-ocr page 1-
~~
ak 134
L r—__-1___ —=r±^
NEDERLANDSCH
OOST- EN WEST-INDIË,
TEN DIENSTE VAN HET ONDERWIJS
DOOR
D. AlTTON
i
Leeraar aan de Rijks Hoogere Burgerschool te Assen.
DERDE DRUK.
\\f—«f P. NOORDHOFF. — 1S93. — GRONINGEN.
&
—}*— —
ƒ 1.00.
12
-ocr page 2-
Uitgave van P. NOORDHOFF te Groningen.
NEDERLANDSCH 00ST- EN WEST-INDIË,
TEN DIENSTE VAN HET ONDERWIJS.
DOOR
D. AITTON.
Prijs f 1,00.
BEOORDEELINGEN.
„Dit werkje kan ik zeer aanbevelen."
{De Wekker.)                                                                           J. W.
„Onze slotsom is, dat het bovenstaand werk uitstekend geschikt is
voor de hoogste klassen der scholen van voortgezet onderwijs. Men krijgt
hier een schat van wetenswaardige bijzonderheden over onze Oost. Dit
is natuurlijk een gevolg van de rijke lectuur, die den Schrijver over O.-I.
ten dienste stond en waarvan hij een dankbaar gebruik heeft gemaakt,
getuige de aanhalingen uit reisbeschrijvingen en de schetsen aan bekende
standaardwerken ontleend."
                                           {Het Schoolblad.)
„In weerwil van de hulpmiddelen voor de verspreiding der kennis van
onze koloniale bezittingen, is dit boekje van 141 bladzijden voor het onder-
wijs zeer aan te prijzen. Het geeft, in zijn beknopten vorm, veel, zeer
veel."
                                             {Tijdschrift voor Neder la?utsch-Indië.)
„Wij hebben het met veel genoegen doorlezen en wij hebben er zeer
vele wetenswaardige bijzonderheden in gevonden, die wij elders tevergeefs
zochten; wij hebben er inderdaad veel uit geleerd. Wij bevelen daarom
ook het werk bij allen aan, die nadere kennis willen maken metdeNedcr-
landsche bezittingen."
                                                         {Vereeniging.)
„We achten dit boekje niet alleen zeer geschikt voor het onderwijs,
maar zouden het ook eene plaats willen zien innemen op het boekenrek \'
van elk gezin, om het telkens op te slaan, als men, bij zijne dagelijkschc
couranten-lectuur bijv., zich eventjes wil orienteeren. Het nette boekje is
eene uitgave van den heer P. Noordhoff te Groningen."
{Leidsch Dagblad.)
„Een onderhoudend boek vol nuttige wetenschap."
{De Amsterdammer.)
„Het boek bevat veel goeds. Dorre opsommingen van plaatsnamen
zijn vermeden , terwijl de historische opmerkingen en de vragen tusschen
den tekst werkelijke verdiensten zijn." i Dagblad van Zuid-Holland.)
„Ce livre, éciït dans un style simple et clair, sera surtout utile a nos
confrères du Nord. On y trouve la géographie et 1\'ethnographie des Indes
néerlandaises. ainsi que des descriptions de villes et de villages et des
tableaux de mceurs des indigènes, lc tout emprunté aux meilleurs ouvrages
traitant des grandes possessions néerlandaises."
{Revue Bibl. Beige)                                                                       I).
-ocr page 3-
;r«Nxfi
NEDERLANDSCH
Vak 134
,3
OOST- EN WEST-lNDIÉ,
TEN DIENSTE VAN HET ONDERWIJS
DOOR
P
ITTON
•>
Leeraar aan de Rijks Hoogere Burgerschool te Assen.
DERDE DRUK.         |
te~~ •
^Eibiiotiioca
Conventus .
•"••» |^J .\' , Tij
Woerdensts.!
v
WIJ
D
P. NOORDHOFF. — 1893. — GRONINGEN.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
VOORBERICHT VAN DEN EERSTEN DRUK.
Gelijk in het Voorbericht van het „Beknopt Leerboek der Aard-
rij ks kunde\'1\'\' door den ondergeteekende werd gezegd, is het volgens
zijne meening wenschelijk de Koloniën en Bezittingen a/zonderlijk en
meer uitvoerig te behandelen.
De belangstelling in en de kennis van die streken, welke met
ons vaderland in zoo menig opzicht nauw verbonden zijn, moet zoo-
veel mogelijk worden bevorderd. Daartoe kan ook een afzonderlijk
leerboek op de school medewerken.
Door aanhalingen uit de beste reisbeschrijvingen is hier en daar
getracht de voorstelling levendig te maken. Ik geloof, dat die manier
heilzaam werkt niet slechts voor het oogenblik van \'t lesuur, maar
ook ter opwekking en verdere belangstelling in \'t vervolg.
Bij de samenstelling ontving de ondergeteekende menigen nuttigen
wenk van den Heer
A. W. Stellwagen , leeraar aan het gymnasium
alhier, wien de ondergeteekende daarvoor erkentelijk is.
Den Haag , Januari 1886.                                                      A.
VAN DEN TWEEDEN DRUK.
Een driejarig gebruik van hei leerboekje schonk gelegenheid
enkele zaken te wijzigen, waarbij ook met erkentelijkheid partij
werd getrokken van opmerkingen van anderen.
Bevestigd werd ondergeteekende in zijne meening — tegenover
die, uitgedrukt in het Verslag van het Aardrijkskundig Genootschap,
Jaargang
1886, bh. 430 e. v. —, dat in een werkje als \'t hier aan-
gebodene, geene uitvoerige orographische en geologische beschouwingen
thuis behooren. Het is hier de plaats niet, dit gevoelen nader toe
-ocr page 6-
te lichten; wij hopen echter, dat steeds meer de belangstelling in de
koloniën zal toenemen, vooral bij het jonge geslacht en hiertoe is
—
naast noodzakelijke topographische kennis, die bij voorkeur verworven
moest worden van de menigvuldige goede kaarten onzer dagen
—,
het bespreken van toestanden van \'t volk, in verband met de natuur
der woonplaats, zeker \'t meest geschikt.
Den Haag , April 1889.                                                         A.
VAN DEN DERDEN DRUK.
Het is een gelukkig feit, dat in de laatste jaren onze rijke be-
zittingen in Azië en Amerika in ruimeren kring belangstelling
wekken ; is dit misschien ten deele een gevolg van meerdere bekendheid
met die landen, omgekeerd valt zeker daardoor bij \'t onderwijs in de
Aardrijkskunde meer en meer eene opzettelijke en wat uitvoerige
behandeling aan Oost- en West-Indië ten deel. Een
gelukkig feit,
want niet alleen is de schoone en rijke natuur dier verre gewesten
ruimschoots eene kennismaking waard, eene meer algemeene bekend-
heid met ons uitgestrekt koloniaal gebied is tevens de beste waarborg
voor \'t behoud dier rijke bezittingen ook in de toekomst.
Het komt ons voor, dat inderdaad bij V onderwijs in aardrijks-
kunde, na en naast het moederland, gerust eene vrij ruime plaats
mag worden toegewezen aan eene behandeling van Oost- en West-Indië ,
aan de hand ook van een der vele in de laatste jaren verschenen
schooluitgaven.
Deze derde druk is herzien en tevens verfrischt door hier en
daar eene nieuwe schets in te lasschen, terwijl aan \'t slot van het
werkje eenige illustraties zijn toegevoegd.
Assen, Juni 1893.                                                                 A.
-ocr page 7-
HOOFDSTUK I.
§ 1. Ligging van den Oost-Indischen Archipel.
De Oost-Indische Archipel is gelegen ten Zuidoosten van Azië en
ten Noordwesten van Australië en kan beschouwd worden als eene
eilandenbrug tusschen deze beide werelddeelen.
In ligging gelijk in andere opzichten (klimaat, flora, fauna, bevol-
king) vormt deze eilanden wereld een overgang, die in het Westelijk,
grooter en belangrijker deel meer aan Azië herinnert, in het Oosten
meer punten van overeeenkomst met Australië vertoont.
De nabijheid van Azië was van veel meer belang dan die van
Australië: in \'t Zuiden en \'t Oosten van Azië woonden volken met
eeuwenoude beschaving, en deze volken — Indiërs en Chineezen —
stuurden weldra hunne kolonisten naar onderscheiden punten van
\'t uitgestrekte gebied, waar de tropische zon een rijkdom van pro-
ducten kan geven en waar zee en land in oneindige afwisseling tot
handel en verkeer uitlokken.
Australië\'s nabijheid kreeg eerst beteekenis in onze dagen, toen de
Engelsche koloniën van Nieuw-Zuid-Wales, Victoria, Queensland de
wereld door eene snelle en groote ontwikkeling gingen verbazen.
En gelijk Insulinde *) tusschen twee werelddeelen is gelegen , zoo
wordt het ook door twee oceanen ingesloten: den Grooten en den
Indischen Oceaan. De ligging in en bij den Indischen Oceaan was
altijd en is nog heden ten dage veel belangrijker dan die ten op-
zichte van den Grooten Oceaan.
Ten opzichte van de Europeesche wereld kan men de ligging van
Oost-Indië het best nagaan door:
*) Deze naam voor Nederl. Indië werd het eerst door Multatuli gebezigd
en is sedert algemeen geworden.
Aitton, Oost- en West-Indiè, 3e druk.                                          1
-ocr page 8-
2
a.    te letten op de hoofdwegen, die er heen leiden: de weg om
het Zuiden van Afrika, voor het eerst geopend in 1497 door Vasco
da Gama, 11 jaren nadat Bartholomeo Diaz de Kaap had omgezeild;
en die om het Zuiden van Amerika, door de straat van ....
(tusschen het vasteland en den Archipel van Vuurland), voor het
eerst gevolgd in 1519, door Magelhaens. De eerste weg draagt in de
geschiedenis der ontdekkingsreizen den naam van Zuidoost-passage ,
de tweede dien van Zuidwest-passage; langs beide wegen is de afstand
ongeveer even groot en vordert voor zeilschepen eene reis van ±
90 dagen.
In onze dagen is die groote afstand aanzienlijk verminderd: de
doorgraving van de landengte van Suez (het kanaal werd geopend
in Nov. 1869) heeft den Zuidoostelijken weg voor stoomschepen tot
nauwelijks de helft van den bovengenoemden tijd verkort.
Ook langs de tweede opgegeven richting zal de verbinding tusschen
Europa en Indië aanmerkelijk versneld zijn, als een Panama- of
Nicaragua-V.ax^aa\\ den Atlantischen met den Grooten Oceaan verbindt.
b.     door het verschil in geographische lengte (afstand in graden
tot den i,n meridiaan) na te gaan tusschen eene plaats in West-
Europa , b. v. Amsterdam en het middelpunt van den Archipel ,
b. v. Batavia.
Opgaven :
1.   Bepaal van de kaart , dat verschil in lengte en bereken
daaruit het tijdsverschil tusschen Amsterdam en Batavia.
2.   Geef het verschil in lengte en in tijd op tusschen het
Westen en het Oosten van den Archipel, b.v. voor
Kota-Radja en Ambon.
3.   Bepaal de breedte van de steden: Manila (Philippijnen),
Pontianak (hoofdstad van Borneo\'s Westerafdeeling),
Batavia en Koepang (Timor).
§ 2. Uitgestrektheid van den Archipel.
Binnen de boven opgegeven grenzen beslaan land en water eene
gezamenlijke oppervlakte, welke |- van die van Europa bedraagt.
De oppervlakte van de gezamenlijke eilanden is ± óomaal die van
Nederland of 4maal Frankrijk.
-ocr page 9-
3
De vele honderden grootere en kleinere eilanden kan men naar
de ligging onder de volgende indeeling brengen :
I.    De groote Soenda-eilanden :
Borneo ca. 22 maal Nederland ,
Sumatra ca. 13 „
           ,, ,
Celebes C. 5^ „                     ,
Java (met Madoera) 4 maal Nederland.
Tot elk van deze eilanden worden de onmiddelijk daarbij liggende
kleine eilandjes gerekend ; het aantal van deze is zeer groot; deels
zijn zij van alluvialen oorsprong , deels van Neptunische , vulkanische
of nog oudere formatie; deels, in het Oosten van den Archipel, ook
door koraalvorming ontstaan.
Het belangrijkst zijn bij Java: de Duizend Eilanden, Onrust,
Noesa Kembangan, Noesa Baroeng
, Prinsen-eiland; bij Sumatra:
Poeloe Bras (voor Atjeh) , JVias , enz. (voor de Westkust) , Banka ,
Billiton, Riouw-archipel
, Bengkalis; tusschen Java en Sumatra:
Dwars in den weg, Krakatoa (uitbarsting in 1883) enz. (De \\voor-
den Poeloe en Noesa beteekenen „eiland".)
II.    De kleine Soenda-eilanden; in eene rij van Bali tot Timor;
dit laatste is onder al de kleinere eilanden van den Archipel het
grootst en komt ongeveer met ons vaderland in grootte overeen.
III.     De Mohtkken of „Specerij-eilanden"; hieronder vat men tegen-
woordig alle eilanden samen tusschen Celebes, Timor en Nieuw-Guinea.
IV.     De Phillippijnen , waarvan de beide grootste niet veel van
Java in uitgebreidheid verschillen.
§ 3. Een groot deel van dit uitgestrekte gebied heet aan ons gezag
onderworpen , doch is feitelijk onafhankelijk; zoo de binnenlanden
van Borneo en Nieuw-Guinea, de Sultanaten in Oost-Sumatra, de
binnenlanden der Kleine Soenda-eilanden, enz. Slechts een heel
klein gedeelte is ook in naam nog onafhankelijk: het rijk van den
sultan van Broenei, dat het Noordwesten van Borneo inneemt; een
deel der Batak-landen (in de bovenlanden van N.-Sumatra) en
\'t grootste deel van \'t daaraan grenzende Atjeh.
Voor \'t overige behooren al die landen , in naam of inderdaad,
aan Europeesche staten.
Nederland gebiedt over eene oppervlakte, somaal zoo groot als
het moederland. Niet-Nederlandsch zijn :
1*
-ocr page 10-
4
i. De Philippijnen, Spaansch (naar Philips II genoemd); vrucht-
bare eilanden , waarvan het voornaamste Manila of Luzon. Dit eiland ,
van de grootte van Java, behoort tot de schoonste tropenlanden,
maar er is lang niet genoeg partij van de rijke natuur getrokken ;
de hoofdproducten zijn : tabak , rijst en manila-hennep; van dit laatste
artikel — de vezels van den stam van eene wilde pisang-soort, waar-
van fijne weefsels worden gemaakt — heeft de gemiddelde jaarlijksche
uitvoer eene waarde van wel f 25.000.000; naar Engeland gaat |,
naar de Vereenigde Staten \\ van al deze vezelstof. De hoofdstad,
Manila, voor eenige jaren door eene aardbeving gedeeltelijk verwoest,
kan in vele opzichten met Batavia wedijveren en telt, met de voor-
steden , bijna 200.000 inwoners; zij wordt geregeld door stoomschepen
bezocht.
De geheele Spaansche bezitting vormt een Kapitein-Generaalschap ,
waartoe de Spanjaarden ook de Carolinen rekenen, over welke
eilanden in 1885 moeilijkheden waren gerezen tusschen Spanje en
Duitschland.
De bevolking van de Philippijnen bestaat vooreerst uit de inboor-
lingen van Maleisch ras , de Tagala\'s, door de Spanjaarden los Indios
genoemd ; verder de blanken , hoofdzakelijk Spanjaarden ; vrij talrijke
kleurlingen, wel eens „mestiezen" geheeten; eindelijk talrijke Chineezen.
2.    Van de vroeger zoo uitgestrekte bezittingen heeft Portugal alleen
over: de helft van Timor en het eilandje Kambing, belangrijk omdat
de bodem er koper bevat. Hoofdplaats van het deel der Portu-
geezen is het onbeduidende Dehli (Delli).
3.     Engelsen : aan de straat van Malakka eenige punten , waaronder
twee belangrijke havenplaatsen: Singapore en Penang.
Het eiland Labocan , in 1848 door den Sultan van Broenei afge-
staan. Engeland meende het als eene gewichtige handelsplaats te
kunnen beschouwen (aan den weg van Singapore naar Hongkong) en
richtte er een kolenstation op. Maar aan die verwachting heeft deze
Kroon-kolonie niet beantwoord , \'t eenige gewicht bestaat in de ligging
tegenover Broenei en de mogelijkheid door \'t bezit van Laboean in
den Sultans-staat invloed te krijgen (wat dan ook geschied is).
Naast deze bezittingen van vreemde Europeesche mogendheden
bestaan ook nog die van vreemde (niet-Nederlandsche) particulieren;
en wel sinds het midden van deze eeuw ten Zuiden van Broenei het
-ocr page 11-
5
rijkje van Serawak , onder de afstammelingen van den Engelschman
James Brooke (1843), die den titel van Radja voeren ; verder de
landen van eene Britsche maatschappij, de Noord-Borneo-Compagnie,
die in \'t Noorden van Borneo van den sultan van Broenei verscheiden
bezittingen heeft verkregen , belangrijk geworden vooral door tabaks-
plantages , evenals Deli op Sumatra.
Serawak , Broenei en de landen der N.-Borneo-Comp. staan sedert
1888 onder Britsch protectoraat, zoodat ook in de toekomst \'t ge-
heele N.W. des eilands aan onzen politieken invloed onttrokken blijft.
Veel is en wordt er gesproken over dergelijke pogingen ; niet dat
de Archipel geen ruimte zou aanbieden voor andere Europeanen naast
de Nederlanders , maar velen zien er gevaar in voor ons gezag en het
begin van het einde van ons bestaan als eerste koloniale mogendheid
aldaar.
§ 4. Natuurlijk is de aard van het Nederlandsch gezag in het uit-
gestrekte gebied lang niet overal dezelfde : er zijn gewesten , waar de
Nederlandsche regeering rechtstreeks haar gezag uitoefent; er zijn ook
landstreken , waar ons gezag slechts middellijk wordt erkend; en ein-
delijk zijn er ook inlandsche rijken , waarvan de vorst slechts door
tractaten aan ons is verbonden. In dergelijke tractaten is altijd eene
der hoofdbepalingen : het verbod om met eene vreemde mogendheid
te onderhandelen; verder behelzen die tractaten bepalingen ten aan-
zien van handel, eerbewijs , enz.
Staatkundig kunnen wij ons gebied dus verdeelen in:
i°. Landen onder rechtstreeksch bestuur gebracht.
2°. Leenroerige landen.
30. Bondgenootschappelijke landen.
Voorbeelden van deze categorieën zijn:
Voor 1. Java (uitgezonderd de Vorstenlanden).
„ 2. De Vorstenlanden op Java, staatjes in Z.-Celebes enz.
„ 3. De Sultanaten van Djambi, enz. in O.-Sumatra.
De indeeling van Nederlandsch Oost-Indië ten behoeve van het
bestuur , is als volgt:
I.      Java (met Madoera), verdeeld in 22 residentiën.
II.     De Buitenbezittingen, onder welken naam alle deelen buiten
Java worden samengevat.
Java is, in tegenstelling met een groot deel der Buitenbezittingen,
-ocr page 12-
6
geheel en al onder rechtstreeksch Nederl. bestuur; alleen is een schijn
van zelfstandigheid gelaten aan de vorsten van Soerakarta en Djokjo-
karta
(Solo en Djokja).
Ook in andere opzichten verschilt Java veel van de overige deelen
van Nederl. O.-Indië : Java is veel dichter bevolkt dan eenig ander
deel van Insulinde , zelfs is Java zeer dicht bevolkt; het gemiddeld
cijfer per G mijl bedraagt meer dan dat in Nederland en wedijvert
in vele streken met dat van België en Saksen. Verder is Java veel
meer dan de andere eilanden in cultuur gebracht; het is beter bekend ,
en er is veel meer partij getrokken van de rijke hulpbronnen , die de
Indische natuur in \'t algemeen aanbiedt. Eindelijk , en dit verklaart
niet het minst het grooter belang van Java : de bewoners zijn meer
dan de andere Indische volksstammen met vreemdelingen (meer spe-
ciaal de Hindoes) in aanraking gekomen en staan daardoor hooger.
§ 5. Nadere indeeling van de Buitenbezittingen
Hoofdplaatsen:
Padang.
Makasser.
Kota-Radja.
Benkoelen.
Telok-Betong.
Palembang.
Medan (vóór
1887 Bengka-
lis).
Tandjoeng Pi-
natig.
Muntok.
TandjoengPan-
dan.
Pontianak.
i. Het gouvernement van Sumatra\'s Westkust (be-
staande uit de residentiën Pada?igsche Beneden-
landen , Padangsche Bovenlanden
en Tapanoelt).
2.     Het gouvernement van Celebes en Onderhoorig-
heden.
3.                           „                     Atjeh en Onderhoorig-
heden.
4.     De residentie                    Benkoelen.
5.                ,,                              Lampongsche districten.
6.                „                              Palembang.
7.                „                               Sumatra\'s Oostkust.
8.               ,,                               Riouw en Onderhoorig-
heden.
Banka (Bangka).
Billiton (Blitoeng).
Wester-af deeling van
Borneo.
1 o. assistent-residen tie
11. De residentie
-ocr page 13-
7
Hoofdplaatsen:
12.
De residentie
Znider- en Ooster-afdee-
ling van Borneo. Banjermassin
I3-
n
Menado. Menado.
14.
11
Temate. Ter na te.
I5-
M
Amboina. Amboina.
16.
11
Ti/nor en Onderhoorig-
heden. Koepang.
17.              „                           Bali en Lombok.               Boeleleng.
In het geheel bestaan de Buitenbezittingen dus administratief uit
17 gewesten en wel:
3 gouvernementen (waarvan één op dit oogenblik nog onder mili-
tair gezag) ,
13 residenties ,
1 assistent-residentie.
-ocr page 14-
HOOFDSTUK II.
§ 6. Bodem en Rivieren, in het bijzonder van Java.
De bodem van Java bestaat slechts voor 1 uit laagland.
Dit laagland ligt vooral aan de Noordzijde: een vlakke kustzoom
van ongelijke, dikwijls aanzienlijke breedte, op vele plaatsen moe-
rassig, terwijl tot ver in zee zandbanken zich uitstrekken, die het
bereiken , zelfs van de havens der grootere steden , bemoeilijken. Niet
dan met groote geldelijke opofferingen bezit Batavia dan ook thans
eene uitstekende , door de kunst aangelegde haven, Tandjong Priok,
door een spoorweg met de hoofdstad verbonden. En zoo moet nog
de haven van Soerabaia met groote kosten open gehouden worden.
Aan deze Noordkust bevinden zich hier en daar groote wouden,
vooral van palmen en rhizophoren , d. i. worteldragers {mangrove, in
Amerika ook wel „oesterboom" genoemd); bij de laatste verheft de
stam zich op wortels, die boven den grond groeien.
De aanslibbing wordt door deze rizophoren belangrijk bevorderd,
want het slijk wordt tegengehouden. De kust neemt dan ook jaar-
lijks eenige voeten in uitgestrektheid toe; men heeft berekend , dat
sedert de komst der Hollanders bij Batavia de jaarlijksche aanwas
meer dan 6 M. bedragen heeft, terwijl het alluvium bij Batavia volgens
boring reeds eene diepte van meer dan 6o M. heeft bereikt.
Nog in historische tijden was Djapara een eiland , bestaande uit
den berg Moer ia; dit kan men nog zien aan de breede , alluviale
vlakte, die zich in het zuiden om zijn voet slingert; die vlakte is
grootendeels van gelijke hoogte als de zeespiegel en zeer moerassig
(de „Groote Rawa"). De tijd schijnt niet ver meer, dat ook Madoera
een schiereiland van Java zal zijn , want het Nauw is ondiep en de
Solo- en Kedirie-nviexen voeren verbazend veel slib aan.
Aan Java\'s Zuidkust wisselen kalkrotsen, duinen en strandvlakten af.
*k van Java is hoog land, voor een groot deel van Neptunische
-ocr page 15-
9
formatie (door de zee gevormd); vooral aan de zuidzijde van het
eiland verheffen zich gebergten van kalksteen. Meer naar \'t Noorden,
door \'t midden des eilands, loopt een vulkanen-gordel, met hier en
daar eene hoogvlakte : deze plateau\'s behooren tot de meest gezochte
streken , daar zij , door de hoogere ligging , uit den aard der zaak
een gezond klimaat hebben. Zoo de plateau\'s van Bandoeng en van
Garoet in West-Java (Preanger); dat van Malang in Oost-Java ; vlakten
van 600 a 1500 M. hoogte, omringd door en be et met vulkanen.
Tusschen den verticalen vorm van West- en Oost-Java bestaat
verschil: W.-Java heeft meer samenhangend bergland, vooral in de
Preanger; Midden- en O.-Java alleen staande bergen of berggroepen
met daartusschen kleinere vlakten , waarvan sommige nauwelijks 50 M.
boven den zeespiegel. Wanneer b.v. de zeespiegel eens ± 200 M.
hooger kwam, zou van W.-Java één groot eiland overblijven , van
O.-Java daarentegen verscheidene kleinere eilanden.
Dit verschil in terreinvorm heeft invloed op de lengte en de ont-
wikkeling der rivieren.
Opgaven :
1.   In welk gedeelte van Java zijn de grootste rivieren en waar-
door komt dit ?
2.   Hoe is het te verklaren , dat aan Java\'s Noordkust veel
meer en aanzienlijker rivieren uitmonden dan aan de
Zuidzijde ?
3.   Welke beide rivieren monden aan de Zuidkust tegenover
Noesa Kembangan („bloemen-eiland") ?
4.   Welke aan de Noordkust tegenover Madoera?
5.   Welke rivier neemt de Solo op bij Ngawit
Het aantal kleine rivieren op Java is verbazend groot: aan de
Noordkust monden er honderden. De meeste hebben een zeer snellen
loop, doordat het verval zoo groot is ; slechts enkele zijn bevaarbaar
en dan nog alleen voor prauwen. Zij voeren heel veel water af en
in den regentijd (een bepaald gedeelte van het jaar) veroorzaken zij
dikwijls overstroomingen , banjirs , waarbij somtijds de rivier in woest
bruisenden loop eene geheele streek verwoest. Maar hier staat tegen-
over, dat zij den landman het noodige water geven om zijne sawahs
te bevochtigen.
                                          _____
Gelijk gezegd, zijn de gebe-gtên van Java aeels vulkanisch, deels
Conventus
WoerdenBis.
-A
-ocr page 16-
10
bestaan zij uit kalk- en zandges teenten en zijn dus als zoodanig onder
den invloed van de zee gevormd {Neptwiische gesteenten).
In de kalkgebergten zijn grotten en holen; eene zeer bekende
„druipsteengrot" is de zoogenaamde Steenen Moskee op Noesa Kem-
bangan,
waar zich veel nesten van klipzwaluwen of salanganen bevinden.
Deze nestjes worden met levensgevaar ingezameld (o. a. bij Rongkop
en Karang-boleng) en zijn een handelsartikel, vooral voor den uit-
voer naar China.
Over deze vogelnesten bij Van Rees, „Herinneringen van een
Indisch-Officier" :
„Het gebergte aan de Zuidzijde van Karang Boleng zal zich ongeveer
vijfhonderd voeten boven den waterspiegel verheffen. Loodrecht, neen meer
dan loodrecht, gaat de bergwand voor uwe voeten naar beneden; meer dan
loodrecht, want wanneer gij behoedzaam tot den uitersten rand zijt gekropen
en niet zonder te ijzen uw hoofd over den duizelingwekkenden afgrond
buigt, zoekt uw oog tevergeefs naar den voet der rots. Die ontzaglijke
steenmassa met goudgele bouwvelden, die gij straks doorliept, vormt een
ondermijnd geheel, dat eenmaal een prooi der golven zal worden. Sedert
eeuwen beukt de zee met afwisselend geweld dat ijzervaste rotsgevaarte,
doet het splijten en scheuren, vormt er holen en grotten, arbeidt langzaam
en rusteloos voort aan haar vernielingswerk en verzwelgt nu en dan een
losgelaten brok.
