-ocr page 1-
Vak 74
5L.——~—« jlSKlSlSlHlSlSnSlHlSlSriSTS
ISnSlHlSTSTSlSlHTSlSTSlSlHlS
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
mnw \\<:SlCf^
-ocr page 5-
TIJDVERDRIJF
KARDINAAL MANNING.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
iJ1\'
TIJDVERDRIJF
Naar hot Engolsch
VAN
KARDINAAL MANNING
DOOR
H. ERMANN S.J.
IIBT
een woord vooraf van Dr. H. J. A. M. SCHAEPMAN.
PI
Utrecht.
Wed. J. R. VAN KOSSUM.
1894.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
Een woord vooraf.
Op Zaterdag 17 Februari kon men in de
„Westminster Gazette" lezen:
Een Boodschap van Kardinaal Manning.
„Gestorven spreekt luj nog."
„Een ongewone plechtigheid had gisteren plaats
ten huize van kolonel Gouraud in Whitehall
Court. Het was niets minder dan het over-
brengen door den phonograaf\', van kardinaal
Manninu\'s laatste woorden. Een aanzienlijk
gezelschap was bijeen ter begroeting van kar-
dinaal Vaughan. De phonografische cylinder
-ocr page 10-
VI                          Een woord vooraf.
werd uit de glazen kast, waarin bij besloten
was, genomen en op het instrument geplaatst.
De eersten, die de woorden mochten vernemen,
waren kardinaal Vaughan, de heer Bayarü en
de lady Mayoress. Na deze drie luisterden bij
beurten de overige leden van het gezelschap.
De stem was zeer duidelijk en helder; op ieder
woord volgde een oogenblik stilte. De bood-
schap, uitgesproken onmiddellijk voor den dood
van den kardinaal, luidde:
„Tot allen, die na mij komen: ik hoop
dat van geen mijner woorden in mijn leven
geschreven of gesproken, na mijn dood
bevonden zal worden, dat het ook maar
iemand kwaad of leed heeft gedaan".
Henry Edward Manning,
Kardinaal Aartsbisschop.
-ocr page 11-
Een woord vooraf.
VII
Het is bijna overbodig te zeggen: ik ben het
geheel eens met den schrijver, die bij deze
woorden aanteekent: „zij geven getuigenis van
de liefde, die alles bedekt en die zoo een wei-
sprekende trek was in het leven van den kar-
dinaal".
Inderdaad werd zijn geheele leven beheerscht
door die liefde tot den naaste, die in haar vol-
heid de heerlijkste openbaring is van de liefde
tot God. Zichzelven niet in een storm van
geestdrift voor eens en altijd opofferen, maar
dat offer telken dage herhalen en telker ure
hernieuwen in het geven van zichzelven voor
groote en voor kleine dingen, in het nooit
rekening houden met zwakte of vermoeidheid,
in het vergeten van uitspanning en rust, in het
ter zijde stellen van gewichtiger arbeid, in het
niet denken aan aantrekkelijker werk, in het
verzaken van alle eigen keuze waar het geldt
anderen te helpen, in het steeds gereed en
steeds blijmoedig gereed zijn, ziedaar het be-
-ocr page 12-
Een woord vooraf.
VIII
staan van den kardinaal. Het is zooals de
uitgever van dit zijn „Tijdverdrijf" zegt: deze
man schreef niet om te schrijven, hij schreef\'
om wel te doen.
Roerend is dan ook zijn boodschap, die na
zijn dood tot ons komt. Zij is zóó eenvoudig,
dat men hare schoonheid eerst bij nadere be-
schouwing bemerkt. Zij is zoo nederig, dat
men hare nederigheid vergeet. Aan niemand
kwaad gedaan hebben, aan niemand leed, —
is er heiliger slotwoord denkbaar voor een leven
zoo vol van daden, die onsterfelijke woorden»
zoo vol van woorden, die onsterfelijke daden
zijn? Zelfs de hoop, dat men met één woord
toch ééne ziel mocht hebben verkwikt, opge-
beurd, versterkt, verheugd of gezaligd, wordt
niet uitgesproken. Ook de teerste, de zoet-
bescheidenste dichterziele vraagt voor haar
veegst geluidje een andere ziel tot echo. Deze
man vraagt niets. Deze man was groot.
De hoop, die hij niet uitsprak, behoefde niet
-ocr page 13-
Een woord vooraf.
IX
te wonion uitgesproken. De verwachting was
reeds lang werkelijkheid en blijft het. Bij ieder,
die de laatste woorden van den kardinaal ver-
neemt, wekken zij dezelfde gedachten op. Neen,
schade of leed heeft geen zijner woorden aan
wien ter wereld ook gebracht, maar aan allen
bracht hij, door de genade van Hem, die de
Waarheid en het Leven is, licht en kracht en
vreugde. Over de wereld gaan nog zijn woor-
den uit met dezelfde schoone volheid van leven.
Uit het hart gekomen openen zij, naar de ver-
heven uitspraak van John Ruskin over de
groote dichters, het hart van anderen als met
een tooverwoord. Zij openea ons hart, dat
voor ons zelven is als een gesloten boek. Zij
brengen er de klaarheid der zelfkennis, de heer-
lijkheid van Gods blijde boodschap. Zij wekken
er de liefde, die nooit vergaat, de geestdrift,
die altijd zegeviert. Vrome gedachten voeren
zij met zich als hing de wierook van het hei-
ligdom om hen, of de geur der roode rozen
-ocr page 14-
x                            Een woord vooraf.
gebloeid op den Kruisberg hard van steen. Moed
en heldenmoed wekken zij op, als zij met bazuin-
klank klinken over het slagveld, waar de groote
strijd gestreden wordt ter bevrijding en redding
van den nieuwen tijd. Maar wat alle zijn woor-
den bezielt en adelt, dat is de grootste der drie
groote Godsgaven: de liefde.
„Aan niemand leed of schade te hebben ge-
daan" met dit woord op de lippen is de man
gestorven, die als S. Carolus Borromaeus had
kunnen zeggen: „Ecce venio", die als S. Vin-
centius a Paulo had kunnen uitroepen: „Ipse
perfïciet", daar God Zijn werk in hem vol-
tooien zou.
Een groot en heilig woord in onze dagen van
ijdele woorden.
Het keurige boekje, waaraan deze regelen ter
„Voorrede" strekken, is een laatste weldaad van
-ocr page 15-
Een woord vooraf.
\\i
den Kardinaal. Ook hier vindt men de woorden
die niet alleen geen kwaad doen of geen leed,
maar die wijsheid brengen en vreugde. Alles
wat over den inhoud gezegd kan worden heeft
de uitgever in zijn voortreffelijke inleiding ge-
zegd. Het boekje geeft ons het beeld van den
schrijver: den man van vernuft, dat nooit wilde
schitteren of pijn doen; van wetenschap, die
in al haar volheid dienstbaar werd gemaakt aan
het leven; van scherpzinnigheid, die overal het
goede wist te zien ; van vroomheid, die vroolijk
wist te zijn en wijsheid, die wist af te dalen;
van oorspronkelijkheid, die niets ongeregelds
heeft en zichzelve noch kent, noch zoekt, het
geeft ons het beeld van een rein en groot karak-
ter. Het is het tijdverdrijf van een held en een
heilige; tijdverdrijf, dat opbouwt ter eeuwigheid.
Ook de vertaling is een weldaad. In onze
hollandsche letteren bezitten wij, katholieken,
geen boek van deze soort. Het is een ernstig
boek, zonder zwaarte ; een stichtelijk boek zonder
-ocr page 16-
xii                         Een woord vooraf\'.
stichtelijkheid; de opstellen zijn preeken zonder
preektoon. Zij zijn licht en niet luchtig; zij
verpoozen en geven te denken. Zij brengen
levenswijsheid en — de Hemel zij geloofd! —
er is geen spoor in van levensmoeheid of levens-
smart. Hier is een zoon van „Merry England"
aan het woord, een man, die wist dat het
heerlijkste beeld van God, onzen Vader, ons
gegeven wordt in de blijde zon.
In naam zijner vele lezers breng ik den ver-
taler reeds nu den besten dank voor zijn voor-
trefi\'elijken en weldadigen arbeid.
Dr. Öchaepman.
Seminarie Rijsenbukg,
Palm-Zondag 1894.
-ocr page 17-
Voorbericht van den vertaler.
1
ïaarmate ik in de vertaling van liet beroemd
werkje van kardinaal MaNNINO vorderde, zag
wy :KEï(Wi \'k duidelijker, hoe nuttig injjne vrije uren daar-
MBShHBb aan besteed werden, en hoe waar de moening
van Dr. SCHAEPMAN blijkt: „Het boekje is voor het geheel»
Nederlandsehe volk geschikt." Voor het geheele Neder-
landsche volk en, naar ik geloof, niet liet minst voor de
studeerende jeugd. Ik wensehte het in handen van alle
jongelieden te zien; met het oog daarop heb ik iets meer
gedaan dan de Duitscho vertaler Dr. FRANZ Steffens,
professor aan do hoogeschool te Freiburg in Zwitserland.
Ik gaf mij de moeite niet alleen diens „datums uit het
leven van den kardinaal" over te nemen, maar de ophelde-
ringen aanmerkelijk te vermeerderen.
O]) raad van Dr. Schaepman liet ik het elfde opstel
The daemon of Socrates aehterwege, als zijnde van een
ander karakter dan do tien overige opstellen.
Meer heb ik den lezer niet te berichten.
Gymnasium Katwijk, 14 Jan. 1894.
H. E.
-ocr page 18-
-ocr page 19-
De voornaamste datums uit het leven
van kardinaal Manning.
^enry EnwARD Manning werd den 15dMI Juli 1808
in Totteridge, Hertfordshire, geboren. Hij was
de zoon van WlLMAM MANNINa, directeur van
j^atwfl^l ,[,. Kngelsclie Bank en een tijdlang parlements-
lid voor Eveshani, bymington en Penryn.
Hij ontving zijne opleiding eerst o]> eeno bijzondere school
te Tottoridge, dun op de openbare school te Harrow en
bezocht daarna het Balliol College van Oxford; in 1830
werd hjj baccalaureus \'); hij kreeg de hoogste eervolle ver-
melding in de classieke studiën.
In 1831 trad hij als geheinischrijver in het ministerie
van koloniën om zich tot de staatkundige loopbaan voor
te bereiden, en bestudeerde daarom ijverig Staatsrecht en
staatkundige geschiedenis.
Wijl de neiging tot den geestelijken stand immer sterker
in hem werd, liet hij in 1832 zijn ambt als geheimschrjjver
varen en keerde naar Oxford terug, waar hjj tot „fellow"
van \'t Morton College gekozen werd.
-ocr page 20-
xvi De voornaamste datums uit het leven
Op \'t kerstfeest van 1832 ontving hij de Anglicaanschc
wijdingen, werd kort daarop „Curate" — pastoor — en
dan Rector der pastorieën Lavington en Graffham in Sussex ,
huwde hetzelfde jaar met Carouxe Sargest, dochter van
zijn voorganger in het ambt, en kleindochter van hem die
het patronaat had over zijne pastorieën. Do echtgenoote
stierf reeds in 1837.
In 1840 ontving hij zijne benoeming tot aartsdiaken \')
van Chichester en in 1842 tot buitengewonen prediker van
de hoogeschool te Oxford.
Op Passiezondag van \'t jaar 1851 trad hij in den schoot
der Katholieke Kerk en werd datzelfde jaar priester gewijd.
Daarna bracht hij overeenkomstig den raad van Pius IX
eenige jaren door op de Academia ecclesi as ti ca :!)
te Rome.
In 1854 werd hij bevorderd tot Doctor in de Oodge-
leerdheid.
In 1857 stichtte hij to Londen de congregatie dor
„Oblaten" van den H. Carolus Horromous, werd hetzelfde
jaar tot proost van Westminster benoemd en in 1801 tot
Protonotarius apostolicus.
In 1865 volgde hij kardinaal WlSEMAN 4) op als aarts-
bisschop van Westminster.
In 1809 en 1870 was hij tegenwoordig op het Vatieaansch
Concilie.
Pius IX verhief hem in 1875 tot de waardigheid van
Kardinaal met den titel van den H. Gregorius op den
Mons Coelius
-ocr page 21-
van kardinaal Manning.                xvu
In 1885 was hij oen werkzaam lid van de koninklijke
commissie voor de woningen der armen en in 1886 vnn
de koninklijke commissie voor de wetten op het onderwijs
Hij stierf den 14d™ Januari 1892.
Manning, Tijdverdrijf.
ü
-ocr page 22-
-ocr page 23-
Inleiding van den Uitgever.
fpSss^le dertig banden, die den naam dragen
.K\'OJi van kardinaal Manning, zijn eerder
iêSfefedal bijzaken dan het zakelijk deel zijns
levens. Op de eerste plaats was hij aartsdiaken
of aartsbisschop, op de tweede schrijver. Anderen
mogen zich tot taak gesteld hebben een punt-
dicht af te ronden, of als novellist een uur
door te brengen of zooals Byron r\') een vers
te maken om een bevallig rijm te; kunnen plaat-
sen; hier was een man, die een boek schreef,
wijl hij iets te zeggen had en meende dat een
ander het niet zeggen zou. Die dertig boekdeelen
stonden op een rij in de hooge boekenkast vlak
achter zijn stoel in de studeerkamer van het
aartsbisschoppelijk paleis. De gele kalfsleeren
band, waarin zij pronkten, was naar ik meen
-ocr page 24-
xx                 Inleiding van den Uitgever.
de eenige weelde, die de kardinaal zich ooit
heeft veroorloofd. Het model namelijk van die
banden dagteekende uit de dagen der groote
boekerij van Lavington. Verscheen er een nieuw
boek van zijn hand dan gaf hij het dien ouden
vorm, daartoe mischien geleid door de gedachte,
dat die uiterlijke gelijkvormigheid het zinnebeeld
was van de inwendige logische gedachtenreeks
waarvan, zooals hij placht te zeggen, al zijne
vroegere of latere werken de blijken droegen.
Toch waren de geschriften van den kardinaal
niets minder dan speelwerk. Zijne ontspanning
zelfs mogen zij niet heeten. Bedenkt men, dat
geen beweegredenen van letterkundigen aard,
maar de belangen van den godsdienst hem tot
schrijven aanzetten dan staat men verbaasd hoe
gelukkig, ordelijk en kernachtig zijne eenvoudige
stijl is. Meer geboren redenaar dan geoefend
schrijver vervalt hij dikwerf in herhalingen,
doch nimmer zonder er een nieuwe gelukkige
wending aan te geven. Dat hij ooit een zin
-ocr page 25-
Inleiding van den Uitgever.               xxi
tweemaal schreef geloof ik niet; zoo goed wist
hij, wat hij zeggen wilde; de woorden die zijne
gedachten droegen, kwamen zoo gemakkelijk in
zijn pen, dat hij geen uitdrukkingen behoefde
te zoeken noch zich het genot gunde over zijne
eigen gedachten nogmaals na te denken. De
onderwerpen, die hij koos, waren niet zeer
geschikt hem in de groote wereld populair te
maken; dat ware zeker geschied, had hij een
stof behandeld, die meer in den smaak viel van
de gewone lezers en de gangbare critiek. Aan
iemand, die zijn spijt betuigde, dat de kardinaal
geen groote nalatenschap vermaakte aan de
profane letterkunde onzer dagen, gaf hij —
\'t was kort vóór zijn dood — schertsend, als
speet het ook hem, ten antwoord: „Ik vrees,
geheel mijn leven zeer dom geweest te zijn,
doch \'t is nu te laat mij te bekeeren."
Het plan was toen juist gevormd om deze
opstellen in \'t licht te zenden. Met zijne ge-
wone opgewektheid toonde hij zich daartoe be-
-ocr page 26-
xxii               Inleiding van den Uitgever.
reid, maar mocht, opmerkelijk genoeg, de
uitgave niet meer beleven van \'t eenige werkje,
dat hij ooit tot zijn ontspanning en zonder een
rechtstreeks godsdienstig of menschlievend doel
had opgesteld. - „Gij draagt echter de verant-
woordelijkheid", zeide hij, „en moet de inleiding
schrijven." Dat zou nagenoeg een onbegonnen
werk geweest zijn, ware hij blijven leven. Deze
taak is de eenige, die mij gemakkelijk gemaakt
wordt door zijn dood.
Onder de geloofsgenooten des kardinaals zou
zijn letterkundige arbeid hooger dan nu \'t geval
was, gewaardeerd zijn, ware niet kardinaal
Newman ) bij hen de gevierde schrijver ge-
weest. — „Aan den een zijn pen, den ander
zijn kromstaf", — zoo luidde het vaardige
oordeel, dat beiden mannen het middel aanwees,
om hun levenstaak te volbrengen. Niettemin,
stijl bij stijl vergeleken, staal het iederen onaf-
hankelijken beoordeelaar vrij om ook in Man-
-ocr page 27-
Inleiding van don Uitgever.              xxm
nings wetenschappelijker] arbeid het schoone te
bewonderen. Ja, had deze man een letterkun-
dige willen zijn, hij zou werken hebhen ge-
schreven van volkomen schoonheid, waarvan
de stijl bijna eiken hedendaagschon letterarbeid
had overtroffen door ernstige bevalligheid en
adel van vormen. Zeker is het, dat zijne her-
derlijke brieven voor vasten en advent het ken-
merk dragen eener waardigheid van toon, die
men in dergelijke stukken van den nieuweren
tijd vergeefs zal zoeken. Zelfs in den meest
vertrouwelij ken omgang sprak hij met een keu-
righeid en fijnheid van wending, een juistheid
van uitdrukking, die terstond den geboren schrij-
ver verraden. Wilde hij zich ontspannen dan
las hij. De classieken vooral hadden voor hem
eene groote aantrekkelijkheid. Aan een jongen
vriend, die na de voltooiing zijner studiën op
het Balliol-college te Oxford, zijne loopbaan zou
beginnen, zeide hij: „Een beschaafde Engelsch-
man moet Horatius lezen en jagen."
-ocr page 28-
xxiv              Inleiding van den Uitgever.
Als hij per spoor een langen weg had af te
leggen, hetzij om in het Noorden voor een matig-
heidsgenootschap het woord te voeren, hetzij om
in het Zuiden een bisschop te wijden, hetzij om
ambtshalve te Rome een bezoek te brengen op.
het Vaticaan dan hield hij zich uren lang met
deze soort van lectuur onledig. Wobdswobth 7)
was zijn lievelinge lichter, en van do prozaschrij-
vers stond Ruskin 8), dien hij later tot zijne ver-
trouwdste vrienden rekende, het hoogst bij hem
aangeschreven. Matthew Arnold 9) en Brow-
ning ,0) (wiens poëzie hij niet duidelijk genoeg
vond), ontmoette hij dikwerf in de Athenaeum-
club "), waar hij een tijdlang bijna eiken namid-
dag de nieuwsbladen lezen en het laatst ver-
schenen boek kwam inzien. Hij arbeidde onder
leiding van den schrijver van „Filips van Arte-
velde", Sir Henry Taylor 12), toen deze een
hoog ambtenaar aan \'t Ministerie van Koloniën
en hij, de toekomstige kardinaal, daar de jonge
secretaris was. Van de velen, die hij in de
-ocr page 29-
Inleiding van den Uitgever.               xxv
Katholieke Kerk zou opnemen, was een der
eersten Aubrey de Vere i3), wiens „Alexander
de Groote" door Zijne Eminentie bewonderd en
boven de latere hoogere gedichten van dien zan-
ger gesteld werd. Voor den dieperen geest der
nieuwere poëzie had hij geen gevoel; gewoonte
en opvoeding voerden hem langs andere wegen.
Maar al miste hij begrip en gevoel voor die poëzie,
deed hij toch geenszins wat zoovelen doen: hij
ignoreerde ze niet. Hij erkende dit gebrek en be-
ijverde zich den schrijvers, wier arbeid degelijk
scheen, de vriendelijkste blijken van belangstel-
ling te geven, al kon hij dien arbeid niet op
zijn waarde schatten noch aan een oordeelkun-
dig onderzoek onderwerpen. — „Gij hebt mij
een boek geschonken, dat mij wakker hield,
daarom geef\' ik u er een, waarover gij kunt
insluimeren." — Zoo sprak hij tot een jonge
dichteres en schonk haar zijne drie banden
„Preeken over kerkelijke vraagstukken."
De eerste deelen zijner preeken, die hij in \'t
-ocr page 30-
xxvi              Inleiding van den Uitgever.
licht gaf, toen hij nog aartsdiaken van de
Anglicaansche kerk was, zijn thans zeldzaam.
Toen hij ze eens aantrof\' op een lijst van oude
boeken, beklaagde hij zich met gepaste zelfvol-
doening niet in staat te zijn ze tegen den te
hoog opgegeven prijs te koopen. Van zijne
latere werken zal „Het eeuwig priesterschap",
dat in alle talen der Christelijke wereld is over-
gezet, het langst elassiek blijven onder de gees-
telijken, voor wie het bestemd is; en dat was
juist zijn verlangen. Zijn „Religio viatoris" is
het eenige geschrift hetwelk hij zonder zijn
naam uitgaf\' — hij had namelijk een onover-
winnelijken weerzin van alk; werken, waarin
iemand nog vóór zijn dood zijn eigen zieleleven
met diens bevindingen blootlegt. Hij gevoelde
een afschrik van alles, wat maar eenigszins op
zelfzucht zweemde, en toen hij het dagboek
van Marie Bashkirtseff m) las, beschouwde hij
dit als een nieuw bewijs voor de rechtmatigheid
van dien weerzin. In deze groote en karak-
-ocr page 31-
Inleiding van den Uitgever.            xxvn
teristieke terughoudendheid met betrekking tot
zijne eigene gemoedsbewegingen en tot den loop
der gedachten, zoover dit nog iets anders was
dan enkel de zuivere slotsom, waartoe hij ge-
komen is, lag volgens hen, die zijn karakter
het beste kenden, de reden, waarom zijne per-
soonlijkheid bij het grootste gedeelte zijner land-
genooten minder belang wekte dan zijn tijd-
genoot, kardinaal Newman.
Toch is liet niet moeielijk, zelfs uit deze
opstellen van „Tijdverdrijf", te ontdekken wat
hij niet wilde openbaren; de fijnste trekken
zijns karakters kan men overigens leeren kennen
in dit overigens zeer objectieve werkje.
Het is de stem van den grooten aartsbisschop
buiten zijne ambtsplichten, van den erfgenaam
aller eeuwen, den classieken tijdgenoot, den
onsterfelijken man.
WlLFBID MEYNELL.
Palace Court House, London, W.
Kerstmis 1892.
-ocr page 32-
-ocr page 33-
INHOUD.
lilz.
Een woord vooraf van Dr. Schaepman....... v
Voorbericht van den vertaler............xm
De voornaamste datums uit het leven van kardinaal
Manning...................xt
Inleiding van den Uitgever.............XIX
Eer....................... 1
Vast karakter...................19
Hoovaardij...................31
IJdelheid....................42
Populariteit....................54
Zelfzucht.....................65
Gesnap......................76
Do vierde stand..................86
Over critici....................100
Moed.......................110
Aantcekoningen...............187
-ocr page 34-
-ocr page 35-
Eer.
[e woordafleiders hebben de hoop opge-
geven, den wortel van liet Latijnsche
j woord li o nor — honour, ver — te
vinden. Van honor komt men niet tot het
Grieksche synoniem ruw) of\' men moet zijn toe-
vlucht nemen tot de bekende Etymologische wet,
dat alle medeklinkers kunnen veranderd worden
en de klinkletters niet meetellen. Voorwaar een
vreemd verschijnsel bij een woord, dat onder
een of\' anderen vorm in alle talen en bij alle
volken leeft. De Grieken, een handel»Irijvend
volk, noemden het eenvoudig ..n,ui)" „prijs"
of\' „waarde". Het was de waarde van een
mensen volgens de schatting van anderen, niet
de waarde die hij zichzelven toekende. Maar
-ocr page 36-
2
Eer.
de wereld schat niet altijd verstandig. Toch is
zij schrander in het bepalen wat menschen, ten
minste doorgaans waard zijn. De populaire waar-
deering duurt soms maar een tijd, en zij is henen,
of\' zij houdt heel een menschenleven stand en
verdwijnt dan ongemerkt, of blijft tot na den
dood altijd bestaan. Kenigen eischen zelfs na
hun verscheiden voor zich op wat hun gedu-
rende het leven geweigerd werd, en hunne
nagedachtenis wordt, met toenemende erkenning
hunner verdiensten, gezegend. Derhalve in den
zin van schatting door anderen heeft „eer" de
beteekenis van vereering, liefde, dankbaarheid,
erkenning van persoonlijke en voor het alge-
meen welzijn nuttige diensten.
Hoewel het woord „eer" in onderscheiden
beteekenissen voorkomt, heeft het, vreemd ge-
noeg, in andere talen niet den bijzonderen zin,
dien wij in onze eigene taal gewoonlijk daaraan
hechten. Bij de Romeinen beteekende het de
vereering, waarvan wij reeds gesproken hebben.
