-ocr page 1-
-ocr page 2-
^ llio
J
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
iiiifilijli Jailtfii.
^^^*
-ocr page 6-
-ocr page 7-
sJ\'«JalM\\«J»S.- .-
*
VERZAMELING
VAN
Geestelijke Liederen,
ton j»\'«}t>i"iiili<\'
VAN DE
— PAROCHIANEN —
DER
TE
* Gr O XJ 13 A.. fr
BI\'BL. CO NV.
£
M.
JOS. J. VAN LINDERT,
■J&                      Cuyk a. d. Maas.                     jj;
-ocr page 8-
£4
IM P RIM A T U R.
Haaren, i September 1899.
J. H. Selten,
Lihror. Censor.
-ocr page 9-
• ! • • ! « ♦-(-• *-!-• • ; • *~l 9-1-9 »-ï-* • *-* •- -• •-*-• »4-* •-*-• •-J-»
1
/-T|\\\'«\'/t de Leden onzer Congregatie
van de Derde Orde van den II.
Franciscus, aan de Congreganistm
der Aartsbroederschap van de II.
Familie (A/d. Vrouwen) en aan al
mijne Parochianen bied ik deze
Verzameling van Geestelijke Liede-
ren ten geschenke aan, opdat zij
daardoor meer en meer in ijver
mogen toenemen om den lof van
-ocr page 10-
God en Zijne Heiligen ten allen
tijde in Gods //nis te komen zingen
en voor zich zeloe/a en voor anderen
schatten van genade voor tijd en
eeuwigheid te verwerven.
T. J. TIMMERMAN,
Pastoor
Gouda,
17 September 1899.
«
-ocr page 11-
Geestelijke Liederen.
N°. 1.
Aanroeping van den H. Geest.
Kom heil\'ge Geest, daal in dit uur, (bis.)
In onze harten neer; ontsteek ze in liefdevuur.
Komt Gij onze oogen niet verlichten,
Dan dwalen wij van \'t ware pad,
Geen mensch zoo wijs die niet moestzwichten,
Als Gij aan zijn verstand Uw licht onttrok-
ken hadt. (bis.)
Kom heil\'ge Geest, enz.
De hel alleen kon niet ons hart vermannen,
Zij riep om hulp de list der wereld aan;
En meer dan du izend strikken zij n gespannen,
Ach, God ! help ons, opdat wij niet ver-
gaan, (bis.)
Kom heil\'ge Geest, enz.
-ocr page 12-
Verlicht ons hart met Uwe wijsheid-stralen,
Dan missen wij het ware welzijn niet,
Dan nimmer doetde blinde jeugd onsdwalen,
En de oude dag kent geen verdriet, (bis )
Kom heil\'ge Geest, enz.
N°. 2.
Aanroeping van den H. Geest.
Heil\'ge Geest! kom, laat Uw stralen
Uit den hemel op ons dalen,
Die der armen Vader zijt; (bis.)
Kom, o, Gever aller gaven !
Kom de droeve harten laven,
Dat Uw heillicht hen verblijd\' ! (bis.)
Zoete Gastvriend onzer zielen,
Levensbalsem, voor wie vielen,
Rust bij \'t zwoegen van den dag, (bis.)
Kom, o, laafbron ! \'t heete woelen
Der ontgloeide drift verkoelen !
Troost in alle weegeklag ! (bis.)
Zalig licht! o, doe Uw stralen
In het diepst des harten dalen,
Van \'t geloof in U vervuld ; (bis.)
Komt Uw kracht ons niet doordringen,
Niets dan in ons, stervelingen,
Niets is zonder schade of schuld, (bis.)
-ocr page 13-
9
Wil in ons \'t onreine wisschen,
Wil \'t verdorde in ons verfrisschen,
Heelen, wat er wond ontving; (bis.)
Wil, wat stug is in ons breken,
\'t Koude weer in gloed ontsteken,
Richten, wat het spoor ontging, (bis.)
Geef, wie trouw in U gelooven,
\'t Zeven gavental van boven,
Dat hen sterke in alle deugd ; (bis.)
Geef hun, Uw vergelding te erven,
(leef, o, geef een zalig sterven,
Geef hun de eeuw\'ge hemelvreugd, (bis.)
N°. 3.
Aan het Allerh. Hart van Jezus.
Komt laten wij ons nederbuigen,
En werpen we ons in \'t stof ter neer,
Om onze liefde te betuigen
Aan \'t Hart van Jezus, onzen Heer.
O, Hart van onuitspreekbre waarde,
O, levensbron, o, hoogste schat,
Dat voor den balling hier op aarde
Den overvloed van troost bevat!
O, Hart van Jezus vol van liefde,
Dat eens aan \'t Kruis ons harte won,
Toen U het schrik\'lijkst leed doorgriefde,
Dat ooit een sterv\'ling lijden kon.
-ocr page 14-
10
O, Hart, dat door een lans geopend,
Nog altijd voor ons openstaat,
En steeds voor allen, op U hopend,
Een steun zijt en een toeverlaat.
O, Hart, zoo minzaam en zoo teeder,
Zoo ned\'rig en oneindig groot,
O, zie met mededoogen neder
Op ons, zoo arm en zoo ontbloot.
Wil toch ons hart naar \'t Uwe vormen,
\'t Volmaakste toonbeeld van de deugd.
Om eens met U na \'s levens stormen
Vereend te zijn in hooger vreugd!
N°. 4.
Bij het beeld van het H. Hart
van Jezus.
O, hoe liefderijk en teeder
Ziet dat beeld van \'t Heilig Hart
Van mijn Jezus op mij neder!
In dien blik wat liefde en smart!
Zacht schijnt wel die mond te klagen:
Ach ! Mijn liefde wordt miskend !
Wederliefde wil hij vragen :
Oog en hart naar Mij gewend ! (bis.)
Ziet, hoe gloriestralen glanzen
Om dat Hart in gouden gloed;
Wreede doornen het omkranzen,
Rood gekleurd in \'t god\'lijk Bloed;
-ocr page 15-
11
Ziet dat reddend kruishout, boven
Op het vlammend Hart geplant,
In de vlam, door niets te dooven,
Van Zijn feilen liefdebrand. (bis.)
Uit die breede wond ter zijde
Druipt de laatste droppel bloed ;
O, dat aller hart zich wijde
Aan Uw Hart, o, Jezus zoet!
Ach, mij dunkt, ik hoor U spreken:
Zie mijn Hart, dat zoo bemint,
En toch, hoe Ik moge smeeken,
\'Veel te weinig liefde wint. (bis.)
Godd\'lijk Hart, vol liefde en smarte,
Ik begrijp, wat Gij begeert:
Ik zal ijv\'ren, dat Uw Harte
Wordt gekend, bemind, geëerd.
Harten ga ik voor U winnen,
Ijv\'ren voor Uw liefde en eer;
Mochten allen U beminnen,
U vereeren meer en meer. (bis.)
N°. 5.
Lofzang tot het H. Hart van Jezus.
Voor \'t Hart van Jezus zinge
Mijn hart op blijden toon,
Dat mijne lofstem dringe
Tot in de hemelwoon !
O, Hart van Jezus zoet!
Zij liefdevol gegroet,
-ocr page 16-
Gegroet van op deez\' aarde,
Gegroet in eeuwigheid.
O, Hart! voor mij gebroken
Op \'t kruis in diepe smart,
Met eene lans doorstoken
Voor \'t zondig menschenhart!
O, Hart enz.
O, Hart! mijn hart moest gloeien.
Van zuiver liefdevuur !
Wil \'t aan het Uwe boeien
Tot in het stervensuur !
O, Hart enz.
Wil \'t mijn naar \'t Uwe vormen,
O, toonbeeld aller deugd !
Om na des levens stormen,
Met U te zijn in vreugd !
O, Hart enz.
N°. 6.
Aan Jezus\' H. Hart.
Wees gekend, geloofd, aanbeden,
Heilig Hart, zoo vlek\'loos schoon,
Bron der reinste en hoogste liefde,
Ons getoond door \'s Vaders Zoon !
Mocht heel de aarde \'t loflied zingen,
\'t Dankend lied, verruk\'lijk zoet:
„Wees geprezen, Hart van Jezus! 1 ,.
Hart van Jezus, weesgegroet!" j
-ocr page 17-
*i
r.3
Met Uw kruis in liefdevlammen,
Met Uw wonden, diep en breed,
Met Uw krans van wreede doornen
Meldt Gij wat mijn Jezus leed.
Blijft Gij klagend ons herhalen :
„Hoe Zijn Hart den mensch bemint,
„En voor al Zijn liefdegaven | ,.,
„Nergens wederliefde vindt." |
\'t Heilig kruis, in vlammen stralend,
Spreekt van lijden, naam\'loos groot:
Zegt ons, hoe de Bron des levens
Door Zijn dood ons \'t leven bood.
Leer mij dan het kruis beminnen,
Minn\'lijk Hart van mijnen God !
Om U lijden zij mijn vreugde, I ,.
Om U sterven \'t hoogst genot. |
Doornen, om het Hart gestrengeld,
Dat uit breede wonden bloedt,
O ! doorwondt ook onze harten
En ontsteekt ze in liefdegloed !
Hecht ons vaster steeds aan Jezus !
Doet ons deelen in Zijn smart.
Dan zal niets ons kunnen scheiden
Van de liefde van Zijn Hart.
Laat ons schuilen in de wonden
Van Uw minnend Hart, o God !
Dan trotseeren wij de wereld,
Hellemacht en zingenot;
bis,
-ocr page 18-
__________________14___________
Smeekend hebt Gij ons gebeden :
„Geef, o kind, uw hart aan Mij,"
\'t Wordt U blijde weggeschonken, (
U alleen beminnen wij.
                   !
Niet tot ons zij dan gesproken :
„Zie het Hart, dat U bemint,
„En voor al zijn liefdegaven
„Nergens wederliefde vindt."
Wij, wij zullen U beminnen,
God\'lijk Hart, zoo maat\'loos zoet;
Wij herhalen alle dagen :
              ( .
„Hart van Jezus, wees gegroet!" |
N°. 7.
Ter eere van Jezus\' Goddelijk Hart.
De roos van Jezus\' hartewonde,
In geur en kleur verruk\'Iijk schoon,
Zij roept ons toe: vermijdt de zonden.
En vlucht in Jezus\' liefdewoon.
O Hart van Jezus, voor de menschen
Van liefde ontvlamd, aan deugden rijk;
Ach, maak ons hart zooals wij wenschen, I ,.
In liefde en deugd aan U gelijk. |
De scherpe doornenkrans, geteekend
Om \'t bloedend Hart van onzen Heer,
Hij noodigt allen zoo welsprekend,
Geeft Hem uw hart en liefde weer.
O Hart van Jezus, enz.
-ocr page 19-
U
is
Het vuur dat blakend langs de wonden
Van \'t God\'lijk Hart, in vollen gloed
Om \'t heilig kruishout staat te branden,
Doorvlamt met kracht het koudst gemoed.
O Hart van Jezus, enz.
O Jezus, stervend weggezonken
Als in een zee van bit\'re smart,
Verwarm ons door Uw liefdevonken,
Verberg ons in Uw goddelijk Hart.
O Hart van Jezus, enz.
N°. 8.
Eereboete voor den zondaar.
O God\'lijk Hart voor ons aan :\'t Kruis
geklonken,
Door de ijz\'ren speer gewond in euvelmoed ;
Tot eerherstel voor Ü in \'t stof gezonken,
(hnwelt ons hart een liefde- en tranenvloed.
O God van liefde!
O God van smart!
Spaar hem, spaar die U griefde,
In naam van \'t Heilig Hart!
0 wreede hand, die \'t Harte dorst doorsteken,
1 )ataan den mensch slechtsheilen zegen bood,
Doch wreeder hij, aan wien liefde is gebleken,
En toch de speer in Jezus\' zijde stoot.
O God enz.
-ocr page 20-
____________________16____________________
Ja wreeder, die met \'t staal der euveldaden
In \'t teederst Hart nog wonde op wonde boort;
Die \'t Bloed veracht, de bronwel van genaden,
In eigen hart de stem der liefde smoort.
O God enz.
In \'t stof geknield, kom ik mijn schuld belijden;
Ook ik, o God ! ontzag Uw liefde niet.
Tot eerherstel wil ik voor eeuwig strijden
In \'t krijg\'rental, dat U zijn krachten biedt.
O God enz.
Ontferming, Heer ! vergeving voor ons allen!
Ontferming voor \'t ondankbaar mensen-
geslacht ;
Laat \'t vaderoog genadig nedervallen,
En hoor de beê der smeekende Eerewacht!
O God enz.
N°. 9.
Aan het Allerheiligste.
U, Jezus! eer, om ons zoo diep verborgen,
In \'t Sacrament van Uw onpeilb\'re min,
Hier waakt Ge altijd van d\' avond tot den
morgen,
En trekt om ons Uw gloriestralen in.
Mijn God en Koning !
Mijn Opperheer !
U, in Uw woning,
U, Jezus, dank en eer!
..,:
-ocr page 21-
1/
U dank en eer van alle tong en talen,
Van wat op aarde en in den hemel leeft;
Ten boete blijv\' heel \'t wereldkoor herhalen :
Aan Jezus eer! die ons Zich zelf hier geeft.
Mijn God en Koning ! enz.
U dank en eer! Maar ach, die zwakke klanken,
Zij kunnen U, die in ons midden troont.
Voor zulk een gunst, zoo eind\'loos groot,
niet danken !
Veel minder nog, als Ge in ons bi nnenst woont.
Mijn God en Koning ! enz.
O, geven wij voor liefde liefde weder;
Zij trekke ons hier naar Jezus\' tempelkoor.
Daar werpen we ons ten dankbaar offer neder,
Dat onverdeelt en eeuwig Hem behoor\'.
Mijn God en Koning !
Dan vieren wij
In \'s hemelsch woning
Uw eind\'loos lofgetij.
N°. 10.
Vóór de H. Communie.
Jezus, menschgeworden God,
Die niet in Uw woord kunt falen,
Gij rust hier in \'t Sacrament; (bis.)
Kan \'t mijn geest niet achterhalen,
God der waarheid, \'k tuig het nu :
Jezus, ik geloof in U. (bis.)
-ocr page 22-
iS
God van almacht, liefde en trouw,
\'k Ben beschaamd om al mijn zonden ;
Maar (lij, Heer, hebt ze uitgewischt (bis.)
In het bloed van zooveel wonden.
Vol betrouwen kom ik nu,
Goede Jezus, \'k hoop op U. (bis.)
God van liefde en opperst goed,
Gij wilt spijzen ons en drenken
In \'t geheim der hoogste min ; (bis.)
Heel U zelven aan ons schenken.
Liefste Jezus, kom, kom nu,
Ach ! mijn ziel verzucht naar U. (bis.)
\'k Ben niet waardig, groote God,
Dat Gij ingaat in mijn harte;
Spreek, Heer! spreek een enkel woord, (bis.)
En, doorwond van liefdesmarte,
Schrei ik: Jezus! kom toch nu,
Kom, o kom, ik smacht naar U ! (bis.)
\'k Zal dan aan den heil\'gen disch
U, mijn Jezus, gaan ontvangen;
U, mijn God, mijn groote God, (bis.)
Aan mijn zalig harte prangen.
Goede Jezus ! kom toch nu,
Kom, o kom, ik snel tot U ! (bis.)
-ocr page 23-
_________\\9________
N°. 11.
Na de H. Communie.
De Godmensch woont in mij :
Mijn ziel, besef uw waarde,
Aanbid uw Bruidegom,
Verhef u boven de aarde;
Keer ganschlijk in u zelf,
Verzamel hart en geest,
Dank Jezus, die voor u | ..
Zoo lieflijk is geweest, j
Een God met mij ! kan \'t zijn ?
Zoo niet \'t geloof mij leerde;
Met mij, die vroeger Hem
Zoo stout den rug toekeerde !
O Godheid zonder peil,
Verheven boven smaad,
Gij haat den zondaar niet, (
De zonde is \'t, die Gij haat. [
Ik bid U need\'rig aan,
Vernietigd en verlegen,
Mijn God, mijn Bruidegom ;
Vervul mij met Uw zegen !
(Jij geeft me Uw eigen zelf
Het meerdere, hoe dan
Is \'t moog\'lijk, dat Uw Hart |
Mij \'t mind\'re weig\'ren kan? {
-ocr page 24-
______________20
Wijk, wereld, zonde, wijk !
Vergeefs komt gij bekoren;
Ik had om u helaas !
Mijn goeden God verloren ;
Doch van deez\' stonde af aan
Ben ik voor eeuwigheid
Geheel en onverdeeld
         | , .
Aan Jezus toegewijd.          \\
N°. 12.
Dat Jezus leev\'!
Dat Jezus leev\'
Dit is de kreet des harten;
Dat Jezus leev\'! de leeraar aller deugd.
Naam, dien ik nooit van mijn lippen laat vloeien,
Zonder de liefde in mijn hart te doen gloeien.
Dat Jezus leev\'! {bis.)
Dat Jezus leev\' !
Dit is de kreet der dap\'ren,
Die \'t trouwe volk tot zijne vanen roept;
Gij, Jezus, zijt al mijn schat al mijn leven;
\'kVolg U, waarheen Ge U ook moget begeven.
Dat Jezus leev\'! (é>is.)
-ocr page 25-
21
Dat Jezus leev\' !
Dit is de kreet der hope
Voor \'t schuldig hart, dat zijne misdaad voelt
Het zet den boet\'ling meer moed bij en sterkte
Hij kroont het goed, dat Zijn hulp in hein
werkte.
Dat Jezus leev\'! (bis.)
Dat Jezus leev\'!
Op dezen kreet der sterkte
Vlucht ver van ons het helsche leger weg.
Jezus, Uw Naam, aan Uw dienaars zoo teeder,
Ploft in den afgrond de duivelen neder,
Dat Jezus leev\'! {bis.)
Dat Jezus leev\'!
Dit is de kreet der liefde.
God, die voor \'t oog slechts brood op \'t
altaar zijt!
\'k Weet, \'t is alleen om mijn liefde te winnen!
\'k Wil van nu af U met warmte beminnen.
Dat Jezus leev\'! (bis.)
Dat Jezus leev\'!
Zijn lieve Moeder leve !
Ze is moeder ook van \'t uitverkoren volk.
Zoo ik Haar min, als een kind zijne moeder,
Dan min ik Jezus,HaarZoon,mijnen Broeder.
Dat Jezus leev\'! (bis.)
m
-ocr page 26-
22
Dat Jezus leev\' !
Triomf! dat zegepralend
Die Naam verwin\', wat kwaad en boosheid is.