Boven dien kokenden en schuimenden afgrond, in die spleten en scheu-
ren, bouwen duizenden kleine zwaluwen hunne nesten, naar men beweert
van eene lijmachtige zelfstandigheid , die zij in hun krop uit insecten berei-
den. Voordat die nesten bevolkt zijn , komt de Javaan en plukt ze af.
Hij hecht een rotanladder van honderden voeten lengte aan een boom
dicht aan den rand des afgronds en laat dien langs de rots vrij uithangen
Voorzien van een zak en van eene speer met weerhaak gaat hij de ladder
af. Uwe haren rijzen te berge, als gij hem bij elke sport, die hij lager
komt, steeds meer ziet slingeren; maar nog vermeerdert uwe ontzetting,
als gij hem nastaart. Tweehonderd schreden is hij reeds gedaald; meeren
meer neemt de slingering toe; slechts bij tusschenpoozen kunt gij u over-
tuigen , dat hij zich nog op de ladder bevindt. Eindelijk ziet ge hem niet
meer verschijnen; hij is verloren! . . . Integendeel, hij staat op vasten
bodem. Van de laatste slingering gebruik makende , is hij op een rotspunt
overgesprongen en dringt nu, altijd met de schuimende branding nog diep,
diep onder zich, langs een zwakke bamboe-stelling in een wijde sleuf
of grot.
Vroeger heeft hij, niet zonder doodsgevaar, zich daar een stelling weten
,\\
-ocr page 17-
Il
te bouwen; \'t is zeer mogelijk, dat die thans niet meer in staat is het ge-
wicht zijns lichaams te dragen, maar de opium van gisteren werkt nog en
de Ratoe Kidoel (eene godin van Java\'s Zuiderkust) beschermt hem. Hij
steekt met zijn speer de pas voltooide nestjes van de wanden en bergt ze
in zijn zak. Reeds is zijn voorraad aanzienlijk, maar hij daalt nog meer af,
tot hij geheel gehuld wordt in de wolken schuim, die voortdurend uit de
kokende en sissende branding opstijgen, \'t Gelukt hem in eene grot te
dringen , die nu en dan door eene vervaarlijke golf met donderend geweld
geheel gesloten wordt; in die hachelijke oogenblikken klemt hij zich kramp-
achtig aan den wand. Is het gevaar voorbij, heeft hij de nestjes in zijn
bereik geplukt, dan tracht hij zijn ladder weder te bereiken.
Velen zijn er, die nooit weer boven komen, de branding smoort het hulp-
geschrei en de noodkreten der verongelukten en maakt den doodstrijd kort.
Alleen Ratoe Kidoel weet, hoe zij omkwamen; Ratoe Kidoel zal voor hun
toekomstig geluk zorg dragen."
Over \'t geheel naderen de gebergten de Zuidkust, waardoor deze
doorgaans steil is en betere havens vormt (Tjilatjap en Patjitaii)
dan aan de Noordzijde van het land kunnen voorkomen.
§ 7. Het vulkanisme op Java openbaart zich vooreerst in het groot
aantal vuurspuwende bergen {goenong api, d. i. vuurberg); sommige
zijn of heeten rustend, uitgebrand, andere zijn nog werkend. Die
vulkanen verheffen zich voor \'t meerendeel in de richting van \'t Wes-
ten naar \'t Oosten, dus langs de as van het eiland. Wij noemen
hier slechts : de Salak en de Gedeh in West-, de Merapi in Midden-
en de Tengger en de Smeroe in Oost-Java. Opvallend is de rijke
plantbekleeding: een dichte mantel van bosch bedekt doorgaans alle
hellingen.
Java\'s vuurbergen maken een deel uit van den grooten vulkanen-
gordel , welke reeds op Kamsjatka begint, over een krans van eilanden
de geheele Oostkust van Azië volgt en door den Indischen Archipel
ombuigt, om eerst op \'t vastland van Achter-Indie (Birma) te eindigen.
Wel 150 vulkanen zijn er in Insulinde, waarvan alleen op Java
meer dan 40 en onder welke verscheidene nog werkend zijn; de
aanzienlijkste bereiken eene hoogte van 3 h. 4000 M.; sommige zijn
zeer regelmatig kegelvormig, met steilen top , moeilijk te bestijgen;
slechts enkele paden , door de rhinocerossen in \'t dichte bosch ge-
maakt , leiden naar boven. Andere, b.v. de Slamat (op de grens
van . . . . en . . . . ), zijn tot de hoogte van een paar duizend M.
-ocr page 18-
12
met ondoordringbaar woud bedekt en vertoonen daarna niets dan
kale rotsen met talrijke spleten. De Goentoer (res.....) is geheel
kaal; hij werp steeds zand, asch en steenen uit. De afwezigheid van
geboomte geeft doorgaans aanleiding tot gebrek aan water.
De werkzaamheid van een vulkaan openbaart zich vooreerst in
onderaardsch gerommel, soms gepaard met harde knallen ; verder in
damp-ontwikkeling (vooral waterdamp , zwaveldampen , enz.) , hooge
rookkolommen en vuur ; aschregen ; instortingen , b. v. van den krater-
rand ; vorming van nieuwe kegels en kraters. Zoo kan de berg zijne
gedaante veranderen, gelijk b. v. de Tengger: de kraterbodem van
dezen berg is een der grootste der wereld , met eene middellijn van
ruim 6000 M.; de bodem bestaat uit grijs zand , de Zandzee, en uit
het midden van deze zandzee verheffen zich de nieuwe vulkaan-kegels,
die zich daar gevormd hebben , o.a. de nog steeds werkzame Bromo.
Tot de geweldigste uitbarstingen in den Indischen Archipel behoort,
naast die van Krakatoa (G. Rakata; 1883), die van den Tambora
(KI. Soenda-eil.) in 1815 , welke de grootste verwoestingen aanrichtte
onder menschen en dieren , vooral paarden (die voor een groot deel
den rijkdom van Soembawa uitmaken); de asch viel tot bij Benkoelen,
Pontianak , Celebes; de geheele Archipel schudde weken lang.
Zware bewolking belet vaak de waarneming der uitbarstingen;
dichte nevels omgeven den berg, terwijl heftige regens het beklimmen
onmogelijk maken.
Voor de kennis van de geologie van den Indischen Archipel in
\'t algemeen en van Java\'s vulkanen in \'t bijzonder was tot voor
weinige jaren de beroemde Duitscher Junghuhn onze voornaamste
bron; hij bereisde en onderzocht geheel Java en gaf van de vulkanen
eene uitvoerige beschrijving. In den lateren tijd werden belangrijke
onderzoekingen gedaan door de mijningenieurs. Zoo verscheen over
de uitbarsting van Krakatoa \'een werk van den hoofdingenieur van
\'t N. I. mijnwezen , Verbeek.
Ook toonen herhaaldelijk voorkomende aardbevingen , waarvoor de
inlanders eene bijgeloovige vrees koesteren , hoe zeer de onderaardsche
krachten in Insulinde werken. De bodem is daarbij of in golvende,
öf in schokkende beweging; aan zeekusten ontstaan hooge vloedgolven;
de beweging duurt doorgaans slechts eenige seconden , doch verschil-
lende schokken volgen op elkaar, muren scheuren, huizen storten in,
boomen slaan tegen den grond.
-ocr page 19-
r3
Op onderscheiden plaatsen bevinden zich zoogenaamde modderbromien
of slijkvulkaven; bij Koewoe in de residentie Semarang , op Kam-
bing, in de Minahassa , enz. Het zijn heuveltjes, 5 tot 10 M. hoog;
uit eene opening stijgt ongeveer elke minuut eene gasbel op , die met
een doffen knal uiteenspat en daarbij een zoutachtig slijk achterlaat.
Van Hoëvell deelt in zijn „Reis over Java, Madoera en Bali" het
volgende over het merkwaardige verschijnsel bij Koewoe mede :
„Toen wij te Koewoe aankwamen , stond ik verbaasd bij den aanblik van
een natuurtooneel, hetwelk niet kan missen op eiken beschouwer een diepen
indruk te maken. Verbeeldt u eene uitgestrekte vlakte , een halve paal lang
en breed, iets hooger dan het omliggende landschap, maar waarop gij niets
ontwaart dan de grijze kleur van weeken modder. Hier en daar ziet gij
grootere en kleinere wellen uit dien altijd kokenden grond onophoudelijk
opstuiven; maar vooral trekken twee plaatsen uwe aandacht, op een honderd
passen afstands van elkander verwijderd , waar de modder met kracht eenige
voeten naar boven wordt gedreven , met een donderend geweld weer neer-
ploft en in den regentijd somtijds tot eene hoogte van twintig voet opspringt.
Nu en dan ziet gij de gansche oppervlakte vóór u op en neer rijzen, al
hooger en hooger, tot zij, in de twee brandpunten, met een doffen slag
uiteenbarst en in het rond spat. Met behulp van op den weeken grond
gelegde bamboezen vlotten en bruggen gaan wij een eind ver deze vlakte
in. Overal rondom u , tot bij uwe voeten , rijst de bodem op en neer. Gij
nadert eene der twee hoofdwellen tot op eenen afstand, waar de langste
bamboe geheel in den grond kan worden geduwd ; als eene zee wordt de
bodem , waarop gij u bevindt, bewogen, al heviger en heviger, daar verheft
zich de reusachtige kolom modder, spat uiteen en verspreidt een sterken
zwavelrook in de rondte. De eene ontploffing volgt op de andere, soms
sterker, soms zwakker, doch zonder lange tusschenpoozen. In weerwil van
den damp en den rook , die deze ontploffingen verspreiden, houdt de modder
steeds haar gewone temperatuur. Een inlander kroop op handen en voeten
nog dichter naar de wel, maar begon te zinken, zoodra hij zich maar een
oogen blik stil hield of rustte en op een afstand van twintig pas kon hij
niet verder. De kracht dezer wellen, ofschoon nog zeer belangrijk, schijnt
in de laatste jaren aanmerkelijk te zijn afgenomen, daar men verhaalde,
dat de slagen der ontploffingen vroeger tot op een afstand van negen palen
konden gehoord worden."
Op eenvoudige wijze worden hier uit het modderwater belangrijke
hoeveelheden zout gewonnen , „aangemaakt" zooals het heet (jaarlijks
± 12.000 pikols; 1 pikol = 6if K.G.).
-ocr page 20-
\'4
Bij andere gasbronnen stijgt soms een brandbaar gas op , zooals
bij Demak (res. Semarang) , waaraan de inlanders den naam van het
„Eeuwige vuur" gegeven hebben ; dikwijls ook koolzuur , gelijk bij de
zoogenaamde „stikvalleien", o. a. het ten onrechte beruchte Doodendal
(in het Dieng-gebergte; res. Banjoemas). Talrijk eindelijk zijn op
Java, en ook wel op verscheidene andere plaatsen in den Archipel,
mitierale bronnen, waar de inlanders vaak genezing komen zoeken.
§ 8. Bodem van de Buitenbezittingen.
Voor zooverre de kleine eilanden betreft, is de bodem over het
geheel bergachtig, vulkanisch.
De groote eilanden vertoonen naast bergkctens groote laagvlakten ,
door talrijke en breede rivieren besproeid.
Op Sumatra loopt eene keten , Boekit Barisan, d. i. „ketengebergte",
over de geheele lengte van het eiland , van \'t Noordwesten naar
\'t Zuidoosten , dicht langs de Westkust. Hier en daar liggen moerassen
tusschen de zee en \'t gebergte; verder sawa\'s, dorpen enz. Ver-
scheidene vulkanen verheffen zich ook hier op eene rij : de Keizers-
piek , de Dempo , de Merapi, de Ophir enz. Op een paar plaatsen
bestaat het gebergte uit dubbele ketens en worden ook plateau\'s ge-
vormd, waaraan Sumatra rijker is dan eenig ander eiland in den
Archipel: dat van Fort de Koek of Boekit Tinggi (d.i. „hooge berg")
in de Padangsche bovenlanden ; dat van Toba in de Bataklanden ,
waar een meer ligt van denzelfden naam. Ook in de Padangsche
bovenlanden liggen meren , meest kraters van uitgedoofde vuur-
spuwende bergen, en niet alleen belangrijk door hun natuurschoon,
maar ook door den vischrijkdom , o. a. het meer Singkarah.
De grootere Oostelijke helft van Sumatra bestaat uit lagere berg-
streken , heuvelland en laagland , dat met uitgestrekte moerassen in
de zee overgaat. De gebergten dalen, in tegenstelling met de Weste-
lijke zijde van het eiland, langzaam in de vlakte af; men spreekt
van de Siaksche bovenlanden , de Kwantansche , enz.
De stranden zijn moerassig , de zee is ondiep ; talrijke lage eilanden
en modderbanken liggen voor de kust; de rivieren hebben meerdere
breede monden : de rivier van Palembang of de ... is de grootste;
zij gelijkt in stroomlengte op Seine of Moezel en is tot ver in de
-ocr page 21-
i5
binnenlanden bevaarbaar; met deze heeft de Djambl het aanzienlijkst
stroomgebied, grooter zelfs dan dat van de veel langere Borneosche
rivieren.
Ook de andere rivieren , die naar de Oostkust stroomen — geef
de namen van de kaart op
—, zijn dagreizen ver bevaarbaar voor
groote prauwen en zelfs stoombooten : zij kunnen meer beteekenis
krijgen, als de bevolking in de bovenlanden voortgaat zich onder
ons gezag te stellen en onder onzen invloed aldaar veiligheid , cul-
tuur en handel toenemen.
Doch de monden zijn ondiep, vol modder en uren ver in zee
strekken zich de banken uit, terwijl \'t land met moerassige wouden
is bedekt. Daardoor zijn er alleen onaanzienlijke kampongs en ves-
tigingen van Chineezen, die de boschproducten van de inlanders
opkoopen ; voorts visschers.
Anders is het in \'t Noorden : daar heeft de cultuur de streek tot
ontwikkeling gebracht.
De Westkust, in tegenstelling met de Oostkust, heeft goede havens
en ruime baaien; het belangrijkst zijn voor ons Padahg en Benkoelen.
De gemeenschap van de kust met de binnenlanden is echter zeer
moeilijk. Thans leidt van Padang naar de bovenlanden de spoorweg
door de Kloof (het dal van de Anefi).
Tot de schitterendste krijgsbedrijven uit onze Indische geschiedenis
behooren dan ook zeker die, vereischt voor de onderwerping der
Padangsche Bovenlanden (o. a. de expeditie naar Bondjol).
Onze kennis van de bovenlanden van Midden-Sumatra dagteekent
vooral van de Sumatra-expeditie van 1877 (Schouw Santvoort, Veth e.a.).
Sedert dien tijd hadden verscheiden onderzoekingen plaats, in verband
met plannen tot spoorweg-aanleg en ontginning van de steenkoolbed-
dingen bij de Ombilien-rivier, waarmede thans een aanvang is gemaakt
(1893).
Sumatra behoeft noch in natuurschoon noch in rijkdom voor Java
onder te doen; op Java heeft het bovendien een schat van mineralen
voor (steenkolen , goud, zilver), zoodat door velen Sumatra als het
„land der toekomst" voor Indie wordt genoemd.
De bodem van Borneo is nog niet nau wkeurig in teekening gebracht;
de binnenlanden zijn bergachtig; in verschillende richtingen strekken
zich hooge en lange bergketens uit. Voor een groot deel zijn ook deze
-ocr page 22-
i6
gebergten van Neptunische formatie. Vermeldenswaardig is eene ka!k-
steengrot aan de Oostkust, waar eene 3 uur gaans lange natuurlijke
tunnel door de kalkrotsen loopt, de verblijfplaats van ontelbare zwaluwen.
Tusschen de bergketens liggen vlakten , gevormd en besproeid door
groote stroomstelsels ; in \'t kustgebied zijn die vlakten moerassig , in
den regentijd zelfs met talrijke groote , ondiepe meren. Langs andere
gedeelten der kust liggen duinen, door den Z.O.-moesson gevormd;
bij de inlanders heeten zij „bepak bapoelih", d. i. „witte plek\'\'. De
rivieren hebben in haar langen benedenloop hetzelfde karakter als die
aan Sumatra\'s Oostkust , maar zij nemen lang niet zooveel zijrivieren
op als deze ; de monden zijn breed en ondiep ; stroomsplitsingen wor-
den gevormd en zelfs bifurcaties (twee hoofdrivieren met eene gemeen-
schappelijke bijrivier); voor de monden liggen groote zandbanken. Aan-
zienlijke gedeelten van de rivieren zijn bevaarbaar voor groote prauwen,
zelfs voor stoombooten van geen te grooten diepgang; dagreizen ver,
tot diep in de binnenlanden; en zelfs de meeste zijtakken zouden
groote diensten kunnen bewijzen , zoo van de rijkdommen des lands
partij werd getrokken.
Opmerkelijk is de gewoonte van de inlanders om de benamingen
van „rechter" en „linker" oever bij de rivieren juist andersom toe te
passen, als wij dat gewoon zijn (de rivieren worden gerekend aan
hare mondingen te beginnen).
In West-Borneo is de hoofdrivier die van Pontianak of de.... ;
in Z.O.-Borneo die van Banjermasin of de . . . . ; in het Oostelijk
kustgebied de rivier van Koetei (Mahakan). Wellicht komen deze
rivieren in stroomlengte den Rijn nabij.
Celebes is in de binnenlanden zeer bergachtig, slechts hier en
daar zijn lage kustlanden. De aanzienlijkste rivier is de Sadang.
Groote meren kent de Archipel niet; aan de kusten zijn op vele
plaatsen de reeds genoemde Moerasmeren, vooral op Borneo.
Slechts enkele kleine meren treffen wij in de gebergten aan, zooals
de op Sumatra genoemde , wellicht zoo groot als vroeger ons Haar-
lemmermeer ; het schoone en vischrijke meer van Tondano in N.-Celebes.
§ 9. Het Klimaat.
De eigenschappen, waardoor het klimaat in Indie zich kenmerkend
van dat in ons vaderland onderscheidt , zijn :
-ocr page 23-
17
I. De hooge temperatuur, als gevolg van de ligging aan weers-
zijden van den evenaar. Deze warmtegraad verschilt in de onder-
scheiden maanden des jaars weinig (zie fig.): de zon schiet altijd
Graden Celsius.
R b*K*
^w
b*>
• v
\\L
i
\'V
\\*
f~
1 "V
/
*S
/
\\
f
\\
J
\\
f
y
/
\\
i
\\
/
\\
/
\\
/
\\
/
\\
/
\\
/
\\
/
s
/
\\
/
V
••
10
§ & £ % s §
~ - O 4>
3
< «35 o £ q
Gang van de normale temperatuur te Utrecht en te Batavia. Door twee
kruisjes is de gemiddelde jaarlijksche temperatuur voor beide plaatsen aan-
gewezen; voor Batavia 2S°,92 en voor Utrecht 9°.gi C.\').
*) De hier opgegeven cijfers voor Utrecht zijn genomen naar de uit-
komsten der waarnemingen gedaan aan het Kon. Ned. Meteorologisch
Observatorium aldaar; voor Batavia naar die aan het Instituut aldaar.
Aitton,-Oöj/- en West-IndU\', 3e druk.                                           \'2
-ocr page 24-
iS
hare stralen onder een bijna rechten hoek op Insulinde, zoowel in
ons zomerhalfjaar, wanneer zij boven den Noorderkeerkring , als in
ons winterhalfjaar, wanneer zij boven den Zuiderkeerkring staat.
Wel echter verschilt de temperatuur van den nacht veel van die
van den dag: ook de Indische nachten kunnen zeer koud zijn, vooral
in de binnenlanden. (Waardoor in de kuststreken minder?)
Dag en nacht duren in Indië bijna even lang; de schemering duurt
veel korter dan bij ons; hoogstens drie kwartier, dus de dag volgt
spoedig op den nacht en omgekeerd.
2. De groote hoeveelheid regen en vooral de wijze, waarop deze
over de tijden van het jaar is verdeeld.
Niet zooals bij ons vormt in Indië de meerdere of mindere warmte
het voornaamste onderscheid tusschen de jaargetijden; dit zou vol-
gens het reeds meegedeelde niet kunnen, daar de temperatuur in
\'t geheele jaar ongeveer gelijk is. Men onderscheidt er dan ook niet
vier, maar slechts twee jaargetijden, den natten en den drogen moe-
son.
„Moeson" (naar een Arabisch woord, dat „jaargetijde" betee-
kent) is eigenlijk de naam van de winden, die gedurende het ééne
halfjaar meer uit den Westelijken, gedurende het andere halfjaar
meer uit den Oostelijken hoek waaien; deze geregeld waaiende winden
brengen in hun gevolg regen of droogte mede; vandaar, dat in Indië
jaargetijde en wind door hetzelfde woord worden uitgedrukt.
Gewoonlijk is de Oostmoeson de droge, de West- de natte moeson,
maar hierop zijn in verscheiden streken van den Archipel uitzonde-
ringen ; de vraag, welke wind regen aanbrengt, hangt ook nauw samen
met den verticalen vorm van elk eiland op zichzelf.
Als regel geeft men wel eens aan, dat in het jaargetijde, waarin
de zon haren hoogsten stand bereikt, de West- of natte moeson waait,
voor Batavia van October—April. Er bestaat echter groot verschil
ten aanzien van het intreden der moesons en nog meer tusschen
het kust- en het bergklimaat.
De maanden April en October zijn vrij algemeen de maanden van
overgang, kentering geheeten. Die kenteringen zijn gekenmerkt door
veelvuldige onweders en dikwijls hevige winden. Geldt in \'t algemeen
de tijd van den Oost-moeson voor het gezondste jaargetijde, de ken-
teringsmaanden zijn de ongezondste.
Gedurende het jaar 1890 werden geregeld regenwaarnemingen ver-
-ocr page 25-
19
richt op 104 stations op Java en Madoera en op 88 stations in de
Buitenbezittingen.
Duidelijk blijkt het, dat ook in den Oost-moeson wel regen valt,
als wij eens letten op de volgende opgaven, getrokken uit het ge-
middelde van de laatste jaren:
Waar-
Hoogste regen-
Laagste regen-
Gemiddeld
neming te
val
val
voor het jaar.
Batavia ....
Jan. 441 mM.
Aug. 38 mM.
2062 mM. 1
Buitenzorg . .
» 555 »
>i 269 „
4987 >,
Soerabaja . . .
» 34i ,,
,, 24 „
1773 »
Padang ....
Oct. 544 „
Juli 239 „
4605 „
Fort de Koek
1
,, 242 .,
» "o „
2146 „
Verder zien wij, hoe in Batavia meer dan 2000 mM. \'sjaarsvalt,
terwijl dat cijfer voor Nederland slechts 700 mM. bedraagt; te Bui-
tenzorg valt zelfs bijna 5000 mM. en nog is die regenhoeveelheid
gering, als wij daarmee de ontzettende massa\'s water vergelijken,
die in sommige plaatsen van Eng. Indië vallen, waar aan stations bij
den Himalaija meer dan 14 M. gemeten is.
Dat te Buitenzorg, 300 meter hooger dan Batavia, ruim 2 maal
zooveel regen valt als in laatstgenoemde stad, is een gevolg van den
verticalen bouw van \'t land: overal, waar gebergten de zeewinden
tot opstijgen noodzaken, is een rijke neerslag; zoo is ook het voor
Padang opgegeven cijfer verklaarbaar.
Eene regenbui in de tropen is heel wat anders als bij ons; soms
valt meer dan 300 mM. regen in één etmaal.
Over \'t geheel valt in Oost-Java minder regen dan in West- en
Midden-Java. Aan de Zuidzijde valt \'t meest in \'t gebied van Tjilatjap
(meer dan 4 M.).
De geringere regenval van Oost-Java openbaart zich nog sterker
in de Oostelijker streken van den Archipel; hier is \'t, wat men noemt
droger, doch men merke wel op, „er is geen enkel gedeelte, waar
minder dan 1 M. \'sjaars valt."
Ten aanzien van het aantal regendagen, deelen wij als voorbeel-
den mede:
2"
-ocr page 26-
20
Batavia heeft C. 140 regendagen, waarvan ± 40 in den drogen
moeson.
Buitenzorg „ „ 220 regendagen; in de maanden Juni, Juli,
Aug. en Sept. verreweg \'t minst.
Soerabaja „ ,, 120 regendagen, waarvan tusschen Mei en
Nov. slechts 7.
Om met zekerheid een oordeel uit te kunnen spreken over het
Indisch klimaat in zijne bijzonderheden , moeten nog veel meer dan
tot nu toe het geval is, waarnemingen worden gedaan ook in de
Buitenbezittingen. Te Batavia is sedert 1866 een „meteorologisch
observatorium" gevestigd en daaraan danken wij reeds talrijke belang-
rijke gegevens.
-ocr page 27-
HOOFDSTUK III.
De Plantenwereld.
§ io. In Indie, gelijk doorgaans in de tropen, heerscht een
weelderige plantengroei: de hooge temperatuur en de vochtigheid
zijn daarvan de oorzaken; de bodem werkt dien plantengroei ook in
de hand, doordat in de heete gewesten door het verrotten van planten
en de vorming van teelaarde (humus), de grond zeer vruchtbaar is.
Is in de koude landen van het hooge Noorden de mensch voor zijn
bestaan geheel afhankelijk van de dieren, die daar nog worden aan-
getroffen, en waaraan de Ijszeeën zelfs nog rijk schijnen te zijn;
hebben in de landen der gematigde luchtstreek flora en fauna voor
den bewoner gelijkelijk nut; in de heete keerkringslanden staat het
plantenrijk in beteekenis voor den mensch ver boven het dierenrijk:
het eerste verschaft hem in den ruimsten overvloed alles, wat hij
voor zijne woning, kleeding en voeding behoeft.
Daar, waar de landbouw den bodem nog niet heeft in beslag ge-
nomen , groeien ondoordringbare bosschen of uitgestrekte graswilder-
nissen; vooral is dit het geval op Sumatra en Borneo, maar toch
ook van Java is nog een groot deel met bosch bedekt, stellig meer
dan de helft.
Ten einde een geregeld overzicht van Java\'s plantenwereld te krij-
gen, kan men nog altijd Junghuhn volgen. Hij verdeelt Java, naar-
mate van de verschillende bodemhoogte, in 4 gordels of zonen,
die zich van elkander zoowel door bijzondere cultuurgewassen, als
door verschil in oorspronkelijke plantbekleeding onderscheiden.
Natuurlijk kan van plotselingen overgang geen sprake zijn, de
gordels loopen aan de grenzen ineen. In de hoogste of koudste zone
zien wij in het plantenleven het karakter, dat in vele opzichten aan
den plantengroei der gematigde luchtstreek doet denken.
-ocr page 28-
22
De eerste gordel begint aan de stranden der zee en reikt tot ±
600 M. boven den zeespiegel; hij omvat dus het kustgebied , de laag-
vlakten en de lage, breede gedeelten der zachtglooiende berghellingen,
\'t Is de heete zone, met eene gemiddelde jaar-temperatuur van 25 a
260 C.; voorts gekenmerkt door groote vochtigheid en talrijke onwe-
ders (meest \'s namiddags). Vooral in deze zone heeft de oorspron-
kelijke wildernis op veel grootere schaal dan in de hooger gelegen
gewesten voor de cultuur plaats gemaakt; daarmee in verband is dit
\'t dichtst bevolkte gebied van het eiland.
Tot de strandflora behooren vooreerst de vroeger reeds genoemde
moerassige wouden van rhizophoren en sommige palmsoorten, vooral
de nipah- of dwergpalm met zijne groote bladeren, welke tot atap
(dakbedekking) dienen. Onder de rawa-flora zijn opmerkelijk, naast
waterplanten gelijk ze ook in onze vaderlandsche plassen voorkomen,
de lotus soorten, wier fraaie bloem den inlander heilig is gelijk onder
de boomen de waringin.
