-ocr page 1-
^3c?cj
YY\\Wy
Vak 127
139
\'■■■ -"\',•
-ocr page 2-
/
-ocr page 3-
Vale i:
-ocr page 4-
■:
JOHAN PHILIP KOELMAN.
-ocr page 5-
/Ja
/Bibliotheca
i\'.
\'Wden.S\'l;
JOHAN PHILIP KOELMAN
DOOR
JOHAN GRAM.
(Met Portret en Plaat.)
Er was een tijd, in den worstelstrijd om het Nationaal monument
voor 1813, dat Koelman\'s naam door een ieder genoemd werd.
Jong en oud, klein en groot, werden dagelijks bezig gehouden
met de vlugschriften-lawine, waaronder de natie bijna begraven
werd. Een felle, verwoede strijd werd er gevoerd, en Koelman,
die voor zijn ontwerp kampte, gelijk een vader met hartstochtelijke
liefde de eer van zjjn kind verdedigt, toonde zich even dapper en
onvervaard met de pen als men hem in andere hoedanigheden
had leeren kennen. Hij week geen duimbreed, vocht met zijn
nieuwe wapen even moedig als hij in 1849 onder Garibaldi in
Rome gestreden had, en gaf zijn tegenstanders handen vol werk.
Later, bij de onthulling van het gedenkteeken van Leiden\'s ontzet,
Van der Werff\'s standbeeld op de Ruïne, trad zijn naam op
nieuw op den voorgrond, en roemde men den kunstenaar, die zoo
in de beeltenis van Leiden\'s burgervader als in de vier tafereelen
uit het ontzet, zulk eene ziel en karakter had weten te leggen.
Doch toen het tijdstip aanbrak, waarop de oude van dagen zich
terugtrekt om zijne taak op de schouders van jongeren over te
dragen, ging het met Koelman als met zoo velen en verloor men
den bescheiden kunstenaar uit het oog. Sommige bevoorrechte
■ .- ■ -f v» -,-.-.i •\' .. .
«!
,:.;*.:.} I i
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT
COLL. TK • «AASSE
A06000029505181B
2950 518 1
-ocr page 6-
2
JOHAN PHILIP KOELMAN.
stervelingen, in kunst of wetenschap uitmuntende, voor wie be-
scheidenheid niet bestaat en die geen grooter levensdoel kennen dan
steeds de bazuinen der drukpers ter hunner glorie te doen schallen,
weten steeds de wereld met hun persoon bezig te houden. Zij verzui-
men geeuo gelegenheid om van zich te doen spreken, wisselen steeds
lonkjes met de veelvermogende pers, bewijzen deze allerlei vrien-
deljjkbeidjes en doen al het mogelijke om hun naam en persoon
gestadig met Bengaalsch vuur te verlichten. In dit opzicht was
Koelman geen mensch van zijn tijd. Hij achtte zich zelven te
veel en vond de kunst te hoog en te eerbiedwaardig, om er zelfs
aan te denken, tot zulke kleinzielige middelen zijne toevlucht te
nemen. Kwam men hem te na, bestookte men hem met onedele
middelen, dan trad de forsche, kloeke gestalte te voorschijn en
verdedigde zich ruiterlijk en nobel, als een fiere kruisridder. Maar
overigens zou hij geen stap gedaan hebben, om door eene buiging
of eene vleierij, een zoet woord of eene belofte, een of ander ten
bate van een zijner scheppingen te verkrijgen. Een kunstwerk
moest voor zich zelf spreken en behoefde geene voorspraak, zoo
meende de nederige dienaar der kunst.
Zulk eene onbuigzaamheid leidt zelden tot populariteit; vooral
niet, als die eigenaardige koppigheid en dat hooge gevoel van
zelfstandigheid gepaard gaan met zekere neiging tot afzondering.
Men moest den denkenden en zoekenden kunstenaar soms met
geweld uit zijne studie-cel in de wereld trekken. Van daar, dat
toen de veelzijdig ontwikkelde\'man den 16 Januari jl. op bijna 75jari-
gen leeftijd overleed, hij bij vele jongeren onbekend gebleven was.
Koelman was reeds achttien jaar, toen hij nog bij zijn vader
aan de schaafbank stond en des morgens vroeg en des avonds
laat met de hem karig toegemeten uurtjes moest woekeren, om
zich in de door hem geliefde kunst te oefenen. Zijn broeder Jan
had den prijs van Rome behaald, en zou spoedig naar Italië
trekken, en ook hij zou zoo gaarne hamer en beitel er aan ge-
geven hebben, om de kunst geheel en al te dienen. Als hij dan
bij den destijds beroemden schilder C. Kruseman timmerwerk
verrichtte, ging zijn hart open bij het aanschouwen dier kunst-
werken. Verwonderlijk, dat in het huishouden van een eenvoudigen
timmerman drie zonen zulk een grooten aanleg voor de schilder-
-ocr page 7-
JOHAN PHILIP KOELMAN                                              3
kunst toonden. Yosmaer zegt in zijne studie over Koelman in
„Onze hedendaagsche schilders": „De vraag der
erfelijkheid van talent of bizondere gaven wordt duizendmalen
door de ervaring weersproken, maar zeer dikwijls blijkt zij eene
waarheid. Wij zien geslachten waarin de kunst leeft en voortleeft,
wij zien er waarin de kunstgaaf door verscheiden kinderen uit
éénen huize gedeeld wordt. Dit laatste vond ook bij de Koelmans
plaats. Bij hen kunnen wij ook hooger opklimmen, want hun
moeder, die eene Kaemmerer was, was eene vrouw van meer dan
gewone ontwikkeling, en bij de Kaeramerers leefde ook de zin
voor kunst. Onder de Koelmans vinden wij drie broeders, in wie
de kunstgaaf bloeide: Johan Philip, Johan Hendrik en Jan Daniël."
Meermalen heeft Koelman het als eene merkwaardigheid verteld,
dat zijne moeder, overigens eene hoogst eenvoudige burgervrouw,
haar grootste genoegen in het lezen van Hooft\'s Tacitus vond.
De zonen van zulk eene schrandere, buitengewone vrouw konden
geene alledaagsche wezens zijn.
Toen nu onze Koelman eindelijk van zijne ouders toestemming
kreeg, om zich geheel en al aan de schoone kunst te wijden,
toefde hij niet lang, om zich bij zijn broeder Jan, die reeds in
Rome gevestigd was, te voegen. Door dat timmeren en bouw-
kundig teekenen had hij reeds die ervaring en zekerheid verkre-
gen, welke hem later als beeldhouwer en bij het ontwerpen van
monumenten zeer te stade zouden komen.
