vaardigheid brengen, en ten gevolge de steden ten onderste
boven keeren.niets zult te benijden hebben. Inde oogenvan
God is een eenvoudige en ongeletterde leekebroeder. die
zijne hartstochten weet in toom te houden, achtiiaarder, dan
een ijverige en geleerde predikant, die nog zoover niet ge-
komen is, dat hij de ongeregelde bewegingen van ijdelheid.
gramschap, nijd en meer dergelijke kan beteugelen, en toe-
laat dat deze in zijn hart bewind voeren. Zie dan, hoe
belangrijk het voor u is. dat gij u vlijtig toelegtom u zelven
te overwinnen, ten einde door die heerschappij de ware.
langmoediglieid te bekomen, die prijsbaarder is dan de
sterkte van eencn krijgsheld.
8. Overweeg dat het verkrijgen van die heerschappij
-ocr page 349-
DONDERDAG IN DE TWEE EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 34 1
over u zelven glorierijk en tevens zeer moeielijk is, want
gij kunt geheel u zelven niet aanwenden om uwe driften
tegen te gaan en te overwinnen ; terzelfder tijd immers
strijdt gij en wordt gij bestreden door u zelven. Daarenbo-
ven, uwe eigenliefde doet u medelijden hebben met u zelven,
en uwe eigene gebreken beminnen, zoodanig dat gij te ge-
lijk uwe fouten bestrijdt, en tevens met duizciide verschoo-
ningcn dezelve verdedigt. Indien gij uwe hartstochten wilt
bedwingen, moet gij ze als wederspannigen behandelen ; en
aangezien gij ze nooit volkomen kunt onderdrukken, moet
gij ze door herhaalde zegepralen verzwakken, zonder ooit
met dezelve vrede of wapenstilstand te sluiten. Dat is het
eenigste middel om uwe hartstochten te beteugelen. Vinee
teipsum, «
overwin u zelven, » zegt de Abt Gersen.
DONDERDAG IN DE TWEE EN TWINTIGSTE WEEK
NA SINKSEN.
Over de tegenwoordigheid van God.
Medius vestrum stetit, quem vos nescitis (Joa. i, 26).
Midden onder u staat, dien gij niet kent.
1. Overweeg dat de H. Joannes Baptista deze woorden
stuurde tot de Joden, omdat Jesus werkelijk in het hart van
Judea leefde, en het grootste getal onder de inwoners Hem
nogtans niet kenden, en dat die Hem kenden, zich aan Hem
niets gelegen lieten. Dit schijnt ook ten uwen opzichte waar
te zijn ; gij hebt immers uwen Heer aanhoudend bij u, niet
alleen onder de sacramenteele gedaanlen, maar in hel bin-
nenste van uw hart, en nogtans nescis illum « gij kent hem
ii                                                                                       20
-ocr page 350-
342
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
niet, » omdat gij u aan Hem niets gelegen laat. Is het dan
geene wraakroepende schande, datde Heer reeds zoolang bij
u tegenwoordig is. en dat gij op Hem geen acht geeft, en zijne
kennis nog niet gemaakt hebt. zoodat Hij u met recht zeg-
gen kan : Tanto tempore vcbiscum mm et non cognovis-
tis me ?
(Joa. xiv. 9) •> Zoo langen tijd ben ik met u lieden,
en gij hebt mij nog niet gekend ? » Indien gij dan spoedig
tot de volmaaktheid wilt komen, tracht wel doordrongen te
zijn van deze waarheid : dat gij uwen God altijd bij u
tegenwoordig hebt; en doe uw best om Hem nooit uil het
oog te verliezen. Hoe zou het u mogelijk zijn iets te doen
dat Hem mishage, indien gij immer hel innig gevoel hadt
van zijne alom tegenwoordigheid ? Ambula coram me et
esto perfectus
(Gen. xvn, 1) .. Wandel voor mij en wees
volmaakt. »
1. Overweeg dat, om tot die heilzame oefening der god-
delijke tegenwoordigheid te komen, gij u op twee zaken
moet toeleggen ; de eerste gaat het vers and aan, de
andere den wil. Gij moet eerst uwe verstandelijke vermogens
aanwenden om wel te beselfen bij middel van een levendig
geloot, dat de Heer in u woont. Gij moet u dan voorstellen
dat de Heer in u verblijft, gelijk een koningin zijn rijk, en
dat Hij in u is op verschillende wijzen : namelijk, door zijne
persoonlijke tegenwoordigheid, door zijne kennis van al wat
er in u omgaat, en door de macht, die Hij in geheel uw be-
staan uitoefent. Dus verblijft de Heer in u met persoonlijk
tegenwoordig te zijn in elk gedeelte van uw bestaan : Hij
woont in u door die kennis, waardoor Hij weet en ziet al
wat er in u zelfs in het geheimste hoekje van uw hart om-
gaat : Hij is in u door zijne almacht, krachtens welke Hij
over u kan beschikken naar zijn welbehagen. Indien gij daar
ernstig op nadacht, zoudt gij Hem zoo gemakkelijk uit het
oog niet verliezen, en de overvloedige vruchten rapen, welke
-ocr page 351-
DONDERDAG IN DE TWEE EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 343
de oefening der goddelijke tegenwoordigheid met zich
brengt.
3. Overweeg hoe gij uwen wil moet oefenen. Gij moet
dat doen, ten eerste, door veelvuldige en godvruchtige ge-
voelens van liefde gedurende den dag, door akten van
dankzegging, berouw, en andere dergelijke, ten einde Ht^m
in uw hart niet alleen (e laten, gelijk een koning, die van
zijne onderdanen verlaten is. Ten tweede, niet Hem dikwijls
te aanroepen, opdat Hij u geleide, u bijsta in uwe bckorin-
gen, u versterke in uwe beproevingen, ten einde daardoor
uwc volkomene afhankelijkheid van Hem te doen blijken.
De Heer is in u, immer k\'zoi\'gd om u genaden te verlee-
nen ; Hij wenscht niets vuriger dan jngens u weldadig te
zijn ; maar Hij wil gebeden worden. Dit moet gij doen met
gevoelens van dankbaarheid en dj innige overtuiging van
uwe noodwendigheid, en tevens in zijne tegenwoordigheid
wandelen, zooals boven uitgelegd is : want indien gij uwen
God uit het oog verliest, zijt gij gelijk een akker, waarop
nooit de zon straalt, en die bijgevolg geene vruchten maar
enkel netelen kan voortbrengen.
-ocr page 352-
344
VRIJDAG IN DE TWEE EN TWINTIGSTE WEEK
NA SINKSEN.
\'s Menschen leven is een pelgrimstocht.
Filii sanclorum sumus, et vilam Ulam exspectamus, quam
Deus daturus est his, qui fidem suam numquam mutant ab eo
(Tob. ii, 18).
Wij zijn kinderen van heiligen, en verwachten dat leven,
welk God geven zal aan hen, die hun geloof nooit van hem
veranderen.
1.  Overweeg hoedanig het leven van al de heiligen op
aarde geweest is ; het was eene aanhoudende verwachting.
De heiligen vóór de komst van Christus deden niets anders
dan zuchten naar de vervulling der belofte, die de Heer hun
gedaan had, van te komen als oorsprong van het geloof ten
einde hen van de zonde te verlossen, hen te onderrichten
met zijne leer, en aan te moedigen door zijn voorbeeld. Na
de komst van Christus, doen de heiligen niets anders, dan
aanhoudend zijne terugkomst afwachten, om hun geloof door
hunne verheerlijking te zegelen : Populus meus pendebit ad
redüum meum
(Ose. xi, 7). « Mijn volk zal zuchten naar
mijne wederkomst. » Gij ziet dan dat uw leven noodzake-
lijk moet bestaan in afwachting : Et vos similes hominitnis
ejcpectantibus dominum suum. quando revertatur a nuptiis
(Luc. xii, 36). « Enweestgij lieden gelijk aan menschen,
die hunnen heer afwachten wanneer hij van de bruiloft
terugkeert. » Valt het u zoo hard en lastig uwen Heer aan-
houdend te verwachten, en u intusschen van gemak en
vermaken te berooveo ? Maar er is geen ander middel.
2.  Overweeg dat de heiligen immer in afwachting leef-
den, omdat zij, als het ware, van het overige der menschen
-ocr page 353-
VRIJDAG IN DE TWEE EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 345
afgezonderd leefden, en zich aanzagen, als niets met de
wereld gemeens hebbende. Zij wachtten en zuchtten altijd,
gelijk pelgrims, naar hun vaderland, den hemel. Hel be-
taaml dan geenszins, dat gij van hen op zoo lage wijze
ontaardt. Is het geene schande, dat gij u hecht aan de beu-
zelingen van een land, dat het uwe niet is, en dat gij reeds
verlaten hebt bij uwe intrede in het klooster? Gij zijt
een kind van menschen, die aan de wereld geheel gestor-
ven waren, van geestelijke en heilige menschen ; hun moet
gij gelijken. Wat baat hot de helderheid der bron te roemen,
waaruit eene rivier voortvloeit, indien de rivier zelf gansch
modderaebtig is ?
3. Overweeg wat eene misgreep het is, vóór den tijd
willen zoeken wat u voor hiernamaals voorbehouden is. Al
de geneugten en vermaken, welke gij nu zoo gretig najaagt,
zijn slechts, als het ware. knoppen, waaruit vruchten
zullen voortkomen van een onbegrijpelijk genot, hetwelk
gij in volheid in de andere wereld smaken zult, indien gij
enkel wachten wilt. Wees dan tevreden met wachten, en
wees niet al te haastig. ïs\'u\'is het de tijd om enkel van geloof
te leven, zich te troosten met het geloot, zich aan te moedigen
door het geloof, en het noch in voorspoed noch in tegen-
spoed te verliezen. Uwc zaken zullen u niet altijd even ge-
lukkig uitvallen. Nu zult gij mismoedigd zijn, dan weer
opgeruimd, nu verheven, dan vernederd, vandaag gezond,
morgen ziek. Leer dan altijd even getrouw aan den Heer te
zijn, en in hel licht des geloofs uwe reis voort te zetten
naar het vaderland, waar de u door den Heer beloofde
glorie leven genoemd wordt: maar een leven ver beter en
gelukkiger, dan dit droevig en pijnvol leven op aarde. Gij
moet u aan hel aardsche leven niets gelegen laten, maar
hetzelve verachten en gewillig besteden voor den dienst van
God, om zoo eens te komen tot dat ware leven : Quam
-ocr page 354-
346
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
daturus est Deus his qui fidem suam numquam mutant
ab eo
« welk God geven zal aan hen die hun geloof nooit
van hem veranderen. »
ZATERDAG IN DE TWEE EN TWINTIGSTE WEEK
NA SINKSEN.
\'s Meuschcn leven is een strijd.
Militia est vita hominis super terram (Job, vu, 1).
Een strijd is des raenschen leven op aarde.
1. Overweeg dat dit leven een slagveld is, waar gij
vechten moet tegen uwe ongeregelde driften, bijgestaan
door de duivels, hunne bondgenoten. Daaruit, volgt dat dit
een tijd is van strijd, niet van rust. Krijgslieden hebben
geene rusttijden, en zelfs wanneer de vijand hun weinig last
geeft, moeten zij gereed zijn om te vechten, in de plaatsen
en op de posten blijven, die hun aangewezen zijn, blootge-
steld aan de strengheid der jaargetijden, en de folteringen
van honger en waken. Wat zegt gij daarvan, gij die een
leven zoudt willen leiden van rust en gemak ? Zulks be-
laaml aan eenen krijgsman op het slachtveld niet.
1. Overweeg dat, aangezien dit leven een strijd is, het
nu geen tijd is voor belooning, maar om verdiensten te ver-
gaderen, en onbeschroomd de grootste gevaren te trotsen.
Weet gij niet dat het de dapperste krijgslieden zijn, die
zich in de eerste rangen aan het vuur van den vijand bloot-
stellen ? Waarom zoudt gij u dan zoo licht over de godde-
lijke Voorzienigheid beklagen, omdat niet zelden in deze
wereld de rechtvaardigste menschen meest te lijden hebben ?
-ocr page 355-
ZATERDAG IN DE TWEE EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 347
Wacht een weinig ; op den laalsten dag zult gij zien, dat
diegenen, die meer gestreden en geleden hebben dan
anderen, van God grootere belooning zullen ontvangen.
Hier geelt de Heer hun enkel het loon en den bijstand zijner
genade, in evenredigheid met de lasten, die Hij hun
oplegt.
3. Overweeg dat. aangezien dit leven een strijd is. het ge-
volgelijk nu geen lijd van zekerheid, maar van uiterst ge-
vaar is, uit hoofde der menigvuldige listen en aanvallen,
waar;:an wij blootgesteld zijn. Kondet gij nu ziende grove
vallen van die ellendigen, die nu in de hel hun onher-
stelbaar ongeluk beweenen, gij zoudt zoo zeer niet op u
zelven betrouwen, en u zoo volmaakte zekerheid niet be!o-
ven : In medio laqueorum ingredieris et super dolentium
artnaambulabis
(Eccli. ïx, 20). « Gij gaat te midden van
valstrikken, en gij wandelt lusschen de wapenen van be-
nijders. » Het eenigste middel om aan die gevaren te ont-
snappen, is, niet handelen en leven volgens uwe luimen,
maar u m alles schikken naar de gehoorzaamheid. Nergens
wordt er stiptere gehoorzaamheid vereischt dan in den
krijgsdienst ten opzichte van den oppersten bevelhebber.
In den oorlog moeteen krijgsman, noch blijven staan, noch
zich bewegen, noch vechten, zonder het bevel van zijnen
hoofdman. Aangezien dan het tegenwoordige voor u een
krijgsleven is. moet gij onder de gehoorzaamheid staan, en
geheel afhankelijk zijn van de bevelen van God en van zijne
plaatsvervangers. Zoo doende, zult gij veilig zijn te midden
der dringenste gevaren, en schitterende zegepralen behalen.
Vir obediens loquetur vietorias (Prov. xxt, "28). « Een
man, die gehoorzaamt, zal van zegepralen spreken. »
-ocr page 356-
348
DRIE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA SINKSEN.
Over de verrijzenis der dochter van Jaïrus.
Cum ejccta esset turba, intravü, et tenuit manum ejus, et
surrexit puella
(Matth. ix, 25).
Toen het volk uitgezet was, ging hij binnen, en vatte hare
hand, en het meisje stond op.
1. Overwoog hoe Jesus, toen Hij voor de eerste maal hel
groot wonder ging verrichten van de doodon tot het leven
terug te roepen, in den persoon van de dochter van Jaïrus,
het hoofd der synagoog,gebood,dat de mcnigtc.die overhaar
afsterven weende en jammerde, de kamer zou verlaten, waarin
het doode lichaam lag. Waarom handelde Jesus aldus? Het
was, omdat Hij geene aanschouwere wilde van een zoo
schitterend mirakel, en tevens om u door zijn voorbeeld te
leeren, geene getuigen te zoeken van uwe goede werken,
en dezelve niet te verrichten om van anderen gezien en ge-
prezen te worden. Gij moet noglans onderscheid maken
tusschen twee soorten van goede werken:sommige zijn ge-
meen aan allen, on voorgeschreven door uwe regelen, of
de gebruiken van uwe orde, andere zijn bijzonder en bui-
tengewoon. De eerste moet gij gelrouw volbrengen, zelfs in
het openbaar, om aan de regeltucht niet te kort te blijven;
de andere buitengewone moet gij zooveel mogelijk in het
geheim doen, om de ijdele glorie te vluchten. Indien om-
standigheden somtijds vereischen, dat gij dezelve in het
openbaar verricht, om aan anderen het goed voorbeeld te
geven, zorg dan dal de glorie Gods en het voordeel des
naasten, niet de eigenliefde, uwe eenige drijfveer zijn:
anderszins zal er u gezegd worden : Recepisti mercedem
tuam
(Matth. vi,16) « Gij hebt uwen loon al ontvangen. »
-ocr page 357-
DRIE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA SINKSEN.            349
1. Overweeg dat de Heer, op het oogenblik dat Hij het
doode kind tot het leven terugriep, de menigte uitjoeg, om
u te toonen, dat, indien gij van uwe ellende en lauwheid
wilt opstaan, gij u moet ontmaken van die ongeregelde ge-
dachten en genegenheden, en doen ophouden dat gedruis
van verstrooidheid, en overtollige gesprekken, die u het
hart ontstellen en den geest verstooren. Gij moet meer in
de eenzaamheid en in u zelven afgezonderd leven, en u
daardoor voorbereiden, om klaarder licht, en krachtigeren
bijstand van den hemel te ontvangen, zooals de Heer u bij
den Profeet Oseas belooft: Ducam eam in solitudinem.
et loquar ad corejus
(n. 14). « Ik zal haar in de eenzaam-
heid leiden, en tot haar hart spreken.
3. Overweeg dat de Heer dit mirakel uitwerkte op het
oogenblik dat Hij den arm uitstak en hel meisje bij de hand
vatte : Temiit manum e jus, el swrexil, » Hij vatte hare
hand, en zij stond op. » Door die almachtige aanraking
stortte hij in haar den geest des levens, en wekte haar op
uit den slaap des doods. Gij ook hebt uiterst noodig, dat
de Heer zijne hand over u uitsteke. ten einde u op te wek-
ken van den slaap uwer lauwheid,en u te doen verrijzen tot
een nieuw leven van geestelijke vurigheid. Indien de Heer
zijne machtige hand niet uitstrekt om u uit uwe ellende
op te rechten, zult gij met recht moeten uitroepen : Infixus
sum in limo profundi, et non est substantia
(Psal. lxviii,
3). « Ik steek in\'t slijk der diepte, en heb geen vasten
grond ; » gij zult er in blijven zonder de minste hoop van
er door u zelven uit te komen. Nogtans, aangezien : Non
est abbreviata manus Domini
(Isai, nx, 1)« De hand des
Heeren niet is afgekort, « bid Hem vurig zijne barmhar-
tige hand uit te steken en uw hart te raken, en het op te
heffen uit het slijk uwer zonden, opdat gij op den weg der
volmaaktheid voorwaarts zoudt kunnen gaan.
*
-ocr page 358-
350
MAANDAG IN DE DRIE EN TWINTIGSTE WEEK NA
SINKSEN.
Over de bestendige waakzaamheid.
Vigilate omni tempore orantes, ut digni habeamini fugere
ista omnia, quoz futura sant, et stare ante Filium hominis
(Luo.
xxt, 3ü).
Waakt ten allen tijde biddende, opdat gij verwaardigd moogt
worden al deze dingen, die geschieden zullen, te ontvlieden, en
voor den Zoon des menschen te staan.
1. Overweeg dat de Heer u door deze woorden wil te
kennen geven, dal uwe eeuwige zaligheid een werk is, het-
welk noch gansch van u, noch ui.sluitelijk van Hem af-
hangt. Gij moet van uwen kant doen wat gij kunt; daarom
gebiedt Hij u te waken : vigilate, dat is, op uwe hoede te
zijn.om geene gelegenheid voor bekoringen te geven, en alle
pogingen aan te wenden om het goede te doen. Nadien,
alsof gij niets gedaan luidt, moet gij bidden en uwen toe-
vlucht tot God nemen, orantes. Hem smeekende dat Hij u
met zijne heilige genade bcscherme. Deze is de ware weg
der zaligheid.
1. Overweeg dat het niet voldoende is op die wijze te be-
ginnen ; gij moet daaraan tot het einde toe bestendig ge-
trouw blijven, zonder moede te worden : Omni tempore,
« ten allen tijde » Het is niet genoeg dat gij waakt en bidt
ten tijde van bekoringen, gij moet ten allen tijden waken en
bidden. Herders waken over hunne kudde, zelfs wanneer er
geene wolven of dieven in de nabijheid zijn, om te beletten
dat zij kumen. Zoo moet gij ook ten opzichte van uwe ziel
te werk gaan, waken en bidden, opdat de bekoringen u
niet verrassen : Vigilate et orale, ut non intretis in tentatio-
-ocr page 359-
MAANDAG IN DE DRIE EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 351
nem (Matth. xxvi, 41) « Waakt en bidt, dat gij niet in
bekoring komt. » Indien gij niet aanhoudend op uwe hoede
zijt, en het gebed nalaat, indien gij niet meermalen gedu-
rende den dag uwen toevlucht neemt tot God en u zelven aan
Hem aanbeveelt, dan zal de bekoring u niet komen vinden,
maar gij zult er zelfde oorzaak van zijn. en met de wapenen
weg te werpen, maakt gij uwe verdediging onmogelijk.