Men zou dezen gordel de zone voor de rijst\' en suikercultuur
kunnen noemen: de rijst is het hoofdvoedsel van den Javaan en de
natte rijstvelden of sawa\'s zijn voor \'t grootste gedeelte in dezen gordel
gelegen; de rietsuiker, na de koffie het hoofdproduct voor de Eurc~
peesche markt, wordt uitsluitend in de heete alluviale vlakten ver-
bouwd. Daarnaast levert deze gordel andere belangrijke cultuurge-
wassen (indigo, katoen).
Hier liggen dus de bebouwde velden en ook de steden en dorpen.
Maar een zeer groot deel, stellig meer dan de helft, draagt nog
zijn oorspronkelijk plantenkleed, hetzij dan de groote, ondoordring-
bare tropische wouden, hetzij dan, waar deze door de eene of andere
omstandigheid ontbreken, uitgestrekte graswildernissen, alang alang-
velden; deze zijn de prairieön van Indie, eenzame graszeeën met
eilandjes van glagah, wild suikerriet, de geliefkoosde verblijfplaats
van de tijgers; ook groeien hier talrijke bamboesoorten.
De Bamboe is in elk opzicht de meest grootsche vertegenwoordiger van de
familie der Grassen: met hare sierlijke kronen vormt zij schoone boschjes,
waarin de halmen — van aanzienlijke dikte en 20 en meer Meters hoogte —
een fluitend geluid doen hooren, als de wind er door speelt en zij tegen
elkander schuren. Dikwijls groeien daartusschen kruipende en klimmende
Rotans, soms een enkele donker gekleurde Aren-palm.
En van onbetaalbaar nut zijn de bamboesoorten voor den inlander: de
-ocr page 29-
23
Javaan bouwt er zijne woning van, de Maleier kiest de stevige stammen
voor de masten van zijn vaartuig; in hardheid kan het soms met ijzer wed-
ijveren , zoodat \'t ook wordt gebruikt •— de stekelige bamboe-doeri — bij
den aanleg van versterkingen; talrijke voorwerpen van huiselijk gebruik
worden er van vervaardigd.
Onder den rijkdom der tropische boomvormen merken wij alleen op
de palmensoorten en de waringitis; de laatste laten uit hunne takken
luchtwortels neer, die op hunne beurt stammen worden, zoodat één
enkele waringin een bosch in \'t klein gaat vormen; zij worden veel
gebruikt tot versiering van de pleinen voor de woningen der regenten.
Gezellige wouden, uit één boomsoort bestaande, als in onze ge-
matigde gewesten, komen in Indië minder voor.
Een grootsch karakter vertoonen de Indische wouden met hun dichten
plantengroei, waartusschen slechts zelden een zonnestraal tot den bodem
doordringt. Een vochtige, koele atmosfeer heerscht hier; gedurig hoort
men water ruischen, maar krijgt dit bijna nooit te zien. .Het loofgewelf
vormt een gesloten dak, dat ternauwernood hier en daar een blik op den
blauwen hemel toelaat. Dikke lagen mos bedekken de stammen der woud-
reuzen , terwijl de takken door eene menigte varens van verschillende soor-
ten zijn omhuld. Overal maken rotan-soorten en andere lianen den door-
tocht schier onmogelijk; dikwijls zijn de stammen der boomen onder de
talrijke klimplanten ter nauwernood te herkennen. In eindelooze verschei-
denheid verheffen zich de boomen, dikwijls zeer hoog en dik, soms de
kronen rijk met bloemen gesierd.
Zoowel in den heeten gordel, als in den volgenden, den gematigden,
beslaan die oer-wouden nog groote uitgestrektheden. Vooral sedert 1870
is echter een groot deel der vroeger onafgebroken bergwouden ontgonnen:
de met eene zware humus-laag bedekte gronden werden in beslag genomen
door koffie- en kina-cultuur. Na jaren lang rijke winsten te hebben gege-
ven, geraken echter die gronden uitgeput; reeds zijn vele kofne-tuinen, uit
de eerste tijden van het cultuurstelsel, weder verlaten en is de opbrengst
in andere uiterst gering. Als eenig middel om in de toekomst hieraan
tegemoet te komen, wordt de aanleg van nieuwe wildhout-bosschen aan-
bevolen.
De djati-bosschen munten niet door natuurschoon uit; een groot
gedeelte van het jaar zijn de boomen kaal en doen aan den Euro-
peeschen winter denken; maar de deugdelijkheid van het hout (naar
den botanischen naam „tectona" wordt het in Engelsen Indië en veel
andere landen „teakhout" genoemd), waarvan men beweerde, dat het
tegen de witte mieren bestand zou zijn, heeft gemaakt, dat deze
-ocr page 30-
24
bosschen aan geregeld staatstoezicht zijn onderworpen. (De opbrengst
van het djati-hout vormt een post op de Indische begrooting.)
De tweede gordel, of de gematigde zone, reikt van ± 600 M. —
13 a 1400 M. Zij beslaat in oppervlakte nauwelijks Vso van de heete
zone en strekt zich uit langs de berghellingen en op de plateau\'s; de
gemiddelde temperatuur bedraagt 230 a 180 C., doch hier is grooter
verschil tusschen dag en nacht; hevige onweders en stortregens
heersenen.
In rijkdom van tropische wouden evenaart dit gebied het vorige:
dichte oorspronkelijke bosschen bedekken den bodem overal, waar
de mensch den grond niet in beslag heeft genomen voor de cultuur.
Met betrekking tot de cultuurgewassen kan men aan dezen gordel
den naam geven van zone der koffiecultuur. De koffietuinen maken
in sommige streken in de laatste jaren plaats voor de theeplantages ;
de thee was vroeger op Java minder belangrijk dan tegenwoordig.
Bij de dorpen groeit de kokos- en de areng-palm; tabak en djagoeng
(maïs) worden verbouwd en ook Europeesche groenten en aardappelen.
In dezen gordel, hooger nog dan de koffie-heester, groeit ook de
kinaboom (de kinacultuur is in 1854 in Nederlandsch Oostlndië inge-
voerd; het vaderland van den kinaboom ligt in de Andes van Zuid-
Amerika). De talrijke kinaplantsoenen, zoo van het gouvernement
als van particulieren, zijn vooral in de Preanger-regentschappen.
In de derde of koele zone, 1400—2500 M., is de cultuur van
minder belang; de inlander bouwt gewoonlijk zijne dorpen niet zoo
hoog. Toch bedraagt de gemiddelde temperatuur hier 180 a 13°.
\'t Gebied van deze zone omvat ongeveer \'/ïoo van den 2"" gordel,
enkele hoogvlakten en berghellingen; in \'t onderste gedeelte is de kina-
cultuur van belang; voorts tabak en Europeesche groenten. Tot de
belangrijkste streken in dezen gordel behoort het Tenggersch gebergte
in de residentie.....; hier liggen de nijvere dorpen van de „hei-
denen van het Tenggersch gebergte"; en in de residentie Kcdoe wordt
op even aanzienlijke hoogte, op het Dieng-plateau, tabak geteeld,
die voor de beste van geheel Java wordt gehouden.
Oorspronkelijke bosschen komen hier nog voor en aan ware woud-
reuzen is nog geen gebrek, maar vooral groeien hier de casuarinen
(dennen- of pijnbosschen van Java). Junghuhn en anderen vonden ook
eiken en kastanjes, maar van de Europeesche soorten onderscheiden.
-ocr page 31-
25
De vierde of koude zone omvat alleen de toppen der hoogste bergen,
Toch heeft de dampkring hier nog eene temperatuur, die weinig lager
is dan de gemiddelde warmtegraad in ons land of Noord-Duitschland:
130 a 8° C; \'s nachts daalt de thermometer soms tot onder o°;
motregen en een koude hagel vervangen hier den tropischen neerslag.
In dezen gordel treffen wij Java\'s Alpenflora aan en het is zeer merk-
waardig, hoe deze overeenkomst vertoont met den plantengroei van
onze Europeesche gematigde luchtstreek.
Boomgroei en vooral varens zien wij en nog vele fraaie bloemen.
§ 11. In het algemeen karakter der Indische plantenwereld valt
verder een duidelijk verschil op te merken tusschen het Westelijk en
het Oostelijk gedeelte van den Archipel. De beroemde Engelsche
reiziger Wallace heeft dit onderscheid het eerst duidelijk aangewezen.
Hij trok zelfs eene lijn, die een Westelijk deel met geheel Aziatisch
karakter
van een Oostelijk deel afscheidt; in welk laatste deel de
eilanden onderling veel meer verschillen en meer overeenkomst met
Australië
dan met Azië vertoonen. Die grenslijn trok Wallace door
de straten van Makasser en van Lombok, dus tusschen de eilan-
den........en.......en.....en.........
Ofschoon tegenwoordig geene bepaalde grenslijn meer wordt aan-
genomen, is \'t toch een feit, dat vooral Sumatra, Java, Borneo een
Indischen plantengroei hebben; de Molukken en Papoewa-eilanden
eene Australische flora; terwijl Celebes en de kleine Soenda-eilanden
een overgangsgebied vormen.
Het onderscheid bestaat niet alleen in de natuurlijke plantbeklee-
ding, die in \'t Indisch gedeelte veel weelderiger is, wij zien het ook
bij de cultuurgewassen: zoo is in \'t Westelijk deel rijst het hoofd-
voedsel der bevolking; in \'t midden-gebied wordt de rijst minder, zoo
in hoeveelheid als hoedanigheid, zoodat daarnaast veel sago voorkomt;
in \'t Oosten eindelijk is de rijst schaarsch en zijn sago en djagoeng
\'t hoofdvoedsel en daarnaast specerijen \'t hoofdproduct.
Onder de boomvormen zijn in \'t Australisch gedeelte vooral ken-
merkend de eucalyptus of gomboom en de eentoonige casuarine
(tjemara; reeds vroeger genoemd). Ook in de dierenwereld zullen wij
het onderscheid tusschen de verschillende gedeelten van den Archipel
opmerken; meer bepaald Australisch echter is alleen Nieuw-Guinea,
met de omliggende groepen van kleine eilanden.
-ocr page 32-
26
Ofschoon de overgang niet scherp is geteekend, is ook de bevol-
king in het Westen en het Oosten zeer verschillend; dikwijls hoort
men zelfs spreken van 2 verschillende rassen: Maleische ras en
Papoea\'s. Maar de ethnologische onderzoekingen der laatste jaren
schijnen meer en meer hen in \'t gelijk te stellen , die deze indeeling
in 2 rassen als onjuist beschouwen. •
Dieptemetingen in de Indische zeeën duiden mede op verschil in
wording, enz.
§ 12. Cultuurgewassen. Hieronder brengen wij al die planten-
soorten, welke wegens haar belang geregeld gekweekt worden: hetzij
voor de volksvoeding, hetzij voor de Europeesche markt.
Sommige dier soorten komen ook nog wel in het wild voor.
Onder de voedingsgewassen neemt de rijst verreweg de eerste plaats
in; zij is in het grootere, Westelijk deel van den Archipel het hoofd-
bestanddeel der voeding, waar meer dan 25 millioen menschen van
deze graansoort leven. De rijst is eene moerasplant; de natte rijst-
velden, sawa\'s, zijn hoofdzaak; de droge, tegals, worden alleen aan-
gelegd, als voor de eerste de gelegenheid ontbreekt. De rijst in de
aar heet padi, de gepelde korrels bras.
Op de Oostelijke eilanden en op Borneo is sago het voedsel van
de inlandsche bevolking. De sagopalm bevat dat voedsel als merg
in den stam; deze wordt omgehakt en gekloofd, het merg er uitge-
haald en op eenvoudige wijze bereid (sagokloppen). De beste sago-
boomen zijn in den Molukschen Archipel: op Ceram zijn er groote
bosschen van. De sago, zooals ze in den handel komt, moet meer-
dere bewerkingen ondergaan, die meest door Chineezen geschieden,
o. a. in Singapore.
Onovertroffen is in de tropische luchtstreek de rijkdom der palmen-
soorten; meer dan honderd verschillende soorten zijn bekend: een
„weldoener voor den Javaan" heet en is de kokospalm of „klapper"
(kalappa).
Deze ontbreekt zelden bij eene Javaansche woning; bij
voorkeur groeit hij in de nabijheid der zee, waar hij soms uitgestrekte
bosschen vormt. Letterlijk alles van stam, blad, bloem en vrucht
wordt gebruikt: bouwmateriaal, zoowel het hout als de bladeren, de
laatste tot dekking der woning, atap; jonge blaadjes als groenten;
melk, palmwijn {toewak), olie, touw, voorwerpen van huishoudelijk
gebruik. Gemiddeld levert de klapper jaarlijks 60 vruchten.
-ocr page 33-
27
De areca-palm of pinang verschaft de betel-noot voor het betel-
of sirih-kauwen; de boom geeft jaarlijks ± 300 noten. Deze zijn
rijk aan looizuur. Deze palmen zijn vooral overvloedig op de Noord-
kust van Sumatra (Betelnootkust).
De gemoetoe of areng-palm geeft suiker, palm wijn (sagmver) ,
vezelstof.
Dan komen de rotan-palmen, gewassen met dunne, lange, klim-
mende stengels, nergens rijker vertegenwoordigd dan op Sumatra en
Borneo. De inlanders drogen de stengels in de zon en in den rook.
In nut wedijvert met den klapper de pisang of banaan, die voed-
zame vruchten geeft.
Voor de Europeesche markt, dus onder de handelsgewassen, neemt
de koffie de eerste plaats in. Java wordt daarin alleen door Brazilië ,
het eerste koffieland der wereld, overtroffen; Brazilië levert zesmaal
zooveel koffie aan de wereldmarkt als Java. De koffietuinen liggen
tegen de hellingen der bergen en op de plateau\'s , in de gematigde
zone, vooral in de Preanger en in Passoeroean (Malang); buiten Java
vooral in de Padangsche Bovenlanden en in de residentie Menado.
De koffie is ten deele gouvernements-culture, d. i. wordt voor reke-
ning van de regeering verbouwd , afgeleverd en daarna, door tusschen-
komst van de Nederl. Handelmaatschappij, verkocht (hoofdzakelijk
op de koffieveilingen in Nederland); de opbrengst is eene der hoofd-
inkomsten op de begrooting van Indië, doch de oogst is wisselvallig
(de baten der koffie bedroegen in het tienjarig tijdvak 1881—\'90
± / 215.oco.ooo).
De particuliere koffieteelt brengt tegenwoordig reeds bijna evenveel
koffie op de markt als die van het gouvernement.
Het suikerriet vormt een tweede hoofdproduct, maar dit artikel
leed in de laatste jaren veel door de mededinging van de Europeesche
beetwortelsuiker-fabricatie, vooral in Duitschland, Tot 1890 kwam
het suikerriet ook nog als gouvernements-culture voor; de cultuur van
het riet geschiedde in gedwongen arbeid; de bereiding der suiker uit
het riet werd aan particulieren toevertrouwd. De bevolking plantte
dus op hoog gezag, de fabrikant verwerkte, dikwerf weder met in
gedwongen arbeid werkende koelies, de staat verkocht de geprodu-
ceerde suiker. De wet van 21 Juli 1870 besloot tot geleidelijke
opheffing van dit stelsel. — Sedert is eigenlijk pas de particuliere
-ocr page 34-
28
industrie ontstaan. De suikerfabrieken zijn vooral in Oost Java; ca 200
in getal met eene opbrengst van ± 6 mill. pikol. Het suikerriet
wordt niet door zaad, maar door stekken voortgeplant.
Met Java z\\jn \'t voornamelijk de volgende landen, die de wereld-
markt van rietsuiker voorzien: Brazilië, de Westindische eilanden —
in \'t bijzonder Cuba—, Guyana, Britschlndie, de Philippijnen,
Mauritius, de Sandwich" en de Fidji-eilanden.
De thee was vroeger van minder beteekenis, daar zij met die van
China niet kon wedijveren; tegenwoordig behoort zij tot de hoofd-
producten.
De tabak wordt zoowel op Java als in Oost-Sumatra op talrijke
plantages verbouwd. De tabaksoogst is zeer wisselvallig; de Java-
tabak is thans, na eenige ongelukkige jaren, weder zeer gevraagd;
in Oost-Sumatra heeft de tabakscultuur groote kolonisaties van Euro-
peanen en de vorming van eene zelfstandige residentie ten gevolge
gehad ; de afdeeling Dell is de voornaamste.
Van de katoen of boomwol komen twee hoofdsoorten voor: de
kapas en de kapok.
De kapok groeit op tot een hoogen boom, doorgaans met witte
bloemen; de vrucht brengt eene massa wollige stof op; deze boomwol
is echter te kort van vezel om haar te spinnen, doch van belang
voor het vullen van kussens enz. Schier bij elke inlandsche woning
komt de kapokboom voor; hij groeit snel en kan binnen weinige
jaren vrucht dragen.
De kapas-struiken komen voor op bijna alle eilanden, maar door-
gaans bepaalt zich de cultuur tot de behoefte der inlanders (de
Vereenigde Staten van Noord-Amerika en Britsch-Indië zijn de groote
katoenmarkten, die voor den wereldhandel in dit product zorgen).
Vooral in de residentie Palembang is de katoenteelt de voornaamste
cultuur van de bevolking. Dicht vertakte heesters, soms tot een
kleinen boom opgegroeid, met dikke bladeren en purperen, gele of
gevlekte bloemen; de vezels komen van de vrucht: als een wollig
pluis omringen zij de zaden; een geoefend persoon kan 40 a 50 K.G.
daags inzamelen.
Voor de inlandsche kleeding is katoen de meest gewilde stof en
in verscheiden streken van den Archipel hebben de vrouwen het zeer
ver gebracht in het bewerken van de katoen, vooral op Sumatra;
-ocr page 35-
29
maar toch wordt verreweg \'t grootste deel der katoenen stoffen tegen-
woordig ingevoerd uit de fabrieken van Europa.
Tal van andere gewassen leveren vezelstoffen: de bast van sommige
boomsoorten, de bladeren van andere. In de residentie Menado
worden fijne weefsels vervaardigd van de koffovezels (zie blz. 4).
Eene belangrijke plaats nemen voor den handel ook de specerijen
in. De Oostindische-Compagnie heeft in de 17de eeuw, om zich van
den alleenhandel te verzekeren , den aanplant der specerijboomen tot
de Ambonsche en Bandasche eilanden beperkt; om te beletten, dat
de aanplant ook elders geschiedde, werden zoogenaamde hongitochten
uitgerust, waarbij de boomen op de andere eilanden werden uitge-
roeid en strenge straf werd opgelegd aan de inlanders. die op ver-
boden eilanden de cultuur onderhielden. Zelfs werd de jaarlijksche
behoefte aan kruidnagelen berekend en wat de boomen meer opbrach-
ten vernietigd. De prijs in Indie per tï was 30 et., aan de pakhui-
zen in Nederland / 3.75.
De kruidnagelttiitten zijn vooral op Am bon: de kruidnagelboom is
een fraai gewas; hij groeit bij voorkeur, evenals de koffie- en andere
boomen, in de schaduw. Bij weinig gewassen is het verschil in jaar-
lijksche opbrengst zoo groot als bij de kruidnagels; vooral hevige
regens zijn nadeelig. De nagelen zijn niet de vruchten, maar de
fraaie bloemen; al de deelen van den boom hebben een sterken spe-
cerij smaak.
De mttskaatnootperketi behooren thans vooral op Banda thuis. De
boom wordt geplant in bosschen, om schaduw te geven aan de jonge
boompjes en de kracht der zeewinden te breken; gewoonlijk zijn die
bosschen aangelegd van den kanariboom; deze laatste levert de kanari-
olie. In de laatste 20 jaren zijn zelfs sommige verlaten eilanden weer
in cultuur gebracht, zooals Rozengain.
De foelie, een rood netvormig weefsel, dat de muskaatnoot onder
den buiten bast omgeeft, vereischt geen andere toebereiding, dan dat
ze in de zon wordt gedroogd. De noten zelve worden, na zorgvul-
dige sorteering, gedurende een paar maanden in opzettelijk daartoe
ingerichte gebouwen in den rook van een zacht vuur op horden ge-
droogd; daarna worden ze van den bolster ontdaan en in kalkwater
gedoopt. Na vernieuwde droging is de noot voor de verzending
gereed.
-ocr page 36-
De muskaatnootcultuur is in de laatste jaren ook met goed gevolg
op Sumatra ingevoerd; vooral in Deli schijnt zij goed te zullen sla-
gen. Buiten den Archipel is zij van belang op Mauritius, de kruid-
nagel daar en in Zanzibar.
Peper wordt vooral op Noord-Sumatra geteeld. De havens aan de
kust van Atjeh dragen den naam van „peperhavens" en onze eerste
betrekkingen met Atjeh hadden in den peperhandel haren oorsprong,
want de peper stond in die dagen onder de specerijen \'t hoogst.
Verder zijn voor de pepercultuur belangrijk de Riouw Archipel en
de Lampongsche districten.
Gambier is het hoofdproduct van den Riouw-Archipel. De blade-
ren van deze struik worden gekookt en uit het kooksel wordt een
sap getrokken, dat rijk is aan looizuur en als zoodanig goede eiken-
schors vijf- a zesmaal overtreft. De gambierkoekjes, die van het sap
worden gemaakt, spelen verder in den Archipel eene groote rol bij
het sirih-kauwen, waaraan de inlander verslaafd is.
Dit betelkauwen is een algemeen gebruik onder de bevolking van
den Indischen Archipel. De betelpruim bestaat uit vier of vijf be-
standdeelen: 1c. de bladeren van de sirih- of betelplant, die overal
in de tuintjes der inlanders gekweekt wordt; 2e. de geurige noten
van den pinang- of betelpalm (areca); 3e. gambierkoekjes, vervaardigd
uit het gestolde sap van de gambier, die op Singapore en Bintang
op groote schaal, hier en daar ook op Sumatra en Malakka, maar
tot dusverre zeer weinig op Java gekweekt wordt; 4e. tabak en
5e. zuivere kalk. Daar de gambier op Java en andere eilanden duur
is, laat het zich gemakkelijk verklaren, dat dit bestanddeel niet alge-
meen wordt gebruikt. De tabak wordt niet altijd met de betelpruim
gebruikt, maar dikwijls als toegift genoten.
Eene belangrijke plaats nemen eindelijk nog de volgende produc-
ten in:
Oliën; de kokosolie, reeds boven genoemd, is verreweg het ge-
wichtigst. Verder de kajapoetih, die bekend is als geneeskrachtig;
zij wordt door stoking uit de bladeren verkregen; vooral op Boeroe
(Molukken); de kanari-olie, voor keukengebruik zeer geschikt, uit
de pitten geperst, vooral in het Oostlijk gedeelte van den Archipel;
gelijk gezegd wordt de boom ook aangeplant om zijn dicht lommer.
Houtsoorten; in de eerste plaats het reeds besproken djati.
-ocr page 37-
3i
Dan verscheiden meubelhouten, o. a. sandelhout (meer van Timor
dan van Soemba of Sandelhout-eiland), zonnehout\', wortelhout (van
Ambon), ebbenhout.
Sommige houtsoorten zijn zoo hard als ijzer en de inlander ver-
vaardigt er zijne spijkers uit; andere zijn zoo licht als kuik.
Java en Madoera zijn voor de exploitatie der bosschen verdeeld in
dertien boschdistricten ; de bosschen worden onderscheiden in djati\'
bosschen
en wildhout bosschen; de eerste zijn alle onder beheer. (Van
staatswege worden jongelieden opgeleid in Pruisen voor ambtenaren
bij het boschwezen in Indië; bij voorkeur zij, die het diploma hebben
van de Rijks-Landbouwschool te Wageningen).
Verfstoffen: vooreerst indigo.
De Indigo was reeds bij de Ouden om hare zuiver-blauwe kleurstof be-
kend. (Plinius beschrijft haar als na \'t purper \'t hoogst gewaardeerd; maar
hij meende, dat zij ontstond uit het schuim der zee, dat zich aan planten
en rotsen vastzette.) Als zoo vele andere kostbare producten werd zij door
karavanen uit Indië\' aangevoerd. De reisbeschrijving van den Venetiaan
Marco Polo (13\' eeuw) deelt een en ander omtrent herkomst en bereiding
mede; maar toch hielden velen haar toen en later (tot de 18" eeuw) voor
eene delfstof.
Talrijk zijn de soorten van fndigofera\'s, meest heesters, thuis behoorend
in den heeten plantengordel en doorgaans verkregen door zaaiing, enkele
soorten door stekken; de zaden zijn iets grooter dan die van mosterd; van
hetzelfde zaaisel worden twee oogsten verkregen, in den tijd van den bloei
der plant. Het gewas wordt gesneden, de stengels en bladeren in kuipen
geweekt; \'t dan gewonnen vocht ondergaat verschillende bewerkingen, waarbij
ten slotte de indigo als eene vaste massa wordt verkregen, die in den vorm
van koeken in den handel komt.
De meeste indigo komt uit Bengalen en Madras; voorts uit China, Cen-
traal-Amerika, e. a. Java voert jaarlijks 6 a 700.000 K.G. uit, bijna
uitsluitend naar Nederland; vroeger behoorde de indigo tot de gouverne-
ments-cultures, thans alleen tot den vrijen bouw; de ondernemingen liggen
voornamelijk in de Vorstenlanden.
Verder drakenbloed-roXaxi en .ra/ta/2-heester, die roode verfstoffen
geven; kurkema, geel, getrokken uit de wortels van de kurkema-
boomsoorten; en eene andere gele verfstof van eene harssoort, bij
ons onder den naam van guttegom bekend.
Harsen en gommen, vooral op Sumatra; kamfer uit den stam
van den kamferboom; getah-pertjah, d. i. gom v. Pertjah (inl. naam
•
-ocr page 38-
32
v. Sumatra), gomelasiiek, het dikke kleverige melksap uit den stam
van sommige ficus-soorten en dat, aan de lucht blootgesteld, verhardt;
een groot aantal damar- of harsboomen en verscheiden boomsoorten,
die fijne witte was leveren.
De harsen, gommen, verfstoffen behooren in \'t algemeen tot de
zoogenaamde boschproducten, die door den inlander verzameld en aan
de markt worden gebracht. Tot deze boschproducten behoort ook
de boven besproken rotan, in wel 300 verschillende soorten aanwezig
en voor verschillende doeleinden te gebruiken (meubelen, bindwerk,
matten, stokken, enz.); zoowel voor den Europeeschen als voor den
Inlandschen handel vormt de rotan een belangrijk artikel.
-ocr page 39-
HOOFDSTUK IV.
Het Dierenrijk.
§ 13. Veel minder belangrijk dan de plantenwereld zijn voor den
mensch in de tropische landen over \'t algemeen de dieren. Niet
dat het dierlijk leven minder rijk dan dat der planten zou zijn ver-
tegenwoordigd, maar de mensch in de heete luchtstreek leeft in
hoofdzaak van plantaardig voedsel en voor zijne kleeding behoeft hij
bijna niets.
Daarentegen is de strijd van den mensch tegen het wilde gedierte
in de tropen dikwijls te ernstiger.
De fauna van den Oost-Indischen Archipel houdt het midden tus-
schen die der aangrenzende werelddeelen : evenals zulks met de plan-
tenvormen het geval is, komen de dieren in het Westelijk gedeelte
meer overeen met die van het vasteland van Azië, terwijl die van
het Oostelijk gedeelte meer gelijken op de dieren van Australië. In
de grootere, Westelijke helft vindt men dus eene meer ontwikkelde
fauna, grootere diersoorten; in \'t Oosten zonderlinge diervormen,
gelijk ze nergens elders meer voorkomen. Dit verschijnsel is een
gevolg van de ligging der eilanden en hangt waarschijnlijk samen met
het ontstaan van dezen Archipel. Sommige diersoorten zijn echter
over de beide deelen verbreid.
Terwijl op Sumatra tal van apen leven, na verwant aan die van
Achter-Indie, verdwijnen zij langzamerhand Oostwaarts, tot op Celebes
en op Lombok de laatste apensoort wordt gevonden; hier daarentegen
beginnen de buideldieren, die Oostwaarts in aantal van soorten toe-
nemen, om in Australië en Nieuw-Guinea bijna de eenige inheemsche
zoogdieren-soorten te vormen.
