-ocr page 1-
1 Vak 134 1
1___1*
-ocr page 2-
rf\\ff) \\%h
9
-ocr page 3-
-ocr page 4-
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000029505108B
2950 510 8
-ocr page 5-
.
/
VOORSCHRIFT
OP DEN
1
VELDDIENST
VOOR HET NEDERLANDSCHE LEGER.
WIJ             S
TE BREDA,
TBR DRUKKERIJ VAN BROESE & COMP.,
VOOR REKENING VAN DE
KONINKLIJKE MILITAIRE ACADEMIE.
18 8 9.-
.
-ocr page 6-
3! 31;\'
.
RIJ\'
CC\'.\'
Tb
. .
-ocr page 7-
INHOUD.
Bladz.
Inleiding..............      1.
HOOFDSTUK I.
HET TERREIN.
Benamingen.............      5.
topographische kaarten en terreinschetsen
(CROQUIS).............        9.
Terreinbeschrijving..........    12.
Oriënteeren.............    19.
Schatten van afstanden........    22.
Schriftelijke rapporten.........    23.
HOOFDSTUK II.
DE MARSCHEN.
"Marschen zonder bijzondere middelen van
VERVOER.............     29.
s Indeeling van de marschen.......    32.
Indeeling van de marschcolonne.....    34.
Marschformalie van de verschillende wapens.    37.
Diepte van de colonnes. .......    38.
. Het uur van afmarsch........ .    42.
-ocr page 8-
II                                                INHOUD.
Bladz.
Snelheid van beweging........    44.
De rusten.............    47.
^ Marschdiscipline en gezondheidsmaatregelen. .    50.
^. De verpleging op marsch.......55.
De marschregeling van den trein.....    56.
Gedragsregels onder bijzondere omstandigheden.    66.
1. Het kruisen van colonnes.......    66.
y 2. Nachtmarschen..........    67.
3.  Geheime marschen.........    08.
4.  Het passeeren van waadbare plaatsen., mi-
litaire bruggen en ijsvlakten......
    69.
a.  Waadbare plaatsen........    69.
b.  Militaire bruggen.........    70.
c.  Ijsvlakten...........    71.
Marschen met bijzondere middelen van vervoer.    71.
1.  Met spoortreinen.........    71.
2.  Met voertuigen..........    72.
3.  Met vaartuigen..........    73.
Marschbevelen............    78.
HOOFDSTUK III.
LEGERING VAN TROEPEN.
Kampen..............    81.
Kantonnementen...........    81.
Verdeeling (dislocatie) der troepen ....    82.
Alarm- en verzamelplaatsen.......    83.
/ Kwartiermakers...........    84.
Aankomst der troepen.........    88.
-ocr page 9-
III
INHOUD.
Bladz.
Bevelvoering in het kantonnement.....89.
^- Beveiliging en politie-maatregelen.....    90.
Verpleging............92.
Gedragsregels in het kantonnement. ...    92.
Bijzondere voorzorgsmaatregelen in kantonne-
menten.............    94.
Gedragsregels bij een vijandelijken aanval. .    95.
Het verlaten van het kantonnement. . . .    97.
Bivaks..............    97.
^- Keuze van de bivakplaats.......    97.
Inrichting van het bivak........    98.
, Kwartiermakers...........  100.
Aankomst der troepen.........  101.
Bevelvoering in het bivak.......  105.
^s Beveiliging en politie-maatregelen.....  106.
Verpleging............  108.
Gedragsregels in het bivak.......  109.
Gedragsregels bij een vijandelijken aanval .  110.
Het opbreken van het bivak.......  111.
Oordbivaks.............  111.
HOOFDSTUK IV.
VEILIGHEIDSDIENST.
Veiligheidsdienst...........113.
Marschveiligheidsdienst.........110.
De voorhoede............117.
-ocr page 10-
IV                                               INHOUD.
Bladz.
Samenstelling, sterkte en afstand tot de hoofd-
colonne.............11"?.
Indeeling van de voorhoede.......119.
Rapporten, teekens en het woord.....124.
Gedragsregels van den commandant der voor-
hoede.............125.
Gedragsregels van de commandanten van de
voor- en zijtroepen.........129.
Gedragsregels van de doorzoekingspatrouilles. 131.
De voorhoede bij een flankmarsch.....135.
De voorhoede bij een terugtochtsmarsch. . .135.
De flankdekkingen..........136.
De achterhoede...........139.
Voorbeelden van marschvorm der veiligheids-
troepen van eenige troepenafdeelingen bij
een frontmarsch..........142.
marschveiligheidsdienst in bijzondere omstan-
digheden.............146.
Bij nachtmarschen..........146.
Bij geheime marsenen.........147.
Bij het vervoer van troepen en transporten
langs spoorwegen.........147.
Bij het vervoer van troepen met voertuigen. 149.
Bij het vervoer van troepen met vaartuigen. 149.
Bij konvooien...........150.
VOORPOSTENDIENST...........152.
BeVELVOERING EN TOEZICHT BIJ DE VOORPOSTEN. . 156.
Het gros, de voorpostendetachementen en
ondehstel\'ningstroepen........160.
-ocr page 11-
INHOUD.                                                       Tl
Bladz.
Samenstelling, sterkte en onderlinge afstanden. 160.
Gedragsregels bij het gros, de voorpostendeta-
chementen en de ondersteuningstroepen. .161.
De veld wachten...........163.
Samenstelling, sterkte en onderlinge afstanden. 163.
y De afmarsch der veldwacht en het uitzetten
van de posten..........165.
y De plaats der veldwacht........174.
.^ Verdere dienstregeling.........175.
. Gedragsregels van de veldwacht en den veld-
wachtcommandant.........177.
Gedragsregels van den examineertroep. . .181.
Gedragsregels van den post voor \'t geweer. . 182.
Gedragsregels van een gedetacheerden post. . 182.
Gedragsregels vau de aflossingen. . * . . 183.
Gedragsregels van de dubbelposten. . . . 183.
Gedragsregels van de korporaalsposten. . .186.
De veldwachtpatrouilles........187.
. Het aflossen van de voorposten......191.
Gedragsregels der voorposten bij een vijan-
delijken aanval..........193.
voorpostendienst in bijzondere omstandigheden. 195.
Marschvoorposten..........195.
Bij uitgebreide kantonnementen......196.
Rivierbewaking...........197.
Kustbewaking...........199.
Voorpostendienst in den vestingoorlog. . . . 201.
a.  Be aanvaller.......... 201.
b.  De verdediger..........203.
-ocr page 12-
VI                                               INHOUD.
HOOFDSTUK T.
OPHELDERINGSDIENST.
Bladz.
ophelderingsdienst..........205.
Mededeelingen en ondervraging......206.
Kenteekenen............208.
Eigen waarneming..........210.
Verkenningspatrouilles.........212.
Samenstelling en sterkte........212.
Gedragsregels van den commandant. . . .213.
Marscb der patrouille.........21G.
Het aanroepen...........220.
Ontmoeting van den vijand. ....... 222.
Verkenningsdetachementen........224.
Verkenningskorpsen..........234.
Ordonnansendienst en correspondentiemiddelen. 246.
Bijlage 1.............252.
Bijlage 2........* . . . . 254.
-ocr page 13-
INLEIDING.
Dit voorschrift strekt tot leidraad, zoowel bij het
onderricht, als bij de uitvoering van die tactische
handelingen, waarbij de troepen nog niet onder het
onmiddellijk bereik van den vijand zijn, doch die ten
doel hebben, om hen onder de meest gunstige voor-
waarden met hem in aanraking te brengen of hiervoor
te behoeden.
Het behelst aanwijzingen omtrent de uitvoering van
de marschen; duidt de wijze aan, hoedanig de troepen
in toestanden van rust het doelmatigst kunnen legeren;
stelt maatregelen vast, die door een troepenafdeeling
moeten worden in acht genomen, om onder alle
omstandigheden zooveel mogelijk gevrijwaard te zijn,
onvoorbereid in gevecht te worden gewikkeld, en geeft
eindelijk middelen aan, waardoor inlichtingen zijn te
verkrijgen omtrent \'s vijands toestand en voornemens,
en zijne pogingen, tot gelijk doel ondernomen, kunnen
worden verijdeld.
Aangezien het terrein de grondslag is van alle
oorlogshandelingen, die zich daarop ontwikkelen, is de
kennis daarvan van het grootste gewicht. Teneinde
nu aan allen, die met een verkenning van het terrein
1
-ocr page 14-
PL.1.
C\'cliadl van 1.7500 C
700
----------T~
FUj.2.
000                    900                   (000 pdiK»44i\'.
WO                   200                   
wnooo toan o
mm
Ficj.l?
73-------DdmotWg** -V mej
" j-:::e::zez:iizi:::xz±^
7» Ml C-tcA^Ö»
7-S0DM.no ISO                       75                    WO                   3»H                  MO                    ,V3                  400
o^c(iout7,van 1:25000.
600               67ö
0 1»
TT
3SS8*.
QIC
Q_a
330            .*»              730           WOO             1390           13ÜO            J7.W          2000         2380           2fl00          27,*>          3000           M.W         MOO           3700         *000 OOW«^i
/vV/./.6
nz
n------,-----1-----1-----1-----r r ^ r
TTTT
i : i i i
J______L
~ I7BO              SOOO          " 2330               2300              2730              :HW HlO
-\',*\'                   30O                   78»                 MOO                  12fHI
| v v v "~"1 "WcifaW .
L-\'__!___V___¥______I Bij xtt. ^JcJTvij V>**1<
VYaii^ti^poo^\'.
~H?oett>ad.
c^i ootc»t niet\'
vowoUiv of binajt.
iH»\\-i<A of rccfc .
atSI.
° „ ° o o r. baavivMCH .
^loaten .
cfêiici ■»» vai.lt tvjvjma.
i3nja.ii ter vc.
4 cfcfiiOwaclil\'
.opUvaiCEMn..
>rf
26
houwlaruL.
I»|h|h|..|u|i itfei
^—ia
_ YcMwcvb.
-ocr page 15-
-2
kunnen worden belast, aan te wijzen , welke punten
daarbij voor oorlogsdoeleinden vooral van belang zijn
te achten, en tevens om, ter voorkoming van misver-
stand , eenheid te verkrijgen in de benamingen, die
op het terrein toepasselijk zijn, gaat een algemeene
beschouwing over het terrein en de middelen om zich
daarop te bewegen, de bepalingen omtrent de eigenlijke
verrichtingen van den velddienst vooraf.
Dienvolgens bevat dit voorschrift:
Hoofdstuk I. Het terrein.
»          II. De marschen.
»          III. Legering der troepen.
»          IV. Veiligheidsdienst.
»           V. Ophelderingsdienst.
De oefeningen in den velddienst moeten menigvuldig
plaats hebben en met ernst en de meeste zorg door
de officieren worden geleid. Deze moeten bij die
oefeningen voortdurend naar de verstandelijke ont-
wikkeling van hunne ondergeschikten streven, waartoe
de verrichtingen van den velddienst ruimschoots de
gelegenheid aanbieden. Door het geven van een heldere
voorstelling van die verrichtingen, moeten de officieren
van den aanvang af het oordeel van de manschappen
opwekken en scherpen en, vooral bij de onderofficieren
en korporaals, aan wie niet zelden de uitvoering van
belangrijke diensten zal worden opgedragen, een juist
begrip doen ontstaan omtrent al hetgeen men te dien
aanzien van hen mag vorderen.
Een grondige en veelzijdige kennis bij de officieren,
-ocr page 16-
T
plu.
(£fig..9. èftiOalc \\\'ci»i ee«f &«fe- i t (2c>Ccni*Kt m<jt cte41t«\'-»tt>.
&x<Wb! 80", dUfXt. ZOO".
.&WJCU, \\30,x <tiepto< 26a."
P---2t»- -Mi
Sieedte 160\', diepte 400.\'
]
20
QewGl-é**:
f-êiUfO:
I- &-.\'Wax<i«^>H .
20
BJe-
o
2S
■y
40
B •»?
B.??
nz?
BJf
i\'
0
0
0
4P
v
T ;
.9
40
A\'
i—i
i
-1
—
—
IV\'
o
0
*
o
0
B
/f
o. d?Muicums.
i,\\eA/v ,v.ouw cLew OXa\\.
P. J\'o£Llie/(Stixn\\bcwui4V,-0,\\A,&s)w*x.cn.t.
V. \'Yi)&itn,i<\\e*v.
./f. y^c o k. & a te*V.
W. iya.vPvi\'wiivuê-iv.
L
3
B2£
-o
]
ra
t
8
77
/,
##
ö
ö^tOu AOO; Aiipfo 200*
U £o**v\\3iï
ü?
Jte
- J ^fa^gg J
o
3 3\'
o
_B*?
B2f
O
d.
HM !.
w* j
I
/ Ij
«o
100
1
W o
L ___
—               *
-ocr page 17-
3
van de handelingen die in den velddienst kunnen voor-
komen , zal den besten waarborg leveren, om van die
oefeningen den meest gewenschten uitslag voor de
werkelijkheid te verkrijgen.
Vooral bij den veiligheids- en ophelderingsdienst is de
taak van de daarmede belaste troepen van het hoogste
belang, omdat de veiligheid van het geheel afhangt
van de wijze, waarop die diensten door hen worden
verricht. De kennis van hetgeen er toe behoort is
alzoo van het grootste gewicht voor allen, van de
hoogste rangen af tot de laagste graden toe, die ge-
roepen zijn eenig gedeelte daarvan uit te voeren.
Onafgebroken waakzaamheid, oogenblikkclijke slag-
vaardigheid en nauwgezette plichtsbetrachting zijn de
grondslagen, waarop al de verplichtingen van de veilig-
heidstroepen berusten. De stipte naleving daarvan geeft
den noodigen waarborg voor de vereischte veiligheid
van het geheel.
Bij alle verrichtingen in den velddienst is een voort-
durende samenwerking van de infanterie met de cavalerie
noodig, waarbij alsdan aan eerstgenoemd wapen meer
bijzonder de beschermende taak, aan laatstgenoemd wapen
de waarnemende taak ten deel valt.
Ofschoon elk van deze beide wapens voldoende ge-
oefend moet worden in den velddienst, om, zelfstandig
optredende, aan beide evenbedoelde bestemmingen te
beantwoorden, is het echter noodig, dat in alle garni-
zoenen , waar zich hiertoe de gelegenheid aanbiedt,
gemeenschappelijke oefeningen worden gehouden, zoowel
..,
-ocr page 18-
v)\'Uï. 11,
SU .
\\0. i!3i Ook Vcm ac*\\
&v*edUs 245" <.x*i<L.o*li£\' 2(30").
«Lepfe MO\'Ct^ot.cvit\'* HO*).
O.     Officieel.
P.     £W&vWit.
ckotf fccicvtci u
G
Ff!
Z.     «toii
é
ï
tf H
H
W W
4 F
_i<2-
,] ,j
/i
o W
ï
H W
H H
W
1
< f
•M
vs!ftd«i
■."Ju.\';
"] \'I
c)tc o fat (uOa-iltVi
Cii «-* i>fH il\' *0« L lï tf ï
I9U..
s
5-C^l!\'«♦» J i.-j 0
ln.uj..t J*> .
Uil
* P
%
<3bciqa.q e.l\\.ei-n.
4
«hu
H
H
,-A
o
é
d$itUd#wci>Qe*i
-ocr page 19-
4
om aan de beide wapens een juister beeld van de werke-
lijkheid te geven, als om zuivere begrippen te doen
ontstaan van de voordeelen, die hun samenwerking
medebrengt.
Een van de gewichtigste dienstplichten te velde van
alle troepenaanvoerders, in het algemeen van de officieren,
die met een eenigszins zelfstandige taak zijn belast,
bestaat hierin, dat zij nimmer de gelegenheid mogen
verzuimen, om het terrein, alwaar zij zich bevinden,
nauwkeurig te verkennen. Geen voorwendsel van welken
aard ook, sparing noch van eigen krachten, noch van
de paarden, mag leiden tot verwaarloozing van zoo-
danige waarneming. Bij alle oefeningen van den veld-
dienst zal daarop dan ook steeds moeten worden toe-
gezien.
Bij alle verrichtingen van den velddienst, waarbij
samentreffen met den vijand te verwachten is, moeten
de magazijnen der wapens gevuld en de vizierkleppen
als standvizier geplaatst zijn.
-ocr page 20-
pliv:
,-•■ •■
••
A.
B&ooficoiXfnm (23/hccnt\\o).
Il
36oo(t{it«>e*> act *Vooi4ioe<;{o -.
C.
d<
1).
Qooisute K*vuxoip<xkuH*i£Ce0.
E.
xocy>.
•"
F.
ahei\'n-:
ei
G.
ofuvn iidLeKKi iQ.
-V.......>
>9
r:
Xtit/toep (i^cfitni-).
aa.
X\\yihw\\aM\\a<ixcA\\j&ti\'.
•f > •
•f •
» \\ /
•
•
v*---A/
K%i ■ -""
•
•
^#*
-"
/
./W6\'.
i
*
,%r
>
^4. CJ/u>a de^ "VootwooJ^tv.
$
y\'
A \\ooipoobeii, - Jic\\ïcucfi«4*te*tiew,
••^
v*i
y\'
CC. £Lü i cLe-iy \\e.lA\\Jtxcfot«.-n/,
v\\
. f"
J)D. Scv>\\cnlccl\'ett*.
•x
y\'
<\'JC, OnAe/u>keu*wtu\\&[xoetp.
Ni
B.l
/^. /J.
eoop.
21
Füj M
il*
*
iÉj \\ooi-txo«p.
Flcj.16.
(Icftdie).
44 | tt
i
•9!
*
*
1cCcctï«.-.
jr&c&t&ikx&ef) (öwum-).
-ocr page 21-
HOOFDSTUK I.
HET TERREIN.
BENAMINGEN.
§ \\. Onder den algemeenen naam van terrein ver-
staat men elk deel van de vaste oppervlakte der aarde.
Terreindeelen worden genoemd alle vlakten, hoogten,
laagten en wateren, waaruit die oppervlakte is samen-
gesteld.
Terreinvoorwerpen zijn alle in de natuur voorkomende
of kunstmatig gebouwde voorwerpen op den aardbodem,
zooals : steden , dorpen , gehuchten , huizen , bruggen ,
bosschen, heggen,
enz.
Terreinafscheidingen zijn rivieren, kanalen, vaarten,
weteringen , beken , sloolen, meren, landruggen, moeras-
sen,
enz.
Terreinhindernissen lieeten in het algemeen alle ter-
reindeelen, terreinvoorwerpen en terreinafscheidingen,
die de beweging van troepen belemmeren.
g 2. Men noemt het terrein, uit een tactisch oog-
punt beschouwd, open, wanneer het uitzicht vrij is;
wordt dit belemmerd, dan heet het terrein bedekt.
Komen op open of bedekt terrein terreinafscheidingen
-ocr page 22-
"^^^^^^^■■i
T
PL.V
i
:,—
Hixj.17.
Cl: 7500).
Fty 19.
(1:50.000).
Fig.18.
(1:50.000). .
L<_
■ I
-ocr page 23-
6
voor, welke den overgang bemoeilijken, dan heet het
bovendien doorsneden.
§ 3. Makten zijn landstreken, die zich aanmerkelijk
in alle richtingen uitbreiden en daarbij geen oneffen-
heden vertoonen. Bij geringe zacht oploopende ver-
heffingen van den bodem ontstaan golvende vlakten; de
daarbij voorkomende verdiepingen worden terreinplooien
genoemd.
Droge vlakten bieden een afwisseling aan van heide-
velden , hooge veenen, hooge weilanden en bouwland,
door droge slooten, heggen, struikgewas, dijkjes of
beplante wallen omgeven.
Tot de natte vlakten behooren de lage weilanden, de
polders — gedeelten land, die kunstmatig tegen over-
stroomingen worden beveiligd —, de lage veenen, dras-
landen en moerassen. Menigvuldige slooten, beken,
weteringen, kanalen en rivieren doorsnijden veelal deze
laatste vlakten.
Hoogvlakten of plateau\'s verheffen zich op vrij aan-
zienlijke hoogte boven het omgelegen terrein.
§ 4. Naarmate verhevenheden van het terrein zich
minder of meer boven den omgelegen vlakken bodem
verheffen, dragen zij den naam van hoogten — op de
kust gelegen, duinen —, heuvels of bergen; dezelaatsten
komen in ons land niet voor.
Samenhangende heuvels vormen een heuvelrij. Het
terrein tusschen twee heuvelrijen heet dal of vallei.
Een voortgaande verheffing van den grond over eeu
aanmerkelijke uitgestrektheid heet een landrug, bij
geringe uitgestrektheid en hoogte lerreinrug.
-ocr page 24-
7
Bij iedere verhevenheid onderscheidt men den voet,
de zijden, de helling en de kruin. Heeft de kruin bij
geringe breedte eenige uitgestrektheid, dan wordt zij
kam, bij geringe lengte en breedte kop genoemd.
De verdieping, die gevormd wordt door de in elkaar
Ioopende zijden van twee hoogten of heuvels heet
zadel; bij zeer steile verdiepingen ontstaan ravijnen.
Wegen, die lager liggen dan het aan weerszijden
aangrenzende terrein, heeten holle wegen.
§ 5. De strook van het land, waartegen de zee of
het water aanspoelt, heet oever; bij gegraven wateren
boord.
Een vlakke oever, die onmerkbaar naai- de zee
afhelt en bij hoog water onderloopt, draagt den naam
van strand.
Wanneer men een stroomend water in de richting
van den stroom volgt, dan heeft men den rechteroever
aan de rechter-, en den linkeroever aan de linkerhand.
Een plaats ligt boven of beneden een andere, naar-
mate zij nader bij den oorsprong of bij den mond
van een stroomend water is gelegen.
De diepste plaats in het bed van een loopend water
is de stroomgeul of het vaarwater.
De diepte is de loodrechte afstand van den water-
spiegel tot den bodem; de breedte is de afstand der
beide oevers of boorden. Stroomsnelheid is de afstand,
die het water in één seconde tij ds aflegt.
De ivalersland wordt aangegeven door de peilschalen,
die menigvuldig langs de oevers van stroomende wa-
teren voorkomen, en waarvan de nulpunten veelal
-ocr page 25-
8
bepaald zijn met betrekking tot een zelfde waterpas
vlak; in ons land tot het Amsterdamsche peil (AP). (1)
Het verval van een stroomend water is het verschil
in hoogte tusschen twee punten van den waterspiegel
in de richting van zijne lengte.
g 6. Het overstroomcn van het nevengelegen land
door het buiten hare oevers treden der rivieren wordt
door dijken te keer gegaan. Naarmate van hunne
afmetingen en de hoogte, waarop zij het water keeren,
dragen de dijken den naam van groote of bandijken,
gewone dijken
en kaden.
Doet een dijk eerst dienst na doorbraak van een
anderen dijk, dan draagt hij den naam van slaperdijk.
Loopt de dijk onmiddellijk langs de rivier, dan
heet hij schaardijk.
Loopt de dijk niet onmiddellijk langs de rivier, dan
heet het buitendijks gelegen terrein uüertvaard, voor-
land
of schor.
Lage kaden om een uiterwaard gelegen heeten zomer-
kaden.
Dijken, die polders omgeven , noemt men ringdijken;
zij keeren het water van de ringvaart of de ringsloot;
langs de kust heeten zij zeedijken.
Overlaten zijn verlaagde dijksgedeelten met flauwe
glooiingen.
Onderwaterzettingen of inondatiën worden gesteld door
middel van innndaliesluizen, doorgravingen, enz., waar-
(1) Het Amsterdamsche peil komt zeer nabij overeen met de
middelbare hoogte, welke de vloed in het open Y vroeger te Am-
sterdam bereikte.
-ocr page 26-
9
door het water, voor zooveel noodig, op het te inon-
deeren land wordt binnengelaten.
Eveneens wordt het inondatie-water afgelaten en de
hoogte daarvan geregeld door sluizen, duiken, beeren
en dergelijke waterkceringen.
g 7. Door engten of dé file\'s verstaat men alle ge-
deelten van het terrein, die men slechts met een smal
of betrekkelijk smal front kan doortrekken, zooals
bruggen, dijken en wegen, welke door bewoonde
oorden of terreinstrooken, die door overigens onbe-
gaanbaar terrein voeren.
TOPOGRAPHISCHE KAARTEN en TERREIN-
SCHETSEN (CROQUIS).
\\ 8. Goede topographische kaarten bieden een
krachtig hulpmiddel aan tot het verkrijgen van terrein-
kennis.
Het bezit van eene der aan de Topographische
Inrichting op groote schaal vervaardigde kaarten van
het Koningrijk der Nederlanden is daarom voor een
officier van belang te achten, althans voor zoover
betreft die gedeelten van het land, waar hij in oorlogstijd
waarschijnlijk zal moeten optreden.
Aangezien de topographische kaarten, die van de
meeste Europeesche Staten bestaan , hoe uitmuntend zij
ook mogen zijn, niet al de voor tactisch gebruik van
belang zijnde bijzonderheden kunnen bevatten, en daar
bovendien het terrein tengevolge van bebouwing, door
den aanleg van nieuwe wegen en kunstwerken voort-
-ocr page 27-
Kt
durend aan verandering onderhevig is, blijft het onver-
mijdelijk , zich aangaande de ware gesteldheid van
eenig terrein nader door eigen waarneming te overtuigen,
of, op grond van uit de kaart geputte aanwijzingen,
een bijzondere verkenning daarvan te verrichten.
§ 9. Een eerste vereischte bij het gebruik van
kaarten is deze te oriënteer en, d. i. ze vlak houdende
zoodanig te richten, dat de zijden van de kaart met
de hemelstreken overeenkomen, of wel dat de op de
kaart voorkomende noordlijn in de richting van het
Noorden wijst.
Gemakshalve kan men tot het vlug lezen van de
afstanden op de kaart, zich voorzien van een schaal,
naar die van de kaart vervaardigd van een strook
kaartpapier of metaal, waarop naast de verdeeling in
centi- en millimeters een daarmede overeenstemmende
verdeeling in passen van 75 cM. is gesteld (Fig. 1 a
en 1 b.)
§ 10. In zoover een officier of onderofficier te velde
niet van kaarten is voorzien, wordt hem bij elke
eenigszins zelfstandige opdracht als veldwacht- of
patrouille-commandant, tot verkenning van het terrein
of van den vijand, zooveel mogelijk een kaart of ter-
reinsehets verstrekt, of neemt hij daarvan een schets,
kopie of calque.
Overigens zal bij velerlei opdrachten te velde de daar-
mede belaste officier of onderofficier het daaromtrent
door hem uit te brengen schriftelijk rapport aanmerkelijk
kunnen verduidelijken en bekorten, door er een schels
of oleaat bij te voegen. Dit moet dan ook als regel
-ocr page 28-
11
gelden in al zoodanige gevallen, waarbij daartoe aan-
leiding bestaat.
Het terrein wordt op het oog en te voet op den
pas, te paard volgens den draf van het paard (g 19),
opgenomen en de schets geteekend op de keerzijde van
een rapportkaart (§ 22), welke in vierkanten van i cM.
zijde is verdeeld. Dij het gebruik dezer kaart voor de
veldwachtrapporten wordt door de infanterie de schaal
van 1 : 7500 (100 pas op den cM.), door de cavalerie
de schaal van 1 : 12500 gebezigd.
De bij schetsen te bezigen eenvoudigste lopographische
teekens
komen in Fig. 2 voor. Breedte van wegen,
slooten, wateren, diepte van deze, hoogte, begaanbaar-
heid en gesteldheid van het terrein, van bosschen,
van bouwland, enz. kunnen op de schets zelve met
korte woorden worden aangeduid. De door patrouilles
gevolgde wegen en marschrichting worden door stippel-
lijnen met pijltjes aangeduid. Fig. 3 en 4 stellen een
paar dergelijke schetsen voor.
§ 11. De vervaardiging van andere schetsen van
terreindeelen of stellingen dan die bij veldwachtrap-
porten voorkomen, geschiedt zooals in de vorige § is
omschreven , doch, in overeenstemming met het doel, zoo
noodig met grooter nauwkeurigheid en op een schaal
overeenstemmende met den aard der verkenning, als:
enkele verdedigingswerken op de schaal van 1 : cnnn
terreinvoorwerpen, legerplaatsen, bewoonde
oorden, enz........op de schaal van 1 : 12500
weqen, stellingen, enz. . » » n » 1 : 25000
-ocr page 29-
12
Van de kaart worden de met zekerheid bekende
bijzonderheden, zooals de richting van hoofdwegen,
stroomende wateren, enz. overgenomen, zoo men wil
op calqueerpapier, het overige wordt op het terrein met
potlood — bij voorkeur met zwart, rood (voor kunst-
wegen , huizen enz.), blauw (voor wateren) en groen
(voor bosch, heggen, enz.) — ingeschetst.
Bij veldwachtrapporten is het gebruik enkel van
zwart potlood voldoende.
TERREINBESCHRIJVING.
g 12. Te velde zijn uitvoerige terreinbeschrijvingen
onpractisch; zij moeten dan ook zooveel mogelijk ver-
meden worden. Het verslag zal daarom bij voorkeur
alleen bestaan uit de op het terrein vervaardigde schets
(g 21) met korte aanteekeningen of bijschrijvingen op
den rand, ten hoogste uit een korte, schriftelijke toe-
lichting van de bijzonderheden, die niet voldoende uit
de schets zijn op te maken.
§ 13. Bij een tactische verkenning heeft de toelichting
hoofdzakelijk betrekking op de begaanbaarheid of wel
de geschiktheid van hel terrein tot stellingen en gevechten,
en betreft alsdan eenige van de navolgende bijzonder-
heden :
a. HET ALGEMEEN KARAKTER VAN HET TERREIN.
Open, bedekt of doorsneden; vrij of beperkt uitzicht;
effen of golvende, droge of natte, hooge of lage vlakten ;
grondslag van den bodem (klei, leem, zand, bouw-,
-ocr page 30-
13
wei- of drasland); aard der beplanting; toestand van
greppels en slooten.
b. bij wegen.
Van waar zij komen en waarheen zij leiden ; kunst-
weg (straat- of grintweg, enz.) of landweg; begaanbaar-
heid voor de verschillende wapens; breedte (verbree-
dingen en smalle gedeelten, kunstbaan en bermen , met
welk front op den weg kan worden gemarcheerd, enkel-
of dubbelspoorbreedte); helling van den weg; opgehoogd
of ingesneden (holle weg); uitzicht op den weg; beplan-
ting, begrenzing; hoedanig en op welke punten onbruik-
baar te maken of te herstellen, daartoe beschikbare of
noodig geoordeelde materialen; begaanbaarheid van het
aangrenzend terrein (in hoever infanterie en cavalerie
zijwaarts van den weg kunnen marcheeren); stellingen;
geschikte plaatsen om op te marcheeren of te rusten.
C. BIJ SPOORWEGEN.
1. Spoorbaan. Enkel- of dubbelspoor; breedte en
toestand van de baan; opgehoogd of ingesneden; toe-
stand van den bovenbouw (verbinding van de rails met
de dwarsliggers); viaducten, overwegen, overgangen
(ƒ.1); op welke plaatsen en hoe de spoorbaan het snelst
is op te breken; toestand van het aangrenzend terrein;
begaanbaarheid van de baan voor troepen, paarden en
voertuigen (of de dwarsliggers diep liggen, of de voer-
tuigen naast het spoor kunnen rijden en er dekplanken
op de overgangen liggen); toestand en breedte der
parallelwegen; begrenzing van de spoorbaan.
-ocr page 31-
14
2. Stations en hal\'en. Weerstandsvermogen; nabij-
gelegen kunstwerken. (§ 14. b. i.)
d. BIJ DIJKEN.
Soort (bandijk, gewone dijk of kade); kruinbreedte;
begaan baarheid voor de verschillende wapens; hoogte;
steilte der hellingen; opritten; beplanting; begrenzing;
bestrijkende punten; overlaten.
e. BIJ STROOMENDE EN STILSTAANDE WATEREN.
Breedte; diepte; bevaarbaarheid (voor vaartuigen van
welken diepgang); gesteldheid van den bodem (kiezel,
zand of modder); waterstand; stroomsnelheid; verval;
toestand van de oevers of boorden (hoogte boven den
waterspiegel; steil of glooiend, vast of brokkelig); welke
oever de beheerschende is; begaanbaarheid van het
naastbijgelegen terrein; voorhanden vaartuigen; afme-
tingen van sluizen en kunstwerken; zijrivieren of beken,
zijtakken.
f. BIJ OVERGANGEN.
1. Bruggen. Steen, hout of ijzer; soort; afmetingen
(lengte, breedte en hoogte boven den waterspiegel);
onder- en bovenbouw; bruikbaarheid voor de verschil-
lende wapens; nabijgelegen doorwaadbare plaatsen;
hoedanig en in welken tijd te vernielen. Bij spoor-
wegbruggen
bovendien: of er dekplanken liggen of
enkel rails; enkel- of dubbelspoor; wijze van sluiting;
lengte en breedte van viaducten.
-ocr page 32-
15
2.     Veren. (§ 14. b. 3).
3.    Doorwaadbare plaatsen. Ligging; richting; breedte;
toestand van den bodem; bij welken waterstand bruik-
baar (g 73).
4.    Punten geschikt lot overtocht of gemeenschap tus-
schen de beide oevers of boorden.
Tot welk soort van
militaire bruggen geschikt; beschikbare of in de nabij-
heid voorhanden materialen; vermoedelijke tijd tot
bruggenbouw noodig.
5.    Hel ijs. Dikte; open vakken; hoe open te
houden; bruikbaarheid voor welke wapens (§ 75).
g. BIJ BEWOONDE OORDEN.
Naam; omheining; of zij een samenhangend geheel
vormen of verspreid zijn gebouwd; breedte en onder-
linge gemeenschap der straten; bouworde der huizen
(steen of hout, al of niet met verdiepingen, met pannen
of riet gedekt); wijze van verlichting; toegangen; uit-
zicht ; het omgelegen terrein; verdedigingsvermogen;
stormvrijheid; flankeering; gebouwen tot reduit in te
richten. (§ 14. o).
h. BIJ ENKELE GEBOUWEN.
Naam en soort; dikte der muren; aantal verdiepin-
gen ; trappen ; toestand van het dak; deuren en vensters;
inwendige verdeeling; pompen en putten; bijgebouwen;
tuinen; omheining; hoe tot verdediging in te richten
en daartoe beschikbare materialen; berekening van do
noodige bezetting.
-ocr page 33-
10
L BIJ BOSSCHEN.
Uitgestrektheid; loof-, naald-, hak- of opgaand hout;
doorgaanbaarheid; doorzientbaarheid; open plaatsen; af-
snijdingen; bodemgesteldheid; toestand van den bosch-
rand; toestand der wegen , welke het bosch doorsnijden ;
het omgelegen terrein.
k. BIJ HOOGTEN.
Omvang en gedaante; hoogte ten opzichte van het
omringend terrein (in meters); hellingen (in graden);
beklimbaarheid; beplanting; uitzicht; gelegenheid tot
opstelling van troepen en geschut.
I. bij polders.
Ligging van den bodem onder den omringenden
waterspiegel; begaanbaarheid; dijken ; sluizen en duikers;
stoomgemalen en watermolens; afwatering en water-
aanvoer.
1)1. BIJ VEENEN EN MOERASSEN.
Uitgestrektheid; bodemgesteldheid (laag weiland, lage
veenen, moerasveenen, hooge veenen); hoofdrichting
van uitgeveende strooken; plantengroei; begaanbaar-
heid (voor voetgangers, paarden en voertuigen); sloolcn
en wegen.
n. BIJ kusten.
Invloed van bet getij op de breedte van het strand;
geschiktheid voor landingen; zeeweringen; toestand der
duinen.
-ocr page 34-
17
0. BIJ STELLINGEN.
Uitgestrektheid; beheerschende punten; steunpunten
vóór en in de stelling en op de vleugels; uitzicht vóór
"ti gemeenschap in de stelling; hindernissen vóór het
front; toestand van het terrein vóór en achter de
stelling; toegangen en terugtochtswegen; opgave der
troepen tot bezetting noodig geoordeeld; verdeeling der
troepen in de stelling; plaatsing der reserve; beoor-
deling van de stelling (sterke en zwakke punten).
§ 14. Bij de statistische verkenning van een plaats
of landstreek stelt men zich ten doel, om daaruit te
leeren kennen de hulpmiddelen tot de verpleging en
het vervoer van troepen, of wel ten dienste van den
opheldering sdienst en tot gemeenschap.
fn zoover zoodanige statistische verkenningen zelden
voldoende door eigen waarneming zullen kunnen ge-
schieden, worden naargelang van het doel der ver-
kenning inlichtingen ingewonnen bij de plaatselijke
burgerlijke autoriteit en bij de ambtenaren.
Voor het rapport omtrent een statistische verkenning
kiest men kortheidshalve bij voorkeur den tabel-
larischen vorm.
De rapporten omtrent statistische verkenningen
hebben betrekking:
(t. OP DE VERPLEGING.
Plaatselijke indeeling der gemeente; aantal inwoners
2
-ocr page 35-
18
en haardsteden (1) (volgens de laatste volkstelling, zoo
in de kom als in elke buurtschap); gelegenheid tot
geconcentreerde huisvesting en stalling, tot parkeeren;
localen voor wachten en verpleging van zieken; vee-
stapel (runderen en kalveren, schapen, varkens);
opbrengst van den laatsten oogst (hectoliters rogge,
tarwe, erwten, boonen, aardappelen , haver, kilo-
grammen hooi); wij/.e van voorziening in drinkwater;
watergebrek; voornaamste middelen van bestaan (fa-
brieken , brouwerijen en branderijen, groote werk-
plaatsen); getal werklieden (timmerlieden , metselaars,
smeden, geweer- en zadelmakers, enz.); de geest der
bevolking.
I). 01\' HET VERVOER VAX TROEPEN.
I. Me\' spoorwegen. Materieel en personeel: aantal
locomotieven met tender, rijtuigen, gesloten en open
goederenwagens, veewagens en platte wagens; noodig
geoordeelde voorzieningen (leuningen, banken, enz.);
laadbruggen; aantal beambten en werklieden. Toestand
van stations en halten: aantal sporen, wisselplaatsen
(lengte in meters); uitwijkrails; gelegenheid tot con-
centratie van rollend materieel; perrons (aantal, lengte
en breedte); paardenheuvels en laadplaatsen voor vee
en voertuigen (aantal, lengte, breedte, tot kop- of
zijlading); pompen, waterreservoirs, wateraanvoer;
draaischijven (vermogen, hoe onbruikbaar te maken);
(1) Dooi\' haardstede verstaat men een huisgezin — gemiddeld
4 a 5 zielen — dat zijn eigen haard heeft.
-ocr page 36-
19
gebouwen (aantal en ruimte); toegangen en gelegenheid
tot opstelling van troepen, paarden en voertuigen;
telegraaftoestellen , signaalstelsel; enz.
2.    Met andere transportmiddelen. Paarden (aantal
boven en beneden den leeftijd van 5 jaar); voertuigen
(rijtuigen , wagens en karren); vaartuigen (stoombooten,
zeilschepen en schuiten met diepgang, vermogen tot
vervoer van manschappen, paarden en voertuigen of
tonneninhoud).
3.    Met veren. Naam; voet of pontveer; beschik-
bare middelen van vervoer; hoeveel personen , paarden i
vuurmonden of voertuigen gelijktijdig kunnen worden
overgebracht; duur van heen- en terugvaart.
C. OP DEN 0PHELDER1NGSDIENST EN DE GEMEEN-
SCHAPSMIDDELEN.
Aantal ambtenaren van de belastingen, de Rijksveld-
wacht en den Waterstaat; personen geschikt tot gids
of tot het. geven van inlichtingen; posterijen en tele-
graphie (kantoren en ambtenaren); torens of verheven
punten geschikt tot seingemeenschap (punt van waar-
neming, welke terreinvoorwerpen en bewoonde plaatsen,
kerktorens, enz. aldaar zijn waar te nemen).
ORIËNTEEREN.
§ 15. Door zich oriënteeren verstaat men het bepalen
van de hemelstreken op het terrein, of van de plaats
waar men zich bevindt.
De hemelstreken worden, bij gemis van een kompas,
-ocr page 37-
-20
(waarvan het gebruik overigens de meeste aanbeveling
verdient) op het terrein voor het beoogde doel voldoend
nauwkeurig op een van de volgende wijzen bepaald:
1°. Met behulp van de Zon. Wanneer men den
rechterschouder keert naar het punt, waar de Zon
opgaat, het Oosten, of den linkerschouder naar het
punt, waar zij ondergaat, het Westen, dan heeft men
recht voor zich uit het Noorden en achter zich het
Zuiden.
Met een horloge worden de hemelstreken nauwkeurig
genoeg bepaald door aan te nemen, dat de Zon staat:
\'s voormiddags om 6 uur in het Oosten, om 9 uur in
het Zuidoosten; \'s middags om 12 uur in het Zuiden,
\'s namiddags om 3 uur in het Zuidwesten en om 6
uur in het Westen.
Bij mist of donker weder vrage men aan de land-
bewoners, boven welke terreinstrook de Zon op- en
ondergaat, waaruit dan de overige hemelstreken gemak-
kelijk als boven te bepalen zijn.
2°. Met behulp van de Poolster. Des nachts bij
helder weder vindt men de hemelstreken door de poolster.
die in het Noorden staat. Om deze ster te vinden,
vereenigt men de sterren a en b (Fig. 5) van het ster-
renbeeld de Groote Beer A ; verlengt men die lijn aan
de zijde van b zoover, dat zij van b af gerekend zoo-
lang is als de lengte b e van genoemd sterrenbeeld,
dan zal het uiteinde van die lijn nagenoeg de plaats
aanwijzen van de poolster d, de helderste ster van het
sterrenbeeld de Kleine Beer B, dat denzelfden vorm
-ocr page 38-
21
heeft als het eerste sterrenbeeld, maar kleiner en minder
schitterend is dan dit (1).
3°. Met behulp van de Maan. Hiertoe geeft onder-
staand tafeltje een overzicht van de standen van genoemd
hemellichaam bij verschillende schijngestalten of phasen :
Tijd dei-
waarneming.
De maan verschijnt als:
L_
m
OW
EK.
VM.
1
«.
in het
C uur \'s namiddags
Z.
0.
9 » »
ZW.
ZO.
Middernacht
W.
z.
0.
3 uur \'s voormiddags
zw.
zo.
6 » )>
w.
z.
De maan staat aan den westelijken hemel als zij
zich \'s avonds laat en aan den oostelijken hemel als
zij zich \'s morgens vroeg als een smal verlichten sikkel
vertoont.
(1) Bij eenigszins bewolkten hemel kan het vinden van de Kleine
Beer
vergemakkelijkt worden, door in acht te nemen, dat de Poolster
ïich genoegzaam midden tusschen de Groote Ecer en een sterren-
beeld , dat den vorm eener omgekeerde W heeft (Cassiopeia), bevindt.
-ocr page 39-
±2
Bij gemis van een der genoemde hulpmiddelen tot
oriënteeren, kan men, indien opvolgende boomen aan
dezelfde zijde met mos begroeid zijn, aannemen, dat
deze zijde hoogstwaarschijnlijk (in ons land) naar het
Zuidwesten is gekeerd.
g 10. De plaats, waar men zich bevindt, wordt
bepaald door de juiste kennis van het terrein of wel
door het gebruik van kaarten.
Op weg is het aan te bevelen, de voornaamste
terreinvoorwerpen, die men voorbijkomt, aan te tee-
kenen met aanduiding van eenige bijzonderheden,
zooals de opschriften op uithangborden, enz., teneinde
het geheugen te gemoet te komen, en den weg ge-
makkelijk terug te vinden.
SCHATTEN VAN AFSTANDEN.
g 17. Voor het schatten van afstanden op het oog
zijn geen algemeen geldende gegevens vast te stellen ,
daar de aard en de verlichting van het terrein, zoo-
mede de sterkte van het oog hierop grooten invloed
uitoefenen.
Aanhoudende oefening is dus voor ieder noodig,
om zich eigen te maken, wat hij op de verschillende
afstanden bij verschillende weersgesteldheid van eenig
voorwerp ziet.
§ 18. Tot het schatten van afstanden, voornamelijk
van de grootere, kan men gebruik maken van het
tijdsverschil tusschen het zien en het hooren vau een
schot. De snelheid van het geluid namelijk bedraagt
-ocr page 40-
23
ongeveer 450 pas in I seconde; terwijl liet licht, op
de afstanden die uit een militair oogpunt wetenswaardig
zijn , zich nagenoeg oogenblikkelijk voortplant. Verloopt
er dus tusschen het zien van den rook en het hooren
van den knal i seconde, dan bedraagt de afstand 450
pas; bij 2 seconden 900 pas, enz.
Zonder behulp van een secondewijzer kan men het
tijdsverloop van één seconde vrij nauwkeurig meten
door snel achtereen van 1 tot ü te tellen. Bovendien
geeft de tijdsruimte voor ieder tel het \'/6 van 450,
dus 75 pas afstand aan.
§ 19. Tot het bepalen van afgelegde afstanden langs
kunstwegen, kan men gebruik maken van de mijlpalen,
die op onderlinge afstanden van 1000 M. geplaatst
zijn, of van de telegraafpalen.
Tot het afpassen van afstanden te paard, moet men
vooraf nagaan, hoeveel malen men in draf (licht rij-
dende) uit den zadel wordt gelicht, indien men den
afstand tusschen twee mijlpalen atlegt.
SCHRIFTELIJKE RAPPORTEN.
§ 20. Een schriftelijk rapport moet duidelijk en
beknopt zijn en bovenal een getrouw verslag behelzen
van hetgeen men door eigen waarneming of mede-
deelingen van anderen heeft vernomen.
De duidelijkheid eischt, dat het rapport in juist ge-
kozen termen zoodanig verstaanbaar is, dat het voor
geen tweeledige uitlegging vatbaar is. Algemeene be-
woordingen , als : veel, weinig, ver, zooeven , straks,
-ocr page 41-
24
enz. moeten worden vermeden ; de ligging van plaatsen,
enz. moet altijd naar de hemelstreken worden aange-
geven, en alleen dan mag men daartoe de woorden
• rechts, links, voor, achter, enz." bezigen, wanneer
de richting volkomen bekend is. Zoo zal bij een
marcheerende colonne het rechts en links bepaald
worden door de richting, waarin zij zich beweegt.
Verder moeten alle in het rapport voorkomende namen
nauwkeurig met die op de terreinschets overeenstemmen
en ook hierop vermeld zijn. Eindelijk zij men indachtig,
om , wanneer dezelfde namen voor verschillende plaatsen
op de kaart voorkomen, de juiste plaats door om-
schrijving aan te duiden, (1)
Door beknoptheid verstaat men, het rapport in zoo
weinig mogelijk woorden samen te vatten; alleen feiten
en geen redeneeringen of beschouwingen moeten worden
vermeld, althans wanneer het goed begrijpen van het
geheel daaronder niet lijdt. De vermelding van de
gewone veiligheidsmaatregelen is meestal overbodig.
Het rapport zal een trouw verslag zijn van hetgeen
men melden wil, wanneer men daarin steeds doet uit-
komen, wat men persoonlijk met volkomen juistheid
heeft gezien of gehoord, en hetgeen door anderen is
gemeld of enkel op vermoedens berust.
§ 21. Rapporten of verslagen van eenigen omvang,
bevattende de beschrijving van een tactische verkenning,
van een gevecht, van de versterking van eenig terrein-
(1) Men zij indachtig aan vergissingen, die kunnen ontstaan door
het gebruik van verschillende kaarten of van verschillende uitgaven
eener zelfde kaart.
-ocr page 42-
25
voorwerp of van eenige andere oorlogshandeling,
worden op geheele vellen papier geschreven, en wel
zoodanig dat er aan de rugzijde \'/4 blad onbeschreven
blijft.
De bij dergelijke rapporten te voegen topographische
schetsen kunnen bij genoegzamen tijd duidelijkshalve
met zwart en gekleurd potlood (§11) worden ver-
vaardigd. Voor kopieën van de officieel verstrekte
kaarten mag van calqueerpapier worden gebruik ge-
maakt.
§ 22. Overigens worden alle velddienstrapporten,
zooals veldwacht- en patrouillerapporten en berichten
van geringen omvang op 1ji vel papier of op een
rapportkaart van gelijke grootte geschreven. Alle troepen-
deelen zullen steeds van een genoegzaam aantal rap-
portkaarten voorzien moeten zijn, om er zoo noodig
exemplaren van te kunnen verstrekken aan de officieren
en onderofficieren.
-ocr page 43-
Op de voorzijde van de rapportkaart staat gedrukt:
. Divisie. .. Bataljon. Plaats van verzending
.. Brigade. .. Compie. Datum idem.
voorm.
nam.
.. Regiment. .. Eskadron. .. uur. .. min
BERICHT.
Overbrenger.
Handteekening.
NB. Op veldwachtrappnrt n". 1 worden vermeld: sterkte
en plaats der wacht, aantal en plaatsing der posten en van
den examineertroep, patrouillegang, wijziging in de opstelling
des nachts, bijzondere meldingen aangaande den vijand.
Op de keerzijde is de rapportkaart verdeeld in
vierkanten van 1 cM. zijde, om te kunnen dienen tot
het vervaardigen van een terreinschets.
Aan den voet der keerzijde zijn de in §§ 10 en 11
bedoelde schalen aangegeven. De schalen, die niet
gebezigd zijn, worden doorgeschrapt.
De keerzijde kan overigens ook gebruikt worden,.
om het rapport te vervolgen, wanneer daartoe op de
voorzijde ruimte ontbreekt en geen schetsteekening
wordt vereischt.
Bijlage 1 geeft de wijze aan, waarop de rapport-
kaart als Veldwachtrapport N°. 1 moet worden inge-
-ocr page 44-
il
vuld; de cursieve druk duidt daarin het door den
veldwachtcommandant met potlood geschrevene aan,
terwijl Fig. 4 de op de keerzijde geteekende schets
voorstelt.
Wordt bij gemis van rapportkaarten de schets op
gewoon papier gemaakt, dan behoeven daarop gemaks-
halve de vierkante» niet te worden getrokken.
Bijlage 2 stelt voor een rapport van een verkennings-
patrouille.
§ 23. De rapportkaart wordt over de lange zijde
in drieën gevouwen en in het daarbij behoorend couvert
gestoken, waarop gedrukt staat:
N".
Aan
Tempo:
l Plaats.
Verzonden, j
1 .. uur.
Datum.
min, voorm. nam.
- , | Plaats.
Ontvangen. I
.. uur.
Datum,
min. voorm. nam.
Handteekening Ontvanger.
NB. Dit couvert na
invulling aan den overbrenger terug
te geven.
