-ocr page 1-
-ocr page 2-
mmiSsso
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
PREEKEN
OP DE
VOORNAAMSTE FEESTDAGEN VAN HET JAAR.
.-
-ocr page 6-
-ocr page 7-
PRE E KEN "\'
OP DE
;en van net mr,
GEVOLGD VAN
EENIGE GELEGENHEIDSPREEKEN
DOOR
ANT. ROOVERS, Pastoor.
ROERMOND. — HENRI VAN DER MARCK.
189 2.
-ocr page 8-
Aangezien het gunstig verslag, dat ons is voorgelegd over het
nieuw werk „Preeken op de voornaamste feestdagen van liet jaar, enz."
door den Eerw. Heer Ant. Roovers, pastoor, keuren wij dit werk
goed en bevelen het den Eerwaarden Heeren Geestelijken aan.
Deze preeken hebben al de hoedanigheden en verdiensten, zoo
van inhoud als van vorm en stijl, welke aan de voorgaande
voortbrengsels der vruchtbare pen des Eerw. Heeren Eooveks
een zoo welwillend en vleiend onthaal verschaft hebben.
Gegeven te Luik, den 8 Juli 1891.
(iGeteekend) f VICTOR JOS.
Bisschop van Luik.
Illustrissimi et Reverendissimi Domini Episcopi Leodiensis
uommendatione naoti, perlibenter concedimus ut prcedictus liber
prelo excudatur.
Rur.e5iund;e, 13 Augusti 1891.
P. J. H. RUSSEL, Can. theol.,
Librorum Censor.
-ocr page 9-
EERSTE DEEL.
-ocr page 10-
VOORREDE.
Het doel dat onze Moeder de H. Kerk gehad heeft
bij de instelling der feestdagen is, op die dagen eenige
weldaden, die alsdan verleend zijn, te overwegen en God
daarvoor te bedanken; ook, om het leven der Heiligen
beter na te volgen en hunne voorspraak te verzoeken.
Hieruit blijkt dat er twee soorten van feestdagen zijn :
feestdagen der geheimen van onzen heiligen godsdienst,
zoo als bijv. de feestdag van het geheim der H. Drie-
vuldigheid, en feestdagen der Heiligen, zooals de feestdag
der H.H. Apostelen Petrus en Paulus, waarop gewag
gemaakt wordt van de zegepralen der Heiligen, die reeds
de eemvigc rust genieten.
Op de feestdagen der geheimen moeten wij vooreerst
het geheim dat gevierd wordt, trachten te kennen; ver-
volgens moeten wij de gevoelens, welke met het geheim
overeenkomen, in ons opwekken, en eindelijk moeten wij
de vruchten van het geheim ootmoedig afsmeeken.
Op de feestdagen der Heiligen moeten wij de zalige
leeringen en de schoone voorbeelden der Heiligen over-
wegen en hunne machtige voorspraak inroepen, om die
leeringen na te leven, die voorbeelden na te volgen. Zie-
daar het doel, dat onze Moeder de H. Kerk gehad heeft
bij de instelling der feestdagen. Datzelfde doel nu moet
de priester hebben in zijn preeken op de feestdagen.
-ocr page 11-
Op den feestdag van het een of ander geheim moet
de priester den geloovigen uitleggen, waarin het geheim
eigenlijk bestaat; hij moet hen opwekken tot goede ge-
voelens, vooral tot gevoelens van liefde, dankbaarheid
enz ; hij moet hen leeren tot God hunne toevlucht te
nemen, ten einde de vruchten van het geheim deelachtig
te worden.
Op den feestdag van den een of anderen Heilige
moet de priester den geloovigen doen zien, hoe deze of
gene Heilige tot de heiligheid en door de heiligheid tot
de glorie des hemels gekomen is; hij moet de Heiligen
voorstellen als zoovele voorbeelden van deugden; hij
moet de geloovigen overtuigen dat, willen zij ook eenmaal
tot de heiligheid en tot de glorie des hemels geraken,
zij de Heiligen niet alleen kunnen, maar ook moeten
navolgen in hunne deugden. Ten einde mijnen mede-
broeders in het heilig ministerie hunne taak om vermeld
doel te bereiken, te vergemakkelijken, heb ikmijveroor-
loofd met de goedkeuring der geestelijke overheid de
volgende preeken op de voornaamste feestdagen van het
jaar te vervaardigen. Och of ik mijn doel en mijne
medebroeders het hunne bereiken! Ziedaar den vurigen
xvensch des schrijvers.
ANT. ROOVERS, Pastoor.
Molen-Beersel, den 8 Augustus 1891.
-ocr page 12-
-ocr page 13-
EERSTE PREEK.
Nieuwjaar.
FM, comerva tempus el devita a malo.
Mijn zoon, neem den tijd waar en wacht
u voor het kwaad.
             (Eccl. iv, 23.)
INHOUD.
VOORREDE.
Het jaar 18... is voorbij met zijn lief en leed. — Velen
zijn gestorven, hebben reeds rekenschap afgelegd en ont-
vangen thans loon naar werken: — De eene is veroordeeld
tot de pijnen der hel; een ander is opgenomen ten hemel,
volgens dat zij een goed of een slecht gebruik gemaakt
hebben van den tijd. Wij moeten:
VERDEELING.
I. Den verleden tijd zoo goed mogelijk herstellen;.
II. Den tegenwoordigen tijd goed besteden;
III. Ons op den toekomenden tijd niet te veel verlaten.
I.
Van den verleden tijd hebben wij veel verloren; bijge.
volg moeten wij hem zoo goed mogelijk herstellen. — Is
verloren de tijd, die besteed wordt aan zondige werken,
-ocr page 14-
— IO —
aan beuzelarijen en nietigheden, en aan goede werken
maar zonder verdiensten.
II.
De tegenwoordige tijd is kort en gaat snel voorbij;
bijgevolg moeten wij hem goed besteden. — De tijd
vergeleken bij een waterstroom. — Wij moeten elk oogen-
blik van den tijd besteden aan het werk onzer zaligheid;
•van één oogenblik tijds hangt soms onze zaligheid af.
III.
De toekomende tijd is onzeker; bijgevolg moeten wij
er ons niet te veel op verlaten. — Woorden van Jezus
tot zijne leerlingen over den ondergang van Jeruzalem. —
De mensch belooft zich veel voor de toekomst. — Zal
er eene toekomst voor ons zijn? Hoedanig zal die toe-
komst wezen ? Hoe zullen wij ons in de toekomst gedragen ?
SLU1TREDE.
Met het begin van het nieuwe jaar moeten wij een goed
voornemen maken, den verleden tijd zoo goed mogelijk
te herstellen, den tegenwoordigen tijd goed besteden en ons
op den toekomenden tijd niet te veel te verlaten: \'t is het
middel om in het uur des doods van den tijd over te
gaan tot de gelukkige eeuwigheid.
-ocr page 15-
— II —
EERSTE PREEK.
Nieuwjaar.
Fili, conserva tempus et devita a malo.
Mijn zoon, neem den tijd waar en wacht
u voor het kwaad.
            (Eccl. iv, 23.)
VOORREDE.
Het jaar 18...., B. B., is geëindigd,\'t is voorbij: voorbij
met al zijn lief en leed, voorbij met al zijne vermaken
en pleizieren, voorbij met zijn kommer en verdriet; alles,
ja alles is voorbij. Maar neen, ik bedrieg mij. God,
voor wien geen tijd bestaat, de Eeuwige heeft ons gade
geslagen, Hij heeft zich meester gemaakt van ons doen
en laten; eenmaal zal Hij het in de weegschaal der ge-
rechtigheid leggen, om ons te geven loon naar werken.
Wij, die nog leven — voor welke weldaad wij den
goeden God voorzeker moeten bedanken — wij hebben
de goddelijke gerechtigheid nog niet ondervonden; doch
hoevelen hebben er in den loop van verleden jaar het
tijdelijke met het eeuwige verwisseld! Hoevelen zijn er
de eindelooze eeuwigheid ingegaan! Wellicht hebt gij er
eenigen van gekend. De eene is gestorven, na eene
ziekte min of meer pijnlijk en langdurig; een ander is
eensklaps van het tooneel der wereld weggerukt; \'s mor-
gens verliet hij blijmoedig zijn huis, nauwelijks waren er
eenige uren verloopen, en hij was niet meer. Die o ver-
ledenen hebben de goddelijke gerechtigheid reeds onder-
vonden, hunne werken zijn in de weegschaal gelegd; de
eene is te licht bevonden, hij is verworpen en verworpen
om voor eeuwig te branden in de hel; een ander is rijk
-ocr page 16-
— 12 —
aan verdiensten bevonden, hij is opgenomen en opgeno-
men om voor eeuwig gelukkig te zijn in den hemel. Zij
hebben ontvangen loon naar werken, zij zijn de gelukkige
of de ongelukkige eeuwigheid ingegaan, volgens dat zij
van den tijd, die hun gegeven was, een goed of een slecht
gebruik gemaakt hebben. Zooveel hangt er af van het
goed of het slecht gebruik van den tijd, de hemel of de
hel, de gelukkige of de ongelukkige eeuwigheid. Deze
waarheid alleen, B. B., moest zij ons niet voldoende zijn
om altoos een goed gebruik te maken van den tijd?
Doch om ons daartoe nog krachtdadiger aan te sporen,
willen wij ons eenige oogenblikken bezighouden met den<
tijd, hem beschouwen in zijne drie deelen, in zijn verle-
dene, in zijn tegenwoordige en in zijn toekomende. Wij-
moeten :
I. Den verleden tijd zoo goed mogelijk herstellen;
II. Den tegenwoordigen tijd goed besteden;
III. Ons op den toekomenden tijd niet te veel verlaten..
Ziedaar de drie punten, die wij gaan uiteenzetten.
I.
Van den verleden tijd, B. B., hebben wij veel verloren j
bijgevolg moeten wij hem zoo goed mogelijk herstellen.
Om ons te overtuigen, dat wij van den verleden tijd
veel verloren hebben, zien wij eerst wat er verstaan
moet worden door verloren tijd. Ik noem| verloren den
tijd, dien wij besteed hebben aan zondige werken, aan
beuzelarijen en aan goede werken, maar zonder ver-
diensten voor den hemel.
Vooreerst is verloren de tijd, besteed aan zondige
werken. Bijgevolg is verloren de tijd, waarop de mensch
zijnen Heer en God gevloekt en gelasterd heeft; verlo-
-ocr page 17-
— 13 —
ren de tijd, waarop hij zich in kroegen en herbergen te
t>uiten gegaan is in den drank ; verloren de tijd, waarop
hij zich onrechtvaardig verrijkt heeft met geld en goed;
verloren de tijd, waarop hij zijnen evenmensch aange-
rand heeft in zijne eer en faam; verloren de tijd, waar-
op hij zich als gewenteld heeft in de modder der ontucht:
al die tijd, aan zondige werken besteed, is verloren, voor
eeuwig verloren. En hoeveel tijd heeft de mensch niet
besteed aan zondige werken? B. B., \'t is schier onge-
loofelijk; en nochtans, \'t is maar al te waar. Men treft
personen aan, die geene maand, geene week, wat zeg
ik ? die geen dag laten voorbijgaan, zonder hunnen Heer
en God te vergrammen, en zelfs grootelijks te vergram-
men. Hoeveel dagen in de week zijn er, waarop, bijv.,
die godslasteraar, die vloeker zijnen Heer en God niet
lastert en vloekt ? Hij heeft er de duivelsche gewoonte
van. Hoeveel dagen in de week zijn er, waarop die
kwaadspreker zijnen evenmensch niet aanrandt in zijne
eer en faam? Hij kan zijn mond schier niet openen
zonder kwaad te spreken. Hoeveel dagen in de week
zijn er, waarop die wellusteling geene zedenkwetsende
taal voert, geene ergernis geeft? Hij verkeert dagelijks
met zijns gelijken. Ziedaar, B. B., hoe de tijd, besteed
aan zondige werken, verloren is. Doch opdat de tijd
verloren zij, is het niet noodig, dat hij besteed worde
aan zondige werken: de tijd, besteed aan beuzelarijen,
is ook verloren. Bijgevolg is verloren de tijd, waarop
men niets doet tot glorie van God of tot zaligheid zijner
ziel. En hoe velen treft men er in de wereld niet aan, die
aan God of aan hunne ziel niet eens denken ? Zij beste-
den hunnen tijd om zich te verheffen, om groot te wos-
den in de wereld, zij zoeken aan de wereld te behagen
in plaats van aan God; zij besteden hunnen tijd om
-ocr page 18-
— 14 —
schatten en rijkdommen te vergaderen, zij denken enkel
aan geld en goed; zij besteden hunnen tijd om zich te
vermaken, en daarover loopen hunne gesprekken van
den vroegen morgen tot den laten avond. Hebt gij veel
pleizier gehad op dat feest ? Hebt gij u goed vermaakt
in dat gezelschap ? Wat zullen wij morgen, overmorgen
doen om ons te vermaken ? Ziedaar, B. B., hoe de tijd
verloren gaat. Want wat hebben die personen gedaan
tot glorie van God ? Niets. Wat hebben zij gedaan tot
zaligheid hunner ziel? Ook niets. Dormierunt somnum
suum,
zegt de Koninklijke Profeet David: zij hebben
hun slaap geslapen, en wakker geworden hebben zij niets
gevonden in hunne handen, et nihil invenerunt omnes,.
viri divitiarum in manibus sicis.
(i)
Eindelijk is verloren de tijd, besteed aan goede wer-
ken, doch zonder verdiensten voor den hemel. Men vindt
menschen, die zich vrijwillig in de onmogelijkheid stel-
len van iets te kunnen verdienen voor den hemel, \'t Zijn
de uitzinnigen, die na het ongeluk gehad te hebben van
in doodzonde te vallen, in dien ongelukkigen staat blij-
ven voortleven. Zij bidden, gaan naar de kerk, vasten,
geven aalmoezen, in een woord, zij doen veel goede wer-
ken. En nochtans, zij verdienen niets voor den hemel.
Waarom niet? Omdat zij in staat van doodzonde zijn,
en daarom verliezen zij dagen, weken, maanden, soms
jaren van den tijd, dien zij moesten besteden om ver-
diensten te vergaderen voor den hemel. Ziedaar, B. B.,
wat er verstaan moet worden door verloren tijd. Onder-
zoeken wij nu eens, of en hoe wij den tijd verloren heb-
ben. Hebben wij den tijd verloren door hem te beste-
den aan zondige werken ? Wij moeten aan onze zonden
(1) Ps. i.xxv, 6.
-ocr page 19-
— is —
vaarwel zeggen. Hebben wij den tijd verloren door hem
te besteden aan beuzelarijen ? Wij moeten van onze
dwaas- en uitzinnigheid terugkomen. Hebben wij den
tijd verloren, wijl wij in staat van doodzonde waren?
wij moeten uit dien ongelukkigen staat opstaan; vervol-
gens moeten wij ons best doen om den verloren tijd
door verdubbeling van vlijt en goede werken zoo goed
mogelijk te herstellen.
II.
De tegenwoordige tijd is kort en gaat snel voorbij;
bijgevolg moeten wij hem goed besteden.
Den tijd willen gebruiken, die reeds voorbij is, \'t is
dwaasheid; den tijd willen gebruiken, die nog moet ko-
men, \'t is voor \'t minst vermetelheid ; voor het oogenblik
is het in beide gevallen onmogelijkheid, want men zou
gebruik willen maken van iets dat niet bestaat. Men
moet dus gebruik maken van den tegenwoordigen tijd.
Doch de tegenwoordige tijd is een oogenblik, en vandaar
dat de tijd niets anders is dan een aaneenschakeling van
oogenblikken, die nimmer rusten, en waarvan het eene het
andere opvolgt. Terecht windt dus de tijd vergeleken bij
een waterstroom, die snel voorbijloopt. Stel u op den
oever van dergelijken stroom. Het water, dat voorbij ge-
loopen is, komt niet weder; onmogelijk er van te scheppen.
Het water dat in de verte aankomt, is nog niet in uw
bereik; ook onmogelijk er van te scheppen. Blijft nog
het water dat vóór u is, en waarvan gij kunt scheppen.
Eveneens is het gelegen, B. B., met den tijd, die snel
voorbijgaat. De tijd die voorbij is, komt niet weder;
onmogelijk dus hem te gebruiken. De tijd die nog komen
moet, is ook niet in uw bereik, dus ook onmogelijk hem
-ocr page 20-
— i6 —
te gebruiken. Blijft bijgevolg alleen de tegenwoordige
tijd, dien gij gebruiken kunt. Doch merkt wel op, B. B.,
evenals de waterstroom, waarvan ik zooeven sprak, niet
altoos loopt, doch eenmaal uitdroogt, zoo ook loopt de
tijd niet immer voor u, doch hij zal weldra eindigen.
Bijgevolg moeten wij van den tegenwoordigen tijd, die
snel voorbijgaat en niet wederkeert, een goed gebruik
maken, evenals men van het water van den snellen stroom,
dat niet wederkeert, moet scheppen, i) Wij mogen dus
geen enkel oogenblik van den tijd vruchteloos laten voor-
bijgaan. Neen, B.B., maar wij moeten elk oogenblik
van den tijd besteden aan het werk onzer zaligheid; wij
kunnen elk oogenblik van den tijd besteden aan het
werk onzer zaligheid; misschien hangt het werk onzer
zaligheid af van een enkel oogenblik tijds.
Wij moeten elk oogenblik van den tijd besteden aan
het werk onzer zaligheid. God, wiens oog onafgebroken
op ons gevestigd is, denkt altoos aan ons, Hij is altoos
met ons bezig om ons gelukkig te maken. En wij, B.B.,
die ons persoonlijk geluk moeten bewerken, wij denken
er niet aan, wij zijn er niet meê bezig?
De duivel loopt immer rond als een brieschende leeuw,
hij loert op een gunstig oogenblik om ons te verslinden
en ongelukkig te maken. En wij, B.B., wij zouden niets
doen om te ontsnappen en ons gelukkig te maken?
Daarenboven, God vermaant ons van op onze hoede
te zijn. Ziet toe, zegt Hij, videte: waakt, vigilate: bidt,
oratc: gij moet altijd bidden en niet moede worden,
quoniam oportet sempcr orare en non deficere. 2) Wij
moeten dus elk oogenblik van den tijd besteden aan het
werk onzer zaligheid. Dit schijnt velen menschen onmo-
1)  Velut ex torrente rapido, nee semper casuso, hauriendum.
2)  Luc. xvin, 1.
-ocr page 21-
— 17 —
gelijk. Hoedan! zeggen zij. Gij wilt dat ik altijd werke
aan mijne zaligheid ? Ja zeker. Ik moet dan alle dagen
naar de kerk gaan, aanhoudend met den rozenkrans in
de handen zitten en mijne huiselijke zaken verwaarloozen?
Volstrekt niet. Bijgevolg kan ik ook niet altijd werken
aan mijne zaligheid. Zeker wel, en gij moet, en juist
omdat gij moet, kunt gij, want God vordert het onmo-
gelijke niet. Luistert en gij zult het weldra met mij
eens zijn.
Ik vraag u, kunt gij den Heer uwen God al de dagen
van uw leven getrouw dienen? Zeker, en gij zijt er toe
verplicht, dat is uw einde hier op aarde, en daaraan be-
antwoordt uw einde hiernamaals, want de mensch is door
God geschapen om in dit leven God te dienen en hierna-
maals eeuwig Hem te aanschouwen. En hoe moet gij den
Heer uwen God al de dagen van uw leven getrouw dienen?
De gedragslijn is u gegeven: gij kent de geboden van
•God en van de H. Kerk; gij kent de plichten van uwen
staat. Die geboden moet gij onderhouden, die plichten
moet gij vervullen. Maar ik kan niet, zegt gij. Uit u
zelven alleen kunt gij niet, \'t is waar, daartoe hebt gij
Gods genade noodig, en om die genade te bekomen moet
;gij bidden en tot de H. Sacramenten naderen. Doch
waarom bidt gij niet \'s morgens en \'s avonds ? Waarom
nadert gij zoo zelden en niet beter bereid tot de H. Sacra-
menten ? Waarom sluit gij u niet aan bij God ? Kunt gij
uwe werken niet opdragen aan God ? zeggen, bijv., \'s mor-
gens: Van daag wil ik alles doen tot meerdere eer en
.glorie van God en tot zaligheid mijner ziel.
Wat zegt
de Apostel Paulus ? Hetzij gij eet, hetzij gij drinkt of
iets anders verricht, doet alles tot glorie van God: Omnia
in gloriam Dei facite{\\)
(1) j, Cor. xxx, 31.
2.
-ocr page 22-
— 18 —
Gij kunt dus alles doen tot glorie van God, en door
alles te doen tot glorie van God, werkt gij tevens aan
uwe zaligheid, en geen oogenblik van den tijd gaat verloren.
Wat meer is, misschien hangt van een oogenblik tijds
onze zaligheid af; God heeft misschien aan een oogenblik
tijds onze zaligheid verbonden. Een arme zondaar, bijv.,
verkeert in staat van doodzonde. God roept hem tot
boetvaardigheid, Hij biedt hem de genade der bekeering
aan; die zondaar beantwoordt niet aan de stem Gods,
hij maakt geen gebruik van Gods genade, hij sterft in
staat van doodzonde, en hij is voor eeuwig verloren, en
ziedaar, hoe onze zaligheid van een oogenblik tijds kan
afhangen. B. B., denken wij er eens goed over na en
overtuigen wij ons wel, dat wij elk oogenblik van den
tijd moeten en kunnen besteden aan het werk onzer
zaligheid, dat misschien van een oogenblik tijds onze
zaligheid afhangt, en wij zullen met zooveel dwazen en
verblinden niet zeggen: Later tijd genoeg, later zal ik
aan mijne zaligheid werken. Later tijd genoeg? Is dat
zeker ? Volstrekt niet, want de toekomende tijd is gansch
onzeker.
III.
De toekomende tijd is onzeker, bijgevolg moeten wij
er ons niet te veel op verlaten. Onze goddelijke Zalig-
maker zeide zekeren dag tot zijne leerlingen, toen zij
Hem vroegen, wanneer de ondergang van Jeruzalem zou
plaats hebben: Non est vestrum nosse tempora vel mo-
menta, qua Pater posuit in sua potestate:
(i) \'t Is uwe
zaak niet de tijden en de oogenblikken te kennen, die
de Vader in zijne macht gesteld heeft. Zoo ook zou
men ons kunnen zeggen: \'t Is uwe zaak niet te weten
(1) Act. i, 7.
-ocr page 23-
— i9 —
of gij over een jaar, over eene maand, over eene week,
over een dag nog leven zult. De dag van morgen hangt
zoo min van u af als die van gisteren, de dag van
uwen dood zoo min als die van uwe geboorte; al wat
men u zeggen kan is: misschien zult gij dan nog leven.
En de mensch, wat beeldt hij zich niet in? Hij belooft
zich zooveel voor de toekomst. Een oud schrijver had
wel gelijk, als hij zeide: De menschen leven niet, maar
zij maken zich gereed om te leven, (i) Dat is maar al
te waar. Hoe dikwijls hoort men, bijv. niet: Aanstaande
jaar zal ik dit of dat doen, zal ik deze goederen verkoo-
pen en andere aankoopen, zal ik mijn oud huis afbreken
en een nieuw bouwen. Hetzelfde heeft plaats, niet alleen
in tijdelijke aangelegenheden, maar ook in zaken van
meer belang, in zaken die de ziel en zaligheid aangaan.
Later zal ik er aan denken; dan zal ik die slechte ge-
woonte afleggen. Later zal ik mijn geweten in orde
brengen; dan zal ik mij met God verzoenen. Dus, zij
verklaren dan toch, dat zij nog niet leven gelijk het be-
hoort, maar zij maken zich gereed om goed te leven.
Doch ik vraag u: Waarom denkt gij er nu niet aan?
Waarom legt gij die slechte gewoonte nu niet af? Waarom
brengt gij uw geweten nu niet in orde? Waarom verzoent
gij u nu niet met God? Nu is het nog tijd, misschien
zal het weldra te laat zijn. Neen, dat doet men niet:
de menschen leven niet\' gelijk het behoort, zij maken
zich enkel gereed om het later te doen. Om u daarvoor
te wachten, ziehier, B. B., drie onzekerheden: Zal er eene
toekomst voor u zijn ? Hoedanig zal die toekomst voor u
wezen ? Hoe zult gij u in de toekomst gedragen ?
Vooreerst, zal er eene toekomst voor u zijn? Gij zegt
(1) Non vivunt homines, victuri sunt.
-ocr page 24-
---- 20 ----
het stoutweg: Later, zegt gij, zal ik aan mijne zaligheid-
denken, aanstaande Paschen, aanstaande jaar zeker. Zal
er een later, een aanstaande Paschen, een aanstaande
jaar voor u zijn? Herinnert u wat den rijke van het
Evangelie geantwoord werd, die zich, na veel geld en
goed verzameld te hebben, veel vroolijke dagen beloofde:
Dwaas! die gij zijt, werd hem geantwoord, dezen nacht
eischt men uwe ziel van u op : Hac nocte animavi repe-
tunta te,
en hetgeen gij bereid hebt, voor wien zal het
wezen? quae atitem parasti cujuserunt? i) En bijaldien
u hetzelfde overkomt, dan is uw later te laat, en de
plannen, die gij gemaakt hebt, zijn als zoovele luchtkas-
teelen verdwenen. Doch veronderstelt, dat er eene toe-
komst voor u zij, hoedanig zal die toekomst voor u we-
zen ? Zal de toekomende tijd beter voor u zijn dan de
tegenwoordige, om aan uwe zaligheid te werken ? Nu
hebt gij geen tijd, zegt gij: gij hebt te veel aan uw hoofd,
nu met dit, dan met dat; nu met uw huisgezin, dan
met uwen handel, en ik weet niet met wat al zaken, te
talrijk om op te noemen. Zult gij later, aanstaande Pa-
schen, aanstaande jaar meer tijd hebben ? Zult gij dan
niets meer aan uw hoofd hebben ? Later zult gij wei-
licht minder tijd en zeker veel meer moeielijkheden heb-
ben dan nu. Doch veronderstelt ook nog, dat de toe-
komst beter voor u zij. Hoe zult gij u in de toekomst
gedragen ? Ha ! nu belooft gij u veel. Doch wat zult
gij later doen in uwen ouderdom ? — want zoo ver komt
men met van dag tot dag uit te stellen — zult gij dan
den moed hebben, om ten uitvoer te brengen, waartoe
gij thans den moed niet hebt? Neen, B.B., en terwijl
de ondeugd eene tweede natuur, en de mensch oud en
(1) Luc. xii," 20.
-ocr page 25-
— 21
zwak geworden is, verricht hij doorgaans niets meer.
Onopgemerkt gaat hij van den vrijwilligen levensslaap
tot den gedwongen doodslaap over, opent de oogen en
ziet den tijd, dien hij verloren heeft, dan eerst, als er
geen tijd meer is, om er het verlies van te herstellen,
en zoo gaat die ongelukkige de eeuwigheid binnen. Zie-
daar, B.B., hoe het den mensch vergaat, die den verle-
den tijd niet herstelt, die den tegenwoordigen tijd verliest,
en die zich op den toekomenden tijd te veel verlaat.
SLUITREDE.
Daarom zeg ik ten slotte: wachten wij ons voor die
noodlottige dwaasheid en verblindheid, en ter gelegenheid
van het Nieuwjaar, dat ik u allen onder alle opzichten
gelukkig en zalig toewensch, maken wij een goed en vast
voornemen. Slaan wij zonder uitstel de handen aan het
werk. Wij ook, B.B., hebben veel van den verleden tijd
verloren; wij moeten hem dus zoo goed mogelijk her-
stellen, door onze zonden uit te boeten en door ons met
verdubbelden ijver op de deugd toe te leggen. De tegen-
woordige tijd is kort en gaat snel voorbij; wij moeten
hem dus goed besteden tot glorie van God en tot zalig-
heid onzer zielen, wel zorgen, dat geen oogenblik er van
vruchteloos voorbijga. De toekomende tijd is onzeker;
wij mogen er ons niet te veel op verlaten. Herstellen
wij dus, ik herhaal het, het verledene; besteden wij goed
het tegenwoordige, en verlaten wij ons niet te veel op
het toekomende. Ziedaar het middel en het eenige mid-
del, om zich in het uur des doods niet te beklagen te
hebben, en om van den tijd over te gaan tot de geluk-
zalige eeuwigheid, die ik u allen van harte wensch, in
den naam des Vaders, enz. Amen.
-ocr page 26-
TWEEDE PREEK.
Driekoningen.
Vidimus stellam ejw in oriente et venimus
adorare eum.
Wij hebben zijne ster in bet oosten
gezien en wij zijn gekomen om hem te
te aanbidden.
                       Matth. n, 2.
INHOUD.
VOORREDE.
Evangelie van den feestdag. — Drie klassen van
menschen afgebeeld.
VERDEELING.
I. De eerste klasse is afgebeeld door Herodes;
II. De tweede klasse door het volk, de Opperpriesters
en de Schriftgeleerden ;
III. De derde klasse door de drie Koningen.
I.
De eerste klasse, afgebeeld door Herodes, bevat de-
genen die onzen heiligen godsdienst onderzoeken, met
het inzicht van hem te bestrijden. — Herodes is ont-
roerd, hij maakt het voornemen van Jezus te vermoorden.
-ocr page 27-
— 23 —
Herodes is de eerste, die Jezus vervolgd heeft. Waarom
vervolgt hij Jezus? — Op Herodes volgen de kerkver»
volgers. Waarom vervolgen zij de H. Kerk? — Ver-
geefsche pogingen van Herodes en van de overige kerk-
vervolgers. — Waarom straft God niet onmiddellijk de
kerkvervolgers ? Antwoord van den H. Augustinus. —
Schande- en pijnlijke dood van Herodes en van vele
kerkvervolgers.
II.
De tweede klasse, afgebeeld door het volk van Jeru-
.zalem, de Opperpriesters en de Schriftgeleerden, bevat
degenen, die onzen heiligen godsdienst onderzoeken, enkel
om hem te kennen, zonder hem te willen volgen. —
Het volk wordt ontroerd, doch niemand gaat naar
Bethleëm. Het volk is het afbeeldsel van hen die, na
de waarheid gehoord te hebben, den moed niet hebben
om haar te volgen. — De Opperpriesters en de Schrift-
geleerden wijzen den drie Koningen den weg, doch zelven
blijven zij thuis. Zij zijn het afbeeldsel van hen, die
anderen leeren wat zij moeten doen, doch zelven niet
doen. — Straf van de inwoners van Jeruzalem. — Die
den godsdienst kennen en niet volgen, zullen vroeg of
laat gestraft worden.
III.
De derde klasse, afgebeeld door de drie Koningen,
bevat degenen, die onzen heiligen godsdienst onderzoeken
om hem te volgen, en die er hun leven naar schikken. —
De drie Koningen, na de ster gezien te hebben, gaan
terstond op reis. Wij moeten terstond aan Gods genade
beantwoorden. — De drie Koningen hebben weder-
-ocr page 28-
— 24 —
waardigheden op reis, doch zij volharden. Wij moeten
niettegenstaande de moeielijkheden volharden in het goede.
— De drie Koningen zijn zonder vrees, zonder menschelijk
opzicht. Wij moeten niet vreezen, noch ons schamen
van de deugd te oefenen. — De drie Koningen vragen
raad. Wij moeten raad vragen, bijaldien wij in zekere
omstandigheden niet weten wat aanvangen; raad vragen
aan degenen, die over ons aangesteld zijn. — De drie
Koningen vinden het goddelijk Kind en offeren het goud,
wierook en mirre. Zij erkennen in dat klein Kind hun-
nen Koning, hunnen God en een mensch. Geestelijke
geschenken verbeeld door het goud, den wierook en de
mirre: de liefde, het gebed en de droefheid over de zonde.
Jezus beloont de drie Koningen: zij hebben de wereld
verlaten en zijn groote Heiligen geworden.
SLUITREDE.
De drie Koningen hebben in het Kindje Jezus hunnen
God erkend, zij hebben Het aanbeden en geschenken
geofferd. Wij moeten in het allerheiligste Sacrament
des Altaars onzen God erkennen, Hem aanbidden en
onze geschenken brengen: onze liefde, ons gebed en onze
versterving.
~^^^tt,ii^^i^i^>^>^.^-
-ocr page 29-
— 25 —
TWEEDE PREEK.
Driekoningen.
Vidimus stellam ejus in oriente et renimus
adorare eum.
Wij hebben zijne ster in het Oosten ge-
zien en wij zijn gekomen, om Hem te
aanbidden.
                         Matth. n, 2.
VOORREDE.
Het Evangelie van dezen dag, B. B., verhaalt ons,
hoe wonder God den drie Koningen uit het Oosten de
geboorte van zijnen Zoon bekend gemaakt, en hoe won-
der Hij hen naar Bethleëm geleid heeft, om Hem daar
te aanbidden. Ziehier de geschiedenis er van volgens
Matthaeus. „Toen Jezus dan geboren was in Bethleëm
„van Juda, in de dagen van Herodes, den Koning, zie,
„zoo kwamen er Wijzen van het Oosten te Jeruzalem
„aan en zeiden: Waar is de nieuw geboren Koning der
„Joden ? want zijne ster hebben wij gezien in het Oosten,
„en wij zijn gekomen om Hem te aanbidden.
„Toen nu Herodes, de koning, dit hoorde, werd hij
„ontroerd, en gansch Jeruzalem met hem. En hij ver-
kaderde al de Opperpriesters en Schriftgeleerden des
„volks, en vroeg van hen, waar de Christus moest
„geboren worden. Zij nu zeiden tot hem: In Bethleëm
„van Juda; want zóó is er geschreven door den Profeet:
„JSn gij, Bethleëm, land van Juda! geenszins zijt gij
„de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal
„uitgaan een vorst, die mijn volk, Israël, besturen moet.
„Alstoen beriep Herodes heimelijk de Wijzen, en vernam
-ocr page 30-
— 26 —
.„van hen nauwkeurig den tijd der sterre, die hun ver-
„schenen was. En hen naar Bethleèm zendende, zeide
„hij: Gaat en ondervraagt zorgvuldig naar het kind; en
„als gij het zult gevonden hebben, boodschapt het mij
„dan, opdat ook ik kome en het aanbidde.
„Zij nu, den koning gehoord hebbende, gingen heen.
„En zie, de sterre, welke zij in het Oosten gezien hadden,
„ging hun voor, tot dat zij kwam en stil stond boven
„de plaats, waar het kind was. En toen zij de sterre
„zagen, verheugden zij zich met zeer groote vreugde.
„En zij gingen het huis in, en vonden het kind met Maria,
„zijne moeder, en zij vielen neder en aanbaden het; en
„hunne schatten geopend hebbende, offerden zij hem
„geschenken: goud, wierook en mirre. En hebbende in
„den droom een antwoord van God ontvangen, dat zij
„niet zouden wederkeeren tot Herodes, zoo gingen zij
„langs een anderen weg naar hun land terug: Per aliam
„viam reverst sunt in regionem suam."
In deze geschiedenis van de openbaring van Jezus aan
de drie Koningen, vinden wij, B. B., drie klassen van
menschen afgebeeld.
I. De eerste klasse is afgebeeld door Herodes;
II. De tweede door het volk, de Opperpriesters en de
Schriftgeleerden;
III. De derde door de drie Koningen. Leggen wij tot
onze stichting van daag ter gelegenheid van het feest
van Driekoningen die drie klassen een weinig uit.
I.
De eerste klasse van menschen, B. B., afgebeeld door
Herodes, bevat degenen die onzen heiligen godsdienst
-ocr page 31-
*/
onderzoeken, met het inzicht van hem te bestrijden en
zijne belijders te vervolgen
Zoodra Herodes de drie Koningen uit het Oosten
gesproken en van hen vernomen had, dat de lang
gewenschte Messias geboren was, hoe is hij gesteld en
wat doet hij? Is hij verheugd en verblijd over die
goede tijding? Maakt hij zich gereed en sluit hij zich
bij de drie Koningen aan om Jezus op te zoeken en te
gaan aanbidden? Neen, B. B., want luistert hoe hij ge-
steld is en wat hij doet. Turbatus est, hij wordt ont-
roerd, zegt het Evangelie. Gaat, zeide Herodes tot de
Wijzen, en ondervraagt zorgvuldig naar het kind: Ite et
interrogate diligenter de puero,
en als gij het zult ge-
vonden hebben, boodschapt het mij dan, opdat ik ook
kome en het aanbidde: Ut et ego veniens adorem eum. (i)
Mijn God ! Welk eene huichelarij ! Welk eene hemel-
tergende, onder het masker van godsvrucht verborgen
sluwheid ! Ondervraagt Herodes naar het kind, met het
voornemen van het na de terugkomst der Wijzen te
gaan aanbidden ? Neen, B. B.; maar die wreedaard, die
Godvergeten koning, heeft het snoode plan gemaakt om
dat beminnelijk kind, dat gekomen was om de menschen
zalig te maken, om Jezus te vermoorden. Immers, in
zijne verwachting teleurgesteld, wijl de drie Koningen
niet over Jeruzalem wederkeeren, ontvlamt hij in woede;
hij zendt zijne soldaten om alle kinderen van Bethleëm
en omstreken, kleintjes van twee jaar en daaronder, te
vermoorden, in de hoop van onder die kinderen ook
Jezus te treffen. Doch te vergeefs, B. B.; God lacht eens
met Herodes, Hij verijdelt diens snoode plannen naar
willekeur.
(1) Matth. ii, 8.
-ocr page 32-
— 28 —
Doch waarom staat Herodes het goddelijk kind naar
het leven ? Herodes is koning, hij wil koning blijven,
hij vreest door Jezus van den troon geworpen te wor-
den, en ziedaar, waarom hij het goddelijk Kind zoekt te
dooden.
Herodes is de eerste van eene menigte dwingelanden,
die Jezus en zijne bruid, de H. Kerk, vervolgd hebben,
vervolgen tot op den dag van heden en zullen vervolgen
tot aan het einde der eeuwen. En waarom vervolgen
die dwingelanden Jezus en zijne Kerk ? Omdat zij overal
en te allen tijde willen regeeren, koning en meester wil-
len zijn. Zij zijn niet tevreden van te leven gelijk zij
het goedvinden, maar zij willen, zij vorderen dat ook
anderen hunne levenswijze goedkeuren en navolgen. Die
vervolgers kunnen, bijv., niet verdragen dat er kerken
en bidplaatsen bestaan, en daarom sluiten of verwoesten
zij de kerken en de bidplaatsen. Zij kunnen de instel-
lingen der H. Kerk, de katholieke scholen, de godsdienst-
plechtigheden, de processiën niet verdragen, en daarom
verzetten zij er zich tegen en verbieden ze. Zij kunnen
de sermonen en de H. Sacramenten niet verdragen, en
daarom beletten zij de priesters van de geloofswaarheden
te verkondigen, de H. Sacramenten toe te dienen. Is het
niet juist hetgeen wij hedendaags zien gebeuren, zoo niet
in ons land, dan toch in andere landen? En waarom
vervolgen de hedendaagsche vijanden Jezus en zijne Kerk?
De voornaamste reden is, wijl Jezus en zijne Kerk hun
zondig gedrag afkeuren en veroordeelen; ziedaar, waarom
zij Jezus en zijne Kerk vervolgen en beiden uit de samen-
leving wenschen te verbannen. Doch te vergeefs. Herodes,
gelijk wij uit het Evangelie weten, heeft het goddelijk
Kind niet kunnen treffen; tegen wil en dank heeft hij
gewerkt aan de glorie van Jezus. Jezus\' geboorte werd
-ocr page 33-
— 29 —
de gansche wereld door bekend. Eenieder daarenboven
sprak met verontwaardiging van Herodes, wijl hij eene
menigte onnoozele kinderen had doen vermoorden. Dien
kinderen bewees Herodes tevens, zonder het te weten,
een grooten dienst; hij maakte van hen zoovele marte-
laren voor Christus, die in eeuwigheid in den hemel God
zullen loven en danken, wijl zij voor Hem hun bloed
hebben mogen vergieten.
Gelijk Herodes in zijne plannen niet geslaagd is, even-
min zijn er de op hem volgende Kerkvervolgers in ge-
slaagd. Zij hebben wel is waar het bloed der Martelaren
ook doen stroomen, doch in plaats van daardoor de
Christenen uit te roeien en de H. Kerk te vernietigen,
hebben zij nieuwe geloovigen gemaakt en de H. Kerk
uitgebreid, wijl, naar de uitdrukking van Tertullianus,
het bloed der Martelaren als het zaad was van nieuwe
Christenen. Ook behoeven wij thans niet te vreezen, dat
de hedendaagsche vervolgers tegen de H. Kerk zullen
vermogen. God, die zijne Kerk achttien eeuwen lang
beschermd en bewaard heeft, is immer dezelfde. De
arm zijner almacht is niet verkort. Hetgeen Hij vroeger
gekunnen heeft, kan Hij nog. Hetgeen Hij vroeger
gedaan heeft, doet Hij nog, d. i., Hij zal zijne Kerk
bijstaan en verdedigen. Doch waarom, zoudt gij wei-
licht denken, laat God de vervolgers zijner Kerk be-
gaan ? Waarom laat Hij hen leven ? Waarom straft
Hij hen niet? God, zegt de H. Augustinus, laat de
kwaden leven; vooreerst, opdat zij zich zouden bekeeren.
God is geduldig; Hij is op de wereld gekomen, om de
menschen zalig te maken. Hij wil den dood van den
zondaar niet, gelijk Hij zelf verklaart, maar dat hij zich
bekeere, zijn slechten weg verlate, en leve: Nole mor-
iem impii, sed zit convertatur impins a via sua, et
-ocr page 34-
— 3o -
vivat. (i) Vervolgens laat Hij de kwaden leven om door
hen, als door werktuigen, de goeden te oefenen, om hun
de gelegenheid te verschaffen van, door met geduld te
lijden, den hemel te verdienen. Nochtans, wat de straf
betreft, deze wacht zeker de vervolgers der H. Kerk en
wordt zelfs niet altoos tot na hunnen dood uitgesteld.
Getuige er van de bloeddorstige Herodes. Herodes, na
Jezus vervolgd en de onnoozele kinderen van Bethleèm
vermoord te hebben, werd op zijne beurt vervolgd door
zijn eigen zoon Antipater, en hij deed zijn eigene kin-
deren om het leven brengen.\' Uitgeteerd van verdriet
en met eene schandelijke ziekte geslagen, wilde hij zich
zelven om het leven brengen. Daarin nochtans werd
hij verhinderd, doch een jaar na den kindermoord stierf
hij een allerellendigsten dood. Ziedaar het uiteinde van
Herodes\' uiteinde, waaraan het uiteinde van eene menigte
kerkvervolgers gelijkt.
II.
De tweede klasse van menschen, B. B., afgebeeld door
het volk, de Opperpriesters en de Schriftgeleerden, be-
vat degenen, die onzen heiligen godsdienst onderzoeken,
enkel om hem te kennen, zonder hem te willen volgen.
De drie Koningen, te Jeruzalem aangekomen, vragen,
gelijk wij uit het Evangelie gehoord hebben, naar den
nieuw geboren Koning der Joden: Ubi est qui naties
est rex Judacorum ?
(2) Op die vraag komt de gansche
stad in beweging. De Opperpriesters en de Schriftgeleer-
den raadplegen de H. Schrift, en zij vinden dat Jezus te
Bethleèm, eenige mijlen van Jeruzalem, moet geboren
worden. Niemand nochtans sluit zich bij de drie Ko-
(1) Ezech. xxxin, 11. (2) Matth. 11, 2.
-ocr page 35-
— 3i —
ningen aan, om het goddelijk Kind op te zoeken en te
gaan aanbidden.
De Opperpriesters en de Schriftgeleerden toonen wel
is waar den weg aan anderen, aan de drie Koningen,
doch zelven verzetten zij geen voet, zij blijven thuis.
Ziedaar, B. B., juist het afbeeldsel van vele Christenen.
Inderdaad, vele Christenen, na de een af andere waarheid
van onzen heiligen godsdienst gehoord te hebben, hebben
den moed niet van ze te volgen; zij zijn afgebeeld door
het volk van Jeruzalem. Die Christenen, bijv., lezen een
godvruchtig boek; zij hooren het een of ander sermoon,
soms eene flinke strafpreek, waardoor zij krachtig aan-
gezet worden om van leven te veranderen. De priester
spreekt hun over den dood en het oordeel, over de hel
en den hemel; hij legt hun die groote en belangrijke
waarheden uit, zoodat zij ze goed begrijpen. Welk is
nu het gevolg van die lezing, van dat sermoon? Zij
worden een weinig bewogen. Doch hoelang duurt die
goede beweging? Zoo lang als die lezing, als dat ser-
moon duurt; daarna zijn zij juist wederom dezelfden, zij
veranderen niet. Doch de ongelukkigsten van allen zijn
de Christenen, die anderen den weg toonen, maar die
zelven dien weg niet inslaan; zij worden afgebeeld door
de Opperpriesters en de Schriftgeleerden. Wee hun, die
zoo handelen! En om die waarheid nog wat beter te
doen verstaan, wil ik in eenige bijzonderheden treden.
Wee, bijv., den ouders, die hunne kinderen tot het goede
aansporen, die hen, bijv., vermanen van dikwijls tot de
H. Sacramenten te naderen, terwijl zij zelven nalatig zijn!
Wee den oversten, die hunnen dienstboden goede lessen
geven, terwijl zij zelven die lessen niet volgen! Wee
hun, die het kwaad gedrag van anderen afkeuren en
hekelen, terwijl zij zelven niet onberispelijk zijn! die
-ocr page 36-
— 32 —
anderen leeren braaf en deugdzaam te zijn, terwijl zij
zelven slecht en zondaren blijven! Dergelijke Christenen
zijn onverschoonbaar. Waarom ? Om de eenvoudige
reden: zij weten wat zij doen moeten, en zij doen het
niet: Dicunt enim et non faciiint. (i) Welke straf wacht
dergelijke Christenen niet!
Gij weet wellicht, B.B., hoe Jeruzalem met zijne inwo-
ners niet lange jaren na den dood van onzen goddelijken
Zaligmaker gestraft is geworden. De geschiedenis meldt
ons onder anderen, dat Titus de stad Jerusalem belegerd,
ingenomen en tot den grond toe verwoest heeft; dat hare
inwoners vermoord en in menigte gevankelijk zijn weg-
gevoerd. En och of het daarbij gebleven ware. Doch,
helaas! hoevelen onder hen beklagen thans, en zullen in
eeuwigheid beklagen, dat zij toen van de openbaring der
Wijzen, van Gods genade misbruik gemaakt hebben, wijl
zij daarom voor eeuwig tot de hel veroordeeld zijn.
Hetzelfde lot wacht hen, die na de waarheden van onzen
heiligen godsdienst gekend te hebben, dezelve niet vol-
gen ; die na de uitgelezenste genaden van God ontvangen
te hebben, er niet aan beantwoorden, integendeel er
schandelijk misbruik van maken, tot hunne eeuwige ver-
doemenis. Wij moeten, gelijk gij ziet, B.B., noch den
koning Herodes, noch het volk van Jeruzalem, noch de
Opperpriesters en Schriftgeleerden navolgen. Wie moeten
wij navolgen? Wij moeten navolgen de drie Koningen
of de Wijzen uit het Oosten; wij moeten de waarheden
van onzen heiligen godsdienst onderzoeken en er ver-
volgens ons leven naar schikken, en ziedaar tevens de
derde klasse van menschen, afgebeeld door de drie
Koningen.
i -
(1) Matth. xxiii, 3.
-ocr page 37-
— 33 —
III.
Zoodra de drie Koningen de wonderster, die de ge-
boorte van den Messias aankondigde, gezien hebben,
beantwoorden zij, inwendig verlicht, aan de stem Gods.
Nochtans, de reis die zij gingen ondernemen, was niet
gemakkelijk, \'t Was winter, de afstand groot, of liever,
zij wisten niet eens waarheen. Niettemin, de drie Ko-
ningen redeneeren niet; zij zeggen bijv. niet: wij zullen
nog eenigen tijd wachten: neen, zij wachten niet, maar
zij begeven zich terstond op reis. En gelukkig voor hen;
want hadden zij nog eenige dagen gewacht, zij zouden
het goddelijk Kind niet meer gevonden hebben. Ziedaar,
B.B., eene les voor ons. De drie Koningen leeren ons
van den dag van heden gebruik te maken en niet uit te
stellen tot den dag van morgen. Waarom niet ? Wel,
de dag van morgen is onzeker. Hoevelen in de hel
beklagen, doch helaas! te laat dat ongelukkig uitstellen
tot morgen, \'t Was immer bij hen: Ik heb tijd genoeg:
morgen zal ik er aan denken: later zal ik mij bekeeren.
\'t Spreekwoord wordt in hen bewaarheid. En welk is
dat spreekwoord? Dat spreekwoord is: Tijd genoeg
komt altoos te laat. En inderdaad, zoo is het. Ook
moeten wij van de genaden, welke God ons dagelijks
geeft, gebruik maken; wij moeten het goede doen, terwijl
het tijd is.
De drie Koningen vinden ook wederwaardigheden op
hunne reis; alles gaat hun niet naar wensch; God stelde
hen op eene harde proef. Zij zijn bijna te Jeruzalem
aangekomen, en ziet! eensklaps verdwijnt de ster, die
hen tot daartoe geleid heeft. Zullen zij nu den moed
verliezen, in hun geloof en betrouwen beginnen te wan-
kelen? Zullen zij nu denken, dat zij bedrogen zijn?
3.
-ocr page 38-
— 34 —
Neen, B.B., doch vol geloof en betrouwen op God, vol-
harden zij in hun voornemen. Ziedaar eene tweede les
voor ons, Christenen, namelijk, hoe wij ons in de beoefe-
ning der deugd moeten gedragen. Wanneer de een of
andere moeielijkheid zich opdoet, wanneer wij in den
dienst van God dorheid of ongevoeligheid gewaar worden,
dan moeten wij den moed niet verliezen, maar wij moe-
ten God om God dienen. Vol betrouwen op God, die
ons geroepen en getrokken heeft, moeten wij moedig
vooruitstappen, ons zelven geweld aandoen, denkende
dat het rijk der hemelen geweld lijdt, en dat de gewel-
digen het innemen : Regnum caeloriim vim patitur et
violenti rapiunt Mud.
(i)
De drie Koningen zijn ook zonder vrees, zonder men-
schelijk opzicht. Zij komen te Jeruzalem aan en vragen
Herodes, waar de nieuwgeboren Koning der Joden is:
UH est qui nattis est rex Judceorum. Hadden zij dan
niet te vreezen van door Herodes, die toenmaals koning
was, aangehouden en in de gevangenis geworpen te wor-
den ? Of was het voor \'t minst niet te denken dat zij
zouden bespot en uitgelachen worden ? De drie Koningen
storen zich aan niets, zij vreezen niets, zij kennen geen
menschelijk opzicht, \'t is hun te doen om Jezus te vin-
den, wiens ster zij gezien hebben, en zij zijn gekomen
om hem te aanbidden: Et venimus adorare eum. (2)
Ziedaar, B. B., juist onze zaak. Waarom zijn wij op
aarde, zoo niet om God te dienen, om het pad der deugd
te bewandelen? Wij moeten niet vreezen tot dat einde
de middelen te gebruiken. Wij moeten bijv., niet den-
ken: Maar wat zal men van mij denken of zeggen, bij-
aldien ik zoo dikwijls naar de kerk ga, bijaldien ik zoo
(1> Matth. xi, 32. (2) Matlh. ir, 2.
-ocr page 39-
— 35 —
dikwijls tot de H. Sacramenten nader, bijaldien ik met
anderen niet mede doe? Die gedachte alleen: Wat zal
men van mij denken of zeggen, heeft er duizenden van
den dienst van God en van het pad der deugd afge-
trokken en voor\' eeuwig ongelukkig gemaakt. B. B.,
denken wij eens wel na over hetgeen onze goddelijke
Zaligmaker zegt: Die zich over mij en mijne woorden
zal geschaamd hebben, zegt Hij, over dien zal de Zoon
des menschen zich schamen, wanneer Hij komen zal in
zijne heerlijkheid en die des Vaders en die der H. En-
gelen. Geene vrees dus, B. B., voor wien het ook zij;
geen menschelijk opzicht, doch kloekmoedig vooruit in
d\'en dienst van God, op het pad der deugd, dat naar
Jezus, dat naar den hemel leidt.
De drie Koningen op de proef gesteld en niet wetende
wat aanvangen, wijl de ster verdwenen was, vragen om
raad. Zoodra de Opperpriesters en de Schriftgeleerden
hun gezegd hebben, waar Jezus te vinden is, vervolgen
zij hunnen weg, zonder hunnen tijd aan het hof van
Herodes te verliezen. Door die handelwijze leeren de
drie Koningen ons, hoe wij ons te gedragen hebben,
wanneer wij in de een of andere omstandigheid niet
weten wat aanvangen. Naar het voorbeeld der drie
Koningen moeten wij dan om raad vragen. Aan wie?
Aan hen, die door God aangesteld zijn om ons te leiden
of te besturen in hetgeen de zaligheid aangaat. Wij
moeten dus om raad vragen aan de priesters, aan onzen
biechtvader of zielbestuurder; deze zullen ons zeggen
wat wij te doen hebben, en door hunnen raad te volgen
kunnen wij zeker zijn van eenmaal ons gewenscht doel
te bereiken, evenals de drie Koningen het hunne bereik-
ten. Want ziehier, B. B., wat er met hen gebeurde.
Nauwelijks hebben zij Jeruzalem verlaten, of ziet! de
-ocr page 40-
— 36 —
ster die hen vroeger vergezeld had, verschijnt wederom
en brengt hen tot op de plaats, waar het goddelijk Kind
zich met Maria zijne Moeder bevindt. Zij gaan het huis
binnen, zegt de Evangelist, en door een straal van hier-
boven verlicht, erkennen zij in dat klein Kind hunnen
Heer en God. Zij vallen op hun aangezicht ter aarde neder
en aanbidden Hem. Doch de drie Koningen wisten dat men
voor God niet met ledige handen moet verschijnen. Daarom
hebben zij uit hun land voor Jezus geschenken medegebracht,
die zij Hem blijmoedig aanbieden. Die geschenken waren,
gelijk wij weten, goud, wierook en mirre. Door het goud
beleden de drie Koningen dat het kind Koning, door den
wierook dat het God, en door de mirre dat het mensch
is. Bij die uitwendige geschenken voegden zij nog in-
wendige, namelijk, die van hun hart: eene brandende
liefde, eene teedere godsvrucht en eene ware, oprechte
droefheid over hunne zonden, waardoor zij vroeger hun-
nen God beleedigd hadden. Die geschenken waren het
goddelijk Kind nog aangenamer dan de eerste. Ook liet
Jezus hen niet onbeloond vertrekken. Na vermaand te
zijn van niet over Jeruzalem, maar langs een anderen weg
naar hun land terug te keeren, verlaten zij Bethleëm.
Nooit zullen zij vergeten, wat zij daar gehoord en gezien
hebben. De geschiedschrijvers verhalen dat de drie Ko-
ningen later aan de wereld vaarwel gezegd hebben, en
dat zij hun leven in den dienst van God hebben doorge-
bracht, totdat zij eindelijk een zaligen dood zijn gestorven.
Hunne heilige overblijfsels zijn eerst naar Constantinopel,
vervolgens naar Milane en eindelijk naar Keulen overge-
bracht, in welke stad zij door de geloovigen tot op den
dag van heden godvruchtig vereerd worden.
-ocr page 41-
— 37 —
SLUITREDE.
Ziedaar, B. B., in het kort de openbaring van Jezus
aan de drie Koningen.
De drie Koningen hebben in het klein Kind te Bethleëm
hunnen God erkend, zij hebben Hem aanbeden en ge-
schenken geofferd. God, die zich nooit in edelmoedigheid
laat overtreffen, heeft hen daarvoor ruimschoots beloond,
en vooral met het geluk des hemels. Dat geluk voorzeker
benijden wij den drie Koningen, en wij wenschen niets zoo
zeer dan het eenmaal met hen te mogen deelen. Welnu, doen
wij ons best en volgen wij de drie Koningen na. Doch hoe
de drie Koningen navolgen, zult gij misschien denken. Ik
kan niet naar Bethleëm gaan, daar het goddelijk Kind
aanbidden en geschenken offeren, \'t Is niet noodig, B.B.,
gij behoeft zoo ver niet te gaan: daar, in het allerhei-
ligste Sacrament des Altaars is Jezus onze Koning, God
en mensch tegenwoordig, niet wel is waar als een klein
Kind, maar onder de gedaante van brood, gelijk het
geloof ons leert. Gij kunt dus, ja, gij moet u naar het
voorbeeld der drie Koningen voor Jezus nederwerpen en
Hem aanbidden. Gij kunt, ja, gij moet Jezus geschen-
ken brengen: goud, wierook en mirre, niet die stoffelijke
geschenken, maar hetgeen er door afgebeeld wordt. Ja,
B. B., wij moeten Jezus goud offeren, d. i., wij moeten
Hem beminnen, en ons hart moet immer branden van
liefde tot Jezus, onzen Zaligmaker, want wat zegt de
Apostel Joannes? Laten wij God beminnen, zegt hij,
want God heeft ons eerst bemind: Nos ergo diligamus
Deum, quoniam Deus prior dilexit nos
(i). Wij moeten
Jezus wierook offeren, d. i., wij moeten Hem aanbidden,
(1) i Joan. iv, 19.
-ocr page 42-
— 38 —
en onze gebeden moeten als een wierookswolk voor den
troon van God opstijgen: Dirigatur oratio mea sicut
incensutn in conspectu tuo
(i). Wij moeten Jezus mirre
offeren, d. i., wij moeten hier op aarde onze zonden be-
weenen, er boetvaardigheid over doen en ons versterven:
Mortificate membra vestra, quae sunt super terrant (2).
Ziedaar, B. B., wat ons te doen staat, hoe wij de drie
Koningen kunnen en moeten navolgen. Ja, met de drie
Koningen laten wij Jezus beminnen, laten wij Jezus aan-
bidden, laten wij Jezus getrouw dienen in dit leven, en
eenmaal zullen wij het geluk hebben van met dezelfde
drie Koningen denzelfden Jezus van aanschijn tot aanschijn
te aanschouwen in den hemel. Amen.
(1) Ps. Cxl, 2. (2) col. in, 5.
-ocr page 43-
DERDE PREEK.
De zoete naam Jezus.
Postquam consummati sunt dies octo ut
circwncideretur puer, vocatum est nomen ejus
Jetus.
Toen de acht dagen vervuld waren dat
het kind zou besneden worden, werd zijn
naam Jezus genoemd.
            Luc. u, 21.
INHOUD.
VOORREDE.
De besnijdenis was voorgeschreven door de wet van
Mozes. — De kinderen van het mannelijk geslacht moes-
ten ze ondergaan den achtsten dag na hunne geboorte. —
Het goddelijk Kind werd besneden en ontving den naam
Jezus. — Evangelie. — Waarom geeft men het goddelijk
Kind bij zijne besnijdenis den naam Jezus ?
VERDEELING.
I. De zoete naam Jezus in zich;
II. De zoete naam Jezus in betrekking tot ons.
I.
De zoete naam Jezus in zich is groot, een naam boven
alle namen: om zijnen oorsprong. Hij is niet van deze
-ocr page 44-
— 40 —
aarde, maar uit den hemel; niet van een schepsel, van
Gabriël, Maria of Jozeph, maar van den Schepper, van
den hemelschen Vader. — Om zijne beteekenis. Anderen
hebben den naam Jezus gedragen: de zoon van Sirach,
de zoon van den Hoogepriester Jozedech en Jozuë. —
Waarom ? De eerste, om zijne wijsheid en zijn verstand;
de tweede, omdat hij de Joden verlost heeft uit de ba-
bylonische gevangenis; de derde, omdat hij de Israëlieten
het beloofde land binnengeleid heeft. — Het goddelijk
Kind draagt met meer recht den naam Jezus. — Waarom?\'
Omdat Het de gansche wereld getrokken heeft uit de
duisternissen des ongeloofs en der onwetendheid; omdat
Het ons verlost heeft uit de slavernij des duivels en van
den eeuwigen dood; omdat Het ons den hemel binnen-
leidt. — Om zijne glorie. De naam Jezus wordt ver-
heerlijkt de gansche wereld door. Alle knieën zullen
eenmaal in dien naam gebogen worden, die der geluk-
zaligen in den hemel, der menschen op aarde en der
verdoemden in de hel.
II.
De zoete naam Jezus is een licht, eene spijs en een
geneesmiddel. — Hij is een licht. Door de verkondiging
van den naam Jezus is de gansche wereld verlicht. De
mensch in de moeielijkheden wordt door het aanroepen
van den naam Jezus ook verlicht. — Hij is eene spijs.
Hij versterkt den mensch in den arbeid en strijd, hij
maakt hem onverwinnelijk tegenover zijne vijanden. —
Hij is een geneesmiddel. Hij geneest de bedroefden, de
neêrslachtigen en de wanhopenden.
SLUITREDE.
Wijl de zoete naam Jezus zoo groot is, wachten wiji
-ocr page 45-
— 4i —
ons van hem ooit te lasteren of oneerbiedig uit te spreken,
doch spreken wij hem altoos uit met eerbied. — Wijl
de zoete naam Jezus een licht, eene spijs en een genees-
middel is, daarom moeten wij veel godsvrucht tot dien
naam hebben. Hij is honig voor den mond, een wei-
luidende klank voor het oor en een jubel voor het hart.
___ ... *~ -*f^=^ JL      | ,
DERDE PREEK.
De zoete naam Jezus.
Postquam consummati sunt dies octo ut
circumcideretur puer, vocatum est nomen
ejus Jesus.
Toen de acht dagen vervuld waren dat
het kind
zou besneden worden, werd zijn
naam Jezus genoemd.
         iLuc. n, 21.)
VOORREDE.
De besnijdenis, B. B., voorgeschreven door de wet van
Mozes, was eene vernederende en pijnlijke ceremonie; zij
ging zelfs met bloedvergieten gepaard. De kinderen van
het mannelijk geslacht moesten ze ondergaan den achtsten
dag na hunne geboorte. Het goddelijk Kind onderging
ook die ceremonie en ontving bij die gelegenheid den
naam Jezus. Het Evangelie van den dag zegt: „Toen
„de acht dagen vervuld waren, dat het kind zou besneden
„worden, werd zijn naam genoemd Jezus, welke genoemd
„was door den Engel, vóórdat Hij in den moederschoot
„ontvangen werd: Vocatum est nomen ejus Jesus." (i)
(1) Luc. ii, 21.
-ocr page 46-
— 42 —
Waarom, vraagt de H. Bernardus, geeft men den naam
Jezus aan het goddelijk Kind, toen het besneden werd?
Wat beteekent dat samentreffen ? De besnijdenis toch past
beter den persoon die moet verlost worden, dan wel den
Verlosser zelven; en de Verlosser heeft veeleer het recht
de besnijdenis op te leggen, dan dif **. moeten ondergaan.
En inderdaad, B. B., zoo is het. Doch stippen wij vooreerst
aan in welke hoedanigheid het goddelijk Kind ter wereld
komt, en wij zullen weldra begrijpen, waarom Het zich heeft
willen onderwerpen aan eene ceremonie, waartoe eigen-
lijk de zondaren alleen gehouden waren. Het goddelijk
Kind komt ter wereld, zegt de H. Bernardus, als mid-
delaar tusschen God en de menschen, en bij zijne ge-
boorte reeds vereenigt Hij de twee uitersten. Immers,
Hij wordt geboren uit eene moeder, maar die moeder is
immer maagd. Hij wordt in arme doeken gewonden,
maar die doeken worden door de Engelen bezongen.
Hij ligt als verborgen in eene kribbe, maar eene wonder-
ster verschijnt en leidt de Wijzen naar Bethleëm. Bij-
gevolg, het goddelijk Kind, om te toonen dat Het mensch
is, wil besneden worden; en om te toonen dat Het God
is, wil Het een naam ontvangen, die boven alle namen
is. Het wordt besneden, wijl Het de zoon van Abraham is,
en Het wordt Jezus, d. i., Verlosser of Zaligmaker ge-
noemd, wijl Het de Zoon van God is. Het goddelijk
Kind ontvangt in zijne besnijdenis den naam Jezus, wijl
Het bij die gelegenheid het ambt van Verlosser, van
Zaligmaker aanvangt, door de eerste druppelen van
zijn goddelijk bloed te storten voor de zaligheid der
menschen.
Daar wij van daag het feest van den zoeten naam
Jezus vieren, overwegen wij te zamen wat die zoete
naam
is:
-ocr page 47-
— 43 —
I. In zich;
II. In betrekking tot ons.
I.
Wat is de zoete naam Jezus in zich? De zoete naam
Jezus in zich, B. B., is groot, een naam boven alle namen:
Nomen, qtwd est super omne nomen, (i) En om ons
daarvan te overtuigen, beschouwen wij dien naam in
zijnen oorsprong, in zijne beteekenis en in zijne glorie.
Vooreerst moeten wij den zoeten naam Jezus beschou-
wen in zijnen oorsprong. De naam Jezus is geen naam
van deze wereld, hij komt uit den hemel: geen schepsel,
maar de Schepper zelf heeft hem gegeven. Noch de
Engel Gabriël, noch de H. Maagd Maria, noch de H.
Jozeph hebben het goddelijk Kind Jezus genoemd; doch
de hemelsche Vader heeft dien naam uitgekozen, als
zijnde meer geschikt om uit te drukken de zending van
zijn eenigen Zoon, voor ons mensch geworden. Zie, zoo
sprak de Engel Gabriël tot Maria den dag der bood-
schap, gij zult in uwen schoot ontvangen: Ecce, concipies
in utero,
en eenen zoon baren, en gij zult zijn naam
Jezus heeten, et vocabis nomen ejus Jesum. (2)
Hetzelfde boodschapte de Engel Gabriël Jozeph, den
bruidegom van Maria, en hij voegde er tevens de reden
bij: Gij zult zijn naam Jezus heeten, zeide Gabriël tot
Jozeph: Vocabis nomen ejus Jesum; (3) want hij zal
zijn volk zalig maken van hunne zonden: Ipse enim
salvum faciet populum suum a peccatis eorum.
Gij ziet
dus, B. B., de Engel Gabriël boodschapt en zegt slechts
van wege God, hoe diens Zoon moet genoemd worden,
juist als hij boodschapte de menschwording van dien-
zelfden Zoon.
(1) Ph. n, 9. (2) Luc. 1, 31. Matth. 1, 21.
-ocr page 48-
— 44
Vervolgens moeten wij den zoeten naam Jezus be-
schouwen in zijne beteekenis. Groot in zijn oorsprong
is die naam ook groot in zijne beteekenis. Wij lezen
in het Oude Testament, dat zekere vermaarde personen
den naam Jezus gedragen hebben. En inderdaad, aan-
gezien de door hen bewezen diensten, hetzij aan den gods-
dienst, hetzij aan het vaderland, hadden die personen
eenig recht op dien naam. Nochtans, zij hebben den
naam Jezus, d. i. Verlosser, gedragen, bijzonder omdat
zij als figuren waren van den waren Verlosser, van den
Verlosser bij uitstek, namelijk, van onzen Heer Jezus
Christus.
De zoon van Sirach werd Jezus genoemd. Schrijver
van een der boeken van de H. Schrift, overtrof hij ver
in verstand en wijsheid de grootste wijsgeeren van Athene
en Rome. De zoon van Jozedech werd ook Jezus ge-
noemd, en hij verdiende dien naam, omdat hij de Joden
uit de Balylonische gevangenis naar hun vaderland terug-
bracht. Jozuë, de opvolger van Mozes, werd Jezus ge-
noemd, en te recht, omdat hem de eer te beurt viel van
de Israëlieten het beloofde land binnen te leiden. Zie-
daar, B. B., eenige vermaarde mannen uit het Oude Ver-
bond, die Jezus genoemd werden, en de redenen, waarom
zij zóó genoemd werden. Nochtans, de naam van onzen
Jezus is van meer en uitgebreider beteekenis. Immers,
hij beteekent Verlosser der wereld: Salvator mundi, niet
van één werelddeel, van één volk, maar van alle wereld-
deelen, van alle volkeren te zamen. Welk sterveling kon
op zulken naam aanspraak maken? Wie heeft er ooit
de beteekenis van bewaarheid? Onze goddelijke Zalig-
maker alleen heeft er de beteekenis ten volle van be-
waarheid, en daarom kon Hij, en Hij alleen, aanspraak
maken op dien naam. Ziedaar de leering van den H.
-ocr page 49-
— 45 —
Bernardus. En inderdaad, B. B., heeft Jezus, en heeft Hij al-
leen door zijne zuivere en heilige leering de wereld niet
getrokken uit de grove onwetendheid, waarin zij gedompeld
lag, uit de duisternissen en de schaduw des doods, waarin
zij was neergezeten? Nooit heeft een mensch zóó ge-
sproken als deze mensch, zeiden Jezus\' toehoorders:
Nunquam sic locutus est homo sicut hic homo. (i)
Heer! tot wien zullen wij gaan ? Domme! ad quem ibi-
mus?
zeide Petrus. Gij hebt de woorden des eeuwigen
levens, verba vitae aeternae habes. (2) En nadat Jezus
zijne Apostelen gevormd had, zond hij hen uit, de gan-
sche wereld door, iets waaraan geen enkel wijze der
oudheid ooit gedacht had. Gaat, zeide Jezus, en onder-
wijst alle volkeren: Enntes ergo docete omnes gentes.
En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding
der wereld: Et ecce, ego vobiscum sum omnibus diebus
usque ad consummationem sceculi.
(3) Onze Jezus is dus
waarlijk de Verlosser der wereld, vooreerst, omdat Hij
de wereld getrokken heeft uit de grove onwetendheid,
waarin zij gedompeld lag.
Onze Jezus is ook de Verlosser der wereld, omdat Hij
ons verlost heeft uit de slavernij des duivels, d. i., uit
den staat van doodzonde, die ons slaven maakt van den
duivel. Ja, B.B., wij zuchtten in eene slavernij, veel
ondraaglijker dan die van Babylonie. Getroffen door
onze ellenden en vol medelijden met ons, is de Zoon
Gods uit den hemel nedergedaald, om onze zonden uit
te boeten, en om ons uit de slavernij des duivels en van
den eeuwigen dood, d. i., van de hel te verlossen. Onze
goddelijke Zaligmaker heeft, gelijk de Apostel Paulus
zegt, het doodvonnis, dat tegen ons uitgesproken was,
(1) Joan. vu, 46. (2) Joan. vi, 69. (3) Mtth. xxvm, 19—20.
-ocr page 50-
- 46 —
uitgewischt in zijn bloed, en Hij heeft het aan het kruis
gehecht: Delens quod adversum nos erat chyrographum
decreti. . . affigens Mud cruci.(l)
En Hij heeft verlost
niet alleen de Joden, maar alle volkeren, alle menschen,
te beginnen van den eersten mensch Adam tot den laat-
sten der stervelingen, want Jezus, gelijk de Apostel
Paulus duidelijk leert, heeft zijn leven ten beste gegeven
voor alle menschen: Pro omnibus moriuus est Christus. (2)
Onze Jezus is nog de Verlosser der wereld, omdat Hij
voor ons en alle menschen den hemel, het ware vaderland,
geopend heeft. Gesloten door de zonde, heeft Jezus den
hemel met zijn kruis heropend. Zoo Jezus voor ons niet
geleden hadde, zoo Hij voor ons niet gestorven ware,
nooit of nimmer konden wij in den hemel komen; doch
eenmaal vrijgekocht ten koste van zijn bloed en verlost
uit de slavernij des duivels, heeft Jezus ons op weg gesteld
naar den hemel, het echt, het waar beloofde land, waar
Hij ons eenmaal — wij hopen het althans — zal binnen
leiden, namelijk, in het uur van onzen dood.
Eindelijk moeten wij den zoeten naam Jezus beschouwen
in zijne glorie.
Groot in zijnen oorsprong, groot in zijne beteekenis,
is de naam Jezus nog groot in zijne glorie. Er is geene
zaligheid mogelijk, zegt de Apostel Petrus, tenzij in
den naam van onzen Heer Jezus-Christus: Non est in
alio aliqtio salus.
(3) Geen wonder dus, dat de naam
Jezus de gansche wereld door, van het een uiteinde
der aarde tot het andere, van den opgang der zon tot
haren ondergang, alom geprezen, geëerd en verheerlijkt
wordt: A solis ortu usque ad occasum laudabile nomen
Domini.
(4) \'t Is waar, B. B., men treft nog ongelukkigen
(1) Col. 11, 14. (2) 11 Cor. v, 15. (3) Act. iv, 12. (4) Ps. cxn, 3.
-ocr page 51-
— 47 —
aan, die den naam Jezus niet kennen. Men treft er ook
aan, die den naam Jezus miskennen. Men treft er zelfs
aan, die, slechter dan de duivelen in de hel, den zoeten
naam Jezus vloeken en lasteren. Doch, Gode zij lof en
dank! er zal een tijd, een dag komen, waarop alle men-
schen den naam Jezus zuüen moeten eeren en verheerlijken
Onze Heer Jezus-Christus heeft zich vernederd, zegt de
Apostel Paulus, Hij is gehoorzaam geweest tot aan den
dood, ja tot den dood des kruizes: Hiimiliavit semctipsum,
factus obedicns usquc ad mor tem, mor tem autcm crucis.
(i)
Voor dien prijs is Hij onze Jezus, d. i., onze Zaligmaker,
onze Verlosser geworden. Tot belooning daarvoor, zoo
gaat de Apostel voort, tot belooning daarvoor heeft God
Hem verheven, en Hij heeft Hem een naam gegeven boven
alle namen, en vroeg of laat zullen alle knieën in Jezus\'
naam gebogen worden. Ja, in den laatsten dag des
oordeels zullen allen zich voor den troon van Jezus ne-
derwerpen. Allen zullen zijn naam aanbidden, allen zullen
de knieën voor Hem buigen, de Engelen en de geluk-
zaligen des hemels, alle menschen op aarde en de dui-
velen en de verdoemden der hel: Ccelestium, terrestrium
et infernorum.
Welk een grootsch schouwspel, B. B ,
en welk een triomf voor onzen Heer Jezus Christus!
Welk eene vreugde en blijdschap voor de Engelen en de
Heiligen des hemels! Welk eene pijn en foltering voor
de duivelen en de verdoemden der hel!
Ziedaar, B. B., wat de zoete naam Jezus is in zich:
hij is groot in zijnen oorsprong, groot in zijne beteekenis
en groot in zijne glorie. Zien wij nu in ons tweede
punt wat de zoete naam Jezus is in betrekking tot ons.
(1) Ph. ii, 8.
-ocr page 52-
- 48 -
II.
De zoete naam Jezus, B. B., in betrekking tot ons, is
eene bron van licht, van sterkte en van troost. In de
H. Schrift lezen wij de volgende woorden: Oleum effusum
nomen tuum
(1): Uw naam is als een uitgestorte olie.
En de H. Bernardus, gelijk wij in het kerkelijk officie
lezen, past die woorden op den zoeten naam Jezus toe.
Gelijk de olie, zoo spreekt die Heilige, drie hoedanig-
heden heeft, de hoedanigheid van te verlichten, van te
spijzen en van te genezen, zoo ook is de zoete naam
Jezus een licht, eene spijs en een geneesmiddel voor ons. (2)
Luisteren wij een oogenblik naar de verklaring van den
H. Bernardus.
Vooreerst is de zoete naam Jezus een licht. Leg mij
eens uit, vraagt de H. Bernardus, hoe de verkondiging
van het Evangelie eensklaps, alom, de gansche wereld
door een zoo helder licht verspreid heeft. Is het niet,
wijl de Apostelen den naam Jezus verkondigd hebben?
Is het niet door het licht van dien naam, dat God ons
uit de duisternissen des ongeloofs getrokken en tot het
licht van het ware geloof bekeerd heeft? Ja, B. B., dank
aan dien zoeten naam zijn ons de oogen geopend voor
het licht, zoodat de Apostel Paulus met recht mag z«g-
gen: Vroeger waart gij duisternissen: Eratis enim ali-
quando tenebrce,
doch nu zijt gij licht in den Heer:
nunc autem lux in Domino. De nacht is voorafgegaan,
doch de dag is genaderd: verzaken wij dus de werken
der duisternissen, d. i., de zonden, en omgorden wij de
wapenen des lichts, d. i., de deugden, en zorgen wij van
zedig te leven, gelijk het op klaar lichten dag betaamt.
(1) Cant. cant. 1, 2. (2) Lux, cibus, medicina (S. Bern.)
-ocr page 53-
— 49 —
Welnu, hetgeen de zoete naam Jezus in den beginne der
Kerk gedaan, uitgewerkt heeft om de duisternissen des
heidendoms te verdrijven, hetzelfde doet, werkt hij nog uit
voor allen, die hem met betrouwen aanroepen. Die Mij
volgt, zegt onze goddelijke Zaligmaker, wandelt niet in
de duisternissen: Qui sequitur me non ambulat in tene-
bris.
(i) Bijgevolg, wij moeten met betrouwen den naam
Jezus aanroepen in de moeielijkheden, wanneer wij niet
weten wat aanvangen; de naam Jezus zal ons verlichten,
hij zal ons uit de moeielijkheden verlossen.
Vervolgens is de zoete naam Jezus eene spijs, eene sterke
spijs voor onze ziel. Gevoelt gij u niet gesterkt, vraagt
de H. Bernardus, telkens als gij aan den naam Jezus
denkt? Waar zult gij meer zalving vinden dan in dien
zoeten naam? Wat- is er beter in staat om uwe door
den arbeid en den strijd verloren krachten te herstellen,
om u nieuwe krachten tot den arbeid en den strijd bij
te zetten dan de naam Jezus? Ha! B.B., wat zouden
wij sterk zijn tegen de vijanden onzer zaligheid, tegen
den duivel, de wereld en het vleesch; ja, wij zouden
zelfs onverwinnelijk zijn in den strijd, zoo wij altoos den
naam Jezus met betrouwen aanriepen: \'t is met den naam
Jezus vooral dat men de overwinning behaalt op den
duivel, en dat men hem op de vlucht drijft.
Eindelijk is de zoete naam Jezus een geneesmiddel.
Hij geneest de geestelijke ziekten, vooral de droefheid,
de neerslachtigheid en de wanhoop. De mensch, zegt
de H. Bernardus, is hij der droefheid, der neêrslachtig-
heid ten prooi, de naam Jezus welle op in zijn hart, hij
kome op zijne lippen, en de droefheid, de neêrslachtig-
heid zal weldra verdwijnen om plaats te maken voor de
(1) Joan. vni, 12.
4.
-ocr page 54-
— So —
vreugde, de opgetogenheid. De mensch valle in zonde,,
hij valle met de knaging van geweten in wanhoop, hij
loope reeds weg om zich om het leven te brengen; zoo
hij Jezus aanroept, hij zal blijven staan op den boord
van den afgrond, en de naam Jezus zal hem wederom
betrouwen inboezemen.
SLUITREDE.
Ziedaar, B.B., wat de zoete naam Jezus is; wat hij
is in zich, en wat hij is in betrekking tot ons. In zich
is hij groot, boven alle namen: groot in zijnen oorsprong,
in zijne beteekenis en in zijne glorie. Wat moeten wij
d aaruit besluiten ? Daaruit moeten wij besluiten van den
zoeten naam Jezus nooit, ik zeg niet, te lasteren, die
misdaad is te afschuwelijk, maar zelfs van hem nooit
lichtvaardig en oneerbiedig uit te spreken. En nochtans,
m en vindt, voor het overige brave menschen, die de on-
gelukkige gewoonte hebben van den zoeten naam Jezus
telkens in hunne gesprekken te mengen, die hem dik-
wijls oneerbiedig uitspreken. B.B., men moet die slechte
gewoonte, zoo men er mede behept is, afleggen. Ik weet
wel, \'t is geene groote, geene doodzonde, maar wijl de zoete
naa m Jezus zoo groot, boven alle namen is, daarom
moeten wij Hem altoos met eerbied uitspreken.
De zoete naam Jezus is voor ons een licht, eene spijs
en een geneesmiddel. En wat moeten wij daaruit be-
sluiten? Daaruit moeten wij besluiten van den zoeten
naam Jezus dikwijls aan te roepen. Och of wij de gods-
vr ucht tot den zoeten naam Jezus van den H. Bernardus
hadden! Ik vind niets dan dorheid, zegt die Heilige,
daar, waar ik den zoeten naam niet vind. Eene lezing?
Zij behaagt mij niet, zoo ik er den naam Jezus niet vind.
Eene samenspraak, eene studie ? Zij verveelt mij, zoo er
-ocr page 55-
— Si —
de naam Jezus niet tusschenkomt. De naam Jezus is
honig voor den mond: mei in ore; een welluidende klank
voor het oor: in aure melos; een jubel voor het hart:
in corde jubilus.
Bijgevolg, B. B., roepen wij dikwijls den zoeten naam
Jezus aan. Voegen wij er bij de namen van Maria en
Jozeph: roepen wij de namen Jezus, Maria en Jozeph aan
met eerbied en betrouwen in het begin van onze bezigheden,
van ons werk, zeggende, bijv.: In de namen van Jezus,
Maria en Jozeph. Roepen wij die namen met eerbied en
betrouwen aan in de bekoringen, om niet te bezwijken:
zeggen wij dan: Jezus, Maria en Jozeph staat mij bij.
Jezus, Maria en Jozeph zullen onze bezigheden, ons werk
zegenen. Jezus, Maria en Jozeph zullen ons in de beko-
ringen bijstaan. Jezus vooral zal onze Jezus zijn, d. i.,
onze Verlosser, onze Zaligmaker tijdens ons leven, en Hij
zal onze Verlosser, onze Zaligmaker zijn bijzonder in het
uur van onzen dood. Amen.
-ocr page 56-
VIERDE PREEK.
Onze Lieve Vrouw Lichtmis.
Tulerunt illum in Jerutalem, ut sisterent
eum Domino.
Zij brachten hem naar Jeruzalem, om
hem den Heer op te dragen. Luc. n, 22.
INHOUD.
VOORREDE.
Onze Lieve Vrouw Lichtmis of de zuivering van Maria
en de opdracht van Jezus in den tempel. — Evangelie
van den dag. — Waarom wordt dit feest Onze Lieve
Vrouw Lichtmis genoemd?
VERDEELING.
I. Voorbeeld van ootmoedigheid;
II. Voorbeeld van gehoorzaamheid;
III. Voorbeeld van liefde tot God en de menschen.
I.
Voorbeeld van ootmoedigheid. — Wie zijn Jezus en
Maria? Jezus is de Zoon Gods, de Schepper, Heer en
Regeerder van hemel en aarde, de Heilige der Heiligen,
-ocr page 57-
— 53 —
de Verlosser der wereld. Waarvoor wil Hij aangezien
worden? — Maria is de Moeder van God, de Moeder-
Maagd, de onbevlekte, de ongeschondene Moeder-Maagd.
Waarvoor wil zij aangezien worden ? — Zij zijn ootmoe-
dig. — Wie en wat zijn wij naar ziel en naar lichaam?
Waarvoor willen wij aangezien worden? — Wij zijn
hoovaardig: wij moeten ootmoedig worden naar het voor-
beeld van Jezus en Maria.
II.
Voorbeeld van gehoorzaamheid. — Wet van Mozes. —
Zijn Jezus en Maria verplicht zich aan de wet van Mozes
te onderwerpen? Neen: Jezus niet, omdat Hij is de
Zoon Gods, de Schepper, Heer en Regeerder van
hemel en aarde, de Heilige der Heiligen. Maria niet,
omdat zij is de Moeder van God, Moeder-Maagd, de
onbevlekte, de ongeschondene Moeder-Maagd. — Jezus
en Maria onderwerpen zich aan de wet. — Zijn wij ver-
plicht ons te onderwerpen aan de geboden van God en
van de H. Kerk? Ja, als schepselen, als onderdanen,
als Christenen. — Hoe onderhouden wij het tweede,
derde, vierde, zesde en zevende gebod van God ? hoe het
tweede en derde gebod van onze Moeder de H. Kerk ? Hoe
volbrengen wij de bevelen, en hoe luisteren wij naar de
vermaningen en raadgevingen onzer geestelijke overheid ?
— \'t Is moeielijk de geboden te onderhouden: antwoord
van Jezus: Mijn juk is zoet en mijn last is licht; wij zijn
er toe verplicht. — Wij zijn dikwijls ongehoorzaam; wij
moeten gehoorzaam worden naar het voorbeeld van Jezus
en Maria.
III.
Voorbeeld van liefde. — Jezus offert zich zelven op
-ocr page 58-
— 54 —
en Maria offert haren Zoon op uit liefde tot God en de
menschen, tot glorie van God en tot zaligheid der men-
schen. — Jezus heeft zijn vol verstand. — Woorden van
Jezus bij zijne intrede in de wereld. — Woorden van
Jezus bij zijne opdracht. — Maria voegt haar offer bij
dat van Jezus uit liefde en tot hetzelfde einde. — Woor-
den van Maria. — Jezus en Maria beminnen God en de
menschen. — Beminnen wij God, dan moeten wij de
geboden onderhouden. Beminnen wij onzen evennaaste,
dan moeten wij hem geen kwaad doen, maar het goed
zoeken te bewijzen, dat wij ons zelven wenschen. Heb-
ben wij ijver voor de glorie van God, dan moeten wij
ons best doen, dat God van ons en alle menschen gekend,
gediend en geëerd worde. Hebben wij ijver voor de
zaligheid der zielen, dan moeten wij zoo veel mogelijk
onzen evennaaste van het kwaad terughouden en tot het
goede aanzetten. — Wij moeten God en onzen even-
naaste beminnen naar het voorbeeld van Jezus en Maria.
SLUITREDE.
Wij hebben het voorwerp van het feest van Onze
Lieve Vrouw Lichtmis overwogen. Wij moeten ootmoe-
dig zijn; de ootmoedigheid is de oorsprong van alle goed,
zonder ootmoedigheid geene zaligheid. Wij moeten ge-
hoorzaam zijn ; zonder gehoorzaamheid geen vrede, geene
zaligheid. — Wij moeten beminnen, God bovenal om
Hem zelven en onzen evennaaste gelijk ons zelven om
God; aan die twee geboden hangt de gansche wet. —
Werken wij ook naar vermogen voor de glorie van God
en de zaligheid der zielen; en tot dat einde overwegen
wij de deugden, waarvan Jezus en Maria ons het voor-
beeld gegeven hebben.
-ocr page 59-
— 55 —
VIERDE PREEK.
Onze Lieve Vrouw Lichtmis.
Tulerunt ülum in Jerusalem, ut sisterent
euro Domino.
Zij brachten hem naar Jeruzalem, om
hem den Heer op te dragen. Luc. ir, 22.
VOORREDE.
Het feest van dezen dag, bekend onder den naam van
Onze Lieve Vrouw Lichtmis, maakt gewag, onder anderen,
van de zuivering van Maria en van de opdracht van
Jezus in den tempel. Ziehier, B. B., hoe het Evangelie
ons zulks verhaalt. „Toen de dagen van Maria\'s reiniging
„vervuld waren naar Mozes\' wet — zoo verhaalt ons de
„Evangelist Lucas — brachten zij Hem naar Jeruzalem,
„om Hem den Heere op te dragen, gelijk er geschreven
„staat in \'s Heeren wet: Al wat mannelijk is, dat den
^moederschoot opent, zal den Heere heilig genoemdworden ;
„en om een offer te geven, volgens hetgeen gezegd is in
„\'s Heeren wet: een paar tortelduiven of twee jonge
^duiven.
„En zie, daar was een mensch in Jeruzalem, die tot
„naam had Simeon, en deze mensch was rechtvaardig en
„godvreezend, verwachtende de "vertroosting Israels, en
„de Heilige Geest was in hem. En hij had een antwoord
„ontvangen van den Heiligen Geest, dat hij den dood
„niet zou zien, voor dat hij eerst den Christus des Heeren
„gezien had. En Hij kwam, door den geest, in den tempel.
„En toen het Kind Jezus door zijne ouders werd binnen-
„gebracht, om Hem te doen naar de gewoonte der wet,
-ocr page 60-
— 56 —
„nam hij het in zijne armen, en loofde God, en zeide:
„Nu laat Gij, Heere! uwen dienstknecht henengaan in
„vrede, naar uw woord; want mijne oogen hebben uw
„heil gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van
„al de volken, een licht ter openbaring voor de Heidenen,
„en een luister voor uw volk Israël."
Ziedaar, B. B., de geschiedenis van de zuivering van
Maria en van de opdracht van Jezus in den tempel. Dit
feest is bekend, gelijk ik reeds gezegd heb, onder den
naam van Onze Lieve Vrouw Lichtmis, om de waskaarsen,
welke dien dag voor de H. Mis gewijd en in de processie
rond gedragen worden. Het gebruik van op dit feest
kaarsen te wijden en in de processie rond te dragen,
dagteekent van de eerste tijden des christendoms; \'t is
schier zoo oud als het feest zelf. \'t Werd ingevoerd te
Rome om een ander feest, dat er gevierd werd, te ver-
vangen, en tijdens welk feest de Heidenen met brandende
fakkels door de stad Rome liepen ter eere van hunne
goden, aan welke zij meenden hunnen roem en luister te
danken te hebben. De Paus van Rome dat schandelijk
misbruik willende uitroeien, schreef eene processie door
de voornaamste straten der stad voor, tijdens welke pro-
cessie priesters en geloovigen elk eene brandende kaars
droegen, ter eere van Jezus en Maria, om Hem te bedanken
voor de weldaden aan Kerk en Staat bewezen. Doch
zien wij, Christenen, wat wij vooral uit dit feest moeten
leeren. Wij moeten er uit leeren, B. B., vooral drie
deugden, waarvan Jezus en Maria ons het voorbeeld geven.
Zij geven ons een voorbeeld:
I. Van ootmoedigheid;
II. Van gehoorzaamheid;
III. Van liefde tot God en de menschen.
-ocr page 61-
— 57 —
I.
Jezus en Maria, B. B., geven ons een voorbeeld van
ootmoedigheid, en wel van de diepste ootmoedigheid.
Wie zijn de twee personen, Jezus en Maria? Jezus is
de Zoon Gods; Hij is de Schepper, Heer en Regeer-
der van hemel en aarde, de Heilige der Heiligen, de
Verlosser der wereld. Wil Hij er ook voor aangezien en
gehouden worden, ten dage waarop zijne ouders, Maria
en Jozeph, Hem in den tempel komen opdragen ? Neen,
B. B., maar die Zoon Gods, die in eeuwigheid van God
den Vader voortkomt, wil aangezien en gehouden worden
voor een gewoon kind; die Schepper van hemel en aarde
wil aangezien en gehouden worden voor een gewoon
schepsel; die Heer, wien hemel en aarde toebehooren;
die Regeerder, die hemel en aarde regeert en bestiert,
wil aangezien en gehouden worden voor een arm kind,
want \'t is de losprijs der armen, dien men voor Jezus
aanbiedt; die Heilige der Heiligen wil aangezien en ge-
houden worden voor een gewoon kind, besmet met de
erfzonde; die Verlosser der wereld wil aangezien en
gehouden worden, als moest Hij zelf verlost worden.
Mogen wij nu niet zeggen dat Jezus, de Zoon Gods, zich
verootmoedigd, dat Hij zich in de ootmoedigheid als
vernietigd heeft, door in den tempel te Jeruzalem opge-
dragen te worden als een gewoon kind onder de kinderen
van Israël ? En Maria, wie is zij ? O, B. B., wij weten het.
Maria is de Moeder van God; zij is de Moeder-Maagd,
de onbevlekte, de ongeschondene Moeder-Maagd. Wil zij
er ook voor aangezien en gehouden worden, ten dage,
waarop zij Jezus haren Zoon in den tempel komt opdragen ?
Neen, B. B., Maria volgt Jezus haren Zoon na in de
ootmoedigheid. Maria, de Moeder van God, d. i , van God
-ocr page 62-
— 58 —
den Zoon, den tweeden Persoon der H. Drievuldigheid, van
den eenigen Zoon des hemelschen Vaders, die Moeder van
God wil aangezien en gehouden worden voor eene vrouw,
die een gewoon kind ontvangen en gebaard heeft. Zij
staat daar in het voorhof des tempels onder de overige
vrouwen van Israël. Maria, de Moeder-Maagd, die den
Zoon Gods door eene bijzondere werking van den H. Geest
ontvangen heeft, Maagd voor-, in- en na de geboorte
van Jezus, die Moeder-Maagd wil aangezien en gehouden
worden voor eene gewone moeder, die op eene gewone
wijze haren Zoon ontvangen en gebaard heeft. Maria,
de onbevlekte, de ongeschondene Moeder-Maagd, die
door de erfzonde niet besmet is geweest, die door de
kleinste zonde haar oorspronkelijke rein- en schoonheid
nooit verloren, maar steeds vermeerderd heeft, wier maag-
dom door haar goddelijk moederschap niet alleen niet
geleden heeft, maar steeds opgeluisterd is; die onbe-
vlekte, die ongeschondene Moeder-Maagd wil aangezien
en gehouden worden voor eene gewone moeder; zij ver-
schijnt in den tempel, doch niet vóór den veertigsten
dag; zij staat bij de overige vrouwen des volks in het
voorhof des tempels, als moest zij ook evenals de overige
vrouwen gezuiverd worden. B. B., mogen wij niet zeg-
gen dat Maria, de Moeder van God, zich verootmoedigd,
dat zij zich na haar goddelijken Zoon het meeste ver-
ootmoedigd heeft, door zich te gedragen als eene gewone
moeder bij het opdragen van Jezus haren Zoon in den
tempel ? Jezus en Maria hebben ons dus, gelijk gij ziet,
gegeven een voorbeeld van ootmoedigheid en wel van de
diepste ootmoedigheid. Zij willen niet aangezien, noch
gehouden worden voor hetgeen zij zijn, doch wel voor
hetgeen zij niet zijn, en zulks uit liefde tot de ootmoe-
digheid. Volgen wij Jezus en Maria na? Zijn wij naar
-ocr page 63-
— 59 —
hun voorbeeld ook ootmoedig? Doch wie en wat zijn
wij naar ziel en naar lichaam, en waarvoor willen wij
aangezien en gehouden worden ? Een weinig tijds, eenige
jaren geleden, bestonden wij niet. God heeft ons lichaam
gemaakt van aarde ; onze ziel heeft Hij van niet gemaakt of
geschapen. Ons lichaam van aarde gemaakt, is aan
ellenden, ongemakken, ziekten, soms aan de schandelijkste,
aan walgende ziekten onderhevig : het zal worden het aas
der wormen, het zal tot stof en asch wederkeeren: Pul-
vis es et in pulverem reverteris.
(i) Onze ziel is
oorspronkelijk besmet met de erfzonde, en alhoewel zij
in de waters des H. Doopsels van de erfzonde gezuiverd
en met de goddelijke genade versierd is, eenige jaren later
is zij wellicht door groote en talrijke zonden bezoedeld
geworden. Het verstand is klein, aan dwaling onder-
worpen; het geheugen kort van duur; de wil ten kwade
geneigd. Wie zijn wij ? Wij zijn arme, geringe menschen.
Doch veronderstelt al eens dat wij rijk zijn, geld en goed
in overvloed bezitten, dat wij in de wereld min of meer
verheven, eene goede positie bekomen hebben, de een
of andere waardigheid bekleeden. Wat hebben wij,
wat wij niet ontvangen hebben? Quid autem habes quod
non accepistif
(2) Ziedaar wat wij zijn. En waarvoor
willen wij nu aangezien en gehouden worden? Terwijl
ons lichaam gebrekkig en mismaakt is, wij verbergen
er zoo zorgvuldig mogelijk het gebrekkige, het mismaakte
van, en wij trachten er wat gemaakte schoonheid aan
te geven. Terwijl onze ziel misschien besmeurd is met
de afschuwelijkste zonden, wij willen voor Heiligen door-
gaan. Terwijl wij nauwelijks kennen, hetgeen wij moeten
weten uit noodzakelijkheid des middels en des gebods,
(1) Gen 11 r, 19. (2) I Cor. iv, 7.
-ocr page 64-
— <5o —
wij willen voor hooggeleerden, voor feniksen aangezien
worden. Terwijl wij arm zijn, ja nog armer dan arm,
vol schulden steken, wij willen voor welhebbenden, voor
rijken gehouden worden. Ziedaar, waarvoor wij willen
doorgaan, aangezien en gehouden worden, voor hetgeen
wij niet zijn ; en waarvoor wij niet willen doorgaan,
aangezien en gehouden worden, voor hetgeen wij zijn.
Waarom? Omdat wij behept zijn met den geest der
hoovaardigheid, omdat wij hoovaardigen zijn. Bijgevolg,
B.B., verootmoedigen wij pns, wij hebben er redenen
genoeg voor; ja, volgen wij Jezus en Maria na in de
ootmoedigheid, waarvan zij ons het voorbeeld gegeven
hebben.
II.
Jezus en Maria geven ons een voorbeeld van gehoor-
zaamheid, en wel van de volmaaktste gehoorzaamheid.
Volgens de wet van Mozes moest de eerstgeboren zoon
in den tempel plechtig aan God opgedragen en voor eene
som gelds afgekocht worden. De moeder van den eerstge-
boren zoon werd veertig dagen lang voor onrein gehouden;
zij mocht gedurende dien tijd niet in \'t openbaar verschij-
nen, noch iets, wat den Heere toegewijd was, aanraken. Na
die veertig dagen moest de moeder zich naar den tempel
begeven en offeren; vooreerst, een éénjarig lam tot dank-
zegging voor hare gelukkige verlossing; vervolgens, eene
tortelduif of eene jonge duif voor de zonde. De arme
moeders nochtans volstonden met twee tortelduiven of
twee jonge, duiven te offeren. Ziedaar de wet van Mozes.
Zijn Jezus en Maria nu verplicht zich aan die wet te
onderwerpen ? Volstrekt niet. Noch Jezus, noch Maria is
er toe verplicht, omdat Hij, de Zoon Gods, niet op eene
gewone wijze, maar door bijzondere werking van den
-ocr page 65-
— 6i —
H. Geest ontvangen en op eene wonderbare wijze uit de
Maagd Maria geboren is; omdat Hij, de Schepper,
Heer en Regeerder van hemel en aarde in die hoedanigheid
boven de wet verheven is, omdat Hij, de Heilige der
Heiligen, de Verlosser der wereld, niet gekomen is om
vrijgekocht te worden, maar zich zelven als losprijs aan-
biedt om vrij te koopen ons en alle menschen, die verloren
waren. En nochtans, Jezus onderwerpt zich aan de wet
van Mozes; Hij wil naar Jeruzalem gedragen, in den
tempel opgeofferd en vrijgekocht worden voor den prijs
der armen. Mogen wij nu niet zeggen dat Jezus gehoor-
zaam is geweest aan de wet van Mozes, en dat Hij er
aan gehoorzaam is geweest zoo volmaakt mogelijk, wijl
Hij zich aan de wet onderworpen heeft, tot in hare minste
deelen. Vervolgens is Maria niet verplicht zich aan de
wet van Mozes te onderwerpen. Zij is er niet toe ver-
plicht, omdat zij de Moeder is van den Zoon Gods, en
niet van een gewonen zoon; omdat zij Moeder-Maagd,
haren maagdom door de ontvangenis van haren Zoon
nimmer verloren heeft; omdat zij, de onbevlekte, de
ongeschondene Moeder-Maagd, wel verre van door de
geboorte van haren Zoon iets van hare maagdelijke
reinheid te verliezen, daardoor steeds reiner geworden
is. En nochtans, Maria onderwerpt . zich aan de wet
van Mozes, zij zondert zich af gedurende veertig dagen ;
niettegenstaande eene lastige reis van drie dagen, met
een klein kind, begeeft zij zich naar Jeruzalem; daar
biedt zij, evenals de overige vrouwen, den priester het
offer voor hare zuivering aan; daar betaalt zij den los-
prijs voor haar goddelijken Zoon, dien zij van den he-
melschen Vader ontvangen heeft. Mogen wij niet zeggen
dat Maria gehoorzaam is geweest aan de wet van Mozes,
en dat zij er na haar goddelijken Zoon het volmaaktst
-ocr page 66-
— 62 —
aan gehoorzaam is geweest, wijl zij zich ter zuivering
aanbiedt en haar goddelijken Zoon vrijkoopt in den
tempel ?
                                                         •
Jezus en Maria geven ons dus, gelijk gij ziet, een voor-
beeld van gehoorzaamheid, en wel van de volmaaktste
gehoorzaamheid, wijl zij zich gansch vrijwillig en zonder
er toe verplicht te zijn, onderwerpen aan de wet van
Mozes en ze stipt onderhouden in al hare deelen.
Volgen wij, B. B., Jezus en Maria na in de gehoor-
zaamheid? Doch vooreerst, zijn wij wel verplicht te
gehoorzamen ? Zeer zeker. Als schepselen zijn wij ver-
plicht God onzen Schepper te gehoorzamen; als onder-
danen zijn wij verplicht God onzen Heer en Meester te
gehoorzamen; als christenen zijn wij verplicht onze Moe-
der de H. Kerk te gehoorzamen. Wij moeten dus de
geboden van God en van de H. Kerk onderhouden.
Welnu, zijn wij gehoorzaam? Onderhouden wij de ge-
boden? God, bijv., in het tweede gebod zegt: Gij zult
den naam van den Heer uwen God niet ijdel gebruiken:
Non assumes nomen Dotnini Dei tui in vanum. (i)
Wat denken zij van dit gebod, de vloeker en gods-
lasteraar, die bij de minste moeielijkheid, bij het minste
dat hun tegengaat, God vloeken en zijn heiligen naam
lasteren ? Wees gedachtig dat gij den Sabbatdag heiliget:
Memento ut diem Sabbati sanctifices. Wat denken zij
van dit gebod, die de Zon- en feestdagen onteeren door
slaafsche werken, door dansen en brasserijen, door on-
matigheid en dronkenschap? Eert vader en moeder, zegt
God in het vierde gebod: Honora patrem tuum et ma-
trem luam.
Hoe onderhouden dit gebod de kinderen,
die hunne ouders minachten en spijtig aanspreken? die
(1) Ex. xx, 7. etc.
-ocr page 67-
- 63 —
hen tegenspreken en bedroeven ? die hunnen ouders onge-
hoorzaam zijn en tegen hen opstaan ? die hen mishande-
len of verlaten? Gij zult geene onkuischheid doen, zegt
God: Nou machaberis. Hoe onderhouden dit gebod
degenen, die den ganschen dag zedenkwetsende taal voe-
ren ? wier leven als het ware een aaneenschakeling is van
zonden van overspel en onkuischheid, met zich zelven
of met anderen ? Gij zult niet stelen, zegt God : Non
furtiim facies.
Hoe oordeelen over dit gebod van God
degenen, die hunne handen leggen op eens anders geld
of goed? die, als zij zich maar verrijken, niet zien of het
rechtvaardig of onrechtvaardig geschiedt ? die schulden
genoeg maken, maar die er zich weinig of niet om be-
kreunen van hunne schulden te betalen? B. B., hoe
onderhouden wij de geboden onzer Moeder de H. Kerk ?
De geboden Heiligdagen zult gij vieren en dan ook Mis-
hooren met goede manieren. Ha! Wat dunkt u van dit
gebod, gij die op de Zon- en geboden feestdagen de
H. Mis verzuimt, die door uw eigene schuld dikwijls
merkelijk te laat komt, die in plaats van met goede
manieren, d. i., met eerbiedigheid en aandachtigheid, Mis
te hooren, tijdens de H. Mis staat rond te zien en te
gapen, staat te lachen en te praten. Geen geboden
vastendagen zult gij breken. Heeft het nog beteekenis
dit gebod der H. Kerk voor hen, die geen onderscheid
meer maken tusschen vleesch- en onthoudingsdagen, tus-
schen vleesch en magere spijzen, en die, wat dit gebod
betreft, zich gedragen juist gelijk hunne huisdieren ? Hoe
onderhouden zij de geboden der H. Kerk, die in plaats
van de bevelen te volbrengen, van naar de vermaningen
en raadgevingen van Paus, Bisschoppen en priesters te
luisteren, die bevelen overtreden, die vermaningen tegen-
werken en die raadgevingen inden wind slaan ? O, B. B.,
-ocr page 68-
— 64 —
denken wij er eens goed over na. Wij zijn verplicht
van te gehoorzamen. Of welke reden hebben wij om
niet te gehoorzamen, om de geboden niet te onder-
houden? Omdat de een of andere moeielijkheid zich
opdoet ? De geboden zijn een juk, \'t is waar; doch
dat juk is zoet. Jugum meum suave est, zegt Jezus:
mijn juk is zoet. De geboden zijn een last; maar die
last is licht: Et onus meum leve. Doch veronder-
stelt dat zich van tijd tot tijd ook al eene moeielijk-
heid opdoet, toch moeten wij de geboden onderhouden.
Jezus en Maria onderhouden niettegenstaande de moeie-
lijkheden de wet van Mozes, alhoewel zij er niet toe
verplicht zijn; wij moeten de geboden onderhouden niet-
tegenstaande de moeielijkheden, wijl wij er toe verplicht
zijn. Onderhouden wij nu altoos de geboden van God
en van de H. Kerk? Neen, B. B., maar al te dikwijls
overtreden wij ze. Waarom ? Omdat wij behept zijn met
den geest der wederspanningheid; omdat wij ongehoor-
zamen zijn. Bijgevolg, B.B., onderhouden wij stipt de
geboden van God en van de H. Kerk, wij zijn er toe
verplicht. Ja, volgen wij Jezus en Maria na in de ge-
hoorzaaniheid, waarvan zij ons het voorbeeld gegeven
hebben.
III.
Jezus en Maria geven ons een voorbeeld van liefde, en
wel van de vurigste liefde tot God en de menschen.
Een gewoon kind, B. B., dat naar den tempel gedra-
gen en den priester aangeboden wordt, weet niet eens
wat er plaats heeft. Jezus, naar het uitwendige te oor-
deelen, is maar een gewoon kind; doch dat kind, zonder
het te laten blijken, heeft reeds zijn vol verstand; en
terwijl Maria haar goddelijken Zoon den Heere opoffert,
-ocr page 69-
- 65 —
offert Jezus zich ook op door de handen zijner Moeder
Maria aan God zijn hemelschen Vader. Bij zijne
intrede in de wereld had Jezus zijnen Vader reeds ge-
zegd: O Vader! de offeranden der wet hebben opge-
houden U te behagen. Gij hebt het bloed der offerdieren
niet meer gewild. Ik kom mij aanU opdragen, o Vader!
om die te vervangen. Doch die offerande was in het
geheim geschied, in \'t binnenste van Jezus\' hart; thans
geschiedt zij openlijk, op eene plechtige wijze, in de tegen-
woordigheid van zijne ouders, van Maria en Jozeph, van
•den grijzen Simeon en de profetes Anna, die het geluk
hebben er getuigen van te zijn. Jezus offert zich daar op
uit liefde tot God en de menschen. Hij offert zich op
uit liefde tot God, om de eer van zijn hemelschen Vader,
door de menschen geschonden, te herstellen; uit liefde
tot de menschen, om hen van de slavernij des duivels en
van den eeuwigen dood te verlossen. Tot dat dubbel
•einde zal Jezus later op den Calvarieberg aan \'t kruis
zijn goddelijk bloed tot den laatsten druppel vergieten.
Doch dat oogenblik bleef voor het van liefde brandend
hart van Jezus te lang uit; thans in den tempel teJeru-
zalem, offert Hij zich reeds op. Vader! zegt Jezus als
\'t ware, terwijl Hij door den priester God wordt aan-
geboden; Vader ! hier ben Ik. Ik offer U op al wat Ik
ben en al wat Ik bezit. Ik offer U op mijne ziel en mijn
lichaam: mijne ziel, die van smaad en hoon verzadigd,
die bedroefd zal worden tot den dood toe. Ik offer U
op mijn lichaam, dat verscheurd zal worden met geesel-
roeden; mijn hoofd, dat gekroond zal worden met door-
nen; mijne handen en voeten, die vastgenageld zullen
worden aan het kruis; mijn hart, dat doorboord zal
worden met eene lans. O Vader ! Ik offer mij aan U op
met al wat Ik ben, met al wat Ik bezit, om U Vader
5.
-ocr page 70-
— 66 —
te verheerlijken en om de menschen te verlossen en zalig
te maken. Welk eene liefde als die van Jezus tot God
en de menschen ! Mogen wij niet zeggen van het Kindje
Jezus bij zijne opdracht in den tempel: Hij heeft God
zijn hemelschen Vader en ons menschen bemind, en Hij
heeft zich tot glorie van God en tot zaligheid der men-
schen opgeofferd !
Bij dat offer van Jezus, B. B., voegt Maria haar offer,
en met dezelfde gevoelens als die van Jezus en tot het-
zelfde einde. Ja, Maria offert haren Zoon, haren schat
en haar al, aan God den hemelschen Vader op. Zij
offert Hem op uit liefde tot God en de menschen. Zij>
offert Hem op, om God te verheerlijken en om de men-
schen te verlossen en zalig te maken. O hemelsche
Vader! zegt Maria als \'t ware, terwijl zij het Kindje
Jezus op de armen houdt: O hemelsche Vader! dit kind
is uw Zoon, maar het is ook mijn Zoon. Die Zoon is
het kostbaarste, het dierbaarste wat ik bezit. Nochtans,
wijl Gij wilt dat die Zoon eenmaal geslachtofferd worde
aan het kruis, thans bied ik Hem U reeds aan, thans
offer ik Hem U reeds op. Ik neem de verplichting op
mij van Jezus, uw en mijn Zoon, op te voeden en Hem
voor te bereiden voor het tijdstip, waarop Hij zich aan
U zal opofferen tot glorie van God en tot zaligheid der
menschen. Welk eene liefde, B. B., als die van Maria
tot God en de menschen! Mogen wij hier van Maria
ook niet zeggen: Zij heeft God en de menschen bemind,
en zij heeft haar goddelijken Zoon opgeofferd tot glorie
van God en tot zaligheid der menschen!
Jezus en Maria hebben ons dus een voorbeeld gegeven
van liefde, en wel van de vurigste liefde tot God en de
menschen. Volgen wij het voorbeeld van Jezus en Maria
na? Zoo wij God beminnen, B. B., wij moeten, Jezus:
-ocr page 71-
— 67 —
zelf heeft het verklaard, wij moeten de geboden onder-
houden. Qui habet mandata mea et servat ea UU est
qui diligit me:
(i) Die mijne geboden heeft en ze be-
waart, die is het, die mij lief heeft. Zoo wij onzen even-
naaste beminnen, wij moeten hem nooit kwaad doen,
maar hem het goed bewijzen of althans zoeken te bewijzen,
dat wij ons zelven wenschen. Hebben wij ijver voor de
Glorie van God, dan moeten wij ons best doen, met
woorden en werken, dat God van ons en alle menschen
moge gekend, gediend en geëerd worden. Hebben wij
ijver voor de zaligheid der zielen, dan moeten wij, een-
ieder volgen zijn staat en zijn vermogen, ons best doen,
niet alleen om onzen evennaaste van het kwaad, van de
zonde, terug te houden of terug te brengen, maar ook
om hem tot het goede, tot de deugd aan te zetten, wijl
door het goede te doen of de deugd te oefenen, en het
kwaad te schuwen of de zonde te vluchten, de mensch
zijne zaligheid moet bewerken. Beminnen wij dus God
en onzen evennaaste; ijveren wij voor de glorie van God
en de zaligheid der zielen; ja, volgen wij Jezus en Maria
na in de liefde en den ijver, waarvan zij ons het voor-
beeld gegeven hebben.
SLUITREDE.
Wij hebben overwogen, B. B., het voorwerp van het
feest van Onze Lieve Vrouw Lichtmis, namelijk, de zui-
vering van Maria en de opdracht van het Kindje Jezus
in den tempel. Jezus en Maria hebben ons een voorbeeld
gegeven van ootmoedigheid, van gehoorzaamheid en van
liefde tot God en de menschen. Volgen wij dat voor-
beeld na; en bijgevolg, zijn wij vooreerst ootmoedig.
(1) Joan. xiv. 21.
-ocr page 72-
— 68 —
De deugd van ootmoedigheid is de oorsprong van alle
goed, daar integendeel de hoovaardigheid de oorsprong
is van alle kwaad: Initium omnispeccatiestsuperbia. (i)
Daarenboven, zoo wij niet ootmoedig zijn, kunnen wij
nooit in den hemel komen. Zulks blijkt duidelijk uit
hetgeen Jezus zekeren dag tot zijne Apostelen zeide:
Voorwaar, ik zeg het u, zoo sprak Jezus tot zijne Apos-
telen, indien gij u niet bekeert en wordt als kinderen :
Nisi conversi fueritis et efficiamini sicut parvuli, gij
zult het rijk der hemelen niet ingaan, non intrabitis in
regnum caelorum.
(2) Vervolgens, zijn wij gehoorzaam,
en daarom onderhouden wij goed de geboden van God
en van de H. Kerk. \'t Is reeds noodig om zoo geluk-
kig mogelijk hier op aarde te zijn, want zij die de
wet Gods onderhouden, zullen veel vrede hebben: Pax
multa diligentibus legem tuam Dótnine.
(3) \'t Is vooral
noodig om eenmaal zalig te worden, want zoo wij tot
het leven, d. i., tot den hemel, willen ingaan, Jezus zegt
het uitdrukkelijk, wij moeten de geboden onderhouden:
Si vis ad vitam ingredi serva mandata. (4) Eindelijk,
beminnen wij den goeden God bovenal, uit geheel ons
hart, uit geheel onze ziel en uit al onze krachten; \'t is
het grootste en het eerste gebod, zegt Jezus: Hoc est
maximum et primum mandatum.
(5) Beminnen wij onzen
evennaaste gelijk ons zelven, om God; \'t is het tweede
gebod aan het eerste gelijk: Secundum autem simileest
huic.
En aan die twee geboden hangt de gansche wet
en de Profeten: In kis duobus mandatis universa lex
pendet et Prophetce.
Werken wij ook, eenieder volgens
zijnen staat en zijn vermogen, voor de glorie van God
(1) Eccl. x, 5. (2) Matth. xvm 3.
-ocr page 73-
— 6g -
en de zaligheid der zielen ; en daarom, denkt van daag
goed na, en prent diep in uw geheugen, dat Jezus op
den dag zijner opdracht, en dat Maria op den dag harer
zuivering er ons het treffendste voorbeeld van gegeven
hebben, dat wij moeten navolgen. Amen.
-ocr page 74-
VIJFDE PREEK.
De H. Jozeph.
Joseph autem vir ejus, cum esset justug.
Jozeph, de bruidegom van Maria, was
een rechtvaardige.
            (Matth. i, 19).
INHOUD.
VOORREDE.
Het feest van den H. Jozeph is een der schoonste
feesten der Heiligen. — De H. Jozeph is sedert eenigen
tijd de bijzondere patroon der Katholieke wereld, reeds
overlang die van België. — Wij moeten den H. Jozeph
eeren om hem te bedanken voor de ontvangen weldaden,
om nieuwe weldaden te ontvangen en wijl hij een toon-
beeld is van allerlei deugden. — Evangelie van den dag. —
Jozeph beschouwd:
VERDEELING.
I. Als rechtvaardige;
II. Als bruidegom van Maria;
III. Als voedstervader van Jezus.
I.
De H. Jozeph is een rechtvaardige, d. i., een braaf,
deugdzaam man. — Hij heeft uitgeschenen bijzonder in
-ocr page 75-
— 7i —
de deugden van ootmoedigheid, gehoorzaamheid, zuiver-
heid, liefde tot God en de menschen.
II.
De H. Jozeph is de bruidegom van Maria. — Brui-
degom, dus komt de H. Jozeph in heiligheid en volmaakt-
heid het naaste bij Maria; hij maakt maar één hart,
ééne ziel uit met Maria. — Bruidegom van Maria, dus
van het volmaaktste der schepselen, van de vlekkelooze
Maagd, van de Koningin van hemel en aarde, van
Engelen en menschen, van de Dochter van God den
Vader, van de Moeder van God den Zoon en van de
Bruid van God den H. Geest.
III.
De H. Jozeph is de voedstervader van Jezus. — Jezus
is de zoon van een timmerman. Van welken timmerman ?
Van God den Vader, die hemel en aarde geschapen
heeft. — Woorden van den H. Petrus Chrysologus. —
Jezus geeft den naam van Vader aan den H. Jozeph,
Hij eert en bemint Jozeph, Hij gehoorzaamt aan Jozeph
en werkt met hem. — Jozeph eert en bemint Jezus bo-
venal; hij redt Jezus het leven en werkt voor Hem. —
Zalige dood van den H. Jozeph, bijgestaan door Jezus
en Maria.
SLUITREDE.
Jozeph, patroon van een zaligen dood. — Om eenmaal
een zaligen dood te sterven moeten wij den H. Jozeph
\'navolgen in zijne deugden, onze toevlucht tot hem nemen,
ihem bidden tijdens ons leven en vooral in het uur van
•onzen dood.
-ocr page 76-
— 72 —
VIJFDE PREEK.
De H. Jozeph.
Joseph autem vir ejus, cum esset juBtu».
Jozeph, de bruidegom van Maria, was-
een rechtvaardige.
            (Matth. i, 29.)
VOORREDE.
Het feest van heden, B. B., is een der schoonste feesten
na die van onzen Heer Jezus-Christus en van de Aller-
heiligste Maagd Maria, welke onze Moeder de H. Kerk
viert ter eere van hare Heiligen, \'t Is het feest van
den H. Jozeph.
Eenigen tijd geleden heeft het Opperhoofd der H. Kerk,
de Paus van Rome, den H. Jozeph aangesteld tot bijzon-
deren patroon of beschermer van gansch de katholieke
wereld; doch het katholieke België mag het zich tot eer
rekenen, van reeds voor tal van jaren den H. Jozeph als
bijzonderen patroon geëerd te hebben. Waarschijnlijk
ook heeft België niet weinig aan de bescherming van zijn
bijzonderen patroon te danken, dat het van zoovele
rampen verlost is, dat het thans nog van zoovele rampen
bevrijd blijft, waardoor andere landen getroffen zijn ge-
weest en tot op den dag van heden getroffen worden.
Voorzeker voor die weldaad moeten wij den H. Jozeph
reeds onzen dank betuigen, door hem op eene bijzondere
wijze te eeren. Vervolgens moeten wij den H. Jozeph
eeren, om door zijne voorspraak nieuwe weldaden van
God te bekomen; want, wijl de H. Jozeph zoo goed en
zoo machtig is, daaruit volgt, dat hij ons wil en kan
-ocr page 77-
— 73 —
helpen en bijstaan, dat hij ons van God de genaden wil
en kan bekomen, die wij in het werk onzer zaligmaking
noodig hebben. Eindelijk moeten wij den H. Jozeph
eeren, omdat hij een voorbeeld is van deugden voor alle
menschen, van allen leeftijd, voor jongen en ouden; van
alle staten en standen, voor gehuwden en ongehuwden,
voor rijken en armen, want de H. Jozeph geeft ons voor-
beelden van alle deugden. Vandaar ook dat de H. Jozeph
in het Evangelie een rechtvaardige genoemd wordt. „Toen
„Maria, de Moeder van Jezus, zoo verhaalt ons de Evan-
„gelist Matthaeus, ondertrouwd was aan Jozeph, werd zij,
„vóór hun samenkomen, bevonden bevrucht te zijn uit
„den Heiligen Geest. Jozeph nu, haar man, daar hij
„een rechtvaardige was, en toch niet wilde haar in op-
„spraak brengen, was van zin in \'t geheim van haar te
„scheiden. Doch terwijl hij dit dacht te doen, zie, zoo
„verscheen hem in den droom een Engel des Heeren,
„en zeide: Jozeph, zoon van David, schroom niet Maria,
„uwe vrouw, tot u te nemen, want wat in haar geboren
„is, is van den Heiligen Geest. En zij zal eenen zoon
„baren, en gij zult zijnen naam heeten Jezus; want Hij
„zal zijn volk zalig maken van hunne zonden."
Uit deze woorden van het Evangelie zien wij dat de
H. Jozeph een rechtvaardige is, dat hij is de bruidegom
van Maria; tevens weten wij dat hij is de voedstervader
van Jezus.
Ter gelegenheid van het schoon feest, dat wij van-
daag ter eere van den H. Jozeph vieren, zullen wij hem
«enige oogenblikken beschouwen:
I. Als rechtvaardige;
II. Als bruidegom van Maria;
III. Als voedstervader van Jezus.
-ocr page 78-
.... 74 —
I.
De Evangelist Matthaeus noemt den H. Jozeph een
rechtvaardige: Justus. Doch wat beteekent hier het woord
rechtvaardige? Beteekent het enkel, dat de H. Jozeph
het zevende gebod van God goed onderhield, dat hij
geen onrechtvaardigheid pleegde, zijn evenmensch geen
ongelijk aandeed? Neen, B. B., \'t is niet in dien engen
zin, dat het woord rechtvaardige hier gebezigd wordt,
\'t wordt hier gebezigd in een veel uitgebreider zin. De
H. Jozeph is een rechtvaardige, d. w. z., een braaf, vroom,
deugdzaam man. De H. Hieronymus, een der voor-
naamste schriftverklaarders, vraagt: Waarom wordt de
H. Jozeph een rechtvaardige genoemd ? En hij antwoordt:
Hij wordt een rechtvaardige genoemd, niet omdat hij
deze of gene deugd, of een groot getal deugden, maar
omdat hij alle deugden bezit, en zulks in een buitenge-
wonen graad van volmaaktheid. Iemand een rechtvaar-
dige noemen, zegt de H. J. Chrysostomus, is de grootste
lof, dien men hem geven kan. Het woord rechtvaardige
behelst dus hier alle deugden, \'t is de inhoud van een
volmaakt christelijk leven. De H. Bernardus, over de
deugden van den H. Jozeph sprekende, treedt in eenige
bijzonderheden: hij noemt onder anderen op zijne oot-
moedigheid, zijne gehoorzaamheid, zijne zuiverheid en
zijne liefde tot God en de menschen. En te recht, want
in die deugden heeft de H. Jozeph bijzonder uitgeschenen.
De H. Jozeph heeft uitgeschenen in de ootmoedigheid.
Jozeph was van koninklijken bloede, een afstammeling
van een der beroemdste koningen van Juda. Jozeph was
uitverkoren tot bruidegom van Maria, tot voedstervader
van Jezus, gelijk wij later zien zullen.
En ziet! niettegenstaande die hooge afkomst, die groote
-ocr page 79-
— 75
waardigheid, Jozeph is de ootmoedigste mensch op aard e;
hij leidt een verborgen leven te Nazareth; hij werkt daar
om in \'t zweet zijns aanschijns zijn brood te verdienen;
hij verbergt zorgvuldig zijne voorrechten; hij spreekt
niet van de groote geheimen, die staan voltrokken te
worden; hij onderzoekt ze niet eens uit nieuwsgierigheid,
maar hij laat aan God over van ze kenbaar te maken;
de H. Jozeph voor zich is er alleen op uit om aan de
inzichten der goddelijke Voorzienigheid te beantwoorden.
Om de ootmoedigheid van den H. Jozeph nog meer
te doen uitschijnen, overwegen wij een oogenblik, wat
het Evangelie zegt. Jozeph, bevindende, dat Maria moe-
der geworden was, wilde haar heimelijk wegzenden.
Waarom, vraagt de H. Bernardus, wilde Jozeph Maria
wegzenden ? En hij antwoordt naar het gevoelen van
nog andere H. Vaders: Hij wilde haar wegzenden om
dezelfde reden, om welke de H. Petrus tot onzen god-
delijken Zaligmaker zeide: Ga uit van mij, Heer! want
ik ben een zondig mensch! Exi a me, quia homo pecca-
tor sum, Dommel
(i) Om dezelfde reden, om welke
de Hoofdman Jezus toesprekende zeide: Heer, ik ben
niet waardig dat Gij inkomt onder mijn dag: Domine,
non sum dignus ut intres sub tectum meum.
(2) De H.
Jozeph, die zich ook voor een zondig mensch aanzag,
dacht bij zich zelven, dat hij geenszins verdiende met
eene zoo verhevene persoon als Maria te wonen. Hij
stond verwonderd over de wondervolle waardigheid zijner
bruid. Bemerkende dat Maria de Moeder van God ge-
worden was, en het wonder geheim niet kunnende be-
grijpen, wilde hij haar van zich verwijderen. Petrus staat
verbaasd over de almacht Gods, de Hoofdman over diens
(1) Lnc. v, 8. (2) Matth. vm, 3.
-ocr page 80-
majesteit, de H. Jozeph over het wonder, over het ge-
heim in Maria gewrocht. O, B.B., verwondert u niet te
zeer, dat de H. Jozeph zich onwaardig oordeelt met
Maria te wonen, als gij hoort, dat Elisabeth, Maria\'s
nicht, hare tegenwoordigheid schier niet verdragen kan.
Immers, van een eerbiedige vrees doordrongen riep Elisa-
heth uit: Van waar geschiedt mij dit, dat de Moeder
mijns Heeren tot mij komt! Unde hoc mihi, ut Mater
Dotnini mei veniat ad me!
(i) \'t Was dus uit ootmoe-
digheid, gelijk gij ziet, dat Jozeph Maria wilde wegzen-
den; hij oordeelde zich onwaardig met Maria te wonen.
De H. Jozeph heeft uitgeschenen in de gehoorzaamheid.
God de hemelsche Vader, B. B., wilde zich van Jozeph
bedienen om zijn eenigen Zoon tegen de woede van He-
rodes te beschermen. Zoodra die wreede dwingeland
besloten had de kleine kinderen van Bethleëm en om-
streken om het leven te brengen, ten einde het goddelijk
Kind ook te treffen, ziet! daar verschijnt den H.Jozeph
een Engel uit den hemel, die hem gebiedt van op te
staan, het Kind te nemen en terstond te vluchten. Jozeph
gehoorzaamt op het oogenblik, zonder een enkele opmer-
king te maken. Hij zegt, bijv., niet tot den Engel:
Maar hoe is dat mogelijk ? Niet lang geleden zeidet gij
mij, dat het Kind gekomen is om zijn volk zalig te ma-
ken ; en nu, nu moet het reeds de vlucht nemen om zich
zelven te redden. Neen, B. B., maar Jozeph gehoorzaamt
op staanden voet; en zonder tegen de moeielijkheden
eener lange reis, met een klein Kind en eene jonge Moeder
op te zien, begeeft hij zich terstond op weg.
De H. Jozeph heeft uitgeschenen in de zuiverheid.
Volgens de bewering van den H. Hieronymus heeft de
(1) Lnc. i, 43.
-ocr page 81-
— 77 —
H. Jozeph altoos in den maagdelijken staat geleefd, vóór
en na zijne vereeniging met Maria, de allerzuiverste der
Maagden. God, B. B., had eene vereeniging tusschen
Maria en Jozeph bewerkt, die gansch overeenkwam met
zijne geheime inzichten. Maria, na door eene bovenna-
tuurlijke werking van God den H. Geest Moeder van
onzen goddelijken Zaligmaker geworden te zijn, had
daardoor niet te vreezen van door menschen, die het
geheim der Menschwording niet kenden, aangerand te
worden. Daarenboven, Maria vond in den H. Jozeph nog
hulp en steun voor haar zelve en voor haar goddelijken
Zoon, een getrouwen gezel op hare reizen en eenen trooster
in hare droefheid en smart. Hoe groot, ik vraag het u,
moest dus de zuiverheid niet zijn van hem, dien de hemel
verkozen had om de bewaarder te wezen van Maria, de
Moeder van Jezus, van de zuiverste, de onbevlektste der
Maagden ?
Of de H. Jozeph ook uitgeschenen heeft in de liefde
tot God, onnoodig die vraag te stellen. Terwijl Jozeph
Jezus aanschouwt, erkent hij in dat beminnelijk Kind niet
alleen den Zoon zijner bruid, maar tevens den Zoon van
den hemelschen Vader. Telkens als hij Jezus ziet, wordt
hij vervoerd ; hij is van verrukking als buiten zich zelven;
zijn gelaat schittert van vreugde en zijn hart klopt van
aandoening, het brandt van liefde. Zeer zeker, Jozeph
bemint het goddelijk Kind bovenal, uit geheel zijn hart,
uit geheel zijne ziel, uit geheel zijn verstand en uit al
zijne krachten. En zijne liefde tot God gaat gepaard
met de liefde tot den evennaaste, want in alles wat hij
voor en met Jezus en Maria doet, werkt hij mede aan
de verlossing en zaligmaking der menschen.