Op Sumatra doch vooral op Borneo leeft de orang-oetang, de hoogst-
ontwikkelde apensoort. Verder zijn de volgende apensoorten de meest
voorkomende: brui-apen; meerkatten; de laatstgenoemde, grijze apen
AlTTON, Oost- en West-Indïè, 3" druk.                                       3
-ocr page 40-
34
(monjets), zijn gezellige, vroolijke dieren (Apenberg bij Padang); de
loetoeng of zwarte aap; de wouwouw, genoemd naar zijn geluid.
Olifanten komen op Sumatra en Borneo voor; de rhinoceros op
die beide eilanden en op Java.
Alleen in de bosschen van Midden-Sumatra zijn de olifanten nog
vrij talrijk en vormen olifantspaden dikwijls nog de eenige wegen.
De uitvoer van ivoor naar Europa is onbeduidend; de jacht geschiedt
met het geweer; ook tracht men wel het dier in kuilen te vangen.
De rhinocerossen zijn van meer belang dan de olifanten. Zij komen
in twee soorten op de genoemde eilanden voor. De horens hebben
een grooten naam als geneesmiddel, o. a. als tegengif bij slangenbeten.
Het vleesch wordt gegeten; van de huid worden karwatsen, enz.
gemaakt; huid en hoorn van den rhinoceros zijn minstens / 200
waard. Men tracht o. a. het dier te vangen door het plaatsen van
scherpe, zeisachtige messen op zijn diep ingetreden bergpad, waarmede
het zich den buik openrijt.
Tapirs leven nog op Sumatra en Borneo.
Roofdieren: Tijgers en panters; de gestreepte- of koningstijger,
op Java en Sumatra, wel minder dan vroeger, maar toch nog me-
nigvuldig; de gevlekte tijger of panter, op dezelfde eilanden en op
Borneo.
Kleinere tijgerkatten komen ook op andere eilanden voor; sommige
zijn niet grooter dan onze huiskatten.
In den regel vertoonen tijgers zich weinig, over dag bijna nooit;
alleen door den honger gedreven, komt de tijger uit zijn schuilhoek;
wanneer hij zijn honger niet aan wilde zwijnen en herten kan ver-
zadigen, waagt hij zich zelfs in de dorpen der inlanders en sleept
menschen weg. De jacht op tijgers heeft vooral plaats met stevige
vallen, waarin een geit als aas; bij volksfeesten aan inlandsche hoven
mocht een tijgergevecht niet ontbreken. Bovendien wordt op den
tijger jacht gemaakt, om de door het gouvernement gestelde premie
te verdienen. Ook wordt wel getracht het dier door vergif te dooden.
De moesang, eene soort van marter, gevreesd in de koffieplantages.
Een verbazend groot aantal varkens leeft in Indië, zoowel tamme
als wilde rassen. Bij den Mohammedaanschen inlander zijn alle varkens
om godsdienstige redenen in minachting; maar overal, waar Chineezen
wonen, worden zij veel gefokt.
Na de varkens zijn ongetwijfeld de herten het veelvuldigst over den
-ocr page 41-
35
Archipel verspreid. Junghuhn spreekt in zijn 3" deel van ,Java" over
tienduizenden en nogmaals tienduizenden van herten, die hij op den
Idjen (res. Bezoeki) zag. Van zoo iets is tegenwoordig echter geen
sprake meer. Er wordt veel jacht op gemaakt; zij leveren dengdeng
(gedroogde repen vleesch), huiden en horens.
Het nuttigste huisdier is zonder twijfel de buffel of, naar den
Maleischen naam, karbau („kebo"). Hij wordt gebruikt bij het beploegen
der rijstvelden; hij moet zware lasten trekken voor depedati of vrachtkar,
langs dikwijls bijna onbegaanbare modderwegen; zijn vleesch dient tot
voedsel, vooral bij feestmalen, en wordt ook gedroogd {dengdeng).
Voor den Javaanschen landman is de karbau dus onmisbaar. De
kleur is donkergrauw tot blauw-zwart; hij is log en buitengewoon
sterk; na verrichten arbeid vereischt hij weinig voor zijn onderhoud:
het voedsel zoekt hij zelf, waartoe hij gehoed wordt; de houten
klokken hoort men reeds in de verte.
Het rund of de sapi vervangt in sommige streken den karbau, o. a.
in Oost-Java en op Bali. Het vleesch is smakelijker dan dat van
dezen; daarom komen in de nabijheid der groote steden groote kudden
van sapi\'s voor; vooral Madoera is de slachtbank van Java; Oost-Java
en Madoera hebben trouwens veel meer vee dan West-Java.
Wilde runderen (bantengs) komen voor op Java, Borneo en Sumatra.
Er wordt drijfjacht op gemaakt; vroeger werden ze veel gevangen
voor tijgergevechten.
De paarden bekleeden in den Archipel eene voorname plaats. Over
het geheel zijn zij klein, doch zeer sterk. De schoonste soorten zijn:
de Sandelhout-paarden, de Makassaren en die van Bima (Soembawa);
bekend zijn ook de Batakkers.
De vogelen wereld is rijk aan bontgevederde soorten, wier
stemgeluid niet aan het schoon uiterlijk beantwoordt. Vooral hoenders,
duiven
en eenden zijn in tal van soorten en kleuren aanwezig en zijn
van belang voor de voeding; de tamme kippen vormen een hoofddeel
van de rijsttafel. Sommige duivensoorten zijn bij de inlandsche
bevolking zeer gewild en worden zorgvuldig verpleegd. Groote lief-
hebbers zijn de inlanders van hanengevechten, waarbij de hanen aan
de pooten soms nog van mesjes voorzien worden.
De pauw is de trouwe metgezel van den tijger, omdat hij op diens
uitwerpselen aast; hij komt dus in dezelfde streken als deze voor.
3*
-ocr page 42-
36
Onder de kleine vogelsoorten zijn o. a. de rijstvogeltjes zeer
verbreid.
Papegaaien, kakatoe\'s, loer i\'s komen vooral op de Oostelijke eilanden
voor. Zij beginnen reeds op Lombok met eene enkele soort, doch
zijn op Bali en Java onbekend. Daarentegen komt de pauw niet tot
aan Lombok, omdat men hier geen tijgers of panters meer vindt.
De beroemde parad ijsvogels leven vooral op Nieuw-Guinea en om-
liggende eilanden.
In het Oostelijk deel behoort ook eene struisvogelsoort thuis, de
kasuaris.
Tot de meest verbreide dieren in den Archipel behooren ten slotte
de vledermuizen, waaronder eene zeer groote soort de „vliegende
hond" of kalotig, op Java; deze dieren hangen met den kop naar
beneden aan de boomen.
Niet minder verbreid zijn een groot aantal slangen, waarvan er
echter slechts weinige vergiftig zijn ; deze behooren juist tot de kleinste
soorten. Overdag laten zij zich weinig zien; gewoonlijk zijn zij dan
op de takken der boomen ineengerold, vooral langs de oevers der
rivieren; dikwijls zien ze er uit als met mos begroeide takken.
Verbazend rijk is ook het dierlijk leven in de wateren.
Onder de walvischachtige dieren bevatten de Indische zeeën den
potvisch of cachelot, die groote waarde heeft; de jacht is echter
verwaarloosd en alleen in handen van Amerikanen; dezeekoe, waarop
om het vleesch wordt jacht gemaakt.
Haaien komen aan de kusten der grootere eilanden voor. Kroko-
dillen
leven in alle rivieren van Indië. Talrijke hagedissen, waaronder
zelfs eene vliegende soort.
De visschen bekleeden eene ruime plaats in het leven en bedrijf
der inboorlingen. Zij zijn in Oost-Indië van alle dieren het belang-
rijkst voor den mensch: visch vormt, naast de rijst, het hoofdbe-
standdeel van het voedsel; visch vangen is het bedrijf van duizenden
Maleiers in onderscheiden kuststreken en hierin zijn zij zeer ervaren,
met hengels en verschillende soorten van netten, fuiken en staketsels
van bamboe. Enorm veel visch komt gedroogd in den handel.
Van beteekenis is de kunstmatige vischteelt in vijvers. De tafelvisch
bij den maaltijd der aanzienlijken en gegoeden is de goerami, van
de familie der kiimvisschen (deze klimmen tegen de wortels der
-ocr page 43-
37
moerasboomen op, om insecten machtig te worden; zij kunnen op die
klimtochten blijven leven door kieuwwater, zelfs een paar dagen).
Van de talrijke schildpadden worden sommige soorten gegeten;
andere leveren het schildpad {karet) voor den handel.
Onder de lagere diersoorten wordt in de eerste plaats vermeld
de tripang, een zeekwal, vooral in de Moluksche zeeën; zij wordt
gedroogd en is een artikel van uitgebreiden handel.
Het aantal Indische insecten is ontelbaar; we noemen hier alleen
de zoo lastige muskieten en de alles vernielende witte mieren.
-ocr page 44-
HOOFDSTUK V.
Het Delfstoffenrijk.
§ 14. De bodem van de Indische eilanden is rijk aan delfstoffen
en wellicht staat het delfstoffenrijk, in beteekenis voor de Europeesche
markt en voor de bewoners van den Archipel zelf, boven de dieren-
wereld en volgen zijne voortbrengselen onmiddellijk op de producten
uit het plantenrijk.
De minerale rijkdom van Nederlandsch-Indië trekt in toenemende
mate de aandacht. Bovenaan staan het tin-erts en de steenkolen;
alleen bij deze twee is sprake van ontginning op groote schaal, \'t zij
door den Staat, \'t zij door Europeesche maatschappijen. Andere
delfstoffen worden voornamelijk door Inlanders en Chineezen, dus op
kleine schaal, aangewonnen: goud en ijzer op Borneo en Sumatra;
platina en diamanten op Borneo.
Hoofdzaak zijn tot dusver: de tinmijnen van Banka en die van
Billiton; de eerste voor rekening van het gouvernement, de tweede
voor die van eene particuliere maatschappij (de Billiton-maatschappij),
die daarvoor aan het gouvernement eene jaarlijksche pachtsom betaalt.
Er zijn op Banka ± 300 mijnen met daarbij behoorende inrichtingen;
de jaarlijksche productie bedraagt daar ± 80.000 pikols, op Billiton
60.000.
Het eiland Billiton of Blitoeng bleef lang verlaten: „alzoo het een dor
en woest eiland is", zegt eene Resolutie van de Oost-Indische Compagnie
in 1757.
Nog in het midden van deze eeuw was de Billiton-archipel — ruim 150
kleine eilandjes liggen om \'t hoofdeiland (84.5 G. M.2) heen — een waar
rooversnest. Herhaalde nasporingen leidden toen tot de ontdekking van
tinerts, in welk opzicht thans Billiton tot de rijkste landen der aarde be-
hoort. Opmerkelijk is hier de overeenkomst met het goudland Californiè,
door de Spanjaarden als „woest en waardeloos" beschouwd. Maar toen de
-ocr page 45-
39
eerste mijnen in bewerking kwamen, in 1852, waren de inboorlingen nog
zoo woest, dat ze de mijnwerkers overvielen en vermoordden om de een-
voudige katoenen kleeding dier lieden machtig te worden. Thans heerschen
er orde en rust.
De mijn-arbeid geschiedt door Chineezen; arme lieden, die in hun land
geen voldoend middel van bestaan vinden, trekken jaarlijks bij honderden
naar Billiton. Daar werken zij hard: met de voeten in \'t water en de bran-
dende zon op het hoofd en \'t naakte bovenlijf, den ganschen dag door. Zijn
zij ongelukkig in het treffen van rijke ertsplekken, dan hebben ze eenvou-
dig den kost: rijst, gezouten visch, groenten en, eene enkele maal, var-
kensvleesch. Dient hun het geluk, dan gaan ze soms na eenige jaren wei-
gesteld naar hun land terug, om daar een stukje land te koopen of wel om
handelaar te worden.
Het tinerts bevindt zich op vele plaatsen dicht aan de oppervlakte; el-
ders moeten echter diepe mijnputten worden aangelegd. Om tin te ver-
krijgen is water schier even onmisbaar als tinerts: snel stroomend water
wordt gebezigd om \'t erts te scheiden van de aarde; met water wordt het
gewasschen; water wordt bij de uitsmelting gebruikt om de raderen in be-
weging te brengen, die de lucht in de oven moeten drijven. In die oven
wordt het erts gemengd met houtskool, welke in de bosschen wordt ge-
brand. Het smelten heeft alleen \'s nachts plaats; na een paar uren begint
het gloeiende, gesmolten tin aan \'t ondereind van den oven uit te druppelen
in eene daarvoor bestemde kuil. Wanneer de kuil met gesmolten tin is
gevuld worden de er op drijvende asch en slakken afgespaand, vervolgens wordt
het tin met een lepel uitgeschept en in vormen gegoten. Die vormen zijn
afgedrukt in een gat, gevuld met vochtige fijne aarde; aan den eenen kant
is eene B gesneden, aan den anderen \'t letter der mijn. De tinblokken,
koud geworden, heeten schuitjes; zij wegen \'/ï pikol, worden in kruiwa-
gens naar \'t pakhuis gevoerd, in afwachting, dat zij in stoomscheepjes naar
Batavia gaan voor de veiling.
Steenkolen werden tot voor korten tijd alleen, en in geringe hoe-
veelheid, gehaald uit de gouvernementsmijnen van Z.O.-Borneo:
Oranje-Nassau bij Banjermasin en uit eenige mijnen bij Koetei.
Veel is er geschreven over de Oembilien-steenkoohelden — ontdekker
de ingenieur De Greve — in de Bovenlanden van Midden-Sumatra.
Het kolenveld heeft zijn naam ontvangen naar de rivier, welke het
dwars doorsnijdt; Oembilien beteekent zeer snelle stroom. Dit gebied
schijnt zeer rijk te zijn; de ontginning zal voorloopig voor rekening
van den Staat geschieden. Voor den afvoer is thans een spoorweg
aangelegd naar de Westkust, even ten Zuiden van Padang.
Goud wordt tot nu toe bijna alleen in wasscherijen van de alluviale
-ocr page 46-
gronden gewonnen; hoofdzakelijk op Borneo en wel in de Wester-
afdeeling. Het voornaamste middelpunt van de goudwasscherijen is
Montrado, waar de Chineesche goudwasschers dan ook de hoofd-
bevolking uitmaken. Zij werken ook hier in gezelschappen; deze
kongsies bezitten mede in politiek opzicht beteekenis en hebben onze
Indische regeering dikwijls veel te doen gegeven.
IJzer wordt hier en daar op Sumatra en Borneo gewonnen. De
inlanders hebben het zelf op eenvoudige wijze ver in de ontginning
en bewerking ervan gebracht. Ook het smeden verstaan zij goed;
kunstig bewerkte wapens komen van Borneo en van Celebes in den
geheelen Archipel in den handel.
Diamanten werden vroeger op Borneo gevonden; de diamant-
gronden liggen in het Z.O., niet ver van Banjermasin. Ook bevat
de bodem van dit eiland antitnonium (vooral van belang bij de ver-
bindingen of alliages van andere metalen) en platina; het eerste is
een der artikelen, die Serawak oplevert.
Het spreekt van zelf, bij den vulkanischen aard van den bodem,
dat op vele plaatsen zwavel aanwezig is, terwijl in de Neptunische
formaties kalk- en andere bouwsteen, ook marmer, voorhanden zijn:
maar tot nu toe wordt hiervan niets ontgonnen.
Onder de delfstoffen, welke door den inlander worden gewonnen,
verdient het zout eene bijzondere vermelding. Reeds is (blz. 13) met
een woord gesproken over den zoutaanmaak in de modderwellen van
de residentie Samarang, te Koewoe in \'t Grobogansche. Veel belang-
rijker is echter de bereiding van zeezout. Deze zoutaanmaak is een
gouvernements-monopolie: in geheel Nederlandsch Indie (de genoemde
afdeeling in Samarang, benevens de Vorstenlanden op Java uitge-
zonderd) zorgt het gouvernement voor den aanmaak en de levering
van een voldoende hoeveelheid zout; de bevolking is verplicht deze
levensbehoefte aan \'s lands pakhuizen te koopen , waaruit eene be-
langrijke bron van inkomst voor de regeering voortvloeit.
De meest belangrijke zoutbereiding is die op het eiland Madoera,
vooral te Soemanap.
Omtrent den zoutaanmaak in het Regentschap Soemanap lezen wij
in van Hoövells meer genoemde Reis het volgende :
„Achter de bewoonde streken strekt zich eene onafzienbare vlakte uit tot
aan de zee. Zij is volkomen kaal en dor; waar gij ook uwe blikken heen-
-ocr page 47-
41
wendt, nergens ontdekt gij een enkel plantje of struikje, want er groeit
niets in de ziltige aarde. Slechts hier en daar ziet gij eene dessa, be-
woond door zoutmakers en hunne huisgezinnen, maar waarvan de woningen
niet in het koele lommer van vruchtboomen of bamboestruiken zich ver-
schuilen , zooals de huizen der andere dorpen van Java en Madoera. De
vlakte is verdeeld in vele, onderling in uitgestrektheid en vorm zeer on-
derscheiden vakken, omzoomd en van elkander gescheiden door kleine,
een of anderhalf voet hooge dijkjes, „galangan" genaamd, evenals de
sawahs der padivelden.
Die vakken zijn de zoogenaamde „zoutpannen", of liever, drie of vier
zulke vakken vormen een stel pannen, waarvan één de bak is, waarin het
zeewater gekristalliseerd wordt. Er zijn hier 991 zulke stellen pannen.
Langs leidingen wordt het zeewater naar binnen gelaten en in de onmid-
dellijke nabijheid van ieder stel gebracht. Dan schept de zoutmaker, met
behulp van een eenvoudigen toestel, het water uit deze leiding op
het eerste vak. Nadat het hierop acht a tien dagen is blijven staan, wordt
het water langs eene kleine opening in het dijkje , op het tweede vak door-
gelaten; de opening wordt vervolgens weer gesloten en het eerste vak op-
nieuw door overscheppen gevuld en naarmate er meer of minder verdam-
ping plaats heeft, wordt er gedurig water bijgeschept. Als nu het water-
in den tweeden bak weder ecnige dagen gerust heeft, wordt het, mede
langs eene opening in het dijkje, doorgelaten in een derden bak, die in-
geval het stel uit slechts drie vakken bestaat, de kristalleerbak is; deze is,
vóór hij het water ontvangt, dicht ineen gestampt, waterpas gemaakt en
met de meeste zorg bereid en in behoorlijken staat gebracht. Op dat vak
blijft het , tot dat de kristallisatie, die alleen door de zonnestralen, de ver-
damping, bewerkt wordt, geheel is afgeloopen.
Het op den bodem, gewoonlijk tot eene dikte van twee duim liggende
zout, wordt nu ingezameld. Het wordt met de handen voorzichtig vanden
bodem gelicht en bij vrij groote brokken verkregen.
Op de overige plaatsen, waar zout gemaakt wordt, ligt het slechts tot
nauwlijks eene dikte van 1 of •% duim en wordt het met bamboezen schof-
fels bijeengeschraapt.
De geheele bewerking, van het oogenblik, dat het water in het eerste
vak gelaten wordt, totdat het zout is ingezameld, duurt te Soemanap ge-
woonlijk 40 dagen. Na de inzameling wordt het zout eenige dagen, nabij
de pan, op gelijken grond te drogen gelegd en als het regent met kad-
/<z«f-*)matten gedekt. Daarna wordt het door koelies in de hoofddepóts
overgebracht."
*) Matten van bladeren gevlochten, die ook veel gebruikt worden, om
de wanden der bamboezen huizen van binnen te bekïeeden.
-ocr page 48-
42
Deze wijze van zoutaanmaak is zeer afhankelijk van de weers-
gesteldheid, maar toch brengt het jaarlijksche zoutdebiet aan het
Gouvernement f 7.000.000 op.
De zoutmakers zijn van de overige bevolking van Soemanap ge-
heel afgescheiden. Zij tellen elf dessa\'s en de afscheiding van de
inwoners dier dessa\'s is zoo groot, dat zij zich zelfs door huwelijken
niet met die van andere dessa\'s vermengen.
-ocr page 49-
HOOFDSTUK VI.
Ethnographie.
§ 15. De bevolking van Nederlandsen Oost-Indie bestaat uit*):
1.    Inlanders,
2.    Europeanen ,
3.     Chineezen,
4.    Arabieren,
5.    andere vreemde Oosterlingen.
Wat de getalsterkte der bevolking betreft, geldt het volgende:
alleen voor Java kan het cijfer der bevolking vrij zeker worden
opgegeven; de eerste volkstelling had aldaar plaats gedurende het
Engelsche tusschenbestuur (1811—\'16; Raffles) en geschiedde in ver-
band met de invoering van het landrentenstelsel (een stelsel van
belasting).
Het Koloniaal Verslag (verslag aangaande den staat en het beheer
van de Koloniën , jaarlijks door de Regeering aan de Tweede Kamer
der Staten-Generaal over te leggen) over 1890, gaf voor Java\'s be-
volking
de volgende getallen aan:
Inlanders                                               ruim 25.000.000,
Chineezen                                                 „          250.000,
Europeanen                                            bijna        50.000, f)
Arabieren                                                 „            15.000,
andere vreemde Oosterlingen                   „              3.000
Het cijfer voor de Bevolking in de Buitenbezittingen kan tot heden
slechts bij benadering worden opgegeven. Het Koloniaal Verslag
zegt van sommige gewesten, dat het aantal inwoners vrij nauwkeurig
*) Indeeling van het Koloniaal Verslag.
\\) Leger en vloot zijn hieronder niet begrepen.
-ocr page 50-
44
bekend is; van andere wordt het getal bij benadering opgegeven,
terwijl er ook streken zijn, waar het bevolkingscijfer op louter gis-
singen berust.
Met een totaal cijfer van 30 a 35 millioen inwoners voor geheel
Nederlandsch Oost-Tndië
schijnen wij niet ver van de waarheid te zijn;
Java heeft dus stellig twee derden van de bevolking.
Het bevolkingscijfer is op de eilanden buiten Java, Bali uitgezon-
derd, lang niet aan de grootte der oppervlakte geevenredigd.
Volgens het meergenoemd Verslag   waren in geheel loeder landsch
Oost-Indië :
Chineezen                                              400.000 ,
P2uropeanen                                            „ 55.000 ,
Arabieren                                              „ 20.000,
andere vreemde Oosterlingen                „ 25.000.
Van Koloniën d. i. volkplantingen, in den eigenlijken zin des
woords, kan bij Onze Oost dus geen sprake zijn; wij hebben hier
te doen met Bezittingen; wij zullen later zien, dat dit in de West
anders is, daar vormt het Europeesche element de hoofdbevolking.
Slechts enkele grootere middelpunten van Europeesche bevolking en
beschaving zooals Batavia , Semarang, Soerabaja, Paramaribo, hebben
meer of min het karakter van ware volksplantingen.
Het spraakgebruik brengt echter mede, dat de naam Koloniën
gebezigd wordt voor de geheele uitgestrektheid der overheerde ge-
westen , die door de zedelijke meerderheid der Europeesche volken
worden in bedwang gehouden. (Koloniën in den waren zin des
woords zijn b.v. die aan de Kaap de Goede Hoop, in Transvaal, in
Canada, in Australië.)
§ 16. Inlanclsche bevolking. De inlandsche bevolking van
den Archipel bestaat uit een groot aantal thans zeer verschillende
stammen; maar volgens het meest algemeen gevoelen is er geen oor-
spronkelijke rasverscheidenheid tusschen deze thans zoo verschillende
volken. Vele treffende punten van overeenkomst in huiselijk en
maatschappelijk leven, in plechtigheden en gebruiken, worden aange-
troffen bij anders zoo verschillende volken als b. v. Javanen en Bataks.
-ocr page 51-
45
Veeltijds vat men hen samen als het Maleische ras; alleen op de
eilanden in de buurt van Nieuw-Guinea, evenals op dit groote eiland
zelf, leven de Papoea\'s.
Het groote verschil, dat men thans in ontwikkeling, middelen van
bestaan en maatschappelijke toestanden tusschen de verschillende
volken aantreft, is te verklaren uit:
i. De verspreiding over eene uitgestrekte eilandenwereld en als
gevolg daarvan afzonderlijke ontwikkeling.
2.    Verschil van bodem, klimaat, bedrijf, voedsel.
3.    Bovenal verschillende mate van invloeden door vreemden, in
\'t bijzonder de Hindoes, uitgeoefend.
De volgende Inlandsche volken zijn de voornaamste:
De Javanen         I T          .. .. , r, , .... . ,,
_ •\'_                   \\ op Java; zij ziin hoofdzakelijk landbouwers.
De Soendaneezen )
De Madoereezen, in Java\'s Oosthoek en op Madoera; door de mindere
vruchtbaarheid van hun eiland zochten zij vooral op de zee
hun bestaan, als visschers, matrozen, zeeroovers. Toch zijn
ook landbouw en veeteelt bij hen van gewicht.
De eigenlijke Malcicrs; oorspronkelijk op Sumatra; thans daar en
in verschillende kuststreken van andere eilanden. Zij zijn echte
zeevaarders, stoutmoedig, onverschrokken en dikwijls door
hunne zeerooverijen berucht (zeeroof was gedeeltelijk de aan-
leiding tot den Atjeh-oorlog). Handeldrijvend en kolonisee-
rend maken zij in alle kusthandelplaatsen, vooral van Sumatra,
Borneo en Java, een aanzienlijk deel der bevolking uit.
De Balaks; in de binnenlanden van N.-Sumatra (plateau van Toba),
gedeeltelijk nog onafhankelijk.
De Dajaks; op Borneo. Bij hen valt wèl te onderscheiden, of zij
in \'t kustgebied, aan de talrijke beneden-rivieren, wonen, dan
wel in de binnenlanden verblijven.
_ _ \\   op Zuid-Celebes en omliggende kleine eilanden;
De Boegmeezen; I        .. ~°
~ ,, , >       zij zoeken hoofdzakelijk hun bestaan in zee-
De Makassaren; \\                       ....
/       vaart en visschenj.
De Alfoeren; onder dezen naam worden verschillende volksstammen
samengevat, op Noord-Celebes en in de Molukken. Zij zijn deels
zoogenaamde „beschaafde Alfoeren" in de Minahassa, maar
grootendeels zijn zij nog woeste natuurvolken.
-ocr page 52-
46
Nog verder naar het Oosten de Papoea\'s, eerst tusschen andere
stammen, dan als hoofdbevolking.
In de voornaamste inlandsche talen bestaan reeds woordenboeken, spraak-
kunsten, bijbeloverzettingen. De meeste inlanders bedienen zich tegenwoor-
dig van papier met pen en inkt; alleen hier en daar volgt men nog de
voorvaderlijke gewoonte; zoo worden op Bali de letters met een puntig
werktuig op geprepareerde lontarbladeren ingegrift.
De Maleische taal is van alle talen in den Archipel het meest verbreid,
doordat de Maleiers van oudsher handelskolonies en kuststaten stichtten
{prang mclajoe, d. i. „zwervers, vluchtelingen"); bovendien laat zij zich ge-
makkelijk door vreemden aanleeren.
Al spoedig echter werden in deze spreektaal allerlei vreemde woorden
opgenomen en in de dagen van de Compagnie werd zij steeds meer eene
handelstaal, die van het echte Maleisch geheel ging afwijken en alleen
diende voor het onderling verkeer. In tegenstelling van het zuivere, zoo-
genaamde Hoog-Maleisch, heet de aldus ontstane taal Laag-Maleisch, eigen-
lijk geene taal, maar een mengelmoes, dat, vooral in kustplaatsen, door
Europeanen tot inlanders wordt gesproken en dat Hollanders, Chineezen,
Arabieren, Javanen, Soendaneezen, Madoereezen, Boegineezen en zoo vele
anderen in staat stelt om, zonder elkanders moedertaal teleeren, onderling
te verkeeren. Het is duidelijk, dat deze aldus voor de behoefte gemaakte
taal slechts woorden bezit voor de meest gewone onderwerpen, als die van
de markt en het kantoor, de straat en de voorgalerij.