Evenals er geen tijd is. in welken gij geen zeker gevaar
loopt van te vergaan, indien gij aan uwe eigene zwakheid
overgelaten zijt, zoo is er ook geen tijd. in welken u het
waken en bidden niet volstrekt noodzakelijk zijn.
3. Overweeg dat. alle mogelijke naarstigheid van uwen
kant nooit voldoende zal zijn om u der zaligheid waardig te
maken. Daarom moet gij door aanhoudende gebeden den
Heer smeeken ut dignus habearis, « opdat gij verwaardigd
moogt worden." dat is te zeggen : dat Hij in zijne barm-
hartigheid u behandele. alsof gij op den laatsten dag
waardig waart de verdoemenis te ontsnappen, en de zalig-
heid te erven, om zoo voor den Zoon des menschen te kun-
nen staan, stare ante Füium hominis. De rechtvaardigen
alleen, krachtens hun goed geweien, zullen voor dien groo-
ten rechterstoel vast staan : Tune stabunt justi in magna
constantia
(Sap. v. 1). « Alsdan zullen de gerechtigen met
groote vrijmoedigheid daar slaan ; » de ondeugenden inte-
gendeel zullen vallen, zonder hoop van ooit weer op te staan :
Non resurgent impii injudicio (Ps, ï, 5) «De goddeloozen
zullen niet bestand zijn in het gericht. » Wat een verschil
tusschen het lot van beiden !
-ocr page 360-
352
DINSDAG IN DE DRIE EN TWINTIGSTE WEEK
NA SINKSEN.
Over het kwaad der onverdnldigheid.
In patientta vestra possidebitis animas vestras (Luc. xxi, 19).
Door uwe lijdzaamheid zult gij uwe zielen bezitten.
1.  Overweeg het groot kwaad, waaraan een onverduN
dig mensch zich blootstelt. Hij is zich zelven niet meester,
omdat hij niet heerscht over zijne verstandelijke vermogens:
hij handelt haastig en uitzinnig, zonder het voorschrift der
goede rede af te wachten. Hij is ook geen meester van zijnen
wil, omdat de ongeregelde driften en luimen van droefheid,
verveling, overdaad, vreesachtigheid hem beheerschen, en
oorzaak zijn dat hij verandert en ronddraait, gelijk een
klein schipken. dat op de opene zee. door wind en baren,
heen en weer geslingerd wordt. De Heer zegt u dan met
recht : In patientia vestra possidebitis animas vestras.
«
Door uwe lijdzaamheid zult gij uwe zielen bezitten. »
Deze lijdzaamheid, die den mensch meester van zichzelven
maakt, is bovenal noodzakelijk voor eenen religieus ; het is
immers zijnen staat al te onwaardig dat hij in zijn spreken
en handelen, zich late vervoeren door onverduldighdd, en
leve als een onredelijk schepsel. Keer in u zelven. onderzoek
uw gedrag, en indien gij u door die ondeugd hebt laten
overmeesteren, beijver u, om er u werkelijk van te beteren.
2.  Overweeg dat de ongeduldige dit eigen heeft, dat hij
in het goede zeer onstandvastig is, want zoohaast hij in
eene onderneming verveling of moeite begint te gevoelen,
wordt hij het aanstonds moede. Legt hij zich loe op de
studie, het gebed, of de lezing van geestelijke boeken, hij
-ocr page 361-
DINSDAG IK DE DRIE EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 353
laat dal alles weer spoedig varen ; gevoelt hij zich somtijds
getrokken tot de boetvaardigheid of de versterving, het
duurt niet lang ; nooit blijft hij standvastig in zijne goede
voornemens: Tamquam palvis, quem projicü venlus a facie
terras
(Ps. i, 4). « Als stof dat de wind doet wegstuiven
van de aarde. » Wat goeds heeft dan de onlijdzame te ver-
wachlen, aangezien de standvastigheid in het goede het
gewone middel is. dat ons zekerder, dan wat het ook zij,
voor de eindehjke volharding voorbereidt ?
3. Overweeg dat er drie voorname middelen zijn, om
die zoo noodzakelijke lijdzaamheid te bekomen. Ten eerste,
haar dikwijls en met groote vurigheid aan God vragen in
het gebed. Ten tweede, op na denken en vooruit zien, de
voorvallen, die u zouden kunnen ontstellen, zooals, beleedi-
gingen, beschimpingen, ziekten, onaangename bevelen ;
op die wijze zult gij immer gereed zijn, want zelfs de best
verslerkte plaatsen loopen gevaar, zoo zij op het onver-
wachts aangevallen worden. Herinner u, dat gij hier op
een slagveld zijt, dat later de vrede en de belooning zullen
volgen, en dat uwe zonden veel grootere straf verdienen,
dan hetgene gij nu te lijden hebt. Het derde middel om tot
de ware verduldigheid te komen, is u zelven zooveel moge-
lijk te oefenen in akten van geduld, telkens u eene kleine
tegenkanting overkomt, met de gebreken van den naaste,
de guurheid des weders, de ongemakken des lichaams en de
kwellingen des geestes te verdragen ; alle oogenblikken zult
gij daarvoor gelegenheid hebben. Zoohaast gij dan het
eerste gevoelen van on verduldigheid gewaar wordt, keer in
u zelven, beveel u aan den Heer, beeld u in dat Hij u met
eigen mond zegt: In patientia nestra possidebitis animas
vestras.
« Door uwe lijdzaamheid zult gij uwe zielen be-
zitten. 11
-ocr page 362-
354
WOENSDAG IN DE DRIE EN TWINTIGSTE WEEK
NA SINKSEN.
Hoe ongerijmd het is, het goede te minachten, om het
betere te zoeken.
Quid necesse ent homini majora se qucerere, cum ignoret quid
conducat sibi in cita sua, numero dierum peregrinationis suce, et
tempore quod velut umbra prceterit f
(Kccle. vu, 1).
Wat he^ft de mensch toch nootlig, naar dingen te trachten
die boven zijn bereik zijn, daar hij niet weet, wat voor hem nut-
tig is in zijn leven, in het aantal dagen van zijn pelgrimstocht,
in den tijd, die als eene schaduw voorbijgaat I
1. Overweeg dat de Wijze man deze woorden richt tot
allen, die ontevreden met den slaat, in welken God hen
geplaatst heeft, angslig streven zich zelven te verhoogen,
zondei te weten of die waardigheid, dat ambt. of die bedie-
ning, waarnaar zij zuchten, hun tot nut of schade zal strek-
ken. Vandaar dat zij dingen zoeken, die hunne bekwaam»
heid ver te boven gaan. majora se, omdat zij in de toekomst
niet zien kunnen. God alleen weet den weg. dien gij volgen
moetom uwe ziel zalig te maken, aangezien Hij de aaneen-
schakeling van voorvallen bepaald heeft, waarvan uwe
voorbeschikking afhangt. Daarom, evenals een pelgrim, die
den weg naar zijn vaderland niet kent. zich moet laten ge-
leiden door iemand, die den weg weet: zoo moet gij u laten
geleiden door God, of door iemand, die op aarde voor u zijne
plaats bekleedt. Wat uitzinnigheid dan van uwen kant, te
trachten door alle middelen, zelfs tegen den wil van God,
om tot die waardigheid of die bediening te komen ! Dat de
gehoorzaamheid uwe getrouwe geleidster zij, gehoorzamen
immers kan u nooit nadeel toebrengen.
-ocr page 363-
WOENSDAG IN DE DRIE EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 355
2.  Overweeg dat, zoude zelfs het bekomen van hetgene
gij zoo vurig verlangt, namelijk, die plaats of deze bedie-
ning. u niet nadeelig zijn, het betrachten daarvan u zonder
twijfel zeer schadelijk is, omdat het uwe gedachten en uwe
pogingen afkeert van het ééne noodzakelijke, het werk uwer
eeuwige zaligheid. In al uwe gedachten en werken moest
gij niets anders beoogen dan die groole zaak, die al te meer
belangrijk is, naarmate zij meer twijfelachtig is. Mei een
voorwerp na te jagen, dal moeielijk is om bereiken, en dat
u mogelijk ter zaligheid nadeelig zal zijn, verwaarloost gij,
helaas ! de ware belangen uwer ziel. Gij zijl een pelgrim,
de hemel is uw vaderland ; gebruik dan uwen lijd en uwe
krachten, voor de eene belangrijke zaak, namelijk om den
zekeren rechten weg te leeren, die naar den hemel leidt.
3.  Overweeg dat de tijd, die u gegeven is om dat nood-
zakelijk einde, het voorwerp van uw bestaan te bereiken,
kort is en spoedig voorbijvliegt; hoe is het dan mogelijk dat
gij uwen tijd verliest in iets te zoeken, dat u tot niets die-
nen kan ? De lijd is kort, het zijn immers maar weinige
dagen numero dierum; de tijd vliegt voorbij gelijk eene scha-
duw velut umbra prasterit. Besteed hem daarom niet in de
najaging van zaken, die met den lijd voorbijgaan ; gebruik
hem enkel om immer voorwaarts te gaan op den zekeren
weg naar het vaderland, en om in bezit te kunnen treden
van uw eeuwig erfdeel. Een pelgrim, die op een korten en
vastgestelden tijd in zijn vaderland moet aankomen, onder
straf van het verlies van al zijne goederen,met welke naars»
tigheid zou hij niet immer vooruitgaan, opdat de tijd hem
niet kome te ontbreken ! Om tijd te winnen zou hij zich
slaap, onderhandelingen, en alle ijdele vermaken ontzeg-
gen. Zoo moet gij ook te werk gaan : gij zijt een pelgrim;
zoo gij het einde uwer reis niet bereikt op het oogenblik dat
de Heer u bepaald heeft, is bet met u gedaan ; nooit in der
-ocr page 364-
356                         BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
eeuwigheid zult gij meer in bezit kunnen treden van uw
erfdeel.
DONDERDAG IN DE DRIE EN TWINTIGSTE WEEK NA
SINKSEN.
Over het goed gebruik yan den tijd.
Cum accepero tempus, egojustitiasjudicabo (Ps. LXXVI, 3).
Als mijn tijd gekomen is, zal ik gerechtigheid oefenen.
1. Overweeg hoe de Heer u nu overvloedigen tijd en ge-
legenheid verleent om goed te doen, indien gij hem enkel
wilt besteden, om eene gelukzalige eeuwigheid te bekomen:
Dedi UU tempus ut psenitentiam ageret (Apoc. n, 21).
«Ik heb haar tijd gegeven.opdat zij zich zou bekeeren.»Wat
volgt er dan? Binnen kort, zal Hij u den tijd ontnemen om
u ten oordeel te roepen ; gij zult dan geen enkelen oogen-
blik tijds meer hebben : Tempus non ent amplius (Apoc.
x, 6). « Er zal geen tijd meer zijn. » En welke strenge
rekenschap zal Hij u dan vragen van den tijd, dien Hij u
gegeven had : Vocavit adversum me tempus (Thren. i, 15).
« Hij heeft den tijd tegen mij geroepen. » Onderzoek nu hoe
gij uwen tijd gebruikt, in nuttige of onnuttige zaken? De
Heer geeft u den lijd, opdat gij hem benuttigt voor het be-
komen der eeuwige zaligheid, en gij minacht hem. O! wat
eene droeve verkwisting van een zoo kostbaren tijd! Wan-
neer uw tijd zal voorbij zijn, en die des Heeren gekomen,
dan zult gij, doch te vergeefs, de waarde daarvan begrijpen.
1. Overweeg dat, zoohaast uw tijd ten einde is, het de
-ocr page 365-
DONDERDAG IN DË DRIE EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 357
tijd des Heeren zal zijn om u te oordeelen. Maar wat be-
doelt de Heer met die woorden justitias judicabo « ik zal
gerechtigheid oefenen? « Hij geeft u Ie verstaan, dat Hij u
zal oordeelen met juistheid, strengheid, en volgens de regels
der onbarmhartigste rechtvaardigheid. De barmhartigheid
op dien dag zal ophouden, en plaats maken voor aller-
strengste rechtvaardigheid. Hoe komt het dan. dat gij u zoo
weinig gelegen laat, zelfs niet deukt aan de strengheid van
dien schiikwekkendendag? De grootste heiligen sidderden
en beefden bij de gedachte van die uiterste strengheid, waar-
mede de Heer hen op het einde van hun leven zou oordeelen :
zij hielden daarom niet op hunne zonden te beweenen, door
boetplegingen voor hunne schulden te voldoen, hun gewe-
ten zorgvuldig te onderzoeken, ten einde in hun leven hunne
rekeningen te vereffenen in den rechterstoel der barmhar-
tigheid, om niet verplicht te zijn zulks te doen voor den
rechterstoel van Gods rechtvaardigheid. Doch gij doet juist
het tegenovergestelde : gij zijt weinig bevreesd voor het
oordeel, waaraan gij op den laatsten dag zult onderworpen
worden, en verwaarloost den tegenwoordige!) kostbaren
tijd, om van Gods medelijdende barmhartigheid gebruik te
maken.
3. Overweeg dat die woorden justitias judicabo « ik zal
gerechtigheid oefenen, » nog willen zeggen dat de Heer op
dien dag niet alleen uwe zonden,maar ook uwe gerechtighe-
den zal oordeelen, dat is, al uwe goede werken. Hij zal onder-
zoeken of gij dezelve op den gestelden tijd, met een goed
inzicht, op de rechte wijze en met alle daartoe behoorende
omstandigheden verricht hebt.Dit zoo zijnde, wat zal er dan
van u ellendige geworden? Gij verricht vele, in zich zelven
goede werken in uw religieus leven, zooals het gebed, het
koorgezang, het ontvangen der HH. Sakramenten enz.,
maar hoe verricht gij dezelve ? met welke verstrooidheid,
-ocr page 366-
358                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
met welke onoplettendheid,met hoevele fouten worden zij niet
vermengeld ? Aangaande al die goede werken, welke gij niet
naar b^hooren verricht hebt, zult gij onbarmhartig geoor-
deeld worden. Hcrinneru dat niet het stoffelijke werk, maar
enkel de wijze waarop, en het inzicht waarmede gij het
doet, u iets zullen balen. En nogtans vreest gij dat oordeel
niet! Bid den Heer dat Hij u licht geve om het te kennen en
te waardeeren.
VRIJDAG IN DE DRIE EN TWINTIGSTE WEEK NA
SINKSEN.
Over de waarde des tijdens.
Hcec mihi sit consolatio, ut affligens me dolore non parcat, nee
conlradicam sermonibus sancti
(Job. vi, 10).
Dat dit mijn troost zij, dat hij mij met lijden kwellende niet
spare, en dat ik de woorden des heiligen niet tegenspreke.
1. Overweeg wat eene wondere vertroosting de
H. Job aan den Heer vroeg te midden van zijne kwellingen.
Hij vraagt eene nieuwe beproeving, en tevens ook de lijd-
zaamheid : Ut aflligens me dolore non parcat, nee contra-
dicam sermonibus sancti.
« Dat Hij mij met lijden kwel-
lende niet spare, en dat ik de woorden des heiligen niet
tegenspreke. » Gelijkvormigheid aan den wil van God in
voorspoed, niet in tegenspoed, is geenc moeielijke zaak en
brengt dan ook weinig vertroosting bij aan den geest. Maar
zich aan Gods wil volkomen overgeven, en troost vinden in
de kwellingen, die Hij ons overzendt, dat is de ware ver-
troosting der volmaakte zielen. Gelukkig zijt gij, indien gij
tot dien hoogen graad van volmaaktheid geraakt, van uwen
-ocr page 367-
VRIJDAG IN DE DRIE EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 359
troost te zoeken in altijd meer en heviger lijden ! Daarnaar
moet gij trachten: wij zijn immers hier niet om ons te ver-
maken, maar om te lijden. Nooit zult gij oprecht gelukkig
en tevreden zijn, zoolang gij er niet in gelukt, uwen troost
in lijden en beproevingen Ie putten.
1, Overweeg de groole begeerte van Job naar lijden en
kruisen. Daar zat hij op zijnen mesthoop, van hoofd tot
voeten, niet wonden bedekt ; en in zijn afgrijselijk lijden
vraagt hij aan den Heer dorheid des geestes, die van alle
kwalen de meest hartscheurende is. Hij vreesde dal de Heer,
in zijne goedheid, bij het aanschouwen van zoo groote
kwellingen, Zich tot medelijden zou laten bewegen ; hij zet
Hem, als het ware, aan om in zijne gestrenge behandeling
voort te gaan. tot dat hij tot stof en asch zou wederkeeren.
Ziedaar de volmaaktheid tot dewelke het zwakke vleesch en
bloed, bijgestaan door een sterken geest, komen kan. Be-
schaam u ten minste over uwe zwakheid, en bid den Heer,
dat Hij u klaar doe inzien, wat groote voordeelen aldus voor
God lijden aan de ziel toebrengt; smeek Hem dat Hij door
zijne genade de krankheid van uw vleesch versterke.
3. Overweeg dat, wanneer Job nieuwe smarten vraagt,
hij terzelfder tijd de genade vraagt, om er zich niet tegen te
verzetten, wanneer zij hem zullen overvallen, maar dezelve
met volmaakte overgeving te ontvangen : aangezien hij
zich niet al te veel op die vurige begeerten betrouwde:
een wantrouwen dat aan Je ootmoedigen eigen is. Meerma-
len verlangt gij voor den Heer veel te arbeiden en te lijden.
maar omdat gij met te groote vermetelheid op u zei ven
betrouwt, en God niet te voet valt opdat Hij u bijsta, ver-
dwijnen die verlangens, wanneer de gelegenheid zich aan-
biedt; gij verliest dan die gelijkvormigheid aan den wil van
God, welke als de ziel van al uw lijden zijn moest. Zoo »
volmaakt moest die overeenstemming van wil zijn, dat
-ocr page 368-
360                           BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
geene omstandigheid van tijd, gesteltenis of gezondheid u
het lijden onverdraagzaam make, en u belette hetzelve met
volkomene overgeving van de hand Gods te ontvangen. Dit
was juist wat Job vroeg, toen hij Hem om nieuw lijden
smeekte. Dit gebed is dan al te meer noodig aan u, die
zooveel zwakker zijt, en die bijgevolg des te min op uwe
begeerten, hoc vurig en heilig ook, kunt vertrouwen ;
zonder de hulp en bijzonderen bijstand van God, zullen zij
nooit krachtdadig of standvastig zijn.
ZATERDAG IN DE DRIE EN TWINTIGSTE WEEK
NA SINKSEN.
Jesns onze leeraar.
Beatus homo, quem tu erudieris, Bomine, et de lege tna do-
cueris eum
(Ps, Lxxxxm, 12).
Gelukkig de mensen, dien Gij onderricht, o Heer, en onder-
wijst uit uwe wet.
1. Overweeg dat niets een leerling zoo zeer aanzet tot
vlijtigheid voor de studie, dan de goedheid en zelfopoffering
van den meester. Nu, waar ter wereld zult gij eenen leer-
meester vinden gelijk aan Jesus Christus, iemand die beter
dan Hij kan onderrichten al wie zijne school bijwonen ? En
noglans hoe weinigen zijn er, die de lessen van een zoo
grooten meester ter harte nemen ? Bijna allen loopen naar
de bedriegelijkc school der wereld. Hoe dankbaar moest gij
niet zijn jegens den Heer, die u niet alleen deed geboren
worden, na de komst van den grooten Leeraar, maar u tot
. het klooster riep, zijne eigene bijzondere school, waar gij
met zooveel gemak de vruchten van zijne leer kunt rapen,
-ocr page 369-
ZATERDAG IN DE DRIE EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 361
bovenal in het gebed. Indien gij zijne lessen niet aanhoort
en er geen nut uit trekt, het is uitsluitelijk uwe schuld.
1. Overweeg dat een meester niet gewoon is aan zijne
leerlingen hoogere lessen voor te houden, zoo hij hen niet
wel gevestigd ziet in de eerste grondbeginselen, en vooraf-
gaande lessen, welke hij hun met zooveel moeite ingeprent
heeft. Ga een weinig na, hoeveel moeite de Heer Zich niet
gegeven heeft om u tot het geestelijke leven te vormen en te
geleiden, namelijk, om u te onthechten van de wereld,
en van uwe bedorvene genegenheden van hoogmoed, eer-
zucht, en overgroote eigenliefde. Zoovele jaren zijn het reeds
dat gij, als religieus, zijne school bijwoont, en gelooft gij nu
wel genoeg gevestigd te zijn in zijne leer ? Hoe kunt gij u
dan verwonderen, dat Hij u geene verhevenere lessen
bijwege van bijzondere verlichtingen geve. welke aan de
meer gevorderden voorbehouden zijn ? Onmogelijk, doordien
meester in hoogere lessen onderwezen te worden, indien gij
in de eerste beginselen niet wel gegrond zijt. Geefuzelven
dan gansch over aan zijne leiding, laat toe dat Hij u onthechte
van uw gemak en eigen wil, dan zal Hij u eene hoogere
plaats in zijne school aanwijzen.