-ocr page 37-
Eer.                                    3
Deze was veelsoortig: persoonlijke, burgerlijke
en godsdienstige. Goddelijke eer verhief den
mensen tot den rang dor goden. De roemrijk*1
intocht van een overwinnaar, het ambt van
consul of\' aediel waren eene eer van liet bur-
gerlijk leven; familiegoederen en het bezit van
slaven werden een eer geacht, behoorende tot
tot het huislijk en afzonderlijk leven. Iemand
eer betuigen, eer bewijzen, iemand vereeren
beteekent hetzelfde, maar is niet de zin, waar-
naar wij zoeken.
Mijnheer A. vraagt mijnheer B. hem de eer
aan te doen ten zijnent het middagmaal te
gebruiken, en mijnheer B. heeft de eer dit1 uit-
noodiging met veel genoegen aan te nemen.
Na tafel heeft mijnheer A. de eer de gezond-
heid in te stellen van mijnheer B., en met veel
eer wordt de gezondheid van mijnheer B. ge-
dronken. Alle leden van het Lagerhuis zijn zoo-
lang zij leden blijven „eer waardig" — honou-
rable. Wat er gebeurt, wanneer zij hun zetel
Mahjong, TfldverdrHf.                                                            .\'t
-ocr page 38-
4                                    Eer.
verliezen, wordt niet vermeld. Zij worden niet
langer aldus genoemd, en naam en zaak zijn
zóó weinig één en zóó gemakkelijk te scheiden,
dat die afgevaardigden „eer waardig" kunnen
zijn. wanneer zij niet meer dus genoemd wor-
den en niet „eer waardig", al dragen zij dien
titel.
De uitdrukking van den Engelschman „op
mijn eer" hadden Romeinen noch Grieken be-
grepen, maar bij \'t hooren daarvan waarschijn-
lijk aan een der huisgoden gedacht. Zij zwoeren
onophoudelijk bij Jupiter \'•\'•) en Bacchus 10),
Pollux ,7) en Cato 18), Charon ,0) en den Styx 20),
maar de eer als godheid kenden zij niet. Wij
zweren bij ons zelven. En dat is geen ijdele
vorm. Een geestelijke zweert of verzekert in
verbo sacerdotis „op zijn woord van priester",
omdat zijne priesterlijke waardigheid hem de
hoogste verplichting oplegt en alles in zich be-
sluit, wat in zijn ambt en zijn persoon heilig
is. Een ridder verpandt zijn ridderwoord, omdat
-ocr page 39-
Eer.                                    5
trouweloosheid voor hem gelijkstaat met een
zedelijken dood. Wanneer dus iemand zegt:
„op mijn eer", zweert hij bij al wat hij is en
aan waarheid, rechtschapenheid en waardigheid
bezit, d. w. z. bij geheel de waarde van zijn
persoon voor God en de menschen. Hier nu
ontmoeten wij de beteekenis, die wij zoeken.
Deze eer is niet de waarde, welke de wereld
iemand toekent, maar die hij zelf bepaalt. Als
Shakespeare ons wil beduiden, dat wij anderen
moeten bejegenen niet zoozeer volgens hetgeen
zij zijn, als wel overeenkomstig hetgeen wij
zijn, zegt hij: „ Treat them according to your
honour", —
„behandelt hen volgens uwe
eer", d. i. neemt u zelven, niet hen, tot maat-
staf. Hiertegen kan men inbrengen, dat men-
schen zichzelven eene inderdaad valsche waarde
toekennen en zich inbeelden te zijn, wat zij
werkelijk niet zijn. Deze schatting van zichzelf
is dikwerf eigenliefde met een pauwestaart.
Niemand behandelt anderen meer uit de hoogte
-ocr page 40-
<i                                              Eer.
ilan juist hij die de minste waarde heeft. Toch
blijft de regel gelden. Immers evenals er een
verkeerde en een redelijke eigenliefde bestaat,
is er ook een ijdele en een rechtmatige zelfschat-
ting. De eerste is opgeblazen, zonder gehalte
en zelfzuchtig; de laatste nederig, werkelijk en
waar. Onnoodig is het van die ijdele zelfschat
ting te spreken. Indien iemand de eer najaagt
als het doel zijner handelingen, wordt zij dubbel-
hartig. Zelfs een goede daad stelt hij niet,
omdat zij goed is, maar om de volksgunst te
winnen en lof in te oogsten. Dit zelfbewustzijn
en deze inachtneming van eigen persoonlijkheid
wordt niet enkel in ijdele en ondegelijke karak-
ters gevonden; zelfs grootere en betere men-
schen kunnen met dit gebrek behept zijn. Bij
hen echter is het drijfveer noch doel, maar
slechts een wolk van stof, achter de voortwen-
telende raderen. Overdreven zelfgevoel tracht
ijverig goede en oprechte zielen te omhullen.
Dit is hare bekoring en kwelling: geven zij toe,
-ocr page 41-
Eer.                                     7
dat zelfgevoel wordt haar gebrek; bieden zij
weerstand, het oefent haar in de nederigheid.
Want nederigheid bestaat niet in het onbekend
blijven met de waarheid. Reikt iemand boven
het gemiddelde peil der menschelijke volmaakt-
heid dan moet hij daarvan wel overtuigd zijn.
Of hij sterker is dan anderen, leerde hij in zijne
jonge jaren, waarin jongelingen zich met elkan-
der meten. Of hij bedreven is in spel en
lichaamsoefening, kan hem niet onbekend zijn.
Gaat hij met den palm van kracht or behendig-
heid strijken, blijft hij naar geest of lichaam
overwinnaar, verwerft hij zich onderscheiding
op zedelijk gebied, hoe zou hij daarvan onbewust
kunnen zijn? De ervaring van eiken dag leert
hem duidelijker, met welke en hoevele gaven
der natuur hij begiftigd is of wat nut hij daar-
uit voor zijne verstandelijke en zedelijke vor-
ming getrokken heeft. Dit kan hem niet ver-
borgen blijven, al zou hij het willen. Ware ook
zijn innerlijk waarnemingsvermogen nog zoo
-ocr page 42-
Eer.
8
stomp, zijne oogen en ooren zouden het te weten
komen uit de woorden en daden zijner omge-
ving. Dat alles wekt in den mensch het besef\'
van plicht en verantwoordelijkheid. Wat in de
jeugd voegzaam was, is dit niet langer in den
mannelijken leeftijd, in rijpere jaren, in den
hoogen ouderdom. Wat anderen voegt, voegt
daarom niet aan u of\' mij. Elke positie of
stand heeft zijn eigen maat en maatstaf\'. Wat
voor de een de juiste verhouding zou zijn, ware
voor anderen te veel of\' te weinig. Onze stel-
ling of\' positie wordt geheel bepaald door eene
menigte omstandigheden of elementen, waarvan
eenige in, andere buiten ons liggen; de zakelijke
zijn in ons, de toevallige buiten ons. De som
van alles, wat de mensch van nature en door
gewoonte is en wat hij op verstandelijk en
zedelijk gebied zich eigen maakte benevens ge-
boorte, stand, naam, bezittingen, ambt en der-
gelijken, leveren te zamen den maatstaf\' waar-
naar bepaald kan worden wat hem past of niet
-ocr page 43-
Eer.                                     9
past. Wat in den een grootmoedigheid is, zou
in een ander schrielheid zijn; wat in den een
als eerlijke winst kan gelden, mag men allicht
in een ander aanzien als afpersing. Een arme
kan veel doen, wat voor een rijke eene over-
schrijding van de regels der betamelijkheid zou
wezen. Een man van lage afkomst geniet eene
zekere vrijheid, waar iemand van hooge ge-
boorte zijne vrijheid beperkt ziet. Dit wil niet
zeggen dat de een om zoo te spreken, moet
stikken in zijne waardigheid en de ander zich
alle mogelijke vrijheden in taal en manieren kan
veroorloven, neen, maar wat de een voegt,
voegt daarom geenszins den andere. Het ge-
zond verstand beseft dit van nature en neemt
het tot maatstaf van onze handelwijze ten op-
zichte van ons zelven en anderen. Ziedaar wat
wij door „eer" verstaan, en nu vatten wij ter-
stond de beteekenis van eervol en onbetamelijk:
„honour is as lionour does" — „eer is zooals
zij doet".
-ocr page 44-
10                                   Kor.
Om in meer bijzonderheden te schetsen, wat
deze „eer" doet, geven wij de volgende hoofd-
punten :
I. „Eer" doet iemand uiterst stip zijn inliet
houden van verbintenissen en beloften, hetzij
deze onder woorden gebracht of stilzwijgend in
iets anders begrepen zijn. Zij is breed, edel-
moedig, vaardig en gaat verder dan waartoe
wet en geweten haar strikt verplichten. Gemeen
of laag, arglistig of sluw te zijn, zou haar pijn-
lijker vallen dan welke schade ook te lijden.
Sommigen zullen volbrengen, waartoe zij door
de wet kunnen gedwongen worden, maar verder
gaan zij niet. Zijn zij hun eer iets schuldig,
dan zullen zij de schuld niet afdoen, voordat zij
worden gemaand; wordt die schuld vergeten,
zij betalen haar niet. Hebben zij het arme
volk eenige hoop of verwachting op hulp voor-
gespiegeld, dan voelen zij de verplichting niet,
die te verwezenlijken. Bij het sluiten van een
koop doen zij met iedere omstandigheid, die hun
-ocr page 45-
Eer.                                       11
bekend en den andere onbekend is, hun voor-
deel. Zonder juist te liegen trachten zij tot
op het oogenblik van betalen de waarde te
verkleinen van wat zij noodzakelijk moeten
koopen. „\'t Is niets, niets waard", zegt elke
kooper, maar is hij heengegaan, dan snoeft
hij op zijne slimheid. Als sommigen te laat
bemerken, dat zij onverstandig eene belofte
deden, die op eigen schade uitloopt, trachten
zij die van zich af te schuiven. „Eer" zal die
belofte houden, al valt het ook nog zoo zwaar.
Reoulüs 2\') beloofde naai\' Carthago terug te
keeren; hij beloofde niet, zijne landgenooten
kneedbaar te maken.
II. „Eer" doet den mensen trouw zijn in
het bewaren van geheimen; daarom ziet hij niet
gaarne, dat ze hem worden toevertrouwd. Gehei-
men zijn als roodheete ploegscharen "); alleen
heiligen kunnen zich veilig daartusschen bewe-
gen. Geheimen niet te schenden, terwijl men
blootstaat aan een kruisvuur van ondervragin-
-ocr page 46-
12                                  Eer.
gen en aan een nieuwsgierigheid, waarvan heel
de wereld brandt, is niet gemakkelijk.
III. „Eer" brengt den mensen tot grootmoe-
digheid in het vergeven en vergeten van kren-
king en ondankbare bejegening. Haar geheugen
is trouw omtrent alles wat goed en edel, maar
zwak voor alles wat slecht en laag is. Kleine
spijtigheid, wraakgevoel, lage wedervergelding,
heimelijke verbittering, afgunst en venijnigheid
in woorden of daden, worden door haar als
door bezwering uit een edel gemoed verbannen.
Mannen van eer gedragen zich vooral grootmoe-
dig jegens hen, door wien zij onwaardig behan-
deld zijn. Deze ondervinden een behandeling, niet
zooals zij verdienen, maar waarop zij het minst
aanspraak mogen maken. De lex talionis, de
wet der wedervergelding, bestaat voorde „eer"
hierin, dat zij kwaad met goed, vijandigheid met
vriendelijkheid vergeldt. De wereld noeme dit
gebrek aan menschenkonnis, maar „eer" is wijzer
dan de wereld en even sterk als wijs.
-ocr page 47-
Eer.                                           1 ;5
IV. „Eer" doet ons iedereen met achting
bejegenen, maar vooral de minderen in rang,
beschaving of maatschappelijken stand, zooals
de armen, de dienstboden of\' hen die op een
of andere wijze afhankelijk zijn. Zij vleit de
grooten niet en is geenszins trotsch tegenover
onaanzienlijken, doch waardeert altijd wat er
achtenswaardigs en oprechts gevonden wordt
onder den groven kiel zoowel als onder het def-
tige kleed. Zij behandelt allen als koningskin-
deren, omdat zij in hen, ondanks verschil van
kleederdracht en maatschappelijke ongelijkheid,
de natuur en waardigheid des menschen erkent.
„Een mensen toch is waard wat hij waard is in
de oogen van God en niets meer". En zelfs
hen, die hunne waardigheid verbeurden, zal zij
bejegenen met eene hoffelijkheid, welke beter dan
de scherpste woorden het bewustzijn in hen
wekt hunner mindere waarde. „Eer" handelt
krachtens haar natuur eervol; zij is gelijk het
licht der zon, jegens allen dezelfde, niet om
-ocr page 48-
14                                   Eer.
hetgeen deze zijn, maar om hetgeen zij zelve is.
V.     „Eer" verheft den inensch hoven alle
persoonlijke bedoelingen en belangen, als het
algemeen welzijn mede in het spel komt. Van
een grooten heiden is gezegd, dat hij was
indocilis privata loqui ï3); dit kan men zóó
verstaan, dat hij er niet toe kon gebracht wor-
den over iets anders te spreken dan over zaken
van algemeen belang.
VI.   Ten slotte: „eer" brengt in ons een zekere
verontwaardiging te weeg, zoo dikwerf de waar-
heid verwrongen wordt. Dubbelzinnige woor-
den, tweeledige redeneeringen, gezochte ondui-
dehjkheid, gemaskerde leugens kan zij niet uit-
staan. Zij is zoo nauw aan waarheid verwant,
dat zij liever, zelfs ontijdig, de waarheid zegt
dan die te verzwijgen. Waarheid zal immer
voor zichzelve opkomen. Gelijk een vallende
bom kan zij ontsteltenis teweegbrengen en
alles overhoopwerpen, maar op den duur is
de waarheidlievendste man ook de bruikbaarste
-ocr page 49-
Eer.                                   15
en meest bevriend, eek met hen, die zich aan
zijne waarheidsliefde geërgerd hebben. Door te
meenen wat gij zegt en te zeggen wat gij
meent, wint gij ten laatste zelfs uwe vijanden.
„Eer" maakt geen omweg, en ook vijanden
slaat zij de wapens uit de hand.
Nn kan daaronder wel de hoogmoed sehui-
len, zooals wij zien bij de Farizeërs; want ook
in het beste dringt de eigenliefde binnen, dit1,
wordt zij niet beteugeld, vol verkeerdheden is;
maar dit neemt niet weg, dat de „eer" enkel
bewustzijn wezen kan van wat edel en waai\' is,
en prikkelen tot het edelere en meer ware in
woord en daad; in dit geval handelt zij uit ijdel-
heid noch uit eigenbelang, maar enkel om zich-
zelve. De overtuiging van een oprecht man,
dat hij rechtschapenheid bezit en zich niets te
verwijten, over niets te schamen heeft — „nil
c onsei re nu 11a pallescere culpa", ï4) kan
zeer goed zonder eenigen hoogmoed bestaan.
Tot dusverre zeiden wij, hoe de „eer" han-
-ocr page 50-
lfi                                       Eer.
ilelt; wij hebhen nog niet durven hepalen, wat
zij is. Wij zullen liet beproeven, hoewel wij
ons daardoor wellicht aan gevaar blootstellen,
den talrijken wijzen dezer wereld den hand-
schoen toe te werpen.
Het komt ons voor, dat „eer" de volmaakt-
heid is der deugden in de natuurlijke orde, zoo-
als liefde de volmaaktheid is der deugden in
de bovennatuurlijke orde. En wij moeten aan-
nemen, dat de bovenbouw of bovennatuurlijke
deugd niet vast zal staan, indien zij niet ge-
grond is op den natuurlijken vierhoek der car-
dinale deugden. Christelijke taal, vrome gemoeds-
bewegingen, voorstellingen van volmaaktheid en
godsvrucht, in de verbeelding ontstaan, stijgen
en verdwijnen licht als een zeepbel, indien zij
niet rusten op dien hechten natuurlijken grond-
slag. De deugden der natuurlijke orde zijn: ten
eerste voorzichtigheid, die de juiste verhouding
van stand en gedrag kent en bepaalt; ten tweede
rechtvaardigheid, die aan ieder geeft wat hem
-ocr page 51-
Eer.                                   17
toekomt en zelfs meer dan dit, want recht-
vaardigheid is niet enkel de dingen met recht-
vaardigheid doen, maar ze doen zooals een recht-
vaardig man ze doen zal d. w. z. met een recht-
vaardig oogmerk en maatstaf\' en op een reent-
vaardige wijze; de rechtvaardigheid van den
rechtvaardige is niet alleen onpartijdig, maar
toegevend en her! Op de derde plaats matig-
heid, die hartstochten, neigingen en verlangens
naar alles wat genoeglijk, streelend en zoet is
voor het eigen ik in al hnnne vormen, zoo be-
teugelt en onderwerpt, dat zij dim mensch
onbaatzuchtig maakt. En eindelijk sterkte, waar-
door men zichzelven afgestorven, bereidwillig
het lijden aanvaardt en zich opoffert voor waar-
heid, rechtschapenheid, grootmoedigheid en het
algemeen welzijn. Uit dit viertal ontstaat wat
de oudheid virtus noemde, en virtus betee-
kent niets anders dan kracht en moed in een
graad, die heldhaftig is en aan voorzichtigheid,
rechtvaardigheid, matigheid en sterkte de kroon
-ocr page 52-
18                                      Kor.
opzet van de heerschende kracht, welke de
gewone maat overtreft. In de bovennatuur-
lijke orde zou deze virtus de liefde zijn, de
baud der volkomenheid en de volheid dei-
kracht in de zelfopoffering en het martelaar-
schap.
-ocr page 53-
Vast karakter.
,en man van een vast karakter blijft
! zichzelven gelijk, is niet ongestadig,
I maar steeds dezelfde. Wie iemand
vast van karakter noemt prijst hem, omdat
die hoedanigheid altoos, of ten minste naar
zuiver spraakgebruik, in goeden zin genomen
wordt. Wie van iemand zegt dat hij geen vast-
heid van karakter heeft, laakt hem, want daar-
door wordt gewezen op een soort van gebrek
aan waarheidsliefde in daden, op onbestendigheid
en zwakheid, op gemakkelijkheid van onder
invloed te geraken of te zwenken uit eigenbe-
lang. Abistoteles beweert, dat de mensen
maar op ééne wijze goed kan zijn, doch slecht
op velerlei wijze. Door vastheid van karakter
Mannino, Tijdverdrijf.                                                             4
-ocr page 54-
20                          Vast karakter.
verstaan wij dus het zich gelijk blijven van
goede menschen en door onvastheid van karakter
de onbestendigheid van slechte of niet geheel
goede. Van iemand zeggen: hij is verhard in
het kwaad, is hem vergelijken bij het pikzwarte
origineel.
Naar zijn afleiding beteekent het woord con-
sis ten cy aaneensluiting, samenhang; door een
innerlijke wet namelijk hangen de dingen aaneen,
de mensch houdt zich om zoo te spreken samen.
De Grieken noemen dat „vierkant." Tennyson
zegt van Wellington, den ijzeren hertog: „Hij
stond vierkant tegen het geblaas van alle win-
den", he stood four square to all the
winds that blew i5). De Romeinen zeggen:
totus teres atque rotundus \'2(i) — een
rondman. — Met uitzondering van \'s menschen
zedelijke natuur heetten zij alles vierkant: let-
ters, verzen, redevoeringen en zelfs de lichamen,
maar niet den geest. Wij gebruiken beide over-
drachtelijke uitdrukkingen; immers een slechte
-ocr page 55-
Vast karakter.                              21
regeering teekenen wij aldus: „Zij plaatst ronde
mannen in vierkante gaten en vierkante mannen
in ronde" ï").
Vastheid van karakter is eene deugd; zij kan
nochtans ontaarden in een gebrek of ziekelijkheid.
Om als deugd te kunnen gelden, dient het
karakter gevormd te zijn rondom een waarheid
als middelpunt, moeten ook de aanwassende
eigenschappen met die waarheid innig samen-
hangen en als \'t ware één geheel uitmaken,
of om het duidelijk te zeggen: van die waar-
heid moeten zij zich uitbreiden zooals van het
hart van een eik de jaarringen in den groeienden
stam. Bij een ernstigen wil kan het voor een
man, die in den kring eener wijsgeerige, zede-
lijke of godsdienstige waarheid is opgegroeid,
niet moeilijk zijn vast van karakter te worden.
Geheel zijn geest is gevormd om een middel-
punt, dat onwrikbaar vaststaat. En de vast-
heid van deze grondwet zijns levens geeft aan
zijne zedelijke daden, wat eene onomstootelijke
-ocr page 56-
22                          Vast karakter.
waarheid aan het bespiegelend verstand geeft:
een vasten, onveranderlijken regel. Doch die
vastheid wordt vooral door den wil verkregen.
Menigeen is groot naar <\\en geest en wezenlijk
klein op zedelijk gebied; intellectueele grootheid
hangt voornamelijk af van het verstand, zede-
lijke grootheid van den wil. Toch kan de
krachtigste wil het karakter geen vastheid
geven, indien het verstand met zichzelf in
tegenspraak komt of zich niet gelijk blijft. Een
verward brein gaat nooit tweemaal denzelfden
weg; het dwaalt af en verliest zich in tegen-
strijdigheden en doet altijd wat Hotspur bij
Siiakespeare wenschte 28) te doen „divide
h i m s e 1 f a n d g o t o b u f f e t s", „zich verdeelen
en zich muilperen geven". Wat men niet kent,
kan men niet willen. Eerst behoort een zaak
het voorwerp te zijn van het verstand, voordat
het een voorwerp kan worden van den wil;
want willen is een beraden en stellig besluit
van verstand en wil samen. Beraadslaging
-ocr page 57-
Vast karakter.                             2-i
on vereeniging van geestelijke oh zedelijke
krachten vormen vastheid van karakter. Eenigen
hebben van nature oen heidorder brein en ster-
keren wil dan anderen on zijn dezen daardoor
veel voor.
Toch is vastheid van karakter geen aange-
boren, maar oen aangekweekte deugd en wel
van langzamon wasdom. Welke zijn dan de
noodzakelijke voorwaarden om haar te ver-
krijgen ? Juiste en hechte grondbeginselen van
geloof en zedelijkheid; oprechtheid, wars van
allo dubbelzinnigheid en aanmatiging; eenvoud,
en dei-halve afkeer van elk driftig bejag naar
velerlei zaken; zuiverheid van meening, die
geen menschenvrees kent noch zeer gesteld is
op de zoetsprakige en veel schoons belovende
wereld; eindelijk tevredenheid in de rust van
een goed geweten. Voeg daarbij de noodige
mate van achting voor zichzelf om niet naar
volksgunst te streven; van geestkracht om zich
niet te laten verblinden door de begoocheling
-ocr page 58-
24                             Vast karakter.
der vleierij en bewondering; van moed om ook
een pijnlijken plicht te vervullen of in den
strijd voor waarheid en recht niet af te deinzen.
Zulk een karakter zal steeds groeien tot een
dicht aaneengesloten geheel en in volkomen
overeenstemming met zichzelf. Wat het innerlijk
is, zal het ook uiterlijk wezen, en wat het
uiterlijk schijnt, zal het inwendig zijn.\' Zijne
woorden zijn zijne gedachten, zijne gedachten
en woorden hebben gelijke waarde, en de daden
stemmen daarmede overeen. Zoodanig karakter
is altijd hetzelfde, en in welke omgeving het
zich ook bevinde, vlek noch kleur neemt het
van anderen over, maar laat zijn eigen stempel
of zelfs zijn vollen invloed op hen werken.
Wellicht vraagt men: Wie heeft ooit dat
ideaal bereikt ? Velen, naar wij hopen; noch-
tans voorbeelden aan te halen is niet gemakke-
lijk, tenzij men ze ontleent aan hoogere sferen ,
buiten den gezichteinder van ons, gewone ster-
velingen. Bepalen wij ons derhalve tot de ge-
-ocr page 59-
Vast karakter.                             25
wone voorbeelden hierbeneden. Hoe weinigen
blijven tot het einde huns levens getrouw aan
hunne overtuiging of het karakter, waarmede
zij hun loopbaan begonnen! De jongere Pitt 2")
bijvoorbeeld, na in zijn eerste ministerie lange
jaren een breede en nationale staatkunde ge-
volgd te hebben, verzette zich in zijn tweede
tegen elke hervorming. Sir Francis Burdett 30)
begon als de gevaarlijkste en geweldigste Radi-
caal en stierf als Tory 3I) van den ouden stern-
pel. Sir Robert Peel 32) bestreed eerst de
vrijverklaring der Katholieken en verdedigde
de graanwetten, later zette hij de Emancipatie-
bill door en schafte de graanwetten af. Mr.
Gladstone 33) begon als een aanhanger der
Tories op kerkelijk en staatkundig gebied; wie
kan zeggen hoe hij eindigen zal? Eéne staats-
kerk heeft hij afgeschaft en mogelijk dankt hij
ook de twee andere af. En wat zijn Tory-
schap betreft, daarvan is Mr. Bright 34) — een
Radicaal — peetoom geweest. Men beschuldigt
-ocr page 60-
2(>                            Vast karakter.