Wijl ik door dien Naam eens den hemel
moet erven,
Zoo wil ik ook voor Hem leven en sterven.
Dat Jezus leev\'! (tó\\)
N°. 13.
Aan Jezus eer!
Aan Jezus eer!
Zoo stijge ons dankbaar smeeken,
Aan Jezus eer! door aarde en hemelheer !
O, zoete Naam, dien ik nimmer kan spreken,
Of \'k voel te feller in liefde me ontsteken.
Aan Jezus eer! (bis.)
Aan Jezus eer!
Is \'t lied der christen scharen:
Aan Jezus eer! Hem onzen God en Heer.
Die, al wie trouw om Hem henen vergaren,
Trouw in den strijd door Zijn Naam zal bewaren.
Aan Jezus eer! (bis.~)
Aan Jezus eer!
Zoo mag den zondaar zuchten.
En tot zijn Heer ga hij rouwmoedig weer j
Geen boet\'ling, neen ! heeft Zijn wrake te
duchten ;
Hij heeft alleen in Zijne armen te vluchten.
Aan Jezus eer! (/>/s.)
-ocr page 27-
__________________23__________________
Aan Jezus eer!
Is \'t lied van \'t zielsvertrouwen;
Aan Jezus eer! zoo roepen we immer weer;
Hoe langer toch wij Zijn wonden beschouwen,
Hoe meer ons ook onze zonden berouwen.
Aan Jezus eer! (fa\'s.)
Aan Jezus eer!
Is \'t lied der hemelzalen,
En de Engelen vallen diep aanbiddend neer;
Dat moet heel de aard met haar tongen en
talen,
Dat, al wat is, door alle eeuwen herhalen :
Aan Jezus eer! (i/s.)
Aan Jezus eer!
Nog eens het aangeheven !
Aan Jezus eer ! en immer, immer meer !
Aan Hem alleen zij van nu af ons leven,
Aan Hem geheel ons ten offer gegeven.
Aan Jezus eer! (bis.)
Aan Jezus eer!
Zoo blijve ons danklied stroomen.
Aan Jezus eer! voor eeuwig onze Heer.
Hij, ja, Hij zelf is in ons nu gekomen,
Hij zelfheeft ons tot de Zijnen genomen.
Aan Jezus eer! (i/s.)
-ocr page 28-
*\'                                  24______________%
N°. 14
Jesu dulcis memoria.
Aan Jezus denken is reeds zoet,
\'t Geeft ware blijdschap aan \'t gemoed ;
Maar Jezus\' zoete bijzijn gaat
Vóór honing en al wat bestaat, {bis!)
Niets zoeters brengt een zangtoon voort,
Niets streelenders wordt ooit gehoord,
Aanminnigers wordt niet gedacht
Dan, Jezus, door God voortgebracht. (/>/s.)
O, Jezus ! hoop voor al, wie boet,
Wat zijt Gij voor den smeek\'ling goed,
Voor wie Ü zoekt, hoe teer gezind,
Maar wat voor hem wel, die U vindt ! (/>is,~)
Geen tong, neen, spreekt het immer uit,
Geen letter, die het ooit beduidt;
Wie \'t smaakte, dit geheimenis,
Hij weet, wat Jezus minnen is. (/>/\'s.)
Wees, Jezus, onze zielevreugd,
Die \'t loon eens wezen zult der deugd;
Zij onze roem in U alleen,
Door al der eeuwen eeuwen heen. (J>is.~)
%                                      m
-ocr page 29-
_____________£5_____________
N°. 15.
Loflied aan Jezus Christus.
\'T-:
Als \'t eerste duister breekt,
Ontwaakt mijn hart en spreekt :
Geloofd, geloofd zij Jezus Christus!
I!ij al, wat ik begin,
Roep ik met hart en zin :
Geloofd, geloofd zij Jezus Christus!
En wat mijn werk ook zij,
Ik zeg er vroolijk bij :
Geloofd, geloofd zij Jezus Christus!
Zingt menschenkind\'ren, luid,
Zingt jubelend het uit :
Geloofd, geloofd zij Jezus Christus!
Heel \'t aardrijk in het rond
Weerklinke te eiken stond :
Geloofd, geloofd zij Jezus Christus!
Als \'t licht ten einde spoedt,
Zij dit de laatste groet :
Geloofd, geloofd zij Jezus Christus!
In nood en bittere smart
Roep ik met mond en hart:
Geloofd, geloofd zij Jezus Christus!
Zingt hemel, aarde en zee,
Zingt, al wat ademt, meê,
Geloofd, geloofd zij Jezus Christus!
-ocr page 30-
____________________26 _________________
Als treurigheid mij plaagt,
Dan roep ik onverzaagd :
Geloofd, geloofd zij Jezus Christus!
Hij \'s levens zielsverdriet
Vind ik mijn troost in \'t lied :
Geloofd, geloofd zij Jezus Christus!
Ja, nog mijn ziele spreekt,
Als reeds mij \'t harte breekt:
Geloofd, geloofd zij Jezus Christus!
Weerklinke wijd en luid
Voor Hem, eeuw in, eeuw uit:
Geloofd, geloofd zij Jezus Christus!
N°. 16.
Loflied op het II. Kruis.
O Jezus ! wij zijn Uwe kind\'ren,
Op het kruis naamt (Jij ons aan ;
Zijn wij bij U, niets kan ons hind\'ren,
Onze harten zijn voldaan !
O, Jezus,
Allen zijn wij Uwe kind\'ren,
O, Jezus,
Lach ons als Vader aan.
O Kruis, o heilig liefdeteeken !
Voor ons zijt Gij een troost in pijn en smart;
Wij komen U om sterkte smeeken,
Stort balsem van vertroosting in ons hart.
O Jezus ! wij zijn Uwe kind\'ren, enz.
-ocr page 31-
u
*
27
O, Kruis, U prijzen alle tongen,
Geverfd door Jezus\' heilig, dierbaar bloed;
Gij hebt de macht der hel bedwongen;
(jij zijt de rijkste bron van alle goed.
O Jezus ! wij zijn Uwe kind\'ren, enz.
Niets, heilig Kruis ! niets zal ons beiden,
In pijn en smart, in droefheid en in nood,
In weelde of voorspoed kunnen scheiden,
Getrouw steeds blijven we U tot in den dood.
O, Jezus! wij zijn Uwe kind\'ren, enz.
Wij, Uwe kind\'ren, zullen denken,
\'t Geen Gij, o lieve Jezus, voor ons deedt;
Wil ons dan ook Uwe liefde schenken,
Aan ons, voor wie Gij zooveel smarten leedt.
O Jezus ! -wij zijn Uwe kind\'ren, enz.
N°. 17.
Hulde aan het Kruis.
Jezus stierf voor ons: welk een Vriend !
Hij is onze liefde dus waardig!
Meer dan Zich heeft Hij ons bemind,
Daarom stierf Hij zoo bereidvaardig.
Christ\'nen, zingt luid hier in Gods huis: ) ,
Leve Jezus, leve Zijn kruis!
             )
*
%
-ocr page 32-
__________________28__________________
Aan dit Goddelijk kruis zij eer !
Sedert Jezus \'t Zich heeft verkozen,
Is liet kruis niet meer als weleer.
Iets, dat ons doet huiv\'ren en blozen.
Christ\'nen, enz.
Aan dit Goddelijk kruis zij eer!
Hoorn, wiens vrucht, vol zoetheid en sterkte,
\'t Kwaad verhielp, dat \'t menschdom weleer,
De eerste vader Adam bewerkte.
Christ\'nen, enz.
Aan dit Goddelijk kruis zij eer!
Vruchtb\'re bron van alle genaden,
Waarin \'t bloed van God, onzen Heer,
Afwiesch \'s werelds zonden en kwaden.
Christ\'nen, enz.
Aan dit Goddelijk kruis zij eer!
Leerstoel tot beschaming der wijzen.
Waar ik Hem zijn God\'lijke leer
/onder spreken hoor onderwijzen.
Christ\'nen, enz.
Aan dit Goddelijk kruis zij eer !
\'k Wil de eer aan \'t hout zelf niet \'toonen,
Maar \'k aanbid mijn Heiland en Heer,
Die ik o]) dat kruisbeeld zie tronen.
Christ\'nen, enz.
V
-ocr page 33-
N°.\' 18.
Het Kruisbeeld.
Ach ! ziet gij ginds dat kruisbeeld wel,
Dat vleesch, geteisterd wreed en fel,
Gewond van hoofd tot teenen ; (bis.)
Voor u, mijn kind ! leed Hij die smart;
Een traan in \'t oog, een zucht in \'t hart,
Uw ziel moet met Hem weenen. (pis.)
Want voor Zijn liefde niet genoeg,
Dat Hij op aard\' als mensch verdroeg
Een hoogst armoedig leven ; (bis.)
Dat Hij door drie en dertig jaar,
In stillen kring, in \'t openbaar,
Rampzaalgen troost kwam geven, (bis.)
Want voor Zijn liefde niet genoeg,
Die brandend Hem door de ad\'ren joeg,
In altoos hooger gloeien ; (bis.)
Dat Hij bereid voor vloek en straf,
Aan helschen nijd zich overgaf,
Zich kluist\'ren liet en boeien, (bis.)
Dat Hij gesleept langs straat en gracht
Onschuldig voor \'t gerecht gebracht,
Zijn rug vol geeselstriemen, (bis.)
Zoo willig bood Zijn heilig hoofd,
Door smaad van \'t vorig schoon beroofd,
Met doornen liet doorpriemen. (bis.)
-ocr page 34-
Ö3Ü-
30
Maar tot den dood toe, zonder troost,
Moest Hij voor \'t schuldig Adamskroost
De zaligheid verwerven; (/>is.)
Want nooit zegt liefde: \'t is genoeg!
Ziedaar, waarom Hij dringend vroeg :
Gekruist den dood te sterven, (dis.)
Maar liefde nu vraagt liefde weer:
Schonk Hij u altoos meer en meer,
Niet altijd tranen plengen ; (bis.\')
Maar geest en hart en ziel, mijn kind !
Al wat gij maar te geven vindt,
Moet gij ten offer brengen, (l/is.)
N°. 19.
Maria onbevlekt ontvangen.
Laat ons, Moeder van den Heer !
Laat ons om Uw zetel dringen,
Laat Uw kinderen U ter eer
\'t Zielverrukkend feestlied zingen;
\'t Moet weerklinken luid en blij : ) , ■
Moeder, Onbevlekt zijt Gij !              )
\'t Heeft reeds \'t wijde wereldrond,
En herscheppend, overklonken,
\'t Woord, door Pius\' mond verkond ;
En Uw kind\'ren vreugde dronken,
Jub\'len op Uw feestgetij :
         ) ,.
Moeder, Onbevlekt zijt Gij ! )
-ocr page 35-
_____31____________
Neen, dat loflied zwijgt niet meer;
Tot aan \'s werelds verste palen
Zullen met het hemelsch heer
Al Uw kind\'ren luid herhalen
\'t Woord van \'t zalig Jubeltij : )
Moeder, Onbevlekt zijt (lij !
         )
En we voegen dank en beè
Aan de blijde feestgezangen ;
Wie, wie dankt niet met ons meê
Voor al \'t heil door U ontvangen,
Ins.
In het zalig Jubeltij ?                )
bis.
Moeder, Onbevlekt zijt Gij ! )
Zonnezuiv\'re Moedermaagd !
Om de glorie U gegeven,
Hoor ook, wat ons hart U vraagt:
Dat we na een schuld\'loos leven
Eeuwig jub\'len aan Uw zij : )
\'IS.
Moeder, Onbevlekt zijt Gij ! )
N°. 20.
Maria Leve !
Maria leev\'! Wat glans en luister meng\'len
Zich in dit Hart, van alle vlekken vrij !
Maria leev\' ! de Koningin der Eng\'len,
De Moedermaagd aan \'t hoofd der maagdenrij.
Maria leve
Met God, haar Kind!
Leve Maria,
Die ons als Moeder mint!
-ocr page 36-
:*:
32
Maria leev\'! Komt laat ons voor haar knielen:
Ze is dochter Gods, Gods moeder, Godes bruid;
Maria leev\'! ze is \'t heilverbond der zielen:
Door hare hand stort God Zijn gunsten uit.
Maria leve, enz.
Maria leev ! Zou ik haar ooit verlaten ?
\'k Was liever dood en lag in \'t duister graf!
Want, zonder haar, wat zou mij \'t leven baten?
Neen, (Jod, breek eerden draad mijns levens af!
Maria leve, enz.
Maria leev\' ! Laat me in haar liefde leven !
Met haar vereend, vrees ik noch dood noch pijn!
De laatste zucht, die op mijn lip zal zweven,
Zal liefdezucht voor Ü, Maria, zijn.
Maria leve, enz.
N°. 21.
Avondgroet tot Maria.
Maria\'s beeld, te midden
Van vroolijk schitt\'rend licht,
Noodt ons te komen bidden
Hij \'t altaar haar gesticht.
Komt, laat ons tot haar ijlen,
Een kleine poos daar wijlen.
Maria, Maria, Moeder, zegen ons !
-ocr page 37-
_____________33________________|
Wij vallen aan Uw voeten,
Neem ons genadig aan ;
Ontvang nog onze groeten,
Voordat wij huiswaarts gaan.
Dan gaan wij blij te moede,
Vertrouwend op Uw hoede.
Maria, (tó\\) enz.
Ontvang ook onze harten,
Voor \'t goede, dat Ge ons doet;
In blijdschap en in smarten,
In voor- en tegenspoed.
Steeds willen we U vereeren,
En Uwen roem vermeeren.
Maria, (/\'«.) enz.
O stort met moederhanden
Uw zegen op ons neer.
Verbreek des zondaars banden
En breng door God hem weer.
Dan ziet Ge ons morgen weder,
O, Moeder, goed en teeder !
Maria, (/>is.) enz.
N°. 22.
Opdracht aan het H. Hart
van Maria.
Maagd, o, schoonheid, nooit volprezen, j
Moeder van \'t oneindig Wezen,
-ocr page 38-
^_________            24
, Wat luister schittert van Uw troon !
De Seraf, aan zich zelf onttogen,
Juicht, voor Uw grootheid neergebogen :
O, Koningin, wat zijt Gij schoon ! {pis.\')
Al mist, Maria, \'t aardsche duister,
Het schouwspel van Uw grootschen luister,
Ons koestert toch Uw liefdegloed.
Ja, de Engel roeme Uw heerlijkheden,
Wij juichen, jub\'len hier beneden :
O, Moedermaagd, wat zijt gij goed ! (pis.)
Dank, dank voor zooveel liefdedaden,
Voor zooveel duizenden genaden,
Gevloeid door Uwe liefdehand !
Ontvang voor al die zegeningen,
Maria, van Uw lievelingen
Hun hart tot eeuwig onderpand, {pis.)
O, Moeder, altoos even teeder,
O, zie met welbehagen neder
Op \'t offer van Uw dierbaar kroost!
Schrijf in Uw hart ons aller namen,
Neem onze harten daarin samen,
Dan, Moeder lief, zijn wij getroost! {bis.)
Dan mogen vrij de winden tieren,
De bliksems door het luchtruim gieren,
En monsters jagen door de zee;
| Vergeefs hun razen, hunne woede,
i Wij zei\'en onder Uwe hoede
i Beveiligd naar de hemelreê. (bis.)
-ocr page 39-
£fc_________________35_________________
Daar zal geen vrees ons hart meer klemmen,
Daar zingen wij met blijder stemmen,
Geschaard om Uwen zegentroon,
Uw naam tot lof en God ter eere :
Maria, Moeder van den Heere,
Wat y.ijt (Jij goed ! wat zijt gij schoon ! (fits.)
N°. 23.
Maria troost ons.
Allen. Moeder des Heeren,
\'k Wil U vereeren,
O, troost voor \'t hart
In smart.
Beste der moed\'ren,
Schenk me alle goed\'ren
Wat zijt Gij goed ) ,.
En zoet!         ) 0ts\'
Gij schenkt troost aan \'t bedroefd geweten,
(Jij komt tot ons in angst en nood,
Gij slaakt des zondaars ijz\'ren keten
En redt hem dus van d\' eeuwigen dood.
Moeder des Heeren, enz.
Uw zoete hand droogt onze tranen,
Uw naam zoo zacht, geneest ons wee;
Ja zelfs Uw ijv\'rige onderdanen
Doen blij op \'t kerkhof hunne beê.
Moeder des Heeren, enz.
*
-ocr page 40-
^_                    ___36
Uw teed\'re ziel kan \'t geenszins lijden,
Dat iemand hier ellendig zij;
Gij komt met ons in \'t sterfuur strijden,
Kn voert tot God ons naast Uw zij.
Moeder des Heeren, enz.
U wijd ik dus, wat me ooit nioog\' kwellen.
U draag ik al mijn kruisen op ;
\'k Weet, dat mij niets dan kan ontstellen,
Wijl \'k zoo de l>ron van weemoed stop.
Moeder des Heeren, enz.
N°. 24.
Lofprijzing aan Maria.
Wonder van gloriepracht!
Wonder van moedermacht!
Liefd\'rijke, aanminnige, hemelsche Vrouw !
Wie ik ten eeuw\'gen tijd
Uit heel mijn hart mij wijd ;
Wie ik en lichaam en ziel toevertrouw;
Goed, bloed en leven
Wil ik U geven;
Al wat ik heb en ben, geef ik U nu.
\'k Geef het vol vreugde, Maria! aan U.
Schuldloos geborene,
Kenig-verkorene,
Gij, tot Gods Dochter en Moeder en Bruid !
-ocr page 41-
«
37
In heel <le maagdenrei,
Blonk niet de reinste, als Gij;
Zelf koos de Heer U ten tempel zich uit!
U, vlekkelooze
1 .el ie en Roze,
Pronk dezer aarde en der hemelen kroon !
Hemel en aard\' biên U hulde op Uw troon.
(lij trouw-geblevene,
En hoog-verhevene,
(ïij, onze I.eid-ster, (Jij licht op ons neer;
Glorie\'s omwemelen
Hoog in de hemelen
U, als het naast bij den troon van Uw Heer ;
Gij, door Uw zoetheid
Toonbeeld van goedheid.
„Moeder der liefde en genade" is Uw lof:
Zoo groet U de aarde en het hemelsche hof.
Gij, Uw God barende,
Voedend, bewarende,
Moeder in vreugden en smarten zoo rijk,
Was er ooit schuldige,
U, zoo geduldige,
Schuld\'looze moeder ! in lijden gelijk ?
Gij uitgelezen,
Zalig geprezen
Moeder en Maagd ! geheel zuiver van smet,
Gij zijt de Moeder, die zondaren redt.