Iets over de geschiedenis van den Archipel.
„Aan Java\'s strand verdrongen zich de volken;
Steeds daagden nieuwe meesters over \'t meer:
Zij volgden op elkadr, gelijk aan \'t zwerk de wolken,
De telg des lands alleen was nooit zijn heer,"
§ 17. Kort en duidelijk teekenen deze dichtregelen den hoofdtrek
in de geschiedenis van Java\'s bevolking.
Het oudste tijdperk van de geschiedenis der volken in den Indischen
Archipel in het Hindoe-tijdperk,
Vóór de komst der Hindoes stonden de Maleische volken op een
uiterst lagen trap van ontwikkeling, waarschijnlijk op het standpunt
van natuurvolken, en kwamen overeen met die volken van het
Maleische ras, welke wij heden ten dage op de talrijke eilanden van
-ocr page 53-
47
den Grooten Oceaan (Polynesie) aantreffen, en die men samenvat als
Malayo-Polynesiörs. Zij leefden van hetgeen jacht en vischvangst lever-
den en van het merg van den sagoboom; zij waren weinig of niet
bekend met metalen; steenen wapenen en werktuigen zijn over den
geheelen Archipel verspreid aangetroffen.
Waarschijnlijk dagteekent de aanvang der Hindoe-kolonisatie in
den Indischen Archipel, meer bijzonder op Java, reeds uit het begin
der Christelijke tijdrekening.
De naam „Java" is van Hindoeschen oorsprong; eene korensoort — men
weet niet zeker welke — werd er in de Sanskriet-taal door aangeduid. De
Hindoes, en in \'t algemeen de aardrijkskundigen en handelaars der oud-
heid, bedoelden met dezen naam (Djawa) de geheele Achter-Aziatische
eilanden-wereld; op den duur alleen \'t eiland, dat heden dien naam draagt
en dat in de dagen der Compagnie wel „Groot-Java" heette; de Arabieren
noemen het nog wel zoo.
Alle ontwikkeling en beschaving uit den voortijd wijzen op Hin-
doeschen oorsprong: de rijstbouw, rijst is in Isulinde geen inheemsch
gewas, want zij komt er nooit in het wild voor; het aanleggen van
terrassen en waterleidingen voor dien rijstbouw; het bewerken der
metalen; het spinnen en weven van katoenen stoffen; enz.
Met het rijstgewas brachten de Hindoes aan Java de katoenplant
en den buffel.
Onder hunne leiding bouwden de Javanen trotsche en door over-
vloedig beeldhouwwerk rijk versierde tempels; legden zij wegen aan;
van hen ontvingen zij hunnen godsdienst, hunne zeden, gebruiken,
volksspelen. Dat het Javaansch, volgens \'t algemeen oordeel, de
meest ontwikkelde en beschaafste taal is van den Maleischen stam,
\'t moet ongetwijfeld ook aan den Hindoe-invloed worden toegeschreven.
(De Javaansche letterteekens worden ook gebruikt bij het Soenda-
neesch, het Madoereesch en het Balineesch.)
Java werd het middelpunt der Hindoe-heerschappij en wel meer
bijzonder Midden- en Oost-Java; daar ontstond een machtig Indisch
rijk, Madjapahit, en vandaar uit schijnt de Indische beschaving in
meerdere of mindere mate ook naar andere eilanden te zijn over-
gebracht.
Grootsche monumenten waren toen op Java, meest opgericht ter
eere van de voorwerpen van den Boeddha-dienst. Een verbazend
-ocr page 54-
48
aantal tempelruïnen is hier van overgebleven, met beelden van goden
en helden.
De oudheden van het Dieng-gebergte — door professor Veth met de
overblijfselen van Pompeji vergeleken — behooren tot de merkwaardigste.
Zij verrijzen op en in den omtrek van een met gras en houtgewas begroeid
plateau, een paar duizend M. boven den zeespiegel en omringd door trotsche
bergkruinen. Indrukwekkende vulkanische verschijnselen maakten ook deze
woeste en eenzame streek voor de Hindoes tot eene verblijfplaats van bo-
venaardsche machten en zij bouwden er tempels, waarheen over eene ver-
bazende lengte steenen trappen toegang gaven. Eeuwen zijn sedert voor-
bijgegaan; lavabeddingen hebben de priestersteden bedolven en planten
groeisn tot zelfs tusschen de voegen der tempelsteenen. In onze dagen heeft
eene nieuwe bevolking zich hier gevestigd, in een twintigtal Javaansche
dorpen, en tegelijkertijd is men begonnen met opgravingen en ontcijferin-
gen van deze monumenten uit den Hindoetijd, waarvan de ontdekking
reeds in de dagen van Raffles valt.
§ 18. Ongetwijfeld was Madjapahit het machtigste en aanzienlijkste
rijk op Java geweest; tevens het eenige, waarvan enkele bijzonder-
heden tot ons zijn gekomen. De hoofdstad lag een paar dagreizen
ten Zuiden ven Soerabaja; talrijke overblijfselen geven getuigenis van
hare kolossale grootheid; deels zijn ze gebruikt bij den bouw van
Mohammedaansche begraafplaatsen, deels leveren zij nog \'t materiaal
voor suikerfabrieken, enz.
Van Madjapahit hadden tal van kleinere rijken de opperheerschappij
erkend; kolonies waren schier overal gesticht. Doch geleidelijk baande
zich sedert \'t begin der 15\' eeuw de Islam een weg in den Archipel;
niet door \'t zwaard, maar door den rusteloozen arbeid van zende-
lingen: kleine gemeenten van moslems werden gesticht door predikers,
die met bekwaamheid tewerk gingen, zich aanzien onder de inlanders
wisten te verschaffen , inlandsche vrouwen huwden , enz. Aanzienlijken
en zelfs vorsten gingen vrijwillig tot den Islam over; een feit is het,
dat later verschillende vorstenhuizen hunne afstamming afleidden van
Arabische priesters.
Niet twijfelachtig is \'t verder, dat Java in de ió1- eeuw getuige was
van veel strijd, oorlogen; tal van rijken trof men er aan, onder af-
zonderlijke vorstenhuizen; wanorde heerschte overal, de landen werden
verwoest, het volk werd uitgezogen, toen de Europeanen kwamen.
De belangrijkste Mohammedaansche staten waren op dit tijdstip:
-ocr page 55-
49
Jacatra en Tjeribon in West- en Mataram in Oost-Java (van dit
laatste rijk zijn de „Vorstenlanden" de overblijfsels).
Het eiland Bali heeft het zuiverst het elders verdrongen Hindoe- \\
wezen blijven bewaren. Voor \'t overige verdient de Archipel den
naam „Indie" eigenlijk niet meer.
De Islam is thans de heerschende godsdienst in den geheelen Ar-
chipel; alleen de Bataks, de Dajaks en de meeste Alfoersche stam-
men, benevens enkele andere, ook op Java voorkomende, onver-
mengde afdeelingen van \'t Maleische ras, zijn nog heidenen en hebben
een zuiveren natuurdienst. Ook onder hen maakt echter de Islam
veel grooter vorderingen dan het Evangelie.
De Mohammedaansche godsdienst is evenwel niet diep doorgedrongen
in het gemoed der Indische volken: worden de vormen meer of
minder trouw nageleefd, het bewustzijn is door allerlei heidensch
bijgeloof verduisterd en de inlander is nog altijd trouw gebleven aan
zijne goede en kwade geesten in de bergen, rivieren, boomen (zie
bij de beschrijving van het vogelnesten-inzamelen, bladz. 10); zijne
voorteekenen gelooft hij nog even als vroeger.
In tegenstelling met den Chinees is de Arabier bij de Inlandsche
bevolking gezien, meer misschien dan eenig ander vreemdeling; waar-
schijnlijk omdat de Javaan in hem den vertegenwoordiger ziet van
het uitverkoren volk van den profeet.
Hadhramaut (Zuid-Arabie) is het vaderland van bijna alle in Oost-
Indie gevestigde Arabieren. Uit dat land gaan sedert eeuwen tal
van personen naar alle oorden der Mohammedaansche wereld.
Vooral de Arabier, die Mekka en de andere heilige plaatsen be-
zochl heeft, staat in een bij zonderen reuk van heiligheid; de Mekka-
gangers, ook niet-Arabieren, heeten na hunne terugkomst had/i (van
„hadj," d.i. „bedevaart"); uit dezen worden bij voorkeur de priesters
gekozen. Zij zijn zeer fanatiek en hebben grooten invloed op de in-
boorlingen, die zij dikwerf tegen de ongeloovigen aanhitsen.
Op Java zijn de meeste Arabieren te Batavia en te Soerabaja;
verder op Madoera; in de Buitenbezittingen vooral in Palembang.
§ 19. De Chineezen. Deze zijn buiten Java het talrijkst op de
Westkust van Borneo, in Deli, op Riouw en op Banka en Biliton.
Hun aantal overtreft dat der Europeanen verre; de verhouding is
als 8:1. Nog jaarlijks komen Chineezen uit hun vaderland in den
Aitton, Oost- en West-Indié, 3e druk.                                       4
-ocr page 56-
Archipel aan: deze nieuwelingen worden aangeduid met den naam
Sin-kc, d. i. „nieuwgast", verkort tot Kee en dikwijls als scheldnaam
gebezigd. Grooter is echter het getal der in den Archipel geboren
Chineezen; daar echter vrouwen China niet mogen verlaten, zijn de
eigenlijk Indische Chineezen van gemengd bloed en heeten wel „Chi-
neesche liplappen".
Geen tak van bestaan, die eenigszins goede inkomsten belooft, of
de Chinees heeft er zich van trachten meester te maken en het moet
tot zijne eer gezegd: doorgaans met goed gevolg. In de goud-
wasscherijen van Borneo, de tinmijnen van Banka, op de tabaks-
plantages van Deli, bij de peper- en gambiercultuur op Riouw, overal
is hij onmisbaar; en bovenal zijn de handel, zoo in het groot als in
het klein, amfioenpacht en de verkoop van het heulsap, in handen
van de zonen van het „Hemelsche Rijk".
Over \'t geheel zijn zij bij de inlanders gehaat en gewantrouwd,
maar toch kunnen deze niet buiten hen: de Chinees is de geldschie-
ter, de toko-houder en de amfioen-pachter; niet zelden is dan ook
de Javaan in eene geheel afhankelijke positie van den Chinees.
§ 20. De Europeanen in de Koloniën en overheerde ge-
westen. In de i6e eeuw waren Spanje en Portugal de groote
koloniale mogendheden. Het eerste vooral in Amerika, het tweede
in Afrika en de landen en eilanden bespoeld door den Indischen
Oceaan *).
In 1498 zagen de Portugeezen hun langdurig pogen bekroond en
landde Gama op Voor-Indie\'s Westkust bij Calicoet (120 N.B.).
Slechts zeer weinige Europeanen waren, voor zoover ons bekend
is, vóór dat tijdstip tot Insulinde doorgedrongen. Marco Polo, de
beroemde Venetiaansche reiziger van de 13\' eeuw, die meer dan
twintig jaar in Oost-Azië doorbracht, bezocht eenige deelen van Su-
matra, maar kende Java alleen van hooren zeggen.
Goa, aan diezelfde kust, werd spoedig het middelpunt van den
Portugeeschen handel en onder de dappere en stoutmoedige onderko-
*) De Philippijnen waren echter Spaansch; ofschoon zij niet binnen de
demarcatielijn van Paus Alexander VI lagen, plaatsten de Spanjaarden ze
daar toch binnen, en zoo komt het, dat de Philippijnen op oude kaarten
veel te ver naar \'t Oosten liggen.
-ocr page 57-
5i
ningen d\'Almeida en Albuqucrque werden ook verscheidene landstreken
onderworpen. De laatste veroverde kort voor zijn dood (i 515) reeds
Ma lak ka.
Van het vasteland werden de handelsbetrekkingen spoedig uitge-
breid tot den Archipel; schepen werden gezonden en weldra gelukte
het den Portugeezen zich in de Molukken te vestigen, zoomede han-
delstractaten te sluiten met den Sultan van Atjeh en de vorsten van
Bantam.
De plaats der Portugeezen zou echter spoedig worden ingenomen
door de Hollanders, vooral toen deze werden opgewekt den weg
naar het Oosten te zoeken door de hinderpalen , die Spanje aan hunne
vrachtvaart, de groote bron hunner welvaart, in den weg legde.
Na te vergeefs in drie altijd gedenkwaardige tochten de Noord-
oostelijke doorvaart beproefd te hebben, gelukte het Cornelis Houtman
in Juni 1596, na eene reis van 446 dagen, te Bantam te landen;
deze reis bracht nog geen rechtstreeksch voordeel aan, maar de weg
was gevonden, \'t ijs gebroken.
In 1598 werd de grondslag gelegd voor den handel der Neder-
landers in Oost-Indie: Van Neck kwam den 15\'" Juli 1599 in het
moederland terug van de eerste welgelukte reis; met een deel der
schepen had hij in Bantam eene groote lading peper ingenomen,
100 last. *)
De andere schepen waren doorgegaan naar de Molukken, de
„Groote Oost", de Specer ij-eilanden, welke zeker meer dan eenig
ander deel van den Oost-Indischen Archipel Holland rijk hebben ge-
maakt; ..... de schaduwzijde is, dat onze landgenooten van de
17" eeuw in de Molukken met onmenschelijke hardheid tegen de
inboorlingen zijn opgetreden, die deels gedood, deels tot perkslavm
werden gemaakt.
De goede ontvangst, die de Nederlanders aldaar van de zijde der
vorsten, o. a. van den Sultan van Ternate (Moluco), en van de be-
volking ondervonden, moet hoofdzakelijk aan den haat, dien men tegen
de Portugeezen koesterde, worden toegeschreven. Door overdreven
godsdienstijver hebben de Portugeezen aan hun eigen val gearbeid.
*) Op deze reis (in het heengaan) was het eiland do Cero ten Oosten
van Madagascar aangedaan en »ter eere van den Prins-Stadhouder" in
Mauritius herdoopt.
4*
-ocr page 58-
52
Met Atjeh werden reeds in 1600 vriendschappelijke betrekkingen
aangeknoopt en handelstractaten gesloten, terwijl de Sultan afgezan-
ten zond naar Prins Maurits, die deze gezanten ook ontving in zijn
legerkamp voor Grave.
In dezen tijd begint de worsteling van de Nederlanders om den
alleenhandel in den Oost-Indischen Archipel, waarbij zij beurtelings
de Portugeezen en de Engelschen hebben te bekampen en strijd te
voeren tegen de machtige Inlandsche vorsten.
Ten einde de krachten gemeenschappelijk aan te wenden, werd
in 1602 de Oost-Indische Co?npagnie gevormd uit de verschillende
handelsmaatschappijen, die in de laatste jaren waren ontstaan.
De eerste duurzame nederzettingen van de Compagnie waren in
de Molukken en in Bantam. Daar werden loges (loodsen, pakhui-
zen) gebouwd.
In 1609 werd voor de eerste maal een Gouverneur-Generaal aan-
gesteld, P ie ter Both van Amersfoort. Zijn zetel en die van zijne
beide naaste opvolgers was Ambon.
De vierde Gouv.-Generaal was Jan Pieterszoon Koen (1618—\'23),
die de Engelschen en Bantammers bestreed , Jacatra veroverde, Batavia
stichtte en tot middelpunt van onzen handel en ons gezag maakte.
Van 1626—\'29 was Koen voor de tweede maal Gouverneur-Generaal.
Nadat Batavia aldus haar middelpunt was geworden, breidde de
Compagnie hare betrekkingen en haren invloed gedurig verder over
den Indischen Archipel uit, ja, verwierf zelfs uitgestrekte bezittingen
in andere deelen van Azië (Formosa , Desima, Malakka, Ceylon en
punten op de kusten van Malabar en Coromandel) en in het Zuide-
lijk deel van Afrika {Kaap de Goede Hoop), die sedert alle weder
voor Nederland verloren zijn gegaan. Schepen in dienst van de
Compagnie deden ontdekkingen in Australië; geen reiziger van onze
natie heeft zich daarbij meer onderscheiden dan de energieke Abel
Tasman,
die verschillende kustgedeelten van het uitgestrekte Nieuw-
Holland den naam gaf, voor \'t eerst aantoonde, dat Nieuw-Holland
niet met de Zuidpoollanden samenhing en die ook het schoone en
gezegende, naar hem genoemde eiland ten Zuidoosten van Nw.-Holland
ontdekte: Tasmania (2 maal zoo groot als Nederland), ook wel
„Van Diemensland", naar den toen ter tijde regeerenden Gouverneur-
Generaal.
De Compagnie dacht bij dat alles echter bijna uitsluitend aan hare
-ocr page 59-
53
handelsbelangen (waarin zij een streng monopolie systeem huldigde).
Van invloed op de ontwikkeling van den inlander is onder haar
bewind, dat bijna twee eeuwen duurde, weinig sprake.
In 1795 werd de Compagnie, die ongeveer 150 millioen gulden
schuld had, opgeheven en in 1798 gingen de bezittingen met de
schulden over aan den Staat.
Eerst in het begin der 19\' eeuw, nadat Daendels den grooten
weg over Java had aangelegd (1808—\'il), begon men de inlandsche
bevolking beter te leeren kennen en drongen de Europeanen dieper
door in de binnenlanden. Daendels deed veel voor den inlander,
doch vergde ook veel van hem: zoo voor den postweg als voor
\'t aanleggen van forten, het graven van kanalen, het droogmaken
van moerassen werden drukkende „heerendiensten" (onbetaalde arbeid
voor \'t gouvernement) gevorderd. Doch alle afpersingen werden streng
tegengegaan; de heerendiensten, geschenken en dergelijke ten behoeve
van ambtenaren afgeschaft, koffietuinen aangelegd, waar de inlander
rechtstreeks voor den arbeid werd betaald. Dat Daendels bij dit alles
met kracht optrad, getuigt reeds de naam hem door de inlanders ge-
geven : „Toean besar goentoer" (de „donderende groote heer").
De politieke betrekkingen van de Nederlanders in Indië beginnen
mede voornamelijk in deze eeuw; dit geldt althans voor de Buiten-
bezittingen.
Van 1811—\'16 waren onze bezittingen in handen van de Engel-
schen: dit Engelsche tusschenbesluur heeft veel invloed gehad op de
toestanden, zooals zij nu zijn.
De invloed door de Europeanen op karakter en ontwikkeling van
de Indische volken uitgeoefend, blijft intusschen ver achter bij dien
van de Hindoes en Arabieren.
Gelijk reeds gezegd is, maakt ook de Evangelieprediking slechts
langzame vorderingen. Veel heeft echter de Nederlandsche zending
gedaan voor de kennis van land en volk in Indie.
-ocr page 60-
HOOFDSTUK VII.
Bestuur.
§ 21. Gouverneur-Generaal en Raad van Indië. De be-
ginselen en jegels, volgens welke de koloniën en bezittingen in
Oost-Indio worden bestuurd, zijn te vinden in het Regeeringsreglement
van 1854, dat voor Indie is, wat de Grondwet is voor Nederland.
De Gouverneur-Generaal vertegenwoordigt de Koningin en heeft
dus in hoofdzaak Hare rechten en verplichtingen. Hij wordt door
de Koningin, op voordracht van den Ministerraad, benoemd.
Hij is opperbevelhebber over land- en zeemacht; heeft het opper-
toezicht over de verschillende takken van het algemeen bestuur.
Hij stelt verordeningen {Koloniale ordonnantiëri) vast omtrent alle
onderwerpen, die niet bij de Wet (door de wetgevende macht in
Nederland), zooals b.v. de jaarlijksche begrooting van inkomsten en
uitgaven, of bij Koninklijk Besluit zijn of worden geregeld.
En zelfs de hierbedoelde Wetten en Koninklijke Besluiten kan hij,
in dringende omstandigheden, buiten werking stellen; natuurlijk onder
verplichting hiervan onmiddellijk aan de Regeering in het moederland
kennis te geven. Het is duidelijk, dat door de versnelde en gemak-
kelijker gemeenschap tusschen Indie en Nederland en vooral door de
telegraaf, de zelfstandigheid van den Gouv.-Generaal is verminderd
Hij kan oorlog verklaren aan en vredes- en andere verdragen slui-
ten met Indische vorsten.
Hij benoemt de officieren der landmacht; evenzoo bijna alle amb-
tenaren, behalve de leden van den Raad van Indie, den legercom-
mandant en den vlootvoogd, de presidenten der beide Hoven en van
de Rekenkamer.
Hij heeft het recht van gratie of van vermindering van straf.
De Gouverneur-Generaal wordt, bijgestaan door den Baad van
Indië,
die uit een vice-president en vier leden bestaat, door den
Koning benoemd; terwijl de Gouverneur zelf als voorzitter eene
adviseerende stem heeft.
-ocr page 61-
55
Ten allen tijde kan de Gouverneur het advies van den Raad
vragen; in bepaalde gevallen moet hij het doen; en in sommige
regeeringszaken is overeenstemming tusschen den Gouverneur-Generaal
en den Raad van Indie gevorderd.
Eene zeer belangrijke betrekking is verder die van Algemeen Secre-
taris
, het hoofd van de „Algemeene Secretarie". Hij is de vraagbaak
en voorlichter van het bestuur; zorgt voor de redactie en regisireering
van de beschikkingen van den Gouverneur-Generaal, alsmede voor
de samenstelling van het „Staatsblad van Nederlandsch-Indiö".
§ 22. De verschillende takken van het algemeen burgerlijk bestuur
zijn in Indie over Deparleinentcn verdeeld (thans vijf), aan wier
hoofd Directeuren staan: i. het binnenlandsch bestuur; 2. onderwijs,
eeredienst en nijverheid; 3. burgerlijke openbare werken; 4. finan-
ciön; 5. justitie.
Aan het hoofd van de zaken voor Oorlog staat de „Commandant
van het Leger"; van die betreffende de Marine de „Commandant
der Zeemacht".
De afzonderlijke gewesten, in welke Nederlandsch Oost-Indie ver-
deeld is (zie § 5), worden onder toezicht van den Directeur van
Binnenlandsch Bestuur beheerd door burgerlijke ambtenaren, in het
algemeen aangeduid als „hoofden van gewestelijk bestuur". Als de
inwendige toestand van een gewest zulks vordert, worden hiertoe
ook wel officieren gekozen, gelijk op dit oogenblik b.v. weder in
Atjeh het geval is.
De hoofden van gewestelijk bestuur worden door den Gouverneur-
Generaal benoemd. Hun rang is gelijk gesteld aan dien van Generaal-
Majoor of Kolonel en zij hebben het recht tot het voeren van den
vergulden pajoeng, het zonnescherm.
De meeste gewesten zijn om hunne uitgestrektheid of belangrijkheid
gesplitst in a/deelingen; aan het hoofd van deze staan op Java en
Madoera Assistent-Residenten; in de Buitenbezittingen : Residenten ,
Assistent-Residenten, Controleurs of Posthouders.
Zooveel de omstandigheden het toelaten, wordt de inlandsche be-
volking onder de onmiddellijke leiding van hare eigen hoofden gelaten.
Deze worden door de Nederlandsch-Indische regeering erkend of
aangesteld; voorts bezoldigd en onderworpen aan hooger toezicht.
Het best is dit bestuur op Java georganiseerd: daar staat de Regent
-ocr page 62-
56
aan het hoofd van het inlandsch bestuur. Hij wordt meest uit een
aanzienlijk inlandsch geslacht gekozen; zooveel doenlijk wordt steeds
een der zonen of nabestaanden van den Regent tot opvolger geko-
zen. Zijne verhouding tot den Resident of den Assistent Resident is
als die van een jongeren broeder tot een ouderen. Zijn invloed is
zeer groot, want de inlandsche bevolking ziet in hem haar natuurlijk
hoofd, terwijl de luister van de afstamming van de meeste Regenten
hun aanzien nog verhoogt.
Toch is de Regent gehouden de bevelen van den Resident of den
Assistent-Resident te gehoorzamen.
De titel van den Regent is Raden Adipatih of Raden Toemen-
goeng;
enkelen hebben den titel Pangeran, „Prins".
Onder hem zijn een aantal andere inlandsche ambtenaren werk-
zaam: de „Districtshoofden", Wedonds of Demangs, mede door het
Europeesch bestuur aangesteld en ontslagen.
Het Dorpsbestuur bezit eene grootere zelfstandigheid; het dorps-
of dessahoofd (loerah , bekel\', pelinggi) wordt door de dessa-bewoners
gekozen. Het dorpshoofd is verantwoordelijk voor de geregelde
betaling der landrente, voor eene behoorlijke uitvoering der verplichte
heerendiensten, kortom, voor alles, waarin de dessa met het gewes-
telijk bestuur in aanraking komt. De priesters zijn altijd leden van
het dorpsbestuur.
De onderscheidings- en waardigheidsteekenen der verschillende
inlandsche grooten en hoofden zijn nauwkeurig omschreven. Hoofd-
zakelijk blijkt de rang uit kleur en ring van den pajoeng.
De Oostersche vreemdelingen (Chineezen, Arabieren, Mooren) wor-
den, waar zij een eenigszins aanzienlijk getal uitmaken, vereenigd
in afzonderlijke wijken, die onder onmiddellijk bestuur van hun
eigen hoofden staan. Die hoofden, welke rechtstreeks ondergeschikt
zijn aan den Resident of Assistent-Resident, moeten waken voor de
handhaving der orde in hunne wijken. Zij worden gekozen naar
landsgebruik. Bij de Chineezen voeren zij den titel van Kapitein- of
Luitenant-Chinees, op de hoofdplaatsen ook wel Majoor.
§ 23. Rechtspraak. De rechterlijke macht in Nederlandsch-Indie
wordt, behoudens enkele uitzonderingen (b.v. over militairen), uitge-
oefend door het Hooggerechtshof te Batavia, de Raden van Justitie
te Batavia, Semarang, Soerabaja, Padang en Makasser; de Recht-
-ocr page 63-
57
banken van Omgang op Java en Madoera; de Landraden; de
regentschaps- en districtsgerechten.
De Raden van Justitie, en natuurlijk ook het Hooggerechtshof,
bestaan uit den aard der zaak geheel uit Europeesche rechtsgeleerden,
want voor hen staan terecht de Europeanen en met dezen gelijk-
gestelden (alle Christenen en verder zij, die zich vrijwillig hebben
onderworpen aan het voor de Europeanen vastgestelde recht).
In alle residentiën zijn Rechtbanken van Omgang, met een in
rechten gegradueerden Europeeschen ambtenaar als voorzitter, die
verschillende gewesten onder zijn rechtsgebied heeft, welke hij op
gezette tijden, vergezeld van een mede in rechten gegradueerden
griffier, tot het houden van rechtszittingen bezoekt. Voorts bestaan
deze rechtbanken uit de voornaamste inlandsche hoofden als leden,
bijgestaan (geadviseerd) door een priester of pangoeloe van hoogen
rang en met een djaksa (inlandsch officier van justitie) als ambtenaar
van het Openbaar Ministerie.
De Landraden, die gevestigd zijn in alle hoofdplaatsen van resi-
dentien of assistent-residentien, zijn de gewone dagelijksche rechters
van Inlanders en met dezen gelijkgestelden (met Inlanders worden
gelijkgesteld Arabieren, Chineezen en andere vreemde oosterlingen,
behoudens de boven medegedeelde uitzonderingen). Zij hebben als
voorzitter den resident of den assistent"resident, een ambtenaar als
griffier; verder twee inlandsche hoofden als leden, den hoofdpangoeloe
als adviseur en eindelijk den djaksa. Het streven bestaat, om tot
voorzitters en griffiers rechtsgeleerden te benoemen , wat voor sommige
Landraden dan ook reeds is geschied.
Kleine overtredingen en kleine burgerlijke gedingen van inlanders
komen voor de regentschaps- en districtsgerechten. Deze zijn samen-
gesteld uit inlandsche hoofden onder voorzitterschap van Regenten en
districtshoofden; verder steeds een pangoeloe en een djaksa.