3. Overweeg dat het bijzonderste voorwerp van de lec-
ring vaneen zoodanigen meester de vervulling is van zijne
wet. Gij kunt immers zonder de beschouwende kennis
der geheimen van God zalig en heilig worden : maar zonder
de werkelijke kennis van zijne wet kunt gij uwe zaligheid
niet bewerken ; daarom moet gij uw best doen om in deze
werkdadige oefening voortgang te doen : deze alleen kan u
oprecht gelukkig maken. Wat zal u de kennis baten van
wijs- en godgeleerdheid, van redekunst en rekenkunde,
waar gij u met zooveel vlijt op toelegt, zoo gij verloren
gaat ? Het is wel mogelijk dat gij met al deze kennissen
verloren gaat, zoo gij van den grootsten der Meesters, de
-ocr page 370-
362
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
ware oefenende wetenschap der goddelijke wet niet leert.
Hij houdt u deze kennis voor als de belangrijkste in zich
zelven, de noodzakelijkste van allen om u gelukkig te
maken. Beatus homo quemtu eruclieris. Domine, el de lege
tua docueris eum !
« Gelukkig de mensch, dien gij onder-
richt, o Heer. en onderwijst uit uwe wel. (1)»
VIER EN TWINTIGSTE ZONDAG NA SINKSEN.
Over het einde der wereld.
Ent tune tribulalio mayna, qualis non (uit ab initio mundi us-
que modo
(Matth. xxiv, 21).
Er zal alsdan eene groote verdrukking zijn, hoedanige er niet
geweest is van het begin der wereld tot nu toe.
1. Overweeg dat, evenals elk mensch bij het einde van zijn
leven in het bijzonder door God geoordeeld wordt, zoo ook
op het einde der wereld een algemeen oordeel voor allen
zal plaats hebben. Dit algemeen oordeel zal de glorie en de
belooning der uitverkorenen verhoogen, gelijk het de be-
schaming en straf der verdoemden zal vermeerderen. Het
zal dienen als eene openbare verdediging van Gods voorzie-
nigheid in het bestuur der wereld; voorzienigheid, die nu
zoo schandig gelasterd wordt, omdat men ziet dat de goe-
den nu zoo dikwijls tegenspoed, en de kwaden voorspoed
hebben : dat de deugdzamen nu dikwijls van de goederen
der aarde beroofd zijn, terwijl de ondeugenden overvloed
(•)) Indien er meer dan ?4 weken na Sinksen zijn, dan lascht men
hier in de overgeblevene weken na Driekoningen. (Zie 1»° boekd.\\
-ocr page 371-
VIER EN TWINTIGSTE ZONDAG NA SINKSEN.            363
van rijkdommen bezitten. Dan zal er klaar geloond wor-
den, dat de schikkingen der Voorzienigheid.die ons nu on-
geregeldheden schijnen, met oneindige wijsheid geordend
waren tot een tweevoudig einde, namelijk, de glorie van
God en ons eigen geluk. Daarom, telkens u iets overkomt
dat aan uw beperkt verstand, slecht geregeld schijnt in
het bestuur van de wereld, of van uwe gemeente, herinner
u dan de vermaningen van d<>n Apostel: Nulile ante tempus
judicare quoadusqueveniat Dominus
(1. Cor. ïv, 5).«Velt
geen oordeel voorden tijd. tot dat de Heer komt, » want op
den dag des oordeels alleen, zal de schoonheid en de orde
der Voorzienigheid zich klaat blijkend toonun in al wat ons
nu slechts ongeregeldheid schijnt. De Voorzienigheid is ge-
lijk een naaiwerk,dat van den verkeerden kant aanschouwd,
slechts eene verwarring van ongelijke steken schijnt te zijn,
en van den rechten kant een kunstig bewerkt meesterstuk
daarstelt.
2.  Overweeg dat, evenals bij cencn stervende de gestel-
tenis des lichaams verandert, de oogen verduisteren, het
aanschijn verbleekt, de zintuigen en krachten ophouden,
zoo ook op het einde der wereld al de elementen zullen ont-
roerd worden ; de zon, maan en sterren zullen verduiste-
ren, de aarde zal schudden ten gevolge van schrikinwek-
kende bevingen, en een alvcrslindend vuur zal bosschen,
huizen, steden en menschen, al wat er op de aarde is ver-
branden. Dan zal men verstaan wat de wereld is. die nu
door zoovelen aanbeden wordt; dan zal men de nietigheid
zien van die lusthoven, paleizen, grootheden en rijkdom-
men, die op eenoogenblik doorliet vuur verteerd worden.
Hoe dankbaar moest gij jegensden Heer zijn. die u.op eene
verdienstelijke wijze, de goederen der wereld deed verlaten,
die toch weldra de prooi der vlammen zullen worden.
3.  Overweeg dat, zoohaast de wereld door het verslindend
-ocr page 372-
364
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
vuur zal vernield zijn. het trompetgeschal,dat de dooden uit
hunne graven ten oordeel zal roepen, in de vier wereldein-
den zal weergalmen : Surgite, mortuü et venite ad judi-
cium
(St-Hier.) « Staat op, dooden. en komt ten oordeel. »
Op een oogenblik zullen dan de doode lichamen zich met
hunne zielen vereenigen, en door het toedoen der engelen,
naar de vallei van .losaphat geleid worden. Op dien dag
zal er geen verschil meer bestaan tusschen armen en rijken,
tusschen personen van hoogen of lagen stand, tusschen ko-
ningen on onderdanen: geen ander verschil zal er zijn dan
tusschen goeden en kwaden. Dan zal men verstaan dat het
ééne waarachtige goed de deugd is, het eenige kwaad de
zonde,waarvan men zich nu zoo weinig wacht. Aanschouw
bovendien het groot verschil, dat men dan zal zien, tus-
schen de verdoemden en de uitverkorenen. De zielen der
uitverkorenen zullen zich dan vereenigen met hunne licha-
men, die helderder zullen schijnen dan de zon, begaafd wor-
den melde vier hoedanigheden van verheerlijkte lichamen,
en in de hoogte verheven om des te nader den troon des
Rechters te zijn. De zielen der verdoemden zullen zich ook
vereenigen met hunne lichamen, bestemd tot afschuwelijke
brandstokken der hel; zij zullen daar staan onder in de
vallei, te midden van de duivelen. Het lot van een van bei-
den moet noodzakelijk het uwe zijn. Kies nu welk gij wilt.
Indien gij zoo bezorgd zijt voor de gezondheid van het
lichaam, zoo vurig verlangt een eervol ambt in de wereld
te bekleeden : indien het u, van den anderen kant, zoo on-
aangenaam is te zien, dat anderen boven u gesteld
worden, indien het u zoo hard valt, door lichamelijke kwa-
len bezocht te worden, mat hoeveel te meer ernst moest
gij niet streven om eene hooge plaats en een verheerlijkt
lichaam te hebben op den dag des oordeels, wanneer uw lot
van geluk of ongeluk voor eeuwig zal vastgesteld worden.
-ocr page 373-
365
MAANDAG IN DE VIER EN TWINTIGSTE WEEK NA
SINKSEN.
Over de tweede komst van den Zoon des menschen.
Yidebunt Filium hominis venientem in nubibus coeft(Matth.
xxiv, 30).
Zij zullen den Zoon des menschen uien komen op de wolken
des hemels.
i. Overweeg met welke verschillende gesteltenis van
geest de uitverkorenen en de verdoemden de komst van
den Zoon Gods zullen afwachten. Hij zal van den hemel
nederdalen met groote majesteit, omringd van alle zijne en-
gelen, die met grooten luister den standaard des kruises
zullen dragen. Bij het verschijnen van het kruis, zegt het
Evangelie, zullen uitverkorenen en verdoemden weenen.De
uitverkoren zullen dan tranen van vertroosting storten,
bij de gedachte dat zij, tot hun groot voordeel, het kruis
gedurende hun leven omhelsd hebben; de verdoemden zul-
len kermen van droefheid omdat zij, tot hun onherstelbaar
ongeluk, dat kruis gevlucht hebben. Indien gij in den staat
waarin gij u nu bevindt, het kruis van Chrislu?, het zinne-
beeld van zijne rechterlijke macht, moest zien nederdalen in
de vallei van Josaphat, wat zouden uwe tranen te kennen
geven? vreugde en troost, of droefheid en vrees? Bij dat
schouwspel zult gij ook eens tegenwoordig zijn. Zorg dan
u te bevinden onder het getal der minnaars van het kruis,
niet van deszelfs vijanden : Quorum finis interitus (Phil.
ni, 19). « wier einde verderfis. »
2. Overweeg dat onmiddelijk achter het kruis de Rechter
zal komen, gezeten opeenen troon, te midden der wolken.
De majesteit van zijne goddelijke natuur en de glorie zijner
n                                                                             21
-ocr page 374-
366                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
Godgeworden menschheid zullen zoodanig zijn dat zelfs de
zon, de maan en de sterren voor zijn aanschijn zullen ver-
duisteren. Hoe onuitsprekelijk zal dan de schrik en angst der
verdoemden niet zij i? Liever zouden zij dan hebhen begra-
ven te worden onder de puinhoopen der hergen, dan het
vertoornde aanschijn van Jesus tegen hen te moeten aan-
schouwen, van den zachtmoedigen Jesus, wiens goedheid zij
op aarde zoo sshandig vergramd hehben. Aan de rechter
hand des Rechters zal de allerheiligste Maagd zijn. maar
helaas! niet meer,als loevlueht en middelaresder zondaren.
Ter linkerzijde des Rechters zullen zich de Apostelen bcvin-
den, als bijzitters, en met hen al de apostolische zielen, die,
alles verlatende om God. de evangelische raden omhelsden.
Hoe geëerd zal op dien dag de deugd, en de navolging van
Christus z\'jn ! Hoe verachtelijk en beschamend de ondeugd
en de slavernij der wereldlingen !
3. Overweeg dat in die oms.andigheden de boeken, dat
is, de geweiens van eenieder zullen opengelegd worden.
Iedereen zal dan klaar zien niet alleen de goede en kwade
werken, welke hij in zijn leven gedaan heeft, maar ook die
van alle anderen. Zoo zullen onder de oogen van de men-
schen en van de engelen gelegd worden, al uwe werken, al
uwe woorden, al uwe gedachten, al wat gij in uw leven
goeds of kwaads gedaan hebt : het goede om geprezen, het
kwade om afgekeurd te worden. Gedenk echter dat goed en
kwaad dan niet zullen geschat worden, zooals nu in de we-
reld geschiedt, maar volgens de beoordeeling van God
zelvén, dat wil zeggen, dat het goed dan oneindig kosibaar-
der, en het kwaad o;ieindig plichtiger zal voorkomen dan
nu. Wat eene onzeglijke beschaming zal dan de ondeugen-
den overvallen, wanneer in hel bijzijn van allen al hunne
geheimste zonden veropenbaard worden ? Wat eene onuit-
sprekelijke eer voor de goeden, daar al hunne zelfs minst ge-
-ocr page 375-
DINSDAG IN DE VIER EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 367
achte deugden bekend gemaakt te zien ? Hunne zonden
zelf zullen voor hen geene stof van beschaming maar eer
van troost zijn. om reden der bloedige tranen, waarmede zij
dezelve gewasschen hebben in het sacrament van l.oetvaar-
digheid. Gij die nu in uwen handel en wandel zoo veel werk
maakt van het oordeel en opzicht der menschen, hoe is het
mogelijk dat gij geen acht geeft op het oordeel, dat eens in
de vallei van Josaphat zal plaats hebben. Denk er dikwijls
en ernstig op, gij zult dan over alle menschelijk opzicht ze-
geviercn, dat zoeken, wat u op den laatsten dag tol glorie,
dat vluchten wat u tot beschaming strekken zal.
DINSDAG IN DE VIER EN TWINTIGSTE WEEK
NA SINKSEN.
Over het vonnis der uitverkorenen en der verdoemden.
Yenite, benedicti Patris mei; possidete regnum. Discedite a me
inaledicti in ignem ceternum
(Matth. xxv, 34, 41).
Komt, gij gezegenden mijns Vaders, neemt bezit van het ko-
ninkrijk. Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige
vuur.
i. Overweeg het vonnis dat de Rechter eerst ten gunste
der rechtvaardigen zal uitspreken, tot wien Hij met een
glimlachend en minnelijk gelaat deze woorden sturen zal :
Venite benedicti Patris mei« Komt gij, gezegenden mijns
Vaders, » komt van de vermoeienissen tot de rust, van de
droefheid tot de vreugde, van den strijd tot de belooning ;
possidete regnum « neemt bezit van het koninkrijk. » Door
deze woorden geeft Hij te kennen de altijddurende en vrede-
-ocr page 376-
368                             BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
volle zekerheid, waarmede zij vooralle eeuwigheid de he-
melsche glorie zullen genieten. Qui vicei-it, possidebit hsec
(Apoc. xxi, 7). " Wie overwonnen heeft, zal dit beërven.»
De gelukzaligheid wordt koninkrijk genoemd, ter oorzakc
van de grootheid en den luister, welke den uitverkorenen
in het bezit van alle goed zullen ten deel vallen. Overdenk
nu wat vreugdegevoelens de harten der uitverkorenen zullen
bezielen, wanneer zij zich geroepen hooren om bezit te
nemen van een rijk, een eeuwig rijk, hetwelk God hun uit
rechtvaardigheid verschuldigd is ter oorzake van het kort-
stondigeeu lichte lijden, dat zij tijdens hun leven, in zijnen
dienst getrouw verduurden. Hoe zullen zij dan in eene
verrukking van vreugde uitroepen : Lxlati sumus pro die-
bas, quibus nos humüiasti, annis. quibus vidimus malei
(Ps. lxxxix, 15). « Wij verheugen ons naar het getal der
dagen, dat ge ons hebt vernederd, naar de jaren dat wij
\'t kwade ondervonden. » Gij ook zult eens aan die vreugde
deelachtig zijn, indien gij nu aan hunne beproevingen deel
neemt.
2. Overweeg dat, nadat de Rechter het oordeel ten gun-
ste der uitverkorenen zal uitgesproken hebben, Hij zich vol
verontwaardiging met een vertoornd gelaat zal wenden naar
de verdoemden, en tegen hen het vonnis van eeuwige ver-
doemenis uitspreken. Discedite a me maledicti in ignem
xternum. •<
Gaat weg van mij gij verdoemden in het
eeuwige vuur. » Wat een vreeselijk ongeluk voor eeuwig
verbannen te zijn van voor het beminnelijk aanschijn van
God ! Maar wat dat ongeluk nog oneindig grooter maakt is
verbannen te worden in den helschen afgrond om eeuwig
in het vuur te branden ! Discedite a me... in ignem seter-
num.
« Gaat weg van mij... in het eeuwige vuur. » Nu
deze behandeling zal hoogst rechtvaardig zijn, want door
eene zonde bedrijft de zondaar twee groote euveldaden : de
-ocr page 377-
DINSDAG IV DE VIEREN TWINTIGSTE -WEEK; NA SINKSEN. 369"
eerste met aan God verachtelijk den rug te keeren ; de
tweede met zijn hart aan de schepselen te geven niettegen-
staande het recht, dat God er op heeft. De straf van schade
beantwoordt aan zijne afkeering van God : Non videbit
yloriam Domini
(Isai. xxvi, 10) « Hij zal de glorie des
Heeren niet zien. » De straf des gevoels zal beantwoorden
aan het tweede kwaad, dat elke zonde inhoudt, namelijk,
de wending des harten naar de schepselen : Cruciabvntw
die ac node in sxcula sseculorum
(Apoc. xx, 10). « Zij
zullen dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheid. »
De pijnen, die de verdoemden voor alle eeuwigheid in de
helsche vlammen te lijden hebben, besluiten in zich alle
andere folteringen, die de barbaarschste onmedoogendheid
hen zou kunnen aandoen ; zij overtreffen al wat een mensch
zich schrikkelijks zou kunnen inbeelden. Neem dan het goed
voornemen om, kost wat kosi, u aan dat noodlottig vonnis
te onttrekken.
3. Overweeg dat Christus eerst de uitverkorenen zal
roepen om bezit te nemen van het koninkrijk, en daarna de
vervloekten in het vuur zal storten, en dit voor een twee-
voudig einde. Ten eerste, opdat de gelukzaligen aldus meer
zouden geëerd worden in het bijzijn van hunne gezworene
tegenstanders, die hen op aarde mishandelden en beschimp-
ten ; en ten tweede, opdat de verdoemden meer zouden ge-
pijnigd worden in het aanschouwen van de glorie der uit-
verkorenen, en van hunne eigene ellende. De heiligen zullen
in gezelschap met Christus en de engelen ten hemel stijgen,
de verdoemden zullen door de aarde ingezwolgen, en inde
uiterste diepte begraven worden : Ibunt hi in supplicium
seternum, justi autem in vüam a\'ternam
(Malth. xxv, 46).
" Deze zullen gaan in de eeuwige strafte, maar de recht-
vaardigen in het eeuwige leven. » Denk aan die twee zoo
verschillende bestemmingen, en aan de uwe op dien dag.;
-ocr page 378-
370
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
er is geen middelweg ; gij zult noodzakelijk of ter rechter of
ter linkerzijde moeten staan, eeuwig heersenen in den he-
mel, of eeuwig branden in de hel.
WOENSDAG IN DE VIER EN TWINTIGSTE WEEK
NA SINKSEN.
Over de voorbereiding tot den dood.
Videte, vigilate, et orate ; nescitis enim quando tempus sit
(Mare. xni, 33).
Ziet toe, waakt en bidt ; want gij weet niet wanneer de tijd
daar is.
1. Overweeg hoe in de vervulling van deze drie plichten
al besloten is, wat er van u vcrcischl wordt om voor den
dood bereid te zijn, en uwe ziel zalig te maken. Het eerste
wat u te doen slaat is, toe te zien videte. niet met de oogen
des lichaams. maar met de oogen der ziel, ernstig o\\erwe-
gende de kortheid van het tegenwoordige leven, dat zoo
haastig voorbijgaat, de onzekerheid des doods, die u komt
toegesneld, de eeuwigheid van het toekomende leven, dat u
te wachten staat. Zie, hoe snel die twintig, dertig of veertig
jaren van uw leven voorbij gevlogen zijn : nog sneller zullen
de weinige jaren, dieu nog overblijven, voorbijsnellen. Dan
nog, wie verzekert u van die weinige jaren, zoodat de dood
ze u niet ontneme. juist dan wanneer gij er u minst op ver-
wacht ? Zie hoevelen er dagelijks sterven in den bloei van
hun leven ! Hoevelen die, begunstigd met de sterkste ge-
zondheid, schielijk sterven, de eene getroffen door eene ge-
raaklheid. de andere door eene beroerte of iets anders, dan
wanneer zij er zich geenszins op verwachtten. Videte, nesci-
-ocr page 379-
WOENSDAG IK DE VIER EN TWINTIGSTE ^WEEK NA SINKSEN. 371
lis quando tempus sit. « Ziet toe, gij weet niet wanneer de
tijd daar is. » Merk op dat de Evangelist niet zegt:
Quando tempus eiït« Wanneer de tijd daar zal zijn, .. maar
est,« wanneer hij daar is, » omdal er geen oogi\'nblik is, dat
voor u liet laatste niet zijn kan. En nogtans leelï gij alsof er
voor u geen dood was, alsof gij niet op den boord der eeuwig-
heid stondt. Zoo gij u zjlven bemint, denk op den dood,
denk op de eeuwigheid, denk er wel en dikwijls op. Wees
zoo uitzinnig niet van u voor te stellen dat Christus aan zijn
woord niet getrouw zal blijven. Hij zegt uitdrukkelijk :
nescitis quando, « gij weet niet wanneer.»