-ocr page 42-
38
Altijd zachtmoedige
Minnelijke en goedige
Moeder van God ! van genade vervuld ;
Wil, ach ! ons, zondigen,
Wil ons verkondigen
Namens Uw Zoon, de vergeving der schuld ;
Wil bij \'t verscheiden,
Wil ons geleiden ;
Pleit bij des Rechters zoo vreeselijken troon,
Pleit voor ons, Moeder ! bij Jezus, Uw Zoon.
S2
N°. 25.
Ter eere van Maria.
Eene stem.
O, beeld van \'t reinste leven,
Maria, Jozefs Bruid !
Zoo wij ons hart U geven,
Gij deelt Uw gunsten uit.
Allen.
Ach, dat ik U beminne, in blijdschap en
in smart.
Druk diep, mijn Koninginne ! Uwbeelt\'nis
in mijn hart.
%                    —                                 ^
-ocr page 43-
&
39
O, Jozefs Bruid, mijn Moeder !
Mijn trouwe toeverlaat!
Werd niet Uw Zoon mijn liroeder,
Die nooit Uw beê vermaadt ?
Ach, dat ik U beminne, enz.
Ach, was ik rein van zonden,
O, vlekkelooze Maagd !
Ik zou Uw lof verkonden,
(lelijk het U behaagt.
Ach, dat ik U beminne, enz.
\'k Zou niet Uw trouwe scharen
En \'t juichend hemelheer
Mijn dankbaar loflied paren,
En jub\'len U ter eer.
Ach, dat ik U beminne, enz.
Helaas ! hoe moet ik klagen,
Dat ik, onwaardig mensch,
U zóó niet kan behagen,
Als ik het vurig wensch.
Ach, dat ik U beminne, enz.
Maar \'k wil me alle dagen,
O, Moeder ! U ter eer,
Godvruchtiger gedragen,
En dienen mijnen Heer.
Ach, dat ik Ü beminne, enz.
-ocr page 44-
%
_________________40_______________
N°. 26.
Toewijding aan Maria.
Ik ben aan U ! ik ben aan U !
Reeds onder \'t kruis, waaraan de lust Uws
harten,
Uw Jezus \'t grievendst leed doorstond,
Sprak Hij niet bleek bestorven mond :
„Ziedaar Uw kind, o, Vrouw van smarte !"
Ik ben aan U ! ik ben aan U !
Ik ben aan U ! ik ben aan U!
Reeds in den schoot van mijne lieve moeder,
Maria, werd ik l gewijd ;
Reeds toen bevaalt (lij voor altijd
Mij zelf, Uw kind, aan d\' Albehoeder:
Ik ben aan U ! ik ben aan U!
Ik ben aan U ! ik ben aan U!
Reeds van dien stond, toen mijnekinderlippen
Zich \'t eerst ontsloten voor de spraak,
Maria ! was \'t mijn zoetst vermaak,
Uw naam mijn mond te doen ontglippen.
Ik ben aan U ! ik ben aan U !
Ik ben aan U ! ik ben aan U !
Ach, in dat uur, toen \'k aan \'t banket der
Eng\'len
-ocr page 45-
___________________41____________________
Voor de eerste maal mij hel) gevoed,
Wat was \'t mij toen, Maria ! zoet,
Uw naam met Jezus\' Naam te ïneng\'len !
Ik ben aan U ! ik ben aan U !
Ik ben aan U ! ik ben aan U!                   ,
En sinds dien dag, hoe menig duizend malen
Mocht ik die opdracht van mijn hart,
O, Moedermaagd! in vreugde en smart,
Voor Uwe beeltenis herhalen !
Ik ben aan IJ! ik ben aan U !
Ik ben aan U ! ik ben aan U !
Ach, Moeder ! neen, doe mij mijn schuld
niet boeten,
Verstoot, verstoot Uw kind toch niet,
Dat U een hart vol rouwe biedt
En weenend neerknielt aan Uw voeten.
Ik ben aan U ! ik ben aan U !
Ik ben aan U ! ik ben aan U !
Ik geef U thans mijn hart en ziel en zinnen.
Wat mij ook op deze aarde beid\',
Niets, dat mij van Uw liefde scheidt,
Neen, eeuwig wil ik U beminnen :
Ik ben aan U ! ik ben aan U !
-ocr page 46-
N°. 27.
Ave Maria.
Wij brengen, als de Engel,
U, Moeder ! zoo zoet,
Met teedere liefde
Den dierbaren groet:
Ave, ave, ave Maria ! (bis.)
Zoodra in het Oosten
Het morgenlicht daagt,
Looft \'t kleppen der Ang\'lus
U, Moeder en Maagd :
Ave, ave, ave Maria! (bis.
Weer klinkt op den middag
Die bede zoo zoet.
Zendt de aarde aan Maria
Den minlijken groet:
Ave, ave, ave Maria! (bis.)
En daalt weer de scheem\'ring
Van \'t avonduur neer,
Door \'t duister nog ruischt het,
Gods Moeder ter eer:
Ave, ave, ave Maria! (bis.)
Door dalen en wouden,
Langs bergen en vliet,
Klinkt de eer van Maria
In \'t hemelsche lied:
Ave, ave, ave Maria ! (bis.)
-ocr page 47-
43___
De talen der volken
Verheffen haar naam ;
Zij smelten in \'t ave
Maria te zaam :
Ave, ave, ave Maria ! (/u\'s.)
Aanvaard dan de hulde
O, Moeder, zoo goed,
De hulde Uwer kind\'ren,
Aanhoor onzen groet:
Ave, ave, ave Maria ! (bis.)
Zoo blijft, o, Maria,
In vreugd en in smart,
In leven en sterven
De kreet van ons hart:
Ave, ave, ave Maria ! (bis.)
Die groet zij de laatste,
Door \'t hart nog geuit,
Wanneer in het sterven
De mond zich reeds sluit:
Ave, ave, ave Maria! (bis.)
Maar clan door Maria
Geleid tot haar Zoon,
Herhalen wij eeuwig,
Geschaard om haar troon:
Ave, ave, ave Maria ! (bis.)
-ocr page 48-
&.              ■___________44___________
N°. 28.
Smeeklied tot Maria.
O, (Jij die troont,
Waar Jezus woont
Zie gunstig op ons neder !
Ons zondig hart
Verkwijnt van smart;
Toon U ons Moeder, teeder. (tó.)
Verhoor de heen,
Stil het geween
Van die Uw zegen vragen ;
Ten allen tijd
Zal \'t hart, verblijd,
U dankend hulde dragen, (fiis.)
Weer van ons af
Der zonden straf
Van \'t onboetvaardig sterven.
Neen, neen, het kind,
Door U bemind,
Zal nooit genade derven, {bis.)
Klim\' kindertoon
Tot voor den troon,
Waarop Cl ij zijt verheven;
Dan volgen wij,
Uw kind\'ren, blij
In Sion\'s zaal\'ge dreven, (te.)
-ocr page 49-
____________45____________
Schenk ons nu deugd,
Hierna de vreugd
Van met de hemelingen,
Vereend van geest
Op \'t eeuwig feest
Maria\'s naam te zingen, (/w.)
. N°. 29.
De Kinderen van Maria.
Wij allen zijn Maria\'s kind\'ren !
Onder het kruis nam Zij ons aan;
Zijn wij bij haar, niets kan ons hind\'ren,
Onze harten zijn voldaan !
Maria,
Allen zijn wij Uwe kind\'ren,
Maria,
Jach ons als Moeder aan.
We aanschouwen U, met de armen open,
De hand omstraald met \'t noodig gratie-
licht;
Wat mag Uw kind van U niet hopen ?
God heeft Uw troon naast Zijnen troon ge-
sticht.
Wij allen zijn Maria\'s kind\'ren! enz.
-ocr page 50-
46
Ken sterrenkrans blinkt om Uw schedel,
Uw glans verdooft den felsten zonnegloed,
Gij trapt de maan, zoo lief, zoo edel, —
De helsche draak ligt plassend in zijn bloed.
Wij allen zijn Maria\'s kind\'ren ! enz.
Komt schrik ons teeder hart bespringen,
Op \'t zien van satans list en boos geweld....,
Wie kan ons uit Uw armen wringen ?
Uw liefde, Uw macht is tegen hem gesteld.
Wij allen zijn Maria\'s kind\'ren, enz.
De wereld toont haar broze goed\'ren,
Roemt \'t schijngeluk, dat hare minnaars
streelt,
Terwijl Gij, Moeder aller moed\'ren,
Het ware goed aan Uwe kind\'ren deelt.
Wij allen zijn Maria\'s kind\'ren, enz.
Weg, ver van hier, gij schandvermaken,
Die lach en dans met zucht en tranen paart!
Men kan uw doodend gift niet naken,
Waar Jezus\' liefde ons ware vreugde gaart.
Wij allen zijn Maria\'s kind\'ren, enz.
Trek steeds tot U ons hart en zinnen,
O, Koningin van \'t zalig hemelhof,
Dat wij, naast Jezus, U beminnen
En eeuwig meer verheffen Uwen lof.
Wij allen zijn Maria\'s kind\'ren, enz.
-ocr page 51-
_________47_____
N°. 30.
Aan Maria.
Moeder des Heeren,
Moeder en Maagd !
Nooit heeft U iemand
Vruchteloos gevraagd.
Ik kom, o, Maria !
Tot U, als een kind,
Dat U als zijn Moeder
Recht hartelijk bemint. {pis.~)
Moeder des Heeren,
Moeder van God !
Ook mijne Moeder,
Zie o]) mijn lot.
Gij zijt mijn vertrouwen
In voorspoed en nood,
Tot U zal ik roepen
In leven en dood. (£&•)
Moeder des Heeren,
Moeder van mij;
Sta mij als Moeder
Moederlijk bij.
O, Moeder van Jezus !
Ik schenk l\' mijn hart,
Ik schenk U mijn liefde
In blijdschap en smart, (fa\'s.)
-ocr page 52-
Moeder des Heeren,
Hemelvorstin !
Machtige Moeder,
Moeder, vol min !
Wij smeeken U ned\'rig,
Van alles ontbloot,
Verstoot on/e heden
Niet, in onzen nood. (fa\'s.)
N°. 31.
Tot de Moeder van Smarten.
Toen nu \'t Woord in Uwen schoot,
Moedermaagd ! was neergekomen,
Kn hereid ten offerdood,
Knechtsgestalt\' had aangenomen ;
O, wat hebt Ge een liefdegloed ) , •
In Uw Moederhart gevoed.
          )
Hoe was toen Uw hart verheugd
En in liefdevuur verslonden ;
Want (Jij droegt der heem\'len vreugd!
Maar, o, Moeder, ook eens wondden
Al de schichten van de smart ) ...
Uw beminnend Moederhart. )
-ocr page 53-
____________49________________
U doorgriefde wond op wond
Door geheel Uw lijdend leven ;
Maar toen Ge onder t kruishout stondt;
En l\'w Zoon den geest zaagt geven,
En een speer Zijn zij\' doorstak,         ) . .
Ach ! wie meldt, hoe \'t hart L\' brak. )
Uit dat lichaam, zoo verscheurd.
Vloeit een bloedstroom voor haar neder ;
Wie, wie is er, die niet treurt
Met een Moederhart zoo teeder ?
Maat\'loos als de onmeetb\'re zee, ) , ■
Is Maria\'s boezemwee.
                    )
Ach ! droog Hare tranen af;
Rijs, o, Koning van het leven !
Rijs weer uit het duister graf;
En van glorielicht omgeven,
Trooste Uw aangezicht de smart ) ,.
Van \'t gebroken Moederhart. )
m-
rr.
Wees, Maria, wees getroost!
Lang zal \'t lijdensuur niet wezen ;
Eer de derde morgen bloost,
Ziet ge Uw Zoon uit \'t graf gerezen,
Vrij van smart en vrij van smaad, ) , •
In \'t onsterfelijk lichtgewaad.            )
-ocr page 54-
5 o
Daar, daar ziet Zij reeds Haar God,
Haar beminden Zoon genaken,
Kn een naamloos groot genot
Voelt Zij nu Haar hart doorblaken,
Tot Hij, in triomf gekeerd, ) ,.
Aan des Vaders zij\' regeert. )
Rust\'loos zucht Haar minnend hart,
Nu ze op aard nog moet verwijlen ;
O, Zij wil van liefdesmart
Opwaarts naar Haar Jezus ijlen,
Die in \'s Vaders heerlijkheid ) ..
Reeds Haar zetel toebereidt. )
Als het maagd\'lijk was door \'t vuur,
Voelde Zij Haar hart verteren.
Zij versmacht naar \'t zalig uur,
Dat de stem haar roept des Heeren ;
Toen kwam Jezus Haar te moet, ) ,
En zij stierf van liefdegloed.
           )
Heilig harte vrij van smet,
Troost, voor wie op U vertrouwen,
Hoor ons kinderlijk gebed :
O, gezegendste aller vrouwen !
Vraag nu, vraag van \'t God\'lijk Lam, )
Dat Zijn liefde ons hart ontvlam\'. )
-ocr page 55-
5T
N°. 32.
Meilied.
Heuvels, dalen, bosschen, velden,
Moeden, wilt den lof vermelden,
Doet den prijs der deugden gelden,
Van Maria, morgenschoon. (//is.)
Beekjes met het lief geklater,
Van uw zilverkleurig water,
Vogeltjes niet zoet geschater,
Zingt Maria \'t loflied toe. (/u\'s.)
Maak, o Moeder-Koninginne,
Schoonste Maagd en Rijks vorstinne,
Maak, dat ik U steeds heniinne;
Eer aan God, wijl Hij U schiep, (bis.)
Gij zijt door Uw liefdeslralen
Eene zon der hemelzalen,
Niets kan bij Uw reinheid halen,
O Gij, maan van \'t hemelrijk ! (bis.)
Geur verspreidt Gij als de rozen,
\'t Hoogste schoon moet voor U blozen,
Lelie onder vlekkeloo/.en,
Toonbeeld van lieftalligheid. (bis.)
-ocr page 56-
___________________52_________________
God ziet onder duizendtallen
U de ootmoedigste van allen.
\'t Is met eind\'loos welgevallen
Dat Hij op Uw schoonheid ziet. (bis.)
Heilige Maria, Moeder,
Dochter van den Alhehoeder,
Wees Uw kind\'ren immer goeder,
Hij Uw Jezus, bij Uw Zoon. (i/s.)
N°. 33.
Aan de Moeder van Smarten.
Naast het kruis, met weenende oogcn.
Stond de Moeder diep bewogen,
Als de Zoon te sterven hing.
En door ziel en zuchtend harte,
Gansch verscheurd van wee en smarte,
\'t Snijdend zwaard van droefheid ging.
Ach, hoe droef, hoe vol van rouwe
Is die zegenrijke Vrouwe
Die men onder \'t kruishout vindt!
Ach, hoe treurt Zij, ach, hoe schreit Zij
En wat folteringen lijdt /ij,
Bij het lijden van Haar Kind!
-ocr page 57-
53
Wie toch, die niet weenen zoude,
Zoo hij \'t bitter leed aanschouwde,
Dat Maria\'s ziel verscheurt!
Wie kan \'t Moederhart zien lijden
Kn Haar wee geen tranen wijden,
Als zij met Haar Jezus treurt?
Onze schuld en onze zonden,
Sloegen Jezus al die wonden,
Waar Haar weenend oog op staart\'
Zij ziet hoe de geeselstriemen
En de nagels \'t vleesch doorpriemen,
Tot zijn ziel ter helle vaart!
Moeder! liefde doet U kwijnen.
Laat mij deelen in Uw pijnen,
Dat ik mede met U ween\';
Laat mijn hart van liefde branden,
Bind mij vast met hechte banden
Hier aan Jezus\' Hart alleen.
Moeder! hoor, ach, mijn gebeden!
Jezus heeft voor mij geleden;
Druk zijn wonden in mijn hart.
Hij geeft mij Zijn bloed en leven,
Mocht ik Hem het mijne geven,
Met Hem lijden pijn en smart.
Maak, dat mij het kruisd>eware,
Geef, dat Christus\' dood mij spare,
-ocr page 58-
_5±_
En Hij mij gena bewijz\';
En als \'t lichaam komt te sterven,
Doe mij dan de glorie erven
Van liet hemelsch Paradijs.
N°. 34.
Salve Regina.
Wees gegroet, o Koninginne\'
Moeder, (Jij vol teed\'re minne,
(iij, ons leven, hoop, zoo zoet,
Wees, Maria! wees gegroet.
Bid voor ons, Maria!
\'t Is lot L\' dan, dat wij vluchten,
Onder tranen en veel zuchten,
Tot U rijst ons klaaggeschal
In dit aardsche tranendal.
Bid voor ons, Maria!
Zie wij heffen hart en oogen,
Tot U, vol van mededoogen;
(Jij stort balsem in het hart,
Bij U vindt men troost in smart.
Bid voor ons, Maria!
Wil, Maria, ons aanschouwen,
Die vol hoop, op U betrouwen,
Smeek op Uw genadetroon,
Voor ons zondaars bij L\'w Zoon.
Bid voor ons, Maria !
w
-ocr page 59-
_______________55_______________
Help ons tegen satan strijden,
Die tot kwaad ons wil verleiden,
Drijf den duivel op de vlucht,
Hij is voor Uw macht beducht
Bid voor ons, Maria!
Moeder vol van medelijden,
Geef ons in \'t geween verblijden,
Zaal\'ge Moeder van den Heer,
Zie toch op Uw kind\'ren neer.
Bid voor ons, Maria!
Bijstand, Gij, in zielsgevaren,
Wil voor zonden ons bewaren,
Wend de schrikb\'re zondestraf
En Gods gramschap van ons af.
Bid voor ons, Maria!
Als de duivel ons wil kwellen,
\'s Levens last ons komt beknellen,
Schenk ons door Uw Moederbeê
Zielerust en zoeten vree.
Bid voor ons, Maria!
Machtig schild bij al ons strijden,
Blijf steeds onze troost in \'t lijden,
Onze toevlucht in den nood,
Nu en in \'t uur van onzen dood.
Bid voor ons, Maria!
"te
-ocr page 60-
56_______________
Als we Uw heil gen naam uitspreken,
Of voor Uwe beelt\'nis smeeken,
Wijkt de droefheid uit ons liart,
Want Gij schenkt ons troost in smart.
Bid voor ons, Maria!
O, dan nu, wil voor ons spreken,
\'t Goedig oog slaan op ons smeeken,
(Jij, die altijd voor ons pleit,
Moeder van barmhartigheid \'
Bid voor ons, Maria!