Het couvert wordt, nadat daarop  plaats en tijdstip
van ontvangst \'zijn ingevuld, aan   den overbrenger
teruggegeven, als bewijs, dat het  rapport aan het
juiste adres is overgebracht,
-ocr page 45-
28
Voor berichten van kleinen omvang kan ook gebruik
gemaakt worden van rapportkaarten met geperforeerde
randsluiting. (1) Aan den overbrenger wordt, bij
gebruik van zoodanige kaart, de af te scheuren achter-
zijde der kaart als ontvangbewijs teruggegeven.
Wat het tempo betreft wordt verwezen naar § 267.
£ 24. Alle verzonden rapporten worden door den
afzender doorloopend genummerd.
Het is aan te bevelen, zooveel mogelijk afschrift
te houden van elk rapport, dat men inzendt, zoowel
tot eigen verantwoording, als voor het geval, dat het
mocht verloren gaan.
Elk ontvangen rapport of bericht wordt, nadat daarop
het tijdstip van ontvangst is aangeteekend, als dienst-
brief bewaard.
Rapporten, die voor meer dan één persoon zijn be-
stemd , worden ten spoedigste doorgezonden j[en door
allen voor »gezien" geteekend.
Zie verder omtrent het overbrengen van schriftelijke
en mondelinge rapporten of berichten door ordonnansen,
enz. g 2G6 en volgende.
(i) Te verkrijgen bij de Kon. Milit Academie.
-ocr page 46-
HOOFDSTUK II.
DE MARSCHEN.
£ 25. De marschen kunnen worden verricht:
1°. zonder bijzondere middelen van vervoer of,
2°. met bijzondere middelen van vervoer, en wel:
a.  door middel van spoortreinen,
b.  met voertuigen, of
c.  met vaartuigen.
Bij de uitvoering van alle marschen, onverschillig
op welke wijze zij worden verricht, moet de eisch op
den voorgrond staan, dat de troepen op den bepaalden
lijd en in slagvaardigen toestand op het gewenschte
punt aankomen.
MARSCHEN ZONDER BIJZONDERE MIDDELEN
VAN VERVOER.
§ 26. De goede uitvoering dezer marschen, die in
den loop van den oorlog het menigvuldigst voorkomen,
oefent een grooten invloed uit op den gang der operatiënj
Zij wordt alleen mogelijk gemaakt door oefeningen in
tijd van vrede, bij welke het volgende moet worden
in acht genomen:
-ocr page 47-
30
{\'. Bij alle militaire marschen moeten de in het marchee-
ren reeds geoefende troepen in volledige uitrusting zijn.
2°. De oefeningen in het marcheeren moeten aan-
vangen met het afleggen van kleine afstanden, die dan
opvolgend zoodanig worden vergroot, dat voor de
troepen te voet een marsch van 25 KM., voor de troepen
te paard een van 35 KM. als normaal kan worden
beschouwd. Marsehen van zoodanige lengte behooren
dikwijls te geschieden. Benige malen in het jaar worden
zij voor de troepen te voet tot 30 a 35, voor de bereden
wapens tot 45 KM., bij uitzondering tot grootere afstan-
den uitgestrekt.
3°. Aangezien bij de in oorlogstijd voorkomende
marschen de omstandigheid, of men al dan niet in de
nabijheid van den vijand marcheert, invloed uitoefent
op hunne uitvoering, zoodanig dat in het eerstgenoemde
geval geheel op de tactische eischen door den toestand
voorgeschreven , in het laatstgenoemde geval echter meer
op het gemak dei- niarchuerende troepen dient te worden
gelet, moeten in vredestijd oefeningen in beide soorten
van marschen plaats grijpen, en bij elk hunner de hierna
volgende aanbevelingen voor marschen in oorlogstijd
zooveel doenlijk in toepassing worden gebracht.
Van de marschen, die ondersteld worden binnen
\'svijands bereik te geschieden, en die daarom in het
bijzonder oorlorjsmarschen worden genoemd, moet worden
paftij getrokken tot oefening van de troepen in den
veiligheids- en verkenningsdienst zooveel mogelijk over-
eenkomstig den oorlogstoestand. Daar waar het ontzien
van particulier eigendom dit onmogelijk maakt, mag
-ocr page 48-
ai
nimmer worden verzuimd er den troep op te wijzen ,
hoedanig in oorlogstijd in de bestaande omstandigheden
zou moeten worden gehandeld.
4". Tot oefening van de commandanten der onder-
deelen van verschillende troepen in het begroetten van
den tijd, die voor een bepaalden marsch noodig is,
wijze men aan die onderdeden een doel aan, dat zij
langs onderscheiden wegen op een bepaald uur (niet
later, maar ook niet vroeger), in volkomen slagvaardigen
toestand moeten bereiken.
Het uur van afmarsch, het marschtenipo en de
rusten worden dan door die commandanten bepaald,
die eerstgenoemd uur niet vroeger dan noodzakelijk
is, mogen vaststellen.
\\ 27. De inarschen verkrijgen het karakter van
oorlogsmarschen, wanneer zij in zoodanige nabijheid
van den vijand worden uitgevoerd, dat een ontmoeting
met diens uiterste verkenningstroepen als mogelijk moet
worden aangenomen, ot\' wanneer de geest der be-
volking veiligheidsmaatregelen noodig maakt.
Ofschoon, zooals in § 20, 3*. aangeduid werd, bij
deze marschen de tactische eischen op den voorgrond
treden, mag echter de commandant van een marcheerende
troepenafdeeling nimmer verzuimen, zooveel mogelijk
de maatregelen in acht te nemen, die bij marschen
buiten \'s vijands bereik tot sparing van de troepen zijn
voorgeschreven.
\\ 28. In oorlogstijd verrichten marcheerende troepen
geen eerbewijzen.
Ontmoet een marcheerende troep een officier, die
-ocr page 49-
32
hooger in rang is dan zijn commandant, zoo geeft
deze laatste den militairen groet. Is die officier op
eenigerlei wijze bevelhebber van de troepen, die de
colonne uitmaken, dan maakt bedoelde commandant
hem tevens rapport omtrent het doel van den marsch.
Ordonnansen kunnen volstaan met den commandant
eener colonne, die zij ontmoeten, te groeten, zonder
daarbij den gang te vertragen.
§ 20. Wanneer troepen van verschillende wapens
gezamenlijk marcheeren, moeten bij de uitvoering van
den marsch steeds de eigenaardigheden worden in
acht genomen van dat wapen, hetwelk met het oog
op tijd, ruimte, enz. volgens de hiernavolgende be-
palingen in de minst gunstige omstandigheden verkeert.
INDEELING VAN DE MARSCHEN.
g 30. In een zaakkundige en regelmatige indeeling
der opvolgend af te leggen marsenen, in verband met
den tijd voor het afleggen van groote afstanden be-
schikbaar, in dier voege dat geen te groote marsenen
uitgevoerd behoeven te worden en nu en dan rust-
dagen kunnen worden gehouden, is een waarborg
gelegen voor het behoud van de slagvaardigheid der
troepen.
Bij colonnes van geen grootere sterkte dan die bij
ons leger doorgaans zullen voorkomen, mag worden
aangenomen, dat de lengte van den qewonen marsch
voor de infanterie gemiddeld 25 KM., voor de bereden
wapens gemiddeld 35 KM. mag bedragen, waarbij alsdan
na elke 3 a. 4 marschdagen een rustdag wordt gehouden.
-ocr page 50-
33
Moet de voorgeschreven afstand in korteren tijd
worden afgelegd, dan door middel van gewone marsenen
mogelijk is, zoo wordt gebruik gemaakt van snelle of
van geforceerde marsenen.
De snelle marsenen zijn in den regel voor de onbe-
reden troepen niet langer dan 30 a 35, voor de
Ijereden wapens gemiddeld 45 KM. Daarbij worden
rustdagen niet geregeld gegeven, zonder dat zij evenwel
geheel mogen worden achterwege gelaten.
Zijn de marsenen grooter dan hierboven is aange-
geven , dan worden zij geforceerde marsehen genoemd.
Men maakt er slechts bij uitzondering gebruik van
en wel niet langer dan 3 ;\'i i dagen achtereen.
Een bijzonder soort van geforceerde marsehen zijn
die zonder indeeling van den dag, waarbij de troepen,
met inachtneming slechts van de tot rusten en koken
benoodigde tusschenpoozen, dag en nacht doormar-
cheeren.
Daar deze marschen slechts voor afstanden tusschen
de 50 en 80 KM. eenig voordeel in snelheid opleveren,
en overigens zeer afmattend voor de troepen zijn,
mogen zij niet dan bij hooge noodzakelijkheid worden
toegepast.
§ 31. In de nabijheid van den vijand zal eene
regelmatige indeeling van de marschen dikwijls ver-
ijdeld worden, aangezien hunne lengte alsdan niet
alleen van den eigen wil, maar ook van de handelingen
des vijands afhangt.
;i
-ocr page 51-
34
INDEELING VAN DE MARSCHCOLONNE.
§ 32. Buiten het bereik van den vijand is het
doelmatig, dat de drie wapens elk op zich zelf en zoo
mogelijk langs verschillende wegen marcheeren.
Aan de infanterie wordt dan de kortste, aan de
cavalerie de zachtste en aan de artillerie en trein <i\'
hardste weg aangewezen, nochtans met dien verstande,
dat de mindere begaanbaarheid van den aan eeni;.
wapen aan te wijzen weg, de voordeden, aan het
afzonderlijk marcheeren verbonden, niet doet verlor; i
gaan.
Beschikt men slechts over één weg, dan laat men
de infanterie het eerst afmarcheeren, op ruimen afstand
door de artillerie en de cavalerie gevolgd.
Mochten onvoorziene omstandigheden oorzaak zijn.
dat de infanterie door de andere wapens wordt in-
gehaald , dan moet, tenzij de opdracht dier wapen;;
geen uitstel gedoogt, van de eerstvolgende rust der
infanterie of van een breed gedeelte van den weg
partij getrokken worden, om de bereden wapens te
te doen voorbijtrekken.
£ 33. In de nabijheid van den vijand marcheeren
de bij elkaar gevoegde afdeelingen der verschillende
wapens in gevechlscohnne.
Een verdeeling der troepenmacht in meerdere colonnes,
die op verschillende wegen op gelijke hoogte met elka;:
marcheeren, is voordeelig, zoolang deze colonnes, in
verband met hare sterkte, elkander tijdig kunnen
ondersteunen.
-ocr page 52-
35
Iedere colonne, die er aan bloot staat, in een gevecht
gewikkeld te worden, zal zoo doenlijk uit de drie
wapens worden samengesteld.
Een voor alle gevallen doorgaande indeeling van de
verschillende wapens in eene gevechtscolonne kan niet
worden aangegeven. Als algcmeene regel geldt, dat
het wapen, hetwelk met het oog op het terrein en
het doel van het gevecht het eerst in werking moet
komen, geheel of gedeeltelijk aan het hoofd der colonne
marcheert.
Overigens moet hij de indeeling het volgende worden
in acht genomen :
i". Wanneer een zelfstandige eenheid (compagnie,
bataljon , eskadron , batterij, regiment, brigade) tenge-
volge van de indeeling moet worden verdeeld, dan
wordt aan het bij de hoofdcolonne ïnarcheerende gedeelte
dier eenheid zoodanige plaats aangewezen, dat het ver-
broken tactisch verband, bij een gevecht zoo spoedig
doenlijk hersteld kan worden.
Zijn verdere detacheeringen noodig, dan geschieden
zij van reeds gesplitste eenheden.
2°. De cavalerie, als het wapen dat bij uitnemend-
heid voor den waarneiningsdienst geschikt is, zal na
aftrek van de onderdeden, voor het verrichten van
den ordonnansendienst of van den veiligheidsdienst bij
de colonne benoodigd, deze gewoonlijk in haar geheel
voorafgaan of bij den terugtocht volgen.
Wordt bij uitzondering een gedeelte van dit wapen
niet tot bovengenoemde diensten gebezigd, dan marcheert
het vereenigd aan het hoofd of aan den staart der
colonne.
-ocr page 53-
30
3°. De artillerie wordt in de colonne zóóver naar
\'svijands zijde ingedeeld, als met haar veiligheid is
overeen te brengen. Hierbij moet echter rekening ge-
houden worden met de meerdere of mindere ontwikkeling
van dat wapen, welke het terrein toelaat en met het
te bereiken doel. De artillerie wordt echter altijd door
infanterie (of cavalerie) voorafgegaan en gevolgd.
Alleen bij hooge noodzakelijkheid wordt eene batterij
gesplitst.
Bij de voorhoede ingedeeld, marcheert de artillerie
bij den hoofdtroep.
Voor de artillerie der hoofdcolonne is, bij marsenen
naar den vijand, de beste plaats over het algemeen
achter het voorste bataljon of, bij zeer groote troepen-
afdeelingen, achter het voorste regiment infanterie.
4°. De genietroepen worden, wanneer men de zeker-
heid niet heeft, dat de wegen in bruikbaren staat
zijn, bij de voorhoede ingedeeld en marcheeren alsdan
bij den voortroep. Blijven zij bij de hoofdcolonne,
dan marcheeren zij aan het hoofd daarvan, wanneer
bij de later te verwachten gebeurtenissen hun hulp in
eenig opzicht vereischt kan worden.
5". Bij de indeeling dei- verbandplaatsafdeelingen
en hare sectiën worden de aanwijzingen van het Voor-
schrift betreffende den Geneeskundigen Dienst in tijd
van oorlog, te velde en in versterkte plaatsen gevolgd.
§ 34. Bij iedere uit verschillende wapens of korpsen
bestaande colonne, is de oudste officier in rang com-
mandant der colonne.
Hij regelt als zoodanig alle details voor den marsch,
-ocr page 54-
37
voor zoover daarin niet bij het marschbevel is voorzien,
en blijft voor de goede uitvoering van den marsch
aansprakelijk. Tenzij daartoe van hoogerhand iemand is
aangewezen, kan hij, onder zijne verantwoordelijkheid,
aan een officier de zorg voor het volgen van den goeden
weg opdragen.
MARSCHFORMATJE VAN DE VERSCHILLENDE WAPENS.
£ 35. Het niarcheeren niet een breed front (niet
afdeelingen) is altijd te verkiezen, doch dit zal ten
gevolge van de geringe breedte der wegen, waarvan
bovendien steeds tot het voorbijrijden van officieren,
ordonnansen, enz. een gedeelte vrij moet blijven,
veelal niet kunnen geschieden. Men zal meestal genood-
zaakt zijn, de troepen te voet met verdubbelde rotten,
de cavalerie met tweeën, soms met vieren, de artillerie
en den trein met stukken of voertuigen te laten
marcheeren.
Het vermeerderen van de frontbreedte der afdeelingen
gedurende den marsch heeft alleen dan plaats, wanneer
men eenigen tijd in de nieuwe formatie kan blijven
doormarcheeren.
\\ 36. Alhoewel het in de nabijheid van den vijand
tot sparing van de troepen raadzaam is, de wegen te
blijven volgen, en dientengevolge dezelfde formatiën te
blijven behouden, welke voor marsenen buiten \'s vijands
bereik het meest geschikt worden geoordeeld, zoo zal
men echter in sommige gevallen, waarbij vermindering
der colonnenlengte met de daarmede verbonden moge-
lijkheid van spoediger ontwikkeling tot het gevecht
-ocr page 55-
38
wenschelijk is, van het terrein naast de wegen gebruik
moeten maken. De infanterie marcheert alsdan het
best in gesloten colonne op zes passen afstand (bij
voorkeur met pelotons), de cavalerie in colonne met
pelotons, de artillerie in gesloten colonne met sectiën.
§37. De aanduiding der marschformatiën bij de
ontwikkeling tot het gevecht en op het gevechtsterrein
blijft aan de commandeerende officieren overgelaten.
DIEPTE VAN DE COLONNES.
g 38. Teneinde bij al de deelen vaneen marcheerende
colonne het onderhouden van een gelijkmatigen gang
te bevorderen, en de voortplanting van iedere stoornis
in den marsch van de eene afdeeling op dien van de
volgende te voorkomen — hetgeen het meest er toe
bijdraagt om het verlengen der colonne tegen te gaan,
vooral indien zij van aanzienlijke sterkte is — moet
reeds bij den afmarsch op eenige speling in de afstanden
gerekend worden. Daartoe wordt achter iedere onder-
afdeeling de volgende tusschenruimte genomen:
achter een compagnie infanterie of genietroepen 10 pas
» » bataljon           » ......50 »
» * eskadron cavalerie (1).....20 »
o » regiment infanterie of cavalerie. . 50 »
» i) veld- of rijdende batterij.... 30 »
» i) afdeeling veld- of rijdende artillerie. 50 »
» » divisie of zelfstandige brigade . . 500 »
tusschen onderdeden van verschillende wapens
[1) Zie voor de tusschenruimte tusschen de pelotons de Eskadrons-
school te paard.
-ocr page 56-
39
(infanterie, cavalerie en artillerie). . . .    60 pas
achter een zelfstandige afdeeling van een trein    50 »
achter een onderafdeeling van een treinafdeeling    10 »
tusschen bijeenmarcheerende gevechtstreinen
(§ 59) van regements- of afdeelingsstaven
en bataljons, eskadrons of batterijen . .    10 »
tusschen troepen en de onmiddellijk daarachter
marcheerende treinafdeeling.....    10 »
De voertuigen houden 4 pas onderlingen afstand. (1)
(1) Teneinde de berekening van de diepte eener volgens dit voor-
schrift marcheerende colonne gemakkelijk te maken, volgt hier een
opgaaf in ronde cijfers van de diepte, met inbegrip van de in deze
§ vermelde afstanden, van:
1°. verschillende troepenafdeelingen op oorlogssterkte met den
gevechtstrein ,
2°. bagagetreinen,
3". den grooten trein.
Hierbij is gerekend, dat de infanterie met verdubbelde rotten,
de artillerie alsmede de trein in colonne met een stuk of voertuig
in front marcheert. Alle patrooncaissons zijn bij den grooten trein
in rekening gebracht.
1°. TROEPENAFDEELINGEN.
Staf eener Divisie (zonder gevechtstrein)........     60  pas
Gevechtstrein van den Staf eener Divisie.......     35    »
Staf eener zelfstandige Brigade (zonder gevechtstrein). .      30    »
Gevechtstrein van den Staf eener zelfstandige Brigade.     15    »
Een compagnie infanterie...............    100    »
» bataljon infanterie................    420   »
» regiment infanterie van 4 bataljons.......  1870   »
» eskadron in colonne met vieren.........    180   »
» eskadron in colonne met tweeën.........    275    »
» regiment cavalerie vah 5 eskadrons in colonne met
vieren (zonder materieel voor ambulancedienst).     1065    »
» regiment cavalerie van 5 eskadrons, in colonne met
tweeën (als boven)...............  1550    »
» batterij veldartillerie...............    355    »
-ocr page 57-
40
Kleine afdeelingen van 1 tot 3 bataljons infanterie,
2 tot 4 eskadrons cavalerie of 2 tot 4 batterijen mogen
de afstanden zonder eenig bezwaar nog eenigszins grooter
nemen, wanneer dit bijv. ter voorkoming van hinder
door stof en dus tot gemak der troepen kan strekken.
Een afdeeling veldartillerie van 2 batterijen......    790 pas
» afdeeling veldartillerie van 4 batterijen......  1540   »
» regiment veldartillerie..............  2375    »
» batterij rijdende artillerie.............    450   »
Het korps rijdendeartillerie..............    950    »
Een veldcompagnie genietroepen...........    115   »
» sectie eener verbandplaatsafdeeling (zonder gerequi-
reerde voertuigen)................    225    »
» verbandplaatsafdeeling..............    700    »
Eene Divisie van 3 regimenten infanterie van 4 bataljons,
1 regiment veldartillerie, 1 veldcompagnie genie-
troepen on eene verbandplaatsafdeeling, zonder afstand
tussclien hoofdcolonne, voorhoede en andere troepen
voor veiligheidsdienst (de cavalerie wordt geacht voor-
uitgezonden te zijn)................
  9125    »
2°. nAOAGETNEINEN.
Staf eener Divisie , . ......                 120  pas
» eener zelfstandige Brigade ... ........      30   »
Een compagnie infanterie...............       7    »
» bataljon infanterie................      55    »
» regiment infanterie van 4 bataljons........    260    »
» eskadron....................      13    »
» regiment cavalerie van 5 eskadrons.......    140   «
» batterij veldartillerie...............      GO,    »
» afdeeling veldartillerie van 2 batterijen......    160   »
» afdeeling veldartillerie van 4 batterijen......    29o    »
» regiment veldartillerie..............    505    »
» batterij rijdende artillerie.............      60    »
Het korps rijdende artillerie.............    155    »
Een veldcompagnie genietroepen............       7    »
Bagagetrein van een Divisie, (als boven met inbegrip van
een regiment huzaren van 5 eskadrons)......  1800   »
-ocr page 58-
41
§ 39. In \'s vijands nabijheid inarcheerende mogen
de in de vorige § opgegeven afstanden tusschen de
onderdeelen en wapens behouden blijven, indien er
geen waarschijnlijkheid tot een gevecht bestaat. Men
3°. UROOTE TREIN.
Een veldteUgraafafdeeling met 2 kabehvagens..... 00 pas
Munitietrein (zonder de reserve der 1ste treincompagnie).
Infanterie-mnnitictrein.
Een sectie................... 00 »
» colonne..................275 >
Reserve sectie................. 70 »
Geheele infanterie-munitietrein eener Divisie......1040 »
AvtUlevie-munitietrein.
Een colonne..................105 »
Geheele artillerie-munitietrein eener Divisie......755 »
Geheele munitietrein eener Divisie..........1870 >
Munitietrein van het korps rijdende artillerie.....220 »
Een veldhospitaal (zonder gerequireerde voertuigen). . 70 »
Verplegingstrcin (zonder gerequireerde voertuigen en
reserve der 2de treincompagnie, en gesplitst in 2
afdeelingen van 10 transportwagens en 1 reservesectie).
Een afdeeling.................145 »
De geheele verplegingstrein..............410 »
Pontontrein {gesplitst in 2 sectiën van 6 ponton- en
schraagwagens en 1 reservesectie).
Een sectie van 0 ponton- en schraagwagens. . . 140 »
De geheele pontontrein................405 »
Groote trein eener Divisie...............3100 »
Heeft een troepenatdeeling een mindere sterkte dan de organieke,
dan moet dit in rekening gebracht worden, in dier voege  dat van
de colonne-lengte wordt afgetrokken:
Voor elke 10 man per compagnie minder op de lengte
van het bataljon..................      17 pas
Voor elke 2 ruiters minder in de colonne met tweeën .        4 »
Voor elke 4 ruiters minder in de colonne met vieren .        4 »
Voor elk kanon bij de veldbatterijen.........      23 »
Voor elk kanon bij de rijdende batterijen, de afdeelingen
-ocr page 59-
42
moet evenwel al het mogelijke in het werk stellen, om te
voorkomen dat zij grooter worden, dan daar is bepaald.
Ontstaat bij deze of gene afdeeling, ten gevolge van
eenige stoornis, vertraging of verlenging der colonne,
dan blijft de volgende afdeeling doormarcheeren en,
vertraagt het marschtempo niet, alvorens zij geheel op
de voorgaande is opgesloten.
§ 40. Geldt het een marsch tot het gevecht, dan
moeten de afstanden, die in de exercitie-reglementen
der verschillende wapens zijn voorgeschreven, onder-
houden worden.
HET UUK VAN AFMARSCH.
g 41. Bij het bepalen van het uur van afmarsch
moet worden in acht genomen, dat troepen te voet
ten minste 1 uur, en troepen te paard l\'/s a 2 uren
tijds na de reveille behoeven, om behoorlijk marsch-
vaardig te zijn. Wat de artillerie en den trein betreft,
is bedoelde tijdruimte ook afhankelijk van de ligging
met vieren marcheercnde.............. 33 pas
Voor elk kanon bij de rijdende batterijen, de afdeelingen
met tweeën marcheerende............ 41 »
Voor elk voertuig met 0 paarden bespannen...... 21 »
Voor elk voertuig met 4 paarden bespannen...... 17 »
Voor elk vierradig voertuig met 2 paarden bespannen . 13 »
Voor elk tweeradig voertuig............. 11 »
De bij marschcolonnes blijkens de ervaring steeds voorkomende
verlenging der colonne neemt naarmate der omstandigheden meer of
minder gront.e afmetingen aan; het is ondoenlijk daarvoor een voor
alle gevallen geldigen maatstaf op te geven; de verlenging neemt toe
met de meerdere diepte der colonne en met het bestaan van de
verschillende omstandigheden, die vertraging in de marschsnelheid
veroorzaken (Zie de noot bij § 45).
-ocr page 60-
43
van het park ten opzichte van de kwartieren der be-
spanningen.
Indien de omstandigheden het veroorloven, moet
men zelfs midden in den zomer de infanterie bij voor-
keur niet vóór 5 en de bereden wapens niet voor 5\'/2
a 6 uur \'s morgens laten afmarcheeren; in minder
gunstige saizoenen niet vóór zonsopgang.
Bij drukkende hitte is het echter aan te bevelen zóó
vroegtijdig op te breken, dat de troepen niet later dan
tegen den middag de plaats hunner bestemming bereiken.
Overigens moet men het steeds zoodanig trachten
in te richten, dat de troepen ten minste een paar uren
vóór het invallen van de duisternis in hun kwartieren
of bivak aankomen. Dit is van groot gewicht voor de
goede bereiding van de voeding, het vlug uitdeelen
van levensmiddelen en fourage, het in orde brengen
van wapenen, uitrusting en harnachement, de ver-
pleging der paarden en het verrichten der noodige
herstellingen aan het materieel.
§ 42. Het is van veel belang, om de verschillende
onderdeelen eener colonne niet vroeger te doen aan-
treden, dan voor ieder onderdeel noodzakelijk is. Met
het oog hierop is ieder commandant persoonlijk er voor
verantwoordelijk, dat zijn afdeeling van den haar ver-
leenden rusttijd zoolang mogelijk blijve genieten.
De bereden wapens mogen met het opstangen der
paarden niet vroeger aanvangen, dan voor een tijdigen
afmarsch noodig is.
§ 43. Moeten de troepen niet uit een gemeen-
schappelijk bivak, maar uit kantonnementen afmar-
-ocr page 61-
44
clieeren, dan sluiten de verschillende afdeelingen in
de richting van den marsch op den te volgen weg bij
de colonne aan.
Aan iedere afdeeling wordt dan opgegeven het punt
waar, en de tijd waarop zij gereed moet staan, om
hare plaats in de colonne in te nemen.
§ 44. In de nabijheid van den vijand zal het uur
van "afmarsch veelal bepaald moeten worden naar het
tijdstip, waarop de colonne het doel van den marsch
moet bereiken. Een nauwkeurige en oordeelkundige
overweging van de lengte van den marsch, de marsch-
snelheid, de sterkte der colonne, de te ontmoeten
hindernissen, den tijd benoodigd tot opruiming daar-
van , den toestand der troepen en de weersgesteldheid,
in verband met bovenbedoeld tijdstip, wordt alsdan in
hoogere mate vereischt dan bij marsenen buiten \'s vijands
bereik.
Overigens worden, zooveel de omstandigheden het
toelaten, de regels in acht genomen, die in de vorige
§§ zijn aangegeven.
SNELHEID VAN BEWEGING.
g 45. De commandant eener colonne regelt de
snelheid van het marschtempo naar de lengte der
colonne, den toestand der wegen, de weersgesteldheid,
den tijd van den marsch (dag of nacht) en den toe-
stand waarin menschen en paarden zich bevinden (1).
(1) Ter berekening van den tijdduur van een marsch onder on-
gunstige omstandigheden, neme men aan dat hij per 5 KM. wordt
verhoogd:
-ocr page 62-
45
De voorschriften voor de marschregeling, in § 40 en
ook die in § 49 voorkomende, moeten dan ook als
een algemeene leidraad worden beschouwd, waarvan
naar den eisch der omstandigheden mag worden af-
geweken. Het behoud van de slagvaardigheid der
troepen moet daarbij immer als hoofdzaak in het oog
worden gehouden.
§ 46. Infanterie kan, ter sterkte van één bataljon,
de reglementaire snelheid van 115 pas in de minuut,
met inachtneming der noodige rusten, bij marsenen
tot 25 KM. volhouden, mits de wegen in goeden staat
zijn, de weersgesteldheid door hitte of\' wind, enz. geen
storenden invloed uitoefent en de troepen in goeden
staat verkeeren.
Bij afdeelingen ter sterkte van een regiment infanterie
en meer zal men onder dezelfde omstandigheden op
niet veel meer dan 100 pas in de minuut mogen
rekenen; maar dit tempo moet dan ook gevorderd
worden.
door zand- en slikkerige wegen met                                 10 a 15\'
» sterk hellende wegen (in ons land slechts bij uit-
zondering en over korte afstanden voorkomende) met
         10 a 15\'
bij 20 h 25° C warmte met
                                            12 il 15\'
» 30° C. » 5
                                               30 a 60\'
» sterken tegenwind » 20 a 30\'
» matigen tegenwind met regen of sneeuw
                    10 a 15\'
» zwaren regen of sneeuw zonder wind
                            7 a 10\'
Buitengewone hitte, gepaard met zware stofwolken op den weg,
laat geen berekening toe.
Bij nachtmarschen moet men ongeveer de helft van den marsch-
tijd, over dag noodig, er bij tellen.
Koude laat. bij goede wegen versnelling van het marschtempo toe.
-ocr page 63-
46
Cavalerie legt in stap op den langen duur 133 pas
(100 meter) in de minuut af. Wanneer de toestand
der wegen het eenigszins toelaat, moet dit wapen bij
afwisseling stappen en draven, om zoodoende met
inbegrip van de rusten ongeveer 7300 M. in het uur
af te leggen. Deze snelheid wordt verkregen door een
afwisseling van 10 minuten stap en 5 minuten draf,
waarvan het reglementaire tempo 300 pas (225 M.) in
de minuut is.
Intusschen kan, wanneer de omstandigheden het
noodzakelijk maken, van de cavalerie een grootere
snelheid worden gevorderd, door de afwisseling van
7\'/2 minuut draf en 5 minuten stap. Deze snelheid,
waarmede, met inachtneming van een mindere snelheid
bij den aanvang en tegen het einde van den marsch
en van de rusten, 8300 a 8600 M. in het uur wordt
afgelegd, kan zonder bezwaar voor de paarden tot op
afstanden van 00 KM. worden volgehouden. Is de
marsch grooter, dan moet in matiger tempo worden
gereden.
Veld- en rijdende artillerie kunnen op goede wegen
bij gewone marschen het evenvermelde marschtempo
van de cavalerie volhouden. Rijdende artillerie kan
dit op goede zandwegen zelfs bij grootere marschen
nog doen.
Het marschtempo van veldartillerie met afgezeten
bedieningsmanschappen en van de militaire treinvoer-
tuigen is iets sneller dan dat van de infanterie; voor
korte marschen mag men op 120 a 125, voor grootere
op 115 pas per minuut rekenen.
-ocr page 64-
47
Treinen, waarbij gerequireerde voertuigen zijn, be-
wegen zich gewoonlijk met geen grooter snelheid dan
90 pas in de minuut.
§ 47. De infanterie moet den marsen in een lang-
zaam tempo aanvangen, en dit slechts gaandeweg tot
100 iï 115 pas in de minuut versnellen. Het onder-
houden van een regelmatigen en niet te grooten pas is
van groot belang.
Het aileggen van het eerste en het laatste gedeelte
van den marsch, evenals van een eind wegs vóór en
na elke rust, geschiedt bij bereden wapens steeds in
stap.
§ 48. In de nabijheid van den vijand is de zorg
voor een goed gekozen en regelmatig marschtempo van
nog meer belang dan bij marsenen buiten \'s vijands
bereik, omdat het uit elkander geraken der colonne
de troepen, die bij een vijandelijke ontmoeting het eerst
in gevecht komen, langer dan noodig en wenschelijk
is, zonder ondersteuning laat.
DE RUSTEN.
§ 49. De tijd voor de rusten bestemd verschilt
voor de troepen te voet of te paard, wanneer zij af-
zonderlijk marcheeren. Marcheeren verschillende wapens
te samen, dan regelt alles zich te dien opzichte naar
de infanterie:
Bij troepen te voet wordt ongeveer */* uur buiten
het nachtkwartier en verder om het uur een kleine
halt van 5 a 10 minuten gemaakt. Bij marsenen van
?■
-ocr page 65-
48
meer dan 25 KM. wordt na de grootste helft van den
marsch een groote rust van \'/, ;ï 1 uur gehouden.
Alleen bij zoodanige groote rust worden de geweren
aan rotten gezet en de bepakking afgelegd.
Troepen te paard houden in den regel, na \'/, uur
gemarcheerd te hebben, waarbij 5 minuten draf, een
rust van 5 minuten, om de paarden gelegenheid te
geven tot stallen en om het harnachement en de be-
pakking na te zien. Is de marsch niet. grooter dan
25 KM., dan wordt halverwege een rust gehouden van
10 tot 15 minuten. Bij marsenen van 25 tot 4-0 KM. wordt
deze rust met 10 tot 15 minuten verlengd en voor iedere
10 KM. meer telkens op nieuw een rust van 10 minuten
gehouden. Na GO KM. afgelegd te hebben, is eeu
lange rust van 4 i\'i 5 uren wenschelijk. Bij alle
rusten stijgen de ruiters af en plaatsen de paarden
zoo mogelijk met het kruis in den wind.
g 50. De onderdeden van dezelfde colonne moeten
gelijktijdig en evenlang rusten, en mogen van den
daartoe gegeven tijd geen gebruik maken, om verloren
afstanden te hernemen. Dit laatste mag alleen ge-
schieden in elk bataljon, eskadron, batterij of trein-
afdeeling. Aan den staart van ieder der genoemde
onderdeden marcheert zoo mogelijk een hoornblazer
of trompetter om het signaal nhalt" of «voorwaarts"
onmiddellijk voor de volgende afdeeling over te
nemen.
g 51. Indien de troepen onder den marsch het
middageten moeten koken of gebruiken, of de paarden
moeten gevoederd worden, dan marcheert de colonne
-ocr page 66-
40
op een daartoe geschikte plaats in geconcentreerde
orde op. Daar voor het koken 2\'/, uur noodig kan
zijn, ingeval er brandhout en water aanwezig zijn,
zoo moet zoodanige rust, die bij lange marschen op
zeer warme dagen aanbeveling verdient, in dat geval
minstens 4 uur duren.
g 52. Voor het rusten worden bij voorkeur lom-
merrijke plaatsen gekozen, waar de troepen tevens tegen
sterken wind beschut zijn en goed drinkwater kunnen
verkrijgen. Het is aan te bevelen, om de rustplaatsen
door vooruitgezonden bereden officieren te doen uit-
zoeken. Afwijking van den regel in g 50 betreffende het
gelijktijdig halt houden voorgeschreven , wordt vergund,
wanneer eenige afdeeling daardoor zoodanige geschikte
rustplaats kan bereiken of verkrijgen.
§ 53. Ofschoon het in de nabijheid van den vijand
in het belang van de troepen is, de rusten op gelijke
wijze te regelen als bij marschen buiten \'s vijands be-
reik, zullen echter de omstandigheden dit dikwijls niet
veroorloven. De rusten kunnen alsdan niet altijd regel-
matig plaats hebben; veeltijds zal men dan moeten
gebruik maken van die oogenblikken, waarin de colonne
verplicht is halt te maken, om niet te dicht op de
voorhoede te komen.
Trekt de colonne een défilé door, dan wordt de
rust gehouden, wanneer men de engte achter den rug
heeft.
De rusten hebben plaats onder beveiliging der veilig-
heidstroepen , die daartoe bij kleine rusten of halten
allen, genoegzaam ter plaatse, front maken naar buiten
4
-ocr page 67-
50
en bij groote rusten zoo noodig in een stelling opmar-
cheeren.
MAKSCHD1SCIPLINE EN GEZONDHEIDSMAATREGELEN.
g 54. Onder rnarschdiseipline verstaat men het be-
waren van orde bij een marcheerenden troep en de
stipte naleving van alle voor den marsch voorgeschreven
bepalingen.
Aangezien zij den zekersten waarborg oplevert voor
de goede uitvoering dei\' marsenen en dus voor het te
rechter tijd en in slagvaardigen toestand aankomen der
troepen op de plaats hunner bestemming, zoo moeten
alle bevelvoerende officieren er streng voor waken, dal
de regels, daaromtrent in dit voorschrift en in de
exercitie-reglementen der verschillende wapens voorge-
schreven, nauwgezet worden nagekomen.
Het bewaren van een strenge rnarschdiseipline moe»
ten allen tijde en onder alle omstandigheden, ook bij
marsenen met kleine afdeelingen, worden gehandhaafd
opdat dit den soldaat tot gewoonte worde.
§ 55. Bij alle marsenen moeten zoowel in het belang
van hun goede uitvoering als in dat van de soldate!,
de volgende regels in het oog worden gehouden\':
1". Vóór den afmarsch overtuige men zich, dal
wapenen, munitie, kleeding en schoeisel in goeden
staat zijn; dat bij troepen te paard aan beslag, op-
zadelen, optuigen en bepakking niets ontbreekt en dai
man noch paard door het medenemen van goedere;
boven de reglementaire uitrusting bezwaard wordt; da
de voertuigen met niet meer dan het voorgeschrevci
-ocr page 68-
r.i
beladen zijn en dat zij slechts door de in dit voorschrift
of de exercitie-reglementen aangewezenen begeleid
worden. Beslag, zadeltuig, bepakking, enz. moeten
bij iedere rust zorgvuldig nagegaan , losse ijzers onmid-
dellijk vastgelegd, verloren,ijzers vervangen en fouten
in het optuigen of oppakken verbeterd worden.
2". Ieder marcheert op de hem in de exercitie-
reglementen aangewezen plaats; de officieren waken,
hierin door het kader ondersteund, dat de manschappen
behoorlijk in rij en gelid blijven marcheeren en nimmer
zonder bepaalde noodzakelijkheid en zonder hun voor-
kennis de gelederen verlaten.
Die officieren, voor welke in de exercitie-reglementen
geen plaats in de marschcolonne is aangewezen, mar-
cheeren aan het hoofd der afdeeling, waartoe zij be-
hooren. De bij de korpsen ingedeelde officieren van
gezondheid houden zich echter in den regel aan den
staart hunner afdeeling op; zij bepalen in hoeverre
ongestelde militairen den marsch kunnen vervolgen, in
de ziekenkarren of wagens opgenomen en medegevoerd,
of wel onmiddellijk in de meest nabij zijnde plaats in
behandeling genomen moeten worden.
3°. De weg wordt steeds aan eene en wel aan de
voor den marsch der troepen minst gemakkelijke zijde
vrijgehouden, om het voorbij rijden van bevelhebbers,
adjudanten, ordonnansen, enz. niet te belemmeren.
Bestaat er geen reden van voorkeur voor de eene of
andere zijde, dan wordt de linker vrijgehouden.
Bij de infanterie kunnen echter ook naar omstandig-
heden de gelederen met verdubbelde rotten aan beide
-ocr page 69-
5-2
zijden van den weg marcheeren, zoodat alsdan het
midden daarvan vrij blijft.
Een of ander wordt door den commandant der
colonne of van hoogerhand bevolen.
4°. In \'t algemeen moet getracht worden bij mar-
cheerende troepen een opgeruimde stemming op te
wekken en te onderhouden.
Buiten de steden mag gerookt en uit den pas ge-
marcheerd worden, terwijl alsdan steeds de bajonet
wordt afgenomen, tenzij de nabijheid van den vijand
dit niet wenschelijk maakt.
De manschappen dragen hun geweer naar goedvinden,
maar nimmer op zoodanige wijze dat de een den ander
hindert.
De vergunning tot rooken wordt ook aan de artil-
lerie verleend; het moet daar echter worden gestaakt,
zoodra te voorzien is dat de voorwagens of caissons
weldra zullen worden geopend.
5\'. Bij troepen te paard moet er op gelet worden
dat de ruiters rustig en recht blijven zitten en zelfs
bij de vermoeiendste marschen niet slapen. De ruiters
houden de paarden steeds in de hand; vooral zorgen
zij hun voorlieden niet op te rijden.
Bij voertuigen moet worden toegezien, dat alle paar-
den gelijkmatig trekken.
Bij groote marschen, warm weder of strenge koude
moeten de paarden door de ruiters van tijd tot tijd
aan de hand worden geleid. Bij de veldartillerie leiden
dan de kanonniers — die in den regel alleen in draf
opgezeten zijn — en de bij de voertuigen ingedeelde
manschappen de vandehandsche paarden.
-ocr page 70-
53
6°. Niemand, behalve de officieren, mag in de
colonne »halt", »marsch" of «voorwaarts" roepen.
7°. De voorgeschreven tenue moet stipt worden in
acht genomen, en alleen op bevel van den commandant
der colonne mag de kapotjas, attilla, enz gedeeltelijk
losgeknoopt, de kraag opgezet, de halsdas afgedaan of
de kraag losgemaakt worden.
8°. Bij putten en pompen worden gedurende de
rusten schildwachten geplaatst, wanneer het onmid-
dellijk drinken van koud water wegens verhitting dei-
troepen moet worden belet.
9°. Moet een voertuig tengevolge van eenige be-
schadiging den marsch staken, dan wordt het eerst uit
den weg geruimd en daarna zoo mogelijk hersteld.
10". De commandant eener colonne overtuigt zich
van tijd tot tijd persoonlijk van den geregelden marsch.
Hij wijst verder, naarmate van de lengte der colonne,
een of meer bereden officieren aan, die aan den staart
of langs de colonne verdeeld marcheeren en ten taak
hebben hem onverwijld te verwittigen, wanneer het
aan het hoofd der colonne aangenomen marschtempo
stoornis bij een der volgende afdeelingen veroorzaakt.
Het vermeerderen of verminderen van de snelheid
van het tempo moet langzamerhand en ongevoelig ge-
schieden. De commandanten der met tusschenruimte
marcheerende afdeelingen worden van de wijziging in
het tempo verwittigd.
11\', Gaan de afstanden verloren, dan blijft iedere
afdeeling, zoo noodig met opoffering der bestaande
tusschenruimten, zoo lang mogelijk door marcheeren.
-ocr page 71-
54
De afstanden worden, zoodra de oorzaak van hun ver-
oren gaan geen invloed meer doet gevoelen, gaandeweg
hernomen, zonder dat dit bij eenige afdeeling aan-
leiding mag geven tot het aannemen van een marsch-
tempo, waarbij te veel van de krachten van menschen
of paarden wordt gevorderd.
Mochten onverhoopt de afstanden tusschen de af-
deelingen zoodanig verloren gaan dat er bij eenig
onderdeel twijfel zou kunnen ontstaan over den te
volgen weg, dan moet de officier, die aan den staart
der voorgaande afdeeling marcheert, een of meer ver-
bindingsrotten in de ontstane tusschenruimte achter-
aten.
12°. Bij elke rust en zelfs gedurende den marsch
moet zooveel mogelijk reeds van te voren door voor-
uitgezonden officieren worden gezorgd, dat emmers
en bakken met water gevuld voor de nabij gelegen
huizen en in bewoonde oorden gereedstaan, om menschen
en zoo noodig paarden te doen drinken en de leege
veldflesschen te doen vullen.
Het gebruik van sloot- of ander slecht water moet
streng worden tegengegaan.
De paarden laat men niet drinken, voordat de adem-
haling weder geheel overeenkomt met dien in den
toestand van rust.
13°. Natte kleeding of schoeisel moet in het kwar-
tier of bivak zooveel mogelijk terstond met droge
verwisseld en de natte voorwerpen gedroogd worden.
14°. Na afloop van den marsch moeten, zoodra
het lichaam afgekoeld is, het aangezicht, de handen en
de voeten met koud of lauw water gewasschen worden.
-ocr page 72-
55
De bereden troepen verzorgen allereerst hun paarden.
15°. Daar de afdeeling, welke aan het hoofd mar-
cheert, de minste vermoeienis ondergaat, is het aan
te bevelen om de compagnieën in hut bataljon, de
bataljons en de eskadrons in het regiment, elk van
de tot eenzelfde afdeeling behoorende batterijen, enz.
bij toerbeurt aan het hoofd te plaatsen.
DE VERPLEGING OP MARSCH
§ 56 Bij de bevelen, aangaande de verpleging op
marsch aan de troepen uit te vaardigen, moet aller-
eerst op de wenschelijkheid worden gelet, dat de man
en het paard nimmer op marsch gaan zonder voedsel
te hebben gebruikt.
Hoewel het in het algemeen raadzaam is, de troepen
zooveel mogelijk denzelfden leefregel als in het gar-
nizoen te doen volgen, zal het echter bij het afleggen
van marschen dikwijls voorkomen, dat er slechts een-
maal \'s daags warm voedsel kan worden bereid. Alsdan
moet \'s morgens brood met koftie genuttigd en het
middagmaal na afloop van den marsch bereid worden.
Voor troepen die laat opbreken en laat op hun nieuwe
standplaatsen aankomen, is het nochtans verkieslijker
den maaltijd te bereiden vóór den afmarsch en het
vleesch geheel of gedeeltelijk mede te nemen, om dit
na den marsch met brood te nuttigen. Wordt een
marsch door een voldoend langdurige rust (g 51) in
twee deelen verdeeld, dan geschiedt de bereiding van
den maaltijd gedurende dien tijd.
Bestaat de gelegenheid om tweemaal warm voedsel
-ocr page 73-
56
te bereiden, dan kan \'s morgens vóór den aimarsch
de soep, na afloop van den marsch het middageten
gebruikt worden.
Het verdient aanbeveling, dat de troepen een ge-
deelte van het brood- en vleeschration en de veld-
flesschen met kofiie gevuld op marsch medenemen,
opdat zij zich gedurende de rusten kunnen verkwikken.
Het voederen van de paarden gedurende den marsch
geschiedt alleen dan, wanneer een langdurige rust
wordt gehouden, derhalve bij het afleggen van groote
afstanden. Alvorens dan te voederen, laat men de
paarden drinken. Voor het overige moet men trachten
den leefregel van het paard zooveel mogelijk in over-
eenstemming te houden met dien in het garnizoen
gevolgd.
§ 57. In \'s vijands nabijheid en vooral indien tevens
een gevecht te verwachten is, weet men nimmer met
zekerheid, wanneer de gelegenheid tot bereiding van
het eten zich zal voordoen. Het is dan van des te
meer belang den man vóór den afmarsch behoorlijk
te voeden.
Na den marsch of het gevecht moet bij aankomst
in het nachtkwartier of bivak zoo mogelijk nogmaals
voor warm voedsel worden gezorgd.
DE MARSCHREGEL1NG VAN DEN TREIN.
§ 58. De bij de troepenafdeelingen behoorende trei-
nen worden verdeeld in kleine trein en groote trein.
De kleine trein wordt onderverdeeld in gevechtslrein
en bagagetrein.
-ocr page 74-
57
§ 59. Tot den gevechtstrein behooren de manschappen,
paarden en voertuigen, die de troepen tot op het ge-
vechtsveld volgen.
De gevechtstrein marcheert onmiddellijk bij de troepen
(zie echter § 71) en bestaat uit de navolgende personen,
paarden en voertuigen, die de daarbij aangeduide
plaatsen innemen :
Bij den staf eener Divisie of zelfstandige Brigade:
De handpaarden van den commandant en van de
officieren van zijn staf, voor zoover deze op het ge-
vechtsterrein volgen, achter den gevechtstrein van het
voorste bataljon der hoofdcolonne.
Bij de infanterie:
Het handpaard van den regiments-commandant achter
den gevechtstrein van het voorste bataljon.
De patrooncaissons, die van de munitiecolonnes
gedetacheerd zijn, en de ziekenkarren met de daarbij
ingedeelde ziekenverplegers (1) achter de afdeeling,
waarbij zij ingedeeld zijn, in de aangegeven volgorde.
Bij de cavalerie:
De handpaarden van alle officieren (die van den
eventueel aanwezigen brigadestaf daaronder begrepen),
de reservepaarden, de van de munitiecolonnes gede-
tacheerde patrooncaissons aan den staart der cavalerie-
afdeeling in de aangegeven volgorde en in die der
eskadrons.
Daarachter het personeel, de paarden en het materieel
(1) Zie voor het personeel en materieel van den geneesknndigen
dienst het «Voorschrift betreffende den geneeskundigen dienst in tijd
van oorlog, te velde en in versterkte plaatsen."
-ocr page 75-
58
voor ambulancedienst. De ziekenverplegers en de pak-
paarden kunnen echter ook volgen achter de eskadrons,
waartoe zij behooren.
Eskadrons, die gedetacheerd worden, nemen hunne
hand- en reservepaarden, hun geneeskundig personeel
en het pakpaard mede.
Bij de veldartillerie:
bij den regimentsslaf:
De handpaarden achter den gevechtstrein van de
door den Regiments-commandant aangewezen batterij.
bij den staf eener afdeeling :
De handpaarden en de ziekenkarren achter den ge-
vechtstrein der batterij, waarbij zij zijn ingedeeld;
bij elke batterij:
Zes caissons, de voorraadaffuit, de handpaarden en
de reservepaarden in de aangegeven volgorde achter
de vuurmonden; de reserve-manschappen en de zieken-
verpleger op de voorwagens der caissons.
Bij de rijdende artillerie:
bij den staf van het korps:
De handpaarden achter den gevechtstrein der batterij ,
waarbij zij zijn ingedeeld.
bij elke batterij:
Zes caissons, de voorraadaffuit, de handpaarden, de
reservepaarden en het pakpaard in de aangegeven volg-
orde achter de vuurmonden ; de reserve-manschappen en
de ziekenverpleger op de voorwagens der caissons.
De ziekenverplegers en de pakpaarden van de beide
batterijen kunnen ook bij den gevechtstrein van den
staf van het korps worden ingedeeld.
-ocr page 76-
59
Bij de veldcompagnieën der genietroepen:
De gereedschapskarren , de kruitkarren , de eventueel
toegevoegde patrooncaisson, de ziekenverplegers en de
gerequireerde kar tot vervoer van zieken en gewonden,
achter de compagnie, waarbij zij zijn ingedeeld.
Verder behooren tot den gevechtstrein de verband-
plaatsafdeelingen en de afdeelingen van den grooten
trein, die daartoe bepaaldelijk aangewezen worden.
Deze laatsten raarcheeren aan den staart der troepen-
afdeelingen of der onderdeelen van de colonne, ten
wier behoeve zij bij den gevechtstrein worden ingedeeld,
in volgorde als bij den grooten trein is aanbevolen of
door bijzondere omstandigheden gevorderd wordt.
§ 60. De bagagetrein bestaat uit de handpaarden
der staven, die niet bij den gevechtstrein zijn ingedeeld;
uit de bagagewagens, bagagekarren , compagnieskarren,
transportwagens en smidswagens, welke deel uitmaken
van den korpstrein der troepenafdeelingen; uit de
manschappen te voet bij de cavalerie; uit de bagage-
wagens, gereedschapswagens en smidswagens der
batterijen, en uit de voertuigen tot bijzondere doel-
einden — bijv. vervoer van ransels — gerequireerd.