1. Overweeg den tweeden plicht, wiens vervulling u ter
zaligheid noodzakelijk is, namelijk dat gij moet waken vigi-
late.
betgene twee beteekenissen hebben kan.De eerste, dat
gij niet zorgeloos moogt verliezen den kostbaren tijd. die u
gegeven is om schatten te vergaderen vcor de eeuwigheid ;
tijd te kostbaar om al slapende te verkwisten : Noli diligere
somnum.nete egestas opprimat
(Prov. xx, 13). « Houd
niet van slapen oin niet tot armoede te vervallen. » De an-
dere biiteekenis is dat gij, door den slaap van een lui en
lauw leven, de waakzaamheid over u zeken niet moogt op-
geven, en u aldus blootstellen aan de aanvallen van uwe
helsche vijanden, en van uwe ongeregelde genegenheden.
Wek u zclven op, en wees op uwe hoede tegen uwe in- en
uitwendige tegenstanders, want zij zullen u het leven be-
nemen, wanneer gij er u minst op verwacht. Wek u zel-
ven op met gehoor te geven aan de slem des Heeren die u
tot een volmaakter leven roept; wacht u van opnieuw in
slaap te vallen ; mogelijk zal Hij u niet meer roepen, maar
u laten voortleven in uwe onachtzaamheid en lauwheid.
3. Overweeg de derde zaak, welke u ter zaligheid noodig
is, namelijk het gebed orale. Dat wil zeggen dat gij nooit
moogt achterlaten u aan den Heer aan te bevelen. Gij kunt,
-ocr page 380-
372          . . .          BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
wel is waar niet altijd werkelijk in het gebed zijn ; maar,
eerst en vooral, laat nooit na te bidden op de gestelde tij-
den: dan, verhef dikwerf gedurende den dag uw hart tot
God ; verders leg voor Hem het vurige verlangen, dat gij
hebt van zijn goddelijken bijstand. Desiderium pauperum
exaudivü Daminus
(Ps. x, 17). » De Heer heeft den
wensch der verdrukten verhoord. » Dat deze gevoelens en
verlangens des te menigvuldiger zijn. naarmate zij min tijd
vragen! Begeef u zoo dikwijls mogelijk in de tegen\\voor-
digheid van het Allerheiligste Sacrament, dat u zoo nabij is.
Bovenal, denk dikwijls op den dood, want de vrees des
doods zal oorzaak zijn dat gij u van ganscher harte aan
Jesus aanbeveelt en Hem vurig en dikwijls om hulp
smeekt.
DONDERDAG IN DE VIER EN TWINTIGSTE WEEK NA
SINKSEN.
Over het bewerken onzer zaligheid.
Cum melu et timore cestram salutem operamini; Deus est enim,
qui operatur in vobis, et veile, et perficere pro bona eoluntotc.
(Philipp. Il, 12, 13).
Arbeidt aan uwe zaligheid mot vreezen en beven ; want het
is God die in u werkt en het willen en het volbrengen, om zijne
goedwilligheid.
1. Overweeg dat uwe zaligheid eene zaak is, die gansch
van God en tevens gansch van u zelven afhangt: van daar
de verplichting voor u er met de grootste zorg bestendig
aan te arbeiden; want gij zult tot het einde toe in de onze-
-ocr page 381-
DONDERDAG IN DE VIER EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 373
kerheid zijn aangaande den uitslag, uit hoofde van de me-
nigvuldige gevaren, die u omringen. Aanschouw ouder u
de hel open. waaruit de geesten van duisternis komen, om
u aan te randen ; rond u, ziet gij de bedreigende wereld
vol van hinderlagen; in u het leger uwer ongeregelde drif-
ten. Te midden van zoovele gevaren, hoe zoudt gij anders
kunnen dan vreezen en beven, aangezien het zich\'handelt
van iets van zoo groot belang, dat, indien gij het. niet be-
reikt. gij voor alle eeuwigheid verloren zijt.
"2. Overweeg waarin die vrees bij/onder gelegen is. Zij
bestaat daarin dat gij u altijd ootmoedig houdt, want, wat
goeds gij ook verrichtet, de krachtdadige bijstand Gods is u
daartoe altijd noodig; dien verleent Hij u uit goedwillig-
heid, niet uit verplichting; Hij kan u denzelven weigeren
wanneer Hij wil. Zie dan, of gij geene gegronde reden hebt
van te vreezen en te beven voor het aanschijn van God,
daar gij moet erkennen dat zelfs het goede, wat gij doet,
van God komt. Operatur in nobis veile et perficere « Hij
werkt in ons en het willen en het volbrengen. » Hij werkt
in ons het willen door de voorkomende genade, waarmede
Hij ons tot het goede aanwakkert, het verstand verlicht en
den wil beweegt. Hij werkt in ons het volbrengen door de
vergezellende genade, waarmede, Hij ons begeleidt stap voor
stap in het volbrengen van het ons opgelegde werk. Dit zoo
zijnde, ziet gij niet den aanhoudenden nood waarin gij zijt,
van de krachtdadige genade Gods, welke Hij geenszins ge-
houden is n te verleenen ?
3. Overweeg dat. alhoewel de Heer eiken oogenblik kan
ophouden, indien Hij wil,u diebijzondere genade te geven om
het goede te doen,Hij u dezelve nogtans nooit weigeren zal,
indien gij niet nalaat uwen toevlucht tot Hem te nemen, en
u aan Hem aan te bevelen.Dit moet het uitwerksel van uwe
vreeszijn: dat gij aanhoudend zijne hulp vraagt,Hem smee-
-ocr page 382-
374                             BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
kende u te redden uit de gevaren, welke u omringen. Den
oogenblik dat gij zulks nalaat, zijt gij verloren. De eerste in
die lange aaneenschakeling van genaden, wordt gegeven
zelfs aan degenen, die haar niet vragen: doch nadien, zoo
wij den H. Augustinus geloovvn mogen, wordt er geene ge-
nade verleend, tenzij wij haar aan God vragen. De Heer
heeft u de genade der roeping gegeven, zonder dal gij de-
zelve vroegt: maar hij zal u de genade niet geven om in het
religieuze leven tot het einde toe getrouw te volharden, zoo
gij nalaat u aan Hem aan te bevelen, en zijne genade vurig
en aanhoudend afte smeeken. De Heer zegt: E/fundam su-
pei\' habitatores Jeruzalem spiritum gratiss et precum
(Zach.
xn, 10). « Ik zal over de bewoners van Jerusalem den
geest van genade en gebeden uilstorten; »oj\'dat gij zoudet
verstaan dat, evenals gij nooit den geest van gebed zult
hebben zonder de voorkomende genade sine gratia prseve-
niente,
gij ook nooit den bijstand der vergezellende genade
tot het einde toe gratise concomitantis zult verkrijgen zonder
den geest des gebeds.
-ocr page 383-
375
VRIJDAG IN DE VIER EN TWINTIGSTE WEEK NA
SINKSEN.
Over de belooning der langmoedigheid en der
getrouwheid.
TLxsperta Dominum, et custodi viam eius, et exaltabit te, ut has-
reditate capias terram; cum perierintpaccatores, videbis
(Ps.
xxxvi, 34).
Wacht op denHe\'ir en houdt zijnen weg. dan zal Hij u tot
het bezit des 1 mds verheten ; aan de uitroeing der goddeloozen
zult gij uwe oogen weiden.
i. Overweeg dat, gelijk het leven van eenen mensen sa-
mengesteld is van dagen en nachten, het eveneens met
voorspoed en tegenspoed verwisseld gaat. Somtijds gaat
alles goed en naar wensen, op andere tijden alles slecht en
verkeerd : evenals licht en duisternis, elk heeft zijne beurt,
alhoewel beide van God komen : Tuus est dies et tua est
nox
(Ps. lxxiii. tt>).«De dag is uw, en uwe is de nacht. »
Indien gij in het eene en andere gelrouw blijft, zult gij van
God de verschuldigde belooning verkrijgen. Om getrouw te
blijven in den nacht van tegenspoed, houd u tevreden met
geduldig den Heer af te wachten; betrouw op Hem, en
wees zorgvuldig in uwe gewone oefeningen der klooster-
lijke regeltucht, en bijzondere godsvrucht. Expecta Domi-
num. ><
Wacht op den Heer,» want uwe beproevingen zul-
len een einde nemen, en Hij zal u weldra met vermeerderde
liefde bezoeken en vertroosten. Om getrouw te zijn in den
voorspoed, zorg bescheiden te wezen, en niet te doen ge-
lijk de rivieren, die wanneer zij te veel water inhouden,
hare oevers overstroomen, en haar eigen loop verlaten.
Custodi viam ejus « Houd zijnen weg. » Gelukkig zijt gij,
-ocr page 384-
376                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
zoo gij aan den Heer getrouw blijft in alle voorkomende
omstandigheden, \'t zij voor- of tegenspoed, want exaUa-
bit te
«I Hij zal u verheffen >> van de aarde tot den hemel.
2. Overweeg dat ten gevolge dezer verheffing gij bezit
zult nemen van den hemel, dat ware land van belofte, bij
recht van erfdeel. Beeld u nogtans niet in, dat gij dit erf-
.deel zult verkrijgen zonder hetzelve te verdienen, zonder
moeite of zonder arbeid, als een zoon den eigendom zijns
vaders bekomt wanneer deze zonder uiterste wilsbeschik-
king overlijdt. Indien een zoon zich waardig wil maken dat
zijn vader ten zijnen gunste alles in zijnen leeftijd afsta,
moet hij hem gehoorzamen, hem eerbiedigen, zich als een
goede zoon gedragen. De hemel is het erfgoed, toebehoo-
rende aan eenen Vader, die nimmer sterft; en daarom moet
gij het verdienen door de huidebetuigingen en getrouwheid
zoo in voorspoed als in tegenspoed; anders zal Hij u van
dit erfgoed berooven, evenals Hij de Hebreen baroofde van
hun erfrecht op het beloofde land, omdat zij Hem niet ge-
trouw gebleven waren in de beproevingen, waaraan Hij
hen onderwierp in de woestijn.
3. Overweeg dat, zoo gij van deze wonderbare verhef-
fing, waarmede de Heer u vereeren zal waardig bevonden
wordt, gij dezelve ten volle zult beseffen op den laasten dag
des oordeels: cum perierint peecatores videbis. « aan de
uitroeing der goddeloozen zult gij uwe oogen weiden » Dan
in het aanschouwen van de strenge rechtvaardigheid Gods
ten opzichte van de zondaars, zuil gij begrijpen de over-
groote barmhartigheid Gods jegens u in het werk uwer za-
Jigheid. Wanneer gij op dien laatsten dag de ellende en
de beschaming der verdoemden zult zien, veroordeeld om
met lichaam en ziel in den helseden vuilnisput begraven te
worden ; en van den anderen kant liet geluk en de eer der
uitverkorenen, verheven om met Christus te heersenen;
-ocr page 385-
VRIJDAG IN DE VIER EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 377
dan inderdaad zult gij ten volle verstaan het schier onein-
dige verschil tusschen deze twee uitersten. Hoe zult gij dan
den Heer zegenen voor die groote gunst van u lot den re-
ligieuzen staat geroepen te hebben, en Hem danken voor
de genade, die Hij u verleende om Hem getrouw te dienen,
en gerangschikt te worden onder het getal dergenen, die
serviunt ei die ac nocte (Apoc. vu, 15) « hem dagen
nacht dienen, » in de nachten van tegenspoed zoo wel als
in de dagen van voorspoed.
ZATERDAG IN DE VIER EN TWINTIGSTE WEEK NA
SINKSEN.
Over de beproeving des doods.
t)eus meus es lu, ne discesseris a me : quoniam tribulatio pro-
oöima est: quoniam non est qui adjuoet
(Ps. xi, 12).
Gij zijt mijn God, sta toch niet verre van mij, want de nood is
nabij want er is niemand die mij helpe.
1. Overweeg dat gij deze woorden altijd op uwe lippen
zoudt moeten hebben, u voorstellende, dat gij reeds den
dood, den tijd van beproeving, waarin gij meest hulp noo-
dig hebt, nabij zijt. De dood is inderdaad eene groote be-
pi\'oeving te gelijk voor ziel en lichaam. Voor het lichaam
ter oorzake van de smarten van zeer pijnlijke ziekten, van
nachtwaken en onrusten, die u geen oogenblik rusl of stil-
stand zullen laten. Nog grooter zal de beproeving voor de
ziel zijn, wanneer zi] zich gedwongen ziet uit deze wereld
te vertrekken, en haar geliefkoosd lichaam te verlaten. Die
beproeving zal nog vermeerderd worden door de knagingen
il                                                                                       22
-ocr page 386-
378                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
van het geweten ; de ziel immers weet dan zeer wel dat zij
aan God eene allernauwkeurigste rekening zal moeten ge-
ven, van geheel uw leven, van al uwe zonden, die u in het
uur des doods menigvuldiger en. grover zullen voorkomen,
dan gij u nu inbeeldt. O! wat eene beproeving zal dat voor
u zijn op den laatsten oogenblik, waarvan eene eeuwigheid
van straf of belooning afhangt, liïd toch den Heer vurig
eiken dag van uw leven dat Hij Zich in dat uur van u niet
verwijdere.
1. Overweeg dat de beproeving des doods nabijer is dan
gij wel denkt. Hoevcle voorvallen van verschillenden aard
kunnen haar niet eiken oogenblik veroorzaken ? Die tien,
twintig of dertig jaren waarop gij u zelven betrouwt, ziet
gij niet hoc spoedig zij voorbij vliegen! Sla cenen oogslag
terug op de jaren die reeds vervlogen zijn, en gij zult zien
hoe snel zij voorbij gingen. Daarom verlies geen oogen-
blik om uwe rekeningen te vereffenen, en u bereidvaardig
te houden voor dien grootcn overgang. Vasa transmigra-
tionis fac tibi
(Jer. xlvi, 19) « Maak u gereed om te
gaan. »
3. Overweeg dat de beproeving des doods niet alleen
nabij is, maar ook zonder hulp; indien de Heer u dan niet
bijstaat, wee u! niemand anders kan u helpen. Wie is er die
op dat oogenblik van u kunne verwijderd houden de aan-
vallen en bekoringen van uwe helsche vijanden, opdat gij
het ongelukkige slachtoffer van hunne duivelsche woede
niet wordt? Wie kan er u dan die krachtdadige hulp verlec-
nen, welke gij noodig hebt om de moeijelijkheden te over-
komen, waarmede uw weg bestrooid is, en om zonder ver-
gaan Ie kunnen overzetten van den tijd tot de eeuwigheid?
Hoe belangrijk is het dan voor u nu wel te staan met den
Heer, die alleen u in dat uur helpen kan! Neem nu dikwijls
het kruisbeeld in handen, dat u in het doodsuur waar-
-ocr page 387-
ZATERDAG IN DE VIER EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN. 379
schijnlijk zal aangeboden worden ; kus het nu herhaalde
malen; zweer uwen Heer getrouwheid ter dood ; smeek
Hem met vurige tranen ut non te deserat, neque derelin-
quat
(Hebr. xin, 5.) « dat Hij u niet begeve en u niet ver-
late. » Indien gij Jesus slechts aan uwe zijde hebt in dat
schrikkelijk uur, zult gij den bijstand van anderen kunnen
missen en kloekmoedig uitroepen : Dominus mihi adjulor,
non timebo quid faciat mihi homo
(Ps cxvii.ti). <• De Heer
staat mij bij, ik vrees niet. wat kan een mensch mij
doen. »
-ocr page 388-
-ocr page 389-
BIJVOEGSEL
6 JUNI.
Feestdag van den H. Norbertas.
Domme, quülma vis facere (Act. ix. 6).
Heere ! wat wilt gij, dat ik doen zal ?
1. Norbertus, begaafd met uitmuntende hoedanigheden
van geest en lichaam, verleid door de bedrieglijke begooche-
lingen der wereld, beoogde vóór zijne bekeering niets
anders dan in luister en overvloed te leven. Door eenen
draaiwind van verlustigingen, welke gedurig elkander op-
volgden, medegerukt, trad hij nooit in zich zelven, on ging
voort door de ijdelheden der wereld zich te laten verblin-
den. Hij was nogtans verre van zich in dien toestand volko-
men gelukkig te bevinden ; hij werd gewaar dat de deugd
alleen hem den vrede des harten kon verschaffen, maar hij
beminde zijne ketenen en had den moed niet ze te verbre-
ken. Het was gedaan met hem, indien God hem niet had
getroffen door een grooten slag, om hem uit zijne sluime-
ring te trekken. Op weg om een wereldsch feest bij te
wonen, wordt hij als door den bliksem getroffen ter aarde
-ocr page 390-
382
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
geworpen, en roept als een andere Saulus uit: Domine
quid me vis facere.
« Heere! wat wilt gij dat ik zal doen ?»
Eene inwendige stem antwoordde hem : « Vlucht het
kwaad en oefen het goed, zoek den vrede in de afzondering
en in de boetvaardigheid. » Norbertus gehoorzaamde zon-
der uitstel aan de stem des Heeren. Hoe dikwijls hebt gij
misschien eene dergelijke inwendige stem geboord, die u
uitnoodigde om uit uwe lauwheid op te staan, en den Heer
geheel uw hart toe te wijden, ten einde den waren vrede
te vinden ? Hoe hebt gij aan die heilzame ingevingen
beantwoord ?
1. Beschouwen wij nu Norbertus na zijne bekcering. Hij
verliet terstond wat oorzaak van zijn ongeregeld leven was
geweest; hij vluchtte in allerijl het hof des keizers, dat
voor zijne deugd zoo noodlottig scheen te zijn. Hij deelde
zijne goederen aan den armen uit, legde zijne kostbare
kleedercn af, Irok een armoedigen toog aan, en gaf zich
over aan de oefeningen eener strenge boetvaardigheid. Hij
begon dan een stil en verborgen leven te leiden in een
klooster, en wijdde al zijnen tijd toe aan het gebed en aan
het overdenken der eeuwige waarheden. Hij verfoeide ge-
durig zijne ongetrouwheden, en het ongeluk van eene trou-
weloozc wereld bemind te hebben, wier streelingen door zoo
bitter hartzeer gevolgd worden. Overvloedige tranen vloei-
den uit zijne oogen, wanneer hij zich herinnerde dat God
hem uit barmhartigheid gespaard had onder zoovele an-
deren, die door den dood verrast waren, te midden van
hunne buitensporigheden, en uit deze wereld waren gerukt
om in de vlammen der hel geworpen te worden. Is de Heer
ook niet zoo barmhartig geweest jegens u als ten opzichte
van den H. Norbertus? Maar hebt gij aan zijne liefde zoo
wel beantwoord als Norbertus? Hoe dikwijls zijt gij mis-
schicn in uwe vorige lauwheid terug gevallen ?
-ocr page 391-
383
6 JUNI.
3. Toen Norbertus uitriep : « Hoer wat wilt gij dat ik
doe., »toonde hij zijne vastberadenheid, om voortaan geenen
anderen wil te kennen dan dien van God, en hem in alles
getrouw te volbrengen. Er moge spraak zijn van vernede-
ringen of verheffingen, van valschelijk beschuldigd of
aartsbisschop te worden, Norbertus verlangt niets anders
dan Gods wil stipt na te komen, zich met de grootste
overgeving aan zijne vaderlijke beschikkingen onderwcr-
pende : daardoor vond hij den waren vrede, dien hij in de
wereld te vergeefs gezocht had. Die volmaakte overeenstem-
ming van zijnen wil met dien \\ an God was ook oorzaak
dat hij zoo wel gelukte in al wat hij voor Gods glorie en het
heil der zielen ondernam : Vir obediens loquetur victoriam
(Prov. xxi. 28j. « Een man, die gehoorzaamt, zal van
zegenpralen spreken. » Hij werd bovendien nog stichter
eener religieuze orde, die zich weldra in vele landen ver-
spreidde, en zooveel goeds te weeg bracht. Hij zelf had het
geluk vele duizende ketters te bekceren ; God bekroonde
zeer dikwijls zijnen iever met schitterende wonderen. Wilt
gij slagen in hetgeen gij onderneemt, dan mag uw arbeid
geene andere drijfveer hebben dan Gods heiligen wil; al
wat tegen denzelve is, ware het een werk nog zoo edel in
zich zelve, zal u geen loon maar straf verwerven. Onderzoek
u zelven en gij zult misschien tot uwe beschaming vinden,
dat gij zoo bereid niet zijt om den goddelijken wil te rade te
gaan, dan wel om den uwen te volgen.
-ocr page 392-
384
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
1 JULI
Feestdag van 0. L. V. Bezoeking.
Abiitin montana cum festinalione (Luc. I. 39).
Zij ging met spoed naar de bergstreek.