En na dit ons ballingsleven,
Toon ons Jezus, hoog verheven,
Heiige vrucht van Uwen schoot,
Toon Hem ons bij onzen dood.
I\'.id voor ons, Maria!
O, gezegendste aller vrouwen,
Laat ons niet vergeefs vertrouwen,
Leidsvrouw richt toch onze schreên,
Naar de woon der Zaal gen heen.
bid voor ons, Maria!
O dan, Moeder vol ontferming,
Toon ons, kind\'ren, Uw bescherming,
O Gij Maagd, zoo vroom, zoo zoet,
Wees, Maria, wees gegroet.
Bid voor ons, Maria!
-ocr page 61-
______________57_____
N°. 35.
Danklied van Maria\'s kinderen.
Refrein
Kinderen van Maria!
Bij Uw zegevaan,
Heft nu \'t Alleluja,
Heft uw danklied aan.
Op Haar Moederbede
Tot Haar Zoon en Heer,
Daalt Zijn liefde en vrede
In de harten neer.
Kinderen van Maria, enz.
\'s Vijands legerscharen
Vlieden vol van schrik ;
Ons blijft Zij bewaren
Met Haar Moederblik
Kind\'ren van Maria, enz.
Haar zijn wij gegeven,
Toen Haar Jezus stierf.
En ons \'t eeuwig leven
Door Zijn dood verwierf.
Kind\'ren van Maria, enz.
Roept o]) al uw wegen,
Roept uw Moeder in;
Nooit, neen, zonder zegen
Laat Zij Haar gezin.
Kind\'ren van Maria, enz.
-ocr page 62-
58
Moeder ! blijf ons leiden
Naar de hemelwoon ;
ISreng ons, hij \'t verscheiden,
\'J\'ot Uw God en Zoon.
Kind\'ren van Maria, enz.
N°. 36.
De Onbevlekte Ontvangenis
van Maria.
Laat mij nog een lofzang wekken
Schoonste, wie de hemel mint;
Blanke Lelie zonder vlekken.
Roze, die geen weerga vindt!
Held\'re ster aan \'s hemels kimmen,
Sniettelooze morgengloor!
Laat mijn zangtoon tot U klimmen,
Bloem van Juda\'s maagdenkoor!
U mocht nooit het vonnis treffen,
Dat er kleeft aan \'t aardsch geslacht:
God wilde U den vloek ontheffen,
Die ons doemt in satans macht.
Hij, die vóór alle eeuw regeerde,
Heer van leven is en dood,
Hij was \'t, die Zijn Moeder eerde,
Toen Zij werd in Anna\'s schoot.
-ocr page 63-
59
Haar zou de eeuw\'ge Geest omzweven,
En Zijn Bruid mocht niet bevlekt,
In wie Hij, den God van \'t leven,
Kens liet aardsche leven wekt.
Goddelijk, Drieëenig Wezen!
Vader, Zoon en Heil\'ge (leest!
Keuwig zij de gunst geprezen,
Die Gij aan dit Kind beweest.
Satan sloeg in nieuwe woede,
Toen hij \'t vreemd geheimnis zag,
En zijn nederlaag vermoedde
l\'it Maria\'s wordingsdag.
Was hij nimmer nog geweken,
Greep hij \'t kiemend leven aan:
Hier, hier is zijn macht bezweken,
Hier hem de eerste buit ontgaan.
\'t Is de Maagd, van God verkoren,
Door der vad\'ren stem voorzeid,
Die uit Davids stam geboren
Eeuwen zuchtend was verbeid ;
Zij, na zooveel bange jaren,
Zij moest in een herderstal
\'t Wichtje door een wonder baren.
Dat de God was van \'t heelal.
Blij dan zij Haar lof gezongen,
Van geslachte tot geslacht,
Worde door ontelb\'re tongen
\'s Werelds dank Haar toegebracht:
-ocr page 64-
^_
rio
Zij, Zij is liet, die aan de aarde
Heil en vrede wedergaf,
Want het Wichtje, dat Zij haarde,
Sloeg ons Satans kluisters af.
O, dat we immer niet vertrouwen,
In het leven, in den dood,
Opwaarts naar Maria schouwen,
Die Haar Kind\'ren nooit verstoot;
Waar Gods Kng\'len neêrgehogen
Staan om d\'eeuw\'gen glorietroon,
Deelt /ij Jezus\' rijksvermogen,
En beveelt Ze ons aan Haar Zoon.
Luide moet ons lied dan rijzen
Om de glorie, die Haar kroont,
Luide Jesus\' liefde prijzen,
Die oneindig Haar beloont.
Heden dan met de Kng\'lenkringen
Juichen wij, vervoerd van min;
Maar nog aardsche bannelingen,
Roepen we ook Haar voorspraak in
God van eindeloos ontfermen !
Zie ons aan met vaderoog;
Wil voor Satan ons beschermen,
Die ons vaak aan U onttoogj
En Gij! Moeder vol genade!
Die de helslang hebt verplet,
Vraag, dat ons geen zonde schade,
Maagd! ontvangen vrij van smet.
-ocr page 65-
m______________6<_ ______m
N°. 37.
Loflied aan de Onbevlekte
Moedermaagd.
Wij prijzen vol vreugde de zuiverste Maagd,
In onze nooit-zwijgende zangen;
Haar schoonheid lieeft God, Haren Schepper
behaagd :
Zij werd zonder erfsmet ontvangen.
O reinste der maagden! U love mijn lied,
Versmaad, ach versmaad mijne zangen toch
niet.
Van \'t hoogste der heem\'len zag God op
U neer,
Zijn oog sloeg U liefderijk gade;
Reeds voor Uw geboorte werd Gij door j
den Heer
Vervuld met de rijkste genade;
Ook bleeft Gij van iedre zonde bevrijd,
En immer Uw Heer en Uw Schepper gewijd.
Gelijk onder doornen de lelie bekoort,
Zoo zijt (lij het sieraad der vrouwen;
Ach mocht ik, o Moeder van \'t eeuwige
Woord!
Eens al Uw schoonheid aanschouwen;
O vleklooze Moeder ! wat zijt Gij toch
schoon :
(lij deelt in de glorie van Jezus l\'w Zoon.
W
%
-ocr page 66-
____________62______________
Nu leeft Gij daarboven in eindlooze vreugd,
Waar de Eng\'len U juichend omringen,
De hemel wordt thans door uw schoonheid
verheugd,
Die Cherubs en Serafs bezingen;
() luister des hemels! (lij schittert van licht:
Ciod zelf heeft L\'w troon naast den Zijnen
gesticht.
O Maagd\'lijke Moeder, o vlek\'looze Maagd!
Tot hoven de sterren verheven,
Verwerf ons die deugd, die het meest U
heilaagt,
Geleid ons ten eeuwigen leven!
Dan juichen wij immer rondom Uwen troon:
O reinste der maagden! wat zijt Gij toch
schoon.
No. 38.
Feestlied op Maria
Ten Hemelopneming.
Laat ons blij Gods lieve Moeder eeren :
Zij zal de oogen liefd\'rijk tot ons keeren :
Wat we ootmoedig in \'t gebed hegeeren
Met ons vragen voor den troon des Heeren.
-ocr page 67-
________________6^_______________
Moeder, hoogverheven !
Ach, verwerf ons hij Uw Zoon,
Als wij sterven,
Dat wij erven
\'t Eeuwigdurend hemelloon.
Ze is verheugd ten hemel opgenomen ;
Al de zaal\'gen doen hun zangen stroomen
Haar ter eer : hoe zou een kind nu schromen,
Heden voor Haar moedertroon te komen.
Moeder, hoogverheven ! enz.
Moeder nog, gelijk Zij was op aarde,
Heerscht Zij naast den Zoon, dien zij ons
haarde ;
Smaakt Zij \'t loon, dat Zij zich hier vergaarde,
Die Zijn woorden in Haar hart hewaarde.
Moeder, hoogverheven! enz.
Hij, die Haar tot Moeder heeft verkoren,
Die Haar Zoon is, uit Haar schoot gehoren,
Die Haar nu Zijn glorie heeft beschoren:
Hij, Hij zal Haar Moederbeê verhooren.
Moeder, hoogverheven! enz.
Welk een macht en liefde hier verbonden !
Die om strijd uit duizend, duizend monden
Al de heem\'len en deze aard verkonden
Wie, wie bad en heeft geen hulp gevonden?
Moeder, hoogverheven! enz.
-ocr page 68-
64
Wij, Maria, juichen jub\'lend mede
Komen, heil\'ge Maagd en Moeder, heden
Juichend vol vertrouwen toegetreden
Met een krans van kinderlijke beden.
Moeder, hoogverheven ! enz.
Wees geloofd, o Moeder ! nooit volprezen,
Luistervol, ten glorietroon gerezen;
Moeder Gods ! van eeuwig uitgelezen,
Ja, Gij zult ook onze Moeder wezen.
Moeder, hoogverheven ! enz.
No. 39.
Ter eere van den H. Naam
van Maria.
Uw\' zoeten Naam,
Maria, \'k heb dien \'t eerst geweten ;
Uw\' zoeten Naam
Aanriep ik reeds de handjes saam,
Nog staamlend in de wieg gezeten ;
En \'k zal in \'t doodsuur niet vergeten
Uw\' zoeten Naam.
Uw zoete Naam
Is allerliefst muziek in de ooren ;
Uw zoete Naam
Is meer dan honing aangenaam.
Oe duiv\'len kunnen Hem niet hooren;
Hij is het werk der Uitverkoren
Uw zoete Naam
-ocr page 69-
m
Uw zoete N;iam
Staat eeuwig in mijn hart geschreven,
Uw zoete Naam
Is zielespijs en drank te saam
Hoe troostelijk verlaat ik \'t leven !
Nog op mijn doode lip zal zweven
Uw zoete Naam.
N°. 40.
Slotzang tot Maria.
Wijze : O Franciscus, o, Vader der armen.
O Maria, o dierbare Moeder,
O Maria, reine Maagd,
O Maria, Uw Zoon is mijn Broeder,
Vraag Hem, wat Uw kind U vraagt.
Van Uwen Zoon kunt Gij alles verkrijgen,
Spreek voor Uw kind, wil, o Moeder, niet
zwijgen,
O Maria, sta mij bij,
Heil\'ge Moeder, spreek voor mij.
O Maria, Gij vol van genade,
O Maria, hoor mijn lied,
O Maria, sla immer mij gade,
Moederlief, vergeet mij niet.
Machtige Moeder van God, en der menschen,
Hoor mijne beden, vervul mijne wenschen,
O Maria, sta mij bij,
Heil\'ge Moeder, bid voor mij.
-ocr page 70-
________________66________________
O Maria, gezegende Vrouwe,
O Maria, help Uw kind,
Zie, o Moeder, Uw kind is in rouwe,
Toon, dat Gij liet nog bemint.
Ach! hoor Uw kind in dit tranendal zuchten,
Laat in Uw armen, o Moeder, mij vluchten,
O Maria, sta mij bij,
Heil\'ge Moeder, strijd voor mij.
O Maria, Gij zijt hoogverheven
Bij Uw Zoon in zaal\'gen vree.
Ik, Uw kind moet in angsten hier leven,
Moeder, hoor mijn kinderbeê ;
Kom mij te hulp in het lijden en strijden,
Voer mij eens op naar het eeuwig verblijden ;
Laat mij juub\'len aan Uw zij
Op het zalig jubeltij.
I
N°. 41.
Betrouwen op Maria.
Maria, mijne lieve moeder,
Heb medelijden met Uw kind,
Gij schenkt Uw Jezus mij tot broeder,
Ach, toon dat Gij mij nog bemint.
De wereld wil Uw kind misleiden,
O, Moederlief, sta mij toch bij :
Niets mageenkind van moeder scheiden ) ..
Reik maar Uw hand, en ik ben vrij. )
-ocr page 71-
________________67________________
Ik zie door U den mensch herleven,
Door U begint het rijk der deugd,
Met Uwen Zoon hebt Ge ons gegeven
Den vrede Gods, de ware vreugd.
De wereld wil enz.
Wie heeft er niet door U gevonden
Verlichting, vrede, troost, geluk ?
Door U blijft de onschuld ongeschonden,
Gij trekt den zondaar uit den druk.
De wereld wil enz.
Gelukkig hij, die alle dagen
U, Koningin der Eng\'len, dient,
Die met U, Moeder te behagen,
Uw Jezus heeft tot zijnen vriend ;
De wereld kan hem niet verleiden,
De vrede woont in zijn gemoed,
Niets kan hem van Maria scheiden, ) , ••
Hoe dreigend hel of duivel woedt. )
Heersch Koningin der hemelscharen,
Heersch over ons, U toegewijd,
Hij moet de wereld laten varen,
Die voor Uw zegenvaandel strijdt,
De wereld wil enz.
Blijf mijner immer U erbarmen,
En bid in \'t stervensuur voor mij,
Laat mij ontslapen in Uw armen,
Dan vrees ik niet, dan sterf ik blij.
-ocr page 72-
________________68________________
Dan kan geen wereld mij verleiden,
Maria strijdt aan mijne zij,
Met vreugd ga \'k van de wereld scheiden,) ,.
Ik reis naar \'t zalig jubeltij.             )
N°. 42.
Ave Maris Stella.
Gegroet Gij, Sterre van het meer !
Verheven Moeder van den Heer,
En altoos Maagd; Gij hemelpoort,
Die ons \'t verbeide heil beschoort,
Wat Gabriël U heeft verkond,
Neem \'t Ave van zijn Eng\'lenmond;
Keer Eva\'s naam ten zegengroet,
Dat Ge ons in vrede vest en hoedt.
Wil zondaars van hun boei ontslaan,
Breng voor de blinden \'t heillicht aan ;
Verdrijf ons kwaad met alle straf,
Smeek al het goede voor ons af.
O toon ons, dat Gij Moeder zijt,
Dat Hij, Die zich Uw Zoon beleidt,
Door U eens tot ons heil gebaard,
Door U ook ons gebed aanvaard !
-ocr page 73-
69__________________
Der Maagden zonderlinge bloem,
Zachtmoedige ! der zachten roem,
Ik bid, dat Ge onze schuldboei slaakt,
Zachtmoedig ons en zuiver maakt.
Verleen een reine levensbaan,
Beveilig \'t pad, waarop we gaan,
Opdat wij, Jezus ziend\', verheugd
Te saam steeds juichen in Zijn vreugd.
Zij God den Vader lof en eer,
Met Christus, d\' allerhoogsten Heer;
Zij de eigen roem den Geest bereid,
Den Drie ééne eer in eeuwigheid!
N°. 43.
De Opdracht.
Juicht, zusters, juicht! en zingt den lof des
Heeren,
En \'t heilig Drietal zij uw ziel gewijd ;
Paart liefde aan trouw, dan zult ge uw loon
vermeêren
En winnen Jezus gunst in eeuwigheid.
O wat een rein genoegen
             i
Te zingen uit een mond :             ( ,.
Jezus, Maria, Jozef!                       (
Ik sluit met U vooi eeuwig een verbond.)
-ocr page 74-
U Jezus ! zij ons hart en ziel gegeven,
U, reine Maagd ! U, Jozef, eeren wij;
U, heilig Drietal ! schenken wij ons leven,
In^bangen\' nood staat onze ziel steeds bij.
Onze opdracht zij in \'t levensboek verzegeld,
Door \'s Priesters woord geheiligd in Gods
naam;
Naar Jezus\' voorbeeld zij de deugd geregeld,
Voor eeuwig loon gelouterd en bekwaam.
O zoet genot van deze Congregatie,
O heil\'ge vreugd van dit vereend gezin,
O zusters! welk een schat en vloed van gratie,
En zoete hoop ligt daar voor allen in.
Wij smeeken U, o Jezus, om Uw\' zegen,
Uw\' voorspraak, dierb\'re Moeder! zij ons deel,
Bescherm ons, groote Jozef! op onz\' wegen,
Wij schenken Ü ons hart en ziel geheel.
Refrein.
Onze opdracht is verzegeld,
Wij zijn den Heer gewijd,
Jezus, Maria, Jozef!
Beschermt ons nu en ook ten allen tijd.
-ocr page 75-
____l\\____
N°. 44.
Maria, o vergeet ons niet.
O, Zaal\'ge Moeder van den Heer,
Zie gunstig op Uw kind\'ren neer,
Maria, o vergeet ons niet.
Wanneer wij bidden naar omhoog,
Tot U verheffen \'t smeekend oog,
Maria, o vergeet ons niet.
Wanneer de tegenspoed ons kwelt,
Wanneer de droefheid ons ontstelt,
Maria, o vergeet ons niet,
Wanneer de duivel ons bekoort,
Door zondestorm onz\' ziel\'rust stoort,
Maria, o vergeet ons niet.
Wanneer Ge in ons de zucht naar de aard
En \'t schijnschoon, dat ze biedt, ontwaart,
Maria, o vergeet ons niet.
Wanneer het vleesch tot wellust leidt
En tot \'t verlies der zuiverheid,
Maria, o vergeet ons niet.
Wanneer de godsvrucht ons begeeft,
Ons hart niet meer naar deugden streeft,
Maria, o vergeet ons niet.
Wanneer Uw liefde \'t menschdom streelt,
Uw milde hand genaden geeft,
Maria, o vergeet ons niet.
M
-ocr page 76-
___________          72_________________
Wanneer het leven ons verlaat,
Wanneer het uur des scheidens slaat,
Maria, o vergeet ons niet.
Wanneer Gij tot Uw lieven Zoon
Voor de Uwen vraagt om \'t eeuwig loon,
Maria, o vergeet ons niet.
X
N°. 45.
Vreugde van Maria\'s Hart.
Gij slaapt nu, mijn Jezus,
Mijn kind en mijn God !
Gij slaapt, en ik sterve
Van moedergenot
Ave, ave, ave, Maria! (bis.)
Uw blozend gezichtje
Vervoert mij zoozeer,
Dat ik als van liefde
Verkwijn en verteer.
Ave, ave, ave, Maria! (dis.)
\'t Ontwaakt nu, en opent
Zijn oogjes zoo zacht,
En staart dan zoo minzaam
Naar Moeder, en lacht.
Ave, ave, ave, Maria ! (bis.)
%
m
-ocr page 77-
73___________
O fonkelende oogen,
O lachende mond,
Gij slaat van de liefde
Nog dieper de wond !
Ave, ave, ave, Maria! {bis.)
Mijn ziel, hoe, gij gloeit niet
Voor Moeder en Zoon ?
Gij ziet dan hardvochtig
Dat schouwspel zoo schoon ?
Ave, ave, ave, Maria! {bis.\')
Wat toeft Ge ? De schoonheid
Der aard\' is slechts schijn :
Beslis nu, Uw liefde
Voor wien zal zij zijn?