Buiten het bereik van den vijand marcheerende,
volgt de bagagetrein van ieder onderdeel onmiddellijk
op den gevechtstrein van datzelfde onderdeel, en is
dus de kleine trein van elk onderdeel vereenigd, be-
halve bij de artillerie, alwaar de bagagetreinen der
verschillende batterijen , afdeelings- en batterij sge wij ze
afzonderlijk gehouden, aan den staart der afdeeling
(bij de rijdende artillerie van het korps) marcheeren.
-ocr page 77-
60
§ 61. In de nabijheid van den vijand volgt de
bagagetrein van zelfstandige brigades en sterkere colonnes
op I a 2 KM. achter den staart der geheele colonne
in dezelfde volgorde, als waarin de staven en afdee-
lingen, waarbij zij zijn ingedeeld in de colonne voor-
komen. De bagagetreinen der batterijen, die der
voorhoede daaronder begrepen, volgen echter vereenigd,
op de in § 60 aangeduide wijze, aan den staart van
de troepen der hoofdcolonne.
Bij afdeelingen van geringere sterkte wordt de
aangeduide afstand kleiner doch zoo ruim mogelijk
genomen, en marcheert de bagagetrein vóór de achter-
hoede. Bij colonnes, uitsluitend uit cavalerie met of
zonder rijdende artillerie bestaande, kan de afstand
tusschen hoofdcolonne en bagagetrein grooter dan 2 KM.
genomen worden.
§ 62. De groote trein bestaat uit eenige zelfstandige
onderdeelen, namelijk den munüietrein, den ponton-
trein
, de veldtelegraafafdeeling, het veldhospitaal en
den verplegingstrein.
Buiten \'s vijands bereik volgt de groote trein op
1 a 2 KM. afstand van den staart der achterste troepen-
of treinafdeeling van de colonne, tenzij door den com-
mandant der colonne anders bevolen worde, in de
onderstaande volgorde:
de veldtelegraafafdeeling,
het veldhospitaal,
de verplegingstrein,
de artillerie-munitietrein,
de infanterie-munitietrein,
de pontontrein.
-ocr page 78-
<H
§ 63. In de nabijheid van den vijand behoudt de
groote trein dezelfde volgorde met deze wijziging dat
de munitietreinen den verplegingstrein voorafgaan.
De afstand, waarop de groote trein dan de colonne
volgt, is echter te veel van omstandigheden afhankelijk,
om dien bepaald aan te duiden. Hij zal meest van 5
tot 15 KM. bedragen.
§ 64. Indeeling van de veldtelegraafafdeeling bij
den gevechts- of bagagetrein geschiedt naar de omstan-
digheden.
Indien het waarschijnlijk is, dat een pontonbrug
zal moeten worden geslagen, is aan te bevelen, den
pontontrein geheel of gedeeltelijk aan den staart der
voorhoede te doen volgen.
Nimmer mogen treinafdeelingen aanleiding geven tot
stoornis of vertraging van de bewegingen en handelingen
der troepen.
§ 65. Tot geleide van den trein mag niet meer dan
het volstrekt noodzakelijke personeel worden aangewezen.
Dit personeel bestaat:
a. Bij den gevechttrein:
van den staf eener divisie of zelfstandige brigade
uit een bereden onderofficier of korporaal der stafwacht;
van een bataljon infanterie uit een onderofficier en,
wanneer patrooncaissons bij den gevechtstrein ingedeeld
zijn, uit één man per caisson;
van een regiment cavalerie of de vereenigde eskadrons
van een regiment uit een onderofficier en wanneer
patrooncaissons bij den gevechtstrein ingedeeld zijn,
bovendien uit één man per caisson;
-ocr page 79-
62
van de artillerie uit het in de exercitie-reglementen
van het wapen aangeduide personeel;
van eene veldeompagnie genietroepen uit een onder-
officier of korporaal en uit een geniesoldaat per gereed-
schapskar, kruitkar en patrooncaisson.
b.   Bij den bagagetrein :
van den staf der divisie of der zelfstandige brigade
uit dat gedeelte der stafwacht, dat in het eerstvolgend
nachtkwartier de wacht voor het hoofdkwartier zal
betrekken;
van een regiment infanterie uit een wachtmeester
of korporaal van den trein ;
vau een bataljon infanterie uit den luitenant-
kwartiermeester en een korporaal;
van een regiment cavalerie of de vereenigde eskadrons
van een regiment uit den kwartiermeester en verder
voor de sraidswagens uit den oudsten hoefsmid en voor
de bagagekarren en bagagewagens uit een korporaal;
van de artillerie uit het in de exercitie-reglementen
van het wapen aangeduide personeel;
van de veldeompagnie genietroepen uit een korporaal;
van detachementen van de bovengenoemde troepen-
afdeelingen uit een korporaal.
Verder mag bij ieder voertuig één man als geleider
worden ingedeeld. De geleiders mogen, voor zoover
zij onbereden zijn, wel hun ransel op de voertuigen
leggen, doch houden hunne wapenen bij zich en mogen
in geen geval op de voertuigen plaats nemen.
c.     Bij den groolen trein bestaat het geleide in de
eerste plaats uit het nog overgebleven gedeelte van de
-ocr page 80-
03
stafwacht der divisie of der afzonderlijke brigade en
verder uit het personeel, dat volgens de organisatie
bij de verschillende treinafdeelingen is ingedeeld.
§ 66. De oudste officier in rang bij den grooten
trein — bij marschen in \'s vijands nabijheid ook bij
den bagagetrein — is commandant der geheele trein-
colonne en als zoodanig voor haar geregelden marsch
verantwoordelijk.
Hij verdeelt het beschikbare personeel van de stafwacht
naar behoefte over de verschillende treinafdeelingen,
waarbij nog geen geleiders ingedeeld zijn en neemt
met de officieren en het kader het volgende in acht:
1". Vóór den afmarsch, bij de groote rust en bij
aankomst in het kwartier of bivak wordt een nauw-
keurige inspectie over de voertuigen en bespanningen
gehouden. Beiden moeten steeds in goeden staat ge-
houden worden.
2°. Het op- en afladen moet behoorlijk en onder
het noodige toezicht geschieden.
3°. Op marsch volgen de voertuigen in elke onder-
afdeeling elkander op een afstand van 4 pas.
4°. Zijn er gerequireerde voertuigen bij den trein,
dan worden deze in onderafdeelingen van 10 voer-
tuigen verdeeld; men eischt van de voerlieden, dat
zij bij hunne voertuigen blijven; elke afwijking der
goede orde wordt onmiddellijk hersteld.
De commandant van den trein moet voorzien zijn
van een inventaris van den inhoud der gerequireerde
voertuigen, terwijl op de voertuigen zelve de inhoud
daarvan duidelijk zichtbaar wordt aangeduid.
-ocr page 81-
04
5°. Niemand mag zonder vergunning van den daartoe
bevoegden meerdere op de voertuigen plaats nemen.
6". Bij groote rusten, evenals bij aankomst in
het kantonnement of bivak moeten de voertuigen in
een park oprijden, dat van minstens twee ruime toe-
gangen is of wordt voorzien.
§ 67. In \'s vijands nabijheid moet ter bewaking
van den bagagetrein en den grooten trein tegen over-
vallingen van vijandelijke cavalerie of partijgangers
een afdeeling van een sectie tot een compagnie infanterie
of van een of twee pelotons cavalerie worden bestemd.
Bij treinen van grooteren omvang, en ingeval van
kans op ernstige aanvallen door den vijand, moet dit
bewakingsdetachement sterker samengesteld en volgens
de regelen, voor het bewaken van konvooien doelmatig
geacht, worden ingedeeld.
Wordt een treinafdeeling door de achterhoede eener
marcheerende colonne onmiddellijk gevolgd (§ 61), dan
behoort hare bewaking tot de taak dier achterhoede.
De oudste in rang der officieren bij den trein en
het bewakingsdetachement neemt het bevel van beiden
op zich en is verantwoordelijk voor den geregelden
marsch van het geheel.
Behoort bedoelde officier niet tot den trein, dan
raadpleegt hij omtrent de technische details betreffende
de verschillende treingedeelten, de daarbij behoorende
officieren.
§ 68. Komt de troepencolonne in gevecht, dan stelt
de gevechtstrein zich overeenkomstig de door de troepen-
bevelhebbers te geven orders of de in de exercitie-
reglementen voorkomende voorschriften op.
-ocr page 82-
65
De bagage- en groote trein rijden zoo mogelijk on-
middellijk op geschikte terreinen met ruime toegangen
en met de disselboomen van den vijand afgekeerd op7
eerstgenoemde op minstens 2 KM. van het gevechts-
veld, laatstgenoemde nabij de plaats, waar hij zich op
marsch bevindt; beiden houden zich gereed om op de
eerste aanwijzing van den bevelhebber af te mar-
cheeren.
Behoudens het geval, dat de bevelhebber het anders
mocht hebben bepaald, vervolgen de daarvoor aange-
wezen sectiën van de munitietreinen hun weg en ge-
dragen zij zich overeenkomstig de hun te geven orders.
Wordt na afloop van het gevecht order tot inrukken
gegeven, dan tracht de commandant van iedere onder-
afdeeling van den bagagetrein zich zoo spoedig doenlijk
met zijn voertuigen bij het troepenkorps , waartoe hij
behoort, aan te sluiten. De afdeelingen van den grooten
trein handelen overeenkomstig de bevelen, die hun
door den bevelhebber worden verstrekt.
§ 69. Bij een terugtochtsmarsch is de volgorde der
verschillende treingedeelten juist tegenovergesteld aan
die bij een frontmarsch. De trein gaat dan de colonne
op ruimen afstand vooraf. De uiterste zorg voor het
bewaren der goede orde is in dit geval van nog meer
gewicht, dan bij marsenen naar den vijand.
Bij flankmarschen is de indeeling en volgorde der
treingedeelten evenals bij frontmarschen; aan bagage-
en grooten trein wordt dan echter bij voorkeur een
weg aangewezen, evenwijdig aan dien door de troepen
gevolgd en aan de van den vijand afgekeerde zijde.
5
-ocr page 83-
66
GEDRAGSREGELS ONDER BIJZONDERE
OMSTANDIGHEDEN.
1. HET KRUISEN VAN COLONNES.
g 70. Indien colonnes op marsen elkander kruisen,
hetgeen bij goede marschdispositiën slechts uiterst
zelden zal voorkomen, dan moeten de tactische eischen
van het oogenblik beslissen, op welke wijze gehandeld
moet worden.
Is het van belang, dat beide colonnes zoo spoedig
mogelijk haar marsen voortzetten, dan laat men om
beurten van iedere colonne één bataljon, eskadron oi
batterij, met een zoo breed mogelijk front en zooveel
doenlijk opgesloten in den looppas (of in draf) het
kruisingspunt passeeren. Beide colonnes blijven tot
danrtoe doormarcheeren, zoodat eene regelmatige af
wisseling zonder oponthoud kan plaats hebben.
Is het onmiddellijk voortzetten vanden marsch slecht s
voor ééne colonne van tactisch belang, dan gaat deze
voor.
Overigens heeft de colonne die het eerst op het
kruisingspunt aankomt het recht om voor te gaan. De
laatst aangekomene wacht zoolang, totdat de eerst,
geheel is gepasseerd, en maakt van den daartoi
noodigen tijd gebruik, om te rusten.
Is de laatst aangekomene colonne klein en de ander*
groot, dan laat men de kleine colonne snel tusscheii
twee afdeelingen der groote voorbij gaan.
De oudste in rang der beide colonne-commandanten
is verplicht, om bij het kruisen van colonnes, onder
-ocr page 84-
07
inachtneming van vorenstaande regelen, zoodanige
maatregelen te treffen, als de belangen van den dienst
en van beide troepenafdeelingen het meest kunnen
bevorderen.
Wanneer eene troepen- en eene treincolonne elkan-
der kruisen, dan gaat in den regel bij marsenen naar
den vijand de troepencolonne, bij terugtochtsmarschen
de trein voor.
2. NACHTMARSCHEN.
§ 71. Nachtmarschen mogen slechts in geval van
bepaalde noodzakelijkheid worden bevolen.
Ter verzekering van de goede uitvoering van zoo-
danige marschen moet het volgende in het oog worden
gehouden.
1°. De troepen sluiten zoo dicht mogelijk op, ten-
einde den samenhang van het geheel te behouden. Gaan
de afstanden tusschen de troepenafdeelingen niettemin
verloren, en wel in die mate dat er voor de volgende
afdeelingen gevaar bestaat om van den weg af te
dwalen , dan moeten op de punten, waar twijfel omtrent
de te volgen richting kan ontstaan, manschappen worden
achtergelaten, om aan de volgende afdeelingen die
richting aan te wijzen.
Is de nachtmarsch niet tevens een geheime marsch,
dan verdient het aanbeveling aan den staart van ieder
bataljon, eskadron of batterij een man van een lantaarn
te voorzien, en bij het doortrekken van bewoonde
oorden te gelasten, dat er licht voor de vensters der
huizen worde ontstoken.
-ocr page 85-
68
2°. Het bewaren der marschdiscipline vereischt het
strengste toezicht van de zijde der officieren.
Bij de bereden wapens waakt men zorgvuldig, dat
de manschappen niet slapen, daar dit tot het drukken
en dikwerf tot het storten van de paarden aanleiding
geeft.
3°. Alleen de noodzakelijke kleine rusten worden
gehouden; een groote rust wordt niet gegeven.
Bij rusten of eenig ander oponthoud in den marsch
mogen de manschappen zich onder geen voorwendsel
neerleggen of gaan zitten. Na de rust weder aan-
marcheerende, overtuigen de officieren zich, dat alles
gereed is en niemand achterblijft.
■1°. De politie bij den trein, vooral wanneer daarbij
gerequireerde voertuigen zijn ingedeeld, vereischt een
bijzonder scherp toezicht.
De gevechtstrein, behalve die der batterijen, mag bij
deze marschen niet bij de troepenafdeelingen blijven
marcheeren, maar volgt aan den staart der troepencolonne.
5°. De geleider der colonne moet een goeden gids bij
zich nemen, wanneer hij niet de volkomen zekerheid
heeft, zelf den juisten weg te kunnen vinden.
3. GEHEIME MARSCHEN.
§ 72, Bij de uitvoering van geheime marschen moet
de meest mogelijke stilte worden in acht genomen.
Tot het rooken is de bijzondere vergunning van den
commandant der colonne noodig.
Het doel van den marsch blijft geheim voor een
ieder, aan wien het niet om bepaalde redenen moet
worden medegedeeld.
-ocr page 86-
69
4. HET PASSEEREN VAN WAADBARE PLAATSEN,
MILITAIRE BRUGGEN EN IJSVLAKTEN. (1)
a. Waadbare plaatsen.
§ 73. Voor waadbare plaatsen mag men geen
grootere waterdiepte hebben dan: voor infanterie 1 M.
bij sterken stroom; bij weinig beteekenenden stroom
mag het water uiterlijk tot onder de armen der kleinste
manschappen reiken; voor cavalerie 1.3 M.; voor de
batterijen en alle voertuigen, wier lading droog moet
blijven, 0.65 M.; voor andere voertuigen 1.3 M.
Alle troepen moeten in een breed front de waad-
bare plaats doorgaan, zich goed gesloten houden en
zoo mogelijk in schuine strekking tegen den stroom
inwaden.
Bij een colonne, die uit verschillende wapens is
samengesteld en wegens den afstand, waarop zij zich
van den vijand bevindt, niet gedwongen is de formatie
in gevechtscolonne te behouden , gaan eerst de infanterie
en genietroepen, dan de artillerie, vervolgens de
cavalerie over. Eindelijk volgen de treinafdeelingen.
Bij sterken stroom zal een gedeelte der met de
infanterie marcheerende cavalerie zich bovenstrooms
van de waadbare plaats dwars over de rivier stellen,
waarbij de ruiters zich dicht aan elkander houden;
bovendien worden benedenstrooms eenige cavaleristen
(1) Omtrent alle technische bij zonderheden, hierbij te pas komende,
wordt verwezen naar de leerboeken voor Veldversterkingskunst en
Pionierdienst, de Batterijschool 2de gedeelte en de Handleiding tot
den Pontonnierdienst.
-ocr page 87-
70
verspreid, om manschappen, die door den stroom
mochten worden medegevoerd, op te vangen.
De te paard zittende manschappen moeten niet
naar hunne paarden, maar naar den tegenoverlig-
genden oever zien en het gaan liggen der paarden,
door een krachtige beenhulp en het kort aanhouden
der teugels, voorkomen.
De artillerie en de trein gedragen zich overeenkom-
stig de voorschriften der exercitie-reglementen.
b. Militaire bruggen.
§ 74. Moeten troepenafdeelingen een militaire brug
overgaan, dan behoort achter elk bataljon, eskadron,
batterij of treinafdeeling een afstand van minstens 50
a 60 passen te worden onderhouden. Bovendien ver-
meerderen de stukken en de voertuigen hun onder-
lingen afstand tot 10 passen.
De bevelen van den commandant der brug moeten
stipt worden opgevolgd.
Geraakt de brug in schommeling, dan wordt oogen-
blikkelijk halt gemaakt, totdat die beweging heeft
opgehouden.
De infanterie marcheert uit den pas; de cavalerie
stijgt, voor de brug aangekomen, eskadronsgewijze af,
de ruiters brengen hunne paarden aan de hand over,
ze daarbij kort aan het mondstuk nemende. Bij de
artillerie en den trein moeten de voertuigen op het
midden van het dek rijden, niet dan bij volstrekte
noodzakelijkheid ophouden en zich verder gedragen
-ocr page 88-
Tl
overeenkomstig de voorschriften der exercitie-regle-
menten.
c. Ijsvlakten.
§ 75. Een onderzoek naar de dikte en den toestand
van het ijs moet uitwijzen door welke wapens de
overtocht kan geschieden en welke voorzorgsmaatregelen
daarbij behooren te worden genomen. (1)
De paarden worden aan de hand geleid; stukken
en voertuigen nemen groote tusschenruimten. De toe-
gangsplaatsen van den vasten bodem tot het ijs worden,
wanneer geen afgraving is geschied, steil op- en afgereden.
MARSCHEN MET BIJZONDERE MIDDELEN
VAN VERVOER.
1. MET SPOORTREINEN.
§ 76. Voor het vervoer van troepen langs spoorwegen
moeten de bepalingen van de op dat vervoer betrekking
hebbende voorschriften worden nagekomen.
(1) Gewoonlijk neemt men aan, dat de dikte van op het water
dragend
ijs voor een veiligen overtocht moet bedragen:
Voor enkele manschappen                                                  0.04 M.
b infanterie met tusschenruimte                                   0.08 »
» gesloten infanterie                                                      0.10 »
» enkele ruiters                                                            0.12 »
» cavalerie, losse bespanningen met tusschenruimten
en veldgeschut op sleden van planken geplaatst 0.15 »
» bespannen veldgeschut en veldvoertuigen
                  0.20 »
» zwaarste militaire voertuigen                                      0.30 »
-ocr page 89-
72
2. MET VOERTUIGEN.
§ 77. Wanneer troepen met voertuigen vervoerd
moeten worden, hetgeen op eenigszins ruime schaal
slechts bij groote uitzondering zal kunnen geschieden,
dan mag men op een wagen met 2 paarden bespannen
niet meer dan 8 man, op eene kar met 1 paard niet
meer dan 4 man opladen. Voor een bataljon op
oorlogssterkte heeft men dus minstens 113 wagens of
22ü karren noodig.
Bij vervoer over een aanmerkelijke uitgestrektheid
worden op afstanden van 20 a 30 KM. étappewagen-
parken opgericht, waartoe tijdig de vereischte maat-
regelen moeten worden genomen.
Is een snel vervoer een vereischte, dan worden de
voertuigen minder zwaar beladen en de bespanningen
iedere 15 :i 20 KM. vernieuwd.
Het is wenschelijk één of meer ledige voertuigen
mede te voeren, ter vervanging van die, welke onder-
weg onbruikbaar worden.
§ 78. Requireert men in eene plaats voertuigen,
dan moet men bij voorbaat de uitgangen dier plaats
bezetten met schildwachten, die het ledig wegrijden
van wagens en karren beletten.
Wanneer de voertuigen niet van banken voorzien
zijn, wordt de bodem met eene laag stroo bedekt.
De oilicieren van elke compagnie worden over den
voorsten en den achtersten wagen verdeeld.
Bc- üoldatun bouduii hunne uitrusting -bij- zi*4 «ft
mogen, wanneer geenerlei gevaar voor een ontmoeting
met den vijand bestaat, hunne ransels afleggen.
-ocr page 90-
73
Wordt meer dan één compagnie te gelijk vervoerd,
dan moet de voertuigen-colonne in evenveel groepen
verdeeld worden als er compagnieën zijn, welke groe-
pen een afstand van 20 pas van elkander bewaren.
Moeten beveiligingsmaatregelen genomen worden, dan
geschiedt dit overeenkomstig de voorschriften van
8 178.
§ 79. Bij snelle en geforceerde marschen en bij
zeer warme weersgesteldheid verdient het aanbeveling,
van wagens of karren gebruik te maken tot het mede-
voeren van de ransels der soldaten. (1)
3. MET VAARTUIGEN.
§ 80. Bij het vervoer van troepen met vaartuigen
moeten de noodige voorzorgsmaatregelen voor vlugge
in- en ontscheping getroffen worden.
De bepalingen, in de op te maken transportregeling
voorkomende, betreffende het punt van in- en ont-
scheping, het uur van vertrek en de verdeeling van
troepen en materieel over de vaartuigen, moeten nauw-
keurig worden opgevolgd.
Gedurende den overtocht wordt de grootste orde
bewaard en luidruchtigheid vermeden.
§ 81. Het overzetten van troepen over rivieren,
enz. kan geschieden met particuliere vaartuigen of met
het pontonmaterieel.
(1) Voor een bataljon infanterie op oorlogssterkte kan men rekenen
daartoe doorgaans 16 wagens met 2 paarden of 24 karren met
1 paard noodig te hebben.
-ocr page 91-
74
In het eerste geval worden de over te zetten troepen
in afdeelingen verdeeld, wier sterkte zich regelt naar
het draagvermogen der vaartuigen, in verband met de
gesteldheid van de rivier en het weder. Het inschepen
geschiedt op zooveel vaartuigen tegelijk als mogelijk
is, waarbij de kleinere bovenstrooms van de grootere
moeten worden geplaatst.
De manschappen der infanterie gaan in de vaar-
tuigen zitten voor zooveel dit geschieden kan.
Moet cavalerie worden overgezet met vaartuigen,
geschikt tot het vervoer van paarden, dan worden
deze daarin dwars geplaatst, met de hoofden gekeerd
naar de zijde, vanwaar de stroom komt, en zoo
dicht mogelijk naast elkander. De ruiters nemen de
paarden kort aan den teugel en trachten ze rustig te
houden.
Zijn de vaartuigen niet geschikt tot het vervoer van
paarden, dan worden zij twee aan twee tot vlotten
vereenigd en de paarden op het dek geplaatst. Soms
verdient het dan echter de voorkeur de paarden af te
zadelen, de ruiters en het harnachement in de schuiten
te laden en de paarden benedenstrooms aan den trens-
teugel eenigszins met den stroom mede te doen over-
zwemmen.
De artillerie en de trein gedragen zich overeen-
komstig de voorschriften der exercitie-reglementen.
Maakt men gebruik van veerponten of gierbruggen,
dan worden de wenken der veerlieden aangaande
draagvermogen, wijze van in- en uitladen en gedrag
bij den overtocht nagekomen.
-ocr page 92-
75
§ 82. Bij het gebruik van pontonmaterieel tot het
overzetten van troepen moet men zich gedragen over-
eenkomstig de bevelen van den oudst aanwezigen officier
van het korps pontonniers (1).
§ 83. Bij het gebruik van vaartuigen, tot vervoer
van troepen over afstanden grooter dan de evenbe-
doelde, worden voor hun in- en ontscheping de be-
palingen voor het vervoer van troepen langs spoorwegen
nagekomen, voor zoover die bij den anderen aard van
het vervoermiddel van toepassing kunnen zijn (2).
De officieren van eenzelfde troepengedeelte worden
niet allen op hetzelfde vaartuig ingescheept, maar bij
voorkeur zoodanig verdeeld, dat er zich minstens één
op ieder schip bevindt. Zij zorgen voor de stipte
nakoming der gegeven voorschriften.
De manschappen mogen hunne rari\'sofeffidoen, maar
houden hun nu vordorVüopnltking-eft-wapens bij zich, tenzij
er een geschikte bergplaats daarvoor aan boord bestaat.
In de zeldzaam voorkomende gevallen, dat de bereden
wapens van vaartuigen als transportmiddel gebruik
moeten maken, worden de paarden , wanneer de breedte
(1)  Voor de sterkte aan troepen, die met dit materieel kunnen
overgezet worden , zie men de Handleiding tot den Pontonnierdienst.
(2)  Ter begrooting van de capaciteit van vaartuigen voor het
vervoer van troepen rekene men bij vaartuigen, waarbij de troepen
niet behoeven te rusten op 0.5 M*. bodemoppervlakte van het ruim
en het dek per man, voor zoover die bodemoppervlakten niet voor
den dienst der vaartuigen beschikbaar moeten blijven; moeten de
troepen kunnen rusten, dan is minstens 1 M*. per man noodig.
Per paard rekene men op 2.5 a 3 M\'.
Worden het dek en het ruim beiden tot berging van manschappen
aangewezen, dan moet men eerst het ruim beletten.
-ocr page 93-
70
van het vaartuig dit toelaat, met de hoofden tegen
elkaar en de kruisen naar boord, en altijd dicht bij
elkander geplaatst. Bestaat geen inrichting om te
voorkomen dat paarden, die achteruitloopen , in het
water vallen , dan moet een leuning worden aangebracht.
Voor de inscheping van artillerie- en treinvoertuigen
worden de bepalingen der exercitie-reglementen voor
de artillerie nagekomen.
Hij vaarten van langen duur wordt het afzadelen
en aftuigen van de paarden naar omstandigheden aan
de commandanten der eskadrons, batterijen en trein-
afdeelingen overgelaten. De dekens worden bij on-
gunstig weder over de paarden uitgespreid en met
den dekensingel bevestigd.
De manschappen blijven zoo noodig allen bij hunne
paarden. Wanneer deze rustig staan, kan de com-
mandant hun echter vergunnen zich bij gedeelten te
verwijderen. Er moet dan evenwel minstens 1 man
voor 4 paarden achterblijven ; 1 of meer onderofficieren of
korporaals worden met het toezicht op de paarden belast.
g 84-. Dij langdurige vaart worden de noodige
voorzorgsmaatregelen genomen voor de verpleging der
troepen; het noodige drinkwater moet steeds voor-
handen zijn. Wanneer de troepen aan boord moeten
rusten, zorge men voor het noodige ligstroo.
In de nabijheid van het ligstroo en van de fourages
der paarden mag niet worden gerookt. Het rooken is
eveneens verboden wanneer voorraden munitie, anders
dan in de bij de troepen behoorende rijksvoertuigen
verpakt, aan boord zijn.
-ocr page 94-
77
Worden tot het vervoer van troepen vaartuigen ge-
bezigd , die niet voor personenvervoer bestemd zijn,
dan moeten deze daartoe zooveel mogelijk worden
ingericht. In het ruim van het schip moet voor een
behoorlijke ventilatie worden gezorgd.
§ 85. Wanneer troepen aan boord van een oorlogs-
schip zijn ingescheept, dan is de commandant dier
troepen gehouden de bevelen van den commandant
van het vaartuig, ook wanneer deze jonger in rang is
dan gene, na te komen en te doen uitvoeren, voor
zoover die bevelen met de discipline aan boord en de
vaart zelve in betrekking staan of wel wanneer men
in aanraking met den vijand komt.
Zijn de troepen ingescheept op particuliere vaartuigen ,
dan mag de commandant dier troepen zich niet mengen
in den dienst van het tot het vaartuig behoorende
personeel ; hij zorgt, dat de behoorlijke bediening van
het vaartuig in niets door zijne onderhebbende troepen
worde gehinderd. Alleen dan, wanneer men op
eenigerlei wijze met den vijand in aanraking komt,
deelt hij den gezagvoerder van het schip de maatregelen
mede, die hij in het militair belang noodig acht, en
heeft dan het recht om de uitvoering dier maatregelen,
voor zoover zij niet onuitvoerbaar blijken te zijn, te
vorderen en te verzekeren.
§ 86. Voor de te treffen veiligheidsmaatregelen bij
het vervoer van troepen met vaartuigen wordt verwezen
naar \\ 179.
-ocr page 95-
T.s
MARSCHBEVELEN.
§ 87. Wanneer de omstandigheden toelaten, de
bewegingen der troepen voor eenige achtereenvolgende
dagen te regelen, dan worden aan de commandanten
van de hoofdonderdeelen der troepenmacht extracten
uit het daartoe opgemaakte marschtableau toegezonden,
met opgave van de voor de verpleging der troepen
vastgestelde bepalingen, de opvolgende hoofdkwartieren
van den bevelhebber en alle verder voor den marsch
noodig geoordeelde voorschriften.
De bataljons , eskadrons, batterijen , treinafdeelingen
of kleinere zelfstandig marcheerende detachementen ont-
vangen dagelijks de noodige orders van de commandanten
der hoofdonderdeelen, wanneer zij in het onmiddellijk
bereik van dezen blijven, of wel voor meerdere
dagen, wanneer zij zelfstandig moeten marcheeren.
§ 88. Wordt ten gevolge van de nabijheid of de
handelingen van den vijand de marsch van dag tot
dag geregeld, dan ontvangen de troepen de vereischte
orders door middel van een marschbevel.
Zoodanig bevel houdt mededeelingen en bepalingen
in omtrent de volgende punten, voor zoover het doen-
lijk en raadzaam is, dienaangaande bindende voor-
schriften te geven:
1°. Berichten aangaande den vijand en, c. q in
verband daarmede, het doel van den marsch.
2". De indeeling der troepen in een of meer colonnes
en de door deze te volgen wegen, voor zooveel noodig
met aanwijzing der colonne-commandanten.
-ocr page 96-
7\'.)
3°. De troepen voor den veiligheids- en verkennings-
dienst bestemd en de grenzen tot waar deze zich moet
uitstrekken.
4". De formatie der verschillende troepen.
5°. De verzamelplaats of plaatsen en het uur van
afmarsch van voorhoede, hoofdcolonne en verdere de-
tachementen of, in sommige gevallen, het uur van
aankomst op eenig te bepalen punt.
6°. De maatregelen die, in verband met den marsch,
voor de verpleging der troepen genomen moeten worden.
7". De marschregeling voor den trein.
8°. De te volgen handelwijze bij ontmoeting van
den vijand. ///
9°. De plaats, waar de bevelhebber zich ophoudt.
Verder worden in het marschbevel opgenomen de
wellicht nog door den toestand van \'t oogenblik noodig
geoordeelde voorschriften, die op den marsch betrekking
•hebben.
-ocr page 97-
J
-ocr page 98-
HOOFDSTUK III.
LEGERING VAN TROEPEN.
§ 89. In den toestand van rust kunnen troepen
in tenten of hutten ondergebracht zijn, kampeeren; in
bewoonde plaatsen huisvesten, kantonneeren; in de
open lucht legeren, bivakkeeren; of beide laatstgenoemde
wijzen van legering vereenigd toepassen in oordbivaks.
KAMPEN.
§ 90. Omtrent de inrichting van een legerplaats of
kamp en de dienstregeling aldaar wordt verwezen
naar de: Algemeene instructie betrekkelijk het kampeeren
van troepen op de legerplaats bij Milligen.
De daarbij opgegeven afstanden zullen echter dikwijls
naar de plaatselijke gesteldheid moeten gewijzigd
worden.
KANTONNEMENTEN.
§ 91. Naarmate van de mindere of meerdere nabij-
heid van den vijand, betrekken de troepen : ruime
kantonnementen, waarbij men rekent op hoogstens
6
-ocr page 99-
82
4 man per haardstede; enge kantonnementen, wanneer
meer dan 1 man per haardstede komt; of geconcentreerde
kantonnementen, in welk geval tactische onderdeden
van ten minste \\ peloton infanterie, 1 peloton cavalerie
of 1 sectie artillerie, menschen en paarden, in één of
in een paar groote gebouwen, in elkaars nabijheid
gelegen, onder dak worden gebracht.
VERDEELING (DISLOCATIE) DER TROEPEN.
§ 92. Bij de verdeeling van de troepen over de
kantonnementen moet in het algemeen , zooveel mogelijk,
het tactisch verband worden bewaard.
Hierbij moet evenwel in acht worden genomen, dat
men tot kantonnement voor de cavalerie, de artillerie
en den trein die bewoonde plaatsen kiest, waar de
meeste gelegenheid tot stalling en voeding voor de
paarden bestaat. Bovendien legt men artillerie en
treinafdeelingen, bij voorkeur, in plaatsen aan de
hoofdwegen gelegen. Zooveel doenlijk vermijde men
de artillerie en trein afzonderlijk te doen kantonneeren,
tenzij zóóver achterwaarts dat zij geen overvalling
hebben te duchten.
Worden de verschillende wapens in dezelfde plaats
ingekwartierd, dan betrekt de infanterie de huizen
nabij de ingangen en die aan de buitenzijde; de
cavalerie wordt in de groote hofsteden gelegerd; de
manschappen en paarden van de artillerie en trein
komen in de nabijheid van de plaatsen, waar de
vuurmonden en voertuigen geparkeerd zijn.
-ocr page 100-
83
Bij zoogenaamde marschkantonnementen worden de be-
woonde oorden aan den marschweg het zwaarst belegd en
bij voorkeur geen oorden gekozen verder dan 4 KM.
zijwaarts. Zoo mogelijk houdt men bij de dislocatie
de indeeling der troepen in de colonne in het oog.
Cavalerie kan het verst (ook verder dan 4 KM.) van
den marschweg worden ondergebracht.
g 93. De hoofdkwartieren vestigen zich ongeveer
in het midden van de gezamenlijke kantonneinenten
hunner troepen, bij voorkeur eenigszins meer naar de
zijde van de voorposten en aan den groo en gemeen-
schapsweg. De plaatsen van de hoofdkwa tieren, zoo
mede de woningen van de kantonnem^\'ntscomman-
danten worden bij dag en bij nacht door een zichtbaar
teeken aangeduid; die van de hoogere staven door een
vlag (fig. 12), waarbij \'s nachts een lantaarn, welke
van dezelfde kleuren en cijfers is voorzien, hangt.
\\ 94. De verbinding van de verschillende kanton-
nementen onderling en met de hoofdkwartieren ge-
schiedt gewoonlijk door middel van een goed ingerichten
ordonnansen-dienst (g 269). Bestaande of tijdelijk aan
te leggen telegraphische verbindingen verdienen evenwel
de voorkeur. Tot het geven van alarmseinen kan van
den optischen telegraaf worden gebruik gemaakt.
ALARM- EN VERZAMELPLAATSEN.
§ 95. In elk kantonnement wordt van wege den
commandant daarvan voor ieder wapen een alarmplaats
aangewezen, waarheen de manschappen zich, in geval
van alarm, ten spoedigste begeven.
-ocr page 101-
«
84
De alarmplaats voor de infanterie zal gewoonlijk in,
die voor de cavalerie, de artillerie en den trein buiten
de kom der gemeente gekozen worden ; voor de artillerie
en den trein is het park tevens alarmplaats.
§ 96. Aan elke divisie, zelfstandige brigade of
zelfstandig korps wordt door het hoofdkwartier of door
den commandeerenden officier een algemeene verzamel-
plaats
aangewezen, waarheen de bataljons, eskadrons
en batterijen, na zich op de alarmplaats geformeerd
te hebben, marcheeren.
Heeft eene afdeeling in last, bij alarm, eene be-
paalde stelling te bezetten, dan begeeft zij zich van
van hare alarmplaats rechtstreeks daarheen.
KWARTIERMAKERS.
§ 97. Teneinde, na afloop van den marsch, de
troepen zoo spoedig mogelijk rust te verschaffen, is
het noodig, vóór hun aankomst, kan het zijn, alles
in gereedheid te brengen, waartoe elke afdeeling kwar-
tiermakers
vooruit zendt, en wel per bataljon infanterie:
1 luitenant en van elke compagnie den fourier, 1 ser-
geant en 4 soldaten; per eskadron of batterij: 1 lui-
tenant, minstens den fourier en 4 manschappen.
De kwartiermakers marcheeren bij den hoofdtroep
der voorhoede, totdat zij ter hoogte van het voor hunne
afdeeling bestemde kantonnement zijn gekomen.
Marcheert het korps zonder veiligheidsmaatregelen,
dan worden de kwartiermakers bij tij ds, zoo mogelijk
één dagmarsch vooruitgezonden.
-ocr page 102-
85
Bij weinig beschikbaren tijd worden bereden officieren
met eenig geleide vooruitgezonden tot het aanvragen
en zooveel doenlijk regelen der inkwartiering.
De kwartiermakers ontvangen, hetzij schriftelijk,
hetzij mondeling, mededeeling van de plaats, waarheen
zij zich moeten begeven, van de sterkte hunner af-
deeling en van de wijze waarop in de verpleging moet
worden voorzien.
Gedurende den marsch overtuigen zij zich van den
toestand der wegen, waarlangs de troep het kantonnement
moet bereiken en doen die, zoo noodig en wanneer tijd
en middelen het toelaten, verbeteren.
In het kantonnement aangekomen, vervoegen zij zich
bij het gemeentebestuur om de noodige schikkingen te
maken. Is de plaats reeds belegd, dan melden zij
zich eerst bij den commandant van het kantonnement
aan.
Bij voorkeur worden inkwartieringsbiljetten opge-
maakt ; is daarvoor geen tijd, dan wordt het aantal
manschappen en paarden , in de verschillende gebouwen
onder te brengen, in overleg met het gemeentebestuur
bepaald en dit getal, met aanduiding van de escouades,
sectiën, pelotons, enz. op de deuren vermeld.
Is het gemeentebestuur gevlucht, dan geschiedt de,
verdeeling door de kwartiermakers zei ven.
Bij gebrek aan tijd wordt de localiteit, zoo mogelijk,
eerst vluchtig verkend en bepaalde onderdeden van
het kantonnement aan bepaalde afdeelingen toegewezen.
De onderdeden worden dan door hunne commandanten
over de in de toegewezen afdeeling gelegen straten en
huizen verdeeld.
-ocr page 103-
80
Moeten verschillende korpsen of wapens hetzelfde
kantonnement betrekken, dan is de oudste in rang
of ancienneteit van de aanwezige kwartiermakers ver-
antwoordelijk voor de goede orde bij het maken der
verdeeling van het kantonnement, tenzij daartoe een
officier van den Generalen Staf is vooruitgezonden.
De kwartiermakers zijn gehouden zooveel mogelijk
aan de billijke eischen van elk wapen te voldoen.
Nadat voor de staven de kwartieren in het midden
van hun troepengedeelte zijn bepaald, wordt de
inkwartiering van de artillerie, in overeenstemming
met de plaats voor het park, vervolgens die van de
cavalerie en eindelijk die van de infanterie geregeld.
Moeten levensmiddelen of fourage worden gere-
quireerd, dan doen de kwartiermakers aan het
gemeentebestuur opgave van het benoodigde, alsmede
van den tijd waarop en de plaats waar de verstrekking
moet geschieden en van de tot het transport vereischte
voertuigen.
Zoo mogelijk bezoeken de kwartiermakers de kwar-
tieren en stallen, om zich te overtuigen, of de be-
schikbare ruimte voldoende is, of er geen besmettelijke
ziekten heerschen, enz.
Bij de verdeeling der kwartieren zorgen zij, dat de
escouades, sectiën, pelotons, compagnieën , eskadrons,
enz. in dezelfde straten en de manschappen der
bereden wapens in de nabijheid hunner paarden komen;
bij den compagnies-, eskadrons- of batterijcommandant
wordt een hoornblazer of trompetter in hetzelfde
kwartier gelegd; in de nabijheid daarvan de sergeant-
majoor of opperwachtmeester.
-ocr page 104-
87
Het verdient aanbeveling de kwartieren van de
officieren, sergeanten-majoor en opperwachtmeesters
kennelijk aan te duiden.
De werklieden worden ingelegerd bij inwoners, die
hetzelfde bedrijf uitoefenen.
Een geschikt gebouw, bij voorkeur dicht bij een
spoor-, straat- of waterweg gelegen, of wel een gast-
huis wordt tot ziekenverblijf ingericht en van de vlag van
het roode kruis (des nachts van een roode lantaarn)
voorzien. In de nabijheid daarvan komen de officieren
van gezondheid in kwartier.
In kantonnementen van bereden wapens wordt nabij
het kwartier van den paardenarts een stal tot zieken-
stal aangewezen.
Tot politiewacht kiest men een gebouw in het midden
van het kantonnement; indien uitsluitend cavalerie
wordt ingekwartierd, dan moet eene stalling in de
onmiddellijke nabijheid zijn.
De kwartiermakers overtuigen zich van de hoedanig-
heid van het water; bij weinig voorraad of onbruik-
baarheid plaatsen zij de putten en pompen onder
toezicht van schildwachten.
Voorts gaan zij na, welke plaatsen in aanmerking
kunnen komen tot alarmplaatsen, opdat de kanton-
nementscommandant, bij aankomst, daaruit terstond
eene keuze kan doen. Het park moet, zoo doenlijk,
buiten het aaneen gebouwde gedeelte van de plaats aan
de van den vijand afgekeerde zijde en in de nabijheid
van goede wegen worden gekozen.
De kwartiermakers gaan hun afdeelingen een eind
-ocr page 105-
88
te gemoet, om den commandeerenden officier verslag
te doen en den troep naar de alarmplaats te geleiden.
AANKOMST DER TKOEPEN.
§ 98. In \'s vijands nabijheid geschiedt het binnen-
rukken in de kantonneraenten met de noodige veilig-
heidsmaatregelen.
De troep marcheert op en gaat uiteen op de alarm-
plaats, teneinde ieder man met de ligging daarvan en
met de wegen, die uit zijn kwartier daarheen leiden,
bekend te doen zijn.
Is het kantonnement zeer uitgebreid, dan kunnen
ter vermijding van noodelooze vermoeienis, sommige
troepengedeelten rechtstreeks naar hunne kwartieren
marcheeren, nadat hun alvorens de alarmplaats is
aangeduid.
Op de alarmplaats worden de noodige orders ge-
geven, de verschillende diensten gecommandeerd, met
vermelding van de noodige opgaven voor de verpleging
van man en paard, de wachten samengesteld en, als
deze zijn afgemarcheerd, aan de infanterie en cavalerie
.de biljetten uitgereikt; aan de artillerie en trein ge-
schiedt dit na het parkeeren.
De smidswagen komt nabij het kwartier van den
smid. De bagagekarren worden in de nabijheid van
den commandant van het onderdeel, waartoe zij be-
hooren of bij de politiewacht, de patrooncaissons in
het park of, zoo er geen in het kantonnement is, bij
de politiewacht geplaatst.
-ocr page 106-
80
De vaandel- (standaard-) drager brengt het vaandel
(standaard) onder gewapend geleide bij den oudsten
in rang van de in het kantonnement aanwezige officieren
van het korps.
BEVELVOERING IN HET KANTONNEMENT.
$ 99. In elk kantonnement voert de hoogste in rang
het bevel, behoudens de rechten van den plaatselijken
commandant, indien er een is. Generaals en regiments-
commandanten kunnen desverkiezende, den oudstaan-
wezenden hoofdofficier, geen regimentscommandant
zijnde, als kantonneinentscoinmandant aanwijzen.
De kantonnementscommandant vaardigt, in verband
met de plaatselijke gesteldheid en de gezindheid van
de inwoners, de noodige bevelen uit, die kunnen
bijdragen tot verzekering van de veiligheid, tot hand-
having van de inwendige rust en tot bevordering van
algemeene reinheid.
Hij zorgt voor de verbinding met de naastgelegen
kantonnementen, bepaalt de plaatsen, het aantal en de
sterkte van de politiewacht en van de kantonnements-
wachten (§§ \'101 en 1U0) en doet het toezicht daarover
houden door officieren van piket en bij groote af-
deelingen bovendien door een hoofdofficier van den dag.
Voorts stelt hij de uren van appels, taptoe en
reveille vast. Rustdagen worden gebruikt tot het
houden van inspectiën over kleeding en wapenen en
tot bijzondere verzorging van de paarden.
De kantonnementscommandant zorgt dat het ivoord
-ocr page 107-
90
(g 451) tegen het vallen van den avond aan de wachten
en tevens aan hen, die er mede bekend moeten zijn,
wordt uitgegeven.
BEVEILIGING EN POL1TIE-MAATREGELEN. .
§ 100. Onverminderd de beveiliging door ""de Vóór^"
posten, worden in elk kantonnement tot afsluiting aan
of nabij de uitgangen kantonnementswachten geplaatst.
Bestaan deze wachten uit cavalerie, dan doet deze,
met uitzondering van den patrouillegang, den dienst
te voet.
[s het kantonnement door zijne ligging en door den
stand der voorposten genoegzaam tegen verrassingen
gedekt, dan kunnen de wachten van geringe sterkte
zijn, daar zij in dit geval hoofdzakelijk dienen, om te
beletten, dat iemand zonder vergunning of bevoegdheid
het kantonnement verlaat of binnen komt.
In een klein kantonnement kan men dan somtijds
volstaan met aan de uitgangen dubbelposten te plaatsen ,
die door de politiewacht (§ 101) worden gegeven.
Is het kantonnement daarentegen meer aan over-
vallingen blootgesteld, dan worden de kantonnements-
wachten sterker gemaakt en veel gepatrouilleerd, terwijl
alsdan in het kantonnement, vooral des nachts, bijzondere
voorzorgsmaatregelen, als in § 104 worden vermeld,
noodig zullen zijn.
»Het plaatsen van observatie-posten op torens, molens
of andere verheven punten kan doeltreffend wezen.
De kantonnementswachten moeten bekend zijn met
de kwartieren van den bevelvoerenden officier, van den
-ocr page 108-
\'.li
kantonnementscommandant en van de commandanten
der wapens en diensten. Zij gedragen zich in het
algemeen als veldwachten; de posten doen geene eerbe-
wijzen e» loggun de- ransels -erf, doch bevestigen die
rf-iri-Ts: > £ "\\tv4-
bomorkt wordt.                                                             ^J*~f \'^
Over dag laten de posten ofiicieren en detachementen  ■«^", »«—\'
van de gekantonneerde troepen vrij door de posten-   «-—^^^fc,,
keten gaan.                                                                  m^JL,*]****,
Onderofficieren en minderen mogen zich slechts op  ^«^^-^^
vertoon van eene schriftelijke vergunning van wege  ■>l~it~\'y~iii,
den kantonnementscommandant uit het kantonnement  <La~,i*\'1*-
verwilderen. Zii, die daarvan niet ziin voorzien, worden , „ ,
teruggewezen, of, zoo /.ij van buiten komen, door een _. L,i*~{\\
der manschappen naar den commandant der wacht   ^„w\'^-i
gebracht.
                                                                       iai t» oy** -
Ten aanzien van het doorlaten van burgers bij dag,   ■ii~*.l4tUd*
worden in ieder kantonnement, naarmate van de om-  dmcitt\'k*<
standigheden, bevelen gegeven.                                      &->w,*»*e-AJ
Des nachts wordt ieder die nadert door de posten   yL*^u- ***
aangeroepen en daarna verkend, zooals bij de veld- ,
        f"°~
wachten (§g 211 en 204) is voorgeschreven.                    ƒ/• v
§ 101. Tot het handhaven van de inwendige rust,  f^^J^lu^,.
de orde en de reinheid is de politiewaeht bestemd;   *^a^u^..
zij wordt geplaatst in een daartoe geschikt gebouw,   &M~<-
waar zich tevens een lokaal voor arrestanten moet
bevinden.
Zijn verschillende wapens in het kantonnement, dan
geeft in den regel de infanterie de politiewaeht.
De politiewaeht en hare posten gedragen zich geheel
-ocr page 109-
92
als garnizoenswachten. Bij de bereden wapens trekken
de posten te voet op; de paarden der wacht worden
in de nabijheid gestald.
De artillerie en de trein plaatsen bij de voertuigen
een parkwacht, die den dienst te voet verricht.
VERPLEGING.
§ 102. De verpleging in het kantonnement geschiedt
volgens de Voorschriften betreffende de verpleging van
de landmacht in tijd van oorlog, te velde en in ver-
sterkte plaatsen.
Moet de troep voor zich zelve zorgen, dan wordt
gehandeld als bij bivaks.
Slechts bij hooge noodzakelijkheid mag gebruik
worden gemaakt van de rations levensmiddelen en
fourage, waarvan de troepen, voor ten minste 24 uren,
steeds voorzien moeten zijn (reserve-rations).
GEDRAGSREGELS IN HET KANTONNEMENT.
§ 103. Voor inlichtingen of klachten wendt ieder
zich tot zijn onmiddellijken chef, die, binnen den
kring zijner bevoegdheid, de vereischte voorzieningen
treft.
Zoo mogelijk moeten de officieren de kwartieren
hunner manschappen bezoeken om te zien of deze goed
gehuisvest zijn; zij moeten streng waken tegen het
plegen van ongeregeldheden of het mishandelen van
de ingezetenen door de troepen.
Gewoonlijk kunnen de paarden onmiddellijk na het
-ocr page 110-
93
inrukken worden afgestangd en daarna afgezadeld;
vervolgens worden zij afgewreven en nauwkeurig na-
gezien en, indien rug en lendenen nog warm zijn,
deze zooveel noodig gedekt. Des winters en in koele
of tochtige stallen worden de dekens opgelegd. Voordat
de paarden geheel afgekoeld zijn, mogen alleen de
oogen en neusgaten worden gewasschen.
Gedurende het eerste half uur na aankomst wordt
slechts hooi en stroo gevoederd, daarna laat men de
paarden drinken en eindelijk wordt de haver gegeven;
het drinkwater moet eenigen tijd te voren gepompt zijn.
Bij gedrukte paarden worden terstond verkoelende
middelen op de gedrukte plaats aangewend en worden
zadel en tuig nagezien en zoo noodig hersteld.
In iederen stal moeten de noodige manschappen als
stal wacht worden aangewezen.
In het kantonnement moet de grootste orde heer-
senen en de meest mogelijke reinheid worden in acht
genomen.
Kleeding, schoeisel, wapenen , ledergoed, zadeltuig,
beslag en materieel worden terstond na aankomst in
orde gebracht.