Lord Beaconsfiei.d 35) als Radicaal begonnen en
als lid der Tories geëindigd te, zijn. Evenwel
is hij niet zoo veranderlijk geweest als andere
groote mannen. Hoe onstandvastig deze allen
uiterlijk ook schijnen, is er toch misschien een
doorloopende draad te vinden, die het einde
huns levens met het begin vereenigt; die man-
nen namen nieuwe premissen, een nieuwe stel-
ling in hun geest op; in dat geval kan hun
einde wezenlijk beschouwd worden als recht-
streeks te zijn voortgevloeid uit hun begin.
Niet hij is onstandvastig van karakter, die om
deugdelijke redenen verandert van gevoelen en
richting. Hij zou veeleer onstandvastig zijn,
indien hij duidelijk inzag redelijkerwijze te moe-
ten veranderen en toch zijne vroegere meening
vasthield. Eenigen zijn als een leger, dat on-
wrikbaar zijn stelling behoudt; gij kunt voor-
spellen wat zij doen zullen. Anderen gelijken
een vliegende colonne, waarvan richting en be-
weging zich niet vooruit laten bepalen. Wel-
-ocr page 61-
Vast karakter.                             27
licht zijn laatstgenoemden, hoezeer de schijn
tegen hen is, toch evengoed standvastig als zij,
die de eerste beginselen en de eenvoudigste
waarheden tot grondslag nemend, daarop geheel
het wetenschappelijk gebouw van natuurlijke
of godsdienstige waarheden met zijn eenheid,
harmonie en volheid optrekken. Zij zijn dus
niet veranderd noch in tegenspraak gekomen
met zichzelven of hun verleden. Zij hebben
alleen maar hunne kennis dooi\' voortdurende
aanwinst vermeerderd en door gelijkmatige ont-
wikkeling de grenzen hunner overtuiging uit-
gebreid.
In zoover is vastheid van karakter een deugd.
Op welke wijze kan zij ooit een ondeugd zijn?
Op zichzelf\' beteekent een vast karakter uit-
sluitend goed noch kwaad; het kan beide zijn,
zooals het meritum in het Latijn. Maar hoe
kan toch vastheid van overtuiging, van karak-
ter of van een jarenlang volgehouden gedrag,
een gebrek worden? Telkens wanneer iemand
-ocr page 62-
28                             Vast karakter.
voor de redenen, die eene verandering billijken
of eisenen, doof blijft, is hij karakterloos ten
opzichte van de eerste wetten der waarheid.
Indien hij dus tot dan toe naar de stem van
de rede en zijn geweten trouw luisterde, is hij
nu in tegenspraak met zijn vroegere persoon-
lijkheid. Handelde hij reeds voorheen niet volgens
de wetten, die ons zedelijk bestaan regelen,
dan is hij standvastig of liever hardnekkig in
zijne onoprechtheid. En zulk eene standvastig-
heid is een ondeugd in den hoogsten graad.
Standvastig zijn in iets, wat tegenstrijdig is
met hetgeen de rede duidelijk leert en het ge-
weten voorschrijft, noemen wij oneerlijk, valsch,
onzedelijk. Als wij van iemand zeggen, dat hij
geen beginselen heeft, dan bedoelen wij daar-
mee, dat hij eene regeeringloosheid is in zich-
zelven. Daar zijn in hem wetten, regelen,
heerschappij noch gezag om hem te steunen in
het goede of af te houden van het kwaad. Be-
lang, hartstocht of verleiding richten zijne
-ocr page 63-
Vast karakter.                             29
handelwijze. Hij is zichzelven geen meester.
De vastheid van karakter in een slecht man is
hardnekkige boosheid en in een onoprecht man
hardnekkige onoprechtheid. Het is de voort-
during van een slecht leven, en voortdurende
hardnekkigheid in het kwaad is de ondeugd in
den overtreffenden trap. Wij willen hopen, dat
de zoodanigen gemakkelijk te tellen zijn.
Er is evenwel nog een vastheid van karakter
die men ziekelijk zou kunnen noemen. Sommigen
willen nimmer iets doen, wat zij te voren nog
niet gedaan hebben. Het zou niet overeenkomen
met hun verleden en strijdig zijn met hunne
begrippen. Het gaat hun zooals den chineeschen
kleermaker, wien, naar het verhaal luidt, een
jas besteld werd zonder lap op den elleboog
van de mouw — zulk een oorspronkelijke mouw
was in het Hemelsch Rijk nog nooit gezien.
Onder eenige personen, voornamelijk van de
stijve en kiesche school der goedheid, heerscht
een waanwijze eenvormigheid, een soort van
-ocr page 64-
30                          Vast karakter.
kieskeurige regelmatigheid op zedelijk gebied.
Hun leefregel luidt: „Zooals het vroeger was
zoo nu en in alle eeuwigheid, Amen", en zij
verzetten zich tegen nieuwe uitvindingen, ver-
beteringen en nuttige ontdekkingen, al zijn deze
nog zoo goed; immers dat zijn maar nieuwig-
heden, die niet strooken met hunne gewoonten
en de oude sleur. Aan deze beminnelijke stijf-
hoofdigheid hebben wij menig belangrijk over-
blijfsel van oude gebruiken te danken, die den
stempel dragen van het lang verleden en wel
schilderachtig kunnen zijn, maar ook bedroevend
lastig, zooals bijvoorbeeld: verouderde spelling,
gothische opschriften en de ijzige avondklok,
die op het feest van Maria Boodschap het vuur
in den haard voorgoed uitluidt, al daalt de
thermometer nog zoo laag sli).
-ocr page 65-
Hoovaardij.
oovaardij is het ongeregeld verlangen
naar eigen volmaaktheid. Een geregeld
verlangen naar volmaaktheid is niet
alleen bestaanbaar met nederigheid, maar ligt
daarin opgesloten; nederigheid immers maakt
dat zich iemand zijner eigene voortreffelijkheid
onbewust is en wekt in hem de begeerte naar
de volmaaktheid, die hij meent niet te bezitten.
Doch is er ongeregeldheid in dit verlangen dan
druischt het aan tegen den ootmoed en de rede;
de beweeggronden zijn verkeerd, het verlangen
is van goed slecht geworden. In dat geval
wenschen wij de volmaaktheid niet om haar
zelve, doch om ons zelven, d. w. z. om. eer,
voordeel, om hoog boven anderen uit te mun-
-ocr page 66-
Hoovaardij.
:ï2
ten of om de glorie, waarmede zij ons om-
straalt.
Voortreffelijkheid in den hoogsten graad en
van iedere soort noemt men volmaaktheid. Zij
is velerlei. Er is eene godsdienstige volmaakt-
heid, en een ongeregeld verlangen daarnaar
wordt geestelijke hoogmoed geheeten. Dit zou
ons echter op het gebied der godgeleerdheid
voeren en in bijzonderheden doen treden, die
hier minder op hare plaats zijn. Wij kunnen
op dezen hoogmoed terloops de aandacht vesti-
gen door een Farizeër tegen zichzelven te laten
getuigen. Wanneer iemand den goeden naam
van een nabuur wil vermoorden, dan noemt
hij hem een Farizeër, wat in zijn mond een
huichelaar, een bedrieger, een bepleisterd graf
beteekent. Nochtans waren er zoowel goede
als slechte Farizeers. Men vond er onder hen,
die eene strenge levenswijze volgden en stipt
hun plicht betrachtten. Zoover wij weten waren
sommigen rechtschapen en rechtvaardig, de
-ocr page 67-
Hoovaardij.                             88
meesten echter vol geestelijken trots en leefden
afgescheiden van andere menschen als van
melaatschen. Dat heeft aan het woord „Farizeër"
zijn ^ongunstige beteekenis gegeven. Maar wij
moeten wel bedenken, dat niet allen even slecht
waren, en eenigen nog geen hoogen graad van
boosheid hadden bereikt. De ziekte van het
Farizeïsmus had haar begin , verloop en hoogste
punt. In den aanvang zullen de Farizeërs wel
zoo geweest zijn als menig onzer, namelijk be-
hept met de gewone gebreken van bewondering
voor zichzelven, zelfbehagen, rustelooze vitzucht
ten opzichte van den naaste. Hierdoor werden
zij in \'t einde scherpziend voor eens anders
feilen en zoo blind voor hunne eigene, dat zij
daarvan zelfs geen bewustzijn hadden. Dit geldt
ook van het Farizeïsmus der nieuwe wet; want
daar zijn ook nu Farizeërs evengoed als vroeger.
Maar wij laten nu dezen hoogeren vorm van
hoovaardij ter zijde en keeren tot moeder de
aarde terug.
-ocr page 68-
34                                Iloovüiirdij.
Men zegt dat trotschheid zeven kinderen
heeft: een niet prettig huisgezin en slechte
buren. Zij heeten: roem zucht, pralerij,
eerzucht, aanmatiging, huichelarij,
hoofdigheid en verachting van ande-
ren. Deze allen schieten uit één wortel en
vormen den eersten graad van den stamboom
der familie. Wij merken in het voorbijgaan
op, dat hoogmoed en ijdelheid niet hetzelfde
beteekenen. IJdelheid kan prat zijn zelfs op
niets; ijdelheid is immers holheid , leegte ; maar
hoogmoed is niet hol of leeg en het zelfbehagen
van den hoogmoedige bestaat juist in het wel-
gevallig beschouwen van eigen voortreffelijkheid.
Alle andere zonden nemen toe door kwaad,
hoogmoed vindt zijn voedsel in het goede te
doen. Niet daarom wordt hij ijdele glorie ge-
noemd, omdat hij niets heeft waarop hij roemen
kan, maar wegens zijn ziekelijk zelfbehagen,
dat tot schandvlek maakt hetgeen eene eer
kon zijn.
-ocr page 69-
Hoovaardij.
35
Velen zijn trotsch op datgene, waarop zij
geen aanspraak kunnen maken en waaraan zij
deel noch part hebben, bijvoorbeeld op hunne
geboorte en erfelijke titels. Aristoteles zegt,
dat de nakomelingen van mannen als Pekicles
op weg zijn domooren en die van mannen als
Alcibiades krankzinnigen te worden. Wat daar-
van zij, zeker is het dat de nakomelingen van
die mannen even trotsch op hen waren als zij
in verdienstelijkheid jegens den staat of in
persoonlijke waarde ver hij hen achterstonden.
Toch is er iets in deze trotschheid, wat niet
afkeurenswaard mag heeten. Het houdt iemand
van lage handelingen terug en zet hem niet
enkel tot het goede aan, maar zelfs tot het
goede in hoogeren graad. S p a r t a m n a c t u s
es, Spar tam e x o r n a : -17j eenmaal in Sparta
aangeland, zoo strek het tot eer.
(Jij zijt in
Ierland of in Engeland geboren; welnu, strek
uw land naar best vermogen tot eer. De H.
Paulus zeide „burger van geen geringe stad"
Mannin», Tijdverdrijf.                                                     5
-ocr page 70-
36                            Hoovaardij.
te zijn. Het besef „vrijgeboren" te heeten,
gaf hem moed en geestkracht in het dreigend
gevaar. Dat noemt men gepasten trots, ge-
grond als hij is op de goddelijke voorzienigheid.
Er is een andere soort en wel van, minder
edelen trots, dien wij geldtrots — „purse
pride" — noemen. Is \'t reeds onverstandig
genoeg zich te verheffen op hetgeen wij zijn,
hoeveel onverstandiger is het ons te verhoo-
vaardigen op hetgeen wij bezitten? Hij moet
wel een zeer bekrompen verstand en een heel
klein hart hebben, die zich opblaast om het-
geen hij is in \'t boek van zijn bankier. Dit
alleen heeft hij op zijn buurman voor, dat hij
meer geld kan uitgeven. Wie weet of hij in
geestbeschaving en zedelijke vorming niet bij
zijn jager achterstaat. Op school was hij een
domkop, op de universiteit een luiaard, in \'t
leven is hij een beuzelaar en in alles een on-
beduidend man, in den omgang volstrekt geen
sieraad, in \'t openbaar leven eene nulliteit.
-ocr page 71-
Hoovaardij.                             37
Maar hij is rijk, en op zijne geldzakken staande
heeft hij het gevoel, met hoofd en schouders
boven anderen uit te steken. Wel hem, als
hij niet zelfzuchtig wordt, ongevoelig voor het
lijden van den evenmensen of onmeedoogend
jegens hen die zijne hulp inroepen. Weinigen
zijn rijk en nederig tevens. Rijkdom die niet
onder den invloed van zedelijke beschaving
staat, vervult een gemoed met trotschheid van
een eigen stempel; een rijke van die soort
zondert zich af van anderen en al veracht hij
hen niet, toch vergeet hij in wetenschappelijk
en zedelijk opzicht te moeten onderdoen voor
hen, op wie hij in zijn eigenwaan uit de hoogte
neerziet.
Er is nog een andere hoogmoed, die men
„hoovaardij des levens" noemt. Wij voelen als
\'t ware de beteekenis van dit woord , toch heeft
het veel in, daarvan een bepaling te geven.
De duidelijkste is wellicht deze: kloekheid van
geest, gezondheid des lichaams, weelderige
-ocr page 72-
38                             Hoovaardij.
levenskracht, tijdelijke voorspoed, tevredenheid
over zichzelven wat het verleden, zelfbehagen
wat het tegenwoordige en zelfvertrouwen wat
de toekomst betreft, onbeperkte vrijheid en
zelfgenoegzaamheid in denken en handelen —
dit alles werkt samen tot eene geestgesteldheid,
die tot zelfvergoding voert, en dat is de ver-
goding van den hoogmoed, de hoogmoed op zijn
troon. Deze soort van trots heerscht soms in
mannen, wier zedelijk leven in zoover de wereld
dit zien kan, onberispelijk is. Het is een ver-
rezen Heidendom.
Voorbeelden daarvan zijn echter zeldzaam.
Zelfvergoding vindt men niet dikwerf zonder
eigenzinnigheid, en eigenzinnigheid is de bron
van teugelloosheid en geweld. In dat geval is
de wil zijn eigen wet en zijn eigen wetgever;
teugelloosheid is zijne wetgevende, geweld zijne
uitvoerende macht. Zulke karakters houden op
menschelijke karakters te zijn. Zij worden
onnatuurlijk slecht en ten laatste duivelsch.
-ocr page 73-
Hoovaardij.                             39
Stuit hun trots op tegenstand dan gaan zij
aanvallend te werk; ondergaat hij een neder-
laag, dan slaan zij over tot kwaadaardigheid;
wordt hij aan de kaak gesteld, zij leggen alle
schaamte af. Zulk een trotschaard, die al het
zedelijkheidsgevoel van den mensen trotseert,
is een verschrikkelijk schouwspel. Het is de
menschelijke natuur in hare verdorvenheid, die,
om zoo te spreken, subliem wordt in het kwaad
en een soort van populaire vereering uitlokt;
want „Satan vordert soms vereering om zijn
troon van vlammen."
Maar laten wij tot het gewone leven terug-
keeren. Wat is „hoogmoed des geestes", dien
wij in eenige overigens goede menschen aan-
treffen? Hij is dan aanwezig, als iemand ge-
looft of zich inbeeldt grootere geestesgaven te
bezitten dan zijne evenmenschen en in die ge-
dachten behagen schept. Het is zijn lust dit
aan anderen te laten voelen, en hij verlaat zich
zoo vast op zijne vermeende meerderheid, dat
-ocr page 74-
Hoovaardij.
H>
hij allen uit \'t veld hoopt te slaan. Maar
menschen van zeer hooge geestvermogens zijn
zich gewoonlijk onbewust die te bezitten. Het
is geen teeken van grootheid van geest anderen
te minachten. Een groote geest houdt het voor
uitgemaakt, dat andere menschen hem meer
of minder evenaren. Aanmatiging, pralerij met
kennis, den meester spelen en zijne bekwaam-
heid uitstallen, dit alles geeft derhalve geen
blijk van groote zielsvermogens. Van een zekeren
hoovaardigen doctor zeide men: „Hij is van het
pauwenras". Dergelijke trotschaards zetten
steeds eene hooge borst. In de wapenkunde
spreekt men van „de pronkende pauw". Groote
geesten hebben geduld met hen die traag van
begrip zijn en den bal wel eens misslaan. Zij
verbergen zich. De hoogmoedige van geest
plaatst zich overal op den voorgrond en pijnigt.
In zijn huis mag geene andere meening heersenen
dan de zijne. De Romeinen noemen zulk een
man Becretalista. Hij heeft het laatste woord;
-ocr page 75-
Hoovaardij.                          41
hij beslist. Wie met hem in gevoelen verschilt,
is of\' een onkundig of onbevoegd persoon of
beide. Maar hier moeten wij eindigen.
Het verschil tusschen ijdelheid en hoogmoed
is dus duidelijk. De ijdelheid richt onder de
menschen schade, de hoogmoed verwoestingen
aan. IJdelheid begaat dwaasheden, hoogmoed
bedrijft zonden. Over ijdelheid kan men veilig
lachen, hoogmoed is immer te vreezen, en wordt
hij gekwetst, hij is verschrikkelijk in zijn toorn.
Door hoogmoed vallen de engelen, en met
hoogmoed staat niemand op van den val.
-ocr page 76-
IJdelheid.
at men den ouden Grieken en Romeinen
ook ten laste legt, dom waren zij niet.
Hunne onderscheidingsgave op zedelijk
gebied blijkt reeds uit hunne overdrachtelijke
uitdrukkingen. Een ijdel man werd in Athene
„opgeblazen" of „hol" y/ivvo^ genoemd,
en ijdelheid heette daar „opgeblazenheid" of
„holheid" — %ai>i>ÓT7js. In Rome sprak men
van „leeg", — vanus v. vaco, leeg zijn en
ijdelheid werd „leegte" genoemd — wij denken
als vanzelf aan blazen, bobbels, windbuilen.
Die leenspreuken waren juist. Windbuilen toch,
bobbels en luchtblazen kunnen eene groote mid-
dellijn hebben en eene ontzaglijke grootte. Maar
met dat al zijn zij toch niets anders dan leegte
als in een vlies of in een bruin papieren zak.
-ocr page 77-
IJdelheid.
13
Het eerste kenteeken dus van een ijdel per-
soon is leegte; hij bevat niets. Het tweede is
aanmatiging; hij schijnt van zekere gehalte te
zijn en iets in te houden, doch is maar buiten-
kant. Geef hem een speldeprik en hij zakt
ineen. Berkei-ey\'s 38) stelsel was dan ook al
vóór Berkeley bekend. Salomon, zijn voorgam
ger, zeide immers reeds: „Vaniias vanitatum,
omnia vanitas
— ijdelheid der ijdelheden, alles
is ijdelheid." De wereld is ledig en de moeder
van elke leegte: louter een vlies of een zeep-
bel met prismabeelden, die enkel in ons waar-
nemingsvermogen bestaan en dus ons brein
bedriegen.
Daar de wereld nu louter leegte is in een
blaas, mogen wij wel wat toegeeflijk zijn voor
ijdele menschen. Leegte is zeker onschadelijk
en breekt geen knoken stuk. Zijn ijdele men-
schen niet wezenlijk de kinderen van deze alge-
meene leegte\'? Veel kan men ter hunne ver-
ontschuldiging bijbrengen. Meestal zijn zij onscha-
-ocr page 78-
44                                IJdelheid.
delijk, maar niet altoos, want een ijdel mensen
kan uit zucht naar eigen glorie zichzelf en
anderen in \'t verderf storten. Daar zijn er
wel, wier zonderlinge, ijdele lichtzinnigheid ons
doet lachen, doch daar worden er ook gevonden
die ons bedroeven, wijl zij zooveel afbreuk doen
aan de waardigheid der menschelijke natuur.
IJdelheid heeft steeds eenig ideaal voor den
geest; zij wenscht een of andere voortreffelijke
eigenschap te bezitten. Blijft deze buiten haar
bereik, dan verlangt zij toch de meening te
wekken, dat zij ze bezit. Daarom worden onder
de armen weinig ijdele menschen gevonden;
want de armen hebben zelden zelfbewustzijn
genoeg om daarbij nog idealen te koesteren.
Ook menschen van hoogere beschaving, zijn
gewoonlijk niet ijdel, omdat niemand beter weet
dan zij, wat zij waard zijn en wat hun ont-
breekl.
Beide klassen, hooger beschaafden en onbe-
schaafden, zullen eerder hoogmoedig dan ijdel
-ocr page 79-
IJdelheid.                           45
zijn; hoogmoed is een ernstiger en mannelijker
gebrek, dat niet uit leegte ontstaat. Hiervan
kunnen wij nu niet spreken. IJdelheid is meer
een ondeugd van half beschaafden, die genoeg
gelezen hebben om zich idealen te vormen. Er
zijn vele soorten van idealen: heilige, heldhaf-
tige, staatkundige, letterkundige. Velen kleeden
zich volgens hun ideaal, anderen zien erin als
in een spiegel. Daar die ijdele menschen het
echter nog niet zoover gebracht hebben, dat zij
zijn wat zij in \'t oog van anderen wenschen te
zijn, „doen zij zich voor"; bij ons eene gang-
bare uitdrukking. Aanvankelijk brengt de afstand
die er is, tusschen hetgeen zij zijn en hun ideaal,
een onbehaaglijk gevoel in hen te weeg, wan-
neer men hen prijst en looft; omdat echter de
lof zoo zoet is, keert de kalmte van lieverlede
terug, en zij komen er eindelijk toe, dien lof
te beschouwen als iets dat vanzelf spreekt en
voelen zich gekrenkt, wanneer hij hun onthou-
den wordt.
-ocr page 80-
46                           IJdelheid.
Een verdeeling maken tusschen ijdelheid van
mannen en ijdelheid van vrouwen kunnen wij
niet; want de vreemdste verplaatsing komt
daarbij voor: de vrouwelijke ijdelheid wordt
dikwerf bij mannen en de mannelijke bij vrou-
wen gevonden. Wij moeten haar onderscheiden
in: hoogere en lagere ijdelheid.
Tot de hoogere behooren: grootsch zijn op
hooge geboorte en oud geslacht, op vriendschap
met de grooten dezer wereld, op natuurlijke
redenaarsgaven, op vorming en beschaving, op
belezenheid, op taalkennis en geleerdheid, op
overwicht van invloed, op gezag dat vrijwillig
wordt verleend of werkelijk verdiend is, op geluk
in een wedstrijd, op het welslagen in letter-
kunde, op het talent om met menschen om te
gaan en zaken te behandelen en dergelijken.
Tot de lagere soort worden gerekend: ijdel-
heid, die op allerhande wijzen met rijkdom
praalt, ijdelheid die met een zelfbehagen van
duizenderlei vormen eigen gestalte of voorkomen
-ocr page 81-
IJdelheid.                           47
bewondert, ijdelheid die zich vol zelfbedrog ten
toon stelt, de persoon van aanzien speelt, en
dan nog ijdelheid van hen, die hunne meerder-
heid gevoelen en laten gelden onder lieden van
kleiner bevattingsvermogen, mindere beschaving,
eenvoudiger in stand of levenswijze. Eenigen
kunnen de tegenwoordigheid van personen, die
in iets boven hen uitmunten, niet verdragen.
Zij hebben geen rust, voordat zij aan zulk een
gezelschap ontsnapt zijn en zich bevinden onder
kleinere lieden, die hen niet in de laagte houden.
„In het land der blinden is éénoog koning" en
onder onontwikkelden de halfgeleerde Mijnheer
Orakels0).
Wij hebben gezegd dat onder de verschijnin-
gen van ijdelheid eenige bespottelijk, andere
bedroevend en weer andere verderfelijk zijn.
Wij zullen daarvan eenige voorbeelden geven.
Zoo vindt men belachelijke ijdelheid bij par-
venu\'s; ik bedoel personen die van armoede
schielijk tot rijkdom zijn gekomen en dan de
-ocr page 82-
48                           IJdelheid.
eenvoudigheid hunner armere dagen afleggen.
Die ijdelheid toont zich vooral in alles te over-
drijven: zij schaffen buitensporige meubels aan,
houden van schreeuwende kleuren, gaan opzich-
tig gekleed, pralen en pronken, zijn vol drukte-
makende hoffelijkheden, branden van verlangen
uitgenoodigd te worden, kortom, overdrijven
alles. Die luidjes zijn over \'t algemeen goed-
hartig, en het ontgaat hun ten eenenmale, dat
duizenden oogen op hen gevestigd blijven, en
zij voortdurend een voorwerp zijn van heime-
lijken spot. Dit geldt eveneens van hen, die
na lang te hebben uitgezien naar Grosvenor
Square 4o), eindelijk worden toegelaten in de
groote wereld. Het is te veel voor hen; zij
worden door eene duizeling bevangen en ver-
eeren die wereld met eene wereldschgezindheid
die men bij wereldlingen van oude dagteekening
vergeefs zal zoeken. Verraadt wierookgeur den
koster, hen vergezelt overal de geur van de
groote wereld, en daaraan bemerkt de lage
-ocr page 83-
IJdelheid.                           49
stand, dat zij in hoogere kringen hebben ver-
keerd. Of dit altoos vermakelijk is voor hunne
neven en nichten van kleine plaatsen of voor
hunne arme bloedverwanten, weten wij niet
met zekerheid. Het is ongetwijfeld vermakelijk
voor hen, die zij \'t minst gaarne ten hunnen
koste zouden zien lachen. Ondanks dit alles is
het eene onschadelijke ijdelheid, welke geen
gebod der kerk overtreden en geen vlieg kwaad
zou willen doen.