In 1844 trok hij naar Italië. Op zulk een alles onderzoekenden,
rijken geest, die op zijne oorspronkelijke manier de dingen en
menschen bezag, moest het goddelijk Italië met zijn grootsch
verleden, zijne heerlijke kunstschatten en weergalooze natuur eene
zeldzame aantrekkingskracht uitoefenen. Daar ontlook eerst terdege
zijn kunstenaarshart, daar leerde hij de antieken in al hun schoon-
heid en verhevenheid kennen. Te Rome en in de Sabijnsche en
Albaansche omstreken oefende hij zich vlijtig in het teekenen,
schilderen en boetseeren, werd er door den omgang met velerlei
kunstenaren ontwikkeld, en studeerde er te midden van de tallooze
schatten, die de oudheid en renaissance in monumenten, musea
en galerijen hebben nagelaten.
Als men in zijne kunstenaarsnalatenschap de portefeuilles met
-ocr page 8-
4
JOHAN PHILIP KOELMAN.
teckeningen en geschilderde studies uit dien tijd doorbladert, leert
men Koelman\'s groot talent het beste kennen. Niets werd onbe-
langrijk voor zijn schetsboek geacht. Nu eens zijn het studies
van landschappen, aardige buurtjes, interieurs, figuurtjes in Subiaco
of Genazzano, dan weder mooie aquarellen van Pifferari en Zam-
pognari, bonte kleederdrachten van vrouwen en meisjes, schetsen
op grauw papier met potlood en wit krijt, die de grootsche lijnen
der Carapagna, de bochtige steegjes van Subiaco of Genazzano
afbeelden. Nauwkeurigheid en uitvoerigheid zijn van dat alles de
hoofddeugden.
Met zijn broeder Jan, een wijsgeer in de kunst, dien Vosmaer
in zijne „I n w ij d i n g" zoo karakteristiek geteekend heeft, nam
Philip ook de geschiedenis en wetenschap der schoone kunsten ter
harte. Hij drong in alles door, want voor het kennen van een gebouw
waren hem de studie der fundamenten onmisbaar. Koelman ver-
eenzelvigde zich geheel met het Italiaansche leven, en bleef tot
1857 in het zuiden, schilderde en teekendo er tal van portretten
voor aanzienlijke vreemdelingen en vorsten, maakte er teekeningen
en genre-schilderijen voor rijke Amerikanen en Engelschen, en
leefde uitsluitend voor kunst en wetenschap.
In de jaren 1848 en 1849 woonde hij er de belegering van
Rome door de Franschen bij en werd door de omstandigheden,
door zijne liefde voor Italië en de vrijheid meegevoerd, om aan
de verdediging werkzaam deel te nemen. Van al hetgeen toen
door hem bijgewoond is, heeft Koelman een hoogst merkwaardig
boek geschreven, dat in 1869 in twee deelen der toenmalige
Guldenseditie uitgekomen is. Hij kon zoo goed en zoo aanschou-
welijk vertellen en had ons zoo menigmaal met zijne vaak humo-
ristisch getinte verhalen geboeid, dat bjj hem aangedrongen werd,
dat alles eens op \'t papier te brengen. Zoo werd hij schrijver,
en kwam zijn groot talent om menschen en gebeurtenissen te
beschrijven voor den dag. Zijn boek teekent voornamelijk den
kunstenaar zelven, den krachtigen man, zoowel voor de kunst en
Italië als voor de vrijheid gloeiende, maar tevens doet het zijn
vastberaden, kloek karakter en zijne omvangrjjke kennis uitkomen.
Het schildert het leven in Rome en de kunstenaarskringen, maar
vooral het gansche beleg. Als een drama ontwikkelt zich de loop
-ocr page 9-
5
JOHAN PHILIP KOELMAN.
der gebeurtenissen, waarin de heldengestalte van Garibaldi schit-
tert. Terecht deed dit knap geschreven boek den schilder Koelman
het lidmaatschap der maatschappij van Nederlandsche letterkunde
verwerven.
Als eene proeve van beschrijving volge hier de fraaie schilde-
ring van het St. Pietersfeest op 25 Juni:
Den 255ten Juni werd het St. Pieterfeest gevierd. Het kanon .
rustte dien dag. Men was in feestdos en ondanks de toenemende
neerslachtigheid der bevolking werden de huizen des avonds geïllu-
mineerd. Niet alleen de gewone, maar zelfs de buitengewone ver-
lichting der St. Pieterskerk had plaats.
De gewone is een zoodanige die als bij ons de lijsten en vensters
van een gebouw met lampions verlicht. Daarbij zijn de omtrekken
van dat reusachtige gebouw, de uitgestrekte kolonnades, de vensters
en lijsten en zelfs de koepel als met vuur geteekend en de archi-
tectonische lijnen op den achtergrond zichtbaar.
Op het oogenblik dat de zware klok van het gebouw haar diepe
stem doet hooren en twee slagen geeft, (2 uur in den nacht, bij
ons 9 uur), verdringt eene ontelbare menigte zich op het ruime
plein voor de kerk, op de vlakten van den Monte Pincio, op het
plein van het Quirinaal en op alle hoogten niet alleen der stad,
maar zelfs van hooggelegene steden en dorpen in den omtrek,
vanwaar men 40 en 50 mijlen ver de kerk zien kan. Allen staren
naar den koepel van Michel-Angelo. Want met dien klokslag ver-
schijnt als door een tooverslag een verdubbeld aantal veol grootere
lichten tusschen de anderen. De koepel vertoont dan geene scherpe
lijnen meer, maar schittert als een vurige bol, en schijnt op een
afstand als een ondergaande zon aan den gezigteinder. Met hand-
geklap wordt door de menigte deze vertooning begroet. Wij waren
reeds des middags naar het plein gegaan, want het publiek gaat
wel naar de illuminatie zien, maar de artisten kennen daarbij nog
een ander genot, dat gelegen is in de voorbereidende werkzaam-
heden der pompiers, die uitsluitend met de verlichting zijn belast.