De ransels en zadels worden niet verder ontpakt
dan noodzakelijk is; in den regel zullen de ruiters de
karabijn bij zich houden, terwijl ieder man zijne uit-
rusting zoodanig plaatst, dat hij die zelfs in het
donker kan vinden. De vuurwapenen worden steeds
ontladen.
Met vuur en licht moet de grootste voorzichtigheid
in acht worden genomen.
-ocr page 111-
94
De manschappen kunnen bij het passeeren van
meerderen aan hun werkzaamheden blijven, tenzij zij
worden aangesproken.
Tusschen taptoe en reveille moet ieder zich in zijn
kwartier bevinden.
Bij donkere nachten worden de straatlantaarns ont-
stoken en moet, zoo noodig, in elk kwartier licht
branden en één man waken. De oudste in rang in
het kwartier is verantwoordelijk voor het nakomen
der voorgeschreven bepalingen.
De kantonnementscommandant bepaalt, zoo hij dien-
aangaande geen aanwijzingen van hoogerhand heeft
ontvangen, of het geven van andere signalen dan
alarm achterwege moet blijven. In \'s vijands nabijheid
is dit laatste regel.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN IN
KANTONNEMENTEN.
§ 104. In kantonnementen, waarin, hoewel zij door
hunne ligging eenigermate blootgesteld zijn, echter nog
geen geconcentreerde huisvesting noodzakelijk is, alsook
in die, waar de ingezetenen niet te vertrouwen zijn,
moeten bijzondere voorzorgsmaatregelen genomen worden.
De wachten worden alsdan sterk gemaakt en een
piket in een alarmhuis bijeen gehouden; de paarden
blijven des noods gezadeld en opgetuigd, in enkele ge-
vallen de voertuigen bespannen en de bagage opgeladen.
Het kan ook noodig zijn des nachts alle troepen
in alarmhuizen — groote gebouwen , kerken, schuren ,
enz. — te vereenigen; de manschappen leggen alsdan
-ocr page 112-
95
hunne bepakking af, doch houden die, even als hunne
wapenen bij zich, terwijl zij secties- of pelotonsgewijs
op daartoe verstrekt stroo legeren.
Dikwijls zal het goed zijn de ingangen te barrica-
deeren en het kantonnement in staat van verdediging
te brengen.
Op dergelijke wijze zullen de grootere afdeelingen
van de voorposten moeten handelen, indien zij ge-
kantonneerd zijn, hetgeen in dit geval steeds gecon-
centreerd zal plaats hebben.
In vijandelijk land of bij ongunstige gezindheid der
bevolking dient men tevens maatregelen te nemen tegen
de ingezetenen; men ontneemt hun de wapenen en
verbiedt samenscholingen; strenge bevelen worden uit-
gevaardigd tegen het aanranden van militairen, tegen
spionneeren en het geven van berichten aan den vijand;
men vergunt niemand het kantonnement te verlaten,
laat de straatlantaarns den geheelen nacht branden en
gelast aan de inwoners licht voor de ramen te plaatsen,
althans bij alarm. Nauwkeurige doorzoeking van in
een gevecht veroverde oorden , met het oog op zich daarin
schuil houdende vijandelijke soldaten, is noodig.
Voorts kan het noodig zijn den spoorweg- en tele-
graafdienst, alsmede de posterij onder militair toezicht
te plaatsen.
GEDRAGSREGELS BIJ EEN VIJANDELIJKEN AANVAL.
§ 105. Valt de vijand de voorposten aan, dan
wordt daarvan ten spoedigste bericht gezonden aan de
verschillende kantonnementen.
-ocr page 113-
90
De commandant van elk kantonnement laat terstond
verzamelen blazen; de manschappen vereenigen zich
daarop in volle wapenrusting — die der bereden korpsen
te paard — secties-, pelotons- of compagniesgewijs en
worden naar de alarmplaats geleid ; de artillerie en
trein spannen aan.
Van de alarmplaats worden de onderdeelen naar de
verzamelplaats of naar de hun aangewezen stelling
(g 96) geleid.
Wordt, in weerwil van de genomen maatregelen
een kantonnement overvallen, in welk geval het signaal
alarm wordt gegeven, dan tracht men door tuinen,
achterdeuren, enz. de alarmplaats te bereiken. Daartoe
worden bij voorbaat openingen in de omheiningen en de
noodige verbindingen tusschen naast of nabij elkander
liggende kwartieren gemaakt; De ruiters moeten niet
man voor man het kwartier verlaten, maar houden
dit gesloten, totdat allen gereed en opgestegen zijn.
De bespanningen blijven in de stallen tot nadere
waarschuwing, die niet gegeven wordt dan nadat men
de zekerheid heeft dat zij het park kunnen bereiken.
Bemerkt men dat alleen vijandelijke cavalerie het
kantonnement is binnen gedrongen, dan blijft men in
de huizen en afgesloten gedeelten en tracht den vijand
door geweer- en karabijnvuur te verdrijven.
Bij het betrekken van het kantonnement moet aan
de inwoners bevolen worden, ingeval van alarm te
huis te blijven.
Bedaardheid en orde zijn vóór alles noodzakelijk om
de noodlottige gevolgen eener overvalling te voorkomen.
-ocr page 114-
07
HET VERLATEN VAN HET KANTONNEMENT.
£ 106. Bij het verlaten van het kantonnement
worden allereerst de kantonnementswachten ingetrokken.
De troepen vereenigen zich op de alarmplaatsen en
marcheeren van daar naar de verzamelplaats of naar
een te voren aangewezen punt van den te volgen weg,
ten einde aldaar hun plaats in de marschcolonne in
te nemen.
De politiewacht blijft, zoo noodig, zóó lang achter
totdat het kantonnement door alle troepen en den
kleinen trein is ontruimd en sluit daarna bij de achter-
hoede aan.
BIVAKS.
KEUZE VAN DE BIVAKPLAATS.
§107. Voor zoover de tactische eischen, waarvan
liet bepalen van de bivakplaatsen der verschillende
troepenafdeelingen in de eerste plaats afhangt, het
toelaten , kiest men de bivakplaats op een droog terrein,
in de nabijheid van goede gemeenschapswegen en van
bewoonde oorden, waar levensmiddelen en andere be-
noodigdheden te verkrijgen zijn (1); de nabijheid van
goed drinkwater en van kook- en waschwater is een
vereischte, die van een bosch of van houtgewas,
waardoor men tegen weer en wind beschut is en
waaruit men brandhout kan halen, is aan te bevelen.
il) Wanneer de omstandigheden dit slechts eenigzins veroorloven,
wordt van die bewoonde oorden gebruik gemaakt, vooral voor de
bereden wapens, ter inrichting van oordbivaks (§ 135).
7
-ocr page 115-
98
Infanterie legert men zelfs in het bosch, soms ook de
cavalerie, indien het bosch niet te dicht is en uit
opgaand hout bestaat. Weiland wordt zooveel mogelijk
als bivakplaats vermeden.
Bij groote troepenafdeelingen verdienen meerdere
kleine bivaks veelal de voorkeur boven één groot.
INRICHTING VAN HET BIVAK.
§108. De infanterie bivakkeert in den regel in
compagnies-colonnes met sectiën (fig. 6), bij uitzondering
in linie (fig. 7).
De paarden worden achter de voertuigen, met het
kruis naar den wind aan piketpalen geplaatst, waar-
tusschen touwen zijn gespannen, of aan bivakringen (1).
§ 100. Een regiment Cavalerie of wel eenige ver-
eenigde eskadrons bivakkeeren meestal in opene colonne
met eskadrons (fig. 8).
Kan men gebruik maken van lanen, clan wordt ook
wel in linie gebivakkeerd; de manschappen , enz. legeren
dan achter de paarden.
Een enkel eskadron bivakkeert in linie of wel in
colonne met pelotons (fig. 9).
Bij de cavalerie worden de paarden in den regel
bevestigd aan de fouragestrikken, die tusschen piket-
palen zijn gespannen , of aan bivakringen.
§110. De batterijen veld- en rijdende artillerie
bivakkeeren op de wijze als in het 2de gedeelte van
(1) De weinige stabiliteit der twefiradige voertuigen veroorlooft
niet die touwen, evenals bij de artillerie geschiedt, aan de voertuigen
zelf te bevestigen.
-ocr page 116-
09
de Batterijschool is voorgeschreven (fig. 10). De paarden
staan aan parkeerlijnen , die tusschen de voertuigen zijn
gespannen , of aan bivakringen.
| 111, De groote trein bivakkeert met afstanden
van minstens 15 pas tusschen de verschillende afdeelingen
en iedere afdeeling in één of zoo noodig meer liniën
op overeenkomstige wijze als de artillerie. Bij gemis
van parkeerlijnen gebruikt men fouragestrikken of anders
gewoon touw.
Met de bespanningen der tweeradige voertuigen wordt
gehandeld als bij de infanterie.
§112. De in de vorige §§ aangegeven bivakvormen ,
alsmede de afstanden moeten niet als onveranderlijk
worden beschouwd, daar de gedaante en de grootte der
tot het bivakkeeren beschikbare ruimte hierop van
invloed zijn. Van deze moet, even als van de gesteld-
heid der bivakplaats en der hulpmiddelen, welke zij
oplevert, steeds ten meesten nutte der bivakkeerende
afdeeling partij getrokken worden.
§ 113. Omtrent de plaatsen voor de latrines wordt
opgemerkt, dat zij bij genoegzame ruimte ook op de
flanken en zelfs vóór het front dei- bivakkeerende
afdeeling kunnen komen, indien de richting van den
wind of andere omstandigheden dit noodig maken.
Men vermijde evenwel tusschen twee bivakkeerende
afdeelingen latrines te graven.
§ 114. Bivakkeeren eenige bataljons, eskadrons en
batterijen te samen, dan moeten tusschen de ver-
schillende troependeelen en troepensoorten de noodige
afstanden worden gehouden. Dit geschiedt ook indien
de troepen op twee of meer liniën bivakkeeren.
-ocr page 117-
100
§ 115. De staven van Divisiën en zelfstandige Brigades
worden in bewoonde oorden of in nabij gelegen woningen
gehuisvest. Is hiertoe geene mogelijkheid, dan legeren
zij op de meest geschikte punten nabij de troepen.
De bivakplaats van de hoogere bevelhebbers wordt
aangeduid op de wijze als in § 93 is voorgeschreven.
£ 116. Tot het opnemen van zieken worden zoo
mogelijk woningen in de nabijheid van het bivak
ingericht.
KWARTIERMAKERS.
§ 117. Even als bij het betrekken van kantonne-
menten is het van belang dat de troepen, die moeten
bivakkeeren, zoo de omstandigheden het toelaten,
kwartiermakers vooruitzenden (g 97).
Deze ontvangen, op de bivakplaats aangekomen, van
den daarmede belasten officier de noodige aanwijzingen
omtrent de plaats voor hun onderdeel bestemd, van welke
plaats zij vervolgens dadelijk op de eene of andere
wijze de hoekpunten aanduiden.
Vervolgens vernemen de kwartiermakers of gaan zij
na, waar water te verkrijgen is; bij stroomend water
wordt een plaats bepaald tot het halen van drinkwater,
benedenwaarts daarvan een andere voor het drinken
van de paarden en nog verder benedenstrooms een
reinigingsplaats.
Bij stilstaand water moet eerst het noodige kook-
en drinkwater worden gehaald, daarna laat men de
paarden drinken.
-ocr page 118-
101
Waterputten en pompen worden, indien het aantal
niet groot of weinig water beschikbaar is, alleen voor
drinkwater gebruikt en door schildwachten bewaakt.
Zoo noodig worden inrichtingen gemaakt om het
water te scheppen, alsmede afgravingen voor het
drenken van de paarden.
De kwartiermakers doen, indien het noodig is. voor
de artillerie en trein-afdeelingen op- en afrijplaatsen
maken en voor laatstgenoemde afdeelingen, indien zich
daarbij tweeradige voertuigen bevinden, zoo noodig
piketpalen bijeenbrengen.
Bij afgelegen bivaks zorgen zij, door het achterlaten
van enkele manschappen, dat hun troep langs den
kortsten weg de bivakplaats bereikt.
Het is duidelijk dat de meerdere of mindere volle-
digheid der vermelde maatregelen zal afhangen van
den tijd, dien men heeft vóór de aankomst der troepen.
Men begint met het meest noodzakelijke en desnoods
wordt hiertoe de medewerking van de bewoners inge-
roepen.
Veranderingen in de eenmaal ingenomen bivaks moeten
vermeden worden.
AANKOMST DER TROEPEN.
§118. De infanterie marcheert, op de bivakplaats
aankomende, in de voor het bivakkeeren bevolen for-
matie op. De orders worden uitgegeven en de op
wacht komende manschappen, alsmede die voor de
corvée\'s bestemd, gecommandeerd.
-ocr page 119-
102
Vervolgens wordt het personeel, dat op wacht komt,
20 pas vóór het front van het bataljon geleid.
De bataljonsadjudant formeert de wachten (§§ \'124
en 125), die terstond aan hare commandanten worden
overgegeven en afmarcheeren.
De bataljonscommandant laat vervolgens de geweren
aan rotten plaatsen, de ransels en de broodzakken met
^iffj" veldflesch losmaken, de schako\'s en de koppob met
toebehooren aan de geweren hangen en de kwartiermuts
opzetten. Iedere compagnie marcheert naar de voor
haar bestemde ruimte; de manschappen leggen daar de
ransels, die zij even als de broodzakken en veldllesschen
f"jfóitd.S \'5\'J z\'cn nouck3ni ordelijk op den grond neder, f
/>t~A*~~r*£
De kleine staf bivakkeert bij de 2e compagnie.
^It, i-j**»** De tamboers en hoornblazers begeven zich, bij het
t*l aan rotten zetten der geweren, naar hunne compag-
- nieën en plaatsen de trommen en hoorns op den rech-
^■^•^"^tei-vleugel van de geweren.
, fan\'"**&- {]et regimentsvaandel of het fanion wordt aan den
, ... "commandant dei\' politiewacht overgegeven, vóór de
a\'id«£~<o- wacnt U1 den grond gestoken en door den schildwacht
\'. „^a»,»^ voor het geweer bewaakt.
lii^tidy- De kookgaten en latrines worden gegraven, afdaken
tti„£kdL^0\\ beschuttingen vervaardigd, water, hout en stroo
f^f\'^^ehaald en het eten gekookt.
Ms.,-W«, g H9 Bi; aankomst op de bivakplaats neemt de
fos.jjfaM .cava\'erie c\'e formatie aan, waarin het bivak zal worden
fhAsUv^b^trokken, zich daarbij zoodanig opstellende dat de
huttkdwjV^\'d™ steeds met het kruis naar den wind kunnen
?<;>,„<.«i/geplaatst worden; nadat de orders zijn uitgegeven en
-ocr page 120-
103
het personeel voor de wachten en corvée\'s Ls aange-
wezen doet de commandeerende officier de gelederen
tot op 1G pas voorwaarts openen.
Bij het openen der gelederen marcheert de korporaal
van het rot van richting recht voor zich uit, terwijl
de overige ruiters zooveel schuins rechts of links
marcheeren, dat de paarden bij het halt maken 1 M.
tusschenruimte hebben, gerekend van hoofd tot hoofd.
De ruiter van het achterste gelid van genoemd rot
blijft staan, de overige ruiters van dit gelid nemen
dezelfde tusschenruimte als die van het voorste gelid.
De commandeerende officier laat vervolgens afstijgen,
de nummers 1 en 3 geven hunne paarden over aan
de nummers 2 en 4 en slaan de piketpalen dicht vóór
de hoofden der paarden vast in den grond, eenigszins
buitenwaarts overhellende en op onderlinge afstanden
van ongeveer 8 pas.
De fouragestrikken worden op 1 M. afstand van den
grond zóó ruim aan de piketpalen gespannen, dat van
meter tot meter een lus kan worden gelegd; aan deze
lussen worden de longes door de nummers 2 en 4
bevestigd, op de wijze als in Fig. 11 is voorgesteld.
De paarden van de officieren en die van het opsluitend
gelid komen op de vleugels van de pelotons in de
beide gelederen. De kleine staf bivakkeert bij het
achterste eskadron.
De manschappen tot de bivakwachten (§ 124) en de
standaardwacht (§ 125) gecommandeerd nemen de kara-
bijn. Deze wachten verzamelen zich vóór het front om
naar de voor hen bepaalde plaatsen te worden geleid.
-ocr page 121-
104
De zorg voor de paarden van het personeel der wachten
wordt aan de ncvenlieden in het eskadron opgedragen.
De standaard wordt aan de wacht in bewaring gegeven.
Al de paarden worden afgestangd; de ruiters nemen
de kwartiermuts en de mondzakken uit de bepakking,
ontwapenen zich en steken de sabel met de scheede
in den grond, 8 pas achter het paard, het gevest
naar voren; het stooteinde van den sabelkoppel en de
karabijnriem worden door het gevest gestoken en eerst-
genoemde vastgegespt. De karabijn wordt tegen de
sabel geplaatst en de revolver, indien deze niet aan
den koppel bevestigd is, met den riem aan het gevest
vastgemaakt. Het hoofdstel wordt over het gevest ge-
hangen en de kolbak er opgezet.
Zoodra hiertoe bevel wordt gegeven, worden de
paarden afgezadeld, zoo noodig de dekens opgelegd
en de zadels alsdan 5 pas achter de paarden met
den voorboom rechts op een laag stroo of bladeren
gelegd; de stijgbeugels, de singels en de mondzak op
de zitting. Om de dekens te beveiligen kunnen de
zadels twee aan twee op elkander en de dekens er
tusschen worden gelegd. Bij regen verdient het aan-
beveling de paarden op te zadelen, om den rug en de
dekens droog te houden. Eindelijk wordt gehandeld
als s\'oor de infanterie aan het slot van § 118 is aan-
gegeven.
Per peloton worden 2 man als stalwacht aangewezen.
§ 120. Bij aankomst op de bivakplaats wordt door
de artillerie gehandeld volgens de voorschriften van het
2e gedeelte der Batterijschool.
-ocr page 122-
105
§ 121. Als de artillerie moet parkeeren, in welk
geval de manschappen en paarden onder dak worden
gebracht, wordt eveneens gehandeld naar het voorge-
schrevene in het 2de gedeelte der Batterijschool.
De parkwacht wordt in een nabij gelegen huis of
hut geplaatst.
§ 122. Ook de trein handelt, voor zoover hij af-
zonderlijk bivakkeert of parkeert, zooveel mogelijk
naar de voorschriften van het 2de gedeelte der Batterij-
school.
BEVELVOERIXG IN HET BIVAK.
§ 123. In elk bivak, dat een zelfstandig geheel
vormt, voert de hoogste in rang het bevel.
Een generaal of een regimentscommandant kan den
op hem in rang volgenden officier tot commandant
van het bivak benoemen.
Op den commandant van het bivak rust de ver-
antwoordelijkheid voor de handhaving van de rust en
orde in het bivak, voor den geregelden gang van den
dienst en voorde beveiliging van het bivak, voor zoover
deze noodig is. Hij bepaalt daartoe de plaatsing der
wachten (§ 124), regelt het toezicht daarop, geeft de
uren aan voor taptoe, reveille, appels en andere
diensten; hij bepaalt met het oog op de meerdere of
mindere nabijheid van den vijand, of er signalen
mogen geblazen worden en doet, tegen het vallen van
den avond, het woord uitgeven.
-ocr page 123-
106
BEVEILIGING EN POLITIE-MAATREGELEN.
§ 124. Afgescheiden van de voorposten, die even
als bij de kantonnementen het geheel beveiligen , worden ,
tot afsluiting van het bivak en tegen mogelijke ver-
rassingen van \'s vijands zijde, bivakwachten uitgezet,
die naarmate van haar stand ten opzichte van het
bivak, front-, flank- en rugwachten heeten.
Kleine afdeelingen zullen zich veelal, ten gevolge
van den geringen omvang van haar bivak, moeten
bepalen tot het omringen van het bivak door dubbel-
posten. Dit zal dan ook meestal voldoende wezen,
daar zij spoediger slagvaardig zijn en een bivakplaats
kunnen kiezen, die beter tegen verrassingen beveiligd
is, dan grootere afdeelingen. üe posten worden in
dit geval door de politiewacht (g 125) uitgezet.
Is het bivak door zijne ligging en door den stand
der voorposten voldoende tegen verrassende aanvallen
gedekt, dan dienen de bivakwachten hoofdzakelijk om
te beletten dat iemand, zonder vergunning of bevoegd-
heid , het bivak verlaat of . er binnen komt. Is het
bivak daarentegen meer blootgesteld, dan moeten die
wachten tevens het bivak tegen overvallingen beveiligen.
Vóór het front van het bivak worden op een af-
stand van 200—300 pas en met een onderlinge
tusschenruimte van 500—600 pas frontwachten ge-
plaatst; op de flanken, zoo die niet aangeleund zijn,
zet men op gelijke wijze een of meer flankwachten
en in den rug de noodige rugwachten uit. Aan de
zijden, waar een bivak ontoegankelijk is, behoeven
-ocr page 124-
107
geen bivakwachten te worden geplaatst. De bivak-
commandant bepaalt door welke afdeelingen die wachten
zullen worden gegeven.
Elk dezer wachten stelt een post voor \'t geweer en
op ongeveer 150 pas rechts en links voorwaarts een
dubbelpost uit, zoodat er een keten van posten rondom
het bivak ontstaat.
De bivakwachten en hare posten gedragen zich, ook
ten opzichte van het doorlaten van personen, als de
kanton nementswachten (g 100).
Bij een bivak op twee liniën zetten de voorste linie
de front-, de achterste linie de rug- en de vleugel-
afdeelingen de llankwachten uit.
Bivakkeeren de verschillende wapens te zamen, dan
worden de bivakwachten uit de infanterie genomen.
Des nachts en naar omstandigheden ook over dag
kan het noodig zijn een gedeelte van den troep, bij
voorkeur infanterie, als piket gereed te houden om
onmiddellijk uit te rukken. De onderafdeeling hiertoe
gecommandeerd legert achter de geweren of achter de
opgezadelde paarden.
Ook is het zeer aan te bevelen, dat uit bivaks, in
de nabijheid der voorposten gelegen, dikwijls patrouilles
derwaarts en ook in andere richtingen worden ge-
zonden, teneinde te onderzoeken of er iets bijzonders
voorvalt.
§ 125. Tot het handhaven van de inwendige rust,
de orde en de reinheid wordt bij elk bataljon, bij een
of meer eskadrons en bij een of meer batterijen een
politiewacht (bij de cavalerie standaardwacht, bij de
artillerie parkwacht) gecommandeerd.
-ocr page 125-
108
De standplaats dier wacht en de uit te zetten posten
zijn in de figuren aangewezen. De dienst komt over-
een met dien van garnizoenswachten. De bereden
wapens verrichten dien dienst te voet.
VERPLEGING.
§ 126. Zijn door de intendance maatregelen ge-
nomen tot verstrekking van het noodige, dan bepaalt
de dienst der corvée\'s zich tot het ontvangen der
rations, die door de zorg der intendance op de bivak-
plaats worden aangevoerd.
§ 127. Laten de omstandigheden geen regelmatige
uitdeeling toe, dan handelt de commandeerende officier
zoodanig als hem het meest geraden voorkomt, hetzij
door het noodige na voorafgaande vordering (requisitie)
te doen verstrekken , of dit, in dringende gevallen en bij
onwilligheid der ingezetenen, zonder voorafgaande vorde-
ring in gebruik te nemen (fourageering).
Omtrent de betaling van hetgeen geleverd is, geldt
in het eigen land hetgeen daaromtrent in de Wet op
de inkwartieringen, transporten en leverantiën enz. en
de ter uitvoering daarvan gemaakte voorschriften, is
bepaald.
Het is overigens aan te bevelen de troepen steeds
van levensmiddelen voor ten minste 24 uren te
voorzien.
g 128. Bij eene requisitie nemen de manschappen
alleen het vuurwapen en patronen mede, benevens de
noodige wagens, zakken, fouragestrikken, enz.; de
omliggende plaatsen, die tot het leveren van het
\\
-ocr page 126-
109
noodige in aanmerking komen, worden onder de
troepenafdeelingen naar evenredigheid der sterkte ver-
deeld.
Zijn in het bivak de noodige voertuigen niet beschik-
baar, dan worden ook deze voor het transport ge-
requireerd; slechts bij hooge noodzakelijkheid mag men
paarden tot het dragen van den voorraad bezigen.
§ 129. Bij een fourageering moet het kader ten
strengste waken tegen het wegnemen van hetgeen niet
noodig is en tegen noodelooze vernieling of ontvreemding
van welken aard ook. Een gedeelte der manschappen
wordt bestemd tot patrouilles, die last hebben onbe-
hoorlijke handelingen , zoowel van de zijde der soldaten ,
als van die der inwoners, met kracht tegen te gaan.
§ 130. Moet een requisitie of fourageering op zoo-
danigen afstand van het bivak geschieden, dat men
daarbij door de voorposten niet voldoende meer gedekt
is, dan moet zij onder bedekking eener meer of min
sterke troepenafdeeling plaats hebben.
GEDRAGSREGELS IN HET R1VAK.
§ 131. De gedragsregels in het bivak zijn in het
algemeen dezelfde als voor de kantonnementen zijn aan-
gegeven.
Het personeel mag zich slechts voor dienstaangelegen-
heden of met bijzondere vergunning naar de bivak-
plaats van andere onderdeelen begeven.
Indien afdaken of kleine beschutselen mogen worden
gemaakt, hetgeen de bivak-commandant bepaalt, dan
geschiedt dit alleen op de voor elk gedeelte bestemde
-ocr page 127-
HO
hivakplaats, zoodat het overige terrein voor de gemeen-
schap vrij blijft.
Het kader moet vooral toezien, dat de manschappen
hun tijd behoorlijk besteden tot het in orde brengen
van wapenen en uitrusting, tot reiniging en tot rusten,
en dat alle maatregelen tot instandhouding van de
gezondheid voorgeschreven worden nagekomen a.
De paarden worden bij kleine afdeelingen naar de
drenkplaatsen gebracht; het voederen heeft plaats door
alle manschappen, die niet in dienst zijn; de mond-
zakken worden over de hoofden der paarden gehangen
en met de hand ondersteund; de haver wordt slechts
bij kleine hoeveelheden te gelijk in den mondzak ge-
daan , om te voorkomen dat zij verloren gaat of nat
wordt.
Bij elk bivak vuur moét één man waken.
Het rooken in de nabijheid van de fourage, voer-
tuigen en parken is verboden.
GEDRAGSREGELEN BIJ EEX VUANDELIJKEN AANVAL.
g 132. Zoodra door de voorposten wordt gemeld
dat de vijand aanvalt, laat de commandant van het
bivak bij een der politiewachten verzamelen slaan of
blazen, welk signaal terstond door de andere wordt
overgenomen.
Op dit signaal treedt de infanterie ten spoedigste
aan en hangt om; de cavalerie zadelt de paarden en
wapent zich; de artillerie en de trein tuigen de paarden
op en spannen aan, waarbij de bedieningsmanschappen
de stukrijders helpen.
-ocr page 128-
m
De troepen, die aangewezen zijn , om bepaalde punten
of stellingen te bezetten, rukken terstond daarheen.
§ 133. Bij een onverhoedschen aanval van het bivak
wordt alarm geblazen, terwijl de wachten, versterkt
door het piket en door de afdeelingen die het eerst
gereed zijn, den vijand trachten tegen te houden en
terug te slaan.
HET OPBREKEN VAN HET BIVAK.
§ 134. De infanteriewachten rukken in, zoodra de
troepen aantreden; die van de cavalerie en artillerie,
wanneer de manschappen beginnen op te zadelen en
op te tuigen, hetgeen niet eer dan een half uur vóór
den afmarsch mag geschieden. Bij dit inrukken moet
evenwel voor de noodige beveiliging tegen den vijand
gezorgd worden.
De vaandeldrager (standaarddrager) haalt het vaandel
(den standaard) bij tijds van de politiewacht af; de
commandant dezer wacht overtuigt zich, vóór het in-
rukken, dat de vuren zijn uitgedoofd en de keuken-
gereedschappen en de overgebleven fourage zijn opgeladen.
OORDBIVAKS.
§ 135. Zelfs onder omstandigheden, waarbij ge-
durende de nachtrust een groote mate van concentratie
van de troepen gevorderd moet worden, zal men zooveel
mogelijk van oordbivaks gebruik maken, door aan
die troepen enkele oorden als dorpen, gehuchten, buurten,
-ocr page 129-
112
eenige nabij elkander gelegen pachthoeven of andere
groote ruimten ter beschikking te geven.
De commandant dier troepen bepaalt welke onder-
deelen zoo eng mogelijk in tactisch verband in de
woningen enz. en in de door deze ingesloten ruimten
kantonneeren en welke onderdeden op de omliggende
terreinen bivakkeeren. Daarbij moet van de voor-
handen ruimten, welke onderkomen aanbieden, zooveel
doenlijk partij getrokken worden.
De voor kantonnementen en bivaks voorgeschreven
gedragsregelen moeten overeenkomstig de omstandig-
heden toepassing vinden, met dien verstande, dat de
maatregelen, welke de veiligheid der rustende troepen
en hare snelle gevechtsvaardigheid verzekeren, als de
meest gewichtige moeten worden beschouwd. Wijders
moet hierbij in aanmerking genomen worden op welke
wijze nabij zijnde troepenafdeelingen legeren en welke
bescherming in verband daarmede van die afdeelingen
te verwachten is.
-ocr page 130-
HOOFDSTUK IV.
VEILIGHEIDSDIENST.
§ 130. Een troepenafdeeling te velde, die marcheert,
f in een kamp, kantonnement, bivak of oordbivak gele-
erd is, kan in deze verschillende toestanden niet
olkomeu slagvaardig zijn, dat wil zeggen, niet vol-
umen gereed om het gevecht te voeren.
Zelfs in de nabijheid van den vijand is het onuit-
oerbaar, een troepenmacht, zonder haar af te matten
n spoedig geheel uit te putten, voortdurend in een
enoegzaam slagvaardigen toestand te houden.
Uit dien hoofde zal iedere troepenafdeeling, zij moge
i rust of in beweging zijn, een gedeelte van hare
erkte moeten afzonderen, waaraan de beveiliging van
3t geheel tegen plotselinge aanvallen en verrassingen
in den vijand wordt toevertrouwd.
De aldus ter beveiliging van het geheel bestemde
oepen worden in het algemeen veiligheidstroepen en de
>or hen te verrichten dienst veiligheidsdienst genoemd.
j marcheerende troepen noemt men den dienst der
iligheidstroepen meer in het bijzonder marschveilig-
idsdiensl, bij rustende troepen voorpostendiensl.
8
-ocr page 131-
tu
§ 137. Zeer nauw met den veiligheidsdienst ver-
bonden en een geheel daarmede vormende is de
ophelderingsdienst. Deze dienst toch geeft de middelen
aan, waardoor men \'s vijands bewegingen en bedoelingen
tracht uit te vorschen, waarvan de nauwkeurige kennis
in hooge mate de algemeene veiligheid der eigen troepen
bevordert. De voor den ophelderingsdienst hierna te
geven aanwijzingen en voorschriften moeten bij de uit-
voering van den veiligheidsdienst toepassing vinden,
voor zoover in dit voorschrift geen hiervan afwijkende
bepalingen voor dezen laatsten dienst zijn gemaakt.
§ 138. De veiligheidstroepen kunnen, naargelang
van de sterkte en samenstelling der door hen te be-
veiligen troepenmacht, in verband met de kracht du
zij moeten kunnen ontwikkelen, uit de drie wapens
bestaan doch moeten zoo mogelijk altijd infanterie en
cavalerie daarbij worden ingedeeld.
Bij het bepalen van de sterkte der veiligheidstroepen
moet als vaste regel gelden, dat daarvoor niet meet\'
troepen dan noodzakelijk en steeds zooveel mogelijk
zelfstandige onderdeden worden bestemd. In het alge-
meen zal alzoo tot het beveiligen van een compagnie
infanterie een sectie, van een eskadron een peloton,
van een bataljon een compagnie, van een regiment
infanterie een bataljon, van een regiment cavalen
een eskadron of twee eskadrons onder bevel van
een hoofdofficier, enz. worden aangewezen; terwijl de
artillerie, die bij de veiligheidstroepen wordt ge-
voegd, moet bestaan uit een sectie of een of mei\'
batterijen.
-ocr page 132-
115
Eveneens moeten voor de deelen, waarin de veilig-
heidstroepen worden verdeeld, zooveel doenlijk zelf-
standige onderdeelen worden genomen.
§ 139. Hoezeer de infanterie en cavalerie, ingeval
de veiligheidstroepen uit beide deze wapens bestaan,
steeds in nauw verband met elkander behooren te
handelen, moet echter de werkkring van de infanterie
zich hoofdzakelijk bepalen tot de rechtstreeksche be-
scherming van de te beveiligen hoofdmacht, terwijl die
van de cavalerie zal bestaan in het waarnemen door het
uitzenden van verkenningspatrouilles of detachementen
op verdere afstanden. (Hoofdstuk V).
Dienvolgens moet het grootste gedeelte der cavalerie,
die met den veiligheidsdienst wordt belast, niet worden
beschouwd als met de overige veiligheidstroepen onaf-
scheidelijk verbonden te zijn. De bevelhebber zal dat
gedeelte dan ook niet onder de bevelen van den com-
mandant dier troepen behoeven te stellen, maar het
rechtstreeks zijne opdracht kunnen verstrekken. Men
behoort die cavalerie een zekere mate van onafhanke-
lijkheid te laten en haar in vele gevallen niet angst-
vallig aan bepaalde plaatsen of afstanden te binden;
slechts in zoover moet zij de verbinding met de infan-
terie-afdeelingen der veiligheidstroepen onderhouden,
dat zij aan deze steeds tijdig berichten kan doen toe-
komen en zoo noodig door haar kan worden onder-
steund of opgenomen.
Ook moet in den regel worden vermeden, de cava-
lerie voor den nachtdienst te gebruiken, tenware zij
geheel op zichzelf staat en dus zelf in hare beveiliging
-ocr page 133-
116
moet voorzien of tenzij de voeling met den vijand moet
behouden blijven.
MARSCHVE1LIGHEIDSDIENST.
§ 140. Een troepenafdeeling beveiligt zich op marsen
in het front door een voorhoede, op de flanken door
flankdekkingen en in den rug door een achterhoede.
De colonne, wier marsch door genoemde afdeelingen
wordt beveiligd, draagt den naam van hoofdcolonne.
Marcheeren onder één onmiddellijk bevel meerdere
colonnes langs twee of\' drie parallelwegen, dan worden
die colonnes onderscheiden door de benamingen rechter-,
midden-
en linker hoofdcolonne.
De richting, waarin de colonne ten opzichte van den
vijand marcheert, bepaalt aan welke van de beveiligende
afdeelingen het meeste gewicht moet worden toegekend.
Zoo zal bij een marsch naar den vijand (frontmarsch)
de voorhoede, bij een terugtocht de achterhoede, en
bij een marsch, waarbij de vijand op een der flanken
te verwachten is (flankmarsch), de rechter- of de lin-
kerflankdekking de voornaamste taak te vervullen en
dus een voldoende sterkte moeten hebben, om den
veiligheidsdienst naar behooren te kunnen verrichten.
De bevelhebber van de meerdere bovenbedoelde op
parallelwegen marcheerende colonnes bepaalt, of iedere
dier colonnes haar eigen voor- en achterhoede moet
afzonderen en (behoudens het bepaalde in § 163) bij
welke voor flankdekking moet worden gezorgd.
Aangezien de beginselen, waarop de sterkte, afstan-
den , indeeling en gedragsregels bij de onderscheiden
-ocr page 134-
117
deelen van de voorhoede, flankdekkingen en achter-
hoede , bij front-, flank- en terugtochtsmarschen gegrond
zijn, nagenoeg dezelfde zijn, wordt het hier ter vér-
mijding van herhalingen voldoende geacht, alleen de
handelingen van de voorhoede en hare deelen uitvoerig
te vermelden, in de onderstelling, dat men tegen den
vijand oprukt.
DE VOORHOEDE.
jj 1 41. De taak van de voorhoede is:
1°. het terrein voorwaarts en binnen zekere grenzen
ook aan weerszijden van de marschrichting te door-
zoeken ;
2°. berichten omtrent den vijand in te winnen;
3°. de nadering van kleine vijandelijke afdeelingen
of patrouilles tot de hoqfdcolonne te beletten;
4°. bijtijds kennis te geven van de aanwezigheid of
nadering van den vijand, en hem in dat geval zóó lang
tegen te houden, dat de hoofdcolonne tijd heeft zich
in den gevechtsvorm te ontwikkelen of wel het gevecht
te ontwijken.
5°. het opruimen van hindernissen, die den marsch
kunnen vertragen, zoomede het doen van de vereischte
herstellingen aan wegen en bruggen.
SAMENSTELLING, STERKTE EN AFSTAND TOT
DE HOOFDCOLONNE.
§ 142. De voorhoede bestaat, al naar gelang van
de samenstelling en sterkte van de marcheerende
troepenmacht, uit een of meer wapens.
-ocr page 135-
118
Zooals reeds in het algemeen in § 139 is gezegd,
moet het grootste deel der cavalerie, die bij de voor-
hoede is ingedeeld, wegens hare eigenaardige geschikt-
heid voor den verkenningsdienst, worden vooruitgezon-
den , zonder haar te veel aan bepaalde afstanden tot
de beveiligende keten der infanterie te binden. De
infanterie-voorhoede mag zich dan ook door bedoeld
deel der cavalerie niet voldoende beveiligd achten, doch
moet zelfstandig hare veiligheidsmaatregelen nemen.
Al bestaat een voorhoede ook enkel uit infanterie,
dan wordt haar toch zoo mogelijk eenige cavalerie toe
gevoegd, om verbinding niet zijtroepen te onderhouden,
rapporten snel over te brengen, patrouilles naar ver-
wijderde punten te kunnen zenden, enz.
Veelal wordt, althans bij een eenigszins belangrijke
troepenmacht, een detachement genietroepen bij de
voorhoede ingedeeld en zoo noodig een pontontrein en
een of meer patrooncaissons.
Eindelijk zijn in onbekende landstreken soms gidsen
(§ 228) bij de voorste veiligheidsafdeelingen zeer noodig.
§ 143. De sterkte van de voorhoede hangt af van
die der geheele troepenmacht, de gesteldheid van het
terrein en den weerstand die geboden moet worden,
om de hoofdcolonne den noodigen tijd te verschaffen,
zich in den gevechtsvorm te ontwikkelen.
Het bepalen van die sterkte moet dus aan het oor-
deel en de inzichten van den bevelvoerenden officier
worden overgelaten. Deze moet bij eene cavalerie-
colonne overwegen dat de voorhoede betrekkelijk sterker
moet zijn dan bij eene colonne infanterie, omdat dit
wapen beter weerstand kan bieden dan cavalerie.
-ocr page 136-
119
§ 144. De afstand tusschen de voorhoede en de
hoofdcolonne hangt van zoo velerlei voorwaarden af,
dat er moeielijk bepaalde gegevens voor kunnen worden
vastgesteld. In het algemeen mag die afstand niet zoo
groot zijn, dat de voorhoede zou kunnen worden afge-
sneden of geslagen, voordat de hoofdeolonne haar te
hulp kan komen, en niet zoo klein, dat zij op de
hoofdcolonne zou kunnen worden teruggeworpen, al-
vorens deze tot het gevecht ontwikkeld is.
Het bepalen van dien afstand zal daarom mede aan
het oordeel en de inzichten van den bevelvoerenden
officier moeten worden overgelaten.
INDEELWG VAN DE VOORHOEDE.
\\ 145. Teneinde het terrein behoorlijk te kunnen
doen doorzoeken en de hoofdcolonne zoowel als zich
zelf tegen verrassende aanvallen, hinderlagen of be-
spieding door den vijand te beveiligen, zal de voor-
hoede zich eenigermate in de breedte, aan weerszijden
van den te volgen weg moeten uitbreiden.
Zij blijft daarom niet geheel bijeen, maar zondert
het \'/g tot \'/, van hare sterkte af, dat als voorlroep
op eenigen afstand langs den hoofdweg vooruitgaat en
doorzoekingspatrouilles (§ 148) vooruitzendt.
Indien de omstandigheden dekking op de flanken
der voorhoede of een breed doorzoekingsfront vereischen,
bestemt de voorhoede bovendien een gedeelte als rechter-
en een ander gedeelte als linkerzijtroep, welke zijtroepen
op nagenoeg gelijke hoogte met den hoofdtroep de
met den hoofdweg in gelijke richting loopende zijwegen
-ocr page 137-
120
volgen of — doch alleen bij noodzakelijkheid — in
het zijwaarts gelegen terrein marcheeren. Die voor-
troep en zijtroepen doorzoeken met hunne patrouilles
een voor de veiligheid der colonne genoegzaam breede
terreinstrook.
Hierbij dient men op te merken, dat het uitzenden
van zijtroepen in vele gevallen, ten gevolge van het
geheel open of onbegaanbaar terrein zijwaarts van den
hoofdweg — zooals in onze polderlanden meestal het
geval is — overbodig of niet mogelijk is.
Daarentegen komt het in polderlanden dikwijls voor,
dat de weg of dijk, waarop een colonne marcheert,
door andere wegen of dijken wordt gekruist, of wel
dat deze er evenwijdig mede loopen. In het eerste
geval worden die wegen of dijken door patrouilles of
detachementen bewaakt, totdat de hoofdcolonne ge-
noegzaam is voorbij getrokken, terwijl men de even-
wijdige dijken of wegen door zij patrouilles, zijtroepen
ot, ter wille van het gewicht, dat zij met het oog op
de mogelijkheid eener omtrekking bezitten, door een
zelfstandige flankdekking (g 161) kan doen volgen.
\\ 146. Aan de voor- en zijtroepen van infanterie
wordt zoo mogelijk eene kleine cavalerie-afdeeling of
althans eenige cavaleristen toegevoegd zoowel om ver-
binding te onderhouden en berichten over te brengen,
als om langs den hoofdweg (g 148) en van tijd tot
tijd tot het verkennen van zijwegen eenige honderden
passen vooruit te rijden.
De bij de voorhoede ingedeelde geniesoldaten mar-
cheeren gewoonlijk bij den voortroep.
-ocr page 138-
121
\\ 147. De afstand tusschen den voortroep en de
rest der voorhoede, hoofdtroep genaamd, wisselt af
naar mate van de sterkte. Bij een voorhoede ter sterkte
van een compagnie, die een sectie als voortroep voor-
uitzendt, kan die 300 pas, bij een voorhoede ter
sterkte van een bataljon, dat een compagnie tot voor-
troep heeft, kan hij 500 pas bedragen; zelden gaat
hij de 600 tot 800 pas te boven.
De afstand, waarop de zijtroepen zijwaarts van den
hoofdweg moeten marcheeren, hangt moestal af van de
wegen, die evenwijdig met de marschrichting loopen,
of van de gesteldheid van het terrein ten aanzien van
de begaanbaarheid. In het algemeen moet die afstand
zoodanig worden geregeld, dat de doorzoekingspatrouilles
van den zijtroep zooveel mogelijk in verbinding kunnen
blijven met die van den voortroep, hetzij rechtstreeks,
hetzij door het uitzenden van kleine cavaleriepatrouilles
of enkele ruiters.
De zijtroepen worden bij den aanvang van den marsch
nagenoeg op gelijke hoogte van den voortroep vooruit-
gezonden, omdat zij veelal gedurende den marsch,
ten gevolge van het maken van omwegen of wel dooi-
de minder goede begaanbaarheid van het terrein, lang-
zamerhand achterblijven. Zij moeten evenwel zorg
dragen, later zooveel mogelijk ter hoogte van den
hoofdtroep der voorhoede te blijven, om de flanken
van dien hoofdtroep niet te ontblooten.
g 148. De voortroep zendt in den regel 3 door-
zoekingspatrouilles,
ieder uit 3 of 4 man bestaande,
op ten hoogste 300 pas vooruit: een op den weg, een
-ocr page 139-
122
rechts en een links van den weg. De doorzoekings-
patrouille, die den weg volgt, wordt spits genoemd
en door een officier of een onderofficier geleid. Aan
deze spits worden zoo mogelijk eenige cavaleristen toe-
gevoegd.
Laat de gesteldheid van het terrein niet toe of is
het uitzicht op het terrein zoo ruim, dat het niet
noodig is, patrouilles zijwaarts van den weg te doen mar-
cheeren, dan worden niettemin de daarvoor bestemde
manschappen bij de spits gevoegd, zoodat deze alsdan
sterker is. De commandant van de spits kan alzoo
steeds over een voldoend aantal manschappen beschikken,
om zijwegen of zijwaarts gelegen punten te doen ver-
kennen of de doorzoekingspatrouilles weder zijwaarts
af te zenden, zoodra de gesteldheid van het terrein
dit weder gedoogt of noodig maakt. Hij zendt, waar
hij dit wenschclijk acht, de hem toegevoegde cava-
leristen langs den hoofdweg, in zijwegen of naar
ter waarneming gunstig gelegen punten vooruit, in
den regel op geen grootere afstanden dan 500 a G00
pas.
Indien er zijtroepen zijn, handelen zij op gelijke
wijze als de voortroep.
Al die patrouilles, een onderlingen afstand van ten
hoogste 300 pas nemende, kunnen op daarvoor gunstig
terrein een eenigszins samenhangende keten vormen.
Is dit niet mogelijk, dan moeten de onderlinge afstanden
verminderd, het aantal patrouilles met een of meer
vermeerderd of voor verbinding door enkele cavaleristen
gezorgd worden.
-ocr page 140-
123
Bestaat de colonne uitsluitend uit cavalerie, dan
zenden de voor- en zijtroepen patrouilles uit, ieder
•4 tot 8 man sterk. Deze patrouilles kunnen zich
evenwel verder van haar troep verwijderen en tevens
een grooteren ouderlingen afstand nemen dan voor de
infanterie is voorgeschreven.
Bij nacht of mistig weder zal men in den regel ge-
dwongen zijn, zich aan de wegen te houden. Men
zoeke alsdan den meesten waarborg voor de veiligheid
in het bijeenhouden van den troep, weshalve dan ook
de afstanden tusschen de verschillende onderdeelen
aanmerkelijke vermindering moeten ondergaan.
§ -149. De hoofdtroep der voorhoede marcheert steeds
in een zoodanig slag vaardigen toestand, dat hij de
voor- of zijtroepen oogenblikkelijk te hulp snellen of
in een goede stelling opnemen kan.
De hoofdtroep onderhoudt zoo noodig door patrouilles,
bij voorkeur uit de hem toegevoegde cavaleristen, de
gemeenschap met de voor- en zijtroepen en met de
hoofdcolonne. Bij aanmerkelijke kronkelingen of op
kruispunten van wegen, vooral in bedekte terreinen,
is het ter verzekering der gemeenschap soms nood-
zakelijk, dat aldaar door de voorste afdeelingen man-
schappen worden achtergelaten, die zich later weder bij
hun troep vervoegen. Zelfs kan het raadzaam zijn, een
voortdurende verbinding van den hoofdtroep met den
voortroep en de hoofdcolonne te onderhouden door tus-
schen die afdeelingen op afstanden van 100 pas of meer
enkele manschappen of rotten (verbindingsrotten) te doen
marcheeren.
Behalve tot het onderhouden der verbinding kunnen.
-ocr page 141-
124
bedoelde verbindingsrotten tevens dienen tot het snel
overbrengen van waarschuwingen en berichten.
Als regel geldt, dat de kleinere afdeelingen zich voor
het behoud van de afstanden naar de grootere regelen;
de vervolging is hiervan uitgesloten.
£ 150. Bij kleine troepenafdeelingen. ter sterkte
van 1 compagnie of 1 eskadron, vervalt de hoofdtroep
en wordt alleen een voortroep vooruitgezonden.
RAPPORTEN, TEEKENS EN HET WOORD.
§ 151. Als algemeene regel geldt, dat elk onder-
deel zijn rapporten of berichten zendt aan den com-
mandant van het deel, waarvan hij is uitgezonden.
Verder worden bij alle verrichtingen van den veilig-
heidsdienst voor de infanterie zoowel als voor de
cavalerie en artillerie als vaste teekens tot waarschuwing
de volgende voorgeschreven: (1)
1°. De bewegingen rechts, links, vóór- en achterwaarts
worden aangeduid door den arm in de bedoelde richting
uit te strekken; om te verzamelen worden beide armen
zijwaarts uitgestoken en daarna op de borst gekruist.
2°. Tot waarschuwing om halt te maken, wordt een
arm omhoog gestoken; zwaaien met de hand boven
het hoofd beteekent: »de vijand komt" of * wordt gezien".
Stoot men plotseling op den vijand en blijft geen ander
middel tot waarschuwing over, dan wordt gevuurd.
Als middel tot onderlinge herkenning, hoofdzakelijk
(1) Ieder wapen kan bovendien de in zijne exercitie-reglementen
vastgestelde of gebruikelijke teekens en wenken benutten.
-ocr page 142-
125
des nachts of bij duister en mistig weder, dient het
noord, waartoe een echt Nederlandsch woord of uit-
i\'ukking wordt gekozen, bijv.: Oranje boven; voor
honing en Vaderland; winnen of sterven; Willem.
Het
wordt telkens om de 24 uren van hoogerhand vast-
^steld en aan de troepen, die het noodig hebben,
«kend gemaakt.
Hij, die het woord mededeelt aan personen, die
liet niet behoeven te kennen, pleegt verraad.
GEDRAGSREGELS VAN DEN COMMANDANT DER
VOORHOEDE.
§ 152. De commandant der voorhoede is belast met
ie regeling van den veiligheidsdienst.
Hij ontvangt door het marschbevel (§ 88) of door
en bijzonder bevel de vereischte instructiën van den
evelhebber dei\' troepen, bevattende: het doel van
den marsch eri de tactische inzichten, die daarbij ten
grondslag liggen, althans voor zooveel die voor de
verrichtingen van de voorhoede noodig zijn te weten; de
berichten, die omtrent \'s vijands stellingen en bedoelingen
zijn ingewonnen; den te volgen weg, met aanwijzing, tot
welke grenzen de beveiliging der hoofdcolonne zich
moet uitstrekken, en eindelijk zoo noodig het woord.
Naar aanleiding van de ontvangen instructiën of
bevelen geeft de commandant der voorhoede zijnerzijds
zijne inlichtingen en bevelen — zoo hij hiertoe den
tijd heeft schriftelijk — bevattende: het doel van den
marsch, de ingewonnen berichten aangaande den vijand,
de indeeling van de troepen der voorhoede, de door
-ocr page 143-
12Ü
den voortroep en de zijtroepen te volgen wegen, den
gang van de patrouilles naar verwijderde punten of
tot het onderhouden van de verbinding met neven-
colonnes bestemd, en verder alle zoodanige maatregelen ,
die een juiste uitvoering van den veiligheidsdienst
verzekeren.