Ave, ave, ave, Maria! (bis.~)
Voor U, o mijn Jezus!
Maria, voor U !
Ja, Gij hebt verwonnen,
Bezit mij dan nu.
Ave, ave, ave, Maria! {bis.)
Ja, \'t Kind en de Moeder
De Moeder en \'t Kind,
De roos en de lelie
Moest beiden bemind.
Ave, ave, ave, Maria! (bis.)
-ocr page 78-
74__________
Ik vraag hier op aarde
Geen schatten, geen kroon,
U minnen is alles,
U minnen mijn loon.
Ave, ave, ave, Maria! (bis.\')
N°. 46.
Salve Regina.
Wees, ecd\'le Koningin, gegroet, O Maria !
Gij, die zoo machtig zijten goed, O Maria !
Refrein :
Jubel, gij Cherubijn!
Loof haar, gij Serafijn !
Groet uw hooge Koningin
Salve, salve, salve Regina,
O Moeder, vol barmhartigheid, O Maria!
Die mensch en engel steeds verblijdt, O Maria!
Refrein :
Tot U, die ons zoo teeder mint, O Maria !
Wendt zich het arme Eva\'s kind, O Maria !
Refrein :
%
-ocr page 79-
_75___
Verkrijg voor ons bij Godes troon, O Maria!
Vergiffenis van Uwen Zoon, O Maria !
Refrein :
Smeek, dat wij ook na dezen tijd, O Maria!
Eens Jezus zien in heerlijkheid, O Maria!
Refrein :
N°. 47.
De smartvolle Moeder.
Er vloeide langs den kruisstam,
Uit Jezus\' open zij,
Een overvloed van leven,
Een hemelsche artsenij :
En aan den voet des kruises,
Uit eindelooze smart,
Ontsprong een bron van tranen
Aan Moeders schreiend hart. \\ .
Zij stroomden beide samen *TJ-~"
Tot eenen kostb\'ren vl/Seïl,
Maria\'s zilv\'ren tranen/- \'
En Jezus\' purper bloed :           \\
Mijn ziel wil zich verliezen
In deze zee van smart, \\
Die gutste uit^ Jezus\' wonde,
Die welde \'UÏt Moeders hart.
-ocr page 80-
___________________7J>_______________________
Ik kniel berouwvol neder
Voor \'t kruishout van mijn Heer,
En kus met Magdalena
Zijn wonden keer op keer,
En schrijf Zijn bittre pijnen
En ook mijn Moeders smart.
Vol dankbre kinderliefde,
In mijn vermorzeld hart.
N°. 48.
Smeekgebed aan den H. Jozef.
Heil\'ge Jozef! trouwe hoeder,
Van Uw god\'lijk voedsterkind,
Die Uw Jezus heel Uw leven,
Onuitspreek\'lijk hebt bemind, (tó).
Heil\'ge Jozef! vraag dat wij ) ,.
Hem beminnen, zooals (lij. )
Heil\'ge Jozef! die Uw Jezus
In Uw stulpje met U hadt,
Vaak van d\'arbeid tot Hem opziend,
Stil en innig Hem aanbadt. (bis.)
Heil\'ge Jozef, vraag dat wij ) &.
Jezus dienen, zooals Gij.         )
-ocr page 81-
____,_______71______________%
Heil\'ge Jozef! door Gods zone
In Uw need\'rig werk verlicht,
Daar Maria \'t oog vol liefde
Op haar Kind en Bruigom richt: (J>is.~)
Vraag, dat in hun aanschijn wij ) ,.
Ons verblijden zoo als Gij.
           )
Heil\'ge Jozef! die in de armen
Van Uw Bruid en Pleegkind stierf,
En voor Uw getrouwe liefde
\'t Loon der eeuwigheid verwierf: (pis.)
Heil\'ge Jozef! vraag dat wij ) ,.
Zalig sterven zooals Gij.           )
N°. 49.
St, Jozef, Voedstervader.
Leev\' Jozef, voedstervader
Van Jezus onzen Heer,
Wij treden biddend nader,
Én knielen voor U neer.
Gij draagt op vaderarmen,
Het God\'lijk Jezus\' Kind,
Wil onzer U erbarmen,
         ) ^
O dierb\'re zielenvrind. )
-ocr page 82-
____________78_______________
Richt, Jozef, onze dagen
En schik ons verder lot
Naar Jezus\' welbehagen
En Godes heilgebod.
Wil door Uw zorg ons geven
O, zeek\'re toeverlaat,
Dat we onzen roep beleven ) , •
En heil\'gen onzen staat. )
Wij smeeken U te gader,
Patroon van Nederland,
Blijf, Jozef! ons tot vader,
Bewaak \'t U dierbaar pand.
Blijf altoos ons behoeden,
En toevlucht in den nood,
Met Jezus en zijn Moeder, )
bis.
Van nu tot in den dood. )
N°. 50.
Tot den H. Jozef.
Heil\'ge Jozef, vol betrouwen
Brengen we U ons need\'rig lied :
Want van aangenomen kind\'ren
Smaadt Gij \'t dringend smeeken niet.
Waker van den kleinen Jezus,
Hoed ook ons in teed\'re jeugd:
Dan gewis voor God en menschen
Groeien we op in eer en deugd.
-ocr page 83-
_______________79____________
Mogen we altoos Jezus volgen
Van de wieg tot aan het graf,
Die van ootmoed en van liefde
Ons het schoonste voorbeeld gaf.
Waker, enz.
Ach, bescherm ons heel het leven,
Sta ons bij in ramp en smart,
Toon ons altijd, beste Leidsman,
Toon ons steeds Uw vaderhart!
Waker, enz.
N°. 51.
De H. Jozef, Patroon der Kerk.
Voedstervader van den Heer,
Zie van uit Uw hemeltrone,
Op den rouw der Kerke neer!
Ach, zij draagt een doornenkrone!
Wijk niet van der droeve zij ) , ■
Jozef! haar Patroon zijt Gij! )
Ja, de Bruid van \'s Heeren Zoon,
Die Hij door zijn Bloed verwekte,
Wordt verguisd in wreeden hoon
Van des satans booze sekte.
Sta, sta in den nood haar bij, ) ,.
Jozef! haar Patroon zijt Gij! )
-ocr page 84-
_____________8o________________
Hoor ons zuchten om haar smart!
Door haar lijden fel bewogen
Heffen wij èn oog èn hart
Tot U, Hoeder, in den Hooge!
Maak haar van de boeien vrij, ) , ■
Jozef! haar Patroon zijt Gij! )
Schenk haar herders troost en kracht!
Zijn wij door Uw hand gezegend!
Toon den onverlaat Uw macht,
Die Gods Bruid met smaad bejegent.
Slaak den band der slavernij, ) ■.
Jozef! haar Patroon zijt Gij! )
Neen, wij vragen niet den dood
Van die haar zoo snood belagen,
Maar dat eens het morgenrood
Van het waar geloof hun dage,
En zij medejuub\'len blij:           ) ,.
Jozef! haar Patroon waart Gij! )
N°. 52.
Wees gegroet, o Jozef,
Wees gegroet, o Jozef, voedstervader
Van Maria\'s lief en God\'lijk Kind!
Na Uw Bruid was niemand Gode nader,
Werd ook niemand zoo door Hem
bemind, (fa\'s.)
-ocr page 85-
________         _8j
Wees gegroet, o Bruidegom der Moeder,
Die door Jezus ons het leven schonk!
Waart Gij haar op aard\' een trouwe hoeder,
Gansch haar hart was U één liefde-
vonk, (bis.)
Wees gegroet, vermogende Beschermer
Van de Kerk, op Petrus\' rots gesticht!
Bid, o bid, dat de Allerhoogste Ontfermer
Vol gena haar zwaren strijd verlicht, (bis.)
Wees gegroet, Patroon in stervensstonde
Bij Uw dood stond Jezus U ter zij:
Weer de hel van onze stervenssponde,
In het uur des doods sta ons dan bij. (pis.)
Wees gegroet, o Jozef, die door de orden
Van Franciscus altijd werd gegroet!
Mogen zij Uw hulp meer waardig worden
Dan zijn zij van alle kwaad behoed, (bis.)
N°. 53.
De H. Familie : Jezus, Maria, Jozef.
U, Jozef! wijd ik mijnen zang,
Maria zing ik levenslang,
U dierb\'re Jezus is \'t nog meer,
Wien ik met mijnen zang vereer.
G, Heilig Huisgezin,
Daar eer ik Jozef in.
K
-ocr page 86-
s&t
Ik eer Maria, Moedermaagd,
Met haar God\'lijk kind,
Dat ons teeder mint,
En niets van ons dan liefde vraagt.
Was ooit een Huisgezin zoo groot.
En te gelijk in dieper nood,
Dan \'t allerheiligst huisgezin?
Dit boezemt troost bij \'t lijden in.
O Heilig, enz.
Was ooit een huisgezin op aard,
Zoo Heilig, zoo onze achting waard?
Het hoofd gebogen in het stof,
Zing ik dit heilig drietal lof.
O Heilig, enz.
Was ooit op aarde een huisgezin
Zoo mild, zoo rijk aan menschenmin ?
Ik werp daarom voor U, o Heer,
Mij zelf als dankbaar offer neer.
O Heilig, enz.
N°. 54.
Ter eere van den H. Franciscus.
Franciscus, aller deugden glans,
Der mind\'renhoofd, geniet zijn loon,
In U, o wijnstok, leeft Hij thans,
Verlosser Christus, Godes Zoon.
-ocr page 87-
Verheugt u, broeders, Vader troont
Als lid van \'s hemels burg\'renrij,
\'t Geween houde op, uw vreugd getoond,
De hemel stemm\' zijn melodij.
Dat Hij van de aard ten hemel ging.
Bewijzen wond\'ren veel en schoon:
En dus Hij leeft, want Hij ontving
Van Christus de eeuw\'ge lauwerkroon.
Voor al wat Hij hier had beloofd,
Geniet Hij nu de heerlijkheid,
Waar Gij met eer en glans zijn hoofd
bekroont, God van barmhartigheid.
Schaart u bij Hem, betreedt zijn spoor,
Gij, die Egypteland ontwijkt,
Wijl, is Hij gids, met nieuwen gloor
Des Konings zegestandaard prijkt.
Des konings teeken siert dien gids
Zoo waardig hand en zijde en voet:
De nacht verdwijnt, door feilen flits
Wordt \'t licht der morgenster begroet.
Als trouwe gids, als sterrenlicht
Geleidt, verlicht Hij ons, en toont
Het dwaalspoor, waarop onschuld zwicht,
En waar de zaal\'ge vreugde woont.
Geleid Uw kudde tot Gods stad,
Verdelg hun vijand, sluw en gram,
Geleid ons langs het smalle pad
Ten maaltijd van het God\'lijk Lam.
m
-ocr page 88-
^_____        . __H________
N°. 55.
Tot den H. Franciscus,
Hemelsch beeld der schoonste liefde,
Ware Seraf, U doorkliefde
\'t Heilig zwaard der liefdesmart. (bis.)
Liefde was Uw eenig streven,
Liefde mocht in U ons geven
\'t Evenbeeld van \'t God\'lijk Hart. (bis.)
Voor het kruisbeeld neergezonken,
Had Uw hart de liefdevonken
Uit het God\'lijk Hart gegaard, (dis.)
Snellend toen naar dorre streken
Gingt Gij \'t liefdevuur ontsteken
In het koude hart der aard. (bis.)
Eikenkruinen, korenhalmen,
Luistrend naar Uw liefde-psalmen,
Bogen bij het hemelsch lied. (bis.)
Vogels, visschen stemden mede,
Voor den zondaar was die bede:
Hij toch minde Jezus niet. (bis.)
Liefdezon in \'s werelds duister,
Schitt\'rend was Uw glans en luister
In het need\'rig boetekleed; (bis.\')
Door Uw gloed werd \'t dorre teeder,
Duizend zondaars knielden neder,
Stilden Jezus\' liefdekreet, (bis.)
-ocr page 89-
____________i5__________
Vader, leer ons \'t Harte minnen,
Koude harten voor Hem winnen,
Gloeiend door Uw liefdevuur. (/w.)
Komt met ons uit Jezus oogen
Smarten vegen, tranen drogen,
Bij Hem waken in dit uur. (fó\\)
N°. 56.
Smeeklied tot den H. Franciscus.
O, Franciscus, o, Vader der armen,
O, Franciscus, bid voor ons!
O, Franciscus, o wil U erbarmen,
Heil\'ge Vader, zegen ons!
Sla Uwe blikken, zoo lieflijk, zoo teeder,
Op Uwe kind\'ren uit \'t hemelrijk neder,
ü, Franciscus, bid voor ons!
Heil\'ge Vader, zegen ons!
O, Franciscus, in deugden verheven,
O, Franciscus, bid voor ons!
O, Franciscus, o let op ons streven,
Heil\'ge Vader, zie op ons!
Help ons èn ons èn de wereld verachten,
Doe ons de liefde van Jezus betrachten,
O, Franciscus, bid voor ons!
Heil\'ge Vader, zie op ons!
-ocr page 90-
^________86___________
O, Franciscus, verkrijg ons genade,
O, Franciscus, bid voor ons!
O, Franciscus, bewaar ons voor schade,
Heil\'ge Vader, wees met ons!
Machtige vriend van den hemelschen Vader,
Wees onze helper, beschermer en rader,
O, Franciscus, bid voor ons!
Heil\'ge Vader, wees met ons!
N°. 57.
Lofzang ter eere van den
H. Vader Franciscus.
Franciscus, o Vader,
Wat zetelt Gij hoog !
Duld, dat ik U nader
Met blijdschap in \'t oog.
Ave, ave, o Vader, ave! (/>/->-.)
Ik hoorde op onze aarde
Den lof Uwer deugd;
Nu zie ik haar waarde,
De hemelsche vreugd.
Ave, enz.
Ik hoorde gewagen
Van cel en van kluis,
Van lijden verdragen,
Van liefde voor \'t kruis.
Ave, enz.
96
-ocr page 91-
__________8?___________
En thans is de woning
Der eng\'len Uw woon,
\'t Verblijden belooning,
Het kruis Uwe kroon.
Ave, enz.
Ik zag U in \'t leven
Vernederd, bespot;
Thans zijt Gij verheven,
Nu heerscht (lij bij God.
Ave, enz.
Franciscus, zoo heilig,
Hij God onze tolk,
Bewaar ons, beveilig
Ons, bid voor Uw volk.
Ave, enz.
N°. 58.
Franciscus, het toonbeeld der
deugd,
Laat uw zang door Sions zalen,
Serafijnen, luid herhalen;
\'t Zal een heerlijk loflied zijn
Van een and\'ren Serafijn,
-ocr page 92-
Van Franciscus, om zijn deugden
Thans beloond in de eeuw\'ge vreugden,
Om zijn diepe ootmoedigheid
Is Hem \'s hemels loon bereid.
Verre boven \'s levens rozen
Heeft Hij de armoede uitgekozen,
Haar verkiest Hij tot zijn bruid,
Haar verheft en prijst Hij luid.
Hij zoekt zijn geluk in deugden,
Niet in zondige aardsche vreugden,
En om zijn gehoorzaamheid
Looft Hem ieder wijd en zijd.
Hij wil naar volmaaktheid streven,
Volgens \'t Evangelie leven,
En gelijk in smart en pijn
Aan zijn dierb\'ren Heiland zijn.
In een harig kleed van boete,
Zonder schoeisel aan de voeten,
Vraagt Hij beed\'lend, zonder trots,
Om zijn brood ter liefde Gods.
Om de zondaars te bekeeren,
Hun het pad der deugd te leeren,
Heeft Hij leven, alles veil
Tot hun eeuwig zielenheil.
Door zijn voorbeeld en zijn leering
Volgt hem menig in ontbering,
Zoekt geluk en glorie blij
In Franciscus boetepij.
-ocr page 93-
89
Heil\'ge Serafijnsche Vader,
Hoor, wij treden biddend nader,
Wij vertrouwen op Uw beê,
Deel ons Uwen zegen meê.
Bid, dat wij toch in ons leven
Niet ons hart aan \'t aardsche geven,
Maar aan God, aan God alleen,
Leid ons naar den Hemel heen!
N°. 59.
Franciscus en de heilige vijf
wonden.
Heiland, wie kan zonder smart
Aan het kruishout U aanschouwen?
Sint Franciscus voelde \'t hart
Op \'t gezicht Uws lijdens rouwen,
Als Hij dankbaar, dag en nacht,
Aan Uw liefde en lijden dacht. (tó\\)
Hij vond zijn geluk en troost
In Uw heilige vijf wonden,
En dan riep Hij onverpoosd:
„O ondankbaarheid der zonde!
„Jezus, hoe bemint Ge Uw kind,
„En Uw liefde is niet bemind!" (è/s.)
-ocr page 94-
_______??_
In Uw wond van \'t God\'lijk Hart
Rustte Sint Franciscus veilig,
Overwoog Uw liefde en werd
Serafijn van liefde en heilig.
God\'lijk Hart! Gij waart zijn vreugd
En zijn spiegel voor de deugd. (/\'«.)
Niet in eer die de aarde biedt,
Maar in U, zoekt Hij zijn glorie,
And\'re roem behaagde\'m niet
Dan op \'t Kruishout der victorie.
Daag\'lijks meer aan U gelijk,
Werd Hij ook Uw gunsten rijk. (/>/s.)
Hij zag U omstraald van licht
Op Alverne in God verslonden:
Hij verrukte op dat gezicht
En ontving vijf heil\'ge wonden,
Aan de zijde, hand en voet,
In zijn hart een liefdegloed. (iï/s.)
Feller werd zijn liefdesmart,
Liefde en lijden was zijn streven;
Met een liefdezucht in \'t hart
Nam Hij afscheid van dit leven.
Thans mint Hij in eeuwigheid,
\'s Hemels vreugd is hem bereid, (bis.)
%                                   w
-ocr page 95-
N°. 60.
O Seraf van dit tranendal.
O Seraf van dit tranendal,
In \'t eeuwig Serafïjnenkoor
Vereenigd met Uw God en Al,
Leen onze l>eê een gunstig oor. (bis.)
Wij minnen Hem, die U verhief,
Uit alle kracht van hart en geest;
Wij hebben Jezus\' Moeder lief,
Ons hart mint U, naast Hem, het meest. (bis.)