1. Maria vertrekt van Nazarcth naar de stad van Ebron,
gelegen op. eenen afstand van ongeveer zeven dagreizen,
langs ongebaande wegen en steile bergen, zonder ander ge-
zelschap dan haren bruidegom den H. Joseph. Zij verhaast
hare schreden : Abiit cum festinalione. Wat mocht het wel
zijn dat Maria aanzette om die lange en lastige reis te on-
dernemen ? Is het omdat zij den minsten twijfel koestert
aangaande het gezegde van den engel, en zich van de
waarheid wil overtuigen ? Geenszins. Was het de natuur-
lijke liefde, die zij liare bloeverwanten toedroeg? Ook niet.
Zij had immers van hare teederste jeugd getoond, hoe zij
daarvan onthecht was ; al de kracht der naastenliefde was
noodig om haar hare eenzaamheid te doen verlaten. Maar
Elizabeth kon in den staat, waarin zij zich bevindt, hare
hulp van noode hebben. Het was dan de zuivere christelijke
liefde, welke Maria praamde, die lastige reis te ondernemen.
Alles ademt liefde in de wijze, waarop de Evangelist
Maria\'s reis verhaalt. Zij trotseert alle moeielijkhedcn,
niets kan haar terughouden. Ziedaar de bijzondere kenmer-
ken der goddelijke liefde! Hebben al uwe bezoeken, geheel
uw verkeer met den evennaaste steeds de liefde tot begin-
sel gehad ? Hocvele hadden misschien gcenc andere beweeg-
reden, dan de nieuwsgierigheid, de verveling van een cen-
zaam en ernstig leven !
1. In het bezoeken van Elizabeth volgt Maria zooveel haar
-ocr page 393-
2 juu.
385
mogelijk is, de nederigheid na van haren Zoon, en alhoewel
deze deugd de deugd van geheel haar leven zij, beoefent zij
die hier met eenc bijzondere volmaaktheid. Op het oogen-
blik dat zij verheven wordt tot de onuitsprekelijke waar-
digheid van Moeder Gods, noemt zij zich dienstmaagd:
Ecce ancilla, doch van wien? Van den Opperheer. Nu
maakt zij zich tol dienstmaagd van eene persoon, die zij
verre beneden zich mocht achten. Welk eene wondervolle
nederigheid in haar stilzwijgen omtrent de groote gebeur-
tenis, waarvan zij alleen liet geheim bezit. Zij zwijgt;
haar Zoon, haar God vernedert Zich; mag zij zich verhef-
fen? Zij zegt geen woord omtrent de keus, waardoor de
Hemel haar tot de eervolste waardigheid voorbeschikt heeft,
tot het oogenblik, waarop hare nicht, door den H. Geest
verlicht, in vervoering uitroept: Benedicta tu inter mulie-
res, et benedictus fructus ventris tui.
« Gij zijt de geze-
gendste der vrouwen en gezegend is de vrucht uws
lichaams! « Et unde hoc mild ut veniat mater Domini mei ad
me.
« En van waar geschiedt mij dit, dat de Moeder des
Heeren tot mij komt! » Nu is het geheim ontsluierd, de ne-
derigheid zelve maakt haar nu het spreken tot plicht; zij
spreekt dus, maar enkel om den Heer te loven en te zege-
nen : Magnificat anima mea Dominum, quia respexit
humilitatem ancittx suse.
« Mijne ziel verheft den Heer,
omdat Hij nederzag op de geringheid van zijne dienst-
maagd;» alsof zij zegde: De Heer wilde de diepste grenzen
van het niet bereiken, hij heeft in mijne ellende den bodem
van dien afgrond, dien Hij zocht, gevonden. Ziedaar hoe
Maria over haar zelve denkt? Hoe komt dat overeen met
uwe zienswijze ten opzichte van u zelven ? Gedenk dat de
nederigheid de eenige weg is, om tot de ware grootheid te
geraken.
3. Overwegen wij nu welk het doeleinde was van
*
-ocr page 394-
386                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
Maria\'s bezoek aan Elizabeth. Geen ander dan goed te doen
aan het huis van Zacharias en Joannes den Dooper te hcili-
gen. Deze werd immers in den schoot zijner moeder gezui-
verd, geheiligd, in de genade bevestigd, met het gebruik
der rede begaafd en reeds toen in staat gesteld om verdien-
sten te vergaderen. Maria bereidt hem voor de groote
zending, die hij op aarde zou te vervullen hebben. Elizabeth
wordt vervuld met den H. Geest, terwijl Zacharias het
gebruik der spraak wederkrijgt; Maria vervult geheel het
huisgezin met cene hemelsche vreugde. Gelukkig de ziel,
die de Moeder van Jesus met een bezoek begunstigt! Maar
willen wij ons daarvan waardig maken, dan moeten wij
trachten Maria vurig te beminnen. De Heer scheid behagen
in zijne Moeder geëerd te zien, en wil dat wij alles door
Haar verwerven. Wilt gij van haar groote gunsten beko-
men, vereer haar, en zorg zooveel u mogelijk is, dat zij
vereerd worde. Zie waarin gij onder dat opzicht zijt te
kort gekomen en verdubbel uwen ievcr.
19 JULI.
Feestdag van den H. Vincentius van Paulo.
Beali misericordes, qaoniam ipsi inisoricordiani consequentur.
(Math.v. 7).
Zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid
verwerven.
i. Dc barmhartigheid deed den Zoon Gods op aarde ne-
derdalen om Zich met ons vleesch te bekleeden en het ge-
vallen menschdom te verlossen ; Hij wilde dan ook dat de
-ocr page 395-
19 }vu.
387
barmhartigheid, de liefde jegens den naaste, het kenmerk
zijn zou zijner ware leerlingen. Wel mogen wij den H.
Vincentius de woorden van den Apostel in den mond leg-
gen : lmüato res mei estote, sicut et ego Cluïsti (I Coc.
ïv. 16). «Weest mijne navolgers, gelijk ik het ben van
Christus; >• menigvuldige blijken heeft hij ons immers
gegeven van zijne liefdadigheid jegens de noodlijdende
ledematen van Jesus-Christus. In zijne onverzaadbare
menschlievendhcid vond hij middel om in aller noodwendig-
heden te voorzien. Voor de zieken van alle soort stichtte hij
vele gasthuizen; de ongelukkige gevangenen wist hij hun lot
te verzachten ; de slaven wekten zoodanig zijne barmhar-
tigheid dat om hun de vrijheid te schenken, hij zich
volgaarne in hunne boeien zou gesteld hebben; met cene
vaderlijke zorg kwam hij de verstootenc armen ter hulp ;
ook vergat hij de ellendige kleinen niet, wier onmensche-
lijke ouders van hun tijdelijk en eeuwig ongeluk zouden
oorzaak geweest zijn. In één woord Vincentius was alles
voor allen. Hoe bezorgd zijt gij om de lichamelijke werken
van barmhartigheid te oefenen? Denkt gij misschien dat,
aangezien gij de wereld verlaten hebt, er niets dergelijks
van u gevraagd wordt: Weet dat bijzonder de religieuzen
verplicht zijn hunnen goddelijken meester in zijne barm-
hartigheid na te volgen, en dat gij die deugd vooral ten
opzichte van uwe broeders oefenen moet.
1. Was Vincentius vol menschlievendhcid voor alle
lichamelijke noodwendigheden, hij toonde toch bijzonder
zijne liefde voor de zaligheid der zielen en deed al wat in
zijne macht was om er zooveel mogelijk voor God te win-
nen. Hij begon met de kleinen hunnen God te doen kennen
en beminnen; hij wijdde bovendien, naar het voorbeeld
van den goddelijken Zaligmaker, zijnen iever bijzonder toe
aan de armen : Pauperibus evangelizare misit me (Luc.
-ocr page 396-
388
BEKNOPTE OVERWEGINGEN
iv, 18). « Om aan armen het Evangelie te prediken
heeft hij mij gezonden. » Hij stichtte verschillende huizen,
waar zij, die gevaar liepen hunnen God te vergrammen,
eene veilige schuilplaats vonden. Hij zorgde dat het begon-
nen goed zou voortleven door het stichten van verscheidene
kloostergemeenten, wier leden hij doordrongen had van
zijnen geest van liefdadigheid, en die heden nog in schier
alle landen des Christendoms met ongewoncn iever en den
besten uitslag zijn werk van liefde voortzetten. Hoevcle
gelegenheden hebt gij niet om mode te werken aan het heil
der zielen? Zijt gij niet geroepen om missiën te geven of
kloosterordes te stichten, gij kunt ten minste door het goed
voorbeeldden naaste tot God lokken, en voor zijne zaligheid
bidden.
3. De H. Vincentius zocht door zijne liefdadigheid niet
het aanzien der menschen, maar enkel het welbehagen van
God; God was de oorsprong en het einde van al zijne wer-
ken. Men hoorde hem somtijds zeggen dat niets hem genoe-
gen verschafte dan in Jesus-Christus, wien hij in alles
trachtte na te volgen. Hij beschouwde de zielen als het
evenbeeld van God, vrijgekocht door het bloed van den
Verlosser, bestemd en geschapen om eeuwig gelukkig te
zijn in den hemel; de lichamen aanzag hij als de tempels
van den H. Geest; dit was hem genoeg om zich teenemaal
voor de menschen te slachtofferen. Vincentius oefende zijne
liefdadigheid met de onbaatzuchtigste liefde; hij wist dat
God hem alles honderdvoudig zou vergelden, en hem gena-
dig zijn, naarmate hij voor anderen barmhartig was ge-
weest: Beali misericordes, quoniam ipsi misericordiam
consequentur
. « Zalig zijn de barmhartigen, want zij zul-
len barmhartigheid verwerven. » Welk is de drijfveer van
uwe liefdewerken ? Is het misschien de begeerte naar faam
en tijdelijke voordeden? Indien het zoo is. dan bemint gij u
zelven, in plaats van den naaste te beminnen.
-ocr page 397-
389
31 JULI.
31 JULI.
Feestdag van den H. Ignatius van Loyola.
Omne, quodcumque facitis in verbo aut in opere, omnia in
nomine Domini Jesu Chrisli f\'acito
(Col, m, 17).
Al wat gij doet in woord of werk, doet het alles in den naam
van den Heer Jesus Christus.
1 .Wij zien de getrouwe nakoming van dit gebod of van deze
aanbeveling in den H. Ignatius van Loyola, die in alles niets
anders zocht dan Gods eer. Men verheerlijkt God door Hem
te kennen en te beminnen: men verheerlijkt Hem op uitmun-
tende wijze door zijne kennis en zijne liefde te verspreiden.
Ignatius begon dan met God Ie verheerlijken door zijne
eigene heiliging ; hij doorliep alle graden, door welke de
ziel zich tot de grootste heiligheid verheft, en waarvan de
eerste de boetvaardigheid was ; hij beschouwde zich als
eenen mensen aan de wereld gekruist en wien de wereld
gekruist is. Zoodra hij den weg der zaligheid was ingetre-
den, zocht hij ook anderen dien te doen bewandelen. Noch
de afstand, noch de schijnbaar onoverkomelijke hinderpa-
len, noch de schande van op drie-cn-dertig jarigen leeftijd,
op de schoolbanken plaats te nemen, noch de bevroren vij-
vers konden zijnen iever weerhouden. Hij vereerde God op
de uitmuntendste wijze, daar hij Hem vereerde en door
zichzelven en door zijnen evennaaste. Zijne begeerte om
zielen tot God te winnen kende geenc palen, zij strekte zich
uit tot de verst afgelegene gewesten, hij zond eenen Xave-
rius. gevolgd door zoovele anderen, naar het uiterste Oos-
ten. Hij bewees dus aan God do algemeenste glorie in hare
uitgestrektheid. Wij bewonderen die edele toewijding, doch
dat is niet genoeg ; zijn wij min dan de H. Ignatius voor
-ocr page 398-
390
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
Gods glorie geschapen ? Wat hebben wij gedaan of geleden
oin die te bevorderen ? Moeten wij misschien niet tot onze
schande bekennen dat wij Hem veeleer onteerd hebben door
ons zelven en door anderen ?
\'2. De H. Ignatius begreep dat indien men God eeren wil
naar behooren, men te gelijk zich zelven of de wereld niet
zoeken mag. Hij zocht niets anders dan de eer Gods ; de
zuivere meening stelt zich niets anders voor. Wel mocht hij
met den Zaligmaker zeggen : Non qusero gloriam meam
(Joan. vin, 50;. « Ik zoek mijne eer niet. » Niets kenteekent
beter zijne belangloozc liefde, dan dit woord : « Ware mij
de keus gesteld dadelijk den hemel te bezitten, of nog op
aarde te blijven in onzekerheid mijner zaligheid, doch ver-
zekerd God nogeenige glorie te kunnen verschaffen, dan zou
ik zonder aarzelen het laatste kiezen. « Hij zag niets dan
God, had geen gevoel dan voor God. De hel zelve verschrikte
hem slechts, omdat hij daar God zou moeten hooren lastc-
ren. Kunt gij ook zeggen dat gij tevreden zijt, God alleen
tot getuige te hebben van uwe werken en meeningen, Hem
alleen te zoeken, voor Hem alleen te arbeiden, g&ne andere
begeerte te koesteren dan Hem eer te verschaften ? Tracht u
eigen te maken de verzuchting van den H. Ignatius : « Heer
wat wil ik, of wat kan ik willen buiten u. »
3. De H. Ignatius zocht bovendien de hoogste eer van
God. Ad majorem Dei gloriam « Tot de meerdere glorie
van God » was zijne leus ; hij had die steeds op zijne lip-
pen en geheel zijn leven droeg daarvan den stempel. Door
in alles niets anders te zoeken dan Gods hoogste glorie,
heeft hij zijne liefde in het oneindige uitgestrekt. Een zeker
bewijs dat men slechts voor God en zijne hoogste glorie
leeft, vindt men in de kalmte, in den vrede, welken men
behoudt te midden van de verschillendste lotgevallen, die
anderen ontstellen. De H. Ignatius was zoodanig met God
-ocr page 399-
31 JULI.
391
vereenigd, zoo zeer gevestigd in zijne liefde, dat de
onverwachtste gebeurtenissen, de treurigste wederwaar-
digheden de rust zijner ziel niet konden stooren. Konden
wij slechts voor eencn oogt-nblik den sluier wegnemen, die
God voor onze oogen verbergt, wij zouden ons zonder aar-
zelen voor Hem opofferen. Overwegen wij clan zijne inajes-
teit en heerlijkheid bij het licht des geloofs; naarmate wij
dezelve beier kennen, zullen wij haar zoeken en haar alleen
zoeken, en evenals God alles doet tot ons grooter welzijn,
zullen wij alles Aom en lijden tot de meerdere eer en glorie
van God.
5 AUGUSTI.
Feestdag van tien H. ilplionsus de Liguori.
Fili conseroa tempus (Eccli. iv, 23).
Mijn zoon noem den tijd in acht.
1. De prijs van den tijd in het algemeen wordt geschat
naar hetgeen hij heeft gekost, en naar de genaden, die
deszelfs wijs gebruik ons bezorgt. Vragen wij aan Kalvarië
wat die dagen en uren waard zijn, welker verlies zoovele
personen, zoo in- als buiten de wereld, niet betreuren. De
tijd is de grootste aller genaden, aangezien hij er de grond-
slag van is. De prijs van het huidig oogenblik is het bloed
van den God- Mensch. Dit had de H. Alphonsus begrepen.
Hij verloor geen oogenblik ; ja ! hij had zelfs de belofte ge-
daan van nooit tijd te verliezen. Van zijne priesterwijding
tot in een hoogen ouderdom, hield de Heilige niet op te
prediken, te biechten, retraiten en missiën te geven ; bij al
deze werkzaamheden had hij nog gedurende vele jaren de
-ocr page 400-
392
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
bcsücring van een bisdom, en van zijne talrijke Congrega-
tie. Dat vorderde zeker eens menschen leven, en nogtans
vond hij nog tijd om een aantal werken te schrijven, wier
menigvuldige aanhalingen bewijzen dat de H. Schrijver
alles gelezen had, wat er vroeger over die onderwerpen ge-
schreven was ; getuigen daarvan zijne zedelijke godgcleerd-
heid, en de heerlijkheden van Maria, behalve vele andere
boeken. Alphonsus was nogtans maar van eene zwakke
gezondheid, en dat niettegenstaande bereikte hij met al zijn
aanhoudend werken den ouderdom van zes en tachtig ja-
ren. Weg dan met uwe traagheid en werkeloosheid, welke
gij zoekt te verschoonen onder voorwendsel van zwakke
gezondheid!
2. De H. Alphonsus niet alleen wachtte zich van ooit een
oogenblikte verliezen, maar hij besteedde het met dat te
doen, wat God van hem wilde, en het te doen gelijk Hij
wilde. Wel wetende dat wij slechts beslaan om God te
eeren, door Hem te dienen, aanzag hij elk oogenblik, dat
niet strekt tot dat einde als verloren tijd. Ver van zich ban-
nende al onnuttig tijdverdrijf, dat niets anders dan zelfvol-
doening voor doelwit had, hield hij zich enkel bezig met
hetgeen recht- of onrechtstreeks met den dienst van God en
zijne plichten overeenstemde, of anderen tot God leiden kon.
Brandende van liefde tot God, deed hij ook al het mogelijke
om Hem door anderen te doen beminnen. Hij droeg bijzon-
dere zorg om in aller harten, te gelijk met de liefde tot God,
eene vurige godsvrucht jegens de Koningin der hemelen op te
wekken. Aan haar had hij dan ook te danken de schitte-
rende bckecringen en wonderen, waarmede God zijnen
iever bekroonde. Getuigt uw geweten dat gij uwen tijd im-
mcr wel besleed hebt, of niet eer dat gij zoovele uren verlo-
ren hebt met datgene te doen, wat strijdig was met Gods
wil, die u te kennen gegeven wordt door uwe regelen en
-ocr page 401-
2 AUGUSTI.
393
uwe oversten ? Zijt gij ook bezorgd om wel te doen en gelijk
God het wil hetgeen met den dienst van God en Maria be-
trek heeft, en aan uwen evennaaste .voordeelig zijn kan?
3. De H. Alphonsus zorgde ook in al zijne werken niets
anders dan Gods glorie te beoogen, en nimmer iets te doen
dat zijne eigene eer voor doelwit had. Die zuivere meening
maakte zijne geringste werken van oneindige waarde. Zoo
doende belette hij ook dat een zijner werken hoe onbedui-
dend ook in zichzelven, voorde eeuwigheid zou verloren we-
zen. Hij hield zich bezig met alle soorten van wetenschap-
pen, getuigen daarvan zijne schriften; zijne bediening vor-
derde van hem dikwerf zeer gewone werken, doch het
geringste was verheven door dat edel doelwit. Bedenk nu,
wat eenen onberekenbaren schat van verdiensten hij moet
vergaderd hebben gedurende een langen leeftijd, waarvan
elk oogenblik voor God besteed was. Het zal u misschien
niet gegeven zijn, gelijk aan den H. Alphonsus, zoo lang op
aarde te verblijven, doch gij kunt den verloren tijd op eene
zoo krachtdadige wijze herstellen, dat de dagen voorjaren
mogen gerekend worden, door eene groote begeerte van God
te behagen, door eene voortdurende opmerkzaamheid om
alles te doen en te lijden voor het eerlijk doel der goddelijke
liefde. Treed dan ernstig in u zei ven, en neem het\' vast be-
sluiteen heilig gebruik van uwen tijd te maken. Het voor-
beeld van den H. Alphonsus moet u daartoe opwekken en
aanmoedigen.
-ocr page 402-
394                           BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
A AUGUSTI.
Feestdag van den H. Dominions.
Sine intermissione orate (1 Thess. v, 17).
Bidt zonder ophouden.
1. Een groote heilige zegt van den H. Dominicus, dat
zijn geheel leven als een aanhoudend gebed mocht aanzien
worden.Behalve de kerkelijke getijden en de andere gewone
gebeden, had hij zich zelven, naar de getuigenis van den
H. Antoninus, andere wijzen van bidden voorgeschreven,
welke hij steeds getrouw nakwam. Zijn gebed steunde te-
vens op de twee noodzakelijke hoedanigheden, waaraan
het zijne kracht ontleent, de ootmoedigheid en een onbe-
perkt betrouwen op God. Eerst en vooral oefende hij de in-
en uitwendige verloochening van zich zelven in een heldhaf-
tigen graad. Na eer, rijkdommen en bloedverwanten vaar-
wel gezegd te hebben, trok hij een armoedig kleed aan en
trachtte door eene volkomcne ontbering van al het aardsche
zijnen goddelijken Meester te gelijken. Niet min nederig\' was
het inwendig gevoelen, dat hij van zich zelven had. Doch
dit spoorde hem des te meer aan om zich door het gebed
inniger met God te vereenigen; overtuigd van zijne nietig-
heid, zocht hij hulp en sterkte waar zij te vinden waren.