De rechtsbron, waaruit geput wordt door al de genoemde inland-
sche rechterlijke colleges, is de adat, het „gewoonterecht". De
priester waakt, dat rekening gehouden wordt met de voorschriften
en eischen van den godsdienst.
Wij zien dus, dat de regeering bij de inrichting van het rechts-
wezen van dezelfde beginselen is uitgegaan als bij de inrichting van
het bestuur: alles is gebaseerd op de godsdienstige wetten, de volks-
instellingen en de gebruiken der inlanders.
-ocr page 64-
58
§ »4- Land- en Zeemacht. Het leger heeft eene sterkte van
ruim 30.000 man en staat onder het bevel van den Legercomman-
dant, tevens chef van het Departement van Oorlog.
Het is samengesteld uit Europeanen en Inlanders, elk voor onge-
veer de helft. Voor de eersten heeft de werving voornamelijk in
Europa plaats; naast Nederlanders zijn het vooral Belgen, Duitschers
en Franschen, die zich aanmelden. Een „Koloniaal Werf-depót" is
te Harderwijk gevestigd, vanwaar van tijd tot tijd detachementen
suppletie-(aanvullings-)troepen naar Indit vertrekken; voorts bestaat
sedert korten tijd eene „Koloniale Reserve", te Nijmegen en te
Zutfen.
De inlandsche soldaten zijn vooral Amboineezen en Ternataansche
Alfoeren.
De Afrikaansche soldaten, altijd een der beste bestanddeelen van
ons Nederlandsch-Indisch leger, zijn tengevolge van onzen afstand
van de kust van Guinea (1872), langzamerhand uit de gelederen
verdwenen.
De opleiding voor officier geschiedt tot nu toe ten deele in Neder-
land (Militaire Academie te Breda en Hoofdcursus te Kampen), ten
deele op de Militaire School te Meester-Cornelis; laatstgenoemde
inrichting wordt echter opgeheven.
In tegenstelling met hetgeen van de landmacht werd medegedeeld,
vormt het personeel der zeemacht in Indie\' een deel van de Neder-
landsche marine.
De oorlogsschepen in de Indische wateren behooren deels tot het
Indisch, deels tot een auxiliair-eskader.
De marine-etablissementen zijn gevestigd te Soerabaja.
Het is duidelijk, dat bij een zoo uitgestrekt gebied als dat van
onze bezittingen in Azië, ons gezag niet alleen op de krijgsmacht
kan zijn gebaseerd; integendeel, het berust in de eerste plaats op
de zedelijke meerderheid, op het prestige van den Europeaan boven
den Oosterling; in de tweede plaats op eene juiste keuze der midde-
len om ons gezag uit te oefenen; terwijl eindelijk de militaire macht
bestemd is om, waar noodig, het gezag te steunen, orde te hand-
haven, opgestane landstreken te onderwerpen, aangegane tractaten te
doen naleven. En in deze opzichten heeft de Indische krijgsge-
schiedenis menige schoone bladzijde, menig schitterend bedrijf te
vermelden.
-ocr page 65-
HOOFDSTUK VIII.
Nadere bijzonderheden over Java.
§ 25. De drie volken, die Java bewonen: de eigenlijke Javanen,
de Soendaneezen en de Madoereezen, behooren allen, zooals reeds
werd opgemerkt, tot het Maleische ras.
De eigenlijke Javanen vormen het gewichtigste bestanddeel; èn
door hunne getalsterkte, èn door hun uitgestrekt gebied over Midden-
en Oost Java, èn door hunne beschaving: hunne taal is de meest
ontwikkelde; in literatuur en kunst hebben alleen zij op belangrijke
voortbrengselen te wijzen.
De Madoereezen, op Madoera en in het Oosten van Java, zijn
in beschaving over \'t geheel weinig van de Javanen onderscheiden,
ofschoon hunne taal tegenwoordig toch van het Javaansch verschilt.
Zij staan als heftiger en gevaarlijker dan de beide andere volken
bekend; \'t zijn stoute visschers en zeevaarders, soms ook kustroovers;
hun weinig vruchtbaar eiland lokte minder tot landbouw uit.
De Soendaneezen bewonen het gebied, dat ongeveer door de
Tji Losari en de Tji Tandocwi naar het Oosten wordt begrensd;
bovendien is de bevolking van Zuid-Sumatra (Lampongsche districten)
Soendaneesch. Zij zijn in levenswijze, begrippen en taal minder dan
de beide anderen van het oorspronkelijk Maleisch karakter afgeweken.
De dichtheid van bevolking in Java bedraagt
25.000.000
--------------= ruim 10.000 inwoners op 1 Q G, M. (die in Nederland
2400
7.600).
In het gebied der eigenlijke Javanen is zij bijna tweemaal grooter
dan in West- en Oost-Java; zoo maakt ook in dit opzicht Midden-
Java bepaald een afzonderlijk deel van het eiland, en wel het hoofd-
deel uit. Bagelen en Kedoe (de „tuin van Java") zijn het dichtst,
de Preanger, Krawang en Bantam het minst bevolkt.
-ocr page 66-
6o
§ 26. Levenswijze en bedrijf der Javanen. De javaansche
dorpen zijn verscholen in het geboomte en omgeven door uitgestrekte
rijst- of maïsvelden.
Volgens het gewone spraakgebruik der Europeanen worden alle
dorpen van het eiland „dessa" genoemd, ofschoon die naam eigenlijk
in de Soendalanden en buiten Java niet thuis behoort.
Een kampong is eene wijk of buurtschap; onderscheiden kampongs
vormen eene grootere gemeente of negert (uit \'t Sanskriet „nagara",
d. i. de plaats, waar een vorst met zijn volk zich vestigt; thans in
\'t Maleisch en Javaansch een aanzienlijk dorp. Veth). De dessa daar-
entegen is een op zich zelf staand geheel, dikwijls uit niet meer dan
twintig tot veertig huisgezinnen bestaande. Iedere dessa heeft haar
eigen, zelf gekozen dorpshoofd.
Elke woning ligt in het groen van vrucht- en bloemboomen; de
klapper, de pisang, en van de Indische bloemen vooral de melati,
eene kleine, witte, welriekende bloem, ontbreken zelden.
De volgende schets, die wij in de meer genoemde reisbeschrijving
van Dr. Van Hoeveil aantreffen, geeft eene duidelijke voorstelling:
„...... Tjandjoer, de hoofdplaats van de Preanger-regentschappen *).
Indien gij bij dit woord „hoofdplaats" denkt aan eene stad in het vader-
land, of waar ook in Europa, dan maakt gij u eene geheel verkeerde voor-
stelling. Wij rijden door eene soort van houten of steenen poort de negeri
binnen, en wat zien wij nu? Natuurlijk huizen en gebouwen, nederige
stulpen en paleizen, zult gij antwoorden. Niets van dat alles! Breede
rechtlijnige straten, met kleine riviersteentjes begrint, en aan de kanten 7
of 8 voet hooge omheiningen of schuttingen (fiagger), van bamboe gevloch-
ten. Achter die schuttingen rust uw oog op altijd frisch en jeugdig groen
van vrucht- en bloemboomen, maar nergens bemerkt gij een huis of wat
er naar gelijkt, want onder en tusschen dat groen zijn de woningen der
inboorlingen verscholen. Slechts nu en dan wordt de eentonigheid der
omheining afgebroken door de ingangen, die naar binnen leiden, door een
gaarkeuken {warong), of door een winkel, waar de Javanen hunne benoo-
digdheden voor landbouw, huisraad, kleeding enz. kunnen koopen. Langs
die straten rijden wij naar de Europeesche buurt; zoo noem ik de plaats,
waar zich het Residentiehuis, het Logement en nog eenige andere huizen
van Christen-ingezetenen bevinden."
*) Thans is Bandoeng de hoofdplaats.
-ocr page 67-
6i
Deze beschrijving geldt niet alleen van Tjandjoer, maar tevens van
al de negerie\'s en dessa\'s op grootere of kleinere schaal. In de groo-
tere, de hoofdplaatsen der regentschappen, valt nog het oog op de
aloen-aloen , een groot, vierkant plein , in den regel met waringinboomen
beplant en waar de woning {dalem) van den Regent en de missighit
of Mohammedaansche tempel zich bevinden.
Het gewone inlandsche huis kan men zich voorstellen als eene
kleine, vensterlooze hut, door den bewoner zelf vervaardigd. De
gebruikelijke bouwstof is bamboe en voor het dak a/a/, bladeren
van den nipah-palm of van andere boomsoorten, of ook wel alang-
gras.
Bij de Soendaneezen zijn de huizen, overeenkomstig het gewone
type der Maleische woningen, op palen gebouwd, zoodat onder den
vloer ruimte is voor kippen, eenden en geiten; bij de Javanen echter
rust de vloer onmiddellijk op den grond.
Bij de gewone type heeft men dus een trap of ladder met eenige
weinige sporten noodig, om het huis te bereiken.
De oorsprong van dit verschijnsel is waarschijnlijk daarin gelegen,
dat de bewoners van den Archipel van oudsher, als zeevaarders,
hunne dorpen bij voorkeur vestigden aan de lage stranden en bij de
mondingen der rivieren; de huizen op palen te bouwen was daar
het middel om ze droog te houden. Jammer, dat deze gewoonte tot
groote onzindelijkheid aanleiding gaf; immers de ruimte onder het
huis wordt ook gebruikt voor den afval en allerlei onreinheden, wat
natuurlijk ongezond is.
Wellicht is het verschijnsel, dat de eigenlijke Javanen hunne huis-
jes onmiddellijk op den beganen grond oprichten, al weer een gevolg
van den Hindoeschen invloed.
De daken zijn in den regel overhangend. Licht en lucht hebben
alleen door de deur toegang. De waarde, die het geheele huis aan
materiaal en arbeidsloon vertegenwoordigt, werd door Raffles op drie
tot zes gulden geschat. Van binnen zijn de woningen doorgaans vrij
zindelijk; meestal zijn er twee vertrekken; veel huisraad behoeft de
inlander niet; het volgens Wallace onvolprezen bamboe verschaft al
weder het noodige materiaal, allereerst voor de balé-balé of rustbank
en verder voor de slaapplaats, waarover een mat is gespreid en waarop
een met kapok gevuld kussen ligt. Stoelen en tafels zijn er niet.
Voor de spijsbereiding volstaan eenige aarden potten en pannen;
-ocr page 68-
62
de plaats van borden wordt ingenomen door pisang- of andere groote
boombladéren.
Onmisbaar is de sirihdoos, waarin dikwijls een stel kleinere doosjes
voor al de ingrediënten, vereischt voor de betelpruim.
Verder zijn er verschillende werktuigen voor het ontbolsteren van
rijst en voor het spinnen en weven. De werkzaamheden worden
altijd vóór het huis, door de vrouwen, verricht.
Er wordt in den regel niet meer dan het voor eigen gebruik be-
noodigde katoen geteeld en toebereid; de vrouwen zijn zeer bekwaam
in het spinnen, weven, batikken, verven (batikken is teekenen van
bloemen en andere figuren met was op katoen). Voor sarong en
hoofddoek wordt het goed gebatikt.
§ 27. Landbouw is het hoofdbedrijf op Java:
„De Javaan is uit den aard der zaak landbouwer; de grond waarop hij
geboren wordt, die veel belooft voor weinig arbeid, lokt hem daartoe uit,
en vooral is hij met hart en ziel overgegeven aan het bebouwen zijner
rijstvelden, waarin hij dan ook zeer bedreven is. Hij groeit op te midden
zijner sawa\'s en gaga\'s en tipars, vergezelt reeds op zeer jeugdigen leeftijd
zijn vader naar het veld, waar hij hem behulpzaam is in den arbeid met
ploeg en spade, aan dammen en waterleidingen tot het bevochtigen zijner
akkers. Hij telt zijne jaren bij oogsten; hij rekent den tijd naar de kleur
zijner te veld staande halmen; hij gevoelt zich tehuis onder de makkers,
die met hem padi sneden; hij zoekt zijne vrouw onder de meisjes der dessa,
die \'s avonds onder vroolijk gezang de rijst stampen, om ze te ontdoen van
den bolster; het bezit van een paar buffels, die zijn ploeg zullen trekken,
is het ideaal dat hem aanlacht; — de rijstbouw is voor den Javaan, wat in
de Rijnstreken en het Zuiden van Frankrijk de wijnoogst is."
Aldus de schrijver van Max Havelaar.
De Javanen worden als landbouwers misschien alleen door de
Chineezen overtroffen. Hunne bekwaamheid blijkt vooral uit den
sawah-\\>ovw, de tegals of ladangs, niet geïrrigeerde velden, zijn
over \'t algemeen veel minder waard; terwijl de gaga-\\>OM\\s nauwlijks
den naam van ontginning verdient, ja \'t karakter van roofbouw draagt.
Het kenmerk van eene sawah, in tegenstelling met een tegal, ligt
voornamelijk in de bedijking, waardoor het water er op kan staande
gehouden worden.
De riviertjes, die overal met sterk verval van de bergen stroomen,
-ocr page 69-
63
bieden den inlander in de meeste streken de beste gelegenheid om
zijne velden kunstmatig te besproeien ; ligt het water lager dan de
sawah, dan wordt het opgestuwd door lageraf een dam te leggen.
Deze sawah\'s komen vooral voor langs de hellingen der heuvelen
en bergen; honderden vierkante mijlen van onregelmatig golvend of
in meer of min steile helling oprijzend land zijn vlak gemaakt tot
terrassen. De dijkjes (galattgan), die ieder vak omgeven, verrijzen
regelmatig boven elkander in horizontale lijnen; het water vloeit door
openingen van de hoogere terrassen naar de lagere en zoo kan men
op naast elkander liggende akkers dikwijls al de tijdvakken van den\'
rijstbouw gelijktijdig waarnemen.
In volgorde zijn de werkzaamheden op de sawah: ploegen, onder
water zetten, het overplanten van de kweekplantjes, bibiet (want bij
de natte rijstteelt wordt de rijst nooit dadelijk gezaaid op het veld,
waarop zij rijp wordt), water aftappen, na eenige dagen weder onder
water zetten, rijstvogeltjes verjagen , padi snijden (meest door vrou-
wen, halm voor halm, met een rijstmesje), oogsten (met verschil-
lende plechtigheden gepaard gaande).
De behoeften van den Javaan zijn weinige; rijst in water gekookt
is het hoofdbestanddeel der voeding. In den eersten tijd na den
oogst — als de voorraad ruim is — wordt tweemaal daags gegeten;
later komen er andere voedingsmiddelen bij, b.v. djagoeng (maïs) en
eindelijk eet men niet meer dan eens per dag rijst. Een onmisbaar
toevoegsel bij de rijst is echter de lombok of Spaansche peper; deze
struik ontbreekt zelfs niet bij de armste Javaansche hut; er zijn ver-
scheiden soorten, die inlandsche namen dragen, als de tjabé.
Onvermijdelijk zijn de feestmaaltijden: bij het begin en het einde
van de groote vasten; bij het begin of het einde van het planten
der padi; en vooral bij het begin van den oogst; met overvloed van
rijst, kippen, toespijzen en vruchten wordt alsdan feest gevierd.
Onder de boomen bij de Javaansche woning komt, met den reeds
genoemden klapper, bijna altijd de pisang of banaan voor, om zijne
welsmakende en voedzame vruchten, die op allerlei wijzen worden
toebereid.
Van de vruchten behoort de doerian tot de meest bekende en
merkwaardige, door den heerlijken smaak van het roomachtige vleesch,
ondanks een overweldigenden stank. De manggis of manggistan is
onder de Indische vruchten doorgaans het meest bij de Europeanen
-ocr page 70-
64
geliefd. Ook de mangga, wel eenigszins op onze pruimen gelijkend,
is een der lekkerste Javaansche vruchten.
Ook tabak wordt dikwijls door den inlander voor eigen gebruik
aangeplant, al rookt de geringe man weinig en dan nog maar eene
stroosigaar: wat tabak in een malsblad.
§ 28. Buiten de dorpen treft men meestal uitgestrekte woeste
gronden aan, die wel bij de gemeenten zijn ingedeeld, doch door
niemand in bezit genomen en voor een groot deel als domeingronden
worden beschouwd.
Deze onbebouwde bosch- en prairiestreken waren vroeger veel uit-
gestrekter dan thans. Onophoudelijk worden, vooral in Oost-Java,
gedeelten daarvan in cultuur gebracht en , hetzij in rijstvelden, hetzij
in andere bouwgronden, herschapen , maar, gelijk reeds gezegd, is
toch nog meer dan de helft van Java\'s bodem onontgonnen.
In 1870 is met betrekking tot de agrarische aangelegenheden eene
belangrijke wet tot stand gekomen, waarbij o. a. is vastgesteld, dat
domeingronden in erfpacht aan particulieren kunnen worden afge-
staan, voor niet langer dan 75 jaren. Hiervan wordt vooral gebruik
gemaakt door Europeanen, die voornemens zijn ontginningen op
eenigszins uitgebreide schaal te ondernemen.
In vele streken van Java is het grondbezit communaal, dat wil
zeggen: de grond behoort aan de gemeente, de dessa; de leden der
dessa hebben den grond in gemeenschappelijk gebruik, d. i. de be-
bouwbare grond wordt telken jare onder de sawah-bezitters verdeeld.
Na den oogst is de grond weer communaal.
Dit gemeentebezit komt bij de meest verschillende en verst verwij-
derde volken voor: wij zien het in de Germaansche mark (ook in
Nederland, in Drente en Gelderland zijn nog onverdeelde „mark-
gronden"), in \'t oude Egypte, in het tegenwoordige Rusland, gelijk
in de Javaansche dessa.
Waarschijnlijk is deze vorm van gemeentebezit voortgekomen uit
een nog ouderen vorm: familiebezit, zooals wij dat bij vele volken
in hunne oudste geschiedenis aantreffen (nog heden ten dage bij
sommige Zuid-Slavische volken). Trouwens er zijn landstreken in
Indië, o. a. in de binnenlanden van Sumatra, waar wij nog dezen
toestand vinden.
Ten deele maakt het communaal bezit op Java reeds plaats voor
-ocr page 71-
65
individueel bezit; dit laatste is eigenaardig in de Soenda-landen; daar
woont de boer op zijn eigendom.
Geef van de kaart de residentiën op, die in dit gebied
liggen.
§ 29. Van groot belang voor het leven van den Javaan zijn ver-
der nog eenige andere instellingen, waaronder wij vooreerst noemen
de heerendiensten: door de heerendiensten verstaat men den onbe-
taalden arbeid, dien de inlanders ten behoeve van hunne hoofden
of van het gouvernement moeten verrichten. Van die diensten werd
in vroegeren tijd dikwijls misbruik gemaakt, vooral van de zijde der
inlandsche hoofden.
Thans zijn de heerendiensten door het gouvernement geregeld : zij
worden alleen volgens bepaalde voorschriften gevorderd en zijn tot
een minimum beperkt (hoogstens 42 dagen per jaar en dan niet
langer dan 12 uur, heen- en teruggang daaronder begrepen). Toch
schijnt er nog een ruim gebruik van te moeten worden gemaakt;
hoofdzakelijk tot onderhoud van post- en binnenwegen en het bezetten
van wachthuizen; voorts in geval van overstroomingen of tot afwen-
ding van ander algemeen gevaar.
Volgens de Koloniale Verslagen bedraagt het totaal-generaal der
jaarlijks verrichte dagdiensten: 20 millioen.
Naast deze verplichting rust op de inlandsche bevolking eene
andere: het opbrengen van landrente.
Voor elke dessa is de uitgestrektheid der bouwgronden nagegaan
en de gemiddelde opbrengst van den oogst berekend. Naar dien
maatstaf is de dessa verplicht aan het gouvernement eene zekere
belasting te betalen voor het gebruik van den grond, waarvan het
gouvernement zich als eigenaar beschouwt.
De dorpshoofden zijn voor die belasting aansprakelijk; zij bepalen
het aandeel, dat ieder dessa-bewoner moet opbrengen.
Het landrentestelsel is ingevoerd tijdens het Engelsche tusschen-
bestuur (1811—\'16), door den gouverneur Raffles naar het model
van een dergelijk stelsel in Britsch-Indie.
De opbrengst van de landrente bedraagt ± 20 millioen gulden
\'s jaars. En hoe krijgt de inlander \'t geld, dat hij als landrente zal
opbrengen? Veeltijds wordt het verdiend met de suiker- en koffie-
cultuur en met den arbeid op ondernemingen van nijverheid; in
Aitton, Oost- en West-Indü. 3\' druk.                                       5
-ocr page 72-
66
sommige gevallen door \'t verkoopen van padi of vee; ook van de
2\' gewassen of van de opbrengst van erven of tuinen. Zij, die niet
ver van de bosschen wonen , verzamelen de producten der wildernis:
vruchten , kruiden; kappen bamboe en rotan en verdienen zoo 15 Èt
20 cents per dag; zij zoeken harsen en gommen, waarmee soms een
gulden per dag, soms niets wordt verdiend; ook vezelstoffen uit de bast
of uit de bladeren van sommige boomsoorten. Niet zelden blijven
zij eenige nachten in de wildernis, vaak in ploegen van 10 a 15
man, met wat rijst, tabak, gambier, zout. Wisselvallig, dikwijls
schraal, is de belooning van dit werk.
Ook de vrouwen werken ijverig mede: zij spinnen, weven, ver-
ven, soms in dagloon van anderen, waarbij zij 5 a 10 cents verdie-
nen; of zij maken spijzen, lekkernijen en gebak gereed, die zij met
eene kleine winst verkoopen.
Van ingrijpend belang voor Java\'s bevolking zijn , naast de boven
besproken heerendiensten, de reeds een paar malen ter sprake geko-
men verplichte cultures. Het cultuur stelsel werd in 1830 ingevoerd,
onder het bewind van den Gouverneur-Generaal Van den Bosch,
met het doel om den aanbouw van producten voor de Europeesche
markt te bevorderen.
De grondslag was, dat elke dessa, die 1k van hare gronden be-
bouwde met door het gouvernement aan te wijzen producten {koffie,
suiker, indigo
e. a.) en die producten op bepaalde voorwaarden
aan de regeering leverde , vrij zou zijn van landrente *).
Ook in sommige deelen van de Buitenbezittingen werden gouver-
nemen tscultures ingevoerd, als die van koffie in de Padangsche
bovenlanden en in de residentie Menado.
Dit stelsel bracht groote inkomsten op; vooral de teelt van de
koffie : de onkosten, door het gouvernement te maken (verstrekking
van de jonge boompjes; cultuur-procenten, thans afgeschaft, voor de
met het toezicht belaste dessa-hoofden) waren gering; de prijzen,
op de koffieveilingen gemaakt, zijn in den regel hoog. Zoo b.v.
kan men uit de Koloniale Verslagen zien, dat de gemiddelde prijs,
waarop de pikol koffie aan het gouvernement te staan komt (tot in
de strandpakhuizen) / 15 a ƒ 20 bedraagt, terwijl de opbrengst in
*) Bij \'tinvoeren van \'t stelsel was koffie niet de hoofdzaak, maar indigo,
enz., om n.1. spoedig product te hebben.
-ocr page 73-
(n
Europa f 60 of meer per pikol is. Reeds vroeger is medegedeeld,
hoezeer echter de koffieoogsten van verschillende jaren kunnen uiteen-
loopen. De baten, uit de koffie verkregen, beliepen van 1881—\'90
± ƒ 200.000.000.
Maar tegenover die lichtzijde staat eene schaduwzijde: op den
inlander drukte het stelsel somtijds zwaar; niet altijd werd genoeg-
zaam rekening gehouden met zijn belang, als b.v. de beste gronden
en soms meer dan \'/\'s voor de gouvernementscultures werden aange-
wezen en hij zijne rijstvelden dan maar zooveel verder van de dessa
moest aanleggen; als hij nauwelijks tijd had die rijstvelden behoorlijk
te verzorgen. Dikwijls is beweerd, dat èn heerendiensten èn cultuur-
stelsel het lot van den Javaan bovenmatig drukten.
lntusschen is hierin veel verbetering gekomen; van de heeren-
diensten zagen wij dit reeds en van de cultures is alleen die van
koffie behouden.
§ 30. Thans keeren wij terug tot het leven van den Javaan, om
nog wat meer van hem te zien en o. a. kennis te maken met enkele
belangrijke trekken uit de Javaansche zeden en gewoonten.
De godsdienst is de Mohammedaansche, doch al neemt de inlander
de voorgeschreven plechtigheden en godsdienstplichten ook dikwijls
met de uiterste nauwgezetheid waar, hij is inderdaad nog heiden met
zijn geloof aan kwade en goede geesten, zijne gehechtheid aan voor-
teekens, enz.
Slechts weinigen (hadji\'s en geestelijken) hebben meer dan eene
zeer oppervlakkige kennis van den koran ; de godsdienst der massa
openbaart zich slechts in uitwendige handelingen, als gebed en vasten,
in het vermijden van hetgeen de koran als onrein beschouwt, in de
besnijdenis en dergelijke.
De Javaan vereert naast de geesten zijner afgestorvenen nog allerlei
andere geesten, in bergen, bosschen en wateren; aan die geesten
dankt hij het goede, dat hem ten deel valt, aan hun toorn wijt hij
de rampen , die hem treffen.
Dit alles neemt echter niet weg, dat millioenen Javanen bereid zijn
tot opoffering en strijd voor hun geloof; de Javaan, van nature rustig,
kalm en onderworpen , is als Mohammedaan blootgesteld aan invloe-
den, die den rustigsten landbouwer in een staat van opgewondenheid
kunnen brengen, waarin hij zich door zijne leiders tot alles laat gebruiken.
5*
-ocr page 74-
6S
Omtrent het karakter en den aanleg der Javanen is het oordeel,
dat men bij verschillende schrijvers aantreft, verbazend uiteenloopend:
de getuigenissen der oude reizigers zijn, vrij eenstemmig, hoogst
ongunstig; zelden treft men bij hen een welwillend woord ten aanzien
van den Javaan aan; zelfs onder nieuwe schrijvers vinden wij menige
ongunstige schets, o. a. bij Junghuhn.
Tegenover deze ongunstige karakterbeoordeelingen staan echter die
van anderen, die den Javaan menigen goeden trek toeschrijven en
hem eene warme genegenheid toedragen.
De Javaan , en de Maleier in \'t algemeen, geeft weinig uiting aan
zijne gewaarwordingen en vormt in dit opzicht, volgens Wallace, het
tegenbeeld van den Papoea. Hij is ingetrokken, schijnbaar ongevoe-
lig voor levendige indrukken ; een gevoel van verrassing, verwondering
of vrees vertoont zich nooit naar buiten. In zijn spreken is hij lang-
zaam en bedaard, en zelfs als hij een onderwerp bepaaldelijk te
behandelen heeft, komt hij slechts met veel omwegen tot de zaak.
De Maleiers van hoogeren stand zijn uitermate beleefd en hebben
al de gemakkelijkheid in den omgang en al de kalme zelfbeheer-
sching der best opgevoede Europeanen.
In \'t algemeen zacht van aard, kan onrechtvaardige behandeling
of verdrukking den Maleier in een staat van woeste opgewondenheid
brengen, waarin hij niets of niemand ontziet. Dezen toestand noemt
men „amok". Wallace geeft daarvan in zijn „Insulinde" de vol-
gende schets:
„Een man acht zich in zijne eer gekrenkt, verongelijkt; hij wil zich
wreken op het menschdom en sterven als een held. Hij grijpt het gevest
van zijn kris en het volgend oogenblik trekt hij zijn wapen en doorsteekt
den eerste, die hem voorkomt. Hij holt voort met de bebloede kris in de
hand en maakt een slachtoffer van ieder, die hem in den weg treedt.
„Amok! Amok I" weerklinkt dan door de straten. Lansen, krissen, messen,
geweren, worden voor den dag gehaald, om den woedende onschadelijk te
maken. Maar in dolle vaart snelt hij verder, doodt, wat hij kan, zonder
jaren of sekse te sparen, en sterft eindelijk, door het aantal tegenstanders
overmand, in eene opgewondenheid, gelijk aan die van een veldslag.