Wij volgen U met goeden moed
Op \'t doornig pad van boete en deugd;
Wij dragen Jezus\' juk, zoo zoet,
En zuchten naar de hemelvreugd, (bis.\')
Maar zwakke menschen als wij zijn,
. Verdooft in ons het liefdevuur;
Ontsteek, ontsteek, o Serafijn,
De liefde Gods in ons elk uur. (bis.}
Het voorbeeld, dat Gij aan ons gaaft,
Schijnt verre boven onze macht,
Smeek \'t Hart voor ons, dat harten laaft,
Smeek het om liefde, moed en kracht, (bis.)
CS
-ocr page 96-
____________________92__________________
Gij zijt de vriend van Jezus\' Hart,
Hij zelf heeft het geopenbaard,
Hij gaf U tot patroon in smart
Aan Margaretha op deez\' aard. (fits.)
Wij smeeken dan Uw bijstand af;
ü, bid voor ons in smart en strijd,
Leid onze schreden tot aan \'t graf,
Wij danken U in eeuwigheid. (pis.\')
N°. 61.
Franciscus is mijn Vader.
Franciscus is mijn Vader,
Als kind nam Hij mij aan;
Ik heb aan Hem belofte
Van liefde en trouw gedaan.
Franciscus is mijn Vader,
Ik draag zijn schouderkleed
Met gordel om de lenden,
Getuigen van mijn eed.
Franciscus is mijn Vader,
Hij leidt mij bij de hand,
Verklaart mij Gods geboden,
Verlicht mijn zwak verstand.
-ocr page 97-
_____93
Franciscus is mijn Vader,
Hij leert mij \'t zingenot
En \'s werelds roem versmaden,
Ter liefde en eer van God.
Franciscus is mijn Vader,
Zijn voorgang in de deugd
Doet mij de godsvrucht minnen,
Beoefenen met vreugd.
Franciscus is mijn Vader,
Ik richt met Hem het oog
Tot heil van alle menschen
Ter liefde Gods omhoog.
Franciscus is mijn Vader,
Ik wil een Serafijn
Met brandend hart van liefde
Gelijk mijn Vader zijn.
N°. 62.
Franciscus, navolger van Jezus.
Gods eigen Zoon gedreven
Door liefde zonder maat,
Hij gaf voor ons Zijn leven
Aan \'t kruis in smart en smaad.
-ocr page 98-
______________94________
Zoo wilt Gij gansch U wijden,
Franciscus, aan Uw Heer,
Uit liefde met Hem lijden,
U offren Hem ter eer. (te.)
Die rijke Hemelkoning
Wordt arm en dienst\'bre slaaf;
Hij kiest een stal tot woning
En leeft van liefdegaaf.
O, armoe, nooit volprezen,
Die voor de hebzucht boet
Zoo wil \'t Franciscus wezen
En offert al zijn goed. (te.)
Het Zoenlam zonder vlekken
Kwam \'t offer, dat God vraagt,
In maagd\'lijk vleesch voltrekken,
Genomen uit de Maagd.
O, reinheid, hoog verheven !
O, maagd lijke offerstaat!
Zoo wil Franciscus leven
Naar Jezus woord en daad. (te.)
Deed Adams schuld ons vallen
Door lust, dien God verbood,
Gods Zoon werd voor ons allen
Gehoorzaam tot den dood.
Zoo was Franciscus\' leven,
Nooit eigen wil te doen,
Maar dien geheel te geven
Der hoovaardij ten zoen. (te.)
-ocr page 99-
______________95____________________
Van liefde gansch verslonden,
Gaf Jezus zich ten dood,
Daar hangend aan zijn wonden,
Zoo bloedig en zoo rood.
Franciscus in zijn liefde,
Smeekt om die smart er bij,
Totdat zij hem doorgriefde
In handen, voet en zij. {bis.\')
Aan \'t kruis nu vastgeklonken
Met Jezus zijnen Heer,
Is hij van liefde dronken,
En kent niets anders meer.
\'t Is altijd meer nog lijden,
Meer lijden met zijn God,
Met Hem den doodskamp strijden
Bij \'s werelds smaat en spot. (J>is.~)
O Serafijnsche Vader,
De liefde was Uw dood;
O breng\' ze ook ons U nader
En eens in Jezus schoot.
Moog\' ze allen, die U eeren,
Uw dierbaar nageslacht,
Ten offerand verteren,
Met U aan God gebracht, (bis.)
-ocr page 100-
96
N°. 63.
O Serafijnsche Vader.
O Serafijnsche Vader,
Wij minnen U zoo teer
Van uit Uw gloriewoning
Zie op Uw kind\'ren neer.
Met Uw doorboorde handen,
O, zegen Uwe panden
Franciscus, Franciscus,
O Vader, zegen ons!
De goed\'ren dezer aarde
Vertradt Gij als het slijk,
Om \'t eeuwig goed te winnen
In \'t hemelsch koninkrijk.
Met Uw doorboorde, enz.
De lieflingsdeugd van Jezus,
De vorstelijke vrouw,
Die Hij op aarde huwde,
Schenkt Gij Uw hand en trouw.
Met Uw doorboorde, enz,
Zij hing om Uwe schoud\'ren
Een arme, grove pij,
En sloeg een ruwe koord
Om Uw verstorven zij.
Met Uw doorboorde, enz.
-ocr page 101-
m
Zij wees U op de kribbe
In d\'armen beestenstal,
Op Jezus aan Zijn kruishout
Met wonden zonder tal.
Met Uw doorboorde, enz.
Daar strekte Jezus teeder
Zijne armen naar haar uit,
En schonk ook U, Franciscus,
Zijne armoe tot Uw bruid.
Met Uw doorboorde, enz.
Leer ons, o dierb\'re Vader,
Verheven Serafijn,
Ons hart aan de aarde onthechten,
En gansch aan Jezus zijn.
Geef dat wij Hem beminnen
En kruisen onze zinnen.
Franciscus, Franciscus,
O, Vader, zegen ons.
N°. 64.
Bij het einde der Vergadering.
Wij gaan nu deze plek verlaten,
Zoo dierbaar aan ons minnend hart,
Waar wij het aardsche gansch vergaten
Met zijne zorg en bitt\'re smart.
-ocr page 102-
98
Wij gaan nu, Vader, weltevreden,
Wij gaan, Franciscus, welgemoed,
O, wees, dus sluiten wij ons beden,
Wees hartelijk gegroet, gegroet.
Wij kwamen bier U, Vader, eeren,
Ons leven spieg\'len aan Uw beeld:
Wij mochten deugden van U leeren,
Uw grootheid heeft ons hart gestreeld.
Wij gaan nu, Vader, enz.
Wij leerden \'t schuldig vleesch versterven,
Aan wereld en aan hel weerstaan,
En eeuw\'ge schatten ons verwerven,
Door goede werken bier gedaan.
Wij gaan nu, Vader, enz.
Des armen droevig lot verzachten,
Ter liefde Gods met woord en daad,
Den geest van arremoe betrachten,
Was Uw gebod voor eiken staat.
Wij gaan nu, Vader, enz.
Den wil te doen der overheden,
Hoedanig zij ook mogen zijn,
Den tijd steeds nuttig te besteden,
Was Uwe les voor groot en klein.
Wij gaan nu, Vader, enz.
-ocr page 103-
_______________99_______________
Gij hebt ons Jezus leeren minnen,
Die bloed en leven voor ons gaf,
Deez\' liefde boven alle zinnen
Beoef\'nen tot aan \'t kille graf.
Wij gaan nu, Vader, enz.
Uw kind\'ren willen zich nu wijden
Aan deze plichten ons geleerd,
Om eens met U ons te verblijden
In \'t rijk waar Gij met God regeert.
Wij gaan nu, Vader, enz.
N°. 65.
Ter eere van den H. Antonius.
Komt, zingen wij met blijden lof
Den Godmensen, Die als koning troont,
In wiens verheven gloriehof
Antonius nu juichend woont.
Zijns Vaders spoor verlaat Hij niet,
Maar streeft in al Franciscus na,
Om, als een beek haar bron ontvliedt,
Te spreiden \'t water der gena.
Hij stroomt in \'t wijde en breede voort,
En wie ten dood van dorst versmacht,
Herstelt Hij, door het zaal\'gend woord
En \'s hemels dauw, in \'s levens kracht.
-ocr page 104-
_________              IOO________^____
Als zoon is Hem een steun, zeer hecht,
Zijn vader, die de wonden draagt,
Die zich vertoont aan \'t kruis gehecht,
Wanneer zijn zoon van\'t kruis gewaagt.
In \'t strijdperk onder zulk een held
Verwon Hij zich, werd niet geleerd:
Is nu, door geenen strijd gekweld,
Als strijder niet zijn hoofd vereerd.
Dat wij, die nog in \'t oorlogsland
Steeds ijv\'ren om der vad\'ren kroon,
Getrouw aan onzen naam en stand,
Met eer verwinnen smaad en hoon.
Dat dit de Vader ons verleen\',
Des Vaders Zoon, de Heil\'ge Geest,
De Trooster met hun Beiden een,
Die ons ten Schepper is geweest.
N°. 66.
H. Antonius als Patroon.
Antonius van Padua,
Zoo heilig en zoo goed,
Wij loven God, die door Uw hand
Zoo vele wond\'ren doet.
-ocr page 105-
IOI
Cïeen geur en kleur
Van bloemen is
Zoo aangenaam en fijn,
Als voor een ziel,
Die God bemint,
Uw schoone deugden zijn.
Antonius van Padua, enz.
De liefde Gods
En Godes eer
Bewogen Uwe tong,
Waardoor berouw
En zaal\'ge vrees
Tn alle harten drong.
Antonius van Patina, enz.
Gij waart een schild,
En zij t het nog,
Voor de onschuld in gevaar:
Al wie Ubidt
Wordt Uwe hulp
In eiken nood gewaar.
Antonius van Padua, enz.
Antonius,
Gij, menschenvriend,
En vriend van God den Heer,
Peschermer van
Hem, die U smeekt,
Zie gunstig op ons neer.
Antonius van Padua, enz.
-ocr page 106-
102
Al komen wij
Ook telkens weer
Voor vijand of voor vriend,
Of voor ons zelv\',
Toon dat men U
Niet vruchtloos eert en dient,
Antonius van Padua, enz.
N°. 67.
Groet tot den H. Antonius.
Wees gegroet, Franciscus\' Zoon,
Wees gegroet, o, dierb\'re Heil\'ge,
Onze voorspraak bij Gods troon,
Dat Uw hand ons steeds beveil\'ge,
Langs het doornig levenspad, ) .
Naar de schoone hemelstad.         )
Wees gegroet, o, eed\'le bloem,
Uit de Serafijnsche gaarde,
Eer der Orde, \'s Vaders roem,
Uit de zandwoestijn der aarde,
Door der Eng\'len reine hand ) .
Naar den hemelhof verplant. ) \'
Priester naar het hart van God,
Ziel vol heilig medelijden
Op zooveler treurig lot:
Wil hem uit den druk bevrijden.
Zend Uw bijstand van omhoog ) ,
Wisch de tranen uit hun oog. )
-ocr page 107-
______________K>3________________
Breng ons eens, Antonius,
Uit het land van eeuw\'ge glorie,
Jezus zoete vredekus,
En de palmtak der victorie :
Wenk ons vriendlijk met Uw hand ) ,.
Naar het hemelsch vaderland. ) ts\'
N°. 68.
Bede tot den H. Antonius om
standvastigheid.
Heil\'ge minnaar van den Heer!
Laat ons om Uw zetel dringen,
Laat Uw kind\'ren, U ter eer,
Voor Uw beeld een loflied zingen ;
O, wij smeeken luid en blij: ) ,.
Bid, Antonius, voor mij.           )
Gods genade maakte U groot,
Groot voor hemel en voor aarde;
Gij, die nimmer weerstand boodt,
Toont ons hare hooge waarde.
O, wij, enz.
Bid, dat wij ook die gene.
Nimmer, nimmer wederstreven,
Dan verandert ook weldra
Onzen wandel in dit leven.
O, wij, enz.
K
-ocr page 108-
104
Van de wieg tot aan het graf
Zetten wij maar enk\'le schreden;
Smeek voor ons de gratie af,
Dat wij \'t pad der deugd betreden.
O, wij, enz.
Ziet Gij soms voor ons gevaar
Tusschen \'s werelds kronkelwegen,
Toon dan Uw bescherming daar
En houd onze voeten tegen,
ü, wij, enz.
Naar den hemel leidt het pad,
Dat ons God heeft voorgeschreven,
Dat Uw voet getrouw betrad;
Daaroj) wand\'len is ons streven.
O, wij, enz.
N°. 69.
Bede tot den II. Antonius van
Padua.
O, min\'lijke Vader,
Thans gunsten gedeeld
Aan ons, hier te gader
Geknield voor Uw beeld.
Ave, ave, Antonius, ave. (bis.~)
-ocr page 109-
X
105
Het Kind is almachtig,
Dat Kind op Uw arm,
Dat Uw beê, zoo krachtig,
Zich onzer erbarm\'.
Ave, enz.
Gij kent onze harten
Nog beter dan wij,
Toon Hem onze smarten,
Verzachten kan Hij.
Ave, enz.
Die vader, vol zorgen
Voor ega en kroost,
Zoekt hier in \'t verborgen
Bij U zijnen troost,
Ave, enz,
Die moeder zoo teeder,
Bukt onder een kruis,
Zij bidt en keert weder
Met vreugde naar huis.
Ave, enz.
De jeugd, die de branding
Der wereldzee ducht,
Komt tegen de stranding
Tot U hier gevlucht.
Ave, enz.
%
-ocr page 110-
io6
O, mogen ze als rozen,
U, Vader, ter eer,
Van onschuld steeds blozen
Voor ons en den Heer.
Ave, enz.
Helpt allen te gader,
Uw kind\'ren het meest,
Door gunst van den Vader,
Den zoon en den Geest.
Ave, enz.
N°. 70.
Loflied op den tl. Antonius
van Padua.
Antonius, Uw deugd werd nooit verzwegen,
Geen wereldsch held werd meer dan Gij
geroemd,
Door heiligheid hebt Gij een naam
verkregen,
In Christus\' kerk alom bekend, beroemd.
Refrein : Groote Wonderdoener
Van Padua,
Verheven Minderbroeder ) ,.
Verwerf ons gena! )
-ocr page 111-
107
Voor iedereen waart Gij gestaag te naadren,
Getroost, gesterkt was elk, die henenging,
Men zag om U en jong en oud vergaadren,
Wie telt het goed, dat elk van U ontving?
Refrein : Groote Wonderdoener, enz.
Ge aanhoort de beê van hem, die U
wil eeren,
En draagt die op aan Jezus, die U mint,
Uw vriend kan steeds, wat hij ook
moog\' ontberen
Verzekerd zijn, dat hij verhooring vindt.
Refrein : Groote Wonderdoener, enz.
Verkrijg voor ons, dat wij gehoor
steeds geven
Aan Gods gena, en voortgang in de deugd,
Met U vereend eens in den hemel leven
En daar in God genieten eeuw\'ge vreugd.
Refrein : Groote Wonderdoener, enz.
N°. 71.
De H. Antonius van Padua.
Den rozengaard der heil\'gen,
Door \'s Serafs zorg geplant,
Siert eene roos, zijn glorie
in \'t hemelsch vaderland.
-ocr page 112-
______________io8___________________
Op d\'ademtocht der liefde
Draagt zij haar geuren voort:
De rijkdom harcr kleuren          ) ,.
Heeft ieders oog bekoord. )
Gepurperd in den bloedstroom,
Die vloeit uit Jezus Hart,
Stilt zij door honingdrupplen
Kn ziels èn lichaamssmart:
Wie is toch wel die Heil\'ge,
Omgord met hooger kracht,
Die tranen weet te drogen, ) , ■
Die zooveel leed verzacht? )
Zijn beeltenis, zoo vriendelijk,
Met \'t Kindje, dat Hem streelt,
En \'t God\'lijk oog doet schitt\'ren
In \'t zuiver evenbeeld:
\'t Is waarlijk een verschijning,
Die \'t hart met troost vervult,
Den duist\'ren nacht des lijdens, ) ,.
In hemelsch daglicht hult. )
De Christen heeft in rampen
Bij Hem zijn hulp gezocht,
Kn roemt verheugd de wond\'ren,
Die de Almacht door Hem wrocht.
Die man vol medelijden,
Op zijnen glorietroon,
Antonius geheeten,
              ) ,.
Zij aller eerbetoon.          )
-ocr page 113-
109
N°. 72.
Antonius, zoo machtig.
Gij waart Franciscus waardig,
In ootmoed Hem gelijk,
Nu juicht Ge, als Hij verheerlijkt
In Jezus koninkrijk.
Refrein:
Antonius, zoo machtig,         l
O, hoor ons dankbaar lied ; I ,.
Gezeteld in Gods glorie, j
Vergeet Uw kindren niet. )
Gij zocht om Jezus\' liefde,
Als de arme Serafijn,
In armoe hier te leven,
Om eeuwig rijk te zijn.
Refrein :
Antonius, zoo, enz.
Hier schitterde in Uw ziele
De zuivre lelieglans,
Rn vormt thans om Uw voorhoofd
Den schoonsten gloriekrans.
Reerein:
Antonius, zoo, enz.
m
-ocr page 114-
IIO
Daar daalde uit \'s Hemels woning
In \'t midden van den nacht
De zoete lieve Vrouwe
Die \'s werelds Licht ons bracht.
Refrein :
Antonius, zoo, enz.
Zij droeg aan \'t moederharte
Het Kind van Uethlehem,
En groette U eind\'loos minzaam
Met wonderzoete stem.
Refrein :
Antonius, zoo, enz.
En Jezus, Hij, de Oneind\'ge,
De onmeet\'bre Hemelheer,
Zette als lieftallig Kindje
Zich op Uwe armen neer.
Refrein :
Antonius, zoo, enz.
O, help ons Jezus volgen
Tn blijdschap en in smart,
Opdat ook wij eens rusten
Aan Zijn beminlijk Hart.
Refrein :
Antonius, zoo, enz.
-ocr page 115-
$_________lü_________m
N°. 73.
Siquaeris miracula.
Verlangt ge een tal van wonderheên;
En dood, en ramp, en dwaling vliedt,
Met duivel en met pest;
De kranke richt zijn veege leen,
Die hij genezen ziet.
Refrein :
De boei, zij valt; de zee, zij wijkt;
En jong en oud, wat gij verloort,
Hetzij een lichaamslid,
Hetzij een zaak, die u verrijkt,
Vraagt slechts, gij zijt verhoord.
Gevaar, hoe dreigend, hóe verblind,
Is op zijn voorbeê dra vergaan,
En nood, hoe bang, houdt op;
Verhaal het ons, die \'t ondervindt,
Verhaal het Paduaan.
Refrein :
De boei, zij valt; enz.