Het laat zich toch gemakkelijk begrijpen dat die reusachtige
voorgevel van de St. Pieterskerk niet met ladders kan beklommen
worden; om dus al die lampions op hunne plaatsen te krijgen
worden van de kroonljjst van het gebouw zware touwen aan
-ocr page 10-
c,
JOHAN PHILIP KOELMAN.
katrollen neergelaten. Aan het eene eind van dit touw is een
sterke stok dwars vastgemaakt waarop de pompier zich schrijlings
neerzet. Met het andere einde van het touw hijseht hij zich op of
laat zich zakken, en komt hij op die wijze op de hoogte waar hij
zijn moet. Door het sterk vooruitspringen van de kroonlijst is hjj
echter wel 8 of 10 voeten van den muur verwijderd. Om dezen
te bereiken, begint hij nu met de beenen te slingeren en lang-
zamerhand met het gansche lichaam werkend schommelt hij zoo
lang tot hij den muur bereikt, waar hjj zich aan de daartoe aan-
gebrachte haken grijpt en vastbindt tot dat hij zijn werk ver-
richt heeft.
Uit het tegenover de kerk zich bevindende café hadden wij die
gevaarlijke evolutiën aangezien en het door elkander slingeren dier
schijnbaar kleine mannetjes bewonderd, die, de een hooger, de ander
lager, zich als zoovele stippen bewogen.
Nu de illuminatie ontstoken was zaten wij anderm aal te midden
dier jubelende volksmenigte in het koffiehuis en vergaten voor eenige
oogenblikken even als zij de bommen en kanonkogels.
„Wat drommel is er toch gaande?" vroeg een der aanwezigen
aan den dienstdoenden garcon. Een meer dan gewoon gejubel
en gejoel aan een der zijden van het plein gaf aanleiding tot die
vraag.
„ V e n i t e I presto! vedete, vedete!" was het ant-
woord.
A an de eene zijde vertoonde de vierdubbele galer jj zich in eenen
helder rooden gloed. Het middenfront der kerk volgde, en daarop
ook de kolonnade aan den rechter kant.
Fantastisch verlicht schitterde de uit honderd naast elkander
geplaatste pjjpen hoog opstijgende waterstraal der groote fonteinen,
een weinig zijwaarts wegstuivende als een pluim van diamanten.
Want door schermen gedekt brandden weldra drie groote ben-
gaalsche vuren op het plein en hulden de reusachtige kerk in de
nationale kleuren, rood, wit en groen. Boven op het kruis brandde
ook een vuurpot en daardoor werden eensklaps de in geregelde
rijen op den koepel staande pompiers met koperen helmen zichtbaar.
De opeengepakte toeschouwers deden nog voor dat deze verlich-
ting voltooid was, het plein van toejuichingen daveren.
-ocr page 11-
7
JOHAS PHILIP KOELMAN.
Het getal van toeschouwers was thans grooter dan gewoonljjk.
Immers daar achter die verlichte kerk, in de villa\'s en de bastions
bevonden zich vijf en twintig duizend fransche soldaten die met
de grootste verwondering de reusachtige illuminatie aanzagen en
niet begrijpen konden, dat een stad die zij kwamen bevrijden, reeds
illumineerde en feestvierde voor dat zij nog door hen bevrijd was.
Meer dan eens hoorde ik later fransche officieren spreken over de
•verrassing toen zij den St. Pieterskoepel, dien zij in hun kamp
vlak voor zich hadden, zoo zagen verlicht; de soldaten geloofden
i n het eerst, toen de kerk door bengaalsch vuur verlicht werd,
dat er brand was ontstaan, en daar het gejubel tot hen doordrong,
dat men op het plein handgemeen was.
De officieren wisten wel beter, maar zorgden zorgvuldig de waar-
heid te verhelen.
Dat vele soldaten niet alles geloofden wat hun door de officieren
werd verteld aangaande die Oostenrijkers en priesters die Rome
zouden verdedigen, werd genoegzaam bewezen door het onophou-
dclijk overloopen van fransche soldaten, die zich bij de verdedigers
aansloten en dapper tegen hunne vorige makkers vochten.
Het bengaalsch vuur verflauwde en de helle gloed die tooverachtig
den omtrek en de toeschouwers had verlicht, maakte weder plaats
voor de stillere illuminatie der lampions.
Een paar dreunende slagen op de groote trom gaven het sein
dat de muziekkorpsen der karabiniers en dragonders, die aan ver-
schillende kanten van het plein zich hadden doen hooren, thans
vereenigd, den terugtocht aannamen.
Het aangeboren gevoel der Italianen voor de muziek had hen
in één oogenblik van de luidruchtigste beweging tot doodeljjke
stilte doen overgaan.
Hoewel vreemdeling trof het mij toch, toen dat goed bezette
muziekkorps, zich in beweging stellende, de breede, statige tonen
van het „Scuoti o Kornak polvere indegna" deed
hooren.
Het scheen dat de volksmassa dien indruk deelde, want in dood-
sche stilte ging de tweede regel van het het lied, Cingi il ca po
d\'alloro e d\'olivo voorbij, maar, was het afspraak bij sora-
migen, of de krachtvolle intonatie der muziek, vereenigd met den
-ocr page 12-
8
J0HAN PHILIP KOELMAN.
gloed der woorden van het lied? Was het misschien de weemoe-
dige herinnering aan Venetië, dat vroeger, door het zenden van
een schoone vlag als teeken harer vereeniging met Rome, aanlei-
ding tot dit vlaggelied gegeven had en thans ook door de Oosten-
rijkers gebombardeerd werd? Of mogelijk uiting van alle die ge-
waarwordingen te zamen ? Bij den 3\'le" regel toch viel het publiek
als één man in en werd, terwijl men in volmaakte orde opmar-
cheerde, het koor meegezongen.
Wie in dit oogenblik eensklaps te midden van die bevolking
ware verplaatst geworden, en die duizenden en duizenden gezien
had, die met vrouw en kinderen aan den arm bedaard den mili-
tairon marsch van het muziekcorps volgende, met volle stem het
lied zongen, zou zeker niet geloofd hebben, dat dit die bevolking
was die nu sedert twee maanden dag en nacht werd gebombar-
deerd door een vijandelijk leger dat reeds binnen hare wallen was,
waarmede zjj dagelijks bloedige gevechten leverde en dat haar reeds
meer dan 3000 dooden en gewonden kostte.
Misschien zou de vraag bij hem zijn gerezen: Wat die vijan-
den dan kwamen doen? Het antwoord was niet moeielijk. Zij
kwamen om die bevolking van hun rust en opgeruimdheid te be-
vrijden.