Aangezien de H. Jozeph de rechtvaardige, d. i., de
brave, de deugdzame bij uitstek is, is het dan te verwon-
-ocr page 82-
— 78 —
deren, dat. gelijk de H. Leonardus a Porto Mauritio
zegt, de Evangelisten niet schijnen te weten hoe hem
genoegzaam te eeren? Wanneer zij van de heilige Fa-
milie, van Jezus, Maria en Jozeph spreken, stellen zij nu
eens dezen dan wederom genen in het midden. Bij den
Evangelist Matthaeus lezen wij: Jozeph, sta op en neem
het kind en zijne moeder en vlucht naar Egypte: Surgc
et accipc puerum et matrem ejus et fuge in Egyptum.
(i)
Ziedaar Jezus tusschen Jozeph en Maria. Bij denzelfden
Evangelist lezen wij ook: Als zijne Moeder Maria onder-
trouwd was aan Jozeph: Cum esset desponsata Mater
ejus Maria Joseph.
(2) Hier staat Maria tusschen Jezus
en Jozeph. En bij den Evangelist Lucas lezen wij: Zij
vonden Maria en Jozeph en het Kindje, liggende in de
kribbe: Invenerunt Mariam et Joseph et infantcm posi-
tum in prccsepio.
(3) Ziedaar Jozeph tusschen Jezus en
Maria. Daaruit alleen kan men reeds besluiten de waar-
digheid van den H. Jozeph, wijl Jezus en Maria den
H. Jozeph als \'t ware aan zich gelijk laten stellen.
II.
De waardigheid van den H. Jozeph als rechtvaardige
is groot, zoo groot zelfs, dat ons de woorden ontbreken
om die naar waarde te schetsen. Doch bijaldien ons
daartoe reeds de woorden ontbreken, hoeveel te meer
zullen ons die dan ontbreken, om te schetsen zijne waar-
digheid als bruidegom van Maria? Jacob teelde Jozeph,
den man van Maria, zegt de Evangelist Matthaeus:
Jacob genuit Joseph virum. Marice. (4) Jozeph, de man
of de bruidegom van Maria: leggen wij die twee woor-
den een weinig uit.
(1) Mattli. 11, 13. (2) Matth. 1, 18. (3) Luc. 11,16. (4) Matth. 1,16.
-ocr page 83-
— 79 —
Jozeph, de bruidegom van Maria: Virum, en in die
hoedanigheid moet Jozeph, zegt de H. Leonardus a Porto
Mauritio, Maria ook het naaste bij komen in heiligheid
en volmaaktheid. Jozeph, de bruidegom van Maria: Virum,
en in die hoedanigheid moet hij met Maria als het ware
maar één hart, maar ééne ziel uitmaken. Jozeph is de brui-
degom van Maria. Hij is dus het hoofd van de allerheiligste
Maagd Maria, want de man, zegt de H. Schrift, is het
hoofd der vrouw. Jozeph is de bruidegom van Maria.
Hij is dus de meester van de doorluchtige Meesteresse,
die het gebod van het boek der schepping volkomen
kende, waarin geschreven staat, dat de vrouw onder de
macht van den man staat. Ziedaar wat het woord brui-
degom hehelst. Jozeph is de bruidegom van Maria: Mariac.
Hij is dus de bruidegom van het volmaaktste schepsel,
van de vlekkelooze Maagd, van welke God in het boek
der schepping spreekt, als Hij zegt: Ik zal vijandschap
stellen tusschen u — den duivel — en de vrouw — de
allerheiligste Maagd Maria, — zij zal u den kop verpiet-
teren. Jozeph is de bruidegom van Maria: Mariae. Hij
is dus de bruidegom van de Koningin van hemel en
aarde, van Engelen en menschen, van die verheven Ko-
ningin, in welke te dienen de Engelen en Aartsen-
gelen, de Cherabijnen en Serafijnen hunne eer stellen.
Jozeph is de bruidegom van Maria, d. w. z., hij is de
bruidegom van de Dochter van God den Vader, van de
Moeder van God den Zoon, van de Bruid van God den H.
Geest. O, H. Joseph! Hoe onbegrijpelijk is uwe groot-
heid! Hoe groot is uwe waardigheid! God de Vader
vertrouwt u zijne Dochter, God de Zoon zijne Moeder
en God de H. Geest zijne Bruid toe. Roemvolle Aarts-
vader! ontvang de eerbewijzen, de loftuigingen van hemel
en aarde, wijl gij de bruidegom, het hoofd, de meester
-ocr page 84-
— 8o —
zijt van haar, die God alleen boven zich heeft, d. i., van
de allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria! Doch
dat is niet alles. Jozeph is niet alleen een rechtvaardige,
de bruidegom van Maria, hij is ook nog de voedster-
vader van Jezus, en die waardigheid, B.B., overtreft nog
ver de twee vorige waardigheden, van welke wij reeds
gesproken hebben.
ra.
De Evangelist Matthaeus merkt aan, dat de Joden,
"wanneer zij met minachting van Jezus wilden spreken,
zeiden: Is deze niet de Zoon van een timmerman:
Nonne hic est f abri filiust (i) De Zoon van een tim-
merman? Zeker wel. Maar van welk een timmerman?
Luistert, zegt de H. Petrus Chrysologus, en ik zal het
u leeren. Jezus is de Zoon van den verheven timmer-
man, die niet met bijtel en hamer, maar met zijn
woord, het almachtig fiat, het worde, hemel en aarde
van niet gemaakt heeft ; den hemel met zon, maan en
sterren, die Hij aan het uitspansel ontstoken heeft; de
aarde met zeeën en rivieren, met bergen en dalen, met
menschen en dieren, die haar bevolken. Ziedaar den
timmerman, van wien Jezus de eenige en de zelfstandige
Zoon is, en met wien Hij een en dezelfde goddelijke
natuur heeft, namelijk, van God den Vader, den Schepper
van hemel en aarde. Welnu, die Zoon van God den
Vader, den Schepper van hemel en aarde, geeft ook den
naam van vader aan den H. Jozeph. Vader, zegt het
Kind Jezus tot Jozeph, als het hem aanspreekt. Overigens,
er valt niet aan te twijfelen. De allerheiligste Maagd
Maria verzekert het ons; want toen zij Jezus den derden
dag in den tempel te Jeruzalem terug vond, zeide zij
(1) Matth. xiii, 55.
-ocr page 85-
— Si —
tot Hem: Pater tuus et ego dolentes quaerebamus te: (i)
Uw Vader en ik zochten u met droefheid. Doch niet
alleen noemt Jezus den H. Jozeph vader, maar hij eert
en bemint hem als zijn vader, Hij gehoorzaamt hem als
aan zijn vader. Jezus was onderdanig aan Maria en
Jozeph: Erat subditus Mis. (2) Welk een schouwspel!
B. B. Doch dringen wij een oogenblik door tot in het
huisje van Nazareth, en aanschouwen wij daar de H.
Familie, Jezus, Maria en Jozeph. Terwijl de H. Maagd
Maria het huiswerk verricht, bevindt zich Jozeph in het
werkhuis, en het Kind Jezus is bij hem. De Zoon Gods
helpt zijn voedstervader Jozeph in het hout bewerken,
evenals Hij eertijds zijn hemelschen Vader hielp in het
scheppen van hemel en aarde ; want\'t is door zijn Woord
d. i. door den tweeden Persoon van de H. Drievuldigheid,
dat God de Vader hemel en aarde geschapen heeft.
Alles is door zijn Woord geworden, en zonder hetzelve
is er niets geworden, dat gewocden is, en het Woord is
vleesch, d. i., mensch geworden : Et Verbum caro factum
est.
(3) Dat Woord nu, de Zoon Gods, mensch geworden
voor ons, is Jezus van Nazareth. Doch luistert hoe de Zoon
Gods spreekt: Toen mijn hemelsche Vader zich voorbe-
reidde om hemel en aarde te scheppen, was ik er tegenwoor-
dig, en ik regelde alles met hem: Cum eo eram cuncta com-
ponens.
(4) Welnu, diezelfde Zoon Gods, Jezus, mij dunkt,
Hij zegt hetzelfde van zijn voedstervader, den H. Jozeph.
Als mijn vader Jozeph naar het werkhuis ging, ik ging
met hem; als hij er aan het werk was, ik werkte met
hem: Cum eo eram cuncta componens. En terwijl het
Kind Jezus bij Jozeph bezig is met werken, Jozeph ziet
het goddelijk Kind bezig, hij vestigt zijne oogen op Jezus,
(1) Luc. 11, 48. (2) Lue. ir, 51. (3) Joan.1,14. (4) Prov. vin, 30.
6.
-ocr page 86-
— 82 —
hij weet, hij beseft, dat dit Kind niet alleen de Zoon
zijner bruid is, maar ook dat het de Zoon van God den
hemelschen Vader is. En terwijl Jozeph daarover nadenkt
en het goddelijk Kind hem vader noemt, o, B. B., dan
komen Jozeph de tranen in de oogen, maar \'t zijn tranen
van vreugde, van teederheid en liefde. En bijaldien het
goddelijk Kind zich zoo trouw kwijt van zijne plichten
jegens zijnen voedstervader, den H. Jozeph, zoo het hem
eert, bemint en in alles gehoorzaamt, de H. Jozeph van
zijnen kant bleef ook niet te kort aan zijne plichten jegens
het Kind Jezus. Hij eert dat Kind, omdat het de Zoon
Gods is; Jozeph weet het. Hij bemint dat Kind, en wijl
het de Zoon Gods is, bemint hij het bovenal, uit geheel
zijn hart, uit geheel zijne ziel, uit geheel zijn verstand
en uit al zijne krachten. Hij draagt zorg voor het
Kindje Jezus van den beginne a/. Nauwelijks heelt Jozeph
vernomen dat Herodes het Kind naar het leven staat, of
hij staat op en vlucht naar Egypte om Jezus te redden,
en zoo wordt Jozeph zelf de verlosser van zijnen Ver-
losser, (i) Uit Egypte te Nazareth teruggekeerd, werkt
Jozeph voor het goddelijk Kind; in \'t zweet zijns aanschijns
zal hij den kost voor Jezus verdienen. Najaren lang voor
en met Jezus gewerkt te hebben, voelde de H. Jozeph
eindelijk het oogenblik naderen om dit tranendal te ver-
laten. Treden wij voor de laatste maal het huisje van
Nazareth binnen, en zien wij wat daar plaats heeft. Ziet,
de H. Jozeph ligt uitgestrekt op een arme, doch zindelijke
legerstede; zoo hij lijdt, hij lijdt bijna niets. Jezus staat aan
de eene, Maria aan de andere zijde; zij zijn van Engelen
omringd. Jozeph slaat zijne oogen nu eens op Jezus, het
goddelijk Kind, dat hem vader noemt; dan wederom op
(1) Salvatoris sui salvator ipse. (Rupertus.)
-ocr page 87-
- 83 —
Maria, zijne dierbare bruid. Hij bedankt hen voor de tee-
dere zorgen, die zij hem bewezen, voor de toegenegenheid,
de liefde, die zij hem toegedragen hebben. Jozeph zegt
hen zijn laatste vaarwel; hij neemt de hand van Jezus,
drukt ze aan zijn hart en zegt, veeleer met het hart dan
met de tong: Mijn Zoon! Mijn teerbeminde Zoon! in
uwe handen beveel ik mijne ziel. Jezus, de Zoon Gods,
strekt zijne rechterhand uit, zegent en omhelst zijn teér-
beminden vader, en Jozeph scheidt van deze wereld in
de omhelzingen van Jezus en Maria. Vertrek, o heilige
ziel! Vertrek! Eene verheven plaats wacht u daarboven
om uwe verdiensten. Maria uwe bruid zal in den hemel
aan de rechterhand van haar goddelijken Zoon, gij aan
de linkerhand van Jezus geplaatst worden, die plaats hebt
gij verdiend, God is ze u schuldig, omdat gij de recht-
vaardige bij uitstek, de bruidegom van Maria, de voed-
stervader van Jezus zijt.
SLUITREDE.
Bij het aanschouwen van den kostbaren dood van den
H. Jozeph begrijpen wij gemakkelijk, waarom hij als
patroon van een goeden dood vereerd wordt. Ook ver-
langen wij eenmaal zulk een kostbaren dood te mogen
sterven. Dat verlangen is goed, B. B., doch dat ver-
langen alleen is niet genoeg. Om eenmaal den dood der
rechtvaardigen te mogen sterven, moeten wij ook als
rechtvaardigen leven, en vandaar dat wij den H. Jozeph
moeten navolgen in de deugden, waarvan hij ons het
voorbeeld gegeven heeft; wij moeten onder anderen oot-
moedig, gehoorzaam en kuisch zijn; naar het voorbeeld
van den H. Jozeph moeten wij vooral Jezus en Maria
beminnen. En om den H. Jozeph in zijne deugden te
kunnen navolgen, moeten wij onze toevlucht tot hem
-ocr page 88-
— 84 —
nemen; God verlangt het. Ook zijn wij zeker van te
verkrijgen, al wat wij door de voorspraak van den H.
Jozeph vragen, gelijk het behoort. Talrijke voorbeelden
van gunsten, van genaden, zelfs van wonderen, liggen
voor de hand om te bevestigen hetgeen ik kom te zeggen.
Gaan wij dus met betrouwen tot den H. Jozeph; vragen
wij hem al wat wij noodig hebben naar ziel en naar
lichaam, doch vragen wij hem vooral de genade van
altoos als rechtvaardigen te leven, ten einde eenmaal een
zaligen dood te sterven. Amen.
*w^%^>
-ocr page 89-
ZESDE PREEK.
De Boodschap aan Maria.
Ecce ancilla Domini, fat mihi secundum
verbum luum.
Zie de dienstmaagd des Heeren, mij
geschiede naar uw woord. Luc. i, 38.
INHOUD.
VOORREDE.
Al wie zich verheft zal vernederd worden, en wie zich
vernedert zal verheven worden. — Evangelie van den dag.
VERDEELING.
I. Maria heeft zich diep vernederd;
II. Maria is juist daarom hoog verheven geworden.
I.
De komst van den Messias was nabij. — God zond
zijnen Engel naar Maria, die verloofd was aan Jozeph. —
Toen de Engel aan Maria verscheen, was zij alleen thuis,
in het gebed verslonden. — Groet van den Engel; Maria
wordt ontsteld. Waarom ? Om den lof, welken de Engel
haar geeft. — Maria denkt na over den groet des Engels.
Denkt zij soms ook dat zij de Moeder van God zal
-ocr page 90-
— 86 —
worden? — Verlegenheid van Maria. De Engel trekt
Maria uit hare verlegenheid: Vrees niet, Maria, enz. —
Maria verstaat den groet des Engels; zij weet nu dat
zij bestemd is om de Moeder van den Messias te worden.
— Moeilijkheid van Maria ; die moeielijkheid door Gabriël
weggenomen: Maria zal Moeder en Maagd te gelijk zijn. —
Antwoord van Maria: Zie de dienstmaagd des Heeren,
enz. — Machtig en ootmoedig antwoord. — Maria ver-
heft zich niet, zij vernedert zich steeds meer en meer. —
Omdat Maria Maagd was, heeft zij God behaagd; omdat
zij ootmoedig was, is zij tot de waardigheid van Moeder
Gods verheven.
II.
De waardigheid van Moeder Gods is onbegrijpelijk. —
Vergelijking van eenen koning, die een zijner hovelingen
naar eene jonge dochter uit den burgerstand zendt, om
haar te verzoeken van de moeder van zijnen zoon te
willen worden: die vergelijking toegepast op God, Gabriël
en Maria. — Gabriël vraagt van wege God aan Maria
of zij toestemt van de Moeder van den Zoon Gods te
worden. — Afwachting van Maria\'s antwoord. Gabriël,
hemel en aarde, God zelf wacht op Maria\'s antwoord. —
Antwoord van Maria: Zie de dienstmaagd des Heeren,
enz. — De menschwording van God den Zoon voltrok-
ken: dubbel fiat. — God kan wel een volmaakter hemel
en aarde scheppen, doch geen volmaakter werk verrichten
dan de menschwording van Christus; Hij kan wel vol-
maakter schepselen voortbrengen, doch Maria niet hooger
verheffen dan tot de waardigheid van Moeder Gods. —
De innigste vereeniging met God bestaat in de mensch-
vvording van Christus, daarna in de vereeniging van Maria
-ocr page 91-
- s7 —
met God: bijgevolg, geen volmaakter schepsel dan Ma-
ria. — Maria om volmaakter te worden zou God moeten
worden. — Waarom is Maria de Moeder van God? —
In het goddelijk moederschap van Maria ligt de grond
van hare heiligheid en volmaaktheid naar ziel en naar
lichaam, van hare grootheid en verhevenheid, van hare
ceretitels en van haar vermogen bij God.
SLUITREDE.
Wij moeten ons vernederen naar het voorbeeld van
Maria. — Wij moeten weten wie en wat wij zijn, wat wij
van ons zelven hebben. — Wij moeten ootmoedig zijn
in onze gedachten, woorden, werken en in onzen omgang
met anderen. — Zoo wij ootmoedig zijn zullen wij ver-
heven worden. — Wij hebben Gods genade noodig om
in den hemel te komen ; die genade geeft God slechts
aan de ootmoedigen. — Gebed tot Maria om die genade
te bekomen.
ZESDE PREEK.
De Boodschap aan Maria.
Ecce ancilla Domini, fiat mihi seeundum
verbum tuum.
Zie de dienstmaagd des Heeren, mij
geschiede naar uw woord. (Luc. i, 38.)
VOORREDE.
Zekeren dag, B. B., sprak onze goddelijke Zaligmaker
tot de scharen en zijne leerlingen de volgende woorden:
-ocr page 92-
— 8S —
Al wie zich verheft, zal vernederd worden, en wie zich
vernedert, zal verheven worden. Hoe waar deze woorden
van Jezus zijn, leert ons het feest der Boodschap aan
Maria, dat wij heden vieren. Doch alvorens over die
waarheid uit te weiden, zien wij eerst de geschiedenis
van de Boodschap des Engels aan Maria. De Evangelist
Lucas verhaalt ze ons op de volgende wijze: „De Engel
„Gabriël — zegt Lucas — werd door God gezonden naar
„eene stad van Galilea, met name Nazareth, tot eene
„maagd, die ondertrouwd was aan een man, met name
„Jozeph, uit het huis van David ; en de naam der maagd
„was Maria. En de Engel kwam tot haar binnen, en
„zeide: Wees gegroet, gij vol van genade! de Heer is met
„u; gij zijt de gezegendste der vrouwen ! Zij hem gehoord
„hebbende, ontstelde op zijne rede, en peinsde, wat voor
„eene begroeting deze mocht zijn. En de Engel zeide tot
„haar: Vrees niet, Maria! want gij hebt genade gevonden
„bij God: zie, gij zult in uwen schoot ontvangen en
„eenen zoon baren, en zijnen naam zult gij Jezus heeten.
„Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten ge-
„noemd worden; en de Heer God zal Hem den troon
„geven van David, zijnen vader; en Hij zal heerschen
„over Jakobs huis in eeuwigheid, en zijn koninkrijk zal
„geen einde hebben. En Maria zeide tot den Engel:
„Hoe zal dit geschieden, dewijl ik geenen man bekenne ?
„En de Engel antwoordde en zeide tot haar: De Heilige
„Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoog-
„sten zal u overschaduwen; en daarom ook zal het Heilige
„dat uit u zal geboren worden, Gods Zoon genoemd
„worden. En zie, Elisabeth, uwe bloedverwant, ook zij
„heeft eenen zoon ontvangen in haren ouderdom, en deze
„maand is voor haar, die onvruchtbaar heet, de zesde;
„want geen ding zal bij God onmogelijk zijn! En Maria
-ocr page 93-
— s9 -
„zeide: Zie hier de dienstmaagd des Heeren; mij ge-
„schiede naar uw woord! Ecce ancilla Domini, fiat
vpnihi secundum verbum tuum!"
(i) En op dat oogen-
blik werd het geheim der menschwording van Christus
in Maria voltrokken. Uit deze geschiedenis blijkt, B.B.,
hoe diep Maria bij de boodschap des Engels zich ver-
nederd heeft, en hoe hoog zij juist daarom verheven is-
geworden. Overwegen wij van daag ter gelegenheid van
haar feest die waarheid. Ik zeg dus:
I. Maria heeft zich bij de boodschap des Engels-
diep vernederd;
II. Maria is juist daarom hoog verheven geworden.
Breiden wij die twee punten een weinig uit.
I.
En wel vooreerst: Maria heeft zich bij de boodschap
des Engels diep, ja, zoo diep mogelijk vernederd.
De tijd der komst van den Messias, door de Profeten
voorzegd, was eindelijk aangebroken; de schepter was
Juda ontnomen en in vreemde handen, in die van Hero-
des, overgegaan; het heelal, hemel en aarde, verkeerde
in spanning en wachtte met ongeduld naar den beloofden
Messias. Toen zond God zijnen Engel naar Nazareth
tot eene maagd, die verloofd was aan eenen man, met
name Jozeph, en die maagd heette Maria.
Nazareth was een stadje van Galilea, B.B., en schier
onbekend; \'t werd zelfs miskend, want men sprak er met
minachting van. Kan er van Nazareth iets goeds zijn?
was men gewoon te zeggen: A Nazareth po test aliquid
boni essef
(2) Maria woonde daar in een eenvoudig
(1) Luc. 1, 38. (2) Joan. i, 46.
-ocr page 94-
— oo —
huisje met haren bruidegom, Jozeph, een timmerman van
beroep, ootmoedig, nederig als zij. Beiden leidden daar
een arm en aan de wereld onbekend leven; doch hoe
arm en onbekend ook aan de wereld, zij waren toch
rijk en bekend bij God.
Toen de Engel Gabriël aan Maria verscheen, was zij
alleen te huis. Jozeph, haar bruidegom, was op dat oogen-
blik afwezig; hij bevond zich in zijn werkhnis, dat op
kleinen afstand — ongeveer veertig schreden — van het
woonhuisje gelegen was. Het woonhuisje bestond uit
twee vertrekken, eene voorwoning, uit steenen gebouwd,
en eene kamer, in de rots uitgehouwen, de gewone bid-
plaats van Maria. Wellicht was Maria op het oogenblik
van de verschijning des Engels verslonden in gedachten
over hetgeen er stond te gebeuren; want bekend met de
H. Schrift, wist zij beter dan iemand dat de komst van
den Messias nabij was. Geen wonder, zoo zij met de
H. Aartsvaders verzuchtte: Rorate cceli desuper et nubes
pluant Justum ;
o, hemelen dauwt, en dat de wolken den
Rechtvaardige zenden: aperiaüir terra et germinet Sal-
vatorem:
(i) de aarde opene zich, en dat zij den Ver-
losser voortbrenge.
De Engel Gabriël, bij Maria binnentredende, groet haar
minzaam: Ave! gratia plena, Dominus tecum benedicta Ui
in miilicribus:
(2) Wees gegroet! gij vol van genade, de
Heer is met u, gij zijt de gezegendste der vrouwen. Op
het hooren van den Engel Gabriël wordt Maria ontsteld,
zegt het Evangelie: Turbata est. En waarom wordt
zij ontsteld? Omdat een Engel haar bezocht? Neen, B. B.,
want aan \'t bezoek der Engelen was Maria gewoon. Was
Maria soms bang van door den duivel, die zich wel eens
(1) Isaias xlv, 8. (2) Luc. 1, 28.
-ocr page 95-
— gi —
onder de gedaante van een Engel des lichts verbergt,
bedrogen te worden? Ook niet, B. B., Maria wist zeer
goed te onderscheiden tusschen een Engel des lichts en
den engel der duisternissen; zij wist dus dat het een
goede Engel was. Waarom wordt Maria dan ontsteld?
Het Evangelie voegt er de reden bij: Zij wordt ontsteld
om de woorden des Engels: /;/ Sermonc cjus. Die
woorden zijn lofwoorden. Gabriêl looft en prijst Maria,
hij verheft haar boven alle vrouwen. En Maria ? Zij ziet
zich aan voor de geringste der vrouwen. Getroffen dus
door de woorden des Engels, wordt Maria ontsteld: die
ontsteltenis is een uitwerksel harer diepe ootmoedigheid.
O, B. B., zoo de Engel Maria gezegd hadde, dat zij de
geringste der vrouwen was, Maria zou niet verwonderd
zijn geweest; doch nu, nu hij haar met lof overlaadt,
boven alle vrouwen verheft, nu wordt zij ontsteld, nu
schaamt zij zich; want hoe hooger de Engel Maria ver-
heft, des te dieper vernedert zij zich. Dat deze de reden
is van Maria\'s ontsteltenis, Maria zelve heeft het de H.
Brigitta verklaard. Ik had een afschrik, zoo sprak zekeren
dag de H. Maagd tot de H. Brigitta, ik had een afschrik
van geloofd en geprezen te worden, en mijn eenig ver-
langen was van God mijnen Schepper geloofd en geprezen
te zien. Maria wordt dus ontsteld door de lofspraak des
Engels, die lofspraak oordeelt zij zich gansch onwaardig.
Na den groet van den Engel Gabriël gehoord te heb-
ben, dacht Maria bij zich na wat die groet wel mocht
beteekenen: Cogitabat qualis esset ista sahitatio Maria,
bekend met de H. Schrift, gelijk ik reeds gezegd heb,
wist wel dat de Messias een Zoon van David zou zijn,
van wien zij ook afstamde; bijgevolg, dat Hij uit hare
familie zou geboren worden. Zij wist ook dat eene Maagd
Hem zou ontvangen en ter wereld brengen. Bekend dus
-ocr page 96-
— 92 —
met al die omstandigheden van de geboorte van den
Messias, en terwijl de Engel haar verheft en zoo veel
eer geeft, zou bij Maria soms daarop de gedachte niet
zijn gekomen, dat zij wel die uitverkoren Maagd kon zijn ?"
Volstrekt niet, B. B., Maria\'s diepe ootmoedigheid was
haar een waarborg tegen dergelijke gedachte; haar eenigste
verlangen, en waarom zij wellicht op dat oogenblik God
bad, was van den Messias te mogen zien en zijne over-
gelukzalige Moeder te mogen dienen.
De Engel Gabriël staat verwonderd over de diepe oot-
moedigheid van Maria, die weldra zijne meesteresse zal
worden. Hij ziet Maria door zijne woorden in verlegen-
heid gebracht; hij gaat haar terstond uit hare verlegen-
heid trekken. Vrees niet, Maria! zegt Gabriël — hier
noemt hij de ootmoedige Maagd bij name — want gij
hebt genade gevonden bij God. En welke genade ? onder
anderen de oorspronkelijke genade, welke de menschen
verloren hadden. Daarenboven, God heeft u lief, Maria!
Gij zijt zijne welbeminde dochter; op u heeft Hij zijne
keus laten vallen. Want ziet! Gij zult ontvangen in
uwen schoot en een zoon baren, en gij zult zijn naam
Jezus heeten. Deze zal groot zijn en de Zoon des A1-
lerhoogsten genoemd worden. En de Heer God zal Hem
den troon van David zijnen vader geven, Hij zal eeuwig
regeeren over het huis van Jacob en zijn rijk zal geen
einde hebben: Et regni ej\'us non erit finis. (i) Nu ver-
staat Maria den groet van den Engel Gabriël; nu begrijpt
zij dat zij bestemd is om de Moeder van den Messias te
worden. Doch nu staat zij nog meer verwonderd, die
ootmoedige, die nederige Maagd. Maria zou, gelijk ik
reeds gezegd heb, zich zou gelukkig geacht hebben, bij-
(1) Luc. i, 33.
-ocr page 97-
— 93 —
aldien zij den Messias had mogen zien, zoo zij zijne
Moeder had mogen dienen. En nu, nu moet zij hooren
dat zij bestemd is om de Moeder van den Messias te
worden. Daarenboven, Maria heeft nog eene moeielijkheid,
en die moeielijkheid moet eerst weggenomen worden. Maria
en Jozeph waren vast besloten van altoos in den maag-
delijken staat te leven. O, B. B., Maria had haren
maagdom zoo lief, dat zij hem zelfs voor de waardigheid
van Moeder van den Messias niet zou afstaan. Daarom
zegt Maria tot Gabrièl met eene zachte en nederige stem:
Maar hoe zal dat geschieden, want ik beken geen man ?
De H. Geest, antwoordt de Engel, zal over U komen,
en de kracht des Allerhoogsten zal U overschaduwen.
Als wilde de Engel zeggen: Maria, gij zult de Moeder
van den Messias worden zonder op te houden van Maagd
te zijn. Daarom ook zal het Heilige, dat uit U zal ge-
boren worden, Gods Zoon genoemd worden. En ten
bewijze er van: Elisabeth, uwe nicht, heeft in haar hoo-
gen ouderdom ook nog wel een zoon ontvangen, want
bij God is niets onmogelijk: Quia non erit impossibile
apnd Deum omne verbum.
Nu verstaat Maria alles: zij weet dat zij verkoren is
om de Moeder van den Messias te worden; zij weet dat
zij Moeder zal worden en tevens Maagd zal blijven. Zij
kent het verlangen van God. Een bevel van God heeft
zij niet noodig. Neen, B. B., het verlangen van God
is genoeg voor die ootmoedige Maagd. Maria gaat ter-
stond aan het verlangen van God voldoen, zij gaat hare
toestemming geven: ja, Maria gaat antwoorden. Doch
luistert, B. B., in welke bewoordingen — want hier
schijnt de nederigheid van Maria bijzonder uit. — Zie
de dienstmaagd des Heeren, zegt Maria, mij geschiede
naar uw woord: Ecce ancilla Domini, fiat mihi secun-
-ocr page 98-
94
dum verbum tuum. (i) Machtig en tevens ootmoedig
antwoord van Maria. Machtig antwoord, want op het
oogenblik dat Maria zoo spreekt, is de Zoon Gods mensch
geworden; ootmoedig antwoord, want op het oogenblik
dat Maria tot de grootste waardigheid verheven wordt,
noemt zij zich de dienstmaagd des Heeren. Ha, B. B.,
Maria laat zich door den glans harer waardigheid niet
verblinden. Hoe hoogcr God Maria verheft, hoe dieper
zij zich vernedert. Maria krijgt daarom geene grootsche
gedachten van zich; doch terwijl zij aan God denkt,
vergeet zij zich zelve. Maria koestert in hare verheffing
geen zelfbehagen; zij vindt er eene reden te meer in,
om zich te vernederen. De diepste ootmoedigheid blijkt
uit al hare woorden. Van den eenen kant acht Maria
zich de waardigheid, waartoe God haar verheft, onwaar-
dig; van den anderen kant wil zij in geenen deele aan
het verlangen van God wederstaan. Zie de dienstmaagd
des Heeren, spreekt Maria, als wilde zij zeggen: Mijn
plicht is te doen hetgeen God verlangt. Hoe Hij ook
over mij beschikke, wie ben ik om hem niet te gehoor-
zamen ? Kiest Hij mij tot zijne Moeder, \'t is lautere
goedheid van Hem: word ik tot zijne Moeder gekozen,
\'t geschiedt zonder mijne verdiensten. Doch zoo eene
dienstmaagd van den eenen kant niet het minste recht
heeft op die waardigheid, van den anderen kant staat het
haar ook niet vrij die waardigheid te weigeren. Gij ziet
dus, B. B., terwijl God bezig is met Maria te verheffen;
Maria is bezig met zich voor God te vernederen. Terwijl
de Engel Gabriel haar groet als de Moeder van God;
zij, zij noemt zich de dienstmaagd des Heeren. O oot-
moedigheid van Maria! O wonder van ootmoedigheid !
(1) Luc. t, 38.
-ocr page 99-
— 95 —
O Maria! O Heilige Maagd ! roept de H. Bernardus uit,
hoe hebt gij toch zulke kleine gedachte van u zelve kun-
nen hebben, gij die toch zoo zuiver, zoo onschuldig, zoo
heilig waart! Ootmoedig zijn zonder verdiensten, \'t is
noodzakelijk, zegt de H. J. Chrysostomus; ootmoedig zijn
niet gansch zonder verdiensten, \'t is loffelijk, maar oot-
moedig zijn vol van verdiensten,\'t is wonderlijk; ja, B. B.,
dat is een wonder van ootmoedigheid. Zulk een wonder
van ootmoedigheid was Maria, en juist om hare ootmoe-
digheid is zij zoo hoog verheven. Vandaar dat de H.
Bernardus zegt: Heeft Maria aan God behaagd om hare
zuiverheid, om haren maagdom; aan hare ootmoedigheid
heeft zij haar goddelijk moederschap te danken, (i) De
ootmoedigheid van Maria, zegt de H. Augustinus, is als
de ladder geweest, waarlangs de Zoon Gods nedergedaald
is op de aarde om haar Zoon te worden. Doch dit zij
genoeg over de ootmoedigheid van Maria. Maria heeft
zich bij de boodschap des Engels zoo diep mogelijk ver-
nederd ; dit hebben wij gezien in ons eerste punt. Zien
wij nu in ons tweede punt, dat God Maria zoo hoog
mogelijk verheven heeft juist om hare nederigheid.
II.
Om te begrijpen, B>. B., hoe hoog God Maria bij de
boodschap des Engels door het geheim der mensch-
wording verheven heeft, zouden wij de grootheid van God
zelven moeten begrijpen; doch God is onbegrijpelijk,
bijgevolg kunnen wij ook niet ten volle begrijpen, hoe
hoog Maria daardoor verheven is. God alleen, zegt de
H. Bernardus, kan zulks begrijpen en naar waarde schat-
(1) Etsi complacuit ex virginitate, tarnen ex humilitate concepit.
-ocr page 100-
- 96 -
ten Om er ons nochtans een denkbeeld van te vormen,
maken wij eerst eene kleine vergelijking.
Veronderstelt eens een koning. Die koning zendt een
zijner voornaamste hovelingen — iets wat hij niet gewoon
is te doen — en dien hoveling zendt hij naar een een-
voudige dochter uit den burgerstand — hetgeen hij nog
minder gewoon is te doen — en hij zendt zijn hoveling,
opdat deze zich voor die dochter vernedere, haar eere,
haar hulde bewijze en iets verzoeke — dat is een koning vol-
strekt niet gewoon te doen. — Een koning is wel gewoon
zijne hovelingen te zenden om eerbewijzen te ontvangen,
doch niet om eer te bewijzen; om bevelen te geven, doch
niet om iets te verzoeken. En wat moet die hoveling
die dochter verzoeken ? Hij moet die dochter verzoeken
van zoo goed te willen zijn, en zich te laten aannemen
tot moeder van den zoon des konings, en alzoo het hoogst
verheven te worden, de eerste plaats na die des Konings
te bekleeden in zijn rijk. B. B., die jonge dochter, ik
vraag het u, zou zij op het hooren van die tijding niet
opspringen van vreugde? Zou zij geen gevaar loopen
van haar geringen burgerstand te vergeten en zich te
verhoovaardigen? Maken wij nu de toepassing.
Wie is de koning, van wien hier sprake is ? Die koning
is God, God de Schepper, Heer en Regeerder van hemel
en aarde, de Koning der Koningen. Wie is die hoveling?
Die hoveling is de Engel Gabriël, en ik geloof niet, zegt
de H. Bernardus, dat Gabriël een der geringste Engelen
is. Neen, B. B., maar hij is een der voornaamste, de
kracht Gods. En tot wien zendt God den Engel Gabriël ?
Tot een eenvoudige jonge dochter van Nazareth, met
name Maria. En waarom zendt God den Engel Gabriël?
Vooreerst, om Maria te eeren en haar hulde te bewijzen,
vervolgens om haar iets te verzoeken. God heeft nooit
-ocr page 101-
— 97 —
zijne Engelen gezonden om de menschen te eeren en
hun hulde te bewijzen, om hen iets te verzoeken, maar
wel om eer- en huldebewijzen van hen te vorderen, om
hun iets op te leggen of te gebieden. En ziet, de Engel
Gabriël, door God gezonden, vernedert zich voor Maria;
eerbiedig groet hij haar. Ave! zegt hij: Wees gegroet.
Daarop spreekt hij de schoonste lofrede voor Maria uit.
Gij zijt vol van genade: Gratia plena. Nooit heeft een
schepsel genade ontvangen gelijk gij. Dominus teciim:
De Heer is met u. Nooit is God, mijn Heer en Meester,
met een schepsel geweest gelijk met u. Bencdicta tu in
mtilicribus:
Gij zijt de gezegendste der vrouwen. Nooit
is er eene vrouw gezegend geweest gelijk gij. Vervol-
gens, na Maria eerst gerust gesteld te hebben — want zij
werd ontsteld door die lofrede — voegt Gabriël er bij,
dat zij bestemd is om de Moeder van den Zoon Gods
te worden: Want, zoo zegt de Engel, gij zult een zoon
ontvangen en baren, en gij zult Hem Jezus noemen, en
die zoon zal groot zijn; Hij zal de Zoon des Allerhoog-
sten genoemd worden. God zal Hem den troon van
David zijn Vader geven; Hij zal heerschen over het huis
van Jacob in eeuwigheid en zijn rijk zal geen einde hebben.
Daarop neemt de Engel Gabriël nog eene moeielijkheid
weg, welke Maria scheen te hebben. Hij verzekerde Maria
dat zij Moeder zal worden, zonder op te houden van
Maagd te zijn; dat de H. Geest over haar zal neder -
komen, dat de kracht des Allerhoogsten haar zal over-
schaduwen, en dat juist daarom het Heilige, dat uit haar
zal geboren worden, de Zoon Gods zal genoemd worden.
Dat zulks bij God niet onmogelijk is, wijl bij Hem niets
onmogelijk is. Gabriël vraagt dus Maria als \'t ware in
naam van God zijnen Meester, of zij er in toestemt de
Moeder van God te worden. Welk een eer! Welk eene
7.
-ocr page 102-
- 98 —
hulde, Maria betoond! Hebt gij begrepen, B. B. ? Een
Engel uit den hemel, van God gezonden, een Engel die zich
voor Maria vernedert, een Engel die haar looft en prijst,
die haar het voorstel doet, haar verzoekt of zij de Moeder
van den Zoon Gods wil worden! Doch dat is niet alles. De
Engel Gabriël staat nog altoos in eerbiedige houding voor
Maria, hij wacht op haar antwoord. En niet alleen de
Engel, maar hemel en aarde wachten ongeduldig; ja, God
zelf wacht op hetgeen Maria gaat antwoorden, Hij ver-
langt hare toestemming. Hij roept Maria als \'t ware
van uit den hemel toe: O, mijn welbeminde! laat mij
toch uwe stem hooren! Sonet vox tua in auribus meis ! (1)
Welke een eer! Welke eene hulde, ik herhaal het, Maria
betoond! Doch luistert, B. B., het voornaamste van al
gaat thans volgen. Maria gaat antwoorden, zij stemt toe.
Ecce ancilla Domini: Zie de dienstmaagd des Heeren,
mij geschiede naar uw woord: fiat mihi secundum ver-
bum luum.
En nauwelijks heeft Maria gesproken, of het
Eeuwig woord des Vaders daalt uit den hemel neder,
de Zoon Gods wordt de Zoon van Maria, want de Zoon
Gods is mensch geworden: Et homo factusest. Ziedaar
B. B., het wonder der wonderen: de menschwording van
Christus voltrokken, Maria tot de hoogste waardigheid
verheven, tot de waardigheid van Moeder van God. Bij
de schepping gebruikte God het fiat. Zoo sprak God,
bijv., fiat lux: het worde licht, en het werd licht, etfacta
est lux.
Bij de boodschap des Engels gebruikte Maria
het fiat. Zij sprak: fiat mihi sectmdum verbum tuum:
Mij geschiede naar uw woord, en het Eeuwig Woord
des Vaders is vleesch geworden: Et Verbum caro fac-
tum est.
God, B. B., kon wel een volmaakter hemel
(1) Cant. cant. 11, 14.
-ocr page 103-
— 99 —
scheppen, doch een volmaakter werk verrichten dan de
menschwording van Christus? neen, dat kan Hij niet.
God kon wel een volmaakter schepsel voortbrengen, doch
een schepsel tot eene verhevener waardigheid verheffen
dan tot de waardigheid van Moeder van God ? neen, dat
kan Hij niet. In de menschwording van Jezus-Christus
en het goddelijk moederschap van Maria heeft God dus
als \'t ware zijne almacht uitgeput. Ziehier waarom. Hoe
nauwer iets met zijn beginsel vereenigd is, des te meer
deel heeft het aan de volmaaktheden van zijn beginsel.
Hoe meer, bijv., een zonnestraal de zon, van welke zij
uitgaat, nabij komt, hoe lichter, hoe helderder de straal
wordt. Doch na de persoonlijke vereeniging van Jezus-
Christus, d. i., na de vereeniging van de menschelijke
natuur met de goddelijke natuur in éénen goddelijken
Persoon bestaat er geene nauwere vereeniging met God
dan die van Maria; bijgevolg is er geen volmaakter per-
soon dan Maria. Dus, Maria heeft niets boven zich dan
God, en zij heeft alles beneden zich dat geen God is.
En alhoewel de afstand van den Schepper en het schepsel
— dus ook van God en Maria — oneindig is, nochtans
Maria — zoo spreekt Albertus de Groote — kon niet
nauwer met God vereenigd worden zonder zelve God te
worden, (i)
God kon Maria dus niet hooger verheffen, dan Hij
haar verheven heeft, namelijk, tot de waardigheid van
Moeder van God. Doch waarom is Maria de Moeder
van God? Zij is de Moeder van God, B. B., niet dat zij
de Godheid heeft voortgebracht, want God is van eeuwig-
heid, dus vóór Maria; doch wijl zij een zoon heeft ont-
vangen en voortgebracht, die God is van eeuwigheid, in
(1) Magis Deo conjungi, nisi fuerit Deus, non potuit
-ocr page 104-
— IOO —
den tijd de menschelijke natuur met de goddelijke ver-
eenigd heeft, wiens lichaam waarlijk gevormd is uit het
lichaam van Maria — gelijk de Apostel Paulus duidelijk
leert — factunt est muiier e. (i)
In de waardigheid van Moeder van God, B.B., ligt de
grond van de heiligheid en volmaaktheid, van de groot-
heid en verhevenheid, van de eeretitels en het vermogen
van Maria. Maria, wijl zij bestemd was, om de Moeder
van God te worden, is vrij geweest, niet alleen van de
erfzonde, maar van alle dadelijke zonde. Hare ziel was
verrijkt met een schat van genaden, genaden, die zij
nooit verloren, noch verminderd heeft, doch altoos heeft
vermeerderd. Maria was volmaakt, naar ziel en naar
lichaam. Reeds voor hare geboorte was zij ten volle
met rede en verstand begaafd. Haar lichaam was zoo
schoon en volmaakt, dat, hadde het geloof het mij niet
opgelegd, zegt de H. Dionysius Ariopagita, die Maria
gezien had, dat ik haar, in plaats van voor een schepsel
te houden, als de Godheid zelve zou aanbeden hebben.
Doch wel verre van ooit iemand een steen des aanstoots
te zijn, zette Maria eenieder die haar zag, steeds aan tot
de schoone deugd van zuiverheid.
Maria, wijl zij de Moeder van God is, is verheven boven
alle schepselen. God alleen, gelijk ik reeds gezegd heb,
staat boven haar; alle schepselen staan beneden haar.
Maria, wijl zij de Moeder van God is, draagt de
schoonste eeretitels. Zij is buiten de Moeder van God
den Zoon, de Dochter van God den Vader, niet door
aanneming, maar door verwantschap; want de Zoon des
hemelschen Vaders is ook de Zoon van Maria. Zij is
de Bruid van God den H. Geest, niet de aangenomen
(1) Gal. ïv, 4.
-ocr page 105-
— IOI —
Bruid, maar omdat God de Zoon door bijzondere wer-
king van God den H. Geest aangenomen heeft de men-
schelijke natuur in den maagdelijken schoot van Maria.
Zij is de Koningin van hemel en aarde, van Engelen en
menschen.
Maria, wijl zij de Moeder van God is, voert gebied
over hemel en aarde, over Engelen en menschen; ja,
Maria, wijl zij de Moeder van God is, heeft gebied ge-
voerd over den Zoon Gods, die haar onderdanig was hier
op aarde: Er at subditus illis,{\\) en zij voert nog gebied
over Hem in den hemel door hare gebeden, waaraan
Jezus haar Zoon niet kan wederstaan. (2) Ziedaar, B. B.,
hoe hoog Maria verheven is, verheven zoo hoog mogelijk,
tot belooning voor hare diepe nederigheid.
SLUITREDE.
Wij hebben gezien, B. B., de nederigheid van Maria
en de verheffing van Maria. Maria heeft zich vernederd,
en zij heeft zich zoo diep mogelijk vernederd: Maria is
verheven, en zij is zoo hoog mogelijk verheven, juist
omdat zij zich zoo diep mogelijk vernederd heeft. Hare
verheffing is dus de belooning voor hare nederigheid.
Wat moeten wij daaruit besluiten? Daaruit moeten wij
besluiten, dat, willen wij ook eenmaal verheven worden,
wij ook nederig moeten zijn. Wij moeten dus weten wie
en wat wij zijn, en wat wij van ons zelven hebben. Wie
zijn wij? Arme schepselen Gods. Wat zijn wij? Ons
lichaam is stof en asch en zal weldra tot stof en asch
wederkeeren. Onze ziel was besmeurd met de erfzonde, mis-
schien is zij thans nog besmeurd met zonden. Wat hebben
wij van ons zelven ? Voor ecnige jaren bestonden wij niet
(1) Luc. 11, 51. (2) Omnipotentia supplex.
-ocr page 106-
— 102 —
eens. God heeft ons geschapen, het bestaan gegeven.
Aan wien hebben wij te danken, dat wij wat meer ver-
stand, meer talenten, geld of goed hebben, dat wij boven
anderen in de wereld verheven zijn? Aan wien hebben
wij te danken dat wij uit christen ouders geboren, dat
wij katholieken zijn ? Aan wien hebben wij al die weldaden,
én in de orde der natuur, én in de orde der genade
te danken? Aan God. Van God hebben wij ontvangen
hetgeen wij zijn en hetgeen wij hebben. Wat hebt gij,
vraagt de Apostel Paulus, dat gij niet ontvangen hebt?
Quid autcm habes quod non accepisti? En bijaldien gij
het ontvangen hebt, wat roemt gij er dan op, als of gij
het niet ontvangen hebt? Si autein accepisti, quidglori-
aris, quasi non acceperis.
Weet gij wat wij van ons
zelven zijn ? Zwakke, broze schepselen. Wat wij van ons
zelven hebben, en waarin God geen deel heeft? Fouten,
gebreken en zonden, en ziedaar nieuwe stof om ons te
vernederen. Zijn wij dus ootmoedig in onze gedachten,
woorden, werken en in onzen omgang met anderen.
Ootmoedig in onze gedachten, en daarom geven wij
nimmer toegang aan ijdele, hoovaardige gedachten.
Ootmoedig in onze woorden, en daarom wachten wij
ons voor dat grootspreken; dat wij ons nimmer op onze
talenten of goede hoedanigheden, op onze goederen of
rijkdommen beroemen.
Ootmoedig in onze werken, en dat wij dus nimmer
iets doen om ons te verheffen en om van anderen geëerd
en geprezen te worden.
Ootmoedig in onzen omgang met anderen, en dat wij
dus eerbiedig zijn jegens — en onderdanig aan onze
oversten en aldegenen, die boven ons staan of over ons
aangesteld zijn; vriendelijk en beleefd jegens ons gelijken,
ja zelfs jegens degenen, die beneden ons staan, en over
-ocr page 107-
— io3 —
welke wij aangesteld zijn. Op die voorwaarde, B. B.,
zullen wij verheven worden, want alwie zich vernedert
zal verheven worden: Omnis qui se humiliat exaltabitur,
daar integendeel die zich verheft, d. i., die hoovaardig
is, zal vernederd worden: qui se exaltat humiliabitur.
Om verheven te worden, en bijzonder, om verheven te
worden tot in den hemel, dus om zalig te worden, heb-
ben wij de genade van God noodig; doch God, die den
hoovaardigen wederstaat, geeft den ootmoedigen zijne
genade. Vragen wij die genade door de voorspraak van
Maria, die de Moeder der goddelijke genade is, en daarom,
groeten wij haar ten slotte met den Engel. Ja, Maria! wees
gegroet! Ave Maria. Gij zijt vol van genade: gratia
plena:
verkrijg voor ons een gedeelte van de genaden,
waarvan gij vol zijt. Dominus tecum: De Heer, die
van uwe geboorte af met u was, heeft zich nog inniger
met u vereenigd, sedert gij zijne Moeder zijt geworden.
Gij zijt de gezegendste der vrouwen: Benedicta tu in
mulieribus:
verkrijg voor ons den zegen van hierboven.
Jezus, de vrucht van uwen schoot, is ook gezegend: Et
benedicttis fructus ventris tui.
En gij, Maria! gij zijt de
plant, welke die vrucht heeft voortgebracht. Ja, gij zijt
de H. Moeder van God: Sancta Maria, Mater Dei. En
gij zijt niet alleen de Moeder van God, maar ook onze
Moeder. God heeft u tot zijne Moeder gekozen, opdat
gij door uwe gebeden zoudet medewerken aan onze zalig-\'
heid; en daarom, wijl Gij de Moeder van God en ook
onze Moeder zijt, bid voor ons zondaren: Ora pro nobis
peccatoribus:
bid voor ons nu: nunc, tijdens ons leven,
gedurende hetwelk wij aan zoo vele gevaren blootgesteld
zijn, opdat wij er niet in omkomen; doch bid vooral
voor ons in het uur van onzen dood; et in hora mortis
nostra;
op het oogenblik, dat wij de wereld gaan ver-
-ocr page 108-
— 104 —
laten en voor den rechterstoel van God moeten verschijnen
opdat wij een zaligen dood sterven, een genadig oordeel
bekomen en toegelaten worden tot den hemel, om daarin
Jezus en U te loven en te danken gedurende de eeuwen
der eeuwen. Amen.
-ocr page 109-
ZEVENDE PREEK.
Paschen.
Surrexit, non est hic, ecce heus ubi po$ue-
runt eum.
Hij is verrezen, Hij is niet hier; zie de
plaats waar zij hem gelegd hehben.
(Mare. xvi, 6.)
INHOUD.
VOORREDE.
Het paaschfeest is ons hoogfeest. — De verrijzenis van
Christus is de grondvvaarheid van onzen heiligen gods-
dienst; met de verrijzenis van Christus is onze verrijzenis
verbonden. — De verrijzenis van Christus is een af beeld-
sel van de verrijzenis uit het graf der zonde. — Evangelie
van den dag.
VERDEELING.
I. Christus is waarlijk verrezen; de zondaar moet
zich waarlijk bekeeren.
II. Christus, na verrezen te zijn, sterft niet meer; de
zondaar, na zich bekeerd te hebben, moet niet
meer zondigen.
III. Christus, na verrezen te zijn, verschijnt aan velen ;
de zondaar, na zich bekeerd te hebben, moet aan
velen verschijnen.
-ocr page 110-
— io6 —
I.
Christus is waarlijk verrezen. — Jezus voorzegt zijne
verrijzenis; poging van de vijanden van Jezus om zijne
verrijzenis te beletten en zijne voorzegging te logenstraffen.
— Godvruchtige vrouwen begeven zich \'s morgens vroeg
naar het graf om Jezus op nieuw te balsemen; gesprek
onder weg; steen. — Aardbeving en verschijning eens
Engels. — De vrouwen bij het graf en de verschijning van
twee Engelen; woorden des Engels tot de vrouwen —
Vlucht der wachters naar de stad; verhaal van de ver-
rijzenis aan de Hoogepriesters, enz. — List der vijanden
van Jezus. — Woorden van den H. Augustinus. —
Christus is waarlijk verrezen; de zondaar moet zich waar-
lijk bekeeren, eene rouwmoedige biecht spreken met het
vaste voornemen van zich te beteren; daarna kan hij
waardig te communie gaan. — Woorden van Jezus tot
de Pharizeen, toegepast op de zondaren, die zich maar
in schijn bekeeren. — Steen op het geweten: verzwegen
zonde, haat, onrechtvaardig geld of goed, slechte ge-
woonte, slecht huis, slechte kameraden; die steen moet
afgewenteld worden om uit het graf der zonde te kunnen
opstaan. — Verschil tusschen de verrijzenis van Jezus
en die van den zondaar.
II.
Christus, na verrezen te zijn, sterft niet meer. — Dooden
door Jezus verwekt: Lazarus, de zoon van de weduwe
van Naïm, de dochter van Jairus; dooden verwekt op de
bede der Heiligen; die verwekten zijn opnieuw gestor-
ven. — Christus, na verrezen te zijn, sterft niet meer;
eens is Jezus gestorven voor de zonden; Hij leeft en Hij
blijft leven voor God. — De zondaar, met Paschen op-
-ocr page 111-
— io7 —
recht bekeerd, moet zich wachten van niet meer in de
zonde te hervallen; tot dat einde moet hij vooral de
gevaren en gelegenheden der zonde vermijden, na
hervallen te zijn, terstond opstaan en met nieuwen moed
beginnen.
III.
Christus, na verrezen te zijn, verscheen aan velen. —
Jezus tijdens zijn leven ging ook om met de zondaren,
na zijne verrijzenis is Hij aan geen enkel zondaar ver-
schenen. — Jezus is verschenen aan Maria, aan Maria
Magdalena, aan de vrouwen die naar het graf gingen,
aan Petrus, aan de leerlingen van Emmaus, aan de leer-
lingen, toen Thomas afwezig was, aan de leerlingen, toen
Thomas tegenwoordig was, aan de leerlingen op den
oever van het meer Tiberias, aan meer dan vijfhonderd
broeders, aan Jacobus den jongere, aan de Apostelen op
den dag zijner hemelvaart. — Wij moeten ook verschij-
nen aan velen. — Wij moeten de gevaarlijke plaatsen
en personen vermijden. — Wij moeten verschijnen binnen
en buiten, maar zoo, dat wij onzen evennaaste nooit
ergeren, doch steeds een goed voorbeeld geven.
SLUITREDE.
De verrijzenis van Jezus uit het graf is een afbeedsel
van de geestelijke verrijzenis uit het graf der zonde. —
Het feest van Paschen is ons hoogfeest; de H. Kerk
viert het met allen mogelijken luister. \'t Is vooral een
feest voor Maria. — Degenen, die zich met Paschen nog
niet bekeerd hebben, moeten hunne bekeering niet uit-
stellen. — Uit de zonde opgestaan, moeten wij zorgen
van niet meer in de zonde te hervallen, om eenmaal
glorierijk te kunnen verrijzen en naar den hemel te gaan.
-ocr page 112-
— 108 —
ZEVENDE PREEK.
P a s c h e n.
Surrexit, non est Mc, ecce heus ubi posue-
runt eum.
Hij is verrezen, Hij is niet hier; zie de
plaats waar zij Hem gelegd hebben.
Mare. xvi, 6.
VOORREDE.
Het Paaschfeest, B.B., dat wij vandaag vieren, is het
feest der feesten, \'t is ons hoogfeest bij uitstek. Waar-
om? Omdat wij op het Paaschfeest vieren de grond-
waarheid van onzen heiligen godsdienst, namelijk, de
verrijzenis van Christus. Bijaldien Christus niet verrezen
is, zegt de Apostel Paulus, dan beteekent ons prediken
niets: Si autetn Christus non resurrexit, inanis est ergo
pracdicatio nostra,
en bijgevolg beteekent ons geloof ook
niets: inanis est et fides nostra. (i) Met de verrijzenis
van Christus is onze verrijzenis nauw verbonden, zoodat,
indien Christus niet verrezen is, wij ook niet zullen ver-
rijzen.
De verrijzenis van Christus is ook een afbeeldsel van
eene geestelijke verrijzenis, namelijk, van de verrijzenis
uit het graf der zonde. Doch alvorens over die verrij-
zenis te handelen, ziehier in \'t kort de geschiedenis van
de verrijzenis van Christus. „Toen de Sabbat was voor-
„bijgegaan, kochten Maria Magdalena, en Maria, de moe-
„der
van Jacobus, en Salome specerijen, om Jezus te
„gaan zalven. En zeer vroeg op den eersten dag der
(1) I Cor. xv, 14.
-ocr page 113-
— log
„week kwamen zij aan de grafstede, toen de zon reeds
„was opgegaan. En zij zeiden tot elkander: Wie zal
„ons den steen afwentelen van den ingang der grafstede ?
„En opziende, zagen zij, dat de steen afgewenteld was ;
„want hij was zeer groot. En ingegaan zijnde in de
„grafstede, zagen zij ter rechter zijde een jongeling zit-
„ten, bekleed met een wit gewaad ; en zij verschrikten.
„Doch hij zegt tot haar: Weest niet ontsteld! Gij zoekt
„Jezus, den Nazarener, den Gekruisigde: Hij is verrezen,
„Hij is hier niet: zegt aan zijne leerlingen en aan Petrus:
„Hij gaat u voor naar Galilea; aldaar zult gij Hem zien,
„gelijk Hij u gezegd heeft."
Ziedaar de geschiedenis van de verrijzenis van Christus
uit het Evangelie van den H. Marcus.
De verrijzenis van Christus is een afbeeldsel van eene
geestelijke verrijzenis, gelijk ik gezegd heb, namelijk,
van de verrijzenis van den zondaar uit het graf der zonde,
•en ziehier op welke wijze:
I. Christus is waarlijk verrezen; de zondaar moet
zich waarlijk bekeeren;
II. Christus, na verrezen te zijn, sterft niet meer;
de zondaar, na zich bekeerd te hebben, moet
niet meer zondigen;
III. Christus, na verrezen te zijn, verscheen aan velen;
de zondaar, na zich bekeerd te hebben, moet
aan velen verschijnen.
Leggen wij thans die drie punten uit.
I.
En wel vooreerst: Christus is waarlijk verrezen: Sur-
rexit Dominus vere.
(i)
(1) Luc. xxiv, 34.
-ocr page 114-
— IIO —
Geen feit, dat zoo klaar bewezen is, dan het feit der
verrijzenis van Christus.
Onze goddelijke Zaligmaker had zijne verrijzenis meer
dan eens voorzegd. Ziet! wij gaan naar Jerusalem, sprak
Jezus zekeren dag tot zijne Apostelen, en alles zal ver-
vuld worden, wat door de Profeten aangaande den Zoon
des menschen geschreven is; want Hij zal overgeleverd
worden aan de Opperpriesters, de Schriftgeleerden
en Ouderlingen, en zij zullen Hem ter dood veroordeelen
en aan de Heidenen overleveren om Hem te bespotten,
te geeselen en te kruisigen. En Hij zal inderdaad be-
spot en bespuwd worden; en na Hem gegeeseld te hebben,
zullen zij Hem dooden en ten derden dage zal Hij ver-
rijzen: Et tcrtia die resurgct. (i) Ziedaar de verrijzenis
wel duidelijk voorzegd. Geen wonder dus, dat de vijan-
den van Jezus, na den dood van onzen goddelijken Zalig-
maker, zich over die voorzegging verontrusten. De
Opperpriesters, Pharizeen en Ouderlingen vergaderen;
zij beraadslagen onder elkander wat aanvangen, om de
verrijzenis van Jezus te beletten; doch in plaats van die
te beletten, zullen zij er de echtheid des te meer van
doen uitkomen. Zij begeven zich tot Pilatus en zeggen:
Heer! wij zijn indachtig geworden, dat die bedrieger —
zoo noemden zij onzen goddelijken Zaligmaker — toen
Hij nog leefde, gezegd heeft: Na drie dagen zal ik ver-
rijzen ; Post tres dies rcsurgam. (2) Gebied dus dat zijn
graf bewaakt worde tot op den derden dag, opdat zijne
leerlingen soms niet komen, het lijk stelen en dan onder
het volk uitstrooien: Hij is van de dooden opgestaan:
Surrexit a mor tuis, (3) en dat laatste bedrog zal nog
erger zijn dan het eerste. Wat antwoordt Pilatus ? Gij
(1) Mare. x, 31. (2) Matth. xxvn, 63. (3) Matth. xxvn, 64.
-ocr page 115-
— III —
hebt eene wacht, zegt hij, gaat en bewaakt het graf
volgens uw goeddunken. Daarop gingen de vijanden van
Jezus heen, stelden wachters bij het graf en verzegelden
den steen van het graf met hunnen ring. Ziedaar alle
mogelijke voorzorgen en maatregelen genomen, om het
stelen van het lichaam van Jezus te beletten, \'s Zondags
\'s morgens zeer vroeg begeven zich eenige godvreezende
vrouwen naar het graf, om het lichaam van Jezus op
nieuw te balsemen. Onder weg zeiden die vrouwen tot
elkander: Wie zal ons den steen afwentelen van den
ingang van het graf? want die steen was zeer zwaar:
Er at qitippe magnus valde. (i) Dat de steen verzegeld,
en dat er eene wacht bij het graf uitgezet was, daarvan
wisten de vrouwen niets. En ziet! intusschen ontstaat
er een geweldige aardbeving, want een Engel des Hee-
ren daalde uit den hemel neder, en genaderd zijnde,
wentelde hij den steen van het graf weg en zette er zich
op neder. Zijn gelaat was als de bliksem en zijn kleed
als sneeuw. De wachters, bij het graf geplaatst, ver-
schrikten, men kan niet meer; zij werden als dooden en
vluchtten ijlings naar de stad. De vrouwen, bij het graf
gekomen, zagen dat de steen afgewenteld was, doch het
lichaam van Jezus vonden zij niet. Zij zien twee Engelen.
Bevreesd slaan zij hunne oogen ter aarde. Een dei-
Engelen zeide tot haar: Vreest niet; ik weet dat gij
Jezus, den gekruiste, zoekt; doch wat zoekt gij den levende
onder de dooden? Quid queeritis viventem cum mor-
tiris ?
(2) Jezus is niet hier, Hij is verrezen, gelijk Hij
voorzegd heeft, en Hij gaat u vóór naar Galilea. Toen
de godvreezende vrouwen het graf verlaten hadden, kwa-
men er eenige wachters in de stad en verhaalden den
(1) Mare. xvi, 4. (2) Luc. xxiv, 5.
-ocr page 116-
---- 112----
Opperpriesters wat er gebeurd was. De Opperpriesters
en Ouderlingen vergaderden op nieuw, zij beraadslaag-
den, en het feit der verrijzenis van Jezus niet kunnende
ontkennen, boden zij den wachters eene som geld aan,
onder voorwaarde van alom te zeggen, dat de leerlingen
van Jezus zijn lichaam gestolen hadden, terwijl zij sliepen.
De wachters namen het geld aan en deden gelijk hun
geleerd was: llli accepta pecunia fecerunt sicut erant
edocti.
(i) Zij moesten zei ven slapen, de vijanden van
Jezus, zegt de H. Augustinus, daar zij slapende getuigen
kozen om de verrijzenis van Christus te loochenen. De
handelwijze van de vijanden van Jezus is dus een klaar
bewijs van de verrijzenis van Christus.
Christus dus is waarlijk verrezen, gelijk wij gezien
hebben : Surrexit Dominus vere; Hij is waarlijk levend
uit het graf opgestaan. Zoo ook, zeg ik nu, moet de
zondaar geestelijker wijze verrijzen, d. i., hij moet waar-
lijk uit het graf der zonde opstaan. Ha, B. B., hij is
wel dood, dood in de oogen van God, beroofd van het
leven der heiligmakende genade, de arme zondaar, die
zijnen Heer en God zoo dikwijls gevloekt en gelasterd
heeft. Hij is wel dood, de arme zondaar, die zich zoo
dikwijls merkelijk te buiten gegaan is in den drank. Hij
is wel dood, de arme zondaar, die zoo dikwijls grootelijks
gezondigd heeft tegen de kuischheid en rechtvaardig-
heid. Hij is wel dood, in een woord, de arme zondaar,
die zoo dikwijls grootelijks misdaan heeft tegen de geboden
van God, van de H. Kerk of tegen de plichten van zijnen
staat. Die zondaar moet verrijzen, met Paschen moet hij
uit het graf der zonde opstaan; hij moet waarlijk verrijzen,
zich oprecht bekeeren en niet in schijn, voor God en niet
(1) Matth. xxviii, 15.
-ocr page 117-
— H3 —
enkel in het oog der menschen, door slechts uiterlijk en
niet naar behooren te biechten en te communie te gaan;
maar vooreerst, door eene rouwmoedige, oprechte en
volledige biecht te spreken, met eene ware droefheid over
zijne zonden, omdat hij er den goeden God zoo dikwijls
en zoo grootelijks door vergramd heeft, met het vaste
voornemen van de zonden niet meer te bedrijven; en
bijgevolg, met het vaste voornemen van de vrijwillige
gevaren en gelegenheden van zonde te vluchten en
te vermijden; hij moet al de doodzonden biechten die hij
na een naarstig onderzoek van geweten gevonden heeft
en indachtig is, zonder er één enkele vrijwillig te ver-
zwijgen. Daarop zal die christen zijnen Heer en God
waardig ontvangen in de H. Communie.
De zondaar moet dus waarlijk verrijzen: Vere. Hij
moet zich oprecht bekeeren en zóó uit het graf der zonden
opstaan. Want, wat zou Jezus, voor wien niets verholen
is, kunnen zeggen tot de zondaren, die met Paschen wel
te biechten en te communie gaan, maar die zich niet
oprecht bekeeren? Hij zou hun kunnen zeggen, hetgeen
Hij eertijds tot de Pharizeën en Schriftgeleerden zeide:
Gij zijt huichelaars: Hypocritae ! Gij zijt gelijk aan wit-
gepleisterde grafsteden, die van buiten schoon, doch van
binnen vol vuiligheid en doodsbeenderen zijn; en die
zondaren zouden evenmin als de huichelende Pharizeën
en Schriftgeleerden de wrake Gods ontkomen. Dus, de
zondaar moet waarlijk uit het graf der zonden opstaan.
Ha, B. B., er ligt misschien ook een groote steen op
uw .graf! En welke is die steen ? Die steen is misschien
de een of andere doodzonde, welke men uit vrees of
schaamte niet gebiecht heeft. Die steen is misschien die
doodelijke haat, welken men reeds geruimen tijd voedt
tegen dezen of genen persoon, en dien men nog niet
8.
-ocr page 118-
— U4 —
afgelegd heeft. Die steen is dat onrechtvaardig geld of
goed, dat men reeds overlang bezit en nog niet terug-
gegeven heeft. Die steen is de een of andere gewoonte
van zonde, om welke uit te roeien men nog geene mid-
delen gebruikt heeft. Die steen is misschien het een of
ander slecht huis, dat men nog niet verlaten, de een of
andere persoon, van welke men zich nog niet gescheiden
heeft. Die steen op uw graf, op uw geweten, is groot,
is zwaar: Erat quippe magnus valdc. Die steen nu, wilt
gij waarlijk uit het graf der zonden opstaan, u oprecht
bekeeren, moet afgewenteld worden: die verzwegen dood-
zonde moet gebiecht, die haat moet afgelegd worden;
dat onrechtvaardig geld of goed moet teruggegeven, die
slechte gewoonte moet uitgeroeid worden; aan dat huis
moet vaarwel gezegd, met dien persoon moet afgebroken
worden; zoo niet, gij kunt niet verrijzen, gij kunt uit
het graf der zonden niet opstaan.
Onze goddelijke Zaligmaker, B. B. verrees toen het
graf nog gesloten was; de steen werd door den Engel
afgewenteld, toen Jezus reeds uit het graf was opgestaan ;
doch de zondaar kan niet geestelijker wijze verrijzen, hij
kan niet uit het graf der zonden opstaan, alvorens de
steen afgewenteld zij.
Christus is dus waarlijk verrezen, de zondaar moet
zich ook waarlijk bekeeren.
II.
Christus, na verrezen te zijn, sterft niet meer: yam
non moritur.
(i)
Wij lezen in de H. Schrift dat onze goddelijke Zalig-
maker dooden verwekt heeft. Hij heeft verwekt Lazarus,
(1) Rom. vi, 9—12.
-ocr page 119-
— iiS —
dén broeder van Maria en Martha, wiens lichaam, der
ontbinding ten prooi, reeds begon te rieken. Hij heeft
verwekt den zoon van de weduwe van Naim, wiens lijk
reeds naar de begraafplaats gedragen werd. Hij heeft
verwekt de dochter van Jairus, die op haar doodsbed-
uitgestrekt lag. In de levens der Heiligen lezen wij.
dikwijls dat op de bede van den een of anderen Heilige
deze of gene doode tot het leven verwekt is; doch
al die dooden, B. B., tot het leven verwekt, zijn op
nieuw gestorven. Onze goddelijke Zaligmaker, na ver-
rezen te zijn, is niet meer gestorven; Hij heeft den dood
overwonnen, en na den dood overwonnen te hebben, zal.
deze geene heerschappij meer over Hem voeren, zegt de
Apostel Paulus:. Mors Mi ultra non dominabitur. Eens \\
is onze goddelijke Zaligmaker gestorven voor de zonde,
d. i., om de zonde uit te boeten: Quod enim mortuus
est peccato, mortuus est seniel.
Na verrezen te zijn leeft
Hij, en Hij blijft leven zonder te sterven; en Hij leeft,
en Hij blijft leven voor God: Quod autem vivit, vivit
Deo.
Ziedaar, B. B., het afbeeldsel van hetgeen de
zondaar na verrezen, na uit het graf der zonden opge-
staan te zijn, doen moet. Hij moet leven en blijven
leven. Dus, na het leven der heiligmakende genade
terug bekomen te hebben, moet hij dat leven bewaren,
niet voor een dag, eene week, eene maand, een jaar;
neen, maar voor altijd, gansch zijn leven. Hij moet
leven voor God door Hem getrouw te dienen, door goed
te onderhouden de geboden van God, van onze Moeder
de H. Kerk, en door zich trouw te kwijten van de
plichten van zijnen staat; dus niet voor de wereld, door,
bijv., te streven naar grootheid en pracht, naar schatten
en rijkdommen, door de vermaken en plezieren der wereld
na te jagen. Hij moet leven en blijven leven voor God,
-ocr page 120-
— u6 —
en dus moet hij zorgen van niet meer in de zonde te
hervallen, en van het leven der genade, dat hij met
Paschen terug bekomen heeft, niet meer te verliezen; en
tot dat einde moet hij zijn best doen om de goede voor-
nemens, welke hij met Paschen gemaakt heeft, ten uitvoer
te brengen.
Natuurlijk, de zondaar, die zich met Paschen oprecht
bekeert, moet het voornemen hebben van de zonde niet
meer te bedrijven en de middelen te gebruiken, die daar-
toe noodig zijn. Die middelen zijn den zondaar met
Paschen, toen hij zijne biecht sprak, door den biechtvader
aangewezen. Zoo moet, bijv., een vloeker of godslaste-
raar den goeden God bidden en aanhouden met bidden,
om die duivelsche gewoonte van vloeken en God te las-
teren af te leggen, het goede voornemen van zich te
beteren van tijd tot tijd vernieuwen. De onrechtvaar-
dige moet denken dat het onrechtvaardig geld of goed
geen zegen brengt, dat hij weldra, namelijk, bij den dood
alles zal moeten verlaten, dat hij voor een weinig onrecht-
vaardig geld of goed zijne ziel gaat opofferen, dat hij
zich voor eeuwig gaat berooven van het geluk des hemels
en gaat nederstorten in den afgrond der hel. De kwaad-
spreker, de dronkaard, de onkuischaard moet vermijden
de plaatsen waarop, de personen met welke en de gezel-
schappen, waarin hij gewoon was zich aan de zonden van
kwaadspreken, dronkenschap of onkuischheid plichtig te
maken. In een woord, eenieder beijvere zich van de
middelen aan te wenden, welke de biechtvader hem voor-
geschreven heeft, om in het goede te volharden. Zou
het nu gebeuren dat de een of andere persoon, niettegen-
staande de beste voornemens, bij deze of gene onvoorziene
gelegenheid of ter oorzake eener hevige bekoring zou
bezwijken, die persoon stelle niet uit, ^hij wachte niet
-ocr page 121-
— 117 —
van terstond op te staan, om met nieuwen moed en met
betrouwen op God het pad der deugd standvastig te
bewandelen en een stichtend leven te leiden.
Christus dus, na verrezen te zijn, sterft niet meer. Hij
leeft, en Hij blijft leven voor God. De zondaar moet
ook niet meer in de zonde hervallen, hij ook moet leven
en blijven voor God.
Eindelijk, Christus na verrezen te zijn, verscheen aan
velen: Et appuruit.
III.
Onze goddelijke Zaligmaker ging tijdens zijn openbaar
leven om, zelfs met de zondaren, natuurlijk zonder gevaar
voor zich zelven en met de beste inzichten, namelijk, om
de zondaren te bekeeren. Doch na zijne verrijzenis?
Neen, op geen enkele plaats in de H. Schrift lezen wij,
dat onze goddelijke Zaligmaker aan de Phariseën of
Schriftgeleerden, dat Hij aan de zondaren verschenen is.
Aan wie is Jezus dan verschenen na zijne verrijzenis?
Vooreerst is Jezus, al maakt de H. Schrift er ook geen
gewag van, verschenen aan zijne dierbare Moeder Maria.
Die daaraan twijfelt zou men wel mogen vragen of hij
nog wel verstand heeft. Immers, Maria had op de eerste
plaats met haar goddelijken Zoon gedeeld in zijne droef-
heid en in zijn lijden. Maria moest dus op de eerste
plaats ook deelen met haar goddelijken Zoon in zijne
vreugde en heerlijkheid, en van daar dat er geen twijfel
kan zijn of Jezus is het eerst aan zijne Moeder Maria
verschenen.
Doch de eerste verschijning, waarvan de H. Schrift
melding maakt, is die aan Maria Magdalena. Ja, Jezus
is aan Maria Magdalena vóór de anderen verschenen.
Welk een troost voor eene zondares, maar die zich naar
-ocr page 122-
— nS —
het voorbeeld van Maria Magdalena oprecht bekeert!
Door aan Maria te verschijnen geeft Jezus te kennen, dat
Hij de zonden, welke Hij ons vergeven heeft, niet meer
gedenkt.
Jezus is verschenen aan de godvreezende vrouwen, die
\'s morgens vroeg naar het graf gingen, om zijn lichaam
opnieuw te balsemen. Minzaam groette Hij haar, zeg-
gende: Ave te!\' (i) Weest gegroet! Jezus is verschenen
aan den Apostel Petrus vóór de andere Apostelen. En
nochtans, Petrus had zijn goddelijken meester tot driemaal
toe verloochend. Welk een troost voor eenen zondaar,
maar die zich naar het voorbeeld van den H. Petrus
ook oprecht bekeert! Jezus toont daardoor wederom, dat
Hij de zonden, eenmaal vergeven, niet meer gedenkt.
Jezus verscheen aan de twee leerlingen van Emmaüs,
toen zij onder weg over Hem spraken; aan zijne leerlin-
gen, toen zij zich uit vrees voor de Joden in eene kamer
opgesloten hadden en Thomas afwezig was, bij welke
\'gelegenheid Hij hun den vrede wenschte: Pax vobis{2),
en hun toestond van Hem aan te raken. Acht dagen later,
toen Thomas zich bij de overige leerlingen bevond, ver-
scheen Jezus opnieuw; en om Thomas van zijne ongeloovig-
heid te genezen, gebood Hij hem zijne vingeren te steken
in de openingen zijner handen en voeten en zijne hand
te leggen in zijne geopende zijde. Na Jezus gezien en
gehoord te hebben, riep Thomas vol geloof uit: Dominus
meus et Deus meus.
(3) Mijn Heer en mijn God! als
wilde hij zeggen: Ik geloof dat Gij het zijt, o mijn
Meester! en dat Gij God zijt.
Jezus verscheen later nog aan zijne leerlingen in Galilea
op den oever van het meer Tiberias, toen zij bezig waren
met visschen. Hij verscheen op eenen berg van Galilea
(1) Matth. xxvni, 9. (2) Luc. xxiv, 36. (3) Joan. xx, 28.
-ocr page 123-
— ii9 —
aan meer dan vijfhonderd personen te gelijk, zegt de
Apostel Paulus : Visus est plus qiiam quingentis fratribus
sitnul.
(i) Hij is verschenen aan Jacobus den jongeren,
eersten bisschop van Jeruzalem. Eindelijk is Jezus nog
verschenen aan zijne leerlingen den dag zijner hemelvaart.
Jezus dus is verschenen herhaalde malen en aan velen,
binnen en buiten. Wat vinden wij nu in de verschillende
verschijningen van Jezus na zijne verrijzenis? O, B. B.,
daarin vinden wij, hoe de zondaar, die met Paschen gees-
telijker wijze verrezen is, zich moet gedragen. Voorzeker,
wij kunnen ons niet verborgen houden; wij moeten voor
den dag komen; wij moeten verschijnen aan velen, én
binnen, én buiten. Doch merkt wel op, B. B.; er zijn
zekere plaatsen en zekere personen, waarop en waaraan
de zondaar, die zich oprecht bekeerd heeft, en die vast
besloten heeft van niet meer in de zonde te vallen, niet
meer moet verschijnen. En welke zijn die plaatsen, welke
zijn die personen? Die plaatsen zijn, bijv., de slechte
huizen, waarin veel kwaad geschiedt, waarin alles toe-
gelaten wordt, zooals vloeken en godslastering, zeden-
kwetsende taal, taal tegen God en godsdienst, tegen Kerk
en priesters, zonden van ontucht en dronkenschap; die
plaatsen zijn de afgelegen en eenzame plaatsen, waar
men zich vroeger naar toe begaf om buiten de oogen
der menschen te zijn en des te vrijer te kunnen zondigen.
Die personen zijn de medeplichtigen, de slechte kame-
raden, de verleiders; die jongeling, bijv., die niets anders
zoekt dan u te verleiden; die jongedochter, die niets
anders zoekt dan u tot zonde te brengen. Op die plaatsen
moeten wij niet meer komen, met die personen moeten
wij niet meer omgaan. Waarom niet ? Wijl het zeker
is — de ondervinding leert het — dat wij de eerste ge-
(1) I Cor. xv, 6.
-ocr page 124-
— 120 —
legenheid de beste op die plaats, met dien persoon ïru
de zonde zullen hervallen. Men moet zich dus begeven,
B. B., als men, bijv., uitgaat, naar plaatsen, waarop, en *
naar huizen, waarin men geen gevaar loopt en men zich
althans eerlijk en deftig kan vermaken. Met moet omgaan
met personen, die braaf en deugdzaam zijn, en die bij-
gevolg, in plaats van ons te verleiden en tot zonde te
brengen, door hun voorbeeldig gedrag stichten en tot de
deugd aanzetten. Men moet dikwijls verschijnen op zekere
plaatsen, die nooit gevaarlijk zijn, zoo als, bijv., de kerk,
om daar het H. Sacrificie der Mis, het Lof, den Rozen-
krans, de een of andere vergadering, zooals de H. Familie
of de Congregatie van Onze Lieve Vrouw bij te wonen.
Men moet verschijnen binnen en buiten: binnen, in zijn
huisgezin, maar zóó, dat de huisgenooten elkander een
voorbeeld zijn van deugd: de ouders een voorbeeld voor
de kinderen, de oversten een voorbeeld voor de dienst-
boden, de kinderen en dienstboden een voorbeeld voor
elkander; buiten, op straat of waar ook, maar zóó, dat
nooit iemand iets kwaads van ons zie, nooit iets kwaads
van ons hoore, zoodat er nooit iets in ons gedrag af te
keuren valt, dat ons gedrag steeds voorbeeldig zij en wij
eenieder stichten; ja, dat wij zelfs de personen, die wij
vroeger misschien ontsticht en verleid hebben, tot het
goede terugbrengen en alzoo de ergernis, die wij gegeven
hebben, zoo goed mogelijk herstellen. Ja, B. B., zoo
schittere uw licht, d. i., uw gedrag voor de menschen,
zegt onze goddelijke Zaligmaker: Sic luceat lux vestra
córam hominibus,
dat zij uwe goede werken zien, ut
videant opera vestra bona,
en dat zij uwen Vader, die
in den hemel is, verheerlijken, et glorificent Patrem vesr
trum qui in caelis est.
(i)
(!) Matth. 1, 16.
-ocr page 125-
---- 121 ----
SLUITREDE.
Gij hebt verstaan, B. B., ik twijfel er niet aan, hoe
Jezus\' lichamelijke verrijzenis uit het graf een afbeeldsel
is van de geestelijke verrijzenis van den zondaar uit het
graf der zonde. Jezus is waarlijk verrezen; de zondaar
moet zich waarlijk bekeeren. Jezus, na verrezen te zijn,
sterft niet meer; de zondaar, na zich bekeerd te hebben,
moet niet meer zondigen. Jezus, na verrezen te zijn,
verscheen aan velen; de zondaar, na zich bekeerd te
hebben, moet ook aan velen verschijnen.
Het feest van Paschen is het feest der feesten, gelijk
ik gezegd heb; \'t is ons hoogfeest bij uitstek. Onze
Moeder de H. Kerk viert het met allen mogelijken luis-
ter; zij spreidt op dien feestdag al hare pracht ten toon,
en zij doet de gewelven harer tempels van vreugde- en
lofzangen weergalmen. Alom klinkt het blijde Alleluia.
Vooral richt onze Moeder de H. Kerk zich tot Maria,
de Moeder van Jezus, en zij roept haar toe: Verheug u,
o Koningin des hemels, alleluia! Regina coeli laetare,
alleluia!
want dien gij waardig bevonden zijt te dragen,
alleluia! quia qnem meruisti portare, alleltiia! Is ver-
rezen gelijk Hij gezegd heeft, alleluia! resurrexit sleuf
dixit, alleluia l
Verheug en verblijd u, o Maagd Maria,
alleluia! Gaude et laetare Virgo Maria, alleluia f want
de Heer is waarlijk verrezen, alleluia! quia surrexit Do-
minus vere, alleluia!
Zouden er zich onder ons bevinden, B. B., die gees-
telijker wijze nog niet verrezen zijn, en die bijgevolg
nog niet naar behooren kunnen deelen in de vreugde en
blijdschap van het paaschfeest; dat zij niet meer
uitstellen, maar dat zij terstond de handen aan het werk
slaan; dat zij door eene rouwmoedige, oprechte en vol-
-ocr page 126-
— 122 —
ledige biecht uit het graf der zonden opstaan; dat zij dus
ook waarlijk verrijzen, en dat wij allen, waarlijk verrezen,
niet meer sterven, d. i., niet meer in de zonde hervallen,
ten einde eenmaal na dit kortstondige leven glorievol te
kunnen verrijzen in den laatsten dag des oordeels, om
daarna met den verrezen God-mensch, Jezus-Christus,
met zijne gezegende Moeder Maria, die ook reeds glorie-
vol verrezen is, en met de Engelen en Heiligen ten hemel
te klimmen, en daar in eeuwigheid te leven en te zingen
het blijde Alleluia. Amen.
-ocr page 127-
ACHTSTE PREEK.
De Bescherming van den H. Jozeph.
Ite ad Joseph.
Gaat tot Jozeph.          (Gen. xli, 55.)
INHOUD.
VOORREDE.
België heeft overlang den H. Jozeph verkoren tot zijn bij-
zonderen patroon. — De H. Theresia. — De aartshertogin
Isabella, Clara, Eugenia. — Antwerpen. — Door den
H. Jozeph beschermd, is België" behoed gebleven voor
de ketterij der XVI eeuw. — Thans moeten wij op nieuw
onze toevlucht nemen tot den H. Jozeph, om behoed te
worden voor de goddeloos- en- zedeloosheid. — Het
vermogen van den H. Jozeph beschouwd.
VERDEELING.
I. In zijnen oorsprong;
II. In zijne uitwerksels.
I.
Het vermogen van den H. Jozeph beschouwd in zijnen
oorsprong. — Drie zaken worden vereischt om bij iemand
-ocr page 128-
— 124 —
vermogen te verwerven: achting, liefde en verplichting.—
Na Maria heeft God voor niemand meer achting gehad
dan voor den H. Jozeph. — Afbeeldsel der H. Drie-
vuldigheid op aarde: Jezus, Maria en Jozeph: Jozeph
bekleedt de plaats van den H. Geest. — Jozeph, "de
Bruidegom van Maria, is vóór allen gesteld, voorDavid,
Salomon, Joannes den Dooper. — Saül tot koning ge-
kozen. — Woorden van den H. Bernardus. — Na Maria
heeft God voor niemand meer liefde gehad dan voor den
H. Jozeph. — Woorden van Jezus tot zijne Apostelen:
Ik zal u geen dienaren maar vrienden noemen: U is het
gegeven de geheimen van het rijk der hemelen te ken-
nen. — Jozeph uitgekozen onder Gods vrienden. —
Jozeph is getuige van het geheim der Menschwording. —
Jezus bemint den H. Jozeph met kinderlijke liefde. —
Na Maria heeft God de Zoon, mensch geworden, zich
jegens niemand willen verplichten tenzij jegens den
H. Jozeph. — Jozeph, de voedstervader van Jezus, werkt
voor Hem en redt Hem het leven.
II.
Het vermogen van den H. Jozeph beschouwd in zijne
uitwerksels. — Vraagt en gij zult verkrijgen. — God
zal den wil doen van hen die Hem vreezen, en Hij zal
hun gebed verhooren. — Omdat gij in kleine zaken ge-
trouw zijt geweest, zal ik u over groote aanstellen. —
Het vermogen der Heiligen in den hemel beantwoordt
aan eens ieders verdiensten; hoe groot moet dan het
vermogen van den H. Jozeph niet zijn ! — Jozeph aan-
gesteld tot bestuurder, schatbewaarder en uitdeeler van
Gods weldaden en genaden. — Jozeph van Egypte af-
beeldsel van den H. Jozeph. — De H. Theresia. — Onze
-ocr page 129-
— 125 —
Moeder de H. Kerk. — Gerson. — Door de voorspraak
van den H. Jozeph kunnen wij bekomen vergiffenis der
zonden, troost in de beproevingen en vooruitgang in de
deugden. — De H. Theresia. — Jozeph patroon van den
goeden dood.
SLUITREDE.
Aangezien het vermogen van den H. Jozeph, laten wij
met betrouwen onze toevlucht tot hem nemen. — Bedan-
ken wij hem, van door hem beschermd te zijn geweest. —
Bidden wij hem van steeds door hem beschermd te wor-
den; ons land, onze huisgezinnen en onze persoon. —
Roepen wij dikwijls de namen van Jezus, Maria en Jozeph
aan gedurende ons leven, en vooral in het uur van onzen
dood.
------»ncge®33a3<»\'------
ACHTSTE PREEK.
De Bescherming van den H. Jozeph.
Ite ad Joseph.
Gaat tot Jozeph.          (Gen. xli, 55.)
VOORREDE.
Onder de verschillende landen, B. B., zoo als onder
anderen Bohemen, Hongarie, Oostenrijk, enz., die er hun-
nen roem in stellen van den H. Jozeph tot bij zonderen
patroon of beschermer verkozen te hebben, bevindt zich
ook ons land of België. Waarschijnlijk hebben wij die
weldaad aan de H. Theresia te danken. De H. Theresia
-ocr page 130-
---- 126 ----
verspreidde de godsvrucht tot den H. Jozeph in Spanje,
waarmede destijds onze provinciën vereenigd waren. De
aartshertogin Isabella, Clara, Eugenia bestuurde toenmaals
de Nederlanden; zij was een voorbeeld van godsvrucht
tot den H. Jozeph. Van uit het hof ging die godsvrucht
over tot de hoofdstad; van uit de hoofdstad tot andere
steden en dorpen; doch onder alle plaatsen scheen op
eene bijzondere wijze uit de stad Antwerpen, alwaar
ter eere van den H. Jozeph kapellen gebouwd, en door
zijne machtige voorspraak van den beginne af reeds
gunsten en genaden bekomen werden. Ook is het meer
aan de bescherming van den H. Jozeph dan aan de wa-
penen der Spanjaarden toe te schrijven, dat België in
de XVI eeuw bevrijd gebleven is van de ketterij, die
zich, helaas! in die ongelukkige tijden meester maakte
van Holland. Hedendaags opnieuw bedreigd, niet door
ééne ketterij, maar om zoo te zeggen door een stroom
van goddeloos- en zedeloosheid, heeft België wederom
de machtige bescherming van den H. Jozeph noodig.
Ja, B. B., \'t is door dien grooten Heilige, dat wij in
onze ongelukkige dagen onze toevlucht moeten nemen,
\'t Zijn niet alleen onze geestelijke oversten, de Bisschop-
pen, maar tevens onze dierbaarste belangen naar ziel en
naar lichaam, die er ons toe aanzetten. Geve de goede
God, dat België door zoo vele en zoo hardnekkige vijan-
den aangevallen, in die aanvallen niet bezwijke; dat het,
reeds voor tweehonderd jaren door zijne Bisschoppen,
van den H. Stoel daartoe gemachtigd, onder de bijzon-
dere bescherming van den H. Jozeph gesteld, die bijzon-
dere bescherming ook thans ondervinde. O, B. B., ik
weet wel, van den kant van den H. Jozeph zal er niets
ontbreken, hij zal aan zijne taak niet te kort blijven:
alles zal dus afhangen van ons, namelijk, of wij onze
-ocr page 131-
— 127 —
toevlucht wel tot hem zullen nemen. Ter gelegenheid
van het beschermingsfeest, dat wij van daag ter eere
van den H. Jozeph vieren, heb ik voorgenomen u eenige
oogenblikken te onderhouden over het vermogen, dat de
H. Jozeph bij God heeft. Het vermogen van den H.
Jozeph bij God, wel ingezien en overwogen, zal ons aan-
zetten, om met betrouwen tot hem te gaan: Ite ad Josepli.
Wij zullen het vermogen van den H. Jozeph bij God
beschouwen :
I. In zijnen oorsprong;
II. In zijne uitwerksels.
I.
Er zijn vooral drie zaken, B. B., waardoor wij bij
iemand vermogen \'of invloed verwerven. Die drie zaken
zijn: de achting, de liefde en de verplichting. Bijaldien
wij voor iemand achting hebben, daardoor alleen oefent die
persoon reeds een grooten invloed op ons uit; dragen wij
hem daarenboven liefde toe, dan vermag hij nog meer op ons;
hebben wij eindelijk verplichting jegens hem, dan kunnen
wij hem niets meer weigeren. Ziedaar, B. B., wat er
plaats heeft bij ons menschen. Welnu, hetzelfde heeft
ongeveer plaats bij God en zijne Heiligen. God geeft
zijnen Heiligen krediet, Hij laat hen deelen in zijne macht,
naarmate Hij achting, liefde en verplichting voor en jegens
hen heeft. Doch nu vraag ik, voor en jegens welken Hei-
lige, de allerheiligste Maagd Maria alleen uitgenomen,
heeft God meer achting, liefde en verplichting gehad dan
voor en jegens den H. Jozeph? Voor en jegens niemand.
Die waarheid te bewijzen valt niet moeielijk.
Vooreerst, God heeft, de allerheiligste Maagd Maria
alleen uitgenomen, voor niemand meer achting gehad dan
-ocr page 132-
----128 —
voor den H. Jozeph. God wilde dat er op aarde een
afbeeldsel zou zijn van de H. Drievuldigheid in den hemel.
Dat afbeeldsel is de H. Familie, Jezus, Maria en Jozeph.
Maria, de Moeder van Jezus en tegelijkertijd Maagd, is
het afbeeldsel van God den Vader, die alleen van eeuwig*
heid zijnen Zoon heeft voortgebracht. God de Zoon,
voor ons mensch geworden, is in persoon tegenwoordig.
Wie nu zal de plaats van God den H. Geest bekleeden ?
De H. Jozeph. Ja, God heeft den H. Jozeph, en hem
alleen, waardig geoordeeld de bruidegom te wezen van
de gezegendste der vrouwen, van de allerheiligste Maagd
Maria, die verkoren was om de Moeder te worden van
den Verlosser der wereld. Op den H. Jozeph, en op hem
alleen, heeft God zijn oog laten vallen. God heeft den
H. Jozeph dus gesteld vóór een koning David; en David
nochtans was de man naar het hart van God: vóór een
koning Salomon; en Salomon nochthans was de wijste
der koningen: vóór een Joannes den Dooper; enjoannes
de Dooper nochthans was, volgens de verklaring van
Jezus zelven, de grootste der Profeten.
Wij lezen in het Oude Testament, B. B., dat de oud-
sten van het volk Israël zekeren dag bij Samuël kwamen
en van hem eischten een koning over hen aan te stellen.
Samuël nam zijne toevlucht tot den Heer. Deze voldeed
aan den eisch van het volk en gebood Samuël den koning
van Israël te zalven. Doch op wien viel de keus van God ?
Wien wilde Hij tot koning over Israël aangesteld ? Onder
de stammen van Israël koos God den stam van Benjamin;
onder de familiën van den stam van Benjamin, de familie
van Cis; onder de leden van de familie van Cis, Saül; ja,
Saül is onder zijne tijdgenooten door God gekozen om de
eerste koning van Israël te worden. Groote waardigheid
voorzeker, waartoe Saül verheven werd, de koninklijke
-ocr page 133-
— 129 —
waardigheid! Doch ziet, de H. Jozeph is door God uit-
gekozen, niet alleen onder zijne tijdgenooten, maar onder
alle menschen, die er ooit geweest zijn, die er toen waren
en die er ooit zijn zullen. En tot welke waardigheid is
hij verheven? Luistert, B. B., wat de H. Bernardus
daarvan zegt. Uie getrouwe en voorzichtige dienaar is
door den Heer gekozen, zegt de H. Bernardus, om de
steun te zijn van zijne Moeder, zijn eigen voedstervader
en de waardige medewerker in het groot geheim der
Mensch word ing. Ziedaar de waardigheid, waartoe de
H. Jozeph en hij alleen verheven is. Zoo dus Maria de
gezegendste der vrouwen is, men mag van den H. Jozeph
zeggen, dat hij de gezegendste der mannen is. Voor
welken Heilige dus, de allerheiligste Maagd Maria alleen
uitgenomen, heeft God meer achting gehad dan voor den
H. Jozeph? Voor niemand.
Heeft God zooveel achting gehad voor den H. Jozeph,
Hij heeft vervolgens niet minder liefde voor hem gehad.
Zien wij dus hoe zeer God den H. Jozeph bemind heeft.
Zekeren dag zeide onze goddelijke Zaligmaker tot
zijne Apostelen: Non dicam vos servos sed amicos: Ik
zal u geen dienaren, maar vrienden noemen. Waarom ?
Wel, een dienaar weet niet, voegt Jezus er bij, wat zijn
meester doet; doch u heb ik bekend gemaakt met al
wat mijn Vader mij geleerd heeft; ja, u is het gegeven
de geheimen van het rijk der hemelen te kennen: Quia
vobis datum est nosse mysteria regni ccelorutn.
(i) Zie-
daar, waarom de Apostelen zijne vrienden worden ge-
noemd en ook inderdaad zijn. Doch nu vraag ik:
Wien op aarde, de allerheiligste Maagd Maria alleen
\'uitgenomen, heeft God meer zijne geheimen bekend ge-
(1) Matth. xiit, 11.
9.
-ocr page 134-
— 130 —
maakt dan den H. Jozeph? Aan niemand. Immers, de
H. Jozeph was, gelijk ik zoo even gezegd heb, de brui-
degom van de allerheiligste Maagd Maria; hij was de
voedstervader van Jezus, de getuige van het groot ge-
heim der Menschwording van Christus.
God heeft dus den H. Jozeph uitgekozen onder zijne
vrienden. Een onder de twaalf Apostelen draagt den
naam van welbeminde, namelijk, de H. Joannes. De
reden er van is, wijl Jezus hem bijzonder liefhad. De
H. Joannes zelf verhaalt, dat hij het geluk had in het
laatste avondmaal aan het H. Hart van Jezus te rusten.
Doch wien, na de allerheiligste Maagd Maria, is dat geluk
meer te beurt gevallen dan den H. Jozeph ? Wij kunnen
zelfs nog verder gaan. Welke Engel of welke Heilige,
vraagt de H. Bazilius, heeft verdiend de vader van den
Zoon Gods genoemd te worden? Ja, wat meer is, welke
Engel of welke Heilige heeft verdiend als een Vader van
God bemind en met kinderlijke liefde bemind te worden ?
De H. Jozeph alleen. God voorzeker bemint zijne vrien-
den: Ik bemin, zegt Hij, degenen, die mij beminnen r
Ego diligentes me diligo (i) Dat is de vriendschapsliefde;
maar de kinderliefde, de liefde, welke een kind zijnen
vader en zijne moeder toedraagt, is meer. Doch die
kinderliefde heeft Jezus-Christus alleen gehad voor Maria,
zijne Moeder en voor zijnen voedstervader den H. Jozeph.
Voor welken Heilige dus, de allerheiligste Maagd Maria
alleen uitgenomen, heeft God meer liefde gehad dan voor
den H. Jozeph? Voor niemand. Heeft God achting en
liefde gehad voor \'den H. Jozeph, Hij heeft jegens hem in
zekeren zin ook nog verplichting.
God wel is waar heeft niemand noodig; hemel en aarde
(1) Prov. vm, 17.
-ocr page 135-
— I3i —
met alle schepselen behooren Hem toe; niemand kan
God gelukkiger maken dan Hij is, wijl Hij in zich zelven
oneindig gelukkig is. Bijgevolg, zoo wij allen gedaan
hebben, hetgeen wij moeten doen, dan moeten wij nog
zeggen, gelijk onze goddelijke Zaligmaker zelf geleerd
heeft: seroi inutiles stimus: wij zijn onnutte dienstknech-
ten, wij hebben gedaan hetgeen wij schuldig waren te
doen, quod dcbuimus facere fecimtis. (i) Niemand dus
kan God eigenlijk verplichten. Doch ziet, er zijn twee
personen, jegens welke de Zoon Gods verplichting heeft
willen aangaan, en die twee personen zijn de allerheiligste
Maagd Maria en de H. Jozeph. Mensch en klein kind ge-
worden, heeft de Zoon Gods door Maria en Jozeph opge-
voed en bewaard willen worden. De H. Jozeph heeft jaren
lang gearbeid, in \'t zweet zijns aanschijns den kost ver-
diend voor Jezus, den Zoon Gods, die aan alles wat ademt
het leven geschonken heeft en bewaart. Ja, wat meer
is, de H. Jozeph heeft het goddelijk Kind van een wis-
sen dood gered. Immers, de koning Herodes, gelijk wij
uit het Evangelie weten, zocht onzen goddelijken Zalig•
maker om het leven te brengen; hij liet een groot ge-
tal onnoozele kinderen van Bethleëm en omstreken ver-
moorden, om het goddelijk Kind zeker te treffen. Door
wien is Jezus nu gered geworden? Door den H. Jozeph,
die met het Kind en zijne Moeder Maria de vlucht nam
naar Egypte.
Het Oude Testament verhaalt ons, hoe Jozeph, de zoon
van Jacob, de redder werd van Egypte en van zijne
familie. De H. Jozeph, de bruidegom van Maria, werd,
door naar Egypte te vluchten, de redder van Jezus-Chris-
tus, die gekomen was om de gansche wereld te redden
(1) Luc. xvii, 10.
-ocr page 136-
— 132 —
en zalig te maken. Welnu, als een onderdaan zijn Koning
of diens Zoon het leven gered heeft, dan is het fortuin
van dien onderdaan gemaakt, zijn geluk is verzekerd.
Die Koning, wil hij dankbaar zijn, kan voorzeker dien die-
naar niets weigeren; en Jezus-Christus, door Jozeph gered,
zou ondankbaar zijn? Hij zou Jozeph, zijn redder, als deze
Hem iets vraagt, kunnen weigeren ? Neen, B.B., dat is
onmogelijk.
De H. Jozeph heeft dus het grootste vermogen bij God,
wij komen het te zien in zijnen oorsprong, wijl er, de
allerheiligste Maagd Maria alleen uitgenomen, geen enkele
Heilige is, voor wien Jezus-Christus meer achting, meer
liefde, ja, jegens wien Hij zelfs meer verplichting heeft dan
voor en jegens den H. Jozeph. Doch zien wij op de tweede
plaats nog het vermogen van den H. Jozeph in zijne
uitwerksels.
II.
Wie onzer, B.B., zal kunnen zeggen, hoe machtig de
voorspraak van den H. Jozeph is, en hoe ver zij zich
uitstrekt.
Onze goddelijke Zaligmaker heeft eenieder, die naar
behooren bidt, beloofd van hem te verhooren. Vraagt\\
zegt Jezus, en gij zult verkrijgen: Petite et accipietis{\\).
Van de rechtvaardigen, die nog op aarde leven, staat
geschreven, dat God hunnen wil zal doen en hunne
smeekingen zal verhooren: Volimtatem timentitim se
faciet et deprecationem eomm exaudiet.
(2) En van de
Heiligen des hemels is gezegd: omdat gij in kleine zaken
getrouw zijt geweest, zal ik u over groote aanstellen :
Quia super pauca fidsti fidelis super multa te constituam.(j)\')
(1) Joan. xvr, 24. (2) Ps. cxliv, 19. (3) Matth. xxv, 23.
-ocr page 137-
— 133 —
Ja, God heeft zijne Heiligen aangesteld, den eenen over
vijf, den anderen over tien steden; en elke Heilige in
den hemel heeft van God de macht ontvangen, om de
menschen hier op aarde in hunne noodwendigheden bij
te staan en te helpen, en die macht beantwoordt aan
eens ieders verdiensten. Hoe groot moet dan de macht
van den H. Jozeph in den hemel niet zijn, hij die op
aarde zoo vele en zoo kostbare verdiensten vergaderd
heeft! Zijne macht is om zoo te zeggen onbeperkt. Jezus
heeft den H. Jozeph over gansch zijn rijk aangesteld.
Hij heeft hem aangesteld tot bestuurder van al zijne
goederen, tot schatbewaarder en uitdeeler van al zijne
rijkdommen. Wij vinden daarvan een treffend afbeeldsel
in het Oude Testament, in Jozeph van Egypte. Koning
Pharao stelde Jozeph aan het hoofd van gansch zijn rijk.
Ik stel u aan, sprak Pharao tot Jozeph, den eersten na
mij over geheel Egypte; en terwijl de koning zoo sprak,
trok hij zijn ring van den vinger en stak hem aan den
vinger van Jozeph. Hij deed hem de kostbaarste klee-
deren aantrekken, hing hem een gouden keten aan den
hals en liet de gansche stad door, een heraut uitroepen,
dat allen Jozeph voor bestuurder van gansch Egypte
moesten erkennen. • Welk eene macht als die van Jozeph
van Egypte! Welnu, B. B., zij is een afbeeldsel van de
macht, welke de H. Jozeph uitoefent in den hemel. Hij
ook is over het rijk Gods, de H. Kerk, aangesteld ; ja,
hij beschikt nog over de schatten van een ander rijk,
namelijk, over die van het rijk der hemelen ten onzen
voordeele. De H. Theresia — en gelooft het vrij, B.B.,
want zij had er ondervinding van — de H. Theresia
bevestigt die waarheid. Onze Moeder de H. Kerk levert
er ons ook het doorslaandste bewijs van: Dat de H.
Jozeph door zijne verdiensten ons te hulp kome,
zoo bidt
-ocr page 138-
— 134 —
onze Moeder de H. Kerk, om door zijne voorspraak te
bekomen, hetgeen wij door ons zelven onmogelijk zouden
kunnen bekomen.
Te recht zegt dus de vrome Gerson,
dat de gebeden van den H. Joseph, evenals die van de
allerheiligste Maagd Maria, veeleer bevelen zijn dan ge-
beden. Geen wonder dus dat de menschen zoo dikwijls
hunne toevlucht nemen tot den H. Jozeph en door hem
verhoord worden. Wat al weldaden en genaden hebben
wij door zijne machtige voorspraak niet bekomen! Ik
wil nu niet spreken over de talrijke mirakelen, die de
H. Jozeph gedaan, de zichtbare bescherming, welke hij
den landen, die hem tot bijzonderen patroon gekozen
hebben, verleend heeft; wellicht heeft ook ons land aan
zijne bescherming te danken, dat het tot nu toe aan zoo
vele en zoo groote gevaren ontsnapt is. Ik wil hier alleen
spreken van de genaden, welke hij aan zijne trouwe die-
naren verleent. De mensch, B. B., bevindt zich of in
staat van doodzonde, of in staat van beproeving, of wel
in staat van vooruitgang. Welnu, een aantal voorbeelden
leert ons, hoe krachtig de godsvrucht tot den H. Joseph
is, om vergiffenis te bekomen van zijne zonden. Ziehier
een voorbeeld onder eene menigte uitgekozen. Eene jonge
persoon had het ongeluk van eene groote en schandelijke
zonde te bedrijven. Weldra voegde zij er nog twee groote
zonden van heiligschennis bij, eene slechte biecht en eene
onwaardige communie. Door de knaging van haar ge-
weten gefolterd en bang van in dien ongelukkigen staat
te sterven, kon zij toch niet besluiten van hare zonden
te biechten. Eindelijk komt zij op de gedachte van hare
toevlucht te nemen tot den H. Jozeph. Zij deed ter
eere van den H. Jozeph eene novene, en met welk gevolg?
Met het gevolg, dat die persoon zich oprecht bekeerde
en den vrede terug bekwam. Een andere persoon werd
-ocr page 139-
— 135 —
geruimen tijd op de proef gesteld door slechte gedachten
en bekoringen, die haar schier aanhoudend bestormden;
zij nam hare toevlucht tot hetzelfde middel, deed ook
eene novene ter eere van den H. Jozeph en werd ook
verhoord. De H. Theresia verzekert ons, dat zij niemand
gekend heeft, die eene ware godsvrucht tot den H. Jozeph
gehad heeft, of hij heeft snelle vorderingen gemaakt in
de deugd.
De H. Jozeph, B. B., is ook nog de patroon van den
goeden dood. In de stad Valence woonde een koopman,
die gewoon was jaarlijks met Kerstmis een arme vrouw
met haar klein kind en een ouden man aan zijne tafel
uit te noodigen, om zich de H. Familie voor te stellen.
Wat gebeurde er ? Toen die koopman ging sterven, ver -
scheen hem de H. Jozeph om zijne ziel te ontvangen en
haar te vergezellen naar den hemel.
SLUITREDE.
Wij hebben gezien, B. B., hoe groot het vermogen van
den H. Jozeph is bij God. Laten wij nu, ter gelegenheid
van het beschermingsfeest van den H. Jozeph, met een
kinderlijk betrouwen onze toevlucht tot hem nemen. Be-
danken wij hem op de eerste plaats voor de bescherming,
welke hij ons tot hiertoe verleend heeft. Bidden wij hem
dat hij zich gewaardige voort te gaan met te beschermen
ons land, onze huisgezinnen en onzen persoon: ons land,
dat er toch een einde kome aan de ketterijen en slechte
leeringen, waarin de waarheden van onzen heiligen gods-
dienst worden aangerand en bestreden; dat er een einde
kome aan de godslasteringen en slechte voorbeelden,
waardoor alles wat heilig en deugdzaam is wordt bespot
en geschonden; in een woord, dat de stroom van god-
-ocr page 140-
— 136 —
deloos- en zedeloosheid tegengehouden worde, die ons
land dreigt te overweldigen en te verwoesten: onze huis-
gezinnen; dat in onze huisgezinnen de geest van het
huisgezin van Nazareth heersche ; dat die vader des huis-
gezins evenals de H. Jozeph een voorbeeld zij van vader-
lijke waakzaamheid; dat die moeder evenals Maria een
voorbeeld zij van moederlijke zorgvuldigheid, en dat die
kinderen evenals het goddelijk Kind een voorbeeld zijn
van gehoorzaamheid en kinderlijke liefde. Ziedaar het
voorbeeld der christelijke huisgezinnen, het huisgezin van
Nazareth, waarin liefde, vrede en eendracht heerschen.
Bidden wij den H. Jozeph, dat het in onze huisgezinnen
ook zoo ga. Eindelijk, bidden wij den H. Jozeph, dat
hij bescherme onzen persoon; dat wij, door hem be-
schermd, bewaard blijven voor de zonde, en dat wij hem
navolgen in zijne deugden. Roepen wij te dien einde
met de namen van Jezus en Maria ook den naam van
den H. Jozeph dikwijls aan tijdens ons leven, doch vooral
in het uur van onzen dood. Ja, B. B., zeggen wij dik-
wijls met een kinderlijk betrouwen: Jezus, Maria en Jozeph
staat ons bij: wij zullen heilig leven, en eenmaal, \'t is
te hopen, zullen wij een zaligen dood sterven en voor
eeuwig met Jezus, Maria en Jozeph gelukkig zijn in den
hemel. Amen.
-ocr page 141-
NEGENDE PREEK.
De Hemelvaart van Christus.
Dominus quidem Jesus, postquam locutus
est eis, assumptus est in ccclum, et sedet a
dexlris Dei.
De Heer Jezus, na tot hen gesproken te
hebben, werd opgenomen in den hemel,
en is gezeten aan de rechterhand Gods.
(Mare. xvi, 19.)
INHOUD.
VOORREDE.
Jezus is den derden dag verrezen van den dood. —
Den veertigsten dag na zijne verrijzenis is Hij ten hemel
geklommen. — Evangelie van den dag.
VERDEELING.
I. De dag der hemelvaart van Jezus is een glorie-
rijke dag voor Hem;
II. De dag der hemelvaart van Jezus is een troost-
rijke dag voor ons;
III. De dag der hemelvaart van Jezus is een leerrijke
dag voor ons.
-ocr page 142-
- 138 —
1.
De dag der hemelvaart van Jezus is een glorierijke
dag voor Hem. — Jezus heeft zich vernederd beneden
alle schepselen door mensch te worden, door te lijden
en te sterven aan het kruis. — Jezus is verheven boven
alle schepselen door ten hemel te klimmen zonder iemands
hulp, door zijn eigene macht. — Jezus klimt ten hemel,
vergezeld van de zielen der Aartsvaders en van eene
menigte Engelen; Hij zet zich neder aan de rechterhand
Gods zijns Vaders en wordt aanbeden door Engelen en
Heiligen.
II.
De dag der hemelvaart van Jezus is een troostrijke
dag voor ons. — Jezus heeft ons dien dag in onze rechten
hersteld, den hemel voor ons geopend, de zielen der
Aartsvaders reeds binnengeleid en er ons eene plaats in
bereid. — De mensch van natuur wenscht gelukkig te
zijn. —• Het geluk op aarde is onvolmaakt, het geluk in
den hemel is volmaakt: het geluk op aarde is onvolledig,
het geluk in den hemel is volledig: het geluk op aarde
is onbestendig, het geluk in den hemel is bestendig.
III.
De dag der hemelvaart van Jezus is een leerrijke dag
voor ons. — De hemelvaart van Jezus leert ons dat wij
moeten lijden en strijden. — Lijden: woorden van Jezus
tot de leerlingen van Emmaüs. — Strijden: woorden der
Engelen tot elkander bij de hemelvaart van Christus. —
Wij moeten strijden tegen den duivel, de wereld en het
vleesch, en na hen overwonnen te hebben, zullen onze
-ocr page 143-
— 139 —
zielen, vergezeld van hunne Engelenbewaarders, eenmaal
den hemel binnengaan.
SLUITREDE.
De dag der hemelvaart van Jezus is een glorierijke
dag voor Hem. Waarom? De dag der hemelvaart van
Jezus is een troostrijke dag voor ons. Waarom? De dag
der hemelvaart van Jezus is een leerrijke dag voor ons.
Waarom? — Het lijden van dezen tijd beteekent niets
in vergelijking der toekomende glorie. — Wij moeten
lijden met Christus, willen wij met Hem verheerlijkt
worden. — Niemand zal gekroond worden, tenzij" Hij
wettig gestreden heeft.
NEGENDE PREEK.
De Hemelvaart van Christus.
Dorninus quidem Jesus, postquam locutus
est eis, assumptus est in coelum, et sedet a
dexlris Dei.
De Heer Jezus, na tot hen gesproken
te hebben, werd opgenomen in den hemel,
en is gezeten aan de rechterhand Gods.
(Mare. xvi, 19.)
VOORREDE.
Onze goddelijke Zaligmaker, B.B., na voor ons geleden
te hebben en gestorven te zijn, is den derden dag ver-
rezen van den dood, d. w. z., dat Hij zijne ziel weder-
-ocr page 144-
— 140 —
om heeft vereenigd met zijn lichaam en, verwinnaar des
doods, levend uit het graf is opgestaan. Nochtans, na
verrezen te zijn, is Jezus niet terstond ten hemel ge-
klommen. Neen, veertig dagen is Hij nog op aarde
verbleven, en in die veertig dagen verscheen Hij van
tijd tot tijd aan zijne leerlingen, onder anderen, om hen
te troosten, te onderrichten en in het geloof te sterken.
Den veertigsten dag klom onze goddelijke Zaligmaker
ten aanzien van eene talrijke menigte ten hemel. Het
Evangelie van dezen dag verhaalt ons de hemelvaart
van Christus op de volgende wijze:
„Terwijl de elf leerlingen aan tafel zaten — zoo verhaalt
„de Evangelist Marcus — verscheen hun Jezus en Hij be-
„rispte hunne ongeloovigheid en hardheid des. harten,
„omdat zij hun, die Hem verrezen gezien hadden, niet
„hadden geloofd. En Hij sprak tot hen: Gaat in de
„geheele wereld en predikt het Evangelie aan alle schep-
„selen. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal
„zalig worden; maar die niet geloofd zal hebben, zal
„veroordeeld worden. En deze teekenen zullen hen vol-
„gen, die geloofd zullen hebben: in mijnen naam zullen
„zij booze geesten uitwerpen; nieuwe talen zullen zij
„spreken; slangen zullen zij opnemen, en hebben zij iets
„doodelijks gedronken, het zal hun niet schaden; aan
„kranken zullen zij de handen opleggen, en zij zullen
„gezond worden.
„En de Heer Jezus, na tot hen gesproken te hebben,
„werd opgenomen in den hemel, en is gezeten aan de
„rechterhand Gods. En zij, uitgegaan zijnde, predikten
„overal, terwijl de Heer medewerkte, en het woord be-
„vestigde, door de teekenen, die daarop volgden."
De dag der Hemelvaart van Christus, B.B., waarvan
wij heden de gedachtenis vieren, is:
-ocr page 145-
— I4i —
I\'. Een glorierijke dag voor Hem;
II. Een troostrijke dag voor ons;
III. Een leerrijke dag voor ons.
I.
De dag der hemelvaart van Christus is vooreerst een
glorierijke dag voor Hem; ja, hij is voor Jezus de dag
van glorie bij uitstek. Waarom ? Omdat onze goddelijke
Zaligmaker, na zich beneden alle schepselen vernederd
te hebben, den dag zijner hemelvaart boven alle schep-
selen verheven wordt.
De Zoon Gods, B. B., heeft zich vernederd, diep ver-
nederd ; Hij heeft zich als vernietigd, zegt de Apostel
Paulus, door de gedaante van een slaaf aan te nemen :
Semetipsum exinanivit formain servi accipiem. (i) En
inderdaad: de Zoon Gods daalt uit den hemel neder,
Hij neemt de menschelijke natuur aan, wordt mensch en
komt te Bethleèm in eenen stal ter wereld. De Zoon
Gods leidt een arm en verborgen leven tot den ouderdom
van omtrent dertig jaren, als Hij begonnen is te prediken.
Tijdens zijn openbaar leven wordt Hij vervolgd en gelas-
terd, Hij wordt gevangen genomen en valsch beschuldigd,
Hij wordt gegeeseld en met doornen gekroond, Hij wordt
ter dood veroordeeld en sterft tusschen twee booswich-
ten, alsof Hij de grootste der .booswichten ware, den
schande- en pijnlijksten dood, den dood des kruises.
Welnu, die Zoon Gods, na zich beneden alle schepselen
vernederd te hebben, wordt op den dag zijner hemel-
vaart verheven boven alle schepselen.
Immers, den dag zijner hemelvaart klimt onze godde-
(1) Ph. ii, 7.
-ocr page 146-
— 142 —
lijke Zaligmaker, zonder iemands hulp, door zijn eigene
macht, in triomf ten hemel. Buiten de zielen der Aarts-
vaders en der overige Heiligen, die zich in het voorge-
borgte der hel bevonden, en aan welke de ziel van Jezus
onmiddellijk na zijnen dood een bezoek bracht, buiten
die zielen was onze goddelijke Zaligmaker omgeven van
een ontelbare menigte van Engelen, die uit den hemel
nedergedaald, hunnen Koning waren te gemoet gesneld.
Met die ontelbare menigte van heilige zielen en Engelen
vaart Jezus in triomf ten hemel. Hij doorklieft de on-
meetbare ruimte, welke den hemel van de aarde scheidt,
met een ongeloofelijke snelheid; Hij nadert steeds meer
en meer de poorten des hemels, dringt immer door, ver-
heft zich boven de Engelen en Aartsengelen, boven de
Cherubijnen en Serafijnen, boven de Machten en Tronen
en houdt niet op van zich te verheffen, alvorens tot aan
den troon van God gekomen te zijn. Daar ontvangt
God de hemelsche Vader Jezus-Christus zijn eenigen Zoon,
en doet Hem aan zijne rechterhand plaats nemen. Jezus,
aan de rechterhand van God zijn hemelschen Vader ge-
zeten en verheven boven alle schepselen, ontvangt oogen-
blikkelijk de eer èn glorie, die Hem toekomt. De hemel-
gewelven weergalmen van het driewerf Heilig! Heilig!
Heilig! Sanctus ! Sanctus ! Sanctus ! Engelen en Heiligen,
allen werpen zich voor Jezus neder en aanbidden Hem.
Ziedaar, B. B., hoe onze Goddelijke Zaligmaker den dag
zijner hemelvaart boven alle schepselen verheven wordt,
en bijgevolg, hoe de dag zijner hemelvaart een glorierijke
dag voor Jezus is, ja, de dag van glorie voor Hem
bij uitstek. Doch de dag van de hemelvaart van Jezus
is niet alleen een glorierijke dag voor onzen goddelijken
Zaligmaker, hij is ook een troost- en leerrijke dag voor
ons Christenen.
-ocr page 147-
— 143 —
II.
De dag der hemelvaart van Christus is vooreerst een
troostrijke dag voor ons Christenen.
Immers, den dag zijner hemelvaart heeft Jezus den
mensch volkomen in zijne rechten hersteld; Hij heeft de
poorten des hemels voor hem geopend en hem eene
plaats bereid in zijn rijk. De mensch wel is waar was
geschapen voor den hemel, om daar met de Engelen
zijnen Heer en God aanschijn aan aanschijn te aanschou-
wen en voor eeuwig een ongestoord geluk te genieten,
doch, helaas! door de zonde verloor de mensch het
recht op den hemel; nooit of nimmer zou hij zijne
eeuwige bestemming bereiken; nooit of nimmer zou hij
in den hemel komen. En ziet! den dag van Jezus\' he-
melvaart klimt de mensch reeds ten hemel; hij neemt
er reeds bezit van, wijl Jezus niet alleen God, maar God
en mensch te zamen is. Daarenboven, Jezus klimt niet
alléén ten hemel, maar Hij voert met zich eene menigte
van heilige zielen, om met Hem het geluk des hemels
te deelen. Den dag zijner hemelvaart heeft Jezus dus
de poorten des hemels voor den mensch geopend, poor-
ten, tot dan toe door de zonde gesloten, zoodat geen
enkele ziel, hoe heilig ook, vóór de hemelvaart van Jezus
den hemel was binnengegaan. Den dag zijner hemel-
vaart heeft Jezus den mensch eene plaats bereid in den
hemel. Vado parare vobis locuin; (i) zoo sprak Jezus
eertijds tot zijne Apostelen: Ik ga u eene plaats bereiden.
Welnu, Jezus door zijn lijden en dood, door zijne ver-
rijzenis en hemelvaart heeft ons Christenen ook in onze
rechten hersteld. Als broeders en zusters van Jezus-
Christus, den Zoon Gods, zijn wij zijne medeerfgenamen,
(1) Joan. xiv, 2.
-ocr page 148-
— 144 —
«en als medeerfgenamen van Jezus-Christus, zijn wij de
erfgenamen van God, zijn hemelschen Vader: Haeredes
quideni Dei, cohaeredes autem Christi.
(i) Jezus heeft
ook voor ons de poorten des hemels geopend, die wij,
helaas! door onze zonden zoo dikwijls gesloten hadden.
In den hemel heeft Jezus ook voor ons Christenen eene
plaats bereid, om onder de Engelen en Heiligen voor
eeuwig gelukkig te zijn. Welk een troost voor ons,
B. B., terwijl wij hier op aarde in dit tranendal nog
als ballingen verkeeren! Welk een troost, het blijde
vooruitzicht op ons eeuwig geluk in den hemel! De
mensch van natuurswege verlangt gelukkig te zijn reeds
hier op aarde, en daarvoor is hem niets te veel. Doch
wat beteekent, ik vraag u, het geluk op aarde, vergele-
ken bij het geluk des hemels ? Het geluk hier op aarde
is een onvolmaakt geluk. Neemt den gelukkigste hier
op aarde; hij is niet vrij van kruisen en wederwaardig-
heden, van kwellingen en verdriet. Nu eens wordt hij
in zijne ziel, dan wederom in zijn lichaam op de gevoe-
ligste wijze getroffen. Weet gij wel, wie de gelukkigste
mensch hier op aarde is? De gelukkigste mensch hier
op aarde is de mensch, die \'het minst ongelukkig is.
Het geluk in den hemel daarentegen is een volmaakt
geluk. De gelukzaligen des hemels zullen niets te lijden
hebben. God, zegt de H. Schrift, zal hunne tranen af-
droogen: Absterget Deus omnem lacrymam ab oculis
eorum.
(2) Er zullen geene kruisen of wederwaardighe-
den, geene kwellingen of verdriet, geene ziels-of lichaams-
smarten meer zijn. Waarom niet? Dat alles is voorbij,
^voegt de H. Schrift er bij: Qncniam prima abierunt.
Het geluk hier op aarde is een onvolledig geluk, het
(1) Rom. vin, 17. (2) Ap. xxi, 4.
-ocr page 149-
— 145 —
laat altoos iets te wenschen over. Is iemand rijk) hij
staat niet hoog genoeg in aanzien. Staat hij hoog in
aanzien, hij heeft te veel kommer en zorg. Geniet hij
de vermaken der wereld, hij verliest den vrede des ge-
wetens, vrede, die, alhoewel geen volledig, dan toch nog
«en waar geluk, eene ware voldoening kan geven. Het
geluk in den hemel daarentegen is een volledig geluk,
niets ontbreekt er aan, want in den hemel zullen wij
bezitten, al wat wij verlangen en wenschen kunnen.
Gezeten öp zooveel glorietronen, als overstroomd van
de zuiverste geneugten, inwendig in den geest gansch
verlicht en bekend met de verhevenste waarheden, uit-
wendig in het lichaam van majesteit en heerlijkheid om-
geven, terwijl wij zullen bezitten al wat het kostbaarste
is, zullen beminnen al wat het beminnenswaardigste is,
zullen wij daarenboven genieten al wat ons verstand kan
bevredigen, al wat ons lichaam kan sieren, al wat ons
hart kan verrukken. Waarom? Wijl wij God zullen
zien, wijl wij God zullen beminnen, wijl wij God zullen
genieten, God, die de fontein onzer zaligheid is en ons
opperste goed.
Het geluk hier op aarde is een onbestendig geluk.
Immers, er gaat geen dag voorbij, of men loopt gevaar
van ongelukkig te worden; en iets dat zeker is, dat is,
dat de dood ons weldra van alles, wat hier op aarde ons
geluk uitmaakt, zal berooven. En wat blijft den mensch
zelfs den gelukkigsten hier op aarde na den dood over?
Er blijft hem niets over dan een graf, het kille graf.
Het geluk in den hemel daarentegen is een bestendig
geluk. Ha! B. B., aan het geluk des hemels komt geen
einde: de jaren en eeuwen kunnen voorbijgaan, de wereld
kan eindigen, het geluk, dat de Heiligen des hemels
genieten, kan niet voorbijgaan, kan niet eindigen; \'t zal\'
10.
-ocr page 150-
146 —
zoo lang duren als God zal bestaan, en wijl God eeuwig,
zonder einde zal bestaan, daarom zullen de Heiligen des
hemels in en met God eeuwig, zonder einde gelukkig zijn.
Ziedaar, B. B., het geluk des hemels. Welk een troost
voor ons, wijl wij dat geluk eenmaal zullen deelachtig
worden! Doch, wat moeten wij doen om dat geluk
deelachtig te worden ? \'t Is de hemelvaart van Christus,
die cns zulks leert, en vandaar dat de dag der hemel-
vaart van Christus ook nog een leerrijke dag voor ons is.
III.
Wat leert ons dus de hemelvaart van Christus? De
hemelvaart van Christus leert ons, dat wij moeten lijden
en strijden, om eenmaal in den hemel te komen. God,
B. B., heeft niet gezegd: Gij moet rijk zijn om in den
hemel te komen; de arme zou kunnen antwoorden : De
fortuin heeft mij niet begunstigd; onmogelijk dus voor
mij om zalig te worden. God heeft niet gezegd: Gij
moet veel verstand hebben en geleerd zijn, om in den
hemel te. komen; menigeen zou zich kunnen verschoonen
en zeggen: Ik heb maar weinig verstand, dus is mij de
zaligheid onmogelijk; maar God heeft gezegd: Gij moet
lijden en strijden om in den hemel te komen, en lijden
en strijden kan eenieder. Daarenboven, onze goddelijke
Zaligmaker heeft er ons het voorbeeld van gegeven.
Kort na zijne verrijzenis verscheen Jezus aan twee zijner
leerlingen, die naar Emmaüs gingen en onder elkander
spraken over hetgeen er gebeurd was. En terwijl zij
spraken, haalde Jezus hen in en ging met hen, doch die
twee leerlingen herkenden Hem niet. Jezus vroeg hun:
Waarover handelt gij, en waarom zijt gij droevig? En
de eene, Cleophas genaamd, antwoordde; Zijt gij alleen
in Jeruzalem als vreemdeling, en weet gij niet wat daar
-ocr page 151-
— i47 —
in deze dagen gebeurd is ? — Wat ? vroeg Hij. En zij
zeiden : Wat gebeurd is met Jezus den Nazarener, die
een Profeet was, machtig in werk en woord, voor God
en al het volk. En hoe onze Opperpriesters en Oversten
Hem ter doodstraf overgeleverd en gekruisigd hebben.
En wat antwoordde Jezus: O, gij onverstandigen en tragen
van harte, om aan alles te gelooven wat de Profeten
gesproken hebben! Moest de Christus dat eerst niet
lijden : Nonne haec oportnit pati Christum, et ita intrare
in gloriam suam,
(i) en zoo zijne glorie ingaan ? Zie-
daar dus wat Jezus heeft moeten doen. Hij heeft eerst
moeten lijden, gelijk Hij zelf verklaart, en door te lijden
zijne glorie moeten binnengaan. En wijl Jezus, onze
goddelijke Zaligmaker, heeft moeten lijden, waarom zou-
den wij, die zijne leerlingen zijn, niet moeten lijden ?
Is de leerling dan beter dan de meester? Bijgevolg, gij
ziet het, B.B., de weg des lijdens is de weg, die naar
den hemel leidt. Valt het ons hard en lastig den weg
des lijdens te bewandelen, o, dan moeten wij al eens
onze oogen ten hemel slaan en denken, dat na een kort-
stondig lijden hier op aarde een verblijden zal volgen
in den hemel, dat eeuwig zal duren. Wij moeten dus
vooreerst lijden. Vervolgens moeten wij strijden.
Om in den hemel te komen, moeten wij strijden, en
dat evenzeer naar het voorbeeld van Jezus. Luistert,
B.B., hoe de Profeet David de hemelvaart van onzen
goddelijken Zaligmaker beschrijft. Toen Jezus, van En-
gelen omgeven, ten hemel klom, ziet! zoodra de Engelen,
die voorop gingen en om zoo te zeggen, den stoet open-
den; zoodra de Engelen de poorten des hemels naderden,
riepen zij de Engelen die in den hemel waren, toe:
(1) Luc. xxiv, 26.