Zoo onschadelijk is de pijnlijke ijdelheid niet.
Het kan niet vermakelijk heeten mannen of
vrouwen te zien, dié door ijdelheid inkleeding,
manieren, woordenkeus, stembuiging, uitspraak,
gebaren, zonderlingheid en opzichtig zelfbehagen
zich aan aller oogen ten toon stellen. Hoevele
mannen zouden allernuttigst kunnen zijn en
werkelijk groot, indien zij eenvoudig wilden
wezen en geen ander ideaal voor oogen hadden
dan het gebied van den plicht, in het licht des
gewetens en door een onbeneveld oog beschouwd.
-ocr page 84-
50                                  IJdelheid.
Hoe menige vrouw maakt zichzelve onuitstaan-
baar in gezelschappen, is een last voor hare
vriendinnen, on verdragelij k voor hare dienst-
boden, terugstootend jegens allen die onder haar
staan, en dat alles door haar eigen persoon ten
toon te stellen, waardoor zij de toeschouwers
onophoudelijk dwingt niet te vergeten, dat zij
beter is opgevoed, mooier gekleed gaat, meer
uiterlijk heeft of van fijner leem is gevormd dan
anderen! Er bestaat nog eene ijdelheid erger
(Jan deze. Sommigen willen nooit om inlichting
vragen, omdat zulk een vraag eene bekentenis
is, dat zij \'t een en ander niet weten. Vertelt
men hun iets, dat zij niet wisten, dan is dat-
in hun oog eene persoonlijke beleediging. Zij
zijn altijd klaar om een oordeel te vellen over
alles en nog wat; als van nature maken zij
dadelijk tegenwerpingen, spreken alles tegen en
verbeteren alles gelijk een hooger gerechtshof,
dat over de gebreken van gewone menschen
een eindvonnis velt. Zij tinten het weinige dat
-ocr page 85-
IJdelheid.                           51
zij weten zoo, «lat het volkomen wetenschap
schijnt, en wat zij niet weten kan natuurlijk
niet waar zijn. Maken zij een lettergreep ver-
keerdelijk kort of\' lang, of\' halen zij een plaats
uit een boek onjuist aan, dan is dat zooveel
als de speldeprik in een luchtblaas; een stort-
vloed van nietsbeduidende woorden moet als de
inkt van den inktvisch ") hun terugtocht dek-
ken. Dat alles ontneemt het leven zijn frisch-
heid en rust. Dergelijke ijdelheid is bedroevend,
maar nog niet zeer verderfelijk.
Er bestaat evenwel eene ijdelheid, die nood-
lottig werkt op het bijzonder en openbaar leven.
Velen hebben zich en hunne familie ten onder-
gang gebracht door een verwaand vertrouwen
op eigen behendigheid in het koopmanschap drij-
ven, op hunne leiding en bestuur van zaken,
op hunne berekening in allerlei winstbelovende
ondernemingen. De ijdelheid maakte hen voor
eigen onbekwaamheid blind. Waanwijs als zij
waren, wilden zij naar geen raad luisteren. Is
Manning, Tijdverdrijf.                                                             0
-ocr page 86-
52                           IJdelheid.
dit reeds erg in het bijzonder leven, erger is
het in \'t openbare. De eerzucht van h o o g-
moedige menschen kan dikwerf hun land
redden; zij heeft iets in den rug, is hecht,
krachtvol. De eerzucht van ij dele menschen
heeft iets zwevends en is zonder doorzicht. Zij
wekt hartstochten, die zij niet betoomen kan
en damt stroomen los, waardoor zij zelve wordt
meegevoerd. Een hoogmoedige eerzucht is
vrij onverschillig voor volksgunst; zij wil ze
niet zoeken. Zij maakt ternauwernood eene
buiging, ten teeken, dat zij ze aanvaardt. Een
ijdele eerzucht vrijt er om, en zet alle zeilen
bij om het zwakste vleugje van toejuiching op
te vangen. In dat bejag bindt de ijdelheid zich
aan \'t een of ander bij elk woord dat zij
spreekt; zet panden uit die zij niet kan inlossen
of die, indien zij ze al inlost, het land ongeluk -
kig zonden maken. Zoo doet zij ook in den
krijg. Een ijdele generaal veracht den vijand
en waagt de roekelooste ondernemingen. Er was
-ocr page 87-
IJdelheid.                           53
te voren nog niemand geslaagd of met zulke
geringe krachten zoo goed geslaagd; niet genoeg:
zulk een groot veldheer is er na Julius Caesar
nooit geweest, en sinds den slag van Rosbach 12)
kan men zulk een heldenfeit niet aanwijzen!
IJdelheid speelt zelfs met menschenlevens. Doch
wij heginnen zedelessen uit te deelen en zullen
daarom eindigen.
-ocr page 88-
Populariteit.
\'kistoteles zegt: als een rechtvaardig
man op de aarde kwam, gevoelde hij
ii&assad!!! zich daar niet op zijn plaats, maar
vreemdeling. Zeer zeker ware hij niet populair.
Daarin ligt vanzelf\' opgesloten, dat de groote
menigte niet rechtvaardig is. De bewoners van
Athene waren het moede Aristides 4s) „den
rechtvaardige" te hooren noemen, en zonden
hem in ballingschap. Dit beteekent wederom
zooveel als dat de volksmeening in Athene geen
rechtvaardige kon dulden. Deze was haar een
doorn in \'t oog, een steek door het hart. Uit
zulk eene gesteltenis van het beschaafde volk
der oude wereld blijkt, dat het juist voor geen
teeken van zedelijke grootheid kon gelden, bij
-ocr page 89-
Populariteit.                               55
dat volk in gunst te staan. Het meest in aan-
zien waren de Cleons ") en de volksmenners,
die zijn ongerechtigheden toejuichten. Pater
Geatry 4r\') heeft ergens gezegd, dat de Sophisten
onder ons zijn teruggekeerd, namelijk de voor-
standers van het zinneloos stelsel, hetwelk de
wet der tegenstelling loochent en beweert, dat
in dezelfde verhouding van tijd, omstandigheden
en betrekkingen iets tegelijk waar en valsch
kan zijn. Niet velen gelukkig huldigen die leer,
want zij is niet te begrijpen; maar wij vreezen
wel, dat de volksmenners in al te groot getal
en in hun volle kracht onder ons zijn opgetreden;
wij kunnen toch menigen Cleon van hooger en
lager kaliber aanwijzen, die met onverzadelijken
dorst hunkert naar volksgunst.
Het woord „populariteit" heeft vele beteekenis-
sen. Het beteekent of de algemeene volksliefde
die men geniet, of de algemeene bewondering, of
de sympathie of het vertrouwen van het volk. Pat
zijn vier onderscheiden soorten van ware popula-
-ocr page 90-
56                          Populariteit.
riteit. Maar deze kan alleen door goede, groote,
welwillende en wijze mannen verworven worden.
Bovendien vindt men nog menig soort van val-
sche populariteit, welke zoo gewonnen zoo ver-
loren wordt, daar zij op geen deugdelijken grond
gevestigd is. Zóó is de held of de heldin van
den dag populair, en op die wijze hebben de
meeste gelukzoekers hun tijd. Zoo gaat het
ook met populaire redenaars, zangers en druk
genoodigde gasten. Doch deze populariteit wordt
beperkt tot zekere klassen en afdeelingen of
hoogstens tot de betrekkelijk weinige deftige
kringen. Zij komt en verdwijnt, rijst en daalt
en gaat eindelijk uit als een nachtpit, zonder
juist iets aangenaams na te laten.
Op velerlei manieren zoekt men zich populair
te maken. Sommigen, die naar volksgunst
hongeren, werden door de Grieken „lieve
menschen" •*) genoemd. Zij trachten iedereen
te behagen. De Romeinen noemden ze jabroers,
omdat zij op alles „ja" en „amen" zeggen en
-ocr page 91-
Populariteit.
57
niemands meening bestrijden. Misschien is daarin
de oorspronkelijke beteekenis te leggen van de
uitdrukking „een aangenaam persoon"; een
persoon die alles van allen aanneemt. De H.
Paulus noemt dezulken: „menschen-behagers".
En de moraal-theologie gewaagt van eene be-
rekende dienstvaardigheid, die van Simon den
Toovenaar afstamt en naar hem Simonie der
tong wordt geheeten. Maar al deze vogellijm
om populariteit te erlangen vangt de menschen
zelden. Lieden zonder eigen oordeel hebben
ook geen eigene overtuiging, en zonder over-
tuiging kan men geen wilskracht, misschien
zelfs geen geweten bezitten. Deze menschelijke
kameleons ") missen eigen kleur. Zij nemen
kleuren en tinten aan en leggen die af, naar-
mate zij met dezen of genen leven of spreken.
Zij hongeren naar populariteit, doch zijn nooit
populair; men duldt hen in gezelschappen, maar
vertrouwt hen nooit. Te midden van dergelijke
personen is het eene verkwikking Dr. Johnson\'s \'8)
-ocr page 92-
58                               Populariteit.
„echten hater" te ontmoeten; want openhartig
te zijn in vriend- en vijandschap is, zooals de
wijsgeer zegt, een teeken van groothartigheid.
Een andere manier om naar populariteit te
streven, bestaat in de kunst van zich me:
anderen te onderhouden. Iemand, eerder een
goed dan een groot man, heeft een dagboek
nagelaten, waarin de onderwerpen stonden op-
geteekend, die hij na eenige voorbereiding tel-
kens ter tafel bracht., wanneer hij buitenshuis
aan een maaltijd deelnam. Sydney Smith 40)
beschrijft een ander invloedrijk man uit zijn
tijd als „tafelgezel van het zuiverste water."
Zulke menschen zijn in \'t bijzonder leven nogal
gezocht. Zij zijn onderhoudende dischgenooten
en maken de grootste aller menschelijke kwel-
lingen, die „dinner part ie s" — tafelgezel-
schappen — worden genoemd, minder onver-
draaglijk. En toch ook deze populariteit van
dergelijke gezellige lui heeft hare grenzen. Want
het geldt in de wetenschap van \'t gezellig ver-
-ocr page 93-
Populariteit.                            59
keer als een onomstootelijke waarheid, dat
goede lieden vervelend zijn: deze spreken immers
geen kwaad van hun buurman, verklikken niet
wat vertrouwelijk wordt meegedeeld, zinspelen
niet op schandalen, prikkelen geen persoonlijke
boosaardigheden, gewagen nooit van het lid
eener familie, dat juist niet tot eer strekt,
lachen met niemands zwakheden, laat staan
met diens deugden, en kruiden hunne gesprekken
niet met dubbelzinnige woorden. Zoo verliest
hun onderhoud de helft van zijn bekoorlijkheid
en prikkeling; het wordt flauw en smakeloos,
omdat het geene personen raakt, niet boosaardig
is noch het gebod der naastenliefde overtreedt.
Menschen van dat soort zijn voor de meesten
wat zwaar op de hand. Zij zijn onuitstaanbaar
goed en in gezelschappen als een breidel voor
teugellooze tongen. Populair zijn zij bepaald niet.
Komen wij echter van mannen van \'t woord
op die van de daad, dan moeten wij het ge-
bied der populariteit nog meer beperken. Er
-ocr page 94-
00                               Populariteit.
zijn sommige goede en nederige personen, die
naar den raad des Griekschen wijsgeers onop-
gemerkt en stil hun levensloop eindigen alvorens
de wereld gewaarwordt, dat zij geleefd hebben
en gestorven zijn. Bergelijken kunnen bij de
menigte bemind noch onbemind zijn; men kent
hen niet. Anderen zijn van nature zoo lijdelijk,
dat zij onder den invloed komen van iedereen,
met wien zij een gesprek aanknoopen. Wie
hen \'t laatst sprak, heeft hen in zijn macht,
en dikwerf kunt gij uit hunne gedachtenwending
en bijna uit den toon hunner stem opmaken,
met wien zij gesproken hebben. Ook dezulken
zijn niet zelfstandig genoeg om populair of niet
populair te zijn. Het eiwit heeft geen smaak.
Anderen daarentegen moeten volstrekt hun
eigene zienswijze hebben en zeggen, wat zij den-
ken, en denken wat zij zeggen. Zij hebben geen
geduld genoeg om woorden te verspillen, zijn te
fier van temperament om onoprecht te wezen
en hebben het hoofd te vol van hetgeen er
-ocr page 95-
Populariteit.                               61
gedaan moet worden, om zich met compli-
menten op te houden. De Italianen zouden hen
irruenti noemen, omdat zij zonder omhaal op
personen en zaken afgaan. De zoodanigen zijn
geneigd een groote verwachting van anderen te
koesteren, daar zij \'t voor ontwijfelbaar houden,
dat een ieder naar hooge doeleinden streeft.
Zij hebben iets gebiedends over zich, zijn een
weinig te open en te boud in het spreken en
gaan een beetje aanvallend te werk. Zij arbeiden
en sporen anderen tot arbeiden aan. Onvrien-
delijk en onmeegaand zijn zij niet, maar gelijken
den vluggen voetganger, die zijn gezel in den
draf brengt, wat voor dezen niet altijd pleizierig
is. Volgens den H. Augustinus is het voor
hen, die vlug ter been zijn, een plicht van
liefde, stapvoets te gaan; zij kunnen dat immers,
terwijl de langzamen met hen geen gelijken
tred kunnen houden. Lieden van dat slag zijn
niet populair, maar wie in de dras zit, zoekt
zulke personen op, ofschoon hij bij mooi weder
-ocr page 96-
62                               Populariteit.
zich op een afstand van hen houdt. "Wij mogen
hen vergelijken bij de zoogenaamde hitsige sol-
daten, die stipt en nauwgezet op \'t punt van
krijgstucht en met den geest van den echten
krijgsman bezield, nochtans lastige kameraden
zijn in tijd van vrede; toch belmoren zij tot
het soort, waarnaar in den veldslag aller blikken
omzien. Intusschen populair zijn zij niet; omdat
zij alleen aan hen voegen, die hen begrijpen
en hetzelfde doel nastreven als zij. De overigen
willen van hen volstrekt niet gediend zijn. In
deze lichthartige, lustige en gewetenlooze wereld
zeggen of doen zij sommige dingen, die het
spel der zorgeloozen breken en somtijds het ge-
weten der schuldigen verontrusten. "Ware het
meerendeel der menschen rechtvaardig en eerlijk,
gematigd en edelmoedig, dan zou de populari-
teit van iemand, die door de meesten werd
hooggeacht, beteekenen, dat hij al de boven-
genoemde zedelijke hoedanigheden in een hoogen
graad bezit. Is echter het grootste gedeelte
-ocr page 97-
Populariteit.                          63
het tegendeel van dat alles, dan is de waar-
schuwing nogal te verstaan: „Wee u, wanneer
allen goed van u spreken".
De ondervinding leert: wie de gunst dei-
menigte zoekt zal ze nimmer, wie daaraan vol-
strekt niet denkt, zal ze ongemerkt winnen.
Wie hongert naar populariteit, verraadt zich-
zelven en bederft zijn zaak. Zijn houding en
optreden blijken vol zelfbewustzijn; de Ameri-
kanen zeggen: „\'t Is of hij zijn eigen standbeeld
voorstelt, door algemeene bijdragen opgericht".30)
Wie in zijn leven het meest populair was,
wordt soms na zijn dood nauwelijks nog ge-
noemd, en wie nu in deze wereld van strijd
het minst populair is, hem valt in de geschie-
denis een te voren ongekende vereering ten
deel. Toen Sir Robert Peel zich tegen de
Reformbill verzette, behoorde hij tot de minst
populaire mannen van Engeland. Toen hij de
graanwetten afschafte, was hij in de kringen
en harten van het Engelsche volk het meest
-ocr page 98-
64                            Populariteit.
populair van allen. Mr. Bright genoot dertig-
jaren lang de populariteit van een volksredenaar,
en toch niet lang geleden werd zijn naam uit-
gefloten. Hadden deze staatslieden de toe-
juiching der menigte gezocht, zij zouden in de
geschiedenis van Engeland geen leiders en wei-
doeners van \'t volk genoemd worden. Niet
populair zijn is het lot van hen, die alleen te
staan en op anderen het merk hunner woorden
en daden weten te zetten. Enkel de tijd her-
stelt het kortstondige onrecht, dat hun wordt
aangedaan, die niet kunnen worden meegevoerd
door den stroom van de toejuichingen des volks,
die telkens van richting verandert.
-ocr page 99-
Zelfzucht.
uitsche wijsgeeren brengen de verschib
lende onderscheidingen der dingen tot
één onderscheid terug: Ego en Non Ego;
ik en niet-ik; zichzelf en niet-zichzelf. Het is
volkomen noodeloos dit in de hersens te hameren;
de wereld is vol van deze tweespalt sinds den
den zondenval. Fichte 5\') behoefde \'t ons niet
te komen openbaren. Het spel begint al op de
kinderkamer. Eten wat lekker is; geen drankje
nemen, dat niet lekker is: \'t eerst worden be-
worden bediend, de eerste gedachte van allen
zijn, altijd gestreeld en bedorven worden; dat
is de eerste verschijning van Ego. Daar zijn
sommige kinderen, die van niets kunnen bab-
belen dan van hen zelven en van hun speeh
-ocr page 100-
66                                 Zelfzucht,
goed. En daar zijn ouders, die van hun kinde-
ren speelgoed maken, die hen altijd laten ram-
melen over zichzelven; zij weten niet hoe ze
in \'t kinderzieltje voor een leven lang boosheid
en ellende zaaien voor den Ego en voor iederen
Non-Ego. Zulke karakters nemen bij het klim-
men der jaren en in eiken levensstaat immer
toe in een altijd stijgenden zelfzucht. Zij zijn
zelfbewust altijd door, dat is: zij zelven staan
altoos voorop en bovenaan in hun geest. Zij
denken dat iedereen naar hen kijkt, hen opmerkt
en gadeslaat. Zij kunnen niets doen eenvoudig
weg; in toon, in manieren, in houding en ge-
sprek zingen zij altijd falsetto, schroeven altijd
de natuur op, kunnen nooit zichzelven vergeten.
Als zij zingen, dan denken zij: hoe zing ik; hoe
houd ik mij ; wat denken de menschen van mij.
Als zij praten, dan vergeten zij, wat zij hebben
te zeggen, berekenend hoe zij het zullen zeggen.
Men meent dat zij gemaakt zijn, maar gemaakt-
heid is een overlegd vertoon van iets dat niet
-ocr page 101-
Zelfzucht.                                      67
natuurlijk is. Dit zelfbewustzijn is een tweede
natuur, niet gemaakt of\' aangenomen. Het is
als het hemd van Nessus 5,i), dat zóó vast klemt
dat het niet is af te leggen; in werkelijkheid is
het een soort van bezetenheid; een\' ik in de
ik-heid; een dubbel bewustzijn, waarin het eigen
ik zich weerspiegelt als een gelaat in een met
spiegels omlijste kamer. Deze soort van zelf-
zucht is door haar zelve een harde foltering.
Een andere vorm van zelfzucht bestaat hierin
dat men zichzelven zoekt, d. w. z. in alles wat
men doet of\' zegt is evenals in de perspectief
het „vergaarpunt" i k. Dat eigen i k schuilt er
altoos in dezen of genen vorm achter. Men
wordt koopman om zich te verrijken, neemt
deel aan het openbaar leven om beroemd te
worden, kiest de balie om boven anderen uit
te munten. Dit zijn beweegredenen zonder
omwegen, vierkant weg, on verborgen en aan
ieder bekend; tot op zekere hoogte komt men
er rond voor uit, en de wereld heeft daarop
Majjning, Tijdverdrijf.                                                       7
-ocr page 102-
68                                 Zelfzucht.
niets af te dingen. Er zijn echter fijnere vormen
van zelfzucht. Eenige personen doen in \'t ge-
heim weinig goed, maar verzuimen geen gelegen-
heid goed te doen telkens als er kans bestaat,
dat hunne goede werken algemeen bekend zul-
len worden. Zij zijn kunstig met hun hulp en
troost bij smarten, die openlijk worden aange-
kondigd en zeer dienstvaardig jegens hen, van
wie zij nog grootere diensten kunnen verwach-
ten. Geschenken van hen aannemen is gevaar-
lijk; twee dagen later komt men met allerlei
verzoeken aan. Onverwachte en onvoorziene
weldaden jagen ons dikwerf op kosten en komen
ons ten slotte duur te staan. Vrienden van dat
soort naderen ons door loopgraven en omsin-
gelen ons zigzagswijze.
Algemeen gelooft men dat mannen, die voor-
spoedig opklimmen in bedieningen, welke ver-
trouwen of invloed schenken, zelfzuchtig zijn,
en dat dit hooger en hooger stijgen hun levens-
doel is. Dit moge dikwerf het geval wezen, niet
-ocr page 103-
Zelfzucht.                                 69
altijd is het waai\'. Van gelukzoekers, die op
geen verleden kunnen bogen en zonder geschikt
heid of familie-afkomst er naar streven hooger
op te gaan, mag men billijkerwijze aannemen,
dat zij zichzelven zoeken. Het gebeurt echter
dikwerf, dat iemands geheele toekomst afhangt
van den eersten stap, dien hij doet en tot dien
stap besluit hij volstrekt niet uit zelfzucht, maar
uit louter plichtbesef, al is het ook met tegen-
zin. Iemand neemt dienst in een regiment dat
moet oprukken, en wordt naar \'t buitenland
gezonden; na vele jaren krijgsdienst in het berg-
land van Indië keert hij naar huis, om weer
onverwachts te moeten vechten tegen Zoeloes
of Transvaalsche Boers. Zijne oversten worden
weggerukt door de koorts of sneuvelen in den
slag. Aan hem nu de taak het regiment in \'t
vuur te brengen, en tot loon voor zijne dien-
sten wordt hij opperbevelhebber. Niemand zal
dien man van eerzucht betichten. Hetzelfde
geldt van de balie, het parlement en van andere
-ocr page 104-
70                                 Zelfzucht.
bedieningen. Het is wel mogelijk dat zulk een
man zichzelven heeft gezocht, doch \'t kan ook
wezen, dat hij volgens geweten alleen zijn plicht
doen en het vaderland met al zijne krachten
dienen wilde. Zij, die in welke bediening ook,
zichzelven tot doel stellen, doen gewoonlijk noch
\'t een noch \'t ander. Zij krijgen groote beloo-
ningen voor geringe diensten en worden meer
gekend aan hetgeen zij voor zichzelven winnen
dan aan hetgeen zij voor het welzijn van anderen
verrichten. Het geluk heeft hun gediend, doch
voor de welvaart huns vaderlands hebben zij
niets gedaan.
Heden ten dage verlangt men, dat iedereen
hetzij in letterkunde of wetenschap, hetzij in
persoonlijke verdiensten naar den hoogsten graad
van beschaving streve en men meent dat hier
geen zelfzucht in \'t spel is. Maar de bepaling
der hoovaardij luidt: een ongeregeld verlangen
naar eigen volkomenheid. Misschien wordt er
meer zelfzucht gevonden bij wetenschappelijk
-ocr page 105-
Zelfzucht.                                 71
ontwikkelden dan bij andere personen. Die ge-
leerden vormen aanstonds afgezonderde partijen,
die. men genootschappen van wederzijdsche be-
wondering zon kunnen noemen. Niemand is
lichtgeraakter, scherper en ijverzuchtiger dan
zij die hun naam aan uitvindingen verbinden
of dien op het spel zetten door het ondernemen
van ontdekkingsreizen, of\' hun naam vereenzeb
vigen met critische en metaphysische beschou-
wingen. Hunne wijze van strijdvoeren is ver-
delgen; zij vragen noch geven kwartier. Worden
hunne ontdekkingen niet nieuw bevonden, is
hunne uitvinding reeds bekend, het leven heeft
voor hen zijne aantrekkelijkheid verloren. Zij
hebben geen raisou d\'être, geen reden van
bestaan meer. Wat geven zij nog om het
leven, als wij niet afstammen van apen of de
oorsprong des levens niet in den Bathybius 53)
te zoeken is, of als wij werkelijk een wil be-
zitten, veel meer als de stof niet denkt en nog
erger, de menschen een ziel hebben? Uit wat
-ocr page 106-
72                                 Zelfzucht,
de wetenschap betreft, maar omtrent persoon-
lij ke beschaving geldt de vraag: kan iemands
beschaving te ver gaan? Inderdaad kan niemand
zich te veel volmaken in naastenliefde, nederig-
heid, zelfverzaking en onbaatzuchtigheid. Hoe
meer hij zich daarin oefent, des te minder blijft
er van het „ik" in hem. In dat geval streeft
hij naar beschaving niet uit zelfzucht, maar uit
plicht en uit een gevoel van schaamte over
hetgeen er minder edels in hem gevonden wordt.
Zichzelven bewonderen en boven anderen ver-
heffen zal voor zulk een man een zedelijke
onmogelijkheid zijn, omdat hij zich nooit in-
beeldt, zoo hoog te staan als anderen en altijd
gelooft dat anderen beter zijn dan hij. Hier is
geen sprake van het „ik". Het kan echter ook
gebeuren, dat iemand met de inspanning van
een Brahmaan naar volmaaktheid streeft en zich
toch al verder en verder van nederigheid, naas-
tenliefde en zelfverloochening verwijdert en dage-
lijks meer ingenomen wordt met zijn eigen vol-
-ocr page 107-
Zelfzucht.                                 73
maaktheid, nauwlettender op de gebreken van
anderen en zich meer en meer inbeeldt voor-
treffelijk te zijn; die volmaaktheid is zelfbeha-
gelijk, menschelijk en farizeesch. Wij noemen
dit zelfvergoding.