Langzaam en rustig bewoog zich dat reusachtig koor van zan-
gers en zangeressen die de muziek overstemden, langs het paleis
van Eaphael, door den Borgo nuovo, naar de boorden van den
Tiber, en marscheerde, door het vernauwen van den weg dicht
opeen gedrongen met de kinderen op den arm, langs den met kanon,
neen met schietgaten voorzienen muur van het fort. De kanonnen
die daar door de pausen werden geplant en die de brug over de
rivier bestreken, stonden er niet meer. Men had niet even als de
paus eene bevolking in toom te houden. Maar zij stonden, voor
zoover zjj nog staan konden, op den aureliaanschen muur of bij
San Pietro in Montorio, niet tegen het volk maar tegen zijne zoo-
genaamde bevrijders gekeerd. Verreweg de meesten echter lagen
daar in stukken geschoten tegen den grond.
Het lied dat iedereen kende mede zingend, sloegen wij te midden
dier menigte den hoek om aan het hek dat bij de rivier toegang
-ocr page 13-
9
JOIIAN PUILII\' KOELMAN.
geeft tot het kasteel, en werden bedaard en langzaam, met onze
handen op de schouders van hem of haar die ons voor was, of
het een bekende of onbekende was, over de brug gedrongen, die
naar den Engel op het kasteel Ponte Sant\' Angelo heet. Wij
volgden den zingenden stroom die met de muziek vooraan de Via
di Tor di Nona insloeg om zich naar het Corso te begeven.
Daverend klonken over den altijd snel maar kalm voortstroo-
menden waterspiegel van den Tiber, de met klem gezongene forte\'s
van het achter ieder vers wederkeerende refrein:
Delle trombe guerriere lo squillo,
De Quirino la prole destó,
Salutiarao il fraterno vessillo,
bis.
Che superbo sul Tebro \'s alzo.
toen de door schetterend bazuingeschal begeleide juichtoon waarin
de beide laatste regelen van het referein overgaan, werd afgebroken
door een onheilspellend kanonschot, dat, door de echo\'s der nauwe
straten herhaald, achter ons knalde. — Niemand verroerde zich.
Als ware die opgepakte menschenmassa door een bliksemstraal
getroffen en verlamd, zoo onbewegelijk stonden allen, met klop-
pende harten en aan den grond genageld.
Doch slechts eenige oogenblikken. Want in het volgende steeg
een aangrijpend geluid uit die menigte op, en werd de muziek
vervangen door gillende angstkreten van vrouwen en kinderen en
den ruwen wapenkreet der mannen, die aan het alarmschot dach-
ten, dat gewoonlijk van het kasteel werd gelost als er eenig ge-
vaar was.
Verward begon de menigte door elkander te woelen. Met de
schreiende kinderen op de armen, terwijl de vrouwen zich angstig
aan de kleederen vasthielden, zochten de vaders op het schaars
verlichte plein hun weg, door te groote haast zoo als gewoonlijk
elkander in gevaar brengende van te worden vertrapt. Wij waren
juist de brug overgegaan en bevonden ons op een gevaarlijke
plaats, want het gemeentebestuur, zich niet storende aan den oorlog,
had tot verschillende verbeteringen der straten besloten, ten gevolge
waarvan, zoowel aan deze als aan gene zjjde van den stroom,
onderscheidene huizen en ook de geheime gang van het Vaticaan
-ocr page 14-
10
J01IAN PHILIP KOELMAN.
naar het kasteel, door de pausen gebouwd om zich desnoods daar
te kunnen redden, waren weggebroken.
Gelukkig was dit bekend, en de vrees om allen in den Tiber
te geraken zoo groot, dat de meer bedaarden onder de mannen
iedereen, die zij zonder vrouwen zagen, tot zich riepen en op het
algemeene gevaar oplettend maakten.
In verdubbelde rijen geschaard steunden wij elkander; groote
zweetdroppels parelden op ieders gelaat, veroorzaakt door de ang-
stige inspanning die het kostte om de zwakke schutting aan den
oever, waarheen wij ieder oogenblik met geweld werden opge-
drongen, ook maar eenige voeten vrij te houden. Weerstand bieden
aan dien aandrang kon zij niet, en een dicht opeengedrongen hoop
mannen, vrouwen en kinderen zou van den 15 k 16 voeten hoogen
oever der rivier naar beneden zijn gestort en er onvermijdelijk den
dood hebben gevonden.
Te midden dier angstige spanning werd het tumult echter over-
stemd door het snerpend en sissend geluid van duizenden vuurpijlen,
die, van het kasteel in de lucht vliegende, uit elkander springend
zich verspreidden en als een reusachtig vuur-bouquet den ganschen
omtrek verlichtten.
Welk een tafereel! Het ruime plein, de brug met reusachtige
marmeren beelden van Bernini versierd, die als vliegende geesten
boven de hoofden der saamgepakte menigte zweefden, het kasteel
met zijne hooge hoekige vestingmuren, waarboven zich het ronde
mausoleum van Hadriaan verheft; verder de gevel der St. Pieters-
kerk, wier illuminatie nog brandde, maar verbleekte bij den tinte-
lenden gloed van de steeds bij vernieuwing opstijgende vuurpijlen,
die zich afspiegelden in den blonden Tiberstroom aan onze voeten;
en daar boven boog in de lucht, midden in het golvende en
knetterende vuur, de bronzen engel, die, schitterend verlicht, als
eene mystieke gedaante het vlammend zwaard ophief en op die
verbaasde menigte scheen neer te zien, — dat alles vormde een
tooneel dat te schooner was naarnate het onverwachter ons uit
eene netelige stelling redde.
Onmogelijk is het de vreemde gelaatstrekken te beschrijven van
vrouwen en kinderen die één oogenblik vroeger zich vergissende
in de beteekenis van het kanonschot, dat slechts het begin van het
-ocr page 15-
11
JOHAN PHILIP KOELMAN.
vuurwerk aangekondigd had, in doodsangst zich zochten te vcr-
wjjderen, en thans iu de grootste verbazing het onverwachte vuur-
work aanstaarden.
Golvend drongen zich de breede stroomen uit de straten naar
het plein terug, dat thans, nu men wist dat er geen gevaar was,
weder ruimte genoeg aanbood. Ieder wilde zijn deel hebben van
het in deze omstandigheden vreemde schouwspel, en terwijl de pas
doorgestane angst en schrik dubbele waarde gaven aan het genot,
loste dit zich op in een aan razernij grenzend gejuich.