-ocr page 152-
— 148 —
Attollite portas principes vestras: Prinsen des hemels,
opent uwe poorten, et elevamini portae aeternales, en ont-
sluit u, eeuwige poorten, en de Koning der glorie zal
binnengaan, et introibit rex gloriae. Wat gebeurde er
op het geroep en de uitnoodiging dier Engelen ? Deden
de Engelen, die in den hemel waren, onmiddellijk open ?
Neen, B. B., maar die Engelen riepen en vroegen : Quis
est is te rex gloriae f
Wie is die Koning der glorie ?
En de Engelen die Jezus vergezelden, antwoordden: De
sterke en machtige Heer, de Heer machtig in den strijd:
Dotninus fortis et potens, Dominus potens inpraelio, die
is de Koning der glorie, iste est Rex gloriae. (i) En
zoodra de Engelen die in den hemel waren, dat antwoord
ontvangen hadden, toen, ja toen deden zij terstond de
poorten des hemels open, en Jezus, de overwinnaar in
den strijd, deed vergezeld van Engelen en Heiligen in
triomf zijne intrede in den hemel. Doch wat beteekent
die vraag en dat antwoord der Engelen ? Voorzeker niets
anders dan dat, alwie den hemel wil binnengaan, zal
moeten gestreden en overwonnen hebben. Ja, B. B., wij
moeten strijden, strijden tegen de vijanden onzer zaligheid,
tegen den duivel, de wereld en het vleesch. Wij moeten in
den strijd overwinnen: overwinnen den duivel, die al zijne
krachten inspant, om ons ongelukkig te maken; overwinnen
de wereld, d. i., de bedorvene wereld, die alle middelen
aanwendt, zoo als schatten en rijkdommen, grootheid
en pracht, vermaken en pleizieren, om ons tot zonde te
brengen; overwinnen het vleesch, d. i., de bedorvene
natuur, die in ons woont, en die door hare hartstochten
ons immer aanzet tot het kwaad. En bijaldien wij wet-
tig gestreden en overwonnen zullen hebben, dan zullen
(1) Ps. xxm, 7 etc.
-ocr page 153-
— H9 —
wij bij den dood overwinnaars uit den strijd wederkeeren;
onze zielen, vergezeld van hunne Engelenbewaarders, zul-
len zich aan de poorten des hemels aanbieden; die poor-
ten zullen zich wijd en breed openen, de hemel zal al
zijne pracht ten toon spreiden, en onze zielen zullen in
triomf hunne intrede doen in den hemel om daar voor
eeuwig gelukkig te zijn.
SLUITREDE.
De dag der hemelvaart van onzen goddelijken Zalig-
maker is een glorierijke dag voor Hem, hij is de dag
van glorie bij uitstek voor Jezus, wijl Jezus, na eerst
beneden alle schepselen vernederd te zijn geweest, op
dien dag boven alle schepselen verheven is geworden.
De dag der hemelvaart van Jezus is een troostrijke dag
voor ons, wijl Jezus op dien dag ons volkomen in onze
rechten hersteld, den hemel voor ons geopend en er eene
plaats voor ons in bereid heeft. De dag der hemelvaart
van Jezus is eindelijk een leerrijke dag voor ons, wijl hij
ons leert wat wij moeten doen om in den hemel te
komen, namelijk, dat wij moeten lijden en strijden.
Vergeten wij deze laatste waarheid nimmer, en om ons
aan te sporen van met geduld te lijden, al is het ook
dat het lijden zwaar en lastig valt, herinneren wij ons
hetgeen de Apostel Paulus zegt, namelijk, dat het lijden
van dit kortstondige leven niets is in vergelijking van
de glorie, die wij eenmaal zullen deelachtig worden :
Non sunt condignae passiones hujus temporis ad futuram
gloriam, quae revelabitur in nobis.
(i) Dat Jezus onze
aanvoerder, ook eerst heeft moeten lijden, alvorens zijne
glorie binnen te gaan : Nonne Jiaec oportuitpati Christum
(1) Eom. vin, 18.
-ocr page 154-
— iso —
et ita intrare in gloriam suam. (i) Dat wij, evenals de
Heiligen, met Jezus moeten lijden, willen wij eenmaal met
Hem verheerlijkt worden: Si tarnen compatimur tct et
conglorificemitr.
(2) Wij moeten strijden, en om ons tot
den heeten strijd tegen de vijanden onzer zaligheid tot
het einde toe aan te wakkeren, herinneren wij ons het-
geen dezelfde Apostel Paulus zegt, namelijk, dat niemand
zal gekroond worden, tenzij hij wettig gestreden heeft:
Non coronabitur nisi legitime certavcrit. (3) Dat Jezus
onze aanvoerder ook eerst heeft moeten strijden en over-
winnen, alvorens gekroond te worden, en dat wij evenals
de Heiligen met Jezus moeten strijden tegen de vijanden
onzer zaligheid, den duivel, de wereld en het vleesch, en
hen moeten overwinnen, om eenmaal daar boven voor
eeuwig in gezelschap der Engelen en Heiligen te mogen
leven en regeeren met Jezus-Christus, den God-mensch,
die na zijne hemelvaart in den hemel met God zijn he-
melschen Vader in de eenheid des H. Geestes leeft en
regeert gedurende de eeuwen der eeuwen. Amen.
(1) Luc. xxiv. 26. (2) Rom. vin, 17. (3) 11 Tiui. 11, 5.
•
-ocr page 155-
TIENDE PREEK.
Pinksteren.
Virgam virtutix lux emittet Dominus ex
Sinn: dominare in medio inimicorum tuorum.
De Heer zal den schepter uwer macht
van
Sion doen uitgaan: gij zult ie midden
uwer vijanden heersenen. (Ps. cix, 2.)
INHOUD.
VOORREDE.
Voorzegging van den\' Profeet David aangaande den
Messias: De Heer heeft tot mijnen Heer gezegd; aan-
gaande de Kerk: vooreerst, wat haar ontstaan betreft:
De Heer zal den schepter uwer macht van Sion doen
uitgaan; vervolgens, wat haar voortbestaan aangaat: Gij
zult te midden uwer vijanden heerschen.
VERDEELING.
I. Het ontstaan der Kerk;
II. Het voortbestaan der Kerk.
I.
De Kerk is het werk van God, als blijkt uit haar
ontstaan. — Wat is de Kerk ? — Voor achttien eeuwen
-ocr page 156-
1
— 152 —
verscheen er een Man, Jezus van Nazareth. — Na dertig
jaren verborgen geleefd te hebben, treedt Hij op, ver-
kondigt eene nieuwe leering. — Hij kiest twaalf leerlin-
gen. — Jezus kiest de leerlingen, niet de leerlingen den
Meester. — Hij kiest twaalf arme visschers, Hij onder-
richt hen en wijst hen op de gansche wereld. — Wie zendt ?
wie wordt gezonden ? naar wie ? tot wat einde ? — Petrus
aan het hoofd der Apostelen en der geloovigen. — De
Apostelen verdeden onder elkander den ganschen aard-
bodem en beginnen terstond te prediken. —» Gedaante-
verandering der wereld. — Wonder. — De H. Thomas
in de Indien; de andere Apostelen op andere plaatsen.
Hunne stem is de gansche wereld doorgedrongen. —
Hoe leggen de Apostelen het aan om de menschen te
bekeeren? — Welke is hunne geloofs-, welke hunne ze-
denleer? — Waren de Heidenen hunne afgoden moede?
— Welke middelen gebruiken zij? Kunnen zij beschik-
ken over soldaten en legers, evenals Mahomet ? Prikkelen
zij de hebzucht en den hoogmoed der grooten, evenals
Luther en Calvien ? Kunnen zij beschikken over goud en
zilver, over eereposten, evenals Henricus VIII? — Hun
wapen is het woord Gods. — Zij voorzeggen vervolging en
lijden, zij zelven sterven den marteldood. En toch, de
Apostelen zijn geslaagd, zij zijn overwinnaars op het
geloofs- en zedengebied. — Feit, gebeurtenis. — De
H. Augustinus. — De Apostelen zijn geslaagd, of wel
door mirakelen te doen, of wel zonder mirakelen te
doen. — Besluit.
II.
De Kerk is het werk van God, als blijkt uit haar
voortbestaan. — Wat heeft de Kerk niet beleefd ? — Zij
staat pal, niettegenstaande den strijd en de vervolgingen. —
-ocr page 157-
— 153 —
Uitwendige vijanden: Joden en Heidenen: drie eeuwen-
van martelaarschap. Het bloed der Martelaren was het
zaad van nieuwe Christenen. — Constantijn de Groote,
beschermer der H. Kerk. — Inwendige vijanden: Ketters
en Scheurmakers: Arius, Constantius, zoon van Constantijn,
Juliaan de apostaat, Valens, andere koningen en keizers
beschermen andere ketterijen. — De Kerk moet elk punt
harer leering verdedigen. — Elke eeuw heeft hare stor-
men: de Barbaren, de Turken, de Protestanten, de
Scheurmakers enz. — Rusland en het Oosten scheurt
zich van de Kerk los. — De Kerk zegepraalt; zij wint
elders dubbel terug, hetgeen zij op de een of andere
plaats verliest. — De Missionarissen in de beide Indien
en Amirica. — De fransche revolutie. — De Kerk,
niettegenstaande den strijd en de vervolging, blijft voort-
bestaan. — De vinger Gods. — Voorzegging van Christus
volbracht: Ik ben met u, enz.: Gij zijt Petrus, enz.
SLUITREDE.
Hedendaagsche vijanden der H. Kerk: vrijmetselaars»
vrijdenkers, socialisten, liberalen, katholiek-liberalen, enz.
— Hoe moeten wij ons gedragen? Luisteren naar de
Oversten der Kerk, die gezonden zijn en met kennis van
zaken spreken. — Weest op uwe hoede voor de vijanden
der Kerk; weest trouwe kinderen, desnoods dappere
soldaten om uwe Moeder de H. Kerk te verdedigen. —
Wacht u van de vijanden der Kerk in de hoogte te
beuren, voor te staan, in staat te stellen van de Kerk te
kunnen vervolgen door hen te kiezen: in geweten mag men
geene vijanden der H. Kerk kiezen, niet eens verlangen dat
zij aan het bestuur komen. — Luisteren wij dus naar de
Oversten der H. Kerk, en vluchten wij den omgang met
-ocr page 158-
— 154 —
hare vijanden; zoodoende zullen wij trouwe kinderen zijn
en blijven van de strijdende Kerk hier op aarde, en een-
maal leden worden van de triomfeerende Kerk in den
hemel.
TIENDE PREEK.
Pinksteren.
Virgam virtuiis tuae emittet \'Dominus ex
Sion: dominare in medio inimlcorum tuorum.
De Heer zal den schepter uwer macht
van Sion doen uitgaan: gij zult te midden
uwer vijanden heersenen. ^Ps. cix, 2.)
VOORREDE.
Deze schoone woorden, B. B., bij den koninklijken
Profeet ontleend, worden op onzen goddelijken Zaligma-
ker toegepast; en te recht. David, die onzen goddelijken
Zaligmaker voor zijnen Heer erkent, wijl Hij de Zoon
des Allerhoogsten is, David toont ons onzen goddelijken
Zaligmaker, gezeten aan de rechterhand van God, zijn
hemelschen Vader. De Heer, zoo drukt zich de Profeet
David uit, heeft tot mijnen Heer gezegd: zet u neder
aan mijne rechter hand, totdat ik van uwe vijanden als
eene voetbank make. Daarop met zijn profetischen blik
in de toekomst doordringende: De Heer zal den schepter
uwer macht van Sion doen uitgaan: Virgam virtutis
tuae emittet Dominus ex Sion:
Gij zult te midden uwer
vijanden heerschen: Dominare in medio inimicorum tuo-
-ocr page 159-
— 155 —
rum. (i) Die koningsschepter of koninklijke macht, in
andere woorden, dat koninkrijk van Jezus-Christus is niets
anders dan de H. Kerk. David voorzeide dat de H. Kerk
van Sion, d. i., van Jeruzalem zou uitgaan; die voorzeg-
ging is vervuld op den Pinksterendag, waarvan wij heden
de gedachtenis vieren. Ja, B. B., op den Pinksterendag,
nadat de H. Geest over de Apostelen en de eerste ge-
loovigen was nedergedaald, kwam de H. Kerk, door
den Geest Gods verlicht en gesterkt, uit de zaal, waar-
in de leerlingen vergaderd waren, te voorschijn, om
zich weldra over den gansenen aardbodem te versprei-
den. Die Kerk van Jezus-Christus zal volgens de voor-
zegging van den Profeet David te midden harer vijan-
den heerschen. En ziet, van af den dag harer stich-
ting, tot op den dag van heden, heerscht zij in hun
midden; zij zegepraalt, ondanks de pogingen door hel
en goddeloozen aangewend, die tegen haar samenspan-
nen. Hoe nu dat feit uitgelegd ? Hoe die wondervolle
gebeurtenis verklaard ? Ik zeg wondervolle, en niet zon-
der reden. Hoe toch is het mogelijk dat de H. Kerk,
zoo onbeduidend bij haar ontstaan, terstond aangevallen,
immer vervolgd, tot op den dag van heden van vijanden
omgeven, dat die H. Kerk zich heeft kunnen uitbreiden,
heeft kunnen voortbestaan en bestaat tot op den dag
van heden? Ziedaar het vraagstuk ter oplossing voor-
gesteld. Ik antwoord: De vinger Gods is hier; de
Kerk is het werk van God. Jezus-Christus, de God-
mensch, de overwinnaar van hel en dood, heeft de Kerk
gesticht; Hij heeft zijne Kerk bijgestaan en zal haar
bijstaan tot aan het einde der eeuwen.
Ter gelegenheid van «het feest van Pinksteren, B. B.,
(1) Ps. cix, 2.
-ocr page 160-
- 156 -
heb ik voorgenomen u eenige oogenblikken over de H.
Kerk te onderhouden. De Kerk is het werk van God,
hetgeen blijkt:
I. Uit haar ontstaan;
II. Uit haar voortbestaan. Breiden wij die twee pun-
ten een weinig uit.
I.
De Kerk is het werk van God, hetgeen blijkt uit haar
onstaan, uit hare stichting.
Wat is de Kerk ? namelijk, de strijdende Kerk hier
op aarde? De Kerk is de vergadering van alle geloo-
vige Christenen, die onder de gehoorzaamheid van den
Paus van Rome, de ware leering van Christus belijden.
Die vergadering, die Kerk, is het werk van God; zij
draagt den stempel der Godheid bij haar ontstaan, bij
hare stichting. Om ons van die waarheid ten volle te
overtuigen, onderzoeken wij eenige oogenblikken onpar-
tijdig eenige omstandigheden van de stichting der Kerk,
in een woord, zien wij hoe zij ontstaan is.
Reeds meer dan 18... jaren geleden, verscheen er —
sta mij die uitdrukking toe — verscheen er een Man.
Die Man noemde zich de Messias, in het aardsch para-
dijs beloofd, door de Patriarchen afgebeeld, doordePro-
feten voorzegd. Die Man is Jezus van Nazareth, gelijk\'
wij weten. Na dertig jaren lang een verborgen leven
geleid te hebben, treedt Hij op; Hij komt te voorschijn.
Hij doorreist drie jaren lang verschillende steden en dor-
pen van Galilea en Judea. Hij verkondigt eene nieuwe
leer, en die leer bevestigt Hij met de schitterendste won-
deren. Zijne vijanden nemen Hem eindelijk gevangen,
doen Hem de ongehoordste folteringen ondergaan en
-ocr page 161-
— 157 —
eindelijk den schande* en pijnlijksten dood, den dood des
kruises, sterven. Doch ziet! den derden dag na zijnen
dood staat Hij, gelijk Hij voorzegd had, glorievol uit het
graf op en klimt veertig dagen na zijne verrijzenis in
triomf ten hemel. Tijdens zijn openbaar leven koos Hij
eenige leerlingen. — Merken wij wel op, B. B., dat de
leerlingen hun Meester niet kozen; neen, maar de Meester
koos zijne leerlingen. — Non vos me elegistis, sed ego
elegi vos,
(i) zegt Jezus uitdrukkelijk: Gij hebt mij niet
gekozen, doch ik heb u gekozen. Waar ging Jezus zijne
leerlingen zoeken ? Onder de voornaamste wijsgeeren van
Rome of Atthene? Volstrekt niet, doch zijne keus viel
op eenige arme, ongeleerde visschers, die met hunne
netten den kost moesten verdienen. Na hen onderricht
te hebben, maakt Hij hen met zijne inzichten over hen
bekend; Hij wijst hun op de wereld, schier geheel en al
door de afgoderij en het zedenbederf ^ingenomen. Gaat,
zegt Jezus, onderwijst alle volkeren, hen doopende in den
naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes, en
leert hen onderhouden al wat ik u bevolen heb. Wie is
het die zendt ? Jezus-Christus, die het recht heeft van
te zenden, want Hem is alle macht gegeven in den hemel
en op de aarde. Wie wordt er gezonden ? De Apostelen
met hunne opvolgers en geen anderen; dus geene keizers,
geene koningen of gouvernementen. Naar wien worden zij
gezonden ? Naar alle menschen; bijgevolg ook naar de kei-
zers en koningen. Tot wat einde worden zij gezonden ? Om
te onderwijzen in de geloofs- en zedenleer, om te leeren
wat alle menschen moeten weten en doen om zalig te
worden. Aan het hoofd zijner Apostelen stelt Jezus Petrus.
Hij geeft hem order van zijne overige broeders in het
(1) Joan. xv, 16.
-ocr page 162-
- 158 -
geloof te bevestigen, van de lammeren en schapen
te weiden, d. i., van de Bisschoppen en geloovigen
te regeeren. Op order van hun goddelijken Meester
verdeelen de Apostelen onder elkander den ganschen
aardbodem en beginnen het Evangelie te verkondigen.
De volkeren, in taal en gebruiken zoo verschillend, luis-
teren naar de stem der Apostelen en nemen het Evan-
gelie bereidvaardig aan. En niet alleen de eenvoudige
menschen, maar ook de geleerden, de wijsgeeren en
leeraars, de landvoogden en veldheeren schamen zich
niet geloof te hechten aan de nieuwe blijde tijding.
Weldra verandert de aarde van gedaante. Die zoo spoe^
dige gedaanteverandering der aarde is een zichtbaar
mirakel, zegt Bossuet. De Apostelen hadden hunne
loopbaan nog niet voltrokken, of hunne leering, gelijk
de Apostel Paulus getuigt, was reeds alom verkondigd.
Volgens eene standvastige overlevering, was de H. Thomas
reeds tot in de Indiön doorgedrongen, en andere leer-
lingen in andere ver afgelegen landen. Terecht dus past
de Apostel Paulus de volgende woorden van den Profeet
David op de Apostelen toe: In omnetn terram exivit
sonus eorum:
Hunne stem heeft zich de gansche wereld
door doen hooren, en hunne woorden zijn tot aan het
uiteinde der wereld doorgedrongen: Et in fines orbis
ter ree verba corum.
(1)
Doch hoe hebben de Apostelen zoo spoedig die al-
gemeene gedaanteverandering der aarde teweeggebracht?
Van welke middelen hebben zij zich bediend? Verkon-
digden de Apostelen eene geloofsleer, gemakkelijk om
aan te nemen? Maar zij verkondigden Jezus-Christus
den Gekruiste, iets wat den Joden tot ergernis, den Hei-
(1) Ps. xvm, 5.
-ocr page 163-
— 159 —
denen tot dwaasheid strekte. De nieuw-bekeerden moes-
ten toen gelooven zonder te begrijpen zoowel als nu; zij
moesten toen ook hun verstand ten beste geven voor de
waarheden, de onbegrijpelijke geheimen des geloofs. Ver-
kondigden zij eene zedenleer, die strookte met de be-
dorvene natuur van den mensch? Juist het tegenover-
gestelde. De Apostelen verklaarden hen uitdrukkelijk,
dat zij moesten vaarwel zeggen aan alles wat zij tot
dusverre voor het dierbaarste aanzagen; dat zij zich
moesten losrukken van alles, waaraan zij zich als het
ware vastgekluisterd hadden. De Apostelen verklaarden
den oorlog aan alle ondeugden. Zij verkondigden en
legden de kuischheid op aan de slaven van den wellust,
de ootmoedigheid aan de hoovaardigen, het geduld aan
de oploopenden, de liefde zelfs tot de vijanden aan de
wraakzuchtigen. Maar misschien waren de Heidenen
hunne afgoden moede, zagen zij hunnen ondergang met
onverschilligheid aan ? Integendeel, B. B.; het heidendom,
dat oud gebouw, vermolmd weliswaar, werd toch nog
geschraagd door den krachtigen arm van het romeinsche
rijk. De heidensche godsdienst had diep wortel gescho-
ten; hij was overal in doorgedrongen, in zeden en wetten;
hij vleide niet alleen de laagste hartstochten van den
mensch, doch begunstigde alle en elkeen in \'t bijzonder.
Van daar dat geen enkel wijsgeer, alhoewel innig van
de ijdelheid der afgoden overtuigd, den moed bezat van
tegen hen op te treden; zij brachten met het volk den
afgoden hunne offers, (i) Hoe zijn dan de Apostelen
zoo spoedig en zoo gelukkig geslaagd ? Hoe zijn zij op
zoo korten tijd veroveraars geworden op het geloofs- en
zedengebied ? Konden zij wellicht beschikken over taU
(1) Libandum more patrisc (Cicero.)
-ocr page 164-
— i6o —
rijke en machtige legers, gelijk weleer een valsche Profeet
Mahomet, de aanvoerder der Turken ? Konden zij den
hoogmoed en de hebzucht der grooten prikkelen, gelijk
weleer een Luther en Calvien? Konden zij beschikken
over schatten en eereposten, gelijk weleer een Henricus
VIII in Engeland? Maar Jezus-Christus zendt hen uit,
en het eenige wapen, waarvan zij zich kunnen bedienen,
is het woord des Evangelies; zij leiden een ootmoedig en
arm leven; voor belooning in dit leven voorzeggen de
Apostelen hunnen leerlingen dat zij vervolgd zullen worden
en te lijden zullen hebben. De Apostelen zelven zijn
vervolgd geweest, de Apostelen zelven hebben geleden,
zij hebben met hun bloed de leering, die zij verkondigden,
bezegeld. En toch, de Apostelen zijn in hunne onder-
neming geslaagd. In de plaats der dwaal- en fabelleer
des heidendoms hebben zij de ware geloofsleer, in de
plaats van het algemeen zedenbederf hebben zij de zui-
verste zedenleer geplant. Ziedaar, B. B., een feit, eene
gebeurtenis, waartegen de vijanden der Kerk niets ver-
mogen. Zij kunnen wel is waar allerlei drogredenen
aanvoeren; het feit, de gebeurtenis staat immer pal. Niets
zoo koppig als een feit, eene gebeurtenis, zegt het spreek-
woord: dit of dat heeft plaats gehad, is gebeurd, \'t staat
in de geschiedrollen geboekt, onmogelijk van het te we-
derleggen, van het omver te stooten. Maken wij nu de
gevolgtrekking uit het feit, uit de gebeurtenis. Ziehier,
B. B., hoe de H. Augustinus, een der grootste Kerklee-
raars, redeneerde: Of wel, zoo sprak de H. Augustinus,
de Apostelen hebben zoo spoedig die groote verandering
te weeg gebracht door de mirakelen, welke zij verrichten,
of wel, zij hebben ze te weeg gebracht zonder mirakelen;
geen midden; men moet kiezen tusschen het een of het
ander. Bijaldien gij zegt, dat zij die verandering hebben
-ocr page 165-
— i6i —
te weeg gebracht door de mirakelen, welke zij verrichtten,
daaruit besluit ik dat God met hen was, en bijgevolg,
dat hunne leering wel waarlijk de leering van God was,
want de mirakelen zijn niets anders dan de stem van God,
waarmede Hij de waarheid en niet de leugen bevestigt:
dus is de Kerk het werk van God. Bijaldien gij zegt,
dat de Apostelen die verandering te weeg gebracht heb-
ben zonder mirakelen te verrichten, d. i., dat de wereld
zich bekeerd heeft zonder mirakel, dan verklaar ik u,
zegt de H. Augustinus, dat die verandering, de bekeering
der wereld zonder mirakel, het grootste der mirakelen
is. En geen wonder. Den Heidenen hunne afgoden
doen verzaken, den ongeloovigen de onbegrijpelijkste
waarheden doen gelooven, den bedorvensten menschen
de verhevenste deugden doen oefenen, en dat alles tot
stand brengen zonder mirakelen te doen, ziedaar voor-
zeker een mirakel, dat alle andere mirakelen ver te boven
gaat. De Kerk bijgevolg, gelijk gij ziet uit haar ont-
staan, uit hare stichting, is het werk van God, zij draagt
den stempel der Godheid, \'t Is inderdaad God alleen
gegeven het zwakke uit te kiezen om het sterke te be-
schamen, zich van het niet als het ware te bedien en om
het wonderste te verrichten. De Kerk dus is het werk
van God, \'t blijkt, gelijk wij gezien hebben, uit haar
ontstaan. Dat de Kerk het werk van God is, blijkt niet
minder uit haar voortbestaan; dit zullen wij zien in ons
tweede punt.
II.
Sedert achttien eeuwen, B. B., heeft de Kerk rondom
zich zoo vele en zoo groote veranderingen zien gebeuren ;
zij heeft keizer- en koninkrijken zien opkomen en te
gronde gaan; zij heeft ketterijen en scheuringen zien
11.
-ocr page 166-
— IÓ2 —
losbreken en voorbijgaan; de Kerk alleen heeft al die
puinhopen en omwentelingen overleefd; zij alleen, gelijk
aan de zon na het onstuimigste der onweders, blijft staan
vol kracht en leven. Niet, B. B., dat het de Kerk aan
strijd of vervolging ontbroken heeft; zij• heeft te strijden
gehad tegen uit- en inwendige vijanden, zij is door beide
vervolgd geweest.
Tijdens de drie eerste eeuwen des christendoms had
de H. Kerk bijzonder te strijden tegen uitwendige vij-
anden, tegen de Joden en Heidenen, doch vooral
tegen de Heidenen. De drie eerste eeuwen maken het
martelaarschap der Kerk uit. De romeinsche keizers,
die bloeddorstige dwingelanden, meenden het christendom
in het bloed der Martelaren te smoren. Duizenden en
duizenden werden er op de onmenschelijkste wijze om-
gebracht. Alles te vergeefs. Nauwelijks hadden de ver-
volgers publiek doen afkondigen, dat het christendom
uitgeroeid was, of de Christenen, om hunne vervolgers
te logenstraffen en te beschamen, kwamen talrijker dan
ooit te voorschijn. Het bloed der Martelaren was inder-
daad een zaad dat nieuwe Christenen voortbracht, (i)
Alhoewel God nu tijdens de bloedige worsteling der
drie eerste eeuwen genoegzaam getoond had, dat Hij
geene wereldsche macht noodig had, niet alleen om zijne
Kerk te stichten, maar ook om haar staande te houden;
nochtans, Hij wilde dat op hunne beurt en koningen én
keizers optraden, om zijne Kerk te beschermen. Keizer
Constantijn de Groote is de eerste beschermer des chris-
tendoms of der Kerk geweest. Doch merkt wel op: hij
is enkel de beschermer, en niet de bestuurder der Kerk
geweest. Doch de H. Kerk heeft niet alleen tegen uit-
(1) Sanguis Martyrum seinen Christianorum (Tertullianus).
-ocr page 167-
— 163 —
wendige vijanden te strijden gehad; zij is niet alleen
onoverwinbaar tegenover Heidenen en Joden, zij heeft
ook te strijden tegen inwendige vijanden, tegen Ketters
en Schismatieken, en zij is onoverwinbaar zoowel tegen-
over dezen als genen. De Ketters en Scheurmakers,
door Jezus-Christus en zijne Apostelen voorzegd, komen
eindelijk voor goed te voorschijn. Arius, die ongelukkige,
vermeet zich de Kerk in haren stichter aan te randen.
Jezus-Christus is geen God, zegt die godslasteraar. Con-
stantius, de zoon van Constantijn den Groote, door de
Arianen misleid, vervolgt de H. Kerk; en voor dien
vervolger hadden de Katholieken des te meer te vreezen,
wijl hij in naam van Jezus-Christus den oorlog verklaarde
aan Jezus-Christus zelven. Na Constantius verschijnt
Juliaan de Apostaat. Na dezen Valens, de H. Kerk niet
minder vijandig dan zijne voorgangers. Andere koningen
of keizers verdedigen en beschermen andere ketterijen.
De H. Kerk heeft tegen de Ketters niet alleen gansch
hare leering, maar daarenboven elk punt harer leering
in \'t bijzonder te verdedigen. Elke eeuw heeft hare stormen
gehad, min of meer woedend, waartegen het schip van
Petrus, de Kerk, worstelen moest. De Barbaren rukken
aan, dringen door, en dreigen Kerk en Staat te ver-
woesten. De Kerk temt de Barbaren en herschept die
grijpende wolven in vreedzame schapen. De Turken
dreigen geheel Europa te overweldigen; alles moest zwich-
ten voor hun kromzwaard, allen moesten zich scharen
onder den standaard van hun valschen profeet. De Kerk
— en vergeten wij dit niet — de Kerk zendt hare kruis-
ridders, de Turken worden verslagen en teruggedreven,
en Europa is gered.
In de zestiende eeuw ontrolt een afgevallen monnik,
Luther genaamd, de banier van den opstand tegen Kerk
-ocr page 168-
— 164
en Staat. De opstand, in Saksen losgebarsten, verspreidt
zich met bliksemsnelheid over Duitschland, Pruisen.
Denemarken, Zweden, Holland en Zwitserland. Engeland
met zijn wulpschen koning sluit zich aan. Rusland, gansch
het Oosten, is schier verloren voor de Kerk. Zij ziet
zich gansche provinciën en koninkrijken door de Scheur-
makers en Ketters ontweldigen. En toch, de Kerk ze-
gepraalt. Hetgeen zij op de eene plaats verloor, won
zij elders dubbel terug. Hare bedienaars, hier te lande
vervolgd, breken op en gaan in de vreemde landen het
Evangelie verkondigen. In de beide Indien en America
en nog op andere plaatsen, krijgt onze Moeder de H.
Kerk meer kinderen terug dan zij elders verloren heeft.
Wat is er daarentegen van het Mahomedanendom, van
het Protestantismus geworden? Maakt men zich soms
niet gereed om de uitvaart te houden van het Mahome-
.danendom? Drie eeuwen zijn voorbij sedert het Protes-
tantismus, en wij zien zijn doodstrijd. De rechtzinnigsten
en de geleerdsten onder de Protestanten komen tot het
ware geloof terug; de overigen gelooven niets meer en
werpen zich in den afgrond der ongeloovigheid.
Op het einde der verloopen eeuw werd het schip van
Petrus, de H. Kerk, door een geweldigen storm over-
vallen. Tijdens de fransche revolutie werd het Opperhoofd
der H Kerk, Pius VI, in hechtenis genomen ; hij stierf
in ballingschap. De goddeloozen lachten met zijnen dood;
zij zeiden dat Pius VI de laatste Paus was. De fransche
revolutie is voorbij en Pius VI telt reeds meer dan één
opvolger.
De Kerk, B. B., gelijk wij gezien hebben, heeft weder-
staan aan alle aanvallen der hel, aan alle vervolgingen
van Joden en Heidenen, van ketters en scheurmakers.
Altoos aangevallen, nimmer overwonnen, is zij altoos
-ocr page 169-
- i6s -
blijven staan en staat zij pal tot op den dag van heden.
Hoe dat tweede feit, die tweede gebeurtenis, uitgelegd ?
De vinger Gods openbaart zich ook hier; de Kerk in
haar voortbestaan draagt den stempel der Godheid even-
als in haar ontstaan; de Kerk is het werk van God.
Ja, B. B., de woorden van Jezus-Christus zijn woorden
van waarheid : Ecce, ego vobiscum sum omnibus diebus
usque ad consummationem sceculi
(i): Ziet, ik ben met
u al de dagen tot aan het einde der eeuwen. En deze
volgende, niet alleen tot de Kerk, maar inzonderheid tot
den H. Petrus, en in zijn persoon tot den Paus van
Rome, gesproken: Gij zijt Petrus, en op deze steenrots
zal ik mijne Kerk bouwen, en de poorten der hel zullen
tegen haar niet vermogen: Tu es Petrus, et super hanc
petram cedificabo ecclesiam meam, et portee inferi 11011
pravalebunt adversus eam.
(2)
SLUITREDE.
Alvorens deze rede te eindigen oordeel ik het goed,
B. B., u te waarschuwen voor de hedendaagsche vijanden
der H. Kerk. En vooreerst, welke zijn de hedendaagsche
vijanden der H. Kerk? B. B., zij zijn talrijk en doen
zich op onder allerlei benamingen, als zijn vrijmetselaars,
vrijdenkers, socialisten, liberalen, katholiek-liberalen; allen
zijn vijanden van de H. Kerk, vervolgen haar en zouden
haar, zoo het in hunne macht ware, vernietigen. Doch
hoe moeten wij ons — en dit is het voornaamste — hoe
moeten wij ons tegenover die vijanden gedragen ? Ziehier,
B. B., den gemakkelijksten en de zekersten regel voor ons
Christenen. Wij moeten luisteren naar de Oversten der
H. Kerk, naar den Paus van Rome en de Bisschoppen.
(1) Matth. xxviii, 22. (2) Matth. xvi, 18.
-ocr page 170-
— 166 —
En wat leeren ons de Oversten der H. Kerk ? Weest op
uwe hoede voor de vijanden der H. Kerk, roepen zij ons
toe. Weest trouwe kinderen, desnoods wakkere soldaten
der H. Kerk, om uwe Moeder te verdedigen. Wacht u
wel van hare vijanden in de hoogte te beuren, hun hulp te
verkenen en hen in staat te stellen van de H. Kerk te
kunnen vervolgen, bijv., door hen tot volksvertegenwoor-
digers te kiezen. Neen, in geweten moogt gij de vijanden
der Kerk niet kiezen; zij hebben zich duidelijk genoeg
verklaard, namelijk, dat zij, na eenmaal de macht in
handen gekregen te hebben, de Kerk zullen vervolgen.
En de Katholieken of de zoogenaamde Katholieken, die
dusdanige vijanden kiezen of voor hen werken, zij ver-
volgen met de vijanden der H. Kerk hunne Moeder; zij
geven hun de wapenen in handen, waarmede zij hunne
Moeder, de H. Kerk, vervolgen en trachten ten onder te
brengen. Besluit daaruit, B. B., of men zich ook aan
groote zonde kan plichtig maken door de vijanden der
Kerk voor te staan en te kiezen. Ik zeg niet, dat men
daarin altijd doodelijk zondigt; \'t hangt veel af van de
kennis van zaken, van het inzicht dat men heeft, van
den invloed dien men uitoefent, en dergelijken; doch dit
is zeker, dat er vele zoogenaamde Katholieken zijn, die
zich grootelijks plichtig maken voor God. Zij trachten
zich gerust te stellen, hun geweten in slaap te wiegen;
te vergeefs, het zal eenmaal heviger dan ooit ontwaken.
Welk eene verantwoordelijkheid voor dergelijke Katho-
lieken! Waaraan hebben zij zich te wachten in het
oordeel Gods, zoo niet aan deze woorden : Nescio vos: (i)
Ik ken u niet: Discedite a me, qui operamini iniquita-
tem:
(2) Weg van mij, die ongerechtigheid bedrijft. Is
(!) Matth. xxv, 12. (2) Matth. vu, 23.
-ocr page 171-
— 167 —
het niet droevig van soms menschen te hooren, die de
vijanden der Kerk voorspreken, die verlangen dat zij aan
de regeering komen? B. B., bijaldien zoo iets gebeurt
met volle kennis van zaken, met innige overtuiging, dus-
danige Katholieken zijn bij mij geene ware Katholieken;
zij zijn geene ware kinderen, maar verraders; zij zijn
geene ware soldaten, maar overloopers. Maar, zal men
misschien zeggen: men spreekt zoo al, doch men meent
het niet. Ik wil dit laatste van zekere personen volgaarne
aannemen; doch waarom dan die redevoeringen met zoo
veel vuur en zoo ver gedreven ? Zij zijn voor het minst aan-
stootelijk voor andere menschen. Wij moeten dus luisteren
naar de Oversten der H. Kerk, die van God gezonden
zijn en ons spreken met kennis van zaken. Wij moeten
niet luisteren naar hen, die niet gezonden zijn, noch ken-
nis van zaken hebben. Men hoort soms menschen spre-
ken over God en godsdienst, over Kerk en Paus; menschen,
die de eerste les van den Catechismus niet kennen en
nooit gekend hebben; wijsneuzen, die hier of daar in eene
slechte gazette wat tegen Kerk en Priester gelezen, van
den een of anderen vijand der Kerk wat gehoord hebben,
en die daarna, na eenige hoogdravende woorden, waarvan
zij zelven de beteekenis niet verstaan, te kunnen uitbrengen,
meenen groote en geleerde mannen te zijn. \'t Ware
inderdaad belachelijk, een medelijdend schouderophalen
waardig, bijaldien er door hen niet zoo vele eenvoudige
en lichtgeloovige menschen bedrogen werden. Luisteren
wij dus nooit naar dergelijke personen. Non circumfe-
ramur omni vento doctrinae,
zegt de Apostel Paulus:
Laten wij ons niet door allerlei leeringen medesiepen;
doch staan wij de waarheid met liefde voor: Veritatem
autetn facientes in charitate.{\\)
Wij moeten den omgang
(1) Eph. iv, 14.
-ocr page 172-
— i68 —
met de vijanden der Kerk vluchten. Wat zegt het
spreekwoord? Daar men mêe verkeert, wordt men mêe
geëerd. Doch dat is niet alles. Ziehier eene zaak van
meer belang. Wat is het Geloof? Het Geloof is eene
gave Gods, volstrekt noodig ter zaligheid. Hoe komt het
nu, dat er hedendaags zoo velen het ware Geloof ver-
liezen ? Zijn zij eensklaps zoo slecht geworden ? Volstrekt
niet. Niemand wordt eensklaps een Heilige, maar ook
niemand wordt eensklaps een goddelooze. Langzamerhand
verliest men het Geloof, door eerst met de vijanden
der Kerk om te gaan, door te luisteren naar hunne
drogreden tegen de Kerk, door bij tijd en gelegenheid
iets te lezen tegen de Kerk, slechte gazetten of dagbla-
den: \'t is op die wijze dat men langzamerhand en on-
opgemerkt verder komt, en dat menige mensch, eerst
goed Katholiek, eindelijk het geloof verloren heeft.
Zijn wij dus voorzichtig. In naam van Jezus-Christus,
den stichter der H. Kerk; in naam van de Oversten der
H. Kerk, den Paus van Rome en de Bisschoppen, tot
uw tijdelijk en eeuwig welzijn naar ziel en naar lichaam,
ik vermaan u: Weest op uwe hoede voor de vijanden
der Kerk, verdedigt uwe Moeder zoo goed mogelijk op
alle wettige wijzen tegen de aanvallen harer vijanden,
en na de H. Kerk hier op aarde als ware kinderen, als
getrouwe soldaten gediend en verdedigd te hebben in
den strijd, zijt er verzekerd van, gij zult eenmaal deelen
in de zegepraal der H. Kerk in den hemel. Amen.
s-s--«r^ï|^5<&=<^\'\'a^-»--B
-ocr page 173-
ELFDE PREEK.
De H. Drievuldigheid.
Euntes ergo docete omnes genten, baptizanlex
eo8 in nomine Patris, el Filii, et Spiritus sancti.
Gaat dan en onderwijst alle volkeren,
hen doopende in den naam des Vaders,
en des Zoons, en des Heiligen Geestes.
(Matth. xxviii, 19.)
INHOUD.
VOORREDE.
God is onbegrijpelijk en onuitsprekelijk in zijn Wezen,
onbegrijpelijker en onuitsprekelijker in zijne drie Per-
sonen. — Het mysterie der H. Drievuldigheid is het
grootste en voornaamste mysterie van onzen heiligen
godsdienst. — Waarom? — Evangelie van den dag.
VERDEELING.
I. Waarin bestaat het mysterie der H. Drievuldigheid ?
II. Het mysterie der H. Drievuldigheid is boven, doch
niet tegen de rede;
III. De veropenbaring van het mysterie der H. Drie-
vuldigheid.
-ocr page 174-
— 170 —
I.
Wat is de H. Drievuldigheid? De H. Drievuldigheid
bestaat in de eenheid van Wezen en de onderscheiden-
heid van Personen. — Van wie komen de drie Personen
voort, en waarom worden zij zóó genoemd ? — Hoe komt
de Zoon van den Vader, de H. Geest van den Vader
en den Zoon te zamen voort ? — De Vader is niet ouder,
machtiger, wijzer of heiliger dan de Zoon of de H. Geest.
Waarom niet? — Den Vader wordt de almacht en het
werk der schepping, den Zoon de wijsheid en het werk
der verlossing, den H. Geest de heiligheid en het werk
der heiligmaking bijzonder toegeschreven. Waarom?
II.
Het mysterie der H. Drievuldigheid is boven de rede.
Waarom? — Geheim in de orde der natuur. Een graan-
korreltje. — Woorden van een vermaard schrijver. —
Het mysterie der H. Drievuldigheid is niet tegen de rede.
Waarom niet? — Vergelijking van de ziel met de H.
Drievuldigheid. — De H. Augustinus en het kind op
den oever der zee.
ra.
Veropenbaring van het mysterie der H. Drievuldigheid
in het Oude Testament. Woorden van den Profeet David:
De hemelen zijn door het woord Gods gevestigd, enz. —
In het Nieuwe Testament. Woorden van onzen godde-
lijken Zaligmaker: Gaat en onderwijst alle volkeren,
enz. — Drie zijn er die getuigenis afleggen, enz. —
Doop van Jezus in den Jordaan.
-ocr page 175-
— I7i —
SLUITREDE.
Wij moeten de H. Drievuldigheid gelooven. — Wij
moeten de H. Drievuldigheid beminnen. — Wij moeten
op de H. Drievuldigheid betrouwen. — Alles doen in
den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes. —
De H. Drievuldigheid verheerlijken op aarde, ten einde
haar te mogen verheerlijken in den hemel.
ELFDE PREEK.
De H. Drievuldigheid.
Euntes ergo docete omnea gentes, baptizantes
eos in nomine Patris, et Filii, et Spiritus Sancti.
Gaat dan en onderwijst alle volkeren,
hen doopende in den naam des Vaders,
en des Zoons, en des H. Geestes.
(Matth. xxviii, 19.)
VOORREDE.
God, B. B., is onbegrijpelijk en onuitsprekelijk in zijn
Wezen, d. w. z., wij kunnen met ons verstand niet ten
volle begrijpen, noch met onze woorden ten volle uit-
drukken wat God eigenlijk is. Doch is God reeds onbe-
grijpelijk en onuitsprekelijk in zijn Wezen, des te on-
begrijpelijker en onuitsprekelijker is Hij in zijne drie
Personen. Ja, het mysterie der H. Drievuldigheid is het
grootste en voornaamste mysterie van onzen heiligen
godsdienst. Het is het grootste mysterie. Waarom ?
-ocr page 176-
— 172 —
Omdat geen mysterie van onzen heiligen godsdienst ons
verstand zoo ver te boven gaat dan het mysterie der
H. Drievuldigheid. Het is het voornaamste mysterie van
onzen heiligen godsdienst. Waarom ? Omdat het mysterie
van de H. Drievuldigheid de twee eerste waarheden of
punten des geloofs bevat, welke wij allen moeten weten
en gelooven uit noodzakelijkheid des middels, zoodat wij
zonder de kennis en het geloof van die twee waarheden
niet kunnen zalig worden. Onze goddelijke Zaligmaker
sprak zekeren dag van de H. Drievuldigheid, toen Hij
zijne Apostelen zond om overal het Evangelie te gaan
verkondigen. Jezus," — zoo verhaalt de Evangelist Mat-
„thaeus, — trad toe en sprak tot hen —tot zijne elf leer-
dingen — zeggende : Aan mij is gegeven alle macht
„in hemel en op aarde. Gaat dan en onderwijst alle
„volkeren, hen doopende in den naam des Vaders, en
„des Zoons, en des H. Geestes; hen leerende onderhou-
„den alles, wat ik u geboden heb. En ziet, ik ben met
„u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld."
Wijl wij vandaag het feest van de H. Drievuldigheid
vieren, zoo zal het niet ondoelmatig zijn ons eenige
oogenblikken met dit mysterie bezig te houden. Wij
zullen dus zien:
I. Waarin het mysterie der H. Drievuldigheid bestaat;
II. Dat het niet tegen maar boven de rede is;
III. De veropenbaring van het mysterie der H. Drie-
vuldigheid.
I.
Wat is de H. Drievuldigheid? De H. Drievuldigheid,
B. B., is God de Vader, God de Zoon en God de H.
Geest, drie onderscheidene Personen en maar ée\'n God.
-ocr page 177-
— 173 —
Waarin bestaat nu het mysterie van de H. Drievuldig-
heid? Het bestaat in twee zaken: in de eenheid van
Wezen en de onderscheidenheid van Personen. Er is
maar één God, gelijk wij weten, want er kan maar één
oneindig volmaakt Wezen zijn; en er zijn drie Personen,
van welke de een van den anderen wezenlijk onderschei-
den is, de Vader, de Zoon en de H. Geest; en die drie
Personen, alhoewel wezenlijk van elkander onderscheiden,
zijn maar één en dezelfde God. Ziehier de reden er van.
Zij zijn maar één en dezelfde God, omdat zij alle drie
maar één en hetzelfde goddelijk Wezen, of een en de-
zelfde goddelijke natuur hebben; zij zijn nochtans drie
Personen, de een van den anderen onderscheiden, want
een ander is de Persoon des Vaders, een ander de Per-
soon des Zoons, een ander de Persoon des H. Geestes.
Ziehier nu, waarin de Vader, de Zoon en de H. Geest
wezenlijk van elkander onderscheiden zijn, of verschillen.
De Vader bestaat in eeuwigheid uit zich zelven, en Hij
brengt in eeuwigheid zijn Zoon voort. De Zoon is in eeuwig-
heid van den Vader voortgebracht, en de H. Geest
komt in eeuwigheid voort van den Vader en den Zoon
te zamen. Vandaar dat de drie goddelijke Personen
verschillende namen dragen. De eerste Persoon wordt
genoemd Vader, de tweede Persoon, Zoon, en de derde
Persoon, H. Geest, En waarom wordt de eerste Persoon
genoemd Vader ? Omdat Hij een Zoon voortbrengt, Hem
in alles gelijk. Waarom wordt de tweede Persoon genoemd
Zoon ? Omdat Hij van den Vader is voortgebracht.
Waarom wordt de derde Persoon genoemd H. Geest ?
Omdat Hij van den Vader en den Zoon te zamen voort-
komt. Ziehier nu, hoe de twee laatste Personen voort-
komen. God de Vader kent zich in eeuwigheid, en zoo
volmaakt mogelijk; daardoor brengt Hij in eeuwigheid
-ocr page 178-
— 174 —
zijne gedachte, zijn Woord voort, dat zijn Zoon is. God
de Vader bemint in eeuwigheid en zoo volmaakt mogelijk
zijn Zoon, en Hij is er in eeuwigheid evenzeer van be-
mind, en door elkander in eeuwigheid te beminnen bren-
gen zij in eeuwigheid den H. Geest voort.
De Vader is niet ouder dan de Zoon en de H. Geest.
Waarom niet ? Omdat de Zoon in eeuwigheid van den
Vader is voortgebracht, en omdat de H. Geest in eeuwig-
heid van den Vader en den Zoon te zamen voortkomt.
De Vader is ook niet machtiger, wijzer, heiliger, enz.
dan de Zoon en de H. Geest. Waarom niet ? Omdat de
Vader, die den Zoon voortbrengt, Hem mededeelt de
goddelijke natuur met al hare volmaaktheden, en omdat
de Vader en de Zoon, van welke de H. Geest voortkomt,
Hem ook mededeelen één en dezelfde goddelijke natuur
met al hare volmaaktheden. Alzoo zijn de drie goddelijke
Personen, alhoewel wezenlijk van elkander onderscheiden,
alle drie even oud, d. i., eeuwig, even machtig, even
wijs, even heilig, enz. Nochtans wordt den Vader, en
te recht, bijzonder de almacht, den Zoon bijzonder de
wijsheid, en den H. Geest bijzonder de heiligheid toe-
geschreven : tevens de uitwendige werken, welke aan die
volmaaktheden beantwoorden, en vandaar dat de schep-
ping, het werk der almacht, bijzonder den Vader, de
verlossing, het werk der wijsheid, bijzonder den Zoon en
de heiligmaking, het werk der heiligheid, bijzonder den
H. Geest wordt toegeschreven. Ziedaar, waarin het
mysterie der H. Drievuldigheid bestaat. Zien wij nu
ook, dat dit mysterie wel boven, doch niet tegen de
rede is.
II.
Het mysterie der H. Drievuldigheid, B. B., is boven
-ocr page 179-
— 175 —
de rede, d. w. z., wij kunnen met ons verstand niet be-^
grijpen wat de H. Drievuldigheid is, namelijk, hoe de
goddelijke Personen, wezenlijk van elkander onderschei-
den, maar één en dezelfde God zijn. Doch, B. B., dat
wij het mysterie der H. Drievuldigheid niet begrijpen,
moet ons volstrekt niet verwonderen. Wat is God en
wat zijn wij ? God is het oneindig volmaakte wezen.
Wat zijn wij ? Wij zijn schepselen, met rede en verstand
wel is waar begaafd, doch hoe klein, hoe beperkt is ons
verstand niet ? En wij zouden den oneindig volmaakten
God willen begrijpen. Wel, B. B., zoo wij met ons
klein en beperkt verstand God, één in Wezen en drie-
voudig in Personen, begrepen, God zou niet meer on-
eindig volmaakt, en bijgevolg, Hij zou geen God meer
zijn. Overigens, wat al zaken treffen wij niet aan in
de orde der natuur, die als zoovele mysteriën of gehei-
men voor ons zijn. Wij zien ze met onze oogen, doch
wij weten ons geene reden te geven, hoe zij geschieden.
Een graankorreltje, bijv., valt in de aarde; in den schoot
der aarde schiet het wortel; in een puntje komt het eerst
te voorschijn; het ontwikkelt zich steeds meer en meer,
wordt een lange halm, bloeit en brengt talrijke vruchten
voort. Dat hebben wij meermalen gezien, dat zien wij
nog; doch begrijpen wij het ook? Neen, B. B. De
ontwikkeling van dat graankorreltje gaat dus ons klein
verstand reeds ver te boven. En bijaldien eene zoo
nietige zaak in de orde der natuur ons verstand reeds
ver te boven gaat, hoe veel te meer zal dan in de boven-
natuurlijke orde God, één in Wezen en drievuldig in
Personen, ons verstand ver te boven gaan. Terecht dus
zegt een vermaard schrijver: „Hoe wilt gij de natuur
„van God kennen ? Erken liever dat gij niet bij machte
„zijt van ze te kennen, want God zou geen God zijn,
-ocr page 180-
— 176 —
„zoo Hij niet grooter was dan uw verstand. Verheugen
„wij ons, dat wij een zoo grooten God hebben, en laten
„wij, daar ons verstand Hem niet bevatten kan, vast-
„staan in ons geloof en alle ijdele navorschingen staken."
Ik heb gezegd, B. B., dat het mysterie der H. Drie-
vuldigheid boven de rede is; doch het is niet tegen de
rede; het bevat volstrekt geene tegenstrijdigheid. Wij
zeggen niet dat drie Goden maar één God zijn, hetgeen
eene tegenstrijdigheid zou zijn; maar wij zeggen, dat drie
onderscheidene Personen maar één God zijn, omdat zij
alle drie één en dezelfde goddelijke natuur hebben, en
daarin bestaat volstrekt geene tegenstrijdigheid.
Om ons een denkbeeld te vormen van één God in
drie Personen, en van de wijze, waarop de eene Persoo n
van den anderen voortkomt, is men gewoon gelijkenissen
aan te halen. Ziehier eene gelijkenis van de H. Drie-
vuldigheid naar de leering van den H. Augustinus. De
mensch heeft maar ééne ziel; in die ziel bespeurt men
drie zaken: het verstand, de gedachte en de liefde. Het
verstand brengt de gedachte voort, en is een afbeeldsel
van God den Vader; de gedachte wordt door het verstand
voortgebracht, en is een afbeeldsel van God den Zoon,
eindelijk, de liefde komt van het verstand en de ge-
dachte voort, en is een afbeeldsel van God den H. Geest.
Ziedaar dus eene gelijkenis van één God, drievuldig in
Personen, en van de wijze, waarop de eene Persoon van
den anderen voortkomt. Doch weet wel, B.B., \'t is slechts
eene gelijkenis, en elke gelijkenis heeft haar gebrek. De
H. Drievuldigheid is en zal voor ons altoos een mysterie,
een geheim blijven. Het verhaal dat ons de geschiedenis
dienaangaande levert, is treffend.
De H. Augustinus, een der grootste Kerkleeraars, was
gewoon na zijne studie-uren eene wandeling te doen op
-ocr page 181-
— 177 —
•den oever der zee. Zekeren dag, na het mysterie der H.
Drievuldigheid op nieuw bestudeerd te hebben, ging hij
op den oever der zee wandelen en ontmoette daar een
schoon.kind. Dat kind had in het zand een kuiltje ge-
maakt, liep telkens heen en weder, en was bezig met
een lepeltje water uit de zee te scheppen en in dat kuiltje
te gieten. De H. Augustinus bezag het kind eenigen tijd
met aandacht; daarop sprak hij het aan en zeide: Mijn
kind, wat doet gij daar ? Het kind antwoordde: Ik ben
bezig met al het water uit de zee in dit kuiltje te schep-
pen. Mijn kind, zeide nu de Heilige, dat is onmogelijk.
Het kind richtte zich op en sprak: Ik zal toch eerder al
het water uit de zee in dit kuiltje scheppen, dan gij met
uw verstand het ondoorgrondelijk geheim der allerhei-
ligste Drievuldigheid zult begrijpen. Daarop verdween
de Engel, want het was een Engel onder de gedaante
van een kind. De H. Augustinus vernederde zich en
aanbad met een levend geloof op de plaats, waar de
Engel gezeten had, het mysterie der H. Drievuldigheid,
dat hij niet kon begrijpen. Hoe onbegrijpelijk nu ook
het mysterie der H. Drievuldigheid zij, wij moeten het
•nochtans vastelijk gelooven, en de reden is, wijl God het
ons geopenbaard heeft. Zeggen wij nu in ons derde
punt nog een woordje over die openbaring.
III.
\'t Is niet alleen onmogelijk, B. B., met ons verstand
\'het mysterie der H. Drievuldigheid te begrijpen, zonder
de bovennatuurlijke, de goddelijke openbaring zouden wij
"niet eens weten, dat er eene H. Drievuldigheid bestaat.
Met zijn gezond verstand kan men wel begrijpen, dat er
•een God bestaat; maar nooit of nimmer, dat er een God
12.
-ocr page 182-
— i;8 —
bestaat, één in Wezen en drievuldig in Personen. In het
Oude Testament is het mysterie der H. Drievuldigheid
zoo klaar niet geopenbaard als in het Nieuwe Testament.
In een der Psalmen van den koninklijken Profeet David
lezen wij de volgende woorden: Verbo Domini caeli
firmati simt:
Door het woord des Heeren zijn de he-
melen gevestigd, et spiritu oris ejus omnis virtus eorum, (i)
en door den geest zijns monds al hunne kracht. Door
den Heer, van wien de koninklijke Profeet hier spreekt,
verstaan vele H. Vaders God den Vader, den eersten
Persoon van de H. Drievuldigheid; door het woord, God
den Zoon, den tweeden Persoon van de H. Drievuldig-
heid; en door den Geest zijns monds, God den H. Geest,
den derden Persoon van de H. Drievuldigheid. Doch dit
alles is maar een flauwe schemer, die het heldere daglicht
voorafging. In het Nieuwe Testament wordt het mys-
terie der H. Drievuldigheid klaar uitgedrukt.
Onze goddelijke Zaligmaker, alvorens ten hemel te
klimmen, beveelt zijnen Apostelen alom, de gansche
wereld door, het Evangelie te gaan verkondigen en alle
menschen te doopen in den naam der H. Drievuldigheid.
Gaat, zoo sprak Jezus tot zijne Apostelen, onderwijst
alle volkeren: Euntes docete omnes gentes; doopt hen in
den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes:
Baptizantes eos in nomine Patris, et Filii, et Spiritus
sancti.
(2) Jezus zegt in den naam, in \'t enkelvoud, om
te beteekenen de eenheid van Wezen of natuur; en • Hij
voegt er bij, des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes,
om te beteekenen de onderscheidenheid der drie Personen.
De H. Joannes in zijn eersten brief drukt zich over het
mysterie der H. Drievuldigheid klaar en duidelijk uit.
(1) Ps. xxxii, 6. (2) Matth. xxvm, 19.
-ocr page 183-
— 179 —
Drie zijn er, zegt de H. Joannes, die getuigenis gever»
in den hemel: Tres sunt qui testimonium dant in coelo r
de Vader, het Woord, d. i., de Zoon en de H. Geest:
Pater, Verbum et Spiritus sanctus, en die drie zijn maar
één, et hi tres unutn sunt. (i) Ziehier nu bij welke ge-
legenheid de drie goddelijke Personen zich aan de wereld
geopenbaard hebben; \'t was bij den doop van onzen Heer
Jezus-Christus. Onze goddelijke Zaligmaker wilde, alvorens
zijne predikatie aan te vangen, van zijn Voorlooper Joan-
nes gedoopt worden; niet dat Hij het doopsel van Joannes
noodig had, neen, maar om aan het water de kracht te
geven van de zonden af te wasschen van de menschen, die
later het H. Sacrament des Doopsel ontvangen zouden.
Jezus begaf zich dan naar den Jordaan, waar Joannes
veel anderen doopte, en Hij verzocht van hem gedoopt te
worden. Joannes wilde in den beginne daarin niet toe-
stemmen ; hij kende Jezus te goed. Ik, zoo sprak Joannes,
ik moet van U gedoopt worden, en Gij komt tot mij?
Eindelijk dan toch stemde Joannes er in toe. Jezus ging
barrevoets in het water van den Jordaan; Joannes stortte
het water uit over Jezus\' hoofd. En ziet nu wat er plaats
greep. Op het oogenblik dat Jezus uit het water kwam,
openden zich de hemelen; de H. Geest vertoonde zich
onder de gedaante eener duif, daalde over Hem neder
en rustte op Hem. Tegelijkertijd hoorde men eene stem
uit den hemel, die zeide: Deze is mijn welbeminde Zoon,
in wien Ik mijn welbehagen genomen heb: Hic est Filius
meus dilectus, in quo mihi complacui.
(2) De eerste
Persoon van de H. Drievuldigheid, de Vader spreekt,
want Hij noemt Jezus zijn Zoon; de tweede Persoon van
de H. Drievuldigheid, de Zoon, is er tegenwoordig, en
(1) Joan. v, 7. (2) Matth. nr, 17.
v
-ocr page 184-
— i8o —
de derde Persoon van de H. Drievuldigheid, de H. Geest,
verschijnt onder de gedaante eener duif. Ziedaar de open-
baring van het mysterie der H. Drievuldigheid.
SLUITREDE.
Wij hebben gezien, B. B., vooreerst, waarin het mys-
terie der H. Drievuldigheid bestaat; vervolgens, dat het
boven, doch niet tegen de rede is; en eindelijk, dat het
geopenbaard is en bij welke gelegenheid de drie godde-
lijke Personen zich geopenbaard hebben. Wat moeten
wij nu uit dit sermoon besluiten ? Wij moeten er uit
besluiten, dat wij de H. Drievuldigheid moeten eeren
door een levend geloof, door eene vurige liefde en door
een vast betrouwen.
Wij moeten vooreerst de H. Drievuldigheid gelooven,
en alhoewel wij met ons klein verstand dit geheim niet
kunnen begrijpen, en zekere naamwijzen er dikwijls
veel tegen in te brengen hebben, nochtans, ons geloof
aan het mysterie der H. Drievuldigheid moet levend zijn,
wijl God zelf, die de opperste waarheid is, het geopen-
baard heeft en ons door de H. Kerk, die naar de leering
van Christus niet kan dwalen, voorhoudt te gelooven.
Vervolgens moeten wij de H. Drievuldigheid beminnen,
één God in drie Personen, den Vader, den Zoon en den
H. Geest. En buiten de drie goddelijke Personen, die
wij moeten beminnen boven al, moeten wij ook nog- be-
minnen onzen evennaaste gelijk ons zelven. Wij moeten
door de banden der innigste liefde met God en onder
elkander vereenigd zijn. Die vereeniging met God en
onder elkander, door de banden der innigste liefde, smeekte
God de Zoon zijn hemelschen Vader voor ons af, na de
instelling van het aanbiddelijk Sacrament des Altaars.
-ocr page 185-
— i8l —
Opdat zij één zijn gelijk Wij één zijn, zoo sprak Jezus:
Ut sint umini sicut et nos unutn sumus: (i) opdat zij
allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, ten
einde ook zij één zijn in Ons, opdat de wereld erkenne,
dat Gij Mij gezonden hebt.
Eindelijk moeten wij betrouwen op de H. Drievuldig-
heid, en wij moeten vast betrouwen op den Vader, die
ons geschapen, op den Zoon, die ons verlost, en op den
H. Geest, die ons geheiligd heeft. Wat al weldaden, B. B.,
die wij van de drie goddelijke Personen ontvangen heb-
ben, èn in de orde der natuur, èn in de orde der genade!
Weldaden, die ons een waarborg zijn, dat de drie god-
delijke Personen met ons zullen zijn en blijven, en daarom
laten wij nimmer na van al onze werken te verrichten
in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes.
Eeren wij dus de H. Drievuldigheid door de akten van
geloof, hoop en liefde, door al onze werken, in den naam
der H. Drievuldigheid verricht; ja, geven wij eer en
glorie den Vader, den Zoon en den H. Geest hier op
aarde, wij zullen eenmaal het geluk hebben, van hun eer
en glorie te mogen geven in het rijk der hemelen, ge-
durende de eindelooze eeuwigheid. Amen.
(1) Joan. xvn, 21.
-ocr page 186-
TWAALFDE PREEK.
Het Allerheiligste Sacrament des Altaars.
Surge, comede; grandis enim tibi restat via.
Sta op, eet; want er blijft u een lange
weg af te leggen.
          (m Reg. xix, 7.)
INHOUD.
VOORREDE.
Het leven van den mensch is tweederlei: het natuurlijk
en het bovennatuurlijk leven. — Waarin bestaat het
natuurlijk, waarin het bovennatuurlijk leven van den
mensch? — De mensch, om zijn natuurlijk leven te
bewaren, heeft spijs en drank noodig; om zijnbovenna-
tuurlijk leven te bewaren, het lichaam en bloed van
Christus. — Het Evangelie. — Afbeeldsels van het
allerheiligste Sacrament des Altaars:
VERDEELING.
I. De boom des levens in het paradijs;
II. Het paaschlam;
III.  Het manna;
IV.  Het onder de asch gebakken brood van Elias.
-ocr page 187-
— 183 -
I.
Het eerste afbeeldsel van het allerheiligste Sacrament
is de boom des levens van het paradijs. — God legde
in het begin der schepping een lusthof aan, het aardsch
paradijs genaamd. — Talrijke boomen stonden in dien
lusthof, waaronder de boom des levens. — Eigenschap
van de vrucht van dien boom, den mensch bewaren voor
de ziekten en den dood. — Woorden van God na den
val van Adam. — Het allerheiligste Sacrament des
Altaars onder de zeven H. Sacramenten. —Uitwerksels
van het allerheiligste Sacrament des Altaars: het boven-
natuurlijk leven bewaren en vermeerderen, en ons van
het leven der genade tot het leven der glorie doen over-
gaan. — Wij moeten dikwijls naderen tot het allerhei-
ligste Sacrament des Altaars.
II.
Het tweede afbeeldsel van het allerheiligste Sacrament
is het paaschlam. — De Israëlieten zijn een afbeeldsel
van de Christenen; de slavernij van Egypte, van de
slavernij des duivels; het paaschlam, van Jezus Christus.
— De Israëlieten moesten het paaschlam eten met onge-
heveld brood, met wilde latuw, de lenden omgord, de
voeten geschoeid, een stok in de hand, staande en in
haast. — De Christenen moeten Jezus-Christus in
de H. Communie ontvangen met eene zuivere meening en
in oprechtheid en eenvoudigheid des harten, met eene
ware droefheid over hunne zonden — wij moeten onze
driften intoomen, bereid om het pad der deugd steeds
te bewandelen, gedachtig dat wij, aan reizigers gelijk,
op weg zijn naar den hemel.
-ocr page 188-
— 184 —
III.
Het derde afbeeldsel van het allerheiligste Sacrament
is het manna. — Het manna was een wonder-brood, door
de Engelen gemaakt, en vallende uit den hemel; het
moest \'s morgens vroeg en dagelijks geraapt worden, en
had een aangenamen en verschillenden smaak. — Het
manna voedde en sterkte de Israëlieten veertig jaren in
de woestijn, op reis naar het beloofde land. — Het
manna is een afbeeldsel van Jezus-Christus in de H. Com-
munie. — Woorden van Jezus tot de Joden. — Wij
moeten dikwijls tot de H. Tafel naderen. — Het aller»
heiligste Sacrament des Altaars heeft de heilzaamste en
verschillende uitwerksels. — Wachten wij ons van de
morrende Israëlieten na te volgen, die door God gestraft
werden. — Wij moeten ons dikwijls met de H. Communie
sterken, om onze reis naar den hemel te kunnen voort-
zetten, en er eenmaal in aan te landen.
IV.
Het vierde afbeeldsel van het allerheiligste Sacrament
is het onder de asch gebakken brood van Elias. — Elias
vluchtte voor Jezabel, die hem zocht te dooden. — In
de woestijn aangekomen, verlangt hij te sterven. — Ver-
schijning en woorden van den Engel tot Elias. — Elias,
na gegeten en gedronken te hebben, gaat veertig dagen
en nachten tot aan den berg Gods, Horeb. — Wij heb-
ben ook onze vijanden en moeten hen vluchten, vooral
de bedorvene wereld. — In de moeielijkheden, enz. moeten
wij tot de H. Tafel naderen, en dikwijls naderen. —
Gesterkt door de H. Communie zullen wij voortwandelen
gansch ons leven, totdat wij in den hemel aanlanden, om
God daar aanschijn aan aanschijn te aanschouwen.
-ocr page 189-
iS5 -
SLUITREDE.
Wij hebben overwogen de vier afbeeldsels van het al-
lerheiligste Sacrament: den boom des levens van het
paradijs, het paaschlam, het manna en het onder de asch
gebakken brood van Elias. — Naderen wij dikwijls tot
de H. Tafel. Gelukkig de mensch, die zich dikwijls met
Jezus vereenigt in de H. Communie! Eenmaal zal hij
zich met Jezus mogen vereenigen in den hemel.
TWAALFDE PREEK.
Het Allerheiligste Sacrament des Altaars.
Surge, comede; gramlis enim libi rental via.
Sta op, eet; want er blijft u een lange
weg af te leggen.
         (m Reg. xix, 7.)
VOORREDE.
Het leven van den mensch, B.B., is tweederlei, het
natuurlijk en het bovennatuurlijk leven. Het natuurlijk
leven bestaat in de vereeniging van de ziel met het
lichaam; wordt die vereeniging verbroken door den dood,
dan eindigt het natuurlijk leven van den mensch, of al-
thans, het wordt voor eenigen tijd onderbroken; want
in den laatsten dag des oordeels zal de ziel wederom
vereenigd worden met het lichaam, om nimmer meer te
scheiden.
Het bovennatuurlijk leven van den mensch bestaat in
-ocr page 190-
— i86 —
de heiligmakende genade; verliest de mensch die genade
door de doodzonde, dan is hij dood, dood voor God, en
hij blijft dood, totdat hij door het een of ander middel
de heiligmakende genade terug bekomt. Van het leven
der heiligmakende genade moet de mensch eenmaal over-
gaan tot het leven der glorie, dat nimmer zal eindigen.
De mensch, om zijn natuurlijk leven te behouden en
te vermeerderen, heeft spijs en drank noodig; zonder spijs
en drank kan hij niet blijven leven tenzij door een mirakel.
De mensch, om zijn bovennatuurlijk leven te behouden
en te vermeerderen, heeft ook spijs en drank noodig;
doch eene bovennatuurlijke spijs en een bovennatuurlijken
drank. En welke is die bovennatuurlijke spijs en drank ?
Gij hebt het wellicht reeds bij u zelven gedacht, B. B.
Die bovennatuurlijke spijs en drank is het lichaam en
bloed van onzen Heer Jezus-Christus. Luistert hoe het
Evangelie van dezen dag het ons leert. „Te dien tijde
„sprak Jezus tot de scharen der Joden, „Caro enim mea
„vere est cibus, et sangnis meus ver e est potus:
want
„mijn vleesch is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk
„drank. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, blijft
„in mij, en ik in hem. Gelijk de levende Vader mij ge-
„zonden heeft, en ik leef om den Vader, zoo zal ook
„hij die mij eet, om mij leven. Dit is het brood, dat
„uit den hemel is nedergedaald; niet gelijk uwe vaderen
„het manna aten, en stierven: wie dit brood eet, zal in
„eeuwigheid leven: Qui manducat /tune fanem vivet in
yfletenwm.
(i)"
Ziedaar, B. B.. de bovennatuurlijke spijs en drank voor
den mensch, om zijn bovennatuurlijk leven, het leven
der heiligmakende genade te behouden en te vermeerde-
(1) Jo.vn. vi, 59.
-ocr page 191-
- 187 —
ren, het goddelijk vleesch en bloed van onzen Heer
Jezus-Christus.
Wijl wij vandaag het plechtig feest vieren van het
goddelijk vleesch en bloed van onzen Heer Jezus-Christus,
d. i. van het allerheiligste Sacrament des Altaars, heb
ik voorgenomen, u eenige oogenblikken te spreken over
de figuren of afbeeldsels van dat H. Sacrament. De
voornaamste afbeeldsels zijn onder anderen de vier vol-
gende:
I. De boom des levens van het paradijs;
II. Het paaschlam;
III.   Het manna der woestijn;
IV.  Het onder de asch gebakken brood van Elias.
Leggen wij die vier afbeeldsels een weinig uit.
I.
Het eerste afbeeldsel van het allerheiligste Sacrament
des Altaars, is de boom des levens van het aardsch
paradijs.
God, B. B., had in het begin der schepping een prach-
tigen lusthof aangelegd, het aardsch paradijs genaamd.
In dien lusthof plaatste Hij onze eerste ouders, Adam
en Eva. Talrijke boomen, die schoon waren om te zien,
en die de aangenaamste vruchten droegen, stonden in het
aardsch paradijs. Onder die boomen prijkte de boom
des levens: Lignum vitae.{\\) Doch waarom wordt die
boom genoemd de boom des levens? Ziehier de reden.
De vrucht van dien boom bezat de eigenschap, haar van
God gegeven, om den mensch, zoo hij in de oorspron-
kelijke rechtvaardigheid volhardde en van die vrucht at,
(l) Gen. 11, 9.
-ocr page 192-
— 188 —
te bewaren, vrij van ongemakken en ziekten, in eene
immer bloeiende gezondheid, om zijne levensdagen te
verlengen en hem te vrijwaren van den dood; ja, die
vrucht zou hem onsterfelijk gemaakt hebben. God wijst
op dat wondervol uitwerksel der vrucht van den boom
des levens, als Hij, na Adam en Eva uit het paradijs
gedreven te hebben, zeide: Zorgen wij er nu voor, dat
Adam zijne hand niet uitsteke, dat hij van de vrucht
van den boom des levens niet neme, er van eete en in
eeuwigheid leve: Et vivat in acternnm. (i)
De boom des levens, B. B., van welken hier sprake is,
is een afbeeldsel van het allerheiligste Sacrament des
Altaars. Jezus-Christus stichtte zijne Kerk, een anderen
lusthof, een ander paradijs; Hij stelde de H. Sacramenten
in, zeven in getal, en in de Kerk van Christus, onder de
zeven H. Sacramenten prijkt het aanbiddelijk Sacrament
des Altaars, het Sacrament des levens, evenals de boom
des levens onder de overige boomen prijkte in het aardsch
paradijs. Welke zijn nu de vruchten, de uitwerksels van dit
Sacrament? Het aanbiddelijk Sacrament des Altaars,
waardig en dikwijls ontvangen, heeft de kracht om het
leven van den mensch te bewaren, te vermeerderen en
in het eeuwige leven te doen overgaan: niet het natuur-
lijk, het lichamelijk leven van den mensch, neen, maar
het geestelijk, het bovennatuurlijk leven der ziel, het
leven der heiligmakende genade. Ja, B. B., de Christen,
die dikwijls waardig communiceert, zal leven, leven van
het leven der heiligmakende genade, omdat hij Jezus-
Christus, die het brood des levens is, ontvangt. Immers,
Jezus zegt: Ik ben het brood des levens: Egosumpanis
vitae.
Dat leven der heiligmakende genade zal altoos
(1) Gen. in, 22.
-ocr page 193-
— iS9 —
toenemen, want die Mij eet, zegt Jezus, zal voor Mij
leven: Qui manducat me et ipse vivet propter me. Dat
leven zal, zoo de mensch dikwijls waardig communiceert,
nooit door de doodzonde verloren gaan: Ut si quis ex
ipso mandticaverit non moriatur,
en eindelijk — hetgeen
de schoonste vrucht, het krachtigste uitwerksel is — de
mensch zal van het leven der genade tot het eeuwige
leven der glorie overgaan, volgens deze woorden van
Jezus-Christus: Die dit brood eet zal in eeuwigheid leven :
Qui manducat. hunc panem vivet in aeternum. (i) Welke
schoone vruchten! Welke heerlijke uitwerksels als die
eener waardige Communie! Gij dus, die prijs stelt op het
leven uwer ziel, het leven der genade; die prijs stelt op
het eeuwige leven, die verlangt zalig te worden, in den
hemel te komen, nadert dikwijls tot de H. Tafel; nut
dikwijls het brood des levens; spijst en laaft u dikwijls
met het goddelijk vleesch en bloed van onzen Heer Jezus-
Christus; gij zult leven en blijven leven, leven hier op
;iarde door de heiligmakende genade, en eenmaal leven
hiernamaals voor eeuwig in de hemelsche glorie.
II.
Het tweede afbeeldsel van het allerheiligste Sacrament
des Altaars is het paaschlam.
Het uitverkoren volk Gods, de kinderen Israëls, B. B.,
hadden reeds jaren lang in de slavernij gezucht. God
verhoorde eindelijk hun zuchten en smeeken, en besloot
hen uit de slavernij te verlossen en het beloofde land
\'binnen te leiden. Menige plaag voor de Egyptenaren
was reeds voorafgegaan, totdat eindelijk de laatste hen
trof, waarop de verlossing der Israëlieten moest volgen.
(1) Joan. vi, C9
/
-ocr page 194-
— 190 —
Doch ziet! alvorens Egypte te verlaten, gebood God den
Israëlieten in elk huisgezin te slachten een eenjarig lam
zonder vlek of gebrek; zij mochten geen enkel been van
het lam breken; met het bloed van het lam moesten
zij de deurstijlen hunner woningen bestrijken, ten einde
bewaard te blijven voor den Worgengel, welke dien
nacht zou rondgaan, en al de eerstgeborenen der Egyp-
tenaren zou dooden. Zij moesten het op het vuur ge-
braden vleesch van het lam eten met ongeheveld brood
en wilde bittere kruiden of latuw, in de volgende hou-
ding: de lenden omgord, de voeten geschoeid, een stok
in de hand, staande en in haast. De toepassing van
hetgeen ik hier kom te verhalen, is niet moeielijk te
maken. Wij vinden er een treffend afbeeldsel in van het
christen-volk, van de slavernij des duivels, van Jezus
Christus, van de H. Communie, en van de gesteltenis,
waarin wij tot de H. Tafel moeten naderen. Wij Christe-
nen, wij zijn voorwaar een uitverkoren volk, met meer
recht zelfs dan de kinderen Israëls. Nochtans, wij bevon-
den ons ook in de slavernij, in de slavernij des duivels,
d. i., in den staat van doodzonde, die ons slaven maakt
van den duivel. Jezus-Christus, het Lam zonder vlekken,
heeft ons uit die slavernij verlost: tot dat einde heeft
Hij, brandende van liefde tot ons, zich laten slachtofferen
aan het kruis, waarlangs zijn goddelijk bloed gestroomd
heeft, en waaraan Hij, zonder dat zelfs een zijner been-
deren gebroken werd, is gestorven. Die offerande nu
wordt eiken dag nog, doch op een onbloedige wijze,
op duizenden altaren vernieuwd. Daarenboven, God gebiedt
ons van zijn goddelijk vleesch te eten, van onze zielen met
zijn goddelijk bloed als te teekenen, ten einde ze te vrij-
waren van den Worgengel, den duivel, die er op uit is om
onze zielen om te brengen, door ze te berooven van de
-ocr page 195-
— igi —
heiligmakende genade, en ze met zich te sleuren naar de
hel. Doch hoe moeten wij het lichaam en bloed van
Jezus Christus nutten? In welke gesteltenis? Naar het
voorbeeld der Israëlieten, moeten wij het nutten met
ongeheveld brood, d. i., met eene zuivere meening, in
oprechtheid en eenvoudigheid des harten, met wilde bit-
tere kruiden of latuw, d. w. z., met eene ware, oprechte
droefheid over onze zonden; de lenden omgord; ja, wij
moeten onze kwade neigingen intoomen, de begeerlijkheid
des vleesches onderdrukken; de voeten geschoeid, en
alzoo altoos bereid om het pad der deugd te bewandelen;
een stok in de hand, staande en in haast, zoodat wij
immer indachtig moeten zijn, dat wij, aan pelgrims, aan
reizigers gelijk, hier op aarde in dit tranendal geene be-
stendige verblijfplaats of woning hebben, doch dat wij op
weg, evenals de Israëlieten naar het beloofde land, met
verhaaste schreden onze reis moeten voortzetten naar
het hemelsch vaderland.
III.
Het derde afbeeldsel van het allerheiligste Sacrament
des Altaars is het manna der woestijn.
God, B. B., spijsde met het manna de Israëlieten in
de woestijn. Het manna was een wonder brood, door de
Engelen gemaakt, en vallende uit den hemel, en vandaar
dat het genoemd wordt brood der Engelen: Panem An-
gelomm manducavit homo;
(i) brood des hemels: Panem
caeli dedit cis.
Dat wonderbrood of manna moest \'s mor-
gens vroeg en dagelijks geraapt worden. Het had, bij-
zonder voor hen, die naar geen vleeschspijzen verlangden,
een aangenamen en verschillenden smaak. Het voedde
(1) Ps. lxxvii, 2i, 25.
-ocr page 196-
— 192 —
•en sterkte de Israëlieten veertig jaren lang, op hunne
reis naar het beloofde land. Het manna is een afbeeldsel
van het aanbiddelijk Sacrament des Altaars. Onze god-
delijke Zaligmaker leert het duidelijk in zijne rede tot
de Joden. Voorwaar, voorwaar ik zeg het u, zoo sprak
Jezus, niet Mozes heeft u het brood uit den hemel ge-
geven, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit den
hemel. Ik ben het levend brood, die uit den hemel ben
nedergedaald: Ego sum panis vivns, qui de coclo des-
cendi.
(1) Zoo iemand van dit brood eet, hij zal in
eeuwigheid leven. En het brood, dat ik geven zal, is
mijn vleesch, voor het leven der wereld: Et panis, quem
ego dabo, caro mea est pro mundi vita.
De Israëlieten moesten \'s morgens vroeg, voor den
opgang der zon en dagelijks het manna rapen; zoo ook
moeten wij, Christenen, ons beijveren, om, zoo niet
dagelijks, dan toch dikwijls tot de H. Tafel te naderen.
Het manna had een aangenamen en verschillenden
smaak. Zoo ook heeft het aanbiddelijk Sacrament des
Altaars de heilzaamste en verschillende uitwerksels; doch
om die uitwerksels deelachtig te worden, wachten wij
ons wel van zekere Israëlieten na te volgen, die naar
vleeschspijzen verlangden, een afkeer kregen van het
manna, en het uit minachting noemden eene smakelooze
spijs: Wij krijgen walging, zeiden zij, van dat licht
voedsel: Anima nostra jam nauseat super cibo isto levis-
simo.
(2) En welk was het gevolg van dat verlangen
naar vleeschspijzen, van het minachten van het manna ?
God strafte die Israëlieten verschrikkelijk. Zij hadden
het vleesch nog tusschen de tanden, zegt de H. Schrift,
en de toorn Gods daalde reeds op hen neder, en een
(4) Joan. vi, 41. (2) Num. xxi, 5.
-ocr page 197-
— 193 —
groot getal werd met den dood gestraft. God zond
vurige slangen onder het volk, door welke er velen
gebeten en gedood werden. Treffend afbeeldsel van de
slechte Christenen, die weinig belang stellen in het aller-
heiligste Sacrament des Altaars; die zelden tot de H.
Tafel naderen; wier smaak bedorven is door de zonden,
en wel bijzonder door de zonden van onkuischheid, be-
dreven door het involgen hunner vleeschelijke lusten;
die niets van de kracht van het allerheiligste Sacrament
gewaar worden, niets van zijne zoetigheden proeven;
die ziek worden, wegkwijnen, sterven en verloren gaan.
Dat toch nimmer dergelijk ongeluk ons treffe; en daarom,
zorgen wij van altoos goed voorbereid te zijn, om met
eene vurige begeerte en eene brandende liefde Jezus
Christus, het ware manna, uit den hemel nedergedaald,
te ontvangen; het lijdt geen twijfel, of wij zullen er reeds
in dit leven de heerlijkste vruchten van deelachtig worden.
Het manna, B. B., voedde en sterkte de Israëlieten
in de woestijn, veertig jaren lang, op hunne reis naar
het beloofde land. Zoo ook zal het aanbiddelijk Sacra-
ment des Altaars, dat waar, dat echt hemelsch manna,
zoo wij het dikwijls waardig ontvangen, ons voeden en
sterken, om in de woestijn dezer wereld, gansch ons
leven onze reis naar behooren te kunnen voortzetten, en
eenmaal aan te landen in het beloofde land, in den hemel.
IV.
Het vierde afbeeldsel van het allerheiligste Sacrament
des Altaars is het onder de asch gebakken brood van
Elias.
Tijderts de regeering van koning Achab, B. B., ver-
volgde Jezabel, zijne goddelooze huisvrouw, de Profeten
13.
-ocr page 198-
— 194 —
des Heeren. Zij deed vooral den Profeet Elias opzoeken,
zwoer zijn dood en deed hem aanzeggen: De goden
zullen mij straffen, zoo ik morgen, tegen dit uur, u niet
mede zal omgebracht hebben. Elias bevreesd, nam de
vlucht en ging eene dagreis ver de woestijn in. Daar
zette hij zich vermoeid en uitgeput neder onder een boom
en verlangde te sterven: Petivit anitnae snae ut more-
retur.
(i) Heer! zeide Elias: ik heb lang genoeg geleefd.
Neem mijne ziel van mij weg, want ik ben niet beter
dan mijne vaderen. En na aldus gesproken te hebben,
sliep Elias in onder de schaduw van den boom. En ziet!
de Engel des Heeren raakte Elias aan en zeide: Sta op
en eet: Surge, comede. En wondere zaak! Toen Elias
omzag, stond er bij zijn hoofd een onder de asch ge-
bakken brood en eene flesch met water. Elias at, dronk
en sliep op nieuw in. De Engel maakte hem ten tweede
male wakker en zeide: Sta op en eet, want gij hebt een
langen weg af te leggen: Grandis enitn tibi restat via.
Elias stond op, at en dronk, en door dat voedsel gesterkt,
ging hij veertig dagen en veertig nachten door, tot aan
den berg Gods, Horeb. Daar gekomen, werd Elias door
God getroost en hij mocht zelfs bij een wondergezicht
eenigszins de Godheid aanschouwen.
De goddelooze Jezabel stond Elias naar het leven, en
om te ontkomen moest de Profeet de vlucht nemen naar
de woestijn. B. B., een ieder onzer heeft ook zijne vij-
anden, die hem naar het leven staan, en onder die.vijan-
den bevindt zich de bedorvene wereld. Wat moeten wij
nu doen, om niet in de handen der bedorvene wereld te
vallen en door haar omgebracht te worden. Naar het
voorbeeld van Elias moeten wij vluchten, vluchten de
(1) III Reg. XIX, 4—7.
-ocr page 199-
— 195 —
gevaren en gelegenheden van zonde, de gevaarlijke
partijen en gezelschappen, de slechte huizen en personen.
Hoe dan! zal de mensch niet bezwijken, in zonde vallen,
zoo hij zich zonder reden aan de gevaren en gelegen-
heden blootstelt ? Of heeft de H. Geest dan geene waar-
heid gesproken, als Hij zeide: Die het gevaar bemint,
zal er in vergaan? Quiamatpericulum, in Uloperibit? (i)
Dus, wij moeten op de eerste plaats vluchten en de be-
dorvene wereld verlaten, zooveel als mogelijk is; vluchten
naar de woestijn, in de eenzaamheid. Ha! B. B., de
gevaren buiten de wereld en haar verderf zullen nog tal-
rijk en groot genoeg zijn. De strijd zal daarom niet
ophouden. De duivel en het vleesch zullen niet nalaten
van ons aan te vallen. Daarenboven, hoe dikwijls zit de
mensch, op allerlei wijze door kruisen en wederwaardig-
heden getroffen, evenals Elias troosteloos daar neder ?
Vermoeid en uitgeput heeft hij kracht noch moed om
voort te gaan op het pad der deugd: alles staat hem
tegen; en evenals de Profeet, vraagt hij misschien zijn
Heer en God van te mogen sterven. Welken raad dien
mensch gegeven in zijn gevaarvollen en droevigen toe-
stand? Met den Engel Gods zeg ik hem: Sta op: Surge:
eet: comede. Eet, en eet herhaalde malen, d. i., nadert,
en nadert herhaalde malen tot de H. Tafel, want uwe
reis hier in de woestijn der wereld zal nog lang duren;
neen, gij zijt nog niet aan het einde uwer loopbaan:
Grandis enim tibi restat via. (2) Ach! misschien hebt gij
nog tien, twintig, nog meer jaren te reizen, alvorens uwe
bestemming te bereiken. Bekoord door de vijanden der
zaligheid, beproefd door kruisen en wederwaardigheden, zult
gij, uitgeput en moedeloos, u dikwijls moeten versterken.
(1) Eccl. ui, 27. (2) in Reg. xix, 1.
-ocr page 200-
— 196 —
Cotnede: B. B., eet, eet dan het brood der sterken; Jezus is
dat brood der sterken, en Jezus zal u moed geven en kracht
bijzetten; gij zult niet bezwijken. Drinkt, drinkt den wijn,
die maagden voortbrengt: Vinumgerminans virgines.(i)
Het goddelijk bloed van Jezus is die wijn, en het bloed
van Jezus, dat in uwe aderen stroomt, zal u verfrisschen;
gij zult niet omkomen van dorst. Ja, nadert dikwijls tot
de H. Tafel, en door het goddelijk vleesch en bloed van
Jezus-Christus gesterkt en verfrischt, zult gij voortwan-
delen geen dagen, maar jaren en jaren, zoolang gij leeft;
gij zult den berg Gods, Horeb, bereiken, d. i., gij zult
eenmaal aanlanden daarboven in den hemel, waar God
u volkomen zal troosten, waar gij God zult zien aan-
schijn aan aanschijn, waar gij God zult bezitten en ge-
nieten, en waar gij in het bezit en genot van God voor
eeuwig zult gelukkig zijn.
SLUITREDE.
Ik heb u gegeven, B. B., eene korte verklaring van
eenige figuren of afbeeldsels van het allerheiligste Sacra-
ment des Altaars.
Het allerheiligste Sacrament des Altaars is in de H.
Kerk onder de overige H. Sacramenten het Sacrament
des levens, evenals de boom in het aardsch paradijs on-
der de overige boomen de boom des levens was.
Jezus in het allerheiligste Sacrament des Altaars is
het ware Lam zonder vlekken, waarvan het paaschlam
der Israëlieten maar een afbeeldsel is.
Jezus in het allerheiligste Sacrament des Altaars is
het ware, het echte manna, uit den hemel nedergedaald,
afgebeeld door het manna der woestijn.
(1) Zach. ix, 27.
-ocr page 201-
— 197 —
Het goddelijk vleesch en bloed van Jezus, waardig in
de H. Communie ontvangen, is inderdaad de spijs en de
drank onzer zielen, afgebeeld door het brood en het
water, door Elias genut.
In die verschillende afbeeldsels hebben wij gezien de
kostbare vruchten, de heilzame uitwerksels der H. Com-
munie. Besluiten wij daaruit van dikwijls tot de H.
Tafel te naderen, ten einde die vruchten en uitwerksels
deelachtig te worden. Gelukkig de mensch, die dikwijls
waardig te communie gaat, zich met zijnen Heer en God
vereenigt in het allerheiligste Sacrament; met Jezus ver-
eenigd, zal hij steeds braaf en deugdzaam leven, en na
dit leven zich met Jezus mogen vereenigen in den hemel.
Amen.
-^^^-
-ocr page 202-
DERTIENDE PREEK.
Het H. Hart van Jezus.
Cum düexmel suoi qui erant in mundo,
in finem dilexit eos.
Na de zijnen, die in de wereld waren,
geliefd te hebben, heeft Hij hen ten uiter-
ste lief gehad.
                  (Joan. xm, 1).
INHOUD.
VOORREDE.
Twee feesten ter eere van twee H. Harten, het H.
Hart van Jezus en het H. Hart van Maria. —Degods-
vrucht tot het H. Hart van Jezus is geene nieuwigheid;
zij dagteekent van het begin des Christendoms. — Ge-
schiedenis van de gelukzalige Margaretha Maria Alacoque.
— Woorden van Jezus tot Margaretha. — De godsvrucht
tot het H. Hart van Jezus is thans de gansche wereld
door verspreid.
VERDEELING.
I. Het voorwerp dezer godsvrucht;
II., De voornaamste beweegreden om het H. Hart
van Jezus te eeren.
-ocr page 203-
— 199 —
I.
Mysterie der Menschwording van Christus; grond der
godsvrucht tot het H. Hart van Jezus. — Welk is het
voorwerp dezer godsvrucht ? Het voorwerp dezer gods-
vrucht is tweederlei, namelijk het stoffelijk en het gees-
telijk voorwerp. — Het stoffelijk voorwerp is het H.
Hart van Jezus zelf, vereenigd met zijne menschheid en
godheid. — Wat is het H. Hart van Jezus? — Het
geestelijk voorwerp is de liefde van Jezus, waarvan het
hart het zinnebeeld is. — Men eert de werktuigen van
Jezus\' lijden, het kruis, enz.; hoeveel te meer moet men
dan het H. Hart van Jezus eeren.
II.
Welke is de voornaamste beweegreden om het H.
Hart van Jezus te eeren? De voornaamste beweegreden
is de liefde van Jezus. — Liefde van Jezus tot zijn he-
melschen Vader. — Liefde van Jezus tot ons. — Jezus
heeft zich uit liefde tot ons voor ons gegeven. — Zijne
liefde bij de menschwording, tijdens zijn verborgen en
openbaar leven, vooral tijdens zijn lijden. —Oogslagop
Jezus, zijn kruis dragende naar den Calvarieberg, gehecht
aan het kruis. — Jezus\' H. Hart doorboord, fontein der
liefde. — Jezus heeft zich uit liefde tot ons, aan ons
gegeven. — Instelling van het allerheiligste Sacrament
des Altaars, Sacrament van liefde. — Jezus geeft ons
zijn goddelijk vleesch tot spijs, zijn goddelijk bloed tot
drank. — Jezus noodigt ons uit van tot Hem te komen,
om ons met Hem te vereenigen.
SLUITREDE.
Jezus heeft ons vóór en na zijnen dood bemind, wij
-ocr page 204-
— 200 —
moeten hem wederliefde betoonen. — Woorden van Jezus:
Mijn zoon, geef mij uw hart. — Opdracht onzer harten
aan het H. Hart van Jezus.
DERTIENDE PREEK.
Het H. Hart van Jezus.
Cum dilexisset suos qui erant in mundo,
in flnem düexit eos.
Na de zijnen, die in de wereld waren,
geliefd te hebben, beeft Hij hen ten uiter-
ste liefgehad.
                    (Joan. xm, 1.)
VOORREDE.
Onze Moeder de H. Kerk viert slechts twee feesten
ter eere van twee H. Harten, namelijk, van het H. Hart
van Jezus en van het H. Hart van Maria. De godsvrucht
of de devotie tot het H. Hart van Jezus, B.B., is vol-
strekt geene nieuwigheid in de H. Kerk; zij dagteekent
in zekeren zin van het begin der H. Kerk zelve. Die
godsvrucht mag in zoo verre slechts eene nieuwigheid
genoemd worden, dat zij in vroegere tijden niet zoo
algemeen, niet onder een bijzonderen naam, noch onder
een bepaalden vorm als thans door de H. Kerk - werd
voorgesteld en aanbevolen; doch wat de zaak zelve be-
treft, zij is zoo oud als het Christendom. Zij ontstond
op den Calvarieberg, toen de soldaat met zijne lans de
zijde en het H. Hart van Jezus opende. Van dien tijd
af heeft de godsvrucht tot het H. Hart van Jezus voort-
durend, door alle eeuwen heen, hare beoefenaars, hare
-ocr page 205-
— 201 —
voorstanders en verkondigers gehad. Nochtans, \'t was
in de zeventiende eeuw, dat die schoone, die zoo heil-
zame godsvrucht eene bijzondere uitbreiding bekwam.
Ten jare 1671 leefde er in Frankrijk te Paray-le-Monial,
in \'t bisdom van Autun, in een klooster van den H.
Franciscus van Sales, eene jeugdige maagd, onbekend aan
de wereld, doch des te beter bekend aan God. In de
wereld heette die maagd Margaretha Alacoque; in het
klooster Margaretha Maria. God had eene zekere
voorliefde tot die zuivere ziel, en Hij besloot door
haar de geheimen zijner grenzenlooze liefde aan de
wereld te openbaren. Margaretha Maria bracht niet
alleen dagen, maar soms ook nachten door in de aan-
bidding van Jezus in zijn allerheiligste Sacrament. Ze-
keren dag tijdens de plechtige octaaf van het feest
van het allerheiligste Sacrament, terwijl Margaretha Maria,
wachtte en bad aan den voet des altaars, terwijl zij te-
vens nadacht over de ondankbaarheid der menschen en
de liefde van onzen goddelijken Zaligmaker, ziet! daar
verschijnt haar eensklaps Jezus-Christus, omgeven van
een hemelsch licht. Jezus toont haar door de geopende
zijde zijn goddelijk Hart. Dat H. Hart is als geplaatst
op een troon van vlammen. De wond, op den Calvarie-
berg ontvangen, is nog zichtbaar; eene doornen kroon
omgeeft het, en een kruis, schitterender dan de zon, ver-
heft zich boven op het H. Hart. Margaretha Maria,
bewogen, vervoerd, beziet eenigen tijd dat grootsche
schouwspel. Ha! B. B., \'t is wel haar beminde Zalig-
maker, dien zij erkent. Daarna spreekt Jezus zijne bruid
aan in dezer voege: „Ziedaar dat Hart, hetwelk de
„menschen zóó zeer bemind heeft, dat het niets gespaard
„heeft, om hun zijne liefde te betoonen. En in plaats
„van wederliefde ontvang Ik van het grootste gedeelte
-ocr page 206-
— 202 —
„niets dan ondankbaarheid, wegens de verachting, de
„oneerbiedigheden, de heiligschennissen en de onverschil-
„ligheid, waarmede zij Mij in mijn Sacrament van liefde
„bejegenen. Maar waaraan ik nog gevoeliger ben is, dat
„Ik ook alzoo behandeld word door harten, die Mij zijn
„toegewijd. Daarom vraag Ik u van te zorgen, dat er
„op den eersten vrijdag der octaaf van het H. Sacrament
„een bijzonder feest gevierd worde, om mijn H. Hart te
„eeren, en om de gruwelijke onteeringen te herstellen,
„welke mijn Hart worden aangedaan tijdens de uitstelling
„van mijn H. Sacrament op de altaren." Margaretha
Maria gehoorzaamde. God, die het zwakke driewerf uit-
kiest om het sterke te beschamen, zegende de pogingen
zijner bruid. Deze zegevierde over alle hinderpalen,
welke haar in den weg gelegd werden door de Janse-
nisten en goddeloozen. Want ziet! eenige jaren later
vergaderden op verzoek der doorluchtige koningin Maria
Theresia te Parijs, de hoofdstad van Frankrijk, al de
bisschoppen des rijks, en van daar verkondigden zij een-
parig de echtheid van de godsvrucht tot het H. Hart
van Jezus. Deze godsvrucht, eerst algemeen gewor-
den in Frankrijk, verspreidde zich weldra door gansch
Europa, drong door tot in China en Canada, en thans
is zij overal gekend en geoefend; zij is de meest geliefde
godsvrucht der harten, die Jezus liefhebben en beminnen.
Wijl wij vandaag het feest van het H. Hart van Jezus
vieren, heb ik voorgenomen u eenige oogenblikken- te
onderhouden over het voorwerp van dit feest, niet om u
het H. Hart van Jezus te doen beminnen — gij allen,
ik ben er verzekerd van, bemint het — doch om u in de
liefde tot het H. Hart van Jezus te doen aangroeien.
Ziehier de twee punten die wij gaan verhandelen.
-ocr page 207-
— 203 -
I. Welk is het voorwerp der godsvrucht waarvan
hier spraak is ?
II. Welk is de voornaamste beweegreden om het H.
Hart van Jezus te eeren ?
I.
En wel vooreerst, welk is het voorwerp der godsvrucht
waarvan hier spraak is?
Om zulks wel te verstaan, B. B., is het goed eerst na
te denken over de waardigheid van onzen Heer Jezus-
Christus. In Jezus-Christus, gelijk het geloof ons leert,
is maar één Persoon, de goddelijke Persoon, de tweede
Persoon van de H. Drievuldigheid. Die Persoon heeft
twee naturen, namelijk de goddelijke en de menschelijke
natuur; de goddelijke natuur in eeuwigheid, d. i., zonder
beginsel, wijl Jezus Christus in eeuwigheid van God zijn
hemelschen Vader voortkomt; de menschelijke natuur
van den tijd dat Hij is mensch geworden uit de zuivere
Maagd Maria, dat is nu 18... jaren. Ziedaar het ge-
heim van de Menschwording van Christus.
In dit geheim nu ligt eigenlijk de grond van de gods-
vrucht tot het H. Hart van Jezus. Ziehier hoe een god-
vruchtig schrijver (i) antwoordt op de vraag, welk eigen-
lijk het voorwerp is der godsvrucht tot het H. Hart van
Jezus.
Alle Katholieken, zegt die schrijver, stemmen overeen
en erkennen dat het voorwerp dier godsvrucht tweevoudig
is in zijne eenheid, het stoffelijk en het geestelijk voor-
werp.
Door het stoffelijk voorwerp, en dat onder het bereik
der zintuigen valt, moet verstaan worden het eigenlijke
(1) De Eerw. Pater Ramière S. J.
-ocr page 208-
— 204 ----
H. Hart van Jezus, gevormd door God den H. Geest
uit het zuivere bloed van de zuiverste der Maagden, van
de allerheiligste Maagd Maria. Dat H. Hart moet niet
gescheiden worden noch van de menschheid, noch van
de godheid, waarmede het onafscheidbaar vereenigd is
en blijft.
Het H. Hart van Jezus, B. B., is het edelste deel van
het lichaam van den Zoon Gods, mensch geworden; dus
van het heiligste, van het volmaaktste lichaam, dat ooit
gevormd is. Het is het beginsel van het leven van den
Zoon Gods, mensch geworden; dus van het heiligste,
van het volmaaktste aller levens.
Het H. Hart van Jezus is het edelste orgaan van de
gevoelens der ziel van den Zoon Gods; dus van de hei-
ligste, van de volmaaktste der zielen. Het is gansch
bijzonder het orgaan der liefde van den Zoon Gods, van
zijne liefde tot God en de menschen.
Het H. Hart van Jezus is het voornaamste heiligdom
van God den H. Geest, door wien het gevormd is en
bewoond. Het is de bron van het goddelijk bloed, dat
de Zoon Gods vergoten heeft voor de zaligheid der men -
schen; in één woord, het H. Hart van Jezus is het
H. Hart van den God-mensch, en vandaar dat het het
waardigste voorwerp is van onze liefde, van onze veree-
ring en aanbidding, evenals Jezus-Christus zelf, wiens
H. Hart het is.
Door het geestelijk voorwerp moet verstaan worden de
liefde van Jezus, waarvan het hart het zinnebeeld is;
liefde, waarmede Jezus niet alleen zijn hemelschen Vader,
maar ook ons bemind heeft en nog bemint; liefde, waar-
van Hij ons de doorslaandste bewijzen gegeven heeft,
vooral tijdens zijn lijden, en die Hij ons nog geeft, bij-
zonder in het aanbiddelijk Sacrament des Altaars.
-ocr page 209-
— 205 —
Uit deze weinige woorden wel begrepen, blijkt, dat
beide voorwerpen, het stoffelijk en het geestelijk voor-
werp, maar één voorwerp uitmaken; want wij beminnen,
vereeren en aanbidden het H. Hart van Jezus als zinne-
beeld der liefde, en de afgebeelde liefde in zijn H. Hart.
Bijgevolg, onder welk oogpunt men het voorwerp ook
beschouwe, \'t is het heiligste, het volmaaktste voorwerp,
dat men zich kan voorstellen; een voorwerp onze liefde,
onze vereering en aanbidding overwaardig; \'t is het Hart
van eenen God, die ons zoo teeder bemind heeft en nog
bemint; \'t is Jezus zelf, beschouwd in het edelste lidmaat
zijner menschheid, in zijn H. Hart, en in de schoonste
eigenschap zijner godheid, in zijne liefde. Veronderstelt
eens een persoon in \'t bezit van een der overblijfsels of
reliquiën van het lijden van onzen goddelijken Zaligma-
ker, bijv., van een deeltje van het H. Kruis, waaraan
Jezus gestorven is; van een der nagelen, die zijne geze-
gende handen of voeten doorboorden; van een der door-
nen van de kroon, die het goddelijk hoofd van Jezus
wondden. O, wat zou die persoon zich gelukkig achten!
Met welken eerbied zou hij die voorwerpen in zijne han-
den nemen, met welke teedere godsvrucht aan zijne
lippen brengen, en met welke liefde aan zijn hart druk-
ken! En die persoon, B. B., had volslagen gelijk; want
die voorwerpen zijn onzen eerbied, onze godsvrucht en
onze liefde waardig, wijl zij geheiligd zijn door de lede-
maten van onzen goddelijken Zaligmaker, geverfd met
het goddelijk bloed van Jezus-Christus. Doch ik vraag
het: Wat zijn die voorwerpen, hoe waardig ook, in ver-
gelijking van het H. Hart van Jezus? Zietdaar dus, B.B.,
waarin beide voorwerpen, het stoffelijk en het geestelijk
voorwerp van de godsvrucht tot het H. Hart van Jezus
bestaan; beide maken om zoo te zeggen maar één voor -
-ocr page 210-
— 206 —
werp uit. Zien wij nu in ons tweede punt de voornaamste
beweegreden, waarom wij het H. Hart van Jezus moe-
ten eeren.
II.
Welke is de voornaamste beweegreden, waarom wij het
H. Hart van Jezus moeten eeren?
De voornaamste beweegreden, B. B., is de liefde van
Jezus, liefde, waarmede Jezus zijn hemelschen Vader en
ons menschen bemind heeft.
Niemand voorzeker heeft God den hemelschen Vader
zoo innig, zoo vurig bemind, als Jezus, zijn mensch ge-
worden Zoon. Vandaar de ijver, waarvan Jezus brandde
voor de glorie van zijn hemelschen Vader; de droefheid
en smart, welke Hij gevoelde op het gezicht der belee-
digingen, zijn hemelschen Vader aangedaan. Vandaar
de gehoorzaamheid aan zijn hemelschen Vader tot den
dood, ja tot den dood des kruises. Doch \'t is vooral
over de liefde van Jezus tot ons menschen, dat wij moe-
ten spreken; liefde, waarmede Jezus ons bemind heeft
tijdens zijn leven, en waarmede Hij ons nog bemint na
zijnen dood.
Gansch het leven van onzen goddelijken Zaligmaker,
B. B., te beginnen van de kribbe te Bethleëm, tot aan
het kruis op den Calvarieberg, gansch zijn leven is eene
reeks, een aaneenschakeling van liefdedaden voor ons
geweest. Ik zal slechts de voornaamste aanhalen.
Na den val en door den val van Adam en Eva waren
wij allen, volgens de uitdrukking van den H. Augustinus,
gelijk aan eene verworpen menigte. En die verworpen
menigte lag daar als in een poel van ellenden, en wen-
telde zich, en stortte van den eenen afgrond van ellenden
in den anderen. God sprak het doodvonnis uit over
-ocr page 211-
— 207 —
Adam en Eva en gansch hun nakomelingschap, omdat
zij het gebod, hun van God gegeven, schandelijk over-
treden hadden. Doch ziet! nauwelijks heeft God het
vonnis over hen uitgesproken, nauwelijks zijn zij der
ellenden prijs gegeven, of zij aanschouwen in het blijde
verschiet hunnen Verlosser, hunnen Zaligmaker, die hen
zoo niet in alle, dan toch in de voornaamste rechten
herstellen zal. Wie is die Verlosser, die Zaligmaker ?
Niemand anders dan Jezus-Christus; en die Jezus-Christus
zal als middelaar tusschen den beleedigden Schepper en
het ongehoorzame schepsel optreden. Hij zal vergif-
fenis voor dat schepsel afsmeeken, de voldoening voor
de overtreding van het gebod van God op zich ne-
men, en eindelijk zal Hij het vonnis van den eeuwigen
dood, dat over ons allen uitgesproken was, vernietigen.
God de Vader belooft den Verlosser; God de H. Geest
overlommert de ootmoedige Maagd Maria bij de Mensch-
wording van Christus, en Jezus bij zijne Menschwording
springt van vreugde op, om zijne, alhoewel moeielijke
en pijnlijke taak, namelijk, de verlossing van het mensch-
dom, te beginnen: Exultavit ut gigas ad currendam
viam suam.
(i) Van dat oogenblik af, B. B., heeft Jezus
onafgebroken zijn oog op dat grootsche werk gevestigd.
Hij stelt zich gansch zijn levensloop voor den geest.
Hij voorziet de pijnen en smarten, de mishandelingen en
folteringen, die Hij van zijne vijanden staat te verwachten.
Want denkt niet dat Jezus zijn lijden dan eerst begonnen
heeft, toen Hij door Judas verraden, zijnen vijanden werd
overgeleverd. Neen, B. B., maar van zijne geboorte af
werd zijn kinderlijk Hart, dat van liefde tot ons men-
schen brandde, met wreede geesels als verscheurd,
(1) Ps. xviii, 6.
-ocr page 212-
— 208 —
met scherpe doornen als gekroond, en met plompe na-
gelen als aan het kruis gehecht. Van dat oogenblik af
gevoelde het H. Hart van Jezus als het ware reeds de
wond, welke het eenmaal op den Calvarieberg moest
ontvangen, als de soldaat met zijne lans Jezus\' zijde
doorboren zou. Ik spreek van den Calvarieberg. Zien
wij eens met welke liefde Jezus bezield is op weg naar
die strafplaats.
Mij dunkt, B. B., ik zie Jezus. Zijn H. Hart brandt
van liefde tot ons; Hij verlangt niets zoozeer als te
lijden en te sterven voor onze zaligheid. Op het punt van
naar den Calvarieberg te gaan, staat Jezus daar, bleek,
met doornen gekroond, met wonden overdekt, met bloed
besmeurd. Hij is omgeven van soldaten en beulen,
die Hem uitlachen en bespotten. Een dier onmenschen
biedt Hem het Kruis aan. Jezus groet het minzaam,
neemt, omhelst en legt het op zijne doorwonde schouders.
Jezus is gereed om te vertrekken. Doch mijn goddelijke
Zaligmaker, mijn lieve Jezus! waar gaat Gij naar toe ?...
Ik ga naar den Calvarieberg... En wat gaat Gij op
den Calvarieberg doen, mijn Jezus ?... Op den Calvarie-
berg ga Ik den kruisdood sterven om u het leven te
geven... Doch mijn Jezus, Gij zult den Calvarieberg niet
bereiken; Gij zult onder weg bezwijken... Ja, mijn kind,
Ik zal vallen, en Ik zal herhaalde malen vallen onder mijn
kruis, maar Ik zal telkens opstaan... Maar, goede Jezus,
Gij gaat onder weg sterven... Neen, mijn kind, Ik zal
onder weg niet sterven; mijne liefde tot u zal Mij staande
houden, zij zal Mij kracht bijzetten, om den Calvarieberg
te bereiken; want \'t is daar, dat Ik voor u mijn leven
wil ten beste geven, dat Ik voor u wil sterven. En ziet!
Jezus, beladen, evenals een andere Isaac met het hout
voor het offer bestemd, gaat vooruit; Hij buigt onder
-ocr page 213-
— 209 —
•den last van het kruis. Gestooten en geslagen, op aller-
lei wijzen mishandeld door de soldaten, vervolgt Jezus
zijnen weg, en na veel moeielijkheden en na dikwijls
gevallen te zijn, bereikt Hij het toppunt van den berg.
De beulen slaan terstond hunne bezoedelde handen aan
het Lam zonder vlekken. Zij gebieden Jezus van zich
op het kruishout neer te leggen. Jezus biedt hun zijne
handen en voeten aan. De beulen slaan ze met eenige
nagelen aan het kruis vast. Daarop richten zij het kruis
in de hoogte en stellen tusschen hemel en aarde den
standaard van vrede ten toon. Het goddelijk bloed van
Jezus stroomt op den grond neder; Jezus wil dat het tot
den laatsten druppel toe vergoten worde. Een soldaat
nadert het kruis, heft zijne lans omhoog, stoot ze in Jezus\'
zijde en opent er zijn H. Hart mede, waaruit terstond bloed
en water vloeide, zegt de H. Joannes: Et continuo exivit
sanguis et aqua.
(i) Ziedaar, B. B., het H. Hart van
Jezus geopend, Hart dat ons dienen moet tot schuilplaats!
Ziedaar de fontein, die voor ons ten eeuwigen leven ont-
sprongen is! Welaan dan getrouwe zielen van Jezus! gij
die dorst van liefde tot uw goddelijken Meester. Nadert
en stelt u onder het kruis; lescht uwen dorst aan die
fontein der liefde. Ja, wat meer is, de arme zondaar,
mits hij berouw hebbe over zijne zonden, hij nadere ook
met betrouwen; hij stelle zich ook onder het kruis; het
bloed van het Lam zonder vlekken zal op hem neder-
vallen, en zijne zonden, al waren zij ook rood als schar-
\'\'laken, zij zullen wit worden als sneeuw: Quasi nix dc-
albabnntur.
(2) O lieve Jezus! gedachtig aan uwe liefde,
moeten wij met den Apostel Paulus uitroepen: Hij heeft
mij bemind en zich zelven voor mij overgeleverd: Dilexit
(1) Joan. xix,. 34. (.2) .Is. I, 18.
14.
-ocr page 214-
— 2IO —
me et tradidit semetipsum pro me. (i) Doch B. B.r
dit is niet alles, hiertoe bepaalt zich de liefde van Jezus
niet; Hij die zich vóór ons gegeven heeft, heeft zich ook
nog aan ons gegeven, en ziehier op welke wijze.
Nadat Jezus met zijne leerlingen het paaschlam gegeten
en hun de voeten gewasschen had, wetende dat het uur
gekomen was van deze wereld te verlaten en tot zijnen
Vader weder te keeren, zoo wilde Hij zijnen Apostelen,
die Hij zoo teeder bemind had, een laatste blijk zijner
liefde geven. Jezus neemt het brood in zijne heilige en
eerbiedwaardige handen, zegent, breekt en geeft het aan
zijne Apostelen, zeggende: Neemt en eet, dit is mijn
lichaam: Hoc est corpus meutn. (2) Insgelijks neemt Jezus
den kelk met wijn, dankt en reikt zijnen Apostelen dien
over, zeggende: Neemt en drinkt allen hieruit, want dit is
mijn bloed: Hic est enitn sanguis meus. Aldus ontvouwde
Jezus voor zijne leerlingen, alvorens deze wereld te ver-
laten, den onschatbaren rijkdom zijner onbeschrijfelijk
teedere liefde. Doch, B. B., Jezus stelde het allerheiligste
Sacrament des Altaars niet alleen voor zijne Apostelen,
maar ook voor ons in. Hij heeft zijn goddelijk vleesck
en bloed niet alleen aan hen, maar ook aan ons tot spijs
en drank gegeven. Onze goddelijke Zaligmaker is die
persoon, van welken Hij zelf spreekt, als Hij zegt: Zeker
man had een groot avondmaal bereid: Homo quidam
fecit caenam magnam
(3) en toen het uur van het avond-
maal gekomen was, zond hij zijne dienaren naar de uit-
genoodigden om te zeggen, dat zij zouden komen, wijl
alles gereed was. Jezus, brandende van begeerte om zich
aan ons te geven, zegt: Komt en eet het brood, dat is,
mijn lichaam: Venite, comedite panem : Komt en drinkt
(1) Gal. 11, 20. (2) Matth. xxvi, 26. (3) Luc. xiv 16.
-ocr page 215-
— 211 —
den wijn, dat is, mijn bloed, dien ik voor u bereid heb:
Et bibite vinum quod miscui vobis. Jezus in onze taber-
nakels, als op den troon zijner genade gezeten, roept
ons toe: Komt allen tot mij, die belast en beladen zijt,
en ik zal u verkwikken. Vraagt, zegt Jezus, en gij zult
verkrijgen. Hij verlangt niets zoo zeer dan ons met zijne
genaden en weldaden te overladen; zijn H. Hart brandt
van liefde om zich met het onze te vereenigen. Voorze-
ker, B. B., wanneer wij zien, van den eenen kant de
groote waardigheid van Hem die ons bemint, en van den
anderen kant de groote onwaardigheid van ons, die Jezus
bemint, staan wij dan niet verbaasd ? Kunnen wij wel
de kleinste reden vinden, om aanspraak te maken op die
liefde ? Voorzeker, neen; doch wij moeten veeleer in die
liefde een geheim erkennen en uitroepen: Die liefde is
Jezus-Christus alleen eigen, en die liefde kan niet verder.
SLUITREDE.
Ik heb u verklaard, B. B., vooreerst, waarin eigenlijk
het voorwerp der godsvrucht tot het H. Hart van Jezus
bestaat; vervolgens, de voornaamste beweegreden, waarom
wij dat H. Hart moeten eeren. Die beweegreden is vooral
Jezus\' liefde tot ons, vóór en na" zijnen dood. Die liefde
van Jezus, volgens de uitdrukking van den Apostel Paulus,
praamt ons: Charitas enim Christiurgetnos,(i)d.w.z.,
zij zet ons aan om aan die liefde te beantwoorden en
dankbaar te zijn. En hoe zullen wij er aan beantwoorden
en dankbaar zijn ? Wat zullen wij den Heer wedergeven
voor alles, wat Hij ons gegeven heeft? Quidretribuam
Domino pro omnibus quae retribuit mihi?
(2) Gelukkig!
Jezus laat ons weten, wat Hij verlangt. En wat verlangt
(1) 11 Cor. v, 13. (•.\') Pe. cxv, 12.
-ocr page 216-
— 212 —
Jezus? Mijn zoon, mijne dochter, zegt Hij, geef mij uw
hart: Praebe, fili mi, cor tuunt mikt. (i) Ziedaar wat
Jezus verlangt, wat Hij vraagt, liefde voor liefde, hart
voor Hart. En wij zouden aan dat verlangen niet vol-
doen, wij zouden die vraag durven weigeren ? Neen lieve
Jezus! Wij geven u onze harten; Gij alleen hebt er
aanspraak op. Gij, die onze harten geschapen, door uw
goddelijk bloed vrijgekocht hebt, Gij alleen hebt het recht
van ze te bezitten. O zoete liefde van God! (2) O vlam
onzer harten! O driewerf heilig vuur! O koesterende
warmte onzer zielen! O heilig vuur, dat de eigenschap
heeft van uit te doven en te ontsteken! doof in onze
harten alle ongeregelde liefde tot het schepsel uit, en doe
ze van liefde tot Jezus ontbranden. En gij, o Maria!
Moeder van Jezus en tevens onze Moeder, gij zijt de
Moeder der schoone liefde: Mater pulchrae dilectionis. (3)
Gij hebt het eerst het H. Hart van Jezus, uwen Zoon,
bemind, geëerd en aanbeden. Uw H. Hart, zoo gelijk-
vormig aan het H. Hart van Jezus, was er mede ver-
eenigd en is er altoos mede vereenigd gebleven. Wij
bidden u, o Moeder der schoone liefde! neem onze harten;
wij schenken ze u. Vereenig onze harten met het uwe,
opdat zij, met het uwe vereenigd, des te aangenamer zijn
mogen aan het H. Hart van Jezus, uwen Zoon. Ja, goede
Moeder Maria, wij bidden en smeeken u: verkrijg ons
de genade, van naar uw voorbeeld het H. Hart van Jezus,
uw goddelijken Zoon, hier op aarde te beminnen, te eeren
en te aanbidden, gedurende den tijd, om daarna het
geluk te hebben, van met u datzelfde H. Hart te mogen
beminnen, eeren en aanbidden in den hemel, gedurende
de eindelooze eeuwigheid. Amen.
(1) Prov. xxiir, 26. (2) 0 Dulcis amor Dei, etc. (3) Eccl. xxiv, 24.
-ocr page 217-
VEERTIENDE PREEK.
De H.H. Apostelen Petrus en Paulus.
In morte quoque non sunt divisi.
In den dood zijn zij ook niet gescheiden,
(n Reg. i, 23.)
INHOUD.
VOORREDE.
Treurzang van David op Saül en Jonathas, gesneuveld
op de bergen van Gilboë, als lofzang toegepast op de
H.H. Apostelen Petrus en Paulus.
VERDEELING.
I. Petrus en Paulus tot Apostelen verkozen;
II. Zij arbeiden gansch hun leven voor Jezus-Christus;
III. Zij vergieten hun bloed voor Jezus-Christus.
I.
Petrus en Paulus tot Apostelen verkozen. — Petrus
door Jezus aangesproken. — Eerste uitnoodiging van
Petrus om Jezus te volgen. — Tweede uitnoodiging na
eene rijke vischvangst: daarop volgde Petrus Jezus. —
Petrus met elf anderen tot Apostel verkozen. — Jezus
-ocr page 218-
— 214 ---
belooft Petrus aan het hoofd der Apostelen te stellen;
kort na zijne hemelvaart stelt Hij hem aan het hoofd
der gansche Kerk.
Marteldood van den diaken Stephanus. — Bekeering
van Paulus op weg naar Damascus, woorden van Jezus
tot Paulus, vraag van Paulus en antwoord van Jezus op
diens vraag. — Ananias bij Paulus, Paulus van zijne
blindheid genezen en gedoopt. — Petrus en Paulus heb-
ben enkel aan Gods genade te danken van tot Apostelen
verkozen te zijn. — Waaraan hebben wij te danken van
uit Katholieke ouders geboren en gedoopt te zijn?
II.
Petrus en Paulus arbeiden gansch hun leven voor Jezus-
Christus. Eerste sermoon van Petrus na de nederdaling
van den H. Geest: bekeering van ongeveer 3000 man. —
Petrus en Joannes op weg naar den tempel, genezing
van een lamgeborene. — Tweede sermoon van Petrus,
bekeering van 5000 man. — Petrus en Joannes gevangen
genomen en voor de rechtbank gedaagd. — De Apostelen
andermaal in de gevangenis geworpen, worden door een
Engel verlost. — Petrus en Joannes voor de rechtbank
gedaagd om zich te verantwoorden, worden gegeeseld,
daarna losgelaten. — De vervolging te Jeruzalem geeft
aanleiding tot de verspreiding van Jezus\' leer. — Philip-
pus predikt te Samaria: Petrus en Joannes derwaarts ge-
zonden om het H. Vormsel toe te dienen. — Petrus te
Jeruzalem terug, bezoekt de kerken; hij geneest Aeneas
te Lydda en wekt Tabitha op te Joppe; velen door die
twee wonderen bekeerd. — Prediking van het Evangelie
aan de Heidenen. — Petrus begeeft zich naar Cornelius
en doopt hem met gansch zijn huisgezin: vreugde der
-ocr page 219-
— 215 —
geloovige Joden over den roep der Heidenen. — De
Apostelen verkondigen het Evangelie aan Joden en Hei-
denen. — Petrus sticht de Kerk van Antiochië, Alexan-
drië en predikt op verschillende plaatsen van Asië. —
Petrus door Koning Herodes Agrippa in de gevangenis
geworpen, wordt door een Engel verlost. — Na verschil-
lende kerken gesticht en in het geloof bevestigd te heb-
ben, vertrekt Petrus naar Rome, waar hij zijn bisschop-
pelijken zetel vestigt. — Hij komt tweemaal te Jeruzalem
terug om eene vergadering voor te zitten, en om een
opvolger van Jacobus den Mindere te benoemen. — Petrus
komt te Rome terug, waar hij met Paulus het Evangelie
verkondigt. — Twee brieven van den H. Petrus.
Paulus bekeerd, begint terstond Jezus te prediken. —
Paulus moet Damascus verlaten en begeeft zich naar
Arabië. — Te Damascus teruggekeerd, wordt hij in eene
mand langs den stadsmuur afgelaten. — Paulus vertrekt
naar Jeruzalem om Petrus te zien, naar Tarsus zijne ge-
boorteplaats, naar Antiochië, waar de geloovigen voor
het eerst Christenen genoemd worden. — Aalmoezen
door Paulus en Barnabas den geloovigen te Jeruzalem
gebracht. — Terugreis naar Antiochië. — Paulus en
Barnabas uitgekozen om den Heidenen het Evangelie te
verkondigen. — Paulus slaat te Paphos den toovenaar
Elymas met blindheid. — Te Antiochië in Pisidië wordt
hij vervolgd. — In Iconie wil men hem steenigen. —
Te Lystra geneest Paulus een lamgeborene; eerst wil
men hem als een god eeren, daarna steenigt men hem. —
Paulus vertrekt naar Macedonië, verlost te Philippi eene
dochter van een waarzeggenden geest, wordt gegeeseld
en in de gevangenis geworpen. — Paulus te Athene. —
Hij verwekt een jongeling te Troas, die dood gevallen
was. — Paulus, steeds heviger vervolgd, beroept zich op
-ocr page 220-
— 2l6 —
den keizer. — Drie reizen van Paulus: wat hij op die
reizen geleden heeft. — Veertien brieven van Paulus. —
Petrus en Paulus roepen ons toe: Weest onze navolgers,
gelijk wij die van Christus zijn. — Hoe volgen wij hen na?
III.
Petrus en Paulus vergieten hun bloed voor Jezus-Chris-
tus. — Petrus en Paulus te Rome; zij prediken het
Evangelie; bekeeringen tot in het paleis van den Keizer.
Simon de toovenaar valt dood op het gebed der Apos-
telen. — Vervolging onder Nero. — Verschijning van
Jezus aan Petrus. — Petrus en Paulus in de gevangenis;
bekeering hunner bewakers; bron in de gevangenis ont-
sprongen. — Petrus, na gegeeseld te zijn, wordt gekruist
met het hoofd naar beneden. — Paulus als romeinsch
burger wordt onthoofd. — Bekeering van den beul en
diens gezellen. — De drie fonteinen. — Petrus en Paulus
vergieten hun bloed voor Jezus-Christus; wij moeten ten
minste uit liefde tot Jezus lijden.
SLUITREDE.
Gebed tot de H.H. Apostelen Petrus en Paulus, voor
Rome en voor gansch de Katholieke Kerk.
-ocr page 221-
---- 217 —
VEERTIENDE PREEK.
De H.H. Apostelen Petrus en Paulus.
In morle quoquc non gunt divisi.
In den dood zijn zij ook niet geschei-
den.
                                (n Reg. i, 23.)
VOORREDE.
De H. Schrift, B. B., verhaalt ons in het tweede boek
der Koningen, hoe David zekeren dag zich uitliet in een
treurzang over Saül en diens zoon Jonathas, na vernomen
te hebben, dat beiden in een gevecht tegen de Philistijnen
op de bergen van Gilboë gesneuveld waren. Saül en
Jonathas, zoo sprak David, van elkander zoo geliefd,
elkander zoo dierbaar in hun leven; sneller waren zij dan
arenden, sterker dan leeuwen; in den dood ook zijn zij
van elkander niet gescheiden: In morte quoque non snnt
divisi. (i)
Mij dunkt, B. B., dat wij de aangehaalde woorden van
David op Saül en Jonathas, te recht op de twee Apos-
telen, wier feest wij heden vieren, wel niet in een treur-
zang, maar in een lofzang mogen toepassen. En inder-
daad; Petrus en Paulus waren van elkander geliefd; ja,
beiden beminden elkander teeder; zij waren elkander
dierbaar gansch hun leven; sneller waren zij dan arenden,
gezien de snelheid, waarmede zij alom het Evangelie
verkondigden; sterker waren zij dan leeuwen, gezien de
moeielijkheden, waartegen zij te kampen hadden, en die
zij te boven kwamen. Vereenigd met elkander in Jezus-
(1) il Reg. i, 23.
-ocr page 222-
— 218 —
\'Christus gedurende hun leven, zijn zij in den dood ook
niet van elkander gescheiden: In morte quoqne non sunt
divisi.
Petrus en Paulus, beiden tot Apostelen verkozen,
terwijl deze inzonderheid bestemd was om den Heidenen,
gene om den Joden het Evangelie te verkondigen, wijdden
gansch hun leven toe aan de taak, hun door hun god-
delijken Meester opgelegd, totdat zij ze eindelijk vol-
brengen te Rome, waar zij hun leven ten beste geven
voor Jezus-Christus.
Daar wij heden het feest vieren der H.H. Apostelen
Petrus en Paulus, zien wij eens die twee Heiligen:
I. Tot Apostelen verkozen door Jezus-Christus;
II. Hun leven lang arbeiden voor Jezus-Christus;
III. Hun bloed vergieten voor Jezus-Christus.
I.
De eerste maal, B. B., dat onze goddelijke Zaligmaker
Petrus Izag, was, toen Andreas, de broeder van Petrus,
hem bij Jezus bracht. Jezus Petrus ziende zeide: Gij zijt
Simon, zoon van Jonas — deze was eigenlijk de naam
van Petrus — gij zult Cephas — Petrus — genoemd
worden. Later, toen Jezus zekeren dag langs het strand
wandelde, zag Hij twee broeders, Simon, Petrus genaamd,
en Andreas, terwijl zij hunne netten in zee wierpen, want
zij waren visschers. Jezus zeide tot hen: Volg mij! Ik
zal menschen-visschers van u maken: Faciam vos fieri
piscatores hominum.
(i) Petrus en Andreas lieten terstond
hun vischtuig liggen en volgden Jezus. — Eerste roep
van Petrus.
Een andermaal, toen Jezus door het volk bestormd werd,
(1) Matth. iv, 19.
-ocr page 223-
— 219 —
gebood Hij Petrus een weinig van land te steken. Jezus
ging in het schip zitten, en vandaar uit onderwees Hij
het volk. Na het volk onderwezen te hebben, zeide Hij tot
Petrus: Duc in altum:{\\) Vaar hooger op, etmitte retia
in capturutn,
en werp uwe netten uit ter vischvangst.