Gevoelt gij ook dezelfde liefde voor het gebed? Zoo niet; is
het misschien omdat gij de oogen voor uwe eigene nood-
wendigheden sluitende,denkt niet noodig te hebben God zoo
dikwijls te voet te vallen ? Overweeg eens wel dat gij van u
zelven volstrekt niets kunt,en bijgevolg Gods hulp, waarom
Hij wil gebeden worden, bestendig noodig hebt.
2. De H. Dominicus bereidde zich, naar het voorbeeld
-ocr page 403-
4 AÜGÜSTI.
395
van onzen goddclijken Zaligmaker, door het gebed voor de
verhevene zending, waartoe God hem bestemd had. De
Heer had hem geroepen om de ketterijen der Albigenzcn,
tegen wien men alle middelen, zelfs het geweld der \\vape-
nen te vergeefs had aangewend, uit te roeien. Het gebed
was liet wapen, waarmede hij zegenpraalde over die vijan-
den der H. Kerk, en er in gelukte vele duizende voor God
te vyinnen. Om zijn gebed waardiger te maken in de oogen
van God, bood hij het Hem aan door de handen van Maria,
de middelares tusschen God en de menschen. Maria bc-
loonde haren dienaar door eene uitstekende gunst. Zij
leerde hem de zoo gemakkelijke, zoo krachtige wijze om
haar en haren goddelijkcn Zoon te eeven, door het bidden
van den Rozenkrans, die door zijnen iever een algemeene
oefening is geworden. In uwe betrekkingen met den naaste,
is het u bijzonder noodzakelijk wel doordrongen te zijn
van deze waarheid, dat gij uit u zelven een ongeschikt
werktuig zijt voor het heil der zielen ; zonder gebed kunt
gij niets goeds te weeg brengen. Bereid u dan altijd door
het gebed voor al wal gij voor Gods glorie of voor de zalig-
heid der zielen onderneemt, en offer uw gebed aan God op
door de handen van Maria.
3. DeH. Dominicus vercenigde het gebed met het wer-
kend leven ; het eene hinderde het ander niet. Een wonder
was het inderdaad hoe hij te midden van menigvuldige en
verschillende bezigheden, immer de oogen op God gevcs-
tigd hield. Noch het bestuur zijner orde, noch de studie der
gewijde wetenschappen, noch biecht hooren of prediken,
niets kon de innige vereeniging van zijnen geest met God
verbreken. De oefening van goede werken maakte zijn ge-
bed krachtdadiger, het gebed maakte hem ieveriger voor al
wat Gods glorie of de zaligheid der zielen aanging. Wilt gij
de voorbeelden der heiligen navolgen en voortgang doen in
-ocr page 404-
396
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
dc deugd, wees standvastig in het gebed. Door het gebed
zult gij bekomen wat u ontbreekt om met vrucht te arbei-
den aan uwe eigene heiligmaking en aan die van den
naaste. Indien gij tot nu toe zoo weinig gevorderd zijt, is
het niet toe te schrijven aan gebrek van die heilzame oefe-
ning des gebeds ?
15 AUGUSTI.
Feestdag van 0. L. Y. Hemelvaart.
Assumpta est Maria in coelum, gaudent Angcli (Ex officio).
Maria is ten hemel opgenomen, de engelen verheugen zich.
1. Heden viert de H. Kerk den grooten dag, waarop
Maria, aan het aardsche vaarwel zeggende, ten hemel op-
genomen werd, om daar gezeten aan de rechter hand naars
Zoons met glorie en heerlijkheid bekroond te worden. Maria
sterft om aan de algeineene wet, die alle menschen ter
dood veroordeelde, onderworpen te zijn, en haren Zoon in
alles te gelijken. Zij aanvaardt den dood met een volkomen
betrouwen op Gods goedheid, met de vurige begeerte om
zich te vereenigen met het voorwerp van al hare liefde.
Zij sterft zonder vrees of angstvalligheid, zonder pijn of
ziekte, uitsluitelijk door het geweld harer liefde tot God.
Haar Zoon staat haar bij om haar met blijdschap te ver-
vullen, hare schoone ziel in zijne handen te ontvangen en
hemelwaarts te geleiden. Pretiosa in conspectu Domini
mors sanctorum ejus
(Ps. cxv. 15). « Kostelijk is in de
oogen des Hceren dc dood zijner vromen. » Dit waar
zijnde voor alle heiligen, hoeveel kostbaarder moet dan in
-ocr page 405-
15 AÜGUSTI.
397
de oogen Gods de dood van Maria geweest zijn ? De dood is
immers de weergalm van het leven ; nu wiens leven kon
met dat van Maria vergeleken worden. Denk daar dikwijls
aan, dat gij sterven zult, gelijk gij geleefd hebt. Wilt gij
geluk en vrede smaken in het uur des doods, tracht dan te
leven als een vurige religieus.
2.  De dood van Maria was bevoorrecht geweest, hare
verrijzenis was het ook. De Apostelen, die op eene wonder-
dadige wijze te Jerusalem vergaderd waren op het oogen-
blik van het overlijden der moeder van Jesus, legden haar
lichaam in een nieuw graf. Weinigen tijd daarna op het
verzoek van den H. Thomas, openden zij het graf, en von-
den er niets in dan het lijnwaad. Zij besloten daaruitdat Jesus
niet had willen uitstellen tot den laatsten dag zijne moeder te
verheerlijken, dat Hij haar van de dooden had opgewekt,
en door de handen der engelen met ziel en lichaam deelach-
tig had gemaakt aan zijne gelukzaligheid in de hemelsche
glorie. Wij allen zullen ook eens van de dooden opstaan,
doch hoe verschillend zal de toestand der goeden en kwa-
den zijn. Sparen wij nu ons lichaam, onderwerpen wij het
niet aan den geest, geven wij toe aan deszelfs verkeerde
genegenheden, het zal verrijzen, doch om met de ziel ge-
folterd te worden in den helschen afgrond ; het zal veran-
deren doch zoodanig dat deszelfs afschuwelijkheid eene
nieuwe pijn zal wezen voor de verdoemde ziel, die met liet-
zelve opnieuw moet vereenigd worden. Willen wij dat het
glorierijk opsta, dan moeten wij het nu versterven, en naar
het voorbeeld van Maria niets anders zoeken dan God en de
belangen onzer ziel.
3.  Om ons een denkbeeld te vormen van de glorie waar-
mede de Hemelvaart van Maria gepaard ging, laat ons voor
oogen stellen legioenen engelen, die uit den hemel nederda-
len, zich diep nederbuigen voor de Mwdcr-Mangd en haar
-ocr page 406-
398                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
vervolgens met eerbied opnemen tot de hemelsche gewesten.
Millioenen gelukzaligen komen haar te gemoet en roepen,
vol verwondering over hare verrukkende schoonheden, uit:
Quse est i\'sta, qua; ascendit de deserto, deliciis aflluens
(Cant. vin. 5). « Wie is zij, die zich verheft uit de woes-
tijn, overvloeiende van geneugten. » Jesus ontvangt en
verwelkomt haar en geleidt haar tot bij den troon van den
Eeuwigen Vader, te midden der toejuichingen der engelen
en heiligen. De Eeuwige Vader zet haar de kroon op het
hoofd, geeft haar den schepter in de hand en roept haar uit
als Koningin der engelen en der menschen, Koningin des
hemels en der aarde, Uitdeelstcr zijner genaden en Moeder
van barmhartigheid. Bedenk dat Maria nu naast Jesus
geplaatst is in de glorie, omdat zij Hem op den dag zijns
lijdens meest van nabij volgde. Herinner u dat uwe ver-
heerlijking hiernamaals in evenredigheid zal zijn met het
deel dat gij zult genomen hebben aan het lijden van Jesus:
Si compatimur, ut et congloiifwemur (Rom. vin, 17).
« Indien wij mede lijden, opdat wij ook mede verheerlijkt
worden.
20 AUGUSTI.
Feestdag van den H. Bernardus.
Ecce nos reliquimus omnia et seculi sumus te. (Matth.
xix. 27).
Zie, wij, wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd.
1. De H. Bernardus wordt ons te recht als een voorbeeld
van alle kloosterlijke deugden voorgesteld. Na alles verlaten
-ocr page 407-
20 AUGUSTI.
399
te hebben, trachtte hij zoo nauw mogelijk zijnen goddelijken
Meester te volgen, en vooreerst in zijne boetvaardigheid.
De boetvaardigheid wordt ons door den Zaligmaker aangc-
wezen als een noodzakelijk middel ter zaligheid, verplich-
tend voor allen, doch bijzonder voor de religieuzen.
Bernardus vcreenigde dezelve met eene volmaakte onschuld;
hij had het leven van eenen heilige geleid in de wereld,
wat had hij dan uit te boelen, zou men zeggen, toen hij de
wereld verliet, om zich gansch aan God toe te wijden in
het klooster. Met een zwak lichaam en eene wankelende
gezondheid waren er nogtans geene gestrengheden groot
genoeg om zijne liefde voor de boetvaardigheid te voldoen.
Door vasten uitgemergeld, door waken uitgeput, door
ziekten overladen, liet hij zich door niets wederhouden;
wat het lichaam verliest, wint de geest. Hij beminde Jesus
te zeer, dan dat hij zonder lijden zou willen leven hebben ;
bij de gedachte van al hetgeen de God-Mensch voor hem
geleden had, wilde hij met Hem gekruisigd zijn. Gij zijt
misschien ver van de navolging van dat schoone voorbeeld
verwijderd, maar doet gij ten minste uw best om met be-
reidvaardigheid en liefde de kleine akten van boetvaardig-
heid te plegen, welke u door uwen regel zijn voorgeschre-
ven; gij, die zoo dikwijls de genade Gods verloren hebt, en
zooveel voor uwe zonden schuldig zijt.
2. De boetvaardigheid van Bernardus had voor grond-
slag eene ware ootmoedigheid, en eene oprechte verachting
van zich zelven te midden van de algemeene bewondering.
Overal werd hij beschouwd als een engel van den hemel
gedaald, gehoord als eene godsspraak. Het gezag van zijn
woord en de eerbied, welken men hem toedroeg, beslisten
alle vraagstukken, zijne groote welsprekendheid en zijne
wonderen voerden scharen volks op zijn voetspoor. Om
hem slechts te zien liet men alle andere zaken rusten. En
-ocr page 408-
400                           BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
nogtans te midden van zulke schitterende daden, en zulk
zinsbedwelmend welslagen versterkte zich de nederigheid
van Bernardus. Hij zocht den glans, die hem omgaf te
verduisteren; als aller stem hem heilig verklaarde, be-
schouwde en behandelde hij zich zelven als zondaar.
« Gelooft mij toch, schreef hij aan eenen zijner vrienden,
en niet hen die mij prijzen zonder mij te kennen, omdat zij
slechts het uitwendige zien. Als ik van mij zelven spreek,
zoo is dit niet bij gissing, want ik ondervind mijne eigene
ellende en gevoel ze diep. » Hij verlangde zoo laag en vcr-
achtelijk te schijnen dat zij, die in zijne gedachten zoo
dwaas waren hem te achten, moesten beschaamd zijn
eenen man geprezen te hebben, die slechts verachting ver-
diende. Welk eene les voor u, die met zoovele bewcegrede-
nen om u te vernederen, u zelven bewondert en tot eiken
prijs wilt bewonderd worden.
3. De H. Bernardus wist ook wonderwel een geheel
inwendig leven met een van zijnen aard verstrooiend leven
te vereenigen. Hij nam deel aan al de groote gebeurtenissen
van zijnen tijd; hij doorkruiste menige landen, en werd
belast met de neteligste onderhandelingen. Doch te midden
van die uitwendige ontroering bleef hij kalm, met God
vereenigd in de vervulling van zijnen heiligen wil. Hij
zuchtte telkens hij verplicht was zijn klooster te verlaten,
en hij verliet het zonder zijn innig verkeer met God te
onderbreken; zijne ingekeerdheid en zijne inwendige een-
zaamheid begeleidden hem overal. Gelijk een engel, die in
zijne verschillende bedieningen steeds het aanschijn van
God geniet, bleef Bernardus te midden der wercldsche be-
slommering steeds van de wereld gescheiden, zijn hart
openende voor God alleen. Hoe gelukkig zoudt gij zijn,
indien gij dus ook de werkzaamheid van Martha met het
bespiegelend leven van Maria kont vereenigen, indien gij u
-ocr page 409-
401
20 AUGUSTI.
slechts uit noodzakelijkheid bezig hieldt met de zaken van
het uitwendig en uit neiging met de zaken van het inwen-
dige leet\'det. Maar helaas! hocvele religieuzen worden er
niet gevonden, die de uitwendige verstrooingen zoeken en
najagen, omdat zij allen smaak voor het inwendige verloren
hebben.
21 AUGUSTI.
Feestdag dei* H. Joatina Fraucisca van Chantal.
Siquis vult post me venire abncgel semetipsum et tollat trucem
suam quotidie
(Luc. ix, 23).
Indien iemand mijn volgeling wil wezen, hij verloochene zich
zelven, en neme zijn kruis dagelijks op.
1. Het leven der H. Joanna Francisca was eene aanhou-
dende oefening van zelfopoffering. Zij was er reeds een toon-
beeld van in de wereld, doch nog meer scheen zij daarin uit,
nadat zij zich door de geloften aan God verbonden had.
Overwegen wij eerst welk geweld zij zich moest aandoen
om hare roeping tot den geestelijken staat te volgen. Hoevele
hinderpalen te overwinnen, hoevele ketenen te verbreken,
alvorens zij het religieuze leven, het doel harcr wenschen
kon intreden! De sterke vrouw deinsde voor geen offer terug,
gaf niet toe aan cenigen alkeer : viel ook haar zoon op het
oogenblik der scheiding op den drempel der deur. zij stapte
met schreiend oog over het lichaam baars zoons. Zij liet
zich niet weerhouden door de stem des bloeds, noch door
het spreken der vriendschap, noch door de gebiedende stem
der natuur. God heeft waarschijnlijk van u zoovele offers
U                                                                                        23
-ocr page 410-
402                            BEKKOPTE OVERWEGINGEN. .
niet geëischt, alvorens gij het geluk hadt aan de wereld
vaarwel te mogen zeggen ; maar is daarom de weldaad
uwer roeping min te waardeeren ? Aanzie dezelve voor
eenc uitstekende gunst; het zal u dan gemakkelijker wezen
de hinderpalen te overwinnen, die u beletten aan dezelve
getrouw te beantwoorden.
<2. Van bet oogenblik al\' dat de H. Joanna Francisca aan
alle schepselen verzaakte, om zich aan God alleen te geven
en zich in zijne handen slelde, als een brandoffer in de hand
des offeraars, was haar leven slechts eene aaneenschakeling
van wederwaardigheden, eene aanhoudende oefening van
geduld. Ziekten, vervolging, laster, wisselden elkander af;
zij ging slechts over van het een kruis to\' het ander. Alles
ontbrak haar van den kant der aarde, en, men zou kunnen
zeggen hebben, dat haar schier ook alles ontbrak van den
kant des hemels. Twijfelingen omtrent de aanbiddelijkstc
geheimen, godslasteringen tegen de meest treffende godde-
lijke eigenschappen, schandelijke oordeelvellingen over den
evennaaste streden in hare inbeelding. Somtijds was zij ter
prooi aan zulke inwendige smarten, dat zij het oog noch ten
hemel durfde opslaan, noch op haar zelve richten ; hare ziel
scheen haar door misdaden bezoedeld, zwart van ondank-
baarheid. God wilde haar langs dien weg geleiden tot eene
soort van vernietiging, die haar immer in eene diepe oot-
moedigheid hield. Gij beklaagt u wellicht over de vele be-
proevingen, welke gij in het religieuze leven te doorstaan
hebt; doch wat zijn zij in vergelijking met de kwellingen,
welke God toelaat aan zijne bevoorrechte kinderen. Hebt gij
zooveel niet te lijden als de Heiligen, tracht ten minste de
kleine wederwaardigheden, welke u overkomen, met ge-
duld te verdragen.
3. Om tot die volmaakte zelfopoffering te komen moet
men zich daarin aanhoudend oefenen. Onze Heer, zegde de
-ocr page 411-
21 AUGUSTI.                                    403
H. Joanna Francisca, hecht den prijs zijner liefde en de
eeuwige glorie aan de overwinningen, welke wij op ons
zelven behalen. Wij zullen slechts volgelingen van Jesus
zijn in zoo verre, als wij onzen wil, ons oordeel, onze nei-
gingen zullen kruisigen om aan Hem getrouw te zijn. Indien
wij ons zelven uit ganscher harte verloochenen, zullen wij
op het einde genoegen vinden in het overwinnen der na-
tuur, om het rijk der genade te vestigen. Weet dat men
moet overwonnen hebben om het belootde manna te sma-
ken ; het is niet voor de lafhartigen bestemd ; « het rijk der
hemelen lijdt geweld. » Beeld u niet in dat gij, met rcli-
gieus te worden, u den hemel verzekerd hebt, zonder dat er
andere zelfopofferingen van noode zijn. Gij bedriegt u ; gij
moet u zelven immer geweld aandoen en u dagelijks in de
zelfopoffering oefenen.
28 AUGUSTI.
Feestdag van den II. Angustinus.
Convertimini ad me et ego canvevtar ad vos (Zach. i, 3).
Bekeert u tot mij, en ik zal mij tot u bekoeren.
1. De overwinning, welke de genade behaalde over een
grootcn zondaar, die bestemd was om de vader van zoovele
heiligen te worden, was des te glorierijker, naarmate zij
moeielijker en vollediger was. Zij was moeiclijk, want in
Augustinus stond alles op tegen de genade, de hardnekkig-
lieid der ketterij en de dwingelandij der hartstochten. Een
verheven geest als liij was, volgde hij geen ander gids dan
zijne nieuwsgierigheid, geen ander licht dan zijne vcr-
-ocr page 412-
404                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
waandheid. Het Manicheismus vleide\'den hoogmoed van
Augustinus, hij werd deszelfs ijverige aanhanger, en toen
hij er weldra aan verzaakte, was dit slechts om tot eenc
andere secte over te gaan volgens zijne grillen. Bij de dwa-
lingen van den geest voegde zich de bedorvenheid des har-
ten, hij had zich overgegeven aan de laagste driften en was
een slaaf geworden der wulpschheid ; hij had zonden op
zonden bedreven en er de gewoonte van opgedaan, deze
was, naar zijne eigene getuigenis, als een tweede natuur,
eene soort van noodzakelijkheid geworden. Hoevele hinder-
palen vond zijn geest in de eenvoudigheid van het geloof,
hoevele vuoral vond er zijn hart in de zuiverheid der evange-
lische zcdcleer? Augustinus voelde zijne eigene ellende ;
doch de sterkte ontbrak hem om uit dien gevaarlijken staat
op te staan, en ook de wil, hij bad maar vreesde van ver-
hoord te worden. Maar de genade zegepraalde over al die
hinderpalen. Die genade had hij waarschijnlijk te danken
aan de vurige en aanhoudende^smeekingen zijner H. Moe-
der. Leer daarvan nooit te wanhopen, en door de bemidde-
ling der Allerheiligste Maagd, de Moeder van God en der
menschen. God vuriglijk te bidden voor uwe bekcering en
voor die van den naaste.
2. Niettegenstaande al de hinderpalen, welke Augustinus
in den weg stonden om met de genade mede te werken,
overwon hij echter zich zelven geheel en gansch ; zijne be-
keering was volledig. Te midden der ontsleltenis zijns har-
ten hoort hij eene stem die hem zegt : « Neem en lees. »
Hij gehoorzaamt, en zijn geest wordt door het helderst licht
bestraald. Met zijne gedachten veranderen weldra zijne ge-
negenheden. Hij was overgeleverd aan de schandigste drif-
ten, thans heeft hij slechts zuivere en verheven begeerten.