Reeds op den dag waren er boven de sabijnsche bergen kleine
wolken gezien die zich meer en meer uitbreidden. De zon was
niet als gewoonlijk in reinen goudglans naar een zuiveren horizon
gedaald, maar had zich, voor dat zij dien bereikte, verscholen achter
dikke wolken, die zich in grillige vormen bijna onmerkbaar be-
wogen, en wier scherpe randen door haar rood werden verlicht.
Onmiskenbaar voorteeken van naderend onweder. De illuminatie
en de girandola waren er te schooner om geweest, daar de duis-
tere lucht den gloed weerkaatste van het vuurwerk, maar toen
wij ons door de ver van het gewoel verwijderde straten huiswaarts
begaven, bemerkten wij eerst dat de zweetdroppels die wij van het
gelaat hadden geveegd, niet door angst alleen waren voortgebracht.
Eene doodelijke stilte heerschte in de natuur, stilte die gewoonlijk
een vreeselijken storm of aardbeving aankondigt De atmospheer
was zoel en drukkend, en de hitte niet, zooals wij eerst hadden
gedacht, door de beweging van zooveel menschen voortgebracht.
Groote regendroppels begonnen nu en dan loom neder te vallen,
en deden die vreemde, onaangename lucht uit den verschroeiden
grond opstijgen, die in Rome zoo bekend is als koortsen verwek-
kend, en waartegen men altijd wordt gewaarschuwd.
Alles spoedde zich dan ook haastig naar huis en begaf zich
ter rust.
*
* *
Na een verblijf van dertien jaren keerde Koelman in 1857 uit Rome
naar zijne geboortestad \'s Gravenhage terug. Hij vond hier toen alles
zoo klein, dat hjj een gevoel kreeg alsof hij over de huizen heen
kon stappen, en zich bukken moest, toen hjj de deur van het
ouderljjk huis binnentrad. Voor het eerst, na zijn terugkomst, trad
-ocr page 16-
12
JOHAN PHILIP KOELMAN.
hij in het openbaar met eene schoone vrucht van zijn gerijpt
talent op, ter Haagsche Tentoonstelling van 1859. Het was eon
genre-tafereel, eenige Italiaansche straatjongens voorstellende, die
op en om een der bazalten leeuwen aan de trap van het Capitool
zitten, spelend den waterstraal uit zijn bek opvangend; op den
achtergrond de hooge trap van Ara Coeli, met een monnik en
een paar bedelaars. Gelijk alles wat Koelman voltooide, was dit
stukje met groote uitvoerigheid geschilderd. Aan elk onderdeel was
de uiterste zorg besteed. Doch reeds bij dat eerste optreden kon
de uit Italië terugkeerende kunstenaar zich overtuigen, dat hij
met zijne kunst hier geïsoleerd stond tusschen zijne bontgenooten,
die eene geheel andere richting uit wilden. Koelman was van
geheel andere denkbeelden vervuld, dan men hier liefkoosde en
trachtte in te halen; de wetenschap der kunst, die bij de jongeren
op den achtergrond stond en door een later geslacht eenvoudig
over boord geworpen zou worden, stond bij hem boven alles.
Tusschen Koelman\'s opvatting en die der Nederlandsche schilders
ontstond dus reeds dadelijk eene klove, die nooit overbrugd zoude
worden.
Door den dood van den hoofdleeraar Van den Berg, een man
die in de theorie en wetenschap der kunst hoogst ervaren was,
dreven lust en zelfkennis onzen Koelman naar de Haagsche Teeken-
Academie, waar hij met zijne groote en veelzijdige bekwaamheden
de rechte man op de rechte plaats werd. Al was en bleef hij ook
een voortbrengend kunstenaar, die beurtelings met penseel, beitel
of pen op den voorgrond trad, en die tot in de laatste dagen
zijns levens vol ijver en jeugdige illusiën voortarbeidde, toch was
hij door aanleg en ontwikkeling en door zijne bijzondere gave
van mededeelen, bovenal een leermeester.
Hier vond hij een terrein, waar zjjne groote kennis en weten-
schap ten bate van het algemeen konden strekken. De Haagsche
Teeken-Academie werd zijne bruid, zijne hooge, trouwe liefde.
Aan haar wjjdde hij eene kwart eeuw lang al zjjne krachten, al
zijne genegenheid; geen offer was hem te groot, om haar bloei te
doen stijgen. Geldelijk voordeel was voor hem nimmer lokaas,
want de celibatarius had weinig stoffelijke behoeften en was te
veel wijsgeer om overvloed te begeeren. Zelfs ging zijne belange-
-ocr page 17-
13
JOHAN PHILIP KOELMAN.
loosheid zóóver, dat hjj de kostbaarste boeken uit zijne bibliotheek
gaarne ter beschikking van het onderwjjs stelde en er niet aan
dacht, dat zijn karig jaargeld geenszins in evenredigheid stond
tot zijn uitgebreid arbeidsveld, dat hij steeds vrijwillig meer en
meer vergrootte.
In eene groote stad als Den Haag is de Teeken-Academie een
onderdeel, dat vele inwoners koud laat. Maar als zulk eene inrich-
ting met belangen van personen uit alle oorden des lands in
verband gaat staan, verkrijgt zij grooter beteekenis. Zoo ging het
ook met de Haagsche Academie, toen Koelman door velen daartoe
aangezocht, in 1863 beproefde een klein aantal jongelieden voor
het eerste examen ter verkrijging van de acte in het teekenen bij
het Middelbaar Onderwijs te bekwamen. Het was een bijna even
moeilijk vraagstuk, als hazenpeper zonder haas gereed te maken,
want de wet op het Middelbaar Onderwijs was zoo nieuw als een
meisje, dat hare intree in de wereld doet en de Academie was er
geenszins voor ingericht. Op de hem eigene eenvoudige, praktische
wjjze verklaarde Koelman zich zonder veel omhaal van woorden
bereid, de leerlingen die zich daarvoor aanmeldden, voort te helpen.
Aanvankelijk met gebrekkige middelen, zoo goed en kwaad als \'t
kon, wees hij hun den weg, en legde aldus de grondslagen voor
dien nii alom bekenden cursus voor M. O., waar ruim drie vierden
onzer tegenwoordige leeraren zijn gekweekt. Koelman had dien
cursus zóó voortreffelijk weten in te richten, dat het bestuur niet
aarzelde later aan de Regeering voor te stellen, de op te richten
Rijksnormaalschool voor onderwijzers in het teekenen aan de
Haagsche Academie te verbinden, hetgeen eene zeer aanzienlijke
besparing van uitgaven tengevolge zoude hebben gehad. Klein-
gecstige persoonlijke veten waren oorzaak, dat het Rjjk het oor
gesloten hield en liever duizenden méér uitgaf om eene geheel
nieuwe inrichting te stichten.