Hij onderricht de commandanten van den voortroep
en de zijtroepen, alsmede die van de voor verwijderde
punten bestemde patrouilles omtrent evenvermelde
punten en deelt hun zoo noodig het woord mede.
Hij is aan geen bepaalde plaats gebonden en houdt
zich daar op, waar zijn tegenwoordigheid het meest
noodig kan zijn. Meestal zal dit bij den voortroep
wezen. Zoolang hij niet bij den hoofdtroep der voor-
hoede aanwezig is, voert aldaar de oudste in rang
zijnde officier het bevel.
g 153. Gedurende den marsch waakt de commandant
der voorhoede, dat de voortroep zoomede de zijtroepen
overeenkomstig zijne bevelen en inzichten handelen, en
regelt hij, in den geest van de ontvangen instructiën,
naar de bij hem inkomende rapporten den gang van
de voorhoede zoodanig, dat de hoofdcolonne zich zoo
geleidelijk mogelijk kan voortbewegen.
Met het oog op de mogelijkheid van een ontmoetiug
met den vijand, moet hij voortdurend het terrein
nauwkeurig gadeslaan, teneinde zoo noodig onverwijld
de meest doelmatige beschikkingen tot het gevecht te
kunnen nemen.
Bij eenigszins groote troepenafdeelingen zal zich
meestal een officier van den Generalen Staf bij de
-ocr page 144-
127
voorhoede bevinden, om den co:., sindant der voor-
hoede ter zijde te staan.
§ 154. Bij rusten van eenigen duur kan \'s vijands
nabijheid het noodig maken, dat de commandant der
voorhoede deze geheel in de een of andere stelling in
gevechtsformatie doet opmarcheeren.
Komt men daarbij aan een défilé, dan zal het in
den regel voldoende zijn, dat de hoofdtroep opsluit,
vooral indien zich bij zoodanig punt een goede ver-
dedigingsstelling aanbiedt.
Bij dergelijke rusten is het, wanneer van \'s vijands
hoofdmacht nog niets te vreezen is, voldoende, dat de
doorzoekingspatrouilles van den voortroep en de zij-
troepen zich op gunstige punten als posten opstellen.
De hoofdtroep moet in den regel défilé\'s niet door-
trekken , alvorens het terrein aan gene zijde daarvan
door den voortroep en de zij troepen is doorzocht,
tenzij de vooruitgezonden cavalerie de veiligheid reeds
voldoende mocht waarborgen.
§ 155. Zoodra door den voortroep of de zij troepen
wordt gemeld, dat\'de vijand in het gezicht is, begeeft
de commandant der voorhoede zich derwaarts, om hem
te verkennen.
Naargelang van den weerstand, dien de voortroep
en zijtroepen ondervinden bij hun pogingen, om den
vijand tot het ontwikkelen van zijne strijdkrachten te
noodzaken en zoodoende tot het ontdekken van zijn
sterkte en bedoelingen te geraken, kan het noodig zijn
dat de voorhoede een gevecht aangaat.
Bij zoodanig gevecht, dat dikwerf strekken zal tot
-ocr page 145-
128
inleiding van het gevecht der hoofdcolonne, zal de
commandant der voorhoede er naar streven, om terrein-
punten en terreinvoorwerpen, wier bezit gunstig kan
zijn voor den door de hoofdcolonne te ondernemen aan-
val, voor de verdediging of tot beveiliging van den
terugtocht, onverwijld te bezetten of zoo noodig te ver-
meesteren , daarbij echter zorgende, dat hij den bevel-
hebber der hoofdcolonne in zijne vrijheid van handelen
zoo weinig doenlijk belemmert.
In bedoeld geval zal de vooruitgezonden cavalerie, zelfs
al mocht zij voor het oogenblik aan haar eigen krachten
overgelaten zijn, des vereischt afstijgen, om belangrijke
punten zóó lang vast te houden, totdat zij door infan-
terie kan worden afgelost.
Bij een plotselinge ontmoeting van den vijand, het-
geen alleen bij donkeren nacht of bij mistig weder kan
of mag voorkomen, moet de voorhoede óf onverwijld
in een goede stelling teruggaan, óf vastberaden met
vereenigde krachten aanvallen.
Vervolgt de voorhoede den terugtrekkenden vijand,
dan zullen de handelingen van den commandant der
voorhoede en de te volgen richting, hetzij men den
vijand rechtstreeks wil achterna zetten, of wel trachten
hem om te trekken, zich regelen naar de bevelen en
inzichten van den bevelhebber.
§ 150. Aangezien de taak van den voortroep en de
zijtroepen soms zeer vermoeiend is, kan het noodig
wezen hen gedurende den marsch af te lossen, hetgeen
alsdan bij voorkeur bij een groote rust geschiedt.
-ocr page 146-
129
GEDRAGSREGELS VAN DE COMMANDANTEN VAN
DE VOOR- EN ZIJTROEPEN.
§ 157. 1*. Zij deelen hun doorzoekingspatrouilles
zoodanig in, dat er zich bij elke ten minste één schrander
soldaat bevindt. De spits wordt onder het bevel van
een officier of onderofficier, de andere patrouilles zoo
mogelijk ieder onder dat van een onderofficier of kor-
poraal gesteld.
2°. Zij deelen aan de manschappen het woord mede
en ongeveer den afstand, dien de patrouilles onderling
en tot hun voor- of zijtroep moeten onderhouden.
3". Zij zorgen, dat de doorzoekingspatrouilles nauw-
gezet, doch slechts voor zoover dit voor de algemeene
veiligheid noodig is, het terrein doorzoeken. Daarbij
alle terreinvoorwerpen, tot de geringste toe, te door-
zoeken , zou den marsen van het geheel noodeloos ver-
tragen en de beveiligende keten te zeer afmatten.
4°. Zij zorgen , dat de doorzoekingspatrouilles bijtijds
worden versterkt, zooals bij het doorzoeken van bos-
schen en bewoonde plaatsen , zoomede op bedekte ter-
reinen, waar het verband tusschen de patrouilles
lichtelijk kan worden verbroken.
5°. Belangrijke terreinvoorwerpen, buiten het
eigenlijke doorzoekingsfront gelegen, doen zij door
afzonderlijke patrouilles doorzoeken. Zoo ook kan het
noodig zijn, dat zij afzonderlijke patrouilles op cenigen
afstand de dwarswegen , die op den hoofdweg uitloopen,
inzenden. Dergelijke verrichtingen behooren evenwel
bij voorkeur tot de taak van de cavalerie, die voor-
9
-ocr page 147-
130
uitgezonden is of die zich bij de voor- en zijtroepen
bevindt.
6°. Ontmoet de voortroep hindernissen, slechte ge-
deelten van den weg, vernielde bruggen, enz., dan
wordt er van de daardoor ontstane vertraging rapport
gemaakt en onmiddellijk tot het herstellen van een en
ander overgegaan.
7". Bij het passeeren van défilé\'s sluiten de zijtroe-
pen gaandeweg tijdelijk bij den voor- of hoofdtroep aan.
8". Indien de hoofdtroep halt maakt, dan wordi
dit door de voor- en zijtroepen ook gedaan. Bij het
rusten gedragen de voor- en zijtroepen zich als veld-
wachten, die een achter haar rustende afdeeling moeten
beveiligen.
9°. Bij het ontdekken van den vijand, onttrekken
zich de voor- en zijtroepen, al naargelang van de
ontvangen bevelen, aan diens gezicht, of zetten den
marsch behoedzaam voort, ontwikkelen een tirailleur-
linie en gaan het gevecht aan, hoofdzakelijk met het
doel om \'s vijands sterkte en voornemens uit te vorscheti.
Het halt houden van een dei- doorzoekingspatrouilles is
op zich zelf geen aanleiding tot vertraging van den
marsch van voor- of zij troepen.
Moeten de voor- en zijtroepen voor de vijandelijk\'
overmacht wijken, dan geschiedt dit zoo langzaaiu
mogelijk en in zoodanige richting, dat de ontwikkeling
van den hoofdtroep tot het gevecht niet worde be-
lemmerd.
Terreinpunten, die het gevecht van den hoofdtroei.
kunnen begunstigen, moeten tijdig bezet of vermees-
terd, en met kracht vast gehouden worden!
-ocr page 148-
m
10°. De doorzoekingspatrouilles moeten van tijd tot
tijd worden afgelost; bij voorkeur bij rusten.
11°. De aanvoerders van de verschillende deelen
moeten zich door het ondervragen van de bevolking
inlichtingen trachten te verschaffen omtrent den vijand
en den toestand van het door te trekken terrein. Van
alle belangrijke bijzonderheden en voorvallen wordt
onverwijld bericht gezonden.
GEDRAGSREGELS VAN DE DOORZOEKINGS-
PATROUILLES.
§ 158. 1°. De spits marcheert aan beide zijden
van den weg en onderhoudt voortdurend de verbinding
met den voortroep. Ofschoon de andere patrouilles dit
ook moeten trachten te doen, zal het haar echter
meestal slechts mogelijk zijn, met de nevenpatrouilles
in verband te handelen. Zij moeten in allen gevalle
steeds naar den kant van de spits eenigermate den
bevolen onderlingen afstand bewaren.
2°. Gewoonlijk blijven de manschappen van iedere
patrouille bijeen, doch mogen zij zich tot betere waar-
neming en doorzoeking eenigermate verspreiden. Is
bij het doorzoeken van doorsneden en bedekte ter-
reinen de afstand tusschen de patrouilles onderling of
tusschen de eene of andere patrouille en den voor- of
zijtroep verloren gegaan, dan moet hij op de meer
open terreinen snel worden hernomen.
3°. De manschappen van de doorzoekingspatrouilles
laden hun geweer eerst dan, wanneer het te voorzien
is, dat zij van het schot zullen moeten gebruikmaken.
-ocr page 149-
132
4°. In alle omstandigheden is het hoofdzaak, dat
zij trachten te zien, zonder gezien te worden; daarom
moeten zij zich nimmer op hoogten vertoonen, of uit
bedekte terreinen te voorschijn komen, alvorens het
voorgelegen terrein te hebben gadegeslagen.
ö°. Nadert een patrouille een alleen staand huis of
hofstede, dan gaan een of twee man er behoedzaam
binnen, vragen inlichtingen aan de bewoners en door-
zoeken vlug het huis, terwijl de anderen buiten blijven
en zich zoo plaatsen , dat zij de toegangen van het huis en
tevens het voorgelegen terrein kunnen blijven waarnemen.
Is de woning zeer groot, dan zal meestal nog een
afzonderlijke patrouille van den voortroep tot het door-
zoeken worden afgezonden.
In vijandelijk land worden de bewoners van het huis
door een der manschappen bewaakt, totdat de woning
is doorzocht. Blijkt daarbij verraad, dan worden zij
gearresteerd en aan den voortroep overgegeven.
6". Naderen infanteriepatrouilles groote hofsteden,
dorpen of\' andere bewoonde plaatsen, dan moeten zij
de eerste huizen doorzoeken, de bewoners ondervragen
en een of meer van dezen onder geleide van één man
naar den commandant van den voortroep doen brengen.
Nadat de patrouilles zoo noodig uit den voortroep
versterkt zijn, rukt op bevel van den commandant van
den voortroep de spits langs de hoofdstraat langzaam
vooruit en trekken de andere patrouilles de overige
straten door, het dorp doorzoekende, terwijl tevens
zoo mogelijk een paar patrouilles aan weerszijden om
het dorp heengaan. Aan den tegenovergestelden kant
.
-ocr page 150-
133
van het dorp gekomen, houdt de spits halt, bij voor-
keur op een punt, van waar zij een vrij uitzicht heeft op
het voorgelegen terrein. Zoodra de andere patrouilles
weder met haar in verbinding zijn gekomen, wordt
de marsch voortgezet.
Cavaleriepatrouilles rijden eerst snel de bewoonde
plaats door en om. De voortroep kan wijders enkele
woningen doen doorzoeken.
7". Bij bosschen of zeer bedekte terreindeelen aan-
komende, maken de doorzoekingspatrouiües halt, wanneer
zij den rand of zoom daarvan onbezet hebben bevonden.
Op last van den commandant van den voortroep trekken
zij daarna, in vereeniging met de patrouilles door den
voortroep tot versterking gezonden, in opgeloste orde
het bosch door, waarbij de door de manschappen te
houden onderlinge afstand van de meerdere of mindere
dichtheid van het bosch, enz. zal afhangen. Aan gene
zijde van het bosch wordt de vorige marschvorm her-
nomen.
Cavalerie zal veelal ,alleen in kleine patrouilles het
bosch, enz. doorkruisen en er zoo mogelijk een paar
patrouilles aan weerszijden om heen zenden.
8°. Bij bruggen of andere défilé\'s aankomende,
sluiten de niet op den hoofdweg marcheerende patrouilles
zoo mogelijk bij voor- of zijtroep aan en breiden zich
aan gene zijde weder uit.
9°. Burgers, die van \'s vijands zijde aankomen,
alsmede voertuigen onder hun geleide, worden aan-
gehouden , onderzocht en door een man van de pa-
trouille aan den voortroep overgegeven. In geen geval
mogen de patrouilles hun vergunnen terug te keeren.
-ocr page 151-
134
Met vaartuigen van \'s vijands zijde komende, wordt
eveneens gehandeld.
10°. Militairen, die van \'s vijands zijde naderen,
alsmede voer- en vaartuigen onder hun geleide, worden
op de in § 235 en volgende voorgeschreven wijze ver-
kend, en wanneer het blijkt, dat zij tot het eigen
leger behooren, doorgelaten.
11°. De patrouilles laten niemand naar de zijde
van den vijand door zonder vergunning van den com-
mandant van den voortroep, die daaromtrent naar de
ontvangen bevelen of instructie handelt.
12°. Wanneer een patrouille den vijand ontdekt,
waarschuwt zij derf voortroep en de nevenpatrouilles
met het teeken «de vijand wordt gezien" (§ 151).
Deze patrouille blijft hem waarnemen, zonder zich zelf
te vertoonen, terwijl de overige patrouilles behoedzaam
den marsch voortzetten, de nevenpatrouilles onder ver-
kenning van den gemelden vijand. Daarbij moeten de
manschappen zich vooral onthouden door noodeloos
schieten terstond alarm te maken.
Cavaleriepatrouilles zullen, wanneer zij daarmede
niet in strijd handelen met de ontvangen bevelen,
vijandelijke patrouilles aanvallen en trachten deze terug
te werpen.
13°. Alleen ingeval zij onverwachts op den vijand
stooten, zoodat er geen ander middel tot waarschuwing
overblijft, mogen zij vuur geven.
1-4°. Valt er bij een der patrouilles een schot, dan
behoeft dit voor alle patrouilles geen reden te zijn om
halt te maken, indien zij nog geen vijand ontdekken.
-ocr page 152-
135
Zij rukken integendeel, zonder evenwel de onderlinge
verbinding te veel uit het oog te verliezen, omzichtig
vooruit, om zich van de aanwezigheid des vijands te
overtuigen. Op deze wiJ7.e zal worden voorkomen,
dat een kleine vijandelijke patrouille of een bij toeval
afgegaan schot noodelooze vertraging in den marsch
teweegbrengt.
15°. Zijn de patrouilles genoodzaakt voor den vijand
terug te gaan, dan trekken zij langzaam en geregeld,
zooveel mogelijk zijwaarts op den voortroep terug, om
het front van dezen vrij te maken.
■16°. Indien de colonne rust. zullen de doorzoekings-
patrouilles in eenigszins geregeld verband met elkaar
op daartoe geschikte punten als posten worden opgesteld.
Bovenvermelde gedragsregels zijn ook toepasselijk bij
de zijtroepen, indien deze er zijn.
DE VOORHOEDE BIJ EEN FLANKMAUSCH.
\\ 159. Zoolang de hoofdcolonne de vijandelijke stel-
lingen nog niet is voorbijgetrokken en een aanval in
het front nog niet tot de onwaarschijnlijkheden behoort
moet de voorhoede genoegzaam sterk worden samen-
gesteld , om de taak te kunnen vervullen, welke op
een voorhoede bij den frontmarsch rust.
DE VOORHOEDE BIJ EEN TERUGTOCHTSMARSCH.
§ 160. Bij een terugtochtsmarsch behoeft de voor-
hoede slechts zwak te zijn.
-ocr page 153-
136
Haar taak bestaat alsdan enkel daarin, alle hinder-
nissen , die den marsen van de hoofdcolonne zouden
kunnen ophouden, uit den weg te ruimen. Tot be-
reiking van dat doel moet zij zóó ver worden vooruit-
gezonden , dat de daartoe vereischte werkzaamheden
tijdig genoeg kunnen zijn algeloopen.
Eveneens zal de voorhoede reeds de noodige maat-
regelen treffen, om de vernieling der bruggen en het
aanbrengen van hindernissen, ter vertraging van den
marsch des vijands, voor te bereiden , zoodat de achter-
hoede daartoe zoo snel mogelijk kan overgaan.
DE FLANKDEKKINGEN.
g 161. De llankdekkingen zijn bestemd om de hoofd-
colonne tegen onverhoedsche aanvallen of bespieding
op haar llanken te beveiligen.
Bij een marsch naar den vijand (frontmarsch) zijn
de ilankdekkingen van ondergeschikt belang. Indien
bij zoodanigen marsch de voortroep en zijtroepen met
hun doorzoekingspatrouilles een genoegzaam breede
terreinstrook doorzoeken, en tevens de gesteldheid van
het terrein op de llanken \'s vijands nadering belet,
dan is het veelal voldoende, dat van de hoofdcolonne
eenige flankpatrouilles op 300 tot 500 pas zijwaarts
van den weg marcheeren of op eenigen afstand de
dwarswegen en toegangen, die op den hoofdweg uit-
loopcn, worden ingezonden, tenzij die dwarswegen of
toegangen, zoomede meer verwijderde belangrijke punten,
vanwaar vijandelijke patrouilles op de flank der hoofd-
-ocr page 154-
137
colonne zouden kunnen naderen , reeds door de vooruit-
gezonden cavalerie-patrouilles zijn doorzocht.
Is wegens de meerdere toegankelijkheid van het
terrein en andere omstandigheden eene meerdere be-
veiliging van de flank der hoofdcolonne noodzakelijk,
dan wordt daartoe een afzonderlijke troep bestemd.
Dit zal vooral aan te bevelen zijn, wanneer er zijwegen
in nagenoeg evenwijdige strekking met den hoofdweg
loopen. Dusdanige meer zelfstandige flankdekking zal
alsdan, evenals de voor- en zijtroepen der voorhoede,
eenige doorzoekingspatrouilles ontwikkelen en naar verder
zijwaarts afgelegen terreinvoorwerpen, défilé\'s, toe-
gangen , enz. patrouilles, bij voorkeur uit de haar toe-
gevoegde cavalerie genomen, afzenden, in dier voege,
dat de hoofdcolonne over haar geheele lengte door flank-
patrouilles gedekt is.
Bij eenigszins lange colonnes kan het soms doelmatig
zijn, dat elk bataljon zijn eigen llanken dekt door een
kleine flankdekking of\' enkel door eenige flankpatrouilles
in den zin van het even vermelde.
De verbinding van de flankdekkingen met de hoofd-
colonne wordt door enkele cavaleristen of kleine infanterie-
patrouilles onderhouden, indien het terrein niet veroor-
looft de flankdekkingen, hetzij voortdurend, hetzij bij
wijlen, van den hoofdweg af in het oog te houden.
De flankdekkingen trekken terreinhindernissen, zoo-
als moerassen, rivieren, enz , langs de binnenzijde
voorbij en zenden er een patrouille om heen, indien
zij, langs de buitenzijde gaande, gevaar zouden kunnen
loopen, van de hoofdcolonne afgesneden te worden ;
-ocr page 155-
138
soms sluiten zij tijdelijk geheel bij de hoofdcolonne aan.
§ 162. Bij een flankmarsch in de nabijheid van den
vijand, waarbij dus de hoofdcolonne hoofdzakelijk op een
harer flanken wordt bedreigd, zal het beveiligen van die
ilank der colonne van het meeste gewicht zijn. Daartoe
wordt dan een zelfstandige, bij groote troepenafdeelingen
zelfs uit de drie wapens samengestelde afdeeling bestemd.
Een dergelijke flankdekking heeft in hoofdzaak de
taak te vervullen van een voorhoede bij een frontmarsch.
Omtrent haar sterkte, samenstelling, afstand van de
hoofdcolonne, indeeling en de verplichtingen van haar
onderdeelen gelden in het algemeen dezelfde beginse-
len , die voor de voorhoede bij een frontmarsch zijn
vermeld. Alleen dient men hierbij in acht te nemen,
dat, wat de sterkteverhouding der onderdeelen betreft,
de beveiliging voornamelijk in zijwaartsche rich-
ting — op de buiten flank — moet geschieden.
Wanneer bij gemis aan de noodige evenwijdige zij-
wegen het uitzenden van een flankdekking niet mogelijk
is, maar niettemin onderscheiden toegangen naar den
weg, dien de hoofdcolonne moet volgen, den vijand
veroorloven bedoelde colonne op haar flank te be-
dreigen, dan beveiligt men die llank door meer of
minder groote zelfstandige afdeelingen tijdig genoeg op
die toegangen stelling te doen nemen. De daartoe be-
stemde troepen marcheeren met de voorhoede af, be-
zetten de hun aangewezen punten en sluiten bij den
staart der hoofdcolonne weder aan, zuodra deze ge-
noegzaam is voorbijgetrokken.
Ook mag ter meerdere beveiliging van de hoofd-
-ocr page 156-
139
colonne niet worden verzuimd, bruggen en overgangen-
te vernielen, wegen onbruikbaar te maken of te ver-
sperren, welke, zonder dat zij noodig zijn voor de
eigen gemeenschap, den vijand toegang zouden verleenen
tot de llank der colonne.
§ 103. Wanneer een belangrijke troepenmacht in
meer dan ééne colonne een tlankmarsch verricht, dan
wordt de colonne, die het naast bij den vijand mar-
cheert — met afwijking van het bepaalde in § 140
ten aanzien der benaming — flankcolonne genoemd,
en zal op deze colonne de taak rusten, om den flank-
marsch van het geheel te beschermen. Dusdanige
colonne heeft alsdan haar eigen voorhoede, achterhoede
en ilankdekking. Er behoort derhalve onderscheid te
worden gemaakt tusschen flankcolonne en flankdekking.
DE ACHTERHOEDE.
§ 164. De achterhoede is bij een marsch naar den
vijand (frontmarsch) bestemd tot het handhaven der
orde in den rug der hoofdcolonne. Zij is alsdan, onder
de benaming achtertroep, te beschouwen als een maat-
regel van politie en heeft te zorgen, dat niemand
achterblijft.
Hare sterkte behoeit in zoodanig geval niet groot
te zijn. Bij een bataljon infanterie is één sectie door-
gaans voldoende
§ 165. Kan de colonne bij een frontmarsch ook in
den rug door vijandelijke afdeelingen of door een
vijandig gezinde bevolking worden verontrust, dan wordt
-ocr page 157-
140
de achterhoede, naargelang zij meer weerstand zal
moeten bieden, sterker samengesteld Haar marschvorm
komt dan overeen met die eener voorhoede, doch in
omgekeerde orde. Men onderscheidt namelijk den
hoofdtroep der achterhoede, die door een achtertroep
op den hoofdweg gevolgd en zoo noodig door zijtroepen
aan weerszijden van dien weg beschermd wordt, terwijl
achtertroep en zijtroepen zich door patrouilles in den
rug doen beveiligen.
Deze laatsten zijn nu minder bestemd tot het door-
zoeken van het terrein , dan wel om \'s vijands nadering
bij tijds aan den achtertroep of\' de zijtroepen te melden.
Sterkte en afstanden tusschen genoemde afdeelingen
onderling worden naar dezelfde beginselen, als die bij
de voorhoede zijn aangegeven, geregeld.
Treedt de hoofdcolonne in gevecht, dan moet de
commandant der achterhoede er op bedacht zijn, zoo
noodig de toegangen, waarlangs vijandelijke cavalerie
den kleinen trein zou kunnen bereiken, te doen be-
zetten en versperren.
§ 166. Moet een achterhoede den terugtocht dekken
van een troepenafdeeling, die na een nederlaag of
andere tegenspoeden door den vijand op den voet
wordt vervolgd, of die om deze of gene reden haar
stelling moet ontruimen of het gevecht wil ontwijken,
dan is zij het meest gewichtige deel van de veiligheids-
troepen. Indeeling eener in verhouding sterke artillerie
— zoo mogelijk rijdende artillerie — en van cavalerie
is wenschelijk.
Zoolang de vijand sterk opdringt of in de nabijheid
-ocr page 158-
141
blijft, zal de achterhoede geheel of gedeeltelijk in
gevechtsformatie van de eene stelling tot de andere,
als het ware vechtende, moeten terugtrekken.
Volgt de vijand slechts van verre of staakt hij de
vervolging geheel, terwijl de hoofdcolonne een genoeg-
zamen voorsprong heeft gewonnen , dan gaan de troepen
der achterhoede tot den in de vorige § aangegeven
marschvorm over. De indeeling van den troep daarbij
hangt evenwel af\' van de te nemen veiligheidsmaat-
regelen , in verband met de mogelijkheid tot een snelle
ontwikkeling voor het gevecht.
Een van de voornaamste verplichtingen van de achter-
hoede , met het oog op de beveiliging van den marsch,
zelfs wanneer de vijand niet hevig vervolgt of niet
sterk opdringt, bestaat daarin, dat zij hem nimmer
uit het oog mag verliezen , met andere woorden voort-
durend voeling met hem moet houden.
Deze voeling met den vijand moet zich over een
genoegzaam breed front uitstrekken, vooral om tijdig
verwittigd te kunnen zijn van omtrekkende bewegingen,
welke door hem mochten worden ondernomen. Daartoe
worden door de achterhoede, zonder dat zij haar marsch-
vorm , zooals die in de vorige § is vermeld, verandert,
cavalerie-detachementen achtergelaten, die zich op de
meest geschikte punten opstellen, den vijand door
middel van patrouilles voortdurend waarnemen en alleen
bij het aanrukken van overmachtige vijandelijke troepen
op de eigenlijke achterhoede terug gaan. Bij gemis
aan cavalerie bij de achterhoede zal deze taak aan de
infanterie ten deel vallen en alsdan zooveel mogelijk
-ocr page 159-
142
moeten verricht worden door de patrouilles van den
achtertroep en de zij troepen.
De marsch van den vijand moet door de achter-
hoede worden vertraagd door het versperren of on-
bruikbaar maken van wegen , het vernielen van bruggen,
het leggen van hinderlagen, soms zelfs door het in
brand steken van bewoonde oorden, die de vijand ge-
noodzaakt is door te trekken. Tot voorbereiding van
een en ander kunnen dikwijls met voordeel kleine
afdeelingen op wagens vooruitgezonden worden.
Telkens wanneer de hoofdcolonne door de eene ot
andere oorzaak in haren marsch wordt opgehouden of
wanneer de vijand te veel opdringt, neemt de achter-
hoede stelling, om den vijand tot krachtsontwikkeling
te noodzaken en daardoor tijd te doen verliezen. Zij
moet zich daarbij in geen ernstig gevecht wikkelen en
dit op het geschikte oogenblik weten af te breken.
Geldt het daarbij de redding van het geheel, dan
mag de achterhoede niet schromen, zich zoo noodig
geheel ot gedeeltelijk op te offeren.
Achtergelaten voertuigen worden vernield, verlaten
vuurmonden vernageld, in één woord, alles moet
worden aangewend, om hetgeen den vijand van nut
zou kunnen zijn , onbruikbaar te maken.
VOORBEELDEN VAN MARSCHVORM DER VEILIGHEIDS-
TROEPEN VAN EENIGE TROEPENAFDEELINGEN
BIJ EEN FRONTMARSCH.
§ 167. Bij de grootere legerafdeelingen, zooals
divisiën en brigades, hangen de sterkte, indeeling en
-ocr page 160-
143
onderlinge afstanden van de onderscheiden deelen der
veiligheidstroepen van zooveel verschillende omstandig-
heden af, dat daarvoor moeielijk een bepaalde marsch-
vorm kan of mag worden vastgesteld. Dit moet aan
het oordeel en de inzichten van den bevelvoerenden
officier worden overgelaten.
Niettemin zal de marschvorm van bedoelde afdee-
lingen in hoofdtrekken overeenstemmen met dien, welke
in de volgende §, als voorbeeld ter toelichting van de
in het voorafgaande ontwikkelde beginselen en voor-
schriften, voor een bataljon infanterie is aangeduid.
Hierbij dient dan tevens te worden in acht genomen,
dat sterke colonnes haar voorhoede verder moeten
vooruitschuiven dan zwakkere, omdat zij meer tijd tot
ontwikkeling noodig hebben.
Bovendien is het geval niet onwaarschijnlijk, dat
een sterke colonne lange défilé\'s van geringe breedte,
zooals onze smalle accessen veelvuldig aanbieden, niet
eer zal doortrekken, alvorens den uitgang daarvan
door haar voorhoede te hebben doen bezetten. Deze
voorhoede zal dan als een -zelfstandige colonne te be-
schouwen zijn en haar marsch moeten beveiligen op
overeenkomstige wijze als een kleine troepenafdeeliug.
§ 168. Een bataljon infanterie op oorlogssterkte,
(Fig. 13) zelfstandig marcheerende, kan 1 compagnie
tot voorhoede bestemmen. Deze voorhoede zal op om-
streeks 500 tot 000 pas vóór de hoofdcolonne mar-
cheeren, en 1 sectie als voortroep en zoo noodig \'/2
sectie als rechter- en l\\t sectie als linkerzijtroep op
ongeveer 300 pas uitzenden. De voortroep kan 3
-ocr page 161-
144
en de zijtroepen 2 of 3 doorzoekingspalrouilles oplossen.
De beveiligende keten dezer patrouilles zal een terrein-
strook van omstreeks 1500 pas breedte doorzoeken.
Tot dekking van de flanken der hoofdcolonne kan iedere
compagnie dier colonne een flankpatrouille van 3 of
4 man onder een onderofficier of korporaal rechts en
een dergelijke patrouille links van den weg, tot op
een afstand van 300 tot 500 pas daarvan verwijderd,
laten marcheeren. Als achtertroep volgt op den trein
1 sectie, door de achterste compagnie te geven.
Indien aan het bataljon eenige cavalerie is toegevoegd ,
moet deze gebezigd worden om op verdere afstanden
het terrein voorwaarts en zijdelings te éclaireeren, na
aftrek van eenige ordonnansen voor de voorhoede en
de hoofdcolonne. Het bataljon bestemt niettemin 1
compagnie als voorhoede, evenals hiervóór is aangegeven
en neemt de overige aangeduide maatregelen.
§109. Een compagnie infanterie op oorlogssterkte
(Fig. 14) bestemt 1 sectie als voortroep (g 150). Zij
dekt zoo noodig haar flanken door een paar rotten,
en haren rug eveneens door een paar rotten, welke
veiligheidsdeelen zich ongeveer 300 pas van de colonne
verwijderen. De voortroep lost 3 doorzoekingspatrouilles
op, die niet minder dan 200 pas vooruitgaan.
§ 170. Een infanterie-veldwacht (Fig. 15), die met
veiligheidsmaatregelen moet marcheeren (§ 195), zendt
een onderofficier of korporaal met 3 rotten tot op
uiterlijk 300 pas vooruit: een rot met den onderofficier
of korporaal als spits op den weg, een rot rechts en
een rot links daarvan.
-ocr page 162-
145
Is het detachement 1 peloton sterk, dan kan de
beveiliging in het front eveneens geschieden; doch
zouden de rotten door een kleinen voortroep van \'/2 sectie
ondersteund en iedere flank en de rug door een paar
rotten gedekt kunnen worden.
§ 171. Een regiment cavalerie, dat afzonderlijk
marcheert, doch niet als verkenningskorps (g 254),
kan 1 eskadron met den veiligheidsdienst belasten. Dit
eskadron handelt zooals bij de volgende § wordt aan-
gegeven! Daarenboven moet een peloton van het achterste
eskadron, zoo noodig, in de beveiliging van de flanken
en den rug van het regiment voorzien. De afstand
van den hoofdtroep der voorhoede tot de hoofdcolonne
kan tot 1000 pas bedragen.
§ 172. Een eskadron, dat afzonderlijk, doch niet
als verkenningsdetachement (g 242) marcheert, zendt
1 peloton als voortroep tot omstreeks 1000 pas vooruit.
Dit peloton geeft de noodige doorzoekingspatrouilles.
Deze patrouilles kunnen zich evenwel op grooteren
afstand van den voortroep verwijderen en tevens een
grootere onderlinge tusschenruimte nemen dan voor
de infanterie is voorgeschreven.
§ 173. Een cavulerie-veldwaeht, die met veiligheids-
maatregelen naar de plaats harer bestemming moet
marcheeren (§ 195), zendt 1 korporaal met 4 ruiters
als spils in de door de wacht te volgen richting vooruit,
doch niet verder dan dat de voorgeschreven teekens
(g 151) kunnen gewisseld worden. Indien het terrein
dit aan de cavalerie toelaat, kan men op 200 tot 300
pas rechts en links van die spits een paar rotten doen
10
-ocr page 163-
146
marcheeren; is het terrein daartoe niet gunstig, dan
voegt men aan de spits nog een paar rotten toe, waarvan
op geschikte punten, kruiswegen, enz. enkele rotten
op korte afstanden of tot de naastbij marcheerencK\'
veldwachten kunnen worden afgezonden; die rotten
keeren dan vervolgens naar de spits terug, hetzij lan^
denzelfden, hetzij langs een anderen weg (Fig. 3).
MARSCHVE1LIGHEIDSDIENST IN BIJZONDERE
OMSTANDIGHEDEN.
BIJ NACHTMARSCHEN.
§ 174. Bij raarschen, die des nachts of bij mist\'i
weder plaats hebben, worden de veiligheidstroepen in
hoofdzaak evenals bij marsenen over dag ingedeeld.
Intusschen zullen de onderdeelen, die zijwaarts van
de marschrichting moeten marcheeren, in den regel
alleen de gebaande wegen volgen, en de afstandc.
tusschen de verschillende deelen zooveel moeten worden
verkleind, dat de onderlinge verbinding niet kan ver-
loren gaan.
Het doorzoeken van het terrein zal meestal alleen
langs de wegen kunnen geschieden.
Indien hiertoe de mogelijkheid bestaat, mag min
niet verzuimen, vóór den aanvang van den marscb.
nog bij dag, in de richting van den vijand patrouilh-
of detachementen uit te zenden, teneinde gewichtig»;
punten, zooals défilé\'s , kruispunten van wegen, enz
te bezetten, of de wegen, waarlangs de vijand zou
kunnen naderen, gade te slaan.
Bij nachtmarschen zal de veiligheidsdienst hoofd-
-ocr page 164-
147
zakelijk door de infanterie worden waargenomen en de
cavalerie slechts voor den ordonnansendienst worden
gebezigd.
BIJ GEHEIME MARSCHEN.
jJ 175. Bij geheime marsenen is het noodig, de
veiligheidstroepen niet te ver van de hoofdcolonne te
verwijderen, vooral niet indien de marsch geschiedt met
het doel, om den vijand te verrassen of te overvallen.
Daar een geheime marsch bovendien bezwaarlijk kan
geschieden, zonder dat men nauwkeurig kennis draagt
van den stand en de bewegingen des vijands, treedt
de beveiliging der hoofdcolonne tegen vijandelijke aan-
vallen daarbij van zelf meer op den achtergrond.
BI.) HET VERVOER VAN TROEPEN EN TRANSPORTEN
LANGS SPOORWEGEN.
§ 176. In de onmiddellijke nabijheid van den vijand
zal zelden van de spoorwegen tot het vervoer van
troepen worden gebruik gemaakt. Moet dit evenwel
plaats hebben, dan behoort de veiligheid van zoodanig
vervoer te zijn gewaarborgd door het opstellen van
troepen langs den spoorweg, sterk genoeg en op vol-
doenden afstand daarvan verwijderd, om dien weg
tegen een vijandelijken aanval te dekken.
Daarentegen zal in den rug van het leger zoowel
de aanvoer van troepen en krijgsbehoeften, als de ver-
wijdering van zieken, gewonden en krijgsgevangenen
dikwerf met behulp van de spoorwegen geschieden.
Een voortdurende bewaking van den spoorweg kan
\'^=»«*
-ocr page 165-
148
dan, vooral in \'s vijands land, noodzakelijk zijn, om
de aanslagen van een ondernemende vijandelijke cavalerie
of van de bevolking tegen te gaan. Tot dat einde
worden stations en andere belangrijke punten door de
gemeenlijk daarvoor aangewezen etappe-troepen bezet,
die het terrein aan weerszijden van de spoorbaan door
patrouilles verkennen, van afstand tot afstand militairen
als baanwachters of posten kunnen plaatsen en door
middel van de telegraphische en andere sein toestellen
of van optische signalen en ordonnansenposten de te
verwachten transporten waarschuwen. Verkennings-
detachementen of sterke patrouilles van cavalerie worden
op de voornaamste wegen, die naar den spoorweg
voeren, tot op verscheiden KM. afstand in de richting
van den vijand vooruitgeschoven , om bijtijds elke onder-
neming tot vernieling van de baan of tot stremming van
het vervoer te ontdekken en te beletten, desnoods door
snel van een der bezette stations hulp te ontbieden.
Met het oog op laatstbedoeld geval neemt men bij
de stations de voorzorg, steeds een trein gereed te
houden, teneinde met spoed infanterie naar het be-
dreigde punt te kunnen vervoeren. Bij schaarschte van
materieel geschiedt dit vervoer met voertuigen, welke
alsdan in een park worden bijeengehouden. Eveneens
zal het goed zijn, eenige wagens met rails en gereed-
schappen geladen beschikbaar te hebben , om eenige aan-
gebrachte vernieling spoedig te kunnen gaan herstellen.
Bij het vervoer zelf, doet men den trein waarop
het transport en het grootste gedeelte der bedekking
zich bevinden, op ongeveer één uur afstands vooraf-
-ocr page 166-
149
gaan door een kleine voorhoede op een trein van een
paar wagens, ten einde het terrein op de meest bloot-
gestelde punten te doorzoeken en het transport bijtijds
te waarschuwen. Ofschoon dit geen afdoend middel
tegen een verrassing of oponthoud van het transport is,
zal men die echter op deze wijze dikwerf voorkomen.
§ 177. Aan een ondernemende cavalerie zal het
veeltijds kunnen gelukken, zelfs met kleine afdeelingen
of patrouilles, het vervoer langs een spoorweg voor
korter of langer tijd te stremmen, of de telegraphische
gemeenschap op eenig punt te verbreken. De daartoe
bestemde afdeeling voorziet zich van de noodige ge-
reedschappen, tracht op eenig minder goed bewaakt
gedeelte tot den spoorweg door te dringen en de rails
op te breken of te vernielen.
BIJ HET VERVOER VAN TROEPEN MET VOERTUIO.EN.
§ 178. Bij het vervoer van troepenafdeelingen met
voertuigen in de nabijheid van den vijand moet het
transport in front, op de flanken en zoo noodig ook
in den rug worden beveiligd door cavaleriepatrouilles,
die op zoodanigen afstand marcheeren, dat zij bij ont-
dekking ot ontmoeting van den vijand de troepen tijdig
genoeg kunnen waarschuwen, zoodat deze stelling
nemen, of wel door snel terug te keeren zich aan een
gevecht onttrekken kunnen.
BIJ HET VERVOER VAN TROEPEN MET VAARTUIGEN.
§ 179. Zijn bij het vervoer van troepen met vaar-
tuigen de omstandigheden van dien aard, dat de
-ocr page 167-
150
vijand wellicht een van de oevers zou kunnen be-
reiken of bezetten, om van daar het vaarwater onder
vuur te houden , dan moet het transport aan de be-
dreigde zijde door een voldoend aantal cavalerie-patrouil-
les worden gedekt.
Deze patrouilles strekken alsdan hare verkenningen
op zoodanigen afstand van den oever uit, dat de vaar-
tuigen tijdig genoeg worden gewaarschuwd, om de
met de omstandigheden overeenkomende maatregelen
te kunnen treffen.
Geschiedt een zoodanig transport met stoomschepen
stroomafwaarts, dan behooren eenige patrouilles bij-
tijds op den bedreigden oever te worden vooruitge-
schoven , daar zulk een transport zich met aanzienlijke
snelheid beweegt (1).
De patrouilles geven van de nadering des vijands
kennis door het teeken »de vijand wordt gezien".
De commandant van het transport zendt daarop een
sloep naar den wal, om inlichting te verkrijgen omtrent
de sterkte en samenstelling van de vijandelijke troepen
en dienovereenkomstig te handelen.
BIJ KONVOOIEN.
\\ 180. Men verstaat door konvooi elk transport van
zieken, gewonden , krijgsgevangenen en krijgsbehoeften
onder militair geleide. De konvooien worden onder-
scheiden in die te land en te water.
(1) Stroomafwaarts gewoonlijk 15—18 KM,, stroomopwaarts 8—12
KM. in het uur.
-ocr page 168-
151
Hoewel de meeste transporten met behulp van spoor-
wegen en stoombooten zullen geschieden, blijven althans
de konvooien van krijgsbehoeften noodzakelijk, om deze
van het station van aankomst haar eigenlijke bestem-
ming bij eenig onderdeel van het leger te doen bereiken.
De daarbij af te leggen afstanden zullen gewoonlijk
niet aanzienlijk zijn.
De politie-maatregelen bij konvooien te land en te
water te nemen, komen overeen met hetgeen daar-
omtrent is vermeld in § 65 en § (50 van Hoofdstuk II.
De veiligheidsmaatregelen hij konvooien te land
bestaan hoofdzakelijk in het volgende: ei- worden een
voorhoede, een achterhoede en (lankdekkingen gevormd
evenals bij alle marsenen; hier echter zal de veiligheids-
keten veel verder vooruitgebraeht moeten worden dan
gewoonlijk, omdat het konvooi veel tijd noodig heeft om
zich in staat van verdediging te stellen of zich aan den
aanval des vijands te onttrekken, en dus veel vroeger
bericht moet krijgen van \'s vijands nadering. Uit dien
hoofde zullen de voorhoede en Uankdekkingen bij voor-
keur uit cavalerie bestaan, die in alle richtingen
patrouilles uitzendt. Eenige geniesoldaten of van ge-
reedschap voorziene manschappen gaan met evenbe-
doelde patrouilles mede, om hindernissen op te ruimen
of overgangen, waarlangs de vijand zou kunnen
naderen, te vernielen.
De samenstelling en sterkte van het geleide hangen
af van het terrein, van de gezindheid der bevolking
en van de meerdere of mindere waarschijnlijkheid van
een vijandelijken aanval.
-ocr page 169-
152
Moet het konvooi in bijzondere gevallen voor geruimen
tijd halt houden, dan bezetten de veiligheidstroepen
de hoofdtoegangen.
De veiligheidsmaatregelen bij konvooien te water zijn,
wanneer men niet volkomen tegen een vijandelijken
aanval is gewaarborgd, dezelfde als die in § 179 voor
het vervoer van troepen met vaartuigen zijn voorge-
schreven.
Men kan daar echter nog bijvoegen, dat stroomop-
waarts langs den bedreigden oever op korten afstand en
ter hoogte van het konvooi infanterie-patrouilles behooren
te marcheeren, terwijl eenige ledige schuiten of een
klein stoomvaartuig aan dien oever in de nabijheid
blijven, om die patrouilles zoo noodig snel op te nemen
of op den anderen oever over te zetten. Stroomafwaarts
zouden die patrouilles te veel achterblijven en wordt
de bedekking alsdan op een of meer stoomvaartuigen
van geringen diepgang ingescheept, om op de waar-
schuwing der zijwaarts marcheerende cavalerie-patrouilles
aan wal te gaan en gunstige punten op den oever te
bezetten, ten einde den vijand zoolang tegen te houden,
dat het konvooi buiten gevaar is.
Tot onmiddellijke bewaking wordt op ieder vaartuig
van het konvooi een officier of onderofficier met eenige
manschappen geplaatst.
VOORPOSTENDIENST.
g 181. De voorposten, bestemd zijnde tot het be-
veiligen van een in kantonnementen, op bivak of in
oordbivaks gelegerde troepenmacht, hebben tot taak:
-ocr page 170-
153
1°. Om de nadering van den vijand bijtijds te
berichten en hem zoolang tegen te houden, dat de
onder hun bescherming rustende troepen zich tot het
gevecht gereed kunnen maken.
2". Om berichten omtrent \'s vijands opstelling en
handelingen in te winnen.
Het eerste doel wordt in het algemeen bereikt door
het naar vaste beginselen opstellen van bepaalde afdee-
lingen op de toegangen, waarlangs de vijand zou
kunnen naderen, zoodat het terrein als het ware eeniger
mate wordt afgesloten, het tweede daarentegen door
het uitzenden van patrouilles, die buiten den gezichts-
kring van die stilstaande afdeelingen den vijand moeten
trachten op te sporen en te verkennen.
Tot dat einde plaatst de met den voorpostendienst
belaste troepenafdeeling A (Fig. 16) op de hoofdwegen,
die van \'s vijands zijde naar het front en in zekere
mate naar de llanken der hoofdmacht voeren, vóór
zich uit voorpostendetachementen BB.
Deze detachementen schuiven voor zich uit veldwach-
ten
CC , die op haar beurt posten DD — bij de infanterie
schildivachlen , bij de cavalerie vedetten of bij beiden
korporaalsposlen genaamd — uitzetten, in dier voege,
dat er een min of meer aaneengeschakelde postenketen
ontstaat, die de veldwachten onderling in verband
brengen en het terrein afsluiten.
Mochten daarbij een of meer veldwachten , tengevolge
van de bijzondere gesteldheid van het terrein te ver
vooruitgeschoven moeten worden, of mocht er zich
tusschen een voorpostendetachement en zijn veldwachten
-ocr page 171-
154
een déiilé bevinden, zoodat deze gevaar kunnen loopen
afgesneden te worden, dan wordt tusschen het voor-
postendetaehement en bedoelde veldwachten een onder-
steuningstroep X
geplaatst.
Door de aldus opgestelde voorpostenafdeelingen worden
vervolgens zwakkere en sterkere patrouilles uitgezonden,
om het terrein meer voorwaarts te doorkruisen en den
vijand in het oog te houden of berichten omtrent hem
in te winnen.
Op die wijze zullen de voorpostendetachementen met
hun veldwachten en posten in een min of meer regel-
matigen boog het Iront en voor zooveel noodig de
flanken van de rustende hoofdmacht dekken; terwijl
de menigvuldige, van die deelen uitgaande patrouilles
in hooge mate tot de algemeene veiligheid zullen
bijdragen.
Het dekken der llanken is, vooral tegenover cavalerie,
van groot belang. Men moet er naar streven een ruim
uitzicht op het terrein aldaar te hebben, en veel gebruik
van patrouilles maken. Dikwijls is het wenschelijk
geschikte punten in de flanken te bezetten. In alle
gevallen moeten de wegen bewaakt worden, langs welke
de vijand, zonder tijdroovende omwegen te maken, de
hoofdmacht bereiken kan.
§ 182. De kern van het weerstandsvermogen der
voorposten wordt uitgemaakt door de rest van de met
den voorpostendienst belaste troepen A, het Gros der
voorposten
genaamd. Het gros is dus te beschouwen
als de reserve van de gezamenlijke voorpostenafdee-
lingen.
-ocr page 172-
155
In het algemeen geldt voor de handelingen en maat-
regelen van de commandanten der onderscheiden deelen
het beginsel, dat het gros en de voorpostendetachementen
het beschermend of weerstandbiedend, de veldwachten
met haar posten en de patrouilles het waarnemend of
beveiligend gedeelte van de voorposten uitmaken. Dit
algemeen beginsel sluit nochtans niet uit, dat, evenwel
slechts in bijzondere gevallen , reeds inde lijn der veld-
wachten een krachtige tegenweer tot oponthoud van
den vijand mag worden geboden.
§ 183. Naar de bovengeschetste normaalopstelling
zal, in verband met het terrein, bij het uitzetten der
voorposten gestreefd moeten worden; in sommige ge-
vallen kan daarvan echter worden afgeweken. Bij
grootere troepenafdeelingen bijv. kan men het te be-
waken terrein. indien zulks voordeelen oplevert, in
twee (bij uitgestrekte voorposten-opstellingen in meer)
zones verdeelen, elk van welke door een stelsel van
voorposten wordt bewaakt. Voor het noodige verband
tusschen de verschillende voorposten-opstellingen moet
dan worden gezorgd.
Bij kleine troepenafdeelingen vervallen de voorposten-
detachementen en worden de veldwachten rechtstreeks
door het gros uitgezet. Soms ook worden voorposten-
detachementen op de verschillende toegangen geplaatst
en geen gros afgezonderd. Nog kleinere afdeelingen
zetten zelf rechtstreeks de veldwachten uit.
Na een gevecht ter plaatse blijvende of geveehtsbereid
moetende rusten, zal men slechts kleine detachementen
of posten op geringen afstand kunnen vooruitschuiven.
-ocr page 173-
150
De bezetting van een fort of versterkten post in
onze verdedigingsliniën, zal, indien zij van geringe
sterkte is, er zich toe moeten bepalen, op de accessen
enkel veldwachten, gedetacheerde posten (§ 199 6°.)
of korporaals- of dubbelposten te plaatsen, wier taak
hoofdzakelijk zal zijn, de nadering van den vijand
tijdig te doen kennen.
BEVELVOERING EN TOEZICHT BIJ DE VOORPOSTEN.
g 184. De door de voorposten te bezetten stelling
wordt in hoofdtrekken aangewezen door den bevel-
hebber van iedere zelfstandige troepenmacht, die zich
moet beveiligen; het toezicht op de goede uitvoering
van de daaromtrent gegeven bevelen, den geregelden
gang van den dienst en het naleven der bestaande
voorschriften op den velddienst, wordt door hem op-
gedragen aan den voorpostencommandant, die het bevel
krijgt over de troepen, die tot de waarneming van
den voorpostendienst zijn aangewezen.
Is de troepenafdeeling, die zich beveiligen moet, van
geringe sterkte, bijv. 1 bataljon, dan treedt de com-
mandant van zoodanige afdeeling zelf als voorposten-
commandant op.
In den regel zal het uitzetten van de voorposten op
de volgende wijze geschieden:
De bevelhebber bepaalt, in verband met eigen toe-
stand en standplaats en met hetgeen van den vijand
bekend is, volgens de kaart de richting en uitgebreid-
heid der voorpostenstelling, de aanleuning van de
-ocr page 174-
157
vleugels, de aansluiting aan neven geplaatste voor-
posten en de sterkte van de te bezigen troepen; hij
wijst de standplaatsen van het gros, de voorposten-
detachementen en de te detacheeren afdeclingen onge-
veer aan en voorts het aantal veldwachten, welke hem
noodig voorkomen.