Het is eene waanzinnige dronkenschap, eene tijdelijke razernij , waardoor
alle gedachten, alle vermogens verzwolgen worden."
Ofschoon de Islam de polygamie toelaat, komt het onder de
volksklasse op Java zelden voor, dat de man meer dan ééne vrouw
-ocr page 75-
69
heeft, daar hij meestal de middelen mist om een talrijk gezin te
onderhouden. Anders is het bij de vorsten, die er doorgaans een
harem op nahouden.
Wat de taal aangaat, deze is geheel gevormd onder den invloed
van de Hindoes, althans voor zooveel het Javaansch betreft. Een
opmerkelijk verschijnsel doet zich hierbij voor: waarschijnlijk als
gevolg van het groote onderscheid tusschen het ras der veroverende of
koloniseerende Hindoes en dat van de groote massa der mindere
bevolking, onderscheiden wij bij het Javaansch eene hooge en eene
lage taal, het Kromo en het Ngoko. Het laatste wordt door geringere
lieden onder elkander en door den meerdere tot den mindere gespro-
ken; daarentegen spreken aanzienlijken en personen van eenigen
rang onder elkander het Krotno en steeds spreekt de mindere in
Kromo tot den meerdere. Voor schier ieder begrip zijn in het
Javaansch twee woorden voorhanden; Professor Veth maakt de ver-
houding tusschen de beide talen duidelijk door de volgende voor-
beelden uit onze taal: paard, arend, kop, poot (N.); ros, adelaar,
hoofd, voet (K.).
Volksspelen. De geliefde uitspanningen van het volk zijn
wajang en gamelan.
Bij de wa/Vz/y-voorstelling (marionetten- of poppenspel) worden
poppen gebezigd uit buffelleder gesneden, fraai beschilderd en ver-
guld, maar onbegrijpelijk wanstaltig. Deze poppen worden achter
een verlicht scherm bewogen; de vrouwen mogen alleen de schadu-
wen zien, de mannen zijn met den vertooner achter het scherm.
Het woord „wajang" beteekent eigenlijk schaduwen of schimmen.
De vertooner draagt stukken voor, o. a. ontleend aan de helden-
dichten der Indiërs (Mahabharata en Ramajana), waarnaar honderden
mannen, vrouwen en kinderen van heinde en verre komen zien en
met aandacht zitten te luisteren tot laat in den nacht.
In de Soenda-landen vervangt de topeng den wajang; daarbij zijn
de poppen vervangen door personen (met maskers). Het woord
„topeng" beteekent masker, gemaskerde voorstelling.
De gamelan, een orkest van Javaansche muziek-, grootendeels slag-
instrumenten , begeleidt de wajang- of topeng-voorstelling, maar ook
bij alle andere feestelijke gelegenheden vervult de gamelan eene
rol, zooals bij de optochten, die bij gewichtige huiselijke gebeurte-
nissen, als huwelijk, tandslijping e. a. gehouden worden. Vaak
-ocr page 76-
worden dan de gamelan-spelers nog voorafgegaan door tandakkers
of voordansers („tandak" is het Mal. woord voor de inlandsche
wijze van dansen, waarbij het verdraaien en wringen van lijf en leden
hoofdzaak is).
Bij feesten en voorstellingen treden ook dikwijls rongengs, „dans-
meisjes", op; aan inlandsche hoven maken deze zelfs deel uit van
het personeel der hofhouding.
Gelijk alle volken van Maleischen stam, zijn ook de Javanen harts-
tochtelijke liefhebbers van de hanengevechten en de daarmede ver-
bonden weddenschappen. Op Java is dit wreede spel thans in \'t al-
gemeen verboden, doch wordt bij enkele gelegenheden toegestaan en
heeft trouwens nog wel in \'t geheim plaats. Het fokken van vecht-
hanen is een speciaal vak, dat niet minder zorg vordert dan b.v. het
verzorgen en opkweeken van de raspaarden voor een Engelsche
race.
Van alle feesten is er geen, dat het gemoed van den inlander
meer opwekt dan een tijgergevecht. De volgende beschrijving van
een tij gergevecht aan het hof te Soerakarta, is ontleend aan het
verhaal eener reis door Java *):
„Reeds vroeg in den morgen zag men van alle zijden Javanen opkomen
met lange scherpe lansen gewapend en zich op de aloen-aloen vereenigen.
De voorstelling zou bestaan uit een gevecht van een karbouw met twee
tijgers, waarna men drie tijgers zou rampokken. Op het midden van het
plein was een zeer groote kooi van bamboe, zoo ruim ineengevlochten,
dat men er vrij in kon zien. In die kooi zag men een grooten karbouw
staan, die zich rustig bewoog. Nu werd een hok aangedragen, waarin
zich een groote koningstijger bevond; men opende eene schuif van het hok
en van de bamboezen kooi en dwong den tijger de laatste in te gaan.
Met één sprong stoof hij op eens als een kat de kooi binnen, waarop de
buffel hem onmiddelijk met zijn breed voorhoofd en horens trachtte te
stooten. De tijger had echter geen lust om een gevecht te beginnen, maar
legde zich roerloos neder. Nu werd alles aangewend om den tijger op te
jagen en den karbouw aan te hitsen. Puntige bamboezen, kokend water
en eene soort van brandnetels, alles werd in het werk gesteld om de twee
dieren met elkander te doen strijden, die blijkbaar niets liever verlangden
dan in de vrije natuur te kunnen ontsnappen. Eindelijk werd brandend
*) Jhr. Mr. H. T. Gevers Deynoot. Herinneringen eener reis naar Neder-
landsch-Indie in 1862.
-ocr page 77-
7i
stroo aangebracht en de tijger telkens genoodzaakt op te stuiven, waarbij
de karbouw hem dreunende stooten toebracht, die de tijger beantwoordde
met hem aan den kop te verwonden. Ten slotte werd het tijgerhok op-
nieuw geopend en de tijger vluchtte in zijn vroeger verblijf."
Tn den regel is bij dit gevecht de buffel overwinnaar.
Treffender nog is het zoogenaamde rampokken:
„Om een zeer ruim vierkant waren drie gelederen piekeniers geschaard.
In het midden der ruimte stonden drie hokken met stroo overdekt; in
ieder lag een koningstijger. Nu verschenen drie Javanen, in keurige sarongs
met slendangs gekleed, het bovenlijf geheel naakt en met witte mutsjes
op het hoofd; tandakkende kwamen zij binnen het vierkant, zich zeer
langzaam naar de tijgerhokken begevende. Twee der tandakkers hadden
ieder een brandende fakkel in de hand; toen zij bij een der tijgerhokken
gekomen waren, gingen zij met de beenen kruiselings onder het lijf op den
grond zitten en maakten eene eerbiedige buiging, slamat, voor den Keizer.
Daarop rees de Javaan zonder fakkel op , klom op het hok, haalde een
groot mes te voorschijn en sneed de sluiting van de schuif voor het hok
af, vatte daarop de schuif zelve met beide handen aan en wierp die met
zekeren zwier ver van zich op den grond. Nu was het tijgerhok open,
maar er hing nog voor de opening een van stroo gevlochten matje. De
Javaan klom met de grootste bedaardheid van het hok af en zette opnieuw
zich daarnaast op den grond, zijn slamat herhalende. Men zegt, dat de
tijger op dat oogenblik wel eens den kop uit het hok gestoken heeft,
zonder evenwel den tandakker aan te vallen. Kort daarop rezen de drie
tandakkers op, met de fakkels werd het stroo, dat de tijgerhokken bedekte
aan brand gestoken, en de Javanen keerden even langzaam dansende,
zonder om te zien, terug naar den uitersten hoek der piekeniers, die zich
openden om hen door te laten. Het tijgerhok geraakte weldra in laaie
vlam en ieder was in gespannen verwachting om het ondier te zien ver-
schijnen. Op eens werd het strooien matje opgelicht en de tijger stoof in
de ruimte. Bij het verschijnen van het dier werden de trompetten gestoken
en hoorde men een onbeschrijfelijk gegil en woest gehuil. De eerste tijger
kwam dadelijk recht op onze tribune aan, blijkbaar vreesachtig en naar
een uitweg zoekende. Onmiddellijk werden alle lansen tegen hem geveld
en ik zag ze trillen in de handen der piekeniers. De tijger grijnsde vreese-
lijk, maar wendde zich links af om te trachten zich daar een doortocht te
banen. Hierdoor te dicht bij de uitermate scherpe lansen gekomen, werd
hij in de zijde gewond, verdedigde zich nog eenige oogenblikken, maar
was spoedig door een tal van lanssteken afgemaakt.
De tweede tijger wilde niet spoedig genoeg het brandende hok verlaten
en, daar men vreesde, dat hij wellicht levend zou verbranden, werd een
groot uit bamboezen gevlochten schild als een omgekeerde boot, naar hem
-ocr page 78-
72
toegezonden. Onder dit schild waren eenige personen verborgen, die hem
met scherpe bamboezen uit het hok opjoegen.
De derde tijger, een kolossaal dier, dien morgen eerst aangebracht,
boezemde nog al vrees in , zoodat de tandakkers, na het hek te hebben
geopend, iets vlugger wegdansten, waarover zij door het volk werden uit-
gejouwd. Deze tijger brak bijna door de lansen heen, maar werd nog
bijtijds afgemaakt. Dit is trouwens meermalen gebeurd, evenals het ook
het dier, vooral den kleinen tij gei\', soms gelukt over de lansen heen te
springen."
Hartstochtelijk is de inlander verzot op de Chineesche kaart- en
andere dobbelspelen, die soms zijn ongeluk veroorzaken, als hij
daardoor in de macht van den niet altijd even loyalen zoon van het
Hemelsche Rijk geraakt; maar nog verderfelijker is voor hem de
hartstocht van het amfioenschuiven of opium rooken.
Het opiumverbruik staat onder toezicht van regeering en politie.
De regeering verpacht den handel in dat artikel, welke pacht jaarlijks
gemiddeld 9 millioen gulden opbrengt. In sommige deelen van Java
is de verkoop van opium niet toegelaten; dit zijn de zoogenaamde
„verboden kringen".
Om ze voor het gebruik geschikt te maken, wordt de opium in warm
water geweekt en verder tot eene op siroop gelijkende stof bereid.
Het woord „opium" is, zelfs onder de Europeanen in Indië,
weinig in gebruik; „amfioen" is de gebruikelijke naam.
De opium wordt bereid uit het melksap van de papaver; dit
melksap wordt door insnijding uit het zaadhuisje van de bloem
verkregen; het moet daarna verschillende bewerkingen ondergaan
eer het, in den vorm van groote ballen, in den handel komt. Ben-
galen
en de Levant zijn de landen, die vooral den opium voort-
brengen.
Papaveraan plant en opiumbereiding zijn op Java en in de gouver-
nementslanden van den Archipel verboden. De handel in opium is
monopolie van de regeering.
Zij, die opium willen gebruiken, kunnen zich daarvan voorzien
in door de regeering aangewezen verkoopplaatsen, amfioenkitten
genaamd.
In de groote kuststeden zijn deze doorgaans zoodanig ingericht,
dat de gebruiker de opium in het lokaal zelf kan rooken; daartoe
zijn bamboezen hokjes afgeschoten en van een balé-balé voorzien.
-ocr page 79-
73
De opiumschuiver bedient zich van eene pijp, die ongeveer een
voet lang is en aan het eind een breeden kop heeft, van eene kleine
holte voorzien. Met een ijzerdraad neemt hij een der pillen, die de
opiumpachter hem levert, houdt de pil in een lampje, dat in zijne
nabijheid staat, totdat zij week wordt en opzwelt en legt haar
daarna in de holte van den kop. Hij zuigt de rook met eenige
trekken naar binnen, totdat de opium verteerd is, en herhaalt dit
een en ander zoo lang, totdat hij in eene soort bedwelming neerzinkt.
Allerlei aangename gewaarwordingen worden door het gebruik van
opium opgewekt, maar zij worden bij het ontwaken door eene
geweldige afmatting en lusteloosheid gevolgd en bijna zonder uit-
zondering grijpt hij, die zich eenmaal aan het gebruik van opium
heeft overgegeven, zoo spoedig mogelijk weer naar de opiumpijp.
En hierin ligt juist het gevaar: telkens heeft de gebruiker grooter
hoeveelheden noodig om het volle genot te verkrijgen ; hij vergiftigt
zich zelven; zijn lichaam vermagert, tot hij een geraamte gelijkt; de
oogen verliezen hun glans en de gang wordt wankelend. Al de ver-
mogens van lichaam en geest gaan te gronde.
§ 31. Residenties van Java.
Hoofdplaatsen.
i \'•
Bantam (Banten)
Serang.
2.
Batavia
Batavia.
de Soenda
landen:
. 1
4-
Krawang
Preanger Regentschappen
Poerwokarta.
Bandoeng.
\' 5-
Cheribon (Tjirebon)
Cheribon.
; 6.
Tegal
Tegal.
1 7>
Pekalongan
Pekalongan.
1 8\'
Banjoemas
Bafijocmas.
1 9\'
Bagelen
Poenuoredjo.
I 10.
Kedoe
Magclang.
het
/ 1I\'
Semarang
Semarang.
eigenlijke
\\ I2-
Djapara
Pati.
Java:
1 I3\'
Rembang
Rembang.
J ï4-
Madioen
Madioen.
I IS
Kediri
Kediri.
F 16.
Soerabaja
Soerabaja.
Djokjokarta oiDjokja,
»7.
Djokjokarta (Ngajogjokarto)
\\ 18.
Soerakarta
Soerakarta of Solo.
-ocr page 80-
74
19.    Pasoeroean                           Pasoerocan.
de        | 20.    Probolinggo                          Probolinggo.
Oosthoek: j 21.    Besoeki                                 Besoeki.
[ 22.    Madoera                               Pamekasan.
De residenties 1—6 vormen het gebied der Soedaneezen; 6—19
zijn het eigenlijke Java, het land der ware Javanen; 19, 20 en 21
vormen, wat men dikwijls noemt „Java\'s Oosthoek"; men vindt hier
wel is waar ook eenige Javaansche bevolking, maar Madoereesche
kolonisten hebben er verre de overhand; deze drie vormen dus met
Madoera het Madoereesche gebied.
Elk dezer residentien, 17 en 18 alleen uitgezonderd, is verdeeld
in „afdeelingen", waarvan ééne onder het onmiddellijk bestuur van
den resident staat, de overige onder assistent-residenten.
Naast deze indeeling staat die in „regentschappen". In den regel
komen de afdeelingen en regentschappen met elkander overeen ; in
enkele gevallen omvat eene afdeeling twee regentschappen, en in
enkele andere is een groot regentschap in twee of drie afdeelingen
gesplitst.
Ieder regentschap is verdeeld in „districten", deze zijn weder in
„onder-districten" gesplitst, welker hoofden in de verschillende deelen
des eilands zeer onderscheiden titels dragen. Op dezen volgen de
dorpshoofden (zie § 23).
Maar bovendien staat elk dezer hoofden een staf van mindere inland-
sche ambtenaren ter zijde: de patih, die als minister van den Regent
kan worden beschouwd; het geestelijk hoofd of de pangoeloe, enz.
Het geheele aantal dessa\'s op Java bedraagt wel omstreeks vijftig
duizend,
wat ons niet kan verwonderen, als wij denken aan het vroe-
ger reeds meegedeelde, dat vele dessa\'s uit niet meer dan twintig tot
veertig huisgezinnen bestaan en Java 25 millioen inwoners telt.
Java\'s indeeling in residentien kunnen wij vergelijken met die van
ons vaderland in provinciën, waarbij de Resident in macht en invloed
den Commissaris des Konings verre overtreft. In grootte en aantal
inwoners verschillen de residentien zeer van elkaar: de grootste, de
Preanger-Regentschappen, heeft bijna 2/3 van de oppervlakte van ons
land; de kleinste, Pekalongan, is niet grooter dan de provincie
Zeeland; tot vergelijking kan verder nog dienen het voorbeeld:
-ocr page 81-
75
Semarang = Noord-Brabant of Gelderland. Het aanzienlijkst aantal
inwoners
heeft de residentie Soerabaja, ongeveer 2 millioen; het
kleinst aantal Krawang, met ruim driehonderdduizend; (in Nederland
het grootst aantal Zuid-Holland, bijna 1 millioen; het kleinst aantal
Drente, 125.000).
De dichtheid van bevolking wisselt af tusschen c». 20.000 op 1 q
G.M. in Bagelen en Kedoe, en 3 a 4000 in Bantam, Preanger-
Regentschappen en Krawang (Zuid-Holland ruim 17.000, Drente
2 a 3000).
Midden-Java, het gebied der eigenlijke Javanen, is het dichtst
bevolkt; het gemiddeld cijfer aldaar overtreft dat in West-Java min-
stens tweemaal.
Ook in dit opzicht is dus Midden-Java het belangrijkste deel.
§ 32. De meeste Indische hoofdplaatsen bestaan uit Europeesche
wijken
en Inlandsche kampongs ; bij sommige heeft men ook eene
Chineesche wijk.
Het duidelijkst komt deze indeeling uit bij de drie belangrijkste
steden van Indië :
Batavia; ca. 100.000 inwoners, onder welke ca. 8000 Europeanen,
Soerabaja; „ 130.000 „ , „
         „ „ 6000          „         ,
Semarang; „ 70.000 „ , „         „ „ 3500         „
Deze drie steden zijn het belangrijkst, omdat zij de grootste mid-
delpunten zijn van Europeanen in onze Oost en omdat zij de meeste
handelsbeteekenis hebben.
Ook de Chineezen zijn hier \'t talrijkst: te Batavia 25.000; te Se-
marang 12.000; te Soerabaja 8.000.
Onder de meer zuiver inlandsche steden staat bovenaan Soerakarta,
met ca. 140.000 inwoners, onder welke ca. 1000 Europeanen.
Batavia werd in 1019 door Koen gesticht op de puinhoopen
van het oude Jacatra, in eene moerassige en daardoor ongezonde
streek; bij de keuze van de plaats was alleen rekening gehouden met
handelsbelangen, niet met de eischen der gezondheid. Bovendien
werd de stad geheel op oud-Nederlandsche wijze gebouwd; eene
bouworde, die met hare steenen huizen en aaneengesloten straten,
met hare wallen, muren en grachten voor de vestingwerken, voor
het tropisch klimaat ongeschikt is.
De jonge stad , waaraan Koen naar zijne geboortestad den naam
-ocr page 82-
76
Nieuw-Hoorn had willen geven, doch wat de bewindhebbers der
Compagnie niet toestonden, werd spoedig een bloeiend middelpunt
voor onzen handel en wel eens, niet geheel terecht, „Koningin van
het Oosten" genoemd. Aan den anderen kant kreeg zij een slechten
naam wegens het hooge sterftecijfer onder hare bevolking en heette
bij velen het „graf der Hollanders".
In \'t begin dezer eeuw kwam hierin verandering; Daendels liet de
muren en wallen slechten, brak verscheidene groote gebouwen af:
maar tegelijk gaf hij den stoot tot de stichting eener nieuwe stad,
door naar de zijde, waar thans Weltevreden ligt, ruime buitenwijken
aan te leggen, parken met fraaie villa\'s, verscholen in het groen.
Langzamerhand zijn later verscheidene dergelijke voorsteden , eigenlijk
uitgestrekte parken, ontstaan , waaronder Molenvliet, Rijswijk, Noord-
wijk
, die te zamen de nieuwe stad uitmaken.
De Europeaan komt alleen voor zaken in de oude stad, waar de
kantoren en pakhuizen zijn; de aanzienlijkste gracht wordt hier ge-
vormd door de Groote Rivier, de Tji Liwong of Kali Besar.
Het Koningsplein, eene geliefkoosde uitspanningsplaats voor de
beau-monde van Batavia, is een uitgestrekt groen veld, te midden
van een met villa\'s bezaaid park. Het overtreft in omvang het Champ
de Mars te Parijs en zou de heele stad Utrecht kunnen bevatten;
langs de zoomen loopen goede, met boomen beplante wegen, waar
\'s avonds de verzamelplaats is van tal van equipages, ruiters en
wandelaars.
Op het Waterlooplein , dat het midden van Weltevreden uitmaakt,
bevinden zich drie monumenten: een ter herinnering aan den slag
bij Waterloo; de beide andere, die zeer schoon zijn, strekken ter
nagedachtenis van Jan Pieterszoon Koen , den stichter der stad, en
van den generaal Michiels, den held van Sumatra.
Aan dit plein ligt het paleis van Weltevreden, zeker het aanzienlijkste
gebouw van Nederlandsch-Indiö; met den bouw werd door Daendels
begonnen; hier zijn de meeste gouvernements bureaux vereenigd; in
de vergaderzaal van den Raad van Indie hangen de portretten van
alle Gouverneurs-Generaal. De Gouverneur-Generaal houdt doorgaans
verblijf te Buitenzorg.
Een tramweg leidt door de oude en de nieuwe stad, en verder
naar Meester-Cornelis (70.000 inw.), eene belangrijke garnizoens-
plaats.
-ocr page 83-
77
Te Buitenzorg, bijna twee uren sporens ten Zuiden van Batavia
en ± 300 M. hooger gelegen, bevindt zich het paleis van den
Gouverneur-Generaal; verder de wereldberoemde gouvernements-plan-
tentuin.
Deze behoort tot de beroemdste instellingen van onze Oost;
de tuin bevat nagenoeg alle gewassen der heete en warm-gematigde
luchtstreken; er worden bij voortduring proeven genomen en waarne-
mingen gedaan in het belang der Indische cultures; ook kunnen
landbouwondernemers uit \'s lands plantentuin zaden en planten ver-
krijgen. Er zijn:
1.    De botanische tuin, grenzende aan het park van den Gouver-
neur-Generaal en bevattende ± 9.000 plantensoorten.
2.    De landbouw-tuin, een uur gaans van Buitenzorg gelegen en
waar alleen planten gekweekt worden, die voor den kolonialen land-
bouw nuttig kunnen zijn of worden.
3.    De bergtuin , tegen eene der hellingen van den Gedeh op eene
hoogte van 1500 M., bestemd voor de teelt van planten uit Austra*
lië, Japan en andere Oostersche landen, die alleen op deze hoogte
willen groeien.
Eindelijk behoort tot de inrichting nog een groot bosch, bij Tji-
bodas in de Preanger, dat beschermd wordt, om \'t karakter van een
Indisch oerwoud ongeschonden te bewaren.
§ 33- Vooral ook ten opzichte van de gemeenschapsmiddelen
steekt Java gunstig bij de andere eilanden af: reeds heeft het spoor-
wegnet eene aanzienlijke lengte en de aanleg van meerdere lijnen,
zoomede van stoomtramwegen, is aanstaande; ten deele door den
Staat, ten deele door particulieren, als o. a. de Nederlandsen-Indische
Spoorwegmaatschappij.
De uitgangspunten zijn natuurlijk in de eerste plaats: Batavia,
Semarang en Soerabaja. Men onderscheidt bij de spoorwegen: de
Westerlijnen en de Oosterlijnen , of die ten Westen en die ten Oos-
ten van Soerakarta.
Tot de eerste behoort de reeds vroeger genoemde lijn, die de
nieuwe haven Tandjong Priok met Batavia verbindt; wij maakten
daarna van Batavia tot Buitenzorg gebruik van een particulieren
spoorweg, doch gingen hier weder over op de Westerlijn.
Van Buitenzorg leidt de spoorweg werder het gebergte in en over-
schrijdt weldra de grens van de Preanger, waarna men door eene
-ocr page 84-
der schoonste streken van Java en langs den voet van hooge vuur-
bergen weldra Tjandjoer (n) bereikt; daarna langs verscheiden aan-
zienlijke plaatsjes naar de hoofdplaats van de Preanger, Bandoeng (18).
Van hier wordt de weg verlengd tot Java\'s Zuidkust, bij Tjilatjap
(12); (is reeds geopend tot Tjitjalengka , met eene zijlijn naar
Garoet.
Bandoeng ligt op de grootste hoogvlakte van Java; een dozijn bergtoppen
omringt deze landstreek, die voor de bewoners van het heete kustgebied
wel een bezoek waard is; de reis van Batavia uit duurt 8 uren. De stad
is sterk bevolkt, heeft een net voorkomen en is rijk aan schoone, schilder-
achtige omstreken (waterval van Dago; top van den Tankoeban Prahoe, enz.).
Nog ruim 300 M. hooger dan Bandoeng ligt het kleine plateau van
Lembang, met een plaatsje van denzelfden naam, dat vermelding verdient:
hier ligt het graf van Junghuhn, die er zijne laatste levensjaren doorbracht,
toen hij, na zich gedurende eene reeks van jaren aan het natuurkundig
onderzoek van Java te hebben gewijd, belast was met de leiding der
Gou vernemen ts-kinacultuur. Hij overleed, 53 jaren oud, den 24rn April
1864. Zijn graf bevindt zich in een kinatuin, te midden van hoog opge-
schoten kinaboomen en is gedekt door een eenvoudig wit gesteente, eene
vierkante zuil op een voetstuk. Hem dankt Nederland voor een goed deel
de grondige kennis van de schoonste koloniale bezitting.
Een tweede belangrijke spoorweg op Java is de lijn (particulier)
Semarang-Vorstenlanden ; de hoofdstations zijn: Semarang, Solo
en Djokja; een zijtak leidt naar Willem I en Ambarawa (12).
Deze lijn is naar Tjilatjap verlengd, waardoor dus eene zeer belang-
rijke verbinding tot stand gebracht werd; verder wordt de zijtak
doorgetrokken van Ambarawa door Kedoe en Bagelen.
De hoofdplaats Semarang is Java\'s derde handelsstad en de stapel-
plaats van den rijkdom aan producten van Midden-Java; Semarang
staat als ongezond bekend; ook hier kunnen we echter van de oude,
op Nederlandsche wijze gebouwde, de veel gezonder nieuwe stad
onderscheiden.
De reede van Semarang is slecht, gelijk die van Batavia; een
havenkanaal leidt naar de stad; de zoogenaamde „Semarang-rivier"
is niets meer dan een moddersloot, wier onvoldoende breedte en
diepte in den regentijd bovendien het soms plotseling zwellende
water niet behoorlijk kan afvoeren.
Eenige uren ten Zuiden van Semarang en dus ook weer hooger
-ocr page 85-
79
(ruim 300 M.), ligt het gezonde Oenarang, veel als herstellingsoord
gebruikt.
De vesting Willem I, in de bekoorlijke vallei van Ambarawa, is
een der belangrijkste militaire punten van Java, want hier splitst
zich de hoofdweg van Semarang naar de binnenlanden; het terrein
om de vesting kan geïnundeerd worden met behulp van eene uitge-
strekte rawa, die op eenigen afstand is gelegen.
Een uur gaans ter zijde van den spoorweg naar Willem I ligt
Salatiga, een der aangenaamste plaatsen van Java, met een heerlijk
klimaat en bekoorlijke omstreken. Hier ligt de staf en een deel van
het eenige regiment cavalerie, dat het Indische leger telt.
De Vorstenlanden zijn twee kleine rijkjes, overgebleven van
het voormalige rijk van Mataram: Soerakarta en Djokjokarta zijn te
beschouwen als gouvernements-residentiën, aan welker regenten, die
de hooge titels van „Soesoehoenan" (Keizer) en „Sultan\'\' voeren,
hoogere inkomsten en minder beperkte macht verleend zijn dan aan de
regenten in de overige residentien van Java; deze Vorsten worden in
hun bestuur bijgestaan door een „Rijksbestierder" of Raden-Adipatih.
De Nederlandsche regeering voegt hun in den Resident een raads-
man en gids toe, die onder de meest hoffelijke vormen te zorgen
heeft, dat de gesloten tractaten worden nagekomen en dat het
bestuur over den inlander gevoerd worde zooveel mogelijk overeen-
komstig onze begrippen van eene goede regeering.
Opmerking verdient, dat de Vorstenlanden minder dicht bevolkt
zijn dan de aangrenzende residentien.