Voor zijne Academie maakte Koelman die prachtige levensgroote
anatomie-figuren, waarvan nergens de wedergade bestaat en die
bij het onderwijs zulke groote diensten bewijzen. Hij verdiepte
zich in de leer der proportie van het menschelijk lichaam en
stelde een menschbeeld te samen, van welks evenredigheden de
wiskunde de grondslag is. Al zijne leerlingen, zoo vrouweljjke als
-ocr page 18-
14                                          JOHAN PHILIP KOELMAN.
mannelijke, hingen hem met warme genegenheid aan, want indien
hij slechts aanleg bij hen bespeurde en het hun niet aan ijver
ontbrak, vonden zij in hem een vriend en helper, wiens bijstand
nooit te vergeefs werd ingeroepen.
Koelman\'s gaven waren veelzijdig, en die aanleg was natuurlijk
in Italië nog zeer ontwikkeld. Door zijne grondige wetenschappe-
lijke studiën, zijne omvangrijke kennis van ontleedkunde en pro-
portie, lag hem het boetseeren even na als het teekenen of schil-
deren. Reeds had hij blijken van zijne bekwaamheid in het eerste
gegeven door het boetseeren van een groot borstbeeld van wijlen
den hertog Bernhard van Saksen-Weimar en van eene wapen-
tropee voor het gedenkteeken, dat ter nagedachtenis van dezen
veldheer in 1864 is opgericht in het Lange Voorhout te \'s Gra-
venhage.
Dat was zijne eerste schrede op een gebied, hetwelk niemand
als het zijne kende. Weldra zou hij als beeldhouwer groote dingen
tot stand brengen. In 1863 werd op de uitgeschreven prijsvraag
voor een Monument ter herinnering aan de verlossing van de
Fransche overheersching, zjjn ontwerp, dat hij met den bouw-
meester Van der Waeijen Pieterszen te zamen had gemaakt, met
den eersten prijs bekroond. De tweede prijs werd verworven door
den bouwmeester Cuijpers. „Hun ontwerp," zoo vermeldt het
Vosmaer, die in dien tragischen strijd menige lans voor Ebenhaezer
gebroken heeft, „ was in modernen geest, met toepassing van klas-
sieken bouw en motieven opgevat, dat van Cuijpers in gothischen
stijl. In den tusschentijd, vereischt om een klein model aan het
oordeel der Commissie te onderwerpen, werd op allerlei wijze
gepoogd aan het ontwerp Cuijpers de voorkeur te doen verwerven.
Een hevige pennestrijd volgde; Ebenhaezer behield toch de over-
hand. Maar de op grootere schaal geboetseerde beelden van Koel-
man werden afgekeurd en de kunst moest voor de industrie wijken;
de uitvoering, met gebruikmaking van de bekroonde ontworp-
teekeningen, werd opgedragen aan de firma Van Kempen, die, bjj
de weigering van Koelman, zich de medewerking verschafte van
de gebroeders Jacquet te Brussel. In 1869 werd het monument
in het Willemspark onthuld. Ik geloof dat een onpartijdig oordeel
niet anders kan zijn, dan dat al wat er persoonlijks en eigen-
-ocr page 19-
15
J0HAN PHILIP KOELMAN.
aardigs in het gedenkteeken was, is verloren gegaan. Koelman\'s
figuren, zjjne voortreffelijke kleinere en groote teekeningen kunnen
het nog getuigen, waren schoon; zij waren in ieder geval, ook
bjj verschil van meening, het werk van een kundig artist; die
van de heeren Jacquet zjjn niet van techniek ontbloote, maar
Akademische en niet gevoelde beelden. Terwijl Koelman er naar
streefde de bouwvormen te vereenvoudigen, de profielen Grieksch
te maken, werden zij door Pieterszen weer Romeinsch, zwakker,
onsamenhangender. Koelman\'s naam leest men niet op het gedenk-
teeken, schoon alle gedachten van hem zijn; doch dit is misschien
ook maar gelukkig."
Met de hem eigene nauwgezetheid en nauwkeurigheid heeft
Koelman van dag tot dag aanteekening gehouden van al hetgeen
hij merkwaardigs ondervonden heeft. De lijdensgeschiedenis van
zijn ontwerp komt daarin met groote uitvoerigheid voor, en geeft
kijkjes op menschen en kuiperijen, die den kloeken, recht door zee
gaanden Koelman met wrevel en gramschap vervulden.
„En nu, nu heeft een Belg met Frederiks permissie
Het hart gewonnen van onze eedle Hoofd-kommissie.
Uw lof, o Heeren, geeft een lierdicht stof te veel;
Wellicht voer ik u eens op \'t Nederlandsch tooneel
Als gij in arren moed, den weg, lang ingeslagen,
Tot het voldongen feit doorzet in nadre dagen."
Aldus de „lierzang opgedragen aan een fabriekant van goud-
en zilverwerken", die in het koor van stokebranden mee deed.
In dien pennestrijd, bjjna nog heftiger dan de Fransche over-
heersching zelve, toonde Koelman zich intusschen een even geoefend
en geharnast strijder met de pen als hij beitel, passer en penseel
wist te hanteeren.
Intusschen leende hij zijne medewerking aan een plan van den
bouwmeester Vogel voor een paleis der Staten-Qeneraal, dat men
in 1863 wenschte op te richten. Vogel zond een statig ontwerp-
gebouw in, waarvoor Koelman een fraaie gevelgroep en een per-
spectivisch gezicht van het geheel in waterverf teekende en eene
zeer uitgebreide compositie, de regeerders over Nederland, bestemd
om de wanden der groote vergaderzaal te versieren. Er vond geene
-ocr page 20-
16
JOHAN PHILIP KOELMAN.
bekroning plaats, doch het ontwerp dat met twee anderen door
de Regeering werd aangekocht, werd.....in de archieven van
het Departement van Binnenlandsche Zaken geborgen.
Nog in het laatst van zijn leven, weinige dagen voor zijn dood,
zat hij met grooten ijver de schets in olieverf af te werken, die
hij van deze rijke compositie ontworpen had. Van Claudius Civilis
tot koningin Wilhelmina komen daarop in groepen de reeks
regeerders voor, met Prins Willem I in het midden. In een paleis
der Wetgevende macht zou eene dergelijke figuurschildering zeer
zeker op hare plaats geweest zijn.