Petrus antwoordde: Meester! wij hebben den gansenen
nacht gearbeid en niets gevangen; doch op uw woord
zal ik het net uitwerpen: In verbo autem tuo laxabo rete.
Zij wierpen het net uit en vingen eene zoo ontzettende
menigte visch, dat het net scheurde. Twee vaartuigen
werden gevuld met visch tot zinkens toe. Toen Petrus
zulks zag, viel hij voor Jezus op de knieën en zeide:
Heer! ga van mij uit, want ik ben een zondig mensch:
Exi a me, quia homo peccator sum, Domine. (2) Jezus
zeide tot Petrus: Vrees niet; van nu af zult gij men-
schen vangen. De leerlingen stuurden het schip naar
het land; zij verlieten alles en volgden Jezus. Petrus is
dus tot tweemaal toe geroepen, om Jezus te volgen;
thans hecht hij zich aan Jezus en volgt Hem gestadig.
Maar Petrus is nog niet tot Apostel verkozen. Ziehier
bij welke gelegenheid hij tot Apostel verkozen is.\'
Toen Jezus zekeren dag eene menigte zieken genezen
had, beklom Hij eenen berg en bracht den ganschen
nacht door in het gebed. Dag geworden zijnde, koos
Hij er onder zijne leerlingen twaalf uit, die Hij Aposte-
len of zendelingen noemde; zij moesten bij Hem blijven.
Die twaalf waren: Simon Petrus en diens broeder An-
dreas, Jacobus en Joannes, enz. Gij ziet, Petrus komt
op de eerste plaats. Overal, tijdens het openbaar leven
van ^ezus, zullen wij zien, dat Petrus eene bijzondere
plaats inneemt. Nochtans, Petrus was nog niet aan het
il) Luc. v, 4. (2) Luc. v, 8.
-ocr page 224-
---- 220
hoofd der overige Apostelen gesteld; Jezus zou hem die
waardigheid eerst beloven, daarna zou Hij hem er mede
bekleeden. Zekeren dag vroeg Jezus zijne Apostelen:
Voor wien houden de menschen den Zoon des menschen ?
Quetn dicunt hommes esse filium hominisf (i) Zekere
leerlingen antwoordden: Eenigen houden Hem voor Joan-
nes den Dooper, anderen voor Elias; sommigen voor
Jeremias of voor eenig ander Profeet. Maar gij, voor
wien houdt gij mij ? zeide Jezus. Daarop antwoordt Pe-
trus: Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God:
Tu es Christus, filius Dei vivi. (2) En op die belijdenis
van het goddelijk Zoonschap van Christus, belooft Jezus
Petrus aan het hoofd zijner Kerk te zullen stellen. Zalig
zijt gij Simon, zoon van Jonas, antwoordt Jezus, want vleesch
en bloed hebben u zulks niet geopenbaard, maar mijn Va-
der, die in den hemel is. En ik zeg u: Gij zijt Petrus, en
op deze steenrots zal ik mijne kerk bouwen, en de poorten
der hel zullen haar niet overweldigen. En u zal ik de
sleutels van het rijk der hemelen geven; en alles wat gij
op aarde zult gebonden hebben, zal gebonden zijn in den
hemel; en alles wat gij op aarde zult ontbonden hebben,
zal ook ontbonden zijn in den hemel. Hetgeen Jezus
Petrus hier belooft volbrengt Hij later na zijne verrijzenis.
Zekeren dag na zijne verrijzenis verscheen Jezus zijnen
Apostelen op het strand van het meer vanTiberias. Hij
gebood hun het net aan de rechterzijde van het schip
uit te werpen, waarop de Apostelen eene zoo groote
menigte visschen vingen, dat zij het niet konden optrek-
ken. De Apostelen aan wal gekomen zijnde, zette Jezus
zich met hen neder om te eten. En nadat zij gegeten
hadden, sprak Jezus tot Simon Petrus: Simon, Jonas\'
(l) Matth. xvi, 13. (2) Matth. xvi, 16.
-ocr page 225-
— 221 —
zoon! bemint gij mij meer dan deze. Petrus antwoordde:
Ja, Heer! Gij weet, dat ik U bemin. Jezus zeide: Weid
mijne lammeren: Pasce agnos mcos. Jezus vroeg ander-
maal : Simon, Jonas\' zoon! bemint gij mij ? Petrus ant-
woordde: Ja Heer! Gij weet, dat ik U bemin. Weid
mijne lammeren: Pasce agnos mcos, antwoordde Jezus
ten tweede male. Daarop vroeg Jezus voor de derde
maal: Simon, Jonas\' zoon, bemint gij mij ? Petrus werd
bedroefd; hij dacht aan zijne drievoudige verloochening;
die moest hersteld worden door eene drievoudige akte
van liefde. Eindelijk antwoordt Petrus: Heer, Gij weet,
dat ik U bemin. Daarop sprak Jezus: Weid mijne lam-
meren: Pasce ovcs meas. (i) Ziedaar B. B., wanneer
Jezus Petrus de eerste maal aanspreekt, hoe Hij hem
tweemaal uitnoodigt van Hem te volgen, hoe Hij hem
tot Apostel verkiest, belooft hem tot opperhoofd zijner
Kerk aan te stellen, en hoe Hij hem eindelijk tot opper-
hoofd zijner Kerk aanstelt.
Waardoor had Petrus nu verdiend, van door Jezus tot
Apostel verkozen te worden? Door niets. Door zijne
verloochening had hij zich zelfs onwaardig gemaakt, van
tot opperhoofd der Kerk aangesteld te worden. Met
den Apostel Paulus mocht Petrus dus zeggen: Gratia
Dei sutn id qnam sum:
(2) Door Gods genade ben ik
hetgeen ik ben. Doch zien wij thans hoe Paulus tot
Apostel verkozen is.
De Diaken Stephanus, B. B„ was de eerste bloedge-
tuige der Kerk, en terwijl hij gesteenigd werd, stond een
jongeling, Saulus genaamd, met voldoening te kijken en
bewaarde de kleederen dergenen, die Stephanus steenig-
den. Doch Saulus — later Paulus, want ook zijn naam
(1) Joan. xxi, 17. (2) Rom. xv, 10.
-ocr page 226-
— 222 —
zal in Paulus veranderd worden, evenals die van Simon
in Petrus — Saulus was niet voldaan; hij verwoestte
de ontluikende Christus\' Kerk, drong met geweld de
huizen binnen, zocht mannen en vrouwen op en deed hen
in de gevangenis werpen. Steeds voortgaande met al
dreigende en moordende tegen de leerlingen des Heeren
te woeden, begeeft hij zich tot den Opperpriester en
verzoekt hem om brieven van volmacht aan de synagogen
van Damascus, om al de geloovigen van beider geslacht,
die hij daar mocht vinden, geboeid naar Jeruzalem over
te brengen. Gelijk aan een grijpenden wolf, en vergezeld
van gewapende manschappen, begeeft Saulus zich op weg
naar Damascus. En ziet! op weg naar de stad wordt
hij eensklaps door een hemelsch licht omstraald. Paulus
valt van zijn lastdier ter aarde, en tegelijkertijd hoort
hij eene stem, die hem toeroept: Saule! Saule! quidmc
persequeris ?
Saulus ! Saulus! waarom vervolgt gij mij ?
Saulus vraagt: Heer ! wie zijt Gij ? En de Heer antwoordt:
Ik ben \'Jezus, dien gij vervolgt: Ego sum Jestis, quem tu
persequeris.
(i) Het is u schadelijk de hielen tegen den
prikkel te slaan. Bevende en gansch ontsteld zeide Saulus:
Heer! wat wilt gij dat ik doe: Domine! Quid me vis
facere?
En de Heer antwoordde: Sta op en ga de stad
binnen. Daar zal men u zeggen, wat u te doen staat.
De reisgezellen van Saulus stonden verbaasd, daar zij
wel de stem hoorden, doch niemand zagen. Saulus stond
op, opende de oogen, doch zag niet meer. Zijne gezel-
len leidden hem bij de hand en brachten hem Damascus
binnen. Daar bleef Saulus blind, zonder spijs of drank
te gebruiken. Te dien tijde bevond er zich te Damascus
een leerling, met name Ananias, en tot dien leerling
(1) Act. xxvi, 15.
-ocr page 227-
— 223 —
sprak de Heer: Ananias! sta op, ga in de straat, ge-
naamd: de Rechte, en vraag daar in het huis van Judas
naar Saulus van Tarsus: want zie, hij bidt. Ik heb hem
uitverkoren: Vas electionis est mihi is te, om mijnen
naam te verkondigen aan de Heidenen, de koningen en
de kinderen Israëls: Ut portret nomen meiim coram gen-
tibus et filiis Israël,
(i) Ananias ging derwaarts, legde
hem de handen op en zeide: Broeder, Saulus! de Heer
Jezus, die u op den weg is verschenen, heeft mij tot u
gezonden, om u het gezicht weer te geven en u de vol-
heid des H. Geestes mede te deelen. En terstond vielen
er als vliezen van zijne oogen. Saulus zag wederom,
stond op en liet zich doopen. Ziedaar, B. B., een grij-
pende wolf in een lam herschapen, een kerkvervolger in
een Apostel veranderd. En waaraan heeft Paulus zijne
bekeering, zijne verkiezing tot Apostel te danken? Zeker
niet aan zijne verdiensten; doch gelijk hij zelf meermalen
verkaart, lauter aan de genade Gods: Gratia Dei sum
id quod sum
(2): Door de genade van God ben ik het-
geen ik ben.
B. B.. waaraan hebben wij te danken van te zijn het-
geen wij zijn? Waaraan hebben wij te danken van uit
Katholieke ouders geboren en gedoopt te zijn, van het
Roomsch-Katholiek geloof ontvangen te hebben en er
in opgevoed te zijn? Voorzeker ook niet aan onze ver-
diensten, wijl wij zonder verdiensten waren; doch even
als de Apostelen Petrus en Paulus hebben wij het te
danken aan de genade van God. Die genade is in die
twee Apostelen niet zonder vrucht gebleven. Gratia
e jus in me vacua non f uit,
zegt de Apostel Paulus, en
hetzelfde kon de Apostel Petrus met hem zeggen: De
(1) Act. ix, 15. (2) Cor. xv, 10.
-ocr page 228-
— 224 —
genade van God is in mij niet zonder vrucht gebleven.
Dit zal blijken uit hetgeen beide Apostelen voor Jezus-
Christus gedaan hebben, en ziedaar ons tweede deel.
II.
De Apostelen Petrus en Paulus arbeiden hun leven
lang voor Jezus-Christus; alles wat zij doen, doen zij tot
glorie van God en tot zaligheid der zielen.
Nauwelijks is de H. Geest op de Apostelen nederge-
daald, of Petrus, de prins der Apostelen, komt te voor-
schijn. Voor de eerste maal werpt hij het net des
Evangelie\'s; hij verkondigt aan het saamgeschoolde volk
Jezus, dien de Joden kort te voren gekruist hadden; hij
leert hen dat God zijnen Zoon volgens de voorzegging
van David opgewekt heeft, en hij zet hen aan van boet-
vaardigheid te doen en zich te laten doopen Welke
is zijne eerste mencchen-vangst ? Ongeveer drieduizend
[oden bekeeren zich en laten zich doopen. Eenige dagen
later gaan Petrus en Joannes naar den tempel. Een be-
delaar, die van zijne geboorte af lam was, vraagt hen
een aalmoes. Petrus, goud noch zilver hebbende, geeft
hem iets beters: In den naam van Jezus van Nazareth,
zegt Petrus, sta op en wandel, en de lamme stond op
en wandelde, God lovende over zijne genezing. Petrus
werpt een tweede maal het net des Evangelies; hij neemt
de gelegenheid te baat om opnieuw het woord Gods te
verkondigen, en ziet! ditmaal bekeeren zich vijf duizend
personen. De belooning voor die weldaad kon niet lang
uitblijven. Petrus ^en Joannes worden gevangen genomen;
\'s anderendaags moeten zij rekenschap geven van het-
geen zij gedaan hebben. Petrus, die vroeger op de stem
eener dienstmeid sidderde en beefde en Jezus verloochende,
-ocr page 229-
— 225 —
•diezelfde Petrus belijdt nu voor de Overheden en de
Ouderlingen des volks, dat de lamme, die daar gezond
voor hen staat, genezen is in den naam van Jezus van
Nazareth, dien zij gekruist hebben; maar dien God we-
derom opgewekt heeft. Men verbiedt hun streng van
in den naam van Jezus nog te leeren. Petrus enjoannes
antwoorden: Oordeelt zelven of het gerechtig is u meer
te gehoorzamen dan God: hetgeen wij gezien en gehoord
hebben, kunnen wij niet zwijgen. Losgelaten, worden zij
opnieuw in de gevangenis geworpen, doch een Engel
des Heeren opent \'s nachts de deuren van den kerker
en gebiedt hun naar den tempel te gaan en daar kloek-
moedig de woorden des levens te prediken. De Apos-
telen moeten opnieuw voor den joodschen raad verschij-
nen; ditmaal doet men hen geeselen, men vernieuwt de
bedreigingen en laat hen gaan. Vol vreugde, wijl zij
waardig bevonden zijn voor den naam van Jezus smaad
te lijden, verlaten de Apostelen den raad
Het woord Gods, B.B., verspreidde zich snel, en het
getal geloovigen te Jeruzalem groeide sterk aan. Daarop
ontstond er eene hevige vervolging te Jeruzalem, zoodat
de geloovigen zich verspreidden in de omstreken van
Judëa en Samaria. Philippus begaf zich naar Samaria
en verkondigde daar Christus. Op de blijde tijding,
dat Samaria het woord Gods aangenomen had, begaf
zich Petrus met Joannes derwaarts, om den nieuw geloo-
vigen van Samaria het H. Vormsel toe te dienen. Petrus,
te Jeruzalem teruggekeerd, houdt zich onledig met het
bezoeken der verschillende kerken rondom Jeruzalem.
Te Lydda geneest hij door een wonder een verlamde,
met name Aeneas, en alle inwoners van Lydda bekeeren
zich op die wonderbare genezing tot den Heer. Te Joppe
verwekt Petrus eene liefdadige vrouw, met name Tabitha
15.
-ocr page 230-
— 226 ---
van den dood, waarop velen gelooven in den Heer.
Tijdens zijn verblijf te Joppe ontvangt Petrus van God
het bevel, om ook den Heidenen het Evangelie te ver-
kondigen. Petrus, het hoofd der Kerk, die het eerst den
Joden het Evangelie verkondigd heeft, zal ook het eerst
den Heidenen de blijde tijding brengen. Cornelius, een
heidensch hoofdman van Caesarea, maar die God vreesde,
ontvangt het bezoek van een Engel. Deze gebiedt hem
boden naar Joppe tot Petrus te zenden, om door hem
onderricht te worden. Petrus, vergezeld van eenige ge-
loovigen uit de Joden, gaat met de boden van Cornelius
mede. In het huis van den hoofdman aangekomen, be-
gint Petrus over Jezus te spreken, en ziet! terwijl hij
nog sprak, daalde de H. Geest reeds over allen, die
Petrus aanhoorden, neder. Petrus beval daarop Corne-
lius en gansch zijn gezin te doopen. Te Jeruzalem terug-
gekeerd, verhaalde Petrus den geloovigen uit de Joden
alles, wat er gebeurd was. Deze waren uiterst tevred en
en loofden God, wijl ook den Heidenen het geluk des
Evangelie\'s te beurt gevallen was. Overtuigd dus, dat
niet alleen den Joden, maar ook den Heidenen het Evan-
gelie moest verkondigd worden, verspreidden zich dé
Apostelen en andere leerlingen alom, om de blijde tijding
te verkondigen. Rome, de hoofdstad des Heidendoms,
moest Petrus, het hoofd der Kerk, te beurt vallen. Doch
alvorens zich naar Rome te begeven, stichtte Petrus
eerst de Kerk van Antiochie, waarvan hij de eerste Bis-
schop is geweest, daarna die van Alexandrië. Ook pre-
dikte hij intusschen het Evangelie in Azië aan de Joden,
die op verschillende plaatsen verspreid waren. Terugge-
keerd te Jeruzalem tijdens een verschrikkelijken honger-
snood, door den Profeet Agabus voorzegd, werd Petrus
door Herodes Agrippa, die Jacobus den Meerdere had
-ocr page 231-
— 227 —
doen onthoofden, in de gevangenis geworpen, om na
het paaschfeest om het leven te worden gebracht. Doch
Petrus, voor wien de geloovigen van Jeruzalem onop-
houdelijk baden, werd door een Engel uit zijne gevan-
genis verlost. Na eerst nog verschillende nieuwe Kerken
gesticht en de reeds gestichte in het geloof bevestigd
te hebben, vertrok Petrus naar Rome en vestigde daar
voor altijd zijn bisschoppelijken zetel. Tweemaal zal
hij nog te Jeruzalem verschijnen; de eerste maal om
de eerste kerkvergadering voor te zitten; de laatste maal
om een opvolger te geven aan den H. Jacobus den Min-
dere, eersten Bisschop van Jeruzalem en martelaar aldaar
gestorven. Daarop komt Petrus te Rome terug om met
Paulus aan de verkondiging van het Evangelie verder te
arbeiden en met dien Apostel zijn leven ten beste te
geven voor Jezus-Christus. Buiten de sermonen, wonderen
en andere apostolische werken, heeft Petrus geschreven
en ons nagelaten twee brieven, waarin hij de geloovigen
en herders onderricht, en ons allen aanspoort tot vol-
harding. Ziedaar, B. B., hoe Petrus zijn leven lang
gearbeid heeft voor Jezus-Christus, d. i., tot glorie van
God en tot zaligheid der zielen. Doch de Apostel Paulus
heeft niet minder gearbeid voor Jezus-Christus dan de
Apostel Petrus.
Zoo wonder bekeerd op weg naar Damascus, gelijk
wij in den beginne gezien hebben, begint Paulus terstond
Jezus, dien hij eerst zoo hevig vervolgd had, te prediken
en te leeren, dat Hij de Zoon Gods is. De woede der
Joden breekt terstond tegen Paulus los, zoodat hij genood-
zaakt is Damascus te verlaten. Hij begeeft zich naar
Arabië. Te Damascus teruggekeerd, predikt hij opnieuw
den Joden, doch deze zijn niet beter gestemd dan vroeger;
zij houden onder elkander raad om Paulus te dooden, en
-ocr page 232-
— 228 —
de leerlingen zijn gedwongen, Paulus in eene mand langs
den stadsmuur neder te laten, om zijn leven door d»
vlucht te redden. Na eerst nog Petrus, het hoofd der
Kerk, met een bezoek te Jeruzalem vereerd te hebben,
en ook daar door de hardnekkige Joden ter dood gezocht,
begaf zich Paulus naar Tarsus, zijne geboorteplaats. Van
daar vertrok hij met Barnabas naar Antiochië, waar
zij gansch een jaar het volk onderrichten, \'t Is ook te
Antiochië, dat de leerlingen het eerst Christenen ge-
noemd zijn. Van Antiochië brachten Paulus en Barna-
bas de aalmoezen, welke de christenen daar verzameld
hadden voor hunne noodlijdende broeders, naar Jernzalem.
Daarop togen zij opnieuw naar Antiochië, waar Paulus
en Barnabas uitgekozen werden om den Heidenen het
Evangelie te verkondigen. Onmiddellijk daarop vertrok-
ken zij en verkondigden het Evangelie in verschillende
streken tot aan Paphos. Daar slaat Paulus Elymas, een
valschen Profeet en toovenaar, met blindheid, omdat hij
het woord Gods tegenwerkte. Te Antiochië in Pisidië
prediken zij den Joden, doch deze drijven hen over de
grenzen. In Iconië bekeeren zij een groot getal Joden
en Heidenen: anderen staan tegen hen op en willen
hen steenigen, zoodat zij gedwongen zijn te vluchten.
Te Lystra geneest Paulus een lamgeborene. Het volk
ziet Paulus en Barnabas voor goden aan en wil hun
offers brengen. Paulus verzette zich daartegen, gelijk
overigens zijn plicht was. En ziet! eenige oogenblikken
later steenigde datzelfde volk Paulus, zoodat hij voor
dood uit de stad gesleept werd. Paulus nochtans stond
op en ging wederom de stad binnen. Te Philippi in
Macedonië verlost hij eene jonge dqchter van een waar-
zeggenden geest, en tot belooning wordt Paulus gegeeseld
en in de gevangenis geworpen. Te Athene, de zedelooste
-ocr page 233-
— 229 —
en bijgeloovigste stad na die van Rome, op Silas en
Timotheus wachtende, ontvlamt zijn ijver, wijl hij ziet,
hoe diep die stad in de afgoderij verzonken ligt. Hij
verkondigt den Atheners de voornaamste waarheden : dat
er maar één God bestaat; dut God een enkele geest is;
dat Hij de Schepper is van hemel en aarde; dat de
mensch door God geschapen is, en dat alle menschen
van één afstammen; dat de mensch eenmaal zal verrij-
zen, en dat hij rekenschap zal moeten geven. Ongeluk-
kig! weinig Atheners bekeerden zich; zoo groot is het
beletsel, dat voortspruit uit de hoovaardigheid en de
zinnelijkheid. Na nog op verschillende plaatsen het Evan-
gelie verkondigd te hebben, komt Paulus te Troas en roept
daar een jongeling, die van de derde verdieping dood geval-
\' len was, tot het leven terug. En terwijl de moeielijkheden
voor Paulus steeds aangroeien en grooter worden, groeit
tevens zijn ijver aan, en wordt hij steeds grooter. De
vervolgingen van den kant der Joden nemen zoodanig
toe, dat Paulus gebruik moet maken van zijn burgerrecht
en zich beroepen moet op den keizer, voor wien hij dan
ook eindelijk zal te recht staan. Tijdens zijn apostel-
schap heeft Paulus drie groote reizen gemaakt. Wat hij
op die reizen al doorgestaan en geleden heeft, kunnen
wij in weinige woorden samenvatten uit hetgeen hij zelf
verhaalt in een zijner brieven: „Vijfmaal, zoo schrijft hij
„aan de Corinthiers, heb ik van de Joden veertig slagen
„min één ontvangen. Driemaal ben ik met roeden ge-
„geeseld. Eenmaal ben ik gesteenigd — voorzeker om
„te voldoen voor het welbehagen, dat Saulus schepte
„in de steeniging van den eersten Martelaar, den H.
„Stephanus. — Driemaal heb ik schipbreuk geleden. Eén
„dag en één nacht heb ik in de diepte der zee doorge-
„bracht. Wat al gevaren heb ik niet getrotseerd op
-ocr page 234-
— 230 —
„mijne reizen; gevaren van roovers, gevaren onder mijne
„stamgenooten — de Joden; — gevaren onder de Hei-
„denen, gevaren in de stad, gevaren in de woestijn,
„gevaren op zee, gevaren onder de valsche broeders —
„de slechte Christenen. — Ik heb mijn leven gesleten in
„arbeid en zwoegen, in veel waken, in honger en dorst,
„in vasten menigmaal, in koude en naaktheid. Buiten
„deze uitwendige kwellingen bezwaart mij dagelijks de
„zorg voor al de mij toevertrouwde Kerken." En buiten
zijne sermonen, wonderen en apostolische werken, heeft
Paulus ons gelaten veertien brieven aan verschillende
Kerken en personen, waarin hij ons leert alles wat wij
noodig hebben of ons dienstig kan zijn om zalig te
worden.
Zietdaar, B. B., hoe Petrus en Paulus, na tot Apostelen
verkozen te zijn, hun leven doorbrengen voor Jezus-
Christus, hoe zij arbeiden tot glorie van God en tot
zaligheid der zielen. En Paulus, en met Paulus Petrus; ja,
beiden roepen ons als het ware toe: Imitatores mei estote,
sicut et ego Christi.
(i) Weest mijne navolgers, gelijk
ik die van Christus ben. Welnu, zijn wij de navolgers van
die twee Apostelen ? Wat doen wij voor de glorie van
God en voor de zaligheid der zielen ? Bevorderen wij
de glorie van God, door ons overal en in alles als ware
Christenen , als verkleefde Katholieken te gedragen?
Werken wij ook aan de zaligheid der zielen, althans in
onzen kring, bijv., onder onze huisgenooten en kinderen?
Zijn wij ook Apostelen des gebeds, door de bekeering
der ongeloovigen en der zondaren bij God aftesmeeken?
daarin althans kunnen, ja moeten wij de Apostelen Pe-
trus en Paulus navolgen. Gansch hun leven dus hebben
(1) i Cor. iv. 16.
-ocr page 235-
— 231 —
zij gearbeid voor Jezus-Christus; eindelijk hebben zij hun
bloed vergoten voor Hem, en ziedaar ons derde deel.
III.
De Apostelen Petrus en Paulus bevonden zich op het
einde huns levens te zamen te Rome. Daar arbeidden
zij uit al hunne krachten en met den besten uitslag aan
de uitbreiding des geloofs, zoodanig, dat men reeds menig
Christen telde tot in het paleis des keizers. Simon, valsche
profeet en toovenaar, werkte de uitbreiding des Evangelie\'s
uit al zijne macht tegen; hij vleide de laagste en schan-
delijkste driften van keizer Nero, die buitengewoon zede-
loos en bijgeloovig was. Zekeren dag deed hij publiek
aankondigen, dat hij tot bewijs zijner godheid zich in
de lucht zou verheffen. En inderdaad: den dag der pu-
blieke spelen verhief zich Simon in de tegenwoordigheid
der Romeinen en van keizer Nero, door behulp van den
duivel tot op zekere hoogte in de lucht; doch op het
gebed der Apostelen Petrus en Paulus, die ook bij het
schouwspel tegenwoordig waren, stortte Simon uit de
lucht naar beneden en brak zich de beenen. Zijn bloed
spatte rond hem henen, tot op het paviljoen des keizers,
waaruit deze het schouwspel bijwoonde. Simon werd
in een nabij gelegen huis gebracht; doch beschaamd,
men kan niet meer, en van spijt als buiten zich zelven,
stortte hij zich van boven uit het huis naar beneden
en kwam ellendig om. Die nederlaag, in den per-
soon van Simon den duivel toegebracht, viel dezen
te zwaar. Ook ontstond er weldra eene bloedige ver-
volging tegen de Christenen, door den bloedhond Nero
verwekt. De geloovigen van Rome, zoo verhaalt de
H. Ambrosius, waren bevreesd voor het leven van
-ocr page 236-
— 232 —
Petrus. Zij smeekten hem dus voor de onstuimige volks-
beweging te wijken en de stad te verlaten. In den
beginne weigerde Petrus; doch hunne bede werd zoo
dringend, dat hij eindelijk besloot te vertrekken. Des
nachts begaf hij zich op weg, en reeds naderde hij den
ringmuur, toen hij Christus zag, die hem door dezelfde
poort te gemoet kwam. Waar gaat gij heen, Heer?
vroeg Hem de Apostel. Jezus antwoordde: Ik kom naar
Rome, om er opnieuw gekruist te worden. Petrus begreep
den zin van dat goddelijk antwoord; hij keerde in de
stad terug, om er den marteldood af te wachten. Eenige
dagen later deed keizer Nero Petrus vastgrijpen en in den
Marmertijnschen kerker werpen. Paulus kwam zich weldra
bij Petrus in dezelfde gevangenis vervoegen. Tot in de ge-
vangenis zetten zij hunne zending voort; zij bekeeren
hunne bewakers Processus en Martinianus, en om hen in
den kerker te kunnen doopen, ontspringt er eene bron,
die hun daartoe het water verschaft. Eenige dagen later
werd Petrus de stad uitgeleid, om op den bergjaniculus,
niet ver van de plaats, waar thans het Vatikaan en de
Kerk van den H. Petrus liggen, gekruist te worden.
De voorzegging van Jezus aangaande den dood van Petrus
werd hier vervuld. Toen gij jonger waart, zoo sprak
Jezus, gorddet gij u zelven en gij gingt waar gij wildet ;
maar wanneer gij oud geworden zijt, zult gij uwe handen
uitsteken, en een ander zal u gorden en leiden waarheen
gij niet wilt. En zoo sprak Jezus, voegt de H. Joannes
er bij, om te beteekenen door welken dood Petrus God
zou verheerlijken. Petrus, na eerst gegeeseld te zijn, werd
aan het kruis vastgemaakt; doch op zijn verzoek, wijl hij
zich onwaardig oordeelde van gekruist te worden gelijk zijn
goddelijke Meester, werd hij aan het kruis vastgemaakt,
het hoofd naar beneden. Paulus werd denzelfden dag
-ocr page 237-
— 233 —
ter strafplaats geleid; doch wijl hij romeinsch burger was,
mocht men hem niet kruisen; hij werd dus onthoofd bij
de Salviaansche baden. Het bloed van den Apostel
Paulus spatte rond. Bloeddruppelen, zegt de H.
Chrysostomus, verschenen onder de gedaante van melk
op de kleederen van den beul, die hem onthoofd had,
door welk wonder de beul en zijne gezellen tot het geloof
in Christus bekeerd zijn. Volgens een overlevering zou
het hoofd van den Apostel tot driemaal toe van den
grond opgesprongen, en zouden er op de plaats drie
fonteinen ontsprongen, zijn, om welke reden die plaats
genoemd wordt de plaats der Drie fonteinen.
Zietdaar, hoe de Apostelen Petrus en Paulus hun bloed
vergoten, hoe zij hun leven ten beste gegeven hebben
voor Jezus-Christus. En wij, B. B., wat brengen wij Jezus
ten offer? Het minste lijden voor Jezus is ons dikwerf
reeds te veel. En terwijl Jezus uit liefde tot ons, ons wil
doen deelen in zijn lijden, ten einde ons eenmaal te
doen deelen in zijne glorie, wij, wij onverstandige Chris-
tenen weigeren te lijden; wij verzetten ons tegen het
lijden, en wijl wij niet lijden met en voor Jezus, maken
wij ons ongelukkig in het lijden. O, B. B., naar het
voorbeeld der Apostelen Petrus en Paulus offeren wij ons
geheel en al op voor Jezus-Christus. En zoo Jezus van
ons niet vordert, dat wij evenals de Apostelen Petrus en
Paulus ons leven ten beste geven, ons bloed vergieten
voor Hem, verklaren wij nochtans plechtig, dat wij, door
zijne genade bijgestaan, er toe bereid zijn, en dat wij,
hetgeen wij te lijden hebben, willen lijden voor en uit
liefde tot onzen Heer Jezus-Christus.
SLUITREDE.
En gij, H.H. Petrus en Paulus! Beiden door Jezus tot
-ocr page 238-
— 234 —
zijne Apostelen verkozen; gansch uw leven hebt gij voor
Jezus gearbeid; uw bloed hebt gij voor Jezus vergoten.
Glorievolle Prinsen der Kerk! Gij hebt elkander zoo
teeder bemind tijdens uw leven, in den dood zij t gij ook
niet van elkander gescheiden. Door het kruis en door
het zwaard overwinnaars, zetelt gij thans met lauweren
versierd op de schitterendste tronen in den hemel. Heden,
terwijl wij uwen feestdag vieren, wenschen wij u geluk
met de overwinningen die gij behaald, met de lauweren
^\'e g\'J geplukt, met de tronen die gij verdiend hebt.
Wij verheugen en verblijden ons over de glorie, waarmede
Jezus-Christus u gekroond heeft, en waarvan gij schittert
in het hemelrijk. Doch, o glorierijke Prinsen der Kerk!
terwijl wij u geluk wenschen, en terwijl wij ons verheugen
en verblijden op uw feest, richten wij ons ook met be-
trouwen om hulp en bijstand tot u. Ja, H.H. Apostelen
Petrus en Paulus ! machtige voorsprekers bij God ! wij
bidden en smeeken u voor gansch de H. Kerk, wier
steunpilaren gij zijt; wij bidden en smeeken u inzonderheid
voor de Roomsche Kerk, wier stichters gij zijt: voor den
Paus van Rome, uw opvolger, o H. Petrus ! en evenals
gij de plaatsbekleeder van Jezus-Christus; uw navolger,
o H. Paulus ! en evenals gij de leeraar der wereld. Door
uwe machtige voorspraak beschermt den Paus, die thans,
van zijne vrijheid beroofd, als in de gevangenis zucht,
opdat hij, in zijne vrijheid hersteld, de H. Kerk naar
behooren kunne bestieren. Beschermt de stad Rome, die
thans, door de vijanden der Kerk ingenomen, zoo diep
vernederd is, opdat zij, van hare vijanden verlost, in haar
voormaligen luister als hoofdstad der Katholieke wereld
schittere. Beschermt gansch de Katholieke Kerk, wier
kinderen wij zijn, opdat wij, uit loutere genade door Jezus-
Christus tot kinderen der H. Kerk gekozen, aan die
-ocr page 239-
— 235 —
genade evenals gij, beantwoorden, dat wij Jezus even als
gij, altoos getrouw dienen; ja, dat wij Hem in leven en
dood even als gij altoos beminnen, om het geluk te heb-
ben van eenmaal even als gij Jezus-Christus hiernamaals
te aanschouwen en te genieten in den hemel. Amen.
-ocr page 240-
VIJFTIENDE PREEK.
Het H. Bloed.
In quo habemui redemptionem per sangui-
nem ejus.
In Jezus vinden wij onze verlossing door
zijn bloed.
                           (Eph. i, 7.)
INHOUD.
VOORREDE.
Verlossing der Israëlieten uit de slavernij van Egypte.
— Tiende plaag. — De Israëlieten blijven bevrijd van
den Worgengel, doordien zij de deurstijlen hunner wo-
ningen bestreken met het bloed van een eenjarig lam. —
Het bloed van het eenjarig lam is een afbeeldsel van het
bloed van onzen Heer Jezus-Christus.
VERDEELING.
I. Dankbaarheid, die wij Jezus voor zijn heilig bloed
schuldig zijn;
II. Hoe wij die dankbaarheid zullen betoonen.
I.
Jezus vergiet zijn heilig bloed: in zijne besnijdenis, in
zijnen doodstrijd, in zijne geeseling, in zijne kroning met
-ocr page 241-
— 237 —
doornen, op den kruisweg, op den Calvarieberg. — Zijne
handen en voeten worden doorboord, en zijne zijde ge-
opend. — Jezus vergiet gansch zijn heilig bloed. —Jezus
offert duizenden malen zijn heilig bloed op in het H.
Sacrificie der Mis en laaft er onze zielen mede in de H.
Communie. — Jezus\' heilig bloed is van een oneindige
waarde, wijl het het bloed is van eenen God, vergoten
en opgeofferd door God den Zoon aan God zijn hemel-
schen Vader. — Jezus vergiet zijn heilig bloed voor zijne
vijanden, om hen met God te verzoenen, om hen te ver-
lossen, te zuiveren en den hemel binnen te leiden.
II.
Wij zullen Jezus onze dankbaarheid betoonen door onze
edelmoedigheid in den dienst van God, door dikwijls en
naar behooren het H. Sacrificie der Mis bij te wonen,
door dikwijls en met godvruchtigheid tot de H. Tafel
te naderen, door ons betrouwen te stellen op het heilig
bloed van Jezus-Christus.
SLUITREDE.
Wij hebben gezien dat wij Jezus voor zijn heilig bloed,
dat Hij voor ons vergoten heeft, dankbaarheid schuldig
zijn, en hoe wij Hem die dankbaarheid moeten betoonen.
— Naderen wij dikwijls tot de H. Tafel, om, door het
goddelijk vleesch en bloed van Jezus-Christus gesterkt,
eenmaal aan te landen in den hemel.
-ocr page 242-
— 238 —
VIJFTIENDE PREEK.
Het H. Bloed.
In quo habemus redemptionem per san-
guinem ejus.
In Jezus vinden wij onze verlossing
door zijn bloed.
                      (Eph. i, 7.)
VOORREDE.
De Israëlieten, B.B., zoo lezen wij in het Oude Testa-
ment, werden op een ondraaglijke wijze door Pharao en
zijn volk onderdrukt. Zij baden den koning om verlich-
ting, doch te vergeefs; deze onderdrukte hen des te
meer. Zij smeekten den Heer hunnen God van mede-
lijden met hen te hebben, en God, vol goedheid en barm-
hartigheid, verhoorde eindelijk hunne smeekingen; Hij
besloot de kinderen Israëls uit de slavernij van Egypte
te verlossen. God zond zijnen dienaar Mozes en diens
broeder Aaron naar Pharao, met het bevel van zijn volk
te laten vertrekken. Pharao in zijnen hoogmoed zeide,
dat hij den God van Israël niet kende, en dat hij de
Israëlieten niet liet vertrekken. Ja, wat meer is, den-
zelfden dag nog gebood Pharao de kinderen Israëls met
nog zwaarder arbeid te overladen. Daarop volgde eene
reeks van wonderen.
God sloeg Egypte met tien verschrikkelijke plagen,
ten einde den koning te bewegen van de Israëlieten te
laten vertrekken. De negen eerste plagen werkten niets
uit; zij bewegen den koning niet om zijne toestemming
te geven; doch de tiende en laatste plaag? Ha! B.B.,
deze beweegt niet alleen den koning, om zijne toestem-
-ocr page 243-
— 239 —
ming te geven, maar zij dwingt hem zelfs om de Israë\'-
lieten te verzoeken zoo goed te willen zijn van terstond
te vertrekken en zijn land te verlaten. De tiende plaag
bestond hierin: God zou zijn engel zenden, en die Engel
zou al de eerstgeborenen in Egypte dooden, van Pharao\'s
oudsten zoon tot dien van den gevangene in den kerker.
Ook zou hij dooden al de eerstgeborenen van het vee.
Opdat nu de eerstgeborenen der kinderen Israëls van die
plaag mochten bevrijd blijven, ziehier wat God tot
dat einde voorschreef. Zeg aan geheel het volk van
Israël, zoo sprak God tot Mozes: Gij zult een eenjarig
lam nemen, zonder vlek of gebrek. Dat lam zult gij
slachten, doch zonder er een enkel been van te breken.
Met het bloed van het lam zult gij de deurstijlen uwer
huizen bestrijken. In denzelfden nacht zal ik gansch
Egypte rondgaan en al de eerstgeborenen dooden. Aan
uwe huizen zal ik het bloed zien en voorbijgaan. En
inderdaad: God zond zijnen Engel, en deze doodde in
eenen nacht al de eerstgeborenen van Egypte, terwijl
die der kinderen van Israël gespaard bleven. Hier vraagt
de H. Joannes Chrysostomus: Hoe dan ? Heeft het bloed
van een schaap —- van een lam — den mensch, met
rede begaafd, kunnen bevrijden? Zeer zeker, antwoordt
dezelfde kerkleeraar; doch niet, omdat het het bloed is
van een schaap, maar omdat het een afbeeldsel is van
het bloed van onzen Heer Jezus-Christus. En waarlijk,
zoo is het. Het lam zonder vlek of gebrek, dat de Israë-
lieten moesten slachten, is een afbeeldsel van het Lam
Gods, van Jezus-Christus, die zich voor de zaligheid der
menschen geslachtofferd heeft. Het bloed van het lam
is een afbeeldsel van het heilig bloed dat Jezus-Christus
vergoten heeft, om ons te verlossen uit de slavernij des
duivels.
-ocr page 244-
— 240 —
Wijl wij van daag het feest vieren van het heilig bloed
zullen wij te zamen eenige oogenblikken overwegen :
I. De dankbaarheid, die wij Jezus voor zijn heilig
/
                     bloed schuldig zijn.
II Hoe wij Hem die dankbaarheid zullen betoonen.
I.
Wij zijn Jezus-Christus voor zijn heilig bloed, dat Hij
voor ons vergoten heeft, dankbaarheid en groote dank-
baarheid schuldig. Zulks is niet moeielijk te bewijzen.
Veronderstelt een mensen. Die mensch, om zijn vriend
te verlossen uit de gevangenis, om hem te bevrijden van de
doodstraf, welke hij verdiend heeft, geeft zijne fortuin ten
beste. Voorzeker, die mensch zou voor zijn vriend veel over
hebben, hij zou veel voor hem doen, bijzonder zoo die
fortuin groot ware. En bijaldien die mensch zijn bloed ver-
goot om zijn vriend te verlossen en te bevrijden, hij
zou voor zijn vriend nog meer over hebben, hij zou nog
meer voor hem doen. En zoo hij zijn bloed tot den laat-
sten druppel vergoot, zoo hij den dood stierf, niet voor zijn
vriend, maar voor zijn vijand, om zijn vijand te verlossen
en te bevrijden? Die mensch voorzeker zou alles voor
zijn vijand over hebben, hij zou voor hem alles doen wat
hij kan, de liefde van dien mensch voor zijn vijand zou
niet verder kunnen gaan. Welnu, dat alles heeft Jezus-
Christus voor ons gedaan.
Jezus-Christus heeft zijn goddelijk bloed voor ons ver-
goten, niet eens, maar herhaalde malen, niet eenige drup-
pels, maar gansch zijn bloed, tot den laatsten druppel toe.
Den achtsten dag na zijne geboorte, den dag zijner
besnijdenis, vangt Jezus reeds aan met zijn goddelijk
-ocr page 245-
— 241 —
bloed voor ons te vergieten. Nog klein kind offert Hij
er voor ons reeds de eerste druppels van op aan God
zijn hemelschen Vader. Op het einde zijn levens, tijdens
zijn openbaar lijden, zal Jezus\' bloed herhaalde malen,
als bij stroomen vlieten. In den Olijf hof eener doode-
lijke droefheid ten prooi, breekt Jezus van alle kanten
een bloedig zweet uit; zijne kleederen zijn er van door-
trokken; zweetdruppels, met bloed gemengd, vallen op
den grond en bevochtigen de aarde. Tijdens Jezus\'
schande- en pijnlijke geeseling wordt zijn heilig lichaam
van het hoofd tot de voeten op de onmenschelijkste wijze
met scherpe roeden, door de beulen verscheurd. Jezus\'
lichaam is als het ware maar ééne wond meer; zijn god-
delijk bloed gutst uit de wonden, het spat in de gerechts-
zaal rond op de beulen en omstanders, het loopt langs
Jezus\' gezegend lichaam op den grond neder en vormt
wezenlijk een bloedplas op den vloer der gerechtszaal.
Onmiddellijk na de geeseling wordt Jezus met doornen
gekroond. Jezus\' hoofd was tijdens de schande- en pijn-
lijke geeseling nog gespaard gebleven. De soldaten vlech-
ten eene kroon in den vorm van een hoed uit lange en
scherpe doornen, en die doornenkroon zetten, drukken,
slaan slaan zij Jezus op het hoofd. De doornen dringen
van alle kanten in het hoofd van Jezus, tot in de her-
senen door. Het goddelijk bloed spat uit de wonden;
het verft Jezus\' hoofdhaar bloedrood. Jezus\' heilig bloed
loopt over zijn voorhoofd in zijne oogen, uit zijne oögen
over zijne wangen, van zijne wangen op den purperen
mantel, dien men Hem om de schouders geworpen heeft;
het trekt in dien purperen lap en druipt eindelijk op den
grond neder. Den weg, dien Jezus aflegt van het gerechts-
huis van Pilatus, waar Hij onrechtvaardig ter dood ver-
•oordeeld wordt, tot op den Calvarieberg, waar Hij aan
16.
-ocr page 246-
— 242 —
het kruis gaat sterven, dien weg teekent Jezus af met
zijn goddelijk bloed. Op den Calvarieberg zal Jezus de
fonteinen van zijn goddelijk bloed doen ontspringen. Op
den Calvarieberg aangekomen, biedt Jezus terstond zijne
gezegende handen en voeten aan, om doorboord en aan
het kruishout genageld te worden. Het goddelijk bloed
van Jezus ontspringt aan zijne doorboorde handen en
voeten, evenals het water aan zoovele fonteinen, en valt
op den grond neder. Er bevindt zich nog een druppel
bloed in het H. Hart van Jezus. Jezus, die uit liefde tot
ons zijn goddelijk bloed ten beste geeft, wil dat het tot
den laatsten druppel vergoten worde. En ziet! Longinus
heft zijne lans in de hoogte, hij opent er de zijde van
Jezus mede, en onmiddellijk vloeit er bloed en water uit:
Et continuo exivit sanguis et aqua. (i) Zietdaar, B. B.,
hoe Jezus zijn goddelijk bloed vergiet, hoe Hij het her-
haalde malen, en hoe Hij het eindelijk tot den laatsten
druppel toe vergiet. Doch dat is niet alles. Jezus heeft
zijn goddelijk bloed niet ééns gegeven ; Hij geeft het nog
en herhaalde, duizenden malen; dagelijks offert Hij het
op, de gansche wereld door, in het H. Sacrificie der
Mis, en Hij geeft het in de H. Communie tot drank
onzer zielen. Dat bloed van Jezus nu, B. B., en zelfs
een enkele druppel van zijn bloed, overtreft oneindig alle
andere offers, die God ooit opgedragen zijn of kunnen
opgedragen worden. Waarom? Omdat het bloed van
Jezus van een oneindige waarde is. En waarom is het
bloed van Jezus van een oneindige waarde ? Omdat het
is het bloed van eenen God, want Jezus-Christus is God
en mensch te zamen, gelijk wij weten, in één goddelijken
Persoon. Daarenboven, wijl Jezus-Christus zelf zijn god-
(1) J\'oan. zix. 34.
-ocr page 247-
— 243 —
delijk bloed de eerste maal opgeofferd heeft, en wijl Hij
zelf het nog dagelijks opoffert in het H. Sacrificie der
Mis — immers, de Priester is slechts zijn dienaar in het
offeren — daarom is het ook onder dit opzicht nog, en
bijgevolg, dubbel van een oneindige waarde. En voor
wie en tot wat einde heeft Jezus zijn goddelijk bloed
vergoten. Nauwelijks, en in een zeldzaam geval, zal een
vriend voor zijn vriend zijn bloed vergieten; en Jezus
heeft zijn bloed tot den laatsten druppel vergoten voor
zijne vijanden. En inderdaad, wat waren wij door de
zonde anders dan vijanden van God, slaven van den
duivel, besmeurd met al wat leelijk is, ballingen des
hemels en bestemd om voor eeuwig te branden in de
hel ? Welnu, Jezus, door zijn goddelijk bloed voor ons te
vergieten, heeft ons wederom met God verzoend, en van
vijanden heeft Hij ons vrienden van God gemaakt. Jezus
heeft ons verlost uit den staat van doodzonde, en van
slaven des duivels heeft Hij ons vrij en kinderen van
God gemaakt. Jezus heeft ons, toen wij besmeurd waren
met zonden, wederom gezuiverd en gewasschen in zijn
bloed. Ballingen des hemels, heeft Jezus ons wederom in
onze verloren rechten hersteld, en bestemd als wij waren
om voor eeuwig te branden in de hel, heeft Jezus ons
wederom in staat gesteld om den hemel te verdienen en
daarin voor eeuwig gelukkig te zijn. Het bloed van
Jezus dus, wel verre van om wraak te roepen tot God
en diens straffen over ons af te trekken, evenals dat van
Abel, het bloed van Jezus roept om barmhartigheid en
vergiffenis onzer zonden. Wijl Jezus dus zijn goddelijk
bloed voor ons vergoten heeft en nog dagelijks voor ons
opoffert, daarvoor zijn wij Hem dankbaarheid en groote
dankbaarheid schuldig. Doch zien wij in ons tweede
deel hoe wij Jezus die dankbaarheid zullen betoonen.
-ocr page 248-
- 244 —
II.
Om Jezus onze dankbaarheid te betoonen voor zijn
goddelijk bloed voor ons vergoten, moeten wij edelmoe-
dig zijn in den dienst van God, dikwijls het H. Sacri-
ficie der Mis bijwonen, dikwijls te communie gaan, en
eindelijk een groot betrouwen stellen op het heilig bloed
van Jezus.
Vooreerst moeten wij edelmoedig zijn in den dienst
van God Wij moeten de edelmoedigheid van Jezus met
edelmoedigheid beantwoorden, \'t lijdt geen twijfel. En
wijl Jezus zoo edelmoedig zijn goddelijk bloed tot den
laatsten druppel voor ons vergoten heeft en nog dagelijks
opoffert, wij B. B., van onzen kant, wij moeten niet
alleen datgene doen, wat streng vereischt wordt en zon-
der hetwelk wij God niet kunnen dienen, zooals bijv.
zijne geboden en die van de H. Kerk onderhouden, en
de plichten van onzen staat volbrengen ; maar wij moeten
wat meer voor God doen, en waartoe wij niet op zonde
verplicht zijn, als zijn zekere werken van godsvrucht,
versterving en liefdadigheid. En bijaldien die werken zul-
len gepaard gaan met moeielijkheden, vervolging of lijden,
ja, dan en dan vooral moeten wij ze verrichten en toonen
dat wij edelmoedig zijn jegens Jezus, die zoo edelmoedig
jegens ons geweest is en nog is tot op den dag van heden.
Wij moeten dikwijls het H. Sacraficie der Mis bijwonen,
niet alleen op de dagen, waarop wij er toe verplicht zijn,
als zijn de Zondagen en de geboden feestdagen ; maar ook,
zoo onze bezigheden het toelaten, op de andere dagen. O,
hoevele personen zouden, bijaldien zij zich maar een weinig
moeite wilden geven, hoevele zouden ook op de werk-
dagen het H. Sacrificie kunnen bijwonen! Wij moeten het
H. Sacrificie der Mis altoos bijwonen met groote eerbie-
-ocr page 249-
— 245 —
digheid en aandachtigheid, en daarom moeten wij ons
wel wachten van ons ontstichtend te gedragen door praten,
lachen of rondzien; wij moeten denken aan hetgeen er
tijdens de H. Mis aan het altaar geschiedt en wel bijzon-
der in het midden der H. Mis onder de Consecratie, als
Jezus-Christus door den priester zijn goddelijk bloed, een-
maal voor ons aan het kruis vergoten, wederom, maar
op een onbloedige wijze, voor ons aan God zijn hemel-
schen Vader opoffert. Wij moeten dikwijls te communie
gaan, niet enkel ééns in het jaar, met Paschen, om aan
het gebod der H. Kerk te voldoen; maar ook en bijzon-
der op de hooge feestdagen in het jaar. O, B. B., wat
zijn zij te beklagen, de Christenen, die zoo zelden te
communie gaan en zich alzoo berooven van de vruchten
der H. Communie, die zoo talrijk en kostbaar zijn.
Telkens als wij tot de H. Tafel naderen, moeten wij
zorgen van ons tot de H. Communie goed voor te be-
reiden. \'t Is dus niet genoeg, dat men zuiver zij van
doodzonde en nuchter van \'s nachts twaalf uren af; wij
moeten vóór de H. Communie bidden, denken en er goed
aan denken wat wij gaan ontvangen, dat wij gaan ont-
vangen het lichaam en bloed van Jezus-Christus, bloed, dat
Hij zoo edelmoedig voor de zaligheid onzer zielen ver-
goten heeft. Na de H. Communie moeten wij vooreerst
Jezus bedanken; vervolgens moeten wij ons aan Hem
opofferen; en als het bloed van Jezus als \'t ware nog
in onze aderen stroomt, o, dan, dan voorzeker moeten
ons de edelste gevoelens bezielen, de geest van edel-
moedigheid, zoodat wij bereid zijn alles voor Jezus ten
beste te geven, hem getrouw te dienen al de dagen van
ons leven tot den dood toe.
Eindelijk moeten wij ons betrouwen stellen op het
heilig bloed van Jezus-Christus. Immers, wij kennen er
-ocr page 250-
— 246 —
de waarde van, wij weten dat het van een oneindige
waarde is; en voor dien grooten prijs zijn wij vrijgekocht,
zegt de Apostel Paulus: Empti estis pretio magno. (1)
Wij kennen de verdiensten van het heilig bloed van Jezus,
wij weten dat zij oneindig zijn. En ziet! Jezus heeft toe-
gestaan van de oneindige verdiensten van zijn heilig
bloed op ons toe te passen door onze gebeden, door de
H. Sacramenten, door het H. Sacrificie der Mis. Wie
onzer, ik vraag het, zou zich dan niet vol betrouwen tot
dien zoo kostbaren schat begeven om er aan te putten?
Ik weet wel, B, B., wij kunnen niet zeggen, evenmin als
Pilatus, en die het toch zeide: Ik ben onschuldig aan
het bloed van dezen Rechtvaardige, d. i. van Jezus:
Innocens ego sum a sangitine Justi hujus. (2) Neen, dat
kunnen wij niet; integendeel, met Judas zouden wij moe-
ten zeggen: Ik heb gezondigd door onschuldig bloed
over te leveren: Peccavi, tradens sanguine-m justum. (3)
Immers, \'t is om onze zonden, om er voor te voldoen,
dat Jezus zijn goddelijk bloed vergoten heeft; wij zijn
dus in zekeren zin schuldig aan het bloed van Jezus.
Nochtans, wij zullen met de Joden, doch in een anderen zin
dan zij deden, zeggen: Dat Jezus\' bloed over ons kome:
Sanguis ejus super nos. Dat het over ons kome, om
ons te zuiveren van onze zonden ; dat het over ons kome,
om ons aan te moedigen in den strijd; dat het over ons
kome, om ons te teekenen en alzoo ons te bevrijden van
den duivel, even als het bloed van het lam, waarmede
de deurstijlen van de huizen der Israëlieten geteekend
waren, de Israëlieten bevrijdde van den Worgengel, die
alom de eerstgeborenen der Egyptenaren doodde. Ziet-
daar, B. B., in welken zin wij mogen zeggen: Jezus\'bloed
(1) I Cor. vi, 20. (2) Matth. xxvn, 24. (3) Matth. xxvn, 4.
-ocr page 251-
— 247 —
kome over ons en over onze kinderen: Sanguis ej\'us super
nos et super filios nostros.
(i)
SLUITREDE.
Wij hebben gezien, B. B., dat wij Jezus dankbaar moe-
ten zijn voor zijn goddelijk bloed, dat Hij voor ons ver-
goten heeft. Hij heeft het vergoten tijdens zijn leven,
«n Hij offert het nog dagelijks voor ons op in het H.
Sacrificie der Mis en laaft er onze zielen mede in de
H. Communie. Het heilig bloed van Jezus is van een
oneindige waarde. Jezus heeft het vergoten voor zijne
vijanden, d. i., voor ons, om ons met God zijn hemelschen
Vader te verzoenen, om ons van de slavernij des duivels
te verlossen en van onze zonden te zuiveren; om ons
van de hel te bevrijden en den hemel binnen te leiden.
Wat al dankbaarheid zijn wij Jezus daarvoor niet schul-
•dig! En om Jezus onze dankbaarheid te betoonen, geven
wij ons geheel en al aan Hem; offeren wij Hem op onze
ziel en ons lichaam, alles wat wij hebben, alles wat wij
zijn. Zijn wij edelmoedig jegens Jezus, en bereid zelfs
van ons bloed voor Hem ten beste te geven, gelijk Hij
edelmoedig jegens ons geweest is en zijn heilig bloed
voor ons ten beste gegeven heeft. Eeren en aanbidden
wij het heilig bloed van Jezus tijdens de H. Mis, en vooral
op het oogenlik dat de Priester onder de Consecratie den
kelk met het heilig bloed van Jezus in de hoogte heft en zijn
hemelschen Vader opdraagt tot vergiffenis onzer zonden.
Naderen wij dikwijls tot het allerheiligste Sacrament des
Altaars, waarin Jezus ons zijn goddelijk vleesch tot spijs,
zijn goddelijk bloed tot drank geeft; zoo doende zullen
(1) Matth. xxvii, 25.
-ocr page 252-
— 248 —
wij, met die goddelijke spijs gesterkt en met dien godde-
lijken drank gelaafd, vol betrouwen onze reis kunnen
voortzetten door de woestijn der wereld naar het beloofde
land, d. i., naar den hemel. Amen.
-ocr page 253-
ZESTIENDE PREEK.
De Hemelvaart van Maria.
Pretiosa in conspectu Domini mors Sanc-
torum
e/u*.
De dood der Heiligen is kostbaar in de
oogen van God.
                (Ps. cxv, 15.)
INHOUD.
VOORREDE.
De mensch was sterfelijk van natuur, onsterfelijk door
een bijzonder voorrecht; dat voorrecht heeft hij verloren
door de zonde. — Maria was sterfelijk van natuur, onster-
felijk door een bijzonder voorrecht; dat voorrecht heeft
zij nooit verloren, omdat zij noch met de erfzonde be-
smet, noch met eene dadelijke zonde bezoedeld is geweest.
— Maria heeft van haar voorrecht afgezien, om Jezus
haren Zoon te gelijken. — Maria\'s dood is een toonbeeld
van den dood des rechtvaardigen. — Die dood is kost-
baar in de oogen van God.
VERDEELING.
I. De dood van Maria is kostbaar;
II. Hoe Maria gestorven is.
-ocr page 254-
— 2$0 —
I.
De dood van den zondaar is bitter, omdat hij gehecht
is aan het aardsche; de dood van Maria is zoet, omdat
zij onthecht is van het aardsche. — De dood van den
zondaar is bitter om de knaging van zijn geweten; de
dood van Maria is zoet om de gerustheid van haar ge-
weten. — De dood van den zondaar is bitter om de
onzekerheid van de toekomst; de dood van Maria is zoet
om de zekerheid van de toekomst.
II.
Maria leefde na de Hemelvaart van Jezus nog 24 jaren;
zij stierf in den gezegenden ouderdom van 72 jaren. —
Maria verlangde naar den dood, doch onderwierp zich
aan God. — Maria was op hare beurt noodig voor de
Kerk. — Zij bezocht dikwijls de plaatsen, door Jezus
geheiligd, en vooral de plaatsen, waar Hij geleden had.
—    Verlangen van Maria op den Olijfberg. — Maria
heeft hare zending volbracht. — Jezus zendt een Engel
om Maria van haren dood te verwittigen. — Blijdschap
van Maria. — Maria maakt het nieuws bekend aan Joan-
nes, deze aan de overige Apostelen en geloovigen. — Droef-
heid der Apostelen en geloovigen. Alle Apostelen zijn
tegenwoordig, uitgenomen Jacobus overleden en Thomas.
— Paulus terug van zijne tweede reis. — De Apostelen zijn
bedroefd en verblijd, evenals bij de hemelvaart van Je-
zus. — De Engelen des hemels dalen neder. — Woor-
den van Maria tot de Engelen. — Jezus verschijnt aan
Maria. —Woorden van Jezus en Maria.—Maria\'s dood.
SLUITREDE.
Maria is een kostbaren dood gestorven, omdat zij zich
-ocr page 255-
— 251 —
onthecht had van het aardsche, omdat zij nooit een
enkele zonde bedreven had, en omdat zij verzekerd was
van hare zaligheid. — Wij moeten ons ook onthechten
van het aardsche en aan het hemelsche denken, de zonde
vluchten en de deugd oefenen. — Wij moeten Maria
bidden, teneinde, wel niet verzekerd van ons geluk,
toch vol betrouwen de eeuwigheid te gemoet te kunnen
zien en een zaligen dood te sterven.
-------•»tec£C^33il38».------
ZESTIENDE PREEK.
De Hemelvaart van Maria.
Pretiosa in conspectu Domini mors SatiC\'
torum ejus.
De dood der Heiligen is kostbaar inde
oogen van God.
                   (Ps, cxv, 15.)
VOORREDE.
De eerste mensch van God geschapen, B. B., was on-
sterfelijk, alvorens hij gezondigd had. Hij was onsterfe-
lijk, niet van natuur, maar door een bijzonder voorrecht
van God zijnen Schepper. Adam en Eva zouden dus
niet gestorven zijn, doch zij zouden, na den Heer hunnen
God eenigen tijd getrouw gediend te hebben, tot beloo-
ning daarvoor opgenomen zijn geworden ten hemel, zon-
der te sterven. Doch ziet! Nauwelijks hebben Adam en
Eva zich aan de zonde van ongehoorzaamheid plichtig
gemaakt, door van de verboden vrucht te eten, of God
spreekt het doodvonnis, waarmede Hij hen bedreigd had»
-ocr page 256-
— 252 ---
over hen uit. Ten dage, zoo had God tot den eersten
mensch gezegd, dat gij van de verboden vrucht eet, zult
gij den dood sterven: Mor te morieris. (i) En nadat
Adam van de verboden vrucht gegeten had, zeide God
tot hem: In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood
eten, totdat gij wederkeert in de aarde, waarvan gij ge-
maakt zijt; want gij zijt stof, en tot stof zult gij weder-
keeren: Qitia pulvis es, et in pulverent reverteris. (2)
Alzoo is de zonde door éénen mensch in de wereld
gekomen, en door de zonde de dood; en de dood is op
alle menschen overgegaan, wijl allen in éénen gezondigd
hebben.
De allerheiligste Maagd Maria, vrij van de erfzonde,
en nooit besmeurd, zelfs niet met de kleinste dadelijke
zonde, was ook onsterfelijk. Zij was onsterfelijk, niet
van natuur, maar door een bijzonder voorrecht van God.
Die leering van meer dan een H. Vader lijdt volstrekt
geen twijfel. En toch, Maria, gelijk wij weten, is gestor-
ven. Waarom is Maria dan gestorven ? Zij is gestorven,
B. B., omdat zij zoo veel mogelijk in alles haar godde-
lijken Zoon, die uit liefde tot ons gestorven is, wilde
gelijken. Van het bovennatuurlijk voorrecht der onster-
felijkheid heeft Maria dus afgezien. Daarenboven, de
dood van Maria moest naar Gods inzichten een toonbeeld
zijn van den dood, welken de rechtvaardigen sterven, en
die, gelijk God zelf in de H. Schrift verklaart, kostbaar
is in zijne oogen: Pretiosa in conspectu Domini mors
sanctorum ejus.
(3)
Alhoewel wij vandaag den feestdag der Hemelvaart
van Maria vieren, handelen wij eens eenige oogenblikken
over den dood van Maria; want haar dood is hare Hemel-
(1) Gen. 11, 17. (2) Gen. 111, 19. (3) Ps. cxv, 15.
-ocr page 257-
— 253 —
vaart voorafgegaan. De dood van Maria was kostbaar,
zegt de H. Alphonsus:
I. Om de voordeelen, waarvan hij vergezeld ging;
II. Om de wijze, waarop hij plaats had.
I.
De dood van Maria was kostbaar om de voordeelen,
waarvan hij vergezeld ging.
Er zijn drie zaken, die gewoonlijk samengaan, zegt
de H. Alphonsus, en die den dood van den mensch bitter
maken. Die drie zaken zijn: de gehechtheid aan het
aardsche, de knaging van het geweten en de onzekerheid
van de toekomst. Welnu, van die drie zaken was de
dood van Maria gansch vrij. Maria was niet gehecht aan
het aardsche, zij was er gansch van onthecht. Maria
gevoelde geene knaging van geweten, zij stierf in vrede.
Maria was niet onzeker aangaande hare toekomst, zij was
zeker van hare zaligheid. En wel vooreerst maakt de
gehechtheid aan het aardsche den dood bitter. De
H. Schrift zegt het duidelijk. O dood, zegt zij, hoe
bitter is de gedachte aan u voor den mensch, die zijn
geluk zoekt in de aardsche goederen ! O mors ƒ quant
amara est memoria tua homini pacem habenti in sub-
stantiis suis!{\\)
En geen wonder. Die mensch heeft
gezocht de grootheid en pracht, de schatten en rijkdom-
men, de vermaken en pleizieren. Wat al moeite heeft
hij zich niet getroost, om in eer en aanzien te komen
bij de menschen ? Hoe zeer heeft hij zich niet afgeslaafd,
om goud en zilver te vergaderen ? Wat al middelen heeft
hij niet uitgevonden, om zich te vermaken? En ziet, daar
(1) Ecclus xu, 1.
-ocr page 258-
— 254 —
komt de dood aan zijne woning kloppen. Die man van
aanzien, van iedereen geacht en hemelhoog verheven;
die man moet sterven, en men zal niet meer spreken
van hem; en die rijke, in het bezit van zooveel geld en
goed, moet de wereld verlaten, en men zal hem niets
anders medegeven dan een doodsgewaad en eene doods-
kist; en die echt vroolijke, die zich zoo goed vermaakte,
staat op het punt van zijn laatsten adem uit te blazen ;
en terwijl hij, gehecht en als vastgekluisterd aan het
aardsche, nog verstand genoeg bezit, om te begrijpen
dat hij alles moet verlaten, snauwt hij den dood, die
aan zijne legerstede staat, als het ware toe: Wreede dood,
is het zoo dat gij mij afrukt van hetgeen ik zoo zeer
beminde? Hoe bitter is dus de dood voor den mensch,
die gehecht is aan het aardsche. Met Maria is het juist
het tegendeel. Zij is gansch onthecht van het aardsche.
Alhoewel uit koninklijk bloed gesproten, en zelfs tot de
waardigheid van Moeder van God verheven, noemt Maria
zich de dienstmaagd des Heeren ; zij verheft den Heer,
wijl Hij op hare geringheid heeft nedergezien. Maria is
arm; zij moet met Jozeph, haren bruidegom, met te
werken voor zich en het goddelijk Kind den kost ver-
dienen. Maria, wel verre van zich te vermaken in de
wereld, heeft zich van hare prilste jeugd verwijderd van
de wereld, en zich voor gansch haar leven aan God toe-
gewijd. Haar eenig vermaak bestond in God te dienen,
in God te beminnen en met God vereenigd te zijn: en
Maria, die ootmoedige, die arme, die zuivere Maagd, wel
verre van den dood bits toe te snauwen, roept hem blij-
moedig toe: o zoete dood! o kom! spoed u om mij te
vereenigen met God, mijn welbeminde!
Vervolgens maakt de knaging van het geweten den
dood bitter. Den mensch, die sterven gaat, komen al
-ocr page 259-
— 255 —
zijne zonden voor den geest; zonden bedreven met ge-
dachten, begeerten, woorden, werken en verzuimenissen;
zonden bedreven met zich zelven en met anderen; zonden
bedreven tegen de geboden van God, van de H. Kerk
en tegen de plichten van zijnen staat. Vroeger schenen
hem die zonden beuzelarijen en weinig in getal; hij
schepte er zijn vermaak in. Thans vertoonen zij zich
met getal en omstandigheden, en in al hare afschuwe-
lijkheid. Nu, zoo kan die mensch op zijn sterfbed met
Antiochus zeggen, nu herinner ik mij al het kwaad, dat
ik gedaan heb, de zonden die ik bedreven en waardoor
ik mijnen Heer en God zoo dikwijls en zoo grodtelijks
vergramd en beleedigd heb: Nunc reminiscor malorum
qnae feci.
(i) Op het punt van voor den rechterstoel
van God te verschijnen, zou de zondaar zich van al zijne
zonden willen ontdoen, doch te vergeefs. Die zonden
klemmen zich aan hem vast, en zij roepen, gelijk de
H. Bernardus zegt, den zondaar toe: Wij zijn uwe wer-
ken en verlaten u niet. (2) Hoe bitter is dus de dood
voor den mensch, wiens geweten zoo verschrikkelijk
knaagt. Met Maria is het wederom juist het tegendeel.
Vrij van de erfzonde, heeft Maria nooit eene dadelijke
zonde, zelfs de kleinste niet bedreven. Terecht worden
dus op Maria de volgende woorden van het Hooglied toe-
gepast : Gij zijt geheel schoon, mijne vriendin! Totapul-
era es,
en er is geene vlek in u te vinden ! et macula
non est in tel
(3) Van af het eerste oogenblik vanhaar
bestaan, begon Maria haren God te beminnen uit geheel
haar hart, uit geheel hare ziel, uit geheel haar verstand
en uit al hare krachten, en in die liefde tot God nam
(1)1. Mach. vi, 12. (2) Opera tua sumus non te deseremus. S.
Bern. (3) Cant. cant. iv, 7.
-ocr page 260-
— 256 —
zij dagelijks toe. Al hare gedachten, al hare begeerten
waren aan en voor God; zij sprak geen woord, zij verichtte
geen werk, tenzij tot glorie van God. Op het einde van
haar leven mocht Maria op het verledene terugzien en
zeggen: Nu, nu herinner ik mij de deugden, die ik be-
oefend, de goede werken die ik gedaan heb. Die deugden,
die goede werken scharen zich rondom het sterfbed van
Maria : haar levend geloof, hare zoete hoop, hare vurige
liefde, hare diepe ootmoedigheid, hare stipte gehoorzaam-
heid, haar voorbeeldeloos geduld, hare vlekkelooze zui-
verheid; al de goede werken,die zij tijdens haar lang leven
verricKt had; al die deugden en goede werken riepen
Maria toe: Wij zijn uwe werken en verlaten u niet; wij
zullen onze intrede met u doen in het hemelrijk en u
vergezellen tot voor den troon van God. Eindelijk maakt
den dood nog bitter de onzekerheid der toekomst.
De dood, B. B., is de overgang van den tijd naar de
eeuwigheid, zoodat van den dood afhangt de gelukkige
of de ongelukkige eeuwigheid. Geen wonder dat de mensch,
die gaat sterven, en die dus gaat beslissen over zijne
eeuwigheid, dat die mensch ongerust is. Loopt hij geen
gevaar van de ongelukkige eeuwigheid in te gaan ? Wat
zegt de H. Schrift ? De mensch weet niet, zegt zij, of
hij liefde of haat waardig is: Nescit homo utrum amore
an odio dignus sit.
(1) Alhoewel ik mij niets bewust
ben, zegt de Apostel Paulus, daarom ben ik niet gerecht-
vaardigd: Non in hoc justificatus sum. (2) Nochtans,
vele Heiligen waren vol vreugde bij hunnen dood. Toen
de H. Laurentius Justinianus, zoo verhaalt ons de H.
Alphonsus de Liguorio, op sterven lag, en hij zijne broe-
ders, die om zijn sterfbed stonden, hoorde weenen,
(1) Eccl. ix, 1. (2) I Cor. iv, 4.
-ocr page 261-
— 257 —
zeide hij: Weg! Weg met die tranen! \'t Is nu geen tijd
van weenen; wilt gij hier blijven, dan moet gij u met
mij verheugen, want ziet! de deur des hemels staat op
het punt van zich voor mij te openen, en ik ga mij
vereenigen met mijnen God. Hetzelfde wordt verhaald
van meer andere Heiligen, namelijk, dat zij zich ver-
heugden bij hunnen dood. Nochtans, stellig zeker van
in staat van genade te zijn, waren zij niet, en bijgevolg
ook niet van hunne zaligheid. Doch Maria, zij was stellig
zeker van in staat van genade te zijn, sedert de Engel
haar geboodschapt had, dat zij vol van genade was. Zij
was stellig zeker dat zij die genade nooit verloren, doch
steeds vermeerderd had, en bijgevolg was Maria ook
stellig zeker dat zij bij haar sterven naar den hemel tot
haar goddelijken Zoon zou gaan. Hoe groot moest dus
de vreugde niet zijn van Maria, zoodra zij wist dat zij
sterven ging! Doch zien wij in ons tweede deel eenige
bijzonderheden van den dood van Maria.
II.
Maria, B. B., leefde na de Hemelvaart van Christus,
volgens een algemeen gevoelen, nog vier en twintig jaren,
zoodat zij bij haren dood den ouderdom van twee-en-
zeventig jaren bereikt had. Maria verlangde wel is
waar naar den hemel, en geen wonder. Daar immers
bevond zich haar schat, haar tecrgeliefde Jezus; en waar
de schat is, daar is, zegt de H. Schrift, ook het hart.
Nochtans, wijl Maria wist dat het de wil van haar god-
delijken Zoon was, dat zij op hare beurt ook eenigen
tijd bij de Apostelen verbleef, onderwierp zij zich vol-
gaarne aan diens wil. De Apostelen kwamen dikwijls
bij Maria. Waren zij in twijfel, zij kwamen bij Maria
17.
-ocr page 262-
— 258 —
om raad; waren zij in droefheid, zij kwamen bij haar
om troost; werden zij vervolgd, zij kwamen bij haar om
bijstand, en altoos vonden zij bij die goede Moeder raad,
troost en bijstand. Ja, Maria sprak hun moed in het
hart, om voor niets achteruit te deinzen, doch alles te
ondernemen tot glorie van God en tot zaligheid der zielen.
Tijdens haar verblijf te Jeruzalem bezocht Maria dikwijls
de plaatsen, door haar goddelijken Zoon geheiligd. Nu
eens bezocht zij Bethleëm, waar Jezus geboren was; dan
wederom Nazareth, waar zij zoovele jaren te zamen
hadden doorgebracht. Bij voorkeur bezocht Maria de
plaatsen, door Jezus\' lijden geheiligd: den Olijfhof, waar
Jezus zijn lijden begonnen had; het gerechtshuis van
Pilatus, waar Jezus gegeeseld en gekroond was; doch het
meest deed zij den kruisweg, beklom den Calvarieberg,
waar Jezus aan het kruis gestorven was, en bezocht het
graf, waarin zijn lichaam na de kruisafneming was neder-
gelegd; eindelijk den Olijfberg, van waar Jezus glorievol
ten Hemel geklommen was.
Het bezoek dier plaatsen verschafte Maria wel is waar
veel troost; zekere plaatsen waren voor haar vol van de
zoetste herinneringen, doch zulks belette niet dat Maria,
hoe meer zij vorderde in jaren, ook meer en meer naar
haar goddelijken Zoon verlangde, vooral, B. B., zoo
dikwijls zij op den Olijfberg kwam, van waar zij Jezus
ten hemel had zien klimmen. O dan verlangde Maria
sterker naar haren Jezus dan een dorstend hert verlangt
naar de waterbron\\; dan verzuchtte die goede Moe-
der naar haren Zoon: Wanneer zal mij het geluk te
beurt vallen, waarnaar ik zoo zeer dorst! Wanneer, o
mijn Jezus, zal ik mogen komen en voor uw aanschijn
mogen verschijnen! Wie zal mij vleugelen geven gelijk
aan een duif, zeide Maria met den koninklijken Profeet
-ocr page 263-
— 259 —
David: Quia mihi dabit pennas sicut columbae, en ik
zal tot mijnen Zoon opvliegen en in Hem berusten, et
volabo et requiescam.
(i)
Dusdanig, B. B., waren de herhaalde zoete verzuch-
tingen van Maria naar haar beminden Zoon Jezus. Aan
die verzuchtingen zal haar Zoon Jezus dan ook weldra
voldoen. Daarenboven, Jezus heeft zijn doel bereikt.
Maria moest zijne pas gestichte Kerk zichtbaar bijstaan
en beschermen. Zulks heeft die goede Moeder op hare
beurt gedaan. Thans is Jezus\' Kerk reeds op verschil-
lende plaatsen uitgebreid. De stem der Apostelen is
reeds ver doorgedrongen. Ook heeft Maria zich een
schat van verdiensten vergaderd, zoo groot dat zij tot
Koningin van hemel en aarde, van Engelen en Heiligen
kan gekroond worden. Doch ziet, Jezus alvorens zijne
Moeder tot zich te roepen, wil haar eerst verwittigen.
Eenige dagen vóór haren dood zendt Jezus Maria den
Engel Gabriel, denzelfden, dien God eertijds gezonden
had, om Maria te boodschappen, dat zij verkoren was
om de Moeder van den Zoon Gods te worden. Vol
eerbied nadert de Engel Gabriel opnieuw Maria: Wees
gegroet! zegt hij wederom, gij zijt de gezegendste der
vrouwen; weldra zal u de zaligheid des hemels te beurt
vallen; de Heer Jezus uw Zoon wacht de komst zijner
Moeder af. En Maria bij het vernemen dier blijde tijding
antwoordt: Zie de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede
naar uw woord. Aan Joannes voorzeker heeft Maria het
eerst die blijde tijding bekend gemaakt. Immers, Jezus
aan het kruis had zijne Moeder den H. Joannes toever-
trouwd; Joannes had Maria tot zijne Moeder aangenomen.
Jaren lang had hij als trouwe zoon met Maria, de Moeder
(1) Ps. liv, 7.
-ocr page 264-
— 2ÓO —
van Jezus, gewoond en voor haar zorg gedragen. Doch
welk een slag voor Joannes! Vol droefheid deelde hij
het nieuws mede aan de andere Apostelen, aan zijne
bloedverwanten en vrienden, ja aan alle Christenen van
Jeruzalem. Allen werden bedroefd bij het vernemen dier
tijding. Niet, B. B., dat de geloovigen van Jeruzalem
Maria het geluk des hemels benijdden; neen, maar om-
dat zij van hun steun en troost, van hunne goede Moe-
der gingen beroofd worden. De Christenen, die Maria
kwamen bezoeken, stortten overvloedige tranen; zij
smeekten haar hen toch niet als weezen achter te laten.
Maria antwoordde: De wil des Heeren geschiede. Zij
troostte de Christenen, moedigde hen aan en beloofde
dat zij hen nooit zou vergeten en in den hemel zou
gedachtig zijn.
Den tijd, dien Maria overbleef, besteedde zij om zich
voor te bereiden tot den dood. Voor de laatste maal
bezocht zij nog de heilige plaatsen van Jeruzalem en van
de omstreken. De dag, waarop Maria dit tranendal zou
verlaten, naderde voor de Christenen met al te rassche
schreden. Bedroefd waren zij in Maria\'s woning op den
Sion samengekomen. De Apostelen, door eene bijzondere
beschikking van God, bevonden zich allen te Jeruzalem,
uitgenomen de H. Jacobus, die reeds overleden was, en
Thomas. De Apostel Paulus was juist van zijne tweede
reis terug en kon dus den dood van Maria bijwonen.
De Apostelen waren bedroefd en verblijd, juist gelijk bij
de Hemelvaart van hun goddelijken Meester. Toen ook
waren zij bedroefd, wijl Jezus hen ging verlaten; verblijd,
wijl Jezus bezit ging nemen van den troon in den hemel,
dien Hij verdiend had. Nu zijn de Apostelen bedroefd,
wijl Maria niet meer bij hen zal zijn; verblijd, wijl hunne
goede Moeder den schoonen hemel zal binnengaan.
-ocr page 265-
— 2ÖI —
Eindelijk was het uur gekomen, dat Maria de wereld
verlaten zou. De Christenen zijn geschaard rondom het
sterfbed van Maria. Zij hebben hunne betraande oogen
onafgebroken op hunne goede Moeder gevestigd. Eens-
klaps werd er eene aangename muziek gehoord. Enge-
lenkoren, door Jezus vooraf gezonden, dalen neder. Bij
het ontwaren der Engelen roept Maria hen toe: o, in-
woners van het hemelsch Jeruzalem! boodschapt aan mijn
Welbeminde, dat ik van liefde verkwijn: Annuntiatc
Dilecto meo quia amore langueo.{\\)
Eindelijk verschijnt
Jezus, haar Zoon. Van Engelen omgeven, daalt Hij neder
bij zijne Moeder. Kom, o mijne gezegende Moeder!
zoo spreekt Jezus Maria aan. Kom naar mijne woon-
plaats! Gij, de reinste der vrouwen. Daarop roept Maria
uit: In uwe handen, o mijn Zoon! beveel ik mijnen geest.
Maria aanschouwt vol liefde voor de laatste maal hare
kinderen, die haar sterfbed omringen. Zij verheft hare
hand en zegent hen. Daarop vouwt zij hare handen
eerbiedig te zamen, en terwijl eene hemelsche vreugde
schittert op haar rein gelaat, opent Maria nog eens haar
heiligen mond: Mijn zoon! zegt zij, mij geschiede naar
uw woord, en zachtjes ontslapende geeft Maria zonder
pijn of smart, zonder geweld, in eene hemelzalige verruk-
king hare schoone ziel over in de handen van Jezus haren
Zoon. Maria is niet meer. Hare schoone ziel heeft de
aarde verlaten en is opgevlogen ten hemel, waar kort
daarna haar maagdelijk lichaam hare ziel gevolgd is,
Want Maria is, gelijk wij weten, met ziel en lichaam op-
genomen ten hemel.
SLUITREDE.
Zietdaar, B. B., den schoonen, den kostbaren dood van
(1) Cant. cant. 11, 5.
-ocr page 266-
— 2Ó2 —
Maria. Maria ontsliep z^cht in den Heer, den glimlach
op haar rein gelaat. En geen wonder. Wat toch in de
wereld kon Maria tegenhouden ? Zij die, onthecht van het
aardsche, altoos voor God geleefd had en naar niets dan
naar haren God verlangde. Wat toch kon Maria vrees
voor den dood inboezemen, daar zij vrij van de erfzonde,
zich niet eens aan de kleinste dadelijke zonde had plichtig
gemaakt, doch immer de deugd beoefend, het goede ge-
daan had? Vol blijdschap dus zag Maria het oogenblik
van den dood naderen, stellig zeker als zij was, dat zij
zich in den hemel bij haar goddelijken Zoon ging ver-
voegen, om voor eeuwig met Hem gelukkig te zijn.
Bij de gedachte aan dien schoonen, kostbaren dood van
Maria zal een ieder wellicht denken: Och of ik ook een-
maal zulk een zaligen dood sterve. Zulk een zaligen dood,
B. B. ? Neen dat is niet mogelijk. Die schoone, die
kostbare dood is alleen voor Maria. Maar eenmaal een
zaligen dood sterven ? Ja, B. B., dat is mogelijk, daar
moeten wij ons met hart en ziel op toeleggen, daarvoor
moeten wij werken gansch ons leven.
O, B. B., bekommeren wij ons niet te zeer over de
aardsche goederen, die vergankelijk zijn ; doch leggen wij
ons met vlijt toe op de hemelsche goederen, die eeuwig
blijven duren. Wachten wij ons zorgvuldig voor de zonde,
wijl de gedachte aan de zonde den dood zoo bitter maakt,
en beoefenen wij met vlijt de deugd, wijl de gedachte
aan de deugd den dood zoet doet wezen. Tot dat einde
moeten wij onder anderen ons tot Maria wenden. Van
uit het hoogste des hemels, waar zij met ziel en lichaam
opgenomen is, slaat Maria vol medelijden hare blikken
op ons in dit tranendal neder. Die goede Moeder is
bereid ons te hulp te komen, mits wij onze toevlucht tot
haar nemen. O, bidden wij dus Maria, doch vooral van-
-ocr page 267-
— 263 —
daag, ter gelegenheid van hare glorierijke Hemelvaart.
Bidden wij die goede Moeder, dat zij ons van God de
genade bekome, van Jezus haar goddelijken Zoon bovenal
te beminnen, al de dagen van ons leven trouw te dienen,
om op het einde van ons leven, zoo niet gansch zeker van
onze zaligheid, dan toch vol betrouwen de eeuwigheid
tegemoet te kunnen zien en een zaligen dood, den dood
der rechtvaardigen, te sterven. Amen.
Sfei
-ocr page 268-
ZEVENTIENDE PREEK.
Het H. Hart van Maria.
Ego mater pulchrx dilectionis.
Ik ben de moeder der schoone liefde.
(Eccl. xxiv. 24.)
INHOUD.
VOORREDE.
Twee feesten ter eere van twee H. Harten, van Jezus
en van Maria. — De devotie tot het H. Hart van Jezus
en die tot het H. Hart van Maria gaan te zamen, zij
dagteekenen van het begin der H. Kerk. — Congregatiën
ter eere van het H. Hart van Maria. — Fransche omwen-
teling. — Broederschap van het H. Hart van Maria, door
Paus Gregorius XVI tot aartsbroederschap verheven.
VERDEELING.
I. Welk is het voorwerp der devotie waarvan hier
spraak is?
II. De voornaamste beweegreden om het H. Hart
van Maria te eeren.
I.
Grond der devotie tot het H. Hart van Maria, haar
-ocr page 269-
— 2ÓS —
goddelijk moederschap. — Het voorwerp dezer devotie
is tweederlei: het stoffelijk voorwerp en het geestelijk
voorwerp. — Het stoffelijk voorwerp is het H. Hart van
Maria zelf. — Wat is het H. Hart van Maria? — Het
geestelijk voorwerp is de liefde van Maria, waarvan het
hart het zinnebeeld is. — Men eert relequiën van Maria,
hoeveel te meer moet men dan haar H. Hart eeren.
II.
De voornaamste beweegreden om het H. Hart van
Maria te eeren, vinden wij in hare liefde, liefde tot God
en de menschen. — Maria heeft ons bemind gansch
haar leven, en zij bemint ons nog. — Gansch het leven
van Maria is een aaneenschakeling van liefdewerken ge-
weest. — Maria in den tempel te Jeruzalem. — Maria
stemt toe om de Moeder van God te worden. — Maria
brengt Jezus ter wereld. — Zij offert Hem op te Jeruzalem:
Voorzegging van Simeon. — Maria vlucht met Jezus naar
Egypte. — Jezus verloren te Jeruzalem. — Jezus werkt
te Nazareth. — Jezus wordt miskend en vervolgd tijdens
zijn leeraarsambt. — Jezus wordt verraden, valsch beschul-
digd, ter dood veroordeeld, mishandeld, aan Pilatus en aan
Herodes overgeleverd, gegeeseld, met doornen gekroond,
achter Barabbas gesteld, tot den kruisdood veroordeeld. —
Maria ontmoet Jezus op weg naar den Calvarieberg. —
Maria aan den voet des kruises. — Woorden van Jezus tot
Maria en Joannes; Maria neemt ons tot hare kinderen
aan. — Zij offert uit liefde tot ons haar goddelijken Zoon
op. — Maria in den hemel bemint ons en verlangt niets
zoozeer als ons gelukkig te maken.
SLUITREDE.
Na het H. Hart van Jezus moeten wij het H. Hart
-ocr page 270-
— 266 —
van Maria het meest eeren. — Wij moeten aan Maria\'s
liefde met wederliefde beantwoorden, den H. Joannes
navolgen.
ZEVENTIENDE PREEK.
Het H. Hart van Maria.
Ego mater pulchrae dilectionis.
Ik ben de moeder der schoone liefde.
(Ecclus xxiv, 24.)
VOORREDE.
Buiten het feest van het H. Hart van Jezus, B. B.,
viert onze Moeder de H. Kerk ook nog het feest van
het H. Hart van Maria. De godsvrucht of devotie
tot het H. Hart van Maria is zoo min eene nieuwigheid
als die tot het H. Hart van Jezus, en zonder gevaar
van zich te bedriegen, mag men zeggen, dat zij in zeke-
ren zin ook dagteekent van het begin der H. Kerk;
doch in den beginne ging zij door onder de algemeene
godsvrucht tot Maria: later heeft zij zich alom onder
een bijzonderen naam en onder een bepaalden vorm uit-
gebreid.
Als bijzondere godsvrucht dus neemt de godsvrucht
tot het H. Hart van Maria een aanvang met die tot
het H. Hart van Jezus. En geen wonder. Hoe toch
zou men de Moeder van den Zoon, en bijzonder eene
Moeder als Maria van een Zoon als Jezus kunnen schei-
den ? Zoodra dus onze Moeder de H. Kerk op het einde
der zeventiende eeuw haren kinderen toestond het H.
-ocr page 271-
— 267 —
Hart van Jezus op eene bijzondere wijze te vereeren,
toen kwamen de kinderen van Maria al spoedig op de
gedachte, om het H. Hart hunner goede Moeder ook
eene bijzondere eer te bewijzen.
Die twee devoties dus ontstonden en ontwikkelden
zich gelijktijdig; te zamen werden zij door de Oversten
der H. Kerk verzorgd en begunstigd. In Frankrijk vooral
werden er alom Congregatiën opgericht ter eere van het
onbevlekt Hart van Maria, en de Paus van Rome stelde
zich niet alleen tevreden met die Congregatiën goed te
keuren en aan te prijzen, doch hij verrijkte ze tevens
met geestelijke schatten, met talrijke aflaten.
De Fransche omwenteling, waardoor gansch Frankrijk
met puinen overdekt en als van bloed overstroomd
en Europa zoo verschrikkelijk geschokt werd, die om-
wenteling sloopte ook de Congregatiën, ter eere van
het H. Hart van Maria opgericht, en bracht daardoor
een gevoeligen slag toe aan de godsvrucht zelve. Schier
in vergetelheid geraakt, zal de godsvrucht tot het H.
Hart van Maria herleven, zij zal bloeien, steeds meer en
meer bloeien en de schoonste vruchten van heiligheid
voortbrengen. Tot dat einde koos God, wiens inzichten
ondoorgrondbaar zijn, een eenvoudigen en ootmoedigen
Priester, een Priester zonder buitengewone talenten en
aanzien. Die Priester was de Eerwaarde Heer Dufriche
Desgenettes, Pastoor van onze Lieve Vrouw der Over-
winningen te Parijs. Toen de Eerwaarde Heer Dufriche
Desgenettes pastoor van O. L. Vrouw-Kerk was, leverde
zijne parochie een akelig en bedroevend schouwspel op.
Zijne parochianen, gansch in de tijdelijke aangelegenhe-
den verslonden en aan de vermaken der wereld overge-
geven, waren onverschillig geworden voor den godsdienst.
Kerk, Mis, Sacramenten, alles schenen zij vergeten. En
-ocr page 272-
— 268 —
terwijl die goede herder over den ellendigen toestand
zijner ongelukkige schapen nadenkt, ziet! daar valt hem
eensklaps de gedachte in van zijne parochie toe te wijden
aan het allerheiligste en onbevlekte Hart van Maria. Hij
maakt de statuten op van een broederschap ter eere van
het H. Hart van Maria, en onderwerpt die aan de goed-
keuring van Zijne Doorl. Hoogw. Mgr. Quélen, destijds
aartsbisschop van Parijs. Deze keurt den 16 December
1836 de statuten goed. De broederschap van het H.
Hart van Maria wordt verheven tot aartsbroederschap
door Zijne Heiligheid Gregorius XVI den 24 April 1837,
met machtiging van andere broederschappen op te nemen,
opgericht tot hetzelfde doel, namelijk, om te bidden voor
de bekeering der zondaren. Alom richten zich honder-
den, duizenden broederschappen op en sluiten zich aan
bij de aartsbroederschap te Parijs, zoodat met de broe-
derschappen zich tevens de godsvrucht tot het H. Hart van
Maria de gansche wereld door verspreidt, en de schoonste
vruchten voortbrengt. Wijl wij vandaag het feest van
het H. Hart van Maria vieren, heb ik voorgenomen, u
eenige oogenblikken over het H. Hart onzer goede Moe-
der te onderhouden. Wij zullen zien:
I. Welk het voorwerp is der devotie, waarvan hier
spraak is;
II. De voornaamste beweegreden om het H. Hart van
Maria te eeren.
I.
En wel vooreerst, welk is het voorwerp der devotie,
waarvan hier sprake is?
Om zulks wel te verstaan, B. B., zeggen wij eerst een
woordje over de waardigheid van Maria Maria is het
-ocr page 273-
— 269 —
volmaaktste der schepselen, zoodat zij niet alleen de men-
schen, maar ook de Engelen in volmaaktheid te boven gaat.
Ontvangen zonder smet, kwam Maria ter wereld bedeeld
met de kostbaarste gaven naar ziel en lichaam.
Vol van genade, heeft Maria de genade nooit door de
geringste fout verminderd, doch door hare deugden en
goede werken steeds vermeerderd. Daarna tot de groot -
ste waardigheid, tot die van Moeder van God verheven,
deelde Maria steeds met haar goddelijken Zoon in het
werk der verlossing, totdat zij door Jezus aan het kruis
aangesteld werd tot Moeder der menschen. Na nog
eenige jaren na den dood van haar goddelijken Zoon
voor de H. Kerk zorg gedragen te hebben, ontsliep Maria
zacht in den Heer en werd daarna met ziel en lichaam
opgenomen in den hemel, waar zij thans, boven Engelen
en Heiligen verheven, zetelt bij Jezus, haar goddelijken
Zoon. Zietdaar de waardigheid van Maria, en \'t is in die
waardigheid, dat de grond ligt van de godsvrucht tot
het H. Hart van Maria. Het voorwerp dier godsvrucht,
B. B., is tweevoudig in zijne eenheid: het stoffelijk voor-
werp en het geestelijk voorwerp. Door het stoffelijk
voorwerp, en dat onder het bereik der zintuigen valt,
moet verstaan worden het eigenlijke H. Hart van Maria.
Het hart van den mensch, van welken ook, is reeds
een kunstgewrocht des Scheppers; het H. Hart van Maria
is het meesterstuk bij uitnemendheid van Gods oneindige
almacht, wijsheid en liefde. Dat meesterstuk — het H.
Hart van Maria — in zich beschouwd, is na het H. Hart
van Jezus het waardigste voorwerp onzer vereering. Ziet-
hier eenige redenen:
Het H. Hart van Maria is het edelste deel van het
lichaam der Moeder Gods; dus van het heiligste, het
volmaaktste lichaam, dat ooit na dat van den Zoon Gods,
-ocr page 274-
— 270 —
voor ons mensch geworden, gevormd is. Het is het
beginsel van het leven der Moeder Gods; dus van het
heiligste, het volmaaktste aller levens na dat van den
Zoon Gods.
Het H. Hart van Maria is het edelste orgaan van de
gevoelens der ziel van Maria; dus van de heiligste, van
de volmaaktste der zielen na die van den Zoon Gods.
Het is gansch bijzonder het orgaan van Maria\'s over-
groote liefde tot God en de menschen; liefde, van welke
er na die van Jezus geen zuiverdere, geen vurigere, geen
brandendere liefde gevonden wordt; liefde die de liefde
van alle Engelen en Heiligen overtreft.
Het H. Hart van Maria is na dat van Jezus het heilig-
dom bij uitstek van God den H. Geest, die het op eene
bijzondere wijze door den overvloed zijner genade ge-
heiligd heeft. Het is de bron van het bloed, waarvan
door de bijzondere werking van den H. Geest het lichaam
van den Zoon Gods gevormd is; dus van het bloed, dat
met den Zoon Gods zelfstandig is vereenigd; in een woord,
het H. Hart van Maria is het Hart van de Moeder van
God, en daarom is het na het H. Hart van Jezus het
waardigste voorwerp onzer vereering.
Door het geestelijk voorwerp, B. B., moet verstaan
worden de liefde van Maria; liefde, waarvan het hart het
zinnebeeld is; liefde, waarmede Maria niet alleen God,
maar ook ons menschen bemind heeft en nog bemint;
liefde, waarvan zij ons de doorslaandste bewijzen gegeven
heeft vooral tijdens het lijden van haar goddelijken Zoon,
dien zij uit liefde tot ons aan God den hemelschen Vader
opgeofferd heeft.
Uit deze weinige regelen goed begrepen, blijkt dat
beide voorwerpen, het stoffelijk en het geestelijk voor-
werp, maar één voorwerp uitmaken, en dat wij het H.
-ocr page 275-
— 271 —
Hart van Maria vereeren als zinnebeeld der liefde, en de
afgebeelde liefde in haar H. Hart. Terecht wordt dus
Maria genoemd de Moeder der schoone liefde: Materpul-
chrae dilectionis.
(i) Bijgevolg, onder welk oogpunt men
het voorwerp ook beschouwe, na het H. Hart van Jezus is
er niets uitstekender, niets kostbaarder, niets edeler, niets
heiliger dan het H. Hart van Maria, en bijgevolg is er
niets, dat meer onzen eerbied en onze liefde verdient;
\'t is het H. Hart van Jezus\' Moeder en onze Moeder,
die ons altoos zoo teeder bemind heeft en nog bemint;
\'t is Maria zelve, beschouwd in het edelste deel van haar
maagdelijk lichaam, in haar H. Hart, en! in de schoonste
eigenschap harer ziel, in hare liefde.
Veronderstelt eens een persoon, B B., in het bezit
van eene reliquie van Onze\' Lieve Vrouw, bijv., van een
deeltje van een der kleederen, welke Maria tijdens haar
leven gedragen heeft; die persoon, in het bezit van der-
gelijke reliquie, zou zich gelukkig achten; met eerbied
zou hij ze in zijne handen nemen, met liefde aan zijne
lippen drukken en vereeren, en die persoon, B. B., heeft
gelijk. Waarom? Die reliquie is onzen eerbied, onze
liefde waardig, omdat zij gedragen is geweest door Maria,
de Moeder van God. Doch ik vraag het, wat is die
reliquie, hoe eerbiedwaardig ook, in vergelijking van het
H. Hart van Maria? Zietdaar dus, B. B., waarin het twee-
voudig voorwerp van de godsvrucht tot het H. Hart van
Maria bestaat, het stoffelijk en het geestelijk voorwerp;
beide maken om zoo te zeggen maar een voorwerp uit.
Zien wij nu in ons tweede deel de voornaamste beweeg-
reden, waarom wij het H. Hart van Maria moeten eeren en
beminnen. Die beweegreden, B. B., is de liefde van Maria,
(i; Eccl. xxiv, 24.
-ocr page 276-
— 272 —
II.
Niemand voorzeker na Jezus den Zoon, heeft God en
de menschen zoo zeer bemind als Maria zijne Moeder.
Het H. Hart van Maria brandde steeds van liefde tot den
God der oneindige liefde. Maria, zoo spreekt de H. Alphon-
sus, heeft van af het begin van haar bestaan God meer be-
mind dan alle Engelen en Heiligen te zamen; en wel
verre van ooit in hare liefde tot God te verflauwen of
te verminderen, nam zij gedurende tweeen zeventig jaren,
dus gansch haar leven, in de liefde tot God toe. Doch
\'t is thans over de liefde van Maria tot de menschen,
dat wij moeten handelen.
De liefde van Maria tot de menschen vangt aan met
haar leven; zij is haar bijgebleven tot na haren dood.
Ja, B. B., Maria heeft ons bemind tijdens haar leven.
Gansch haar leven is eene reeks van liefdewerken voor
het menschdom geweest. Zoodra Maria het leve nslicht
aanschouwde, zegt de H. Modestus, offerde zij zich op
tot heil, tot verlossing der wereld. Ongeveer drie jaren
oud, en overgeplaatst in den tempel te Jeruzalem, was
het gebed een harer voornaamste bezigheden. En waarom
bad Maria in den tempel? Zij bad, onder anderen, om
de genade van haren evenmensch zoo volmaakt mogelijk
te beminnen. Bedroefd over den ellendigen toestand van
het menschdom, veroorzaakt door de zonde, verzuchtte
Maria aanhoudend ten hemel, bad en smeekte God van
de komst van den Messias te verhaasten, den lang ge-
wenschten der volkeren te zenden, die het menschdom
verlossen, de zielen zalig maken zou. Het voorwerp der
verzuchtingen der Aartsvaders was het voorwerp der
verzuchtingen van Maria in den tempel: o hemelen dauwt:
Rorate cceli desuper, en dat de wolken den Rechtvaar-
-ocr page 277-
— 273 —
•dige zenden: et nubes pluant Justum: de aarde opene
zich: aperiatur terra, en dat zij den Zaligmaker voort-
brenge: et germinet Salvatorem. (i) Welk een blijk van
liefde tot ons gaf Maria niet, op het oogenblik dat zij
bij de boodschap des Engels toestemde om de Moeder
van God te worden! Maar Maria werd toen toch tot de
grootste waardigheid, tot de waardigheid van Moeder
van God, verheven, zoudt gij kunnen denken. En inder-
daad, B. B., zoo is het. Doch Maria wist ook aan welken
prijs. Zij wist wat de Zoon Gods, wiens Moeder zij ging
worden, moest doen en lijden; dat Hij den schande- en
pijnlijksten dood, den dood des kruises, moest sterven
voor de zaligheid der menschen. Door dus toe te stemmen
in de Moeder van God te worden, stemde zij ook toe
in al de pijnen en smarten, in het lijden en den dood
van haar goddelijken Zoon. Ja, van dat oogenblik af
aanvaardde Maria den lijdenskelk, om dien met Jezus
haar Zoon te deelen, en zulks uit liefde tot ons, om ons
mede te verlossen, gelijk Jezus uit liefde tot ons, om
ons te verlossen, den lijdenskelk aanvaard en gedronken
heeft. Welk eene droefheid en smart reeds voor Maria,
van het goddelijk Kind te zien geboren worden te Beth-
leèm in eenen stal! Dan, met welke vlijt spoedde zich
Maria eenige dagen na de geboorte van Jezus met haar
goddelijken Zoon op de armen naar Jeruzalem, om Hem
in den tempel den hemelschen Vader op te offeren. Jezus
biedt zich aan als zoenoffer om voor onze zonden te vol-
doen, om ons uit de slavernij des duivels en van den
eeuwigen dood te verlossen; later zal Hij het zoenoffer,
hier op het altaar des tempels aangeboden, op het altaar
des kruises voltrekken, door er op te sterven uit liefde
(1) Isnias xlv, 8.
18.
-ocr page 278-
— 274 —
tot ons. En Maria, zij voegt haar offer bij het offer
van haren Zoon; zij stemt er in toe, want van Maria
als Moeder wordt de toestemming vereischt: later zal zij
opnieuw haar offer vervoegen bij dat van haren Zoon,
op den Calvarieberg zal zij wederom toestemmen dat
Jezus zich opoffere tot zaligheid der menschen. Intusschen,
bij dit offer van haren Zoon wordt Maria diens lijden
aangekondigd; er wordt haar duidelijk gezegd welk deel
zij er in hebben zal. Deze — Jezus bedoelende — zoo
sprak Simeon tot Maria, deze is tot val en opstanding
van velen in Israël gesteld; Hij zal der vervolging tot
mikpunt strekken, en u zelve zal een zwaard dwars door
de ziel gaan: Et tnam ipsitis animam pertransibit gla-
dius.
(i) Ziedaar het lijdenszwaard getrokken, zwaard,
dat Maria steeds voor den geest zal zweven, en dat niet
in de scheede zal gestoken worden, alvorens dwars door
de ziel van Maria heen, de zijde van Jezus, haar Zoon,
getroffen en geopend te hebben. Immers, Maria leed
gansch haar leven; en werd haar lijden ook bij tusschen-
pozen door zekere omstandigheden verlicht, \'t was niet
zelden om plaats te maken voor een nieuw en tevens
pijnlijker lijden.
Wat leed Maria niet, zoodra zij vernam dat Herodes
haren Zoon Jezus naar het leven stond, en zij genoodzaakt
was de vlucht te nemen naar Egypte! Wat leed Maria
niet, toen zij haren Jezus, pas twaalf jaar oud, op hare
terugreis van Jeruzalem naar Nazareth verloren had en
onder weg overal zoo angstvol opzocht! Wat leed Maria
niet, telkens als zij haar beminden Zoon te Nazareth met
zijn voedstervader, of later alleen, zag werken, en als Maria
dan dacht aan al het lijden, dat Jezus te ondergaan
(1) Luc. ii, 35.
-ocr page 279-
— 275 —
stond! Wat leed Maria niet als zij haren Zoon tijdens
zijn openbaar leeraarsambt door de ondankbare Joden zag
miskend en gelasterd, vervolgens met den dood bedreigd!
Die dood, de schande- en pijnlijke kruisdood van Jezus
naderde dan ook met rassche schreden. Het uur zou
weldra slaan, waarop Maria met haren Zoon aan den
lijdenskelk zou drinken, dien kelk met Hem tot den
bodem toe zou ledigen.
Maria heeft reeds vernomen dat haar Jezus door Judas
verraden, door de overige Apostelen verlaten, gevangen
genomen is. Zij weet reeds dat Hij door zijne vijanden
valsch beschuldigd en mishandeld, door den joodschen
raad ter dood veroordeeld is. Maria heeft reeds ver-
nomen dat haar Jezus aan Pontius Pilatus overgeleverd,
door den romeinschen landvoogd naar Herodes gezonden
is, en hoe die onkuische Viervorst, na Jezus bespot en
beschimd te hebben, Hem naar Pontius Pilatus terugge-
zonden heeft. Maria heeft, zoo niet lichamelijk, dan
toch in den geest, de verschrikkelijke folteringen, haar
Zoon aangedaan, de pijnlijke geeseling en kroning met
doornen bijgewoond. Maria heeft de kreten van voor-
keur aan Barabbas boven haar Zoon: Non hunc sed
Barabbam:
(i) Niet dezen maar Barabbas; de moord-
kreten tegen Jezus: Kruis Hem! Kruis Hem! Crticifige,
crucifige Eum!
(2) hooren weergalmen. Ja, dat alles had
Maria reeds vernomen en gehoord, totdat zij eindelijk
vernam dat Jezus ter dood veroordeeld was, en dat men
Hem met een zwaar kruis beladen de stad Jeruzalem
uitleidde, om Hem op den Calvarieberg den dood des
kruises te doen sterven. Daarop brak Maria in wee-
klachten los; doch den wil Gods gedachtig, die vordert
(1) Joan. xviii, 40. \\2) Joati. xix, 6.
-ocr page 280-
— 276 —
dat zijn Zoon voor ons den kruisdood sterve, staat zij
vol moed op. En evenals eertijds de Aartsvader Abra-
ham, voorzien van vuur en zwaard, met zijn zoon Isaac
den berg Moria beklom, om hem daar te slachtofferen;
zoo ook zal Maria, brandende van het vuur der liefde en
met het zwaard der droefheid in het hart, den Golgotha
beklimmen, om daar tot zaligheid der menschen haren
Zoon te slachtofferen. Volgen wij nog eenige oogen-
blikken Maria op den kruisweg. Stellen wij ons daarna
met haar aan den voet des kruises; daar, daar vooral
schijnt de liefde van Maria voor ons uit; daar zullen wij
zien, hoe zij vol liefde ons tot hare kinderen aangeno-
men heeft.
Jezus, uitgeput door vermoeienis en bloedverlies, door
honger en dorst, ging, onder zijn kruis gebogen, met
moeite vooruit. De doornenkroon omsluit zijn heilig hoofd;
zijn aangezicht is gansch misvormd ; bloedige voetstappen
laat Hij na, waar Hij gegaan heeft; Hij is omgeven van
wreede beulen en romeinsche soldaten. Maria, die, ver-
gezeld van eenige godvreezende vrouwen, genaderd was,
dringt door de beulen en soldaten heen en staat eens-
klaps voor haren Zoon. Jezus werpt een blik van me-
delijden en liefde op zijne bedroefde Moeder. Maria werpt
tevens een blik van medelijden en liefde op haar mis-
maakten Zoon. Die wederzijdsche blikken, gelijk aan
twee scherpe pijlen, doorboren de H. Harten van Jezus
en Maria. Beiden, slachtoffers van liefde tot het mensch-
dom, kunnen, van droefheid overstelpt, nauwelijks een
woord uitbrengen. Na elkander eenige oogenblikken aan-
schouwd te hebben, moeten Jezus en Maria van elkander
scheiden. Jezus moet opnieuw vooruit. Maria zal haren
Zoon volgen tot op de plaats, waar het offer moet vol-
tooid worden. Met moeite en na herhaalde malen onder
-ocr page 281-
— 277 —
zijn kruis bezweken te zijn, komt Jezus op den Calvarie-
berg aan. Men rukt Jezus de kleederen van zijn lichaam,
werpt Hem op het kruishout neder en slaat zijne ge-
zegende handen en voeten met drie of vier nagels aan
het kruishout vast. Daarop richt men het kruis, met het
goddelijk slachtoffer beladen, in de hoogte. Maria en
Joannes staan aan den voet des kruises. Daar aan den
voet des kruises spreidt zich vooral Maria\'s liefde voor
ons ten toon; daar wordt zij aangesteld tot onze Moeder;
daar neemt zij ons tot hare kinderen aan. Jezus, verheven
aan het kruis, laat zijne oogen rondgaan en vestigt ze
eindelijk op Maria, die aan de eene zijde, en op Joannes,
die aan de andere zijde van het kruis staat. Tot Maria
spreekt Jezus de volgende woorden: Vrouw, ziedaar uwen
Zoon : Muiier, ecce filius tuns; en tot den leerling zegt
Hij: Ziedaar uwe Moeder: Ecce Mater tua. (i) Jezus
spreekt als Verlosser, niet als Zoon van Maria. Hij spreekt
tot Maria niet als zijne Moeder, maar als medeverlosseres
en als Moeder der menschen. Joannes was de eerste
en tevens de plaatsbekleeder van allen, \'t Is dus alsof
Jezus zeide: Ziedaar uwen Zoon, dien gij in liefde en
smarten hebt voortgebracht; Gods kinderen zijn voortaan
ook uwe kinderen. En terwijl Jezus zoo sprak, Maria
zijne Moeder tot Moeder der menschen aanstelde, o, toen
ontsloot zich zijn goddelijk Hart, dat van liefde tot ons
brandde. Jezus liet uit zijn goddelijk Hart eene liefde-
vlam nederdalen in het H. Hart van Maria. Die liefde-
vlam, afgekomen van het Kruis, ontstak haar moederhart,
en terstond voelde zij het van liefde tot de menschen
branden. Uit liefde voor de menschen, tot wier Moeder
zij werd aangesteld, en die /.ij tot hare kinderen aannam,
(I) Joan. xix, 27.
-ocr page 282-
— 278 —
uit liefde voor de menschen, zeg ik, bracht Maria tot hunne
verlossing het kostbaarste dat zij bezat, ten offer; en
hetgeen de Apostel Paulus van de liefde van Jezus zegt,
en bijgevolg van zijn H. Hart, namelijk, dat Hij ons
bemind heeft en zich zelven voor ons heeft overgeleverd,
overgeleverd tot den dood, ja tot den dood des Kruises;
hetzelfde mogen wij eenigermate van de liefde van Maria
zeggen, en bijgevolg ook van haar H. Hart, namelijk,
dat Maria ons bemind heeft, en dat zij haar eenigen
Zoon voor ons geofferd heeft op het altaar des kruises.
Dan, B. B., die vurige liefde, waarvan het H. Hart van
Maria hier op aarde voor ons brandde, is thans na haren
dood niet uitgedoofd. Integendeel, die liefde van Maria\'s
Hart tot hare kinderen heeft zelfs, nu zij in den hemel
is, in vurigheid toegenomen, zoodat zij steeds voor ons
bezorgd is en meer en meer verlangt van ons gelukkig
te maken en ons eenmaal bij Haar op te nemen in den
hemel.
SLUITREDE.
1 Ik geloof, B. B., genoeg gezegd te hebben over het
H. Hart van Maria, om uwe godsvrucht of devotie op
te wekken. Wij hebben gezien, welk het voorwerp dier
godsvrucht is; het stoffelijk voorwerp, het H. Hart van
Maria; het geestelijk voorwerp, de liefde van Maria,
waarvan het hart het zinnebeeld is.
De voornaamste reden, waarom wij het H. Hart van
Maria, na dat van Jezus, haar goddelijken Zoon, het meest
moeten eeren en beminnen, is de overgroote liefde, waar-
mede Maria ons bemind heeft en nog bemint.
Van af het begin van haar leven heeft Maria zich
reeds opgeofferd tot welzijn der menschen; uit liefde tot
ons heeft zij opgeofferd het dierbaarste dat zij bezat,
-ocr page 283-
— 279 —
haar eenigen Zoon Jezus\'Christus. Zij is onze Moeder
geworden onder het kruis, en er is geene moeder, die
hare kinderen zoo oprecht, zoo vurig bemint, als Maria,
Jezus\' Moeder, ons hare kinderen bemint.
Aan die liefde van Maria nu moeten wij, kinderen, be-
antwoorden. En hoe zullen wij er aan beantwoorden?
Door Joannes, den leerling van Jezus, na te volgen. Toen
Jezus zijne Moeder Maria Joannes aanbevolen had, zeg-
gende: Ziedaar uwe Moeder, gevoelde Joannes de liefde,
welke hij Maria reeds toedroeg, nog aangroeien; hij
voelde zijn hart van een onuitsprekelijke liefde tot Maria
ontvlammen. Joannes nam Maria terstond tot zijne Moeder
aan; hij zal voor Maria arbeiden en zorgen, al de dagen
van haar leven; als een oprecht kind, als een trouwe
zoon zal hij Jezus\' Moeder, zijne Moeder geworden, eeren,
beminnen en dienen. Volgen wij Joannes, den eersten van
Maria\'s kinderen en ons aller vertegenwoordiger, na:
eeren wij Maria\'s H. Hart; beminnen en beminnen
wij steeds meer en meer die beminnelijke Moeder; dienen
wij haar getrouw al de dagen van ons leven; en evenals
Joannes thans in den hemel beloond wordt voor de eer,
de liefde en den dienst, Maria bewezen op aarde, zoo ook
zullen wij eenmaal evenals hij er voor beloond worden:
ja, wij ook zullen evenals hij het geluk hebben, van
Jezus en Maria, na hen bemind te hebben hier op
aarde, eenmaal te mogen beminnen gedurende de einde-
looze eeuwigheid in den hemel. Amen.
-ocr page 284-
ACHTTIENDE PREEK.
De Geboorte van Maria.
Mulli in. nalivitate cjus gaudtbunt.
Velen /.uilen zich in hare geboorte ver-
heugen.
                                  (Luc. i, 14.)
INHOUD.
VOORREDE.
Maria\'s geboorte moet plechtig gevierd worden, omdat
er mede verbonden is het welzijn der gansche wereld. —
Maria gaat den Zaligmaker vooraf, evenals de dageraad
de zon. Woorden van onze Moeder de H. Kerk. — Wij
moeten ons verheugen op den geboortedag van Maria en
er tevens eenige zedenlessen uit trekken.
VERDEELING.
I. God heeft Maria bij hare geboorte eene bijzondere
gunst bewezen, waaraan zij ten volle beantwoord
heeft;
II. God heeft ons bij onze geboorte ook eene bijzon-
dere gunst bewezen; daaraan moeten wij ook
beantwoorden.
-ocr page 285-
— 281 —
I.
Waarin bestaat de gunst, Maria bij hare geboorte
bewezen? In geboren te zijn uit een adellijk of koninklijk
geslacht? Neen. In geboren te zijn uit aanzienlijke of
rijke ouders ? Neen; maar in geboren te zijn in staat
van genade. — Maria moest in staat van genade geboren
worden, omdat zij zou ontvangen het Lam zonder vlekken,
omdat de Heilige der Heiligen uit haar zou geboren
worden. — Hoe heeft Maria aan die gunst beantwoord ?
Door de heiligmakende genade goed te bewaren en te
vermeerderen. — Door de heiligmakende genade goed te
bewaren. Voorzichtigheid van Maria : in haar derde jaar
reeds ontvluchtte zij de wereld en begaf zich naar den
tempel. — In haar veertiende jaar verliet Maria den
tempel en bleef even voorzichtig. — En toch, Maria had
niets te vreezen; noch van den duivel, noch van de
wereld, noch van het vleesch. — Door de heiligmakende
genade te vermeerderen. Deugden van Maria: Maria
beoefende de drie goddelijke deugden; zij scheen uit in
de ootmoedigheid, de gehoorzaamheid, de verduldigheid,
de zuiverheid, enz. — Goede werken van Maria: hare
gebeden, hare versterving en hare bezigheden.
II.
Waarin bestaat de gunst, ons bij onze geboorte be-
wezen ? Niet in zonder zonde geboren te zijn, maar in
de genade des H. Doopsels. — Hoe hebben wij aan die
gunst beantwoord? Wij hebben de heiligmakende ge-
nade, in het H. Doopsel bekomen, wellicht verloren door
onze onvoorzichtigheid. — Hoe gedragen zich de ouders
ten opzichte van hunne kinderen? — Hoe gedragen wij
ons? — Wij vluchten de gevaren en gelegenheden
-ocr page 286-
— 282 —
van zonde niet; en toch, wij hebben alles te vreezen van
den duivel die ons aanvalt, van de wereld die ons be-
koort, van het vleesch dat ten kwade geneigd is. — Wij
hebben de heiligmakende genade, in het H. Doopsel be-
komen, wellicht niet vermeerderd, omdat wij Maria niet
hebben nagevolgd in hare deugden en goede werken.
SLUITREDE.
Maria is in staat van genade geboren, verheugen wij
ons op haren verjaardag. — Maria is altoos heilig ge-
weest, steeds heiliger geworden en thans verheven boven
alle Engelen en Heiligen in den hemel, wenschen wij
Maria geluk. — Vergeten wij niet onze. toevlucht te
nemen tot Maria, omdat wij zwak zijn en aan vele ge-
varen blootgesteld. — Bidden wij Maria van de heilig-
makende genade te bekomen, te bewaren en te vermeer-
deren, door haar na te volgen in hare voorzichtigheid,
in hare deugden en goede werken, om eenmaal met haar
beloond te woorden in den hemel.
ACHTTIENDE PREEK.
De Geboorte van Maria.
Multi in nativitate ejtts yawlebunt.
Velen zullen zich in hare geboorte ver-
heugen.
                              (Luc. i, 14.;
VOORREDE.
Niet zonder reden, B. B., heeft onze Moeder de H.
Kerk gewild, dat de geboorte van Maria plechtig ge-
-ocr page 287-
— 283 —
vierd worde. Te allen tijde en in alle landen heeft men
plechtig gevierd zekere gebeurtenissen, die veel bij-
dragen tot het algemeen welzijn. Vandaar dat men,
bijv., zoo plechtig viert de geboorte van een prins,
van een koningszoon. Daarmede is niet zelden verbon-
den het welzijn, het geluk van gansch een volk, van
gansch eene natie. Doch welk eene gelukkigere gebeurte-
nis dan die van de geboorte van Maria ? Daarmede is ver-
bonden niet het welzijn, het geluk van één volk, van
ééne natie, maar van alle volken, van alle natiën te zamen.
Immers, er is mede verbonden de verlossing van gansch
het menschdom, wijl Maria bestemd was om de Moeder
te worden van den Verlosser der wereld. Maria\'s geboorte
is als de dageraad geweest van ons geluk, wijl zij aan-
gekondigd heeft de Zon der gerechtigheid, Jezus-Christus.
Vandaar dat onze Moeder de H. Kerk op den feestdag
van Maria\'s geboorte vol vreugde uitroept: Maria, de
koningsdochter, is glansrijk verschenen; juichen wij in
blijmoedige geestdrift; zingen wij Gode lof voor de geluk-
zalige geboorte der overheerlijke Moeder des Heeren. Ja,
uwe geboorte, o Maagd, Moeder van God ! heeft de gansche
wereid de blijdschap verkondigd, want uit u is de Zon
der gerechtigheid opgegaan, Christus onze God, die den
vloek door den zegen heeft vervangen, en die, door ons
van den dood te verlossen, ons het eeuwige leven ge-
schonken heeft. Wij moeten dus de geboorte van Maria
beschouwen als den dageraad, het beginsel van ons geluk ;
en bijaldien wij ze zoo beschouwen, voorzeker, dan is
het niet mogelijk, of wij zullen er ons over verheugen.
Doch terwijl wij ons over Maria\'s geboorte verheugen,
moeten wij niet nalaten er eenige zedenlessen uit te trek-
ken tot ons welzijn. Tot dat einde zullen wij de twee
volgende punten overwegen :
-ocr page 288-
— 284 —
I. God heeft Maria bij hare geboorte eene bijzondere
gunst bewezen, waaraan zij ten volle beantwoord
heeft;
II. God heeft ons bij onze geboorte ook eene bijzon-
dere gunst bewezen; daaraan moeten wij ook be-
antwoorden. Breiden wij die twee punten een
weinig uit.
I.
God heeft Maria bij hare geboorte eene bijzondere
gunst bewezen. En waarin bestaat die gunst? Bestaat
die gunst in geboren te zijn uit een adellijk, uit een
koninklijk geslacht? Neen, B. B., zoo iets kan bij de
wereld in aanmerking komen, doch niet bij God. God
maakt geen onderscheid tusschen koning en onderdaan,
tusschen dienaar en meester; en zoo God gewild heeft,
dat Maria van koninklijken bloede was, \'t is om de voor-
zegging van den Profeet te vervullen, die inhield, dat de
Moeder van zijn Zoon van de familie en uit het huis van
David zou zijn.
Bestaat die gunst soms in geboren te zijn uit een
aanzienlijke en rijke familie? Evenmin, B. B. Daarop
ziet wederom de wereld, doch God niet. Bij God is
geen verschil tusschen groot en klein, tusschen arm en
rijk. Ook waren Joachim en Anna, de ouders van Maria,
geen rijke menschen.
Waarin bestaat dan die bijzondere gunst ? Die bijzondere
gunst bestaat in geboren te zijn in staat van genade.
Maria is geboren, niet in zonde, besmeurd met de erf-
smet, maar in staat van genade, in de vriendschap Gods.
God de Vader zag in Maria zijne toekomende Dochter»
God de Zoon zijne toekomende Moeder; God de H. Geest
zijne toekomende Bruid. Overigens, het betaamde vol-
-ocr page 289-
— 285 —
strekt niet dat Maria, uit wier lichaam het lichaam van
den Zoon Gods moest gevormd worden, dat zij ooit, zelfs
•met de kleinste vlek besmet ware geweest. Het be-
taamde niet dat de Heilige der Heiligen, Jezus-Christus,
uit eene Moeder, die niet altoos heilig ware geweest,
zou geboren worden. Zietdaar, waarin die bijzondere gunst
bestaat. En hoe heeft Maria aan die bijzondere gunst
beantwoord? Ha, B. B., Maria begreep zeer goed, dat
het niet genoeg is in genade geboren te zijn, maar dat
zij die genade zorgvuldig bewaren en met vlijt vermeer-
deren moest.
Vooreerst moest Maria die genade zorgvuldig bewaren,
en vandaar hare voorzichtigheid. De ouders van Maria
hadden beloofd van God het kind op te dragen en toe
te wijden, waarmode Hij hen zou zegenen. Zoolang Maria
de zorgen van hare moeder nog noodig had, bleef zij
thuis; doch zoodra zij haar derde jaar was ingetreden,
genoegzaam in krachten had toegenomen en de moeder-
zorgen missen kon, toen waren Joachim en Anna er op
bedacht hunne belofte te vervullen. Vergezeld van hunne
dochter begaven zij zich van Nazareth naar Jeruzalem,
om Maria den Heer in den tempel op te dragen. Doch
niet alleen Joachim en Anna brachten hun offer, d. i.,
hun kind; Maria voegde haar offer er bij, d. w. z., zij
ook offerde zich den Heer op en wijdde zich met ziel en
lichaam onherroepelijk aan Hem toe. In den tempel,
onder het toezicht van godvreezende vrouwen, had Maria
niets voor hare onschuld te vreezen. Daar verbleef zij
tot haar veertiende jaar. Te Nazareth teruggekeerd, leefde
zij met haren zuiveren bruidegom, den H. Jozeph, onbe-
bekend aan de wereld. Wij lezen dat zij ééns een bezoek
bracht aan hare nicht Elisabeth, en Maria ging toen,
gelijk het Evangelie zegt, met spoed over het gebergte.
-ocr page 290-
— 286 —
Uit gehoorzaamheid begeeft zij zich met den H. Jozeph
naar Bethleëm. Daarna is zij genoodzaakt met haar
goddelijk kind te vluchten naar Egypte. Uit hun bal-
lingschap teruggekeerd, vestigt zich de H. Familie te
Nazareth, waar zij een verborgen leven leidt. Van tijd
tot tijd begeeft zich Maria in gezelschap van Jezus en
Jozeph naar Jeruzalem, om daar God in den tempel te
gaan bidden. Voor het overige leeft Maria gansch afge-
zonderd en verwijderd van de wereld. Tijdens het open-
baar leven van Jezus haar Zoon, wordt er zelden melding
van Maria gemaakt. Eens vinden wij haar bij hare bloed-
verwanlen op de bruiloft van Cana in Galilëa, waar zij
Jezus verzocht van in de behoefte van wijn te voorzien,
ten einde den bruidegom en de bruid uit hunne verlegen-
heid te trekken. Maria vergezelt haar Zoon niet, terwijl
hij overal rondreist, wonderen verricht en door het volk-
goed onthaald en geprezen wordt; dan alleen komt zij
te voorschijn, als Jezus gevangen genomen, ter dood ver-
oordeeld, ter straf plaats wordt geleid om als een mis-
dadiger den schande- en pijnlijken dood des kruises te
sterven. Neen, dan schaamt die Moeder zich niet voor
haren Zoon ; zij gaat Hem tegemoet, zij vergezelt Hem
naar den Calvarieberg en stelt zich aan den voet des
kruises, totdat het werk der verlossing volbracht is.
Na den dood van haar goddelijken Zoon begeeft Maria
zich wederom in de eenzaamheid. Na de Verrijzenis en
Hemelvaart van Jezus bezoekt Maria van tijd tot tijd
de pla;itsen, door haar Zoon geheiligd, en bij voorkeur
de plaatsen, waar Hij geleden heeft. Maria woont de
godsdienst-vergaderingen bij, troost, moedigt de Apostelen
aan en staat hen bij met hare raadgevingen. Voor het
overige leeft Maria met den H. Joannes, aan wien Jezus
zijne Moeder had toevertrouwd, gescheiden van de wereld,
-ocr page 291-
— 287 —
zoodat hare onschuld volstrekt aan geene gevaren is bloot-
gesteld. Welk eene voorzichtigheid in de allerheiligste
Maagd Maria! Te recht mogen wij haar allervoorzichtigste
Maagd noemen, (i)
En nochtans, Maria had niets te vreezen: noch van
den duivel, zij had hem den kop met haar vlekkeloozen
voet verpletterd; noch van de wereld, deze had niets
verleidends of aanlokkelijks voor haar; noch van het
vleesch, haar onschuldig vleesch verzette zich niet tegen
den geest. En wat deed Maria niet, alhoewel zij niets
te vreezen had? Zij bad, zij was als verslonden in het
gebed; zij verstierf hare zintuigen en kastijdde haar on-
schuldig lichaam. Zietdaar wat Maria deed om hare
onschuld, om de genade, waarin zij geboren was, te be-
waren. Doch dat is niet alles. Maria begreep ook, dat
zij die genade met vlijt moest vermeerderen. Die genade
gelijkt aan het talent, waarvan het Evangelie spreekt, en
waarmede wij winst moeten doen. Immers, die heilig,
die rechtvaardig is, moet zich beijveren van door het beoefe-
nen der deugden heiliger en rechtvaardiger te worden.
Men moet door het verrichten van goede werken zijne
verdiensten steeds vermeerderen. In welke deugd heeft
Maria niet uitgeschenen? Haar geloof was een levend,
een werkend geloof; hare hoop zonder vermetelheid, vart
een vast betrouwen; hare liefde eene vurige, eene bran-
dende liefde tot God en de menschen. Tot de hoogste
waardigheid verheven, scheen Maria uit in de diepste oot-
moedigheid; tot het een of ander gehouden, in de stiptste
gehoorzaamheid; haar geduld te midden der hardste be-
proevingen was zonder voorbeeld; hare zuiverheid zonder
weerga. Hetgeen ik hier van eenige deugden van Maria
(1) Virgo prudentissima. (Lit. Laur.i
\\
-ocr page 292-
— 288 —
zeg, B. B., moet van alle gezegd worden. Maria bezat
alle deugden in den volmaakten graad en beoefende ze
op de volmaaktste wijze, zoodat zij steeds aangroeide in
heiligheid en rechtvaardigheid, zoodat zij altoos heiliger
en rechtvaardiger werd.
En welk een kostbaren schat van verdiensten verga-
derde zich Maria niet door hare goede werken door haar
gebed, door hare versterving, door hare overige bezig-
heden ? Een lof- dank- en smeekgebed steeg schier aan-
houdend uit haar op tot God. Nog klein kind, loofde
Maria reeds den God der oneindige majesteit en heer-
lijkheid. Zij dankte den God der oneindige goedheid
voor de ontvangen weldaden. Zij smeekte den God der
oneindige barmhartigheid voor zich en de overige menschen.
Maria, alhoewel vrij van alle begeerlijkheid, leidde een
buitengewoon verstorven leven. Wat zal ik zeggen, roept
de H. Anselmus uit, van Maria\'s wondere matigheid!
Het vasten scheen haar natuurlijk. Wanneer zij eenig
voedsel moest nemen, dan nam zij nooit meer dan noodig
was tot haar onderhoud. Maria verrichtte hare bezig-
heden met den grootsten ijver. Als Maagd in den tempel
was Maria vlijtig in het werk, zegt de H. Ambrosius,
en daardoor zocht zij niet van de menschen geprezen te
worden, maar aan God te behagen. Als bruid en als
Moeder verrichtte zij hare bezigheden met niet minder
nauwgezetheid. Zietdaar, B. B., hoe Maria de genade,
waarin zij geboren is, met vlijt heeft vermeerderd, hoe
zij door het beoefenen der verhevenste deugden steeds
heiliger is geworden, en hoe zij door het verrichten van
allerlei goede werken zich een kostbaren schat van ver-
diensten vergaderd heeft, waarvoor zij thans voor eeuwig
beloond wordt in den hemel. Wij hebben gezien in ons
eerste deel de gunst, Maria bij hare geboorte bewezen,
-ocr page 293-
— 289 —
•en hoe zij daaraan beantwoord heeft. Zien wij nu in
ons tweede deel de gunst, ons bij onze geboorte bewezen,
en hoe wij er aan beantwoorden.
II.
Waarin bestaat de gunst, die God ons bewezen heeft
bij onze geboorte? Bestaat zij in geboren te zijn in staat
van genade, evenals Maria ? Neen, B. B. Wij zijn geboren
in zonde, besmeurd met de erfsmet, in staat van ongenade.
God zag in ons kinderen zijner gramschap. Waarin
bestaat dan die bijzondere gunst? Zij bestaat in de ge-
nade des H. Doopsels. God heeft met alle menschen
niet gehandeld, gelijk Hij met ons gehandeld heeft.
Terwijl er honderden, duizenden in staat van erfzonde
geboren worden, zonder er ooit van gezuiverd te worden;
terwijl zij immer kinderen van Gods gramschap blijven,
God, in zijn oneindige goedheid jegens ons heeft ons
onmiddellijk na onze geboorte van de erfzonde gezuiverd
in het H. Doopsel; Hij heeft ons terstond tot zijne kin-
deren aangenomen. Zietdaar waarin die bijzondere gunst
bestaat.
En hoe hebben wij aan die gunst beantwoord ? Wij
weten zoo goed als Maria, dat wij de genade des H.
Doopsels zorgvuldig moeten bewaren. Hebben wij ze
ook bewaard? Zijn wij naar het voorbeeld van Maria
ook voorzichtig geweest ? En vooreerst, wat hebben onze
ouders met ons gedaan? Wat doen thans nog zoovele
ouders met hunne kinderen? Volgen zij Joachim en Anna
na? Offeren zij hunne kinderen aan God op? Vertrouwen
zij ze toe aan brave, godvreezende personen ? Voorzeker,
men vindt ouders, die zich met nauwgezetheid van hunne
plichten kwijten; doch men vindt er ook, die hunne
plichten verwaarloozen en voor hunne kinderen niet zor-
19.
-ocr page 294-
— 290 —
gen; die hunne kleine kinderen, terwijl zij nog gansch
onschuldig zijn, toevertrouwen aan kindermeiden, aan
dienstboden, die gansch bedorven zijn, en die op hare
beurt de kinderen, haar toevertrouwd, ook gansch beder-
ven. De ouders moeten dus zorgen van hunne onschul-
dige kinderen toe te vertrouwen aan kindermeiden en
dienstboden, die braaf en deugdzaam zijn. Zoodra de
kinderen tot de jaren van verstand gekomen zijn en nog
te huis bij hunne ouders verblijven, welken geest prenten
dan de ouders dikwijls hunnen kinderen in? Spreken zij
hunnen kinderen over God, over Maria, de Moeder van
God, van beiden te beminnen? Leeren zij hunnen kin-
deren bidden ? Leeren zij hen den Catechismus, de geboden
van God, van de H. Kerk, om ze te onderhouden ? Men
vindt ouders, die in plaats van hunnen kinderen van jongs
af aan een goeden geest in te prenten, hun een slechten
geest inprenten, den geest der bedorven wereld; ouders,
die hunnen kinderen spreken van de wereld, in plaats van
hun te spreken van God; die hunne kinderen zaken leeren,
gansch in strijd met de Christelijke leering of den Cate-
chismus. En wat doen de ouders, die de middelen heb-
ben en voornemens zijn hunne kinderen naar eene kost-
school of een college te zenden? Onderzoeken zij naar
den geest van de kostschool of van het college ? En ter-
wijl zij bezorgd zijn om hunne kinderen in de weten-
schappen te doen onderwijzen, zorgen zij ook dat zij in
den godsdienst onderwezen, in de deugd geoefend wor-
den? Hoevele ouders blijven in dit punt aan hunne hei-
ligste plichten te kort, zenden hunne kinderen naar slechte
kostscholen of college\'s, waarin zij ongodsdienstig en
zedeloos worden. Joachim en Anna, de ouders van Maria,
geven hier den ouders een schoon voorbeeld. Doch gaan
wij verder.
-ocr page 295-
— 291 —
Wat doen wij zelven, om onze onschuld en de heilig-
makende genade te bewaren ? Hoe dikwijls, helaas! ge-
beurt het niet, dat de onschuld van den mensch niet
langer duurt dan zijne kinder-onwetendheid. Nauwelijks
is hij tot de jaren van verstand gekomen, of hij maakt
zich reeds plichtig aan groote zonden; hij verliest de hei-
ligmakende genade, die hij in het H. Doopsel ontvangen
had. Anderen, na de heiligmakende genade door een
oprechte bekeering terug te hebben bekomen, verliezen
ze opnieuw. En wat mag wel de oorzaak zijn van het
verlies der onschuld, der heiligmakende genade? De
onvoorzichtigheid. Maria was zoo voorzichtig; wij zijn
onvoorzichtig. Maria vluchtte zoo zorgvuldig de gevaren
en gelegenheden van zonde; wij vluchten ze niet;
integendeel, wij stellen er ons aan bloot, wij zoeken
ze op, wij beminnen de gevaren en gelegenheden van
zonde. En wat zegt de H. Geest, de Geest der waarheid ?
Qui amat periculum in Ulo pcribit, (1) zegt Hij: Die
het gevaar bemint zal er in vergaan. Velen, vooral onder
de jeugd, wonen gevaarlijke feesten bij, zooals de ker-
missen ; anderen zoeken gevaarlijke bijeenkomsten, zooals
de ontijdige verkeeringen; dezen bezoeken gevaarlijke
plaatsen, zooals de herbergen, waarin alles toegelaten
wordt; genen gaan om met slechte personen, zooals de
vloekers en vuilsprekers. En men zou zijne onschuld, de
heiligmakende genade willen bewaren?
Maria had niets te vreezen, en zij was zoo voorzichtig.
Wij daarentegen hebben alles te vreezen, en wij zijn on-
voorzichtig. Wij hebben alles te vreezen van den duivel,
die ons reeds onder zijne klauwen had alvorens ge-
doopt te zijn, en die, sedert wij er aan ontsnapt zijn
(1) Eccl. in, 27.
-ocr page 296-
— 292 —
door het H. Doopsel, immer zijn best doet om ons op^
nieuw onder zijne klauwen te krijgen en te houden; want
gelijk de Apostel Petrus zegt, loopt de duivel aanhoudend
rond als een brieschende leeuw, zoekende wien hij kan
verslinden.
Wij hebben alles te vreezen van de wereld, waarin
men niets vindt dan begeerlijkheid des vleesches, begeer-
lijkheid der oogen en hoovaardij des levens; van de wereld
met hare verlokking en verleiding, met hare goddeloos-
en zedeloosheid, met hare vermaken en pleizieren, op
allerlei wijzen voorgesteld en aangeprezen.
Wij hebben alles te vreezen van het vleesch, dat zich
verzet tegen den geest. En ziet, Maria, gelijk wij gezegd
hebben, bad, en wij bidden niet. Maria vluchtte de we-
reld, en wij vluchten ze niet. Maria leidde een verstorven
leven, en wij versterven ons niet. Zietdaar, B. B., de
reden, waarom bij menigeen de onschuld zijns doopsels,
de heiligmakende genade verloren gaat. Doch gesteld,
dat wij thans nog in staat van genade zijn. \'t Is niet
genoeg die genade te bewaren, wij moeten ze ook ver-
meerderen. Zoo als wij vroeger gezegd hebben, is die
genade gelijk aan het talent des Evangelie\'s, en daar-
mede moeten wij ook winst doen. Naar het voorbeeld
van Maria moeten wij ons best doen van steeds heiliger
te worden en al meer en meer verdiensten te ver-
gaderen voor den hemel. Daarom moeten wij ons steeds
toeleggen op de beoefening der deugd, \'t Is, bijv., niet
genoeg van te gelooven, de goddelijke deugd des geloofs
niet te verliezen door ongeloovigheid; ons geloof moet
een levend geloof zijn, vereenigd met de liefde; wij moeten
doen wat het geloof ons voorschrijft, want het geloof
zonder de werken is een dood geloof, \'t Is niet genoeg
van te hopen, de goddelijke deugd der hoop niet te ver-
-ocr page 297-
— 293 —
liezen door de wanhoop; wij moeten ons ook wachten
voor de vermetelheid en wel overtuigd zijn, dat wij zon-
der de goede werken den hemel niet kunnen verdienen,
\'t Is niet genoeg van God te beminnen en de goddelijke
deugd der liefde niet te verliezen door de doodzonde,
welke ook, want door elke doodzonde gaat de liefde
verloren; wij moeten ons ook beijveren van altoos inde
liefde tot God en onzen evennaaste aan te groeien.
Wij moeten Maria navolgen in de ootmoedigheid. En wat
al redenen hebben wij niet om ons te verootmoedigen ?
In zonde ontvangen, zijn wij in zonde geboren. Van
de zonde gezuiverd en in staat van genade, hebben wij
er ons maar al te spoedig wederom aan plichtig gemaakt
en de heiligmakende genade verloren. Zwak van ons
zelven, kunnen wij zonder de genade van God in het
goede niet volharden, en onze werken kunnen niet dienstig
zijn ter zaligheid. Verootmoedigen wij ons dus voor God,
want \'t is den ootmoedige, dat God zijne genade geeft.
Zijn wij dus wezenlijk ootmoedig, en denken wij niet in
onze hoovaardigheid dat wij iets zijn, daar wij niets zijn;
verheffen wij ons niet boven onzen evenmensch en be-
jegenen wij hem niet met trotschheid, daar wij dikwijls
ver beneden hem staan.
Wij moeten Maria navolgen in de gehoorzaamheid.
Wij moeten gehoorzamen, niet alleen aan God door zijne
geboden te onderhouden, maar ook aan onze oversten,
vooral aan onze geestelijke oversten, door de geboden
der H. Kerk te onderhouden, door ons te onderwerpen
aan de voorschriften en door te luisteren naar de ver-
maningen van Paus, Bisschop en Priester. Hoe gedragen
wij ons in dit punt ? En gebeurt het helaas! maar niet
al te dikwijls in onze droevige tijden, waarin de geest
van vrijheid en onafhankelijkheid gepredikt en aange-
-ocr page 298-
— 294 —
prezen wordt, dat men zich niet alleen niet stoort aan
de geboden en vermaningen zijner oversten, maar dat
men er zich openlijk tegen verzet ?
Wij moeten Maria navolgen in het geduld. Wel verre
dus van in het lijden, in de kruisen en wederwaardighe-
den tegen God te morren of tegen Hem op te staan,
hetgeen soms gebeurt, en waardoor men zich dubbel on-
gelukkig maakt, moet men zich met overgeving aan den
wil van God onderwerpen en met geduld het lijden, de
kruisen en wederwaardigheden dragen.
Wij moeten Maria navolgen in de kuischheid, eenieder
in en volgens zijnen staat. Wij moeten kuisch zijn naar
ziel en naar lichaam; kuisch in onze gedachten en be-
geerten, kuisch in onze woorden en werken. En hoevele
personen, vooral onder de jeugd, geven zich niet over
aan de tegenstrijdige ondeugd en bedrijven de schande-
lijkste zonden van onkuischheid. Hetzelfde moet gezegd
worden van de andere deugden; in alle moeten wij Maria
navolgen.
Naar het voorbeeld van Maria moeten wij ons een
kostbaren schat van verdiensten vergaderen door onze
goede werken: door ons gebed, door onze versterving,
door de bezigheden van ons beroep. Ja, B. B., wij ook
moeten God loven, alle schepselen moeten hunnen Schep-
per loven. Wij ook moeten God bedanken voor de van
Hem ontvangen genaden en weldaden. Wij ook moeten
God smeeken van ons altoos en in alles bij te staan.
Bidden wij ook ? Bidden wij \'s morgens en \'s avond, vóór
en na het eten ? Gaan wij naar de kerk om God te
bidden ? De kerk is het huis van God en een huis des
gebeds. En gesteld zelfs dat wij bidden, hoedanig is
maar al te dikwijls ons gebed? Bidden wij met eerbie-
digheid, met aandachtigheid en volharding? Of liever,
-ocr page 299-
_ 29S —
gedragen wij ons niet dikwijls tijdens het gebed, tot
zelfs hier in de kerk, onder het oog van Jezus-Christus
in het allerheiligste Sacrament des Altaars op eene wijze,
die alles verdient behalve goedgekeurd en geprezen te
worden ?
Wij moeten ons versterven; wij moeten de vastendagen
en onthoudingsdagen onderhouden, zoo wij om wettige
reden niet ontslagen zijn. Door de werken van verster-
ving en boetvaardigheid moeten wij het vleesch, dat zich
tegen den geest verzet, in bedwang houden en aan den
geest onderwerpen; door werken van boetvaardigheid
moeten wij onze zonden uitboeten, willen wij niet ver-
loren gaan. Welnu, hoevelen treft men er in onze droe-
vige tijden al wederom niet aan, die zich niet meer
storen aan de wetten der H. Kerk aangaande het vasten
en de onthouding; en in plaats van boetvaardigheid te
doen, hoe menigmaal geeft men zich niet over aan bui-
tensporigheid en maakt men zich grootelijks plichtig aan
de zonde van overdaad in spijs en drank ?
Wij moeten de bezigheden van ons beroep goed ver-
richten, en bijgevolg moeten wij zorgen van in staat van
genade te zijn en onze werken aan God op te dragen.
Wij moeten den korten en kostbaren tijd, dien God ons
geeft om voor onze ziel en zaligheid te besteden,
niet in lui- en ledigheid laten voorbijgaan, niet in beu-
zelarijen verkwisten. Welnu, B. B., vindt men er al
wederom niet velen, die zich gedragen alsof zij niets te
doen hadden, die hunne bezigheden slecht verrichten. .
Al die personen, in plaats van met hunne werken een
schoonen schat van verdiensten te vergaderen en hier-
namaals beloond te worden, verdienen niets, en zullen
daarenboven om hunne zonden nog streng gestraft worden.
-ocr page 300-
— 296 —
SLUITREDE.
God, B. B., heeft Maria bij hare geboorte eene bijzon -
dere gunst bewezen, en die gunst, gelijk wij gezien hebben,
bestaat in geboren te zijn in staat van genade. En wijl
wij vandaag de verjaring vieren van de geboorte van
Maria, daarom mogen wij ons terecht verheugen op dien
schoonen dag.
Maria heeft aan die bijzondere gunst trouw beant-
woord. De heiligmakende genade heeft zij altoos zorg-
vuldig bewaard; en alhoewel zij geen gevaar liep van
ze te verliezen, daar zij niets te vreezen had, noch van
den duivel, noch van de wereld, noch van het vleesch,
Maria was zoo voorzichtig, zij vluchtte met de uiterste
zorg alles wat haar maar eenigszins aan het gevaar kon
blootstellen van de heiligmakende genade te verliezen.
Maria was niet tevreden van de heiligmakende genade
te bewaren, zij deed steeds haar best om ze te vermeer-
deren. Door het beoefenen van alle deugden en door
het verrichten van allerlei goede werken werd Maria steeds
heiliger, bereikte zij een trap van heiligheid, die door
geen mensch, zelfs door geen Engel kan bereikt worden.
Zij vergaderde zich een schat van verdiensten, waarvoor
zij, boven alle Engelen en Heiligen verheven, van God
beloond wordt in den hemel.
Vandaag op haren geboortedag wenschen wij Maria
tevens geluk met hare heiligheid en verhevenheid. Doch
terwijl wij ons verheugen en Maria geluk wenschen op
haren geboortedag, vergeten wij niet van ook onze toe-
vlucht te nemen tot Maria. Wij zijn niet geboren in
staat van genade, doch God in zijn oneindige goedheid
heeft ons onmiddellijk na onze geboorte van de erfzonde
gezuiverd en de heiligmakende genade geschonken. Die
-ocr page 301-
— 297 —
heiligmakende genade moeten wij ook bewaren, wij moe-
ten ze ook vermeerderen, wij moeten altoos heilig zijn
en steeds trachten van heiliger te worden. Doch helaas!
hoe dikwijls is het niet gebeurd, dat wij de heiligma-
kende genade door de zonde verloren hebben en zondaren
zijn geworden; dat wij door steeds meer en meer zonden
te bedrijven, ook grootere en grootere zondaren zijn ge-
worden. Wat al heeft de ondervinding niet geleerd, en
wat hebben wij niet te vreezen? De droevige ondervin-
ding heeft geleerd dat wij zwakke schepselen zijn. Wij
worden door machtige vijanden aangevallen, door den
duivel, de wereld en het vleesch. Wij hebben dus te
vreezen van onder de aanvallen dier vijanden te bezwijken.
Daarom, B. B., nemen wij onder anderen onze toevlucht
tot Maria. Bidden wij die goede Moeder dat zij voor
ons ten beste spreke, dat wij de heiligmakende genade,
in geval wij ze zouden verloren hebben, zoo spoedig
mogelijk terugbekomen, dat wij die genade zorgvuldig
bewaren; en bijgevolg, dat wij voorzichtig zijn, de ge-
varen en gelegenheden van zonde goed vluchten; dat
wij in die genade altoos toenemen, dat wij steeds heiliger
worden, door Maria na te volgen in hare deugden, en
dat wij ons ook een kostbaren schat van verdiensten
mogen vergaderen door Maria na te volgen in hare goede
werken, om eenmaal het geluk te hebben van bij Maria
te komen in den hemel, en daar met Haar beloond te
worden in eeuwigheid. Amen.
-ocr page 302-
NEGENTIENDE PREEK.
De H. Naam van Maria.
Et nomen virgini* Maria.
De naam der Maagd was Maria.
(Luc. i, 27.)
INHOUD.
VOORREDE.
De naamfeesten van Jezus en Maria alleen worden ge-
vierd. — Beide zijn groote namen, den Zoon en de
Moeder gegeven, om hunne diepe ootmoedigheid. — Alle
knieën moeten gebogen worden in die namen. — Beide
zijn honig voor den mond, eene melodie voor het oor en
een jubel voor het hart. — Beide zijn gelijk aan de olie.
— Vroeger werden de jonge dochters niet Maria ge-
noemd, thans bij voorkeur en te recht. — Wij moeten
eerbied hebben voor den naam van Maria en hem met
betrouwen aanroepen.
VERDEELING.
I. Verhevenheid van den naam van Maria;
II. Beteekenis van den naam van Maria.
-ocr page 303-
— 299 —
I.
Verhevenheid van den naam van Maria om zijnen oor-
sprong en zijne macht. — Om zijnen oorsprong. Evenals
de naam van Jezus, is de naam van Maria door een
Engel bekend gemaakt. — Om zijne macht. Evenals
door het aanroepen van den naam van Jezus, zijn door
het aanroepen van den naam van Maria wonderen ge-
schied. — Daardoor wil God Maria eeren. — Onze ge-
beden, vergezeld van de tusschenkomst van Maria, zijn
veel krachtiger. — De naam van Maria is vooral machtig
tegen den duivel. — Hij is ook machtig in andere ge-
vallen en tegen andere kwalen.
II.
Beteekenis van den naam van Maria: Koningin en
Meesteresse. — Jezus is Koning, Maria Koningin; Jezus
is Meester, Maria Meesteresse. — Zee of Oceaan van
bitterheden. — Na Jezus heeft Maria de meeste smarten
geleden. — Zee of Oceaan van liefde. — Na Jezus heeft
Maria God en de menschen het meest bemind. — Ster
der zee. — Ster om hare maagdelijke zuiverheid en haar
goddelijk moederschap. — Ster der zee door hare ver-
diensten en deugden.
SLUITREDE.
Wij moeten den naam van Maria met eerbied en be-
trouwen aanroepen in de gevaren naar ziel en naar lichaam,
bijzonder naar de ziel, in de bekoringen, tijdens ons leven
en vooral in het uur van onzen dood.
-ocr page 304-
— 3QO —
NEGENTIENDE PREEK.
De H. Naam van Maria.
Kt nomen Virginn Maria.
De naam der Maagd was Maria.
(Luc. i, 27.)
VOORREDE.
Buiten de naamfeesten van Jezus, onzen goddelijken
Zaligmaker, en van Maria, zijne Moeder, viert onze Moe-
der de H. Kerk geen enkel naamfeest harer Heiligen.
Die twee namen zijn eigenlijk en in den strengen zin
des woords groote namen. Beide komen van God; zij
zijn onzen goddelijken Zaligmaker en zijne Moeder ge-
geven om hunne diepe ootmoedigheid. Onze goddelijke
Zaligmaker heeft zich vernederd, zegt de Apostel Paulus;
Hij is gehoorzaam geweest tot aan den dood, ja, tot aan
den dood des kruises. Daarom heeft God Hem verheven,
en Hij heeft Hem een naam gegeven boven alle namen,
en in den naam van Jezus zullen alle knieën gebogen
worden van hen, die in den hemel, op de aarde en in de
hel zijn. Hetzelfde mag men eenigermate van de Moeder
van Jezus zeggen. De Moeder van Jezus heeft zich
na haar goddelijken Zoon het diepste vernederd. Tot de
grootste waardigheid, tot de waardigheid van Moeder
van God verheven, noemt zij zich de dienstmaagd des
Heeren. Daarom heeft God Maria ook verheven; Hij
heeft haar een naam gegeven, na den naam van Jezus
verheven boven alle namen, en in den naam van Maria
moeten ook alle knieën buigen, zeggen de H. Va-
ders: die der hemelingen, stervelingen en verdoemden.
Hetgeen de H. Vaders van den naam van Jezus zeggen,
-ocr page 305-
— 301 —
zeggen zij ook van den naam van Maria. Evenals de
naam van% Jezus, is de naam van Maria honig voor den
mond, eene melodie voor het oor en een jubel voor het
hart. Evenals de naam van Jezus is de naam van Maria
gelijk aan de olie; en vandaar dat hij ook verlicht, voedt
en geneest. Na den naam van Jezus is de naam van
Maria al onzen eerbied waardig. Geruimen tijd is het in
meer dan één land den jongedochters verboden geweest,
den naam van Maria te dragen. Waarom? Uit eerbied
voor dien naam. En bijaldien men thans den jonge-
dochters bij voorkeur en te recht, den naam van Maria
geeft; het verbod van vroeger tijden leert ons onder ande-
ren, welken eerbied wij voor den naam van Maria moeten
hebben.
Doch wij moeten niet alleen eerbied voor dien naam
hebben, wij moeten ook ons betrouwen op hem stellen.
Om u aan te sporen, B. B., van den naam van Maria
altoos met eerbied uit te spreken en met betrouwen aan
te roepen, bijzonder in de gevaren naar ziel en naar
lichaam, daarom zullen wij vandaag ter gelegenheid van
Maria\'s naamfeest te zamen overwegen:
I. De verhevenheid van den naam van Maria,
II. De verschillende beteekenissen van dien naam.
I.
De naam van Maria is na den naam van Jezus ver-
heven boven alle namen, omdat hij van hemelschen oor-
sprong en de machtigste aller namen is.
De naam van Maria, B. B., is vooreerst van hemel-
schen oorsprong. Evenals de naam van Jezus, is de
naam van Maria uit den hemel gekomen.
De Engel Gabriël, toen hij Maria boodschapte dat zij
-ocr page 306-
— 302 —
verkozen was om de Moeder van God te worden, zeide haar
tevens, dat zij het kind, hetwelk zij zou ontvangen en
baren, Jezus moest noemen. Hetzelfde zeide de Engel
tot Jozeph, toen deze voornemens was, Maria zijne Bruid
te verlaten. Vrees niet, sprak de Engel tot Jozeph, van
Maria uwe bruid bij u te nemen, want wat in haar ge-
boren is, is van den H. Geest; zij zal een Zoon baren,
en gij zult zijn naam Jezus noemen. Joachim en Anna,
de ouders van de allerheiligste Maagd Maria, hadden den
Heer geruimen tijd en vurig om een erfkind gebeden.
Eindelijk verhoorde God hun gebed. Een Engel uit den
hemel verscheen Joachim in het gebergte. Joachim ver-
schrikte op het gezicht van den Engel. Vrees niet, sprak
de Engel tot hem, want ik ben van God gezonden, om
u eene blijde tijding te brengen; uwe gebeden zijn ver-
hoord, en uwe goede werken zijn gunstig ontvangen.
Anna, uwe echtgenoote, zal eene dochter baren, en gij
zult haar naam Maria noemen. Van af het eerste oogen-
blik van haar bestaan zal zij van den H. Geest vervuld
zijn; en tot bewijs der waarheid van hetgeen ik u zeg,-
diene het volgende: Zoodra gij te Jeruzalem wederge-
keerd, de gouden poort des tempels zult binnentreden,
zult gij uwe echtgenoote ontmoeten: en de Engel, na
aldus tot Joachim gesproken te hebben, verdween uit de
oogen van den gelukkigen grijsaard. Een weinig daarna
verscheen dezelfde Engel ook aan Anna. Vrees niet,
sprak hij tot Anna, want ik ben de Engel, die reeds
overlang uwe gebeden en goede werken aan God op-
draag, en nu ben ik gezonden om u te verzekeren, dat
gij eene dochter zult baren, die Maria moet genoemd
worden; zij zal gezegend zijn boven al de vrouwen der
wereld. En tot bewijs van hetgeen ik zeg: Sta op en
spoed u terstond naar Jeruzalem. Zoodra gij daar aan
-ocr page 307-
— 303 —
de gouden poort komt, zal u terstond uw echtgenoot
tegemoet komen. Beiden, Joachim en Anna, hechtten
geloof aan de woorden des Engels; zij stonden op, ver •
lieten wederzijds de plaats, waar zij zich bevonden, en
ontmoetten zich bij de aangeduide poort des tempels.
Verblijd gingen zij den tempel binnen om God te be
danken en keerden daarna naar huis terug, (i) Zietdaar
den oorsprong van den naam van Maria. Hij komt,
gelijk gij ziet, evenals de naam van Jezus uit den hemel.
Doch niet alleen om zijn oorsprong, ook om zijne macht
is de naam van Maria na dien van Jezus verheven boven
alle namen.
Aan de macht van den naam van Jezus valt niet te
twijfelen, wijl bij het uitspreken van dien naam de grootste
wonderen gebeuren. Aan de poort des tempels tejeru-
zalem zit een lamgeborene te bedelen; hij vraagt de
Apostelen Petrus en Joannes een aalmoes. Petrus, hem
beziende, zeide: Zie ons aan. De lamgeborene, meenendc
een aalmoes te krijgen, zag hen aan. Daarop sprak
Petrus: Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb
geef ik u: In den naam vanJezus-Christus van Nazareth,
sta op en wandel, en op het uitspreken van den naam
van Jezus stond de lamgeborene op en wandelde.
Na den naam van Jezus, volgt nu niet onmiddellijk de
naam van Maria? Hij is na den naam van Jezus de
machtigste der namen. Door den naam van Maria aan
te roepen, bekomt men soms spoediger hulp, zegt de
H. Anselmus, dan wel door den naam van Jezus aan te
roepen; niet, zoo voegt dezelfde Heilige er onmiddellijk
bij, dat Maria machtiger is, want alle macht komt van
Jezus; maar wijl de Zoon daardoor zijne Moeder wil
(1) S. Hieronymus.
-ocr page 308-
— 304 —
ceren; vervolgens, zoo onze gebeden gesteund worden
door de voorspraak van Maria, zullen zij bij God veel
meer vermogen, dan indien zij Hem rechtstreeks toege-
stuurd worden.
De naam van Maria is dus een machtige naam, en hij
deelt zijne macht mede aan allen, die hem aanroepen.
Door den naam van Maria met eerbiedigheid en betrou-
wen aan te roepen, drijft men den duivel op de vlucht;
men weerstaat aan zijne aanvallen; men ontsnapt aan
zijne strikken; men verijdelt zijne pogingen; men ver-
mijdt zijne hinderlagen. Bij het aanroepen van den naam
van Maria, die verschrikkelijk is gelijk een leger in slag-
orde geschaard, verlaat de duivel de ziel, die hij aanviel,
en de bekoringen verdwijnen gelijk de rook voor den
wind. De naam van Maria is als eene lans naar den
duivel geworpen, waarmede hij als doorboord wordt. Op
die wijze, B. B., wordt immer het woord van God tegen
het helsche serpent bewaarheid, namelijk, toen God tot
den duivel, nadat deze Adam en Eva bedrogen had,
zeide: Zij, d. i. Maria, zal u den kop verpletteren: Ipsa
conteret caput tuutn.
(i)
Doch niet alleen in de bekoringen en tegen den duivel,
maar ook in andere gevallen en tegen andere kwalen is
de naam van Maria een machtige naam. De naam van
Maria, zoo drukt zich een godvruchtig schrijver uit, ver-
kwikt de vermoeiden, geneest de zieken, verlicht de
blinden, vermurwt de versteenden en versterkt de ster-
venden op weg naar de eeuwigheid.
Zietdaar, B.B., genoeg over de verhevenheid van den naam
van Maria. Na den naam van Jezus is hij verheven boven
alle namen; vooreerst, om zijnen hemelschen oorsprong;
(1) Gen. m, 15.
-ocr page 309-
— 305 —
vervolgens, om zijne buitengewone macht. Zeggen wij
nu nog een woordje over de beteekenis van den naam
van Maria.
II.
De naam van Maria heeft verschillende beteekenissen.
Hij beteekent onder anderen: Koningin of Meesteresse,
Zee of Oceaan van bitterheden, Zee of Oceaan van liefde
en eindelijk Ster der zee.
Vooreerst beteekent de naam van Maria Koningin of
Meesteresse. Dien naam verdient Maria, omdat zij is de
Moeder van Hem, die Koning en Meester is, d. i., van
Jezus-Christus. Jezus-Christus is de Koning der koningen,
Maria is de Koningin der koninginnen. Jezus-Christus is
de Meester der meesters, Maria is de Meesteresse der
meesteressen. Het rijk, het gebied van Jezus-Christus
strekt zich uit over hemel en aarde; Hij is Koning en
Meester van hemel en aarde. Het rijk, het gebied van
Maria strekt zich ook uit over hemel en aarde; zij is
Koningin en Meesteresse van hemel en aarde. Jezus-
Christus is de Koning van Engelen en menschen, Maria is
de Koningin van Engelen en menschen. Terecht worden
dus op Maria de volgende woorden der H. Schrift toe-
gepast: Uwe heerschappij strekt zich uit over alle vol-
keren en geslachten: Dominatio tua in omni generatione
et generationem.
(i) \'t Is door mij dat de koningen re-
geeren: Per me reges regnant, (2) en de vorsten behooren
tot mijn gebied. Terecht dus groet onze Moeder de H.
* Kerk Maria als onze Koningin. Wees gegroet, Koningin,
Moeder der barmhartigheid ! Wees gegroet, Koningin der
hemelen! Verheugv u, o Koningin des hemels, alleluia!
(1) Ps. cxliv, 13. (2) Prov. vin, 15.
20.
-ocr page 310-
— 3o6 —
Vervolgens beteekent de naam van Maria Zee of Oceaan
van bitterheden. Dien naam verdient Maria, omdat er
na haar goddelijken Zoon niemand zooveel smarten gele-
den heeft als Maria. Jezus is de Man der smarten,
Maria is de Moeder der smarten. Het leven van Maria
is, evenals dat van Jezus, haar goddelijken Zoon, een aan-
eenschakeling van smarten geweest. Wat smart reeds
voor Maria, die goede Moeder, te moeten zien dat haar
kind arm en verlaten ter wereld kwam: een arme stal
is zijne woning, eene kribbe zijne wieg. Zijn eigen volk
heeft Hem verworpen. Hij kwam in zijn eigendom, en
de zijnen hebben Hem niet ontvangen: In propria venit
et sui eum non receperunt.
(i) Wat smart voor Maria,
die goede Moeder, toen zij het Kind Jezus den achtsten
dag na zijne geboorte in de besnijdenis zijn bloed zag
vergieten; toen Simeon haar voorzeide, dat Jezus, haar
Zoon, zou tegengesproken worden, en dat een zwaard
haar het hart zou doorboren. Wat smart voor die goede
Moeder, toen zij hoorde, dat Herodes haren Jezus naar
het leven stond, en zij, vergezeld van Jozeph, genood-
zaakt was met haren Zoon de vlucht te nemen naar een
vreemd land, naar Egypte. Wat smart voor die goede
Moeder, toen zij, op hunne terugreis van Jeruzalem naar
Nazareth, haren Jezus, pas elf jaren oud, verloor; vervol-
gens, als zij zag hoe haar Zoon te Nazareth met Jozeph
zijn voedstervader moest werken, om in het zweet zijns
aanschijns zijn brood te verdienen. Doch al die smar-
ten zijn niets in vergelijking van hetgeen Maria geleden
heeft de laatste jaren van Jezus\' leven. O, B. B., wat
heeft Maria niet geleden, toen Jezus van zijne beminde
Moeder afscheid kwam nemen, om zijn openbaar leven
(1) Joan i, 11.
-ocr page 311-
— 3<V —
aan te vangen; toen zij vernam, dat haar Zoon, alhoe-
wel Hij overal weldoende rondreisde, tegensproken en
gelasterd, vervolgd, zelfs ter dood gezocht werd. Wat
heeft Maria niet geleden, toen zij vernam, dat haar Zoon,
door Judas verraden, gevangen genomen was; dat Hij
van den eenen rechter naar den anderen gesleurd werd;
dat Hij gegeeseld en met doornen gekroond werd; dat
Hij eindelijk ter dood veroordeeld, met het schande-
en vervloekingshout beladen, Jeruzalem uitging om op
den Calvarieberg gekruist te worden. Wie beschrijft ons
de smarten van Maria, toen zij haren Jezus, mismaakt
en uitgeput, onder een zwaar kruis gebogen, op den
weg naar den Calvarieberg ontmoette; toen zij zijne
bloedige voetstappen drukte, en toen zij Hem eindelijk
aan het kruis vastgehecht, in verlatenheid zag sterven.
Jezus, de Koning der Martelaren, sterft aan het kruis,
terwijl Maria, de Koningin der Martelaren, aan den voet
des kruises staat. Thans wordt de voorzegging van den
ouden Simeon ten volle vervuld, namelijk, dat een zwaard
van smarten Maria het hart zou doorboren. Te recht
mag Maria dus met de moeder van Ruth zeggen: Noem
mij niet Noëmi, d. i., schoone, maar noem mij Mara,
d. i., bitter, want de Almachtige heeft mij overvloedig
met bitterheden vervuld.
De naam van Maria beteekent ook Zee of Oceaan van
liefde. Dien naam verdient Maria om hare overgroote
liefde tot God en de menschen.
Vooreerst om hare overgroote liefde tot God ; tot God
den Vader, die haar tot zijne welbeminde Dochter heeft
aangenomen; tot God den Zoon, wiens teérgeliefde Moe-
der zij is geworden; tot God den H. Geest, die haar tot
zijne onbevlekte Bruid gekozen heeft. Vervolgens om
hare overgroote liefde tot de menschen. Geen schepsel
-ocr page 312-
— 3°8 —
na God bemint of heeft de menschen bemind, gelijk
Maria hen bemind heeft en nog bemint. Zulks bewijzen
de ontelbare weldaden en genaden, welke de menschen
alom en te allen tijde van Maria ontvangen hebben.
Daarom wordt Maria in de Litanie van Loretten genoemd:
Behoudenis der kranken, Toevlucht der zondaren, Troos-
teres der bedrukten, Hulp der Christenen. Te recht groet
dus onze Moeder de H. Kerk Maria onder den titel van
Bron van Liefde, als zij in haren treurzang Maria toe-
roept. Welaan! Moeder, Bron van liefde, (i)
Eindelijk beteekent de naam van Maria Ster der zee.
Maria verdient den naam van Ster; want evenals eene
ster hare stralen uitschiet en haar licht verspreidt, zonder
iets van de helderheid en den glans van haar licht te ver-
liezen ; zoo ook heeft Maria haar goddelijken Zoon, het
licht der wereld, gebaard, zonder iets van hare maag-
delijke zuiverheid te verliezen. Maria verdient den
naam van Ster der zee om hare verhevene deugden,
waarvan zij een volmaakt to\'onbeeld is, en waarmede zij
ons voorlicht en leidt op de gevaarvolle zee dezer we-
reld, evenals eene schitterende ster den zeeman voorlicht
en leidt op den onstuimigen oceaan. Doch laten wij
hier een der grootste dienaren van Maria, den H. Ber-
nardus, spreken. Geen sterveling heeft ooit op den naam
van Maria zoetere toonen uitgebracht, dan die Heilige,
als hij de volgende woorden des Evangelie\'s verklaart:
En de naam der Maagd was Maria: Et nomen Virgi-
nis Maria.
(2) Maria, zegt de H. Bernardus, is die
edele ster, van Jacob uitgegaan, wier stralen het heelal
verlichten, wier glans in de hemelen schittert en door-
dringt tot in de hel. Ster die, stralende over de wereld.
(1) Eja, Mater, fons amoris! (Stabat Mater.) (2) Luc. 1, 27.
-ocr page 313-
— 309 —
veeleer de zielen dan de lichamen verwarmt, de deugden
kweekt en de ondeugden uitroeit. Schitterende ster, en
steeds verheven boven deze strandenlooze zee, doet zij
voor onze oogen glanzen den luister harer verdiensten, en
zij verlicht ons door hare voorbeelden. O wie gij ook
zijt, zoo gaat de H. Bernardus voort, voor wien het leven
hier op aarde geen vasten grond heeft, doch veeleer gc-
lijkt aan een onstuimige zee, verlies nimmer het licht
dier ster uit het oog, zoo gij door de opgezweepte baren
niet wilt verslonden worden. Bijaldien de stormen der
bekoringen losbreken, zoo gij tegen de klippen der we-
derwaardigheden aanstoot, zie dan naar die ster en roep
Maria aan. (i) Bijaldien de baren der hoovaardigheid,
gierigheid, onkuischheid, nijd en gramschap tegen het
ranke bootje uwer ziel klotsen, richt dan uwe oogen naar
Maria. (2) Zoo de herinnering aan uwe misdaden, de kna-
ging van uw geweten, de vrees voor het oordeel u naar den
kolk der moedeloosheid, naar den afgrond der wanhoop
sleepen, denk dan aan Maria. Te midden der gevaren, der
benauwdheden , in twijfel en in onzekerheid, denk aan
Maria en roep Maria aan. Dat de naam van Maria
steeds op uwe lippen en in uw hart zij, en om den bij-
stand harer gebeden te verdienen, volg den weg, dien
hare voorbeelden u hebben afgeteekend. Haar volgend 3
zult gij niet afwijken; haar aanroepende zult gij niet
wanhopen; aan haar denkende zult gij niet dwalen. Bij-
aldien Maria u ondersteunt, zult gij niet vallen; zoo
Maria u beschermt, hebt gij niet te vreezen; bijaldien
Maria u leidt, zult gij u niet vermoeien; zoo Maria u
beschut, zult gij behouden in de haven aanlanden, en
(1) Respice stellam, voca Mariam. (2) Respice ad Mariam.
(S. Bern.)
-ocr page 314-
— 3i° —
alzoo zult gij in uzelven ondervinden, hoe waar en te
recht er gezegd is: En de naam der Maagd was Maria,
d. i., Ster der zee: Et nomen Virginis Maria, (i)
SLUITREDE.
Ik geloof, B. B., genoeg gezegd te hebben over den
naam van Maria, naam, die de allerheiligste Maagd ge-
geven is den vijftienden dag na hare geboorte. De naam
van Maria is een naam, na dien van Jezus, verheven
boven alle namen: vooreerst, omdat hij evenals de naam
van Jezus, van hemelschen oorsprong is; een Engel heeft
hem den ouders van Maria aangekondigd; vervolgens,
omdat hij zoo machtig is. In den naam van Maria kan
men alles bekomen, natuurlijk, bijaldien wij het naar be-
hooren vragen en noodig hebben. De naam van Maria is
vol beteekenis. Hij beteekent: Koningin en Meesteresse;
Maria is de Koningin, de Meesteresse van hemel en aarde;
Zee of Oceaan van bitter heden; na Jezus heeft niemand
zooveel geleden als Maria; Zee of Oceaan van liefde;
na Jezus heeft niemand God en de menschen zoozeer
bemind als Maria; eindelijk beteekent hij: Ster der zee;
Ster, om hare maagdelijke en immer ongeschonden zui-
verheid; Ster der zee, wijl zij ons op de zee dezer wereld
met hare verdiensten en deugden voorlicht naar den hemel.
Aangezien de verhevenheid en beteekenis van den
naam van Maria, laten wij niet na, dien heiligen naam
dikwijls aan te roepen, en roepen wij hem altoos aan
met eerbiedigheid en betrouwen. Roepen wij hem aan
in alle gevaren en noodwendigheden naar ziel en naar
lichaam, maar vooral naar de ziel, d. i., in de bekoringen,
ten einde er niet onder te bezwijken. Roepen wij hem
(1) Luc. i, 27.
-ocr page 315-
— 3H —
aan tijdens ons leven, doch vooral in het uur van onzen
dood, opdat wij, door Maria beschermd, heilig mogen
leven en eenmaal een zaligen dood mogen sterven. Ja,
B. B., dat de laatste woorden van eenieder op zijn sterf-
bed zijn: Jezus, Maria en Jozeph, staat mij bij. Amen.
z^cM^s5©-
-ocr page 316-
TWINTIGSTE PREEK.
De Opdracht van Maria.
Quid mihi est in coelo, et a te quid volui
super terram t
Wat is er voor mij in den hemel, en
wat verlang ik op de aarde buiten u ?
(Ps. lxxii, 25.)
I N HO U D.
VOORREDE.
God is ons beginsel en ons einde. — Om ons einde
te bereiken, moeten wij ons aan ons beginsel hechten. —
Die waarheid en verplichting had Maria begrepen. —
Och of wij beide ook zoo begrepen. — Maria wijdt
zich aan God toe; voorbeeld voor ons. — Maria heeft
zich aan God toegewijd:
VERDEELING.
I. Zonder uitstel;
II. Zonder voorbehoud;
III. Voor altijd.
I.
Maria heeft zich aan God toegewijd zonder uitstel, van
-ocr page 317-
— 313 —
af het eerste oogenblik van haar bestaan. — Verzoek
van Maria aan hare ouders; deze stemmen toe. — Vertrek
naar Jeruzalem. — Maria vernieuwt hare toewijding aan
God in den tempel, toen zij ongeveer drie jaar oud was.
— Eeuwige gelofte van zuiverheid. — Geluk voor Maria
van brave ouders te hebben, van haar geluk te beseffen
en God van den beginne af getrouw te dienen. — Het-#
zelfde geluk kan ons eenigermate te beurt vallen. —
Brave ouders, het H. Doopsel, eerste H. Communie. —
Zijn wij onze beloften getrouw gebleven ? — Beleediging,
God door den trouwelooze aangedaan, ongeluk zichzelven
berokkend. — Wat moet de trouwelooze doen?
II.
Maria heeft zich aan God toegewijd zonder voorbehoud:
hare ziel, haar lichaam, vooral haar hart, gansch en on-
verdeeld. — Maria verzaakte aan hare ouders, bloedver-
wanten, goederen, aan de hoop van de Moeder Gods te
worden, aan hare vrijheid. — Wij moeten ons ook gansch
aan God toewijden. — Zijn wij niet gierig jegens den
milddadigen God? Is ons hart niet verdeeld? Hebben
wij het God niet gansch geweigerd ? — Wij moeten ons
van het schepsel onthechten en aan God hechten, Hem
ons hart geven, vooral den dag der H. Communie.
III.
Maria heeft zich aan God toegewijd voor altijd. —
Nooit heeft zij haar offer teruggetrokken, zij heeft het
voltrokken en God steeds aangenamer gemaakt. — God
schonk Maria immer nieuwe genaden, waaraan zij getrouw
beantwoordde. — Wij moeten Maria in het beantwoorden
aan de genade en in de volharding navolgen: Die vol-
-ocr page 318-
— 314 —
hard zal hebben, zal zalig worden; niemand zal gekroond
worden, tenzij hij wettig gestreden heeft. — De vijanden
onzer zaligheid trachten ons te beletten van te volhar-
den. — Wij moeten tot Maria onze toevlucht nemen.
SLUITREDE.
Wij moeten Maria navolgen in ons aan God toe te
wijden zonder uitstel, zonder voorbehoud en voor altijd.
— Wij moeten ons van het schepsel onthechten en aan
God hechten, gansch ons leven, om ons na dit kort leven
in gezelschap van Maria voor eeuwig met God te mogen
vereenigen in den hemel.
TWINTIGSTE PREEK.
De Opdracht van Maria.
Quid mihi est in coelo, el a te quid volui
super terramf
Wat |is er voor mij in den hemel, en
wat verlang ik op de aarde buiten u?
(Ps. lxxii. 25.)
VOORREDE.
God, gelijk wij weten, B. B., is de Schepper van he-
mel en aarde, en bijgevolg is Hij ook onze Schepper.
Hij heeft alles geschapen voor zich, en dus heeft Hij
ook ons geschapen voor zich. God is bijgevolg ons be-
ginsel en ons einde. Wat ons nu betreft, wij, om ons
einde te bereiken, moeten ons aan ons beginsel hechten;
ons geluk hangt er van af voor tijd en eeuwigheid.
-ocr page 319-
— 3iS —
Maria, wier opdracht in den tempel wij heden vieren,
had die groote waarheid goed begrepen, zij had die groote
verplichting wel verstaan. En och of wij die waarheid
ook zoo goed begrepen; och of wij die verplichting ook
zoo wel verstonden. Tot dat einde, B. B., heb ik voor-
genomen u vandaag eenige oogenblikken te onderhouden
over de opdracht van Maria in den tempel. Wij zullen
zien, waarin zij bestaat, namelijk, dat en hoe de aller-
heiligste Maagd Maria zich den Heere heeft toegewijd.
Tevens zullen wij uit het voorbeeld van Maria leeren,
dat wij ons aan God moeten toewijden, en dat wij onzen
roem moeten stellen in God al de dagen van ons leven
getrouw te dienen. Ziehier de drie punten, die wij gaan
verhandelen. Maria heeft zich den Heer toegewijd:
I. Zonder uitstel;
II. Zonder voorbehoud;
III. Voor altijd. Leggen wij die drie punten een
weinig uit.
I.
Vooreerst heeft de allerheiligste Maagd Maria zich den
Heer toegewijd zonder uitstel.
\'t Lijdt geen twijfel, B. B., of Maria heeft zich reeds
van af het eerste oogenblik van haar bestaan aan God
toegewijd. Maria was van af het eerste oogenblik van
haar bestaan begaafd met rede en verstand. Vóórkomen
van Gods genade, en zoo ruimschoots met zijnen zegen
bedeeld, werd Maria niet eerder voor de wereld geboren,
alvorens voor God geboren te zijn. Bijgevolg heeft Maria
onmiddellijk na hare ontvangenis zich aan God toegewijd.
Doch \'t is niet van deze toewijding aan God, en waarvan
God alleen getuige was, dat er in het feest van heden
-ocr page 320-
— 3iö —
gehandeld wordt. Onze Moeder de H. Kerk viert van-
daag plechtig de opdracht van Maria in den tempel;
dus het feest van Maria\'s toewijding aan God, die open-
lijk eenigen tijd later plaats had.
De allerheiligste Maagd Maria had nog niet ten volle
haar derde jaar bereikt, of zij vroeg hare ouders, Joa-
chim en Anna, als een uitgelezene gunst de toestem-
ming, van zich in den tempel te Jeruzalem den Heer te
mogen toewijden. Joachim en Anna willigen het verzoek
hunner jeugdige dochter in, zij staan het toe; zij nemen
Maria aan de hand, misschien op hunne armen, en ziet!
daar vertrekken zij naar Jeruzalem. Een onzichtbare stoet
Engelen vergezelt hen van Nazareth naar Jeruzalem, zegt
de H. Gregorius van Nicomedie. Aangekomen te Jeruza-
lem, vertrouwen Joachim en Anna hunne dierbare doch-
ter toe aan de godvruchtige vrouwen, die in den tempel
dienden, om onder hunne leiding opgevoed en verder
gevormd te worden. Maria vernieuwt terstond bij hare
aankomst voor hemel en aarde het offer, dat zij den
Heer bij hare ontvangenis reeds gebracht had, en zij
geeft zich gansch aan God. Ja, wat meer is, de eerste
van onder de dochters van Juda, wijdt zij aan God voor altijd
haren maagddom toe. Maria dus stelt zich aan het hoofd
van die duizenden Maagden, die hare voetstappen gedrukt,
en zich in den loop der tijden ook onherroepelijk
door de gelofte van eeuwige zuiverheid aan den Heer
toegewijd hebben. O, wat was zij gelukkig, die jeugdige
Maagd Maria, van zulke brave, deugdzame ouders te
hebben! Wat was zij gelukkig, van het geluk tebegrij-
pen, dat er bestaat in van het eerste oogenblik zijns levens
aan God toe te behooren, Hem getrouw te dienen en
zich alzoo schatten voor den Hemel te vergaderen. Wel-
nu, de kinderen, die brave, die deugdzame ouders hebben,
-ocr page 321-
— 317 —
ouders, die waarlijk het geluk hunner kinderen beharti-
gen, en bijgevolg, die hun best doen om hunne kinderen
in eer en deugd op te voeden, die kinderen kunnen eeni-
germate met Maria in haar geluk deelen. Immers, den
dag van hun H. Doopsel zijn zij den duivel ontrukt en
aan God toegewijd. Velen onder hen hebben die toe-
wijding aan God plechtig hernieuwd den dag hunner
eerste H. Communie, den schoonsten, den gelukkigsten
dag van hun leven ; dag, waarop hun het geluk te beurt
viel, van voor de eerste maal hunnen Heer en God aan
hun hart te drukken, of beter gezegd, van er Hem in
te ontvangen. Doch, B. B., zijn wij, na onze toewijding
en hernieuwing onzer toewijding aan God, onze beloften
getrouw gebleven ? Hebben wij onzen Heer en God
ook getrouw gediend? Helaas! misschien hebben wij
onze beloften vergeten; misschien zijn wij God ontrouw
geworden; misschien hebben wij een geruimen tijd van
ons leven doorgebracht, hebben wij dagen, weken,
maanden, jaren zelfs besteed in de ijdelheden en ver-
maken der wereld na te jagen, hebben wij lang, zeer
lang in de zonde geleefd. Welk eene beleediging
God, dien wij toegewijd waren, daardoor aangedaan!
Welk een ongelijk ons zelven berokkend, wijl wij
in plaats van ons verdiensten te vergaderen voor den
hemel, de straffen der hel verdiend hebben! Wat nu in
dergelijk geval gedaan, B. B. ? Wij moeten onze misslagen
beweenen, onze trouweloosheid zoo goed mogelijk her-
stellen. Dragen wij ons dus vandaag opnieuw aan God
op; wijden wij ons vandaag opnieuw aan Hem toe;
doen wij ons best, om den tijd, dien wij zoo ongelukkig
verloren hebben, terug te winnen. En hoe dien tijd terug-
winnen ? Door den goeden God het overige van ons leven
zoo getrouw mogelijk, ja, met verdubbelden ijver te dienen.
-ocr page 322-
- 318 -
II.
De allerheiligste Maagd Maria heeft zich den Heer
toegewijd zonder voorbehoud.
Maria, B. B., heeft zich gansch aan God opgeofferd.
Zij heeft Hem opgeofferd hare ziel en haar lichaam:
hare ziel met al hare krachten: verstand, geheugen en
wil; haar lichaam met al zijne zintuigen; doch zij heeft
aan God vooral opgeofferd haar hart en gansch haar hart.
Ik zeg gansch, onverdeeld. Maria wist maar al te wel,
dat God niet tevreden is met een hart, dat verdeeld is;
dat Hij jaloersch is op onze liefde. Daarom verzaakte
Maria aan alles uit liefde tot God. Zij verzaakte aan
haren vader en hare moeder en overige bloedverwanten ;
zij verzaakte aan de goederen dezer aarde; zij verzaakte
aan de vermaken, ik zeg niet eens aan de slechte, gevaar-
lijke vermaken, maar zelfs aan de onschuldigste vermaken :
ja, wat meer is, — menschelijker wijze althans gesproken
— door hare gelofte van eeuwige zuiverheid verzaakte
Maria aan de hoop van eenmaal de Moeder van den
lang gewenschten Messias te worden. Den dag harer
opdracht in den tempel verzaakte Maria aan hare vrijheid,
zegt de H. Anselmus, door de gehoorzaamheid, welke zij
den Opperpriester Zacharias beloofde.
Gij ziet dus, B. B., het offer van Maria was volledig,
gansch, zonder voorbehoud. Is het ook zoo gesteld met
het offer, dat wij den goeden God opgedragen hebben ?
Trouwens, alles wat wij zijn, en alles wat wij bezitten,
komt ons van God. En wat al weldaden, èn in de orde
der genade, èn in de orde der natuur hebben wij van
God niet ontvangen ? Al die weldaden opnoemen, \'t
zou\'ons te lang bezighouden, wijl zij te talrijk zijn. Ik
vraag slechts: zijn wij niet gierig geweest, en zijn wij
het thans nog niet, jegens God, die zoo milddadig jegens
-ocr page 323-
— 319 —
ons geweest is en nog is? En toen wij ons aan God
gegeven hebben, hebben wij ons soms niet het een of
ander voorbehouden? het een of ander, dat onze ijdel-
heid, onze eigenliefde, onze zinnelijkheid streelt ? En
bijgevolg, is ons hart niet verdeeld geweest tusschen den
Schepper en het schepsel? Of wel, hetgeen nog erger
is, hebben wij den goeden God ons hart niet gansch
geweigerd en het opgeofferd aan het een of ander schep-
sel ? O, B. B., bijaldien het zoo is, dan is het ook zon-
neklaar, dat wij in de verste verte de allerheiligste Maagd
Maria niet navolgen, die zich aan God heeft toegewijd
zonder voorbehoud. In dat geval moeten wij ons bekee-
ren en beteren; en daarom moeten wij ons vooreerst
onthechten van deze of gene zaak, die wij met te veel
drift najagen; van dezen of genen persoon, dien wij met
eene min of meer ongeregelde liefde beminnen ; van dit
of dat huis of gezelschap, waaraan wij te zeer gehecht
zijn; ja, offeren wij alles op voor God. Vervolgens moe-
ten wij ons aan God hechten; en bijgevolg, schenken
wij aan God alles wat wij zijn en bezitten ; doch vooral,
schenken wij Hem ons hart, gansch en onverdeeld. Ja,
hernieuwen wij God dikwijls het offer van ons hart, dat
Hem zoo aangenaam is, en wel inzonderheid de dagen,
waarop wij tot de H. Tafel naderen, op het oogenblik
dat de goede God zich geheel en al aan ons geeft, met
zijne godheid en menschheid, met zijne ziel en zijn lichaam,
met zijn vleesch en bloed; dan vooral, B. B., moeten
wij God van harte zeggen: o mijn God ! o mijn Jezus!
thans behoort Gij mij gansch toe, wijl Gij u geheel en
al aan mij gegeven hebt; ik wil ook gansch aan U toe-
behooren, en ik geef mij geheel en al aan U: Dilectus
meus mikt et ego illi.{\\)
(1) Cant. ii, 16.
-ocr page 324-
— 320 —
III.
Eindelijk, de allerheiligste Maagd Maria heeft zich
den Heer toegewijd voor altijd; \'t is de laatste voor-
waarde, die er vereischt wordt, opdat het offer vol-
komen zij.
Maria, B. B., heeft zich aan God toegewijd, niet voor
eenige dagen, weken, maanden of jaren, niet voor een
bepaalden tijd; neen, maar zij heeft zich aan God toe-
gewijd voor gansch haar leven. Nooit heeft Maria dus
iets van haar offer teruggetrokken. Integendeel, zij be-
ijverde zich steeds om het den goeden God van dag tot
dag aangenamer te maken. God op zijne beurt schonk
Maria immer nieuwe genaden, waaraan zij altoos trouw
beantwoordde. Den dag der boodschap roemde de Engel
Gabriël Maria reeds vol van genade. Avegratia plena: (i)
Wees gegroet, vol van genade, zoo sprak de Engel.
Welnu, zoo Maria reeds vol van genade was den dag
der boodschap, wie zal begrijpen den schat van genaden,
dien zij zich verworven heeft tijdens haar leven, daar
zij de eerste genade nooit door eenige zonde verloren
of verminderd heeft, maar altoos heeft vermeerderd? In
de volharding en den voortgang in het goede moesten
wij Maria navolgen. Doch helaas! hoe dikwijls blijven
wij er niet aan te kort? Wij maken dikwijls goede voor-
nemens, doch wij brengen ze niet ten uitvoer. Nauwelijks
hebben wij goed begonnen, zijn wij eenige dagen ge-
trouw gebleven, of wij hervallen wederom in dezelfde
fouten en zonden. Nochtans, \'t is niet genoeg van goed
te beginnen, van eenigen tijd getrouw te blijven; om
zalig te worden moet men volharden tot het einde toe:
Qui perseveraverit itsque in finetn hic salvus erit. (2)
(1) Luc. 1, 28. (2) Matth. x, 22.
-ocr page 325-
— 321 —
•Om gekroond te worden moet men wettig gestreden
hebben, d. w. z., volgens de verklaring van den H. Au-
gustinus, tot den dood toe: Non coronabitur nisi legitimc
certaverit.
(i) Ik weet wel, de vijanden onzer zaligheid
zullen zich daartegen verzetten; zij zullen al hunne krach-
ten inspannen, om ons den moed, dien wij ter volhar-
ding noodig hebben, te doen verliezen. De duivel zal zich
het eerst vertoonen om er zich tegen te verzetten. B. B.,
dat de duivel zich bewege, zooveel hij wille; dat hij rond-
loope als een brieschende leeuw en zoeke ons te ver-
slinden; om den duivel te beletten van ons te schaden,
en om hem op de vlucht te drijven, nemen wij met be-
trouwen onze toevlucht tot Maria; zij is machtiger dan
alle duivelen der hel te zamen. Ja, B. B., in de beko-
ringen van den duivel roepen wij Maria aan, en wij
zullen hem overwinnen.
Vervolgens zal de bedorven wereld komen en er zich
tegen verzetten. De wereld zal ons aanbieden den gift-
beker harer vermaken en pleizieren. Alles wat zij ver-
leidends en aanlokkelijks heeft, zal zij ten toon spreiden
om ons mede te slepen. Wat moeten wij doen om door
de wereld niet bedrogen en medegesleept te worden ?
Ons onze goede Moeder Maria herinneren, ons steeds
onder hare bescherming stellen, haar met betrouwen aan-
roepen, en wij zullen de aanvallen der bedorven wereld
zegevierend afslaan.
Eindelijk zullen onze driften zich doen gevoelen en er
zich tegen verzetten. Onze kwade driften, B. B., zullen
wij te bestrijden hebben en wellicht gansch ons leven.
Wat nu gedaan, om onder de aanvallen onzer driften
niet te bezwijken ? Wij moeten ootmoedig zijn, ons zelven
(1) ii Tim. ii, 5,
21.
-ocr page 326-
— 322 —
mistrouwen, tot Maria onze toevlucht nemen, haar met
betrouwen aanroepen, en die goede Moeder, gelooft mij.
vrij, zal komen, zij zal zich spoeden om hare kinde-
ren in den nood bij te staan.
SLUITREDE.
Wij hebben gezien, B. B., wat de opdracht van Maria
in den tempel, waarvan wij vandaag het feest vieren,
beteekent. Dien dag heeft Maria zich den Heer toe-
gewijd. Tevens heeft zij ons een voorbeeld gegeven, dat
wij zoo goed mogelijk moeten navolgen. Maria heeft
zich den Heer toegewijd zonder uitstel. Wij moeten
ons ook zonder uitstel aan God toewijden, en zoo
wij tijd, en misschien veel tijd verloren hebben, dan.
moeten wij ons best doen om dien verloren tijd in te
halen, zoo goed mogelijk te herstellen door ons met ver-
dubbeling van vlijt toe te leggen op het volbrengen onzer
plichten. Maria heeft zich den Heer toegewijd zonder
voorbehoud. Wij ook, B. B., moeten ons geheel en al
aan God toewijden, wij moeten Hem geven vooral ons
hart, en ons hart gansch en onverdeeld.
Maria heeft zich den Heer toegewijd voor altijd. Wij
ook moeten ons aan God toewijden voor gansch ons
leven. Ja, B. B., hechten wij ons aan God, die ons be-
ginsel is; blijven wij aan Hem gehecht al de dagen van
ons leven; eenmaal zullen wij het geluk hebben, van ons
aan dienzelfden God te hechten, die ook ons einde is,
in den hemel, in gezelschap van Maria, om aan Hem ge-
hecht te blijven gedurende de eindelooze eeuwigheid. Amen..
-ocr page 327-
EEN EN TWINTIGSTE PREEK.
De Zeven Weeën van Maria.
Cui comparabo te, vel cui assimilabo te,
filia Jerusalem.... maf/na est velut mare con-
tritio tua.
Met wien zal ik u vergelijken, dochter
van Jeruzalem.... uwe droefheid is groot
gelijk eene zee.
          (Jer. Lam. n, 13.)
INHOUD.
VOORREDE.
De Kerk heeft altoos Martelaren gehad, doch vooral
in het begin; Martelaren van beider geslacht, van allen
leeftijd, van alle staten en standen. — De Martelaren
hebben de verschrikkelijkste pijnen geleden, met geduld,
met vreugde. — Thans schitteren zij in den hemel. —
Jezus is de Koning der Martelaren, Maria is hunne Ko-
ningin:
VERDEELING.
I. Wijl zij langer;
II. Wijl zij meer;
III. Wijl zij met meer moed dan de andere Martela-
ren geleden heeft.
-ocr page 328-
— 324 —
I.
Maria heeft langer geleden. — De andere Martelaren,
de eene een dag, de andere eene week, enz.; sommige
eenige jaren; Maria meer dan dertig jaren. — Het lijden
van Maria begint met de boodschap des Engels. — Maria
kent het lijden van haren Zoon uit de H. Schrift. —
Vergelijking van eene moeder, die weet dat haar zoon
moet sterven op het schavot, met Maria, die weet dat
haar Jezus moet sterven aan het kruis. — Droefheid van
Maria, wanneer zij Jezus ziet en aan zijn lijden denkt. —
Maria\'s droefheid was aanhoudend, doch op zekere tijd-
stippen heviger. — De voorzegging van Simeon. — De
vlucht naar Egypte. — Jezus verloren te Jeruzalem. —
Ontmoeting op den kruisweg. — De kruisdood van Jezus.
—   Jezus\' zijde doorboord. — Jezus in den schoot van
Maria en zijne begrafenis. — Maria\'s lijden eindigt slechts
met den dood.
II.
Maria heeft meer geleden. — \'t Blijkt reeds uit het
voorgaande, doch vooral uit de volgende opmerkingen. —
De Martelaren leden in hun lichaam, Maria in hare ziel.
—   De Martelaren offerden aan God op zich zelven en
hun leven, Maria offerde aan God op haar goddelijken
Zoon en zijn leven. Maria leed met Jezus in haar hart;
zij leed meer door Jezus te zien lijden dan zoo zij zelve
geleden hadde. — De Martelaren werden getroost en
opgebeurd, Maria niet. — De liefde tot Jezus deed de
Martelaren minder lijden, de liefde tot Jezus deed Maria
meer lijden. — Woorden der H. Vaders: de H.H. Ilde-
phonsus, Anselmus, Basilius, Bernardinus van Siena. —
De Martelaren worden voorgesteld met hunne martel-
tuigen, Maria met het ontzield lichaam van Jezus.
-ocr page 329-
— 325 —
III.
Maria heeft met meer moed geleden. -— De kruisdood.
—   Jezus wordt geprezen en goed onthaald, Maria is er
niet tegenwoordig. — Jezus, ter dood veroordeeld, wordt
ter strafplaats geleid; Maria gaat haren Zoon tegemoet.
—   Ontmoeting op den kruisweg. — Thomas Morus en
zijne dochter Margaretha. — Maria vergezelt Jezus en
ziet hem aan het kruis. — Agar, Jacob, David. — Wat
ziet, wat hoort Maria bij het kruis?
SLUITREDE.
De zondaar heeft Maria bedroefd, haar hart doorboord.
—  De zondaar kan Maria troosten, de wonde van haar
hart heelen door zich te bekeeren; de hoovaardige, de
gierigaard, de onkuischaard, de onmatige. — De zondaar
heeft ook zijn eigene ziel doorboord. — Misdaad van
den zondaar, schade die hij zich toegebracht heeft, gevaar
waaraan hij blootstaat. — Gebed tot Jezus en Maria.
EEN EN TWINTIGSTE PREEK.
De Zeven Weeën van Maria.
Cui comparabo te, vel cui assimüabo te,
filia Jeiiisalem.... magna est velut mare con-
trilio tua.
Met wien zal ik u vergelijken, dochter
van Jeruzalem.... uwe droefheid is groot
gelijk eene zee.
          (Jer. Lam. n, 13.)
VOORREDE.
De Kerk, B. B., door Jezus-Christus gesticht, telt van
-ocr page 330-
— 326 —
het begin af, ja telt vooral in het begin hare Martelaren.
De kerkelijke geschiedenis openslaande leest men daarin
op de eerste bladzijden, hoe talrijke scharen christen
helden van beider geslacht, van verschillenden leeftijd,
van alle staten en standen gestreden en overwonnen heb-
ben. De vreesachtige maagd wedijvert met den onder
de wapenen grijs geworden krijgsman; het jeugdig kind
met den afgesloofden grijsaard; de zoon met den vader;
de dochter met de moeder; allen, allen vliegen ten strijde.
In plaats van hun geloof te verloochenen, hunne plichten
van christen te verzaken, zich aan zonde plichtig te
maken, verkiezen zij van hunne goederen beroofd, van
hunne familie gescheiden, in ballingschap gezonden, in
de afschuwelijkste kerkers geworpen te worden. Zij ver-
schijnen kloekmoedig voor de rechtbanken, trotseeren de
knijptangen en geeselroeden, het water en het vuur, de
uitgehongerde leeuwen en tijgers van het amphiteater;
ja, wat meer is, zij glimlachen op het gezicht der folter-
en moordtuigen, bedanken hunne vervolgers en beulen;
zoo gelukkig achten zij zich van voor Jezus-Christus te
lijden, hun bloed te vergieten en hun leven ten beste
te geven voor Hem, die het eerst voor hen geleden, zijn
bloed vergoten en zijn leven aan het kruis ten beste ge-
geven heeft. Nu, nu schitteren zij met den zegepalm in
de hand, met de kroon des overwinnaars op het hoofd
in het rijk van hunnen koning. En inderdaad, B. B.,
Jezus-Christus is de Koning der Martelaren. Doch \'t is
niet over den Koning der Martelaren, maar over hunne
Koningin, dat wij ons vandaag ter gelegenheid van het
feest der zeven Weeën van Maria moeten onderhouden.
Onze Moeder de H. Kerk noemt Maria Koningin der
Martelaren, en te recht. Maria is de Koningin der Mar-
telaren om de drie volgende redenen:
-ocr page 331-
— 327 —
I. Wijl zij langer;
II. Wijl zij meer ;
III. Wijl zij met meer moed dan de andere Marte-
laren geleden heeft. Zetten wij die drie punten
een weinig uiteen.
II.
Maria heeft vooreerst langer geleden dan de andere
Martelaren; van daar dat zij te recht Koningin der Mar-
ielaren genoemd wordt, (i)
Wanneer wij de geschiedenis der Martelaren lezen,
vinden wij daarin, dat eenige slechts weinige uren, andere
eenige dagen, sommige zelfs weken en maanden te lijden
hadden; maar men treft weinige Martelaren aan, die jaren
en jaren te lijden hadden. Doch ziet! de allerheiligste
Maagd Maria heeft een martelaarschap ondergaan van
meer dan dertig jaren.
Wanneer of op welk tijdstip van haar leven heeft het
lijden van Maria een aanvang, wanneer heeft het een
«inde genomen? Het lijden van Maria heeft vooral een
aanvang genomen met de boodschap des Engels, en het
heeft zich uitgestrekt zelfs tot na den dood van haar
goddelijken Zoon.
De Engel Gabriël kwam Maria boodschappen, dat zij
verkoren was om de Moeder van den lang gewenschten
Messias te worden. Doch Maria wist zeer goed, dat zij,
tot de grootste waardigheid, namelijk tot die van Moeder
van den Zoon Gods verheven, ook in het lijden van dien
Zoon zal moeten deelen; dat Jezus haar Zoon de Ver-
losser der wereld, dat zij de Medevcrlosseres zal moeten
(1) Keg i mi Martyrum. (Lit. Laur.)
-ocr page 332-
— 328 —
wezen. Jezus, zoo sprak de Engel, zal zijn volk ver-
lossen: Ipsc enim salvum faciet populum sztum. (i) Maar
op welke wijze zal Hij het verlossen ? Welke zal de losprijs
voor zijn volk wezen? O, B. B., Maria wist op welke
wijze; zij kende den losprijs. Maria had gelezen al wat
de Profeten aangaande den Messias voorzegd hadden.
Bedreven in de H. Schrift en verlicht door den H. Geest,
had zij in een Isaïas, in een David gezien de vernederin-
gen en mishandelingen, de pijnen en smarten van den
Verlosser der wereld; ja, in den geest had zij gezien
het Lam zonder vlekken aan het kruis gehecht, stervende
den schande- en pijnlijken dood des kruises voor de
zaligheid der menschen. Hoe dikwijls besproeide Maria
die bladzijden met hare tranen, bij de overweging van
het lijden des Verlossers? Welnu, die Verlosser is haar
Zoon; en gelijk Jezus, haar Zoon, met zijn leven zijn
lijden begint, zoo beginnen ook vooral bij Jezus\' geboorte
de smarten van Maria. Hoe, denkt gij, B. B., zou eene
moeder gesteld zijn, die maar één kind, één zoon heeft;
dien zoon voedt zij met de uiterste zorg op; hij beant-
woordt aan de zorgen zijner moeder; doch ziet! die
moeder weet, dat die zoon, eenmaal aangehouden, voor
de rechtbank gedaagd, ter dood veroordeeld, op het scha-
vot zal moeten sterven; hoe zal die moeder al de dagen
van haar leven gesteld zijn? En bijaldien zij van haren
zoon eenig genoegen, eenige vreugde geniet, zal dat ge-
noegen, die vreugde niet weldra ophouden, om plaats te
maken voor eene des te pijnlijkere droefheid bij de ge-
dachte aan het schandelijk einde van haren zoon? Ziet-
daar, B. B., een afbeeldsel, maar een flauw afbeeldsel
van Maria. Maria aanschouwde het goddelijk Kind; doch
(1) Matth. i, 21.
-ocr page 333-
— 329 —
nauwelijks genoot zij eenige vreugde bij het aanschouwen^
van haar welbeminden Zoon, of die vreugde werd geweld-
dadig onderdrukt door eene overtollige smart; de zoete
glimlach der Moeder-Maagd werd vervangen door de
bittere tranen der Medeverlosseres. Wanneer Maria haar
goddelijk Kind verzorgde, dacht zij aan de gal, waarmede
Het zou gelaafd worden. Wanneer zij Jezus in doeken
wikkelde, dacht zij aan de touwen en ketenen, waarmede
Hij zou geboeid en beladen worden. Wanneer zij Hem
uit- of aankleedde, dacht zij aan de schande- en pijnlijke
ontkleeding bij de geeseling, aan den witten mantel bij
Herodes en den purperen lap bij Pilatus. Wanneer Jezus
zijne handjes naar zijne Moeder uitstrekte, en Maria het
goddelijk Kind de eerste stappen hielp maken, dacht zij
aan de plompe nagels, waarmede eenmaal zijne handen
en voeten zouden doorboord worden. Wanneer Jezus
zijne Moeder omhelsde en haar zoo beminnelijk toelachte,
terwijl zij Hem ter rust nederlegde, dan dacht Maria
aan haren Zoon, door Judas onder een kus verraden, zijn
hoofd met scherpe doornen doorstoken, zijn aangezicht
met bloed en vuil speeksel besmeurd, gansch zijn lichaam
met wonden overdekt en op het kruis uitgestrekt. Ja,
wanneer Maria haar goddelijk Kind, het schoonste, het
beminnelijkste onder de menschen-kinderen, zag inge-
slapen, dan dacht zij reeds vol droefheid aan den dood-
slaap van haren Zoon aan het kruis. Die droefheid over
het lijden van haar goddelijken Zoon bleef Maria immer
bij; niet, B. B., dat zij altoos even hevig en pijnlijk
was; doch bij zekere gelegenheden en op zekere tijden
nam zij in hevig- en pijnlijkheid toe. Ja, op zekere tijd-
stippen van haar leven werd Maria de grootste smart
aangedaan, werd haar moederhart met een zwaard van
droefheid doorboord. Die tijdstippen zijn ons uit het
-ocr page 334-
— 33Q —
Evangelie bekend, en \'t zal genoeg zijn dezelve op te
noemen. Vooreerst, toen Simeon, bij de opdracht van
het goddelijk Kind in den tempel, Maria de tegenspraak,
welke haar Zoon zou te lijden hebben, voorzegde en er
bijvoegde, dat een zwaard van droefheid haar hart zou
doorboren. Toen Maria, door eene haastige vlucht, haar
goddelijk Kind aan het moordstaal van Herodes moest
onttrekken. Wanneer Maria met Jozeph van Jeruzalem
naar Nazareth terugkeerde, het goddelijk Kind miste en
genoodzaakt was Jezus overal op te zoeken. Wanneer
Maria haar goddelijken Zoon met een zwaar kruis be-
laden, achter twee moordenaars, van soldaten en beulen
omgeven, op weg naar de strafplaats, den Calvarieberg,
ontmoette. Toen Maria haar goddelijken Zoon aan het
kruis genageld, in de grootste verlatenheid den schande-
en pijnlijksten dood zag sterven. Toen Maria na den
dood van Jezus moest zien, hoe een soldaat zich verstoutte,
met eene lans de zijde van haar goddelijken Zoon te
doorboren, en toen zij het ontzield lichaam, met wonden
overdekt, vermorzeld en verbrijzeld in haren schoot ont-
ving. Ja, B. B., toen was Maria\'s droefheid zoo groot,
dat zij reden had van te zeggen: O vos omnes qiii trans-
itis per vlam:
O, gij allen, die hier voorbijgaat, ziet
en aanschouwt of er eene droefheid is gelijk aan de
mijne: Attendite et vide te si est do lor sicut do lor meus. (i)
En eindelijk, toen Maria genoodzaakt was, bij de begra-
fenis zich ook nog van het lichaam van Jezus te scheiden.
Hier nochtans eindigt de droefheid, het lijden van Maria
niet; het eindigt alleen met haar leven, zoodat Maria
met den koninklijken Profeet David zeggen kan: Mijn
leven is in droefheid voorbijgegaan: Defecit in dolere
•(1) Jer. Lam. i, 12.
-ocr page 335-
— 331 —
vita mea, en mijne jaren heb ik in zuchten doorgebracht:
Et anni mei in gemitibus. (i)
Maria heeft dus schier gansch haar leven geleden, doch
vooral van de boodschap des Engels af tot aan haren
dood; zij heeft dus langer geleden dan de andere Mar-
telaren: te recht wordt zij dus Koningin der Martelaren
genoemd.
Maria heeft vervolgens meer geleden dan de andere
Martelaren: tweede reden, waarom zij te recht Koningin
der Martelaren genoemd wordt.
II.
Dat Maria meer, d. i., inniger en heviger pijnen en
smarten geleden heeft dan de andere Martelaren, zulks
kan men reeds afleiden uit hetgeen ik in mijn eerste
deel gezegd heb, namelijk, omdat zij langer geleden heeft.
Doch zetten wij dit punt een weinig verder uit een en
zien wij de redenen, waarom Maria meer dan de andere
Martelaren geleden heeft.
De andere Martelaren, B. B., leden in hun lichaam.
De beulen, bijv., rukten hun de oogen uit, trokken hun
het vel van het hoofd of verbrijzelden hun de tanden.
Dezen rekten zij uit op de pijnbank en ontwrichtten al
zijne ledematen; genen roosterden zij op het vuur, zoodat
hij langzamerhand gebraden werd. Een ander verminkten
zij op de onmenschelijkste wijze, door hem lid voor lid
af te snijden. Doch wat er ook van zij, de Martelaren
leden slechts in hun lichaam, en hunne ziel was opge-
beurd en soms vroolijk. Maria daarentegen leed in hare
ziel. Een zwaard van droefheid, zoo sprak Simeon, zal
uwe ziel doorboren: Tuam ipsius anitnam pertransibit
(1) Ps. xxx, 11.
-ocr page 336-
— 332 —
gladius. (i) Doch de smarten der ziel overtreffen ver
de pijnen des lichaams; deze kunnen tegen gene niet
opwegen. Tusschen de smarten der ziel en de pijnen
des lichaams, zoo verklaarde zekeren dag onze goddelijke
Zaligmaker aan de H. Catharina van Siena, is geene
vergelijking te maken.
De Martelaren offerden aan God op zich zelven en
hun leven; Maria offerde aan God den Vader op haren
Zoon en zijn leven, leven, dat haar dierbaarder was dan
haar eigen leven. Alzoo deelde Maria inwendig in al
de pijnen en folteringen, welke Jezus haar Zoon werden
aangedaan. Ja, Maria had waarlijk medelijden met Jezus,
d. w z., zij leed met Jezus; in haar hart werd zij met
Jezus gegeeseld en gekroond; in haar hart werd zij] met
haar goddelijken Zoon aan het kruis gehecht en met
eene lans doorstoken. De lans moest eerst door het hart
van Maria, alvorens de zijde van Jezus te treffen, zegt
de H. Bernardus. De Profeet Isaïas, in naam van onzen
goddelijken Zaligmaker sprekende, zegt: Torcular calcavi
solus et de gentibus non est vir tnecum
: (2) Ik heb de
wijnpers alleen getreden, en er was geen enkel man van
het volk, die mij hielp. Te recht, Heer! merkt Richar-
dus op, zegt Gij, dat Gij in het werk der verlossing
alleen waart, en dat er geen man met U was. Geen
man, zeg ik; want er was eene Vrouw, namelijk, uwe
Moeder, die in haar hart leed, al wat Gij in uw lichaam
leed Ja, B. B., wat meer is, Maria leed meer, terwijl
zij de pijnen en smarten van haar goddelijken Zoon over-
woog en zag, dan zoo zij zelve die had moeten lijden.
Waarom ? Omdat zij haren Jezus meer beminde dan zich
zelve, en wijl zij meer aan het leven van haar godde-
(1) Luc. 11, 35. (2) Isaias lxiii, 3.
-ocr page 337-
— 333 —
lijken Zoon gehecht was dan aan haar eigen leven. Bij-
gevolg leed Maria meer, toen zij haren Zoon zag lijden
en sterven, dan bijaldien zij zelve geleden hadde en ge-
storven ware.
De andere Martelaren werden in hun lijden getroost
en verlicht; Maria vond in haar lijden noch troost, noch
verlichting. De Martelaren vonden troost in de liefde tot
hunnen God, voor wien zij leden. Inwendig waren zij
door een vuur, namelijk, door het vuur der liefde ont-
stoken, dat heviger brandde dan het vuur der beulen.
Vandaar dat zij verlangden meer te lijden; dat zij God
bedankten; dat zij zich in hunne pijnen verheugden. Een
H. Laurentius drijft den spot met de beulen, die zich
afmatten in hem te folteren en te roosteren. Mijn lichaam
is van deze zijde genoeg gebraden, zegt hij tot de beu-
len, draait het om en eet er van. Hoe is toch mogelijk
van zoo te spreken, te midden van folteringen, die den
mensch doen ijzen? Het vuur der beulen was minder
hevig dan het vuur der liefde. Als dronken van het
bloed van Jezus-Christus, dat Laurentius genut had, zegt
de H. Augustinus, gevoelde hij de folteringen niet. Hoe
meer dus de Martelaren Jezus beminden, hoe minder zij
leden. En Maria, beminde zij dan haren Zoon niet?
Ja, B. B., en meer dan een Laurentius, en meer dan
alle Martelaren te zamen; en juist, wijl zij haren Zoon
zoo teeder beminde, daarom leed zij meer dan een Lau-
rentius, dan alle Martelaren te zamen. Hetgeen dus de
Martelaren in hun lijden troostte en verlichtte, namelijk,
de liefde tot God ; die liefde tot haar goddelijken Zoon
vermeerderde en vergrootte de pijnen en smarten van
Maria. Jezus\' lijden was de oorzaak van haar lijden;
hare liefde tot Jezus was — sta mij de uitdrukking toe
— was de beul van haar hart; en wijl zij haar godde-
-ocr page 338-
— 334 —
lijken Zoon meer beminde dan alle andere Martelaren te
zamen, daarom werd zij door de liefde meer gepijnigd
en gefolterd dan alle Martelaren te zamen door beulen
en marteltuigen gefolterd en gepijnigd werden. De
H. Ildephonsus aarzelt niet te bekennen, dat men niet
te veel zegt, als men beweert, dat het lijden van Maria
alleen het lijden van alle Martelaren te zamen overtroffen
heeft. De pijnen en folteringen der Martelaren waren
licht en als van geener waarde in vergelijking van die
van Maria, zegt de H. Anselmus. En de H. Basilius
zegt: Evenals de zon alle andere hemellichamen in glans
overtreft, zoo ook overtreft het lijden van Maria het
lijden der overige Martelaren. En de H. Bernardinus
van Siena vreest niet te zeggen, dat de droefheid van
Maria zoo hevig was, dat, ingeval zij onder alle menschen
verdeeld werd, elk deel voldoende zou zijn om ieder van
hen onmiddellijk van droefheid te doen sterven. En
Maria is niet gestorven? Neen, B. B., doch zij zou elk
oogenblik van droefheid gestorven zijn, zegt de H. Ansel-
mus, ware zij niet door een aanhoudend wonder bewaard
geweest, \'t Is ook om die reden dat, terwijl de overige
Martelaren ons doorgaans met hunne marteltuigen worden
voorgesteld, de H. Paulus, bijv., met het zwaard, de
H. Andreas met het kruis, de H. Catharina met het rad,
de H. Laurentius met den rooster, dat Maria, de Moeder
der smarten, wordt voorgesteld, houdende het ontzield
lichaam van haar goddelijken Zoon op haren schoot, wijl
Jezus inderdaad als het werktuig van haar lijden is ge-
weest, wegens de liefde, welke Maria Hem toedroeg.
Maria, B. B., heeft dus meer geleden dan de andere
Martelaren, gelijk wij komen te zien; te recht wordt zij dus
ook onder dit opzicht Koningin der Martelaren genoemd.
Eindelijk heeft Maria met meer moed geleden dan de
-ocr page 339-
— 335 —
andere Martelaren, derde reden, waarom zij Koningin,
der Martelaren genoemd wordt.
III.
Om ons een juist denkbeeld te vormen van den hel-
denmoed, welken Maria getoond heeft, moeten wij een
oogenblik het grootsche werk der Verlossing, den kruis-
dood van den Zoon Gods, bijwonen.
Toen het gerucht van Jezus\' wonderen en weldaden zich
alom, gansch Judea door verspreidde; toen men den
schoot, die Hem gedragen had, d. i., zijne Moeder ge-
lukkig roemde; toen men haren Zoon met palmtakken
in de hand, onder het daverend vreugdegeroep: Hozanna
den Zoon van David, gezegend die komt in den naam
des Heeren! in triomf Jeruzalem binnen leidde, dan leest
men niet, dat Maria er tegenwoordig was. Doch ziet!
nauwelijks heeft zich de droevige mare de gansche stad
door verspreid, dat Jezus van Nazareth ter strafplaats
wordt geleid, of Maria staat op, verlaat de eenzaamheid
om haar goddelijken Zoon op den droevigen kruisweg
naar den Calvarieberg te volgen. Ik zal gaan, zegt Maria
met vastberadenheid, evenals eertijds Mozes: Vadavi,
want ik wil dat grootsche schouwspel bijwonen, et videbo
visionem hanc magnam.
(i) In gezelschap van eenige
godvreezende vrouwen begeeft Maria zich op weg; zij
hoort de trompet der romeinsche ruiterij en wendt zich
in de richting vanwaar het geluid gehoord wordt. Weldra
bevindt zij zich op de voetstappen van haren Zoon,
die Hij met zijn bloed heeft afgeteekend. In de verte
ziet zij een stroom van volk, eene woelige menigte; zij
komt nader, ziet reeds de beulen, die met de werktuigen
ter halsrechting beladen, vooruitstappen. O Maria! keer
toch terug op uwe schreden! gij gaat Jezus uwen Zoon
-ocr page 340-
— 336 —
nog meer pijnen veroorzaken! en gij, gij gaat onder den
last uwer smarten bezwijken! Maar neen: vast besloten
haren Jezus te zien, vreest Maria noch soldaten, noch
beulen: vol moed dringt zij midden door hen heen en
staat eensklaps voor haren Zoon. Welk een hartver-
scheurend schouwspel trof daar hare oogen! Maria ziet
haren Jezus, onder een zwaar kruis gebogen, wankelend
voorttreden. Vooropgaande beulen trekken Hem vooruit,
terwijl Hij geslagen en gestooten wordt door anderen,
die volgen. Op zijn hoofd draagt Jezus de doornen-
kroon ; zijn bleek aangezicht is met vuil speeksel en
bloed bedekt. Ziet! daar wrijft Jezus het geronnen bloed
voor zijne oogen weg; Hij werpt een blik op de vrouw,
die voor Hem staat. Hij erkent haar en zegt met eene
gebroken stem: Maria, mijne Moeder! Mijne Moeder,
Maria ! — Jezus, mijn Zoon ! Mijn Zoon, Jezus! antwoordt
Maria, en Jezus en Maria willen verder spreken, doch
hunne snikken smoren hunne stem.
Men verhaalt ons dat Margaretha, de dochter van
Thomas Morus, toen zij haren vader op weg naar de
strafplaats ontmoette, slechts deze woorden kon uitbren-
gen: O Vader! O Vader! en dat zij vervolgens in be-
zwijming aan zijne voeten nederviel. Maria daarentegen,
alhoewel met een zwaard van droefheid tot in het diep-
ste harer ziel getroffen, bezwijkt niet. Ja, wat meer is,
gansch overgegeven aan den wil van God, besluit zij
haren Zoon naar den Calvarieberg te volgen en den
lijdenskelk met Hem te deelen. Zij ziet dus haren Zoon
met moeite zijnen weg vervolgen. Uitgeput van ver-
moeienis, valt Jezus herhaalde malen onder het kruis, ter-
wijl Hij door zijne vijanden gevloekt en gelasterd, door
de beulen geslagen en mishandeld wordt. Op het hooren
dier vloeken en lasteringen, op het zien dier slagen en
-ocr page 341-
— 337 —
mishandelingen, verkrimpt Maria\'s moederhart van droef-
heid en smart. O hoe gaarne zou Maria het kruis in
Jezus\' plaats gedragen hebben!
Eindelijk is de menigte op den Calvarieberg aange-
komen. Het slachtoffer is reeds aan het kruis vastge-
klonken. De herhaalde hamerslagen hebben tot in het hart
van Maria gedreund. Daar richt men het kruis, met het
zoenoffer beladen, wankelend in de hoogte. Eene vrouw,
der grootste droefheid ten prooi, treedt stilzwijgend
doch vol moed, nader en plaatst zich aan de rechterzijde
van het kruis: daar is de plaats van den offeraar bij
het altaar; \'t is \'dus de plaats der Medeverlosseres bij
de offerande des Verlossers. Agar riep vol vertwijfeling
uit, dat zij niet in staat was haar kind te zien sterven ;
zij verwijderde zich. Jacob aanschouwde den bebloeden
rok van zijnen Zoon Jozeph, scheurde zich de klee-
deren en viel in weeklachten uit. David vernam den
dood van zijnen zoon Absalom; hij onttrok zich en sloot
zich op in het diepste van zijn paleis, om een vrijen
loop aan zijne tranen te geven. En ziet! Maria, de ge-
voeligste, de teederste der Maagden, de bedruktste der
moeders, staat daar aan den voet des kruises; neen, zij
scheurt zich de kleederen niet; zij verwijdert zich niet.
Wat ziet, wat hoort Maria daar? Zij ziet haren Zoon
aan het kruis genageld, tusschen hemel en aarde ver-
heven. Zij ziet zijn heilig lichaam met bloed en wonden
overdekt. Zij ziet het bloed van Jezus uit zijne handen
en voeten op de aarde stroomen. Zij ziet haren Zoon
zich van pijnen en smarten te zamen wringen. Wat
hoort Maria daar? Sitio! (i) roept Jezus uit: Ik heb
dorst; en Maria vermag niet den brandenden dorst van
(1) Joan. xix, 28.
22.
-ocr page 342-
— 338 —
haren Zoon te lesschen. Eli! Eli! Lantma Sabacthani! (i)
Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij mij verlaten!
en Maria vermag niet haren Jezus bij te staan en te
helpen. De gansche natuur is ontsteld; hemel en
aarde bewegen zich; de zon weigert haar licht; eene
verschrikkelijke aardbeving doet de aarde op hare grond-
vesten daveren; de rotsen van den Golgotha splijten met
een ijselijk gekraak. De schepselen zijn verontwaardigd
en willen den moord, op hunnen Schepper gepleegd,
wreken. En ziet! Maria, de Moeder van Jezus, staat daar
onder het kruis. Geen teeken van ongeduld of veront-
waardiging; geen teeken van wanhoop of wraak laat zij
blijken. Neen, Maria roept niet om wraak tegen hare
vijanden, tegen de beulen van haren Zoon; doch over-
gegeven aan den wil van God, vol heldenmoed, brandende
van liefde tot God en de menschen, ziet zij haren Zoon
sterven, offert zij zich zelve met haren Zoon op aan
God den hemelschen Vader. Welk een moed! Welk een
heldenmoed van de gevoeligste, van de teederste der
maagden, van de bedruktste der moeders, te midden van
het folterend martellijden getoond ! Te recht dus mogen
wij Maria Koningin der Martelaren noemen, wijl zij de
andere Martelaren in moed overtroffen heeft. Ja, B. B.,
Maria heeft langer, zij heeft meer, zij heeft met meer
moed geleden dan de andere Martelaren; bijgevolg wordt
zij te recht Koningin der Martelaren genoemd. (2)
SLUITREDE.
Alvorens deze rede over de zeven Weeën en het lijden
van Maria te eindigen, moeten wij er eene zedenles uit
trekken, zonder dat zou zij voor ons van weinig of geen
(1) Matth. xxvn, 46. (2) Regina Martyrum (Lit. Laur.)
-ocr page 343-
— 339 —
nut zijn. Ik stel dus de vraag: Wie heeft Maria zoo zeer
bedroefd? Wie heeft haar zoo veel doen lijden, haar
minnend hart met een zevenvoudig zwaard van droefheid
doorboord ? Wie kan Maria troosten ? Wie kan haar
vreugde en blijdschap aandoen, de wonden van haar hart
heelen? De zondaar, B. B., heeft, zoo dikwijls hij zich
aan doodzonde plichtig maakte, het hart van Maria met
een zwaard van droefheid doorboord; de zondaar, zoodra
hij zich rechtzinnig bekeert, zal die wond, Maria\'s hart
geslagen, heelen. Ja, B. B., de hoovaardige heeft het
hart van Maria doorboord. In zijne hoovaardigheid en
andere zonden, die er uit voortspruiten, als ongehoor-
zaamheid en wederspannigheid, heeft de hoovaardige een
zwaard gesmeed; hij heeft er het hart van Maria mede
doorboord. Hoovaardige! wilt gij de wonde, Maria\'s hart
toegebracht, heelen? Breek dan dat zwaard in stukken
en werp ze neder voor de voeten van Maria, d. i., leg
uwen trots af en wees voortaan ootmoedig en onderdanig.
De gierigaard heeft het hart van Maria doorboord. In de
zonde van gierigheid en andere, die er uit voortspruiten,
als leugen en bedrog, valsch- en onrechtvaardigheid, heeft
hij een zwaard gesmeed, of liever, uit dat onrechtvaardig
goud en zilver heeft hij een zwaard gesmeed ; hij heeft
er het hart van Maria mede doorboord. Gierigaard!
onrechtvaardige! wilt gij de wonde, Maria\'s hart toege-
bracht, heelen ? Breek dan dat zwaard in stukken en werp
ze neder voor de voeten van Maria, d. i., geef dat on-
rechtvaardig geld en goed terug en leef voortaan in
rechtvaardig" en milddadigheid.
De onkuischaard heeft het zuiver hart van Maria door-
boord. Die jongeling, maar een wellusteling; die jonge
dochter, maar eene schaamtelooze; die man, maar een
overspeler; die vrouw, maar eene trouwelooze: zij hebben
-ocr page 344-
— 340 —
in hunne afschuwelijke zonden tegen de schoone deugd
van zuiverheid, of om juister te spreken, zij hebben in
het vuur van den wellust een zwaard gesmeed; zij heb-
ben het op Maria gericht en er het vlekkelooze hart dier
Moeder mede doorstoken. Jongeling! Jonge dochter! Man
en vrouw! Wilt gij de wonde, Maria\'s hart toegebracht,
heelen? Breekt dan dat zwaard in stukken en werpt ze
neder voor de voeten van Maria, d. w. z., zegt vaarwel
aan die plaats, aan dat gezelschap, aan dat huis, aan
dien persoon; vlucht de gevaren en gelegenheden van
zonde; bedwingt uwe driften en leidt voortaan een zuiver
en getrouw leven.
De onmatige heeft het hart van Maria doorboord. In
de zonden van dronkenschap en slemperij heeft hij een
zwaard gesmeed; hij heeft er het hart van Maria mede
doorboord. Dronkaard en brasser! Wilt gij de wonde,
Maria\'s hart toegebracht, heelen? Breekt dan dat zwaard
in stukken en werpt ze neder voor de voeten van Maria,
d. w. z., blijft weg uit die slechte herbergen en kroegen,
en leidt voortaan een matig en verstorven leven.
Hetgeen ik hier van eenige hoofdzonden gezegd heb,
kan van alle gezegd worden. De zeven hoofdzonden
zijn de oorzaak van de zeven Weeën van Maria, of
liever, zij zijn de zeven zwaarden in het hart van de
Moeder der smarten. Doch dat is niet alles. Een an-
der gevolg: de zondaar doorboort niet alleen het hart
van Maria, hij doorboort ook zijne arme ziel, hij ver-
moordt haar door haar te berooven van de heiligmakende
genade, waarop zij met den eeuwigen dood wordt bedreigd.
Ja, dat zwaard zijner zonden, zoo hij het niet bijtijds
in stukken breekt, zal in de handen van Jezus en Maria
vallen. In den laatsten dag des oordeels zullen Jezus
en Maria dat zwaard tegen den zondaar richten; zij
-ocr page 345-
— 34i —
zullen er hem mede doorboren, en den eeuwigen dood-
steek toebrengen, d. w. z., zij zullen hem van zich
verstooten en voor eeuwig nederwerpen in den afgrond
der hel. Ziedaar de misdaad, waaraan de zondaar zich
heeft plichtig gemaakt; de schade, welke hij zich heeft
toegebracht, en het gevaar, waaraan hij immer is bloot-
gesteld. En wijl wij allen zondaren zijn, vragen wij
allen ootmoedig vergiffenis van onze zonden; en om ze
te bekomen, wenden wij ons tot Maria. O Maria! wij
bekennen het; \'t zijn onze zonden, die Jezus uw Zoon
en U zoovele pijnen en smarten veroorzaakt hebben.
Met onze zonden hebben wij als met eene lans zijne zijde
geopend, hebben wij als met een zwaard uw hart door-
boord. Doch ziet! o goede Moeder! die zonden zijn ons
nu van harte leed; wij haten en verzaken ze, wij maken
het vaste voornemen van ze nimmer meer te bedrijven;
wij maken het vaste voornemen van de gevaren en
gelegenheden van zonde te vluchten. Uwe droefheid is
overgroot geweest, gelijk aan eene zee. Wij hebben u
die droefheid veroorzaakt door onze zonden; wij willen
alles herstellen door onze liefde tot Jezus en U. Ja, wij
maken het vaste voornemen: bijgestaan door Gods ge-
nade, door uwe tusschenkomst bekomen, zullen wij Jezus
en U beminnen hier op aarde al de dagen van ons
leven, om Jezus en U eenmaal te mogen beminnen in
den hemel, gedurende de eeuwigheid. Amen.
S^l_-«-,^g)^Sgo<g^-^^_a-5
-ocr page 346-
TWEE EN TWINTIGSTE PREEK.
De H. Rozenkrans.
Erant perseverantes unanimiler in oratione
cum Maria Mairc Jesu.
Zij volhardden eensgezind in het gebed
met Maria, de Moeder vau Jezus.
(Act. i. 14.)
INHOUD.
VOORREDE.
De Kerk van Christus op aarde wordt de strijdende
Kerk genoemd. — De vijanden der Kerk zijn de zede-
loozen en de ketters. — Strijd tegen de Kerk door
Christus voorzegd. — De Kerk kan niet vergaan; voor-
zegging van Christus. — Elke christen is een soldaat,
die zijne vijanden heeft: den duivel, de wereld en het
vleesch. — Het wapen tegen de vijanden is de Rozen-
krans. — Kracht van den Rozenkrans.
VERDEELING.
I. Met den Rozenkrans heeft de Kerk hare vijanden
overwonnen;
II. Met den Rozenkrans moeten wij onze vijanden
overwinnen.
-ocr page 347-
— 343 —
I.
De Kerk heeft te strijden gehad tegen het zedenbederf
en de ketterij. — In de dertiende eeuw tegen de Albi-
genzen, die de godheid van Christus en het goddelijk
moederschap van Maria loochenden; zij waren tevens
zedeloos. — Pogingen der Pausen en Koningen, doch te
vergeefs. — De H. Dominicus neemt zijne toevlucht tot
Maria en predikt den Rozenkrans in Frankrijk en Italië,
met het beste gevolg. Meer dan honderd duizend zon-
daren en ketters bekeeren zich. — Simon van Montfort
verslaat, onder de bescherming van Maria, met den Ro-
zenkrans de Albigenzen. — Lepante, Corcyra, Belgrado,
Weenen. — Feest van Onze Lieve Vrouw der Overwin-
ningen. — Feest van den heiligen Rozenkrans. — Maria,
Hulp der Christenen.
II.
Elke Christen heeft te strijden tegen den duivel, de
wereld en het vleesch. — De duivel valt ons op allerlei
wijzen aan. — Woorden van den H. Petrus. — Wij
•moeten tegen den duivel strijden met den Rozenkrans. —
De wereld spant al hare krachten in om ons mede te
sleepen. — Wij moeten ons bedienen van den Rozen-
krans om onder de aanvallen der wereld niet te bezwij-
ken. — Het vleesch zet ons aan tot het zingenot. —
Woorden van den Apostel Paulus. — Om Gods genade
±e bekomen moeten wij den Rozenkrans bidden.
SLUITREDE.
Hedendaags wordt de Kerk op nieuw vervolgd; wij
moeten onze toevlucht nemen tot Maria en den Rozen
-ocr page 348-
— 344 —
krans bidden. — De negentiende eeuw schijnt uit in het
zedenbederf. — Middelen om de zeden te bederven:
schouwburgen, slechte drukpers, slechte scholen. — De
negentiende eeuw schijnt uit in de ketterij. — De oud-
katholieken. — Dwaalleeraars: vrijdenkers, liberalen, ka-
tholiek-liberalen. — De dertiende eeuw had de Albigenzen;
de negentiende eeuw heeft hare Albigenzen. — De zes-
tiende eeuw had de Turken; de negentiende eeuw heeft
hare Turken, die verder gaan dan de Turken der zes-
tiende eeuw. — Wij moeten tegen de algemeene vijanden
der Kerk strijden met den Rozenkrans; ook tegen de
vijanden onzer zaligheid. — Wij moeten tijdens de maand
October dagelijks bidden ten minste een Rozenhoedje.
TWEE EN TWINTIGSTE PREEK.
De H. Rozenkrans.
Erant perseverantes unanimiter in oratione
cum Maria Matre Jesu.
Zij volhardden eensgezind in het gebed
met Maria, de Moeder van Jezus.
(Act. i, 14.)
VOORREDE.
Alle geloovige Christenen, met den Paus van Rome
aan het hoofd, over gansch den aardbodem verspreid,
maken de strijdende Kerk van Christus uit. Te recht
wordt de Kerk van Christus op aarde de strijdende Kerk
genoemd. Van het begin harer opkomst, tot den dag
-ocr page 349-
— 345 —
van heden, heeft zij te strijden gehad, en zij zal te strijden
hebben tot het einde der eeuwen. Daarop zal de strij-
dende Kerk in de triomfeerende overgaan.
De vijanden der strijdende Kerk zijn tweederlei: de
zedeloozen en de ketters. Ja, \'t is tegen het zedenbederf
en de ketterij dat de Kerk van Christus te strijden heeft.
Tegenover het zedenbederf stelt zij hare zuivere zedenleer;
tegenover de ketterij hare ware geloofsleer.
Die strijd der Kerk, B. B., moet niemand verwonderen.
Immers, Jezus-Christus, haar stichter, heeft hem voorzegd.
De dienaar, zoo sprak Jezus zekeren dag tot zijne Apos-
telen, de dienaar staat niet boven den Heer; bijaldien
zij mij vervolgd hebben, zij zullen u ook vervolgen: Si
me persecuti sunt et vos persequentur.
(i) En daarop
begon die reeks van vervolgingen, de eene al verschrik-
kelijker dan de andere, die het bloed der Martelaren
deden stroomen.
De zedelooze mensch kan de zuivere zedenleer van
Christus niet verdragen; hij staat er tegen op en valt
de deugdzame Christenen aan.
De ketterij kon ook niet uitblijven. De Apostel Paulus
sprak reeds in zijnen tijd van ketterijen. Oportet et
haereses esse,
(2) zeide hij: Er behooren ketterijen te zijn,
d. w. z., aangezien \'s menschen onstandvastigheid, zijne
hoovaardigheid en zijne zucht naar nieuwigheden, is het
onmogelijk dat er geene ketterijen ontstaan, en vandaar
die reeks van dwalingen, de eene al ongerijmder dan de
andere. De ketter kan de ware geloofsleer van Christus
niet verdragen; hij staat er tegen op en valt de geloo-
vige Christenen aan. Doch alles, B. B., te vergeefs. Ja,
de zedeloozen en de ketters spannen te vergeefs tegen
(I) Joan. xv, 20. (2) 1 Cor. 11, 19.
-ocr page 350-
— 346 —
tie Kerk te zamen. Waarom? De Kerk is het werk
van God, en God heeft gezegd: Ik ben met u tot het
einde der eeuwen: Ego vobiscum sum usque ad consutn-
mationem saeculi
(i) Betrouwt op mij, want ik heb de
wereld overwonnen, de wereld met haar zedenbederf en
hare ketterij : Confidite, ego vici tnundutn. (2) De mach-
ten der hel zullen tegen de Kerk niet vermogen: Et
portae inferi non praevalebunt adversus eam.
(3) Ziet-
daar, B. B., de Kerk van Christus, d. i., alle geloovige
Christenen met den Paus van Rome aan het hoofd; zij
is gelijk aan een leger in slagorde geschaard.
Doch buiten de strijdende Kerk, waarvan wij allen
deel maken, is elke christen op zich een soldaat, die
zijne vijanden heeft. Die vijanden zijn de duivel, de
wereld en het vleesch; hij moet hen bestrijden en over-
winnen of sterven.
Wijl de vijanden der Kerk en die van eiken Christen
talrijk en machtig zijn, zoo heeft de Kerk en elke
Christen krachtige wapenen noodig om hen te bestrijden.
Die wapenen, B. B., zijn ook talrijk, doch een der voor-
naamste is het gebed, en onder de gebeden is een der
voornaamste het gebed tot Maria, dat men Rozenkrans
noemt.
Wijl wij vandaag het feest van den H. Rozenkrans
vieren, heb ik voorgenomen u een weinig over de kracht
van dat gebed te onderhouden. Wij zullen zien:
I. Dat de Kerk met den Rozenkrans hare vijanden
overwonnen heeft;
IL Dat wij onze vijanden met dat gebed moeten
overwinnen.
(1) Matth. xxvni, 20. (2) Joan. xvi, 23. (3) Matth. xvi, 18.
-ocr page 351-
— 347 —
I.
De Kerk, B. B., heeft altoos hare vijanden gehad.
Zij heeft te kampen gehad tegen het zedenbederf en de
ketterij; zij heeft er over gezegevierd, en zij heeft er
over gezegevierd met den Rozenkrans. Om u van die
waarheid te overtuigen, moet ik u verhalen de instelling
van den Rozenkrans. Ziehier in \'t kort de geschiedenis
dier instelling.
In het begin der dertiende eeuw — 1208 — eeuw,
alom berucht om haar zedenbederf en ongeloof, ontstond
er op de grenzen van Frankrijk en Italië een afschuwe-
lijke ketterij. Die ketterij vestigde zich vooral in de
omstreken van Albi en richtte daar de grootste verwoes-
tingen aan. Vandaar ook dat die ketters Albigenzen
genoemd worden. De Albigenzen leerden wel is waar
geene nieuwe dwalingen, doch zij hadden oude, die der
Manicheen, overlang reeds veroordeeld en gedoemd, op
nieuw voor den dag gehaald. Het hoofdpunt hunner
ketterij bestond in het loochenen van de godheid van
Christus en van het goddelijk moederschap der allerhei-
ligste Maagd Maria. Jezus-Christus, zoo leerden zij onder
anderen, is geen God; bijgevolg is ook Maria de Moeder
van God niet. Bij de ketterij voegden zij nog de schan-
delijkste zeden.
De Pausen wel is waar hadden hunne Legaten gezon-
den om de ketterij te wederleggen; de Albigenzen luis-
terden niet. De katholieke vorsten hadden de dapperste
veldheeren met hunne legers doen oprukken om de ketters
te verslaan; alles te vergeefs. Noch Pausen met hunne
godgeleerden, noch veldheeren met hunne soldaten alleen
zijn in staat de vijanden der Kerk te overwinnen. Die
overwinning is voor een andere persoon weggelegd, en die
-ocr page 352-
— 34» —
persoon is Maria. Maria, die met haar vlekkeloozen voet
den kop van het helsche serpent verpletterd heeft, van
welke de H. Kerk zegt, dat haar de macht gegeven is
van alle ketterijen in de gansche wereld uit te roeien;
Maria, mits men haar bidde, mits men haren bijstand
inroepe, zal die ongelukkige, bedorven en afgedwaalde
broeders tot den waren schaapstal, dien zij verlaten heb-
ben, d. i. tot de ware Kerk van Christus, terug brengen.
Tot dat groot werk kiest zij een dienaar uit, en die
dienaar is de H. Dominicus.
Dominicus, de stichter der Predikheeren Orde, had reeds
op vele plaatsen het woord Gods verkondigd en het ze-
denbederf en de ketterij bestreden. Hij werd door den
Paus gezonden om de ketterij der Albigenzen te bestrij-
den. Dominicus spant al zijne krachten in; hij wederlegt
de dwaling, predikt als het ware aanhoudend; en noch-
tans, het werk Gods gaat langzaam vooruit, weinigen
die van leven veranderen, weinigen die hunne dwalingen
afzweren. Dominicus ziet weldra in dat de onderneming
zijne krachten te boven gaat. Vol droefheid over de
oneer, die God en zijne Moeder wordt aangedaan, treurt
hij tevens over het ongeluk, waarin zoovelen zich neder-
storten. Hij stort bittere tranen, neemt zijne toevlucht
tot Maria en beveelt haar tevens aan, de Godheid van
haren Zoon en haar goddelijk moederschap tegen de
aanvallen der ketters te verdedigen. Die tranen zijn
niet te vergeefs gestort; zijne toevlucht is niet te ver-
geefs tot Maria genomen. Maria zelve, gelijk de over-
levering ons meldt, verschijnt aan haren dienaar en
spreekt hem in dezer voege aan: „Weet, o mijn zoon !
„— zoo sprak Maria — weet dat de H. Drievuldigheid
„zich van de groetenis des Engels bediend heeft om de
„zaligheid der wereld te bewerken . . . Wilt gij dus de
-ocr page 353-
— 349 —
„versteende harten overwinnen, predikt dan mijnen Ro-
zenkrans."
Ha! B. B., nu is Dominicus gered; nu heeft hij het
middel, het wapen gevonden; \'t is met den Rozenkrans,
dat hij zal te velde trekken; \'t is met den Rozenkrans,
dat hij èn zedenbederf, èn ketterij zal aanvallen en over-
winnen. En inderdaad; Dominicus, door de verschijning
van Maria opgebeurd en door hare woorden aangemoe-
digd, herneemt zijne moeielijke taak; hij gaat steden en
dorpen rond, predikt aan allen, aan rijk en arm, aan
groot en klein, aan geleerd en ongeleerd, aan Geloovigen
en Ketters den Rozenkrans. Welk is het gevolg? Met
groot genoegen ziet Dominicus tot glorie van God, tot
verheerlijking van Maria en tot zaligheid der zielen, zij-
nen arbeid met den besten uitslag bekroond. Dominicus
predikt den Rozenkrans in Frankrijk en in Italië, overal
waar hij komt, en ziet! eensklaps, gelijk een H. Paus,
Pius V, verklaart, worden de Christenen in andere men-
schen herschapen, de aarde verandert van gedaante.
Meer dan honderdduizend zondaren, die het pad der
deugd verlaten hadden, komen tot inkeer.
Hetgeen de H. Dominicus tegen het zedenbederf ver-
mocht, hetzelfde vermocht hij tegen de ketterij. Naar
de getuigenis van Paus Leo X viel hem het geluk te
beurt van meer dan honderduizend ketters tot den schoot
der H. Kerk, dien zij verlaten hadden, terug te brengen.
Doch niet alleen Dominicus en zijne navolgers zege-
vieren met den Rozenkrans over het zedenbederf en de
ketterij; de christen vorsten zegevieren met hetzelfde
wapen over de vijanden des Christendoms.
Ziehier, B. B., wat de geschiedenis ons dienaangaande
heeft aangeteekend. Simon van Montfort, een christen
veldheer, maakt het besluit de overige ketters, diehard"
-ocr page 354-
— 3SO
nekkig in hunne dwalingen volhardden, uit te roeien.
Doch ziet! zijn leger telt veel minder soldaten dan dat
der ketters. Simon ziet zich weldra van eene menigte
vijanden omringd; hij verliest den moed niet. De Chris-
ten veldheer en zijne soldaten stellen zich onder de be-
scherming van Maria; zij wisselen een oogenblik het
zwaard tegen den Rozenkrans; zij wonen het H. Sacri-
ficie der Mis bij, naderen tot de H. Tafel; daarna rich-
ten zij zich op, en onder hunne standaarden geschaard,
waarop de Rozenkrans prijkt, vallen zij als leeuwen de
Albigenzen aan, vellen den vijand bij duizenden neder,
en roeien de ketters geheel en al uit. Aan wien de
overwinning ? Aan den Rozenkrans, d. i., aan Maria, aan-
geroepen in den Rozenkrans. Ja, B. B., Simon van Mont-
fort verklaarde meer dan eens, dat hij de overwinningen
meer aan de gebeden van den H. Dominicus dan aan
zijne wapenen te danken had ; en de Ketters verklaarden,
dat zij banger waren voor den Rozenkrans van Domini-
cus, dan voor het zwaard van den graaf van Montfort,
en dat zij meer verschrikten op het hooren van de gezangen
der priesters, die door Maria den bijstand van God
afsmeekten, dan op het hooren van het gekletter der
wapenen. Doch de overwinning met den Rozenkrans op
de Albigenzen is niet de eenige, noch de voornaamste
der overwinningen, op de vijanden des Christendoms be-
haald. Te Lepante bedreigen de Turken de gansche
christen wereld, en zij worden verslagen. Het eiland
Corsira is door de Turken belegerd en wordt ontzet.
Belgrado, door de Turken ingenomen, wordt opnieuw
veroverd. Weenen, het bolwerk der Christenheid, wordt
omsingeld; in den uitersten nood gebracht, zal het wei-
dra bezwijken; op het punt van in de handen der Tur-
ken te vallen, wordt het gered. Denkt gij nu, B. B.,
-ocr page 355-
— 33i —
dat het een Don Juan van Oostenrijk, een Prins Euge-
nius, een Joan Sobiëski, koning van Polen, denkt gij dat
het de veldheeren der Christenen zijn, die overwinning
op overwinning behalen, die den vijand bij duizenden
nedervellen, en die Europa van de slavernij en den onder-
gang bevrijden? O voorzeker, die veldheeren hebben
bijgedragen ; doch tegen de overmacht der Turken onbe-
stand, zouden zij ongetwijfeld bezweken zijn, waren zij
niet bijgestaan geweest door Maria, \'t Is dus Maria,
die de overwinningen geschonken, \'t is Maria, die ons
allen gered heeft. O, onze Moeder de H. Kerk, over-
tuigd dat zij aan Maria hare redding te danken heeft,
vergat hare weldoenster niet. Zij stelde tot eeuwige
gedachtenis het feest in van onze Lieve Vrouw der Over-
winningen. Daarom wilde zij dat het feest van den H.
Rozenkrans plechtig gevierd werd; daarom noemt zij
Maria de Hulp der Christenen, (i) en doet zij nog dage-
lijks de gewelven harer tempels tot lof en eer van Maria
weergalmen: Maria, Hulp der Christenen! Bid voor ons.
Wij hebben gezien, B. B., dat de H. Kerk hare vij-
anden met den Rozenkrans overwonnen heeft; thans
zullen wij nog in \'t kort zien, dat wij met hetzelfde wa-
pen de vijanden onzer zaligheid moeten overwinnen.
II.
Ieder Christen, B. B., is, gelijk ik in den beginne ge-
zegd heb, soldaat, en als soldaat heeft hij vijanden te
bestrijden. Welke zijn die vijanden? Die vijanden zijn
drie in getal: de duivel, de wereld en het vleesch. De
eerste vijand is de duivel. De duivelen, sedert zij om
hunne hoovaardig- en ongehoorzaamheid uit den hemel
(1) Auxiliuin Christianorum O. P. N. (Lit. Laur.)
-ocr page 356-
- 352 --
gedreven en in den algrond der hel nedergeworpen zijn,
haten niet alleen God, maar zij benijden ons tevens het
geluk van de plaatsen in den hemel, die zij verloren
hebben, te kunnen innemen. Vandaar dat zij aanhou-
dend op ons ongeluk uit zijn. Den oorlog op leven en
dood, dien zij ons verklaard hebben, zetten zij immer
voort met verdubbelde woede; zij vinden allerlei listen
uit, zij spannen overal strikken, leggen overal hinderlagen
om ons in de zonde te doen vallen, en vervolgens met
zich naar de hel te sleuren. De H. Schrift spreekt ons
duidelijk van den strijd tegen de duivelen. Wij hebben
te kampen, zegt de Apostel Paulus, niet alleen tegen
vleesch en bloed, maar ook tegen de machten der duis-
ternissen, tegen de booze geesten. De Apostel Petrus
leert uitdrukkelijk, dat de duivel aanhoudend rondloopt als
een brieschende leeuw, zoekende wien hij kan verslinden:
Quaerens quem devoret. (i) Hoe zullen wij, zwakke schep-
selen, die sterke vijanden nu overwinnen? Van welk
wapen zullen wij ons bedienen in dien zoo gevaarvollen
strijd? Van het gebed, B. B., van het gebed tot Maria;
ja, met den Rozenkrans in de hand zullen wij de duivelen
op de vlucht drijven en hunne pogingen verijdelen.
De tweede vijand is de wereld. De bedorven wereld
spant vooral in onze tijden al hare krachten in, om ons
ongelukkig te maken. Welke middelen gebruikt zij niet
om ons te verderven ? Zij spreidt hare grootheid en pracht,
hare schatten en rijkdommen, hare vermaken en plezieren
ten toon. Komt aan! roept de bedorven wereld, volgt
mij en geniet van hetgeen ik u te genieten aanbied,
terwijl het tijd is; en wij, wij zwakke, broze menschen,
die door vleien en streelen zoo gemakkelijk te verleiden
(1) Petr. v, 8.
-ocr page 357-
— 353 — \'
zijn, hoe zullen wij aan de aanvallen der wereld weder-
staan ? Van welk wapen zullen wij ons bedienen om dien
geduchten vijand af te weren ? Van het gebed, van het
gebed tot Maria, van den Rozenkrans: daarmede zullen
wij tegen de bedorven wereld ten strijde trekken, daar-
mede zullen wij hare aanvallen zegevierend afslaan.
De derde vijand is het vleesch. Wie onzer kent dien
vijand niet ? Paulus, de groote Apostel der volkeren, die
zelfs tot in den derden hemel opgenomen was geweest,
Paulus had dien gevaarlijken vijand te bestrijden. Ik
voel, zoo sprak hij, in mijne leden eene wet, die in strijd
is met de wet des geestes. Hij maakte er zijn beklag
over bij God en vroeg om er van verlost te worden;
doch God antwoordde hem: Sufficit tibi gratia mea: (i)
Mijne genade is u voldoende, namelijk, de genade van
God om dien vijand te kunnen overwinnen. Paulus dus,
gelijk gij ziet, had de genade van God noodig, om in
de bekoringen niet te bezwijken. Hoeveel te meer hebben
wij dan die genade niet noodig, om onze kwade driften,
die door den duivel en de wereld nog worden aan-
gevuurd, te beteugelen, ten einde niet in de zonde tegen
de schoone deugd te vallen? En hoe zullen wij die genade
bekomen? Door het gebed, B. B., door het gebed tot
Maria, door den Rozenkrans, en wij zullen als kloeke
helden niet alleen den duivel en de wereld overwinnen,
doch kloekere helden zullen wij nog grootere overwin-
naars zijn, overwinnaars van ons zelven. Ziedaar, B. B.,
hoe wij, door onze toevlucht tot Maria te nemen, door
den Rozenkrans te bidden, de vijanden onzer zaligheid
zullen overwinnen.
(1) II Cor, xii, 9.
-ocr page 358-
•- 354 ~
SLUITREDE.
Wat moeten wij nu uit deze rede over de kracht van-
den Rozenkrans besluiten ? De H. Kerk heeft er eertijds,
gelijk wij gezien hebben, hare vijanden mede overwonnen.
Hedendaags wordt de H. Kerk opnieuw hevig vervolgd;
wij moeten dus wederom onze toevlucht nemen tot den
Rozenkrans, opdat zij hare vijanden op nieuw overwinne.
De H. Kerk wordt hedendaags op nieuw hevig ver-
volgd; niemand onzer is die vervolging onbekend. De
negentiende eeuw schijnt ook uit in het zedenbederf\'
en de ketterij. Zij schijnt uit in het zedenbederf. Hoe
vele zedeloozen treft men in onze eeuw niet aan ? Welke
middelen gebruiken zij niet om de zeden van het volk
te bederven ? Het geld wordt met millioenen weggesmeten
tot het bouwen van schouwburgen en theaters; en wat
wordt daarin gedaan en vertoond? De slechte drukpers
verspreidt alom in steden en dorpen haar doodend ver-
gif. Het onderwijs moet goddeloos zijn, en men heeft
gezworen niet eerder te rusten, alvorens het laatste Chris-
tusbeeld uit de laatste school gebannen te hebben. Ja,
Christus moet verdwijnen uit de samenleving.
De negentiende eeuw schijnt uit in de ketterij, zij heeft
hare ketters en dwaalleeraars; hare ketters, zooals onder
anderen de oud-katholieken, die de onfeilbaarheid van den
Paus met hardnekkigheid verwerpen; zij heeft hare dwaal-
leeraars voor het minste, als zijn de vrijdenkers, de libe-
ralen, de katholiek-liberalen, die twee heeren willen
dienen, hetgeen Jezus-Christus nochtans onmogelijk ver-
klaart. De Kerk in de negentiende eeuw heeft dus hare
vijanden, de zedeloozen en de ketters.
De dertiende eeuw had de Albigenzen; deze randden
de kerken en kloosters aan, roofden de heilige vaten,
-ocr page 359-
— 355 —
joegen de kloosterlingen en de God gewijde maagden
uit, dreven de Bisschoppen en Priesters op de vlucht of
wierpen hen in de gevangenis. En wat is er gebeurd,
en wat gebeurt er nog in de negentiende eeuw in Italië,
Frankrijk, Zwitserland en Duitschland ? B. B., zeggen wij
de waarheid, de negentiende eeuw heeft hare Albigenzen.
De zestiende eeuw had de Turken. Die zedelooze en
dweepzieke volgelingen van Mahomet hadden den onder-
gang van het Christendom gezworen; zij hadden het
vooral op de hoofdstad der christenwereld, op Rome
gemunt; Rome zou vallen, gelijk Constantinopel geval-
len was; de halve maan van Mahomet zou het kruis van
Christus vervangen; doch ziet! het Opperhoofd der Kerk
verheft zijne stem; de Paus van Rome zet de katholieke
vorsten en koningen aan om het geloof en den H. Stoel te
verdedigen; de vorsten en koningen luisteren naar de stem
des Pauses; zij trekken hunne legers te zamen, rukken tegen
de Turken op en verslaan, alhoewel veel zwakker, onder
de bescherming van Maria een veel sterkeren vijand; Rome
is gered, de christenwereld is behouden. En in de negen-
tiende eeuw ? Mijn God ! Wat ziet men er in gebeuren ?
De kerkelijke staten worden ingenomen, Rome wordt
bedreigd. De Paus Pius IX, z. g. verheft zijne stem;
hij zet de keizers en koningen aan, om de rechten en
goederen van den H. Stoel te verdedigen; geen enkele,
die den Paus te hulp snelt, velen die zijnen vijanden de
hand leenen en hen bijstaan, \'t Is waar, eene hand vol
dapperen, uit verschillende landen samengestroomd, had-
den zich rondom den Paus geschaard ; zij hadden besloten
den H. Vader tot den laatsten druppel van hun bloed
te verdedigen ; doch door de overmacht overmand, wer-
den zij verpletterd. Mentana, Castelfidardo, enz. zien
eene menigte van die dappere kruisridders der negen-
-ocr page 360-
— 356 —
tiende eeuw sneven; de overigen zijn genoodzaakt de
wapenen neer te leggen; Rome is ingenomen, de heiligste
rechten der christenwereld zijn laf geschonden. Welnu,
B. B., ik vraag het, de negentiende eeuw, heeft zij ook
hare Turken? Ja, zij heeft hare Turken, Turken, die
verder zijn gegaan dan de Turken der zestiende eeuw.
Zietdaar hoever wij gekomen zijn. Welk middel nu
tegen die menigte rampen, die Rome en gansch de Ka-
tholieke wereld teisteren ? Wij Katholieken, kinderen
onzer Moeder de H. Kerk, wij allen moeten als één
man opstaan en de wapenen aangorden. Ja, te wapen!
B. B., te wapen! En welk wapen aangorden ? Het wapen
des gebeds, het gebed tot Maria, den Rozenkrans. Daar-
mede moeten wij tegen de vijanden der H. Kerk te
velde trekken; daarmede zullen wij vroeg of laat over-
winnen. Houden wij dus aan met bidden en met Maria
te bidden naar het voorbeeld der eerste Christenen, van
welke de H. Schrift zegt: Zij volhardden eensgezind
in het gebed met Maria, de Moeder van Jezus: Erant
perseverantes unanimiter in oratione cum Maria Matrc
Jesu.
(i) Bidden wij dus den Rozenkrans of ten minste
het Rozenhoedje gedurende de maand October, maand aan
onze Lieve Vrouw van den H. Rozenkrans toegewijd.
Bidden wij hem in de kerk, in ons huisgezin \'s avonds
te zamen. Bidden wij hem voor den Paus van Rome,
voor de overigen die vervolging lijden, voor gansch de
H. Kerk. Bidden wij hem ook voor ons zei ven. De
Paus van Rome en de H. Kerk zullen vroeg of laat
hunne vijanden overwinnen; zij zullen eenmaal zegevieren.
Wij, wij ook zullen de vijanden onzer zaligheid, den
duivel, de wereld en het vleesch overwinnen; wij ook
(1) Ach. i, 14.
-ocr page 361-
— 357 —
zullen eenmaal zegevieren; en na als echte soldaten der
strijdende Kerk van Christus gestreden en reeds over-
wonnen en gezegevierd te hebben hier op aarde, zullen
wij ook nog het geluk hebben, van als leden der triom-
feerende Kerk van Christus in eeuwigheid te zegevieren
in den hemel. Amen.
-ocr page 362-
DRIE EN TWINTGSTE PREEK.
Allerheiligen.
Sancti estote, quia ego sanctus sum.
Weest heilig, wijl ik heilig ben.
(Lev. xi, 44.)
I N HO U D.
VOORREDE.
Na de feesten van onzen Heer Jezus-Christus en van
Maria viert de H. Kerk de feesten harer Heiligen. —
Opdat geen enkele Heilige van de eer, die hem toekomt,
verstoken blijve, viert zij het feest van alle Heiligen te
zamen. — Welke zijn die Heiligen? Antwoord van het
Evangelie van den dag.
VERDEELING.
I. Wij allen kunnen heilig zijn;
II. Wat wij moeten doen om heilig te wezen.
I.
Wij allen kunnen heilig zijn. — Er bestaat voor ons geen
beletsel, noch in onze zwakheid, noch in onze driften;
de Heiligen waren menschen gelijk wij, zij hadden hunne
driften gelijk wij; noch in onzen levensstaat, noch in de
-ocr page 363-
— 359 —
bezigheden van ons beroep; zekere Heiligen beleefden
denzelfden staat, dien wij beleven, zij hadden dezelfde
bezigheden die wij hebben; noch in het gebrek aan
middelen; wij hebben dezelfde middelenter zaligheid, die
de Heiligen hadden: de Biecht, het H. Sacrament des
Altaars, het H. Sacrificie der Mis, de sermonen en on-
derrichtingen, het gebed, enz. — Zoo wij niet heilig zijn,
het komt voort, niet uit gebrek aan middelen, maar uit
gebrek aan wil en moed.
II.
Om heilig te zijn, behoeven wij niet met buitengewone
gaven verrijkt te zijn, noch buitengewone werken te ver-
richten: de gaaf van voorzeggingen te doen, van ver-
schillende talen te spreken, van wonderen te verrichten. —
De Apostelen, de Martelaren. — Wij moeten in staat
van genade en deugdzaam zijn: ootmoedig, gehoorzaam,
geduldig, rechtvaardig, matig, voorzichtig, kuisch, enz. —-
Wij moeten het kwaad schuwen en het goede doen, de
geboden van God en van de H. Kerk onderhouden, de
plichten van onzen staat volbrengen, de bezigheden van
ons beroep naar behooren verrichten, alles doen tot
glorie van God en tot zaligheid onzer ziel. — Voor-
beelden: de H.H. Homobonus, Monica, Isodorus, Wals-
tanus, Genoveva, Zita.
SLUITREDE.
Wij kunnen hetgeen de Heiligen gekunnen hebben;
niets belet het\' ons. — Wij behoeven niet met buiten-
gewone gaven verrijkt te zijn, noch buitengewone werken
te verrichten. — Wij moeten in staat van genade en
deugdzaam zijn. — Wij moeten de geboden van God ea
-ocr page 364-
— 360 —
van de H. Kerk onderhouden, de plichten van onzen
staat volbrengen en de bezigheden van ons beroep naar
behooren verrichten; zoo zullen wij de Heiligen navolgen
in hunne heiligheid en bij hen in den hemel komen.
i|i O\'— 9 il\' -
DRIE EN TWINTIGSTE PREEK.
Allerheiligen.
Sancli estole, quia ego sanctus gum.
Weest heilig, wijl ik heilig ben.
(Lev. xi, 44.)
VOORREDE.
Na de feesten, B. B., welke onze Moeder de H. Kerk
in den loop van het jaar viert ter eere van Onzen Heer
Jezus-Christus en van zijne Moeder, de allerheiligste
Maagd Maria, viert zij ook menig feest ter eere van
hare Heiligen; doch wijl het onmogelijk is, aangezien
het overgroot getal Heiligen, eiken Heilige afzonderlijk
te vieren, daarom heeft zij, opdat er niet ééne beroofd
blijve van de eer die wij aan allen moeten geven, een
algemeen feest ingesteld ter eere van alle Heiligen te
zamen, en \'t is heden dat wij dat feest plechtig vieren.