Tegenwoordig tiert er onder ons een nieuwe
en gevaarlijke soort van zelfzucht; zij bestaat
in een verfijnden smaak voor kunst en schoon-
heid. Zij is aantrekkelijk en betooverend, over-
dreven gevoelig en zinnelijk, week en toegeeflijk
voor zichzelve. Zij openbaart zich in phantas-
tische kleeding, uitgezochte manieren, kostbare
meubels, in keur van spijzen en dranken; men
richt het leven zoo gemakkelijk mogelijk in;
vermijdt alles wat moeite kost; van zelfopoffe-
ring en zelfverzaking wil men niet hooren. Der-
gelijke personen leven onder huns gelijken met
een verfijnde hardheid van gemoed en een steenen
eigenliefde; zij doen zich evenals de goden van
Epicurus 54) te goed aan het ambrozijn, terwijl
de dood over de stervelingen zijn scepter zwaait.
-ocr page 108-
74                              Zelfzucht.
Nog één voorbeeld van zelfzucht. Er zijn er,
die hun leven laten wegvloeien in tranen van
medelij met zichzelven. Alles loopt hun tegen;
een ieder stelt hen teleur; iedereen is onrecht"
vaardig; iedereen is wreed. Niemand voelt met
hen. Zij worden in de wereld niet gewaardeerd;
thuis nog minder, en wat het ergst van alles
is, zij lijden zoo onder de zonderlinge wijze,
waarop naaste verwanten en oude vrienden het
hun aan gewoon meegevoel laten ontbreken.
Komt het bij zulke jammeraars nooit op, dat
zij bij zooveel behoefte aan meegevoel, zelven
een weinig daarvan aan anderen moeten betoo-
nen, en dat zij niets gevende, ook niet bespeu-
ren, hoe hun zelfzucht zóó ontwikkeld is, dat
deze alles, ook haar eigen bestaan, voor hen
verbergt? Indien zij zichzelven een etmaal
konden vergeten, de booze geest zou bezworen
zijn.
Hoe zeldzaam en schoon is het zichzelf ver-
geten, der armen, eenvoudigen en oprechten van
-ocr page 109-
Zelfzucht.
harte, die om zich heen zien zonder aan hun
eigen „ik" te denken, die doen wat rechtvaar-
dig is, omdat het rechtvaardig is en zich min-
zaam betoonen uit minzaamheid, wetende; wat
al kommer en leed in hunne omgeving wordt
uitgestaan, — die in stilte hun eigen lijden
dragen, God dankend, dat het niet grooter en
zwaarder is, en die bij de plichten van den
dag en alle hulpbehoevenden belangloos dienend,
elke gedachte aan zichzelven verliezen!
-ocr page 110-
Gesnap.
oor de edelste dingen \'t dorperste ge-
bruik. Zoo is het bijvoorbeeld een
hard lot, dat het goedige woord G o s-
s i p r e d, — peter- of meterschap — ondergaat
van een der grootste maatschappelijke ondeugden
te moeten uitdrukken. Zoozeer toch als men
het gemoedelijk gebabbel van peters en meters
bij kandeel en taartjes eerbiedigt, zooveel moord-
dadigs ligt er in maatschappelijken beuzelpraat.
\'t Zal wel zijn, dat bij een doopmaal nogal
eens aardig wat praatjes losgelaten, en heel
wat liefderijke verwachtingen worden uitge-
sproken: moge de jongen beter zijn dan zijn
vader, als \'t meisje maar draaglijker is dan de
moeder. Dit mengsel van kwaadsprekerij en
-ocr page 111-
Gesnap.
77
voorspellerij is de erfzonde van alle beuzelpraat,
en die erfzonde is met verbazende vruchtbaar-
heid overgegaan op alle talen en stammen der
Christenheid.
In het rijk van den beuzelpraat is veel ver-
scheidenheid. Op de eerste plaats hebben wij
den onnoozelen praatvaar, goedmoedig maar
licht van hoofd, die over menschen van allerlei
soort eeuwig doorleutert, niet onvriendelijk,
maar als een ratelkous of een kip zonder kop.
Spreek hem niet van wetenschap, letteren,
historie; hij weet er geen tittel of jota van;
spreek hem niet over zaken in \'t algemeen, hij
slaat er acht geen op; al zijn praten loopt over
personen. Wat deze heeft gedaan, doet, van plan
is te doen, zou willen doen, zal gaan doen;
wat gene heeft gezegd of zegt en zoo voorts in
alle tijden en wijzen; hoe Mr. Gladstone als
supralapsarius •\'••\'•) of strenge Calvinist in het
Parlement getreden, thans echter tot de partij
der Sociaal-Democraten is overgegaan ; hoe geen
-ocr page 112-
7.S                                   Gesnap.
hertogin van Sutherland in haar linnenkast ooit
minder dan 144 zakdoeken zou willen hebhen,
van welke ieder vijf en twintig guinjes r,(i) kost;
dat Sir Wilfrid Lawson •"•\') in zijn jeugd Domi-
nicaan wilde worden, maar weggezonden werd,
omdat hij aan den drank verslaafd en met aan-
stekelijke zwaarmoedigheid behept was. Zulke
ratelkousen zijn echter evenzeer zonder valsch-
en boosheid als gezond verstand om te onder-
scheiden , wat er bij menschen en zaken ge-
loofwaardig, waarschijnlijk of mogelijk is. Niets
komt hun ongelegen. Babbelen moeten zij; \'t
is hunne tweede natuur. Hebben zij iets te
zeggen, zij zullen het zeggen, weten zij niets
te zeggen, om \'t even, zij gonzen maar vrien-
delijk voort, sicut chimaera bombinans
in vacuo, goedmoedige, gonzende schepsels,
de bromvliegen van het gezellig leven.
Op dezen volgt de gedachtelooze snapper.
Met even weinig besef\' van hetgeen met tijd,
plaatsen en personen overeenkomt als van
-ocr page 113-
Gesnap.                                      7!>
kleuren in de duisternis, herhaalt hij voor een
ieder, dien hij ontmoet, al wat hij vernomen
heeft. Wat deze of\' gene hem vertelde, vertelt
hij aan iedereen over, meestal aan den persoon,
die dat het minst moet hooren en er \'t meest
in betrokken is. Deze onnadenkende babbelaar
is een volwassen enfant terrible - een soort
van „pétroleur" of „pétroleuse" in ruimer zin;
hij besprenkelt de lieden met petroleum, meenem
de, dat zij zoo onschadelijk is als slaolie. Deze
onnoozele snappers hebben zelfs de ondeugd der
nieuwsgierigheid niet. Zij zijn zoo onmachtig
de blijvende of voorbijgaande betrekking en
verhouding der dingen waar te nemen, dat hunne
nieuwsgierigheid niet wordt opgewekt, en zij
zelf onbewust blijven, van welke ontploffingen,
aardbevingen en branden zij dagelijks in de
burgerlijke maatschappij oorzaak zijn. De wet
tegen brandstichting moest ook op deze on-
nadenkende brandstichters worden toegepast.
Hunne eenige verdediging voor het gerecht luidt:
-ocr page 114-
80                                  Gesnap.
„Wie had ooit gedacht, dat de man dien ik in
den trein ontmoette, van die misdaad beschuldigd
of door dat ongeluk getroffen was, waarvan ik
hem verhaalde? Ik wist niet eens, wie hij was!"
Na de opgenoemde babbelaars komt de babbe-
laar van beroep. In de koffiehuizen is dit soort
wel bekend. Hij kent iedereen; hij staat op
bijzonder vertrouwelij ken voet met de personen,
over wie gij juist spreekt; gisteren nog zag hij
hen, morgen gaat hij bij hen dineeren om eene
ontmoeting te hebben met den Russischen ge-
zant. Met namen en titels licht hij de hand:
die personen zijn immers zijne vrienden, be-
schermelingen, patiënten, penitenten: Lords,
leden van het Hooger- en Lagerhuis, en helden
van den dag. Deze allen raadplegen hem, ver-
tellen hem alles, doen niets zonder hem. Den
vorigen nacht werd hij na twaalf uur per tele-
gram naar Hawarden Castle r,a) bij Gladstone
of naar Alnwick r\'9) bij den Hertog van Nort-
humberland ontboden, maar hij kon niet gaan,
-ocr page 115-
Gesnap.                                81
wijl men hem in «Ie residentie, in „Buckingham-
Palace" G0) verwachtte. Hij kent alle wetsontwer-
pen, die zullen worden ingediend, wanneer het
Parlement weer bijeenkomt, en weet hoevelen er
tot leden van het Engelsch Hoogerhuis zullen ver-
heven worden om die wetten er door te krijgen,
en wie dat zullen zijn. Er ontbreekt maar één
zaak aan: de voorspellingen van die babbelaars
komen nooit uit, en wat er van hunne geheim-
zinnige mededeelingen waar is, is niet nieuw en
wat nieuw is, is niet waar. Zij komen er eiken
dag kaal af; doch hebben dit van romans: \'t is
eene aangename opwekking van het oogenblik.
Deze snappers zijn niet kwaadaardig. Zij staan
te goed met zichzelven om kwade bedoelingen
te hebben. Zonder kwaad inzicht zaaien zij
tweedracht, hebben zelfs nu en dan een twee-
gevecht op hun rekening, maar maken dat alles
weer goed door zich te „executeeren", wat hun
niets kost en drijven daarna de oude zaak met
een nieuw kapitaal.
-ocr page 116-
H2                                  Gesnap.
Doch het rijk van het gesnap heeft evenals
de Hel van Dantk, nog dieper kringen welke
minder onschadelijk zijn. Dieper dalend ont-
moeten wij allereerst den boosaardigen beuzel-
praat. Van deze soort zijn er twee verschijnin-
gen, — mannen, die den goeden naam van
anderen dooden; vrouwen, die er vitriool over
werpen. Deze wezens hebben ooren, die altijd
openstaan om alles wat er kwaads gezegd wordt
in de wereld naar waarheid of in logen op te
vangen. Hun ooren staan in de duisternis uit als
de netten van vogelaars bij nacht; niets ontsnapt
hun. Zijt gij tien minuten met hen in grooter
gezelschap, dan ziet gij de torn in ieders jas en
de kreuk in ieder vrouwenhumeur. Zooals een
spons water inzuigt, zoo zuigen deze booze
babbelaars, uit aangeboren verwantschap, alle
booze praatjes in. Zij hebben een laboratorium
in hun hersens en een scheikundig zuur waar-
meê alles wat kwaadaardig is onmiddellijk wordt
ontdekt en afgetrokken voor gebruik in gecon-
-ocr page 117-
Gesnap.                                   88
centreerden vorm. Zulke mannen zijn moor-
denaars; want voor een goed man en vooreen
man van eer is een reine naam dierder dan
het leven. Zulke vrouwen zijn „vitrioleuses" bin-
nenshuis, nog schuldiger dan de mannelijke
kwaadaardigen, want de natuur der vrouw is
barmhartigheid, teederheid, medelijden. De ver-
dorvenheid harer natuur is daarom dieper.
Er blijft nog één soort babbelaars over, name-
lijk de leugenachtige. Wij spreken over hen
op de laatste plaats, niet omdat zij noodzakelijk
slechter zijn dan de anderen, maar omdat zij
grooter verwoestingen aanrichten en met of
tegen hun wil den kwaadaardigen babbelaars
wapenen en vitriool leveren; want zij liegen
niet altijd met voorbedachten rade en zijn zich
dikwerf niet bewust, dat zij liegen. Zij hebben
wijd openstaande ooren, „eene jokerige tong" nl)
en een verward hoofd. Nooit weten zij zeker,
wat zij hooren en vertellen het nooit nauwkeu-
rig over. Zij vergrooten en vermenigvuldigen,
Mannixo, Tjjdverdrijt                                                    8
-ocr page 118-
84                                   Gesnap.
zij spannen het paard achter den wagen, keeren
alles het onderstboven, eerst in hun hersens en
vervolgens in hunne historieties. Zij zouden
willens en wetens de waarheid niet verdraaien
en geen kwaad brouwen, maar in werkelijkheid
stichten zij heel hun leven door onheil van klei-
ner of grooter omvang. Valsch zijn zij niet,
immers zij hebben de bedoeling niet te liegen;
toch zijn zij onwaar, want van alles wat zij
zeggen, is een groot gedeelte bezijden de waar-
heid. Ondanks al hunne goede bedoelingen zijn
zij gevaarlijk in gezelschappen en als vrienden
nog gevaarlijker.
Er is nog een ander soort logenachtige bab-
belaars. Deze weten maar al te goed, dat zij
verzinnen, verdraaien, overdrijven en heimelijk
hunne eigene beschouwingen en verkeerde uit-
leggingen in de plaats stellen van een andermans
woorden en daden. De Italianen noemen iemand
van dat slag eenuomofinto, een geveinsde. Hij
is een levend verdichtsel, en al wat hij aan-
-ocr page 119-
Gesnap.                                85
roeit, wordt iti verdichtsel omgezet evenals
hetgeen Midas aanraakte in goud veranderde.
Hij bekreunt zich om goeden naam. gevoel noch
waardigheid van anderen; hij zelf mist immers
dit alles; ternauwernood is hij zich bewust van
het leed, dat hij veroorzaakt, niettemin zou hij
dat leed veroorzaken, al kon hij zelf het voe-
len, want bij hem ontmoeten de boosaardige en
de leugenachtige snapachtigheid elkander in één
en hetzelfde brein — en zeker, dat brein wordt
gefolterd. Quisque suos patimur ma nes —
ieder is zijn eigen geesel r>,i).
-ocr page 120-
De vierde stand.
^pin||olgens Samuel Taylor Coleridge os)
vy*il ^10U(^ pPn schilderij het midden tus-
liisl( schen een gedachte en een ding. Het
eerste is het niet, omdat het kan gezien wor-
den; het laatste evenmin, want behalve het
samenstel van lijnen, licht en kleuren, heeft
het geen werkelijk bestaan. Zoo mogen wij
ook van een courant zeggen: zij houdt het
midden tusschen een stem en een boek. Een
stem is \'t niet, want zij spreekt niet tot het
oor; ook is \'t geen boek, \'t is maar een vel
of blad, hetwelk eiken dag of wekelijks wijd
en zijd wordt verzonden. Wie een boek schrijft
studeert lang, wikt en weegt, schrijft, neemt
het geschrevene weer op, laat de beschreven
-ocr page 121-
Do vierde stand.                        87
bladen tot een stapel aanwassen, en zoo komt
zijn werk gereed. Het gaat ter perse en de
schrijver mag van geluk spreken, wanneer er
duizend exemplaren verkocht worden. Velen
koopen het en slaan er geen oog in; menigeen
begint het te lezen en komt niet over de helft;
velen lezen het zonder het te verstaan. Eng
is de kring, waarin een boek zich beweegt; zijn
lot is op de boekenplank staan, bestoven en ver-
geten worden. Maar een „blad" klopt eiken mor-
gen of eiken Zaterdag aan de deur. Het is zoo
klein, de nietsdoener wil het lezen, — zoo dui-
delijk, de simpelste heeft er geen moeite mee.
Het richt tot duizenden te gelijk het woord.
De menschen lezen het louter uit nieuwsgierig-
heid en spreken enkel uit verveling van hetgeen
daarin staat. De courant denkt voor de lezers
en deze komen er weer mee voor den dag aan
de ontbijttafel en aan \'t middag- en avondmaal.
Zoo wordt het blad stem en weerklinkt wijd
en zijd. Er bestaat in deze negentiende eeuw
-ocr page 122-
88                         De vierde stand.
geen sneller, meer rechtstreeksch, duidelijker en
zekerder middel om tot de menschen te spreken
dan door een nieuwsblad. Boeken bewegen zich
langzaam in een engen kring, buiten het kerk-
gebouw of de leeszaal kan men de stemmen niet
meer hooren; een courant spreekt daarentegen
overal, waarheen zij drijft over de zee of vliegt
over de post. „Het ding wordt een bazuin". Het
komt het meest de levende stern nabij, die „alge-
meen" heet. Na de stem der Kerk komt de stem
of liever de stemmen van de dagbladpers. Zij
maken geraas, klinken wanluidend, tartend, echt
wereldsch, verderfelijk en dikwerf goddeloos.
Waar Cicero den redenaar beschrijft, geeft hij
ons het beeld eens mans van alzijdige vorming
en beschaving. Iemand heeft van een Lord-
kanselier, een groot redenaar der voorgaande
eeuw gezegd: „Had hij een weinigje rechts-
geleerdheid gekend dan zou hij van alles iets
geweten hebben". De rector van een universi-
teitscollege vertelt ons, dat van zekere studies
-ocr page 123-
De vierde stand.                           80
in Oxford hot hoogsto voortbrengsel is: „een
redacteur". Onder de sehuts van eene naam-
looze pers onderrichten zulke autoriteiten het
publiek over alles, wat met zijne hoogste be-
langen in verband staat, en doen dat op een
beslisten en aanmatigenden toon die geëven-
redigd is aan hun eigene onbekendheid met het
onderwerp, waarover zij licht willen versprei-
den. — „In de colleges van Oxford", zeide de
rector, „wordt nu volmaakt de kunst geleerd
een hoofdartikel te schrijven". Non meus hic
sermo. Niet ik ben het, die dit zegt. Alleen
het hoofd van een college van Oxford kon zulks
schrijven zonder aan vivisectie onderworpen te
worden. Een redacteur kan dus ondanks zijne
onwetendheid, met de majesteit van den donder-
god Jupiter leerstellig optreden en boosaardig als
een Whitehead-torpedo G1) een vernietigende cri-
tiek oefenen. Wij geven de voorkeur aan Cicero\'s
beschrijving van een redenaar of zelfs aan het
boosaardig portret van Lord Brouoham °5).
-ocr page 124-
00                           De vierde stand.
De taak van een Redacteur is waarlijk zwaar,
en zijn zedelijke plichten zijn hoog ernstig. Zijn
ambt is eerder dat van een heerscher of rech-
ter dan van een schrijver of professor. Het
blijkt onmogelijk, dat iemand alle onderwerpen
waarmede een nieuwsblad gevuld wordt, mees-
ter is. Whewkll 0,i) kon over zeer vele dingen
schrijven: te beginnen met de wijsbegeerte der
inductieve wetenschappen tot een geschiedenis
van Chineesche muziek; maar in de „Times"
van morgen zullen zulke uiteenloopende onder-
werpen behandeld worden, dat niemand durft
beweren ze te kennen. Boekenwijsheid is niet
voldoende. In aanraking komen met het wer-
kelijk leven, menschenkennis, met opmerkzaam-
heid den loop der gebeurtenissen volgen, de gave
om over de teekenen, die zich aan den politie-
ken gezichtseinder vertoonen, juist te oordeelen,
dit alles is noodzakelijk, wil iemand voor zijne
tijdgenooten denken, wil hij spreken tot hen, die
voor zichzelven niet denken kunnen.
-ocr page 125-
Do vierde .stand.
\'.tl
Een Redacteur moet daarenboven de onpar-
tijdigheid eens rechters bezitten en dit des te
eerder, omdat hij zooals de goden bij Homerus
uit een wolk spreekt. Schrijven zonder zijn
naam te teekenen is een gevaarlijk bedrijf.
Weinigen kunnen der bekoring weerstaan achter
het masker der anonimiteit dingen te schrijven,
die zij met open vizier niet zouden zeggen. Het
is misschien noodzakelijk dat er een of ander
naamlooze en „onzichtbare" rechter op een
rechterstoel zit om te waken over de minora
moralia, de kleinere zedelijke toestanden des
levens, waarvan de wetgevende macht en de
gerechtshoven van Westminster geen kennis
nemen, omdat deze de rechtsmacht bezwaarlijk
daarover kunnen uitstrekken; maar zulk een
onzichtbare rechterstoel is gevaarlijk en kan
een geheim genootschap worden, dat moorde-
naars uitzendt om anderen van kant te helpen.
Indien een Redacteur niet eerlijk, rechtvaardig
en toegevend is, kan hij licht er toe overgaan
-ocr page 126-
02                           De vierde stand.
de wetten der naastenliefde en rechtvaardigheid
te schenden en het heiligdom van het bijzonder
leven binnen te dringen. De hongerige trek
naar ijdel gesnap over personen, dat zulke
groote verwoestingen aanricht in de maat-
schappij , is ook over onze Pers gekomen: een
onfeilbaar teeken, dat er een slechter toon
onder de lezers heerscht. Niemand toch zou
schrijven, wat niemand lezen zou; de navraag
bekoort tot aanbod en het aanbod verwekt weer
dorst naar verdere lastertaal.
Maar nog een andere hoedanigheid eens rech-
ters moet in een Redacteur aanwezig zijn. Van
een staatsman onzer dagen is gezegd, dat zijn
geest met den snuit des olifants mocht ver-
geleken worden: hij kon boomen ontwortelen
en een speld van den grond opnemen. Een
Redacteur heeft te oordeelen over de betrekke-
lijke grootte en betrekkelijke waarde van arti-
kelen, brieven en critische verhandelingen, en
al die hersenvruehten zijn zoo dierbaar aan hare
-ocr page 127-
De vierde stand.                           93
schrijvers als, volgens Akistoteles , kinderen
aan hunne ouders, en wij mogen er bijvoegen,
dikwerf dierbaar naarmate zij leelijk en gebrek-
keiijk zijn. Zooals verhaald wordt, had de
H. Franciscus van Sales zulk eene innemende
manier om een verzoek af te wijzen, dat
men meer voldoening ondervond, wanneer hij
het weigerde dan wanneer hij het inwilligde.
Dit was den lieden juist naar den zin. Onge-
twijfeld is de H. Franciscus van Sales nooit
Redacteur van een courant geweest en heeft
nooit met teleurgestelde schrijvers te doen gehad.
Wij gaan nu van redacteurs op de lezers over.
Wat een dagbladlezer is valt moeielijk te zeg-
gen, want er zijn zoovele soorten van lezers
als van visschen — van den haai tot den inkt-
visch — octopus. — Wij kunnen ze voor-
eerst verdeelen naar den smaak. Velen zijn er
bijvoorbeeld, die als met razenden honger alles
lezen behalve de advertenties. Anderen staren
op de advertenties en slaan al het andere met
-ocr page 128-
94                            De vierde stand.
minachting over. De geldmannen lezen enkel het
City-artikel en weten niet wat Dulcigno 67) is;
anderen verdiepen zich in de politie-berichten,
voor hen de hoofdgebeurtenissen van den tijd.
Eenigen lezen en gelooven onverstandig al wat
„onze eigene correspondenten" schrijven, vooral
de „berichten uit Rome". Deze klas van lezers
is echter niet talrijk; zij bestaat hoofdzakelijk
uit oudere dames en uitleggers van de Apoca-
lypsis. Bij gebrek aan nieuwe romans halen
anderen hun hart op aan gerechtelijke onder-
zoekingen door de lijkschouwers ingesteld. Hier
schiet ons te binnen, hoe een onervaren jonk-
man , die Lord Stowell ijverig het laatste staat-
kundig nieuws voorlas, onderbroken werd door
de vraag: „Kunt gij geen üinken moord voor
mij vinden?" Menig lezer spelt de courant uit;
hij koopt de Times te Euston Square 08) vóór
zijn vertrek naar Inverness 0I\') en den volgen-
den morgen bij den dageraad kunt gij hem nog
lezend vinden. Een ander soort lezers verkeert
-ocr page 129-
95
De vierde stand.
alleen met de groote geesten van den Olymp,
die ons uit de hoofdartikelen tegenademen; een
talrijke klasse eindelijk verkneutert zich in de
uiterste verhorgenheden van persoonlijke schan-
dalen en in alles wat maar tegen de Christelijke
liefde aandruischt.
Ook kan men de lezers verdeelen volgens
hunne oordeelskracht. Velen gelooven alles wat
hun nieuwspapier vertelt, en anderen om te
toonen, dat zij uitmunten in schranderheid,
gelooven er geen jota van.
De eersten hehooren tot een talrijke en bemin-
nelijke klas , die, naar wij vreezen , aan het
uitsterven is. — „Hoe kunt ge daaraan twijfe-
len ? Ik heb het in de courant gelezen". Het
was een vredelievend geslacht, dat op verren
afstand leefde van den strijd tusschen waarheid
en logen, tusschen werkelijkheid en verdichting.
Wat was er hun ook aan gelegen? Was het
zoo dan was het zoo; was het anders dan was
het anders, en hun dagelijksch leven bleef het-
-ocr page 130-
96                         De vierde stand.
zelfde. Dergelijke lezers worden nog vooral op
het platte land gevonden. De aarde wentelt
zich dagelijks om hare as, en zij draaien mee;
zij voelen de beweging niet en meenen daarom,
dat de aarde stilstaat.
