-ocr page 1-
-ocr page 2-
mvfl t33<^6
., \'i \'» \' .. v
I . \'.
-ocr page 3-
••
)•\'•,
. \'\'
•
-ocr page 4-
-ocr page 5-
..
\'
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
I
-ocr page 6-
-ocr page 7-
-ocr page 8-
-ocr page 9-
fles\'
/ty
4
Kb]
^5^
, ^g)
lint-©
\'
SETS
ominicus ïsnoemen
t"- èy*4£S«*&^
•SJJ"
«—ü8-
JÏ$ÏL
DOOR
G. A. M E IJ E R,
Orrf. Praed.
TWEEDE DEEL.
EHeilOTWEEK DER
*jKÖ&WER9ITiIT
UTl^ECHT
OOtL TMOWAAMK
• N
NIJMEGE N,
L. C. G. MALMBERG.
4898.
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
A06000027229891B
2722 989 1
-ocr page 10-
VERKLARING.
Gehoorzamend aan het decreet van Paus Urbanus VIII,
verklaren wij, bij het vermelden van bovennatuurlijke of won-
derbare feiten, ons volkomen te onderwerpen aan de voor-
schriften van het heilig kerkelijk gezag.
Op verzoek van den Hoogeerw. Pater Provinciaal hebben
wij de levensschetsen der Heiligen onzer Orde, door P. Fr.
G. A. Meijek, Ord. Praed. met aandacht gelezen, en achten
ze tot stichting der geloovigen zeer geschikt.
Huissbn, 7 Maart 1898.
Pr. THOMAS VAN DEN ACKER,
S. Theol. Magister.
Pr. Th. VAN HOOGSTRATEN,
S. Theol. Magister.
Imprimi permittimus.
Pr. LUD. THEISSLING,
Prior Prov.
Huissen, in Conventu Reg. S.S. Rosarii 7 Martii 1898.
IMPRIMATUR.
Ha aren, 17 Martii 1898.
L. BERKVENS,
Libror. Cens
-ocr page 11-
K*********************************:*:»
VOORREDE.
Salvete cedri Libani
Plantae virentes Ordinis,
Quae prata nunc coelestia
Impletis almo germine.
(Ex Off. Omn. S.S. Ord. Praed.)
e Orde van den H. Dominictis bij een gaarde
vergelijkend, zien wij in de hier volgende
Heiligen eene treffende overeenkomst met de
zinrijkste bloemen. Den H. Pius V zouden
wij kunnen noemen een zonnebloem, de
H. Catharina de Ried een lelie van Calvarië, den
H. Ludovicus Bertrandus een passiebloem, den H.
Antoninus een pinksterroze. Allen zijn bloemen,
die, hoe verschillend ook van blad, knop en bloesem,
het oog bekoren door de frischheid en levendig-
heid van verven, den reuk streelen door den goeden
geur.
-ocr page 12-
2                                      VOORREDE.
De H. Pius V treedt voor ons op als de Herder,
die met zorg zijne kudde langs grazige weiden voert
en tegen wolfsbeet beschut, als de Opperpriester,
in wiens gouden diadeem het ^Heilig den Heer"
verblindende stralen schiet, als de strijder Gods,
de Gedeon, voor wiens zwaard Madian\'s duizend-
tallen vlieden.
De H. Catharina de Ricci verschijnt ons als de
Bruid van Calvariës Koning, evenals haar Brui-
degom met de heilige wondteekenen gemerkt, met
doornen gekroond, zieltogende aan het Kruis. Zij
vervult in de treffendste werkelijkheid het woord
des Apostels: y>Met Christus ben ik mede-gekrui-
»sigd."
Verborgen voor de wereld, strekt de H. Ludovi-
cus Bertrandus tot voorbeeld van heldendeugd zon-
der vertoon beoefend binnen de stille kloostermuren,
van zielenijver, ook zich openbarend in het gebed
en de versterving. Niets treedt bij hem zoozeer op
den voorgrond als de religieus, de man van af-
zondering, gebed en zelfbedwang.
In den H. Antoninus vereeren wij den vromen
religieus, den ijverigen bisschop, den diepen ge-
leerde, den waardigen voorganger der H.H. Fran-
ciscus van Sales, Carolus Borromaeus, Alphonsus
de Ligorio. Ofschoon niet met het aureool der
Leeraren gekroond, wordt hem toch in de kerkelijke
getijden met volle recht toegezongen:
»Het koor der Maagden prijst u; de schaar
-ocr page 13-
VOORREDE.                                  3
»der Leeraren juicht u toe; de Prelaten bewon-
>->deren in u den heiligen Prelaat."
Ten dienste sommitjer lezers deelen wij hier mede,
welke bronnen voor deze schetsen, die stichting geen
studie beoogen, gebruikt zijn:
DE FALLOUX. Vie de Pie V.
C. BAYONNE. O. P. Vie de Ste Cathér. de Ricci.
V. J. ANTISTIUS. O. P. Vita S. Ludovici
Bertr. (A. S.S.J
B. AVIGNONUS. O. P. Vita S. Ludovici Bertr.
(A. S.S.J
Fr. CASTIGLIONE. Vita S. Antonini. [A. S.S.J
ANNÉE DOMIN. XIII Févr. V Max. X Mai.
De welwillendheid, waarmede het eerste deel on-
zer y>Bloemen" is ontvangen, sterkt ons vertrouwen,
dat ook dit tweede deel den goedgunstigen lezer
niet ongevallig zal wezen.
p. fr. G. A. MEIJER,
Ord. Praed.
NIJMEGEN.
Feestdag van de H. Cath. de Ricci, 1898.
-ocr page 14-
-ocr page 15-
[□,-v-y ^-ty-^yr^<$-^-y-
-<y-^-iy,-^-y^-q?-^-(l?-v-|g)
DE H. PIUS V.
Michael Ghislieri treedt in de Orde van den H. Do-
ininicus. — Zijn kloosterlijk leven. — Hij wordt tot
inquisiteur benoemd voor Lombardije. — P. Ghislieri
commissaris van het H. Officie. — De Heilige wordt
bisschop gewijd. — Kardinaal Alexandrinus, zijne levens-
wijze. — Kardinaal Alexandrinus tot Paus gekozen. —
Pius V in zijn bijzonder leven. — Het christelijk leven
te Rome opgewekt. — Pius V bezorgt de uitgave van
den Roomschen Catechismus, verbetert het brevier en
het missaal. — Pius V en Nederland. — De zeeslag
bij Lepanto — Stichtend afsterven des Opperpriesters.
n de lente van het jaar 1518 sloegen twee
Jfe) Dominicaner kloosterlingen den grooten weg
af, die van Alessandria naar Novi voert, om
over het dorpje Bosco het aanzienlijker
Voghera te bereiken, waar hun klooster ge-
legen was. Eenigen tijd waren zij op den landweg
voortgegaan langs wilgen» en popelboschjes, langs
weiden, door talrijke klaterende beekjes doorsneden,
toen een knaap uit het kreupelhout te voorschijn
-ocr page 16-
6                      SINT-DOMJNICUS\' BLOEMEN.
trad en bij deze onverwachte ontmoeting der twee
witte paters bedremmeld staan bleef. De goedige
blik der religieuzen verdreef de kinderlijke vrees;
hij trad nader en vroeg bedeesd, wie zij waren en
waarheen zij gingen. »Wij zijn zonen van den H.
»Dominicus", antwoordden zij, »wij hebben in de
«naburige dorpen Gods Woord verkondigd en kee-
»ren nu naar ons klooster terug om daar te bid-
»den en te studeeren.". Het was. of bij elk dezer
woorden een licht opging voor den knaap; zijn
oogen glinsterden van vreugde. Met vertrouwelijke
vrijheid deelde hij den kloosterlingen mede, dat hij
zoo gaarne de wereld wilde verlaten; dat hij geen
grooter geluk kende dan onbekend, alleen voor
God te leven; dat geen offers hem daarvoor te
zwaar zouden vallen. Deze openhartige bekentenis,
gevoegd bij zijn onschuldig uiterlijk en zijne meer
dan gewone schranderheid in het vragen, namen
zóó voor hem in, dat de paters hem vroegen:
»Wilt gij soms met ons mede gaan?" — »Niets
«liever dan dat", riep de knaap verrukt uit, »maar
»gaat eerst met mij naar mijne ouders." Hij liep
hen verheugd door het veld vooruit naar eene arme
hofstede, achter dicht groen verscholen. Daar woon-
den zijne ouders: Paulus Ghislieri en Dominica
Angeria. Men zou het den eenvoudigen landlieden
niet aangezegd hebben, dat zij van adel waren, en
toch hadden hunne ouders de aanzienlijkste ambten
te Bologna bekleed. Door een volksoproer in 1475
-ocr page 17-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                       7
was echter hun gansche geslacht de stad uitge-
wezen en zelfs de poort, waardoor zij in balling-
schap gingen, dichtgemetseld. Thans leefden zij
eenzaam en vergeten, door een wijngaard en eene
kleine kudde tegen de uiterste armoede gevrij-
waard.
Opgetogen leidde de kleine Michael de twee
kloosterlingen binnen, en had in minder dan een
oogenblik aan zijne ouders de komst der vreemde
geestelijken beduid. Geen bezwaren kon de vader
tegen dit onverwacht voorstel inbrengen dan hun-
nen behoeftigen staat. Ook hij had reeds lang
bespeurd, dat de knaap bijzonder aanleg had voor
de studie en door zijne voorbeeldige vroomheid de
roeping tot het geestelijk leven verried, maar hoe
zou hij zonder de hulp zijns zoons den veldarbeid
verrichten, hoe in de kosten der studie voorzien?
De paters ruimden alle moeilijkheden uit den weg
en verlevendigden het vertrouwen, op God, die elk
offer honderdvoudig beloont. Toen gaf Paulus
Ghislieri zijne toestemming, strekte zegenend zijne
hand over Michael uit, die nu, na hartelijk afscheid
zijner ouders, met lichten, ongelijken tred de kloos-
terlingen begeleidde. De tocht, al duurde hij zeven
uren, viel den knaap niet zwaar. De blijde ge-
dachte aan het klooster, aan de plaats, waar hij
God volgens zijn hart dienen kon, deed hem alle
vermoeienis vergeten. Eindelijk doemde het een-
voudig godshuis aan den gezichteinder op; nog
-ocr page 18-
8                      SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
eene goede wijl, en het ontsloot zijne poort voor
den gelukkigen knaap.
Michael Ghislieri telde veertien jaar. De Prior
en de overige kloosterbroeders namen den jeugdi-
gen leviet met hartelijke liefde op; zij waren inge-
nomen met zijne eenvoudige, kinderlijke manieren,
gesticht door zijne vurige godsvrucht en oprechte
ingetogenheid. Er werd een pater aangewezen om
hem te onderrichten in de voorbereidende studiën
en daarbij, als geestelijke leidsman acht te geven
op zijn inborst. De uitnemende aanleg naar geest
en hart openbaarde zich dagelijks treffender. Des
morgens was het hem eene vreugde de H. Mis te
mogen dienen, daarna begaf hij zich tot de st udie.
Had hij, nog tehuis zijnde, de dorpskerk vaak be-
zocht en daar menig uur in het gebed doorge-
bracht, thans, in de schaduw van \'s Heeren Huis
vertoevend, kende hij geen grooter geluk dan nu
en dan zijne werkzaamheden te onderbreken en,
voor het Tabernakel neergeknield, in zoet verkeer
met Jezus zijne liefde te ontvonken. Zoo nam hij
dagelijks toe in heiligheid en geleerdheid. Binnen
drie jaren oordeelde de Prior hem genoegzaam
ontwikkeld en beproefd, om het kleed van den H.
Dominicus te ontvangen.
Michael ging nu naar het klooster van Vigevano
om aldaar het novitiaat te beginnen. Met allen
ijver legde hij zich toe op het inwendig leven:
het gebed, de overweging, de versterving, de onder-
-ocr page 19-
SINT-DOMINICUS* BLOEMEN.                       9
werping, de zelfbeheersching. Vooral deze laatste
deugd kostte hem moeite, want van nature was
hij driftig en oploopend. Toch bracht hij het door
zijn volhardende wilskracht in zelfbeheersching
zoover, dat men meende met den zachtmoedigsten
kloosterling te doen te hebben, zoo niet de veran-
dering zijner gelaatstrekken getuigde van innerlij-
ken strijd, van met geweld bedwongen aandoening.
De verwachting der Oversten overtreffend, werd
hij den 18den Mei 1521 tot de religieuze professie
toegelaten. Bij deze plechtigheid vroeg hem de
Provinciaal: »Hoe heet gij V\' — «Michael van Bosco",
antwoordde hij. »Maar die plaats is bij niemand
»bekend"; hernam de Provinciaal. »Omdat gij in
»de omstreken van Alessandria geboren zijt, zult
»gij voortaan heeten: frater Michael Alexandiï-
»nus."
De jeugdige kloosterling maakte zulke vorderin-
gen in het geestelijke leven, dat zij, die eertijds
zijne gidsen geweest waren op den weg der vol-
maaktheid, hem nu tot voorbeeld moesten nemen.
Met dezen voortgang in de deugd hielden zijne
vorderingen in de wetenschap gelijken tred. Achter-
eenvolgens studeerde hij met schitterend gevolg de
wijsbegeerte en de godgeleerdheid, totdat hij op
den leeftijd van 24 jaren het bevel ontving zich
tot het H. Priesterschap voor te bereiden. Nog
nooit, wat hem ook was opgelegd, had de Heilige
eene opmerking gemaakt; zwijgend had hij steeds
-ocr page 20-
10                    SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
gehoorzaamd, maar nu hem zulk eene ontzagwek-
kende waardigheid zou worden opgelegd, achtte
hij zicht verplicht den Provinciaal op zijne zwak-
heid en onvolmaaktheid te wijzen.
Zijn schrijven had echter eene tegenovergestelde
uitwerking, want het was voor den Overste een
reden te meer om zijn besluit te handhaven.
In 1528, het rampspoedig jaar, waarin Italië
door de Duitsche en Fransche legers werd geplun-
derd en verwoest, ontving Michael Alexandrinus,
na eene heilige voorbereiding, het Heilig Priester-
schap te Genua. Zijne gelukkige ouders, die hun
zoon sinds zijn kloosterleven niet meer gezien had-
den, wisten bij de overheid te bewerken, dat hij
te Bosco de eerste H. Mis zou opdragen; de nede-
rige dorpskerk, waarin hij gedoopt was, waar hij
zoo dikwijls met alle vurigheid des gemoeds had
gebeden en van God zoovele genade ontvangen,
moest ook getuige zijn van het eerste Offer, dat
zijne reine priesterhand zou opdragen. Doch bittere
teleurstelling voor de godvreezende lieden! Ter-
zelfder tijd trok eene bende soldaten door Bosco,
en ging het geheele dorp in vlammen op. Slechts
rook en puin bleef achter. Te Sezza, waarheen de
arme landlieden gevlucht waren, had nu de troos-
tende plechtigheid plaats.
Nadat P. Michael zijne studiën voleindigd had,
werd hem de eervolle taak opgedragen, zijne jon-
gere kloosterbroeders in de gewijde wetenschappen
-ocr page 21-
SINT-DOMINICUS* BLOEMEN.                     11
te onderrichten. Zestien jaren bekleedde hij het
leeraarsambt; en zij, die zijne lessen mochten
bijwonen, waardeerden dit geluk tot op hoogen
leeftijd.
Sinds zijn drie en dertigste jaar nam hij achter-
eenvolgens in verschillende kloosters het prioraat
waar, doch alleen de gehoorzaamheid, de uitdruk-
kelijke wil Gods kon hem hiertoe bewegen. We-
gens de zware verantwoording en de vele zielsge-
varen, bekende hij eens aan een vertrouwden
vriend, zou hij alle waardigheden afgewezen heb-
ben, indien hij dit had kunnen doen zonder God
te beleedigen. Thans onderwierp hij zich aan Gods
Voorzienigheid en gebruikte deze gelegenheid om
zich des te meer te volmaken. Elke opwelling van
drift, door welke onaangenaamheid ook veroorzaakt,
werd onmiddelijk onderdrukt; de lichtgeraaktheid
van zijn opbruisenden aard met kracht tegenge-
werkt, zoodat zijn karakter ten laatste die zeld-
zame vereeniging bezat van zachtheid en streng-
heid, teederheid en wilskracht, die in hem wordt
bewonderd. Door zijne strenge gelaatstrekken
straalde eene teedere minzaamheid, die hem, vooral
door de armen en ongelukkigen, een tweeden H.
Bernardinus deed noemen. Nooit ontaardde zijne
strengheid in hardvochtigheid.
Terwijl hij prior te Alba was, kwamen drie-
honderd Fransche soldaten, door honger gedreven,
naar het klooster om dit te plunderen. De Heilige
-ocr page 22-
12                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
weerhield hen van dit snood plan, nam allen met
liefde op en voorzag zooveel mogelijk in aller be-
hoeften. Doch weldra kwam een tweede bende aan-
stormen, op brasserij belust. Onverschrokken trad
hij aan de poort de woestaards tegemoet, bedreigde
hen met de wrake Gods in zulk eene vurige,
krachtige taal, dat zij afdeinsden. »WatI" riep hij
uit, »Kan de Kerk ons dan niet meer vrijwaren
«voor uwe beleedigingen? Indien de Katholieken
»zulke buitensporigheden bedrijven, wat hebben
»wij dan van andersgezinden te wachten? Wat
»zullen onze vijanden doen, wanneer onze verde-
«digers ons aldus behandelen? Gaat gij altaren,
»kerken en kloosters verwoesten ? De nood is hoog
«gestegen, dat is waar, doch moet gij daarom de
«kloosters plunderen? Is dit het loon, omdat wij
«reeds met driehonderd uwer krijgsmakkers een
«leeftocht gedeald hebben, voor dertig man te
«karig ?" Een soldaat voegde hem toe, dat dit te
boud gesproken was, en wilde hem te lijf. «Ik zeg,
«wat ik moet," antwoordde de Prior, «ik spreek
«in naam der Kerk, waarvoor ik bereid ben te
«steeven."
Tegenover zichzelven was de dienaar Gods uiterst
gestreng. Ofschoon van een tenger gestel, at hij
weinig, onderhield nauwgezet de vasten der Orde
en gebruikte zelden wijn. Hij trachtte zijn onderhoo-
rigen te overtuigen, dat de vrijheid en scherpzinnig-
heid des geestes winnen bij eene vermindering der
-ocr page 23-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                    13
lichaamskrachten. «Zonder matigheid", zeide hij,
»kan men de reinheid niet bewaren; een religieus
»moet alleen voedsel nemen om de krachten te on-
«derhouden, noodig voor zijne bediening."
Zelden ging hij uit, want — placht hij te zeg-
gen — een religieus buiten het klooster is een
visch buiten het water. Men zag hem dan steeds te
voet met den reiszak op de schouders. Gedurende
die tochten was het hem eene vreugde gebrek te
lijden, want de religieuze armoede beminde hij vurig.
Tijdens zijn prioraat was hij biechtvader van den
Gouverneur van Milaan. Dit ambt verplichtte hem
om meermalen een weg van zeven uren af te leg-
gen, somtijds door weer en wind. Zijn vrienden
rieden hem aan een reismantel te koopen om zich
tegen regen en koude te beschutten, doch hij sloeg
dit volstrekt af, zeggende: »Een religieus moet te-
»vreden zijn met zijn kloosterkleed. Wanneer hij
»even goed gekleed is, als iemand in de wereld,
«behoeft hij geene gelofte van armoede te doen."
De kloostertucht vond in hem een ijverig beoe-
fenaar. Persoonlijk maakte hij nooit gebruik van
de vrijstellingen, die volgens den Regel toegestaan
worden aan degenen, die met prediken of onder-
richten belast zijn. Tegenover anderen was hij
hierin ver van gemakkelijk. Vooral het koorgebed
maakte zijne zorg uit. «Zonder het koorgebed,"
zeide hij, «is er geen godsdienstzin in onze kloos-
»ters, en daalt er zelfs geen tijdelijke zegen neder.
-ocr page 24-
44                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
«Daarentegen zal er overvloed heersenen, wanneer
»de dienst van God zorgvuldig onderhouden wordt."
In 1543 werd P. Michael door het Oppergerechts-
hof der Romeinsche Inquisitie, ook het Heilig Ofïi-
cie genaamd, benoemd tot inquisiteur van Lombar-
dije, dat aan zijne grenzen, Zwitserland en Venetië,
bedreigd werd met een inval der ketterij. De
waakzaamheid, onverschrokkenheid en zelfopoffe-
ring, die voor zulk een gewichtig ambt gevorderd
worden, bezat hij in de hoogste mate, daarbij een
rechtsgevoel dat geen aanzien van personen kende.
Terstond vestigde hij zich te Como op de grenzen
van Grauwbunderlat d, om het oog te houden op
alles wat daar binnentrok. Zonder vrees, al wist
hij dat zijn leven gevaar liep, begaf hij zich naar
de eenzaamste gehuchten, trok bij nacht en ontij-
den door het gebergte en verscheen meermalen te
midden der Calvinisten. Het was gedaan met hunne
propagande-tochten in Lombardije. De apostelen
der ketterij waagden zich niet meer op Roomsch
gebied.
De dwaling zon echter op een ander middel om
de waakzaamheid des onvermoeiden inquisiteurs te
verschalken en hare verderfelijke leer te verbreiden.
Goddelooze boeken werden gedrukt, tersluik over
de grens gevoerd en vervolgens overal verspreid.
De zaaier van dit onkruid bleef den kloosterling
niet lang verborgen. Eensklaps stond hij in diens
huis en legde beslag op twaalf kisten, die tot ver-
-ocr page 25-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                    15
voer gereed stonden. De koopman deed zijn beklag
bij den viearis-capitularis van Como, en inderdaad,
deze liet het beslag opheffen. Maar nu toonde de
inquisiteur, in het volle bewustzijn van zijn recht,
dat zijn titel geen doode letter was. Na herhaalde
vermaning sprak hij den ban uit over den vicaris
en allen, die hem badden terzijde gestaan, en zond
onverwijld een officieel verslag naar het Opperge-
rechtshof te Rome. Daar kwam na eenige dagen
te Como de vreeswekkende tijding, dat het Ro-
meinsche hof den viearis-capitularis en alle ka-
nunniken voor zijn rechtbank daagde. Wie schetst
de ontsteltenis, de verslagenheid, de opschudding
in het stedeke! De verontwaardiging der kapittel-
heeren over den stoutmoedigen kloosterling steeg
tot verbittering, ontaardde in openbare vijand-
schap. Bloedverwanten, vrienden en aanzienlijken
trokken voor hen partij; het gemeen nam de
straatsteenen op. In allerijl spoedde men zich tot
den Gouverneur van Milaan om den inquisiteur als
rustverstoorder aan te klagen. Deze gaf gehoor aan
de beschuldiging en daagde, tegen alle kerkelijk
recht, den afgevaardigde van den H. Stoel voor
zijne rechtbank. Pater Michael gehoorzaamde. Ge-
waarschuwd, dat eenige ketters zich kort recht
wilden verschaffen en sluipmoordenaars op den
weg geposteerd hadden, ging hij langs een omweg
van tien uren, en verscheen te bestemder tijd voor
den Gouverneur. Krenkend was de wijze, waarop
-ocr page 26-
16                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
hij hier bejegend werd. Men gunde hem geen
woord ter verdediging, dreigde met den kerker
en wees hem beleedigend de deur. De Heilige liet
zich deze onwaardige behandeling welgevallen. In-
wendig dankte hij Jezus Christus, dat hij voor Zijn
Naam versmading mocht ondergaan; maar zijn ambt
laten verachten, het kerkelijk recht laten schen-
den, dit mocht hij niet dulden. Vandaar begaf hij
zich, zoodra het krijgsvolk hem uitgeleid had, re-
gelrecht naar de Eeuwige Stad.
Op Kerstavond van het jaar 1550 klopte een
arme Dominicaner pater aan het Sint-Sabina-
klooster te Rome. Van vermoeienis en uitputting
zeeg hij aan de poort bijna neer, want niets had
hij dien dag genuttigd en verkleumd was hij van
koude. De Prior, van zijne komst niet verwittigd,
meende een kloosterling te zien, die, tegen het
uitdrukkelijk verbod der Orde, op eigen gezag naar
Rome gereisd was. Hij ontving hem deswege zeer
koel, en zeide spottend: »Zoo pater, wat komt ge
»hier doen? Denkt gij soms paus te worden?
»Komt ge zien, of de kardinalen voornemens zijn
«u te kiezen?" — »Ik kom hier," antwoordde
Ghislieri — want hij was de arme monnik —
«omdat de eer van God en de belangen der Kerk
»mij hier roepen. Ik vraag u slechts voor korten
»tijd gastvrijheid en een handvol hooi voor mijn
«muildier.*\' Den volgenden dag ging de inquisiteur
naar het H. Officie, gaf een omstandig verhaal der
-ocr page 27-
SINT-DOMINICUS* BLOEMEN.                     17
verwikkelingen te Como en bewees zijn goed recht
zoo overtuigend, dat de Kardinalen hem niet alleen
in het gelijk stelden, maar hem ook prezen als een
vastberaden^ bekwaam en vroom man, op wien
men zich veilig verlaten kon. Vooral was de eer-
bied waardige, grijze kardinaal Caralïa vol bewon-
dering. Zijn scherpe blik ontdekte, welk edel en
vurig hart onder dat eenvoudig kloosterhabijt klopte.
Met het volle vertrouwen van den H. Stoel ver-
eerd, keerde de Heilige naar Lombardije terug,
waar nieuwe moeilijkheden hem wachtten. Te Chur
in Grauwbunderland werd de bisschopszetel door
twee kanunniken betwist. De strijd liep zoo hoog,
dat de inquisiteur door den Paus werd afgevaar-
digd om volgens recht uitspraak te doen. VerschiU
lende personen rieden hem aan op dit kettersch
grondgebied het kloostergewaad af te leggen om
de aanslagen der Calvinisten te ontwijken, maar
hij antwoordde fier: «Tegen geen prijs zal ik van
«kleed verwisselen. Zoo het moet, zal ik volgaarne
»dit blank gewaad met mijn bloei verven en voor
»het geloof mijn leven prijsgeven." Deze zending,
gelijk nog vele andere, volbracht hij met goed
gevolg.
In het jaar 1554 werd pater Ghislieri benoemd
tot commissaris van het H. Officie. Deze benoe-
ming was vooral het werk van kardinaal Caraifa,
die steeds verklaarde, dat deze kloosterling een
ware dienaar Gods was en de hoogste eerambten
-ocr page 28-
18
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
waardig. Toen de inquisiteur zich dan ook krach-
tens zijn ambt te Rome gevestigd had, rustte de
hooge prelaat niet, voordat de vrome religieus in
zijn paleis zijn intrek genomen had. Veel kostte
het den ootmoedigen pater dagelijks te midden van
zooveel rijkdom en weelde te verkeeren, maar hij
wist zijn hart van alles te onthechten en de
armoede, zijne trouwe gezellin, te eeren. Geld vond
men nooit in zijne lade; een medebroeder beheerde
zijn kapitaal: de som van tien kronen.
Het ambt, dat pater Ghislieri was opgedragen,
mocht eervol zijn, het was in die dagen aller-
moeilijkst en voor zijn liefderijk hart allerpijnlijkst.
Recht moest geschieden aan degenen, die zich aan
de wetten van Kerk en Staat hadden vergrepen,
maar de christelijke barmhartigheid had ook hare
eisenen. Dagelijks begaf hij zich in de gevangenis
om de ongelukkig verdwaalden op den waren weg
terug te voeren, door hartelijk onderhoud hunne
moeilijkheden op te lossen, hunnen hartstochtelij ken
afkeer te overwinnen en vooral hun lot te ver-
zachten. Meermalen werd een veroordeelde door
zijne tusschenkomst aan de straf ontrukt en tot
de ware Kerk teruggebracht.
Merkwaardig vooral is de bekeering van Sixtus
van Siena. Deze man, uit Joodsche ouders geboren,
had het Christendom omhelsd en door zijne veel-
omvattende taalkennis aan vele universiteiten van
Italië grooten naam verworven. De hoogmoed
-ocr page 29-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
m
bracht hem ten val; hij verviel in dwaling. Ter
verantwoording geroepen, zwoer hij zijn dwaalleer
af, doch week weldra nog verder af dan voorheen.
Nu werd hij wederom in hechtenis genomen en,
volgens het recht dier dagen, aan den wereldlijken
arm overgeleverd. Pater Ghislieri had oprecht
medelijden met den ongelukkige. Dat een man met
zulke uitnemende gaven aan de Kerk voor altijd
moest ontvallen, dat eene ziel, door Jezus\' H. Bloed
vrijgekocht, voor altijd wellicht zou verloren gaan,
vervulde zijn hart met bittere droefheid. Hij
smeekte tot God, dat toch een enkele straal van
genade in de duisternis dezer ziel mocht door-
dringen, dat de goede Herder dit afgedoolde schaap
mocht terugvoeren De Heer verhoorde zijn gebed.
De rampzalig\' verblinde werd getroffen door het
licht der genade; hij bekeerde zich, ontving uit de
hand zijns redders het kloosterhabijt en strekte
geheel zijn volgend leven door geleerdheid en deugd
zijne Orde en de Kerk tot sieraad en steun. In de
opdracht van een zijner beroemdste werken schreef
Sixtus: «Dankbaarheid verplicht mij, aan U (Paus
»Pius V) dit werk op te dragen. Gij hebt mij aan
»de hel ontrukt, van de duisternis der dwaling
«bevrijd, door het zuiver licht der waarheid ver-
»licht. Gij hebt mij tot hoogere volmaaktheid op-
«gevoerd. Uit uwe handen heb ik het heilig kloos-
«terkleed ontvangen. Gij hebt mij als uwen zoon
«aangenomen en in de Orde der Predikheeren mij
-ocr page 30-
20                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
»met zooveel goedheid en liefde omringd, dat ik
»aan u alles verschuldigd ben."
Het jaar 1555 was voor de Roomsche Kerk een
gewichtig jaar. De Paus was gestorven, maar Pe-
trus herleefde in Paulus IV, kardinaal Caraffa. Op
den pauselijken stoel zou de kardinaal zijn vriend,
dien hij zoozeer beminde en hoogachtte, niet ver-
geten. Toen pater Ghislieri, gelijk de andere waar-
digheidsbekleeders, den nieuwgekozen Stedehouder
van Christus kwam gelukwenschen, zeide de H.
Vader veelbeteekenend: «Vriend, weldra zult gij
»de helft van het Pausdom dragen." De Heilige
ontstelde bij die woorden; hij gaf te kennen, dat
hij van geringe afkomst was, slechts in nederige
kloosters geleefd had, onbekwaam was tot hooge
bedieningen, en niets vuriger wenschte dan in de
eenzaamheid des kloosters zijn leven te eindigen.
Tranen schoten hem bij deze bede naar de oogen.
Doch de Paus liet zich niet vermurwen; hij glim-
lachte en beval hem, bereid te zijn om alles aan
te nemen tot eer van God en tot de zaligheid der
zielen.
Weldra ontving de commissaris een pauselijk
schrijven, meldende, dat hij benoemd was tot bis-
schop van Sutri en Nepi, een diocees in de om-
streken van Rome. Tegenspraak zou niet alleen
nutteloos, maar ook ongepast geweest zijn. Met
volkomen berusting liet de Heilige zich den lsten
September 1556 tot bisschop wijden. Deze waardig-
-ocr page 31-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
21
heid was de voorbereiding tot eene hoogere: het
kardinalaat.
Op zekeren morgen werd Mgr. Ghislieri aan het
pauselijk hof ontboden. Paulus IV deelde hem
mede, dat het consistorie hem dien dag tot het Ro-
meinsch purper zou verheffen. Toevallige bezigheden
namen echter al den tijd der zitting in beslag. Als
verlost van een dreigend ongeluk, verliet de Bisschop
de zaal, verheugd roepend: «Goddank, wij zijn ver-
»lost; wij zijn gered!" — Maar zijne vreugde, die
alle omstanders stichtte, was van korten duur: den
15den Maart 4557 werd hij tot het kardinalaat ver-
heven, onder den naam van kardinaal Alexandri-
nus, een naam, zoo dierbaar door de zoete herinne-
ringen zijner geboorteplaats, jeugd en religieuze
professie.
Zooals men van een heiligen kloosterling ver-
wachten kon, brachten de hooge bedieningen geen
noemenswaardig onderscheid in zijne eenvoudige
levenswijze. Hij was en bleef de nederige zoon van
den H. Dominicus. Geen kleed was hem eervoller
dan het habijt; geen wet hem dierbaarder dan de
Ordesregel; geen vreugde hem grooter dan wan-
neer hij zijne ordebroeders aan zijn soberen disch
ontving. Dit getuigt ons o. a. pater Godefridus
van Mierlo, den lateren vermaarden bisschop van
Haarlem. Toen deze Predikheer, ter bijwoning van
een Generaal Kapittel, zich te Rome bevond, ont-
ving kardinaal Alexandrinus hem met de grootste
-ocr page 32-
22                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
hartelijkheid. Hij omhelsde hem, deed hem aan
zijne tafel aanzitten en bewees, tot groote bewon-
dering en stichting van zijnen gast, door het dra-
gen des habijts, dat hij zijn voormaligen staat nog
eerde en liefhad. Van de strenge vastenwetten
zijner Orde week hij nooit af. Gedurende den maal-
tijd werd steeds de H. Schrift of eenig geestelijk
werk voorgelezen. In tegenstelling van andere Prin-
sen der Kerk, die eene talrijke hofhouding hielden,
was zijn dienstpersoneel tot het streng noodzake-
lijke beperkt. Een twintigtal dienaren stonden hem
ter zijde in zijne veelvuldige ambtszaken, als groot-
inquisiteur van het pauselijk hof, en droegen zorg
voor de huishouding. Scherp zag hij toe, alvorens
zij in dienst kwamen. «Denkt niet," zoo sprak hij,
»dat gij aan een hof komt, maar aan een klooster."
Onberispelijke zeden was een eerste vereischte.
Persoonlijk ging hij hunne gangen na, gaf hun gods-
dienstig onderricht, zat voor bij het gemeenschap-
pelijk avondgebed, waakte over allen met de streng-
heid eens vaders, maar ook met de teederheid eener
moeder. Was iemand hunner ziek dan kende zijne
bezorgdheid geene grenzen; de laatste penning zou
desnoods uitgegeven zijn om den zieke te verlichten.
In Augustus 1559 kwam Paulus IV te sterven.
De politieke strijd, waarmede destijds eene paus-
keuze veelal vergezeld ging. ontbrandde ook nu.
Alle vrienden en verwanten des overledenen Pausen
werden van het hof verwijderd, of vielen in onge
-ocr page 33-
SINT-DOMINICUS* BLOEMEN.                     23
nade. Kardinaal Alexandrinus voorzag, dat ook
zijne dagen te Rome geteld waren. Pius IV be-
noemde hem tot bisschop van Mondovi in Sardinië.
Aanstonds verliet hij de Eeuwige Stad om zijn
bisdom te bezoeken, waar, zooals het gerucht liep,
vele misbruiken waren voortgewoekerd. Te Luca
wachtten hem vier galeien, door den Senaat van
Genua tot zijn overtocht afgezonden.
Vorstelijk was de ontvangst van kardinaal Alexan-
drinus in het betooverend schoone Genua, dat zich
amphitheatersgewijze tegen de hooge bergen ver-
heft en trotsch zich spiegelt in de rimpellooze,
kristallijne vlakte der onmetelijke zee. Nauwelijks
waren de statige galeien in het verschiet, of rijk-
gevlagde sloepen stevenden tegemoet, dra gevolgd
door tallooze bootjes en gondels, die in snelle vaart
over den waterspiegel gleden. Het kanongebulder
rolde dreunend over de wateren, weerkaatst door
het gebergte, terwijl het feestelijk gelui der tallooze
klokken geheel de burgerij naar de haven deed
snellen, waar de hertog van Savoie, Emmanuel
Philibert aan het hoofd der geestelijke en burger-
lijke overheid den hoogen gast afwachtte. Hoe moet
de kardinaal getroffen zijn geweest, toen hij met
zooveel praal werd ingehaald in die stad, waar hij
eens als een arme, onbekende kloosterling de H.
Priesterwijding had ontvangen, toen hij de Kathe-
draal binnentrad, waar de Bisschop hem zegenend
de hand had opgelegd!
-ocr page 34-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
24
Twee dagen moest de Kerkvorst in het herto-
gelijk paleis vertoeven om zijn gastheer ter wille
te zijn en hem in regeeringszaken voor te lichten.
Daarna reisde hij af naar zijn bisdom Mondovi.
Terstond begon hij zijne canonieke rondreis,
onderzocht of de eeredienst met betamende waar-
digheid werd onderhouden, predikte in alle kerken
tot de saamgestroomde menigte en diende overal
het H. Vormsel toe. Tegen alle misbruiken bedacht
hij doeltreffende maatregelen.
Deze apostolische tocht bracht hem in de nabij -
heid van zijn dierbaar Bosco; en nu kon de Kar-
dinaal aan den heimelijken trek van zijn geboorte-
grond niet weerstaan. Hij wilde nog eenmaal die
plek bezoeken, waar de herinneringen zijner jeugd
voortleefden. Zijne godvreezende ouders waren
reeds tot een beter leven overgegaan, maar hunne
gedachtenis moest hij eeren; op de plaats der
ouderlijke woning stichtte hij een ruim klooster
voor zijne ordebroeders.
Nog geheel beslommerd in zijn diocesaan be-
stuur, ontving hij na vier maanden van Pius IV
bevel om naar Rome terug te keeren. Het Concilie
van Trente had namelijk zijne zittingen hervat. De
besluiten werden ter bekrachtiging naar den Paus
gezonden, maar alvorens tot deze gewichtige daad
over te gaan, wilde de heilige Vader den raad in-
winnen zijner Kardinalen, en niet het minst van
kardinaal Alexandrinus. De Heilige gehoorzaamde
-ocr page 35-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                     25
onmiddelijk; al had hij zeker zijne krachten vol-
gaarne aan zijne kudde gewijd. Te Rome ontmoette
hij in het heilig College den H. Carolus Borro-
maeus. Deze eerste ontmoeting was voldoende om
tusschen deze twee uitverkoren zielen eene heilige
en trouwe vriendschap te bewerken.
In de talrijke vergaderingen, die gedurende het
Concilie door den Paus met zijne Kardinalen belegd
werden, was de invloed van kardinaal Alexandrinus
overwegend. Men placht zelfs te zeggen dat zijn
gevoelen bij den Paus even zwaar woog als dat
van de andere Kardinalen te zamen. Dit aanzien
bij het Opperhoofd der Kerk deed hem echter
nooit het algemeen welzijn der Christenheid uit
het oog verliezen. Zijn rechtsgevoel was zoo ont-
wikkeld, dat, waar dit sprak, zelfs de persoon van
den H. Vader geene genade vond.
Zoo gebeurde het, dat Pius IV den 6Jen Januari
1563, den verjaardag zijner kroning, de Kardinalen
ten hove genoodigd had, en bij deze gelegenheid
een voorstel deed van bedenkelijken aard. De Her-
tog van Mantua en de Hertog van Toscane hadden
bij den Paus aangedrongen om hun zoons, twee
jongelingen van dertien en van een en twintig
jaar, den kardinaalshoed te geven. De H. Vader
durfde dit onbetamelijk verzoek niet afslaan, en
vroeg het gevoelen van het H. College. Allen stem-
den toe, of zwegen. Toen stond kardinaal Alexan-
drinus op. Zonder op iemand acht te slaan, zeide
-ocr page 36-
26                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
hij : »Uwe Heiligheid sta mij toe in het midden te
«brengen, dat, daar het Concilie van Trente met
«zooveel zorg gearheid heeft aan de hervorming
»der zeden en het herstel der kerkelijk tucht, alle
«Bisschoppen met leedwezen zullen zien, dat van
»een hunner heilzaamste decreten, omtrent den
«vereischten leeftijd voor de kerkelijke waardig-
«heden, aldus wordt afgeweken. En dat door het
«Opperhoofd der Kerk, en wel te Rome! De Kerk
«Gods heeft geen jongelingen noodig, maar volwas-
«sen mannen. Wat kan men van de onbezonnen
«jeugd verwachten? Welke waarde heeft de uit-
«spraak van \'s Pausen Raad, wanneer rijpe leeftijd
«niet alleen daarin zitting heeft? Wat zullen de
«ketters van zulke raadsbesluiten zeggen ?" — Op
strengen toon voer de Kardinaal aldus voort tot
niet geringe beschaming van verschillende prelaten,
die spijt gevoelden over hunne verregaande inschik-
kelijkheid. «Hoe is het mogelijk," zeide kardinaal
Saint-Ange bij het verlaten van het paleis, «dat
«onder zulk een gezelschap niemand openhartig
«heeft durven spreken dan die eenvoudige kloos-
«terling! Moge God hem daarvoor beloonen en
«hem op Sint-Petrus\' Stoel verheffen, want meer
«dan iemand anders heeft hij dit verdiend."