Eene strenge boetvaardigheid zal zijn zinnelijk leven, vrij-
willige vernederingen zullen zijnen hoogmoed uithoeten. Hij
-ocr page 413-
405
28 AüGüSTl.
had de toejuiching der menschcn gezocht, nu wil hij slechts
hunne verachting ; ten dien einde, opdat iedereen het welen
zoude, schrijft hij een werk, waarin hij aan de geheele
wereld toont, hoe groot de afdwaling van zijnen geest en de
ongercgeldheid zijner zeden waren. Zijne schuldige gcnc-
genheden werden niet min edelmoedig hersteld. Het vuur van
Gods liefde heeft dit vleeschelijk hart in een geheel hcmelsch
hart hervormd, getuigen daarvan zijne werken die niet
dan de vurigste liefde uitboezemen ; thans was zijne ziel
geheel aan God verknocht, niets anders zocht hij dan God.
Met het religieuze leven te omhelzen, naamt gij het vast bc-
sluit u voortaan geheel en gansch aan God toe te wijden ;
maar was uwe bekeering volmaakt ; hebt gij u ontmaakt
van alle gehechtheid aan het aardsche, of zoekt gij nu nog
God en tevens de wereld te dienen?
3. God laat zich in edelmoedigheid niet overtreffen; Hij
ontvangt gelijk de vader van den verloren zoon, den be-
rouwhebbenden zondaar in zijne armen en drukt hem aan
zijn hart. Augustinus had alle banden verbroken, die hem
van God verwijderd hielden, hij had zich zonder voorbe-
houd aan Hem geschonken; God van zijnen kant overlaadt
hem met weldaden en maakt hem een bewonderenswaardig
werktuig zijner genade. Hij bekeert duizende zondaars,
zijn iever strekt zich uit tot de geheele wereld, en overal
mei. de schitterendste gevolgen, hij overleeft hem in zijne
ontelbare godvruchtige en leerstellige schriften, en in de
religieuze orden, welke hij stichtte. Wilt gij dat God Zich
met den overvloed zijner genade tot u keere, geef u eerst
teenemaal aan Hem : gij zult dan met den H. Augustinus
uitroepen: Sero te amavi, pulchritudo tam antiqua et tam
nova, sero te amavi.
Wat ben ik niet vroeger begonnen u
te beminnen, o altijd oude, altijd nieuwe schoonheid !
**
-ocr page 414-
406                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
8 SEPTEMBER.
Feestdag van 0. L. V. Geboorte.
Quce est ista quce progreditur quasi aurora consurgens,
(Cant. vi, 9).
Wie is deze, die voortkomt als een opgaande dageraad.
1. Heden viert de Kerk den geboortedag der grootc
Koningin, die ons Jesus-Christus, den Koning der engelen
en der menschen gegeven heeft. De geboorte van Maria
was als de dageraad van dien gelukkigen dag, waarop de
Zoon Gods. de ware zon der gerechtigheid op aarde ver-
scheen. Evenals bij den dageraad, den voorlooper der zon,
de gehcele schepping schijnt te herleven, zoo verheugde de
geboorte van Maria het geheele menschdom, dewijl zij de
voorloopster was der Zon van gerechtigheid, Jesus Christus,
die met haar Zoon te worden ons laier door zijnen dood
verlossen zou. Van daar dat de Kerk haar heden toeroept:
« Uwe geboorte, Maagd en Moeder Gods, heeft blijdschap
verkondigd aan de geheele wereld, want van u werd gebo-
ren de Zon der gerechtigheid, die ons het eeuwig leven
geschonken heeft. » Maria was die wonderbare vrouw, van
alle eeuwigheid voorbeschikt om het aanschijn der aarde te
vernieuwen, en die op de schandvlek en de straf der zonde,
eer en zegening moest doen volgen : die vrouw, aan onze
plichtige en berouwhebbende voorouders beloofd, die den
Zaligmaker baren zou, wiens komst reeds sedert vier dui-
zend jaren zoo vurig verlangd werd. Met de geboorte van
Maria nam onze genezing een aanvang, alsook onze ver-
troosting en on/e zaligheid. Vergeet niet haar heden uwen
hartelijksten dank te betuigen.
-ocr page 415-
407
8 SEPTEMBER.
5. De onderdanen eener goede koningin zien met geest-
drift het jaarfeest harer geboorte naderen, omdat zij hopen
dat die dag door buitengewone mildheid zal gekenmerkt
worden, en zelden vinden zij zich in hunne hoop bedrogen.
Doch de rijkste vorstinnen der aarde kennen zeer dikwijlsde
noodwendigheden harer onderdanen niet. of kunnen ze niet
helpen, zelfs wanneer zij willen. Zoo is het niet met Maria.
Zij weet wat er ons noodig is ; God heeft haar immers het
rijk zijner barmhartigheid toevertrouwd ; zij is onze voor-
spreekster, onze koningin en onze moeder, daarom kent zij
al onze noodwendigheden, anderszins ware liet haar onmoge-
lijk haar ambt uit te oefenen. Zij is bovendien alvermogend
bij God: niets kan er aan haar gebed geweigerd worden:
Zij is de schalbewaarster en de uitdeelster van de weldaden
des Heeren. Zij draagt ons eindelijk de liefde eener moeder
toe. Onmogelijk zich een denkbeeld te vormen van de liefde
der H. Maagd jegens ons; hare liefde tot den naaste, tot
hare aangcnomenc kinderen evenredigt die, welke zij God
toedraagt. Wat al beweegredenen voor ons om immer met
het grootste betrouwen onzen toevlucht tot Maria te nemen ;
zij zal ons niets weigeren van al hetgeen ons ter zaligheid
kan dienstig zijn.
3. Evenals Maria de opkomende dageraad wasvoorde
Zon der gerechtigheid, onzen Verlosser, zoo is zij ook de
voorloopster, die de wegen des Heeren bereidt in eene ziel,
die van de stralen dier Zon beroofd is. Wel mag het aangc-
nomen worden dat niemand tot Jesus komt tenzij door
Maria. Zij verbreekt de ketenen, die eene ziel aan haar on-
geluk vastgebonden hielden, zij stelt haar in staat om met
de hulp van Gods genade het juk des duivels af te schudden,
en schenkt haar de vrijheid der kinderen Gods. Misschien
hebt gij reeds meermalen de bescherming dei\' mecdoogende
Maagd ondervonden, dan bijzonder wanneer gij den weg
-ocr page 416-
$08                           BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
naar uw eeuwig verderf gingt inslaan.Indien nu alle Chris-
tcnen krachtens de dankbaarheid, die zij haar verschuldigd
zijn, en het gebod van Jesus, die haar als Moeder gaf aan
hetgeheele menschdom, gehouden zijn Maria teeeren, dan
zijt gij als religieus haar toch een bijzonderen eeredienst
schuldig. Gij zijt verplicht meer dan anderen God te be-
miniien, hetgeen gij niet kunt zonder te gelijk in uwe liefde
tot Maria toe te nemen. Deze moet gij bijzonder toonen door
uwe werken en het navolgen harer deugden. Zie waarin
uw eeredienst tot Maria te wenschen laat.
           v
K OCTOBER.
Feestdag van den H. Franciscus van Assisle.
Nolite diligere mundum, neque ca quee in mundo sunt
(i Joan ir, 15).
Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is.
1. Door de hulp van drie hartstochten, de liefde lot rijk-
dom, tot eer, en tot vermaak verwoest Satan de wereld,
hoont God, en verderft de zielen ; door de hulp van drie
deugden, de liefde tot de armoede, tot de verachting en tot
het lijden, vereeren Jesus Christus en de Heiligen God, ver-
woesten zij het werk van Satan en redden de uitvcrkore-
nen. Van deze drie deugden gaf de H. Franciscus van
Assisie schitterende bewijzen. En vooreerst van de liefde
tot de armoede ; Franciscus beminde haar en deed haar
beminnen. Men ziet hem een leven van overvloed verlaten
om zich toe te wijden aan de volkomenste ontbering. In zijn
-ocr page 417-
4 OCTOBER.                                         409
leven wilde hij volstrekt niets bezitten ; hij had zich van
alles ontbloot, zijn lichaam behandelde hij als cerien slaaf,
wien hij slechts het noodzakelijke toestond. Bij zijnen dood
wilde hij dat men hem van zijne kleederen ontbloot op asch
zou nederleggen, nadat men hem als aalmoes een oud ver-
sleten kleed had aangeboden. Franciscus beneed alleen den
arme, die hem in armoede overtrof. Niet alleen beminde
hij de armoede, hij deed haar ook van anderen beminnen.
Hij doorliep steden en dorpen en deed de eerste godspraak
van Jesus in zijne bergrede weergalmen :«Zalig de armen.»
Hij stichtte cene geestelijke orde en nam alle voorzorgen,
opdat de volmaakste onthechting van alle aardsche goederen
daarin zou voortleven. Bewonder in den grooten H. Fran-
ciscus den waren geest van armoede ; hij volgde daarin de
voetstappen van den God-Mensch, die geboren is, geleefd
heeft en gestorven is van alles ontbloot, die zelfs geene
plaats had om zijn hoofd te laten rusten. O! wat een onwaar-
deerbare schat moet de armoede zijn !
1. De H. Franciscus oefende op eene niet min volmaakte
wijze de geestelijke armoede. Hij wist maar al te wel dat
hij met het omhelzen van eene levenswijze gansch tegen-
strijdig met die der wereld, hare verachting op zich ging
trekken. Inderdaad zijne eigene medeburgers bespolteden
hem als eencn dwaze, zijn vader zelf aanzag hem vooreen
gevaarlijken waanzinnige. Naar het voorbeeld van Jesus
Christus dorstte hij naar schande, en evenals Hij werd hij
met smaad overladen. Werd hij ook later het voorwerp der
algemeene achting, hij bleef daarom niet minder klein in zijn
eigen oog. Bediende zich God van hem, zoo kwam dit, naar
het oordeel van Franciscus, omdat Hij er onder de men-
schen geen zoo laag, zoo verachtelijk in zijne oogen vond,
geen dus, die min geschikt was om de verdiensten van den
werkman te toonen, door de nietigheid van het werktuig
-ocr page 418-
410                           BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
dat Hij daartoe gebruikt. Hij aanschouwde zich als een
onwaardigen zondaar tot alle gruwelen in staat, zoo de va-
derlijke hand van God hem niet terughield. Hoe meer ge-
naden hij ontving, hoe meer hij zijne ondankbaarheid bc-
wecnde, overtuigd dat ieder ander er beter gebruik van zou
gemaakt hebben. Ziedaar hoe een groote heilige over zich
zelven denkl. Hoe oordeelt gij over u zelven, gij die u aan
zoovele zonden hebt plichtig gemaakt en in deugd nog zoo
weinig gevorderd zijt ?
3. De H. Franciscus overwon ook edelmoedig de derde
groote hartstocht door de oefening der tegenstrijdige deugd,
de liefde tot het lijden. Hij brandde door de begeerte om
den gek ruisten Jesus leven voor leven te geven. Driemaal
zocht hij de gelegenheid om als martelaar te sterven, doch
altijd werd hem deze gunst geweigerd. Hij troostte zich hier-
over door zijn lichaam een slachtoffer van boetvaardigheid
te maken, en hetzelve te kruisigen. Hij sliep op harde
steencn, als ware de naakte grond voor hem eenete zachte
legerstede, en voedde zich met de grofste spijzen. Zijne zin-
tuigen mogen morren, de natuur zich beklagen, Franciscus
wilde slechts den lijdenden Jesus navolgen: hij leefde slechts
voor het kruis. Zag men ooit de evangelische verzaking met
meer volmaaktheid beoefend ? Zag men haar ooit reeds hier
op aai\'de edelmoediger beloond ? Aan den H. Franciscus
viel het geluk ten deel, dat aan zoo weinige zelfs onder de
grootste heiligen werd geschonken, van met den H. Pau-
lus te mogen zeggen : Ego stigmata Domini Jesu in cor-
pore meo porto
(Gal. vi, 17). « Ik draag de wondteekenen
van den Heer Jesus in mijn lichaam. » Tracht den H.Fran-
ciscus na te volgen in zijne liefde tot hel lijden ; niemand
immers kan verhopen met Jesus te heersenen, indien hij
niet met Jesus wil lijden.
-ocr page 419-
411
15 OCTOBER.
Feestdag van de H. Theresia.
Omnia possum in co qui me confortat (Phil. lv, 13).
Alles vermag ik in den Heer die mij versterkt.
1. De H. Thercsia betrouwende op den bijstand des Al-
mogendeu, stelde zich niets minder voor dan zich te ver-
heffen tot eene buitengewone heiligheid, en hiertoe een
aantal zielen te verheffen; doch ter bereiking dezer twee
edele plannen scheen zij onoverkomelijke hinderpalen te
ontmoeten. Zij gevoelde van hare teederste jeugd af een
vurig verlangen om haar leven ten beste te geven voor den
God, die haar bemind had tot den dood des kruises. Maar,
o treurige mengeling van kracht en zwakheid ! Zij zou
Jcsus Christus niet weigeren haar bloed voor Hem te stor-
ten. en zij weigert zich voor Hem van eene natuurlijke
voldoening tcberooven, de moed ontbreekt haar om waak-
zaam te leven. Ware deze toestand bestendig geweest, dan
zou haar hart de slaaf geworden zijn ccner ellendige we-
reld. Hare roeping tot den religieuzen staat wordt voor haar
de gelegenheid van nieuwen en hevigen strijd : God riep
haar van de eene en de wereld van de andere zijde. Twintig
jaren bracht zij in dien strijd door. Zij getuigt van haar
zelve dat zij dikwijls viel en slechts met zwakheid opstond.
Ten slotte echter zegepraalde de genade. Wij zien dan dat
de heiligen niet van eene verschillende natuur waren dan
de onze, noch vrij van fouten; velen onder hen leerden voor
geruimen tijd in eenen staat van geestelijke kwijning, alvo-
rens hunne vlucht te nemen tot eene hooge volmaaktheid.
Wij zien tevens ook dat toegeven aan eene ongeregelde nei-
-ocr page 420-
412,
BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
ging hinderpalen stellen is aan onzen vrede, aan onzen
voortgang op de wegen Gods. Onderzoek u zclven en zie
of de aangekleefdhcid aan hel eene ol\' het andere niet oor-
zaak is dat gij u slechts gedeeltelijk aan God gegeven
hebt.
2. De H. Theresia vergenoegde zich niet met zelf im-
mer voort te gaan op den weg der deugd, sterk op den
bijstand Gods wilde zij ook anderen tot God leiden. Een
vurige iever voor de glorie Gods en de zaligheid der zielen
verslond haar. De gedachte aan zoovele zielen die verloren
gaan overstelple haar mot droefheid. Zij bidt voor de be-
keering der zondaars, voor de apostelen des geloofs, die
onder de heidensche volkeren arbeiden. Hare wensclien
volgen de evangelische werklieden, waar zij mogen zijn;
terwijl zij prediken, smeekt zij voor henen voor degenen,
die hen aanhooren, het licht af van den H. Geest. Zij
gevoelt zich aangedreven om mede te werken aan de vol-
maaklheid der religieuze zielen, en daarom onderneemt zij
de hervorming van den Kar mei. Zij voorziet de stormen die
zij gaat opwekken, doch God is hare kracht.zij vreest niets,
Hare plannen worden overal tegengewerkt: de gematigsten
beklagen haai\' als de speelbal van eene verhitte verbeelding,
en een onvoorzichtigen iever. Verre van den moed te ver-
liezen ziet zij, in dezen weerstand der menschen, een zeker
onderpand van Gods hulp. Zwak in haar zelve, was zij
alvermogend in God : Omnia possum in eo qui me confor-
tat.
Hoe vele middelen hebt gij niet Ier hand om kracht-
dadig mede te werken aan het heil van anderen; het gebed
leidt meer zielen tot God dan de schitterendste sermooncn ;
met het goed voorbeeld zult gij uwe huisgenoten opwekken
tot de getrouwe nakoming uwer regelen en eene nauwere
vereeniging met God.
3. De H. Theresia steunende op Gods gmade was ook
-ocr page 421-
413
1 NOVEMBER.
zeker van den uitslag van al wat zij voor God ondernam.
Zij was zwak, hare plannen grootsch, de hinderpalen sche-
nen o.ioveikoncüjlc en noglans slaagde zij in alles. Het
geheim hiervan lag geheel in haar vertrouwen op God; het
gebed was haar wapen, waarmede zij al hare zwakheden
te boven kwam. In het gebed pulte zij vooral de godde-
lijke liefde, met al hare kracht, met al haar vuur; de liefde
geleidde hare schreden, en troostte haar in al haar lijlen.
Hoe meer kruisen zij had Ie dragen,hoe meer zij er begeer-
de: alleen de dood of bel lijden kon hare liefde verzadigen:
Aut patiaut mort, « Of lijden of sterven. » Volgen wij de
H. Theresia in haren moed en baar betrouwen op God. In
ons gelijk in baar zal dan de waarheid bevestigd worden
van dit woord van den H.Gcest:«Zij die in den Heer hopen,
zullen allijd nieuwe kracht vinden.... zij zullen loopen en
niet moede worden » (Isai. xl, 31). Qui sperant in Domino
mutabunt fortitudinem... cwrentet non laborabunt.
1 NOVEMBER.
Feestdag van Allerheiligen.
Non sunt condignoB passinnes hujus temporis ad futuram glo-
riam, quce reoalabitur in nobis
(Rum. vut. 18).
Het lijden dezes tij.ls is van geen gewicht tegenover de toe-
komstige heerlijkheid, die in ons geopenbaard zal worden.
1. De H. Kerk noodigt ons op den huldigen feestdag uit,
onzen geest ten hemel te verheffen, en met de oogen des
geloofs de glorie en de gelukzaligheid der Heiligen te aan-
schouwen. Hun geluk geeft ons een voorgevoel van het
il                                                                                                    24
-ocr page 422-
414                             BEKNOPTE OVERWEGINGEN
onze, en wekt in ons de vurige begeerte op om eens hunne
deelgenooten in de hemelsche glorie te zijn. De hemel kan
onze eeuwige verblijfplaats zijn, gelijk hij de hunne is; het
bloed van Jesus Christus geel\'l ons daar in zi keren zin
recht op. indien wij slechls ernstige pogingen willen aan-
wenden om er bezit van te nemen. Na een korten tijd
van lichte kwellingen, kunnen wij voor eeuwig gelukzalig
zijn en zwemmen in eeue zee van onuitsprekelijke wi llusten.
Wat lijden kan ons nog zwaar voorkomen, indien wij het
vergelijken met het geluk dat ons voorbehouden is. God
vervult het verstand der Heiligen met de volheid van zijn
licht, hunnen wil met den overvloed van zijnen vrede; al
hunne begeerten met de oneindigheid zijner schatten. Zij
genieten God, en dit zoel genot, dat hen ten volle verza-
zadigt, is een erfdeel dal hun nooit zal ontnomen worden.
Verhef dus uwe oogen ten hemel; aanschouw met de
oogen van den geest de groote schaar Heiligen, die nu als
zwemmen in eene zee van onuitsprekelijk genot. Op aarde
hebben zij eenen harden strijd gestreden, maar zij zijn
overwinnaars geweest; nu verheugen zij zich, nu worden
zij getroost, nu hebben zij niets meer te vreezen. Deze ge-
dachte moest in u de vurige begeerte opwekken, om na een
manhafligcn strijd op aarde eens hun geluk te deelen in den
hemel.
$. De Heiligen hebben hun zalig einde bereikt: zij heb-
ben dus den goeden weg gevolgd, die er naartoe leidt. Daar-
uit kunnen wij besluiten dat wij. met hen hier te volgen op
aarde, ook eens hunne deelgenooten zullen zijn in den he-
mel. Wij vormen ons al te dikwijls een valsch gedacht van
de ware heiligheid ; dit belet ons ernstige pogingen aan te
wenden om hen na te volgen. Wij beschouwen als groote
deugd de groote gaven van God, zooals, de gaaf van be-
schouwing, de gaaf van tranen en meer andere. Maar hoe-
-ocr page 423-
1 NOVEMBER.
415
vele Heiligen in den hemel hebben nooit eene dergelijke
gunst ontvangen? Vele onder hen hebben die meer gevreesd
dan begeerd. De ware heiligheid beslaat ook niet in een uit-
wendigen glans. Een ontelbaar getal Heiligen hebben niet
dan de gewoonste werken verricht; zij volgden slechts den
Heilige der Heiligen, van wien wij geene schitterende da-
den lezen tijdens zijn verblijf, te Nazareth; de Evangelist
achtte het voldoende dat gehecle tijdstip met deze korte
woorden Ie beschrijven : Erat subditas Mis. « Hij was hun
onderdanig. » Anderen beelden zieh in dat hunne harts-
lojhlen en driften hinderpalen zijn ter heiligheid, doch ten
onrechte: want het zijn juist de welgeregelde driften die de
grootste Heiligen gemaakt hebben. De Heiligen waren zelf-
standige voorstellingen van de evangelische volmaaktheid;
hun voorbeeld bewijst ons dat de heiligheid niels onmoge-
lijks bevat, en dat zij zelfs gemakkelijk te bereiken is,
indien wij slechts willen medewerken met de genade, die
ons nooit ontbreekt.