Eer zij den Vader en den Zoon,
Eer zij met Hem den Heil\'gen Geest:
Eer den drie-éénen God,
Wiens oppermacht en glorietroon
Van eeuwen zijn geweest.
Refrein :
De boei, zij valt; enz.
-ocr page 116-
M___________il?___________%
N°. 74.
De geest des gebeds.
Als de geest des gel>eds onze zielen bezielt,
Dan ziet men ons dikwijls ootmoedig
geknield,
En bidden met volle vertrouwen;
Dan staamlen de lippen zoo menige beê;
En stijgen de harten al biddende mee.
Dat bidden moet God wel aanschou-
wen. (/\'/>.)
Als de geest des gebeds onze zielen geleidt,
Dan worden ze een akker, met zorg bereid
Om dauw en om regen te ontvangen;
De gratie van God is die regen en dauw,
Die wij van den Heer, Zijn beloften getrouw,
Wanneer wij Hem bidden, erlangen, (bis.)
Als de geest des gebeds over zielen beschikt,
Genade den akker des harten verkwikt,
Dan bloeien er deugden als bloemen.
Valt daar in die aarde, het zaad van
Gods Woord,
Dan brengt het zestig en honderdvoud
voort.
Die zielen zijn zalig te noemen, (bis.)
%                                     m
-ocr page 117-
_________LÜ_____________%.
Als de geest des gebeds onze zielen vervult,
De geest, die den geest van de wereld
niet duit,
Dan wordt ons de wereld steeds kleiner;
Verzaadt zich de raaf in het slijk aan een lijk, i
De duif neemt aan de arke bij Noë de wijk ;
Die lucht is gezonder en reiner, {bis.)
Als de geest des gebeds onze zielen
doordringt,
Dan hindert ons niets van hetgeen ons
omringt,
Al dreigen ook groote gevaren;
Te midden der regens wordt Noë niet nat,
Noch iets van dat alles, wat de arke bevat;
Als hem kan God ons ook bewaren. (iisJ)
Als de geest des gebeds onze zielen verlicht,
Dan schrikken wij niet, schoon geplaatst
voor een plicht,
Die moog\'lijk de schouders z.al drukken;
Al zoetjes en zachtjes, toch krachtig en sterk,
Trekt hij ons — wij doen het gebodene werk;
En heerlijk de vruchten te plukken, {bis.)
Als de geest des gebeds onze zielen gebiedt,
Dan bidden wij nog, ook al bidden wij niet;
Verstrooiing kan zulks niet beletten,
De meening van \'s morgens; ,,\'k doe
alles voor God"
Zal werken en lijden, bij \'t reinste genot,
Met goud van verdiensten omzetten. (bis.)
-ocr page 118-
^____________________114_____________
Ook Antonhis leidde die geest van gebed,
WaarVader Franciscus, zoo waakzaam, op let;
VVien hier al het tijdelijk moet dienen.
De studie der wijsheid en heil\'ge Schriftuur
Maakt Hem tot een Cherub in kennis —
in vuur
Tot ecnen van U, Serafienen. (fa\'s.)
Ook Antonius heiligt zich zei ven het eerst;
Die plicht rust op allen, op allen ten zeerst;
Van de overvloed moeten wij geven.
Wat Jezus ons leert heeft Hij zelf eerst gedaan.
Prijs bidden en werken en lijden dan aan,
Als ge ook door dien geest wordt
gedreven, (fa\'s.)
Ook Antonius werd door dien geest tot
een held,
Die, kalm en bedaard toch zijn vijanden velt;
En luisterrijk is zijn victorie.
O Vader, wij bidden, verwerf ons dien geest,
Die ons hart het eerst en dan and\'ren geneest,
Als Gij leven wij voor Gods glorie, {bis.)
N°. 75.
Wonderen van het H. Sacrament.
Er knielt vol teed\'re godsvrucht,
Bij de altaartreden neer,
-ocr page 119-
n5
Een Serafijn van liefde,
Ontvlamd voor Jezus eer,
Doorgloei, o dierbre Heil\'ge
In dit aanbiddingsuur,
De harten Uwer kind\'ren,         ) ,
Met hemelsch liefdevuur. )
De vijand dorst bestrijden
Den Herder eind\'loos goed,
Waar Hij Zijn schapen spijzigt
Met \'t eigen Vleesch en Bloed.
Doorgloei, enz.
Antonius vraagt smeekend
Voor Ciods genadentroon,
Een heerlijk schittrend wonder
Tot delging van dien hoon.
Doorgloei, enz.
Daar heft Hij, vol van eerbied,
In zijn gezalfde hand,
Het Sacrament des Altaars,
Des levens Onderpand.
Doorgloei enz.
En \'t uitgehongerd lastdier
Valt op de knieën neer,
En buigt, als in aanbidding,
Zich neder voor zijn Heer.
Doorgloei, enz.
-ocr page 120-
m_____._____»«_______
De vijand is verslagen,
En aan den voet van \'t kruis,
Ligt hij rouwmoedig neder
En keert naar \'s Vadershuis
1 )oorgloei, enz.
N°. 76.
Bede om een zaligen dood.
Antonius, o menschenvriend!
Die door Uw deugd hier hebt verdiend,
Dat elk nog van Uw liefde en macht
Verhooring zijner beê verwacht.
(Jij, die een geur van zuiverheid,
Als engel in het vleesch verspreidt,
Aan U verschijnt het God\'lijk Wicht,
Dat zeeg\'nend in Uwe armen ligt.
Antonius, wij vragen niet
Om zulk een gunst als U geschiedt,
Doch, dat ons hart een woning zij
Die Hem behaagt, zoo dikwijls wij
Hier zitten aan Zijn heil\'gen disch,
Wijl Hij ons zielenvoedsel is:
Het onderpand der zaligheid,
Die onze ziel daarboven beidt.
-ocr page 121-
ii7
Neen, ons verlangen mag niet zijn,
Dat Jezus zichtbaar ons verschijn\',
Doch dat Hij in ons harte leev\';
En ons die groote gratie geev\',
Die ons doet voortgaan in het goed,
Die ons daarin volharden doet,
Die ons als Gij aan deugd gewend
Zal brengen tot een zalig end.
Wanneer voor ons die stonde slaat
Dat onze ziel deze aard verlaat,
Antonius, reik ons dan de hand
En leid ons naar ons vaderland.
Als Gij ons Uwen bijstand biedt
Dan vreezen wij het sterven niet,
O, Vader, hoor die kinderbeê,
En geef ons nog Uw zegen meê.
N°. 77.
Kerstlied.
Herders! hoe, ontwaakt gij niet ?
Wat is op dit uur geschied?
Eene stem van hemellingen
Klonk door de ongemeten kringen:
Gloria! Gloria!
O, wat wonder mag deez\' nacht
Op den aardbol zijn volbracht!
Want een vreugdespellend glans
Straalde van den hemeltrans.
-ocr page 122-
%
___________u8____________
Ach ! ik hoorde een Kng\'lenstem,
Zij riep ons naar Bethlehem:
Van een maagd door God verkoren,
Is daar \'t heilig Kind geboren.
Gloria! Gloria!
O, de Schepper van \'t Heelal
Ligt daar in een beestenstal.
Laat ons spoeden naar dat Kind,
Toonen dat ons hart Het mint.
Wat geschenken neem ik meê!
Denk toch aan geen offerwee,
Gij moet een goed hart opdragen,
Dit kan \'t Goddelijk Kind behagen.
Gloria! Gloria!
Ach, welk offer is te groot
Voor dat Kind, dat God ons bood !
Komt, laat ons te zamen gaan,
Biddend voor Zijn wiegje staan.
Welkom, Kindje, wees gegroet,
Daar Ge Uw liefde ons blijken doet;
Welkom, dierbaar Kind, in \'t leven!
Mogen we U ons harte geven!
God\'lijk Kind! Dat ons mint,
Voor ons vloeit Uw eerste traan,
Neem onz\' harten gunstig aan,
Voor Uw krib, o, Opperheer!
Leggen wij deez giften neer.
CM~
-ocr page 123-
-4__________________ii9__________________
Lieve Moeder van dit Wicht,
Dat in \'t arme wiegje ligt,
Boven alles uitgelezen,
Moest (lij Jezus\' Moeder wezen;
Zuiv\'re Maagd, Moeder-Maagd !
Als (ie in liefd\' gevoel verrukt,
\'t Lieve kind aan \'t harte drukt,
Bied het dan de harten aan,
Die voor U en Jezus slaan!
■2
N°. 78.
Kerstlied.
Refrein :
Welkom, lief Kind, dat Maria ons baarde !
Komt, stervelingen, staat biddend stil :
Glorie aan God in den Hooge, op aarde
Vredeaande menschen van deugdzamen wil.
\'k Haak, al heb ik dons noch doeken,
U in \'t stalleken te bezoeken,
Kindje met Uw lief gezicht,
Dat daar in een kribje ligt.
God, mijn hart begint te branden,
\'t Rijkt zoo lieflijk mij Zijn\' handen,
\'t Kindje met Zijn lief gezicht,
Dat daar in een kribje licht.
Welkom, lief Kind, enz.
-ocr page 124-
120
Mocht ik eens wat nader treden,
Raken aan die teed\'re leden!
Kindje, waarom lacht Gij zoo,
In Uwe arme wieg op stroo;
Kom, lief Wichtjen, in mijne armen,
\'k Zal U aan het hart verwarmen.
Kindje, waarom lacht Gij zoo,
In Uw arme wieg op stroo?
Welkom, lief Kind, enz.
Maar ziet eens dat borstje jagen,
Hoort die zuchtjes troosting vragen!
Ach! aan mijn geprangd gemoed
Doen Zijn zuchtjes zoo een goed.
Kindje, ziet Gij dan de smarten
In het binnenste mijns harten?
Ach! aan mijn geprangd gemoed
Doen Zijn zuchtjes zoo een goed !
Welkom, lief Kind, enz.
Kindje, kunt Gij hen, die lijden
En die zuchten, zoo verblijden?
Voel mijn hart, hoe \'t ligter wordt,
Kindje, daar Gij tranen stort!
Laat die rollen op mijn wangen,
Die daar aan Uwe oogjes hangen,
Voel mijn hart, hoe \'t ligter wordt
Kindje, daar Gij tranen stort!
Welkom, lief Kind, enz.
-ocr page 125-
£
spl
                                121
\'k Ga die lieve Moeder vragen,
Kindje, die U heeft gedragen,
Of \'k mag blijven tot den dood
Aan Uw\' zijde op Haren schoot.
Wees, o Jezus, Gij mijn Broeder
En die lieve Maagd mijn\' Moeder!
Aan Uw\' zijde op Haren schoot
Wil ik blijven tot den dood.
Welkom, lief Kind, enz.
N°. 79.
Het Kerstfeest.
O, Hoe heerlijk,
Hoe begeerlijk,
Is het Kerstfeest voor de ziel!
Jezus kwam op aarde,
Gaf der menschheid waarde,
Dat heel de aard\' voor Jezus kniel!
O, Hoe heerlijk,
Hoe begeerlijk,
Is het kerstfeest voor de ziel!
Dat ons loflied rijze,
Onze mond U prijze;
Jezus, dat elk voor U kniel!
V
-ocr page 126-
122
O, Hoe heerlijk,
Hoe begeerlijk,
Kerstmis, zijt gij voor de ziel!
O, wat vreugd, wat zegen,
Zendt dit feest ons tegen,
Och, dat elk voor Jezus kniel!
O, Hoe heerlijk,
Hoe begeerlijk
Zijt gij Kerstmis voor de ziel!
Zalige Eng\'len zingen
Om die zegeningen,
Dat de mensch dan nederkniel!
O, Hoe heerlijk,
Hoe begeerlijk
Is het Kerstfeest voor de ziel!
Jezus, welk een waarde
Had Uw komst op aarde;
Dat voor U al \'t schepsel kniel!
O, Hoe heerlijk,
Hoe begeerlijk
Is het Kerstfeest voor de ziel!
Jezus Christus ! amen !
Zingen wij te zamen!
Sterv\'ling, juich, aanbid en kniel!
-ocr page 127-
>^___________________123_____
N°. 80.
Kerstlied.
O, heldre nacht, die ver de schoonste dagen
In hoogen roem en luister overstraalt;
O, schoone nacht, waarin èn rein
behagen ) /;/y
En zoete vreugd in onze harten daalt. )
Een Moedermaagd uit Juda\'s stam verkoren,
Vereert ons met een Goddelijken Schat,
Gods eeuwig Woord, uit Haar als ïnensch
geboren, 1
Verschijnt voor ons in Davids oude } fa\'s.
stad. I
O, Israël met uwe nageslachten,
Staak uw gezucht; o, Jacob\'s telg,
schep moed;
De Heiland, dien uw vad\'ren lang 1
verwachtten, < fa\'s.
Is opgestaan uit Jesses edel bloed. \'
Maar neen, de Held tot koning ons
geschonken,
Is niet gegund aan Jacob\'s zaad alleen;
Zoover als ooit de zon en sterren
blonken, 1
Wordt haast Zijn Rijk aan ieder J fa\'s.
volk gemeen. \'
-ocr page 128-
124
O, Vredevorst, o Koning aller vorsten!
Dat satans rijk voor Uw vermogen zwicht!
O, Heiland, laat ons hart niet langer
dorsten ■
Naar \'t zoet genot van Uw
             \' Ins.
L\'enadelicht. I
O, ja, Gods Zoon, doe de oude boosheid
wijken
Voor Godsdienst en voor ware zaligheid;
Dus staat Uw Rijk tot heil van
alle rijken ■
En groeit en bloeit en praalt in \' bis.
eeuwigheid. |
N°. 81.
Kerstlied.
Langs Bethlehems velden daar ruischen
de eng\'lenkoren,
Een Seraf daalt straks bij de herders neer,
De Heiland der wereld, Jezus is geboren,
Gaat allen Hem aanbidden, (ter)
Uw God en Heer.
%
m
-ocr page 129-
k_____________!2J____
Hij ligt in een kribje, in windselen
gebonden
En schreit als een kindeke zwak en teer\\
] O, zoek Hem, uw Heiland, u door God
gezonden,
Gaat allen Hem aanbidden, (ter)
Uw God en Heer.
Hoe ijlen de Herders naar Jezus\'
schaam\'le woning,
En knielen vol liefde bij \'t kribje neer!
O, snellen ook wij naar Jezus, onzen Koning,
En gaan wij Hem aanbidden, (ter)
Den Opperheer.
Ach, schenk aan dit Kindje, zoo minnelijk
en teeder,
Uw liefde voor al Zijne liefde weer;
O, knielt met de herders bij de Kribbe neder,
Komt, laten wij aanbidden, (ter)
Den Opperheer.
N°. 82.
Kerstlied.
Drie Wijzen togen samen
Naar \'t land van Juda heen.
Een wond\'re sterre richtte
Bij dag en nacht hun schreên;
-ocr page 130-
I2Ö
De ster bleef boven \'t stalke staan,
De Wijzen zijn daarin gegaan.
Welkom, Wijzen, in den stal, ) ,.
Hij den Koning van \'t heelal. )
Zij zagen daar een kribbe
Kn in de kribbe een Wicht;
Dat is de God des hemels,
Zoo zeide \'t henielsch licht.
Hij, God en Schepper van \'t heelal,
Is hier geboren in den stal.
Teeder Wichtje, groole God, ) ,.
\'s Mcnschen hoogste zielsgenot. )
Toen legden zij met eerbied
Hun rijke gaven neer;
Aanbaden in het Kindje
Hun Koning en hun Heer;
Zij knielden samen in het stof,
En brachten Jezus dank en lof.
Dank en lof aan\'t Kindje teer, ) ,.
Aller menschen Opperheer. ) \'s\'
Komt, laat ons met de Wijzen
Naar \'t God\'lijk Kindje gaan,
En bieden wij vol liefde,
Ken dankbaar hart Hem aan.
Wees duizendmaal van ons gegroet.
O, Kindje lief, o, Jezus zoet!
Wees gegroet in Bethlem\'s stal, ) ,.
Heer en Koning van \'t heelal! )
7
ts^
-ocr page 131-
N°. 83.
Voor de overledenen.
Heü\'ge Vader! Uwe kind\'ren
Zuchten thans in \'t vagevuur;
Wil hun smarten toch vermind\'ren,
Schenk vergeving in dit uur.
Ach, ontferm U; wees genadig;
Redding, Heer! maar niet te laat;
Zij verzuchten ook gestadig,
Ach, verzacht ons lijdensstaat.
Cioede Vader, wij verlangen
En wij smeeken onvermoeid,
Om deez\' ééne gunst te ontvangen:
Breek de kluister, die hen boeit.
Wij, wij willen hen bevrijden,
Om het bloed van Uwen Zoon,
Om Zijn dood en bitter lijden,
Vader, voer hen naar Uw troon.
\'t Zijn Uw dienaars,\'t zijn Uw kind\'ren,
Die Gij, goede God, kastijdt;
Wat toch kan hun smart vermind\'ren ?
Onze harten zijn bereid!
Zie op Jezus nogmaals neder;
O, die naam is U zoo zoet;
\'t Klinkt ook voor Uw hart zoo teeder:
Jezus\' wonden, Jezus\' bloed.
-ocr page 132-
&
128
O, Maria, hoor onz\' zangen,
Hoor ons smeeken gunstig aan.
Cl ij vervult steeds ons verlangen,
Doe wat (Je altijd hebt gedaan,
\'t Zijn \\Jw kind\'ren, die LJ smeeken
Voor Uw kind\'ren, heil\'ge Maagd,
Wil hun boeien toch verbreken,
Schenk hun, wat ons hart U vraagt.
(lij, Maria! zijt vermogend
Hij Uw Jezus, onzen lieer!
Jezus, zie ook mededoogend
Op die arme zielen neer.
Heil\'ge Vader! schenk haar vrede,
Schenk haar Jezus, schenk haar U;
Dit zij onze laatste bede,
Ach, verhoor, verhoor ons nu.
N°. 84.
Te Deum.
Grootc God! U loven wij,
Onbepaald is Uw vermogen;
Voor Uwe opperheerschappij
Buigt zich \'t aardrijk opgetogen.
Gij bestond vóór allen tijd,          ) ,.
Blijvende eeuwig, wat Gij zijt. )
-ocr page 133-
129
Alles heft een loflied aan :
Cherubienen, Seraphienen,
Duizende Engelen, die staan
Rond Uw troon, om U te dienen,
Alles roept U, nimmer moê, ) ,.
Heilig, heilig, heilig toe.            )
Al wat op Uw vruchtbaar woord,
Groote God der legerscharen,
Uit het niet sprong dankend voort,
Alle scheps\'len, die ooit waren;
Hemel, aarde en oceaan,                ) ,.