Deze onwrikbare trouw aan hetgeen hij zijn
plicht achtte, berokkende hem eindelijk \'s Pausen
ongenade. De Heilige had dit voorzien. Met de
grootste gelatenheid sprak hij: «Welnu, ik kan
--
-ocr page 37-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                     27
«altijd in mijn klooster terugkeeren, indien ik het
»H. College verlaten moet, omdat ik de waarheid
«beleden heb." Zijn eenvoudig huisraad, boeken en
geschriften, liet hij inschepen, maakte zich tot het
vertrek gereed, maar Gods Voorzienigheid had het
anders beschikt. Hij mocht Rome niet verlaten.
Eene zware ziekte overviel hem. en bracht hem
aan den rand des grafs. Bij zijn herstel was Pius IV
den 9<*en December 4565 in den Heere ontslapen.
Groot was de spanning, die te Rome en in de
Chris ten wereld heerschte, wie er uitverkoren zou
worden om de Sleutels van Sint-Petrus te dragen.
De H Carolus Borromaeus, een der schitterendste
sieraden van het H. College, had reeds enkele voor-
name kandidaten voorgesteld, maar zij konden het
vereischt aantal stemmen niet op zich vereenigen.
De geestelijkheid noch het volk dacht aan kardi-
naal Alexandrinus, die in ongenade was gevallen
bij den vorigen Paus en door velen als oud-inqui-
siteur eerder gevreesd dan bemind werd. Daar
ontving de H. Carolus eene ingeving als uit den
Hemel: Kardinaal Alexandrinus moet Paus worden.
Hij deelde zijne meening aan de andere leden van
het conclaaf mede en wat niemand verwacht had,
geschiedde: bijna eenparig werd hij tot Stedehou-
der van Christus voorgedragen. De H. Carolus
haastte zich met eenige Kardinalen om den nieuw-
benoemde, die deze dagen in vurig gebed had
doorgebracht, de blijde tijding te brengen. Zij von-
-ocr page 38-
28                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
den den eerbiedwaardigen prelaat in het gebed
verzonken
Opgeschrikt door dit bezoek, hevig ontsteld door
deze mededeeling, scheen de Heilige een oogenblik
buiten zichzelven; vervolgens viel hij hun te voet,
beleed zijne onwaardigheid en zwakheid, en smeekte
met betraande oogen hem voorbij te gaan en een
ander te kiezen. Het mocht niet baten. Toen hij
bij alle beweegredenen der Kardinalen onverzette-
lijk bleef aanhouden, gebruikten zij zacht geweld.
Zij sleepten hem onder hunne armen voort en ge-
leiden, of liever droegen, hem naar het heilig A1-
taar. Aandoenlijk schouwspel, den eersten tijd der
Kerk waardig!
Op dit gerucht kwamen alle Kardinalen samen;
de Geest Gods daalt over het H. College; alle ver-
schil is plotseling geweken en juichend klinkt het
uit één mond, «Kardinaal Alexandrinus is Paus!"
Terstond vallen zij op de knieën om beurtelings de
voetkus te verrichten. De Heilige is geheel ontdaan
en zijne aandoening niet meester. Kardinaal Far-
nese dringt aan, dat hij zijne instemming zal betui-
gen, maar het gewichtig woord: vAcceptamus, wij
»nemen aan," besterft hem op de lippen. Hij ver-
zucht steeds : »Ach, als eenvoudig religieus van den
»H. Dominicus hoopte ik op mijne zaligheid, als bis-
»schop vreesde ik er voor, maar als Paus moet ik
»er aan wanhopen." Eindelijk gaf hij zich aan Gods
H. Voorzienigheid over en aanvaardde eene waar-
-ocr page 39-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                     29
digheid, waartoe God alleen hem verheven had.
Het was den 7den van Louwmaand 1566. Onder
den naam van Pius V beklom Michael Ghislieri
den pauselij ken troon in den ouderdom van 62 jaren.
Aan verschillende personen was deze pauskeuze
op bovennatuurlijke wijze geopenbaard. Vijf of zes
dagen vóór do keuze was de H. Philippus Nerius
met een zijner geestelijke kinderen in gesprek,
toen hij eensklaps den blik hemelwaarts hief en,
als in geestverrukking, uitriep: «Aanstaanden Maan-
»dag wordt de Paus gekozen!" Later voegde hij
erbij: »ja, ik verzeker het u, kardinaal Alexandri-
»nus wordt paus, Maandagavond." Het vervolg be-
vestigde volkomen deze voorspelling. — Ook kardi-
naal Gonzaga, die tijdens het conclaaf ernstig ziek
lag, droeg op wonderbare wijze kennis van de keuze.
In den nacht van den 6d,\'n Januari ontwaakte hij
plotseling en meende gedruisch te vernemen. Zijne
kamerdienaars maanden hem tot rust, doch hij
verzekerde kardinaal Alexandrinus te zien in pau-
selijk gewaad. Het lijdt geen twijfel, dachten zij,
de zieke wordt in zijn laatste oogenblikken door
eene ijlkoorts aangetast. Werkelijk gaf hij na en-
kele uren den geest, maar den volgenden dag ver-
namen zij met verbazing, wat er gebeurd was. Nog
meer dergelijke verhalen deden de ronde, en maak-
ten op het volk diepen indruk.
Overeenkomstig het aloud kerkelijk gebruik werd
de naam des Opperpriesters aan het ongeduldig
>
-ocr page 40-
30                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN
beidende volk bekend gemaakt, en de nieuwe Paus,
omstuwd van alle Kardinalen, plechtig naar de
Sint-Pieter geleid. Daar voor het H. Tabernakel
neergeknield, scheen de eerbiedwaardige grijsaard
aan al het feestelijk gewoel der zich verdringende
opgetogen menigte ontrukt. In aanbidding verzon-
ken, vloeiden hem de tranen bij stroomen, vouw-
den zich zijne handen bevend samen, stegen uit
zijn overstelpt hart de dringendste smeekbeden om
verlichting en sterkte. Het was, alsof God zichtbaar
de bede zijns dienaars verhoorde. Hemelsche kalmte
daalde neder in dat diepgeschokt gemoed; ver-
sterkt stond hij op; zijn hoogernstig gelaat teekende
heilige berusting, vastberadenheid en levensmoed.
Den 17den Januari, den jaardag van zijne opne-
ming in Christus\' Kerk door het H. Doopsel, werd
Pius V tot Christus\' Stedehouder gekroond. Op dien
voor het Komeinsche volk zoo heuglijken dag,
wanneer de nieuwe Kerkvorsten goud- en zilver-
stukken onder de menigte op het Sint-Pietersplein
plachten te strooien, wilde ook Pius bewijzen zij-
ner milddadigheid geven, doch hij gebruikte
hierbij overleg. Meermalen immers was het ge-
beurd, dat onder het dringen en worstelen om
geldstukken ernstige ongelukken voorvielen; om
dit te voorkomen beval hij het dubbel der gewone
som aan bekende noodlijdenden uit te deelen. Elk
jaar, op den kroningsdag werden ook duizend kro-
nen uitgegeven tot een gastmaal voor de Kardina-
-ocr page 41-
31
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
len en de vreemde gezanten. Van dit gebruik week
hij eveneens af. Het bepaalde geld kwam ten bate
der armen en der behoeftige godshuizen. Toen
iemand zich daarop eene aanmerking veroorloofde,
zeide hij: »De eeuwige Rechter zal mij niet ver-
»wijten, dat ik den Kardinalen en den gezanten
»een feestmaal onthouden heb, maar wel dat ik de
»armen gebrek heb laten lijden." Door dit ant-
woord gaf hij genoegzaam te kennen, dat er onder
zijne regeering aan het pauselijk hof niet te reke-
nen viel op kostbare geldverspillende feesten, gelijk
aan andere Europeesche hoven.
Doordrongen van de heiligheid zijns ambts, over-
tuigd dat niet de geringste smet mocht kleven aan
zijn hoogepriesterlijk gewaad, was eigen volmaking
zijne eerste zorg. Als Christus\' Plaatsbekleeder
verkeerde hij met God nog inniger en langduriger
dan voorheen. Indrukwekkend, ja onvergetelijk was
het om te zien, met welk eene vrome aandoening
en engelachtige godsvrucht hij dagelijks de heilige
Geheimen opdroeg. Zonder des morgens in het
Heilig der Heiligen zijn goddelijken Meester ge-
raadpleegd te hebben, durfde deze hoogepriester
niets tot heil der Kerk ondernemen. De glorie van
God was zijn eenig verlangen, de overeenkomst
met Gods H. Wil zijn eenig streven.
Bijzonder gevoelde zich zijn hart getrokken tot
Jezus\' H. Lijden. Op zijne schrijftafel stond een
kruisbeeld, waaronder deze woorden waren gegrifd:
-ocr page 42-
32                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
»Mihi absit gloriari nisi in cruce Domini nostri
»Jesu Christi.
Van mij zij het verre te roemen, dan
»in het kruis onzes Heeren Jezus Christus." Tot dit
beeld richtte hij meermalen gedurende zijne \\verk-
zaamheden vertrouwvol den blik; hij scheen er
geheimzinnig mede te spreken en drukte vaak in
geestvervoering zijne lippen op de met nagelen door-
boorde voeten. Booswichten hadden deze vrome ge-
woonte des Pausen gadegeslagen. In hun hart rees
het doemwaardig plan om de voeten van het kruis-
beeld met zwaar, snelwerkend vergif te bestrijken;
de kus des kruises zou voor hem de kus des doods
zijn. Als naar gewoonte wilde de H. Vader zijne
lippen brengen aan Jezus\' gezegende Wonden, toen
het kruisbeeld eensklaps de voeten terugtrok. De
verraderlijke toeleg werd ontdekt; de lijdende God-
mensch had zijn trouwen navolger van een wissen
dood gered.
Somtijds was hij zoo geheel in de overweging
verslonden, dat hij de "waarschuwing zijner die-
naren niet scheen te vernemen en eerbiedig uit
zijne beschouwing moest gewekt worden. Bijzon-
der was dit het geval tijdens den hachelijken strijd
tegen de Turken en de Protestanten. Als een tweede
Mozes strekte hij in dien strijd tegen de Ama-
lekieten smeekend zijne handen omhoog; en zijn
gebed was zoo vermogend, dat de Sultan verklaarde
de wapenen der Christenen minder te vreezen dan
het gebed van Rome\'s Opperpriester. Een machtige
-ocr page 43-
De H. Pius V wonderbaar door het Kruisbeeld
van een wissen dood gered.
-ocr page 44-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                     33
hulp vond hij hierbij in de Allerheiligste Maagd,
die hij dagelijks eerde door het bidden van den
Rozenkrans. Ook verzocht hij steeds de hulp van
godvreezende personen en vrome kloosters, wel
overtuigd, dat het gebed der rechtvaardigen door
de wolken tot God dringt.
Om do godsvrucht der geloovigen op te wekken,
wijdde hij dikwijls rozenkransen, kruisen, heiligen-
beeldjes, Agnus Dei. De apostolische zegen van zulk
een heiligen Opperpriester gaf in het oog der geloo-
vigen aan deze voorwerpen eene bijzondere waarde,
te meer, omdat zij vaak een wondervol behoedmid-
del bleken tegen verschillende rampen. Bekend zijn
de gewijde medailles, die hij overal verspreiden liet,
vooral in België, waar zij voor de Katholieken die-
nen moesten als onderscheidingsteeken tegenover
den Geuzenpenning der ketters.
De ootmoed, door den H. Bernardus de kost-
baarste parel aan de pauselijke kroon genoemd,
schitterde bij Pius niet minder hel dan zijn gods-
vrucht. Ofschoon op het toppunt van menschelijke
grootheid geplaatst, verheelde hij nooit de bekrom-
pen omstandigheden, waarin hij was grootgebracht.
De eenvoudige dorpelingen van Bosco verschenen
meermalen in hunne schilderachtige kleedij aan
het hof; en het was den goedhartigen grijsaard
een genoegen zich met zijne oude vrienden te
onderhouden, gelijk het ook den landbewoners eene
kinderlijke voldoening was hunne naïeve herinne-
3
-ocr page 45-
34                    SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
ringen op te halen. Zoo kwam eens een bejaard
landman, steunend op zijn stok en het hoofd ge-
bukt onder een wijnkruik de trappen des Vati-
caans opgestrómpeld. Zijn naam als inwoner van
Bosco baande hem een weg door de pauselijke
garden tot de geheime vertrekken des Pausen. Voor
den H. Vader gekomen, herinnerde hij Zijne Hei-
ligheid, hoe deze, nog knaap zijnde, met hem een
wijngaard had aangelegd en daarbij gezegd: »Het
»is vergeefsch werk; niemand zal dien wijn ooit
«drinken." — »En nu Heilige Vader," zeide de
landman vertrouwelijk, terwijl hij zijne kruik van
den grond beurde, «proef nu eens dien wijn. Gij
»zult moeten erkennen, dat ge toen ten minste
«niet onfeilbaar waart."
De neven en nichten des Pausen, die in de
verheffing van hunnen bloedverwant hoopten te
zullen deelen, zagen zich deerlijk teleurgesteld.
Zoowel in zijne particuliere brieven als bij hunne
bezoeken, verklaarde hij uitdrukkelijk, dat hij ze
nooit tot een hoogeren stand zou brengen. «Nooit
»zou de bloedverwantschap," schreef hij, «reden
«zijn om dergelijke waardigheden te verleenen,
«maar alleen deugd en verdienste. God heeft mij
«niet tot het Pausschap geroepen om mijne familie
«te verrijken, maar om de Kerk Gods te be-
«stieren."
Dit voorbeeld van ootmoed, deze onbaatzuchtig-
heid kwam nog schitterender uit, toen de laster
-ocr page 46-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                     35
Pius\' naam durfde bezoedelen. De onverlaat werd
gegrepen, en zou volgens \'s lands wetten eene
wreede doodstraf ondergaan, toen de Paus den
ongelukkige eerst verlangde te spreken. Hij onder-
vroeg den schuldige naar de lasteringen, vernam,
dat zij alleen zijn persoon betroffen en zeide: »In-
»dien gij den Paus beleedigd hadt, zoudt gij ge-
»straft worden, omdat gij die waardigheid moet
«eeren. Doch, nu gij alleen pater Michael, een
»geringen kloosterling hebt beleedigd, ga in vrede.
«Verre van mij te schamen over mijne nederige
«afkomst en mijn eenvoudigen levensstaat, zal ik
»mij er altijd op verheffen en er steeds aan den-
»ken.-\' Daarna gaf hij hem eene vaderlijke ver-
maning, en voegde er bij: «Indien gij in het ver-
«volg iets berispelijks in mij ziet, zeg het mij.
«Ik zal er mijn voordeel mede doen."
Ondanks zijn zwak gestel beoefende de Heilige de
grootste gestrengheid. Zijne dagelijksche tafel over-
trof zeker die van alle Romeinsche prelaten in so-
berheid en eenvoud, want de uitgaven daarvan
gingen zeventien stuivers niet te boven. Gedurende
het maal werd er geestelijke lezing gehouden,
een gebruik, dat vervolgens ook bij de Kardinalen
meer in zwang kwam. Nooit week hij af van de
voorschriften zijner Orde. Al waren ouderdom,
zwakte en arbeid reden tot ontheffing, hij onder-
hield de talrijke vasten- en onthoudingsdagen met
>
-ocr page 47-
36                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
angstvallige nauwgezetheid. Het pauselijk gewaad
verborg zijn wollen kleeding, terwijl een arme stroo-
zak, gelijk weleer in de kloostercel, hem tot leger-
stede strekte. Den tijd na de H. Mis tot \'s namid-
dags éen uur, \'s winters tot zonsondergang, be-
steedde hij aan de belangen der Kerk. Deze onaf-
gebroken inspanning, gevoegd bij zijn streng leven,
noopte zijne geneesheeren en vrienden hem te
waarschuwen. Zij gaven te kennen, dat hij door
zoo te werken niet lang zou leven. »Och," ant-
woordde hij glimlachend, »God heeft mij tot deze
«waardigheid verheven tot welzijn van anderen en
»niet tot mijn eigene rust. Al wie belast is met
»de belangen van anderen, moet zijne gemakzucht
»weten op te offeren aan de plichten van zijn ge-
»weten " — Jaarlijks, gedurende de Vastenavonden,
die te Rome vrij luidruchtig plachten gevierd te
worden, trok hij zich terug in het Sint-Sabina-kloos-
ter, waar hij in zijne oude kloostercel den tijd in
gebed en boetvaardigheid doorbracht. Of de Prior
toen nog leefde, die hem eens minder heusch ont-
vangen had, is niet bekend.
Eene minzame welwillendheid was het kenmerk
zijner gesprekken. In het algemeen sprak hij wei-
nig: zijne woorden waren overwogen en strekten
steeds tot eer van God, tot heil van zijne ziel of
den naaste. De prikkelbaarheid, die hij van nature
bezat, verried zich nog wel door de onwillekeurige
verandering zijner gelaatstrekken, maar beheerschte
-ocr page 48-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
37
nooit zijn oordeel, noch zijn woorden. Voordat hij
zich ter ruste begaf, was alle wrevel geweken.
Aldus was het bijzonder leven van dezen heiligen
Paus, daardoor trok hij zich Gods zegen af over het
apostelambt, dat hij te Rome en in geheel de Chris-
telijke wereld moest uitoefenen.
Door bijzondere omstandigheden was er te Rome
veel volk saamgestroomd, dat door lichte zeden en
losbandigheid een smet wierp op de Hoofdstad der
Christenheid. Deze ergenis kon Pius V niet dul-
den. In een streng verbanningsdecreet gaf hij aan
zijne verontwaardiging lucht. Sommigen magi-
straatspersonen kwam deze maatregel minder
verstandig voor. »Wat!" zeide de Paus, zijne
ontroering bedwingend, »Schaamt gij u niet de
»partij op te nemen voor die pest van den Staat?
»Of zij Rome uit, of ik." — Een tweede kanker
van Rome\'s burgerij waren de Joden, die door
woeker en schacherij zich aan de verfoeilijkste af-
persingen schuldig maakten. Ook zij werden on-
verbiddelijk uit de Kerkelijke Staten verbannen.
Slechts te Rome en Ancona mochten zij worden
geduld, maar alleen in een afzonderlijke wijk. Ver-
lieten zij deze, dan moesten zij getooid zijn met
een oranjekleurigen hoed, opdat het goedgeloovig
volk door dit sprekend teeken zich zou wachten
van bedrogen te worden.
Deze maatregelen, gevoegd bij de wetten tegen de
dronkenschap, de straatschenderij en de struikroo-
-ocr page 49-
38                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
verij, bij de voorschriften tot werkverschaffing,
volksonderwijs en armenzorg, veranderden weldra
de Eeuwige Stad geheel van aanschijn. Een tijd-
genoot te Rome vertoevend, verhaalt ons omtrent
\'s Pausen optreden de volgende, treffende bijzon-
derheden:
»Toen Christus\' Stedehouder op Witten Donder-
»dag te midden des volks verscheen, o mijn God,
»welk eene majesteit in zijn tred, in zijne houding!
»Toen die eecbiedwaardige grijsaard den troon be-
»steeg, meende men aan zijn edele trekken en
«waardige gebaren Jezus Christus in persoon
»te zien. Aan zijne zijde schreden kardinalen voort,
«geëerd om hunne godsvrucht en geleerdheid. O,
«doorluchtige schaar, schitterend in purper; fon-
«kelende ster, wier luister de wereld bestraalt!
«Tal van dienaren volgen in plechtig sleepgewaad.
«Op het Sint-Pietersplein verdringt zich eene bonte
«menigte. Daar heft zij in smeekende en eerbiedige
«houding den blik op tot hem, in wien zij met
«onwrikbaar geloof Christus\' Plaatsbekleeder ver-
Beert. Van vrees en ontzag doordrongen, luistert
«zij naar het banvonnis, dat de twee kardinalen
«aan weerszijden des Pausen met luide stem af-
«kondigen. Bij dit schrikwekkend vonnis rolt, zwaar
«als de donder, het grof geschut van den Engelen-
«burcht. Het was mij alsof de laatste dag aanbrak,
«wanneer hemel en aarde zullen worden geschokt
«en de Eeuwige Rechter zal verschijnen..."
-ocr page 50-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                     39
»De versterving, de ootmoed, de reinheid, de
«heiligheid, de geloofsijver van dezen Paus schit-
»teren zoo glansrijk, dat de H. Leo en de H.
«Gregorius in hem schijnen te herleven. Door zijn
«voorbeeld wekt hij het volk tot alle deugden op.
»Ik zal zijne deugden hier niet opsommen, noch
«schilderen; geheel de wereld kent \'ze. Nochtans
«aarzel ik niet te verklaren: wanneer Calvijn op
«dit Paaschfeest terugkeerde op de wereld, wan-
«neer hij dezen heiligen Paus aanschouwde in
«pontificaal gewaad, met de tiaar gekroond, zooals
«hij, gezeten op zijn draagstoel, zonder vertoon
«maar met waardigheid en een doordringenden
«blik den zegen schenkt aan het neergeknielde
«volk, dan zou deze aartsketter, aangegrepen door
«schrik, ter aarde geworpen door dien goddelijken
«oogopslag, verpletterd door het gewicht van zulk
«eene majesteit, den Plaatsbekleeder van Jezus
«Christus hebben erkend en met ons allen luid
«hebben geroepen: Leve, leve Pius V!..."
«Deze Paus spant alle krachten in, niet alleen
«om de ondeugden uit te roeien en de zeden te
«verbeteren, maar ook om den vorm en de plech-
«tigheden van den eeredienst tot de aloude kerk-
«gebruiken onzer vaderen terug te voeren; zelf heeft
«hij de voornaamste kerken der stad bezocht, daarbij
«telkens eene rede gehouden tot de geestelijkheid
«en ze ernstig aangemaand getrouw te blijven aan
«hare ambtsplichten. Vervolgens heeft hij alle over-
-ocr page 51-
40                     SINT-DOMINICUS* BLOEMEN.
«heidspersonen, rechters en kardinalen, die deelheb-
»ben aan het openbaar bestuur, bij zich ontboden;
»hen aan de verplichting herinnerd van alle rechts-
»zaken zorgvuldig te onderzoeken, te bepleiten en
»te beslechten. Zijne toespraak scheen als van God
«ingegeven, Op zijn bevel is ook een voorschrift
«uitgevaardigd omtrent het vast verblijf der geeste-
«lijken, hunne kleeding en levenswijze. Openbare
«spelen, kostbare feesten, spiegelgevechten zijn in
«onbruik geraakt, maar het naderen tot de H. H.
«Sacramenten, het bijwonen der kerkelijke getij-
oden, het bezoeken der hospitalen is aanmerkelijk
«toegenomen. Belastingen, in- en uitvoerrechten
«zijn opgeheven, of ten minste voor een deel tot
«zekeren tijd geschorst. Elk verdrag om door geld
«tot kerkelijke waardigheden te komen, is streng
«verboden; macht, rijkdom en voorspraak vermo-
«gen niets meer; beproefde deugd en heilige levens-
«wandel komen alleen in aanmerking. Geen dag
«gaat er voorbij, waarin de vrome Opperpriester
«geen vergadering belegt en zich met de Staatsre-
«geling bezig houdt."
De blik van Pius V beperkte zich niet tot Rome,
hij omvatte geheel de Christenheid, die toen een
gewichtig tijdperk doorleefde. Na vele moeilijk-
heden was het H. Concilie van Trente in 1563 ge-
sloten. Vele godsdienstige vraagstukken waren door
die gezaghebbende vergadering tegenover de dwaal
leeraars verklaard en vastgesteld; tal van heilzame
-ocr page 52-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                    41
voorschriften waren tot hervorming van degeeste-
lijkheid en het Christenvolk bepaald, maar de kr.ich-
tige hand, die al deze besluiten met wijze vastbe-
radenheid moest uitvoeren, ontbrak nog. Tot deze
veelomvattende, gewichtige taak was Pius V geroe-
pen; hij wordt met recht de uitvoerder van het
testament der Trentsche Vaderen genoemd.
Vooreerst bezorgde hij de uitgave van den be-
roemden Roomschen Catechismus, die voor geheel
de katholieke wereld tot geloofsregel dient. Daarna
schonk hij zijn aandacht aan de liturgie, bracht
eenvormigheid in het brevier en het missaal, en
bewees door zijne begunstiging van Palestrina, den
onovertroffen meester der ware kerkmuziek, hoe-
zeer de luister dier gewijde kunst hem ter harte
gi»g-
Tegelijkertijd drong hij bij alle bisschoppen ernstig
aan op het stichten van seminariën, als eeiiig middel
om deugdelijke priesters te vormen, en daardoor
het volk te verbeteren en een dam op te werpen
tegen de voortrukkende dwaling.
Om nog krachtiger op te treden tegen de ketterij,
gaf hij uitgebreide volmachten aan de geloofsonder-
zoekers, en moedigde katholieke geleerden aan de
pen te hanteeren tegen de verderfelijke protestant-
sche schrijvers. Zoo belastte hij o. a. den gelukz.
Canisius met de weerlegging eener lasterlijke kerk-
geschiedenis, waarmede Duitsche Lutheranen aan
het katholieke geloof veel afbreuk deden. Ofschoon
-ocr page 53-
42                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
de geleerde Nijmegenaar wegens ziekte het werk
niet kon voleinden, zette kardinaal Baronius den
arbeid voort en stichtte een monument, de bewon-
dering aller eeuwen waardig. Om in het vervolg
de Katholieken tegen gevaarlijke boeken te waar-
schuwen, stelde hij de Congregatie in, genaamd
van den Index, bestaande uit Kardinalen en be-
roemde theologanten, die als kerkelijke boeken-
keurders verdachte werken onderzoeken en, zoo
noodig, veroordeelen.
Ziedaar eenige trekken van het geestelijk bestuur
des Pausen, maar als Paus-Koning liet hij zich
ook gelden op tijdelijk gebied, wanneer de belangen
der katholieke Kerk op het spel stonden. En dit
was het geval in het tijdperk, waarin Pius Petrus\'
scheepje bestuurde. Van alle kanten staken stor-
men op; de golven dreigden het schip te over-
zwalpen, de hemel verduisterde, maar de stuur-
man, den vasten blik tot God geheven, omklemde
met krachtige hand het weerspannig roer.
Het zou ons te ver voeren, wanneer wij \'s Pausen
werkzaamheid voor de opwekking, het behoud, de
verbreiding van het katholieke geloof in de Euro-
peesche Staten nagingen; wanneer wij, al ware
het slechts beknopt, verhaalden, hoe hij den Mal-
tezer ridders moed insprak tegen den overmachti-
gen vijand; het katholieke Frankrijk met raad en
daad steunde tegen de dubbelhartige politiek der
Medicis; de ongelukkige Maria Stuart in bescher-
-ocr page 54-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                     43
ming nam tegen Engeland\'s koningin, de snoode
Elisabeth; het weifelend Oostenrijk en het ver-
deelde Polen door zijn vastberaden optreden voor
de katholieke Kerk behield; wij willen er alleen
op wijzen, hoe zijne zorg ook de Katholieken der"
Nederlanden omvatte, hoe hij ze behoedde tegen
de dwaalleer en beschermde tegen het geweld.
Een der professoren van de Leuvensche universi
teit, Bajus genaamd, verdedigde stellingen die met
de Kerkleer strijdig waren; en het was te voor-
zien, dat de hoogeschool, totnogtoe een hecht bol-
werk en een vertrouwbare vuurbaak voor de Ka-
tholieken, zou verloren gaan. Pius V haastte zich
derhalve om den leeraar tot het rechtzinnig geloof
terug te voeren en den reeds smeulenden brand te
blusschen. Door wijs beleid en eene bewonderens-
waardige langmoedigheid tegenover waanwijsheid
en gekrenkten trots, gelukte het den H. Vader de
gevaren te keeren. Niet minder ijver legde de Op-
perpriester aan den dag om de grieven der Neder-
landers, in opstand tegen hunnen wettigen vorst,
weg te nemen. Hij drong er op aan, zelfs onder be-
dreiging van straf, dat Philips II naar Nederland
zou gaan om persoonlijk met zijne onderdanen de
moeilijkheden te vereffenen. Doch het was, gelijk
wij weten, tevergeefs. De wijze raad des Pausen
werd in den wind geslagen, de oproervaan ontrold,
en onder die banier deed de ketterij haar intocht
in ons land. Toen ijverde Pius met alle kracht voor
•
-ocr page 55-
44
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
de zegepraal van \'sKonings wapenen. Den Hertog
van Alva liet hij door den Aartsbisschop van Me-
chelen met kerkelijke plechtigheid een fraaien
krijgshoed en kostbaren eeredegen overhandigen.
Hij vermenigvuldigde zijne verstervingen, verdub-
belde zijne gebeden, reikte nog overvloediger aal-
moezen uit, kortom, hij deed den Hemel een heilig
geweld aan. Zoodra dan ook de blijde tijding het
Vaticaan bereikte, dat de Spaansche wapenen had-
den gezegevierd jen de Geuzen door Alva waren
uitgedreven, begaf hij zich naar Sint-Pieter, liet het
Te Deum zingen en dankte God voor het behoud
der Kerk van Nederland.
Een vijand niet minder geducht dan het Protes-
tantisme, was de Halve Maan, wier horens wiesen
bij de tweedracht der Christenheid. Als trouw en
beproefd wachter van Sion\'s burcht zag Pius, welk
een geweldige storm opstak in het Oosten; en zijn
hart kromp ineen van angst voor de onafzienbare
jammeren, die over de Christenen zouden neer-
komen, als deze orkaan ontketend werd. In die be-
druktheid nam hij, zooals hij immer placht, zijn
toevlucht tot den Allerhoogste. Aan den voet des
Altaars smeekte hij om raad en sterkte, en het
was, alsof de Hemel onmiddellijk zijn gebed ver-
hoorde, zoo geestdriftig en vastberaden verliet hij
\'s Heeren heiligdom.
Een grootsch plan was hem ingegeven, een
plan, zijn beroemdste voorgangers op Petrus\'
-ocr page 56-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                       45
Stoel waardig: een kruistocht der verbonden
Christenen tegen den Islam. Met onwrikbare wils-
kracht, verzekerd van Gods H. Wil, zette hij zijn
voornemen door, verwierf de hulp van Philips II
en van Venetië, voegde zelf daarbij eene aanzien-
lijke krijgsmacht en ontvonkte door zijne vurige
taal den strijdlust des katholieken adels. «Gaat,"
riep hij voortdurend de strijders toe, »gaat in den
»naam van Christus den vijand bestrijden. G-ij zult
«overwinnen." Uit het Oosten stegen intusschen
wanhopige smartkreten op. Cyprus, een bolwerk
der Christenen, was den Turken in handen gevallen
en wreedaardig uitgemoord en platgebrand. Corcyra,
Creta, Zante deelden dit rampzalig lot, en wie weet,
wat Italië wachtte, als de geduchte kapervloot den
boeg naar het Westen wendde? Dat gevaar moest
gekeerd, die smaad voorkomen.
Ter zee zou de vereenigde Christenmacht zich
met den Turk meten Don Juan van Oostenrijk
werd tot admiraal-generaal benoemd. Ten aan-
schouwe der legerscharen reikte kardinaal Gran-
velle hem namens den Paus een gouden staf en een
krijgsbanier over, waarop het beeld des Gekruisten
gestikt was.
Verrukkelijk was het schouwspel, toen den 15den
September 1571 de vloot het anker lichtte en, be-
schenen door de Italiaansche zon, Messina\'s haven
uitvoer. De Spaansche zeekasteelen, een hoog mast-
bosch gelijk, stevenden statig voort, links begeleid
-ocr page 57-
46                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
door het Venetiaansch, rechts door het Pauselijk
smaldeel. Vele priesters waren aan boord om den
godsdienstigen geest onder de strijders te bewaren
en in de geestelijke behoeften te voorzien, want
de tocht moest voor alles — zoo was \'s Pausen wil
— een kruistocht zijn.
In den morgen van den 7den October, den lsten
Zondag der maand, kreeg men bij de golf van Le-
panto de Turksche vloot in het gezicht. Terstond
stelt don Juan zijn scheepsmacht in slagorde, en
maakt iedereen zich strijdvaardig. Tegen den mid-
dag wordt onder uitbundig gejuich de admiraalsvlag
geheschen. Op liet gezicht van het beeld des Ge-
kruisten knielen op alle schepen de strijders neder,
storten hun gebed en ontvangen den zegen der
priesters. Daar valt van het Turksche admiraal-
schip het eerste schot, oogenblikkelijk beantwoord
door honderd kartouwen. In den naam van Chris-
tus bruist de vloot Mahornet\'s kielen tegen. Ge-
weldig is de botsing. Kanonnen bulderen, mus-
ketten knallen, woest krijgsgeschreeuw stijgt op,
zwart hangt de lucht van salpeterwolken waardoor
de bliksems klieven. Met onweerstaanbaren moed
klampen de Christenen de ongeloovigen aan boord,
slaan verwoed om zich heen, steken, houwen, jagen
alles over de kling. De Muzelman, eerst trotsch en
verwaten, ziet zijn kansen wankelen; hij strijdt met
doodsverachting en weldra met de verbittering,
de razernij der wanhoop. De zee wordt roodgeverfd
-ocr page 58-
47
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
van bloed; bij honderden drijven de lijken op de
golven. De Christenen, door het krijgsvuur steeds
verhit, geven geen kwartier; het is, alsof al het
bloed der broederen, gedurende honderd jaar door
de volgelingen des Profeten vergoten, in dezen slag
gewroken wordt. Na vier uur strijdens is de tegen -
stand gebroken. De kruitdamp trekt op, de zege
verblijft den Christenen. Weldra overschouwt de
vlootvoogd de verwoesting; hij ontwaart den onschat-
baren buit, ziet \'s vijands schepen overhaast vlieden,
maar telt ook met bloedend hart, de helden, die
aan zijne zijde sneefden. 30.000 man heeft de Sul-
tan, prat op uitgemoorde steden, in den strijd ver-
loren ; 280 galeien, waarvan er 90 in den grond
werden geboord, moest hij in de handen der vijan-
den laten, terwijl nog duizenden Christenen uit de
galeien bevrijd werden. Waarlijk Christus had ge-
streden voor zijn volk; het Kruis had schitterend
getriomfeerd!
Pius V volgde den kruistocht met zegenend ge-
bed. Op den gedenkwaardigen eersten Zondag van
October, den dag, waarop in alle katholieke steden
de Rozenkransbroederschap haren plechtigen om-
gang hield om door Maria\'s voorspraak de zege-
praal der Christen wapenen af te smeeken, had de
Paus \'s namiddags een onderhoud met zijn schat-
bewaarder Bussoti en verschillende Kardinalen.
Plotseling breekt de H. Vader het gesprek af, staat
op, wenkt stilte, richt zich naar het venster en
-ocr page 59-
48                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN,
blijft daar eenige oogenblikken in verrukking staan.
Onbewegelijk staarde hij voor zich uit; zijn blik,
zijn gelaat, zijne houding verried de hevigste ont-
roering. Vervolgens wendde hij zich opgetogen tot
de aanwezigen, en riep uit: »Laat alle zaken rus-
aten ; danken wij God: de Christenen hebben over-
»wonnen." Verwonderd zagen de prelaten op, doch
de Paus zond hen weg en wierp zich terstond in
zijn bidvertrek op de knieën. Drie weken later
kwam het heuglijk bericht te Rome en, gelijk de
prelaten opmerkten, dag en uur der overwinning
kwam met \'s Pausen visioen overeen.
Ter gedachtenis aan deze zegepraal werd het
Rozenkransfeest ingesteld en in Loretto\'s lauwer-
krans deze lauwer ingevlochten: y>Hulp der Chris-
Dtenen, bid voor ons!"
Met de vernietiging der Ottomanische vloot was
het plan des Opperpriesters voor een deel verwe-
zenlijkt, maar niet geheel volvoerd. De macht der
Halve Maan moest geheel en voor goed worden
vernietigd. Daartoe zond de Paus gezantschappen
tot de Christenkoningen en zelfs tot de vorsten van
Ethiopië, Perzië en Arabië. Allen moesten samen •
werken om met vereende macht de heerschappij
des Muzelmans, de bron van zooveel ellende, te be-
strijden en te vernietigen. Maar het grootsche plan,
dat getuigt van Pius\' ondernemingskracht, door-
zicht en moed, kwam niet tot uitvoering: God had
het anders beschikt.
-ocr page 60-
SINT-DOMINICUS* BLOEMEN.                     49
In het begin van 1572 herhaalde zich de smar-
telijke kwaal, het graveel, waardoor hij reeds vroe-
ger den dood was nabij geweest. De geneesheeren
boden hem eene zorgvuldige verpleging aan, maar
hij verkoos geen ander geneesmiddel dan het ge-
duld. Voor het kruis neergeknield, ineenkrimpend
van pijn, hoorde men hem meermalen verzuchten:
»Heer, vermeerder mijne pijn, maar vermeerder
»ook mijn geduld." Niemand kon hem bewegen
om af te wijken van zijn gewonen levensregel. De
Veertigdaagsche Vasten werd als altijd onverbidde-
lijk streng onderhouden. Op Goeden Vrijdag ver-
zamelde hij al zijne krachten om blootsvoets het
H. Kruis te aanbidden, maar den volgenden dag
werd hij door zulke ontzettende pijnen overmand,
dat de mare van zijnen dood zich door Rome ver-
spreidde. Het Romeinsche volk, met Paschen steeds
zoo uitgelaten van vreugde, treurde en was in
rouw. Droefheid waarde rond langs pleinen en
straten. Toch gunde de Hemel den Paus-Koning
en zijn dierbaar volk nog één oogenblik van troost.
üp Paaschmorgen gevoelde de Heilige zich sterk
genoeg, om op de tribuun der Sint-Pieter aan de
neergeknielde Christenscharen den hoogepriester-
lijken zegen te schenken. Met heldere stem, die
aller harten diep ontroerde, sprak hij voor het
laatst den zegenwensch uit over zijn treurend volk,
gelijk weleer Mozes over de stammen Israels.
Na dit treffend afscheid ontsloeg hij zich van
4
-ocr page 61-
2
£
x
a
o
•o
\'J
e
o
-ocr page 62-
50
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
alle Staatszaken, om zich alleen voor de eeuwigheid
voor te bereiden. Den 2l9ten April besloot hij Rome\'s
heiligdommen vaarwel te zeggen. Men trachtte den
hoogen lijder dit te ontraden, men vreesde, dat
hij onder weg zou bezwijken, maar niets baatte.
Met heldenmoed overwon hij de folterende pijn en
begon te voet den pelgrimstocht. In de kerk van
Sint-Sebastianus zeeg hij neer van vermoeienis,
men meende, dat hij stierf; in Sint-Jan van Late-
ranen wilde men van den lijdensweg terugkeeren,
maar hij gaf ten antwoord: »De Heer, die het
«werk heeft begonnen, zal het ook voleinden." Bij
de Scala Sancta kustte hij driemaal onder tranen»
vloed de trap, door de voeten des lijdenden Ver-
lossers geheiligd. Op den terugtocht ontmoette hij
eenige Engelsche Katholieken, die voor Elisabeth\'s
toorn gevlucht waren Met innige deelneming vroeg
hij naar hunne namen en riep uit: »0 mijn God,
«indien het mogelijk was, hoe gaarne zou ik voor
»hen allen mijn bloed vergieten!"