Hij geeft dienaangaande de noodige aanwijzingen en"^-,
instructiën aan den voorpostencommandant, behelzende
tevens alle bijzonderheden, die hij moet of wenscht
te regelen. Zoo zal daarbij moeten worden bevolen
op welke wijze de verkenningsdienst moet worden ge-
regeld en door wien, wanneer en waarheen de daar-
voor noodige detachementen en patrouilles worden
uitgezonden; welke gedragslijn bij vijandelijken aanval
moet worden gevolgd, met name, door welke onder-
deelen de hoofdweerstand moet worden geboden; hoe
de verpleging moet worden geregeld; welke wijzigingen
in de voorpostenstelling en de dienstregeling voor den
nacht noodig geoordeeld worden; en welke bijzonder-
heden bij de voorposten in acht genomen moeten worden ,
als: in hoever vuur mag worden aangemaakt, in hoe-
ver het passeeren van de postenketen vergund of ver-
boden is, of het verkeer door de voorpostenlinie op
alle punten mag plaats hebben of tot een of meer
doorlatingspunten moet worden beperkt, hoe met par-
lementairs, deserteurs, enz. moet worden gehandeld,
een en ander, voor zoover zulks afwijkingen van den
in dit voorschrift bepaalden gewonen gang van zaken
betreft of de bevelhebber de regeling niet aan den
voorpostencommandant wenscht over te laten. Hij geeft
-ocr page 175-
158
het woord uit en neemt de noodige maatregelen voor
de juistheid der tijdaanwijzingen.
De voorpostencommandant bepaalt in den zin der
ontvangen instructie of bevelen de juiste plaats van
het gros en de grens van den bewakingskring van elk
voorpostendetachement en wijst den commandanten der
voorpostendetachementen de plaatsen aan, waar de
veldwachten ongeveer moeten staan, met opgave van
de nummers der wachten , aan welke hij van den rechter-
naar den linkervleugel een doorloopend nummer geeft.
Hij doet hen, ingevolge de ontvangen opdracht de
noodige mededeelingen en geeft hen dienovereenkomstig —
of, voor zoover de regeling van den dienst aan hem is
overgelaten, naar zijn goedvinden — de noodige be-
velen omtrent de bovenomschreven punten, benevens
die, welker regeling hij verder noodig acht. Hij doet
een en ander in eene, zoo mogelijk schriftelijke en
anders mondelinge voorpostenorder.
De commandanten der voorpostendetachementen be-
palen nu op hun beurt de juiste plaats van hun
detachement, wijzen den veldwachtcommandanten de
grens aan van den bewakingskring van iedere veldwacht,
zoomede ongeveer de plaats waar iedere wacht moet
worden geplaatst, deelen aan bedoelde commandanten
i verder het noodige uit de voorpostenorder mede en
geven hun in verband daarmede de noodige aanwijzingen
en bevelen (g 194).
De veldwachtcommandanten eindelijk zetten de posten
uit en kiezen, in verband met de opstelling der posten-
keten , voor hun wacht de juiste en geschiktste plaats uit.
-ocr page 176-
159
Bij het aanwijzen van de plaatsen van de veldwachten
moet er vooral op worden gelet, dit niet in te alge-
meenen zin te doen, omdat men alsdan gevaar loopt,
dat de onderlinge verbinding dier wachten niet spoedig
lot stand zal zijn gebracht.
Bij de keuze eener voorpostenstelling is hoofdzaak,
(lat op eene voordeelige terreingesteldheid en eene ge-
makkelijke en verzekerde gemeenschap tusschen de
mderdeelen der opstelling worde gelet.
§ 185. Behoudens de verantwoordelijkheid van den
voorpostencommandant voor de goede beveiliging in
het algemeen, zijn de commandanten der voorposten-
detachementen en veldwachten, ter verzekering van
die beveiliging, in het bijzonder aansprakelijk voor den
geregelden gang van den dienst en het toezicht, voor
zooveel ieder hunner aangaat in den hun aangewezen
bewakingskring.
g 186. De commandant der voorposten houdt zich
bij het gros der voorposten op. Nogtans kan hij zich
daarheen begeven, waar zijn tegenwoordigheid wordt
vereischt, maar geeft dan het bevel over het gros,
met de noodige aanwijzingen, over aan den in rang
op hem volgenden oflicier.
Hij overtuigt zich in persoon van den stand der
verschillende voorpostenafdeelingen en van den geregelden
gang van hare dienstverrichtingen.
Alle rapporten en belangrijke mondelinge berichten
van de veldwachten en patrouilles moeten , door tus-
schenkomst van den commandant van het betrokken
voorpostendetachement, bij hem inkomen.
-ocr page 177-
100
Zoodra hij van de verschillende deelen der voor-
posten rapport heeft ontvangen, dat zij geplaatst zijn,
geeft hij daarvan en, voor zooveel noodig, van de
door hein getroffen maatregelen kennis aan den bevel-
hebber der troepen.
Ontvangt de voorpostencommandant het woord niet
vroegtijdig genoeg, dan is hij bevoegd een woord
uit te geven, mits daarvan aan hoogerhand kennis
gevende.
HET GROS, DE VOORPOSTENDETACHEMENTEN
EN ONDERSTEUNINGSTROEPEN.
SAMENSTELLING , STERKTE EN ONDERLINGE
AFSTANDEN.
(j 187. De voor den voorpostendienst bestemde
troepenmacht zondert voor de voorpostendetachementen
en veldwachten in den regel niet meer dan de helft
van haar sterkte af. Het overblijvend gedeelte vormt
het gros, waarvan de samenstelling dan van zelf be-
paald is.
De afstand van het gros der voorposten tot de te
beveiligen hoofdmacht zal afhangen van den weerstand,
dien de voorposten kunnen bieden, om aan die hoofd-
macht den noodigen tijd te verschaffen, om slagvaardig
te zijn, in verband met de meer of minder gunstige
stellingen, die het terrein voor het gros, de voorpos-
tendetachementen en de veldwachten oplevert.
g 188. De voorpostendetachemenlen bestaan bij uit-
zondering uit de drie wapens. De toevoeging van
artillerie zal echter over dag nuttig kunnen zijn, wan-
-ocr page 178-
Mi!
neer een voorpostendetachement bij een défilé of ander
terreinpunt is opgesteld, dat hardnekkig moet worden
verdedigd.
De sterkte van elk voorpostendetachement behoort
zoodanig te zijn, dat daarbij, na aftrek van de uit te
zetten veldwachten, een voldoend getal troepen over-
blijft, om zoo lang weerstand te kunnen bieden, dat
het gros den noodigen tijd verkrijgt, om het gevecht
op te nemen. Doorgaans zal een compagnie of een
eskadron voldoende zijn. Aan een uit infanterie be-
staand voorpostendetachement worden zoo mogelijk
eenige ruiters toegevoegd.
De voorpostendetachementen moeten bij voorkeur
worden geplaatst op punten, waar zij een geschikte
verdedigingsstelling aantreffen. In verband daarmede
kunnen zij door het gros op afstanden van \'/4 tot 1jt
uur worden vooruitgeschoven.
§ 189. De ondersteuningstroepen moeten, wanneer
de voorposten niet uitsluitend uit cavalerie bestaan,
uit infanterie worden samengesteld, daar dit wapen
tot ondersteuning dei- veldwachten meer kracht kan
ontwikkelen dan de cavalerie. Bovendien mag de
cavalerie niet noodeloos aan den patrouille- en ordon-
nansendienst worden onttrokken.
GEDRAGSREGELS BIJ HET GROS, DE VOORPOSTENDETA-
CHEMENTEN EN DE ONDERSTEUNINGSTROEPEN.
\\ 190. Naarmate van het bestaan van meer of
minder gevaar voor een vijandelijken aanval, zal het
gros bivakkeeren , zoo noodig in gevechtsformatie achter
II
-ocr page 179-
102
de te bezetten stelling, oordbivaks betrekken, of wel,
wanneer hiertoe de gelegenheid bestaat, geconcentreerd
worden gehuisvest. Op verren afstand van den vijand
kan het gros in enge kantonnementen worden onder
dak gebracht.
De voorpostendetachementen en ondersteuningstroepen
zullen moeten bivakkeeren, oordbivaks betrekken of in
huizen en schuren onder dak gebracht worden, voor
zoover de noodzakelijkheid tot meerdere of mindere
slagvaardigheid dit toelaat.
De meerdere of mindere slagvaardigheid, waarin de
troepen bij het gros, de voorpostendetacheinenten en de
ondersteuningstroepen moeten worden gehouden , wordt
door den voorpostencommandant of van hoogerhand
met het oog op den algemeenen toestand van veiligheid
bepaald. Zoo kan het noodig zijn, dat de infanterie
het leergoed omhoudt, de cavalerie en artillerie opge-
zadeld, opgestangd en opgetuigd blijven; dat slechts
bij gedeelten mag worden gevoederd en gedrenkt; dat
de vuurmonden worden afgelegd en tot vuren gereed
geplaatst in de stelling; dat er geen signalen mogen
worden geslagen of geblazen, enz. Overigens moet,
zooveel als de toestand dit toelaat, aan de manschappen
rust worden gegund.
f Elk der hierbedoelde afdeelingen neemt steeds de
noodige maatregelen tegen een vijandelijken aanval en
versterkt haar stellingen. Hare opstelling moet zooveel
mogelijk voor het oog des vijands verborgen zijn.
» Wat de veiligheid en inwendige orde van haar bivak
of kantonneinent aangaat, nemen zij de daarvoor gegeven
voorschriften (Hoofdstuk III) in acht.
-ocr page 180-
163
Zij onderhouden met elkaar en met de veldwachten een
gestadige verbinding door de eventueel aanwezige veld-
telefooninrichtingen, het uitzenden van patrouilles, het
plaatsen van observatieposten op verheven punten, zooals
torens, molens, enz. Is een voorpostentelegraaf voor-
handen, dan wordt deze in den regel gebezigd ter
verbinding van de hoofdmacht met het gros der voor-
posten.
Zoo noodig worden van hoogerhand bevelen gegeven,
om bij het gros optische signalen (§ 270) in gereed-
heid te brengen.
Aangezien de patrouilles, door de veldwachten uit te
zenden (§ 213), zich in den regel niet verder dan op
een kwartieruur afstands buiten de postenketen mogen
begeven, moeten door het gros, de voorpostendetache-
menten en soms ook, naargelang van hun sterkte,
door de ondersteuningstroepen de grootere verkennings-
patrouilles
(§ 227) worden uitgezonden.
DE VELDWACHTEN.
SAMENSTELLING, STERKTE EN ONDERLINGE
AFSTANDEN.
g 191. De veldwachten zullen uit infanterie of uit
cavalerie kunnen bestaan.
Daar de cavalerie evenwel des nachts zooveel mogelijk
moet worden gespaard, om haar over dag des te meer
voor de grootere verkenningspatrouilles en den marsch-
veiligheidsdienst te kunnen bezigen, zal zij des nachts,
met uitzondering van de patrouilles, die voeling met
-ocr page 181-
ltU
den vijand moeten bewaren en de ordonnansen, be-
houdens het hiervolgende, bij het gros worden onder-
gebracht.
Cavalerie- veld wachten worden alleen gebezigd: 1°. bij
dag op uitgestrekte open terreinen; 2°. op de vleugels
van uitgebreide voorposten stellingen of op gewichtige
punten buiten de postenkcten, mits het terrein daartoe
gunstig zij, en 3°. wanneer de cavalerie geheel op
zich zelf staat.
Aan de infanterie-veldwachten, in de eerste plaats
aan die, welke op de belangrijkste punten komen te
staan, zullen, wanneer er cavalerie aanwezig is, een
paar cavaleristen worden toegevoegd tot het snel over-
brengen van rapporten.
§ 192: Ofschoon de sterkte van een veldwacht af-
hangt van het aantal schildwachten of vedetten, dat
zij moet uitzetten, en van den omvang van haar
patrouilledienst, neemt men met het oog op het be-
paalde bij g§ 138 en 188 gewoonlijk voor de sterkte
van een infanterie-veldwacht 1 sectie (oorlogssterkte),
voor die van een cavalerie-veldwacht 1 peloton, welke
behooren tot het onderdeel of de onderdeden, welke
het voorpostendetachement, hetwelk de veldwacht uit-
zet, uitmaken.
Voor commandanten van de veldwachten moeten in
den regel, althans van de veldwachten op gewichtige
punten geplaatst, officieren worden aangewezen.
/ Op minder belangrijke! of weinig bedreigde punten
of ter bewaking van beperkte terreinstrooken kan echter
jnet een zwakkere veldwacht worden volstaan; de sterkte
-ocr page 182-
1G5
van deze kan dan afdalen tot een twaalftal minderen
met l.of 2 ordonnancen, in den regel onder commando
van een onderofficier. Deze wachten kunnen door een
officier gecommandeerd worden , wanneer zij slechts een
kleine terreinstrook, bijv. een enkelen toegangsweg,
behoeven te bewaken maar nauwgezette waarneming
dier strook van groot gewicht is.
g 193. De afstand, waarop de veldwachten vóór
haar voorpostendetachement staan, bedraagt gewoonlijk
voor een infanterie-veldwacht niet meer dan 1000,
voor een cavalerie-veldwacht niet meer dan 2000 pas;
onderling hebben de infanterie-veldwaditeu een afstand
van G00—1000, de cavalerie-veldwachten van ten hoogste
2000 pas.
Deze cijfers moeten evenwel slechts als algemeene
gegevens worden beschouwd.
DE AFMARSCH DER VELDWACHT EN HET UITZETTEN
VAN DE POSTEN.
§ 194. Ieder, wien door zijn dienstbetrekking liet
bevel van een veldwacht kan worden opgedragen, moet
voorzien zijn van papier en potlood, van de noodige rap-
portkaarten (§§ 22 en 23), en zoo mogelijk van een kaartje
der omstreken. Is hij in het bezit van een goed gere-
geld horloge, dan zal hem dit nuttig zijn.
De commandant van een veldwacht ontvangt zijne
inlichtingen en bevelen van den meerdere die hem
uitzendt, bij voorkeur schriftelijk. Deze inlichtingen
en bevelen betreffen de volgende punten:
-ocr page 183-
166
1°. Voor zoover de kennis daarvan voor den com-
mandant van belang is, hetgeen van den vijand (stel-
ling, afstand, sterkte, vermoedelijke voornemens) be-
kend is en de eigen toestand, daaronder de plaats
van het voorpostendetachement (en, zoo die er is, van
den onderstcuningspost);
2°. Ongeveer de plaats en het nummer der veld-
wacht en de uitgestrektheid van het door haar te be-
waken terrein.
De veldwachten van dezelfde samenhangende voor-
postenstelling worden namelijk van den rechter- naar
den linkervleugel doorloopend genummerd;
3°. Den naar de plaats der veldwacht te volgen
weg;
4°. De vermoedelijke plaats van de nevenveldwachten;
5°. Het doel van de veldwacht, of zij namelijk enkel
tot waarschuwing of waarneming dient, of wel zich
moet verdedigen, en vanwaar zij in dit geval onder-
steuning kan verwachten;
6°. De regeling van den gang van de patrouilles
en of daarbij op sommige punten meer bijzonder de
aandacht moet worden gevestigd;
7°. Den terugtochtsweg, bijaldien deze niet van zelf
is aangewezen;
8°. In hoever landlieden, reizigers, bijzondere per-
sonen , voertuigen, parlementairs mogen worden toe-
of doorgelaten;
0°. Op welke wijze in de voeding van de man
.schappen en paarden moet worden voorzien;
10°. Of er vuur mag worden aangelegd;
-ocr page 184-
107
11°. Welke maatregelen voor den nacht moeten
worden genomen;
12°. Het woord, tenzij hem dit later zal worden
toegezonden.
Alleen afwijkingen van den in dit voorschrift be-
paalden gewonen gang van zaken worden vermeld.
Overigens worden hem zoo mogelijk inlichtingen, die
hem van nut kunnen zijn, verschaft omtrent sommige
punten zooals: de richting en gesteldheid van wegen,
rivieren en beken; de bruggen en waadbare plaatsen; de
ligging en namen van dorpen, gehuchten, bosschen en
andere terreinvoorwerpen.
Worden den veldwachtcommandant geen schriftelijke
inlichtingen en bevelen ter hand gesteld, waartoe in
den oorlog veelal tijd en gelegenheid zullen ontbreken,
dan teekent hij het hem mondeling medegedeelde in
zijn zakboekje op. Hij vraagt de ophelderingen en
inlichtingen, die hij meent dat verder noodig of nuttig
voor hem zijn.
Daarna ziet hij zijn manschappen na, overtuigt zich
dat wapenen, kleeding en schoeisel in goeden staat
zijn en ieder man van zijn munitie en verdere be-
noodigdheden voorzien is.
Bij een cavalerie-veldwacht moet de commandant,
behalve de wapenen en munitie, ook het opzadelen en
pakken en vooral het hoef beslag nazien.
Het verdient aanbeveling, dat de commandant eener
veldwacht de namen van zijne manschappen opschrijve
en bekend zij met hun meerdere of mindere schrander-
heid en bijzondere geschiktheid voor den patrouilledienst.
-ocr page 185-
108
g 195. De marsch van de veldwacht naar de haar
aangewezen plaats kan onder tweeërlei omstandigheden
plaats hebben: óf zij moet een andere veldwacht gaan
aflossen en dus door een bezette streek trekken, óf
zij moet zich op een nog onbezet en onbewaakt terrein
gaan opstellen. In het eerste geval behoeft zij gedu-
rende den marsch geen veiligheidsmaatregelen te
nemen. In het andere geval zal zij zich op haar marsch
beveiligen, zooals in §§ 170 en 173 (Fig. 15 en 3) is
aangeduid, onverschillig, of er al dan niet patrouilles
tot verkenning zijn uitgezonden; de marsch geschiedt
met omzichtigheid en zooveel mogelijk in eenig ver-
band met de nevenveldwachten.
Op marsch moet de commandant der veldwacht nauw-
keurig acht geven op het terrein, de wegen, dorpen,
wateren, bruggen, bosschen, merkbare punten, enz.
en de aandacht zijner ondergeschikten daarop vestigen,
vooral op den weg, dien de wacht volgt en welke
ook meestal die zal zijn, waarlangs zij gemeenschap
houdt met het voorpostendetachement of den onder-
steuningstroep.
§ 196. Mocht het reeds donker of\' nacht zijn, wan-
neer de veldwacht op de haar aangewezen plaats aan-
komt, dan zet de veldwachtcommandant, zoo goed als
het kan, in een kleinen kring, in het bijzonder op
de wegen, posten uit, om het terrein eenigermate af
te sluiten, terwijl hij door menigvuldig patrouilleeren
de veiligheid verzekert. De wacht verspert de toe-
gangen tot haar standplaats, in zoover dat zij be-
veiligd is tegen verrassingen, vooral van vijandelijke
\',y*~f<
f ,
(~!<l Cl
■ 1
\'. . ■
f.
i ■
•J
;\' \'V
; ./. ,
\'
f\' >>\'/■■\'
."■
OJ{ *"<
-\'
V-t*} h
wt-V
-ocr page 186-
169
cavalerie. De commandant bepaalt, daarbij de meer-
dere of mindere nabijheid des vijands in acht nemende,
welk gedeelte der wacht onder de wapenen blijft,
terwijl het overige rust.
Zoodra de dag aanbreekt, handelt hij zooals in \\ 198
wordt vermeld.
§ 197. Vindt de veldwacht de voor haar bestemde
plaats reeds door den vijand bezet, dan neemt zij op
behoorlijken afstand van den vijand stelling en blijft
hem door patrouilles of posten waarnemen. De veld-
wachtcommandant zendt onverwijld van zijn bevinding
rapport in en wacht nadere bevelen af; terwijl hij er
ook kennis van geeft aan de nevenveldwachten, zoo
daartoe gelegenheid bestaat.
De veldwacht moet echter een zwakkeren vijand
terstond trachten terug te drijven, waarbij zij er naar
moet streven gevangenen te maken.
g 198. Bij dag te bestemder plaatse aankomende
en deze onbezet vindende, zoekt de veldwachtcomman-
dant een geschikt punt tot plaatsing van de wacht
uit, laat deze daar halt maken en de veiligheidsketen
waarschuwen zich als voorloopige postenketeu op te
stellen.
Zoo noodig zendt hij een of een paar patrouilles
uit, om het voorgelegen terrein op korten afstand te
doorzoeken en later een patrouille naar de nevenveld-
wachten, om de juiste plaatsen daarvan op te sporen.
Zoodra de commandant der veldwacht, naar aanleiding
van de door hem getroffen veiligheidsmaatregelen
meent te mogen besluiten, dat er geen vijand in de
-ocr page 187-
170
onmiddellijke nabijheid is, gaat hii met een gedeelte der
manschappen en een korporaal tot Benutzetten van de
posten vooruit, terwijl de rest onder bevel van den
oudsten onderofficier achterblijft en stelling neemt, om
mogelijke verrassingen te keer te gaan.
Indien de aard van het terrein of andere omstandig-
heden het wenschelijk maken, kan het uitzetten der
posten ook straalsgewijze geschieden, als wanneer de
posten, elk onder geleide van een onderofficier of
korporaal en zoo mogelijk met de voor eiken post ter
aflossing bestemde manschappen, rechtstreeks naar de
door den commandant der veldwacht aangeduide op-
stellingspunten marcheeren. Zoo noodig wordt de
standplaats der posten later door dien commandant
verbeterd.
\\ 199. Bij het uitzetten van de posten zal de veld-
wachtcommandant de volgende punten in het oog houden:
1°. De postenketen bestaat uit dubbelposten, dat zijn
posten, die ieder samengesteld zijn uit 2 schildwachten
of 2 vedetten of uit korporaalsposten bestaande uit
1 korporaal (bij uitzondering een onderofficier) en 3 of
meer man. De infanterie maakt, met uitzondering van
op bijzonder bedreigde punten en op de vleugels der
opstelling te plaatsen posten — op welke punten toe-
passing van korporaalsposten in den regel aanbeveling
verdient — bij voorkeur van dubbelposten gebruik. Bij
dezelfde veldwacht mogen te gelijker tijd beide soorten
van posten gebezigd worden.
De infanterieposten kunnen van 300 tot 500, de
cavalerie-posten tot 1000 pas van de veldwacht staan;
-ocr page 188-
171
terwijl de_onderlinge afstand der eerstgenoemden even-
eens van 300 tot 500 en der laatstgenoemden tot
1000 pas kan bedragen.
2°. De posten moeten zoo mogelijk naar \'s vijands
zijde een vrij uitzicht hebben en te gelijker tijd aan
diens oog onttrokken zijn. De infanterieposten kunnen
zich op geheel open terrein des noods ingraven.
3°. Zij moeten zoodanig geplaatst zijn, dat, indien
zij elkaar al niet rechtstreeks kunnen zien, zij althans
met hun gezichtskringen het tusschen hen gelegen
terrein zoodanig afsluiten, dat niemand ongemerkt dooi-
de postenketen kan sluipen.
•4". Tusschen de veldwacht en de posten moet een
behoorlijke verbinding bestaan. Voordeeligzal het daarom
zijn, wanneer al de posten door den schildwacht voor
het geweer kunnen worden gezien; men kan daarin
soms voorzien door van de plaats der wacht in de
richting der posten openingen te maken in heggen en
struikgewas, hoog koren neer te trappen, enz. Kan
het beoogde doel op die wijze niet worden bereikt,
dan kan daarin worden te gemoet gekomen door
het plaatsen van een of meer tusschenposlen, elk uit
1 man bestaande.
5°. De commandant der veldwacht moet steeds van
het beginsel uitgaan, dat de veiligheid van zijn wacht
meer wordt verzekerd door een goed geregelden en
gestadigen patrouillegang dan door een groot aantal
posten. Hij moet er derhalve naar streven, zoo weinig
mogelijk posten te plaatsen, om des te meer man-
schappen voor den patrouilledienst beschikbaar te hebben.
-ocr page 189-
172
Indien de veldwachten onderling den in § 193 op-
gegeven afstand hebben, dan kan hij bij een infanterie-
veldwacht in den regel volstaan met 3 posten en wel,
wanneer de veldwacht aan een weg staat, \\ vooruit
op dien weg, \\ rechts en 1 links daarvan.
Bij een cavalerie-veldwacht zal men zich met 2 posten
moeten tevreden stellen, teneinde een genoegzaam aantal
ruiters voor den patrouilledienst beschikbaar te houden.
6°. Het kan voorkomen, dat punten, waarvan de
voortdurende waarneming noodzakelijk is, te ver vóór-
of zijwaarts zijn gelegen, om in de postenketen te
worden opgenomen; ook kunnen er zich in de nabij-
heid der veldwacht verheven punten, molens, hooge
gebouwen, torens, enz. bevinden, die een vrij uitzicht
op het voorgelegen terrein aanbieden. Men plaatst
dan op die verheven punten een observaliepost, en op
eerstbedoelde punten een gedelacheerden post. Een ob-
servatiepost bestaat in den regel uit 1 officier of onder-
officier, zoo mogelijk voorzien van een goeden kijker,
met 1 of_2 ordonnansen; een gedetacheerde post uit
3 tot 6 man onder een onderofficier of korporaal.
7° Eindelijk moet er op worden gelet, de posten
zoodanig te plaatsen, dat hun verplaatsing voor den
nacht zoo min mogelijk noodig is, ten einde het nadeel
te vermijden, dat de manschappen zich bij het invallen
van de duisternis niet meer genoegzaam bekend kunnen
maken met het terrein om hun post gelegen. Niette-
min zal men dit in enkele gevallen niet kunnen na-
laten , daar bijv. schildwachten, die bij dag op hoogten
staan, des nachts meer teruggetrokken moeten worden,
-ocr page 190-
173
daar zij duidelijker naar de hoogte kunnen zien, en
andere, die bij dag bij sluizen, watermolens of fabrieken
staan, des nachts op eenigen afstand daarvan gesteld
moeten worden, om beter te kunnen hooien. Schild-
wachten of vedetten moeten zoo noodig \'s nachts voor-
waarts van bosch- of dorpsranden worden geplaatst,
ten einde deze randen door de veldwacht te kunnen
doen bezetten.
In de meeste gevallen zal het meer aanbeveling
verdienen, zoo noodig gedurende den nacht tusschen de
dagposten een paar posten in te schuiven.
Bij cavalerie-veldwachten zullen, met het oog op den
grooten afstand, de vedetten nader bij de wacht moeten
worden aangetrokken, tenzij de veldwacht zelf worde
vooruitgeschoven.
§ 200. De veldwachtcommandant nummert de posten
van den rechter- naar den linkervleugel, onverschillig
welke soorten van posten zijn uitgesteld. Hij geeft
aan iederen post in het bijzijn van den korporaal van
aflossing of aan den commandant van een korporaals-
post kort en zakelijk de noodige consignes en licht hen
in omtrent de volgende punten:
1°. Het nummer van hun post.
2°. Waar de vijand staat en wat men van hem weet.
3°. De van den vijand naar de wacht voerende
wegen; de namen van de dorpen, bosschen en andere
terreinvoorwerpen binnen hun gezichtskring gelegen.
•i". Welke wegen of terreinpunten door hen meer
bijzonder moeten worden gadegeslagen.
5°. De plaats van de nevenposten en de veldwacht.
-ocr page 191-
174
6° Een teeken om den examineertroep (of den
-veldwachtcommandant) te ontbieden, en een teeken
waardoor de manschappen der eigen veldwacht elkander
kunnen herkennen.
De veldwachtcommandant doet de consignes herhalen.
DE PLAATS DER VELDWACHT.
§ 201. Nadat hij de posten heeft uitgezet, keert
de veldwachtcommandant naar het achtergebleven ge-
deelte der wacht terug en kiest de juiste plaats voor
de wacht uit. Mocht die aanmerkelijk verschillen met
de aanvankelijk daarvoor gekozen plaats, dan worden
de posten daarvan onderricht.
Aangaande de plaats der veldwacht valt het volgende
in acht te nemen:
1°. Zooveel mogelijk moet de veldwacht ongeveer
achter het midden van de postenketen, in de nabij-
heid van den weg staan; steeds moet zij gemakkelijk
te vinden zijn.
2°. Nooit op, maar altijd naast den weg; liever
achter (aan deze zijde), dan vóór (aan gene zijde) een
défilé; altijd onttrokken aan het oog van den vijand,
achter huizen of schuren, in houtgewas, enz.
3°. In den regel mag de wacht niet in huizen of
schuren worden geplaatst. In hoever van dezen regel
mag worden afgeweken, wordt door den voorposten-
commandant bepaald.
4". De veldwacht verspert door middel van een
paar boomen of wagens den weg of de toegangen tot
haar standplaats, ten einde tegen verrassingen van
-ocr page 192-
175
vijandelijke cavalerie beveiligd te zijn; hierbij moet
evenwel op de gemeenschap voor de eigen patrouilles
en posten worden gelet. Binnen de omheiningen van
hofsteden, achter heggen of slootcn is de plaatsing
voordeelig.
Moet een veldwacht zich op de haar aangewezen
plaats verdedigen, dan zal zij niet mogen verzuimen,
zooveel als tijd en middelen dit veroorloven, de als-
dan te bezetten stelling in staat van verdediging te
brengen.
5°. De wacht, die meest altijd zal moeten bivak,
keeren, kan zich tegen wind en guur weder beschutten
door het vervaardigen van afdaken van stroo, riet,
planken, enz.
6°. Verder moet, in verband met het voorgeschre-
vene bij punt 7 van § 199, de plaats van de wacht
zoodanig worden gekozen, dat het niet noodig is haar
voor den nacht te veranderen, hetgeen veelal meer
na- dan voordeel zal opleveren. Soms echter is de
verplaatsing van de wacht onvermijdelijk, wanneer zij
namelijk over dag, om aan \'s vijands oog onttrokken
te zijn, niet daar kan staan, waar zij zich beter ver-
dedigen kan of wel veiliger is.
VERDERE DIENSTREGELING.
£ 202. De schildwacht (vedet) voor \'t geweer wordt
uitgezet. Een enkele man is daartoe voldoende; hij
wordt bij de wacht zoodanig opgesteld, dat hij, zoo
niet alle posten, althans een daarvan of den tusschen-
post kan zien.
-ocr page 193-
176
§ 203. Daarna gaat de commandant, wanneer dit
niet reeds ten deele bij een straalsgewijze uitzetting
der posten is geschied, over tot het indeelen van twee
allossingen van 2 man voor iederen dubbelpost en van
I man voor dun post voor \'t geweer en, in den regel,
van een aflossing voor de gedetacheerde posten en
korporaalsposten. Het overblijvend gedeelte wordt voor
den patrouilledienst bestemd en daartoe in gedeelten
van 2 of 3 man gesplitst.
De eerste sluippatrouilles (§ 213) worden in de rich-
ting van den vijand afgezonden. Mochten de in den
aanvang tot beveiliging van het uitzetten der posten
uitgezonden patrouilles nog niet teruggekeerd zijn, dan
zal eerst haar terugkomst worden afgewacht.
Overeenkomstig bovenstaande indeeling worden de
geweren aan rotten gezet, neergelegd of tegen iets aan
geplaatst, zoo mogelijk voor\' regen beschut. Bij een
cavalerie-veldwacht stijgen de ruiters ai\'. De paarden
worden aangebonden of door eenige manschappen aan
de teugels gehouden; zij blijven steeds opgezadeld en
opgestangd.
§ 204. Ofschoon de veldwachtcommandant ten allen
tijde persoonlijk verantwoordelijk blijft, dat al wat door
de postenketen wordt gelaten nauwkeurig onderzocht
wordt, kan hij zich echter daarbij door een onder-
officier of korporaal met een paar man, de examineer-
troep
genaamd, behulpzaam doen zijn.
De examineertroep heeft derhalve de bestemming,
zich bij de wacht steeds gereed te houden, om op
waarschuwing van een der posten (8 200, 6°) terstond
-ocr page 194-
177
tot nader onderzoek toe te snellen en overeenkomstig
de bevelen van den veldwachtcommandant te handelen.
Des nachts of bij duister weder kan het bij eenig
druk verkeer door de postenketen noodig zijn, dat de
examineertroep zich eenige passen achter een der posten
opstelt, en wel bij voorkeur achter den post, die op
den weg staat, waarlangs het algemeen verkeer plaats
vindt.
Is de veldwacht te gering van sterkte, om een
examineertroep af te zonderen, zooals bij cavaleiïe-veld-
wachten veelvuldig zal voorkomen, dun neemt de veld-
wachtcommandant zelf de taak op zich.
Bij weinig of geen verkeer bij de voorposten is de
examineertroep overbodig.
§ 205. Alsnu maakt de veldwachtcommandant het
Rapport N°. 1 op, behelzende de maatregelen doorhem
genomen en de berichten tot op dat oogenblik aan-
gaande den vijand ingekomen. (Zie § 22 en Bijlage 1.)
GEDRAGSREGELS VAN DE VELDWACHT EN DEN
VELDWACHTCOMMANDANT.
g 206. Behalve de algemeene verplichtingen, aan
iedere wacht ten aanzien van waakzaamheid en orde
opgelegd, zal bij een veldwacht nog in \'t bijzonder het
volgende worden in acht genomen:
1°. De oudste onderofficier, die voortdurend bij de
wacht moet blijven, zorgt onder toezicht en verant-
woordelijkheid van den commandant voor den geregelden
gang van den dienst.
12
-ocr page 195-
178
2". De enkele en dubbelposten worden om de 2 uren
afgelost; in strenge koude, bij guur weder of groote
vermoeidheid der troepen, om het uur. De aflossing der
korporaals-, gedetacheerde en observatieposten geschiedt
in den regel om de 6 uren of onder de evengenoemde
omstandigheden binnen korter tijd.
3". De wacht doet geen eerbewijzen; zij komt in
\'t geweer, de cavalerie stijgt op, slechts op last van
den veldwachtcommandant of den oudsten onderofficier >
bovendien telkens wanneer er een schot in de posten-
keten valt.
•4°. De commandant der wacht, of, bij zijn af-
wezigheid ingevolge punt 12 van deze §, de oudste
onderofficier, meldt zich bij ieder superieur, die de
wacht nadert.
5°. De grootst mogelijke stilte moet aan de wacht
worden gehandhaafd.
6°. Niemand mag zich zonder vergunning van de
wacht verwijderen.
7°. Omtrent het aanleggen van vuur aan de wacht
worden bepaalde voorschriften gegeven. In allen ge-
valle onttrekke men het vuur zooveel doenlijk aan
\'s vijands oog. Het eten zal gewoonlijk bij de achter-
staande afdeelingen gereed gemaakt en, evenals de
noodige fourage, door die afdeelingen bezorgd worden.
8". Bij dag wordt bij gedeelten gerust, zoo noodig
gekookt, gevoederd en gedrenkt.
9°. Bij nacht hangt het van de meerdere of mindere
veiligheid van de wacht of van de meerdere of mindere
waarschijnlijkheid van een vijandelijken aanval af, of
-ocr page 196-
179
de manschappen bij gedeelten mogen rusten en de 4*üf****..
over dag worden afgelegd, godurondo oW
«aefet
al dan niet moetw» worden godimgoii. t -jeA<f3-i~\'-
10°. De cavalerie blijft opgezadeld; bij geen on-
middellijk gevaar kunnen bij gedeelten de paarden
worden omgezadeld, om de ruggen te verfrisschen,
de zadels te verleggen en de dekens opnieuw te vouwen.
11°. De veldwachtcommandant onderhoudt zijn man-
schappen over hun verplichtingen, deelt hun mede,
wat van den vijand bekend is, en licht hun den toe-
stand zooveel noodig toe.
12°. De veldwachtcommandant is over dag niet ge-
houden voortdurend bij de wacht te blijven, maar is
verplicht zich volkomen bekend te maken met het om
zijn wacht gelegen terrein. Des nachts verlaat hij
zonder noodzakelijkheid de wacht niet.
13°. Het kan noodig zijn, dat de veldwacht in
polderland of in met slooten en wateren doorsneden ter-
reinen zich tracht te voorzien van planken, ladders en
polsstokken, van schuiten, roeibootjes en vlotten; bij
dicht water van schaatsen en ijssporen.
14°. Wordt de aankomst van een parlementair —
zijnde in den regel een vijandelijk officier, vergezeld
door een trompetter met een witte vlag of doek, door
eenig signaal op de trompet de aandacht der posten
op diens komst vestigende — gemeld, dan begeeft de
veldwachtcommandant zich naar de postenketen om
hem te ontvangen. Volgens de verkregen bevelen zendt
hij den parlementair naar den voorpostencommandant
op of doet hem in afwachting van nadere bevelen bij
de postenketen wachten.
-ocr page 197-
180
Alvorens de parlementair de postenketen doorgaat,
wordt hij door den veldwachtcommandant geblinddoekt.
De hem vergezellende personen van minderen rang
worden bij de postenketen gehouden. Met den parle-
mentair en de hem vergezellende personen mag niet
worden gesproken. Op een parlementair en zijn ge-
volg te vuren, hen te beleedigen of kwalijk te behandelen,
is in strijd met de oorlogsgebruiken en derhalve straf baar.
Heeft de parlementair slechts dépêches of andere
bescheiden te overhandigen, dan neemt de veldwacht-
commandant deze, na hiertoe bekomen machtiging van
den commandant der voorposten, in ontvangst en geeft
daarvoor een geteekend bewijs af.
15°. Met afdeelingen of personen, behoorende tot
het Roode Kruis zal gehandeld moeten worden inge-
volge de van hoogerhand daaromtrent te geven bevelen.
Zoolang deze niet ontvangen zijn, worden zij als on-
schendbaar beschouwd en als parlementairs behandeld.
10°. Deserteurs en gevangenen worden onmiddellijk
ontwapend en onder gewapend geleide opgezonden. Is
het getal deserteurs aanzienlijk, dan komt de wacht
in \'t geweer en doet hen op eenigen afstand buiten de
postenketen door de noodige manschappen met geladen
geweer bewaken, terwijl inmiddels voor het gewapend
geleide versterking wordt aangevraagd bij het voor-
postendetachement of den ondersteuningstroep.
17". Deserteert een schildwacht of een man van de
veldwacht, die met het woord bekend is, dan geeft
de veldwachtcommandant terstond een ander woord uit,
meldt dit aan de commandanten der nevenveldwachten,
-ocr page 198-
181
die het op hun beurt aan de naastbijzijnde veldwachten
doen overbrengen ; al de veldwachteommandanten geven
er dadelijk kennis van aan den commandant van
het voorpostendetachement, waartoe zij behooren!
18°. De veldwachteommandanten moeten dadelijk
aan de nevenveldwachten alle bijzonderheden mede-
deelen, die tot de veiligheid van deze kunnen strekken.
19°. Bij het ondervragen van vreemdelingen tracht
de veldwachtcommandant zich te overtuigen, dat het
geen spionnen (§ 224) zijn. Verdachte lieden, ook
eigen spionnen en zij, die zich als zoodanig aanmelden,
worden onder gewapend geleide opgezonden.
20°. Het ivoord moet vóór het invallen van de
duisternis aan de posten en manschappen van de wacht
worden bekend gemaakt.
GEDRAGSREGELS VAN DEN EXAMINEERTROEP.
§ 207. De manschappen vestigen om beurten onaf-
gebroken de aandacht op de posten, die zij kunnen
zien, teneinde op de eerste waarschuwing van dezen
terstond toe te snellen.
In alle twijfelachtige gevallen betreffende de doorlating
van personen, voertuigen, enz. door de postenketen .
vraagt de commandant van den examiueertroep, al-
vorens te beslissen, nadere bevelen van den veldwacht-
commandant. Van alle voorvallen bij de posten maakt
hij terstond melding.
Des nachts wordt niets, zonder een onderzoek op
de wijze als voor de schildwachten is voorgeschreven,
in- of uitgelaten (g 211).
-ocr page 199-
18-2
GEDRAGSREGELS VAN DEN POST VOOR \'T GEWEER.
§ 208. De post voor \'t geweer hgfc bij do infqntoriu
tkfr ntnsul «f-©»- verricht bij de cavalerie den dienst
te voet. Hij houdt de posten, die hij zien kan, in
het oog. Bij dag meldt hij alles aan de wacht, wat
binnen zijn gezichtskring voorvalt, bijv.: »de voor-
postencommandant", «een onbekend officier", »de
korporaal N.N. met de patrouille", neen troep nadert
rechts", «een man van den examineertroep komt",
«post n°. 2 waarschuwt den examineertroep", enz.
Des nachts roept hij alles met halt! wie daar? aan;
de veldwachtcommandant zal in persoon de naderenden
verkennen.
GEDRAGSREGELS VAN EEN GEDETACHEERDEN POST.
£ 209. De post stelt zich zoo gedekt mogelijk op
en zet 1 schildwacht uit; bij de cavalerie blijft deze
in den regel te paard.
Van alle bijzondere voorvallen wordt aan de veld-
wacht rapport gemaakt. De commandant handelt
overigens naar de van den veldwachtcommandant ont-
vangen bevelen.
Het is aan te bevelen, dat de post, teneinde minder
gevaar te loopen van opgelicht te worden, vooral ge-
durende den nacht, nu en dan van plaats verandert,
voor zoover altijd als dit met het doel van zijn plaatsing
op een bepaald punt is overeen te brengen.
-ocr page 200-
183
GEDRAGSREGELS VAN DE AFLOSSINGEN.
§ 210. Bij het aflossen van de posten marcheert
de aflossing behoedzaam en gedekt, over dag achter
langs de postenketen, teneinde de richting dier keten
of de standplaatsen der posten niet noodeloos aan den
vijand te verraden, \'s nachts bij voorkeur vóór die
keten.
In de nabijheid van een af te lossen dubbelpost ge-
komen, gaat de korporaal met de beide manschappen
der aflossing tot aan de standplaats van den post,, zoo
noodig sluipenderwijs vooruit, terwijl hij de overige
manschappen gedekt achterlaat. Nadat de post, front
makende naar den vijand, is afgelost, begeeft zich de
korporaal met de afgeloste manschappen naar de achter-
gelatene terug en zet op gelijke wijze de aflossing
voort.
De voornaamste plicht van den korporaal van aflos-
sing is te zorgen voor het juist en volledig overgeven
en overnemen van de consignes door de manschappen.
De afgeloste posten deeleu daarbij mede, wat zij hebben
waargenomen.
Gedetacheerde posten , observatieposten en korporaals-
posten , worden rechtstreeks uit de veldwacht afgelost.
GEDRAGSREGELS VAN DE DUBBELPOSTEN.
§211. 1°. De opmerkzaamheid der schildwachten
<:n vedetten moet voornamelijk naar de zijde van den
vijand gericht blijven; zij maken van al het merk-
waardige, dat zij zien of hooren. zooals stofwolken,
-ocr page 201-
184
geraas, schieten, flikkering van wapenen, elke bewe-
ging van troepen, vermoedelijke bespieders, enz. terstond
melding aan de wacht, waartoe een der manschappen
zich zoo noodig derwaarts begeeft.
2". De schildwachten
rw\'ting afleggen -m- hebben het geweer geladen; stil-
staande, zetten zij het bij den voet en in beweging
zijnde, dragen zij het omlaag. Het zitten of liggen
wordt hun slechts dan veroorloofd, wanneer zij alleen
in die houding aan het oog van den vijand kunnen
worden onttrokken.
3°. De vedetten blijven te paard, hebben de kara-
bijn geladen en dragen haar in den haak zooveel
mogelijk gedekt.
Wanneer het bij uitzondering, ter sparing van de
paarden noodig wordt geacht dat de vedetten afzitten
en de post daartoe met een ruiter wordt versterkt,
houden de ruiters om beurten de drie paaiden vast.
4°. De posten doen geen eerbewijzen; zij beant-
woorden slechts de hun door superieuren gestelde vragen
zonder daarbij hun waakzaamheid te doen afleiden.
5°. De manschappen van een dubbelpost moeten bij
nacht, duister weder of in bedekt terrein, in het
algemeen dus indien zij hun nevenposten moeielijk of
niet kunnen zien, zich om beurten van den post ver-
wijderen, teneinde de verbinding met de nevenposten
te onderhouden en het tusschengelegcn terrein gade
te slaan. Een van de beide manschappen moet echter
inmiddels op den post blijven.
G°. Niemand mag zich in de postenketen ophouden
-ocr page 202-
185
dan hij, die er wegens dienstverrichtingen in moet
vertoeven.
7°. Niemand mag de postenketen van binnen naar
buiten doorgaan dan met toestemming van den veld-
wachtcommandant, die daarvan de posten, waar de
belanghebbenden moeten passeeren, doet verwittigen.
8°. Bij dag worden patrouilles van de wacht dooi-
de posten niet aangeroepen, maar doorgelaten, indien
zij als zoodanig het herkenningsteeken hebben gegeven
en naderbij gekomen werkelijk als manschappen van
de wacht herkend zijn.
Aan onbekende personen, hetzij militairen, hetzij
burgers, wordt door de posten op gebiedenden toon
»halt" toegeroepen. Een der manschappen van den
post waarschuwt daarna den examineertroep of den
veldwachtcommandant, die de aankomenden nader ver-
kent. Aan bestuurders van vaartuigen wordt tevens
gelast aan te leggen en aan wal te stappen.
9°. Rij nacht of duister weder roepen de posten alles
met halt! uiie daar? op gebiedenden toon aan. Indien
uit het antwoord blijkt, dat de aangeroepenen tot de
veldwacht belmoren, dan roept de schildwacht of vedet:
een man voor, en wanneer deze hem tot op 10 pas
genaderd is : hall! hel woord? daarbij zijn geweer vaardig
houdende. Herkent de schildwacht of vedet den voor-
gekomen man als een der manschappen van de veld-
wacht , dan roept hij: passeert! en laat de aflossing, de
patrouille of den man haar of zijn weg vervolgen.
Duidt het antwoord op den aanroep aan, dat de
aankomenden onbekenden zijn, militairen of burgers,
-ocr page 203-
180
dan waarschuwt een der manschappen van den dub-
belpost den examineertroep of den veldwachtcomman-
dant, die dan ter nadere verkenning toesnelt, terwijl
de andere inmiddels de aangekomenen in \'t oog houdt.
In het algemeen moeten de posten op de laatst-
bedoelde wijze handelen, zoodra zij den minsten twijfel
koesteren.
10°. Wanneer aan eenig bevel van de posten
niet wordt voldaan, dan herhalen zij het, en wordt
daaraan nogmaals geen gevolg gegeven, dan geven zij
vuur.
11°. Naderen vijandelijke patrouilles de postenketen,
dan waarschuwen de posten den examineertroep of den
veldwachtcominandant. Deze zendt een patrouille af, om
de vijandelijke gade te slaan of te verdrijven.
12°. Indien de schildwachten of vedetten den vijand
plotseling in de nabijheid van hun post ontdekken , zoodat
er geen oogenblik mag worden verzuimd om de veldwacht
te alarmeeren, dan geven zij terstond herhaaldelijk
vuur; bij de cavalerie rijdt bovendien een der man-
schappen in den snelsten gang naar de wacht.
GEDRAGSREGELS VAN DE KORPORAALSPOSTEN.
§ 212. De voor de dubbelposten voorgeschreven
gedragsregels worden zooveel doenlijk in toepassing
gebracht.
De korporaal houdt voortdurend toezicht; hij stelt
in den regel 1, anders 2 man op den uitkijk en blijft
met de overige manschappen, zooveel mogelijk gedekt,
-ocr page 204-
187
in de onmiddellijke nabijheid. De man op den uitkijk
wordt in den regel om het uur, anders om de 2 uur
vervangen.
Bestaat de post [uit infanterie, dan mogen de niet
op uitkijk geplaatsten hunne geweren aan rotten of
uit de hand zetten, mits in hunne onmiddellijke
nabijheid
Bestaat de post uit cavalerie, dan is de man op den
uitkijk in den regel te voet; hij zit te paard wanneer
dit ter wille van de betere waarneming van het terrein
wenschelijk is. De overigen blijven te voet; een man
houdt de paarden vast; bij onraad wordt evenwel
onmiddellijk opgestegen. Staat de post langer dan 6
uur uit, alvorens afgelost te worden, zoo mogen de
paarden beurtelings worden omgezadeld, gedrenkt en
gevoederd.
DE VELDWACHTI\'ATROUILLES.
§ 213. Reeds in § 199, 5°. is gezegd, dat de
veiligheid van de veldwacht minder moet gezocht worden
in het groote aantal posten, dan wel in het veelvuldig
uitzenden van patrouilles. Dit is vooral bij nacht of
mistig weder noodzakelijk.
De patrouilles door de veldwacht uit te zenden zijn
tweeërlei: de visiteer- en de sluippati-ouilles.
De visiteerpatrouilles, bestaande uit 1 onderofficier
ut korporaal met 1 of 2 man, dienen om de waak-
zaamheid van de posten na te gaan en om de ge-
meenschap met de nevenveldwachten te onderhouden..
-Ji
-ocr page 205-
188
Zij gaan van tijd tot tijd, meestal tusschen de uren
■van aflossing, langs de postenketen en doorzoeken
tevens, vooral des nachts en bij mistig weder, het
tusschen de posten gelegen terrein.
Zij nemen zoo noodig, even als voor de aflossing
der posten in § 210 is voorgeschreven, de vereischte
voorzorgen, om den stand der posten niet aan den
vijand te verraden.
Bij dag worden zij niet aangeroepen; bij nacht wordt
gehandeld zooals bij de gedragsregels der posten is
aangegeven. Vinden zij een post onbezet, dan maken
zij daarvan terstond rapport aan den veldwachtcom-
mandant, terwijl zij tevens een man op den post
achterlaten.
De shdppalrouilles, 2 of 3 man sterk, worden uit-
gezonden tot het doorzoeken van het vóór de veld wacht
of op de flanken der voorpostenopstelling gelegen terrein,
ten einde dit terrein te leeren kennen, zich te over-
tuigen , dat er geen vijand in de nabijheid der wacht
is, en tevens om kleine vijandelijke patrouilles te
beletten de postenketen te naderen en te bespieden.
Bij de cavalerie heetcn zij patrouilles in hel voorterrein.
Zij gaan in den regel niet verder dan een kwar-
tieruur afstands buiten de postenketen. Bij cavalerie-
veldwachten kan die afstand grooter worden genomen.
Op bedekt terrein, bij nacht of mistig weder, worden
zij menigvuldiger uitgezonden dan op open terrein en
bij dag
Voor den dienst dezer patrouilles moeten de schran-
derste manschappen worden bestemd; geraasmakende
-ocr page 206-
189
voorwerpen worden achtergelaten; de manschappen der
infanterie nemen niet meer dan de hoog noodige uit-
rusting mede en zijn gekleed met de kwartiermuts;
die der cavalerie zijn voorzien van de karabijn of
revolver en het patroonzakje.