Tevens leert ons de H. Kerk in het Evangelie van dezen
dag, wie er door de Heiligen moeten verstaan worden.
Luistert, B. B., naar het Evangelie. ,Jezus — zoo zegt
„de H. Matthaeus — de scharen ziende, beklom den
„berg; en toen hij zich had nedergezet, kwamen zijne
„leerlingen tot Hem. En zijnen mond geopend hebbende,
-ocr page 365-
- 361 -
„leerde Hij hen, zeggende: Zalig zijn de armen van
„geest, want hunner is het rijk der hemelen. Zalig zijn
„de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde bezitten.
„Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost wor-
„den. Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de
„rechtvaardigheid, want zij zullen verzadigd worden.
„Zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhar-
„tigheid verwerven. Zalig zijn zij, die rein van harte
„zijn, want zij zullen God zien. Zalig zijn zij, die
„vrede stichten, want zij zullen kinderen Gods ge-
„noemd worden. Zalig zijn zij die vervolging lijden om
„de rechtvaardigheid, want hunner is het rijk der
„hemelen. Zalig zijt gij, als zij u beschimpt en ver-
„volgd, en al liegende van allerlei kwaad beschuldigd
„zullen hebben, om mijnent wil; verheugt en verblijdt u \'
„omdat uw loon groot is in den hemel: Gaudete et exul-
„tate, quoniam merces vestra copiosa est in coelis."
(1)
Ziedaar, B. B., de Heiligen, van welke Jezus spreekt in
zijn Evangelie.
Wanneer wij nu in ons binnenste treden en ons eens
goed onderzoeken, zullen wij dan naar waarheid kunnen
zeggen, dat wij behooren tot de verschillende klassen
van Heiligen, van welke hier spraak is ? Menigeen zal wel
zoo rechtuit willen zijn en bekennen, dat er bij hem veel
te doen overblijft. Doch de een of andere zou zich
soms ook wel willen verontschuldigen en zich veroorloven
te zeggen, dat het hem onmogelijk is van heilig te zijn.
\'t Is om die dwaling — want dwaling, en groote dwaling
is het — te wederleggen, dat ik voorgenomen heb u
vandaag, ter gelegenheid van het feest van alle Heiligen,
te spreken over de heiligheid. Wij zullen zien:
(1) Mattb. v, 12.
-ocr page 366-
— 362 —
I. Dat wij allen heilig kunnen zijn;
II. Wat wij moeten doen om heilig te wezen.
I.
Vooreerst zeg ik, dat wij allen heilig kunnen zijn.
Gereedelijk neemt eenieder, die maar een weinig ver-
stand gebruikt, aan, dat wij, willen wij eenmaal in den
hemel komen, heilig moeten zijn; en wanneer zij, die
niet voorbeeldig leven, de brave, de deugdzame menschen,
d. i., de Heiligen zien, dan benijden zij den Heiligen niet
zelden hun lot, en inwendig verlangen zij hen te gelijken.
Maar is er spraak van de handen aan het werk te slaan,
van te arbeiden om ook heilig te worden; men verschrikt
zich,men verliest den moed, en men zou zich wijs willen
maken, dat, zou men zelfs willen, men toch nooit heilig kan
wezen. Zietdaar de dwaling. En hoe die dwaling weder -
legd? Niets zoo gemakkelijk. Die dwaling wederlegt
men door het voorbeeld der Heiligen. De redenen, die
gij zoudt kunnen aanhalen, om te bewijzen dat gij niet
heilig kunt zijn, zouden kunnen bestaan of in uwe zwak-
heid en in uwe driften, of in uwen levensstaat en in
uwe bezigheden, of in het gebrek aan middelen. Welnu,
het voorbeeld der Heiligen toont, dat die redenen niets
anders zijn dan voorwendsels, dat zij geene redenen
zijn. Gij haalt aan: vooreerst, uwe zwakheid en uwe
driften. Ik ben te zwak, zegt gij, en mijne driften zijn
te sterk; ik kan niet heilig zijn. En de Heiligen dan,
wier feest wij heden vieren, waren zij ook niet zwak?
Hadden zij ook niet hunne driften ? Waren zij onzondige
menschen, volmaakt van natuur? Neen, B. B., volstrekt
niet. Wij stellen ons de Heiligen maar al te zeer be-
voorrecht voor. Immers, die Heiligen waren van het-
-ocr page 367-
- 363 -
zelfde stof gemaakt als wij. In den beginne waren zij
broos en zwak gelijk wij. Zij hadden dezelfde driften
als wij. Zij voelden ook de neiging tot het kwaad en
den afkeer van het goede. Zij ook werden aangevallen
door de vijanden hunner zaligheid. De duivel kwam
hen ook bekoren. De wereld met hare vermaken en
plezieren zette hen ook aan tot zonde. Hun vleesch
stond ook op tegen den geest. En opdat wij ons vol-
strekt niet zouden kunnen verschoonen, onder de Heiligen,
B. B., treft men er aan, die onder de aanvallen hunner
vijanden bezweken zijn, die zich door den duivel hebben
laten bedriegen, die zich door de wereld hebben laten
medesiepen, die hunne schandelijke driften hebben inge-
volgd. Magdalena en Augustinus, waren zij geene groote
zondaren ? Waren zij niet schandelijk en diep gevallen ?
Welnu, die zondaren zijn opgestaan; zij zijn groote
Heiligen, eene H. Maria Magdalena en een H. Augusti-
nus geworden. De eerste reden, onze zwakheid en onze
driften, bestaat dus niet. Onderzoeken wij de tweede
reden, onzen levensstaat, de bezigheden van ons beroep.
Welken staat beleefden de Heiligen ? Welke bezigheden
hadden zij? Waren alle Heiligen Kluizenaars of woes-
tijnbewoners ? Hadden alle Heiligen de wereld verlaten
en zich in een klooster begeven ? Zijn er geene Heiligen,
die denzelfden staat beleefden, dien wij beleven; die
dezelfde bezigheden hadden, die wij hebben ? Zeer zeker,
B. B., en er is geen levensstaat, of hij telt zijne Heiligen.
Men vindt Heiligen in alle klassen der samenleving.
Men vindt Heiligen onder de Priesters en onder de
geloovigen; onder de kloosterlingen en onder de wereld-
lingen! onder de koningen en onder de onderdanen; onder
de rijken en onder de armen; onder de grooten en onder
de kleinen; onder de gehuwden en onder de ongehuwden.
-ocr page 368-
— 364 —
Ik zeg niet, B. B., dat de eene levensstaat niet meer
moeielijkheden heeft dan de andere; dat de eene positie
niet minder gunstig is dan de andere; doch wat er ook
van zij of niet, alle staten hebben hunne Heiligen, in
alle klassen der samenleving vindt men Heiligen. Gij hebt
dus geene reden van den moed te verliezen en van te
zeggen: Ik kan niet heilig zijn: gij kunt wat anderen
gekunnen hebben; gij kunt dus heilig wezen.
Eindelijk, het ontbreekt ons evenmin als den Heiligen
aan middelen om heilig te zijn. Immers, God die de
oneindige wijsheid en goedheid is, vordert het onmoge-
lijke niet. Bijaldien Hij dus vordert dat wij heilig leven
— gelijk Hij inderdaad doet, want er staat in de H.
Schrift: Haec est voluntas Dei sanctificatio vestra: (i)
Deze is de wil van God, uwe heiligmaking; en : Weest
heilig, wijl ik heilig ben: Sancti estote, quia ego sanctus
sum;
(2) — bijaldien Hij zulks vordert, \'t is een klaar
bewijs, dat Hij ons ook wil en zal bijstaan, dat Hij ons
de genade wil en zal geven, die wij noodig hebben om
heilig te wezen. En inderdaad, geeft God u die genade
niet ? Zonder te spreken van de inwendige genaden, van
de heilzame gedachten en heilige begeerten, die Hij als
het ware onafgebroken in uwen geest en in uw hart te
weeg brengt; nu eens, om u van het kwaad terug
te houden, de zonde te doen vluchten; dan wederom,
om u tot het goede aan te zetten, de deugd te doen
oefenen; nu eens, om u van de wereld te onthechten; dan
wederom, om u tot zich te trekken; al die inwendige
genaden daargelaten, welke ons toch zeker ook niet ont-
breken, bezitten wij niet dezelfde genadegaven, dezelfde
bovennatuurlijke middelen ter zaligheid, die de Heili-
(1) I Thes. iv, 3. (2) Lev. xi. 44.
-ocr page 369-
— 365 —
gen bezaten? Kunnen wij niet evenals zij tot de H. Sa-
cramenten naderen, te biechten gaan om onze zielen te
zuiveren van de zonden, tot de H. Tafel naderen om
onze zielen te voeden met het Brood der sterken?
Kunnen wij niet evenals zij het H. Sacrificie der Mis
bijwonen, dat dagelijks in onze kerken wordt opgedra-
gen? Kunnen wij niet evenals zij de sermonen en on-
derrichtingen bijwonen, waarin geleerd wordt, hoe wij
ons te gedragen hebben om heilig te wezen? Kunnen
wij niet evenals zij bidden, onze toevlucht nemen tot
God en zijne Heiligen ? In een woord, kunnen wij niet
evenals zij gebruik maken van de middelen ter zaligheid,
waaraan onze Moeder de H. Kerk zoo rijk is, en die
zij haren kinderen zoo goedgunstig aanbiedt ? Komaan!
B. B., spreken wij rechtuit; \'t is niet uit gebrek aan
middelen, maar uit gebrek aan wil en moed, dat wij
niet heilig zijn. Wij moeten het willen, maar kracht-
dadig willen; wij moeten dus de middelen ter zaligheid
gebruiken, gelijk de Heiligen deden. Wij moeten moed
hebben; wij moeten ons wat moeite geven, ons eenige
opofferingen getroosten, gelijk de Heiligen deden; en
dan, maar ook dan alleen kunnen wij heilig wezen.
Wij hebben dus gezien, B. B., dat wij allen heilig
kunnen zijn. Onze zwakheid en onze driften zijn geen
beletsel\'; onze staat en de bezigheden van ons beroep
evenmin; ook ontbreken ons de middelen niet om heilig
te zijn. Zien wij nu in ons tweede punt, wat ons te
doen staat om heilig te wezen. Dit punt is niet minder
belangrijk dan het eerste.
II.
In de wereld, althans onder zekere personen, is men
van gedachte, dat men om heilig te zijn, moet verrijkt
-ocr page 370-
— 366 —
zijn met buitengewone gaven; dat men moet verrichten
buitengewone werken. Neen, B. B., noch het een, noch
het ander is noodig om heilig te zijn.
Vooreerst, om heilig te zijn is het niet noodig van
verrijkt te zijn met buitengewone gaven; noch met
de gave van voorzeggingen te doen, noch met de gave
van verschillende talen te spreken, noch met de gave
van wonderen te verrichten. Bijgevolg, gij behoeft geen
Profeet, geen taaikenner, geen wonderdoener te zijn om
een heilige, zelfs een groote heilige te wezen. Doch
weet gij, waarmede gij verrijkt moet zijn? Gij moet
verrijkt zijn met de heiligmakende genade, met dat
bovennatuurlijk sieraad van God, waardoor de ziel
schoon en aangenaam is aan God en van Hem bemind
wordt. Gij moet verrijkt zijn met een schat van deug-
den; met de drie goddelijke deugden, met een levend
geloof, met eene vaste hoop, met eene vurige liefde; met
de zedelijke deugden, en vandaar dat gij onder anderen
ootmoedig, gehoorzaam, matig, geduldig, voorzichtig,
rechtvaardig, kuisch, enz. moet wezen.
Vervolgens, om heilig te zijn is het niet noodig van
buitengewone werken te verrichten. Gij behoeft niet,
evenals de Apostelen, de zeeën over te steken, om alom
het Evangelie te gaan verkondigen. Gij behoeft niet,
evenals de Martelaren, uw bloed voor het geloof te ver-
gieten : die buitengewone werken behoeft gij niet te ver-
richten; neen, dat is niet noodig; maar weet gij welke
werken gij moet verrichten om heilig te zijn, wat daartoe
noodig is? Daartoe is noodig om het kwaad te schuwen
en het goede te doen: Dcclina a malo etfacbonum. (i)
En bijgevolg moet gij vluchten de zonden, de vrijwillige
(1) Ps. xxxvi, 27.
-ocr page 371-
— 367 —
gevaren en gelegenheden der zonden; gij moet de deug-
den oefenen, de goddelijke en de zedelijke deugden,
welke ik reeds genoemd heb; gij moet goede werken
verrichten als zijn: bidden, vasten en aalmoezen geven,
d. w. z., werken van godsvrucht, van versterving en
boetvaardigheid, geestelijke en lichamelijke werken van
barmhartigheid jegens den evennaaste, eenieder volgens
zijn vermogen.
Wat is er nog meer noodig om heilig te zijn? Daar-
toe is noodig en volstrekt noodig, dat gij de gebo-
den van God onderhoudt, en vooral de twee groote
geboden, waarin alle andere begrepen zijn, namelijk, het
gebod van God te beminnen bovenal om Hem zelven,
en het gebod van den evenmensch te beminnen gelijk u
zelven om God. Daartoe is noodig, dat gij de geboden
der H. Kerk onderhoudt, aan welke God wil dat gij
gehoorzaamt, gelijk aan Hem zelven. Daartoe is noodig,
dat gij stipt nakomt de plichten van uwen staat; dat
gij, tevreden met uw lot, de bezigheden van uw beroep
naar behooren verricht, uwe werken aan God opdraagt,
alles doet tot glorie van God en tot zaligheid uwer ziel.
Zietdaar, B. B., wat er noodig is om heilig te zijn: geene
buitengewone gaven, neen; maar wij moeten in staat
van genade en deugdzaam zijn: geene buitengewone wer-
ken, neen; maar wij moeten de geboden onderhouden,
onze plichten vervullen en onze gewone bezigheden ver-
richten met een goed inzicht, tot glorie van God en tot
zaligheid onzer zielen.
Uit hetgeen ik kom te zeggen, B. B., blijkt, dat de
heiligheid zoover niet te zoeken is, dat zij niet boven
onze macht is. Denkt of zegt dus niet: Mijne bezigheden
beletten _mij van langer te bidden, van meer naar de kerk
te gaan, van andere werken van godsvrucht te verrich-
-ocr page 372-
— 363 —
ten, en bijgevolg beletten zij mij van heilig te wezen.
Neen, volstrekt niet; maar zorgt van uwe bezigheden te
heiligen, door ze aan God op te dragen, door ze te ver-
richten wijl en gelijk God het wil, d. i., tot zijne glorie
en tot zaligheid uwer ziel. Op die wijze zult gij heilig
wezen; zoo en niet anders zijn er velen heilig geworden.
Halen wij slechts eenige voorbeelden aan.
Wie was Homobonus, en hoe is hij een Heilige gewor-
den? Homobonus was gehuwd en koopman. Hij was
een braaf en deugdzaam man. Deed hij buitengewone
werken? Neen, maar Homobonus legde zich toe op den
handel, gelijk het behoort en met vlijt. Inzonderheid
beoefende hij de deugd van rechtvaarheid; voor al het
goud der wereld zou hij nooit in het minste iemand te
kort gedaan hebben. God zegende zijne ondernemingen.\'
Homobonus werd rijk, doch van het geld en goed, dat
God hem schonk, deelde hij volgaarne en ruimschoots
mede aan de armen. Ja, Homobonus was bijzonder mild-
dadig. Hij was ook een man des gebeds. Hij bad goed
\'s morgens en droeg God zijne werken op. Nooit, of ten
minste zeer zelden gebeurde het, of Homobonus woonde
\'s morgens, alvorens zijnen handel te beginnen, het H.
Sacrificie der Mis bij. Ziedaar hoe Homobonus een Hei-
lige is geworden.
Wie was Monica, en hoe is zij eene Heilige geworden ?
Monica was gehuwd, zij was de moeder van den H. Augus-
tinus. Monica was eene brave deugdzame vrouw, een
voorbeeld voor de overige huisvrouwen. Zij was eene
vrouw des gebeds. Wat al gebeden en tranen heeft
Monica niet gestort, om de bekeering van haren man
Patricius en van haren zoon Augustinus te bekomen?
Monica scheen uit in de deugd van verduldigheid, want
Patricius, haar man, was bijzonder lastig en oploopend.
-ocr page 373-
— 369 —
Zij verrichtte met zorg hare huiselijke bezigheden, was
spaarzaam en zorgde voor de orde in huis. Monica was
vooral bezorgd, dat er liefde en eendracht in haar huis
heerschten. Ziedaar hoe Monica eene Heilige is geworden.
Wie waren de H.H. Isidorus en Walstanus? Isidorus
was een landman, die zijne akkers bebouwde. Walstanus
een boerendienstknecht, en die bijgevolg de werken, een
boerendienstknecht eigen, moest verrichten.
Wie waren de HH. Genoveva en Zita ? Genoveva was
eene jonge dochter, die belast werd met de schapen te
weiden. Zita eene dienstmeid, belast met de werken, eene
dienstmeid eigen. En hoe zijn die personen nu Heiligen
geworden ? Waren zij verrijkt met buitengewone gaven,
en verrichtten zij buitengewone werken? Neen, B. B.;
maar die personen zorgden van in staat van genade te
zijn; zij waren braaf en deugdzaam; tevreden met hun
lot, benijdden zij niemand; zij hielden God voor oogen
en baden Hem; zij droegen \'s morgens vooral hunne
werken aan God op: Alles tot glorie van God en tot
zaligheid der zielen ! ziedaar hunne leus. Zij volbrachten
getrouw hunne plichten, verrichtten met de beste inzich-
ten en de grootste nauwkeurigheid hunne gewone bezig-
heden, en vandaar dat zij ze heiligden, vandaar dat zij
zoovele verdiensten vergaderden, en vandaar dat zij zoo
groote Heiligen geworden zijn in den hemel.
SLUITREDE.
Wij hebben gezien, B. B., dat wij evenals de Heiligen,
wier feest wij heden vieren, ook Heiligen kunnen worden.
Niets dat het ons belet: noch onze zwakheid, — de Heiligen
•waren zwakke, broze menschen gelijk wij; noch onze
driften, — de Heiligen hadden hunne driften te bestrijden
24.
-ocr page 374-
— 370 —
gelijk wij ; noch onze levensstaat, — er zijn Heiligen uit
alle levensstaten; noch de bezigheden van ons beroep, —
de Heiligen hadden dezelfde bezigheden als wij. Even-
min als den Heiligen ontbreekt het ons aan middelen
om heilig te leven. Wij behoeven met geene buitenge-
wone gaven verrijkt te zijn, noch buitengewone werken
te verrichten. Het grootste getal Heiligen is met die
gaven niet verrijkt geweest, heeft die werken niet ver-
richt ; doch wij moeten naar het voorbeeld der Heiligen
in staat van genade en deugdzaam zijn, onder anderen,
ootmoedig, gehoorzaam, geduldig, matig, rechtvaardig,
voorzichtig, kuisch; wij moeten het kwaad schuwen en
het goede doen, de geboden van God en van onze Moeder
de H. Kerk getrouw onderhouden, de plichten van onzen-
staat goed vervullen. Tevreden met ons lot, moeten
wij God goed voor oogen houden, Hem bidden, onze
werken aan God opdragen. Alles tot glorie van God
en tot zaligheid der zielen, dat moet ook onze leus zijn.
Zietdaar wat ons te doen staat, om heilig te wezen.
B. B., denken wij vandaag eens goed over die waar-
heid na. Vandaag vieren wij het feest van Heiligen
die juist menschen waren gelijk wij, maar die hunnen
Heer en God getrouw gediend hebben, en daarvoor nu
gekroond en beloond worden in den hemel. Aanschouwen
wij die Heiligen in de glorie des hemels en maken wij
het vaste voornemen van hen na te volgen. Ik, die ijve-
rige, die heilige zielenherders, die alles gedaan hebben
voor de glorie van God en de zaligheid der zielen; daarin
moet ik hen navolgen. Gij, man, aanschouw den H. Ho-
mobonus; gij, vrouw, de H. Monica; gij, landman, aan-
schouw den H. Isidorus; gij, dienstknecht, den H. Wal-
stanus. Gij, jongedochter, aanschouw de H. Genoveva,
én gij, dienstmeid, de H. Zita. O Heiligen des hemels?
-ocr page 375-
— 37i —
Wat luister en glorie omgeeft u thans in het rijk der
levenden, waar gij met den Heer uwen God, in gezelschap
der Engelen, voor eeuwig een ongestoord geluk zult ge-
nieten ! O, B. B., maken wij toch het vaste voornemen
van de Heiligen na te volgen in hunne deugden en goede
werken; bidden wij tot dat einde den goeden God ; bidden
wij ook zijne Heiligen, en wij zullen het geluk hebben van
hen na te volgen in hunne heiligheid hier op aarde,
waarna wij eenmaal het geluk zullen hebben van hen te
volgen naar de glorie in den hemel. Amen.
-ocr page 376-
VIER EN TWINTIGSTE PREEK.
Allerzielen.
Müeremini mei, miseremini mei, saltem vos
amici mei, quia manus Domini tetegit me.
Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner,
gij ten minste mijne vrienden, want de
hand des Heeren heeft mij getroffen.
(Job. xix, 21.)
INHOUD.
VOORREDE.
De heilige man Job, door God op de proef gesteld,
door zijne vrouw bespot, door zijne vrienden verlaten en
beschuldigd, liet zich in de volgende woorden uit: Ont-
fermt u mijner, ontfermt u mijner, gij ten minste mijne
vrienden, want de hand des Heeren heeft mij getroffen.
— De H. Kerk legt die woorden den zielen des vage-
vuurs in den mond.
VERDEELING.
I. Wat lijden de zielen in het vagevuur?
II. Waarom lijden zij daar?
III. Hoe kunnen wij haar helpen?
-ocr page 377-
— 373 —
I.
De zielen der gelukzaligen in den hemel zijn vrij van
lijden; de zielen der overledenen in het vagevuur lijden
de pijn van gevoel en de pijn van schade. — De pijn
van gevoel, veroorzaakt door het vuur. — Verbeeldt u
de folteringen, waarmede de Martelaren gepijnigd werden:
de raderen, de pijnbanken, de nijptangen, de geeselroeden,
het vat vol ziedenden olie, waarin de H. Joannes gedom-
peld werd, den gloeienden rooster, waarop de H. Lau-
rentius gebraden werd. — Verbeeldt u een misdadiger,
veroordeeld om door een langzaam vuur om te komen.
Wat is dat vuur in vergelijking van het vagevuur? —
God heeft het vuur dezer aarde geschapen in zijne goed-
heid, het vagevuur, in zijne rechtvaardigheid. — Het
vuur der aarde heeft enkel eene natuurlijke kracht; het
vagevuur eene bovennatuurlijke. — Het vuur der aarde
werkt op het lichaam; het vagevuur op de ziel. —•
Leering van den H. Thomas. — God straft de geloo-
vige zielen als God. — Leering van den H. Augustinus.
—    De pijn van schade bestaat vooral in de berooving
van het goddelijk aanschijn. — Verlangen dergeloovige
zielen om God te zien.
II.
De geloovige zielen zijn zielen niet van groote zon-
daren, maar van Heiligen. — Zij lijden om gansch te vol-
doen voor vergeven doodzonden, voor dagelijksche zonden.
—  Core, Dathan en Abiron, door de aarde ingezwolgen. —
De dienaren van den koning van Babylonie\' door het
vuur aangegrepen. — De inwoners van Sodoma en Go-
morrha door een regen van solfer en vuur verteerd. —
-ocr page 378-
— 374 —
God straft de geloovige zielen in het vagevuur streng. —
Boosheid, zelfs van eene dagelijksche zonde. — Wij
moeten de zonden vluchten en voor de bedreven zonden
voldoen. — De geloovige zielen kunnen niet meer vol-
doen, doch wij kunnen haar helpen.
III.
Wij kunnen de geloovige zielen helpen door het gebed,
den kruisweg, eene goede biecht en communie, een aal-
moes, eene versterving, een aflaat en vooral door het
H. Sacrificie der Mis. — Het H. Sacrificie der Mis is
altoos vol kracht en verdiensten. — Waarom?
SLUITREDE.
Wij weten wat de zielen in het vagevuur lijden, waar-
om zij lijden, en hoe wij haar kunnen helpen. — Dalen
wij in den geest in het vagevuur neder. — Wat zullen
wij daar zien en hooren? — Gebed tot Jezus.
-ocr page 379-
— 375 —
VIER EN TWINTIGSTE PREEK.
Allerzielen.
Miseremini mei, miseremini mei, saltem vos
amici mei, quia manus Domini tetigit me.
Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner,
gij ten minste mijne vrienden, want de
hand des Heeren heeft mij getroffen.
(Job xix, 21.)
VOORREDE.
Deze woorden, B. B., sprak eertijds de heilige man
job, toen hij van rijk en aanzienlijk, tot de uiterste ar-
moede en ellende gekomen was. Immers, God, gelijk
de H. Schrift meldt, had zijnen dienaar Job op eene harde
proef gesteld. Hij had hem al zijne goederen ontnomen.
Hij had hem van het hoofd tot de voeten met zweren
geslagen. Al degenen, die Job aanhingen in de dagen
van voorspoed, verlieten hem in de dagen van tegen-
spoed. Zijne vrouw zelve lachte hem uit en spotte
met zijne eenvoudigheid. Drie zijner voornaamste vrien-
den beschuldigden Job. In hunne valsche redeneering
beweerden zij, dat Job zich aan groote zonden moest
plichtig gemaakt hebben, om zoo streng van God ge-
kastijd te worden. Daarop liet Job zich in weeklachten
uit: Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, gij ten minste
mijne vrienden: Miseremini mei, miseremini mei, saltem
vos amici mei;
want de hand des Heeren heeft mij ge-
troffen; quia manus Domini tetigit me. (i)
Deze woorden legt onze moeder de H. Kerk den ge-
(1) Job. xix, 21.
-ocr page 380-
— 37& —
loovigen zielen des vagevuurs in den mond. Zij stelt ons
die arme zielen voor, alsof zij uit dien onderaardschen
kerker ons toeriepen: Ontfermt u onzer, ontfermt u onzer,
gij ten minste, onze vrienden, want de hand des Heeren
heeft ons getroffen. En inderdaad, B. B., de hand van
den rechtvaardigen God is zwaar op die zielen neêrge-
komen. \'t Is dus niet zonder reden, dat onze Moeder
de H. Kerk ons, hare kinderen, uitnoodigt van de zielen
des vagevuurs bij te staan en te helpen.
Wijl wij thans de gedachtenis van de geloovige zielen
vieren, heb ik besloten u eenige oogenblikken met haar
bezig te houden. En om u aan te zetten, van die arme
zielen zoo spoedig mogelijk door uwe gebeden en andere
goede werken uit het vagevuur te verlossen, zullen wij,
te zamen overwegen:
I. Wat die zielen in het vagevuur lijden;
II. Waarom zij daar lijden:
III. Hoe wij haar kunnen helpen.
I.
De zielen der gelukzaligen in den hemel, B. B., zijn
vrij van lijden. God heeft hunne tranen afgedroogd,
zegt de H. Schrift. Droefheid en smart, alle lijden, in
één woord, is voorbij, \'t Is in den hemel, dat die zielen,
in het bezit van God, dien zij van aanschijn tot aanschijn
aanschouwen, in eeuwigheid een ongestoord geluk genieten.
Het vagevuur daarentegen is eene plaats van lijden.
De geloovige zielen, die in het vagevuur opgehouden
worden, lijden daar eene tweevoudige pijn: de pijn van
gevoel en de pijn van schade.
En wel vooreerst lijden zij de pijn van gevoel. Doch
-ocr page 381-
— 377 —
waarin bestaat de pijn van gevoel? De pijn van gevoel,
B. B., bestaat in de smarten, veroorzaakt door een vuur,
dat God in zijne strenge rechtvaardigheid ontstoken heeft,
om de zielen des vagevuurs te zuiveren, \'t Is te midden van
dat vuur, dat de geloovige zielen branden. Welk eene
pijn van gevoel als die des Vagevuurs! Verbeeldt u
eens, B. B., al de folteringen, waarvan in het begin der
Kerk de Heidenen zich bedienden om de Martelaren te
pijnigen. Verbeeldt u de raderen, waarop zij hen vast-
bonden en folterden; de pijnbanken, waarop zij hen
uitstrekten, hunne ledematen ontwrichtten en hunne been-
deren deden kraken ; de nijptangen, waarmede zij hun
de stukken vleesch uit het lichaam rukten; de geesel-
roeden, waarmede zij hen verscheurden. Verbeeldt u,
bijv., het vat vol ziedenden olie, waarin een H. Joannes
geworpen; den gloeienden rooster, waarop een H. Lau-
rentius gebraden werd. Verbeeldt u al de pijnen, door
al die foltertuigen veroorzaakt, en gij zult u slechts een
flauw denkbeeld kunnen vormen van de pijnen, welke
de geloovige zielen in het vagevuur lijden
De straf, waartoe hier op aarde een misdadiger zou
veroordeeld worden, namelijk, van door een langzaam
vuur om te komen, die straf voorzeker zou een der pijn-
lijkste, een der gevoeligste straffen zijn. Zoudt gij zonder
huiveren kunnen zien, dat een mensch, al ware hij ook
uw grootste vijand, gedurende eenigen tijd in een vuur
gefolterd werd? Zoudt gij zonder aandoening de stuip-
trekkingen van dien ongelukkige kunnen aanschouwen,
zijne pijnlijke kreeten kunnen hooren? Doch, B. B., wat
zijn de pijnen, door een aardsch vuur veroorzaakt, verge-
leken bij de pijnen des vagevuurs!
God heeft het vuur dezer aarde in zijne goedheid ge-
schapen, om ons van dienst te zijn ; het vuur van dien
-ocr page 382-
— 378 —
onderaardschen kerker daarentegen heeft Hij in zijne
rechtvaardigheid ontstoken om de geloovige zielen te
pijnigen.
Het vuur dezer aarde heeft slechts eene natuurlijke
kracht, het kan tegengehouden en uitgedoofd worden ;
het vuur van dien onderaardschen kerker daarentegen
heeft eene bovennatuurlijke kracht en kan door niets
tegengehouden of uitgedoofd worden.
Het vuur dezer aarde werkt enkel op het lichaam;
het vuur, waarin de geloovige zielen branden, werkt
rechtstreeks op de ziel, waarin het gevoel het levendigste,
en bijgevolg de pijn het gevoeligste is.
Om nog beter te beseffen, B. B., welke hevige pijnen
het vagevuur veroorzaakt, luistert hoe de H. Thomas zich
over dat vuur uitdrukt. Er bestaat geen verschil, zegt
die groote kerkleeraar, tusschen het vuur, waarin eene
verdoemde ziel gepijnigd wordt, en het vuur, waarin eene
geloovige ziel gezuiverd wordt, uitgenomen de langdurig-
heid. Geen verschil dus tusschen het helsche vuur en
het vagevuur, dan dat het helsche vuur eeuwig, het vage-
vuur slechts eenigen tijd zal branden.
In dat vuur nu, B. B., straft God de geloovige zielen
in hoedanigheid van God. Merkt deze woorden wel op.
Ik zeg in hoedanigheid van God, want alles wat Hij als
God doet, doet Hij met eene volmaaktheid, die ons ver-
stand ver te boven gaat. God, bijv., beloont als God de
gelukzaligen des hemels. En welke is die belooning,
denkt gij ? \'t Is God zelf. Ja, God geeft zich zelven aan
de gelukzaligen tot belooning: Ego ero merces tua magna
nimis.
(i) God straft ook als God de geloovige zielen
des vagevuurs. Hoe groot moet dan die straf niet zijn!
(1) Gen. xv, 1.
-ocr page 383-
— 379 —
En bijaldien God het .vagevuur tot werktuig zijner recht-
vaardigheid gekozen heeft, hoe hevig, hoe doordringend,
hoe krachtig moet dat vuur dan niet wezen? Terecht
mogen wij dus met een H. Augustinus besluiten, dat de
pijnen des vagevuurs de pijnen, die hier op aarde kun-
nen geleden of kunnen uitgedacht worden, ver in hevig-
heid te boven gaan. Zietdaar, B. B., de eerste pijn
welke de geloovige zielen des vagevuurs lijden.
De eerste pijn des vagevuurs nochtans, de pijn van
gevoel, wordt door eene tweede, namelijk door de pijn
van schade ver overtroffen. En waarin bestaat de pijn
van schade? De pijn van schade, B. B., bestaat hierin,
dat de geloovige zielen het aanschijn van God voor eeni-
gen tijd zullen moeten derven. Die pijn overtreft ver
de pijn van gevoel; doch zulks begrijpen wij niet goed.
Wij begrijpen niet goed, hoe het mogelijk is, dat de
zielen des vagevuurs meer lijden door het derven van
Gods aanschijn, dan door het vuur. Om u daarvan
nochtans een denkbeeld te kunnen vormen, volgt mij
een oogenblik.
De ziel van den mensch is geschapen om God te be-
zitten; \'t is in God, dat zij hare rust zal vinden. God is
haar beginsel en haar einde. Zoolang nu de ziel met
haar lichaam vereenigd is, verlangt zij dikwerf niet zeer
naar God; zij wordt niet sterk tot God getrokken; doch
zoodra de ziel van haar lichaam scheidt, ha! dan ver-
langt zij naar niets zoo zeer als naar God; dan wordt
zij tot niets zoo sterk getrokken als tot God. Die ziel
wil zich telkens verheffen, om zich met God te vereeni-
gen, en zij wordt altoos door een onzichtbare hand tegen-
gehouden. God roept als \'t ware die ziel tot zich, wijl
Hij haar vader is; en God houdt haar tegen, wijl Hij
haar rechter is. Die ziel wil opvliegen tot God, wijl zij
-ocr page 384-
— 380 —
Hem bemint; en God houdt haar tegen, wijl zij nog
niet zuiver is. O mijn God! zoo roept die ziel al zuch-
tende uit, trek mij tot u en vereenig mij met u! Ik ben
in staat van genade; ik ben heilig; ik ben uwe bruid ;
ik ben uitverkoren om u te bezitten in eeuwigheid. En
God, B. B., antwoordt: Het zij zoo; doch gij zult nog
niet komen; gij zult dien onderaardschen kerker nog
niet verlaten ; gij zult mij nog niet bezitten. O Heer!
herneemt die arme ziel: Wanneer zal ik dan mogen
komen? Wanneer zal ik voor u mogen verschijnen, om
in het bezit van uw aanschijn voor eeuwig gelukkig te
zijn? En God antwoordt: Gij zult niet mogen komen,
gij zult voor mij niet mogen verschijnen, alvorens den
laatsten penning betaald, alvorens de kleinste en laatste
fout uitgeboet te hebben. Zietdaar, B. B., de pijn van
gevoel en de pijn van schade, welke de zielen des va-
gevuurs moeten lijden. Doch waarom moeten die zielen
die tweevoudige pijn lijden? Dat zullen wij zien in ons
tweede deel.
II.
Welke zijn de zielen, B. B., die in het vagevuur zoo
streng gestraft worden ? Zijn het zielen, die de wereld
verlaten hebben in staat van doodzonde ? De ziel, bijv.
van een vloeker of godslasteraar? de ziel van een on-
rechtvaardige, van een dronkaard ? de ziel van een trou-
weloozen man, van eene slechte vrouw ? de ziel van een
losbandigen jongeling, van eene losbandige jongedochter ?
Neen, B. B., maar het zijn heilige zielen; \'t zijn zielen,
die God bemint, en voor welke Hij reeds zoo vele tronen
bereid heeft in den hemel; \'t zijn zielen van personen, die
tijdens hun leven de deugd beoefend, die vele goede werken
gedaan hebben; die gestreden hebben tegen de vijanden
-ocr page 385-
- 381 -
hunner zaligheid, tegen den duivel.de wereld en het vleesch;
die gearbeid hebben tot glorie van God en tot zaligheid der
zielen. Waarom moeten die zielen dan nog zooveel lijden ?
Waarom moeten zij door de vlammen des vagevuurs nog
gezuiverd worden, bijaldien het heilige zielen zijn ? B. B.,
kunnen wij er aan denken, zonder te sidderen en te be-
ven? \'t Is om eene doodzonde, welke aan die zielen, wat
de schuld en de eeuwige straffen betreft, vergeven is,
doch waarvoor zij nog niet geheel en al voldaan hebben
aan de goddelijke rechtvaardigheid, \'t Is om de een of
andere dagelijksche zonde, bijv., om eene kleine leugen
of ongehoorzaamheid, om een ijdelheid of ongeduldigheid,
om eene nalatigheid of oneerbiedigheid; \'t is om kleine
fouten of gebreken, om onvolmaaktheden. Zietdaar, waarom
die zielen nog zooveel moeten lijden. Zietdaar de vlekken,
waarvan zij door de vlammen des vagevuurs nog moeten
gezuiverd worden. Hoe is het toch mogelijk! Dat eer-
tijds de aarde openscheurde om Core, Dathan en Abiron
in te zwelgen, ik verwonder er mij niet over; zij waren
oproermakers, die tegen Mozes opstonden. Dat de vlam-
men van den brandenden oven van Babyion de dienaren
des konings niet gespaard hebben, ik begrijp het, zij
waren afgodendienaars, goddeloozen. Dat een regen van
solfer en vuur de inwoners der steden Sodoma en Gomorrha
verteerde, zeer goed; want zij hadden het verdiend om
hunne schandelijke zonden en gruwelen; maar dat Gij,
o Heer! de geloovige zielen des vagevuurs, die uwe
vriendinnen, uwe uitverkorenen, uwe bruiden zijn, zoo
streng straft, om reeds vergeven doodzonden, om dage-
lijksche zonden, om kleine fouten en gebreken, om on-
volmaaktheden; o Heer! Gij zijt rechtvaardig; Gij straft
niet, ik weet het, tenzij degenen die het verdiend hebben;
doch ik kan mij toch ook niet wederhouden van uit te
-ocr page 386-
— 382 —
roepen: o God! hoe verschrikkelijk zijn uwe oordeelen,
en hoe streng is uwe rechtvaardigheid ! B. B., kunt
gij aan die waarheid denken zonder te sidderen en
te beven ? Kunt gij de zielen des vagevuurs te midden
der vlammen zien branden, zonder bang te worden voor
u zelven? Een enkele dagelijksche zonde stort de zielen
in het vagevuur neder; en wij, wij bedrijven er zoovele.
Om een weinig schuld worden zij in het vagevuur zoo
verschrikkelijk gepijnigd; en onze schuld bij God is zoo
groot. B. B., aangezien de pijnen des vagevuurs, vluchten
wij niet alleen de doodzonden, maar ook de dagelijksche
zonden, en trachten wij door werken van boetvaardigheid
reeds hier op aarde voor onze schulden zoo goed moge-
lijk aan de goddelijke rechtvaardigheid te voldoen. De
zielen des vagevuurs, zoo zij nu nog konden terugkomen
op aarde, met welke zorg zouden zij zelfs de dagelijksche
zonden vermijden. Hoezeer zouden zij zich beijveren om
door goede werken, ja zelfs door de strengste boetple-
gingen, voor hare zonden te voldoen, om alzoo de pijnen
des vagevuurs te ontkomen. Doch helaas! \'t is te laat
voor haar, zij bevinden zich thans in eenen staat, waarin
zij volstrekt niets meer voor zich kunnen verdienen. De
nacht, de vreeselijke nacht is voor haar aangebroken.
Venit nox, zegt Jezus, de nacht is gekomen, waarin nie-
mand meer kan werken, quando nemo potest operari. (i)
Die nacht, B. B., is voor ons nog niet aangebroken; wij
kunnen dus nog werken voor onze ziel en zaligheid. Ja,
wat meer is en tevens eene troostrijke waarheid, wij
kunnen zonder ons zelven te benadeelen ook werken voor
de geloovige zielen des vagevuurs; wij kunnen hare pijnen
verkorten en haar uit het vagevuur verlossen. En hoe
kunnen wij dat doen?
(1) Joan. ix, 4.
-ocr page 387-
— 383 —
III.
In weinige woorden, B. B., ga ik u de voornaamste             i
middelen aanwijzen, waardoor wij de geloovige zielen
uit het vagevuur kunnen verlossen. Alle goede werken,
wel is waar, van welken aard ook, voor de geloovige
zielen des vagevuurs verricht, zijn haar voordeelig; doch
de voornaamste zijn: het gebed met eerbiedigheid en
aandachtigheid gedaan, de kruisweg naar behooren verricht,
waaraan zoovele aflaten verbonden zijn, eene goede Biecht
met eene waardige Communie, een aalmoes aan den
arme gegeven, eene versterving, een aflaat; doch vooral
het H. Sacrificie der Mis. Ik zeg vooral het H. Sacrificie
der Mis, en ziethier de reden. Onze overige goede werken
zijn niet zelden van geringe waarde voor de geloovige
zielen des vagevuurs, deels om den slechten staat, waarin
men ze verricht, deels omdat men de voorgeschreven
voorwaarden, bijv., voor het verdienen van een aflaat,
niet nakomt; doch het H. Sacrificie der Mis is altoos
vol kracht en verdiensten. Waarom? omdat de kracht
en de verdiensten van het H. Sacrificie der Mis niet af-
hangen, noch van den Priester, die het opdraagt, noch
van den persoon, die het laat opdragen. Immers, Jezus
Christus zelf is de offerande, altoos aangenaam aan God
zijn hemelschen Vader. Hij is tevens de voornaamste
offeraar, altoos Heilig. Niets dus, gelijk gij ziet, kan
de kracht en de verdiensten van het H. Sacrificie dei-
Mis tegenhouden of beletten; en van daar, dat het een
zoo goed en verdienstelijk werk is, het H. Sacrificie der
Mis voor de geloovige zielen te laten opdragen.
SLUITREDE.
Wij hebben nu genoeg gezien, B. B., wat de geloovige
zielen in het vagevuur lijden, waarom zij lijden, en hoe
-ocr page 388-
- 384 -
wij haar kunnen helpen. Er blijft ons dus niets te doen
over, dan die arme zielen door onze gebeden en goede
werken te hulp te komen.
Hetgeen ik over den pijnlijken toestand der geloovige
zielen gezegd heb, is wel in staat om onze harten tot
medelijden te stemmen. Doch zoo er zich nog onder ons
bevinden, die door mijne woorden niet bewogen zijn,
voor hen heb ik nog één wensch. Ja, ik wenschte wel,
dat zij eens in het vagevuur konden nederdalen. Wat
zouden zij daar zien, wat zouden zij daar hooren ? Zij
zouden daar zien stroomen vuur, en in die stroomen
vuur de zielen van personen, die hun dierbaar zijn. Zij
zouden daar hooren hartverscheurende kreeten, klaagto-
nen van de zielen hunner bloedverwanten en vrienden.
Die man zou wellicht zien de ziel van zijne vrouw; die
vrouw de ziel van haren man. De vader zou zien de
ziel van zijnen zoon, de zoon de ziel van zijnen vader.
De moeder zou zien de ziel van hare dochter ; de dochter
de ziel van hare moeder. De broeder zou zien de ziel
van zijne zuster; de zuster de ziel van haren broeder.
De eene bloedverwant of vriend zou wellicht zien
de ziel van een anderen. En wat zouden zij hooren ?
Zij zouden hooren het Miseremini mei: Hebt medelijden
met mij, hetgeen onze Moeder de H. Kerk den geloo--
vigen zielen in den mond legt. Man! heb medelijden met
uwe vrouw; vrouw ! heb medelijden met uwen man ; kom
mij thans door uwe gebeden te hulp. Kind! heb mede-
lijden met uwen vader, met uwe moeder, en verlos ons
uit het vagevuur. Miseremini mei, miseremini mei, hebt
medelijden met mij, hebt medelijden met mij, saltem
vos amici mei,
gij ten minste mijne bloedverwanten en
vrienden, quia manits Domini tetigit me (i), want de
(1) Job. xix, 21.
-ocr page 389-
- 385 —
hand des Heeren heeft mij getroffen. O goede, obarnv
hartige Jezus! stem de harten mijner toehoorders tot
medelijden met de geloovige zielen des vagevuurs; dat
zij deze dagen hunne ouders en kinderen, hunne bloed-
verwanten en vrienden in hunne gebeden en goede wer-
ken gedachtig zijn; opdat de lijdende zielen zoo spoedig
mogelijk uit het vagevuur verlost worden. O goede, o
barmhartige Jezus! door de verdiensten van uw heilig
lijden en bloed, verleen den geloovigen zielen de eeuwige
rust. Amen.
25.
-ocr page 390-
VIJF EN TWINTIGSTE PREEK.
De Bescherming van de H. Maagd Maria.
Ecce Mater tua.\'
Ziedaar uwe moeder! (Joan. xix, 27.)
INHOUD.
VOORREDE.
Elk land, enz., heeft zijn bijzonderen Patroon en viert
ter zijner eer een bijzonder feest. — De H. Kerk heeft
ook hare bijzondere Patronen en viert ter hunner eer
bijzondere feesten. Die Heiligen zijn Maria en Jozeph;
die feesten, de beschermingsfeesten ter hunner eer. —
Maria en Jozeph zijn de beschermers geweest van Jezus;
zij zijn de beschermers geweest van de H. Kerk en zijn
het nog. — Maria en Jozeph zijn ook de beschermers
van eiken christen. — Beschermingsfeest van Maria. —
Wij moeten onze toevlucht tot Maria nemen, want:
VERDEELING.
I. Maria kan ons helpen;
II. Maria wil ons helpen;
III. Maria zal ons helpen.
I.
Maria kan ons helpen, omdat zij is de Koningin van
-ocr page 391-
- 387 -
hemel en aarde en de Moeder van God. — Maria voert
gebied over al het geschapene en beschikt over alle goe-
deren. — Maria is in zekeren zin almachtig, en Jezus
gehoorzaamt als het ware in den hemel nog aan Maria,
gelijk Hij haar gehoorzaamde op aarde.
II.
Maria wil ons helpen, omdat zij is onze Middelares
en onze Moeder. — Maria is eene machtige en barm-
hartige Middelares tusschen God en de menschen. —
Maria is onze Moeder, onze Moeder geworden onder
het kruis, vol medelijden met hare kinderen.
III.
Maria zal ons helpen, mits wij onze toevlucht tot haar
nemen. — Getuige de geschiedenis van achttien eeuwen.
—   Getuigen alle landen, steden en dorpen, de paleizen
der grooten en de hutten der armen. — Telkens als de
geloovigen met betrouwen hunne toevlucht tot Maria
genomen hebben, is die machtige en goedertieren Maagd
hen te hulp gekomen — Vandaar de bedevaarten, de
kerken en offers ter eere van Maria; het altaar van Maria
naast het altaar van Jezus; de kapellen en beelden van
Maria, de broederschappen en congregatien. — Woorden
van den H. Bernardus. — Maria op aarde, Maria thans
in den hemel. — Wij moeten ónze toevlucht tot Maria
nemen, zondaren of rechtvaardigen. Waarom?
SLUITREDE.
Maria is machtig en kan ons helpen; Maria is goed
en wil ons helpen; Maria is getrouw en zal ons helpen.
—  Wij hebben Maria\'s hulp noodig. — Vluchten wij in
-ocr page 392-
— 388 —
dien Toren van David. — Wijden wij ons vandaag op-
nieuw aan Maria toe. — Betuigen wij Maria dat wij
hare getrouwe kinderen willen zijn en blijven; Maria zal
ons beschermen op aarde en helpen tot de eeuwige zalig-
heid.
VIJF EN TWINTIGSTE PREEK.
De Bescherming van de H. Maagd Maria.
Ecce mater tua!
Ziedaar uwe moeder! (Joan. xix, 27.)
VOORREDE.
De Patronen, B. B., dat is, de beschermers, zijn talrijk;
de feesten, ter hunner eer gevierd, evenzeer. Elk land,
elke stad en elk dorp; elk diocees, elke parochie, ja
elke christen heeft zijn Patroon, zijn beschermer. België
heeft tot Patroon den H. Jozeph; Luik de hoofdstad der
provincie, den H. Hubertus. Het diocees van Luik heeft
tot Patroon den H. Lambertus; onze parochie den H....;
elke christen heeft tot patroon den Heilige, wiens naam
hij draagt. Elk land, elke stad en elk dorp; elk diocees,
elke parochie, ja elke christen viert plechtig het feest
van zijnen Patroon. Doch buiten de bijzondere Patronen
van elke plaats of persoon, heeft onze Moeder de H. Kerk
ook hare bijzondere Patronen, en viert zij bijzondere
feesten ter hunner eer. En welke zijn die Patronen ? Die
Patronen zijn twee in getal: de allerheiligste Maagd
Maria en de heilige Jozeph. Maria is de beschermster
der R. Katholieke Kerk; Jozeph is haar beschermer.
-ocr page 393-
- 389 -
Onze Moeder de H. Kerk viert ook plechtig hunne be-
schermingsfeesten. Niet zonder reden heeft onze Moeder
de H. Kerk juist Maria en Jozeph tot hare bijzondere
Patronen verkozen. Waren Maria en Jozeph niet de Pa-
tronen, de beschermers van Jezus, haren Stichter? En
hebben Maria en Jozeph Jezus niet aan het moordstaal
van Herodes ontrukt en gered? Daarenboven, alhoewel
de H. Kerk, door Jezus-Christus den Zoon Gods gesticht,
van Hem de verzekering heeft, dat zij nooit, zelfs niet
door de machten der hel zal vernietigd worden; in den
strijd tegen hare vijanden nochtans heeft zij niet weinig
aan de allerheiligste Maagd Maria en den heiligen Jozeph
te danken.
De H. Kerk, B. B., heeft altoos hare vijanden gehad;
zij is vervolgd en bestreden geweest, nu eens door de
Ketters, ja zelfs door haar eigene wederspannige kinderen,
en in de vervolgingen en den strijd tegen hare vijanden is
zij nimmer bezweken, is zij nimmer overwonnen. Waarom
niet? Onder anderen, omdat zij bijgestaan, beschermd
werd door hare bijzondere Patronen, door de allerheilig-
ste Maagd Maria en den heiligen Jozeph, tot welke zij met
betrouwen hare toevlucht nam. Hetgeen ik hier van de
allerheiligste Maagd Maria en van den heiligen Jozeph
zeg ten opzichte der H. Kerk, kan van elk lid der H.
Kerk, van eiken geloovige gezegd worden. Elke geloo-
vige, elke christen heeft zijne vijanden; hij zal door
hen vervolgd en bestreden worden. Om nu in de vervol-
ging en den strijd tegen zijne vijanden niet te bezwijken,
moet hij bijgestaan en beschermd worden door Maria en
Jozeph, en tot dat einde moet hij met betrouwen zijne toe-
vlucht tot hen nemen. Wijl wij vandaag het bescher-
mingsfeest van Maria vieren, wil ik u eenige oogenblikken
over de bescherming van Maria onderhouden en u toonen,
-ocr page 394-
— 39° —
dat wij met alle betrouwen onze toevlucht tot Maria mo-
gen nemen. Ziehier de redenen:
I. Omdat Maria ons kan helpen;
II. Omdat Maria ons wil helpen;
III. Omdat Maria ons zal helpen, mits wij onze toe-
vlucht tot haar nemen. Zetten wij die drie pun-
ten een weinig uiteen.
I.
Ik zeg dus vooreerst, dat Maria ons kan helpen. Van-
daar dat de H. Kerk Maria noemt machtige Maagd, (i)
Om ons van de waarheid te overtuigen, dat Maria
ons kan helpen, behoeven wij haar enkel te beschouwen
als Koningin van hemel en aarde en als Moeder van God.
Maria is de Koningin van hemel en aarde. In die
hoedanigheid staat zij met haar goddelijken Zoon aan
het hoofd van al het geschapene; zij voert gebied met
Hem over Engelen en menschen; de gansche schepping is
haar eigendom. En niet alleen over het natuurlijke, maar
ook en vooral over het bovennatuurlijke voert Maria ge-
bied en kan zij beschikken. God heeft haar over de
hemelsche goederen aangesteld ; Hij heeft haar tot schat-
bewaarster zijner genaden benoemd. Die hemelsche goe-
deren en genaden mag Maria naar believen uitdeelen, en
zij deelt ze uit, gelijk de H. Bernardus zegt, aan wien
zij wil, gelijk zij wil en wanneer zij wil.
Nochtans, om beter te zien hoe machtig Maria is, en
dat zij ons kan helpen, moeten wij haar vooral beschou-
wen als Moeder van God. Wij mogen Maria als Moeder
van God in zekeren zin almachtig noemen, niet dat zij
(1) Virgo potens. (Lit. Laur.)
-ocr page 395-
— 39i —
van natuur almachtig is; neen, B. B., dat is God alleen;
maar in dezen zin, dat zij alles, wat zij van God vraagt,
ongetwijfeld bekomt, (i) En inderdaad, hoe zou Jezus,
die in zijn leven zoovele weldaden van Maria genoten heeft,
die zijne Moeder zoo teeder bemint, hoe zou Hij, ik
vraag het, aan het verzoek van Maria kunnen weder-
staan? Hoe zou Hij zijne Moeder iets kunnen weigeren?
Neen, B. B., maar wij kunnen te recht van Jezus zeggen,
dat Hij zijne Moeder nu nog in alles onderdanig is,
gelijk Hij haar op aarde in alles onderdanig was: Erat
subditus Wis.
(2) De H. Brigitta verzekert ons in een
openbaring van die waarheid. Zekeren dag hoorde zij
Jezus zei ven in dezer voege zijne Moeder toespreken:
„Gij weet, o mijne Moeder! zoo sprak Jezus, hoezeer Ik
,,u bemin; vraag Mij dus al wat gij verlangt, en uwe
„bede zal altoos verhoord worden. Op de aarde hebt
„gij Mij nooit iets geweigerd; Ik zal u dus ook nooit iets
„weigeren in den hemel." Die woorden zijn duidelijk
genoeg en behoeven volstrekt geen opheldering. Wij
zien dus, B. B., dat Maria ons kan helpen, wijl zij de
Koningin van hemel en aarde en de Moeder van God is.
Vervolgens zeg ik dat Maria ons ook wil helpen, en van-
daar dat de H. Kerk Maria noemt goedertieren Maagd. (3)
II.
Om ons te overtuigen, B. B., dat Maria ons wil hei-
pen, behoeven wij enkel te zien, dat Maria onze Midde-
lares, en bijzonder, dat zij onze Moeder is.
Maria is vooreerst onze Middelares. Gelijk Jezus onze
Middelaar is bij God zijn hemelschen Vader, zoo is Maria
onze Middelares bij den Vader en den Zoon te zamen.
(1) Omnipotentia supplex. (2) Luc. 11, 51. (3) Virgo Clemens.
-ocr page 396-
— 392 —
Ziethier, hoe de H. Bernardus zich over Jezus onzen Mid-
delaar, en over Maria onze Middelares uitdrukt. Jezus,
zegt de H. Bernardus, is niet alleen een machtige, maar
ook een barmhartige Middelaar tusschen God en de
menschep. Nochtans, wij zijn eenigszins bang voor zijne
goddelijke majesteit: want Jezus is niet alleen mensch,
maar God en mensch te zamen. Daarenboven, God is
niet alleen goed, maar ook rechtvaardig; en de H. Schrift
st elt ons Gods gramschap voor als een verslindend vuur.
Geen wonder dus, zoo de zondaar vreest tot God te
naderen, bang van voor het aanschijn van dien vergram-
den rechter te vergaan, evenals het wasbeeld wegsmelt
voor den vuurgloed. Maria, onze Middelares, is wel is
waar de Moeder van God, doch zij heeft niets schrik-
verwekkends; zij is louter barmhartigheid en goedheid;
van haar hebben wij dus niets te vreezen. Wij moeten
niet bang zijn van tot haar te naderen; integendeel, wij
moeten haar vol betrouwen naderen, want het is onge-
hoord, zegt dezelfde H. Bernardus, dat iemand tot Maria
zijne toevlucht genomen, hare voorspraak ingeroepen
heeft, en verlaten is geworden. Doch Maria is niet alleen
onze Middelares, zij is ook onze Moeder.
Jezus aan het kruis, B. B., heeft ons zijne Moeder tot
Moeder geschonken, en als onze Moeder vooral wil zij
ons helpen. Ja, in hoedanigheid van onze Moeder is
Maria vol medelijden met hare kinderen; zij kent hunne
zwak- en noodwendigheden, zij noodigt hen uit van tot
haar te komen om bijgestaan en geholpen te worden.
Komt allen tot mij, zegt Maria als het ware, die belast
en beladen zijt, en ik zal u verkwikken. Vraagt maar,
zegt zij, en gij zult verkrijgen. O, die goede Moeder
heeft onafgebroken haar oog op hare kinderen gevestigd.
Zij bemint hen; zij staat hen bij; zij verlangt niets zoo
-ocr page 397-
— 393 —
zeer als de weldaden en genaden, waarover zij kan be-
schikken, onder hare kinderen uit te deelen; haar H.
Hart brandt van liefde om hen gelukkig te maken.
En inderdaad, waarom zou Maria, gelijk wij gezien
hebben, als schatbewaarster over de hemelsche goede-
ren aangesteld zijn, zoo niet om er van uit te deelen ?
Waarom zou Maria als Moeder van God een onbeperk-
te macht gegeven zijn, zoo niet om er gebruik van
te maken ? Hoe zou Maria zich onze Middelares kun-
nen noemen ? Hoe zou zij zich op den titel van Moe-
der durven beroemen, zoo zij geen belang stelde in
hare kinderen ? O neen, Maria! Verre van ons die voor
u zoo beleedigende gedachte; wij weten, en wij zijn er
ten volle van overtuigd, dat gij ons niet alleen kunt,
maar dat gij ons ook wilt helpen, wijl gij onze Midde-
lares, wijl gij onze Moeder zijt.
Eindelijk zeg ik, dat Maria ons zal helpen, mits wij
onze toevlucht tot haar nemen, en van daar dat de
H. Kerk Maria noemt getrouwe Maagd, (i)
III.
Om ons te overtuigen, B. B., dat Maria ons zal helpen,
mits wij onze toevlucht tot haar nemen, hebben wij de
geschiedenis van achttien eeuwen. En inderdaad; leest
de gewijde en de ongewijde geschiedenis, overal zal zij
u spreken van de hulp, den bijstand en de bescherming
van Maria. Bezoekt de landen, steden en dorpen: gan-
sche landen, steden en dorpen zult gij aantreffen, door
Maria geholpen, bijgestaan en beschermd. Treedt binnen
in de prachtige paleizen der grooten en in de scha-
(1) Virgo fidelis (Lit. Laur.)
-ocr page 398-
— 394 —
mele hutten der armen, overal zult gij sporen van Maria\'s
macht en goedheid aantreffen, \'t Is niet noodig, \'t is
ook onmogelijk al de weldaden, zelfs maar de wonderen
op te sommen, door de voorspraak van Maria bekomen,
\'t Zij genoeg, B. B., in \'t algemeen gezegd, dat tel-
kens, als de een of andere ramp naar ziel of naar lichaam
af te weren, als de een of andere gunst naar ziel of naar
lichaam te bekomen viel, dat de allerheiligste Maagd Maria,
getrouw aan hare zending, steeds goedgunstig de gebeden
verhoorde, vooral van hem, die met betrou wen zijne toevlucht
tot haar nam. Vandaar, dat zich telken jare talrijke pel-
grims, hetzij afzonderlijk, hetzij in processie, spoeden naar
het een of ander heiligdom van Maria, om hunne Moeder
te eeren en te bidden, en dat zij blijgezind en voldaan
huiswaarts wederkeeren. Vandaar die talrijke en prach-
tige tempels, alom de gansche wereld door ter eere van
Maria gebouwd, en de ontelbare offers, waarmede zij
versierd zijn. Waarom vindt men zelfs in de.eenvoudig-
ste dorpskerk naast het altaar van den Zoon ook het
altaar van de Moeder opgericht? Waarom die kapellen,
die beelden Maria ter eer, welke men aantreft, niet al-
leen in de straten der volkrijke steden en vlekken, maar
ook langs de eenzame wegen, in bosschen en velden,
tot op de bergen en in de valleien? Waarom die talrijke
broederschappen en congregatien, waarin de geloovigen
van beider geslacht, van alle staten en standen opgeno-
men, zich onder de banier van Maria scharen, en die
goede Moeder tot hunne bijzondere beschermster kiezen?
Dat alles, B. B., ik vraag het, geeft het niet te kennen,
verkondigt het niet wijd en zijd, niet alleen het betrou-
wen, dat de menschen op Maria stellen en waarmede
zij die goede Moeder aanroepen, maar ook de getrouw-
heid van Maria in het verhooren van de gebeden harer
-ocr page 399-
— 395 —
kinderen ? Te recht dus mogen wij met den H. Ber-
nardus, een der grootste dienaren van Maria, zeggen, dat
men nooit te vergeefs Maria aangeroepen heeft, dat alle
goed ons door de tusschenkomst van Maria gewordt, on-
der anderen de genade van roeping, van bekeering, van
volharding, van voorbeschikking, en bijgevolg, gelijk de
H. Bernardus durft beweren, dat wij niets kunnen be-
komen tenzij door Maria, wijl het de wil van God is,
dat ons alles door Maria gewordt. Dezelfde Heilige, zich
tot Maria richtende, durft ook beweren en zeggen: Ik
stem er in toe, o H. Maagd! dat men nooit meer van
uwe barmhartigheid gewage, bijaldien er in de wereld
een enkel persoon is, die durft zeggen, dat gij, met be-
trouwen en vurig door hem aangeroepen, doof zijt ge-
bleven voor zijne bede. En inderdaad, B. B., het kan
niet anders. Immers, toen Maria nog op aarde verkeerde,
was zij reeds de Moeder der barmhartigheid, vol mededoo-
gen met de menschen; en thans in den hemel verheven, be-
ter bekend met onze ellenden en noodwendigheden, zou zij
minder de moeder der barmhartigheid, zou zij minder vol
mededoogen met ons zijn? Neen, B. B., maar met Maria\'s
verheffing in den hemel is steeds haar mededoogen met
ons op aarde aangegroeid. Wie wij dus ook zijn, hetzij
zondaren, hetzij rechtvaardigen, nemen wij met betrouwen
onze toevlucht tot Maria. Voor de zondaren is die ge-
trouwe Maagd vol barmhartigheid; zij is hunne Midde-
lares en Voorspreekster bij God. Zij wendt de straffen,
waarmede de zondaren bedreigd worden, van hen af, en
zij verkrijgt voor hen de genade der bekeering. Voor
de rechtvaardigen is die getrouwe Maagd vol liefde. In
hun leven helpt zij hen in alles wat voordeelig is, doch
in hun uiterste, in het uur des doods, troost en verlicht
zij hen; zij belet de bekoringen, beschermt hen tegen
-ocr page 400-
— 396 —
hunne vijanden, en eindelijk helpt zij hen tot de eeuwige
zaligheid. Wie wij dus ook zijn, hetzij zondaren, hetzij
rechtvaardigen, naderen wij met betrouwen tot Maria ;
werpen wij ons voor hare voeten neder, en roepen wij
tot haar: H. Maria ! o machtige, o goedertieren, o ge-
trouwe Maagd! bewaar, help en bescherm ons, en bid
voor ons nu en in het uur van onzen dood.
SLUITREDE.
Zietdaar, B. B., u genoegzaam bewezen, waarom wij
met betrouwen onze toevlucht tot Maria mogen nemen.
Maria is de Koningin van hemel en aarde en de Moeder
van God, en in die hoedanigheid is zij als het ware al-
machtig; bijgevolg kan zij ons helpen. Maria is de Mid-
delares en de Moeder der menschen, en in die hoedanig-
heid is zij vol goedheid en barmhartigheid; bijgevolg wil
zij ons helpen. Maria heeft zooveel anderen geholpen,
die met betrouwen hunne toevlucht tot haar genomen
hebben, de geschiedenis leert het ons; bijgevolg zal zij
ons ook helpen, mits wij met betrouwen onze toevlucht
tot haar nemen. O, B. B., vluchten wij in dien Toren
van David, (i) want zoo noemt onze Moeder de H. Kerk
Maria; Toren, die van onverwinbare bolwerken voorzien
is; Toren, die pal staat tegen alle bestormingen en aan-
vallen van de vijanden onzer zaligheid; Toren, die ons
tot borstwering verstrekt tegen alle gevaren; Toren,
waarin allen, die er zich in bevinden, in veiligheid zijn.
Bijgevolg, vluchten wij, ik herhaal het, in dien Toren, d. i.,
stellen wij ons onder de bescherming van Maria. Vernieu-
wen wij vooral vandaag, ter gelegenheid van het be-
(1) Turris davidica (Lit. Laur,)
-ocr page 401-
— 397 ~
schermingsfeest van Maria, onze toewijding aan die goede
Moeder; betuigen wij haar, dat wij altoos hare getrouwe,
verkleefde kinderen willen zijn; beijveren wij ons van het
steeds te blijven, en zijt verzekerd, B. B., want het lijdt
geen twijfel, Maria zal ons onder hare bescherming ne-
men, zij zal ons bewaren voor alle kwaad, en vooral
voor de zonde ; en na het geluk gehad te hebben —
want het is inderdaad een geluk, en een groot geluk —
na het geluk gehad te hebben, van als getrouwe, ver-
kleefde kinderen van Maria door haar beschermd en
bewaard te zijn geweest hier op aarde, zullen wij ook
nog het onuitsprekelijk geluk genieten, van als kinderen
van Maria door haar ontvangen te worden in den hemel.
Amen.
^^^^
-ocr page 402-
ZES EN TWINTIGSTE PREEK.
Kerkwijding.
Domus mea domus orationis vocabüur.
Mijn huis zal een huis des gebeds ge-
noemd worden.
               Matth. xxi, 13.
INHOUD.
VOORREDE.
Wat eene kerk is, ligt in de tekstwoorden opgesloten.
De kerk is het huis Gods, daarin moeten wij God eeren.
— De kerk is een huis des gebeds, daarin moeten wij
God bidden.
VERDEELING.
I. De kerk is het huis Gods ;
II. De kerk] is het huis des gebeds.
I.
De kerk is het huis Gods, waar wij God eer en hulde
moeten bewijzen. — God is overal tegenwoordig en moet
overal geëerd worden; doch Hij wil op bijzondere plaat-
sen, zoo als in de kerken geëerd worden. — Abel en
Noë. — Mozes en het Tabernakel. — Salomon en de
tempel van Jeruzalem. — Waarom was die tempel zoo
-ocr page 403-
~ 399 —
eerbiedwaardig? Om de Ark des Verbonds en de twee
steenen tafelen. — Hoeveel te eerbiedwaardiger zijn dan
onze kerken, waarin God in persoon tegenwoordig is. —
Verschil tusschen den tempel van Jeruzalem en onze
kerken. — De Christenen zijn meer bevoorrecht dan de
Joden. — Onze kerken zijn nog eerbiedwaardig om de
doopvont, den biechtstoel, den predikstoel, de commu-
niebank, het altaar. — Men moet de kerk vol eerbied
binnentreden, zich eerbiedig in de kerk gedragen. —
Waarom komen zekere Christenen naar de kerk ? Om
gezien te worden, om anderen te zien. — Hoe gedragen
zij zich in de kerk? Zij praten, lachen en zien daar rond. —
Zekere Christenen beleedigen God in de kerk, met ge-
dachten, begeerten, woorden en werken. — De Engelen
werpen zich vol eerbied voor Jezus in het H. Sacrament
neder; de oneerbiedige christenen buigen nauwelijks hunne
knieën. —• De Machten sidderen en beven; de oneerbie-
dige Christenen lachen en praten. — Geduld en lank-
moedigheid van God. — De Bethsamieten en de Ark. —
De koopers en de verkoopers uit den tempel gedreven.
— Zoo God de oneerbiedige Christenen nu niet straft,
later zal Hij hen des te strenger straffen.
II.
De kerk is een huis des gebeds. — God is overal tegen -
woordig en hoort overal onze gebeden; doch Hij wil dat wij
Hem in de kerk komen bidden, om verhoord te worden. —
Woorden van God tot Salomon over den tempel van
Jeruzalem: hoe veel te meer zijn die woorden op onze
kerken toepasselijk. — Jezus-Christus is onder ons tegen-
woordig, Hij bidt met en voor ons. — Wij moeten ons
naar de kerk begeven om te bidden, want wij hebben
-ocr page 404-
— 4°° —
hulp noodig. — Die bekoord wordt, die gebukt gaat
onder den last zijner zonden, die niet weet wat aanvan-
gen, die honger en dorst heeft naar ziel en naar lichaam,
die bedroefd is over den dood van een bloedverwant of
vriend, hij begeve zich naar de kerk om Jezus te bidden.
— Jezus, in de kerk tegenwoordig, is dezelfde Zaligma-
ker, die eertijds weldoende rondwandelde, even machtig,
even genegen om ons wel te doen. — Niemand wordt
belet tot Jezus te naderen. — Verschil tusschen het pa-
leis eens konings en de kerk, tusschen een koning dezer
aarde en God, den Koning der koningen. — Waarom
gaat men niet meer naar de kerk ? Omdat men zijne
noodwendigheden niet kent of niet wil kennen; omdat
men niet geloof genoeg heeft; omdat men geene zorg
genoeg draagt voor zijne ziel en zaligheid. — Waarom
wordt men niet verhoord, alhoewel men bidt? Omdat
men zaken vraagt die men niet noodig heeft, en omdat
men niet bidt gelijk het behoort.
SLUITREDE.
De kerk is het huis Gods; wij moeten God daar eer
en hulde bewijzen; wij moeten ons wachten voor alle
ongestichtheid, als praten, lachen, rondzien, enz. — De
kerk is een huis des gebeds; wij moeten dikwijls naar
de kerk gaan, om God te bidden voor ons zelven en
voor anderen, — wij moeten bidden met eerbiedigheid,
aandachtigheid en godsvrucht. — Wij zelven zijn
tempels van den levenden God, die tempels moeten wij
versieren met allerlei deugden. — Wee den onteerder
van den tempel Gods ! — Wijden wij ons opnieuw aan
God toe, en beijveren wij ons, om door werken van
boetvaardigheid en versterving steenen te worden, ge-
schikt voor den opbouw van het hemelsch Jeruzalem.
-ocr page 405-
— 401 —
ZES EN TWINTIGSTE PREEK.
Kerkwijding.
Domus mea domus orationis vocabitur.
Mijn huis zal een huis des gebeds ge-
noemd worden.
             (Matth. xxi, 13.)
VOORREDE.
De gedachte, B. B., welke wij ons van de kerken
moeten vormen, vooral, nadat zij plechtig aan den dienst
van God zijn toegewijd; die gedachte ligt in mijne
tekstwoorden opgesloten. Ja, onze goddelijke Zalig-
maker leert ons in zijn Evangelie, wat onze kerken zijn.
De kerken zijn huizen, welke God, de Koning der ko-
ningen, tot zijne woonplaats verkozen heeft, om daar de
eer en hulde die Hem toekomen, van ons zijne die-
naren te ontvangen. De kerken zijn huizen, waar Hij
ons uitnoodigt om Hem te komen vragen, al wat wij
noodig hebben, waar Hij zich gewaardigt onze gebeden
te verhooren en ons met allerlei weldaden en genaden
te overladen.
Wijl wij heden het plechtig feest vieren van de wijding
van alle kerken, over den ganschen aardbodem verspreid,
heb ik voorgenomen u in korte woorden te verklaren,
wat eene kerk is. Ik zeg dus:
I. De kerk is het huis Gods; bijgevolg moeten wij
God daar eer en hulde bewijzen;
II. De kerk is een huis des gebed; bijgevolg moeten
wij ons naar de kerk begeven om God daar te
bidden.
26.
-ocr page 406-
— 4°2 —
I.
De kerk, B. B., is vooreerst het huis Gods; bijgevolg
moeten wij God daar eer en hulde bewijzen.
God wel is waar is alom tegenwoordig, overal ver-
dient Hij geëerd en aanbeden te worden; doch al-
hoewel God alom tegenwoordig is en verdient geëerd
en aanbeden te worden, nochtans heeft Hij zekere plaat -
sen uitgekozen, waar Hij bijzonder wil geëerd en aan-
beden worden.
In de eerste tijden reeds zien wij een Abel, een Noë
op Gods bevel altaren oprichten, en op die altaren hun-
nen Heer en God offers opdragen.
Mozes, de vriend van God, de aanvoerder van zijn
uitverkoren volk, maakt een tabernakel, waarvan God
zelf het plan gegeven had.
Wie onzer heeft niet gehoord van den prachtigen, wereld-
beroemden tempel, dien Salomon den God van Israël
deed bouwen ? En wat deed van alle kanten der wereld,
èn Joden, èn Heidenen naar dien tempel toestroomen?
Wat maakte dien tempel eigenlijk zoo eerbiedwaardig?
\'t Was onder anderen de Ark des Verbonds, waarmede
God zoovele wonderen had gewrocht; \'t waren de twee
steenen tafelen, waarin God zijne tien geboden geschreven
had, en die Hij aan Mozes had overhandigd; alle en
meer andere voorwerpen ongetwijfeld, die den tempel
van Jeruzalem eerbiedwaardig maakten. Doch, B. B., ik
vraag het, wat is dat alles in vergelijking van hetgeen
zich in onze tempels of kerken bevindt ? Wat bezitten
wij in onze kerken? Ondervraagt uw geloof, dat u niet
bedriegen kan, wijl het steunt op de waarachtigheid van
God; Quid est hoef (r) Wat is daar tegenwoordig in
(1) Ex. xvi, 15.
-ocr page 407-
— 403 —
het heilig tabernakel? Ja, Heer Jezus! ik geloof in U,
omdat Gij de eeuwige waarheid zijt. Gij hebt het ge-
zegd : Hoc est corpus meutn: Dit is mijn lichaam: Hic
est enim sanguis meus:
(i) Dit is mijn bloed. Ja, Heer
Jezus! ik geloof vastelijk, dat Gij in deze kerk in uw
heilig tabernakel tegenwoordig zijt, met godheid en
menschheid, met ziel en lichaam, met vleesch en bloed,
gelijk Gij thans glorievol in den hemel zijt. Welk een
verschil dus, B. B., tusschen den tempel van Jeruzalem
en onze kerk ! Daar rustte de Ark des Ouden Verbonds;
hier rust de levende Ark des Nieuwen Verbonds, en
waarvan de eerste slechts een afbeeldsel was. Daar
werden bewaard de twee steenen tafelen, waarin de tien
geboden geschreven stonden; hier wordt bewaard degene,
die de tien geboden gegeven heeft, de Wetgever zelf van
den Sinaï, Jezus-Christus, die thans aan de rechterhand
van God zijn hemelschen Vader in het rijk der hemelen
gezeteld is, en die nogmaals, namelijk, op het einde der
wereld, zal wederkomen om naar zijne tien geboden te
oordeelen de levenden en de dooden. Ja, B. B., de liefde,
welke Jezus uit den hemel in een arme kribbe te Bethleëm
heeft doen nederdalen; de liefde, welke Hem op den
Golgotha aan het kruis heeft verheven; diezelfde liefde
doet Hem nog onder ons wonen, doet Hem onder ons
verblijven in onze kerken in zijn aanbiddelijk Sacrament.
Wij Christenen, wij mogen dus met veel meer recht
dan de Joden zeggen, dat er geen volk bestaat, zoo
bevoorrecht als wij: Non est alia natio tam gran-
dis
(2), wijl God niet in figuur, maar in persoon, wezen-
lijk onder ons tegenwoordig is. Van deze kerk mogen
wij naar waarheid zeggen: Ecce tabernaculum Dei cum
(1) Matth. xxvi, 26—28. (2) Deut. iv, 2.
-ocr page 408-
— 4©4 —
hominibus. (i) Zietdaar de woonplaats van God met de
menschen. God zelf is met de Christenen : Ipse Deus
cum eis:
de Christenen zijn inderdaad zijn volk: Ipsi
populus ejus erunt.
Doch niet alleen wijl Jezus-Christus hier in zijn taber-
nakel onder ons tegenwoordig is, ook nog om andere
redenen zijn onze kerken eerbiedwaardig. Wat ont-
moet, wat ziet men daar? Doorgaans aan den ingang
der kerk ziet men de doopvont. In de heilzame waters
des H. Doopsels wordt de mensch gezuiverd van de
erfzonde. Het kind. dat zooeven ter wereld kwam, be-
smeurd met de erfzonde en onbekwaam van ooit in den
hemel te komen, dat kind wordt herboren, gereinigd en
bekwaam gemaakt van eenmaal de goederen des hemels
te erven. Een weinig verder ziet men den biechtstoel.
Daar kan de verloren zoon zich met den besten der
vaders, tegen wien hij was opgestaan, verzoenen; die
Vader is gereed hem zijne zonden te vergeven, mits hij
er berouw over hebbe, met het vaste voornemen van
ze niet meer te bedrijven. In \'t midden der kerk ziet
men den predikstoel, van welken God in persoon van
den priester tot zijn volk spreekt. Hij maakt het zijne
geboden en bevelen bekend; Hij onderwijst de onwe-
tenden, verlicht de blinden, bekeert de zondaren en brengt
hen tot het pad der deugd terug. Aan den ingang van
het koor ziet men de communiebank, de H. Tafel, waar-
aan de God van goedheid en liefde zijne kinderen ont-
vangt en hen spijst met zijn goddelijk vleesch en bloed.
Aan het einde van het koor ziet men het H. Altaar,
waarop onze goddelijke Zaligmaker dagelijks het grootste
der wonderen verricht. Immers, dagelijks wordt in onze
(1) Ap. xxi 3
-ocr page 409-
— 40S —
kerken het H. Sacrificie der Mis opgedragen, waarin
Jezus-Christus, die zich op den Calvarieberg eenmaal op
eene bloedige wijze opgeofferd heeft, zich nog dagelijks
opoffert op een onbloedige wijze, tot glorie van God en
tot zaligheid der menschen. \'t Is vooral het H. Sacrificie
der Mis, dat onze kerken zoo eerbiedwaardig maakt.
Wanneer wij, B. B., dat alles met aandacht overwe-
gen, wanneer wij wel nagaan, wie er in onze kerken
verblijft, en welke geheimen er in verricht worden, mep
welken eerbied moeten wij dan niet bezield zijn, als wij
de kerk binnentreden! Hoe eerbiedig moeten wij ons
niet gedragen, zoo lang wij in de kerk verblijven! Hoe
schrikverwekkend is deze plaats! moest een ieder bij zich
zelven met Jacob zeggen: Qnam terribilis est loens iste!
dit gebouw is inderdaad niets anders dan het huis Gods
en de deur des hemels: Non est hic alitid nisi domus
Dei et porta coeli.
(i) En nochtans, B. B., men vindt
personen, die dat alles schijnen vergeten te zijn, of voor
het minste, die er niet aan denken. Is het niet bekla-
genswaardig, ik vraag het, te zien, hoe zekere Christenen
zich in de kerk gedragen? Doch waarom gaan zij naar
de kerk? Gaan zij naar de kerk om God eer en hulde
te bewijzen? Gaan zij niet eerder naar de kerk om ge-
zien te worden, om eens te toonen wie en wat zij zijn,
om te doen blijken wat zij bezitten? Gaan zij niet naar
de kerk om dezen of genen persoon te zien, om na de
godsdienstplechtigheden bij elkander te komen? En hoe
gedragen zij zich in de kerk? Is het niet betreurens-
waardig te zien, hoe grootelijks zekere Christenen
zich in de kerk vergeten. Zij nemen j in de kerk, in de
tegenwoordigheid van den driewerf heiligen God, eene
(1) Gen. xxviii, 17.
-ocr page 410-
— 4°6 —
houding aan, waarover zij beschaamd zouden staan in
de tegenwoordigheid van een fatsoenlijk mensch. Zij
praten en lachen in de kerk, juist gelijk op straat. Zij
zien rechts en links rond, juist alof zij op een marktplein
stonden. Zij werpen oogslagen, zij denken vrijwillig aan
zaken, waarmede men zich nooit of nergens mag bezig
houden. O, B. B., op dergelijke Christenen mag men
de woorden van den Profeet Jeremias toepassen: Dilectus
meus in domo mea fecit scelcra multa^i):
Degene, dien
ik beminde, heeft in mijn huis veel misdaden bedreven.
Dien ik beminde, zegt God, Dilectus meus, d. i., de
Christen, dien ik vóór anderen liefhad; in mijn huis,
voegt God er bij, in domo mea, d. i., in de kerk, wei-
licht op het oogenblik, dat Jezus Christus zich aan
God zijn hemelschen Vader opoffert. Zij zijn niet
tevreden, die ongelukkigen, hunnen Heer en God elders
te vergrammen, te huis, op het veld, in de een-
zaamheid, in het verborgen; zij drijven de schaamteloos-
en stoutmoedigheid zoover, dat zij den Heilige der
Heiligen in zijn heiligdom zelf aanranden. En terwijl de
Engelen vol eerbied zich voor God in zijn H. Sacra-
ment nederwerpen, terwijl de Machten sidderen, de oneer-
biedige Christenen, die zwakke stervelingen, die nietige
aardwormen, welke weldra tot stof en asch, waaruit zij
gemaakt zijn, zullen wederkeeren, zij buigen nauwelijks
hunne knieën voor God; zij praten en lachen in de kerk,
zij onteeren en beleedigen God in zijn heiligdom. O,
groote God! Ik bewonder uw geduld, uwe lankmoedig-
heid! Waarom doet gij uit uwe tabernakels het vuur niet
te voorschijn komen om die oneerbiedigen te verteeren?
Op die wijze hebt Gij de Bethsamieten wel gestraft, die
(1) Jer. xi, 15.
-ocr page 411-
— 407 —
te nieuwsgierig de Ark des Ouden Verbonds aanschou w-
den. Of waarom drijft gij die schaamteloozen uw heilig-
dom, uwe kerk niet uit, Gij die eertijds de koopers en
verkoopers met eene zweep, uit koorden gevlochten, uit
den\' tempel van Jeruzalem dreeft?- God, gelijk ik zoo
even gezegd heb, is geduldig, lankmoedig; doch zoo Hij
niet op staanden voet de oneerbiedigheden in zijn huis
bedreven straft, Hij zal ze toch eenmaal, vroeg of laat,
naar verdiensten en streng straffen. Om dus die straffen
te voorkomen, B. B., wachten wij ons wel voor alle on -
eerbiedigheid in de kerk.
De kerk, gelijk wij komen te zien, is het huis Gods :
Domus mca: bijgevolg moeten wij God daar eer en
hulde bewijzen. Doch de kerk is op de tweede plaats
ook een huis des gebeds: Domus orationis vocabitur;
bijgevolg moeten wij ons naar de Kerk begeven, om God
daar te bidden.
II.
De God, dien wij dienen, B. B., is niet gelijk de goden
der Heidenen. Die goden hebben oogen, maar zien niet ;.
zij hebben ooren, maar hooren niet. De God der Chris-
tenen, die overal tegenwoordig is, ziet en hoort alles.
Alhoewel God dus onze smeekingen overal hoort, noch-
tans heeft Hij onze kerken uitgekozen, waar Hij verlangt,
dat wij Hem komen bidden, en waar Hij onze gebeden,
bereidwillig verhoort.
God, B. B., had aan Salomon beloofd, dat Hij allen,
die Hem in den tempel te Jeruzalem zouden komen bid-
den, de uitgelezendste gunsten zou bewijzen. Mijne oogen,
zoo sprak God, zullen op hen geopend zijn: Oculi mei
erunt aperti,
en mijne ooren zullen aandachtig luisteren
naar het gebed van hen, die Mij in die plaats zullen
-ocr page 412-
— 408 —
bidden: Et aures meae erectae ad orationetn eorum, gut
in loco isto orabunt.
(i) Daarom begaf zich het volk
van Israël, als het in nood verkeerde, naar den tempel,
bad daar, en God verhoorde het goedgunstig. Welnu,
B. B., zoo God de • Israëlieten, die in den tempel van
Salomon kwamen bidden, verhoorde, hoeveel te meer
zal Hij dan ons Christenen verhooren, als wij Hem in
zijne heiligdommen komen bidden. Jezus-Christus, die in
het heilig tabernakel onder ons tegenwoordig is, zal bij
zijn hemelschen Vader voor ons ten beste spreken; ja,
Hij zal met en voor ons bidden; en hetgeen wij wegens
onze zwakke en gebrekkige gebeden niet verdienen te
bekomen, zal Hij voor ons verkrijgen. Ziedaar eene
krachtige beweegreden van ons dikwijls naar de kerk te
begeven, die een huis des gebeds is, en waar God als
het ware zitting houdt om ons te verhooren. Daaren-
boven, moeten wij niet door God geholpen en bijgestaan
worden? Zeer zeker, B. B., want wat zijn wij, zoo niet
arme, ongelukkige schepselen, met allerlei ellenden ge-
slagen naar ziel en naar lichaam? Waarom dan in die
ellenden gebleven? Waarom spoeden wij ons niet naar
de kerk, om onzen nood te klagen bij God, die ons kan
en wil helpen?
Gij wordt, bijv., dikwijls en hevig bekoord. Begeeft u
naar de kerk tot Jezus, die in de woestijn den duivel,
die Hem bekoorde, overwonnen heeft; Hij zal u leeren,
hoe gij de aanvallen van den duivel en van de overige
vijanden uwer zaligheid zegevierend kunt afslaan.
Gij gaat gebukt onder den last uwer zonden, gij zijt
bevreesd, en met reden, van weldra voor den rechterstoel
van God te moeten verschijnen. Spoedt u naar de kerk,
(1) n Par. vu, 15.
-ocr page 413-
— 409 —
werpt u neder aan de voeten van een biechtvader, en
God zal u uwe zonden vergeven, gelijk Hij eertijds Maria
Magdalena hare zonden vergeven heeft.
Gij weet niet wat aanvangen, alles is twijfelachtig,
duister voor u. Gaat tot Jezus in zijn H. Sacrament;
Hij zal u verlichten, evenals den blinde van Jericho.
Gij hebt honger en dorst naar ziel en naar lichaam.
Gaat tot Jezus in de kerk, Hij zal uwe hongerige en
dorstige ziel spijzen en laven met zijn goddelijk vleesch
en bloed in de H. Communie; Hij zal u spijzen en laven
naar het lichaam, d. i., Hij zal zorgen dat er op de
een of andere wijze worde voorzien in uw lichamelijken
nood.
Gij zijt terneergeslagen, gij treurt over den dood van
den een of anderen persoon, die u dierbaar was. Gaat
naar de kerk, bidt den goeden God; God zal u troosten,
evenals Hij de weduwe van Naïm troostte: niet, dat Hij
u den persoon, dien gij door den dood verloren hebt,
terug zal geven; doch Hij zal u de genade geven, om
met overgeving aan zijn goddelijken wil, met geduld en
ook met verdiensten uw verlies te verdragen.
En inderdaad, B. B.; is het niet dezelfde Zaligmaker,
die thans in onze tabernakelen tegenwoordig is, en die
eertijds onder de menschen rondwandelde, overal wei-
doende? Is Hij niet even machtig, even genegen om
ons wel te doen, mits wij ons zijne weldaden waardig
toonen en tot Hem naderen ? En wie belet ons van tot
Hem te naderen ? Welk een verschil tusschen de ko-
ningen dezer aarde en God, den Koning der koningen!
Bij een koning dezer aarde wordt niet eenieder toege-
laten; \'t zijn slechts eenige bevoorrechte personen, welke
die gunst bekomen ; velen daarentegen, die verhoor vra-
gen, worden afgewezen. Onze goddelijke Zaligmaker,
-ocr page 414-
— 4\'° —
B. B., handelt zoo niet; Hij verstoot niemand; de deur
van zijn paleis staat voor iedereen open, voor de armen
zoowel als voor de rijken: allen zijn Hem welkom en
worden verhoord, mits zij vragen gelijk het behoort.
O, B. B., bijaldien de Koningen dezer aarde aan hunne
onderdanen vrijen toegang verleenden; bijaldien zij, bijv.,
aan de armen en noodlijdenden zeiden : Komt allen tot ons,
wij kunnen en willen u goed doen; gij behoeft slechts te
vragen, en wij zullen u uit uwe armoede en uw lijden ver-
lossen ; ongetwijfeld, men zou eene menigte ongelukkigen
naar de paleizen dier koningen zien stroomen, om gehol-
pen te worden. Welnu, het paleis van God, d. i., de
kerk staat dagelijks voor allen open. God zelf is daar
tegenwoordig, bereid om zijne genaden en weldaden uit
te deelen aan hen, die er om vragen. Waarom begeeft
men zich dan niet meer naar de kerk? Wilt gij de
reden weten? Men kent, of liever, men wil zijne ellenden
en noodwendigheden niet kennen; men stelt niet belang
genoeg in zijne ziel en zaligheid; men heeft niet geloof
genoeg. Waarom verkrijgt men niet, zelfs dan, als men
naar de kerk gaat en daar bidt? Omdat men zaken
vraagt, die men niet noodig heeft; of wel, omdat men
ze niet vraagt gelijk het behoort, d. i., in eene slechte
gesteltenis. Ziedaar, B. B., waarom er onder ons Chris-
tenen zoo vele armen en bedrukten, zoovele ellendigen
en ongelukkigen gevonden worden: men gaat niet naar
de kerk en bidt niet; of wel, men bidt niet gelijk het
behoort.
SLUITREDE.
De kerk, B. B., is, gelijk wij gezien hebben, het huis
Gods: Domus mea. God zelf is daar tegenwoordig in
zijn H. Sacrament. Wij moeten in de kerk God eer en
-ocr page 415-
— 4" —
hulde bewijzen, en bijgevolg moeten wij ons daar wachten
van alle ongeschiktheid, als lachen, praten, rondzien, enz.
De kerk is een huis des gebeds: Domus crationis
vocabitur.
Wij moeten ons dus naar de kerk begeven,
en zoo dikwijls mogelijk, om God daar te bidden, om
Hem te vragen al wat wij noodig hebben voor ons zelven
en voor anderen, en God zal het ons geven, mits wij
vragen hetgeen wij noodig hebben, en het vragen gelijk
het behoort, met eerbiedigheid, aandachtigheid en gods-
vrucht.
Ten slotte, en om in den geest van het feest van
heden te treden, ziethier nog eene korte aanmerking. De
Apostel Paulus in zijn tweeden brief aan de Corinthiërs
zegt, dat wij Christenen de tempel zijn van den levenden
God: Vos estis templum Dei vivi. (i) En inderdaad ; in
het H. Doopsel zijn wij God op eene bijzondere wijze
toegewijd; in het H. Doopsel heeft God van ons, als van
zijne woonplaats, bezit genomen. Die levende tempels van
God nu, welke wij zelven zijn, ons lichaam en onze ziel,
moeten wij versieren, evenals men eene kerk, die God toe-
gewijd wordt, versiert; doch wij moeten ze versieren met
allerlei deugden, vooral met de drie goddelijke deugden:
met een levend geloof, met eene vaste hoop en eene
brandende liefde. Wee hem! die den tempel Gods durft
schenden; God, zegt dezelfde Apostel Paulus, zal hem
verdelgen: Si quis templum Dei violaverit disperdet illum
Dominus.
(2) Wee hun! die van de levende tempels van
God als het ware schuilplaatsen maken van roovers, d. w. z.,
die, door zich aan hunne schandelijke driften over te geven,
hunne lichamen, ledematen van Jezus-Christus geworden,
onteeren door de zonde; door de zonde van overdaad
(1) in Cor. vi, 16. (2) Cor. 111, 17.
-ocr page 416-
— 412 —
en dronkenschap, door de zonde van onkuischheid en
andere buitensporigheden. God zal hen streng straffen,
en zelfs strenger straffen dan de onteerders van zijne
Kerken. Daarom, wachten wij ons wel voor die misdaad,
B. B., en terwijl wij vandaag vieren het plechtig feest
van de toewijding van alle kerken aan God, vernieuwen
wij ook de toewijding van ons zelven aan God. Verzaken
wij dus vandaag op nieuw aan den duivel, aan zijne
werken en pomperijen, gelijk wij in het H. Doopsel ge-
daan hebben; verzaken wij aan de bedorven wereld en
hare vermaken; verzaken wij aan de begeerlijkheid des
vleesches. Maken wij van onze harten als zoovele alta-
ren, waarop wij God dank- en zoenoffers opdragen: dank-
offers, B. B., voor alle ontvangen genaden en weldaden;
zoenoffers, om te voldoen voor onze zonden door werken
van boetvaardigheid en versterving; want, B. B., evenals
de marmeren steenen met hamer en bijtel moesten be-
werkt worden, alvorens gebruikt te kunnen worden voor
den tempel van Jeruzalem, zoo ook moeten wij ons als
het ware bewerken vooral door boetvaardigheid en ver-
sterving, om als levende steenen te kunnen gebruikt
worden voor een geestelijken tempel, namelijk, voor~dien
van het hemelsch Jeruzalem. Amen.
s^«—s-^^^-a^-s-T.
-ocr page 417-
ZEVEN EN TWINTIGSTE PREEK.
De Onbevlekte Ontvangenis van Maria.
Inimicitias ponam inter (e et mulierem....
ipsa conteret caput tuum.
Ik zal vijandschap stellen tusschen u
en de vrouw.... zij zal u den kop ver-
pletteren.
                         (Gen. m, 15.)
INHOUD.
VOORREDE.
De Engel en de mensch zijn de volmaaktste schepselen
Gods. — De Engel is volmaakter dan de mensch. —
Opstand van Lucifer tegen God. — Strijd van Michaël
tegen Lucifer, en Lucifer uit den hemel nedergeworpen
in den afgrond der hel. — Eva door den duivel bekoord
én overwonnen. — Woorden van God tot den duivel:
Ik zal vijandschap stellen, enz. — Die woorden bevatten
de Onbevlekte Ontvangenis van Maria.
VERDEELING.
I. De Onbevlekte Ontvangenis van Maria in de Oude
Wet afgebeeld;
II. De Onbevlekte Ontvangenis van Maria steeds
meer en meer opgehelderd;
III. De Onbevlekte Ontvangenis van Maria tot ge-
loofspunt verheven.
-ocr page 418-
— 414 —
I.
De Onbevlekte Ontvangenis van Maria is in de Oude
Wet afgebeeld. — Woorden van den H. Augustinus en
van den Apostel Paulus. — Afbeeldsels van Maria: Het
aardsch paradijs, de ark van Noë, de duif door Noë
uitgelaten, het brandende braambosch, de vlekkelooze
spiegel, het tabernakel, de tafel der toonbrooden, het
reukaltaar en de lelie onder de doornen.
II.
De Onbevlekte Ontvangenis van Maria is steeds meer
en meer opgehelderd. — Woorden van den Aartsengel
Gabriêl tot Maria: Wees gegroet, vol van genade, de
Heer is met u. — Woorden van den hemelschen Brui-
degom tot zijne Bruid: Gij zijt geheel schoon en er is
geene vlek in U te vinden.
III.
De Onbevlekte Ontvangenis van Maria is tot geloofs-
punt verheven. — Woorden van de Kerkvergadering van
Trente. — Uitspraak van het geloofspunt door Paus Pius
IX, den 8 December 1854. — Die uitspraak drong door
tot in het hoogste des hemels, tot in het diepste der hel
en tot aan het uiteinde der Katholieke wereld.
SLUITREDE.
Wij allen moeten ons over de Onbevlekte Ontvangenis
van Maria verheugen; en opdat onze vreugde eene ware,
oprechte vreugde zij, moeten wij allen ware en oprechte
kinderen van Maria wezen, of ten minste trachten te
worden. — De rechtvaardigen moeten volharden, de
-ocr page 419-
— 4iS —
zondaren moeten zich bekeeren. — Allen moeten hunne
toevlucht nemen tot Maria, zich stellen onder hare be-
scherming en zoo de vijanden hunner zaligheid bestrijden
en overwinnen.
ZEVEN EN TWINTIGSTE PREEK.
De Onbevlekte Ontvangenis van Maria.
Iniraicitias ponam inter te et mulierera....
ipsa conteret caput tuum.
Ik zal vijandschap stellen tusschen u
en de vrouw.... zij zal u den kop ver-
pletteren.
                         (Gen. ui, 15.)
VOORREDE.
De volmaaktste schepselen Gods, B. B., zijn de Engel
en de mensch. De Engel overtreft den mensch in vol-
maaktheid, want hij is een enkele geest. Vrij geschapen
en op de proef gesteld, zijn eenige Engelen hunnen
Schepper getrouw gebleven; zij zijn in de genade be-
vestigd, en God verzekerde hun, dat zij voor eeuwig
gelukkig zouden zijn in den hemel. Zietdaar de goede
Engelen. Andere Engelen stonden op tegen hunnen
Schepper, en onmiddellijk zijn zij veroordeeld tot de hel,
waarin God hen voor eeuwig zal straffen. Zietdaar de
kwade Engelen of de duivelen. De val der Engelen had
plaats op de volgende wijze.
Een der schoonste, der volmaaktste Engelen, gelijk
zijn naam Lucifer, d. i., lichtdragend, genoegzaam aan-
duidt, stelde zich aan het hoofd der wederspannige gees-
-ocr page 420-
— 416 —
ten. In zijn hoogmoed verhief hij zijne stem en riep uit:
Ik zal hooger stijgen; ik zal boven de sterren Gods
mijnen zetel plaatsen; ik zal de hoogste wolken beklim-
men, en ik zal gelijk zijn aan den Allerhoogste: Si-
milis ero Altissimo.
(i) En ziet! eensklaps nemen dui-
zenden Engelen deel aan den opstand en sluiten zich
bij Lucifer aan. Er had een hevige strijd plaats in
den hemel. De Aartsengel Michaël, vol ijver voor de
belangen van zijnen Heer en Meester, doet den hemel
weergalmen van den kreet: Wie is gelijk God! en oogen-
blikkelijk voegen zich duizenden Engelen bij hem. Michaël
en zijne gezellen vallen Lucifer en zijne medeplichtigen
aan, verslaan hen en werpen hen van boven uit den hemel
in den afgrond der hel. Zietdaar den Engel des lichts
veranderd in den engel der duisternissen; een prins van
de Engelen des hemels veranderd in een aanvoerder van
de duivelen der hel. Vol woede tegen zijnen Schepper,
besluit Lucifer zich te wreken; doch onmachtig tegen
God en de Engelen des hemels, valt hij onze onschul-
dige stamouders Adam en Eva aan; hij zegeviert onder
de gedaante van het listigste der dieren, namelijk, van
de slang, over de zwakheid van Eva, en terwijl de hel
jubelt en juicht over de overwinning van haar opperhoofd,
op hetzelfde oogenblik kondigt God den duivel de schan-
delijkste nederlaag, door eene tweede Eva hem toe te
brengen aan, als hij zegt: Ik zal vijandschap stellen tus-
schen u en de vrouw: Inimicitias ponam inter te et
mulierem,
tusschen uw en haar zaad, inter semen tuutn
et semen ipsius,
zij zal u den kop verpletteren, ipsa con-
teret caput tunm.
(2) Troostvolle woorden voor ons, B. B.,
troostvollere, ja roemrijke voor Maria. Waarom? Omdat
(1) Is. xiv, 14. (2) Gen. m, 15.
-ocr page 421-
— 417 —
die woorden bevatten een harer schoonste voorrechten,
namelijk, de Onbevlekte Ontvangenis van Maria, \'t Is
over dat voorrecht, dat ik u vandaag, den dag der
Onbevlekte Ontvangenis van Maria, ga onderhouden. Wij
zullen dus zien :
I. De Onbevlekte Ontvangenis van Maria afgebeeld
in de Oude Wet;
II. De Onbevlekte Ontvangenis van Maria steeds meer
en meer opgehelderd;
III. De Onbevlekte Ontvangenis van Maria tot ge-
loofspunt verheven.
I.
En wel vooreerst zeg ik, B. B., dat de Onbevlekte
Ontvangenis van Maria afgebeeld is in de Oude Wet.
De Oude Wet, zoo spreekt de H. Augustinus, ging
zwanger van Christus. En wijl de Zoon niet van de
Moeder, noch de Moeder van den Zoon kan gescheiden
worden, zoo nauw, zoo innig zijn zij reeds van natuurs-
wege met elkander vereenigd, daarom mogen wij er wel
bijvoegen, dat de Oude Wet ook zwanger ging van Maria.
Doch wat beteekenen de woorden: de Oude Wet ging
zwanger van Christus, zwanger van Maria ? Die woorden,
B. B., beteekenen niets anders, dan dat de Oude Wet
een weefsel is van zinrijke afbeeldsels van Hem, die het
rijk der zonde, d. i., van den duivel, zou verwoesten,
namelijk van Jezus-Christus, en van haar, die den kop van
het helsche serpent zou verpletteren, namelijk, van Maria.
Te recht zegt dus de Apostel Paulus: Omnia in figura
contingebant Mis:
(i) Alles geschiede hun in figuren.
(1) i Cor. x, 11.
27.
-ocr page 422-
— 4-iS —
En inderdaad; van af de eerste bladzijde der H. Schrift
tot aan de laatste, van af het boek der schepping tot
aan het boek der veropenbaring, wordt er gewag ge-
maakt van Maria. Doch er wordt niet alleen gewag
gemaakt van Maria in het algemeen; ik zeg meer; er
wordt zelfs gewag gemaakt van de onbevlekte Maagd
Maria. Eene menigte figuren of afbeeldsels, in het Oude
Testament vervat, kunnen op Maria, ja zelfs op hare
Onbevlekte Ontvangenis toegepast worden. Ziethier, B. B.,
eenige dier afbeeldsels: Het aardsch paradijs, de ark
van Noë, de duif door Noë uitgelaten, het brandende
braambosch, de vlekkelooze spiegel, het tabernakel, de
tafel der toonbrooden, het reukaltaar en de lelie te mid-
den der doornen. Het eerste afbeeldsel is het aardsch
paradijs. Welk een schoon, welk een verrukkend gezicht
leverde het aardsch paradijs op vóór de zonde! In het
midden van dien schoonen lusthof prijkte de boom des
levens: Lignum vitae. (i) De veelkleurige en welrie-
kendste bloemen verspreidden alom hare geuren. Het
aardsch paradijs, die schoone lusthof, was de verblijf-
plaats van den eersten, maar van den nog onschuldigen
Adam. Doch helaas! het helsche serpent sloop het
aardsch paradijs binnen en richtte er eene verschrikke-
lijke, ja een onherstelbare verwoesting in aan.
Welnu, Maria is dat aardsch paradijs vóór de zonde,
\'t Is in het midden van dien lusthof, dat de boom des
levens, de boom der onsterfelijkheid, Jezus-Christus, ge-
plant is. Maria is dat overheerlijk paradijs, met onver-
welkbare bloemen van deugden versierd, die alom de
aangenaamste geuren verspreiden. Zij is de verblijfplaats
van den tweeden, van den immer onschuldigen Adam,
(1) Gen. u, 9.
-ocr page 423-
— 419 —
van Jezus-Christus. Doch wat meer is, en hetgeen men
vooral niet uit het oog mag verliezen; Maria is een
paradijs, waar het helsche serpent nooit is binnengeslopen.
Maria is een paradijs, waarin het niet de minste schade
heeft toegebracht. Zij is een paradijs, van den beginne
af door een Engel als het ware met een vlammend
zwaard beschermd tegen het insluipen der boosaardige
slang, van den beginne af ongeschonden bewaard van de
kleinste smet der zonde.
Een tweede afbeeldsel van de Onbevlekte Ontvangenis
van Maria is de ark van Noë.
Wie onzer kent niet de akelige geschiedenis van den
algemeenen, van den wereldomvattenden zondvloed? God
ziende, dat de kinderen der mcnschen in een stroom van
zedeloosheid bedolven lagen, zwoer van hen in een stroom
van water te verdelgen. Den rechtvaardigen Noë met
zijn gezin wilde Hij redden, en daarom gebood Hij hem
een ark te bouwen. Welnu, die ark van Noë, op bevel
van God gebouwd, verbeeldt ons Maria. Immers, even-
als de ark van Noë in de weinige rechtvaardigen, die
er zich in bevonden, het behoud van het menschdom
bevatte en zich boven de zedelooze kinderen der men-
schen, in den zondvloed bedolven, verhief, zoo ook be-
vatte de H. Maagd Maria in den Rechtvaardige bij uitstek,
namelijk, in den persoon van Jezus-Christus, den geeste-
lijken behouder van het menschdom, en zij verhief zich
boven de overige met de erfzonde bezoedelde kinderen
der menschen door hare vlekkeloosheid.
De duif, door Noë tijdens den zondvloed uitgelaten,
om te beproeven of de aarde genoegzaam opgedroogd
was, verheeldt ons ook de onbevlekte Maagd Maria.
Gelijk die duif, het zinnebeeld der zuiverheid, geene plaats
vond, waar zij kon rusten, wijl de oppervlakte der aarde
-ocr page 424-
— 420 —
met water en de toppunten der bergen met slijk en
lijken bedekt waren; zoo ook vond Maria, toen zij op
aarde verkeerde, geene plaats in de bedorvene wereld,
waar zij veilig haar vlekkeloozen voet kon nederzetten.
Het brandende braambosch, dat Mozes weleer in de
woestijn in lichte laaie vlam zag, zonder dat zijn lover
of bloesem eenigermate geschroeid werd, verbeeldt ons
de oorspronkelijke zuiverheid van Maria, welke door de
geringste vlek der zonde niet ontsierd werd. Ja, B. B., Maria
is de vlekkelooze spiegel van het boek der wijsheid,
waarvan de hemelsche volmaaktheden, die God zoo ruim-
schoots in hare reine ziel uitgestort had, afstralen.
Schoone en treffende afbeeldsels leveren ons nog op
het tabernakel, de tafel der toonbrooden, het reukaltaar
en de lelie onder de doornen. Het tabernakel, uit schoon
en onbederfelijk hout vervaardigd, waarin het manna der
woestijn was opgesloten, verbeeldt ons de onbevlekte
Maagd Maria, in wier zuiveren schoot Jezus-Christus, het
Brood des levens, rustte.
Bijaldien de tafel der toonbrooden uit gansch onbe-
bederfelijk hout gemaakt, met het fijnste goud belegd,
en met eene dubbele kroon versierd moest worden, enkel
om er stoffelijk brood op neer te leggen, hoe veel te
meer moest Maria dan onbevlekt, zuiver als goud en met
de kroon der onschuld versierd zijn, zij die uitverkoren
was, om het levend Brood, dat uit den hemel nederge-
daald is, te ontvangen, en waarvan de toonbrooden slechts
afbeeldsels waren.
Ja, Maria, de zuiverste der Maagden, is waarlijk het
reukaltaar, dat door den geur van allerlei deugden den
Zoon Gods tot zich trok, die in haar zijn welbehagen
schepte. Maria is Jezus\' teerbeminde, die evenals de
sneeuwwitte lelie in het midden der doornen, door den
-ocr page 425-
— 421 —
glans der reinheid en door den luister des maagddoms
onder de dochters van Israël bloeide : Sicnt lilium inter
spinas, sic amica inea inter filias.
(i)
Doch dit zij genoeg over de afbeeldsels der Onbevlekte
Ontvangenis van Maria, in het Oude Testament vervat.
Zien wij nu in ons tweede deel, hoe de Onbevlekte Ont-
vangenis van Maria steeds meer en meer is opgehelderd.
II.
Dat Maria geheel en al vrij is en vrij moest zijn van
alle zonde, daartoe doen ons vooreerst de woorden van
den Aartsengel Gabriël besluiten.
Door God, zijnen Meester, uit het hoogste der hemelen
naar de eenvoudige woning van Nazareth gezonden, trad
Gabriël dezelve binnen en naderde vol eerbied, ja, zelfs
van een eerbiedige vrees bevangen, zijne toekomstige
Meesteres. En waarom dien eerbied, die eerbiedige vrees
in den Engel Gabriël ? Voorzeker, B. B., omdat Gabriël
de grootheid, de verhevenheid dier ootmoedige Maagd
kende. Gabriël wist, dat Maria geenszins met ons in de
erfzonde gedeeld had; hij wist dat zij met de uitgele-
zendste voorrechten, met de kostbaarste genaden verrijkt
was; hij wist dat die zuivere Maagd de Moeder moest
worden van God, zijnen Meester. Ziedaar de reden,
waarom de Aartsengel zoo eerbiedig, als van een eerbiedige
vrees bevangen was. Hij groette Maria minzaam: Ave t
gratia plena,
zeide hij: Wees gegroet! vol van genade :
Dominus teentn: de Heer is met u: Benedicta tic inter
mulieres,
(2) gij zijt gezegend boven de vrouwen. Gij
zijt vol van genade: vol van genade van af het eerste
oogenblik van uw bestaan, wijl gij ontvangen zijt zonder
(1) Caiit. cant. 11, 2. (2) Luc. 1, 28.
-ocr page 426-
— 422 —
zonde; en gij zijt ontvangen zonder zonde, want de
Heer is met u. De Engel spreekt eigenlijk zonder den
tijd te bepalen, waarop de Heer met Maria is geweest.
Waarom? Omdat de Heer altoos met Maria is geweest.
Immers, God had reeds aan Maria gedacht voor haar
bestaan. Hij was met haar op het oogenblik harer ont-
vangenis. Waarom ? Om haar te vrijwaren van de erf-
zonde. Hij is met Maria geweest gansch haar leven.
Waarom? Om haar te bewaren voor de kleinste, de ge-
ringste smet der zonde. Hij zal op eene bijzondere wijze
met haar zijn. Waarom? Omdat zij op het punt staat
van zijne Moeder te worden, en bijgevolg is Maria ge-
zegend boven alle vrouwen. Ik zeg boven alle vrouwen,
zonder uitzondering, wijl alle overige vrouwen besmet
zijn geweest met de erfzonde, en Maria alleen er van
bewaard is gebleven; en zij is er van bewaard gebleven,
wijl zij de Moeder van God moest worden.
Maria, op het hooren van de lofspraak des Engels, zegt
niets; zij is zelfs ontsteld en verlegen, en denkt na over
den groet van Gabriel. Gabriël bemerkt het. Maar
Maria, vrees niet, zegt hij: Ne timeas Maria: Immers,
gij hebt genade gevonden bij God: Invenisti gratiam
apudDeunt
. (i) Als wilde hij zeggen: Denk niet langer
over uwe onwaardigheid om de Moeder van God te
worden, na. Gij zijt vol van genade, van af het eerste
tijdstip van uw bestaan tot nu toe; de zonde van Eva
heeft u niet de minste schade toegebracht; gij zijt er
vrij van; gij zijt geheel zuiver en schoon, van af het
eerste oogenblik uws levens tot nu toe: Tota pulcra es:
er is geene vlek in u te vinden: et macula non est in te. (2)
En inderdaad, B. B., Maria moest vrij zijn van alle zonde.
(1) Luc. 1, 30. (2) Cant. cant, iv, 7.
-ocr page 427-
— 423 —
Tot de waardigheid van Moeder van God verheven, moest
zij een overvloed van genaden bezitten, die in verband
stond, die geëvenredigd was met die waardigheid; doch
die waardigheid is overgroot, zij is in zekeren zin onein-
dig; bijgevolg moest Maria onbeperkte schatten van
genade bezitten. En hoe zou dat alles bewaarheid zijn
geworden, bijaldien Maria bezoedeld ware geweest met
de erfzonde, bijaldien zij gezondigd hadde? Hoe dan,
B. B. ? Dan zou de duivel zich nog verheugen; hij zou in
zijne helsche vreugde uitroepen: Maria is onder mijne
macht geweest; Maria heeft onder mijne klauwen gezucht;
ik ben meester geweest van de Moeder van God. Wie
onzer zou niet huiveren op het hooren van dien laster?
Wie onzer zou tegen den duivel niet uitroepen: Neen,
Satan, dat nooit, want er is vijandschap gesteld, van den
beginne af, tusschen u en de vrouw, tusschen uw en haar
kroost, en met haar vlekkeloozen voet zal zij u den kop
verpletteren: Ipsa conteret caput /##//*. (i) Zietdaar, waar-
om de hemelsche Bruidegom, zich tot zijne Bruid wen-
dende in het boek der gezangen uitroept: ^Gij zijt geheel
schoon, mijne vriendin! Tota pulcra es amica mea! Gij
zijt schoon als de maan! Pulcra ut lunet.! Gij zijt schit-
terend gelijk de zon! Electa ut sol! Hoe schoon zijt gij,
mijne vriendin, hoe schoon zijt gij! Quant pulcra es,
amica mea, quatn pulcra es!
Hoe schoon en hoe be-
koorlijk zijt gij, mijne dierbaarste, de vreugde mijns
harten; Quatn pulcra es et quatn decora carissima in
deliciis.
(2)
Wij hebben reeds gezien, hoe de Onbevlekte Ontvan-
genis van Maria in de Oude Wet is afgebeeld, en hoe
zij in de Nieuwe Wet steeds meer en meer is opgehel-
(1) Gen. 111, 15. (2) Cant. vu, 6.
-ocr page 428-
— 424 —
derd. Zien wij nu in ons derde deel, hoe zij tot geloofs-
punt verheven is.
III.
Onze Moeder de H. Kerk, B. B., heeft altoos de Onbe-
vlekte Ontvangenis van Maria geloofd. De Kerkverga-
dering van Trente verklaart in duidelijke bewoordingen,
dat het haar inzicht niet is, in het decreet, waarin over
de uitgestrektheid der erfzonde gehandeld wordt, de zalige
en onbevlekte Maagd Maria, de Moeder van God, te
begrijpen. Voorzeker, zulks pleit reeds sterk voor de
Onbevlekte Ontvangenis van Maria, en de H. Kerk kon
niet verder hare gevoelens daaromtrent uitdrukken, tenzij
door de Onbevlekte Ontvangenis tot geloofspunt uit te
roepen. Doch dit was de H. Kerk nog niet genoeg.
Een getrouwe, verkleefde dienaar van de onbevlekte
Maagd, de Groote Pius IX z. g„ het onfeilbaar opper-
hoofd der H. Kerk, sprak in de tegenwoordigheid van
het Kollege der Kardinalen en van meer dan tweehon-
derd Aartsbisschoppen en Bisschoppen, op gezag van
onzen Heer Jezus-Christus, den 8 December van het jaar
1854 — immer heuglijke dag —deze vreugdevolle waar-
heid uit, namelijk, dat de allerzaligste Maagd Maria, door
de genade en een bijzonder voorrecht van God, van het
eerste oogenblik harer ontvangenis, van alle vlek der
erfzonde werd bevrijd en ongeschonden behouden; dat
die leering van God geopenbaard is, en bijgevolg, dat zij
door ons allen vastelijk moet geloofd worden; en dat zij,
die andere gevoelens hebben, in het geloof schipbreuk
hebben geleden. Die woorden, B. B., door Pius IX z. g.,
het onfeilbaar opperhoofd der Kerk uitgesproken, dron-
gen door tot in het hoogste der hemelen, en de Engelen
en Heiligen deden op dat oogenblik de zalen van het
-ocr page 429-
— 425 —
hemelsch Sion weergalmen van vreugdegezangen, bij het
vernemen van de verheerlijking hunner Koningin op aarde.
Die woorden, door Pius IX uitgesproken, drongen ook door
tot in de diepste kolken der hel en deden Lucifer met
de duivelen en verdoemden sidderen en knarsetanden van
woede en spijt. Die woorden verspreidden zich, als op de
vleugelen des winds gedragen, door gansch de Katholieke
wereld, wier gemoed nog heden, bij het vieren van den
luistervollen feestdag der Onbevlekte Ontvangenis van
Maria, van aandoening en liefde trilt.
SLUITREDE.
Zietdaar, B. B., hoe de Onbevlekte Ontvangenis van
Maria van den beginne reeds afgebeeld, met den loop der
tijden steeds meer en meer opgehelderd, en ten laatste
in onze dagen tot geloofspunt verheven is. Voorzeker,
wij allen, wie wij ook zijn, wij hebben reden om ons te
verheugen over dat verheven voorrecht van Maria. Doch
opdat onze vreugde eene ware, een oprechte vreugde zij,
moeten wij allen ook ware, oprechte dienaren en kinderen
van Maria wezen, of tenminste trachten te worden. Zij,
die reeds het geluk hebben van wegens hun godvruchtig
leven tot het getal der kinderen van Maria te behooren,
dat zij in den dienst dier goede Moeder blijven voortgaan.
Zij, die wegens hun slecht leven nog geene ware kinderen
van Maria zijn, zij moeten het, gelijk ik zooeven gezegd
heb, zoo spoedig mogelijk trachten te worden. Immers,
kind willen zijn van Maria, de Moeder van Jezus, en
wegens een ongeregeld gedrag aanhoudend met haar in
spanning leven, die twee zaken kunnen niet samengaan.
Kind willen zijn van Maria, de zuiverste der Maagden,
en zich immer met de schandelijkste zonden bezoedelen,
-ocr page 430-
— 426 —
zonder er afstand van te willen doen, \'t is eene tegen-
spraak. Zondaar of zondares zijn, maar zich oprecht
willen bekecren, de gevaren en gelegenheden van zonde
reeds zorgvuldig vluchten, en de ketenen der zonde, d. i.,
de zondige gewoonten breken; met een rouwmoedig hart
en een vast voornemen van zich te beteren, door Maria,
die de toevlucht der zondaren is, tot Jezus gaan, ziedaar
wat deze laatsten te verrichten hebben. Doch veronder-
stelt, B. B., dat wij allen reeds kinderen van Maria zijn,
daarom houden wij niet op kinderen van Eva te wezen,
en in die hoedanigheid zullen wij altijd tegen de vijanden
onzer zaligheid te strijden hebben. Wat blijft er ons nu
in dien strijd te doen over? O, B. B., wij moeten onze
toevlucht nemen tot Maria ; wij moeten ons stellen onder
de bescherming dier goede Moeder. Strijden wij dus
onder het witte vaandel dier dappere Judith; strijden wij
onder den onbevlekten standaard dier kloekmoedige Deb-
bora, en wij zullen de vijanden onzer zaligheid, den duivel,
de wereld en het vleesch, overwinnen, en tot belooning
voor onzen strijd tegen onze vijanden, en tot belooning
voor onze overwinningen, op hen behaald, zullen wij een-
maal gekroond worden in het rijk der hemelen. Amen.
-ocr page 431-
ACHT EN TWINTIGSTE PREEK.
Kerstmis.
Invenietis infantem, pannis involutum et
positum in praesepio.
Gij zult een klein Kind vinden, in doe-
ken gewonden en liggende in eene kribbe.
(Luc. ii, 12.)
INHOUD.
VOORREDE.
Het feest van de geboorte is een der treffendste en
leerrijkste feesten, die wij vieren ter eere van onzen Heer
Jezus-Christus. — Evangelie van den dag.
VERDEELING.
I. Maria en Jozeph op reis naar Bethleem;
II. Hunne aankomst te Bethleem;
III. De geboorte van Christus aldaar.
I.
Bevel van keizer Augustus. — De keizer is een werk-
tuig der goddelijke Voorzienigheid. — Voorzegging van
den Profeet Micheas vervuld. — Droefheid van Jozeph. —
Maria beurt haren bruidegom op. — Na alles gereed
-ocr page 432-
— 428 —
gemaakt te hebben, begeven Maria en Jozeph zich op
reis, gaan doorgaans in stilte voort en komen na vier
dagreizen te Bethleëm aan.
II.
Maria en Jozeph laten zich inschrijven. — Zij begeven
zich naar hunne bloedverwanten, daarna naar de open-
bare afspanning. — Zij gaan van huis tot huis, van
straat tot straat, van den eenen kant der stad naar den
anderen; doch nergens is er plaats voor hen, niemand
wil hen ontvangen. — Maria en Jozeph verlaten de stad,
om buiten Bethleëm eene schuilplaats te vinden.
III.
Maria en Jozeph gaan eene grot binnen, waarin Maria
haar goddelijken Zoon ter wereld brengt, zonder pijn of
smart, zonder verlies van hare maagdelijke zuiverheid. —
Aandoening van Maria. — Geloof, eerbied, liefde, vreugde
van Maria. — Maria windt het goddelijk Kind in doeken.
— Zij roept Jozeph. — Verlegenheid van Jozeph. —
Vol eerbied nadert Jozeph, aanbidt en bedankt het god-
delijk Kind. — Geluk van Jozeph van Jezus in zijne
armen te nemen, te omhelzen, aan zijn hart te drukken,
van Jezus zijne liefde en dankbaarheid te betoonen. —
Maria legt het goddelijk Kind in de kribbe.
SLUITREDE.
Drievoudige les: van ootmoedigheid, van armoede en
van versterving. — Wij moeten die les van Jezus nako-
men, willen wij met Jezus deelen in de eeuwige glorie,
rijkdommen en vreugde des hemels.
-ocr page 433-
— 429 —
ACHT EN TWINTIGSTE PREEK.
Kerstmis.
Invenielis infantem, pannis involutum et
posilum praesepio.
Gij zult een klein Kind vinden,in doe-
ken gewonden en liggende in eene kribbe.
(Luc, ii, 12.)
VOORREDE.
Onder alle feesten, B. B., die wij vieren ter eere van
onzen Heer Jezus-Christus, is het feest zijner geboorte
een der treffendste en tevens een der leerrijkste voor
ons. Ziethier hoe het Evangelie van den dag ons de
geboorte van Jezus verhaalt. „In die dagen geschiedde
„het — zegt de Evangelist Lucas — dat er van keizer
„Augustus een gebod uitging, dat de gansche wereld
„opgeschreven zou worden. Deze opschrijving, eene eerste,
„geschiedde door Cyrinus, den Landvoogd van Syrië. En
„allen gingen om zich te laten opschrijven, eenieder naar
„zijne stad. En ook Jozeph ging op van Galilea, uit de
„stad Nazareth, naar Judea, naar Davids stad, die Beth-
„leëm genoemd wordt, omdat hij uit het huis en het
„geslacht van David was, ten einde zich te laten opschrij-
„ven met Maria, zijne ondertrouwde vrouw, welke bevrucht
„was. En het geschiedde, als zij daar waren, dat de
„dagen vervuld werden, dat zij baren zoude. En zij
„baarde haren eerstgeboren Zoon, en wond hem in doeken,
„en legde hem neder in eene kribbe, omdat er voor hen
„geene plaats was in de herberg. En er waren herders in dat-
„zelfde oord, wakende en de nachtwachten houdende over
-ocr page 434-
— 430 —
„hunne kudde. En zie, een Engel des Heeren stond bij hen,
„en Gods lichtglans omstraalde hen, en zij vreesden met
„groote vrees. En de Engel zeide tot hen : Vreest niet!
„want ziet, ik verkondig u eene groote blijdschap, welke
„voor het gansche volk zijn zal: heden is u een Zalig-
„maker geboren, welke is Christus de Heer, in Davids
„stad. En dit zij u het teeken; Gij zult een klein kind
„vinden, in doeken gewonden, en liggende in eene kribbe.
„En plotseling was daar bij den Engel eene menigte
„van het hemelsche heir, God lovende en zeggende:
„Eere in de hoogste hemelen aan God, en op aarde vrede
„aan de menschen van zijne goedwilligheid."
Zietdaar de geschiedenis van de geboorte van Christus.
Een God wordt klein kind; een God wordt in doeken
gewonden; een God heeft voor paleis een stal, voor troon
eene kribbe, voor stoet of omgeving een arme Moeder,
een armen voedstervader, een os en een ezel. Welk een
schouwspel! B. B., \'t is wel in staat, niet waar? om tot
ons hart te spreken en ons eene schoone les te geven.
Overwegen wij ter gelegenheid van het Kerstfeest in
\'t kort de voornaamste omstandigheden van de geboorte
van Christus. Zien wij dus:
I. Maria en Jozeph op reis naar Bethleëm;
II. Hunne aankomst te Bethleëm;
III. De geboorte van Christus aldaar.
I.
Terwijl Maria en Jozeph in de stille eenzaamheid te
Nazareth wonen en naar de geboorte van onzen godde-
lijken Zaligmaker verlangen, gaat er een bevel uit van
Keizer Augustus, waardoor een algemeene volksoptelling,
gansch zijn rijk door, voorgeschreven werd. Buiten de
\\
-ocr page 435-
— 43i —
inzichten des keizers, beantwoordt zijn bevel aan de
geheime inzichten van God. Ja, Augustus is, zonder er
aan te denken, een werktuig in de handen der goddc-
lijke Voorzienigheid. Immers, de Messias moest geboren
worden, niet te Nazareth, maar volgens de voorzegging
van den Profeet Micheas, te Bethleëm, stad van David.
De gansche wereld stelt zich in beweging, om die voor-
zegging te vervullen; eenieder moet zich begeven naar
de stad, tot welke hij oorspronkelijk behoort, om zich te
laten opschrijven; en wijl Maria en Jozeph tot den stam
van David behooren, daarom zullen zij zich naar Beth-
leëm, stad van David, moeten begeven en daar voor den
openbaren ambtenaar moeten verschijnen.
Zoodra Jozeph van het bevel des keizers te Nazareth
hoorde, werd hij bedroefd. En waarom? Wel, B. B.,
Jozeph dacht, niet zoo zeer aan zich zelven als aan Maria.
Dat bevel toch kon niet ontijdiger vallen. De geboorte
van het goddelijk Kind was nabij. De dagen waren reeds
kort en koud ; de reis van Nazareth naar Bethleëm zal dus
moeielijk wezen. Jozeph, daarover nadenkende, zal be-
droefd naar huis zijn gegaan, om Maria zijne Bruid, het
nieuws bekend te maken. Doch Maria, B. B., kende
beter dan iemand de bijzonderheden der H. Schrift. Zij
wist dat haar Zoon niet te Nazareth, maar te Bethleëm
moest geboren worden, en bijgevolg, dat de lastige reis,
welke zij te doen hadden, met de geheime inzichten der
goddelijke Voorzienigheid overeenstemde. Ook zal Maria
niet nagelaten hebben, Jozeph daarover in te lichten, om
zijnen moed op te beuren. Gehoorzaam aan het bevel
van Keizer Augustus, brengen Maria en Jozeph weldra
het noodige voor de reis in orde, en Maria voorzeker
vergat niet mede te nemen de doeken en windels, welke
zij in hare moederlijke bezorgdheid reeds lang te voren
-ocr page 436-
— 432 —
had gereed gemaakt. Te midden der maand December,
juist in den winterschen regentijd , wanneer het zeer
lastig is in Palestina te reizen, verlieten Maria enjozeph
Nazareth. Langzaam trokken zij over de gebergten van
Galilëa, Samaria en Judea. Men mag veronderstellen,
B. B., dat Maria en Jozeph meestal in stilte voortreisden,
terwijl zij inwendig God baden, of zich met de een of
andere heilige gedachte bezig hielden. Nochtans, de goede
Jozeph, meer bezorgd voor. zijne Bruid dan voor zich
zelven, zal dat diep stilzwijgen van tijd tot tijd wel eens
onderbroken hebben, om Maria te vragen, of zij zich
niet te zeer vermoeide, of zij niet verlangde wat uit te
rusten en wat voedsel te nemen. Men denke echter niet,
dat het goddelijk moederschap Maria eenige bezwaar
of eenig ongemak veroorzaakte. Neen, B. B., volstrekt
niet. Ook verzet zich de leering des H. Vaders tegen
die meening en verwerpt ze geheel en al. Na ten min-
ste vier dagen in stilte en langzaam voortgereisd te
hebben, naderden zij het doel hunner reis, en zagen zij
Bethleém, de aloude stad van David, voor hunne oogen
verschijnen, \'t Is daar dat zij zich moeten laten opschrijven.
II.
Nauwelijks zijn Maria en Jozeph te Bethleëm aange-
komen, of zij vragen naar de plaats en het bureel, waar
de inschrijving gebeurde, om zoo spoedig mogelijk aan
het bevel van den romeinschen Keizer te voldoen. Daar-
voor immers hadden zij die verre en moeielijke reis
ondernomen, en bijgevolg, er valt niet aan te twijfelen,
of zij zullen zich op de eerste plaats hebben laten op-
schrijven.
Na aan het bevel voldaan te hebben, besluiten Maria
-ocr page 437-
— 433 —
en Jozeph van zich naar hunne bloedverwanten, die
Bethleëm bewonen, te begeven, ten einde bij den een of
anderen van hen hun intrek te nemen. Doch helaas! hoe
zeer vinden zij zich in hunne verwachting bedrogen. Maria
en Jozeph gaan van het eene huis naar het andere, van de
eene straat naar de andere, van den eenen kant der stad
naar den anderen; overal vragen zij van te mogen ver-
nachten. En ziet! overal wordt hun geantwoord, dat er
geene plaats meer is, overal worden zij doorgezonden.