De laatste dagen, die zijn dood voorafgingen, liet
hij zich het Lijden des Heeren en de Psalmen
langzaam voorlezen, was aan geheel de omgeving
onttrokken en in overweging verdiept. Slechts als
de Naam des Heeren werd uitgesproken, strekte
hij de stramme hand uit en ontblootte eerbiedig
het hoofd. Den 30steu April ontving hij met de
innigste godsvrucht het H. Oliesel. Den volgenden
dag, den eersten der Maria-maand, richtte hij tot
-ocr page 63-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                    51
de hem omringende Kardinalen een plechtig, diep-
treffend afscheidswoord. Daarna riep Christus zijn
trouwen Stedehouder tot zich. Hij stierf met den
schoonen vreugdezang op de lippen:
Quaesumus Auctor omnium
In hoc Paschali gaudio
Ab omni mortis impetu
Tuum defende populum.
»Wij srneeken U, Maker des heelals, in deze
»Paaschvrcugde, tegen eiken aanval des doods, ver-
»dedig Uw volk."
De H. Pius V had den leeftijd bereikt van G8
jaar en Christus\' Kerk ruim zes jaren bestuurd.
Op hetzelfde oogenblik van Pius\' afsterven barstte
de H. Theresia in Spanje plotseling in tranen los.
Toen de Zusters naar de oorzaak harer diepe
droefheid vroegen, zeide zij: »Ach, waarom zou
»ik niet weenen, nu de Kerk haren goeden Vader,
«haren heiligen Herder verloren heeft."
Rome en geheel de Christenheid was in rouw
gedompeld, alleen de Muzelman juichte, nu de
onvermoeide kampioen van Jezus Christus was
heengegaan: de Paus van Lepanto, de vurige Phi-
neës, die voor de heilige muren stond om de woeste
kromzwaarden te weren van de geloovigen.
God verheerlijkte Zijn dienaar door menigvuldige
wonderen. Zij zijn den vromen Christenen een
-ocr page 64-
52                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
zeker onderpand, dat de H. Pius nog waakt over
zijne kudde. Gelijk Judas de Machabeër in een
visioen den grijzen hoogepriester Onias aanschouwde,
die zijne handen tot God uitstrekte en bad voor
al het volk der Joden, zoo zien v^ij in den geest
den eerbiedwaardigen Bisschop van Rome, den H.
Pius, voor God neergeknield, om te bidden voor
Gods uitverkoren volk, voor de zegepraal der
H. Kerk.
-ocr page 65-
~V^~V~^V—V 5T1
DE H. CATHARINA DE RIOOI.
Catharina\'s jeugd. — Hare godsvrucht tot Jezus\' bitter
lijden. — De H. Catharina neemt, ondanks alle tegen-
strevingen, den maagdelijken sluier aan te Prato. — Het
rairakuleuze kruisbeeld. — Wondervolle extase bij de over-
weging van Jezus\' lijden. — Gelijkvormigheid der H. Ca-
tharka aan den gekruisten Verlosser. — Zij bidt en lijdt
voor de bekeering der zondaars. — De H. Catharina als
priorin des kloosters. — Apostolische geest der Heilige. —
De H. Catharina en de H. Philippus Nerius. — Hare laatste
ziekte en haar wondervol sterfbed.
ndien de stad Florence, naar men wil, haren
£? naam ontleent aan de geurende leliën, die
de oevers van haren bekoorlijken stroom om-
V zoomen, aan de veelkleurige bloemen, die de
winter over hare bevallige heuvelen strooit,
dan heeft zij zich niet verloochend, toen den 23sten
April 4522 de H. Catharina de Ricci het levenslicht
aanschouwde, want toen ontlook aan de boorden
van den Arno eene lelie, wier smettelooze glans
zou schitteren in den hof der Kerk, wier liefelijke
-ocr page 66-
54                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
geur alle zielen zou bekoren. Uit de adellijke familie
der Ricci\'s gesproten, zou dit uitverkoren kind aan
haar geslacht meer luister schenken dan de onaf-
zienbare reeks der roemruchte voorvaderen, die
achtereenvolgens door den koophandel en het staats-
bestuur zich tot de aanzienlijkste kringen der pa-
triciërs hadden opgewerkt. Van het oogenblik harer
geboorte af straalde een hemelsch licht van haar
gelaat en verhoogde zoozeer hare aanvalligheid, dat
men geen kind maar een engel meende te aan-
schouwen. Die glans nam nog toe, zoodra de wateren
des Doopsels hare ziel van de erfsmet reinigden en
tot Gods woonstede heiligden.
Op zichtbare wijze nam de God des vredes bezit
van haar hart. Bij Alexandrina — dezen naam
droeg het kind — geene angstvalligheid, geen on-
rustig misbaar, geen smartelijk gekrijt, gelijk de
prilste jeugd der kinderen kenmerkt, maar blij-
moedigheid, een rustige, verteederende blik en een
beminnelijke glimlach, die nimmer week, wie haar
ook naderde. In hare gelaatstrekken, in hare kin-
derlijke bewegingen, meende men reeds sporen te
ontdekken van godvruchtige zielsaandoeningen. De
eerste woorden, die zij stamelde, waren: Jezus en
Maria; doch die heilige Namen, getuigt ons een
geschiedschrijver, sprak zij niet werktuiglijk uit,
als door hare moeder voorgezegd, maar met een
eerbied en eene godsvrucht, alsof de goddelijke
Meester ze haar had ingegeven. Onnoodig bleek
-ocr page 67-
55
SINT-D OMINICUS\' BLOEMEN.
het der vrome vrouw haar dochtertje de eerste
begrippen van God en godsdienst voor te houden;
inwendig scheen het reeds van de noodzakelijkste
geloofswaarheden onderricht en gaf teekenen eener
vurige liefde tot God, voordat het eenige aardsche
genegenheid jegens bloedverwanten aan den dag
legde. Alle huisgenooten staarden dit wonder met
klimmende verbazing aan en vroegen elkander af,
wie toch dit kind mocht wezen en waartoe door
God voorbestemd.
Op den leeftijd van drie jaar toonde Alexandrina
eene voorliefde tot de eenzaamheid en de vrome
overpeinzing. Met opgetogen aandacht luisterde zij
naar het verhaal van Jezus\' bitter lijden: zij kon
het niet te vaak aanhooren en volgde met kinder-
lijk gebaar de treffendste tafereelen. Zulk eene
vroegtijdige ontwikkeling van het godsdienstig be-
wustzijn moge ons verbazen, maar de goddelijke
Minnaar der zielen neemt somtijds zóó vroeg bezit
der harten, om te voorkomen, dat de adem der
zonde, hoe vluchtig ook, den reinen spiegel der
uitverkoren ziel zou besmetten. Hier is deze gods-
vrucht tevens een voorbode der treffende ven-uk-
kingen, waarmede deze ziel zou worden begenadigd.
In knop zien wij reeds den luister dei\' sneeuw-
blanke lelie van den Thabor met Calvarië\'s tranen
bedauwd.
Bemind bij God en de menschen, nam het be-
voorrechte kind toe in wijsheid en welbehagen.
-ocr page 68-
56                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
Men beschouwde haar als den engel des huizes en
achtte zich in hare tegenwoordigheid gelukkig.
Vooral loofde de moeder, die Alexandrina op al
hare geheime wegen in stilte gadesloeg, den goe-
den God voor de uitverkiezing harer dochter, want
alles wees op hare toekomstige heiligheid. Zij be-
waarde nochtans alles in haar hart, in blijde ver-
wachting eenmaal getuige te zullen wezen van
Gods wonderbare werking. Deze hoop ging echter
niet in vervulling; evenals de Aartsvaders mocht
zij slechts van verre den luister van haar kroost
aanschouwen; zij stierf, toen hare dochter nauwe-
lijks den leeftijd van vijf jaren bereikt had.
Deze slag wierp eene droeve schaduw op Alex-.
andrina\'s levenspad, doch zij wist, wiens hand de
wond toebracht; zij vertrouwde op Gods oneindige
Barmhartigheid. De Heer schonk haar een teeder-
minnend moederhart weder in de godvreezende
vrouw, die haar vader zich tot gade nam. Fiam-
metta da Diacetto, zoo heette zij, was eene uit-
nemend godvruchtige dienares des Heeren, adel-.
lijk zoo door afkomst als door deugden. Vol opge-
togenheid zag zij hare dochter als eene bevallige
bloem ontluiken, zag haar toenemen in ootmoed
en zelfverloochening, zonder dat eenige ijdelheid
in het spreken, optreden of kleeden zich deed gel-
den. Nooit verried zich haar eigen wil; in alles
was zij uiterst gedwee en terstond tot gehoorzamen
bereid. Fiammetta wachtte zich wel dit uitver-
-ocr page 69-
SINT-DOMINICUS* BLOEMEN.                     57
koren kind aan eenig verkeer met de wereld bloot
te stellen; met ware moederzorg bewaakte zij den
ingang des huizes en onttrok hare dochter tijdig
aan den onbescheiden blik der nieuwsgierige be-
zoekers. Alexandrina was hare moeder voor deze
zorg innig dankbaar; zij verheugde zich over deze
afzondering, want het zoet verkeer met haren
Engelbewaarder, waarmede zij dan werd begun-
stigd, was haar aangenamer dan de veelal gevaar-
lij ke omgang met de wereld.
Ondanks deze waakzaamheid in het ouderlijke
huis, verlangde Alexandrina naar een veiliger
toevluchtsoord, naar een klooster; dit verlangen
was des te meer verklaarbaar, omdat de meisjes
van haren stand in een klooster hare opleiding
ontvingen. Slechts noode nam de vader afscheid
van zijn dierbaar kind en vertrouwde het aan de
Benedictinessen toe van Florence, waar eene
Ricci abdis was. Hier, evenzeer als tehuis, was
het Lijden des Zaligmakers het voornaamste on-
derwerp harer overweging. De oogenblikken, aan
de nachtrust of het kinderlijk vermaak ontwoekerd,
besteedde zij aan het Rozenkransgebed, maar vooral
aan de beschouwing van den Godmensch, stervende
aan het kruis. In de kapel vóór de koorafsluiting
bevond zich een kruisbeeld, dat haar onwederstaan-
baar trok; zij kon er den blik niet van afwenden,
terwdjl de tranen bij de levendige beschouwing van
zoovele smarten haar langs de wangen stroomden.
-ocr page 70-
58                    SINT-DOMINICUS\' BLOEMKN.
Geheel den dag, bij het werk, bij de verpoozing
stond dit tafereel haar voor den geest. Had zij
eenige oogenblikken tot hare beschikking, dan sloop
zij stil naar de kapel, verschool zich achter het
voorhangsel des koors en gaf hier den vrijen loop
aan hare tranen. Uren kon zij hier geknield door-
brengen, beschouwde den Man van Smarten en
scheen tot Hem te spreken. Hoe gaarne had zij
Hem omarmd en in de vervoering harer vurige
liefde omhelsd! De Godmensen was door zooveel
liefde verteederd; Hij wierp van Zijn kruis meer-
malen een liefdevollen blik op Alexandrina en
opende den mond als richtte Hij het woord tot
haar. Verschillende religieuzen waren getuigen van
dit wondervol verkeer, deelden het mede aan jon-
gere Zusters, zoodat geslacht op geslacht het Kruis-
beeld kwam vereeren, en het nog tegenwoordig
bij het geloovige volk in hooge eer is.
Na vier jaren in de kloosterschool vertoefd te
hebben, kwam Alexandrina bij hare bloedverwan-
ten terug. Liefde en blijdschap verwelkomden haar
aan den drempel van liet vaderlijk paleis; alle
huisgenooten waren opgetogen over de aanvallige
jonkvrouw, over hare bescheidenheid, zachtaardig-
heid, hartelijkheid en diepe godsvrucht. Terwijl
allen zich beijverden haar te dienen en haar als
meesteres te eeren, voorkwam zij iedereen in dienst-
vaardigheid, en daalde met beminnelijke heuschheid
tot de laagste dienaren af. Eiken morgen bracht
-ocr page 71-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                    59
zij haren vader den morgengroet en voorzag met
de grootste oplettendheid in alles, wat hem dien-
stig of aangenaam kon zijn. Maar vooral met hare
moeder was het verkeer zoo innig mogelijk. Fiam-
metta onderhield zich met hare dochter over God
en de middelen om Hem te behagen; en geen
grooter genot was er voor Alexandrina dan te
spreken over Hem, dien haar hart zoo vurig be-
minde. Voor hare broeders en zusters was zij alles.
Zonder haar was hunne vreugde onvolkomen; zij
schikte zich naar hunne verlangens, troostte hen
in hunne kleine tegenspoeden, verhinderde hunne
kinderlijke dwaasheden en berispte zonder eenigen
schijn van aanmatiging hunne gebreken. Kortom,
zij was de ziel van het huiselijk leven der Ricci\'s.
Toch was zij zelve niet volkomen gelukkig.
Degene, dien zij meer dan vader en moeder, broe-
ders en zusters beminde, de Bruidegom des har-
ten, riep haar tot de eenzaamheid. »Kom en volg
»mij," zoo klonk eene bekende stem in haar bin-
nenste. »Zoo gij vader en moeder, broeders en
«zusters om mijnentwil niet verlaat, zijt gij mijner
»niet waardig." Een geheime trek dreef haar tot
het klooster. Gelijk het afgejaagde hert in de
heete vlakte hijgt naar de frische lucht der koele
waterbronnen, zoo haakte zij naar de bekoorlijke
rust des kloosters, maar als de luchtspiegeling
eener oase ontvlood dit geluk, zoodra zij meende
-ocr page 72-
00                    SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
het te bezitten. Geen der kloosters, door haar
bezocht, beantwoordde aan haar ideaal.
Gelijk alle voorname Florentijnsche familiën,
hadden ook de Ricci\'s een buitengoed in het be-
koorlijke Prato, op enkele uren afstand van Tos-
eane\'s hoofdstad gelegen. Terwijl nu de familie
daar den zomer doorbracht, kwamen op zekeren
morgen twee kloostervrouwen in blank gewaad en
zwarten mantel op het landgoed aangestapt. Zij
voerden een ezel met zich, die manden droeg,
waarin de bewoners hunne liefdegaven wierpen.
Deze verschijning trok de aandacht van Alexan-
drina, ja meer dan dat, zij wekte hare nieuwsgie-
righeid zoozeer op, dat zij de religieuzen tegemoet
ging, om te vragen, wie zij waren. Het waren
Dominicanessen van het onlangs te Prato gebouwde
Sint-Vincentiusklooster; twee eenvoudige leeke-
zusters, maar in haren eenvoud oprecht vrome
zielen. Dit had zij tot hare vreugde spoedig be-
speurd. Met eene scherpzinnigheid, die men van
een meisje van zoo jeugdigen leeftijd geenszins zou
verwachten, stelde zij de Zusters allerlei vragen
omtrent! hare levenswijze. De Zusters, niet ver-
moedende, welk doel acliter die vragen school, en
wellicht dit verhoor als kinderlijk gesnap aanziende,
gaven zonder eenig voorbehoud op alles antwoord.
Doch eensklaps riep Alexandrina opgetogen uit:
»God zij gedankt, die plaats heeft Hij mij bereid.
»Daar moet ik strijden, daar moet ik lijden. In
-ocr page 73-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                     61
»het Sint-Vincentiusklonster moet ik mij aan God
«opofferen." De Zusters zagen elkander verbaasd
aan; wat moesten zij hiervan denken ? Alexandrina
gaf geene verdere verklaring; zij snelde tot haren
vader en smeekte hem deze vrome Zusters te mo-
gen volgen naar haar klooster. Zooals te voorzien
was, stuitte haar verzoek op den volstrekten on-
wil des vaders. De Zusters moesten onmiddelijk
vertrekken.
De religieuzen in het klooster teruggekeerd, deel-
den het voorval mede aan haren biechtvader, den
Dominicaan Timotheus de Ricci, een oom van
Alexandrina, en verzochten hem, namens zijne nicht,
haai\' bemiddelaar te wezen. De vrome priester be-
willigde dit verzoek en stelde bij gelegenheid van
een bezoek bij de familie de netelige vraag voor.
»Wat is dat!" riep de vader vertoornd uit. «Laat
»u niet in met mijne zaken. Alexandrina gaat niet."
Onthutst en teleurgesteld kwam de goedhartige
onderhandelaar in het klooster terug, vast verze-
kerend, dat hij zich voor zulke zaken niet meer
zou leenen.
Een andere weg werd ingeslagen. De overste der
Dominicanessen was eene vrouw van de groote
wereld, aan de voornaamste familiën van Florence
vermaagschapt. Wat het geloof en de liefde niet
konden verwerven, zal het maatschappelijk belang
verkrijgen. De Priorin richtte het verzoek tot den
weigerachtïgen vader en ter wille van hare invloed»
-ocr page 74-
02                    SINT-DOMINICU.S\' BLOEMEN.
rijke familie gaf Graaf de Ricci ten laatste toe,
en vond goed, dat zijne dochter naar het klooster
zou gaan, doch slechts voor tien dagen.
Voor Alexandrina was het uitstapje naar het
nahurig klooster een zegetocht. De Zusters ont-
vingen haar, als ware zij van den Hemel gezonden.
Zij hadden een voorgevoel, dat met haar Gods zegen
over het klooster nederdaalde.
De daj:en snelden in steeds toenemende vreugde
voorbij ; te vroeg, naar het scheen, meldde zich
een harer broeders aan de kloosterpoort om Alexan-
drina naar huis te begeleiden. Zij gaf beslist ten
antwoord : »God wil, dat ik zuster worde te Patro.
»Ik blijf, waar ik ben " Redeneering, bedreiging,
geween, niets bracht haar tot andere gedachte. Bij
dit bericht barstte de Graaf in toorn los; terstond
ging hij naar het klooster. Doch hij ontving het-
zelfde antwoord. Ten laatste gaf Alexandrina toe,
uit vrees van haren vader te zeer te grieven, maar
onder stellige belofte van weldra te mogen weder-
keeren.
Nauwelijks was zij echter te huis, of de vader
bekommerde zich niet meer om deze belofte. Hij
trachtte door de vreugde en de vermaken van het
familieleven den indruk des kloosters bij haar uit
te wisschen. Doch tevergeefs. Zij kwijnde weg van
verdriet en werd zwaar ziek. Met stomme smart
zag de Graaf haar einde te gemoet; het schuld-
besef voerde hem bijna tot vertwijfeling. In dien
-ocr page 75-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                    63
strijd tusschen leven en dood verscheen de Zalig-
maker aan Alexandrina. Hij troostte haar, herstelde
hare krachten en toonde een kostbaren ring, zeg-
gende: «Ziehier den ring der heilige verloving, die
»Ik weldra met n zal vieren. Gij zult mijne wel-
»beminde bruid worden." Opgetogen van vreugde
rees zij van de ziekesponde en vloog haren ont-
stelden vader in de armen. De Graaf kon thans
haar verzoek niet langer tegenstreven. Zij verliet
het ouderlijk paleis, snelde naar Prato, ontving daar
het ordekleed uit de handen van haren oom en
nam den naam van Catharina aan ter eere van de
H. Catliarina van Siena. Deze plechtigheid had
plaats don 18<len Mei 1535.
Nu was zij de haven des heils binnengevaren,
maar de storm zou nog niet wijken. De klooster-
vrouvven verheugden zich, dat zij eene kleine heilige
tot gezellin hadden, eene heilige, die verstandig,
beminnelijk, gehoorzaam zijn zou en zich voegen
naar de oude gewoonten des huizes. Doch niet
langs den gewonen weg, door menschelijke zwak-
heid maar al te zeer gebaand, moest Catharina tot
hoogere volmaaktheid komen. De Geest Gods sprak
in haar door geestverrukkingen, geheimzinnige slui-
meringen, door de gave der tranen en ontboeze-
mingen van vreugde. Zulke buitengewone teekenen,
meenden de Zusters in allen eenvoud, konden schoon
zijn, maar schooner was toch het onderhouden van
den gemeenschappelijken regel. Weldra hadden zij
-ocr page 76-
64                    SINT-DOMJNICUS\' BLOEMEN.
dan ook berouw Catharina te hebben opgenomen.
De arme novice vernederde zich, weende, smeekte,
dat men haai- niet zou wegzenden. Zij zou beproeven
niets te doen, wat de aandacht kon trekken. Men
wilde er niet van hoor en. Wat moest men aan-
vangen met eene ijlhoofdige, eene waanzinnige ?
Eindelijk liet men haar uit medelijden tot de ge-
lofte toe, maar onder de strengste voorwaarden.
Door de religieuze geloften geeft de ziel zich ge-
heel aan God, en God zich geheel aan de ziel; dan
wordt dat geheimzinnig verbond der liefde gesloten,
waarvan de Bruid des Hooglieds zingt: «Mijn Wel-
«beminde behoort mij, en ik Hem." Zoo vaak de
religieus met ernst aan dat plechtig oogenblik
terug denkt, verlevendigt zich dat gevoel der vol-
maakte toewijding, en wordt die wederzijdsche weg-
schenking vernieuwd. Catharina dacht voortdurend
aan dien gewijden stond, waarop zij zich als brand-
offer den Heere had toegewijd. Een blik op het
H. Tabernakel, op een kruisbeeld, zelfs op de bloe-
men des velds bracht haar Gods weldaden voor
den geest en hield haar urenlang in verrukking.
Vooral het H. Lijden van Christus maakte zulk
een diepen indruk op haar van liefde wegkwijnend
hart, dat zij, als het ware, medeleefde, of liever
medeleed.
Den eersten Donderdag van Februari in het jaar
1542 ving die wonderbare geestverrukking aan, die
van Donderdagmiddag twaalf uren tot Vrijdag-
-ocr page 77-
S.CVVTEMNA OE\'RiCtl
De H. Catharina de Ricci.
(Ware afbeelding.)
-ocr page 78-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                     65
middag vier uren aanhield en zich gedurende twaalf
jaren wekelijks herhaalde. Achtereenvolgens, steeds
op dezelfde tijden en met gelijke tusschenpoozen,
trok dit droevig schouwspel, beginnend met Jezus\'
afscheid van Zijne H. Moeder en eindigend met de
begrafenis des Heeren, haren door smart verbijs-
terden geest voorbij. Haar gelaat straalde in die
oogenblikken van bovennatuurlij ken glans; zij scheen
een engel gelijk en boezemde allen toeschouwers
den diepsten eerbied in. Terwijl zij bij andere
geestverrukkingen onbewegelijk en staroogend ter
neder lag, het gebruik der zintuigen dierf en alleen
door het verbleeken of blozen des gelaats hare in-
wendige ontroeringen openbaarde, zoo merkte men
op, dat bij deze lijdensextase haar lichaam de ver-
schillende bewegingen van Jezus tijdens het bitter
Lijden volgde. Evenals de Heiland bood zij hare
handen aan om ze met ketenen te beladen, richtte
zich op, als werd zij aan de geeselkolom gebonden;
boog het hoofd, als ging het gebukt onder de
doornenkroon; strekte hare armen uit om ze aan
het kruis vast te hechten en scheen ten laatste
van smarten den geest te geven. De verzuchtingen,
de smartkreten, die zij bij die verrukkingen slaakte,
gaven duidelijk te kennen, hoever zij op den lijdens-
weg gevorderd was. Eerst vernam men den teede-
ren afscheidsgroet van Jezus aan Zijne Moeder,
dan teekenden de zielsangsten zich steeds scherper
op haar gelaat, totdat zij bijna zieltogend verzuchtte:
5
-ocr page 79-
66                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
»Vader, laat deze kelk van mij voorbijgaan." Kalme
berusting daalde nu over haar neder, terwijl zij
sprak: »Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede."
De smartelijke trekken, die vervolgens haar gelaat
misvormden, duidden aan, dat zij den kruisweg
begonnen was. »0, goddelijke Bruidegom?" hoorde
men haar soms uitroepen, »kom mij ter hulp, ik
»bezwijk onder den zwaren last des kruises Hoe
»hebt gij dien last kunnen torsen!" Meermalen
richtte zij daarbij ernstige vermaningen tot hare
medezusters en bezwoer haar met de dringendste
beden haar regels en plichten te onderhouden.
Gods Liefde openbaarde zich op nog treffender
wijze; Zij drukte zich uit in dat geheimzinnig ver-
keer, in dat verheven ideaal aller liefde, waarvan
de Eeuwige Wijsheid in het Hooglied gewaagt.
Als Bruidegom wilde God komen tot deze minnende
ziel en haar als Zijne bruid met Zich verbinden.
Reeds meermalen had Hij door Zijne genade haar
hart vaii alle aardsche gehechtheid gelouterd, hare
gevoelens en neigingen als vergeestelijkt, haar eene
eeuwige trouw afgevraagd, toen plotseling een
hemelsch vuur neerdaalde, dat haar naar ziel en
lichaam doorgloeide zonder haar te verteeren of
eenige smart te veroorzaken. Integendeel, zij
smaakte eene onuitsprekelijke zoetigheid. Het was
het oogenblik der geestelijke verloving. Op Paasch-
dag van het jaar 1542 nam de Minnaar der zielen
haar plechtig tot Zijne bruid Jezus verscheen aan
-ocr page 80-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                    07
Catharina, vergezeld van de Allerheiligste Maagd
Maria, den H. Thomas van Aquino en de H. Maria
Magdalena. Engelen omzweefden de Hernelingen,
en hieven bij het ruischen eener wonderzoete mu-
ziek een liefelij ken zang aan. Bij dien verblinden-
den lichtglans, die majestueuze verschijning, die
hemelsche akkoorden zonk de Heilige in aanbid-
ding neer. De Moeder Gods nam Catharina\'s hand
en bood deze haren goddelijken Zoon. Jezus nam
een ring van Zijnen vinger, stak dezen aan Catha-
rina\'s vinger, zeggende: »Mijne dochter, ontvang
»dezen ring, als een bewijs, dat gij Mij toebehoort,
»en als een onderpand, dat gij Mij altijd zult toe-
»behooren." Bij deze woorden verdween het visioen,
maar het teeken van dit geestelijk huwelijk bleef;
het was steeds zichtbaar voor Catharina en som-
tijds ook voor anderen; vooral voor reine zielen.
Wegens dit voorrecht werd de Heilige in haar
klooster en in geheel Toscane steeds genoemd:
de Bruid van Jezus Christus.
Weinig tijds na deze verloving zag Catharina,
toen zij 28 uren in extase had doorgebracht den
Lijdensengel tot haar komen. Het was Vrijdag na
Paschen. In hare bespiegeling had zij den Calvarie-
berg bestegen en stond aan den voet des Kruises
in stomme smart. Het treurtooneel, dat zij niet
moede werd te beschouwen, maakte op haar zulk
een overweldigenden indruk, wekte haar medelij-
den zoo levendig op, dat zij Jezus smeekte om
-ocr page 81-
68                    SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
Zijne plaats aan het Kruis in te nemen. Groot-
moedig bood zij zich als slachtoffer haren Bruide-
gom aan. Daar ontving zij eensklaps geweldige
stooten door handen en voeten, alsof deze aan het
Kruis geklonken werden; eene lans scheen hare
borst te doorboren en veroorzaakte zoo folterende
pijnen, dat zij met Jezus dreigde den geest te ge-
ven. Toen zij tot zichzelve kwam, was haar lichaam
vermagerd en loodkleurig, en haar gelaat verbleekt
als van een lijk. De Zusters stonden ontsteld, zij
wisten niet, of Catharina leefde, of gestorven was,
en weenden bij het zien van haar lijden. Zijzelve
hare handen en voeten doorboord ziende en de
breede wond gevoelende aan hare zijde, dankte
den hemelschen Bruidegom voor dit gunstbewijs,
dat haar nog levendiger en inniger in Jezus\' lijden
deed deelen. Ootmoedig verborg zij steeds hare
handen onder het schapulier, uit vrees dat anderen
dit voorrecht mochten zien, maar zij kon niet ver-
hinderen, dat meermalen hare gezellinnen deze
geheimzinnige merkteekenen aanschouwden. Tijdens
hare ziekte overtuigde de nieuwsgierige blik harer
vertrouwelinge, Magdalena Strozzi, zich van de
wonden aan voeten en zijde.
Om een volmaakt evenbeeld van den gekruisten
Verlosser te zijn, ontbrak haar nog de doornen-
kroon, doch ook deze werd haar geschonken op
Kerstnacht van het jaar 1542. In navolging van
het Lam Gods, dat geduldig en zonder klacht ter
-ocr page 82-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                     69
slachtbank werd gevoerd, onderging zij vol lijdens-
moed deze foltering. Zij boog gedwee het hoofd,
en Jezus drukte daarop den pijnlijken diadeem,
zoodat het bloed haar langs de slapen gutste.
Bloedige litteekenen bleven als treffende getuigen
dezer wondervolle kroning over. Ook bespeurde
men na haren dood op haren rechterschouder eene
breede loodvervige streep, het onmiskenbaar spoor
van het kruis, dat zij wekelijks met Jezus van Pi-
latus\' voorhof tot Calvarië\'s bergtop gedragen had.\')
Het verhaal dezer wonderbare, ongehoorde voor-
vallen kon bij velen geen ingang vinden; zelfs huis-
genooten dachten aan zinsbegoocheling; onder dezen
bevond zich zuster Gabriëlla Mascalzoni. Gaarne
had zij geloofd aan die bovennatuurlijke verschijn-
selen, want zij eerde Catharina hoog, maar zij ge-
voelde een onverklaarbaren tegenstand. Eens be-
vond zij zich alleen met de Heilige, toen deze in
extase geraakte. Gabriëlla zag op, maar wie schetst
hare ontzetting? Daar aanschouwde zij niet het
gelaat van Catharina, maar van Jezus Christus. Zij
zag Zijne lange lokken, Zijn baard. Hevig ontsteld
wilde zij bij dit gezicht wegvlieden, doch Catharina
weerhield haar en vroeg ernstig: »Wie denkt gij,
*) De canonisatie-bul vermeldt deze wonderen aldus:
Ipsius enim latere ac manibus et pedibus sacra Clavorum
suorum et Lanceae stigmata sanguine rubentia insculpsit,
spineum. diadema capiti imposuit, humeris vero vestigia
crucis impressit.
-ocr page 83-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN,
70
»dat ik ben, Jezus of Catharina?" Nog meer ont-
roerd, slaakte zij een angstkreet, die alle Zusters
uit den omtrek deed toesnellen,- en riep uit: »Gij
»zijt Jezus!" Driemaal werd de vraag herhaald, en
driemaal bevestigde zij sidderend: »Gij zijt Jezus!" —
Alle twijfel was voortaan bij zuster Gabriëlla ge-
weken.
Aldus was de H. Catharina niet alleen bevoor-
recht met de Heilige Wondteekenen, maar door de
wonderbare werking van Gods Liefde somtijds ha-
ren hemelschen Bruidegom volkomen gelijk. Hoe
onverklaarbaar dit verschijnsel ook moge zijn —
en wellicht eenig in de geschiedenis der Heiligen
— zoo wordt het toch door het hoogste kerkelijk
gezag bevestigd. Paus Benedictus XIV spreekt al-
dus in de canonisatie-bul:
«Jezus Christus willende toonen, hoe groot de
«gelijkvormigheid was in gedachte en wil tusschen
»Hem en Catharina, openbaarde dit op haar gelaat,
»door liet te veranderen in eene levende en spre-
»kende gelijkenis van Zijn goddelijk aanschijn en
»wel zoo, dat al wie Catharina zag, meende tege-
«lijkertijd Dengene te zien, die de Zoon is van God
»en de Zoon des menschen."
Ditzelfde jaar 1542 kenmerkte zich voor Catha-
rina nog door een ander buitengewoon voorval.
Den 24sten Augustus had zij na de H. Communie
uren in extase doorgebracht en trad, nog geheel
vervuld met bovenaardsche vreugde, hare cel bin-
-ocr page 84-
SINT-DOMINICUS* BLOEMEN.                     74
nen, toen zij zich hoorde roepen: »Mijne zuster,
»mijne bruid!" Catharina zag verbaasd op, zij kon
hare oogen niet gelooven. Het houten kruisbeeld
boven haar huisaltaar buigt voorover. Vreezende
dat het zal neerstorten, snelt zij het tegemoet,
doch, o wonder! het slaat zijne armen om haren
hals en neigt zijn hoofd tot haar neder. Roerloos
blijft de Heilige in deze teedere omhelzing ver-
slonden .... »Beminde Bruid," zeide Jezus, »ik kom
»in uw hart eene schuilplaats zoeken tegen de
»zonde. Ik verzoek u drie plechtige processiën te
»houden als eereboete om mijne Rechtvaardigheid
»te verbidden." Op dit oogenblik treedt zuster
Magdalena Strozzi de cel binnen en ziet dit won-
derbaar schouwspel. Ijlings snelt zij heen en waar-
schuwt de kloosterzusters. Allen, de Priorin, de
zusters, de biechtvader des kloosters komen aan-
geloopen en staren verbaasd dit wonder aan. Ca-
tharina deelde haar Jezus\' lastgeving mede. Op drie
achtereenvolgende dagen trok de Heilige aan het
hoofd der zusterschaar, zelf het mirakuleus kruis-
beeld dragend, door de gangen des kloosters. Ge-
durende dien tocht schreed zij tot verbazing aller
aanwezigen in geestvervoering blindelings voort,
als werd zij door een onzichtbaren geest bij de
hand geleid.
Gelijk de liefde zich in alles tracht te vereen-
zelvigen met het voorwerp, dat zij bemint, zoo
streefde Catharina er naar, zij, die verteerd werd
-ocr page 85-
72                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN
door Gods liefde, om met Hem niet alleen te lij-
den, maar ook met Hem te deelen in de verlossing
der ongelukkige zondaars. Zij was met Jezus\' ge-
kruisigd, met Jezus wilde zij ook de zielen ver-
lossen.
De Heilige van Prato, de Bruid van Jezus, te
aanschouwen bracht menigen zondaar reeds tot
inkeer. Zoo lezen wij, dat een landman, Baccio
genaamd, wegens zijn wangedrag te kwader faam
bekend, zich eens met andere dorpelingen naar het
klooster begaf om koren te wannen. Terwijl zij
hiermede op een terras bezig waren, trokken de
Zusters in de nabijheid biddende voorbij. Nieuws-
gierig klom hij op den muur en zag daar de H.
Catharina met een kruis in de hand en een gelaat,
stralend van goddelijke liefde. Dit hemelsch schouw-
spel greep hem zoo geweldig aan, dat schaamte
en berouw over zijn misdadig leven hem vervulde
en tranen deed storten. Hij verzaakte zijne los-
bandigheden en leefde voortaan christelijk. — Een
lichtzinnig jongeling, zijn naam was Menocchi,
aanschouwde haar bij het traliehek. Hare engel-
achtige verschijning boezemde hem eene vurige
liefde in tot God; vermorzeld van harte verliet hij
het klooster en werd te Lucca, dat het tooneel
zijner uitspattingen geweest was, een voorbeeld
van godsvrucht.
Andere zondaars bracht de H. Catharina tot in-
keer door hen mondelings of schriftelijk te vermanen.
-ocr page 86-
73
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
Bij deze waarschuwingen voegde zij de vurigste
gebeden, de strengste verstervingen; zij smeekte
God om het zwaarste lichamelijk lijden, zoo zij
daardoor voor de zondaars aan Zijne Rechtvaardig-
heid kon voldoen. In zulk een lijden smaakte zij
het zoetste genot, omdat ook Jezus haar Bruidegom
voor de zondaars geleden had.
Er leefde te Florence een rijk man, die Catha-
rina en haar klooster zeer aan zich verplichtte, doch
ondanks zijne liefdadigheid in uitspatting en onge-
regeldheden zijn leven doorbracht. De Heilige, met
zijn toestand begaan, had hem dikwijls met groote
vrijmoedigheid over zijn zondigen levenswandel
onderhouden, op gevaar af daardoor zijne vriend-
schap te verbeuren. Doch vruchteloos. Toen zij
eens weder met allen ernst op zijne bekeering
aandrong, zeide hij wrevelig: »Ik weet zelf wel,
»wat ik doen moet. Van vrouwen heb ik niets te
»leeren. Blijf bij uw spinnewiel en ga spinnen.\'\'
Deze lichtzinnige taal vervulde Catharina\'s hart
met bitterheid; zij begreep niet, hoe iemand zoo
luchthartig over zijne eeuwige belangen spreken
kon. Diep ontroerd wierp zij zich voor de voeten
des Heeren en verklaarde alle pijnen te willen ver-
duren, die deze zoo dierbare ziel verdiende. Welke
smarten haar nu overvielen, meldt ons de geschie-
denis niet, maar na eenigen tijd bekeerde zich de los-
zinnige man en stierf. Toen Catharina zijn stich-
tend afsterven vernam, zeide zij glimlachend: »Nu
-ocr page 87-
74                    SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
»zal hij weten, of ik gesponnen, of iets anders
»voor zijne zaligheid gedaan heb."
Een struikroover, die meermalen het gerecht te
Prato in handen was gevallen, werd als onverbeter-
lijk ter dood verwezen. De ongelukkige, tot wan-
hoop vervoerd, vloekte, braakte verwenschingen uit
tegen hemel en aarde, en wilde van God niets
weten. Alle pogingen om hem bij zijn naderend
einde tot inkeer te brengen, leden schipbreuk.
Zelfs daags voor zijne terechtstelling was hij nog
verhard. De H. Catharina, van zijn rampzaligen
toestand verwittigd, begaf zich, ofschoon ziek en
koortsig, onverwijld tot het gebed. Zij liet niet af
met smeeken; worstelde, als het ware, met Gods
Gerechtigheid en bood zich als slachtoffer aan, om
alles te lijden, wat God wilde, mits deze ziel slechts
gered werd. Hare brandende liefde overwon. Den
volgenden dag betrad de ongelukkige het schavot
met de vrome gelatenheid en het oprecht berouw
van den goeden moordenaar van Calvarië. Zoodra
was echter zijn hoofd niet gevallen onder het
zwaard des scherprechters, of Catharina werd door
eene vreeselijke hoofdpijn aangegrepen, die drie
jaren duurde. Dat was de losprijs, waarvoor zij
den zondaar den toegang tot den Hemel verwor-
ven had.
De groothertog Franciscus de Medicis was door
zijne buitensporigheden een ergernis voor volk en
hof. Twintig jaren lang richtte Catharina hare
-ocr page 88-
75
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
vermaningen tot den vorst, en hield niet op tot
God te smeeken. Eindelijk werd zij verhoord. De
Groothertog liet zich vermurwen, ontbood een
priester, verzaakte zijn ergerlijken levenswandel en
stierf, met God verzoend. De Heilige wist echter
door openbaring, dat de bekeerling in het Vage-
vuur zijne schuld moest uitboeten. Hiervan wilde
zij hem vrijwaren. Vertrouwelijk, zooals deze Bruid
des Heeren slechts kon en mocht, vorderde zij voor
hem den Hemel en nam de straffen des Vagevuurs
voor zich. Oogenblikkelijk scheen zij door een on-
zichtbaar vuur aangegrepen. Hare ledematen zwol-
len op, ontzettende blaren vertoonden zich aller-
wegen, haar gebeente werd verteerd, hare tong
gloeide, terwijl haar lichaam een hitte uitstraalde
als van een gloeienden oven. Tevergeefs trachtten
de Zusters de smarten te lenigen, het lichaam door
wasschingen van water of olie af te koelen en den
mond met koelen drank te verfrisschen, de weten-
schap zelve stond hier machteloos, want de genees-
heeren konden het raadsel niet oplossen en nog
minder, doeltreffende middelen voorschrijven. Ge-
durende die vreeselijke marteling, die veertig dagen
aanhield, lag daar Catharina met kalm gelaat en
onverstoorbare rust, alsof zij in dit lijden vermaak
schepte. De kloosterzusters omringden haar met
diepe deernis, en toch konden zij geene lafenis
aanbrengen. Raakten zij haar aan, dan brandde
het onzichtbaar vuur hare vingers. Zoo stak zuster
-ocr page 89-
7(5
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
Maria Angela Segni medelijdend de hand tot haar
uit, maar trok ze ijlings teiug, weeklagende: »Ach,
»goede moeder, gij ligt in het vuur!" — »0 ja,
«mijne dochter." gaf de Heilige ten antwoord, met
eene bedaardheid, als ware dit de eenvoudigste
zaak ter wereld.
De buitengewone gaven, waarmede Jezus Zijne
Bruid bevoorrechtte, waren voor Catharina een
prikkel te meer om zich te vernederen en aan aller
aandacht te onttrekken. Rijk en voornaam was zij
geweest in de wereld, maar in het klooster was
het haar een vermaak de geringste cel te bewonen,
waar eene arme legerstede, een gebrekkige tafel
met gelijksoortigen stoel al het huisraad uitmaakte.