Achtereenvolgens besteedde hij nu zjjne talenten aan het boet-
seeren eener vrouwefiguur, het symbool der Waarheid, dat de
Haagsche vrijmetselaarsloge haren grootmeester Prins Frederikbjj
zijn vijftigjarig jubileum aanbood.
Nog hetzelfde jaar boetseerde Koelman twee kolossale vrouwe-
figuren, Koophandel en Scheepvaart, welke het gevelveld van het
gebouw der Nederlandsche Bank te Amsterdam versieren. Twee
schoone, kloeke beelden, in liggende houding, de symbolen harer
werkzaamheid in de hand dragende.
Eenige jaren later, in 1873, werd de Brielsche Nymf, door
Koelman geboetseerd, bjj gelegenheid der Brielsche herinnerings-
feesten onthuld. De vrouwefiguur is voorgesteld als zich met een
vlag in de hand uit zee verheffend en de overwinning meebrengend.
Ook uit Haarlem kwam eene uitnoodiging tot den bekwamen
man, om ter herinnering van Kenau Hasselaar een ontwerp op
papier te brengen. Het kwam niet tot eene uitvoering, zoodat
alleen het voortreffelijk geteekende plan in Koelman\'s portefeuille
bewaard is gebleven, terwijl een klein model te Haarlem aanwezig is.
Eerst in 1875 ontving hjj de opdracht van het werk, dat hem
de meeste eer en de grootste voldoening zou brengen, het ont-
werpen van een gedenkteeken van Leiden\'s ontzet. Met de grootste
toewijding ondernam hij deze taak, waarvan hij zich uitmuntend
kweet. Den 3cn October 1884 werd het monument op de Ruïne
onthuld. Het voetstuk in Escausjjnschen steen was door den
bouwmeester Vogel ontworpen. Aan de zjjden draagt het, met de
historische opschriften, vier groote bronzen basreliefs, en van boven
het meer dan levensgroote beeld van A. Van der Werff, den
-ocr page 21-
BEKROOND ONTWERP VAN JOHAN PHILIP KOELMAN
VOOS HET
NATIONAAL MONUMENT VAN 1813.
-ocr page 22-
17
JOHAN PHILIP KOELMAN.
Leidschen burgervader, in wiens beeltenis de gedachte van Leidens
kloekhartige verdediging en ontzet is verzinlijkt. Met de ruïnen
eener bres achter zich, houdt Van der Werff de linkerhand op
het zwaardgevest, de rechter gebald als bevestiging der uitdrukking
in kop en houding: „hier sta ik en wijk niet." Dat Van der
Werff tot het uiterste besloten is, geven stand en gelaatsuitdruk-
king sprekend te kennen.
Bij dat alles stond stoffelijk voordeel steeds geheel op den achter-
grond, want zóó weinig had voor hem de Mammon te beteekenen,
dat toen aanvankelijk de benoodigde gelden voor Leiden\'s monu-
ment niet bijeengebracht konden worden, hij niettemin zijne kunst
en werkkracht onbaatzuchtig ter beschikking stelde. In dit opzicht
was hjj geenszins een kind zijner eeuw.
Een man, die zoo veelzijdig ontwikkeld was en in zoo velerlei
dingen belang stelde, vond natuurlijk dikwerf aanleiding om zich
met zijne scherpe, karakteristieke pen in velerlei vraagstukken te
mengen. Herhaaldelijk trad hij in dagbladen en in De Neder-
landsche Spectator op, om zijn goed recht te verdedigen,
of averechtsche beweringen te logenstraffen.
Ook voor zich zelven had hij blijkbaar behoefte, om wat hem
trof en wedervoer, neer te schrijven. Tal van belangwekkende
aanteekeningen zijn onder zijne papieren gevonden. Zoo maakte
hij in 1880 met goede vrienden een tocht naar Oberamraergau,
om daar eerst het passie-spel bij te wonen, en vervolgens eene
reis door Italië te ondernemen. In een zijner dagboekjes heeft hij
al de avonturen dier reis opgeteekend, en ten bewijze hoe belangrijk
die aanteekeningen waren, neem ik hier uit het eerste gedeelte
een paar bladzijden over:
........Om 9 uur des Zaterdags reden wij in een van boven
gesloten landauer naar Oberammergau. Die tocht is een der
prachtigste, die men maken kan, en in zekeren zin was het weder
ons gunstig. De hangende donderbuien, die ons reeds van den
Rijn af vervolgden, waren boven Munchen losgebroken; de lucht
was afgekoeld, en stikten wij nog aan den Rijn van de drukkende
hitte, nu hadden wij het bijna koud. De zon wierp nu hier dan
daar hare stralen op de toppen der bergen of in het dal, en
varieerde daardoor op oneindige wijze het landschap. De witte weg
-ocr page 23-
18
J0HAN PHILIP KOELMAN.
was nat en daardoor minder schitterend. Met vier flinke paarden
bestegen wij langzaam de bergkloof, soms klommen wij achteraan,
genietende van de uitzichten op bergstroomen met kleine water-
vallen, uit de rotsen te voorschijn komende.
Eenmaal over den bergpas, reden wij, langzaam dalende, aan de
andere zijde het dal in, dat omsloten door bergen van 10000 voet
hoog, de heerlijkste vergezichten te genieten gaf. De hoogste dier
bergtoppen waren in de kloven met sneeuw gevuld en verdwenen nu
eens in eene dikke wolkenlaag om dan weder schitterend in de
zonnestralen te voorschijn te komen.
Om 12 uur reden wij Oberammergau binnen en vonden een
tehuis in de A 11 e Post. Het dorp is zeer verspreid, de huizen
zijn vrij groot maar zindelijk. Het meerendeel dier huizen is be-
schilderd; soms allergekst. Op ieder huis schijnen daarbij altaar-
stukken geplakt, die in baroc-kerken thuis behooren.
Een vrij breede bergstroom stuwt zijn kristalhelder water over
de gladde kiezelsteenen en neemt kleinere van de bergen zijdelings
afdalende beken in zich op.
Zaterdag 24 Juli. Oberammergau is in feestdos. Met allergekste
vrachtwagens, bedekt met korenzakken, die voor kussens dienen,
komen de lieden uit andere plaatsen aan. De tuinen om de wijd
uit elkander staande huizen zijn stikvol, en in het geheele plaatsje
hoort men niets dan gekakel en gegons. Ieder oogenblik ziet men
tooneelen voor een genre-schilderij, prachtig door het zonnetje
verlicht. De kerk hier is een waar toonbeeld van overladen Jezuïten-
stijl, maar vuil en vervallen.
Koddig is het, de acteurs van het passie-spel in hun boerenpak
op straat te zien. Natuurlijk slenteren de vreemden op de straten
rond en hoort men het eene oogenblik: „Daar is de Christus!"
„Ginds is Ezechiël!" De lui zien er allesbehalve Christusachtig of
Ezechiëlachtig uit. Kleine jongens loopen overal rond op straat en
in de herbergen met de boekjes van het passie-spel. Vraagt men
hun of ze ook meespelen, dan antwoorden zij: „Ja, ich bin ein
Engel"
Geen schaduwplekje op straat blijft onbezet, overal staan tafels
in de open lucht en dineert men op straat. Zoodoende ziet men
alles aankomen en voorbij wandelen. Het wordt hoe langer hoe
-ocr page 24-
19
JOHAtf PHILIP KOELMAN.
drukker. Onmogelijk kunnen al die menschen onder dak komen,
en wij vermoeden, dat die groote graanzakken niet alleen voor
kussens in den wagen dienen, maar dat de boerinnen er \'s nachts
in zullen kruipen en ze om den hals dicht binden, wat trouwens
in Italië ook gebeurt.
Om 7 uur \'s morgens wordt de toegang tot den Schouwburg
geopend. Het tooneel is ongeveer 10 meter breed, en niet veel
beter ingericht dan gewoonlijk in onze kermisspellen het geval is.
Vóór het eigenlijke tooneel springt een niet-overdekt terrein sterk
vooruit, zoodat hier de scène ongeveer 40 meter lang zal zijn.
Misschien is het meer, want de bergen, spottend met het werk
van menschenhanden, kijken zoo brutaal grootsch over de omhei-
ning der zitplaatsen heen, dat de boel er nietig bij wordt.
De voorstelling zelve is ons geducht meegevallen. De costumes
zijn veel beter, dan men ze zelfs in zeer goede theaters gewoonlijk
vindt. Cajaphas en de Hoogepriester waren zeer goed gecostumeerd,
eveneens Pilatus als Eomeinsch veldheer. Hier en daar waren de
costumes te rauw en te schril. Vooral het blauw hinderde ver-
schrikkelijk. Sommige handelingen, zooals de uittocht in Jeruzalem
en Het Avondmaal, waren wezenlijk schilderijen, goed gecomposeerd
en soms prachtig door de wezenlijke zon verlicht.
Christus, een groote man (de grootste van allen) met schoone
vormen, acteerde volmaakt en speelde zeer goed. Het was een
kalme, bedaarde Christus, en zjjne rol was vooral zóó moeilijk,
omdat hij zoo dikwijls stil moet staan. Hij deed dit echter zeer
goed, zoodat hij, stilstaande, altijd schoone standen aannam, zonder
dat daar iets bestudeerds in scheen te zijn. Het knielen in den
hof Gethsemanie en ook de Kruisdraging waren prachtig en
indrukwekkend. Ik kon het oog niet van hem afwenden, want hij
overschaduwde allen in zijne onopgesmukte grijze tunica met
donkerrooden mantel, waarin de groote statige gestalte zich altijd
prachtig drapeerde.
De vrouwen waren ellendig. Maria Magdalena was een leelijke,
magere tang; noch zij noch de moeder Maria begrepen er iets
van. Daarbij waren zij akelig gekleurd. Maria Magdalena b.v.
droeg een cromaat gelen mantel en eene Berlijnsch blauwe tunica
Bij de kruisdraging, waarvan zulke prachtige voorstellingen bestaan,
-ocr page 25-
20                                         JOIIAN PHILIP KOELMAN.
zoowel van Rafaël als van anderen, en ook bij de kruisiging waren
het bepaald houten poppen, die niet weten wat zij doen moeten."
Zoo gaat het boekje voort. Van dag tot dag schrijft de nauw-
gezette toerist zijne indrukken neer, en telkens vindt men opmer-
kingen, die men onder ieders oog zou willen brengen. Zoo b.v.
als het reisgezelschap in Venetië het Doge-paleis bezoekt:
„Onmogelijk zich iets prachtigere voor te stellen. Kolossale
zalen, waarvan de plafonds zoo rijk gebeeldhouwd en verguld
zijn, dat men verstomd staat, denkende aan de schatten die er
aan zijn besteed. En toch, die vergulde rijkdom, die mij in de
nieuwe opera te Parijs hindert, doet zulks hier niet, en de reden
ligt voor de hand. Al dat gebeeldhouwde goud vormt de omlijsting,
waarin prachtig gekleurde schilderijen zjjn gevat. Van een dier
zalen, 52 meter lang en 22 m. breed, zijn bijna al de schilderijen
door Paolo Veronese geschilderd. Het zjjn alle voorstellingen, die
op symbolische wijze de grootheid van Venetië te aanschouwen
geven. Zonderlinge omkeer. Paolo, de ingebeelde grootheid van
Venetië op zijne kolossale doeken brengende, achtte dit zeker zijne
heilige roeping, en toch — waar is de grootheid en macht van
Venetië gebleven ? Men bewondert thans de ontzagwekkende macht
van Paolo, maar die van Venetië is lang verdwenen"..........
Men kan zich voorstellen welk een uitgezocht reisgenoot onze
Koelman moest wezen. Op geenerlei gebied was hij een vreemde-
ling, want alles wekte zijne belangstelling. Niet alleen boeken
over kunst en kunstgeschiedenis hielden hem bezig, maar even
gretig las hij een werk over sterrekunde, scheikunde, trigonometrie
of aardrijkskunde. Alles was interessant, zeide hij steeds, en men
moest zijn tijd maar goed besteden, want het leven was te kort,
om al ware het slechts een vluchtig begrip van vele dingen te
kunnen verkrjjgen.
Met den braven, onbaatzuchtigen Koelman, den stoeren man
uit een stuk, is een kunstenaar ten grave gedaald, die de weten-
schap warm lief had en beoefende, zich zelven en andere hooge
cischcn stelde en die te oprecht en rondborstig was, om door allen
bemind te kunnen worden.
O                              iiUMjoll)
cc
Convent t:>