Na de stad te vergeefs in verscheidene richtingen te
hebben doorkruist, begeven zij zich naar de openbare
afspanning, om daar ten minste opgenomen te worden.
Doch nieuwe teleurstelling; al de beschikbare plaatsen
der afspanning zijn reeds ingenomen door eene menigte
van Joden, die evenals zij naar Bethleëm gekomen waren,
om zich te laten opschrijven. Wat nu gedaan? Maria en
Jozeph kennen geen enkel huis meer te Bethleëm, om te
kunnen verblijven. En toch, de nood wordt dringend.
De duisternis van den nacht begint zich reeds over de
stad te verspreiden. Van den langen winternacht onder
den blooten hemel door te brengen, daaraan valt niet te
denken. O, B. B., er blijft Maria en Jozeph niets anders
meer over, dan hier en daar aan de deuren der wo-
ningen te kloppen, om te beproeven of er toch iemand
medelijden met hen zal hebben. Mijn God! Mijn God !
wat zie, wat hoor ik daar in Bethleëms straten! Maria,
alhoewel zij van vermoeienis bijna bezwijkt, spreekt haren
Bruidegom nog moed in het hart; en Jozeph, de bedrukte
Jozeph, door de zoete, de engelachtige stem zijner Bruid
opgebeurd, beproeft eene laatste poging. Doch, helaas!
gansch de stad is van vreemdelingen opgepropt. Te ver -
geefs kloppen zij aan; te vergeefs gaan zij van deur tot
deur, van straat tot straat. Nergens eene plaats; nie-
28.
-ocr page 438-
— 434 —
mand heeft medelijden met hen. En ziet! B. B., de
duisternis van den nacht neemt immer toe. De straten
worden eenzaam en stil. De deuren zijn reeds overal
gesloten. Dan, de winterlucht doet al meer en meer hare
koude gevoelen. De vermoeienis van Maria wordt steeds
grooter en grooter. Ach ! nog een weinig tijds, en Maria
valt afgemat op den kouden grond neder. Bethleém !
inwoners van Bethleém! ik bid en smeek u, doet toch
open! doet toch open! Verleent eene schuilplaats, hoc
klein ook, aan Maria en Jozeph! Zij zijn uw medelijden
wel waardig! Ach! verstoot hen toch niet langer meer!
Gij, die u beroemt de stad van David te bewonen, zij
ook stammen af uit het huis van David. Bethleém is de
geboorteplaats hunner familie. Maria is de Moeder van
den Messias, wiens geboorte Bethleém reeds zoo lang te
gemoet ziet. Doch, helaas! nergens vinden Maria en
Jozeph gehoor; overal worden zij doorgezonden; ja, wei-
licht snauwt men hen hier of daar nog toe, dat er zoo
laat niet wordt open gedaan. Wat raad? B. B. Waar-
heen zich begeven ? Waar eene schuilplaats gezocht tegen
de nijpende koude? Van iedereen verstooten, gaan Maria
en Jozeph bedroefd het ondankbare Bethleém uit, zonder
te weten wat aanvangen. O, Engelen des hemels! \'t is
g enoeg; ja, \'t is genoeg! Laat uwe doorluchtige Koningin
toch niet langer meer in rusteloos zoeken ronddwa-
1 en! Zij heeft nu genoeg geleden! Geleidt haar dus tot
eene veilige schuilplaats!
\'t Was treffend, B. B., \'t was medelijdenswaardig het-
geen plaats had in de straten van Bethleém; maar noch-
tans, \'t is te begrijpen; doch hetgeen nu staat te ge-
beuren, is niet alleen treffend, medelijdenswaardig, \'t is
zelfs onbegrijpelijk; ja, de geboorte van Jezus is van
geheimen omsluierd.
-ocr page 439-
— 435 —
III.
Zoodra Maria en Jozeph buiten de stad gekomen zijnr
begeven zij zich naar eene arme grot en gaan daar
binnen. Na eerst een weinig voedsel genomen te hebben,
maken zij zoo goed mogelijk eene plaats gereed, om te
rusten. De H. Jozeph sliep, volgens bepaalde overlevering,
aan den ingang der grot, terwijl de H. Maagd Maria
een weinig verder de grot in ging en daar nederknielde.
Maria, alhoewel vermoeid, sliep niet. Zij wist, dat het
plechtig uur weldra zou slaan, uur, waarop de Verlosser
der wereld ging geboren worden. Ja, de tijd, door de
eeuwige Wijsheid bepaald, was eindelijk aangebroken;
\'t was de nacht tusschen den 24 en 35 December. In
eene hemelsche geest verrukking opgetogen, brengt Maria,
zonder pijn of smart, zonder verlies van hare maagdelijke
zuiverheid, den Zaligmaker ter wereld. En evenals de
zon haren lichtstraal uitschiet, die door het helder kristal
heendringt, zonder het te breken, zoo ook bracht Maria
haar goddelijken Zoon, het licht uit den hooge, ter we-
reld. zonder het geringste letsel te bekomen. Eveneens
zal Jezus later na zijnen dood uit het gesloten graf ver-
rijzen, zonder er den steen of het zegel van te verbreken.
Na de geboorte van Jezus aanschouwt Maria het god-
delijk Kind. Welke aandoening maakt zich van Maria
meester, terwijl zij voor de eerste maal hare oogen laat
vallen op den Zoon Gods, voor ons mensch geworden!
Welk gevoel ontstaat er in haar moederhart! Vol geloof
valt Maria op de knieën en aanbidt den Zoon des Aller-
hoogsten, haar eigen Zoon geworden. Vol eerbied durft
zij Jezus, den Heilige der Heiligen, in den beginne met
hare handen niet aanraken, zeggen eenige schrijvers;
doch beweegeloos blijft zij op dat hemelschoone Kind,
-ocr page 440-
— 436 —
het schoonste onder de kinderen der menschen, staren,
terwijl Jezus zijne Moeder zoo minzaam aanziet. Doch
eensklaps wordt Maria uit hare verrukking getrokken.
Het kleine Kind begint van koude te weenen. Wee-
moedig strekt het zijne handjes naar zijne Moeder uit.
O, met welke liefde neemt Maria het goddelijk Kind in
hare armen! Met welke aandoening omhelst en drukt
zij haren Zoon aan het Moederhart! Welke Engelentong
is in staat de gevoelens te verklaren, die Maria thans
overmeesteren! Welke moeder, ik vraag het, heeft ooit
meer vreugde genoten bij de geboorte van haar kind!
Want, B. B., en dit moeten wij nooit uit het oog ver-
liezen, Maria weet, dat het Kind, hetwelk zij voor zich
ziet, niet alleen haar Zoon, maar ook de Zoon van den
hemelschen Vader is. Te recht mocht dus Maria vol
vreugde met den Profeet Habacuc uitroepen: Ego autem
in Domino gandebo:
Ik zal mij verheugen in den Heer,
en ik zal van blijdschap opspringen in God mijnen Jezus:
et exultabo in Deo Jesic meo. (i)
Na de eerste uitboezemingen van meer dan aardschc
gewaarwordingen, neemt Maria het goddelijk Kind op
haren schoot; en bevrijd van alle kwellingen en onge-
makken, windt zij zelve haren Zoon in doeken. Daarna
roept Maria haren Bruidegom, Jozeph. Jozeph, op het
hooren van de stem zijner bruid, staat op en wil naar
Maria gaan. Doch ziet! het goddelijk Kind tusschen de
armen zijne Moeder aanschouwende, blijft hij eensklaps
staan. Hij durft niet naderen, terwijl hij onafgebroken
zijne oogen op Jezus houdt gevestigd. Maria bemerkt
de verlegenheid van Jozeph. Zij ziet dat hij niet durft
naderen. Daarom noodigt zij hem vriendelijk uit van
(1) Hab. ui, 18.
-ocr page 441-
— 437 —
te komen, en Jozeph, door de uitnoodiging zijner Bruid,
en nog meer door den minzamen lach van het goddelijk
Kind aangemoedigd, nadert. Hij nadert, maar vol eer-
bied ; ja, en met veel meer eerbied, dan eertijds Mozes
het brandende braambosch naderde, waaruit de stem
der Godheid zich liet hooren. Het eerste wat Jozeph
doet is, zijnen God, mensch, klein Kind voor hem ge-
worden, aanbidden en danken. Hij werpt zich op den
grond neder, en tranen van dankbaarheid vloeien voor
de voeten van zijnen God. Doch dat is niet alles, B. B.
Ziet eens welk geluk Jozeph nog meer te beurt valt.
Maria moet eene rustplaats voor Jezus gereed maken;
zij geeft het goddelijk Kind aan haren Bruidegom over,
en zoo heeft Jozeph op zijne beurt het geluk van den
Zoon Gods in zijne armen te nemen, te omhelzen, aan
zijn hart te drukken en Hem de innigste bewijzen van
liefde en dankbaarheid te betoonen. Maria, in de grot
rondziende, vindt geen andere plaats om het goddelijk
Kind neder te leggen, dan een ellendige kribbe. Die
kribbe zal haar Zoon tot wieg verstrekken. Maria brengt
ze zoo goed mogelijk in gereedheid, en legt er, tot ver-
bazing der Engelen, hunnen Heer en God in neder: Et
reclinavit eum in praesepio.
(i)
SLUITREDE.
Zietdaar, B. B., een kort verhaal van de geschiedenis
der geboorte van onzen Heer Jezus Christus. Nochtans,
uit dit verhaal blijkt genoegzaam hetgeen ik in den be-
ginne reeds gezegd heb, namelijk, dat het feest der ge-
boorte een der treffendste feesten is, die wij ter eere van
onzen Heer Jezus Christus vieren. Doch ik heb er bij ge-
(1) Luc. ii, 7.
-ocr page 442-
— 438 —
voegd, dat het tegelijkertijd een der leerrijkste voor ons
is. En welke leering ligt er dan voor ons in de geboorte
van Jezus opgesloten ? In het stalletje van Bethleëm
leert Jezus ons, B. B., den drievoudigen wortel der zonde
uitroeien. Hij leert ons uitroeien de hoovaardigheid door
de ootmoedigheid, de hebzucht door de armoede en de
zinnelijkheid door de versterving. Die les voor ons ligt
ook nog opgesloten in de woorden, waarmede de Engel
den herders de geboorte van Jezus aankondigde. Gij zult
een klein Kind vinden, zeide de Engel: Invenietis infan-
tem;
doch wat is er eenvoudiger, ootmoediger dan
een klein kind: in doeken gewonden: fannis involntum.
Welke armoede! Eenige arme doeken om het godde-
lijk Kind te dekken, en liggende in eene Kribbe: et
positum in praesepio: {\\)
liggende op eene hand vol
stroo, om reeds van toen af te lijden en zich te ver-
sterven. En waarom geeft Jezus, onze goddelijke Leer-
meester, ons die les? Ha! voorzeker, opdat wij ze in
ons gedrag zouden volgen. O, B. B., overtuigen wij ons
wel van die waarheid, \'t Is niet genoeg van die les
gehoord te hebben, wij moeten ze ook nakomen. Hier
op aarde moeten wij met Jezus ootmoedig zijn. Hier
op aarde moeten wij met Jezus arm zijn, ten minste
arm van geest, dus niet gehecht aan de goederen der
wereld. Hier op aarde moeten wij met Jezus lijden en
ons versterven; en dan, en dan alleen zullen wij eenmaal
het geluk hebben, van hiernamaals met denzelfden Jezus
te deelen in de eeuwige glorie, de eeuwige goederen
en de eeuwige vreugde des hemels. Amen.
(1) Luc. ir, 12.
EINDE.
-ocr page 443-
TWEEDE DEEL.
rELEGENHEiDS-Treeken
?\'
-ocr page 444-
-ocr page 445-
EERSTE PREEK.
De Eerste H. Communie.
Haec dies, quam fecit Dominus; exultemux
et laetemur in ea.
Deze is de dag, welken de Heer gemaakt
heeft; verheugen en verblijden wij ons op
dien dag.
                             (Off. Eccl.)
INHOUD.
VOORREDE.
De dag der verrijzenis van Jezus is de dag, welken de
Heer gemaakt heeft; op dien dag moeten wij ons ver-
heugen en verblijden. — De dag der eerste H. Communie
is ook de dag, welken de Heer gemaakt heeft; op dien
dag moet gij u ook verheugen en verblijden. — Hoe
moet gij tot de H. Tafel naderen?
VERDEELING.
I.    Met een levend geloof;
II.    Met een vast betrouwen;
III.    Met eene vurige liefde;
VI.    Met eene diepe ootmoedigheid.
I.
Gij moet tot dé H. Tafel naderen met een levend
-ocr page 446-
— 442 —
geloof. — Wat moet gij gelooven? Dat gij ontvangen
gaat Jezus-Christus, met godheid en menschheid, met ziel
en lichaam, met vleesch en bloed. — Hoe moet gij dat
gelooven? Vastelijk, zoodat gij geenszins twijfelt. —
Waarom moet gij dat vastelijk gelooven? Omdat God,
die het ons ver openbaard heeft, de opperste en onfeilbare
waarheid is, die niet kan liegen, noch bedriegen, noch
bedrogen kan worden; en omdat de H. Kerk, die het
ons voorhoudt te gelooven, naar de leering van Christus
niet kan falen.
II.
Gij moet tot de H. Tafel naderen met een vast be-
trouwen. — Wat moet gij van God verzoeken en ver-
wachten ? Het eeuwige leven en al wat ons daartoe helpen
kan. — Hoe moet gij dat verzoeken en verwachten?
Met een vast betrouwen. — Waarom moet gij dat ver-
zoeken en verwachten met een vast betrouwen? Omdat
God oneindig goed is tot ons, almachtig en getrouw in
zijne beloften.
III.
Gij moet tot de H. Tafel naderen met eene vurige
liefde. — Wien moet gij op de eerste plaats beminnen?
God. — Hoe moet gij God beminnen ? Bovenal. — Waar-
om moet gij God beminnen bovenal ? Om Hem zelven,
d. i., om zijne goedheid, barmhartigheid, liefde tot u en
alle andere volmaaktheden, met dewelke Hij alle goed
te boven gaat. — Ook omdat God u eerst bemind heeft;
omdat Hij uw grootste en milddadigste weldoener is:
Hij heeft u geschapen, bewaard, verlost uit de slavernij
des duivels en van den eeuwigen dood: Hij heeft u tot
zijne kinderen aangenomen in het H. Doopsel, het H.
-ocr page 447-
— 443 —
Sacrament des Altaars voor u ingesteld, en Hij komt
tot u in de H. Communie.
IV.
Gij moet tot de H. Tafel naderen met eene diepe
ootmoedigheid. — Waarom ? Om de groote waardigheid
van het H. Sacrament des Altaars en uwe onwaardig-
heid. — Wie noodigt uit tot zijne H. Tafel, en wie
wordt er toe uitgenoodigd ? — Akte van ootmoedigheid:
Heer, ik ben niet waardig, enz.
SLUITREDE.
Biedt Jezus uw hart aan door de handen van Maria. —
Bidt Maria, uwe Patronen, uwe Engelenbewaarders. —
Bloedverwanten, vereenigt uwe gebeden met de onze en
met die dezer kinderen.
EERSTE PREEK.
De Eerste H. Communie.
Haec dies, quam fecit Dominus; exultemus
et laelemur in ea.
Deze is de dag, welken de Heer gemaakt
heeft; verheugen en verblijden wij ons
op dien dag.
                        (Off. Eccl.)
VOORREDE.
Onze Moeder de H. Kerk, Beminde Kinderen, heeft
de dagen, welke verloopen zijn, deze woorden dikwijls
-ocr page 448-
— 444 —
gebruikt. Herhaalde malen heeft zij ons hare kinderen
toegeroepen: Haec dies, quam fecit Dominus: Deze is
de dag, welken de Heer gemaakt heeft; verheugen en
verblijden wij ons op dien dag: Exultemus et laetemur
in ca.
En welke was dan die dag, en waarom moesten
wij er ons op verheugen en verblijden? Die dag, B. K.,
was de dag der verrijzenis van Christus, en de reden,
waarom wij ons moesten verheugen en verblijden is, wijl
Jezus-Christus, na voor ons geleden te hebben en ge-
storven te zijn, als overwinnaar des doods glorievol uit het
graf is opgestaan.
Dezelfde woorden oordeel ik, u, B. K., vandaag te
mogen toesturen. Haec dies, quam fecit Dominus: Deze
is de dag, welken de Heer gemaakt heeft; dag, dien Hij
van eeuwigheid verkozen en bestemd heeft; dag, naar
welken gij reeds lang vurig, met een heilig ongeduld ver-
langd hebt: Exultemus et laetemur in ea: Verheugt en ver-
blijdt u op dien dag. En welke is dan die dag, en waarom
moogt gij er u op verheugen en verblijden ? Die dag is de
dag van heden, de schoonste, de gelukkigste dag van gansch
uw leven, de dag uwer eerste H. Communie. Gij moogt
er u op verheugen en verblijden, omdat God op dien
dag voor u de wonderen zijner almacht en goedheid
doet uitschijnen; wijl gij het onuitsprekelijk geluk
gaat hebben, van voor de eerste maal uwen Heer en
God te ontvangen, van u op het innigste met uwen
Schepper en Zaligmaker te vereenigen. Te recht dus
mag ik u, B. K., heden toeroepen: Haec dies, quam
fecit Dominus:
Deze is de dag, welken de Heer gemaakt
heeft; ja, juicht en jubelt, verheugt en verblijdt u op
den schoonsten, den gelukkigsten dag van gansch uw
leven: Exultemus et laetemur in ea. Doch opdat deze
dag, de dag uwer eerste H. Communie, inderdaad de
-ocr page 449-
— 445 —
schoonste, de gelukkigste van gansch uw leven zijn moge ;
zoo moet gij, B. K., gelijk u vroeger reeds geleerd is,
uwen Heer en God met godvruchtigheid ontvangen. Ik
ga u dus in \'t kort herinneren, hoe gij u te dien einde
te gedragen hebt, namelijk, in welke gesteltenis gij tot
de H. Tafel moet naderen. Gij moet daartoe naderen:
I.    Met een levend geloof;
II.    Met een vast betrouwen;
III.     Met eene vurige liefde;
IV.     Met eene diepe ootmoedigheid.
I.
Gij moet tot de H. Tafel naderen, B. K., met een
levend geloof.
Doch wat moet gij gelooven ? Gij moet gelooven onder
anderen, dat Christus waarlijk tegenwoordig is in het
H. Sacrament des Altaars. Gij moet gelooven, dat gij,
als gij te Communie gaat, tot de H. Tafel nadert, gaat
ontvangen Jezus-Christus, den God-mensch, d. i., God
den Zoon, den tweeden Persoon van de H. Drievuldig-
heid, met godheid en menschheid, met ziel en lichaam,
met vleesch en bloed, en dat gij Hem gaat ontvangen
onder de gedaante van brood. Immers, op het oog
zou men zeggen, dat er nog brood was, als de priester
de geconsacreerde Hostie toont, wijl de kleur, de reuk
de smaak en de overige uitwendige hoedanigheden die
van brood zijn; doch inderdaad is er geen brood meer
tegenwoordig; want het brood, gelijk gij weet, is door
de woorden der Consecratie, welke de Priester spreekt,
veranderd in het lichaam van Christus; en wijl sedert
Christus\' verrijzenis zijn bloed niet meer kan gescheiden
-ocr page 450-
— 446 —
worden van zijn lichaam, daarom ontvangt gij onder
de gedaante van brood ook het bloed van Jezus-Christus;
van Jezus-Christus, zeg ik, d. i., van God den Zoon, den
tweeden Persoon der H. Drievuldigheid. Zietdaar, B. K ,
wat gij moet gelooven als gij te Communie gaat, dat
gij onder de gedaante van brood gaat ontvangen Jezus-
Christus, met godheid en menschheid, met ziel en lichaam,
met vleesch en bloed, gelijk Hij nu glorievol in den
hemel is. En hoe moet gij dat gelooven ? Gij moet dat
gelooven vastelijk, d. i., zoo gelooven dat gij geenszins
twijfelt; en de reden, waarom gij vastelijk gelooven moet
is, wijl God, die het ons veropcnbaard heeft, de opperste
en onfeilbare waarheid is, die niet kan liegen, noch bc-
driegen, noch bedrogen kan worden, en wijl onze Moeder
de H. Kerk, welke ons die waarheden te gelooven voor-
houdt, naar de leer van Christus niet kan dolen. Al is
het ook, B. K , dat gij met uw klein verstand dit geheim
van onzen H. Godsdienst niet kunt begrijpen, en dat gij
Jezus-Christus met uwe oogen niet kunt zien; toch kunt
en moet gij overtuigd, ja zelfs zekerder zijn van deze
waarheid, dan indien gij ze met uwe oogen zaagt; want
uw verstand en uwe oogen kunnen missen en zij missen
dikwijls, maar God, die ze ons veropenbaard heeft, en de
H. Kerk, die ze ons te gelooven voorhoudt, zijn onfeil-
baar. Gij moet dus vooreerst tot de H. Tafel nade-
ren met een levend geloof, en gij moet inwendig zeggen:
Mijn Heer en mijn God! ik geloof vastelijk al wat Gij
mij veropenbaard hebt en door de H. Kerk voorhoudt
te gelooven; doch inzonderheid geloof ik, dat Gij waar-
lijk, wezenlijk en zelfstandig tegenwoordig zijt in het
H. Sacrament des Altaars, en dat ik U onder de ge-
daante van brood zal ontvangen. Ja, ik geloof, o Heer ï
Credo, Dominc!
doch kom mijn ongeloof te hulp; geef,.
-ocr page 451-
— 447 —
dat ik nog vastelijker geloove: Adjtiva incredulitatcm
meam.
(i)
II.
Gij moet tot de H. Tafel naderen, B. K., met een vast
betrouwen. Bijaldien gij ooit iets van God met een vast
betrouwen hebt mogen verzoeken en verwachten, dan is het
voorzeker op den dag uwer eerste H. Communie. Ja,
vandaag moogt gij God vragen het eeuwige leven en al
wat ons daartoe helpen kan. Bidt dus den goeden God,
dat gij eenmaal tot uwe eeuwige bestemming, d. i., tot
den hemel moget geraken; want het is in den hemel, dat
men eenmaal het eeuwige leven zal deelachtig worden,
hetgeen eigenlijk bestaat in God van aanschijn tot aanschijn
te aanschouwen en in Hem alle goed te genieten.
Gij moet God ook vragen al wat ons daartoe helpen
kan, d. i., de middelen, die daartoe noodig zijn, als zijn:
de genade Gods, de heiligmakende genade, of liever thans
de vermeerdering derzelve; want ik twijfel er niet aan,
of gij allen zijt in staat van genade, dus schoon en aan-
genaam aan God; de dadelijke genade, d. w. z, boven-
natuurlijke kracht en sterkte, om u op het pad der deugd
staande te houden; bovennatuurlijke kracht en sterkte,
om de zonde en alles, wat er aanleiding toe geeft, te ver-
mijden; bovennatuurlijke kracht en sterkte, om devijan-
den uwer zaligheid, den duivel, de wereld en het vleesch
kloekmoedig weerstand te bieden, om hen te allen tijde,
in alle omstandigheden uws levens, tot het einde toe te
kunnen overwinnen. Vraagt dat alles En hoe moet gij
het vragen? Gij moet het vragen met een vast betrou-
wen, en ongetwijfeld, gij zult het bekomen. En waarom
(1) Mare. ix, 23.
-ocr page 452-
— 448 —
met een vast betrouwen? Wel, B. K., gij kent de reden:
omdat God oneindig goed is tot ons, almachtig en ge-
trouw in zijne beloften. God is oneindig goed tot ons,
oneindig genegen om ons goed te doen, en van die ge-
negenheid geeft Hij u daarvan niet het doorslaandste
bewijs, wijl Hij zich zelven vandaag geheel en al aan u
gaat geven? En na zich zelven aan u gegeven te hebben,
wat zou Hij u dan nog kunnen weigeren ? Hij is almachtig;
bijgevolg kan Hij u geven al wat gij noodig hebt. Hij
is getrouw in zijne beloften; nooit of nimmer zal Hij er
aan te kort blijven, Hij zal het u geven. Vraagt dus
vandaag voor u zelven, vraagt voor anderen; gaat met
een vast, een grenzenloos betrouwen tot Jezus en zegt
Hem: O Jezus! op U heb ik gehoopt: In te, Domme/
speravi:
geef dat ik steeds vaster op U hope, en in eeuwig-
heid zal ik niet beschaamd worden: non confundar in
aetemum.
(i)
III.
Gij moet tot de H. Tafel naderen, B. K., met eene
vurige liefde. Gij moet God beminnen bovenal, d. i., zoo
beminnen, dat gij liever zoudt verlaten alle dingen, ook
het leven, dan God door eene doodzonde te vergrammen.
Onnoodig alle titels op te sommen en die breedvoerig
uiteen te zetten, waardoor God aanspraak op uwe liefde
kan maken, waarom Hij verdient bemind te worden.
God verdient bemind te worden om zich zelven, d. w. z.,
om zijne goedheid, barmhartigheid, liefde tot ons en alle
andere volmaaktheden, met dewelke Hij alle goed te
boven gaat. God is dus om zich zelven boven alles
beminnelijk.
(1) Pa. xxx, 2.
-ocr page 453-
— 449 —
God verdient ook bemind te worden, wijl Hij ons eerst
bemind heeft. Hij heeft u ook met een eeuwige liefde
bemind: In charitate perpetua dilexi te. (i) Aan die
liefde moet gij met wederliefde beantwoorden. Gij moet
God beminnen, wijl Hij uw grootste en milddadigste
weldoener is. Wat al weldaden hebt gij niet van Hem
ontvangen! Al wat gij zijt en al wat gij hebt, komt van
God. Hij heeft u geschapen, d. i., uit het niet getrokken;
Hij heeft u bewaard tot op den dag van heden, zonder
welke bewaring gij in het niet zoudt hervallen zijn, waar-
uit Hij u getrokken heeft; Hij heeft u uit de slavernij
•des duivels en van den eeuwigen dood verlost; in het
H. Doopsel heett Hij u gezuiverd van de erfzonde en
tot zijne kinderen aangenomen; Hij heeft nog andere
H. Sacramenten voor u ingesteld, doch vooral het H. Sa-
crament des Altaars. En terwijl Hij in de andere Sacra-
menten slechts met zijne genade tegenwoordig is, in dit
Sacrament is Hij in persoon tegenwoordig; daardoor ver-
blijft Hij in ons midden. Delicia mece esse cum filiis
hominum:
(2) Ik schep er mijn vermaak in, zegt Jezus,
onder de kinderen der menschen te wezen. Te recht
wordt dus het H. Sacrament des Altaars genoemd het
Sacrament der liefde.
Onze goddelijke Zaligmaker is niet tevreden van onder
ons te verblijven, Hij wil ook in ons komen door de
H. Communie; en tot dat einde heeft Hij zich uit liefde
zoo zeer vernietigd, dat Hij in eene kleine H. Hostie
onder de gedaante van brood wil tegenwoordig zijn.
Zietdaar, hoezeer Jezus u bemind heeft. Zietdaar, hoe-
zeer Hij 11 nog bemint, want \'t is vandaag de eerste maal, •
dat Hij zich aan u gaat geven. Van uit het H. Taber-
(1) Jer. xxxi, 3. (2), Prov. vm, 31.
29.
-ocr page 454-
— 45© —
nakel aanschouwt Hij u; Hij werpt een blik van wei-
behagen op u; zijn H. Hart brandt van liefde om zich
met u te vereenigen. Mij dunkt, ik hoor Jezus u van
uit het Tabernakel toeroepen: Ventte, comedite panem
meum:
Komt, eet mijn brood, et bibite vinum, quod
miscui vobis,
(i) en drinkt den wijn, dien ik u bereid
heb. Want mijn vleesch is waarlijk spijs: Caro enim
mea vere est cibus,
en mijn bloed is waarlijk drank,
et sangiris meus vere est potus. (2) Laat de kleinen tot
mij komen: Sinite parvulos venire ad me, (3) want over-
lang heb ik vurig verlangd dezen maaltijd met hen te
houden, hun mijn goddelijk vleesch tot spijs en mijn
goddelijk bloed tot drank te geven. Zoo zeer bemint
Jezus u; en gij zoudt Jezus niet beminnen ? Maar zoo iets
te veronderstellen zou eene groote beleediging voor u zijn.
Doch neen, want ik weet dat gij Jezus bemint, en mij
dunkt, ik hoor een ieder uwer zeggen: Ik bemin Jezus
bovenal, en ik bemin Hem uit geheel mijn hart, uit geheel
mijne ziel en uit al mijne krachten. Ik verlang niets zoo
zeer als Hem zoo spoedig mogelijk te ontvangen, mij
met Hem te vereenigen en Hem aan mijn hart te druk-
ken. Kom, o Lieve Jezus ! Kom in mijn hart! Neem
bezit van mijn hart! Ik schenk u mijn hart! Ontsteek
mijn hart van liefde tot U; dat ik U al meer en meer
beminne, immer tijdens mijn leven in liefde tot U aan-
groeie, om zoo doende het geluk te hebben, van U hier-
namaals eeuwig te mogen beminnen in den hemel!
IV.
Gij moet tot de H. Tafel naderen, B. K., met eene
diepe ootmoedigheid. Dat gij met eene diepe ootmoe-
(1) Prov. ix, 5. (2) Joan. lv, 56. (3) Mare. x, 14.
-ocr page 455-
— 451 —
digheid tot de H. Tafel moet naderen, zult gij gemak-
kelijk begrijpen, als gij overweegt, van den eenen kant
de groote waardigheid van het H. Sacrament des Altaars,
en van den anderen kant uwe onwaardigheid; zoo gij
begrijpt, wie het is, die u tot zijne H. Tafel noodigt, en
wie gij zijt, die er toe genoodigd wordt. Die u tot zijne
H. Tafel noodigt, is God zelf, de driewerf heilige God,
de Schepper, de Heer en Regeerder van hemel en aarde,
van Engelen en menschen. Die u tot zijne H. Tafel
noodigt, is de Koning der koningen, de Heer der heeren,
wiens troon de hemel, wiens voetbank de aarde is; voor
wien alle knieën moeten gebogen worden, van hen die
in den hemel, op de aarde en in de hel zijn: Ccelestium,
terrestrium et infernorum.
(i) Die u tot zijne H. Tafel
noodigt. is de eeuwige, de almachtige, de\'majesteitvolle,
de oneindige God, wiens volmaaktheden oneindig zijn,
en elke volmaaktheid oneindig is. Zietdaar, wie u noo-
digt tot zijne H. Tafel. En wie zijt gij, die er toe ge-
noodigd wordt? Arme schepselen, die vóór eenige jaren
niet eens bestonden; van niet gemaakt, en die weldra na
eenige jaren tot stof en asch zullen wederkeeren; balling-
kinderen van Eva, aan zoo veel fouten onderhevig; zon-
der verdiensten, ja wat meer is, die u reeds door de
zonden aan ondankbaarheid jegens den goeden God hebt
plichtig gemaakt: bijgevolg geheel en al onwaardig. En
ziet! Jezus uw Schepper, wil zich toch met u, zijne schep-
selen, vereenigen. Jezus, de Heilige der Heiligen, wil
zich toch aan u, arme zondaren, geven. Gij moet dus
niet alleen zijne goedheid bewonderen, maar gij moet
ook uwe onwaardigheid erkennen voor hemel en aarde,
en vol ootmoedigheid op uwe borst slaande moet gij
(1) Ph. ii, 10.
-ocr page 456-
— 452 —
zeggen: Heer! ik ben niet waardig dat gij komt onder
mijn dak, maar spreek slechts een woord en mijne ziel
zal gezond worden. Ja, Heer! ik beken het uit den grond
mijns harten, ik verdien niet van U te ontvangen, al is
het ook dat ik mij zoo goed mogelijk voorbereid heb; daar-
om, o Heer! bid en smeek ik U, zuiver mijn hart al meer
en meer; ontsteek mijn hart steeds meer en meer van het
vuur uwer liefde, om U zoo waardig mogelijk te ontvangen.
SLUITREDE.
Zietdaar, B. K., u in het kort herinnerd, in welke ge-
steltenis gij tot de H. Tafel moet naderen: met een
levend geloof, met een vast betrouwen, met eene vurige
liefde en eene diepe ootmoedigheid.
Ik twijfel er niet aan, allen hebt gij uw best gedaan,
om u naar behooren tot de H. Communie voor te be-
reiden, uw hart is bereid. Doch opdat het des te aan-
genamer aan Jezus zijn moge, moet gij Hem uw hart
aanbieden door de handen van Maria. Ja, bidt Maria,
die goede Moeder, die thans met zooveel belangstelling
en welbehagen op u nederziet, dat zij in uw hart een
vonkje late nederdalen van de vurige liefde, waarvan
zij ontstoken was, toen zij Jezus ontving. Bidt uwe Pa-
tronen, opdat gij met dezelfde gevoelens Jezus moget
ontvangen, waarmede zij Hem ontvangen hebben. Bidt
uwe Engelenbewaarders, die u het geluk benijden, dat
u thans gaat te beurt vallen, en die u vol eerbied naar
de Communiebank zullen vergezellen.
En gij, ouders, bloedverwanten, ja gij allen, die hier in
de kerk tegenwoordig zijt, vereenigt uwe gebeden met de
onze en die dezer kinderen, opdat zij hunnen Heer en
God de eerste maal waardig ontvangen mogen tot hun
tijdelijk en wel bijzonder tot hun eeuwig welzijn. Amen.
-ocr page 457-
TWEEDE PREEK.
Vernieuwing der Doopbeloften en toewijding aan
Onze Lieve Vrouw.
Habebitis hunc diem in monwmentum, et
celebrabitis eum solemnem Domino ingenera-
tionibus vestris cultu sempiterno.
Deze dag zal voor u een heuglijke dag
zijn, en gij zult hem gansch uw leven
jaarlijks vieren met plechtige dankbetui-
gingcn.
                                   Ex. xii, 14.
INHOUD.
VOORREDE.
De dag uwer eerste H. Communie verdient aangetee-
kend en jaarlijks plechtig gevierd te worden. — Goed-
heid van Jezus, geluk voor u. — Gij zijt niet minder
gelukkig dan de H. Joannes, rijk gelijk de Heiligen des
hemels, bijna zoo gelukkig als zij. — Gij zijt aan de
Engelen gelijk, als vergoddelijkt. — Woorden van den
Apostel Paulus. — Lofzang van [Maria. — God vraagt
en verlangt uw hart. — Gij moet God beminnen, dank-
baar zijn en niet meer leven dan voor Hem.
VERDEELING.
I. Vernieuwing der Doopbeloften ;
II. Toewijding aan de allerheiligste Maagd Maria.
-ocr page 458-
— 454 —
I.
Wij moeten voor God leven. — Wij zijn door God
vrijgekocht en behooren Hem toe, bijzonder na Hem
nog ontvangen te hebben. — Beloften van ons H. Doop-
sel. — Verdrag tusschen God en ons, bezegeld met zijn
goddelijk bloed. — Wij mogen de beloften van ons H.
Doopsel niet schenden, het verdrag, met God aangegaan,
niet breken. — Wat beteekenen de Doopbeloften? —
Niemand kan twee heeren dienen. — Gij moet opnieuw
verzaken den duivel, zijne werken, de zonden; zijne pom-
perijen, de ijdelheden, de vermaken, de goederen en de
grondregels der bedorven wereld. — Jezus verlangt en
vraagt het. — Gij verlangt het. — Gij gaat vernieuwen
uwe Doopbeloften in tegenwoordigheid van Jezus Christus
in zijn H. Sacrament, van Maria, uwe Engelbewaarders,
uwe Patronen, gansch het hemelsch hof en van de ge-
loovigen hier tegenwoordig. — Vernieuwing der Doopbe-
loften: Nedergeknield, enz.
II.
De ouders moeten zorg dragen, dat hunne kinderen
in het goede volharden; daarom moeten zij over hen
waken, hen vermanen en hun goede voorbeelden geven.
—   Verantwoordelijkheid der ouders. — Er is niet te
vreezen van den kant der ouders, zoo zij hunne plichten
vervullen. — Niet van den kant van God. — Niet van
den kant van den duivel of van de wereld; maar er is
te vreezen van onzen kant. — Wij moeten ons zelven
mistrouwen. — Petrus. — Middel om in het goede te
volharden, zich stellen onder de bescherming van Maria.
—   Mozes, de Israëlieten en de Ark des Verbonds. —
God, wij en Maria, de Ark des Nieuwen Verbonds. —
-ocr page 459-
— 455 —
Maria machtige, goedertieren en getrouwe Maagd. —
Maria, Toren van David. — Woorden van den H. Ber-
nardus. — Stelt u onder de bescherming van Maria en
bedankt haar. — Toewijding aan de allerheiligste Maagd
Maria: Heilige Maagd, enz.
SLUITREDE.
Jezus en Maria zijn voldaan over u. — Welke zijn
onze gevoelens ? — Een enkele dag in het huis van God
doorgebracht, is meer waard dan duizend dagen door-
gebracht in de wereld. — \'t Is beter de laatste dienaar
te zijn in het huis van God, dan de eerste in de palei-
zen der grooten. — De vreugden en genoegens hier
op aarde zijn niets in vergelijking bij die van hierna-
maals in den hemel. — Doen wij ons best van te leven
tot den dood toe in de liefde tot God en Maria, ten
einde eeuwig met Hen te mogen leven in den hemel.
«-4-—S""<@^&^<^\'\'&~-»-8
-ocr page 460-
— 456 —
TWEEDE PREEK.
Vernieuwing der Doopbeloften en toewijding aan
Onze Lieve Vrouw.
Habebitis hunc diem in monumentum, et
celebrabitis etim solernnem Domino ingenera-
tionibus vestris cuMu sempiterno.
Deze dag zal voor u een heuglijke dag
zijn, en gij zult hem gansch uw leven
jaarlijks vieren met plechtige dankbetui-
gingen.
                                (Ex. xn, 14.)
VOORREDE.
Deze dag, de dag uwer eerste H. Communie, B. K.,
verdient ongetwijfeld onuitwischbaar in uw geheugen ge-
prent, verdient jaarlijks plechtig door u gevierd te worden.
Immers, dezen dag heeft Jezus u de eerste maal toege-
laten tot zijne H. Tafel; gij hebt de eerste maal het Lam
Gods, waarvan het paaschlam slechts een afbeeldsel was,
ontvangen. Dezen dag hebt gij de eerste maal het levend
Brood, uit den hemel nedergedaald, en waarvan het manna
der woestijn slechts een afbeeldsel was, geproefd; gij hebt
u gevoed met het Brood der Engelen, met den Wijn der
uitverkorenen, om zoo gesterkt door de woestijn der
wereld heen te trekken, naar het beloofde land, naar
den hemel. Ja, vandaag hebt gij de eerste maal het
geluk genoten, van Jezus te ontvangen met zijne godheid
en menschheid, met zijne ziel en zijn lichaam, met zijn
vleesch en bloed, gelijk Hij thans glorievol in den
hemel is. O goedheid van Jezus, die zich aan u gegeven
heeft! O geluk voor u, die Hem heden ontvangen hebt!
Gij zijt schier niet minder gelukkig dan de leerling, dien
-ocr page 461-
— 457 —
Jezus liefhad. De leerling Joannes rustte op het H. Hart
van Jezus en mocht Hem ook ontvangen. Gij ook rust
als op het H. Hart van Jezus en hebt Hem ook ontvan-
gen. Gij zijt in Jezus, en Jezus is in u. Gij zijt rijk
aan hetgeen de hemelen rijk zijn, want gij zijt rijk aan
God. Tusschen het geluk der Heiligen in den hemel en
uw geluk is geen ander verschil, dan dat gij bezit zon-
der hem te zien, Dengene, dien de Heiligen in den hemel
bezitten en tevens van aanschijn tot aanschijn aanschouwen.
Door de H. Communie, B. K., zijt gij den Engelen gelijk
geworden; ja, wat meer is, gij zijt er als door vergod-
delijkt. Met den Apostel Paulus moogt gij uitroepen:
Vivo autem: Ik leef; neen, ik leef niet meer, Jam non
ego,
maar het is Christus, die in mij leeft! Vivit vero
in me Christus!
\' (i) Met de allerheiligste Maagd Maria
moet gij uwen Heer en God loven en danken. Mijne
ziel maakt groot den Heer! Magnificat anima rnca Do-
minum!
en mijn geest is opgesprongen in God, mijnen
Zaligmaker! want Hij heeft op de geringheid zijns die-
naars, zijner dienares nedergezien; de Almachtige heeft
mij groote dingen gedaan; Fecit tnihi magna quipotens
est.
(2) Hij heeft zich geheel en al aan mij gegeven.
Doch terwijl gij uwen Heer en God looft en dankt,
die zich aan u gegeven heeft, weet, B. K., dat diezelfde
Heer en God ook iets van u vraagt, dat Hij ook iets van
u verwacht. En wat vraagt, wat verwacht Hij van u?
Hij vraagt van u uw hart: Pracbefili micor ttcum mikt: (3)
Mijn zoon, mijne dochter, geef mij uw hart. Hij verwacht •
van u, dat gij paal noch perk stellet aan uwe liefde en
dankbaarheid; in een woord, Hij verwacht van u, dat
gij, na Hem in de H. Communie ontvangen te hebben,
(1) Gal. 11, 20. (2) Luc. 1, 47. (3) Prov. xxin, 26.
-ocr page 462-
— 458 —
niet meer levet dan voor Hem: Qui manducat me et
ipse vivet propter me.
(i)
Zietdaar, B. K., wat gij God plechtig gaat beloven bij
de vernieuwing uwer doopbeloften; en om uwe doopbe-
loften te volbrengen, gaat gij u stellen onder de bescher-
ming van Maria. Doch wij zullen eerst een woordje
zeggen:
I. Over de vernieuwing der Doopbeloften;
II. Over de toewijding aan de allerheiligste Maagd
Maria.
I.
Leven voor God en altoos, tot den laatsten snik toe,
leven voor God, zietdaar de groote verplichting van den
Christen, en vooral van hem, die zijnen Heer en God in
de H. Communie ontvangen heeft.
De Apostel Paulus leert ons, dat wij zijn vrijgekocht.
Empti estis pretio magno, zegt hij: Gij zijt vrijgekocht
voor een grooten prijs. En welke is die groote prijs ?
Die groote prijs is het bloed van eenen God. Daarom,
zoo voegt de Apostel er bij, behoort gij u niet meer toe:
et jam non estis vestri. (2) Aan wien behooren wij dan
toe? Wij behooren toe aan God; en nadat die God zich
ook nog gansch aan ons gegeven heeft, wij zouden ons
niet gansch aan Hem geven ? Wij zouden nog kunnen
leven zoo niet voor Hem ?
Overigens, B. K., de verplichting van voor God te leven
is niets nieuws; zij ligt opgesloten in de beloften van
ons H. Doopsel. Den dag van ons H. Doopsel hebben
wij een verdrag gesloten met God. God heeft ons aan-
(1) Joan. lv, 58. (2) 1 Cor. vi, 20.
-ocr page 463-
— 459 —
genomen tot zijne kinderen, tot zijne erfgenamen; en wij,
wij hebben God plechtig beloofd zijne trouwe kinderen
te zullen wezen, ten einde eenmaal zijne goederen te
kunnen erven.
God heeft de beloften van ons H. Doopsel aanvaard; het
verdrag, met Hem gesloten, heeft Hij bezegeld, niet met
het bloed van offerdieren, gelijk Mozes deed voor het
Oude Verbond, maar met zijn eigen bloed: Dit is mijn
bloed des Nieuwen Verbonds, zegt Jezus : Hic est san-
guis meus novi testamenti.
(i) God wil dat gij de
beloften uws Doopsels getrouw blijvet, dat gij het
verdrag, met Hem gesloten, nakomet. Vandaag, B. K.,
gaat gij die beloften vernieuwen, dat verdrag wederom
bekrachtigen. Doch alvorens daartoe over te gaan ,
wensch ik dat gij goed beseffet, wat gij gaat doen. Ik wil
tevens dat uwe ouders, hier tegenwoordig, hooren, waar-
toe gij u op nieuw gaat verplichten, om u des noods
uwe beloften te herinneren en te helpen volbrengen.
Niemand, B. K., kan twee heeren dienen; Jezus-Christus
zelf heeft het verklaard; want hij zal of den eenen ha-
ten en den anderen beminnen; of hij zal den eenen voor-
staan en den anderen verachten; gij kunt tegelijkertijd
God niet dienen en Mammon: Non potestis Deo servire
• et Mammonae.
(2) \'t Is dus klaar: gij kunt voor Jezus-
Christus niet leven en tegelijkertijd voor den duivel.
Wilt gij dus voor Jezus-Christus leven, dan moet gij ver-
zaken den duivel, zijne werken en pomperijen.
Gij moet verzaken den duivel. De duivel stond het
eerst op tegen God in den hemel, en hij werd van bo-
ven uit den hemel nedergeworpen in den afgrond der
hel. Hij bracht in opstand tegen God Adam en Eva,
(1) Mar. xiv, 2i. (2) Matth. vi, 24.
-ocr page 464-
— 460 —
en zij werden uit het aardsch paradijs gedreven. Thans
doet hij nog zijn best om ons in opstand te brengen
tegen God. De duivel is dus de eerste vijand van God.
Jezus-Christus heeft den duivel den oorlog verklaard, en
Hij heeft hem overwonnen aan het kruis. Wij moeten dus
Jezus-Christus aanhangen en niet den duivel. Jezus-Christus
moet onze Koning zijn, Hem alleen moeten wij dienen.
Wij moeten verzaken de werken des duivels, d. i., de
ondeugden en zonden; want die zich aan de ondeugd
overgeeft en de zonde bedrijft, is uit den duivel, wiens
werken hij verricht. Wij moeten daarentegen de deugd
oefenen en het goede doen; daardoor toonen wij, dat
wij uit God, d. i., dat wij zijne kinderen zijn. Wij moe-
ten verzaken de pomperijen des duivels, d. i., de ijdel-
heden, de schijnvermaken, de schijngoederen en de valsche
grondregels der wereld. De wereld, namelijk de be-
dorven wereld, is de handlangster van den duivel; zij
werkt met den duivel mede om de menschen, en vooral
om de jonge personen te verleiden door de begeerte
naar schoone kleederen, naar overtolligen opschik, door
de begeerte van uit te schijnen, van anderen te behagen.
Die ijdelheden moeten wij verzaken.
Wij moeten verzaken de schijnvermaken, waarmede
de wereld den mensch, doch vooral de jonge personen
verleidt; en van daar dat zij hen aanzet van, bijv. naar
schouwburgen of theaters te gaan, waar niets goeds te
zien of te hooren is; van gevaarlijke vergaderingen of
feesten bij te wonen, waarop de onschuld zoo dikwerf
schipbreuk lijdt; van slechte of gevaarlijke romans te
lezen, waardoor zoo velen bedorven worden; van vriend•
schapsbetrekkingen aan te knoopen met ongelijke per-
sonen, waardoor zoo menigeen zijne eer en deugd verliest.
Die schijnvermaken moeten wij verzaken.
-ocr page 465-
— 461 —
Wij moeten verzaken de schijngoederen, waarmede de
wereld ons komt bekoren. En helaas! Hoe dikwijls slaagt
zij er niet in met haar goud en zilver, met hare schatten
en rijkdommen den mensch om te koopen, zoodat deze
er zijne ziel en zaligheid voor veil heeft.
Wij moeten verzaken de valsche grondregels, welke de
wereld ons aanprijst, als zijn: dat men, terwijl men jong
is, zich moet vermaken; dat men van zijne jeugdige jaren
moet gebruik maken, enz., grondregels, helaas! die door
zoo velen gevolgd en waardoor zoo velen ongelukkig
worden gemaakt voor tijd en eeuwigheid. Zietdaar, B. K.,
wat gij opnieuw moet verzaken; gij moet verzaken den
duivel, zijne werken en pomperijen. Jezus-Christus, dien
gij dezen morgen ontvangen hebt, en die hier in het
H. Sacrament des Altaars tegenwoordig is, die Jezus
op dit oogenblik verlangt het, hij vraagt het. Daaren-
boven, gij ook, ik weet het, verlangt het verdrag, met
Jezus in uw H. Doopsel gesloten, te bekrachtigen. De
beloften dus weleer door den mond van uwe peters en
meters gedaan, gaat gij thans in de tegenwoordigheid
van Jezus-Christus en de allerheiligste Maagd Maria, van
uwe Engelenbewaarders en uwe Patronen, van gansch
het hemelsch hof en de geloovigen hier tegenwoordig,
vernieuwen. Volgt mij dus en zegt mij van woord tot
woord na: „Nedergeknield aan uwe voeten, enz.
II.
B. B., en gij vooral ouders, vaders en moeders, gij
hebt het gehoord. Uwe kinderen hebben op nieuw ver-
zaakt den duivel, zijne werken en pomperijen. Zij heb-
ben plechtig beloofd, dat de wet Gods de eenige regel
van hun gedrag zal zijn, en dat zij die wet altoos ge_
-ocr page 466-
— 462 —
trouw zullen volgen. Opdat uwe kinderen nu hunne
beloften getrouw blijven, moet gij, vaders en moeders,
hen bijstaan en helpen. Daarom moet gij een waakzaam
oog op uwe kinderen houden; gij moet hen bijtijds ver-
manen, en vooral moet gij hun steeds goede voorbeelden
geven. God heeft u die kinderen toevertrouwd, ouders,
om hen te helpen in het werk hunner zaligheid. Gij
moet uwe kinderen beschouwen als een dierbaar pand,
waarvan God u eenmaal eene strenge rekenschap zal
vragen. In naam van Jezus Christus, ik bid en smeek u,
ouders, doet uw best en zorgt van u steeds trouw van
uwe plichten jegens uwe kinderen te kwijten. O wacht
u wel, van die ongelukkige ouders na te volgen, die, in
plaats van hunne kinderen te bewaken, niet naar hen
omzien; die, in plaats van hunne kinderen te vermanen,
hen laten geworden; die, in plaats van hunnen kinderen
goede voorbeelden te geven, hen door hun slecht gedrag
ontstichten. Welke verschrikkelijke verantwoordelijkheid
voor de plichtvergeten ouders, die op dergelijke wijze
hunne kinderen bederven en de schuld zijn, dat zij voor\'
eeuwig verloren gaan ! Doch ik hoop en vertrouw, B.
K., dat uwe ouders zich stipt van hunne plichten jegens
u zullen kwijten. In dat geval blijft er van den kant
uwer ouders voor uwe volharding niet te vreezen. Van
den kant van God valt er natuurlijk nog minder te vree-
zen. God, die zich zelven aan u gegeven heeft, zal u
ook zijne genade, welke gij ter volharding noodig hebt,
geven, mits gij er Hem om vraagt. Voor den duivel of
de wereld behoeft gij ook niet het meeste te vreezen of
bang te zijn; al hunne pogingen kunt gij verijdelen, al
hunne aanvallen kunt gij zegevierend afslaan, mits gij naar
hen niet luistert en uw hart voor hen gesloten houdt.
Voor wie moet gij dus het meeste vreezen of bang zijn?
-ocr page 467-
— 4^3 —
O, B. K., gij moet het meeste vreezen en bang zijn voor u
zelven. Dus, gij moet niet op eigen krachten steunen, maar
u zelven mistrouwen; hoe stellige beloften gij ook gedaan,
hoe vaste voornemens gij ook moget gemaakt hebben,
als gij op eigen krachten steunt en u zelven niet mis-
trouwt, gij zult uwe beloften niet nakomen, uwe voorne-
mens niet ten uitvoer brengen. Immers, de geest is wel
gewillig, maar het vleesch is zwak: Spiritus quidem
promptus est caro autem infirma.
(i) Wee dus den mensch,
die op eigen krachten steunt! Petrus steunde op eigen
krachten. Ik zal u niet verloochenen, had hij stellig tot
zijn goddelijken Meester gezegd: Non te negabo. (2) Al
zouden ook allen u verlaten, ik zal u niet verlaten; ik
ben bereid om met u in den kerker en in den dood te
gaan. En wat gebeurde er? B. K., op de stem eener
dienstmeid loochende Petrus Jezus te kennen, tot driemaal
toe, met eed en onder verwenschingen. Gij ziet dus, gij
moet u zelven mistrouwen en betrouwen op God. En
van welk middel moet gij u nog meer bedienen om te
kunnen volharden in het goede ? B. K., gij hebt het
wellicht reeds geraden. Dat middel, en wel een der
krachtigste voorwaar om in het goede te volharden, is
uwe toevlucht te nemen tot Maria, u te stellen onderde
bescherming dier goede Moeder. Neemt dus uwe toevlucht
tot Maria, stelt u onder hare bescherming en beveelt
haar uwe beloften en voornemens aan, door u vandaag
plechtig aan Maria toe te wijden.
Toen Mozes zekeren dag den Israëlieten eenige ver-
plichtingen had doen aangaan, niet ongelijk aan de
doopbeloften, welke gij vandaag vernieuwd hebt, nam hij
een exemplaar der wet en legde het neder in de Ark :
(1) Matth. xxvi, 41. (2) Mattli. xxvi, 35.
-ocr page 468-
— 464 —
vandaar dat die Ark genoemd wordt Ark des Verbonds.
Welnu, wij hebben ook onze Ark des Verbonds. En wie
is die Ark des Verbonds ? Maria is die Ark des Verbonds,
gelijk de H. Kerk ons leert: Foederis Ar ca. Gelukkig, ja
overgelukkig degenen, die hunne toevlucht nemen tot
Maria, die zich stellen onder hare moederlijke bescher-
ming! Maria is eene machtige Maagd, die ons kan be-
schermen ; zij is eene goedertierene Maagd, die ons wil
beschermen; zij is eene getrouwe Maagd, die ons zal
beschermen, mits wij onze toevlucht tot haar nemen.
De H. Kerk noemt Maria nog Toren van David. (1)
Duizenden schilden hangen van dien Toren af, gansch
de wapenrusting des dapperen: Mille clypei pendenl ex
ea, omnis armatura fortium.
(2) In dien Toren, d. i.,
bij Maria vindt men al de wapenen, die men noodig
heeft, om de vijanden zijner zaligheid te overwinnen.
Ziethier, hoe de H. Bernardus zich dienaangaande uitdrukt.
In de gevaren, zoo spreekt H. Bernardus, wanneer gij
bang zijt en niet weet wat aanvangen, denkt dan aan
Maria en roept Maria aan. Haar naam zij immer op
uwe lippen, hare liefde steeds in uw hart. En opdat gij
zeker den bijstand harer gebeden bekomet, beijvert u om
het spoor harer deugden te volgen. Maria volgende, zult
gij niet dwalen; aan Maria denkende, zult gij niet dolen;
Maria aanroepende, zult gij niet wanhopen. Wanneer
Maria u beschermt, hebt gij niets te vreezen; wanneer
Maria u bijstaat, zult gij niet bezwijken; wanneer Maria
, u vergezelt, zult gij u niet vermoeien; wanneer Maria
voor u ten beste spreekt, zult gij tot uwe bestemming
geraken, d. i., gij zult eenmaal aanlanden in de haven
van het hemelsch vaderland.
(1) Turris davidica, (2) Cant. iv, 4.
-ocr page 469-
— 4^5 —
Aangemoedigd dus door de woorden van den H. Ber-
nardus, stelt u onder de bescherming van Maria. Be-
dankt vooreerst die goede Moeder voor al de genaden,
welke u door hare machtige voorspraak zijn toegekomen ;
bijzonder voor het geluk, dat u vandaag is te beurt
gevallen, namelijk, van Jezus haren Zoon voor de eerste
maal ontvangen te hebben, want Maria is de Moeder der
goddelijke genade; (i) zij is de Moeder van Christus (2).
Kiest vervolgens Maria tot Moeder en wijdt u gansch
aan haar toe. Tot dat einde volgt mij wederom, en
zegt mij van woord tot woord na „Heilige Maagd,
Moeder van God,
enz."
SLUITREDE.
Jezus, B. K., is voldaan. Gij hebt Hem van harte
bedankt; gij hebt Hem plechtig beloofd van Hem ge-
trouw te zullen dienen al de dagen uws levens. Om uwe
beloften te kunnen volbrengen hebt gij u toegewijd aan
Maria. Gij hebt die goede Moeder ook bedankt. Gij
hebt Maria verheerlijkt door Haar te erkennen voor het
kanaal, waardoor u alle goed is toegekomen. Maria is
ook voldaan. Ja, ik herhaal het, Jezus en Maria, beiden
zijn voldaan, zijn tevreden over u.
En wij, B. B., hoe zijn wij thans gesteld ? Welke zijn
onze gevoelens op dit oogenblik ? Te midden dezer groot-
sche en treffende godsdienst-plechtigheden, schijnt het
ons niet toe, als of de hemel op de aarde ware neder-
gedaald ? Zoudt gij wel ooit hebben kunnen denken, \'dat
men hier op aarde, in dit tranendal, zoo innige vreugden
genieten, zoo zuivere genoegens smaken kon ? O mijn
(1) Mater divinae gratiae (2) Mater Christi.
30.
-ocr page 470-
— 46.6 —
God! Een enkele dag, in uwe woonplaatsen doorgebracht,
verschaft meer vreugde, meer genoegen dan duizenden
dagen doorgebracht te midden van de vermaken der
wereld! Gelukkig, o Heer! die in uw huis wonen! Ge-
lukkig, die u getrouw dienen! want \'t is beter de laatste
uwer dienaren te zijn in uw huis, dan de eerste in de
paleizen van de grooten der wereld. En nochtans, hier
op aarde genieten wij maar een druppeltje van de eeuwige
vreugden en genoegens, waarmede God zijne uitverkore-
nen verzadigt in den hemel. O, B. B., doordrongen van
hetgeen wij van daag gehoord, gezien en bijzonder, van
hetgeen wij gevoeld hebben, mochten wij allen leven, en
leven tot den dood toe, in het onderhouden van de ge-
boden van God en van de H. Kerk, in het vervullen van
de plichten van onzen staat. Mochten wij allen leven,
en leven tot den dood toe, in de liefde tot Jezus en Maria,
om tot belooning er voor met Jezus en Maria in eeuwig-
heid te mogen leven in den hemel. Amen.
-ocr page 471-
DERDE PREEK.
De Opening der Meimaand.
Muiier! ecce flius tuus f
Vrouw! ziedaar uwen Zoon!
(Joan. xix, 26.)
INHOUD.
- VOORREDE.
Instelling van het allerheiligste Sacrament des Altaars. —
Woorden van Jezus aan het kruis: Vrouw! ziedaar uwen
Zoon! ziedaar uwe moeder! — Joannes vertegenwoordigt
alle Christenen. — Jezus zeide tot zijn leerling: de Chris-
tenen zijn leerlingen van Christus. — Wij zijn broeders
en zusters van Jezus, kinderen van Maria.
VERDEELING.
I. Wij moeten vermijden al wat Maria mishaagt;
II. Wij moeten doen al wat Maria behaagt.
I.
Een kind moet zijne ouders eeren: de gezonde rede,
de wet der natuur, het gebod van God: Eer uwen vader
en uwe moeder. — Hoe gedraagt zich een braaf kind?
-ocr page 472-
— 468 —
Het bemint zijne ouders; dus, het vermijdt al wat zijnen
ouders mishaagt. — Zoo ook handelt een oprecht kind
van Maria; het vermijdt al wat Maria mishaagt; dus
vooreerst de doodzonde: waarom? Vervolgens de dage-
lijksche zonde: waarom? — Om een oprecht kind van
Maria te zijn, moet men in staat van genade zijn. —
De zondaar moet zich bekeeren, zijne toevlucht nemen
tot Maria, de toevlucht der zondaren.
II.
Een braaf kind doet al wat zijnen ouders behaagt. —
Zoo ook handelt een oprecht kind van Maria. — Bijge-
volg: het spreekt en hoort gaarne spreken van Maria;
het leest gaarne boeken over Maria; het verheugt zich
over de eer, Maria aangedaan; het maakt deel van de
broederschappen en congregatiën van Maria. — Inzon-
derheid bidt het dikwijls het Wees gegroet, den rozen-
krans of het rozenhoedje; het draagt den scapulier of de
livrei van Maria.
SLUITREDE.
Beminnen wij Maria niet met woorden maar met wer-
ken; dus, vermijden wij de zonde. — Bidden wij tijdens
de Meimaand vooral het Wees gegroet en het rozenhoedje.
— Zorgen wij van in staat van genade te zijn. — Ver-
wijt van Maria. — Gebed tot Maria.
<-xS^.- -o->-.. «fCs^->
-ocr page 473-
— 469 —
DERDE PREEK.
De Opening der Meimaand.
Muiier.\' ecce fllius tuus.\'
Vrouw! ziedaar uwen zoon!
(Joan. xix, 26.)
VOORREDE.
Onze goddelijke Zaligmaker, B. B., had op Witten
Donderdag, daags voor zijn lijden, het allerheiligste Sa-
crament des Altaars ingesteld. In het allerheiligste Sa-
crament heeft Hij zich met godheid en menschheid, met
ziel en lichaam, met vlcesch en bloed aan ons gegeven.
Op Goeden Vrijdag, tot middelaar van hemel en aarde
aan het kruis verheven, bemerkte Jezus, dat het oogenblik
van zijnen dood naderde; Hij liet zijne oogen vallen op
twee personen, die Hem zoo getrouw gebleven waren,
namelijk, op Maria zijne Moeder en op Joannes den leer-
ling, dien Hij liefhad. Gansch verslonden in het grootsche
werk der verlossing, liet Jezus bij testament, dat Hij als
het ware met zijn goddelijk bloed teekende, zijnen leer-
ling aan zijne Moeder: Vrouw! zeide Jezus, ziedaar uwen
Zoon! Mitlier! ecce filius tuus. (1) En om den band van
liefde, waardoor Maria en Joannes immer moesten ver-
eenigd blijven, nog nauwer toe te halen, gaf Jezus Maria
zijnen leerling tot Moeder: Ecce Mater tua ! Ziedaar uwe
Moeder! Wonder-, liefdevol testament van Jezus, stervende
uit liefde voor ons aan het kruis, testament vol geheimen.
Doch trachten wij toch een weinig den inhoud er van te
(1) Joan. xix, 26.
-ocr page 474-
— 470 —
verstaan. O, \'t is de liefde van Jezus niet genoeg geweest
zich zelven voor en aan ons te geven; Hij gaf ons ook
nog zijne Moeder. Want merkt wel op, B. B., de H.
Joannes onder het kruis vertegenwoordigde alle menschen,
doch vooral de Christenen.
In den persoon van den H. Joannes gaf Jezus ons allen
tot kinderen aan Maria; en wij, wij allen ontvingen Maria
tot Moeder. Vandaar misschien dat de H. Joannes niet
met eigen naam, maar met den naam van leerling, dien
Jezus lief had, genoemd wordt. Jezus zeide tot zijn leer-
ling: Discipulo. Welnu, wij allen zijn leerlingen van
Jezus-Christus; want wat is een christenmensch? Een
discipel, een leerling van Jezus-Christus. Wij zijn leer-
lingen, die Jezus bemint, en ingeval Hij ons niet bemint,
de reden, de schuld er van is alleen aan ons, omdat wij
door ons slecht gedrag ons zijne liefde onwaardig maken.
Onze goddelijke Zaligmaker, door ons tot kinderen aan
zijne Moeder te geven, heeft zich daardoor op het innigste
met ons willen vereenigen. Wij zijn in zekeren zin de
broeders en zusters van Jezus-Christus geworden. Voor-
zeker, als er sprake is van kind van Maria, dan is er een
groot onderscheid te maken tusschen Jezus-Christus en
ons. Jezus-Christus is in den eigenlijken zin des woords
het kind, de zoon van Maria; wij christenen, wij zijn
slechts de aangenomen kinderen van Maria. Nochtans,
wij zijn eenigszins de broeders en zusters van Jezus-Christus,
die volgens de uitdrukking der H. Schrift de eerstge-
borene is onder vele broeders: Primogenitus in multis
fratribus.
(i) Welke waardigheid dus als de onze! Wij
zijn broeders en zusters van Jezus-Christus, den Zoon
Gods! Wij zijn kinderen van Maria, de Moeder van
(1) Kom. vin, 29.
-ocr page 475-
— 47i —
Jezus! Denken wij wel ooit aan die waardigheid? O, B. B.,
aan die waardigheid moeten wij dikwijls denken, ten
einde ons zelven te eerbiedigen. Vergeten wij daarbij
niet de plichten, welke de hoedanigheid van kind van
Maria ons oplegt.
Ter gelegenheid der opening van de Meimaand, Maria
toegewijd, wil ik u eenige oogenblikken onderhouden over
hetgeen wij in hoedanigheid van kinderen van Maria die
goede Moeder schuldig zijn. Als kinderen van Maria
moeten wij die goede Moeder beminnen. Bijgevolg moe-
ten wij:
I. Vermijden al wat Maria mishaagt;
II. Doen al wat Maria behaagt. Breiden wij die twee
punten een weinig uit.
I.
Een kind, gelijk wij weten, B. B., heeft jegens zijne
ouders plichten te vervullen; een kind moet zijnen vader
en zijne moeder diensten bewijzen; die waarheid is onbe-
twistbaar: de gezonde rede, de wet der natuur, in het
hart van den mensch geprent, leert het ons duidelijk.
Aan vader en moeder immers zijn wij naast God ons
leven verschuldigd; aan onze ouders hebben wij naast
God al wat wij zijn en bezitten te danken. God, wél
verre van de gezonde rede en de wet der natuur tegen
te spreken, bevestigt beide. Honora patrem tuwn et ma-
trem tuam,
(i) zegt God in het vierde gebod: Eer uwen
vader en uwe moeder, opdat gij lang moget leven op
aarde. Bijgevolg zijn wij onzen ouders schuldig in- en
uitwendige eer, liefde, gehoorzaamheid en behulpzaamheid.
(1) Ex. xx, 12.
-ocr page 476-
— 472 —
Doch die waarheid breedvoeriger bewijzen kan hier ons
plan niet zijn; \'t is overigens onnoodig. Wij moeten enkel,
om ons doel te bereiken, zien hoe een kind, dat eene
goede opvoeding ontvangen heeft, zich ten opzichte van
zijne ouders gedraagt Dergelijk kind, zult gij zeggen,
bemint zijne ouders. En inderdaad, zoo is het. Doch
die liefde bestaat niet enkel in woorden, zij bestaat in
werken. Dat kind toont werkelijk dat het zijne ouders
bemint; vooreerst, door zorgvuldig te vermijden al wat
zijnen ouders mishaagt. Welnu, zoo is het ook gelegen
met een waar, een oprecht kind van Maria. De christen,
die Maria zijne Moeder waarlijk bemint, stelt zich niet
tevreden met het enkel te zeggen; hij toont het in zijn
gedrag, door op de eerste plaats zorgvuldig te vermijden
al wat Maria mishaagt. En wat mishaagt er nu aan
Maria? Aan Maria mishaagt eigenlijk maar ééne zaak,
en die zaak is de zonde. De reden er van is gemakkelijk
te begrijpen. Maria kent al het lcelijke, het afschuwelijke,
dat in de zonde ligt opgesloten. Zij weet dat de zonde
een opstand is tegen God, eene beleediging, haar god-
delijken Zoon aangedaan. Maria weet welke pijnen en
smarten de zonde haren Zoon veroorzaakt heeft. Is zij
niet getuige geweest van het lijden van haar goddelijken
Zoon, getuige er van vooral op den Calvarieberg? Ja,
op den Calvarieberg, geplaatst aan den voet des kruises,
heeft Maria haren Zoon, terwijl Hij aan het moordhout
vastgenageld was, aanschouwd; daar heeft zij haren Zoon
te midden der hevigste pijnen en folteringen de zonde
zien uitboeten en sterven. Ziedaar het werk der zonde,
en ziedaar tevens de reden, waarom de zonde Maria
zoozeer mishaagt. Bijgevolg, de Christen, die Maria
waarlijk bemint, zal met de uiterste zorg de zonde ver-
mijden, ten minste de doodzonde; hü zal noe vermijden
-ocr page 477-
— 473 —
met dezelfde zorg de vrijwillige gevaren en gelegen-
heden van doodzonde. Ik zeg, ten minste de doodzonde.
Immers, de doodzonde doet ons de liefde Gods verliezen,
bijgevolg ook de liefde van Maria. Iemand die God, die
Jezus Christus niet bemint, die bemint ook Maria, de
Moeder van God niet. Onmogelijk dus een waar, een
oprecht kind van Maria te zijn en gehecht blijven aan
de doodzonde; onmogelijk een ware, een oprechte dienaar
of dienares te zijn van die goede Moeder en slaaf of
slavin willen blijven van den duivel. Ik heb gezegd:
ten minste de doodzonde; want ziethier nog een andere
aanmerking. De dagelijksche zonde, B. B., neemt wel
is waar de liefde van God niet weg, en bijgevolg ook
niet de liefde van Maria; maar wijl de dagelijksche zonde
toch altijd zonde, en bijgevolg eene belcediging van God
en een afschuw in hunne oogen is, zoo zal een waar,
een oprecht kind van Maria niets onbeproefd laten om
de dagelijksche zonden zooveel mogelijk te vermijden,
vooral de dagelijksche zonden, die met opzet, met voor-
bedachtheid bedreven worden. Veronderstelt nu een
oogenblik iemand in staat van doodzonde, of die vrij-
willig zonder reden in het naaste gevaar, in de naaste
gelegenheid van doodzonde blijft; een zondaar, die zijne
zondige wegen niet wil verlaten, die zondaar, zoolang hij
in dien staat verkeert, zal nooit een waar, een oprecht kind
van Maria zijn. Nochtans, zoo hij oprecht verlangt van
zich te bekeeren, zoo hij zelfs aan zijne bekeering werkt,
zoo hij zich reeds eenige moeite geeft om uit zijn ongelukki-
gen zondenstaat op te staan, bijzonder, zoo hij zijne toe-
vlucht neemt tot Maria, die de toevlucht der zondaren
genoemd wordt en ook is; van dat oogenblik af wordt hij
reeds, alhoewel nog onvolmaakt, een kind van Maria. (*)
(*) Zie Jamar „Maria Moeder ran Jezus," vierde uitgaaf bl. 487.
-ocr page 478-
— 474 —
Zietdaar dus, B. B., het eerste uitwerksel van de liefde
tot Maria. De christen, die Maria oprecht bemint, ver-
mijdt al wat Maria mishaagt, d. i., hij vermijdt de zonde
en al wat tot de zonde kan brengen. Doch dat is niet
alles. Om een waar kind van Maria te zijn, moet men
wat meer doen; dat zullen wij zien in ons tweede de,el.
II.
Een kind, B. B., dat zijne ouders waarlijk bemint,
stelt zich niet tevreden met enkel te vermijden al wat
vader en moeder mishaagt, waardoor het zijne ouders
zou kunnen bedroeven; neen, dat kind doet meer, het
doet ook al wat vader en moeder behaagt, en waardoor
het zijnen ouders aangenaam kan zijn. Welnu, zoo is
het ook gelegen met een kind van Maria. Daarom, een
waar en oprecht kind van Maria spreekt gaarne en hoort
gaarne spreken over zijne Moeder en hare deugden. Een
waar en oprecht kind van Maria leest gaarne boeken,
waarin over zijne Moeder en hare voorrechten gehandeld
wordt. Dat kind verheugt zich over de eer, welke zijne
Moeder wordt aangedaan. Het tracht deel te maken, in
zoo ver het zijn staat of stand medebrengt, van de broe-
derschappen en congregatiën, ter eere van Maria ingesteld
en opgericht. Het viert zoo goed mogelijk de feestdagen,
Maria toegewijd, door godvruchtig]ijk tot de H. Sacra-
menten te naderen. O, B. B., er zijn zoo vele oefeningen
van godsvrucht tot de allerheiligste Maagd Maria, die
eenieder kan en behoort te onderhouden, wil hij als een
waar, een oprecht kind van Maria doorgaan. Het zij
genoeg eenige dier oefeningen op te noemen:
Het gebed, de groetenis des Engels of het Weesgegroet,
door den Engel Gabriël begonnen, door Elisabeth, de
-ocr page 479-
— 475 —
nicht van Maria voortgezet, en door onze Moeder de
H. Kerk voltrokken. In dat gebed herinneren wij ons
de groote waardigheid en de uitstekende voorrechten van
Maria; wij groeten haar als Moeder van God. Het Wees
gegroet, hoe dikwijls ook herhaald, zal nooit ophouden
Maria aangenaam te zijn. De H. Bernardus was onge-
twijfeld een der grootste dienaren van Maria, een der
verkleefdsten harer kinderen. Hij heeft de schoonste
bladzijden over zijne Moeder geschreven, de schoonste
lofreden over hare grootheden en deugden gehouden.
De H. Bernardus dacht als \'t ware aanhoudend aan
Maria, zijne Moeder, en groette haar overal. Zekeren dag,
zoo verhalen ons de schrijvers, kwam de H. Bernardus
te Affligem voorbij een beeld van Maria, langs den weg
geplaatst. Het beeld zijner Moeder ziende, groette Ber-
nardus haar minzaam, zeggende: Wees gegroet, Maria :
Salve Maria! En wat gebeurde er? Maria antwoordt
terstond op den groet van haren dienaar, zeggende: Wees
gegroet, Bernardus: Salve Bernarde! Doorslaand bewijs
niet waar, hoe aangenaam de groetenis des Engels Maria
is. Welnu, bidden wij ook dikwijls het Wees gegroet;
groeten wij Maria dikwijls door den dag met den Engel,
bijzonder door \'s morgens, \'s middags en \'s avonds den
Engel des Heeren met aandachtigheid te bidden. Volgen
wij den wijzen raad, dien een andere dienaar van Maria,
de H. Alphonsus van Liguorio, geeft als hij ons dringend
aanbeveelt van dagelijks drie Wees gegroeten te bidden
ter eere van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria.
Een ander gebed, B. B., aangenaam aan Maria en ons
tevens voordeelig, is het bidden van den Rozenkrans of
van het Rozenhoedje. De brave christenen, die de goede
gewoonte hebben van dikwijls, hetzij alleen, hetzij met
anderen, \'s avonds in hun huisgezin den Rozenkrans of
-ocr page 480-
— 476 —
een Rozenhoedje te bidden, die christenen vlechten als zoo
vele kransen uit welriekende bloemen, zij vervaardigen
als zoo vele kronen uit edelgesteenten voor Maria, waar-
door zij hunne Moeder eeren en haar hunne liefde te
kennen geven. Er zijn nog zooveel andere gebeden
ter eere van Maria in de godvruchtige kerkboeken ver-
vat, zooals bijv., de Litanie van onze Lieve Vrouw van
Lorette, het gebed van den H. Bernardus: Memorare :
Gedenk, o goedertierene Maagd, het: Sub tuum praesi-
dium:
Onder uwe bescherming, en zoo veel andere korte
schietgebeden. O, B. B., zorgt vooral van gedurende
deze Meimaand, \'s avonds te zamen met godsvrucht, voor
u en voor anderen het Rozenhoedje te bidden, opdat
door Maria\'s machtige tusschenkomst Gods zegen over-
vloedig over ons tiederdale. Een ander werk van gods-
vrucht tot Maria is het dragen van het scapulier. De
dienaren eener adellijke of koninklijke familie rekenen het
zich tot eer de livrei van hunne heeren te dragen, zij
gaan groot op hunne strepen en onderscheidingstcekenen;
hoeveel te meer kunnen, ja moeten wij het ons dan tot
eer rekenen de livrei te dragen, niet van eenen edele,
van een prins of koning dezer aarde, maar de livrei van
Maria, de Moeder van God; hoe veel te meer kunnen
wij er fier op zijn door het dragen van het scapulier
niet alleen onderdanen, maar zelfs kinderen te zijn van
de Koningin van hemel en aarde.
SLUITREDE.
Zietdaar, B. B., wat wij als ware kinderen van Maria
die goede Moeder schuldig zijn: wij moeten haar be-
minnen, niet enkel met woorden, maar met werken. Dat
wij Maria waarlijk beminnen, zullen wij toonen, vooreerst.
-ocr page 481-
— 477 —
zoo wij de zonde vermijden, vooral de doodzonde en
alles wat er aanleiding toe geven kan; vervolgens, zoo
wij eenige werken van godsvrucht oefenen ter eere van
Maria, zooals bijv., het bidden van het Wees gegroet,
van den Rozenkrans of van het Rozenhoedje en het dra-
gen van het scapulier. Met die werken van godsvrucht,
B. B., bijzonder met het bidden van het Rozenhoedje,
moeten wij tijdens de Meimaand blijven voortgaan; en
opdat zij Maria aangenaam zijn mogen, zorgen wij van
in staat van genade te zijn. Zoo bij ongeluk iemand
onder ons in staat van doodzonde ware, ik zou hem toe-
roepen: Haast u om uit dien ongelukkigen staat op te
staan; neem tot dat einde terstond uwe toevlucht tot
Maria, die de toevlucht der zondaren is, en bekeer u
door zoo spoedig mogelijk eene goede biecht te spreken.
Overigens, welke waarde zouden onze oefeningen van
godsvrucht hebben, zoo wij in staat van doodzonde waren
en vrijwillig bleven, zonder ons te willen bekeeren. Maria
zou kunnen zeggen : Die christenen hebben mij een troon
opgericht; maar de troon, waarop ik met mijn godde-
lijken Zoon vooral wil zetelen, is hun hart, en dat hart
weigeren zij mij. Die christenen versieren mijn beeld
met bloemen, zij branden kaarsen voor mij; doch de
bloemen, die ik op de eerste plaats van hen verlang,
zijn geestelijke bloemen, zooals het viooltje der ootmoedig-
lieid, de lelie der zuiverheid, de roos der liefde, en die
bloemen weigeren zij mij: de hoovaardige weigert mij
het viooltje der ootmoedigheid, de onkuischaard, de lelie
der zuiverheid, de christen, die zich aan doodzonde
plichtig maakt, weigert mij de roos der schoone liefde.
De kaarsen, die ik verlang, zijn de goede voorbeelden,
goede voorbeelden in de ouders voor de kinderen, in de
oversten voor de onderdanen, thuis, op straat, in de
-ocr page 482-
— 47» —
kerk, in de kerk vooral goede voorbeelden van eerbie-
digheid tijdens de goddelijke diensten, en die kaarsen
weigeren zij mij. Die christenen bidden mij, maar
zij bidden enkel met de lippen; zij zingen lofliede-
ren ter mijner eere, maar enkel met den mond: Populus
hic labiis me honorat
En waarom dat? Omdat hun
hart ver van mij verwijderd is; met hun hart zijn zij
mij vreemd: Cor autem eorum longe est a me (i) Wie
onzer zou zulk verwijt uit den mond van Maria kunnen
verdragen? Daarom, B. B., opdat onze oefeningen van
godsvrucht aangenaam aan Maria zijn mogen, vluchten
wij vooreerst de zonde; vervolgens, begeven wij ons vol
betrouwen tot die goede Moeder, vragen wij haar al wat
wij noodig hebben, voor ons en voor anderen; bieden
wij ons Maria aan; offeren wij ons aan haar op; wijden
wij ons geheel en al met ziel en met lichaam aan Maria
toe, en zeggen wij haar vol betrouwen en met kinderlijke
eenvoudigheid: O Maria! gij zijt dan onze Moeder, en
wij, als kinderen uwer waardig, wij beminnen u, wij
hechten ons aan u. Door de liefde, welke gij uwen kin-
deren toedraagt, hebt gij onze harten geroofd, gij hebt
ze gewond met een uwer liefdepijlen: Vulnerasti cor
meum.
(2) Wij zullen Jezus, uwen Zoon en onzen broeder
en U, Maria, zijne en onze Moeder, beminnen en dienen
hier op aarde gedurende den tijd, ten einde eenmaal het
geluk te mogen hebben van Jezus en U te kunnen be-
minnen en bezitten in den hemel gedurende de eindelooze
eeuwigheid. Amen.
-ocr page 483-
VIERDE PREEK.
De Sluiting der Meimaand.
Esto fidelis usque ad mortem, et dabo tibi
cororwm vitae.
Wees getrouw tot aan den dood toe, en
ik zal u de kroon des levens geven.
(Ap. ii, 10.)
INHOUD.
VOORREDE.
De Meimaand loopt ten einde. — Ttoon, bloemen,
kaarsen zullen weldra weggenomen worden, de orgel-
tonen en lofliederen zullen niet meer gehoord worden. —
Ons hart zal als troon, onze deugden zullen als bloemen,
onze voorbeelden als kaarsen blijven ter eere van Maria.
— De lofliederen en gebeden zullen niet gansch weg-
sterven.
VERDEELING.
I. Wij moeten Maria dankbaar zijn;
II. Wij moeten Maria getrouw dienen;
III. Daartoe de middelen aanwenden.
I.
Wij moeten Maria dankbaar zijn voor de genaden en
-ocr page 484-
— 480 —
weldaden, welke wij door hare voorspraak ontvangen
hebben, voor ons en voor anderen, naar ziel en naar
lichaam; naar de ziel: de genade van onze eigene be-
keering of van die van anderen, de genade van uit de
traag- en lauwheid te zijn opgestaan. — De kinderen
van Maria hebben bekomen [een schat van gunsten en
genaden; naar het lichaam: genezing, verlichting, troost
en geduld.
II.
Wij moeten Maria getrouw dienen; daardoor moeten
wij haar onze dankbaarheid betoonen. — Ons welzijn
vordert dat wij Maria getrouw dienen. — Tot wie moe-
ten wij onze toevlucht nemen in den nood, om verlost
of opgebeurd te worden? Tot Maria. — Tot wie moe-
ten wij onze toevlucht nemen in de bekoringen, om niet
overwonnen te worden? Tot Maria. — De duivel, de
wereld en het vleesch zullen niet ophouden ons te be-
strijden; wij moeten dus Maria getrouw dienen en ons
aan haar hechten.
III.
Daartoe moeten wij de middelen gebruiken. De ge-
wone middelen zijn: het gebed, het vluchten van de ge-
varen en gelegenheden van zonde en de versterving. —
Een bijzonder l middel is eene ware en bestendige gods-
vrucht tot Maria. — Daartoe wordt vereischt: het wees
gegroet, den rozenkrans of het rozenhoedje, het scapulier,
het vieren van Maria\'s feesten en het bijwonen der Con-
gregatie van onze Lieve Vrouw of der H. Familie.
SLUITREDE.
Nogmaals Maria bedanken. — Haar verzekeren van
-ocr page 485-
— 481 —
onze getrouwheid. — Gebed tot Maria om het goede
voornemen van haar getrouw te blijven uit te voeren al
•de dagen van ons leven tot den dood toe.
—~$<S°c=^>»G>£-» —
VIERDE PREEK.
De Sluiting der Meimaand.
Esto fidelis usque ad morlem, et dabo tibi
coronam ritae.
Wees getrouw tot aan den dood toe, en
ik zal u de kroon des levens geven.
(Ap. ii, 10.)
VOORREDE.
De Meimaand van het jaar 18... spoedt ten einde; nog
e-enige uren en zij is voorbij. En met de Meimaand,
Maria toegewijd, spoeden ten einde, zullen weldra voorbij
zijn de oefeningen, die plaats hebben gehad ter eere van
onze dierbare Moeder. Ja, B. B., de prachtige troon,
waarop het beeld van Maria thans nog heerlijk prijkt,
zal weldra verwijderd ; de schoone en welriekende bloemen,
die het versieren, zullen weggenomen; de lichten, die
er rondom schitteren en flikkeren, zullen uitgedoofd wor-
den; nog eenige uren, en het orgel zal zijne zoete tonen
.niet meer laten hooren, de gewelven van den God ge-
wijden tempel zullen niet meer weergalmen van de lof-
liederen, Maria ter eer. Maar al te spoedig voor de
kinderen van Maria, hebben de dagen der Meimaand
elkander opgevolgd, te snel voor hen is de maand hunner
Moeder verdwenen. Met droefheid zien zij den prachtigen
31.
-ocr page 486-
— 482 —
troon van Maria verwijderd, de schoone en welriekende
bloemen weggenomen, de schitterende en flikkerende
kaarsen uitgedoofd worden; met droefheid hooren zij de
laatste orgeltonen, de laatste lofliederen Maria ter eer
in de verte wegsterven, \'t Is waar, de oefeningen der
Meimaand zijn bijna geëindigd; doch troost u, kinderen
van Maria. Immers, gij hebt voor uwe Moeder nog
een anderen troon opgeslagen, een troon, die haar zelfs
dierbaarder is, namelijk, uw hart; gij hebt voor uwe
Moeder nog andere bloemen geplukt, bloemen die haar
aangenamer zijn, namelijk, uwe deugden, het viooltje der
ootmoedigheid, de lelie der zuiverheid, de roos der
schoone liefde; gij hebt voor uwe Moeder nog andere
kaarsen ontstoken, kaarsen die haar meer behagen, name-
lijk, uwe goede voorbeelden, waardoor gij uwen even-
mensch stichten en tot de deugd aanzetten zult. En
uwe lofliederen ? Neen, zij zullen niet gansch wegsterven;
en uwe gebeden ? Zij zullen steeds vuriger tot den troon
van Maria opstijgen; \'t wees gegroet zal meer en meer
herhaald worden, om Uwe dierbare Moeder uwe liefde
en dankbaarheid te betuigen.
Ja, B. B., wij moeten onder anderen Maria onze dank-
baarheid betuigen, en \'t is over de dankbaarheid, welke
wij Maria schuldig zijn, dat ik u van avond bij het
sluiten der Meimaand eenige oogenblikken wil onderhou-
den. Wij willen eens zien:
I. Dat wij Maria dankbaar moeten zijn;
II. Dat wij Maria getrouw moeten dienen;
III. Welke middelen wij daartoe moeten aanwenden
I.
Vooreerst, wij moeten Maria dankbaar zijn. Wij lezen
-ocr page 487-
— 483 —
in de H. Schrift, dat de koninklijke Profeet David, zich
de weldaden, welke God hem zoo ruimschoots bewezen
had, herinnerende, in geestverrukking en vol dankbaar-
heid uitriep: Quid retribiiam Domino pro omnibus quae
re tribuit mihi!
(i) Wat zal ik den Heer wedergeven
voor alles wat Hij mij gegeven heeft! Zouden wij niet
dezelfde woorden mogen gebruiken en die op Maria kun-
nen toepassen? Zouden wij in geestverrukking en vol
dankbaarheid ook niet mogen uitroepen: Wat zullen wij
Maria onze Moeder wedergeven voor al de weldaden,
welke wij tijdens de Meimaand van haar ontvangen
hebben! En welke zijn die weldaden? B. B., wij hebben
in den loop dezer maand min of meer weldaden ont-
vangen voor ons zelven en voor anderen, naar ziel en
naar lichaam. •
De eene misschien heeft aan Maria te danken de ge-
nade der bekeering. Reeds overlang zuchtte die persoon
onder de klauwen van Satan De duivel hield haar in
zijne kluisters geklonken, in zijne strikken verward. Die
persoon kon maar niet besluiten die slechte gewoonte
af te leggen, aan die plaats vaarwel te zeggen, dat
gezelschap te verlaten;. zij heeft de oefeningen der Mei-
maand bijgewoond; door de onderrichtingen aange-
spoord en door de gebeden bewogen, heeft die persoon
met betrouwen hare toevlucht genomen tot Maria,
de toevlucht der zondaren. Wat is er gebeurd ? Maria
heeft voor die persoon de genade der bekeering bekomen,
waaraan zij beantwoord heeft; zij heeft zich losgemaakt
uit de klauwen van Satan, zij heeft de kluisters verbro-
ken, de strikken losgerukt; ja, tot tranen toe bewogen
heeft zij zich aan de voeten van den biechtvader neder-
(1) Ps. CXV/J12.
-ocr page 488-
_ 484 —
geworpen en eene rouwmoedige en oprechte biecht ge-
sproken; daarna heeft zij zich met de overige kinderen
van Maria nedergezet aan de Tafel des Heeren. Aan
wie heeft die persoon de genade der bekeering te danken?
Aan Maria, B. B., de toevlucht der zondaren. Die per-
soon mag dus wel uitroepen: Wat zal ik Maria weder-
geven voor de genade der bekeering, welke ik door hare
voorspraak bekomen heb!
Een tweede had of kende een persoon, die haar dier-
baar was: een vader of eene moeder, een broeder of eene
zuster, een vriend of eene vriendin; doch helaas! die
vader verwaarloosde zijne christelijke plichten, die moe-
der was ook al juist geen voorbeeld van christen moe-
der meer, die broeder had zich door slechte kameraden
laten verleiden, die zuster zou weldra tot schande ver-
strekken voor eene gansche familie, die vriend, die vriendin
was ook al van het pad der deugd afgedwaald. Die
persoon nu heeft hare toevlucht genomen tot Maria;
herhaalde malen heeft zij tijdens de Meimaaad tot Maria
verzucht, heeft zij die goede Moeder gebeden. Wat is
er gebeurd? O, B. B., hoe dikwijls heeft een kind zijnen
vader, eene moeder haar kind, heeft eene zuster haren
broeder, een vriend zijnen vriend tot God en tot de H.
Kerk zien terugkomen, en aan wie heeft die persoon die
uitstekende weldaad te danken? Aan Maria, hare Moe-
der, door welker voorspraak zij voor de personen, die
haar dierbaar waren, de genade der bekeering bekomen
heeft.
Een andere heeft Maria te danken de genade van uit
den staat van traag- en lauwheid opgestaan te zijn. Die
staat is in zekeren zin gevaarlijker dan de staat van dood-
zonde, en vandaar dat de H. Geest zegt: Och of gij warm
of koud waart, doch wijl gij lauw zijt, zal ik u uit mij-
-ocr page 489-
— 4«5 —
nen mond beginnen te spuwen: Incipiam te evomere ex
ore meo.
(i)
Welnu, in deze dagen der Meimaand, Maria toegewijd,
heeft die persoon, aangezet door het goed voorbeeld van
de ware kinderen van Maria, zich ook naar de kerk be-
geven; zij heeft het rozenhoedje met hen gebeden, zij
heeft de lofzangen ter eere van Maria, de sermonen over
hare deugden gehoord; die persoon heeft haren gevaar-
lijken staat ingezien, zij heeft besloten uit hare traag-
en lauwheid op te staan, hare gebeden, goede werken,
hare oefeningen van godsvrucht te hervatten, in een
woord, zij heeft vast besloten den goeden God en zijne
Moeder met nieuwen ijver getrouw te dienen. Aan wie
heeft die persoon de genade, van haar gevaarlijken staat
verlaten te hebben, te danken? Aan Maria, die zij tijdens
de Meimaand bezocht, vereerd en gebeden heeft. Bijal-
dien nu de zondaren, de trage en lauwe Christenen in
de Meimaand zulke uitstekende genaden door de voor-
spraak van Maria bekomen hebben, welke gunsten en
genaden hebben dan niet bekomen de oprechte kinderen
van Maria, de kinderen, die het altaar en den troon
hunner Moeder hebben versierd, die haar dagelijks zijn
komen bezoeken; de kinderen, die ter eere van Maria
dagelijks den rozenkrans of het rozenhoedje gebeden, dij
haar dagelijks bezongen hebben? Welk een kostbaren
schat van gunsten en genaden hebben zij niet bekomen,
vooral de dagen, waarop zij met een levend geloof en
met een van liefde brandend hart aan de H. Tafel neder-
zaten en het geluk hadden van den Zoon hunner Moeder
te ontvangen, Jezus-Christus, met godheid en menschheid,
met ziel en lichaam, met vleesch en bloed, gelijk Hij
(1) Ap. m, 16.
-ocr page 490-
— 4S6 —
thans glorievol in den hemel is! Welk een geluk voor
de kinderen van Maria! Welk een hemelzaligheid! Wie,
wie kan het beseffen ?
Doch niet alleen weldaden naar de ziel, maar ook
weldaden naar het lichaam hebben de kinderen van Maria
voor zich en voor anderen in de Meimaand van hunne
goede Moeder bekomen. Te recht dus, ja te recht nemen
zij hunne toevlucht tot Maria, in hunne lichamelijke
noodwendigheden. Immers, Maria is de Behoudenis der
kranken. (i) Ha, B. B., hoe dikwijls heeft Maria niet
getoond, en zelfs op wonderbare wijze getoond, dat ?ij
de Behoudenis der kranken is? Hoe velen hebben door
de voorspraak van Maria niet bekomen de genezing van
hunne ziekten en gebreken, de verlossing uit hunne kwel-
lingen en wederwaardigheden. Doch al zou Maria u ook,
niettegenstaande gij haar in de Meimaand zoo vurig ge-
beden, zoo trouw gediend hebt; al zou zij u ook niet
op eene wonderbare wijze van uwe ziekten genezen, uit
uwe kwellingen verlost hebben, denkt daarom niet dat
Maria uwe gebeden niet verhoord heeft. Neen, B. B..
want Maria heeft zeker, zeer zeker uwe gebeden verhoord;
doch beter bekend met hetgeen gij ter zaligheid noodig
hebt dan gij zelven, zal zij het u ook bezorgen. Zij zal
de zieken verlichten, de noodlijdenden opbeuren, want
zij is ook de Troosteres der bedrukten. (2) Zij zal u be-
komen de genade van met overgeving aan den wil van
God de ziekten en kwellingen te ontvangen, met geduld
te verdragen en zoodoende een kostbaren schat van
verdiensten te vergaderen voor den hemel. Zietdaar,
B. B., de weldaden, en wellicht nog andere, tijdens de
Meimaand door de voorspraak van Maria bekomen;
(1) Salus infirinornm. (2) Consolatrix afflictoruixi.
-ocr page 491-
— 487 -
weldaden, waarvoor wij Maria dankbaar moeten zijn.
Om Maria nu onze dankbaarheid te betoonen, moeten
wij haar getrouw zijn en blijven, wij moeten haar dienen
tot den dood toe; dit zullen wij zien in ons tweede deel.
II.
Wanneer iemand ons eenig goed gedaan, een dienst
bewezen heeft, het gezond verstand alleen zegt reeds,
dat wij dien persoon daarvoor onzen dank moeten be-
"toonen. Vandaaar dat men den mensch, die aan dien
plicht te kort blijft, een ondankbare noemt, en dat men
een afkeer van hem gewaar wordt. Hoeveel te meer
moeten wij dan Maria, de Moeder van Jezus en onze
Moeder, onzen dank betoonen, daar de weldaden, welke wij
door hare tusschenkomst bekomen hebben, ver het goede,
dat de menschen ons gedaan, de diensten die zij ons bewe-
zen hebben, te boven gaan. Te recht zouden wij ondank-
baren genoemd worden, zoo wij aan dien plicht te kort
bleven.
Doch niet alleen de dankbaarheid, ook ons geestelijk
en lichamelijk, ons tijdelijk en eeuwig welzijn vordert, dat
wij Maria getrouw zijn en blijven. Wie weet, B. B., wat
ons in het leven nog overkomen zal. Zullen wij ook
niet op onze beurt, evenals zoo vele anderen, met ziekten
en ongelukken, met rampen en tegenspoed bezocht wor-
den ? En wat gebeurt er, helaas! maar al te dikwijls, als
men in tegenspoed geraakt ? Terwijl men in voorspoed
door iedereen bezocht wordt, wordt men in tegenspoed
niet zelden door iedereen verlaten. Tot wien zullen wij
dan onze toevlucht nemen? O, B. B., terwijl wij door de
wereld verlaten worden, moeten wij onze toevlucht nemen
tot Maria. Die goede Moeder zal ons niet verlaten, zoo
-ocr page 492-
— 488 —
wij haar getrouw blijven. Door haar voorbeeld — want
Maria heeft ook den tegenspoed ondervonden — door
haar voorbeeld zal zij ons leeren, en door hare gebeden
bij haar goddelijken Zoon zal zij ons versterken, om de
kruisen en wederwaardigheden, hoe zwaar en hoe groot
ook, tot meerdere eer en glorie van God en tot zalig-
heid onzer zielen te dragen.
Een andere zaak, B. B., is, dat wij, zoo lang wij leven,
tegen de vijanden onzer zaligheid te strijden zullen heb-
ben. Het leven van den mensch op aarde is een strijd,
zegt de heilige man Job: Militia est vita homines super
terram.
(i) De vijanden onzer zaligheid zijn: de duivel,
de wereld en het vleesch. De duivel loopt immer rond
als een brieschende leeuw, zegt de Apostel Petrus, zoekende
wien hij kan verslinden: Quaerens queni devoret. (2)
Denkt gij dat hij de kinderen van Maria na het vieren
der Meimaand met rust zal laten? Volstrekt niet; doch
vol haat tegen de Moeder van God, en ziende dat de
kinderen van Maria hunne Moeder eeuwige trouw beloofd
hebben, zal hij al zijne krachten inspannen om hen tot
zonde te brengen en van hunne Moeder te doen afvallen.
De wereld zal ook haar best doen om de kinderen
van Maria tot val te brengen. Nu eens zal zij hen
vervolgen met hare spotternij, door hunne deugd voor
schroomvalligheid te houden, door hunne werken van
godsvrucht tot Maria in \'t belachelijke te trekken; dan
wederom zal zij hen uitlokken door al wat zij aantrek-
kelijks en verleidends heeft, doch vooral door hare ver-
maken en pleizieren.
Buiten die twee vijanden hebben wij nog een derden,
die ons altijd en overal volgt. Die vijand is ons eigen
(1) Job. vu, 1. (2) 1 Petr. v, 8.
-ocr page 493-
— 489 —
vleesch. Wat al driften der bedorven natuur heeft de
mensch niet te bestrijden! De eene wordt gedreven tot
geld en goed ; een ander, tot spijs en drank; een derde,
tot alles wat in strijd is met de schoone deugd van zui-
verheid. Welnu, hoe zal de mensch, zoo zwak van natuur,
door de machtige vijanden zijner zaligheid zoo dikwerf
aangevallen, hoe zal hij hun het hoofd bieden? Hoe zal
hij hen overwinnen? Hij zal hun het hoofd bieden, hij
zal hen overwinnen, bijgestaan door Maria.
Daarom, B. B., hechten wij ons vast aan Maria, blijven
wij onze goede Moeder getrouw, en wij hebben van de
vijanden onzer zaligheid niets te vreezen. En terwijl de
duivel, de wereld en het vleesch van hunnen kant niets
onbeproefd zullen laten om ons van Maria af te trekken,
terwijl zij alle middelen zullen aanwenden om ons die
goede Moeder ontrouw te maken, wij van onzen kant,
hechten wij ons des te vaster aan Maria, sparen wij ook
geene middelen om de pogingen van de vijanden onzer
zaligheid te verijdelen, teneinde onze goede Moeder ge-
trouw te blijven, getrouw tot den dood toe. En welke
zijn die middelen? Dat zullen wij zien in ons derde deel.
III.
De gewone middelen, B. B., die men aanwenden moe.
om te volharden in het goede, en die tevens in verhou-
ding staan met de vijanden onzer zaligheid, den duivel, de
wereld en het vleesch, die gewone middelen zijn het gebed,
het vluchten der gevaren en gelegenheden van zonde en
de versterving. Doch \'t is niet over die middelen dat
ik thans wil spreken; ik wil enkel spreken over een vierde
middel, waardoor men Maria zijne gehechtheid toont, en
waardoor men tevens in het goede volharden en zijne
-ocr page 494-
— 49° —
zaligheid bewerken zal. Dat middel is eene ware en
voortdurende godsvrucht tot Maria; daartoe nu wordt
vereischt:
i°. Dat men dikwijls het weesgegroet bidde. Met
den Engel Gabriël, met Elisabeth, de nicht van Maria,
en met onze Moeder de H. Kerk moeten wij Maria dik-
wijls groeten, en wij moeten vooral nooit nalaten naar
den wijzen raad van den H. Alphonsus van Liguorio, dien
verkleefden dienaar van Maria, van dagelijks \'s morgens
en \'s avonds drie weesgegroeten te bidden ter eere van
de zuiverheid van Maria.
2°. Dat men dikwijls den rozenkrans, ja dagelijks
het rozenhoedje bidde ter eere van Maria. Zoo dikwijls
men den rozenkrans of een rozenhoedje bidt, vlecht men
voor zijne Moeder als een krans of een hoedje van gees-
telijke rozen, die haar nog aangenamer zijn dan de krans
of het hoedje uit natuurlijke of kunstbloemen gevlochten.
3°. Dat men gestadig het scapulier van onze Lieve
Vrouw drage. Daardoor geeft men bijzonder te kennen,
dat men tot de\'dienaren en dienaressen van de hemel-
sche Koningin behoort, evenals, bijv., zekere knechten
door hunne livrei te kennen geven, dat zij tot de diena-
ren van de eene of andere adellijke familie behooren.
4°. Dat men de feesten, door onze Moeder de H.
Kerk ter eere van Maria ingesteld, naar behooren viere.
Brave, oprechte, aan hunne moeder verkleefde kinderen
vieren in de wereld met geestdrift het geboorte-of naam-
feest hunner moeder. Op die dagen bieden zij hunne
moeder geschenken aan. Vieren wij met niet minder
geestdrift de verschillende feesten van onze goede Moeder
Maria, door met eerbiedigheid de goddelijke diensten
bij te wonen, door met aandachtigheid het voorwerp van
het feest te overwegen, door op die dagen met god-
-ocr page 495-
— 49i —
vruchtigheid tot de H.H. Sacramenten te naderen. Bren-
gen wij Maria ook onze geschenken door ter harer eere
het een of ander goed werk te verrichten.
Eindelijk wordt er vereischt dat men zoo mogelijk
deel make van de Congregatie van onze Lieve Vrouw
of van de H. Familie, waarin Maria op de tweede plaats
geëerd wordt; dat men het reglement der Congregatie
of der H. Familie goed nakome, en bijgevolg, dat men
geene misstappen bega, waardoor men zou verdienen van
buiten de Congregatie of de H. Familie gesloten te wor-
den; dat men ze trouw bijwone, zoodat men er nooit,
tenzij om ziekte of andere wettige reden van afwezig zij.
Zietdaar wat er vereischt wordt tot eene ware en voort -
durende godsvrucht tot Maria.
SLUITREDE.
Wij hebben gezien, B. B., dat wij Maria dankbaar
moeten zijn, dat wij haar getrouw moeten dienen, en
welke middelen wij daartoe moeten aanwenden. Richten
wij ons nu, alvorens te eindigen, nog een oogenblik tot
Maria, om onze goede Moeder te bedanken en haar van
onze gehechtheid te verzekeren.
O Maria! o goede Moeder! wij bedanken u, en wij
bedanken u uit den grond des harten, voor al de genaden
en weldaden, welke wij voor ons en voor anderen die
ons dierbaar zijn, tijdens ons leven, doch inzonderheid
in den loop dezer Meimaand door uwe machtige voor-
spraak bekomen hebben. Hier voor uw beeld neergeknield,
maken wij het vaste voornemen van u altoos getrouw
te dienen. O Maria! wees zoo goed en gewaardig u, ons
onder het getal uwer getrouwe dienaren en dienaressen
aan te nemen, opdat wij, hoe ellendig ook, u met hen
-ocr page 496-
— 492 —
mogen vereeren. Na Jezus, uw goddelijken Zoon, zullen
wij op u vooral onze hoop stellen. Tot u zullen wij ons
wenden in de kruisen en wederwaardigheden, wijl gij
onze troosteres zijt. Tot u zullen wij ons wenden in de
aanvallen en bekoringen, omdat gij onze toevlucht zijt.
O goede Moeder! versterk ons in het goede voornemen,
dat wij vandaag maken, van u altoos getrouw te dienen.
Uit ons zelven zijn wij zwak en onstandvastig; daarom
sta ons bij in onze zwak- en onstandvastigheid en ver-
krijg voor ons de genade der volharding, volharding in
uwen dienst al de dagen van ons leven, volharding tot
aan het uur van onzen dood, opdat wij, na Jezus uwen
Zoon en u zijne en onze Moeder getrouw gediend te
hebben in dit leven, eenmaal het geluk mogen hebben
van ons bij u beiden te voegen en u voor eeuwig te
mogen bezitten in den hemel. Amen.
-ocr page 497-
VIJFDE PREEK.
De H. Cornelius. Paus-Martelaar.
Haec est vohmtaê Dei sanctificatio vestra.
Deze is de wil van God uwe heiligrua
king.
                               (i. Thess. iv, 3.)
INHOUD.
VOORREDE.
Tweevoudig doel onzer Moeder de H. Kerk in het
vieren harer Heiligen. — Zij stelt hare Heiligen voor als
voorbeelden en als voorsprekers. — Wij moeten onze
toevlucht nemen tot de Heiligen om hen in hunne deug-
den te kunnen navolgen. — De H. Cornelius, Romeinsch
burger, leefde in de III eeuw. — Hij was zachtmoedig,
nederig, kuisch. — Priester gewijd, werd hij eindelijk tot
Paus verkozen. De H. Cornelius streed moedig tegen de
Ketters en Scheurmakers. — Onder Keizer Gallus, werd
hij in ballingschap gezonden en stierf den marteldood den
veertienden September 252. — De H. Cornelius, patroon
bijzonder tegen de vallende ziekte. — Wij moeten den
H. Cornelius niet alleen aanroepen, doch wij moeten hem
vooral in zijne deugden navolgen.
-ocr page 498-
— 494 —
VERDEELING.
I. Wij moeten heilig leven;
JI. Wij kunnen heilig leven.
I.
Wij moeten heilig leven. — Er zijn twee beweegrede-
nen die ons doen handelen: plicht en belang. — Waarom
gaat een Christen \'s Zondags naar de H. Mis ? Uit plicht.
— Waarom drijft een koopman handel ? Uit belang. —
\'t Is onze plicht heilig te leven. — De wil van God is
onze heiligmaking. — Wij moeten ons best doen van
steeds heiliger te worden: Weest volmaakt gelijk uw
hemelsche Vader volmaakt is. — \'t Is ons belang heilig
te leven. — Zonder dat kunnen wij niet oprecht gelukkig
zijn op aarde, noch in den hemel komen. — Dwaling
van hen, die hun geluk zoeken op aarde in de schatten
en rijkdommen, in de grootheid en pracht, in de verma-
ken en pleizieren. — Woorden van Salomon. — Degenen,
die heilig leven, zijn hier op aarde gelukkig, zoo ver als
mogelijk is. — Waarin bestaat het geluk op aarde niet,
en waarin bestaat het ? — Degenen, die heilig leven,
zullen eenmaal voor eeuwig gelukkig worden in den hemel.
II.
Wij kunnen heilig leven. — Uit ons zelven kunnen wij
niet heilig leven; nochtans, God vordert het, dus moet God
ons bijstaan. — Wij moeten God zijne genade vragen. —
Wij zouden niet heilig kunnen leven, of wel, omdat de
vijanden onzer zaligheid, of wel, omdat onze bezigheden
het kunnen beletten. — De vijanden onzer zaligheid
kunnen ons niet beletten van heilig te leven ; want wij
-ocr page 499-
— 495 —
kunnen hen overwinnen: den duivel, door te waken en
te bidden; de wereld, door de gevaren en gelegenheden
van zonde te vluchten; het vleesch, door tot God onze toe-
vlucht te nemen, ons zelven te mistrouwen, tot de H.
Sacramenten te naderen en werken van boetvaardigheid
te doen. — De zondaren moeten, naar het voorbeeld van
een H. Augustinus, van eene H. Maria Magdalena, zich
bekeeren, boetvaardigheid doen en den verloren tijd zoo
goed mogelijk inhalen. Onze bezigheden kunnen ons
niet beletten van heilig te leven. — De Heiligen hebben
dezelfde bezigheden gehad als wij. — Men vindt Heiligen
van alle staten en standen. — Wij kunnen hetgeen zij
gekunnen hebben, niet uit ons zelven, maar bijgestaan
door God.
SLUITREDE.
Niets kan ons beletten van heilig te leven, noch de
vijanden onzer zaligheid, noch onze bezigheden. — Wij
zijn verplicht heilig te leven, ons belang vordert het. —
Prenten wij die waarheden goed in ons geheugen. —
Vluchten wij de zonde en oefenen wij de deugd. — Tot
dat einde moeten wij den H. Cornelius bidden, niet
alleen om door zijne voorspraak verlost te worden van
— of bewaard te blijven tegen de een of andere ziekte,
maar ook en wel bijzonder om door hem geholpen te
worden in het navolgen zijner deugden. — Gebed tot
den H. Cornelius.
-ocr page 500-
— 496 —
VIJFDE PREEK.
De H. Cornelius. Paus-Martelaar.
Haec est voluntas Dei sanctiflcatio veslra.
Deze is de wil van God uwe heiligma-
king.
                               (i. Thess. iv, 3.)
VOORREDE.
Het einde, B. B., dat onze Moeder de H. Kerk be-
oogt bij het vieren van de feesten harer Heiligen, is
tweevoudig. Zij stelt ons hare Heiligen voor als voor-
beelden en als voorsprekers: als voorbeelden van zoovele
deugden, welke wij moeten navolgen; als voorsprekers
bij God, tot welke wij onze toevlucht moeten nemen.
Ongelukkig, wij beschouwen de Heiligen maar al te
dikwijls enkel als voorsprekers bij God. Ik zeg enkel:
want er is volstrekt geen kwaad in gelegen, de Heiligen
als voorsprekers bij God te beschouwen, tot hen, zelfs
in het tijdelijke, onze toevlucht te nemen. Neen, B. B.,
dat niet; maar ik vraag het: Wat zal het ons baten,
zoo wij de Heiligen als voorbeelden uit het oog verliezen,
en hen in hunne deugden niet navolgen ?
Wij moeten dus vooreerst de Heiligen beschouwen als
zoovele voorbeelden van deugden, ons ter navolging voor-
gesteld ; vervolgens moeten wij hen beschouwen als onze
voorsprekers bij God en hen aanroepen, vooral om hen
in hunne deugden, in hunnen heiligen levenswandel na
te volgen.
Hetgeen ik hier van de Heiligen in \'t algemeen zeg,
kan van den H. Cornelius, wiens feest wij heden vieren,
in \'t bijzonder gezegd worden.
-ocr page 501-
— 497 —
De H. Cornelius, Romein van geboorte, leefde in he
begin der derde eeuw. De H. Cyprianus getuigt van
hem, dat hij onder anderen zachtmoedig en nederig was .
Cornelius had den geestelijken staat aanvaard en was
langs de verschillende trappen der geestelijkheid eindelijk
tot de grootste waardigheid gekomen. Tot Opperhoofd
der H. Kerk, tot Paus gekozen, was zijne diepe ootmoe
digheid een beletsel om die waardigheid te aanvaarden
zoodat hij er als met geweld toe moest gedwongen
worden.
De H. Cornelius, zoo schrijft dezelfde H Cyprianus, was
van onberispelijk gedrag; hij was zuiver als eene maagd •
In welken graad hij de drie goddelijke deugden bezeten
heeft, bewijst ons de onverschrokkenheid, waarmede hij
voor God en Kerk tegen Ketters en Scheurmakers ge-
streden heeft. Vol betrouwen op Gods goedheid en al
macht, brandende van liefde tot Jezus-Christus, aarzelde
hij niet zijn bloed te vergieten, zijn leven ten beste te
geven voor het geloof. Tijdens de vervolging onder
Keizer Gallus werd de H. Cornelius in ballingschap ge-
zonden en stierf als Martelaar den veertienden September
van het jaar 252, nadat hij bijna twee jaren de H. Kerk
bestierd had. Da H. Cornelius wordt tegen verschil-
lende ziekten, en gelijk de ondervinding dikwijls geleerd
heeft, met het beste gevolg aangeroepen. Doch het is
niet alleen als voorspreker, dat wij den H. Cornelius
moeten beschouwen, gelijk ik reeds gezegd heb; wij\'
•moeten hem vooral beschouwen als voorbeeld; ja, wij
moeten den H. Cornelius trachten na te volgen in zijne
deugden: in zijn levend geloof, zijne vaste hoop en zijne
•vurige liefde; in zijne,zachtmoedigheid, ootmoedigheiden
kuischheid; in een woord, wij moeten heilig leven, gelijk
•Cornelius geleefd heeft, willen wij eenmaal met hem het
32.
-ocr page 502-
— 498 —
geluk des hemels deelachtig worden. Om ons daartoe
krachtdadig aan te zetten, zullen wij te zamen in \'t kort
de twee volgende waarheden overwegen :
I. Dat wij allen heilig moeten leven;
II. Dat wij allen heilig kunnen leven. Breiden wij
die twee punten een weinig uit.
II.
Vooreerst zeg ik dat wij heilig moeten leven; daartoe
zijn wij allen zonder uitzondering verplicht.
Er zijn vooral twee zaken, B. B., die den mensch
doen handelen: plicht en belang. Plicht en belang zijn
als twee drijfveeren. Vraagt, bijv., een Christen mensch,
waarom hij \'s Zondags naar de kerk gaat Mis hooren;
hij kan u antwoorden, uit plicht; daartoe ben ik gehou-
den. Vraagt een koopman, waarom hij dit of dat on-
derneemt; hij kan u antwoorden, uit belang; daar heb
ik voordeel bij. Welnu, B. B., welk is de plicht van
den mensch en vooral van den Christen mensch hier op
aarde? De plicht van den mensch en vooral van den
Christen mensch is den wil van God te doen. En welke
is de wil van God? De Apostel Paulus leert het ons in
een zijner brieven: Haec est voluntas Dei sanctificatio
vestra:
Deze is de wil van God, uwe heiligmaking.
God wil dus dat wij heilig leven. Vooreerst vordert
Hij dat wij in staat van genade zijn; vervolgens zet Hij
ons aan van immer in heiligheid toe te nemen. God
stelt zich zei ven als toonbeeld: Sancti estote, quia ego
sanctus sutn
(i), zegt Hij: Weest heilig, wijl Ik heilig
ben. Onze goddelijke Zaligmaker, in zijne leerrede op
(1) Lev. xi, 44.
-ocr page 503-
— 499 —
den berg, zeide tot zijne leerlingen: Weest volmaakt,
gelijk uw hemelsche Vader volmaakt is: Estote vos
perfecti sicut et Pater vester caelestis perfectus est.
(i)
Niet dat wij God den hemelschen Vader in heiligheid of
volmaaktheid moeten of kunnen evenaren; neen, B. B.,
want God de hemelsche Vader is oneindig heilig en vol-
maakt; doch wij zijn vooreerst verplicht van altoos in
staat van genade te zijn, en vervolgens moeten wij ons
beijveren van altoos heiliger en volmaakter te worden.
Zietdaar de uitdrukkelijke wil van God, zietdaar zijn
verlangen. Door ons van dien plicht te kwijten, beant-
woorden wij, en juist daardoor alleen beantwoorden wij
aan het einde, waartoe God ons geschapen heeft. En tot
wat einde heeft God ons dan geschapen ? God heeft ons
geschapen om Hem te kennen, te beminnen en te dienen,
en op die wijze in den hemel te komen.
De mensch is met rede en verstand begaafd om de
waarheid te kennen. Geene waarheid echter verdient meer
bekend te worden dan de eerste, de hoogste, de eeuwige
waarheid, en die waarheid is God, en alzoo heeft God
het recht te eischen dat wij Hem kennen. God heeft het
recht te eischen dat wij Hem beminnen, wijl Hij het
hoogste goed is. Het kwaad alleen is haat, en het goede
alleen is liefde waardig, en wijl God het grootste, het
volmaaktste, het oneindige goed, de bron, de fontein is
van alle goed, daaruit volgt noodzakelijk, dat Hij door
allen en boven alles verdient bemind te worden.
Wij moeten God dienen, wijl Hij onze Heer en Meester
is. Doch wat is God dienen, zoo niet ons aan Hem
onderwerpen, Hem gehoorzamen, zijn heiligen wil doen ?
En welke is de wil van God ? Haec est voluntas Dei sanc~
(1) Matth. v, 48.
-ocr page 504-
— 5°° —
tificatio vestra: (i) Deze is de wil van God, uwe heilig-
making. Ja, God vereischt van ons dat wij in staat van
genade zijn, en Hij verlangt niets zoozeer dan dat wij
in heiligheid en volmaaktheid steeds toenemen, \'t Is
dus uit plicht, gelijk gij ziet, B. B., dat wij heilig moe-
ten leven. Doch niet alleen uit plicht, ook uit eigen
belang moeten wij heilig leven; zonder dat kunnen wij
niet oprecht gelukkig zijn hier op aarde, noch eenmaal
zalig worden. Dat de mensch niet kan zalig worden
zonder heilig te leven, die waarheid verstaat men gemak-
kelijk, en eenieder wil ze volgaarne aannemen ; doch dat
men hier op aarde niet gelukkig kan zijn zonder heilig
te leven, die waarheid wordt door allen niet aangenomen:
men vindt er, helaas! maar al te veel, die het tegenover-
gestelde beweren. Hoevele menschen treft men niet aan,
die meenen dat er geen geluk bestaat, tenzij in rijk
te zijn, in aanzien te staan en zich te vermaken; die
van den vroegen morgen tot den laten avond maar
werken om geld en goed te verzamelen, het komt
er niet op aan hoe, rechtvaardig of onrechtvaardig;
die alle middelen aanwenden om te schitteren in de
wereld en boven anderen uit te schijnen; die niets an-
ders zoeken dan zich te vermaken in eten en drinken,
in brasserijen en drinkpartijen, in het laagste dat er voor
den mensch, een redelijk schepsel, kan bestaan, in den
wellust bot te vieren. Zijn die menschen nu gelukkig?
Zij meenden het te zijn. Die onrechtvaardige, die gierig-
aard meende zijn geluk te vinden in de schatten en rijk-
dommen; en ziet! zijn gewaand geluk heeft zich of wel
niet opgedaan, ofwel \'t is weldra verdwenen; hij heeft
(1) i Th. iv, 3.
-ocr page 505-
— s°i —
of wel niet bereikt hetgeen hij verlangde, of wel het
wordt hem weldra ontnomen.
Die hoovaardige meende zijn geluk te vinden in de
grootheid en pracht; hij heeft het niet gevonden, hij ziet
nog altoos iemand boven zich, en dat verdriet hem; of
wel, nauwelijks is hij hemelhoog verheven, of hij wordt
diep, zeer diep vernederd.
Die wellusteling meende zijn geluk te vinden in de
zinnelijke vermaken, en deze vindt zich des te schande-
lijker bedrogen, wijl hij zijn geluk in het schandelijke
zoekt; hij is onverzaadbaar. En welke zijn daarenboven
de noodlottige gevolgen niet van de zinnelijke vermaken,
van den wellust? Walging, berouw,— doch vruchteloos —
schande, verspilling der gezondheid, niet zelden een vroeg-
tijdige en rampzalige dood! Is dat gelukkig zijn ? En
is de in zijne verwachting bedrogen onrechtvaardige of
gierigaard, is de diep vernederde hoovaardige, en vooral,
is de onversaadbare wellusteling niet de ongelukkigste
op aarde ? Luistert wat de wijste der Koningen, die
ondervinding had, zegt van het geluk, in schatten en rijk-
dommen, in grootheid en pracht, in vermaken en pleizie-
ren gezocht: Ik bouwde paleizen, zoo spreekt Salomon
van zich zelven, ik plantte wijnbergen; ik legde hoven
en lustwaranden aan; ik verzamelde de schatten van
Koningen en wingewesten; ik bezorgde mij zangers en
zangeressen, en alles wat mijne oogen verlangden, ont-
zegde ik hun niet; en ik weigerde mijn hart niet van
alle vermaken te genieten en zich te verheugen. Wie
zal feestvieren, mocht Salomon uitroepen, en van genot
overstroomen gelijk ik! Was Salomon nu gelukkig ?
En ik zag in alles, zoo gaat hij voort, ijdelheid en
kwelling des geestes, en dat er niets van duur is onder
de zon, en daarom verdroot mij het leven. Zietdaar, B. B.;
-ocr page 506-
— 5°2 —
hoe de wijste der koningen dacht over het geluk, in het
bezit en genot der aardsche goederen te vinden. Wie
dan zijn hier op aarde, wel niet volledig, maar toch
waarlijk gelukkig? Zij en zij alleen, die een heilig leven
leiden. Ik zeg: wel niet volledig; en de reden ervan is,
wijl de Heiligen niet vrij van lijden zijn. De heiligste
menschen hebben niet zelden hier op aarde het meeste
te lijden gehad. Getuige hiervan de H. Cornelius, die,
vervolgd en in ballingschap gezonden, den marteldood
gestorven is. \'t Is dus niet in bevrijd te zijn van lijden,
dat het geluk der Heiligen hier op aarde gelegen is.
Neen, B. B.; maar het is gelegen in de gerustheid van
geweten, in den inwendigen vrede, die alle gevoel overtreft.
Het geweten der Heiligen beschuldigt hen niet van trou-
weloosheid jegens God; integendeel, het verschaft hun het
bewustzijn, in zoover het hier op aarde mogelijk is, dat
zij in staat van genade, en bijgevolg in vriendschap
met God zijn. Dat bewustzijn alleen doet den Heiligen
te midden van hun lijden nog een waar genoegen smaken.
Wetende dat alles, wat God hun laat overkomen, tot hun
welzijn overkomt, onderwerpen zij zich aan diens vader-
lijke Voorzienigheid, en vol betrouwen op zijne goedheid,
almacht en getrouwheid in zijne beloften, richten zij hun
oog blijmoedig ten hemel, waar zij met reden verhopen
eenmaal ruimschoots door God] voor alles, wat zij voor
Hem gedaan en geleden hebben, in eeuwigheid beloond
te worden. Ja, B. B., hier op aarde hebben de Heiligen
reeds een voorsmaak van de eeuwige gelukzaligheid, en
zij verlangen niets zoo zeer als ontbonden te worden,
om in den hemel God van aanschijn tot aanschijn te aan-
schouwen, dien zij hier op aarde gekend, bemind en ge-
diend hebben. Ook zullen zij weldra toegelaten worden
tot het eeuwige geluk des hemels, terwijl de zondaren daar-
-ocr page 507-
— 503 —
erttegen zullen geworpen worden in de eeuwige vlammen
der hel. Over die waarheden, B. B., alhoewel genoeg be-
kend, wordt, helaas! niet genoeg nagedacht. Wij weten
zeer goed dat wij weldra over ons eeuwig lot zullen moeten
beslissen; dat wij of wel voor eeuwig gelukkig zullen zijn
in den hemel, zoo wij heilig geleefd hebben, of wel voor
eeuwig ongelukkig, in de hel, zoo wij slecht geleefd heb-
ben. Zietdaar de beweegredenen, welke ons krachtdadig
moeten aansporen van heilig te leven, genoegzaam ver-
klaard. \'t Is vooreerst, gelijk wij gezien hebben, onze
plicht; vervolgens ons belang, ons tijdelijk en eeuwig
geluk, dat zulks vordert. Zien wij nu ook nog in ons
tweede punt dat wij heilig kunnen leven.
II.
Uit ons zelven, uit eigen krachten, B. B., kunnen wij
niet heilig leven, \'t is waar; daartoe hebben wij Gods
genade noodig. God nochtans vereischt dat wij heilig
leven; Hij wil dat wij eenmaal zalig worden. Wat moe-
ten wij nu uit die twee waarheden besluiten? Daaruit
moeten wij besluiten dat God, vordert Hij het onmoge-
lijke niet van ons, ons de middelen moet verschaffen om
heilig te kunnen leven en zalig te kunnen worden. En
inderdaad, B. B., God is daartoe bereid. Hij zal ons
geven al wat wij noodig hebben, mits wij er Hem om
vragen. Bijgevolg hangt het van God niet af, zoo wij
niet heilig leven en niet zalig worden. Van wien hangt
het dan af? Van ons zelven. Bijaldien wij beweren niet
heilig te kunnen leven, \'t komt voort, of wel omdat de
vijanden onzer zaligheid, of wel omdat onze bezigheden
ons zouden kunnen beletten van heilig te leven. Twee-
voudige dwaling, B. B., die weldra wederlegd zal zijn
door het voorbeeld der Heiligen.
-ocr page 508-
— 504 —
En wel vooreerst, de vijanden onzer zaligheid kunnen
ons niet beletten van heilig te leven.
De vijanden onzer zaligheid zijn drie in getal, de dui-
vel, de wereld en het vleesch. De duivel voorzeker,
de grootste vijand van God, en die ons het geluk des
hemels, dat hij verloren heeft, benijdt, spant al zijne
krachten in om ons tot zonde te brengen en onge-
lukkig te maken. Hij loopt als een brieschende leeuw
rond, zoekende wien hij kan verslinden: Tamquam
leo rugiens circuit quaerens quem devoret.
(i) Doch
heeft de duivel de Heiligen niet vervolgd ? Zeker wel.
Hij heeft hen vervolgd, bekoord, heviger vervolgd en
bekoord dan ons. Ja, B. B., de heiligste menschen hebben
niet zelden het meeste te lijden gehad van den duivel.
Getuigen van die waarheid een heilige man Job, een
H. Antonins en zoo veel andere Heiligen. En toch die
Heiligen zijn niet bezweken onder de aanvallen van den
duivel, zij hebben hem overwonnen. En met welke wa-
penen hebben zij den duivel overwonnen? Met de wa-
penen, die iedereen ter hand heeft. En welke zijn die
wapenen ? Waken en bidden! Vigilate et orate, ut non
intretis in tentationem:
(2) Waakt en bidt, opdat gij
niet vallet in de bekoring. De Heiligen hebben gewaakt,
de Heiligen hebben gebeden, zij hebben den duivel over-
wonnen. Gij kunt waken, gij kunt bidden, gij kunt
den duivel overwinnen; hij kan u niet beletten van heilig
te leven, en bijaldien gij niet heilig leeft, het komt
voort, wijl gij niet waakt, niet bidt in de bekoring, in
een woord, wijl gij niet krachtdadig wilt.
De wereld, namelijk de bedorven wereld, doet ook
haar best om ons tot zonde te brengen. Zij legt alom
(1) 1. Petr. v, 3. (2) Matth. xxvi, 41.
-ocr page 509-
— 505 —
hinderlagen en spant overal strikken om ons te verder-
ven; de wereld is vol gevaren en gelegenheden van
zonde. Kan de wereld u nu beletten van heilig te leven ?
Volstrekt niet; en getuigen van die waarheid de Heiligen.
Doch hoe hebben de Heiligen de wereld overwonnen ? Zij
hebben de gevaren en gelegenheden van zonde ge-
vlucht, en op die wijze, en op die wijze alleen zijn zij
aan de hinderlagen, welke de wereld hun legde, aan de
strikken, welke zij hun spande, ontkomen. Kunt gij ook
zoo niet handelen? Kunt gij ook die plaats, dat huis,
dat gezelschap, dien persoon niet verlaten, niet vluchten ?
Ja zeker: er bestaat volstrekt voor u geene reden om
op die plaats, in dat huis te komen; om in dat gezel-
schap, met dien persoon te verkeeren. Zoo gij dus door
den tweeden vijand uwer zaligheid, door de wereld over-
wonnen wordt; zoo gij niet heilig leeft, \'t komt voort,
wijl gij de gevaren en gelegenheden van zonde niet
vlucht, in een woord, omdat gij niet krachtdadig wilt.
De derde vijand onzer zaligheid is ons eigen vleesch.
Den vijand wel is waar kunnen wij niet ontvluchten.
Maar kan hij ons beletten van heilig te leven? Ook niet
Getuigen nogmaals de Heiligen; zij hebben ook tegen
dien vijand te strijden gehad. Denken wij toch niet,
B. B., dat de Heiligen Engelen waren. Zij waren
menschen gelijk wij; zwak van natuur, kinderen van
Adam en Eva, ten kwade geneigd. Zij gevoelden zoo
wel als wij dat hun vleesch zich verzette tegen den geest;
zij werden hunne driften gewaar. Doch hoe hebben de
Heiligen zich gedragen ? Wel overtuigd van hunne zwak-
heid, hebben de Heiligen zich zelven mistrouwd en tot
God hunne toevlucht genomen; zij hebben alles wat hen
tot zonde kon brengen, zoo zorgvuldig mogelijk verme-
den; zij hebben zich daarenboven nog versterkt door het
-ocr page 510-
— 5°6 —
dikwerf en waardig ontvangen der H. Sacramenten; zij
hebben hun dartel vleesch gekastijd, hunne driften be-
teugeld door werken van boetvaardigheid. Wie belet u
te doen hetgeen de Heiligen gedaan hebben, om op die
wijze den derden vijand uwer zaligheid te overwinnen ?
En bijaldien gij door hem overwonnen wordt, aan wien
de schuld, zoo niet aan u zelven ? Hebt gij niet juist
het tegenovergestelde gedaan van hetgeen de Heiligen
deden? Op eigen krachten steunende, hebt gij uwe toe-
vlucht niet genomen tot God, hebt gij de gevaren en
gelegenheden van zonde niet vermeden, hebt gij de
H. Sacramenten niet of slecht, d. i., in staat van dood-
zonde ontvangen, hebt gij alles uitgedacht, gezocht en
gedaan om uw vleesch te vleien, uwe zinnen te strelen,
en gij zijt bezweken onder de aanvallen van den derden
vijand uwer zaligheid. Doch ik vraag het u nogmaals:
aan wien de schuld, zoo niet aan u zelven? Waarom
hebt gij niet heilig geleefd ? Waarom leeft gij nu nog niet
heilig? Omdat gij niet krachtdadig gewild hebt, omdat
gij niet krachtdadig wilt tot op den dag van heden.
Want, B. B , veronderstelt dat gij tot hiertoe niet heilig,
maar in zonden geleefd hebt: wat belet u het overige
van uw leven heilig te leven ? De meeste Heiligen
wel is waar hebben heilig geleefd, hebben de zonden,
zehs het honderdste gedeelte der zonden niet bedreven,
die wij bedreven hebben; doch, B. B., er zijn toch
ook Heiligen in den hemel, die groote zonden bedre-
ven en die jaren lang in zonden geleefd hebben.
Zegt dus niet: de Heiligen hebben niet gezondigd;
ik daarentegen heb zoo grootelijks en zoo dikwijls gezon-
digd; bijgevolg kan ik niet heilig meer leven; ik kan niet
meer zalig worden. Dat is eene groote dwaling. Doch
oo ver brengt niet zelden de duivel den mensch. Na
-ocr page 511-
— 507 —
hem vroeger reeds bedrogen te hebben, bedriegt hij hem
thans nog, en hij doet hem aan zijne zaligheid wanhopen.
Zijn wij op onze hoede, B. B., en laten wij ons niet op
nieuw door den duivel bedriegen. Augustinus, Maria
Magdalena, bijv., hebben zij altoos heilig geleefd? Hoe
lang hadden zij hun geluk niet gezocht daar, waar het
niet te vinden was? Hoe lang hadden zij naar den duivel
niet geluisterd, de wereld met hare schijnvermaken nage-
jaagd, den wellust botgevierd? In een woord, hoe lang
hadden zij niet in zonden geleefd ? En ziet! thans worden
zij onder de Heiligen gerekend: die wellusteling is een
heilige Augustinus; die zondares is eene heilige Maria
Magdalena. Van waar die verandering? Tot zich zelven
gekomen, en inziende dat alles ijdelheid der ijdelheden
is behalve God te dienen, beantwoordden zij eindelijk
aan de stem der genade; zij deden boetvaardigheid over
hunne zonden; zij haalden den verloren tijd zoo goed
mogelijk in door verdubbeling van ijver in den dienst
van God. Augustinus en Maria Magdalena, na zich be-
keerd te hebben, leefden het overige van hun leven heilig
en werden groote Heiligen in den hemel. Wat belet u
hen na te volgen? Gij hebt hen wellicht nagevolgd in
de zonden; volgt hen nu ook na in de bekeering. God
roept; verzoent u met Hem; beweent uwe zonden; dient
den Heer uwen God getrouw het overige van uw leven;
gij zult heilig leven en eenmaal Heiligen worden in den
hemel. Gij ziet dus, B. B., uit het voorbeeld der Hei-
ligen, de vijanden onzer zaligheid kunnen ons niet be-
letten van heilig te leven. De duivel, de wereld en het
vleesch hebben wel is waar hun best gedaan om de Heili-
gen tot zonde te brengen; de Heiligen hebben hen overwon-
nen, en zij hebben hen overwonnen met de wapenen waar-
over wij reeds gesproken hebben. Wij hebben dezelfde
-ocr page 512-
— 508 —
wapenen ter hand; wij kunnen er dus de vijanden onzer
zaligheid ook mede overwinnen en heilig leven. De zonden
zelfs, die wij bedreven hebben, zijn nog geen beletsel om het
overige van ons leven heilig door te brengen; wij kunnen
er vergiffenis van bekomen, er boetvaardigheid over doen
en vervolgens heilig leven en onze zaligheid bewerken.
Onze bezigheden, de werken die wij te verrichten heb-
ben, maken een heilig leven ook niet onmogelijk. Niemand
onder ons kan dus zeggen: \'t Is mij onmogelijk van heilig
te leven; mijne bezigheden zijn te menigvuldig, te moeie-
lijk, te gevaarlijk. Dwaling, B. B., er^zijn Heiligen van
alle staten en standen : priesters en geloovigen, gehuwden
en ongehuwden, die dezelfde bezigheden, dezelfde werken,
misschien wel menigvuldiger, moeielijker en gevaarlijker
dan de onze, te verrichten hadden; en toch, zij hebben
heilig geleefd. En waarom zouden wij dan niet kunnen
hetgeen zij gekunnen hebben? Maar ik kan niet, zegt gij.
Gij kunt niet uit u zelven; doch doet wat gij kunt, en
vraagt God hetgeen gij niet kunt. God zal u helpen en
bijstaan; en door God geholpen en bijgestaan, zult gij
kunnen hetgeen gij uit u zelven alleen niet kunt, d. i.,
gij zult heilig kunnen leven en eenmaal Heiligen worden
in den hemel.
SLUITREDE.
Ten slotte vat ik in weinige woorden gansch mijne
rede te zamen: wij kunnen heilig leven zoowel als de
Heiligen; niets kan het ons beletten; noch\' de vijanden
onzer zaligheid, — de Heiligen hebben dezelfde vijanden
gehad ; noch onze bezigheden, onze werken, — de Heiligen
hebben dezelfde bezigheden, dezelfde werken gehad.
Wij moeten heilig leven, zoo wel als de Heiligen; \'t is
onze plicht; God gebiedt, God wil het. Zonder dat be-
-ocr page 513-
— 509 —
antwoorden wij niet aan het einde, waartoe wij geschapen
zijn; want wij zijn geschapen om God te kennen, te
beminnen en te dienen, in een woord, om heilig te leven.
Wij moeten heilig leven, ons eigen belang vordert het;
zonder dat kunnen wij niet oprecht gelukkig zijn op
aarde, en nooit of nimmer in den hemel komen.
Prenten wij die waarheden diep in ons geheugen en
volgen wij ze in ons gedrag. Vluchten wij de zonde en
alles wat er aanleiding toe geeft; beoefenen wij de deugd
en wenden wij alle middelen aan, om er altoos voort-
gang in te doen en om steeds heiliger te worden. Tot
dat einde moeten wij ook den H. Cornelius bidden, en
niet alleen, om tegen ongelukken en ziekten beschermd,
of er van bevrijd te worden. Richten wij dus tot den
H. Cornelius de volgende bede. O H. Cornelius! die
thans voor uwe deugden en goede werken door God
ruimschoots beloond wordt in den hemel! Van uit den
hemel sla goedgunstig uwe oogen op ons neder. Toon
dat gij onze beschermer, onze voorspreker zijt. Bid voor
ons, opdat de goede God ons gelieve te bewaren voor
alle ziekten en ongelukken; dat Hij er ons van verlosse,
volgens zijn welbehagen. Bid voor ons, o H. Cornelius!
bijzonder opdat wij u in de deugd en heiligheid na-
volgen. Bid voor onzen heiligen Vader, den Paus.....
die, evenals gij opvolger van den H. Petrus, evenals gij
door de vijanden der H. Kerk vervolgd wordt, opdat
hij standvastig in den strijd over hen zegeprale. Bid
voor de overige bedienaars der H. Kerk, de Bisschoppen
en Priesters, die vervolging lijden, opdat zij niet bezwij-
ken. Bid voor ons allen, o H. Cornelius! opdat wij naar
uw voorbeeld heilig leven hier op aarde, om eenmaal
het geluk te hebben, van met u eeuwig te mogen leven
in den hemel. Amen.
-ocr page 514-
ZESDE PREEK.
De H. Antonius, Abt.
Militia est vita kominis super terratn.
Het leven van den mensen is een strijd
op aarde.
                              (Job. vu, 1.)
INHOUD.
VOORREDE.
Wij allen zijn soldaten en moeten strijden ons leven
lang. — Onze vijanden zijn de duivel, de wereld en het
vleesch. — Het leven van den mensch is een strijd op
aarde. — De H. Antonius strijdt tegen — en overwint.
VERDEELING.
I. Den duivel;
II. De wereld;
III. Het vleesch.
I.
De H. Antonius strijdt tegen den duivel. — De duivel
kan niet verdragen dat Antonius zoo heilig leeft en ande-
ren tot de heiligheid aanzet. — De duivel stelt Antonius
voor het goede, dat hij in de wereld met zijn geld had
-ocr page 515-
— 5" —
kunnen verrichten, de moeielijkheden der eenzaamheid. —
Slechte gedachten. — Antonius mishandeld door den
duivel. — De duivel overwonnen. — Klachten van Anto-
nius bij God; antwoord van God. — Wapenen van
Antonius tegen den duivel: de naam Jezus, het kruistee-
ken, het gebed. — De H. Antonius was een man des
gebeds. — Van die wapenen moeten wij ons ook bedienen
om den duivel te overwinnen.
II.
De H. Antonius strijdt tegen de wereld. — Woorden
van den Apostel Joannes. — Wat wordt er verstaan door
de drievoudige begeerlijkheid der wereld ? — Antonius
vlucht de wereld. — Tweemaal verschijnt Antonius in
de wereld: de eerste maal tijdens de vervolging, door
Keizer Maximinus verwekt; de tweede maal, om de
Arianen te bestrijden; daarna keert Antonius naar de
eenzaamheid terug. — Wapenen van Antonius tegen de
begeerlijkheid des vleesches, de vlucht; tegen de begeer-
lijkheid der oogen, de vrijwillige armoede; tegen de
hoovaardij des levens, de ootmoedigheid. — Antonius
Wonderdoener. — Brief van Constantijn den Groote aan
Antonius. — Visioen van Antonius.
III.
De H. Antonius strijdt tegen het vleesch. — Wapenen
van Antonius tegen het vleesch: matigheid in spijs en
drank, vasten, nachtwaken, boetkleed, het bewaken der
zintuigen. — Antonius sterft in den gezegenden ouder-
dom van honderd en vijf jaren.
SLUITREDE.
Naar het voorbeeld van den H. Antonius moeten wij.
-ocr page 516-
— si2 —
strijden tegen de vijanden onzer zaligheid. — Tegen den
duivel moeten wij strijden met het wapen des gebeds;
tegen de wereld, door te vluchten, door ons te onthechten
van het aardsche en door ootmoedig te zijn; tegen het
vleesch, door matig te zijn, door onze zintuigen te be-
waken en door werken van boetvaardigheid. — Strijden
wij naar het voorbeeld van den H. Antonius kloekmoedig
tegen de vijanden onzer zaligheid; wij zullen hen over-
winnen en met den H. Antonius in den hemel gekroond
worden.
----------$.&---------
ZESDE PREEK.
De H. Antonius, Abt.
Müitia est vila hominis super terram.
Het leven van den mensch is een strijd
op aarde.
                             (Job. vu, 1.)
VOORREDE.
Wij allen, B. B., zijn soldaten, soldaten geboren, sol-
daten gansch ons leven. De strijd, dien wij te voeren
hebben, is een geestelijke strijd, een strijd op leven en
dood; eeuwig leven, eeuwige dood. Worden wij over-
wonnen, wij zijn verloren, voor eeuwig ver loren; over-
winnen wij, wij zijn behouden, voor eeuwig behouden-
Doch welke zijn de vijanden, tegen welke wij te strijden
hebben? Die vijanden, B. B., gij hebt het zeker reeds
begrepen, zijn de vijanden onzer zaligheid: de duivel, de
wereld en het vleesch.
De duivel, die om zijnen opstand tegen God uit den
-ocr page 517-
— 513 —
hemel nedergeworpen is in den afgrond der hel, zietdaar
den eersten vijand onzer zaligheid, tegen wien wij te strij-
den hebben. In zijne helsche woede heeft hij gezworen,
geene middelen onbeproefd te laten om ons te verderven.
Hij loopt immer rond, zegt de Apostel Petrus, gelijk een
brieschende leeuw, zoekende wien hij kan verslinden.
De tweede vijand onzer zaligheid is de wereld, debe-
dorven wereld, de wereld, vijandig aan God en aan Jezus\'
Kerk. Die vijand legt alom hinderlagen, spant te allen
tijde strikken om ons te vangen, en wee ons! zoo wij
niet op onze hoede zijn.
De derde vijand onzer zaligheid is ons eigen vleesch, dat
opstaat tegen den geest, \'t Zijn de hartstochten eener bedor-
ven natuur, die ons immer verontrusten, tot zonde aanzetten
en waaraan wij aanhoudend moeten weerstand bieden.
Hij had dus wel gelijk, B. B., hij sprak niets dan
waarheid de heilige man Job, als hij zeide: Het leven
van den mensch is een aanhoudende strijd: Militia est
vita hominis super terra-m.
(i) Ter gelegenheid van het
feest van den H. Antonius, dat wij vandaag vieren, heb
ik voorgenomen u dien Heilige, dien kloeken soldaat, te
toonen handgemeen met de drie vijanden zijner zalig-
heid. Zien wij dus hoe de H. Antonius strijdt tegen,
en hoe hij overwint:
I.     Den duivel;
II.     De wereld;
III. Het vleesch.
I.
De eerste vijand, tegen welken de H. Antonius te
strijden heeft, is de duivel.
(1) Job. vu, 1.
-ocr page 518-
— si4 —
De duivel, B. B., valt Antonius hevig aan. Waarom?
Vooreerst kan de duivel niet verdragen, dat Antonius
een heilig leven leidt; vervolgens heeft hij besloten zich
op Antonius te wreken, wijl deze zoo vele personen tot
zich trekt, die hem op het pad der deugd volgen. Jaloersch
over de vorderingen, welke Antonius dagelijks maakt op
den weg der volmaaktheid, spant de duivel al zijne krach-
ten in om hem te verderven. Hij stelt Antonius eene
menigte goede werken voor, die hij in de wereld met
zijn geld en goed had hunnen verrichten; vervolgens
de moeielijkheden, die hij in de eenzaamheid zal ontmoe-
ten; want de duivel, B. B., zag met leede oogen, dat
Antonius de wereld verlaten en zich in de eenzaamheid
begeven had. Nochtans, zijn eerste aanslag mislukt.
Antonius luistert niet eens. Daarop valt de duivel dag
en nacht den dienaar Gods aan met slechte gedachten,
met gedachten in strijd met de schoone deugd van zui-
verheid, doch zonder beter gevolg. Antonius weet alle
aanvallen van den duivel zegevierend af te slaan. Satan
geeft den moed niet op; hij komt terug, zelfs onder ver-
schillende gedaanten, ten einde Antonius of te verleiden,
of te verschrikken; doch alle listen en lagen des duivels
worden door den dienaar Gods verijdeld; de duivel wordt
telkens overwonnen, hij is zelfs genoodzaakt zijne neder-
lagen te bekennen.
Om u te toonen, B. B., hoe hevig en hardnekkig, met
welke helsche razernij de duivel Antonius vervolgde en
aanviel, luistert wat er zekeren dag gebeurde. God stond
toe, zonder nochtans zijnen dienaar te verlaten, dat An-
tonius door de duivelen mishandeld werd. Die helsche
geesten kwamen te voorschijn, zij maakten een groot
gedruisch om Antonius te verschrikken; zij vielen hem
lichamelijk aan en sloegen hem zoo hard en lang, dat
-ocr page 519-
— si5 —
hij met wonden overdekt, half dood op den grond neder-
lag. Een zijner vrienden, die gewoon was Antonius te
verzorgen, vond hem in dien ellendigen toestand. Doch
ziet, nauwelijks is Antonius tot zich gekomen, of hij
daagt reeds, alvorens zich te hebben opgericht, de duive-
len uit, en hij roept hen toe: Welaan! ik ben op nieuw
gereed om met u te strijden. Neen, niets is in staat,
voegt hij er bij, mij van mijnen Heer Jezus-Christus te
scheiden. De helsche geesten aanvaarden den strijd, zij
verdubbelen hunne pogingen, nemen de afschuwelijkste
gedaanten aan en brieschen als leeuwen. Doch alles ver-
geefsch, B. B.! Antonius staat pal; hij blijft standvastig,
want hij heeft al zijn betrouwen gesteld op God, die zijne
dienaren niet verlaat in den strijd. Een straal van he-
melsch licht daalt op Antonius neder, en de duivelen,
zoo beschaamd mogelijk, nemen in aller ijl de vlucht
Na die schitterende overwinning op den duivel be-
haald, klaagde Antonius bij God, doch op eene wijze,
waarop Heiligen zulks doen. Waar waart Gij? mijn
Heer en Meester! riep Antonius uit. Waarom waart Gij
niet hier van af het begin van den strijd? O, Gij zoudt
mijne tranen gedroogd, mijne smarten gelenigd hebben.
En ziet! plotseling antwoordt eene zoete stem: Antonius!
Ik was bij u. Ik ben getuige geweest van den strijd,
en wijl gij uwe vijanden zoo kloek weerstand geboden
hebt, zal Ik u tot belooning het overige van uw leven
beschermen, en Ik zal uwen naam beroemd maken door
de gansche wereld. Op het hooren dier woorden richtte
Antonius getroost en gesterkt zich op, om God, zijnen
beschermer en redder, te bedanken. Wij hebben Anto-
nius aanschouwd, B. B., handgemeen met den duivel;
wij hebben gezien, dat hij dien vijand zijner zaligheid
overwonnen heeft. Doch van welke wapenen heeft de
-ocr page 520-
_ 5i6 -
H. Antonius zich bediend, om dien geweldigen vijand te
overwinnen? De tijd, B. B., laat niet toe breedvoerig
te zijn. Ik kan dus enkel eenige dier wapenen opnoemen.
De voornaamste zijn: de heilige naam Jezus, het kruis-
teeken en het gebed. Zekeren dag, zoo verhaalt
de H. Antonius zelf, door den duivel aangevallen, had
ik nauwelijks den naam Jezus aangeroepen, of hij nam de
vlucht. Het kruisteeken, zoo leert dezelfde Heilige,
is voldoende om den duivel te doen sidderen en
beven, \'t Is door het gebed, zegt hij, dat ik aan zoovele
hinderlagen ontsnapt ben. De H. Antonius, B. B., was
waarlijk een man des gebeds. Hij stond te middernacht
op om te bidden. Hij bad op zijne knieën, zijne handen
ten hemel gestrekt, tot dat de zon opkwam. Somtijds
klaagde Antonius over de zon, dat zij hem \'s morgens
zoo vroeg in zijn gebed kwam storen. Wat heb ik uw
licht noodig? zoo sprak hij tot de zon, als zij opkwam.
Waarom komt gij mij verstrooien ? Waarom rijst gij op
om mij aan de klaarheid van het waarachtige licht te
onttrekken? Zietdaar, B. B., de wapenen, waarvan An-
tonius zich bediend, en waarmede hij den duivel over-
wonnen heeft. Wij, B. B., wij hebben ook tegen den
duivel te strijden. Wij moeten ons van dezelfde wapenen
bedienen, willen wij niet in den strijd tegen den duivel
bezwijken. Wij moeten dus in de bekoringen met be-
trouwen den naam Jezus aanroepen; wij moeten met
eerbied het kruisteeken maken; wij moeten onze toe-
vlucht nemen tot het gebed, en dan zullen wij even
als Antonius den duivel, den eersten vijand onzer zalig-
heid, overwinnen.
II.
De tweede vijand, tegen welken de H. Antonius te
strijden heeft, is de wereld.
-ocr page 521-
— 517 —
Door de wereld, waarvan hier sprake is, moet verstaan
worden de bedorven wereld. De Apostel Joannes ver-
biedt ons die wereld te beminnen. Nolite diligerc mun-
dutn,
(i) zegt hij: Wilt de wereld niet liefhebben, en
wel op straf van de liefde Gods te verliezen. Want zoo
iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet
in hem : Si quis diligit tnundum no?i est cJiaritas Patris
in eo.
En wat mag wel de reden daarvan zijn ? Dezelfde
Apostel geeft de reden: Want al wat in de wereld is, zoo
gaat Joannes voort, is begeerlijkheid des vleesches, be-
geerlijkheid der oogen en hoovaardij des levens: Coticn-
piscentia carnis, concupiscentia oculorum et sttferbia vitae.
Doch wat wordt er verstaan door die drievoudige begeer-
lijkheid? Door de begeerlijkheid des vleesches wordt
verstaan de ongeregelde begeerte naar vermaken en
pleizieren, naar het zingenot en den wellust; door de
begeerlijkheid der oogen, de ongeregelde begeerte naar
schatten en rijkdommen, naar geld en goed; door de
hoovaardij des levens, de ongeregelde begeerte naar groot-
heid en pracht. De wereld nu, brandend van die drie-
voudige begeerlijkheid, doet haar uiterste best, spant al
hare krachten in om volgelingen te krijgen, waarin zij,
helaas! maar al te wel slaagt. Inderdaad, hoevelc onge-
lukkigen treft men in onze dagen niet aan, die niets
zoeken dan zich te\' vermaken ? Hoe velen, die alles opof-
feren, hun eigen ziel en de zielen hunner kinderen,
voor eene hand vol goud of zilver ? Hoe velen, die alles
verzinnen om zich maar boven hunnen evenmensch te
verheffen ? Doch hoe gedraagt Antonius zich tegenover
de wereld ? Antonius vermijdt zorgvuldig alles wat de
wereld aantrekkelijks en verleidends heeft: de gezelschap-
(1) i Joan. ii, 15.
-ocr page 522-
_ 5l8 -
pen en verkeeringen, de vermaken en pleizeren, alles
wat de zinnen streelt, in een woord, Antonius vlucht de
bedorven wereld. Hij begeeft zich in de eenzaamheid, en
daar, ver buiten het gedruisch der wereld, houdt hij zich
onledig, met te werken voor zijne ziel en zaligheid. Twee-
maal nochtans zien wij hem de eenzaamheid verlaten en
in de wereld verschijnen. De eerste maal tijdens de
kerkvervolging, door keizer Maximinus verwekt, ten jare
311. De hoop van zijn bloed voor Jezus-Christus te
mogen vergieten, deed Antonius besluiten zijn klooster
te verlaten. Hij begaf zich naar Alexandrië, waar
eene menigte Christenen om het geloof in de gevange-
nis zuchtten en veroordeeld waren om in de mijnen
te werken. Die Christenen diende Antonius, hij moe-
digde hen aan van standvastig te blijven in het geloof,
zelfs voor de rechtbanken en op de plaatsen, waar
zij ter dood gebracht werden. Zoodra het volgende
jaar de vervolging ophield, verbleef Antonius niet meer
in de wereld, doch hij verliet haar terstond en keerde
naar zijn klooster terug, met het inzicht om zich al
meer en meer van de wereld te scheiden. Nochtans, in
het jaar 355 begaf zich Antonius voor de tweede maal
naar Alexandrië. Daartoe was hij door verscheidene
Bisschoppen uitgenoodigd, die oordeelden, dat niemand
beter in staat was dan Antonius, om de Arianen, ketters,
die de godheid van Christus loochenden, te wederleggen
en te beschamen, \'t Was ditmaal tot welzijn der H. Kerk
en uit noodzakelijkheid, dat Antonius in de wereld ver-
scheen. Nauwelijks is hij in de stad Alexandrië aan-
gekomen, of hij vangt aan met het katholiek geloof te
verkondigen. Hij leert dat Jezus Christus niet enkel
mensch, maar dat Hij met God den Vader zelfstandig, dus,
dat Hij God en mensch te zamen is. Eenieder wilde
-ocr page 523-
• — 519 —
Antonius zien en hooren, niet alleen de Christenen, maar
/.elfs de Heidenen, die zeiden: Wij willen den Man Gods
zien. Vele Heidenen werden getroffen door de sermonen
en wonderen van Antonius en lieten zich doopen. Na
eenige dagen te Alexandrië te hebben doorgebracht,
verlangde Antonius niets zoo zeer als naar zijn klooster
en zijne cel terug te keeren. De landvoogd van Egypte
deed wel is waar zijn best om Antonius langer daar te
houden, doch te vergeefs. Luistert wat hij den land-
voogd, die immer aanhield, antwoordde: Een monnik of
een kloosterling, zeide hij, is gelijk aan een visch. De
visch sterft buiten het water, en de kloosterling buiten
de eenzaamheid. Antonius verliet opnieuw de wereld
en keerde naar de eenzaamheid terug. De wereld dus
met hare begeerlijkheid des vleesches, d. i., met hare
ongeregelde begeerte naar vermaken en pleizieren, naar
alles wat de zinnen streelt, vermag niets op Antonius.
Waarom niet? Omdat hij de wereld vlucht.
Antonius overwint ook de begeerlijkheid der oogen,
d. i., de ongeregelde begeerte naar schatten en rijkdom-
men. Antonius, B. B., was uit rijke ouders geboren, en
na hunnen dood bezat hij veel goederen. Ongeveer twin-
tig jaren oud hoorde hij zekeren dag in eene kerk de vol-
gende woorden, die Jezus tot den jongeling van het
Evangelie sprak: Vade, vende qnac habes et da patipe-
ribus:
(i) Ga, verkoop wat gij bezit en geef het den
arme, en gij zult een grooten schat in den hemel hebben :
Et habebis thesaurum in caelo. Zoodra Antonius die
woorden hoort, past hij ze op zich toe, als tot hem ge-
sproken; hij verkoopt zijne goederen, deelt ze uit onder
de armen en bewaart alleen hetgeen hij voor zich en zijne
(1) Matth. xix, 21.
-ocr page 524-
— 52° —
zuster noodig heeft om te kunnen leven. Een weinig
daarna de volgende woorden hoorende: Weest niet be-
kommerd over den dag van morgen: Nolite solliciti esse
in crastinum,
(i) verkoopt Antonius nog zijne meubelen
ten voordeele der armen en begeeft zich in de woestijn.
Ziedaar hoe Antonius de begeerlijkheid der oogen, d. i.,
de ongeregelde begeerte naar geld en goed overwint. Hij
onthecht zich niet alleen, maar hij ontdoet zich geheel
en al van het aardsche. Eindelijk overwint Antonius
nog de hoovaardij des levens, d. i., de ongeregelde be-
geerte naar eer en glorie; hij stelt daartegen eene diepe
ootmoedigheid. Door iedereen gezocht, met de gave van
mirakelen te doen bedeeld, beschouwt Antonius zich voor
den laatsten der menschen, hij luistert naar — en volgt
de vermaningen van wien ook. Zekeren dag ontving
Antonius een brief van Constantijn den Groote en zijne
zonen. De leerlingen van Antonius waren niet weinig
getroffen over de eer, hunnen meester daardoor bewezen.
Doch luistert wat Antonius zeide: Weest niet verwonderd,
zeide hij, dat ik een brief van den Keizer ontvang; de
Keizer is een mensch, die schrijft aan een ander mensch;
doch weest verwonderd, voegt hij er bij, dat God zich
gewaardigd heeft ons bij geschrift zijnen wil kenbaar te
maken, en dat Hij ons gesproken heeft door zijnen Zoon.
Ook wilde Antonius in den beginne niet antwoorden;
doch wijl zijne leerlingen er op aandrongen, deed hij het
eindelijk. Hij schreef dus een brief aan den Keizer en
zijne zonen, waarin hij hen vooral aanzette van de
wereld te verachten en den laatsten dag des oordeels
nimmer uit het oog te verliezen. Antonius oefende voor-
al de deugd van ootmoedigheid, en geen wonder, want
(1) Matth. vi, 34.
-ocr page 525-
— 521 —
ziethier, wat hem zekeren dag gebeurde. God liet Antonius
de gansche oppervlakte der aarde zien, zoodanig met
strikken bespannen, dat het schier onmogelijk was een
stap te doen, zonder er in te vallen. Antonius, op dat
gezicht van vrees en angst bevangen, riep sidderend uit:
Heer! wie zal dat gevaar kunnen ontkomen? En eene
stem antwoordde: De mensch, die waarlijk ootmoedig is.
Daaruit begreep Antonius, hoe noodzakelijk de ootmoe-
digheid is, en vandaar ook dat hij die deugd bijzonder
oefende.
Antonius heeft dus, B. B., gelijk wij gezien hebben,
den tweeden vijand zijner zaligheid, namelijk, de wereld
overwonnen. Hij heeft gezegevierd over de begeerlijkheid
des vleesches door de vlucht; over de begeerlijkheid der
oogen, door de onthechting van het aardsche; over de
hoovaardij des levens, door de ootmoedigheid. Wij, B. B.,
wijl wij ook tegen de wereld te strijden hebben, wij
moeten ons van dezelfde wapenen bedienen; wij moeten
vluchten, aan de goederen dezer wereld niet gehecht zijn,
wij moeten ootmoedig wezen, en wij zullen even als An-
tonius den tweeden vijand onzer zaligheid overwinnen.
III.
De derde vijand, tegen welken de H. Antonius te strijden
heeft, is het vleesch. Wij allen, niemand uitgenomen,
kennen dien vijand maar al te goed. Hij vergezelt en
vervolgt ons overal en te allen tijde. Wij gevoelen den
strijd van het vleesch tegen den geest, de bedorven na-
tuur, de hartstochten, die ons tot eene zonde aanzetten,
van welke de Apostel Paulus zegt, dat zij onder de
Christenen niet eens moest genoemd, laat staan van be-
dreven worden. Die zonde, B. B., is de schandelijke
-ocr page 526-
___ r 22 ----
zonde tegen de schoone deugd van zuiverheid. Doch
zien wij liever van welke wapenen Antonius zich bediende
om dien vijand te overwinnen.
Antonius, B. B., was van zijne jeugd af matig in spijs
en drank. Later verrichtte hij veel werken van boetvaar-
digheid. Onder anderen onderhield hij een strenge vasten.
Zijn eten bestond in een weinig brood met wat zout; zijn
drank, in water. Eenmaal daags at hij, en nooit voor
zonsondergang Het gebeurde niet zelden dat hij in
twee, ja zelfs in vier dagen volstrekt niets at. Zijn
vleesch hield hij daarenboven nog in bedwang door nacht-
waken. Dikwijls bracht hij gansche nachten door in
het gebed. Vergunde Antonius zich eenige rust, dan
legde hij zich neder op eene biezen mat, op een boet-
kleed of wel op den blooten grond. Ik spreek van een
boet- of haren kleed; ja, dat droeg Antonius om zijne
driften te beteugelen. Daarenboven bewaakte hij met
de uiterste zorg zijne zintuigen, vooral zijne oogen en
ooren; want het gebeurt maar al te dikwijls, helaas! en
Antonius wist zulks, dat door de zintuigen de bekoring
ontstaat, en dat de zonde er door binnensluipt. Van
al zijne strenge boetplegingen verminderde Antonius
weinig in zijne oude dagen. Nochtans, zij hebben hem
. niet belet van een hoogen ouderdom te bereiken, want
•de H. Antonius, na de vijanden zijner zaligheid kloek
bestreden en overwonnen te hebben, stierf, rijk aan
deugden en goede werken, in den gezegenden ouderdom
van 105 jaren. Zijne ziel verheugt zich reeds in het
bezit van God, dien hij op aarde getrouw gediend heeft;
terwijl zijne stoffelijke overblijfsels, door de geloovigen
vereerd, zich eenmaal bij haar zullen aansluiten, name-
lijk, in den laatsten dag des oordeels, om voor eeuwig
met haar in de vreugde des hemels te deelen.
-ocr page 527-
— 523 —
SLUITREDE.
Wij hebben den H. Antonius genoegzaam beschouwd,
B. B. Wij hebben dien kloeken soldaat gezien, hand-
gemeen met de vijanden zijner zaligheid. Wij hebben
gezien met welke wapenen hij hen overwonnen heeft.
Wij ook, B. B., zijn soldaten, gelijk ik in den beginne
reeds gezegd heb. Wij ook hebben tegen dezelfde vij-
anden te strijden. Wij moeten strijden tegen den duivel,
en om hem te kunnen overwinnen, moeten wij ons naar
het voorbeeld van den H. Antonius bedienen vooral van het
wapen des gebeds. Laten wij ons toch nimmer door
den helschen Satan onder het juk brengen, doch door
hem aangevallen of bekoord, slaan wij hem vol moed op
de vlucht. Wij moeten strijden tegen de wereld. En
met welke wapenen ? Met de vlucht, met de onthechting
van het aardsche en met de ootmoedigheid. Ja, B. B.,
wij moeten de vermaken en pleizieren der bedorven
wereld vluchten, zoo niet, worden wij slaven en slavinnen
van de bedorven wereld. Wij moeten ons niet aan het
geld en goed dezer wereld hechten, veel minder onze zielen
verkoopen voor een handvol goud of zilver, wel over-
tuigd, dat wij toch weldra alles zullen moeten verlaten.
Wij moeten ons voor God verootmoedigen, want die zich
verheft zal vernederd, maar die zich vernedert zal verheven
worden.
Wij moeten strijden tegen het vleesch. Ja, B. B., be-
strijden wij onze kwade driften door ons nimmer aan de
zonde van onmatigheid in spijs en drank plichtig te
maken, door onze zintuigen, en vooral onze oogen en
ooren goed te bewaren, door werken van boetvaardigheid.
Willen wij dus geene slaven en slavinnen worden van de
vijanden onzer zaligheid, van den duivel, de wereld
-ocr page 528-
— 524 —
en het vleesch, willen wij niet voor eeuwig verloren gaan;
op dan, en kloekmoedig ten strijde, naar het voorbeeld
van den H. Antonius, wiens feest wij heden vieren. En
gij, H. Antonius! die reeds in den hemel voor de over-
winningen, op de vijanden uwer zaligheid behaald, met
de kroon der onsterfelijkheid op het hoofd schittert: bid
voor ons, opdat wij naar uw voorbeeld kloekmoedig
strijden, de vijanden onzer zaligheid overwinnen, om
eenmaal met u te mogen gekroond worden in het rijk
der hemelen. Amen.
<^^^ê^>
-ocr page 529-
ZEVENDE PREEK.
Liefdadigheids-Sermoon.
De Aalmoes.
Dives et pauper obviaverunt sibi; viriusque,
operator est Dominus.
De rijke en de arme hebben elkander
ontmoet; God heeft beiden geschapen.
(Prov. xxu, 2.)
INHOUD.
VOORREDE.
Gedachte van God en de wereld over den rijkdom
en de armoede. — God zegt: Gelukkig de arme; de
wereld : ongelukkig de arme. — God zegt: Wee den rijke;
de wereld : gelukkig de rijke. — Zal de rijke zeker ver-
loren gaan? Neen. De jongeling van het Evangelie;
woorden van Jezus. — Zal de arme zeker zalig worden ?
Neen. — De slechte rijke zal verloren gaan, de brave
arme zal zalig worden. — De rijke vrek en de arme
Lazarus. — De rijke en de arme moeten elkander helpen
in het werk hunner zaligheid.
VERDEELING.
I., Waarom moet men aalmoezen geven?
II. Hoe moet men aalmoezen geven ?
-ocr page 530-
— 526 —
I.
De rijke is verplicht aalmoezen te geven. — Woorden
van den H. Joannes. — Beweegredenen: Vooreerst, de
zegen van God in het tijdelijke en het geestelijke. —
In het tijdelijke: Geeft en u zal gegeven worden. Waar-
om ? Omdat God goed is en de arme voor zijn weldoener
bidt. — De aalmoes is gelijk aan het zaad dat, aan de
aarde toevertrouwd, veel vruchten voortbrengt. — God
zegent den liefdadige. — De Pastoor en de liefdadige. —
De aalmoes is gelijk aan geld, uitgezet aan hoogen in-
terest. — Zegen in het geestelijke : Talrijke genaden :
de genade der bekeering, de vergiffenis der zonden, de
genade der volharding. — Hoe men, door aalmoezen te
geven, vergiffenis van zijne zonden bekomt. — Kwijt-
schelding der straffen. — Geschiedenis eener jonge doch-
ter. — Vervolgens, de armen zijn onze broeders en zusters,
de lievelingen van God, de ledematen van Jezus-Christus,
Jezus-Christus in zekeren zin zelf. — Om zulks te be-
grijpen moet men geloof hebben. — De wereld kent en
bemint God niet, dus ook den arme niet; gij kent en
bemint God, en vandaar dat ik niet bevreesd ben u een
aalmoes te vragen. — Gij moet aalmoezen geven, niet
alleen om den arme in zijnen nood bij te staan, maar
ook om zijne deugd en onschuld in veiligheid te stellen.
— Gij spijst, dekt Jezus-Christus en gaat voor Hem om
een aalmoes rond.
II.
Men moet zijn aalmoezen geven: met voorzichtigheid,
van harte, met geloof en naar vermogen.
SLUITREDE.
Die aalmoezen geeft, maakt zich vrienden voor narden
-ocr page 531-
— 527 —
dood. — De arme en de rijke zullen elkander ontmoeten.
— In den laatsten dag des oordeels zal Jezus zeggen tot
den hardvochtigen rijke: Weg van mij, enz.; tot den
liefdadigen rijke: Kom, gezegende mijns Vaders, enz.
—>weiai»3a>t\'—
ZEVENDE PREEK.
Liefdadigheids-Sermoon.
De Aalmoes.
Dives el pauper obviaverunl sibi; utriusqui;
operator est Dominw.
De rijke en de arme bebben elkander
ontmoet; God heeft beiden geschapen.
(Prov. xxiv, 2.)
VOORREDE.
De gedachte, B. B., welke God en de wereld zich van
den rijkdom en de armoede maken, is zeer verschillend;
het oordeel, dat zij over den rijke en den arme vellen,
eveneens; ja, beiden zijn zelfs in strijd met elkander.
Gelukkig de arme! zegt God ; Gelukkig de rijke! zegt
de wereld. Wee u, rijke! zegt God; Wee u, arme! zegt
de wereld. Van waar die verschillende, tegenstrijdige
gedachte; dat verschillend, tegenstrijdig oordeel ? God en
de wereld, B. B., zijn geen vrienden; integendeel, zij
staan vijandig tegen elkander over. Hetgeen God be-
mint, zoo als de armoede, de wereld haat ze. Hetgeen
God niet zoekt, zooals de rijkdommen, de wereld jaagt
ze met koortsdrift na. Wee dus den rijke! volgens de
-ocr page 532-
— 528 —
gedachte en het oordeel van God : Vae vobis divitibus\\ (i)
Gelukkig de arme! Beati. pauper es! (2) Zal dan de rijke
te midden zijner rijkdommen noodzakelijk verloren gaan?
B. B., men kan, men mag het niet ontkennen; de rijk-
dommen zijn gevaarlijk; zij zijn gelijk aan doornen, die
den mensch verwonden; aan strikken, waarin hij niet
zelden gevangen wordt. De jongeling, dien Jezus lief had
en uitnoodigde van Hem op het pad der volmaaktheid
te volgen, ging droevig weg, zegt het Evangelie: Abiit
tristis.
Waarom? Hij had vele goederen en kon niet
besluiten dezelve te verlaten: Er at enim habens multas
possessiones.
(3) Doch luistert wat de goddelijke Leermees-
ter bij die gelegenheid tot zijne leerlingen zeide. Voor-
waar, ik zeg het u, sprak Jezus; de rijke zal moeielijk
het rijk der hemelen binnengaan. Een kameel zal gemak-
kelijker door het oog eener naald gaan, dan een rijke
het rijk der hemelen binnentreden, \'t Zal dus wel niet
onmogelijk, doch moeielijk voor den rijke zijn van zalig
te worden. Maar zal nu de arme in zijne armoede zeker
zalig worden? Ook niet, B. B.; want men vindt armen,
die tegen God opstaan; armen, die vol ondeugden zijn;
armen, die wezenlijk ongelukkig zijn reeds in dit leven,
en die daarenboven nog voor eeuwig ongelukkig zullen
worden hiernamaals. Het „Wee" dus, door God over de
rijken uitgesproken, treft den hard vocht igen, den mede-
dogenloozen rijke, den rijken brasser, den rijken weilus-
teling, in een woord, den rijken vrek van het Evangelie:
ja, dusdanige rijke zal ook eenmaal, even als hij, begraven
worden in de hel: Et sepultus est in inferno. Het „Zalig
zijn de armen" geldt den braven, den godvreezenden arme,
die zich in zijn droevig lot aan den wil van God onder-
(1) Luc. vi, 24. (2) Luc. vi, 20. (3) Matth. xix, 22.
-ocr page 533-
— 529 —
werpt; \'t geldt den armen Lazarus, die na zijnen dood
door de Engelen naar den schoot van Abraham overge-
bracht werd: Portabatur ab Angelis in sinum Abrahae. (i)
God nochtans, die den rijke en den arme geschapen
heeft, wil dat beiden zalig worden. En ziethier, waarin
zijne goddelijke Voorzienigheid op eene wondervolle wijze
uitschijnt. Hij wil den eenen zalig maken door den
anderen; Hij wil dat de rijke en de arme elkander bijstaan,
dat zij zich vereenigen, dat zij als het ware hand aan
hand den weg, die naar den hemel leidt, inslaan. Dives
et pauper obviaverunt sibi:
(2) ja, zij moeten elkander
ontmoeten. Doch hoe zullen zij elkander bijstaan, zich
vereenigen en elkander ontmoeten ? De rijke zal werken
van liefdadigheid verrichten, hij zal vooral aalmoezen
geven; de arme zal daarvoor dankbaar zijn, hij zal bid-
den voor zijnen weldoener. Zietdaar tevens het onderwerp
dezer rede; doch het is vooral het eerste punt dat ik
voorgenomen heb een weinig verder uiteen te zetten. Ik
wil u dus vandaag spreken over de aalmoes. En om u
krachtdadig aan te sporen van naar behboren aalmoezen
te geven, zullen wij zien:
I. Waarom men aalmoezen moet geven;
II. Hoe men aalmoezen moet geven.
I.
U breedvoerig bewijzen, B. B., dat God den rijke stellig
geboden heeft, zoodat deze streng verplicht is, den arme
in den nood bij te staan; neen, dat is mijn inzicht niet.
Het zij genoeg dienaangaande de volgende woorden van
de H. Schrift aan te halen. Zoo iemand, zegt de H.
<1) Luc. xvi, 22. (2) Prov. xxu, 2.
34.
-ocr page 534-
— S30 —
Joannes, rijkdommen heeft, goederen bezit, en hij ziet
zijnen broeder in armoede, zoo hij hardvochtig blijft, geen
medelijden met hem heeft en hem niet bijstaat; hoe zal
de liefde Gods in hem blijven? Quomodo charitas Dei
manet in eo?
(i) Op die vraag moet men een ontken-
nend antwoord geven. Neen, de liefde Gods blijft niet
in hem, hij verliest de liefde, zonder dewelke het noch-
tans onmogelijk is van zalig te worden.
Gij ziet dus dat God den rijke stellig geboden, dat
Hij hem streng verplicht heeft, op straf van voor eeuwig
verloren te gaan, den arme in den nood bij te staan.
Doch ziehier andere beweegredenen, die wel in staat zijn
den rijke krachtdadig aan te zetten van aalmoezen te
geven.
Vooreerst, God zegent den liefdadigen mensch. Onze
goddelijke Zaligmaker leert het uitdrukkelijk in het Evan-
gelie. Geeft, zegt Jezus, en u zal gegeven worden: Date
et dabitur vobis.
Men zal u eene goede, overvloedige,
opgehoopte maat in den schoot storten; want met de-
zelfde maat, waarmede gij meet, zal u teruggemeten
worden: Eadem mensura qua mensi fueritis, remetietur
vobis.
(2)
Doch welke zijn nu de goederen, waarmede God den
liefdadigen mensch zegent ? Die goederen zijn tweederlei :
tijdelijke en geestelijke goederen. Ik zeg tijdelijke goe-
deren. Die medelijden met den arme heeft, zet zijn geld
of goed aan een hoogen interest bij God uit: Foencratur
Domino, qui miseretur pauperis,
(3) d. w. z., dat hij, die
aalmoezen geeft, door God ruimschoots zal beloond wor-
den. Die belooning steunt deels op de goedheid van God,
deels op de gebeden van den arme. God, die de aalmoes,
(1) Joan. in, 17. (2) Luc. vi, 31. (3) Prov. xix, 17.
-ocr page 535-
— S3i —
den arme gegeven, als aan zich gegeven beschouwt,
gelijk wij later zullen zien, laat zich niet in milddadig-
en edelmoedigheid overtreffen. Oneindig goed tot ons,
d. i., oneindig genegen om ons goed te doen volgens
onze bekwaamheid, wordt God daarenboven daartoe nog
uitgelokt door de gebeden, welke de arme voor zijnen
weldoener stort; want — en dit zij hier in het voor-
bijgaan gezegd — de arme, wil hij zich niet aan
de zwartste ondankbaarheid plichtig maken, is gehou-
den voor zijnen weldoener te bidden. Die gebeden
van den arme, men kan er niet aan twijfelen, hebben
een groot vermogen bij God. Exaudivit pauper es
Dominus:
(i) De Heer, zegt de koninklijke Profeet,
heeft de bede van den arme verhoord. Alzoo is de aal-
moes van den rijke, den arme gegeven, gelijk aan een
zaad, dat in een vruchtbaren akker geworpen wordt.
God stort zijn hemelschen dauw uit om dat zaad, het-
welk in den schoot van den arme reeds wortel gescho-
ten heeft, te bevochtigen. Dat zaad zet zich uiteen,
groeit op en brengt honderdvoudige, d. i., overvloedige
vruchten voort. Ja, God zegent den liefdadigen rijke in
zijne ondernemingen; Hij zegent den arbeid van den
milddadigen landman, daar Hij in tegendeel den hard-
vochtigen rijke, den liefdeloozen landman weinig of geen
voorspoed, niet zelden tegenspoed overzendt. Alzoo, B.
B., zien wij heden dikwijls gebeuren, hetgeen de H. Geest
in het boek der spreuken zegt: Eenigen deelen het hunne
uit, zegt Hij, en zij worden rijker; anderen rooven het-
geen hun niet toebehoort, en zij zijn toch altoos arm.
Hoe komt het niet zelden, dat, bijv., eene familie zoo
goed vooruitgaat? Die familie, zoo verhaalde mij zekeren
(1) Pb. lxviii,34.
-ocr page 536-
— 532 —
dag een Pastoor, en hij noemde haar bij name; die
familie, zeide hij, is altoos de eerste om goede werken
te doen. Zekeren keer was ik verlegen mij tot haar te
wenden, en ik ging ze inderdaad voorbij, wijl zij altoos
en naar mijn oordeel te veel gaf. Doch ziet! het kwam
ter oore van een der leden van die familie; deze kwam
bij mij en vroeg: Hoe komt het, Mijnheer Pastoor!
dat gij mij ditmaal voorbij zijt gegaan? Omdat gij,
zoo antwoordde de Pastoor, altijd en te veel geeft.
Maar de Pastoor moest wederom voor een goed
werk eene milde som aannemen; en die familie, B. B.,
want ik ken ze ook, was oprecht gelukkig; zij had
voorspoed zelfs in het tijdelijke. Waarom? Foeneratur
Domino, qui miseretur pauperis:
(i) ja, dat gezegde
wordt bewaarheid : Hij zet zijn geld of goed bij God aan
hoogen interest uit, die medelijden met den arme heeft.
Gij ziet dus, B. B., in plaats van te verarmen door aal-
moezen te geven, vergadert men zich schatten, goederen
in de wereld.
Doch die tijdelijke goederen, welke men van God door
aalmoezen te geven verkrijgt, maar slechts op voorwaarde,
namelijk, in zoover zij tot het eeuwige welzijn van den
liefdadige verstrekken; die tijdelijke goederen worden nog
door andere van grootere waarde, namelijk, door geeste-
lijke goederen overtroffen. En welke zijn die geestelijke
goederen? Die geestelijke goederen zijn talrijke genaden
en eindelijk het eeuwige loon. Ik zeg talrijke genaden,
waaronder vooral uitschijnen, de genade der bekeering,
de vergiffenis der zonden en de genade der volharding
in het goede.
- De aalmoes, zoo zegt Tobias, bevrijdt den mensch van
(1) Prov. xix, 17.
-ocr page 537-
— 533 —
de zonde: Eleemosyna ab omni peccato liberat.(\\) Ge-
lijk het water, zoo leert ons de Ecclesiasticus, het vuur
bluscht, eveneens behoedt de aalmoes voor de zonde. En
Jezus Christus zelf zegt: Geeft aalmoezen, en gij zult
van uwe zonden gezuiverd worden: Date eleemosynatn,
et ecce omnia munda sunt vobis.
(2)
Doch ziethier een aanmerking, om niet in dwaling te
vallen. Gij moet niet denken, B. B., dat het genoeg is
enkel een aalmoes aan den arme te geven, om vergiffe-
nis van uwe zonden te bekomen. De aalmoes zuivert
van de zonden, in dezen zin, dat God dikwijls, met het
oog op de aalmoezen, welke de zondaar geeft, hem een
uitgelezene, eene krachtdadige genade schenkt, waaraan
die zondaar beantwoordt, een waar berouw over zijne
zonden opvat, boetvaardigheid doet, en op die wijze
vergiffenis van zijne zonden bekent. Zietdaar hoe de
aalmoes zuivert van zonden. Door aalmoezen te geven
kan men ook kwijtschelding bekomen van de tijdelijke
straffen, die men nog schuldig is te ondergaan voor de
reeds vergeven zonden. Vandaar dat Daniël den ko^
ning Nabuchodonosor aanzette, van zijne zonden met
aalmoezen af te koopen: Peccata tua eleemosynis redime.($)
Bijaldien God nu ter oorzake der aalmoes den zondaar
niet zelden de genade der bekeering schenkt, hoeveel te
meer zal God dan den rechtvaardige om dezelfde reden
de genade der volharding schenken? Ja, B. B., God zal
den rechtvaardige die genade schenken; Hij zal zelfs den
zondaar, die zich over den arme erbarmt, op het einde
van zijn leven niet verlaten; in dien gevaarvollen dag
zal God hem bevrijden: In die mala liberabit eum Do-
minus;
(4) Hij zal hem op eene bijzondere wijze bijstaan
(1) Tob. iv, 11. (2) Luc. 11, 41. (3) Dan. iv, 24. (4) Ps. xl, 2.
-ocr page 538-
— 534 —
om hem een goeden dood te doen sterven. Om u te
overtuigen dat God, zelfs in het uur des doods, den zon-
daar niet verlaat, die medelijden met den arme gehad
heeft, luistert naar de volgende geschiedenis; zij heeft
plaats gehad in een der hedendaagsche Babylons, zoo
als een fransch redenaar de hoofdstad van zijn eigen
land noemt.
Eene jonge dochter had zich van hare prilste jeugd aan
de wereld opgeofferd. Na jaren lang de vermaken der
bedorven wereld nagejaagd te hebben, na geprezen, toe-
gejuicht, hemelhoog verheven te zijn geweest, bevindt zij
zich eensklaps aan het einde harer schitterende loopbaan,
op den boord van het kille graf. IJdelheid der ijdel-
heden: Vamtas vanitatum, en alles is ijdelheid, et omnia
vamtas,
(i) mocht die jonge dochter met den koning
Salomon uitroepen. Doch werpen wij een sluier over de
zwakheden en ergernissen der jonge dochter, zegt de
schrijver, zwakheden en ergernissen, die haar doodsbed
des te droeviger, des te akeliger maken. De wereld, die
trouwelooze, voor welke zij zich heeft afgetobt op den
weg des verderfs, verlaat haar, nu de dood zijn kille
hand over haar uitgestrekt heeft. Maar neen, ik bedrieg
mij. Wreeder dan men denken kan, doet de bedorven
wereld eene laatste poging om de ziel dier ongelukkige
in den afgrond der hel te storten, terwijl zij zich van
haar stoffelijk overblijfsel wenscht te bedienen om met
de Kerk den spot te drijven. Gelukkkig; de afgedwaalde
opent aan de poorten der eeuwigheid hare oogen, zij
bezit nog kracht genoeg om de schandelijke, de helsche
plannen harer vijanden te verijdelen. Een priester wordt
verwittigd en met achting ontvangen. De arme zondares
(1) Eccl. i, 2.
-ocr page 539-
— 535 —
•spreekt eene rouwmoedige biecht, ontvangt de H. Sacra-
menten der stervenden, en na aldus van haar geloof en
haar berouw getuigenis te hebben afgelegd, ontslaapt zij
zacht in den Heer. Wat heeft zij gedaan gedurende
haar leven, de arme zondares, om op het einde van haar
leven zulke uitstekende genade te bekomen? Zij was
liefdadig, (i) zegt de schrijver; zij bezat een edelmoe-
dig hart; niet te vergeefs klopte de noodlijdende bij haar
aan; de arme werd niet troosteloos weggezonden, zoo dat
in haar bevestigd werd, hetgeen de Profeet zegt:Geluk-
kig de mensch, die medelijden met den arme heeft :
Beatus, qui intelligit super egenum et pauper em: de Heer
zal hem ten kwaden dage verlossen: In die mala libe-
rabit eum Dominus:
Hij zal hem in de handen zijner
vijanden niet overleveren: Non tradat eum in animam
inimicorum ejus.
(2) Neen, God verlaat den weldoener
van den arme niet ; integendeel, Hij wil, Hij zal hem
nog beloonen met het eeuwige leven. Doch, alvorens
over de hemelsche belooning te spreken, ziethier buiten
de tijdelijke en de geestelijke goederen, waarmede God
den Hefdadigen mensch zegent nog een andere beweeg-
reden om den arme in zijnen nood bij te staan; zij zal
misschien beter in staat zijn van tot het hart te spreken.
Wat zijn de armen, die onder de rijken verkeeren? De
armen zijn menschen gelijk de rijken, doch zij zijn niet
door de fortuin begunstigd.
Wat zijn de armen nog meer? De armen zijn onze
broeders en zusters in Jezus-Christus; zij zijn niet zel-
den de lievelingen van God, zij zijn de ledematen
van Jezus-Christus, in zekeren zin zijn zij Christus zelf.
Doch om die verwantschap, die vriendschap Gods, dat
(1) Mejuffrouw Déjazet. (2) Ps. xl, 2.
-ocr page 540-
— 536 —
goddelijke in den arme te beseffen, moet men geloof en
wel een levend geloof hebben. Vandaar dat de wereld
den arme miskent, veracht, als uitvaagsel verstoot. Geen
wonder; de wereld kent en bemint God niet; hoe zou zij den
arme kennen en beminnen? Gij, B. B., gij kent, gij be-
mint God, en daarom ben ik niet bevreesd u vandaag
in naam van de armen, in naam van uwe broeders en
zusters, van de lievelingen Gods, van den armen Jezus
van Bethleem een aalmoes te vragen.
Rijke huisvader! God zegent uwe ondernemingen; alles
gaat voorspoedig; gij kent geen gebrek. Welk een ge-
noegen voor u, van u in een strengen winter \'s avonds,
in eene wel verwarmde kamer, bij een opgebeurde vrouw
en vroolijke kinderen te bevinden. O bedank, God, vader!
voor de weldaden, welke Hij zoo ruimschoots over uw
huisgezin uitstort; maar vergeet tevens den armen werk-
man, den armen huisvader niet. Hij ook heeft een tal-
rijk huisgezin te onderhouden. En ziet! zijn loon houdt
op of vermindert, daar het integendeel om de stijgende
behoeften moest toenemen en vermeerderen. Wees dus
liefdadig en barmhartig: Estote ergo misericordes, (i)
en in naam van dien armen werkman, van dien armen
huisvader, geef een aalmoes: Et date eleemosynam. (2)
Rijke moeder! gij hebt aan niets gebrek. Welk een
genoegen schept gij. niet, welk eene vreugde geniet gij
niet te midden uwer kinderen! Neen, de strenge vorst,
de koude noordenwind met zijne sneeuw- en hagelvlagen
kan u niet genaken; gij zit met uwe kinderen in eene
wel verwarmde kamer lustig bij het vuur. Welk een
genoegen voor u, moeder, van \'s avonds, na uwe kleine
kinderen goed verzorgd te hebben, hen in eene warme
(1) Lue. vi, 36. i2) Luc. xn, 33.
-ocr page 541-
— 537 —
wieg of legerstede te kunnen nederleggen! gij glimlacht
uw kind aan; uw kind, dat lacht u tegen. Wat gaat er
om in uw moederhart ? Doch klopt het ook van liefde
en dankbaarheid jegens God, uwen weldoener? Rijke
moeder, die u verheugt met uwe kinderen, weet, niet ver
van uwe rijk versierde en warme woning staat een ver-
sleten huisje, een arme hut. Daar ook houdt zich eene
moeder op met hare kleintjes. De moeder is uitgeput,
de kleintjes hebben honger. De koude noordenwind fluit
en jaagt den sneeuw door spleet van deur en venster
heen; zij zijn verkleumd van koude. Die arme vrouw
is ook moeder; zij bemint hare kleine kinderen teeder.
Mijn God! wat zie, wat hoor ik in die arme, koude hut?
Het kind begint te schreien. Waarom? het schreit, het
arme wichtje, van honger en koude. Een dikke traan
ontvalt het droevig oog dier troostelooze moeder. In
naam van dat arm kind, in naam dier uitgeputte moe-
der, in naam van beider tranen, rijke vrouw! wees lief-
dadig: Esto te ergo misericordes, en geef eene aalmoes,
et date eleemosynam.
Rijke jongeling en jonge dochter, gij zijt zoo rijk en
warm gekleed, en de arme jongen en het arme meisje van
den behoeftigen werkman hebben nauwelijks kleederen
om zich tegen de koude te dekken; zij moeten zich met
eenige lompen tevreden stellen. De winter, rijke jonge-
ling en jonge dochter, heeft zelfs voor u zijne bekoor-
lijkheden, terwijl hij zich voor den armen jongen en het
arme meisje zoo hard gevoelen doet. O, rijke jongeling
en jonge dochter! bedankt op de eerste plaats den goe-
den God voor zijne weldaden, en vervolgens vergeet dien
armen jongen, dat arme meisje niet; weest dus gij ook
op uwe beurt liefdadig en geeft een aalmoes; Estote ergo
misericordes et date eleemosynam.
-ocr page 542-
- 538 —
De armen zijn onze broeders en zusters in Jezus-Christus;
wij moeten hen in den nood, in hunne armoede bijstaan.
De armen zijn de lievelingen van God. Ja, B. B., God,
die de armoede boven de rijkdommen verkozen heeft,
heeft den braven arme lief. Ik zeg den braven arme,
en opdat hij braaf blijve, of althans worde, moet de rijke
hem ondersteunen; hij moet de deugd en onschuld van
den arme, van die vrouw, van die jonge dochter vooral,
die soms belaagd worden, die voor een weinig geld, dat
door een verleider wordt aangeboden, zouden kunnen
verloren gaan, tegen de aanvallen der verleiding ver-
dedigen. Ja, B. B., zeggen wij de waarheid. Door een
aalmoes te geven verlicht gij niet alleen den noodlij-
dende in zijne armoede; gij verdedigt, bewaart niet zel-
den zijne deugd en onschuld. Gij doet nog meer; gij
komt in zekeren zin God zelven te hulp. God, zeg ik,
die de Heer en Meester is van alles, de eerste eigenaar,
en die u tot dat verheven werk de middelen gegeven
heeft. De arme is een andere Christus. Zegt Jezus niet?
Gij hebt het Mij gedaan: Mihi fecistis. (i) Wanneer gij
dus een aalmoes geeft aan den arme en alzoo zijnen
honger stilt, \'t is Jezus, dien gij spijst in den persoon
van den arme. Wanneer gij werkt, jonge dochter, en
het een of ander kleedingstuk gereed maakt voor een
arm kind, \'t is voor Jezus, dat gij werkt; gij vervaardigt
als het ware doeken, waarmede Maria, de Moeder Maagd,
het goddelijk Kind in het stalletje van Bethleëm tegen
de koude zal dekken. Wanneer gij rondgaat, leden van
den H. Vincentius, voor den arme; wanneer gij hem in
zijne arme woning gaat opzoeken, om hem met een aal-
moes te ondersteunen, met eenige woorden op te beuren
(1) Matth. xxv, 40.
-ocr page 543-
— 539 —
en te troosten, \'t is voor Jezus, dat gij rondgaat; \'t is
Jezus, dien gij opzoekt; \'t is uw God, dien gij opbeurt
en troost. Waarom ? Al wat gij den geringsten der
mijnen gedaan hebt, hebt gij aan Mij gedaan, zegt Jezus:
Mihi fecistis.
Zietdaar, B. B., zoovele beweegredenen, die wel in
staat zijn u krachtdadig aan te sporen van liefdadig te
zijn, van eene milde aalmoes te geven : het gebod, dat
God gegeven heeft van den arme bij te staan; de zegen
van God in het tijdelijke en het geestelijke aan de aal-
moes verbonden; in den persoon van den arme geeft gij
aan eenen broeder of eene zuster, aan de lievelingen van
God, geeft gij aan God zelven. De wereld, ik weet het,
lacht met die beweegredenen. Geen wonder; zij begrijpt
ze niet; zij beseft het verhevene, het goddelijke der aal-
moes niet; maar gij, B. B., gij beseft het. God heeft
u ook van onder die hardvochtige, liefdelooze wereldlingen
uitgekozen; Hij heeft u een medelijdend, een liefderijk hart
ingestort, en zietdaar waarom gij bereid zijt, werken van
liefdadigheid te doen en vandaag vooral eene milde aal-
moes te geven. Doch hoe moet gij die aalmoes geven ?
II.
Gij moet die aalmoes geven: met voorzichtigheid, van
harte, met geloof en naar vermogen.
Vooreerst moet gij uwe aalmoes geven met voorzich-
tigheid. Doch van daag loopt gij volstrekt geen gevaar
van onvoorzichtig te zijn. Waarom niet? Wel, B. B.,
gij geeft uw aalmoes aan de leden van het genootschap
van den H. Vincentius a Paulo. Die leden, met de we-
zenlijke noodwendigheden van den arme, en vooral van
den huisarme beter dan gij bekend, gelasten zich van
de ware armen in uwen naam bij te staan.
-ocr page 544-
— 540 —
Vervolgens moet gij uw aalmoes geven van harte;
niet met tegenzin: Hilarem datorem diligit Deus: (i)
God bemint dengene, die met een blij gemoed geeft.
Gij moet uw aalmoes geven met geloof. Gij hebt
gezien, wien gij met uw aalmoes te hulp komt; aan
wien gij geeft, aan uwen broeder, uwe zuster in Jezus
Christus, aan de lievelingen Gods, wier deugd en on-
schuld gij met uw aalmoes kunt bewaren; gij geeft aan
God zelven. Vandaar dat gij eindelijk moet zien wat
gij geeft; dat gij gevet naar vermogen. Die veel heeft,
hij geve veel; die weinig heeft, hij geve van het weinige
met een goed hart. Weest dus onder dat opzicht voor-
zichtig. De leden van het genootschap van den H. Vin-
centius a Paulo gaan rond in naam van God en voor
God. God, die de eerste eigenaar is, die u alles gegeven
heeft, kent uw vermogen. Door aan den arme te geven,
geeft gij aan God. De rijke zal dus geene kleinigheid,
geen onbeduidende aalmoes geven. Ver van mij de ge-
dachte van te veronderstellen, dat hij op die wijze zijnen
God als het ware zou willen uitlachen. Die aalmoes
moet dus den rijke, die ze geeft, en God, aan wien zij
gegeven wordt, waardig zijn.
SLUITREDE.
Zietdaar, B. B., hoe gij uw aalmoes geven moet. Als-
dan zult gij u met uw geld en goed vrienden maken,
die u na uwen dood in de eeuwige woningen zullen ont-
vangen, d. i., gij zult de armen, die, door uw aalmoes
bijgestaan, zalig worden, vooruit zenden naar den hemel,
en zij zullen u op hunne beurt te gemoet komen, gelijk
(1) Prov. xxii, 2/
-ocr page 545-
— S4i —
gij hen te gemoet zijt gegaan in dit leven: Dives et
pauper obviaverunt sibi.
Doch vooral in den laatsten
dag des oordeels zullen de liefdadige rijke en de brave
arme elkander ontmoeten. De arme zal den rijke, de rijke
zal den arme bedanken; zij zullen elkander omhelzen, en
God, die beiden,den rijke en den arme geschapen heeft; God,
aan wiens wijze beschikking zij zoo trouw beantwoord heb-
ben, zal beiden beloonen. Hij zal beloonen vooral den lief-
dadigen rijke in de tegenwoordigheid der gansche wereld.
Gij weet, B. B., wat er in den laatsten dag des oordeels
gebeuren zal; hoe Jezus Christus, de Opperrechter, de zon-
daren en de rechtvaardigen zal toespreken. Doch zijne
woorden kunnen bijzonder op de hardvochtige en mee-
doogenlooze rijken, die zich de armen niet aangetrokken heb-
ben, en op de liefdadige en medelijdende rijken, die voor
de armen zorg gedragen hebben, toegepast worden. Wat
zal Jezus Christus tot de hardvochtige rijken zeggen?
Het Wee, tijdens zijn leven over hen uitgesproken, zal
voltrokken worden. „Gaat weg van Mij, vervloekten, in
het eeuwig vuur," zal Jezus zeggen, „want Ik heb honger
gehad, en gij hebt Mij niet gespijsd," enz. Doch neen,
1 ik wil de vervloeking, welke de hardvochtige rijken wacht,
en die hen eenmaal zal treffen, niet verder uiteen zetten.
Ik wil liever zeggen, hoe God, hoe Jezus Christus de
liefdadige rijken zal toespreken: „Komt!" zal Jezus met
een blij gelaat tot hen zeggen: Venite! „Gij zijt de
gezegenden mijns Vaders: Benedicti Patris mei. Neemt
bezit van het rijk, dat voor u bereid is: Possidete pa-
ratum vobis regniim
; want Ik heb honger gehad en
gij hebt Mij gespijsd; Ik heb dorst gehad en gij hebt
Mij gelaafd; Ik ben vreemdeling geweest en gij hebt
Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht." Ja, vader
en moeder, jongeling en jonge dochter, met die woorden
-ocr page 546-
— 542 —
zal Jezus u toespreken. „Komt nu," zal Jezus, de Op-
perrechter zeggen, „want al wat gij den armen, den
geringsten der mijnen gedaan hebt, hebt gij aan Mij
gedaan: Mihi fecistis, aan Mij, den Zoon Gods; en
daarom zijt gij nu allen de lievelingen, de gezegenden
mijns Vaders: Benedicti Patris mei; en in hoedanigheid
van lievelingen, van gezegenden mijns Vaders, neemt
bezit van het rijk, dat voor u bereid is, van de grond-
legging der wereld af: Possidete paratum vobis regnum
a constitutione tnundi.
(i) Amen.
(1) Matth. xxv, 34.
-ocr page 547-
ACHTSTE PREEK.
Eerste Mis.
De waardigheid en de weldaden des Priesters.
Juravit Dominui et non paenitebit eum :
tu es sacerdos in aeternum secundum ordinem
Melchisedech.
De Heer heeft gezworen en het zal Hem
niet berouwen: gij zijt priester in eeuwig-
heid naar de orde van Melchisedech.
(Ps. cix, 4.)
INHOUD.
VOORREDE.
\'t Is feest in deze parochie, als blijkt uit alles wat men
hoort en ziet. — Algemeen feest. — Vreugde en blijd-
schap van allen op het feest. — Woorden van Maria in
den mond van den jongen Priester.
VERDEELING.
I. Waardigheid van den Priester;
II. Weldaden van den Priester.
I.
De waardigheid van den Priester overtreft de waar-
digheid van koning en keizer. — Tweevoudige macht des
-ocr page 548-
.
— 544 —
Priesters. — Macht op onzen Heer Jezus Christus aan
het altaar. — Instelling van het allerheiligste Sacrament
des Altaars en priesterwijding der Apostelen. — Adam,
Mozes en Josuë. — De Priester overtreft hen in groot-
heid en macht. — Macht op de geloovigen in den biecht -
stoel. — Jezus geeft den Apostelen de macht van de
zonden te vergeven of te wederhouden. — De Priester
heeft dezelfde macht ontvangen in zijne wijding; daardoor
overtreft hij de Engelen, Heiligen, zelfs de Moeder van
God, de allerheiligste Maagd Maria.
II.
De weldaden van den Priester, den geloovigen bewezen
door zijne gebeden, zijne onderwijzingen en zijne goede
werken. — Door zijne gebeden. De wereld is een slag-
veld. — Mozes op den berg bidt voor de strijdende Is-
raëlieten; afbeeldsel van den Priester die bidt voor de
geloovigen, die strijden tegen de vijanden hunner zalig-
heid. — Door zijne onderwijzingen. De wereld is eene
woestijn. — De Priester leidt de geloovigen door die
woestijn en brengt hen behouden in hun vaderland aan.
—   De Priester heeft de wereld uit de barbaarschheid
getrokken en belet haar tot de barbaarschheid weer te
keeren. — Door zijne goede werken. — De Priester is
de stichter en de steun van zoovele nuttige instellingen
voor het menschdom, voor kindsheid, jeugd en ouderdom.
—   Weeshuizen en bewaarscholen, Katholieke scholen
en Colleges, huizen voor ouderlingen en hospitalen. —
Waar vindt men den Priester? In de hut van den arme,
aan het ziekbed van den kranke, in de gevangenis bij
den misdadiger, op het schavot bij den ter dood ver-
oordeelde.
-ocr page 549-
— 545 ~
SLUITREDE.
Woorden tot den jongen Priester. — Verzoek aan hem
van te bidden voor de levenden en de dooden.
ACHTSTE PREEK.
Eerste Mis.
De waardigheid en de weldaden des Priesters.
Juravit Dommus et non paenitebit eum: tu
es sacerdos in aeternum êecundum ordinem
Melchisedech.
De Heer heeft gezworen en het zal Hem
niet berouwen: gij zijt priester ineeuwig-
heid naar de orde van Melchisedech.
(Ps. cix, 4.)
VOORREDE.
Alles, B. B., wat wij hier hooren en zien, het zij van
nabij, het zij van verre, alles geeft te kennen dat er in
deze parochie feest, een groot feest gevierd wordt. Van-
daar de vreugdeschoten, die zich uren ver in den omtrek
doen hooren; vandaar het plechtig gelui der klokken, dat
zich verspreidt door de lucht; vandaar de aangename
orgeltonen, die ruischen door de gewelven van dezen
tempel; vandaar de plechtige kerkgezangen, die opstijgen
tot den Heer. Men ziet huizen met vlaggen en loover,
praalbogen met bloemen en opschriften versierd. Zoo
even zag men eene talrijke menigte geloovigen zich naar
dezen tempel spoeden, tempel, die in zijn feestgewaad
85.
-ocr page 550-
— 546 —
getuigt dat er iets bijzonders binnen zijne gewijde muren
geschiedt. Alles, B. B., wat wij dus hooren en zien, geeft
te kennen, dat er hier feest, ja, dat er een groot feest
wordt gevierd; feest, niet alleen van hem, die eronmid-
dellijk het voorwerp van is; neen, maar een algemeen
feest; feest voor eenen vader en eene moeder, feest voor
broeders en zusters, feest voor bloedverwanten en vrienden,
feest voor de inwoners dezer parochie; ja, feest voor ons
allen. En welk is dat feest? Maar gij allen hebt het
reeds geraden, \'t Is het feest van het eerste H. Misoffer,
door den jeugdigen Priester, hier tegenwoordig, vandaag
den Heere plechtig op te dragen. Wij allen mogen ons
op dat feest verheugen en verblijden. Ja, verheugd en
verblijd mogen wij allen zijn op den dag van heden.
Verheugd en verblijd de ouders, van voor de eerste maal
hunnen zoon het Altaar des Heeren te zien opklimmen;
verheugd en verblijd de bloedverwanten, van een Priester
onder hunne familieleden te tellen; verheugd en ver-
blijd de inwoners dezer parochie, van een bedienaar
der Kerk in hun midden te zien optreden; verheugd en
verblijd wij Priesters, van onze rangen te zien versterkt;
en gij, Eerwaarde Medepriester, welke reden hebt gij niet
van u te verheugen en te verblijden ? Ja, juicht en jubelt,
vader en moeder; juicht en jubelt, bloedverwanten en
vrienden; juicht en jubelt, priesterscharen, met mij; doch
gij vooral, jeugdige Priester, juich en jubel over het groot,
over het onuitsprekelijk geluk, u te beurt gevallen; ja,
hef met de Moeder-Maagd ter eere van God het lof- en
danklied aan: Magnificat anima ntea Dominum: Mijne ziel
maakt groot den Heer, want Hij die machtig is en wiens
naam heilig is, heeft mij groote dingen gedaan: Quia
fecit mini magna quipotens est et sanctum nomen ejns.
(i)
(1) Luc. i, 46-48.
-ocr page 551-
— 547 —
En inderdaad, B. B., God heeft den jeugdigen Priester,
hier tegenwoordig, groote dingen gedaan; Hij heeft hem
verheven tot de grootste waardigheid, namelijk, tot de
waardigheid van Priester der Nieuwe Wet.
Ter gelegenheid van het eerste plechtig Misoffer, door
den jongen Priester op te dragen, zij het mij toegestaan
u eenige oogenblikken te onderhouden over den Priester.
Wij zullen dus zien:
I. De waardigheid, waartoe de Priester verheven is;
II. De weldaden, welke de Priester het menschdom
bewijst.
I.
De waardigheid eens konings, B. B., is groot; de waar-
digheid eens keizers is grooter; de waardigheid des
Priesters overtreft en konink- en keizerlijke waardigheid;
die waardigheid is zeer groot.
Dat de waardigheid, waartoe de Priester verheven is,
zeer groot is, blijkt onder anderen uit de tweevoudige
macht, welke hij, en hij alleen, in zijne wijding ontvangen
heeft: macht, vooreerst op het waarachtig, het natuurlijk
lichaam van Christus; vervolgens op het mystiek, het
geestelijk lichaam van Christus, zijne Kerk.
Onze goddelijke Zaligmaker heeft, gelijk gij weet, in
het laatste avondmaal het aanbiddelijk Sacrament des
Altaars ingesteld; toen heeft hij tevens zijne Apostelen
Priester gewijd. Jezus nam het brood in zijne gezegende
handen; Hij brak en gaf het zijnen leerlingen, zeggende:
Neemt en eet, want dit is mijn lichaam: Hoc est enitn
corpus meum;
en het brood was veranderd in het lichaam
van Christus. Jezus nam ook den kelk met wijn, reikte
hun dien over onder deze woorden: Neemt en drinkt
-ocr page 552-
— 548 —
allen daaruit, want dit is mijn bloed des Nieuwen Ver-
bonds, dat voor u en voor velen zal vergoten worden
tot vergiffenis der zonden: Hic est enim sanguismeus,{\\)
en de wijn was veranderd in het bloed van Christus.
Doch dat is niet alles. Jezus geeft daarenboven zijnen
Apostelen de macht, Hij gebiedt hun, hetzelfde te doen,
namelijk, brood en wijn te nemen, en het brood en den
wijn te veranderen in zijn lichaam en bloed. Jezus geeft
zijnen Apostelen de macht, Hij gebiedt hun Priesters te
wijden: Doet dit tot mijne gedachtenis, zegt Hij: Hoc
facite in meam commemorationem.
(2) En ziet! een diaken,
door een wettigen opvolger der Apostelen, door een
Bisschop, Priester gewijd, hij neemt het brood, hij neemt
den wijn, hij spreekt er de woorden der consecratie over
uit: Want dit is mijn lichaam: Hoc est enim corptts
meiim;
want dit is de kelk mijns bloed van het Nieuw
en Eeuwig Verbond: Hic est enim calixsanguinis mei;
en het brood en de wijn bestaan niet meer, zij zijn ver-
anderd in het lichaam en bloed van Christus; ja, daar
op het altaar, op de woorden der consecratie, welke de
Priester spreekt, komt de Zoon Gods, Jezus-Christus,
tegenwoordig met godheid en menschheid, met ziel en
lichaam, met vleesch en bloed, gelijk Hij glorievol in
den hemel is. Welk eene macht als die des Priesters
en van hem alleen, op het waarachtig, natuurlijk lichaam
van Jezus-Christus, en bijgevolg, hoe groot is zijne waar-
digheid!
Hij was groot en machtig vóór zijnen val, de eerste
mensch Adam, die, tot koning van het heelal aangesteld,
aan al de bewoners van zijn rijk gebood, en wien allen
gehoorzaamden.
(1) Matth. xxvi, 28. (2) Luc. xxn, 19.
-ocr page 553-
— 549 —
Hij was groot en machtig, Mozes, de aanvoerder van
het volk Israël, die met een woord de wateren der roode
zee scheidde, zoodat de Israëlieten er droogvoets door-
trokken.
Hij was groot en machtig, Josuë, de veldoverste, die,
tot de zon sprak: Sta stil, en op wiens stem de zon
gehoorzaamde. Zeker, zij waren groote en machtige
mannen; doch er is nog een man, grooter en machtiger
dan zij; een man, die dagelijks, niet de schepselen, de
dieren, de waters, de zon gebiedt, maar die gebiedt, als
het hem belieft, den Schepper zelven van hemel en aarde,
die gebiedt den Koning der koningen, den Zoon Gods,
die daar op het altaar op de woorden der Consecratie
onder de gedaanten van brood en wijn tegenwoordig
komt; die zich door dien man laat offeren, als deze wil;
zich laat plaatsen, waar deze wil; zich laat geven, aan wien
deze wil, en die man? Die man is de Priester, B. B.!
Welk eene verbazende macht, welk eene hoog verheven
waardigheid dus als die des Priesters! Doch gaan wij
verder.
De Priester heeft macht, niet alleen op het waarachtig,
natuurlijk lichaam van Christus, hij heeft ook macht op
het mystiek, het geestelijk lichaam van Christus, d. i.,
op de Kerk of de geloovigen.
Den dag zijner verrijzenis gaf Jezus zijnen Apostelen
de macht van de zonden te vergeven ofte wederhouden.
Ontvangt den H. Geest, sprak Jezus, Accipite Spiritum
Sanctum:
wier zonden\'gij zult vergeven, dien worden
zij vergeven quorum remiseritis peccata, remittuntur
Wis,
en wier zonden gij zult wederhouden, dien zijn zij
wederhouden, et quorum retinueritis, retenta sunt. (i)
0) Joan, xx, 23.
-ocr page 554-
— S50 —
Jezus heeft zijnen Apostelen geboden, die macht mede te
deelen, niet alleen aan hunne wettige opvolgers, de Bis-
schoppen, maar ook aan de Priesters van hunnen tijd,
en door hunne wettige opvolgers, de Bisschoppen, aan
alle Priesters tot aan het einde der eeuwen. Doch wat
is dat nu voor eene macht, de macht van de zonden te
vergeven ? Veronderstelt een mensch, die eene dood-
zonde heeft bedreven. Daardoor verliest hij de heilig-
makende genade, hij wordt een slaaf van den duivel en
loopt gevaar van voor eeuwig verloren te gaan. Wie is
nu bij machte dien mensch het kostbaar kleed der heilig-
makende genade weer te geven; de boeien, waarmede
Satan hem gebonden houdt, te verbreken; hem aan het
gevaar, waaraan hij is blootgesteld, te ontrukken; in een
woord, wie is bij machte dien ongelukkige te redden?
Zijn het de Engelen en Aartsengelen ? Een H. Michael,
bijv., een prins van het hemelsch hof, die tegen Lucifer
en diens aanhang te velde trok en hem van boven uit
den hemel nederwierp in den afgrond der hel? Neen,
B. B., de Engelen en Aartsengelen zijn daartoe niet bij
machte: zij kunnen wel de duivelen, welke dien ongeluk -
kige belegeren, verjagen, maar den duivel, die bezit geno-
men heeft van zijne ziel, — neen, dien niet. Zijn soms de
Heiligen des hemels daartoe bij machte? Evenmin.
Maria, de Moeder van God, de Koningin van Engelen
en van Heiligen, zij die met haar vlekkeloozen voet
het helsch serpent den kop verpletterd heeft, heeft zij
daartoe de macht? Ook niet, B. B. Maria kan wel
voor dien zondaar bidden; maar hem van eene zonde,
hoe klein ook, ontslaan, — neen, dat kan zij niet. En ziet,
sdie macht, aan de Engelen en aan de Heiligen des he-
mels, aan Maria, de Moeder Gods zelve, niet gegeven,
die macht is gegeven aan den Priester, en die macht
-ocr page 555-
— 5Si —
oefent hij uit, als hij in het H. Sacrament der Biecht
over den rouwmoedigen zondaar de woorden der absolutie
uitspreekt: Ego te absolvo a peccatis tuis, etc: Ik ontsla
u van uwe zonden, in den naam des Vaders en des
Zoons en des H. Geestes; ja, op dat oogenblik wordt
den zondaar de heiligmakende genade teruggeschonken,
zijne boeien worden geslaakt, hij wordt aan het gevaar
van voor eeuwig verloren te gaan, ontrukt; ja, die on-
gelukkige wordt gered. Welk eene macht dus, als die
des\' Priesters! Groot dus, ja zeer groot is zijne waar-
digheid. Doch dit zij genoeg over de waardigheid, waar-
toe de Priester verheven is. Zien wij in ons tweede
deel de weldaden, welke de Priester aan het menschdom
bewijst.
II.
De Priester bewijst het menschdom groote en talrijke
weldaden door zijne gebeden, door zijne onderwijzingen
en door zijne goede werken. Vooreerst door zijne ge-
beden.
De Priester, B. B., is een man des gebeds. Tusschen
het portaal en het altaar zullen de Priesters, de bedienaars
des Heeren, hunne smeekende stem verheffen voor het
volk, zegt de Profeet Joel: Inter vestibulum et altare
plorabunt sacerdotes ministri Domini,
(i) Tot welk einde?
Ziehier tot welk einde.
De wereld, B. B., is gelijk aan een uitgestrekt slag-
veld, en op dat slagveld zijn de menschen in strijd met
de vijanden hunner zaligheid, den duivel, de wereld en
het vleesch. Hoe zullen nu die zwakke menschen tegen
de sterke vijanden hunner zaligheid met voordeel strijden
(1) Joel ii, 17.
-ocr page 556-
— 552 —
en de overwinning behalen ? Bijgestaan door de gebeden
des Priesters.
Wij lezen in de H. Schrift, dat de Israëlieten zekeren
dag te strijden hadden tegen de Amalecieten. In dien
strijd moesten zij door de gebeden van hunnen aanvoerder,
van Mozes, geholpen worden. Deze plaatste zich tijdens
het gevecht op een berg en bad met uitgestrekte armen
den Heer der legerscharen. Zoolang nu Mozes in die
houding den Heer bad, overwonnen de Israëlieten, doch
nauwelijks hield hij op, of zij werden geslagen. Zoo ook,
B. B., is het gelegen met de Christenen, die strijden tegen
de vijanden hunner zaligheid, en hunne aanvoerders, de
Priesters, die voor hen bidden.
De wereld is ook gelijk aan een schouwburg van mis-
daden. Duizenden zonden roepen dagelijks om wraak
tot den hemel. Om zijne misdaden verdient het zondige
menschdom, dat God het met zijne bliksems treffe. Wie
houden den zwaren arm van God, tot straffen opgeheven,
niet zelden tegen? De Priesters door hunne offeranden
en gebeden. En wat zou het zondige menschdom, dat
niet ophoudt zijnen Schepper te beleedigen, wat zou het
van God kunnen bekomen ? Doch ziet! de Priester bidt,
hij strekt zijne handen ten hemel, en de weldoende dauw
bevochtigt akkers en velden ; de overvloed volgt op het
gebrek.
De Priester dus, door zijne gebeden, doet den mensch
de overwinning op zijne vijanden behalen, hij houdt den
dreigenden arm Gods tegen en hij doet God zijne zege-
nende hand over hem uitstrekken. Vervolgens bewijst
de Priester het menschdom groote en talrijke weldaden
door zijne onderwijzingen.
De Priester, B. B., is een man, aangesteld om de men-
schen te leeren. Labia sacerdotis custodient scientiam,
-ocr page 557-
— 553 —
zegt de H. Schrift: De lippen des Priesters zullen de
wetenschap bewaren, en men zal de wet in zijnen mond
zoeken, et legem requirent de ore ejus. (i) Tot welk
einde? Ziehier tot welk einde. De wereld, B. B., is
gelijk aan eene groote woestijn. Talrijke wegen kruisen
er dooreen, en er zijn zoovele afgronden. Eenieder, die
geboren wordt, is een reiziger; hij moet, om zijn vader-
land te bereiken, door die woestijn heen; dat is zijn leven.
Welken weg zal hij nu kiezen ? Er loopen zoovele wegen,
doch één alleen leidt naar het vaderland; de overige
wegen eindigen, elk aan eenen afgrond. De Priester is
daar, hij staat aan den ingang dier woestijn, hij biedt
zich als leidsman bij den jongen reiziger aan, hij toont
hem den weg, hij wandelt met hem, hij neemt hem bij
de hand en verlaat hem niet, alvorens hem behouden
zijn vaderland te hebben binnengeleid.
De Priester heeft de wereld uit de barbaarschheid ge-
trokken en belet haar tot op den dag van heden van
naar de barbaarschheid terug te keeren. Inderdaad,
B. B., aan wien hebben wij te danken, dat wij geen
stuk hout of steen meer aanbidden, gelijk eertijds onze
voorouders deden ? Aan den Priester, aan zijne onder-
richtingen. En heden ten dage, welke schandelijke, welke
God- en menschheid onteerende dwalingen leeren de
goddeloozen niet? Voorwaar, zij zouden ons naar het
heidendom terug voeren, zoo zij konden. En wie is het,
die de rechten van God en van het menschdom verdedigt ?
Wie maakt ons de gevaren, welke wij loopen, opmerk-
zaam ? Wie roept ons toe : Wacht u voor deze, wacht u
voor gene dwaalleer! De Priester, de Priester in zijne
onderrichtingen, de Priester op den predikstoel. Ja, B. B,,
(1) Malac. ii, 7.
-ocr page 558-
— 554 —
\'t is de Priester, die den mensch, mits deze wil, mits
hij luistere, door de woestijn der wereld vergezellen en
brengen zal tot zijne bestemming, tot het hemelsch
vaderland. Eindelijk, de Priester bewijst het menschdom
groote en talrijke weldaden door zijne goede werken.
De Priester is een man van liefde. Op welke wijze ?
Doorreist steden en dorpen, overal zult gij sporen zijner
liefde vinden. Wie is de stichter of de steun van zoo-
vele nuttige instellingen voor het menschdom, voor kindsch-
heid, jeugd en ouderdom ? Een Priester. Van waar de
zoo talrijke gestichten en bewaarscholen, waarin de kleine
kinderen, verlatenen of weezen, door de Zusters van liefde
opgevoed en verzorgd, waarin de overige kinderen door
andere kloosterlingen van beider geslacht bewaard en
onderwezen worden ? Wie is er de stichter, of althans,
wie is er de steun van ? Een Priester.
Van waar de zoo talrijke Katholieke scholen en Colleges,
als zoovele toevluchtsoorden tegen ongeloof en zeden-
bederf opgericht, waarin de jeugd ontvangt, niet alleen
een echt Katholiek onderwijs, maar ock een onderwijs,
dat op wetenschappelijk gebied voor geen onderwijs, welk
dan ook, behoeft onder te doen? Wie is de stichter, of
althans, wie is de steun dier Katholieke scholen en Col-
leges ? Een Priester.
Van waar de zoo talrijke huizen, waarin honderden,
duizenden ouderlingen van beider geslacht, mannen en
vrouwen in hunne oude dagen verzorgd en opgepast
worden ? Van waar de zoo talrijke hospitalen, waarin
oele zieken van allerlei kwalen, besmettelijke of on-
besmettelijke, aangetast, zoo liefdevol opgenomen en met
zooveel zorg verpleegd worden ? Wie is er de stichter»
of althans, wie is er de steun van ? Een Priester.
Waar vindt gij den Priester niet ? Maar gij vindt hem
-ocr page 559-
— 555 —
overal, waar een bedroefde te troosten, een ongelukkige
bij te staan is. Gij vindt hem in de schamele hut bij
den arme, aan het sterfbed bij den met besmettelijke
ziekten geslagen en verlaten kranke. Gij vindt den Priester
in de gevangenis bij den misdadiger om zijne boeien te
verlichten, op het schavot bij den ter dood veroordeelde
om hem nog een zaligen dood te doen sterven, terwijl
hij hem met de eene hand het kruisbeeld aanbiedt en
met de andere hand den hemel toont.
Zietdaar slechts eenige van onder de zoo talrijke en
groote weldaden, die de Priester het menschdom bewijst.
SLUITREDE.
Wij hebben genoegzaam gezien, B. B., vooreerst de
groote waardigheid, waartoe de Priester verheven is,
vooral om zijne tweevoudige macht, macht op het na-
tuurlijk lichaam van onzen Heer Jezus-Christus, en macht
op het mystiek lichaam van Christus, zijne Kerk; ver-
volgens de weldaden, welke de Priester het menschdom be-
wijst door zijne gebeden, onderrichtingen en goede werken.
Alvorens te eindigen, sta mij toe nog een woordje te
richten tot den Eerwaarden persoon, die vooral het voor-
werp van dit feest is. Eerwaarde en geliefde Medepries-
ter des Allerhoogsten ! Hebt gij de groote waardigheid,
waartoe gij verheven zijt, wel begrepen ? Ja, ik weet het;
gij begrijpt ze, en beter dan ik ze met woorden heb uit-
gedrukt. Door rijpe overwegingen en vurige gebeden
hebt gij er u reeds overlang toe voorbereid.
Hebt gij de weldaden begrepen, welke gij het mensch-
dom te bewijzen hebt? Ja, gij hebt ze begrepen, en
vandaar dat gij reeds overlang voor de menschen gebe-
den hebt; vandaar dat gij gereed zijt, zoodra gij wettig
door uwe geestelijke Overheid zult gezonden worden, van
-ocr page 560-
— 556 -
de menschen te onderwijzen, en vandaar dat uw hart
reeds van liefde brandt om hen wel te doen. Ja de
kreet uws harten is, ik weet het: Alles tot glorie van
God en tot zaligheid der zielen.
Zet thans het H. Sacrificie, zooeven voor de eerste
maal plechtig begonnen, voort, en gedenk daarin, sta
mij die bede toe, gedenk daarin de levenden en de dooden.
Gedenk de dooden: uwe bloedverwanten___ die u reeds
in de eeuwigheid zijn voorgegaan; uwe oversten, en
vooral uwe geestelijke oversten: ... in een woord, gedenk
de overledenen, jegens welke gij verplichting hebt. Ge-
denk de levenden. Ha! gedenk uwe ouders, hier tegen-
woordig, dien braven vader, die bezorgde moeder, aan
welke gij, naast God, schier alles te danken hebt; die
zoo goed voor u gezorgd hebben; die u eene oprecht
christelijke, katholieke opvoeding gegeven en bezorgd
hebben, en waarvan zij thans de schoone vruchten inoog-
sten; dat de goede God hen nog lang beware, en dat
zij hun dierbaren zoon tal van jaren met vrucht in de
H. Kerk mogen zien arbeiden. Gedenk uwe broeders
en zusters en uwe overige bloedverwanten. Gedenk uwe
oversten en vooral uwe geestelijke oversten; zijne Heilig-
heid den Paus . .. den plaatsbekleeder van Jezus-Christus;
dat de goede God Hem zegene, sterke en beware, om
het schip van Petrus, dat door de woedende stormen, door
de opgezweepte golven geslingerd wordt, met vaste hand
te sturen. Gedenk onzen doorluchtigen en teergeliefden
Kerkvoogd . .., die tijdens de H. Wijding zoo liefdevol
op u heeft nedergezien, die zijne gezalfde en zalvende
handen over u uitgestrekt en u tot Priester gewijd heeft;
dat de goede God hem verlichte, sterke en nog lange
jaren beware tot welzijn van ons Bisdom. Gedenk
uwe Professoren, die zich geene moeite gespaard hebben,
-ocr page 561-
— 557 —
om u naar behooren tot den priesterlijken staat op te
leiden. Gedenk den Herder dezer parochie, uwe Mede-
priesters hier tegenwoordig, uwe vrienden, die zich thans
om u en met u verheugen, en eindelijk, Eerwaarde en
geliefde Medepriester, sta mij de bede toe, gedenk ook
nog dengene, die slechts in flauwe bewoordingen en ver
beneden de waarde, over de waardigheid en de weldaden
des Priesters gesproken heeft; ja, gedenk ook mijner
aan het Altaar des Heeren. Amen.
-ocr page 562-
NEGENDE PREEK.
Kermis.
De gevaren der Kermis.
Qaudete in Domino semper, iterum dicor
gaudete; modestia vestra nota sit omnibus
hominibus, Dominus enim prope est.
Verheugt u in den Heer altijd, ik zeg
u nogmaals: verheugt u; uwe zedigheid
zij allen menschen bekend, want de Heer
is nabij.
                             (Ph. iv, 4—5.)
INHOUD.
VOORREDE.
Aanstaanden Zondag Processie en Kermis. — Men moet
de Processie naar behooren bijwonen en zich wachten
voor de gevaren der Kermis, gevaren naar ziel en naar
lichaam. —• Vermaning tot welzijn der parochianen en
uit plicht. — Ik moet vermanen:
VERDEELING.
I. De herbergiers;
II.    De ouders en oversten;
III.    De jonge personen.
-ocr page 563-
— 559 —
I.
Ik moet vermanen de herbergiers tegen de vreemde
zonden: zonde van dronkenschap, waaruit vloeken, gods-
lastering, twist, vechtpartij, verwonding, soms moord
voortspruiten. — Zonden tegen de schoone deugd door
zedenkwetsende taal, slechte liederen, verkeeringen, spel
en dans. — Opwerping der herbergiers: De Priesters kunnen
niet verdragen dat wij een cent verdienen. — Antwoord:
Door ongeoorloofde middelen wordt men doorgaans niet
rijk. — Welk verschil bestaat er in verloren te gaan
om onrechi vaardig geld, of om [geld op een ongeoor-
loofde wijz gewonnen ?
II.
Ik moet vermanen de ouders en oversten tegen de
vreemde zonden. — De ouders moeten vermanen hunne
zonen van geene slechte huizen of herbergen te bezoeken,
van zich niet te buiten te gaan in den drank en van
\'s avonds bijtijds te huis te zijn. — Zij moeten verma-
nen hunne dochters van in geene herbergen te komen,
van met geene slechte personen om te gaan, van niet
te verkeeren aan hoeken en kanten, met ongelijke per-
sonen en van voor den avond te huis te zijn. — De
oversten hebben dezelfde plichten ten opzichte van hunne
dienstknechten en dienstmeiden. —Opwerping der ouders
en oversten: Onze kinderen en dienstboden zijn b ven
de zeven jaar. — Antwoord: Juist daarom zijn de ouders
en oversten verplicht hunne kinderen en dienstboden
te vermanen.
III.
Ik moet vermanen de jongelieden tegen de zonde van
-ocr page 564-
1
— Söo —
dronkenschap en hare gevolgen, tégen de zonde van
onkuischheid en de gevaren en gelegenheden dier zon-
de. — Klachten van de ouders en kinderen, omdat
deze laatsten bepraat en beklapt worden. Waarom? —
Opwerping der jongelieden : De Priesters gunnen ons geen
vermaak. — Antwoord: De Priesters gunnen u een waar,
onschuldig, christelijk vermaak, maar geen slecht, zondig
vermaak, dat u later zeker zal berouwen en waarom
gij vroeg of laat, misschien voor eeuwig zult gestraft
worden.
SLUITREDE.
Verheugt u! ik herhaal het: Verheugt u in den Heer!
uwe zedigheid zij aan alle menschen bekend, want de
Heer is nabij.
---------._3..<=_---------
NEGENDE PREEK.
Kermis.
Gevaren der Kermis.
Gaudete in Domino semper, iterum dico:
gaudete; modestia vestra nota sit omnibus
hominibus, Dominus enim propt est.
Verheugt u in den Heer altijd, ik zeg
u nogmaals: verheugt u; uwe zedigheid
zij allen menschen bekend, want de Heer
is nabij.
                               Ph. iv, 4—5.
VOORREDE.
Aanstaanden Zondag, na de Hoogmis, B. B., zal in
-ocr page 565-
- S6i -
deze parochie volgens gewoonte de plechtige Processie
met het allerheiligste Sacrament plaats hebben. Ja,
onze Heer Jezus Christus, gedragen door den Priester,
zal ons in die Processie vergezellen; Hij zal met ons
rondgaan. Ik twijfel er niet aan, of gij zult even als de
voorgaande jaren met geloof, met eerbied en al biddende,
de Processie bijwonen. Gij zult de straten en wegen,
langs welke de Processie gaat, met loover en bloemen
bestrooien. Gij zult bij den doortocht van Jezus aan
uwe huizen kaarsen ontsteken. Gij zult Jezus altaren en
rustplaatsen bereiden en sieren, waar Hij zich ophoudt
om u te zegenen; om u te zegenen in uw persoon, in
uwe huisgezinnen en in uwe bezittingen. Zietdaar wat
gij aanstaanden Zondag ter gelegenheid der Processie
voor Jezus doen zult.
Doch, B. B., bij die gelegenheid begint tevens hier in
de parochie de kermis. De kermisdagen, gij weet het
zoo goed als ik, zijn voor vele personen, vooral voor
jonge personen , gevaarlijke dagen; zij zijn gevaarlijk
naar ziel en naar lichaam: naar de ziel, om de zonden,
die op de kermisdagen dikwijls bedreven worden; naar
het lichaam, om den twist en de vechtpartijen, welke op
die dagen wel eens plaats hebben.
Men treft soms personen aan die meenen, of althans
die zich willen wijsmaken, dat hun op de kermisdagen
alles geoorloofd is; dat zij op die dagen mogen doen
wat zij willen, alsof zij op die dagen minder aan God
toebehoorden en van Hem afhingen, alsof zij op die da-
gen niet verplicht waren God te dienen en Hem straffe-
loos mochten vergrammen. Die dwaling wederleggen
neen, B. B., dat is niet noodig; eenieder ziet ze in. Doch
iets wat ik noodig oordeel, ja, wat meer is, waartoe ik
mij in hoedanigheid van Herder verplicht en streng ver-
36.
-ocr page 566-
— 562 —
plicht acht, dat is u te vermanen tegen de gevaren der
kermis.
De een of andere zou soms kunnen denken: Mijnheer
Pastoor! Met uwe vermaningen loopt gij gevaar van ir
vijanden te maken. Vijanden, die reeds mijne vijanden
zijn, en die mij reeds haten, namelijk, de duivelen? Ik
ben er tevreden over, want ik zou niet gaarne een vriend
van den duivel zijn, noch van hem bemind worden.
Parochianen? Dat geloof ik niet. Niemand althans kan
het mij redelijkerwijze ten kwade duiden, dat ik voor
hun welzijn zorg draag, en dat ik mij van mijne plichten
kwijt. Ik oordeel dus goed te doen van te vermanen,
drie klassen van personen:
I. De herbergiers;
II. De ouders en oversten;
III. De jongelingen en jongedochters.
I.
Vooreerst oordeel ik goed te doen van te vermanen
de herbergiers. De herbergiers moeten bijzonder zorgen
van zich in de kermisdagen niet plichtig te maken aan
vreemde zonden, d. i, aan zonden, die, alhoewel zij door
anderen geschieden, hun nochtans zullen toegeschreven
en aangerekend worden, omdat zij er op de een of an-
dere wijze in geholpen hebben. Bijgevolg moeten de
herbergiers zich wachten van aan personen, die reeds
wat veel gedronken hebben, nog meer sterke dranken
te verkoopen, hetgeen niets anders tengevolge kan heb-
ben dan de zonde van dronkenschap, met nog meer
andere zonden, die er doorgaans uit voortspruiten. En
welke zonden spruiten doorgaans voort uit de zonde van
dronkenschap? De zonden van vloeken en godslastering,.
-ocr page 567-
- 563 —
van twist en vechtpartijen, van verwonding, zelfs soms
van moord. Wanneer braakt die jongeling de afschuwe-
lijkste vloeken, die hemeltergende godslasteringen uit?
Doorgaans als hij te veel gedronken heeft. Als hij niet
gedronken heeft, hoort men van hem nooit een oneffen
woord; maar bedronken? Dan, dan is hij als een duivel
in het vleesch. Wanneer komt het onder de jongelingen
tot twist en vechtpartij? Doorgaans al wederom als zij
te veel gedronken hebben. Als zij niet gedronken heb-
ben, valt er niets te vreezen; maar door den drank ver-
hit, krijgt men eerst woorden, niet zelden om nietigheden,
beuzelarijen; men wordt handgemeen; men brengt elkan-
der wonden, soms doodelijke wonden toe; ja, zeggen
wij het maar recht uit, de overdaad in den drank heeft
niet zelden op de kermissen aanleiding gegeven tot moord.
Ziet dus eens, B. B., welke droevige gevolgen voortsprui-
ten uit den overdaad in den drank. De herbergiers
wachten zich dus wel van drank te verkoopen aan degenen,
die reeds genoeg, zoo niet te veel gedronken hebben.
De herbergiers moeten zich wachten van toe te staan
dat er in hunne herbergen zedenkwetsende taal gevoerd,
dat er slechte liederen gezongen worden, en bijaldien
zekere personen zich dergelijke taal of zulke liederen
veroorloven, dan moeten de herbergiers hen vermanen.
De herbergiers moeten zorgen dat er in hunne her-
bergen geene slechte verkeeringen plaats hebben, veel
minder mogen zij jonge personen plaatsen afstaan, om
des te vrijer te kunnen zondigen. B. B., in dergelijk
geval, is dan een herbergier niet medeplichtig aan al de
zonden die er bedreven worden, en zal hij er bij God niet
eenmaal streng voor te verantwoorden hebben ?
De herbergiers [moeten zorgen dat er in hunne herbergen
geen spel of dans onder ongelijke personen plaats hebbe.
-ocr page 568-
— 564 —
Zietdaar waarvoor de herbergiers zich bijzonder wach-
ten, waarvoor zij zorgen moeten.
Men vindt wel eens herbergiers, die zich willen veront-
schuldigen en die durven zeggen: Onze Pastoors of de
Heeren Geestelijken kunnen niet verdragen dat wij een
cent verdienen. Hoe dat? Uw Pastoor of de Heeren
Geestelijken kunnen niet verdragen dat gij een cent ver-
dient ? Wel, B. B , bijaldien het in mijne macht ware,
en \'t zou u ter zaligheid verstrekken, ik maakte al de
herbergiers mijner parochie eensklaps schatrijk, zoodat
zij van hun beroep van herbergier terstond konden afzien,
beroep, dat ik alles behalve prettig vind. Doch ik vraag
het: Zult gij op een ongeoorloofde wijze rijk worden?
Kan God dergelijke herbergiers zegenen ? Herbergiers,
die op een ongeoorloofde wijze rijk zijn geworden, ken
ik niet; doch herbergiers, die op die wijze dood arm zijn
geworden, die heb ik genoeg gekend en gij wellicht ook.
Doch veronderstelt dat gij zoo doende al wat meer geld
zoudt verdienen, dat gij zelfs rijk zoudt worden en wei-
dra op uwe renten zoudt kunnen leven — waarvoor ik
nochtans sterk vrees — wat zal het u baten? Wat baat
het den mensch de gansche wereld te winnen als hij
zijne ziel verliest, als hij voor eeuwig verloren gaat ? Het
spreekwoord zegt: Onrechtvaardig goed gedijt niet. Mij
(*) Quod pertinet ad choreas et frequentationos tabernarum a
puelles, haec tria notanda sunt:
1°. In locis, in quibus choreae non ducuntur et puellae taber-
naB non frequentant, omni modo curet parochus ne hi abusus
introducantur.
2". In locis, in quibus choreae ducuntur et puellae tabernas fre-
quentant, si. parochus hos abusus extirpare valeat, espirpet. Sed,
3°. Si eos abusus extirpare nequit, uti ordinarie accidit, curet
parochus omni modo, ut pericula et occasiones peccatorum minuan-
tur, monendo videlicet, ne solus cum sola versetur, ne choreae usque
ad noctum protrahantur, ne juvenes puellas domum deducant, etc.
-ocr page 569-
- 565 -
dunkt dat ik ook gerust mag zeggen: Geld, op een on-
geoorloofde wijze gewonnen, brengt geen zegen. Overi-
gens, welk verschil zou er bestaan in verloren gaan
om onrechtvaardig geld of goed, en in verloren gaan
om geld of goed, gewonnen op een ongeoorloofde wijze ?
Geen verschil, niet waar? want gij zoudt in het eene
geval zoo wel verloren gaan als in het andere.
II.
Op de tweede plaats oordeel ik goed te doen van te
vermanen de ouders en oversten.
De ouders en oversten, zoo zij te kort blijven aan
hunne plichten, maken zich ook plichtig aan vreemde
zonden. Zij moeten dus zoo goed mogelijk zorgen dat
hunne kinderen en dienstboden zich in de kermisdagen
goed gedragen. Vandaar dat de ouders hunne zonen
vooral moeten vermanen van geene huizen of herbergen
te bezoeken, waarin zaken plaats hebben, die verboden
zijn, van zich niet te buiten te gaan in den drank, en
bijzonder van \'s avonds niet te lang uit te blijven. Zij
moeten hunne dochters vermanen van niet naar de herber-
gen te loopen, van niet om te gaan met slechte personen, en
vooral moeten de ouders zorgen dat hunne dochters bijtijds
voor den avond thuis zijn. Zoo gedragen zich brave, deugd-
zame, plichtbeseffende ouders, die * prijs stellen op de eer,
den goeden naam en de onschuld hunner kinderen.
De oversten hebben schier dezelfde plichten ten op-
zichte van hunne dienstboden als de ouders ten opzichte
van hunne kinderen. De oversten moeten hunne dienst-
knechten en dienstmeiden ook vermanen van zich tijdens
de kermisdagen naar behoorcn te gedragen, opdat erop
hun gedrag niets te zeggen valle. Zietdaar, B. B, waar-
voor de ouders en oversten zorg moeten dragen.
-ocr page 570-
— 566 —
Men treft soms ouders aan, die, als zij vermaand wor-
den ook al verontschuldigingen weten in te brengen.
Onze kinderen, zeggen zij, zijn boven de zeven jaar; zij
zijn oud genoeg; zij weten zoo goed als wij wat zij te
doen en wat zij te laten hebben; bijgevolg behoeven wij
hen niet te vermanen of te waarschuwen. Ik antwoord:
vooreerst, zoolang uwe kinderen onder uw ouderlijk gc-
zag staan, hebt gij plichten jegens hen te vervullen, \'t
komt er niet op aan of uwe kinderen beneden of boven
de zeven jaar zijn ; vervolgens zeg ik : Wat uwe kinderen
betreft beneden de zeven jaar, of zelfs wat boven de
zeven jaar, die kinderen zult gij zoo zeer niet behoeven
te vermanen of te waarschuwen tegen de gevaren der
kermis; voor hen bestaan eigenlijk de gevaren der ker-
mis nog niet; doch het zijn juist uwe kinderen, in jaren
gevorderd, die gij moet vermanen en waarschuwen tegen
de gevaren der kermis; voor hen bestaan de gevaren der
kermis. Maar onze kinderen weten toch wat zij te doen
hebben. Bepaald. Doch doen uwe kinderen ook wat
zij moeten doen ? Laten zij ook wat zij moeten laten ?
Zoo ja, dan zeg ik: Ouders, gij hebt brave, deugdzame
kinderen, en voorloopig hebt gij niets anders te doen
dan uwe kinderen te zeggen: Kinderen, doet zooals gij
altoos gedaan hebt; laat hetgeen gij altoos gelaten hebt;
in een woord : gedraagt u deze kermis, gelijk de vorige
kermissen; dus, gelijk een braaf en deftig jongeling,
gelijk eene brave en deftige jongedochter betaamt. Doch
gesteld dat uwe kinderen niet doen hetgeen zij doen
moeten, dat zij niet laten hetgeen zij laten moeten, of
zelfs, dat zij maar gevaar loopen van het niet te doen
of niet te laten. Ha! dan zijt gij, ouders, vaders en
moeders, juist verplicht uwe kinderen te vermanen en te
waarschuwen; dan is een vader, bijv., verplicht zijn zoon,
-ocr page 571-
— 567 —
die zich zou te buiten gaan in den drank, te vermanen
en te zeggen: Zoon! pas op van niet te veel te drinken
in de kermisdagen, en bijgevolg, zorg dat gij \'s avonds
op een gepast uur thuis zijt. Dan is eene moeder ver-
plicht hare dochter, die met een jongeling zou uitgaan,
te vermanen en te zeggen: Dochter! pas op van met
geen jongeling naar de herbergen te loopen en zorg van
voor den avond thuis te zijn.
Gij ziet dus, B. B., de redenen, welke de ouders ge-
woon zijn aan te halen om zich van de verplichting van
hunne kinderen te vermanen en te waarschuwen, te ont-
slaan, zijn juist redenen, die hun die verplichting opleg-
gen en er hen van overtuigen moeten. Hoevele ouders
treft men niet aan, die zich in hun leven reeds beklagen
moeten, dat zij hunne kinderen niet bijtijds vermaand en
gewaarschuwd hebben ! Hoe vele ouders, die zich tijdens
hun leven reeds over hunne kinderen moeten schamen,
omdat zij zich slecht gedragen, omdat zij hunne onschuld
en eer verloren hebben! En hoe groot zal de verant-
woordelijkheid, hoe zwaar de rekenschap niet zijn, welke
zij eenmaal voor den rechterstoel van God zullen moeten
afleggen!
III.
Eindelijk oordeel ik goed te doen van te vermanen de
jonge personen zelven. Doch uit hetgeen ik reeds gezegd
heb over de plichten der herbergiers, der ouders en
oversten, kunnen de jonge personen besluiten, hoe zij zich
te gedragen hebben.
Zij kunnen er uit besluiten: vooreerst, dat zij zich
moeten wachten voor de zonde van dronkenschap, en
daarom moeten de jongelingen zorgen van den nacht niet
te veranderen in den dag, d. w. z., van den nacht of
-ocr page 572-
— 568 —
zelfs maar een gedeelte er van, niet door te brengen in
de herbergen. Door zich te wachten voor de zonde
van dronkenschap, zullen zij zich tevens wachten voor
andere zonden en onaangenaamheden, die er doorgaans
uit voortspruiten, zooals de zonden van vloeken en
godslastering, de zonden van twist en vechtpartij, de
onaangenaamheden van zich processen op den hals te
halen, waarvan het gevolg is geldboete en soms ge-
vangenschap. Vervolgens moeten zij zich wachten voor
de zonde tegen de schoone deugd, en bijgevolg mo-
gen zij zich niet veroorloven van zedenkwetsende taal
te voeren, van slechte liederen te zingen; zij moeten
zich wachten voor alle gevaren en gelegenheden dier
zonde, en bijgevolg moeten de jonge dochters vooral
vluchten den omgang met ongelijke personen, de gezel-
schappen en de plaatsen, die niet anders dan gevaarlijk
voor haar kunnen zijn en waardoor het maar al te dik-
wijls gebeurt dat zij tot val en tot diepen val komen.
Jonge personen maken soms hun beklag dat zij in
hunne eer en faam aangerand worden; de ouders klagen
soms dat hunne kinderen bepraat en beklapt worden.
Doch ik vraag het: Hoe gedragen zich uwe kinderen ?
Hebt gij geene redenen om beschaamd te zijn over hen ?
Hoe gedraagt zich die jongeling, hoe die jongedochter ?
Geeft hun slecht gedrag niet stof genoeg om bepraat en
beklapt te worden ? Hebben zij door hun slecht gedrag
hunne eer en faam niet reeds verloren?
De jonge personen hebben op hunne beurt ook hunne
opwerpingen te doen. De Heeren Geestelijken kunnen
dan niet verdragen, zeggen zij, dat wij ons wat ver-
maken. Die opwerping, B. B., heeft volstrekt geen grond.
De Heeren Geestelijken, wel verre van u alle vermaak
te misgunnen, wenschen niets zoozeer als dat gij u in
-ocr page 573-
— 569 —
de kermisdagen vermaakt; doch zij verstaan het woord
vermaak in een anderen zin, dan het door zekere per-
sonen verstaan wordt. Wanneer wij spreken van ver-
maak, dan verstaan wij daardoor een waar, oprecht,
onschuldig, christelijk vermaak; dus een vermaak in den
echten zin des woords; doch geen slecht, zondig ver-
maak, en dat bijgevolg niets anders is dan een schijn-
vermaak. Hoe dan ! B. B., gij zult \'s morgens den goeden
God in de Processie vergezellen en aanbidden, en eenigen
tijd daarna zult gij met den duivel samenspannen om dien-
zelfden God te vergrammen, als het ware in het aange-
zicht te slaan ? Wij verbieden volstrekt niet ter gelegen-
heid van de kermis feest te houden; maar welk feest
moet gij houden? Een oprecht familiefeest onder de
leden van elk huisgezin en de bloedverwanten en vrien-
den, die hen in de kermisdagen komen bezoeken. Wij
verbieden den jongelingen volstrekt niet van in de ker-
misdagen uit te gaan en in eene fatsoenlijke herberg een
glas te drinken, te zingen en wat uitspanning te nemen.
Neen, maar dat staan wij volgaarne toe, niet één, maar
meer dagen tijdens de kermis; doch hetgeen wij ver-
bieden is, dat de jongelingen zich te buiten gaan in den
drank, dat zij slechte liederen zingen, dat zij aan slechte
spelen of danspartijen deelnemen. Wij verbieden de jonge
dochters evenmin van zich in de kermisdagen te ver-
maken, maar zij moeten zich vermaken te huis, met
hunne zusters, bloedverwanten en vriendinnen der buurt,
met hunne moeders, die zij in de kermisdagen niet alleen
en bedroefd moeten thuis laten; maar wat wij haar
verbieden, tot haar welzijn en uit plicht is, dat de jonge
dochters zich slecht gedragen; dat zij verkeeren met
personen, met welke zij niet mogen verkeeren; dat zij
komen op plaatsen, waarop zij niet moesten komen; dat
-ocr page 574-
— S7o —
zij rondloopen op tijdstippen zoo als \'s avonds, waarop
zij thuis bij hunne moeders moesten zijn. Of zou men
zich dan niet kunnen vermaken in eene herberg bij een
glas bier, zonder zich dronken te drinken ? Of zou men
zich niet kunnen vermaken met zingen, zonder slechte
liederen te zingen? In een woord, zou men zich in de
kermisdagen niet kunnen vermaken, tenzij in een dui-
velsch werk, d. i., in de zonde? Ha! B. B., een vermaak,
gezocht in de zonde, is geen waar, geen oprecht ver-
maak; \'t is niets anders dan een schijnvermaak, waar-
over men zich weldra zal moeten berouwen; zoo niet,
zal men er vroeg of laat voor gestraft worden. Ja, voor
dat zondig vermaak zal men, zoo men er geen berouw
over heeft en geene boetvaardigheid doet, voor eeuwig
gestraft worden en moeten branden in de hel. Gij ziet
dus, B. B., dat wij, wel verre van u een vermaak te
misgunnen in de kermisdagen, dat wij u niets meer gun-
nen dan vermaak, maar een waar, een oprecht, een
christelijk vermaak, een vermaak in eer en deugd, en
waarover gij u nooit of nimmer zult behoeven te berouwen.
SLUITREDE.
Ik geloof, B. B., dat ik u voor de kermis, die aan-
staande is, genoeg vermaand heb. Ik heb bijzonder
vermaand de herbergiers, de ouders en oversten en de
jonge personen. Hetgeen ik gedaan heb, weet het en
zijt er wel van overtuigd, heb ik gedaan uit plicht en tot
uw welzijn. Ik zeg uit plicht. Doch evenals het een plicht
is voor een Herder van zijne parochianen te vermanen,
zoo is het ook een plicht voor de parochianen van naar
hunnen Herder te luisteren en zijne vermaningen te vol-
gen. Wij zijn de gezanten van Christus; Pro Christi
legatione fungimnr,
zegt de Apostel Paulus; en \'t
-ocr page 575-
— S7i —
is God die u vermaant door ons: Tamquam Deo exhor-
tante per nos.
Gij moet dus naar ons luisteren, want
die u hoort, zegt Jezus-Christus van de Priesters, die
hoort mij: Qui vos audit me audit: doch die u veracht,
veracht mij: Qui vos spernit me spernit. Vervolgens
tot uw welzijn, gelijk gij allen hebt kunnen begrijpen,
om u van de zonde en hare noodlottige gevolgen te
vrijwaren. Luistert dus naar uwen Herder, gij zult de
kermisdagen goed doorbrengen, gij zult er u naar be-
hooren op vermaken. Dat vermaak wensch ik u allen
van harte, en daarom zeg ik ten slotte: Gaudete: Ver-
heugt u en ik herhaal het: Verheugt u: Iterum dico gau-
dete;
maar ik voeg er bij: in Domino: In den Heer,
zonder den goeden God te vergrammen door de zonde:
Modestia vestra nota sit omnibus hominibus: Uwe zedig-
heid zij allen menschen bekend, d. i., gedraagt u deze
dagen zoo, dat gij niemand ontstichtet, noch met woor-
den, noch met werken ; dus, dat gij niemand een steen
des aanstoots zijt of tot ergernis verstrekket: Dominus
enim prope est:
Let wel op deze woorden van den Apos-
tel: Want de Heer is nabij. Hij zal u rekenschap vragen
van uw gedrag, en Hij is misschien nader bij dan wij
wel denken. Misschien zullen wij binnen kort voor Hem
moeten verschijnen om die rekenschap af te leggen. B. B.,
hoe zoudt gij wenschen de kermisdagen doorgebracht te
hebben, bijaldien gij onmiddellijk daarna moest sterven
en voor God rekenschap moest afleggen ? Brengt dus de
kermisdagen door gelijk het behoort en gelijk ik u ge-
zegd heb, en nooit of nimmer zult gij er u bij uwen
dood, die toch eenmaal zal komen hetzij vroeg of laat,
over te^beklagen hebben. Amen.
EINDE.
-ocr page 576-
IIIutl%m ijmk«^m-.
EERSTE DEEL.
Voorrede...............
EERSTE PREEK.
Nieuwjaar..............
Wij moeten:
I. Den verleden tijd zoo goed mogelijk herstellen.
II. Den tegenwoordigen tijd goed besteden. . .
III. Ons op den toekomenden tijd niet te veel verlaten.
TWEEDE PREEK.
Driekoningen.............
Over drie klassen van menschen.
I. De eerste klasse is afgebeeld door Herodes .
II. De tweede door het volk, de Opperpriesters en
Schriftgeleerden...........
III. De derde, door de drie Koningen.....
DERDE PREEK.
De Zoete Naam Jezus..........
Wat de Zoete Naam is:
I. In zich..............
II. In betrekking tot ons.........
-ocr page 577-
— 573 —
Bladz.
VIERDE PREEK.
Onze Lieve Vrouw Lichtmis........      55
Jezus en Maria geven ons een voorbeeld :
I. Van ootmoedigheid..........      57
II. Van gehoorzaamheid.........      60
III. Van liefde tot God en de menschen ....      64
VIJFDE PREEK.
De H. Jozeph.............      72
De H. Jozeph beschouwd:
I. Als rechtvaardige..........      74
II. Als bruidegom van Maria.......      78
III. Als voedstervader van Jezus.......      80
ZESDE PREEK.
De Boodschap van Maria.........87
I.  Maria bij de boodschap des Engels heeft zich
diep vernederd............89
II. Maria is juist daarom hoog verheven geworden. 95
ZEVENDE PREEK.
De Verrijzenis van Christus........108
I. Christus is waarlijk verrezen; de zondaar moet
zich waarlijk bekeeren.........109
II.  Christus, na verrezen te zijn, sterft niet meer;
de zondaar, na zich bekeerd te hebben, moet
niet meer zondigen..........114
III.  Christus, na verrezen te zijn, verscheen aan velen;
de zondaar, na zich bekeerd te hebben, moet
aan velen verschijnen.........117
-ocr page 578-
— 574 —
Blad*.
ACHTSTE PREEK.
De Bescherming van den H. Jozeph.....125
Het vermogen van den H. Jozeph bescl uwd:
I.  In zijnen oorsprong..........127
zijne uitwerksels..........132
NEGENDE PREEK.
De Hemelvaart van Christus........     139
De dag der Hemelvaart van Christus is:
I. Een glorierijke dag voor Hem......     141
II.  Een troostrijke dag voor ons......     143
III. Een leerrijke dag voor ons.......     146
TIENDE PREEK.
Pinksteren..............154
De H. Kerk is het werk van God als blijkt:
I.   Uit haar ontstaan...........156
II.   Uit haar voortbestaan.........161
ELFDE PREEK.
De H. Drievuldigheid..........171
I. Waarin het mysterie der H. Drievuldigheid bestaat 172
II.   Dat het niet tegen maar boven de rede is. . 174
III.   De veropenbaring van het mysterie der H.
Drievuldigheid............177
TWAALFDE PREEK.
Het Allerheiligste Sacrament des Altaars . . . 185
Afbeeldsels van het Allerheiligste Sacrament des
Altaars :
I. De boom des levens van het paradijs . . . 187
II. Het paaschlam...........189
-ocr page 579-
— 575 —
Bladz.
III.   Het manna der woestijn........191
IV.   Het onder de asch gebakken brood van Elias . 193
DERTIENDE PREEK.
Het H. Hart van Jezus.........200
I.   Welk is het voorwerp der godsvrucht waarvan
hier spraak is?...........203
II.   Welk is de voornaamste beweegreden om het
H. Hart van Jezus te eeren ?......206
VEERTIENDE PREEK.
De H.H. Apostelen Petrus en Paulns.....    217
I. Petrus en Paulus worden tot Apostelen verko-
zen door Jezus-Christus........    218
II.   Zij arbeiden gansch hun leven voor Jezus-Christus    224
III.   Zij vergieten hun bloed voor Jezus-Christus. . 231
VIJFTIENDE PREEK.
Het H. Bloed.............    238
I. Dankbaarheid, die wij Jezus voor zijn H. Bloed
schuldig zijn............    240
II. Hoe wij Hem die dankbaarheid zullen betoonen    244
ZESTIENDE PREEK.
De Hemelvaart van Maria........    251
De dood van Maria was kostbaar:
I. Om de voordeden, waarvan hij vergezeld ging    253
II. Om de wijze, waarop hij plaats had ....    257
ZEVENTIENDE PREEK.
Het H. Hart van Maria........266
I. Welk is het voorwerp der godsvrucht, waarvan
hier spraak is?...........268
-ocr page 580-
— 576 —
Bladz.
II. Welk is de voornaamste beweegreden om het
H. Hart van Maria te eeren ?......272
ACHTIENDE PREEK.
De Geboorte van Maria.........282
I. God heeft Maria bij hare geboorte eene bijzondere
gunst bewezen, waaraan zij ten volle beantwoord
heeft..............284
II. God heeft ons bij onze geboorte ook eene bij-
zondere gunst bewezen; daaraan moeten wij ook
beantwoorden...........289
NEGENTIENDE PREEK.
De H. Naam van Maria........300
I.  De verhevenheid van den Naam van Maria . 301
II.  De verschillende beteekenissen van dien Naam 305
TWINTIGSTE PREEK.
De Opdracht van Maria........    314
Maria heeft zich den Heere toegewijd:
I.  Zonder uitstel...........    315
II.  Zonder voorbehoud.........    318
III.  Voor altijd............325
EEN EN TWINTIGSTE PREEK.
De Zeven Weeën van Maria.......    325
Maria is de Koningin der Martelaren:
I. Wijl zij langer..........    327
II.  Wijl zij meer...........    331
III.  Wijl zij met meer moed dan de andere Mar-
telaren geleden heeft........
    335
-ocr page 581-
— 577 —
Bladz.
TWEE EN TWINTIGSTE PREEK.
De H. Rozenkrans...........344
Over de kracht van den H. Rozenkrans:
I. De H. Kerk heeft met den Rozenkrans hare
vijanden o ver wonen..........347
II. Wij moeten met dat gebed onze vijanden over-
winnen..............351
DRIE EN TWINTIGSTE PREEK.
Allerheiligen.............360
I.  Wij allen kunnen heilig zijn.......362
II.  Wat wij moeten doen om heilig te wezen . . 365
VIER EN TWINTIGSTE PREEK.
Allerzielen..............375
I. Wat de zielen in het vagevuur lijden? . . . 376
II.  Waarom zij daar lijden?........380
III.  Hoe wij haar kunnen helpen?......383
VIJF EN TWINTIGSTE PREEK.
De Bescherming van de H. Maagd Maria. . . 388
Wij mogen met betrouwen onze toevlucht tot
Maria nemen:
I. Omdat Maria ons kan helpen......390
II. Omdat Maria ons wil helpen......391
III. Omdat Maria ons zal helpen, mits wij onze
toevlucht tot haar nemen.......393
ZES EN TWINTIGSTE PREEK.
Kerkwijding.............401
I. De kerk is het huis Gods; bijgevolg moeten wij v
God daar eer en hulde bewijzen.....402
37.
-ocr page 582-
- 578 —
Bladz.
II.  De kerk is een huis des gebeds; bijgevolg moeten
wij ons naar de kerk begeven om God daar te
bidden..............407
ZEVEN EN TWINTIGSTE PREEK.
De Onbevlekte Ontvangenis van Maria . . . . 415
I. De Onbevlekte Ontvangenis van Maria is af-
gebeeld in de Oude Wet.......417
II. De Onbevlekte Ontvangenis is steeds meer en
meer opgehelderd..........421
III.  De Onbevlekte Ontvangenis is tot geloofspunt
verheven.............424
ACHT EN TWINTIGSTE PREEK.
Kerstmis..............    429
De Geboorte van Christus:
I. Maria en Jozeph op reis naar Bethleëm . .    430
II. Hunne aankomst te Bethleëm......    432
III. De geboorte van Christus aldaar.....    435
TWEEDE DEEL.
Gelegenheids-Preeken.
EERSTE PREEK.
De Eerste H. Communie.........    443
Men moet tot de H. Tafel naderen:
I. Met een levend geloof.........    445
II. Met een vast betrouwen........    447
III.  Met eene vurige liefde.........    448
IV.  Met eene diepe ootmoedigheid......    450
-ocr page 583-
— 579 —
TWEEDE PREEK
Vernieuwing der Doopbeloften en toewijding aan
Onze Lieve Vrouw..........
I. Over de vernieuwing der Doopbeloften .
II. Over de toewijding aan de allerheiligste Maagd
Maria..............
DERDE PREEK.
De Opening der Meimaand........
Als kinderen van Maria moeten wij die goede
Moeder beminnen; bijgevolg moeten wij:
I.  Vermijden al wat Maria mishaagt.....
II.   Doen al wat Maria behaagt.......
VIERDE PREEK.
De Sluiting der Meimaand........
I. Wij moeten Maria dankbaar zijn.....
II.  Wij moeten Maria getrouw dienen . . . .
III.  Welke middelen moeten wij daartoe aanwenden ?
VIJFDE PREEK.
De H. Cornelius, Paus-Martelaar......
I.  Wij allen moeten heilig leven......
II.  Wij allen kunnen heilig leven......
ZESDE PREEK.
De H. Antonius, Abt..........
De H. Antonius strijdt tegen en overwint:
I. Den duivel............
II.   De wereld............
III.  Het vleesch............
-ocr page 584-
— 580 —
ZEVENDE PREEK.
Liefdadigheids-Sermoon........
Over de Aalmoes :
I. Waarom moet men aalmoezen geven ....
II. Hoe moet men aalmoezen geven.....
ACHTSTE PREEK
Eerste Mis......         ......
I.  Waardigheid, waartoe de Priester verheven is .
II.  Weldaden, welke de Priester het menschdom
bewijst.............
NEGENDE PREEK.
Kermis...............
Drie klassen van personen die vermaand moeten
worden:
I. De herbergiers...........
II.  De ouders en oversten........
III.  De jongelingen en jonge dochters.....
ft-»-«x^^^^-S-rvS