Nooit zinspeelde zij op hare adellijke afkomst, of
vergeleek zich met Zusters, die eenig aanzien ge-
noten in de wereld. Indien haar voornaam uiter-
lijk, nog verhoogd door den luister harer groot-
moedige ziel, haar niet verraden had, zou men
volgens haar spreken en haar handelen meenen,
dat zij tot de nederigste volksklasse behoord had.
Den armen Jezus, dit begreep zij, betaamde een
arme Bruid.
Niets hinderde haar dan ook meer dan het ge-
stadig bezoek van geestelijke en wereldlijke over-
heden, die op het gerucht harer deugden en boven-
natuurlijke gunsten naar Prato kwamen, om de
Bruid van Jezus zoo niet te spreken, dan toch te
zien. Toen zij eens vernomen had, dat een religieus
-ocr page 90-
77
SINT-DOMINICUS* BLOEMEN.
van beproefde deugd en groote verdiensten haar
wenschte te zien, en daartoe zich op den doortocht
der processie zou plaatsen, kon zij dit denkbeeld
niet verdragen. In kinderlijken eenvoud sloop zij
heen en was tijdens de processie der Zusters af-
wezig. Overal werd gezocht, eindelijk vond men
haar, de duif des Heeren, verscholen in het verblijf
der kloostei duiven. Zij lag daar geknield in geest-
verrukking, terwijl alle duiven als eene kroon haar
omringden, met de kopjens bogen en kirden. —
Overigens ontbrak zij nooit aan de algemeene oefe-
ningen des kloosters; zij was slaafs onderworpen
aan den regel, tenzij Gods bovennatuurlijke tus-
schen komst haar hiervan ontsloeg. Steeds zag men
haar het eerst in het koor, en zoo bij dag als bij
nacht spoorde zij hare medezusters aan tot den
psalmzang en hield allen door haar treffend voor-
beeld in de grootste ingetogenheid. Op de dagen,
wanneer zij met de kloostergemeente tot de Tafel
des Heeren naderde, blaakte zij van zulk een heilig
verlangen, dat allen in eene vurige begeerte naar
het H. Altaargeheim werden ontstoken. Die dagen
waren feestdagen, dan heerschte er een hemelsche
vrede, eene onschuldige, opgewekte vreugde onder
alle Zusters, want Catharina, verre van zich door
eene hooghartige vroomheid aan anderen te ont-
trekken, daalde tot allen af, won ieders genegen-
heid door een minzaam en vriendelijk woord, en
stelde met hartelijke gemeenzaamheid belang in
-ocr page 91-
78                    SINT-DOMINXCUS\' BLOEMEN.
ieders werk, hoe onbeduidend het ook ware; kort-
ora zij was alles voor allen
Na de ontwijfelbare bewijzen van heiligheid, die
Catharina gegeven had, was er bij het kloosterbe-
stuur geen sprake meer van haar als een nutte-
loos lid te verwijderen, integendeel, men dankte
God voor hare opname en leerde haar meer en
meer hoogschatten. Eerst werd zij suppriorin, doch
zij overtrof zoo aller verwachting, dat bij het eerste
openstaan, in 155;2, zij met algemeene stemmen
tot priorin werd gekozen. Nu, op den kandelaar
geplaatst, begon haar licht wijd en zijd te schijnen.
Met vastberadenheid nam zij de teugels van het
bestuur in handen, en deed zich weldra kennen
als uiterst onpartijdig en rechtvaardig. Alle Zusters
wisten, dat zij geen onderscheid van personen kende
onafhankelijk was in haar oordeelen en handelen,
en onder niemands invloed stond. Dit gaf haar
ieders vertrouwen, maar ook de macht om iedereen
tot het onderhouden der regels te verplichten. Ge-
lijk zij streng was voor zich zelve, zoo waakte zij
ook streng over hare ondergeschikten. Niets ont-
ging hare waakzaamheid, zelfs niet de ijdele en
wereldsche gedachten, want zij las in de zielen.
Meermalen geschiedde het tijdens het koor of een
ander gemeezischappelijk gebed, dat zij eene Zuster
nader trad en zeide: »Mijne dochter, het is hier
»noch de plaats, noch de tijd om aan zulke beuze-
»larijen te denken. In het verkeer met Jezus
-ocr page 92-
70
SINT-D0MIN1CUS\' BLOEMEN.
«moeten uwe gedachten op Hem gevestigd wezen."
Somtijds las zij in de blikken der Zusters, als in
eenen spiegel, wat er omging in hare harten.
Deze wetenschap, wij zouden bijna zeggen alwe-
tendheid, kwam Catharina als priorin in het be-
stuur der kloosterlingen zeker goed te stade, maar
was daarom niet altijd welgevallig aan de onder-
danen, vooral wanneer zij een oogwenk aan zvvak-
heid hadden toegegeven. Meer dan een ontvluchtte
dan den doordringenden blik der Priorin. Hare
vastberadenheid ging gepaard met eene onverge-
lijkelijke zachtaardigheid. Hare bevelen gaf zij met
moederlijke teederheid, hare berispingen waren al-
tijd zoo doordacht en ingekleed, dat iedereen de
billijkheid ervan inzag, en niemand in het minst
zich gekrenkt gevoelde. Was zij genoodzaakt ge-
weest te vermanen — iets wat haar zeer pijnlijk
viel — dan liet zij den dag niet voorbijgaan zon-
der de schuldige Zuster een goed woord toe te
spreken, haar een blijk van hartelijkheid te geven,
of begaf zich \'s avonds naar hare cel om vergiffe-
nis te vragen, als ware zijzelf inderdaad de schul-
dige.
Haar ootmoed kende geen grenzen. Zij beschouwde
zich, ofschoon overste, als de geringste des huizes,
achtte zich niet waardig het kloosterhabijt te dra-
gen en was niet meer bedroefd, dan wanneer men
haar, die zoo ellendig was voor God, als heilig be-
schouwde. Eens bevond zij zich aan de kloosterpoort,
-ocr page 93-
80                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
toen er geklopt werd. Moeder Catharina deed zelf
open. Eene arme landvrouw, lijdende aan eene
hardnekkige kwaal, stond voor en vroeg, de Priorin
niet kennende: »Mag ik de Heilige ook spreken ?" —
»De Heilige?" vroeg Catharina ontstemd. »DeHei-
»lige? — Wat praat gij van Heiligen! Alle Zusters
»hier zijn even braaf, maar Heiligen zijn hier niet.
»De Heiligen zijn in den Hemel." Meteen sloot zij
de deur. De buitenzuster hare Moeder op deze on-
willekeurige opwelling van kwade luim betrappende,
berispte haar met liefde: »Ach zuster, wat zijt gij
«hardvochtig tegenover die arme, zieke vrouw!
«Zend haar toch niet ongetroost weg. Schenk haar
«uwen zegen." Terstond gevoelde Catharina innige
spijt over haren misslag; zij bedacht zich, liep haastig
naar de poort en riep de kranke binnen. «Vertrouw
«op God," zeide zij met nadruk, «bid tot den H. Vin-
«centius Ferrerius, dat is een echte Heilige. Ik
«zal met u bidden en gij zult genezen " Onder deze
woorden maakte zij het H. Kruisteeken over de
zieke dorpelinge. Welgemoed keerde de arme huis-
waarts, maar nauwelijks had zij den drempel des
huizes overschreden, of zij was volkomen hersteld.
Nu snelde zij verheugd naar het klooster terug en
had geene woorden genoeg om hare weldoenster
te danken. Voortaan kwam zij dikwijls de Heilige
bezoeken, en stopte haar dan de beste vruchten
toe, welke de hof volgens het jaargetijde haar op-
bracht. Men wist niet, wat meer te bewonderen de
-ocr page 94-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                     81
hartelijke erkentelijkheid der landvrouw of den
beminnelijken eenvoud en het geduld der Heilige,
die zich dit vaak ongevvenscht bezoek steeds liet
welgevallen.
Voor het. overige was Catharina niets minder
dan hardvochtig jegens de zieken; zij kende geen
grooter vreugde dan de zieke Zusters te verplegen.
Als eene leedere moeder wijdde zij haar de nau\\v-
lettendste zorgen. Niets mocht haar ontbreken.
Angstvallig zon zij op alles, wat in het wispelturig
brein eener zieke kon opkomen, en voordat de
wensch was geopenbaard, stonden beeldjes, bloemen,
versnaperingen enz. voor de ziekesponde. In het
gezelschap der zieken schepte zij het grootste ver-
maak. Urenlang kon zij aan het ziekbed doorbrengen,
troostte de zieke, sprak haar van God, Zijn H.
Lijden, de belooning des Hemels, en deed dit met
zooveel zalving, dat de zieken menigmaal hare smar-
ten vergaten. Niet zelden zond zij tegen den nacht
de ziekenverpleegsters ter ruste en plaatste zich
aan het hoofdeinde der legerstede om bij de eerste
verzuchting der zieke hulp te kunnen verleenen.
Hoevelen schonk zij met dien troost ook de genezing,
door een kruisteeken te maken over de wonden of
de zieke ledematen? Al verwierf zij niet allen
zieken het herstel, allen toch opende zij den Hemel.
Naarmate de dood naderde, bezocht zij meermalen
de zieke. Vandaar plachten de Zusters te zeggen:
»De zieke gaat sterven, want Moeder Catharina
6
-ocr page 95-
De H. Catharina de Ricci door den
gekruisigden Heiland omhelsd.
-ocr page 96-
82                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
«vermenigvuldigt hare bezoeken" Op hetoogenblik
van den doodstrijd geraakte zij in geestverrukking
en beschermde de ziel van hare dierbare geestelijke
dochter bij het verlaten dezer wereld. Had zij haar
begeleid naar den Hemel of het Vagevuur, dan
ontwaakte zij uit hare extase en bewees met
moederlijke zorg aan het stoffelijk overschot de
laatste liefdediensten. Aldus te handelen, was zij
zoo gewoon, dat de Zusters bij het overlijden der
medeleden niet zeiden: »Onze Zuster is gestorven",
maar: »Onze Zuster is bij haren hemelschen Brui-
»degom, want Moeder, die haar begeleid heeft, is
»van de reis terug gekeerd."
Somtijds deed zij den dood aan hare bevelen
gehoorzamen. Zoo berichtte men haar eens, dat
hare zuster Maria Benigna, die ook te Prato den
maagdelijken sluier had aangenomen, op het punt
was van te sterven. De tijding kon niet ongelege-
ner komen: het klooster maakte zich juist op tot
de viering eener inkleeding van twee voorname
jonkvrouwen. Geheel de plechtigheid, als eene
geestelijke verloving steeds met den meesten luister
gevierd, dreigde gestoord te worden. Wat aange-
vangen? Overtuigd van Gods bijstand, ging Catha-
rina haastig tot de dierbare zieke en zeide:
»Benigna, gij moogt niet sterven, voordat ik terug-
»keer." — »Ik beloof het u," antwoordde de zieke.
Gedurende de plechtigheid, die vrij lang duurde,
wachtte Benigna met kalmte, den blik onafgebro-
-ocr page 97-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                    83
ken ten Hemel geslagen. Eindelijk kwam Catharina
terug. »Nu", zeide zij, haar omhelzende, »nu moogt
»gij sterven." Benigna begon den doodstrijd, Ca-
tharina geraakte in geestverrukking, en een oogen-
blik later stegen beiden ten Hemel. Als een tweede
Engelbewaarder begeleidde Catharina hare beminde
zuster naar het hemelsch Paradijs. Hartroerende
liefde dezer twee zusters, die door geen dood kon-
den gescheiden worden en voor de poorten des
Hemels elkander geen vaarwel, maar een »tot
eeuwig weerziens" toeriepen!
Het uur des doods was voor de religieuzen van
Prato geen uur van verschrikking, maar van
vreugde. Brandende waren hare lampen, van olie
rijk voorzien, zoodat, wanneer de stem weerklonk:
»Ziet de Bruidegom komt! gaat uit, Hem tegemoet,"
zij met vreugde Hem tegemoet traden en ter
bruiloft ingingen. Dat oogenblik, voor den wereld-
ling, den lichtzinnigen Christen zoozeer gevreesd,
vervulde deze reine zielen met hemelsche blijd-
schap. Nauwelijks was het teeken gegeven, dat
eene Zuster dit ballingsoord ging verlaten, of alle
religieuzen vereenigden zich rondom het sterfbed
en hieven daar een treffend afscheidslied aan.
«Verheug u, bruid des Heeren," zoo zongen zij,
«verheug u! Zie de stonde naakt, waarop uw
«Bruidegom komt. Trek aan het bruiloftskleed
«voor het feestmaal van \'s Hemels Koning!\'\'
Als geestelijke dochter van den H. Dominicus
-ocr page 98-
84                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
deelde zij in diens apostolischen geest. Wanneer
zij bij de verkondiging van Gods Woord in de kerk
was, begaf zij zich tot het gebed, smeekte dat het
zaad door den prediker uitgestrooid op vruchtbare
aarde mocht vallen en honderdvoudige vruchten
voortbrengen. Zoolang de preek duurde, bleef zij
in het gebed verdiept, en het leed geen twijfel, of
de vrucht der prediking was voor een goed deel
aan haar te danken.
Tot hare kloostergemeente richtte zij meermalen
in de week het woord en wist ze steeds te bezielen
met eene vurige liefde voor de volmaaktheid. Doch
ook buiten dezen kring strekte zich haar apostolische
ijver uit. Zij schreef geestelijke brieven tot vele
personen, die in den Staat of de Kerk waardigheden
bekleedden, en verwierf zich, gelijk weleer de H.
Catharina van Siena, eene schaar ven leerlingen.
In moeilijke omstandigheden vroeg men haar raad,
die altijd met goeden uitslag gevolgd werd. Hare
bloedverwanten stonden geheel onder haren invloed;
zelfs haar broeder Rudolf, een ruw krijgsman,
luisterde naar de zusterlijke vermaningen en besloot
door een vroom sterven een onstuimig leven. Onder
den Florentijnschen adel telde zij vele leden, die
haar met hart en ziel aanhingen, zich onder hare
verstandige leiding stelden, in hunne paleizen een
kloosterlijk leven leidden.
Twee edelen worden vooral wegens hunne aan
hankelijkheid geroemd. Antonio de Gondi en Filippo
-ocr page 99-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                    85
Salviati. Antonio beschikte over vele goederen, was
van natuur edelmoedig en vrijgevig; hij deelde zijne
gaven uit zonder er acht op te slaan. De dagelijksche
uitgaven des kloosters had hij belangeloos op zich
genomen, terwijl de kleine geschenken, die de Zusters
op feesten verrastten en een stillen glimlach af-
dvvongen, van zijne kinderlijke genegenheid jegens
Moeder Catharina getuigden. Filippo was meer
zuinig en bekrompen van aard, doch zijne vereering
voor de vrome Priorin was zoo groot, dat hij zijn
aard geheel verloochende, hetgeen Cosmas de Medicis
deed zeggen: »Het grootste wonder van Catharina
»is, dat zij de beurs van Filippo geopend heeft."
Hij liet eeue kloosterkapel bouwen en met kunst-
stukken verfraaien. Beide edelen wedijverden
in Catharina wel te doen. Antonio belastte zij met
de opvoeding van haar jongsten broeder, Filippo
stelde zij aan tot haren ziekenverpleger. Van dit
ambt, hf>m schertsend opgedragen, kweet deze zich
met allen ernst. Overvloedig voorzag hij de zieke-
zuster van allps, wat Moeder Catharina mocht
wenschen. Het baatte niet, of de Heilige ver-
klaarde niets te kunnen gebruiken, of zij de
voorschriften des geneesheers toonde, de edelman
vertrouwde noch hare verklaring, noch het schrif-
telijk bewijs; hij wist, hoever ootmoed en verster-
ving gaan kunnen en wilde zich niet laten ver-
schalken. Dagelijks meldde zich zijn knecht aan
de kloosterpoort met een grooten korf vol ver-
-ocr page 100-
86                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
sterkende spijzen en versnaperingen; gedwongen
nam de ziekezuster de vaak kostbare gaven aan,
doch nauwelijks had de dienaar het kloostererf
verlaten, of de korf werd in den schoot der armen
leeggeschud. Antonio hield zich ook niet onbetuigd
en liet zich zoover door zijn liefderijk en mild-
dadig hart vervoeren, dat bij Filippo wrevel en
naijver opsteeg, wel heimelijk in het hart besloten,
maar toch niet verborgen voor Catharina, die de
geheime roerselen des harten kende. Met zachten
glimlach berispte zij beider gevoeligheid, onderhield
hen over de ware liefde, die niet afgunstig is, en
wees hen op God, die alleen aller liefde waardig
is. Zóó werd hun gezichtspunt verheven boven al
het aardsche; zij aanschouwden slechts God, de
ongeschapen Goedheid, in wien alleen het men-
schenhart bevrediging vindt. Zij leerden door het
onderhoud met hunne geestelijke Moeder de heer-
lij kheden Gods, Zijne oneindige Liefde jegens het
zwak, ondankbaar schepsel, beter kennen; en naar
gelang deze wetenschap toenam, ontvlamde hunne
liefde en stegen de reinste en vurigste verzuch-
tingen uit hunne harten op. Evenals Catharina
verlangden zij ontbonden te zijn en met Christus
te leven, en toen deze levenswensch der Heilige in
vervulling ging, werden ook weldra hunne boeien
geslaakt en volgden zij haar ten Hemel.
Nog volmaakter zielen zochten Catharina\'s om-
gang en vriendschap. In de nabijheid van Prato,
-ocr page 101-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
87
te Florence, ontlook eene der schoonste bloemen
vun den Karrael, Maria Magdalena de Pazzi. In na-
volging van Catharina had zij den luister van het
paleis tegen de armoede der kloostercel verwisseld
en ook daar Jezus haren grootsten schat gevonden.
Deze genade moest leiden tot een geheimzinnig
verkeer tusschen beide engelreine zielen. Gedu-
rende een harer veelvuldige geestvervoeringen be-
gon Maria Magdalena eensklaps een brief" te dic-
teeren aan de uitverkoren kloosterlinge van Prato
en beval dit schrijven den kloosterbode ter bezor-
ging te geven. Na weinige uren, nog altijd in
extase verkeerend, gaf zij door wroorden te verstaan,
dat de bode den brief overhandigde, vervolgens,
dat zij Catharina zag schrijven en een antwoord
geven, hetwelk niet met hare wenschen strookte.
Wat de H. Maria Magdalena aan hare medemin-
nares van Jezus vroeg; of zij een onderhoud ver-
langde? Eene openbaring der geheimen van Jezus\'
Liefde ? Een wenk omtrent de toekomst ? De ge-
schiedenis heeft het ons niet overgeleverd, alleen
heeft zij geboekt, dat het getuigenis van den bode
de juiste overeenkomst van tijd en plaats staafde.
Beide heilige Maagden bleven verder innig met
elkander vereenigd door de liefde jegens den god-
delijken Bruidegom. Aan Jezus\' Heilig Hart ont-
moetten zij elkander dagelijks en onderhielden,
schoon ver verwijderd, een geheimzinnige gemeen-
schap, die eerst verbroken werd, toen Maria Mag-
-ocr page 102-
88                     SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
dalena op zekeren dag Catharina\'s ziel door de
Engelen zag ten Hemel voeren, en korten tijd
daarna het doodsbericht ontving.
Terzelfder tijd leefde er te Rome een godvree-
zende priester, die door zijn blijmoedig karakter en
zijne opofferende liefde zich aller vriendschap en
vereering verworven had: de H. Philippus Nerius.
Zijne opleiding had hij grootendeels te danken aan
de Dominicanen van San-Marco, en van deze weldaad
was hij zich steeds levendig bewust. Alles, wat
deze Orde ondernam, kon op zijne belangstelling,
zijn steun rekenen; iedereen, die het blanke gewaad
van den H. Dominicus droeg, was van zijne bijzon-
dere genegenheid verzekerd. Deze omstandigheid,
gevoegd bij de hooge vereering en de vrome liefde,
die Heiligen als van natuur elkander toedragen,
bewerkstelligde een innig verkeer tusschen den
H. Philippus Nerius en de H. Catharina. Menigmaal
ging er een brief van Rome naar Prato, en even vaak
van daar een antwoord naar de Eeuwige Stad; brieven
waarin de Liefde Gods zich op de eenvoudigste en
verhevenste wijze vertolkt, waarin twee reine zielen
in allen ootmoed elkander de geheimen van Gods
oneindige Goedheid mededeelen. Als voorbeeld laten
wij hier een schrijven volgen van Catharina, dat
nog heden door de zonen van den H. Philippus te
Rome met kinderlijken eerbied wordt bewaard.
»Jezus, Maria! De gedachte, dat gij te midden
«uwer aanhoudende en voor Gods glorie zoo belang-
-ocr page 103-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                     80
«rijke werkzaamheden u gewaardigt te schrijven
»aan mij, eene arme vrouw en eene ellendige
«zondares, vervult mij met schaamte. God loone
»u voor zooveel liefde. Ik heb den Heer gevraagd,
«dat Hij mij de gezondheid zou weergeven, opdat
»ik Hem gedurende de Vasten beter zou kunnen
«dienen. Dat gebed heeft God verhoord, en wel
«zoo volkomen, dat al mijne ongesteldheden plotse-
«ling geweken zijn. Maar, helaas! ik verdiende
«deze gunst niet, want niets heb ik gedaan om aan
«zooveel genade te beantwoorden.. Nochtans heb
«ik mijne werken gedeeltelijk voor u opgedragen
«met de smeekbede, dat de goede God uwe gezond-
«heid beware en versterke, want de H. Kerk heeft
»u van noode. Gelieve Jezus voor mij te bidden,
«opdat de genaden, die Hij mij elk oogenblik schenkt,
«niet door mijne schuld verloren gaan. Leef met »
«blijmoedigheid des harten en wees niet ongerust
«omtrent uwe zaligheid, want God, die rechtvaardig
«is, zal Zijn Paradijs niet kunnen weigeren aan
«een dienstknecht als gij, die Hem geheel uw leven
«zijt getrouw geweest. Voor u neergeknield smeek
»ik u om uwen heiligen zegen. Uwe onwaardige
«dochter, zuster Catharina, zondares aan de voeten
«van Jezus. Vaarwel."
Doch het geschreven woord kon niet aan beider
genegenheid voldoen. Vurig verlangden deze be-
voorrechte zielen elkander persoonlijk te zien en
te spreken, maar Philippus werd door zijn aposto-
-ocr page 104-
90
SINT-DOMINICUS* BLOEMEN.
lischen arbeid te Rome gehouden, terwijl de gelof-
ten Catharina geen stap buiten de kloostermuren
toestonden. Deze hartewensch werd evenwel, vol-
gen? onwraakbare getuigenissen, op wonderdadige
wijze door God vervuld. In eene geestverrukking
werd Catharina opgevoerd naar Rome. verscheen
aan Philippus en onderhield zich geruimen tijd met
hem. Stralend van vreugde deelde de vrome vader
deze hemelsche gunst aan zijne kinderen mede en
gaf eene omstandige beschrijving der Maagd, geheel
in overeenstemming met de werkelijkheid.
Voor al de weldaden, die Catharina in wijden
kring door hare gebeden, deugden en haar geestelijk
apostolaat verspreidde, oogstte zij aller dankbaar-
heid, vereering en liefde in, maar dit was het loon
niet, dat zij zocht. Neen, zij arbeidde niet voor
een ijdel, vergankelijk, eindig loon, maar voor een
eeuwig, onvergankelijk loon, de hemelsche Heer-
lijkheid. Wanneer zou dit haar deel zijn ? Wanneer
zou de Hemel haar worden geopend? Reikhalzend
zag zij dit gelukkig oogenblik tegemoet; met ge-
vulde lamp verbeidde zij de komst des hemelschen
Bruidegoms, doch deze liet zich wachten. Reeds
klommen de jaren, totdat eindelijk Gods paleis
zijn deuren ontsloot en de stem weerklonk: »Zie,
»de Bruidegom komt."
Het was den 23sten van Louwmaand 1590. Om
te voldoen aan het dringend verzoek van eenige
bloedverwanten en vrienden, die zich onder hare
-ocr page 105-
91
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
geestelijke leiding hadden gesteld, had zij een groot
gedeelte des dags met godvruchtig onderhoud door-
gebracht, zonder zich door eenig voedsel te ver-
sterken. Toen nu de laatste gast het traliehek
verliet, gaf de klooster klok het teeken tot de
Completen. Uitermate vermoeid sleepte Catharina
zich voort naar het koor; het was de laatste gang
naar deze .gewijde plaats. Hevige smarten over-
vielen haar; in allerijl moest men de doodzwakke
Priorin ter celle voeren. Wat de geneesheeren
voorschreven, mocht niet baten; het was maar al
te duidelijk: God alleen kon redding geven. Bij de
algemeene verslagenheid der Zusters behield Ca-
tharina de grootste kalmte. Zij richtte zich tot
Jezus, smeekte Hem om vergeving harer zonde,
opdat zij door de reinheid des harten Hem des
te waardiger mocht worden; zij nam hare toevlucht
tot de Allerheiligste Moedermaagd en lispelde vol
aandoening de Lijdenspsalmen, die de Moeder van
Smarten haar geleerd had. Intusschen brachten
eenige Zusters het wonderkruis, waarop zij in hare
kinderlijke vroomheid de laatste hoop van herstel
gevestigd hadden. Nauwelijks aanschouwde Catharina
het bekende teeken der Verlossing, of zij strekte
hare handen daarnaar uit, bracht het aan, hare
stervende lippen, drukte het aan haar hart, en
sprak in vervoering: »0, mijn Jezus! Wat ben ik
«ondankbaar geweest jegens U! Vergeving! Ver-
«geving! Ja, duizendmaal heb ik de hel verdiend;
-ocr page 106-
92
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
»doch daar Gij, o mijn Jezus, de Barmhartigheid
»en Goedertierenheid zelve zijt, smeek ik vol ver-
«trouwen mijn zielsbehoud van U af, niet steunend
»op eigen verdiensten, maar op Uwe Liefde. O,
«mijne zoete Liefde, bedek mij, smeek ik U, met
»U\\v kostbaar Bloed, opdat de duivel mij niet
»herkenne. Dompel mij, wasch mij in dien heil-
«zamen stroom. Verberg mij in Uwe heilige Zijde-
»wond, opdat de aartsvijand mij niet vinde, want
»Uw heilig Hart is door een lanssteek geopend
»om er een toevluchtsoord te geven voor mijne
«zonden." — Vervolgens kuste zij eerbiedig de
handen en voeten, en riep diepgetroffen uit: »0
«gewijde handen, die mijn heil en dat der wereld
»hebben bewerkt, strekt mij tot schild tegen den
«vijand! O gezegende voeten, die voor mijn behoud
»en dat der wereld zooveel vermoeienis hebt door-
»staan, voert mij in veiligheid naar de poorten
»des Hemels. Gij weet, o mijn Jezus, hoezeer ik
«steeds verlangd heb met U aan het kruis te
«sterven. Ik draag mij met U den hemelschen
«Vader op. Dank! Dank!"— De snikkende zuster-
schaar begreep, dat de laatste oogenblikken nader-
den; men vroeg haar, of zij de heilige Teerspijze
wenschte te ontvangen. Bij die vraag maakte zich
eene onbeschrijfelijke vreugde van haar meester;
zij geraakte in geestvervoering, totdat het zacht
klingelen der kerkschel van verre de nadering des
Heilands aankondigde. Nu richtte zij zich op, viel,
-ocr page 107-
93
SINT-D0MIN1CUS\' BLOEMEN.
door twee Zusters gesteund, op de knieën, boog in
aanbidding het hooid en verzuchtte, terwijl een
hemelsche glans van haar verstorven gelaat uit-
ging: »Jezus, ik dank U voor de vele weldaden,
«waarmede Gij mij gedurende mijn leven hebt
«overladen, en ook voor het groote geluk, dat Gij
»mij nu gegeven hebt. Ik bezweer U bij Uwe
«heilige Wonden, ontferm U over mijne arme ziel."
Met onuitsprekelijke teederheid ontving zij de H.
Eucharistie, voor haar een zeker onderpand der
toekomstige glorie, en bleef ruim twee uren in
zalige beschouwing verzonken. Eindelijk ontwaakte
zij uit hare verrukking, werd door het EL Oliesel
tot den laatsten strijd gesterkt en ontbood nu, ten
volle bewust, dat zij dit ballingsoord verlaten ging,
de geheele kloostergemeente, eerst de leekezusters,
daarna de novicen en vervolgens de geprofesten,
aan haar sterfbed om als overste eene laatste ver-
maning tot haar te richten Hoe teeder en liefderijk
waren die laatste woorden! Hoe drongen zij door
in de diepbedroefde harten en vervulden allen met
troost en lijdensmoed! Welk een heilige ernst en
diep doorzicht sprak er uit hare raadgevingen!
Het waren woorden om nooit te vergeten. Toen
de oudsten zich snikkend schaarden rondom hare
stervenssponde, wees zij op den strengen plicht van
de regeltucht te handhaven, tegen misbruiken en
verkeerde gewoonten te waken, vrede en liefde te
bewaren, en besloot haar geestelijk testament met
-ocr page 108-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
94
deze plechtige verklaring: »De geest van eigendom
»is een pest, die de liefde tot God uit het klooster
»verbant en tallooze oneenigheden veroorzaakt;
»voor allen, die de vrijwillige armoede hebben be-
«loofd, is hij een bron van de grootste gewetens-
«bezwaren."
Nu had Catharina met al het ondermaansche
afgerekend; de laatste oogenblikken wilde zij onge-
stoord in het verkeer met Jezus doorbrengen. Daar
vernam men tegen twee uur in den morgen een
heerlijk gezang. »Kom, Bruid van Christus," weer-
klonk het onder de kloostergewelven, »Kom de
«kroon ontvangen, die de Heer van Eeuwigheid u
«weggelegd heeft." Verrast snelden eenige Zusters
naar het noviciaat, meenende, dat de stemmen van
daar kwamen, doch de novicen beantwoordden hare
vragen met de grootste verbazing. Teruggekeerd
hoorden zij weder in bekoorlijke melodie: »Kom,
«Bruid van Christus, gij zult gekroond worden."
Een kwartier uurs hield deze Engelenzang aan,
toen zuchtte Catharina met stervende stem: »Ik
»kom, o Jezus, ik kom." Zij sloot met eigen hand
hare oogen, strekte handen en voeten in kruisvorm
uit, boog het hoofd en gaf in de grootste gelijk-
vormigheid aan den gekruisten Verlosser zachtkens
den geest. Juichend voerden de Engelenkoren hare
reine ziel voor den troon des Allerhoogsten. Het
was Vrijdag, feestdag van Maria-Lichtmis.
Droevig klepte de kloosterklok bij de eerste
-ocr page 109-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
95
morgenschemering over Prato\'s nederige daken en
verkondigde, welk een slag er gevallen was, doch
velen baarde dit ongewoon gelui geene verwon-
dering: in visioen hadden zij de Heilige met heerlijk-
heid ten Hemel zien stijgen, verwelkomd door eene
onafzienbare schaar Engelen en Heiligen. Alle
inwoners spoedden zich naar het klooster om voor
het laatst een blik te werpen op dat heilig lichaam,
dat straalde van een zachten, bovennatuurlijken
glans en duidelijk de merkteekenen droeg van
\'s Heeren wonden. Men kon zijn oogen aan dat
treffend schouwspel niet verzadigen. Den derden
dag werden de heilige overblijfselen, na in plech-
tigen optocht door Prato\'s straten te zijn rond-
gedragen, om zegen te brengen over de burgerij
en de ontelbare toegestroomde FJorentijnen, in het
kloosterkoor door de Zusters in ontvangst genomen
en weggesloten in eene grafnis.
Geen dood vermocht den liefdeband tusschen
Catharina en hare geestelijke kinderen te breken.
Voortdurend verscheen zij aan de vrome Zusters,
vermaande haar tot volmaakter leven, kondigde
menigeen haar naderend einde aan en voorzag als
eene zorgvolle moeder in de nooden des kloosters
door nu eens de korenzolders met uitstekend graan
te vullen, dan weder den verzuurden land wijn in
aangenamen drank te veranderen. Uit alle streken
van Italië trok men naar de Heilige van Prato om
-ocr page 110-
90                     SINÏ-DOMIXICUS\' BLOEMEN.
hare hulp af te smeeken, en niet zelden met den
wondervolsten uitslag.
Het was Benedictus XIV voorbehouden, Catharina
kerkelijk onder het getal der Heiligen op te nemen.
Nadat de Stedehouder van Christus in 1746 op het
feest van den H. Philippus Nerius aan diens graf
het Hoogheilig Offer had opgedragen en diens voor-
spraak ingeroepen, hechtte hij het zegel der hoogste
goedkeuring aan het canonisatie-proces van Catha-
rina de Ricci, zoodat heide zielen, die in dit leven
vereenigd waren geweest door de heiligste liefde,
ook na dit leven deelden in de hoogste glorie,
waartoe de rechtvaardige op deze aarde kan worden
verheven.
-ocr page 111-
i
a
o
-ocr page 112-
^ * & * * tfr * ar ^-- *****>£
* * m • * * ** * * *
DE H. LUDOVIOUS BERTRANDUS.
De jeugd van den II. Ludovicus, — De Heilige als
novice en als noviconmeester. — Ziju apostolaat onder de
Indianen van Nieuw-Granada; men tracht vruchteloos hem
te vergeven. — De H. Ludovicus als prediker en biecht-
vader; hij ontsnapt wonderdadig aan een moordaanslag. —
Hij wordt tot prior gekozen ; zijn liefderijk en verstandig
bestuur; zijn ijver voor de onderhouding der regels en
zijne liefde jegens de armen. — Bewonderenswaardig geduld
des Heiligen tijdens zijne ziekte. — Dood en verheerlijking
des Heiligen.
\'Nl$len ^sten Januari 152G werd het huwelijk van
f \'^r Joannes Bertrand en Joanna Angelica de
JfrA los Exarchos, beide vrome echtelieden te
\'v Valencia, door God gezegend met de ge-
boorte van een zoon, die bij het H. Doopsel
den naam van Ludovicus ontving. Deze eerste telg
was een kind van genade, van uitverkiezing. De
Voorzienigheid had hem voorbestemd om voor geheel
de wereld een toonbeeld van boetvaardigheid en
versterving te worden. Het was alsof deze roeping
7
-ocr page 113-
98                    SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
reeds in zijne eerste kinderjaren hem bewust was,
want zwaarmoedigheid, droefgeestigheid bedekte
zijn gelaat met een somber waas. Nooit speelde
een lachjen om zijne lippen, onafgebroken welden
tranen uit zijn oogen, ontvloden zuchten aan zijn
hart. Het arme kind, vreesden de huisgenooten,
leed voorzeker pijnen, die het nog niet kenbaar
kon maken.
Op zekeren dag ging men met het ontroostbaar
kind naar de kerk, toen plotseling oen vreugdeglans
het weemoedig gelaat verhelderde. Met zoeten
glimlach aanschouwde het de vrome beelden en
schilderijen, kon zich aan dat gezicht niet verzadi-
gen en verliet slechts met tegenzin het Huis Gods.
Het scheen toen reeds te beseffen, dat de kerk de
wijkplaats is der bedroefden, de Heiligen onze
voorsprekers zijn bij God. Zoo dikwijls voortaan
de droefheid Ludovicus overmeesterde en zich in
luid snikken openbaarde, geleidde men den kleine
naar de kerk, en terstond straalde de glimlach der
reine, hemelsche vreugde door de tranen der bit-
terste droefheid.
Vroegtijdig openbaarde zich bij den knaap eene
vurige begeerte tot het gebed. Het was hem een
ver-maak te verkeeren met God, en de godsdienst-
plechtigheden in de verschillende kerken van Va-
lencia bij te wonen. Van zijn achtste jaar af bad
hij dagelijks de getijden der H. Maagd Des avonds
begaf hij zich vroeg naar zijn slaapvertrek, niet,
-ocr page 114-
99
SINT-DOMINICUS BLOEMEN.
zooals de ouders meenden, om terstond te gaan
rusten, maar om eerst geruimen tijd, dikwijls tot
diep in den nacht, in liet gebed door te brengen.
Meermalen werd de vrome knaap door de dienst-
boden in die godvruchtige oefening bespied. Zij
bemerkten, dat hij op den houten vloer sliep,
ofschoon hij door zijn bed te keeren elk vermoeden
van versterving van zich trachtte af te wenden.
Des morgens gebruikte hij een enkele bete broods
om zich van jongs af tegen het vasten te harden.
De liefde tot God, waarvan zijn onschuldig jon-
gelingshart blaakte, spoorde hem aan om Jezus in
Zijn arm en verborgen leven zoo getrouw mogelijk
na te volgen. De kinderlijke verbeelding deed hem
daartoe een na\'iei\' besluit nemen. Onder al de Hei-
ligen, wier beelden hij in de kerk aanschouwde en
vereerde, was er geen, die meer indruk op zijn
vroom gemoed maakte, dan de H. Rochus, met
zijn pelgrimsmantel, reishoed en wandelstaf. Even-
als deze Heilige geboorteplaats, ouders en vrienden
vaarwel te zeggen, als de arme van Christus in den
vreemde zijn brood te bedelen, de heilige plaatsen
en genadeoorden te bezoeken, zich geheel en zon-
der eenig voorbehoud aan Gods Voorzienigheid over
te geven, dat was een denkbeeld zoo schoon, zoo
aantrekkelijk, dat hij besloot het heimelijk te ver-
wezenlijken, üp een goeden morgen was de knaap
verdwenen. De ouders waren diepbedroefd en ver-
keerden in bange zorg; niemand kon hun inlich»
-ocr page 115-
100                  SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
ting geven omtrent hun zoon. Daar vonden zij een
brief, waarin Ludovicus met treffende bewoordingen
zijn vast besluit te kennen gal en zijne vermeende
roeping mededeelde. Terstond zonden de ouders
lieden uit om den jeugdigen pelgrim op te sporen;
weldra kwam hij onder geleide in de huiselijke
woning terug en moest nu stellig beloven dit on-
doordacht voornemen te laten varen Alleen werd
hem toegestaan, volgens Spaansch gebruik, een
geestelijk kleed te dragen, als teeken, dat hij met
de wereld gebroken had en zich tot den priester-
lijken staat voorbereidde.
Door het vertrouwelijk en veelvuldig verkeer met
zijn biechtvader, P. Laurentius Lopoz, religieus van
het Predikheerenklooster te Valencia, een priester
van diepe geleerdheid en heiligen levenswandel, ont-
waakte bij Ludovicus het vurig verlangen om in de
Orde van den H. Dominicus te worden opgenomen.
Met den dag sprak die begeerte luider, vervulde
hem met steeds grooter vreugde, totdat hij ten
laatste zijn hartewensch aan zijn geestelijken vader
openbaarde en met diens goedkeuring om het orde-
kleed verzocht. Reeds vleide hij zich met de hoop
weldra onder de zonen van Spanje\'s beroemden
Apostel te worden opgenomen, reeds was de ge-
wichtige dag van de inkleeding, het afscheid van
de wereld, bepaald, toen zijn vader tusschenbeide
kwam, de zwakke gezondheid van Ludovicus als
beletsel opwierp en zoovele bezwaren bijbracht, dat
-ocr page 116-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                  101
dc Prior beloofde den postulant niet aan te nemen.
De verwezenlijking van zijn zoeten droom zag de
Heilige onbepaald verschoven. Bitter teleurgesteld
liet hij toch niet na voortdurend het klooster te
bezoeken. Een geheimzinnige kracht trok hem steeds
derwaarts, gelijk de magneet het metaal. Up zijne
wandelingen voerden zijne schreden als instinkt-
matig naar het klooster; met diep heimwee richtte
zich zijn blik naar dat huis van God; en wanneer
het geklep der kloosterklok hem in de ooren klonk,
benijdde hij de kloosterlingen, die den Heer onge-
stoord konden loven en dienen. «Gelukkig struik-
»gewas," verzuchtte hij, toen hij eens eenige oran-
jestruiken in den kloosterhof besproeide, »hoe benijd
»ik u, dat gij binnen deze gewijde muren moogt
«leven, dat de vrome blik van Gods vrienden met
«welgevallen op uwen geurigen bloesem en uw frisch
«gebladerte mag rusten." Somtijds verschalkte hij
de waakzaamheid van den broeder-koster, als deze
na de Completen de kerkdeur kwam sluiten, en
verschool zich in een der kapellen om daar, aan
den voet des altaars neergeknield, van God en Zijne
Heiligen de vervulling van zijn vurigsten wensch
af te smeeken.
Na verloop van driejaren kwam P. Joannes Micon
als prior aan het bestuur des .kloosters. Deze eer-
biedwaardige priester, ervaren in de onderschei-
ding des geestes, nam zonder aarzelen Ludovicus
-ocr page 117-
102                  SINT-DOMJNICUS\' BLOEMEN.
in de Orde op en gaf hem het ordekleed den
26"ten Augustus 1544.
Ongestoord mocht hij den proeftijd niet door-
brengen, zijne ouders drongen er op aan, dat hij
in een andere Orde zou treden, waar de levens-
wijze minder streng of de studie minder zwaar was,
doch Ludovicus weerlegde alle moeilijkheden en
hield vol, dat God, die hem tot dezen staat had
geroepen, ook de middelen zou geven om daarin
te volharden. »Dit is mijne rust in eeuwigheid,"
schreef hij in een tredenden brief aan zijne ouders,
»hier zal ik wonen, want ik heb ze uitgekozen."
Voor de kracht van zijn betoog gaven zij zich
gewonnen; zij zagen het ijdele in eener tegenwer-
king, door overdreven bezorgdheid ingegeven, en
dankten ten slotte God voor de buitengewone roe-
ping huns zoons. Zonder verhindering kon nu Lu-
dovicus het novitiaat, de school der volmaaktheid,
voortzetten.
De overweging was in dien heiligen tijd het da-
gelijksch voedsel zijner ziel. Vooral stonden twee
waarheden hem steeds levendig voor den geest en
vervulden zijn hart met angstvallige zorg: de Hemel
en de Hel. Als middelpunt, als het teeken ter ver-
heerlijking en ter verwerping beschouwde hij het
Kruis; en dat bitter Lijden van den Godmensch
greep hem zoo aan, dat hij in tranen wegsmolt, in
verrukking geraakte en als ontzield aan den voet
des Gekruisten neerzeeg.
-ocr page 118-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                   103
Daar hij zijn leven moest inrichten naar de
Constitutiën dor Orde, bestudeerde hij ze met groote
naarstigheid en volgde ze met nog grooter nauw-
gezetheid op. Zelfs de kleinste voorschriften dor
kloosterplechtigheden werden duor hem gecerbie-
digd en mot zorg onderhouden. Een tweede richt-
snoer was hem een geschrift van den H. Vincentius
Ferrerius, genaamd : «Verhandeling over het gees-
telijk leven." Dat werkje was zijn geliefkoosd boekje,
zijn vriend, dien hij steeds bij zich had en voort-
durend raadpleegde. De strenge voorschriften, daarin
gegeven, waren zoovele vertrouwbare gidsen op
den weg der volmaaktheid. Nog meer gevoelde hij
zich tot dezen leidsman getrokken, omdat de H.
Vincentius niet alleen zijn ordebroeder, zijn stad-
genoot was, maar hem ook in den bloede bestond.
Het was hem eene vreugde de christelijke grond-
stellingen, door den Heilige vastgesteld, op zoo won-
dervollo wijze in diens leven te zien toegepast. Deze
beschouwing maakte ook den grondslag uit zijner
kinderlijke vereering van den H. Vader Dominicus
en van andere Heiligen. Hij overwoog, in welke
deugden zij bijzonder hadden uitgemunt, en leerde
alzoo van dezen den ootmoed, van genen de boot-
vaardigheid, van een ander de armoede. Hun voor-
beeld zweefde hem in alle omstandigheden voor
oogen. het spoorde hem aan tot zelfopoffering en
voerde hem zoo ver op den weg der volmaaktheid,
dat kloosterlingen, in het religieuze leven vergrijsd,
-ocr page 119-
104                   SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
hem van verre nastaarden. Altijd was hij ingeto-
gen, vriend van het stilzwijgen, gematigd in liet
spreken, uiterst verstorven in het gebruik van spij-
zen, ootmoedig van harte en streng zich beheer-
schend. Met vreugde besloten dan ook de paters
den novice tot het afleggen der geloften toe te laten.
Den 27*ten Augustus 1545 was de voor Ludovicus
belangrijkste maar ook gelukkigste dag, waarop hij
gehoorzaamheid beloofde aan God, de H. Maagd
Maria, den H. Dominicus, en zich plechtig verbond
te zullen leven volgens den Regel van den H. Au-
gustinus en de Constitutie n der Predikheeren tot
aan den dood.
Nu ving voor hem een nieuw leven aan. Hij
had zichzelven geheel aan God opgeofferd; zijn hart
was volkomen gelouterd door liet goddelijk vuur
der liefde; geen ongeregelde neiging zou het ooit
bezoedelen. In dien strijd tegen de zondige natuur
was de versterving zijn geliefkoosd, maar geducht
wapen. Nooit was hij over zich zelven tevreden;
zijn ootmoed verweet hem laf hartigheiden spoorde
hem aan tot nieuwen strijd. De gewone dagen van
vasten en onthouding, door den Regel voorgeschre-
ven, waren hem niet genoeg; hij ontzegde zich het
genot van vele spijzen en stortte ze blijmoedig in
den schoot der armen. Daarbij voegde hij eene
strenge lijfskastijding. Van natuur had hij, als het
ware, eene neiging tot de boetpleging, maar nu gaf
hij zich met zooveel geestdrift daaraan over, tuch-
-ocr page 120-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                  105
tigde zoo onverbiddelijk zijn tenger lichaam, hield
zoo weinig rekening met zijne zwiikke krachten,
dat hij ernstig ziek werd en tot herstel zijner on-
dcrmijnde gezondheid naar een ander klooster ver-
trekken moest. Eenigen tijd was er nu wapen-
stilstand. Vrome, medelijdende zielen di\'ongen bij
hem aan, dat hij voortaan de boetplegingen zou
staken, dat zijn gestel daartegen niet bestand was,
dat hij door overvloedig, krachtig voedsel zijn ver-
loren krachten moest herwinnen, maar nauwelijks
was hij weer hersteld, of de geweldige strijd tegen
de hartstochten en vooral tegen de vleeschelijke
driften werd met nieuwe verwoedheid hervat en
voortgezet geheel zijn leven, totdat de dood hem
den zegepal m gaf.
Een andere strik werd hem door den vorst der
duisternis gespannen. Voorziende dat deze heilige,
talentvolle kloosterling weldra een onvermoeide
apostel zou worden en als een schitterend licht zou
opgaan voor hen, die in de schaduw des doods ge-
zeten waren, trachtte hij Ludovicus te overtuigen,
dat hij zich uitsluitend aan werken van deugd en
godsvrucht had te wijden en daarom de studie moest
veronachtzamen. Een oogenblik stond de Heilige in
beraad; het kwam hem inderdaad bijna onmoge-
lijk voor, in een onverpoosd en innig verkeer met
zijnen God te leven en tegelijk aan zijn studielust
te voldoen. Het overwegen van diepzinnige vraag-
stukken, het opwerpen en wederleggen van theo-
-ocr page 121-
106                   SINÏ-DOMINICUS\' BLOEMEN.
logische moeilijkheden schenen hem af te leiden
van do zoo gewenschtc beschouwing van God, de
hoogste waarheid en schoonheid. Hij gevoelde der-
halve groote neiging om de studie, de bron van
zooveel verstrooidheid, vaarwel te zeggen, doch be-
gaf zich eerst tot het gebed en won den raad in
zijner oversten. Nu bleek het hem weldra, hoezeer
hij dreigde af te dwalen. Hij zag duidelijk in, dat
God ook »de Heer der wetenschappen" is; dat ook
door de studie het beeld van Christus, in wien
»alle schatten van wetenschap en wijsheid schuilen"
kon uitgedrukt worden; dat »de lippen des pries-
»ters de wetenschap moeten bewaren" om den
goddeloozen de wegen Gods te leeren. Verre van
de ziel af te trekken van God, brengt de ware
studie haar weder tot den Oneindige. Zoo was de
H. Thomas van Aquino door de studie gekomen
tot steeds verhevener kennis van God, en door die
kennis ontvlamd in steeds vuriger liefde. Dit voor-
beeld van den Engelachtigen Leeraar verdreef bij
Ludovicus alle angstvalligheid en spoorde hem aan
voortaan gebed en studie onafscheidelijk met el-
kander te vereenigen.
De wil zijner oversten riep hem tot het II. Pries-
terschap. Den 23»ten October 1547, nog geen twee
en twintig jaar oud, droeg hij voor de eerste maal
het H. Misoffer op, met eene godsvrucht, welke
met de jaren toenam. Zij, die het geluk hadden
met den Heilige om te gaan, verklaren, dat hij
-ocr page 122-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                   107
dagelijks voor do H. Mis zijne biecht sprak en
zich met de grootste ingetogenheid tot do Heilige
Offerande voorbereidde. Kon hij, om de een of\'
andore reden, de H. Mis niet opdragen, dun was
hij den geheelen dag neerslachtig, gelijk eene
bloem, die zonder bespro3Üng verdroogt en verdort,
maar op Allerzielendag en Kerstmis, wanneer hij
drie heilige Missen mocht lezen, dan straalde zijn
gelaat de hemelsche vreugde af, die zijne ziel ovcr-
stroomde. Ja, ooggetuigen hebben onder eede be-
vestigd, dat meermalen na de H. Consecratie zijn
hoofd met een lichtgloed omhuld was. Gaarne ver-
wijlde hij voor het Allerheiligste en bracht daar
soms dagen en nachten in geestvervoering door.
Ging hij eene kerk voorbij, dan moest hij daar
eenige oogenblikken den verborgen Godmensch
aanbidden en loven. »Hoe zouden wij eene frissche
«waterbron kunnen voorbij wandelen," zeide hij
tot een zijner metgezellen, »zonder ons dorstig hart
»te laven."
Daar het novitiaat niet alleen dient om den re-
ligieus te beproeven, maar vooral om hem te vor-
men voor het volgend leven, bleef Ludovicus trouw
aan de oefeningen en de voorschriften der eerste
kloosterjaren. Deze volharding in de strenge kloos-
tertucht deed zijn oversten besluiten om hem in
4551 tot novicenmeester te benoemen. Wel jeugdig
scheen hij om een ambt te bekleeden, waaraan
zooveel verantwoording verbonden is, maar vroom-
-ocr page 123-
108                  SINT-DOMINICUS* BLOEMEN
heid en wijsheid, zoo meenden zijn oversten, zou-
den tegen het gebrek in leeftijd opwegen. Dat ver-
trouwen werd nooit geschokt.
De weg, dien de Heilige voor zijne novicen te
volgen had, was zelf door hem gebaand. Hij moest
anderen leiden langs hetzelfde ruwe pad, dat hij
het eerst had bewandeld; hij moest ze opvoeren
tot dezelfde verheven deugden, die hij zoo schitte-
rend beoefende. Zijn voorbeeld zou zijn woord be-
vestigen, zijn leven zou de fakkel zijn, die zijne
leer toelichtte.
Met heiligen ijver trachtte hij de jeugdige kloos-
terlingen in liefde jegens God te ontvlammen. Van
dit goddelijk vuur brandde zijn hart, blaakten
zijne woorden en daden, straalde zijn ingetogen,
verstorven wezen. Eens voegde hij zich bij de no-
vicen, terwijl zij zich in den hof ontspanden.
Plotseling blonk zijn gelaat van heilige vreugde en
riep hij uit: «Broeders, laten wij toch den Heer
«onzen God beminnen!" Deze kreet, dit gelaat greep
allen zoo sterk aan, dat zij, de recreatie onder-
brekend, zich in stilte verwijderden om met God
te verkeeren.
Die liefde ging gepaard met eene heilige vrees,
waardoor hij somtijds te midden der onschuldigste
genoegens in tranen uitbarstte. Zoo onthaalde hij
eens zijne novicen op eene kleine versnapering en
nam deel aan de kinderlijke vreugde, toen hij plot-
seling begon te weenen, opstond en zich naar zijne
-ocr page 124-
109
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
cel spoedde. P. Thomas Arenas, vreezende dat den
beminden vader eenig ongeluk overkomen was,
snelde hem ter hulp en vond hem op den grond
uitgestrekt, badende in een tranenvloed. Hij vroeg
angstig wat hem deerde: »Ach," zuchtte de Heilige,
«wij eten\' en praten, en ik weet niet, of ik voor
»immer verloren zal zijn."
Als een der krachtigste middelen tot de vol-
maaktheid prees hij de overweging aan van Jezus\'
heilig lijden. «Niemand," placht hij te zeggen,
»komt tot hooge beschouwing zonder den weg van
«Christus te volgen, zonder Zijn lijden mede te
«lijden.\'\' Vandaar wilde hij, dat elke cel haar kruis*
beeld had, opdat dit zichtbaar aandenken van den
goddelijken Minnaar der zielen tot wederliefde zou
ontvlammen. Naar den voet van dat kruisbeeld
moesten de religieuzen steeds ijlen in alle weder-
waardigheden, daar zouden zij troost vinden in
hunne verlatenheid, moed in .het lijden, kracht in
de bekoring, maar vooral de wetenschap der Hei-
ligen, want, zeide hij, »het Kruis is de kweekschool,
»waar de liefde, de gehoorzaamheid, de ootmoed
»en alle deugden spoedig en treffend geleerd wor-
»den." — Eens vroeg hij aan frater Joannes Baga,
ol hij een Kruisbeeld in zijne cel had. Op diens
ontkenning hernam hij: «Niemand kan een ware
«zoon van den H. Dominicus zijn, als het beeld
«van onzen gekruisten Verlosser zijne cel niet ver-
»siert." Vervolgens nam hij een Kruisbeeld van
-ocr page 125-
110                  SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
den muur, reikte het hem over en zeide: »In Hem
»zult gij vinden, al wat gij begeert."
De liefde tot God kan echter in de harten niet
bloeien, zoo de eigenliefde er nog wortelt. Onver-
moeid maande Ludovicus daarom zijn novicen tot
inwendige en uitwendige versterving, tot onder-
dr ukking van eigen zienswijze en vooral tot onder-
werping van den eigen wil. Der hardnekkige vijandin
moest geen duim gronds gegund worden; er mocht
niet worden gerust, voordat zij geheel uit het hart
verbannen was. Daar zij nu dikwijls, na het bren-
gen van groote offers, zich vastklampt aan beuze-
lingen, kleine ijdelheden en gerieflijkneden, beval
de Heilige zijn novicen menigmaal om van cel en
huisraad te verwisselen, brevier, boeken, beeldjes,
enz. onder elkander te verruilen.
Nog andere wapenen gaf hij hun in de vuist:
den ootmoed en de boetpleging. Zelf gaf hij hun
een voorbeeld. Hoe werden allen tot nederig-
heid aangespoord, als zij hun novicenmeester,
die toch zoo heilig was en volmaakt, met innige
overtuiging en droevig hart hoorden zeggen, dat
hij de slechtste was van alle menschen; als hij hen
smeekte om zonder schroom al zijne gebreken be-
kend te maken en hun daarvoor belooning toezegde!
Hoe overwon hij door zijn voorbeeld de vrees, waar-
door de religieuzen voor lichaamskastijding en ver-
sterving terugdeinsden! Hij kastijdde zich meerma-
len daags met lelie geeselslagen; en, ofschoon hij
-ocr page 126-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                  111
dit deed in het geheim, werd het toch bekend.
Eens had hij vergeten, terwijl hij zijn lichaam
tuchtigde, de .deur zijner cel te sluiten. Frater
Franciscus Allemani kon het niet langer aanhooren,
trad moedig de cel binnen, maar wie beschrijft
zijne ontzetting? Vloer en muren waren overal be-
spat met het bloed des Heiligen. — Een ander
maal geeselde hij zich, omdat hij een novice zon-
der genoegzame reden eene lijfskastijding had toe-
gediend. Toen later twee novicen de met bloed
doorweekte geeselkoorden ontdekten, besloten zij
hem deze niet terug te geven, opdat hij perk zou
stellen aan zulk eene verregaande strengheid liet
baatte echter niet. Nu waagde het een frater hem
te zeggen, dat hij den Prior zou waarschuwen.
»Ik bid u," sprak Eudovieus, »ik bid u ter liefde Gods,
«zwijg. Ik zal mij beteren." En waarin bestond die
verbetering? Voortaan omgordde hij zich met een
linnen doek, op Jat het bloed den vloer niet zou
bespatten en zijne boetpleging verraden.
Was hij gestreng jegens zich zelven, niet min-
der was hij het jegens de hem toevertrouwde reli-
gieuzen. Nalatige en trage kloosterlingen, wier ver-
betering zich liet wachten, gaf hij geen vrij spel;
de minste overtreding werd streng gestraft. Als des
Vrijdags na de nachtgetijden de novicen zich van
hunne overtredingen moesten beschuldigen, kon men,
zegt de kroniek, een klein tafereel van het Laatste
Oordeel zien. Alle schuld werd openbaar; wat de
-ocr page 127-
112                  SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN
novicen zelven niet beleden, hetzij uit vergeetach-
tiglieid, hetzij uit kwaden wil, dat wist de Heilige,
als had hij alles opgeteekend. De strengste straffen
en boetplegingen werden hierbij niet gespaard. Die
strengheid werd echter gematigd door voorzichtige
zachtmoedigheid. »Ik zal u niet straffen," sprak hij
eens tot een schuldigen novice, »hoezeer gij het
»ook hebt verdiend, gij kunt het nog niet dragen.
»Doe echter zelf boetvaardigheid; leg u zelf eene
»boete op, die u tot delging uwer schuld het meest
»geschikt voorkomt."
Voor allen, zonder onderscheid, klopte zijn hart
met vaderlijke teederheid. De novicen waren hier-
van overtuigd; in moeilijkheden en beproevingen
kon ieder op hem rekenen. Vandaar droegen allen
hem eene kinderlijke liefde toe, die gepaard ging
met oprechten eerbied voor zijn gezag, niet minder
dan voor zijne heiligheid.
Zoo verstond Ludovicus de zeldzame en moeilijke
kunst door wijze gestrengheid en opofferende liefde
de jongelingen, verschillend van inborst en aanleg,
te vormen tot verstorven religieuzen, tot heilige
priesters, tot apostelen, die, brandend van Jezus\'
liefde, ter verbreiding van het Godsrijk uittogen.
Vele Dominicanen, die hem tot geestelijken leids-
man mochten hebben, schitterden later door hunne
deugd in de uitgestrekte Amerikaansche missiën,
aan de beroemde Spaansche hoogescholen, op de
voornaamste bisschopszetels.
-ocr page 128-
De H. Ludovicus Bertrandus,
Beschermheilige van Columbia.
-ocr page 129-
SINT-DOMINICUS* BLOEMEN.                  113
Op zekeren dag, terwijl hij zich met zijne geeste-
lijke kinderen onderhield, meldde zich een vreemde-
ling aan, die. voorgaf uit West-Indien te komen.
Het woord West-Indiën alleen, deed den Heilige
van vreugde trillen, dan dacht hij aan het roemrijk
apostolaat, waar zoovelen zijner medebroeders zich
voor de eer van God en het zielenheil opofferden.
Terstond moest de gast in het klooster komen en
zijn wedervaren verhalen. Met gespannen aandacht,
evenals de jongste novice, luisterde Ludovicus naar
den reiziger, vooral toen deze de vermoeienissen
en gevaren der missiereizen, de wreedheden der
woeste bewoners met levendige kleuren schilderde.
In zijn hart ontwaakte een heilig verlangen om
ook derwaarts te snellen en, zoo het God behaagde,
daar den marteldood te sterven. De gehoorzaamheid,
die bij God meer geldt dan olï\'eranden, weerhield
hem echter van te voldoen aan dit verlangen. Doch
eenigen tijd later kwamen twee Predikheeren uit
het verre Westen, om arbeiders te werven voor
den uitgestrekten wijngaard; zij hadden brieven
bij zich van den Pater Generaal, waardoor iedereen
verlof werd gegeven om naar de missie te gaan.
Nu kon niets de uitvoering van zijn plan ver-
hinderen ; hij zou en moest de wereldzee oversteken.
Zijne bloedverwanten smeekten hem dit voornemen
te laten varen, zijne medebroeders baden hem
medelijden te hebben met de hem toevertrouwde
religieuzen, de prior des kloosters wees hem op
8
-ocr page 130-
114                   SINT-DOMINICUS* BLOEMEN.
zijne zwakke gezondheid, die onmogelijk tegen de
vermoeienis van den overtocht, laat staan van het
zware missieleven, zou bestand wezen, al die po-
gingen dienden nergens toe, dan om zijn onwrik-
baar besluit des te spoediger ten uitvoer te brengen.
Op een morgen in de Goede Week van het jaar
1562, na de H. Mis met de diepste godsvrucht te
hebben opgedragen, viel hij den Prior te voet,
smeekte diens vaderlijken zegen en verliet onder
de tranen der dierbare medebroeders het oude
klooster van Valencia. Vertrouwend op Gods Voor-
zienigheid trok hij welgemoed zonder reisbenoodigd-
heden naar Sevilla, waar een groot galjoen zeil-
klaar lag.
In gezelschap van verscheidene religieuzen stak
hij in zee. Zijn verstorven leven, zijn langdurig
bidden trok de aandacht van reisgenooten enscheeps-
volk. Allen werden gesticht door zijn voorbeeld en
vereerden hem als een heilige. Stak er storm op,
dreigde er noodweer, men beval zich aan in zijne
gebeden, en het gevaar was geweken. — Eens viel
er een takelblok uit den mast op het hoofd van
\' een kloosterling neder. De ongelukkige viel voor
dood tegen het dek neder. Ijlings kwamen genees-
heer en heelmeester toegeschoten, algemeen was
de verslagenheid. Doch Ludovicus drong met onver-
stoorbare kalmte tot den bewustelooze door, wees
alle geneeskundige hulp van de hand, besprenkelde
den ongelukkige met gewijd water, en ziet: den
-ocr page 131-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
115
volgenden morgen stond de kloosterling geheel
hersteld op, tot groote verwondering van alle
scheepsgezellen.
Daar doemde eindelijk aan den gezichteinder het
langgewenschte Amerika op. In heilige geestdrift
viel Ludovicus bij dit gezicht op de knieën. Ziedaar
dan het land, waar hij het Kruis des Verlossers
ging planten, waar hij de Blijde Boodschap zou
verkondigen, waar hij als apostel, zoo hij hoopte,
zijn bloed zou vergieten. Het vaartuig liep de haven
binnen van Cartagena, eene stad in het tegen-
woordige Columbia, destijds Nieuw-Granada ge-
heeten. Terstond begaf zich Ludovicus naar het
klooster, dat de Dominicanen hier onder bescher-
ming van den H. Joseph gebouwd hadden, en stelde
zich geheel ter beschikking van den Prior. \')
Na eene korte voorbereiding ging hij op last van
zijn oversten beurtelings ter prediking naar Tu-
basca, Cipacoa, Paluato, Mompoix en andere Indi-
aansche nederzettingen. Volgens het woord des
Verlossers: »Gij zult noch goud, noch zilver bezit-
»ten, noch geld in uwe gordels, noch male voor
»den weg, noch twee rokken, noch twee schoenen,
«noch staf," toog de vrome religieus, slechts be-
laden met een brevier en eene H. Schrift, ondanks
de felle keerkringshitte te voet door de verschroeiende
*) Dit klooster strekt thans tot bisschoppelijk seminarie;
de cel, door het verblyf van den H. Ludovicus geheiligd,
wordt nog in eere gehouden.
-ocr page 132-
416                  SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
steenvlakten, door de dichte wildernis, over de steile
ongebaande bergpaden. Honger, dorst, gebrek en
kwelling waren hem eene vreugde. Hoe zagen de
Indianen met diepen eerbied en kinderlijke verba-
zing tot dezen afgezant des Heeren op, wiens komst
slechts vrede spelde en heilgenade! Hoe stroomden
allen, klein en groot, tot dien «Broeder van God,"
zooals zij hem noemden, om zijn zegen te ontvan-
gen en te luisteren naar zijn woord, dat door
iedereen verstaan werd. God immers had den
Heilige de gave der talen geschonken, zoodat hij,
ofschoon Spaansch sprekend, in de onbeschaafdste
en vreemdste tongvallen verstaan werd.
Inderdaad, hij was geen blanke, zooals de Span-
jaarden, maar een engel. Hij stelde zich tevreden
met een weinig ruwe spijs der inboorlingen, koos
zich bij voorkeur de armste stulp tot woning uit,
sliep op eenige dunne latten en was elk oogenblik
voor ieders dienst gereed, zonder in het minst on-
geduld of weerzien te laten blijken. Alles was hij
voor allen. Zoolang hij onder deze natuurkinderen
vertoefde, om de H.H. Sacramenten toe te dienen
en het Evangelie te verkondigen, was er feest en
vreugde, maakte hij zich tot vertrek gereed, dan
verdrongen zij zich rondom hein, weenend en tot
blijven verbiddend; ging hij werkelijk heen, dan
kwamen zij om strijd aangedragen met vruchten
en alles, wat zij in hunne armoede konden aan-
bieden. »De Heer zal er in voorzien, kinderen,"
-ocr page 133-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
147
sprak dan de Heilige glimlachend, weigerde vol-
strekt iets aan te nemen en schonk hun tot onder-
pand zijner liefde den apostolischen zegen.
Daar Ludovicus deze missiereizen gewoonlijk
alleen aflegde en uit ootmoed de bovennatuurlijke
gunsten verzweeg, waarmede God zijne prediking
bevestigde, moeten wij ons tevreden stellen met
enkele bijzonderheden, door ooggetuigen gestaafd;
maar die spaarzame trekken geven ons genoegzaam
den apostel weer, in wien Christus\' woord bewaar-
heid werd: »In mijnen naam zullen zij duivelen
»uitdrijven, nieuwe talen spreken, slangen opnemen,
»en indien zij iets doodelijlcs zullen drinken, zal
»het hun niet schaden; kranken zullen zij de han-
»den opleggen en zij zullen gezond worden."
Eens verliet Ludovicus een Indianendorp, waar
volgens gewoonte ieder hem om strijd vruchten
aanbood. Onverbiddelijk wees hij echter alles af.
P. Hieronymus Cardiglia, die hem vergezelde, zag
dit spijtig aan, want zijn reiszak was geheel ledig.
Ontevreden volgde hij den Heilige, maar die onte-
vredenheid uitte zich weldra in bittere klachten,
toen het volk uit het gezicht verdwenen was en
eene onafzienbare woestenij zich overal uitstrekte.
»Schep moed, broeder," sprak de Heilige bemoe-
digend, »draag het kruisje met geduld; God zal
»het loonen." Die woorden hadden nietdegewenschte
uitwerking, integendeel, P. Hieronymus veroorloofde
zich de beleedigendste verwijten. Toen sprak Lu-
-ocr page 134-
118                  SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
dovicus: «Welnu, broeder, laten wij daar een \\vei-
»nig uitrusten." Zij traden in een dicht woud, doch
waren nauwelijks eenige schreden voortgegaan, of
daar ontwaart P. Hieronymus een struik, met goudgele
appels, tusschen frisch gebladerte verscholen, terwijl
een koel, helder beekje langs den wortel voortkab-
belt. In een oogwenk is nu de honger gestild, de
dorst gelescht. Tot groote verbazing was echter
in geheel den omtrek, zoo ver het oog slechts reikte,
zulk een struik niet te bekennen. Ondanks deze
wonderbare uitkomst kon P. Cardiglia zich niet
vereenigen met de apostolische levenswijze des Hei-
ligen; hij hield aan met morren en wilde zich van
zijn vromen gezel verwijderen. Toen sprak Ludo-
vicus: «Broeder, ga in vrede. God zij u genadig!
»Het spijt mij, dat ik u niets geven kan, maar nog
»meer, dat gij altijd in ellende zult leven en ster-
»ven." Zooals de Heilige voorspelde, is geschied.
Een ander maal trok hij, in gezelschap van P.
Fernandez, door een dier duistere wouden, waar
het wild gedierte veilig huist, toen plotseling twee
schrikwekkende panters den weg versperden. P.
Fernandez slaakte een kreet van angst en riep uit:
„Vader, waar voert gij mij heen! Moeten deze
«monsters mij verscheuren?" — «Vrees niet mijn
»zoon," zeide de Heilige kalm, «God is met ons."
Hij sloeg een kruis, vervolgde zijn weg, de roofdie-
ren verdwenen.
Tubara was een der plaatsen, door het bezoek
-ocr page 135-
SINT-DOMINICUS* BLOEMEN.                  119
van Ludovicus het meest bevoorrecht. Diep waren
de inwoners in afgoderij en zedeloosheid verzonken,
zoodat zij in den aanvang doof waren voor zijne
preeken, ongevoelig voor zijne smeekingen en tra-
nen. Maar, wat het woord niet vermocht, bewerkte
het voorbeeld, zijn heilig leven. Binnen korten tijd
waren alle bewoners, zooals uit het doopboek blijkt,
bekeerd en gedoopt Eene Indiaahsche vrouw sloeg
echter geen geloof aan de deugd des Heiligen Op
ingeving des duivels kwam zij des avonds aan de
hut kloppen, die de priester nabij de kerk bewoonde.
Hij opende de deur, maar nauwelijks had hij de
bezoekster gezien, of hij begreep haren laaghartigen
toeleg, wierp haar de deur toe, ijlde naar het al"
taar, ontblootte zich de schouders en geeselde zich
meedoogenloos, daarbij God smeekend om de ver-
leiding te verdrijven. Drie uren lang weerklonk het\'
heiligdom van de geeselslagen, vergezeld van ver-
zuchtingen. De zondares, die buiten stond, hoorde
alles aan; berouw vervulde haar gemoed, tranen
van oprecht leedwezen welden bij haar op, zij
smeekte den Heilige om vergeving, en bekeerde
zich. — Als kinderen aan hunnen vader, waren
deze Indianen aan Ludovicus gehecht; zij tracht-
ten hem bij zich te houden en hielden zijoe ge-
dachtenis in eer. De kluis des Heiligen verander-
den zij in eene kapel, kwamen daar in alle weder-
waardigheden bidden, en schrijven aan de bescher-
ming des apostels het voorrecht toe, dat allen, on-
-ocr page 136-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
120
danks het gemis van priesters, Christen zijn gebleven.
Eenige mijlen verder doopte Ludovieus binnen drie
jaren 1500 Indianen. Deze bekeering kostte den
onverschrokken missionaris bijna het leven. In
hunne verblindheid hadden de inlanders strooien
hutten voor hunne afgoden gebouwd. Deze plaatsen
waren den Heilige een gruwel; hij ging er heen,
en stak ze in brand. Onder aanvoering der stam-
hoofden trokken de wilden, wraakroepend en tie-
rend, naar het houten bedehuis, dat voor den éénen,
waren God was opgetrokken. Vertrouwend op God,
wachtte de apostel, met het Kruis in de hand, de
verbitterde menigte aan den drempel at\'. Hoezeer
zij ook naar wraak dorstten en door hunne offer-
priesters werden opgehitst, het scheen dat een
geheimzinnige macht hen terughield, niemand durfde
nadertreden en de hand slaan aan den priester des
Heeren. — In diezelfde plaats was een stamhoofd, die
openlijk in overspel leefde, een misdaad, ook door
de heidenen verfoeid. Ondanks die ergernis begaf
hij zich onder de geloovige menigte om de gods-
dienstoefening bij te wonen. Toen Ludovieus tijdens
de preek den rampzalige herkende, riep hij hem
verontwaardigd toe: »A1 zijt gij geen Christen, gij
»zijt onderworpen aan de wet der natuur, en deze
«verbiedt u in overspel te leven." Bij deze woor-
den staat de struische Indiaan woedend op, en
slingert met beide handen den predikant een ver-
vaarlijke knots naar het hoofd. Het geduchte wa-
-ocr page 137-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                  121
pon valt echter voor de voeten des Heiligen, en
blijft trillend in den grond steken. Zonder eenige
ontsteltenis vervolgde Ludovicus zijne toespraak,
daarna las hij met de grootste ingetogenheid de
H. Mis.
Tijdens eene missie te Cipacoa heerschte er eene
alles verdorrende droogte; kruiden, planten, struiken
zelfs de bladeren aan de boomen schroeiden weg-
door de gloeiende zonnestralen. De hemel scheen
van koper, de aarde van ijzer. In dien uitersten
nood, door feilen honger gekweld, kwamen Christe-
nen en ongeloovigen tot den missionaris en smeek-
ten om uitkomst. Het was op den vooravond van
het feest der heilige Martelares Catharina. »Ver-
»trouwt op God en de Heilige, wier feest wij
»morgen vieren," sprak de apostel met diep mede-
lijden, »want deze vermag veel bij God. Tot haar
«moeten wij bidden, opdat zij ons in dezen nood
»bescherme. Baant een weg naar gindschen berg-
«top, in het gezicht der zee; bouwt daar een loo-
»verhut tot overhuiving van een altaar. Morgen
«zullen wij, met Gods genade, in optocht daarheen
«trekken, en ik zal daar de H. Mis opdragen." In
den vroegen morgen schaarden zich meer dan d ui-
zend man tot een optocht; onder gebed en smeek-
gezang zette zich de stoet in beweging, kroop lang-
zaam tegen den berghelling op, gevolgd door Gods
Dienaar, wiens pijnlijke trekken van smartelijke
boetpleging getuigden, wiens lippen de vurigste
-ocr page 138-
v
122                   SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
gebeden prevelden. Na het H. Misoffer sprak de
Man Gods een apostolisch woord tot de menigte.
Hij wekte haar geloof op, verlevendigde haar ver-
trouwen op Gods Voorzienigheid, verhaalde den
heldhaftigen marteldood der H. Catharina, en be-
loofde plechtig in den naam van den waren God
en door de voorspraak der H. Catharina, den zoo
vurig verlangden regen. Nog had hij niet geëindigd,
of wolken vertoonden zich aan den gezichteinder,
pakten samen, dreven aan en.... daar druppelde,
ruischte, plaste de regen; de dorstige aarde werd
overvloedig gedrenkt.
Vele jaren bracht Ludovicus door in het gebergte
van Santa Marta en aan de Noordkust van
Columbia, waar de oogst zoo overvloedig was, dat
men het aantal bekeerlingen op 15000 begroot. Van
dit apostolaat is vooral merkwaardig de bekeering
van twee Cara\'ibische stammen, een volk, dat wei-
eer de Antillen bewoonde. Wreed en woest van
aard, uiterst verbitterd op het blanke ras, bewezen
zij afgodische eer aan het gebeente van een pries-
ter, dat in hun midden begraven lag en vierden
daarbij heidensche feesten en spelen. Wat de Hei-
lige ook beproefde om de rampzalig verdoolden tot
inkeer te brengen, zijn preeken, zijn gebeden, zijn
lijf kastijding, zijn vasten, niets maakte eenigen in-
druk op die versteende harten. Toen besloot hij
doortastend te handelen. Op zekeren nacht ont-
voerde hij het gebeente. Deze stoutmoedige daad
-ocr page 139-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                   123
bracht het geheele kamp in opschudding; terstond
grepen zij naar pijl en boog, lans en knots om den
vermetelen blanke te dooden, den geroofden schat
te overmeesteren, de eer der goden te wreken.
Hadden eenige reeds bekeerde Caraïben hunnen va-
der niet verdedigd, of liever, had Gods Voorzienig-
heid niet over hem gewaakt, Ludovicus zou aan de
handen dezer bloeddorstige boschmenschen niet ont-
snapt zijn. Nu echter voerden zijne getrouwen hem
ijlings naar eene zekere schuilplaats. Beveiligd was
hij hier tegen alle geweld, maar niet tegen de
sluwe list der wraakgierige Indianen. In schijn van
zich te bekeeren, kwam een afgodspriester bij den
Heilige te gast, en wist heimelijk het zwaarste ver-
gif in den beker zijns gastheers te werpen. Oogen-
blikkelijk voelde Ludovicus een hevige koorts als
vuur hem door de aderen stroomen; geweldige
krampen en benauwdheden overvielen hem, iedereen
vreesde, dat hij den geest zou geven. Te midden
der ontsteltenis, der algemeene droefheid, lag daar
de Heilige, wel ineenkrimpend van pijn, maar met
kalme berusting op het gelaat, met het Kruis en
den Rozenkrans in de handen. Slechts betreurde
hij de afwezigheid van een priester, het gemis der
H. H. Sacramenten. Vijf dagen hing hij aldus tus-
schen leven en dood, toen hij eensklaps eene slang
uitbraakte, en genezen was tot verbazing der Indi-
anen, die aan de zekere uitwerking van het vergif
niet twijfelden. »0, gelukkige dood!" zuchtte de
-ocr page 140-
124
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
Heilige, «gelukkige dood! waardoor ik hoopte den
»martelpalm te verwerven."
Van het vasteland stak Ludovicus naar de An-
tillen over, waar vele stammen bij gebrek aan
priesters zeer verwilderd waren, en het Christen-
dom in bijgeloof en afgoderij ontaard was. Of hij
op dien tocht de Benedenwindsche Eilanden: Aruba,
Curacao en Bonaire aandeed, kan, hoe waarschijn-
lijk dit ook zij, niet tot zekerheid gebracht worden.
Ongetwijfeld landde hij op de verder gelegen eilan-
den Sint-Vincent en Sint-Thomas. Op eerstgenoemd
eiland predikte hij tot eene groote menigte negers,
toen een opperhoofd, kenbaar aan een vuurrood
kleed en groote blinkende oorringen, tot den apostel
naderde en openhartig vroeg: »Vader, wat preekt
»gij toch van een kruis! Wie is die gekruisigde ?
»Ik wenschte wel hem te zien." Luiovicus strekte
zich nu in de houding eens gekruisigden tegen een
boom uit en liet de duidelijke sporen vati den ge-
kruisten Godmensch achter. Al het volk viel vol
ontzetting op de knieën, en loofde God. De hoofd-
man noodigde den Heilige in zijne hut, liet zich
onderrichten en bekeerde zich met geheel zijn stam.
Op Sint-Thomas had de Heilige eene verheven-
beid beklommen en wilde daar onder de schaduw
van een plataan het Evangelie gaan verkondigen,
maar de bewoners waren hem niet goed gezind.
Mochten enkelen het oor leenen aan de stem der
genade, de meesten bleven doof, ja lieten zich door
-ocr page 141-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN,                   125
hunne hoofden tegen den onvermoeiden zendeling
ophitsen, en brachten steenen aan om hem te
dooden. Zijne volgelingen drongen aan, dat hij zou
vluchten, zijn leven sparen; doch de Heilige hield
manmoedig stand, zag kalm de ongelukkigen met
hunne steenen naderen, en zeide tot zijn getrou-
wen: «Vreest niet, zij hebben niet alleen geen
«macht om een steen te slingeren, maar zelfs niet
»om mij in het minst te schaden." Inderdaad, allen
schenen door de hemelsche gestalte van den Gods-
gezant als door schrik verstijfd; zij lieten de steenen
uit de hand vallen, luisterden deemoedig toe en
smeekten met vermorzeld hart om het II. Doopsel.
Toen Ludovicus met zijn scheepje het eiland ver-
liet, waren nagenoeg allen bekeerd.
Zeven jaren verkeerde hij onder deze wilde of
halfbeschaafde stammen, overal het Woord Gods
predikend, weldaden verspreidend, wonderen wer-
kcnd. Zieken genas hij, duivelen dreef hij uit door
het teeken des Kruises. Meermalen was de aan-
raking van zijn rozenkrans, dat wonderbaar kleinood,
voldoende om aan kranken de gezondheid weer te
geven, de verstokte zondaars tot inkeer te brengen.
Hij werd vereerd als een heilige, maar beschouwde
zich als een groot zondaar, als een onwaardig werk-
tuig in Gods hand. — Eens, toen hij weder iemand
van eene gevaarlijke kwaal had genezen, riep een zij-
ner medebroeders opgetogen uit: «Pater Ludovicus,
«welk een groot wonder hebt gij verricht!" Doch
-ocr page 142-
126                   SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
de Heilige antwoordde: ozwijg, beminde broeder,
»dat is het werk van God; ik kan niets goeds
«verrichten. Gods Almacht werkt dit tot bekeering
»der Indianen." — Waarlijk op dezen geloofsprediker
kan men Sint-Paulus\' woord toepassen: »Hoe liefelijk
»zijn de voeten van hen, die het Evangelie ver-
»kondigen van vrede, die het Evangelie verkondigen
»van het goede!"
Wat den Heilige noopte om dit vruchtbaar
apostolaat, waarvan wij slechts enkele feiten aan-
stipten, vaarwel te zeggen, is Gode alleen bekend,
zonder wiens bijzondere ingeving hij nooit eenig
besluit nam. Wij zullen ons daarin niet verdiepen.
Kort en goed, hij vroeg en kreeg verlof van zijn
oversten om naar Spanje terug te keeren. Na eene
rampspoedige reis, waarop hij door zijn gebed het
schip van een wissen ondergang redde, betrad hij
weder den vaderlandschen boden, waar hij overal
den goeden geur van Jezus Christus zou verspreiden.
Met de grootste hartelijkheid werd Ludovicus
door zijne medebroeders te Valencia ontvangen.
Allen verheugden zich als kinderen, die na lange
afwezigheid hun veelgeliefden vader wederzien. De
jaren mochten hem hebben gekromd, de door-
gestane vermoeienissen zijne krachten gesloopt, de
geleden smarten diepe voren hebben gegroefd in
zijn verstorven gelaat, hij beminde allen nog met
dezelfde teedere liefde, die in God haren oorsprong
vindt, hij brandde nog van denzelfden ijver voor
-ocr page 143-
SINT-DOMINICUS* BLOEMEN.                   427
de stipte vervulling der kloostertucht. Gelijk voor-
heen was hij allen een voorbeeld; niemand kon
bespeuren, dat een zevenjarig bedrijvig missie-
leven aan zijne vrome gewoonten iets geschaad had.
Daar het gerucht van zijn zegenrijk apostolaat zijne
komst was vooruitgemeld, .200 was het geen wonder,
dat de kloosterbroeders hem dringend vroegen om
zijne tochten en lotgevallen te verhalen, de buiten-
gewone gunsten medi te deelen, waarmede God
zijn arbeid gezegend had. Doch de ootmoed sloot
hem den mond. Een der paters, wien dit zwijgen
verdroot, vroeg: »Wat moeten wij dan gelooven
»van de Wonderen, die, zegt men, door u geschied
»zijn?" Zonder zweem van ijdelheid, antwoordde
hij: „Ik weet van mij niets te verhalen dan zonden."
»Maar," hernam de andere: »het zou toch de mede-
«broeders stichten, als gij verhaaldet, wat groote
«dingen de Heer door u gedaan heeft." — »Zij hebben
»Mozes en de profeten," gaf hij ten antwoord, als
wilde hij zeggen: zij hebben het Evangelie en de
levens der Heiligen, daaraan kunnen zij zich spie-
gelen. «Wilt gij stichting," vervolgde hij, »werp u
»aan den voet des Kruises, daar zult gij de vol
«maaktheid leeren." Deze belijdenis van eigen zon-
digheid kwam voort uit eene diepe overtuiging.
»Ik ben een groot zondaar," verzuchtte hij meer-
malen, »ik ben Gods genaden onwaardig." Vandaar
duldde hij niet, dat men hem eerbied bewees, vooral
niet, wanneer die eerbied voortkwam uit hoogach-
-ocr page 144-
♦ •
128                   SINT-r>OMINICUS\' BLOEMEN.
ting voor zijne vroomheid; niets wat hem dieper
griefde. Toen eene schaar volks zich aan de kloos-
terpoort verdrong om pater Ludovicus te zien en
te spreken, om zijn gebed te verzoeken, om vragen
te stellen omtrent de toekomst, of wonderen af te
smeeken, zeide hij verstoord: »Zij schijnen mij
«voor een soort waarzegger of Egyptischen toove-
»naar te houden. Zij stellen mij allerlei vragen
»om mij in verlegenheid te brengen."
Voortdurend waren zijne gedachten op God en de
eeuwige waarheden gevestigd. Zonder God kon geen
gesprek hem boeien, en was hij terstond afgeleid
door vrome mijmering. «Laten wij toch God dienen,
»want Hij is zoo goed," sprak hij, een ijdel gesprek
afbrekend; en hij zeide deze woorden met zulk
eene klem en zooveel gevoel, dat alle aanwezigen
diep ontroerd werden.
Bij zijne terugkomst was de prediking van Gods
Woord zijn voornaamste werk. Hoog was het denk-
beeld, dat hij van dit priesterlijk ambt had opge-
vat; streng waren de eischen, die hij zich daarvoor
stelde. »De predikant", zoo was een zijner stel-
regels, »moet evenzeer, ja nog meer voorbereid
»zijn dan de preek zelve; zijn leven moet devoor-
«bereiding zijn van zijn woord." De grond zijner
welsprekendheid lag in zijn hart. Waarom deed
hij de toehoorders weenen en snikken, als hij sprak
van Jezus\' bitter lijden ? Waarom doorboorden zijne
kreten als gloeiende schichten het hart? Omdat
-ocr page 145-
£
3
"o
O,
rt
1
i
e
>
d
D
d
5
\'•3
d
A5B
-ocr page 146-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                  429
hijzelf verteederd werd bij de beschouwing van
Christus\' smarten, en dorstte naar het heil der
zielen, waarvoor de goddelijke Verlosser zijn kost-
baar Bloed vergoten had. Dat was de reden, waarom
op zijn woord de verstafgedwaalde zondaars weder-
keerden en de hardvochtigste gemoederen week
werden, want van natuur bezat hij eene ondank-
bare stem en dierf daarbij den steun der wel-
sprekendheid. Hij sprak »niet in overredende woor-
»den van menschelijke wijsheid, maar in betooning
»des Geestes en der kracht." Dat woord, gesproken
uit het hart, trok steeds eene talrijke menigte tot
zich. De kathedralen waren te klein om de toe-
gestroomde scharen te bevatten; meermalen pre-
dikte hij op de pleinen in de open lucht. Overal
wenschten de geloovigen den gewijden redenaar te
hooren; en de Heilige voldeed aan aller begeerte,
zoolang zijne zwakke krachten het toelieten.
Tot de prediking bereidde hij zich voor door
strenge boetpleging, maar vooral door het gebed.
Lang overwoog hij, wat hij tot de geloovigen zou
spreken en raadpleegde als tolk Gods de Eeuwige
Wijsheid. Moest hij in de buitenparochiën gaan
preeken, gelijk meestal tijdens de Vasten, dan
leefde hij zoo verstorven mogelijk, wees alle vleesch-
spijzen af en stelde zich tevreden met een weinig
gekookte groente. Nachtrust gunde hij zich dan
weinig, sliep op den vloer, maar droeg zorg zijn
bed te keeren, om zijne boetpleging niet te verraden.
9
-ocr page 147-
130                  SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
Somtijds bleef hij geheel den nacht in het gebed
verslonden, gelijk te Lyria, waar hij op het hoog-
feest van Kerstmis zou prediken. Het was hem
onmogelijk in dien heiligen nacht, waarin het
goddelijk Kind Jezus in een armen stal ter wereld
kwam, in een warm vertrek te overnachten. In
alle stilte verliet hij tegen middernacht zijne kamer
en begaf zich naar de koude stal, waar hij, op
stroo geknield, bij eene kribbe die plechtige stonden
in beschouwing doorbracht.
In zulk een heilige stemming verbeidde hij het
gewichtig uur, waarop hij als gezant des Aller-
hoogsten zou optreden. Nog enkele oogenblikken
in de sacristij voor het Kruis, of voor het Aller-
heiligste Sacrament neergeknield, nog eenige vurige
verzuchtingen tot God gestierd, en hij beklom den
kansel, bezield met een heilig liefdevuur, dat meer
dan eens op zichtbare wijze van zijn gelaat uit-
straalde en hem in lichten gloed hulde. Zoo ge-
tuigden vele geloovigen, dat, bij eene prediking in
de Sint-Michaelskerk te Valencia, de Heilige door
een hemelschen glans was omvloten.
De heilige ijver, waarvan hij brandde voor de eer
van God en het heil der zielen, deed hem onver-
schrokken strijden tegen de ondeugd. Vooral waar
het kwaad zoozeer was toegenomer, dat het zich
onbeschaamd in het openbaar vertoonde en velen
tot ergernis strekte, steeg zijne verontwaardiging
ten top; dan ontzag hij zich niet, het in \'t openbaar
*
-ocr page 148-
131
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
te geeselen en te brandmerken, en met zulke duide-
lijke bewoordingen, dat de schuldigen als met den
vinger konden worden nagewezen. Dit bracht hem
eens in groot gevaar. In de kerk van het Sint-
Anna-klooster te Albayda had de Heilige, als naar
gewoonte, hevig tegen de zonde uitgevaren. Een
edelman, van losbandig leven, achtte zich door de
woorden des apostels gekrenkt. Hij wachtte den
prediker bij de kerkdeur op, en liet hem door zijn
lijf knecht zeggen: »zoo gij die woorden niet terug-
strekt, zal ik u dooden". De Heilige was door die
bedreiging geenszins onthutst, maar gaf ten ant-
woord: «Gelukkig zal ik wezen, als ik sterven mag
»voor hetgeen ik gepredikt heb." Den volgenden
dag, toen Ludovicus met een broeder zich naar zijn
klooster begaf, zagen zij den verbitterden edelman
op een snuivend ros hem te gemoet rennen. De
broeder wilde uitwijken en door de vlucht zich
redden, maar de Heilige beval hem onverschrokken
voort te gaan Dra stond de ruiter voor hen, greep
zijn vuurroer en riep woedend; «Wat booswicht!
»Durft gij mijne eer rooven ?" Tegelijkertijd
legde hij zijn wapen op de borst des Heiligen aan
en haalde den haan over. De dienaar Gods
behield zijne hemelsche kalmte, maakte het Kruis-
teeken en..... plotseling is het vuurroer ver-
anderd in een kruis. De edelman staart verbijs-
terd; hij kan zijne oogen niet gelooven. Hij stijgt
van zijn paard, werpt zich voor de voeten des
-ocr page 149-
432
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
kloosterlings neder, smeekt om genade en be-
keert zich. \')
Een ander maal moest hij in eene dorpskerk
prediken. De landheer uit den omtrek, die van de
onverbiddelijke gestrengheid des apostels gehoord
had en vreesde, dat ook zijn misdadig leven duchtig
zou worden gegispt, bezoldigde drie spionnen om
op de woorden des Heiligen te letten. Het drietal
ontmoette elkander onder weg, sprak over de last-
geving, ging de kerk binnen en vatte post. Weldra
verschijnt Ludovicus, bestijgt den predikstoel en
vangt aldus aan: »De Farizeërs hadden slecht éénen
»Judas bezoldigd om Christus over te leveren, doch
»hij, die zich mijn vijand noemt, heeft er drie ge-
«zonden om mij te vangen."
De bespieders hadden genoeg vernomen.
Nog dieper indruk maakte zijn woord, toen zich
eens onder zijn gehoor twee edellieden bevonden,
die, ondanks zijn afzonderlijke vermaningen, tot
groote ergenis der geloovigen in hun overspel vol-
hardden. Gelijk weleer de H. Joannes de Dooper
den koning Herodes, zoo verweet Ludovicus den
beiden wellustelingen hunne misdaad. Die vermetel-
heid ging hun te ver. Ziedend van toorn wilde de
een den prediker terstond te lijf, maar schrok
terug, toen een vlam den Heilige omkronkelde,
*) Ter herinnering aan dit feit wordt de H. Ludovicus
Bertrandus afgebeeld, houdende in de hand een kruis,
waarvan de voet in eene geweerkolf uitloopt.
-ocr page 150-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                   133
terwijl de ander, hem met een ponjaard aan de
kerkdeur afwachtend, het verraderlijk wapen aan
zijn hand ontglippen liet, toen Ludovicus met door-
dringenden blik hem vroeg: »Wien zoekt gij ?"
De netten, die de Heilige door zijn apostolisch
woord uitwierp, haalde hij, om zoo te spreken,
door zijne vermaningen, raadgevingen en machts-
bevoegdheid als biechtvader in. Had hij op den
kansel door zijn ernstig woord den zondaar tot
inkeer gebracht, met de gestrengheid eens rechters
tot verantwoording gedagvaard en met Gods eeuwige
straf bedreigd, in den biechtstoel was vooral de
vaderlijke goedheid aan het woord, die den rouw-
moedigen zondaar medelijdend oprichtte en hem
troostend toesprak: «Zoon, uwe zonden worden
»u vergeven." Daar wist hij de geheime roerselen
van \'s menschen hart te ontdekken, den geest der
neigingen en handelingen te onderscheiden, want
God had hem bevoorrecht met eene diepe kennis
van het menschelijk hart. Met vasten blik zag hij
op den bodem des harten den oorsprong der ver-
schillende overtredingen, begreep, welke middelen
ter bestrijding moesten aangewend worden, en liet
zich niet door de kunstgrepen en het guichelspel
des duivels misleiden.
Een zijner biechtkinderen deelde hem mede, dat
zij met hemelsche visioenen begunstigd werd. Zij
aanschouwde meermalen een jongeling in hemel-
schen luister, die haar allerlei verborgenheden van
-ocr page 151-
134                  SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
het Hemelrijk meedeelde. »Neem u in acht," waar-
schuwde de Heilige, »dat is geen engel, maar een
«duivel." Zij was echter van hare dwaling niet te
overtuigen en hield staande een engel gezien te
hebben. Wederom had zij eene verschijning. »Ik
«weet zeer goed," zeide haar de vermeende engel.
»dat pater Ludovicus u tegenstreeft; stoor u echter
»niet aan zijne woorden, maar volg mijn raad. Ik
»zeg u de waarheid; en tot bewijs: ziedaar dien
«jongen man, blakend van welstand, oogenblikkelijk
«zal hij sterven." Inderdaad zeeg deze ongelukkige,
dien zij op straat zag loopen, plotseling dood neder.
Ten volle overtuigd, kwam de vrome ziel zegevierend
bij haren biechtvader terug. «Het is geen engel,
«het is de duivel," herhaalde hij zonder aarzelen.
Het baatte niet; zij bleef geloof hechten aan haar
visioen, doch kwam later tot zulk een diepen val,
dat zij hare halsstarrige eigenwijsheid niet genoeg
betreuren kon.
De zeldzame kennis van het menschelijk hart
werd bij den dienaar Gods nog vergroot door
bovennatuurlijke openbaring, want door een wonder
wist hij dikwijls feiten, die menschelijker wijze
niet gekend konden worden. P. Ferreri verhaalt,
dat, toen hij afscheid nam van Ludovicus, deze
hem zegende en zeide: «Pater, denk er aan die
«zonde te biechten." Hier herinnerde hij mij een
misslag, dien ik vier jaar vóór mijne inkleeding
bedreven en totnogtoe vergeten had. Tot P. An-
-ocr page 152-
SIXT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
135
dreas Cabrerizo, die\' bij hem gebiecht had, zeide
hij ernstig: «Kent gij het gewicht der biecht ?
«Waarom beschuldigt gij u dan niet van die zonde ?"
Hier noemde hij eene geheime zonde, die hij alleen
door openbaring weten kon. — »In een algemeene
«biecht, bij gelegenheid mijner professie," zoo ver-
haalt een geloofwaardig religieus, «kwam ik aan
«eene zonde, die ik uit schaamte aarzelde te be-
«lijden. De goede pater riep uit: »»Hoe nu, zijt
««gij een Judas? Waarom wilt gij die zonde ver-
««zwijgen ?"" en zeer nauwkeurig duidde hij mij
«de zonde aan." — Violanta Juncar, een zijner
biechtkinderen, zeide: «Pater het kost mij altijd
«eenige moeite aan u mijne zonden te belijden,
«want, voordat ik den mond geopend heb, kent gij
«al mijne zwakheden en zonden." — «Zwijg, mijne
«dochter," sprak hij berispend. «Hoe komt gij aan
«die dwaze inbeelding!" — Van dezebovennatuur-
lijke kennis van de verborgenheden des harten
waren de huisgenooten nochtans zoo overtuigd, dat
zij, wier geweten niet rein was, eene ontmoeting
met Ludovicus ontweken, of eerst gingen biechten.
Voor alle zielen, die zich aan hem toevertrouwden,
koesterde hij de grootste bezorgdheid. Hij bad voor
haar en deed boete. Een zijner biechtelingen stelde
zich gedurende een nacht aan groot gevaar bloot!
De Heilige wist dit bij openbaring, en bracht al
dien tijd in waken en bidden door om haren val
te voorkomen. God verhoorde zijn gebed. Den
-ocr page 153-
136                  SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
volgenden morgen ging hij zijne geestelijke dochter
bezoeken, verweet haar die zondige begeerte en
zeide: »0, onbedachtzaam kind! Welk eene moeite
«heeft het mij gekost om u terug te trekken van
»den rand des afgronds, waaraan gij speeldet" —
Op zekeren dag bezocht hij te Valencia eene vrouw
van hoogen stand, voor wier bekeering hij veel ge-
beden en zich de schouders vaak tot bloedens toe ge-
geeseld had. Hij zeide haar in heiligen ernst: »Daar,
»op die plaats hebt gij zóó dikwijls gezondigd."
De schuldige stond van schrik verpletterd, omdat
het getal en de omstandigheden harer zonden zoo
juist werden aangegeven. De Heilige vervolgde:
»Zie, hoeveel uwe zonden mij gekost hebben." Hier
toonde hij, hoe de bloedige geeselstriemen zijn kleed
hadden besmeurd. De zondares was geheel ontsteld,
en smeekte bijna wanhopig: «Pater, wat moet ik
«doen ? Hoe moet ik aan die zonden ontkomen ?" —
«Laat de vijftien heilige Missen lezen, die gij vroe-
«ger ter eere van den H. Rozenkrans beloofd hebt." —
De openbaring ook van deze geheime belofte deed
haar nog gereeder aan het bevel des boetprofeten
gehoorzamen.
Door den wil zijner ordebroeders zag Ludovicus
zich tot prior benoemd van het Sint-Onuphrius-
klooster (4570—1573), op twee uur afstands van
Valencia, en daarna van het beroemde klooster van
Valencia (1575-1578).
Nauwelijks was hij als prior te Valencia gekozen
-ocr page 154-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
137
en bevestigd, of hij begaf zich naar de cel, waar
eertijds de H. Vincentius Ferrerius gewoond had,
wierp zich voor diens beeltenis op de knieën en
bad: »0, heilige Vader Vincentius! men heeft mij,
»die geheel ongeschikt ben, tot prior gekozen. Ik
«draag u mijn prioraat over; aanvaard het bid
»ik u. Ik zal uw supprior zijn en volgens uwe
«bevelen handelen." Daarna boog hij zich om de
voeten van het beeld te omhelzen, maar dit
neeg zich tot hem, als ware het met leven be-
zield. In de eerste dagen van zijn prioraat had
hij in eene geestverrukking eene drievoudige
verschijning van het Heilig Aanschijn op Veronica\'s
doek. »Hij vroeg mij," schrijft pater Antistius, »wat
»dit wel zou beteekenen, maar antwoordde zelf:
»Het zijn de beproevingen en de smarten, die mij
«gedurende de drie jaren van mijn bestuur wach-
»ten." Hij ontveinsde zich de moeilijkheden niet,
die aan dit zwaarwichtig ambt verbonden waren,
en\' achtte zich uit ootmoed ongeschikt om het waar-
dig te bekleeden. De vrees van aan zijne talrijke
plichten te kort te zullen schieten, gunde zijn angst-
vallig geweten geen rust.
De eer van God was het beginsel zijner hande-
lingen. Om dezen levensregel steeds voor oogen te
hebben, liet hij aan den muur zijner cel een bord
ophangen, waarop met zware letters deze woorden
des Apostels te lezen stonden: «Indien ik den men-
«schen behaagde, ware ik Christus\' dienstknecht
-ocr page 155-
138                   SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
»niet." Zoo dikwijls de wil der menschen in strijd
was met den wil van God, gaf deze spreuk den
doorslag.
Ondanks zijne waardigheid, bleef Ludovicus de-
zelfde eenvoudige, verstorven religieus. Met weer-
zin liet hij zich elke eerbetuiging welgevallen. Voor
zoover zijne bezigheden het niet verhinderden, gaf
hij zich over aan het gebed en de versterving. Meer-
malen zagen de religieuzen tot hunne verbazing,
hoe de Prior, aan den voet des Kruises in het ge-
bed verzonken, omgloord werd van een hemellicht,
dat zelfs buiten zijne cel een zachten glans ver-
spreidde, of ontwaarden met ontzetting menige
bloedspat, de sporen zijner geduchte lijfkastijding.
Zoo vernam eens P. Joannes Baga, dat Ludovicus
tegen middernacht zich naar de kapel des H. Vin-
centius begaf In alle stilte volgde hij diens schre-
nen, en begreep uit het onmeedoogend snerpen der
wreede geesels, wat in dat heiligdom voorviel.
A.ls overste was hij allen een voorbeeld van plichts-
betrachting. Daarom was hij bij alle gemeenschap-
pelijke oefeningen tegenwoordig, ontbrak nooit aan
het koorgebed, al kon hij somtijds uit zwakte niet
staande blijven, al moest hij zich langs den muur
voortslepen en zittend in zijn koorzetel het priorale
ambt waarnemen. Moest hij buiten het klooster
prediken, dan kwam hij terstond, gewoonlijk nog
s avonds, bij zijne broeders weder. Hij was hun va-
der, derhalve moest hij over allen waken. Die plicht
-ocr page 156-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                  130
stond hem steeds levendig voor den geest, daaraan
ontleende hij die vurige welsprekendheid, wanneer
hij, vooral in het kapittel, de broeders onderhield
over de deugden eens kloosterlings, Hij beval hun
de onthechting, de armoede ten sterkste aan, en
wilde dat iedereen een gedeelte van zijn maaltijd
voor de armen zou afzonderen. Doch nog meer
drukte hij hun de gehoorzaamheid op het hart,
want, zeide hij, de armoede, welke door God op
den hoogsten prijs gesteld wordt, is die, waardoor
de mensch van zijn eigen wil afstand doet.
Dat hij als prior de broederlijke berisping niet ver-
onachtzaamde, lijdt geen twijfel, want zij is een
gevolg van welbegrepen naastenliefde, maar zij werd
gegeven met voorzichtigheid, zachtheid en hei-
ligen ernst, zoodat zij meer uitwerkte dan de
strengste bestraffing. Het baatte niet zich hierbij
te verontschuldigen, of zijn misslag te ont-
kennen, want niets, zelfs niet de gedachten,
waren den Heilige verborgen. Zoo vroeg eens
een kloosterling verlof om naar Valencia te
gaan, maar begaf zich heimelijk naar het Kar-
thuizerklooster te Porta-Coeli. Bij zijne tehuis-
komst vroeg hem de Heilige: »Hoe hebt gij het
«gemaakt bij de Karthuizers ?" De kloosterling ant-
woordde: »Ik ben niet te Porta-Coeli geweest; ik
»heb geen Karthuizers gezien?" — »Weet gij wel,
»wat gij zegt," hernam de Prior ernstig, »Gij zijt
»in dat klooster geweest, gij hebt er aan het koor-
-ocr page 157-
140
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
«gebed deelgenomen, gij hebt er het habijt gevraagd."
Beschaamd erkende hij te hebben gelogen, en vroeg
vergiffenis. — Een ander maal kwamen twee broe-
ders van den termijn. De aalmoezen waren zoo
overvloedig geweest, dat zij besloten een paar realen
achter te houden voor een volgenden keer, wanneer
de opbrengst wellicht geringer zou zijn. Toen zij
den Prior de aalmoezen overreikten, vroeg deze:
»Is dit al het geld, dat gij ingezameld hebt ?" Zon-
der blozen antwoordden zij: »Ja." Daarop sprak
Gods dienaar met gefronst gelaat. »Wat hebt gij
»in uwen mouwzak verstoken ? Geeft mij de geld-
»stukken." — Met recht verklaarden dikwijls de
kloosterlingen: »Wij weten niet, wat wij van onzen
«Prior moeten denken. Men zegt, dat hij doof en
«bijziende is, maar hij weet alles, wat wij doen."
Bij de zorg voor het geestelijk heil zijner onder-
danen, ging hem ook hun tijdelijk welzijn ter harte.
Kleeding en voeding moesten toereikend zijn, zelfs
in tijden, waarin het klooster onder schuldenlast
of tegenspoed gebukt ging. Vanwaar de noodige
middelen kwamen om eene talrijke broedergemeente
te onderhouden, kerk en klooster te verfraaien, zou
onverklaarbaar wezen, indien de Heilige, wijzend
op het Kruisbeeld zijner cel, niet had gezegd:
«Ziedaar, mijn vader, mijn weldoener, die in alles
«voorziet."
Dat vertrouwen werd eens wonderbaar beloond.
Op zekeren dag, tegen het uur des middagmaals,
-ocr page 158-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                  141
boodschapte hem de supprior, dat er brood ont-
brak. Zeven brokkelingen was alles, wat opgediend
kon worden voor meer dan dertig man. Zonder
eenige ontroering te verraden, beval de Man Gods:
»Laat den reftermeester luiden." De broeders kwa-
men op het gegeven teeken in de eetzaal te zamen.
De Heilige sprak den zegen uit, en allen zetten
zich aan tafel. Volgens aloud gebruik van de jong
sten af beginnend, deelden de tafeldienaars het
weinige brood aan de religieuzen uit, maar, hoeveel
zij ook uitreikten, de broodkorven kwamen niet
ledig. Reeds waren alle kloosterlingen voorzien,
toen nog eene aanzienlijke hoeveelheid brood over-
bleef. Ludovicus sloeg dankbaar de oogen ten He-
mel, terwijl allen Gods vaderlijke Goedheid loofden.
De armen werden door den Heilige niet ver-
geten, want hij wist, dat een klooster het toevluchts-
oord is der armen, en de overste de uitdeeler van
Gods weldaden. Nooit klopte dan ook een arme
aan de kloosterpoort zonder een aalmoes te ont-
vangen, ja, de portier kreeg last niemand af te
wijzen. Deze milddadigheid werd spoedig rucht-
baar onder de bedelende menigte, zoodat dagelijks
meer dun 300 armen aan het klooster te Valencia
onderstand ontvingen. Behalve deze aalmoezen liet
de Heilige nog grooter gaven toekomen aan de
geheime armen, die wegens hun stand zich schaam-
den te bedelen. Het was, alsof de vrome Prior
over onuitputtelijke rijkdommen beschikken kon;
-ocr page 159-
142                  SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
en toch was het klooster doodarm en in vervallen
staat. Meermalen wekte deze ongehoorde vrij-
geviglieid de onrust op van zijne religieuzen,
die niet allen een even vast en kinderlijk vertrou-
wen op den hemelschen Vader hadden. Doch hij
stoorde er zich niet aan. »Wees maar gerust,"
zeide hij tot broeder Joannes Perez. «Vreest gij,
»dat God ons verlaten zal? Geef uit ware liefde
»aan de lijdende ledematen van Jezus Christus
«alles, wat wij hebben, zoo noodig de laatste bete
«broods, en God zal voor ons zorg dragen." Hij her-
innerde hun het woord, tijdens den hongersnood
van 1556 door P. Michael van den H. Dominicus,
prior te Valencia, gesproken tot eenige religieuzen,
die zich verwonderden over zijne aanzienlijke aal-
moezen: «Hoemeer er de kloosterpoort uitgaat, des
«te meer komt er de kerkdeur in." — Algemeen
moest men erkennen dat, waar Ludovicus aan het
hoofd stond, de kloosters ondanks zijne milddadig-
heid, of liever, juist wegens zijne milddadigheid,
nooil grooter tijdelij ken noch geestelijken bloei
genoten.
Groot was Ludovicus\' vreugde, toen in 1578 de
tijd van zijn prioraat, waarvan hij tevergeefs bij
den Pater Generaal ontheffing gesmeekt had, ten
einde liep. Wat hij van God gevraagd had: zijne
laatste jaren geheel te mogen besteden aan een
zaligen dood, werd hem gegeven. Nog meer, vurig
had hij steeds verlangd naar den marteldood, ook
-ocr page 160-
143
SINT-D0MIN1CUS\' BLOEMEN.
den marteldood zou hij sterven. Geen dag zou
hij meer in gezondheid doorbrengen.
De vermoeienissen en ontberingen van het mis-
sieleven hadden zijne zwakke gezondheid reeds lang
geknakt en hem verschillende kwalen berokkend;
zoo leed hij aan eene gezichtsverzwakking, welke
met de jaren toenam, aan voortdurende oorpijn,
waardoor het gehoor verdoofde, aan eene smarte-
lijke verzwering aan het linkerbeen, dat ongenees-
lijk bleek. Doch nu overviel hem een heirlegervan
kwalen. De geneesheeren stonden voor een onop-
losbaar raadsel. Alle geneesmiddelen werden te
baat genomen, alle behandelingen der kunst be-
proefd, maar zij vermeerderden slechts het lijden,
zoodat de Heilige, door smart overmand, als buiten
zichzelven uitriep: »Ach, ik bid u, laat den goe-
»den God begaan. Zijn H. Wil geschiede!\' —Ook
gebeurde het, dat zij hem volstrekt alle voedsel ont-
zegden. Gedurende verscheidene dagen doorstond
de zieke deze martelende proef, maar ten laatste,
bijna stervend, smeekte hij P. Antistius, »Ach,
»goede broeder, bij Jezus\' heilige Wonden, bij de
«liefde der Moedermaagd, ik bid u, geef mij eenige
«kruimeltjes brood."
ündertusschen kwamen, bij het vernemen zijner
ziekte van alle kanten ongelukkigen naar het kloos-
ter geloopen, om voor zich of voor anderen gene-
zing van lichaamskwalen af te smeeken. De Heilige,
-ocr page 161-
144
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
afgemarteld door eigen lijden, verwierf voor hen
genezing, maar voor zich vroeg hij God om geen
verlossing, integendeel, hij herhaalde steeds: »Heer,
«brand en kerf mij hier, maar spaar mij in de
«eeuwigheid." De eenige klacht, die men uit zij-
nen mond opving, gold zijne verplegers. Niet dat
hij, gelijk menig, veeleischende, wispelturige kranke,
klaagde over onvoldoende zorg of oplettendheid,
neen, hij klaagde, dat zij hem te liefderijk behan-
delden, hem verplichtten buiten noodzakelijkheid
iets te gebruiken, en hem verboden de beste spij-
zen voor de armen af te zonderen.
Den heldenmoed om zijne pijnen met zulk een
geduld te doorstaan, putte hij in de H. H. Sacra-
menten. Dagelijks sprak hij zijne biecht, en sleepte
zich voort naar de huiskapel om de H. Eucharistie
te ontvangen. Niets kon hem daarvan terughouden.
Medelijdende zielen waarschuwden hem, hij zou
door die krachtsinspanning zijn dood toch niet ver-
haasten. «Broeders," sprak Ludovicus, »de heilige
«Sacramenten der Kerk dooden niet, maar strek-
«ken tot welzijn van ziel en lichaam."
Tegen alle verwachting openbaarde zich in de
lente van 1581 een vleugje van herstel. De Aarts-
bisschop van Valencia, een trouwe vriend en vurige
vereerder des Heiligen, liet hem naar zijn buiten-
verblijf Godeglia vervoeren, waar hij persoonlijk
den kranke verpleegde. Deze vernederende liefde-
dienst bracht Ludovicus in groote verlegenheid,
-ocr page 162-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                    445
maar de vrome Aartsbisschop was niet te bewegen,
om deze verpleging aan anderen af te staan.
Weldadig scheen de buitenlucht op den lijder te
werken, zijne medebroeders vleiden zich met een
langzaam herstel, doch de Heilige gaf menigeen
uitdrukkelijk te kennen, dat hij op den feestdag-
van den H. Dionysius, den 9den October, sterven zou.
Inderdaad, hij stortte weer in, en zag tot zijn
groote vreugde zijn dierbaar klooster weder. De
koorts woedde door al zijne leden; het was, alsof
zijne beenderen verbrijzeld werden. Terwijl hij
eens lag te stenen, en zijne ledematen trilden van
smart, naderde zijn doorluchtige vriend de sponde,
boog zich over den lijder en zeide troostend: »Pater
«Ludovicus, zijt gij niet verheugd, dat God in Zijne
«Barmhartigheid u laat deelen in Zijn lijden, opdat
»gij des te reiner deze wereld verlaat?" — »0,
»zeker Monseigneur," antwoordde de zieke. »Ik zou
»mijne smarten tegen alle goederen der wereld niet
«willen verruilen. Ik bloos van schaamte, als ik
»denk, dat de goede God aan mij, grooten zondaar,
«buiten alle verdiensten, zulke gunsten verleent."
En hij zuchtte met pijnlijken glimlach: «Heer, spaar
«mij niet hier, maar spaar mij in de eeuwigheid."
Langzamerhand naderde de dood zijne lijdens-
sponde; niet als een schrikbeeld, maar als een
reddende engel, wiens komst hij met smart ver-
beidde. Ludovicus telde de dagen, die hem van de
aanschouwing Gods scheidden. Den uden October
10
-ocr page 163-
De H. Ludovicus Bertrandus.
(Ware afbeelding.)
-ocr page 164-
146                   SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
vroeg hij P. Joannes Lescano, welke dag het was
der week. Deze antwoordde: «Vrijdag." — »Op
«welken dag valt het feest van den H. Dionysius ?"
vroeg hij verder. «Op Maandag," was het antwoord.
Toen telde hij met de vingers: «Vrijdag, Zaterdag,
«Zondag, Maandag." Vervolgens zuchtte hij: «O,
«God! nog vier dagen leven! Uw heilige Wil
«geschiede!"
De laatste dagen, die zijn sterven voorafgingen,
lag hij onbewegelijk op zijn ziekbed uitgestrekt,
als ware hij aan geheel de omgeving onttrokken.
Nu en dan verdreef een zoete glimlach de pijnlijke
trekken van zijn bleek, uitgemergeld gelaat, wanneer
hij een blik sloeg op het Kruis, dat hij in zijne
vermagerde vingeren als vastgeklemd hield. Dan
straalden zijne reeds doffe oogen van een heilig
liefdevuur, dan ontsnapten vrome verzuchtingen
aan zijn verstorven lippen. Met eene godsvrucht,
die alle aanwezigen in tranen deed wegsmelten,
ontving hij de laatste H.H. Sacramenten en sterkte
zich met het Brood der Engelen.
Eindelijk was het feest van den H. Dionysius
aangebroken. Tegen tien uur in den morgen wendde
hij zich tot den Aartsbisschop, die zijn sterfbed
niet kon verlaten en murmelde: «Help mij, ik sterf,
«lees het Evangelie en zegen mij". De prelaat las
weenend het Evangelie, en maakte het kruisteeken
op het voorhoofd van zijn vriend. De doodsklok
riep de kloosterlingen te zamen. Allen kwamen
-ocr page 165-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                  147
toegesneld, en, terwijl zij de gebeden der stervenden
baden: «Opdat hij ontslagen van de boeien des
»lichaams tot de glorie des Hemelrijks moge ge-
»raken door onzen Heere Jezus Christus, die met
»den Vader en den H. Geest leeft en heerseht in
»alle eeuwen der eeuwen," werd de ziel des Heiligen
door de Engelen opgevoerd voor den troon van
God. Een schitterend licht straalde op dat plechtig
oogenblik uit den mond des ontslapenen; over zijn
gelaat verspreidde zich een heldere glans; eene
womlerzoete geur vervulde het vertrek; eene hemel-
sche muziek liet zich hooren. Waarlijk, kostbaar
in de oogen des Heeren is de dood Zijner Heiligen !
De H. Overblijfselen van den H. Ludovicus wer-
den het voorwerp eener vrome vereering, en het
bevoorrecht werktuig, waardoor Gods Almacht de
schitterendste wonderen wrocht, want zijn graf was
heerlijk. In 1608 werd de H. Ludovicus Bertrandus
door Paulus V zalig verklaard, in 1671 door
Clemens X plechtig in de rij der Heiligen opge-
nomen, en later door Alexander VIII tot patroon
van Nieuw-Granada
verheven.
-ocr page 166-
w^~v~^v v^v^q?^ ^<u"^u~^v"^_ti?"
DE H. ANTONINUS.
Vergeefsch verzoek van den H. Antoninus om in de Orde
van den H. Dominicus te worden opgenomen. — Noviti-
aat van den Heilige — Stichting vau liet klooster San
Marco te Florence. — Vriendschap tusschen den H. Anto-
ninus en den beroemden schilder Fra Angelico. — Zielen-
ijver van den Heilige; zijne zorg voor de armen en onwe-
tenden. — De Heilige wordt zijns ondanks aartsbisschop
van Florence. — Huiselijk leven in het aartsbisschoppelijk
paleis. — De H. Antoninus ijvert voor de zedelijke ver-
betering van geestelijkheid en volk. — Liefdadigheid van
den Heilige, vooral tijdens pest en hongersnood. — Zijn
gelukzalige dood.
Morence, het paradijs van Italië, doorwasemd
van den balsemgeur der bloemen, doorsne-
den van den Arno-stroom, in welks kris-
tallijnen wateren zij hare koepels en torens,
paleizen en kerken trotsch weerspiegelt,
schitterde tegen het einde der 14de eeuw in steeds
toenemende pracht en heerlijkheid. Torenspits bij
torenspits rees uit het groenende dal ten hemel,
-ocr page 167-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
149
paleis aan paleis schaarde zich langs de verrukke-
lijke boorden, wijder en wijder strekten zich de
stedewallen over de vruchtbare beemden uit. Het
was alsof jeugdige levenskracht door de burgerij
joeg, nu zij, fier op hare bevochten vrijheid, inliet
bewustzijn harer onafhankelijkheid, zich aangordde,
om op het gebied van handel, nijverheid, weten-
schap en kunst onsterfelijke lauweren te plukken.
Tal van kunstenaars bracht zij voort, die met bei-
tel, penseel, graveerstift haren roem verheerlijkten
in monumenten, die tijd en vergetelheid tarten.
Doch al die aardsche luister moest wijken voor
den bovenaardschen glans, waarmede Gods genade
een van Florence\'s edelste zonen omstraalde, den
H. Antoninus, want wat is de aureool der verhe-
venste genieën bij de schitterende kroon der hei-
ligheid ? Een monument, zeker niet minder edel en
onvergankelijk, schiep ook hij door zijne vroomheid
en milddadigheid in de harten van het Florentijn-
sche volk. Welke stormen ook loeiden, welke op-
standen en omwentelingen de Toscaansche repu-
bliek ook beroerden, hoevele geslachten elkander
ook opvolgden, nog spreekt het volk met liefde,
eerbied en geestdrift van den Florentijnschen Heilige
bij uitnemendheid, nog herdenkt het in zegening
zijn goeden, heiligen Antoninus.
Den 8sten dag van Lentemaand des jaars 1390
werd Nicolaas Pierozzi een zoon geboren, die bij
den H. Doop den naam van Antonius ontving. Ni-
-ocr page 168-
150                  SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
colaas Tierozzi behoorde tot den aanzienlijken bur-
gerstand en maakte deel uit van de orde der rech-
ters en geheimschrij vers, een genootschap, dat groo-
ten invloed op de Staatszaken uitoefende. Twee-
maal had hij zelfs het gewichtig prioraat bekleed.
Antonius kenmerkte zich van zijne vroegste jeugd
door eene beminnelijke zachtheid van karakter
en door eene natuurlijke neiging tot de deugd.
Hij was de oogappel zijner ouders, die hem met
gemeenzame hartelijkheid bij voorkeur Antonino
of Tonino, den kleinen Antonius, noemden. De-
zen naam behield hij echter, toen zijne grootte
geen gelijken tred hield met zijne jaren, zelfs
beneden de middelmaat bleef. Doch wat de na-
tuur hem aan lichamelijke ontwikkeling weigerde,
schonk zij hem overvloedig aan geestelijke kracht.
Zijn bevallig gelaat met die fijne, zachtgeteekende
trekken verried wel een tenger en ziekelijk gestel,
maar uit zijn blikken sprak een scherp verstand
en een vastberaden wil. De geest heerschte over
het stof.
Van andere kinderen onderscheidde zich Antoninus
door een ernst boven zijne jaren, door een geest
van afzondering, die hem van de kinderspelen aftrok
en immer God deed zoeken in het gebed. Zijn ver-
maak bestond in het bezoek van \'s Heeren Huis,
in het bijwonen der kerkelijke plechtigheden, in
het aanhooren van Gods Woord. Wanneer hij op
weg naar de school de kerk van den H. Michael
-ocr page 169-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
451
voorbijging, kon hij niet nalaten het heiligdom
binnen te treden en daar in de kapel der Aller-
heiligste Maagd, of aan de voeten van den gekruiston
Jezus een oogenblik in vurig gebed te toeven.
Waarom hij dan smeekte ? Welke genade hij zoo
dringend van God ai vroeg? De overlevering meldt
ons, dat hij den Hemelschen Bruidegom der zielen,
de onbevlekte Moedermaagd bijzonder vroeg om de
teederste en beminnelijkste aller deugden, de maagde-
lijke zuiverheid. Bij de beschouwing van Maria\'s
heerlijkheden, bij het zoet verkeer met den godde-
lijken Heiland, steeg de vrome zucht uit zijn engel-
rein gemoed: Sancta et immaculata virginitas,
quibus te laudibus efferam nescio.
»0, heilige en
«onbevlekte maagdelijkheid, hoe zal ik u naar waarde
«kunnen prijzen." De schoonheid dezer deugd boeide
hem zoo sterk, ontvlamde zoozeer zijn gemoed, dat
hij voor de beeltenis zijner hemelsche Moeder neer-
geknield plechtig de gelofte deed in den maagde-
lijken staat te zullen leven. Tot belooning louterde
het goddelijk liefdevuur zijn hart van alle zinne-
lijke driften; nooit meer gevoelde hij den prikkel
des vleesches. Van de Onze-lieve-Vrouwenkapel
richtte hij zijne schreden naar het Kruisbeeld, waar
de gefolterde Godmensen hem toeriep: »Gij allen,
»die voorbijgaat, ziet of er eene smart is gelijk
»aan de mijne." Diep ontroerd wierp hij zich daar
aan de voeten des Gekruisten neder, gaf zich over
aan de beschouwing van Jezus\' bitter lijden en
-ocr page 170-
452                   SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
smolt in tranen weg. In die vervoering zijner liefde
richtte hij tot den Heiland woorden van mede-
lijden, troost en leedwezen, die op wonderbare wijze
door den lijdenden Godmensch beantwoord werden.
Bij het ruchtbaar worden van dit aangrijpend feit,
werd het mirakuleus Kruis een voorwerp der vrome
volksvereering, en is dit gebleven tot op den hui-
digen dag.
In die tijden werkte een uitgelezen schaar van
heilige mannen, de vrucht van de tranen en oiïers
der H. Catharina van Siena, aan de herstelling der
Orde van den H. Dominicus, die door de zwarte
pest, de aanhoudende oorlogen en de verwarringen,
van het groote Westersche schisma, als door zoo-
vele stormen, geteisterd, bijna een puinhoop gelijk
was. De kloosters waren deels verwoest, deels ont-
volkt; en het klein getal religieuzen, die den ramp-
spoed overleefden, waren tot verslapping der regels,
als het ware, genoodzaakt. Doch daar blies de Geest
Gods over het beenderenveld; er voer leven door het
dorrend gebeente Eene keurbende van kloosterlingen
met levendig geloof, edelmoedig hart en Makenden
ijver, verrees te midden der verwoesting. Raymun-
dus van Capua, de Generaal der Orde, verhief den
ouden krijgsstandaard, hem door de Seraphijnsche
Maagd van Siena ter hand gesteld; en op zijn mach-
tig woord rukten zij aan om onverschrokken den
weg te volgen, weleer door den grooten Ordestichter
aangewezen. Een der beroemdste kampioenen was
-ocr page 171-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
453
de gelukzalige Joannes Dominicus, een man, die
zoo krachtig bijdroeg tot de oplossing van het
schisma en geheel de Christenheid aan zich ver-
plichtte. Omstreeks 4404 nu kwam deze Man Gods,
machtig in woord en werken, te Florence. Het was,
alsof een profeet verscheen in Babyion.
Gebrandmerkt werden de misbruiken in Gods
Kerk; getuchtigd werd de lichtzinnigheid des volks;
tot schande gemaakt de weelde en wellust der
menigte; daarentegen wakkerde hij het smeulend
godsdienstig bewustzijn door zijn brandend liefde-
vuur aan, en bracht het tot vollen gloed. Een ge-
weldige schok ging door het wufte, wereldsche
Florence. Vele jongelieden verzaakten aan een
toekomst van eer, grootheid en genoegen, om zich
onder de leiding des boetepredikers te stellen. An-
toninus woonde ook met klimmende bewondering
en steeds vuriger geestdrift de bezielde preken des
groote apostels bij; ook in zijn hart ontwaakte een
onweerstaanbaar verlangen om de wereld te ver-
laten en God te gaan dienen. Nauwelijks had hij
dan ook vernomen, dat te Fiesole een klooster zou
worden gesticht, dat door strenge regeltucht an-
deren tot voorbeeld moest strekken, of zijn plan
was gemaakt: derwaarts zou hij zijne schreden
richten.
Weldra zien wij Antoninus zijn vaderstad ver-
laten en den grooten weg opgaan, die naar het
naburig Fiesole leidt. Alvorens deze kleine stad te
-ocr page 172-
154                   SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
bereiken, die op een heuveltop, omringd door groe-
nende boschages, zich zacht tegen den blauwen
hemel afteekent, ontmoet hij rechts van den liefe-
lijken weg een uitgestrekt gebouw, dat nog niet
geheel voltooid schijnt. Dat is de stichting van
Joannes Dominici, het nieuwe klooster, de toe-
komstige verblijfplaats van heiligheid, wetenschap
en kunst. Hij klopt aan de kloosterpoort; de god-
vrcezende Prior doet open; de jongeling deelt hem
het doel zijner komst mede. Reeds bij de eerste
kennismaking gevoelt de kloosterling een bijzondere
genegenheid voor Antoninus, een genegenheid, die
steeds grooter wordt, naarmate de jongeling de
schatten van geest en hart meer openbaart.
Als zijn zoon had hij hem willen aannemen, maar
met weemoed ziet hij, in welk een tenger lichaam
die schoone ziel gehuisvest is. Hoe zou hij vasten,
onthouding, nachtwaken, versterving, een streng
leven kunnen doorstaan? En toch, dit was een
strenge eisch. Wilde hij niet een klooster stichten,
waar de regeltucht nauwkeurig onderhouden werd ?
De stem des harten moest zwijgen voor de stem
van den plicht Hoe zwaar het ook viel, het ver-
zoek werd afgeslagen. Doch Antoninus hield aan.
Daar zag de religieus, dat de jongeling een lijvig
boek onder den arm droeg. »Wat is dat voor een
»boek?" vroeg hij. »Dat is een boek van het
«kerkelijk recht, het decreet van Gratianus,"
antwoordde de jongeling. »Hoor eens," zeide de
-ocr page 173-
455
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
kloosterling half schertsend. »Ik weet raad."
«Leer het van buiten, en zoodra gij liet kunt op-
azeggen, zal ik uw verlangen inwilligen." Met
deze woorden wilde de Prior hem vriendelijk af-
wijzen; Antoninus vatte dit echter zoo niet op, en
zeide schalks glimlachend: »Tot ziens!"
Binnen een jaar meldde hij zich weder aan het
klooster rnet de mededeeling, dat aan de voorwaarde
des Priors voldaan was. P. Joannes Dominici was
verwonderd den jongeling weer te zien, maar zijne
verbazing steeg, toen deze hem het lijvig boek ter
ondervraging aanbood. Ter loops deed hij eenige
vragen, doch wat hij ook vroeg, onmiddellijk ont-
ving hij het antwoord weder, letterlijk, in dezelfde
vaak langdradige rechtstermen. De Prior moest
hier eene zeldzame wilskracht, een wondertrouw
geheugen, een scherp verstand erkennen. Hij aar-
zelde niet langer; hij bezat te veel menschenkennis
om zich hier te vergissen; hij gaf zich gewonnen.
»Kom terug," zeide hij, »op het feest van den
»H. Dominicus, wanneer onze kerk geconsacreerd
»wordt, dan zult gij het ordekleed ontvangen."
Den 4den Augustus 1405 schonk de gelukzalige
Joannes Dominici aan Antoninus en nog drie jonge-
lingen het gewaad der Orde. Onmiddellijk na zijne
kleeding vertrok de jeugdige Dominicaan naar het
klooster van Cortona, waar het novitiaat gevestigd
was. Daar trof hij in P. Laurentius de Ripafratta
een geestelijken leidsman, die door den Geest Gods
-ocr page 174-
156
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
werd verlicht. Treffend is de schets, die hij van
dezen eerbiedwaardigen religieus, later de eer der
altaren waardig gekeurd, in een zijner brieven geeft.
«Niemand was grooter minnaar der armoede, grooter
»versmader dezer wereld, zoo ijverig bij het dage-
»lijksch gebed in den nachtelijken koordienst, zoo
«godvruchtig bij het opdragen der H. Mis Voor
«anderen inschikkelijk en zacht, was hij voor zich-
»zelven gestreng, zeer geduldig bij rampspoed en
«langdurige lichaamssmart. Hij was een schat-
«kamer der gewijde wetenschap, een redenaar, niet
„spitsvondig, maar bondig en rijk, een biechtvader,
«onovertroffen in ijver. Niemand liet hij ongetroost
«heengaan; menigeen bracht hij door zijn liefderijk
«woord tot inkeer. Hij was een toonbeeld van
«heiligheid, een spiegel van reinheid, een groot
«vriend en onderhouder der kloostertucht, een zoon
«der gehoorzaamheid, een kind van ootmoed, be-
«mind bij God en de menschen." In zulk een
school moest Antoninus, wiens hart voor het goed
zoo ontvankelijk was, noodzakelijk vorderen in de
volmaaktheid. Hij had slechts de voetstappen te
drukken zijns meesters. Daarbij werd zijn ijver
niet weinig geprikkeld door het voorbeeld zijner
mede-novicen, waaronder de gelukzalige Petrus van
Tiferno, Fra Angelico en anderen, die door hunne
heiligheid uitblonken. Schoon lag Cortona als een
lusthof door bergen afgesloten en zich badend in
het zonnelicht, maar nog schooner was de lusthof
-ocr page 175-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN,                   157
dezer edele zielen, door Gods genadelicht zoo over-
vloedig bestraald.
Na een jaar onder de leiding van pater Laurentius
in het geestelijk leven te zijn geoefend, legde hij
de plechtige geloften af en keerde naar Fiesole
terug om met de hoogere studiën te beginnen.
P. Joannes Dominici was er in geslaagd eene
theologische school in het nieuwe klooster te ves-
tigen en aldus de strenge regeltucht met nauwge-
zette studie te vereenigen; gebed en studie moesten
samengaan. Men kan zich voorstellen, met welk
een ijver de Heilige zich op de gewijde weten-
schappen toelegde; hoe de meerdere kennis van God
zijn hart in vuriger liefde tot God ontvlamde, en
wederkeerig de liefde tot God zijn dorst naar
hemelsche kennis prikkelde. Met alle kracht streefde
hij naar het ideaal, dat ook de II. Dumiuicus zich
had voorgesteld: de volmaakte beoefening der evan-
gelische raden, vereenigd met wetenschap en zie-
lenijver.
Toen hij zijne studiën had voltooid en de priester-
lijke waardigheid ontvangen, was de roep zijner
heiligheid, wetenschap en voorzichtigheid reeds zoo
verspreid, dat verschillende kloosters om strijd hem
tot prior kozen. Gaarne had hij zich aan die waar-
digheid onttrokken, want eerbejag was hem vreemd,
maar de wil der Oversten en plichtbesef gaven den
doorslag. Achtereenvolgens werd hij prior in de
kloosters te Rome, Napels, Gaeta, Siena, Fabriano,
-ocr page 176-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
158
Cortona en Fiesole. Aan het bekleeden dier waar-
digheid waren, vooral in dien tijd, tal van bezwa-
ren verbonden. Het was de wil van den Generaal-
overste, dat alle religieuzen weder tot de oorspron-
kelijke, strenge levenswijze zouden terugkeeren; dit
te bevorderen, daartoe mede te werken, was de
uitdrukkelijke taak des priors. Doch met hoeveel
moeilijkheden had zulk een kloosterhervormer niet
te kampen? Hier stuitte hij op verklaarden onwil,
op een halsstarrig vastklemmen aan overgeleverde
misbruiken; daar moest hij zwakheid, vooroordeel,
onwetendheid ontzien; elders zich voorbereiden op
bedekte tegenwerking, laster en ondank. Nu eens
was onbegrijpelijke zachtmoedigheid, dan weder
vastberaden strengheid voorgeschreven. Al deze
moeilijkheden wist Antoninus, ondanks zijn jeug-
digen leeftijd, door goedheid en beleid te overwin-
nen; hij veroverde aller harten en verwierf zich
aller vertrouwen. Wat hij zijn medebroeders op-
legde, beoefende hij eerst zelf; en draalde men-
schelijke zwakheid om zijn voetspoor te volgen, dan
was hij inschikkelijk, waardeerde den goeden wil
en stelde, waar hij het beste niet kon verkrijgen,
zich tevreden met het betere.
Als prior te Fiesole legde hij den grondslag voor
het beroemde Predikheerenklooster San Marco te
Florence, waarvan hij tevens de eerste overste werd.
Deze stichting hadden de religieuzen hoofdzakelijk
te danken aan Cosmas de Medicis, een vriend en
-ocr page 177-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                   159
vereerder van den H. Antoninus, en aan het her-
haald verzoek der Florentijnen, die aan het kleine
Fiesole zijne bloeiende kloostergemeente benijddei^.
Na langdurige onderhandeling met de kerkelijke
overheid, verwierf de magistraat in 1436 van Eu-
genius IV een decreet, waarbij de Silvestrijnen,
wier getal aanmerkelijk geslonken en voor den
kerkelij ken dienst niet meer toereikend was, hun
klooster San Marco zouden verlaten en overdragen
aan de Dominicanen van Fiesole. In hetzelfde jaar
namen de nieuwe bewoners het klooster plechtig in
bezit. Op verlangen des Pausen, die zich toen te
Florence bevond, moest deze intrede zeer luister-
rijk zijn. De stafdragers der Republiek openden den
feestelijken stoet, daarna kwamen de kloosterlingen
onder geestelijk gezang, vaak overstemd door de
toejuiching des volks, en vervolgens drie pauselijke
legaten in groot ornaat met talrijk gevolg. Het
oude klooster, somber als eene gevangenis beant-
woordde echter weinig aan deze feestelijke stem-
ming; het was vervallen, uitgewoond en had
\'t vorige jaar door een brand veel geleden. De zoo
statig binnengeleide bewoners vonden nauwelijks
huisvesting en waren zoo kwalijk tegen regen en
wind beschut, dat een groot gedeelte krank werd.
Doch deze ellende zou van korten duur zijn. Cos-
mas de Medicis had met vorstelijke mildheid
besloten het klooster te herbouwen: en welhaast
begaf zich zijn bouwmeester Michelozzi naar
-ocr page 178-
160                  SINT DOMINICUS\' BLOEMEN.
San Marco met de noodige plannen. Gewoon
paleizen en lustverblijven voor den prachtlievenden
Cosmas te bouwen, vrij kunnende beschikken
over de onmetelijke schatten zijns meesters, had
hij een grootsch plan ontworpen voor een uit-
gestrekt, geriefelijk, monumentaal klooster, dat
voorzeker de toejuiching van zijn vermogenden last-
gever en van de kunstlievende Florentijnen ver-
werven zou. Maar onverzettelijken tegenstand vond
hij bij den prior, den H. Antoninus. De Heilige
keurde niet alleen alles af, maar was ter nauwer-
nood zijne verontwaardiging meester. Hij zelf ont-
wierp een plan, bepaalde de maat en waakte over
de uitvoering, uit vrees dat zijn vrijgevige wei-
doener zijne voorschriften heimelijk zou ontduiken
door het vergrootcn der afmeting of het aanbrengen
van overtollig sieraad. Zijne liefde tot eenvoud en
armoede had een zwaren kamp te voeren tegen
de vorstelijke vrijgevigheid en de eischen van vriend-
schap en dankbaarheid; ten laatste liet hij toe, dat
de lokalen ten algemeenen nutte: de kerk, de ka-
pittelzaal, de refter, de bibliotheek wat ruimer en
fraaier werden opgetrokken, maar van het plan
der cellen mocht geen duimbreed worden afge-
weken. Deze kamertjes zijn dan ook nauwelijks be-
woonbaar. Laaggewelfd en bekrompen, ontvangen
zij spaarzaam licht door openingen, die men den
weidschen naam van vensters geven kan, maar eer-
der aan schietgaten doen denken. De bouw des
-ocr page 179-
Klooster van San Marco te Florence.
-ocr page 180-
461
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
kloosters in 1437 begonnen, werd voltooid in 1443,
terwijl de kerk reeds den Oden Januari 1442 door
paus Eugenius plechtig was ingewijd.
Hoe eenvoudig, armoedig, doodsch het klooster
ook was, toch zouden die zwijgende muren door het
machtig woord der kunst beginnen te spreken
van God.
In het novitiaat had Antoninus een jeugdigen land-
genoot aangetroffen: Guidolino van Vicchio, die met
het kloostergewaad den naam van Fra Giovanni
ontvangen had, maar in de gedenkboeken der
schilderkunst met gulden letteren als Fra Angelico
staat opgeteekend. Engelachtiger natuur was niet
denkbaar; hij scheen, als het ware, strijkelings over
de wereld te zweven, en meer in den Hemel dan
op de aarde te verkeefen. Tusschen beide vrome
religieuzen was weldra eene heilige vriendschap
ontstaan; zij brandden van dezelfde liefde tot God
en streefden naar hetzelfde ideaal: zielen te win-
nen voor God. Wat zij in de overpeinzing van Gods
verborgenheden hadden aanschouwd, zouden zij aan
het volk Gods vertolken, Antoninus door zijn wei-
sprekend woord, Fra Angelico door zijn weergaloos
penseel.
Fra Angelico kwam in San Marco; zijn schil-
dersgenie herschiep het klooster in een Paradijs.
Langs de muren der kloostergangen, der zalen, ja
zelfs der cellen, ontrolt zich eene reeks van heilige
gestalten en hemelsche tafereelen, die den onver-
11
-ocr page 181-
162                   SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
schilligsten toeschouwer bewondering afpersen en
in verrukking brengen. Welk een rijkdom van
kleurschakeering, welke sierlijk golvende gewaden,
maar bovenal, welke hartaangrijpende, verheven
figuren! Zóó moet de kunstenaar zijne scheppingen
in hemelsche visioenen aanschouwd hebben, om ze
zoo waardig, zoo vergeestelijkt, zoo hemelsch te
hebben kunnen weergeven... De kloosterschildering
is eene doorloopende, treffende overweging; alles
ademt een levendig geloof, een diepgevoeld mede-
lijden, eene teedere godsvrucht.
Terwijl Fra Angelico zich beijverde door penseel
en palet de stoffelijke menschen op te voeren
tot een hooger leven, het verblijf der Zaligen,
trachtte Antoninus door prediken, biechthooren,
raadgevingen, de zielen aan het aardsche te ont-
rukken en den weg ten Hemel te wijzen. Niemand
verliet hem ongetroost. Volgens het woord des
Apostels, dat de genadegaven des Heiligen Geestes
gegeven zijn ten algemeenen nutte, stelde Antoninus,
die de wijsheid en de kennis, voor een geestelijken
raadsman onontbeerlijk, in de hoogste mate bezat,
zich geheel ten dienste van den evenmensch. Geen
wonder, dat men allengs van alle kanten naar
San Marco stroomde, om een onderhoud met den
Prior, die in den mond des volks «Antoninus de
raadgever" genoemd werd. Met de neteligste zaken,
met ingewikkelde rechtsvragen en twistpunten kwam
men aan zijne cel; en het was inderdaad stichtend
-ocr page 182-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
163
om te zien, hoe de goedhartige Prior met engel-
achtig geduld allen te woord stond, armen en rij-
ken, zonder iemand af te wijzen. Met één enkel
woord ruimde hij vaak doornige moeilijkheden uit
den weg, bevredigde twistende partijen en bracht
den haat tot zwijgen. Vooral koesterde hij mede-
lijden jegens de ongelukkige zielen, die door ge-
wetensangst werden gekweld. Met zachtheid, maar
beslist, voerde hij ze op den veiligen weg terug en
herstelde den vrede des harten.
De wijsheid van San Marco\'s Prior blonk vooral
uit in 1439, toen Eugenius IV het algemeen Con-
cilie van Ferrara naar Florence verlegde. De her-
eeniging van de Grieksche met de Latijnsche Kerk
was, zooals men weet, het doel dezer indrukwek-
kende vergadering. Om hierin te slagen had de
Paus de voornaamste godgeleerden der Westersche
Kerk ontboden; onder dezen ook Antoninus. Boven-
dien ontving de waardige Prior een pauselijk
schrijven, om in zijn klooster de godgeleerden zijner
Orde te vereenigen, ten einde in afzonderlijke
bijeenkomsten de gewichtige vraagstukken te be-
handelen en te verklaren. Mannen, uitstekend door
vroomheid en geleerdheid, zooals de gelukzalige
Petrus van Palermo, Joannes de Montenegro, Joannes
de Torquemada, Dominicus de Corella, en zoovele
anderen, wier namen de Kerk dankbaar herdenkt,
vereenigden zich rondom den minzamen klooster-
voogd, die steeds het woord des Heeren gedachtig
-ocr page 183-
464                  SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
bleef: »Wie onder u de eerste wil zijn, die zal uw
«dienstknecht zijn."
Welk eene vreugde vervulde zijn apostolisch hart,
toen het gewichtig werk, waaraan hij zoo kracht-
dadig had medegearbeid, met den schitterendsten
uitslag werd bekroond, toen den Oden Juli de klokken
der Florentijnsche kathedraal alle deelgenooten van
het Concilie tempelwaarts riepen, om de zoolang
afgebeden hereeniging bij te wonen. Daar zag men
eenerzijds den Griekschen Keizer, den Patriarch
van Constantinopel met tal van Oostersche Bis-
schoppen; anderzijds den Paus met zijne Kardinalen,
Bisschoppen en Prelaten; heide Kerken, thans niet
meer gescheiden, maar één in het geloof, één in de
liefde. Vreugdetranen ontsprongen aller oogen,
juichkreten ontsnapten aller borst, bij de afkon-
diging dier gedenkwaardige akte: «Juicht hemelen!
»Aarde, spring op van vreugde, want gevallen is
»de scheidsmuur tusschen het Oosten en het Westen,
«hersteld de vrede en de eendracht op den hoek-
»steen, Jezus Christus."
Na den afloop van het Concilie overwoog Antoni-
nus met zijne medebroeders, hoe zij met den besten
en zekersten uitslag aan het zielenheil van het
Toskaansche volk konden arbeiden. Hij was over-
tuigd, dat er geen diepingrijpende verbetering des
volks kon gehoopt worden, dan door godsdienstig
volksonderricht. Dat was de hun aangewezen weg.
En zoo verliet op zekeren dag de gelukzalige Con-
-ocr page 184-
165
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
stantius da Fabriano met eenige paters en eene
schaar jeugdige ordebroeders het klooster, om in
de steden, vlekken en dorpen van Toscane het
Evangelie te gaan verkondigen. Hun Evangelie was
in waarheid een Evangelie des vredes; overal ver-
klaarden zij de geloofswaarheden, brachten zon-
daars tot inkeer en doofden twist en tweedracht
onder het landvolk.
Het apostolaat te Florence had Antoninus zich-
zelven voorbehouden. Aan pogingen om het gods-
dienstig leven in deze wereldsche stad op te wek-
ken, had het wel niet ontbroken, maar zij waren
niet krachtig, niet volhardend geweest. Er hadden
zich, op aansporing van een vromen Benedictijn,
vereenigingen gevormd van godsdienstige mannen,
die ieder in een aangewezen wijk der stad des
Zondags aan de jongelingen godsdienstonderricht
gaven. Het plan verdiende toejuiching, maar bij
gebrek aan een verstandig en voorzichtig bestuur,
kwijnde de instelling weg. Dit nam een keer, toen
Antoninus zich aan het hoofd stelde. Zijn woord
was zoo bevattelijk, zijne goedhartigheid zoo aan-
trekkelijk, dat hij al onderrichtende zijne vrij licht-
zinnige toehoorders wist te boeien en mee te sleepen.
Weldra kwamen ook ouderen van dagen toege-
stroomd, gretig naar het geestelijk brood, dat hij
voor de kleinen gebroken had.
Nieuw leven schonk hij ook aan eene andere
vrome broederschap, weleer door den gelukzaligen
-ocr page 185-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
160
Carlo dei Conti gesticht, namelijk de nachtwaken
voor het Allerheiligste Sacrament. Op de Zater-
dagen en de Vigiliën der feesten kwamen de leden
der broederschap in hunne kerk bijeen en brachten
daar op het voorbeeld der eerste Christenen, den
nacht door in gebed, zang, aanbidding en over-
weging. Antoninus was de ziel dezer vrome bij een-
komsten. Zijn vurig, apostolisch woord, dat, gesteund
door zijn verheven voorbeeld en zijn streng leven,
reeds zoo geschikt was om de ongevoeligste toe-
hoorders te treffen, werd vooral dan onwederstaan-
baar, wanneer hij in die plechtige oogenblikken het
volk sprak van Jezus\' Liefde in dit hoogheilig Ge-
heim; dan stortte hij het vuur, waarvan zijn boe-
zem gloeide, in de harten des volks over, dan wierpen
allen in aanbidding zich voor Gods Majesteit neder,
of loofden in geestdrift Sion\'s Redder, Aanvoerder
en Herder.
Doch een duurzaam monument, dat reeds vier
eeuwen tart, stichtte zijn liefdadig hart in de ver-
eeniging der verzorgers voor de zich schamende
armen, ook genaamd: »vereeniging der goede lieden
»van Sint-Maarten."
In den burgerkrijg, waardoor Cosm is de Medicis
zich van Florence had meester gemaakt, waren
vele adellijke familiën, die zich tegen zijne heerschap-
pij hadden verzet, tot den bedelstaf gebracht. De
toestand dezer ongelukkigen was diepbetreurens-
waardig. Beroofd van hunne goederen, uitgesloten
-ocr page 186-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                  167
van alle openbare betrekkingen, leden zij het nijpendst
gebrek, zoo mogelijk nog vergroot door de zorg om
hunne armoede voor de medeburgers te verbergen
en hun stand op te houden. Den overwinnaar,
die hunne schatten verspilde, een aalmoes vragen,
dit zou strijden tegen alle eergevoel. Deze stille ar-
men nu wekten bijzonder Antoninus\' medelijden
op. In dien nood moest voorzien worden. In 1441,
nadat hij zijn plan rijpelijk had overwogen, riep hij
twaalf eerzame burgers in het klooster bijeen en schil-
derde hun met zoo levendige kleuren den ramp-
zaligen toestand dezer ongelukkigen, dat allen tot
tranen toe bewogen werden en zich aanboden om
tot den onderstand dezer armen bij te dragen. De
Heilige legde hun zijn plannen bloot. Hij had de
stad in zes wijken verdeeld, over elke wijk stonden
twee armverzorgers, die, zoo noodig, nog zes mede •
helpers konden benoemen. Vervolgens las hij ver-
schillende bepalingen voor omtrent het armbestuur,
de plichten der armbezoekers, het inzamelen der
aalmoezen, het beheer en de aanwending der gel-
den. Voor de geestelijke nooden der armen stelde
hij, ook voor de toekomst, de kloosterlingen van
San Marco beschikbaar. Al deze verordeningen,
waarin menschenkennis en praktische zin doorstra-
len, wonnen den bijval aller aanwezigen. De broe-
derschap werd opgericht; zij viel in den geest der
liefdadige burgers, zooals de milde aalmoezen ge-
tuigden. Dat zij op degelijke grondslagen rustte,
-ocr page 187-
168                  SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
blijkt wel hieruit, dat in de 17de en 18de eeuw vele
armbesturen, vooral in Frankrijk, naar dit voor-
beeld werden ingericht. Niet minder welsprekend
getuigt dit de vorstelijke gift, die zij sinds vier
eeuwen jaarlijks aan de armen kan uitkeeren. Met
recht heeft dan ook het Florentijnsche volk vóór
eenige jaren den stichter dezer liefdadige instelling,
den Vader der armen, een fraai standbeeld opge-
richt.
Terwijl Antoninus zich met alle kracht aan het
apostolaat onder de burgerij wijdde, stierf Bartho-
lomeus Zabarella, aartsbisschop van Florence. Bij
verschillende personen sprak de begeerte naar den
politieken invloed, de hooge waardigheid, het weel-
derig verblijf en het rijk inkomen, die aan dezen
bisschopszetel verbonden waren, luider dan de vrees
voor de verheven bediening, de zware verantwoor-
ding en de drukkende geestelijke zorgen. Zij vroe-
gen zich niet af, aan welke gevaren zij zichzelven
en zoovele zielen gingen blootstellen, maar zochten
langs open en bedekte wegen de voorspraak van
invloedrijke prelaten bij den Paus te verwerven.
Zulk een drang werd er van vele zijden op het
pauselijk Hof uitgeoefend, dat Eugenius IV niet
wist, hoe zich uit dien neteligen toestand te redden.
Negen maanden verliepen, en nog had de Opper-
priester geen besluit kunnen nemen; hij kon geen
man vinden, wien hij dien gewichtigen zetel met
gerust hart kon toevertrouwen.
-ocr page 188-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                    169
Men zegt, dat Fra Angelico, die destijds het Va-
ticaan met zijne wonderschoone muurschilderingen
opluisterde, den Paus aanried den Prior van San
Marco tot den aartsbisschoppelijk en zetel van Flo-
rence te verheffen. Zoo dit waar is, heeft hij zijn
ouden vriend nooit grooter verdriet kunnen be-
rokkenen. De IL \'Antoninus werd benoemd. Nau-
welijks verspreidde zich dit gerucht te Florence,
of geheel de burgerij juichte van vreugde; zij
wenschte zich geluk met de benoeming van een
medeburger, die wel niet door hooge afkomst en
grooten rijkdom, maar des te meer door den glans
zijner deugden schitterde.
Antoninus was afwezig. Als vicaris-generaal hield
hij een canoniek bezoek in de kloosters van Tos-
cane. Verrast door die ongelukstijding, besloot hij
onmiddelijk te vluchten, naar het eiland Sardinië
de wijk te nemen en zich daar zoolang schuil te
houden, totdat de Paus door een tweede keus in
den bisschopszetel zou hebben voorzien. Doch zijn
plan werd verijdeld. Een zijner neven achterhaalde
hem, en reikte hem het bevelschrift over. De Heilige
besloot nu terug te keeren, maar zond tegelijk de
dringendste smeekbrieven tot de Romeinsche pre-
laten en tot zijne vrienden te Florence, opdat zij
den dreigenden slag zouden keeren. Zelfs schreef
hij een ootmoedigen brief tot den Paus, en bad
hem nadrukkelijk om op de benoeming terug te
komen. Niets baatte. De Florentijnen drongen bij
-ocr page 189-
470                  SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
den Opperpriester aan om deze waardige keuze te
bekrachtigen; zijne vrienden en vereerders zagen
in deze benoeming den vinger Gods; paus Eugenius
gebood hem onder bedreiging met kerkelijke straf
de waardigheid te aanvaarden. »Nooit," zeide deze
Paus, »heb ik iemand onder straffe van excommu-
«nicatie de bisschoppelijke waardigheid moeten op-
»leggen, behalve den Aartsbisschop van Florence,
»die, zooals ik wist, niet anders te bewegen ware
»geweest."
Diep bedroefd, als had een groot ongeluk hem
getroffen, kwam Antoninus in alle stilte in het
klooster te Fiesole weder, waar hij weleer in de
eenzaamheid, gelijk Maria aan de voeten van Jezus,
zooveel geestelijke geneugten gesmaakt had. Met
weemoed dacht hij aan die gelukkige, vreedzame
jaren; en zijn hart kromp in een van angst bij de
gedachte aan de zorgbarende toekomst. De gehoor-
zaamheid maakte echter aan alle tegenwerpingen
een einde; hij onderwierp zich, maar niet zonder
in tegenwoordigheid zijner medebroeders plechtig
te hebben verzekerd: »God, die harten en nieren
«doorgrondt, is mij getuige, dat ik nooit zulk eene
«waardigheid heb begeerd, en dat mijn wil alleen
«buigt voor den Wil van God en de geboden
«zijner Kerk."
Na de bisschoppelijke wijding te Fiesole ontvan-
gen te hebben, verliet hij in den vroegen morgen
van den 43den Maart 1446 het klooster, en begaf
-ocr page 190-
SINT POMINICUS\' BLOEMEN.                   471
zich, vergezeld van zijne ordebroeders naar de kerk
van San Gallo, dat onder de muren van Florence
lag. Daar kwamen de geestelijkheid en de gouver-
nementsleden der Etrurische hoofdstad den Kerk-
voogd plechtig afhalen Het was een schitterende
ruiterstoet. Betooverend wierp de zon haar gouden
stralen over de blinkende harnassen, flikkerende
lansen en zwaarden, en verhoogde den glans en den
gloed der zijden, damasten, fluweelen gewaden. De
menigte verdrong zich in de straten; de huizen
waren met kostbare tapijten en festoenen versierd,
maar hij, wien al deze eer, al dat uitbundig gejuich
gold, had geweigerd een voet in den stijgbeugel te
zetten, hij ging, bitter weenend, te voet in het
armst habijt, dat hij bezat. Op het Borgo, een der
voornaamste pleinen, ontschoeide zich de Aarts-
bisschop en vervolgde barrevoets zijnen weg. Bij
dit gezicht, bij die scherpe tegenstelling, dien
koninklijken luister tegenover die schamele armoede,
geraakte het volk in de hoogste \'geestdrift. Het
viel hem te voet, kuste zijne handen en riep op-
getogen uit: «Ziedaar een Heilige, een Engel des
»Hemels!"
Zoo hield Antoninus zijne intrede in zijne bisschops-
stad, zoo nam hij in de kathedraal bezit van
zijnen zetel.
Als aartsbisschop moest de Heilige een prachtig
paleis betrekken, maar hoe stuitte het den vromen
kloosterling, die de armoede tot zijne bruid, zijne
-ocr page 191-
172                  SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
levensgezellin gekozen had, zich hier overal om-
ringd te zien van alles, wat weelde en gerieflijk-
heid slechts kon uitdenken. Het was hem een
ergernis overal te moeten staren op de kostbaarste
meesterstukken van marmer en edel metaal, geen
vertrek te kunnen betreden, waar kunst en smaak
niet over schatten gouds beschikt hadden. Dat
moest veranderen, en wel zoo spoedig mogelijk.
Binnen weinige dagen had dat woelige paleis met
zijn marmeren trappen en weelderige zalen eenige
gelijkenis gekregen van een klooster. Alle rijkdom
was verdwenen; tapijten, kunststukken, kostbare
snuisterijen, fijngedreven vaatwerk waren zorgvul-
dig verwijderd. De ruime zalen van het uitgestrekte
paleis konden hem niet bekoren; hij had zich eene
cel laten bouwen in den bekenden stijl van San
Marco, eene cel, ruim genoeg voor een tafel, een
bed en een stoel. Zijne hofhouding bestond uit zes
personen, waaronder steeds een ordebroeder. Zij
werden ruim bezoldigd, maar mochten, om allen
schijn van winstbejag of simonie te vermijden, van
niemand eenige gift aannemen.
Zooveel mogelijk trachtte Antoninus als klooster-
ling te leven; de wetten der Orde waren hem
heilig. Ofschoon leeftijd, ambtsbezigheden, veelvul-
dige krankheden hem van de onderhouding der
religieuze vastenwetten ontsloegen, wilde hij toch
van geene verzachting weten. Des Vrijdags ontzegde
hij zich alle gebruik van zuivel en eieren. Wat
-ocr page 192-
473
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
overigens opgediend werd, ging" bijna ongebruikt
heen. want de Heilige scheen meer zich aan tafel
te zetten om den geest te voeden met de stichtende
lezing, dan wel om zijne lichaamskrachten te ver-
sterken. Noodeloos was het smakelijker of fijner
gerechten te bereiden; zijn smaak was zoo verstor-
ven, dat hij geen voorkeur van spijzen kende;
daarbij mochten, volgens zijn uitdrukkelijken wil,
geene andere spijzen worden voorgezet, dan die
men den armen aan de poort van het paleis ver-
strekte.
In zijne kleeding had hij niets veranderd. Wie
hem niet kende, zou meenen een eenvoudigen reli-
gieus te zien. Ook de boete-oefeningen des kloosters
had hij niet nagelaten. Zijn tenger lichaam kromp
vaak ineen onder de geeselslagen. terwijl zijne
lendenen steeds omkneld waren door een ijzeren
keten.
Een groot gedeelte van den dag, en ook van den
nacht, bracht hij in het gebed door. Na eene korte
rust stond hij verheugd op, want de uren van zalig-
heid waren aangebroken; hij mocht zich rustig en
stil gaan onderhouden met zijn God en Zaligmaker.
Dan geraakte hij in geestvervoering; een hemelsch
licht omstraalde zijn opgetogen gelaat, en meer-
malen zagen zijne dienaren hem eenige ellen boven
den grond zweven. Ook onder zijne overstelpende
bezigheden verhief hij dikwijls zijn hart tot God.
«Onder al die wereldsche zorgen en verstrooiingen,"
-ocr page 193-
174
SINT-DOMINICUS BLOEMEN.
zeide hij, «kunnen wij onze ziel niet in vrede be-
«waren, zoo wij in ons hart geen hoekje vrijhou-
»den, waar de drukte der zaken en de angst der
»zorgen niet kunnen doordringen." Een zijner geeste-
lijken ried hem aan, wat minder tijd aan het ge-
bed te besteden. »Goede vriend," zeide de Bisschop,
»nooit zou ik den zwaren last der bisschoppelijke
«waardigheid kunnen dragen, als ik die rustplaats
»niet had," hier wees hij naar zijne bidkapel.
Het verstorven, afgezonderd leven verhinderde An-
toninus niet om al zijne zorg aan de belangen van
een bisdom te wijden, dat destijds in een beklagens-
waardigen toestand verkeerde. Door de aanhoudende
oorlogen, de verwoede partijschappen, de verwarrin-
gen van het schisma had de tucht onder de geeste-
lijkheid veel geleden. Waren de religieuze Orden,
ofschoon door hare regels meer beveiligd, ver van
den eersten ijver afgeweken, nog meer liet bij de
wereldlijke geestelijkheid de tucht te wenschen over.
Weelde, gemakzucht, werkeloosheid waren overal
binnengeslopen; en een krachtige hand was er noodig
om den stroom te keeren, die priesters en leeken ten
verderve voerde. Antoninus was dus hier de rechte
man op de rechte plaats. Moed bezat hij in de
hoogste mate, want hij werd verslonden door den
ijver voor \'sHeeren Huis; recht, want wat hij an-
deren oplegde, beoefende hij zelf zoo volmaakt mo-
gelijk. Door zelf een voorbeeld te geven van een
uiterst verstorven leven, kan hij ook anderen tot
-ocr page 194-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                   175
versterving, tot verbetering des levens aanmanen.
Doch hij liet het niet bij ernstige vermaningen;
somtijds gaf hij door daden eene gevoelige, lang-
heugende berisping.
Zijden gewaden, veelkleurige kleedingstukken,
opzichtelijke haartooi had hij den geestelijken ver-
boden; stemmig, in zwarte toog moesten zij op-
treden. Ondanks dit voorschrift zag hij bij eene
plechtige gelegenheid een priester, die op wereldsche
wijze zijn haar had opgemaakt. De Bisschop riep
hem tot zich, verweet hem zijne verwijfde ijdelheid
en beroofde hem met de schaar van zijne gekrulde,
doorgeurde lokken. De arme man stond verslagen
en wist niet, waar hij uit schaamte zich bergen
zou. »Mijn zoon, laat af die ijdelheid," zeide de
Bisschop op hartelijken toon, «wees voortaan een
»goed priester." De harde les droeg vruchten, voort-
aan was hij een toonbeeld van streng priesterlijke
zeden.
De Heilige was gewoon* de nachtgetijden niet
zijne huisgeestelijken in het aartsbisschoppelijk
paleis te bidden, terwijl de kanunniken hunne
kerkelijke gebeden in de kathedraal verricht-
ten. Nu was hem, omstreeks het jaar 1455
ter oore gekomen, dat zij nalatig waren in hun
koorgebed en des nachts dikwijls ontbraken. On-
geacht zijn vijf-en-zestigjarigen leeftijd en zijn zie-
kelijk gestel, begaf zich de Kerkvoogd voortaan el-
ken nacht naar de kerk om bij het koorgebed voor
-ocr page 195-
470                   SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
te zitten. Hoe guur en bar het jaargetijde ook
wezen mocht, niets kon hem weerhouden. »Eens,
»in een winternacht," zoo verhaalt zijn secretaris
Castiglione, »toen onze Bisschop, reeds zeven-en-
»zestig jaar oud, zich wederom naar de kathedraal
»wilde begeven, stormde het geweldig en viel er
»een zware stortregen. Ik stelde den zwakken grijs-
»aard voor, deze keer tehuis te blijven. Maar hij
«antwoordde: »»de Apostel zegt door honger en
»»dorst, door koude en naaktheid. Blijft gij thuis,
»»zoo gij wilt, maar ik moet het voorbeeld geven.""
Hij ging. Het liep iedereen in het oog, dat noch
bij zijn vertrek, noch bij zijne terugkomst een en-
kele druppel hem bevochtigd had.
Maar niat alleen door zijn echt priesterlijk leven,
door zijne \'nauwgezette plichtsbetrachting ging de
vrome Bisschop zijne geestelijkheid voor, hij was
ook allen een lichtbaak in het zoo moeilijk bestuur
der zielen door de uitgave van een werk, waaraan
hij jarenlang met de vlijt eener mier, zooals hij
zegt, gearbeid had. De vrije oogenblikken, die zijne
werkzaamheden hem zoo schaars gunden, hij had
ze niet laten verloren gaan, hij had ze gebruikt,
er mede gewoekerd en een werk tot stand gebracht,
dat niet alleen bewondering wekte, maar ook
onberekenbaar veel nut heeft gesticht Dit werk,
Summa theologica of Handboek voor de God-
geleerdheid genoemd, behandelt de grondstellingen
der zedenleer. Eerst ontwikkelt hij het wezen der
-ocr page 196-
De H. Antoninus, Aartsbisschop van Florence.
-ocr page 197-
SINT-DOMINICÜS\' BLOEMEN.                   177
ziel in haren oorspronkelijken staat, hare boven-
natuurlijke bestemming, hare vermogens en gaven.
Vervolgens toont hij, hoe deze Paradijsstaat jammer-
lijk verloren ging door de zonde; hoe dit kwaad
de zedelijke orde verstoorde, den mensch beroofde
van zijne bovennatuurlijke gaven en tevens ver-
zwakte in zijne natuurlijke vermogens. Oordeelkun-
dig gaat hij het kwaad na in al zijne vertakkingen,
wijst op de afschuwelijke boosheid, waarinde zonde
zich in alle omstandigheden van het menschelijk
leven openbaart, op de verwoestingen, die zij aan-
richt in de ziel, in het huisgezin, in de maatschappij.
Eindelijk geeft hij den weg aan, die de verdoolde,
diepgevallen ziel weer tot hare oorspronkelijke
grootheid moet terugvoeren. Welk een opgang dit
belangrijk, degelijk werk maakte, hoezeer het door
de geleerden werd op prijs gesteld, blijkt wel hier-
uit, dat het honderdvijftig jaar lang der geestelijk-
heid tot handboek strekte en binnen vijftig jaren
achttien uitgaven beleefde.
Toen nu de priesterschap, van wie de Heer ge-
zegd heeft: »Gij zijt het zout der aarde, gij zijt het
«licht der wereld," in haren voormaligen luister
was hersteld, legde Antoninus zich met alle kracht
toe op de zedelijke verbetering zijner kudde. Zij
eischte al zijne zorg. »Het bewaken mijner kudde,
»die niet bestaat uit gewillige en onnoozele scha-
»pen, maar uit trotsche leeuwen, grijpende wolven
»en ander wild gedierte," aldus schreef hij, »neemt
12
-ocr page 198-
178                   SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
«zoozeer mijn tijd in beslag, dat ik nauwelijks ge •
»legenheid heb om aan de hemelsche dingen te
«denken."
"Woekeraars, kaartleggers, dobbelaars, wulpsche
tooneelspelers zochten partij te trekken van de
laagste hartstochten der menigte, maar zij onder-
vonden, welk een wilskracht er school in den klei-
nen Aartsbisschop. Een streng decreet verbood on-
der kerkelijke straffen hun eerloozen handel, en
wees de overtreders van dit verbod de stad uit.
Aan deze verbodsbepaling meenden eenige voor-
name jongelieden, steunende op hun adel, zich niet
te moeten storen. Hunne speelwoede werd door een
nieuw uitgevonden dobbelspel zoo aangewakkerd,
dat zij het bisschoppelijk gezag trotseerden. Dit
stout vergrijp mocht de Heilige niet dulden. Zoo-
dra hij vernam, dat de kansspelers bijeen waren,
liet hij des avonds het aartsbisschoppelijk Kruis
voor zich uitdragen, en trok in heiligen ijver naar
het hoogadellijk huis. Juist trad hij de zaal binnen,
toen de spanning ten hoogste gestegen was. Dob-
belsteenen en kaarten gingen rond onder gelach en
gevloek. Verontwaardigd werpt zich de Heilige op
de speeltafels, stoot ze omver, treedt geld en speel-
kaarten met voeten en slingert den onverlaten ver-
pletterende verwijten toe. Dit onverwacht en on-
verschrokken optreden des Aartsbisschops verbijs-
tert de overmoedige spelers; verschrikt en beschaamd
stuiven zij uit een, gelijk weleer de koopers en
-ocr page 199-
SINT-DOMINICÜS\' BLOEMEN.                  179
verkoopers in .den tempel voor den toornenden blik
des Heilands.
Het hinderde den vromen Aartsbisschop gewel-
dig, dat de Florentijnen zich zoo oneerbiedig ge-
droegen in de kerken. Hij, die brandde van eene
vurige liefde tot het H. Altaargeheim, en als prior
steeds geijverd had, om de godsvrucht tot het H.
Sacrament bij allen te verlevendigen, moest als
bisschop zeker diep gegriefd worden, wanneer hij
zag, dat de burgers met onbegrijpelijke lichtzinnig-
heid geen acht sloegen op Christus\' tegenwoordig-
heid in het H. Tabernakel, en in \'s Heeren Huis
zich bewogen met eene gemeenzaamheid en vrij-
moedigheid, als verkeerden zij in de huiselijke
woning. Wanneer hij van zulk eene oneer-
biedigheid getuige was, ontzag hij rang noch
stand, en wees den lichtzinnigen de tempeldeur.
Eens, terwijl de Prelaat, aan het hoofd der ka-
nunniken in de kathedraal de Vespers deed, ont-
stond er door het binnentrekken van een bruidstoet
zulk een gewoel, dat het koorgebed er door ge-
stoord werd. De Heilige was tot in het diepste zijner
ziel verontwaardigd. Hij staat van zijn zetel, gaat
naar de sacristie, neemt een stok en begint links
en rechts dat luchthartig volk uit de kerk te drij-
ven. »Pakt u weg," roept hij. «Voort, de kerk is een
«huis des gebeds, maar gij maakt er een roovershol
«van." Zijn gramstorige blik, zijn van verontwaar-
diging trillende stem, nog meer dan zijn dreigend
-ocr page 200-
180
SINT-DOMINICUS* BLOEMEN.
gebaar en de vrees voor de slagen, doen de licht-
zinnige menigte uit een stuiven.
De zorgen des herders strekten zich ook bijzonder
uit tot de geloovigen, die hier en daar in het ge-
bergte verspreid woonden. In die afgelegen dorpen
en vlekken, waar het volk, verwijderd van alle
stedelijk verkeer en verstoken van voldoend onder-
wijs, verwilderd was, tierde het bijgeloof welig
voort. Zelfs de priesters, zooals men hem berichtte,
bezaten daar niet de vereischte kennis, noch den
plichtmatigen ijver om de zielen voor te lichten
en te leiden. Persoonlijk wilde de Heilige zich van
den treurigen staat overtuigen; met eigen oogen
de behoeften zijner kudde ieeren kennen, om des
te beter daarin te voorzien. Hij bezocht dan, ge-
zeten op zijn trouw muildier en vergezeld van een
secretaris en een dienstknecht, alle parochiën, de
kleinste en afgelegenste niet uitgezonderd. Meer-
malen las men de vermoeienis en uitputting, vaak
hevige lichaamssmart op zijn gelaat, maar de Heilige
onderdrukte elke klacht, poogde welgemoed te schij-
nen en bemoedigde zijn afgematte reisgezellen.
Kwam hij in eene parochie, dan riep de klok het
landvolk kerkwaarts; de herder wachtte daar zijne
schapen. Als een liefhebbend vader hield hij daar
zijn kinderen hunne plichten voor, wees op de
heerschende misbruiken en wekte het godsdienstig
leven weder op. Zijn verblijf geleek eene missie.
Wat hij door goedheid, welwillendheid, somtijds
-ocr page 201-
SINT-DOMINICUS* BLOEMEN.                   181
ook door vastberadenheid en bedreiging op het volk
niet vermocht, verwierf hij door gebeden, of bewerkte
door wonderen.
Toen hij op een dezer rondreizen de rivier de
Seva overstak, geraakte de muilezel van zijn kanun-
nik te water en werd met zijn berijder door den
stroom meegesleept. De geestelijke, in doodsangst
verkeerend, riep de hulp in van zijn Bisschop.
Antoninus wendde zich kalm naar den drenkeling,
zegende hem, en terstond bevond zich het lastdier
op het droge en was de kanunnik gered. — Een
ander maal trok hij door de vallei van Mugello,
toen men hem berichtte, dat een priester in de
nabuurschap ernstig ziek lag. Hij spoedde zich
derwaarts, legde den zieke de handen op, en oogen-
blikkelijk stond deze geheel hersteld van zijne
sponde op. — Tijdens eene overstrooming van den
Arno werden twee jongelingen in een bootje door
de golven voortgestuwd. Zij konden het stroom-
geweld niet breken en liepen gevaar tegen rotsen
verbrijzeld te worden, toen zij den Heilige den
oever zagen naderen. Luidkeels riepen zij om hulp.
Ook nu strekte de Heilige zegenend de handen
uit; en het was alsof de stroom oogenblikkelijk
gehoorzaamde: het bootje glijdt vanzelf naar den
oever en brengt de opvarenden ongedeerd aan de
voeten van hunnen redder.
Geen wonder, dat het volk bij de nadering van
zijn Bisschop, of liever van »den Heilige" zooals
-ocr page 202-
182
SINT-DOMINICUS\' RLOEMEN.
het hem noemde, eerbiedig op de knieën viel en
om den zegen smeekte. Het vereerde in hem den
vertegenwoordiger Desgenen, die ook in allen een-
voud weldoende rondging door de vlekken en steden
van Juda.
De goedhartigheid van Antoninus verhinderde
niet, dat hij met alle kracht opkwam voor de
rechten der Kerk; dan stond hij onverbiddelijk pal.
De Achtmannen, een Florentijnsch gerecht, hadden
bevel gegeven om twee priesters, die wegens erger-
lijken levenswandel in hechtenis waren genomen,
op klaarlichten dag naar het aartsbisschoppelijk
paleis te voeren. Om ze aan de bespotting en de
verachting van het grauw prijs te geven, gingen
twee herauten, op klaroenen blazende, hen vooruit.
Al het gepeupel liep te hoop, omringde en volgde
de ongelukkigen onder gejouw en lagen schimp.
Dit droevig schouwspel greep den Heilige geweldig
aan. De ergernis aan het volk gegeven, de onteering
van den geestelijken stand, de verkrachting van
het kerkelijk recht, want priesters mochten alleen
voor een geestelijke rechtbank worden gevoerd,
waren zoovele grieven, die zijne rechtmatige ver-
bolgenheid wekten. Terstond begaf hij zich naar
de rechtbank der Achtmannen, bracht de ambtenaren
in scherpe bewoordingen de onbetamelijkheid en
onwettigheid nunner handelwijze onder het oog en
kondigde aan, dat zij den grooten ban waren inge-
loopen. Wilden zij hiervan ontslagen worden, dan
-ocr page 203-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                  183
moesten zij zich tot den Paus wenden. Nooit zou hij
dulden, dat de wereldlijke macht in de rechten
der Kerk greep! De bewindslieden zagen met
ontzetting hun misdrijf in, en schreven, daar zij
de onwrikbaarheid des Kerkvoogds kenden, oot-
moedig naar den Paus om kwijtschelding hunner
straf. De Opperpriester beval, dat zij zich met den
Aartsbisschop moesten verstaan en schuld belijden.
De Heilige sprak hen van de kerkelijke straf vrij,
maar, omdat de ergernis in het openbaar was
gegeven, moest ook het eerherstel in het openbaar
geschieden. In een ruigen, boetezak gehuld, met
een koord om den hals, stelden zij zich bij de deur
der kathedraal en ontvingen, ten aanschouwe der
geheele burgerij, van den Aartsbisschop onder de
gebruikelijke geeseling kwijtschelding der straf.
Deze strenge rechtspleging maakte in geheel het
land diepen indruk.
In een geschil met den H. Stoel had de Floren-
tijnsche regeering den gezant des Pausen gegijzeld.
De Heilige was juist ter uitoefening zijner ver-
heven bediening afwezig. Niet zoodra had hij van
deze schandelijke inbreuk op het kerkelijk recht
vernomen, of hij spoedde zich naar de stad, begaf
zich naar het paleis van den Hoogen Raad en be-
rispte hem met groote verontwaardiging over het
onrecht den Stedehouder van Christus aangedaan.
»Gij hebt geen recht," zoo verweet hij hun, »om
«geweld te plegen aan een kerkelijk persoon, welke
-ocr page 204-
184                  SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
»reden gij ook voorgeeft. Zoo gij den gezant niet
»op staanden voet vrijlaat, sla ik allen in den
«kerkelijken ban." Een der regeeringspersonen,
door die fiere taal verbitterd, wilde den moedigen
prelaat vrees aanjagen. »Zoo gij niet zwijgt," riep
hij verbolgen, «verliest gij uwen zetel; werpen wij
»u uit het raam." — »Och," zeide de Heilige zon-
der de geringste ontsteltenis, «zoolang reeds verlang
»ik naar den marteldood, maar ik ben dat geluk
»niet waardig. En mijn bisdom? Beroof er mij
»van, en gij zult mij een grooten dienst bewijzen.
«Altijd draag ik den sleutel mijner cel van San
»Marco bij mij, in de hoop, eens daar terug te
»keeren." — Voor een man met zulk een inborst
moest alles bezwijken.
De H. Kerk zwaait in de kerkelijke getijden den
H. Antoninus den lof toe van den heiligen man
Job: »Den blinde was ik tot oogen, den kreupele
»tot voeten, den armen een vader." En met recht.
Tot oogen strekte hij als leeraar in de christelijke
zedenleer, tot voeten als handhaver van het recht,
maar de derde titel is zijn schitterendst aureool:
Antoninus was den armen een vader.
De christelijke liefdadigheid is de karaktertrek
van dezen grooten Bisschop. Wij zagen reeds, hoe
deze deugd in hem uitblonk als prior van San
Marco, maar nu aan het hoofd van een aarts-
bisdom geplaatst, waarvan de inkomsten schat-
ten bedroegen, kon hij met vorstelijke mildheid
-ocr page 205-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                  185
in de behoeften zijner arme kinderen voorzien.
Het was niet alleen liefde tot de armoede, maar
ook het heilig verlangen om de noodlijdenden bij
te staan, dat alle weelde uit zijn paleis was ver-
bannen. De opbrengst der gouden en zilveren vaten,
der kostbare meubelen en kunststukken verdween
in den schoot der armen. Toen een rijk edelman
bij een bezoek aan het paleis, ontwaarde, welk een
klein en versleten kleed over de legerstede des
Heiligen lag uitgespreid, liet hij onmiddellijk door
zijn huisknecht een nieuw en schoon dekkleed bren-
gen. Het baatte echter niet. Tot zijne verwonde-
ring vond hij eenige dagen later zijn geschenk bij
een uitdrager terug. Hij kocht het, en bracht het
den dienaar Gods weder, doch het deken ging ter-
stond weder denzelfden weg. Tot driemaal wed-
ijverden aldus de Bisschop en zijn weldoener in
edelmoedigheid, toen werd het geval ruchtbaar en
haastten zich velen, om den liefdadigen herder geld
en goed voor zijne armen ter hand te stellen.
Eertijds wekte de aartsbisschoppelijke hofstoet
de bewondering op en den trots der Florentijnen.
Het was een verrukkelijk schouwspel, als die gulden
karossen met die fiere dravers, die van goud blin-
kende koetsiers, palfreniers en lakeien over de zon-
nige pleinen kwamen aangerold, maar thans sche-
nen de fraaie stallen te treuren over hunne ver-
latenheid en zich te schamen over hunne armoede.
Een armzalig muilezeltje, dat veler spot- en lach-
-ocr page 206-
18G                   SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
lust gaande maakte, verving het trotsch gespan.
Sommigen laakten het gedrag des Kerkvoogds,
noemden het zonderling en overdreven; anderen oor-
deelden het niet overeenkomstig, ja strijdig met
zijne waardigheid, doch Antoninus bekommerde
zich niet om die oordeelvellingen. Toen men hem
vroeg, waarom hij geene paarden en jachthonden
hield, zeide hij: »Ik heb de goederen der armen
»niet ontvangen om dieren te voeden."
Tot het aartsbisschoppelijk paleis behoorde een
schoon park met heerlijke dreven, fraai houtgewas
en zeldzame planten; deze lusthof vond echter geen
genade in de oogen des Heiligen. Op zekeren mor-
gen kreeg de hovenier het zonderling bevel alles
om te kappen en uit te roeien, en den hof in
bouwland om te scheppen, waarvan de opbrengst
voor de armen moest worden bestemd.
Voor iedereen stond het paleis open. Armen wer-
den er met dezelfde welwillendheid ontvangen als
de rijken; en meer dan eens moesten de voor-
naamste personen des lands wachten, totdat de
Heilige eenige arme bedelaars troostend had toe-
gesproken. Het was hem een waar genoegen met
vaderlijke deelneming naar de ongevallen zijner
kinderen te luisteren; een zoete troost door wei-
daden in hunne vaak naïef geopenbaarde nooden
te voorzien. Deze ongekende goedhartigheid gaf aan-
leiding, dat men somtijds misbruik trachtte te ma-
ken van zijne vrijgevigheid en goedheid. Zoo poogde
-ocr page 207-
187
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
eens een looze gast den Heilige op Nieuwjaarsdag
te verschalken. Hij vulde een korfje met geurige
appelen en dacht; »Ik zal ze den Aartsbisschop
«aanbieden, dan ontvang ik zeker eene ilinke beloo-
»ning, het tienvoudig der waarde." Dj Aartsbischop,
die de bedoeling des milden gevers doorschouwde,
nam het fruit vriendelijk aan en zeide kortaf: «God
»loone het!" Dat was den landman wel wat wei-
nig; liever had hij eenige klinkende dukaten ont-
vangen. Hij verliet dan ook slecht gemutst het
paleis, maar nauwelijks was hij weg, of de Heilige
liet hem terugroepen. Schrijfgereedschap en een
weegschaal werden tot bevreemding des dorpe-
lings binnengebracht De Aartsbisschop schreef op
een briefje de woorden: „God loone het!" en legde
het op een der schalen, terwijl hij de andere met
de vruchten belaadde. Tot aller verbazing scheen
het briefje zwaar geworden als lood en deed de
weegschaal overslaan. Nu sprak Antoninus tot den
bouwman: »Gij ziet, dat mijn: God loone het! meer
»waard is dan uwe vruchten. Ik heb u dus ruim-
»schoots betaald, ga in vrede!" — Dit wonder maakte
zulk een diepen indruk, dat het nageslacht ervan
gewaagde, en men den Heilige pleegt voor te stel-
len met eene weegschaal in de hand.
Behalve de liefdadigheid, die Antoninus aan huis
beoefende — men noemde daarom zijn paleis een
armengasthuis — droeg de Heilige nog krachtig
bij tot stichting, instandhouding of uitbreiding van
-ocr page 208-
188
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
openbare instellingen van liefdadigheid. Zoo verrees
er te Florence een vondelingshuis en een weeshuis.
Maar het treffendst openbaarde zich zijn vaderhart
in het noodlottig jaar 1448, toen de pest uitbrak
en geheele straten ontvolkte. In dien uitersten nood
verzamelde de Aartsbisschop rondom zich eenige
onverschrokken jongelieden en religieuzen, als me-
dehelpers; verwierf van den Staat drie duizend
gulden en trad tegelijkertijd als verpleger, trooster
en geneesheer der arme zieken op. Zelf ging hij
dag en nacht door de besmette wijken, gevolgd
van zijne medehelpers en van zijn muilezel, die
zwaar beladen was met kleederen, spijzen en art-
senij. Hij waagde zich in de ellendigste krotten,
drong tot de arme kranken door, schonk hun al
wat zij ontbeerden, sprak hun lijdensmoed in en
bewees hun op allerlei wijze zijne hartelijke, vader-
lijke bezorgdheid.
Even heldhaftig gedroeg zich de Heilige, toen in
1453 zijne kudde weder door hongersnood werd
geteisterd. Alle inkomsten van zijn aartsbisschop-
pelijken zetel, schenkingen, legaten, gaf hij den
armen. »Ik ben geen bezitter mijner inkomsten,"
placht hij te zeggen, »maar slechts een uitdeeler;
»en den armen komt daarvan het grootste deel toe."
Intusschen bleef de nood aanhouden. Was de lief-
dadigheid des Heiligen onuitputtelijk, het gebrek
scheen een onverzadelijke maalstroom. Na de schen-
king van alle geldmiddelen, werden huisraad en
-ocr page 209-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                  189
kleederen verkocht, terwijl op de nooddruft alles
werd uitgespaard. Nog was het gebrek niet ge-
keerd. Nu wendde zich de Aartsbisschop tot den
Staat, schreef dringende bedelbrieven naar den
Paus en verschillende vorsten, en slaagde er ten
laatste in den geesel Gods van zijne dierbare kudde
af te weren. Met recht zeide Cosmas de Medicis:
»Onze stad is door allerlei rampen beproefd ge-
«worden, door oorlog, pest, hongersnood, aarbeving,
«oproer, maar ik geloof, dat zij nog slechts een
«puinhoop zou zijn, zonder de gebeden en de toe-
»wijding van onzen heiligen Aartsbisschop."
De roep zijner heiligheid verspreidde zich door
geheel Italië. Pausen en vorsten kwamen hem
raadplegen. Meermalen verscheen hij aan het pau-
selijk hof. Eugenius IV verlangde hem aan zijn
sterfbed; Nicolaas V stelde hem op één lijn met
gecanonizeerde Heiligen; Callistus III overlaadde
hem met gunstbewijzen. Een zijner vrienden stelde
hem vleiend het kardinalaat in het verschiet, doch de
Heilige sprak: »Aan het graf, aan den dood moet
»ik denken, en niet aan waardigheden."
Na een vermoeienden tocht naar Rome, voor de
belangen der Florentijnsche Republiek in 1458 on-
dernomen, kwam de grijze Aartsbisschop doodzwak
tehuis. Hij gevoelde het, zijne krachten namen af,
het uur der verlossing zou weldra aanbreken. Eene
lichte koorts greep hem aan en verteerde hem als
een langzaam verslindend vuur. Toen oordeelden
-ocr page 210-
190
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
de geneesheeren het noodzakelijk, om het weg-
vluchtend leven zoolang mogelijk te behouden, dat
de doorluchtige lijder naar een bisschoppelijk land-
goed buiten de stad zou vervoerd worden. De
Heilige was erkentelijk voor hunne bezorgdheid en
toewijding, maar berustte volkomen in den Wil
van God. »Wat zou ik mij bekommeren", zeide hij
tot zijn secretaris, »om leven of dood; als Gods
«heilige Wil slechts vervuld wordt, is het mij
«genoeg."
Den lste" Mei 1459 verzocht hij de laatste troost-
middelen der H. Kerk. Nadat hij met innige gods-
vrucht de H.H. Sacramenten had ontvangen en
een hartelijk dankgebed tot God opgezonden, dacht
hij weder aan zijne dierbare armen. «Verkoopt al
«wat ik bezit," zeide hij, «en geeft het den armen."
Maar de Aartsbisschop van het rijke Florence, de
arme van Christus, bezat nagenoeg niets meer. Al
zijn huisraad ging de waarde van vier dukaten
niet te boven.
Tegen het vallen van den avond, toen zijne krach-
ten hem begaven, ontbood hij de kloosterlingen van
San Marco. Altijd had hij gehoopt, na aflegging
zijner waardigheid, daar zijne laatste dagen door
te brengen en zich voor te bereiden tot den dood,
maar, nu God hem deze gunst niet verleend had,
wilde hij ten minste in tegenwoordigheid zijner
dierbare medebroeders sterven. Zijne geestelijke
kinderen kwamen terstond aangesneld, omringden
-ocr page 211-
SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.                  191
zijne stervenssponde en begonnen op zijn verzoek
de Metten, welke de Heilige godvruchtig volgde.
Zelf hief hij de Lauden aan, bad luide: y>Deus in
adjutorium meum intende,
God kom mij ter hulp,"
en wel zoo aandoenlijk, dat allen in snikken los-
barstten. In gebed ging de nacht voorbij; lang-
zamerhand begon de Aartsbisschop te zieltogen.
Daar ontsloot hij zijne stervende lippen, zeide glim-
lachend tot de H. Moeder Gods de lofspraak zijner
jeugd; »Sancta et immaculata Virginitas quibus te
v>laudibus efferam, nescio.
Heilige en onbevlekte
«Maagd, hoe zal ik u naar waarde kunnen prijzen!"—
Hij kuste het beeld van den gekruisten Jezus, en
gaf den geest.
Het was de 2d« Mei 1459, de vigilie van \'s Heeren
Hemelvaart. Zoo voer de gelukzalige Antoninus,
de goede herder, die zijn leven voor zijne schapen
had veil gehad, met den triomfeerenden Verlosser
ten Hemel.
De mare van dit afsterven dompelde geheel Flo-
rence, vooral de armen, in diepen rouw. Ook Pius
II, die zich juist in de stad bevond, kon bij het
vernemen van dit doodsbericht zijne tranen niet
weerhouden. Was de Heilige, tijdens zijn leven, een
vijand geweest van alle praalvertoon, zijne begra-
fenis moest op pauselijk bevel zoo luister vol mo-
gelijk zijn. Plechtstatig werd het lijk van den hei-
ligen Kerkvorst naar de kathedraal gedragen door
zes bisschoppen, gevolgd door Christus\' Stedehouder,
-ocr page 212-
192                  SINT-DOMINICUS\' BLOEMEN.
de hoogere geestelijkheid en de bewindslieden der
Republiek. Geheel Florence, zoo arm als rijk, be-
geleidde en volgde treurend den rouwstoet.
In 1523 werd de H. Anconinus gecanonizeerd.
Florence stichtte den algemeen beminden Aarts-
bisschop een prachtig altaar in de kerk van San
Marco, waar het kostbaar overschot des Heiligen
rust; het eerde met eene trouwe en dankbare liefde
de gedachtenis des vromen herders, wiens zegenrijk
werken in tal van stichtingen voortleeft, maar het
ondervond ook meermalen op de schitterendste
wijze, dat de H. Antoninus te allen tijde gebleven
is een weldoener des volks, een vader der armen.
-ocr page 213-
Fra Angelico van Fiesole.
-ocr page 214-
J\\ $r * if: :<(. ^ ^; ijj ~ïp 3Ê ïp ^ ^ ^""^ R
AANHANGSEL.
Ljjdenshymne der H. CATÏÏABJM de RICCI.
VjPAe H. Catharina heeft ons een lofzang nage-
{gf laten, dien zij verklaarde na haar eerste
lijdensextase van Maria, de Moeder van
smarten, ontvangen te hebben. Deze hymne
bestaat uit twee deelen; het eerste ge-
deelte is eene aaneenschakeling van de trefiendste
Schiïftuurplaatsen, die ons geleidelijk het bitter
lijden van den Godmensch levendig voor oogen
stellen; het tweede is eene reeks psalmverzen,
waarin de Profeten de Barmhartigheid Gods loven
en danken. Ofschoon dit gezang alleen voor het
klooster van Prato bestemd was, heeft pater Fran-
ciscus Romeo, generaal der Predikheeren, het goed-
gekeurd en aan geheel de Orde aanbevolen. In ver-
schillende kloosters wordt het nog op eiken Vrijdag
13
-ocr page 215-
494                            AANHANGSEL.
in de Vasten gezongen. Wij doelen het hier mede
met de wijze, waarop men het voordraagt.
Terwijl alle religieuzen in het hoor voor het Kruis zijn
neergeknield, vangt de Cantor met daling van stem in den
jjden psalmtoon aan:
Amici mei et proximi mei:         Mijn vrienden en mijn
adversum me appropinqua-     nabestaanden komen mij
verunt, et steterunt. (Ps.     tegemoet, en blijven staan.
XXXVII, 12.)
rte pauze gehouden ter over-
Ik ben overgeleverd en
ontkom niet: mijne oogen
zijn verzwakt van nood.
En mijn zweet werd als
bloeddroppelen, die neder-
vielen op de aardo.
Mij omringen tal   van
honden; een bende    van
kwaadwilligen houdt   Mij
omsingeld.
Mijn lichaam bood ik hun,
die Mij sloegen, en mijne
wangen hun, die Mij den
baard uitrukten.
Mijn aangezicht keerde
ik niet af van hen, die Mij
scholden en bespuwden.
Want ik, voor geeselsla-
gen ben ik toebereid, en
mijne smart is voor mijne
oogen ten allen tijde.
Na elk vers wordt eene h
denking der gezongen woordei
Traditus sum, et non
egrediebar: oculi mei lau-
guerunt prae inopia. (Ps.
LXXXVII, 10.)
Et factus est sudor meus,
sicut guttae sanguinis de-
currentis in terram. (Luc.
XXII, 44.)
Circumdederunt me canes
multi: concilium malignan-
tium obsedit me. (Ps.
XXI, 17.)
Corpus meum dedi per-
cutientibus, et genas meas
vellontibus. (Isai. L, 6.)
Faciem meam non averti
ab increpantibus, et conspu-
entibus in me. (Isai. L, 6.)
Quoniam ego in nagella
paratus sum, et dolor meus
in conspectu meo semper.
(Ps. XXXVII, 18.)
-ocr page 216-
195
AA.NHANOSKL.
Milites plectentes coro-
nam de spinis, imposuerunt
super caput meum. (Matth.
XXVII, 29.)
Foderunt manus meas, et
pedes meos, et dinumera-
verunt omnia ossa mea.
(Ps. XXI, 17, 18.)
Et dederunt in escam
meam fel: et in siti inea
potaverunt me aceto. (Ps.
LXVIII, 22.)
Omnes videntes me de-
riserunt me: locuti sunt
labiis, et moverunt caput.
(Ps. XXI, 8.)
Ipsi vero consideraverunt
et inspexerunt me: divi-
serunt sibi vestimenta mea,
et super vestem meam mi-
serunt sortem. (Ps. XXI,
18, 19.
In manus tuas commendo
spiritum meum; redemisti
me Domine, Deus veritatis.
(Ps. XXX, 6.)
De soldaten eene kroon
van doornen vlechtende,
zetten die op mijn hoofd.
Doorstoken hebben zij
mijn handen en mijn voe-
ten, geteld hebben zij al
mijne _ beenderen.
En zij hebben mij tot
spijze gal gegeven, en in
mijnen dorst mij gelaafd met
edik.
Allen, die Mij zien, be-
schimpen Mij; zij spreken
met de lippen en schudden
het hoofd.
Zij hebben Mij beschouwd
en hebben Mij bezichtigd:
zij hebben onder zich mijne
kleederen verdeeld, en over
mijnen lijfrok hebben zij
het lot geworpen.
In uwe handen beveel ik
mijnen geest; verlost hebt
Gij mij, Heer, Gij, God der
waarheid.
Het koor herhaalt: In manus tuas commendo, etc.
Memento famulorum tuo-
rum Domine: dum veneris
in regnum tuum. (Luc.
XXIII, 42.)
Jesus autem, emissa voce
magna, tradidit spiritum.
(Mare. XV, 37; Joan. XIX,
Gedenk uwe dienaren
Heer: als Gij komt in uw
rijk.
Maar Jezus riep met lui-
der stemme en gaf den
geest.
30.)
Dit vers wordt met verhef/ing van stem gezongen; de
-ocr page 217-
190
AANHANGSEL.
woorden: tradidit spiritum, als in de Passk van P<ilm-
zondag. Alsnu buigen allen zich diep neer, blijren in ever-
weging, totdat de Prior het teeken geeft en de Cantor in
den VIden psalmtoon vervolgt:
De goedertierenheden des
Heeren wil ik eeuwig be-
zingen.
In waarheid ! Onze kwa-
len heeft Hij gedragen; en
onze smarten heeft hij ge-
torscht.
Maar verwond is Hij om
onze ongerechtigheden: ver-
brijzeld is Hij om onze
misdaden.
Wij allen dwaalden als
schapen, iedereen doolde
zijns weegs.
En de Heer legde op Hem
de ongerechtigheden van
ons allen.
Rijs op! Waarom slaapt
Gij, o Heer? Rijs op en
stoot niet weg voor immer!
Misericordias Domini in
aeternum cantabo. (Ps.
LXXXVIII, 2.)
Vere languores nostros
ipse tulit: et dolores nos-
tros ipse portavit. (Isai.
LUI, 4.)
Ipse autem vulneratus est
propter iniquitates nostras:
attritus est propter scelera
nostra. (Isai. LUI, 5.)
Omnes nos quasi oves
erravimus: unusquisque in
viam suam declinavit (Isai.
LUI, 6.)
Et posuit in eo Dominus
iniquitates omnium nostrum.
(Isai. LIII, 6.)
Exsurge, quare obdormis
Domine? exsurge, etnere-
pellas in finem. (Ps. XLIII,
23.)
Het koor herhaalt: Exsurge, quare obdormis etc. De
Cantor vervolgt:
Exsurge, quare obdormis
Domine? exsurge, et ne re-
pellas in finem.
Ecce Deus salvator meus:
fiducialiter agam, et non
timebo. (Isai. XII, 2.)
Rijs op! Waarom slaapt
Gij, o Heer? Rijs op en
stoot niet weg voor immer!
Ziet, God is mijn Ver-
losser : ik zal vertrouwen
en niet vreezen.
-ocr page 218-
197
AANHANGSEL.
U smeeken wij dus, kom
uwe dienaren ter hulp, die
Gij door uw kostbaar bloed
hebt vrijgekocht.
Te ergo quaesumus, tuis
famulis subveni, quos pre-
tioso sanguine redemisti.
(Te Deuui, v. 20.)
Hier zegt de Prior:
v. Miserere nostri Jesu
benigne.
liet koor antwoordt :
R. Qui passus es cleinen-
ter pro nobis.
Daarna bidt de Prior:
Respice, quaesumus Do-
mine, super hanc familiam
tuain; pro qua Dominus
noster Jesus Christus non
dubitavit manibus tradi no-
centium: et crucis subire
tormentum.
v. Ontferm U onzer goede
Jezus.
R. Die goedertieren voor
ons geleden hebt.
Zie, smeeken wij Heer,
op dit uw huisgezin neder,
waarvoor onze Heer Jezus
Christus niet aarzelde zich
over te geven aan de han-
den der boosdoeners, en den
kruisdood te ondergaan.
Behalve dezen lofzang dankt de Predikheeren-
orde aan de H. Catharina de Ricci nog een vroom
gebruik. De allerheiligste Maagd Maria, zoo ver-
haalt de Heilige, verscheen haar eens en gaf te
kennen, dat hare getijden minder passend en met
teveel haast door de kloosterzusters werden ge-
ëindigd. Zij wenschte, dat allen na het gebed zou-
den neerknielen en om haren zegen smeeken, bid-
dende: Nos cum prole pia, benedicat Virrjo Maria.
»Ons zegene met haar goddelijk Kind, de allerhei-
»ligste Maagd Maria". De rijkste zegening zou dan
aller deel wezen. De H. Catharina bracht dit bevel
-ocr page 219-
198
AANHANGSEL.
in baar klooster onmiddelijk ten uitvoer; vandaar
ging dit godvruchtig gebruik over tot andere kloos-
ters, zoodat het overal in zwang kwam. Nog tcgen-,
woordig wordt dagelijks in alle huizen der Predik-
heeren na het Rozenkransgebed Maria\'s zegen af-
gesmeekt met de woorden:
v. Ons met haar godde-
lijk Kind,
V. Nos cum prole pia,
de Maagd
B. Benedicat Virgo Ma-
ria.
b. Zegene
Maria.
Daarna spreekt de overste deze zegenbede :
Benedictio Dei Omnipo-
tentis, Patris et Filii et
Spiritus Sancti, per inter-
cessionern Reginae Sacra-
tissimi Rosarii, descendat
super nos, et maneat semper.
b. Amen.
De zegen van den A1-
machtigen God, van den
Vader, en den Zoon en den
H. Geest, dale over ons door
de voorspraak van de Ko-
ningin van den allerheilig-
sten Rozenkrans, en blijve
altijd bij ons.
B. Amen.
-ocr page 220-
INHOUD.
Blz.
Voorrede ............... 1
I.  De H. Pius V.
Michael G-hislieri treedt in de Orde van den
H. Dominicus. — Zijn kloosterleven. — Hij
wordt tot inquisiteur benoemd voor Lomhardije.
—  P. Ghislieri commissaris van het H. Officie.
—   De Heilige wordt bisschop gewijd. — Kar-
dinaal Alexandrinus, zijne levenswijze. — Kar-
dinaal Alexandrinus tot Paus gekozen. — Pius
V in zijn bijzonder leven. — Het christelijk
leven te Rome opgewekt. — Pius V bezorgt
de uitgave van den Roomschen Catechismus, ver-
betert het brevier en het missaal. — • Pius V en
Nederland. — De zeeslag bij Lepanto. — Stich-
tend afsterven des Opperpriesters.....5
II.  De H. Catkariiia de Ricci.
Catharina\'s jeugd. — Hare godsvrucht tot Je-
zus\' bitter lijden. — De H. Catharina neemt, on-
danks alle tegenstrevingen, den maagdelijken
sluier aan te Prato. — Het mirakuleuze kruis-
beeld. — Wondervolle extase bij de overweging
van Jezus\' lijden. — Gelijkvormigheid der H.
Catharina aan den gekruisten Verlosser. — Zij
bidt en lijdt voor de bekeering der zondaars.
—   De H. Catharina als priorin des kloosters.
—   Apostolische geest der Heilige. — De H.
-ocr page 221-
200                                     INHOUD.
Catharina en de H. Pbilippus Nerius. — Hare
laatste ziekte en haar wondervol sterfbed . . 53
III.  l)o II. Ludorlcus Ilertraiidus.
De jeugd van den H. Ludovicus. — De Hei-
lige als novice en als novicennieestor. — Zijn
apostolaat onder de Indianen van Nieuw-Gra-
nada; men tracht vruchteloos hem te vergeven.
—   De H. Ludovicus als prediker en biechtva-
der; hij ontsnapt wonderdadig aan een moord-
aanslag. — Hij wordt tot prior gekozen; zijn
liefderijk en verstandig bestuur; zijn ijver voor
de onderhouding der regels en zijne liefde je-
gens de armen. — Bewonderenswaardig geduld
des Heiligen tijdens zijne ziekte. — Dood en
verheerlijking des Heiligen ....... 97
IV.  Do H. Autoiiinns.
Vergeefsch verzoek van den H. Antoninus om
in de Orde van den H. Dominicus te worden
opgenomen. — Novitiaat van den Heilige. —
Stichting van het klooster San Marco te Flo-
rence. — Vriendschap tusschen den H. Anto-
ninus en den beroemden schilder FraAngelico.
—  Zielenijver van den Heilige; zijne zorg voor
de armen en onwetenden. — De Heilige wordt
zijns ondanks aartsbisschop van Florence. —
Huiselijk leven in het aartbisschoppelijk paleis.
—   De H. Antoninus ijvert voor de zedelijke
verbetering van geestelijkheid en volk. — Lief-
dadigheid van den Heilige, vooral tijdens pest
en hongersnood. — Zijn gelukzalige dood . . 148
Aanhangsel.
Lijdenshymne der H. Catharina de Ricci. . . 193