Het is noodzakelijk aan de patrouille nauwkeurig
aan te duiden het punt, tot waar zij moet vooruit-
gaan , den weg dien zij volgen moet, het terrein dat
zij in hét bijzonder moet waarnemen en wat verder
van haar verlangd wordt, alsmede haar het oogenblik
van terugkomst ongeveer aan te geven.
Gedragsregels van de patrouille zijn:
1°. Zij laadt eerst dan, wanneer zij denkt van haar
vuurwapen gebruik te moeten maken.
2°. Zij beweegt zich langzaam, omzichtig en zoo stil
en gedekt mogelijk, maakt dikwerf halt om te luisteren
en het terrein om zich heen gade te slaan.
3°. Op open terrein blijven de manschappen bijeen ,
op bedekt terrein verspreiden zij zich eenigermate,
maar houden elkaar steeds in \'t oog en letten op
elkaars wenken.
4°. Bij de nadering van personen, militairen of
burgers, houdt zij zich schuil. Herkent zij echter de
naderenden voor een patrouille der eigen veldwacht
of eigen troepen, dan vraagt zij aan deze inlichtingen
omtrent den vijand.
5°. Bij de nadering van een vijandelijke patrouille
moet zij deze\' in een gedekte stelling blijven waar-
nemen en de bijzondere kenteekenen der vijandelijke
uniformen goed onthouden; is zij door den vijand
-ocr page 207-
190
ontdekt, dan onttrekt zij zich snel aan zijn gezicht,
maar blijft hem gadeslaan, en wordt zij door hem
overvallen — hetgeen bij het inachtnemen van de noodige
omzichtigheid zeer zelden kan voorkomen — dan maakt
zij gebruik van de wapenen, om zich te verdedigen
of den vijand terug te drijven.
Bestaat er kans om gevangenen te maken, zonder
zelf gevaar te loopen gevangen genomen te worden,
dan mag zij dit niet verzuimen.
6". Ontwaart zij een sterke vijandelijke patrouille,
die in de richting van de voorposten aanrukt, dan
wordt onmiddellijk een man naar de veldwacht ge-
zonden om daarvan kennis te geven , terwijl de anderen
blijven waarnemen. Bij het bestaan van bepaald ge-
vaar voor de veldwacht, wordt er gevuurd, om het
geheel te alarmeeren.
7°. Behalve in de gevallen, bij 5°. en 6°. van deze
§ bedoeld, mag een patrouille nimmer vuren, omdat
dit in het algemeen onnoodig is en zelfs gevaarlijk kan
zijn voor patrouilles van eigen troepen, die in de
verte bij vergissing voor vijandelijke worden aangezien.
8°. Bij nacht of duister weder handelt de patrouille
als bij g 236 is omschreven.
9°. Bij het terugkeeren naar hare veldwacht, maakt
zij zich over dag reeds op eenigen afstand aan de
posten kenbaar door middel van het teeken, daartoe
bij haar veldwacht vastgesteld (§ 200, ü0.).
10°. De patrouille meldt zich bij terugkomst bij den
veldwachtcommandant, om rapport te maken omtrent
de gedane waarnemingen.
-ocr page 208-
191
HET AFLOSSEN VAN DE VOORPOSTEN.
g 214. Bij een frontraarsch zullen, indien de troepen
uit het bivak, oordbivak of kantonnement opbreken , de
voorposten gewoonlijk kunnen inrukken , zoodra de voor-
hoede de lijn van de veldwachten doortrekt. Deze
laatsten vereenigen zich, ingevolge de daaromtrent ge-
geven order of het marschbevel, op een aangewezen
punt, om daar bij den hoofdtroep der voorhoede of
bij de hoofdcolonne aan te sluiten.
Bij een terugtochtsmarsch gaan de vcldwachten en
voorpostendetachementen op het gros der voorposten
terug. Inmiddels worden de achter- en zijtroepen uit
het gros of de voorpostendetachementen geformeerd.
Nadat de veldwachten opgenomen en de marschveilig-
heidsafdeelingen ingedeeld zijn, wordt de marsch dooi-
de achterhoede aangevangen.
Bij voorpostenstellingen, die gedurende meerdere
dagen bezet moeten blijven, wordt de aflossing der
lot den voorpostendienst bestemde troepen door den
*>evelvoerenden officier van de betrokken troepenafdeeling
geregeld
De aflossing der voorpostendetachementcn uit het gros
heeft veelal plaats, nadat hun onderdeden allen op
veld wacht zijn geweest.
§ 215. De aflossing van de veldwachten geschiedt
in den regel om de 24 uren en wel meestal met
het aanbreken van den dag. In elk geval moet dat
tijdstip zoodanig worden gekozen , dat de nieuwe veld-
wachten niet in het donker naar hunne standplaatsen
behoeven te marcheeren.
■■
-ocr page 209-
192
De nieuwe veldwacht marcheert naast de oude op;
eerbewijzen worden niet gedaan. De commandant deelt
zijn wacht in posten en patrouilles af op gelijke wijze
als de oude wacht.
Daarop gaan de commandanten der beide wachten
met de noodige manschappen , geleid door de korporaals
van aflossing der beide wachten, langs de postenketen,
doen de schildwachten of vedetten en korporaalsposten
aflossen en letten nauwkeurig op het juist overgeven
en overnemen van de consignes.
Middelerwijl worden de gedetacheerde posten en ob-
servatieposten afgelost en gaan patrouilles van de nieuwe
veldwacht, begeleid door de patrouillecommandanten
van de oude wacht, op eenige honderden passen buiten
de postenketen, ten einde het voorgelegen terrein te
doorzoeken.
De commandant der oude wacht onderricht dien van
de* nieuwe omtrent al hetgeen van belang kan zijn te
weten, zoowel wat het terrein als den vijand betreft.
Heeft hij een schriftelijke instructie, dan geeft hij
die aan zijn opvolger over. Heeft hij een mondelinge
instructie ontvangen, dan moet hij niet verzuimen, alle
bijzonderheden gedurende zijn wachtdienst op te schrijven,
welke schriftelijke aanteekeningen hij aan den nieuwen
veldwachtcommandant ter hand stelt.
Nadat de nieuwe veldwacht volkomen gereed is met
haar dienstregeling en de uitgezonden patrouilles zijn
teruggekeerd, zonder iets te hebben ontdekt, wat een
onderneming van \'s vijands zijde zou kunnen doen
Termoeden, marcheert de oude veldwacht af. Dreigt
-ocr page 210-
193
eenig gevaar, dan blijft de oude wacht voorloopig bij
de nieuwe, in afwachting van nadere bevelen.
Acht de commandant der nieuwe veldwacht wijzi-
gingen in de opstelling der posten noodig, dan maakt
hij rapport van de door hem gemaakte veranderingen.
GEDRAGSREGELS DER VOORPOSTEN BIJ EEN
VIJANDELIJKEN AANVAL.
\\ 216. Zoodra de sluippatrouilles of de posten
melden, dat vijandelijke afdeelingen naderen, of wan-
neer in of vóór de postenketen schoten vallen, komt
de veldwacht in \'t geweer of stijgt te paard, en begeeft
de commandant zich met een patrouille vooruit, om
zich persoonlijk te overtuigen van he.t gevaar dat
dreigt. Bij nacht zal hij in den regel een der onder-
officieren met de patrouille vooruitzenden en zelf bij
de wacht blijven.
Indien hij zijn positie werkelijk bedreigd ziet, zendt
hij onverwijld bericht daarvan naar de nevenveld-
wachten en het voorpostendetachement, die het bericht
aan de naastbij zijnde afdeelingen en het gros doorzenden.
Gaat de vijand tot den aanval op de veldwacht over,
dan handelt de veldwachtcommandant overeenkomstig
de ontvangen bevelen, hetzij om stand te houden,
hetzij om terug te gaan. Bij eene infanterieveldwacht
versterkt hij de posten, vormt een tirailleurlinie en
houdt een gedeelte als soutien achter, of wel bezet hij
een te voren gekozen stelling, waarin hij de posten
opneemt.
13
-ocr page 211-
194
Hel terugtrekken moet steeds zoo langzaam mogelijk
geschieden en daarbij getracht worden het vooruii
rukken van den vijand te vertragen.
Bij nacht zal de veldwacht bijeenblijven, en zo.
mogelijk een tegenaanval doen, om den vijand om-
zichtiger te maken en daardoor tijd te winnen. Even-
wel zijn des nachts ernstige aanvallen zeldzaam; daar-
entegen heeft het alarmeeren der veldwachten alsdan
meermalen plaats.
Is een nevenveldvvacht genoodzaakt terug te trekken,
dan gaat de veldwacht eveneens terug, doch slecht>
zoover, dat zij buiten gevaar is afgesneden te worden.
De voorpostendetachementen en ondersteuningstroepen
bezetten hun stellingen, om de veldwachten op te
nemen ol rukken vooruit oni ze te ondersteunen, al
naargelang van de ontvangen bevelen.
Het gros eindelijk maakt zich mede tot het gevecln
gereed, en zal naar omstandigheden een verdedigings-
stelling innemen of tot den aanval oprukken.
In het algemeen moeten alle afdeelingen der voor-
posten bij een vijandelijken aanval het beginsel inacht-
nemen , dat zij dienen, om de achter haar rustende
troepen tegen verrassingen te beveiligen en hun den
noodigen tijd te verschaffen, om zich tot het gevechl
gereed te maken of zich daaraan te onttrekken.
-ocr page 212-
195
VOORPOSTENDIENST IN BIJZONDERE
OMSTANDIGHEDEN.
MARSCHVOORPOSTEX.
§217. De eigenaardige gesteldheid van het terrein
en vooral de omstandigheid, dat de voorposten soms
na een afgelegden ïnarsch of na een gevecht tegen het
vallen van den avond moeten worden uitgezet, maken
het niet zelden bezwaarlijk, aan de voorpostenstelling
een zoo regelmatigen vorm te geven, als in Fig. lü
is aangeduid, en de voorgeschreven verplichtingen door
alle afdeelingen der voorposten te doen nakomen.
In dergelijke gevallen schuift men op de voornaamste
wegen, waarlangs de vijand zou kunnen naderen,
sterke detachementen , geheele compagnieën met eenige
cavalerie vooruit, die zich gedurende den nacht door
posten en talrijke patrouilles beveiligen, en soms
dorpen, bosschen, défilé\'s en andere tot verdediging
geschikte terreinvoorwerpen bezetten.
De zoodanig uit te zetten voorposten, die in een
bewegingsoorlog menigvuldig voorkomen, worden ter
onderscheiding van die, welke meer regelmatig en
volledig kunnen geplaatst worden, marschvoorposlen
genoemd.
Ofschoon aan de marschvoorposten de vereischte
regelmatigheid en volledigheid ontbreken, omdat zij
veelal in de duisternis en met spoed moeten worden
uitgezet, is dit minder te duchten, daar de vijand tot
den volgenden dag evenmin den tijd zal hebben de
zwakke punten der stelling te ontdekken en er partij
van te trekken.
-ocr page 213-
196
Ten einde dit ook voor later te voorkomen geldt
dan ook als algemeene regel, dat, bijaldien een troepen-
macht, door marschvoorposten gedekt, den volgenden
dag den marsch niet voortzet, haar voorloopige voor-
postenstelling bij het aanbreken van den dag zoo spoedig
mogelijk moet worden verbeterd.
BIJ UITGEBREIDE KANTONNEMENTEN.
g 218. Troepen in uitgebreide kantonnementen gele-
gerd, zorgen voor hunne onmiddellijke beveiliging op
de wijze zooals dit in § 100 en §104 van Hoofdstuk
111 wordt voorgeschreven.
Tot een tijdige waarschuwing omtrent \'s vijands
nadering, die tot een meerdere concentreering en dus
tot een andere wijze van legering der troepen zal
noodzaken, kan doorgaans vertrouwd worden op het
verkenningskorps, dat ingevolge de bepalingen, voor-
komende in § 254 en volgende van Hoofdstuk V, op
grooten afstand is vooruitgezonden.
Het kan noodig zijn, hetzij om het verkenningskorps
op te nemen, hetzij wanneer in eenige richting, van-
waar de vijand zou kunnen naderen, geen zoodanige
afdeeling is vooruitgezonden, nog eenige troepen tot
beveiliging der kantonnementen vooruit te schuiven.
Zoodanige op de hoofdwegen uitgezonden detachemen-
ten, waarbij in het laatste der voormelde gevallen een
ruime toevoeging van cavalerie noodig is, verzekeren
hun eigen veiligheid voldoende, indien zij op de ver-
schillende toegangen tot en op geruimen afstand van
-ocr page 214-
197
hun standplaatsen kleine afdeelingen als veldwachten
uitzetten.
Deze veldwachten kunnen aan haar opdracht, d. i.
beveiliging van zich zelf en tijdige kennisgeving van
de nadering der eigene verkenningskorpsen of van den
vijand, beter voldoen door aanhoudend patrouilleeren
dan door het uitzetten van een regelmatige postenketen.
Zijn de troepen achter een verdedigingslinie gekan-
tonneerd, dan zal gehandeld worden naar de in § 222
omschreven beginselen.
RIVIERBEWAKING.
§ 219. Moet een rivier worden gadegeslagen met
het oogmerk , om tijdig van een plaats gehad hebbenden
overtocht van vijandelijke troepen te worden verwittigd,
dan zullen de voor den ophelderingsdienst uitgezonden
cavalerie-afdeelingen daartoe voldoende zijn.
Heeft de rivierbewaking ten doel, om elke poging
van den vijand tot een overgang op het een of ander
punt zóó tijdig te ontdekken, dat de achterwaarts
staande troepen naar de bedreigde punten kunnen
oprukken, alvorens de vijand op den aan deze zijde
gelegen oever vasten voet heeft gekregen, dan moet
een volledige voorpostenlinie langs dien oever worden
uitgezet.
Daartoe zal de met de bewaking der rivier belaste
troepenmacht, die óf vereenigd een centrale stelling
bezet, öf wel zich achter de waarschijnlijke overgangs-
punten verdeelt, voorpostendetachementen uitzenden,
-ocr page 215-
198
welke van hun zijde de noodige veldwachten langs de
rivier plaatsen.
Is de hoofdmacht of zijn haar verschillende deelen
zoo dicht bij de rivier geplaatst, dat zij zelf de veld-
wachten kunnen doen aflossen, dan kunnen natuurlijk
de voorpostendetachementen vervallen.
Wat de eigenlijke beveiliging van de met de rivier-
bewaking belaste troepen, zooeven bedoeld, betreft,
zullen de veldwachten met haar posten en patrouilles
de hoofdzaak zijn.
De sterkte, afstanden, verplichtingen en beginselen,
vroeger voor de verschillende deelen der voorposten
aangegeven , blijven ook hier van toepassing.
Een wezenlijk verschil daarmede ontstaat bij de
rivierbewaking door de wijze, waarop hierbij de
patrouilledienst wordt uitgevoerd. De veldwachten
zenden namelijk, vooral des nacht of bij mistig weder,
kleine patrouilles in booten naar den vijandelijken
oever uit. In hoever die patrouilles op den vijande-
lijken oever moeten overgaan, hangt af van haar
opdracht en van de meer of minder gunstige omstan-
digheden.
Afgescheiden van de veldwachtpatrouilles zullen van
de voorpostendetachementen of andere grootere afdee-
lingen sterkere patrouilles worden uitgezonden, die
hun verkenningen op verderen afstand op den vijan-
delijken oever kunnen uitstrekken.
Het. zal altijd voordeelig zijn, indien er tusschen de
verschillende afdeelingen, met de rivierbewaking belast,
een onderlinge gemeenschap bestaat door middel van
-ocr page 216-
199
ordonnansenposten, optische signalen of door een tele-
graphische verbinding.
KUSTBEWAKING.
§ 220. De bewaking van de kust, voor zoover die
taak aan de landmacht wordt opgedragen, geschiedt
door op eenigen afstand achterwaarts van de vermoe-
delijke landingspanten detachementen te plaatsen, die
op hun beurt veldwachten en posten uitzetten.
In den regel zal de te bewaken uitgestrektheid vrij
groot zijn in verhouding tot de daarvoor beschikbare
troepen, zoodat de onderlinge afstanden dier veld-
wachten veel grooter genomen zullen moeten worden
dan in § 193 is voorgeschreven.
Bij dag en helder weder zullen weinige posten, op
de duinen geplaatst, in verband met optische signalen ,
bij de veldwachten op te richten, en een goed geregelden
ordonnansendienst voldoende zijn, om bij de nadering
van een vijandelijke scheepsmaclit de achterwaarts ge-
legerde troepen te alarmeeren en hun de gelegenheid
te geven naar het bedreigde punt op te rukken.
Des nachts en bij mistig weder moet de bewaking
hoofdzakelijk geschieden door veelvuldige patrouilles
langs het strand; terwijl ook dan de signalen en de
ordonnansendienst onontbeerlijk zijn. Ofschoon de dienst
in dit geval zeer moeielijk is, moet men echter in aan-
merking nemen, dat een landing gedurende den nacht
voor den vijand evenzeer groote bezwaren oplevert.
Des nachts mag niet worden verzuimd, zoo mogelijk
-ocr page 217-
200
booten met varensgezellen bemand, op eenigen afstand
in zee te zenden; in elke boot wordt een officier met
eenige manschappen opgenomen, om alarmschoten te
kunnen geven.
Eveneens zal het goed zijn, dat zich bij iedere wacht
een ervaren zeeman bevindt, daar deze dikwijls reeds
uit den vorm, de soort en de bewegingen van een
naderend vaartuig belangrijke gevolgtrekkingen kan
maken.
Alle gemeenschap van de kust met onbekende schepen
moet streng worden tegengegaan. Daartoe is het veelal
noodig, alle vaartuigen, tot de kleinste booten toe,
op een of meer geschikte punten bijeen te brengen en
daar te bewaken.
Geen vaartuig of boot mag de kust verlaten, zonder
schriftelijke vergunning van den coinmandeerenden offi-
cier in het te bewaken kustgedeelte. Daarvan zijn
uitgezonderd de in militairen dienst zijnde vaartuigen.
Bij elke poging om zonder bijzondere vergunning
de kust te verlaten, wordt de bemanning van het
vaartuig gearresteerd en naar den bedoelden comman-
deerenden officier opgezonden.
Met bevriende booten of vaartuigen worden signalen
afgesproken, des nachts bijv. met lantaarns, waardoor
zij zich reeds in de verte als zoodanig kunnen doen
herkennen. Zij worden niettemin bij aankomst aan
het strand behoorlijk verkend, alvorens de bemanning
aan land te laten komen.
Dij aankomst van een vreemd vaartuig of boot, be-
geeft de veldwachtcommandant zich met eenige man-
-ocr page 218-
201
schappen naar het landingspunt, laat den gezagvoerder
aan land komen en handelt na behoorlijke verkenning
overeenkomstig zijne instructie.
Heeft de kustbevvaking plaats in vereeniging met
onze oorlogsvloot. dan wordt de gemeenschap van deze
met de landmacht op de kust onderhouden door een
te voren bepaald stelsel van seinen en, voor zoover
zij aan boord zijn medegenomen, door postduiven.
VOORPOSTENDIENST IX DEN VEST1NGOORLOG.
a. De aanvaller.
§ 221. De voorpostendienst voor vestingen verschilt
wezenlijk van dien te velde. Het terrein der voor-
postenstelling is doorgaans tevens de verdedigingsstelling
voor de hoofdmacht der troepen, op welke omstan-
digheid bij de keuze dier stelling moet worden gelet.
Plaatst men te velde eerst de voorpostendetachementen,
daarna de veldwachten en eindelijk de schildwachten,
hier gaat men omgekeerd te werk en bepaalt men
«erst de linie van de schildwachten, daarna de
plaatsen der veldwachten en vervolgens die van de
voorpostendetachementen, van het gros en van de meer
achterwaarts geplaatste reserves.
Het patrouilleeren in het voorgelegen terrein, aan-
vankelijk bij voorkeur door cavalerie uit te voeren,
zal, na de volledige insluiting, ook voor de infanterie,
zeer beperkt of geheel onmogelijk worden, daar de
postenketen zoo dicht mogelijk naar de vesting zal
moeten worden vooruitgeschoven- Op die gedeelten
-ocr page 219-
202
der insluitingslinie echter, welke niet samenvallen met
het eigenlijke aanvalsveld, zal de patrouilledienst ruimere
toepassing moeten blijven vinden.
De voorpostendetachementen en het gros moeten
dichter achter de veldwachten worden opgesteld en de
onderlinge afstanden tusschen de posten en de veld-
wachten kleiner worden genomen; vooral des nachts
moet de postenketen dichter worden bezet. Volledige
afsluiting der verdedigers moet hierbij steeds op den
voorgrond staan.
De verschillende onderdeelen der voorposten met
inbegrip dei- veldwachten moeten onder dak gebracht,
maar daarbij met zorg de noodige maatregelen voor de
verzekering der veiligheid getroffen worden.
Van observatie-posten op verheven punten moet een
ruim gebruik worden gemaakt. Optische en andere
telegrafen en telefonen kunnen zeer nuttig zijn.
Gewichtige steunpunten worden door grootere troepen-
afdeelingen bezet, en in het algemeen de veiligheids-
troepen zoodanig verdeeld, dat ieder deel een bepaald
gedeelte der vesting gadeslaat en een bepaald gedeelte
der insluitingslinie voorloopig, in afwachting van ver-
sterkingen , beschermen en verdedigen kan. Verdeeling
der te bewaken strook in zones (§ 183) is hier dus
regel.
Tot dekking der troepen tegen geschut- en geweer-
vuur en ter afwering van verrassende uitvallen, moet,
evenals Ier verzekering van de noodige communicatiën,
op ruime schaal van de veldverschansing worden ge-
bruik gemaakt.
-ocr page 220-
203
b. De verdediger.
§ 222. Zoolang troepen van het veldleger zich vóór
eene verdedigingsstelling bevinden en deze dekken , zal
de veiligheidsdienst kunnen beperkt worden tot de onder
alle omstandigheden noodige zekerheidsmaatregelen in
en bij de verdedigingswerken, de plaatsing van veld-
wachten of gedetacheerde posten op de belangrijke
toegangswegen tot de stelling en het zenden van pa-
trouilles tot voorkoming van spionneeren en van het
verkennen door vijandelijke otficierspatrouilles enz., die
achter den rng der veldtroepen mochten zijn doorge-
drongen. De in het voorterrein opgestelde bewakings-
troepen zullen alsdan in den regel kunnen volstaan met
de uitvoering van den voorpostendienst overeenkomstig
de in § 218 ontwikkelde beginselen.
Wanneer de stelling niet meer door troepen van het
veldleger gedekt is, zal de veiligheidsdienst, voor zoover
dienaangaande van hoogerhand geen voorschriften of
andere bepalingen zijn gemaakt, geschieden overeen-
komstig de door den commandant der stelling gegeven
aanwijzingen en bevelen. Hierbij zullen de volgende
grondslagen worden in acht genomen:
Heeft de commandant der stelling cavalerie te zijner
beschikking, dan wordt deze ter waarneming en ver-
kenning van de vijandelijke aanvalstroepen, materieel-
transporten, enz. zoolang mogelijk voorwaarts gezonden
en moeten, op daarvoor geschikte punten, de noodige
detachementen infanterie ter opneming van die cavalerie
geplaatst worden.
-ocr page 221-
Troepen in het voorterrein passen de beginselen voor
de uitvoering van den voorpostendienst volgens dit
voorschrift toe, zoo noodig roet vermeerdering van het
aantal onderdeden in de voorpostenstelling en ver-
mindering van hunne onderlinge afstanden overeenkomstig
de omstandigheden en met vermeerderde toepassing
van hindernissen.
In en onmiddellijk vóór de stelling moet bij de rege-
ling van den dienst in de verschillende deelen der stelling
in aanmerking genomen worden of men zich slechts
tegen verkenning of spionneering beveiligen moet, of
de nadering der vijandelijke troepen ieder oogenblik
verwacht kan worden, dan wel of die troepen reeds
voor het betrokken deel der stelling aangekomen zijn.
De te treffen maatregelen moeten in het bijzonder
ten doel hebben het doen mislukken en afweren van
verrassingen, overvallingen en gewelddadige aanvallen.
Het verband tusschen de beveiligings- en de eigenlijke
verdedigingsmaatregelen moet daartoe veel inniger zijn,
dan in den veldoorlog.
De bewaking van toegangen te water vereischt bij-
zondere zorg.
-ocr page 222-
HOOFDSTUK V.
OPHELDERINGSDIENST.
§ 223. De ophelderingsdienst geeft in het algemeen
de middelen aan om berichten aangaande den toestand,
de bewegingen en de bedoelingen van den vijand in
te winnen. Daarmede gaat gepaard het verkrijgen
van kennis omtrent de gesteldheid van het terrein en
andere omstandigheden, die het welslagen van de
handelingen der eigen troepen kan bevorderen.
De berichten, die noodig zijn om tot de kennis
aangaande den vijand, het terrein, enz. te geraken,
kunnen gegrond zijn op mededeelingen, ondervraging
en op henleekenen, of moeten door eigen waarneming
en door het uitzenden van troepenafdeelingen, ver-
kenningspatrouilles , verkenningsdetachementen
en verken-
ningskorpsen
genaamd, verkregen worden.
De bevelhebber moet kunnen vertrouwen op de in-
gewonnen berichten en op de waarnemingen, door
anderen geschied. Hiertoe is een goede regeling van
den ophelderingsdienst noodig. De inrichting van dezen
tak van dienst in ruimeren zin is het werk van den
bevelhebber; bovendien wordt hij door eiken eenigszins
-ocr page 223-
206
zelfstandig handelenden onderbevelhebber geregeld voor
wat zijn afdeeling in het bijzonder betreft.
In het algemeen behoort elk met zekerheid bekend
bericht — tenzij geheimhouding dringend wordt ge-
vorderd — te worden medegedeeld aan allen, die
daaruit tot betere uitvoering van eenige opdracht nut
kunnen trekken. Somwijlen is het zelfs van groot
belang zoodanige berichten op ruime schaal bekend te
maken.
MEDEDEEL1NGEN EN ONDERVRAGING.
\' § 224. Mededeelingen kunnen ontvangen worden
van ingezetenen, zoowel in het eigen als in \'s vijands
land, van reizigers, krijgsgevangenen, deserteurs en
spionnen.
De waarde van elke mededeeling hangt voornamelijk
af van den persoon, van wien men haar ontvangt.
Op welke wijze men ook berichten gekregen heeft,
nimmer moet men er onbepaald geloof aan hechten,
tenware zij van meer dan ééne zijde bevestigd zijn.
Daarentegen ach te men geen enkel bericht zonder
nader onderzoek van onwaarde; zelfs van schijnbaar
onbeduidende mededeelingen valt dikwijls nog partij
te trekken.
Tot het inwinnen van berichten vervoege men zich
bij het hoofd der gemeente, bij rijksambtenaren enz.
Een goed middel daartoe in \'s vijands land bestaat in
het beslag leggen op postkantoren, telegraafbureau\'s,,
spoorweg- en postduivenstations, in het openen van
-ocr page 224-
207
brievenmails, het oplichten van vijandelijke koeriers —
dezen als krijgsgevangenen te behandelen —, vooral
ook in het lezen der voornaamste dagbladen.
Toonen de ingezetenen zich welgezind, dan worden
zij vriendelijk en voorkomend behandeld; bij kwaad-
willigheid past men gestrengheid toe.
Vooral in vijandelijk land of als d« inwoners kwaad-
gezind zijn, behoort de ondervraging met veel beleid
te geschieden. In den regel heeft dit voor eiken per-
soon afzonderlijk plaats en tracht men te weten te
komen:
1°. Waar op eenig tijdstip de vijandelijke aldee-
lingen zich bevonden, of zij rustten, marcheerden of
per versnelde middelen werden vervoerd, en in welke
richting zij zich bewogen.
2°. Uit welke vvapensoorten de troepen bestonden;
welke uniformen zij droegen; de nummers van de
regimenten; de opschriften van voertuigen ; de namen
van bevelhebbers.
3°. Hun sterkte, die soms kan worden afgeleid
uit de hoeveelheid gerequireerde levensmiddelen en
fourages, zoomede uit de ingenomen bivakruimte.
4°. Den toestand van de vijandelijke troepen; of\'
zij opgewekt of vermoeid uitzagen; de geest die
onder hen heerscht; in welken toestand de paarden
verkeerden.
5°. De huizen, alwaar hooggeplaatste officieren hebben
gehuisvest of gegeten; men vraagt naar hun gesprekken,
naar wellicht door hen achtergelaten papieren, enz.
Reizigers moeten bovendien mededeelen,. vanwaar
-ocr page 225-
208
zij komen en waarheen zij zich begeven. Veelal zal
de voorzichtigheid eischen hen niet naar \'s vijands zijde
door te laten.
Krijgsgevangenen en deserteurs worden ontwapend en
hunne papieren in beslag genomen. In geen geval
mag men hen mishandelen of dooden, dan tot zelf-
verdediging. Zij worden dadelijk na hun gevangen-
neming, nog onder den indruk van den schrik zijnde,
ondervraagd, en onder opgave van het punt waar,
en de omstandigheden, waaronder zij zijn gevangen
genomen, benevens van hetgeen zij hebben medegedeeld,
naar de voorposten opgezonden.
Spionnen of als zoodanig verdachte lieden worden
gearresteerd, streng onderzocht en bewaakt, en mede
naar de voorposten gebracht.
KENTEEKENEN.
§ 225. De nabijheid van den vijand wordt in het
algemeen merkbaar door een minder druk verkeer
van de bewoners der streek.
Voet-, hoef- en wagensporen op en zijwaarts van
de wegen geven de marschrichting en de wapensoort
van troepen aan; betreding van de bermen en van de
aangrenzende velden duidt infanterie aan; dichte hoef-
slagen over de geheele breedte van den weg kenmerken
de cavalerie; diepe wagensporen en verschil met de in
die streken gebruikelijke spoorwijdte geven vermoeden
op artillerie of trein voertuigen.
Dichte, laag hangende stofwolken duiden den marsch
-ocr page 226-
209
van infanterie, artillerie of treinvoertuigen aan; lichte,
hoog opstijgende stofwolken verraden cavalerie.
De uitgestrektheid van een bivakplaats kan strekken
tot beoordeeling van de sterkte van den troep, die
zich aldaar heeft opgehouden.
Wapenen, kleedingstukken, couverten met adressen,
soms zelfs stukken papier, enz. langs den weg of in
een bivak gevonden, kunnen tot belangrijke ophelde-
ringen leiden , en moeten dus altijd zorgvuldig worden
nagezien.
Bij helder weder onderscheidt het gezonde onbe-
wapend oog op ongeveer 2000 pas een infanterie-
colonne nog als een dikke streep met een flikkerende
lijn er boven; een cavalerie-colonne als een aanmer-
kelijk dikkere streep, waarvan de bovenkant gekarteld
is. Boven de 2000 pas zijn menschen en paarden
moeilijk meer te onderscheiden en vertoonen zij zich
als punten.
Het schijnsel van wachtvuren wijst op bivakkeerende
troepen.
Wanneer in bewoonde plaatsen op een ongewoon
tijdstip veel schoorsteenen gelijktijdig beginnen te rooken,
beteekeut dit veelal, dat er troepen aangekomen zijn;
eveneens wekken aanhoudend hondengeblaf en gehinnik
van paarden daartoe het vermoeden op.
Buitengewone drukte langs spoor- en waterwegen,
aanhoudend gedruisch over harde wegen en bruggen
doen aanzienlijke transporten van troepen of materieel
vermoeden.
U
-ocr page 227-
210
Veelvuldig kappen van timmerhout of afdrijven van
houtsplinters duidt op aanstalten tot bruggenbouw.
Een snelle daling van den waterstand kan beteeke-
nen, dat bovenwaarts bijzondere maatregelen zijn ge-
troffen tot stremming van den gewonen wateraanvoer.
EIGEN WAARNEMING.
§ 226. Het beste middel om juiste inlichtingen te
verkrijgen is eigen waarneming. Wanneer de mogelijk-
heid daartoe bestaat, zal men zich immer omtrent de
waarde van berichten, door mededeelingen en onder-
vraging verkregen, vergewissen.
Officieren of troepen, tot eigen waarneming uitge-
zonden , mogen moeite noch gevaar ontzien, om hunnr
tank volledig uit te voeren.
Verkenningen, die niet ver genoeg doorgezet ofniel
met voldoende zorg verricht worden, hebben een na-
deeligen invloed, omdat zij het doel missen en boven-
dien een ongewettigde gerustheid veroorzaken. Desnoods
zal men het verlies van eenige manschappen ofpaarder
niet schromen, wanneer alleen ten koste daarvan di
waarneming behoorlijk kan worden uitgevoerd.
De waarneming behoort van zoo nabij te geschieden,
dat geen twijfel overblijft of men den vijand al dan
niet heeft gezien. of dat men door hem wordt be-
schoten. Men drage zorg voortdurend de kaart te
raadplegen, teneinde zich met juistheid te oriënteeren.,
en de opdracht sneller en vollediger uit te voeren.
De bijzonderheden, waarop men de aandacht ves-
-ocr page 228-
211
tigt tot waarneming van marcheerende vijandelijke
afdeelingen zijn dezelfde, als in § 224 bij het onder-
vragen van personen vermeld, teneinde daaruit op te
maken, welk gedeelte van het vijandelijk leger men
tegenover zich heeft.
De waarneming van kleinere troepenafdeelingen, als
enkele patrouilles of detachementen, geschiedt veelal
snel en met een enkelen blik.
Om grootere Iroepenmassa\'\'s te verkennen tracht men
dezen omzichtig te naderen en in haar geheel onbe-
merkt — op een toren, op een molen, achter een
opgelichte dakpan, op een hooiberg — gade te slaan.
De eenheden (bataljons, eskadrons, batterijen) worden
zoo mogelijk geteld en anders de sterkte beoordeeld
naar de diepte der colonnen of den tijd, welke zij
noodig hebben om voorbij te trekken.
Tot waarneming van een vijandelijke legerplaats of een
bezette stelling
gaat men o. a. na, waar de vleugels van
de voorposten zijn aangeleund, om van de uitgestrekt-
heid der postenketen en het verder waargenomene tot
hare sterkte en samenstelling en daaruit tot die van de
hoofdmacht te besluiten. Zooveel mogelijk tracht men tot
het bivak of de stelling door te sluipen, of deze van
een gunstig gelegen punt waar te nemen. Veelal zal
de waarneming alleen door een openlijke verkenning
kunnen geschieden (g 155 en 251).
Om zich te overtuigen omtrent de bruikbaarheid van
een spoorweg
tot het vervoer, wint men alvorens bij
den stationschef of eenig ander bevoegd ambtenaar
inlichtingen in aangaande de bijzonderheden in § 14 b.
-ocr page 229-
212
vermeld. Vervolgens verdient het aanbeveling de baan
te berijden met een zoogenaamd dienstwagentje of
een locomotief, vóór welke tot opsporing van onder
gravingen of mijnen, eenige zwaar, b. v. met steen
beladen wagens worden geplaatst.
VERKENNINGSPATR0U1LLES.
SAMENSTELLING EN STERKTE.
jj 227. Deze patrouilles, naar den aard van hare
bestemming en ook ter onderscheiding van de door-
zoekingspatrouilles
(§ 148) en de veldwachlpalrouilles
(§ 213), verkeiiningspalrouilles genaamd, zijn de kleinste
troepenafdeelingen, die zelfstandig tot de verrichtingen
van den ophelderingsdienst door de grootere deelen
der veiligheidstroepen worden uitgezonden.
Zij bestaan in den regel uit cavalerie; alleen des
nachts, in zeer doorsneden of voor de paarden moeilijk
begaanbaar terrein, op kortere afstanden en wanneer
van patrouilles op schaatsen gebruik gemaakt kan
worden, wordt infanterie daartoe gebezigd.
Aangezien het doel van elke verkenning bestaat in
waarnemen en berichten inwinnen, zooveel mogelijk
ongezien en z-onder gevecht, wordt de sterkte der
patrouilles niet grooter genomen dan tot bereiking van
dat doel noodig is en geregeld naar het terrein in
verband met de nabijheid des vijands.
De commandant der verkenningspatrouille — zoo
mogelijk steeds een officier — is de ziel der waarne-
-ocr page 230-
213
ming en voor deze taak alleen verantwoordelijk; de
manschappen der patrouille ondersteunen hem daarbij.
De beste uitkomsten worden soms verkregen door
patrouilles samengesteld uit één of meer uitmuntend
bereden officieren, slechts door 2 of 3 ordonnansen
vergezeld, officierspatrouilles genoemd, die tot een
stoute uitvoering van hunne opdracht bovenal op de
snelheid hunner paarden vertrouwen.
Overigens verschilt de sterkte der verkennings-
patrouilles bij de cavalerie van twee manschappen tot
één peloton, bij de infanterie van één rot tot één sectie.
Naar gelang van de sterkte kunnen infanterie-
patrouilles, afzonderlijk marcheerende, zich verwijderen
tot op afstanden van 3000 passen. Cavalerie-patrouilles
en patrouilles op schaatsen zijn veel minder aan afstanden
gebonden.
GEDRAGSREGELS VAN DEN COMMANDANT.
§ 228. De commandant ontvangt een mondelinge
of schriftelijke instructie, waarin, na raededeeling van
hetgeen hij aangaande de eigen voornemens en den
vijand dient te weten, nauwkeurig het te bereiken
doel wordt omschreven, soms met opgave van de te
volgen wegen, van plaatsen, welke moeten worden
aangedaan, van zaken, waaromtrent meer bijzonder
verslag wordt verlangd, enz.
Immer worden bij de instructie vermeld de plaats,
waarheen de berichten moeten worden afgezonden,
op welk tijdstip de lastgever uiterlijk sommige zaken
weten moet, of, tot het tijdig melden, relais moeten
-ocr page 231-
214
worden achter gelaten, als niet van de telegraaf kan
of mag worden gebruik gemaakt en het woord.
Bij mondelinge instructie teekent de commandant de
hoofdpunten daarvan op; eveneens handelt hij op weg
met al hetgeen hij van belang acht te moeten berichten.
Hij regelt zijn horloge naar dat van den bevelhebber
of de militaire autoriteit, die hem afzendt.
Indien hij niet nauwkeurig bekend is met de door
te trekken landstreek, zal hij trachten door tusschen-
komst van het gemeentebestuur een goeden gids te
verkrijgen.
Gidsen, waartoe postboden, marktkramers, voerlie-
den, jagers, veldwachters, sluikhandelaars, enz. het
meest geschikt zijn, moeten welwillend behandeld en
ruim beloond worden. Zij marcheeren onder geleide
van een of twee man, die het geweer of de karabijn
geladen hebben. Zijn zij niet volkomen te vertrouwen,
dan bindt men hun een touw om het lijf, waarvan
het einde door een der geleiders vastgehouden of aan
den zadel van een der paarden bevestigd wordt. Is
de gids bereden, dan bindt men hem bovendien met
de beenen aan de stijgbeugels vast, terwijl zijn paard
aan den teugel wordt geleid.
Behalve hetgeen in § 194 is opgegeven, is het wen-
schelijk, dat de commandant een kijker medeneemt
en kan het noodig zijn hem voldoende van geld te
voorzien.
g 2iJy. Vóór den afmarsch overtuigt de comman-
dant zich, dat de manschappen en paarden in goeden
staat verkeeren en laatstgenoemden behoorlijk gevoederd
-ocr page 232-
215
zijn en gedronken hebben. Weinig te vertrouwen,
hoestende en zwakke manschappen, slappe paarden,
paarden, die sterk hinneken of kleven, worden niet bij
de patrouille ingedeeld, en wanneer de aard der op-
dracht zulks medebrengt worden slechts paarden, die
groote snelheid kunnen ontwikkelen en ook alléén
gewillig over belangrijke hindernissen springen, mee-
gegeven. De commandant inspecteert de wapens en de
munitie, het schoeisel, het hoef-en het reserve-beslag —
des winters wordt, indien het winterbeslag is onder-
gelegd , een gespleten beitel meegenomen — , het zadelen
en de bepakking, en ziet toe, dat voor minstens 24 uur
levensmiddelen en haver voorhanden zijn.
§ 230. Gedurende of bij het aanvaarden van den
marsch — doch niet vóór dien tijd — maakt de com-
mandant, om de samenwerking bij de verkenning te
bevorderen, zijn manschappen bekend met den hem
opgedragen last en de wijze hoe hij dien denkt uit te
voeren.
Aan zijn opvolger in rang deelt hij bovendien al
datgene mede, wat meerdere geheimhouding vordert,
alsmede zijn opmerkingen gedurende den marsch, opdat
deze, wanneer de commandant onder weg mocht
blijven, diens taak in denzelfden geest zou kunnen
volvoeren.
Hij maakt verder zijn manschappen, zooveel als hij
kan met de landstreek, met de opstelling der eigen
troepen en met die des vijands bekend.
Ook deelt hij hun het woord mede en overtuigt
zich, dat zij bekend zijn met de in § 151 vastgestelde
teekens.
-ocr page 233-
216
MARSCH DER PATROUILLE.
\\ 231. Een patrouille is niet aan een bepaalden
marschvorm gebonden; de hoofdzaak hierbij is zoodanig
te raarcheeren, dat zij zelf zooveel mogelijk ziet, zonder
gezien te. worden. De infanterie bereikt dit doel door
bedekt te mareheeren; de eavalcrie door hare snelheid.
Op open en vlak terrein, meestal ook des nachts,
blijft de patrouille bijéén en marcheert zooals de weg
het toelaat.
In bedekt en golvend terrein marcheert de patrouille
met veiligheidsmaatregelen, waarbij men soms genood-
zaakt zal zijn om in plaats van rotten, enkele man-
schappen voor \'de beveiliging te bezigen.
Zoo zal b. v. een patrouille van 8 man een rot
vooruit, één man op de rechter-, één man op de
linkerflank en één man achter zich kunnen doen mar-
eheeren. De manschappen verwijderen zich niet verder
van de patrouille, dan dat de in g 151 voorgeschreven
teekens tusschen hen en den commandant gewisseld
kunnen worden.
De commandant van de patrouille marcheert daar,
waar hij het best kan waarnemen en den gang van
de patrouille, indien de manschappen eenigerrnate ver-
spreid zijn, het best kan besturen. De leiding ge-
schiedt door middel van de meerbcdoelde voorgeschreven
zichtbare teekens; van hoorbare teekens mag slechts
zeer spaarzaam worden gebruik gemaakt. De com-
mandant moet zich telkens met behulp van de kaart
nriënteeren, om daarnaar den marsch te regelen. Ver-
-ocr page 234-
217
wijdert hij zich op eenigen afstand van de patrouille,
dan doet hij zich door een paar man vergezellen.
§ 232. De manschappen marcheeren steeds slag-
vaardig, stil en opmerkzaam. De infanterie draagt
de geweren omlaag en met de bajonet op; omtrent
het laden wordt verwezen naar § 213, 1°. De voor-
en zijwaarts uitgezonden ruiters houden de geladen
karabijn gedekt voor op den zadel of over den hals
van het paard, zoowel om gekletter te voorkomen
als om te beletten, dat de vijand reeds van verre
door het flikkeren van wapenen de patrouille ontdekt.
De overige ruiters dragen de karabijn op gelijke wijze,
doch ongeladen. Bij kleine ruiterpatrouilles trekt de
commandant de sabel of draagt de geladen revolver
in de hand.
Alleen over dag kan het rooken worden vergund.
§ 233. De patrouille vermijdt zooveel mogelijk de
groote wegen; zij marcheert niet op, maar naast den
weg; in \'s vijands onmiddellijke nabijheid sluipt zij
langs heggen, muren en door het hout.
Zij gaat als het ware sprongsgewijze van het eene
waarnemingspunt naar het andere.
Daarbij maakt zij bij helder weder gebruik van
hooge punten, kerktorens, molens of dergelijke ter-
rein voorwerpen , die een ruim uitzicht over het terrein
aanbieden. Op duistere dagen moet men om iets te
zien, tot in \'s vijands onmiddellijke nabijheid door-
dringen.
Des nachts maakt de patrouille dikwerf halt om te
luisteren, ook met het oor op den grond, waartoe een
-ocr page 235-
218
paar ruiters afstijgen. Ook letten de ruiters nauw-
keurig op, of hunne paarden de ooren spitsen.
Bij elke halt tot waarneming slaan de voor- en zij-
waarts uitgezonden manschappen alle toegangen nauw-
keurig gade. In \'s vijands onmiddellijke nabijheid zendt
de commandant daartoe enkele rotten of manschappen
meer uit, waarbij zoo noodig sommige ruiters afstijgen
en tot op 200—300 passen sluipend vooruitgaan, ter-
wijl de rest der patrouille zich gedekt opstelt (Fig. 17).
Heeft de commandant de waarneming volbracht en een
ander waaruemiugspunt bepaald, dan wordt de marsch
voortgezet.
Mocht de patrouille uiteengedreven worden, dan
moeten de manschappen zich op het voorgaande waar-
uemiugspunt of wel op een daartoe te voren aange-
wezen punt trachten te verzamelen.
Open terreindeelen trekt de patrouille over in snellen
gang, de cavalerie in draf. Nadert zij verhevenheden
of hoogten, dan gaan of rijden twee manschappen,
elkaar op eenigen afstand volgende, snel vooruit om
het voorgelegen terrein te overzien; terwijl de een
over de hoogte heenziet, houdt de ander tot waar-
schuwing aan den voet daarvan halt; de rest der
patrouille volgt langzaam of stelt zich voorloopig be-
dekt op.
Het doorzoeken van terreinvoorwerpen en bedekte
terreinen geschiedt in het algemeen op overeenkom-
stige wijze, als bij den marschveiligheidsdienst is om-
schreven (| 158), doch met inachtneming, dat daarbij
nimmer de voorzichtigheid ten" koste van de snelheid
-ocr page 236-
219
der patrouille mag worden overdreven. Voor de cavalerie
geldt in het algemeen de regel, dat terreinvoorwerpen,
zooals bosschen, bewoonde oorden, enz , zoover de
mogelijkheid daartoe bestaat, worden vermeden of om-
getrokken , tenzij hunne verkenning speciaal de opdracht
der patrouille is.
De patrouille moet steeds bedacht zijn op een veiligen
terugtocht; daartoe kan het soms aan te bevelen zijn
bij den terugkeer een anderen weg in te slaan.
Wanneer een patrouille geruimen tijd moet uitblijven ,
dan overnacht zij op afgelegen plaatsen of in woningen,
wier bewoners zich alsdan niet mogen verwijderen, in
bosschen, enz.; een paar posten worden uitgezet, allen
blijven gewapend, de paarden worden, om drukkingen
te voorkomen, beurtelings omgezadeld — 1 of 2 maal
in de 24 uur — en alleen afgestangd om te voederen
of te drenken.
Ontwaart de patrouille de vijandelijke voorposten-
keten , dan tracht de commandant, van een daartoe
geschikt punt, ongezien waar te nemen: de richting
dier voorpostenketen, het aantal posten, hun onder-
lingen afstand, het terrein vóór de keten, het ge-
schiktste punt om die te naderen, het aantal der
vijandelijke patrouilles en de richting, waarin zij zich
bewegen, terwijl uit het waargenomene bij benadering
de plaats van de onderdeelen der voorpostenstelling
wordt afgeleid.
De waarneming van marcheerende troepen of van een
vijandelijke legerplaats geschiedt als in § 226 is om-
schreven.
-ocr page 237-
220
HET AANROEPEN.
§ 234. In den regel moet een verkenningspatrouille
niet alleen het gevecht, maar zelfs iedere ontmoeting
ontwijken , en zoo mogelijk trachten, zich schuil houdende
nabij den weg, waarlangs de aankomenden moeten
passeeren, zich te vergewissen, of zij met vriend of
vijand heeft te doen.
Behooren de voorbijkomenden tot de eigen troepen,
dan is het aan te bevelen, bij hen inlichtingen te
vragen, vooral indien zij van \'s vijands zijde komen.
§ 235. Over daij is bij de ontmoeting van patrouilles
van het eigen leger, die elkaar als zoodanig herkennen,
een nadere verkenning overbodig.
Zoodra de tot beveiliging van de patrouille uitge-
zonden manschappen (g 231) iets verdachts opmerken,
houden zij halt om beter te kunnen waarnemen. Blijft
de verschijning verdacht, dan wordt het teeken, *de
vijand komt" gegeven en verricht de commandant de
verdere verkenning.
Burgers, voertuigen, enz. worden, wanneer de pa-
trouille door hen gezien is, aangehouden, door den
commandant ondervraagd en naarmate van diens be-
vinding doorgelaten, medegenomen of naar de voor-
posten opgezonden.
§ 236. Des nachts of bij duister weder, wanneer
de patrouille op eenigen afstand niet kan onderscheiden
of zij vriend of vijand voor zich heeft, en zij zich
niet kan of wil schuilhouden, wordt er aangeroepen.
De commandant, indien hij aan het hoofd marcheert,
-ocr page 238-
221
of anders een der manschappen, die de naderenden
ontwaart, roept op gebiedenden toon: «halt! wie daar?"
en maakt zich gereed om te kunnen vuren.
Behooren de aangeroepenen tot het eigen leger, dan
zal er bijv. geantwoord worden »patrouille van het 2de
Regiment Huzaren."
De aanroepende hervat uu «een man vóór.\'" en,
wanneer deze hem tot op 10 pas is genaderd, laat hij
er op volgen vhalt! het woord?"
Is het woord — dat nimmer al te luid wordt ge-
geven om afluisteren te voorkomen — richtig bevonden ,
dan gaan de commandanten der patrouilles elkander
te gemoet en deelen van weerszijden mede, wat zij
ontdekt of vernomen hebben. Gedurende het aanroepen
staan beide patrouilles tot het gevecht gereed.
Meestal zal de aangeroepen patrouille uit de wijze,
waarop het aanroepen geschiedt, ontwaren of zij met
vriend of met vijand te doen heeft; soms kan het
noemen van de namen der wederzijdsche commandanten
alle onzekerheid dienaangaande terstond wegnemen.
Is het woord niet richtig, dan is het goed, alvorens
tot dadelijkheden over te gaan, door eenige vragen
zich te overtuigen, of men landgenooten voor zich heeft.
Overigens wordt, zoodra aan den herhaalden aan-
roep van »halt! wie daar?", niet wordt voldaan, vuur
gegeven of gehandeld zooals in § 238 wordt vermeld.
§ 237. De verkenning van vaartuigen geschiedt
door één der opvarenden aan wal te doen komen en
te ondervragen; blijft daarna nog twijfel bestaan, dan
■wordt het vaartuig onderzocht.
-ocr page 239-
222
ONTMOETING VAN DEN VIJAND.
§ 238. Zoodra een patrouille den vijand op eenige n
afstand ontdekt, tracht zij zich te verbergen, doch
blijft hem gadeslaan. Heeft de vijand haar gezien,
dan zal dit laatste in den regel het best kunnen ge-
schieden, wanneer de patrouille eenige manschappen
in \'svijands gezicht, laat, die hem vervolgens omtrent
de marschrichting der patrouille zoeken te misleiden,
terwijl de overigen de waarneming bedekt of langs
een anderen weg voortzetten.