De andere klas is niet zoo gelukkig. Bepaalt
de H. Augustinüs het geloof\' te recht als pium
crexlulitatis affectum, — vrome stemming
om te gelooven — dan moet de voorname
ongeloovigheid van hen die weten, dat de
nieuwsbladen altoos dwalen, wel bij uitstek
goddeloos zijn en hun stellig de gemoedsrust
ontnemen. Zulke lezers verliezen inderdaad
heel het stille genot over hun courant gebogen
een dut te doen. Zij kunnen er niet eens rus-
tig bij gaan zitten en honig zuigen uit hare
argelooze verdichtsels. Het geldt hun een vraag
op leven of dood; zij gonzen en steken als
muggen, en zenden het heele korps der dag-
bladpers, van den bekwamen Redacteur tot de
vouwere toe, naar het voorgeborchte der idioten.
-ocr page 131-
De vierde stand.
!»7
Deze bovenmatige! oordeelskracht is een ongeluk
voor wie ::e bezitten. Zij berooft hen van vele
stralende en geruststellende visioenen, die de
geprikkelde hersenzenuwen temperen en ten
slotte even waar zijn als de meeste telegram-
men, welke nu de wereld regeeren. Wanneer
wij baron Reuter 70) den grooten verleider
noemen, die het menschdom gebracht heeft tot
het ergelijk ongeloof ten opzichte van alles wat
de nieuwsbladen vertellen, dan versta men ons
zóó, dat wij oogenblikkolijk tot herstel van eer
bereid zijn, ingeval de baron een wezen is van
vleesch en been; wij willen ons geen proces
om persoonlijke beleediging op den hals halen.
Wij houden den baron voor eene verdichte per-
soonlijkheid: den god Pan 7\') der couranten-
wereld, den god die tegelijkertijd overal en ner-
gens is, zoo veranderlijk als Proteus ) en
evenmin als deze aan de waarheid gebonden.
Gedurende den Russisch-Turkschen oorlog droe-
gen Reuters telegrammen de plaatsnamen van
-ocr page 132-
98
De vierde stand.
alle punten der twee krijgskundige stellingen.
In werkelijkheid kwamen zij alle uit Weenen.
Zij waren alle eensluidend, maar den volgenden
dag verschenen zij in de verschillende bladen
met de kleuren der twee partijen, d. i. zoowel
van hen die het met den Rus als van hen, die
het met den Turk hielden — frontibus ad-
vers is pugnantia \'*). — Zij waren namelijk
zoo gewijzigd, dat zij het gehemelte konden
streelen van de onderscheidene lezers.
En hier roeren wij een gevoelig puntje aan
van de dagbladpers. Niet het aanbod is het
dat de navraag, maar de navraag is het, die
het aanbod wekt. Daaruit blijkt, dat ten minste
een Eedacteur vele meesters dient, \'t Is al erg
genoeg twee heeren te dienen. Wee hem, die
den zin van velen moet doen! Schotelt hij niet
op naar hun smaak, hunne denkwijze, nieuws-
gierigheid, luimen, dan kunnen zij hem uithon-
geren. Verbeeld u graaf Ugolino74) verhongerend
in de kamer van een Redacteur. Het schijnt
-ocr page 133-
De vierde stand.                           90
ons derhalve toe dat een courantenlezer een
vreeselijke meester is over leven en dood; hij
gelijkt den huisjesmelkers in Edinburgh, die
het recht hadden op de binnenplaats van ieder
erf een galg op te richten.
Mas.ni.no, Tijdverdrijf.
-ocr page 134-
Over eritiei.
en criticus is een rechter en nog meer:
een rechter, die beter weet dan de
schrijver, hoe deze zijn boek had moe-
ten schrijven, beter dan de kunstenaar, hoe
deze het schilderij had te malen, beter dan de
toondichter, hoedanig zijn muziekstuk eigenlijk
had moeten wezen, beter dan de predikant, hoe
de preek had moeten ingericht zijn, beter dan
de Lordkanselier, hoe diens uitspraak van rechts-
wege had moeten luiden, beter dan Sir Frede-
rik Roberts 75) hoe Ayoob Chan 7b) moest ver-
volgd worden, en beter dan het heele ministe-
rie, hoe Ierland te regeeren en veel beter dan
de Paus, hoe het toevertrouwde pand des geloofs
te bewaren. Ongetwijfeld veronderstelt dat een
-ocr page 135-
Over critici.                              101
hoogen graad van intellectueele vorming, een
veelzijdig genie en een ongewone kunde en
ervarenheid in alle vraagstukken van weten-
schappelijken en zedelijken aard. Maar dit alles
is den echten criticus om het even. Hij geraakt
nooit in verlegenheid, laat nooit den moed zin-
ken. Heeft hij ongelijk, het schaadt hem niet:
hij critiseert immers zonder zijn naam te tee-
kenen. Soms is zijn bedrijf inderdaad gevaar-
lijk. Een schrijver, welbekend door zijn over-
vloed van vroegrijpen letterarbeid, waarin een
„lijst van aangehaalde schrijvers" voorkomt,
bijna zoo lang als de cataloog der Alexandrijn^
sche boekerij 77), werd eens op een diné ge-
vraagd, waar hij een uitgelezen gezelschap van
vakgeleerden aantrof, wier terrein hij zonder
verlof had afgejaagd. Die geleerden hadden
tegen hem samengezworen en begonnen met
voorbedachte boosaardigheid met hem te rede-
twisten. De een na den ander plukte en plukte
onzen criticus, totdat er van hem niets over
-ocr page 136-
102
Over critici.
bleef dan de mensen van Plato — anima!
bipes implume 78).
Addison 7!\') zegt ergens in de „Spectator":
wie anderen belachelijk zoekt te maken, meent
dat hij boven hen staat. Wie over iemand een
oordeel velt, beweert zijn meerdere te zijn. Men
kan dit somtijds verontschuldigen, bij voorbeeld,
toen de schoenmaker aan den schilder Titiaan a0)
zeide: dat deze op den schoen van een Doge
van Venetië een verkeerden naad had gebracht.
Niet altijd is dit echter te rechtvaardigen, bij
voorbeeld bij hen, die het godsbestuur over de
wereld beoordeelen. In zijne „Analogy" zegt
Butler 8I) op zachten toon tot die rechters:
indien gij het heele stelsel aller dingen en de
reden van hun bestaan, en het doel, waartoe
al die dingen geschapen werden kent, dan moogt
gij misschien van een ander gevoelen zijn.
Eenige welwillende beoordeelaars slaan hun
leven lang de karakters en den handel en wan-
del hunner omgeving gade. Zij letten op elk
-ocr page 137-
Over critici.                              103
woord, eiken toon en ieder gebaar, strijken een
afdoend en niet malsch vonnis over alles, wat
wij doen en verzuimen te doen, om \'t even
wat: doen wij iets, wij hadden \'t niet moeten
doen, laten wij iets ongedaan, wij hadden het
moeten doen. Zonder twijfel hebben die rechters
een doel en een plaats in de schepping. Socrates
zeide aan de Atheners, dat hij hunne „bremze"
was. In elke stad vindt wellicht zulk een
bremze haar plaats, doch hoe nuttig zij ook
zijn moge, in een familie is zij allesbehalve een
prettige huisgenoote. Menschen van dat slag
zouden wij kunnen noemen: critici van zedelijk
overwicht.
Er zijn ook beoordeelaars van de H. Schrift,
die heel hun leven op een bijbeltekst turen;
ieder hunner houdt zijn uitleg voor den ware,
maar geen twee uitleggingen komen met elkan-
der overeen, Een oude Engelsche schrijver verge-
lijkt deze menschen, oneerbiedig genoeg, bij een
zwerm apen, die een glimworm vonden, op dat
-ocr page 138-
104                             Over critici.
diertje „een hoop takken legden en toen om
dat hout te doen ontvlammen aan \'t blazen
gingen, totdat zij den adem kwijt waren". Dit
feit uit de natuurlijke historie zou voor hen,
die Landseer\'s 82) palet en penseel mochten ge-
ërfd hebben, een geschikt onderwerp zijn voor
de eerstvolgende tentoonstelling der koninklijke
academie; de titel kon luiden: „Doctoren in de
godgeleerdheid".
Dit doet ons aan de historische critici denken,
die de duisterste zaken tot de stelligste weten-
schappelijke zekerheid hebben opgevoerd door
doodeenvoudig er een nieuwen factor in te bren-
gen, d. i. hunne persoonlijke onfeilbaarheid. De
Katholieke Kerk, onder leiding van haar opper-
hoofd den Paus in concilie vergaderd, kent hare
eigen geschiedenis noch de juiste verklaring
harer eigene oorkonden en akten en, wat erger
is, zij wil ze niet kennen. Maar dank aan eene
goedgunstige doch langzaam werkende voorzie-
nigheid heeft zich de geschiedkundige weten-
-ocr page 139-
Over critici.                           105
schap ontwikkeld — zooals de kunst om uit
komkommers zonnestralen te trekken 83) — en
wekt nu de Kerk uit hare dwalingen en doet
ze herroepen. Zulke hooge geesten kan men
noemen en vereeren met den titel: opperpries-
ters in het rijk der critiek.
Maar wij hooren de waarschuwing: ontwijdt
toch die verhevene, ontzagwekkende waardig-
heidbekleeders door geen nauwkeuriger ont-
leding. Wij zullen daarom nog drie regels
vaststellen, eerder voor het gezond verstand dan
voor de critiek bestemd. Een beoordeelaar weet
of meer dan de schrijver, dien hij oordeelt, of
evenveel, of althans iets minder.
Wat de eerste klasse betreft, kan er ten
opzichte van den waren senaat van geleerde,
geduldige, denkende, ernstige en welmeenende
critici geen sprake zijn van majesteitsschennis.
Zij zijn onze wetenschappelijke geneesheeren,
die de ziekten van ons, gewone stervelingen,
genezen. Wij laten ons gewillig door hen be-
-ocr page 140-
106                          Over critici.
handelen en in de veelvuldige heelkundige be-
werking, die wij moeten ondergaan, leeren wij
altijd iets nieuws. Is de heelmeester ook wat
hardhandig en zijn ontleedmes scherp, hij zelf
is knapper dan wij, en de smart maakt ons
wijzer en voorzichtiger en stemt ons misschien
voor de toekomst iets ernstiger. Er dreigt
inderdaad steeds een gevaar van wat men
noemt: litterarische lichtzinnigheid. Naar men
verhaalt, heeft een groot schrijver gezegd: „Als
ik een onderwerp goed wil verstaan, dan schrijf
ik er een boek over". Groote schrijvers zijn
helaas! zeldzaam en er wordt menig boek de
wereld ingezonden door hen, die het behandelde
onderwerp noch te voren noch daarna meester
zijn. De vlugheid en vaardigheid, waarmede de
drukpers werkt, heeft de wereld met onbedui-
dende en oppervlakkige boeken overstroomd. De
genees- en heelkundige critici, van wie wij boven
spraken, zijn dus weldoeners van het mensche-
lijk geslacht.
-ocr page 141-
Over critici.                              1(17
Wat nu de critici aangaat, die evenveel weten
als de schrijver, over wien zij hun oordeel uit-
spreken, zoo zou het beter voor de wereld zijn,
dat hun getal kleiner en zij zelven met hun
oordeel niet zoo haastig waren. Men gaat gewoon-
lijk van de veronderstelling uit, dat de criticus
meer weet dan de schrijvers zelven, en men
besteedt zijn tijd om de oordeelvellingen te
lezen, daar men meent, dat hij iets wetens-
waardigs aan het boek heeft toe te voegen.
Het is dus treurig als men ten slotte bevindt,
het boek stuksgewijze en in anderen druk slechts
voor de tweede maal gelezen te hebben.
Er is eindelijk een klas van beoordeelaars,
die alles aandurven. Wij bedoelen de ijzervre-
ters van de Pers, die elk oogenblik over elk
onderwerp schrijven in nieuwsbladen, magazij-
nen en periodieke geschriften. Wek zulk een
man uit zijn eersten slaap en geef hem iets te
beantwoorden of belachelijk te maken of te
vonnissen, \'t is alles voor hem om \'t even.
-ocr page 142-
108                          Over critici.
Het boek zelf geeft hem de terminologie, de
noodige inlichtingen en de aanhalingen, die hij
met eenige woordverandering weer aanhaalt.
Wij herinneren ons twee beoordeelingen van
hetzelfde werk in dezelfde week gelezen te
hebben: de eene stak de lof bazuin, vooral over
de sierlijkheid en nauwkeurigheid der classieke
vertalingen, die in dat werk voorkwamen, de
andere haalde den schrijver duchtig door: die
vertalingen waren zoo zwaar op de hand en
zoo onwetenschappelijk. Door een vriend der
classieken ondervraagd, of hij het boek gelezen
had, gaf de criticus met den zwarten bril ten
antwoord: „Neen, maar ik heb het geroken".
Dit oneerbiedig gezelschap van beoordeelaars
is te vreezen, omdat het een groot aantal
leden telt, een dik woordenboek tot zijne be-
schikking heeft, en zijn naam verzwijgt. Waar
die critici wonen, weet men niet, maar ver-
moedelijk houden zij zich op niet ver van
Lord Bacon\'s 84) „Huis der wijsheid", waarvan
-ocr page 143-
Over critici.
Kt!)
de bewoners over den drempel tredend „hunne
hand opheffen om te zegenen, terwijl hun blik
zooveel beteekent\' als: menschen, wij hebben
medelijden met u".
-ocr page 144-
Moed.
Is wij (Je bewoners van „vroolijk Enge-
land" — „Merry England" — een moe-
dig volk zouden noemen, mogen wij
niet vergeten, dat alle natiën van zich hetzelfde
beweren. Waren echter de bewoners van „vroo-
lijk Engeland" geen moedig volk, reeds lang
had het opgehouden blijgeestig te zijn. Volgens
Herodotus 8s) ontbrak den Mysiërs80) de moed;
slechts lafaards werden door hen overwonnen.
„Een buit voor Mysiërs" was een spreekwoord
en verwijt. Of de Mysiërs een blijgeestig volk
waren, valt te betwijfelen. Maakten weelde en
verwijfde zeden hen lafhartig, dan zeker waren
zij niet blijgeestig\', want blijheid is de eigenschap
van hooge en mannelijke naturen, en alleen
-ocr page 145-
Moed.                            111
zulke naturen hebben moed. Doorkruist Midden-
Engeland en aanschouwt zijne golvende koren-
velden, zijne door volle stroomen gedrenkte wei-
landen, waar het rundvee graast en de kudde
schapen zich te goed doet, zijne groene bos-
schen, zijne fraaie steden vol bedrijvigheid en
gewoel, zijne, vredige en beschutte haardsteden,
en hebt gij oog en geest verkwikt aan deze
tooneelen van vruchtbaarheid en veilige rust,
denkt dan - aan de twee schilderijen van Land-
seer in de National Gallery 87), die het opschrift
dragen „Vrede" en „Oorlog". Onze krijt-
bergen, die rustig op de blauwe zee staren, de
groepen van lammetjes en kinderen, met bloe-
men getooid, en de roestige, vernagelde kanon-
nen verraden ons het geheim van Engelands
vroolijkheid. De brandende woning met hare
verbrijzelde vensterramen, de wijngaardranken,
kamperfoelie en rozen van de muren losgereten,
het paard dat daar in stuiptrekking ligt en de
soldaat in de schoonheid, kracht en frischheid
-ocr page 146-
112                             Moed.
van den mannelijken leeftijd gesneuveld — dat
alles op het doek gegroepeerd en saamgebracht
en als een beeld van schrik ons aanstarend,
zegt wat Midden-Engeland morgen zijn zou, in-
dien de Engelschen niet moedig waren, Wan-
neer Engeland blijgeestig werd en waarom
het den naam van „vroolijk Engeland" draagt,
valt moeielijk te zeggen. Zeker is het, dat er
in zijne geschiedenis tijdperken en lange tijd-
ruimten zijn aan te wijzen, waarin al heel
weinig redenen tot opgeruimdheid bestonden.
Er heerschte luttel blijheid zegt Caelyle 88) toen
onze Saksische voorvaderen onder de zeven
Angelsaksische 89) koninkrijken elkander tot voed-
sel van kraaien en wouwen in stukken hieuwen;
toen de Denen 90) ter plundering Theems en
Humber opvoeren, toen de „roode koning" 91)
en later koning John 92) regeerden, of toen de
oorlog der twee Rozen 93) woedde, en Hen-
deik VIII °4) op den troon zat. Wanneer begon
dan Engelands blijheid en waarom was het
-ocr page 147-
Moed.                               118
blijde? Het antwoord hierop is niet gemakkelijk
te geven.
Maar niet moeielijk is het te zeggen, wat
onze vroolijkheid knakken en onze blijgeestig-
heid versmoren zou. Men spreekt van steden
en vlakten in Duitschland, die sinds den dertig-
jarigen krijg er niet weder bovenop gekomen
zijn. De steden werden niet herbouwd, en op
de slagvelden schiet geen koren uit. Sedert
eeuwen niet meer heeft de voet des vreemde-
lings Engelands bodem geschonden. Geen vijand
kan het, als wij God en ons zelven getrouw
blijven. Verzaken wij echter een dezer twee
plichten, geen rampen zoo groot of — het schijne
onzen hoogmoed en ons zelfvertrouwen nog zoo
ongeloofelijk — zij kunnen ons treffen. Onze
getrouwheid jegens God bestaat hierin, dat wij
Hem als onzen Wetgever en hoogsten Rechter
erkennen; de getrouwheid jegens ons zelven
behoort in den moed van ons volk te bestaan.
Wat is dan moed? De Grieken hebben daar-
-ocr page 148-
114                             Moed.
voor twee woorden: het eene beteekent de vol-
komenheid aller deugden en tevens de enkele
deugd van moed
         rj «ju») —; het ander
uitsluitend de bijzondere eigenschap van moed —
ij ui/$QiLa. - Beide woorden hebben tot wor-
tel iets dat het mannelijk karakter of manne-
lijkheid aanduidt - \'«£>• De Romeinen noemden
den moed deugd — v i r t u s; — ook dit woord
heeft eene dubbele beteekenis. De eene geeft
de hoogste, persoonlijke voortreffelijkheid te
kennen, en de andere de bijzondere eigenschap
van onversaagdheid en zielskracht. Hier weder-
om ligt in \'t grondwoord het denkbeeld van man
en mannelijkheid — vir. — Maar geen dezer
uitdrukkingen is gelijkbeteekenend met ons
„courage", „moed". Zij drukken hoofdzake-
lijk uit dapperheid en onversaagdheid in oorlogs-
gevaren, of zielskracht in \'t verdragen van pijn
en smart. Dit is meer een physieke eigenschap
van onbevreesdheid, van standvastigheid, zooals
deze zich in tijden van ruwe woelingen en voort-
-ocr page 149-
Moed.                               115
durenden krijg in opperhoofden en kampvech-
ters openbaart en ontwikkelt. De wortel van
„courage" — cor — geeft aan dit woord een
dieperen en verhevener zin. \'t Is van lateren
• oorsprong en schijnt het Latijnsche ras eigen
te zijn.
De Italianen noemen het coraggio of groot-
heid van hart;
de Spanjaarden corage; de Fran-
schen courage, en van deze laatsten hebben wij,
Engelschen, het overgenomen. Het beteekent
mannelijkheid, dapperheid, onversaagdheid, on-
bevreesdheid, niet in zoover dit alles uit een
gevoel van physieke kracht of uit ongevoelig-
heid voor gevaren en smart voortkomt, maar
uit de zedelijke gewoonte van zelfbeheersching,
die met koel overleg het dreigend gevaar in heel
zijne uitgestrektheid overziet, zijne gevolgen
voor de toekomst nauwkeurig berekent en dan
toch in den plicht onwrikbaar pal staat, totdat
deze vervuld is.
Bij de Grieken en Romeinen woog het minder
Mannino, Tijdverdrijf.                                                    10
-ocr page 150-
116                             Mood.
verheven begrip van macht en sterkte het
zwaarst; in de christelijke wereld treedt dat van
zedelijke grootheid, die zich in lijdelijke kalmte
en onwrikbare standvastigheid openbaart, op
den voorgrond; het hoogste begrip van innerlijke
kracht is en zwakheid, die door lijden over-
wint, en sterkte die in het standvastig verdra-
gen van leed en onrecht onderdrukt wordt. En
dit bereikt men nimmer door de kracht van
den arm noch door het ongevoelig hoofd, maar
door grootheid van hart. Moed heeft spieren
noch zenuwen, \'t is een zedelijke deugd. Zijn
verheven voorbeeld is goddelijk, en dat heeft
in de denkbeelden en de taal der menschen
eene verandering gebracht.
Moed is dus een eigenschap van het hart.
Neerslachtigen en flauwhartigen „spreken wij
een hart in \'t lijf". Hier is sprake van zelf-
beheersching. Men kan zich de deugd van moed
eigen maken door opvoeding, doch haar in stand
houden dat doet slechts de wil. Zoo is \'t niet
-ocr page 151-
Moed.                             117
gesteld met physieken moed. Wie hem bezit,
heeft geene aanmoediging noodig, wie hem mist,
kan door geene opwekking moedig worden. Soms
is een sterk lichaam met een zwakken geest
vereenigd; niets kan de vreeze die daar huist,
verjagen. Maar een zwak lichaam met een krach-
tigen geest, vermag alles. De lafaard in Clan
Quhele 95) was voor geene redeneering vatbaar.
De vrees overmande hem. Zulk een panische
schrik is onvrijwillig. De wil is hem niet mees-
ter. Het is een krankheid van zedelijken en
physieken aard. Het woord „apprehensive"
beteekent dikwerf hetzelfde als vreesachtig, om-
dat de geest vlug is in het inzien en begrijpen —
„apprehend" — van elk aanwezig en toekom-
stig gevaar. Moed bestaat geenszins hierin, dat
men met het gevaar onbekend is of de grootte
van het waagstuk en de macht der tegenstam
ders te gering acht; de moed integendeel meet
zorgvuldig alle gevaren en berekent alles, wat
hij in de waagschaal stelt, is zelfs geneigd die
-ocr page 152-
118                            Moed
gevaren grooter te achten dan zij schijnen te
te zijn, maar ten slotte verzamelt hij toch zijne
krachten en wacht den stoot rustig af of gaat
hem zelfs tegemoet.
Wie in den loop der eeuwen hun leven
lieten voor het geloof, gaven van dien moed de
edelste voorbeelden, die de wereld ooit gezien
heeft. Onder hen waren niet alleen mannen,
gehard in het krijgsgevaar of gestaald in \'t open-
baar leven, neen, de vredelievendste, zacht-
zinnigste, in al \'t overige de inschikkelijkste
personen, hebben dien moed gehad. Onder hen
bevonden zich vrouwen van eiken stand, onbe-^
schaafde en beschaafde; ook knapen, manmoedig
in de belijdenis van \'t geloof en zwakke maag-
den, onwrikbaar in de foltering. Zij allen bezaten
de rustige, berekende, onbuigzame zielskracht,
die wij moed noemen. Het martelaarschap der hei-
lige Petbus, Laurentius, Sebastianus heeft zijn
wedergade gevonden in dat van den H. Thomas
van Canteebury, kardinaal Fisher en in de
-ocr page 153-
Moed.                                   119
gemartelde bisschoppen van Japan. De mar-
teldood van vrouwen en kinderen als de
H. Cathaeina, de H. Agnes en den H. Pan-
cratius is herhaald in de arme Zusters-missio-
narissen en hare geloot\'sleerlingen, die in Corea
en China haar bloed vergoten voor het Christe-
lijk geloof\'. Dat is meer dan heldenmoed, het
is de moed van heiligen; uit de verte alleen
mogen wij daarnaar opzien. De bestanddeelen
echter van den moed zijn in alle tijden dezelfde:
een zuiver geweten, plichtgevoel en zelfbeheer-
sching.
Een rein geweten, dat geen smet heeft weg
te wrijven is de eerste voorwaarde van moed.
„Nü conscire sibi, nullu pallescere culpa."
„Onnatuurlijk doen
Baart onnatuurlijk wee; bevlekte zielen
Bekennen \'t doove kussen haar geheimen." 00)
De vertwijfeling van Mackbeth moge ons aan-
grijpen, maar vertwijfeling is geen moed; moed
-ocr page 154-
120                             Moed.
is vol hoop en rechtschapenheid, waarvan men
bewust is. Zelfs de physieke moed wankelt als
de zedelijke verlamd is; de physieke toch is
maar een wapen, door den zedelijken moed ge-
hanteerd.
Een tweede vereischte is het plichtgevoel; de
zending eens apostels, de trouw eens Christens,
gehoorzaamheid van een onderdaan, de ridder-
lijkheid van een soldaat — dit alles, vereenigd
met ieders plicht in de menigvuldige toestanden
en beroepen des levens, schept ons een doel,
waarvoor wij leven en sterven kunnen,
Voegt nu daarbij de deugd van zelfbeheer-
sching. Moed bestaat niet in het afwezig zijn
van vrees, maar hierin dat men de vrees mees-
ter is. Onder de dapperste mannen waren er,
die het diepste besef van \'t gevaar hadden en
de hevigste vrees gevoelden voor zijne noodlot-
tige gevolgen. Maar die vrees deed hen ter
rechter- noch ter linkerzijde zwenken. Het ge-
vaar, dat zij kenden en vreesden, gingen zij
-ocr page 155-
Moed.                                121
rechtstreeks te gemoet. De spanning der zenu-
wen, de gejaagde klopping van \'t hart en het
beven des lichaams zijn geen teekenen van laf-
heid. De dappere en de lafaard hebben dit met
elkander gemeen: beiden zijn van nature aan
dergelijke ontsteltenis onderhevig. Hun verschil
ligt in den uitslag: de dappere overwint zijn
vrees, de lafaard wordt door haar overwonnen.