Alles heft een danklied aan. )
Op verrukkelijken toon
Zingt het heer der uitverkoren,
Neergebogen voor Uw troon,
Martelaars, Apostel-koren,
Alles juicht in lofgeschal,
              ) ,.
Opperkoning aan \'t heelal. )
Grondkracht, waarop \'t aardrijk draait,
Door Wiens hand ontel\'bre zonnen
Zijn door \'t maatloos ruim gezaaid,
Hoort Ge Uw lof, o Onbegonnen,
Een\'ge Vader van \'t bestaan, ) ,
Door de Christ\'nen citer slaan? ) \'s\'
Lof \'t Drievuldig in persoon,
\'t Eenig onbesefbaar Wezen,
-ocr page 134-
M
130
Lof U, \'s Vaders een\'gen Zoon,
Op denzelfden toon geprezen;
Lof U, Geest! Die \'t al vervult, )
Waart en zijt en wezen zult. )
Gij, des Vaders eeuwig Woord
En te Bethlehem geboren,
Gij, Die eene Maagd bracht voort,
Door U Zelv\' daartoe verkoren,
Gij vergoot Uw dierbaar Bloed, )
En vrwierf ons \'t hoogste goed. )
Aan des Vaders rechterhand
Zijt Ge in heerlijkheid gezeten,
In ontzaggelijken stand
Zult Gij, Rechter, ons geweten,
Na het laatst trompetgeschal, )
Openbaren aan \'t heelal.                )
Sta dan Uwe dienaars bij,
Die voor U en met U strijden,
Die Gij met Uw Bloed kocht vrij,
Toen U Golgotha zag lijden;
Stel ons na dit tranendal,              )
Onder \'t juichend Eng\'lental. )
Zie Uw volk genadig aan,
Help het; zegen, Heer Uw erve,
Leid ons op de rechte baan,
Dat geen vijand ons verderve;
Open ons de gloriezaal,
                  )
Wij zijn Uwe zegepraal.                 )
-ocr page 135-
________________[3_[___________________
Alle dagen zullen wij
Uwe wond\'re goedheid prijzen,
Aan Uwe opperheerschappij
Eindeloozen dank bewijzen.
Help in d\'allerlaatsten strijd, ) , ■
Wie Uw heil\'gen Naam belijdt. )
Zoete Jezus, onze Heer,
Stort meedoogend Uwen zegen
Op de christenvolk\'ren neer.
Zie, ons hart klopt onverlegen;
Op U, Jezus, hopen wij,              ) ^
Dat die hoop nooit ijdel zij! )
X-
N°. 85.
Veni, Creator.
Veni, Creator Spiritus
Mentes tuórum visita,
Imple supérna gratia,
Quae tu creasti, pectora.
Qui diceris Paraclitus,
Altissimi donum Dei,
Fons vivus, ignis, Charitas
Et Spiritalis unctio.
-ocr page 136-
\'32
Tu septiformis munere
Digitus Paternae <lexterae,
Tu rite promissum Patris,
Sermóne ditans guttura.
Accénde lumen sénsibus,
Infunde amórem córdihus,
Infirma nostri cor])oris
Virtute fïrmans pérpeti.
Hostem repéllas lóngius,
Pacémque dones prótinus:
Ductóre sic te praevio,
Vitémus omne noxium.
Per te sciamus da Patrem,
Noscamus atque Filium,
Teque utrii\'isque Spiritum
Credamus omni tempore.
Deo Patri sit gloria,
Et Filio, qui a mórtuis
Surrexit, de Paraclito,
In Saeculórum Saecula.
Amen.
-ocr page 137-
N°. 86.
Te Deum.
Te Deum laudamus; — te Dóminum
confitémur.
Te aetérnum Patrem — omnis terra
veneratur.
Tibi onines Angeli — tibi coeli, et uni-
vérsae Potestates:
Tibi Chérubim et Séraphim — incessa-
bili voce proclamant:
Sanctus — Sanctus — Sanctus — Do-
minus Deus Sabaoth.
Pleni sunt coeli, et terra — majestatis
gloriae tuae.
Te gloriósus —■ Apostolórum chorus.
Te Prophetarum —r laudabilis numerus.
Te Martyrum candidatus — laudat exér-
citus.
Te per orbem terrarum — sancta con-
fitétur Ecclesia.
Patrem — imménsae majestatis.
Venerandum tuum verum, — et iinicum
Filium.
Sanctum — quoque Paraclitum Spiritum.
Tu rex — glóriae, Christe.
Tu Patris — sempitérnus es Filius.
Tu ad liberandum suscepturus hominem —
non horruisti Virginis üterum.
-ocr page 138-
_J_34______________&
Tu devicto mortis aciileo — aperuisti
credentibus regna coelórum.
Tu ad déxteram Dei sedes — in gloria
Patris.
Judex — créderis esse ventürus.
Te ergo, quaesumus, tuis famulis süb-
veni — quos pretioso Sanguine redemisti.
Aetérna fac cum Sanctis tuis — in gloria
numerari.
Salvum fac pópulum tuum Dómine —
et benedic haereditati tuae.
Et rege eos, — et extólle illos usque in
aetérnum.
Per singulos dies — benedicimus te.
Et laudamus nomen tuum in saéculum, —
et in saéculum saéculi.
Dignare, Domine, die isto, — sine pec-
cato nos custodire.
Miserére nostri, Dómine, — miserére
nostri.
Fiat misericórdia tua, Domine, super
nos, — quemadmodum speravimus in te.
In te, Domine, speravi: — non conftin-
dar in aetérnum.
-ocr page 139-
&______________115____
N°. 87.
Magnificat.
Magnificat — anima mea Dóminum.
Et exultavit spiritus meus, — in Deo
salutari meo.
Quia respexit humilitatem ancillae suae: —
ecce enim ex hoc beatam me dicent omnes
generatiónes.
Quia fecit mihi niagna qui potens est: —
et sanctum nomen ejus.
Et misericórdia ejus a progénie in pro-
génies — timéntibus eum.
Fecit poténtiam in brachio suo: —
dispérsit supérbos mente cordis sui.
Depósuit potentes de sede, — et exalta-
vit hümiles.
Esuriéntes, implévit bonis: — et divites
dimisit inanes.
Suscépit Israël püerum suum, — recor-
datus misericórdiae suae.
Sicut locütus est ad patres nostros, —
Abraham, et sémini ejus in saecula.
Gloria Patri, et Filio — et Spiritui
Sancto.
Sicut erat in principio, et nunc, etsem-
per, — et in saecula saeculórum. Amen.
-ocr page 140-
j$_____________ \'30_________
N°. 88.
Litanie van Loretto.
Kyrie, eléison.
Christe, eléison.
Kyrie, eléison.
Christe, audi nos.
Christe, exaudi nos.
Pater de coelis Deus, — miserére nobis.
Fili Redémptor mundi Deus: miserére nobis.
Spiritus Sancte Deus: miserére nobis;
Sancta Trinitas unus Deus: miserére nobis.
Sancta Maria,
Sancta Dei Génitrix,
Sancta Virgo Virginum,
Mater Christi,
Mater Divinae gratiae,                                o
Mater purissima,                                          3
Mater castissima,                                        13
Mater inviolata,                          ,                 o
Mater intemerata,                                         3
Mater amabilis,                                            g
Mater admirabilis,                                       S"
Mater Creatóris,
Mater Salvatóris,
Virgo prudentissima,
Virgo veneranda,
-ocr page 141-
___________________137_______
Virgo praedicanda,
Virgo potens,
Virgo clemens,
Virgo fidélis,
Speculum justitiae,
Sedes Sapiéntiae,
Causa nostrae laetitiae,
Vas spirituale,
Vas honorabile,
Vas insigne devotionis,
Rosa mystica,
Turris Davidica,
Turris ebürnea,
Domus aürea,
Foederis arca,
Janna coeli,
Stella matutina,
Salus infirmorum,
Refuguim peecatorum,
Consolatrix afflictórum,
Auxilium Cbristianórum,
Regina Angelorum,
Regina Patriarcharum,
Regina Prophetarum,
Regina Apostólorum,
Regina Martyrum,
Regina Confessórum,
Regina Virginum,
Regina Sanctórum omnium,
Regina sine labe originali concépta,
Regina Sacratissimi Rosarii,
\'S
c
I
W
-ocr page 142-
\\___________________«38____________________
Agnus Dei, gui tollis peccata mundi, Parce
j nobis, Dómine.
Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, Ex-
audi nos, Dómine.
Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, mi-
serére nobis.
Christe, audi nos.
Christe, exaudi nos.
N°. 89.
Tantum ergo.
Tantum ergo Sacraméntum
Venerémur cérnui:
Et antiquum documéntum
Novo cedat ritui:
Praestet fides suppleméntum
Sénsuum deféctui.
Genitóri, Genitoque
Laus et jubilatio,
Salus, honor, virtus quoque
Sit et benedictio:
Procedénti ab utróque
Compar sit laudatio.
Amen.
Panem de coelo praestitisti eis,
Omne delectamentum in se habentem.
%
\'m
-ocr page 143-
M
139
N°. 90.
Stabat Mater.
----------------
Stabat Mater dolorósa
Juxta crucem lacrymósa,
Dum pendebat Filius.
Cujus animam geméntem
Contristatam et doléntem
Pertransivit gladius.
O quam tristis et afflicta
Fuit illa benedicta
Mater Unigéniti.
Quae moerébat, et dolébat
Et tremébat, cum vidébat
Nati poenas inclyti.
Quis est homo, qui non fleret
Matrem Christi si vidéret
In tanto supplicio?
Quis non posset codtristari,
Piam Matrem contemplari
Doléntem cum Filio?
Pro peccatis suae gentis
Vidit Jesum intorméntis
Et flagéllis Si\'ibditum.
-ocr page 144-
%
140
Vidit suum dulcem Natum
Moriéntem desolatum,
Dom emisit s]iiritum.
Eja, Mater, fons amóris,
Me sentire vim dolóris
Fac, ut tecum lügeam.
Fac ut ardeat cor meum
In amando Christüm Deum,
Ut sibi complaceam.
Sancta Mater, istud agas,
Crucifixi fige plagas,
Cordi meo valide.
Tui Nati vulnerati,
Tam dignati pro me pati,
1\'oenas mecum divide.
Fac me vere tecum fiere,
Crucifixo condolére,
Donec ego vixero.
Juxta Crucem tecum stare,
Te libénter sociare
In planctu desidero.
Virgo Virginum praeclara,
Mihi jam non sis amara,
Fac me tecum plangerej
Fac ut portem Christi mortem,
Passionis fac consortem,
Et plagas recólere.
w
-ocr page 145-
/\\
$____________-Li!____________%
Fac me plag is vulnerari,
Cruce hac inebriari.
Ob amórem Filii.
Inflammatus et accensus,
Per te, Virgo, sim defénsus
In die judicii.
Fac me cruce custodiri,
Morte Christi praemuniri,
Confovéri gratia:
Quando corpus moriétur,
Fac ut animae donétur
Paradisi gloria. Amen.
N°. 91.
O Sanctissima.
O Sanctissima,
O piissima,
Dulcis Virgo Maria!
Mater amata,
Intemerata,
Ora, ora pro nobis.
Tu solatium,
Et refügium,
Virgo, Mater, Maria!
Quidquid optamus,
Per te speramus,
Ora, ora pro nobis.
-ocr page 146-
_____________H2____________
Ecce débiles,
Perquam flébiles,
Salva nos, o Maria!
Tolle languóres,
Sana dolóres,
Ora, ora pro nobis.
Virgo, réspice,
Mater, adspice,
Audi nos, o Maria!
Tu medicinam,
Portas divinam,
Ora, ora pro nobis.
Tua gaudia,
Et suspiria,
Juvent nos, o Maria!
In te speramus,
Ad te clamamus
Ora, ora pro nobis.
N°. 92.
Salve, Regina Coelitutn.
Salve, Regina coelitum, o Maria!
Sors unica terrigenum, o, Maria!
Jubilate Cherubim,
Exultate Seraphim,
Consonate pérpetim:
Salve, Salve, Salve, Regina!
-ocr page 147-
\'43
Mater misericordiae, o, Maria!
Dulcis parens cleméntiae, o, Maria!
Jubilate, etc.
Tu vitae lux, fons gnitiae, o, Maria!
Causa nostrae laetitiae, o, Maria!
Jubilate, etc.
Spes nostra salve Dómina, o, Maria!
Extingue nostra crimina, o, Maria!
Jubilate, etc.
Ad te clamamus, éxsules, o, Maria!
Te nos rogiïmus, süpplices, o, Maria!
Jubilate, etc.
Audi nos Evae iïlios, o, Maria!
In te sperantes miseros, o, Maria!
Jubilate, etc.
Eja ergo nos réspice, o, Maria!
Servos tuos ne déspice, o, Maria!
Jubilate, etc.
Convérte tuos óculos, o, Maria!
Ad nos in hoc exilio, o, Maria!
Jubilate, etc.
Osténde tuum Filium, o, Maria!
Nobis post hoc exilium, o, Maria!
Jubilate, etc.
Redde cordis laetitiam, o, Maria!
Per peccatórum véniam, o, Maria!
Jubilate, etc.
-ocr page 148-
\'44
N°. 93.
De Profundis.
De profundis clamavi ad te Dómine: —
Dómine, exaudi vocem meam.
Fiant aures tuae intendéntes; — in vo-
cem deprecatiónis meae.
Si iniquitates observaveris, Dómine: —
Dómine, quis sustinébit?
Quia apnd te propitiatio est; — et prop-
ter legem tuam sustinui te, Dómine.
Sustinuit anima mea in verbo ejus: —
spenivit anima mea in Domino.
A custódia matutina usque ad noctem —
speret Israël in Domino.
Quia apud Dóminum misericórdia, —
et copiósa apud eum redémptio.
Et ipse rédimet Israël, — ex omnibus
iniquitatibus ejus.
Requiem aeternam, — dona eis, Dómine.
Et lux perpétua, — luceat eis.
-ocr page 149-
5É__________:_____________________
I1STHOTJD.
No.                                                        Br.ADZ.
i.    Aanroeping van den H. Geest.        7
2.     Aanroeping van den H. Geest.        8
3.     Aan het Allerh. Hart van Jezus.        9
4.     Bij het beeld van het H. Hart.       10
5.     Lofzang tot het H. Hart van Jezus.       11
6.     Aan Jezus\' H. Hart ....       12
7.     Ter eere van Jezus H. Hart .       14
8.     Loflied ter eere van het Godd.
Hart.........       15
9.     Aan het Allerheiligste. ...       16
10.    Vóór de H. Communie ...       17
11.     NA de H. Communie ....       19
12.     Dat Jezus leev\'!......       20
13.     Aan Jezus eer!......       22
14.     Jesu, dulcis memoria ....      24
15.     Loflied aan Jezus Christus . .      25
16.     Lofzang op het H. Kruis . .      26
17.     Hulde aan het H. Kruis. . .       27
18.     Het Kruisbeeld......      29
19.     Maria, Onbevlekt Ontvangen .      30
20.     Maria leev\'! .......      31
21.     Avondgroet tot Maria. ...      32
22.     Opdracht aan het H. Hart van
Maria........      33
23.     Maria troost ons.....      35
-ocr page 150-
146
24.     Lofprijzing aan Maria ....      36
25.     Ter eere van Maria ....      3S
26.     Toewijding aan Maria ...      40
27.     Ave Maria........      42
28.     Smeeklied tot Maria ....      44
29.     De Kinderen van Maria ...      45
30.     Aan Maria........      47
31.    .Tot de Moeder van Smarten .      4S
32.     Meilied.........      51
^^.    Aan de Moeder van Smarten .      52
34.     Salve Regina.......      54
35.     Danklied van Maria\'s Kinderen.      57
36.     De Onbevlekte Ontvangenis .      58
37.     Loflied aan de Onbevlekte Moe-
dermaagd .......      61
3S.    Feestlied op Maria Ten Hemel-
opneming .......
      62
39.     Ter eere van Maria\'s H. Naam.      64
40.     Maria mijne Moeder ....      65
41.     Betrouwen op Maria ....      66
42.     Ave Maria Stella.....      68
43.     De Opdracht.......      69
44.     Maria, o vergeet ons niet . .      71
45.     Vreugde van Maria\'s Hart . .      72
46.     Salve Regina.......      74
47.     De Smartvolle Moeder ...      75
48.     Smeekgebed aan den H. Jozef.      76
49.     H. Jozef, Voedstervader ...      77
50.     Tot den H. Jozef.....      78
51.     De H. Jozef, Patroon der Kerk.      79
52.     Wees gegroet, o Jozef. ...      80
-ocr page 151-
s_______^________%
53.    De H. Familie: Jezus, Maria,
Jozef.........      81
54.    Ter eere van den H. Franciscus.      82
55.    Bede aan den H. Franciscus .      84
56.    Smeeklied tot den H. Franciscus.      85
57.    Lofzang ter eere van den H.
Vader Franciscus ....      86
58.    Franciscus, het toonbeeld van
deugd........      87
59.    Franciscus en de H. vijf wonden.      89
60.    O, Seraf van dit tranendal . .      91
61.    Franciscus is mijn Vader . .      92
62.    Franciscus navolger van Jezus .      93
63.    O Serafijnsche Vader ....      96
64.    Bij het einde der vergadering .      97
65.    Ter eere van den H. Antonius.      99
66.    H. Antonius als Patroon. . .    100
67.    Groet tot den H. Antonius . .    102
68.    Bede tot den H. Antonius om
standvastigheid.....    103
69.    Bede tot den H. Antonius van
Padua........    104
70.    Loflied op den H. Antonius van
Padua........    106
71.    De H. Antonius van Padua .    107
72.    Antonius, zoo machtig . . .    109
73.    Si quaeris miracula . . . . . 111
74.    De geest des gebeds . . . .    112
75.    Wonderen van het H. Sacrament.    114
76.    Bede om een zaligen dood . .    116
77.    Kerstlied....... .    117
-ocr page 152-
m__________^____._____&
78.    Kerstlied .        ......    119
79.    Op het Kerstfeest.....    121
80.    Kerstlied........    123
81.    Kerstlied........    124
82.    Kerstlied........    125
83.    Voor de geloovige zielen . .    127
84.    Te Deum (Hollandsen) ...    128
85.    Veni Creator.......    131
86.    Te Deum....... .    133
87.    Magnificat........    135
88.    Litanie van Loretto ....    136
89.    Tantum ergo.......    138
90.    Stabat Mater.......    139
91.    O Sanctissima......    141
92.    Salve, Regina Coelitum . .    142
93.    De profundis.......    144
%                                                            - ^