Zwakkere vijandelijke patrouilles moet zij trachten
om te trekken, af te snijden of in een hinderlaag te
lokken, ten einde gevangenen te maken.
Opent de vijand het vuur, dan verspreiden zich de
manschappen.
Wordt de patrouille \'s nachts door een vijandelijke
afdeeling aangeroepen, dan antwoordt men niet, doch
houdt zich schuil en tracht daarna te ontwijken. In
geen geval wordt aanstonds vuur gegeven dan tot
zelfverdediging of als alarmsein.
g 230. Stoot een patrouille eensklaps op\' een
vijandelijke, dan moet zij deze zonder aarzelen aanvallen ;
een infanterie-patrouille geeft in dit geval onmiddellijk
vuur. In zoodanig geval hl ij ft het voordeel meestal
aan de zijde niet van den sterksten , maar van den
stoutst en.
Wijkt Hp vijand aanstonds, dan achtervolgt men
hem slechts op korten afstand met eenige manschap-
pen, terwijl de overigen gezamenlijk hun weg vervol-
-ocr page 240-
■2-ï.l
;en; men moet omzichtig zijn, daarbij niet in een
\'underlaag te vallen.
§ 240. Een patrouille, die omringd of afgesneden
■ordt, tracht zich door te slaan of gaat uiteen, opdat
althans enkele manschappen zouden kunnen ontsnappen.
De manschappen, die den vijand in handen vallen,
ïoeten hem niets mededeelen. De commandant tracht
in zoodanig geval zijn papieren of aanteekeningen te
ernietigen.
g 241. Zoodra de patrouille het doel, waartoe zij
•■> uitgezonden, heeft bereikt, keert zij snel terug.
Nochtans moet zij bij den terugmarsch dezelfde be-
hoedzaamheid in acht blijven nemen als bij den heen-
;narsch en dus nimmer de noodige veiligheidsmaatregelen
iit het oog verliezen. De commandant meldt zich bij
len meerdere, die hem heeft uitgezonden, doet verslag
van zijn bevindingen of levert een schriftelijk rapport in.
In dit rapport neemt de commandant alles op, wat
van eenig belang voorkomt, zoo mede het uur van
vertrek en van terugkoi.st; heeft een ontmoeting
met den vijand plaats gehad, dan worden ook vermeld
de geleden verliezen — aan dooden, gekwetsten en
vermisten, zoo n.anschappen als paarden — het aan-
tal gemaakte gevangenen, eveneens de namen der
manschappen, die zich bijzonder mochten hebben
onderscheiden.
Overigens worden ook reeds gedurende den marsch
van alle voor de eigen troepen wetenswaardige voor-
vallen of waarnemingen schriftelijke rapporten inge-
zonden.
-ocr page 241-
224
VERKENNINGSDETACHEMENTEN.
§ 242. De verkenningsdetachementen verschillen
alleen in getalsterkte met de patrouilles. Zij worden
uitgezonden, wanneer de verkenning van belangrijke
terreingedeelten, de waarneming van den vijand of
de uitvoering van een bijzondere onderneming tot den
ophelderingsdienstbehoorende, waarschijnlijk niet zonder
gevecht kan geschieden.
Nochtans zal ook het verkenningsdetachement er
steeds naar streven de waarneming zooveel mogelijk
onbemerkt en dientengevolge beter en vollediger te
verrichten. Het gevecht blijft het uiterste middel tot
waarneming, hetwelk niet mag worden te baat ge-
nomen, dan wanneer het doel op geen andere wijze
is te bereiken.
De naam van verkenningsdetachement wordt ook
gegeven aan de sterkere afdeelingen, welke door een
verkenningskorps tot uitvoering van zijn opdracht
worden uitgezonden (§ 259).
§ 243. Gewoonlijk bestaat een verkenningsdetache-
ment uit cavalerie, ter sterkte van l/, tot 4 eskadron.
In terrein voor de werking van cavalerie weinig geschikt
en bij verkenningen op korteren afstand — 2 tot 3
uur van de voorposten — bezigt men ook wel 1/J tot
1 compagnie infanterie.
In bijzondere gevallen, wanneer bijv. een terrein-
afscheiding, een défilé, enz. moet bezet of vastgehouden
worden, alvorens de eigenlijke verkenning kan ge-
schieden , verdient het aanbeveling het verkennings-
-ocr page 242-
225
detachement uit beide wapens samen te stellen. De
infanterie zal daarbij zoo noodig worden vervoerd op
wagens, met vaartuigen, des winters met bespannen
sleden of op schaatsen; zij onderhoudt de gemeen-
schap achterwaarts en draagt zorg voor de verzending
der inkomende berichten.
£ 244. De afstand, waarop de infanterie alsdan
uitgaat, kan een dagmarsch bedragen. De cavalerie
kan verder gaan.
Enkele malen kan het voorkomen, dat het verken-
ningsdetachement verscheiden dagen achteréén in
\'svijands nabijheid moet vertoeven.
Is het detachement alleen uit cavalerie samengesteld
en bestaat de mogelijkheid niet, om den opgedragen
last te paard uit te voeren, hetzij omdat de gesteld-
heid van het terrein dit verhindert, hetzij omdat de
vijand een terreinafscheiding, een défilé, enz. met
afgezeten ruiterij of met zwakke afdeelingen infanterie
heeft bezet, terwijl aan het omtrekken van zulke ter-
reindeelen overwegende bezwaren zijn verbonden, dan
zal de cavalerie trachten tot bereiking van het doel
zich een weg te banen door het gevecht te voet.
£ 245. Bij de instructie, welke de commandant
ontvangt, moet het doel, tot welks bereiking hij uit-
gaat, juist worden omschreven en afgebakend. Worden
aan hem, behalve de waarneming van den vijand nog
andere ondernemingen opgedragen, als om \'s vijands
verbindingen te bedreigen, gedeelten van spoorwegen
op te breken of te vernielen, telegraphische gemeen-
schap af te snijden, enz., dan moet de instructie dit
15
-ocr page 243-
226
uitdrukkelijk voorschrijven. Dit sluit echter niet uit,
dat wanneer de gelegenheid zich voordoet, om, al
heeft het detachement hiertoe geen last, den vijand op
bedoelde wijze afbreuk te doen, zonder het eigenlijkr
doel der waarneming uit het oog te verliezen, die
gelegenheid alsdan mag worden te baat genomen.
Omtrent het gedrag in dergelijke gevallen zijn geen
algemeen geldende regels te geven; daarbij behoort de
commandant naar eigen oordeel en naar gelang van
de gezindheid der bevolking te handelen.
Zijn den commandant omtrent het onderhouden van
de gemeenschap met den bevelhebber , die hem uitzend*
geen bijzondere bevelen verstrekt, dan bericht hij alli
werkelijk belangrijke voorvallen. Hij waarschuwt on-
middellijk, wanneer hij op den vijand stoot; zelfs ;i!
verkeert hij daarbij nog in het onzekere omtrent \'s vijands
sterkte en bedoelingen, zendt hij een voorloopig be-
richt in, waarop dan een meer volledige melding moet
volgen. Valt er niets bijzonders te berichten, dan dout
de commandant minstens éénmaal in de 24 uur vim
zich hooren.
Overigens geldt voor deze instructie hetgeen bij § 228
is aangemerkt.
Aangaande de te houden inspectie wordt verwezen
naar § 229.
Bestaat er eenige kans, dat het verkenningsdetache-
ment langer dan één dag zal uitblijven, dan wordt
het voor twee dagen van levensmiddelen voorzien.
Zooveel mogelijk voorziet de commandant in de ver-
pleging door requisitie; men laat de levensmiddelen
door de ingezetenen bereiden.
-ocr page 244-
227
De voertuigen en de bagage blijven achter bij den
trein ; de hand- en reserve paarden, het geneeskundig
personeel en het pakpaard gaan mede.
§ 246. Tot meerdere geheimhouding kan het raad-
zaam zijn, dat de commandant het doel der onder-
neming alleen aan de officieren, soms zelfs enkel aan
zijn opvolger mededeelt. Aan de onderofficieren en de
manschappen wordt dan alleen datgene gezegd, wat
zij volstrekt noodig hebben te weten.
Soms, vooral in \'s vijands nabijheid, zal men voor-
bedachtelijk valsche geruchten uitstrooien, door bijv.
requisitiën te bevelen voor een sterkere troepenmacht
dan het detachement, door openlijk eenig uur te be-
palen voor den afmarsch, hoewel men het voornemen
heeft reeds vroeger op te breken, enz. Als regel
worden de werkelijk gemeende bevelen tot den marsch
slechts kort vóór het oogenblik van vertrek gegeven.
g 247. De marsch geschiedt snel, soms bij nachk.
of op ongewone uren.
Moet men den vijand nog opzoeken, dan worden
tot beveiliging slechts weinig patrouilles, nimmer meer
dan hoog noodig zijn, uitgezonden; in open terrein en
op de zijwegen zijn enkele manschappen voldoende,
in bedekt terrein en op de hoofdwegen sterkere pa-
trouilles. Veelal zal de waarneming alsdan door otli-
cierspatrouilles kunnen geschieden (§ 227).
Een sectie infanterie, die zich oplost in drie pa-
trouilles (fig. 18) op tusschenruimten van ongeveer
500 pas, zal zelfs in zeer bedekt terrein gemakkelijk
een uitgestrektheid van 1500 pas in front kunnen
-ocr page 245-
228
waarnemen. Een peloton cavalerie verkent in zoodanig
terrein met drie patrouilles (fig. 19), onderling met
ongeveer 1000 pas tusschenruimte rijdende, een uit-
gestrektheid terrein van minstens 3000 pas; in minder
bedekt en in open terrein 5000 tot 6000 pas en meer.
De middelste patrouille, meestal de sterkste en aan-
gevoerd door een officier, marcheert langs den weg,
dien het detachement volgt, en vormt als het ware
de kern, waarbij de anderen zoo noodig aansluiten.
De rechter- en de linkerpatrouille, door officieren of
onderofficieren aangevoerd, gaan langs de zijwegen,
alwaar gewoonlijk het best de gelegenheid tot waar-
neming bestr i, en trachten ongeveer op gelijke hoogte
te marcheeren met de middelste patrouille.
Is het verkenningsdetachement alleen uit infanterie
samengesteld, dan onderhoudt het tot de middelste
patrouille een afstand van minstens 500 pas (fig. 18),
daarmede door middel van enkele rotten verbinding
houdende.
Een verkenningsdetachement van cavalerie kan, zoo-
lang de vijand nog niet is waargenomen, de patrouilles
3 tot 4 KM. (de officierspatrouilles op grootere afstanden)
vooruitzenden; hoewel deze afstand gaandeweg zal ver-
minderen, zorgen de patrouilles op minstens 1000 pas
afstand vóór het detachement te blijven. De com-
mandant houdt zich gewoonlijk hierbij op.
Is éénmaal de vijand bespeurd, dan begeeft hij zich
daarheen, waar zijn waarneming volgens de van de
patrouilles inkomende berichten het best kan geschieden
en zorgt hij, dat de met den vijand verkregen voeling
niet weer verloren ga.
-ocr page 246-
-2-29
\\ 248. De patrouilles ontvangen de instructie en
nemen de gedragsregels in acht bij § 228 en vol-
genden vermeld. Bovendien blijven zij onderling en
met het detachement in verbinding door enkele man-
schappen.
De verbinding tusschen de patrouilles mag niet door
belangrijke terreinafscheidingen worden verbroken. Bij
alle overgangen wordt het aan gene zijde gelegen
terrein door enkele manschappen snel verkend, terwijl
de marsch der patrouille eerst na hun terugkeer wordt
hervat.
Stuit de patrouille langs den hoofdweg op een be-
langrijke hindernis, dan zoekt zij een overgang verder
zijwaarts, terwijl één man het detachem ;t te gemoet
gaat, om dit den kortsten weg naar het overgangs-
punt te wijzen. De andere patrouilles zoeken in zoo-
danig geval een overgang in de richting van de pa-
trouille op den hoofdweg en breiden zich daarna weder
snel op verderen afstand uit.
Komt men op den hoofdweg bij een bewoonde plaats,
dan waarschuwt de aldaar marcheerende patrouille het
detachement alleen dan, wanneer het moet halt houden.
De andere patrouilles trachten gedurende het onder-
zoek door de middelste patrouille een voorsprong op
deze te winnen, teneinde gelijktijdig het zijwaarts van
den hoofdweg gelegen terrein te doorzoeken.
§ 249. Om te rusten, te eten of te voederen zal
het verkenningsdetachement, nadat de uitgezonden
patrouilles zijn gewaarschuwd, voor korten tijd (*/,
tot 1 uur) halt houden, bij voorkeur op een afgelegen
-ocr page 247-
230
plaats, nimmer in bewoonde oorden of bij herbergen.
Op de toegangen worden op ongeveer 300 pas afstand
korporaalsposten of gedetacheerde posten (§ 199, 1°.
en 6°.) uitgezet.
Slechts de helft der paarden wordt gelijktijdig ge-
voederd of naar de drinkplaats geleid; de overige ruiters
blijven te paard of houden hunne paarden aan den teugel.
Stelt een verkenningsdetachement, bij een oponthoud
van langeren duur, veldwachten uit, dan worden bij
de cavalerie de plaatsen voor deze zoodanig gekozen, dat
zij ongehinderd ten aanval kunnen vooruitgaan.
Om de krachten van de manschappen en vooral van
de paarden te sparen, wordt het verkenningsdetache-
ment des nachts zooveel doenlijk onder dak gebracht,,
tenzij \'s vijands nabijheid en zijn ondernemingsgeest
het bivakkeeren onvermijdelijk maken.
In eerstgemeld geval betrekt het detachement een
afgelegen groote hofstede of eenige bijeenstaande schuren.
Heeft men enkel vijandelijke cavalerie te vreezen, dan
zullen veelal gedetacheerde posten op 300 tot 400 pas
afstand op de toegangen geplaatst, voldoende in de
veiligheid voorzien, waarbij dan van tijd tot tijd een
officier of een onderofficier een eind weegs in de richting
van den vijand uitgaat, om te luisteren. Tegenover
vijandelijke infanterie zullen, wanneer infanterie bij
het detachement aanwezig is, door deze gewoonlijk
veldwachten uitgezet en door de cavalerie een geregelde
patrouilledienst onderhouden worden. Wijders voorzien
de §§ 104 en 105 in de bij zulk een kantonnement
te volgen gedragsregels.
-ocr page 248-
231
De verdediging zal veelal het best geschieden door
het gevecht te voet.
§ 250. Wanneer het verkenningsdetachement den
vijand nadert, worden soms de uitgezonden patrouilles
versterkt of onderling op korteren afstand samenge-
trokken. De eigenlijke waarneming geschiedt het best
zijwaarts, op \'s vijands flanken vleugels gelegen punten
door officiers- of andere kleine patrouilles. Inmiddels
blijft het overige van het detachement bijeen, teneinde
den terugtocht te verzekeren.
Heeft het detachement last ontvangen, van zeer
nabij voeling met den vijand te onderhouden, dan is
het meestal noodig, het aantal patrouilles te vermeer-
deren , en deze voortdurend onderling en met het de-
tachement in nauwe verbinding te doen blijven. Kleinere
vijandelijke patrouilles drijven zij terug; daarentegen
ontwijken zij grootere afdeelingen in de richting van
het detachement, den vijand steeds in het oog houdende.
Alleen door overmacht daartoe gedwongen trekken de
patrouilles geheel terug op het detachement, om dit
bij een aanval op den vijand van terzijde te onder-
steunen. Zoodra de gelegenheid gunstig is, verspreiden
de patrouilles zich opnieuw.
Bestaat het verkenningsdetachement uit infanterie en
cavalerie, dan zal laatstgenoemd wapen dikwerf een
vóór- of zijwaarts gelegen terreinafscheiding of wel ver-
wijderde punten snel bezetten en deze tot de aankomst
van de infanterie, zoo noodig door het gevecht te voet
vasthouden.
§ 251. Verhindert \'s vijands waakzaamheid elke
-ocr page 249-
232
ongemerkte waarneming van nabij, dan kan het doel
alleen worden bereikt door een openlijke verkenning;
alzoo genoemd in tegenstelling van elke andere waar-
neming, waarbij als regel geheimhouding wordt in
genomen.
Alvorens tot de openlijke verkenning over te gaan,
moet men met behulp van de kaart uitvorschen, welke
punten van \'s vijands stelling of legerplaats de voor-
deeligste kansen tot waarneming gedurende een kort
gevecht aanbieden. Ook bij een openlijke verkenning
blijft waarnemen het eenige doel.
Terwijl patrouilles in verschillende richtingen worden
uitgezonden om \'s vijands aandacht van het gekozen
aanvalspunt af te leiden, tracht het detachement on-
gemerkt te naderen, breekt door de voorpostenketen,
rijdt snel het bivak of kantonnement binnen, om aldaar
eenige gevangenen te maken, bij voorkeur officieren,
of wel worden de naastbij zijnde schildwachten door
de infanterie bekropen, welke daarna de vijandelijke
veldwacht onstuimig aanvalt en vervolgt, waardoor
de ondersteuningstroepen van deze zullen genoodzaakt
worden vooruit te rukken of zich te ontwikkelen. In-
middels tracht de commandant van een hiertoe geschikt
punt de vijandelijke troepen waar te nemen, en maakt
gevolgtrekkingen uit hetgeen hij ontwaart.
Is de waarneming geschied, dan trekt het detache-
ment ijlings terug, voordat de vijand tijd heeft gehad
maatregelen tot vervolging te treffen.
In polderland en in stellingen door onderwater-
zettingen gedekt, kan zoodanige openlijke verkenning op
-ocr page 250-
233
«
de door den vijand bezette accessen en zijne aanvals-
werken met behulp van infanterie op vaartuigen ge-
schieden.
Alvorens tracht men zich te overtuigen, of soms
gewapende vaartuigen nabij die accessen zijn gesta-
tionneerd.
Blijkt dit het geval niet te wezen, of zijn deze
vaartuigen gemakkelijk te overrompelen, dan wordt
het detachement zoo bedekt mogelijk ingescheept en
onder bescherming van den nacht of in het duister
nabij het verkenningspunt aan wal gezet, om den
vijand of diens batterijen te overvallen, den aard en
den voortgang van zijn arbeid te beoordeelen, of wel
de plaats, waar deze is voorgenomen, met juistheid
te bepalen en zich daarna weer snel te verwijderen.
Een openlijke verkenning zal de meeste kans van
slagen hebben, wanneer zij het karakter draagt eener
overvalling, en heeft vooral dan waarde wanneer men
in de gelegenheid is om de gegevens, door de ver-
kenning verkregen, terstond te benutten.
§ 252. Om \'s vijands verkenningsdetachementen de
nadering te beletten of hun nadering te vertragen,
tracht men hen in een hinderlaag te lokken, d. i. men
stelt het eigen detachement of een gedeelte daarvan
bedekt op, om van daar den vijand te overvallen.
Zulk een hinderlaag wordt gelegd in de nabijheid van
défilé\'s, alwaar de vijand moet voorbijgaan en slechts
met een smal front kan marcheeren. Daarentegen
moet men zich uit de hinderlaag snel tot het gevecht
kunnen ontwikkelen.
-ocr page 251-
234
Eenige manschappen beklimmen boomen of daken,
om door afgesproken teekens \'s vijands nadering te
melden, waarna hij op korten afstand krachtig wordt
aangetast. Somtijds vertoont men kleine patrouilles,
welke, teruggaande in de richting van de hinderlaag,
den vijand daarheen trachten te lokken.
§ 253. Wanneer het verkenningsdetachement langer
dan één dag uitblijft, dan worden de patrouilles of
veiligheidstroepen elke 24 uur afgelost. Ook binnen
dien tijd kan aflossing van onderdeelen, welke een
afmattenden dienst verrichten, door den commandant
bevolen worden, op de daarvoor door hem meest
geschikt geoordeelde tijdstippen.
Is het doel bereikt, dan keert het verkennings-
detachement terug en neemt de commandant in acht,
hetgeen bij § 241 is voorgeschreven.
VERKENNINGSKORPSEN.
§ 254. Verkenningskorpsen dienen tot de uitvoering
van den ophelderings- en den veiligheidsdienst in stra-
tegischen zin, waartoe zij reeds vóór den aanvang der
openitiën worden uitgezonden. Hun taak is tweeledig.
Zij moeten den vijand waarnemen en diens waarnemen
verhinderen.
§ 255. Met het oog op de dubbele bestemming van
de verkenningskorpsen verdient het aanbeveling, hen
uit de drie wapens samen te stellen, minstens 4 tot
0 eskadrons, ondersteund door 1 batterij bij voorkeur
rijdende, anders veld-artillerie, en naarmate van de
-ocr page 252-
235
gesteldheid van het terrein door \'/, of 1 bataljon
infanterie.
De cavalerie blijft uitsluitend belast met de waar-
neming en de opsporing van den vijand. Kan zij
daarbij haar doel niet te paard bereiken, dan zullen
soms enkele afdeelingen moeten afstijgen om korten tijd
te voet te vechten, bijv. tot het bezetten van voor- of
zijwaarts gelegen terreinvoorwerpen, défilé\'s, enz.
Alleen in geval van nood mag de cavalerie op de
haar toegevoegde infanterie teruggaan.
De hoofdbestemming van de infanterie bij het ver-
kenningskorps is om als laatste reserve een belangrijke
terreinafscheiding in den rug of zijwaarts van de
cavalerie te bezetten. Zonder de cavalerie in eenig
opzicht bij de uitvoering van hare geheel zelfstandige
taak te belemmeren, moet de infanterie haar integen-
deel op die wijze in staat stellen de waarneming
gedurende den vereischten tijd voort te zetten, terwijl
zij overmachtige vijandelijke cavalerie kan beletten
verder voort te dringen.
Alleen onder zeer bijzondere omstandigheden zal het
voorkomen, dat de infanterie met kleinere afdeelingen
bijv. tot verrassing, in de voorste waarnemingslinie
der cavalerie voor korten tijd offensief optreedt.
De artillerie is, in zoover haar vuur den vijand tot
ontwikkeling van strijdkrachten kan noodzaken, be-
hulpzaam bij de waarneming en versterkt den weer-
stand van het korps.
Gewoonlijk zal de infanterie zich niet verder dan
één dagmarsch van de eigen voorposten verwijderen;
-ocr page 253-
236
■de ,rest van het verkenningskorps kan één of twee
dagmarschen en soms nog verder gaan. Is de vijand
op minder dan één dagmarsch van de door het leger
bezette stellingen verwijderd, dan is een afzonderlijke
toevoeging van infanterie aan het verkenningskorps
meestal overbodig.
§ 256. Het verkenningskorps wordt uitgezonden
rechtstreeks door het hoofdkwartier van het veldleger
of wel door den comman deerenden officier van een
zelfstandig optredende legerafdeeling, en staat onder
de orders van een afzonderlijken commandant, die een
schriftelijke instructie ontvangt.
Deze bevat: de opstelling van de achterstaande leger-
afdeelingen of de richting en de uitgestrektheid der
door dezen uit te voeren operatie; al wat reeds om-
trent de sterkte, de ordre de bataille en de bewegingen
des vijands is bekend geworden; het doel, waarmede
het verkenningskorps wordt uitgezonden; de te volgen
marschrichting en de uitgestrektheid van het waar te
nemen of te bewaken terrein; onder welke omstandig-
heden het korps op ondersteuning mag rekenen of
behoort terug te trekken.
Voorts wordt daarbij aangegeven: langs welke plaatsen
•de verbinding zal worden onderhouden; waarheen de
berichten moeten worden gezonden; hoedanig in de
verpleging zal voorzien en met den trein gehandeld
moet worden; soms ook het uur van vertrek voor den
eersten marschdag.
De commandant ontvangt verder alle inlichtingen en
gegevens, die kunnen strekken tot betere uitvoering
van zijn taak.
-ocr page 254-
237
Meermalen zal het tot de taak van het korps be-
hooren om spoorwegbruggen, spoorwegstations, défilé\'s,
bruggen wier vernieling men den vijand wil beletten,
enz. door zelfstandig vooruitgeschoven eskadrons te
doen bezetten of zoodanige eskadrons met vernieling
van terreinvoorwerpen te belasten.
§ 257. De commandant deelt bij zijne aanwijzingen
en bevelen aan de korpscommandanten alle bijzonder-
heden mede welke ter kennis van alle officieren, soms
van de troepen, behooren te worden gebracht, zooals
\'svijands ordre de bataille, enz.
Aan den commandant van de infanterie laat hij,
met inachtneming van de eenheid en van den ver-
eischten samenhang in het bevel, een voldoende mate
van zelfstandigheid. De infanterie marcheert afzonderlijk
en met eigen veiligheidsmaatregelen. Ter plaatse van
bestemming aangekomen zal de commandant der infan-
terie de aangewezen stelling bezetten en zijne maat-
regelen treffen, uitsluitend met het oog op een te
voeren gevecht, daarbij zijne troepen zooveel doenlijk
bijeen houdende. Met den commandant van het ver-
kenningskorps, die zich meestentijds bij het gros of
eene reserve der cavalerie ophoudt, blijft hij steeds in
verbinding door ordonnansen of ordonnansenposten,
waartoe hem een kleine afdeeling ruiterij wordt toe-
gevoegd. Tevens draagt hij zorg voor de verzending
van de bij hem inkomende berichten, daartoe gebruik
makende van de telegraphische gemeenschap, optische
signalen, ordonnansenposten of ordonnansen (g 266
en volgenden).
-ocr page 255-
238
\\ 258. De wijze, waarop het verkenningskorps zijn
<lienst verricht tot opsporing en waarneming van den
vijand
of tot het beletten van diens nadering, regelt
zich naar de getalsterkte van het korps, naar de uit-
gestrektheid en den aard van het waar te nemen
terrein, ook naar de sterkte der afdeelingen, waar-
mede de vijand den ophelderingsdienst verricht.
§ 250. Zoolang van \'s vijands nabijheid nog niets
is te vreezen, worden officierspatrouilles-te zijner op-
sporing uitgezonden en marcheeren de cavalerie en de
artillerie te samen met de gewone veiligheidsmaatrege-
len , doch zonder de paarden verder door onnoodig
patrouilleeren te vermoeien.
Wan nee/ inkomende berichten of kenteekenen doen
onderstellen, dat men den vijand nadert, dan zendt
de commandant één of meer verkenningsdetanhementen
uit; laat de sterkte van het korps het toe, alsdan
gewoonlijk op elk der hoofdwegen naar den vijand
één eskadron. De onderlinge tusschenruimte, waarop
de verkenningsdetachementen marcheeren , hangt van
het wegennet af, maar moet bij voorkeur niet meer
dan 5 KM. bedragen Vier eskadrons kunnen op die
wijze naast elkander met hunne, ter verkrijging van
voeling met den vijand vooruitgezonden patrouilles,
onder gunstige omstandigheden een uitgestrektheid terrein
van 16 tot 20 KM. frontbreedte waarnemen.
Het gros van het korps, waarbij de artillerie, volgt
op 2 tot & KM. afstand achter de verkenningsdetache-
menten. Valt er slechts één hoofdweg waar te nemen,
dan blijft het gros bijeen, hetgeen meestal de voor-
-ocr page 256-
239
keur verdient. Voeren echter meer belangrijke wegen naar
den vijand, dan verdeelt het gros zich tot een tijdige
ondersteuning der verkenningsdetachementen op die
wegen als reserven. Beschikt men bijv. over twee
regimenten cavalerie en één rijdende batterij , dan kan
de commandant in eerstgemeld geval desnoods alle
eskadrons van één regiment als verkenningsdetache-
menten uitzenden, terwijl het andere regiment met de
artillerie op of nabij den hoofdweg volgt. In het andere
geval kan de dienst geschieden door één regiment op
eiken vleugel, waarvan ieder één of twee verkennings-
detachemcnten uitzendt, terwijl de rest van het regiment
als reserve volgt, door één of twee sectiën artillerie
ondersteund. De commandant is bij de vaststelling
van de verdeeling zijner troepen echter geheel vrij om
naar eigen inzichten te handelen.
Het gros of de reserven zorgen zelf voor de veiligheid
op marsch en verwijderen zich tegenover een over-
machtige vijandelijke cavalerie niet verder dan 6 tot
10 KM. van de infanterie, die aan het verkcnnings-
korps is toegevoegd.
Het is niet raadzaam genoemde afstanden en tus-
schenruimten aanzienlijk te vergrooten, opdat de af-
deelingen, die het verst vooruitgezonden zijn, immer
bijtijds ondersteuning kunnen vinden.
§ 260. De commandant van elk verkenningsdeta-
chement ontvangt van den commandant van het ver-
kenningskorps een instructie, welke, behalve hetgeen
in § 245 is vermeld, aanwijzing bevat, tot waar de
verkenning moet worden voortgezet, tenzij de patrouilles
-ocr page 257-
240
tot in \'s vijands onmiddellijke nabijheid moeten door-
dringen; waar de nevendetachementen, het gros of
de reserven en de commandant zich bevinden, enz.
Tot bevordering van een onafgebroken verbinding
tusschen al de onderdeelen van het verkenningskorps
zal de commandant, wanneer de mogelijkheid daartoe
bestaat, aangeven, op welke tijdstippen door de ver-
kenningsdetachementen, enz. van eenige bepaald aange-
wezen terreinafscheidingen zal worden opgebroken.
De marsch en de waarneming van deze detache-
menten geschiedt volgens §247 en volgenden. Zoo-
wel op marsch, als wanneer halt gemaakt ol gerust
wordt, houden zij de nevendetachementen en den
commandant voortdurend op de hoogte van hetgeen
men van den vijand heeft gezien of vernomen; meestal
zijn daartoe weinige, bij voorkeur geschreven, woorden
voldoende.
\' § 261. Wordt voor horten tijd halt gemaakt, dan
zorgen de uitgezonden patrouilles, als gedetacheerde
posten, voor de veiligheid (g 209).
Blijft het verkenningskorps des nachts uit, dan
worden het gros of de reserven zooveel mogelijk ge-
concentreerd gehuisvest of gestald; hoogstens zal een
gedeelte in oordbivak legeren of bivakkeeren. Is de
vijand zeer nabij en de afstand tot de infanterie van
het verkenningskorps niet groot, dan doen de bereden
troepen goed, onder achterlating der noodige afdee-
lingen voor het onderhouden der voeling, te gaan
rusten onder bescherming van die infanterie, welke
dan \'s nachts voor de veiligheid waakt; soms kan de
-ocr page 258-
241
cavalerie alsdan achter de voorpostenlinie der achter-
staande legerafdeelingen terugtrekken.
Omtrent de veiligheidsmaatregelen en andere voor-
zorgen in het kantonnement in acht te nemen gelden
§§ 100, 104 en 405.
De afdeelingen, welke onvermijdelijk in oordbivak
legeren of bivakkeeren moeten, handelen als bij §§124,
132 en 135 is aangegeven.
Kunnen de uitgezonden verkenningsdetachementen
niet door requisitie in hunne behoeften voorzien, dan
wordt de voorraad levensmiddelen der manschappen
aangevuld uit proviandcolonnes, welke in den namiddag
of \'s nachts door het gros worden afgezonden.
Houdt het verkenningskorps eenige dagen te zelfder
plaatse stand, dan organiseert de commandant den
ophelderingsdienst met medewerking van welgezinde en
daartoe geschikte ingezetenen (burgemeesters, ambte-
naren , enz.) in en nabij de door den vijand bezette land-
streek, die onderling te voet en te paard correspondee-
ren; de algemeene regeling van dezen dienst geschiedt
door een speciaal daarmede belasten officier. Op die
wijze wordt gezorgd, ten spoedigste bericht te kunnen
ontvangen van alle bijzonderheden, welke eenige onder-
neming van \'s vijands zijde aanduiden, als: versterking
en concentratie van troepen, transporten, requisitiën,
enz. Gedeeltelijk op grond van de langs dien weg
verkregen inlichtingen wordt de uitzending der ver-
kenningsdetachementen en patrouilles geregeld.
§ 262. De berichten worden door de patrouilles
of posten in de voorste waarnemingslinie gezonden
16
-ocr page 259-
242
aan den commandant van het verkenningsdetachement
door dezen zoo snel doenlijk aan den commandant van
het verkenningskorps, die langs den zelfden weg zijn<
bevelen verzendt.
Zoolang nog geen voeling met den vijand is ver-
kregen, is het voldoende, wanneer de commandani
dagelijks éénmaal bericht zendt aan het hoofdkwartier
door hetwelk het korps is uitgezonden. Omgekeerd out
vangt de commandant dagelijks mededeeling van dat
hoofdkwartier omtrent de voorgenomen of de uitge-
voerde bewegingen der achterstaande legerafdeelingtü
Onverminderd het voorgaande kunnen er zich ge-
vallen voordoen , waarbij de verkenningsdetachementt;
tevens rechtstreeks bericht moeten zenden aan het
hoofdkwartier. Eveneens kan het den commandant nood-
zakelijk voorkomen, aan nabijzijnde legerafdeelingen
rechtstreeks berichten mede te deelen, die dan echtei
tevens aan het hoofdkwartier worden vermeld.
§ 263. Heeft het verkenningskorps niet den vij;m<i
voeling verkregen, dan mag deze niet meer verloiv
gaan.
Al is het voeren van een ernstig gevecht geenszins
de bestemming van het verkenningskorps, nimmer moei
de commandant zich, zoolang aan den opgedragen last
niet geheel is voldaan, tot een lijdelijke rol bepalen en
mag hij slechts voor overmacht wijken.
De verkenningsdetachementen gaan snel en omzicht:
van de eene naar de andere terreinafscheiding voorui
daarbij zorg dragende onderling steeds nauwer in v<
binding te blijven om het doorsluipen van den vijai
-ocr page 260-
243
te beletten. Tot waarneming trachten zij hem te over-
vleugelen , van ter zijde te naderen of door zijn waar-
nemingslinie te breken; daarentegen moeten zij vooral
waakzaam zijn op de eigen vleugels en flanken. Moet
een der verkenningsdetachementen voor overmachtige
vijandelijke afdeelingen wijken, dan gaat het, zonder
zich geheel van zijn marschrichting te laten afdringen,
niet rechtstreeks op het gros of de reserve terug en
waarschuwt de nevendetachementen, welke dan den
opdringenden vijand dikwerf in de flank kunnen vallen
of waarnemen.
Uit de inkomende berichten zal de commandant op-
maken , in welke richting de vijandelijke reserven zich
bevinden of opdagen; in hoever dientengevolge de
richting, waarin het korps zich beweegt, behoort te
worden gewijzigd, enkele verkenningsdetachementen
ondersteuning behoeven of elkaar meer moeten naderen;
of vóór- of zijwaarts gelegen punten dienen te worden
bezet — zoo noodig afgestegen —; of de vijandelijke
waarnemingslinie met gunstige kans kan worden door-
broken, dan wel de eigen troepen in de voorste linie
in gevaar geraken, enz.
In laatstgemelde gevallen rukt de commandant met
het gros of de reserve ter ondersteuning op of tracht
den vijand terug te werpen.
Het geschutvuur is voor de elders waarnemende
verkenningsdetachementen meestal het teeken, dat het
gros of de reserve in gevecht is gewikkeld. Zij zenden
bij het hooren daarvan een patrouille in die richting,
doch zetten de waarneming te nadrukkelijker voort, om
-ocr page 261-
244
zich te vergewissen, in hoever het hun aangewezen
terrein bezet is; zij trachten echter tevens den vijand
gedurende het gevecht in flank en rug waar te nemen.
Of zij ter ondersteuning van den aanval oprukken ,
hangt af van hunne bijzondere opdracht of van de
dienaangaande ontvangen bevelen.
Wijken de vijandelijke afdeelingen, dan worden zij
vervolgd door verkenningsdetachementen of patrouilles,
welke trachten de waarneming achter zijn voorste linie
voort te zetten.
Is echter het eigen gros of de reserve genoodzaakt
te wijken, dan bezet zij, gedekt door kleinere afdeelingen,
welke den vijand onafgebroken in het oog houden, en,
voor zoover noodig, onder waarschuwing van de niet
bij haar teruggekeerde verkenningsdetachementen, een
achter- of zijwaarts gelegen terreinafscheiding. Dringt
de vijand met overmacht op, dan trekt de commandant
terug op de stelling van de infanterie, tracht de tegen-
partij te brengen binnen het bereik van het infanterie-
vuur, om, wanneer de vijand daardoor is verrast en
geschokt, de waarneming bij diens terugtocht te her-
vatten.
Moet het geheele verkenningskorps terug gaan, dan
zal dit, zooveel doenlijk met ondersteuning door de
infanterie, van de eene naar de andere terreinafscheiding
kunnen geschieden.
Door met beleid te handelen, door telkens onver-
wacht en op verschillende punten snel tot waarneming
te verschijnen, even snel weer te wijken, kan een
minder talrijk verkenningskorps, zelfs tegenover over-
-ocr page 262-
245
machtige cavalerie, zijn moeilijke taak soms met vrucht
volvoeren.
§ 264. Wanneer het verkenningskorps het leger of
een gedeelte daarvan tegen de waarneming van den
naderenden vijand moet beveiligen,
dan bezet de infan-
terie een gunstige stelling, terwijl de cavalerie en de
artillerie den vijand te gemoet gaan.
Tweeërlei handelwijzen kunnen door den bevelhebber
worden gevolgd, meerendeels afhankelijk van de om-
standigheid, of hij niet dan al zeker is de overmacht
te bezitten op het vijandelijke verkenningskorps.
In het eerste geval nadert men den vijand en zendt
verkenningsdetachementen, enz. uit, welke zich ge-
dragen, zooals in § 263 is omschreven.
In het tweede geval, wanneer reeds voeling met
den vijand is verkregen en de commandant juist is
ingelicht omtrent de plaats van de vijandelijke reserve,
kan hij deze met het gros zijner cavalerie en artillerie
aanvallen, waardoor de vijandelijke patrouilles en ver-
kenningsdetachementen zullen worden genoodzaakt
terug te trekken en de waarneming te staken. Om
daarbij tegen elke verrassing gewaarborgd te zijn, gaat
de commandant aanvankelijk tastend te werk en ver-
richt eerst den aanval, wanneer deze op een zwak
punt van den vijand verrassend kan plaats hebben.
Verder behooren deze handelingen geheel tot het ge-
bied der tactiek en zal daarover hier niet worden uit-
gewijd.
Terwijl het gros de vijandelijke reserve opzoekt
mogen de toegangen tot het door de achterstaande
-ocr page 263-
246
infanterie bezette terrein niet ontbloot, maar moeten
deze door patrouilles of verkenningsdetachementen be-
waakt worden.
Is het gelukt het vijandelijke verkenningskorps terug
te werpen dan wordt het vervolgd, en neemt de
achterstaande infanterie bij een volgende gunstig ge-
legen terreinafscheiding stelling, zonder zich echter
veel verder dan één dagmarsch van het leger te ver-
wijderen (g 244).
Is de eigen cavalerie genoodzaakt te wijken dan
handelt men volgens § 263.
§ 265. Indien de omstandigheden het veroorloven,
zendt de commandant elke 24 uur andere eskadrons
als verkenningsdetachementen uit. Deze verrichten als-
dan zoo noodig de waarneming gedurende eenigen tijd
te samen met, en op de aanwijzingen van de af te
lossen verkenningsdetachementen, welke eerst terug-
gaan, als de nieuwe afdeelingen geheel op de hoogte
van den toestand in de voorste linie zijn gesteld.
ORDONNANSENDIENST EN CORRESPON-
DENTIE-MIDDELEN.
§ 266. Het overbrengen van bevelen, mededeelingen
en rapporten, welke in den regel schriftelijk worden
gegeven, geschiedt doorgaans door ordonnansen, bij
voorkeur te paard, somtijds per as, slechts bij uit-
zondering te voet.
Gewoonlijk bezigt men op kleine afstanden een enkelen
ordonnans; zeer gewichtige mededeelingen worden,
-ocr page 264-
247
vooral in \'s vijands nabijheid, door twee of meer ordon-
nansen overgebracht, die verschillende wegen volgen.
Tot het overbrengen van berichten of bevelen op
grooten afstand laat men twee ordonnansen te samen
gaan. Aan officieren worden in zoodanig geval, vooral
des nachts en wanneer het belangrijke bevelen betreft,
in \'s vijands nabijheid eenige gewapende manschappen
tot geleide medegegeven. Zulk een verzending heeft
veelal plaats per as.
De afzender zal den ordonnans den te volgen weg
op de kaart aanwijzen of duidelijk aangeven. De
ordonnans verbergt het bericht en wel zoodanig, dat
hij het snel kan vernietigen, wanneer hij gevaar loopt
van te worden gevangen genomen.
In sommige gevallen kan het goed zijn den inhoud
van het bericht aan den overbrenger mede te deelen.
Gaat hij op verren afstand uit, dan wordt aan den
ordonnans gezegd, binnen welk tijdsverloop de afzender
hem terugverwacht.
§ 267. Het tempo waarin de ordonnans moet rijden,
wordt hem bevolen of op hei couvert door kruisjes
aangegeven.
Staat op het couvert achter het woord «tempo" één
kruisje
(X)> dan rijdt de ordonnans met een regel-
matige afwisseling van 7\'/j minuut draf en 5 minuten
stap, waarbij iedere kilometer in ongeveer 6 minuten
wordt afgelegd.
Bij twee kruisjes (X X) wordt uitsluitend draf ge-
reden: een snelheid van 1 KM. in ongeveer 41/, minuut.
Drie kruisjes (X X X) beteekent grooten spoed;
-ocr page 265-
248
daarbij rijdt de ordonnans in een gestrekten galop,
afleggende 1 KM. in ongeveer 3 minuten.
Tot sparing van de krachten der paarden zal, vooral
op straatwegen, alleen dan het rijden van galop worden
bevolen, wanneer buitengewone spoed dit onvermijdelijk
maakt. Zoo noodig kan het draftempo worden uit-
gestrekt.
Hoogstens een afstand van 5 KM. mag achtereen in
draf, van 3 KM. in galop worden afgelegd.
g 208. Wordt een ordonnans, met het overbrengen
van gewichtige meldingen belast, door eenig ongeval
verhinderd zijn weg te vervolgen, dan wendt hij zich
tot de naastbijzijnde militaire autoriteit, die alsdan
verplicht is zoo spoedig mogelijk in de verdere ver-
zending van het bericht te voorzien, en zoo noodig
van het oponthoud melding maakt op het couvert.
§ 269. Teneinde gedurende langen tijd op groote
afstanden langs eenzellden weg de gemeenschap te
onderhouden en een snelle wisseling van berichten
mogelijk te maken, wordt, bij gemis aan een voldoende
telegraphische correspondentie, een geregelden dienst
met ordonnansenposlen ingericht.
Daartoe worden op afstanden van ongeveer 5 KM.
posten geplaatst van 1 wachtmeester of korporaal met
3 tot 9 cavaleristen, of, om de cavalerie te sparen,
op afstanden van 8 tot 10 KM. infanterieposten van
1 sergeant of korporaal en eenige manschappen. Deze
laatsten verrichten den dienst met goed bespannen,
lichte voertuigen, die daartoe gerequireerd worden.
Des winters, wanneer er sneeuw of ijs ligt, kan deze
-ocr page 266-
249
dienst geschieden met bespannen sleden of door man-
schappen op schaatsen, welke laatsten echter nimmer
alleen, doch met minstens twee te samen vertrekken.
Van iederen post blijft steeds een derde gedeelte
der manschappen tot onmiddellijk vertrek gereed,
waartoe bij een ordonnansenpost van infanterie voort-
durend een voertuig staat aangespannen. Een man
als schildwacht kijkt uit op den weg, om de komst
van ordonnansen van een anderen post tijdig te
melden.
Bij een ordonnansenpost van cavalerie houdt de
man, die uitkijkt, zijn paard in de onmiddellijke
nabijheid, teneinde, zoodra hij ordonnansen ziet aan-
komen den commandant te waarschuwen, op te stijgen
en, als de commandant het bericht heeft gezien, daar-
mede onmiddellijk te vertrekken.
De andere ordonnansen mogen, in zoover de veilig-
heid het veroorlooft, afzadelen maar houden zich steeds
tot aflossing en vertrek gereed.
De posten worden ingelicht omtrent de standplaats
van, en den afstand tot de naastbijzijnde posten of
troepenafdeelingen, en de wegen, die derwaarts voeren.
Wanneer in langen tijd geen depêches aankomen, doet
men goed zich van tijd tot tijd te overtuigen, of de
nevenposten nog aanwezig zijn.
Ontmoet een ordonnans niemand ter plaatse, waar
een post moest staan, dan rijdt hij door naar een
volgenden post, totdat hij zijn depêche heeft over-
handigd.
Ieder ordonnans ontvangt van den commandant van
-ocr page 267-
250
den post, waar hij aankomt een bewijs van ontvangst,
inhoudende het uur en de minuut van aankomst en
het nummer van de depêche, of wel kan hem, na
afgifte van het bericht aan hem. voor wien dit was
bestemd, het ingevulde couvert als reeu worden ter
hand gesteld. Na 5 minuten rust keert hij, tenzij
spoed wordt vereischt, in stap terug.
De commandant houdt in zijn zakboek aanteekening
van aankomende en vertrekkende verzendingen met
opgave van het nummer, het adres, het uur van
aankomst en van vertrek en de namen der ordonnan-
sen; hij bewaart de recus tot aan zijn allossing.
De plaats voor een ordonnansenpost moet zoodanig
worden gekozen, dat zij gemakkelijk te vinden is.
Bij dag wordt de plaats door een stroowisch, bij nacht
door een lantaarn aangeduid.
Zooveel mogelijk worden deze posten in verbinding
gesteld met spoorwegstations en telegraafbureau\'s.
§ 270. Tot het overbrengen van berichten en
bevelen op grooteren afstand wordt zooveel mogelijk
gebruik gemaakt van de bestaande vaste lelegraa/lijnen.
Daartoe kan het nuttig zijn de electrische telegraphie
te verbinden met een stelsel van de vastgestelde optische
signalen
, of\' wel, veld-telegraaflijnen aan te leggen, zoo
noodig in gemeenschap staande met een goed geregelden
ordonnansendienst.
Telegraphische bevelen moeten zeer juist worden
gesteld. Behalve de dagteekening, het uur en de
minuut van aanbieding, alsmede de naam van den
afzender, wordt bovendien, om misleiding te voor-
-ocr page 268-
251
komen, op elk telegram de naam van den telegratist
of wel eenig afgesproken woord of teeken — deze
laatsten dikwerf te veranderen — gesteld, terwijl immer
langs denzelfden weg de ontvangst van het telegram
wordt vermeld, bij voorkeur door het bericht woorde-
lijk terug te seinen. Tot deze telegrammen worden
nimmer cijfers, maar uitsluitend woorden en letters
gebezigd.
Alle telegrammen worden als dienstbrieven behandeld.
§ 271. Wanneer bij uitzondering bevelen of berich-
ten mondeling moeten worden overgebracht, dan geschiedt
dit, vooral bij gewichtige meldingen, bij voorkeur door
olficieren of vertrouwde onderofficieren.
Alvorens de ordonnans vertrekt, doet de afzender hem
het bevel of bericht, woord voor woord herhalen, en
gelast hem er niets bij te voegen of af te laten. Van
zijn zending teruggekeerd, herhaalt de ordonnans nog-
maals, wat hij heeft gemeld.
De afzender houdt aanteekening van de plaats, den
datum, het uur en de minuut van vertrek van den
ordonnans.
-ocr page 269-
252
Rapport.....Divisie. 2e Bataljon. Plaats van verzending:
N°. 1.          .... Brigade. Ie Compagnie. Veldwacld N\'.Sbijden
7e Regiment. ... Eskadron. Tol op den Straatweg
naar A.
Datum id.:
8 Maart 1878.
C*              . _                  V601 lïl\'
6 uur lo min.--------
nam.
BERICHT.
Sterkte:          1 officier, 2 sergeanten, 3 korporaals,
1 tamboer, 35 soldaten en 3 huzaren.
Plaats der Achter het Tolhuis aan het kruispunt der
wacht: wegen naar A en B; kan des nachts blijven
staan. (Zie schets.)
Posten:            Uitgezet 3 dubbelposten: N". 1 in ver-
band met den post van veldwacht N\'. 2.
iV. 3 met dien van veldivacht N°. 4; N\'A.
en
2 zien elkander door de openingen in
de heggen gemaakt; N°.%en 3 zien elkander
goed. De schildwacht voor \'t geweer kan
posten
iV0. 2 en 3 goed. maar N°. 1 niet
zien.
Examineer- i sergeant met 2 man; blijft over dag
troep: bij de wacht; \'s nachts staat hij
10 pas
achter post N°.
2.
Patrouille- 2 korporaals en 12 man beschikbaar voor
gang: patrouilles. De sluippatrouilles doorkruisen
het voorgelegen terrein ten oosten van den
-ocr page 270-
253
straatweg tot ter hoogte van hofstede C,
dat ten westen van den straativeg tot aan
de G-beek. Voortdurend
2 patrouilles ge-
lijktijdig uit.
Bijzondere Door een mijner patrouilles is omstreeks
melding:
6 uur een vijandelijke cavaleriepatrouille,
1 officier en 5 man, bij hofstede C gezien.
Deze patrouille ging voor de mijne terug.
Overbrenger,                          Handteekening,
Huzaar N.                                        X.
1de Luit. \\e Comp. Bataljon.
-ocr page 271-
254
BIJLAGE 2.
Verkenningspa- ... Divisie.         ... Bataljon. Plaats van verzen-
trouille naar ... Brigade.         ... Compagnie, ding: Déjlle\' Roe-
Millerl. 2e Reg. Huzaren. 2e Eskadron. vender Peel.
N°. 2.
                                                                          Datum id.:
12 Aug. 1878.
2uurl0min.!^1^r
nam.
BERICHT.
Om 2 uur namiddag bij défilé Roevender Peel aan-
gekomen , en dit onbezet- bevonden.
Ik marcheer na \'/4 uur rust verder naar Millert en
■zend een patrouille van
3 huzaren naar den straatweg
naar Kelpen en een andere van gelijke sterkte naar den
straativeg naar Baexem om de verbinding met de neven-
patrouilles te herstellen.
Volgens mededeeling van 2 reizigers, die over Baexem
van Roermond kwamen, waren om. \\ uur namiddag te
Baexem nog geen andere vijandelijke troepen gezien dan
1 officier en 20 ruiters {nummer Regiment hun onbe-
kend) , maar werden aldaar heden verwacht infanterie
en cavalerie (sterkte mede niet bekend), waarvoor dow
dien officier inkwartiering was aangezegd.
Overbrenger,                         Handteekening,
Huzaar ft.                                      Z.
2* Luit. 2* Esk. Regt. Huzaren: