-ocr page 1-
t<w 13373
vafflli
dB
0. L. VROUWE VAN LOURDES.
DOOK
J, J. VAN DER HORST.
DERDE, MET VIER HOOFDSTUKKEN VERMEKERDRDE DRUK
DOOR
£. H. VAN DEK HE1JDE.
MET YIJF PLATEN.
LEIDEN,
.7. W. VAN LEEUWEN,
Uitgever en Antiq. Boekh., Hoogewoerd 89.
1899.
\\ü.
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
HET BEELD
-ocr page 5-
£&&&*£££!&
LEIDEN, J. W. VAN LEEUWEN,
Qitg. en )\\r\\tiq. £oekh. Tjoogewoerd 89.
1S99.
-ocr page 6-
,\'V,
\'t
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000029498254B
2949 825 4
-ocr page 7-
fffjj KAM
0. L, VROUWE VAN LOTJEDES.
DOOK
j. j. Van der horst.
DERDE, MET VIER HOOFDSTUKKEN VERMEERDERDE DRUK
DOOR
£. H. VAN DER HEMDE.
MET VIJF PLATEN.
LEIDEN,
J. W. VAN LEEUWEN,
Uitgevaren Antiq, Boekli.,Hoogewopid 8a.
1899.
\\ kUi.. V...; ...St\'ÊlT
1 UTRECHT
Ü
I COLL THQMAASS»
, lljilil HMillllll • \'•* r****«m
-ocr page 8-
VERKLARING.
In gohoole onderwerping aan de voorschriften en bopa-
lingen der II. Kerk, verklaar ik de uitspraak van don
Apostolischen Stoel niet te willen vooruit loopen in hot
bevestigen van wonderen, verschijningen en openbaringen,
of in het waardoeren der feiten, die als miraculeus in dit
boek worden medegedeeld. Ik ondorworp zonder eenig voor-
behoud dezen arbeid gehoel en in alles aan het oordeel
der II. Kerk.
Noordwijk, 6 April 1887.
J. J. van der Horst.
E. H. VAN DER HeUUE.
IMPRIMATUR.
Harlemi 8 Aprilis 1887.                             f CASPAR
Episcopüs Harlem.
-ocr page 9-
GOEDKEURINGEN VAN DEN EERSTEN DRUK.
Volgaarne geven Wij onze goedkeuring aan hot werk
getiteld: „O L. Vrouwo van Lourdos", daar Wij niet
twijfelen, of het zal onder Gods zegen veel bijdragon tor
moordere verheerlijking van de Allerheiligste Maagd en
Moeder Gods Maria, alsook tot bevordering dor godsvrucht
on van het vertrouwen op hare voorspraak.
Gegeven te Haarlem, 4 Maart 1873.
f G. P. Wilmer,
Bisschop van Haarlem.
Gaarne vorleenen Wij onze goedkeuring aan het werk
van don W.Eerw. Heer J. J. van der Horst, Pastoor to
Zaandam, getiteld: „O. L. Vrouwe van Lourdos". Wij
vertrouwen, dat het moge strekken tot meerdere eer van
de Allerheiligste Maagd en Moedor Gods Maria, en tot bevor-
dering van de godsvrucht en het vertrouwen der goloovigcn
op hare voorspraak.
Gegeven te Utrecht, den 7 Maart 1873.
De Aartsbisschop van Utrocht,
f A. J. SCHAEPMAN.
Gaarne verleenen Wij onze goedkeuring aan het werk
van don WelEerw. Heer J. J. van der Horst, Pastoor
to Zaandam, getiteld: „O. L. Vrouwo van Lourdos". Wij
twijfelen niet of het zal, onder Gods zegen, veel bijdragon
ter meerdere verheerlijking van de Allerheiligste en Onbo-
vlekt Ontvangene Maagd en Moeder Gods Maria, alsook
tbt bevordering der godsvrucht en van het vertrouwen der
geloovigen op haro voorspraak.
Breda, 9 Maart 1873.
f J. van Genk ,
Bisschop van Breda.
-ocr page 10-
|1____________________________________________I]J5
st
la!
AAN UK
ONBEVLEKTE ONTVANGENIS,
DE
MOEDER VAN MIJNEN HEEK EN GOD,
JESUS CHRISTUS;
AAN DE
KONINGIN DES HEMELS
ES DE
HULP DER CHRISTENEN,
AAN
MARIA
IOKI.KHI \'LD1GD DOOK HAAR DANK KAAI; KIND,
DEN SCHRIJVER.
ra
-ocr page 11-
VOORREDE.
De bede, waarmede ik in 1873 dit boekske de wereld
inzond, is overvloedig vervuld: honderden mijner land-
genooten hebben den langen pelgrimstocht naar Lourdes
ondernomen, en de liefde, de godsvrucht, de vereering van
O. L. Vrouwe van Lourdes is ook in ons vaderland alge-
meen geworden. Daaraan moeten wij het toeschrijven, dat
van den eersten druk, die het aanzienlijk getal van twee-
duizend exemplaren uitgaf, geen enkel exemplaar meer overig
is, terwijl de aanvragen altijd blijven aanhouden.
In deze nieuwe uitgaaf heb ik rekening gehouden met
hetgeen sedert 1872 in Lourdes is veranderd; ook eenige
bijzonderheden vermeld betrekkelijk den dood van pastoor
Peyramale en hetgeen daarop volgde; eindelijk er een nieuw
hoofdstuk bijgevoegd over de buitengewoon vele wonderen,
die te Lourdes zijn gebeurd en nog voortdurend worden
verkregen. Wat tegenwoordig van algemeene bekendheid
is, zooals de reis, de kosten, de literatuur, heb ik achterwege
gelaten \').
En nu, den lezer heil! mijn boekske Gods zegen!
Noordwijk, 6 April 1887.
De Schrijver.
\') Zal men in het 3e en 4e Hoofdstuk vinden. E. H. v. d. H.
-ocr page 12-
EEN WOORD VOORAF
AAN
de 3e uitgave van Pastoor v a 11 der Horst\'
O. L. VROUW VAN LOURDES.
Veertig jaren zijn voorbij sints de wondervolle verschij-
ningen en gebeurtenissen te Lourdes.
Vijf en-twintig jaren is het geleden, dat voor het eerst
de bij het volk geliefde Schrijver, Pastoor van der Horst,
die feiten op zijne wijze, dat is: in schoone taal en boeien-
den stijl vertelde aan het Nederlandsehe volk.
Het kon niet bij mij opkomen, eene nieuwe geschiedenis
van Lourdes te schrijven; het werk van Pastoor van dei-
Horst is niet verouderd; het vraagt slechts aanvulling.
Want in die 40 en 25 jaren, wat al strijd over hetgeen
Dr. Lasalle noemt: het vraagstuk van Lourdes.
Inderdaad, zou er één vraagstuk zijn in dezen tijd,
dat meer de belangstelling, de begeestering en den harts-
tocht wekt, dan de gebeurtenissen, welke daar plaats hadden
en nog dagelijks plaatsgrijpen; — dan dit vraagstuk, dat
der menschelijke wetenschap, in den meest uitgebreidenzin
genomen, is voorgelegd door het arm, eenvoudig kind van
Lourdes: Bernadette Soubirous?
-ocr page 13-
I
De wetenschap heeft alles aangewend om Lourdes
aan te vallen en te doen vallen. Tegen haren wil leverde
echter diezelfde wetenschap het bewijs voor de
waarheid der gebeurtenissen te Lourdes.
De ongeloovige wetenschap heeft hare vindingen en
genezingen van den laatsten tijd in zake zenuwziekten
als zoovele en als hare laatste pijlen afgeschoten op Lourdes;
doch de beoefenaars en vereerders der geloovige wetenschap
hebben die opgevangen en toruggeworpen op de aanvallers.
Ziedaar de taak aangegeven, welke ik mij heb voor-
gesteld; en het onderwerp, waarmede ik gedacht heb
het verhaal van Pastoor van der Horst aan te vullen en te
vermeerderen.
Uit de laatst verschenen werken \') wilde ik de o p w e r-
pingen, bijzonder tegen Bernadette, en de genezin-
gen, alsook de weerlegging daarvan, onder het bereik
van een ieder brengen, zonder in herhaling te vervallen
van hetgeen alreeds door de meesterlijke pen van Pastoor
van der Horst is medegedeeld.
In een derde en vierde Hoofdstuk zal ik trachten te
beschrijven wat heden, na het verschijnen van van der
Horst\' O. L. Vrouw van Lourdes, te Lourdes merk-
waardigs te zien en te doen is.
Mijn werk is gewijd aan de vereerders van O. L. Vrouw
van Lourdes niet alleen, maar wordt aanbevolen aan
allen, die prijs stellen op waarheid.
Woudrichem, 8 Dec. 1898.
E. H. VAN DER HeIJDE.
\') Dr. Boissarie „Lourdes depuis 1858", „Genezingen
te Lourdes" en „Zola" — Dr. Lasalle, „Le problème de
Lourdes. — Mgr. Ricard, Lettres a Mr. Z o 1 a.
-ocr page 14-
INHOUD.
bladz.
1. Genezing van liet kind van Roger Laeassagne ...       1
II. Genezing en bekeering van Henri Lasserro ....      20
III.  De familie Soubirous, Bemadette.....      33
De eerste Verschijningen...........      34
Bemadette bij de politie-...........      43
Bemadette bij den Pastoor van Lourdes.....      44
De wonder-bron..............      49
Eerste wonder, genezing van Louis Bourriette ...      01
Bemadette andermaal bij den Pastoor......      52
Tweede wonder, genezing van bet kind van Jan Bouboborts     55
De elfde verscbijning(lkben de Onbevlekte Ontvangenis.)      56
Het wonder der kaars............     57
IV.  De strijd................      59
De liberalen van Lourdes (Hallucinatie).....      00
Het volk................      04
Do Commissaris van politie en Estrade......      65
De maire (burgemeester) van Lourdes......      77
V. De Baron Massy (prefekt)..........      78
De Bisscbop van Tarbos...........      85
Vallende ziekten, slaapwandelen, zinsbegoocbelingen,
krankzinnigheid . . •..........      80
Do Deken beschermt Bemadette........      89
Plundering der Grot............      92
Onderzoek van het water der bron.......      97
Verbod van den maire............    103
VI. De vervolging..............    107
De menigte bezoekers............    110
Valsche zieners..............    113
De Minister van Eeredienst Rouland en de Bisschop
van ïarbes........•......    114
-ocr page 15-
bladz.
Onderzoek vun liet water douv Filhol......    1-2
De Amsterdarasohe Courant, het Handelsblad en Lourdos   128
Keizer Napoleon.............    181
Heropening der Grot............    135
VII. De Bisschoppelijke Commissie......    137
VIII. Bernadette..............    155
Ondervraging door de Bissehoppelijko Commissie. .    156
Hare belangeloosheid............    161
Onderzoek naar hallucinaties, bedrog enz.....    102
IX. Wonderbare Genezingen........    166
Louia Bourietto..............    166
Jeanne Crassus..............    170
Fabien Baron..............    170
Hot kind van Justin Bouhohorst........    170
Benoite Cazeaux.............    17G
Blaissette Soupenne............    177
Ilcnri Busquet te Nuy...........    178
Het kind van Denys Bouuhet te Lamarquo. . . .    181
Catherine Latapie Cliouat te Loubajao.....    181
Marie Domenge te Bordères.........    185
Joan-Mario Tambourné te Saint-.lustin.....    187
Madeloine Rizan te ÏJay..........    191
Moroau de Sazenay to Tartas.........    198
Paschaline Abbadie te Rabasteins.......    205
X. De Uitspraak..............    206
Brief van den Bissohop van Tarbes......    208
Aankoop van do terreinen dor Grot......    223
XI. De Kerk................    225
Plannen van Durand............    226
Effoning der terreinen...........    229
De Onderkerk (Krypte)...........    231
De Basiliek...............    \'232
De Vaan der Nederlandsche pelgrims......    236
XII. Het Beeld...............    238
Verandering der terreinen. -.........    241
Plechtige plaatsing van het beeld.......    241
XIII. De Bedevaarten............   244
-ocr page 16-
bladz.
Eerste nationale frunsuhc bedovaart......    251
XIV. Lourdes...............    288
Geschiedenis van Lourdes.........    289
Aardbevingen in en om Lourdes.......    304
XV. Mijn Pelgrimstocht...........    307
Reis van Nederland naar Lourdes......    307
XVI. Te Lourdes...............    310
De Paroohiekerk............    310
Bezoek aan Deken Feyramale......   322
Plan der Nieuwe Kerk..........    327
De dood van den Deken..........    327
De nieuwe Pastoor Barrère.........    329
XVII. Andere Bezoeken...........    334
Het huisje van Bernadette.........    335
De Zusters van Kevers..........    336
"Wonderlijke genezingen van een kind door Zuster
Maria Bernard............    339
Het huis der Missionarissen.........    340
Louis Bourriette en .lustus Bouhohorst ....    343
Zeden en gebruiken der inwoners van Lourdes .    343
De Grotten to Lourdes..........    346
XVIII. De vele wonderen te Lourdes.....   348
Eerste Hoofdstuk. Bernadette.......   361
I. Hallucinatie..............    363
II. Krankzinnigheid.............    368
III.  Hysterie................    373
IV.  Waarheidsliefde . ...... ....    377
Twee de Hoofdstuk. De wonderbare genezingen.   382
I. Deze zijn onbetwistbaar zeker........    384
II. Wat is het gonoeskundig bureau to Lourdes? . .    386
III. Wat wordt verstaan door buitengewone genezing?    388
1.  De genezingen kunnen niet worden toogesehreven
aan de geneeskundige kracht des waters . . .    389
2.  Noch aan de behandeling met koud water . .    390
-ocr page 17-
bladz.
3.   Suggestie geeft ouk geene verklaring der wondere
genezingen..............    301
Genezing van Mej. Ooirin te Parijs.....    392
Genezing van Yvonne Aumaitre te Leurde» .    394
4.   De genezingen te Lourdes zijn bewezen door over-
tuigende bewijsstukken.........
     396
IV. De genezingen, niet door liet water uitgewerkt .    399
V. Do genezingen, niet te Lourdes verkregen. . . .    40)
Derde Hoofdstuk. Lourdes in 1898......    407
I. Lourdes................    409
lievolking, bedrijf: botels enz.........    411
Landbouw................    412
Bestuur der stad.............    414
Onderwijs................    415
Post on telegraaf.............    417
Spoor en rijtuigen, uitstapjes.........    418
II. De Grot on de haar omringende heiligdommen . .    420
Godsdienstige toestand...........    421
Do Missen op do Zon- en feestdagen......    422
Viering dor Feestdagen...........    423
Vereenigingsleven.............    425
Basiliek, Rozenkranskerk, Krypte.......    427
Altaar en orgel dor Rozenkranskerk......    423
Kapel en Altaar der Geoseling (Geschenk van Nederland)    429
„Abri des pelerine"............    431
Dn Annalen on het „Journal" van Lourdes ....    432
Bureau van inschrijving in broederschappen .         .    432
(leneeskundig bureau............    433
Doktoren te Lourdos ...         ........    433
Dr. Boissarie........         ......    435
Magazijn en winkel der Paters.....         . .    430
De fonteinen on badplaatsen dor Bron......    43(i
Ziekenverplegers on "Verpleegsters.......    437
De Grot................    440
liet Huis der Missionarissen.........    442
Bureau voor water, giften, intenties......    443
-ocr page 18-
— 4
bladz.
De Spelonken..............    44H
„De Hospitalité"........• ....    444
Do Kalvarieberg.............    445
Vierde Hoofdstuk. De Geestelijke oefeningen.    44(i
Missen, Communiën............    44M
Baden der zieken.............    451
Do processie en zegening der zieken met liet II. Sa-
crament................    450
Genezing van JeannetteTnlasne door het H Sacrament.    459
De flambouwenprocossie...........    460
De nachtelijke Aanbidding..........    402
AANHAXG. Do Nederlandsche Bedevaart naar Lourdes    464
De Commissie...............    405
De Commissie voor goedkoope bedevaarten naar Lour-
des en Rome..............    470
Naar Lourdes...............    472
-ocr page 19-
t
I.
HET WONDER.
\'t Was iu den zomer van 1867, dat een welgekleed
heer te Bordeaux de rue du chai des Farines in-
sloeg, en na eenig zoeken de bel vau het huis met n°. 6
geteekend in beweging bracht.
— „Mijnheer Hoger Lacassagne woont hier en is te
huis ?" was zijne vraag; en zijn naamkaartje moest een
klein onderhoud verzoeken.
Het kaartje werd naar eene achterkamer gedragen, die
in zekere wanorde verkeerde door velerlei reisbenoodigdhe-
den, die hier en daar verspreid lagen. Te midden van dat
allles stond mijnheer Eoger Lacassagne, een man van mid-
delbaren leeftijd, groot en forsch van lichaamsbouw, streng
en zelfs stuursch van gelaat, met breede reeds grijzende
knevels, en de korte stekelige haren door een pet met
gouden band bedekt, \'t Was een van die mannen, welke
geboren schijnen om bevel te voeren, en in wien men, ook
al zijn zij in burgerlijke kleeding, altijd den officier her-
kent. Hij was geplaatst bij de douanen te Bordeaux. On-
aangenaam gestoord iu zijne ongewone bezigheid van in-
pakken, las hij met gefronste wenkbrauwen op het kaartje
den naam des onwel komen bezoekers.
1
-ocr page 20-
2
—  „Heuri Lasserre ? dien ken ik niet. Hoe ziet hij
er uit?"
—  „Het schijnt een fatsoenlijk en zelfs deftig heer te
zijn/\' antwoordde de dienaar.
—  „Heuri Lasserre?.... Maar het doet er niet toe:
laat hem hier komen."
Met die eenigszins korte en ruwe beleefdheid, welke den
man van tucht veelal eigen is, vroeg hij den binnentre-
dende wat de reden van zijn bezoek was.
—  „Mijnheer!", antwoordde de vreemdeling, „ik heb
het verhaal van uwe reis naar de grot van Lourdes ge-
hoord en ben zoo vrij tot u te komen, om — in het belang
van een werk, dat ik over O. L. Vrouwe van Lourdes
schrijf — die geheele geschiedenis nog eens uil uw eigen
mond te vernemen."
Op het woord van „de grot van Lourdes" waren de strenge
plooien eensklaps van dat krijgsmans-gelaat verdwenen, en
hadden plaats gemaakt voor de uitdrukking eener teedere
en gevoelige herinnering.
—  „Ga zitten!", riep hij uit en vloog op den vreem-
deling toe, „reik mij de hand.... Gij vraagt mij naar
O. L. Vrouwe van Lourdes.... Gij wilt daar een boek
over schrijven ?.. .. O God, welk een geluk !.... Mijn-
heer wees er voor gezegend en gedankt!", en hij drukte
hem nogmaals hartelijk de hand.
Lassere was getroffen door de teedere en kinderlijke
vreugde van den uiterlijk ruwen krijgsman, en zeide:
—  „\'t Is ter vervulling eener belofte aan Onze Lieve ..."
—  „Dan hebt ook gij de wonderkracht der bron van
Lourdes ondervonden ?", viel de ander hem in de rede.
-ocr page 21-
.\'5
„Gij zult mij uwe geschiedenis ook verhalen.... Maar
verschoon mij dat ik u hier zoo ontvang in eene kamer,
die in wanorde ligt. Mijn gezin vertrekt vandaag naar Ar-
cachon, en gij treft ons in al de drukte van het inpakken."
—   „Bekommer u daarover niet, mijn brave heer!" ant-
woordde de bezoeker : „maar ik ben brandend nieuwsgierig
om uwe geschiedenis te vernemen, die ik slechts ten
halve ken."
—   „En ik voor mij, ik zal er mijn geheele leven geen
enkele bijzonderheid, geen stipje zelfs van vergeten," ver-
zekerde Lacassagne met eene stem, waarin men tranen
hoorde. „Maar vergeef mij, edele heer! ik ben schier ge-
heel in de war en heb verzuimd te vragen, wiens bezoek
mij vereert en zoo gelukkig maakt."
Lasserre maakte zich bekend als mederedacteur van de
Revue du monde catholique, den trouwen mede-
werker en strijdgenoot van Louis Veuillot.
—   „Mijnheer !", begon nu de ambtenaar na een oogen-
blik zwijgens, „ik heb slechts twee zoons. De jongste,
over wien alleen ik u te spreken heb, heet Jules. Hij
zal zoo aanstonds wel hier komen, en gij zult met eigen
«ogen zien hoe zachtaardig, hoe goed, hoe onschuldig hij is."
Lacassagne vertelde niet dat vooral dit kind zijn lieve-
ling was; maar de toon, waarop hij sprak en die hoe
langer hoe zachter, teederder en zelfs als \'t ware liefkoozend
werd, openbaarde genoeg de diepte van zijne vaderlijke
liefde voor Jules.
—  „Hij is altijd gezond geweest tot aan zijn tiende jaar ;
toen overviel hem eensklaps en zonder eenige uiterlijke
oorzaak eene kwaal, waarvan ik al het rampzalige volstrekt
-ocr page 22-
4
niet begreep. Den 25sten Januari 1865, toen wij ons
avondmaal gingen nemen, klaagde Jules over pijn in de
keel, zoodat hij moeilijk slikken kon. Daar de pijn ook
den volgenden dag aanhield en het kind bijna niets ge-
bruiken kou, ontbood ik een der meest gevierde genees-
heeren van Toulouse — ik was destijds daar geplaatst —,
dokter Noguès.
— „Niets dan zenuwen", zeide de arts, en hij verzekerde
mij een spoedig herstel. Korte dagen daarna was dan ook
werkelijk de pijn verdwenen, en kon het kind weder be-
hoorlijk de spijzen doorzweigen; maar allengs kwam de
kwaal terug en hield met min of meer geregelde tusschen-
poozen tot het einde van April aan. Van toen af aan werd
de ziekte aanhoudend, zoodat het arme kind nacht noch
dag rust had van de pijn en niets dan zeer dunne melk
en Mauw vleeschnat kon gebruiken, waarin zelfs geen ver-
kookt brood of vermicelje mocht zijn. De kleine verina-
gerde en verzwakte dan ook bij den dag.
„De geneesheeren — ik had er nu twee, daar ik den
kundigen dokter Koques had gesmeekt met mijnheer Noguès
samen te komen —, verwonderd over den hardnekkigen
tegenstand der keelontsteking, zochten tevergeefs er den
aard van te doorgronden, ten einde er een zeker genees-
middel aan toe te dienen. Zij stelden alles in het werk,
maar verklaarden eerlijk dat alles zonder baat bleef.
„Eens, \'t was den l()den Mei — ja, mijnheer! ik heb
zooveel geleden en zooveel gedacht aan die rampzalige ziekte,
dat ik alle datums van buiten ken —, zag ik Jules in den
tuin buitengewoon hard loopen en van tijd tot tijd met
hevige schokken en stooten vooruitspringen. Ik vreesde
-ocr page 23-
5
de minste vermoeiing voor het zwakke kind, liep daarom
haastig naar hem toe, vatte hem bij den arm en gebood
hem dat hij bedaard zou wandelen. Maar hij ontsnapte
mij en antwoordde, altijd voortdravende :
— „Vader! dat kan ik niet. Ik moet het doen; ik kan
mij niet tegenhouden."
„Toen droeg ik hem in huis en zette hem op mijne
knieën. Zijne beenen en armen bewogen zich stuipachtig,
en iets later begon hij ook zijn gezicht op de akeligste
wijze te vertrekken en te verdraaien. De ware aard zijner
ziekte had zicli dus eindelijk geopenbaard: mijn ongeluk-
kig kind had den zoogenaamden Vitus-daus !.. . .
„De zetel van dit kwaad, zooals gij wellicht weet, is
vooral de slokdarm. Maar helaas! ofschoon de genees-
kunde nu den aard der ziekte kende, zij was toch niet
bij machte haar te overwinnen ; ten hoogste wist zij, na
vijftien maanden behandeling, de uiterlijke stuiptrekkingen
van armen, beenen en hoofd tot bedaren te brengen; of
liever — als ik u mijn gevoelen oprecht mag blootleggen
— dezen hielden van zelf op. Wat de ontsteking en ver-
nauwing van liet keelgat betreft, dezen bleven aanhouden
en wederstonden alle geneesmiddelen. De gansche apotheek
waren wij, zooals men \'t noemt, doorgeloopen ; de mildere
lucht van het buitenleven, de baden van Luchon, alles
was gedurende twee jaren met veel opoffeiiug beproefd,
maar strekte slechts om de ziekte te verergeren.
„Als laatste redmiddel waren eindelijk de zeebaden aan-
bevolen, en mijne vrouw ging met den ongelukkigen
kleine naar Saint-Jean-de-Luz. \'t Is overbodig u te zeggen,
dat de zorg voor zijne lichamelijke beterschap alle andere
-ocr page 24-
6
zorgen verdrong; wij wilden dat hij zou genezen en leven:
ziedaar onze eeuige gedachte, onze eenige bezigheid. Daarom
hadden wij hem van den beginne af aan alle studie of arbeid
ontzegd, en behandelden of liever koesterden hem als een
teeder kastplantje. Hij nu had een levendigen, werkzamen
en leergierigen geest, zoodat die berooving van alle be-
zigheid hem schromelijk verveelde. De arme kleine schaamde
zich daarenboven over zijne kwaal; de andere kinderen
zag hij gezond en vroolijk, waardoor hij zich iederen dag
ongelukkiger gevoelde, weldra meende een verstooteling te
zijn, en zich allengs meer en meer afzonderde."
Hier onderbrak de heer Lacassagne een oogenblik het
verhaal, om meer vastheid te geven aan zijne stem, die
langzamerhand het gevoel zijner bewogene ziel bij al die
droevige herinneringen begon te deeleu.
— „Hij zonderde zich af," zoo hernam hij, „en was
droefgeestig. Het eenige, wat hem nog kon opbeuren of
verstrooien, was het lezen. Te Saint-Jean-de-Luz vond
hij eens op de tafel eener dame, die in de buurt woonde,
een kort verhaal der verschijning te Lourdes; hij las het
en was er zeer door getroffen. Des avonds zeide hij tot
zijne moeder, dat de heilige Maagd hem toch wel genezen
kon; maar mijne vrouw sloeg geen acht op die woorden,
welke zij als kinderpraat beschouwde.
„Bij hunne terugkomst te Bordeaux — ik was in dien
tusschentijd naar hier overgeplaatst — trof ik mijn kind
nog volkomen in denzelfden toestand. Dat was in de
maand Augustus van het verleden jaar.
„Gij zult wel begrijpen, mijnheer! dat wij nu ten einde
raad en geheel moedeloos waren; waarom wij ook met,
-ocr page 25-
7
alle geneesmiddelen ophielden, om den verderen loop dei-
ziekte aan de natuur over te laten, en ons voor te be-
reiden tot den onvermijdelijk en slag, dien de Yoorzienig-
heid ons scheen toegedacht te hebben. Maar gij begrijpt
tevens, dat onze liefde voor het ongelukkig kind, dat «als
een martelaar leed, als \'t ware was verdubbeld, en dat
mijne vrouw en ik wedijverden in zorg zoowel bij nacht
als bij dag. Het verdriet en het lijden hebben ons dan
ook verouderd en vóór den tijd grijs gemaakt; want gelooft
gij wel dat ik, zooals gij mij ziet, mijnheer ! niet ouder
ben dan zes-en-veertig jaar?"
De redacteur beschouwde dat mannelijk gelaat, waarop
de smart zulke diepe groeven geploegd had, en was tot-
in de ziel bewogen. Hij drukte den vader met hartelijk-
heid de hand en prees zijne liefde.
— „Intusschen," zoo begon mijnheer Lacassagne weder
„intusschen verminderden de krachten van het kind zicht-
baar; want bijna gedurende twee jaren had het geen stevig
voedsel meer geproefd. Het was verschrikkelijk mager en
akelig bleek ; geen bloed vloeide meer onder de huid,
die als van was scheen te zijn. \'t Was duidelijk dat de
dood met rassche schreden naderde en reeds zeer nabij was.
En toen, hoe overtuigd ik ook was van de onmacht der
geneeskunde, ging ik nogmaals aan dezelfde deur klop-
pen, want ik keude geen andere op de wereld.
„Mijnheer Gintrac, de voornaamste dokter van Bor-
deaux, onderzocht en peilde met de uiterste zorgvuldigheid
de keel van liet kind en bevond dat, behalve de vernau-
wing van het keelgat, nog zeer gevaarlijke rimpels en
ontstoken knubbels aanwezig waren. Hij haalde zijne
-ocr page 26-
8
schouders op en gaf mij geen hoop. Toen hij mijn bittere
smart zag zeide hij:
—  „Ik zeg niet dat het kind niet genezen kan, maar het
is meer dan ernstig ziek." Dat waren zijne eigene woorden.
„Hij oordeelde het bepaald noodzakelijk plaatselijke mid-
delen aan te wenden, zooals inspuiting en stippen met
ether. Doch die behandeling sloopte het kind nog meer,
zoodat de heelmeester van het hospitaal, mijnheer Sentex,
zelf aanraadde er mede op te houden.
„Reeds lang had ik eeue gedachte gekoesterd, die ik
eindelijk eeus aan den dokter openbaarde.
—   „Ik zou ineenen/\' zeide ik hem, „dat als Jules wilde
hij ook wel kou zwelgen. Misschien komt die moeilijk*
heid van slikken alleen uit de vrees voor pijn, en doet
hij \'t vandaag niet omdat hij \'t gisteren ook niet gedaan
heeft. Dan zou het eene ziekte van den geest zijn, die
alleen door zedelijke middelen kan genezen worden."
„Maar de kundige arts ontnam mij ook deze laatste hoop
en verzekerde mij, dat het kind niet kon slikken; want
dat de vernauwing vau het keelgat zoo groot was, dat
er slechts een weinig vocht met moeite kou doorgaan, en
dat, als zij nog een paar strepen toenam, de zieke zeer
zeker stikken moest.
„Met deze woorden vertrok de dokter; en ik, ik had den
dood in de ziel. Wat immers nog te beproeven? Wij
hadden ons gewend tot de uitstekendste geueesheeren van
Toulouse en Bordeaux: en niemand wist raad. De nood-
lottige zekerheid stond ons voor de oogen: ons arm kind
was ter dood veroordeeld, en wel zonder beroep of hoop
van genade! ....
-ocr page 27-
9
„Mijnheer! zulk eene wreede overtuiging dringt zich
moeilijk op aan de ziel van een vader. Nog altijd poogde
ik mijzelven te bedriegen, sprak er met mijne vrouw
over, en wilde nog eens de waterkuur beproeven; maar
toen was \'t dat Jules, ons plan vernemende, op den
toon van het meest vaste vertrouwen, en als met eene
volstrekte zekerheid tot zijne moeder de volgende woor-
den sprak :
—  „Zie moeder! mijnheer Gintrac noch eenig dokter
kan iets aan mijne kwaal doen ; maar de allerheiligste
Maagd, die zal mij genezen. Zend mij naar de grot van
Lourdes, en gij zult zien dat ik beter word. Ik ben er
zeker van, lieve moeder !"
„Mijne vrouw kwam mij terstond die woorden over-
brengen, waarna ik uitriep :
—  „Wij. hebben niet te aarzelen: wij moeten hem naar
Lourdes vervoeren en wel zoo spoedig mogelijk."
„Dat zeide ik niet omdat ik geloof had, mijnheer! Ik
geloofde niet aan wonderen en meende, dat zulk eene bui-
tengewone tusschenkomst der Godheid niet mogelijk was,
ten minste nooit voorviel. Maar wat zal ik zeggen ? ik
was vader : en geene kans, hoe zwak dan ook, hoe nut-
teloos zelfs, wilde ik verzuimen. Ue engel verlangde het,
en dat was mij genoeg. Ik hoopte, dat het voldoen aan
deze kinderachtige kuur misschien een weldadigen invloed
op het kind zou uitoefenen ; maar aan genezing dacht ik
in de verste verte niet.
„\'t Was nog winter, in het begin van Februari, en zeer
slecht weder; waarom ik een beteren dag wilde afwach-
ten.
-ocr page 28-
10
„Sinds ons kind, acht maanden geleden, te Saint Jean-
de-Luz dat kleine boekske had gelezen, was de overtuiging,
die hij ons nu openbaarde, bij hem gevestigd. Toen er
geen acht op was geslagen, als hij haar voor de eerste
maal uitte, had hij er niet meer van gesproken, maar toch
die gedachte altijd levendig bij zich gehouden, en — gelijk
hij ons later verklaarde — dagelijks gebeden, opdat zij
nog eenmaal bewaarheid mocht worden.
„Dat vertrouwen was zooveel te merkwaardiger, omdat
wij ons kind volstrekt niet godvruchtig hadden opgevoed.
Mijne vrouw vervulde hare godsdienstplichteu, en ziedaar
alles, wat mij aangaat, ik heb u reeds gezegd dat ik
geheel andere wijsgeerige denkbeelden had.
„De vroege morgen van den 12den Februari beloofde
een schoonen, helderen dag, waarom wij plaats namen op
den spoortrein naar Tarbes. Gedurende de gansche reis
was het zieke en zwakke kind vroolijk, zelfs blijde en vol
van het zekere geloof in zijn herstel.
— „Ik zal genezen," herhaalde hij mij ieder oogenblik,
„gij zult het zien. Anderen zijn wel genezen, waarom ook
ik niet ? De heilige Maagd zal het wel doen, ik ben er
zeker van."
„En ik, mijnheer! ik onderhield, zonder het evenwel
te deelen, dat vertrouwen in hem, alleen omdat het hem
blijde en gelukkig maakte; een vertrouwen, dat ik voor
mij onzinnig noemde, maar dat toch door den goeden
God hem was ingegeven.
„In het logement Dupont, dat wij te Tarbes binnen-
gingen, had men al dadelijk mijn bleeken en vermagerden
Jules, die er toch zoo geduldig en zoo lief uitzag, opge-
-ocr page 29-
11
merkt; men hield van hem en had medelijden met hem
reeds op het eerste gezicht. Ik vertelde den vriendelijken
waard het doel onzer reis, en zou er bijna toe gekomen
zijn, in de goede wenschen «lier brave lieden een voorbode
van ons aanstaand geluk te begroeten. Bij ons vertrek
naar Lourdes was het, of zij er van verzekerd waren dat
het kind genezen zou, en schenen met ongeduld onze
wederkomst te verbeiden.
„Ik kan mijzelven geen verklaring geven van hetgeen
ik deed, en hoe het kwam weet ik niet, maar ik nam,
niettegenstaande mijn twijfel en mijn ongeloof, toch voor-
zichtigheidshalve een klein trommeltje met beschuit mede.
„Als wij aan de kapel kwamen, die boven de grot staat,
werd juist de heilige Mis gelezen. Jules wierp zich op
de knieën en bad met een geloof en een vertrouwen en
een vuur, die meer dan kinderlijk waren. De arme engel
was als van gedaante veranderd en droeg de keuteekeuen
van den heinelsehen gloed, die in zijne zuivere ziel brandde,
op het vroeger bleeke maar nu helder roode aangezicht.
De priester moet voorzeker zijne innige godsvrucht hebben
bemerkt, want terstond na de heilige Mis verliet hij de
sacristie en kwam tot ons. Eene goede gedachte was hem
ingevallen, toen hij het ongelukkige kind zag.
—  „Miju lieve jongen I" zoo vroeg hij minzaam en streelde
Jules over de bruine haren, „wilt gij, dat ik u aan de
heilige Maagd opdraag ?"
—  „O, als het u belieft! gaarne!" was de uitroep. En
de priester deed de plechtige opdracht, en sprak de voor-
geschreven gebeden over mijn kind uit.
—   „En nu", riep het met het zekerste vertrouwen
-ocr page 30-
12
uit, „en nu, lieve vader ! zult gij zien dat ik zal genezen !"
„Wij daalden naar de grot af. Jules knielde voor het
beeld van de heilige Moeder Gods neder en bad weer iunig
en met vuur. Ik stond ter zijde en sloeg hem aandachtig
en angstig gade. Mij dunkt, ik zie nog de uitdrukking
van zijn gelaat en zijne godvruchtige houding, met de
vermagerde handen te zamen gevouwen. Eindelijk stond
hij op ; wij gingen naar de bron.
„Dat was een vreeselijk oogenblik voor mij. . ..
„Hij waschte zijn hals en zijne borst; vervolgens nam
hij het glas en dronk een teug van het woudervolle water. . . .
„Terwijl hij dat deed, was hij bedaard, gerust en als
vooruit verzekerd vau hetgeen er met hem plaats zou
grijpen, terwijl blijdschap en geluk hem uit de schitterende
oogen straalden. Ik voor mij beefde en was vol angst bij
deze groote proef, maar onderdrukte inet geweld mijn
gevoel, om volstrekt geen twijfel aan het arme kind te
laten blijken.
—   „Beproef nu eens te eten", fluisterde ik, bevende
van angst en twijfel, en reikte hem een beschuit toe. Hij
nam ze aan. Ik keerde mijn hoofd om, ten einde geen
getuige te zijn vau de zekere mislukking; want daar zou
het leven of de dood vau mijn dierbaar kind beslecht
worden. Op dat oogeublik, zoo verschrikkelijk voor het
hart eens vaders, speelde ik — als ik het dus zeggen
mag — mijn laatste kaart op : zoo ik verloor was mijn
lieve Jules eene prooi des doods. . . .
„Maar spoedig werd ik uit miju angst opgewekt door
de stem vau het kind, die vol vreugde riep :
—   „Vader! ik slik, ik kau eten! o, ik was er wel
-ocr page 31-
18
zeker van; ik wist het wel dat O. L. Vrouw mij zou
genezen !...."
„Welk eene gebeurtenis, mijnheer! Mijn kind, reeds
de prooi van het graf, was behouden en dat wel plotselijk,
op één oogenblik. En ik, ik zijn ongeloovige vader, was
bij die wondervolle verrijzenis tegenwoordig. . . . Maar ik
had de wilskracht om mij in het geheel niet verwonderd
of ontsteld te toonen, ten einde het vertrouwen van Jules
niet te schokken.
—   „Ja, mijn lieve jongen ! dat was ook wel zeker en
kon ook niet anders," antwoordde ik met eene stem, die
ik met geweld bedaard deed zijn. Doch een verschrikkelijke
storm woedde intusschen in mijn binnenste, en in mijne
ziel werd een vreeselijke strijd geleverd.
„Wij herhaalden nog eens de proef: hij at weder eenige
beschuiten niet alleen zonder moeite, maar zelfs met een
toenemenden eetlust, zoodat ik genoodzaakt was hem
tegen te houden. En toen, toen brandde het mij in de
borst alsof zij geheel in vuur stond ; ik had behoefte om
mijn geluk als \'t ware uit te schreeuwen en God, wiens
wonder ik met eigen oogen zag, te danken.
—  „Wacht mij hier," zeide ik tot Jules, „en bid tot
de heilige Maagd, terwijl ik even naar de kapel opklim."
En ik liet hem voor een oogenblik alleen, geknield voor
de grot, om den priester het gelukkig nieuws mede te
deelen. Ik was in eene soort van verwarring en kende
mijzelven op dat oogenblik niet. Daar was mij een geluk
overkomen, zoo groot, zoo onverwacht, zoo plotselijk,
dat het bijna vreeselijk scheen; en daarbij greep er in
mijne ziel eene omwenteling plaats, die al mijne wijs-
-ocr page 32-
14
geerige ideeën deed wankelen en eindelijk voor altijd
verdreef.
„ De priester daalde haastig tnet mij naar beneden en zag
Jules zijn laatste beschuit eten. Toevallig bevond zich dien
dag ook de bisschop van Tarbes daar; en toen deze de
wondervolle genezing vernomen had, verlangde hij mijn
kind te zien eii de gansche geschiedenis zijner wreede
ziekte te hooren. Allen liefkoosden en zegenden het kind
en verheugden zich met mij in zijn herstel.
„Intusscheu dacht ik aan zijne moeder en het geluk,
dat zij zou smaken ; daarom liep ik haastig naar het tele-
graafbureel en seinde het eene woord : Genezen!
„Nauwelijks echter was het telegram vertrokken, of ik
gevoelde berouw van zoo haastig te zijn geweest: de kwaal
toch kon terugkeeren; want de genezing was zoo onver-
wacht en volkomen, dat ik bijna niet dorst gelooven dat
zij ook volhardend zijn zou. Het kind daarentegen was
gelukkig, zonder den minsten twijfel, vrees of ongerustheid,
het sprong van vreugde en huppelde langs den weg, mij
telkens herhalende :
—  „Gij ziet wel, vader ! dat er niemand was dan de hei-
lige Maagd alleen, die mij genezen kon. Ik was er wel
zeker van toen ik het u zeide."
„In de herberg at hij weder met goeden smaak, zoodat
ik mij niet verzadigen kon met hem te zien eten. Daar
hij verlangde nog eens naar de grot terug te keeren,
wandelden wij des middags te voet derwaarts.
—  „Gij zult nu wel altijd dankbaar zijn aan uwe hei-
lige Bevrijdster ?" vroeg hem de priester, en wees naar het
beeld en vervolgens naar den hemel.
-ocr page 33-
15
—    „O, ik zal nooit vergeten wat O. L. Vrouw mij
vandaag gedaan heeft", riep Jules luide uit.
„Te Tarbes stapten wij weder af aan het hotel, waar
wij den vorigeu dag vertoefd hadden. Men verbeidde,
gelijk ik u gezegd heb, met een blijd voorgevoel onze
terugkomst en verdrong zich om den engel heen, die
gisteren niet dan met veel moeite en pijn een weinig vocht
doorzwelgde en nu met graagte alle spijzen at.
„Die ziekte, mijnheer Lasserre ! waarop al de wetenschap
der bekwaamste geneesheeren had schipbreuk geleden, en
die uu zoo wonderbaar op één oogenblik volkomen was
genezen, had geduurd twee jaren en negentien dagen.
„Wij hadden natuurlijk haast om moeder terug te zien,
en namen den sneltrein naar Bordeaux. Bij onze tehuis-
komst des avonds, was het kind meer dan vermoeid en
afgemat door de reis en al de aandoeningen van Lourdes,
zoodat het dadelijk verlangde naar bed te gaan zonder iets
te willen gebruiken. Dat viel mijne vrouw bitter tegen
en deed ook mij pijnlijk aan; zij barstte in tranen uit en
verweet mij dat ik haar bedrogen had, daar Jules niet
genezen was; terwijl ik alle moeite aanwendde om haar
tot bedaren en geduld te brengen, maar zelf ook niet
gerust was. Den volgenden ochtend echter, toen het kind,
gezond en geheel uitgerust, nevens ons aan de ontbijttafel
plaats nam en met het grootste gemak, zelfs met honger,
van alles at wat was opgediend, toen kende hare vreugde
geen palen; zij schreide van blijdschap en geluk, en om-
helsde ons in de overmaat van haar moederlijk gevoel."
—   „En na dien tijd hebt gij niets meer van de oude
kwaal ontdekt ?" vroeg de redacteur.
-ocr page 34-
L6
—   „Volstrekt niets meer; zij was op één oogenblik
volkomen weggenomen en voor altijd verdwenen. Bij de
behoorlijke voeding, die hij nu genieten kon, namen de
gezondheid en de kracht zijns lichaams met iederen dag
toe, zoodat zelfs spoedig de laatste sporen van zijn lang-
durig lijden waren weggevaagd."
—   „En de geneesheeren ? Die hebbeu zeker eene ver-
klaring afgegeven aangaande den vroegeren ongeneeslijken
toestand van uw kind ? Dat was in allen gevalle toch billijk
en eerlijk."
—   „Dat meende ik ook, mijnheer", was het antwoord:
„en ik ging daarom zelf naar den dokter hier te Bordeaux,
die hem het laatst had behandeld. Maar deze trok zijne
schouders op, grimlachte spottend en weigerde mij be-
paald. Dokter Jtioques te Toulouse echter, dien ik onmid-
dellijk alles geschreven had, haastte zich openlijk te ver-
klaren, dat het kind door geen geneeskundige hulp kou
herstellen, en dat dus hier niets anders dan eene wonder-
dadige tusschenkomst van God moest erkend en aangeno-
men worden. Maar wacht: ik zal u zijne eigene woorden
laten lezen; den brief heb ik bij de hand, hij is van den
24sten Februari."
En mijnheer Lasserre las het volgende schrijven van
dokter Roques:
„Staande voor het feit van deze genezing, zoolang be-
„geerd en zoo op één oogenblik verkregen, hoe dan niet
„den engen horizont der wetenschappelijke verklaringen
„verlaten, om zijne ziel te openen voor de erkenning van
„zulk eene buitengewone gebeurtenis, waarin de Voorzie-
„nigheid schijnt te gehoorzamen aan het geloof van een
-ocr page 35-
17
„kind .... Als geneesheer verwerp ik nadrukkelijk de the-
„orieën, welke men in dergelijke gevallen niet verzuimt
„in te roepen, als daar zijn: overprikkeling der zenuwen,
„speling der verbeelding, enz.; om in dit feit openlijk
„te erkennen de rechtstreeksche en bepaalde handeling
„van een hooger "Wezen, dat zich hierin openbaart en aan
„het geweten opdringt." (l)
—  „Overigens, mijn waarde heer!" ging de gelukkige
vader voort, „overigens is alles, wat ik u verhaald heb,
van openbare bekendheid zoowel te Toulouse als hier in
de stad. En ik voor mij, die vroeger aan niets geloofde
dan alleen aan bloot natuurlijke oorzaken, middelen en
gevolgen, ben nu in mijne ziel overtuigd, dat men som-
mige verklaringen alleen in eeue hoogere orde moet zoeken
en kan vinden; en iederen dag kniel ik neder, om mijne
dankbare gebeden naar God op te zenden, die mij door
een waarachtig wonder tot zich heeft getrokken."
—  „Ja, ik begrijp u en geloof met u, dat God in zijne
oneindige barmhartigheid en wijsheid dat alles zoo beschikt
heeft, om den vader van het kind tot zich te voeren."
Beide mannen zwegen eene wijle en schenen in gedachten
(i) En preseuce de cette guérison, si longtemps désirée et si prompte-
ment obtenue, coniment ne pas quitter 1\'étroit horizon des explications
scientifiques pour ouvrir sou unie tt la recounaissauce sur un evenement
si étrauge, dans lequel la Provideuce semble obéir a la foi d\'uu
enfant.... Je repouse énergiquement, comme Médicin, les theories qu\'ou
ne manque pas d\'invoquer en pareille circonstance; stimulation morale,
effet de 1\'imagination, etc, pour proclamer avec franchise dans ce fait
1\'action précise, positive, d\'une existence supérieure, se révelant et s\'in>
posaut a la conscience."
2
-ocr page 36-
IS
verzonken. Maar als vanzelf was liet gesprek weldra weder
op de wondervolle genezing van het kind terug gekomen;
want het vaderhart werd er als onwederstaanbaar heenge-
trokken, evenals de kompasnaald naar het noorden.
—   „Sedert dien tijd," zoo begon Lacassagne weder,
„beoefent hij eene engelachtige godsvrucht. Gij zult hem
zoo op \'t oogenblik zien. De adel zijner deugdzame gevoe-
lens ligt op zijn aangezicht te lezen. Hij is welgemaakt,
fiks opgegroeid, een beeld van een jongen; niet bekwaam
tol een leugen, veel minder tot eene laagheid. Hij gaat
school hier in de buurt bij mijnheer Conangle in de rue
du Mirai 1, en heeft spoedig ingehaald wat hij ten achter
was geraakt. Hij is de eerste van zijn klas en heeft bij de
laatste prijsuitdeeling den hoogsten prijs behaald. Maar zeer
zeker is hij ook de wijste, de zachtaardigste, met één woord:
de beste van al de scholieren; waarom hij ook de lieve-
ling is van zijne meesters en kameraden. Hij is onze vreugd,
onze troost, onze ...."
De deur werd geopend, en Jules trad met zijne moeder
binnen. Lasserre liep op den knaap toe, omvatte zijn hoofd
met beide handen en kuste het. Dan bleef hij in ontroering
hem aanstaren en was weldra overtuigd, dat de vader niet
te veel had gezegd van het kind, door God zoozeer be-
genadigd. Gezondheid straalde van dat rond en blozend
gelaat; het voorhoofd was breed, hoog en open; zijne hou-
ding zedig maar tevens ferm; en zijne groote, levendige
en schitterende oogen teekenden verstand, zuiverheid en
eene schoone ziel.
—  „Gij zijt een gelukkig vader!" riep de schrijver uit.
— „Ja mijnheer! wel gelukkig I" was het antwoord, „maar
-ocr page 37-
19
wij hebben ook veel geleden, mijne vrouw en ik .. .."
—  „Beklaag u daar niet over. De weg van bitter lijden
was immers de weg, die u van de duisternis bracht tot
het licht, van den dood tot het leven, van uzelven tot
God ? Te Lourdes heeft de heilige Maagd zich tweemaal
als de moeder der levenden getoond : want zij heeft aan
uw kind het tijdelijke, en aan u het waarachtige, het
eeuwige leven geschonken."
—   „Ja, gij hebt gelijk : God is oneindig in barmhar-
tigheid voor mij geweest.....Maar, waarde heer ! gij kent
nu mijne geschiedenis: duld dat ik op mijne beurt even
nieuwsgierig ben naar hetgeen O. L. Vrouwe van Lourdes
voor u heeft gedaan. Mijne vrouw en Jules kunnen wel
met een lateren trein vertrekken, en moeten eerst ook uwe
geschiedenis kennen."
Mijnheer Lasserre deed toen het volgende verhaal.
-ocr page 38-
II.
DE GELOFTE.
„Ik heb mij altijd mogen verheugen in een best gezicht,
zoodat ik de voorwerpen op zeer verwijderden afstand met
groote nauwkeurigheid kon waarnemen, zoowel als de
kleinste dingen van nabij. Noch het licht eener gloeiende
zou, noch de felle vlam van het gas, noch de voortgezette
studie van een halven nacht vermoeiden ooit mijne oogen.
Gij zult dus mijne ontsteltenis begrijpen, toen ik in Juni
1862 eensklaps mijne oogen voelde verzwakken, bij de
minste inspanning moe en allengs meer en meer onbruik-
baar worden, zoodat ik ten laatste volstrekt niet meer lezen
of schrijven kon. Ik raadpleegde verscheidene geneeshee-
ren en onder anderen ook de vermaarde oogartsen Desma-
res en Giraud-Feullon, maar vond geen baat bij huune
behandeling. Mocht ik soms na vele dagen van volslagen
rust en strenge onthouding des morgens weder een boek
ter hand te nemen, des middags was de verzwakking zóó
toegenomen, dat ik geen letter meer onderscheiden kon.
Zoowel uit- als inwendige middelen bleken onmachtig te
zijn om eenige beterschap te schenken j en voelde ik eene
enkele maal eenige verlichting, dan was dat slechts voor
-ocr page 39-
2]
een kort oogenblik, zoodat de ziekte mijner oogen allengs meer
en meer het karakter van eene ongeneeslijke kwaal aannam.
Ik had dan ook op raad der dokters mijue oogen tot volslagen
rust veroordeeld, droeg langs den weg een donker blauwen
bril en had Parijs verlaten, om bij mijne moeder te Coux,
aan de boorden van den Dordogne, de buitenlucht te ge-
nieten. Een kleine, vlugge knaap werd mijn secretaris, las
mij uit de boeken, die ik moest raadplegen, en schreef
wat ik hem vóórzeide. Zoo werd het September, zonder dat
eenige verbetering in mijn toestand zich openbaarde; mijne
bloedverwanten en vrienden beijverden zich wel om mij
onophoudelijk moed in te spreken, en de hoop op een
langzaam herstel in mij levendig te houden; maar ik be-
greep weldra, dat zij evenmin als ik die verwachting koes-
terden. Wij verborgen voor elkander onze angstige ver-
moedens.
Ik had een goeden vriend, aan wien ik van mijne
kindsche jaren op de innigste wijze was verbonden, en
wien ik al mijne geheimen toevertrouwde; hem schreef ik
door mijn kleinen secretaris een brief, waarin ik mijn
ongelukkigen toestand en mijne gegronde vrees te kennen gaf.
Mijnheer *** zoowel als zijne vrouw was protestant.
Den 15den September ontving ik zijn antwoord; maar
wie beschrijft mijne verwondering, als ik door den knaap
hoorde lezen :
„Ik ben eenigen tijd geleden van Canterets terugkeereude
door Lourdes, dicht bij Tarbes, gereisd en heb daar ook
de beroemde grot bezocht. Men heeft mij daar zooveel
wonderlijke dingen verhaald van onverklaarbare genezingen
door het water, vooral ook van oogziekten, dat ik u ten
-ocr page 40-
•z-z
zeerste aanraad daar eens naar toe te gaan. Als ik katho-
liek was en uw geloof bezat, en ik was ziek: ik zou
geen oogenblik aarzelen die proef te nemen. Wanneer het
waar is, dat zieken daar oogenblikkelijk genezen zijn, dan
kunt gij verhopen er het getal van te vermeerderen; en
is het niet waar, wat waa»t gij met het te beproeven ?
Ik wil u eerlijk bekennen, dat ik er zelfs een persoonlijk
belang in stel dat gij er heengaat; want als gij eens ge -
nezen werd, welk belangrijk feit zou ik niet aan te tee-
kenen hebben! Ik zou staan tegenover een waarachtig
mirakel, of ten minste tegenover eene gebeurtenis, wier
getuigen onder geen verdenking kunnen vallen. Naar ik
vernomen heb, is het niet eens noodig zelf naar Lourdes
te gaan ; gij kunt het water vragen aan den pastoor van
Lourdes, die het u zeker toezendt. Vooraf moet gij eenige
voorwaarden of formaliteiten verrichten, die ik niet ken,
maar die u door den pastoor wel zullen aangegeven wor-
den. Laat dan tevens het kleine boekske van den groot-
vicaris van Tarbes komen, waarin de voornaamste wonder -
bare genezingen beschreven zijn."
Was dat een brief van mijn protestantschen vriend, een
man zeer beschaafd en verlicht, daarbij altijd even bedaard
en verstandig, zonder zich ooit door iets te laten innemen
of medesleepen ? De zaak was mij zóó vreemd, dat ik
eindigde met er niets van te begrijpen en eenvoudig te
antwoorden: „Ik gevoel mij op dit oogenblik iets beter;
en als die beterschap langzamerhand toeneemt en blijft
aanhouden, heb ik voor ditmaal het buitengewoon middel
niet noodig, hetwelk gij mij aanraadt, en waarvoor ik
overigens het noodige geloof niet bezit."
-ocr page 41-
\'23
Maar laat ik oprecht zijn, en ter mijner vernedering u
de geheime reden mijner weigering blootleggen.
Het geloof ontbrak mij, Goddank! niet en ik had de
zekere overtuigiug, dat God te Lourdes evengoed won-
derbare genezingen kan scheuken als op andere bevoor-
rechte plaatsen ; ik had van het eerste oogenblik, waarop
de brief mij werd voorgelezen, het geheime maar zekere
voorgevoel dat ik door dat water zou genezen; maar juist
dat vreesde ik. Ik deinsde terug voor zulk eene buiten-
gewoue gunst van den hemel, die mij ook eene buitenge-
wone verantwoordelijkheid zou op de schouderen leggen.
Immers werd ik op natuurlijke wijze genezen, dan vol-
deed ik aan mijne verplichting met den dokter te betalen;
maar genas God mij op bovennatuurlijke wijze, dan zou
eene geheel andere verplichting op mij rusten. Dan zou
God met volle recht van mij eischen dat ik mijne oogen,
nu voor de tweede maal van Hem ontvangen, ook geheel
voor Hem en voor Hem alleen gebruikte; dat ik ze dus
zou sluiten voor alles, wat tot de wereld behoort en mij
zoo vaak aangenaam aandoet; met één woord: ik was be-
vreesd dat ik dan een heilige zou moeten worden, en
daartoe gevoelde ik de kracht niet....
In het begin van October moest ik naar Parijs, en trof
daar toevallig mijn vriend met zijne echtgenoote aan, die
eenige dagen bij zijne zuster vertoefde.
—  „En hoe staat het met de oogen P" vroeg mevrouw ***
terstond.
—  „Volstrekt niet beter ; en ik vrees zeer, dat ze voor
altijd verloren zijn."
—  „Maar waarom hebt ge dan ook het middel niet
-ocr page 42-
24
aangewend, dat wij u hadden aangeraden ?" knorde mijn
vriend." Ik weet niet welke geheime stem mij zegt, dat
gij te Lourdes genezen zult."
—  „In allen gevalle," hernam ik, „ik stel geen groot ver-
trouwen in al die voorgewende verschijningen. Alles is bij
God mogelijk, en ik loochen dan ook niets; maar daar
ik die verschijningen en die wonderen te Lourdes slechts
uit de nieuwsbladen ken en ze volstrekt niet onderzocht
heb, zoo kan ik er maar niet toe besluiten om uwen raad,
hoe goed gemeend ook, te volgen."
—   „Maar hoe heb ik het met u ?" vroeg mijn vriend
verwonderd. „Volgeus uwe godsdienstige beginseleu moet
gij gelooven en gelooft gij ook aau de mogelijkheid van
zulke wonderen : waarom zoudt gij er dan de proef niet
van uemen ? Gelukt het niet, gij verliest er niets bij en
kunt er geen kwaad mede, want het is zuiver en natuur-
lijk water, zooals na scheikundige onderzoekingen gebleken
is; en moogt gij genezen, welk een geluk dan voor u,
en welk een geducht wapen hebt gij dan tegen mij!"
De vrouw van mijn vriend, zoowel als zijne zuster en
haar echtgenoot, voegde hare beden en drangredenen bij
de zijnen, zoodat ik ten laatste wel gedwongen was hem
de geheime drijfveeren mijns harten te openbaren en eer-
lijk te bekennen, dat ik terugschrikte voor de verant-
woordelijkheid, die ik met eene wonderbare genezing op
mij zou laden; zoodat ik dus niet vreesde dat het
mirakel niet zou plaats grijpen, maar juist vreesde dat het
wel zou geschieden.
Men gaf echter geen kamp, veel minder gewonnen spel,
en betoogde mij dat ik aan den eenen kant de verant-
-ocr page 43-
25
woordelijkheid overdreef, om die aan den anderen kant te
licht te nemen ; want dat ik, ook als de dokter mij met
natuurlijke middelen genas, toch aan God het herstel van
mijne oogen zou te danken hebben. Ik deed nog wel eenige
pogingen om mijne stelling te verdedigen, maar werd al-
lengs zóó overreed, dat ik eindelijk moest beloven aan
hun verlangen te zullen voldoen.
—  „Zoodra ik te huis ben," zeide ik, „zal ik mijn secre-
taris een brief laten schrijven aan den pastoor van Lourdes."
—  „Dat is niet noodig," hernam mijn vriend, stond op,
vatte papier, pen en inkt en sprak, terwijl hij met gemaakte
deftigheid voor mij boog: „als mijnheer zich gewaardigen
wil te dicteeren, zal zijn secretaris de eer hebben alles
nauwkeurig en net op te schrijven."
Wat zou ik doen? Ik was gevangen, en dat wel door
mijne proteslantsche vrienden. Ik dicteerde hem een brief,
en deze vertrok nog denzelfden middag met de post.
Den volgenden dag was mijnheer *** weder vroegtijdig
bij mij.
—  „Mijn goede vriend!" zoo begon hij, „het is dan nu
besloten dat gij de proef zult doen ; maar nu moet gij haar
met ernst en zoo goed mogelijk doen, door alle voorwaar-
den, die daartoe vereischt worden, stipt te volbrengen;
anders toch zou de geheele onderneming ijdel en van geen
gevolg wezen. Spreek de vereischte gebeden, ga biechten,
breng uwe ziel in de noodige gesteltenis en volbreng al de
oefeningen, die de godsdienst u oplegt."
—  „Gij hebt volkomen gelijk," antwoordde ik, „en ik
zal het trouw doen. Maar men moet toch zeggen dat gij een
vreemdsoortig protestant zijt. Gisteren prediktet ge mij het
-ocr page 44-
2<;
geloof, en nu de oefeningen van godsvrucht. Als iemand ons
hoorde, u den protestant en mij den katholiek, Hij zou ver-
stomd staan en zeker niet ten mijnen gunste ons beoordeelen."
— „Hoor eens," hernam hij lachend, „ik ben een man
van de wetenschap en wil derhalve heel natuurlijk, dat
wij bij het nemen van een proef ook al de vereischten en
voorwaarden, die gevorderd worden, trouw vervullen. Ik
handel hier dus volkomen op dezelfde wijze, alsof het eene
natuur» of scheikundige proef gold."
Intusschen haastte ik mij niet om te gaan biechten, en
was zelfs flauw en traag in het godsdienstige, in stede van
mij op waardige wijze voor te bereiden tot de buitenge-
wone genade, die ik van God door de voorspraak van de
allerheiligste Maagd ging vragen. Dagelijks kwam mijn
vriend vernemen of ik nog geen antwoord had ontvangen ;
en toen eindelijk een brief van den pastoor van Lourdes
berichtte, dat het water uit de grot mij langs den spoor-
weg zou worden toegezonden, was het ongeduld mijner
protestantsche vrienden veel grooter dan het mijne.
Op vrijdag ochtend, den l()den October 1862, wandelde
ik in de galerij van ürleans bij het Palais-Koyal heen eu
weder, om mijnheer *** te wachten, met wien ik af-
spraak had gemaakt elkander daar te treffen. Vermits ik
te vroeg was, keek ik hier en daar naar de uitgestalde
winkels en trachtte de groote aanplakbiljetten te lezen,
waarop eenige nieuw uitgekomen werken van Dentu wer-
den aangekondigd. Maar mijn gezicht was zoo verzwakt
en verduisterd, dat zelfs het lezen van die groote dikke
letters mijne oogen vermoeide en pijn veroorzaakte. In den
namiddag dicteerde ik mijnen vriend nog drie brieven en
-ocr page 45-
•17
ging ten vier ure naar huis. Toen ik den trap, die naar
mijne kamers leidt, zou opgaan riep de portier :
— „Daar is een klein kistje van den spoorweg voor u
gebracht." Ik trad oogenblikkelijk bij hem binnen en vond
een klein kistje van ruw hout, waarop mijn adres was ge-
plakt met de woorden: natuurlijk water!
Toen gevoelde ik eeue innerlijke ontroering eu nam de
zaak met vollen ernst op. In den staat van lauwheid, van
strijd zelfs tegen Gods genade, waarin ik de laatste dagen
verkeerd had, kon ik van God geen wonder vragen, veel
minder verwachten; ik liet dus het kistje onaangeroerd en
spoedde mij de deur uit naar de woning van mijn biecht-
vader, mijnheer Ferraud de Missol. De waardige priester
was wel te huis maar had veel mensclien te spreken, en
daarenboven nog een bloedverwant onverwacht overgekre-
gen; waarom ik gehoor gaf aan zijne dienstbode, die mij
aanraadde liever tegen den avond omstreeks zeven ure
terug te komen.
Weder aan mijn huis genaderd, bleef ik in tweestrijd
staan, of ik zou binnentreden om te bidden, of een goeden
vriend bezoeken. Ik gevoelde een sterken trek om mij te
gaan verstrooien, maar vernam tevens eene geheime stem,
die mij de stille afzondering gebood. De goede geest zege-
vierde echter; ik trad binnen en nam het kistje, waarbij
een kort verhaal van de verschijningen te Lourdes was
gevoegd, mee naar boven.
Op mijn kamer gekomen, plaatste ik het kistje op den
schoorsteen, wierp mij voor mijn ledikant op de knieën
neder en begon te bidden, niettegenstaande ik mij onwaar-
dig gevoelde om mijne oogen ten hemel te heffen en tot
-ocr page 46-
28
God te spreken. Toen stond ik op en beschouwde nog eens
het kistje, waarin liet geheimzinnige water was gesloten,
terwijl het inij voorkwam alsof in die stille kamer op dat
oogenblik iets groots ging gebeuren. Ik durfde met mijne
onreine handen het hout niet aan te raken, dat de toe-
komst van mijn geheele leven verborg; en tevens had ik
de hevigste bekoring om het kistje te openen en niet te
wachten, totdat ik dienzelfden avond gebiecht had. Wat
zou ik doen P Ik wierp mij andermaal op de knieën en
bad met vuur en vertrouwen:
„Ja, o mijn God! ik ben een ellendig zondaar, niet
waardig om mijne stem tot U te verheffen en een voor-
werp aan te raken, dat door U gezegend is. Maar de over-
maat van mijne ellende moet immers uwe barmhartigheid
nog meer opwekken. Mijn Heer en mijn God! ik kom tot
U en tot de H. Maagd Maria vol geloof en vertrouwen,
en smeek tot U uit de diepte mijner ellende. Dezen avond
zal ik mijne fouten aan uwen dienaar gaan belijden; maar
de zekere hoop, die ik koester, maakt mij ongeduldig
en belet mij langer te wachten. Vergeef mij, Heer ! en
genees mij. En gij, Moeder van barmhartigheid! kom uw
ongelukkig kind te hulp."....
Na mij door dit kinderlijk gebed versterkt te hebbeu,
durfde ik het kleine kistje open te maken. Ik vond daarin
eene Kesch vol water. Ik ontkurkte haar, goot een weinig
van het water in eene. kom en nam een handdoek uit de
kast. Dat alles — ik herinner het mij nog levendig —
verrichtte ik met eene zorg, met een ernst en met eene
zekere plechtigheid, die mijzelven troffen en waarvan ik
mij geen rekenschap wist te geven. Ik voelde het, in die
-ocr page 47-
29
kamer was ik niet alleen; God was daar ook en de H.
Maagd, door mij zooeven aangeroepen, moest er ook zijn.
Een levendig en vurig geloof had zich van mij meester
gemaakt. Toen alles zoover gereed was, knielde ik nogeens
neder en bad overluid:
„O heilige Maagd Maria! heb medelijden met mij en
genees mijne lichamelijke en geestelijke blindheid!
Eu terwijl ik die woorden sprak, de ziel vervuld met
het zekerste vertrouwen, waschte ik mijne beide oogen en
mijn voorhoofd met den handdoek, dien ik gedoopt had in
het water van Lourdes.
Maar ik was er nauwelijks mede begonnen, of ver-
stoinmend hield ik op, terwijl ik de hand op mijn hart
moest leggen om het onstuimig bonzen te onderdrukken;
want niet zoodra had het wonderdadige water mijne oogen
en mijn voorhoofd bevochtigd, of ik voelde mij eensklaps
op één oogenblik genezen en wel zoo spoedig, dat ik de
snelheid er van niet beter vergelijken kan dan bij den
bliksem.
Wonderlijke tegenstrijdigheid in de menschelijke natuur!
Een oogenblik tevoren geloofde ik aan mijn voorgevoel,
dat genezing beloofde, en nu kon ik niet gelooven aan
mijne zinnen, die mij verzekerden dat ik reeds genezen
was. Ik bleef nog eenige oogenblikken mijne oogen was-
schen en bidden, als vreesde ik op te staan en mijne
genezing waar te maken. Na verloop vau tien minuten
liet de kracht, die ik in mijne oogen gevoelde, en het
verdwijnen van alle pijn en zwaarte in de oogleden mij
geen twijfel meer, en buiten mijzelven van geluk en
vreugde riep ik uit:
-ocr page 48-
30
— „Ik ben genezen ! Ik ben genezen !"
Terstond ging ik een boek vatten om te lezen ; en
welk ander had ik kunnen kiezen dan het kort verhaal
der verschijningen, dat nog op mijn schoorsteen lag. Ik
las daarvan honderd-eu-vier bladzijden zonder op te hou-
den, of mijne oogen ook maar in \'t minst te vermoeien.
Een kwartier vroeger had ik geen drie regels kunnen lezen.
En zoo ik eindigde op blz. 104, dan was liet, omdat het
reeds half zes had geslagen, en op dat uur is het den
lOden October te Parijs reeds donker. Toen ik het boekske
dan ook dicht sloeg, werd het gas reeds ontstoken in de
winkels aan de overzijde van de straat.
Des avonds sprak ik mijne biecht en verhaalde aan den
eerwaarden heer ïerrand de groote genade, die God mij
door zijne lieve Moeder had bewezen. Ofschoon ik —
zooals ik reeds zeide — mij niet genoeg bereid gevoelde
om tot de tafel des lieeren te naderen, zoo oordeelde mijn
biechtvader toch dat ik den volgenden dag communiceeren
moest, om God te danken voor deze buitengewone weldaad,
en om tevens de goede en heilige voornemens te verster-
ken, die ik na dit wonder gemaakt had.
Mijnheer en mevrouw *** waren, gelijk gij denken
kunt, bovenmate getroffen door deze gebeurtenis, waaraan
de Voorzienigheid hun zulk een werkdadig deel had ge-
schonken. Wat is er bij hen omgegaan ? Wat hebben zij
gedacht, verlangd, gebeden ? Ik weet het niet: dat is een
geheim tusschen hen en God ! . . . .
Vijf jaren zijn nu verloopen sedert mijne wondervolle
genezing. Mijn gezicht is uitmuntend ; en noch aanhou-
dende noch nachtelijke arbeid vermoeien mijne oogen ooit.
-ocr page 49-
31
God schenke mij de genade, dat ik ze ook nooit gebruike
dan alleen ter zijner eere.
Toen ik op den ochtend na mijne genezing van de
communiebank op mijne plaats was teruggekeerd met
Jesus in mijn hart, toen heb ik in mijn dankgebed be-
loofd, de geschiedenis van de verschijningen te Lourdes
zelf te zullen onderzoeken, en ze tot glorie der Onbevlekte
Moedermaagd te zullen beschrijven. Dat is mij nu eene
heilige taak. Ik ben te Lourdes langen tijd geweest, heb
alles gezien, heb allen gesproken en alle officieele stukken
gelezen; nu reis ik overal heen waar iemand woont, die
te Lourdes eene wonderbare genezing heeft mogen erlan-
gen, om uit zijnen mond de barmhartigheid des Heeren,
de veelvermogende hulp van Maria en de waarachtige
verheerlijking van O. L. Vrouw van Lourdes te ver-
nemen."
Hier eindigde de brave redacteur zijn verhaal, en sprak
nog veel met Lacassagne over meerdere wonderen, die te
Lourdes waren geschied en van wier waarheid hij zich
overtuigd had.
Wat hij zich eene heilige taak noemde, de vervulling
zijner gelofte, heeft hij met de uiterste nauwkeurigheid en
den zorgvuldigsten ijver volbracht. Notre-Dame de
Lourdes par Henri Lasserre mocht in wei-
nige maanden reeds drie-én-twintig uitgaven zien, en werd
vereerd met de apostolische goedkeuring van den H. Vader
zelven.
Het boek is met een liefdevol en dankbaar hart ge-
schreven ; daar zijn bladzijden in, tintelend van vuur en
schitterend van stijl; terwijl de karakterschetsen van de
-ocr page 50-
32
handelende personen in den eersten strijd over de waar-
heid of onwaarheid der verschijningen en wonderen mees-
terlijk zijn gegeven.
Als wij eenige aanmerking wilden maken, zou die zijn
dat het werk, door de zucht om alles, ook de kleinste
bijzonderheden der voorvallen, zoo nauwkeurig mogelijk
weder te geven, wel hier en daar wat langwijlig is ge-
worden. In den loop der elf boeken, waarin het verdeeld
is, wordt meermalen het verhaal onderbroken door mede-
deelingen of voorstellingen die, hoe waar of schoon op
zichzelven, den gang der gebeurtenissen stremmen of ver-
lammen, en het geduld van den lezer soms op eene zware
proef stellen. De stijl is de style coupé der schrijvers
van de U n i v e r s ; ook die schitterende zinnen, welke
wij bij de eerste en vluchtige lezing bewonderen, maar
later bij bedaarde ontleding voller van geest dan van
denkbeelden oordeelen, heeft hij van zijn grooten meester,
Louis Veuillot, overgenomen. Dit belet evenwel niet, dat
het een werk van hooge verdiensten is, dat veel, zeerjveel
heeft bijgedragen tot de vereering van O. L. Vrouw van
Lourdes, welke thans zoo algemeen in Frankrijk is; dat
door duizenden en nogmaals duizenden is gelezen, ja ver-
slonden; en dat nog aanhoudend wordt herdrukt en opnieuw
uitgegeven.
-ocr page 51-
III.
DE VERSCHIJNINGEN.
Wat is er te Lourdes gebeurd?
.Fmncois Soubirous bewoonde een armelijk huurhuisje
in de rue des Petit s-¥ o s s é s. Molenaar van beroep,
had hij vroeger een kleinen meelmolen ten noorden der
stad aan een der vele beekjes, die in de Gave uitloopen,
gedreven; maar de beek was vele maanden van het jaar
zonder water, en de arbeiders waren gewoon op krediet
hun graan te laten malen, waardoor de arme Soubirous
met den dag achteruitging en eindelijk genoodzaakt werd,
de huur van den molen op te zeggen en als daggelder
werk te zoeken. Zijne vrouw, Louise Castérot, was even
godvruchtig nis verstandig; zij wist met zorg en beleid
het schamele huishouden te bestieren en moed en ver-
trouwen in te boezemen, waar de nood vaak dreigde die
te rooven. Vier kinderen waren de zegen van hunnen
echt. De oudste, Bernadetta geheeten, ongeveer veertien
jaren oud, was van af hare geboorte in het naburige dorp
Bartrès opgevoed ; zij was zwak en tenger en daarbij door
het asthma geplaagd, had niets geleerd dan den rozenkrans
te bidden en de schapen langs de helling der bergen te
weiden, en was sinds korte dagen in de ouderlijke woning
3
-ocr page 52-
:34
terug gekeerd, oin zich tot de eerste H. Communie te
bekwameu ; Marie was het tweede kind, en de beide jongsten
waren jongens, waarvan de laatste niet meer dan drie
jaren telde.
\'t Was 11 Februari 1858, de donderdag, welke de
vasten voorafgaat en in Frankrijk de vasteuavondfeesten
opent. Heerschten overal in de straten reeds drukte en
levendigheid, in de woning van Soubirous was het stil en
treurig : eu in stede van iets te hebbeu om een feestmaal
te bereiden, was er zelfs geen hout voorhanden om het
schrale middageten te kooken.
—  „Marie !" sprak de moeder, toen de kerkklok elf
uren sloeg; „ga eeus naar den oever van de Gave en
zoek wat dood hout."
Het kind trok zijn klompen aan en ging gehoorzamen,
toen Bernadetta verzocht te mogen medegaan.
—  „Neen," antwoordde Louise: „gij hoest en het is
te guur voor uw gestel."
Op hetzelfde oogeublik trad een buurmeisje, Jeanne
Abadie, ongeveer vijftien jaren oud, de woning binnen eu
zeide, dat ook zij uitgezonden was om hout te sprokkelen.
Op het aanhouden der kinderen kreeg eindelijk Bernadetta
verlof om mede te gaan, maar moest zich eerst nog wat
warmer kleeden, door kousen aan te trekken en haar
witten capulet om te hangen. (*)
(1) l)e vrouwen in de l\'yreneëu — zoowel Fransche als Spaausclie —
dragen een zakdoek, meestal van lichte kleur, om het hoofd zeer sier.
lijk gestrengeld en daarover, vooral wanneer zij ter kerke gaan,
haar capulet, een soort van capuchon uit wollen stof, die het geheele
hoofd bedekt eu langs rug en schouders als een sluier nederhangt. De
-ocr page 53-
35
De drie meisjes verlieten de stad, gingen de brug over
•en kwamen alzoo aan den linkeroever van de Gave, een
geweldig bruischende stroom, die liet bergwater der Pyre-
neën langs steile rotsen en groenende velden naar Pau
heenrolt, om het in de Adour te werpen en den grooten
Oceaan weer te geven. Langs den houtzaagmolen van mijn-
heer de Laffite, welke schrijlings over een afgeleid kanaal
is gebouwd, op het eilandje du Chalet gekomen, be-
gonnen zij vol ijver haar werk maar vonden slechts een
enkel brandhoutje; waarom zij besloten door het smalle
kanaal te waden, dat op die plaats bijna droog was, daar
men het water had afgesloten om aan den molen de noo-
dige herstellingen te kunnen geven. Marie en Jeanne trok-
ken de klompen uit en waren spoedig aan den overkant,
waar overvloed van dood hout lag ; maar Hernadetta moest
eerst haar kousen uittrekken en zette zich daartoe neder
op een steen. Terwijl zij daarmede bezig was, meende zij
opeens een geweldigen windruk te vernemen en zag ver-
schrikt om zich heen ; maar bladstil stonden daar de po-
pulieren aan den oever van de Gave Andermaal begon zij
zich van hare kousen te ontdoen, en andermaal hoorde en
voelde zij een harden windruk; en als zij weer opkeek,
bleef zij verstommend staan, met starre blikken naar de
overzijde van het kanaal heenziende, terwijl zij over al
armen — zoo ook Bernadetta — dragen meestal een witten, soms ook
een grijzen of bruinen capulet, de meer gegoeden een rooden of blauwen,
zeer sierlijk met zwart fluweel afgezet. Bij guur of koud weder worden
de twee zelfkanten, die over den schouder hangen, onder de kin vast-
gehaakt; en dan heeft men de zedige gesluierde figuur, waarin de Spaan-
sche landbewoonsters doorgaans worden afgebeeld.
-ocr page 54-
86
hare ledematen begon te beven. Vol ontzag en eerbied
viel zij op de knieën, trok haren rozenkrans uit den zak,
sloeg zich een kruis en begon met de diepste ingekeerd -
heid het gebed der eenvoudigen, maar altijd de oogen ge-
wend naar de Massabiella-rotsen, die zich met hare drie
grotten aan de overzijde verhieven, \'t Was juist het uur,
waarop door al de klokken van Lourdes het Angelus
werd geklept. Toen al de koralen langzaam door hare vin-
geren waren gegleden, stond zij haastig op, ontdeed zich
van haar kouzen en stapte door het water naar haar zusje
en vriendin, die reeds een grooten bundel dor hout had-
den bijeengeraapt vlak voor de grot, waarheen Bernadetta
onbewegelijk had gestaard, toen zij haar rozenhoedje bad.
—  „Hebt gij niets gezien?" vroeg zij, verwonderd over
de bedaardheid der beide meisjes, die nu in de grot waren
getreden om wat te spelen.
—  „Neen, hebt gij dan wat gezien?" was het antwoord
der kinderen, die haar hadden zien bidden en nu ook be-
merkteu, dat zij zeer ontsteld en gejaagd was.
—  „Nu, als gij niets gezien hebt dan heb ik u ook
niets te zeggen," sprak zij en hield het geheim voor zich.
Maar ouder het wederkeeren naar de stad drong het
vriendinnetje, dat van nieuwsgierigheid brandde, er op aan,
dat zij toch vertellen zou, wat zij gezien had en waardoor
zij zoo ontsteld was; want het was duidelijk dat zij toch
iets vreemds moest ondervonden hebben. En de goedhar-
tige Bernadetta vertelde eindelijk, maar onder beding dat
het een geheim zou blijven, in eenvoudigheid des harten,
dat zij in de middelste grot van de rots, waar de wilde
rozelaar zijn takken uitschoot, eensklaps een helder licht
-ocr page 55-
87
had gezien, waarin eene liemelschoone vrouw met engel-
zoet gelaat stond, die haar met een vriendelijken glimlach
aanstaarde, een kruisteeken maakte en aan de melkwitte
koralen van een rozenkrans bad. Een lang wit kleed om-
plooide de ranke gestalte en werd door een blauweu gor-
del, wiens slippen tot de voeten afhingen, omstrengeld.
De twee blauwe oogen had zij ten hemel geheven, de
handen voor de borst samengevouwen, en op de maag-
delijke voeten droeg zij twee gouden rozen. De verschij-
ning had ongeveer een kwartier geduurd, immers den
tijd, dien het bidden van een rozenhoedje vraagt.
De kinderen twijfelden volstrekt niet aan de waarheid
van hetgeen hun verteld werd, maar waren bang en maakten
het voornemen om niet meer naar de grot te gaau. Te
huis gekomen, kouden zij het toevertrouwde geheim niet
lang bewaren en hadden weldra alles aan de moeder
verteld. Deze trok hare schouders op, verklaarde alles voor
kinderachtige verbeelding en verbood hare dochter in het
vervolg naar de Massabiella rotsen te gaan om hout te
sprokkelen.
Zondags daarna was het helder en schoon weder toen
de Hoogmis geëindigd was; en Bernadetta, die de ver-
schijuing maar niet uit de gedachten kon zetten en er tel-
kens over sprak, trachtte hare vriendinnetjes over te ha-
len om verlof te vragen, nog eens naar de grot weder te
keeren. Na lang aanhouden gaf vrouw Soubirous eindelijk
hare toestemming ; en de kindereu namen in hunne onnoo-
zelheid een fleschje wijwater mede, om in allen gevalle,
als de verschijning misschien van den boozen geest mocht
komen, een middel ter verdrijving bij de hand te hebben.
-ocr page 56-
ft8
Zij kwamen aan de rots en vonden noch zagen iets
vreemds.
—  „Laat ons den rozenkrans bidden," sprak Bernadetta ;
en allen knielden neer en deden het eenvoudig gebed.
Maar eensklaps veranderde het gelaat van de veertien
jarige zienster, en maakte eene buitengewone ontroering
zich van haar meester; zij stak de handen vooruit naar
de grot en riep tot hare genooten:
—  „Ziet, ziet! daar is zij, dezelfde hemelschoone vrouw,
in dezelfde prachtige kleeding en met den voet op de rots 1"
Doch wat de kleinen ook rondkeken en in de grot staar-
den, zij zagen niets dan de takken van den wilden roze
laar in de ledige holte van de rots. Zij beefden van angst
en blikten nu eens naar Bernadetta, dan weder naar de
geheimzinnige grot, totdat een der meisjes haar het wijwa-
ter in de hand gaf en haar vermaande, om nu volgens
afspraak de verschijning daarmede te besproeien en te roe-
pen : „indien gij van God komt, nader dan; maar als gij
van den duivel komt, ga dan heen !"
Het kind deed wat haar gezegd werd maar hield de
laatste woorden terug, begon opnieuw den rozenkrans te
bidden en stond, toen de laatste koraal tusschen de vin-
gers was gegleden, vol verrukking en blijdschap op, zeg-
gende, dat de verschijning verdwenen was. Maar de kinde-
ren, die gezien badden hoe haar wezen geheel van gedaante
was veranderd, waren opnieuw beangst geworden en keerden
vol vreeze huiswaarts, andermaal zich voornemende, daar
nooit weder te komen.
Het kon niet uitblijven, of deze vreemde historie moest
allengs door de stad verspreid worden en de verschillend"
-ocr page 57-
:39
ste oordeelvellingen uitlokken, verre het grootste gedeelte
der burgers verwierp haar als hersenschimmige verbeel-
dingen van een jong en zeer dom meisje ; de eenvoudige
volksklasse echter begaf zich naar de woning van Soubi-
rous, om meer bijzonderheden van de verschijning te ver-
nemen en sloeg er veel geloof aan ; terwijl enkele godvruch-
tige zielen er ernstig in het gebed over nadachten. Tot
deze laatsten behoorde mejuffrouw Antoinette Peyret, lid
van de congregatie der kinderen van Maria, en mevrouw
Millet. Dezen gingen naar Bernadetta, lieten zich alles
verhalen wat er gebeurd was, en vroegen haar een vol-
genden keer te mogen vergezellen.
— „Wij zullen schrijfgerief medenemen," spraken zij;
„gij moet aan die vrouw vragen wie zij is en wat zij wil;
en als gij het niet begrijpen mocht, zeg haar dan dat zij
liet voor u op schrift stelle. Misschien is het wel eene
ziel uit het vagevuur, die ons om hulp komt smee-
ken____"
Daags na aschdag, den 18den Februari, voelde het kind
zich weder hevig getrokken naar de geheimzinnige grot,
vroeg verlof en spoedde zich, na de H. Mis van half-zes
te hebben bijgewoond, met genoemde juffrouwen daarheen.
Daar de herstelling van den molen voltooid en bijgevolg
het kanaal niet meer doorwaadbaar was, moesten zij langs
een anderen weg over moeilijke rotssteenen langs de berg-
helling der Espélugues (\') heenklauteren ; maar Bernadetta,
(1) De grotten der Espélugues zijn beroemd en het beklimmen van den
hoogen en steilen steenberg overwaardig. \'t Is of de natuur daar haar
meesterstuk in de gothiek, zoowel van gangen en ruime hallen als van
kruisgewelven en kolommen, heeft willen bouwen. Drie groote openingen,
-ocr page 58-
40
hoe zwak en kortademig zij anders wezen mocht, scheen
daarvan nu niets te voelen en ijlde hare geleidsters voor-
uit. Toen dezen hijgend en afgemat bij de rots kwamen,
lag de kleine zienster reeds op de knieën den rozenkrans
te bidden, met de oogen strak naar de grot gewend. Op
eens gaf zij een gil en geraakte als in geestvervoering.
—  „Ziet, daar is zij !" riep zij uit; „zij roept mij eu
geeft mij een teeken om naderbij te komen \\"
—  „Vraag haar of wij hier blijven mogen, anders zullen
wij heengaan," sprak mevrouw Millet.
Bernadetta scheen een oogenblik te luisteren en zeide
dan: „Gij kunt blijven."
Intusschen knielden ook de beide juffrouwen neer,
ontstaken eene gewijde waskaars eu aanstaarden sprakeloos
het kind, dat geheel verslonden scheen, in hetgeen het
aanschouwen en vernemen mocht. Zij konden zich ein-
delijk niet onthouden tot haar te zeggen :
—  „Maar nader dan toch als zij u roept en tot zich
wenkt. Vraag haar, wie zij is en waarom zij hier verschijnt.
Vraag haar, of zij eene ziel uit het vagevuur is, die een
gebed of eene heilige Mis verlangt. Verzoek haar, op dit
stuk papier alles te schrijven wat zij begeert; en wij be-
loven plechtig alles te zullen doen, wat ter harer rust ver-
eischt wordt."
Bernadetta nam het papier, den inkt eu de pen aan,
naderde tot de rots en ging zelfs de onderste grot binnen,
fraaie eu regelmatige spitsbogen, geven toegang tot een hooge en breede
spelonk, wier wanden en vloer zeer gelijk en glad zijn, en waarin andere
hooge eu smalle gangen uitloopen. Zij hebben den architekt het bouw-
plan ingegeven voor de kapel en kerk boven de Massabiella-rotsen.
-ocr page 59-
41
waarin de rnidddelste openiug, die altijd de verschijning
bevatte, uitkwam ; verhief zich op de teenen en stak de
handen omhoog als om hetgeen zij droeg over te reikeu.
Maar spoedig keerde zij uit de grot terug tot hare gezel-
linnen en verhaalde, dat de heilige vrouwe haar geant-
woord had :
—  „Wat ik u te zeggeu heb, behoef ik niet te schrijven :
bewijs mij slechts de gunst van gedurende veertien dagen
hier te komen." (*)
Vervolgeus had de heilige vrouwe beloofd haar gelukkig
te zullen maken, niet in deze maar in de andere wereld.
—  „Zij ziet u op dit oogenblik aan," zeide Bernadetta
tot Antoinette Peyret, terwijl zij hare blikken weder op
de middelste grot gevestigd hield.
De godsdienstige congreganist was geheel ontroerd en
sprak bevend:
—  „Vraag haar, of wij u gedurende die veertien dagen
vergezellen mogen."
Het kind herhaalde die vraag en zeide dat het antwoord
luidde:
—  „Zij mogen vrijelijk u vergezellen en meer anderen
ook; ik wensch zelfs veel toeloop van volk te zien."
Nu stond zij op, want de verschijning was verdwenen.
Eernadetta verhaalde aan hare ouders welke belofte zij
had afgelegd, terwijl Antoinette Peyret en mevrouw Millet
niet konden zwijgen, van hetgeen zij aan de Massabiella-
(\') Uit is de zin iler eerste «oorden in de landtaal, welke Bernadetta
van de verschijning vernam: hé-mé of hémè la gracia; iu
\'t Fransch s fais moi Ie plaisir, la gracieuseté; in \'t
Hollandsen : doe m ij het genoegen, b e w ij s m ij de gunst.
-ocr page 60-
♦2
rotsen hadden bijgewoond, en van de geestvervoering des
kinds; zoodat het gerucht van al die vreerade dingen spoe-
dig door de gansche stad verspreid eu, daar het juist
marktdag was, (\') dien avond ook tot alle omliggende
plaatsen, als Bagnères, Earbes, Cauterets, Saint-Pé en Nay
was doorgedrongen. Geen wonder dan ook, dat reeds den
volgenden ochtend honderden nieuwsgierigen het kind bij
de grot stonden op te wachten; zaterdags waren er zeker
vier- of vijfhonderd, en zondags eenige duizenden.
En wat zagen, wat hoorden die allen? Niets, volstrekt
niets dan een arm kind, dat op de knieën lag en den
rozenkrans bad, de blikken onafgewend op de middelste
grot gevestigd; een arm ziekelijk kind van veertien jaren,
dat in geestvervoering en als geheel buiten zichzelve scheen
en dat beweerde, iets te zien en te hooren.
Op den eersten zondag van de vasten werd Bernadetta
reeds bij het krieken van den dag door eene ontelbare
menigte aan de grot opgewacht; zij verscheen daar met
hare ouders, die den vorigen dag getuigen waren geweest
van hare geestvervoering en nu ook aan de verschijningen
geloofden. Een der uitstekendste artsen van Lourdes, dok-
ter Dozous, was insgelijks aanwezig en plaatste zich on-
middellijk naast het kind, toen het zich op de knieën
(1) Loui\'iies beeft om \'Ie 14 dagen des douderdags een zeer belangrijke
markt, waarop vooral veel vee wordt aangevoerd. Ik heb zulk een markt
bijgewoond, die wel een bont maar allerschoonst mengelmoes van de nati-
onale Spaansche en Fransche kleederdracht der bergbewoners teaanschou-
wen geeft, en aan de breede wegen, die door de Pyreneën slingeren, nu
eens stijgende dan weder dalende, eene levendigheid en kleurenpracht
schenkt, als wij Nederlanders niet kennen.
-ocr page 61-
1:3
wierp, de kaars ontstak, die het in de hand werd gegeven,
en begon te bidden. Zoodra Bemadetta in vervoering ge-
raakte, het teeken, dat zij de verschijning weder zag, voelde
hij haar den pols en sloeg met opmerkzaamheid al de be-
wegingeu gade, die hem eene of andere ziekelijke aandoe-
ning konden aangeven ; maar hij moest eerlijk bekennen,
dat de pols zeer regelmatig bleef, dat er geen schijn van
zenuwtoevallen of hallucinatie aanwezig was, en dat hier
iets plaats greep, wat in de geneeskunde niet bekend was.
Het was hem toch gebleken, dat zij zich bewust was van
hetgeen rondom haar voorviel ; want toen haar kaars was uit-
gewaaid, hield zij die ter zijde om weder aangestoken te
worden; en als iemand met een stok tot de grot ging om
naar de opening, waarin de schoone vrouw verscheen, te
slaan, schrikte zij en maakte eene beweging om het te
beletten, terwijl groote angst op haar gelaat te lezen stond.
De geleerde arts wist er zich geen rekenschap van te geven,
getuigde er niets van te begrijpen, en verliet de plaats met
het voornemen, zijn onderzoek in de volgende dagen voort
te zetten.
Toen de verschijning was verdwenen zeide Bemadetta,
dat de schoone vrouw haar had geboden, voor de zondaars
te bidden.
Daar de politie er zich dezen dag mede ging bemoeien
en vader Soubirous met vervolging had bedreigd, als hij
zijn kind niet te huis hield, werd Bemadetta \'s maandags
naar school gezonden en ook door de zusters duchtig on-
der handen genomen. Maar zij antwoordde altijd, dat zij
beloofd had, veertien dagen lang te zullen komen, en
dat zij den aandrang niet kon wederstaan, die haar soms
-ocr page 62-
44
eensklaps naar de grot dreef. In het middag-uur, als de
kinderen naar huis gingen om het middagmaal te nemen,
giug zij dan ook, niettegenstaande het verbod der zusters,
van haren vader en van den commissaris van politie, we-
der derwaarts, maar wachtte en bad tevergeefs, want zij
bekende al weenende, dat de heilige vrouw haar niet ver-
schenen was. Vader Soubirous, ziende dat zijn kind onwe-
derstaanbaar naar de grot getrokken werd, hief zijn verbod
op, en dinsdags beweerde de kleine zienster de verschijning
weder gehad te hebben, en dat de schoone vrouw had ge-
sproken :
— „Ik heb u iets te zeggen wat alleen u aangaat, en
dat gij altijd moet geheim houden." En toen dat geheim
was medegedeeld, voegde zij er bij : „en nu, mijne dochter!
ga en zeg aan den priester, dat ik hier ter mijner eere eene
kapel wil gesticht hebben."
De deken van Lourdes, de eerwaarde heer Peyramale,
was eeu uitstekend priester, dien ik heb leeren hoogach-
ten en liefhebben in de weinige dagen, die ik bij hem heb
doorgebracht. Van nature voortvarend, ja onstuimig in
zijne liefde voor het goede, was hij door de genade zacht
en wijs in het stichten daarvan. Ofschoon van een vast
karakter en veel wilskracht, was hij toch uiterst omzichtig,
zelfs tot overdrijving toe; hoe groot en vurig zijn ijver ook
wezen mocht, nooit zou hij de voorzichtigheid uit het oog
verliezen. Streng en onbuigzaam wanneer hij meende tegen
misbruiken of kwade gewoonten zich te moeten verzetten, even
streng en eveu onbuigzaam was hij, om de verdrukte onschuld
te verdedigen, en het goede door te zetten, dat hij nood-
zakelijk oordeelde. Zonder aanzien van persoon, zonder zich
-ocr page 63-
1.5
aan het oordeel van anderen te storen, giug hij immer
recht op het doel af, dat zijn plicht hein gesteld had, en
wist met groot beleid alle hinderpalen uit den weg te
ruimen en alle moeielijkheden te overwinnen. Daarbij was
hij zeer onbaatzuchtig en droeg den armen een mede-
lijdend en milddadig hart toe, zoodat zelfs de liberalen
van die dagen van hem getuigden: „hij is niet altijd ge-
makkelijk, maar hij is liefdadig en hangt niet aan het
geld. Als hij geen toog droeg, zou hij de beste mensch
van de wereld zijn."
Deze ijverige, ferme, apostolische man was door de god-
delijke Voorzienigheid als herder over de parochie gesteld,
toen Bernadetta de verschijningen kreeg. Ofschoon van
alles kennis dragende, wat er in de laatste dagen was ge-
beurd, had hij zich met opzet van alle uitspraak of oor-
deel onthouden, en zelfs aan zijne onderhoorige geestelijken
verboden, naar de grot te gaan, of zich over die zaak uit
te laten.
Toen de arme zienster in hare schamele kleeding bij
hem binnentrad, vroeg hij op strengen toon :
—  „Zijt gij niet Eernadetta, het dochtertje van den
molenaar Soubirous?"
—  „Ja, mijnheer pastoor !" antwoordde het kind.
—   „Welnu dan, Eernadetta I wat wilt gij ? wat komt
gij hier doen ?" vroeg hij weder, haar met scherpe oogen
aanziende.
—   „Mijnheer pastoor!" hernam zij : „ik kom va:i
de vrouwe, die mij bij de grot van Massabiella ver-
schijut.. .."
—  „Ah ja!" viel de deken haar ruw in de rede : „gij
-ocr page 64-
16
beweert verschijningen te hebben en brengt met uwe his-
tories de geheele wereld in beweging. Wat moet dat alles
beduiden ? Wat kan u sedert eenige dagen overkomen
zijn ? Wat zijn dat voor zonderlinge zaken, die gij beves*
tigt en door niets bewijst ?"
Het kind schrikte van die harde woorden en beefde
zichtbaar; maar spoedig herstelde het zich weder en scheen
in zijn onschuld allengs de noodige kracht te vinden, om
met bedaardheid en in eenvoudigheid des harten alles te
vertellen, wat het gezien had en gehoord.
De verstandige priester, ofschoon innerlijk getroffen door
het ongekunsteld verhaal van het onnoozel meisje, dat
met eene overtuiging sprak, alsof er geen zweem van
twijfel mogelijk ware, liet niets van zijne gemoedsbeweging
blijken en deed zichzelven geweld aan, om den vorigen
harden toon tegenover Hernadetta vol te houden.
—  „En gij kent den naam van die vrouw niet?"
—   „Neen, zij heeft mij niet gezegd wie zij is," ant-
woordde zij.
—  „Zij die u gelooven, verbeelden zich, dat het de
heilige Maagd Maria is," hernam de deken. „Maar weet
gij wel dat, zoo gij leugenachtig beweert haar in de grot
te zien, gij groote kans hebt, haar nooit in den hemel te
zien ? Hier zegt gij alleen haar te zien, en daarboven, zoo
gij liegt, zullen alle anderen haar zien, gij alleen niet ;
want dan zult gij voor uwe bedriegerijen eeuwig van haar
rwijderd en naar de hel verwezen worden ...."
—  „Ik weet niet of het de heilige Maagd is, mijnheer
pastoor!" was het argeloos antwoord ; „maar ik zie de
verschijning zooals ik u zie, en zij spreekt tot mij, gelijk
-ocr page 65-
47
gij tot mij spreekt. En ik kom u vau harentwege zeggen.
dat zij eene kapel wil gebouwd hebben op de rotsen van
Massabiella, waar zij zich aan mij vertoonde."
De laatste woorden deden den pastoor glimlachen. Had
hij straks al eenig geloof aan hare verzekeringen gehecht,
thans twijfelde hij weder en gebood haar woordelijk nog
eens te herhalen, wat de verschijning bevolen had. Zij zeide
letterlijk:
—  „Nadat zij mij het geheim had toevertrouwd, dat mij
betreft en dat ik u niet openbaren mag, heeft zij er bij
gevoegd: en ga nu aan de priesters zeggen, dat men mij
hier eene kapel bouwe."
De deken bleef eene wijle zwijgend als om te overwegen,
wat er van deze geschiedenis kon waar zijn; eindelijk
sprak hij;
—  „Als de vrouw, waarvan gij spreekt, inderdaad de
koningin des hemels is, dan zal ik mij gelukkig achten,
met al mijn vermogens er toe bij te dragen, dat haar eene
kapel gesticht worde; maar uw woord is voor mij geen
zekerheid, niets verplicht mij u te gelooven. Ik weet niet
eens wie die vrouw is, en alvorens mij bezig te houden
met hetgeen zij verlangt, wil ik weten of zij er recht op
heeft. Vraag haar derhalve eerst dat zij mij een bewijs van
hare macht geve. Gij zegt, dat zij met den voet, staat op
een wilden rozelaar: \'t is Februari, zeg haar dan van
mijnentwege dat, als zij eene kapel verlangt, zij den roze-
struik nu doe bloeien."
En hij zond haar weg.
Den volgenden dag was eene ontzettende menigte, waar-
onder ook de vrijdenkers van Lourdes, bij de rots vergaderd,
-ocr page 66-
48
in afwachting of het teeken, door den pastoor gevraagd,
zou gegeven worden. Bernadetta scheen hare gewone ver-
schijning te hebben, maar de rozelaar bleef zijn dorre
takken in de grot uitsteken.
—  „Welnu, hebt gij haar vandaag gezien?" vroeg de
pastoor, toen zij van de grot terugkeerende bij hem binnen-
tiad; „en wat heeft zij u gezegd ?"
—  „Ik heb de verschijning weder gezien," hernam het
kind, „en haar gezegd : mijnheer de pastoor verzoekt u
eenige bewijzen te geven, bijvoorbeeld, den rozelaar, die
onder uwe voeten groeit, te doen bloeien, omdat mijn woord
den priesters niet voldoende is en zij zich niet op mij ver-
laten willen. Toen heeft zij geglimlacht maar zonder een
woord te spreken. Daarna heeft zij mij bevolen voor de
zondaars te bidden en tot binnen in de grot te gaan. En
zij heeft tot driemalen uitgeroepen:" boetvaardigheid! boet-
vaardigheid! boetvaardigheid!" welke woorden ik herhaalde,
op mijn knieën tot binnen in de grot kruipende. Daar
heeft zij mij nog een tweede geheim, dat mij persoonlijk
aangaat, geopenbaard en toen is zij verdwenen."
—  „En wat hebt gij binnen in de grot gevonden?"
was nogmaals de vraag.
—   „Niets dan de kale rots en op den grond eenige
weinige, grasspieren, die te midden van het stuifzand op-
schieten."
De priester bleef in gedachten verzonken en besloot
eindelijk met de woorden:
—  „Wij zullen zien en afwachten,"....
Des avonds vertelde de pastoor aan zijn kapelaans en
eenige vreemde geestelijken, die bij hem waren, wat het
-ocr page 67-
49
meisje hem gezegd had, eu werd niet weinig geplaagd,
omdat hij zoo weinig van de H. Maagd kon verkrijgen
en zij daarenboven om zijne vraag geglimlacht had, wat
als een slecht voorteeken werd beschouwd. De deken wist
zich echter met zijne gewone gevatheid te redden en be-
weerde:
— „Als het O. L. Vrouw is die daar verschijnt, dan
is haar glimlach een goed teeken voor mij, want zij steekt
met niemand den spot en zou niet glimlachen als ik iets
gevraagd had, dat haar onanngenaam was.
„Intusschen, de zaak is mij nog duister, en zoolang ik
geen stellig bewijs heb voor of tegen, zoolang moeten wij
het stilzwijgen blijven bewaren en er ons volstrekt niet
mede inlaten."
Toen Beruadetta in den vroegen ochtend van donderdag
den 26st™ Februari aan de Massabiella-rotsen verscheen,
was daar weder eene ontelbare menigte verzameld, om ge-
tuige te zijn van hetgeen er met de kleine zienster zou
plaats grijpen; te meer, daar men altijd nog het teeken,
door den pastoor gevraagd, wachtte. Zij knielde neder,
begon te bidden met de oogen naar de grot gewend en
geraakte weldra in verrukking. De menigte, welke voor
een groot gedeelte met haar op de knieën lag, zag haar
naar de rots kruipen en wel naar den rechterkant, waar
het gewelfsel der grot in afdalende richting nederloopt. Daar
was niets dan rotsgrond en stuifzand, waaruit hier en daar
een armoedig busseltje spichtig gras, dorine geheeten, zich
verhief. De kleine zienster begon daar met hare tengere
en zwakke vingers den harden steengrond los te krabben
en in de aarde te wroeten. De toeschouwers wisten niet
4,
-ocr page 68-
50
wat daarvan te denken, en begonnen voor het grootst gedeelte
te lachen; maar weldra zagen zij vol verbazing hoe de
bodem van het kleine kuiltje, door de zwakke hand van
het kind gegraven, vochtig werd, en hoe een geheimzinnig
water dwars door de rotsblokken en aardkorsten druppel
voor druppel kwam opborrelen, om spoedig de gemaakte
holte te vullen. Dit water, vermengd met de losgewroete
steenaarde, vormde in den beginne niets dan slijk, zoodat
Bernadetta, die tot driemalen toe beproefde te drinken,
het niet kon binnenzwelgen. Na eene korte poos echter
gelukte het haar, zij dronk er van, waschte er zich mede
en at ook een weinig van het wilde gras. Toen begon allengs
het water over de boorden van den kleinen kuil heen te
loopen, en met een dunnen straal te vloeien van de grot
af naar de plek, waar liet verwonderde volk stond, üie
straal was echter zóó dun en arm, dat de grond, waarover
hij voortschoof, den ganschen dag het water opslurpte en
slechts een vochtige streep ten teekeu overliet.
Toen Bernadetta\'s verrukking geëindigd was, stormde
de menigte naar de grot om het kuiltje te zien, dat nu
immer overliep van water, om er den zakdoek in te be-
vochtigen of het water aan de lippen te brengen. Overstelpt
van vragen, vertelde het kind, dat de verschijning haar
eerst nog een derde geheim had geopenbaard, dat zij niet
mocht mededeelen, en daarna had gezegd :
— „En nu, ga drinken en u wasschen aan de fontein,
en eet het gras dat daar ter zijde groeit."
Toen Bernadetta om zich heen zag en geen ander water
bespeurde dan de Gave, wilde zij zich derwaarts begeven
maar de verschijning sprak weder :
-ocr page 69-
51
— „Niet daarheen: ik heb niet gezegd, ga drinken
aan de Gave, maar aan de fontein die hier is."
Toen had zij in den harden steengrond gekrabbeld, en
het water was verschenen. Eu de pas ontstane bron, wier
rand men steeds afgroef en wijder maakte, werd spoedig
een waterplas, die wel vermengd was met zand en gruizel,
maar steeds in volheid toenam naarmate er water uit ge-
schept werd. Het volk riep mirakel en zong en juichte,
Gode en der heilige Vrouw ter eer; en het vervulde de
stad, waar juist dien dag groote markt werd gehouden,
met de wondervolle gebeurtenis waarvan het getuige was
geweest; zoodat vele vreemdelingen te Lourdes bleven ver-
nachten of nog dienzelfdeu dag wederkeerden, om den
volgenden ochtend tijdig bij de grot te zijn.
Vijf of zes duizend menschen stonden dan ook bij het
eerste morgenkrieken de arme zieuster af te wachten en
riepen juichend toen zij naderde : „daar is de heilige,
„daar is de heilige \\" en zochten al ware het slechts haar
armoedige kleederen aan te raken. Allen knielden met
Bemadetta neder ; de brou borrelde steeds op, was merkelijk
grooter eu de daaruit vloeiende waterstraal veel breeder
geworden; — maar het kind bleef kalm en bedaard, en
verklaarde droevig, dat de schoone vrouw haar niet verscheen.
In den loop van dien ochtend werd verteld, dat er
enkele wonderbare genezingen door het water van de
nieuwe bron hadden plaats gegrepen, en dat Louis Bour-
riette, een arme steenhouwer, die reeds twintig jaren het
gebruik van zijn rechteroog miste en daardoor niet werken
kon, op eens volkomen was hersteld. Dit deed de geest-
drift der burgers nog hooger stijgen, zoodat zij luid
-ocr page 70-
52
biddende, zingende en jubelende met groote scharen naar
de rotsen van Massabiella heentogeu. Tegen den avond
trokken inderdaad de steenhouwers, met den herstelden
Bourriette aan het hoofd, de stad uit, gewapend met
bijlen en houweelen om den steilen heuvel, die den weg
naar de rotsen belemmerde, weg te kappen en een efl\'en
pad daarheen te openen. Vervolgens plaatsten zij een
houten goot voor de bron en groeven een kleinen lang-
werpigen vergaarbak van ongeveer een half el diep, om
het immer aanvloeiend water op te vangen. En als de
laatste zonnestralen achter het gebergte waren verdwenen,
werd de grot al? bij tooverslag verlicht door duizenden
kaarsen. Armen en rijken, mannen, vrouwen en kinderen,
vreemdelingen, soldaten en burgers dwarrelden biddend en
zingend dooreen en riepen de echo\'s der Espélugues wak-
ker, bij het statig en plechtig aanheffen der litanie van
O. L. Vrouwe.
Ook de volgende dagen werd dit tooneel herhaald ; de
verschijning had, zooals Bernadetta verzekerde, weder plaats ;
de bron werd, zooals allen konden zien, iederen dag rui-
mer, het water vloeide aanhoudend in dikker straal, en
de wonderbare genezingen, zooals men verhaalde, werden
telkens menigvuldiger.
Dinsdag, den 2den Maart, kwam Bernadetta andermaal
aan den deken zeggen :
— „De schoone vrouw wil, dat men eene kapel stichte
en processies houde."
De brave priester had nu, ofschoon zijn verzoek om
den rozelaar te laten bloeien niet was ingewilligd, bewijs
genoeg voor de echtheid harer zeuding; hij antwoordde
-ocr page 71-
58
evenwei dat die zaak niet door hem, maar door den
bisschop moest beslist worden.
Op den laatste der veertien dagen, den 4d»n Maart
waren des morgens meer dan twintig duizend menschen
uit de Pvreneën naar de oevers van de Gave heenge-
trokken, om getuigen te zijn van hetgeen daar zou gebeuren.
Langzaam klom de voorjaarszon achter het gebergte op
om een tooneel te beschijnen, dat het oude Lourdes,
hoe grijs en ondervindingrijk, nog nooit had aanschouwd.
Daar stond een oude montagnard, gebogen door de jaren
en eerbiedwaardig als een patriarch te midden der zijnen,
leunende op den zwaren met ijzer beslagen stok ; naast
hem de huismoeder, het oud en gerimpeld gelaat half
verborgen in den langen zwarten mantel, en het waakzaam
oog op de jongsten van het gezin gevestigd, om ze tegen
allen aandrang te beveiligen. Tallooze maagden met haar
roode en witte en blauwe Capulets vormden bevallige groepen,
en lieten de koralen van den rozenkrans door de vingers
glijden of baden stillekens in het gebedenboek, en hadden
groote bezorgdheid voor de kruik, die zij bij zich droegen,
om haar met water uit de wonderdadige bron te vullen.
Hier zaagt ge den boer van Gers met zijn breed hoofd
en reuzenschouders naast het tenger en fijn gelaat van een
Béarner; de Basquers met hun vooruitspringende borst en
hooge schouders staken het onbewegelijk hoofd boven allen
uit, en schenen als standbeelden op den grond geplant.
Rondom hen dwarrelden heeren in deftige kleeding, als
magistraten, kooplieden, notarissen, advocaten en genees-
heeren. De rijk gekleede dames, die in grooten getale
aanwezig waren, droegen de voile over het gelaat getrokken,
-ocr page 72-
54
de handeu in den bonten mof gestoken, en liepen heen
en weer, verkleumd van de koude ochtendlucht.
Deftig en onstoorbaar, van de schouders tot de voeten
in hun lange mantels met vaste plooien gewikkeld, stonden
hier en daar Spanjaarden verspreid, en wachtten met alle
waardigheid en ernst de gebeurtenis af. Onbewegelijk
hielden zij het oog op de grot gevestigd en baden. Ook
soldaten van Lourdes en ruiters van Tarbes waren in
troepen opgedaagd, en liepen bedaard met hun veel-
kleurige rokken en glimmende helmen tusschen de bonte
menigte. Te midden van al die geloovigen hadden ook
eenige vrijdenkers, onverschilligen en godloochenaars zich
eene plaats uitgezocht; de keizerlijke procureur en de
commissaris van politie hadden post gevat op eene kleine
hoogte, van waar zij alles konden overzien ; de sub-
stituut liep in ambtsgewaad met den sjerp om het
lijf heen en weder, en de dienders en maréchaussés waren
hier en daar op wacht gesteld.
Daar gaat eensklaps de kreet op : „de heilige!" en de
aandrang van het volk om haar te zien en zoo mogelijk
aan te raken is zoo groot, dat de maréchaussés haar en harer
moeder een doortocht moeten banen.
Bernadetta knielde neer en al het volk wierp zich
rondom haar op den grond ; de grootste stilte heerschte
onder de duizenden, en werd slechts gestoord door het
ruischen van de stroomende rivier en het murmeleu van
de zacht vloeiende bron. Op hetzelfde oogenblik zag men
de zienster weder in geestvervoering, en hoorde haar aan de
verschijning haren naam vragen. Dan stond zij op, waschte
zich weder in de bron, dronk van het water, proefde
-ocr page 73-
55
nogmaals van het wilde gras en ging vervolgens den
pastoor weder waarschuwen, dat de heilige vrouw herhaald
had eene kapel ter harer eere te begeeren, doch haren
naam nog niet geopenbaard had.
Terwijl dien ganschen dag het bezoeken der grot aan-
hield, en vele duizenden de plaats tot in de kleinste bij-
zonderheden onderzochten, werd eensklaps het gerucht onder
de menigte verspreid, dat er een buitengewoon groot won-
der aan de bron had plaats gegrepen. Men verhaalde
immers, dat het mismaakte en verlamde tweejarige kind
van Jean Bouhohorts stervende, ja, volgens sommiger be-
wering reeds overleden, naar de bron was gedragen, in
het wonderdadig water was gedompeld, en levend en
hersteld naar huis was wedergekeerd. Dit verhaal ver-
hoogde de geestdrift des volks in geen geringe mate, en
werd bijna dagelijks gevolgd door meerdere soortgelijke
verhalen, het eene nog al wondervoller dan het andere.
Daar men echter in de volgende dagen niet meer hoorde
dat Bernadetta verschijningen had, en het sedert 5 Maart
veel sneeuwde en guur weder was, werd de grot allengs
minder bezocht. Het meisje ging er van tijd tot tijd heen
om van de bron te drinken en daar eene wijle te bidden, zooals
anderen ook deden; op O. L. Vrouwe-Boodschap echter
voelde zij weder de geheimzinnige aandrift om naar de grot
te gaan en ijlde, gevolgd van eene overgroote menigte,
derwaarts. De lucht was klaar, en vriendelijk klom de
voorjaarszon aan den helderen hemel. De sneeuw was in
de dalen gedooid, maar kroonde nog de toppen der hooge
steenbergen en glinsterde in zilveren stralen het gouden
zonlicht tegen. Met een blijd hart en vol hope van de
-ocr page 74-
56
schoone vrouw weder te zien, kwam liet kind aan de grot,
en vond daar Louis Bourriette, de weduwe Crozat, Blaisette
Soupenne, Benoite Cazeaux, Auguste Bordes en nog een
twintigtal anderen, die God loofden en prezen, omdat zij aan
de wonderdadige bron hunne genezing te danken hadden.
Zoodra Bernadetta zich op de knieën had geworpen,
geraakte zij iu geestverrukking en zag de verschijning
weder in de grot boven den rozelaar. Gulden stralen om-
gaven de hemelsche figaur, schitterend wit waren kleed
en sluier, zacht hemelsch blauw haar gordel, en de rozen
op haar voeten zacht geel van kleur.
—  „O mijne vrouwe !" riep de kleine zienster : „wil de
goedheid hebben mij te zeggen, wie gij zijt, en hoe uw
naam is 1"
De verschijning glimlachte maar antwoordde niet. Nogmaals
herhaalde Bernadetta dezelfde bede, en nogmaals vernam
zij geen antwoord. Zij smeekte ten derdemale :
—   „O mijne vrouwe, wil de goedheid hebben mij te
zeggen, wie gij zijt en hoe uw naam is !"
Maar ook ten derdemale glimlachte de verschijning en
zweeg. Toen riep het kind, uit het diepste der ziel smee-
kende:
—    „Ach mijne vrouwe, ik bid u, wil de goedheid
hebben mij te zeggeu, wie gij zijt en hoe uw naam is!"
En de verschijning liet haar witten rozenkrans over den
arm glijden, strekte hare armen naar den grond uit, als
om hare zegenrijke handen aan de aarde te toonen, hief
ze vervolgens ten hemel en sloot ze weder met innigheid
op de borst te samen, de oogen naar omhoog geslagen,
en sprak:
-ocr page 75-
57
— „Ik beu de Onbevlekte Ontvangenis!"
Dit gezegd hebbende was de verschijning verdwenen,
en het kind zag evenals de omstanders niets dan een
kaJe rots. Vol blijdschap stond het op, en spoedde zich
naar de stad, gedurig de woorden herhalende : „Ik ben
de Onbevlekte Ontvangenis," om ze niet te vergeten
maar getrouw aan den pastoor te kunnen overbrengen.
Elf dagen daarna, op deu tweeden Paaschdag, 5 April,
vernam het kind nogmaals de inwendige roepstem en ijlde,
gevolgd van eene ontzaglijke menigte, naar haar geliefde
grot. Zij knielde neder en hield eene brandende waskaars
in de handen. Die kaars was zeer groot en steunde op
den grond; maar als de kleine zienster in geestvervoering
geraakte en zich aanbiddend voorover boog, hief zij haar
beide handen langs de kaars omhoog, zoodat die de bran-
dende pit aanraakten. En toen zag men duidelijk dat de
vlam tusschen hare vingers speelde, die aanraakte, er boven
uitschoot en door den wind onophoudelijk van de eene
hand naar de andere werd bewogen, zonder dat het kind
er iets van scheen te bemerken, veel minder te voelen.
Dokter Dozous, die daar aanwezig was, naderde zoo
dicht mogelijk om het vreemde verschijnsel waar te nemen,
en telde met het horloge in de hand vijftien minuten,
gedurende welke hare vingers in gestadige aanraking met
de vlam der kaars waren. Toen liep er eene lichte rilling
over haar lichaam en de vervoering was voorbij, terwijl
hare gelaatstrekkeu den gewonen vorm terug erlangden.
Om zich te zekerder te overtuigen van het wonderbare,
dat hij aanschouwd had, nam de dokter dezelfde bran-
dende kaars uit Bernadetta\'s hand, en hield die als bij
-ocr page 76-
58
ongeluk haar tegen de vingers; doch zij trok ze onmid-
dellijk terug, zeggende :
— „Maar mijnheer ! gij brandt mij."
Op 16 Juli, het feest van O. L. Vrouw van den berg
Carmel, had de laatste verschijning plaats des avonds ten
8 ure. De Onbevlekte Ontvangenis vertoonde zich in al
aaren hemelschen luister, maar slechts voor een kort
oogenblik en sprak geen enkel woord. Na dien tijd hielden
de verschijningen op.
Zoo verhaalde dus het arme meisje Bernadetta Soubi-
rous, dat zij achttien malen eene verschijning had gehad
van eene schoone Vrouwe, die zich de Onbevlekte Ont-
vangenis noemde, en eene kapel ter harer eere wenschte
gesticht te hebben. Maar daar was tegelijkertijd op vreemde
wijze eene immer watergevende bron ontstaan naast de
grot, waarin de verschijningen hadden plaats gegrepen; en
bij honderdtallen werden de wonderbare genezingen verhaald,
die bij de bron op de voorspraak der Onbevlekte Ont-
vangenis gebeurden.
-ocr page 77-
IV.
DE STRIJD.
Lourdes is door haar aanhoudend verkeer met de dui-
zenden van reizigers, die uit alle landen naar de warme
baden der Pyreneën trekken, tot een vrij hoogen trap van
hedendaagsche verlichting en beschaving opgeklommen. Het
volk is goed onderwezen; daar is niemand, die niet vol-
ledig onderricht heeft genoten; daarbij is het eenvoudig,
rechtschapen en godsdienstig. De hoogere klasse daaren-
tegen, geleid door de ambtenaren, had reeds in de dagen,
die onze geschiedenis voorafgaan, begrepen, dat de weten-
schappelijke richting der koffiehuizen en liberale dagbladeu
haar meer gelijkenis zou geven aan de groote wereld, die
zooveel weelde en geluk ten toon spreidde en zooveel
voorspoed aan het kleine stedeke schonk. Naast veel goeds
vond men in Lourdes dan ook veel kwaads. De rechtbank
van eersten aanleg, het kantongerecht, het stedelijk bestuur,
de politie, het garnizoen van het oude kasteel, de advo-
caten, de dokters en de redacteurs van de stedelijke cou-
rant hielden eene sociëteit, waarop de liberale bladen van
Parijs gelezen, en de groote vraagstukken van den dag volgens
de hedendaagsche beginselen werden behandeld; terwijl de
geestelijkheid en de burgers zich vergenoegden met hun
-ocr page 78-
60
broederschappen eu gildeii, met niet liberale dagbladen en
het degelijk onderwijs, dat op de fratersschool en door de
zusters van Nevers gegeven werd.
De eersten, die zich bezighielden met de wonderbare
verschijningen van Bernadetta Soubirous, waren de steen-
hakkers — zeer talrijk in Lourdes —, de arbeiders, de
naaisters, de dienstboden, met één woord: de armere,
klasse, waarvan sommigen er den draak mede staken,
terwijl anderen er aan geloofden. Later werd de vreemde
zaak vooral door eenige godvruchtige burgervrouwen be-
sproken en overwogen; totdat zij eindelijk na de derde
verschijning overal ruchtbaar werd, en de aandacht van
allen begon te vragen. Weldra hoorde men dan ook overal
in het openbaar over de grot van Massabiella spreken, eu
kwam bij het grootste gedeelte der burgers zich de over-
tuiging vestigen, dat de heilige Maagd Maria daar wezeulijk
verscheen.
Het kon niet uitblijven, of deze wonderbare geschiedenis
moest ook op de sociëteit, waar al wat zelfdenkend was of
wilde schijnen vergaderde, in het breede behandeld worden.
De moderne wijsgeeren meenden gerechtigd te zijn het
eerste woord te spreken en zeiden:
— „Dat kind heeft nog niet eens de jaren om een eed
te kunnen afleggen; voor de rechtbank zou men het, zelfs
wanneer het iets zeer onbeduidends verklaarde, ter nauwer-
nood aanhooren : en nu zoumenhetgelooven, terwijl er sprake
is van eene onmogelijkheid, eene verschijning ? ... Is het
niet duidelijk, dat hier comedie wordt gespeeld door de
ouders of misschien ook wel door de priesterpartij, om
geld te krijgen? Men heeft niets meer dan twee goede
-ocr page 79-
61
oogen noodig om dit ellendig spel te ontmaskeren, en
ieder onzer heeft daartoe geen tien minuten werks."
Zij wilden zelfs in hun overmoed de proef op de som
leveren en gingen daarom, met hun twee goede oogen
gewapend, Bernadetta zien, ondervragen en zelfs bij hare
geestvervoeringen tegenwoordig zijn. Maar helaas! de ant-
woorden van het kind waren zoo eenvoudig en natuurlijk,
zoo vrij van tegenspraak, en droegen zoozeer het kenmerk
der waarheid, dat zij wezenlijk wel in staat waren om
zelfs de meest vooringenomen geesten van hunne oprecht-
heid te overtuigen. En wat de geestvervoeringen betrof:
inen moest erkennen dat de kunst, ook der grootste ac-
trices van de Parijsche Opera, zoover niet reikte ; zoodat
dus de verklaring der wijsgeereu geen vier-en twintig uren
oud werd.
De eigenlijke geleerden van Lourdes verkneuterden zich
in de nederlaag hunner filosofische vrienden, en kwamen
nu met hunne uitlegging voor den dag, de eenige, die
volgens hun beweren waar en mogelijk was.
— „Wij kennen dat alles; daar steekt niets vreemds
in; niets is natuurlijker!" riepen zij triomfantelijk uit.
„Dat kleine meisje is oprecht in hare antwoorden, volkomen
oprecht; maar zij lijdt aan hallucinaties: zij meent iets te
zien en te hooren, en zij hoort of ziet niets. En wat die
geestvervoeringen betreft: die zijn volstrekt niet door kunst
of comediespel te verklaren, maar alleen door de genees-
kunde. Eene beroering in spieren en zenuwstelsel veroor-
zaakt haar eene verwarring in de hersenen; zij heeft val-
lende ziekte, zij is cataleptiek."
De redacteur van de Laredan, het weekblad van Lour~
-ocr page 80-
62
des, sprak niets en bewaarde zijne opvatting van het feit voor
het volgend nommer, dat volgens gewoonte een paar
dagen te laat verscheen. Daarin gaf hij dan ook een mees»
terlijk staaltje van de wijze, waarop vrijdenkers de geschie-
denis schrijven, en van de goede trouw, die hen bij het
behandelen van zaken bezielt. De courant van 18 Februari
behelsde het volgende bericht :
—  „Drie jonge kinderen waren takken gaan rapen van
de boomen, die laatst buiten de stad zijn omgehakt. Toen
zij door den eigenaar werden betrapt, vluchtten zij in allerijl
in een der grotten, die bij den boschweg van Lourdes
gelegen zijn."
Niet waar ? dat was een meesterlijke slag : Hernadetta
was eene diefegge, bijgevolg kon er van bovennatuurlijke
dingen geen sprake zijn. Het zou bespottelijk zijn geweest,
er nog langer van te reppen. Ongelukkig echter voor den
vindingrijken redacteur volgden gedurende veertien dagen
de verschijningen bijua onafgebroken elkander op,en spoed-
den zich de nieuwsgierigen met duizendtallen naar de grot
heen, om getuigen te zijn van de geestvervoering des
armen kinds. Hij moest dus ondervinden, dat zijne be-
schuldiging bij niemand ingang had gevonden en door
niemand ernstig werd opgenomen. Maar daarom nog niet
beschaamd: hij was nederig genoeg om aanstonds van
batterij te veranderen, eu zich bij de geleerden van het
vak aan te sluiten. Met een voornaam medelijden schreef
hij in de courant, die allengs uit hare traagheid was op-
gestaan, ora voortaan zelfs een paar dagen vroeger de pers
te verlaten.
—   „Wij zullen niet verder gewagen over de verschil"
-ocr page 81-
63
lende lezingen, die in omloop zijn aangaande het door ons
medegedeelde feit; wij zullen alleen vermelden, dat het
jonge meisje iederen morgen voor den ingang van de grot
gaat bidden, met eene brandende kaars in de hand, en
omgeven van meer dan vijfhonderd personen. Daar ziet
men haar van de grootste ingekeerdheid tot een zacht
glimlachen overgaan, en vervolgens in een staat van de
hoogste geestvervoering vervallen; tranen wellen uit haar
strakke oogen, die zij onbewegelijk op de middelste grot
gevestigd houdt, waar zij de H. Maagd meent te zien.
Wij zullen onze lezers op de hoogte houden dezer gebeur-
tenis, die dagelijks nieuwe aanhangers vindt. Alles doet
veronderstellen, dat het kind lijdt aan catalepsie" . ..
De geleerden behielden dus de baan en ventten overal
hunne verklaring uit. „Weet wel," zoo luidde hunne uit-
spraak, „dat er niets bovennatuurlijks hier beneden bestaat,
en dat alleen de wetenschap zeker is en alles verklaart.
Zij vergelijkt, zij oordeelt, zij beschouwt slechts het feit.
Het bovennatuurlijke was goed in die eeuwen van on-
wetendheid, toen de wereld geheel in het bijgeloof lag
verzonken, toen men nog niet wist waar te nemen en te
onderscheiden, toen men de krachten en werkingen der
natuur nog niet wist te achterhalen; maar thans ... wij
dagen het uit, zich te vertoonen ; wij zullen er bij zijn !
Doch ziedaar nu de domheid van het volk : omdat een arm
en volslagen onwetend kind ziek is : omdat het in zijne
koorts ijlt en vreemde dingen vertelt, roepen al die dwa-
zen mirakel. Men moet waarlijk van zijn verstand beroofd
zijn, om eene verschijning te zien waar niets verschijnt,
en eene stem te hooren, waar geene stem is. Dat die be-
-ocr page 82-
64
weerde verschijning de zon doe stil staan gelijk Josue;
dat zij de rots aanrake gelijk Moyses, eu er water uit
voortbrenge; dat zij ongeneeslijke zieken gezoiid make, of
liet een of ander aan de natuur bevele: en wij zullen
haar gelooven. Maar wie weet niet, dat zulke dingen nooit
zullen gebeuren, gelijk zij nooit gebeurd zijn ? ..."
Eeuige weinigen echter, zooals dokter Dozous, de ad-
vocaat Dufo, de president der rechtbank Pougat, meen-
den dat deze redeneering niet doorging, eu dat men geen
feiten, die gezegd werden plaats te grijpen, zonder onder-
zoek in naam der moderne kritiek als fabels of bedriege-
rijen mocht verwerpen; waarom zij besloten zelven die
feiten zoo nauwkeurig mogelijk waar te nemen eu te on-
derzoeken.
intusschen gingen de verschijningen geregeld haren
gang; duizenden kwamen van alle kanten om bedevaar-
ten naar de grot te doen; men hoorde bijna van niets
anders spreken dan van bovennatuurlijke zaken ; en dat in
den vollen glans van onze verlichte negentiende eeuw!...
\'t Was immers een gruwel ? en zoo het domme volk niet
wilde luisteren naar de taal der wetenschap, dan was het
meer dan tijd, dat de burgerlijke overheid een einde aan
al die bijgeloovigheid maakte. Zoo dachten de keizerlijke
procureur Dutour, de vrederechter Duprat, de substituut,
de commissaris van politie eu meer anderen. Verbeeld u
ook, een mirakel durft zich zoo maar onverwacht in de
negentiende eeuw vertoonen, zonder voorafgaand verlof of
machtiging van de wijzen der eeuw! Dat is immers eene
bittere beleediging aan de beschaving, en een aanval op
de veiligheid van den staat ? De eer derhalve van onze
-ocr page 83-
65
verlichte eeuw vordert dringend dat daaraan paal en perk
worden gesteld.
Maar hoe er de hand des gezags op te leggen ? De orde
werd, niettegenstaande de duizenden van bezoekers, niet
in het minste gestoord ; de vrijheid van geweten gaf iedereen
verlof om te bidden wanneer en waar hij verkoos ; en
niemand kon een kind beletten, verschijningen te ontvangen,
noch het volk, om aan die verschijningen te gelooveu. De
commissaris van politie, mijnheer Jacomet, nam het op
zich, dit vraagstuk op te lossen.
Het worde ter zijner eere gezegd: hij was een man,
geboren voor zijn ambt en bezat, ofschoon nog jong,
zijns gelijke niet in het opsporen van misdadigers en het
ontwarren van moeielijke en ingewikkelde gevallen. Tegen-
over boosdoeners en nelten was hij gevat, geslepen en
welsprekend; tegenover brave en fatsoenlijke menschen
echter was hij bedeesd, verlegen en zonder kracht. Hij
stond verslagen als hij de waarheid eu oprechtheid voor
zich zag staan, eu meende bijna dat het eene beleediging
voor hem was, wanneer meu onschuldig durfde zijn. List,
bedrog, veinzerij, zelfs schijnheiligheid zag hij overal en
in alles; en zijn rusteloos streven was, die zooveel moge-
lijk aan het daglicht te brengen, ten einde door vele schit-
terende blijken van bekwaamheid en ijver de aandacht op
zich te trekken, en eene hoogere betrekking te verdienen.
Hij bemoeide zich dan ook met alles eu bezat zulk een
invloed, dat de procureur, de maire en zelfs de prefekt
van het departement, de baron Massy te Tarbes, niet anders
zagen dan door de oogen van Jacomet.
Op den eersten zondag van de vasten wareu de vespers
5
-ocr page 84-
66
in de parochiekerk gezongen, en Bemadetta spoedde zich
naar huis. Eensklaps voelt zij zich bij den schouder gegrepen,
en ziet met schrik een agent van politie naast zich staan.
—  „In naam der wet \\" roept de snorbaard uit.
—  „Wat wilt ge ?" vraagt het ounoozele en bevende kind.
—  „Ik heb order u te vatten en op te brengen."
—  „En waar naar toe ?"
•— „Naar den commissaris van politie, volg mij,"
luidt het harde antwoord.
Een kreet van verontwaardiging gaat uit de menigte op,
die haar nog dienzelfden ochtend in geestvervoering heeft
aanschouwd; eenigen zelfs willen haar losrukken en in
bescherming nemen ; maar een priester, die met hen de
kerk verlaat, vermaant ze tot kalmte en bedaardheid en
gebiedt, dat men het gezag vrij late handelen. Men gehoor-
zaamt, hoewel met tegenzin, en volgt het gevangen meisje,
om voor de deur van het commissariaat den afloop van
het verhoor af te wachten. Een oogenblik daarna staat
Bemadetta voor mijnheer Jacomet.
De commissaris verwierp geheel en al het gevoelen der
geleerden en wilde van geen catalepsie, noch van hal-
lucinaties, noch van eenige ziekelijke aandoening der
hersenen hooren. Immers de eenvoudige verhalen van het
kind en de verklaringen van dokter Dozous waren niet
overeen te brengen met deze veronderstelling. Aan de
mogelijkheid van bovennatuurlijke verschijningen geloofde
hij evenmin; want nog nooit had hij, met al zijne sluw-
heid, God achter een bovennatuurlijk feit ontdekt. In
zijne ziel dus overtuigd, dat het niet anders dan valsche
verschijningen konden zijn, wilde hij der geheele wereld
-ocr page 85-
67
eens toonen, dat zijne wetenschap de bare ver overtrof,
en dat hier aan niets auders dan bedrog moest gedacht
worden. Misschien zou hij teveus de gelegenheid hebben
om te ontdekken, in hoeverre ook de geestelijkheid daarin
de hand had; want al hadden zijne spionnen verklaard,
dat het kind nooit aan de pastorie kwam en ook nog
nooit den biechtstoel was iugegaau, dit bewees uog vol-
strekt niet, dat er geen verdenking mocht bestaan.
Toen Bernadetta binnentrad, nam hij met zijn arends-
blik haar geheel op, en trachtte reeds terstond de bedrie-
gerijen te lezen, die op den bodem van haar hart nood-
zakelijk moesten schuilen. Maar ook op hetzelfde oogeublik
gaf hij aan zijn gelaat eene vriendelijke en goedgunstige
uitdrukking, terwijl hij haar deed nederzitten en vroeg :
— „Het schijnt, dat gij eene schoone vrouw bij de
grot van Massabiella ziet, mijn lieve kleine ? vertel mij
daar eens alles van."
Terwijl hij uog sprak, werd de kamerdeur zacht geo-
pend en trad er iemand binnen ; \'t was de ontvanger der
indirecte belastingen, mijnheer Estrade, een der voomaam-
ste en verstandigste inwoners van Lourdes. Deze ambtenaar
bewoonde hetzelfde huis van Jacomet en was uiterst
nieuwsgierig naar het verhoor, dat de kleine zieuster ou-
dergaan zou, daar hij geheel en al het gevoelen van den
commissaris deelde en bedrog als zeker hier aannam. Ja,
hij was zoozeer overtuigd van het bespottelijke der zooge-
naamde verschijningen en geestvervoeringen, dat hij zich
niet eens gewaardigd had om naar de grot heen te gaan
en te onderzoeken, wat daar gebeurde. Onze wijsgeer aette
zich in een hoek der kamer neer, wenkte zijn vriend om
-ocr page 86-
68
zich niet te storen, en strekte dus als getuige van hetgeen
daar gevraagd werd en geantwoord.
Op de vraag van Jacomet hief het kind zijne schoone
en ouschuldige blikken naar den gevreesden man op, en
verhaalde in zijn landelijke taal en met eene zekere be-
deesdheid, die nog meer overtuiging aan zijne stem schonk,
de buitengewone gebeurtenissen der laatste dagen. De com-
missaris luisterde met aandacht naar liet meisje, bleef zich
vriendelijk en beleefd voordoen, en teekende van tijd tot
tijd het een eii ander op een groot vel papier aan. Toen
haar verhaal geëindigd was, stelde hij met honigzoet gelaat
haar eene menigte vragen voor, maar kort en overhaast,
zonder eenige orde, alleen om haar den tijd te benemen
er over na te denken. Op al die vragen echter antwoordde
Bernadetta zonder verwarring of aarzeling, met de rustige
zekerheid van iemand, die een tafereel beschrijft, hetwelk
hij voor oogeu heeft; somtijds voegde zij er een of ander
gebaar bij, als om aan de ongenoegzaamheid harer ant-
woorden te hulp te komen.
De commissaris van politie had intusschen altijd door ge-
schreven, eii deed hopelooze pogingen om het kind in de war
of in tegenspraak te brengen; eindelijk stond hij op,
trok een bar en dreigend gezicht en riep hardop als in
toorn :
—  „Gij liegt en bedriegt de gansche wereld ; en als
gij niet terstond de waarheid zegt, laat ik u door de gen-
darmen oppakken."
Het meisje verschrok hevig, maar herstelde zich spoedig
en antwoordde bedaard :
—    „Mijnheer, gij kunt mij door de gendarmen doen
-ocr page 87-
69
opbrengen, maar ik kan niet anders zeggen dan ik gedaan
heb. Dat was de zuivere waarheid."
—  „Dat zullen wij zien!" donderde de teleurgestelde
politieman, begrijpende, dat hij met bedreigingen niets won.
Hij ging dan weder zitten, nam liet papier met aauteeke-
ningen in de hand, herhaalde nog eens alle vragen in
omgekeerde orde, zeer kort en soms ingewikkeld; doch hij
ontving altijd hetzelfde antwoord van vroeger zonder de
minste afwijking. Afgemat van vragen, beschaamd voor
mijnheer Estrade, die niet wist wat meer te bewonderen,
de geslepenheid van den commissaris of de diepe overtuiging
van Bernadetta, en met kwalijk verborgen spijt in de
yj\'el zeide hij eindelijk :
—  „\'t Is wel; ik zal het proces-verbaal opmaken en
u voorlezen."
Hij schreef dan ook haastig twee of drie bladzijden,
telkens zijne aanteekeningen raadplegende, en vlocht er
opzettelijk eeue menigte onnauwkeurigheden in meestal
omtrent kleine bijzaken of nietsbeteekenende omstaudig-
heden. Maar als hij vervolgens onder het voorlezen vele
malen even afbrak, om te vragen :
—  „Zoo is het, niet waar? ja, zoo was het immers?"
dan antwoordde zij immer onverdroten en zonder aarzeling :
—  „Neen, dat heb ik niet gezegd, maar het was zoo
en zoo."
—  „Maar dat hebt ge daar straks toch gezegd," be-
weerde dan de commissaris: „en ik heb het opgeschreven
op het oogenblik, toen gij het verhaaldet. Zoo hebt gij
het ook aan andere menschen in de stad meermalen verteld."
Doch het kind hield vol en herhaalde hare eerste ver-
-ocr page 88-
7 0
klaring, zonder zich ooit te vergissen of ook maar twijfel^
achtig te schijnen.
—   „Neen," riep zij telkens uit: „dat heb ik zoo niet
verteld; dat heb ik niet kunnen doen, want het is de
waarheid niet."
De gevreesde raan moest het opgeven en bezat geen
ander middel meer, om aan deze ergerlijke historie een
goed einde te maken, dan bedreiging van geweld. Hij
sprak dan ook met donderende stem :
—  „Gij hebt het hart niet meer om naar de grot te
gaan, of ik zal u in de gevangenis laten sluiten; en gij
gaat hier niet vandaan, of gij zult mij eerst beloofd
hebben daar niet terug te keeren."
—  „Dat kan ik niet beloven," antwoordde het kind :
„want ik heb aan de verschijning beloofd, daar weer te
komen; en als dat oogenblik komt, dan word ik, door ik
weet niet wat, er naar toe getrokken."
Nog altijd stond de schare buiten op straat naar den
afloop van het verhoor te wachten en begon, daar het
reeds een vol uur geduurd had, ongeduldig te worden en
door schreeuwen en bonzen en zelfs dreigen aan hare op-
gewondenheid lucht te geven. Eensklaps wordt er hard
op de deur geslagen, en \'t is of men haar met geweld
wil openstooten. De commissaris, vertoornd over zooveel
oueerbiedigheid voor de politie, vliegt op en opent zelf
de deur, gebiedende :
—  „Niemand komt hier binnen." En een werkman
vlak voor zich ziende staan, snauwt hij :
—  „Wat moet gij hier ?"
—  „Tk wil mijne dochter hebben," antwoordt Soubi-
-ocr page 89-
71
rous, met geweld binnen de deur dringende en naar zijn
kind ijlend. Maar ziende dat zij daar rustig en kalm
nederzit, bedaart hij spoedig, neemt zijn pet af en from-
melt die tusschen de ruwe vingers, terwijl hij het ant-
woord van den gevreesden commissaris afwacht.
Deze nam dat op voor een teekeu van vrees, klopte
den man gemeenzaam op den schouder en zeide met ge-
maakte hartelijkheid :
—  „Pas op, vader Soubirous ! pas op, man! pas op !
Uwe dochter speelt gevaarlijk spel, en is op weg naar de
gevangenis. Ik wil haar voor dezen keer nog vrij laten,
maar op voorwaarde, dat gij haar verbiedt, langer die
komedie aan de grot te spelen. Als het weer gebeurt
zal ik onverbiddelijk zijn ; en gij weet, dat mijnheer de
keizerlijke procureur niet gekscheert."
—  „Daar gij het zoo wilt, mijnheer Jacomet!" ant-
woordde de vreesachtige molenaar, „zal ik het haar ver-
bieden en haar moeder ook, zij is ons altijd gehoorzaam
geweest en zal dat ook nu wel zijn."
—   „In allen gevalle, als zij er weder heen gaat en
dat schandaal herhaalt, dan zal ik u zoowel als haar op-
pakken", dreigde de commissaris op harden toon en gaf
het teeken dat zij konden vertrekken.
Een luid gejubel van de buiten staande menigte be-
groette vader en dochter, toen zij het commissariaat ver-
lieten. De ontvanger hield haar voor oprecht en bewon-
derde hare innige overtuiging; de politieman hield haar
voor eene bedriegster en bewonderde hare geslepenheid.
Het verbod van Jacomet werd weldra overtreden, en
vader Soubirous had zijner dochter weder verlof gegeven,
-ocr page 90-
72
om aan de geheime inspraak gehoor te leenen eu naarde
grot te gaan, zoo dikwijls zij zich daartoe getrokken ge-
voelde. De commissaris dit vernemende was woedend,
ontbood vader, moeder en dochter op zijn bureel en deed
de verschrikkelijkste bedreigingen, zoo dat komediespel
niet ophield. Doch tot zijne niet geringe bevreemding
trof hij in Soubirous niet meer den vreesachtigen molenaar,
maar den vastberaden vader aau.
—   „Mijnheer Jacomet!" sprak hij op vasten toon :
„Bernadetta heeft nog nooit gelogen; en als de goede
God, de heilige Maagd of een der Heiligen haar roept,
mogen wij haar niet tegenhouden. Stel u in onze plaats,
mijnheer de commissaris ! de goede God zou er ons immers
voor straffen !"
—    „Gekke praat!" riep Jacomet uit: „gij zelf zegt
dat de verschijning is weggebleven, wat voert ge daar
dan uit?"
—   „Ik heb beloofd daar gedurende veertien dagen te
zullen komen,*\' antwoordde het kind.
—   „Gekheid, auders niet!" donderde de verbitterde
commissaris; „en ik laat u alle drie in de gevangenis
werpen, als die kinderachtige zotternijen niet ophouden
en zij de menigte blijft opwinden."
—   „Mijn hemel!" hernam Bernadetta: „ik ga daar
geheel alleen naar toe om te bidden; ik vraag nooit iemand
om mede te gaan ; en als er veel volk komt, heb ik er
niet de minste schuld aan. Dat komt omdat men zegt,
dat het de heilige Maagd is die daar verschijnt; maar
ik heb dat nooit gezegd."
De listige en geslepen commissaris voelde nogmaals zijne
-ocr page 91-
78
onmacht eu begreep dat Hij andere krachten moest te
hulp roepen, om aan deze ellendige zaak een einde te maken.
— „Domme zaak !" riep hij stampvoetend uit, zond de
Soubirous weg en ijlde zelf naar den keizerlijken procureur.
Mijnheer Dutour had even grooten afkeer van bijge-
loovigheid als Jacomet, maar kon geen enkel artikel in
het wetboek vinden, dat hem gerechtigde om de kleine
zienster te vervolgen, en zond den commissaris ongetroost
heen zeggende : dat hij niets doen kon zoolaug Berna-
detta er geen geldzaak van maakte, of er bij de grot geen
ongeregeldheden plaats grepen. Onder het naar huis keeren
brak er toch een flauwe lichtstraal door de duisternis, die
den politieman omgaf: — „als er eens eene geldzaak van kon
gemaakt worden" .... prevelde hij bij zichzelven : en
den ganschen avond zat Jacomet met het hoofd in de
hand, als in diepe gedachten verzonken, misschien wel
zoekende naar het middel, om er eene geldzaak van te
maken.
Een paar dagen daarna trad op een stillen avond een
deftig gekleed vreemdeling de armoedige woning van den
molenaar binnen, eu vroeg uiterst beleefd verschooning
voor de vrijheid die hij nam ; maar de belangstelling in
de wonderbare verschijning, waarvan hij had hooren ver-
tellen, dwong hem om zelf uit hunnen mond het verhaal
daarvan te gaan vernemen. Bernadetta voldeed aan zijn
verzoek en verhaalde alles tot in de kleinste bijzonder-
heden. De vreemdeling was getroffen, geraakte zelf meer-
malen in geestvervoering en wist zijne tranen niet te be-
dwingen. Hij loofde God en wenschte het arme meisje
geluk met de buitengewone genade, haar door den Hemel
-ocr page 92-
74
geschonken, en bezwoer haar voor hem te bidden. Einde-
lijk, als kwam hij tot bezinning, zag hij het vertrek rond
en gaf zijn medelijden te kennen met de armoede, waarin
het gezin gedompeld was».
—  „Ik ben rijk en door God met vele goederen ge-
zegend," sprak hij met bewogen stem: „gun mij u te
gemoet te komen en uwe armoede een weinig te lenigen."
En een zware beurs met goud gevuld, die hij op tafel
legde, bewees de oprechtheid van zijnen weusch.
Het bloed van verontwaardiging steeg Bernadetta aan-
stonds naar het gelaat.
—  „.Neen, mijnheer!" riep zij schielijk uit; „strijk dat
geld weder op; ik neem niets aan."
—  „\'t Is niet voor u, mijn lieve kind !" hernam de
vreemdeling verteederd, „maar voor uwe ouders die be-
hoeftig zijn; en gij kunt mij toch niet beletten dat ik
hun tracht goed te doen ?"
—  „Noch Bernadetta noch wij nemen iets van u aan,"
riepen vader en moeder tegelijk.
—  „Maar gij zijt arm," hield de weldoende heer vol:
„ik heb u dezen avond opgehouden en u last veroorzaakt:
\'t is niet meer dan plicht, dat ik u daarvoor schadeloos
stel. Of is het misschien uit hoovaardigheid dat gij weigert?"
—  „Volstrekt niet," hernam de vader, „maar wij nemen
niets aan, volstrekt niets."
—  „Laat ik het u dan geven om het aan andere
armen uit te reiken. Ik ben hier vreemd in de stad, en
zou toch gaarne ter eere van O. L. Vrouw eene weldaad
bewijzen," sprak nogmaals de vreemdeling.
—  „Aalmoezen kunnen wij niet geven maar gij wel,
-ocr page 93-
75
mijnheer! Behoud dus uw geld of geef een aalmoes aan
den pastoor, die al de armen van de gemeente kent,"
was het laatste woord van den vader. En de vreemdeling
verliet schokschouderend het huis.
Wie die weldadige heer was, is nooit iemand ter
oore gekomen. Waarschijnlijk echter dat mijnheer .Taco-
met hem wel kende. Maar was het dan niet voor den
commissaris van politie om er het verstand bij te verlie-
zen ?.....
Daar werd den 25sten Februari eensklaps het gerucht
door de stad verspreid, dat er aan de grot van Massabiella
eene bron is ontsprongen, terwijl er vóór dien tijd nooit
eene bron was ontdekt, zooals zelfs bleek uit het nummer
van de Lavedan, dat dienzelfden dag uitkwam; en reeds
een paar dagen daarna sprak men van verscheidene won-
derbare genezingen, die door het water van die bron waren
gebeurd, en zelfs door dokter Dozous en professor Vergez
van Tarbes als zoodanig werden erkend.
Des avonds was de sociëteit drukker dan anders bezocht,
en de bezorgdheid der vijanden van alle bijgeloovigheid
was niet «erins.
—   „\'t Is water, dat met dit vochtige weder langs de
rots komt sijpelen en bij toeval eene kleine kom heeft
gevormd onder den grond, en nu ook bij toeval is ont-
dekt," was de natuurkundige verklaring van eenigen. En
die verklaring scheen hun zoo afdoende, dat het noodeloos
zou zijn eenig verder onderzoek in te stellen.
—  „Ja, maar men zegt, dat het water opborrelt en
vloeit," waagde er een in te brengen.
—  „Volstrekt niet," riep men van alle kanten : „wij
-ocr page 94-
76
zijn er geweest: \'t is dood eenvoudig eene kleine plas
water. Het volk met zijn overdrijving beweert, dat het
water loopt; maar dat is niet waar. Wij zelven hebben er
ons den eersten dag den besten van overtuigd."
—  „En dan die wonderbare genezingen?" vroeg er een
spottend.
—  „Niets van waar !" luidde het in koor, onder veel
schouderophalen en medelijdend glimlachen.
—  „Kn Bourriette de steeukapper dan ?"
—  „Bourriette is niet genezen," antwoordde de een.
—  „Hij is nooit blind aan het eene oog geweest,"
beweerde een tweede.
—  „Hij verbeeldt zich genezen te zijn en meent nu
dat hij ziet," verzekerde een jong leerling van Eenan.
—  „De verbeelding heeft soms de vreemdste uitwerking
op de zenuwen," zeide een physiologist.
—  „Allemaal gekheid! Bourriette bestaat niet," riep
een pas binnentredende brutaal uit.
Hiermede was liet onderzoek en de verklaring dezer ge-
leerde vergadering afgeloopen. Wel waren er eenige ernstige
en zeer ontwikkelde maunen, zooals Dufo, de deken der
advocaten, dokter Dozous, mijnheer Estrade, de commandant
van het garnizoen, de militaire intendant de Laffite, die
de onbegrijpelijke zwakheid hadden van de meeuiug des
volks te deelen en mirakel te roepen ; maar daar moest
zeer zeker eene of andere geheime reden van eigenbelang
achter schuilen, waarom zij, tegen betere overtuiging in,
aldus spraken. Echter bleef altijd nog de vraag: hoe een
einde aan al die bijgeloovigheid te maken ? De geleerde
heeren braken er zich het hoofd over en kwamen eindelijk tot
-ocr page 95-
77
de zekerheid, dat dit niet bij de wetenschap te huis behoorde
maar geheel en alleen bij de politie.
Mijnheer Jacomet zorgde dan ook dat Bernadetta weldra
voor de rechtbank stond, maar moest er, helaas ! getuige
van zijn, hoe de keizerlijke procureur, de subsituut en
de rechters, met al hun waardige deftigheid en met al
hunne gevatheid en kunst om vragen te verwarreu, het
kind evenmin in tegenspraak konden brengen als hij zelf.
Met grooten spijt moesten dau ook eindelijk de rechtbank
en de politie verklaren, dat het buiten huu werkkring lag,
een einde aan die bijgeloovigheid te stellen.
Maar het stedelijk bestuur dan ? Als de maire eens een
verbod uitvaardigde om nog langer naar de Massabiella-
rotsen te gaan, daar zij stadsgrond zijn ? Vooreerst, hij
heeft daartoe het recht; vervolgens, het opgewonden volk
zal dat verbod zeer zeker overtreden en dus gelegenheid
geven tot tallooze processen-verbaal; dan zal er gisting,
tegenstand onder het volk komen, en men zal tot gevan-
genneming kunnen overgaan; en is men eenmaal zóó ver
gekomen dat men de hand er maar in heeft, dan zal
inen alles kunnen, daar dan het gerecht, de politie en
de regeeriug te zamen handelen.
Mijnheer Lacadé, de maire van Lourdes, was een voor-
treffelijk man en verdiende volkomen de achting, die hem
algemeen werd toegedragen. Ieder burger deed hulde aan
zijne persoonlijke hoedanigheden, en vooral ook aan zijne
zucht om zooveel mogelijk allen tevreden te stellen ; of-
schoon sommigen meenden dat hij wel eens te veel dob-
berde, en niet ferm dorst te kiezen tusschen twee tegen-
overgestelde partijen; terwijl ook enkelen de meening koes-
-ocr page 96-
7S
terden, dat de oorzaak van dit laatste moest gezocht worden
in een weinig te veel gehechtheid aan zijn burgemeester-
schap. Hoe dit zij: hij weigerde bepaald en verklaarde,
dat het aan den bisschop behoorde om de godsdienstige
zijde van de zaak te behandelen, en aan den prefekt van
het departement om de maatregelen te nemen, die de
regeering mocht noodig oordeelen. Hij zelf wenschte buiten
de zaak te blijven.
De baron Massy was prefekt van de Hautes-Pyrénées,
en mijnheer Bouland minister van Eeredienst.
-ocr page 97-
V.
DE BARON MASSY.
De baron Massy, prefekt der Hautes-Pyrénées, was — zoo-
als hij zelf meende — een oprecht katholiek, maar tevens
een aartsvijand van al wat hij dweeperij of bijgeloovigheid
geliefde te noemen. Hij kwam er openlijk voor uit, dat
hij al de wonderen, door de Evangeliën en in de
Handelingen der Apostelen verhaald, aannam en
voor waarachtig hield; maar behalve die als \'t ware offici-
eele mirakelen erkende hij geen bovennatuurlijke voorvallen
meer. Die wondereu waren nu eenmaal noodig geweest
voor de vestiging der Kerk; thans kwamen zij niet meer
te pas; en God zou, volgens zijne meening, al zeer ver-
keerd handelen, als Hij de orde — door Hemzelven eenmaal
gesteld — door eene ongewone en rechtstreeksche tus-
schenkomst kwam storen. Hij was dus zeer orthodox,
maar vreesde in de theorie altijd voor de overmacht van
het bovennatuurlijke; hij was zeer godsdienstig, maar vreesde
in de praktijk altijd voor de overdrijving der godsvrucht;
hij was zeer voorkomend, zelfs vriendschappelijk voor de
geestelijken, maar vreesde altijd voor hun te grooten in-
vloed bij het volk. Overigens bestuurde hij zijn depar-
tement met veel beleid en groote zorg, en wist meestal
-ocr page 98-
Ml
met één oogopslag den waren staat der zaken te onder-
kennen. Ongelukkig echter gebeurde het wel eens, hoewel
zeldzaam, dat hij door die vlugheid van begrip misleid
werd, en daardoor ook een ondoordachten en geheel ver-
keerden maatregel nam ; maar nooit zou hij dan erkennen
gedwaald te hebben, en dreef alles door wat hij eenmaal
had bepaald, zonder ooit terug te treden. Met den bis»
schop van Tarbes leefde hij op den besten voet, eu be-
wonderde in dezen de kunst om alle wrijving met het tij-
delijk gezag te vermijden of te voorkomen ; terwijl hij-
zelf, om zijn zedelijk gedrag en huiselijke deugden, de
achting zoowel van den prelaat als van de burgers der stad
wegdroeg.
Aangaande de gebeurtenissen te Lourdes werd de baron
door den commissaris van politie Jacomet, in wien hij
een blind vertrouwen stelde, geregeld op de hoogte ge-
houden ; maar hij volgde niet het wijs en voorzichtig voorbeeld
van den bisschop, die meende, dat de tijd van oordeel en
uitspraak nog niet gekomen was, en dat er eerst een
grondig onderzoek moest worden ingesteld. Volstrekt niet
geloovende aan de mogelijkheid van zulke verschijningen
of zulke wonderen, en zich verbeeldende dat hij, als \'t
hem beliefde, die volksbeweging aanstonds kon tegenhouden,
besloot hij die bijgeloovigheid reeds in hare wieg te smoren.
— „Ware ik prefekt van [sère geweest," zeide hij meer-
malen, „toen die zoogeuaamde verschijningen van Salette
plaats hadden, ik zou er spoedig een dam voor gesteld
hebben ; en met dat geheele verdichtsel zou het juist ge-
gaan zijn, als het zal gaan met dat van Lourdes ; ik zal
die dweeperij den kop inknijpen."
-ocr page 99-
SI
Daar hij echter begreep, dat het onderzoek zoowel als
het oordeel in deze soort vau zaken eigenlijk den bisschop
toekwam, meende hij voorzichtig te doen, met in den
beginne niets anders voor te schrijven, dan dat men dag
en nacht bij de grot zou waken, om te ontdekken, welke
inenschelijke behendigheid schuldig was aan het voortbren-
gen van de bron en het water, die er vroeger toch niet
geweest waren. Toen deze maatregel echter niets aan het
licht bracht, achtte hij het zijn plicht om te zorgen, dat
er bij die overgroote samenkomsten van vreemdelingen en
ingezetenen, als dat kind aan de grot van Massabiella ging
bidden, geen ongeregeldheden plaats grepen en de orde
niet in het minst werd gestoord. En zoo schreef hij dan
ook den maire van Lourdes aan, op 3 Maart den com-
mandant van het fort te gelasten, tegen den volgenden
morgen de troepen van het garnizoen ter zijner beschikking
te stellen. De soldaten moesten met het geweer in den
arm den weg en de toegangen tot de grot bezetten, en
zouden daarin worden bijgestaan door de gendarmen en alle
agenten van politie, \'t Was echter alles vruchteloos: meer
dan twintig-duizend menschen waren dien ochtend, den
laatste der 14 dagen, getuigen van Bernadetta\'s geestver-
voering, zonder dat er schijn van eenige ongeregeldheid of
wanorde gegeven werd; en wat nog erger was: de gen-
darmen en soldaten deelden al zeer spoedig de godsvrucht
en de overtuiging van het geloovige en biddende volk,
niettegenstaande de procureur en de commissaris van po-
litie op eene hoogte hadden post gevat, en het oog op
alles gevestigd hielden.
De baron Massy, tot ernstiger maatregelen wenschende
6
-ocr page 100-
82
over te gaan, schreef den 12den en den 26sten Maart naar
den minister, verwittigde dezen van hetgeen door hem was
verordend, en van hetgeen er nog dagelijks bleef plaats
grijpen. Mijnheer Rouland, minister van Eeredienst en
Openbaar Onderwijs, zou zich geschaamd hebben, ook maar
één oogenblik aan de mogelijkheid van de voorgewende
verschijningen en wonderbare genezingen te gelooven, en
meende volgens de regels der hedendaagsche filosofie ge-
rechtigd te wezen, om zonder onderzoek, zonder genoegzame
kennis, alleen afgaande op de korte verslagen van den
prefekt, een alles afdoend oordeel te vellen over de dingen,
die op een afstand van tweehonderd\'en-vijftig uren gebeurd
waren. Den lijden April zond hij zijne uitspraak aan den
prefekt, was schijnheilig genoeg om het belang van den
katholieken godsdienst als beweegreden zijner maatregelen
voorop te zetten, en gaf met veel scherpzinnigheid een
nieuw middel aan, om de godsdienstige beweging te Lourdes
op eens te stuiten. Immers hij schreef:
„Mijnheer de prefekt! — Ik heb uw twee rapporten van
„12 en 26 Maart over eene beweerde verschijning der
„heilige Maagd, die zou plaats gehad hebben in eene grot
„nabij de stad Lourdes, met aandacht nagegaan.
„Yolgens mijn gevoelen is het noodzakelijk een einde
„te maken aan die dingen, welke zouden eindigen met de
„ware belangen van het Katholicisme te schaden, en het
„godsdienstig gevoel bij het volk te verzwakken.
„Volgens het recht, mag niemand een bedehuis of open-
„bare plaats voor het uitoefenen van den godsdienst ope-
„nen, zonder de tweevoudige vergunning van het burgerlijk
„gezag en van de kerkelijke overheid. Men zou dus, streDg
-ocr page 101-
83
„genomen, gerechtigd zijn, onmiddellijk de grot te sluiten,
„die in een soort van kapel is veranderd.
„Maar wellicht zouden er groote moeielijkheden ontstaan,
„als men met geweld van dit recht gebruik wilde maken,
„\'t Zal beter zijn zich er bij te bepalen, dat de jonge
„zienster belet wordt nog langer naar de grot te gaan, en
„die maatregelen te nemen, welke onopgemerkt de aandacht
„der menigte van de grot aftrekken, door met iederen dag
„het bezoeken dier plaats te doen afnemen. Voor het
„overige, mijnheer de prefekt! kan ik u op dit oogenblik
„geen bepaalde voorschriften geven; \'t is eene zaak die
„vooral beleid, voorzichtigheid en veel wilskracht vraagt,
„welke ik niet noodig heb u aan te bevelen.
„\'t Zal noodig zijn dat gij u verstaat met de geestelijk-
„heid ; doch ik moet u vooral en ten zeerste aanraden, deze
„teedere zaak persoonlijk met Mgr. den bisschop van Tarbes
„te behandelen, en machtig u uit mijnen naam den prelaat
„te zeggen dat ik van oordeel ben, dat er geen vrijen
„loop mag gelaten worden aan een staat van zaken, die
„niet zal nalaten tot voorwendsel te strekken voor nieuwe aan-
„vallen tegen de geestelijkheid en tegen den godsdienst." (\')
«Il importe, a mon avis, de mettre uu terme ü des actes qui tiui-
• raient par compromettre les véritables interets du Catholicisme et affaiblir
»le sentiment religieux dans ses populations.
»En droit, nul ne peut constituer un oratoire ou lieu public de culte,
«saus la doublé autorisation du pouvoir civil et du pouvoir eccl\'ésiastique.
"On serait donc fundé, dans la rigueur des principes, ü fermer immédi-
• atement la Grotte, qui a été transformée en une sorte de chapelle.
"Muis il y aurait vraisemblablemeut des inconvénients graves de vou-
»loir user brusquement de ce droit. Il couvient de se bomer a empêcher
-ocr page 102-
84
De baron Massy was zeer tevreden over den inhoud van
dezen brief en spoedde zich naar den bisschop, om hem
te verzoeken aan Bernadetta vormelijk te verbieden langer
naar de grot te gaan, er op wijzende dat anders de regeering
zou genoodzaakt zijn de grot, waarvan men eigenmachtig
een openbaar bedehuis gemaakt had, te sluiten. Mgr.
Laurence echter bemerkte terstond den strik, die hem ge-
spannen werd, en wist met groot beleid te Vermijden
zoowel uitspraak te doen over het ware of valsche van
hetgeen te Lourdes gebeurde, als de regeering aanleiding
te geven, om met geweld tusschen beide te treden. Hij
schreef eenvoudig aan den pastoor van Lourdes, om Ber-
nadetta te verzoeken en aan te raden de grot niet meer
te bezoeken, als zij ten minste geen onwederstaanbare
roeping in zich gewaar werd. Meer deed de bisschop niet,
uit het verslag van den deken wetende dat de verschijningen
en wondereu, in stede van den godsdienst tot schade te
zijn, het geloof en de godsvrucht der gemeentenaren buiten-
gewoon hadden opgewekt en verlevendigd.
Juist omtrent dezen tijd begreep onze goede baron, dat
zijn paarden niet ruim en luchtig genoeg waren gestald,
\'la jeune lille visionnaire de retoumer « la Grotte, et a prendre les me-
"sures qui pourront iusensiblement détourner 1\'attention du public en
wrendanl chaque jour les visites moins fréquentes.
\'Il sera iudispensable que vous vons eoncertiez avec Ie f.\'lergé, mais
"je ne saurais trop vous engager a traiter directement cette affaire déli-
<cate avee Mgr. lY-vêque de Tarbes, et je vous aulorise ü dire, en mon
Miom, au prélat, que je suis d\'avis de ne pas laisser nn libre eours a un
\'état de choses, qui ne manquerait pas de servir de pt\'étexte h de nou-
«velles attaques contra Ie Clergé et la Religiou."
-ocr page 103-
85
en noodzakelijk eeu beter eu sierlijker verblijf behoefden.
Ongelukkig was het terrein niet groot genoeg om iets
schoons te bouwen, ten minste zoo hij uiets van ziju plein
en tuin wilde afnemen. De prefektuur van Tarbes ligt vlak
naast de kathedraal, en is daarvan gescheiden alleen door
het oude kerkhof voor de kanunniken en priesters dier kerk.
Mijnheer Massy zag die plek gronds, zoo geheel voor ziju
paardenstallen geschikt, met begeerige blikken aan en hield
zich weldra overtuigd, dat hij als prefekt haar gerust in
bezit kou nemen. Aanstonds toog meu aan het werk : eu
de schedels en beenderen der overledene priesters werden
omgewoeld, om plaats te geven aan de grondslagen der
nieuwe stallen, die werden opgetrokken vlak bij een der
oude ingangen achter de kathedraal.
Luide deed de bisschop zich tegen deze onrechtmatige
inbezitneming hooren en verlangde, dat deze schending van
het eigendom der kerk en de verstoring van de rust der
dooden terstond zouden ophouden; maar — gelijk wij vroe-
ger reeds aangaven — terugtreden deed de baron nooit.
Toen meende Mgr. Laurence den overmoed van den prefekt
te moeten fnuiken en hem te dwingen het eigendom der
kerk te eerbiedigen, en schreef daarom aan den minister,
eischende dat het gebouwde oogenblikkelijk afgebroken en
het. kerkhof in zijn behoorlijken staat zou hersteld worden.
Dat had mijnheer Massy niet verwacht, maar werd nu ook,
volgens gewoonte, nog veel hardnekkiger in het volharden
en doorzetten van zijn plan. Hij vloog zelf naar Parijs,
draafde van den eenen minister naar den anderen, zocht de
zaak voor den staatsraad te brengen, won onophoudelijk
rechtskundige adviezen in, putte gedurende eenige weken
-ocr page 104-
*6
zijue vindingrijkheid uit, om het proces tegen den bisschop
te winnen; maar, helaas! niets hielp: met verkropten spijt
en een bloedend hart moest hij naar Tarbes wederkeeren
en zijn stallen afbreken. Nu groeit daar weder het groene
gras en zegt een treurwilg aan den wandelaar, dat daar
de asch van dooden in vrede te rusten ligt. Maar de baron
Massy zou zich wreken en hield woord.
Dat er eene wet bestond, die den prefekt het recht in
handen gaf om de grot, als zijnde zonder verlof van de
overheid tot een openbaar bedehuis gemaakt, buiten toegang
te stellen, hebben wij reeds uit den brief des ministers
gezien; daarbij was er nog eene wet van 30 Juni 183S,
die hem machtigde om, op het getuigen van twee genees -
heeren, Bernadetta als krankzinnige in een gekkenhuis op
te sluiten : wat kon hij meer verlangen ? \'t Was nu beslist:
de schandelijke dweeperij en bijgeloovigheid zouden spoedig
geheel hebben opgehouden.
Twee geneesheeren, die natuurlijk geen bovennatuur aan-
uamen, blokten op zijn verlangen drie lange weken, om
allerlei theorieën over catalepsie, somnambulisme, halluci-
naties, enz. op te duiken en in toepassing te brengen
zoowel op de geestverrukkingen van het kind, als op het
ontspringen van de bron en de vele genezingen, die daar
plaats grepen; maar zij moesten telkens bekennen, dat de
wetenschap hier geen afdoende verklaring geven kon. Ein-
delijk vervoegden zij zich, met den lastbrief van den prefekt
in den zak, aan de hut der Soubirous, om een laatst
onderzoek in te stellen naar de vermogens van Bernadetta.
Zij doorliepen het systeem van Gall, ondervroegen het
kind, onderzochten haar zenuwgestel en den omloop van
-ocr page 105-
8?
haar bloed, met één woord : alles, wat ook maar in de
verte eenigen invloed op de hersenen kon uitoefenen, maar
vonden niets dan haar oude kwaal, het asthma. Hunne
verklaring aan den prefekt was dan ook, dat bij Bernadetta
volstrekt geen teekenen van krankzinnigheid waargenomen
werden, maar dat het misschien mogelijk was, wijl zij
altijd nog bleef volhouden die gewaande verschijningen te
hebben gehad, dat zij soms aan hallucinaties leed.
Hoe zwak het wapen ook moge schijnen, dat hiermede
den baron Massy in handen werd gegeven, hij meende dat
het sterk en scherp genoeg was, om er den beraamden
doodslag mede toe te brengen.
Den 4den Mei reisde hij naar Lourdes, om daar de ge-
wone jaarlijkscae vergadering met de maires van liet kanton
als ook de conscriptie te houden. Na afloop der werkzaam •
heden sprak hij eene redevoering uit over de buitengewone
dingen, die in de hoofdplaats van het kanton voorvielen,
en toonde aan, hoe het belang der Kerk zoowel als van
den staat, van den paus zoowel als van den keizer, het
dringend noodzakelijk maakte, daaraan paal en perk te
stellen.
„Mijne gevoelens, heeren l" zoo voegde hij er ttn slotte
bij, „kunnen bij u niet verdacht zijn; want een ieder in
„dit departement kent mijn diepen eerbied voor den gods-
„dienst. Daarvan heb ik — naar ik meen — genoeg be-
„wijzen gegeven, zoodat het onmogelijk is mijne bedoelingen
„verkeerd uit te leggen.
„Het zal u dan ook volstrekt niet verwondereu, mijne
„heeren! dat ik aan den commissaris van politie heb be-
„volen al de voorwerpen, die in de grot zijn geplaatst,
-ocr page 106-
sS
„weg te nemen en naar het stadhuis te breugen, waar ze
„ter beschikking zullen zijn van de eigenaars.
„Vervolgens heb ik goedgevonden dat al de personen,
„die zich als ziensters voordoen, zullen worden aangehouden
„en naar Tarbes vervoerd, om daar op kosten van het
„departement als zieken te worden behandeld : terwijl ik
„al degenen, die zullen bijgedragen hebben om die be-
„spottelijke sprookjes rond te veuteu, zal doen vervolgen
„als verspreiders van valsche berichten."
Zoo begon de baron Massy zijn Meimaand en keerde nog
denzelfden dag, uiterst over ziclizelven voldaan, naar Tarbes
terug.
Wie minder over den prefekt tevreden was? — Mijnheer
Lacadé, de maire van Lourdes. Met de uiterste zorg had
hij alles vermeden, wat aanleiding kon geven om hem eeue
of andere meeuing over de vreemde gebeurtenissen van die
dagen toe te schrijven; nooit had hij er zich in het open-
baar over uitgelaten, nooit deel genomen aan de algemeene
geestdrift van het geloovige volk, maar ook nooit de be-
tamelijke uiting daarvan verhinderd. En nu werd van hem
niets minder gevorderd, dan Bemadetta als krankzinnig
aan te houden en door de gendarmen naar Tarbes te laten
vervoeren..... Welke gevolgen moest hij niet vreezen ?
Zou het opgewonden volk bij de gevangenneming en weg-
voering van Bemadetta rustig toezien en niet met geweld
haar willen bevrijden ? \'t Is waar, de prefekt had gezegd
dat er een escadron ruiterij zou gereed staan, om bij de
minste verstoring der orde tusschen beide te komen, maar
dat verminderde de moeilijkheid niet; want aan den anderen
kant stond immers ook de wonderdadige bron met al die
-ocr page 107-
89
wouderbare genezingen. Hij was hier derhalve geplaatst
tusscheu den prefekt, het volk en het bovennatuurlijke :
en hoe het aan te leggen om met alle drie iu vrede te
blijven ? Hij ijlde naar zijn vriend, den keizerlijken pro-
cureur Dutour om goeden raad in te winnen, en ging
vervolgens met hem naar den pastoor van Lourdes, om
dezen mee te deeleu wat er op orde vau den prefekt moest
plaats grijpen. Mijnheer Dutour verzuimde niet er na-
drukkelijk op te wijzen dat de baron, volgens de wet van
30 Juni 1838, volkomen in zijn recht was.
De deken was verontwaardigd en moest zich geweld
aandoen, om niet in toorn te ontsteken.
—    „Dat kind is onschuldig !" riep hij luide uit; „en
het bewijs daarvan, mijnheer de keizerlijke procureur ! is
dat gij, met al uwe verhooreu en rechterlijke onderzoeken,
niet de minste aanleiding hebt kunnen vinden om het aan
te houden en te vervolgen."
—  „\'t Is ook niet de rechterlijke macht, die hier handelt,"
zoo verontschuldigde zich mijnheer Dutour; „de prefekt
doet Bernadetta als krankzinnig, op het getuigen van twee
geneesheeren, opsluiten om haar te genezen. Dat is een
eenvoudige maatregel van de regeering, die in niets den
godsdienst raakt, daar noch de bisschop noch de geeste-
lijkheid zich hebben uitgelaten over de gebeurtenissen, die
ook trouwens geheel buiten hen hebben plaats gehad."
—  „Zulk een maatregel", antwoordde de priester, allengs
driftiger wordende, „zou de hatelijkste van alle vervolgingen
zijn ; en nog zooveel te hatelijker, omdat hij een schijn-
heilig masker aanneemt en zegt te willen beschermen,
terwijl hij niets anders doet dan een arm kind treffen,
-ocr page 108-
9(1
dat zich niet verdedigen kan. Indien de bisschop, de gees-
telijkheid, ik zelf, indien wij wachten met een oordeel uit
te spreken over het karakter der dingen, die hier dagelijks
gebeuren, totdat er meer en helderder licht over is opgegaan,
waarom haast de regeering zich om zonder onderzoek, zonder
genoegzame kennis vau zaken maar te beslissen, dat hier
niets bovennatuurlijks geschiedt, en dat alles bedrog of be-
goocheling is? Uwe dokters hebben bij Bernadetta niet het
geringste gebrek ontdekt, dat recht geeft om haar krank-
zinnig te verklaren, en bij gevolg heeft de prefekt ook niet
het minste recht om haar op te pakken en weg te voeren."
—  „\'t Is toch wettig....."
—  „\'t Is onwettig!" donderde mijnheer Peyramale; en
zich op de borst kloppende, vervolgde hij op plechtigen
toon : „als priester, als deken en als pastoor van Lourdes,
behoor ik allen toe en vooral den armen en zwakken. Als
ik een gewapend man zag, die een kind geweld aandeed,
dan zou ik dat kind verdedigen ook met gevaar van mijn
leven ; want ik ken de verplichting van den goeden herder
om zijne schapen te verdedigen. Weet dan, dat ik dat-
zelfde zal doen, ook al is die aanvaller mijnheer de prefekt,
en al heeft hij zich gewapend met het ongelukkig artikel
van een ongelukkige wet. Gaat dan, mijne heeren! en
zegt aan den baron Massy, dat zijn gendarmen mij op
den drempel van de hut dier arme menschen vinden zullen,
en dat zij eerst mij zullen moeten omverstooten, mij onder
hunne voeten vertreden en over mijn ontzield lichaam
heenstappen, eer zij een haar zullen krenken op het hoofd
van dat arme onschuldige kind."
—   „lntusschen......"
-ocr page 109-
9]
—   „Daar zijn hier geen intusschens! Stelt een onder-
zoek in, spant alles in wat tot zekerheid en klaarheid kan
geleiden; daar zijt gij vrij in, en de geheele wereld zal
zeggen dat gij goed handelt. Maar," en hier stond hij
op en vertoonde zich in zijne volle lengte, met zijn breede
schouders, krachtige armen, mannelijk gelaat en blikse-
mende oogeu, „maar als gij wilt vervolgen, als gij on-
schuldigen wilt treffen, weet dan wel dat gij, alvorens den
geringste van mijne kudde aan te raken, eerst met mij
zult moeten beginnen...."
De procureur en maire bleven verstommend staau, geheel
onder den indruk van \'s priesters woorden. Eindelijk ge-
waagden zij nog van den maatregel, die met de grot zou
genomen worden.
—   „Wat de grot betreft," hernam de pastoor kalm en
met waardigheid: „als mijnheer de prefekt, in naam der
wet en in naam van zijne eigene godsvrucht, haar wil
plunderen van de voorwerpen, die duizenden van bezoekers
daar ter eere van O. L. Vrouwe hebbeu neergelegd, laat
hij zijn gang gaan. De geloovigen zullen er bedroefd,
misschien verontwaardigd over zijn; maar dat hij zich ge-
rust stelle: zij weten het gezag te eerbiedigen, ook als
het zich te buiten gaat. Men zegt dat te Tarbes een
eskadron gezadeld staat, gereed om op den eersten wenk
naar Lonrdes te draveu: laat dat eskadron gerust afzitteu.
Hoe heet sommige hoofden ook mogen zijn, hoe veront-
waardigd sommige gemoederen mogen trillen: allen hooren
toch naar mijne stem ; en zonder militaire macht sta ik u
borg voor de rust van mijn volk; maar met militaire macht
sta ik voor niets in."
-ocr page 110-
92
Hiermede liep liet gesprek ten einde; de procureur ver-
klaarde onder het huiswaarts keeren, dat verder de zaak
hem volstrekt niet meer aanging, en liet dus al het gewicht
weder op de schouders van den maire drukken. Mijnheer
Lacadé was in de ziel overtuigd dat de pastoor zijn woord
zou houden, en dat de gansche stad de partij van hareu
waardigen herder zou trekken. Moest hij uu als maire,
om den prefekt te believen, de stad in rep en roer brengen
en zichzelven gehaat maken ? Na veel overwegen, gaf
hij zelf op deze vraag een ontkennend antwoord, en schreef
aan den baron Massy wat er bij den pastoor was verhau-
deld; waarna hij bepaaldelijk weigerde om Bernadetta ge-
vangen te nemen, ook al zou hij daarom als burgervader
moeten aftreden. Zoo de prefekt meende, dat het kind als
kraukzinuig toch moest vervoerd worden, dan moest hij
de orders daartoe maar zelf aan de gendarmen betee-
kenen.
Terzelfder tijd, dat in de pastorie over de vrijheid van
Eernadetta werd gehandeld, was de commissaris van politie,
.lacomet, in groot tenu en met den sjerp om de lenden
van het bureel gestapt om, gevolgd van zijn dienaren, zich
naar de Massabiella-rotsen te begeven en het tweede deel
van des prefekts verordening, de plundering van de grot,
ten uitvoer te brengen. Reeds was het in de stad bekend
geworden dat de baron Massy bevolen had alles, wat in
de grot lag, op te ruimen en naar het stadhuis te brengeu;
en eene groote menigte volks, waaronder de voltallige
straatjeugd, was op de beeu om getuige te zijn van de
heiligschennis, die ging gepleegd worden.
De voorwerpen, in de grot geofferd, waren zoo aanzienlijk
-ocr page 111-
9.".
en veelvuldig, dat het onmogelijk was die door politie-
dienaren naar de stad te dragen ; waarom Jacomet zich
naar het posthuis begaf, om van mijnheer Barioge kar en
paarden te vragen.
—   „Ik verhuur mijn paarden niet voor zulk werk,"
antwoordde de postmeester kortaf.
—  „Maar gij kunt uwe paarden niet weigeren, als men
u betaalt," bracht de commissaris in.
—   „Dat kan wel zijn; maar mijn paarden zijn voor den
postdienst bestemd en niet voor zulke dingen. Daarenboven
wil ik volstrekt niet de hand hebben in hetgeen gij gaat
bedrijven. Gij kunt mij vervolgen en mij een proces
aandoen als gij verkiest, maar mijn paarden krijgt gij
niet."
Jacomet ijlde naar een anderen stalhouder, doch ontving
dezelfde weigering, zoodat hij weer verder moest, altijd
gevolgd van een troep jongens, die victorie schreeuwden
zoo dikwijls zij hem zonder gerij zagen afgewezen. Zijn
toestand werd ondragelijk wreed ; want nooit had hij kunnen
vermoeden dat alle stalhouders zoowel als alle deftige
burgers, die rijtuig hielden, hem, Jacomet, kar en paard
zouden durven weigeren, als hij die in zijne hoedanigheid
van politie-commissaris kwam vorderen. Hij had tocli aan
een armen voerman dertig francs geboden, eu de stijfkop
had verachtelijk geantwoord, dat de Zaligmaker ook voor
dertig stukken zilvergeld was verkocht.....
Bovenmate vernederd en ziedende van toorn, draaft hij
de stad uit en vindt gelukkig aan een hoefsmederij de
dochter van het gezin alleen tehuis; tegenover deze voelt hij
zijn kracht herleven, en spoedig dan ook heeft hij paard
-ocr page 112-
94
en kar van het zwakke en bevreesde meisje voor dertig
francs gehuurd.
Nu naar de grot. Jacomet gaat weder met hoog opgeheven
hoofd vooruit; dan volgt de kar, omgeven van politie-
dienareu, en eindelijk het volk en de straatjeugd, niet
meer zingend en juichend, maar morrend en zwijgend.
\\)e kar kan niet tot de grot gevoerd worden en blijft dus
op eenigen afstand staan.
In de benedenste opening der grot braudden hier en
daar kaarsen, gestoken op houten kandelaars, met bloemen
en veelkleurige linten versierd; kruisen, Maria-beelden,
schilderijen, halskettings en kleinoodiën stonden en lagen
hier en daar verspreid ; zijden en fluweelen behangsels ver-
sierden reeds de naakte wanden, omzoomd met slingers
van frisch groen en geurige bloemen; terwijl een paar teeneu
korven een vracht van koperen, zilveren en gouden geld-
stukken bewaarden, die als eerstelingen waren geotterd voor
het heiligdom, dat men der Moeder des Heeren wilde
bouwen, en waarnaar, ofschoon eeuige duizenden guldens
waard en nacht en dag onbewaakt liggende, nog geen
begeerige of roofzieke hand was uitgestoken.
De commissaris sprong over het hekje, dat de steen-
kappers voor de rots hadden geplaatst, en trad in de grot.
Hij was bleek en scheen ontsteld, ten minste zijne handen
beefden, toen hij de korven met geld in bezit nam. Toen
blies hij een voor een de kaarsen uit en begon het goed
aan zijne dienaren over te reiken, die het naar de kar
brachten. Daar het werk door den tamelijk verren afstand
van het voertuig slechts langzaam vorderde, riep Jacomet
eenige jongens, om ook de handen uit den mouw te steken
-ocr page 113-
95
en voorwerpen naar de kar te dragen. Een der jongens
stak zijne handen uit en vatte een kleine schilderij aan;
maar dadelijk riep een ander hem toe :
—   „Ongelukkige ! wat gaat ge doen ? Onze Lieve Heer
zal u straffen \\"
De jongen liet de schilderij vallen, en tevergeefs riep,
gebood of bedreigde de commissaris: niemand wilde hulp
verleenen.
Toen de grot leeg geplunderd was, wilde Jacomet ook
nog het hekje sloopen en liet aan het werkvolk van den
molen bijl en hamer vragen. Ook die werden hem geweigerd.
Hij zelf moest dus weder den weg op, om een armen
werkman te dwingen het noodige gereedschap ter leen te
geven, en begon toen zelf het sloopingswerk.
Eene vreeselijke stilte had er tot dusverre onder de
menigte geheerscht; maar bij de eerste hamerslagen ging
er een trilling door aller ledematen heen ; het volk liet een
schreeuw en drong onwillekeurig op Jacomet aan, terwijl
eene stem overluid riep, dat de rivier de Gave daar vlak
bij lag.
De commissaris wendde zich om en vertoonde een gelaat,
misvormd van vreeze en angst, en bleek als van een
lijk.
—  „Wat ik doe," sprak hij sidderend en bijna huilend :
„wat ik doe, doe ik niet uit mijzelven, maar op bevel
van mijnheer den prefekt. Ik doe het met den grootsten
tegenzin en alleen omdat ik er toe genoodzaakt ben. Ik
ben er dus niet verantwoordelijk voor en gij kunt het op
mij niet verhalen."
—  „Wees bedaard ! geen geweld! denk aan het woord
-ocr page 114-
96
van den pastoor! laat alles aan God over!" hoorde men
vele stemmen wijselijk vermanen. En de kalmte was terug
gekeerd.
De kar met offers werd naar het stadhuis gevoerd en
daar ontladen, terwijl het geld aan den maire werd ter
hand gesteld. Maar des avonds wilde het volk openlijk zijne
afkeuring doen blijken en trok in groote menigte naar
de grot, biddende en zingende, met bloemruikers en kaarsen
in de hand.
Des andereu daags grepen er twee treffende voorvallen
plaats, die de stad in verslagenheid brachten. Het meisje,
dat de kar verhuurd had, viel van den hooizolder en brak
haar dij; en den werkman, die de bijl geleend had, werden
beide beenen verbrijzeld door een zwaren balk, dien hij
op de schaafbank wilde tillen...
De baron Massy ontving den volgeuden morgen het ver-
slag van Jacomet aangaande de berooving van de grot, en
tevens de verklaring van den maire dat hij liever als hoofd
der gemeente aftrad, dan de hand op Bernadetta als krank-
zinnige te leggen.
Dit laatste schrijven verbitterde hem, vooral, omdat hij
voor de tweede maal tegenover een geestelijke het onderspit
moest delven. Van terugtreden kon echter geen sprake zijn ;
alleen moest er een ander middel bij de hand worden ge-
vat om tot het doel te komen ; en nog denzelfden dag
was dat middel gevonden.
Tallooze genezingen werden gezegd aan de bron plaats
te hebben, sommige oogenblikkelijk, andere langzamerhand
na herhaald gebruik van het water. Iets bovennatuurlijks
schuilde daarin niet, dit stond vast; maar waarom zou dat
-ocr page 115-
97
water geen natuurlijke geneeskracht kunnen hebben evenals
zooveel bronnen in den omtrek, die zelfs beroemd en zeer
gezocht waren ? Bezat die bron inderdaad minerale bestand-
deelen, dan mocht zij niet zonder voorafgaand onderzoek
en machtiging van de regeering voor het publiek worden
ten gebruike gesteld; daarenboven waren de Massabiella-
rotsen bijzonder eigendom van de stad Lourdes, en konden
dus door het bestuur worden afgesloten. Het kwam er nu
maar op aan, een scheikundige te vinden, die eene na-
tuurlijke geneeskracht aan het water der bron van Lourdes
zou toekennen.
De prefekt kende zijne mannen en ging in allerijl mijnheer
Latour de Trie spreken. Reeds den volgenden dag mocht
hij zich dan ook verheugen in het verslag van een schei-
kundig onderzoek, waarin aan het helder en reukeloos water
van de grot te Lourdes heilzame minerale eigenschappen
werden toegeschreven, en wel in die ruime mate, dat de
tijd niet ver meer verwijderd moest zijn, waarop door de
geneeskunde eene bijzondere geneeskracht aan dat water
zou worden toegekend; zoodat men mocht verhopen, dat de
bron der Massabiella-rotsen den rijkdom van het departe-
ment aan minerale wateren weldra zou vermeerderen. (\')
(1) EXAMEN CHLUIQUK.
••L\'eau de la Grotte de Lourdes est très-limpide, inodore et saus sa-
"veur tranchée. Sa pesanteur spécifique est très-voisine de celle de l\'eau
"distillée (sa température a la Source est de 15" cent).
"Klle conticnt les principes suivants :
ti 1". Chlorures de soude, de chaux et de maguésie : abondauts;
"i". Carbonates de chaux et de maguésie;
»3". Silicates de chaux et d\'alumine ;
7
-ocr page 116-
98
Het moet erkeud worden, de baron Massy wist met zijn
tijd te woekeren : immers den 4den Mei hield hij zijne re-
devoering voor de maires te Lourdes en gaf zijn eerste
bevelen ; den 5den ontving hij het schrijven van mijnheer
Lacadé en Jacomet; en reeds den 6den had hij het mees-
terlijke stuk van den scheikundige in handen. Maar —
laat ons rechtvaardig zijn — ook mijnheer Latour de Trie
bezat eene vlugheid, die niet kan geëvenaard worden, daar
hij op één dag naar Lourdes heen- en terugreisde — daar
was toen nog geen spoorweg —, te huis zijne proeven
nam en het water ontleedde, en eindelijk het gewenschte
verslag den prefekt in handen gaf. Men was nu voor goed
van de bovennatuur verlost: de bron, door Bernadetta toe-
vallig ontdekt, behoorde niet aan den godsdienst, maar
aan de geneeskunde.
»4". Oxide de fer :
"ö". Sulfate de sonde et carbunate de soude;
»()". Phosphate: des traces:
»7". Matière organique : ulmine.
«Nous constatons dans la compositio» de cette eau absence complete
»du suli\'ate de chaux on sélénite.
«Cette particnlarité, assez remarquable, est toute a sou avantage, et
«doit nous la faire cousidérer comme étaut très-légère, facile a la diges-
»tion et imprimant a 1\'écoiiomie animale une dispositiou favorable a
«1\'équilibre de 1\'actiou vitale.
"Nous ne croyons pas trop préjuger en disant, vu 1\'ensemble et la
«qualité des substances qui la constituent, que la scieuce médicale ne
«tardera peut-être pas a lui reconuaitre des verlus curatives spéciales,
»qui pourront la faire classer au noinbre des eaux qui forment la richesse
\'/minerale de uotre département."
»A. Latouk de Tkib."
-ocr page 117-
99
Ongelukkig echter kau ook den bekwaamsten urefekt
wel eens iets door liet hoofd gaan; en zoo had de baron
vergeten, aan het prefektoraal dagblad van zijn departement
kennis te geven van het scheikundig onderzoek, üit kleine
verzuim had het noodlottige gevolg, dat de Ere I in per ia Ie
op denzelfden dag, waarop mijnheer Latour verklaarde, dat
het water uit de grot van Lourdes zeer helder was en eene
bijzondere geneeskracht bezat, aan zijne lezers de stellige
verzekering gaf, dat het niets anders dan vuil en ongezond
water was.
„Het spreekt van zelf," schreef genoemd blad van 6
Mei, „dat de beruchte grot de wonderen met stroomen
„uitgiet, zoodat ons departement er van overstelpt is.
„Alle oogenblikken ontmoet gij meuschen, die u duizend
„genezingen verhalen, welke door het gebruik van dat vuile
„water zijn verkregen. Weldra zullen dan ook de genees-
„heeren niets meer te doen hebben ; lijders aan rhumatiek
„of borstkwalen zullen spoedig uit ons departement ver-
„dwenen zijn, enz." (\')
Een ongeluk komt zelden alleen: dit ondervond ook de
prefekt. Niet alleen, dat zijn eigen courant de verklaring
van den chemist tegensprak, maar ook andere scheikuu-
digen van naam, zooals Thomas Pujo en eenige professors,
kwamen tegen de ontleding van Latour op en beweerden,
(\') «Il va saus dire, que la fameuse Grotte verse ti Hots les Mira-
cles, et que notre département eu est inuadé. A tont bout de champ
vous reueoutrez des geus qui vous racoutent les mille guérisons obtenues
par 1\'usage d\'une eau malpropre. Bientöt les médieins u\'aurout plus rien
i. faire, les malades rhumatissants ou poltrinaires aurout disparu du
departement, etc."
-ocr page 118-
100
dat het niets anders was dan zuiver en gewoon natuurlijk wa-
ter. Daarenboven had die verklaring zelve na hare bekend-
making de tegenovergestelde uitwerking van die, welke van
haar verwacht mocht worden; want niet alleen, dat de ka-
tholieken haar als valsch en partijdig verwierpen en in
groolen getale de bron bleven bezoeken; maar nu trok-
ken daar ook de ongeloovigen en de volgelingen der he-
dendaagsche wijsbegeerte heen, om door het gebruik dier
minerale wateren genezen te worden. De stroom van be-
devaartgangers en vreemdelingen werd dus met den dag
grooter, vooral toen de tijd aanbrak, waarop veel badgasten
naar de naburige bronnen reisden en meestal te Lourdes
stilhielden. Ook ging er bijna geen dag voorbij, of men
wierp nieuwe otters van geld, bloemen en sieraden in de
geplunderde grot, en Jacomet moest dagelijks met zijn
agenten terugkeeren om de gaven van godsvrucht naar het
stadhuis te dragen of, als ze hem te onbeduidend voor-
kwamen, in de Gave te werpen. De koffiehuis-bezoekers
en sociëteitsmannen waren dau ook vol zorg over de ver
gaande bijgeloovigheid der groote menigte, en konden maar
niet begrijpen waarom de prefekt niet doortastte ; zij meenden
zelfs dat, wanneer hij geen afdoenden maatregel eindelijk
natrj, liet gemeentebestuur daartoe moest overgaan. Eenigen
hunner brachten die meening dan ook in den stedelijken
raad ter tafel en trachtten hun medeleden te overtuigen,
dat de stad er het hoogste belang bij had om door des-
kundigen te doen uitmaken, of de bron aan de Massabiella-
rotsen werkelijk minerale bestanddeelen van genezende kracht
bezat. Gaf het onderzoek een bevestigend antwoord, dan
kon de stad een groot voordeel van de bron trekken; leverde
-ocr page 119-
101
het een ontkennend antwoord, dan moest de regeering haar
afsluiten en buiten toegang stellen. Dit had dan ook het
gewenschte gevolg, dat de maire den 3den Juni aan den
raad voorstelde :
„Men heeft te Lourdes, aan den linkeroever van de
„Gave, een water ontdekt, dat gezegd wordt bijzondere
„geneeskracht te bezitten.
„Dat water is beknoptelijk ontleed door mijnheer Latour,
„uitstekend scheikundige van dit departement, die daaraan
„zulke eigenschappen heeft toegekend, dat de geneeskunde
„het wellicht zal voegen bij het getal der wateren, die
„den rijkdom van dit land uitmaken.
„ De stad heeft er een groot belang bij, de bestanddeelen
„te kennen die het bezit, evenals ook zijne eigenaardigheid.
„\'t Is daarom, dat ik u machtiging kom vragen, om het
„op nieuw te doen ontleden en aau een scheikundig onder-
„zoek te onderwerpen."
Na rijp beraad werd besloten het voorstel van den maire
aan te nemen, en den burgervader te machtigen, het water
scheikundig te doen onderzoeken door mijnheer Filhol,
hoogleeraar in de scheikunde te Toulouse, en de kosten
daarvan te betalen uit den post van onvoorziene uitgaven. (\')
(\') L\'an 1858 et Ie 3 Juin, Ie Couseil municipal de la ville de Lourdei
s\'est réuüi au lieu ordinaire de ses séances, sous la présideuce deM. A.
Lacadé, maire.
Étaient presents: M. M. Normande, Capdevielle, adjoints, Claverie,
latapie, Cousté, Duprat, Dupot, Rouy, ltives Jean, Labayle, Gesta,
Lepere, Pages.
M. Ie Maire, après avoir ouvert Ia séance, a exposé au coaieil les
faits suivauts:
-ocr page 120-
102
De burgervader schreef daarop terstond aau:
„Mijnheer i\'ilhol! overeenkomstig het verlangen van den
„stedelijken raad, die alle vertrouwen stelt in uwe kundig-
„heden, heb ik de eer u te verzoeken wel te willen ontleden
„het water van eene bron, die kortelings in deze stad is
„ontdekt." (\')
On a décoiivei\'1 ü Lourdes, sur la rive gauche dn (Jave, mie eau que
1\'ou dit avoii\' des verlus curatives spéciales.
Cette eau a été siiccintement analysée par M. Lsitour, chimiste distingué
de ce département, qui lui a reconnu des proprietés telles que la scieuce médi-
cale pourrait peut-être la elasser au uombre des eaux, qui font la riches-
se de ce pays.
La Ville a un grand intérêt ii connaitre les principes qui la consti-
tueut ainsi que sa propriété.
Dans ces circonstances, je viens vous demander 1\'autorisation de la
soumettre de nouveau ii une analyse.
Le Conseil considérant que la proposition faite par M. Ie Maire doit
être accueillie:
Considérant que 1\'analyse ü laquelle M. Latonr s\'est livré constate que
cette eau parail avoir des principes minéraux :
Considérant qu\' avant déjü 1 \'opi tiion de M. Latonr, lintérêt bien eu-
tendu de la commune est de la faire analyser de nouveau par un autre
cbimiste aussi distingué, afin d\'avoir 1\'opinion de deux hommes spéciaal :
A délibéré que M. le Maire était autorisé a faire faire 1\'analyse de
cette eau par M. Filbol, chimiste ii Toulouse, et lui payer ses honoraires
au moyen des fonds libres....
N\'ayant plus rien a soumettre au Conseil, M. le Maire a leve la séance,
et les delibérants ont signé. (Volgen de handteekeningen.)
Uittreksel uit de notulen der raadsvergaderingen van den stedelijken
raad van Lourdes.
(\') "Monsieur Filbol! Conformement au désir du conseil municipal, qui
»a toute confiance dans vos lumières, j\'ai 1\'honneur de vous prier de
«vouloir bien analyser une eau provenant d\'une Source, découverte de-
»puis peu dans cette ville."
-ocr page 121-
10:3
Dat had de baron Massy niet verwacht: was dan de ver-
klaring van zijn chemist niet voldoende ? en moest men
de zaak niet voor beslist houden, wanneer hij, de prefekt,
daarover uitspraak had gedaan ? Die mijnheer Filhol was
wel een man van de moderne wetenschap, maar toch altijd
ook een eerlijk man; en dan die analyse van mijnheer Latour...
met één woord: de baron was niet gerust en begreep, het
onderzoek van den nieuwen chemist, zoowel als het oordeel
van denr aad, te moeten voorkomen zoo niet onmogelijk te
maken. Daarbij kwam nog, dat de brieven van den minister
Rouland hoe langer hoe meer er op aandrongen, dat aan
het schandaal van Lourdes een einde werd gemaakt; terwijl
ook de minister van financiën, de heer ïould, op reis naar
zijne goederen, te Tarbes vertoefde en een lang onderhoud
met den prefekt had. De wereld moest dan nu maar eens
ondervinden, wie de baron Massy, prefekt van de Hautes-
Pyrénées, was:.... en de burgers van Lourdes lazen den
Ssten Juni met ergernis de volgende publicatie, die door
de geheele stad was aangeplakt:
„De maire der stad Lourdes,
„Gezien de voorschriften hem door de Regeering toegezon-
„den; gezien de wetten van 14—22 December 1789, van
„16—24 Augustus 1790, van 19—22 Juli 1791, en die
„van 18 Juli 1837, op het stedelijk bestuur;
„Overwegende dat het noodzakelijk is, in het belang
„van den godsdienst, een einde te stellen aan de erger-
„lijke tooneelen, die plaats grijpen aan de grot van Massa-
„biella, gelegen te Lourdes aan den linkeroever van de
„Gave :
„Overwegende van den anderen kant, dat het de plicht
-ocr page 122-
104
„is van den maire, te waken over de openbare plaatse-
„lijke gezondheid :
„Overwegende dat een groot getal zijner onderhoorigen
„en vreemdelingen water komt putten uit eene bron van
„genoemde grot:
„Overwegende dat er gegronde redenen bestaan om te
„meenen dat dat water minerale bestanddeelen bezit, en
„dat het voorzichtig is, alvorens daarvan het gebruik toe
„te staan, te wachten totdat eene wetenschappelijke ont-
„leding bekend maakt, welk gebruik daarvan door de ge-
„neeskunde zou kunnen gemaakt worden; dat bovendien
„de wet het openen van minerale waterbronnen aan eene
„voorafgaande machtiging van het gouvernement onderwerpt:
„Besluit :
„Artikel 1.
„Het is verboden water uit de genoemde bron te putten.
„Art. 2.
„\'t Is insgelijks verboden te loopen op den stadsgrond,
„genaamd: de oever van Massabiella.
„Art. 3.
„Aan den ingang der grot zal een hek geplaatst worden
„om het intreden te beletten.
„Insgelijks zullen er palen geplaatst worden metde woorden:
„Het is verboden dit eigendom in te gaan.
„Art. 4.
„Iedere overtreding van dit besluit zal gestraft worden
„volgens de wet.
„Art. 5.
„Mijnheer de commissaris vau politie,
-ocr page 123-
105
„De gendarmen,
„De veldwachters,
„Eu de overheid der gemeente,
„Blijven met de uitvoering van dit besluit belast.
„Gedaan te Lourdes, ten stadhuize, den 8sten Juni 1858.
„De maire, A. Lacadé.
„Gezien en goedgekeurd:
„De prefekt, O Massy." (*)
J uist om dezen tijd was het feest in de kostbare woning
van den prefekt, want het traktement van baron Massy
(\') »Le maire de la ville de Lourdes,
"Vu les instructions a lui adressées par 1\'Autorité supérieure ; vu les
»lois du 14—22 décembre 2789, du 16—24 aout 1790, du 19—22Juil-
"let 1791, et celle du 18 Juillet 1837, sur l\'Administratioii Municipale;
"Considéraut qu\'il ünporte, dans 1\'intérêt de la Heligiou, de mettre
»un terme aux scènes regrettables, qui se passeut a la Grotte de Massa-
«bielle, sise a Lourdes, sur la rive gauche du Gave;
"Considéraut d\'un autre coté, que Ie devoir du Maire est de veil-
»ler a. la santé publique locale ;
"Considéraut qn\'uu graud uoinbre de ses administrés et de persounes
«étrangères a la commune vieuneut puiser de 1\'eau h uue source de ladite
» Grotte:
\'Considéraut qu\'il y a de sérieuses raisons de peuser que cette eau con-
«tient des principes minéraux, et qu\'il est prudent, avant den permettre
«1\'usage, d\'attendre qu\'une analyse scieutifique fasse counaitre les appli-
"catious qui en pourraieut être faites par la Médiciue; que d\'ailleursla
"Loi soumei 1\'exploitation des Sources d\'eau minerale a 1\'autorisatiou pré-
«alable du Gouvernement ;
"AlUiKTE :
«Article 1.
"il est défeudu de preudre de 1\'eau » la dite Source.
-ocr page 124-
106
werd verhoogd en gebracht op 25,000 francs; terwijl een
vleiend schrijven van den minister Eouland hem prees om
zijnen ijver, hem aanmaande op den ingeslagen weg voort
te gaan en toch, het kostte wat het wilde, een einde te
maken aan de mirakelen van Lourdes\' grot. Ook Jacomet,
de commissaris van politie, deelde in de vreugde van den
prefekt, door het ontvangen vaTi eene aanzienlijke gratificatie.
-Art. 2.
"Il est également interdit de passer sur Ie communal dit »rive de
»Massabielle."
«Art. 3.
"Il sera établi n 1\'entrée de la Grotte une barrière pour en empêcher
«racnès.
"lies poteaux seront également places qui porteront ces mots: Ir, est
•DÉPENnu d\'entrer dans cette propriétk.
«Art. 4.
•Toute contravention au présent Arrêté sera poursuivie conformément
»a la loi.
«Art. B.
»M. Ie Commissaire de Police,
»La Gendarmerie,
"Les Gardes-champêtres,
»Et les Autorités de la commune,
"Demeurent chargés de 1\'exécution du présent Arrêté.
»Fait ik Lourdes, en 1\'hótel de la Maire, Ie juin 1858.
»Le maire, A. Lacadé.
«Vu et approuvé.
"Le préfet, O. Massy."
-ocr page 125-
VI.
DE VERVOLGING.
Mijnheer Lacadé had de publicatie niet willen onder-
teetenen, of zij moest aan het hoofd de woorden dragen:
„gezien de voorschriften hem door de regeering toegezonden,"
en door den prefekt zelven mede onderteekend zijn. Nu
mocht niemand hem over den maatregel, die voorzeker
veel beweging en ontevredenheid in de stad zou veroor-
zaken, lastig vallen, want hij deed niets anders dan ge-
hoorzamen; terwijl de verantwoording van alles op den
baron Massy bleef rusten.
Jacomet, de commissaris van politie, was minder augst-
vallig en toog vol blijdschap met zijne dienaars en eenige
timmerlieden naar buiten, om een rasterwerk te slaan
rondom de Massabiella-rotsen, en aldus den toegang tot
de grot en de bron af te sluiten. Ook werden hier en
daar, langs de grenslijn van de stadsgronden rondom de
rots, lange palen in den grond gestoken, die met groote
letters verboden verder.te gaan, op straffe van boete vol-
gens de wet. Politiedienaren en veldwachters hielden
nacht en dag daar wacht bij en maakten proces .verbaal
op, zoodra iemand zulk een paal durfde voorbijgaan, om
in den omtrek der grot neder te knielen en te bidden.
-ocr page 126-
1(18
Gelukkig was de vrederechter Duprat even groot vijand
van het bovennatuurlijke als de heeren Massy, Dutouren
Jacomet, en bezat daarbij een niet te evenaren taleut, om
in het strafwetboek te lezen wat er niet iu stond, en
eene straf op te leggeu die niet verdiend was, vooral wanneer
hij, zooals hier het geval was, iu het hoogste ressort vonnisde
en er geen appèl was toegelaten. Hij veroordeelde alle
overtreders van bovenstaand verbod tot vijf francs boete,
maar wist met veel behendigheid allen, die gedurende een
zelfden dag werden betrapt, iu een en hetzelfde vonnis
bij elkander te nemen, eu aldus ieder in het bijzonder
voor allen te samen tot de bepaalde kosten te verwijzen.
Dat was eene meesterlijke vindiug; want wanneer er uu
eens honderd waren, die gedureude denzelfden voormiddag
de grenspalen hadden overschreden, dan konden zij er van
verzekerd zijn niet alleen tot vijf francs, maar ieder in
solidum tot het geheel van aller gerechtskosten veroordeeld
te worden. Het deed volstrekt niets af, dat de verschil-
lende overtreders op verschillende uren de grot bezocht
hadden, van verschillende plaatsen afkomstig waren, eik-
ander niet kenden en zelfs nooit gezien hadden: mijnheer
Duprat sprak het vonnis uit, en daar was geen verhaal
op. (\')
(\') Zie hier onder anderen zulk een vonnis: »Le Tribnnal de 9imple
«police du cantou de Iiourdes a reudu Ie jugement suivaut:
"Entre Al. Jacomet, Commissaire de Police du canton de Lourdes,
"rem]ilis9ant les fonctions de Ministère public pres ce tribunal, deman-
«deur, comparant en persouue d\'uue part;
••Et Ie sieur I). Al. C domicilie u. Aucb, demoiselle Al C. demeurant
-ocr page 127-
109
Nog nooit had mijnheer Duprat zooveel schuldigen voor
zijn rechterstoel gedaagd, of zich kunnen voorspiegelen, dat
hij zooveel aanzienlijken uit de voornaamste landen van
Europa als schuldig zou mogen veroordeelen. De arme
lieden, \'t is waar, vreesden voor de hooge sommen, die
als straf werden opgelegd, en gingen daarom aan de over-
zijde van het kanaal vlak tegenover de rots op het wei-
land nederknielen, wat hun door de eigenaars werd toege-
staan; maar de rneergegoeden overtraden vaak moedwillig
en in het bijzijn van Jacomet of zijne politiedienaars de
verordening, en wierpen hun naamkaartje voor de voeten
«a Lectoure, ilame B. propriet ai re et rentière domiciliée a Bordeaux, D.
»Tj. enfant mineur, domicilie :\\ Bagnères-Adour. etc. etc, défendeurs et
"di\'faillants d\'autre part:
\'Eu fait......
•Attendn que 1\'arrivée sur Ie communal et devant la Grotte Massabiellc
•desdits préveuus venant ensemble de Lourdes établit que la contraventio»
"a élé commise conjointement et d\'accord entre tous les préveuus;
"Attendn que les préveuus condamnés doivent supporter les dépens ;
«Attendn qu\'il est de principe que les auteurs et complices d\'une même
"contravettion doivent être condamnés solidairement aux dépens, ainsi
«que les personnes civilement respousables;
• Par ces motifs
«Nous Juge de Paix jugeaut en matière de police, avons condamné et
•/condamnons par défaut et en dernier ressort, Ie sieur 1). M. C. domicilie ii
"Auch, M. C. domiciliée ü Lectoure, dame B. propriétaire et rentière domici-
"liée ii Bordeaux et I). L, enfant mineur, domicilie k Bagnères-Adour, etc.,
"chacun a cinq francs d\'amende et solidairement aux dépens, enconfor-
«mité des art. 471 no. 15 du code pénal, 162 du code d\'instruction
"criminelle, et 156 du décret du 11 juin, 811 et 1384 du code Napa-
«léon.
«IJUPRAT, Juge de l\'aix."
-ocr page 128-
110
der gerechtsinannen, opdat dezen proces-verbaal zouden
kuuneu opmakeu. Bij het openen der badeu van den om-
trek kwamen niet alleen aanzienlijke Fransebeu, maar ook
Engelschen, üuitschers, Spanjaarden en zelfs Russen naar
Lourdes, om de plaats te zien, waarvan zooveel wonder-
lijks werd verhaald, en gaven luide hunne ontevredenheid
te kennen, dat hun zelfs belet werd aan eene onschuldige
nieuwsgierigheid te voldoen , zoodat ougeloovigeu zoowel
als geloovigen bijna dagelijks als overtreders voor mijnheer
Duprat te recht stonden, en niet weinig bijdroegen, om
de reeds bestaande gisting onder het volk te vermeerdereu,
als zij zich zeer hevig tegen den prefekt uitlieten eu zijne
maatregelen hard, wreed eu onwettig noemdeu.
Enkele malen gebeurde het dan ook, dat eene dreigende
meuigte zich aan de greuspalen verzamelde eu ouheilspel-
leude kreten deed hooien; eens zelfs werden op een oube-
waakt oogenblik iu deu nacht de palen uit den grond
gehaald en was het rasterwerk kort eu klein geslagen;
maar het eskadron ruiterij dat, zooals men wist, te Tar-
bes gereed stond om klem te geven aau het verbod van
den prefekt, hield de gemoederen in toom ; eu de politie-
dienaars werdeu door deu prefekt met ontslag bedreigd als
zoo iets weder gebeurde.
\'t Was intusscheu een treffend tooueel, de armen hunne
zieken naar het eiland te zien dragen, welks eigenaar,
mijnheer de Laftite, zich verzekerd hield, door dit verlof Gods
zegen over zijne akkers te zullen verkrijgen. Zij legdeu
de kranken op het gras neder tegenover de wonderbare
rots, staken hunue armen uit naar de grot, waarin de
Onbevlekte Ontvangenis was verschenen, eu smeekteu over-
-ocr page 129-
UI
luid om hulp en geneziug. En die wat moediger waren,
waadden zelfs door het kanaal om het wonderwater uit de
bron te halen, dat reeds aan zoovelen tot heil had ver-
strekt. Met verkropten spijt en ziedenden toorn zag Jacomet
het aan, onmachtig om dit alles te beletten, te meer, daar ook
velen zijner dienaars eu alle veldwachters, ja, tot zelfs de solda-
ten van liet kasteel met het volk meeheulden en meestal
op de knieën lagen te bidden, waar zij op wacht moesten
staan, om de overtreders te betrappen. Daarbij kwam, dat
er zich van tijd tot tijd personen vertoonden en aan over-
treding schuldig maakten, tegen welke hij geen proces-ver-
baal durfde opmaken, eu die hem dus in de harde nood-
zakelijkheid plaatsten, van met tweeërlei maat te moeten
meten.
Zoo gebeurde het, dat zijne mannen eens vrij ruw een
aanzienlijken vreemdeling, die de grenspalen wilde voor-
bijgaan, bij den kraag pakten en hem toevoegden:
—  „Gij moogt hier niet voorbij."
De vreemdeling, een man met edele maar scherpe ge-
laatstrekken, een breed voorhoofd en fonkelende oogen,
rukte zich ios en antwoordde :
—  „Dat zult gij zien, dat men hier wel voorbijgaat" ;
en hij stapte bedaard, tot verbazing der politiedienaars,
de palen voorbij.
—  „Uw naam ?" vroeg Jacomet woedend : „ik maak
terstond proces-verbaal tegen u op."
—  „Ik heet Louis Veuillot," verklaarde de vreemde-
ling, niet eens omziende.
Maar terwijl de commissaris bezig was met den beroem-
den naam op te teekenen, overschreed eene rijk gekleede
-ocr page 130-
112
vrouw de verboden lijn en knielde voor het rasterwerk
neer, dat de bron afsloot. Door de latten heen hield zij
het vochtig oog op de grot en het immer ruischend wa-
ter gevestigd, en bad met vuur. Jacomet was verbaasd
over zooveel vermetelheid, liet mijnheer Veuillot los en
stormde naar de godvruchtige vrouw, haar toesnauwende:
—  „Mevrouw \'t is niet geoorloofd hier te bidden. Gij
wordt op heeter daad betrapt en moet voor den vrede-
rechter verschijnen om veroordeeld te worden, tk maak
proces-verbaal tegen u op. Uw naam ?"
—  „Gaarne l" antwoordde de edele vrouw : „ik ben de
echtgenoot van admiraal Bruat, gouvernante van zijne
hoogheid den keizerlijken prins."
Jacomet verstomde, liet het potlood uit de handen
vallen, draafde beschaamd en morrend naar huis, en maakte
geen procesverbaal op .... Is het wonder, dat het volk
wraak riep over de onrechtvaardigheid van zijne overheid,
en des nachts de rasters ging verbreken, om in de grot
te bidden en het water van de bron te halen ?
De maatregel van den prefekt had alzoo eene geheel
tegenovergestelde uitwerking, daar zij de belangstelling in
de Massabiella-grot en de ontstane bron veeleer vermeer-
derde dan verminderde. Daar moest dus al weder een ander
middel worden gezocht, om toch eindelijk een goed einde
aan deze droevige zaak te maken. Jacomet, vindingrijk
als hij was, meende eindelijk alles gewonnen te hebben,
wanneer hij de geheele historie belachelijk maken en der
verachting van alle verstandigeu kon prijs geven. Zoo ge-
beurde het dan ook op een goeden morgen, dat drie of
vier kleine jongens door de stad liepen, uitroepende, dat
-ocr page 131-
113
ook zij eene verschijning van de heilige Maagd geluid
hadden. Het volk stroomde samen en volgde de knapen,
die rle stad uittogen en beweerden door eene inwendige
macht naar de grot gedreveu te worden ; en als de men-
schen aan de gehate grenspalen bleven staan, namen de
nieuwe zieners de rozenkransen, schapulieren en tnedaljes
van hen aan, om die aan de wondergrot aan te strijken
of in het water van de bron te dompelen, waarvoor zij
dan eene geldelijke belooning vroegen en ontvingen ; ter-
wijl de wachters hen volstrekt niet moeiden of beletten
het verboden terrein te betreden. Alles ging naar wenscli,
want het onnoozele volk liet zich door de kleine leugenaars
verleiden ; en wat zou er na deze handtastelijke bedriegerij
nog geloofd kunnen worden van Kernadetta\'s vermeende
verschijningen ? \'t Moest nu immers aan de geheele wereld
duidelijk zijn dat het een geldzaak was, en dat de politie
het grootste recht had met alle gestrengheid te handelen ?
Ongelukkig echter had Jacomet al weder niet gerekend
op den pastoor van Lourdes : deze toch had aanstonds het
onedel gedrag van de politie doorschouwd en begrepen.
Toen het katechismus-uur was geslagen en de jeugdige
bedriegers tusschen de andere knapen hadden plaats ge-
nomen, verscheen Pastoor Peyramale zelf in de kerk en
gebood hun voor hem te verschijnen. Met streng gelaat
en indrukwekkende stem verweet hij hun de heiligschendige
bedriegerij, waartoe zij zich hadden laten omkoopen, ver-
klaarde hen onwaardig om tot de eerste heilige communie
te worden toegelaten ; beval de ingezamelde aalmoezen in
de otterbus der armen te werpen en dreigde dat hij, als
zij ooit weder verschijningen durfden te hebben, openlijk
8
-ocr page 132-
114
•zou bekend inakeii wie huu die verschijuiugen bezorgde
en betaalde. Een der jongens, die misdienaar was, vatte
hij bij de ooren en joeg hem met schande van het altaar weg.
En van dien dag afaan had niemand meer eene verschijning.
Zoo liep dus alles den prefekt en commissaris van politie
tegen, en met iederen dag werd het hun duidelijker, dat
zij met al hunne gewelddadige maatregelen het geloof aan
het bovennatuurlijke niet konden beletten. Wel had men
er met zijne vrienden voor gezorgd, dat er ook valschi-
wonderbare genezingen onder het volk verspreid werdeu,
om die later met veel ophef te kuuuen tegenspreken en
alzoo bewijzen te hebben tegen het geloof der menigte,
maar alles tevergeefs : de toeleg was spoedig ontdekt en
had geen andere uitwerking, dan het mistrouwen en den
haat tegen de overheid te vergrooten.
Maar waarom zweeg het kerkelijk gezag ? De deken
van Lourdes noch de bisschop van Tarbes schenen zich er
mede in te laten, terwijl het toch als eene kerkelijke en
godsdienstige zaak vooral hun aanging. Waarom stelden
zij dan geen paal en perk aan al die bijgeloovigheid ? Dit
moest verkregen, desnoods geëischt worden ; en daarom
stelden de baron Massy en mijnheer Jacoinet lange verslagen
op van hetgeen er te Lourdes in den laatsten tijd geschied
was, en zonden die schrifturen naar den minister van
Eeredienst op.
Mijnheer Kouland bezat nog wel geloof, maar had zijn
geloof verplaatst; immers, geloofde hij niet aan de wondereu
en genezingen bij de Massabiel la-rotsen, hij geloofde zooveel,
te meer aan de romantische verdichtselen van den prefekt
en den commissaris van politie. Deze twee heeren droegen
-ocr page 133-
115
daar kennis van en bleven dan ook niet in gebreke hem
uitvoerig te schetsen, dat tegenwoordig kinderen de bediening
van priesters uitoefenden en aan de bron voorwerpen van
godsvrucht zegenden; dat het gemeen, vertegenwoordigd
door vrouwen van slechte zeden, die kinderen kroonde eu
met bloemen bestrooide; met één woord: dat er een schandelijk
spel met den godsdienst werd gespeeld en dat het meer
dan tijd was, dat de bisschop tusschenbeide trad om die
heiligschennis, welke alle ware godvruchtigen met droefheid
vervulde, te doen ophouden. Ook verheelden zij hem niet
het onmachtige en vruchtelooze van al hunne maatregelen,
eu gaven als hunne innige overtuiging te kennen, dat alleen
de veroordeeling vau dat alles door den bisschop de gewenschte
uitwerking kon hebben. Zij dreven dus den minister op
de baan, waarop hij zich gaarne bewoog; want zich in
godsdienstige en kerkelijke zaken mengen eu den bisschoppen
de les lezen, behoorde tot de welbekende liefhebberijen
van mijnheer üoulaud. Hij schreef dan ook aanstonds aan
Mgr. Laurence, den bisschop van Tarbes:
„Monseigneur! De laatste berichten, die ik over het
„geval van Lourdes ontvang, schijnen mij van dien aard
„te zijn, dat zij alle oprecht godsdienstige menschen met
„diepe droefheid moeten vervullen. Dat wijden van rozen-
„kransen door kinderen, die uiterlijke vertooningen, waarbij
„men in de eerste plaats aantreft vrouwen vau zeer verdachte
„zeden, dat kronen van de zienders, die belachelijke
„plechtighedeu, eene wezenlijke bespotting vau onze heilige
„godsdieustplechtighedeu, zullen niet nalaten vrijen loop
„te geven aan de aanvallen der protestantsche couranteu
„en eenige andere bladen, zoo het centrale gezag niet
-ocr page 134-
116
„tusschenbeide treedt om de, hitte van hun strijd
„wat te matigen. Die ergerlijke tomieelen onteeren niet
„minder den godsdienst in de oogen des volks ; en ik acht
„het mij een plicht, Monseigneur! opnieuw uwe aandacht
„op deze ernstige zaken te vestigen.
,,l)ie betreurenswaardige voorvallen schijnen mij ergerlijk
„genoeg, om de geestelijkheid te doen opstaan uit de
„terughoudendheid, die zij tot heden toe heeft in acht
„genomen. Voor het overige, kan ik in dit geval niets
„anders verrichten, dan een dringend beroep doen op al de
„voorzichtigheid en al de wilskracht van Uwhoogwaarde,
„vragende of Uwllw. het niet dienstig zou oordeelen, openlijk
„dergelijke ontheiligingen af te keuren. Aanvaard, enz.
„De minister van openbaar Onderwijs en Keredienst,
„Rouland." (\')
(1) "Monseigneur! Les iioiiveaux renseignenients que je recois sur
•1\'affaire <le Iiourdes me paraissent \'Ie nature il attrister profondémeiit
»tous les hommes sineèrement religieus. Ces bénédietions \'Ie chapelets
• par iles enfants, ces manifestations \'lans lesquelles on reinarque, aux
• premiers rangs, \'les femmes aux nioeurs équivoques, ees eouronnements
«\'ie visiounaires, \'les cérémonies grotcsques, véritable parodie «les céré-
• momes religieuses, ne nianqueraieut pas <le \'lomier libre carrière aux
valtaques \'les jniirnniix protestants et \'Ie quelques aiitrea feuilles, sil\'An-
• torité eentrale n\'interveuait pour modérer l\'anleur \'Ie leur polémiqne. (\'es
«srèues scandaleuses n\'en déconsidèrent pas moins la lieligion aux yeux
»iles populations, et je crois ile mon ilevoir, Monseigneur, il\'appeler de
"nouveau, sur ces faits, votre plu? sérieuse attention.
"Ces manifestations regrettables me seinblent aussi ile nature il faire
vsortir Ie Clergé de la réserve dans laquelle il s\'est maiuteuu jusqu\'it
"présent. Je ne puis, du reste, sur re point, que faire uu pressant appel
»ii toute Ia prudenee et il toute la fermeté de Votre Grandeur, en lui
-ocr page 135-
117
De bisschop ontving dezen brief\' juist on het oogeublik,
toen hij bezig was niet liet benoemen eener commissie,
die de gausche geschiedenis van Lourdes zou onderzoeken
en daarover verslag uitbrengen. Hij antwoordde den minister
dat de geschiedenis geheel anders luidde, dan hem door
onvoorzichtige en bevooroordeelde dienaars was medegedeeld ;
dat de geestelijkheid zich alleen uit voorzichtigheid van alle
inmenging of uitspraak had onthouden; dat hij als bisschop
geen verbod mocht uitvaardigen, veel minder eene veroor-
deeliug uitspreken, alvorens de zaken in haar.geb.eel onderzocht
te hebben en te kennen; en las op zijne beurt den minister
eens duchtig de les. Ziehier zijn schrijven :
„Mijnheer de minister! groot was mijne verbazing toen
„ik uwen brief las. Ook ik ben onderricht aangaande alles
„wat er te Lourdes is gebeurd, en heb als bisschop er wel
„het hoogste belang bij om alles af te keuren, wat den
„godsdienst en de geloovigen kan bedroeven. Welnu, ik
„kan u verzekeren dat de tooueelen, die gij mij hebt op-
„gehangen, volstrekt zoo uiet hebben plaats gegrepen als
„ze u zijn overgebriefd en dat, zoo er al iets betreureus-
„waardigs is geschied, het slechts voorbijgaande is geweest
„en niet de minste sporen heeft nagelaten.
„De feiten, waarop Uwe Excellentie zinspeelt, zouden
„gebeurd zijn ua de sluiting van de grot iu de eerste
„week van Juli. — Twee of drie kindereu van Lourdes
„begonuen zich als zienders voor te doen en buitensporig»
«demaudaut si tëlle 11e jugei\'a [ms h ijiojios de réprouver juibliquciiieul
»(le semblables profanatious. Agréez etc.
»Le Miuistre d\'Iustruction [mblique et des Ciiltes,
•Kouland."
-ocr page 136-
118
„heden langs rle straten te verrichten. Ofschoon de grot
„gesloten was, zooals ik zeide, wisten zij toch het middel
„te vinden daar binnen te gaan en hunne diensten te ver-
„leeneji aan de bezoekers, die voor de hekken bleven staan,
„door hunne rozenkranzen aan de binnenwanden der grot
„aan te strijken en daarvoor geld aan te nemen, dat zij
„voor zichzelven behielden. Ken hunner, die zich het
„buitensporigst en minst welvoegelijk vertoonde, was koor-
„knaap in de kerk van Lourdes. Mijnheer de pastoor heeft
„hem zeer streng bestraft, uit den catechismus en van
„het altaar weggejaagd. Die wanorde was dus slechts voor-
„bijgaande, en het volk beschouwde het als jongensstreken,
„die bij bestraffing terstond ophielden (\'). Dit zijn de feiten,
„die al te ijverige dienaren in hunne verslagen als voort-
„durende ergerlijke tooneelen hebben afgeschilderd.
„Ik zou hartelijk verlangen, mijnheer de minister, dat
„gij omtrent de gebeurtenissen van Lourdes inlichtingen
„inwont bij eerbiedwaardige personen, die in die stad
„hebben vertoefd om de plaatsen zelven te zien, de be-
„woners en het kind, dat de verschijningen zou gehad
„hebben, te hooren, zooals de bisschoppen van Montpellier
„en van Soissons, de aartsbisschop van Auch, mijnheer,
„Vène de inspecteur der warme minerale wateren, mevrouw
„Bruat, mijnheer Veuillot, enz.
„De geestelijkheid, mijnheer de minister! heeft zich tot
„op dit oogenblik niet zoo geheel buiten de gebeurtenissen
„der grot gehouden, als gij het wilt doen voorkomen. De
(1) De bisschop sprak ilus geen enkel woord van het vrij algemeen ge-
voelen in Lourdes, dat die ergernissen door de politie zelve waren in het
even geroepen.
-ocr page 137-
119
„geestelijkheid der stad heeft eeiie voorzichtigheid iu acht
„genomen, die bewonderingswaardig is, door nooit naar
„de grot te gaan, om daardoor de bedevaart niet aan te
„moedigen; zij heeft overal waar zij kon de maatregelen,
„door het burgerlijk gezag genomen, in de hand gewerkt j
„terwijl zij aan u is voorgesteld alsof zij bijgeloovigheid
„begunstigde. Ik beschuldig den hoofd ambten aar van dit
„departement niet, zijne bedoeling is altijd goed geweest;
„maar hij schenkt in deze zaak zijn vertrouwen alleen
,,aau zijne ondergeschikte ambtenaren.
„In mijn brief van 11 April 11., ten antwoord aan den
„prefekt, welke brief u is overgelegd, bood ik mijn ge-
„reede hulp dien ambtenaar aan, om de zaak tot een
„goed einde te brengen. Maar ik kon niet, gelijk men
„van mij verlangde, van den kansel der waarheid zonder
„onderzoek, zonder navorsching, zonder genoegzame be-
„weegredenen, de personen veroordeelen die aan de grot
„gingen bidden, noch hun verbieden daarnaar toe te
„gaan, vooral zoolang daar geen wanorde plaatsgreep,
„ofschoon er op sommige dagen vele duizenden bezoekers
„geteld werden. Behalve dat de Kerk altijd haar verbod
„op voldoende beweegredenen doet steunen, behalve dat
„ik niet genoeg van alles was ingelicht, had ik nog de
„zekerheid, dat mijn woord in die dagen van opgewon-
„denheid niet zou gehoord worden.
„Mijnheer de prefekt, den 4den Mei te Lourdes verga-
„dering houdende, deed door den commissaris van Lourdes
„de voorwerpen eu zinnebeelden van godsvrucht, die in
„de grot geplaatst waren, wegnemen en zeide iu eene
„toespraak, die hij tot de maires van het kanton richtte,
-ocr page 138-
120
„dat hij dien maatregel genomen had in overeenstemming
„met den bisschop, welke bewering hij eenige dagen later
„nog eens herhaalde in het prefektoraal dagblad. Ik droeg
„van dien maatregel volstrekt geen kennis, voordat de
„courant en een brief van den pastoor van Lonrdes mij
„die gaven. Ik haastte mij aan den laatste te schrijven,
„dat hij de orders van mijnheer den prefektzou eerbiedigen;
„en ik heb mij noch toen noch later beklaagd, dat men
„mij voor de helft aansprakelijk stelde voor een maatregel,
„waarvan ik geen kennis droeg. Hoeveel brieven mij
„ook werden toegezonden, opdat ik de onwaarheid van
„den prefekt zou tegenspreken, zoo heb ik toch niets
„willen doen wat de moeilijkheid dier zaak kou vermeer-
„deren.
„Toen de godsdienstige voorwerpen uit de grot verwij-
„derd waren, mochten wij hopen dat het bezoek ook lang-
„zamerhand zou verminderen en dat de bedevaarten, zoo
„onverwacht opgekomen, weldra zouden eindigen, \'t Was
„echter zoo niet. Algemeen hield men vol, terecht of
„ten onrechte, dat het water van de grot wonderbare
„genezingen uitwerkte ; de toevloed werd met iederen dag
„talrijker; men trok er in groote menigten heen van alle
„naburige departementen.
„Den 8»ten Juni nam de maire van Lourdes een besluit
„om den toegang tot de grot te verbieden. De beweegredenen
„van dat besluit waren ontleend aan het belang van den
„godsdienst en der openbare gezondheid. Ofschoon dus
„hier de godsdienst op de eerste plaats genoemd werd en
„de bisschop toch volstrekt niet was geraadpleegd, zoo
„heeft toch deze laatste zich er niet over beklaagd; ook toen
-ocr page 139-
121
„beeft hij het stilzwijgen bewaard om dezelfde redenen,
„die hierboven zijn aangegeven.
„Gij ziet uit dit weinige reeds, mijnheer de minister \'.
„dat de terughoudendheid der geestelijkheid niet zoo vol-
„komen geweest is als gij wel aangeeft. Zij is volgens
„mijn gevoelen zeer voorzichtig geweest. AVaar ik slechts
„kon, heb ik mijn hulp verleend aan de maatregelen van
„het burgerlijk bestuur ; en als deze laatste niet altijd gebaat
„hebben moet men de schuld daarvan niet aan den bis-
„schop wijten.
„Thans, toegevende aau de dringende beden, die mij
„van alle kanten worden gedaan, heb ik gemeend dat het
„oogenblik daar is om mij met vrucht in deze zaak te
„mengen. Ik heb eene commisie benoemd om de noodige
„bescheiden op te delven en te verzamelen, ten einde, voor
„zooveel mij betreft, eene beslissing te geven in een
„vraagstuk, dat het land gespannen houdt en dat, naar
„ik verneem, geheel Frankrijk schijnt belang in te boezemen.
„Ik vertrouw dat de geloovigen haar met onderwerping
„zullen ontvangen, daar zij weten dat ik niets zal verzuimd
„hebben om de waarheid te achterhalen. De commissie
„is reeds sedert eenige dagen aan den arbeid ; ik ben voor-
„nemens mijne verordening door den druk openbaar te
„maken, in de hoop dat zij zal bijdragen om de gemoederen
„te stillen, in afwachting van mijne beslissing en uitspraak.
„Binnen weinige dagen zal ik mij de eer veroorloven van
„Uwe Excellentie een exemplaar toe te zenden. Ik ben, euz.
„f B. S. bisschop van Tarbes."
Dat had men juist niet verlangd; en \'t was volgens de
meening der heeren vrijdenkers veel eenvoudiger en meer
-ocr page 140-
122
afdoende geweest, als de bisschop geen commisie tot onder-
zoek benoemd maar alleen eene veroordeeling had uitge-
sproken. Wie kon daarenboven verzekeren, dat die commissie
niet eene geheel andere bevinding zou overleggen, dan de
liberalen en hedeudaagsche wijsgeeren st priori hadden vast-
gesteld ? Liep men dan geen groot gevaar de bijgeloovigheid
door het gezag gesteund, en het bovennatuurlijke niet alleen
als mogelijk maar als wezenlijk bestaande en werkende
officieel verklaard te zien ? Daarbij kwam nog, dat mijnheer
1\'ilhol, de beroemde chemist van Toulouse, aan den stede-
lijken raad den uitslag zijner onderzoekingen had mede-
gedeeld ; en men vertelde vrij algemeen, dat hij aan het
water van de bron niet de minste geneeskracht toeschreef.
I )it gerucht bleek spoedig de waarheid te behelzen ; immers
de raaire las den 9lIe" Augustus aan zijne medeleden in
het stedelijk bestuur den volgenden brief van genoemden
chemist voor :
„Ik ondergeteekende, hoogleeraar in de scheikunde aan
„de faculteit van wetenschappen te Toulouse, hoogleeraar
„in de artsenijkunde en toxicologie aan de geneeskundige
„school derzelfde stad, ridder van het legioen van eer,
„verklaar ontleed te hebben een water voortkomende uit
„eene bron, die in de omstreken van Lourdes ontsprongen is.
„Uit die ontleding is gebleken, dat het water der grot
„van Lourdes zoodanig is samengesteld, dat men het kan
„beschouwen als een drinkbaar water, gelijk aan het meeren-
„deel van wateren, welke men aantreft op de bergen,
„wier grond kalkrijk is.
„De buitengewone uitwerkselen, die men verzekert ver-
„kregen te hebben ten gevolge van het gebruik van dit
-ocr page 141-
123
„water, kunnen niet, ten minste bij de tegenwoordige
„hoogte der wetenschap, worden verklaard door de natuur
„der zouten, wier aanwezen de ontleding heeft ontdekt.
„Uit water bevat geen enkel bestanddeel, dat recht geeft
„daaraan bijzondere geneeskrachtige eigenschappen toe te
„schrijven.
„Het kan gedronken worden zonder eenig nadeel.
„Toulouse, 7 Augustus 1858.                  Fll.HOiL." (\')
Die uitspraak was verpletterend voor den baron Massy
want nu verviel de groote redeu, waarom hij de grot had
laten afsluiten, en werd de verklaring van zijn \'riend,
den apotheker A. Latour de ïrie, gelogenstraft; immers
mijnheer Mlhol legde tevens aan den raad een uitvoerig
(1) "Je soussigné, Professeur <le chimie ii la Facultó "les Sciences de Tou-
"louse, Professeur de pharmacie et de toxicologie a Pécole de nirdecine
«de la même ville, chevalier de la Légion d\'Honneiir, certitie avoirana-
»lysé uiie eau provenant d\'une source qui jaillit nuxenvirons de Lourde».
\'Il résulte de cette analyse que Peau de la Grotte de Tjourdes a une
"composition telle qu\'011 peut la cousidérer comme une eau potable ana-
•logne u la plupart de celles que Pon rencontre sur les montagues dont
»le sol est riche en calcaire.
\'Les effets extraordinaires qu\'on aasure avoir obtenus ii la suite de
• 1\'emploi de cette eau, ne peuvent pas, au moins dans Pétat actuel de
»la science, être expliqués par la nature des sels dont Panalyse y décèle
«1\'existence.
»Cette eau ne renferme aucune substance active capable de lui donner
«des propriétcs thérapeutiques marquées. Elle peut être bue snns ineon*
«vénient.
"Toulouse, Ie 7 aoftt 185S.                   Kilhol."
-ocr page 142-
IU
rapport over van zijn onderzoek en van de wetenschappelijke
gronden, waarop zijne uitspraak rustte. (\')
(1) ANALYSE DE LEAU J(E LA OHOTTE DE LOUHDEs.
.Ie souasigné, Professeur de cbimie ü la Kiculté des Sciences de Tou-
louse, Pi\'ofesseur de pbarmacie et de toxicologie ii 1\'éeole de méleeiue de
la inêiiie ville, chevaliei\' de la Légion d\'lloniieur, certirie avoir aualvsé
une eau provenant d\'une source qui jaillit dan» mie Grotte auxenvirous
de Lonrdes et avoir obteun les résultats suivauts :
FROPR1ÉTÉS PHÏS10.l!E$ ET OK<iAS01.EPriO,L\'ES DE ÜETTK EAU.
Cette eau est timpide, incolore, iuodore: elle u\'a pas de saveur pro-
ïioucée. Sa densité est u peine supérieure a eelle de 1\'eau distillée.
PKOPKIÉTÉS CKIMIIJL\'ES.
L\'eau de la Grotte de Lourdes se comporte comme il suil avec les
réactifs:
TeÏHtitre de tunrnesul rougie. — Kst rameiiée au bleu.
Eau de chaux, — Le mélange devieut laiteux : uu exeès d\'eau de la Grotle
redusout Ie précipité qui s\'était fonué tont d\'ubord.
Eau de xacun. — Est fortement troublée.
Chlorttre de bariton. •— Pas d\'actiou appareute.
Jzutale dargent. — Très-léger précipité blaue qui se dissuut en parti
dans 1\'acide azotique.
Oxalate d\'ani)no>naqiie. — Précipité blaue.
Ammoniaque. — Pas d\'actiou sensible.
iSoumise a 1\'actiou de la chaleur dans uu ballon commuuiquuiit aveo
uu appareil propre ü recueillir les gaz, cetie eau a laissé dégager une
gaz, que ia potasse absorbait en partie. La portion de gaz que la potasse
avait refusé de dissoudre a été en partie absorbée par Ie pbospbore; enftu
il est resté »» residu gazeux, jouissaut de toutes les propriétés de 1\'azote.
-ocr page 143-
125
De strijd dus, door liet ongeloof en tle moderne wetenschap
aan het bovennatuurlijke geleverd, bracht op officieele wijze
En même temps (|ii\'elle laissait dégager les gaz dont il vienl; d\'ètre
question, cette eau s\'est légèrement troublée, et a abaii<loinié 1111 depot
d\'iui blane légèrement rougeiüre. Traite par 1\'acide chlorhydrique, ce
dépöt s\'est dissous en produisant une vive etïervescence. J\'ai saturé la
solntiou acide par mi exces d\'ammoniaque; ee réaclif a déterniiné la
pre\'cipitation de quelques tloeons légers, de couleur rougeatre, que j\'ai
isolés avec soin. Ces flocons ayant été lavés a 1\'eau dislillée, je les ai
traites par de la potasse caustique: ce réactif ue leur a rieti enlevé. J\'ai
lavé de nouveau ces llocons, et je les ai dissous dans 1\'acide chlorhydrique j
puis j\'ai étendu d\'eau la solntiou, et je 1\'ai soumise » l\'actiou de quel-
ques réactifs, dont je vais iudiquer les effets:
ti/awtre janiie de polassiiim et de f er. —Précipité bleu.
Ammoniaqite. L\'récipité bruu rougeatre.
TciHtiin. •— l\'récipité noir.
Snlfoci/antiïe de potassinm. — Couleur rouge de san<£.
Tiii liqueur séparée du précipité llocoiiueux, dont je viens de rapporter
1\'analyse, a fourni avec 1\'oxalate d\'ammoniaque nu abondant précipité blanc.
Ayant séparé ce précipité par Ie tilt re, j\'ai "ersé dans Ie liquide clair
du phosphate d\'ammoniaque; ce réactif a déterniiné la formation d\'un
nouveau précipité blanc.
J\'ai fait évaporer i\\ siccité cinq litres d\'eau; j\'ai traite Ie residu sec
par une très-pctite quantité d\'eau distillée pour dissoudre les sels solubles.
La solntiou ainsi obtenue ramenait fortement au bleu la teinture de tour-
nesol rougie.
J\'ai de nouveau fait évaporer ii siccité la solntiou ainsi obtenue et j\'ai
verse sur Ie residu de 1\'aleool que j\'ai entlammé. La llaunue de 1\'alcool
a présenté une teinte janiie livide, pareille ii celles que produisent les sels
de sonde. J\'ai fait dissoudre de nouveau ce residu dans quelques gouttes
d\'eau distillée, et j\'ai niêlé la solntiou avec du chlorure de platine; il
s\'est produit dans Ie mélange uu très-léger précipité jaune seriu. Ayant
acidnlé par 1\'acide chlorhydrique denx litres d\'eau de la Grotte de Lourdes,
-ocr page 144-
12fi
liet eerste bewijs aan voor het wonderbare karakter van
de vele genezingen, die door het uit- of inwendig gebruik
je les ai fait. évaporer a siccité; Ie residu, repris par 1\'eau acidulée, ne
s\'est dissous qu\'cii pari ie. La partje insuliible a présenté tous les carac*
tères de la silice.
J ai soumis ii 1\'évaporation dix litres d\'eau de la Grotte de Lourdeo,
dans lesquels j\'avais fail dissoudre auparavant du carbouate ile potasse
tres-pur; Ie residu de 1\'évaporatinu a été épuisé par de 1\'alcool bouillant;
la solutiou alcoolique a été évaporée ii siccité et, Ie residu ehauffé au
rouge sombre.
Le produit de cette opératiou a été dissous, après sou refroidisseiiit:nl
darts quetqucs gouttes d\'eau distillée, et mêlé avec un peu de colle d\'amidnii.
Kn Iraitant re mélange avec précautiou par de 1\'eau chlorée très-éteu*
due, j\'ai vu le Liquide prendre une teinte bleue.
Soumise n la distillation, 1\'eau de la Grotte de Lourdes donnr un pro-
duil distille très-légèremeut alcaliu.
Ii résulte de= faits qui precedent que 1\'eau de la Grotte de Lourdes
tieut en dissolution:
1" De l\'oxygène;
2" De 1\'azole;
3" De 1\'acide carbouique;
4° Des carbouates de chaux, de magnésie et une tracé de carbouate de fer;
5\' Uu carbouate uu un silicale alcaliu des clilorures de potassiiiiu et
de sodiuiu;
(\'»" Des trn«es de sulfates de potasse et de sonde :
7" Des tracés d\'ainmuniaque ;
8" Des traces d\'iode.
L\'analyse quantitalive de cette eau a été faite par les procédés ordinai-
ies; elle a donué les résultats suivauts:
EAU, UN\' KILOGRAMME.
Acide carbouique ....              » 8 cc.
Oxygène.........» ö cc.
Azote..........»17 cc.
Amniouiaque .... traces.
-ocr page 145-
U7
van het water uit de bron van Lourdes hadden plaats gegrepen.
Men begrijpt dan ook, dat er veel beweging in het kamp
der vrijdenkers heerschte, daar men meende dat het nu
vooral hoog tijd was een stap verder te gaan en, liet
kostte wat het wilde, de gansche beschaafde wereld tegen
de wondereu van Lourdes in te nemen.
Wie kou dat reuzenwerk beter ondernemen en tot stand
brengen dan de liberale pers ? Aanstonds werden dan ook
het Journal des Debat s, de Siècle, de Press e,
de I n r! é p e n d a n c e Belge en andere groote bladen aan
Carbouate de chaux.......0 gr. 096 millig.
Carbouate de maguésie.....<• "12
Carbouate de ter .... traces.
Carbouate de soude......id.
Chlorure de sodium......tl HOS
Ubiorure de potassium. . . traeen.
Silicate de soude et traces de »ili-
cate de polasse.......I)        HIS
Sulfate de potasse de soude, traces.
lode..........id.
Total.......0 gr. 134 millig.
LI résulte de cette ;cuaiyse que l\'eau de la Grutte de Lourdes a uue
coinpositiou telle qu\'oii neut la cousidérer comme uue eau potable, ana-
Lugue ii la plupart de celles que 1\'ou reueoutre sur Les mouttgucs dout
Ie sol est riche en calcaire.
Cette eau ue renferme aucuiie substauce active capable de lui donuer
des propriétés thérapeutiquea niarquées. Elle peut ctre bue saus incon-
véuieut.
\'l\'oulouse, Ie 7 aout 1S5H.
sigué FlLUOL."
-ocr page 146-
128
het werk gesteld, en leverden lange artikelen ten betooge
dat het wonder onmogelijk is, dat Bernadettaaanhallucinaties
leed, dat de voorgewende genezingen of niet gebeurd of
slechts natuurlijk waren, enz. Een tal van kleinere bladen
vulde gretig zijn kolommen met die hooggeleerde uit-
spraken en verhandelingen, en werd daarin dapper voor-
gegaan door de E re Impériale van Tarbes onder ingeving
van den prefekt, en liet ons reeds bekende weekblad van
Lourdes, de L a v e d a n. Van deze allen spande echter onze
goede oude Amsterdauische Co urant (\') de kroon.
Immers zij had de eer, eene nieuwe lezing der gebeurtenis
uit te denken en die, hoe dwaas en bespottelijk zij wezen
mocht, in allen ernst als de eenige en waarachtige waarheid
aan hare lezers voor te stellen. (J)
In haar nommer van 9 September 1558 verhaalt zij:
„In het vorige jaar had ik reeds gelegenheid uwe aandacht
te vestigen op het naderen van eene nieuwe klerikale
manifestatie, bestemd om den ijver der geloovigen voor
den dienst van de H. Maagd op te wekken en aan
te wakkeren. De beraadslagingen der bisschoppen over
dit punt hebben aanleiding gegeven tot dat befaamde mirakel
van Lourdes, eene geenszins verbeterde uitgave van de
(\\) I.asserre schrijft : «nous trouvons, en effet, parijn les lutteurs jus-
»qu\'a mie minuscule feuille d\'Amstei\'dam, 1\'Ainsterdninsche Courant."
(2) Lsaserre zegt dan ook: «inais Ie pliiscurieux échantillon de la bonne
»foi et de la libre pensee, ou de sa sagacité d\'examen en cettc matière,
"se trouve dans ce journal hollandais, qne nous avons noniiné plus haut,
"et dont Ie grave récit fut reproduit par des jouruaux francais. Voici
"Commeiit eet aini des lumièrea éclarait Ie monde et racoutait des cvene-
f ments ; etc."
-ocr page 147-
129
verschijning te Ja Saletle, welke de rechtbanken als „snakerij
„van eenige kwakzalvers" hebben gequalificeerd. Het zal
u bekend zijn dat de bisschop van Tarbes eene commissie
benoemd heeft tot het instellen van een onderzoek naar
de echtheid van het mirakel van Lourdes. De zoogenaamde
conclusiën van het rapport dezer commissie — die uit
geestelijken en door de geestelijkheid bezoldigde personen
bestond — waren reeds lang vóór hare eerste zitting in
gereedheid gebracht: zij strekten natuurlijk tot bevestiging
van het mirakel. Het stellen van dat lange rapport is aan
Dr. Veuillot, hoofdredacteur van 1\' U n i v e r s, opgedragen.
„Deze bijzonderheden zijn mij medegedeeld door een reizi-
ger die van Lourdes was gekomen, en mij ook vertelde, dat
de voorgegeven herderin Bernadetta, die zegt in altoosdurende
gemeenschap met de Maagd te staan, geen onnoozele boerin,
maar een jong, zeer beschaafd meisje uit den burgerstand
is, zeer listig van karakter en die verscheidene maanden
in een nonnenklooster heeft doorgebracht, waar men haar
de rol heeft ingescherpt welke zij moest spelen, en waar
eenige malen, voor een klein getal ingewijden, proefvoor-
stellingen van het mirakel werden gegeven, lang vóórdat
dit in de grot van Lourdes zich aan de verbaasde geloovigen
vertoonde. Zooals ge ziet, aan de comedie ontbreekt
niets, zelfs niet de repetitiën, en mocht er eens te Parijs
gebrek aan dramaturgen komen, dan zal men onder onze
hooge geestelijkheid personen vinden, die opperbest iu de
behoefte kunnen voorzien. Het wordt nochtans twijfelachtig
of de manifestatie wel effect zal hebben. De door 1\' U n i v e r s
uitgelokte polemiek over de jeugdige Bernadetta en hare
vizioenen is door de liberale pers alhier levendig gehouden,
9
-ocr page 148-
130
op zulk eene wijze dat het nieuwe mirakel in het bespot-
telijkste licht is gesteld; en het is niet onmogelijk dat de
geestelijkheid zelve ten laatste zal erkennen, dat haar eigen
belang haar voorzichtigheid in deze zaak beveelt, zoodat de
werkzaamheden der bovengenoemde commissie misschien
wel op de lange baan kunnen geschoven worden. In af-
wachting van hetgeen gebeuren kan, duurt de bedevaart
naar de grot van Lourdes voort. De prefect, die deze plek
eerst door troepen had doen omringen, heeft in last gekregen
de bedevaartgangers niet te bemoeielijken.
„Ik verneem, dat eenige dagen nadat de gendarmerie
hare tusscheukomst bij de grot noodig had geoordeeld, een
spotvogel een groot bord boven de grot hing, waarop ge-
schreven stond :
De par la loi, défense a Dieu
De faire miracle en ce lieu." (\')
Zooveel viudingskracht had men bij de oude sukkel niet
verwacht; zij overtrof verre het Handelsblad, dat op
10 September van hetzelfde jaar een nieuwe leugen verzon
met te schrijven: „rieden wordt bij geruchte verzekerd,
dat de commissie, benoemd door den bisschop van Tarbes
voor het onderzoek naar hetjzoogenaamde wonder te Lourdes,
haar medelid, den leeraar der scheikunde, verbonden aan
het seminarium, heeft belast met het opstellen van het rap-
port; dat deze laatste daaraan heeft voldaan en de commissie
(1) \'t Gezag stond op en schreef dit wetsartikel neer:
Voortaan op deze plaats geen enkel wonder meer.
-ocr page 149-
131
heeft uitgemaakt, dat er geen wonder heeft plaatsgehad." (\')
Terwijl de wereld op deze wijsheid werd vergast, giugen
twee uitstekende mannen, Mgr. de Salinis, aartsbisschop
van Auch, eu mijnheer Rességuier, oud afgevaardigde, ter
audiëntie bij keizer Napoleon, die te fiiarritz verbleef.
Reeds had de vorst van verschillende kanten verzoekschriften
ontvangen, om de onbillijke maatregelen van den prefekt
eu de onrechtvaardige vonnissen van den vrederechter te doeD
ophouden. „Sire \\" zoo had meu gevraagd : „wij vermeten
„ons volstrekt niet het vraagstuk der verschijningen van
„de H. Maagd te beslissen, ofschoon, afgaande op de
„schitterende wonderen, die zij zeggen met eigen oogen
„aanschouwd te hebben, bijna allen in dit land aan de
„wezenlijkheid dier bovennatuurlijke openbaringen gelooven.
„Wat zeker is en buiteu alle tegenspraak, is dat de bron,
„die eensklaps is ontsprongen en die men ons nu sluit,
„niettegenstaande de wetenschappelijke ontleding haar on-
„schadelijk heeft verklaard, aan niemand kwaad heeft ge-
„daan; wat zeker is, is dat integendeel een groot getal
„verklaart daar de gezondheid te hebben teruggekregen. In
„naam der rechten van het geweten, die onafhankelijk zijn
„van alle menschelijk gezag, laat de geloovigen daar gaan
„bidden als \'t hun goeddunkt. In naam alleen der men-
„schelijkheid, laat de zieken daar genezing gaan vragen,
„zoo dat hun vertrouwen is. In naam der vrijheid van
(1) Hieruit blijkt het bespottelijke van die kleine prulblaadjes, die
tegenwoordig de joodsche courantschrijvers uabaiiweh, en als nieuwe wijs-
heid leveren wat reeds 14 jareu geleden, zelfs door de oude Amster«
damsche Courant en het Handelsblad, werd uitgedacht.
-ocr page 150-
132
„jordeel, laat de geesten, die licht vragen van de studie
„en het onderzoek, daar heengaan om de dwaling te ont-
„dekkeu of de waarheid te vinden." (\')
üe keizer luisterde aandachtig naar hetgeen beide mannen
hem aangaande de gebeurtenissen van Lourdes verhaalden,
maar sprak geen enkel woord; als hij echter de geweldige
maatregelen vernam, die door den minister, den prefekt,
den commissaris en den vrederechter genomen waren, fronste
hij zijne wenkbrauwen, trok zijne schouders omhoog, schreef
in haast een paar woorden op liet papier en trok hevig
aan de bel.
— „Breng dit terstond naar het telegraaf-bureel!" was
zijn bevel aan den kamerdienaar.
De telegraaf is niets anders dan de bliksem, zeggen
eenige geleerden : de baron Massy deelde dien dag dat ge-
voelen geheel ; immers het keizerlijk telegram viel hem als
een onverwachte donderslag eensklaps op het lijf en ont-
stelde hem zoozeer, dat hij versuft en als wezenloos het
(1) \'Nous ne prétendons décider en rien la questiondes apparitionsde
»la Vierge, bien que, sur la foi de miracles éclatants, qu\'ils disentavoir
<vus de leurs yeux, presque tous, en ce pays, croient it la réalité de
"ces manifestations surnaturelles Ce qui est certain, et hors de toute
»contestation, c\'esl que cette source qui a jailli tout a coup, et que
-/l\'on nous ferme malgré 1\'analyse scientifique qui en proclame 1\'innocnité
«absolue, n\'a fait de mal a personne ; ce qui est certain, c\'est que, tout
•<au contraire, uil grand nombre déclare y avoir recouvré la santé. Au
•<nom des droits de la conscience, indépendants de tout pouvoir humain,
•laissez les croyants aller y prier, si cela leur convient. Au nom de la
«plus simple humanité, laissez les malades aller y guérir, si telle est
• leur espcrance. Au nom de la liberté des inteliigences, laissez les es-
»prils qui demandeut la lumière a 1\'étude et a 1\'examen aller y décou-
• vrir Terreur on y trouver la vérité.\'-
-ocr page 151-
133
noodlottig papier bleef zitteii aanstaren. Hij moest toch
eindelijk tot het werkelijke leven wederkeeren, en zag zich
genoodzaakt, op keizerlijk bevel, zijne verordening te her-
roepen en alle vervolging terstond te doen ophouden.
Toen allengs de kalmte in hem was wedergekeerd, begon
hij te hopen dat de keizer misschien wel op zijn bevel
zou willen terugkomen, wanneer hij maar eerst door hem
en den minister beter was iugelicht. Hij schreef daarom
aan den minister liouland, opdat deze zich naar Biarritz
zou begeven, en stelde zelf een schoon en lang relaas van
de Lourdessche geschiedenis voor den vorst op. Maar
helaas! een tweede telegram boodschapte hem dat de keizer
bij zijn bevel bleef volharden, en dat de baron Massy had
te kiezen tusschen zijn hoogmoed of zijn prefektschap. Hij
deed dan ook die pijnlijke keuze en was nederig genoeg
om prefekt te blijven.
Intusschen bedacht hij een middel, om het bevel des
keizers zonder openlijke terugtrekking van zijne verorde-
ning ten uitvoer te leggen. Op geheime wijze verspreidde
hij daarom het gerucht, dat de prefekt op aanhoudend
verzoek van den keizer had verkregen, dat voortaan de
toegang tot de Massabiella-rotsen weder vrij en open werd.
In stilte schreef hij aan Jacomet, om niet langer de wacht
te houden bij de grenspalen en ook geen vervolgingen
meer in te stellen. Hij verwachtte, dat dan het volk wel
van zelf weder naar de grot en de bron zou gaan en het
rasterwerk verbreken, terwijl de palen met het verbod van
verder te gaan allengs zouden verdwijnen of in stilte konden
weggehaald worden. De baron Massy was echter weder
even ongelukkig in zijne berekeningen en verwachtingen
-ocr page 152-
134
als vroeger; want het volk, misschien eene hinderlaag vree-
zende, bleef op het weiland aan de overzijde van liet kanaal
bidden en het rasterwerk eerbiedigeu; ook geen enkele
paal wilde omvallen of werd omvergeworpen. Het werd
gevaarlijk nog langer te dralen ; want kwam het ter oore
des keizers, dan moest hij vreezen een derde telegram te
ontvangen, dat hem voor altijd ongelukkig zou maken.
De minister ïould kwam juist in deze dagen te Tarbes en
bezocht ook Lourdes : was dat om te ouderzoeken of het
bevel des keizers was ten uitvoer gebracht, of om den
prefekt te waarschuwen ? Ik weet het niet; maar dit is
zeker, dat de baron den 3den October eensklaps gedwee en
buigzaam werd als een vertreden stroohalm, en uit naam
des keizers den maire van Lourdes beval, openlijk de vroegere
verordening te herroepen en de rasters en palen weg te nemen.
Twee dagen daarna werd dan ook bij trommelslag de
heugelijke tijding aan de inwoners bekend gemaakt en op
de gebruikelijke plaatsen aangeplakt:
„De maire der stad Lourdes,
„Gezien de verordeningen hem toegezonden,
„ Besluit:
„Het besluit door hem genomen den Ssten Juni 1858 is
„ingetrokken.
„Gedaan te Lourdes, ten stadhuize, den 5den October
„1858.
„De maire, A. Lacadé." (\')
(1) »Jje Maire de la viile de Lourdes,
"Vu les iistrnctions it lui adressées,
<Arrête:
-ocr page 153-
135
Spoedig zag het volk Jacomet opdagen, omgeven van
zijn politie-dienaars, die gewapend waren met schoppen,
spaden, breekijzers en hamers; de statierok was aangetrokken,
en de driekleurige sjerp liet haar zwierige kwasten rondom
het gevest van den parade-degen dartelen. Met opgeheven
hoofd stapte hij aan het hoofd zijner manschappen naar
de Massabiella-rotsen, ofschoon zijn bleek gelaat wel eenigs-
zins verraadde dat hij zich innerlijk vernederd gevoelde.
Aan de grot genaderd, klom hij op een stuk rot3 en gaf
met de hand een teeken, dat hij spreken wilde. De menigte
zweeg en naderde hem zoo dicht mogelijk. Toen sprak hij :
„Mijne vrienden! die rasters daar, welke tot mijn bittere
„spijt de stedelijke regeering op hooger bevel heeft moeten
„stellen, zullen weggenomen worden. Wie meer dan ik be-
„treurde die beletsels uwer godsvrucht ? Immers ook ik
„ben godvruchtig en deel geheel en al uw geloof en uwe
„overtuiging. Maar de ambtenaar heeft evenals de soldaat
„slechts te gehoorzamen, ook al valt het hem zwaar en
„wreed. Doch dan rust de verantwoordelijkheid ook niet
„op hem. Welnu, mijne vrienden ! toen ik getuige was
„van uwe bewonderingswaardige kalmte en van uwen eerbied
„voor het gezag en van uw volhardend geloof, heb ik
„daarvan de overheid onderricht. Ik heb uwe zaak bepleit
„en gezegd: waarom wil men hen beletten aan de grot te
„bidden of uit de bron te drinken ? Dat volk is braaf en
«L\'Arrêté pris par lui Ie 8 juin 1858 est rapporté.
«Fait a Lourdes, en 1\'hötel de la Maiiie, Ie 5 Octobre 1858.
»Le Maire, A. Lncadé."
-ocr page 154-
186
„zal in niets misdrijven. En zoo, mijne vrienden ! is het
„verbod opgeheven, en hebbeu mijnheer de prefekt en ik
„besloten, dat die ongelukkige rasters en palen voor altijd
„zulleu weggenomen worden."
Zoo Jacomet op eene toejuiching van het volk gerekend
had, zag hij zich bitter teleurgesteld ; want niemand
sprak een woord, terwijl er velen waren, die de schouders
optrokken of zich met een verachtenden glimlach ver-
wijderden.
Palen en rasters werden afgebroken en omvergehaald;
het hout werd bijeeugedragen, om des nachts te worden
geborgen. En aanstonds was bijna geheel Lourdes naar de
geheimzinnige grot uitgetogen; duizenden van waskaarsen
werden ontstoken, en de echo\'s der Espélugues werden
weder opgeroepen, om de litanieën en liedereu ter eere dei-
onbevlekte Moedermaagd te herhalen.
-ocr page 155-
VII.
DE BISSCHOPPELIJKE COMMISSIE.
\'t Was reeds vijf maanden, dat al die wondervolle dingen
aan de Massabiella-rotsen van Lourdes voorvielen; dat er
duizenden en nogmaals duizenden bijna dagelijks heen-
stroomden ; dat zoowel de geleerdeals de ambtenaren-wereld,
het burgerlijk gezag en de rechterlijke macht, de ministers
en de keizer, ja, dat geheel Frankrijk er zich mede bezig-
hielden, en nog was er geen enkel priester van het bisdom
van Tarbes aan de grot geweest. Pastoor Peyramale had
het zijnen onderhoorigen geestelijken verboden.
— „Wij weten niet wat het is," — zoo sprak hij:
„als het van God komt, dan zal het zich van zelf wel
openbaren en heeft onze hulp niet noodig; komt het
niet van God, dan zal het van zelf verdwijnen en te niet gaan."
Intusschen deed hij zich dagelijks verslag gevsn van al
wat er voorviel, en hield ook den bisschop op de hoogte
der gebeurtenissen. Zijne houding werd niet alleen goed-
gekeurd door den prelaat, maar zelfs als regel aan alle
priesters van het bisdom aanbevolen. Zoo verviel dan ook
reeds aanstonds de lasterlijke beschuldiging, dat de geestelijk-
heid er de hand in had of ten minste de dweeperij en
bijgeloovigheid des volks bevorderde ; en werd het haar
-ocr page 156-
138
later zelfs door den minister tot een verwijt gemaakt, dat
zij er zich volkomen had buitengehouden.
Mgr. Bertrand Sévère Laurence, bisschop van Tarbes,
was bij uitnemendheid de man van het bisdom. Hij was
daarin geboren, opgevoed, priester geworden ; als regent
van het klein seminarie had hij de studeerende jeugd in
godsvrucht en wetenschap opgeleid; later als president
van het groot seminarie de jongelingen tot het heiligdom
voorbereid, om nu als bisschop zijne voormalige leerlingen
voor te gaan en te leiden in het heilig dienstwerk des
Heeren. Veertig jaren stoDd hij dus met bijna al de priesters
van zijn bisdom in de nauwste betrekking, en was meer
nog hun raadsman, hun vriend en vader, dan hun hoofd
en gebieder. Doch had de prelaat een warm hart voor de
uitstekende geestelijkheid van Tarbes, door zijne handge-
vormd, en voor de eenvoudige, oprechte en godsdienstige
geloovigen van zijn bisdom : hij had tevens een koud hoofd;
dat met bedaardheid alles aan het onderzoek van de rede
onderwierp. Niemand was minder toegankelijk dan hij voor
alle begoochelingen der verbeelding en de vervoeringen van
eene onbeheerschte geestdrift; zelfs mistrouwde hij de vurige
karakters, was een vijand van al het overdrevene, en liet
zich nooit door hartstochtelijke taal of bewijsvoering over-
reden. Was het gevoel de richtsnoer van zijn hart, de rede
was de eenige wet voor zijn verstand. Nooit zou hij handelen,
of eerst had hij de gansche zaak met de uiterste zorg over-
wogen, al de gevolgen daarvan nagegaan en de moeilijk-
heden even nauwkeurig als de voordeelen gemeten. Hij
was dan ook de voorzichtigheid zelve, maar had daardoor
tevens eene langzaamheid van handelen, die hem weleens als
-ocr page 157-
139
gebrek werd aangerekend. Immers wanneer zijn oordeel,
zijne beslissing of zijne tusschenkomst werd ingeroepen,
dan was hij altijd bevreesd nog geen redenen genoeg te
hebben om tusschenbeide te treden, of bewijs genoeg om
een oordeel uit te spreken; en wel vooral wanneer het ge-
vallen gold, die hem in aanraking met de regeering of de
burgerlijke overheid brachten. Bezat evenwel de waardige
prelaat eenmaal de overtuiging, dat plicht of ambt hem
tot handelen riep of uitspraak vroeg, dan kon niets hem
daarvan terughouden, en voegde hij wijsheid en kracht
bij de voorzichtigheid, die hem zoolang deed dralen.
Mgr. Laurence liet zich over de gebeurtenissen van Lourdes
volstrekt niet uit; hij ontkende niets, wetende dat zulke
dingen, hos zeldzaam ook, toch mogelijk ziju, maar hechtte
er toch evenmin geloof aan. Als bisschop moest hij wettige
bewijzen, geloofwaardige getuigenissen en onwraakbare be-
vestigingen vragen, alvorens zich te mogen verklaren; en
al wat de pastoor van Lourdes, die er zelf nooit getuige
van was, kon aanvoeren, waren getuigenissen en verzekerin-
gen uit de tweede of derde hand. Wanneer men sprak van
eene commissie van onderzoek, dan was ziju antwoord:
— „Het uur is nog niet daar, waarop de kerkelijke
overheid zich met die zaak moet bezighouden. Om het
oordeel te kunnen vellen, dat men van ons verwacht, moet
men met eene wijze langzaamheid voortgaan, de geestdrift der
eerste dagen mistrouwen, tijd geven aan de bedaarde over-
weging, en licht vragen aan eene aandachtige en verstandige
waarneming der feiten."
Toen eindelijk in de maand Juli zooveel eerbiedwaardige
en vertrouwde mannen openbare getuigenis aflegden van
-ocr page 158-
140
hetgeen zij te Lourdes hadden gezien, gehoord en onder-
vonden ; toen zooveel feiten als waarachtig ook door mannen
van wetenschap en geweten werden verklaard; toen de
gansche geestelijkheid zoowel als de geloovigen van Tarbes
met verlangen uitzag en zelfs dringend smeekte, om
het bisschoppelijk woord over de grot en de bron der
Massabiella-rotsen te vernemen, toen oordeelde Mgr. Lau-
rence dat het oogenblik was aangebroken om te spreken,
en trad uit zijn stilzwijgen te voorschijn. Den 28»ten Juli
vaardigde hij de volgende ordonnantie uit, welke terstond
door het geheele bisdom bekend gemaakt, en door den
druk overal werd verspreid.
Ordonnantie van Mgr. den Bisschop van ïarbbs,
waarbij wordt aangesteld eene commissie, belast met
het onderzoek der waarheid en van den aard der fei-
ten, die zijn gebeurd binnen ongeveer zes maanden,
ter gelegenheid van eene ware of voorgewende ver-
schijning der allerheiligste Maagd in eeDe grot,
aan de westzijde der stad Lourdes gelegen. (\')
Bertraud Sévère Laurence, door de goddelijke barmhartig-
heid en de gunst van den apostolischen Stoel, bisschop
vaü Tarbes:
(1) Ordonnauce de monseigneur 1\'évèque de Tarbes, constitutive d\'uiie
commission chargée de constater l\'autheiiliciti\' et la nature des faits qui
se sont produits, depuis envirou six mois, h 1\'occasion d\'une apparition,
vraie o» préteudue, de la très-saiate Vierge dans une grotte, sise ii 1\'ouest
de la ville de Lourdes.
-ocr page 159-
141
Aan de geestelijkheid en de geloovigen van ons bisdom,
zaligheid en zegen in onzen Heere Jesus Christus.
Gebeurtenissen van hoogen ernst, die den godsdienst
betreffen, het bisdom in beweging brengen en tot in de
verte weergalmen, hebben sedert den Uden Februari 11. te
Lourdes plaats gegrepen.
Bernadetta Soubirous, een jong meisje van Lourdes, 14
jaren oud, zou verschijningen gehad hebben in de grot
van Massabiella, gelegeu ten westen der stad; de onbevlekte
Maagd zou haar zijn verschenen; eene bron zou zijn ont-
sprongen ; het water van die bron, gebruikt om te drinken
en te wasschen, zou een groot getal van genezingen hebbeu
bewerkt; die genezingen zouden als wonderbaar worden
aangezien; in groote menigten zijn de meuschen opgegaan
en gaan nog, zoowel van ons bisdom als van de naburige
bisdommen, aan dat wtater de geuezing vragen hunner
verschillende kwalen, onder aanroeping van de onbevlekte
Maagd. Het burgerlijk gezag heeft er zich mede bemoeid.
Van alle kanten vraagt men sedert de maand Maart 11. dat
de kerkelijke overheid zich verklare over dien ouverwachten
pelgrimstocht.
Wij hebben toen gemeend dat het uur nog niet ge-
komen was, om met vrucht die zaak te behandelen ; dat,
om het oordeel te vellen \'t welk men van ons verwacht, het
noodig is met wijze langzaamhand voort te gaan, de geestdrift
der eerste dagen te mistrouwen, de gemoederen te laten
bedaren, en licht te vragen aan eene aandachtige waar-
neming der feiten.
Drie klassen van menschen doen beroep op onze uitspraak,
maar met geheel verschillende bedoelingen. Vooreerst zij
-ocr page 160-
142
die, alle onderzoek weigerende, in de gebeurtenissen aan
de grot en de genezingen, aan het water van de bron toege-
schreven, niets anders zien dan bijgeloovigheid, bedriegerij
en middelen om te misleiden, \'t Is klaarblijkelijk dat wij
dat gevoelen niet a priori en zonder een ernstig onderzoek
kunnen deelen; hunne dagbladen hebben in den beginne
geschreeuwd, en wel zoo hard mogelijk, van bijgeloovig-
heid, bedriegerij, kwade trouw; zij hebben verzekerd dat
de gebeurtenissen aan de grot haar reden van bestaan had-
den in een laag eigenbelang, eene schuldige geldzucht;
en hebben alzoo het zedelijk gevoel van ons christelijk
volk gewond. Alles loochenen, aller bedoeling beschuldi-
gen is, wij geven het toe, wel het gemakkelijkst middel
om de moeilijkheden weg te nemen; maar behalve dat
het niet eerlijk is, zoo is het ook niet redelijk, en meer
geschikt om de gemoederen te verbitteren dan om ze te
overtuigen. De mogelijkheid van bovennatuurlijke gebeur-
tenissen loochenen is het volgen eener overjarige school,
is het afzweren van den christelijken godsdienst, en het
zich werpen iu \'t wagenspoor der ongeloovige wijsbegeerte
van de vorige eeuw. Wij katholieken, wij kunnen in
deze omstandigheid geen raad vragen bij lieden, die in
God de macht loochenen om uitzonderingen te maken op
de algemeene wetten, die Hij heeft vastgesteld tot bestu-
ring der wereld, het werk zijner handen; noch kunnen
met hen in onderzoek treden, om tot de kennis te komen
of een of ander feit bovennatuurlijk is, aangezien zij reeds
vooraf uitroepen dat het bovennatuurlijke onmogelijk is.
Verwerpen wij daarom over de zaken, waarvan hier sprake
is, eene breede, oprechte, gewetensvolle woordenwisseling,
-ocr page 161-
143
voorgelicht door de wetenschap en hare vorderingen ?
Voorzeker neen ; wij roepen haar integendeel met geheel
ons hart in. Wij willen dat die feiten allereerst zullen ou-
derworpen worden aan de strenge regels der zekerheid, welke
eene gezonde filosofie toelaat; dat men vervolgens, om te be-
slissen of die feiten bovennatuurlijk en goddelijk zijn, tot het
onderzoeken van die gewichtige en moeilijke vraagstukken
ook de hulp in roept van mannen, kundig en ervaren in
de wetenschappen der mystieke godgeleerdheid, der ge-
neeskunde, der natuurkunde, der scheikunde, der aard-
kunde, enz; met één woord : dat de wetenschap gehoord
worde en dat zij zich verklare. Wij willen vóór alles, dat
er geen middel worde verzuimd om tot de waarheid te komen.
Een tweede klasse vormen zij, die al wat er verhaald
wordt noch aannemen noch verwerpen, maar hun oordeel
opschorten ; zij verlangen, alvorens zich te verklaren, de
uitspraak van het wettig gezag te kennen en roepen die
dringend in.
Eindelijk, daar bestaat een derde en zeer talrijke klasse,
die reeds een innige ofschoon ontijdige overtuiging draagt
aangaande de dingen, die ons bezighouden ; zij verwacht
met levendig ongeduld dat de bisschop van het kerspel in
het eerste ressort uitspraak doet in deze gewichtige zaak.
Ofschoon zij van onzen kant eene beslissing hoopt, die
geheel overeenkomstig is met hare godvruchtige gevoelens,
zoo kennen wij genoeg hare onderwerping aan de Kerk,
om verzekerd te zijn dat zij ons oordeel, welke het ook
wezen moge, aanneemt zoodra het haar zal kenbaar zijn.
Om dan den godsdieust en de godsvrucht van zooveel
duizenden geloovigen voor te lichten, om in eene openbare
-ocr page 162-
144
behoefte te voorzien, de onzekerheden weg te nemen en
de gemoederen te bedaren, geven wij thans toe aan de
voortdurende beden, die zich sedert lang van alle zijden
hernieuwen; wij vragen licht over de gebeurtenissen, die
van zoo groot belang zijn voor de geloovigen, voor de
vereering van Maria, voor den godsdienst zelven. Ten dien
einde hebben wij besloten in ons bisdom eene voortdurende
commissie in te stellen, om bijeen te verzamelen en met
bewijzen te bevestigen de feiten, die hebben plaats gehad
of zicli nog zouden kunnen voordoen in of bij de grot
van Lourdes; om ze ons in hun waren aard en karakter
te doen kennen, en ons alzoo de noodige gronden te ver-
schaffen om tot eene oplossing te komen.
Om die redenen :
DE HEILIGE NAAM VAN GOD INGEROEPEN,
hebben wij bepaald en bepalen bij deze als volgt:
Art. I.
Eene commissie is in het bisdom van Tarbes ingesteld,
om te onderzoeken :
1" Of er genezingen zijn bewerkt door het gebruik van
het water der grot van Lourdes, hetzij door het tedrin-
ken, hetzij door er mede te wasschen, en of die gene-
zingen natuurlijk kunnen verklaard worden, dan wel of zij
aan eene bovennatuurlijke oorzaak moeten worden toege-
schreven ?"
2" Of de verschijningen, welke het kind Barnadetta
Soubirous voorgeeft gehad te hebben, wezenlijk waren;
en zoo ja, of zij dan natuurlijk kunnen verklaard worden
of een bovennatuurlijk en goddelijk karakter bezitten ?
-ocr page 163-
145
3° Of het verschenen voorwerp vragen gedaan eu ver-
langens heeft geopenbaard aan dat kind ? Of dat kind be-
last is die mede te deelen ? aan wie ? en welke zouden die
geopenbaarde vragen of verlangens geweest zijn ?
4° Of de bron, die tegenwoordig in de grot vloeit, reeds
bestond vóór de verschijning, welke Iternadetta Soubirous
beweert gehad te hebben ?
Art. II.
I)e commissie zal ons niets anders voorleggen dan fei-
ten steunende op grondige bewijzen; zij zal ons over die
feiten uitvoerige verslagen leveren, die haar gevoelen zul-
len behelzen.
Art. III.
De HH. dekens van het bisdom zullen de vooruaam-
ste correspondenten der commissie zijn ; zij worden ver-
zocht haar te willen opgeven :
1° de feiten, die in hunne respectieve dekenaten zijn
voorgevallen;
2° de personen, die getuigenis kunuen afleggen aan-
gaande het bestaan van die feiten;
3U degenen, die door hunne wetenschap de commissie
kunnen voorlichten ;
4° de geneesheeren, die de zieken vóór hunne genezing
behandeld hebben.
Art. IV.
Na voldoende inlichtingen genomen te hebben, zal de
commissie tot het instellen van de noodige verhooren
kunnen overgaan. De getuigen zullen onder eede gehoord
10
-ocr page 164-
146
worden. Als de verhooreu op de plaatsen zelven zulleu ge-
schieden, moeten zich ten minste twee leden vau de com-
missie derwaarts begeven.
Art. V.
Wij bevelen der commissie vooral aan, dikwijls in haar
midden te roepen mannen, ervaren in de geneeskunde,
de natuurkunde, de scheikunde, de aardkunde, enz., om
dezen de moeilijkheden te hooreu behandelen, die misschien
in zeker opzicht tot hun vak zouden behooren, en hun
gevoelen te vernemen ; dt commissie mag niets verzuimen,
om alle mogelijk licht te eriangen en tot de waarheid te
komen, welke die ook wezen moge.
Art. VI.
De commissie bestaat uit de negen leden van het ka-
pittel onzer kathedraal, de oversten van ons groot en klein
seminarie, den overste der missionarissen (l) van het bis-
dom, den pastoor van Lourdes, en de professoren van de
dogmatiek, van de moraal en van de physica in ons se-
minarie. De professor van de chemie in ons klein seminarie
zal dikwijls gehoord worden.
Art. VII.
Mijnheer Nogaro, kanunnik-aartspriester, wordt benoemd
tot president van de commissie. De HH. kanunniken
Tabariès en Soulé worden benoemd tot vice-presidenten.
De commissie zelve zal uit haar midden een secretaris en
twee ondersecretarissen benoemen.
(1) i)e eer«\'. pateis van de onbevlekte ontvangenis, eene congregatie
welke te Rome nog niet is goedgekeurd, en eigen is aan liet bisdom van
Tarbes.
-ocr page 165-
147
Art. VIII.
De commissie zal terstond iu werking treden en zoo
dikwijls vergaderen, als zij zal noodig oordeelen.
Gegeven te Tarbes, in ons bisschoppelijk paleis, onder
onze handteekening, ons zegel en de haudteekeniug van
onzen secretaris, deu 28sten juli 1858.
t Bertrand-Sre, bisschop van Tarbes.
Op last van Z. D. H.,
Fourcade, kan. secr.
.Reeds spoedig na het uitvaardigen van bovenstaande or-
donnantie, kwamen de zestien leden der commissie in het
bisschoppelijk paleis te Tarbes bijeen, om de voorberei-
dende werkzaamheden te beginnen. Mijnheer i\'ourcade werd
tot secretaris benoemd; vervolgeus koos men eene sub-
commissie van vijf leden, welke zich met het onderzoek
van Bernadetta, van de grot en de bron zou belasten, en
maakte het reisplan op voor de overige leden, die de bis
dommen van Tarbes, Auch en Bayonue zouden doortrekken,
om op de plaatsen zelven de wonderbare genezingen te
onderzoeken, die gezegd werden daar te zijn gebeurd. J3e-
lialve den professor in de scheikunde, had de commissie
zich nog toegevoegd dokter Vergès, geneesheer aan de
baden van liarèges, beroemd hoogleeraar der faculteit van
Montpellier, en dokter Dozous van Lourdes, die reeds vroeger
uit eigen beweging vele buitengewone gevallen van genezing
had nagegaan en onderzocht, en ook meestal bij de ver-
schijningen aan de Massabiella-grot was tegenwoordig ge-
weest. In de volgende vergaderingen werden vaste regels
opgesteld, volgens welke het onderzoek zou plaats grijpen;
de wijze aangegeven, op welke de commissie zich zou ge-
-ocr page 166-
148
dragen; en de middelen gekozen, die men zou aanwenden
om tot alle mogelijke zekerheid te komen en den bisschop
eene eindbeslissing mogelijk te maken, die voor geen tegen-
spraak vatbaar was. Daarna ging men over tot het lezen,
schiften en onderzoeken der verschillende stukken, mede-
deelingen, verklaringen, rapporten enz., die over de wónder-
volle gebeurtenissen reeds in menigten bij den bisschop
waren ingekomen.
Het verbod van den prefekt stond der subcommissie in
den weg, om reeds aanstonds den arbeid te Lourdes te
beginnen ; daarbij verlangde de bisschop, dat de gemoederen,
zoozeer in beweging gebracht door de geweldige maatregelen
van den baron Massy en den commissaris Jacomet, eerst
zouden bedaren, opdat geen opgewondenheid of hartstoch-
telijkheid het onpartijdig onderzoek zou bemoeilijkeu. Zoo
werd het dus 17 November, eer de commissie zich naar
Iiourdes begaf.
Wat het onderzoek der wonderbare genezingen betreft,
de commissie hield steeds in het oog, dat alleen het feit
met zijne omstandigheden op menschelijke getuigenis be-
rustte, terwijl het natuurlijke of bovennatuurlijke daarvan, ten
minste voor een groot gedeelte, door de commissie zelve moest
worden uitgemaakt. Zij daagde in de bisdommen van Tarbes,
Auch en Bayonne allen voor zich, die als wondervol ge-
nezen waren aangegeven. Zij ondervroeg ze met de uiterste
zorg naar alles, wat met hunne ziekte en oogenblikkelijke
of langzame genezing in verbaud stond j deed vervolgens
dat onderzoek nog eens herhalen door geneeskundigen, en
won verdere narichten in bij allen, die hen kenden, of op
eenige wijze met hen in betrekking stonden. Was zij eenmaal
-ocr page 167-
149
tot genoegzame zekerheid aangaande het feit eu al zijne
omstandigheden gekomen, dau onderwierp zij de waardeeriug
daarvan aan de twee geneeskundigen, dokter Vergès en
dokter Dozous.
Ieder geneesheer schreef zijn eigen bevinding, waardeeriug
eu beoordeeling van het feit op; verwierp het wonderbare
der genezing, om die uitsluitend aan natuurlijke middelen
toe te kennen; of verklaarde dat er geene uitlegging
mogelijk was, tenzij eene bovennatuurlijke tusschenkomst
werd aangenomen; of ook kwam tot geene beslissiug, daar
het na alle onderzoek twijfelachtig bleef, of de genezing
op natuurlijke of bovennatuurlijke wijze had plaats gegrepen.
En na op deze wijze volledige kennis van het feit genomen,
en de waardeering daarvan door de dokters gelezen te hebben,
beraadslaagde de commissie over haar uit te spreken oordeel,
en het rapport dat zij daarvan den bisschop zou voorleggen.
Aan iederen getuige, die voor haar verscheen, werden
twee voorwaarden tot toelating gesteld, namelijk: dat hij
niets zou mededeelen dan alleen wat hij zelf persoonlijk
had gezien eu bijgewoond: en vervolgens, dat hij zich met
eede verbond om niets dan de waarheid en alleen de waarheid
te spreken. Op deze wijze was het niet mogelijk dat een valsch
mirakel als echt zou worden aangezien, of dat er eene ver-
gissitig plaats greep; te meer, daar het ongeloof met scherpe
oogen alle handelingen der commissie gadesloeg.
Vermits men de wonderbare genezingen bij honderdtallen
verhaalde, was het der bisschoppelijke commissie onmogelijk
alle aangewezen gevallen te onderzoeken; zij moest dus
eene keuze doen, eu bepaalde die tot een dertigtal van die
het luidste spraken. Met de uiterste gestrengheid ging zij
-ocr page 168-
150
bij het onderzoek te werk en liet — als ik mij zoo mag
uitdrukken — nooit het bovennatuurlijke toe, zoolang het
niet moreel en physiek onmogelijk was anders te handelen.
Daarom verwierp zij zelfs alle genezingen, die niet ten
minste bijna oogenblikkelijk waren gebeurd, of terwijl men
nog van een of ander natuurlijk geneesmiddel gebruik
maakte; want, zoo schreef de secretaris: „ofschoon de
ongenoegzaamheid der middelen, door de wetenschap voor-
geschreven, voldoende erkend werd, kan men in dat geval
de genezing niet onbetwistbaar en uitsluitend aan het water
toeschrijven, dat gelijktijdig werd gebruikt." (\') Ook de
wondervolle bekeeringen, die gezegd werden bij de grot te
hebben plaats gehad, liet zij onaangeroerd, daar de be-
wegingen des harten, hoe buitengewoon ook, niet met
zekerheid gerechtelijk kunnen bewezen worden.
In overeenstemming met de geneesheeren verdeelde de
commissie de genezingen, die zij onderzocht had en uit-
voerig in het verslag aan den bisschop behandelde, in drie
klassen. De eerste bevatte die, welke, hoe wonderlijk zij
schijnen mochten, voor eene natuurlijke uitlegging vatbaar
waren. Zij telde er zes.
De tweede klasse bestond uit de genezingen, bij welke
de commissie wel geneigd was het bovennatuurlijke aan
te nemen, maar die zij toch niet als zekere wonderen durfde
verklaren. Haar getal was negen. Van deze getuigde
(J) "Quoique 1\'inefücacité des remèdes prescrits par la science eüt été
"Mitlisamiiiriil recounue, on ne pouvait pas en cc cas, rigoureusemeut et
«d\'une maniere exclusive, attribuer la giicrison a la vertu surnaturellede
"1\'eau de la Grotte, simiiltanément employee."
-ocr page 169-
151
het geneeskundig verslag : „Het meerendeel dezer gevallen
bezat bijna al de voorwaarden, vereischt om in de bovenna-
tuurlijke orde geplaatst te worden. Men zal misschien meenen
dat wij, met ze daar buiten te sluiten, te streng handelden.
Maar, wel verre van ons over dat verwijt te beklagen,
wenschen wij er onszelveu geluk mede, daar wij ons overtuigd
houden dat de gestrengheid in deze zaken door de voor-
zichtigheid wordt bevolen." (*)
De gestrengheid der commissie ging dus zóó ver, dat
het voldoende was, dat eene natuurlijke verklaring — hoe
onwaarschijnlijk dan ook — maar in de verste verte mo-
gelijk scheen, om een geval niet als een waar mirakel aan
te uemen. Het feit werd dan in deze tweede klasse ge-
rangschikt.
Tot de derde klasse behoorden de genezingen, die klaar-
blijkelijk en onloochenbaar een bovennatuurlijk karakter
bezaten; vijftien werden voor waarachtige wonderen ver-
klaard. Aangaande deze «evallen zegt het verslag der
bisschoppelijke commissie : „De ziekten, waardoor deze men-
schen, met zulke plotselijke en treffende genezingen beguns-
tigd, waren aangetast, waren grootendeels van verschillenden
aard. Zij vertoonden zeer onderscheidene karakters. Zij
behoorden, eenigen tot de inwendige, anderen tot de
uitwendige ziekte-leer. Hoe verschillend echter, zij werden
(1) «La plnpart de ces faits présentent presque toutes les conditions
«voulues pour étre admis dans 1\'ordre surnatnrel. O» trouvera peut-être
«qu\'en les exeluant nous agissons avec une trop grande réserve, et
"que nous montrons une conscience trop sévère. \\lai> loin de uous
"plaindre de ce reproche, nous nous en félicitons, parce que nous sommes
•convaincus qu\'en pareille matièrelasévéritéestcommandéepar laprudence."
-ocr page 170-
152
genezen door een en hetzelfde water, dat men uitwendig
of inwendig, soms ook op beide wijzen gebruikte. De
vetenschap intusschen had na grondig onderzoek verklaard,
dat het water volstrekt geen geneeskracht bezit en chemisch
niets anders dan gewoon en natuurlijk water is." (l)
Het verslag der beëedigde geneesheereu was niet minder
beslissend in zijue gevolgtrekkingen: „Wanneer men" —
zegt het — „een oogslag werpt op die gezamenlijke ge-
nezingeu, dan is men aanstonds getroffen door de gemakkelijk-
heid, het spoedige, het oogenblikkelijke, waarmede zij uit
hare voortbrengende oorzaak zijn te voorschiju gekomen ;
door het verkrachten en volkomen omverwerpen van alle
geneeskundige methoden, waarmede zij bewerkt zijn; door
de tegenspraak welke de voorschriften en voorzieningen
der wetenschap ontvingen ; door die soort van minachting
welke spot met de veroudering, de diepte en de hardnekkigheid
der kwaal; door de verborgene maar niettemin wezenlijke
zorg, waarmede alle omstandigheden zijn geregeld en samen-
gevoegd, om te toonen dat er in de genezing, die geschiedt,
een voorval plaats grijpt, dat geheel en al buiten de gewone
orde der natuur is. Zulke verschijnselen gaan het begrip
van den menschelijken geest te boven. Hoe zal men toch
begrijpen de tegenstelling, die er bestaat:
(1) «Les maladies dunt les sujets, favorisés de guérisons si subites et
•si Irappautes, subissaient les atteintes, étaient la plupart de nature dif-
•férente. Blies affectaient des caractères variés. KUes appartenaient, les
«unes a la pathologie interne ; les autres ii la pathologie externe. Cepeu-
«dant, ces affections si diverses ont été guéris par 1\'emploi d\'un seul et
• même element tautöt en lotion, tantöt en boissou, et sur quelques iujets
«des deux manières a la fois."
-ocr page 171-
153
1". tusschen de eeuvoudigheid vau het middel eu de
grootheid van de uitwerking ?
2". tusschen de eenheid van liet geneesmiddel en de ver-
scheidenheid der ziekten ?
3°. tusschen deu korten duur der aanwending van het
geneesmiddel en den langen duurder behandeling, voorge-
schreven door de kunst of de wetenschap ?
4U. tusscheu de plotselijke uitwerkingskracht van het
eerste en de lange vruchteloosheid der laatste?
5". tusschen de langdurigheid der kwaal eu de oogen-
blikkelijkheid der genezing P
Daar is dus hier inderdaad eeue overigens mogelijke kracht,
die hooger staat dan alle audere welke van de natuur voort-
komen, en die bijgevolg vreemd is aan het water, waarvan
zij zich bedient tot het openbaren van hetgeen zij vermag." (\')
(\') "Eu jetaiit uu coup d\'oeil d\'eusemble sur ces guérisons, oii est
«frappe tout d\'abord de la facilité, de la promptitude, de l\'iustaiitauéité
»avec lesquelles elles sortent du sein de leur cause productrice ; de la
«violatioii, du bouleversemeut complet de toutes les methodes thérapeu-
«tiques qui règueiit dans leur accomplissement; des contradictious qui
«recoiveut les préceptes et les prévisions de la scieuce, de cette espèce
»de dédain qui se joue de 1\'aiicieuneté, de la profondeur et de la resis-
«tance du mal; du soiu caché, mais réel néanmoins, avec lequel toutes
»les circonstances sont arrangées et combiuées, pour moatrer qu\'il y a,
\'dans la guérison qui s\'opère, uu evenement tout a fait en dehors de
«1\'ordre habituei de la nature. De tels phénomènes depassent la portee
»de 1\'esprit humain. Corament comprendrait-il, eu effet, 1\'opposition qui
«eiiste :
»1. Entre la siinplicité du moven et la grandeur du résultat P
"2. Entre 1\'unité du remede et la diversité des malalies ?
"3. Entre la courte durce de 1\'applicatiou de 1\'agent curatif et la lou-
• gueur des traitemeiits indiqués par Tart on la scieuce?
-ocr page 172-
154
De, helaas! reeds laug overleden kanunnik en secretaris
Fonrcade heeft aangaande de werkzaamheden en onderzoe-
kingen der commissie een kort rapport uitgegeven, waaraan
wij de nadere bijzonderheden, in de twee volgende hoofdstuk-
ken vermeld, ontleenen, met bijvoeging van hetgeen wij-
zelven te Lourdes hebben gehoord en gezien.
"4. Entre 1\'efficacité soiidaine du premier et la longue inutilité des
"seconds ?
"5. Entre la chronicité du mal et l\'instantanéité de la guérison ?
"11 y a la cerlainement une force contingente, supérieure a celles qui
-/ont été départies a la nature; étraugère, par conséquent, ü 1\'eau dont
<elle se sert pour les manifestatious de sa puissance."
-ocr page 173-
vin.
BERNADETTA.
Den 17den November 1858 begaf zich de subcommissie
•wan vijf leden naar Lourdes, vooraf allen gewaarschuwd
hebbende, die gehoord zouden worden. Om zooveel mogelijk
een te grooten toevloed van nieuwsgierigen aan de grot
tijdens het bezoek te voorkomen, had men bepaald bij de
aankomst in de stad niet te vertoeven, maar terstond naar
de grot te rijden en daar Bernadetta af te wachten, die
een kwartier later bescheiden was. Deze voorzorg bleek
echter vruchteloos, want het was in de stad bekend ge-
worden, dat de commissie de grot bezoeken en daar met
Bernadetta spreken zou : en omstreeks vier honderd burgers
waren reeds in den vroegen morgen derwaarts heengegaan,
om getuigen van het onderhoud te zijn. De commissie
ving hare taak aan met het onderzoeken van de grot en
de bron; nam alles nauwkeurig op en teekende aan wat
zij zag en hoorde; vervolgens ondervroeg zij eenige oude
lieden, die altijd in Lourdes gewoond hadden en de Mas-
sabiella-rotsen sinds jaren kenden, aangaande de bron die
thans daar vloeit en proefde het water. Uit de verschiU
lende verklaringen, daar op de plaats zelve afgelegd, bleek
haar, dat er vroeger nooit eene bron in die rots was ge-
-ocr page 174-
-ocr page 175-
156
zien; dat men er hoogstens een zekere vochtigheid of zweet
op de wanden had waargenomen; terwijl het water nu aan-
houdend in overvloed stroomde en dagelijks meer dan hou-
derdduizend kan gaf.
De omstanders hielden zich al dien tijd op een kleinen
eerbiedigen afstand en waren zeer stil en ingetogen; velen
lagen op de knieën te bidden en gaven levendige blijken
van hun geloof; anderen waschten zich aan de bron of
vulden hunne flesschen met het wonderdadige water; bijna
allen hadden den rozenkrans in de hand; en de mannen
stonden met ongedekt hoofd en de handen te samen ge-
vouwen, alsof zij in de kerk waren.
Een klein half uur later verscheen Bernadetta, en stelde
zich aan de commissie voor in groote zedigheid en kin-
derlijke eenvoudigheid. Zij was kalm, zouder verlegenheid,
en scheen volstrekt niet gehinderd te worden door het
groot getal van nieuwsgierigen, dat haar omringde, noch
door het gezicht van zooveel eerbiedwaardige en hooge
geestelijken, die zij nooit gezien had en wier zending zij
kende. De president verzocht haar te vertellen wat zij op
die plek gezien en gehoord had, en daarbij tevens aan te
wijzen waar en hoe alles had plaats gegrepen. Maar nau-
welijks was het kind daarmede begonnen, of de tot nu toe
bedaarde menigte kwam onstuimig aanstormen, om een
engen breeden kring rondom de commissie te vormen;
ieder trachtte vooruit en in de voorste rij te dringen,
begeerig om te hooren wat er gevraagd en geantwoord zou
worden. Dit gaf zooveel gedruisch, dat het der commissie
niet mogelijk was, het onderzoek geregeld en volledig voort
te zetten; waarom zij zich bepaalde tot eenige weinige
-ocr page 176-
157
vragen naar omstandigheden en bijzonderheden, die alleen
op de plaats zelve betrekking hadden, en besloot naar de
stad terug te keeren en Bernadetta in de sacristie der
parochiekerk te laten komen.
Rustig in de ruime sacristie gezeten, aanhoorde de com-
missie het gansche verhaal der verschijningen, gelijk wij
dat hebben wedergegeven. Bernadetta versprak zich nooit
eu bleef zich tot in de geringste bijzonderheden altijd gelijk.
Met kinderlijke openhartigheid en eenvoudigheid legde zij
daar voor de priesters hare onschuldige ziel bloot, en sprak
met eene innige overtuiging, die geen schaduw van twijfel
toeliet. Op alle vragen gaf zij steeds hetzelfde antwoord,
en kon door geen enkele strikvraag in tegenspraak met
zichzelve gebracht worden.
Nadat het kind vertrokken was, ging de commissie over
tot het onderzoek der verschillende verklaringen en uit-
leggingen, welke aan deze wondervolle gebeurtenis gegeven
waren, en werd daarin bijgestaan en voorgelicht door de
geneeskundigen die zij ontboden had. Vooreerst kwamen ter
sprake Bernadetta\'s onnoozelheid en oprechtheid. Zij was ge-
boren den 7 den Januari 1844; was opgevoed en had hare
kindsche jaren doorgebracht in het kleine en onaanzienlijke
dorp Bartrès, waar zij in de laatste maanden de schapen had
gehoed. Zij had de school niet bezocht, kon lezen noch
schrijven en was nog niet, ofschoon reeds veertien jaren
oud, tot de eerste H. Communie toegelaten. Sinds korte
dagen was zij door haar ouders naar huis ontboden, om
het onderricht in de parochiekerk en bij de zusters van Ne vers
bij te wonen, en zich tot den grooten dag voor te bereiden.
Haar karakter was goedig, in wezenlijkheid oprecht en
-ocr page 177-
158
zeer naïef. Daar is niemand van al de honderden, welke
haar gesproken en ondervraagd hebben, die ooit hare oprecht-
beid in twijfel getrokken heeft, alleen Jacoraet misschien
uitgezonderd; en zij is ondervraagd door geleerden en on-
geleerden, door ongeloovigen zoowel als geloovigen, door
geneesheereu en advocaten, door bisschoppen, priesters en
de aanzieulijksteu des lands. Die haar verliet was in de
ziel overtuigd, dat zij alles ter goeder trouw vertelde, en
bewonderde hare naïeve antwoorden. Men vroeg haar in
welke taal O. L. Vrouw haar had toegesproken.
—  „In onze boerentaal," antwoordde zij.
—  „Neen, mijn kind !" zeide er een : „uu spreekt gij
de waarheid niet. Onze Lieve Heer en de heilige Maagd ver-
staan uw boersch niet en kunnen die leelijke taal niet spreken."
—  „Maar, mijnheer!" heruara zij lachend: „als die het
niet kennen, hoe kunnen wij het dan kennen ? En als zij
het niet verstaan, wie zou het ons dan leeren verstaan ?"
Een ander viel haar in de rede en zeide :
—  „Hoe kon de heilige Maagd u bevelen om van dat wilde
gras te eteii ? Zij zag u dus voor een schaap of geit aan ?"
—   „Volstrekt niet," hernam zij : „gij zelf, mijnheer,
eet toch immers ook salade P"
Toen mijnheer de Rességuier, oud-afgevaarde der Bas-
ses-Pyrenées haar bezocht, was hij vergezeld van vele rijk
gekleede dames en deed aan Bernadetta de zotte vraag :
—  „Was die heilige vrouwe zoo schoon als deze dames ?"
Het kind liet zijn blikken gaan langs de schitterende
rij, trok de schouders op en antwoordde argeloos :
—  „O! \'t was heel wat anders dan al die dingen!" (\')
(1) »Oli! c\'était bien autre chose que tont oela |"
-ocr page 178-
159
„Al die dingen" — en zij vormden den uitgelezen eu
uitstekendsten kring van Pau!.....
—  „Als mijnheer de pastoor u nu eens verbood om naar
de grot te gaan, wat zoudt ge dan doen ?" had er vroeger
een gevraagd.
—  „Ik zou hem gehoorzamen," luidde het gereede
antwoord.
—  „Maar als de verschijning u dan toch gebood er naar
toe te gaan, wat zoudt ge dan doen?"
—  „Dan zou ik aan mijuheer den pastoor daartoe verlof
vragen," gaf zij zonder aarzelen ten antwoord.
—  „Als de paus u nu eens beval om hem het geheim
te openbaren, dat gij niet vertellen moogt, dan zoudt ge toch
wel gehoorzamen?" vroeg de eerwaarde heer Eugène Boyer.
—  „Dat zal de paus nooit doen," antwoordde het kind
met groote zekerheid.
Niets, noch toen noch later, ontnam haar ooit die kinderlijke
eenvoudigheid. Nooit sprak zij van de verschijningen, of
men moest er haar naar vragen; maar dan ook werd zij
het nooit moede om op alle vragen te antwoorden, en liet
nimmer ook de minste verveling of het geringste ongeduld
blijken, zelfs al waren de bezoekers onbescheiden in hun
vragen of lastig door hunne nieuwsgierigheid. Op de school
der zusters beschouwde zij zich altijd als de minste, als
de geringste van allen, omdat zij in het aanleeren ver bij
de andere kinderen achterstond. Met veel moeite kon meu
haar gebrekkig leeren lezen en schrijven; en de zusters
getuigden meermalen, dat het was, alsof de geest van het
kind alleen open stond voor al wat de dingen des hemels
betrof, maar gesloten bleef voor alles wat betrekking had
-ocr page 179-
160
tot het leven hier beneden. Gaarne deelde zij, ofschoon
reeds veertien jaren oud, de spelen der kinderen; en den
vreemdeling, die de school bezocht en aan de zuster vroeg
hem de bevoorrechte zienster te wijzen, werd onder de
woelige jeugd een arm gekleed meisje aangewezen, dat
druk touwtje sprong, bikkelde of krijgertje speelde, zonder
zich bewust te schijnen van hetgeen zij boven hare kleine
speelmakkertjes van God ontvangen had.
Lang en breedvoerig werd vervolgens besproken de be-
langloosheid zoowel der ouders als van Bemadetta zelve,
welke zooveel te opmerkelijker was, daar de Soubirous in
groote armoede verkeerden en onophoudelijk tot het aan-
nemen van vaak rijke geschenken bekoord werden. Van
den vreemdeling, die misschien alleen aan Jacomet bekend
was, hebben wij reeds gesproken. Soms zijn haar de schoonste
en rijkste aanbiedingen gedaan, maar altijd volstandig ge-
weigerd. tëene godvruchtige en rijke vrouw, die van hare
belangloosheid had hooren spreken en daarom, hoe getroffen
en verteederd zij ook ware, geen geldelijk offer durfde
aanbieden, liet ongemerkt twee goudstukken in den zak
van Bernadetta glijden; maar oogenblikkelijk stak het kind
de hand in den zak, terwijl het rood der schaamte zijn
wangen kwam kleuren, en gaf ze terug. Hoe dikwijls men
haar ook betere en fraaier kleederen wilde schenken, zij
weigerde ze altijd en smeekte zelfs haar schamele kleeding
te mogen behouden. Mgr. Cardon de Garsignies, bisschop
van Soissons, door Lourdes reizende, verlangde Bernadetta
te zien. Hij was zoo getroffen door haar verhaal en zoo
overtuigd van hare oprechtheid, dat hij haar bad zijn rozen-
krans die met zilver was opgemaakt, als een gedachtenis aan te
-ocr page 180-
161
nemen en te bewaren, er bijvoegende, dat hij door den
paus zei ven was gewijd. Doch het was, alsof het kind
er eene gelofte van had gemaakt, niets aan te nemen : want
zij weigerde in beleefde bewoordingen zoo bepaald, dat de
bisschop zijn verzoek moest intrekken. Eene zeer aanzienlijke
vrouw uit den hoogsten stand bood aan, Bernadetta als
haar eigen kind te benaderen, en opende de schoonste toekomst
voor het arme gezin der Soubirous als haar wensch werd
ingevolgd ; maar alles tevergeefs : de ouders en het kind
weigerden eveu bepaald. Zelfs namen zij het geld niet aan,
dat hun soms opgedrongen werd, om het aan andere armen
uit te deelen.
—  „Ons past het niet aalmoezen uit te reiken; doe gij
het zelf of geef het aan den pastoor, die alle armen kent,"
luidde steeds het antwoord.
Dezelfde priester, van wien wij daar straks gewaagden,
E. Boyer, vroeg haar:
—    „Zijn er na die verschijningen niet veel wonderen
gebeurd ? wonderbare genezingen en onverwachte bekee-
ringen ?"
—  „Ja, mijnheer! dat zijn er."
—  „Waren dat menschen voor welke gij gebeden hadt ?"
—  „Daar weet ik niets van, mijnheer!"
—   „Maar hebt ge dan nooit gebeden voor die zoo be-
gunstigd zijn ?"
—   „Dat weet ik niet, mijnheer! misschien wel; maar
het zijn toch in allen gevalle mijne gebeden niet, welke
hun die gunsten hebben gegeven," antwoordde zij en
werd stil en neerslachtig, want hare nederigheid was door
die vragen gekwetst.
11
-ocr page 181-
162
Haar ootmoed was dan ook zeer opmerkelijk ; immers
zij sprak over de verschijningen zonder gemaaktheid, zonder
vertoon, zonder eenigeu schijn van eigenliefde ; en \'t was
meestal genoeg haar slechts te zien, zonder haar nog te
hooreu spreken of te kennen, om te begrijpen, dat haar
naam zonder eenig gevaar op aller lippen mocht zweven.
Ook bleek het duidelijk, dat de vijanden van het boveu-
uatuurlijke tevergeefs hadden getracht den laster van de
Amsterdamsche Courant ingang te doen vinden.
Nooit was zij onttrokken aan de nieuwsgierigheid van het
volk, noch aan den vraaglust der ongeloovigen ; zij was toe-
gankelijk voor iedereen, werd meermalen onverzeld hier
of daar in huis geroepen en ondervraagd, en bleef
altijd nog bij hare ouders te huis. Daarenboven, bijzondere
kennissen of vrienden bezat zij in Lourdes niet, aan de
pastorie verscheen zij nooit, of zij moest eene enkele maal
ontboden worden, en bij de zusters bezocht zij de school
tegelijk met de andere kinderen.
Van veel gewicht was het onderzoek, of Bernadetta zicli
had kunnen bedriegen, of zij het slachtoffer had kunnen
zijn van hallucinaties. Vooral de geneeskunde moest hier
uitspraak doen. Het bleek, dat zij volstrekt geen voor-
beschikking of aanleg tot zulke begoochelingen bezat, toen
zij voor het eerst de verschijning aan de grot bemerkte :
zij was met niets bezig dan hout sprokkelen en later met
zich te ontdoen van haar schoeisel, om over het kanaal
te kunnen komen; ja zelfs was zij zoo weinig verdacht op
iets buitengewoons, dat zij meermalen de oogen wreef,
meenende niet goed te zien, en zich eerst gevangen gaf,
toen zij ontdekte, dat zij zich onmogelijk bedriegen kou.
-ocr page 182-
163
Ook had de verschijning niet plaats in het vallen van den
avond, of bij het matte licht der maan, maar op klaar
lichten dag, terwijl de zon hoog aan den helderen hemel
stond, tusschen twaalf uur en half een.
De grot heeft hare hallucinatie begunstigd, had men
beweerd, want zij kan zeer gemakkelijk door haar grilligen
vorm en gladden steen een glinsterbeeld voor de oogen
toovereu van iemand, wiens zenuwen ziekelijk zijn aange-
daan. Maar vooreerst: hoe komt het dan, dat nooit iemand
anders een dergelijk glinsterbeeld in de grot ontdekt heeft,
terwijl er tocli onder de vele duizenden, die uren lang in
die dagen voor de grot hebben verwijld, wel een enkele
zal of liever moet geweest zijn, die vooral in die oogen-
blikken groote voorbeschikking tot hallucinaties bezat?
Maar ten tweede : de ongeloovige wetenschap heeft zelve
de proef op de som geleverd, door te trachten met spiegels
en kunstlicht hetzelfde uitwerksel te verkrijgen en zulk een
glinsterbeeld voor de oogen der toeschouwers te tooveren;
maar \'t is haar nooit gelukt, zoodat zijzelve hare bewering
heeft laten varen.
Wanneer de verschijning en de geestverrukking van het
kind aan hallucinaties moeten worden toegeschreven, waarom
had het die dan niet terstond, maar altijd eerst na eenigen
tijd aan den rozenkrans gebeden te hebben ? Hoe te ver-
klaren, dat Bemadetta dan twee malen onder volmaakt
dezelfde omstandigheden getuigde de verschijning niet te
zien, en kalm bleef? Waarom heeft zij die dan later niet
weder gehad, terwijl zij toch niet onder geneeskundige
behandeling is geweest? Daarenboven, hoe dan te ver-
klaren de stem, welke zij hoorde, die haar dingen zeide en
-ocr page 183-
164
beval, waaraan zij nooit had gedacht of kunnen denken?
Zij was onwetend, traag van begrip zelfs, zoo gij wilt;
zij had den catechismus nog niet geleerd en kende niets
dan den rozenkrans bidden: en daar komt zij eensklaps te
voorschijn met het bevel der schoone vrouw, om boet-
vaardigheid te plegen, om te bidden voor de zondaars, en
eene kapel te bouwen op de steenrots. Van de onbevlekte
ontvangenis der allerheiligste Maagd had zij nog nooit ge-
hoord; zij begreep volstrekt niet wat het was, en moest
de woorden onophoudelijk bij zichzelve herhalen, om ze
den pastoor te kunnen overbrengen. Geen hallucinatie of
catalepsie kan hier voldoende verklaring geven.
Nog werd de vraag geopperd, of de gansche geschiedenis
aan de Massabiella-rotsen niet het werk van den geest der
duisternis, van den duivel zou kunnen zijn. Twee bedenkin-
gen deden deze veronderstelling verwerpen. In de eerste plaats:
de duivel kon er geen voordeel uit trekken. Wel verre
dat de verschijningen aan de grot het geloof en de gods-
vrucht verminderden of wegnamen, vermeerderden en ver-
hoogden zij beiden. De parochiekerk van Lourdes was
nooit zooveel te klein geweest als sedert die dagen; de
biechtstoelen telden iedere week het dubbele getal van
rouwmoedigen; de heilige communiën vermeerderden eiken
dag; gedurende drie maanden kwam geen enkel misdrijf de
rust van de rechtbank storen, iets, wat ongehoord was in de
jaarschriften der rechtspleging; honderden wonderbare ge-
nezingen en even zooveel bekeeringen ontstaken niet alleen
in het bisdom van Tarbes, maar ook in alle naburige
bisdommen een nieuw vuur van geloof en liefde in de harten
der menschen; en duizenden van pelgrims kwamen ter
-ocr page 184-
165
bedevaart naar O. L. Vrouwe van Lourdes, om God te
loven en te prijzen en zijne onbevlekte Moeder te vereeren.
Ten tweede: „Ik zal vijandschap stellen tusschen u eu de
vrouw; zij zal u den kop verpletteren," (\') had God den
duivel gezegd, toen deze als een slang de eerste vrouw
verleidde; en die vijandschap moest nog zooveel te sterker,
nog zooveel te gruwelijker worden, toen de heilige Maagd
door eene onbevlekte ontvangenis geheel aan het gevolg
der eerste verleiding werd onttrokken. En nu zou men
willen beweren, dat de duivel de bewerker zou zijn van
de verschijningen aan de grot van Lourdes, welke nood-
zakelijk strekken moesten, gelijk zij ook gestrekt hebben,
tot meerdere verheerlijking van de tweede Eva, de Moeder
der goddelijke genade, en tot eene openbare belijdenis van
het geloof der katholieke Kerk aan de onbevlekte ontvangenis?
Met deze verklaring te geven, treedt men in de voetstappen
•"au den farizeër, die den Zaligmaker verweet, dat Hij door
Beëlzebub de duivelen uitdreef; en geen beter antwoord
past daarop, dan hetgeen de goddelijke Meester zelf gaf.
Neen, het kan de duivel niet zijn, die de vereerders
van Maria met duizendtallen naar de Massabiella-rotsen ge-
voerd heeft; hij is het niet, die de aandrift deed ontstaan,
om daar op de steenrots een prachtig heiligdom te bou-
wen, dat slechts ééne beteekenis heeft: — de onbevlekte
ontvangenis van de heilige Moeder Gods.
(!) Geues. III, 15.
-ocr page 185-
IX.
WONDERBARE GENEZINGEN.
De genezingen, door de commissie in de derde klasse
gesteld en als waarachtige wonderen aan den bisschop van
Tarbes voorgedragen, waren vijftien in getal, en hadden
in acht verschillende gemeenten plaats gegrepen.
1. Louis Bouriuette was de eerste, die de wónder-
kracht der bron van Lonrdes mocht ondervinden. Euim
twintig jaren geleden had hem een vreeselijk ongeluk ge-
troffen : immers, terwijl hij met zijn broeder Joseph in een
der steengroeven van Lourdes aan den harden arbeid was,
sprong een verkeerd aangelegde mijn naar twee kanten uit,
doodde op hetzelfde oogenblik zijn broeder, en begroef
hem zelven onder de neerploffende steenbrokken. Geheel
bewusteloos, met verpletterd aangezicht en onkenbaar, werd
hij door de mijnwerkers uit de puinhoopen opgedolven en
naar het ziekenhuis vervoerd. Was er geen enkel plekje
van zijn aangezicht ongeschonden gebleven, zijn rechteroog
was half vermorzeld en hing hem op de verscheurde wang,
terwijl de hevige pijnen hem bewusteloos deden nederliggen,
of wel hem tot een soort van razernij brachten, zoodat hij
niet dan met behulp van sterke armen in het bed kon
gehouden worden. Dank der liefdevolle en opofferende zorgen
-ocr page 186-
167
van de ziekenzusters en geneesheeren, kwam hij na verloop
van eenige dagen tot bewustzijn en begon langzamerhand
te genezen ; maar ondanks alle kunstmiddelen en de fijnste
operatiën was zijn oog niet te genezen. Na zijn herstel
keerde hij tot de steengroeve terug, maar kon, half blind
als hij was, zijn vorigen arbeid niet meer verrichten en
moest zich tevreden stellen met als sjouwer een schamel
stuk brood te verdienen. Ook de tijd bracht geen beter-
schap aan, maar verzwakte nog meer het reeds verduisterd
gezicht. Gelukkig, dat het steenbrekers-gilde hem zeer
genegen was en hem menige ondersteuning schonk, gelijk
ook de meesten van Lourdes burgers hem uit medelijden
vaak iets lieten verdienen : anders had hij zijn brood moeten
bedelen.
\'t Was de dag, waarop in den vroegen morgen de bron
onder de zwakke vingers van Bernadetta was opgeweld en
de arme man de wonderlijke gebeurtenis hoorde vertellen.
—   „Ga en haal mij een weinig van dat water", zeide
hij tot zijne dochter. „Als het de H. Maagd is, die daar
verschijnt, dan behoeft zij slechts te willen, en ik ben
genezen.\'"
Een half uur daarna kwam het kind met een kan van
het troebel water der grot aandragen en sprak :
—  „Maar vader ! \'t is niets dan vuil water, dat wel slijk
mag heeten."
—   „Dat doet er niet toe", was zijn wederwoord, en
hij wierp zich op de knieën, begon te bidden en wreef
zich het geschonden oog met het water.
Maar nauwelijks was hij daarmede bezig, of hij begon
over zijn ge heele lichaam te beven en stiet een schreeuw
-ocr page 187-
1(58
uit. Een oogeublikkelijk wonder had daar plaatsgegrepen.
De dikke duisternis, die zijn oog omringde, was verdwenen
en in een doorschijnenden nevel verkeerd ; maar ook die
nevel loste zich onder het wasscheu allengs op en maakte
plaats voor het klare licht der zon, zoodat de halfblinde
op eens het volmaakte gezicht had wedergekregen. Geheel
buiten zichzelven van vreugde, ijlde hij het huis uit en
vertelde zijn geluk aan een ieder, dien hij ontmoette ; en
allen konden zich van de waarheid overtuigen, daar de
diepe voegen en de litteekens der wonden op zijn gelaat
nog aanwezig waren.
Den volgenden dag ontmoette hij dokter Dozous, die
hem had behandeld, en riep hem reeds van verre toe:
— „Ik ben genezen ! dokter, ik zie door allebei mijn oogen!"
—  „Onmogelijk l" verklaarde de dokter : „Gij hebt een
organisch gebrek aan het oog, dat ongeneeslijk is. Al
wat ik u voorschreef, was slechts om de pijn zooveel mogelijk
te stillen, maar niet om u het gezicht weder te geven.
Ik herhaal het: dat was onmogelijk."
—   „Ja, maar gij zijt het ook niet, die mij genezen
hebt" antwoordde de steenkapper met ontroerde stem:
„\'t is O. L. Vrouwe van de grot !"
Dokter Dozous haalde zijne schouders op en sprak:
—   „Dat Beruadetta onverklaarbare vervoeringen heeft,
dat is waar, want dat heb ik zelf gezien; maar dat het
troebele water van de grot, ik weet niet^welke, onbekende
kracht zou bezitten om oogenblikkelijk ongeneeslijke ziekten
weg te nemen, dat is onmogelijk."
Dit zeggende, haalde hij zijn aanteekenboekje uit den
zak, en schreef daarin eenige woorden met potlood ; ver-
-ocr page 188-
169
volgens legde hij zijne hand op het linkeroog van Bour-
riette, hield hem het blaadje papier voor en zeide :
—  „Welnu, als gij de woorden, die ik hier opgeschreven
heb, met het rechteroog leest, zal ik u gelooven."
Zegevierend zag de wetenschappelijke man om zich heen,
verzekerd als hij was, dat hij der verzamelde menigte, die
zich allengs om hen had heengeschaard, zou overtuigen
dat het onmogelijk was wat hij hier vroeg. Maar wie be-
schrijft zijne verwondering en ontsteltenis, als hij op \'t zelfde
oogenblik Bourriette met het blinde oog het potlood-schrift
zag lezen en hem de woorden hoorde herhalen, die hij
daar straks schreef:
—    „Bourriette heeft een ongeneeslijke blindheid, en
zal nooit weder door zijn rechteroog zien."
Dokter Dozous — gelijk de lezer reeds weet, — was eeu
geloovig en godvruchtig geleerde, waarom hij zich dan
ook niet schaamde in het openbaar, midden op de straat,
ten aanhooren van vele burgers van Lourdes uit te roepen :
—  „Nu kau ik het niet loochenen!\'t is een wonder, een
waarachtig wonder! ik zal dat blijven verklaren tegen mij -
zelven en de geheele geneeskundige faculteit in. Ik moet
bekennen, dat het mij geheel in de war brengt; maar ik
moet mij toch onderwerpen aan de waarheid, die ik met
eigen oogen aanschouw en die hier luide spreekt tegen
alles wat de menschelijke wetenschap ooit vermocht."
Professor Vergez van Tarbes heeft later den armen steeu-
kapper onderzocht en insgelijks verklaard, dat hier geen
genezing heeft kunnen plaats grijpen dan alleen op boven-
natuurlijke wijze, daar zelfs ook de litteekens verdwenen
waren.
-ocr page 189-
170
Toen later de steenkappers den weg naar de Massabiella-
rotsen uithieuweu, ging — gelijk reeds verhaald is —
Bourriette als hun aanvoerder met het houweel voorop.
Twee jareu later verscheen hij nogmaals voor de com-
missie en getuigde, dat het herstelde oog volmaakt gezond
en sterk bleef. (\')
2.  Jkanne Crassus, weduwe Crozat, insgelijks te Lourdes
woonachtig, die zich met eigen oogen van Bourriettes ge-
nezing overtuigd had, ijlde met hetzelfde vertrouwen naar
de wonderdadige bron, waschte hare hand, die sinds tien
jaren verlamd was, en mocht haar oogenblikkelijk genezen
en bekwaam tot allen arbeid, uit het water terugtrekken.
3.  Ook Fabibn Baron van Lourdes, die vele jaren met
eene ongeneeslijke kwaal op het bed der smarten had ge-
legen, dronk van het water en verliet op hetzelfde oogen-
blik bed en huis, om in de kerk haar, die de Behoudenis
der krauken wordt genoemd, dank te zeggen voor een vol-
komen herstel.
4.   Op den laatsten der veertien dagen van Bernadetta\'s
bezoek aan de wondervolle grot, toen des morgens meer
dan twintig-duizend tneuschen getuigen van hare geest-
vervoering waren geweest, en dien gauschen dag rondom
de Massabiella-rotsen bleven dwalen, greep er een hartver-
scheurend tooneel plaats in een armoedige woning van een
der achterbuurten van Lourdes. Daar lag een kind van
bijna twee jaren, Justin Bouhohorst, dat geheel mis •
maakt en vermagerd was, nog nooit een gezonden dag
beleefd, nog nooit eene enkele schrede aan de hand zijner
^\' Mijn bezoek bij Bourriette zal ik later inedeilcelen.
-ocr page 190-
171
moeder gedaan had, aamechtig te stuiptrekken en te sterven.
Dokter Peyrus had met onverdroten volharding alle mid-
delen der kunst aangewend, maar altijd te vergeefs, en
had den bedroefden ouders daar straks verzekerd, dat Onze
Lieve Heer een weldaad deed, met het rampzalige wicht
eindelijk naar den hemel op te roepen. De vader stond
met kalme droefheid aan de kribbe; de moeder lager wan-
hopend bij geknield : terwijl eene buurvrouw, Francounette
Gozos, reeds bezig was, met het lijkkleedje gereed te maken.
Met ingehouden adem zag de moeder, Croisine Duconte
geheeteu, door hare tranen angstig naar de loodblauwe
lippen van haar zieltogend kind, die ophielden zich te
bewegen.
—  „Justin is dood I" riep de vader, Jean Bouhohorst,
nokkend uit.
—  „Zoo het kind niet reeds gestorven is, mijn arme
vrienden!" sprak de buurvrouw, „dan gaat het toch op
\'t oogenblik hemelen. Kom, lieve moeder! ga bij het vuur
uw lieveliug beweenen, terwijl ik hem zal afleggen en in
het lijkkleedje wikkelen."
Maar sprakeloos bleef Croisine Duconte voor de kribbe
liggen, met strakke blikken op haar kind starende, niet
meer schreiende, niet meer bevende, maar als geheel we-
zenloos en van alle gevoel beroofd. Eensklaps springt zij
op, grijpt naar het ijskoude lichaampje en gilt uit:
—  „Neen, hij is niet dood, en O. L. Vrouw van de
grot zal hem wel genezen !"
—  „De droefheid heeft haar van hare zinnen beroofd,"
spreekt Bouhohorst en schiet toe, om haar het kind uit
de handen te nemen. Maar tevergeefs: noch hij, noch de
-ocr page 191-
172
buurvrouw kunnen het haar outweldigen, daar zij het reeds
in haren boezelaar heeft gewikkeld.
—  „Ik ijl naar de bron!" roept zij uit, en toont tegen-
over haren man eene wilskracht, als hij nog nooit ont-
moet had.
—   „Maar mijne goede Croisiue," zegt de vader op
teerhartigeu en medelijdenden toon, „wat gaat gij beginnen ?
Als onze Justin nog niet gestorven is, dan gaat gijzelve
hem nu doodeu." ....
Doch de moeder ziet hem met fonkelende oogen aan,
de gloed der vervoering kleurt haar gelaat, en zij ijlt naar
de deur, terwijl zij nog zegt:
—  „Of hij hier sterft of aan de grot, dat is hetzelfde.
Laat mij toch in Jesus\' naam tot de heilige Moeder Gods
gaan \\"
Niemand ziende of groetende, maar overluid biddende,
draaft zij in gehavende kleeding de straten van Lourdes
door en de stad uit, zoodat menig vreemdeling medelijdend
uit den weg gaat of stil blijft staan, wanende eene krank-
zinnige te ontmoeten. Met de dierbare kille vracht in
haren schoot dringt zij door de dichte menigte van pel-
grims heen en komt, hijgende van vermoeienis en begeerte,
aan den kleinen langwerpigen vergaarbak, die door de
steenkappers was gegraven om het water van de bron op
te vangen, slaat het teeken des heiligen kruises over Justin,
en dompelt haar kind geheel in het ijskoude water. Een
kreet van verontwaardiging en afgrijzen gaat op van de
vele houderden, die rondom de grot vergaderd en van die
handeling getuigen zijn.
—  „De vrouw is krankzinnig!" hoort men van alle
-ocr page 192-
173
kanten herhalen, terwijl men zich verdringt om haar het
kind te ontnemen.
—  „Wilt gij dan uw kind vermoorden, rampzalige P"
vraagt er een. Maar zij schijnt doof en blijft neergehurkt
als een steenen beeld — het beeld der droefheid, des gebeds
en des geloofs. Eindelijk schrikt zij op en komt tot zich-
zelve, want iemand heeft zijne hand op haren schouder gelegd.
—  „Laat mij begaan !" roept zij op vasten maar tevens
smeekenden toon, „laat mij begaan ! Ik wil doen wat ik
kan; en de goede God en de heilige Maagd zullen het
overige doen."
—  „Het kind is toch reeds dood," spreken anderen,
die de onbewegelijkheid van het verstijfde lichaampje en
zijn lijkkleur zien, „laat haar daarom maar begaan. De
droefheid brengt die arme moeder in de war."
Langer dan een kwartier uurs houdt zij haar kind in
het kille water gedompeld, zorg dragende, dat alleen het
hoofdje boven de oppervlakte blijft; waarna zij het, nog
altijd even verstijfd en lijkachtig, weder in haren boezelaar
wikkelt en met versnelden spoed naar huis draagt.
—  „Ziet gij nu wel, dat het dood is ?" vraagt Jean
Bouhohorst aan zijne vrouw, als zij het ijskoude kind weder
in het kribje heeft gelegd.
—  „Neen!" antwoordt Croisine; „het is niet dood.
De heilige Maagd zal het wel genezen."
En weder knielt zij aan het bedje ueer, begint ijverig
den rozenkrans te bidden en luistert met een scherp oor
telkens boven den mond van haren lieven Justin. Eens»
klaps springt zij op, drukt zich de hand op het hart, om
het felle bonzen te bedwingen, en roept uit:
-ocr page 193-
174
— „Het haalt adem ! Het leeft!"
De vader schiet ijlings toe, buigt zich over het kind
en, ja! Croisine spreekt de waarheid: het kind haalt adem
en ligt met gesloten oogjes in een diepen ru9tigea slaap.
Wie beschrijft de vreugd der godvruchtige ouders ? Wa-
kende brachten zij den nacht door en bemerkten, dat de
ademhaling allengs geregelder en sterker werd, middelerwijl
ook een gezonde blos de vermagerde koontjes kwam kleuren.
Met angst en toch met het zalig gevoel eener zekere hoop
verbeidden zij deu dageraad; en nauwelijks was die aan-
gebroken, of het kind ontwaakte, richtte lachend zijne
van een nieuw leven tintelende oogen naar de moeder, en
vroeg eten. Daarna verlangde het de kribbe te verlaten
om door de kamer te wandelen. Maar Justin had nog
nooit kunnen loopen en de moeder vreesde, niettegenstaande
haar onbegrensd vertrouwen op de hulp der heilige Maagd,
dat het kind nog niet volkomen hersteld was en dus nog
een of ander doodelijk gevaar kon beloopen; waarom zij
het volstandig den ganschen dag bleef weigeren. De nacht
ging in rustigeu en gezonden slaap voorbij. Den volgenden
ochtend vroeg verliet de vader het huis om zich aan den
arbeid te begeven, terwijl ook de moeder zich verwijderde
om eenige dringende bezigheden te verrichten ; Justin lag
nog gerust in zijne kribbe te slapen. Maar toen Croisine
eenigen tijd daarna terugkeerde en de kamerdeur geopend
had, bleef zij verstommend staan bij het schouwspel, dat
zich aan hare blikken vertoonde. De slaapstede was ledig,
het kind was alleen uit de kribbe gekropen en liep nu
door de kamer heen, zich aan tafels en stoelen vasthou-
dende. Schreiende van moederlijk geluk en God lovende,
-ocr page 194-
175
hurkte zij op de knieën neder en hield de armen uitge-
strekt om haren lieveling op te vangen, die schaterende
van vreugde zich aan haren boezem kwam werpen.
—    „Voorzichtig! voorzichtig ! val niet!" riep zij nog
met angst, toen de kleine den steun der stoelen verliet,
om alleen naar zijne moeder te snelleu.
Maar het kind viel niet, want het was volkomen ge-
nezen en gezond.
—  „Ziet gij nu wel, dat Justin niet dood was, en dat
O. L. Vrouw van de sjrot hem heeft genezen P" vroeg
zij haren man naïef, toen hij vau den arbeid terugkeerde.
Ook Frauconuette Gozos, die bij den kleine gewaakt en
het lijkkleedje in elkander had geregen, werd geroepen,
en kon zich niet verzadigen met het aanschouwen van \'t
kind, dat zij reeds overleden waande.
Toen wierpen zij zich op de knieën, en de moeder
vouwde de kleine handjes van Justin te samen, hield ze
in de hare geklemd en bad het Weesgegroet, dat de kleine
godvruchtig nastamelde.
Justin nam iederen dag in sterkte toe, groeide op tot
een flinken jongen en bleef voortdurend gezond. Wij hebben
den fermen en braven jongeling van 19 jaren opgezocht en
gesproken, gelijk wij later verhalen zullen.
Dokter Peyrus aarzelde niet, na alles grondig onderzocht
te hebbeu, te verklaren, dat hier aan niets anders dan
aan eene bovennatuurlijke tusschenkomstkon gedacht worden.
Ook de geneesheer Dozous en professor Vergez getuigden
in hun verslag aan den bisschop, dat deze genezing, gelet
op den duur der indompeling, op het onmiddellijk gevolg
daarvan, en op het kunnen loopen, zonder vroeger zelfs te
-ocr page 195-
176
kunnen staan, klaarblijkelijk een bovennatuurlijk karakter
bezat. (*)
5.    Mejuffrouw Benoite Cazeatjx te Lourdes lag twee
lange jaren met aanhoudende koorts en hevige pijn in de
zijde op het bed van smarten, en had tevergeefs zoowel
de hulpmiddelen der geneeskunde als de wateren der bad-
plaatsen gebruikt; zoodat zij eindelijk door de dokters als
ongeneeslijk was verklaard en verlaten. In dien wanhopigen
toestand neemt zij hare toevlucht tot O. L. Vrouw van de
grot, drinkt een paar glazen water van de bron, en ver-
laat op staanden voet gezond het smartelijk ziekbed.
6.    In dezelfde door God begunstigde stad was eene
(\') De laatste schreef : »Si les affusions d\'eau froide, surtout quaud elles se
repetent, peuveut rendre de grands services dans les affections adynamiques
«graves, ce moven est soumis a des régies ,dout la transgression n\'a pas lieu
»sans des dangers réels pour la vie. En these générale, la durée de l\'ap-
«plication de 1\'eau froide ne doit pas aller au dela de peu de minutes,
«parce que la dépression occasiounée par Ie froid détruirait tout pouvoir
»de réaction dans 1\'organisme.
"Or, la femme Duconte, avant plongé son enfant dans 1\'eau de la
"Kontaine, 1\'y a maintenu pendant plus d\'un quart d\'heure. Elleeutdonc
«demandé Ia guérison de son fils a des procédés absolument condamnés
«par 1\'expérience et par la raison médicale, et elle ne 1\'en a pas moins
\'obtenue immédiatement; car quélques moments plus tard il s\'endormit
»d\'un sommeil calme et profond qui ne cessait qu\'environ douze
/heures aprês.
• Et afin que la plus vive lumière vint éclairer ce fait, pour qu\'aucune
«incertitude ne püt planer sur sa réalité et sur Tinslautanéité desa pro-
«duction, 1\'enfant, qui n\'avait jamais marché, s\'échappe du berceau et
»M met a marcher avec 1\'assurance, que donne 1\'habitude, inuntrant
\'ainsi que sa guérison a en lieu, saus convalesceuce, d\'une facon toute
\'/surnaturelle."
-ocr page 196-
177
vijftigjarige vrouw, Blatssette 8odpenne geheeten, sedert
verscheidene jaren door eene chronische oogziekte, die van
zeer zorgelijkeu aard was, bezocht, \'t Was eene ontste-
king der oogleden, die haar schier het geheele gezicht
benam en haar afschuwelijk van gelaat maakte. De beroemdste
oogartsen hadden haar hunne zorgen gewijd : de heilbronnen
van Barèges, Cauterets en Gazost waren door haar gebruikt;
maar niets hielp, de kwaal nam met den dag toe. Ue na-
tuur kon haar geen geneesmiddelen leveren, waarom zij
vol vertrouwen hare toevlucht tot de Moeder van barmhar-
tigheid nam, en het wondervolle water van de bron liet
halen. Eeeds bij de eerste wassching der oogen met dat
water voelde zij verlichting en vermindering van pijn, waarom
zij denzelfden dag zelve nog eens naar de bron ging om
die te herhalen; en bij de derde op den volgenden dag
was zij geheel hersteld. Hare oogen waren droog, de oog-
leden zuiver en de oogharen kwamen reeds terug. Volgens
de verklaring der geneesheeren, die haar onderzochten, was
liet bovennatuurlijke in deze genezing zooveel te dnide-
lijker, als het kwaad hardnekkiger was geweest. (\') Behalve
den I7den November 1858, heeft zij ook den 27sten Juni
(1) De geiieesheeren sohreven in hun rapport : »La portee de ce fait,
«est d\'autaiit plus nonsiderable, que la lésion matérielle était plus pro-
«fonde, et qii\'au rétablissement rapide des tissus dans leurs conditions
"Orgaui pies et vitales normales, est venu s\'ajonter Ie redressement des
"paupières. D\'ailleurs la maladie dont il s\'agit, est des plus rebelles, et
»au terme oü elle était parvenue ehez la dame Soupenne, elle réclamait
"impérieusement 1\'intervention de la chirurgie agissante : la reseission de
»la muqueuse palpébrale, ou tont au moins la cautérisation énergique
»des boiirsou,fflements et des bourgeons charnus de cette membrane."
12
-ocr page 197-
178
1860 een beëedigd verhoor voor de commissie ondergaan,
met al degenen die haar gekend of behandeld hadden; en
ook toen werd hare genezing als een wonder erkend.
7. Te Nay, in het departement der Basses- Pyrenées,
was een jongeling van vijftien jaren, Henri Busquet, sedert
een paar jaren zeer lijdende; immers, aa in 1856 een
hevige typhus te hebben doorgestaan, had hij een verschrik-
kelijk groot ettergezwel aan den hals gekregen, dat zich lang-
zamerhand had uitgebreid van de onderkaak tot aan de borst
en hem zulk een pijn veroorzaakte, dat hij vaak gillend
over den vloer kroop. Dokter Subervielle, die een zeer
beroemden naam in het departemeut droeg, opende het
gezwel vier maanden na zijn ontstaan en ontlastte het van
eene buitengewone hoeveelheid stof, maar vermocht niet,
het kwaad weg te nemen; waarom hij als laatste genees-
iniddel de wateren van Cauterets aanraadde. Toen in
October 1857 de aanzienlijke badgasten vertrokken waren,
en de armen langzamerhand daarheen kwamen om genezing
te vragen, trok ook de jonge Busquet derwaarts en ge-
bruikte gedurende veertien dagen de baden. Zij schenen
hem echter meer tot nadeel dan tot beterschap te strekken,
want het gezwel nam steeds in omvang toe, en zoo kwam
hij te Nay terug. Op paaschdag, 4 April, brak het open,
en dit gaf hem zooveel verlichting, dat hij zelfs het hoog-
feest in de kerk kon vieren; maar den 15den April ver-
toonden zich een paar k.lierverstoppingeu naast de wond,
en dreigden op onrustbarende wijze weldra ook het gelaat
in te nemen.
In dezeu toestand kwam bij den ongelukkigen lijder
het verlangen op, om eene bedevaart te doen naar de bron
-ocr page 198-
179
van Lourdes, van wier wonderdadige geneeskracht hij zooveel
had hooren verhalen. Hij wilde den tocht te voet onder-
nemen, want reisgeld ontbrak lietn; en hij ging ook wer-
kelijk op weg, maar moest weldra terugkeeren, daar hij
ondervond, te veel op zijne krachten betrouwd te hebben.
Dringend smeekte hij zijne ouders hem te willen geleiden,
om in kleine dagreizen gezamenlijk den pelgrimstocht af
te leggen ; maar dezen meenden zich zulk een verlies van
verdiensten niet te mogen veroorloven. Intusschen vestigde
zich de gedachte dat O. L. Vrouw, die aan Bernadetta
te Lourdes verschenen was, hem zou genezen, meer en
meer bij Henri en werd allengs eeue vaste overtuiging;
zoodat hij dan ook alle moeite inspande om iemand te
vinden, die naar de wondervolle bron wilde afreizen om
een weinig water mede te brengen. Eindelijk werd zijn
vurig verlangen bevredigd, en ontving hij op woensdag
den 28sten April — men vierde dien dag het beschermfeest
van den H. Joseph — een flesch water uit de bron der
Massabiella-rotsen.
Tegen acht uur des avonds, wanneer hij zich te rusten
zou begeven, knielde hij met zijne ouders en talrijke
broeders en zusters — zij waren allen godvruchtige en
eenvoudige lieden — voor een klein Maria-beeldje neer, en
bad met zulk een levendig geloof en zulk een zekere hoop,
dat niemand zijne tranen kon weerhouden; waarna hij zich
op het bed nederlegde. De dokter had streng verboden
ooit koud water aan de wond te brengen : maar de hoop-
volle lijder rukte de zwachtels los, doopte een stuk linnen
in het water van Lourdes grot, en begon daarmede zijne
vreeselijke wonden te betten.
-ocr page 199-
180
— „\'t Fs onmogelijk", zeide hij met verhelderd gelaat
tot zijne ouders, die angstig zijne handeling gadesloegen,
„\'t is onmogelijk dat de heilige Maagd mij niet geneest;
ik weet het zeker."
Met dit gelukkig vertrouwen sliep hij in en genoot den
ganschen nacht een diepe rust. En zie, bij zijn ontwaken
was hetgeen hij yan de heilige Moeder Gods verwachtte
reeds een feit: al zijne pijnen waren verdwenen. Zijne
moeder wilde daaraan echter niet gelooven en had het te
druk met de verzorging der overige kinderen, waarvan er
twee hun eerste H. Communie zouden doen en vier zich
voorbereidden tot het ontvangen van het H. Vormsel, om
het verband weg te nemen en naar de wonde te zien.
Den derden dag echter voldeed zij aan het verlangen van
Henri en ontblootte het gezwel: al de wonden waren ge-
sloten, de klieren waren niet meer te bespeuren, en het
ettergezwel vertoonde niets meer dan een groot litteeken,
zoo droog en volkomen genezen, alsof de hand des tijds
het langzaam had gevormd. De genezing was volkomen en
oogenblikkelijk.
Zoowel dokter Subervielle als de beide geneesheeren, die
hem den 29sten November 1858, en later ook nog in Juni
1860 op last van de bisschoppelijke commissie bezochten,
aarzelden dan ook niet te verklaren, dat hier niet anders dan
eene bovennatuurlijke genezing kon aangenomen worden. (\')
(!) \'/Toutes les afleotions de la nature de eelle-ci sout lentes aguérir,
«parce qu\'elles se rattacbeut a la diathèse scrofuleuse, et qu\'ellcs impli-
«quent la nécessité de modifier profondément l\'orgauisme. Cette seule
«ronsidération mise en regard de la sou.laiiieté de la giiérison suftit pour
«prouver que ce fait s\'écarte de 1\'ordre de la nature. Nous Ie rangeons
-ocr page 200-
181
Heuri Busquet was, toen ik mijn pelgrimstocht maakte,
29 jaren oud, en genoot voortdurend eene goede gezond*
lieid; niet alleen dat hij nooit meer iets van zijne vroegere
kwaal had ondervonden, maar hij oefende zelfs zonder eeni*
gen hinder het stoffig ambacht van stukadoor uit en werd
voor een kunstenaar in zijn vak gehouden. Bijna den gau-
schen dag zong hij onder zijn werk met heldere eu schoone
stem een lied, en des zoudags blaasde hij niet zouder ta-
lent de bas trombone bij de harmonie „Orpheus" te Nay.
8.   In het vlek Lamarque onderzocht de bisschoppelijke
commissie de oogenblikkelijke genezing van het kind dkxys
bouchet, dat met eene ongeneeslijke verlamming geslagen
was, en verklaarde haar op geen andere dan bovennatuur*
lijke wijze geschied.
9.   Drie uren van Lourdes verwijderd ligt het dorp Lou-
bajac. Daar woonde een arme daggelder, wiens vrouw
catherine i.atapie chouat in October 1856 uit een
eikenboom, waarin zij voor de varkens eikels plukte, was
gevallen en haar rechter-arm en hand zwaar had gekneusd.
Spoedige en bekwame hulp had den arm wel geheeld, maar
kon eene zekere zwakte niet wegnemen, terwijl twee vingers
volslagen lam bleven; zoodat zij niet meer kon arbeiden,
wat toch zoo noodzakelijk was, om in de dagelijksche be-
hoeften van het arme huisgezin te voorzien.
In April 1858, terwijl de gansche omtrek vervuld was
met wondervolle verhalen van O. L. Vrouwe van Lourdes,
lag de arme vrouw op een nacht te bed en dacht met
»parmi Ie* faits qui possèdent pleinemeivt et d\'une maniere évidente Ie
«caractère surnatiirel."
-ocr page 201-
182
ongerustheid aau het naderend oogenblik, waarop zij een
derde kind hoopte ter wereld te brengen. Eensklaps schrikte
zij op, want zij meende eene stem te hooreu, die tot haar
zeide en nog eens herhaalde :
— „Ga naar de grot! ga naar de grot! en gij zult genezen!"
\'t Was nog volslagen duister en de torenklok sloeg juist
drie uren : maar eene onwederstaanbare kracht dreef haar
het bed uit; zij wekte hare twee kinderen, die reeds groot
genoeg waren, om haar te vergezellen, kleedde zich in groote
haast en maakte zich gereed, om aanstonds de reis te onder-
nemen.
—  „Blijf gij aan den arbeid," zeide zij tot haren man,
„ik ga met de kinderen naar de grot."
—  „Dat is onmogelijk, en dat moogt gij niet in den
staat, waarin gij u bevindt," zeide haar echtgenoot, „\'t is
stijf drie uren gaans."
—  „Alles is mogelijk, en \'t is zeker : ik zal genezen !"
riep zij den vader tot afscheid toe en ijlde met de kindereu
de deur uit.
De maan scheen aan den helderen hemel en goot eeu
bleek licht over de sluimerende aarde; velden en bosschen
zwegen, een diepe stilte heerschte alom en beving de kin-
deren met vreeze. Zwijgend gingen de kleinen aan moeders
zijde, en drongen dichter naar haar toe en klemden hare
hand vaster tusschen de tengere vingers, zoo dikwijls een
of ander ongekend geluid uit liet diepe bosch tot hen
doordrong. Maar de moeder kende geen vreeze; zij beurde
hare kinderen op, wist hunuen angst door aangename ver-
telsels te verdrijven en was zelve opgeruimd en vol moed,
als gevoelde zij dat zij naar het leven heentoog.
-ocr page 202-
183
In den vroegen ochtendstond trad zij Lourdes binnen
en ontmoette Bernadetta op de straat. Toen iemand haar
aanwees wie de kleine zienster was, drong zij door de menigte
heen en raakte eerbiedig het armelijk kleed aan van het
kind, dat door God op zulke buitengewone wijze werd be-
genadigd ; vervolgens spoedde zij zich weder de stad uit
naar de Massabiella-rotsen, waar reeds niettegenstaande het
vroege morgenuur, eene groote menigte vau pelgrims was
vergaderd.
Catherine wierp zich met hare kinderen op de knieën
tusschen de bedevaartgangers en begon met innige gods-
vrucht te bidden ; dan ging zij naar de geheimzinnige bron
en dompelde hare hand in het wondervolle water. Op het-
zelfde oogenblik voelde zij de kracht en het leven in hare
vingers wederkeeren. Zij was echter niet ontsteld maar
bleef kalm en rustig, alsof er niets bijzonders met haar
geschiedde, wierp zich op de knieën en gebood haren kin-
deren met haar de goede O. L. Vrouwe te danken en
te loven; doch barstte toch in overvloedige tranen uit,
toen zij weder, voor het eerst sedert achttien maanden, de
vingers van beide handen ten gebed mocht samenvouwen.
Lang bleef zij in haar dankgebed verslonden, maar werd
op eens door hevige smarten aan haren belangwekkenden
toestand herinnerd ; zij voelde de barensweën .... Aug-
stig zag zij om zich heen en wist niet wat te doen. Doch
slechts één oogenblik duurde die twijfel. Aanstonds wendde
zij zich weder tot de Moeder van barmhartigheid en bad
met groote innigheid en in eenvoudigheid des harten :
— „Goede moeder, die mij zulk een groote gunst hebt
verworven, spaar mij de schande die mij dreigt, en geef
-ocr page 203-
18
dat ik teu minste eerst in miju huis mag wederkeeren."
En \'t was weder of dezelfde stem, die zij \'s nachts ge-
hoord had, haar andermaal influisterde:
—   „Wees gerust; vertrek met goeden moed ; gij zult
zonder ongeval uwe woning bereiken."
—   „\'t Is nu genoeg, kinderen!" sprak zij daarop met
vertrouwen, „laat ons vertrekken."
Eu zij nam de kleinen weder bij de hand, liep drie
uren achtereen zouder eenigen hinder of pijn en deelde
de vreugde der kinderen, die huppelden en schaterden van
blijdschap omdat moeder genezen was. Geen kwartier na
de. tehuiskomst was haar een derde zoon geboren. Het
behoeft wel niet vermei\'1, dat het kind aan de H. Maagd
werd toegewijd en den naam vau Maria ontving. (\')
10. In hetzelfde dorp, waar Deuys Bouchet woonde,
vond noch een tweede wonderbare genezing plaats. Immers
(\') Van dit feit getuigt het verslag der bisschoppelijke commissie:
•Que la difformité de la main de Catherine Latapie, que 1\'impossibilité
• de s\'eu servir provinssent d\'nue aukylose aux articuiatioiis des doigts,
•d\'uue lésiou foncière des nerfs on des tendons lléchisseurs, il deineure
"iudubitablemeiit acquis que cette situation était de la plus haute gravité,
«par l\'inutilité de tous les moyens medicaui employés pendant tlii-huit
"ïnois, et par laven du médecin qui avait déclaré a cette femme que sou
»état était incurable.
"Cependaut, malgré 1\'iusuccés de tentatives si longues et si multipliées,
• malgré 1\'emploi des divers actifs thérapeutiques, malgré même la décla-
• ratiöu du médecin, cette lésion grave guérit tont a coup, est simulta-
• némeut enlevée. Or, cette soudaineté de disparition de Tiiifirmité, du
• redressement des doigts, du rétablissement de leur jeu uormal, est évidem-
ment cn-dehors et au-dessus du cours habitiiel de la Nature, des lois
•qui régissent 1\'efticacité de ses agents."
-ocr page 204-
185
Marianne Garrot leed reeds twee jaren aan eenen melk-
achtigen dauwwurm of huidziekte, die haar geheele gelaat
overdekte en afzichtelijk maakte. Dokter Amadou van Pon-
tacq nam alle kunstmiddelen te baat en raadpleegde de
uitstekendste geneesheeren, maar zag al zijne pogingen
door de hardnekkigheid der ziekte verijdeld.
De ongelukkige vrouw deed water van de wonderbrou
te Lourdes halen, liet alle geneesmiddelen staan, waschte
zich het aangezicht gedurende tien dagen met het water,
en was volkomen hersteld, zoodat men zelfs geen spoor
der ziekte op haar gelaat meer ontdekken kon. Dokter
Amadou getuigde zelf onder eede voor de commissie, dat
deze genezing geheel en alleen moest worden toegeschre-
ven aan eene oorzaak, die vreemd is aan de geneeskunde en
noodzakelijk tot eene bovennatuurlijke orde moetbehooreu^1)
11. Te Bordères dicht bij Nay, woonde een arme grijze
vrouw van tachtig jaren, Marie Domenge geheeten, we-
duwe Lanoue. Sedert drie jaren was zij aan de rechter-
zijde volslagen lam, zoodat zij niet zonder hulp kon staan
of eene enkele schrede doen. Zij verzwakte hoe langer hoe
• meer en moest bittere armoede lijden.
Nadat Dokter Poueymiroo van Mirepoix langen tijd alle
middelen had gebezigd om de verlamde ledematen te her-
stellen, gaf hij de hoop op, schreef haar geen geneesmid-
delen meer voor, maar bleef haar toch van tijd tot tijd
uit medelijden bezoeken. Een zieke echter geeft zoo. spoe-
dig de hoop niet op en blijft vaak nog op herstel hopen,
zelfs als er geen herstel meer mogelijk is.
(1) 1 A mie ranse étrangère et supérieure unx aclifs naturels."
-ocr page 205-
18fi
—  „Wanneer zal ik dan toch eindelijk beter worden
en weder kunnen loopen en werken ?" vroeg zij telkens
als de goede dokter haar kwam zien.
—  „Gij zult genezen zoodra de goede God het wil",
luidde altijd hetzelfde antwoord van den geneesheer, ter-
wijl hij haar eene aalmoes in de hand stopte. Hij vermoedde
evenwel niet dat hij dan altijd een voorspellend woord
sprak, want God zou het eenmaal willen.
De oude vrouw moest de Meimaand te huis en meestal
op hare armelijke legerstede vieren; en dan was het haar
een troost, als van tijd tot tijd een paar godvruchtige
meisjes bij haar den rozenkrans kwam bidden en over de
Moederdes Heereu spreken. Met aandacht luisterde zij vooral
naar het verhaal der predikatiën en der vele wonderen, die
op de voorspraak van O. L. Vrouw van Lourdes waren
geschied.
—  „Eu waarom zou ook ik mijn toevlucht niet tot haar
nemen ?" vroeg zij eens, „en rechtstreeks haar vermogende
hulp inroepen P"
Den volgenden dag ging er iemand naar Lourdes om
uit de bron zelve water voor de oude boerin te scheppen.
Toen men het bij haar bracht ontroerde zij hevig en ver-
zocht, dat men haar uit het bed zou tillen en op den
grond zetten. Met koortsige gejaagdheid werd aan haren
weusch voldaan; en toen zij gekleed was steunden twee
personen haar onder de schouders, opdat zij volgens haar
verlangen zou kunnen staan.
Men bood haar een glas van het water uit de bron aan
en zij doopte bare vingers daarin, sloeg zich daarmede een
groot kruis en dronk het langzaam ledig, terwijl zij in
-ocr page 206-
187
stilte een vurig gebed sprak. Zij was bleek eu trilde van
aandoening, zoodat men vreesde dat zij zou bezwijmen.
Maar terwijl men een stoel naderbij schoof om haar daarop
zacht te laten nederglijdeu, herstelde zij zich weder en
riep eensklaps met groote blijdschap uit:
— „Laat mij los ! laat mij los! ik ben genezen en kan
wel loopen I"
En terwijl zij, die haar steunden en vast hielden, nog
aarzelden, rukte zij zich los en liep met verjongde krachten
door het vertrek, alsof zij nooit lam was geweest. Een der
omstanders, die vreesde dat de tachtigjarige vrouw te veel
op hare krachteu steunde, reikte haar een stok toe; maar
moeder Marie nam dien lachend aan en wierp hem verre
van zich, als iets dat zij niet meer noodig had.
Van den volgenden dag af aan ging zij weder met werken
haar dagelijksch brood verdienen. En als het Juni was,
dan wezen de dorpers elkander op het veld, waar de tach-
tigjarige nog lustig de sikkel door het koren zwaaide, en
volstrekt niet de eerste was die rust behoefde.
Haar geneesheer, de brave dokter Poueymiroo, loofde
God om dit tastbaar wonder eu onderteekende later met
de commissie het verslag, waarin verklaard werd, dat in
dit geval noodzakelijk moest erkend worden de rechtstreeksche
en blijkbare werking der goddelijke Almacht. (\')
12. De vijfjarige jka.v-marie tambournk te Saint-Justin
in het departement van Gers, leed sedert eenige maanden
geweldig aan een ongelukkig rechterbeen. Hevige pijnen
hadden de verschillende leden daarvan verdraaid en krom
(\') "L\'action directe et évidente de la puissance diviue."
-ocr page 207-
188
gebogen en den voet buiteuwaarts gewrongen, zoodat deze
een rechten tioek vormde met den andereu voet. Door die
aanhoudende en scherpe pijuen was het geheele gestel van
\'t kind ondermijnd; slaap* en eetlust waren reeds lang ge-
weken, een langzame uittering sloopte de laatste krachten
en allengs naderde de dood. De ouders, die iu zekeren
welstand leefden, hadden kosten uoch zorgen gespaard om
hun kind te behouden; de bekwaamste geueesheeren
waren geraadpleegd, de beroemdste badplaatsen bezocht,
de voornaamste heilbronnen gebruikt : maar alles zouder
baat. Ku als er soms een oogenblikje beterschap werd waar-
genomen, dan kwam weldra een nieuw ongeval de kwaal
verergeren. Het was dus zeker dat de wetenschap het on-
gelukkig kind niet kou behouden ; maar waarom zouden
zij hunne laatste hoop niet vestigen op haar, die men
zeide, dat aan de Massabiella-rotsen was verschenen en reeds
zooveel wonderbare genezingen had geschonken ?
Den 23sten September 1858 nam moeder Tamboumé plaats
in den postwagen naar Laurdes, om haar kind naar de bron
te geleiden, \'t Was een lange en vermoeiende reis voor den
ongelukkigen kleine. In de stad aangekomen, nam de teedere
moeder haren lieveling in de armen en droeg hem met
moeite langs den rotsachtigen weg naar de grot. Daar legde
zij haren dierbaren last op den grond neder, terwijl zij een
vurig gebed tot de Troosteres der bedrukten, de Moeder van
smarten opzond, en ging toen haar kind in de bron wasschen.
Jean geraakte oogenblikkelijk in een soort van verruk-
king, zooals men nooit bij hem had waargenomen en een
kind ook zeldzaam hebben zal. Zijne oogen waren wijd
geopend en schenen halsstarrig iets aan te staren; ook zijn
-ocr page 208-
189
mond opende zich, terwijl de kleiue bleeke lippen zich
zacht bewogen als prevelden zij onhoorbare woorden.
—  „Wat is er, mijn kind ?\'\' vroeg de moeder beaugst,
terwijl zij nog altijd het zieke been in de wonderbron ge-
dompeld hield.
—  „Ik zie Onzen Lieven Heer en de heilige Maagd",
antwoordde de kleiue op fluisterenden toon.
De arme moeder beefde over haar gansche lichaam, het
zweet parelde haar op \'t voorhoofd en overvloedige tranen
lekten haar langs de sidderende wangen, Maar nu was het
alsof het kind een schok kreeg; het kwam tot zich zelven,
zag zijne moeder lachend aan en riep overluid, zoodat alle
omstanders het konden hooren:
—  „Moeder ik ben beter! Ik heb geen pijn meer;
mijn voet is weer recht; ik kan weer loopen, en ik ben
weer even sterk als vroeger."
De gelukkige Jean sprak waarheid: hij was volkomen
genezen. Te voet keerde hij met zijne moeder naar Lourdes,
at smakelijk en sliep den ganschen nacht gerust. Den
volgenden ochtend vroeg gingen zij andermaal naar de bron,
om het wonderwater nog eens te gebruiken; vervolgens
hoorden zij de heilige Mis, die in de parochiekerk ter dank-
zegging werd opgedragen, en trokken daarna huiswaarts,
niet met den postwagen maar te voet.
Tegen den avond kwamen zij aan een dorp, waar zij
overnachtten, om in een weldadigen slaap nieuwe krachten
voor den volgenden dag op te doen; want het kind wilde
van geen postwagen hooren en verlangde zijn vader te
verrassen, met te komen loopen. Toen zij den derden dag
tegen den vooravond Saint-Justin naderden, stond vader
-ocr page 209-
190
Tambourné voor de deur zijner woning vol ongeduld uit
te zien, of er geen rijtuig kwam om de bedevaartgangers
te huis te brengen. Het kind herkende hem reeds van verre,
verliet de hand zijner moeder en draafde naar zijn vader,
het uitschreeuwende:
— „Vader ik ben genezen! de H. Maagd heeft mij
beter gemaakt!"
En eer de goede man zich rekenschap kon geven van
hetgeen hij zag en hoorde, lag het kind reeds in zijne
armenen drukte hem juichend den kus op de bruine wangen.
Gansch het dorp liep uit en gaf der moeder niet eens den
tijd om haar huis binnen te treden en van de vermoeienis
uit te rusten ; want aanstonds wilde ieder vernemen op welke
wijze dit groote wonder had plaats gegrepen. En \'s avonds
was er geen enkele woning te Saint Justin, waar binnen
men niet sprak van O. L. Vrouwe van Lourdes en van
den gelukkigen Jean-Marie Tambourné. (\')
13. Korten tijd, nadat de toegang tot de Massabiella-
(\') In het 28ste proces-verbaal zegt de bisschoppelijke commissie van dit
feit: »I1 est possible sans doute de guérir une coxalgie par les moyens
»et par les procédés que possède la Science. Les eanx sulfureuses rtatu-
»relies en compteut plus ces sortes de guérisons; mais, dans aucun cas,
•il ne leur est arrivé dé les opérer avec la rapidité de 1\'éclair.
• L\'instantanéité d\'action est tellement en dehors de la force medica-
«•trice, sans l\'intermédiaire de laquelle elles ne sauraitnt guérir, que
«1\'on peut allirmer qu\'il y a fait d\'un ordre surnaturel dans tous les cas,
•compliqués de lésion matérielle, oü elle s\'est manifestée. Hst-il besoin
»de rappeler que Ie jeune Tambourné est arrivé a la Grotte porté par sa
«mère, et que, quelques moments après, il remontait une pente rapide,
«niarchait et courait Ie reste de la journée saus éprouver la moindredou-
«leur, et avec autant de facilité qu\'avaut 1\'iiivasion de la maladie."
-ocr page 210-
191
rotsen op keizerlijk bevel weder was geopend, had een
nieuw wonder plaats in hetzelfde stadje Nay, waar Henri
Busquet reeds de vermogende hulp van O. L. Vrouw van
Lourdes had ondervonden.
Mevrouw de weduwe madelbenb rizan lag op haar uiterste.
De laatste 26 jaren hadden haar niets dan pijn en smart
opgeleverd. Immers in 1832 door de cholera aangetast,
bleef zij na dien tijd lam aan de gansche linkerzijde, zoo-
dat zij zeer mank liep en bijna geen voet in huis verzetten
kon, zonder zich aan den wand of de meubelen vast te
houden. Zelden, slechts twee of drie malen in het midden
van den zomer, waagde zij het met behulp van twee
mannen, op wier arm zij leunde of liever half gedragen
werd, naar de kerk te gaan, die zeer dichtbij gelegen was,
en de H. Mis te hooren; maarzij moest als een kind worden
geholpen om te knielen en weder op te staan. Ook een
harer handen was volslagen verdord en onbruikbaar; haar
gestel was verzwakt en geheel ondsrmijnd, zoodat zij aan-
houdend bloed braakte en geen voedzame spijzen meer kon
verdragen. Een weinig vleeschnat, dunne soep en wat koffij
onderhielden in haar de kleine levensvonk, die bijna iederen
dag dreigde uit te gaan; altijd beefde zij van de koude en
zelfs op de heetste Juli-dagen vroeg zij om vuur in den haard,
en liet haar ouden ziekenstoel bij den schoorsteen schuiven.
Sinds de laatste achttien maanden was zij zeer verzwakt;
de verlamming maakte zich ook van den rechtervoet meester,
terwijl de verdroogde ledematen buitengewoon opzwollen,
zooals dat bij waterzuchtigen plaats heeft. Zij had dan ook
haar ziekenstoel voor het ziekbed verruild, kon zich niet
meer bewegen en had bijna geen gevoel meer, zoodat zij,
-ocr page 211-
192
als men haar een weinig verlegde, meermalen vroeg waar
iiaar beenen wareu.
Twee geneesheeren hadden haar achtereenvolgens behan-
dekl. Dokter Talamon hield haar reeds lang voor ongeneeslijk,
en zoo hij haar bleef bezoeken was het alleen als vriend,
maar hij weigerde haar langer geneesmiddelen voor te schrij-
ven, overtuigd als hij was, dat geen geneesmiddel eenigebeter-
schap kon aanbrengen. Dokter Subervielle had, op aan-
aouden van Mevrouw Rizan, nog het een en ander be-
proefd, maar ook om spoedig alle hoop op te geven.
De geduldige lijderes bezat twee kinderen, eene dochter,
Lubine geheeten, die haar nacht noch dag verliet en met
de teederste zorg en liefde omgaf, en een zoon, Romain
Rizan, die te Bordeaux op een handelskantoor was geplaatst.
Toen de laatste hoop was vervlogen en de geneesheer
verklaarde, dat haar nog slechts een paar dagen levens
restte, telegrafeerde men haren zoon. De brave jongeling
kwam terstond naar Nay, om afscheid van zijne moeder te
nemen en haren laatsten zegen te ontvangen. Met de grootste
godsvrucht ontving Mevrouw Rizan de laatste heilige Sa-
cramenten, maakte haar laatste beschikkingen, schonk haren
moederlijken zegen aan de beide kinderen, die voor haar
stervenssponde knielden, en gaf zich vol vertrouwen geheel
in de handen van den God van leven en dood over.
Romain werd door zijne kantoorzaken weder naar Ror-
deaux geroepen en reisde af met de hartverscheurende
zekerheid, dat hij zijne moeder niet weer zou zien.
\'t Was zaterdag-avond, lb\' October. De goede zusters
van het H. Kruis te Jgon, wier overste de schoonzuster
van Mevrouw Rizan was, hielden voor de zieke eene novene
-ocr page 212-
193
ter eere der H. Maagd, en Mevrouw Nessans, eene oude
vriendin, was naar Lourdes afgereisd en bad beloofd water
uit de bron te zullen medebrengen. Maar dokter Sabur-
vielle verzekerde dat het te laat was ; want de lijderes lag
te sterven en zou den nacht niet overleven. De kapelaan
van Nay, de eerwaarde heer Sanarens, kwam haar nog laat
in den avond een bezoek brengen, vergezeld van haar
biechtvader, mijnheer André Dupont die, het vreeselijk
lijden der stervende ziende, bijna door zijne tranen werd
belet, om een woord van troost eii vertrouwen op de barm-
hartigheid van Jesus te spreken.
—  „Wij zien elkander in het paradijs weder," was zijn
laatste woord, toen hij vertrok.
De nacht had allengs alle vrienden en bekenden, die
gedurig naar den toestand der zieke kwamen vernemen, doen
verdwijnen, en \'t was eenzaam en stil in haar huis geworden.
Lubine bleef bij hare moeder waken: \'t zou immers de
laatste nacht zijn !.... en geknield voor een Moeder-Gods-
beeldje bad zij met vuur en veel tranen, niet om beterschap
maar om een zaligen dood. \'t Was doodstil in de kamer,
en men hoorde niets dan het snikken van de bedroefde
maagd en nu en dan eene moeilijke ademhaling der ster-
vende.
—  „Mijn kind!" ruischt het van \'t ziekbed.
Lubine verheft zich haastig, nadert de stervende en vraagt,
terwijl zij de verdorde en ijskoude hand grijpt en kust,
wat moeder belieft.
—   „Lief kind !" fluistert de zwakke stem: „ga eens
naar onze goede vriendin, Mevrouw Nessans, die van Lourdes
moet zijn teruggekeerd, en vraag haar een glas van het
13
-ocr page 213-
194
water der grot. Dat water, Lubine ! moet mij genezen ; de
H. Maagd wil het."
—  „Mijn lieve moeder !" antwoordt de maagd: „het is
te laat, want het is in het holle van den nacht. Ik mag
u niet alleen laten en bij Mevrouw Nessans ligt alles in
rast. Maar morgen vroeg, zoodra het daglicht wordt, zal
ik het gaan halen."
—  „Dan zullen wij wachten," spreekt de stervende met
gelatenheid, sluit de oogen en blijft stil en onbewegelijk
liggen.
Lubine knielt weder voor het beeldje neer en begint
opnieuw de gebeden der stervenden te lezen. Zoo kruipt
de stille, lange nacht voorbij en schijnt noode plaats te
maken voor ue eerste ochtendschemering.
Daar slaat de torenklok zes uren en het angelus wordt
geklept, om den geloovigen het blijde moederschap van Maria
nog eens te herinneren en ze naar de vroegmis te roepen.
—  „Ziedaar, moederlief! drink, en dat de heilige Maagd
u helpe !" spreekt Lubine, die met het water van Lourdes
komt aandragen.
Mevrouw Kizau brengt het water aan hare lippen en drinkt
er een weinig van.
—    „O mijn kind! mijn lieve Lubine!" roept zij uit,
„\'t is het leven wat ik drink. Leven is er in het water\'
wrijf mij er het gezicht mee; wrijf dien arm; wrijf mij er
het geheele lijf mee."
Geheel buiten zichzelve en over het geheele lichaam
bevende, doopt de maagd een linnen doek in het wónder-
water en wascht daarmede het gelaat harer moeder.
—  „Ik voel mij genezen!" roept eensklaps de stervende
-ocr page 214-
195
uit met eene heldere en krachtvolle stem: „ik voel mij
geheel genezen \\"
Lubiue wascht intusschen de verlamde en verdorde le-
dematen, zoowel als de wonden van het doorliggen en
ziet, terwijl eene koude rilling haar door de leden loopt, dat
de gezondheid en het leven onder hare handen overal weder-
keereu, waar zij met het water wrijft.
—  ,/t Is of er spranken vuurs uit geheel mijn lichaam
vliegen, als gij met dat water wrijft," zegt de moeder.
In twee minuten tijds keert dat stervende lichaam tot
zijne vroegere gezondheid en kracht terug.
—   „Ik ben genezen! geheel en al genezen!" roept de
blijde vrouw uit. „Wat is de heilige Maagd toch goed!
wat is zij toch vermogend!" ....
tën ten erken \\an haar volkomen herstel, vraagt zij
aanstonds :
—  „Maar Lubine, mijn goede Lubine! ik heb honger,
ik zou wel iets willen eten.\'\'
—  „Belieft ge koffie of wijn of melk?" stamelt de maagd,
verschrikt door het wonder dat zij aanschouwt, en vree-
zende dat het misschien slechts eene begoocheling is.
—  „Neen; wat brood en vleesch, mijn kind! dat heb
ik in geen 24 jaar geproefd."
Eu toen zij smakelijk daarvan had gegeten, hernam zij.
—  „En nu wil ik opstaan."
—   „Dat is onmogelijk, moeder!" antwoordde Lubine,
nog maar niet kunnende gelooven aan de wezenlijkheid van
hetgeen zij zag en misschien meenende, dat de wonderbare
genezingen even langzaam geschieden als de bloot natuurlijke.
Doch Mevrouw Rizan hield vol en verlangde hare kleederen.
-ocr page 215-
196
Sinds langen tijd waren die niet meer gebruikt, en men
had ze zorgvuldig opgevouwen en in eene aangrenzende
kamer geborgen, verzekerd als men was, dat ze niet meer
noodig waren. Lubine ging ze halen: maar als zij een kort
oogenblik daarna weder binnentrad, bleef zij verstommend
op den drempel staan en liet de kleederen uit hare hand
vallen. Hare moeder had het bed verlaten en lag op de
knieën voor den schoorsteen, waarop het Moeder-Gods-
beeldje stond, met uitgerekte armen haar dankgebed te
spreken, \'t Was Lubine alsof zij een doode uit het graf
had zien verrijzen ; zij was niet in staat hare moeder in het
aankleeden te helpen. Maar dat was ook niet noodig, want
de gelukkige vrouw kleedde zichzelve in korte oogenblik-
ken en knielde andermaal voor het beeld van O. L. Vrouwe
neer. Toen barstte Lubine in tranen los en weende o verluid.
\'t Was ongeveer zeven uur in den ochtend en de vroegmis
was geëindigd. De kerkgangers hoorden het luid schreien
der maagd en zeiden tot. elkander :
— „Arm kind ! haar moeder is zeker overleden ; zij zou
den nacht niet doorkomen." .... En eenigen, onder welke
ook twee zusters van het H. Kruis, traden binnen om het
meisje te troosten. Maar wie beschrijft hunne verwondering
toen zij, in plaats van eene doode, eene gezonde en sterke
vrouw voor den schoorsteen op de knieën vonden liggen ?
Gansch Nay liep uit en wilde zich met eigen oogen over-
tuigen, dat O. L. Vrouw van Lourdes inderdaad een nieuw
en groot wonder had gewrocht. Ook dokter Subervielle
haastte zich naar Mevrouw Rizan en verklaarde luide ten
aanhooren van allen, dat hier bepaald eene bovennatuurlijke
tusschenkomst moest erkend en aangenomen worden.
-ocr page 216-
197
Intusschen verwachtte mijnheer Romain Rizan te Bor-
deaux met angst de doodstijding zijner geliefde moeder en
barstte nit in luid geween, toen de post hem op een och-
tend een brief uit Nay bezorgde, waarvan het adres door
den eerwaarden heer Dupont, den biechtvader zijner moeder,
was geschreven.
—  „Helaas! ik heb geen moeder meer; zij is overleden,"
snikte hij tegen een vriend, die toevallig bij hem was, en
liet den brief ongeopend liggen.
—   „Wees sterk, mijn vriend!" sprak de ander: „Gij
hebt geloof en moet u onderwerpen aan den wil van God,
die alles met liefde en barmhartigheid bestuurt."
Eindelijk verbreekt hij het zegel, en kan zijne oogen
niet gelooveu, als hij leest: „Deo gratias! Alleluja!
„Verheug u, mijn vriend; uwe moeder is hersteld, volkomen
„hersteld. De heilige Maagd heeft haar op wonderdadige
„wijze genezen" enz.
Romain, zoowel als zijn vriend, was hevig getroffen,
loofde den God van alle barmhartigheid en dankte haar,
die de Troosteres der bedroefden en het Behoud der kranken is.
—   „Geef mij dien brief," vroeg de vriend; „want de
wonderen des Heereu moeten openbaar gemaakt en de
glorie van O. L. Vrouwe van Lourdes moet verbreid worden."
Na eenig tegenstribbelen van Romain ontviug hij den brief,
en maakte dien een paar dagen daarna openbaar in de
Messager Catholique.
Oogenblikkelijk telegrafeerde Romain naar Nay, dat hij
den volgenden dag met den postwagen zou overkomen. En
toen hij vol verlangen met drift uit het rijtuig sprong,
om iu allerijl naar huis te loopen, toen stond hem aan
-ocr page 217-
198
liet posthuis eene vrouw at\' te wachten, die snel en lachend
op hem toeschoot, hem om den hals viel en vurig kuste : .. .
\'t was zijne moeder. (\')
Toen de commissie, vergezeld van dokter Vergez, in Juni
1860 haar opnieuw bezocht, bleek hare volkomene ge-
nezing andermaal, terwijl er geen suoor van hare vroegere
kwaal was overgebleven.
14. Een paar dagen daarna zaten mijnheer en mevrouw
morbaü de sazenay te Tartas in hunne huiskamer treurig
bijeen, \'t Was een deftig en rijk gemeubeld vertrek, hoewel
slechts flauw verlicht, daar een dikke groene kap de hel-
dere stralen der lamp, die op de tafel stond te branden,
binnen een engen kring gevangen hield. In een donkeren
hoek der kamer op een sofa zat, of liever lag een meisje
van 16 jaren, bleek en lijdende, met een groot scherm
voor de oogen ; \'t was Marie, de oudste hunner twee dochters.
Dat kind, door de voorspraak der heilige Moedermaagd,
van den Hemel onder uiterst gevaarlijke omstandigheden
verkregen en ten dank daarvoor naar haar vernoemd, had
\') De geneesheeren verklaren in hun verslag aan den bisschop van Tarbes :
» Toutes les circonstances de ce fait portent Ie sceau de surnaturel II
«est impossible d\'échapper ft cette conviotion lorsque, d\'un cóté, on con-
«sidère la chronicité du mal, dont 1\'origine remonte a 1834; la force
»de la cause qui 1\'a engendrc, Ie cholera; Ie siége de quelques-uns de
»ses symptómes dans uu organe important de la vie, 1\'estomac; 1\'inutilité
»des traitements ordonnés et conduits par uu médecin capable, M. Su-
«bervielle; 1\'abaisscment progressif des forces, suite inévitable de la dys-
»pepsie et des soustractions faite9 a 1\'inervation par desdouleurs presque
»continuelles; et que, d\'un autre cöté, on met en regard de toutes ces
«circonstances 1\'efncacité de 1\'eau naturelle, employee seulement mie fois
»et 1\'instantanéité du résultat obtenu."
-ocr page 218-
199
te Bordeaux bij de Dames du Sacré-Coeur ter kostschool ge-
legen, maar was voor eenige maanden teruggekeerd met
eene zeer gevaarlijke oogziekte.
Toen Marie in Januari voor \'t eerst pijn in de oogen
gevoelde en haar studie moest onderbreken, meende men
dat het slechts een zinking zou zijn: maar weldra bleek
het, dat de ziekte een hardnekkig karakter aannam en
het ergste deed vreezen. Op het eene oog vertoonde zich
de zwarte ster, het werd geheel blind; terwijl ook het
andere de voorwerpen slechts als door een duisteren nevel
aanschouwde. De geneesheer van het gesticht oordeelde
het dan ook raadzaam om dokter Hermont, een beroemd
oogkundige van het hospitaal te Bordeaux, te raadplegen;
doch toen ook deze na eenigeu tijd verklaarde, dat zijne
wetenschap te kort schoot en geen verdere middelen hier
schenen te kunnen baten, deelde men den ouders den on-
gelukkigen toestand van hun kind mede. Mevrouw Moreau
—Adèle de Chauton geheeten — kwam terstond naar
Bordeaux en nam hare lieveling naar het ouderlijk huis
mede, om haar in den schoot der familie met de grootste
zorg volgens de voorschriften der geneesheeren te behandelen,
opdat ten minste het ééne oog mocht behouden worden.
Maar de geneesmiddelen, de zeebaden, de heilbronnen, met
één woord : alles wat de wetenschap aan de hand gaf, het
was tevergeefs. De lente en de zomer waren in dat ijdel
pogen voorbijgegaan, en men moest nu vreezen, dat vol-
slagen blindheid het einde der ziekte zou zijn. Het ouder-
hart intusschen blijft zoo gaarne nog hopen en grijpt ten
laatste nog de zwakste stroowisch vast. Een laatste poging
zou men nog wagen, namelijk naar Parijs gaan en daar
-ocr page 219-
200
de beroemdste professoren raadplegen. Zoo zaten dan mijn-
heer en mevrouw Moreau met hunne dochter in de duistere
kamer, den avond voor hun vertrek naar de groote wereldstad.
Het gaf aan de bedrukte gemoederen eenige afleiding
dat de postbode de courant bracht, deMessagerCatho-
1 i q u e, een deugdelijk blad, dat eens in de week te Bor-
deaux uitkomt. De vader nam het nieuwsblad in de hand
en begon «onder erg te lezen. Maar eensklaps hnudt hij
op, schuift zijn stoel dichter bij de lamp en begint overluid
den brief van den eerwaardigen heer Dupont te lezen,
waarin deze aan Romaiu Rizan de wondervolle genezing
zijner moeder door het water der bron van Lourdes om-
slachtig mededeelt, en welke brief — zooals wij reeds
verhaald hebben — door zijn vriend aan de Messager
Catholique was opgezonden.
De goede vader was bleek en beefde zichtbaar toen hij
eindelijk met lezen ophield, zich achterover in den stoel
wierp en de handen samenvouwde.
— „Ziedaar, vrouw \\" sprak hij eindelijk : „ja waarachtig !
ziedaar de deur, waaraan wij moeten kloppen. Het is dui-
delijk," zoo ging hij met bewonderingswaardige eenvou*
digheid voort: „\'t is duidelijk : als de H. Maagd we-
zenlijk te Lourdes is verschenen, dan heeft zij er belang
bij om daar wonderbare genezingen te doen plaats hebben,
want daardoor wordt de wezenlijkheid der verschijningen
bewezen. En dat moet zij vooral in den beginne doen,
als het feit nog niet algemeen bekend en aangenomen is.
Laat ons dus geen tijd verliezen, maar ons haasten om
tot O. L. Vrouw van Lourdes onze toevlucht te nemen.
Lief kind ! de H. Maagd, die u zoo zichtbaar heeft beschermd
-ocr page 220-
201
toen gij ter wereld kwaaint, o ! zij zal u niet verlaten als wij
haar nu met hetzelfde vertrouwen weder voor u aanroepen."
Dienzelfden avond nog werd door de godvruchtige ouders
besloten, dat men den volgenden dag niet naar Parijs af-
reizeu, maar eene novene ter eere van de Moeder van
barmhartigheid beginnen zou, en dat men de vriendinnen en
bekenden van Marie zou verzoeken die godvruchtige oefening
met hen mede te houden. Een priester in de stad had een
flesch water uit de bron van Lonrdes en daarmede zou
de zieke haar oogen wasschen, terwijl vader en moeder de
plechtige gelofte deden dat zij, zoo hunne dochter door
de alvermogende voorspraak van de H. Maagd mocht ge-
nezen, terstond aen bedevaart naar Lourdes zouden onder-
nemen en hun kind een jaar lang de kleuren van Maria,
wit en blauw, doen dragen, gelijk het om een vorige belofte
tot zijn derde jaar reeds gedragen had.
De novene nam een aanvang in den avond van 8 No-
vember; doch Marie geloofde volstrekt niet dat het iets
helpen zou ; de moeder durfde niet hopeu ; alleen de vader
vertrouwde en had wel dat zekere vertrouwen, aan hetwelk
Gods barmhartigheid nooit wederstaat. Het geheele huis-
gezin kwam in de kamer van mijnheer Moreau, om ge-
zamenlijk de godvruchtige oefening te beginnen en voor
een beeldje van de H. Moedermaagd te bidden. Toen het
gebed was geëindigd, vertrokken de dienstboden en ook
de moeder met hare dochter stond op, om naar de slaap-
kamers te gaan : buiten den drempel echter bleven zij staan
en hielden weldra den adem in, om naar het gebed te
luisteren dat de vader, wanende geheel alleen te zijn, met
groote vurigheid overluid sprak.
-ocr page 221-
202
— „Heilige Maagd I" zoo bad hij uit de volheid des
harten en met den grootsten eenvoud : „allerheiligste Maagd
„Maria, gij moet mijne dochter genezen ! Ja, inderdaad,
„gij moet; gij zijt dat verplicht en zult het daarom niet
„weigeren. Herinner u dat ik, tegen het verlangen van
„allen in, mijn kind uwen naam heb gegeven en dat ik
„een hevigen strijd heb te strijden gehad, omdat ik u als
„hare patrones had gekozen. Welnu, goede Moeder! zoudt
„gij dat kunnen vergeten ? Kunt gij vergeten dat ik het
„als met geweld en volharding heb doorgedreven, dat zij
„Marie zou heeten, omdat ik er zeker van was dat uw
„heilige naam haar geluk zou aanbrengen ? — \'t Was mijn
„kind en ik heb er uw kind van gemaakt: kunt gij dat
„vergeten ? Verplicht u dat dan niet om ons te hulp te
„komen nu ik ongelukkig ben, nu ik u bid en smeek
„voor ons en voor uw kind ? Zult gij ze nu blind laten
„worden, nadat ik zooveel vertrouwen in u getoond heb?
„Neen, neen! dat is niet mogelijk, gij zult haar genezen
„en het gebed eens vaders niet verstooten, die smeekt voor
„zijn kind, dat drie jaren lang uw kleed heeft gedragen
„en voor al de dagen zijns levens u is toegewijd!"....
Het sloeg tien uren.
De ongelukkige Marie doopte, voor zij zich te rusten
begaf, een linnen doek in het wonderwater der grot van
Lourdes, legde dien op de oogen en knoopte hem aan het
achterhoofd vast. Zij was sterk bewogen en zenuwachtig;
immers, zonder het vast vertrouwen haars vaders te deelen,
begon zij toch te meenen dat de heilige Maagd, als zij
wilde, haar toch wel de genezing kon verwerven, en voedde
allengs de hoop dat zij misschien nog eens, wie weet ?
-ocr page 222-
203
bij het eiude der novene het gezicht zou wederkrijgeu.
Dan verrees echter ook de twijfel en meende zij geen
wonder waardig te zijn, maar wel altijd blind te zullen
blijven. Hoop en vrees, vertrouwen en twijfel woelden in
haren geest dooreen en verdreven den slaap, zoodat zij
eerst in den laten nanacht insluimerde.
Toen zij ontwaakte, was haar eerste werk den doek los
te maken ; hopend, ja ! maar ook eene bittere teleurstelling
vreezende, lichtte zij hem langzaam op, hare oogen ge-
sloten houdende. Maar nauwelijks had zij het gewaagd die
te openen, of zij gaf een harden schreeuw, die tot alle
kamers doordrong. Zij zag klaar en helder alles wat in de
kamer was bij het licht van den reeds aangebroken dag.
Het zieke oog was bevrijd van zijn duisteren nevel, en
het blinde oog was volkomen hersteld en weder ziende.
—   „Martha, Martha I" riep zij tot haar jongere zuster,
die in de naastgelegen kamer sliep: „ik kan zien, ik ben
genezen I"
Martha vloog het bed uit en naar haar toe; en zij zag,
hoe de oogen van Marie geheel bevrijd waren van hun
bloedig vlies en weder zwart en schitterend fonkelden als
weleer. Van blijdschap opspringende en in hare handen
klappende, riep zij met luide stemme :
— „Vader! moeder! komt hier, komt hier! Marie kan weer
zien!" Doch haar zuster gebood, dat zij bedaard zou blijven.
—  „Geef mij liever eerst een boek, opdat ik mij over-
tuige, dat ik geheel en al genezen ben en weder lezen
kan," sprak zij.
Martha gaf haar een boek en Marie las zonder eenige
moeite. De genezing was volkomen.
-ocr page 223-
204
Toen de gelukkige ouders het wouder aanschouwden,
dat O. L. Vrouw van Lourdes had gewrocht, vielen zij
bij het bed van hun kind op de kuieëu neer, om de
allerheiligste Maagd te dankeu, dat zij het vertrouwen des
vaders niet beschaamd had.
Dokter Bermont kwam in allerijl van Bordeaux om het
feit, waarvan men hem nog denzelfden dag kennis had
gegeven, te onderzoeken, en gaf eene schriftelijke verklaring,
dat de geneeskunde onmachtig is om zulk eene genezing
te bewerken. (\')
Het zal wel niet noodig zijn te vermelden, dat degod-
vruchtige ouders korte dagen daarna met hunne dochters
ter bedevaart gingen naar O. L. Vrouw van Lourdes. Marie
legde daar hare kleederen op het altaar der H. Maagd en
(\') In zijn rapport van 8 Februari 1859 zegt dokter lierinonl: «quanta
«1\'instantanéité de cette guérison, telle qu\'elle s\'est produite, c\'est uu
«fait hors ligne, qui sort tout-a-fait des procédés au pouvoir de la science
«medicale."
Dokter Vergez voegde daar later bij : "On ne peut s\'empècher de s\'as-
«socier pleinement a cette conclusion. Car, iudépendamment de l\'instan-
"tanéité du résultat, qui forme toujours, quaud elle existe, Ie trait ca-
• ractéristique des faits qui se produisent en dehors de l\'orde de la nature,
»ou trouve dans cette guérison, totis les éléments nécessaires pour con-
"Stituer une conviction forte ; la gravité du mal vaincue par 1\'eau phy-
"Siquement et chimiquement naturelle; 1\'inauité des efforts de la science
«medicale, et la persistance de la guérison en dépit de la teudance du
\'mal aux recidives."
De maire van Tartas verklaarde schriftelijk aan de commissie; «qu\'il
vest ii sa conuaissauce que Mademoiselle Marie Moreau, dont les yeux
«malades donnaient les plus vives iuquiétudes, a été guérie radicalement
«et instautanément, dès Ie commencemeut de la neuvaine en l\'honneur
"de Notre-Dame de Lourdes."
-ocr page 224-
205
uam de kleuren weder aan van haar, die ten tweede male
haar zoo wonderdadig had bijgestaan. Vervolgens keerde zij
ter voltooiing harer opvoeding naar de Dames du SacréCoeur
te Bordeaux terug.
Tot aan haar huwelijk bleef zij het kleed der onbevlekte
Moedermaagd, blauw en wit, dragen ; en haar huwelijks-
reis was naar Lourdes, waar zij haar Maria-k leederen wenschte
te schenken aan het arme kind, dat de bron had gegraven,
wier wondervolle wateren haar het licht en het leven hadden
wedergeven. Dit is het eenige geschenk, dat Bernadetta
ooit heeft aangenomen.
\'t Is nu 29 jaren geleden : Marie Moreau noemt
zich thans mevrouw d\'Izarn de Villefort; zij is moeder van
frissche gezonde kinderen met schoone en heldere oogen,
en heeft er voor gezorgd, dat allen bij den H. Doop den
naam van Marie hebben ontvangen.
15. De laatste genezing, welke door de bisschoppelijke
commissie als wonderbaar is aangenomen, is die van pa-
schaline abbauie te Rabasteins. Tot ons leedwezen hebben
wij geen bijzonderheden van dit feit kunnen achterhalen.
Daar deze genezing geschied is nadat het eerste onderzoek
der bisschoppelijke commissie reeds was geëindigd, zoo
heeft de secretaris Fourcade daarvan geen melding kunnen
maken in zijn rapport. De eerw. paters te Lourdes hadden
mij beloofd, nog te zullen onderzoeken wat er van bekend is ;
maar een brief, kort daarop ontvangen, meldt mij het
vruchtelooze van hun pogen. Ook de heer H. Lasserre wist
mij geen bijzonderheden op te geven.
-ocr page 225-
X.
DE UITSPRAAK.
In het voorjaar vau 1859 had de commissie haar taak
volbracht en een volledig verslag aan den bisschop over-
gelegd, met al de processen-verbaal der verhooren en het
onderzoek op de verschillende plaatsen. Mgr. Laurence
deelde geheel het gevoelen, dat ia het verslag werd uit-
gesproken, en was thans overtuigd van het bovennatuurlijk
karakter der verschijningen aan de Massabiella-grot, zoowel
als van de wonderkracht des waters uit de op wonderbare
wijze ontstane brou, zoo onloochenbaar gebleken uit de
talrijke genezingen, door de commissie onderzocht. l)e
prelaat dreef echter de hem eigene voorzichtigheid zoo ver, dat
hij ook nog aan den tijd een bewijs vroeg voor de waar-
achtigheid der feiten, en het rapport drie jaren te rusten
legde.
In 1860 riep hij op nieuw de commissie te samen, en
gebood haar nog eens dezelfde gebeurtenissen te onder-
zoeken en te zien of de genezingen, die als ware mirakelen
waren voorgesteld, niet door den ijd werden geloochend.
Opnieuw werden dus de vroeger verhoorden gedagvaard,
en onder eede gevraagd naar alles, wat zij vroeger verklaard
-ocr page 226-
207
hadden; ook de geneesheeren, die de zieken gezien en be-
handeld hadden, zoowel na als vóór hunne vroegere genezing,
werden verzocht rapport omtrent hunne bevindingeu uit te
brengen; niets werd voorbij gezien, niets verzuimd van
alles, wat maar eenig licht over de gebeurtenissen kon ver-
spreiden.
Eerst in de laatste maanden van 1861 was de com-
missie met haren tweeden arbeid gereed, en moest ge-
tuigen dat het nieuwe onderzoek, wel verre van iets aan
het eerste rapport te ontnemen, het op schitterende wijze
bevestigde ; terwijl nog nieuwe onloochenbare wonderen zich
als van zelven hadden voorgedaan, om het bovennatuurlijke
van de gebeurtenissen te Lourdes te bewijzen. En toen,
doch ook toen eerst was de bisschop voldaan en meende
met zijn uitspraak niet langer te mogen wachten, maar
gehoor te moeten verleenen aan het bevel der Onbevlekte
Ontvangenis, bij de Massabiella-rotsen gegeven, om daar
eene kapel te stichten.
Den 18den Januari 1862 gaf de prelaat eindelijk zijn
mandement over de gebeurtenissen van Lourdes uit, en
deed het in alle kerken en kapellen van zijn kerspel af-
kondigen. Dit uitgebreid en schoon gesteld stuk behelst
een kort verhaal van al hetgeen te Lourdes gebeurd is;
wederlegt de voornaamste tegenbedenkingen en verklaringen
der ongeloovige wetenschap en hedendaagsche wijsbegeerte ;
geeft verslag van de werkzaamheden en bevindingen der
gemengde commissie, en verordent ten slotte de godsdieu-
stige vervulling van het bevel der Onbevlekte Ontvangenis
aan de Massabiella-grot.
Wij geven het in zijn geheel.
-ocr page 227-
•208
Mandement van Mgr. den Bisschop van Tarbes,
oordeel vellende over de verschijning, welhe
plaats heeft gehad aan de grot van loürdes.
Bert rand-Sévère Laurence, door de barmhartigheid Gods
en de gunst van den H. Apostolischen Stoel, bisschop van
Tarbes, adsistent bij den paaselijken troon, enz. enz.
Aan de geestelijkheid en de geloovigen van ons bisdom,
heil en zegen in onzen Heere Jesus Christus.
Ten allen tijde, zeer beminde medehelpers en waarde
broeders ! hebben er wondervolle mededeelingen plaats gehad
tusschen den hemel en de aarde. Reeds terstond na de
schepping der wereld verscheen de Heer aan onze eerste
ouders, om hun het misdrijf hunner ongehoorzaamheid
te verwijten ; in de volgende eeuwen sprak Hij tot de aarts-
vaders en profeten; en het Oude Testament is vaak niets
anders dan de geschiedenis der hemelsche verschijningen,
waarmede God de kinderen van Israël begunstigde.
Die hemelsche gunsten moesten niet ophouden met de
Mozaïsche wet; integendeel, zij moesten onder de wet van
genade èn talrijker èn schitterender worden.
Reeds van af de eerste kindsheid der Kerk in de dagen
der bloedige vervolging, ontvingen de geloovigen het be-
zoek van Jesus Christus of van Engelen, die hun nu eens
de geheimen der toekomst kwamen openbaren, dan weder
van de boeien verlossen, of in den feilen strijd versterken
en vertroosten, \'t Was op die wijze, volgens een oordeeU
kundig schrijver, dat God die roemrijke belijders des ge-
loofs bemoedigde, toen de machten der aarde al hare
krachten inspanden om de leer te verstikken, die de wereld
moest behouden.
-ocr page 228-
209
Die bovennatuurlijke openbaringen waren echter uiet bij
uitzondering het bevoorrechte, deel der eerste eeuwen van
liet christendom. De geschiedenis getuigt, dat zij hebben
voortgeduurd door alle tijden heen ter verheerlijking van
den godsdienst en tot stichting der geloovigen.
Onder de hemelsche verschijningen nemen die der al-
lerheiligste Maagd eene voorname plaats in, en zijn een
overvloedige bron van zegeningen voor de wereld geweest.
Op zijne reis door de katholieke wereld ontmoet de pel-
grim van plaats tot plaats tempels, toegewijd aan de Moe-
der des Heeren; en velen dier heiligdommen zijn hun
oorsprong verschuldigd aan eene verschijning van de Ko-
ningiu des hemels. Ook wij bezitten reeds zulk een geze-
gend gedenkstuk, (\') voor vier eeuwen ten gevolge eener
openbaring aan eene jeugdige herderin gesticht, werwaarts
duizenden van pelgrims jaarlijks voor den troon der ver-
heerlijkte Moeder-Maagd komen nederknielen, om hare voor-
spraak in te roepen.
Dank aan den Almachtige! Hij heeft in zijne onein-
dige goedheid ons eene nieuwe gunst voorbehouden. Hij
verlangt dat in het bisdom van Tarbes een nieuw heiligdom
zal worden opgericht ter eere van Maria. En welk is het
middel waarvan Hij zich bedient, om ons zijn barmharti-
gen wil kenbaar te maken ? \'t Is nogmaals wat het zwak-
ste is volgens de wereld : (2) een kind van 14 jaren, Ber-
nadetta Soubirous, geboren te Lourdes uit arme ouders.
(Hier volgt het verhaal der verschijningen, gelijk wij
(1)  O. L. Vrouwe van Garaisou.
(2)  1 Corint. I, 27.
14
-ocr page 229-
210
dat hebben medegedeeld in hoofdstuk III. Daarna verv\'ólgf
de prelaat:
Dus luidt in hoofdzaak het verhaal, dat wijzelveu ver-
nomen hebben uit den mond van Bernadetta, in tegen-
woordigheid der commissie, voor de tweede maal ten on-
derzoek bijeengekomen.
Alzoo zou een jeugdig meisje gezien en gehoord hebbeu
een wezen, dat zich de Onbevlekte Ontvangenis noemde,
en dat, ofschoon met een menschelijken vorm omkleed,
niet gezien noch gehoord werd door iemand der tallooze
toeschouwers daarbij tegenwoordig. Het zou bijgevolg een
bovennatuurlijk wezen geweest zijn. Wat van deze gebeur-
tenis te denken ?
\'t Is u niet onbekend, zeer geliefde broeders ! dat de Kerk
met eene wijze langzaamheid te werk gaat in het beoor-
deelen van bovennatuurlijke feiten; zij vraagt zekere be-
wijzen, alvorens ze toe te laten en ze als goddelijk te ver-
klaren. Sedert den eersten val is de mensen vooral in
deze zaak aan vele dwalingen onderworpen ; zoo zijne ver-
zwakte rede al niet verdoold is, wordt hij toch gemakkelijk
het slachtoffer van de listen des duivels. Wie toch weet niet,
hoe dikwijls deze zich verandert in een engel des lichts, om
ons zooveel te gemakkelijker in zijn strikken te vangen ?(\')
Ook de beminde leerling beveelt ons niet iederen geest te
vertrouwen, maar te beproeven, of hij van God komt. (\')
Die beproeving hebben wij gedaan, beminde broeders ! De
gebeurtenis, waarover wij u onderhouden, was gedurende vier
(1)  II Corint. XI, 14.
(2)  1 Joan. IV, 1-.
-ocr page 230-
211
jaren liet voorwerp onzer zorg; wij hebben haar gevolgd
in al hare verschillende omstandigheden ; wij hebben ons
doen voorlichten door eene commissie, samengesteld uit
godvruchtige, geleerde en ervaren priesters, die het kind
ondervraagd, de feiten bestudeerd, alles onderzocht, alles
gewogen hebben. Ook hebben wij het gezag ingeroepen
der wetenschap, en zijn overtuigd gebleven, dat de ver-
schijning bovennatuurlijk en goddelijk is geweest, en dat
bijgevolg wat Bernadetta heeft gezien, de allerheiligste
Maagd Maria is. Onze overtuiging is gegrond op de ver-
klaring van Bernadetta, maar vooral op de feiten, die
daarop gevolgd zijn en geen andere uitlegging toelaten
dan eene goddelijke tusschenkomst.
De getuigenis van het jonge meisje geeft ons alle waar-
borgen, die wij kunnen verlangen, en daarenboven, hare
oprechtheid kan niet in twijfel getrokken worden. Wie,
die het naderde, bewonderde niet de eenvoudigheid, de
zedigheid van dat kind ? Terwijl de gansche wereld den
mond vol had van de geheimen, die haar zijn geopenbaard,
bewaarde Bernadetta alleen er het stilzwijgen over ; zij sprak
er niet van, of zij moest ondervraagd worden; en dan ver-
haalde zij alles zonder gemaaktheid, met eene treffende
openhartigheid; terwijl zij op tallooze vragen, die men
haar deed, altoos klare en bepaalde antwoorden gaf, vol
juistheid en als \'t ware bezegeld door eene innerlijke
overtuiging. Aan zware beproevingen onderworpen, werd
zij nooit door bedreigingen in de war gebracht, en beant-
woordde de rijkste aanbiedingen steeds met eene edele be-
langloosheid. Altijd zichzelve gelijk blijvende, heeft zij
in de verschillende verhooren, die zij ondergaan heeft, vol-
-ocr page 231-
212
standig volgehouden wat zij eens gezegd had, zonder daar
ooit iets bij te voegen of af te nemen. De oprechtheid
van Bernadetta is dan ook onbetwistbaar, of zeggen wij
liever: zij wordt niet betwist. Zelfs hare tegenstanders, die
zij inderdaad bezat, hebben haar dezen lof gegeven.
Maar, als Bernadetta niet heeft willen bedriegen, zou
zij zichzelve niet bedrogen hebben ? Heeft zij niet ge-
meend te zien en te hooren terwijl zij niets zag, niets
hoorde ? Is zij niet het slachtoffer geweest van eene hal-
lucinatie ? Hoe zonden wij dan haar kunnen gelooven ? De
wijsheid der antwoorden openbaarde in dit kind eeu gezonden
geest, eene kalme verbeelding, een begrip dat boven zijn
jaren ging. (\') Het godsdienstig gevoel heeftin Bernadetta
nooit iets overdrevens getoond ; en geen aandoening der
hersenen noch verstoring der zinnen, geen eigenzinnigheid
van karakter noch ziekelijkheid van gestel heeft men kunnen
ontdekken, die haar geschikt maakten voor zulke hersen-
schimmen. Zij heeft de verschijning gezien, niet ééns maar
achttien malen ; zij heeft haar gezien eensklaps, toen niets
haar kon voorbereid hebben tot de gebeurtenis die volgde ;
en gedurende die 14 dagen, als zij iederen dag de verschijning
verwachtte, heeft zij toch twee malen niets gezien, ofschoon
zij zich volkomen in dezelfde omstandigheden en omgeving
bevond. Daarenboven, wat gebeurde er gedurende de ver-
schijningen ? In Bernadetta greep eene groote verandering
plaats : haar gelaat nam eene ongewone uitdrukking aan,
(\') De secretaris Fourcade voegt hier aan den voet der bladzijde bij,
dat dit moet verstaan worden alleen in betrekking tot de verschijningen,
terwijl zij in alle overige zaken zeer onwetend en achterlijk was.
-ocr page 232-
213
iiare oogen vonkelden, zij zag diugeu die zij nooit gezien
had, zij hoorde eene taal die zij nooit vernomen had,
waarvan zij niet eens altijd den zin begreep en waarvan
zij toch de herinnering bewaarde. Al deze omstandigheden
bij elkander veroorloven niet aan eene hallucinatie te ge-
looven; zoodat het jeugdige meisje wezenlijk gezien en
gehoord heeft een wezen, dat zich de Onbevlekte Ontvan-
genis noemde; en dit verschijnsel op geen natuurlijke wijze
kunnende verklaard worden, zoo zijn wij bijgevolg gerechtigd
aan te nemen, dat de verschijuing bovennatuurlijk is.
De getuigenis van Bernadetta, reeds zoo gewichtig op
zichzelve, ontleent nog eene geheel nieuwe kracht, wij
zouden zelfs durven zeggen hare bevestiging aan de wou-
dervolle gebeurtenissen, die na de verschijning hebben
plaats gegrepen. Als men den boom naar zijne vruchten
moet beoordeelen, dan kunnen wij gerustelijk zeggen dat
de verschijning, door het jonge kind verhaald, bovenna-
tuurlijk en goddelijk is ; want zij heeft bovennatuurlijke en
goddelijke gevolgen voortgebracht. Wat toch is er geschied,
zeer geliefde broeders ? Nauwelijks was de verschijuing
bekend, of de mare daarvan verspreidde zich met de snel-
heid des bliksems; men wist dat Bernadetta gedurende 14
dagen naar de grot moest gaan : en ziedaar, de geheele
omtrek is in beweging; stroomen volks werpen zich naar
de plaats der verschijning ; met een godsdienstig ongeduld
verbeidt men het plechtig uur; en terwijl het jonge kind
in geestverrukking, buiten zichzelve, geheel verslonden
wordt door het voorwerp dat het aanschouwt, zijn de ge-
tuigen van dat wonder bewogen, verteederd en geheel ver-
loren in bewondering en gebed.
-ocr page 233-
214
verschijningen hebben opgehouden maar de toeloop
"houdt vol; de pelgrims, zoowel van verwijderde streken
als van nabijgelegen plaatsen, gaan op naar de grot, en
men ziet daar bijeen alle leeftijden, alle rangen, alle standen.
En welk is het gevoel, dat die talrijke bezoekers daar heen
drijft ? O, zij komen aan de grot om te bidden en eene
of andere gunst aan de onbevlekte Moeder-Maagd te vragen ;
zij toonen door hunne godsdienstige ingekeerdheid dat zij
als een goddelijken ademtocht gevoelen, die de van toen
af zoo beroemde rots bezielt en doet leven. Brave zielen
werden versterkt in de deugd ; mannen, ongevoelig door
onverschilligheid, werden tot de godsdienstoefeningen terug
gevoerd ; verharde zondaars hebben zich met God verzoend,
nadat men ten hunnen gunste O. L. Vrouwe van Lourdes
had aangeroepen. Die wonderen van genade, welke het
karakter van algemeenheid en voortdurendheid bezitten,
kunnen alleen God tot bewerker hebben. Komen zij dan
bijgevolg niet de waarheid der verschijning bevestigen ?
Wanneer wij van de gevolgen ten heil der zielen over-
gaan tot die, welke de gezondheid der lichamen betreffen,
hoeveel wonderen hebben wij dan op nieuw te verhalen ?
Men had Bernadetta zien drinken en zich wasschen op de
plaats, aangewezen door de verschijning; en die omstan-
digheid had de algemeene oplettendheid tot zich ge-
trokken. Men vroeg zich af, of dat niet eene aanwijzing
was van eene bovennatuurlijke kracht, gedaald over de bron
van Massabiella. Met die gedachte gebruikten de zieken het
water der grot, en niet zonder heilzaam gevolg ; velen, wier
ziekten tegenstand hadden geboden aan de krachtvolstebehan-
delingen, verkregen oogenblikkelijk de gezondheid terug..
-ocr page 234-
215
Die buitengewone genezingen hadden een ruimen weerklank ;
het gerucht daarvan verspreidde zich terstond naar de verte.
Zieken van alle landen vroegen, als zijzelven niet aan de
grot konden komen, het water van Massabiella. Hoeveel
kranken zijn er niet genezen en hoeveel gezinnen niet ge-
troost !... Zoo wij hun getuigenis wilden inroepen, ontel-
bare stemmen zouden zich verheffen, om met dankbaarheid
de genezende kracht van het water der grot uitte roepen.
Wij kunnen hier niet de optelling doen van alle verkregen
gunsten; maar wat wij u zeggen moeten is, dat het water
van Massabiella zieken heeft genezen, die verlaten en on-
geneeslijk waren verklaard. Die genezingen zijn bewerkt
door de aanwending van een water dat alle natuurlijke
geneeskracht mist, volgens het rapport van bekwame che-
misten, die het met alle zorg hebben ontleed. Zij zijn
bewerkt, eenigen oogenblikkelijk, anderen na het gebruik
des waters twee of drie malen herhaald te hebben, hetzij
door te drinken, hetzij door te wasschen. Daarenboven
die genezingen zijn duurzaam. Welke is dan de kracht,
die ze heeft voortgebracht ? Is het de kracht van het sa-
menstel des waters ? De wetenschap, op dit punt geraad-
pleegd, heeft ontkennend geantwoord. Die genezingen zijn
dus het werk van God. Immers zij staan in betrekking
tot de verschijning; deze laatste is er het punt van uit-
gang van; zij heeft dat vertrouwen den zieken ingegeven,
zoodat er een innige band bestaat tusschen de genezingen
en de verschijning; de verschijning is dus goddelijk, daar
de genezingen een goddelijk merkteeken dragen. Maar al
wat van God voortkomt is waarheid. Bijgevolg is de ver-
schijning, die zich de Onbevlekte Ontvangenis noemde
-ocr page 235-
216
en door Bernadetta werd gezien en gehoord, de allerhei -
ligste Maagd Maria ! Roepen wij daarom uit: de vinger
Gods is hier! Digitus Dei est hic. (\')
Hoe hierin niet, zeer beminde broeders ! de wijze be-
schikkiug der goddelijke voorzienigheid te erkennen ? Op
het eiude van het jaar 1854 kondigde de onsterfelijke
Pius IX het geloofsstuk der Onbevlekte Ontvangenis af. De
echos droegen de woorden des Pausen tot de uiteinden
der aarde over; de hartender katholieken trilden van vreugde,
en overal vierde men dat glorierijk voorrecht van Maria door
feesten, waarvan de herinnering voor altoos in ons geheugen
is gegrift. En ziedaar, ongeveer drie jaren daarna zegt de
heilige Maagd, aan een kind verschijneude : „Ik be n de
Onbevlekte Ontvangenis.... Ik wildatmen
hier eene kapel ter mijner eere bouwe".
Is het niet, alsof zij door een gedenkteeken de onfeilbare
uitspraak van Petrus\' opvolger heeft willen bevestigen ?
En waar verlangt zij dat het gedenkteeken zal worden
opgericht ? Aan den voet van onze Pyreneesche bergen, in de
streek waar zich de tallooze vreemdelingen verzameleD,
die van alle oorden der wereld aan onze warme minerale
wateren gezondheid komen vragen. Zou men niet zeggen,
dat zij de geioovigen van alle natiën uitnoodigt, om haar
te komen vereeren in den tempel, die haar gesticht zal
worden ?
Inwoners der stad Lourdes, verheugt u 1 De allerheiligste
Maagd Maria gewaardigt zich hare barmhartige blikken op
u te slaan. Zij verlangt dat men even buiten uwe stad
(1) Exod VIII, 19.
-ocr page 236-
217
een heiligdom opricht, waar zij hare weldaden zal verspreiden.
Dankt haar voor dit blijk van voorliefde u geschonken
en toont, daar zij u hare moederlijke liefde geeft, hare
liefhebbende kinderen te zijn, door de navolging harer
deugden en door uwe onverbrekelijke trouw aan den gods-
dienst.
Overigens, en wij getuigen dit met vreugde, heeft de
verschijning reeds overvloedige vruchten onder u gedragen.
Ooggetuigen van de gebeurtenis aan de grot en van hare geluk-
kige gevolgen, is uw vertrouwen groot geweest, eveuals uwe
overtuiging onwrikbaar vast stond. Wij hebbeu bewonderd uwe
voorzichtigheid, uwe gehoorzaamheid om onzen raad te vol-
gen en u te onderwerpen aan het burgerlijk gezag, toen
gij gedurende eenige weken uwe bezoeken aan de grot
moest nalaten en de gevoelens, die de wondervolle ge-
beurtenissen gedurende de veertien dagen der verschijningen
bij u hadden opgewekt, in uwe harten moest begraven.
En gij allen, zeer beminde diocesanen ! opent uwe harten
voor de hoop ; een nieuwe tijdkring van genade begint
voor ons ; gij allen zijt geroepen om uw deel te vergaderen
van de zegeningen, die ons beloofd zijn. Voortaan zult
gij in uwe gebeden en smeekgezangen den naam van Onze
Lieve Vrouwe van Lourdes voegen bij de gezegende namen
van Onze Lieve Vrouwe van Garaison, van Poeylaün, van
Héas en van Piétat.
Van uit die gewijde heiligdommen zal de onbevlekte
Maagd over u waken en u als beschermster ter zijde staan.
Ja, waarde medearbeiders en geliefde geloovigen ! wanneer
wij, het hart vervuld van vertrouwen, de oogen gevestigd
houden op die sterre der zee, dan zullen wij zonder vreeze
-ocr page 237-
218
voor schipbreuk de stormen des levens doorzeilen, en ge-
zond en behouden aan de haven des eeuwigen heils aan-
landen.
Om die redenen:
Na geraadpleegd te hebben onze eerwaardige broeders,
het kapittel onzer kathedrale kerk;
Den heiligen naam van God ingeroepen;
Ons grondende op de regels, wijselijk voorgeschreven door
Benedictus XIV in zijn werk over de zalig- en heilig-
verklaring der heiligen, aangaande het beoordeelen van ware
of valsche verschijningen; (\')
Gezien het gunstig verslag, dat ons is overgelegd door
de commissie, belast met het onderzoek der verschijning
aan de grot van Lourdes en der feiten die zich daaraan
vastknoopen;
Gezien de geschreven getuigenis der medecine-dokters,
welke wij geraadpleegd hebben aangaande talrijke gene-
zingen, verkregen ten gevolge van het gebruik des waters
van de grot;
Overwegende vooreerst, dat het feit der geziene verschij-
ning, zoowel bij het jonge meisje dat het heeft medege-
deeld, als vooral ook in de buitengewone gevolgen die
het heeft voortgebracht, niet anders kan uitgelegd worden
dan door de tusschenkomst eener bovennatuurlijke oorzaak;
Overwegende in de tweede plaats, dat die oorzaak geen
andere dan eene goddelijke zijn kan, daar de voorgebrachte
gevolgen, waarvan eenige duidelijke teekenen der genade
waren, zooals de bekeering der zondaren, andere ophef-
(1) Lib. III, 51.
-ocr page 238-
219
fingen van de wetten der natuur, zooals de wonderbare
genezingen, slechts alleen aan den Heer van alle genade
en aan den Schepper der natuur kunnen toegeschreven
worden ;
Overwegende eindelijk, dat onze overtuiging versterkt
is door den verbazenden en uit eigen beweging ontstanen
toeloop van geloovigen naar de grot, een toeloop, die vol-
strekt niet heeft opgehouden na de eerste verschijningen,
en wiens doel is, gunsten te vragen of voor reeds verkregen
weldaden te danken ;
Om te voldoen aan het billijk ongeduld van ons eer-
waardig kapittel, van de geestelijkheid, van de leeken van
ons bisdom en van zooveel godvruchtige zielen, die reeds
sedert langen tijd van het geestelijk gezag eene beslissing
vragen, welke de voorzichtigheid ons tot dus verre deed
uitstellen;
Willende voldoen aan de wenschen van velen onzer me-
debroeders in het episcopaat, en van een groot getal hoog-
geplaatste aanzienlijken buiten ons bisdom ;
Na de verlichting des H. Geestes en den bijstand der
allerheiligste Maagd ingeroepen te hebben;
HEBBEN WIJ VERKLAARD EN VERKLAREN ALS VOLGT :
Art. I.
Wij oordeelen dat de Onbevlekte Maagd Maria, Moe-
der Gods, wezenlijk is verschenen aan Bernadetta Soubi-
rous den Uden Februari 1858 en volgende dagen, tot
achttien malen toe, in de grot van Massabiella nabij de
stad Lourdes; dat die verschijning alle kenmerken der waar-
-ocr page 239-
220
heid bezit en dat de geloovigeu gerechtigd zijn die voor
waar te houden.
Wij onderwerpen iu alle nederigheid ons oordeel aan
het oordeel van den paus, die met het bestuur der gansche
Kerk is belast.
Art. II.
Wij wettigen in ons bisdom de vereering van Onze Lieve
Vrouwe der grot van Lourdes; maar wij verbieden het uit-
geven van een of ander bijzonder gebed, gezang of ge-
bedenboek, betrekking hebbende op deze gebeurtenis, dat
niet door ons schriftelijk is goedgekeurd.
Art. III.
Om te voldoen aan den wil der heilige Maagd, verscheidene
malen gedurende de verschijningen uitgedrukt, zijn wij
voornemens een heiligdom te bouwen op het terrein van
de grot, dat het eigendom is geworden der bisschoppen
van ïarbes.
Die stichting, gelet op den steilen rotswand en het ou-
effene der plaats, zal grooten arbeid en betrekkelijk aanzienlijke
uitgaven vorderen. Om ons godsdienstig voornemen ten
uitvoer te brengen, hebben wij dan ook behoefte aan de
medewerking der priesters en der leeken van ons bisdom,
der priesters en der leeken van .Frankrijk en van het buitenland.
Wij doen een beroep op hun edelmoedig hart en in het
bijzonder op alle godvruchtige personen van alle landen,
die der vereering van de Onbevlekte Ontvangenis der heilige
Maagd Maria zijn toegedaan.
Art. IV.
Wij wenden ons met vertrouwen tot de gestichten van
-ocr page 240-
221
beiderlei kunne, gewijd aan het onderwijs der jeugd, tot
de congregratiën der kinderen van Maria, tot de broederschap-
pen der heilige Maagd en tot alle andere godsdienstige ver-
eenigingen hetzij in ons bisdom, hetzij in gansch Frankrijk.
Art. V.
Iedere parochie, iedere vereeniging, ieder pensionaat,
ieder geestelijk genootschap, ieder broederschap, iedere
persoon, die van zichzelven of van de giften, die hij
of zij verzameld heeft, eene som van 500 fr. of daar boveu
offert, zal den titel dragen van Stichter van het
heiligdom der grot van Lourdes. (\')
Zoo de geofferde gift, geschonken op de wijze zooals
hier boven is aangegeven, 20 fr. of daarboven bedraagt,
zal de titel zijn die van voorname w e 1 d o e n e r. (\')
De namen der stichters en voorname weldoeners zullen
ons worden toegezonden met de giften ; zij zullen met zorg
worden opgeteekend in een daartoe aangelegd register, daar-
enboven zulleu de namen geplaatst worden op een rood hart,
dat aan het hoog-altaar des heiligdoms zal worden opgehangen.
Ten eeuwigen dage zullen iedere week in dat heiligdom
des woensdags twee heilige Missen voor de stichters en
voorname weldoeners worden opgedragen, en des vrijdags
voor allen die door hunne offers, hoe gering zij ook wezen
mogen, hebben bijgedragen tot deze stichting. (:\')
Niet zonder een bijzonder oogmerk van liefde en barm-
(1)  yondateur du sanctnaire de la grotte de Lourdes.
(2)  Bienfaiteur principal.
(3)  Van het eerste oogenblik afaan waren er reeds maatregelen genomen,
opdat deze HH. Missen in de parochiekerk van Tionrdes zonden gelezen worden.
-ocr page 241-
222
hartigheid heeft de heilige Maagd op die plaats de oprichting
van een heiligdom ter harer eere gevraagd. Geen twijfel
bijgevolg of allen, die door hunne mildheid tot het bouwen
van dat gedenkteeken zullen bijgedragen hebben, zullen
daarvoor in plaats eene bijzondere gunst, hetzij geestelijke
hetzij tijdelijke, terug ontvangen.
Art. VI.
Een groot getal personen, zoowel van ons bisdom als
van de verschillende streken van Frankrijk en zelfs van
het buitenland, heeft buitengewone gunsten aan de grot
van Lourdes ontvangen: velen hunner hebben ons beloofd
hunne offers te zullen toezenden, zoodra tol de stichting
van het heiligdom op die plaats zou worden overgegaan.
Wij doen hun weten, dat dat oogenblik is aangebroken.
Wij bidden hun daarenboven, het liefdewerk der grot
aan te bevelen bij hunne kennissen en vrienden en zich,
als het gevoegelijk kan, te belasten met deze vrijwillige
giften, om ze ons te doen toekomen.
Art. VIL
Daar zal eene commissie worden benoemd, samengesteld
uit priesters en leeken, ten einde onder ons toevoorzicht
dat fonds te beheeren.
Art. VIII.
En zal dit ons mandement worden gelezen in al de
kerken, kapellen en bedehuizen van seminariën, col-
legies en liefdegestichten van ons bisdom, den zondag na
ontvangst. •
Gegeven te Tarbes in ons bisschoppelijk paleis onder
-ocr page 242-
223
onze handteekening, ons zegel, en de handteekening van
onzen secretaris, den 18den Januari 1862, het feest van
Petrus\' Stoel te Rome.
t Bertrand-Sre bisschop van Tarbes.
Op last van Z. D. H.
Fourcade, kan. secr.
Ziedaar dan eindelijk het bisschoppelijk woord, waarom
de vijanden der bovennatuur zoo lang geroepen hadden ;
ziedaar eindelijk de kerkelijke uitspraak, waarnaar het ge-
loovig volk zoo vurig had verlangd. Waren echter de
laatsten verheugd en maakten zij zich op, om met luister
de overwinning te gaan vieren : de eersten waren verslagen
en zagen zich ook de laatste plek gronds ontnomen,
waarop zij zich als mannen van de wetenschap onwrikbaar
gevestigd waanden. De kerkelijke uitspraak toch steunde
geheel en al op de wetenschap zelve. Daar schoot hun
dus niets anders over dan schelden en lasteren, heilig-
schendige taal uitbraken en, waar de gelegenheid zich
aanbood, door zoogenaamde zedelijke middelen de domme
bijgeloovigheid der vereerders van O. L. Vrouwe van
Lourdes te bemoeilijken; een werk, dat zij reeds vijftien
jaren lang hebben volgehouden, en in onze dagen met
vernieuwde kracht doorzetten. (\')
Mgr. Laurence had — zoo als het mandement mede-
deelt —, zoodra hij van de waarheid der verschijningen
en wonderbare genezingen overtuigd was, aan den stede-
lijken raad van Lourdes voorgeslagen de grot, de bron
(1) Onder anderen te Nantes, na de groote bedevaart van Frankrijk
naar O. L. Vrouw van Ijourdes, 6 October 1872.
-ocr page 243-
224
eu de geheele groep der Massabiella-rotsen voor een goeden
prijs te koopen, ten einde aan het verlangen der Onbe-
vlekte Ontvangenis te kunnen voldoen. De maire Lacadé
die altijd gaarne zich aan de zijde schaarde welke de bo-
venhand hield, was verheugd daarin eene ongezochte ge-
legenheid te vinden, om te toonen dat hij nooit tegen de
vereering aan de grot geweest was en om zijn besluit
van sluiting ongedaan te maken; waarom hij het voorstel
des bisschops in den raad ondersteunde en, na toestemming,
de overdracht zelf onderteekende. De regeering keurde den
verkoop goed; en dezelfde minister Rouland, die zoozeer
tegen het schandaal van Lourdes geijverd had, moest de
keizerlijke toestemming onderschrijven, uitvaardigen en aan
den baron Massy ter uitvoering toezenden. Zoo moesten
dus de grootste vijanden van O. L. Vrouwe van Lourdes
de eerste daad stellen, om op die wondervolle plaats het
gedenkleeken van zooveel bovennatuurlijke gebeurtenissen
te stichten, en de vereering der Onbevlekte Ontvangenis
op de Massabiella-rotsen voor Frankrijk mogelijk te maken.
-ocr page 244-
XI.
DE KERK.
Pastoor Peyramale werd door den bisschop aan het hoofd
gesteld der commissie, belast met het bouwen van een
heiligdom, dat de verschijningen aan Bemadetta moest ver-
eeuwigen, en nam met vreugde en heilige geestdrift dit
werk op zich als eene taak, hem door de Koningin des hemels
voorgeschreven. Een der bekwaamste bouwmeesters van liet
rijk, mijnheer Hippolyte üuraud, architekt van den staat voor
het bisdom van Tarbes, werd ontboden, door den pastoor
zelven naar de Massabiella-rotsen heengeleid en met het
grootsche, men zou bijna raeenen onuitvoerbaar plan bekend
gemaakt om boven op de rots, in wier grot de verschij-
uingen hadden plaats gegrepen, eene prachtige kerk te
bouwen. Ook de beroemdste hovenier van den ganschen
omtrek werd naar Lourdes geroepen en moest een ontwerp
inleveren, om den moeilijken weg naar de rotsen en de
omgeving der grot te herscheppen in breede, effëne, sier-
lijke en bloemrijke dreven, die ook voor rijtuigen toegau-
kelijk zouden zijn. En pastoor Peyramale zelf liep gansche
dagen, terwijl de architekt en de hovenier het terrein be-
studeerden, rondom de wondervolle plaats te dwalen, met
papier en teekenstift en maatstok in de hand, om hen
15
-ocr page 245-
-ocr page 246-
226
voor te lichten en zijn plan duidelijk te maken, den
ijzeren wil in zich voedende om een kunststuk te bouwen,
dat der Moeder des Heeren welgevallig kon zijn.
blenige maanden daarna was mijnheer Durand gereed
en zou plan en teekening op de plaats zelve, aan de bouw-
commissie voorleggen. Pastoor Peyramale verscheen daar
vol van zijn grootsch ontwerp, omgeven van de medeleden
der commissie en van eenige andere geestelijken, op wier
gevoelen en goeden raad hij in deze zaak hoogen prijs
stelde. Nauwelijks echter had hij een oogslag gericht op
de teekening van het ontwerp, of het bloed steeg hem
naar omhoog en hij greep het papier uit \'s bouwmeesters
handen, frommelde het in een, verscheurde het en wierp
de stukken in de Gave.
—   „Mijn hemel! wat doet gij ?" riep de onstelde ar-
chitekt uit: „gij vernielt mijn geheele plan, den arbeid
van zooveel weken"....
—   „Gij ziet, mijnheer!" antwoordde de deken, „dat
ik rood word van schaamte over hetgeen de menschelijke
bekrompenheid aan de Moeder van mijnen God durft aan-
bieden, en ik vernietig er de uitdrukking van. Wat hier
moet gebouwd worden, ter herinnering aan de groote won-
deren die hier hebben plaats gehad, mag geen armzalig
dorpskerkje zijn, maar moet een tempel wezen van marmer
en graniet, zoo groot als het uitgehakte plat der Massa-
biella-rots kan bevatten, en zoo prachtig en luisterrijk als
uw genie het kan iugeveu. .ra, dat uw genie alles durve,
zich door niets late weerhouden en ons een kunststuk
levere, dat door gansch Frankrijk bewonderd wordt ! En
weet wel, dat — al waart gij ook een Michel Angelo —
-ocr page 247-
227
uw werk toch altijd zal blijven ver beneden haar, die de
hemelen bewoont."
—  „Maar deken!" brachten de andere leden der com-
missie in: „hoe zullen wij de duizenden, of liever inillioenen
bij elkander krijgen, die zulk een reuzenwerk hier boven
op de rotsen kosten zal ?"
—  „Zij, die uit deze steenrotsen een levende bron heeft
doen ontspringen, zal ook de harten der geloovigen weten
te openen en vrijgevig te maken," antwoordde pastoor
Peyramale met waardigheid en innige overtuiging.
Mijnheer Hippolyte Durand zette zich weder aan den
arbeid, maakte een nieuw ontwerp en schetste eene kerk,
geheel volgens het grootsche plan van den man Gods, die
geen middelmatigheid of bekrompenheid kende, tën toen
togen honderden handen aan het werk om de steenrotsen
weg te kappen, mijnen te doen springen, steenwegen effen
te hakken, nieuwe paden aan te leggen, boomen, heesters
en bloemen te planten, zelfs het water van de molenbeek
te verplaatsen en de grot eu de bron te versieren. Graniet
en marmer werden uit de bergen gehouwen en door ossen
langs den steilen weg opgetrokken; Fransche metselaars en
Spaaneche opperlieden zetten de kunstig gehouwen steen-
brokken vaardig in en op elkander; daar werd gezaagd
en getimmerd en gesmeed; en er heerschten eene drukte
en een gewoel, die slechts overstemd werden door de hooge
en luide gezangen van het werkvolk.
Een man van hooge gestalte, breede borst en sterke
armen, met een ernstig en streng gelaat en met een stem
als van klinkend metaal, bewoog zich onophoudelijk tusscheu
die honderden en scheen de beweger te zijn van al dien
-ocr page 248-
228
arbeid; \'t was zelfs, of hij zich wist te vermenigvuldigen
om overal tegenwoordig te zijn, ten einde over alles te
waken, nieuwe en grootsche denkbeelden in te geven, den
ijver op te wekken en meermalen zelf de hand aan het
werk te slaan, om een verkeerd gestelden steen of boom
te verplaatsen : — \'t was de pastoor van Lourdes.
Maar als de avond al de arbeiders van het werk verdreven
en eene hoorbare stilte het gedruis der zwoegende menigte
had vervangen, dau kwam daar vaak een kind stillekens
voor de heilige grot neerknielen en uit de wondervolle
bron een handvol water drinken; \'t was een kind in schamele
kleeding, nederig, arm en zwak; liet ging nog op dezus-
tersschool en meestal droeg het een schoolboek bij zich.
Dat kind bad dan met vuur zijn rozenhoedje en riep de
Onbevlekte Ontvangenis aan, opdat zij barmhartigheid en
vergeving voor de zondaars zou verwerven. En als het dan
gebeden en uit de bron gedronken had, dan dwaalde het
eene korte wijle tusschen de bouwwerken daar boven, die
het met bewondering aanschouwde, blikte dankbaar en
verheugd naar de sterren omhoog en daalde een Maria-
lied neuriënde naar de stad weder af: — \'t was Kernadetta.
Een reuzenwerk mocht het heeten wat men ondernemen
ging, om den wensch der Onbevlekte Ontvangenis te vervullen
en aan de Massabiella-rotsen eene kerk te bouwen. Waar toch
moest zij gesticht worden ? De plaats, door de heilige Maagd
gewild, was niet de grot, daar deze te weinig ruimte aan-
bood en volstrekt niet kon gewijzigd of tot eene kapel
ingericht worden. Ook de oevers der Gave boden onover-
komelijke beletselen aan; want ternauwernood had men
voor de pelgrims een begaanbaren weg kunnen vinden,
-ocr page 249-
229
door hier een gedeelte van de rotsen af te hakken en ginds
den bruisenden stroom te dwingen, achterwaarts te gaan.
Daar schoot das niets anders over dan de rots boven de
grot, wier westzijde steilrecht naar beneden loopt. Die
kleine rots, gemakkelijk te beklimmen langs de tegenover-
gestelde zijde van de rivier, is als het konterfort van den
hoogen steenberg aan de zuidzijde, die onder zijn platte
kruin de schoone grotten der Espélugues verbergt. Over
de rots echter liep een bergweg naar vele dorpen in de
Pyreneeën, die noodzakelijk moest behouden worden.
De architekt Hippolyte Durand zag de mogelijkheid in,
om de kruin der Massabiella-rots in een regelmatig plat
te herscheppen, groot genoeg, om eene prachtige kerk te
bevatten, omgeven van eene gaanderij voor de processies.
Ten dien einde hakte hij een nieuwen bergweg langs de
helling van den steenberg, bouwde een twee meters dikken
muur van twintig meters hoogte langs de noord• en west-
zijde boven de grot, en effende het daardoor omsloten ter-
rein voor de te bouwen kerk. Geen grond kan ooit den
bouwmeester hardnekkiger tegenstand geboden hebben: hier
waren diepe kloven of holten, die aangevuld moesten worden;
daar was de rotssteen zoo hard, dat men mijnen moest
aanleggen om hem te doen springen; ginds was de bodem
veel te laag; hier weder steeg hij bovenmate; en a\'s men
eindelijk de te hooge laag had weggehakt, dan stoud men
voor diepe en gulzige holen. En na twee jaren arbeids en
awoegens, vertoonde de rots nog geen enkelen bouwsteen
op hare kruin aan de duizenden van pelgrims, die uit
alle oorden der wereld naar de grot der verschijning ter
beevaart opgingen.
-ocr page 250-
230
Intusschen moest uien ook maatregelen nemen om de
grot te bewaren ; want vele vrome pelgrims waren niet
tevreden met de wanden of den vloer der grot aan te raken,
te bestrijken of te kussen; zij krasten hunne namen in
het harde steen en kapten er zelfs brokken uit, om ze als
eene gedachtenis te bewaren. De bisschop gebood daaraan
een einde te maken door een groot en sierlijk ijzeren hek
voor de grot te plaatsen, en het water langs een gemetseld
kanaal naar een marmeren fontein te leiden, die buiteu
het hek uit drie metalen monden aan aller begeerten in
overvloed zou kunnen voldoen.
Den li\'len April 1861 werden de grondslagen der nieuwe
kerk plechtig door den bisschop van Tarbes gewijd, en
toen kwam allengs het pronkjuweel van bouworde uit de
handen der honderden arbeiders te voorschijn en verrees
in statige pracht en ernst omhoog.
De grootsche spitsbogen van den driedubbelen ingang
der Espélugues hadden den stijl reeds aangegeven, waarin
het gebouw zou worden opgetrokken; en de architekt gaf
de voorkeur aan dien van de eerste helft der dertiende
eeuw. Wij voegen hierbij, dat mijnheer Hippolyte Duraud
hem gevolgd heeft met eene angstvallige nauwgezetheid,
zonder overdaad van versierselen evenzeer als zonder de
minste twijfeling in de harmonie der lijnen, die de gedenk-
teekens van dat groot en schoon tijdperk onzer christelijke
kunst kenmerken.
Ofschoon vreemdeling in de bouwkunde, en volstrekt
niet vertrouwd met de wetten en regels, zelfs niet met de
terminologie der christelijke bouwkunde, zoo wil ik toch,
voorgelicht door den geleerden oudheid- en bouwkundigen
-ocr page 251-
281
groot-vicaris van Auch, mijn lieer M. F. Canéto, trachten
een vluchtige schets te geven van het heiligdom, dat de
pelgrim op de Massabiella-rots bewondert.
Midden op het terrein heeft men een brok rotssteen ge-
spaard, dat ruim 5 meters hoog, 10 breed en 27 lang is ;
daarboven verheft zich het schip der kerk. Maar aan den
voorkant en de beide zijden van dat rotsblok zijn gangen ge-
metseld, waarin dertien nissen plaatsruimte geven voor even
zoo veel biechtstoelen, en die u geleiden naar de crypte of
eigenlijke grot-kapel, gebouwd onder het priesterkoor der
bovenkerk.
Een heilig schemerduister heerscht in die schoons en
treffende onderaardsche kapel en stemt uw gemoed tot
ernstige en godvruchtige overweging. Twaalf gekoppelde
kolommen dragen op verdubbelde kapiteelen het kruisgewelf,
terwijl acht zijkolommen het verlengd gewelfsel steunen,
dat de drie beuken overhuift. Twee sacristieën tegenover
elkander zijn vlak bij de ingangen geplaatst, en van daar
uit opent zich een eerbiedwaardig heiligdom in vijf panden
afgedeeld, die vijf prachtige kapellen vormen.
Aanstonds wordt uwe aandacht getrokken door de mid-
delste kapel, de etuige tot heden (\') nog die gepolychromeerd
is: daar rust het aanbiddelijk Sacrament. Zij is toegewijd
aan de Onbevlekte Ontvangenis en zooveel mogelijk gebouwd
boven de grot, waarin de heilige Maagd verschenen is.
De twee kapellen aan de zuidzijde zijn toegewijd aan het
H. Harl van Jesus en aan den H. Petrus ; die aan de
noordzijde aan den H. Joseph en den H. evangelist Joaunes.
(\') 1872.
-ocr page 252-
232
In iedere kapel zijn ter zijde van het altaar twee smalle
ramen geplaatst die, geholpen door het zwevend licht van
acht vergulde godslampeu en het knetterend licht van vele
geofferde waskaarsen op twee ijzeren pyramiden, het geheim-
zinnige schemerduister voortbrengen dat, gevoegd bij de hei-
lige stilte die hier heerscht, u tot bidden en overwegen
dwingt. In de drie middelste kapellen zijn aan de zijmuren
groote vierkante vakken gevuld met marmeren tafels, die in
vergulde letters vele gunsten vermelden, op wondervolle wijzen
van U. L. Vrouwe van Lourdes verkregen, en die door dank-
bare handen daar ter eeuwige gedachtenis zijn geplaatst.
Vier trappen, waarvan twee in de sacristieën en twee
in den voorsten gang, voeren u naar de bovenkerk, ge-
heel op de wijze als die in de Sainte-Chapelle te Parijs.
De kerk van O. L. Vrouwe van Lourdes heeft de lengte
van 51 meters bij 21 breedte buitenwerks, en is gebouwd van
witten bergsteen, afgezet met blauw graniet. Zij is niet geo-
riënteerd : vooreerst, omdat het terrein daartoe te groote moeie-
lijkheden opleverde; vervolgens, omdat men wenschte het altaar
der middelste achter-kapel vlak boven de grot der verschijning
te plaatsen ; en eindelijk, om den ingang aan de stadzijde te
hebben, vanwaar de pelgrims langs den hellenden weg de
Massabiella-rots naderen. Het altaar staat vlak in het westen.
De toren geeft een ruim portaal van 6 meters diepte ;
doch men heeft de gansche breedte der kerk daaraan toe-
gevoegd ten behoeve der vermoeide pelgrims ; twaalf bogen
openen den dikken muur van die gaanderij aan drie zijdeu,
en rusten op 32 gekoppelde kolommeu ; zoodat men van
daar een prachtig vergezicht heeft naar het oosten, het
zuiden en het noorden. Ten oosten ziet ge de stad Lourdes
-ocr page 253-
zm
met hare merkwaardige citadel op de steile hooge rots
gebouwd eu omgeven van verdedigingsmuren, die schuin
uHoopeii tot aan den oever van de Gave. Aan de zuidzijde
verheffen zich de hooge toppen der steenbergen met hun
bruine korst, waar achter de blanke sneeuwbergeu hun
maagdelijke kruinen omhoog steken. En teu noorden rolt
en bruischt de Gave met onstuimig geweld, snuift en
giert de spoortrein op zijn gevaarlijke baau, en lacht een
heerlijk landschap met zijn vruchtbaren plantengroei en
kleurigen bloementooi u tegen.
Eondoin de kerk heeft men eene gaanderij gespaard,
gemiddeld ruim drie ellen breed, om de kapel in processie
te kunnen omtrekken ; een dikke ballustrade beveiligt de
pelgrims zoowel aan de rivier-zijde als aan den steileu
west-kant. Wanneer gij langs die gaanderij wandelt, ont-
waart gij drie rijen vensters, die de drie verdiepingen der
kerk aangeven, namelijk de crypte, de zijkapellen, eu den
middeubeuk. Eu al die vensters, ten getalle van vijf in
iedere rij, worden afgewisseld door even zoo veel kouter-
forten tot aan de plaats, waar doorgaans de kruisarmen uit-
springen.
De Massabiella-rots leende zich niet voor een kruisge-
bouw, zij was daartoe te smal; toch heeft de architekt het
kruis uiterlijk aangegeven door den muur een klein weinig
uit te bouwen, in een spitsen gevel te doen eindigen en
door zwaarder konterforten te steunen. Het breeder muurvak
heeft ook grooter ramen en levert overvloedige ruimte voor
twee sacristieën. Van daar begint de halve cirkel, om-
geven door vijf kapellen, die de geheimzinnige kroon
rondom het hoofdaltaar vormen.
-ocr page 254-
234
De prachtige toren is verdeeld in drie vakken : het eerste
gedeelte rijst op tot dezelfde hoogte als de kerk en dient
tot basement; dan volgt de klokketoren, die 12 meters
hooger klimt en gedekt wordt door eeu fraaie spits, die
het kruis 24 meters daarboven omhoog heft.
Nog altijd is men bezig aan de volvoering van het
grootsche plan, dat de architekt Durand heeft ontworpen,
zooals de gebouwen op het kerkplein ten gerieve der pel-
grims; den grooteu opgang naar de kerk, welke volgens
het bouwplan uit meerdere steenen trappen zal bestaan;
evenals de 15 kapellekeus van de 15 geheimen van den
rozenkrans, die men eerst voornemens was, boven op het
plat der Espélugues te doen verrijzen maar die nu aan
den voet der rots worden opgetrokken.
Treden wij de kerk binnen.
Het middenschip bereikt eeue hoogte van 19 nieters
bij eene breedte van 10 meters, hetwelk een zeer schoon
effekt oplevert, daar de hoogte bijna het dubbel van de
breedte is. De groepen der hooge kolommen, die zich van
af den grond verheffen tot aan de dubbele booggewelveu,
doen zeer gelukkig het gewelf nog hooger schijnen dan
het in werkelijkheid is. Het gewelf is samengesteld uit
kruisbogen met scherpe graten, geheel volgens den stijl der
dertiende eeuw. Van de zeven sluitsteenen draagt die van
het heiligdom in half verheven beeldhouwwerk het wapen
van paus Pius IX, die van het koor het wapen van Mgr.
Laurence, den stichter van het groote werk, en de eerste
van den middelbeuk het wapen van Mgr. Pichenot, den
tegenwoordigen bisschop van Tarbes, terwijl de overigen
eene eenvoudige bladversiering vertoonen.
-ocr page 255-
235
Wij hebbeu opgemerkt dat aan den buitenmuur drie
lijnen het gebouw in drie verdiepingen verdeden; datzelfde
ontwaart men ook binnen de kerk, te weten: de lijn der
groote bogen, die de zijkapellen openen, de lijn der hooge
bovenvensters en daar tusschen die van het triforium. In
hare lengte is de kerk afgedeeld in tien vakken, vijf in
den middenbeuk, en vijf in het heiligdom, gevormd door
vijf kapellen, terwijl de breede ruimte daar tusschen inge-
nomen wordt door de toegemetselde bogen der twee sacristieën.
De zijbeuken geven slechts een smallen doorgang en
worden vervolgens ingenomen ieder door vijf kapellen.
De muur, die iedere kapel afscheidt, is van boven ge-
opend door een sierlijke rozet, die de gekoppelde spits-
bogen kroont, welke gevormd worden door kleine kolommen
met gebladerde kapiteelen. ledere kapel heeft haar eigen
venster en biechtstoel. De vijf altaren aan de zuidzijde
zijn toegewijd aan den H. Joseph, den H. Joanues den
Dooper, den H. Petrus, den H. 1\'ranciscus van Assisië,
en den H. Bertrandus van Comminges, den patroon van
wijlen Mgr. Laurence. Aan de noordzijde zijn zij gewijd
ter eere van de H. Anna, den H. Joachim, den H. evange-
list Joannes, den H. Franciscus XaveriusendenH.Germauus.
De altaren zijn van wit steen, eenvoudig en sierlijk in
den stijl der kerk.
Het heiligdom wordt gevormd door den halven cirkel
van kapellen, die het koor omgeveu eu als een krans vlechten
om het hoofdaltaar der Onbevlekte Ontvangenis. De mid-
delste kapel is toegewijd aan het H. Hart van Jesus; ter
rechterzijde zijn de kapellen van O. L. Vrouw van den berg
Carmel en O. L. Vrouw der Overwinning j aan de linkerzijde die
-ocr page 256-
236
vau O. L. Vrouw vaii deu Rozenkrans eu van Salette. Schoon
gebeitelde groepen boven de altaren stellen u de gebeurte-
nissen voor, waaraan de titels der kapellen zijn ontleend.
Het hoofdaltaar van wit marmer is thans voltooid met
het prachtig koperwerk, dat daarop is aangebracht; het is
een meesterstuk van grootsche afmeting, zuiveren stijl en
onberispelijke uitvoering.
De kerk is niet gepolychromeerd; hare binnenmuren
zijn bekleed met het witte marmer, dat men hier uit de
bergen houwt; terwijl de stijlen der ramen, de bogen,
kolommen, graten enz. uit licht blauw marmer zijn gehou-
weii; volkomen dus de maagdelijke kleuren, die aan het
heiligdom der Onbevlekte Ontvangenis betamen ; en drie-
honderd vanen in de prachtigste kleuren, rijk met goud eu
zilver gestikt, maken alle schildering schier overbodig. De
vaan der Nederlandsche pelgrims met de voorstelling der
HH. Martelaren van Gorkum hangt vlak boven de com-
muuiebank en schittert boven allen uit. De 72 nissen van
het triforium zijn gevuld met even zooveel vanen ; uit
ieder kruisgewelf hangen er vijf, al de muren der 15 ka-
pellen zijn er mede bedekt, en nog staan er in de sacris-
tieën om plaats te vragen. De meeste zijn daar den 6den
October vau 1872 als eene gedachtenis van Erankrijks
bedevaart naar Lourdes achtergelaten, en schenken thans
aan de marmeren kerk een kleurenpracht van de rijkste ver-
scheidenheid, die het oog behagelijk aandoet en in sprekende
verven het geloof vau Frankrijks kinderen en duizenden
van pelgrims afmaait. Boven de twee sacristieën bewondert
gij twee groote fluweelen kussens, waarop vele ridderordes
prijken, die vroeger de borst van uitstekende mannen ver-
-ocr page 257-
237
sierden inaar door dezen zijn afgelegd en geofferd aan O. L.
Vrouwe van Lourdes. Inderdaad, de liefde is vindingrijk
en het geloof weet een offer te maken, ook van de ijdelheid
der wereld !
-ocr page 258-
XII.
HET BEELD.
Twee jaren waren reeds verloopen, sedert de bisschop
de openbare vereering van O. L. Vrouwe van Lourdes
toegestaan en liet reuzenwerk boven de wondergrot had
begonnen, en nog had de Kerk geen bezit genomen van
het eigendom der Massabiella-rotsen door eene openbare
plechtigheid. De 14<le April 1864 werd daartoe bestemd ;
dan zouden tevens de grondslagen der nieuwe kerk geze-
gend en het kostbaar beeld van O. L. Vrouwe in de grot
worden onthuld en gewijd.
Twee edele en godvruchtige zusters, de jonkvrouwen
Lacour uit het bisdom van Lyon, hadden een prachtig
beeld van de heilige Maagd doen vervaardigen. Dit beeld,
door mijnheer Fabish, een uitstekend kunstenaar van Lyon,
uit carariesch marmer gehouwen, stelt O. L. Vrouwe voor,
levensgroot en tot in de kleinste bijzonderheden, juist,
zooals zij aan Bernadetta verschenen is. Het is geplaatst
in dezelfde grot, waarin de Onbevlekte Ontvangenis met
de voeten op den rozelaar steunende, zich vertoond heeft.
Twee harten uit hetzelfde marmer gebeiteld strekken het
tot voetstuk.
Prachtig rees de lentezon aan den onbewolkten hemel,
-ocr page 259-
239
en goot hare warme stralen over de met vlaggen en wim-
pels versierde steenrotsen en bergen van Lourdes uit. De
huizen der stad waren behaugen met slingers van groen
en bloemen; de straten hieven veelkleurige eerebogen
omhoog en de klokken van kerk, kloosters en bedehuizen
galmden feestelijk boven de hoofden der hoogtijdviereude
burgers en feestelijke vreemdelingen. Eeue groote en sta-
tige processie, zooals nog nooit bij meuschen-heugen in
het bisdom van Tarbes was gehouden, trok de parochie-
kerk uit en begaf zich langs de getooide straten en de
met bloemen bestrooide wegen naar de wondergrot heen.
Het garnizoen van liet oude kasteel, in groot tenue en
schitterende wapenrusting met muziek aau het hoofd,
opende den langen trein; dan volgden de gilden en broe-
derschappen, de verschillende vereenigingen en bestureu
van liefdadigheid uit de stad en den gauschen omtrek
met hun kruisen en banieren; daarna de congregatie der
kindereu van Maria, wier sleepkleederen wit waren als
sneeuw ; de zusters van Nevers met haar lange zwarte sluiers;
de zusters van liefde met haar groote witte huiken ; de
zusters van sint Joseph, gedoken in haar somberen mantel;
dan de geestelijke mannen-orden, de carmelieten, de broe-
ders der christelijke scholen, burgers en vreemdelingen,
mannen, vrouwen, kinderen en grijsaards, meer dan zes-
tig-duizend in getal. Hier eu daar waren tusschen de twee
lange rijen van biddenden mannen-koren geplaatst die,
gesteund door koperen blaas-instrum enten, schoone en
krachtige liederen zongen. Eiiftlelijk verscheen zijne hoog-
waardigheid de bisschop van Tarbes, Mgr. Bertrand Sévère
Laurence, met de koorkap om de schouderen, den mijter
-ocr page 260-
240
op het hoofd en den vergulden kromstaf in de hand, om-
geven van vier-honderd priesters met het koorbeeld aan-
gedaan, van zijn groot-vicarissen, de waardigheidsbekleders
en het kapittel zijner kathedraal.
Aller harten waren opgetogen, aller zielen vervuld van
vreugde en geluk ; want allen begrepen, allen gevoelden
dat men eene overwinning vierde, de overwinning van het
geloof, de zegepraal van haar die onbevlekt ontvangen is
over het ongeloof, de vrijdenkerij en de ongodsdienstigheid
der wereld. Van dien dag afaan zal Frankrijk aan de grot
van het nederige Lourdes komen nederknielen, om daar
zich schoon te wasschen van zijne zonden en boetvaardig-
heid te plegen ; daar zal Frankrijk zijn geloof en onder-
werping aan de onfeilbare Kerk van Rome komen belij-
den, hernieuwen en versterken; daar zal het om ontferming
en genade smeeken, als het door de tuchtroede van den
barmhartigen God geslagen ter aarde ligt; daar zal het
drinken van het water des heils, waaraan de H. Geest de
wonderkracht van genezing zoo naar ziel als naar lichaam
heeft geschonken ; daar zal het zich opnieuw werpen in
de armen van zijne hemelsche Patrones, de Onbevlekte
Ontvangenis...... En de bergen weerklinken van de
hooggestemde liederen, en de rotsen davereu van de luide
feestzangen, en de groenende dalen zijn gevuld met het
gejubel der opgetogen menigte, en de wegen met het
gebed der vrome pelgrims, waaraan zich de klaterende
golven van den bruisenden stroom, en het gemurmel
van de molenbeek, en het zacht geruisch der accasia\'s en
populieren, en het zoet gekweel der vogelen komen
huwen, Maria ter eere!
-ocr page 261-
241
Alles was van aanschiju veranderd. Gaf vroeger slechts
een smal en moeilijk voetpad over rotsbrokken en steen-
heuvels toegang tot de grot, thans bracht een breede en
effen weg met heesters en bloemen beplant, onder de
schaduw van olmen en accasia\'s, u ongemerkt langs be-
vallige kronkelingen, nu eens dalende en dan weder rij-
zende, naar boven. De grot was met een sierlijk ijzeren
hek gesloten, en beneden het nog omhulde beeld hing een
gouden godslamp te branden, terwijl groote blakers een
macht van ontstoken waskaarsen torschten. Ter zijde van
de grot zag men de zwart marmeren fontein, die het
«\'onderwater uit drie metalen monden der vragende me-
nigte in overvloed schonk, en in de kleine hut daar neven
twee afgesloten waterkommen ten gebruik der zieken vulde.
De zaagmolen was meer stroom-opwaarts verplaatst, de
molenbeek was verkort, en de bruisende Gave zelve was
gedwongen achteruit te treden, en een breed en effen
plein voor de grot te schenken, waarvoor zij als beloonin;.\';
populieren en olmen langs hare oevers heeft ontvangen.
Roven op de Massabiella-rots, waar niets dan steen en
stuifzand woonden, rezen reusachtige muren omhoog, die
de grondslagen vormden voor het pronkjuweel van bouw-
kunde, dat daar zijn trotsche gewelven zal omhoog heften,
als de vertolker der grootsche gedachte van pastoor Pey-
ramale.
Hoezeer had de van ijver brandende man naar dezen
dag verlangd; hoezeer had hij met heilig ongeduld dit
plechtig feest trachten te vervroegen; hoe menigmaal had
hij verklaard genoeg geleefd te hebben, als hij die glorie
van O. L. Vrouwe van de grot mocht vieren! En helaas!
16
-ocr page 262-
242
het oog zocht hem te vergeefs in de schitterende rij
der priesters, die den bisschop omgaven. Terwijl de gausche
stad juichte, omdat eindelijk het oogenblik was aangebroken,
waarnaar de dienaar Gods zooveel maanden smachtend had
uitgezien, tot welks voorbereiding hij zooveel tijd en zorg
en arbeid had besteed, lag de brave deken op het bed van
smarten uitgestrekt en scheen den dood nabij. Maar als
hij de muziek en het gezang van de processie hoorde,
die allengs zijne woning naderden, dan vroeg hij de twee
ziekenzusters hem een weinig op te beuren en te onder-
steunen, opdat hij toch door de vensters iets mocht zien
vau Maria\'s verheerlijking, waarvoor hij zoozeer had geijverd,
dat zijne ziekte er het gevolg vau was. Maar ook dat was
hem niet vergund, want zijne krachten schoten te kort;
en weenend viel de sterke man op zijne sponde neder en
bracht het grootste otter, dat nog ooit van hem gevraagd
was, aan haar, wier Zoon eenmaal had gebeden: „Vader,
niet mijn wil, maar de uwe geschiede !"......
Ook Heruadetta mocht van dat alles geen getuige zijn.
Misschien heeft God zijn uitverkoren kind willen behoeden
voor de bekoring vau ijdel zelfbehagen, en het daarom
belet het schitterende feest te aanschouwen, waarop het
ongetwijfeld zijn naam uit den mond van duizenden zege-
nend zou hebben vernomen. Terwijl de bisschop, de
geestelijkheid en het volk bezit gingen nemen van de
plaatsen, waar de Onbevlekte Ontvangenis haar verschenen
was, lag het arme kind, dat nooit eenig geschenk had
willen aannemen, in het ziekenhuis op de matras van
liefdadigheid tusschen andere schamele kranken, en leed
bittere smarten.
-ocr page 263-
243
Donderend steeg de zegekreet omhoog uit den inoml
<ier duizenden, toen het prachtig beeld werd onthuld en
door den bisschop gewijd ; schetterend klonken de troin-
petten en bazuinen en werden duizendmaal herhaald door
de rotsen en de bergen ; en als de rollende baren van den
bruisenden stroom daar neven, volgden de antwoorden
der litanie ontstuimig op elkaar.
Toen klom de processie in statigen optocht naar omhoog,
waar de grondslagen voor het heiligdom van O. L. Vrouwe
van Lourdes door Mgr. Laurence met veel plechtigheid
werden gezegend ; waarna men in dezelfde orde weder
stadwaarts trok, om in de parochiekerk met een daverend
„Te Ueum" den God van barmhartigheid en genade te
danken.
-ocr page 264-
XIII.
DE BEDEVAARTEN.
Wij hebben reeds verhaald, dat duizenden van menschen
naar Lourdes trokken om getuigen te zijn van de verschij-
niug aan Bernadetta, en dat hun getal merkelijk toenam,
toen de wonderkracht van het water der grot bekend werd.
Van dat oogenblik dagteekenen de bedevaarten naar O. L.
Vrouwe van Lourdes. Uit alle streken van Frankrijk, uit
üuitschland en Spanje, Engeland en België, Nederland
en Amerika kwamen de geloovigeu hulp en troost, gene-
zing en heil vragen aan de onbevlekte Moeder-Maagd, en
lieten vaak de teekens hunner kwalen als getuigen in de
grot achter, of schreven op marmeren tafels in de onder-
aardsche kapel den dankkreet huns harten neer.
Die bedevaarten, in den beginne door enkele personen
gedaan, namen allengs een meer algemeen en kerkelijk
karakter aan ; parochiën trokken op met haar priesters aan
het hoofd, broederschappen met haar vanen, gilden met
hun overheden, eindelijk geheele bisdommen met de gees-
telijkheid van hun kathedraal. 1\'rankrijk is voortdurend
het land der bedevaarten geweest, naar de verschillende hei-
ligdommen van zijne verheerlijkte Patrones; maar geen dier
-ocr page 265-
245
bevoorrechte plaatsen heeft ooit duurzaam zooveel pelgrims
tot zich getrokken, of heeft misschien zooveel wonderen
zoowel ten geestelijk als ten lichamelijk heil zien gebeuren,
als O. L. Vrouwe van de grot te Lourdes.
Wij willen hier slechts de dorre optelling geven van de
processies, die in de laatste drie maanden vóór de groote
bedevaart van .Frankrijk aau de Massabiella-rots zijn ge-
weest, volgens de aanteekening, die daarvan door de eer-
waarde paters van de grot is gehouden; welke optelling
op de welsprekendste wijze getuigt, dat het ongelukkige
.frankrijk allengs tot het bewustzijn is gekomen, dat het
zijn heil en redding te Lourdes moet gaan vragen; en dat
het tot geloof en deugd moet wederkeeren, om geluk en
vrede te vinden alleen in Hem, wiens Moeder onbevlekt
ontvangen is, en in alle eeuwen de Beschermster van het
katholieke Frankrijk is geweest.
30 Mei, Heilig-Sacramentsdag: vier bijzondere treinen
voerden 2600 pelgrims aan; 600 van Saint-Martory in
het bisdom van Toulouse ; 400 montagnards, begeleid door
den pastoor van Sagos, kwamen te voet van de hoogten
van Barège; Béarn trok de Gave langs met 1500 geloo-
vigen van Orthez.
4   Juni: 550 pelgrims van Montauban met 30 pries-
ters en vele waardigheidsbekleders der kathedraal.
5   Juni : eene processie van Vic-de-Bigorre. Kleine
meisjes met rozen gekroond en kinderen van Maria in het
wit gekleed vergezelden haar; duizend pelgrims gingen te
communie. Nog 600 bedevaartgangers uit Mont de Marsan.
6 Juni: 800 pelgrims uit Grenade-sur-1\'Adour.
10 Juni: 600 van Ciutegabelle en 700 van Castelsarrazin.
-ocr page 266-
246
11  Juni: de metropool vau Toulouse zond 900 pelgrims;
allen naderden tot de tafel des Heeren.
12  Juni: 500 bedevaartgangers uit Poitou, die aan de
grot Mgr. Mabille, bisschop van Versailles aantroffen.
13  Juni: de pelgrims van Poitou zijn nog aan de grot;
1300 andere komen met den spoortrein aan van Agen,
vergezeld van 95 priesters en 30 seminaristen. Allen ont-
vaugen de H. Communie.
17  Juni: 560 bedevaartgangers van Mazametontmoeten
aan de bron 560 pelgrims van Gironde.
18   Juni: weder 560 leeken en 46 priesters van Gard
en Hérault worden aangevoerd door den eerwaardigen heer
Vidal, pastoor van Vauvert; waarbij zich nog aansluiten
920 pelgrims van Montastruc, met 32 priesters en 100
leerlingen van het collegie Saint-Stanislas, van Saint-Sulpice.
19  Juni: 470 van Saint-Servin, te Toulouse.
24 Juni: 880 pelgrims van Lavaur.
26   Juni: 608 leeken van Poix en Pamiers, begeleid
door 30 priesters; 550 van Saint-Paul te Narbonne met
24 priesters.
27  Juni: 800 pelgrims vau Villeneuve-Marsau, in het
bisdom van Aire; 608 uit Salies du Salat en uit Saint-
Girons, in het bisdom vau Pamiers; 160 jonge meisjes
der verschillende congregaties van Maria in het aartsbisdom
van Anch.
80 Juni: feestdag voor de schoolkinderen. De scholen
van Saint-Jacques en Saint-Martin te Pau, te Perpignau
en te Montauban. De misdienaars en koorknapen van al
de kerken van Bordeaux, en eene menigte kindereu van
verschillende collegies, geleid door de Jesuïeten, de broe-
-ocr page 267-
247
ders der christelijke scholen en de leden der conferentiën
van den H. Vincentius van Paulo.
1    Juli: 900 pelgrims van Baumont de Lomagne, in
het Bisdom van Montauban; 880 uit de parochie van
Dalbade te Toulouse, aangevoerd door pastoor de la Por-
talière.
2  Juli : bezoek van Mgr. den aartsbisschop van Auch,
met zijn groot- en klein-Seminarie en 460 leeken ; 760
pelgrims van Béziers en 228 van Perpignan.
4  Juli: 760 bedevaartgangers van Mimbaste en Pouillon,
in het bisdom van Aire, en 460 uit de parochiën van den
H. Petrus en van den H. Paulus te Auch.
5   Juli: 760 pelgrims van Saint-Louis te Cette, met
standaards en vaandels ; de geestelijkheid droeg koorkappen
en dalmatieken van goudlaken ; en de pastoor van Saint-
Dénis, de eerwaarde heer Gaffino, voerde de processie aan
en verrichtte de plechtigheden.
6   Juli: 514 pelgrims der Magdalena-kerk te Béziers
spreidden dezelfde rijke pracht ten toon.
8 Juli: 1100 geloovigen van Castres stapten den spoor-
trein uit, waarmede die van Béziers gingen vertrekken.
14 Juli: 2000 pelgrims van Bagnères-de-Bigorre. De
vereeniging der oud-gedienden, aangevoerd door den oud-
maire, marcheert met slaande trom en wapperende banieren
naar de grot.
16  Juli: 1400 geloovigen van Roussillon, begeleid door
Mgr. Ramadié, bisschop van Perpignan.
17    Juli: 510 bedevaartgangers van Niort, waaronder
men 100 priesters telde.
18  Juli: 700 pelgrims van Bearn.
-ocr page 268-
248
22 Juli: 640 uit de kerk van Montauban, vergezeld
van 20 priesters; en 1100 uit het kanton van Carbonne,
in liet bisdom van ïoulouse.
\'25 Juli: de vierde bedevaart van Auch, tellende 375
man, en 760 uit de parochiën van Sault, in Béarn.
29, 30 en 31 Juli : de processie van Villefranche-
Lauragais, in het bisdom van Toulouse, en het bezoek
van vier bisschoppen, namelijk : Mgr. Mermillod, bisschop
van Hebron, uit Genève; Mgr. Epivent, bisschop van Aire ;
Mgr. Rapp, bisschop van Cleveland; en Mgr. Dubreuil,
bisschop van Avignon.
3 Augustus: 1100 pelgrims van Saint-Laurent, en uit
de vallei vau Neste, in het bisdom van Tarbes.
5   Augustus: andermaal eene bedevaart van Gette, groot
640 man uit de parochie van sint Pieter. Ieder pelgrim
droeg eeue roos of eene lelie van goud of zilver.
6   Augustus: 600 van Medoc, en 750 van Méziers.
8 Augustus: 1 iOO pelgrims van Cazères ; een proces-
sie van Carcassonne, aangevoerd door den aartspriester
zelven.
10 Augustus: 1000 uit Fazaguet, in Neste.
15  Augustus: processie der stad Lourdes.
16  Augustus: de gausche gemeente van Loney, in het
bisdom van Tarbes.
18   Augustus: 500 mannen uit Cette, aangevoerd door
den pastoor van sint Joseph.
19   Augustus: 900 pelgrims uit Daurade (Toulouse),
532 vau Muret, en 644 van Sainte-Eulalie te Montpel-
lier.
•20 Augustus: 600 van Narbonne met 22 priesters;
-ocr page 269-
249
400 van Hérault, van de sint Andries te Saugouis, van
het kanton van Gignac, met 15 priesters; en 600 van de
parochie te Nïmes.
21   Augustus : 6000 pelgrims zijn voor de grot verzameld.
Zij zijn gekomen van Gard, Saint-Girons in Ariège, Fronton
bij Toulouse, Béarn, en 1500 van Poitou, begeleid door
200 priesters. Daar zouden er nog meer gekomen zijn,
maar de spoor kon ze niet vervoeren.
22  Augustus: 512 pelgrims vau Béaiers en 528 van
Tarakon.
24 Augustus: 546 bedevaartgangers, vergezeld door pastoor
Amiel van Fousseret, in het bisdom van Toulouse.
25  Augustus: 640 mannen, gekomen van Castres.
26  Augustus: 450 pelgrims van Caramau; 880 van
Gaillac ; 554 van Montpellier; meer dan 100 priesters.
27   Augustus: meer dan 4000 pelgrims voor de grot;
die van Montpellier zijn nog gebleven; 1300 kwamen vau
Niort, Bressuire, de Veudeeën ; 640 van Carcassone ; 780
van Auterive, in het bisdom van Toulouse; 900 uit de
omstreken van Auch.
29 Augustus: 1500 pelgrims vau Ariége ; 500 van
Hérault; 830 van Gers.
31 Augustus : 1300 bedevaartgangers uit het kanton van
Labarthe, en de parochies vau Barbazen-Debat en van Sal-
les-Adour, uit hetzelfde bisdom.
Wij zouden deze lijst nog kunnen vervolgen tot den
lsten October, toen de spoortrein 1300 pelgrims van Cha-
rente naar Lourdes bracht, en spoedig gevolgd werd door
een tweeden trein van Anjou, die nog grooter was. Als
bij bataljons had Frankrijk zijn leger van biddendeu naar
-ocr page 270-
250
de woudergrot heengezonden, om eindelijk het in zijn ge-
iieel daar op te stellen, en een beslissenden slag te leveren
aan het ongeloof, de ongodisterij en het zedenbederf. Ja,
Frankrijk heeft gezondigd, en heeft misschien het meest
gezondigd van alle natiën, zij, de bevoorrechte dochter der
Kerk, zij, weleer haar steun en kracht en glorie! In de
diepte van haar bederf eu in den overmoed van hare zon-
dige weelde, heeft zij zich ten geesel opgeworpen van andere
volken, en waande zich de koningin der aarde, de heer-
scheresse der maatschappij te zijn. Maar de hand, die zij
had losgelaten, trok zich ook van haar terug en wapende
zich met het vlammend zwaard der goddelijke wraak. En
uu, vernederd en onttroond, geslagen eu vertreden, ligt
zij daar neder hulpeloos, uitgeplunderd door hare vijanden,
verscheurd door haar eigen kinderen, bespot en verlaten
door de gansche wereld......
. De hand van God, die slaat, zalft tevens; en Gods straf
hier beneden is altijd eeue genade. De ongelukkige natie kwam
tot bezinning en erkende hare schuld ; zij zag weder op-
waarts en stak de verwonde armen naar omhoog, waar zij
zetelt die de Beschermster, de Moeder van Frankrijk altijd
is geweest. De moed herleeft, want zij kent hare misdaad,
zij kent de oorzaak van haren val en hare vernedering;
en aanstonds rijst zij op als met verjongde kracht, grijpt
naar de wapens en gordt zich aan ten strijd. Slag zal zij
gaan leveren, slag met al de vijanden, die haar ter neder
geworpen hebben; slag zal zij leveren op den gedenkdag
der overwinning van Lepanto ; slag zal zij leveren met
hetzelfde onoverwinnelijk wapen, dat toen de zege bevocht —
den rozenkrans; slag eindelijk zal zij levereu op de plaats,
-ocr page 271-
251
waar hare Beschermster van weleer zich als de Onbevlekte
Ontvangenis heeft geopenbaard.
Aan een priester van Bourgondië, het vaderland van
den H. Bernardus, van Bossuet en Lacordaire, den eer-
waardigen heer Bailly vicaris van Sainte-Marie te Baune,
in liet bisdom van Dijon, komt de eer toe, de eerste ge-
dachte eener algemeene bedevaart van frankrijk naar O.
L. Vrouwe van Lourdes te hebben ingegeven, welke ter-
stond door eenige godvruchtige vrouwen werd aangegrepen,
om ze tot daad te maken. Op den feestdag der Onbevlekte
Ontvangenis, 1871, zonden dezen naar alle bisdommen van
liet rijk de volgende circulaire:
FRANKRIJK.
Aan dk Onbevlekte Ontvangenis verschenen
te Lourdes.
S p e s n o s t r a s a 1 v e.
Wanneer de christen\'volkeren door groote algemeene
rampspoeden geslagen worden, dan hebben zij geen grooter
vijand te vreezen dan de wanhoop. Is het niet om ons
voor dat kwaad te behoeden, dat de H. Maagd, na te Sa•
letta geweend te hebben over de misdrijven en de rampen
van Frankrijk, het nu toelacht te Lourdes, als om zijne
hoop te verlevendigen ?
Dit is ten minste zeer zeker de gedachte van verreweg
het grootste gedeelte der pelgrims, die de woudergrot
bezoeken.
Eenigen, aangezet door deze gevoelens van vertrouwen
op de machtige tusschenkomst der onbevlekte Maagd, hebben
-ocr page 272-
252
liet plan gevormd om eeu openbaar blijk van vertrouwen,
door geheel Frankrijk aan O. L. Vrouwe van Lourdes te
geven, voor te bereiden.
Een voorloopig comité heeft zich ten dien einde gevormd ;
de ondergeteekende leden van dat comité verzoeken :
lu. dat alle kerken in Frankrijk, die aan de H. Maagd
zijn toegewijd, zich aan deze manifestatie willen aansluiten;
2". dat in ieder departement en, zooveel mogelijk, in
ieder arrondissement eenige ijverige personen zich aan-
bieden, om met het comité in briefwisseling te treden, en
zich met de uitvoering van het plan te belasten.
Parijs, 8 December 1871, feestdag der onbevlekte
Ontvaugenis.
(was geteekend:) M>ne la marquise de Mac-Mahon,
Mme de t,A MuEICIERE,
Mme 1\'amirale de Parsevai,,
M\'les DE MoNTBRIAN,
Mme MAURICE DE Bl.IC.
Het edele plan kwam al spoedig ter kennisse van Z.H.
den paus, en mocht zijn goedkeuring en vaderlijken zegen
verwerven, zooals blijkt uit een brief, door kardinaal Pitra
aan de markiezin Mac-Mahon geschreven, welke luidt:
„Mevrouw de Markiezin !
„De oproeping van Frankrijk in naam van O. L. Vrouwe
„van Lourdes kon de bannelingen en gevangenen van Rome
„niet onverschillig laten. De doorluchtigste van allen is
„door haar getroost geworden, en heeft niet geaarzeld, die
„vrome gedachte te zegenen. Ik heb de eer u daarvan
„kennis te geven, gelukkig te mogen meenen datdieken-
-ocr page 273-
253
„nisgeving, hoewel volstrekt niet officieel, het uitwerksel
„van den apostolischen zegen niet zal verminderen.
„Als de menschen eindigen, begint God ; en misschien
„begint Hij door de godvruchtige vrouwen, wier stichtende
„en lange lijst ik voor mij heb liggen. Ik verheug er mij in
„te ontwaren, dat de eerste stap is gedaan in het vader-
„land van de H. Clotilde.
„Mag ik mij aan den pelgrimstocht niet aansluiten, het zij
„mij toch vergund u het penningske toe te zenden van
„een gevangene, die met vertrouwen de zegepraal der Kerk
„afwacht, om O. L. Vrouwe van Lourdes te gaan danken.
(geteekend :) „J. B. kard. Pitra,
„Ik bid u, Mevrouw, enz.
„Zaterdag 9 Maart 1872, feestdag van de H. Prancisca
Komana."
Honderd-en-twee meestallen adellijke vrouwen uitallebis-
dommen van Frankrijk hadden zich aan de vijf genoemde aan-
gesloten, en vormden het algemeen comité voor de groote
bedevaart naar Lourdes. In Juni werd de derde circulaire
rondgezonden, waarin onder anderen door den secretaris
werd gemeld :
„Het comité verzoekt mij mede te deelen aan allen, die
„wel gelieven ons in onze onderneming te helpen, dat wij
„tot heden overal den levendigsten bijval ondervinden, en
„van alle kanten aanmoediging en ondersteuning ontvangen.
„Sedert onze eerste circulaire hebben wij de goedkeuring
„erlangd van meer dan 25 bisschoppen, onder anderen ook
„van Mgr. den bisschop van Tarbes, en eindelijk den bij-
„zonderen zegen van onzen H. Vader, paus Pius IX."
-ocr page 274-
->Ó4
Den 25ste» Augustus schreef het comité zijn laatste,
circulaire, waarin de voornaamste kerken en parochiën werden
opgesomd, die aan de bedevaart zouden deel nemen. De
bisschoppen zonden brieven aan de geestelijkheid van hun
kerspel, om de godvruchtige onderneming zooveel mogelijk
te steunen en te bevorderen, en er zelve ook deel in te
nemen. Op vele plaatsen werden bijzondere oefeningen en
predikatiën ter voorbereiding gehouden, en op last van bet
comité werd eene negeudaagsche retraite te Lourdes aan-
gekondigd, welke zou worden gegeven door den beroemden
Dominikaan, pater Millon, die uit Ameriku overkwam.
Daar was dus voor gezorgd, dat de bedevaart van het
katholieke Frankrijk naar Lourdes geheel en al een gods-
dienstig karakter bezat, en luide den laster der ongeloovige
pers tegensprak, dat eene politieke demoustratie het hoofd-
doel zou zijn. Zij, die dit beoogen, meen ik, beginnen
niet met eene negeudaagsche retraite, en roepen hun partij-
genooteu niet op om de eeuwige en verschrikkelijke waar-
heden van den godsdienst te overwegen, ter biecht te gaan
en tot den liefdedisch van Jesus Christus te naderen.
Wellicht — waarom niet? — heeft deze of gene de herstelling
van eene of andere dynastie op den troon den hemel af-
gesmeekt; maar daartoe heeft ieder burger het recht,
zonder dat hem zulks ooit als misdrijf mag worden aan-
gerekend. En hoeveleu hebben ook niet even vurig, even
oprecht gebeden om het behoud der republiek, die zij met
lichaam en ziel aanhangen?
Pater Millon gaf des morgens vroeg eene eenvoudige
onderrichting, staande voor het altaar van de cryptkapel;
de3 middags ten twee ure preekte hij in de kerk daar
-ocr page 275-
255
boveu ; en de* avonds overwoog hij de geheimen van den
rozenkrans, alvorens deze overluid voor te bidden. En God
zegende zichtbaar het heilig werk ; want iederen dag werd
het getal van deelueraeuden grooter ; de biechtstoelen moesten
vermeerderd worden, en al de bedehuizen van Lourdes
waren te klein en konden de biddenden niet bevatten. Zoo
werd het zaterdag, de vooravond van den grooteu bede-
vaartsdag 1).
1) Wij geve» het
I\'ROG KAM ME
DES FÊTES DE LA MANIFESTATION\'.
ORDRE DES CÉRÉMONIES.
Samedi 5 üctobre.
A \'i heures, réuniou générale a la Grotle ; récitation de la première
partie du saint Rosaire j entre les dizaines on chante trois fois: Regina
si n e labe c o u c e p t a, ora pro nobis: Procession avec une simple
rroix au chant des litanies de la sainte Vierge a la grande chapelle on
a la prairie, suivaut Ie temps : petites vêpres de la St Vierge. Sermon
par Ie R P. Chocarne, des Frères Prêcheurs; salut du Saint-Sacrement.
Mgr. 1\'évêque de Tarbes autorise tous les prêtres approuvés dans leurs
diocèses a entendre les confessions a Lourdes peudaut ces fêtes.
Le soir a 7]/2 h., illuminatiou a la Grotte et récitation de la deuxième
et de la troisième partie du saint Rosaire.
Dimanche 6 Octobre.
Uepuis minuit, des messes serout célébrées aux viugt-ciuq autels du
sauctuaire. La communion sera distribuée a la grande chapelle, a la
crypte, a la grotte et sur la terrasse de 1\'église. A partir de 5 heures
du matin, la grande chapelle est réservée aux délégués, ïnuuis de cartes.
A 8 heures, des messes de communion seront célébrées par des évê-
ques, a la grande chapelle, a la crypte, ii la grotte et sur la terrasse,
il y aura homélie a la grotte.
A 10 heures, messe pontificale dans la prairie. Nosseigneurs les évê-
-ocr page 276-
•256
\'t Was de geheele week regenachtig geweest, en de
vrijdagavond eindigde met een verschrikkelijk weder, want
ques s\'y rendront avec Ie clergée en habit de choeur, partant de la
grande chapelle. Homélie par Mgr. 1\'évêque de Tarbes, et après la messe
bénédietion apostoli([ue avec indulgence plénière.
Si Ie temps ne permettait pas de célébrer la messe pontificale dans la
prairie, elle anrait lien a la grande chapelle ; et, dans ce cas, une autre
messe serait simnltanément chantée n la grotte, avec homélie. La béné-
diction apostolique serait alors donnée du hant de la galerie extérieure,
dn cóté de la grotte.
Depuis 9 heures jusqu\' a 1 heure, les pèlerins peuvent visiter la grande
chapelle, et y prier atix intentions du Souverain Pontife.
A 1 heure, les délégués se réunissent ii 1\'église paroissiale de Lourdss;
ils partent en processiou ii 1\'/j \'>. , avec les bannières et oritlammes, en
chantant:
1". Les L i t a n i e s de la S>" V i e r g e;
2". Le canti(|ue N o t r e - I) a m e d e 1 a M o n t a g n e, par M. Dargein ;
8o. Ave, maris Stella;
4n. Le cantique Vierge de Lourdes, par M. Aloys Kunc ;
6o. Magnificat.
A ]3\'4 h., les évêques et les prêtres non délégués vont s\'habiller ü
la grande chapelle et descendent a la rencontre de la procession jusqu\'au
chemin de la prairie.
N. N. S. S. les évêques et le clergé prcnnent la tête de la processiou
et se rendent dans Penceinte reservée avec les délégués. Les antres pè-
lériHs occuperont la prairie.
Vêpres du jour. Sermon par Mgr. 1\'évêque de Carcassoune. Bénédic-
tiou solennelle des oriflammes et bannières, et salut du Saint-Sacrement.
Si le temps ne permettait par de chanter les vêpres en plein air, on
les chanterait dans la grande chapelle pour les délégués, et il la grotte
pour les aiitres pèlerins, avec sermon et salut.
Après le salut donné dans la prairie, la processiou formeé dans 1\'ordre
suivant; le clergé, les évêques et archevêques, les délégués, les autres
élérins, se rend a la grotte en passant par le chalet, monte par les
-ocr page 277-
257
de stormwind huilde tusschen de kruinen der bergeu, en
de regen viel met stroomen neer in het dal. Maar in het
hart van menig pelgrim bleef toch liet vertrouwen leven,
dat O. L. Vrouwe wel een helderen hemel zou verkrijgen
voor den dag, waarop Frankrijk hare onbevlekte ontvangenis
ging belijden en vieren. En dat vertrouwen werd niet be-
schaamd : de stormwind had des nachts den hemel schoon
geveegd, de overplaste wegen droog gemaakt, en legde bij
den dageraad zich te ruste, als de zon in vollen luister
statig aan den hemel klom.
De pelgrims van Hagnères, Toulouse en Clermont waren
de eersten, die de zich tooiende stad introkken, om ter-
stond O. L. Vrouwe van Lourdes aan de grot te gaan
begroeten, maar werden spoedig opgevolgd door duizenden,
langs den spoorweg uit alle streken van Frankrijk opge-
daagd; zoodat er in den namiddag meer dan twintigduizend
lacets, fait Ie tour extérieur de 1\'église par la galerie, monte a la grande
i\'hapelle par 1\'escalier du nord, traverse 1\'église et redesceud par 1\'escalier
du sud.
I.e soir, a 7\'/a h., illiitninatioii et recitation du saint Rosaire ii la grotte.
Lundi 7 Octobre.
La matinee, ordre du jour precedent. A la messe pontificale, serinou
du R. I\'. Hippolyte, Carme.
A 2 heures, réunioii a la grotte et recitation de !a première partie
du saint Hosaire; procession a la prairie ou ü la chapelle, selon Ie temps:
petitcs vêpres de la SM Vierge, sermon par Ie R. P. Didon, des Frères-
Prêcheurs, et salut du Saint-Sacrement.
Mardi 8 Octobre.
A 7 heures, messe d\'action de graces a la chapelle et a la grotte. —
Iiistriictiou et salut.
R e g i n a s i u e 1 a b e c o n c e p t a, o r a pro u o b i s.
17
-ocr page 278-
258
reeds verzameld waren. Teil twee ure bevonden zich allen
bij de grot, waar de processie zou gevormd worden, om naar
het weiland te trekken, dat aan de overzijde van de molen-
beek ter groote en plechtige feestviering was bestemd. Vijf
bisschoppen waren reeds aangekomen eu hadden hun intrek
in het huis der missionarissen genomen, terwijl het getal
priesters allengs tot twee-duizend klom. Pater Aboué
beklom eene soort van predikstoel, bij de grot opgeslagen,
en herinnerde met levendige maar tevens zalvende woorden
aan al hetgeen er was geschied op de plaats zelve waar
men stond, als met den vinger aanwijzende de plek, waar
het was voorgevallen. Vervolgens bad men den rozenkrans
voor het heil en de redding van Frankrijk, en trok toen in
stillen ernst naar de weide heen.
Aan de uiterste zijde ten oosten van het stuk weiland klom
men langs eenige houten treden naar eene ruime verhevenheid
of estrade, waarop een altaar was geplaatst; ter wederzijde
stond eene menigte banken ten behoeve der gelooyigen.
Als de processie was aangekomen en zich aan beide zijden
voor de estrade had geschaard, daagde de lange rij van
bisschoppen en priesters op, in plechtgewaad gekleed, Mgr.
de aartsbisschop van Auch, de deftigste en gevierdste pre-
laat; M^r. de bisschop van Tarbes, wiens streng uiterlijke
u toch onwillekeurig aantrekt; Mgr. de bisschop van Aire^,
de hartelijkheid eu voorkomendheid zelve ; Mgr. de bisschop
van Garcassone, coadjutor van Bordeaux, wiens edele trekken
en beschaafde maniereu zoo goed voegeu aan de bisschop
pelijke waardigheid; de bisschoppen van Agen, Moutauban,
Lucou, eu ook een uit de Indien; eindelijk de bisschop
van Mende, een grijsaard van acht-en-zeveutig jaren, bijna
-ocr page 279-
259
blind, die met gebogen rug en tastende handen kwam achter-
aau gestrompeld. Mgr. Mermillod had beloofd de leiding der
groote plechtigheid op zich te zullen nemen, maar werd,
helaas! teruggehouden door den grooten strijd te Genève,
en mocht het kampperk van zijn eigen vaderland niet ver-
laten, waar dezelfde vijanden van Frankrijks heil ook
Zwitserlands verderf beoogden.
De bisschoppen beklimmen de estrade, en de priesters
nemen plaats op de treden van de breede trap en daar
voor; de afgevaardigden der departementen eu der heilig-
dommen van Maria, het teeken hun door het comité over-
handigd op de borst dragende, rangschikken zich tusschen
de geestelijkheid en het volk. Hier en daar ziet men gen-
darmen en artilleristen, met het wapen in den arm, heen
en weder dwalen als waardige maar overtollige vertegen-
woordigers van de orde, die niet zal gestoord worden.
Men zong de vespers van het kleine officie der heilige
Maagd; alle stemmen vereenigden zich en smolten samen,
om het statig en schoon kerkgezang naar den hemel op
te zenden ter eere van haar, die opnieuw als de Patrones
van Frankrijk werd aangenomen. Toen trad pater Chocarne,
provinciaal der Dominikanen, een der uitstekendste eu
ijverigste leerlingen van Lacordaire, op de estrade en plaatste
zich op de treden van het altaar; maar zoowel de blikken
als de stemmen der duizenden riepen hem naderbij
en deden hem afklimmen tot op den grooten trap vóór
de bisschoppen. Hij sprak met heldere, volle en krachtige
stem, zoodat er niemand was, die hem niet van woord tor,
woord kon volgen.
Hij behandelde drie vragen. Geheel het katholieke
-ocr page 280-
260
Frankrijk opgegaan ter bedevaart, ziedaar een ongehoord
feit, welks beteekenis door vriend en vijand dient gekend
te worden. Daarom : welk is het karakter van dit verschijnsel?
Welk is daarvan het godsdienstig en staatkundig gewicht ?
Welke lessen liggen daarin opgesloten ? De preek duurde
langer dan een uur; en het gesproken woord scheerde nu
eens als een zachte ademtocht, dan weder als een bran-
dende wind over de hoofden der duizenden en opende
hunne harten voor de edelste, de heiligste gevoelens van
geloof en vaderlandsliefde. Het volk zelf sprak met eigen
stem het slotwoord uit; want als de redenaar, na herin-
nerd te hebben, dat men om behoudeu te worden het zelf
moet willen, diep bewogen uitriep: „het behoud van Frankrijk,
„uw eigen behoud, het ligt in uwe handen : gij hebt slechts
„op uzelven te rekenen, en na God te betrouwen op uwe
„eigen kracht en op uwen eigen wil; welnu : wilt gij gered
„worden ? wilt gij dat P" dan ging er een donderend „Ja!"
van uit de schare op, en waren de handen als ten heiligen
eed omhoog geheven. Voorzeker, dat „Ja!" zal in de
hooge hemelen zijn gehoord en aangenomen door Hem,
wiens engelen eenmaal hebben gezongen : „vrede den men-
„schen van goeden wil \\"
Daverende toejuichingen vervulden de lucht toen de wei-
sprekende Dorainikaan den trap afklom, en het „dank,
„eerwaarde pater!" werd van verschillende kanten gehoord.
Daar waren ook afgezondenen, die in last hadden op eer-
looze wijze den laster der ongeloovige pers tot daad te
maken, en eene politieke demonstratie in het leven te roepen.
Ofschoon zelven tot de roode republiek behoorende, riepen
zij eensklaps uit: „leve de koning!" in hope, dat de
-ocr page 281-
261
opnieuw ontwaakte vaderlandsliefde dien kreet zou doen
weerklank vinden in de harten der duizenden. Maar de
menigte had hunne ware bedoeling als bij ingeving terstond
begrepen, en antwoordde uit éénen mond met de luide
kreet: „leve Frankrijk ! leve Frankrijk ! leve ouze Lieve
„Vrouwe van Lourdes I" Ten overvloede waarschuwde de heer
Heiiri Lasserre bij openbaar aanplakbiljet tegen deze on-
verlaten, en vermaande allen, het godsdienstig karakter der
bedevaart niet te verloochenen. Leve Frankrijk ! Leve O. L.
Vrouwe van Lourdes! ziedaar het woord van orde, ziedaar
de eenige zegekreet, het eenig vreugdelied dezer feest-
dagen.
„O Maria!" bad nu ten slotte pater Chocarue met eeue
sidderende stem, die tot aller zielen doordrong : „O Maria !
„gedenk Frankrijk, door uwen Zoon geroepen tot de glorie
„van oudste dochter der Kerk te zijn, de eerste tot het
„geloof gekomen, de eerste altijd gebleven op het veld
„van eer en van gevaar ter verdediging zijner Moeder, ü
„gij, die den feestdag van de heilige Genoveva, Patrones
„van Parijs en van Frankrijk, hebt gekozen om Frankrijk
„op dit gebergte toe te lachen ; gij, die verschenen zijt
„met den rozenkrans in de hand, dat vredig maar vreeselijk
„wapen, hetwelk zegevierde over het geweld der Albigenzen
„en het barbarisme der Muzelmannen in de wateren van
„Lepanto : o, O. L. Vrouwe van Lourdes, gedenk Frank-
„rijk, wier Koningin gij zijt, en red het!
„Aanschouw die vaandels, welke hare kindereu zijn gaan
„halen in al de heiligdommen, waar uw naam wordt ver-
„éerd en bemiud en aangeroepen, om ze aan uwe voeteu
„neder te leggen. Aansc jouw ze, die zegeteekeneu uwer
-ocr page 282-
262
„vroegere overwinningeu ; lees die namen, welke u uwe
„weldaden, uwe liefde en onze dankbaarheid herinneren :
„Chartres, Fourvières, Notre-Dame des Victoires, Notre-
„Dame de la Treille, en zooveel anderen. Lees, aanschouw,
„herinner u, en geef ons, dat wij bij al die namen nog een
„glorievoller mogen voegen, die van O. L. Vrouwe van
„Lourdes, het heil van Frankrijk !
„O Maria, herstel ons een Frankrijk, waarin uw naam
„en die van uwen goddelijkeu Zoon worden vereerd en be-
„mind ; een Frankrijk, altijd waardig zijner vroegere en toe-
„komende bestemming, en wij zijn verhoord !"
Des avonds was de lucht weder bewolkt, en er vielen
van tijd tot tijd regendruppels; maar toch week liet zeker
vertrouwen niet, dat het den volgenden dag schoon weder
zou zijn.
Reeds vroeg in den zondag-morgenhaddestad haarfeesttooi
aangetrokken: vlagg en en wimpels waaiden vroolijk uit alle
woningen, groen en loover hing langs deurstijleu en vensters,
honderden van houten kramen waren langs den weg getim-
merd van Lourdes tot aan de Massabiella-rots, en een sierlijke
eereboog stond voor de grot opgericht. Het altaar op de weide
was insgelijks met slingers van bloemen omhangen ; aan de
andere zijde van het stuk land was een groote aallerij op
kosten van den heer Lasserre gebouwd, met marmeren tafels
en zitbanken voor düizeud pelgrims, en een fontein met
Maria-beeld in het open middenvak. Hier en daar langs
de heuvels, op de grot en overal waar een geschikt plekje
was te vinden waren hulp-altaren opgericht, ten getalle
van vijf-en-dertig ; en van middernacht tot zondags twaalf
uren werden daaraau, zoowel als aan de altaren der stad en
-ocr page 283-
263
der grot onophoudelijk heilige Missen gelezen. Rondom
al die altaren lagen honderden en zelfs duizenden geknield,
aanbaden, het Lam zonder vlek, riepen de Onbevlekte Ont-
vangenis aan, en ontvingen den God van liefde en genade,
verborgen in het H. Sacrament, in hunne smeekende en
juichende harten. Houten banken, in der haast opgeslagen
en met eenen eenvoudigen linnen doek gedekt, dienden voor
communiebank; het altaar zelf was de kleed tafel, en die
het meest vooraan stonden vervulden den dienst van koor-
knapen. Ontelbaar waren de HH. Communiën ; men heeft
mij gezegd, dat honderdduizend hostiën gedurende de feest-
dagen zijn geconsacreerd.
Geheel Frankrijk was vertegenwoordigd : 8 bisschoppen,
2000 priesters, \'25 leden der Nationale Vergadering, eenige
generaals, leden van het Instituut en ontelbare leden van
den hoogsten en oudsten adel; 400 steden en parochiën
hadden hare banieren gezonden met afgevaardigden, en
ook vele krijgsoversten met hunne soldaten waren aauge-
komen, om de vaan der H. Maagd met niet minder fierheid
dan de Fransche driekleur op het slagveld te dragen. En
hoe zal ik u een denbeeld geven van den ontzaglijken
toevloed van pelgrims van allen ouderdom en kunne en
staat? Gedurende gansch den nacht en geheel den vroegen
morgen had de spoortrein niet opgehouden, stroomen volks
naar Lourdes over te brengen; men telde reeds 35 treinen,
ieder met minstens 2000 bedevaartgangers, gekomen van
noord en zuid, van het westen en het oosten, van Lyon
en Marseille, van Bordeaux en Clermont, van Lille en
Parijs, van de uithoeken van Frankrijk. Ook de bedaarder
middelen van vervoer brachten voortdurend nog honderden
-ocr page 284-
2K4
aan, zoodat in Tarbes en Pau geen enkel paard of rijtuig
meer voorhanden was. Op de bergwegen golfden lange
karavanen van montagnardsin hunne schilderachtige kleeding,
en de dalen stuwden onophoudelijk de bewoners van de
omstreken op den versierden weg naar de Massabiella grot.
De ongeloovige zoowel als de katholieke pers van Frankrijk
was talrijk vertegenwoordigd, zooals de Mond e, de U u i-
ve r s, de U n ion, de Francais, de Figaro, de Pa trie,
de Gaulois, Paris Journal, de Soir, de Corsaire,
de Rappel, de National, ook de groote Engelsche
bladen, de Times en VI o r n i n g-P o s t, behalve nog
eene menigte provinciale couranten. Bijna alle landen van
Furopa zagen er hunne vertegenwoordigers: Engeland,
België, Duitschland, Beijeren, Nederland, Rusland, vooral
Spanje, tot zelfs Amerika en Afrika.
Ten 10 ure des morgens vormt de ontzaglijke menigte
eene processie, ora de bisschoppen van het missionaris-huis
af te halen en naar de weide te geleiden, waar de pon-
tifikale Mis zal gezongen worden aan het groene altaar.
De sneeuwbergen in het verschiet, met de oude citadel
vóór zich, zijn het altaarstuk achter de jonge dennen,
de heesters en bloemen, die de altaartafel omkransen; de
blauwe heldere hemel als het gewelf; het groene gras als
het vloertapijt, het geklater van de Gave als de begeleiding
van den kerkzang, de heuvels en rotsen, opvolgend hooger
klimmende, en gevuld met duizenden en nogmaals duizenden
van biddendeu, ziedaar den bedevaartstempel in deze feest*
dagen. De bisschop van Carcassonne pontificeert, en na
het evangelie verheft zich de bisschop van Tarbes op de
estrade, en houdt eene treffende predikatie over de collecte
-ocr page 285-
265
van den dag. \') In den schoonsten en welsprekendsten
vorm toont hij aan, hoe de Zoon Gods ons heil bewerkt
heeft door de geheimen van ziju leven, van zijnen dood
en van zijne verrijzenis; die geheimen, herdacht, en over-
wogen in de heerlijke opvolging der gebeden van den rozen-
krans, en die in de harten der ware geloovigeu nog altijd
dergelijke uitwerkselen voortbrengen, als zij de eerste maal
gebad hebben in den persoon des Zaligmakers Jesus Christus,
die door alle eeuwen heen en voor allen het werk der verlos-
sing hernieuwt: ziedaar de groote en geheimvolle beteekenis
van het eenvoudig gebed van den H. Rozenkrans. De god-
vruchtige prelaat besloot met de volgende hartelijke woorden :
„En nu ga ik eindigen met de woorden, waarmede ik
„begonnen ben : Oremus, laat ons bidden; want het is
„immers daarom alleen, dat wij hier zijn te zamen gekomen
„uit alle streken van Frankrijk. Laat ons bidden, Oremus:
„\'t is misschien juist datgene wat ons het meest ontbreekt.
,,Groote staatsmannen, uitstekende krijgsoversteu, trouwe
„vertegenwoordigers, wij hebben ze in overvloed; geldbe-
„zitten wij bij milliarden; maar waar ziju zij, behalve
„wij, die bidden ? Eu nochtans is het de eigenlijke zaak
„waar het op aankomt. Men heeft gezegd, en \'t is waar :
„de meoschen handelen, maar \'t is God, die hen beweegt.
„Ja, zoo is \'t gelukkig! Maar weet ook : \'t is het gebed,
„dat de wereld regeert en dat ook God zelven beweegt.
„Ja, door het gebed dwingen wij om zoo te spreken God,
]) De collecte noemt men het kerkelijk gebed, dat Mn iedereu feest-
dag of gewonen dag van bet kerkelijk jaar eigen is, en den korten inhoud
bevat vau het geheele officie vau dien dag, dl er de gansche beteekenis
van in weinige woorden samenvat.
-ocr page 286-
266
„om zich over te geven en met ons in vergelijk te komen.
„Of heeft Jehovah zich niet teruggetrokken voor het ge-
„bed vnn Moyses ? Daarom bidden wij, en wij zullen
„meester zijn van de aarde en van de hemelen. Oremus,
„bidden wij voor Frankrijk zoo vernederd, zoo ongelukkig,
„en altijd nog waggelende op zijne grondvesten ; bidden
„wij voor den Heiligen Vader, den paus, opdat God hem
„bescherme ! Oremus, bidden wij, en bidden wij allen.
„Beklim weder het altaar, o waardige bisschop ! doe den
„lieer zelven in uwe handen nederdalen , hef de heilige
„Hostie omhoog tusschen hemel en aarde ; om der wille
„van den Onschuldige zal God aan de schuldigen vergeven,
„en al wie den heiligen naam des Heeren aanroept zal be-
„houden worden: O m n is q uicumque invocaverit
„nomen Domini s a 1 v u s e r i t. Begrijpt gij het? Be-
„houden ! ja, behouden in deze wereld en in de andere,
,,voor den tijd en voor de eeuwigheid, Amen l"
Als de pontifikale Mis was geëindigd, stond Mgr. Pichenot,
bisschop van Tarbes, andermaal op de estrade, om in naam
van Pius IX den pauselijken zegen te geven met vollen
aflaat. Allen bogen lijf en ziel onder de onzichtbare hand
van het Vatikaan, gekluisterd thans door de revolutie; allen
trilden van dankbare aandoening voor den doorluchtigen
gevangene van Rome; allen dachten aan Pius V en aan
den glorierijken dag van Lepanto; allen baden om een
nieuwe zegepraal voor de Kerk eu voor Frankrijk ; en allen
stonden op, hunne aandoening niet meer meester; en dave-
rend klonk het langs de Gave, en van uit de weide, en
van de rotsen en heuvels : „leve Frankrijk ! leve Pius IX \\"
De plechtigheid was geëindigd, en de bisschoppen werden
-ocr page 287-
267
door het volk in processie onder het zingen van liederen
en het geschal van bazuinen naar hun verblijf teruggeleid.
Ten één ure in den namiddag zou de groote manifestatie
van Frankrijk plaats hebben. Met ongeduld werd dat uur
te gemoet gezien, en gansch Lourdes had den feesttooi
aangetrokken, gelukkig als zij zich gevoelde, het tooneel
te mogen zijn van Frankrijks geloof en boete. De vaandels
en banieren waren in de parochiekerk verzameld, en van
daar zou de groote processie uittrekken ; de deuren waren
gesloten en alleen de afgevaardigden mochten binnentreden.
Talrijke troepen verdrongen zich aan alle hoeken der straten,
vooral op het plein en in den omtrek der kerk ; alle vensters
en deuren der huizen, zelfs de daken waren gevuld met
toeschouwers, en ternauwernood kon de ruimte worden
behouden, die in de straten noodig was.
Daar openen zich de breede deuren. De banier van het
comité is de eerste die verschijnt, voorafgegaan door den
pastoor van Saint-Nicolas te Bauue, die een groote was-
kaars draagt, het geschenk zijner communie-kinderen aan
O. L. Vrouwe van Lourdes. De banier vertoont den H.
Dominicus den rozenkrans ontvangende, en wordt gedragen
door pater Chocarne, omgeven van vier Docninikanen en
de leden van het comité, die de kwasten dragen. Daverend
wordt zij begroet, en aan het gejuich komt schier geen
einde. Maar daar klinkt het op eenmaal:
— „ Plaats ! maakt plaats ! aan de Elsas en Lotharingen
zij de eereplaats !" ^
En daar verschijnen drie vanen : twee witte met rouw-
rloers overdekt, en een geheel zwart — het rouwvaan van
de Elsas......
-ocr page 288-
268
Op de eerste, vau witte zijde, is liet wapen van Straatsburg
gestikt, met den naam vau Maria daar boven en de woorden:
Spes n ostra s a I v e ; \') onder het wapen staat:
1/ Alsace. Eeu rouwsluier vau krip hangt vau het
zilveren kruis. Zij wordt gedragen door deu heer de Jleinach
eu omgeven vau Elsassers.
Dan volgt de vaan vau Lotharingen, waarop het wapeu
vau Metz in schitterende kleureu staat geborduurd, maar
overtogeu met eeu zwarten sluier. Onder het wapen leest
men de treffende bede : M i s e r e r e c i v i t a t i, 2) en aau
de andere zijde : Lorraiue. Notre-Damedelion-
S e c o u r s. 3) Zij is omringd van vier priesters uit Metz.
Eindelijk daar nadert de rouwbanier vau de Elsas, door
edelvrouwen uit die ongelukkige provincie, ouder het ge-
leide vau mevrouw Keiler, geborduurd op zwart fluweel ;
een lange rouwfloers daalt vau het kruis en omgeeft het
geheele vaandel, waarop ge leest :L\'Alsace aNotre*
Dame de Loardes, 4J en aan de andere zijde de drin-
gende bede: Consolat. rix afflictoruin, ora
pro n o b i s.h) Een oud k rijgsoverste, de borst bedekt met
vele ridderkruisen, heft haar fier omhoog, en gaat met vasten
tred te midden der biddende Elsassers.
Een schok voer door de menigte, en alles zweeg en
hield den adem in; maar het duurde slechts één oogenblik,
want de gemoederen werden verteederd bij het zien der
1)  Onze Hoop wees gegroet.
2)  Ontferm u over de stad.
3)  Lotharingen — O. L. Vrouwe vau Goede-Hulp.
4)   De Elsas aan O. L. Vrouwe van Lourdes.
5)  Troosteres der bedrukten, bid voor ons.
-ocr page 289-
269
mannen, die treurden en rouwden over het verloren vader-
land en hier met hunne vroegere medevaderlanders verlossing
en erbarming den hemel kwamen afsmeeken ; bij liet zien
der ongelukkigen, die de straf van Frankrijks zonden droe
gen en boete kwamen plegen met hunne schuldige broeders ;
bij het zien dier edele strijders voor Kerk en Vaderland,
die met gevaar des levens op de algemeene kampplaats
verschenen, om met hunne oude krijgsmakkers den grooten
strijd te leveren. En tranen welden op in menig oog, en
men stak de armen uit naar het doek van rouw, en be-
groette het met stemmen waarin men tranen hoorde, maar
die allengs krachtiger en vaster werden, om eindelijk in
geestdrift uit te barsten met den hartekreet:
— „Leve Straatsburg! Leve Metz! Leve de Elsas \\"
Men verhaalt, dat deze vaandels in \'t geheim zijn ver-
vaardigd en vervoerd. De Pruisen droegen kennis van het
voornemen eu hadden den uitvoer verboden, streng wakende
op alles wat de grenzen overging. Maar de duistere nacht
werd te baat genomen om de grenswachters te verschalken :
heimelijk werd een banier Luxemburg binnengesmokkeld,
terwijl de andere door Zwitserland den weg naar Frankrijk
vonden, ofschoon zij ontdekt en achtervolgd werden. De
kreten bleven dan ook aanhouden en werden overal her-
nieuwd, waar de rouwbanieren verschenen ; de geestdrift
was ten top gestegen, en met veel moeite slechts konden
de geestelijken en de leden van het comité de uitbarsting
daarvan matigen, maar volstrekt niet beletten.
Dan volgden de afgevaardigden van de nationale verga-
dering, die het zich ten plicht gerekend hadden, het bid-
dend vaderland te steunen, zooals de markies de Franclieu
-ocr page 290-
270
afgevaargdigde fier Hautes- Pyrenées, die zijn broeders had
opgeroepen ; de Gavardie van Landes, de Rességuier, de
Barrau en Dumont van Gers; de Belcastel van de Haute-
Garonne; Chesnelong van de Basses-Pyrenées; de Feligonde
van Auvergne, die de bauier van Clermont droeg, enz.
Drie-honderd vanen, omgeven van de afgevaardigden dei-
steden, der parochiën, der gestichten en der kloosters
die hen hadden gezonden, verlieten statig de oude kerk
en ontplooiden de beden en verzuchtingen, die smeekende
handen daarop in goud en zilver en in de schitterendste
kleuren hadden gestikt. En gelijk die 300 banieren zich
samenvoegden tot één groote processie, zoo klommen ook
die 300 bedeu en verzuchtingen als één gebed ten hemel
op voor Erankrijks redding en heil; zoo herhaalden zij ge-
zamenlijk het refrein, dat later door de duizeuden en tien-
duizenden werd gezongen :
„Vierge, uotre Espérance,
Sur nous étends ton bras;
Sauve, sauve la Erance,
Ne l\'abaudonue pas ! \')"
Honderd-vijftig vaandels waren onderweg aan de stations
achtergebleven of vergeten ; maar de oude bakermat van
het Mahomedanisme Algiers had er voor gezorgd, dat zijn
banier van O. L. Vrouwe der overwinning aanwezig was,
als eene hulde van den overwonnen Muzelman aan de
1) O Maagd, onze Hoop,
Strek uw arm over ons uit;
Red, red Frankrijk,
En verlaat het niet!
-ocr page 291-
271
Koningin van het Katholicisme. De meeste vaandels waren
van groote pracht en rijkdom; Parijs, Lyon, Marseille,
Liile, Algiers en het arme Metz schitterden boven allen
uit en haddeu schatten gekost; dat van Lyon droeg sterren
van smaragden, ter waarde van tienduizend francs. De
uitstekendste en aanzienlijkste mannen hadden om de gunst
gevraagd van een banier te mogen dragen ; en daar tusschen
gingen ook eenvoudige werklieden, arme dorpsmeisjes,
landbouwers en bergbewoners, om de edellieden, de priesters
en religieuzen te helpen in het dragen van de godsdien-
atige vracht. De krijgshaftige Vendeeërs hadden drie vanen
medegebracht; de markies de Cuguac droeg dat van Condom,
en de zeeofficier Glaize, versierd met het legioen vau eer,
hief de banier vau Brest omhoog. De zeelieden en de
soldaten waren niet achter gebleven, maar vertegenwoor-
digden in groot getal het leger en de vloot.
De processie schreed langzaam en statig voort in drie
rijen, waarvan de banieren de middelste vormden, tusschen
eeDe opeengepakte maar eerbiedige menigte. Buiten de
stad werden de toeschouwers met tienduizenden geteld ;
de breede weg en de vallei konden ze niet bevatten, zoodat
de omliggende heuvels en rotsen als bezaaid waren met
pelgrims, die zich het hoofd ontdekten en eerbiedig ne-
derkuielden, als de processie voorbij trok. Nooit heeft de
hemel in frankrijk treffender tooneel beschenen : daar boou
zich het ongelukkige volk, met smeekende handen om-
hoog geheven, voorde voeteu der onbevlekte Moeder-Maagd,
om voor zijn vaderland de verrijzenis uit de dooden af te
bidden. Eu aller harten weenden, eu aller oogen schreiden.
Middelerwijl was eeue tweede processie uitgetrokken en
-ocr page 292-
-ni
kwam laugs rleii tegenovergestelden weg de eerste te geraoet
tot aan den ingang van het weiland : het waren de bisschoppen
en de priesters; het was de Kerk, die het rouwmoedige
Fraukrijk te gemoet trad. De bisschoppen plaatsten zich
met hun talrijk gevolg bij de brug: zij waren in pontiti-
kaal gewaad, met den mijter op het hoofd en den her-
dersstaf in de hand, en zegenden de voorbij trekkende
scharen. De banieren bogen ten eerbiedigen groet, en uit
alle rijen klonk het:
— „Avete, Patres! Resurgeutes vos salutant!" \')
Die processie duurde langer dan een uur. En als het
volk weder aan beide zijden voor de estrade in dichte
drommen stond geschaard, trok de geestelijkheid de mid-
delruimte door en nam plaats op de treden, terwijl de
bisschoppen de verhevenheid beklommen. De driehonderd
banieren plaatsten zich in een halven cirkel ten westen
vlak over het altaar; maar de drie rouwvaneu volgden
langzaam de bisschoppen en werden op de estrade ge-
dragen, waar zij bleven staan, het zwarte vaandel in het
midden, de twee andere ter wederzijde. De gezangen eu
liederen zwegen, het gedruis der plaats zoekenden ver-
stierf allengs, en eene eerbiedige, eene heilige stilte heerschte
over de gansche weide: de vespers zijn begonnen. En als
deze zijn geëindigd, ligt de aartsbisschop van Auch voor
het groeue altaar neergeknield en smeekt de verlichting
des H. Geestes af, want hij zal het woord gaan voeren.
Toen had er een tooneel plaats, dat allen diep ont-
roerde. De aartsbisschop, zich tot het volk keerende, ont-
1) Wees gegroet, Vaders! de verrijzeudeu groeten ui
-ocr page 293-
273
dekte de drie rouwvanen en werd tot in de ziel bewogen.
Als bisschop van Belley was hij vroeger de gebuur van
de Elsas geweest, en nu zag hij daar de wapens van
Straatsburg en Metz met rouwfloers omhangen en de Elsas
in rouwe..... Tranen sprongen hem uit de oogen; hij
kon zijne ontroering niet meer verbergen noch zijn ver-
teederd gevoel onderdrukken ; met haastige schreden ijlde
hij naar de zwarte banier, greep haar vast, kuste het
rouwdoek en bevochtigde het met zijn tranen. De afge-
vaardigden, die hun vanen omringden, werden niet minder
bewogen, omarmden den prelaat, weenden insgelijks aan
zijne borst en daukten hem nokkend en zwijgend. De
aanschouwers weenden allen en barstten uit in herhaalde
kreten:
— „Leve de Elsas! leve Lothariugen!"
De geestdrift dreigde de orde te zullen storen en den
ernst van de godsdienstige plechtigheid voor een oogenblik
weg te nemen, waarom de aartsbisschop zich herstelde en
tot voor op de estrade trad, het teeken des H. Kruises
sloeg en met bewogen stem verzocht niet meer toe te
juichen, daar men bijeen was gekomen om te weenen
en te bidden.
De prelaat bracht hulde aan Mgr. Mermillod, wiens predik-
beurt hij de eer had te vervullen, en begon het Wees
gegroet te verklaren. Mgr. de Langalerie is de zachte
en beminnelijke apostel der barmhartigheid en der liefde ;
hij is vol goedheid en zalving, zijn blik, zijn g?laat, zijne
houding, zijne stem, zijn gebaar, alles predikt liefde en
barmhartigheid. Wij kunnen ons niet onthouden de sluit-
rede zijner predikatie voor onze lezers te vertalen.
18
-ocr page 294-
274
„O mijne Moeder, o Maria! ja, bid voor ons iii de
ure des doods. Wat wij heden hebben gezien, de out-
roering die zich van onze ziel heeft meester gemaakt,
dat alles zal ons voorzeker in ons laatste uur nog verster-
ken. Maria zal ons doen begrijpen, zal ons doen ge-
voelen dat zij voor ons bidt in de ure des doods; en de
gedachte aan Lourdes, de gedachte aan deze bedevaart-
zal ons eene bemoediging zijn in het oogeublik, waarop
wij de verschrikkelijke eeuwigheid ingaau. Bid voor ons
in het uur van onzen dood. Neen, wij weigeren niet te
sterven, wij nemen den dood aan, wij lachen eeneu dood
toe, die door Maria wordt beschermd. Bid voor ons, Maria,
in het uur van onzen dood. Maar het vaderland ? Maar
Frankrijk ? O Maria onze Moeder, wij willen niet dat het
sterve! Neen, neen, bid uu, maar niet voor de ure zijns
doods; bid met ons opdat het altijd leve, dat Frankrijk
ons zoo dierbaar; wij verhopen het van uwe moederlijke
goedheid. Ja, heilige Maagd ! gij zult u herinneren, dat
Frankrijk het land is der voortplanting van het geloof,
het land der missionarissen, van zooveel dappere zielen
van welke men gisteren sprak, van haar vooral, die de
edele, de groote gedachte hebbeu gehad van deze bede-
vaart ; \'t is het vaderland van al die geloovigeu, met zooveel
geestdrift en liefde hier gekomen, om te beantwoorden
aan de oproeping die hun was gedaan. Neen, wij willen
ons vaderland niet laten sterven, wij komen hier om het te
behouden. Ik zie neven mij, wel is waar in rouwe maar
toch met de hoop in \'t hart, de banieren der provincies
die ons ontnomen zijn. Zij komen ook haar heil en haar
terugkeer tot Frankrijk afsmeeken. Elsas en Lotharingen!
-ocr page 295-
275
Nauwelijks eenige maanden geleden behoorde ik nog tot
de kerkelijke provincie, die ook deze twee edele gewesten
in haren kring omsluit. Onze laatste groote bijeenkomst
had plaats dicht bij Straatsburg, in een heiligdom der H.
Maagd, te Mariënthal ; en daar, te midden dier goede
Elsassers, al verstonden wij hunne taal niet, wij begrepen
volkomen dat zij onze broeders, onze landgenooten waren
uit de wijze waarop zij tot Maria baden, waarop zij de
bisschoppen behandelden, welke tot die schitterende plech-
tigheid waren verzameld. O mijn God ! o H. Maagd! geef
de Elsas en Lotharingen terug aau ons en aan Frankrijk! Gij
zult het geheel en al behouden. Wij spreken hier niet
van wapenen, van veldslagen; ouze gelederen zijn gele-
deren vau gebed en vau vrede, zij staan hier geschaard
voor u in zachtmoedigheid en godsdienstigheid} maar
wij gelooven het vast: eens toch zal dat zwarte krip weg-
vallen en die rouwkleur verdwijnen, en de Elsas en Lo-
tharingen zullen op een tweede bedevaart hunne bevrijding
komen bezingen. O Maria! onze tranen vlieten bij die
droevige en treurige herinneringen ; wij herinneren ons de
eerste iranen die vergoten zijn, die van een doorluch-
tigen maarschalk bij de eerste nederlaag, welke ons dapper
en ongelukkig leger, door overmacht verpletterd, onderging.
Men verhaalt dat de held, die het aanvoerde, een oogen-
blik als geslagen lag onder het gewicht van zijne vader-
landslievende smart; tranen vloeiden hem uit de oogen,
en zijne soldaten riepen hem met eene verhevene vrijmoe-
digheid toe :
— „Waarom weeDt gij, mijnheer de maarschalk ? hebben
wij geweigerd te vechten ? hebben wij geweigerd te sterven ?"
-ocr page 296-
276
Die tranen, de voorboden van nog zooveel andere, ver-
oorzaakt door onze tweedracht en onze ongelukken, die
tranen, ik begrijp ze, ik bewonder ze. Wij ook, wij weeneu
evenals die groote veldheer; en ook wij, evenals zijn
dappere soldaten, weigeren niet te strijden en te sterven.
Integendeel wij otteren onze tranen, ons zweet, ons bloed,
ons leven voor de redding van ons rampzalig vaderland.
Weenen wij over zooveel rampen, waarvan het \'t slacht
offer is, en over zooveel ongelukken, die het nog dreigen
ter oorzake onzer verdeeldheden, en vooral ter oorzake der
ongodsdienstigheid en goddeloosheid van een groot deel
zijner kinderen. Weenen wij over den waren oorsprong
van onze ellenden, over zooveel versmading van God, van
Jesus Christus, van de heilige Kerk.
Weenen wij over het aandeel, dat wij misschien in die
boosheden genomen hebben door gebrek aan ijver en
stichting, door gebrek aan liefde tot God en aan liefde
tot onze broeders.
Doch vermengen wij die tranen vol droef heid en rouwe
met de tranen, welke de zoete aandoeningen dezer treffende
feesten doen opwellen. Draagt die tranenbronnen met u
mede als de schat, die bestemd is om bij God het losgeld
te betalen voor het heil van Frankrijk, die bestemd is om
onszelven van het verbond met het kwaad en de zonde
vrij te koopen.
De bron van Lourdes is het werktuig eener menigte
van genaden en wonderen. Dat onze tranen ook de ge-
heiligde bron worden, waarin voortaan onze zielen zich
verfrisschen, zich schoonwasscheu, waarin zij de krachten
terugvinden, die zij noodig hebben om krachtdadig te
-ocr page 297-
277
arbeiden aan het behoud, aan het geluk van ons dierbaar
vaderland, van ons geliefd Frankrijk. Amen."
Allen weenden, en hier en daar hoorde men overluid
snikken; de tienduizenden konden hunne aandoening niet
verbergen, en als met schokken, onderbroken door tranen,
herhaalden zij nog lang het „a m e n" van den bisschop,
„amen; zoo zij het! zoo geve liet God, amen \\"
Nu zou Frankrijk voor hemel en voor aarde, voor God
en ^oor de menschen plechtig zijne stem verheffen. De ba-
nieren, die onder de predikatie op den grond hadden ge-
steuud, werden weder omlioog geheven, en de aartsbisschop
staande op de estrade te midden der drie rouwvanen, sprak
luide uit naam van het comité, uit naam der pelgrims en
uit naam van geheel Frankrijk deze plechtige G e 1 o ft e uit:
„O Maria, onbevlekte Maagd, Onze Lieve Vrouwe van
„Lourdes, gij ziet al uwe kinderen aan uwe voeten.
„Wij zijn gekomen, gezonden van al de departementen
„van ons Frankrijk, om u te herinneren dat ons volk uw
„volk is, en dat het, gehoorzamende aan uwe stem, op-
„uieuw u wil bekend maken dat het in u zijn vertrouwen
„en zijne hoop stelt.
„Wij komen u danken voor uwe wondervolle verschij-
„ningen ; wij komen u vragen ons allen tot uwen dierbaren
„Zoon, onzen Heer, terug te brengen ; wij komen, opdat
„gij voor Frankrijk vergeving en barmhartigheid verkrijgt.
„Wij beloven opnieuw christenen te worden; wij willen
„openbare en plechtige herstelling geven voor den smaad,
„der godheid van onzen lieven Zaligmaker Jesus Christus
„aangedaan ; wij belijden het geloof van ons Frankrijk, en
„wij hebben vertrouwen. Geef ons de liefde, en wij zullen
-ocr page 298-
278
„leven; wisch de smarteu van ons vaderland uit, herstel
„Frankrijk door ons onze ongelukkige broeders weer te geven.
„Frankrijk is altijd de oudste dochter der Kerk geweest;
„zij gelooft, zij bemint, zij bidt : en gij zijt haar Koningin.
„Zij is zeker van haar behoud, en zal door u weder de
„oude en machtige katholieke natie worden."
Frankrijk heeft zijn geloof en zijn gebed gesproken, nu
zal de Kerk hare stem verheffen, om in die taal, met die
woorden, met die plechtigheid en met die majesteit, waarvan
zij alleen het geheim bezit, haar smeekgebed en zegen uit
te spieken. Zij waren opgesteld iii den vorm van ï o e-
juichingen en Antwoorden. \')
I.
ï. Aan de allerheiligste en ondeelbare Drievuldigheid,
aan den Vader en den Zoon eu den H. Geest, eer, macht
en glorie in de eeuwen der eeuwen.
A. Amen, amen! Dank aan deii goeden God, die zijne
vreugde aan ons pelgrims heeft medegedeeld en in onze
harten heeft vermeerderd.
1) ACCLAMATIONES ET RESPONSIONES.
I.
A. Sanctissimae et indiTidiiac Trinitati, Patri et Filio et Spiritui
Sancto, honor, virtns et gloria in saecula saeculonim.
R. Amen, amen. Gratias Deo optimo, qui, nobis pie peregiinantibus,
gandinm smim innovavit et magnificavit in coidibns nostris
-ocr page 299-
279
II.
T. Aan de allerzaligste onbevlekte Maagd, aan Maria
Moeder Gods, eeuwige lof, eeuwige liefde.
A. Amen, amen! Eindelooze dank aan de allerzoetste
Moeder, die van de hoogte dezer bergen het bedroefde
Frankrijk blijde te gemoet treedt.
III.
T. Aan den glorierijken Opperpriester en onzen Heer,
Paus Pius IX, den vader vol van zachtmoedigheid, ge-
nageld aan het kruis door ondankbare kinderen, vrede,
zegepraal en vertroosting van den H. Geest.
A. Amen, amen! Dat God de krachten vermeerdere en
de jaren verlenge van den onverschrokken wachter der
Kerk, opdat hij den terugkeer aanschouwe van allen die
zijn verdwaald, en het heelal in voortdurenden vrede
hersteld.
n
A. Beatissimae Virgini immaculatae, Dei genitrici Mariae, lansaeterna,
aeternns «mor.
K. Amen, amen. Matri dulcissimae sempiterna gratia, quae Galliae
moerenti de his montibus hilariter occnrit.
ItL
A Gloriosissimo Pontifici et Domino nostro Pio Papae IX, Patri man-
sneto, ab ingratis filiis cruci affixo, pax, victoria et eonsolatio de Spiritu
Sancto.
R. Amen, amen. Entrepido Ecclesiae custodi Deus vires multiplicet,
et annos addat, ut reduces tandem videat omnes errantes, et universum
orbem in pace perpetua compositum.
-ocr page 300-
•280
IV.
T. Aan onze geliefde vaders in Christus, aan onze bis-
schoppen, onze roemvolle aanvoerders in den christelijken
strijd, groote dankbaarheid, eeuwige gedachtenis.
A. Amen, ameu! God vergelde hun, en toone hun zijne
groote barmhartigheid.
V.
T. Aan ons rampzalig vaderland, van droef heid over-
stelpt om de menigte zijner zonden, genade en vrede en
algeheel herstel in Christus.
A. Amen, amen! Dat God het als zijn eerstgeboren
aanneme, boven al de volkeren der aarde verheffe, en dat
zijne vijanden de steunbank zijner voeten worden.
VI.
T. Aan ons allen die hier ter bedevaart zijn, en aan
geheel het Christen-volk, vermeerdering van geloof, van
hoop, van liefde en de eeuwige vreugde.
A. Benignissimis in Christo Fatribus et Antistibus uostris in agoue
chiïjliuiiH ducibus gloriosis, magnae gratiae, aeterua memoria.
R. Amen, amen. Deus retribuat et osteudat illis misericordiam 9uam
magnam.
V.
A. Patriae nostrae infelici, propter peccata multa coutritae, gratia
et pai et instauratio universa in Christo.
K. Ameu, amen. Deus primogenitam ponat illam excelsam prae po-
pulis terrae, et iuimicos suos ponat scabellum pedum suorum.
VI.
A. Omnibus nobis peiegrinantibus, et uuiverso christiauo populo, fidei,
spei et charitatis augmentum et gaudium aeternum.
-ocr page 301-
281
A. Amen, amen! Maak uw dienaars zalig, o Heer!
en zegen uw erfdeel; en bestier hen en verhef hen tot in
eeuwigheid.
Dat zij zoo. Dat zij zoo! Amen. Amen!
Na deze toejuichingen en antwoorden verhieven zich de
acht bisschoppen van hunne zetels en plaatsten zich op
de estrade voor het altaar; zij droegen den mijter op liet
hoofd en den kromstaf in de hand, en hadden het gelaa\'
naar het volk, naar de kapel, naar het westen gekeerd.
De zon schoot op dat oogenblik haar laatste gulden stralen
over de bergen, en omkrausde de schedels der prelaten met
een schitterend licht. Door eene zelfde beweging hieven
de acht bisschoppen tegelijkertijd de handen omhoog,
en deden ze zegenend over de knielende duizendtallen neder-
dalen. Na deu zegen met het H. Sacrament werden de
bisschoppen uitgeleid tot aan het missionarishuis, en klom
de processie langzaam de Massabiella-rots op, om de vaau-
dels en banieren naar de grotkapel te dragen en ze daar
tot eene eeuwige gedachtenis achter te laten.
\'t Is een prachtige en zachte avond. Ten acht ure
is de gansche stad als met een zee van licht overgoten ;
flambouwen, lampions en veelkleurige lantaarns schitteren
aan de voorpuien van alle woningen en schenken nieuwe
tinten aan vlaggen, slingers en bloemenkransen. De grot-
weg is aan beide zijden verlicht; het breede plein voor de
grot, de houten leuningen en populieren langs de Gave
R. Amen, amen. Salvos fac servos tuos, Homilie, et beuedic haere-
ditati tune; et rege eos et extolle ilios usque in aeternum.
Fiat, Fiat! Amen. Amen!
-ocr page 302-
282
en de hellingen der bergen gieten een stroom van licht
over de juichende menigte heen, en werpen gloeiende
spranken en tintelende stralen over de gladde kruinen der
bergen en de wiegelende toppen der boomen. Kondom
de grot. beschrijven Venetiaansche lantaarns, aan onzichl-
bare draden bevestigd, de schoonste lijnen en vormen
eene galerij van vuur voor het heiligdom. De Gave
kaatst het licht terug in zijn bruisendeu stroom en werpt
schitterende diamanten omhoog; terwijl de heldere hemel
zijn prachtig sterrekleed rustig over dat alles houdt <-;tge-
spreid.
En al de duizenden zijn weder uitgegaan, om zich tot
afzonderlijke groepen te vormen en, ieder volgens zijn eigen
godsdienstig gevoel, den heiligen avond door te brengen.
Bijna allen dragen een ontstoken kaars in de hand. Hier
knielt eene groep neder en bidt den rozenkrans ; daar staat
eene andere en zingt het Magnificat; ginds trekt eene
processie om de grotkapel en daalt statig naar de stad af;
daar weder zingt men liederen ter eere van de H. Moe-
dermaagd of de litanie van O. L. Vrouwe. En dat kruist
eu slingert langs de berghellingen, omhoog en omlaag,
beneden langs de grot en daar boven langs de Espélugues,
in de versierde straten der stad en op de verlichte wegen
daar buiten. Allen zijn vol geloof, vol hoop, vol gods-
vrucht, vol geestdrift; en allen doen den hemel een heilig
geweld aan, om door boetvaardigheid en gebed de redding
en het behoud van Frankrijk te verwerven.
Omstreeks elf uur trok de juichende menigte Lourdes
weder binnen en ging uit een. In alle woningen werden
vreemdelingen geherbergd, en de spoorwegmaatschappij had
-ocr page 303-
283
hare gebouwen eu treinen beschikbaar gesteld voor degenen,
die geen huisvesting konden bekomen.
Ues maandags ten acht ure las de bisschop van Agen,
die reeds vertrekken ging, de H. Mis in de groten hield
eene korte afscheidsrede tot de verzamelde pelgrims, om
ze tot volharding op te wekken.
„Op den dag," sprak de godvruchtige prelaat, „waarop
„gij de ingeving hebt ontvangen om naar Lourdes ter
„beevaart op te gaan, op dien da^ zijt gij apostelen ge-
„worden. Gaat, onderwijst de natiën.....Gij zijt getuigen
„geweest van groote wonderen ; de genaden, die gij ont-
„vangen hebt, brengt ze over uaar de vier hoeken van
„Frankrijk en van de wereld. Morgen zal men overal
„weten, dat gij voor Frankrijk gebeden hebt. O welk
„eene verhevene zending ! . . . . Weet gij wat gij zijt ? Gij
„zijt de zuurdeesem van het Evangelie, dien eene vrouw
„nam en met vele maten meels vermengde. Die vrouw is
„Maria ; die zuurdeesem zijt gij, die Maria neemt om de
„volkeren te bekeeren. O gezegende zuurdeesem, met mijne
„bisschoppelijke handen offer ik u op .aan God !. ... Gaat,
„kinderen van Frankrijk, draagt dien goeden zuurdeesem
„van Lourdes uaar alle provincies heen; hij zal ze her-
„vormen. Leve Jesus Christus ! leve O. L. Vrouwe van
„Lourdes !".....
De lucht was betrokken en weldra viel een öjne regen
neder, die belette de plechtigheden op het weiland te
verrichten. De aartsbisschop zong dus de pontifikale Mis
in de kerk op de Massabiel la-rots, en Mgr. de la Bouil-
lerie, bisschop van Carcassone, beklom na het evangelie den
predikstoel, en hield eene schoone en krachtige redevoering
-ocr page 304-
284
over het naturalisme in str ij dmetdeboven na-
tuur! ij ke orde. Des middags werd het lof gezongen en
trad pater üidou, van de orde der Domiuikanen, op om
het woord te voeren. Hij sprak over Maria en F\'rankrij k.
Eerst bewees hij door feiten de betrekking tussclien Maria
en .Frankrijk ; vervolgens toonde hij aan door de wijsgeerige
redenen, welke Frankrijks geschiedenis en het ridderlijk
karakter der Franschen aangeven, dat Frankrijk boven alle
anderen de natie van Maria moet zijn ; eindelijk de hoop
op Maria voor Frankrijk was het besluit, dat door deze
verhevene en schitterende beschouwingen werd voorbereid.
Vooral de slotrede was treffend en prachtig: de redenaar
riep O. L. Vrouwe van Lourdes aan in den naam van
Frankrijk, in den naam van Pius IX, in den naam vau
haren goddelijken Zoon, en verteederde gausch zijn gehoor.
Een triumflied besloot de plechtigheid, als de waardige
wederklank vau het gesproken woord.
Alleen de afgevaardigden waren in de kerk toegelaten; de
overige pelgrims hadden zich verdeeld en eene eigene gods-
dieustoefcuing aangevangen. In de cryptkapel voerde weldra
een welsprekend priester het woord tot de verzamelde menigte ;
terwijl een Frauciskaan in den regen voor de wondergrot aan
honderden in gloeiende taal den lof van Maria verkondigde.
Waren reeds eenige processies in den loop van dezen
dag vertrokken, nieuwe pelgrims waren ook weder aau-
gekomen, zooals ouder andereu, 900 van Périgord, ver-
gezeld vau vele priesters en aangevoerd door den aarts-
priester der kathedraal van Périgueux. Ook 2000 pelgrims
van Nantes kwamen terug naar Lourdes om te protesteeren
tegen de beleedigingen, die zij ondergaan hadden.
-ocr page 305-
•285
Dinsdag was de dag van scheiding. Ue processie van
Parijs trok voor de laatste maal de grotkerk in, om de
Mis van dankbaarheid bij te wonen. De bisschop van
Tarbes wachtte haar reeds op en sprak een hartelijk vaarwel
tot de Parijzenaars, die zooveel godsvrucht hebben voor
O. L. Vrouwe der Overwinning, en nu door zulk een
sterken band ook gehecht zullen zijn aan O. L. Vrouwe
van Lourdes.
„Ik bemerk", dus luidde zijn laatste woord, „dat het
„gevoel mij overmeestert: wij moeten scheiden. Hebt
„dank! Vaartwei! Gij vertrekt: ik hoop dat onze gebeden
„van God het behoud van Frankrijk zullen verkregen hebben.
„Ik hoop het; en dan, als wij wederkomen, dan zal het
„geen Parce üomine meer zijn, wat wij doen hooren,
„maar het Te Deumlaudamus, het Magnificat,
„het Deo gratias, wat wij met juichende harten en
„dankende zielen aanheffen. En nu nog eens: hebt dank!
„uog eens: vaartwei! Brengt aan O. L. Vrouwe der Over-
„winning de oprechte betuiging onzer dankbaarheid. Wij
„zijn van elkander verwijderd door den afstand, maar blijven
„wij vereend; onze handen en onze gebeden zullen zich
„vereenigen over de bergen heen. Ik vrees nog slechte
„dagen; alles is nog niet geëindigd: maar wat geeft dat?
„Als God met ons is, kan niets inderdaad tegen ons zijn.
„Het ergste wat ons kan overkomen, is geofferd te worden,
„is te sterven: en sterven is herboren worden, want de
„H. Paulus zegt: Jesus Christus is mijn leven, en de
„dood is mij een gewin. Maar neen! gij zult leven om
„God te zegenen, om een goed voorbeeld te geven; en na
„Frankrijk behouden te hebben, zult gij x\\ over Frankrijk,
-ocr page 306-
280
„door u behouden, verheugen. Laat mij u zegenen bij uw
„vertrek, opdat de zegen van God u vergezelle, en ik den
„troost hebbe te vernemen, dat uw terugkeer even voorspoedig
„is geweest als uw pelgrimstocht, en dat gij vau hier een
„vrede en eeue blijdschap hebt medegenomen, die zich in
„u zullen vestigen en u nooit verlaten. Sit nomen Domini
„benedictum, etc."
Nadat de pelgrims van Parijs vertrokken waren, zong
de bisschop van Tarbes de poutifikale Mis, en preekte
pater Hippolyte, overste der ongeschoeide Garmelieteu van
Waguères, over het S a 1 v e ft e g i n a.
Ten slotte zegende de bisschop nogmaals allen, die ver-
trekken gingen. Nog een laatsten blik op de standaards
geworpen, nog een laatst bezoek aan de eryptkapel en
aan de grot gebracht, nog een laatsten dronk vau het
wonderwater uit de fontein genomen, nog een laatste groet
aan het beeld der Onbevlekte Ontvangenis in de grot ge-
geven, en men verlaat noode de bevoorrechte plaats, O.
L. Vrouwe van Lourdes, om huiswaarts te keeren.
Ziedaar den veldslag, geleverd iu de prachtige valleien
van Lourdes. Dit feit is eenig in de geschiedenis van
Frankrijk, wellicht iu die der gausche wereld. Een geheel
volk, dat gezondigd heeft, dat de straffende hand van God
gevoelt, staat op uit zijne zonde en trekt in boete op, om
zijne schuld uit te wisschen, om den vergramdeu God te
verzoenen, om barmhartigheid en ontferming af te smeeken,
om zich te reinigen en te heiligeu, om zich ten geeste-
lijkeu strijd aan te gorden, en van bedervers — apostelen der
wereld te worden. Heeft dan Frankrijk het eerst en het
zwaarst gezondigd; Frankrijk heeft ook het eerst boete
-ocr page 307-
287
gepleegd en deu naain des Heeren ingeroepen. Hu voor-
zeker zij, die de T o e v 1 u c h t d e r zondaren is, zij in
de valleien van Lourdes met zooveel heilige geestdrift, met
zooveel innigheid, met zooveel volharding door de dui-
zenden en tien-duizenden aangeroepen, zij zal het terug-
keerend .Frankrijk aan haren goddelijken Zoon aangeboden,
en de verrijzenis van de oudste dochter der H. Roomsche
Kerk verkregen hebben. De geest van Jeaniie d\'Arc, van
den H. Lodewijk, van Ka^el den Groote en van Clovis zal
herleven, en met dien geest ook de glorie dier dagen.
-ocr page 308-
XIV.
LOURDES.
Wat ligt Lourdes toch schoon ! .... Als de spoortrein,
na geheel Frankrijk van het noorden tot het zuiden te zijn
doorgestoomd, ophoudt aan den voet der Pyreneeën en niet
verder schijnt te kunnen gaan; aan het uiteinde der schoone
en rijke vlakte van Bigorre, aan de eerste treden van het
trotsch amphiteater der hooge steen- en sneeuwbergen, ziet
men een ouden zwaren toren als een reusachtigen adelaar
op de punt van een hooge ongenaakbare rots staan. Die rots
staat daar als het middelpunt van zeven valleien, die zich
aan haren voet ontmoeten ; en het breede sterke kasteel
daar boven verdedigt het vruchtbaar leven dier zeven zusters,
en overschouwt ze als haar machtige heer en gebieder.
Die citadel, zeer zeker reeds tweeduizend jaren oud, was
het schoonste sieraad der graaflijke kroon van Bigorre, de
sleutel van den Lavedan, de poort der Pyreneeën, \'t is van
vreemden of liever van gemengden bouwtrant, \'t is het
reuzenwerk der natuur, der Eomeineu, der Saraceenen,
der Engelscben en der Franschen. Steil en loodrecht staat
de rots, en laat als met weerzin een smal voetpad om zich
slingeren, dat naar het kasteel leidt, terwijl breede zware
muren de af hellende westzijde omringen en ongenaakbaar
-ocr page 309-
289
maken. Aan haar voet rolt en bruist He Gave over een
steenen bed, en voert een eeuwigen strijd met de rotsblokken,
die hare vaart belemmeren en haar dwingen met een
breede bocht van het zuiden naar het westen te stroomen.
En aan de drie andere zijden is de rots omgeven door vele
woningen langs en op de steunheuvels gemetseld, vroeger
met een dubbelen muur omwald, thans van poorten en
schansen bevrijd.
En daar buiten: aan dé noordzijde groenende heuvels,
met boomen en vruchten beplant en met lusthuizen bebouwd,
waar tusschen de spoorweg een gevaarlijke baan beschrijft;
ten westen de bergstroom, die met klaterend geweld voortrolt
naar Pau en den oceaan ; ten zuiden de Espélugues en daar
achter de liooge bergen van graniet en marmer, met hun
bruine grillige kruinen ; en aan de oostzijde, de Pyreneesche
reuzen, die in het verschiet allengs hooger klimmen en
met eeuwige sneeuw zijn bedekt. Beueden in de zeven
dalen is alles groen en veelkleurig ; daar grazen groote
kudden prachtige schapen en klingelt het klokje, dat de
ram of de steenbok om den hals draagt; daar staan vrien-
delijke bouwhoeven, omringd van goudgele maïsvelden en
groene weiden; daar wordt het marmer uit de bergen
gekapt en het graniet gehouwen; daar klepperen vele
watermolens en zagen het hout en malen het graan; daar
trekken honderden ossen de zwaar beladen steenwagens op
en af de bergwegen; daar werkt en zwoegt, zingt en leeft
een fier en schoon volk, de ontembare montagnards van
weleer, de rustige en arbeidzame montagnards van thans.
Dat is Lourdes.
Wanneer Caesar verhaalt, dat zijn veldheer Crassus in
19
-ocr page 310-
290
de valleien van Lavedan een machtigen tegenstand ontmoette
van de Sotiaten, die zich terugtrokken en verschansten in
eene plaats, Lurda geheeteu, evenzeer door de natuur als
door menscheu-arbeid en kunst versterkt, dan spreekt hij
van Lourdes. Daar worden ook nog duidelijke sporen buiten
de stad gevonden van eene Romeinsche legerplaats en vau
een Romeinschen doodenakker.
Ofschoon liet zeker is, dat de Vandalen en Gotlieu ook in
de Pyreneeën hebben huisgehouden en Novempopulanië ver-
woest, zoo heeft de geschiedenis daarvan evenmin zekere
bijzonderheden bewaard, als van de Romeinsche overheer-
sching.
Toen echter in 782 Abderames zelf in Aquitanië viel,
toen bemachtigden de zonen van Ismaël, de kinderen der
brandende woestijn van Arabië, geholpen door wilde horden
van Afrika, de valleien van Bigorre en plantten het vaandel
vau het Islamisme ook te Lourdes, hoewel slechts voor
korten tijd. Niet ver van Lourdes liggen velden, bekend
onder den naam van Lannes-Morines (Landes des Maures).
Nu verhaalt de legende :
Nadat Karel Martel in de vlakten vau Tours de talrijke
benden van den Emir verslagen had, trokken de woeste-
lingen zich naar de Pyreneeën terug, bemachtigden vele
versterkte punten van Bigorre en beproefden ook het kasteel
van Lourdes te bespringen. Maar een priester van Tarbes
wist het volk op te wekken ten heiligen krijg, en trok
met hen uit, om het land en het geloof hunner vaderen
tegen de Saraceenen te verdedigen. De christen-held viel
als martelaar onder de slagen der Muzelmannen. Maar zijn
bloed was niet vruchteloos vergoten. Van uit den hoogen
-ocr page 311-
•zn
hemel scheen hij de Bigorrers in den vreeselijken strijd
te steunen, waartoe hij heu vroeger had aangezet. Met
woede vielen zij op den vijand aan, om het priesterbloed
te wreken, en behaalden zulk een schitterende overwinning,
dat Ijourdes voor altijd van de volgelingen van Mahomed
verlost werd. ATog worden de schedels der Mooren in Lan-
nes-Mouriues gevonden.
Nog eene andere sclioone legende wordt er van Lourdes
verhaald.
In 778 had een zekere Vlirat, een ongeloovige, het
sterke kasteel Mirambel (Lourdes) weten te bemachtigen,
eu beheerschte met wreed geweld den gauschen omtrek.
Karel de (ïroote, koning der Franken en Romeinsch keizer,
trok op aan de spits van zijn dapper leger en vermeesterde
de stad en het gansche graafschap van Horra, alleen Mirambel
uitgezonderd, lleeds sedert langen tijd belegerde hij het
kasteel eu omsloot het van drie kanten, van de zijden van
Eerragut, van Hyppolyte en van Saiut-Georges ; maar te-
vergeefs, het scheen onneembaar. Meermalen had hij Mirat
aangeboden, de sterkte over te geven, zich te laten doopeu
en ridder van het keizerrijk te worden ; maar altijd ontving
hij het fiere antwoord, dat zoolang nog één steen den ver-
dediger overbleef, hij zich aan geen mensen ter wereld
overgaf. Karel dacht er ernstig aan het beleg op te
breken. Maar de Moeder des Heeren, O. L. Vrouwe van
Puy in Velay, onophoudelijk door de bewoners van den
omtrek ingeroepen, verkreeg een wonder. JBen adelaar vloog
over het meer, greep met de klauwen een buitengewoon
grooten visch, en bracht dien ongeschonden op een der
hoogste torens van het kasteel, welke nog ten huidigen
-ocr page 312-
292
dage de Steen des Arends \') heet. Mirat zond den
visch aanstonds naar den keizer met de hooghartige bood-
schap, dat hij ook niet door den honger tot overgaaf zou
gedwongen worden, zoolang zijn vijver hem nog zulke vis-
schen schonk. De keizer was verbaasd en ter nedergeslagen ;
maar de bisschop van Puy, als bij ingeving begrijpende
wat er geschied was, sprak Karel moed in en zeide:
—   „Prins! de Moeder van God, O. L. Vrouwe van
Puy, begint wonderdadig ons te helpen."
En de keizer antwoordde:
—   „Amen! dat het zoo gebeure."
Toen ging de bisschop, als trouwe dienaar en afgezant
van O. L. Vrouwe van Puy, naar het kasteel en vroeg
toegang tot den woesteu heer. Toen hij was binnengeleid
sprak hij op plechtigen toon :
—  „Mirat! wanneer gij u niet wilt overgeven aan Karel
den Groote, den doorluchtigsten sterveling van het heelal,
wanneer gij geen meester boven u erkennen wilt, erken,
dan ten minste eene meesteresse, geef u dan over aan de
edelste vrouw die ooit geleefd heeft, aan de Moeder Gods,
O. L. Vrouwe van Puy. Ik ben haar dienaar; word gij
haar ridder."
Mirat, eensklaps door de genade verlicht, boog het hoofd
en antwoordde :
—    „Ik leg de wapens neer en geef mij met alles wat
mij behoort aan de Moeder des Heeren, aan O. L. Vrouwe
van Puy ; ik wil ter harer eere gedoopt en haar ridder
worden; maar ik wil overigeus vrij blijven en mijn graaf-
1) Pierre de 1\'Aigle.
-ocr page 313-
293
schap alleen van haar verheffen, zoo voor mij als voor mijne
volgelingen."
De bisschop plukte een handvol gras op de plek, waar
hij stond, en vroeg :
—  „Zult gij dan niet iets aan de Moeder Gods ten teeken
uwer hulde aanbieden ? Offer haar ten minste deze hand-
vol gras als een blijk dat gij haar vassal wordt."
Doch Mirat antwoordde:
—   „Ik behoef van u geeu raad daaromtrent te vragen;
ik zal aanbieden wat ik verkies."
—  „ Dat het zoo gebeure \\" hernam de prelaat.
Toen verliet de bisschop het kasteel, kwam voor den
keizer en vroeg wat zijn begeeren was. Karel zijn raad
vergaderd hebbende, gaf ten antwoord :
—  „Ek wil dat de huldigiug van den leenplicht alleen aan
O. L. Vrouwe van Puy geschiede, en ik stem toe dat het
aldus gebeure."
En de prelaat keerde naar het kasteel terug en bracht
het woord des keizers over.
Mirat en al zijn soldaten bonden slingers van gras aan
het ijzer hunner speren en zwaarden, ten teeken hunner
onderwerping, trokken te voet naar O. L. Vrouwe van
Puy en offerden daar de groene slingers aan de Moeder
des Heeren. Mirat kreeg den titel van ridder voor zich
en zijne zonen; hij ontving bij het doopsel den naam van
Lorus, behield al zijne goederen en nam weder bezit van
het kasteel Mirambel, dat hij nu naar zijn naam Lordum
noemde. \') Van dien tijd komt Lourdes voor als de ver-
1) Histoire religieuse de la fiigorre, par G. B. de Lagrèze.
-ocr page 314-
294
blijfplaats der graven en gravinnen van Bigorre die het
kasteel voortdurend versterkten, zoodat het door de gansche
wereld voor onneembaar werd gehouden, en de begeerlijk-
heid van alle oorlogvoerende partijen opwekte. \') Ürie ko-
iiingen en vele prinsen hebben het dan ook bemachtigd
en beheerscht.
Uit de tiende en elfde eeuw heeft de geschiedenis ons
niets van Lourdes bewaard ; slechts eenmaal wordt het ver-
noemd in een charter van 1077. *) Maar toen in de twaalfde
eeuw een lange strijd ontstond tusschen de steden, die
naar de democratie overhelden, en den adel met zijn rid-
dergeest, toen speelde ook het kasteel van Lourdes een
voorname rol in het vaak bloedig drama van liet zuiden.
Tijdens den kruistocht tegen de Albigensen, sloeg Simou
van Montfort het beleg om Lourdes. 3) Na een hardnek-
kigen strijd werd hij meester van het kasteel, doch moest
het weldra weder overgeven aan Gaston, een ijverig aan-
hanger der sekte. De koning van Aragon kwam eindelijk
tusschenbeide, verzoende Gaston met den paus, en be-
werkte dat hij van den grooteu kerkelijken ban ontheven
werd. Maar de inwoners van Lourdes waren zoo gemak-
kelijk niet over te halen, om hunne kettersche meening te
verlaten; zij wilden zich niet bekeeren noch overgeven, en
1)   «Levitaniae vice-coraitatus caput est Lurda veteri arce muuitissima
insignis," zegt de geleerde historieschrijver der Vasconiërs, Oyhenart.
Een oude Italiaausche schrijver noemt: «Lurda piazza d\'incredibile l\'or-
tezza." ïroissart getuigt: «Lourdes est uu chastel impossible a preudre,"
2)  La Féodalité dans les 1\'yréuées. par G. B. de Lagréze.
3)  Lo ric castel de Lorda me faria hom livrar
E Bearne e Bigorra et la terre bailar.
-ocr page 315-
295
behielden het kasteel ter veilige schuil- en verdedigings-
plaats voor de Albigensen.
De dood van de beruchte gravin Petronille veroorzaakte
een langen en bloedigen twist, waarin ons kasteel het
levendigste aandeel nam. Esquivat IV, kleinzoon van Pe-
tronille, had bezit genomen van al hare goedereu. Gaston
van Bearn echter, zijn neef, deed zijn rechten gelden op het
graafschap van Bigorre. Om zich tegen zijn neef sterker
te kunnen verzetten ; verklaarde Esquivat zich vassal van
Hendrik III, koning van Engeland, \') en wist den bisschop
en het kapittel van Puy te misleiden, om aan Hendrik III
hunne rechten op Lourdes te verkoopen voor de som van
3200 livers. l) Hiermede nog niet tevreden, schonk hij
aan zijn neef Simon van Montfort, graaf van Leycester,
al de landen van zijn graafschap als een gift bij levende
hand, echter maar in schijn, daar hij van Simon de ver-
klaring vorderde en ook verkreeg, dat deze de schenking
slechts voor de leus zou aannemen en niet als werkelijk
geschied zou beschouwen. Doch wat de haat en de
afgunst hem hadden ingegeven, werd later zijn eigen on-
geluk. Toen Simon van Montfort eenmaal den giftbrief
in handen had, begreep hij ook als heer en meester het
kasteel van Lourdes te kunnen in bezit nemen, en nes-
telde er zich in. Esquivat, bedrogen door zijn handlanger,
trok op om zijn leengoed te herkrijgen, en ontstak de
oorlogstoorts in gansch Bigorre. ïarbes verklaarde zich
1)   15 Juni 1254. De koninklijke brieven worden bewaard in het ar
chief van Pau.
2)  November 1253.
-ocr page 316-
296
voor Esquivat, maar Lourdes bleef de zijde van den graaf
van Leycester houden. Na vele bloedige gevechten kwam
men eindelijk den 2dsi> Oktober 1260 tot een vergelijk,
waarbij werd bepaald, dat Simon van Moutfort op Drie-
koningen van het volgende jaar de stad en het kasteel van
Lourdes zou verlaten. Tegenover Gaston van Beani verbond
zich Esquivat plechtig bij geschrifte, dat hij buiten zijne
toestemming en die der Staten van Bigorre niets verkoopen
of vervreemden zou.
Bij den dood van Esquivat in 1283 kwam Laura, burcht-
gravin van Turenne als erfgenaam op ; maar ook Gaston
van Bearn deed weder zijne rechten gelden ten behoeve zijner
dochter Constance; terwijl Simon van Montfort bij zijnen
dood in 1265 zijne rechten had overgedragen op Thibaut,
koning van Navarre, die dan ook GarcieArnaud de Volente
tot slotvoogd van het kasteel te Lourdes had benoemd. De
twee princessen riepen de gemeentebesturen der voornaam-
ste steden op, om uitspraak in haar geschil te doen; en
dezen beslisten ten gunste van Constance. Ook de bis-
schoppen bevestigden deze uitspraak. Daar Laura hier niet
mede tevreden was, brachten de princessen de zaak voor
den koning van Engeland, die de zaak niet beter wist te
eindigen, dan met het graafschap van Bigorre verbeurd te
verklaren, en zich zelveu het eigendom daarvan toe te
wijzen.
Intusschen betwistte ook de kerk van Puy de geldigheid
van den verkoop aan Engeland gedaan, waarom Jeanne,
koningin van Navarre en Frankrijk, de zaak voor het Par-
lement bracht, dat eindelijk ten voordeele van den bisschop
en het kapittel van Puy vonnis velde. Philips de Scnoone
-ocr page 317-
297
nam toen bezit van het kasteel en de stad, als behoorende
tot het koninkrijk van Navarre, dat aan zijne vrouw als
nicht van Thibaut ten erfdeel was gevallen. Het graafschap
Bigorre werd alzoo in 1300 bij Frankrijk ingelijfd.
Wanneer koning Jan, door den Zwarten Prins over-
wonneu en in de gevangenis was geworpen, werd door het
verdrag van Bretigny, 8 Mei 1360, geheel Bigorre met
nog andere schoone en rijke provincies den Engelscheu
toegewezen; den 19den Juli 1363 legde de stad in de
kerk van Sint Andreas te Bordeaux den eed van onderda-
nigheid en getrouwheid af aan den koning van Engeland,
en verkreeg de koninklijke belofte dat hare voorrechten
zouden geëerbiedigd worden.
De overheersching der Eugelschen duurde lange jaren,
maar werd niet zelden verontrust en gestoord ; \'t was voor
den adel een tijdperk van glorie en geweld; voor het volk
een tijdperk van ongeluk en jammer.
PierreArnaud van Bearn, neef van Gaston-Phoebus was
door den Zwarten Prins — dus werd de zoon van koning
Eduard van Engeland geheeten — tot slotvoogd van het
Lourdessche kasteel aangesteld ; en geen trouwer edelman
kon ooit met het bevel over de forteres worden belast.
Intusschen hield de Eugelsche prins schandelijk huis in
Bigorre, perste en zoog het volk uit en bezwaarde het
met ondragelijke lasten. Het volk schreeuwde wraak en
riep de hulp van Erankrijks koning in. Eduard, ter ver-
antwoording voor het hof der pairs gedaagd, begreep dat
het eigenbelang hem gebood een zachteren weg in te slaan,
riep zijn zoon terug en zond Jean de Grailly om Bigorre
te besturen.
-ocr page 318-
298
Intusschen rukten Fransche legertroepen allengs verder
het zuiden in, en bedreigden de Engelschen van alle kanten.
Amaud van Bearn versterkte zich duchtig en riep eeuigen
zijner vrienden op het kasteel, om hem in de verdediging
behulpzaam te zijn. Zoo nestelden zich daar zes edellieden,
even dapper en onversaagd als woest en roofzuchtig, wier
namen alleen de schrik des omtreks waren. Zij noemden
zich Jean van Bearn, Pierre d\'Anchin, Ernauton de Sainte-
Golombe, Ernauton de Eostero, Le Bourg de Canillac en
de gevreesde Mougat de Ste Bazile. Dagelijks trokken zij
met hun manschappen uit naar verschillende streken, tot
zelfs dertig uren ver; roofden, plunderden en moorden alles
wat in hunne handen viel, en dat alles in den naam van
den koning van Engeland ; burchten en kasteelen waren
voor hen niet gevrijwaard, en ook zelfs menige kleine stad
werd door hen overvallen en uitgeplunderd.
Toen vereenigden zich langzamerhand eenige edellieden
en riepen de weerbare mannen der omliggende steden op,
om de gevreesde roovers te gaan bestrijden en, zoo mo-
gelijk, het moordhol op de rots van Lourdes te vernietigen.
Was het kasteel eenmaal aan de Engelschen ontnomen, dan
waren dezen ook uit geheel Bigorre verdreveu.
Be hertog van Anjou, broeder van Karel V, vertrok den
14den Juni 1374 van Toulouse, om zich met den cones-
tabel Dugueselin te vtreenigen en aan het hoofd van 15000
man tegen Lourdes op te rukken. De gansche adel schaarde
zich onder zijne vanen. Na het kasteel van Mauvezin te
hebben bemachtigd, sloeg hij het beleg voor Lourdes en
nam het kleine stadje na vijftien dagen in. De Eranschen
vonden echter niets dan ledige straten en ledige huizen:
-ocr page 319-
299
alle inwoners toch waren naar het kasteel gevlucht. Zich
gemakkelijk vestigende in de verlaten woningen, beproefde
het leger alles oin de sterkte te bemachtigen of tot overgaaf
te dwingen ; bedreiging noch beloften, wapenen noch geld
werden gespaard ; maar alles tevergeefs. De roovers spotten
met de Franschen, eu velden menig krijger neer, die zich
te dicht bij het kasteel had gewaagd. De hertog van
Anjou, ziende dat hij hier vruchteloos zijn krachten ver-
spilde, brak eindelijk het beleg op, maar stak eerst Lourdes
aan vier hoeken in brand, en veranderde het stadje in een
hoop puin en asch.
Wat de hertog niet door geweld van wapenen had kunnen
bemeesteren, zocht hij nu door list te verkrijgen. Hij
kocht Gaston* Phoebus den oom van Arnaud van Bearnom,
en beloofde hem in het graafschap van Bigorre te her-
stellen, zoo hij zijn neef wist te bewegen om het kasteel
van Lourdes over te geven, of zelf door verraad zicli daarvan
meester maakte. Gaston nam het aanbod aan, en de
hertog van Anjou trok zich naar Toulouse terug, om daar
de verdere gebeurtenissen af te wachten.
Gaston verzocht Pierre Arnaud bij zich te Orthez, om
over belangrijke familiezaken te spreken. Arnaud, verraad
duchtende, gaf het opperbevel aan ziju broeder Jean van
Bearu over, hem doende zweren dat hij het kasteel voor
den koning van Engeland trouw zou bewaren, en vertrok
naar ziju oom. Daar werd hij drie dagen vorstelijk ont-
haald, en eindelijk onder de schoonste beloften en aan-
biedingen tot de overgave van Lourdes aangespoord ; doch
als hij hardnekkig alles vau de hand wees en getrouw
bleef aan zijn eed, laaghartig door zijn oom met eene
-ocr page 320-
800
dagge in het hart gestoken en vermoord. Zijn broeder
Jean werd door den koning van Engeland als siotvoogd
van Lourdes bevestigd \') en bleef hem getrouw.
Intusschen werd de Engelsche heerschappij in gansch
Aquitanië meer en meer bedreigd, en naderde allengs het
oogenblik, waarop de Pyreneesche valleien het juk van
den vreemdeling zouden afwerpen. Jean de Bourbon, graaf
van Clermont viel de Eugelschen aan, en vereenigde zich
met den dapperen held Anger Couffitte, die aan het hoofd
van den Baregeschen adel den vijand verdreef, zoodat
alleen Lourdes nog iu de handen van den vreemdeling
overig was. Jean van Bearn verdedigde zich tot het uiterste
en verwierf den eertitel van .onoverwinnelijk te zijn. 2)
Maar eindelijk moest hij zwichten en het kasteel den
Eranschen overgeven op den 26sten Maart 1406. Eenige ge-
schiedschrijvers geven deeer der overwinning aan den hertog
van Berry, anderen aan Johan, graaf van Eoix.
Na het vertrek der Eugelschen mocht Lourdes gedurende
eeue eeuw rust en vrede genieten, welke eerst gestoord
werden, toen de nieuwe godsdienst leer omstreeks het jaar
1565 in Bigorre doordrong en de vaan des oproers ont-
plooide. Een zekere Jean Guillen, smokkelaar van beroep,
daagde op uit de bergen van Aure aan het hoofd van
eene woeste bende sektarissen, liep de dorpen en kleine
steden af, overal de katholieken vervolgende en de kerken
plunderende ; de abdij van Lescaledieu uitgemoord hebbende,
1)  20 Januari 1383.
2)   Hij wordt nog altijd beschouwd als eeu held bij uitnemendheid,
zoodat de meeste verhalen of legenden van dien ouden tijd beginnen met
de woordere : En lo temps de capitaine.
-ocr page 321-
801
vestigde hij daar zijn verblijf en werd de schrik der gansche
bevolking. Het garnizoen van Lourdes trok tegen hem op
onder het bevel van Ourout en den heer van Tillouse, be-
legerde Lescaledieu, verdreef de muiters en deed Jean
Guillen een schandelijken dood ondergaan op het plein St.
George te Toulouse.
Weldra echter verschenen in Bigorre drie andere mannen,
die, hoewel van verschillenden godsdienst zijnde, liet land
niet minder onder hunne wreede slagen deden zuchten :
Montgoméry het gevreesde hoofd der hugenooten, ziju
tegenstander Tarride, en Montluc, de onverbiddelijke uit-
voerder van het arrest van het parlement van Bordeaux,
dat al de goederen van Jeanne d\'Albert had verbeurd ver-
klaard. Maar tegenover deze drie kon het kasteel van
Lourdes drie andere dappere en onversaagde mannen stellen,
die getrouw waren gebleven aan het geloof hunner vaderen,
het hardnekkig verdedigden, en van uit hun kasteel meer-
malen den protestanten op het lijf vielen en gevoelige
slagen toebrachten: Frans van Bearn heer van Bonasse,
Carrebaque en Poudens bijgenaamd de Griek.
De Bearnsohe hugenooten verwoestten Tarbes en sloegen
het beleg voor Lourdes in Juni 1573, namen de stad den
8*teii der maand in, verbrandden een twintigtal woningen,
plunderden de overige en namen vele burgers gevangen;
het kasteel echter konden zij niet bemachtigen. Toen
ging er een kreet van ontzetting, een kreet van wraak op
én weerklonk door al de diepe valleien. De montagnards
van Lavedan wapenden zich ; de heeren van Vieuzac en
Arras staken de oorlogstrompet, en Ourout, Estivaire, Ca-
saubon en Pontac daagden met sterke benden op, ver-
-ocr page 322-
302
volgden onvermoeid den vijand en dwongen den baron
d\'Arros met zijn hugenooten naar Bearu de vlucht te nemen.
Lourdes bleef dus aan de katholieken toebehooreu maar
had verschrikkelijk geleden, en geleek veel meer op een
puinhoop dan op eene stad ; zoodat de omliggende plaatsen
en valleien moesten bijdragen om haar te herstellen.
Koning Hendrik van Navarre verlangde vurig de gods-
diensttwisten in zijn rijk te stillen, en de gemoederen zijner
onderdanen tot rust te brengen, waarin hij eindelijk na
langdurige onderhandelingen slaagde, zoodat Bigorre tot
de gehoorzaamheid aan zijne wettige overheid terugkeerde.
Den 4\'1\'\'" Juli nam de Moissens bezit van het kasteel van
Lourdes, ontving de sleutels uitbanden van de Saint-Mai\'tin,
syndicus van den Bigorreschen adel, en stelde Incatnp als
kastelein van Lourdes aan.
Incamp was even trouw en dapper als zijn voorgangers
in hel. bewaren en verdedigen van het kasteel. Immers
toen de Ligue het oorlogsvuur weder in den omtrek out-
stak, en een duchtig leger naar Lourdes zond om de ci-
tadel te bemachtigen, wetende van hoeveel belang het was
die sterkte in handen te hebbeu, verdedigde hij zich niet
alleen met onbezweken moed, maar zond van tijd tot tijd
nog soldaten naar de vlakten, om baron de Bazilhac in
zijn strijd tegen de benden der edelen te steunen, üp den
eisch des bevelhebbers, den markies Villars, om zich over
te geven, zond hij dit schoone antwoord terug: „De
„koning, mijn meester, heeft mij deze plaats ter bewaring
„toevertrouwd, maar heeft mij niet de macht gegeven om
„haar aan zijne vijanden over te leveren." De vijand trok
dan ook af. Toen later Hendrik JY zijne dwalingen had
-ocr page 323-
803
afgezworen eu tot het katholiek geloof was wedergekeerd,
toen de Ligue overwonnen en uit elkander gejaagd was,
toen daalde ook de vrede weder over Bigorre neder, kwamen
de Staten van dat gewest den 22sten Januari 1594 te Lourdes
ter vergadering bijeen met den kreet: „Leve de Koning !"
en behoorde het schoone gewest voortaan weder tot de kroon
van Frankrijk.
In de 17de eeuw nam het kasteel van Lourdes weder een
werkdadig deel in den opstand der montagnards, ter ge-
Jegeuheid der belasting op het zout, en werd eindelijk in
de 18de eeuw van al zijn roem en glorie beroofd, toen
het verlaagd werd tot de schande van dienstmaagd der
Bastille, en den naam moest dragen van „koninklijke ge-
vangenis." \') Van toen af begon voor die oude en eerbied-
waardige citadel, die zulk een roemrijk verleden had, eene
geschiedenis van bloed en tranen, die met onuitwischbare
letters op zijne breede muren staat gegrifta) Wreede slot-
voogden, geen vijanden meer op het oorlogsveld te bestrijden
hebbende, besteedden vaak al hun tijd aan het pijnigen en
martelen der ongelukkigen, die als staatsgevangenen op
het kasteel waren gekerkerd. Lu hoevele onschuldigen,
slachtoffers van wraak of haat, eu ook wier eenig misdrijf
was dat zij een ander, die naar geld of rang haakte, in
den weg stonden, hebben daar in ijzeren boeien ge-
zucht, hun jeugd eu mannelijken leeftijd zien verwelken,
1)  Les prisons royales de Lourdes.
2)  Chausenque zegt, dat het hem toescheen alsof ei\'op geschreven stuud
dicoloreoscuro:
Per me si va iiella cittü doleute.
Per me si va ueU\' eterno dolore.
-ocr page 324-
304
om eindelijk met een vergeten dood het ellendig leveu te
eindigen ! Een enkel geheim bevel des konings, door list,
bedrog of geld den minister afgetrocheld, was genoeg om
iemand geheimzinnig te doen verdwijnen en voor altijd op
de kale rots van de Pyreneeën vast te kluisteren. Vele
treffende verhalen worden daarvan door de geschiedschrijvers
bewaard, of leven nog onder het volk van Lourdes.
Gedurende de Fransche revolutie werd het kasteel voor
korten tijd als staatsgevangenis opgeheven ; doch de eerste
consul Napoleon sloot lord Eldgin daarin weder op, en
vulde het gedurende het gansche keizerrijk voortdurend met
staatsgevangenen. Bij de herstelling van het koningschap
werd Lourdes aan het krijgswezen terug geschonken, en
een klein garnizoen bezette weder het oude kasteel.
Nog met een kort woord moeten wij gewagen van de
vele aardbevingen, die deze stad dikwijls geteisterd hebben.
Gregorius van Tours verhaalt dat de bergen der Pyreneeën
in 58(i zoo geweldig schudden, dat menschen en vee daarhij
omkwamen. Een Spaansch geschiedschrijver verhaalt het-
zelfde van het jaar 1378. P. Kircher verzekert, dat in
de maand Juli 1661 eene aardbeving een hoogen berg
van Bigorre deed verzinken en een meer daarvoor in plaats
stelde. Een ander schrijver zegt, dat in 1678 nieuwe aard-
bevingen in de Pyreneeën ontstonden, die dezelfde uitwerk -
selen hadden. Men meent algemeen dat de berg, waarvan
hier sprake is, even buiten Lourdes lag, en men wijst u
nog met zekerheid de plaats aan, waar hij zou gestaan
hebben.
In 1750 werd eeue aardbeving door gansch Frankrijk,
en wel niet het minst in de Pyreneeën gevoeld. Den 24st,m
.
-ocr page 325-
305
Mei des avonds ten 9 ure werd een hevig gedruiscl), als
van een verren donder, in de vallei van Lavedan vernomen,
welke werd gevolgd van een hevigen schok, die een mi-
nuut lang aanhield, en van wel dertig kleinere bewegingen.
De dieren brulden en loeiden verschrikkelijk, de vogels
vlogen krassend en gierend door de lucht en vielen dood
ter aarde. De rotsen scheurden en spatten uit een; de
zware muur van het kasteel viel om, de stallen van den
kommandant stortten in en de kapel werd bijna geheel
verwoest. Alle huizen stonden te waggelen en leden groote
schade. Een rots rolde tusschen Lourdes en Pont-Neuf
in de Gave. Den 278t,i Mei herhaalde de aardbeving zich
nogmaals, liet volk bad en kermde, smeekte den hemel om
ontferming en stelde eene processie in, om Gods straffende
hand ie verbidden. Tot aan de Fransche revolutie bleef deze
processie alle jaren uittrekken.
DeGazette de France van 20 Maart I 751 vermeldt
eene aardbeving in de Pyreneeën op den 12a™ Maart, welke
verschrikkelijke uitwerkselen had. De vreeselijke ramp van
Allerheiligen-dag te Lissabon liet ook de valleien van Bi-
gorre niet ongedeerd. Den 14\'1\'" Februari 1807 had Lourdes
nogmaals eene aardbeving door te staan, maar vooral ook
den 22sten Mei des jaars 1814. \'t Was zondag, en het volk
was ter Hoogmis verzameld in de oude sint Pieter, waaraan
men juist groote herstellingen deed. Eensklaps golft de
grond, zoodat de muren waggelen, en het steigerwerk met
donderend geweld naar beneden stort. De gansche menigte
ijlt naar de deuren en verdringt zich om het gebouw te ont-
vluchten, dat dreigde in te storten. Velen werden in het
gedrang gekwetst, en half verstikt of vertreden weggedragen.
20
-ocr page 326-
306
Ziedaar de korte geschiedenis van de stad Lourdes met
haar oud kasteel. \') Roemrijke dagen heeft zij beleefd,
maar ook dagen vao strijd en van wee ; haar leven was
zeer bewogen en eene afwisseling van grootheid en ver-
nedering, van rijkdom en armoede, van oorlog en vrede,
van droefheid en vreugde. De geschiedenis der wereld is
ook hare geschiedenis in het klein. Maar heeft zij in de
laatste eeuwen allengs haar roem en grootheid zien vergaan,
was zij in de laatste 50 jaren arm en onbekend geworden :
zij is weder eensklaps uit hare geringheid opgestaan, toen
de vinger Gods haar heeft aangewezen als de plaats, waar
Frankrijks redding en heil, iVankrijks overwinning eu
grootheid zullen herkregen worden.
1) Kene uitgebreide eu zeer verdienstelijke geschiedenis van Lourdes
heeft geschreven de heer G. B. de Lagrèze, couseiller a la Cour d\'appèl de
Pau : Chroniquede la ville et du chateau de Lourdes
i
-ocr page 327-
XV.
MIJN PELGRIMSTOCHT.
\'t Was November 1872.
De Nederlander, die den pelgrimsstaf opneemt, om eene
bedevaart te ondernemen naar O. L. Vrouwe van Lourdes,
gaat over Brussel naar Parijs en van daar naar Bordeaux,
\'t Is een aaneenschakeling vau heiligdommen, beroemd door
hun wonderen en voortdurend door pelgrims bezocht, die
ge op uwen langen tocht van Parijs tot Bordeaux ontmoet.
Gedurende drie of vier uren stoomt gij door de vallei
der Seine en het heerlijke dal van Orge; gij trekt voorbij
Juvisy, Savigny, Epinay, en ontdekt in de verte een zwaren
toren op een kegelvormigen heuvel gebouwd, die nog fier
zijn spits ten hemel heft,niettegenstaande dezeven eeuwen,
die hij reeds torscht. De H. Lodewijk vond daar weleer een
veilige schuilplaats tegen zijne oproerige leenheeren. De
legende verhaalt dat in overoude tijden, toen daar niets
dan uitgestrekte bosschen waren, waarvan die van de H.
Genoveva en van Poutainebleau de laatste overblijfselen zijn,
toen het licht des Evangelies nog niet over de aarde was
opgegaan, de Druïden daar in eeu geheiligd woud een
beeld vereerden van eene maagd met een kind op den arm,
\\
-ocr page 328-
30S
waaronder de voorspellende woorden stonden geschreven :
Virgin i pariturae. De H. Dionysitts, apostel der
(xalliërs, kwam hun later verklaren wie die Maagd was, en
hoe zij had gebaard den Heer en Verlosser der wereld ;
zond den H. Yon naar die streken om daar het Evangelie
te verkondigen en eene kerk te bouwen, en schonk aan
dat heiligdom een gedeelte van den sluier der H. Maagd,
dat hij van de apostelen had ontvangen, en dat nog in
de oude kerk van Longpont wordt bewaard. De tegen-
woordige kerk dagteekent van de elfde eeuw ; immers in
\'t jaar 1000 legde koning Robert de Godvruchtige, ver-
gezeld van den bisschop van Parijs, den eersten steen. De
heeren van Montlhérv droegen de kosten der stichting, en
de heilige gravin Hodierna arbeidde zelve mede aan de
oprichting van het heiligdom, waarin eenmaal haar over-
schot zou rusten. Zij droeg het water aan voor de, smeden
en de metselaars. Eens had zij haren emmer aan den ingang
eener smidse nedergezet en zich voor eene korte wijle
verwijderd. Twee smeden beraamden het helsche plan om de
godvruchtige edelvrouwe het werk te doen staken; en zij maak-
ten het ijzeren hengsel gloeiend en boorden een wijd gat in
den bodem. De gravin kwam terug, vatte het hengsel
aan zouder zich te branden, en droeg het water in den
emmer alsof hij niet doorboord was ; maar zij voorspelde
den snoodaards dat zij nog binnen het jaar zouden sterven,
en dat er nooit een smid te Longpont zou kunnen wonen.
Tot in de laatste jaren heeft er ook nooit een smid ge-
woond, en de eerste,.die er nu onlangs zich heeft gevestigd,
is niet in gebreke gebleven zijne smidse en zijn huis eerst.
door den pastoor te laten wijden. Toen de kerk was ge-
s
-ocr page 329-
309
bouwd, verzocht Hodierna den abt van Cluny oin religi-
euzen en verkreeg er 22, die daar tot aan de revolutie
den H. dienst waarnamen. Altijd was dat heiligdom in
groore eere, en trok eene menigte van pelgrims. De H.
Bernardus kwam daar bidden voor den goeden uitslag van
het concilie van Etampes; de H. koning Lodewijk trok
er dikwerf heen ; zijn kleinzoon Lodewijk graaf van Evreux
nam er het habijt aan; de pausen schonken het vele
kostbare reliquieën en richtten er in de twaalfde eeuw
een aartsbroederschap op, dat thans met nieuwen luister
herleeft. Op Pinkster-dinsdag stoomen er duizenden bede-
vaartgangers naar toe, vooral van Parijs, om te bidden
tot haar die heeft ontvangen van den H. Geest, die heeft
gebaard en toch is Maagd gebleven.
De trein is intusschen reeds voortgesloomd tot Orleans,
eens bevrijd door Jeanne d\'Arc, en weldra ook tot Tours,
zoo beroemd door den H. Martinus. De soldaat van Caesar
werd de krijgsknecht van Christus en behaalde zulk een
roemrijke overwinning, dat geen vijftien eeuwen in staat
zijn geweest er de gevolgen van weg te nemen. Geen
heilige wordt in Frankrijk zoo algemeen door het volk
vereerd als de H. Martinus: zijn feestdag geeft het tijd-
stip aan, waarop de landpacht wordt betaald en nieuwe ver-
bintenissen worden aangegaan, en 4000 kerken zijn hem
in Frankrijk toegewijd. Gedurende vele eeuwen werd de
baziliek van den H. Martinus door de gansche christen-
wereld vereerd : na sint Pieter, de kerk van het H. Graf
te Jerusalem, en sint Jacobus van Compostella, trok sint
Martinus de meeste pelgrims. De revolutie kwam als een
doodende stormwind over het heiligdom en wierp het ter
-ocr page 330-
310
aarde, maar een engel waakte over liet graf des grooten
heiligen en bewaarde het op wondervolle wijze. Wij naderen
Poitiers, de stad der heilige Radegonda, koningin, abdis
en bovenal eene heilige : de stad van den grooten kerk-
vader Hilarius, een der trouwste bewakers van de oufeil-
bare leer der Kerk ; eu komen eindelijk aan Ligugé, een
der oudste kloosters van Gallië.
Wij hebben te Bordeaux vertoefd, en stoomen de kale
vlakten van Laudes in. Daar ontmoet gij kleine herders,
blootsvoets, met een knapzak op den rug, een bruin vest
aau van schapenwol gemaakt en een Biskajer muts op het
hoofd, \'t Was een dezer arme kinderen uit de heide, hetwelk
de goddelijke Voorzienigheid in de zestiende eeuw uitkoos,
om geheel Frankrijk te hervormen en de christelijke liefde
niet alleen met het woord maar vooral met de daad te
prediken : den H. Vincentius van Paulo. Zoo vervolgt gij
uwen pelgrimstocht, en bereikt, al biddende van het eene
heiligdom tot het andere, het doel uwer reize, O. L. Vrouwe
van Lourdes.
\'t Was woensdagochtend half elf, toen de spoortrein
mij van Pau langs de Pyreneeën naar Lourdes heenvoerde.
Reikhalzend zag ik uit naar het doel van mijn langen pel-
grimstocht, en voelde het hart met feller slagen kloppen
bij het naderen van de plaats, waar God op zulke wonder-
bare wijze zijne onbevlekte Moeder heeft vereerd, en zijne
oneindige barmhartigheid heeft getoond. _De trein heeft
zijn vaart gematigd en met schel gefluit ons naderen aan
het station geboodschapt; het hooge kasteel hebben wij
reeds uit de verte begroet, een prachtige toren van wit
bergsteen heeft ons oog sinds lang getrokken ; en daar,
-ocr page 331-
311
daar zien wij eensklaps aan de overzijde van de Gave de
heilige grot, waarin honderden toortsen branden, waarboven
het beeld van de Onbevlekte Ontvangenis is geplaatst, en
waarvoor eene menigte van pelgrims ligt nedergeknield.
Wij inoeten de hand op den boezem drukken, om het on-
stuimig kloppen te bedwingen. Maar de trein gaat altijd
voort en zet ons weldra af. De hotels hadden hun rij-
tuigen aan het station ter opneming der reizigers gezonden: en
daar ik verlangde dicht bij de Massabiella-rotsen te logeeren,
stapte ik in den omnibus, waarop met groote letters stond
te lezen „H ötel de la grott e."
\'t Was een nieuw hotel aan het einde van de rue de la
Grotte gebouwd en nog niet voltooid, maar kon toch gevoe-
gelijk reeds vele gasten herbergen. Ik klom naar mijne
kamer, verlangende na een spoorreis van schier 24 uren
mij te verfrisschen, en begaf mij naar het venster dat
open stond. Wie beschrijft mijne gewaarwording ? wie
mijn gevoel ? Daar ontvouwde zich voor mijn gezicht een
tafereel als ik nog nooit aanschouwd had. Met klaterend
geweld bruiste de bergstroom beneden het venster over
zijn oneffen bedding, en tuimelde over steenbrokken en
rotsstukken heen ; een breede weg, met een zoom van houten
winkels en kleine kraampjes, waarin men allerlei voorwerpen
van godsvrucht verkoopt, is met gaanden en komenden
als bezaaid en komt, als hij achter een rotsblok is ver-
dwenen, daar ginds in de verte weder te voorschijn, om
al klimmende eindelijk zich geheel aan het oog te ont-
trekken. Rondom bergen, hooge steenbergen, hier en daar
begroeid met wilde rozelaren en doornstruiken, maar hooger-
op kaal en bruin en met den top in de doorschijnende
-ocr page 332-
812
wolken gestokeu. fin daar iu de verte, waar het gezicht
stuit op rots en steeuheuvel, daar staat het blanke heilig"
dom en heft zijn ranke en fraaie torenspits langs de groe
nende heuvels omhoog.
Het hart \'erlangt naar de wondergrot. De breede weg
voert u met een fraaie steenen brug over de Gave, en
langs steengroeven voorbij den molen des heereu de Laffite
tot aan de Massabiella-rots. Daar leidt een bergweg u op-
waarts naar de grotkerk, of een voetpad naar het missio-
narishuis, dat op de helling van den berg is opgetrokken,
of eindelijk een tweede breede weg langs den muur, die
den afgehouwen berg ontsluit, met een groote bocht naar
de plaats, waar de Onbevlekte. Ontvangenis is verschenen.
Ziedaar mij aan de grot van O. L. Vrouwe van Lour-
des. Vol aandoening kniel ik neder tusscheu de velen,
die op het ruime plein ter aarde liggen gebogen, en spreek
een vurig dankgebed. De steile rots van blinkend steen
heeft drie onregelmatige opeuingen, grillig boven elkander
geplaatst, en van achteren in gemeenschap met elkander,
op de wijze als de gaten eener spons. De beneden-opening
is gelijk met den grond, en beschrijft een grooten vrij
regel maligen boog van ongeveer vier meters hoog en van
twaalf tot vijftien lang. üe diepte der grot zal bijna
gelijk zijn aan haar breedte. Daar boven, meer aan uwe,
rechterhand, is een tweede opening smal en hoog, bij wijze
van een spitsboog: \'t is de grot, waarin de Onbevlekte
Ontvangenis is verschenen, en waarin thans het marmeren
beeld prijkt, omgeven van de woorden: „je suis l\'im-
macui.ée conception," in zilveren letters. Ter zijde dezer
grot, maar weder iets hooger, is de derde kleinere opening.
-ocr page 333-
:m
De benedengrot is gesloten met een hoog ijzeren hek ;
maar de broeder, die in liet kleine huisje naast de grot
verblijft, opent het gaarne voor u, als er niet te veel
aaudraug van volk is. Onder het beeld hangt een gouden
lamp, omgeven van ontelbare offers, door dankbare handen
van herstellen daar opgehangen. Vooral het getal van
krukken is verbazend groot. Een ijzeren monsterblaker draagt
dag en nacht een vracht van geofferde kaarsen, en wordt,
even als de kleinere standaard dieper in de grot, aauhou-
dend voorzien uit de tivee groote kisten, die voortdurend
door de pelgrims worden gevuld. A.au uwe rechterzijde,
diep in de grot, is een soort van hoeknisje door den gril*
ligen rotssteen gevormd, en daarin liggen duizenden briefjes,
die de beden van smeekeude zielen tot O. L. Vrouwe van
Lourdes bevatten. Wat al geheimenissen van diepen rouw
en bitter leed, van oudermin en kinderliefde zullen daar
niet verborgen liggen ! Wat al tranen en verzuchtingen
van verbrijzelde harten en lijdende zielen, van zondaars en
rechtvaardigen zullen uit dat verholen hoekje niet opwaarts
gaan tot voor Maria\'s troon !
Meer uaar de linkerzijde, achter in de grot waar het
gewelf naar den grond duikt, daar is de plek, waar onder
Bernadetta\'s vingereu de wonderbron is ontstaan en nog
immer haar water blijft geven, \'t Is een smalle goot, van
slechts eenige weinige duimen diepte, afgesloten door een
klein hekje van gevlochten ijzerdraad. Gij ziet niets op-
borrelen, niets stroomen : en toch geeft de fontein, bui-
ten het hek geplaatst, meer dan honderd-duizend kannen
daags. Aan den hoek van de oostzijde is dit kanaal ook
van boven toegemetseld, en leidt het water naar de
-ocr page 334-
au
fontein en de twee waterkommen in het huisje daarneven.
Buiten het hek staat de fontein van zwart raarmer, en
i^eeft uit drie metalen monden het wonderwater aan de
vragende menigte. Tinnen kroezen en glazen staan daar
altijd ten dienste der pelgrims; eu een ieder drinkt en
wascht zich, of vult de blikken bus of de flesch, die hij
heeft medegebracht. Een wit marmeren plaat geeft in
vergulde letters de woorden te lezen, die de verschijning
tot Bernadetta sprak:
Allkz boire
a la fontaine
et vous y laver.
fevrier j858. \')
Om den hoek van de rots, waar de verkorte molenbeek
naar de Gave stroomt, en het breede plein voor de grot
en de prachtige accasia-laan beginnen, is een groote steen
in den muur gemetseld, waarop te lezen staat:
A t/ÉPOQUE DES APPARITIONS
LE RUISSEAU
Qü\'ON A DÉÏOURNÉ IC1 VERS LE GAVE
CONTINUAIT SON COURS
JUSQU\' AU DELA DE LA GROTTE.
CETTE PRIMITIVE DIRECTION
EST ACTUELLEMENT INDIQUEE SUR LE SOL
PAR DEUX LIGNES NOIRES
ET DES INSCRIPTIONS. 2)
1)   Ga drinken aan de fontein en u daarin wasschen. Februari 1858.
2)  Ten tijde der verschijningen vervolgde de beek, die men hier naai de
Gave geleid heeft, haren loop tot voorbij de grot Die eerste richting
wordt thans aangeduid door twee zwarte strepen en opschriften.
-ocr page 335-
:U5
Ter zijde dier zwarte strepen, zoo wat vlak voor de fon-
tein, wijst een wit marmeren steen in den grond u de
juiste plaats aan, waar Bernadetta op de knieën lag toen
zij de eerste verschijning zag, met de woorden :
ICI
SE TUOUVA1T BeRNADBTTB
LE 11 FKVR1ER 1858,
QUAND LA TRES SaINTE VlERGE LUI APPARUT
POUR LA PREMIERE POIS. \')
Wat men aan de grot gevoelt kan ik niet uitdrukken,
veel minder beschrijven, \'t Is of een heilige ademtocht u
omgeeft en de tegenwoordigheid van God en zijner onbe-
vlekte Moeder doet gevoelen ; bidden moet gij er, en bidden
kunt gij er. Vraagt het aan de houderden, die ik daar
van den vroegsten morgen tot den laten avond vond ne-
dergeknield of gezeten op de banken van liet ruime plein :
en zij zullen u getuigen hoe de geest des gebeds u in
de ziele vaart en bidden doet, zooals gij nog nooit hebt
gedaan. De dag was vaak te kort, en slechts met moeite
kon aaen bij het begin van den nactit de helder verlichte
grot verlaten en het gebed onderbreken, om een weinig
rust te nemen. En wat ziet gij er niet ?
Adellijken en armen, aanzienlijken en geringen, pries-
ters en religieuzen, soldaten en burgers, mannen en vrouwen,
grijsaards en kinderen, zieken en gezonden, allen knielen
dooreen en bidden als om strijd en drinken van het water
o,f wasschen zich in de hut. Hier zingt men de litanie
1) Hier bevond zich Bernadetta den Uden Februari 1858, toen de
Uerheiligste Maagd haar voor de eerste maal verscheen.
-ocr page 336-
316
van O. L. Vrouwe daar het Magnificat of eenander
•ied ; ginds bidt men den rozenkrans of omgeeft meu de draag-
baar, waarop een verlamde edelman ligt uitgestrekt, die
hier genezing komt vragen ; daar weder wascht eene moeder
haar ziekelijk kind, elders ondersteunt eene arme vrouw
haar bleeken en uitgeteerdeu zoon, die zelf eenmaal de
steun zijner moeder hoopte te worden ; en hier leunt een
gebrekkige op zijn krukken en steekt de dorre handen uit
naar liet beeld van haar, die reeds zooveel ongelukkigen
heeft getroost en genezen.
Als ik op een laten avond in de grot zelve bij het licht
der geofferde kaarsen mijn brevier zat te bidden, kwam
een bejaard man, dien ik reeds meermalen had opgemerkt
zoowel in de kapel daarboven als hier voor het beeld, naar
mij toe, greep mijne handen en vroeg weenend :
—  „Ik bid u, mijnheer! dank met mij O. L. Vrouwe,
want ik ben genezen."
Ik vroeg hem welke gunst hij van de heilige Maagd
verkregen had.
—  „Mijnheer \\" zoo verhaalde hij: „sinds lange jaren leed
ik aan een kwaal der ingewanden, en stond schier dagelijks
vreeselijke pijnen uit. Geen dokter kon mij helpen of op
den duur verzachting geven. Ik ben naar O. L. Vrouwe
van Lourdes gekomen, ik heb hier drie dagen gebeden
en van het water gedronken : en ziedaar mij genezen; ik
gevoel geen pijn meer, ik kan alles gebruiken en heb zelfs
voortdurend honger. Wat vermag de H. Maagd toch veel!
Wat is zij toch goed en barmhartig!"
En daar lag hij weder aan mijne zijde op de knieën,
weende overvloedig en sprak zijn dankgebed.
-ocr page 337-
817
Van de stad komende gaat gij langs den bergweg
opwaarts naar de kerk ; maar ook van de grot kunt gij
naar boven klimmen op een voetpad, dat meermalen
langs de helling slingert en aan de achterzijde van het
terras eindigt. De bovenkerk, die des zondag gebruikt
wordt, is altijd geopend. In de crypt gaat ge de H. Mis
lezeu ; de middelste kapel is den paters voorbehouden ; de
audere vier zijn ten gebruike der vreemde priesters. Da-
gelijks gaan daar ontelbaren ter H. Communie; voortdurend
is de kapel gevuld met biddenden; altijd zijn de biecht-
stoelen bezet. Een prachtig seraphieu-orgel van krachtigen
toon staat tusschen de gekoppelde kolommen geplaatst, en
wordt meesterlijk bespeeld door een schoonetr jongen man
met zwaren baard en van beschaafde manieren ; waarneven
eenige paters met welluidende stem de litanie der H.
Moeder Gods zingen; en het „O ra pro nobis!" wordt
telken male door al de aanwezigen met geestdrift ge-
iintwoord.
Tegenover het missionarishuis staat een soort van villa,
door eene godvruchtige vrouw daar gebouwd en aan den
bisschop van Tarbes ten geschenke gegeven. Dan komt men
aan een kleine brug over de molenbeek ; zij is van boom-
takken gemaakt, en brengt u op de weide, waar het
groote pelgrirasfeest van Frankrijk is gevierd. Daar stond
de groote galerij of het ronde landelijk gebouw, dat door
den heer Henri Lasserre ten behoeve der pelgrims was ge-
bouwd, maar voor eeuige jaren door een zwaren stormwind
is vernield, \'t Was een cirkel, in vieren afgedeeld om door-
gang te geven, gemaakt van boomstammen, die bij wijze van
kolommen het rieten dak droegen; \'t was eene open galerij,
-ocr page 338-
318
waarin 68 marmeren tafels waren geplaatst, met banken
omzet; terwijl aan de oostzijde vier marmeren bladen aaneen
gehecht de feesttafel uitmaakte. De geheele ruimte was met
een ijzeren hek omsloten. Daar konden zeker duizend
pelgrims plaats nemen, om te rusten en hun maaltijd te
gebruiken. Op liet groene gras van het middenveld was een
fontein uit rotssteen sierlijk aangelegd, uit wier midden
een voetstuk van denzelfden rotssteen zich verhief, waarop
het beeld der verschijning (% levensgrootte), gebeiteld door
den heer Rafel te Parijs, was geplaatst, gekeerd met het gelaat
naar de eeretafel. Onder het beeld had men een zwart marmeren
blad aangebracht, omlijst weder met rotssteen, waarop in
vergulde letters te lezen stoud :
Ad majorem Dki gloriam kt lauuem virginus Mariae.
Le Donateur
de cette rotonde et de ce pont rustiques,
de ces tables et de ces bancs,
de cette fontain e et de ces ombrages,
Ma. fiENRI JjASSERRE
A Eü L\'INTKNTION FORMELLE
QUE L\'USAGE EN SOIT TOUJOURS
ABSOLUMENT GRATUIT
POUR LES PÉLÉRINS,
ET AUSSI
POUR LES MARCHANDS DE COMESTTBLES,
LES QUELS,
A L\'ABRI DE TOUT MONO POL E,
POURONT APPORTËR L1BREMEMT
AUTOUR DE CETTE ENCEINTE
-ocr page 339-
319
DES PROVISIONS
FOtJR LES MULT1TUDES.
L\'OKDTRE DE NOTRE-DAME DE LotJRDES
SE CHARGE D\'ENTRETENIK
LA FON DATION DU DONATEUR. *)
De parochiekerk, aan den H. Petrus toegewijd, is eene
der oudste van den gansenen omtrek. Toen men voor eenige
jaren het oude hoofdaltaar afbrak om een nieuw marmeren
te stichten, vond men een steen waarop het jaartal 1003
gebeiteld was.
\'t Was duidelijk, dat zijoorspronkelijk in Romaanschen stijl
is opgebouwd ; maar voortdurend in de rampen des oorlogs
moetende deelen, werd zij onophoudelijk hersteld en als
eeue forteres meer versterkt dan versierd. Van daar dat
zij van binnen van alle beeldhouwwerk beroofd, van
buiten met zware konterforteu en eertijds ook met vijf
dikke lompe torens voorzien was.
De kerk heeft tien kapellen, wier giftbrieven, opklim-
mende tot de veertiende eeuw, nog bewaard worden.
1) Ter meerder eere vau God eu lof van de Maagd Maria. De schenker
van dit landelijk, rond gebouw eu van deze brug, van deze tafels en
banken, van deze fontein en belommering, de heer Henri Lasserre heeft
de bepaalde meening gehad, dat het gebruik daarvan altijd volkomen vrij
zal zijn voor de pelgrims, en ook voor de verkoopers van eetwaren die,
gevrijwaard voor alle monopolie, vrijelijk rondom dit gebouw hunne waren
zullen mogen brengen voor de menigten. — De vereenigiug van O. L.
Vrouw van Lonrdes belast zich met de stichting des schenkers te onder-
houden.
-ocr page 340-
o20
De graven van Bigorre waren gewoon onder den ouden
olm, die voor den ingang der kerk stond, recht te preken;
daar ontvingen zij ook de jaarlijksche hulde van deuburchtgraaf
van Asté, die verplicht was hun een sperwer op een tak
zittende, aan te bieden.
Het collatie-recht, behoorde aan de gemeente, en het
gemeentebestuur had ook recht op de otters der hooge feest-
dagen. Kasteel en ziekenhuis bezaten insgelijks hun ka-
pellen ; de eerste wordt niet meer gebruikt en is zeer in
verval.
Het volk schijnt altijd zeer godsdienstig te zijn geweest;
immers de pastoor van Lourd.es schreef vóór de Fransche
revolutie aan zijn bisschop, dat hij ongeveer 1400 cominu-
nicanten in de parochie telde en slechts vijf kende, die
hun eerste H. Gommuuie niet gedaan hadden, namelijk
drie jongens en twee meisjes, waarvan de jongens echter
spoedig zouden aangenomen worden.
De bisschop zelf was gehouden een vreemden priester
te benoemen, om in Lourdes de vasten te preken; de stad
betaalde daaraan 110 livres en 6 stuivers, terwijl hetont-
brekende door den bisschop moest aangevuld worden.
Buiten de stad ontdekt men hier en daar bouwvallen
en overblijfsels van oude kapellen, waarvan eenige zich
nog eens in het jaar sieren met groen en bloemen, als de
processie der kruisdagen daar heeutrekt. Het waren eertijds
de kapellen van Notre-Dame fles Bois, op den weg van
Pontacq ; Notre-Dame de Grace, op den weg van Argelés;
sint Joseph, ten noordwesten der stad; sint Jan bij de
Gave, en sint Felix aan de linkerzijde van den bergstroom.
Vele processies kwamen daar eene of andere gedenkwaar-
-ocr page 341-
.\'321
dige gebeurtenis vieren, of de dankbaarheid der geredde
stad hernieuwen, of ook nieuwe zegeningen over haar af-
smeeken. Zoo noemt rneu nog de processie van de HH.
Fabianus en Sebastianus, die van Hemelvaartsdag, de pro-
cessie van st. Jan, van st. Pieter, van st. Rochus, van
Maria-geboorte en eindelijk die van 24 Mei, ter heriu-
uering der vreeselijke aardbeving van 1750. De stad
voorzag in de kosten dier groote processie en betaalde
nog 15 livers, om alle zaterdagen het „S a 1 v e R e g i n a"
te doen zingen.
De kerk van Lourdes bezit nog drie zeer oude broeder-
schappen : die van O. L. Vrouw, welke reeds 23 Januari
1448 bestond, toen Gaston de Foix als graaf van Bigorre,
en Roger als bisschop van Tarbes de overeenkomst goed-
keurden, die tusschen den pastoor van Lourdes en de broe-
dermeesters van O. L. Vrouw gesloten werd, aangaande de
offers op kerkwijding en H. Sacraments-dag en die van
sint Eutropius en van het H. Kruis, welk eene nieuwe
overeenkomst sloten met de stad den 20ste» Augustus 1524.\')
Deze drie broederschappen werden later nog met vier ver-
meerderd; thans zijn zij nog aanmerkelijk in getal toege-
nomen. Bijna alle inwoners zijn lid van een of ander broe-
derschap, maar de arbeidende klasse zonder uitzondering.
De werklieden stellen hunnen arbeid onder de hoede en
bescherming van den patroon der broederschap, en beoe-
fenen onderling de christelijke naastenliefde. Wekelijks
brengt de gezonde en sterke arbeider een klein offer in
1) Chronique de la ville et du chateau de Lourdes, par G. R. de Lagrèze.
21
-ocr page 342-
322
de algemeene kas, om daarmede den oudeu of ziekeu gil-
debroeder in kwade dagen te steunen. Tedere broederschap
heeft haar eigen kapel, in wier onderhoud zij voorziet;
twee broederschappen deelen zusterlijk het hoog-altaar. De
arbeiders hebben Notre-Dame des Graces; de leihakkers
O. L. Vrouw van den berg Carmel ; de metselaars O L.
"Vrouw van Monsarrat; de kleermakers en naaisters de H.
Lucia; de schrijnwerkers de H. .A nna; de steenhouwers de
kapel van \'s Heeren Hemelvaart ; de beambten en bedienden
der kerken die van het H. Sacrament; en de broederschappen
van sint Jan en van sint Jacobus bestaan uit al degenen,
die den naam dragen van een dezer heiligen.
Het stedelijk ziekenhuis wordt bediend door de zusters
van Nevers, die tevens goede scholen hebben en zich
geheel aan de verzorging van armen en ongelukkigen wijden.
Nog hebben de zusters der onbevlekte Ontvangenis een
nieuw en groot landhuis buiten de stad en even voorbij
de Massabiella-rots gebouwd, ter herberging van zieke of
zwakke vrouwen, die wenschen gedurende eenigen tijd in
de nabijheid van O. L. Vrouwe van Lourdes te verblijven.
-ocr page 343-
XVI.
MIJN EERSTE BEZOEK.
Mijn eerste bezoek in de stad bracht ik aan den waar-
digen en ijverigen man, die met zooveel vuur, opofi\'e-
ring en volharding de taak heeft volbracht, hem door de
Onbevlekte Ontvangenis op de schouderen gelegd; aan den
man, die alles heeft beleefd, in de volle beteekeuis des
woords, wat er te Lourdes is geschied, en met ijzeren
wil heeft voorbereid en uitgewerkt wat er thans gebeurt: —
aan pastoor Peyramale. Ik heb u den toen reeds bejaarden en
grijzen maar nog altijd sterken en krachtigen deken reeds
vroeger geschetst.
Hij ontving mij hartelijk en was bereid mij alle inlich-
tingen te geven, die ik maar zou wenschen. Zijn huis
stond voor mij open, en een altaar werd in de parochie-
kerk ter mijner beschikking gesteld. Ik heb dan ook een
dankbaar gebruik van zijne goedwilligheid gemaakt en
menig uur met den braven priester, soms in gezelschap
van een zijner kapelaans, zitten praten over de verschij-
ningen, over Bemadetta, over de wonderbare genezingen,
over de grotkerk, over de bedevaarten, over de vervolgingen
der H. Kerk, over Frankrijk, over godgeleerdheid, met
-ocr page 344-
324
één woord ; over alles wat mij belaug inboezemde en de om-
standigheden des tijds meebrachten. De Franschman sprak
altijd luide in hem, maar deed hem toch volstrekt niet
blind zijn voor de groote schuld, die zijn ongelukkig va-
derlaiid bij God op zich heeft geladen, üe Pruisen echter
mocht ik niet noemen; en zelfs de geleerdste en god-
vruchtigste Duitsche godgeleerden verwierp hij beslist.
Toen wij eens over Bernadetta spraken, vertelde ik hem
dat in Nederland algemeen verzekerd werd, dat de familie
van Bernadetta zeer veel voordeel uit die verschijningen
getrokken had en thans in zeer goeden doen was.
—  „Onwaarheid I" riep pastoor Peyramale verontwaardigd
uit: „Schandelijke laster! De Soubirous zijn altijd arm
gebleven en hebben nooit iets aangenomen van alles, wat
hun is aangeboden. Schatten zijn hun, ik zeg niet aan-
geboden, maar opgedrongen : en zij hebben ze altijd vol-
standig geweigerd. Daar is niemand ter wereld, die kan
getuigen dat ze ooit iets, het geringste ook, hebben aau-
genomen."
—  „Maar later zijn ze toch in betere omstandigheden
gekomen," bracht ik in.
—  „Luister!" hernam de waardige man: „ik heb ze
acht jaren beproefd. Ik zeg: acht jaren, dat ik ze arm
en zeer hulpbehoevend liet, zoo min mogelijk ondersteunde
en het deed voorkomen, alsof ik van alle armen mij he.t
minst aan hen gelegen liet zijn. Toen ik na die acht jaren
beproevens van hunne belangloosheid overtuigd was, toen
eerst heb ik den bisschop voorgesteld, om iets ten hunnen
behoeve te doen."
—  „En gij hebt ze tot goeden staat gebracht?" vroeg ik.
-ocr page 345-
325
— „Volstrekt niet. Zij waren doo darm en werden oud :
als ik ze derhalve in de gelegenheid stelde, om met hard
en voortdurend werken een eigen stuk brood te verdienen,
dan deed ik hun een groote weldaad en stopte te-gelijker
tijd den lasteraars den mond. Eu zoo heb ik gedaan. Toe-
vallig kwam er een oude korenmolen te koop, die niet
meer dan 5000 francs kon gelden. De bisschop machtigde
mij dien te koopen en aan de oude lieden te geven. Met
dien molen hebben zij niet meer dan een zuinig stukje
brood verdiend, want de molen was oud en afgewerkt. De
zuster van Bernadetta drijft nu den molen en is volstrekt
nog niet rijk ; haar man is vrachtrijder, en moet met zijn
verdiensten het inkomen van den molen stijven, willen zij
niet tot armoede komen. Maar gij gaat ze immers zelf
bezoeken ? Ik zeg u dus niets meer; gij zult u met eigen
oogen overtuigen.\'"
Nog vernam ik uit zijne gesprekken, dat de baron
Massy, nadat hij op bevel des keizers zijn verbod had
moeten intrekken, niet goed meer aan het hoofd van
het departement der Hautes-Pyrénées kon blijven; hij werd
dan ook verplaatst, maar helaas ! om prefekt te zijn van het
departement, waarin O. L. Vrouwe van Salette was versche-
nen. Hij, zoowel als de vrederechter Duprat, de maire Lacadé
en de minister Fould hebben de aarde reeds lang verlaten,
om daarboven het loon hunner werken te ontvangen.
De minister Rouland is uit het ministerie getreden en
geplaatst aan de Fransche bank. De procureur Dutour
is raadsheer aau het Hof, en de commissaris Jacomet
hoofd-commissaris geworden in een der voornaamste steden
Tan Frankrijk.
-ocr page 346-
326
De waardige Peyramale mocht de voldoening smaken,
dat zijn rustelooze ijver voor de verheerlijking der onbe-
vlekte Moeder-Maagd door den H. Stoel op hoogen prijs werd
gesteld, en dat hij ten blijke daarvan door paus Pius IX
tot zijn eerekamerheer werd benoemd. Gausch Lourdes
was daarover in vreugde en vereerde hem schier als een
heilige, wat vooral bleek na zijnen dood in September
1877. Ongelukkig echter was de ijver van Mgr. Peyramale
in de laatste drie jaren al te groot en zijn vertrouwen op
de voortdurende offervaardigheid der pelgrims schier onbe-
grensd geweest. Immers toen alles, wat het heiligdom op
de Massabiel la-rotsen betreft, zoo voorspoedig en zelfs
boven de stoutste verwachtingen was uitgevallen, toen
meende hij nog verder te kunnen gaan en iets te mogeu
ondernemen, waartoe hij geen rechtstreeksche lastgeving
des hemels had ontvangen. De parochiekerk was oud,
leelijk en bouwvallig. Had hij eene prachtige basiliek ter
eere der H. Maagd mogen bouwen, hij wenschte ook eene
groote en kostbare parochiekerk te stichten ter eere van
den prins der apostelen. Hij kocht den noodigen grond,
deed een grootsch en kostbaar ontwerp teekenen en ving
met moed den langen arbeid aan. Helaas! de liefde der
pelgrims voor het heiligdom van de H. Maagd bleek
weldra niet de liefde te zijn voor de parochiekerk van
Lourdes. De inkomsten wareu schraal en de inwoners
konden de hooge kosten niet dragen. Maar \'t was alsof
de moeilijkheden den ijver van den ouden deken nog
verhoogden, want met ijzeren wil zette hij het werk voort.
De gemeente of de kerkekas wilde hij niet bezwaren, en
nam daarom voor eigen rekening groote sommen gelds op,
-ocr page 347-
327
niet lettende op het gevaar, dat daaruit noodzakelijk eens
moest ontstaan. De crypte mocht hij voltooid zien, ook
de bovenbouw bereikte reeds eeue aanmerkelijke hoogte
en de marmeren zuilen verhieven zich statig daar binnen ;
doch toen bezweek de krachtige man onder de te
zware zorgen en drukkende lasten, en legde het moede
hoofd voor immer ter ruste neder. Zijn stoffelijk overschot
werd in de pas voltooide crypte bijgezet, en aanstonds
begonnen eenigen het graf van hunnen ijvervollen herder
te bezoeken, niet zoozeer om voor zijne zielerust te bidden,
dan wel om hem als een heilige te vereeren en aan te roepen.
De bisschop van Tarbes had de laatste onderneming
van Mgr. Peyramale nooit goedgekeurd, en het altijd be-
treurd dat de oude man zich zoo diep in schulden daar-
voor stak. Maar toen nu eene partij zich vormde met het
kennelijk doel om den overledenen pastoor bovenmate te
verheffen, alleen uit onedele gevoelens jegens de eerwaarde
paters aan de grot; toen men een weekblad had opge-
richt, waarin processies naar en godsdienstige oefeningen
bij het graf van den herder werden aanbevolen, toen ver-
hief de kerkvoogd zijne stem en maakte een spoedig einde
aan die betreurenswaardige ongeregeldheden. Aanstonds
schreef hij aan den tijdelijken deservitor:
„Mijnheer de vikaris! — De gedragslijn, die gij te vol-
„gen hebt als bestuurder der parochie van Lourdes, tot aan
„de benoeming van een nieuwen pastoor, is u reeds aan-
„gewezen. Wij hebben echter gemeend de reeds gedane
„aanbevelingen nog eens uitdrukkelijker te moeten her-
„halen, met het oog op zekere gebeurlijkheden, die dreigen
„zich te zullen voordoen.
-ocr page 348-
828
„Gij hebt u eeuig en alleen bezig te houden met het
„geestelijk bestuur der parochie, waarover gij voorloopig
„gesteld zijt. Alles wat betreft de nieuw in aanbouw zijude
„kerk moet u volkomen vreemd blijven.
„Wij drukken u vooral op het hart alle betrekking te
„vermijden met het weekblad, dat te Lourdes verschijnt
„onder den titel van L\'Echo des Pélerins. Mis»
„schien zullen wij op dat blad nog wel eens moeten terug-
„komen; maar in afwachting dat wij daartoe genoodzaakt
„worden moeten wij u verklaren, dat wij uitdrukkelijk af-
„keuren en verfoeien den geest, de bedoelingen, den niet
„christelijken toon van dat blad, zoowel als de meer dan
„vreemde handelwijze van hen, die er de ziel van zijn. Wij
„kunnen niet toelaten dat religieuzen, die niemand hinde-
„ren, volstrekt onbesproken van levenswandel zijn en door
„hun deugd en arbeid de algemeene achting verdienen,
„aanhoudend wekelijks aan de minachting worden prijsge-
„geven door genoemd blad, met een onedel doel dat zeer
„licht te begrijpen is.
„Wij veroorloven niet dat in de crypte der nieuwe kerk,
„of boven dien bouw godsdienstige plechtigheden plaats
„grijpen, die tegenstrijdig zouden zijn met de voorschriften
„der Kerk in gelijke omstandigheden.
„Wij veroorloven evenmin in de aangeduide plaatsen
„de viering der heilige geheimen.
„Nog verbieden wij elke gemeenschappelijke handeling,
„welke het karakter draagt van eeue godsdienstige vereering,
„zooals processies of bedevaarten, waarvau het graf van
„Mgr. Peyramale het voorwerp zou wezen.
„Het zou te wenschen zijn dat men zich te Lourdes
-ocr page 349-
329
„vóór alles bezig hield met de zoo aanzienlijke schulden,
„welke Mgr. Peyramale uit overdreven ijver en vertrouwen
„en alleen in het belang der parochie heeft aangegaan,
„buiten ons weten en op zijn eigen naam. Dit is voorze-
„ker eene zaak, die alle andere moet doen zwijgen.
„Wij meeneu ook een woord te mogen mede spreken
„in de keuze van eene begraafplaats voor den overleden
„pastoor van Lourdes. Kan het welvoegelijk zijn later we-
„der het werkvolk aan den arbeid te zetten boven het
„stoffelijk overschot, dat daar in eene eerbiedige stilte be-
„hoort te rusten tot den grooteu dag der opstanding ?
„Ware het niet verkieselijker geweest eerst de voltooiing
„van het gebouw af te wachten?
„Wij kennen genoeg, mijnheer de vikaris, uwen geest
„van geloof en onderwerping, om de zekerheid te hebben,
„dat gij u zult beijveren de voorschriften te doen opvol-
„gen, die wij u hebben medegedeeld.
„Aanvaard enz.
„Tarbes, 12 October 1877.             t Caesar Victor,
bisschop van Tarbes."
Dit schrijven werd openbaar gemaakt door het J o u r-
nal de Lourdes van 8 .November, en gaf tevens den
regel aan, die door den nieuwen pastoor zou gevolgd wor-
den. De keuze des bisschops viel op een priester van wien
de Semaine catholique getuigde dat hij een man
is „schitterend door deugd en verstand", den eerw. heer
Barrère, hoogleeraar in de H. Schriftuur aan het groot
seminarie te Tarbes. De plechtige inhuldiging van den
nieuwen pastoor had plaats den 24sten November. Het
-ocr page 350-
330
Journal de Lourdes vaii 1 December gaf daar-
vau het volgende relaas :
„\'t Was groot feest te Lourdes Zondag laatstleden; de
parochie ontving haren nieuwen pastoor. Men kende hem
reeds als een der uitstekendste leerlingen van \'net klein
seminarie van st. Pé en een der geleerdste professoren.
Men wist dat het groot seminarie van Tarbes levendig be-
treurde het vertrek van een zijner geaclitste leermeesters ;
en de stad Lourdes juichte met het gansche kerspel de
gelukkige keuze van den bisschop van Tarbes toe.
„De gansche bevolking was in de kerk om den nieuwen
herder te zien en te ontvangen. Mijnheer Lapeyre, maire
van Lourdes, sprak hem het welkom toe met al de vrij-
moedigheid van zijn warm en rechtschapen hart.
„13e vicaris-generaal van Mgr. den bisschop van Tarbes,
mijnheer Lamole verrichtte de plechtigheid der installatie
omgeven van talrijke geestelijken, onder welke men op-
merkte de priesters der parochie en van de grot, de be-
stuurders en vele professoren van het groot en klein
seminarie, mijnheer Laffaille, kanunnik der kathedraal van
Tarbes en mijnheer Dupas, deken en pastoor van Ossun.
„De redevoeringen van den groot» vikaris en den nieuwen
pastoor vormden het glanspunt van den dag ; zij maakten
een diepen indruk op het zoo godsdienstig volk van Lour-
des, dat hen aanhoorde met eene levendigheid van geloof
en met een betuiging van eerbied en liefde, welke ieder-
een diep moesten treffen."
De schoone redevoering van pastoor Barrère begon aldus:
„Ik groet de kerk van Lourdes! Het is mij zoet, mijne
geliefde broeders ! u den groet te herhalen, dien de apostel
-ocr page 351-
331
der natiën aan de geloovigen van Rome zond: Gratia
Domini nostri Jesu Christi cum omnibus vobis. üe genade
van onzen Heere Jesus Christus is de grootste schat van
hemel en van aarde. Ons die genade te verdienen, daar-
mede onze zielen te versieren en haar overvloedig in onze
harten te storten, ziedaar het doel der menschwording
van Gods Zoon, het doel van zijnen bloedigen dood aan
het Kruis, en van zijne voortdurende tegenwoordigheid in
het H. Sacrament des Altaars. De zichtbare wereld met al
de verscheidenheid en rijkdom der ontelbare schepselen,
die daarop leven, is geschapen voor den mensch; maar
hij zelf, hij is geschapen voor de genade, voor het boven-
natuurlijk leven, dat hem tot aangenomen kind van God
maakt, bestemd om met Jesus Christus het erfdeel des
hemelschen Vaders te bezitten. De katholieke priester heeft
de zending dat bovennatuurlijk leven aan de zielen en aan
de wereld mede te deelen; en het is daarom dat ik, met
de gedachte aan hetgeen ik onder u verrichten kom, u
allen, mijne geliefde broeders! de genade van onzen Hei-
land Jesus Christus toewensch.
„Onder de zaaiers van de genade en de onsterflijkheid,
zooals Tertulliaan hen noemt, is de eerwaarde en be-
treurde Mgr. Peyramale voor u een der schitterendste
geweest. Op buitengewone wijze begiftigd met de gaven
der natuur en der genade, bezat hij een innemend en
vriendelijk uiterlijk; vlug en helder van geest, warm en
edel van hart, was hij altijd bij uitnemendheid een bui-
tengewoon werktuig van Gods oneindige goedheid en
genade. Hij heeft haar dan ook met grooten moed en
onvermoeiden ijver in stroomen over u uitgestort.
-ocr page 352-
332
„Mgr. Peyramale was de mail des geloofs, van het
levendig en onwrikbaar geloof der oude tijden. Dat sterk
geloof legde hem die krachtige uitdrukkingen in den mond,
waarmede hij de trage en verdoolde zielen wist op te
wekken en tot hare plichten terug te breugen. Zonder
gevaar voor de gunst des volks, vervolgde hij metontem-
bare kracht het kwaad overal waar zijn doordringend oog
het ontdekte. Zijn woord, scherp als een zwaard wanneer
hij de ondeugd of het misbruik aanviel, was zacht en
zalvend, als hij zich richtte tot de uitverkoreu zielen, die
deel uitmaken van uwe godsdienstige vereenigingen en
broederschappen. Hij wist zich alles voor allen te maken,
om allen voor Jesus Christus te winueu. Hoe groot is
niet het getal zielen, welke deze uitstekende priester den
hemel heeft ingevoerd!
„Voorzeker zijn geloof was groot, maar zijne liefde was
niet minder groot, zij was onuitputtelijk. Zoo het mij ge-
oorloofd ware, herinneringen te ondervragen, dan zoudt
gij allen eenparig antwoorden, dat hij de liefde zelve was.
„Doch dit was niet genoeg. De onbevlekte Moedermaagd
zich gewaardigd hebbende op den gezegenden grond van
Lourdes te verschijnen, was Mgr. Peyramale de pijl, welke
God uit zijn koker nam om de vijanden van zijn werk
te bestrijden. Die pijl vloog altijd, zonder door iets te kun-
nen worden gehinderd of tegengehouden, recht op het doel
af en trof het altijd in \'t harte. Deze glorie is inderdaad
een der schitterendste in den herder, dien gij met zooveel
recht beweeut." (\')
(l) Journal de Lourdes van 1 December 1877.
-ocr page 353-
333
Het werk van Mgr. Peyramale is niet voltooid en de
stilte van zijn graf is ongestoord gebleven; want de gel-
delijke moeilijkheden zijn nog uiet uit den weg geruimd.
Droevig staan daar de brokken muur te vergaan, en te-
vergeefs wachten de marmeren zuilen in hun houten ko-
kers op de vracht, die zij bestemd zijn te dragen. Het
heeft nu reeds al het uiterlijke vau eene groote ruïne.
-ocr page 354-
XV]].
ANDERE BEZOEKEN.
\'t Was zondag-ochtend na de Hoogmis, toen ik de Sou-
birous ging bezoeken. Aan de noordzijde en vlak aan den
voet van de rots, waarop het kasteel zich verheft, in het
laagste gedeelte der vallei loopt een smalle beek, die met
geweld naar de Gave zich spoedt en hier eenige molens
iu beweging brengt, waaronder ook den molen dieu ik
verlangde binnen te gaan. Voor de kerk op de place
du Porche openen zich twee wegen, die naar den molen
geleiden. Men kan vlak daar tegenover de r u e d u T r i-
b u n a 1 inslaan, vervolgens de tweede straat rechts, aan
welker einde gij een rotsachtig en steil afloopend voetpad
vindt, dat langs den molen loopt. Gij k unt ook de r u e
fiasse kiezen, de kerk aau uwe rechterhand latende. Een
weinig verder gaat ge eene brug over, slaat links om, en
de tweede kleine straat, die ge dan aan uwe linkerhand
ziet, is die van den molen.
\'t Is eene zeer nederige woning, breed maar laag, met
leien gedekt en met witte kalk bestreken; daar zij allengs
bouwvallig begon te worden, is men genoodzaakt er alle
jaren wat aan te herstellen, dat — gelijk de jonge eige-
naar mij verzekerde — hem ook alle jaren een aardig
-ocr page 355-
335
sommetje kostte. Maar de molen wordt er beter door.
Ter wederzijde van de deur is één venster, daar boven
telt gij er drie, evenals ook drie dakvensters tusschen de
schaliën. De eenige deur van deze eenvoudige woning
brengt u in den molen zelven, die met zijn raderen twee
derden gedeelten van het huis inneemt; dan bemerkt gij
aan uwe linkerhand eene deur, en deze openende zijt gij
in de woning van vader Soubirous, thans betrokken door
zijne dochter Marie, die met Bernadetta hout sprokkelde
toen deze de eerste verschijning zag. \'t Is eene kleine,
smalle kamer, gelijkvloers, voorzien van eene slaapplaats,
een klein houten kastje, eene tafel en vier of vijf stoelen j
een groote schoorsteen staat vlak tegenover de deur, en
slechts één klein venster geeft uitzicht op het voetpad.
Langs den wand zijn vele heiligen-prenten opgehangen,
ook eene kleine photographie van Bernadetta als zuster
van Nevers, en op het kastje staat een Moeder-Gods-
beeldje omringd van eenige bloempotten.
Ik vond daar de zuster van Bernadetta — eene vrouw
van omstreeks 25 of 26 jaren — gehurkt aan de
wieg, waarin haar eenig kindje, eene gezonde frissche meid
van 4 jaren, lag te dartelen, de kleine Bernadetta, het
peetekind harer tante \'). De echtgenoot is een flink jong
man, met een rond en vroolijk gelaat, die maar ééne weelde
kent: — zijne vrouw met zijn kind. Wij spraken natuurlijk
over de gebeurtenissen der grot, en Marie vertelde mij in
kinderlijke eenvoudigheid alles, wat zij had bijgewoond,
gezien en beleefd. Haar moeder is overleden den 8ste"
1) Geboren in October 1868.
-ocr page 356-
336
December 1866, haar vader nog slechts kort geleden. Zij
heeft twee broeders; de oudste was toen ongeveer 19 jaren
oud en is bij de paters missionarissen te Garaison. De
jongste was 12 jaren oud, had zijne eerste H. Communie
gedaan, en ging nog ter schole hij de broeders van de
christelijke leer.
Ik mocht niet verzuimen ook de zusters van Nevers l)
te bezoeken, bij wie Bernadetta is ter schole gegaan en
later zes jaren heeft gewoond, alvorens als novice naar
het moederhuis te vertrekken. De waardige overste ontving
mij beleefd en minzaam, en toonde zich aanstonds bereid om
de weetgierigheid van den Hollandscheu pelgrim te bevre-
digeu. Bernadetta is nog twee jaren bij hare ouders ge-
bleven, en bezocht de school der zusters. De toevloed van
bedevaartgangers, die meest allen ook het bevoorrechte
kind wilden zien en spreken, werd allengs zoo groot, dat
de pastoor het geraden achtte het arme kind aan de nieuws-
gierigheid te onttrekken, en voor de bekoring van ijdelheid
en zelfbehagen te behoeden. Zij werd daarom door de
zusters opgenomen, en verrichtte bij haar het huiswerk.
Zes jaren bleef zij daar, altijd dezelfde kinderlijke een-
voudigheid en zedigheid bewarende, maar iederen dag iu
teedere godsvrucht, in vurige liefde en in geduld en
lijdzaamheid toenemende. De zusters hadden haar lief,
bewonderden hare deugd, en verlangden niets vuriger dan
dat ook zij eenmaal den sluier zou aannemen. In Juli
1866 vertrok Bernadetta naar Nevers en trad het moederhuis
der zusters als novice in.
1) Dames .ie Nevers.
-ocr page 357-
337
De belofte, door de H. Maagd aan Bernadetta gedaan,
dat zij het kind gelukkig zou maken in de eeuwigheid
maar niet in den tijd, werd ongetwijfeld in haar vervuld:
zij leed dikwijls en zeer veel van het asthma en van hart-
kloppingen. Den 8ste» April 1867 schreef de overste zelfs:
„deze waarde novice is zeer belangwekkend, maar van eene
„uiterst zwakke gezondheid. Zij heeft hare professie nog
„niet gedaan, en God alleen kent het geheim harer toe-
„komst, zoo dikwijls bedreigd door hevige aanvallen van
„eene hartkwaal die alle plannen verijdelt." •) Zij heeft
toch hare geloften mogen afleggen, is 30 October van
hetzelfde jaar geprofest, en droeg den naam van zuster
Marie-Hernard. Eene maand geleden — 7 Januari — was
zij 29 jaren oud geworden; zij nam de bediening waar
van ziekenzuster, en wist zichzelve te vergeten en op te
offeren, om — ofschoon zelve dikwijls lijdende — de
kranke zusters met liefde en voorkomendheid te verzorgen.
Eene zuster schreef over haar : „\'t is altijd een bevallig
„kind, godvruchtig als een engel, zacht als een lam en
„onschuldig als eene duive. God geve, dat zij ons lang
„gespaard blijve: zij doet ons zooveel goed !" *) Den 28sten
Juni 1869 schreef eene aanzienlijke vrouw: „ik heb zuster
„Marie-Bernard gezien. Dat ging niet gemakkelijk: maar
„toch, ik heb ze gezien, ik heb ze gesproken.... en ik
„ben voldaan. Welke zoetheid ! welke zachtmoedigheid!
1)   Cette chère novice est fort interessante, mais d\'une santé exeessi-
vement faible. Elle n\'a pas ennore fait profeasion, et Dien senl connait
Ie secret de sou avenir, compromis souvent par de violentes crises d\'une
maladie de coeur, qui empêcbe tont projet.
2)  Annales de N-l). te Lourdes, 30 April 1868.
22
-ocr page 358-
»38
„Voeg daarbij de uitdrukking van smart, verspreid over al
„hare gelaatstrekken. Goed schepsel, zeide ik bij mij-
„zelve haar aanziende, ik heb een groot vertrouwen in uwe
„gebeden." \')
Als ik aan de eerwaarde moeder mijn voornemen te
kennen gaf, op de terugreis naar Nevers te gaan en zuster
Maiie-Bernard te bezoeken, begon zij te glimlachen eu
raadde mij aan, dien grooten omweg niet te maken,
\'t Zou toch tevergeefs zijn. Als de overste al eene uit-
zondering voor mij wilde toestaan op den algemeenen en
strengen regel, dan zou zij misschien in de verte naar eene
zuster heenwijzen en zeggen: dat is zuster Marie-Beruard;
maar tot haar toegelaten worden of haar spreken zou mij
niet veroorloofd worden. Als ik naar de reden daarvan
vroeg, antwoordde zij:
— „Bernadetta heeft hare gewichtige zending volbracht,
zij heeft hare openbare taak afgewerkt, en zich nu terug-
getrokken en de eenzaamheid, de verwijdering der wereld
opgezocht. Eerbiedigen wij die rust en die stille verbor-
genheid; ontnemen wij haar niet het beste deel dat zij
verkozen heeft; en vooral, stellen wij ons nooit bloot aan
het gevaar van hare zedigheid, hare nederigheid en hare
onschuldige eenvoudigheid te kwetsen. Zij is er innig van
overtuigd, dat de onbevlekte Moeder-Maagd door de ge-
beurtenissen van Lourdes moet grooter, maar zij, hare
nederige dienstmaagd, moet kleiner worden."
Niemand zal tegen deze redenen iets kunnen inbrengen, maar
allen zullen den maatregel, door de algemeene overste van
1) Ëugène Boyer, une visite a Bernadette.
-ocr page 359-
339
Nevers op aanraden des bisschops genomen, moeten goedkeu-
ren. Te meer is het noodzakelijk geworden Bernadetta buiten
allen omgang te stellen, omdat God vaak op wonderdadige
wijze zijn welbehagen in deze brave religieuse openbaarde
en van haar een wonderkracht deed uitgaan, waarvan zij
zich niet het minste was bewust. Mij werd onder anderen
het volgende te Lourdes verhaald en als waarheid verzekerd.
Eene vrouw in de nabijheid van Nevers had een meisje
van vier jaren, dat na eene hevige hersen-ontsteking vol-
strekt niet meer sprak, zij was ontroostbaar en wendde
alle middelen aan, die genezing konden geven, maar
vruchteloos. Eensklaps komt in haar de gedachte op : „als
Bernadetta het kind aanraakt dan zal het genezen zijn;"
en deze gedachte vestigde zich zoo sterk in haar, dat zij
weldra eene zekere overtuiging werd. De vrouw ging dan
ook, welgemoed en als verzekerd van de genezing, met het
meisje naar Nevers en meldde zich aan het zusterhuis aan.
De overste echter wilde er niets van weten, en weigerde
bepaald zuster Marie-Bernard te laten roepen.
— „Zuster Marie-Bernard heeft volstrekt niet de gave
van wonderen te doen," zeide zij: „en waarom zullen wij
hare stille verborgenheid storen of hare nederigheid in
bekoring breDgen ? En als zij uw kind heeft aangeraakt
en het is niet genezen, dan is uw godsdienstig vertrouwen
geschokt en de goede zuster misschien in opspraak ge-
bracht.
Hoe wijs dit woord der overste ook was, de moeder
wilde het volstrekt niet aannemen, en bleef met innige
overtuiging verzekeren dat het kind zeer stellig zou genezen,
als Bernadetta het maar even aanraakte; wat de eerste
-ocr page 360-
340
daar tegen ook inbracht, \'t was alles vruchteloos. Daar
de vrouw maar niet vertrekken wilde, bedacht de verstan-
dige overste eene list, om der vrouw genoegen te geven
en toch zuster Marie-Bernard te sparen. Zij ging met het
kind de kamer uit, riep Bernadetta en zeide tot haar:
—  „Zuster, ga eens even in den tuin wandelen met
ilit kind, terwijl ik de moeder ga spreken."
Bernadetta nam het meisje bij de hand en vroeg, niet
wetende dat het kind niet sprak:
—   „Kom, lieve! willen wij in den tuin wat gaan spelen ?"
—  „Als \'t u belieft," antwoordde het kind en bleef
met Bernadetta spreken.
De overste was weder in de spreekkamer teruggekeerd,
zag door het venster naar den tuin en bemerkte terstond
dat de zekere verwachting der moeder was vervuld. Zij
verborg echter hare ontroering, stond op en zeide kortaf
dat de vrouw niet langer blijven mocht, maar verzocht
werd dadelijk te vertrekken. Verstomd van smart en met
gebroken ziel volgde haar de weenende vrouw tot aan de huis-
deur. Toen riep de overste aan de zuster in den tuin,
dat zij het meisje zou terug brengen, en duwde moeder
en kind zacht de deur uit. De moeder wist niet dat Ber-
nadette haar kind had gebracht, en Bernadetta wist niet
dat het kind sprakeloos was : maar van dat oogenblik sprak
het kind. Thans weet de moeder dat Bernadetta met het
jonge meisje in den tuin heeft gewandeld, en verhaalt het
aan iedereen; Bernadetta echter heeft nooit geweten, dat
God door haar zulke buitengewone zegeningen schonk.
De missionarissen, aan wie de bediening der grotkerk
door den bisschop van Tarbes is opgedragen, zijn leden
-ocr page 361-
841
van de congregatie der Onbevlekte Ontvangenis, eene con-
gregatie, welke sinds lange jaren in de stad Tarbes heeft
bestaan en nu te Garaison gevestigd is en vooral in de
laatste jaren zeer in bloei en aanzien is toegenomen. Zij
was nog niet goedgekeurd te Rome, maar toch meermalen
in apostolische brieven met lof vermeld; bestaat bijna uit-
sluitend uit priesters van het bisdom, en geeft missiën in
de dorpen en kleine steden. Zeven paters bewoonden het
huis, dat voorloopig op de helling van de Massabiella-rots
was gebouwd ; thans hebben een twintigtal het nieuwe
klooster betrokken, waarbinnen evenzeer als vroeger
de deugd van gastvrijheid volkomen wordt beoefend. De
weinige tijd, die hun van de geestelijke verzorging der
tallooze pelgrims overschiet, wordt besteed aan de studie
en het uitgeven der annalen van O. L. Vrouw van Lour-
des, tot welker verzameling zij eene zeer drukke en zeer
uitgebreide briefwisseling moeten onderhouden. Ik had de
eer meermalen aan hun gullen disch aan te zitten, en
veel van den overste te vernemen aangaande de wouderen,
die nog dagelijks door de voorspraak van de H. Moeder-
Maagd verkregen worden.
— „Bijna geen dag gaat er voorbij," verzekerde hij mij,
„of ik krijg kennis van een of ander wonder.\'5
Ook belasten zij zich volgaarne met het zenden van
water uit de wonderbron, en rekenen het zich tot eene
eer, als zij u naar de grotten der Espélugues mogen ver-
gezellen, of aanwijzen wat er nog op de rotsen moet ge-
bouwd worden, en noemen het eene uitspanning, wan-
neer zij met u de Pyreneeën ingaan, om als echte
montagnards de bergen op te klimmen en onverschrokken
-ocr page 362-
34-2
in de diepten af te dalen. Juist was daar ook de alge-
meene overste der congregatie uit Garaison, dien ik heb
leeren kennen als een zeer verstandig voorzichtig en
ernstig man, die met veel kennis van zaken over den
toestand van Europa en vooral van Frankrijk sprak.
Louis Bourriette was de eerste, die de wonderkracht der
bron van Lourdes mocht ondervinden, hij leefde nog: hem
moest ik bezoeken. Ter zijde de Beestenmarkt in eene
achterbuurt woonde de oude man, die toen zeventig jaren
telde. Ik trof hem te huis met zijne vrouw, zijne gehuwde
dochter en haar kinderen, \'t Was er niet rijk, maar net
en vriendelijk. Bourriette was nog een krasse, opgeruimde
man, die alle dagen hard werkte in de steenhouwerij om
een schamel stuk brood te verdienen, terwijl de oude
vrouw nog eenen kleinen handel in kaas dreef. Zoodra ik
over zijne wondervolle genezing begon, kwam de zuidelijke
Franschman boven, en vol leven, vol vuur, vol gebaren
verhaalde hij mij omstandig de gebeurtenis.
—  „En hebt gij later nooit weder hinder aan het oog
gehad ?" vroeg ik.
—   „Nooit, mijnheer!" antwoordde hij schielijk en sloeg
zich met de platte hand op het oog. „Zie maar eens,
het is gezond en sterk, geen haartje ontbreekt er aan.
En dat is gelukkig ook, want ik heb beide mijne oogen
nog hard noodig om mijn brood te verdienen."
—  „Gij zult dan wel veel van O. L. Vrouwe houden?"
hernam ik weder.
—  „Sterven voor O. L. Vrouwe van Lourdes!" riep
hij uit en onderdrukte een paar groote tranen, die in het
genezen oog opwelden.
-ocr page 363-
343
Ook Justus Bouhohorst heb ik opgezocht, \'t Was daar
wel arm in die achterbuurt. Maar dat ziekelijk, dat mis-
maakt en stervend kind van twee jaren oud zag ik daar
voor mij staan als een Hinken, gezonden, sterken jonkman
van 17 jaren, wien levensvreugd uit de donkere oogen
straalde en een glans van vergenoegen eu gezondheid op
het gelaat lag verspreid. Men ziet het hem aan, dat het
der H. Maagd niet berouwen kan, aan hem een wonder
te hebben gewrocht, want hij is braaf, hij is godsdienstig,
hij is arbeidzaam ; voor zijne ouders is hij een steun en
een troost, voor zijne zuster een liefhebbende broeder,
en voor O. L. Vrouwe van de grot een ijverig vereerder.
Geen wonder dan ook, dat zijne moeder, met de haar
eigene voortvarendheid en levendigheid, niet genoeg ver-
tellen kon van haren Justus, dien zij, schier waanzinnig,
een kwartier lang in het koude water van de bron ge-
dompeld hield, en als verrezen uit den dood naar huis
mocht dragen.
En de inwoners van Lourdes ? Zij bezitten de goede
hoedanigheden en ook de gebreken der montagnards. Zij
zijn eenvoudig, rechtschapen, godsdienstig en zeer trouwe
buren; maar ook fier, ruw en vaak onverzettelijk zoowel
in haat als in vriendschap. De oude zeden echter en de
nationale kleederdracht beginnen allengs te verdwijnen,
om plaats te maken voor de hedendaagsche fijnere manie-
ren. Een uitstekend onderwijs wordt er gegeven; en des
zondags ten half negen zijn de onderwijzers met al de
schooljongens in het koorgestoelte achter het hoogaltaar der
parochiekerk gezeten, en zingen de Hoogmis. Men spreekt
daar het patois der Pyreneeën, dat is Eransche woorden
-ocr page 364-
344
met Spaansche uitgangeu ; met de vreemdelingen spreken
zij echter hunne zuivere moedertaal.
Godsdienstig is Lourdes altijd geweest. Wanneer in
vroegere tijden de donder tusschen de bergen ratelde, dan
werd de klok geluid, en de pastoor was verplicht, zoowel
in het holle van den nacht als bij dag, naar de parochie-
kerk te gaan en eene processie te houden, om het even
of er volk opdaagde of dat hij met den klokluider alleen
bleef.
Tot aan de Fransche revolutie, gingen de monniken
van de Ermitage alle vrijdag-nachten door de straten van
Lourdes, op langzamen en treurigen toon uitoepende :
Vous qui dormez, ne dormsz pas si fort,
Que plus ne vous souvieune de la mort! \')
Bij het ten doop dragen der kinderen heeft niets bijzon-
ders plaats; alleen ziet men een troep jongens en meisjes
de doopborgen volgen naar de kerk, verschrikkelijk hard
schreeuwende in een onverstaanbaar patois. Werpt men
echter een zak met suikergoed of wat koperen munt onder
het kleine volkje, dan ligt het terstond op de straat te
grabbelen en vergeet den doopeliug.
"Van ketelmuziek bij het trouwen hielden de inwoners
van Lourdes buitensporig veel. Huwde iemand voor de
tweede maal of buiten zijn stand, was het een of ander
aan te merken op bruidegom of bruid, men was er van ver-
I) Gij die slaapt, slaapt uiet zoo hard, dat niets u meer herinnert aan
den dood! Ook in Toulouse had men in de zestiende eeuw nacht-
wakers, die des nachts riepen:
Kéveillez vous, vous qui dormez !
1\'riez Dieu pour les tréprassés.
-ocr page 365-
845
zekerd dat de ketelmuziek niet zou achterblijven, al gold
het zelfs den aanzienlijkste der stad. Nog ten huidigen
dage, als een vreemdeling, hetzij man of vrouw, met
iemand van Lourdes huwt en zich daar met ter woon gaat
vestigen, dan vereenigen zich aanstonds de buren, om bij
zijne aankomst de zoogenaamde Hegge (Sègue) te vormen.
Een roode band wordt dan voor de deur der nieuwe echtgenoo-
teu vastgehecht. Twee rijen van jongelieden scharen zich aan
beide zijdeu van de deur, om doortocht te verleenen aan
de bruiloftsgasten. Zoodra bruid en bruidegom aankomen,
worden hun bloemruikers aangeboden, en eindelijk voor
de deur een blad, waarop een flesch wijn en een glas staan.
Vfanneer nu de bruidegom den eerewijn drinkt, en volgens
zijn stand een goede gift op het blad legt, waarvoor de
nieuwe buren zich een vroolijken avond kunnen verschaffen,
dan wordt het roode lint weggenomen, en kan hij vrijelijk
binnen treden. Terwijl hij dan aan de bruiloftstafel met
zijn gasten is gezeten, houden ook de buren feest en drinken
op het geluk zijns echts. Maar wee hem, als hij zich
gierig of karig betoont of ook maar wil onderhandelen
met de jongelieden van de hegge : dan wordt hij vereerd
met een verschrikkelijk ketelmuziek, en vindt nooit een
goeden of vriendelijken buur.
Een buur, zegt men te Lourdes, is bijna een aanver-
want; en in den regel zal men meer dienst en hulp van
een goeden buur ontvangen, dan van een lid der familie,
vooral in tijd van nood. \'t fs daarom niet meer dan billijk,
meenen zij, dat een nieuwe buur zijn goeden wil toont
en lid wordt van het groote gezin, dat de buurt vormt.
Men zal dan ook zelden eene stad aantreffen, waar buren-
-ocr page 366-
346
plicht zoo hoog staat aangeschreven en met zooveel ge-
weten wordt vervuld, als te Lourdes.
Eindelijk de inwoners gedoogen niet dat iemand, die
te Lourdes overleden is, op eene andere plaats begraven
wordt. Waar men geleefd en gewerkt heeft, moet men
ook rusten. Zelfs de vreemdeling, die toevallig daar komt
te sterven, mag niet vervoerd worden j en meermalen is de
gansche stad in oproer gekomen, als men daarop inbreuk
wilde maken.
Ik ben zes dagen te Lourdes verbleven, en heb het
stadje lief gekregen, om de bijzondere genaden en wei-
daden, welke de Onbevlekte Ontvangenis daar aan zooveel
duizenden en ook aan mij heeft geschoukeu ; om het levendig
geloof, het onwrikbaar vertrouwen, de innige godsvrucht,
de hooge deugd, de heilige opoffering, die ik daar aan-
schouwd heb ; en ook om de brave, oprechte en godvruchtige
inwoners van Lourdes, die allen ijverige kinderen en ver-
eerders zijn van O. L. Vrouwe van de Grot.
Te Lourdes gaat ge bezoeken de wonderschoone grotten
der Espélugues, met haar onderaardsche gangen en zalen,
en vooral de merkwaardige grot du Loup; zij zijn dicht
bij de Massabiella-rots gelegen. Ook het oude kasteel is
de beklimming overwaardig, en een vriendelijke gids ge-
leidt u naar de merkwaardigste punten van die eeuwenoude
sterkte. Ook mag ik u aanraden een klein spoorreisje
door de Pyreneeën te maken; bijvoorbeeld : naar Pierre-
fitte, waar ge de sneeuwbergen kunt beklimmen, Agos
met zijn marmergroeven, Vidalos, vooral Argelés, een
prachtig schoon dorp, welks witte huizen meestal van
kleine en grillige torentjes zijn voorzien, en eindelijk het
-ocr page 367-
347
heerlijke lustoord Cauterets met zijn heilbronnen en warme
baden. Gij zult u den dag, dien gij daaraan besteedt,
niet beklagen. Zijt gij een minnaar van wandelen, ga
dan den bergweg op, die langs de grotkerk loopt, en
waag er een paar uren aan : gij zult genieten het prach-
tigste landschap, dat door hooge steenbergen en diepe
smalle dalen, door vruchtbare valleien en groenende steen-
rotsen kan gevormd worden. Nog moet ge het meer van
Lourdes gaan zien, dat boven op het plat van een berg
gevonden wordt. Het heeft een omtrek van 6 kilometers
en een diepte van 9 meters, levert des zomers een kostbaar
vischwater en des winters een heerlijke jacht. De inwo-
ners van Lourdes verhalen u dat daar eertijds eene stad
heeft gestaan, die om hare goddeloosheid en gruwelen
door God is verwoest en in de diepte gezonken ; en vroeger
gingen er op sint Jansavond velen heen, om te luisteren
naar de kerkklokken der verdronken stad, die dan onder
het water nog de eerste vespers luidden.
-ocr page 368-
XVIII.
DE VELE WONDEREN TE LOURDES.
Gods wondermacht wordt teu stelligste door de H.
Schriftuur geleerd, zoowel in de boeken des Ouden als des
Nieuwen Verbonds, en alle christen-volkeren hebben haar
altijd erkend en gehuldigd. De waarheid dezer stelling
is zoo overtuigend, dat zelfs een der felste bestrijders vau
het christendom, J. J. Rousseau schreef: „kan God won-
deren doen? Dat is zooveel alsof men vroeg: kan
Hij eene uitzondering maken op de wetten, die Hij zelf
gesteld heeft? Deze vraag, in ernst gedaan, zou goddeloos
zijn zoo zij niet ongerijmd ware; en zoo iemand haar ont-
kennend beantwoordde, dan zou men hem te veel eer he-
wijzen met hem als een goddelooze te straffen j het was
voldoende hem als een krankzinnige achter slot te brengen.
Men moet een Hebreër zijn om te kunnen betwijfelen of
God zijn volk kon spijzigen in de woestijn." \')
Voortdurend zijn er wonderen geschied bij het volk
Gods; zij waren noodig als tastbare bewijzen voor de stand-
vastige waarheid der heilige schriften, der afgezanten Gods,
1) Lettres de la Montagne, 1, 3.
-ocr page 369-
349
en der profeten. Maar ook in de H. Kerk van Christus
zijn voortdurend wonderen geschied, ten teeken dat de
goddelijke belofte aanhoudend vervuld wordt: „zie 1 k ben
met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld." \')
De Heilige Geest verwijdert zich nooit van zijne bruid,
maar stort zonder ophouden zijne in- en uitwendige gaven
over haar uit; en Hij wrocht wonderen in haren schoot,
om door zinnelijke, waarneembare feiten voortdurend de
onschendbare heiligheid der katholieke Kerk te toonen en
bewijzen. Doch daar breken tijden aan in de geschiedenis
der wereld, waarin die uiterlijke gaven des H. Geestes,
waarin de wonderen glansrijker en veelvuldiger geschonken
worden aan de Kerk; waarin zij zich vertoonen slag op
slag, met meer luister en in een overvloed als in vooraf-
gaande of volgende eeuwen niet worden waargenomen.
Het tijdvak van Moyses, de verlossing der Israëlieten
uit de slavernij van Egypte mag hier in de eerste plaats
genoemd worden. Wij zien Moyses, bekleed met de almacht
Gods, het gansche rijk van Pharao slaan en tot tien malen
slaan met de vreeselijkste plagen, zooals de aarde nog niet
kende, om eindelijk al die voortdurende wonderen te be-
kronen met het grootste wonder, dat ooit gewrocht is. Op
een teeken van zijnen wil verdeelt zich de Roode-Zee,
bewogen tot in hare diepste afgronden, in tweeën; hare
wateren, van een gescheiden, vormen twee sidderende maar
ijzervaste reuzenmuren, waar tusschen een volk van zesmaal
honderdduizend strijdbare mannen droogvoets heentrekt,
gevolgd van even zooveel vrouwen en kinderen, met de
1) Matth. XXVIII, 20.
-ocr page 370-
350
lastdieren en de reisbehoeften, welke voor een geheel volk
noodig zijn. Op dit wonder, eenig in de geschiedenis,
volgt onmiddellijk een ander, niet minder ontzettend en
zelfs nog van veel meer beteekenis. Pharao verhardt zich
tegenover al de wondervolle plagen; hij trekt met zijn
leger uit om het volk te achterhalen, dat hem ontsnapt;
hij zit den Israëlieten reeds op de hielen en zal ze ver-
pletteren en vernielen in de Koode-Zee. Op dat verschrik»
kelijk oogenblik plaatst zich een wolkzuil, licht aan de
voorzijde en donker aan de achterzijde tusschen de Israë-
lieten en de Egyptenaren. Met hare lichtzijde verhelderde
zij voor het volk Gods den weg door de diepten der
geopende zee en doet het veilig den tegenovergestelden
oever bereiken. Met hare donkere zijde spreidt zij een
duisteren nacht achter zich uit, waardoor de Egyptenaren
zich in dezelfde diepten der weder neergevallen wateren
werpen om een ellendigen dood te sterven.
De vestiging en eerste verbreiding van het christendom
vroegen een tweede tijdvak van tallooze en schitterende
wonderen. Het geheele leven van den Godmensch op aarde
was een voortdurend wonder; de leerlingen ontvingen de
bovennatuurlijke macht om in den naam van den Heere
Jesus Christus overal wonderen te verrichten, en de leer-
lingeu der apostelen ontleenden van hen dezelfde godde-
lijke kracht; zoodat het van den eersten Pinksterdag te
Jeruzalem gedurende drie eeuwen wonderen geregend heeft
over al de werelddeelen der aarde.
Toen in de 15de eeuw de heidensche kunst en letter-
kunde allengs begonnen te herleven; toen de kinderlijke
gehoorzaamheid der natiën aan het goddelijk gezag der
-ocr page 371-
351
Kerk begon te verflauwen; toen de eerbied der vorsten
voor het pausdom begon te\' verzwakken, en er eene alge-
meene neiging ontstond om zich aan de voogdij van Ohris-
tus\' stedehouder te onttrekken; toen het noodlottig tijdstip
allengs naderde, waarop het Katholieke Credo, tot dus-
verre in Europa van noord tot zuid eenstemmig gezongen,
dreigde zijne verhevene eenheid te verliezen en wellicht
voor altijd verbroken te zien: toen verwekte de Heer
der Kerk een wonderdoener, zooals de wereld nog nooit
aanschouwd had, in den onsterflijken Spaanschen Domini-
kaan den heiligen Vincentius Eerrerius. De gaaf der talen,
de gaaf van voorspelling, de gaaf van genezing der zieken,
de gaaf van opwekking der dooden, al de gaven, aan de
apostelen medegedeeld, waren hem geschonken. Met dezelfde
kalme gemakkelijkheid, waarmede de kleine beek uit haren
oorsprong vloeit, ontvloden de wonderen aan zijne hand.
Hij deed ze niet in het geheim maar in de tegenwoordig-
heid van groote scharen, zelfs van meer dan twintigdui-
zend getuigen, die hem vaak van de eene stad tot de
andere volgden. Was hij vermoeid, dan zond hij een ander
uit om ze in zijne plaats te verrichten. Het getal zijner
wonderen — verhalen de geschiedschrijvers — was zoo
verbazend groot, dat het onmogelijk is ze te tellen veel
minder er eene nauwkeurige lijst van te geven. De bulle
zijner heiligverklaring kent hem 860 wonderen van de
hoogste klasse toe. Daar is geen stad iu Europa door hem
bezocht, geen heerlijkheid of dorp waar hij verbleef, die
niet getuige was van zijn wonderdoende macht. Een zijner
geschiedschrijvers noemt het een wonder, als hij in het
openbaar verscheen en geen wonder wrochtte. Gedurende
-ocr page 372-
35 i
veertig jaren doorkruiste dit wandelend wonder onvermoeid
al de gewesten van Europa, dat sidderde onder zijn mach-
tig woord.
En thans, thans is het vierde tijdvak aangebroken,
waarin God een overvloed van groote en schitterende won-
deren aan zijne Kerk schenkt op de voorbede van Haar,
die zich aan de Massabialla-rotsen geopenbaard heeft
als de Onbevlekte Ontvangenis. Eeeds 80 jaren lang schit-
tert een zichtbaar wonder als de regenboog aan den horizon
van Europa, zonder ooit te verdwijnen, en brengt een
oneindig getal van andere wonderen voort. Het is een wonder
zonder wederga en van een aard, dat het ongelooflijk moet
schijnen. Een klein, onwetend, arm kind uit de valleien
der Pyreneeën verklaart dat de H. Maagd haar is versche-
nen en haar heeft toegesproken. En ziet: op dat kinder-
woord stroomen duizenden en tienduizenden van eiken
ouderdom, van alle standen, van allé landen, van alle
gewesten der oude en nieuwe wereld, niettegeustaande groote
vermoeienissen en kosten, naar de plaats der verschijning ;
en allen keeren huiswaarts overtuigd, genezen of bekeerd.
Die bedevaart duurt reeds 30 jaren voort en groeit immer
met schitterenden luister aan. Het wonder van Lourdes is
als eene vruchtbare moeder geworden en baart aanhoudend
ontelbare wonderen. Immers onder den vingerdruk van dat
kleine, onwetende, arme kind, aangetrokken door de Moe-
der Gods, ontspringt eensklaps uit eeu rots van graniet
een bron van water, die altijd vloeit en meer dan honderd-
duizend kannen dagelijks geeft. Van het eerste oogenblik
afaan is die bron een onuitputtelijke fontein van wonder-
bare genezingen geworden, die bij duizenden geteld wor-
-ocr page 373-
853
den ; en wel verre dat zij hare bovennatuurlijke heilkracht
verliest, verdubbelt zij, gewoon natuurlijk water als zij is,
hare oogenblikkelijke geneeskracht, trekt dagelijks ontelbare
zieken tot zich, om hun de gezondheid weder te schenken.
Van 21 tot 23 Augustus 1873 werden tachtig kranken
aan de bron oogenblikkelijk genezen.
Vragen wij naar de reden, waarom God van tijd tot tijd
zulk een macht van wonderen aan zijn uitverkoren volk
schenkt, dan vinden wij in het wonder der Roode-zee het
antwoord gegeven. De goddelijke Voorzienigheid weifelt
nooit; alles wat gebeurt, geschiedt op zijn tijd ; alles wat
God doet is wijsheid en liefde, is barmhartigheid en ge-
rechtigheid. De wolkzuil aan de Roode-zee was ten heil
der Israëlieten, ten verderf der Egyptenaren. Jesus Christus,
de Godmensch was ten val en ter opstanding vau velen;
Vinceutius Ferrerius was ten schrik der halfgeloovigen en
ter bevestiging der trouwe kinderen van de Kerk ; de bron
van Lourdes is ter beschaming der ongeloovige wereld
en ter opwekking en verlevendiging vau het katholiek
geloof.
De groote dwaling der zestiende eeuw is gekomen tot
hare laatste gevolgtrekking: — het volslagen ongeloof; en
zoo zijn zij, die buiten de Kerk staan, tot het heidendom
teruggekeerd. Ja, tot het heidendom : maar tot een heiden-
dom zonder persoonlijken God of goddelijke geesten ; zon-
der onsterfelijke ziel en eeuwige straf of belooning ; zonder
dogma, bepaalde zedeleer of eeredienst; zonder afhankelijk-
heid van goddelijk of menschelijk gezag; een heidendom,
dat zooveel goden telt als er hoovaardige warhoofden op
de aarde leven; dat het geweld van den sterkste als
23
-ocr page 374-
354
hoogste recht erkent, dat het volk op den troon plaatst
en de vorsten tot zijn slaven maakt ; dat het hoogste ge-
luk des stervelings stelt in het voldoen aan alle begeerten
der bedorvene natuur, en daarom niets zoozeer haat als het
Christendom, hetwelk de verloochening dier begeerlijkheden
predikt; een heidendom, dat de meuschelijke. rede met on-
feübaarheid omkleedt, alle geloof als waanzinnigheid bespot,
met zedigheid en deugd den draak steekt en de edelste
neigingen van \'s menschen hart vermoordt.
Over de gansche breedte der aarde trekken die vijanden
van het Christendom met hunne ontzaglijke legerdroramen
tegen de Kerk op. Alles kan hun dienstbaar zijn en alles
is in hunne rijen opgenomen. Wij treffen daarin keizers
en koningen aan ; vorsten, prinsen en edelen ; staatsdiena-
ren en ambtenaren, afgevaardigden en burgers; vrouwen,
maagden en zelfs kinderen ; armen en bedelaars, hande-
laars en werklieden; geleerden en onwetenden, fatsoenlijken
en misdadigers , alles is soldaat tegen de Kerk van Chris-
tus. En ook alles, wat \'s menschen brein ooit heeft kuu-
nen uitvinden om den eventnensch met onfeilbare zekerheid
te overwiuuen en te vernietigen, is bij groote hoeveelheden
in dat wereld-leger aanwezig en wordt met het uiterste
beleid in werking gebracht. Stoffelijke kracht en geld, ze
delijke macht en invloed, haat, leugen, laster eu bedrog,
revolutie en oproer, oorlog en vrede, armoede en misdaad,
moord en diefstal, alles, alles levert wapenen, vernielende
wapenen aan het leger der wereld. Eu \'t zijn duchtige
aanvoerders, die het tegen Rome leiden; aanvoerders ver-
grijsd in haat tegen de Kerk, volleerd in de school vau den
opstand en die het gezworen hebben, het rijk vau den Chris»
-ocr page 375-
355
tus van de aarde te zullen verdelgen. Ziedaar het leger
der Egypteuaren.
Eu het uitverkoren volk Gods trekt door de Roode Zee
naar het beloofJ.e land. De Moyses van het Nieuwe Ver-
bond treedt voorop met den standaard des kruises, vol
moed en vertrouwen, verzekerd van de overwinning, want
de Kerk van Christus zal niet vergaan en de poorten der
hel zullen haar niet overweldigen. Gelijk de goddelijke
Meester in kruis en lijden de verlossing der wereld vol-
trok, zoo moet ook de Kerk in kruis en lijden die ver-
lossing aan de wereld mededeeleu. Dat is een groot geheim :
een geheim van almachtige kracht verborgen onder den
schijn van zwakheid, van goddelijke zegepraal verscholen
onder menschelijke vernedering, van verrijzenis ten eeuwi-
gen leven bij het ingaan van den tijdelijken dood. Dat is
een geheim, hetwelk aanving met den Godmensch zelven,
die door lijden en kruis hel, wereld en dood heeft over-
wonnen; een geheim, dat opuieuw plaats greep in de
heiligen, apostelen en martelaren en in de bloedige ver-
volgingen der eerste eeuwen, dat voortdurend in de Kerk
zal terugkeeren, zoolang de aarde bestaat.
Gelijk het leger der wereld zijn oorlogskreet heeft:
„Dood aan den Christus!" zoo heeft ook het le-
ger van God zijn wachtwoord: „waakt en bidt!" De
wondervolle afkondiging van het leerstuk der pauselijke
onfeilbaarheid heeft eeu vuurbaak ontstoken, wier licht-
stralen niet kunnen gedoofd worden en met onbetwistbare
zekerheid den weg naar het beloofde land aanwijzen. En
om de zegepraal van het heilig leger nog schitterender te
doen zijn, sluit hij, die het in den naam van God aan-
-ocr page 376-
356
voert, een verbond met de hemelsche machten. i)e vorsten
sluiten bondgenootschap met elkander, rijken en vorsten*
dommeu insgelijks, ten einde sterker te zijn in den strijd;
en de paus sluit een verbond met de machtige Koningin
der engelen en der menschen, met haar die niemand bo-
ven zich kent dan God alleen, met haar die ons ter moe-
der is gegeven onder het kruis, en wier maagdelijke voet
den kop van het serpent heeft verplet. Door haar, onder
de daverende toejuiching der gansche katholieke wereld,
onbevlekt in hare ontvangenis te verklaren, heeft hij het
laatste loover aan hare kroon gehecht en haar aan de
strijdende Kerk verplicht. Nog roept hij den man ter hulp,
die eens op aarde met vaderlijk gezag was bekleed over
den Zoon van God, en huldigt den H. Joseph als den be-
schermer van Jesus\' Kerk op aarde.
Eu nu, nu alles ziju weg bedorven heeft, nu de verwar-
ring der hel over lauden en volkeren nedergedaald is, nu
de ongeloovige wereld zich werpt op het volk van God;
nu verschijnt te Lourdes de lichtzuil andermaal, die den
geloovigen bij het helder licht der goddelijke openbaring
den weg naar het beloofde land onfeilbaar aanwijst, die
hen bemoedigt en versterkt door de openbaring van de
zekere hulp des hemels ; maar aan de andere zijde duis-
tereu nacht verspreidt over het leger der ongeloovigeu eu
ze aan hun eigen bedorven zin overlevert. De regen van
wonderen te Lourdes heeft waschdom en vruchtbaarheid
gegeven aan de uitgestrekte akkers der Kerk, maar de
velden van die buiten haar zijn vernield en verpletterd en
met onvruchtbaarheid geslagen. Evenals in de vorige drie-
tijdvakken kondigt de tegenwoordige overvloed van won-
-ocr page 377-
357
deren te Lourdes een strijd aaii, die grooter, algenieener,
vreeselijker eii hardnekkiger is dan in gewone tijden ; eene
maatschappelijke afscheiding tusschen de kinderen des
lichts en die der duisternis, welke volkomener en scherper
is dan anders wordt opgemerkt, \'t Is weder de wolkzuil
der woestijn, lichtend en helder voor Israël uitgaande,
en de verharde vijanden in een diepereu nacht van onge-
loof dompelende.
En wat zal de uitkomst zijn van dien strijd op leven
en dood tusschen de Kerk en de wereld ? Dezelfde van
de drie vorige tijdvakken. De Kerk zal uit deze nieuwe
en vreeselijke beproeving te voorschijn treden, zooals zij
te voorschijn trad na vroegeren strijd, met den palm der
overwinning. Zij moge soldaten verliezen, geld, bedrog en
verraad mogen hare gelederen dunnen: maar van zichzelve
zal zij niets verliezen, dat wil zeggen : van het goddelijk
erfdeel, waarvan zij de draagster, de bewaarster is. Zij zal niets
verliezen : noch een enkel harer leerstukkeu, noch een enkel
harer sacramenten, noch een enkele schakel in hare
hiërarchie, noch het geringste van haar goddelijk gezag.
Onfeilbaar is haar zegepraal; zegevierende voor zichzelve,
zal zij zegevieren voor hare trouwe en strijdende kinde-
ren. De vervolgers daarentegen zullen in de duisternis hoe
langer hoe rneer afdwalen en eindelijk omkomen in de
diepe afgronden, welke zij zichzelven gegraven hebben.
De geschiedenis leert dat dit laatste even onfeilbaar volgen
zal als het eerste.
Maar als de overwinning voor de Kerk zeker is, dan
moeten wij ook, ieder voor zich zelven, zorgen iu die ze-
gepraal te deelen. Zijn derhalve de vele wonderen van
-ocr page 378-
358
Lourdes het teeken van de bijzondere hulp des hemels in
deze dagen van Moedigen strijd, zij geven dan ook tevens
de groote en zware plichten aan, die wij te vervullen
hebben.
Immers, indien God toelaat, dat wij vervolgd worden,
dan is dat niet omdat wij christenen zijn, maar omdat wij niet
genoeg christen zijn. Onze eerste plicht is bijgevolg, dat
wij in deze dagen van algemeen ongeloof meer christen
moeten zijn dan ooit. Dit is voor ieder onzer eene vraag
van leven of dood. Geen zelfmisleiding: gewone moed,
gewone deugd zijn niet voldoende in den huidigen strijd
tusschen God en de wereld. Tegenover al de godslasterin-
gen, verloocheningen, ergernissen, verleidingen, bedreigingen
en algemeene zedeloosheid moet met vaste hand het wapen
worden gehanteerd, dat de wereld overwint, — het geloof. \')
Maar het moet \'t geloof zijn der eerste christenen. Die
bewonderingswaardige kindereu van de Kerk der Catacom-
ben leefden in dezelfde omstandigheden, waarin wij ver-
keeren; te midden eeuer wereld die niet christen was, die
niet wilde christen worden ; die ten bloede vervolgde allen
die christen waren of het wilden worden, die geen anderen
oorlogskreet kende dan : „de christenen voor de wilde
dieren !" Christianos ad leones. En wij, wij leven te mid-
den eener wereld, die zichtbaar ophoudt christen te zijn, die
niet langer christen wil zijn, die ook op alle mogelijke
wijzen de geloovigeu zoekt te verleiden en ontrouw te ma-
ken, zoowel door beloften als door bedreiging; die insge-
lijks vervolgt, nu eens in het geheim dan weder in het
1) 1 Joan. V 4.
-ocr page 379-
359
openbaar, die de katholieke Kerk aanwijst als de oorzaak
van alle rampen en ongelukken, welke het menschdom
treffen, en als oorlogskreet heeft aangenomen: „dood aan
de Kerk en haar volgelingen!\'\'
Het geloof onzer vaderen moet ons geloof zijn: een
geloof dat bidt, een geloof dat spreekt, een geloof dat han-
delt; bijgevolg een geloof, sterk en eenvoudig als
het hunne, verlicht en levendig als het hunne.
Een sterk geloof: onwrikbaar als de steenrots, die
tevergeefs gebeukt wordt door de woedende baren; ïjzervast
als het „non possumus" van den Opperherder, dat alle
aanslagen der niet-christelijke wereld verijdelt; onkwets-
baar als dat der martelaren, die juichend hun bloed ver-
goten voor den Heer der heerscharen.
Een eenvoudig geloof, als dat van het kind, dat
niet twijfelt, niet redetwist; een geloof, hetwelk met onder-
werping het woord der Kerk aanhoort en rechtstreeks op
het doel afgaat, dat door haar is aangewezen.
Een verlicht geloof, dat de wetenschap niet schuwt
maar ijverig raadpleegt, de natuur, den hemel en de aarde
ondervraagt, om te beter de geheimen van Gods almacht
en wijsheid en liefde te kennen en te begrijpen. Helder
licht als de middagzon zal het de schaduwen van mensche-
lijke dwaling en waanwijsheid verdrijven, om met een
stalen griffel de eeuwige grondwaarheden van den gods-
dienst in onze zielen te schrijven.
Een levendig geloof: het geloof dat niet handelt is
dood. Als de vlam in een bussel stroo was het geloof
onzer vaderen, dat hen geheel verteerde. Leven wij geheel
door het geloof; dat al onze gedachten, begeerten, gevoe-
lens, woorden en gesprekken het geloof ademen, hetwelk
24
-ocr page 380-
360
ons bezielt; dat wij als mannen des geloofs handelen,
werken, arbeiden, strijden, lijden en sterven. Eendracht
maakt macht. Verre van ons alles wat verdeelt: partij -
schap, eigenbelang, onverschilligheid, gemakzucht, vrees
voor gevaar of nadeel, persoonlijke voor- of tegeningeno-
menheid, zij mogen onder ons niet aangetroffen worden.
Eén van hart en één van geest, vol moed en offervaardig-
heid, vormen wij het leger, dat door God is ten strijde
geroepen, door den Koning van Golgotha wordt aange-
voerd, door de onbevlekte Moedermaagd wordt verlicht en
versterkt en door den Voedstervader van den Godmensch
wordt beschermd; het leger, waaraan door den onfeilbaren
mond van Jesus Christus de overwinning is verzekerd.
-ocr page 381-
EERSTE HOOFDSTUK.
Bernadette.
Het is onmiskenbaar de leiding der Goddelijke Voorzienig-
heid, dat van af de eerste verschijning van O. L. Vrouw
aan Bernadette, deze zelve en verder alle verschijningen,
genezingen en wondervolle voorvallen onder toezicht
hebben gestaan van geneeskundigen.
De geneesheeren hebben altijd en overal Bernadette ge-
volgd en nagegaan tot in do kleinste bijzonderheden. Hare
familie, kindschheid, opvoeding: alles is uitgevorscht en
aan den dag gebracht; geen uur van haar leven, dat niet
onderzocht en streng beoordeeld is. Zou iemand tot in de
kleinste
bijzonderheden zóó bestudeerd zijn als dit kind?
En hoe verschillend zijn de oordeelvellingen? Dr. Diday
van Lyon verklaart, dat zjj lijdt aan zinsbegoochelingen;
Dr. Voisin van de Salpetrière \') te Parijs vertelt dat zij in
een krankzinnigengesticht is opgesloten; aan Dr. Dozous van
Lourdes is het een genot al haar gaven en goede hoedanig-
heden van verstand en hart te beschrijven. Deze verwerpt
\') Eene groote instelling voor zenuwziekten.
-ocr page 382-
362
alle onderstellingen, welke gemaakt worden, of hare geest-
vermogens wel in orde zijn.
Daarin wordt hij ondersteund door Dr. Vergez. Zonder
eenige afspraak komen tallooze geneeskundigen van verschil-
lende landen en godsdiensten getuigen zijn van de eerste
wondervolle gebeurtenissen en verhalen de buitengewone
genezingen, welke bij hunne zieken hebben plaats gehad.
En deze wetenschap der geneeskunde, zoo prat op
hare overwinningen, die meent met alle kwalen ook het
geneesmiddel daarvoor te kunnen aanwijzen, — zij moet
het aanzien, dat feiten gebeuren, ziektegevallen genezen
worden buiten haar, en dat op eene wijze, welke spot met
hare waarnemingen en bevindingen, welke lijnrecht staat
tegenover al wat zij leert en doet.
Juist aan deze wetenschap heeft Lourdes het grootst
succes te danken. Want van de eerste verschijningen af,
toen geen sprake meer kon zijn van bedrog of van tus-
schenkomst des duivels, hadden de „geleerden" van
Lourdes, de verlichte mannen van den Lavedan de ver-
klaring van alle wondere voorvallen gegeven, dat n.1. Berna-
dette leed aan vallende ziekte, hallucinaties (zinsbedrog).
Toen deze verzinselen onwaarheid bleken te zijn, werd
door de geleerde wereld gesproken van hysterie, hypnotisme,
suggestie, auto-suggestie, waardoor dezelfde verschijnselen
van ziekten konden worden voortgebracht, dezelfde gene-
zingen bewerkt.
Maar die tegenspraak en strijd tegen Lourdes, en dat
klakkeloos beweren van eenigen in die wetenschappen in-
gewijden, leidde er toe, dat meer algemeen en ernstiger
studiën werden gedaan over hypnotisme, suggestie enz.,
dat ook de meest onverschilligen van nabij die vraagstukken
-ocr page 383-
363
bestudeerden, alle verschijnselen nagingen, dte met elkander
vergeleken, dat allen met eigen oogen wilden zien, en niet
partijdig doch naar bevinding wenschten te oordeelen.
We zullen in het verloop dezer bladzijden zien , hoe de
wetenschappelijke mannen, ongeloovigen en geloovigen beiden,
luide of zwijgend hebben moeten erkennen, dat noch bij
Bernadette, noch bij de wonderdadig genezenen sprake was
van zenuwkwalen onder welken vorm ook, en dat noch de
wonderlijke voorvallen der verschijningen, van het ontstaan
der bron, enz , noch de genezingen, toen en later geschied,
aan hypnotisme, suggestie enz. zijn toe te schrijven
I.
Moet men , vraagt Dr. Boissarie, de gestrengheid betrearen,
waarmede door de overheid, justitie en politie, tijdens en na de
verschijningen is opgetreden ? Volmondig antwoordt hij : neen.
Want, zegt hij, dan zouden we gemist hebben het onwraak-
baar getuigenis
van velen, die door hunne gestrengheid meen-
den een goed werk te doen, en dat ook werkelijk hebben gedaan,
terwijl bovendien aan hunne eerlijkheid niet te twijfelen valt.
Dezelfde commissaris van politie, die tot Bernadette sprak
van gevangenis, en aan haar verbood naar de grot te gaan,
hij , de wakkere politieman, die allerminst geloofde in de ver-
schijningen, maar van deze zaak eene flinke bevordering tot be-
looning verhoopte, hij moest later, alreeds den 5 October van
hetzelfde jaar, zijne verontschuldigingen aanbieden
wegens de moeielijkheden en den last, door hem veroorzaakt.
De vereerders van O. L. Vrouw, ja de geheele Katholieke
wereld zou gemist hebben de verklaring van den Keizer-
lijken procureur Dutour: „Met de middelen, waarover wij
-ocr page 384-
3G4
rto beschikken hebben zouden wij al den eersten dag het
rgeheim der verschijningen gevonden hebben, evenals de
„beweegredenen, die dat kind en hare familie deden han-
rdelen, indien die beweegreden en dat geheim in de
„hand van menschen waren geweest."
En zou het onderzoek naar hare geestvermogens hebben
plaats gehad, en de waarnemingen en naspeuringen tot in
de kleinste bijzonderheden van een, tot dan ongeloovigen
dokter Dozous, van eene commissie doktoren?
Dit alles, deze allen hebben aan Lourdes de grootst moge-
lijke zekerheid gegeven.
• De verschijningen waren voorbij, de wondere bron vloeide;
dagelijks kwamen genezingen voor, en alle vragen, allo
twijfelingen werden door de mannen der wetenschap beant-
woord met het een enkel woord: zinsbedrog (hallucinatie).
Hallucinatie (zinsbedrog of zinsbegoocheling) is een soort
van droom in wakenden toestand: een ziekelijk verschijnsel
van de hersenen.
De verschijningen, de woorden der H. Maagd, hare
bevelen: het waren niet anders dan dr oom en van Ber-
nadette! Inderdaad, die aan hallucinatie lijdt ziet beelden,
hoort klanken, zonder dat eenig voorwerp aanwezig is,
waardoor die worden voortgebracht. Doch geene andere
woorden, klanken, beelden kunnen door den lijder gezien,
• gehoord, geene andere gevoelens worden waargenomen,
dan die hij vroeger heeft gezien, gehoord, ge-
voel d, enz. Nimmer, nooit kan dergelijk, aan zinsbe-
goocheling lijdend persoon iets zien, hooren, enz., wat
hij vroeger nooit gezien, gehoord heeft. Vandaar dat
een blindgeborene nooit zinsbegoochelingen kan
hebben door iets te zien; noch een doofstomme door
-ocr page 385-
365
iets te hoor en. En zij, die aan zinsbegoocheling lijden,
die b.v. meenen God, O. L. Vrouw, Heiligen te zien,
zullen die altijd zien in de gedaante, den vorm, waarin
zij die elders hebben voorgesteld gezien; b.v. in de
kerk, in boeken, beelden, platen.
Toetsen wij nu hieraan de verschijningen van Bernadette.
De voorstellingen, welke zij geeft, zijn geheel ongewoon
en ongekend: het ongeleerd kind geeft eene juiste
voorstelling van de Verschijning, beschrijft die tot in de
geringste bijzonderheden; duizende malen ondervraagd,
blijft zij immer bij dezelfde beschrijving; eene
ongekende schoonheid, reinheid, zoetheid openbaart zij aan
Frankrijks grootsten kunstenaar Fabisch, belast met het
beeld der Verschijning te maken. Hoe kon het begrip van
een kind zoo hoog stijgen, dat het een zoo rein ideaal
beschreef, dat de uitstekende kunstenaar hot niet in beeld
kon brengen; hoe, als dat kind niet met haar 1 i c h a-
melijk oog gezien had,, wat het geestesoog des kun-
stenaars niet vermocht te vatten!\'\'
Zinsbegoocheling zal nimmer de gevolgen hebben,
welke de Verschijningen aan Bernadette gehad hebben. De
woordon der H. Maagd heeft zij kort en bondig en juist
overgebracht, en de bevelen welke die woorden bevatten
zijn nagekomen. Bernadette herhaalt de woorden, die zij
niet verstaat, om die aan den pastoor over te brengen.
Zóó weinig begrip heeft zij van het pas uitgesproken
geloofspunt der Onbevlekte Ontvangenis van Maria, dat zij
het woord: „Conception" slecht uitspreekt en het
blijft herhalen om het niet te vergeten. Want die naam der
H. Maagd: „ik ben de Onbevlekte Ontvangenis", was nog
nimmer uitgesproken.
-ocr page 386-
366
Het alles: Zinsbedrog!\'t verkondigt de zoogenaamde
geleerde wereld.
Maar dan de prachtige basiliek, welke op de Massabielle-
rots verrees; de ontzaggelijke beweging onder de katho-
lieken der geheele wereld, gelijk sints de Kruistochten niet
meer gezien was; — de m i 11 i o e n e n, welke daar elkander
verdringen; — de talloozen, daarheen getogen om redding
en genezing van afzichtelijke en doodelijke, ongeneeslijke
kwalen; — de talrijke processies, welke van alle oorden
naar Lourdes komen; — dit alles volgens de woorden
der Zienster; — wèl eene wonderbare zinsbegoocheling,
die zulke uitwerkselen heeft, die plotseling een arm
kind overvalt en na zes weken verdwijnt om nim-
mer terug te keeren!!
Waar vindt men bij deze zinsbegoocheling de op-
gewektheid, welke haar gewoonlijk, zelfs in gewone
droomen vergezelt.
De geestverrukking van Bernadette bij de verschij-
ningen ontnam haar noch hare persoonlijkheid. nooh haren
wil, noch hare gemoedsrust. Wanneer Bernadette opstond
na de verschijning, dan was haar pols normaal, dan
was geen spoor van zenuwachtigheid, vermoeidheid of afge-
matheid bij haar te bespeuren. De verschijningen hadden
niet plaats waar en wanneer zij wilde. Dikwijls kwam
zij bij de grot om te bidden, tweemalen zelfs was zij uit-
genoodigd door de Verschijning, zondor dat deze ver-
scheen. Binnen twee maanden heeft zij achttien verschij-
ningen, na dien houdt alles op en Bernadette treedt in
het gewone leven terug: nooit meer, zoolang zij leeft,
heeft zij nog verschijningen.
Van ziekelijke geestverrukking, gewaande verschijningen
-ocr page 387-
367
kan geen sprake zijn; evenmin van begoocheling van
al hare zintuigen: zeker niet van haar gehoor of gezicht,
zooals blijkt uit de wijze waarop, en de omstandigheden
waarin zij de bron wel vond.
Als toch begoocheling plaats had van haar gehoor,
zoodat dus haar gehoor scherper was dan in gewonen toe-
stand , dan had zij het murmelen van het onderaardsch water
gehoord, en zou zij zich dus gewend hebben naar dien kant,
waar zij dit hoorde. Het tegendeel gebeurde. De Verschijning
zeide haar te gaan drinken en zich te wasschen aan de
bron. Bernadette, volgens het getuigenis van Dr. Dozous,
stond op en begaf zich naar de rivier de Gave, die juist
aan den anderen kant ligt. Hadde dus Bernadette iets
gehoord van eene opborrelende bron, dan zou zij zich niet
zoo erg vergist hebben. Het was dus, om aan het gegeven
bevel te gehoorzamen, dat zij vol verbazing naar het
binnenst gedeelte der grot, iets naar de bovenzijde
zich moest begeven
Noch ook kan hier gedacht worden aan een versterkt
gezicht, gelijk dat meer voorkomt bij geestverrukkingen.
Aan eiken bewoner van Lourdes was het bekend, dat in de
Massabielle-rots geen water te vinden was, allerminst eene
bron. Dit kon ook niet onbekend blijven aan de tienduizen-
den, welke voortdurend tijdens de Verschijningen als het
ware de wacht hielden bij de grot. De politie had drie
nachten de grot doen bewaken en onderzoeken. Dr. Dozous
had zelf den grond doorzocht en verklaard: dat de grot
overal droog was, behalve daar, waar Bernadette een kuiltje
had gemaakt. — Hoe dan ook in geestverrukking, kon Ber-
nadette onmogelijk de plaats zien, waar de bronwei
ontstond; terwijl van den anderen kant haar oog ook niet
-ocr page 388-
368
de bron kon zien, daar deze ontstond diep-binnen,
dus in een duister gedeelte der grot. De wetenschap
heeft dus niets verklaard door zinsbedrog, begoocheling aan
te geven als oorzaak van de gebeurtenissen, welke door
bemiddeling van Bernadette Soubirous te Lourdes plaats
hadden. Maar ook, wanneer al de zintuigen van Bernadette
aan zinsbegoocheling ten prooi waren geweest, dan had haar
geest daarvan de sporen moeten vertoonen, daar zij dan
noodzakelijk krankzinnig had moeten worden.
II.
„Dit kind is krankzinnig, lijdt aan vallende ziekte; eer
eene maand voorbij is, zal zij haar verstand geheel verloren
hebben." Bij deze uitspraak bleven de meeste ambtsbroeders
van Dr. Dozous. Door deze voorbarige voorspelling komt het
bovennatuurlijke van Bernadette\'s geestverrukkingen
en der verschijningen aan haar te meer uit. Immers n a t u u r-
lijke verschijnselen van dezen aard hadden haar nood-
x akelijk krankzinnig moeten maken.
Overigens is gebleken, dat Bernadette nimmer krankzin-
nig was, daar zij tijdens en na de verschijningen eene een-
voudigheid, bescheidenheid , vooral wijsheid en bevattelijkheid
aan den dag legde, welke niet overeenkwamen met hare
jaren, noch met hare geestvermogens of opvoeding. Dr. Do-
zous, die Bernadette overal volgde en bestudeerde, heeft
dan ook de verklaring afgelegd, dat nimmer eenige storing
van geestvermogens bij haar viel waar te nemen. Dit getui-
genis wordt bevestigd en versterkt door het verslag, dat
eene commissie van drie doktoren over haar uitbracht. Deze
commissie was aangesteld door den Prefekt van het departo-
-ocr page 389-
369
ment of der provincie, waarin Lourdes ligt, met het uitge-
sproken doel, om Bernadette in een krankzinnigengesticht
te plaatsen. Welnu; dit verslag, door drie ongeloovige
dokters geteekend, erkent, dat de geestestoestand van Ber-
nadette gezond en normaal is. Gedurende acht jaren
blijft Bernadotto nog te Lourdes. Men ziet, men hoort haar
alle dagen; tallooze vreemdelingen komen haar hooren en
zien en ondervragen, doch nimmer kwam het woord krank*
zinnigheid bij iemand in de gedachte, veel minder op de
lippen. Bat was, naar het scheen, weggelegd voor de man-
nen der „wetenschap".
Zonder ooit Bernadette gezien of gehoord, of eenig
onderzoek aangaande haar ingesteld te hebben, komt in
Juni 1872 Dr. Voisin van de Salpetrière te Parijs ver-
zekeren, dat Bernadette in het Krankzinnigen-
gesticht te Nevers wordt verpleegd. — De dokter
had zeker niet bedoeld, nieuwe bewijzen bij te brengen
voor de waarheid der gebeurtenissen te Lourdes, toch
deed hij het zijns ondanks. De stelling immers, welke hij aan
zijne hoorders voorhield, en voor welker waarheid hij Ber-
nadette ten bewijze aanvoerde, was: dat alle hallu-
einaties uitloopen op krankzinnigheid.
Maar Bernadette was niet krankzinnig: maar dan
waren hare geestverrukkingen, verschijningen ook niet
natu urlijk.
De Bisschop van Nevers richtte in deUnivers een
open brief aan Dr. Voisin, waarin hij
1° ontkent, dat Bernadette Soubirous zich bevindt in het
krankzinnigengesticht, door de Urse 1 inen bestuurd
2° zegt, dat zij lid is van de Congregatie der Zusters
van Liefde, en zich in genoemde stad en klooster be-
-ocr page 390-
370
vindt, doch niet opgesloten, maar geheel vrij, zich wijdend
aan het onderwijs der jeugd en het verplegen van zieken;
3°, dat zij, wel verre van in hare geestvermogens gekrenkt
te zijn, iemand is, die uitmunt door wijsheid en kalmte.
De Bisschop noodigt verder Dr. Voisin uit, zelf te komen
zien en onderzoeken, en belooft, hem daarbij te vergezellen
en alle diensten te bewijzen
De bisschop ontving geen antwoord!
Inmiddels had zekere heer Artus verschillende brochures
in het licht gegeven tegen allen, die het bovennatuurlijke
en het wonder niet aannamen.
In eene dezer, die tot titel had: „Publieke uitdaging\'"
en welke aan Dr. Voisin gericht was, schrijft Artus: Ik
heb 10.000 franken bij mijn notaris ter beschikking gesteld
voor hem, die kan bewijzen, dat Bernadette ooit bij de
Urselinen te Nevers werd verpleegd.
Dan vervolgt hij: ik zal u niet met rust laten; ik eisch van u:
of eene bekentenis;
öf een z wijg en, dat ge 1 ijk staat met bekennen;
of een onderzoek, dat u beschamen zal.
Deze brief werd in de grootste bladen van Frankrijk
opgenomen, doch Dr. Voisin zweeg.
Dan richtte Artus een tweede brief tot den dokter, met
dezelfde uitdaging, doch de dokter bleef zwijgen.
Nu richtte Artus de volgende strenge woorden tot
Dr. Voisin:
Duld, Mijnheer, dat ik ten slotte eene opmerking richt
tot u en tot allen, die evenals gij door woord of schrift
spreekt tot het publiek. Elk, die in deze omstandigheden
feiten van zoo groot belang erkent of loochent, z o n d er
ze gezien of bestudeerd te hebben, begaat eene mis-
-ocr page 391-
371
daad jegens de maatschappij, want hij vervalscht of brengt
in verwarring het geweten van tallooze menschen, die noch
den tijd, noch de bekwaamheid hebben om zelf een onder-
zoek in te stellen, en die zich moeten verlaten op hen,
die zich opwerpen als hunne voorlichters."
Zou dit z w ij g e n van den Dokter niet minstens evenveel
kracht van bewijs hebben, als eeno schriftelijke herroeping
van zijn beweren ?
De president van den geneeskundigen Kring van het
departement der Ome, richtte een schrijven tot den president
van denzelfden Kring der Nièvre te Nevers, van wien hij
omtrent Bernadette deze inlichtingen ontving.
Nevers, den 3 Sept. 1872.
Geachte Collega,
Ge hadt geen beter adres kunnen kiezen, om inlichtingen
te hebben omtrent het jonge meisje van Lourdes, thans
Zuster Maria Bernarda geheeten. Ik ben de geneesheer van
het m o e der h u i s, en als dusdanig heb ik al lang mijne zorgen
aan de jonge Zuster besteed, wier zwakke gezondheid ons
vaak bezorgdheid inboezemde. Thans is haar toestand veel
verbeterd, zoodat zij van mijn zieke mijne ziekenoppaster
is geworden, die zich met ijver van hare taak kwijt.
Zij is niet groot, met een ziekelijk uiterlijk en 27 jaar
oud. Van nature kalm en zacht verzorgt zij hare zieken
met verstand, zonder ooit eenige voorschriften te verzuimen;
zij is zeer gezien en geniet van mijn kant het grootste
vertrouwen.
Gij ziet dus, waarde Collega, dat deze jonge Zuster ver
van krankzinnig is: ik zeg meer: haar zachte, een-
-ocr page 392-
372
voudige en bedaarde aard toonen niet den minsten aan-
leg daartoe.
Ik acht het een voorrecht met u over deze zaak te hebben
kunnen spreken, en u een dienst te bewijzen, door u deze
inlichtingen te verstrekken.
(was geteekend)
ROBERT SaINT-CyK.
President van den geneeskundigen
kring der jtfièvre.
Wat schitterend getuigenis omtrent Bernadette\'s verstand
en hart en edele hoedanigheden wordt in dezen brief ge-
geven door hem, die haar kende, met haar omging,
hare diensten genoot!
Hoe verdwijnt daarbij in het niet het zeggen en be-
weren van zoovelen, die haar niet kenden, zelfs niet
zagen, veel minder haar bestudeerden!
En toch dit laatste wordt door de „groote wereld" als
verlicht en wetenschappelijk gehuldigd. — Hoe moet
het dan wel met de geestvermogens dier „groote wereld"
uitzien ?
Maar allen, die met Bernadette in aanraking kwamen,
al hare tijd- en stadgenooten, alle ontwikkelde mannen
hebben haar den tol moeten betalen van deze hulde, dat zij,
die daar zoo eensklaps een eerste rol vervulde in de wereld,
en het voorwerp was, waarmede elk zich bezighield, dat zij
in de hoogste volmaaktheid heeft weten te behouden de zoo
moeielijke en zeldzame deugden van eenvoud en belange-
loosheid.
De doktoren gaan uit van het beginsel, of liever: zij
zetten de stelling voorop, dat alle of althans zeer vele uitingen
en beoefeningen van godsdienstig leven moeten toege-
-ocr page 393-
373
schreven worden aan zenuwkwalen, en wèl aan zoo ernstig
en hardnekkig zenuwlijden, dat het gewone leven er in
opgaat; — en dit zenuwlijden heerscht vooral in de kloos-
ters en wordt vaak verward met hysterie.
Bij zulke vooropgezette stellingen, is het wonder dat zij,
die deze aanhangen of voorop stellen, naar de oorzaak der
gebeurtenissen te Lourdes zoeken en blijven zoeken; — in
naam der wetenschap allerlei oorzaken aangeven; maar daarbij
gezond verstand, oordeel en de wetenschap
zelve verliezen ? Want, om van dit laatste alleen één
staaltje en één bewijs te geven: Prof. Imbert-Gourbeyre
verdedigt tegen de boven aangehaalde stelling: dat hysterie
zeer zelden optreedt bij een waarlijk godsdienstig
leven, hetzij dat geleid wordt in een klooster of daarbuiten.
III.
Evenmin als de geestverrukkingen en verschijningen van
Bernadette kunnen toegeschreven worden aan zinsbedrog
(hallucinatie); evenmin zijn zij het gevolg van hysterie.
Hysterie is eene vrouwenziekte, ofschoon ze ook wel
eens bij mannen voorkomt, die moeielijker in haren aard
te beschrijven, dan uit de haar vergezellende teekens te
onderkennen is.
Vele en zeer vele geneesheeren hebben Bernadette onder-
zocht, nagegaan, bestudeerd, doch — allen erkennen het
volmondig — geen enkel spoor of teeken van deze
ziekte, hysterie, bij haar waargenomen.
Hysterische personen zijn eigenzinnig, grillig en
wónder-vreemd.
Het leven echter van Bernadette en haar karakter geven
-ocr page 394-
*
374
juist het tegendeel te zien: namelijk het meest kalme
en geregelde leven.
Nog acht jaren na de verschijningen bleef Bernadette te
Lourdes; en niettegenstaande zij zoozeer bekend was en
duizende land- en stadgenooten en vreemdelingen zich om
haar verdrongen, en haar naam op de lippen was van de
geheele geloovige en ongeloovige wereld, is zij even een-
v o u d i g gebleven, was geen spoor van ij delheid bij
haar te zien. Als kloosterlinge was zij een voorbeeld van
zachtzinnigheid en gehoorzaamheid. Bedenkt men
daarbij de beproevingen, welke zij onderstaan heeft, dan
moet men haar karakter bewonderen. Zij wordt bedreigd
en geplaagd door de politie, voortdurend lastig gevallen
door tallooze bezoekers, die haar ondervragen, en er op
uit zijn, haar in hare antwoorden te vangen; — en toch,
geen klacht komt over hare lippen over den last en de
vermoeidheid, welke men haar aandoet — hetgeen toch
niet meer dan natuurlijk zou geweest zijn.
Duizendmalen herhaalt zij hetzelfde verhaal, zonder ooit
hare bedaardheid te verliezen, of aan de boleefd-
heid te kort te doen.
Alle belangrijke daden uit het leven van Bernadette
dragen den stempel van ernst en wijsheid. Ten einde
toe heeft zij deze haar ernst en wijsheid doorgevoerd, als
zij Lourdes en de wereld verliet, en daarmede aan alle
ijdelheid vaarwel zeide, en zich in een klooster aan het
gebed en liefdadige werken wijdde voor haar geheel leven.
Geen enkel teeken van hysterie is in het karakter
of in de daden van Bernadette waar te nemen, waardoor
het onwraakbaar getuigenis geleverd is, dat zij niet
aan hysterie leed.
-ocr page 395-
375
Hiermede is dan ook bewezen, dat de geestvervoe-
r in gen van Bernadette niet aan die ziekte kunnen worden
toegeschreven.
De beroemde Dr. Charcot der Salpetrière zegt te dezer zake:
^Geestvervoering, voortkomende uit hysterie heeft
geen enkel bijzonder teeken, waardoor men ze van andere
soorten van geestvervoeringen kan onderscheiden. Om de
hysterische extasen te kennen moet men de persoon,
die deze heeft, bestudeeren tijdens zij die niet heeft;
en vervolgens de verschijnselen nagaan, welke zich voordoen
vóór en na de geestvervoering. Als men dan teekenen
van hysterie waarneemt en verschijnselen, welke bij hevige
aanvallen van vervoering plaats hebben, dan eerst is
men zeker omtrent den waren aard — want het u i t e r-
lijke der gelaatstrekken bewijst niets omtrent
den aard.
Dewijl echter bij Bernadette nimmer teekenen van
hysterie vielen waar te nemen, en dewijl zij die hevige
aanvallen nimmer had, zijn wij door Dr. Charcot ver-
zekerd, en kunnen wij het dus luide verkondigen, dat de
geestvervoeringen van Bernadette niet van hysterischen
aard waren.
Toch hebben de belagers en vijanden van Lourdes getracht
munt te slaan uit de opzienbarende proeven en bevindingen,
welke genomen en ondervonden zijn van het hypnotisme.
Hierdoor tracht men de geestverrukkingen van Bernadette
te verklaren. Men meent vele punten van overeenkomst te
bespeuren tusschen hypnotische (slaap-wandelende)
personen en de verschijningen van Lourdes.
Doch die „punten van overeenkomst" leveren juist het
25
-ocr page 396-
376
bewijs van het tegenovergestelde. De persoon, die in slaap
gemaakt is (in hypnotischen slaap verkeert) is geen meester
meer over zijne persoonlijkheid of over zijnen wil; hij is in de
macht van hem, die hem in slaap gemaakt heeft; hij is iemand,
van wien een ander zich naar willekeur kan bedienen. Ber-
nadette nu, wij zeiden het boven reeds, had vrije beschik
king over haren wil, had het gebruik van al hare zintuigen;
tal van daden, welke zij tijdens de Verschijningen verrichtte,
toonden, dat zij meesteres van zich zelve was.
Bij den gehypnotiseerde (in slaap gebrachte) doen zich
dezelfde verschijnselen voor als bij gehallucineerden (aan
zinsbegoocheling lijdenden) nl. steeds dezelfde, als zij
in dezelfde omstandigheden verkeeren. Tot recht
verstand voegen we hier een geval van hypnotisme in, door
Dr. Boissarie medegedeeld, waaruit het groote verschil zal
blijken tusschen een gehypnotiseerden persoon en
Bernadette.
De gehypnotiseerde persoon geraakte in geestvervoering
als men hare handen vouwde tot het gebed, en toonde dan
ook godsvrucht en aandacht. Dit verschijnsel had niets
opvallends, maar als men haar den blik deed richten op
zekeren hoek van de zoldering, dan aanschouwde zij aan-
stonds O. L. Vrouw van Lourdes, die zij, behoudens eenige
afwijkingen, juist beschreef: o. a. gaf zij Haar een blauw kleed
aan in plaats van een wit. Dit was eene geestvervoering,
welke aangeleerd was, met zinsbegoochelingen, welke haar
waren voorgezegd. Deze vrouw zei eene les op; bij haar
ging alles werktuigelijk, gekunsteld of opgelegd.
Op hare gelaatstrekken was wel een weerschijn van
innerlijke gemoedsbeweging te zien; doch dat had niets
natuurlijks, was niet ongedwongen, niet vrijwillig: als zij
-ocr page 397-
377
ontwaakte, wist zij van niets. Die hoek aan de zoldering
gaf immer O. L. Vrouw van Lourdes te zion; tijdens hare\'
vervoering was de hypnotische slaap duidelijk. Zij was
dan aan de wereld onttogen: en al hare uitingen
werden door derden uitgevorscht of waren van buiten geleerd.
Men behoefde deze zieke maar bij haren hoek van de
zoldering te brengen , om haar naar believen verschijningen
te doen hebben.
Zooals wij boven zeiden: de gehypnotiseerde zal,
in dezelfde omstandigheden geplaatst, ook dezelfde
verschijnselen doen plaats hebben.
Hoe geheel anders bij Bernadette!
Zij heeft in twee maanden achttien verschijningen. Meer
dan achttien malen ja dagelijks ging zij naar de grot; en
toch had zij dikwijls geene verschijningen. Tweemaal was
zjj door de Verschijning gedrongen om naar de grot
te gaan: en toch verscheen deze niet.
En als Bernadette in het gewone leven is teruggekeerd,
dan blijft zij naar de grot gaan, en toch heeft ze
nimmer meer geest verrukkingen noch verschijningen.
De bovengenoemde slaapster zegt een les op, ziet en
beschrijft dingen, die zij vroeger meermalen aanschouwde.
Maar Bernadette openbaart aan de verbaasde wereld het
toonbeeld eener Maagd, die onder den naam: ,,I k
ben de Onbevlekte Ontvangenis", tot dusver geheel
onbekend is; — brengt de woorden dier Maagd over,
en deze dragen den stempel, dat ze van God komen.
IV.
Wetenschappelijk kunnen de verschijningen en
geestvervoeringen van Bernadette niet verklaard worden.
-ocr page 398-
378
Kan men met grond twijfelen aan hare waarheids-
liefde; kan Bernadette niet geveinsd, voorgewend hebben
bovennatuurlijke dingen te zien?
Indien dit het geval kon zijn, dan heeft Bernadette de
geheele geschiedenis van Lourdes 1 ° zelve verzonnen,
of 2" vertelt zij wat haar voorgezegd was. Noch het
een, noch het ander is geschied: een derde is on-
mogelijk.
Bernadette was niet bekwaam, om dergelijk comedie-
spel uittedenken.
Zij was een kind van middelmatigen aanleg, nauwelijks
dertien jaren oud, kon lezen noch schrijven, sprak zelfs
het fransch slecht, kende niets dan de volkstaal. En in
godsdienstige zaken was zij al even weinig onderwezen als
in maatschappelijke.
Onmogelijk dus, dat iemand, die zoo geringe opvoeding
en onderwijs genoten had, in staat was een tooneelstuk
samen te stellen, dat zoo ordelijk in elkander zat en zoo
geregeld afliep, om dan te eindigen in het tot dan toe
ongewone en onbekende: „ik ben de Onbevlekte
On Wangen is.\'\'
Een weinig bekendheid met de menschelijke natuur doet
inzien, dat hier onmogelijk sprake kan zijn, alsof Bernadette
eene van buiten geleerde les zou opgezegd, of
eene opgelegde ro 1 zou gespeeld hebben.
Zij was een kind, zij werd bedreigd en schrik aan-
gejaagd door een commissaris van politie; zij vond geen de
minste hulp of steun bij hare ouders, noch bij de geeste-
lijkheid; en zoo zou zij dus niet lang hare rol hebben
kunnen spelen zonder de eene of andere onvoorzichtigheid
-ocr page 399-
379
te begaan, of zich versproken te hebben — en zij zou dus
weldra hare bedrieger ij hebben moeten bekennen.
Bovendien, Bernadette was arm; als zij dus hare rol
gespeeld had, had zij er ook voordeelen van moeten
behalen; want goud en eer worden toch door niemand
versmaad, dan door.... Bernadette.
Gedurende de acht jaren, dat zij nog in Lourdes
gebleven is, hebben tallooze bezoekers haar goud en eer
aangeboden, doch zij heeft standvastig alles geweigerd.
Indien dit arm kind rijk had willen zijn, zegt haar
levensbeschrijver Dr. Dozous, rijker dan zij, die haar
lasterden, dan had zij slechts de goudstukken behoe-
ven aan te nemen, die rijke familien haar schonken, en die
gelukkig zouden geweest zijn, als zij iets hadden kunnen
bijbrengen, om den armoedigen toestand van Bernadette
en de haren te verbeteren.
Zelfs geene voortbrengselen der natuur wilde zij als
geschenken aannemen.
Het was treffend, zegt dezelfde, de smart te zien der
eenvoudige menschen, die allerlei natuur-voortbrengselen
in hunne korven medebrachten en aan Bernadette en hare
ouders aanboden; — als geen enkel daarvan
werd aangenomen.
Deze hare onbaatzuchtigheid werd geëvenaard, misschien
overtroffen door hare eenvoudigheid en door haar
wars-zijn van alle ij d e 1 h e i d.
Zij, die haar ondervragen en haar bewonderen, worden
door haar beantwoord in duidelijke en juiste bewoordingen;
zoo noodig herhaalt zij hetzelfde, zonder ooit eenige ver-
stoordheid te toonen, maar nimmer spreekt zij een
woord over haar zelve.
-ocr page 400-
380
Hare persoonlijkheid verdwijnt in \'t niet Lij de schoon-
heden der Vrouwe.
Het zachtzinnig meisje toont dan slechts eenige levendig-
heid, als iets wordt gezegd, dat geheel in strijd is met do
waarheid; en dan nog komt zij daartegen op met slechts
een enkel krachtig woord
Zelfs in godsdienstige voorwerpen had zij eene zekere
voorliefde voor de eenvoudigste. Het volgend voorval wordt
daaromtrent medegedeeld door Dr. üozous. Een edelman,
Kafaël Ginnasi was opgetogen over de manieren van Ber-
nadette: over hare onschuld , oprechtheid, bescheidenheid,
vooral over de flinkheid, waarmede zij antwoordde, als de
juistheid van haar verhaal in twijfel werd getrokken.
Hij bood dan haar een rijken rozenkrans aan, die door den
Paus gewijd was, en verzocht haar dien aan te nemen als
eene hulde aan de Onbevlekte Ontvangenis bij gelegenheid
dezer verschijningen — en hem in ruil daarvoor te geven
den rozenkrans , welke zij gebruikte, toen zij tegenover de
Verschijning zat.
Bernadette beschouwde tamelijk onverschillig den schoonen
rozenkrans, en weigerde hem aan te nemen, want zeide
zij, hij is te schoon voor m ij; en ook: zij wilde
zich niet ontdoen van dien, welken zij in tegenwoordigheid
der Hooge Vrouwe in handen had, doch zij wilde dien
zorgvuldig bewaren, daar niemand en niets haar zoo levendig
konden herinneren aan de gunsten, welke zij van de H.
Maagd ontvangen had, en aan de plichten, welke haar
waren opgelegd
Zoo was Bernadette gedurende acht jaren de Apostel
der H. Maagd, offerde zich geheel aan die taak, ging
daarin op, begaf zich in alle jaargetijden, soms meer dan
-ocr page 401-
381
oens daags naar de vochtige oevers der Gave, waar zij de
kiemen opdeed van de ziekte, welke haar ten grave voerde.
Hierbij bepaalde zij zich niet, maar, om haar leven ge-
heel aan gebed en afzondering te wijden besloot zij hare
verdere levensdagen in een klooster door te brengen, wer-
waarts zij dan ook uit vrije beweging en met een vreugdevol
hart henentoog.
En nooit, nimmer heeft Zuster Maria Bernarda ook slechts
voor één oogenblik haar klooster willen verlaten, om de
groote dingen te zien, welke in Lourdes zijn tot stand ge-
komen , of om den luister te aanschouwen van den grootschen
tempel, opgericht ter plaatse, waar zij eenmaal zoo vurig bad.
Evenmin als de genezingen te Lourdes is Bernadette
in hare zinsvervoeringen en verschijningen een we ten-
schappelijk vraagstuk; — men vindt het mirakel
overal. Geen verstand of wetenschap vermag aan
Lourdes het geheimzinnige en bovennatuur^
1 ij k e te ontnemen.
-ocr page 402-
TWEEDE HOOFDSTUK.
De wonderbare genezingen te Lourdes.
Veertig jaren regeerde de eerediensé van het stof opper-
machtig: alles is zinsbedrog behalve hetgeen gemeten, ge-
wogen , geteld kan worden; behalve feiten en cijfers.
De wetenschap zou alle vraagstukken oplossen: natuur-
lijke, bovennatuurlijke, die van gene zijde des grafs, ver-
dichtsels, sprookjes, die men het arme menschdom op den
mouw had gespeld. — Aldus de groote mannen der weten-
schap , Littré, Berthelot, Charcot.
Met een schaterlach werden dan ook de „vertelsels\'\', de
„sprookjes" van en over Lourdes ontvangen, en de eerste
pelgrims met hoon en smaad en verachting bejegend.
Na eenige jaren slechts staan mannen op als Claude-
Bernard, Pasteur, Gourbeyre, Dubois-Keymond en anderen.
Zij verklaren, dat er in de natuur veel is, wat \'s men-
schen bevatting te boven gaat, ja dat er vraagstukken
bestaan, waarvan wij de oplossing niet weten, noch ook
zullen weten. En zij, die beweerden slechts oog en oor te
hebben voor feiten, zijn het juist, die deze ont-
kennen.
-ocr page 403-
-ocr page 404-
383
Geloofden zij al niet aan de beweringen van Bernadette
of aan de Verschijningen: zij moesten toch geloof slaan aan
hetgeen daarop gevolgd is. Bij deze feiten en cijfers
kunnen geloof en geestdrift ter zijde worden gesteld; ver-
stand en wetenschap zullen uitspraak doen. Want de
eischen van geloovig-wetenschappelijke mannen zijn veel
hooger gesteld dan van de ongeloovigen. Gene deelen
slechts de feiten mede, gelijk ze z ij n, zonder van won-
deren te spreken of eenige verklaring te geven; — deze
willen alles uitleggen door- en toeschrijven aan sugges-
tie; — gene onderzoeken en werken in het volle daglicht,
ten aansehouwe en ten aanhoore der geheele wereld; —
deze doen uitspraak, oordeelen en veroordeelen, zonder
zelve gezien of onderzocht te hebben. Zoo hebben
Charcot en de mannen der Salpetrière van Parijs en Nancy
en der ongeloovige Universiteiten gehandeld.
Maar de wetenschap is gedwongen, om rekening te
houden met Lourdes. En de aanraking van Lourdes met
allerlei wetenschappelijke menschen, heeft haar er toe
gebracht, om op de hoogte te zijn van alle vorderingen,
bevindingen en uitvindingen der nieuwere wetenschap. Groot
is het getal beoefenaars der geneeskundige wetenschap,
die naar Lourdes gaan; de groote menigte kan nog niet
besluiten, maar is geschokt; er komt beweging in. —
Blijft over eene vijandige minderheid, die in staatkunde
en godsdienst onverzoenlijk is, die niet te genaken zijn,
omdat zij alles onder denzelfden hoek zien; en daarin is
nu eenmaal geene wijziging te brengen; want deze ge-
neesheeren, zegt Brunétière terecht, matigen zich aan,
dat zij alleen een juist inzicht hebben: zij hebben niets
vergeten, maar ook niets geleerd. Hun uurwerk staat nog
-ocr page 405-
384
op hetzelfde uur als voor dertig jaren, onschokbaar als zij
zijn in hunne onverdraagzaamheid en vooroordeelen.
I.
De genezingen te Lourdes zijn onbetwistbaar zeker.
Heden ten dage kan niet meer betwijfeld worden, of
er te Lourdes genezingen gebeuren. Alle geneesheeren zijn
het over de waarheid der genezingen eens. Niet echter
zijn zij het eens over de verklaring dier genezingen,
doch wèl getuigen zij eenparig, dat te Lourdes genezingen
kunnen gebeuren.
De geheele wereld trouwens kan dat getuigen; en bij
gelegenheid der nationale bedevaart van Frankrijk in 1897,
moesten de verslaggevers der groote ongeloovige Couranten :
der Gaulois, van den Figaro, Gil Bias, enz., luide
dit feit verkondigen.
* *
*
Ook omtrent de echtheid der zieken is alle twijfel
onmogelijk, daar deze voor het grootste gedeelte afkomstig
zijn uit de gasthuizen van Parijs of der provinciën.
Niet ook zijn deze zieken uitgezocht, om den tocht naar
Lourdes te maken, en daar genezing te vinden; — want,
ofschoon in gering getal, er zijn zieken, die te Lourdes
sterven.
De bedevaarten van zieken zijn allen aan denzelfden
regel onderworpen. Het eenig verschil is het grooter of
kleiner getal zieken.
-ocr page 406-
385
Ah voorbeeld stellen wij de groote fransche nationale
bedevaart. Elk jaar voert deze in de maand Augustus
ongeveer 1000 zieken aan van allen leeftijd, kunne, aan
allerlei ziekten lijdenden.
Al deze zieken hebben een getuigschrift bij zich omtrent
de ziekten waaraan zij lijden, onderteekend door vakmannen.
Bij hunne aankomst worden de zieken aanstonds ver-
voerd naar de gasthuizen, welke te Lourdes zijn.
Daar heeft elk geneesheer, geloovig of ongeloovig, vrijen
toegang op vertoon van zijn kaartje, en kan de zieken
zien, onderzoeken en bestudeeren.
Op sommige uren van den dag worden zij overgebracht
naar de badplaats bij de grot. Ook daar kan elk hen zien
en nagaan.
Zij, die do zieken naar de grot dragen en hen bij
het baden helpen, zijn mannen, uitmuntend door liefde
en opofferingsgezindheid, en komen voort uit alle standen.
Geen andere eisch wordt hun gesteld dan goeden wil en
toewijding aan hunne vrijwillig op zich genomen taak.
Door deze dragers derwaarts gevoerd, worden de zieken
op betamelijke wijze ontkleed door hen, die zich als bad-
bedienden aangeboden hebben, en onder voortdurend
toezicht van een of meer geneesheeren in het bad
gelaten.
Gelijk in de gasthuizen, zoo hebben de geneesheeren ook
vrijen toegang tot de badplaats.
Dagelijks ook, gewoonlijk in den namiddag, heeft er
-ocr page 407-
386
eene processie met het H. Sacrament plaats. Die processie
wordt gehouden tusschen de zieken door, die in twee rijen
meest vóór de Rozenkrans Kerk geschaard zijn, omringd van
eene groote menigte biddende bedevaartgangers en tal
van nieuwsgierigen.
Uit het gezegde begrijpt een ieder, dat de zieken voort-
durend gezien en gadegeslagen kunnen worden, en er dus
geen sprake kan zijn van bedrog.
Dewijl nu de meeste genezingen gebeuren bij de grot,
in de badplaats of bij de processie, zijn ook deze open-
bare feiten, waarover elk kan oordeelen, die door een
ieder nagegaan kunnen worden.
II.
Wat is liet geneeskundig bureau te Lourdes.\'
Sommige menschen meenen, dat dit bureau als het waro
eene fabriek is, waar jaarlijks de buitengewone genezingen
worden uitgegeven, voorzien met het zegel van geloovige
dokters, die daarom al reeds van overdrijving verdacht zijn.
Grooter dwaling is wel niet mogelijk, daar dit bureau
eigenlijk niets anders is, dan een inschrij vings-bureau.
Het bestaat uit den voorzitter, Dr. Boissarie, en alle
aanwezige geneesheeren. Deze voorzitter, bij alle doktoren
der wereld gekend, was eertijds geneesheer in een der
gasthuizen van Parijs, is allezins op de hoogte der weten-
schap en heeft als geneesheer een grooten naam gemaakt.
Hij is het toonbeeld van een geneesheer, kalm, berekend en
beredeneerd, ontoegankelijk voor theoretische begrippen.
-ocr page 408-
387
Van nature afkeerig van al wat op zenuwziekte gelijkt,
weet hij zich gauw van dergelijken lijder af te maken.
Sommige geneesheeren vinden, dat hij de angstvalligheid
wel wat ver drijft.
Dr. Boissarie ontvangt vriendelijk en hartelijk de vreemde
geneeskundigen, want het is hem een genot, tal van
ambtsbroeders rondom zich vereenigd te zien, vooral als de
meeste ongeloovig zijn.
Zeker is, dat dit bureau altijd open staat voor eiken
geneesheer, en dat allen er met open armen ontvangen
worden.
Welk is de taak van het geneeskundig bureau?
Vooraf moeten wij bemerken, dat geen enkel genezene
verplicht is, zich op dat bureau aan te melden. Daarom
worden er nog al aangetroffen, die daar niet komen, hetzij
dan dat zij zich niet willen onderwerpen aan de soms on-
bescheiden navorschingen van vreemde geneesheeren, of
wel dat ze liever onopgemerkt blijven en daarmede hunne
vrijheid behouden om hun innerlijk geluk te smaken en
hunne dankbaarheid te uiten.
Wanneer een zieke, die beweert genezen te zijn, op het
geneeskundig bureau komt, wordt hij aanstonds in het
publiek ondervraagd, waarbij alle geneesheeren het woord
kunnen voeren.
Het door hem medegebracht getuigschrift, onderteekend
door zijn geneesheer, wordt insgelijks publiek voorgelezen.
Nu wordt een verslag opgemaakt, waarin de verklaringen
van den zieke en het medegebrachte getuigschrift zijn op-
genomen, en al wederom in het publiek.
Als er reden toe is, gaat de zieke in eene kleinere
-ocr page 409-
388
kamer, waar elke geneesheer hem kan bestudeeren en den
toestand kan staven, waarin de zieke zich op dat oogen-
blik bevindt.
Deze bevindingen des geneesheers worden bij het boven-
vermeldo verslag gevoegd.
De zieke wordt vervolgens ontslagen en, als het ziekte-
geval nog al merkwaardig is, of als de een of andere dokter
hem gaarne nog eens zou zien, verzocht terug te komen
Hieruit ziet men, dat het geneeskundig bureau eigenlijk
slechts inschrijvingswerk verricht.
Het heeft slechts te boeken het getuigschrift, af-
gegeven door den geneesheer des zieken, dezes ver-
klaringen en bevindingen alsmede die der aanwezige
geneesheeren omtrent den huidigen toestand, waarin
de zieke is.
De taak van het bureau is dus juist omschreven en
daarom is alle betwisting uitgesloten.
De bespreking en uitlegging van het feit (der
genezing) kunnen eerst dan geschieden, als de dokter, die
het eerste getuigschrift heeft afgegeven, den zieke terug-
ziet. Dan eerst, als deze geneesheer zijn gevoelen heeft
uitgesproken, wordt de genezing opgenomen onder de ge-
beurtenissen van Lourdes: mirakel wordt het
nimmer genoemd, als zijnde dit geen woord, in de
geneeskunde bekend.
III.
Wat wordt verstaan door buitengewone genezing?
Hiertoe wordt vereischt:
1°. Dat de genezen zieke gezien, onderzocht en verzorgd
-ocr page 410-
389
is geworden door den geneesheer, die het eerste getuig-
schrift heeft geteekend;
2°. Dat zijne genezing gestaafd is door de geneesheeren
van het geneeskundig bureau vau Lourdes;
3°. Dat de eerste geneesheer bevestigt, dat de toestand
van den zieke bij zijn terugkeer van Lourdes geheel ver-
anderd is;
4\'1. Dat hij een behoorlijke proeftijd onderga, zoodat het
onmogelijk is, dat hij weder instorte.
5°. Bovenal, dat de genezing niet kunne verklaard worden
door de gegevens der geneeskunde.
Deze punten staan vast voor alle gevallen. Wij zullen
nu de genezingen daaraan toetsen, en doen zien en
bewijzen, dat al de aangevoerde opwerpingen tegen de
genezingen niet vermogen ze te loochenen.
1
De genezingen te Lourdes kunnen niet worden toege-
schreven aan de delfstoffelijke (minerale) eigenschappek
van het water der grot, noch aan de geneeskundige
behandeling met koud water.
Ten tijde der Verschijningen was er te Lourdes een
apotheker, die beweerde, dat het water der grot d e 1 f-
stoffen bevatte. (Zie bladz. 97 en 122).
Ook later hebben zich enkelen opgedaan, die hetzelfde
beweerden, omdat zij er een handels-artikel van wilden
maken.
-ocr page 411-
390
Aan deze bedriegerij werd al dra een einde gemaakt
door de rechtbank, daar de ontleedkundige Filhol het
water met de grootste zorg en nauwkeurigheid ontleedde
en getuigde, dat er geen het minst verschil was tusschen
het water der grot en dat der Gave.
Eene eenvoudige bemerking zal de waarheid hiervan
doen inzien.
Wateren, die delfstoffen bevatten, hebben hunne eigen
samenstelling, en zijn dan slechts geschikt voor een bepaald
soort zieken, aan wie de geneeskunde die voorschrijft.
De genezing nu van verschillend soort zieken
bewijst dus, dat die niet kan zijn uitgewerkt door de
delfstoffelijke eigenschappen van het gebruikte water.
2
De behasdeling der zieken met het koud water der grot
kan al evenmin deze genezingen verklaren.
Het is toch een bewezen feit, dat vele zieken genezen
zijn buiten de badplaatsen. Sommige herkregen
de gezondheid in hunne kamer, andereu vóór de grot, of
bij de processie met het H. Sacrament; tehuis, in hun hotel,
op de terugreis, enz.
Men mag dus vrij besluiten, dat de geneeskundige
behandeling met het koude water der grot hier niets
afdoet, dat dus de genezingen te Lourdes niet kunnen
verklaard of toegeschreven worden aan de gewaarwording,
welke men ondervindt bij de plotselinge indompeling in het
koude water.
-ocr page 412-
391
3.
Suggestie \') geeft ook geexe verklaring vax de buiten-
gewone gexezixgex
Wij zagen alreeds, hoe slecht het de suggestie er afbracht,
om de verschijningen, welke Bernadette had, te verklaren.
Deze leer was inderdaad onmachtig om een wetenschappe-
lijken uitleg daarvan te geven.
Wij gaan nu aantoonen, dat door haar al evenmin kunnen
verklaard worden de zeldzame genezingen, welke te Lourdes
gebeuren.
Professor Charcot \') wist bij ondervinding, dat de
genezingen te Lourdes waar waren ; zijn geheel leven is hij
bezig geweest, om die te verklaren.
Zijn wetenschappelijke geest verzette zich tegen die uitin-
gen van het boventuurlijke, en hij zou, kostte wat \'t koste,
er de verklaring van vinden en geven uit de natuurwetten.
Toen hij, de fijne kenner van zenuwziekten, niets beters
vond, legde hij de verklaring er van neer in een volzin,
die er op berekend was, om veel beweging te veroorzaken,
en daardoor hare ledigheid, en niets beteekenende te verber-
gen: het gel o of geneest hen.
Ziedaar nu al den uitleg, dien de wetenschap met Charcot
aan \'t hoofd weet te geven.
l) Suggestie, niet uit te drukken met een hollandscli woord,
bestaat hierin, dat invloed uitgeoefend wordt op de hersens
van een ander, die niet gehypnotiseerd (in slapenden toe-
stand gebracht) is, hetzij door woorden, bevelen, gevoeligen
indruk enz.
\') Bestuurder van de Salpetrière te Parijs.
20
-ocr page 413-
392
En deze ontdekking is nog slechts de gevolgtrekking uit
de leer der suggestie.
Op twee manieren geneest het geloof de zieken te Lourdes.
lu. Zij worden genezen, omdat zij onder sterken i n-
vloed verkeeren, die op hen uitgeoefend wordt door
de openbare gebeden, de zangen, de smeekingen, toespraken,
indrukwekkende plechtigheden, de geestdriftige menigte
volks — hetwelk alles eigenlijk slechts middelen zijn, om
de zieken te suggereeren (onder den indruk te brengen).
2". De zieken genezen, omdat zij zich opwekken tot een
vast en onwrikbaar vertrouwen; en ziedaar de a u t o-s u g-
gestie (sterke inbeelding, voortkomende uit het onwrik-
liaar vertrouwen, waarin zij meen en genezen te zijn).
Deze vernuftige leer heeft werkelijk verklaring gegeven
der genezing van zenuwlijders; maar daartoe is zij
niet in staat, ja zij stelt zich kinderachtig aan, als het,
gaat over lichamelijke verwondingen, die een
ieder kan zien.
Charcot voelde zelf\', dat zijn leerstelsel in deze niet op-
ging ; en daarom gaf hij voor den vorm een voorbeeld, dat
eenige overeenkomst vertoonde met de genezingen van
Lourdes.
Na veel zoeken vond hij één enkel geval, dat nl. van
Mej. Coirin, die vijftien jaren leed aan eene wonde in de
borst, en genezen werd door er een weinig aarde aan te
te doen, welke genomen was van het graf van den diaken
Paris.
Voorzeker is dit een belangrijk geval, want het bewijst,
dat de zenuwen eene groote rol kunnen spelen bij het
al- ofniet genezen eener wond; doch men merke
wel op, dat dit slechts kan .voorkomen bij personen,
-ocr page 414-
393
die duidelijke kenteekenen van zenuwziekte vertoonen.
Dit was het geval met Mej. Coirin , bij wie alle mogelijke
zenuwziekten zijn waargenomen.
Overigens is het zeldzaam, dat bij eene zenuwkwaal eene
wond ontstaat; —ja, zeer zeldzaam, zegt Dr. Boissarie, daar
Prof. Charcot, om één geval te kunnen aanhalen genoodzaakt
was, om 150 jaren terug te gaan in de jaarboeken (1731).
Dan nog; dit é é n e geval, dat gebruikt wordt, om het
tegenover de t a 1 r ij k e genezingen van Lourdes te stellen,
heeft niets buitengewoons, want de wetenschap weet zeer
goed er de verklaring van te geven. Want om dit geval van
Dr Charcot op zijn juiste waarde te schatten, moet er bij-
gevoegd, dat de wonde van Mej. Coirin eerst na twintig-
dagen genezen was, en zij zelve eerst na vier en veertig
dagen het gasthuis mocht verlaten.
Van geheel anderen aard zijn de genezingen te Lourdes,
daar deze plotselings gebeuren en bij personen, die
geen enkel teeken van zenuwlijden vertoonen. De gelijkenis
is dus oogenschijnlijk, en met de haren er bijgetrokken om
eigen zaak en hardnekkig vastgehouden meening s c h ij n
van waarheid te geven.
De leer der suggestie komt slechts van pas bij zenuw-
lijders. Genezing op plotselinge wijze verkregen van wonden,
gezwellen enz. blijven onverklaarbaar, als de lijder geen
teekenen van zenuwziekten vertoont.
Wij zullen daarvan eenige voorbeelden geven.
Eerst moeten we eene vraag beantwoorden, die in be-
trekking staat tot de leer der suggestie.
Opdat de suggestie gunstig werke, moet hij, op wien
-ocr page 415-
394
die wordt toegepast, in staat zijn om te begrijpen wat hij
doet, en wat aan hem gedaan wordt.
Uit het volgend voorbeeld blijkt, dat dit niet altijd opgaat.
Den 24 Juni 1896 werd naar Lourdes gebracht de kleine
Yvonne Aumaitre. Dit kind, 22 maanden oud, was lichame-
lijk goed gevormd en van gezond gestel, gelijk zijne ouders.
Dr. Aumaitre, een der meest bekende geneesheeren van
Nantes zag, dat zijn kind sporen van eene bekende ziekte
vertoonde. De verklaring, door Dr. Aumaitre zelf in het
register geschreven, behelsde, dat zijn dochtertje een d u b-
belen horrelvoet had.
Zij had op dat oogenblik leelijk uitziende beenen en hare
voeten kronkelden onder haar ineen.
Ook de knieën stonden buiten verband en geleken hans-
worst-knieën, die heen en weer bewogen konden worden.
Al de middelen, welke de geneeskunde voor dergelijke
kwalen aan de hand doet, werden aangewend; de wond-
heelkunde beproefde ook het hare en nam de inlatingen van
de stekers der beide buikstukken weg.
Doch ook deze behandeling was te vergeefs. De genees-
heeren gaven dan aan Dr. Aumaitre te verstaan, dat, als
Yvonne ooit zou kunnen loopen, het toch eerst na zeer
langen tijd zou zijn. De vader besloot zijn kind te voorzien
van een toestel, dat bij misvormde voeten gebruikt wordt;
en wachtte inmiddels op de geringe kans, welke op beter-
schap bestond. In die omstandigheden werd besloten naar
Lourdes te reizen.
Dr. Aumaitre, ofschoon een geloovig man, had slechts
op aandrang van zijne familie er in toegestemd naar Lourdes
te gaan, doch verwachtte geene genezing.
Yvonne werd dan door haar vader naar het geneeskundig
-ocr page 416-
395
bureau gebracht, en de toen daar aanwezige geneesheeren
zullen zich nog wel het aanvallig kindje herinneren, dat
onder alle opzichten zoozeer de belangstelling wekte.
De kleine Yvonne werd den 25 Juni, vóór zij nog een
bad genomen had, door de geneesheeren onderzocht, en
allen getuigden, dat de verklaringen van Dr. Aumaitre
juist waren.
Eiken dag werd zij in het ijskoude water der grot ge-
dompeld en — om van suggestie te spreken — zij had een
afschrik van dat koud bad. Dat duidde genoeg het schreeu-
wen aan, als men met haar bij de badplaatsen kwam.
Zoo nam Yvonne eenige baden, zonder dat iets bijzonders
viel waar te nemen. Na het derde bad werd zij, als gewoonlijk
naar hare kamer in het hotel teruggebracht.
De kindermeid, die met hare verzorging belast was,
nam haar op om ze te kleeden, en zonder zich rekenschap te
geven van wat zij deed, zette zij haar rechtop in het bed.
Hoe verbaasd stond ze, als zij zag , dat de kleine rechtop
bleef staan.
Geheel van haar stuk door hetgeen zij zag, leidde de
meid het kind naar de kamer van haar grootvader, den
Heer Pergeline, oud-president van de Kamer van Koophandel,
die vol verbazing zijn kleinkind naar zich zag toeloopen.
Yvonne deed daar hare eerste schreden.
Van dit oogenblik af ging en liep dit kind alsof het zulks
altijd gedaan had en behield zelfs in de moeielijkste be-
wegingen het evenwicht. Toch had de vader uit voorzichtig-
heid nog niet het zwaar en hinderend toestel aan de beonen
durven wegnemen.
Twee zaken vallen hierbij vooral op te merken.
-ocr page 417-
396
1 °. Yvonne Aumaitre is plotselings beginnen te
loopen, hetgeen anders slechts langzamerhand kan
aangeleerd worden.
2°. Dit kind was nog te jong om te beseffen wat het deed,
of wat het gedaan werd; en toch, na een koud bad heeft
het eensklaps geloopen, zonder dat het zich zelf er rekenschap
van kon geven, zonder ook dat het kan verklaard worden.
Dit is wel de onherroepelijke veroordeeling van de leer
der suggestie.
4.
De Genezingen te Lourdes zijn bewezen door overtui-
oende bewijsstukken.
Joachima Dehant, wonende te Velaine in België, was al
twaalf jaren ziek, toen zij besloot naar Lourdes te gaan.
Haar geneesheer, Dr. Froidbise, gaf haar een getuigschrift,
waarin hij verklaarde, dat zij leed aan eene verettering,
welke voor tweederde het uitwendige van het rechterbeen
had aangetast.
Joachima neemt plaats in den trein. Wij kunnen haar
voet voor voet volgen tot aan hare genezing, dank het on-
derzoek, dat ingesteld is door Dr. Koyen en Simon Deploige,
professor aan de Universiteit van Leuven.
Aan de fransche grenzen kwam een beambte der inkomende
rechten in den wagon, om hare reiskoffers na te zien, maar
de vreeselijke lucht, welke het been uitwasemde, deed hem
terugdeinzen en den wagen verlaten.
Degene, die de ongelukkige Joachima vergezelden op
hare reis, ondervonden ook weldra de gevolgen van den
ondragelijken stank: zij werden ziek en misselijk.
-ocr page 418-
3D7
Een priester te Parijs raadde haar aan, de reis niet voort
te zetten.
Te Paray-le-monial maakte zij van de gelegenheid, dat
de trein eenigen tijd ophield, gebruik om het been te ver-
binden. Iemand, die toen de wonde zag, verklaarde, dat het
haar onmogelijk werd Joachima langer te verplegen, dewijl zij
ziek werd van de besmettelijke lucht, welke het been afgaf.
Te Agen moest een nieuw verband gelegd worden. Onder
de andere reizigers, die op het perron vóór het station er
bij stonden, kon men inmiddels de volgende gesprekken hoo-
ren: die persoon moet wel onnatuurlijke ouders hebben, dat
ze haar in zulken toestand naar Lourdes laten gaan! Bij
zulken stank zullen wij nog de cholera in den trein krijgen.
Joachima laat te Agen tastbare bewijzen van haren door-
tocht achter in den vorm van stinkende doeken, vol stukken
rottend vleesch, van welke zij zich ontdoet.
Dit is het eerste bewijsstuk.
De zieke plek aan het been is door de reis geheel ont-
stoken: een doek, zestigmaal om het been gewonden,
is in één uur zoo doortrokken, dat het vuil er uit druppelt.
Eindelijk komt ze te Lourdes aan en neemt haar intrek
in het hotel Latapie, No. 35 aan den weg naar Pau.
Twee personen zijn er bij, toen des avonds te 10 ure
het laatste verband gelegd werd.
De ongelukkige begeeft zich ter ruste, en de hotelhoud-
ster verklaart, dat des nachts de beddelakens doortrokken
waren en door andere moesten worden vervangen.
Tweede bewijsstuk.
-ocr page 419-
398
Joachima kon niet slapen, stond daarom vroeg op, om
aan de grot een bad te gaan nemen.
Dit eerste bad had geen de minste uitwerking; omtrent
9 ure\'nam zij een tweede.
Tijdens deze tweede indompeling was hare pijn zoo hevig,
dat Joachima op de tanden knarste en zich op de tong beet.
De vriendin, welke haar hielp aankleeden, bemerkte
dat bij het verlaten van het bad alle pijn verdwenen was.
Maar Joachima, zeide zij, het schijnt dat gij geen pijn
meer hebt aan het been. Wat dunkt u, willen we de
zwachtels er af doen? Zij deden het en zagen tot hunne
verbazing, dat de wonde dicht was; het been was blauw
en rood; later werd het langzamerhand bleek.
De arme zieke, buiten zich zelve van vreugde, roept
uit: Leve O. L. Vrouw van Lourdes! Zij heeft niet alleen
nieuwe huid aan mijn been teruggegeven, maar zelfs vleesch
en de kuit.
De tijding dezer genezing was weldra verspreid; talrijke
pelgrims verdrongen zich rondom Joachima, om de buiten-
gewone gebeurtenis te zien en te bespreken.
Zij begaf zich naar het hotel, waar talrijke getuigen
de volkomen genezing konden staven. Onder hen waren de
twee, die \'s avonds te voren er bij waren geweest, toen het
laatste verband om het been gedaan werd.
Joachima kon nog in een hoek der kamer laten zien de
stukken dood vleesch, die zij er \'s morgens afgetrokken had.
2iedaar het derde bewijsstuk.
Geheel genezen keert Joachima naar België terug. Bij
hare tehuiskomst onderzoekt Dr. Froidbise het been, en ver-
klaart dat de wond geheel genezen is.
-ocr page 420-
399
Na het onderzoek wordt hem gevraagd, of hij dacht, dat
die wonde op natuurlijke wijze had kunnen genezen?
Neen, antwoordt hij: den 6 Sept. was het enkel vleesch,
en den 19 bedekte de huid de geheele oppervlakte der
wonde; en die huid was droog en gezond.
Tien jaren daarna schrijft Dr. Marique: Omstreeks
het jaar 1880 heb ik mij in Velaine gevestigd en gedurende
al dien tijd ben ik de huisdokter geweest der familie Dehant.
Toen ik daar kwam, was het reeds enkele maanden geleden,
dat Joachima genezen was, — hiervan ben ik dus geen
getuige geweest; maar wèl kan ik verzekeren, dat zij voort -
durend de beste gezondheid geniet.
Deze opzienbarende genezing, die zeker wel onder de
schitterendste van Lourdes mag gerekend worden, biedt
een nieuw soort van bewijsgronden.
Het zijn stomme getuigen, die hier optreden: s t o f-
felijke bewijzen, maar die onafwijsbaar zijn ter be-
vestiging der genezing.
IV.
De genezingen te Lourdes kunnen niet veroorzaakt zijn door
de natuurlijke eigenschappen van het water der bron.
Een Parijsche dame, Joanna Gasteau, is ter behandeling
geweest bij drie geneesheeren, en alle drie hebben op
dezelfde wijze de ziekte onderkend.
Gedurende vijf jaren hebben de geneesheer van Neuilly,
Thuvien, en de Parijsche dokters Mennessier en Chateaubourg
getracht, om door eene bijzondere geneeswijze de jammerlijke
gevolgen der vreeselijke ziekte tegen te houden of te genezen.
-ocr page 421-
400
IJdele pogingen! De ruggegraat wijkt af en er vormt zich
weldra eene verzwering, een duidelijk teeken van verettering
der wervelbeenderen. Dit gezwel, ontstaan ter hoogte van
het lendengedeelte der wervelkolom, ter hoogte van de nieren,
zakt rechts af, waar het een grooten buil vormt. Hier is de
klank volkomen gedempt, de wand van het gezwel is ver-
dikt, het gezwel zelve gevuld met eene vochtige massa.
De geneesheeren wilden dit gezwel doorsteken, doch de
toestand van de zieke is zoo ellendig, dat zij de familie
aanraden, haar naar het St. Jozefsgasthuis te laten over-
brengen, om daar de operatie te doen.
In dit gewichtig en beslissend oogenblik aanvaardt Joanna
de reis naar Lourdes, en komt daar aan na drie dagen
reizens, terwijl zij niets genuttigd had dan een halve liter
bouillon.
Des middags neemt zij een bad, doch wordt zoo mogelijk
nog zieker.
Op dat oogenblik vangt de processie met het 11. Sacrament
aan. Op een matras, met het gelaat wit als was, dat nog
sterker uitkomt bij het blauw kleed, waarover het lint als
Congreganiste, ligt zij daar neer, onbewegelijk, sprakeloos;
en wacht aldus haar Redder af.
Het H. Sacrament nadert.
Toen, zeide zij, hoorde ik eene stem in mijn binnenste,
die me toesprak: sta op, sta op! een gekriewel doorliep
als een vlam mijne leden en daarna gevoelde ik niets meer.
De pijn, die ik zonder ophouden in de zijde voelde, is
eensklaps verdwenen; deze zijde zoo gespannen en oj>-
gezet, is op eens ingezonken; — ik richt mij van mijne
matras op, ik stap door al de rijen van ziekendragers die
vóór mij waren, en ga recht naar de grot.
-ocr page 422-
401
Mijne moeder had.een oogenblik naar den anderen kant
uitgezien; als zij nu de oogen werpt op mijne matras, ziet
zij die verlaten, en een onuitsprekelijk gevoel maakt zich
van haar meester. Weldra krijgt ze mij in het oog en ziet
mij tusschen de zieken gaan onbelemmerd, vlug met los-
hangende kleederen; dicht bij de grot haalt zij mij in.
De armen over elkaar gekruist, blijf ik daar een half uur
op mijne knieën zitten bidden, zonder dat ik eenige ver-
moeienis gewaar word; en toch: ik had gedurende die
driedaagsche reis geen rust gehad en nauwelijks eenigen
bouillon gebruikt.
Joanna Gasteau begaf zich nu naar het Geneeskundig
bureau, waar al de aanwezige geneesheeren haar met de
grootste nauwkeurigheid onderzochten. Dr. Serres drukt
met alle macht op hare schouders, doch hij kan niet merken
dat zij pijn heeft.
Dr. Mennessier, die haar het eerste getuigschrift mede-
gegeven heeft, ziet haar te Parijs terug en erkent dat zij
genezen is.
In een langdurig onderhoud, dat hij met Dr. Boissarie
had, legde hij vooral nadruk op de etterige verzwering, die
hij zoo goed met zijn vinger gevoeld had, en waarnaar
hij nu herhaalde malen te vergeefs zocht.
Van dien tijd af is Joanna altijd gezond geweest; ver-
scheidene jaren nog kwam zij op het geneeskundig bureau;
en thans is zij kloosterling bij de Dominicanessen.
Ziedaar nu een voorbeeld van die genezingen, welke het
H. Sacrament bewerkstelligt, zonder dat het gebruik
van het water van Lourdes iets daartoe heeft bijgebracht.
-ocr page 423-
402
V.
Al wat er tijdens de pelgrimstochten bij de Grot gebeurt
doet niets af bij de buitengewone genezingen, die
te Lourdes gebeuren.
Drie geneesheeren hebben onderzocht en in behandeling
gehad Petrus de Rudder.
Een vierde heeft dit belangrijk geval slechts onderzocht,
doch allen geven het ziektegeval op dezelfde wijze aan.
Ziehier de bijzonderheden.
Petrus de Rudder, schrijft Dr. Van Hoestenberghe, ge-
neesheer te Stalhille in België, is bij zijn werk door den val
van een boomstam , die op hem viel, het scheen- en
kuitbeen vermorzeld.
De stukjes waren zoo talrijk, dat als men dat lichaams-
deel bewoog, men de beenderen hoorde rammelen als een
zak noten. Zij zijn nooit meer vast geworden, ofschoon hij
op kosten van den gruaf Dubus zes maanden in behandeling
is gebleven.
De man voelde zich veroordeeld en verlaten, en was
wanhopig; als wanneer ik de gelegenheid kreeg, het been
te onderzoeken.
Een langdradige beschrijving is onnoodig: de onderste helft
van het been bengelde aan het boveneinde van het been, zoo-
dat ik met den voet meer dan één cirkel kon beschrijven
op de loodrechte as van het been; deze beweging werd
alleen beperkt door de weeke deelen.
In dien droevigen toestand besloot de Rudder naar Lourdes-
Oostacker, eene Belgische bedevaartplaats, dicht bij Gent,
te gaan, waar ook eene grot is, naar die van Lourdes
gemaakt.
-ocr page 424-
403
Op zijn goheele bedevaart werd de man letterlijk voet
voor voet gevolgd en nagegaan.
Te vergeefs had Dr. Royen, die dit onderzoek ingesteld
heeft, Dr. Mottard van Haunut, een volslagen ongeloovig
geneesheer, uitgenoodigd en verwacht; eindelijk vond hij
een getuige in een ongeloovigen koopman. Aldus waren de
getuigenissen omtrent het been van de Rudder, zooals dat
door Dr. Van Hoestenberghe beschreven was, eensluidend.
Hiermede stemmen nog in de tolgaarder, bij wien de
Rudder uitrustte, alvorens hij naar het station ging, en
de spoorwegbeambten, die hem in den trein hielpen.
De laatste getuige is de koetsier, die den ongelukkige
van Gent naar Oostacker vervoerde en die hem het rijtuig in en
uit hielp, zeggende: „Ziedaar iemand , die zijn been verliest."
Petrus de Rudder dronk een weinig water, zette zich
dan neder voor het beeld der H. Maagd en bad Haar hem
de gezondheid terug te geven, om voor zijn huisgezin den
kost te kunnen verdienen.
Hij verloor het bewustzijn, en dan, verhaalt hij, ben ik
opgestaan, heb mij op de knieën gezet, zonder te denken
wat ik deed of naar mijne krukken om te zien. Als ik dan op
mijne knieën zat, begon ik er erg in te krijgen, dat ik genezen
was; ik ben toen weer opgestaan en liep zonder krukken.
De talrijke getuigen, die bij het onderzoek ondervraagd
werden, hebben eenstemmig de verklaringen van De Rudder
bevestigd.
De geneesheeren, die den ongelukkigen werkman behan-
deld hebben, legden hetzelfde getuigenis af. Een dezer, het
been onderzoekende, liet er een paar dikke tranen op vallen
en riep uit: ja, gij zijt volslagen genezen; uw been is als
van een pasgeboren kind. Geene menschelijke middelen waren
-ocr page 425-
404
bij machte; maar wat de dokters niet konden, dat kon
Maria!
Deze geestdriftige verklaring werd ook onderteekend door
Dr. Van Hoestenberghe, iemand veel minder bevooroordeeld
dan zijn ambtsbroeder.
Het zal goed zijn , hier in herinnering te brengen, dat
Dr. Yan Hoestenbergho de onderteekenaar was van het
eerste getuigschrift.
Toen Petrus de Eudder, schreef deze, ter bedevaart toog,
sleepte hij al acht jaren zijn been achterna, terwijl hij zeer
moeilijk met krukken kon gaan. IJ et derde deel van het
been hing er als een vod bij.
Denzelfden avond is de Rudder zonder krukken en dansende
teruggekomen; van dien dag af, maakt hij verscheidene
mijlen te voet, gelukkig dat hij zich weer kon oefenen in het
loopen, dat hij zoo langen tijd niet meer had kunnen doen.
Ik ben hem gaan bezoeken, en ik wil wel bekennen, dat
ik aan die genezing niet geloofde.
En wat heb ik bevonden ? Een been, waaraan niet het
minste letsel; en als ik het te voren niet onderzocht had,
zou ik niet geloofd hebben, dat er ooit eenig letsel aan
geweest was.
Inderdaad, als men met de vingers over het vleesch van
de kuit strijkt, kan men niet de minste onregelmatigheid
gewaar worden; men kan van boven naar beneden over
de oppervlakte strijken; alleen ontwaart men lichte lit-
teekens op de huid.
Deze plotselinge genezing van een in acht jaren niet gezette
breuk, is geheel onverklaarbaar onder geneeskundig opzicht.
Na verloop van tijd is ze ook niet gtlogenstraft, want
de Rudder is tuinman en bleef steeds werkzaam.
-ocr page 426-
405
De genezing van de Rudder bewijst kort en goed dit:
De oorzaak der genezingen te Lourdes moet niet gezocht
worden in het water, noch in hare ligging, noch in
de plechtigheden welke daar plaats hebben.
Besluit.
Als we nu een terugblik werpen op het gezegde over de
genezingen te Lourdes, dan komen wij tot deze gevolg-
trekkingen:
1°. Elk erkent de waarheid en werkelijkheid, dat te
Lourdes merkwaardige genezingen plaats grijpen.
2°. De wetenschap is niet bij machte die te verklaren.
3°. De leer der suggestie kan niet meer ter verklaring
gebruikt, na do genezing van Yvonne Aumaitre.
4°. Die genezingen zijn bevestigd door officieele en over-
tuigende bewijsstukken.
5°. Het water noch de ligging van Lourdes, noch
de daar plaats hebbende plechtigheden kunnen de
oorzaak der genezingen zijn. .
6°. Do oorzaak dier buitengewone feiten ligt dus bij eene
ongekende, maar met verstand begaafde kracht,
die zijne macht openbaart door ongeneeslijken te genezen,
tot wier herstel een vurig gebed, smeekingen, baden, was-
schingen op zichzelve niets vermochten.
Als die onbekende macht kunnen wij dus geen
andere aannemen dan die van de Kracht der Krachten,
van God.
Het is dus geheel overeenkomstig het gezond verstand, dat
zij erkennen, dat die God de God der Christenen is, die
de gebeden zijner geloovigen verhoort.
In die zooveel opspraak makende genezingen te Lourdes,
-ocr page 427-
406
waarbij de natuurwetten als buiten werking gesteld worden,
erkennen wij de Almacht van God.
Dien alraachtigen God, den Eeuwigen Vader,
Schepper der wereld aanbidden wij. "Wij erkennen Gods
goedheid en barmhartigheid, waarmede Hij in deze teekenen
zijne zorg voor den mensch openbaart aan allen die ge-
looven, maar ook aan allen die door de bevindingen en den
vooruitgang der wetenschap op een dwaalspoor zijn gebracht.
Heft dan, Katholieken, de hoofden omhoog, juicht en jubelt.
Want het moge verdienstelijk zijn en heldhaftig, pal te
staan in het geloof tegenover de bespottingen der weten-
schap in onzen tijd; — het is allervertroostends, dat ons
Credo steunt op zichtbare teekens, die door de Wetenschap
en de Rede nog bevestigd en versterkt worden.
Gij, die ter goeder trouw twijfelt; gij allen die u aftobt
over de vraag, wat buiten en boven deze wereld
is;— komt te Lourdes dit alles bestudeeren; gij zult er
troost, vrede en waarheid vinden. Weg daaren-
tegen met u allen, partijmannen, die uit vooroordeel of op
een wachtwoord uw kracht zoekt in alles te o n t k e n-
nen; — noch wetenschap, noch gezond ver-
stand zijn uw deel.
-ocr page 428-
DERDE HOOFDSTUK.
L o u r d e s in 18 9 8.
Wat is er in- en om Lourdes veel veranderd, sinds
Pastoor Van der Horst vóór 25 jaren in zijn: „ O. L. V r o u w
van Lourdes" eenige bijzonderheden inlaschte omtrent
de stad, hare bewoners, onz.
Hoe zou een inwoner van Lourdes opzien, en nauwelijks
zijne geboorte- en woonplaats herkennen, als hij nu, na
50 of 25 jaren daar terugkeerde, en de trotsche stichtingen
en de bijna algeheele omwenteling aanschouwde, welke
daar plaats heeft gehad! Hij zou zijne oogen niet geloo-
ven, als hij de verandering aanstaarde, welke Lourdes
heeft ondergaan, en waardoor stad en landstreek schooner
zjjn geworden dan misschien eenige ter wereld.
De tallooze pelgrims, welke volgens het verlangen der
H. Maagd, op de stem der arme Bernadette Soubirous naar
Lourdes zijn heengetogen, en die nog dagelijks van de
uiteinden der aarde derwaarts trekken, hebben niet alleen
aan de stad een . geheel ander aanzien gegeven, maar als
\'t ware eene nieuwe stad doen verrijzen.
In die eertijds woeste, onbekende en eenzame streken
27
-ocr page 429-
408
heerseht thans levendigheid en bedrijvigheid; daar, waar
vroeger slechts de stem van den herder en het dof geloei
der Gave gehoord werden, weerklinken thans de beden en
zangen in alle talen en tongvallen.
Tevens zijn reusachtige werken uitgevoerd, die aan den
geheelen omtrek een uiterlijk hebben gegeven van natuur-
en kunstsehoon, zooals men te vergeefsch elders zoekt.
De Gave is verlegd en ingedijkt, verbeterd of regelmatiger
gemaakt; wegen zijn aangelegd, van andere de richting veran-
derd; — kleine beken zijn overwelfd; — heuvelen lager en effen
gemaakt; — dalen opgehoogd, ravijnen gevuld;— galerijen
en tunnels in de rotsen uitgehouwen , deze geëffend, om tot
voetstuk aan gedenkteekenen te dienen. De eertijds sombere
bergen zijn met groen en loover gesierd; paleizen van
marmer en hardsteen hebben de plaats der vroegere hutten
ingenomen; bloeiende kloosters vormen als een krans
rondom de Basiliek, die den geheelen omtrek beheerscht
als een fiere koningin , de kroon in top der spits van haren
ranken toren. \')
Ofschoon de Grot en haar uitgestrekt terrein het middel-
punt van alle godsvruchtoefeningen is, en derwaarts de
bedevaartganger het eerst en het meest zich getrokken ge-
\'( Aanmerking. De ontkenners en bestrijders van liet
bovennatuurlijke in de Verschijningen en genezingen
te Lourdes, kunnen onmogelijk de hierboven gemelde feiten
ontkennen.
Maar als dit alles is tot stand gekomen op de stem van een
arm, onwetend kind, welke verklaring geven zij hiervan? Nemen
zij zelve dan niet een grooter wonder aan dan do Katholieken,
die daarin Gods hand en inwerking zien, zonder welke dit alles
kortweg onmogelijk zou zijn.
-ocr page 430-
409
voelt; — zullen we toch, om wille der orde, eerst eene
beschrijving geven:
I.  van de stad L o u r d e s, hare bevolking, bestuur,
nijverheid, merkwaardigheden enz.; — vervolgens den
lezer begeleiden naar
II.   de Grot en de haar omringende hei-
ligdommen en andere gebouwen; — waar we dan tevens
III.  de geestelijke oefeningen bijwonen en de geschiedenis
er van vermelden.
I.
Lonrdcs.
De stad Lourdes is gelegen op eene hoogte van 400 meters
boven de oppervlakte der zee, tien meter lager dan het
punt van aankomst, het station.
Niet ver van Lourdes bevindt zich de golf van Gaseogne.
De Gave-vallei baant een gemakkelijken doortocht voor de
uit zee stijgende dampen; bovendien, de bergen, waarvan
Lourdes omgeven is, trekken de wolken aan.
Daarbij kruisen verscheidene dalen elkander te Lourdes,
dat daardoor vaak tegenovergestelde luchtstroomingên krijgt;
vandaar dat de luchtgesteldheid dikwijls en plotselings ver-
andert, dat er vele stortregens voorkomen en vreeselijke
onweders. Van den anderen kant echter maken de vele
regens en winden de lucht frisch en zuiver, zeer ten gerieve
en voordeele der bewoners.
"Want het klimaat is er zeer gezond; de thermometer daalt
gewoonlijk slechts tot 2 graden onder- en stijgt zelden hooger
dan 28 graden boven nul.
Dat het klimaat er gezond is blijkt wel hieruit, dat slechts
-ocr page 431-
410
zelden aanstekende ziekten daar heersenen, bebalve een
enkele maal mazelen en pokken. Gevallen van koorts, kroep
enz. zijn toevallig en zelden.
Lourdes telt dan ook eene menigte bewoners van hoogen
ouderdom: talrijk zijn de t a ch ti g jarigen; niet zelden die
van negentig en hooger.
* *
*
De bevolking van Lourdes, die in 1856 bedroog 4282, is
gostegen tot bijna 10,000 zielen. Die aanwas is heel natuurlijk.
Behalve eene menigte vreemdelingen, die zich sinds 1864
aldaar gevestigd hebben, hebben de bewoners over het
algemeen hunne aartsvaderlijke zeden behouden. De grootste
eer der gehuwden is, zich omringd te zien van een talrijk
kroost. Zeer vele huisgezinnen tellen 9, 10 tot 15 kinderen.
Vijf tot acht is het gewone getal, vooral onder den werk-
mansstand.
De bevolking is hoofdzakelijk in vijf standen te ver-
deelen: in burgers, kooplieden, ambachtslieden, landbouwers
en arbeiders. Adelijke famillën bezit Lourdes weinige of
geene: daarvoor zijn vreemdelingen in de plaats gekomen.
Ook weinige zijn de burgergezinnen, n.1. van renteniers
en dergelijken, die geen bepaald vak of stiel uitoefenen. Zij
zijn zeer eenvoudig, behulpzaam, voorkomend. Door de be-
volking worden zij en vooral hunne vrouwen zeer geacht,
daar zij aan het hoofd van alle werken van liefdadigheid
staan, en zich in de liefde der armen mogen verheugen.
Het aantal kooplieden, industrieelen, en ambachtslieden
is in de laatste jaren zoozeer toegenomen, dat deze de meest
overwegende standen zijn.
-ocr page 432-
411
Daarvan komen op de eerste plaats de herbergiers en
logement- of hotelhouders.
Vóór 1858 bestonden er in Lourdes 2 herbergen en 30
koffiehuizen. Thans zijn er 28 herbergen en 158 kottie-,
\\vijn- en andere dergelijke huizen.
Hehalve deze kan men in vele bijzondere huizen ook ka-
mers huren; men kan daar ook ontbijt, middag* en avond-
maal krijgen tegen zeer matige prijzen, terwijl bij sommige
families het bepalen der spijzen aan de gasten wordt
overgelaten, en deze dan door de keuken goed worden
bereid.
De herbergen of hotels Ie klas zijn zeer geriefelijk en
schoon, soms prachtig en weelderig ingericht. Toch zijn de
prijzen niet bovenmate hoog. Gewoonlijk betaalt men per
dag 10 tot 13 franken; in die der 2e klas: 7 ;\\ 8 franken.
De meeste hotels zijns tevens restaurant, alwaar men tegen
matige prijzen zich allerlei spijzen kan verstrekken.
Bakkers en slagers zijn in gelijke verhouding als de be-
volking sterk toegenomen.
De eersten zijn evenzeer als de tweeden gebonden aan
een vasten prijs, welke alle veertien dagen, na afloop der
markt te Tarbes, wordt vastgesteld.
De veemarkten, welke te Lourdes gehouden worden zijn
druk bezocht, daar Lourdes, op een kruispunt van vier dalen
gelegen, als de stapelplaats is van het geheele haar om-
gevend gebergte.
Het talrijkst zijn wel de winkels , vooral die godsdienstige
voorwerpen verkoopen. De meesten vindt men op den Bou-
levard en in de Avenue de la Grotte. Daaronder
zijn wel eenige, die in het eigen huis gehouden worden;
de meesten echter zijn op stadsgronden gevestigd, worden
5)
-ocr page 433-
412
verhuurd door de stad, en brengen haar jaarlijks eene
som op van 45,000 tot 60,000 franken.
Een andere tak van handel is die in kaarsen, welke
veelal te koop worden geboden door vrouwen en kinderen.
Is het al, dat deze wel wat al te druk en opdringend
hunne waar venten, toch is het geld, dat men dezulken
laat verdienen, goed besteed, daar zij meestal hulpbehoe-
vende moeders zijn, die de schrale inkomsten van het huis-
gezin op deze manier trachten te vermeerderen.
* *
*
In de stad Lourdes worden weinigen aangetroffen, die
zich met landbouw bezig houden. Die daartoe gerekend
worden, zijn eigenlijk groenten-, vruchten- en wijnver-
bouwers.
Het land is daartoe wel geschikt, doch de eigendom is
er, alsook in den omtrek, zeer verbrokkeld. Het zijn meestal
stukken van een tot vier journalen \'). Niet dus op groote
schaal kan de landbouw uitgeoefend worden. Maar ziedaar
ook de reden waarom hot land duur is, men betaalt: 5000
tot 6000 franken per bunder voor goeden grond, welke prijs
stijgt naar gelang de grond dichter bij de stad gelegen is.
Want voor den tuingrond, waartoe bijna alles gebruikt
wordt, betaalt men 300 franken huur per journaal.
De weinige bouwboeren hebben hunne landerijen buiten
de stad tegen de bergen en heuvels.
Tarwe, maïs, gerst en aardappelen zijn wel de voor-
") Naam eener landmaat, in Frankrijk nog gebruikelijk
Ruim 5 journalen is één bunder.
-ocr page 434-
413
iiaamste veldvruchten, want vlas wordt niet dan tot eigen
gebruik geteeld.
De veestapel der boeren staat hiermee gelijk. Tien,
twaalf koeien, die meestal voor de melkerij dienen, daarbij
een of twee paar ossen als lastdieren en eene kleine kudde
schapen maken den veestapel eener groote boerderij uit.
Van paardenfokkerij wordt bijna geen werk gemaakt. Be-
halve van ossen, maken de boeren het meest gebruik van
muilezels tot het vervoer van lasten, terwijl de ezels het
meest geschikt zijn om de bergen te bestijgen.
Toch worden voor deze dieren nog betrekkelijk hooge
sommen betaald: voor een paar ossen 800—1000 franken:
voor een schoonen muilezel 400, voor schapen tot 65 franken
het stuk.
Wel een teeken van voorspoed of welstand is, dat de
arbeidsbevolking even als de boeren zich toelegt op het
mesten van varkens, waarvan er niet zelden twee of drie
in één gezin geslacht worden.
Het gevogelte: kippen, duiven, eenden, ganzen enz., als
ook het wild, dat in den omtrek van Lourdes in menigte
gevonden wordt, dient \'t meest, om op de markt verkocht
te worden.
Men zou niet denken, te Lourdes veel visch te vinden;
toch is het zoo. De Gave is vischrijk, als ook de zijriviertjes
de Nez en de Capaca: vooral echter het meer van Lourdes.
Zalm , paling. voorn, snoek en forellen zijn de bewoners dier
wateren.
Leveren de bergen en heuvels veelal een goeden teelgrond
aan de oppervlakte; van binnen zijn zij niet minder winst-
gevend. Mjjnen en groeven, in de bergen gegraven, leveren
een schoon soort marmer, leien, marmerkalk en schilfersteen.
-ocr page 435-
414
Alle gebouwen, welke men op het terrein der grot en in
de stad ziet, zijn opgetrokken van marmer, uit de nabij-
zijnde bergen gegraven.
Dit marmer is moeielijk te bewerken en daardoor zeer
duur, 80 tot 150 fr. per Q meter. De meeste groeven van
marmer en leien behooren aan de stad, die, door deze te
verhuren eene rijke bron van inkomsten bezit. Meer dan
300 mijnwerkers vinden er een ruim bestaan , daar zij 3 tot
7 franken per dag kunnen verdienen.
Boven deze bezittingen heeft de stad nog in eigendom
twee groote wouden, 516 en 404 bunders groot. Het hout
dezer bosschen, meest eik en olm, wordt vooral als brand-
hout uitgevoerd en levert der stad een jaarlijksch inkomen
van 8 tot 10,000 franken.
* *
*
Het bestuur der stad Lourdes bestaat uit een burge-
meester (maire) en twee wethouders (adjuncten), die aan
het hoofd staan van den gemeenteraad. Deze wordt bij alge-
meen stemrecht gekozen ten getale van drie en twintig,
die om de vier jaren aftreden.
De andere beambten der gemeente zijn: de secretaris,
bijgestaan door een onder-secretaris en een politieagent; —
de gemeente-ontvanger, — de stadsarchitect; — de keurmees-
ter van vleesch en andere eetwaren; — de commissaris van
politie, die zes agenten en twee veldwachters ter zijner
beschikking heeft.
De inkomsten en uitgaven der stad zijn ten gevolge der
bedevaarten ontzettend gestegen. In 1858 bedroegen de
inkomsten 34,000 franken, terwijl ze thans 150,000 bedragen,
-ocr page 436-
415
waartegenover staat eene uitgave van 140,000 franken.
Als men van den eenen kant bedenkt de bronnen van
inkomsten , welke wij boven vermeldden, en de veranderingen,
verbeteringen, welke zijn aangebracht en nog jaarlijks aan-
gebracht worden , kan men zich over deze hooge cijfers aller-
minst verbazen, te minder daar het in Frankrijk geoorloofd
is, van wege de gemeente bijdragen te verleenen tot gods-
dienstige doeleinden.
Bovendien bezit Lourdes als hoofdplaats van een arron-
dissement eene rechtbank, bestaande uit een president,
twee rechters, een plaatsvervangend rechter, een procureur
der Republiek, een griffier en een commies-griffier.
Van de negen vrederechters, welke het Kanton Lourdes
vroeger bezat, is er thans nog één overig.
Vermelden we nog, dat er te Lourdes gevestigd zijn
twee notaris-kantoren en twee bankinrichtingen, welke laatste
den vreemdeling groote gerieven bieden voor het innen van
wissels en wisselen van geld, enz. tegen kleine winsten.
Het o n d e r w ij s te Lourdes wordt gegeven van wege
den Staat en der Kerk.
Het eerste omvat twee scholen, ééne voor jongens en
ééne voor meisjes , aan wier hoofd een onderwijzer en onder-
wijzeres met vijf hulponderwijzers en hulponderwijzeressen
staan.
Het vnje- of katholiek onderwijs wordt gegeven voor de
jongens door de Broeders van den H. Jozef. De waarlijk
grootsche stichting, aan alle eischen van onderwijs, opvoed-
kunde en gezondheidsleer beantwoordende, dankt de stad
aan den Bisschop Mgr. Billière van Tarbes.
-ocr page 437-
416
De meisjes der stad worden op de katholieke scholen
onderwezen door de Zusters van het moederhuis te Kevers.
Bovendien besturen deze zusters nog eene kostschool en een
weeshuis.
De Zusters van den H. Jozef besturen eene school voor
vrouwelijke handwerken, alsmede kostschool, waaraan eene
klas voor behoeftige kinderen is toegevoegd en nemen, als
het noodig is, ook de verpleging van zieken op zich.
De Zusters Assomptionisten hebben tegenover de Grot
eene prachtige inrichting van onderwijs en opvoeding voor
gegoede families. De ligging van dit huis is zeker de meest
schilderachtige van Lourdes, en de inrichting geheel naar
de eischen des tij ds.
Bij alle onderwijzers en onderwijzeressen bestaat heden
nog het oud gebruik, de kinderen hunner scholen op Zon-
en feestdagen te geleiden naar de Hoogmis en naar de
Vespers , welke ten 2 ure gezongen worden. Vandaar dat
de kerken op die dagen en tijden steeds goed gevuld zijn.
Liefhebbers van lezen vinden daartoe te Lourdes gelegen-
heid in de drie bibliotheken: 1°. der parochiekerk, welke
1728 deelen telt; 2°. in die der stad, bestaande uit 740
boekwerken; terwijl 3°. de leekenschool er eene volksbiblio-
theek op nahoudt van 116 boeken.
Verder genieten de bewoners van Lourdes uitspanning,
en voor de jongelieden afleiding en bezigheid in de beide
muziekgezelschappen: de fanfare en het strijkorkest, die
alle veertien dagen uitvoeringen geven op het Marcadal-plein
of dor Promenades.
*
-ocr page 438-
417
Voor den vreemdeling zal niets nuttiger zijn dan te
weten, hoe te Lourdes het p o s t - en telegraaf*
wezen is ingericht.
Het post- en telegraaf kantoor, nabij de oude kerk gele-
gen, is het belangrijkste van geheel Zuid-Frankrijk. Niet
minder dan twee millioen wordt er omgezet; dagelijks wor-
den 700 tot 800 telegrammen verzonden; 300 tot 400 ont-
vangen.
Het post- en telegraafkantoor levert in den zomer mis-
schien de grootste verscheidenheid van Europa: alle talen
hoort men er spreken; alle kleederdrachten aanschouwt
men er.
Van den morgen tot den avond worden alle loketten
belegerd, alle tafels bezet. Overal en op alle wijzen wordt ge-
schreven ; op banken, tafels, tegen den muur, op de
knieën; men vecht om papier, pennen, inkt: een onbeschrjj-
felijk tooneel.
Het personeel bestaat uit een directeur, die twee ontvangers
onder zich heeft: een op het kantoor en een aan het station.
De ontvanger aan het hoofdkantoor heeft ter zijner be-
schikking in den winter een hoofd-commies met vijf com-
miesen, die in den zomer met acht helpers versterkt worden.
Bovendien zjjn er vijf telegram- en vijf brief bezorgers voor
binnen de stad; tien voor buiten, een chef-brievengaarder
en een bezorger voor don dienst der treinen aan het station.
In de voornaamste en drukste straten en pleinen der stad
zijn bussen geplaatst; — o a. aan de Basiliek: een hulpbureau,
dat telephonisch verbonden is met het hoofdkantoor.
De voornaamste hotels hebben in het hoofdkantoor afzon-
dorlijke bussen voor de brieven enz. hunner gasten, die
bij aankomst van eiken trein gelicht worden.
-ocr page 439-
418
Het post- en telegraafkantoor is geopend van des morgens
7 tot \'s avonds 9 ure, ook op Zon- en feestdagen.
De brieven worden dagelijks acht- tot tienmaal verzonden
van het hoofdkantoor; — de bussen in de stad vier a vijf-
maal geledigd.
De verzending in de richting Parijs — Nederland geschiedt
tweemaal daags, omtrent 11 ure voormiddag en 3 ure
namiddag.
E ene tweede zaak van belang voor den vreemdeling , zijn
wel de vervoermiddelen: het spoor en de r ij t u i g e n.
De spoorweg omringt Lourdes, en doorsnijdt bijna alle
wegen.
Het station ligt ongeveer tien minuten gaans van de
stad, bestaat uit een hoofdgebouw met twee vleugels; aan
het einde van den oostelijken vleugel is de uitgang voor
bedevaartgangers.
Overgroot is de drukte, die hier vooral in de zomer-
maanden heerscht. Een, tot tien, zelfs vijftien speciale
treinen komen hier per week aan. Het bedevaartsjaar van
Lourdes begint Mei en eindigt October. Gedurende de jaren
1886—1892 kwamen te Lourdes aan 101, 107, 97, 139,
161, 175, 192 expres-treinen.
Zeer veel gemakken en voordeelen zijn door de spoorweg-
maatschappijen aan de pelgrims en pelgrimstochten naar
Lourdes toegestaan; verschillend naar de afstanden en het
getal pelgrims.
Een tiïnk plein vóór het station is bestemd voor rijtuigen,
die bij aankomst van alle, maar bijzonder van expres-treinen
-ocr page 440-
419
in grootc getale daar aanwezig zijn. Lourdes zelve telt
140 rijtuigverhuurders, die 200 a 300 rijtuigen ter beschik-
king der reizigers kunnen stellen. Daarenboven komen in
de maanden Mei tot October vele vreemde verhuurders,
vooral van Pau en Tarbes.
Voor een vreemdeling zal het moeielijk te onderscheiden zijn,
of hij met een Lourdschen dan wel met een vreemde rijtuig-
verhuurder en koetsier te doen heeft. Allen echter zijn
onderworpen aan, en hebben zich te gedragen naar de ge-
meentelijke verordening, waarvan de voornaamste bepalingen
hier volgen.
Elk koetsier moet op aanvrage het tarief toonen, en
heeft geen aanspraak op fooien: alleen op de aangegeven
prijzen:
1". Van het station naar de stad; 2°. van hier naar de grot;
elke reis 0.30 fr.; 3°. van het station naar de Grot: 0 60 fr.
Hoedendoozen en reiszakken behoeven niet betaald te
worden; alle goederen zijn onderworpen aan een tarief van
0.15 fr.
Een rijtuig, dat onderweg genomen wordt, moet be-
taald worden per uur; binnen Lourdes en een kleinen
omtrek 2 fr. voor een calèche; — 3 fr. voor een landauer.
12 kilometers buiten dien omtrek 3 fr. voor een calèche; —
4 fr. voor een landauer.
Het uur is echter verdeeld in 4 kwartieren; het eerste
uur moet men altijd geheel betalen, al maakt men ook
minder dan een uur gebruik van het rijtuig. Voor de vol-
gende uren kan men per kwartier volgens bovenstaand
tarief rekening houden.
* *
-ocr page 441-
420
Wil men een reisje maken naar verder afgelegen plaat-
sen, bv. Cauterets, Gavernie; dan moet men daarvoor
trachten overeen te komen met de koetsiers, dewijl voor
dergelijke tochten geen tarief bestaat,
Gewoonlijk wordt voor een rijtuig met 2 paarden 20 ïi
25 fr., met 4 paarden 40 a 50 franken gevraagd, waarop
men echter kan afdingen.
II.
De Grot en du linar omringende heiligdommen.
Lourdes! Aan wien over de geheele wereld is het niet
bekend ?
Maar gekend is : geliefd!
Doet deze naam niet onwillekeurig in ons trillen een
gevoel van verlangen, maar ook van genegenheid.
De Grot, de Basiliek niet alleen zijn eiken Katholiek
dierbaar; de stad zelve, hare bewoners, hare instellingen ,
gebruiken, leefwijze wekken onze belangstelling; niet het minst
zeker de godsdienstige toestand. Want in dit opzicht zijn
we, omdat het Franschen geldt, minstens achterdochtig.
Er is reden voor. Doch vergeten wij daarbij niet, dat we
Frankrijk al te lichtvaardig beoordeelen naar hetgeen we van
Parijs, Lyon en dergelijke groote steden te hooren krijgen,
en dan nog slechts over de toonaangevende kringen; terwijl
toch in Frankrijk, onder de bevolking der groote steden
zelfs veel goeds, vooral veel heldhaftigs gevonden wordt,
waaraan wij Nederlanders niet durven denken.
Tot bewijs behoef ik mij hier niet te bepalen tot de om
hun geloof geroemde bewoners van Bretagne en de Vendée.
Wie in het afgeloopen jaar 1898 te Lourdes mocht ontmoeten
-ocr page 442-
421
de bedevaart van het bisdom Rhodez, zal daar aanschouwd
hebben 8000 mannen en vrouwen in even grooten getale,
onder leiding van 400 priesters en hun Bisschop. Voorzeker
een hartverheffend schouwspel. En als men van hen hoorde,
hoe in de bergstreken over het algemeen er slechts weinigen
gevonden worden, die met Paschen en op de Zon- en feest-
dagen hunne christelijke plichten verzuimen, dan moet men
tot het besluit komen, dat in meer dan eene streek van
Frankrijk nog veel goeds is; — en voor ons vaderland
bidden: „die staat zie toe dat hij niet va 11 e."
Het vervult ons hart van vreugde en verhoogt onze
hartelijke genegenheid voor Lourdes, waar we van hare
bewoners onder dit opzicht veel goeds kunnen mededeelen.
* *
*
De bevolking van Lourdes en aangrenzende dorpen is zeer
gehecht aan hun geloof en zeer godsdienstig.
Dewjjl de parochiekerk te klein is \'), maken de meesten
gebruik van de Basiliek, de Rozenkranskerk, en de Krypto om
Mis te hooren op de Zon- en feestdagen, aan welke ver-
plichting bijna allen voldoen, evenzeer als aan den Paasch-
plicht; op den eersten Paaschdag b. v. telt men gewoonlijk
1000 tot 1200 communiën, alleen van mannen 5; — 300
\') Ik was in de gelegenheid oj> te merken, dat op verscheidene
plaatsen in Frankrijk Missen, preken, communiën plaats hadden
alleen voor mannen. Of dit gebruik algemeen is, durf ik
niet zeggen.
2) "Weldra zullen de bouwwerken aan de nieuwe Kerk, door
-ocr page 443-
422
ii 400 op het feest der Eeuwigdurende Aanbidding (6 Januari);
zeer velen op de groote feesten door het jaar.
Ook den eersten Zondag van elke maand gaan vele
mannen en kinderen ter H. Tafel, en dit getal groeit
immer aan.
Van de vrouwen zijn er bijna geene die hare plichten
verzuimen: op de Zon- en feestdagen gaan zij bij honderden
te Communie, terwijl vele wekelijks en ook op dagen in de
week ter H. Tafel naderen.
Aan het hoofd dor parochie Lourdes, dus der oude Kerk
staat de Zeereerw. Heer Deken en Pastoor Barrère, bijgestaan
door één Onderpastoor en twee Kapelaans, terwijl over het
gasthuis en de gevangenis een Aalmoezenier is aangesteld.
Wel een bewijs voor den godsdienstzin der Lourdsche
bevolking is , dat dagelijks in de kerk het rozenhoedje wordt
gebeden en de zegen mot het H. Sacrament gegeven. Boven-
dien wordt alle dagen der maanden Maart, Mei, Juni en
October eene preek of eene geestelijke lezing onder het Lof
gehouden.
De Missen beginnen des Zondags ten 5,7,8},10 en 11} ure.
\'s Namiddags der Zon- en feestdagen worden de Vespers
gezongen, als wanneer de kerk meestal vol, soms overvol is.
Hiertoe brengt niet weinig bij , zooals we elders vermeldden,
dat de onderwijzers hunne kinderen derwaarts begeleiden
en met deze de vespers zingen, waartoe zij van een der
geestelijken en van den organist onderricht ontvangen.
Pastoor Peyramale begonnen, hervat worden, daar onlangs door
Henri Lasserre daarvoor is geschonken 100,000 franken, waarbjj
de stad eene gelijke soin heeft gevoegd. Zie bl. 3\'26.
-ocr page 444-
423
De wijze, waarop in Frankrijk de groote feesten des Hee-
ren, van Maria, der Heiligen gevierd worden, wijzen op
een Katholiek land, waar de feestviering der Kerk is door-
gedrongen tot- en vereenzelvigd met het volk: een kerkelijk
feest is daar een volksfeest, gelijk ten onzent het kerkelijk
feest een huiselijk feest.
Het feest der feesten voor de bevolking van Lourdes wordt
den 8 December gevierd: het feest der Onbevlekte Ont-
vangenis.
Dit zoete woord, die liefelijke benaming is op deze plaats
van de lippen der Onbevlekte gevloeid: geen wonder, dat
dit feest met zooveel geestdrift gevierd wordt. De geheele
bevolking spoedt zich dien dag van \'s morgens vroeg naar de
Basiliek, woont de H. Diensten bij, welke gewoonlijk door
den Bisschop van Tarbes worden gevierd. Dien dag ver-
zuimt niemand een bezoek te brengen aan de Grot en
van het bronwater te drinken. Verscheidene broederschap-
pen , die den naam van Maria dragen, begeven zich dan
met muziek en ontplooide vanen naar de Grot, waar voor
hen de H. Mis wordt opgedragen.
Den avond van dien dag zijn alle gebouwen aan de Grot
en alle openbare gebouwen en bijzondere huizen verlicht.
Dien dag komt te Lourdes van heinde en verre zooveel
volk als ooit in den zomer.
Evenveel luister worden aan de andere feesten des jaars
bijgezet: klokkenspel, muziek en zang, versiering en ver-
lichting.
Aldus op Paschen, als wanneer men zich van \'s morgens
vroeg verdringt aan de Biechtstoelen en Communiebank.
Vooral geliefd bij de bergbewoners is het Kerstfeest, als
wanneer zoovele mannen als met Paschen de H. Com-
28
-ocr page 445-
424
munie ontvangen. Na het Kerstfeest komt elk dorp op zijno
beurt jaarlijks den priester een wit lam aanbieden, dat
daartoe met groen en bloemen uitgedoscht is.
Omtrent de viering van H. Sacramentsdag bevatte de
Revue Catholique van Tarbes de volgende mededee-
Hng: ,De processie op H. Sacramentsdag was te Lourdes
schitterend. Tusschen de onafzienbare rijen van kinderen,
leden van Congregaties en broederschappen werden pracht-
tige vaandels gedragen, speelde de fanfare hare schoonste
stukken. Op de openbare pleinen waren smaakvolle eere-
\'iogen en rustaltaren opgericht, terwijl het volk de grootst
mogelijke ingetogenheid en godsvrucht aan den dag legde."
De viering van het Patroonsfeest, was eenigszins in verval
geraakt, doch sints eenige jaren is het weer in eere hersteld.
De gemeenteraad woont gezamenlijk de Hoogmis bij
op St. Petrus feestdag, alsmede de pompiers in arabts-
gewaad.
Aan de armen worden brood en vleesch uitgedeeld; er
hebben muziekuitvoeringen en volksspelen plaats, zoodat
dit Kerkfeest gevierd wordt zooals het behoort: ook als
volksfeest.
Op het feest der Ten-hemelopneming van Maria wordt
allen luister bijgezet. De terreinen der Basiliek zijn ver-
sierd; de geheele bevolking begeeft zich in processie biddend
naar de Grot. De zangen der Congreganisten in hunne een-
voudige kleederdracht (blauw kleed met witten sluier) worden
begeleid door de muziekgezelschappen; des avonds is alles
schitterend verlicht; het volk viert feest, juicht en jubelt:
Gaudeamus omnes: laten wij ons allen verblijden!
Juichen met de Kerk maar ook met haar treuren: dat
-ocr page 446-
425
was weleer, dat moest nog de geest des volks zijn, gelijk
deze te Lourdes heerscht.
Is Allerheiligen in vreugde doorgebracht, dan zingen allen
de Vespers voorde Overledenen meê, waarna alle aanwezigen
onder het luiden aller klokken in processie naar het kerkhof
trekken.
Allen, van het kind tot den grijsaard nemen er deel aan;
allen, mannen en kinderen, ernstig gestemd, treurig, bid-
dend. Daarop volgen de geestelijken en de vrouwen met
hare zwarte kappen bekleed (een soort van falie) den rozen-
krans biddend. De geestelijken zingen onderweg de M i s e r e r e
en de Profundis met de zangers.
Op het kerkhof aangekomen wordt eerst gezamenlijk ge-
beden vóór het groote Kruisbeeld; dan verspreiden de aan-
wezigen zich over de graven. Ook de geestelijken gaan het
kerkhof rond, hier en daar biddende bij en met de familie-
leden , die zich bij het een of ander graf hunner afgestor-
venen vereenigd hebben. In den avond noodigen de klokken
wederom ter kerke, waar tot laat voor de overledenen gebeden
wordt. Op den dag van Allerzielen beijvert een ieder zich
om de plechtige Mis bij te wonen en ofschoon geene open-
openbare godsdienstoefeningen meer plaats hebben, gaan
toch velen het kerkhof bezoeken, voor de overledenen bidden,
troost zoeken en zoete hoop opwekken.
* *
*
Het grootst bewijs voor den godsdienstigen geest in, en
om Lourdes is wel de bloei van het vereenigingsleven op
godsdienstigen grondslag.
De ambachtslieden, werklieden , arbeiders, zoowel mannen
-ocr page 447-
426
als vrouwen, a\'.len hebben hunne vereeniging, waarvan
sommige een eigen altaar van hun Patroon, terwijl allen
het jaar- of Patroonsfeest vieren en bij die gelegenheid
gezamenlijk ter kerke trekken met ontplooide banieren,
niet zelden de muziek aan het hoofd.
Al die vereenigingen en broederschappen op te sommen
is niet wel doenlijk; het zou van geen nut zijn, alle 22
burgerlijke, godsdienstige en gemengde genootschappen te
noemen.
Eenige bijzonderheden toonen den goeden, christelijken
en liefdadigen geest der bevolking,
Op St. Jozefsdag is het feest bij de Zusters-Assomptio-
nisten. Alsdan wordt aan den arme een maaltijd aange-
boden door de deftige dames der stad, die dan zelve de
armen aan tafel dienen.
Wanneer een man of Trouw op sterven ligt worden zes
of vijf kort-afgebroken slagen op de groote klok gegeven.
Elk lid van eene vereeniging wordt door zijne medeleden
ten grave geleid, ontvangt van de vereeniging een of meer
Missen voor de rust zijner ziel, waarbij ook alle medeleden
moeten tegenwoordig zijn. Van daar dat de begrafenissen
van zoo groote menigte, ten getale van 300 tot 1000 en 1200
personen vergezeld zijn.
Dit alles toont een geest van liefdadigheid en vereering
jegens levenden en dooden; het toont een geest van geloof,
waaruit dit alles voortkomt.
Voor alle vrienden van Lourdes eene reden tot ware
vreugde.
* - *
*
-ocr page 448-
427
Als de pelgrim of reiziger voor den eersten maal aan het
station te Lourdes afstapt, staat hij verbaasd over het prach-
tige landschap, dat nu voor hem ligt.
Aan zijne voeten is de stad verborgen; niets is er te
zien dan de grijze daken en het oude kasteel. Daar-
a\'chter rijst de ranke toren der Basiliek op tegen den don-
keren achtergrond der Pyreneën, wier toppen sneeuw en
ijs, wier voet groene velden zijn.
Verrukkend is het schouwspel, dat natuur en kunst bieden,
als men, de stad doorgewandeld, gekomen is op de brug
du Boulevard. Een ontzaggelijk groot en toch zoo lief
park doet zich dan aan het oog voor. De Gave vormt aan
twee zijden de natuurlijke grenzen van dit bedevaartterrein.
Niets kan eene gedachte geven van de drie als boven
elkander gestapelde kerken: de Krypte of onderkerk op de
oude rots; daarboven de Basiliek van witten steen, wier
ranken toren met de bergen wedijvert in hoogte, — daarvóór
de prachtige Rozenkranskerk, waarvan de koepels tot aan
de onderkerk der Basiliek reiken. Alleen een kunstenaar,
een genie kon dit plan opvatten, waarvan de grootsche uit-
voering de bewondering aller eeuwen zal wekken.
Tot nu toe had enkel de Basiliek Massabielle\'s rots bekroond.
Doch de steeds grooter wordende menigte pelgrims eischte
meer ruimte, maakte een grooter heiligdom noodzakelijk. Ten
andere moest men van de Grot tot de Basiliek eene hoogte
beklimmen van 40 tot 50 meters, bijna 200 trappen.
Dan nog gevoelde men behoefte aan een uitgestrekt plein,
die de ontzaggelijke menigte kon bevatten, en waarop de
processies zich konden ontwikkelen. Door het verleggen der
Gave had men alreeds een uitgestrekt terrein verkregen
vóór de Basiliek, hetwelk toeliet de Rozenkranskerk in den
-ocr page 449-
u
V
•/
\'J> 6
ö \\
!h v
Ü «
<D
N
O
d) c
a ^
Ou
cd
-ocr page 450-
428
vorm van een grieksch kruis op te richten. De toegang tot
de Basiliek, eerst slechts langs trappen te bereiken, bestaat
in twee half-cirkelvormige zeer breede wegen, gebouwd op
achtereenvolgens hooger wordende gewelven. Deze reiken
tot aan de koepels der Rozenkranskerk, loopon er rondom
heen, en vormen een grootsch balkon.
Het St. Pieterplein te Kome geeft eenig gedacht van
dezen reusachtigen bouw: alleen de afmetingen zijn grooter.
Binnen in de kerk meent men nog te Rome te zijn, doch
niet meer in St. Pieter, doch in het Pantheon. Gelijk daar.
valt ook hier het licht door de koepels, hetzelfde zacht,
stemmend licht, dat de kerk tot een vroom heiligdom maakt ,
en tot bidden opwekt, \'t Is dan ook, na de grot, de meest
geliefkoosde bedeplaats der pelgrims, en is er als de voor-
zaal van. Want van de badplaatsen aan de grot kan men
langs een trap van slechts eenige treden zich begeven naar
dit heiligdom, zoodat het verblijf van Jezus in Zijn H.
Sacrament en van Maria aan de Grot maar één uitmaken.
Dient de Rozenkranskerk aldus tot schuilplaats der zielen
bij Jezus en Maria; zij biedt die ook aan de lichamen der
pelgrims. Immers, bij regen, onweder bezit zij ruimte
genoeg, om gansche bedevaarten te bevatten, die dan daar
hunne gebeden of oefeningen kunnen voortzetten.
Wat den bouw dezer kerk betreft; de bouwstijl is een
mengsel van alle bouwstijlen: alle groote gedenkstukken
van den ouden en nieuwen tijd hebben motieven geleverd
aan dezen reuzenbouw.
Toch kan men niet genoeg bewonderen de schoonheid
der koepels , die met zulke eenvoudige lijnen verkregen zijn,
de ruimte der kruisbcuken, de welgelukte plaatsing der 15
kapellen bezijden en rond het hoogaltaar, de schoone in-
-ocr page 451-
429
richting van het priesterkoor, met zijne in eikenhout ver-
vaardigde koor- en preekstoelon.
Allerprachtigst is het hoofdaltaar dezer kerk: alle be-
staande marmer- en inetaalsoorten zijn er aan gebruikt;
het geheel is ééne zinnebeeldige voorstelling der 11. Maagd,
harer deugden en voorrechten, van den Rozenkrans, enz.
De beschrijving van dit altaar blijft altijd beneden de \\ver-
kelijkheid.
Van meer belang is het te weten, dat dit altaar is op-
gericht tot eerherstel aan de H. Maagd voor den smaad
en hoon, Haar aangedaan door een man , wiens naam te
noemen in een boek over O. L. V. van Lourdes alreeds eene
beleediging aan de Onbevlekte zou zijn De inschrijving werd
door de 1\'aters der Onbevlekte Ontvangenis geopend voor het
hoofdaltaar en voor het orgel op het einde van 1894 Binnen
het jaar bedroeg zij 128,000 franken, waarvan de Belgen
5000 franken bijdroegen.
In de 15 kapellen, welke het hoogaltaar omgeven zullen
de Geheimen van den Rozenkrans in beeld en mosaiek
worden voorgesteld. Nog weinigen zijn voltooid; doch het
korte tijdsbestek in aanmerking genomen, alsmede de gods-
vrucht en de mildadigheid jegens O. L. Vrouw van Lourdes,
mag men verwachten, dat ook deze krans van kunstschoon
binnen weinige jaren aan O. L. Vrouw zal aangeboden zijn.
Eene prachtige bloem in dien krans is het altaar der Geese-
ling, het 7e Geheim , door de mildadigheid en godsvrucht der
Hollanders aan Maria geschonken. Dit altaar uit verschillende
marmersoorten, verguld koper en mozaïek opgetrokken,
koste 11,500 franken en werd in Mei 1897 in gebruik ge-
nomen. Ongetwijfeld zal ook de kapel niet lang op hare
voltooing behoeven te wachten.
-ocr page 452-
430
Den 7\'le" Augustus 1889 werd de Rozenkranskerk inge-
wijd door den Aartsbisschop van Auch, in tegenwoordigheid
van den Kardinaal-Aartsbisschop \'van Parijs en 16 andere
Bisschoppen. In 1883 was de eerste steen gelegd van dit
grootsch werk, dat in betrekkelijk korten tijd is voltooid,
en waaraan niet minder dan 3\' } millioen is ten koste gelegd.
Dat aan zulken grootschen tempel de meubels gelijk-
vormig moeten zijn, spreekt wel van zelfs. Het eerste en
tweede meubel, het orgel en het hoofdaltaar, zijn der kerk
waardig.
Het orgel is even als hot altaar een meesterstuk van
den Parijseben orgelmaker Cavaille—Coll; maar kost dan
ook 80,000 franken. Vóór nog het altaar voltooid was,
wijdde de Bisschop van Tarbes het orgel aan den dienst
van God op Zondag den 30 Mei 1897.
Reeds 4 maanden zong het orgel Jezus en Maria ter
eere, als ook zijn gezel, het altaar, zich daarbij voegde,
om samen een verheven loflied op de Onbevlekte aan te heffen.
Rozenkrans-Zondag van het 25sl(\' jaar der Verschijning
van O. L Vrouw met den Rozenkrans was wel de meest
geëigende dag voor dit feest.
De groote toevloed van pelgrims liet niet toe, het altaar
te consacreeren. Mgr. de Bisschop van Monaco
zegende het altaar, het Kruis, het beeld der H. Maagd,
waarna de pontificale Mis eene aanvang nam \'). Het orgel
hief nu een blijden lofzang aan als om het altaar te be-
groeten, dat even als hij zou dienen om „de barmhartig-
heden des Heeren in eeuwigheid te verkonden\'\'.
Het laat zich aanzien, dat het overige der Rozenkrans-
\') Annalen 1*97, üct., bl. 23 7.
-ocr page 453-
431
kerk in overeenstemming zal komen met deze twee, de
voornaamste meubels. Trouwens daarvoor spreken borg de
koorbanken, welke het altaar omgeven; gelijk ook de 15
kapellen, welke nu reeds van een prachtig marmeren altaar
voorzien zijn, en waarin het Geheim van den Rozenkrans,
dat ze voorstellen , in mozaïek bewerkt is.
Treden we de Rozenkranskerk uit, het gezicht naar de
stad gekeerd, dan hebben we tusschen de half-cirkelvormige
opgangen naar de Basiliek een ontzaggelijk groot plein,
waarop 35,000 menschen plaats vinden, en in de verlenging
daarvan het grootsche park tot aan de l\'ont du B o u 1 e-
v a r d De ingang hiervan wordt als \'t ware bewaakt door
den Aartsengel Michaül, wiens beeltenis in brons naast het
monumentale Kruis der Bretagners in een perk zich verheft.
Aan het einde van het park, vlak vóór het plein der
Rozenkranskerk staat het door Z. H. Pius IX gekroonde
beeld van O. L. Vrouw, omgeven van een kunstig gesmeed
hekwerk in een smaakvol aangelegden bloementuin.
* *
*
Begeeft men zich van de Rozenkranskerk naar de Grot,
dan heeft men links de kade op te gaan, welke tusschen
de bruischende Gave en de Massabielle-rots is aangelegd.
Zich omkeerende naar die zijde, krijgt men aanstonds
in het oog een kolossaal groot gebouw van drie verdie-
pingen, waarin gewoonlijk eene menigte menschen zijn.
Het is de „abri des pélérins"; eene schuil- en ver-
blijfplaats voor alle pelgrims. Dit gebouw is opgericht ter
vervanging van dat hetwelk in ronden vorm eertijds door
Henri Lasserre werd geschonken. De onderverdieping be-
-ocr page 454-
432
staat bijna geheel uit céne groote zaal, waarin tafels en
banken geplaatst zijn ten gerieve en gebruike van een ieder.
Vooral in de dagen der bedevaarten wordt veelvuldig
gebruik hiervan gemaakt, en biedt het dag en nacht
huisvesting aan talrijken, daar een ieder er gratis kan zijn
en blijven.
Ter zijde van dit pelgrimsgebouw bevindt zich een kan-
toor, dat dient tot gemak der pelgrims. Van 8 tot 11 ure
vóórmiddag en des namiddags van 2 tot 7 ure zijn hier
altijd aanwezig twee Paters en andere geestelijke wier taak
is, aan de pelgrims inlichtingen te verschaffen omtrent
gevonden voorwerpen, aangekomen brieven, waarvan het
adres moeielijk te vinden is.
Het Journal en de Annalen van Lourdes zijn in
13,000 exemplaren de twee spreekbuizen, waardoor Maria\'s
lof tot aan de uiteinden der aarde verkondigd wordt. Zij
worden geschreven door de Paters. Het Journal bevat
korte en eerste berichten omtrent al wat merkwaardigs te
Lourdes gebeurt. Het tweede, de Annalen, bevatten de ofh\'-
cieele tijdingen en berichten over de bedevaarten, zieken,
genezingen, — deze laatste met de echte stukken, getuig-
schriften enz.
Het Journal kost buiten Frankrijk 8 frs; de Annalen
3 frs. per jaar.
In ditzelfde vertrek kan men zich doen inschrijven in
de Broederschappen der Onbevlekte Ontvangenis en van
den Rozenkrans.
Aan dit gebouwtje is ook eene brievenbus gehecht,
welke dagelijks zooveel malen gelicht wordt door het hoofd-
postkantoor als de andere brievenbussen in de stad. Ook
is dit kantoor telegraphisch met dat dor stad ver-
-ocr page 455-
433
bonden, zoodat men aan de Basiliek telegrammen kan
afgeven, welke van daar aan het hoofdbureau worden over-
geseind.
Ofschoon de op bogen gebouwde opgangen naar de Ba-
siliek verscheidene doorgangen hebben, zoo worden de
achterste benuttigd voor verschillende doeleinden.
In eene dier bogen is het geneeskundig bureau
gevestigd. Het gebouw, daartoe ingericht volgens alle eischen,
welke redelijkerwijze kunnen gesteld worden. is in den
laatsten tijd nog met een laboratorium begiftigd.
Het doel van dit geneeskundig bureau hebben we
vroeger uiteengezet, alsook de middelen, waarover het be-
schikt en welke aan elk ten dienste staan. Boven alle3
wordt door vriend en vijand of tegenstander geroemd de
groote vrijheid, waarmede elk geneesheer de onderzoekingen
kan nagaan, woordenstrijd daarover inleiden of er aan
deelnemen.
De geschiedenis van deze instelling vermeldt Dr. Boissarie
in de November-attevering 1898 der Annalen van
Lourdes.
In den beginne hielden de Paters de registers der zieken
en genezenen aan de Grot. Hunne taak bepaalde zich tot
het inschrijven der getuigschriften, welke de zieken mede-
brachten van de dokters, onder wier geneeskundige behan-
deling zij waren en geweest waren; waaraan dan later werd
toegevoegd het getuigschrift dierzelfde geneesheeren na
hunne genezing. Dit alles bewerkstelligden zij onder toe-
-ocr page 456-
434
zicht en met medewerking der geneesheeren Dozous en
Vergez te Lourdes.
Geen de minste verdenking kan vallen op de gedurende
15 tot 20 jaren ingeschreven genezingen. Want die getuig-
schriften zijn afgegeven door geneeskundigen van de meest
uiteenloopende richtingen, vaak tegen hunne bedoeling,
van alle landen en volken der aarde, die eensklaps zich
geplaatst zagen voor uitkomsten, welke zij niet verwacht,
laat staan voorzien hadden.
Het was eerst bij gelegenheid der nationale fransche
bedevaart van 1883, dat 5 geneesheeren eenigen bijstand
verleenden aan de Paters bij het opmaken van de verslagen
der genezenen.
In 1884 richtte de Belgische dokter St. Maclou het eigenlijk
gezegd geneeskundig bureau op, gelijk het thans
nog bestaat. Tot 1891 bleef hij aan het hoofd daarvan
en werd toen opgevolgd door den tegen woord igen bestuurder
Dr. Boissarie.
Van 1884—1891 werden slechts 50 verslagen per jaar
opgemaakt; dit getal is gestegen tot 230 in 1887—88.
Terwijl het getal geneesheeren in 1891 hoogstens 35 bedroeg,
die het geneeskundig bureau bezochten, plaatsten in 1897 — 98
230 doktoren hun naam op de lijsten van het bureau. Eer-
tjjds was hun werkkring beperkt tot den tijd dat pelgrims-
tochten te Lourdes aanwezig waren; nu heeft het bureau
zitting van den 15 April tot 15 October. Soms zijn 60 tot
80 dokters tegelijk aanwezig en volgen met de grootste
belangstelling de onderzoekingen. Deze onderzoekingen strek -
ken zich uit over 25 tot 30,000 getuigschriften, welke de
zieken medebrengen, — over 12 tot 15,000 geneesheeren, welke
die afgegeven hebben; — bjjna alle doktoren der wereld zijn er
-ocr page 457-
435
bij betrokken; — meer algemeen, minder verdacht en partjjdig
kan geen onderzoek zijn, dan hier te Lourdes plaats heeft.
Bovendien worden deze onderzoekingen nagegaan door des-
kundigen van allerlei volk en geloofsbelijdenis; openbaar
gemaakt door nieuwsbladen van elke richting; zoodat
onmogelijk eenige redelijke verdenking of mistrouwen er op
vallen kan. In de laatste jaren is dan ook een nieuwe geest
ontstaan onder de geneesheeren: zij zijn niet meer zóó bevoor •
oordeeld als weleer; — niet alleen uit nieuwsgierigheid gaan
zij derwaarts, of als mannen der wetenschap; z ij z e 1 v e zijn
er gekomen als zieken, hebben er hunne lijders, niet zelden
hunne dierbaarste betrekkingen heengezonden en zijn al3
genezenen, naar lichaam en ziel beiden, teruggekeerd.
Wat langen en moeielijken weg is in die jaren bewandeld en
doorloopen. Het was alles:....- ingeving, aandoening, zenuw-
ziekten. En thans P Leeraars en leerlingen der Universiteiten
moeten gelijkelijk erkennen, dat er eene grens is aan
hunne vooropgezette stellingen, eene grens, die te Lourdes
alleen overschreden wordt.
Voor een niet gering gedeelte beeft dit geneeskundig
bureau zijn naam te danken aan den tegenwoordigen be-
stuurder Dr. Boissarie.
Deze dokter, heden door de geheele wereld bekend,
wordt beurtelings toegejuicht, aangerand; ondervindt nu
eens goedkeuring dan afkeuring, wordt geacht en veracht,
bewonderd en gesmaad, besproken en geëerd. Een onpartijdige
beoordeelaar zal hem volgen in de rustige studiën, waar-
mede hij de Annalen vult, in de onderzoekingen en bewijs-
voeringen van zijn bureau, in de voordrachten, welke hij
jaarlijks in de eene of andere groote stad van Frankrijk
houdt. Want hij is inderdaad eene groote twijfelaar, %
             s
-ocr page 458-
436
zooals deze groote geloovige terecht wordt bijgenaamd.
Deze man, die de geneeskunde kent als geen tweede, die
woord en pen tot zijn dienst heeft, wiens patiënten over
de geheele wereld verspreid zijn, begint altijd met t w ij f e 1 e n.
Terughoudendheid, aarzeling, stilzwijgendheid, ziedaar zijne
voorname eigenschappen maar ook zijne groote kracht.
Maar. als na jaren van studie en proeven zijne overtuiging
gevestigd is, dan spreekt hij die kloekmoedig uit, verdedigt
ze tegen alle aanvallen: feiten en omstandigheden ver-
halende, daarmee den vijand in de engte drijvend, hem
dwingend tot den terugtocht of tot bekentenis zijner onmacht.
*     *
*
Verder gaande in de richting der Grot, ziet men een
gebouwtje naast het bureau, dat dient tot magazijn of
winkel van alle soort godsdienstige voorwerpen als: rozen-
kransen, kruisjes, beelden, prenten, platen, boeken enz.
Deze winkel wordt bediend door, en is het eigendom der
Paters, die de Grot en hare heiligdommen bedienen. De
winsten, welke zij daarmede behalen strekken ten voordeele
van de werken der Grot, voor welke groote sommen be-
noodigd zijn, om ze te onderhouden, en om aan de al
grooter wordende behoeften te gemoet te komen.
*     *
*
Achter de linkerzijde der grot, onder de Basiliek zijn
de rotsen verborgen achter de gebouwen van het bureau,
het magazijn en der piscinen of badplaatsen.
Korten tijd na de Verschijningen werd door de steen-
-ocr page 459-
437
werkers het water der bron, die onder Barnadetta\'s hand
ontsprongen was, opgevangen in een bak, gehouwen uit
den rotsgrond. Weldra werd deze vervangen door de zwart-
marmeren fontein, welke door drie kranen het water aan
de vragende menigte schenkt. O. L. Vrouw had echter ge-
zegd: dat „men zich wasschen zou aan de bron." Hoe
dit op te volgen? Wel had men daarneven twee water-
kommen in eene hut gemaakt, doch voor de duizende zieken
welke naar Lourdes stroomden, bleken deze alras onvoldoende
te zijn. Nog in 1892 heeft men er toe moeten overgaan,
om de badplaatsen te vergrooten en in te richten gelijk ze
thans zijn. De badplaats bestaat nu uit drie kamers of
zalen: eene voor mannen, eene voor vrouwen; de derde,
voor kinderen, is ook ingericht om zit- en voetbaden te
nemen. In de twee eerste kamers zijn drie badkuipen ge-
plaatst ; en deze kamers zijn verbonden met twee kleinere voor
hen en haar, die belast zijn of zich belast hebben met het
baden der zieken. Het geheele gebouw is tegen de rotsen,
waarop de Basiliek prijkt, opgetrokken in Lourdschen steen.
Op den voorgevel van den middenbouw zijn de woorden
in gulden letters gehouwen, welke de H. Maagd tot Berna-
dette sprak: „Ga drinken en u wasschen aan de
bron."
* •*
*
De verzorging der zieken is aan goede handen toevertrouwd,
n 1. aan hen en haar, die zich vrijwillig daarvoor aanbieden.
En geene gemakkelijke of eeretaak nemen deze daarmee op
zich, maar eene moeielijke en moeizame. Van het oogen-
blik af, dat zij de reis naar Lourdes aanvaarden tot dat
zij hen weder teruggevoerd hebben naar huis, zijn de ver-
-ocr page 460-
438
plegers en verpleegsters in het gareel; geen oogenblik
laten zij de ongelukkigen alleen, aan wier dienst zij zich
gewijd hebben. Behalve de vermoeiende diensten, welke zij
bewijzen; wie zal zeggen hoevele ontberingen, opofferingen
van allerlei aard zij zich moeten opleggen of getroosten?
Wat veelvoudige taak! Bij het instijgen, of liever, bij
het indragen der zieken in den trein zijn het voornamelijk
de verplegers, die hunne krachtige hand leenen. Op reis
zijn het allereerst de verpleegsters, die de arme zieken van
alles voorzien, hen bij het kleeden, wasschen, eten, drin-
ken behulpzaam zijn, voor behoorlijke en gemakkelijke ligging
zorgen evenals voor de verpleging, reiniging hunner wonden.
Doch daarmede hebben de verpl egers geen rust, want
hunne hulp kan maar zelden ontbeerd worden.
Te Lourdes aankomende spannen zij zich letterlijk in.
Op bedden en stoelen worden de zieken uit de wagens
getild, op draagbaren gelegd, in kleine rijtuigjes geplaatst.
Verplegers en verpleegsters voorzien zich van draag- of
trekbanden en nu begint een voortdurende en onophoudelijke
tocht naar het Gasthuis der Zusters van Nevers, ook wel
dat der Zeven Smarten genaamd.
Van hieruit naar de Grot, de Bron; vanwaar de zieken
weer terugkeeren naar het Gasthuis, om spijs en drank te
nemen, uit te rusten, en onder allerlei opzicht verzorgd
te worden. Dan keeren zij straks terug naar de Grot, de
Eozenkranskerk, om de processie met het H. Sacrament bij
te wonen, den zegen te ontvangen; of om in de H. Mis
tegenwoordig te zijn, gebaad te worden enz., om met hunne
landgenooten en medepelgrims te bidden.
"Wie die een weinig nadenkt, is niet vol bewondering voor
zooveel opofferende liefde, voor de bereidvaardigheid, waar-
-ocr page 461-
439
modo zij die zieken bijstaan en verzorgen, en zichzelven
daardoor veel geestelijk en lichamelijk genot ontzeggen.
Te Lourdes bestaat voor de ziekenverplegers en ver-
pleegsters eene soort broederschap, hetwelk de Belgische
bedevaartgangers aldra nagevolgd hebben. In het Belgisch
Tijdschrift over O. L. Vrouw van Lourdes (jaarg. 1895—96
bladz. 38) vindt men de Regels van den Hospi-
taaldienst. Deze vereeniging is ontsproten aan het
Genootschap van O. L. V. van het Kruis, dat een eigen
ziekenwagen te zijner beschikking heeft, waarin alle ge-
makken zijn aangebracht, welke men in het best inge-
richte gasthuis nauwelijks zal aantreffen. Behalve rust- en
slaapplaatsen voor de zieken bevat de zoogenaamde witte
wagon keuken, kapel, apotheek met toebehooren.
Ofschoon de Hollandsche bedevaart naar Lourdes nog
niet zoo gelukkig is , zoo wekt de verpleging hunner zieken
toch de bewondering van landgenoot en vreemdeling. Alleszins
verdiend zijn de loftuitingen, welke bovenstaand Belgisch
Tijdschrift daarover bevat (jaargang 1896—97):
„Eene bijzondere melding moet hier gemaakt worden ten
voordeele der Hollandsche dames. Immers zij waren van
\'s morgens vroeg tot \'s avonds laat bij de zieken, om hen
te kleeden, te voeden, op te passen in het gasthuis, en hen
verder aan de grot en de badplaatsen te verzorgen. De geest-
drift en christelijke liefde voor hare lijdende medepelgrims
stegen met den dag; en toen na het vertrek der Belgen eene
oproeping gedaan werd om de talrijke zieken der bedevaart
van Angers te gemoet te gaan, te helpen uitstappen aan
het station en te vervoeren naar het gasthuis, boden tal
van dames zich aan om, bij gebrek aan genoegzaam man-
nolijk personeel, de zieken te vervoeren en de ontbre-
29
-ocr page 462-
440
kende berriedragers en rij tuig vervoerders te vervangen."
„Dit feit strekt der Nederlandsche vrouwen tot eer, terwi;l
het den lof van alle aanwezige Franschen en andere vreem-
delingen inoogste.\'\'
En niet de vrouwen alleen. Vele Nederlanders, zegt het-
zelfde Tijdschrift, maakten zich verdienstelijk bij het
baden der zieken, terwijl vele jongelieden hen hielpen ver-
voeren en verzorgen.
Zoo was \'t; — zóó is \'t nog — zal elk deelnemer aan
den Nederlandschen pelgrimstocht naar Lourdes getuigen en
bevestigen.
* *
Alvorens de Grot te bereiken, gaan we een gebouwtje
voorbjj, dat in twee afdeelingen verdeeld is. Het eene daar-
van is bestemd tot verkoop van kaarsen en blikken kruiken ,
om daarin het water der bron mede te nemen; het andere
ingericht tot Sacristie ten behoeve van het altaar der Grot.
Nu gaan wij het groote waterbekken met zijne 13 kranen,
waarin het water der bron zich uitstort, voorbij en bevinden
we ons vóór
de Grot.
Zij is ongeveer dezelfde gebleven, gelijk ze was in l<38f>.
\'t Is hetzelfde beeld met zijne zoo ernstige uitdrukking, in
wit Cararisch marmer uitgehouwen onder Bernadette\'s
oogen. De nis der Verschijning is donkerder geworden. Aan
den voet staat nog altijd de vermaarde witte rozelaar, die
men in het leven houdt door de toegevoegde, achter een
traliehek verborgen aarde. De bovenste wanden der rots
zijn zwart geworden even als de reien van duizende krukken,
-ocr page 463-
441
banden, hulpmiddelen, ex-voto\'s, door de genezenen als
zoovele lof- en dankbetuigingen aan Gods barmhartigheid
en Maria\'s machtige hulp daar achtergelaten. De oorzaak is
niet ver te zoeken, als men den blik slaat op de tallooze
kaarsen, welke daar dagelijks branden.
Twee zaken zijn binnen de Grot veranderd. Het vroegere
altaar is vervangen door een zilveren, dat in zijn kleinen
omvang niets wegneemt van de schoonheid der Grot. Binnen
het gesmeed ijzeren hek, dat de Grot in de geheele breedte
afsluit, is ter zijde de oude preekstoel vervangen door
een prachtigen nieuwen, uit Lourdsch marmer vervaardigd.
De Grot en haar uitgestrekt plein; ziedaar het midden-
punt van alle godsvrucht te Lourdes!
Daarheen wordt elke pelgrim als door eene onzichtbare
macht gedreven, derwaarts keert hij telkens terug 5 \'t is
van daar dat hij niet dan noode scheidt: de hoop, daar
weder terug te keeren bemoedigt hem, blijft hem immer bij!
Ten westen der Grot bevindt zich de weg, welke in
den vorm eener M tegen de rotsen is aangelegd en
achter het priesterkoor der Basiliek heenloopt om aan de
andere zijde neer te dalen. Ook deze is dezelfde gebleven:
de weelderige plantengroei der Pyreneën heeft de vroegere
struiken bijna tot boomen doen groeien, tot een boschje
gevormd. De vorm der M, welke zoo bevallig van onder
naar boven de Basiliek omslingert, is alleen nog van boven
af te zien, en komt nog uit bij de tallooze lichten van eene
fakkelprocessie, welke langs dezen weg door groote bede-
vaarten gehouden wordt.
Dezen weg volgende om de Basiliek te bereiken, slaan
-ocr page 464-
442
we eerst den weg naar de Spelonken in, om het Huis
der Paters te bezoeken en eenige bijzonderheden omtrent
de, bewoners te vernemen.
Een twintigtal Paters der Onbevlekte Ontvangenis van Ga-
raison zijn de bestuurders der Grot en harer heiligdommen.
De Congregatie dezer Paters werd gesticht door Mgr.
Laurence van Tarbes. Zij heeft ten taak het geven van
missiën. Bovendien werd zij geroepen om aan het hoofd
te staan en de leiding te hebben van alle werken, welke
God zou wrochten door de hand Zijner Moeder.
Alle godsdienstige werken, welke ook, worden door deze
Paters geleid; en al hot aangename en schoone wat men
op- en om de terreinen der Grot bewondert is door hen
tot stand gebracht.
Hun werkkring is groot; grooter misschien hunne werk-
kracht. Want zij zijn en blijven bij al hunne werkzaamheden
tijdens de bedevaartsmaanden, de Missionarissen van stad
en land, waar zij, nu meest in den wintertijd, hunne mis-
sies, triduüms enz. geven.
Verscheidene werkzaamheden hebben we bereids vermeld,
als: de bediening der heiligdommen van de Grot, der Krypte,
der Basiliek en Rozenkranskerk, en dat niet slechts voor
het geestelijk, maar ook voor het stoffelijk gedeelte; —
de uitgave van het Journal en der Annalen; — bedie-
ning der magazijnen en verschillende kantoren, ten nutte
der pelgrims. Hier bij hun klooster zijn tal van werkplaat-
sen, waar bijna alle ambachten worden uitgeoefend onder
medewerking of toezicht der Paters en Broeders, daarbij
geholpen door werk- en ambachtslieden. Er zijn daar
werkplaatsen voor smeden, voor beeld- en steenhouwers,
voor schilders, moziiiekwerkers; zelfs eene kistenmakerij
-ocr page 465-
443
treft men daar aan. De plaats, waar deze kistjes vervaar-
digd worden om daarin rlesschen, kruiken, bussen met
water van Lourdes te verzenden, is tevens het expeditie-
kantoor, vanwaar dit naar alle streken verzonden wordt.
Voorzeker kan elk zich aan de Grot van zooveel water
voorzien als hij verkiest, doch niet ieder is zoo gelukkig
het zelf aan de bron te kunnen nemen. De Paters be-
lasten zich tegen vergoeding der kosten met de verzen-
ding van het water. Voor eene kist met 12 Hesschen water
b. v. betaalt men 3,50 frs.; met 20 Hesschen 5,50 frs.;
alles aan het station te Lourdes; zoodat men buitendien de
vracht naar, b. v. Nederland te zijnen koste krijgt.
Men mag in deze zaak wel voorzichtig zijn, daar de Paters
geen depot hebben waar ter wereld ook: noch van water
der bron, noch van gewijde voorwerpen (medailles enz.),
noch van zoogenaamde relieken der Grot.
Elk wachte zich dus voor bedrog en schade!
Een gebouw met het opschrift: bureau, vlak bij het
klooster gelegen, dient om aanvragen of bestellingen van
water op te nemen, giften en intenties te ontvangen
De schoono Spélugues (Spelonken), waarover we reeds
gesproken hebben, zijn in kapellen veranderd en maken deel
uit der andere Heiligdommen van O. L. Vrouw van Lourdes.
De toegangen zijn afgesloten; en een bewaker is er over
aangesteld.
De grondslag of vloer is lager en gelijk gemaakt; men
heeft buizen aangebracht, waar langs het water uit de
gewelven kan wegvloeien: geene beenderen of versteeningen
worden er meer aangetroffen ; deze zijn allen naar museums
overgebracht.
i
-ocr page 466-
444
In de kapel links, de grootste, is een altaar opgericht,
waarop de Afdoening van het Kruis prijkt; verder ziet
men er de Kruisiging met Maria en Joannes onder
het Kruis.
Buiten deze grot heeft men in de vooruitstekende rotsen
een preekstoel uitgehouwen, waarvan bij groote processies
gebruik wordt gemaakt.
In de Spelonk of grot daarnaast verrijst een beeld van
de boetvaardige Maria Magdalena. Als groote pelgrims-
tochten te Lourdes aanwezig zijn, worden hier wel eens
godsdienstoefeningen gehouden. Verder op aanschouwt men
op het hoogste punt het beeld van den Gekruiste, waar-
onder de beelden van Maria en Joannes Deze groep draagt
den naam van: „Frankrijks Christu s."
Moge Hij genadig op Frankrijk nederzien!
Zooals vroeger is gezegd, heeft elke pelgrimstocht zijne
eigene ziekenverzorgers en dragers. Behalve dezen be-
staat er te Lourdes eene vereeniging van mannen en vrouwen,
die zich edelmoedig ter beschikking van de directeurs
der pelgrimstochten stellen. Onderafdeelingen van deze H o s-
pitaliers en Hospitalières bestaan door geheel
Frankrijk en België. Deze ziekenverzorgers en dragers
voegen zich bij elke bedevaart, die zieken medebrengt. Bij
de aankomst van den trein zijn zij op hun post aan het
station, aan het Gasthuis en aan de Grot. Dan nog, als
geene bijzondere bedevaarten te Lourdes zijn, komen eenige
dezer verplegers naar de badplaatsen en verblijven daar van
\'s morgens 8 ure tot 11, en \'s middags van 2 tot 5 ure,
om hunne diensten te bewijzen aan wie ze noodig heeft.
Deze vereeniging heeft haar bureau in eenige vertrekken
-ocr page 467-
445
onder de bogen der Rozenkranskerk, welke tot opschrift
hebben: „ H o s p i t a 1 i t é ", Daar komen de ziekenverzor^
gers samen, bespreken de maatregelen, welke het belang
der zieken eischt.
Kan men zich eene meer uitgestrekte en algemeene liefde
denken \'t — het is wel die, welke de H. Paulus beschrijft:
„de liefde is geduldig, welwillend.....niet trotsch.....
zoekt niet haar eigen belang.....zij duldt alles, zij onder-
staat alles..... de liefde kent geen einde: omvat alles
en allen.\'\'
* #
*
Zoo zijn we teruggekeerd tot ons punt van uitgang: het
plein vóór de Rozenkranskerk, aan den zuidelijken opgang
naar de Basiliek.
Geen pelgrim verzuime van hieruit den Kalvarieberg
te beklimmen, (eene hoogte van honderd meters), al was
het slechts om hier te genieten van het prachtige overzicht
en vergezicht, dat men van de stad en het land van Lourdes
geniet
Van den weg bij de Basiliek leidt een voetpad, deels
in de rotsen uitgehouwen, deels op bogen aangolegd naar
boven. Daar splitst de weg zich in tweeën, die in tegen-
overgestelde richting den buitenkant des heuvels volgen;
daar waar ze bijeenkomen, vormen ze als \'t ware een krans,
te midden waarvan zich op het hoogste punt verheft een
kolossaal kruis, waartegen een cederhouten kruis uit Jeru-
zalem vastgemaakt is. De Kruisweg, welke hier aangelegd
is, bestaat nog slechts uit houten kruisen, waarbij de num-
mers en opschriften der Staties op planken zijn aangebracht.
-ocr page 468-
446
Het geheel wordt beheerscht door een reusachtig kruisbeeld.
Tusschen dit kruisbeeld en het boven gemelde kruis van
Jeruzalem zijn de 14 Staties aangelegd, terwijl ter zijde
van het laatste kruis een altaar van steen is opgericht,
waarop slechts éénmaal de rJ. Mis werd opgedragen.
Slaan we nu hier den blik rondom, dan zien we de
geheele heilige stede omgeven van eene kroon, uit godsvrucht
en liefdadigheid gevlochten: het Klooster der blauwe Zusters
of der Onbevlekte Ontvangenis, in wier kapel de Eeuwig-
durende Aanbidding van het II. Sacrament des Altaars ge-
vestigd is; — dat der Karmelitessen, der Assumptionisten,
der Dominicanessen met hare werken van onderwijs en opvoe-
ding der jeugd, der geheele verzorging van weezen; — met
hare werken van boete, gebed en overweging. En aan
deze Maria\'s sluiten wonderwel de Martha\'s der leiders en
bestierders van do levende en niet levende tempels van
den H. Geest: de Paters der Onbevlekte Ontvangenis van
Garaison.
VIERDE HOOFDSTUK.
De Geestelijke Oefeningen.
Vraagt men den pelgrim, waar hij te Lourdes zijne
dagen doorbrengt, hij zal het niet juist kunnen zeggen.
Ik heb gebeden, zal hij zeggen, ik ben aan de Grot
geweest, in de Basiliek, in de Rozenkranskerk, aan de
badplaatsen, bij de processie.... Ziedaar alles. Hoe snel
vliedt hier de tijd voorbij.
Bidden is de groote zaak te Lourdes.
-ocr page 469-
447
Men bekommert zich gedurende de dagen, die men
daar vertoeft, al weinig over de wereld. Al het tijdelijke
heeft men aan kant gezet, om met de belangen zijner ziel
bezig te zijn: \'t is eene ware geestelijke afzondering.
\'t Is een onbekend leven, het aardsche leven zonder de
hindernissen en bekommeringen des lichaams: een hemelsch
leven, dat men ten volle tracht te genieten
Het gebed vervult de ziel met genaden en vertroosting.
De H. Maagd verrukt den geest door haar beeld en
de geheimzinnige en vrome herinnering aan Hare ver-
schijningen.
De Grot bezit de aantrekkingskracht van den magneet.
Men gaat er heen, men is, men blijft er, gedreven door
eene geheimzinnige macht. Men blijft er uren lang geknield
in het gebed, de oogen gericht op het witte beeld, gelijk
Bernadette op diezelfde plaats geknield bleef liggen in
verrukking, de schoone Vrouwe aanschouwend.
Allen bidden en leeren elkander bidden.
De ongeloovige vindt er het geloof weder; de lauwe ziel
ijver, de ijverige wordt apostel.
Geene onverschilligheid is bestand tegen de geweldige
kracht van Gods overvloedige genade, welke daar werkt
op de weerbarstigste harten. Hoe vele harten werden en
worden daar getroffen; hoevele wonderen van bekeering er
gewrocht!
* *
*
Ontzagljjk groot is het getal priesters, die naar Lourdes
hunne geloovigen vergezellen of daar ten tijde der pelgrims-
tochten aanwezig zijn.
Niet zelden gebeurt het dan ook, dat zij na 12 ure des
-ocr page 470-
446
nachts reeds beginnen de H. Mis te lezen aan de ruim
40 altaren der Basiliek, Rozenkranskerk en Krypte: in het
jaar 1898 b. v. werden 35,500 Missen opgedragen.
Maar ga ook in den vroegsten morgenstond naar de
Grot, gij zult deze reeds ingenomen zien door de pelgrims;
de kerken opgepropt van volk, de biechtstoelen belegerd.
Op de knieën neerliggend of staande met ontblooten
hoofde, de handen samengevouwen zijn zij daar, aan de
Grot, biddend, zingend, luisterend, hetzij dan de zon de
volheid harer stralen over hen uitgiet, hen bijna blakert,
hetzij de regen neervalt en den grond doorweekt, waarop
ze staan.
Tien- en honderdtallen reppen en spoeden zich naar de
Grot, naar de kerken, om daar te bidden, de H. Mis bij
te wonen, de H. Communie te ontvangen: het is een
stroom van menschen, welke tegen de Massabiellerots aan-
dringt, om door de Moeder tot den Zoon te naderen , om de
voorbede der Moeder krachtiger te doen zijn; om zich eerst
met den Zoon te vereenigen en dan de Moeder tot voor-
sprekeres te hebben. Wordt de kracht van het Offer des
Zoons, het H. Misoffer wel ergens beter gevoeld dan
hier, om zoo te zeggen onder de oogen der Moeder? Wordt
wel ooit gesmaakt: „hoe zoet de Heer is" als in de H.
Communie, herinnering aan de Eerste H. Communie, hier
onder Moeders oog ontvangen?
Hier voelt men in al hare uitgestrektheid de kostbare
gave, welke Jezus schonk op Kalvarië, als Hij van de
hoogte des Kruises de troostvolle woorden deed hooren:
Ziedaar uwe Moeder — Ziedaar uw Zoon.
* *
-ocr page 471-
449
Te Lourdes beter dan elders roept het lijden de 1 i e f d a d i g-
heid in. Deze werkt te Lourdes in alle vormen: de geringste
en verhevenste; de schranderste en meest werkdadige.
Zagen we elders, hoe de zieken en gebrekkigen op reis
zich in do voorliefde hunner medereizigers mogen verheu-
gen; hoe onder dezen een geheele hospitaaldienst is ingericht
ten bate hunner lijdende medebroeders; — zelfs personen, aan
wie volgens de regels van den hospitaaldienst verboden is
zware diensten te verrichten, weten in vindingrijke liefde
toch iets er op te vinden om de liefdadigheid te beoefenen.
Zij leiden de blinden en hen, die nog in staat zijn te gaan,
halen water voor de zieken aan de Grot, dienen hen aan
tafel, zijn voor dag en dauw reeds aan het Gasthuis der
Zeven Smarten, om behulpzaam te zijn in het kleeden en
wasschen der ongelukkigen; zij nemen den dienst van schrijver
waar voor de ongeletterde, gebrekkige zieken; — op reis en te
Lourdes beijveren zij zich de zieken ter wille te zijn, hun
zelfs versnaperingen te brengen: „de liefde is vindingrijk,
is medelijdend."
Dat medelijden strekt zich zoowel uit tot de geestelijke
als tot de lichamelijke behoeften der ongelukkigen.
Geen enkele behoeft te klagen, dat hij „geen mensch"
heeft om hem in het heilzame water van dit Bethsaida te
dragen; maar evenmin, dat hij de geestelijke spijze van
het gebed, het Woord Gods, het Heilig offer, der H. Com-
munie moet missen. Terwijl toch in het vroegste morgen-
uur de gezonden zich reppen, hebben ook de Engelen van
liefde hunne vleugelen aangebonden , om zich te spoeden naar
de dierbare zieken en dezen deelachtig te doen zijn aan het
hemelsch Manna, dat ook voor hen van den hemel daalt, —
om hen gereed te maken voor de bruiloft des Lams.
-ocr page 472-
450
De optocht, soms als zonder einde, der rijtuigjes met
opgetrokken zwarte kappen begint. Daarbij sluiten zich aan
de berries, dan de blinden, kreupelen, door edele heeren
en dames getrokken, gedragen, geleid , vergezeld.
Men zou zeggen, dat deze processie van menschelijke
ellenden afkeer moest wekken. Die aangezichten vermagerd
en bleek, de oogen half gesloten, de hoofden kwijnend
naar den schouder gebogen, alles teekent smart en lijden.
En toch, hunne oogen, ten hemel gericht, onverschillig
voor de nieuwsgierige blikken der menigte, drukken ver-
trouwen uit. Tevredenheid ligt over die gelaatstrekken, door
lupus verwoest, door vallende ziekte vertrokken, —
over het vermagerd en ingevallen gelaat dier teringlijders.
Zij weten echter, dat zij allen niet zullen genezen, al zetelt
de hoop in hunne ziel en ligt die over hun wezen verspreid.
Maar, wat God ook beschikke; zedelijke kracht zullen
zij zeker verkrijgen: overgeving aan Gods H. Wil, geduld
in het verdragen hunner smarten.
De ziekenbedienden plaatsen hunne lijders op zijde voor
de Grot: de banken worden ingenomen, de berries neer-
gezet, de rijtuigjes daarachter opgesteld; daarnaast staan
of knielen de verplegers.
Aan het zilveren altaar in de Grot begint de H. Mis.
Met wat vurigheid wordt door en voor hen gebeden!
Velen zijn voor den eersten keer te Lourdes; ontroe-
ring maakt zich van hen meester: zij hebben moeite om
hunne tranen te weerhouden.
De H. Mis wordt voortgezet, terwijl godsdienstige gc-
zangen weerklinken. De H. Communie nadert. Elke zieke
ontvangt de H. Hostie, die hij weet dat is het Brood des
levens, de kracht voor lichaam en ziel. Eene wereld van
-ocr page 473-
451
geneugten, de zoete aandoening zijner eerste H. Com-
munie vervullen zijne ziel. Hij aanbidt den God zijns harten,
legt Hem zijne kwalen bloot, den dringenden nood, waarin
hij zich bevindt: hij smeekt Hem om genezing, om hulp:
„Heer, indien Gij wilt, kunt Gij mij genezen"; hij vraagt
Hem de noodige genaden voor de ziel, als het den godde-
lijken wil niet behaagt hem de gezondheid des lichaams te
verleenen: „Uw wil geschiede"!
* *
Niet zelden zijn aan de Grot en hare heiligdommen honderde,
soms meer dan duizend zieken aanwezig. De fransche nationale
bedevaart voerde in 1898 alleen 961 zieken aan; terwijl er
bijna geene enkele processie meer komt. zonder dat een
kleiner of grooter getal zieken daarvan deel uitmaakt.
Hoever Nederland ook verwijderd zij, nam toch de Hol-
landsche bedevaart van 1898 een zestigtal zieken mede naar
Lourdes; België in ditzelfde jaar 487.
Telt men nu daarbij de tienduizende pelgrims, die zoo
groot getal zieken vergezellen, en waarvan niet één van
Lourdes terugkeert zonder tot de HH. Sacramenten der
Biecht en Communie genaderd te zijn, dan kan men zich
een denkbeeld vormen van de drukten, welke in den mor-
genstond aan Biechtstoel en Communiebank heerschen. De
druktste maanden zijn Mei, Augustus en September, waarin
53, 80 en 120 duizend H. Communiën werden uitgereikt;
terwijl dit getal in het geheele jaar 1898, 390,000 bedroeg.
Er zijn dan ook in 1898 te Lourdes gedurende de bede-
vaartsmaanden, dat is van April tot October officieel aan-
gegeven 130,000 pelgrims.
-ocr page 474-
452
Na eenige uren van rust en ontbijt is de tijd daar,
waarop de zieken ter badplaats gevoerd, en in het
wonderwater neergelaten worden. Honderde , duizende
personen bewegen zich op het plein voor de grot en de
badplaatsen. De njtuig- en berriebedienaars houden de
menigte terug, sluiten de rijen der ongelukkigen af met
een koord. Daarbuiten wisselen onder het volk gebed en
zang elkander af.
Gewoonlijk worden gebed en zang geleid door een priester,
die zich daartoe op een predikstoel bij de Grot plaatst, het
volk toespreekt, opwekt tot vertrouwen on den Rozenkrans
voorbidt. Vaak wordt dit laatste gebed onderbroken door
teedere, geloof- en hoopvolle uitroepen als: „Jezus, Zoon
van David, ontferm U mijner"; — „Behoud der zieken,
bid voor ons". „Heer, indien Gij wilt, kunt Ge mij genezen."
Treffend zijn de uitingen van geloof en hoop, welke men
daar aanschouwt als groote bedevaarten aanwezig zijn. Dan
worden gebed en zang herhaaldelijk onderbroken door het
bevel: „de armen gekruist, ten hemel geheven"; — „op
de knieën"; — „Kust den grond" — en als waren zij allen
slechts één, heffen ze de handen ten hemel, werpen zich
ter aarde, en kussen den grond.
Biddend en smeekend, koortsachtig, smachtend richt de
blik der ontzaggeljjke menigte zich op het wit-marmeren
beeld, dat van zjjn rozentroon op hen neerziet.
Inmiddels beginnen de verplegers en verpleegsters der
zieken dezen de badkamers binnen te voeren en te ont-
kleeden, waarna deze in het ijskoude water der wonder-
bron worden neergelaten. Tijdens dat baden blijven de
pelgrims bidden, warmer, vuriger, luider, alsof zij den
hemel willen dwingen een wonder te wrochten.
-ocr page 475-
453
Aan het gaan en komen schijnt bij groote bedevaarten
geen einde. Blinden met een oogenschijnlijk ongevoelig
voorkomen trekken voorbij, geleid door jeugdige meisjes
of kinderen, naijverig op de liefdediensten, welke hunne
oudere en sterkere medepelgrims beoefenen. Zieken keeren
gelaten naar hun rijtuigjo terug, reeds gebaad, doch niet
genezen; maar ook niet ontmoedigd, want vurig bidden
zij met de menigte mee. Daar draagt men eene berrie
weg, waarop de ongelukkige de handen hoopvol ten hemel
heft en zóó betrouwvol Maria aanroept, dat allen er door
bewogen zijn.
In de badplaats aanschouwt men de treffendste tooneelen.
Het wonder is daar immer; is het niet van lichamelijken,
dan van geestelijken aard.
Al die lijders laten zich in het water neer met een
vertrouwen, dat den toeschouwer soms vrees inboezemt, en
hem eer aan roekeloosheid doet denken. Zij treden in het
water, zij bidden, zij voegen de handen samen. Het water
is ijskoud, het veroorzaakt pijnlijke trekkingen, scherpe
steken als het in de wonden dringt. Zij blijven er onge-
voelig voor, vol verwachting als ze zijn, of hunne leden
zich niet uitrekken, of hunne wonden zich niet sluiten, of
hunne oogen zich niet openen: of aan hen geen wonder
gewrocht wordt.
Niets! .... Heilige Maagd, is het mogelijk ?!
Die man had zooveel geloof, — vertrouwen!
De arme zieke komt uit het water.... in wanhoop....
of moedeloos? Wonder! Hij hoopt meer dan ooit.... hij
gevoelt zich sterker in het lijden, geheel onderworpen aan
den goddelijken Wil, volkomen tevreden.
Wat geestdrift en vervoering heerscht er, wanneer een
-ocr page 476-
454
zieke, de krukken in de hoogten heffend de badplaats ver-
laat, of een stomme uitroept: „ik ben genezen." Dan is het
volk als krankzinnig van vreugde; uitgelaten vallen vreemde-
lingen elkander om den hals; men dringt aan en op, om
den] gelukkige te zien , te hooren; men begeleidt hem naar
het geneeskundig bureau.... en in vervoering heffen die
vaak duizende kelen in onbeschrijfelijke vreugde, geestdrift
en dankbaarheid het Magnificat aan.
„Verhef, juich, jubel, mijne ziel den Heer\'\', die daar
op de nederige beden van deze Zijne dienaren en dienaressen
heeft neergezien, „Die den zwakke heeft verheven"....
,den hulpelooze uit het slijk heeft opgenomen".
Machtig indrukwekkend, ontzettend grootsch klinkt en
davert de juichtoon van het kunstvol orgel der mensche-
lijke stem, door duizenden bespeeld. Heuvels en bergen
vangen die klanken op, geven ze weer; de geluidsgolvin-
gen, eerst weerhouden, verwijden zich, stijgen immer hooger
tot boven de hoogste toppen der Pyreneeën, die daarom
schijnen tot den hemel te reiken, opdat Gods Engelen te
gemakkelijker de vertolking van ontelbare dankbare, jube-
lende harten zouden aannemen en neerleggen voor den
troon van den Algoeden Hemelvader en Zijne Onbevlekte
Dochter.
* *
*
De meest aangrijpende godsdienstoefening bij de bede-
vaarten te Lourdes gehouden, is de processie met het
H. Sacrament, waaronder of waarna de zegening der zieken
plaats heeft.
De processie met het H. Sacrament herinnert aan, brengt
-ocr page 477-
455
het tafereel voor den geest, dat zoo menigmaal uit het
Evangelie vernomen is.
Jezus, bij eene stad komende, vindt daar aan de poort,
langs den weg eene menigte kwijnenden, gebrekkigen, be-
zetenen, blinden. Allen wachtten den Wonderdoener, den
Profeet vanNazareth; allen weten, dat Hij goed, liefderijk,
medelijdend is, maar ook allen zijn overtuigd, dat Hij kan
genezen.
De processie met het H. Sacrament levert misschien
het krachtigst bewijs, dat niet het water, noch zijne
natuurlijke kracht genezing aanbrengt; maar dat de ge-
nezingen te Lourdes uitgewerkt, het werk zijn van God zelven,
den Heer van leven en dood, die het geloof en vertrouwen
der Zijnen ter eere der Onbevlekt-Ontvangen Moeder-maagd
beloont naar Zijn goddelijk welbehagen.
Hieraan dankt deze processie haren oorsprong \').
In Augustus 1888 had slechts zelden de Magnificat
weerklonken "•).
Een godvruchtig Geestelijke opperde het denkbeeld, van
Jezus in het H. Sacrament te midden der zieken te brengen
en vervolgens in processie rond te dragen. "Waarom zou
men Hem niet de beden toestieren, welke de Joden tot Hem
richtten, toen Hij in hun midden was?
Het denkbeeld werd door den Z.E.W. Pater Picard gunstig
opgenomen; die aanroepingen werden in der haast gedrukt,
rondgedeeld; en des namiddags van den 2lsten Augustus zou
de eerste processie plaats hebben. Te 4 ure verliet het
\') De volgende bijzonderheden zijn mij door eene vrienden-
hand verstrekt.
\') Het zingen van dezen Lofzang is een teeken, dat eene
wonderbare genezing heeft plaats gehad.
30
-ocr page 478-
456
H. Sacrament het Tabernakel der Basiliek. Nadat het Lol
aan de Grot gehouden was, begonnen de aanroepingen.
Inmiddels zette de processie zich in beweging; 5 a 6000
menschen namen er aan deel en riepen met hart en mond:
„Hosanna den Zoon van David\'\'.... „Heer om de verheer-
lijking van uwen Naam, genees ons"....
Eéne wonderbare genezing had er plaats.... Het volk
was vol geestdrift. Den 22 zag men het schouwspel van
Judea vernieuwd: honderde zieken lagen geschaard langs
den weg, dien Jezus van Nazareth volgen zou.
Jezus verschijnt: het H. Sacrament wordt langs de zieken
gedragen: twee van hen staan van hun smartleger op en
volgen den goddelijken Meester, die Zijn triomftocht vervolgt
tot aan de Grot, en daar worden op eens verscheidene zieken
genezen: zij staan op uit hunne rijtuigjes, voegen zich bij
de biddende, juichende, jubelende menigte.
Ziedaar de korte, eenvoudige geschiedenis van het ontstaan
der indrukwekkende en aandoenlijke plechtigheid, der Pro-
cessie en Zegening met het H. Sacrament.
\'t Is twee uur in den namiddag. Van alle kanten dagen
zieken en gezonden op: allen richten zich met opgewekt
gevoel en versnelden stap naar de Rozenkranskerk; een leven-
dig geloof en vast vertrouwen bezielt hen allen. Plechtige
stilte heerscht onder de tallooze menigte. Elk is in stille
overdenking, bezig met God, met God alleen. Verwan-
ten , vrienden, vreemdelingen, Kerk .... niets bestaat meer!
Oog en hart zijn op God alleen gevestigd, Wiens barmhar-
tigheid evenmin einde heeft als Zijne macht. Tot Hem
worden de liefdepijlen der evangelische aanroepingen ge-
richt, herhaald door duizende harten, blakend van liefde
tot Hem.
-ocr page 479-
457
Hoe zou het mogelijk zijn, dat Zijn liefderijk Hart niet
werd getroffen, of\' door het aanschouwen der menschelijke
ellende niet werd bewogen?
Aangrijpend is het, de zieken te zien geschaard op het
groote plein in het halfrond der bogen.
Tering- en kankerlijders; lammen, kreupelen, blinden;
ziet men hier bijeen. Mannen, vrouwen uit de hoogste en laagste
standen; kinderen, nauwelijks voor het leven ontwaakt. De
meesten van hen, — zij zijn het zich bewust, — gaan sterven.
En toch; nooit kwam het leven hun zoo aantrekkelijk voor als
nu; — zij allen leven op door de hoop van te genezen. Zij
hebben ouders, echtgenooten, dierbare betrekkingen , vrien-
den; zij hebben illusies, plannen ontworpen, werken begon-
nen; — hoe heerlijk koestert hen nu de zon; wat zijn de
bloemen schoon; wat genot en genoegen bereidt hun nog
de komende lente! Leven, leven willen zij, zullen zij; doch
daartoe is een wonder noodig; want alle menschelijke weten-
schap moet voor hen zwijgen.....maar ook, dat wonder,
allen verwachten het met stellige, onwrikbare hoop; want
Jezus van Nazareth zal voorbijgaan en hen zegenen.
De processie stelt zich in beweging: van de hoogten der
Basiliek of uit de Rozenkranskerk daalt zij af, Kardinalen,
Bisschoppen, alle aanwezige priesters in koorkleed, mannen ,
bidden vurig en smeeken voor de dierbare zieken.
En de zieken; zij hebben oor noch oog voor al den luister,
waarmede de Kerk haren goddelijken Stichter omringt: hun
zwak, kwijnend oog tuurt, speurt tusschen die duizenden
lichten, door de pelgrims gedragen, naar den éénen drager
van het Licht der wereld.
Daar nadert hij, de Bisschop, Prelaat, priester, dragende
in zjjne handen Hem, die het lot aller menschen in Zijne
v
-ocr page 480-
458
hand heeft; — Hem, voor Wien een wonder slechts kinder-
spel is, die op Zijn wenk de zieken geneest, de dooden
doet oprijzen uit het graf.
En nauwelijks hebben zij Hem bespeurd, of onbeschrij-
felijke hoop ontvoert als \'t ware hunne ziel aan het
lichaam. Met den priester bidden, smeeken, herhalen zij:
„Heer, genees onze zieken!": „Jezus, Zoon van David,
ontferm U mijner.\'\' — „Indien Gij wilt, kunt Gij mij ge-
nezen."— „Hosanna, den Zoon van David, Gij zijtdeVer-
rijzenis en het Leven"! juichen zij den Verlosser toe —
verbidden Hem: „Heer, maak dat ik zie! Heer, spreek slechts
één woord en ik zal genezen zijn"! Heer, red ons, wij
vergaan"!
„Onze lieve Yrouw van Lourdes", wenden zij zich nu
weer tot de Moeder des Heeren, „heb medelijden met ons.....
bid voor ons"!
Op het oogenblik dat de priester met het Allerheiligste
eiken zieke in het bijzonder zegent, verdubbelt de menigte
hare aanroepingen: de zieke zelf hijgt, smachtend van ver-
langen en bange hoop, naar het zoozeer begeerde wonder;
hij strekt de handen uit naar Jezus, tracht de monstrans
te omvatten, wringt de handen tot de H. Hostie, die onbe-
wegelijk schijnt, en toch Hem onder hare gedaante verbergt,
die zijn droom tot werkelijkheid kan maken, die zijne kwalen
kan doen verdwijnen, die hen allen genezen kan doen oprij-
zen—zij die misschien al zoovele jaren het leven als aflegden.
De menigte ligt inmiddels aanbiddend neergeknield, maar
neigt gretig en reikhalzend om te zien: vóór, achter, be-
zijden.....houdt niet op immer onvermoeid en altijd vuriger,
te bidden, te smeeken, te dringen: „Jezus, Zoon van David,
-ocr page 481-
459
ontferm U mijner"; — „Heer, indien Gij wilt, kunt Gij mij
genezen."
*
Een schitterend mirakel werd door het H. Sacrament bekomen
den 8 Sept. 1897. Het is opgenomen in de Annalen van
Sept. \'98, omdat op\' dien dag de genezene zich vertoond
heeft op het Geneeskundig Bureau, hetwelk andermaal heeft
verklaard, dat na de genezing van verleden jaar, geen spoor
van ziekte bij haar aanwezig is.
Het was Mejuffrouw Jeannette Tulasne van Tours, 20
jaren oud, lijdende aan eene ongeneeslijke ziekte (verrotting
der wervelbeenderen of Pottkwaal der beenderen) welke in
zoo hevige mate verergerd was, dat genezing onmogelijk
voorkwam aan de vijf dokters, die haar behandeld hadden.
Met de grootste moeite en op levensgevaar af was genoemd
meisje naar Lourdes gevoerd. Zij stelde zich immer levendig
voor, dat O. L Vrouw haar zou genezen. Tot viermalen
in het wonderwater der bron gebaad, was geen de minste
verandering te bespeuren. Toch behield zij haar onwrikbaar
geloof en vertrouwen.
Des namiddags van dien dag voor de Rozenkranskerk
neergelegd met 150 harer lotgenooten, wachtte zij biddend
de komst van den goddelijken Meester af.
De Aartsbisschop van Tours droeg het Hoogwaardig;
de zieke kennende en innig medelijden met haar gevoelende,
verwijlde Z. D. H. eenigszins langer bij het geven van den
zegen. Aller oogen,\' aller genegenheid en medelijden had de
arme zieke op zich vereenigd. Men wachtte, dat de Almachtige
het woord spreken zou: sta op en wandel!.... te vergeefs:
-ocr page 482-
460
„Zijn uur was nog niet gekomen\'\'. Het H. Sacrament verwij-
derde zich. De Aartsbisschop wendde zich tot den tweeden
en derden zieke, terwijl hij haar op hartverscheurende wijze
hoorde roepen: „Jezus, indien Gij wilt, kunt Gij mij gene-
zen, ja, Gij kunt mij genezen! — Heer, geef dat ik wan-
del ....." Bijna uitgeput, riep ze nog met vuur en klem:
dat ik wandel!
De Aartsbisschop keerde bij den derden zieke zich ander-
maal naar haar, en zegende haar nog eens. En zie! op
hetzelfde oogenblik voelt zij zich genezen, zij wil opstaan en
zich voor Jezus\' voeten werpen. Men belette dit, doch naar
het Gasthuis overgebracht liep zij naar de Kapel om God
te danken, en vertoonde zich aanstonds daarna aan meer
dan 2000 menschen, die haar derwaarts gevolgd waren.
Geloofd zij Jezus Christus in het hoogheilig en aanbiddelijk
Sacrament des Altaars.
In eeuwigheid, Amen. Alleluja!!
Als de avond gevallen is en de sterren zich aan het uit-
spansel vertoonen, in de zomermaanden omstreeks 9 uren,
trekken wederom gansche scharen pelgrims naar de hei-
ligdommen van O. L. Vrouw. Een priester bestijgt den
preekstoel bij de Grot, spreekt eenige woorden tot Maria\'s
lof aan de menigte, noodigt hen uit tot, en geeft de
richting aan voor de fiambouwenprocessie, begint den rozen-
krans of heft het welbekende lied aan van O. L. Vrouw
van Lourdes.
De menigte groeit aan, de kaarsen, waarvan elk zich
voorzien heeft, worden ontstoken; de pelgrims scharen zich
-ocr page 483-
461
bijoen, de processie wordt geregeld, en weldra weerkaatsen
duizende lichten in de wateren der Gave en tegen den don-
keren hemel. De pelgrims beklimmen nu de Mvormige wegen
tot boven bij de Basiliek, dalen langs den zuidelijken boog
der Rozenkranskerk, vervolgen dien nog in zijne verlen-
ging door het park tot aan het standbeeld van den Aarts-
engel Michaël, en keeren dan terug langs den oever der Gave,
van waar zij zijn uitgegaan.
Was in den beginne het gezang geregeld en ordelijk;
al dra is het verdeeld over verscheidene groepen: sommigen
beginnen, anderen eindigen hunlied; de stemmen kruisen
elkander; toch levert het geheel geen wanklanken: het is
het ontzaggelijk geroep van een volk, dat op alle mogelijke
wijzen bidt en zingt. Liederen in alle talen der be-
schaafde wereld mengen zich ondereen, smelten ineen en
brengen een grootsche hulde aan God en Zijne Moeder.
Heerlijk is de aanblik, welken men over de flambouwenpro-
cessie geniet van de hoogten, welke de terreinen der Grot
omgeven. Het is alsof men twee lijnen van vuur ziet, welke
door het park heen als eene kroon vlechten om het Krui s
der Bretagners en welke voor het Gekroonde Beeld van
O L. V. als eene zee van vuur vormt, waaruit de Maagd van
Lourdes oprijst.
Na de flambouwenprocessie verspreiden zich de pelgrims:
de eene naar de stad; anderen blijven nog eenigen tijd aan
de Grot; de meesten echter begeven zich naar de Basiliek
of Rozenkranskerk, waar men gewoonlijk ten 10 ure aan-
vangt met
-ocr page 484-
462
De Nachtelijke Aanbidding.
Deze godsvruchtoefening is sedert weinige jaren te Lourdes
in zwang gekomen en wordt aan bijna eiken pelgrimstocht
toegestaan. Het komt daarbij op aan, dat de bedevaart,
die eene nachtelijke Aanbidding aanvraagt, genoeg leden telt r
die bij het H. Sacrament verwijlen.
Toen in Mei van het vorig jaar (1898) de Hollandsche
bedevaart te Lourdes vertoefde, werd deze gunst ook
aan haar toegestaan. Als men de ernstigste zieken uitzon-
dert, dan waren het slechts eenige zeer zwakke personen,
die er geen deel aan namen.
De Nachtelijke Aanbidding bestaat, gelijk de naam alreeds
te kennen geeft, in do Aanbidding van het H. Sacrament
gedurende eenige uren van den nacht.
Het H. Sacrament werd dan voor de Hollanders uitge-
steld in de Eozenkranskerk des avonds ten 10 ure, terwijl
bepaald was, dat de Aanbidding zou duren tot 2 ure na
middernacht.
Omgeven van bloemen en licht prijkte het Hoogheilig
Sacrament op den troon van het tabernakel des Hoogaltaars;
terwijl de geheele kerk verlicht was als bij dag. Alle pel-
grims waren ten bepaalden ure aanwezig. Al aanstonds
betrad de Z. Eerw. Heer Deken van Maastricht den preek-
stoel en leidde de Aanbidding in door een opwekkend en
het geloof sterkend woord. Bezijden het Hoogaltaar had
zich een koor van dames en heeren opgesteld, die het
gebed afwisselden door hun keurigen, maar vooral stich-
tenden zang. Zóó vlogen in godsdienstige zangen, in gebed
en overweging de twee uren vóór middernacht voorbij.
Daar kondigde het klokkenspel der Basiliek het naderen
-ocr page 485-
463
van middernacht; en daarop dreunden twaalf zware slagen
door de stilte van den nacht.
Als bij tooverslag waren de kaarsen aan alle altaren der
Rozenkranskerk ontstoken, en tegelijk met de H. Mis aan
het Hoogaltaar werd door 15 priesters het Misoffer aange-
vangen
Zelden zal men zoo groot geloof en liefde gevoelen;
zoo groote vurigheid; zoo innig aandoenlijke herinnerin-
gen; zoo zoete vreugde smaken als bij deze nachtelijke Mis.
Het genot der nachtelijke Kerst-Mis kan niet daarbij halen;
onwillekeurig komen de herinneringen en aandoeningen der
eerste H. Mis den priester voor den geest.
En de innige godsvrucht en diepe ingetogenheid der pel-
grims toont, wat in hun hart omgaat bij deze middernach-
telijke Communie.
Want ook de overige pelgrims hebben het voorrecht aan-
stonds na 12 ure te mogen communiceeren, op deze ééne voor-
waarde , dat zij (gelijk ook de priesters) na 8 ure geen spijs of
drank meer genut hebben \'). Werden die mannen, vrouwen
op gevorderden leeftijd, die jongelieden niet teruggevoerd
tot den onvergetelijken dag hunner eerste H. Communie?
Nauwelijks was de H. Communie uitgedeeld of van uit
het hart tot het hart sprak Mgr. Lans van den preekstoel
de dankzegging uit. Niemand en niets werd vergeten; geen
nood, geene behoefte, of Warmond\'s President legde ze
neer aan de voeten van het genuttigde Lam Gods; geene
\') Het voorschrift of de wet van nuchter te zijn bij het
ontvangen der H. Communie is eene kerkelijke wet, welke
door den Paus kan gewijzigd, opgeheven worden, zooals ze b.v.
opgeheven wordt voor zieken, in doodsgevaar verkeerend.
-ocr page 486-
464
gevoelens konden die harten bezielen, welke hij niet in
eenvoudig-verheven taal den goddelijken Bruidegom aanbood.
En als dan de eene H. Mis door de andere gevolgd werd,
zang en gebed elkander afwisselden, waren ook deze laatste
twee uren van geestelijk genot weldra vervlogen, en verlieten
de pelgrims niet dan noode de liefelijke tabernakelen,
en na eerst den zegen des goddelijken Meesters ontvangen
te hebben.
Zij hebben gezien en geproefd, „hoe zoet de Heer is " —
„Zij hebben het gesmaakt, hoe één dag doorgebracht in
\'s Heeren woontenten te verkiezen is boven duizende jaren.\'"
AANHANG.
i.
De Xederlandsche Bedevaart naar Lourdes.
Onder leiding van den Zeereerw. Pater Reuser S. J.
had in September 1883 de eerste bedevaart uit Holland
plaats naar O. L Vrouw van Lourdes.
Deze reis werd genomen over Rheims, waar de pelgrims
zeer hartelijk ontvangen werden door den Aartsbisschop
dier stad, den tegenwoordigen Kardinaal Langénieux.
Bij de Franschen moest het bewondering wekken, dat
uit het in hun oogen protestantsche Nederland 500 pelgrims
zoo groote, moeielijke en kostbare reis durfden ondernemen.
In de heenreis werd overnacht te Limoges, gelijk ook
later meermalen gebeurde. Op deze eerste reis deed men
inmiddels eene tweede bedevaart naar Paray-le-Monial, ge-
-ocr page 487-
465
heiligd door de verschijningen van Jezus\' H. Hart aan de
Zalige Kloosterzuster Maria Margaretha Alacoque.
Na een verblijf van 5 dagen bij Maria\'s heiligdommen,
aanvaardde de exprestrein de terugreis over Tours. Niet
alleen om te overnachten werd deze stad van Midden-
Frankrijk bezocht, doch tevens om het H. Aanschijn te
vereeren.
Al aanstonds zag men in, hoe de taak, door Pater Reuser
ondernomen, bij alle hulp, welken hij had van medepelgrims,
toch te zwaar was voor zijne reuzenschouders. Men dacht er
dus aan, de werkzaamheden over meer personen te ver-
deelen en eene vaste Commissie samen te stellen.
Te Paray-le-Monial kwam deze tot stand en bestond uit
den Z. Eerw. Pater Eeuser, de Z. Eerw. Heeren vanRooy,
Pastoor te St. Willibrord en Sarton, Kapelaan te Maas-
tricht; — alsmede uit de W.Ed. Heeren Hermans van Ant-
werpen, Kersten van Tilburg, en Hollman van Maastricht.
Deze eerste Commissie is in den loop van jaren aangevuld
geworden door eenige leden, terwijl sommigen door anderen
vervangen zijn, waaronder Pater Reuser zeker het meest
gemist en betreurd wordt.
Heden ten dage maken deel uit van de Commissie der
Nederlandsche Bedevaart naar Lourdes:
De Zeereerw. Pater M. H. Reuser, als eerelid.
President: Mgr. J. A. van Rooy, Eerekamerheer van Z. H.
den Paus, Pastoor te St. Willibrord.
Directeur: Leon. Hermans te Antwerpen.
Secretaris-Penningmeester: Ch. Hollman te Maastricht.
Directeur der Ziekenverpleging: Ernest Laane te Rosendaal.
Leden:
De Zeereerw. Heer J. Th. Wouters, Deken te Ravestein.
-ocr page 488-
466
De Hoogeerw. Heer A. Schellekens, Plebaan te Breda.
De Zeereerw. Heer L. Sevriens, Deken te Maastricht.
Mgr. M. J. A. Lans, President van het Groot-Seminarie
te Warmond.
De "Weleerw. Heer P. B. Yismans, Pastoor te Nederhorst-
den-Berg.
De Weleerw. Heer J. R. van Groeningen, Pastoor te
Hasselt.
De Heer J. Kerstens van Leeuwen te Tilburg.
De Heer W. Diepenbrock te Amsterdam.
Door de goede bemoeiingen dezer Commissie zijn de
kosten en de duur der reis zeer ingekrompen. Bij een ver-
blijf van 5 dagen te Lourdes moest gevoegd de tijd voor
de heen- en terugreis benoodigd, die den eersten keer be-
droeg 7 dagen: 4 dagen ter heenreis, ongeveer 3 dagen
om terug te keeren ; terwijl de kosten beliepen 85, 60, en
35 gulden voor de drie klassen.
Na een jaar tusschenpoozen ondernam de Commissie in
het voorjaar van 1885 hare tweede bedevaart. Een zelfde
succes als de eerste maal genoot zij voor hare moeiten en
zorgen.
Het daarop volgende jaar 1886 ondernam de Commissie
eene bedevaart naar de Graven der HH. Apostelen Petrus
en Paulus te Rome. Aan haren oproep beantwoordden 150
Nederlanders. Dit oogenschijnlijk klein getal werd ruim-
schoots vergoed, doordat onder de pelgrims hadden plaats
genomen H.H. D D. H.H. de Bisschop van Breda, Mgr.
Leijten, de Bisschop van Roermond, Mgr. Boermans, Mgr.
Hoefnagels, President van het Groot-Seminarie te Roermond
en andere hooggeplaatste Geestelijken en Leeken.
In de daarop volgende jaren 1887 en 1888 hadden zich
-ocr page 489-
467
in Zuid- en Midden-Europa, ja zelfs in ons noordelijk gelegen
vaderland gevallen van cholera voorgedaan. De vreeselijke
ziekte weerhield velen om zich van huis te begeven; ook
vrees voor besmetting elders hield hen terug. Daardoor
namen niet zoovelen deel aan den ontworpen pelgrimstocht
en moest men afzien van een exprestrein, en zich de
meerdere moeite getroosten, welke een gewone trein met
vele personen noodzakelijk meebrengt.
In 1892 weerklonk weer de oproep der Commissie ter
bedevaart naar Lourdes. De reis werd nu gedaan over Tours
en Poitiers; bij welke gelegenheid zij de beroemde bedevaart-
plaats bezochten, waar zich het huis bevindt van den
H. Vincentius a Paulo.
Op verzoek van Nederland\'s Doorluchtig Episcopaat onder •
nam de Commissie eene tweede bedevaart naar Kome. Het
was bij gelegenheid van het gouden Bisschopsjubilé van onzen
H. Vader Leo XIII, in 1893.
De langdurigheid en kostbaarheid der reis in aanmerking
genomen, werd door velen van deze gelegenheid gebruik
gemaakt, waaronder H.H. D.D. H.H. de Bisschoppen van
\'s Bosch, Mgr. van de Ven — van Breda, Mgr. Leijten —
terwijl zich bij de pelgrims te Rome aansloten Mgr. Suickers,
de Aartsbisschop van Utrecht met zijn Secretaris, thans
Mgr. van de Wetering.
De kosten dezer reis bedroegen voor de Ie klas f 300,
voor de tweede f 250.
Zeer velen, die gaarne eene bedevaart naar O. L. Vrouw
van Lourdes deden, werden afgeschrikt door den langen
tijd, dien zij van hunne familie, zaken, betrekkingen
moesten afwezig zijn. Nauwelijks was aan de Commissie
-ocr page 490-
468
dit bezwaar bekend gemaakt of zij zon op middelen om
hieraan te gemoet te komen.
In 1894 werd dan voor \'t eerst den tocht rechtstreeks
naar Lourdes aanvaard. Den eenen dag van Roosendaal
vertrokken, kwamen de pelgrims des anderdaags reeds te
Lourdes.
Deze reis, welke natuurlijk ook zijne ongemakken heeft,
is echter over het algemeen zoo goed bevallen dat de Com-
missie besloten heeft, niet meer om de twee of meerjaren,
maar telken jare een pelgrimstocht haar Lourdes samen
te stellen.
Het beste bewijs, dat do Commissie hierdoor handelt in
het belang van het algemeen, is wel, dat sints deze regeling,
het getal pelgrims jaarlijks is toegenomen.
Omdat in 1897 het derde eeuwfeest van Nederland\'s
grooten H. Petrus Canisius te Freiburg in Zwitserland ge-
vierd werd, en vele Nederlanders gaarne hunnen heiligen
landgenoot wilden huldigen, besloot de Commissie een drie-
dubbelen pelgrimstocht te houden: eene rechtstreeks naar
Lourdes, een dergelijke naar Freiburg, een derde over
Freiburg naar Lourdes. Het groot getal deelnemers heeft
aan de Commissie een even groot getal dankbare harten
bezorgd.
In 1898 namen 460 pelgrims deel aan de bedevaart.
Telken jare werden door de Commissie zieken aangenomen,
en zorg gedragen, dat ook arme zieken konden worden
medegenomen. Dank zeker de mildadigheid van de Neder-
landsche Katholieken, konden dit jaar 60 zieken de reis aan-
vaarden.
Elders beschreef ik reeds de liefderijke behandeling der
zieken op reis en te Lourdes door de aanzienlijkste Dames-
-ocr page 491-
469
en Heeren-pelgrims, ook in het buitenland gekend en geroemd.
Op het voorbeeld der Franschen, hebben deze nu onder
elkander een vasten gasthuis- of ziekendienst ingericht. En
dat deze goed is ingericht en de bediening niets te wen-
schen overlaat, kunnen behalve de 60 zieken van 1898,
zoovelen getuigen, als onder het getal pelgrims van dat jaar
hebben behoord.
Behoefde de Commissie geen zorg te dragen voor de ver-
pleging der zieken; erger was het voor haar een geschikt
vervoermiddel te krijgen. Hare liefde was echter vindingrijk:
voor \'t eerst legde zij een ambulance-wagen in den trein,
waarin de zwaarste zieken werden vervoerd, die de reis in
liggende houding moesten afleggen.
Zou de tijd wel nog verre zijn, dat wij aan onze Belgische
Broeders hun zieken-wagen moeten benijden? Zullen ook
de Nederlandsche Katholieken niet bereid gevonden worden
„om hunne geringe geldstukjes, hunne zilverstukjes, hunne
tientjes, hunne briefjes en brieven te doen omzetten in
sterke planken, snelle wielen, machtige assen, zachtwerkende
veeren, mollige legersteden, om de lijdende ledematen van
Jezus Christus op te nemen en te voeren aan de voeten der
Machtige Maagd van Lourdes\' Grot?
De slaap- en restauratiewagens in de huidige treinen voeren
de weelde, macht en rijkdom door de wereld; — maar deze
zieken-wagen voert door België en Frankrijk — zal voeren
eenmaal ook van Holland uit — de smart en het lijden,
geleid door de christelijke liefdadigheid. — Zóó zij het in niet
te lang tijdsverloop!!
Voor dit jaar, 1899, is de oproeping reeds geschied, de
reis en de kosten daarvan aangegeven, zijn alle hetzelfde
als in 1898, behalve de dagen van vertrek en terugkomst.
-ocr page 492-
470
Deze zijn voor dit jaar bepaald op 1 en 9 Mei, terwijl de
pelgrims wederom acht dagen te Lourdes vertoeven. Ook
is de gelegenheid opengesteld om voor arme zieken eene
kleinere, grootere of geheele bijdrage (/ 60) te storten, opdat
ook dezen deel kunnen nemen aan den pelgrimstocht, en zoo
al niet de gezondheid des lichaams, dan toch bevestiging
en versterking in het geloof, onderwerping en overgeving
aan den wil van God te erlangen.
Mogen de arbeid en zorgen der Commissie beloond worden
door eene talrijke deelneming aan deze elfde Neder-
landsche Bedevaart naar Lourdes!
II
Wij mogen niet nalaten gewag te maken van eene tweede
Commissie, welke zich in ons vaderland heeft samengesteld,
om de bedevaarten nog meer te vergemakkelijken.
Deze tweede Commissie voor goedkoope bedevaarten bestaat
uit de W.Eerw. Heeren, President: L E. A. Dekkers, Kapelaan
te Teteringen, bij Breda.
De Z.Eerw. Pater Am. Claesen, Prior te Utrecht, be-
stuurslid.
De W.Eerw. Zeergel. Heer Dr. J. v. d. Brink, Kapelaan
te Nispen bij Rosendaal, bestuurslid.
De Heer G. L. Derksen, te Tilburg, bestuurslid.
De Heer P. N. Brouns, te Tilburg, Secretaris.
De W.Ed. Heer Charles Kieckens, Ridder der Piusorde,
Directeur, eveneens te Tilburg ,).
Deze Commissie beijvert zich vooral om aan het verlangen
\') De zetel dezer Commissie is gevestigd te Tilburg.
-ocr page 493-
471
van den Paus te voldoen: „dat jaarlijks een groot getal
Zijner Hollandsche kinderen zich om Zijn troon zou scharen\'\'.
Het moet gezegd, dat de leden dezer Commissie geene
moeiten ontzien, om deze bedevaart naar Kome zoo aan-
trekkehjk en goedkoop mogelijk te maken. Want niet slechts
zorgt zij voor de gewone reis, maar alle behoeften: eten,
drinken, nachtverblijf, zelfs uitstapjes neemt zij ten haren
laste, en wel tegen zoo geringen prijs, dat men de kosten
voor eigen rekening nemende, veel meer zou betalen.
De Commissie mocht dan ook hare bemoeiingen met een
goeden uitslag bekroond zien, ja zelfs van Z. H. den Paus
en Zijner Heiligheids Vertegenwoordiger in Nederland, Z. E.
Fr. Tarnassi, de aanmoediging ontvangen om op den inge-
slagen weg voort te gaan.
Betrekkelijk talrijk was de deelneming voor de eerste
\'Bedevaart naar Eome, van 3—14 Mei 1897 gehouden,
n.1. 78 pelgrims, die zoo heerlijke reis konden maken voor
de luttele som van f 185.
Ten tweeden male deed de Commissie eene oproeping ter
bedevaart naar Rome in 1898. Voor slechts f 200 voorzag
zij in alle geestelijke en lichamelijke behoeften der 67
deelnemers.
Aangemoedigd door dit succes ondernam de Commissie
in September van hetzelfde jaar eene bedevaart naar Lourdes.
En ook deze slaagde naar wensch. Want als men bedenkt,
dat in Mei reeds 480 personen hunne hulde hadden gebracht
aan O. L. Vrouw te Lourdes, dan moet gezegd, dat het
getal 198, die hieraan deelnamen groot, en de som van
f 75, waarvoor de Commissie in de reis- en verblijfkosten
voorzag, zeer gering was, te meer daar zij hun nog een
kijkje in en om Parijs verschafte.
-ocr page 494-
472
Ieder, die het wèl meent met de zaak der bede-
vaarten zal het toejuichen, dat zoovele ijverige en
edele mannen alle middelen aanwenden, om aan den wensch
der H. Maagd te voldoen: „ik wensch dat hier veel
volk kome".... dat er processies worden ge-
houden"
En wio zal niet van harte toejuichen, dat de Vader der
Christenheid getroost worde door de liefde Zijner kinderen,
die van zoo verre komen om Hem hunne hulde, hunnen
eerbied en aanhankelijkheid te betuigen.
Eere en dank aan de leden der beide Commissien, die
zoo zware lasten op zich nemen, zoovele moeiten zich getroos-
ten, zichzelven zooveel moeten ontzeggen, om de aloude
godsvrucht tot Maria en aanhankelijkheid aan den Paus
levendig te houden, te bevorderen.
Het groot getal deelnemers aan hunne ontworpen bede-
vaarten getuigt het beste, hoe zij beiden hunne taak glansrijk
volbracht hebben \').
Maria\'s en \'s Pausen zegen zij hun deel!
III.
Naar Lourdes!
Naar Lourdes! is de kreet, die sedert 40 jaren eerst
door Frankrijk weerklonk, door geheel Europa weergalmde,
\') Omdat dit werk over de bedevaarten naar Lourdes handelt
vermelden we hier slechts in het voorbijgaan, dat de derde jaar-
lijksche bedevaart naar Rome zal gehouden wor-
-ocr page 495-
473
ook in ons vaderland werd vernomen. En van den opgang
der zon tot den ondergang, van het Noorden tot het Zuiden,
maakten millioenen zich op om gevolg te geven aan den
wensch der H. Maagd, door Haar aan Bernadette uitge-
drukt: vik wil dat hier veel volk home.\'1 Is die wensch geen
bevel, geen gebod, door onze Moeder gegeven niet aan
dezen of genen, maar aan allen die zich hare kinderen
noemen en zijn? Zij allen zijn uitgenoodigd, om vereenigd
door ééne gedachte van geloof en godsvrucht Haar openbare
hulde
te brengen, toen de H. Maagd tot Bernadette zeide:
„ik wil, dat hier volk in processie kome".
Hadde Onze Lieve Vrouwe niet zoo uitdrukkelijk deze
uitnoodiging gedaan, dan bleef nog het feit der herhaalde
Verschijningen en der talrijke wonderen reden genoeg , om
zich op te maken ter bedevaart naar Lourdes.
De Vader der Christenheid, onze roemrijk regeerende
Paus Leo XIII spreekt in Zijn Algemeenen Zendbrief over
den Rozenkrans over het houden van bedevaarten. Drin-
gend beveelt de H. Vader aan, bedevaarten te houden naar
vermaarde heiligdommen.
En als men nu het onderwerp van
zijn rondschrijven, alsmede het doel (in het openbaar voor
elkander te bidden) en zelfs de eigen woorden des Pausen
vergelijkt met de woorden en het verlangen der H. Maagd,
moet men dan niet zeggen, dat Christus\' Plaatsbekleeder,
den van 9 tot 24 April. Kosten van reis en verblijf, rijtoeren enz.
alles inbegrepen, bedragen Ie klas ƒ280; He klas f 237.
En voor het jaar 1900 zal dezelfde Commissie eene werklieden-
bedevaart samenstellen Ille klas, aan welke men voor ƒ 90 kan
deelnemen; terwijl deze 5 dagen in het Vaticaan zullen ver-
blijven.
-ocr page 496-
474
toen Hij die woorden richtte tot de wereld, daarbij vooral
Lourdes op het oog had?
Heeft ook de H. Vader niet aan het beeld der zooge-
naamd „gekroonde Maagd" de kostbare kroongeschon-
ken , welke het siert ?
En om niet te spreken van den schat der aflaten, welke
de Paus geopend houdt voor hen, die eene bedevaart naar
Lourdes ondernemen; — hoe menig gunstbewijs is aan
Lourdes, aan de bedevaarten en pelgrims geschonken,
welke geene bedevaartplaats ter wereld bezit.
"Wij willen hier slechts melding maken van het kostbare
borstkruis, dat Pius IX z. g. aan O. L. Vrouw van Lourdes
vermaakte; van de kostbare kroon, welke de H. Vader
schonk, terwijl hij een Kardinaal afvaardigde om daarmede
het Beeld namens Hem te tooien Van algemeene bekend-
heid is het, hoe aan de door Maria gevraagde „Kapel"
weldra den titel van Basiliek ten deel viel. De Processie
en Zegening met het H. Sacrament, de nachtelijke Aan-
bidding, het Mis-lezen, het Communiceeren aanstonds na
middernacht; het zijn zoovele zeldzame gunsten, aan Lourdes
alléén toegestaan.
Waarom deze, nog niet eens volledige optelling? Om te
doen zien, hoe geliefd deze plaats, waar Maria in 1858
de uitspraak van hare Onbevlekte Ontvangenis kwam be-
vestigen; hoe geliefd en dierbaar aan den Plaatsbekleeder
van Christus deze bedevaartplaats is. En zouden we in deze
daden en woorden niet den wil van God erkennen ? Duidelijk
is het, dat God deze plaats heeft uitgekozen, om Zijne
barmhartigheid aan de menschen naar ziel en lichaam te
bewijzen.
Verkeerdelijk zien zij, die het geluk niet hadden het
-ocr page 497-
475
gezegend Heiligdom van Lourdes te bezoeken, in deze bede•
vaart niets dan wondere genezingen en buitengewone be-
keeringen. Het ontgaat hun vaak, dat het gesteld is met
de wonderen te Lourdes als met die welke de goddelijke
Verlosser wrochtte in het Joodsche land. „Ik heb dien man
genezen", sprak de Zaligmaker, „opdat gij overtuigd zoudt
zijn van Mijne macht, opdat gij zoudt weten, dat Ik ook
macht heb, om de zonden te vergeven."
Daar worden te Lourdes misschien meer, zeker grootere
wonderen gewrocht aan de ziel dan aan het lichaam.
Want de H. Maagd heeft gewild, dat er veel volk zou
komen. Voorzeker, om te bidden en veel boetvaardigheid
te doen. De pelgrimstocht naar Lourdes moet zijn, en is
ook inderdaad een zekere geestelijke afzondering.
De geheele bedevaart naar O. L. Vrouw van Lourdes be-
staat in overwoging en gebed, in Mis-hooren, biechten en de
H. Communie ontvangen. Moet men daarom de oogen sluiten
voor de prachtige gezichten, vooral in het Zuiden van
Frankrijk, voor de schilderachtige helling der bergen, met
hunne steden, dorpen, kerken, oude kasteelen ? Wie of wat
verbiedt u, de vermakelijke gevallen gade te slaan, die
altijd voorkomen op eene langdurige reis met talrijke mede-
reizigers.
De bedevaart kan toch godvruchtig zijn.
En allen, die het geluk hadden, eene bedevaart naar
Lourdes te doen; zij getuigen het: van het oogenblik, dat
de pelgrimstocht begint, gevoelt een ieder zich bezield met
de innigste godsvrucht, het hart vervuld van vreugde.
Immers zij gaan daarheen op uitnoodiging der H. Maagd: „i k
wil, dat hier veel volk kome..... ik wil, dat
men in processie kome;" opdat die velen even als Ber-
-ocr page 498-
476
nadette: „zouden gaan drinken, en zich wasschen
aan de bron", waardoor zinnebeeldig is gezegd, dat men
veelvuldig biechten en Cotnmuniceeren zou, dat men zich
zou zuiveren en versterken.
Gaan wij verder de woorden na, die de Onbevlekte Ont-
vangenis tot het arme kind richtte, dan zien wij deze bewering
bevestigd
Boetvaardigheid beval de Hemelkoningin tot drie-
maal aan; — zeker wel de boetvaardigheid bij uitstek:
het H. Sacrament van boete, berouw en vergeving, die
Zij toezegt aan de zondaars: bid voor de bekeering
der zondaars. Een feit is bovendien, dat niet slechts
bekeeringen van groote zondaars voorkomen; maar dat nie-
mand er van terugkeert, die niet beter geworden is in
geloof, godsdienstigheid; die zich niet sterker gevoelt in de
deugd, in het vervullen zijner plichten.
Niet het minst dankt hij dit voorzeker aan het H. Sacrament
der Biecht en des Altaars.
„Ga tot de priesters zeggen", gelaste O L. Vrouw,
„dat men mij hier eene kapel bouw e".
Waartoe eene Kapel of Kerk, tenzij opdat daar het H Sacra-
ment zou zijn als dank-, smeek- en zoenoffer; tenzij opdat het
H. Sacrament daar zou zijn op zijn troon van genade; opdat
Het zou zijn de spijs der zielen in de H. Communie.
De verloopen 40 jaren hebben door de tallooze daar op-
gedragen H. Missen en ontvangen Communiën alleszins be-
antwoord aan den wil en wensch der H. Maagd en van
haren Goddelijken Zoon.
Wie kwam ooit te Lourdes, zonder tot de HH. Sacramenten
der Biecht en Communie genaderd te zijn? En aan God
alleen is het getal bekend van hen, die hierdoor tot het
-ocr page 499-
477
christelijk, godsdienstig leven en de beoefening der deugd
zijn teruggekeerd.
„Eene Kapel"! "Waartoe, tenzij tot prediking van het
Woord Gods?
Nergens ter wereld misschien, waar dit "Woord zoo grooten
indruk maakt als aan den voet der Massabielle-rots, van
welker hooge nis de H. Maagd zoo luide tot het hart spreekt
door den mond des priesters.
„Wij zijn te Lourdes", zeide de Hoogeerw. Heer Lans
tot de Nederlandsche pelgrims van 1898, „om te bidden
niet alleen, maar ook om te 1 e e r e n\'\'. En hij gaf hun
door Maria les in onthechting van de wereld.
Een ander prediker, de "W.Eerw. Heer Mutsaers, gaf
enkele lessen ten beste, door Maria hier gegeven: De
wereld stelt zich tegen het gezag: Maria kwam hier de uit•
spraak des Pausen omtrent Hare Onbevlekte Ontvangenis
bevestigen. — Genot en weelde jagen de menschen na. —
Maria zegt tot driemalen toe: boetvaardigheid! —
Geld, eer, geluk, aanzien zijn heden de grootste goederen:
Maria kiest een arm kind, belooft het geluk, niet in
deze maar in de andere wereld.
Hoe zou zulk woord, als \'t ware van de H. Maagd zelve,
kunnen nalaten indruk te maken?
En tot bevordering der godsvrucht van den Rozenkrans
is de bedevaart naar Lourdes zeker het allermeest geschikt
en geëigend Van het oogenblik dat men ter bedevaart
vertrekt, ja te voren reeds, gedurende de voorafgaande
Noveen is de Kozenkrans het gebed van allen, voor allen.
Op reis naar Lourdes en naar huis; aan de Grot en bij
de badplaatsen; in de kerken en op wegen en pleinen —
\'t is immer het gebed, aan Maria zoo dierbaar, het gebed
-ocr page 500-
478                                          V
dat zij zelve bad en Bernadette deed bidden, het ge jj?
van den Rozenkrans, waarmede versierd zij aan het ki.p§
verscheen, dat niets kende dan het zoo eenvoudige Roz(\'||
kransgebed.
Naar Lourdes dan. derwaarts do(l
Maria genoodigd!
                                         i
Naar Lourdes, de verzamelplaats va?
alle kinderen der Katholieke Kerk ove\'
den geheelen aardbol!
Naar Lourdes, de oefenschool van ge-
looi\' e.n godsvrucht, van deugden en»
bidden!
Naar Lourdes, waar elk mensch zich!
verheft met te knielen; waar elk, die!
knielt opstaat, groot er in liefde tot M aria,?
in getrouwheid aan haren Goddel ij kenl
Zoon, in moedig en onverschrokken be-;\',
lijden en beoefenen van het II. Geloof.
Einde.
IMPRIMATUR.
P. A. DE BRUIJN, |
Libr. Cens.
Loosduinen ,
die 28 Februarii 1899.