Men verweet een koning van Spanje, dat hij
vóór den strijd beefde. Zijn antwoord luidde.
„Mijn lichaam beeft bij de gevaren, waaraan
mijn geest het wil blootstellen." Een soldaat
is dan het moedigst, zegt men, wanneer hij te
midden van een kogelregen pal blijft staan zon-
der het vijandelijk vuur te beantwoorden; ge-
trouw aan zijn plicht beheerscht hij zich uit
gehoorzaamheid jegens het gezag. Op een ver-
loren post wordt hij tot den strijd geprikkeld
en gedwongen en hij vergeet zichzelf. Maar
stil en bewegingloos in het vuur te staan, is
een daad van de hoogste wilskracht. Van eene
-ocr page 156-
122                            Moed.
dergelijke wonderbare gehoorzaamheid heeft de
manschap van het rampspoedig transportschip
„Birkenhead °7) blijk gegeven, toen zij schou-
der aan schouder op \'t verdek stond, terwijl
het vaartuig aan \'t zinken ging. Er was geen
hoop op redding, elke poging bleek nutteloos,
wanorde zou de ramp maar bespoedigd hebben.
Zich daar in de volmaakste orde en stiptste ge-
hoorzaamheid onderwerpen was de verhevenste
zedelijke daad, erkenning van den plicht als
hoogste wet. Dat is de moed van soldaten en
matrozen; de moed in den strijd tegen legers
of stormwind.
Schitterende bewijzen van moed worden ook
aan den dag gelegd door hen, die hun leven
op \'t spel zetten om dat van anderen uit brand-
gevaar en watervloeden te redden. Elke afdee-
ling der brandweer heeft helden op haar lijst
en kan spreken van daden, die bij \'t bedwingen
van de vuurvlam heldenfeiten werden.
En wat onze reddingsbooten ieder jaar op onze
-ocr page 157-
Moed.                            123
kusten doen, behoort tot de verhevenste voor-
beelden van menschelijke onversaagdheid, die
de wereld ooit bewonderd heeft. Daar zijn
physieke en zedelijke moed in den hoogsten
graad vereenigd en de een steunt den ander.
Het schijnt een ondankbaar werk te zijn ver-
gelijkenderwijs na te gaan, wanneer zulke hel-
denmoed zijn toppunt bereikt, doch de volhar-
dende vastberadenheid, om uren lang op de
zware, wilde zee op en af tegen de golven te
te kampen, vordert een zelfbeheersching, waar-
mede eenige oogenblikkelijke daden, hoe held-
haftig deze ook mogen zijn, ternauwernood
vergeleken kunnen worden; hier toch is niet
alleen sprake van moedige handelingen, maar
van de aanhoudende geestkracht der onver-
saagde zelfopoffering. Op \'t punt van moed is
er overeenkomst, wegens den langeren duur
moet er verschil zijn.
Er is ook een staatkundige moed, die name-
lijk de openbare meening trotseert en .,het
-ocr page 158-
124                               Moed.
getier van burger scharen" — civium ardor
prava iubentium". Er worden mannen ge-
vonden, in den oorlog helden, die beven voor
de verbittering van het volk. Vele staatslieden
volgen den stroom, anderen treden hem in den
weg en werken er tegen op.
De grootste zedelijke lafheid vindt men bij
de volksmenners. Zij vleien het volk en drijven
steeds mee met het vooroordeel of de onweten-
heid der meerderheid. Zij durven haar niet
tegenspreken uit vrees voor hare gunst of wel-
willendheid te verliezen. Geheel hun levensloop
is een simonia linguae — een woeker met
de tong — een vrijage om volksgunst, en een
inkoop van toejuichingen door vleitaal en door \'t
verzwijgen van onaangename waarheden, die zij
moesten zeggen en verdedigen.
In onzen tijd heeft men meer dan gewonen
moed noodig om zedelijke en godsdienstige waar-
heden voor te staan. De wereld spant geene
lichamen meer op de pijnbank na) maar zij heeft
-ocr page 159-
Moed.                             125
zedelijke pijnbanken en foltertuigen — een
Little-ease — tot verfijnde volkomenheid ge-
bracht. In bovengenoemde waarheden staan
velen altoos aan de minst populaire zijde en
zijn altijd in tegenspraak met de volksvooroor-
deelen, en dat niet uit grilligheid of halsstarrig-
heid, maar omdat hun gezichtsvermogen verder
reikt dan dat van anderen, en zij gevaren zien
waarvan de overigen het bestaan niet vermoe-
den, of omdat zij bij erfenis waarheden hebben
verkregen, die vroeger het bezit van anderen
waren. Bij de heilige zaak der waarheid het
stilzwijgen in acht nemen kunnen zij niet. Liefde
tot hun land dringt hen getuigenis af te leggen.
De zachtste behandeling, die zij daarvoor onder-
vinden bestaat hierin, dat zij voor droomers,
dweepers of zwakhoofden worden uitgemaakt.
Zij falen in redeneerkracht, zegt men; hunne
bewijsgronden zijn niet proefhoudend. Zoo spre-
ken die waanwijzen en zij vormen steeds de
meerderheid en zijn altoos onfeilbaar. Doch deze
-ocr page 160-
126                             Moed.
beproeving is de grootste niet, welke de moed
heeft te doorstaan. Zwaardere en hardere be-
proevingen wachten een iegelijk, die zich kant
tegen de volksmeening en waarheden verdedigt,
die niet in den smaak der menigte vallen.
Kleinmoedig is hij, die geen spot verdragen
kan, en toch hoe menig overigens degelijk
man geeft én waarheid én rechtvaardigheid
prijs, omdat hij bang is bespot te worden.
Elke getuige der waarheid moet voorbereid
zijn op het lot van den H. Stephanus: gekwet-
ste hoogmoed, verwaand vooroordeel, teleur-
gestelde eerzucht, verijdelde plannen zullen hem
steenigen. Wie in dit vuur pal kan staan
zonder dat vuur te beantwoorden, is een goed
soldaat van de waarheid, en onder haar bevel
is het goed strijden; zij behaalt altijd in \'t eind
de overwinning.
Zijn wij dan een moedig volk? Ontbreekt het
Ierland wellicht aan moed, waar het de belijde-
nis geldt van het geloof of het hanteeren der
-ocr page 161-
Moed.                             127
wapenen in den krijg? Is de moed der Schotten,
die zich openbaart in hunne zelfbeheersching en
volharding in plicht, niet eenig? Wat zal een
Engelschman van hét Engelsche volk zeggen?
Wij laten onze vijanden voor ons antwoorden.
Wij worden gesmaad, bevit, bespot door vreemde
natiën, maar niemand heeft ooit de Engelschen
lafaards genoemd. Men zegt dat wij langzaam
en nooit gereed zijn, te veel zelfvertrouwen
bezitten en niet scherp op den uitkijk staan
om, wanneer het gevaar dreigt, terstond op te
rukken; dat wij voor onze loomheid en ons
gebrek aan bedachtzaam overleg steeds moeten
bloeden, maar toch na eenige wederwaardigheden
en ten spijt van bijna domme zorgeloosheid ons
herstellen en de grootste moeielijkheden en ver-
liezen te boven komen. Dat doen geen Mysiërs.
Wij kunnen nog met een ander antwoord vol-
staan, een antwoord in den vorm eener vraag.
Waardoor is het Britsche rijk tot stand gebracht?
Eén woord verklaart het: door den moed der
-ocr page 162-
128                                Moed.
Engelschen, Ieren en Schotten, die allen den
moed erfden van de Britten en Kelten, Saksers,
Scandinaviërs, Denen en Noormannen. Deze
volken hebben hun blijvenden stempel op de
wereld gedrukt. Van onze Britsche voorvaderen
zingt Shakespeare "): „Onze landgenooten zijn
mannen van meer krijgstucht dan toen Jultus
Caesar spotte met hun gebrek aan oorlogskunst
en toch hun moed zijne vrees waardig vond."
Dat geldt de Britten. Van de Kelten bericht
Aristoteles : „aardschokkingen noch golven"
vreesden zij. Men heeft ons onlangs gezegd,
dat de Britsche vloot een erfstuk is van de
Scandinavische zeekoningen, dat Nelson ,0°) een
Viking \'01) was met een Scandinavischen familie-
naam. De Saksers trokken uit om land te ver-
overen, zeevaarders waren zij niet, toch moesten
hunne helden drie zeetochten doen om een graaf-
schap te erlangen. Van Deensche onverschrok-
kenheid en Noorweegsche veroveringen hebben
wij bewijzen genoeg. Uit het samenvloeien van
-ocr page 163-
Moed,                             120
zoovele soorten van moed, om met Shakespeare
te spreken, moest wel een oppermachtige natie
ontstaan. De oorlogen die Engeland, Ierland en
Schotland één maakten, zijn een aaneenscha-
keling van heldenfeiten aller soort en in den
hoogsten graad.
Geestkracht, onverschrokkenheid van hart en
kloekheid van wil vereenigden met dit rijk de
kolonies van Amerika, de eilanden van West-
Indië, het gebied van Canada, de volksplaiv
tingen van Zuid-Afrika, het vasteland van
Australië, de eilanden van Nieuw Zeeland en
Ceylon en het groote Indische keizerrijk, waar-
van het gebied zich oost-, west- en noordwaarts
uitstrekt over 250,000,000 menschen. Zulk een
bouw is niet het werk van laffe harten of
zwakke handen. De Egyptenaren droegen er
roem op, dat geen vrijgeborene uit hun volk
meegewerkt had aan den opbouw der pirami-
den; wij zouden ons kunnen beroemen, indien
zelfverheffing geen teeken van dwaasheid was,
-ocr page 164-
,
130
Moed.
dat enkel vrijgeborenen het Britsche rijk hebben
gevestigd, \'t Is een ontzagwekkende bouw,
opgetrokken door eeuwen vol van kloekmoedig-
heid en doorzicht en wilskracht en volhardend
streven naar het bepaalde doel. Met schaamte
moet erkend worden dat bedrog, wreedheid en
ongerechtigheid dit rijk in zijn wording bezoe-
deld hebben. Maar zooals het nu op zijne
grondslagen staat, is het rijk de heerschappij
van de wet en der gerechtigheid. Enkele bur-
gerlijke of militaire gezagvoerders kunnen hun
macht misbruiken en hebben ze misbruikt, doch
het rijk is niet het werk van den menschelijken
wil, maar van een Wil, die den wil van alle
menschen overheerscht en hen stiert op den weg
Zijner hoogste Wijsheid.
Niet alleen de hechtheid van dit wereldwijd
gebouw wekt onze bewondering, er is meer: dit
oppermachtig rijk heeft zich om zoo te zeggen
vastgeklampt aan rotspunten en hoekjes, die
juist door hunne kleinheid de grootheid der macht
-ocr page 165-
Moed.                                   131
toonen, door hen vertegenwoordigd — Helgo-
land l0?) aan Germania\'s kust, Jersey 103) aan
die van Frankrijk, Gibraltar lu4) op Spanje\'s
eigen grond, Malta 105) in de zeeëngte van
Italië en het Oosten, de Falklands eilanden 10,i)
of Malouïnes in den zuidelijken Atlantischen
oceaan, Borneo in Polynesië, Hong-kong lu7) in
het Chineesche rijk, wat zijn deze bezittingen
anders dan bewijzen voor \'t zelfvertrouwen van
een groot en moedig volk?
,...........Geon uitstek, pijler, fries,
Geen welgelegen hoekjen, of die vogel
Maakt er zijn hangend bed en vruchtbre wieg." |,,s)
Richt nog eens uwe oogen naar ons rijk in
Indië. Wij kwamen en brachten aan millioenen
Hindoes vrijheid van het Mahomedaansche juk.
Onder onzen keizerlijken schepterzwaai houden
wij honderdvijftig vorsten gebogen. In vroegere
dagen leefden zij in voortdurenden, elkaar moor-
denden krijg. Wij hebben hun opgelegd de
Manning, Tijdverdrijf.                                                   11
-ocr page 166-
132                                Moed.
Pax Britannica, den Britschen vrede. Zij waren
ter zake van erfopvolging in voortdurende
burgeroorlogen gewikkeld, waarin ieder lid van
den koninklijken stam, naar echt oostersch staats-
beleid, op zijne beurt ten onder werd gebracht
door hen, die den koningsnaam met bedrog of
geweld aannamen. Wij hebben de erfopvolging
gemaakt tot eene zaak van gerechtelijke uit-
spraak. Wij vonden de heerschappij van de
willekeur, wij hebben de regeering van de wet
ingevoerd. De inboorlingen erkenden, dat ons
bestuur op zijn minst onpartijdig is en recht-
vaardig. Als overheid doen wij den landgenoo-
ten geen onrecht, en dit is meer dan de Engel-
schen zeggen kunnen van hun uit den vreemde
gekomen of uit het eigen volk geboren konin-
gen. Al hebben wij niet meer gedaan, wij
hebben toch recht en regel gemaakt van de
natuurlijke wet van gerechtigheid en genade.
Werd dat alles zelfs voor een oogenbJik lang
weggevaagd, de oude regeeringloosheid zou den
-ocr page 167-
Moed.                             133
ouden chaos weer bespringen met al de vertien-
voudigde machten der vernieling, door ons ver-
schaft. Wij hebben Indië niet christelijk ge-
maakt, maar het opgebouwd tot de hoogte der
menschelijke beschaving. Wereldrijken hebben
geen werelden tot het christendom gebracht;
maar in de stoffelijke schepping der Romeinsche
wereldmacht schiepen de Apostelen en hunne
opvolgers een christelijke wereld en in het
wereldwijde rijk van Groot-Britannië verrijst
een nieuwe christenwereld, die de schade, in
de oude geleden, goedmaakt. Dit is toch niet
het werk van een volk zonder moed, een moed
die mannelijk is en ernstig en zonder vreeze bij
zijn arbeid, maar kalm en klaar en goedig en
vroolijk ook als het lied van zijn legioenen en
matrozen, zijn maaiers en kinderen in de groene
gehuchten, verscholen in het hart des lands.
Dit grootsche gebied is een schakel in de
keten, die de wereldgeschiedenis vormt. Het
is onze verantwoordelijkheid en onze dag van
-ocr page 168-
134                            Moed.
verzoeking. Held ion wij niet den moed dit rijk
staande te houden, dan zullen wij de schande
der lafhartigheid moeten dragen als wij \'t op-
geven. Op den dag, die ons onze trouw jegens
de millioenen onder onze heerschappij ziet ver-
zaken, zal de levenskracht, die uitgaat van
Engeland, Ierland en Schotland geen oefenings-
veld vinden voor hooge en rechtvaardige daden
ter beschaving of, als de onverbiddelijke nood
het gebiedt, ten oorlog. Wordt onze uitzettings-
kracht belemmerd, dan zal zij op haar zelve
terugvallen en woelig worden en alleen voor ons
eiland werken en zelfzuchtig zijn. Wereldrijken
komen van een wereldveroverend geslacht en
scheppen een wereldgebiedenden geest. Engeland
houdt op \'t blijmoedig Engeland te zijn, als het
wordt ingesloten in zijn vier zeeën, zooals
Holland is ingedijkt in zijn dijken. Zelfs het
rikke-tikke-tak van het spintuig zal ophouden,
en de stem van Engeland wordt dof. Een rein
geweten en een gevoel van plicht en zelfbeheer-
-ocr page 169-
Moed.
135
sching vormen een groot en wereldgebiedend
volk, en bij de haardsteden van zulk een volk
is geen vreeze, maar vrede, recht, vertrouwen,
moed en blijheid.
-ocr page 170-
-ocr page 171-
Aanteekeningen.
\') Baccalaureus, in vroegere tijden een academische graad,
die het meesterschap of de doctorale waardigheid voorafging.
Van het Latijusche woord bacca, bezie en laureatus, ge-
kroond.
2)    De Aartsdiaken in de Anglicaansche Kerk heeft ceu
soort bisschoppelijk gezag, dat nochtans van den bisschop
afhankelijk is.
3)   De Academia pontificia de\' Nobili Ecclesi-
astici, gewoonlijk Academia ecclesiatica genaamd,
door Clemens XI (1700—1721) gesticht, is lloine\'s Fre-
laten- en Diplomatenschool en bezit een rijke boekerij.
4)   Nicolaas Patkick Wiseman, geboren te Séville in
1802, werd in 1850 aartsbisschop van Westminster en kar-
dinaal, stierf in 1865.
5)   Geobge Gobdon Byron 1788—1824.
6)   John Henrï Newman, geb. te Londen 1801, werd
katholiek in 1845, kardinaal in 1879, stierf 11 Aug. 1890.
7)    William Wordsworth is in 1770 te Cockermouth in
Cumberland geboren en stierf in 1850. Hij was de stichter
-ocr page 172-
138                       Aanteekeningen.
der Lake-ac/iool, zoo genoemd naar het Lake-D int riet, waar
cenige dichters, onder wie Coleiudge en Solitiiey, letter-
kundige bijeenkomsten hielden. Deze zanger, van wien
Coleiudge zegt: „A noticcable man with largc gray cyes",
had zich in zijn poëzie voorgesteld smaak to wekken voor
allcdaagsche onderwerpen en toestanden. „Rulh", „We are
Seven", ,,Tke Fouittain", „The Complaint of the Intlian"
blijven
do lievelingsstukken van het publiek.
\') John Ruskin, geboren te Londen in 1S19, professor
in do schoonheidsleer aan de universiteit van Oxford.
") Matthew Akxolo, geb. to Lalcham 24 Dec. 1822.
Met zijn gedicht „Cromwell" hehaalde hij den prijs voor
poëzie van Oxford. Hij was een eenzijdige vereerder en
navolger dor Ouden; buiten de Grieken bestond er niets
grootsch.
10) KonniT Browning, de dichterlijke echtgenoot vau de
beroemde ballade-dichteres Elizabetii Baiuiett Browning,
die in 1801 gestorven is.
n) Athenaeum. \') Oorspronkelijk een publiek gebouw te
Athene, aan Minerva toegewijd, waar wijsgeeren, dichters
enz. vergaderingen hielden. — -) In onze dagen wordt met
dien naam een kweekschool of gymnasium, een school voor
hooger onderwijs bedoeld, en ook ecu publieke boekerij met
een leeszaal, waar periodieke schriften, dagbladen enz enz.
te lezen zijn.
l:) Sir Henrt Taylok , geboren 18 Oct. 1800 te Bishop-
Middlcham, graafschap Durham, dichter en staatsman,
schreef een drama: „liaac Comnenux", „Filip van Jrlevelt/e",
-ocr page 173-
Aanteekeningen.                          139
„Edwin the Fair\'. „The Slatesman" enz. Hij was oon voor-
stander van de vrijheid der slaven.
13) Thomas Aubrf.y de Verk, dichter en prozaschrijver,
geb. 1814 te Curragh Chase, graafschap Liuimerick. Zijn
stijl is eenvoudig en bevallig. Zie Stimmen au» Maria-
Laaeh.
Jrg. 1894.
") Maria Koxstaxtixowxa Baschkirzew of Basiikirt-
seff, ecno Russische schilderes, werd 23/11 Nov. 1S0O te
Gawronzi (gouvornonicnt Pultawa) geboren, leefde sinds 1877
te Parijs en stiorf 31 Octobcr 1S84. Na haar dood verscheen
te Parijs in 1887 „Journal de Marie Bashkirtseff"\', uittreksels
uit haar dagboek. Van dit dagboek spreekt kardinaal Man-
xixg. In 1891 werden nog uitgegeven: „Lettres de Marie
Jiaxh/cirfxeff."
•*) Jupiter, de oppergod van hemel en aarde.
16) Bacchus of Dionysus, de jeugdige, schoonc god des
wijns.
") Pollux werd vooral als schutsgod vereerd niet name
van het worstelpcrk, der gastvriendschap, der reizigers en
schippers.
18) Cato maior, bijgen. Cbnsorius of Ckxsor, geb. in
234 v. Chr. Hij was eeu stug Romein van den oudon
stempel, een staatsman, redenaar, geschiedschrijver cu land*
huishoudkundige, overleed in 149. Hij drong onophoudelijk
in den senaat op de verwoesting van Carthago aan volgens
zijne bekende lens: „Prae/erea cenxeo Carlhagitiem en.ie de-
lendani."
I0) Cuaron, de stokoude, haveloos geklcede, laugbaardige
-ocr page 174-
140                             Aanteekeningen.
veerman, die de schimmen in een boot voor eeu obool,
den doodc bij de begrafenis in den moud gelegd, over de
rivieren der onderwereld bracht.
M) Styx, rivier, dio als tak van den oceaan de onder-
wereld negemnaal rondvloeit en in haren loop den Cocvtus
opneemt.
-1) De consul RëGULUS werd door den Lacedaemonicr
Xanthippos, die Carthago te hulp kwam, verslagen en ge-
vangen genomen (255). Na vijf jaren gevangenschap zonden
de Carthagers een gezantschap naar Rome om over den vrede
te onderhandelen. Aan \'t hoofd daarvan word Regulus
gesteld onder belofte, dat hij bij weigering der voorslagen
naar Carthago zou terugkoeren. Als echt Romein, zoo be-
richten de Roineinsche geschiedschrijvers — Polybius spreekt
er niet van — zou hij in den Senaat met kracht en klem
den vrede, ja zelfs de uitwisseling van gevangenen afgeraden
hebben, zijn eed getrouw naar Carthago teruggekeerd en
daar een gruwzamen dood gestorven zijn.
a) Kardinaal Maxnixg zinspeelt hier op de ordaliën,
godsgerichten of godsoordeclen, en wel op het iudicium
vomerum ignitorum
om de onschuld van een aangeklaagde te
staven. De beschuldigde moest dan met bloote voeten over
gloeiende ploegscharen loopen, die negen in getal waren en
ieder een schrede van elkander lagen. Bleef hij ongedeerd
dan was hij onschuldig. Kuxigoxda, de echtgenoote van
Hexdrik II en koningin Emma, de moeder van Eduard
den Belijder, hebben, naar verhaald wordt, die proef
doorstaan om hunne huwelijkstrouw te bewijzen.
-ocr page 175-
Aanteekeningen.                             141
:3) „Sic fatur, quamquam plebeio tectus amictu
Indocilis privata loqui."
Lucani Phars, lib. 5 v. 538, 539. Bij Lucanus hebben deze
regels een eenigszins andere beteekenis dan die, welke kar-
dinaal Manning daaraan hecht.
°A) Horatii Epistulae I, 1, 61.
25) Alfred Tennyson , de hofdichter — poet-laureate —
van Koningin Victoria, geboren in 1810, gestorven 1892
sa) Horatii Sat. II 7, v. 86.
27) We describe perverse misgovernment as „putting round
men into square holes, and square men into round holes."
*) Shakespeare: King Heuri IF, Act. II se. 3.
M) William Pitt de jongere, geb. 1759 f 1806.
:)0) Sir PrancisBürdett redenaar en staatsman 1770f 1844.
De emancipatie-bill der Katholieken van Ierland werd in
1828 voorgesteld, verworpen en \'t volgend jaar aangenomen.
31) ïory komt waarschijnlijk vau een Iersch woord, dat
„wild", „woest" beteekent (Johnson) of volgens Malone
van \'t Iersehe woord toree == geef mij (uw geld). Reeds
onder Karel I 1625—1649 ontstond de partij der Tories,
d. i. van hen die onbeperkte macht voor den koning en
den zege der Katholieke Kerk wenschten en Tories (roovers)
genoemd werden, omdat eenige benden van die partij door
\'t land trokken en plunderden. De Tories stonden tegen-
over de Wighs ^waarschijnlijk zoogenoemd naar een door de
Schotsche boeren geliefkoosde drank wigh = wei), die
voorstanders waren van de beperking der koninklijke macht.
3-) Sir Uoberï Peel 1822.
-ocr page 176-
142                             Aanteekeningen.
?3) S\'r William Ewart Gladstone dreef in 1809 liet
kerkelijk wetsontwerp door, tengevolge waarvan de zoogc-
naamde (I\'rotestantsclie) „Kork van Ierland", het voorrecht
verloor als staatskerk van Ierland te gelden. De (Protos-
tantsehe) staatskerken van Schotland en Engeland bestaan
nog, en de partij van Gladstone streeft er naar ook aan
deze haar voorrecht te ontnemen en ze op gelijken voet met
andere Protestantsche sekten te stellen.
M) Mr. John Bright, Engolsch staat- en huishoudkundige,
geb. 1811.
") Benjamin Disracli, Lord Beaconsfield, geboren in
1804, romanschrijver en staatsman, stierf in 1881.
3li) Curfcw — in \'t fransoh couvre-feu — is oen avond-
klok, die vanouds in Engeland eiken avond om acht uren
luidde ton teekou, dat men het vuur moest uitdooven, en
de families naar bod moesten gaan. Men wil, dat Willem
de Veroveraar na zijne kroning te Westminster op \'t
Kerstfeest van 10CG dit invoerde als een politiemaatregel om
do Angelsaksers te beletten nachtelijke samenscholingen te
houden. Kon middeleouwsche kroniek meldt ons nog: „Onder
hem was het zoo veilig in het land, dat een meisje met
een zak vol goud zonder eenig gevaar van \'t eene gedeelte
des rijks naar \'t andere kon reizen." — Kom daar nu
eens om!