3. De Heiligen toonen ons door hun voorbeeld den weg,
dien wij bewandelen moeien, en bekomen ons terzelfder tijd
door hunne gebeden de nodige sterkte om over al onze
vijanden te kunnen zegevieren. De gelukzaligen in den
hemel te midden van hunne zegepraal vcrge:en onze el-
lende niet. Even gerust als zij zijn omtrent hun eigen geluk,
even bezorgd zijn zij voor het onze. Van den anderen kant.
alles helpt mede om het gebed der Heiligen ten onzen voor-
deele krachtdadig te maken, hunne waardigheid, hunne
onbaatzuchtige liefde, welke de tegenwoordigheid en het
aanschouwen van God nog vuriger maakt. Alle Heiligen zijn
onze toegenegen vrienden, die bij God groot vermogen heb-
ben en voor onze zaligheid zeer bezorgd zijn: zij bieden
ons hunne voorbede aan. Zouden wij dan nog aarze-
len om met betrouwen hunne voorbede in te roepen. Bidden
-ocr page 424-
416                            BEKNOPTE OVERWEGINGEN.
wij hen, bijzonder deze die zich in denzelfdcn staat en door
de middelen,welke in ons bereik zijn.geheiligd hebben, dat
wij naar hun voorbeeld edelmoedig mogen stiijden.ten einde
ons eens met hen in de toekomstige heerlijkheid te mogen
verheugen.
21 NOVEMBER.
Feestdag Tan O. L. V. Presentatie.
Surge, propera, amica mea.\'jitveni (Cant. n, 20).
Sta op, haast u, mijne vriendin, en]kom.
1. DeH. Kerk herinnert ons op den huidigen feestdag,
dat Maria nauwelijks diie jaren oud zijnde, hare heilige
ouders had om. volgens de belofte, die zij daarvan aan God
gedaan hadden, haar te gaan opsluiten in den tempel van
Jerusalem. Toen de voor Maria vurig gewenschte dag
aanbrak, zette het \\lekkelooze maagdelijn zich op weg,
vergezeld van den H. Joachim en de H. Anna. en van eene
schaar engelen, die dat H. Kind. bestemd om de Moeder
huns Scheppers te worden, begeleidden. Eene inwendige
stem had haar aan het hart gesproken, de Heer noodigde
haar uit om zich zonder uitstel geheel en voor altijd aan
zijnen dienst toe te wijden : Maria verloor geen oogenblik
om aan die uilnoodigiig te beantwoorden. Zijt gij ook zoo
getiouw om aan de g ddelijke ingevingen te beantwoorden?
Is het niet, na lang wederstand geboden te hebbeu. dat gij
uwen wil naar den goddelijken schikt? Zoo doende, verliest
gij een groot gedeelte der verdiensten, welke gij zoudt ver-
worven hebben met terstond aan de stem des Hecren gehoor
te geven.
-ocr page 425-
21 NOVEMBER.
417
2.  Toen het heilig gezelschap aan den tempel in Jerusa-
lem gekomen was, wendt Maria zich tot hare ouders, kust
hun al knielende de hand, en zonder zich nog om te kecren,
beklimt /ij de trappen des tempels. Vaarwel zeggende aan
de wereld en al wat de wereld haar geven kon. offert zij
zicli zonder voorbehoud aan den Heer op. en w ijclt zij zich
gansch aan Hem toi\'. Van dienoogenblik af. was Maria\'s leven in
den tempel ecne aanhoudende oefening van liefde en zelfop-
offering aan den Heer. Eiken pogenblik nam zij loe in deugd,
versterkt, wel is waar. door Gods genade, doch ook nooit
eenige moeite sparende om aan de genade getrouw te
beantwoorden. In eene veropenbaring sprak Maria eens in
dezer voege tot de H. Elisabeth : « Denkt gij misschien dat
ik zonder moeite die genaden, en deugden verkregen heb?
Weel dat ik de bijzondere genaden van den Heer niet ont-
vangen heb, zonder groote moeite, aanhoudend gebed, vu-
rige begeerten, overvloedige tranen en strenge boetvaardig-
heid. «Door het afleggen onzer kloosterlijke geloften hebben
wij ons geheel aan God opgedragen en geslachtofferd op het
Altaar zijner liefde; maar maken wij in het volbrengen
derzelve geen voorbehoud.bijzonder opzichtens de gcnegen-
heden van ons hart, die wij misschien tusschen God en de
schepselen willen deelen?OngcIukkiglijk schijnen wij slechts
aan God te beloven om ons woord te breken.
3.  Maria\'s leven in den tempel was een aanhoudend
gebed. Ziende dat het menschdom in vijandschap met God
was, en dientengevolge verloren ging, met medelijden
bewogen voor dien rampzaligen toestand, bad zij God in
het bijzonder, o; dat de Messias spoedig mochtte komen. Zij
verlangde vuriglijk de dienares te mogen zijn van die ge-
lukkige Maagd, die de moeder des Allerhoogsten wezen zou.
Men zou haar dan kunnen zeggen hebben: « O heilige
Maagd ! weet dat in kracht uwer gebeden de Zoon Gods zich
-ocr page 426-
418                            BEKNOPTE O VERVOEGINGEN.
reeds bereid maakt om uit den hemel neder te dalen, ten
einde het menschdom te verlossen, en weel bovendien dat
gij die gezegende zijt, uitverkoren om de moeder uws
Scheppers te worden. Maria leert ons door haar voorbeeld
een gemakkelijk middel, dat in aller bereik is, en waardoor
wij krachtdadig medewerken tot het geestelijk welzijn van
onzen naaste : door aanhoudend gebed vurig aan den Heer
te vragen dat Hij: door de genade in hunne harten mogen
geboren worden. Door die oefening zullen wij verdienen dat
God ons bijzondere blijken van zijne goedwilligheid geeft.
U. I. O. G. D.
-ocr page 427-
BLADWIJZER.
BLADZ.
SINKSEN.
Zondag. Over de komst van den H. Geest.....      1
Maandag. Over de uitwerkselen der komst van den
H. Geest in de Apostelen......      3
Dinsdag. Over d« prediking der Apostelen.....      6
Woensdag. Over het eersie serinoon van den H. Petrus .      8
Donderdag. Over de eendracht en liefde van de eerste
Christenen..........    10
Vrijdag. Over den moed der Apostelen ...          .12
Zaterdag. Over de kiezing van de Heidenen in den per-
soon van Cornelius den honderdman . .    15
EERSTE WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Der Allerheiligste Drievuldigheid ....     17
Maandag. Over de voorbereiding tot de H. Communie .    19
D.nsdag. Het Paaschlam, hot zinnebeeld van het Aller-
heiligsle Sacrament........    21
Woensdag. Over de bereiding voor de H. Communie. .    23
Donderdag. Over de overgroote liefde van Jpsus in de
instelling van het H. Sacrament. ...    26
Vrijdag. Over de omstandigheden der instelling van
het H. Sacrament........    28
Zaterdag. Waarom Christus op onze Altaren verblijft .    31
-ocr page 428-
420
BLADWIJRZER.
BLADZ.
TWEEDE WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Over hpt H. Misoffer........33
Maandag. Over de innige vereeniging van Jesus met
onze zielen in het H. Sacrament. ... 36
Dinsdag. Het H. Sacrament ons geneesmiddel, onze
schild en onze sterkte.......33
Woensdag. Jesus is in het H. Sacrament de spijs onzer
zielen............41
Donderdag. Het H. Sacrament een onderpand van eeuwig
leven............43
Vrijdag Het Hart van Jesus, de bron aller genaden. 46
Zatekdag. Over de weikdadigheid der evangelische
leerstelselen..........48
DERDE WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Jesus de goede Herder........    51
Maandao. Over het goede inzicht in onze handelingen .    53
Dinsdag. Over de vermetelheid vanden zondaar . . .    55
Woensdag. Over de herinnering aan de vier uitersten . .    57
Donderdag. Over den haat, dien God de zonde en den
zondaar toedraagt........    59
Vrijdag. Over de versterving........    62
Zaterdag. Over het vonnis der eeuwige verdoemenis.    64
VIERDE WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Over de wonderbare vischvangst .... 66
Maandag. Over de balooning beloofd aan degenen, die
volharden...........68
D\'NSdag. Over het bijzonder oordeel......70
Woensdag. Over hot betrouwen op God ten tijde van
geestelijke doir gheid ...         ... 72
Donderdag. Over de kwade gevolgen van kbine fouten te
minachten...........74
Vrijdag. Over de eeuwige belooning voor de kortston-
dige beproevingen van dit leven ... 77
Zaterdag. Over den schielijken dood ...
         . . 79
-ocr page 429-
421
BLADWIJZER.
•LAM.
VIJFDE WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Over de volmaaktheid, welke Jesus van ons
vraagt............    81
Maandag. Over het laatste oordeel.......    83
Dinsdag. Over de bestendige droefheid over de zonde .    85
Woensdag. Dat wij onzen eig^n wil moeten afslaan . .    87
Donderdag. Dat dit leven een tijd van strijd is, die spoe-
dig voorbijgaat.........    89
Vrijdag. Over de verheffing onzes Heeren ....    91
Zaterdag. Over de bereiding tot de bekoring ....    93
ZESDE WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Over de wonderbare vermenigvuldiging der
brooden............96
Maandag. Over den dood en het oordeel.....98
Dinsdag. Over lijden en vernedering......100
Woensdag. Over dei vrede en de eendracht met onzen
naaste............103
Donderdag. Over het hooren der stem van het geweten. 105
Vrijdag. Ov r het betrouwen on God in den tegen-
spoed ............107
Zaterdag. Over de zuiverheid des harten.....109
ZEVENDE WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Dat men op zijne hoede moet zijn tegen de
valsche profeten.........111
Maandag. Over de toekomende belooning.....113
Dinsdag. Over onze plichten jegens ons zelven, jegens
onzen naaste en jegens üod.....116
Woensdag. Het rijk der hemelen lijdt geweld. . . .118
Donderdag. Over het nut der bekoringen......120
Vrijdag. Over de verachting van al het aardsche om
Christus . . ,........122
Zaterdag. Over do plichten der Christenen voor zooveel
zij soldaten van Christus zijn.....124
•
-ocr page 430-
422
BLADWIJZER.
ACHTSTE WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Over de parabel van den ontrouwen rent-
meester...... ....  126
Maandag. Ovei\' de ware barmhartigheid jegens onzen
naaste............  128
Dinsdag. De dood is de weergaTn van het leven . . .   130
Woensdag. Over de intrede van Jesus in Egypte . . .  133
Donderdag. Wij moeten strijden indien wij wenschen ge-
kroond te worden........  135
Vrijdag. Over den dood van den vurigen en lauwen
volgeling van Christus.......  137
Zaterdag. Over d^ hoop en het betrouwen op God. . .   139
NEGENDE WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Jesus weent over Jftrusalem......  142
Maandag. Over het laatste oor.leel.......  144
Dinsdag. Jesus noodigt alle noodlijdenden uit tot Hem
te komen...........   146
Woensdag. Over de uitzinnigheid der v^reldlingen . .   143
Donderdag. Over de werkingen van den H. G^est . . .  151
Vrijdag. Over den drievoudigen strijd der Christenen .  153
Zaterdag. God is onze leermeester.......  155
TIENDE WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Over de parabol van den Pharisëer en den
tollenaar...........157
Maandag. Over de noo ^zakelijkheid der omzichtigheid. 160
Dinsdag. Over liet opnemen v;m Chritus\' juk . . . 162
Woensdag. Ons leven is een pelgrimstocht.....164
Donderdag. Over de gevolgen van goede en slechte wer-
ken.............165
Vrijdag. Het lijden van Christus onze schild .... 168
Zaterdag. Over het nut dat wij uit onze gebreken trek-
ken kunnen..........170
-ocr page 431-
BLADWIJZER.                                          423
BLADZ
ELFDE WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Over de genezing van den doofstomme. . .172
Maandag. Over de goedheid en strengheid van God. . 174
Dinsdag. Over de hoovaardigheid en hare gevolgen . 176
Woensdag. Over den plicht van onzen naaste te helpen. 178
Donderdag. Over de einclelijke afscheiding van goeden en
kwaden...........130
Vrijdag. Over de herinnering aan het lijden van Jesus . 183
Zaterdag. Dat wij spoedig moeten wederstand bieden
aan de bekoringen van den duivel . . .185
TWAALFDE WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Over de liefde Gods.........   187
Maandag. Over de liefde iegens onzen naaste. . . .   189
Dinsdag. Over de liefde Gods voor zijne aangenomen
kinderen...........   191
Woensdag. Over de drie groote dagen des Heeren . . .   193
Donderdag. Hoe wij als de mond van God zijn kunnen . .   195
Vrijdag. Dat wij der wereld moeten gekruisigd zijn .   198
Zaterdag. Hoe God de hoovaardigen en de ootmoedigen
behandelt...........  200
DERTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Over de tien melaatschen......202
Maandag. Over de aangekleefdheid aan de goederen de-
zer wereld...........204
Dinsdag. Over de liefde jegens onze vijanden . . . . 206
Woensdag. Over de langmoedigheid van God .... 208
Donderdag. Over het eeuwig vuur der hel.....210
Vrijdag. Over de aanspraak van Christus op onze
liefde............212
Zaterdag. Beweegredenen tot zelfvernedering . . 214
-ocr page 432-
424                                        BLADWIJZER.
KAM.
VEERTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Over de onmogelijkheid van twee meesters
te dienen.....         .....216
Maandag. Over onze eeuwige verblijfplaats. . . . 218
Dinsdag. Over het kwade der rijkdommen. . . . 220
Woensdag. Over Gods handelingen met de hoovaardigen
en de ootmoedigen........222
Donderdag. Over de heilige vrees Gods......224
Vrijdag. Jesus, ons voorbeeld........226
Zaterdag. Over de beheersching onzer driften. . . 228
VIJFTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Over de verri\'zenis van den zoon der we-
duwe............230
Maandag. Over de gevolgen der toegeving aan zijne
driften............233
Dinsdag. Over de verplichtingen der evangelische wet. 234
Woensdag. Over de zelfverloochnning......236
Donderdag. Dat men in het geestelijks leven immer moet
voortgaan...........234
Vrijdag. Over onze verplichtingen jsgens Christus,
omdat Hij onze Verlosser is.....240
Zaterdag. Over de wereldsche wijsheid......242
ZESTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Hoe noodzakelijk de ootmoedigheid is . . . 244
Maandag. Over het beknibbelen der gebreken van onzen
naast e............247
Dinsdag. Over de eer die wij onze ziel verschuldigd
zijn.............249
Woensdag. Over het beantwoorden aan de genade . .251
Donderdag. Over de ware wijsheid........253
Vrijdag. Dat wij voor God leven moeten.....255
Zaterdag. Over het verschil tusschen den wijzen en den
dwazen mensch.........257
-ocr page 433-
BLADWIJZER.                                 425
BLADZ.
ZEVENTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Over de liefde tot God........258
Maandag. Over de volharding tot het einde .... 201
Dinsdag. Dat wij Christus voor de mensehen moeten
belijden...........263
Woensdag. Over de werkdadigheid der goddelijke ge-
n de............,265
Donderdag. Over de gelijkvormigheid aan den wil van
God.............267
Vrijdag. Over d<» voorbeschikking ....... 269
Zaterdag. Over onze getrouwheid in kleine zaken . .271
ACHTTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Over de wonderbare genezing van eenen
lamme............273
Maandag. Over het betrouwen op God......275
Dinsdag. Over de bokeering der zondaars.....277
Woensdag. Over de kleinmoedigheid.......280
Donderdag. Over den wog der volmaaktheid.....282
Vr jdag. Hoe de ware liefde moet ge\'oond worden . . 284
Zaterdag. Dat wij niet weten of wij lie.de of haat waar-
dig zijn............286
NEGENTIENDE WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Over de parabel van het huwelijksfeest. . . 288
Maandag. Zalig zün de dooden die in den Heer sterven . 290
Dinsdag. Over de getrouwheid aan de ingevingen der
genade...........292
Woensdag. Over de nietigheid der mensehelijke groot-
heid.............294
Donderdag. Over de lauwheid in den dienst van God. . 296
Vrijdag. Hoe wij van de slavernij des duivels bevrijd
worden............298
Zaterdag. Over de hoedanigheden der ware liefde. . .301
-ocr page 434-
426                                          BLAD\'WIJZER.
BLADt.
TWINTIGSTE ,WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Over de genezing van den zoon des hof-
beambten ...........303
Maandag. Over de volmaakte gehoorzaamheid . . . 305
Dinsdag. Over de getrouwheid in kleine zaken . . . 307
Woensdag. Over de onevenredigheid tusschen de zonde
en de verdiende straffen......389
Donderdag. Dat wij onze oogen altijd op den Heer moes-
ten gevestigd houden.......312
Vrijdag. Over het betrouwen op de goddelijke voorzie-
nigheid............314
Zaterdag. Over de vrees Gods.........316
EEN EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN.
Zondag Over de gelijkenis van de twee schuldenaren. 318
Maandag. Over de broederlijke liefde......320
Dinsdag. Hoe wij altijd kunnen en moeten bidden . . 342
Woensdag. Over het geloof..........324
Donderdag. Hoe wij ons moeten bereiden voor ©en goede
dood.............327
Vrijdag. Jesus de weg, de waarheid, en het leven . . 329
Zaterdag. Over de ware rijkdommen......331
TWEE EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN.
Zondag Over den dubbelen cijns.......333
Maandag. Over de vrees van Gods oordeel.....335
Dinsdag. Over de bolooning der getrouwheid. . . . 337
Woensdag. Over het geduld in de beproevingen. . . . 339
Donderdag. Over de tegenwoordigheid van God. . . . 341
Vrijdag, \'s Mensehen leven is een pelgrimstocht . . 344
Zaterdag, \'s Menschen leven is een strijd.....346
-ocr page 435-
BLADWIJZER.                                         427
BLADZ.
DRIE EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Over de verrijzenis der dochter van Jaïrus . 348
Maandag. Over de bestendige waakzaamheid .... 350
Dinsdag. Over het kwaad der onverduldigheid . . . 352
Woensdag. Hoe ongerijmd het, is. het goede te minachten,
om het betere te zoeken......3.r4
Donderdag. Over het goed gebruik van den tijd . . . . 353
Vrijdag. Over de waarde des lijdens......358
Zaterdag. Jesus onze leeraar........• 360
VIER EN TWINTIGSTE WEEK NA SINKSEN.
Zondag. Over het einde der wereld......362
Maandag. Over de tweede komst van den Zoon des men-
schen............365
Dinsdag. Over het vonnis der uitverkorenen en der
verdoemden..........367
Woensdag. Over de voorbereiding voor den dood . . . 370
Donderdag. Over het bewerken onzer zaligheid .... 372
Vrijdag. Over de belooning der langmoedighoid en der
getrouwheid..........375
Zaterdag. Over de beproeving des doods.....377
BIJVOEGSEL.
6 Juni. Feestdag van den H. Norbertus.....381
2 Jui.i. Feestdag van 0. L. V. Bezoeking .... 384
19  Juli. Feestdag van den H. Vincentius a Paulo . . 386
31 Juli. Feestdag van den H. Ignatius van Loyola. . 389
2 Aug. Feestdag van den Alphonsus de Liguori . . 391
4 Aug. Feestdag van den H. Dominions.....394
15 Aug. Feestdag van O. L. V. Hemelvaart. . . . 396
20  Aug. Feestdag van den H. Bii-nardus.....398
21   Aug. Feestdag der H. Joanna Francisca van Chan-
tal.............401
-ocr page 436-
428                                 BLADWIJZER.
KIN,
23 Aug. Feestdag: van den H. Angustinus .... 403
8 Sept. Feestdag van O. L. V. Geboorte.....406
4 Oct. Feestdag van d?n H. Franciscus van As3isie. 408
15 Oct. Feestdag van de H. Thiresia......411
1 Nov. Feestdag van Allerheiligen......413
21 Nov Feestdag van O. L. V. Pres3ntatie . . . .416
700 — Brussel, drukk. A. Vromaut en O.