*7) Spartam tones, hanc exorna" is de gewone
vertaling van een vers van Euripides uit diens verloren
drama „ Telephus\'\'. Het vers wordt behalve bij verschillende
Griekscho schrijvers o.a. ook aangehaald door Cicero (Ep.
-ocr page 177-
Aanteekeningen.                             143
ad. Att. IV 6 2). Oorspronkelijk luidt het met deu daar-
opvolgeuden versregel:
ïltipvov é).ays;, xihr.v xiufj.st
ra; 3s Muxvjva; Y)lteï{ iSix
(Burip. fr. 722 ed. Dindobp) en werd waarschijnlijk gcspro-
ken door Agamemnon tot Menelaus.
K) Qeorge Berkeley, wijsgeer en godgeleerde, geboren
in 1084 tu Kilkrin (Ierland), gestorven te Oxford in 1753.
Hij meende het materialisme niet beter te kunnen bestrijden
dan door het bestaan der stof te loochenen.
3\'J)                      „I am sir Oracle;
And when I ope my lips, let no dog bark."
(Shakespeabe).
40)    Grosvenor Square, pleiu te Londen, aldus gc-
noemd naar het Grosvenor-house, residentie der hoog-
adellijke familie Grosvenor , een der rijkste grondeigenaars
van Engeland; dit huis heeft een merkwaardig museum van
schilderijen. I)e naam „Grosvenor" is ontleend aan de waar-
digheid van Grand-voueur — opperjagermeester — die een
der voorvaders bekleedde aan het hof van Rollo, hertog
van Nonnaudië. Met Willem den Veroveraar kwam het
geslacht der Grosvenor naar Engeland.
41)    I)o iuktvisch of zeekat, een koppootig weekdier,
scheidt, wanneer hij achtervolgd wordt uit een bij hem aau-
wezigen iuktzak, een zwart vocht af, bij de schilders onder
den naam van sepia bekend.
4!) Slag bij ltosbach in Saksen (1757), waar Erederik de
-ocr page 178-
144                             Aanteekeningen.
Groote de 1\'ranschen, aangevoerd door Maarschalk de
Souhise, totaal versloeg.
4:\') Aristides om zijne ongekreukte trouw de recht-
vaardige — Jtxaios — genoemd, stierf in 468 v. Chr,
**) Cleon, zoon van Cleaenetus, leerlooier van beroep
drong zich te Athene na den dood van Pericles , wiens
tegenstander hij geweest was, door allerlei kwade praktijken
in de volksgunst en voerde het hooge woord in de ver-
gadcring. Onder den persoon van den Paphlagoniër stelt
A ristophanes in zijne „Ridders" Cleon als een lagen markt-
schreeuwer en snoevenden volksmenner ten toon.
45) Auguste, Alphonse Gratry , godgeleerde en wijs-
gcer, geboren te Lille in 1805, gestorven in 1872.
4S) Het Grieksche woord is y\'purxo;. Isaacus CasauBonus
in zijn liber commentarius op de rtSvto\\ ^«pay-riiosj van
ÏUEoi\'ifRASTüs teekent in het opstel mpi apzaxüit; aan:
„Neque omittendum quod Aristoteles in octavo Nicoma-
cheorum scribit, ipéaxoug vulgo appellari quos ipse yt\'^ov;
7ro),!T«z«5 solct. nominare: eos nimirum qui benignè et comiter
cum omnibus versantnr, veram amicitiam cum nemine co-
lunt". — „Lieve menschen". Op eene andere plaats gebruikt
Aristoteles (Ethic. Nicom. lib. II, 1108, 26 seq.) ook
apsaxo; om het verschil tusschen amicus, blandus en assen-
tator aan te geven en zegt: ....„in altera autem iucun-
ditate ea quae in vitae cominunione locum habet, is qui se
ita iueuudum praestat ut debet, amicus (yAoc) et medio-
critas airiicitiii nominetur; qui moduin superat, si nullo suo
-ocr page 179-
Aanteekeningen.
145
commodo adductus, placcndi studiosus seu bland us (xp-uxo;),
sin suae utilitatis causa, assentator (xó/a?)."
*) Het kameleon, ecu soort van hagedis. Wordt het
bevreesd of toornig, dan blaast het zich op en zijne dooi-
zichtige grijze huid laat het bloed doorschijnen; de huid
wordt eerst groenachtig, vervolgens donkerder en eindelijk
rood gevlekt; vandaar noemt men een persoon , die vaak
van stelsel of partij verandert, een kameleon. (% Dale :
Nieuw Woordenb. der Nederl. taal 1884).
*). Dr. Samuel Johnson, Engelsch criticus en moralist
1709—1784.
49) William Sidneï Smith 1764—1840.
M) „Like bis own statue put up by universal subscriptiou."
5I) Joiiann Gottlieu Fichte, wijsgeer, werd geboren 19
Mei 1702 te Ramincnau en stierf 2\'J Januari 1814.
5:) Hercules doode Nessus den Centaur — een monster,
half mensch en half paard. — Op zijn terugtocht naar
Trachis zond hem zijne echtgenoole Deianira, in den waan
daardoor zijne liefde tot haar te boeien, een in het bloed
van Nkssus gcdoopten mantel, maar zoodra dit kleed om
zijn lichaam warm was geworden, veroorzaakte het hem
helsche pijnen.
B) De „Bathybius" is een geleiachtige gipsneerslag op
den bodem der zee. Professor Huxley in Engeland vestigde
het eerst daarop de aandacht, wijl hij hem voor eene orga-
nisehe zelfstandigheid hield; weldra echter zag hij zijne
dwaling in en erkende ze. Iutusscheu had professor Haeckel
te Jena iu dien Bathybius den oorsprong van elk leven, het
-ocr page 180-
146                       Aanteekeningen.
kleinste organisch wezcu begroet en l\\cin aangeduid als de
brug, welke de lcveulooze stof met de levcude wezens ver-
biudt; vaudaar de naam Bathybim Haeckelli.
H) Epicubus, geb. 342 v. Chr. te üargettos in Attiea,
Grieksch wijsgeer. Volgens hem is de wereld bij toeval
ontstaan, do dood is vernietiging, het hoogste doel van
den ïnensch is gehot.
M) Suphalapsaiuus is het lid van eene Calvinistische
sekte, volgens welke God den val van den eersten ïnensch
onvermijdelijk zon hebbeu gemaakt om Zijne rechtvaardigheid
en tevens Zijuc barmhartigheid jegens den mcusch te tooneu.
x) Een guiuje is een Engelsche goudmunt (= gemiddeld
f 12.50).
r\'7) Sir WiLi\'iui) Lawson, Eugelsch staatsman, geboren
in 1829; hij zetelt onder de Wïghs.
•w) Ha warden, N. Wales, graafschap Eliut, 372 uur
W.N.W. van Cliestcr. Het vlek heeft een Latijusclie school,
de ruïnen van een schoon kasteel, groote fabrickeu van aarde-
werk en gieterijen. 7044 iuwouers.
M) Alnwick, zeer schoon gelegen aan de Alue. Daar ligt
een prachtig kasteel van den Hertog van Nortiiumberland.
™) Buckingham-Palace, een der residenties van de kouiu-
giu van Engeland, ligt in het park van St. James.
") „Itchiug tonguos".
65) „Quisque suos patimur manos". Verg. Aen. VI, 743.
6:l) Samukl Taylor Coleiudge (1772—1834) te üttery-
St. Mary in Devoushiie op 21 Oct. 1772 geboren. Van zijne
gedichteu is The Aticleut Marmer een der besten. In alles
-ocr page 181-
Aanteekeningen.                       147
wat Colempge schreef laat de versificatie niets te wonschen
over; zijn taal is ongemeen zuiver.
\'\'\') De torpedo van Wlutchead in Fiume, aldus genoemd
naar deu ingenieur Wiiitehead, geldt voor de gewichtigste
uitvinding van haar soort.
\'") Lord HeNRY Brougham, schrijver en staatsman, gcb.
te Edinburgh in 1778, gestorven te Cauncs 1868. Zijne
uitgebreide kennis omvatte en bchccrschtc alle takken van
wetenschap.
°\') Williaji Wiiewell, geboren in 1795, gestorven in
18G(J was con wiskuustcuaar on wijsgeer en professor aan
het Triuity College.
\'•\') üulciguo of Olgun is een havenstad aan de Adriati-
sche zee, zetel van een Katholieken bisschop en telt 7000
inwoners, die eertijds meest zecroovers waren Zij was
vroeger in hot bezit van Turkije, werd in 1878 door de
Moutencgrijnen stormenderhand gcuoinon, die haar wel
krachtens het tractaat van Berlijn moesten ontruimen, maar
weder sinds 1880 bozitlcn.
•) Euston-Squarc-Station, hoofdlijn van den Londou-and-
North-Westeru-llailway.
M) Inverness in Schotland, een oude stad van 14,500
inwoners. Op oen heuvel bevindt zich een gevangenis op
de plaats vau oen oud kasteel van Mackbeth , waar de
moord op koning Duxcan zou gepleegd zijn.
70) Baron Paul Jules Beutek werd geboren to Kassei in
1821, vestigde omstreeks 184\'J te Aken hetagentschap voortolc-
graphischo berichten, dat hij in 1851 naar Londen overbracht.
Mankinu , Tydverdryf.                                                   12
-ocr page 182-
148                          Aanteekeningen.
71) Pan , de Grieksche veld-, boscli- en herdersgod. Even-
als andere boschgoden joeg hij den eenzamen reiziger uit
moedwil of afkeer met gillen en schreeuwen onverhoeds
den schrik op \'t lijf. Panische schrik is eene plotselinge
algemeene doch ongegronde schrik, alzoo genoemd vol-
gens een oud geschiedverhaal, naar den schrik, dien de
veldgod Pan den Galliërs bij den Delphischen tempel op
\'t lijf joeg.
n) Pkoteus , de grijze profetische zeegod, herschiep zich
in allerlei schrikgestalten.
n)                Pergis pugnantia seeum
Prontibus adversis componcre.
Horat. Sat. I, 1 v. 102.
74) De strijd tusschen de Wellen en Gibelinen in Italië
begon in \'t jaar 1142. In 1284 verbonden zich Genua en
de Welven van Toscane tegen Pisa, de stad der Gibelinen.
Ten einde raad kozen de inwoners van Pisa een bevelheb-
ber voor den tijd van tien jaren om het bondgenootschap
op te lossen. Het was graaf Ugolino Gherakdesca, Gibe-
lijn van geboorte, Welf door zijne politieke gevoelens. Het
gelukte hem; maar over \'t algemeen gedroeg hij zich onedel.
Hij streefde naar de alleenheerschappij en vervolgde onder
allerlei voorwendsels allen, die hem in den weg stonden.
Reeds was de dag bepaald, waarop hij tot heer en meester
van de stad Pisa zou uitgeroepen worden, toen door toedoen
van den aartsbisschop Ruggieri het volk oproerig werd en
Ugolino met zijne beide zonen na een hardnekkig gevecht
gevangen nam 1288. Meu sloot den vader met de twee
-ocr page 183-
Aanteekeningen.                             149
kinderen in den kerker van den toren, wierp den sleutel
in de Arno eu gaf den ongelukkige tot straf voor zijn
streven naar de alleenheerschappij eu voor den hongersnood,
die voor Pisa daarvau het gevolg was, spijs noch drank.
DANTE heeft den hongerdood van DoOLINO en diens zonen
in zijn Diviuo Commedia (Inferno XXXIII 37 seq.) onster-
felijk gemaakt.
7:\') Sir Freoerik. Boherts, generaal in \'t Engelsche leger.
76) Ayooh Ciian, een pretendent naar de kroon van Af-
ghauistan, na diens nederlaag bij Baba Wali, 1 Sept. 1880.
7\') De bibliotheek van Alexandrië aangelegd door do twee
eerste Ptolemaeën bevatte 40,000 boekrollen, die echter ouder
het beleg van Caesar in 47 v. Chr. van de vlammen veel
te lijden had on, uaar men zegt, in G51 na Chr. door Amru,
vizier van Kalief Omar geheel verbrand is.
7\') 1\'lato. Dcfiuitiones 415. "AvSpwros {«o» ctirrspov, enz.
79) Josei\'ii Addison, geboren 1 Mei 1672, gestorven
17 Juni 1719. The Spectator dagteokent van 1711.
*) TlZIANO Vecellio, de beroemdste schilder der Venc-
tiaansche school, geb. 1477, gest. 29 Aug. 1576 te Venetië.
81) Joseph Butler 1692—1752, bisschop van Durhain.
Zijn hoofdwerk draagt tot titel Analogy of Religion, Natural
and lievealed, to the Constitution and Course of Nature
en zag
in 1736 het licht.
*) Sir Edwin Henry Landseer, de beroemde diercu-
schilder, geb. 7 Maart 1802 te Londen, aldaar gestorven
1 Oct. 1873.
") „Like the art of extractiug sunbeams froni cueumbers."
-ocr page 184-
150                             Aanteekeningen.
w) Lord Ekancis Bacon geb. 22 Jau. 1561 to Loudeu,
stierf \'J April lü2ü. Ziju schulden bedroegen bij zijn dood
meer dan 22,000 pd. St.
s>) Hekodotus van Halicarxassus (484 v. Clir.), de
vader der oude geschiedenis.
**) Mysia, landscliap in den N.W. hoek vau Kloiu-Azië.
Muiriüv 3i»ea • meermalen bij Demosthenes eu Aristopuanes.
Heeodoius, Book I, 36.
i7) Natioual Galcry, gesticht in 1824, bezit ongeveer
1200 schilderijen.
?8) Carlyle, talentvolle, inaar paradoxe criticus, geb.
te Ecclefecham (Schotland) 1795, gost. 1881. „Il manque
de gout, d\'ordre et de mesure" zegt Alpred Bougeault.
•) Toen de Angelen en Saksen de Britten aan zich had-
den onderworpen (44\'J), stichtten zij de zeven Angelsaksische
koninkrijken. Voordat deze rijkeu door Egbf.rï in 828 ver-
ceuigd werden, on op een rijksdag te Wiutou kou besloten
worden voortaan het rijk Auglia te noemen is er heel
wat bloed gevloeid. — „Die ganze Geschichte von Wessex
vox Kerdik dein Gründer au bis auf Eguert ist ein stoter
Kauipf bald 1\'ür Uuabhiiugigkeit deu auderu süchsischcu
Stammen gegcnübor, bald für Vertheidiguug oder Erobernng
deu Walifern gegeuüber." — Dr. Jon. Bapt. vox Weisz :
Weltgcschichte IV bl. 200.
w) Onder Alpreu den Grooiex (geb. 849, gest. 901). Eeu
middeleeuwsch kroniekschrijver, Hkixricii vox Huxtixgdox
zegt: „Das Uuglüek, das jetzt über Englaud kam, war grös-
ser und hiirtcr als alle auderu. Bomer uud Sachseu habeu
-ocr page 185-
Aanteekeningen.
151
nacheinander das Land erobert, aber sie haben es bcbaut
and nach Geselzen reviert, — die Diineu aber wollten
mir plündern und verwüsten; wurden sie geschlagen, was
nützte es den Siegeru, wenn sogleioh an einem andern Orte
eine neue Plotte mit eiuem noch grosseren Hecre landetef
Wolltc der König die Ostküste vertheidigen und war er dem
Feinde selion ganz uahe, so kam auf oinmal ein Bote: „Die
Diincn haben im Süden gclandet, zerstören Stiidto und
Dörfor und verhceren mit Feuer und Schwort;...... Das
Volk Hess Herz und Hande sinken: siegto man aucb, so
liatte man doeh keinde Freude; warde man geschlagen, so
war jeder Strahl der Hoffuung erloschen". — Es folgte jctzt
eine lteihe von Kampfen. 871 eine Sehlaeht bei Wiltun.
872 entfloli Buhrhed, König von Merkien, nacli Kom, und
die Sclbstiindigkeit. Merkieus hörto auf. Es gah Kiimpfe zu
Land wie zur See; 875 plünderte Koi.lo in England. Ucber
die nachsten Kiimpfe fehlen die Nachrichten; wahrsoheinlich
weil im allgcmeiueu Jammer niemand da war, der das
Elcnd schildern mochte\'\' — Dr. Jou. v. Ba?t. v. Wmsz:
Weltgeschichte B. IV. blz. 204, 3\' aufl. 189.1.
,JI) De zoon van Willem den Veroveraar, "Willem II
(bijgenaamd (rufus, Ie roux, de rood e) is volgens do
kroniek van Saksen den Hemel een gruwel geweest en
werd door geheel liet volk verafschuwd. Hij regeerde van
1087—110(X
,:) Jan zonder Land werd den 25 Mei 1199 te West-
minster gekroond. Hij stierf den 19 Oct. 1210. Zijn graf-
schrift luidt: „In diesem Grabc liegt dio Gestalt eines
-ocr page 186-
152                          Aanteekeningen.
Königs. Sein Tod bat scli weren Kriegou in der Welt eiu
Ende gemachc, und seiu Leben war nur eine Rcihe von
Schandthaten. Man fürchtet, dass ein böses Gesehick ihn
auch naeh dem Tocle noch vcrfolgt. Leser, zittre bei dom
(iedankeu, dass du sterbeu musst, und bei der Erwiigung
dessen, was dich im Jenseits erwartct". — Zie von VYeisz.
93) Oorlog van de witte en de roode Roos 1455—1485.
„Die Engliindcr verheerteu ihr eigenes Land nicht minder
grausaiu als die vorige Geucration nuser Frankreich verheort
liat.tc. Wen das Schwcrt versclioute, der erneuerte scinc
ïrübsale im fremden Laude". — Comines, Lingard V blz.
188 bij von Weisz.
") Hendrik VIII 1509—1547. „Wir folgen seincm
Lebeusgang wohl mit Grauen, nie mit Bewunderung" zegt.
Dr. von Weisz. „So ungeheuro Suinmcu er auch ciugc-
zogeu hattc, alle Cassen waren erscliöpft, ein uusichtbarer
Abgrund schien alles zu verschlingen. Ungclieure Steuern
wurdeu ganehmigt und erhoben , Darlehen erzwungen und
zuletzt sprach das Parlameut ilnn alles cigeuthümlich zu,
was er von seinen Untcrthanon giborgt liiitte. Wehc dem,
der sich weigerte, ein freiwilliges Gcschonk zu gebeu! Die
Miiuzcn wurdon vcrschlcchtort, schon im sechsundzwanzig-
stcn Jahre seiner Kcgierung wurde verrechnet, dass alle
se in e Vorfahreu zusammen nie so viel bchoben, als Hein-
ïucii VIII allein." In zijn acht-cn-dertigjarige regeering
stierven op liet schavot: twee koninginnen, twee kardina-
len, twee aartsbisschoppen, achttien bisschoppen, dertien
abten, vijfhonderd monuikon, achttien doctoren in de god-
-ocr page 187-
Aanteekeningen.                         153
geleerdheid en het recht, twaalf hertogen rn graven, honderd-
vierenzestig edellieden, honderd vier en twintig burgers en
honderd en tien vrouwen.
*•) Walter Scott, The fair maid of Perth.
*•)                      Uunatura! deeds
% Do breed unnatural troubles; infested minds
To their deaf pillows will discharge thcir secrcts."
SiiAKEsrEAiiE: Mackbeth 5deBcdr. l"eTooneel.
De vertaling iu den tekst is van ür. L. A. J. Burgersdijk.
97) Het Engelsch transportschip „Birkenhead" werd deu
26 Februari 1852 verbrijzeld op het rif Point Dauger bij
kaap Agulhas of Naaldkaap, de zuidelijkste punt vau Afrika.
Van de 638 personen aan boord, werden maar 184, onder
wie alle vrouwen en kinderen, gered. Hot schip heette
waarschijnlijk naar Sir John Birkenhead (1615—1677),
die om de trouw aan zijne beginselen de „eerlijke dichter"
werd genoemd. Omstreeks 1662 werd hij lid vau \'t parle-
ment en geadeld.
9S) „Dit werktuig was een breed maaksel van eikenhout,,
hebbende eene hoogte van drie voet. De op ziju rug liggende
gevangene werd onder hetzelve uitgerekt; om zijne handen
en voeten werden touwen geslagen, die over twee, op de
punten van het foltertuig geplaatste, spillen liepen; deze
werden in beweging gebracht door hefboomen in tegen-
gestelde richtingen, totdat het lichaam met het werktuig
gelijk was. Aldus werden den lijder vragen gedaan, en
voldeden zijne antwoorden niet, dan klemdo men hetzelve
meer en meer aan tot zoolang de beenderen ontwricht waren,"
-ocr page 188-
Iö4                       Aantoekeningen.
„Little-ease" = kleine hokken, waar geen plaats genoeg
was om recht op te staan of zich uit te strekken.
P. .!. Voeliikkkk, De Katholiek. Maart \'94.
TO)                                 ..Oor eontryinen
Are men more ordcred than wheu .lüLirs Caesar
Smiled at their lack of skill, hut found their courage
Worthy his frowning at".
,0°) Horacr Nelson, beroemde admiraal, geb. 29 Sopt.
1758. In den gedeukwaardigen zeeslag hij Kaap Trafalgar
werden door Lord Neison de vereenigdo Frausche en Spaan-
sche vloten den 21 Oct. 1800 geslagen; hier stierf hij den
heldcndood.
"") Viking (Angelsaksisch wieing = een zeeroover), is
een der zceroovers onder de Noormannen, die de wateren
van Europa in de 8""\', 9de en 10de eeuw onveilig maakten.
Viking en Sea-king (zeekoning) heteokenen niet hetzelfde,
hoewel die woorden om de» uitgang hing door de Engelsche
geschiedschrijvers zonder onderscheid gebruikt worden. De
zeokoniug was van koninklijken bloode. Viking heeft met
het woord king, koning niets te maken. Vikings waren louter
zeeroovers. Iedere zeekoning was een viking, maar niet elke
viking was een zeekoning.
m) Helgoland of Heligoland („heilig land"), is een eiland
voor de monden van Elbe en Weser, groot 500 heet. met
2200 inw. Badplaats. „Door den storm verslagen, werd
de H. Willibrordiis van het vaste land afgedreven en
kwam naar het eiland ,,Fositesland", dus genaamd naar den
god Fosite, die aldaar bijzonder vereerd werd. Adam van
-ocr page 189-
Aanteekcningen.                       155
Bhemen zegt dat dit liet eiland Farria (later Helgoland;
is..... en Mabillon voegt daar bij, dat op dit eiland,
door WiLLiBKOiin, het klooster „Heiloo" is gestieht"......
(P. P. M. Alberdixgk TniJM: //. Wüübrwëus). In 1807
werd liet door de Engelscheu in bezit genomen en in 1814
aan hen afgestaan. Sinds 1892 behoort het aan Duitschlaud.
1M) Jersey, grootste en zuid oostelijkste van de aan Engc-
land behoorciide Kanaal-eilanden met 50,027 inwoners. Het
staat onder zijn eigen luitenant-gonvernenr en heeft zijn
eigen wetgevend parlement van 38 leden. De inboorlingen
spreken een mengelmoes van Engelsch en Fransch, maar
het Fransch is de hoofdtaai en wordt ook in de gerechts-
hoven gebezigd. De Engelschen bezitten het eiland sedert
HENDRIK I, omstreeks 1100. De hoofdstad is St. Hélier.
Een lezerswaardig artikel over Jersey vindt men in De Studiën
van de hand van F. Hendrichs (Deel 26 Afl. I blz. 81).
1<M) Gibraltar, sterk bevestigde stad en zeehaven bij het
Zuideinde van Spanje. Sedert 1704 bezit Engeland in deze
sterkste plaats der wereld den sleutel van de Middelland-
sche Zee.
ln5) Dit eiland behoerscht thans, evenals Carthago in de
oudheid, den weg uit het oostelijk in het westelijk bekken
der Middellandschc Zee. Karel V stond Malta in 1530
af aan de uit llhodus verdreven Johanniter-ridders, die
zich nu voortaan Maltezer-riddcrs noemden en tot hoog aan-
zicn stegen. Bonaparte bemachtigde het eiland in 1798.
In 1800 viel het in handen der Engelschen, die dit hoogst
gewichtig punt lot cen der sterkste posten gemaakt hebbon.
-ocr page 190-
156                          Aanteekeningen.
I0S) De Franschen koloniseerden ze in 1703, waarna de
Spanjaarden ze in bezit namen, om ze in 1771 aan de
Engelselien af te staan, die ze echter sedert 1833 onbetwist
bezeten hebben.
107) Dit rotsige eiland ten Oosten van den mond der
Kantonrivior, behoort sedert 1842 aan de Britten. Het telt
155,000 inwoners.
m) ........................„no j ntty, frieze,
Buttress, nor coigne of vantage, burd this bird
Hath made his pendent bed, and procreaut cradlc."
Mackbeth, lat6 Bcdr. , 6\'1" Tooneel.
De vertaling is van Jurkiaan Moulin.