In Soerakarta zijn voorts nog de uitgestrekte bezittingen van den
zoogenaamd onafhankelijken Prins Matigkoe Ncgoro.
De hoofdstad Solo is eene der fraaiste steden van Java en
behoort tot de aangenaamste plaatsen van het eiland; de stad ligt
verscholen in een dicht lommer van tamarinde- en vijgeboomen,
afgewisseld door de pluimen der kokospalmen. Merkwaardig is de
„Kraton" van den Soesoehoenan op de aloen-aloen: binnen een
groot vierkant van muren ligt eene uitgestrekte verzameling van
gebouwen, straten en pleinen en wonen meer dan 10.000 menschen;
het verblijf van den vorst zelven heeft weinig vorstlijks en wordt
gekenmerkt door eene groote mate van verval. Merkwaardig is
echter dit alles, omdat men hier, gelijk ook te Djokja, het beste
denkbeeld kan krijgen van de oude gebruiken en instellingen der
-ocr page 86-
8o
Javaansche maatschappij. De hoofdsteden van de beide rijkjes zijn
tot zekere hoogte middelpunten gebleven van het oud Javaansche
leven.
De Javanen van alle standen zijn groote liefhebbers van feest-
vieren; nergens echter zijn de feesten menigvuldiger en luisterrijker
dan in den Kraton te Solo (zie blz. 70).
Bij den Kraton ligt het residentiehuis, zoomede het fort voor het
garnizoen; iets verder de Europeesche stad en daarnaast de Chinee-
sche kamp. Om dat alles heen liggen de kampongs der inlanders,
doorsneden met breede lanen van hoog geboomte; aan weerszijden
met ontelbare warongs (gaarkeukens) en hier en daar eene opium-kit.
Nauwelijks twee uur sporens door eene volkrijke en vruchtbare
streek, waar ook talrijke landbouwondernemingen van Europeanen
worden gevonden, brengen ons langs Klatten te Djokjokarta
(60.000 inwoners, waarvan 1.500 Europeanen en 2.500 Chineezen).
In veel opzichten komt het met de boven van Solo gegeven beschrij-
ving overeen ; alleen komt hier het verval van het hof nog sterker
uit. Veel heeft bovendien deze hoofdstad te lijden van de menig-
vuldige aardbevingen , misschien een gevolg van de nabijheid van
den steeds werkzamen Merapi.
De Kraton van Djokja heeft een omtrek van meer dan een uur
gaans en wordt door 15.000 menschen bewoond; het eigenlijke
sultansverblijf neemt daarvan een gedeelte in; het geheel is omgeven
door een hoogen muur, waaromheen nog eene gracht. Deze kraton
is in 1812, bij de verovering van Java, door de Engelschen bestormd
en genomen.
Weinige van de Indische oorlogen zijn zoo hardnekkig en gevaar-
lijk geweest voor het Nederlandsche gezag, als de opstand van Djok-
jokarta onder Diepo Negoro, oom van den minderjarigen sultan
en doodvijand van de Nederlanders. Door gebruik te maken
van de bestaande ontevredenheid in Midden-Java en door te wer-
ken op het godsdienstig fanatisme der Javanen, wist hij een uitge-
breiden opstand te veroorzaken. Met groote dapperheid en met
veel talent leidde hij den Java-oorlog (1826—\'30), dien hij geheel
het karakter van guerilla-krijg wist te geven en bracht aan onze
legers groote verliezen toe. Eerst nadat het gelukte D. N. in han-
den te krijgen — trouwens op weinig eervolle wijze, daar men
hem na eene vrijwillige samenkomst gevangen hield — , kon de oorlog
-ocr page 87-
8i
worden ten einde gebracht, waarin vooral Generaal De Koek zich
had onderscheiden. D. N. werd naar Makasser verbannen, waar hij
in 1855 stierf.
§ 34. Reeds is gezegd, hoe door Midden-Java spoorwegen zijn
en worden aangelegd, die de Westerlijnen met die van Semarang-
Vorstenlanden zullen verbinden; deze wegen doorsnijden de zoo
belangrijke residentiën Kedoe, Bagelen en Banj oemas, streken
met een bloeienden landbouw en waar het bevolkingscijfer het top-
punt bereikt. Kedoe, met Pekalongan de kleinste en met Bagelen
de dichtstbevolkte van Java\'s residentiën, wordt wel de ,.tuin van Java"
genoemd; het is de eenige residentie, die nergens de kust raakt;
de naam beduidt „vallei\'\' en is juist, want aan alle kanten wordt
Kedoe door hooge bergen, waaronder vier geduchte vulkanen, in-
gesloten.
Opgaven :
1.   Welke zijn de hoofdplaatsen van de laatstgenoemde drie
residentiën ?
2.   Geef van de kaart de namen op van de vulkanen, die
Kedoe insluiten.
3.   Welke beroemde Hindoe-ruïne ligt in Kedoe (is vroeger
genoemd)? En welke rivier doorsnijdt deze residentie?
Onder de drie uitgangspunten van Java\'s spoorwegen werd verder
Soerabaja genoemd.
Soerabaja is met Batavia de belangrijkste stad van Java en overtreft
in scheepvaart en handelsbeweging Insulinde\'s hoofdstad wellicht.
Ook bloeit hier meer dan in eenige stad van onze Oost de industrie ,
zoowel in fabrieken van particulieren als in die van den Staat. Uit
militair oogpunt is Soerabaja van beteekenis door een artillerie-con-
structiewinkel, voor de zeemacht door werven, dokken en andere
maritieme inrichtingen.
Talrijke wegen gaan van Soerabaja uit :
1.     De spoorweg langs Madioen naar Solo, dus in aansluiting met
de lijnen van Midden-Java; een zijtak leidt langs Kediri naar Blitar.
2.     De spoorweg naar Java\'s Oosthoek, langs Pasoeroean naar
Probolinggo ; zijtak naar \'t plateau van Malang.
Aitton, Oost- en West-Indïè, 3-\' druk.                                       6
-ocr page 88-
82
3. De groote postwegen, zoowel die langs de Noordkust als die
welke door de binnenlanden leiden.
Naast de spoorwegen bezit Java thans ook reeds verscheidene
stoomtramweg-en, die, gelijk in alle dichtbevolkte landbouwstreken,
over het geheel goed voldoen, zoowel voor het vervoer van produc-
ten als voor het personenverkeer (vergelijk sommige streken van ons
vaderland).
Een net van grintwegen, meerendeels goed voor rijtuigen geschikt,
doorsnijdt het eiland. In de eerste plaats komt daaronder nog altijd
de groote postweg in aanmerking, die het eiland in de richting van
de lengteas doorsnijdt. Hij begint bij Anjer aan straat Soenda,
loopt over Batavia en Buitenzorg door de Preanger naar Cheribon,
en verbindt dan alle belangrijke plaatsen aan of bij de Noordkust.
Een groot aantal zijtakken verlaat de hoofdrichting, alle voor voer-
tuigen bruikbaar.
Deze belangrijke groote weg is aangelegd — 200 uren gaans lang,
door moerassen en valleien, over heuvels en stroomen — onder
\'t bewind van Daendels (1808—\'11), volgens het stelsel van gedwon-
gen arbeid; en met dien weg werd door hem een geregelde postdienst
ingesteld. In negen of tien dagen kwam nu een postwagen van Ba-
tavia naar Soerabaja, voor welken afstand men voorheen eene maand
noodig had. Door invoering van lichtere voertuigen en door betere
regeling wordt in onze dagen die reis in drie & vier dagen ge-
maakt.
Een tweede hoofdweg is de groote Zuidelijke weg, die bij Soera-
baja den grooten postweg verlaat en door de Vorstenlanden naar
Tjilatjap voert.
Voor het personenverkeer, in de eerste plaats van de ambtenaren,
zorgt voornamelijk eene paardenposterij.
De vroeger algemeene kwaal van ontbrekende bruggen (weggesla-
gen door banjirs) is veel verminderd, maar toch moeten nog dikwijls
rivieren of beken worden doorwaad, of geschiedt de overgang met
vlotten van bamboe en rotan.
Dikwijls hebben de wegen eene zeer steile helling, zoodat de reis-
wagen te zwaar is voor de kleine Javaansche paarden, die in den
regel in spannen van vier worden gebruikt, waarbij dan somtijds
voorspannen van karbouwen worden gegeven.
Langs den weg zijn poststations opgericht, meest open loodsen
-ocr page 89-
83
(pendoppo\'s); de afstanden worden uitgedrukt in palen (ruim een
kwartier gaans).
§ 35. De gemeenschap van Java met de verschillende deelen van
de Buitenbezittingen wordt hoofdzakelijk onderhouden door eene
geregelde paketvaart — van de Kon. Paketvaarl Maatschappij —
langs verschillende (13) gesubsidieerde lijnen. Eene lijn loopt langs
Java\'s Noordkust en verbindt alle belangrijke havens; men stoomt
gewoonlijk van Soerabaja naar Semarang in in ongeveer 24 uur
en van Semarang naar Batavia in iets langer tijdruimte. Eene
andere lijn gaat van Batavia naar Singapore (in aansluiting op
de Engelsche mail, die vandaar afvaart), via Muntok en Riouw;
verder bestaan er geregelde diensten naar de havens van Sumatra\'s
Westkust tot Edi (Atjeh) en naar de havens van Sumatra\'s Oostkust,
Deli. Van Soerabaja gaat eene lijn over Makasser naar de Molukken;
eene andere is de Timor-lijn; enz.
De Stoombootmaatschappijen, die Java met Nederland verbinden,
zijn:
1.  Maatschappij Nederland, veertiendaagsche afvaart van Amsterdam.
2.            ,,           Rotterdamsche Lloyd, idem van Rotterdam.
3.            ,,           Oceaan , van Amsterdam via Liverpool naar Batavia.
De meeste stoomschepen, de zoogenaamde Suez-booten, doen op de
reis de haven van Southampton aan voor het innemen van steenkool;
daarna eene haven in de Middellandsche Zee — Genua voor de
booten van de Nederland, Marseille voor die van de Lloyd — ten
behoeve van het vervoer van passagiers, brievenmail en goederen;
vervolgens Port Saïd, Suez en Aden (soms ook nog eene Arabische
haven, ten dienste van de pelgrims te Mekka); in Indie in den regel
Padang, soms ook Atjeh.
Het personenverkeer en de post maken bovendien veel gebruik
van de Engelsche en de Fransche mail; de eerste heeft eene lijn van
Southampton naar Singapore, met het station Brindisi in de Middel-
landsche Zee; de lijn van de tweede verbindt Marseille met Singapore.
ti\'
-ocr page 90-
HOOFDSTUK III.
BUITENBEZITTINGEN.
Sumatra.
Opgaven :
i. Geef de gewesten op, waarin Sumatra ten behoeve van het
bestuur is verdeeld.
2.   Uit welke hoofddeelen bestaat het eiland naar den bodem-
vorm ?
3.    Welke is de algemeene naam voor het bergland van Sumatra ?
Welke plateau\'s worden in dat bergland gevormd ? Welke
vulkanen kent gij er?
4.    Aan welke kust loopen de aanzienlijke rivieren uit en hoe
komt dit ? Geef die rivieren op.
5.    Welke spoorwegverbinding gaat van de Westkust naar de
Bovenlanden ? Door welk dal ?
§ 36. Sumatra, bijna zoo groot als Spanje (zonder Portugal), kan
onder de Oost-Indische eilanden met Java het belangrijkst genoemd
worden; het grootste bezwaar voor de ontwikkeling van de natuurlijke
rijkdommen van dat groote land is het gebrek aan menschen : ofschoon
men het cijfer der bevolking nog maar zeer onvolkomen kent, schijnt
het geheele aantal bewoners van het eiland nauwelijks meer dan drie
millioen
te bedragen.
Het groote gebied van Sumatra\'s Oostlijke helft heeft een uitmun-
tenden bodem voor landbouw: een ontgonnen stuk, aan zich zelf
overgelaten , is na twee of drie jaar weer eene volslagen wildernis.
En ook de jonge kolonisaties in het Siaksche geven van die vrucht-
baarheid getuigenis: in korten tijd verrezen hier tal van bloeiende
plantages, die met sommige producten van Java, als tabak, naar
den hoogsten marktprijs dingen.
-ocr page 91-
S5
Zelfs ongevraagd geeft de natuur op Sumatra, in haren onover-
troffen rijkdom aan boschproducten, den mensch groote schatten:
kamfer, kaoetsjoek, getah-pertjah, koprah, damar en andere harssoorten,
rotan, peper, alle producten hier meer dan elders aanwezig en die
slechts ingezameld behoeven te worden.
De natuur in het bergland van Sumatra is nog grootscher dan die
op Java; de ondoordringbare bosschen, de trotsche vulkanen hebben
beide eilanden gemeen, maar de natuur is op Sumatra nog veel meer
oorspronkelijk; het verkeer is er daardoor echter ook veel moeilijker.
De werkzaamste vulkaan is de Merapi (3000 M.), die in deze eeuw
5 uitbarstingen te zien gaf uit een drietal hoofdkraters. Aan zijn
voet ligt het schoone meer van Singkarah, waaruit de Ombilien-rivier
stroomt.
Voor de toekomst van Sumatra zal ook de ontginning van de
minerale schatten van groot gewicht zijn, waarmee thans een aanvang
is gemaakt.
De aanzienlijkste stad van het eiland is Palembang. Wallace
geeft er in zijn „Insulinde" (vertaald door Prof. Veth) de volgende
beschrijving van :
„De stad is groot en strekt zich drie of vier (Eng.) mijlen ver langs een
schoone bocht der rivier uit, die hier ongeveer zoo breed is als de Theems
voor Greenwich. De rivier wordt echter aanmerkelijk versmald door de
zich tot in het water verlengende, op palen gebouwde huizen, waarop dan
nog eene rij van woningen volgt, die op groote vlotten van bamboe zijn
opgericht. Deze vlotten zijn met kabels van rotan aan het strand of aan
palen vastgemaakt en rijzen en dalen met het tij. De rivier is aan beide
zijden geheel met zulke huizen omzoomd. Het zijn meerendeels winkels,
die open zijn naar de zijde van het water en zich niet meer dan ongeveer
een voet daarboven verheffen, zoodat men, met een kleine boot ter markt
gaande, met weinig moeite alles kan koopen, wat te Palembang te krijgen
is. De inlanders zijn echte Maleiers: nooit bouwen zij een huis op het
droge, wanneer zij water kunnen vinden, om het in te zetten, en nooit gaan
zij te voet ergens heen, wanneer zij de plaats met een boot kunnen bereiken.
Een aanzienlijk deel der bevolking bestaat uit Chineezen en Arabieren, die
schier al den handel drijven, terwijl de civiele en militaire dienaren van
het gouvernement de eenige Europeanen zijn. De stad ligt aan het boven-
einde van de delta, door de rivier gevormd en tusschen haar en de zee is
er nauwelijks eenige grond te vinden, die boven het hoogwaterpeil rijst,
terwijl palen ver landwaarts in de oevers der hoofdrivier en van hare tal-
-ocr page 92-
86
rijke zijtakken drassig zijn en in het natte jaargetijde tot op een aanmer-
kelijken afstand onder water staan."
Het aantal inwoners wordt op 50.000 geschat. De stad heeft niet
alleen een belangrijken inlandschen handel, maar ook veel inlandsche
nijverheid; de bevolking is bekend o. a. door haar fijn goud- en
zilverwerk en hare fijn geweven en bewerkte katoenen stoffen.
In 1825 heeft de laatste Sultan van Palembang zich aan het Neder-
landsche gouvernement onderworpen.
Omstreeks eene dagreis te water boven Palembang begint een mili-
taire weg, die zich tot in het gebergte en zelfs daarover heen tot
Benkoelen uitstrekt. Op dien weg zijn regelmatige étappe-plaatsen,
op een afstand van tien tot twaalf palen (de paal is hier iets langer
dan op Java) opgericht, en zoo men geen bode vooruitzendt, om
koelies in gereedheid te hebben, dan kan men op een dag niet ver-
der dan zulk een afstand reizen. Op elke etappe is een gebouw,
pasatigrahan zegt men op Java, tot huisvesting van doortrekkenden,
met keuken en stal en waar altijd zes of acht mannen de wacht
houden. De bewoners der omliggende dorpen moeten zich ieder op
hunne beurt voor de koelie-diensten beschikbaar houden, evenals
voor de wacht aan de stations. Door deze inrichting wordt in dit
deel van Sumatra het reizen zeer vergemakkelijkt.
De belangrijkste plaats, waar deze hoofdverkeersweg langs leidt, is
Tebing Tittggi, garnizoensplaats en zetel van een assistent-resident.
§ 37. De boschrijke Lampongs zijn nog grootendeels ontoegan-
kelijke wildernissen. De bevolking is hier zeer vermengd met Soen-
daneezen. Peper en boschproducten vormen de hoofdartikelen van
uitvoer. Telok Betong leed veel door de uitbarsting van Krakatoa.
Benkoelen was tot 1824 Engelsch. Bij het „tractaat van Londen"
in dat jaar, werd o. a. ons gebied op Sumatra afgerond met Ben-
koelen , waartegen wij onze bezittingen op Malakka afstonden. Dat
tractaat regelde ook in andere opzichten de verhouding tusschen En-
geland en ons in den Archipel en legde ons verplichtingen op,
o. a. op Sumatra (zie beneden bij Atjeh).
In Benkoelen herinneren gebouwen enz., o. a. het fort Marlborough,
aan het Engelsche tusschenbestuur. De stad is echter sedert achter-
uitgegaan.
-ocr page 93-
§7
De belangrijkste stad aan de Westzijde van Sumatra is Padang
(25.000 inw.), onze oudste bezitting op Sumatra en de tweede stad
van het eiland, voor het verkeer met Europa zelfs belangrijker dan
Palembang. De voortbrengselen van de vruchtbare binnenlanden
worden er uitgevoerd, daaronder in de eerste plaats koffie (zie § 12),
van welk artikel de veilingen voor het Gouvernement te Padang plaats
hebben.
De bloei van den handel neemt toe, nu het verkeer met de rijke
bovenlanden beter is geworden door den spoorweg van de kust naar
het binnenland. Door de „Kloof der Aneh , een der merkwaardigste
gedeelten van Sumatra, leidt de weg eerst naar Padang-Pandjang,
eene levendige en aanzienlijke plaats aan den voet van den geduchten
Merapi; van hier voert een zijtak naar de gunstig bekende hoofd-
plaats Fort de Koek, Boekit Tinggi, het middelpunt van eene der
schoonste , vruchtbaarste en ook best bebouwde streken van Sumatra:
koffie (aan het Gouvernement te leveren), rijst, tabak, zijn de hoofd-
voortbrengselen. De hoofdlijn gaat naar \'t Ombilien-kolenveld.
Den 30™ Juni 1891 had de feestelijke opening plaats van het eerste
gedeelte van den spoorweg naar de Ombilien-kolenvelden, tot Padang
Pandjang (71 K.M.Ï. In den vroegen morgen zette zich de versierd^ feest-
trein, waarin o.a. de Gouverneur van Sumatra\'s Westkust had plaats geno-
men, in beweging. Aan de tusschenstations Doekoe, Loeboe, Aloeng en
Kajoetanam werd stil gehouden en liet de muziek zich hooren. Te kwart
over tienen kwam de trein te Padang-Pandjang aan, waar \'t station met
vlaggen en groen versierd en aan den ingang een fraaie eerepoort opgericht
was; tal van vlaggetjes en nog eenige eerepoorten gaven mede een feeste-
lijk aanzien aan den weg van \'t station naar de sociëteit en de woning van
den assistent-resident. Hier herdacht de Gouverneur in zijne toespraak o.a.
den overleden mijn-ingenieur de Greve, den ontdekker van de Ombilien-
steenkolen, terwijl hij verder hulde bracht aan de regeering, die den aanleg
heeft bevolen van den spoorweg, welke voorzeker tot den bloei van het
land en tot vermeerdering van de welvaart en beschaving van het volk zal
medewerken. De assistent-resident dankte in de Maleische taal de inland-
sche hoofden voor de door hen verleende medewerking bij den aanleg der
lijn.
Van \'t station Padang af loopt de spoorweg door rijstvelden, groenten-
tuinen en moerassen, vrij wel evenwijdig aan de kust. Het Barisan-
gebergte heeft dezelfde richting, zoodat alle rivieren en beken, die daar
haren oorsprong hebben en naar de Westelijke zijde stroomen, door den
spoorweg worden gesneden, waardoor men een groot aantal bruggen,
-ocr page 94-
88
bruggetjes en duikers heeft moeten bouwen; deze zijn alle van ijzer. Met
het oog op nog al eens voorkomende overstroomingen, heeft men de baan-
kruin van den spoorweg boven bandjir-peil gelegd met ruime doorlaat-
openingen; toch werd in 1893 een aanzienlijk deel van den jongen spoorweg
door een bandjir verwoest. Soms loopt de spoorweg naast of op den postweg;
hier rijdt de trein langzamer en fluit de locomotief. Even voorbij Doekoe leidt
eene brug van 140 M. lengte over de Anei; tot Kajoetanam — 144 M. boven de
zee en 00 K.M. van Emmahaven — is de stijging betrekkelijk gering; dan volgt
de tandradbaan door de Kloof, waar de trein nog 8 malen de Anei overgaat; ge-
deeltelijk is, met behulp van dynamiet, voor de rivier eene andere bedding ge-
maakt; de schoonste natuurgezichten, die Insulinde te aanschouwen geeft,
wisselen thans elkander af (o.a. de 40 M. hooge waterval van de Ajer-Mentjoer).
Even vóór Padang-Pandjang ligt de lijn 30 M. boven \'t bed der rivier;
na nog eene brug van 101 M. lengte te zijn gepasseerd, rijdt men\'t station
Padang-Pandjang — 773 M. boven de zee — binnen.
De lijn, die van hier naar Fort de Koek voert (19 K.M.), werd den
1"\' November van \'t zelfde jaar geopend.
Meer naar het Noorden ligt Bondjol, zoo bijzonder in de Indische
krijgsgeschiedenis bekend. In \'t begin dezer eeuw waren in de
Padangsche bovenlanden de Padri\'s opgetreden, als hervormers van
den hier zeer verbasterden Mohammedaanschen godsdienst; zij hadden
hunne leer aanvankelijk door overreding, maar spoedig ook door
\'t zwaard, verbreid. Gevluchte Maleische hoofden riepen de hulp in
van de Nederlandsche bewindslieden en hiermede begint de uitbrei-
ding van ons gezag in Midden-Sumatra. De expedities waren in de
eerste jaren zeer ongelukkig ; vooral in de vallei van Bondjol versterk -
ten de Padri\'s zich. Nadat, o. a. tengevolge van den Java-oorlog,
jaren lang geene nieuwe pogingen onzerzijds werden gedaan, volgde
in 1831 en \'32 de onderwerping van de door hen bezette landstre-
ken, doch het bleek spoedig, hoe weinig duurzaam die onderwerping
was: in 1833 werd in Bondjol de geheele Europeesche bezetting op
het onverwachtst vermoord: ook de andere forten werden aangegrepen
en de hoofdmacht der Padri\'s trok zich te Bondjol samen, hetwelk
in zóó geduchten staat van tegenweer werd gebracht, dat het gere-
geld moest worden belegerd. Eerst met den val van Bondjol, in
1837, was de tegenstand der Padri\'s gebroken en de kolonel Michiels,
de „Onkwetsbare", zooals de inlanders zeiden , bracht een jaar later
den oorlog tot een goed einde.
§ 38. In deze bovenlanden van Midden-Sumatra ligt de eigenlijke
-ocr page 95-
8g
bakermat van de Maleische volken. Hunne oudste geschiedenis bren-
gen de Maleiers in verband met Alexander den Groote, omtrent wien
vele legenden bewaard zijn gebleven. De naam „Maleier" (zie blz.
46) kwam eerst tegen het eind der 12\' eeuw in gebruik, na de stich-
ting van de eerste volkplanting, die te Sitigapoera , en wel bepaal-
delijk als de naam van \'t volk dier kolonie (Singapoera = „Leeuwen-
stad"). Van hier uit is de stad Malakka gesticht, wier naam op
\'t heele Achter-Indische schiereiland overging.
In de bovenlanden van Padang hebben de bewoners het oorspron-
kelijk karakter het zuiverst bewaard; hier bestond het eenmaal zoo
machtige rijk van Menangkabau („overwinning van den karbau"),
dat later in de i8l\' eeuw een groot deel van zijn glans zag overgaan
o. a. op Atjeh. De dorpen worden door Wallace en anderen be-
schreven als schilderachtig van voorkomen; de inrichting komt in de
hoofdtrekken overeen met die op Java. De huizen staan omtrent zes
voet hoog op palen; vele zijn met keurig en smaakvol snijwerk voor-
zien en hebben hooge, spitse, ver over de wanden hangende daken.
De volgende schildering van een Maleisch dorp treffen wij aan bij
Verkerk Pistorius, „Studiën over de inlandsche huishouding in de
Padangsche Bovenlanden" :
„Op een afstand gelijkt een dorp in de Padangsche Bovenlanden vol-
komen op een dessa op Java. Een woud van palmen in groepen verdeeld
en door een zee van sawa\'s omgeven: zoo doet het zich voor uit de verte.
Komt men naderbij, dan staat men verrast over den rijkdom van kleuren
en bevallige vormen. Vooral in het frissche avonduur, wanneer de over
dag zoo troebele lucht allengs is opgeklaard , en het schitterend licht der
zon, waarvoor het sterkste oog zich sluit, in zachte kleuren overgaat.
Daalt men des avonds van de bergen af, die het meer en het dal van
Singkarah van weerszijden insluiten, en nadert men van de Oostelijke zijde
de kota Singkarah (een dorp bij uitstek schilderachtig gelegen, maar
overigens van geen ander verschillend), dan staat men verrukt over het
heerlijk landschap. Het meer, waarin zich het avondrood spiegelt, fonkelt
en schittert met verblindenden glans, en de trotsche Merapi, die, hoog boven
het overige gebergte, de kruin tot in de wolken beurt, schijnt met purper
en goud overdekt. Het dorp zelf ligt aan den oever van het meer, in het
midden van de groote vallei, die van den Merapi in zuidelijke richting
zacht glooiende oprijst tot aan den voet van den Talang (den rookenden
vuurberg ten zuiden van Solok) en waarvan de noordelijke helft door het
meer wordt ingenomen. Het uitgebreide sawavlak, waarop men van de
hoogte nederziet en dat het dorp aan den oever van het meer omsluit,
-ocr page 96-
doet zich voor als mozafk, verdeeld als het is in eene menigte vakken van
allerlei vorm en grootte, waarvan sommige met jong en krachtig groen,
andere met ruwe stoppels of met gele halmen en aren bedekt zijn (elk
sawavak is door een dijkje van de omringende vakken gescheiden, deze
dijkjes dienen, om de sawa\'s op geregelde tijden te irrigeeren , en om ze
weer voor het water af te sluiten. Planten, oogsten, enz. heeft dikwijls op
nabij elkaar gelegen velden te gelijkertijd plaats); sneeuwwitte reigers
zoeken hier in ontelbare menigte des avonds eene schuilplaats. Langzaam
strijkt de vlucht over het rijstveld heen , en laat zich neer op een hier en
daar in de sawa\'s alleenstaanden boom , die plotseling als met groote witte
bloemen bedekt wordt.
Nederkomend in het dal, hoort men den klank der kalintoeng, het
klokje, dat den forschen buffel aan den nek wordt gehangen (zoowel om
de tijgers af te schrikken, als om de herders op het spoor van hun vee te
brengen). Een kleine jongen leidt de kudde van de geurige weide weer
terug naar de veilige schuilplaats onder de woning (onder de huizen die
op palen staan, houdt het vee verblijf, zoowel buffels als geiten en pluim-
vee; somtijds is deze ruimte door gevlochten bamboe afgeschoten).
Weldra onderscheidt men tusschen het sawagroen den hoogrooden slen-
dang,
welken de Maleische vrouw, als zij op weg is, gewoonlijk om het
hoofd heeft geslagen; en volgt men het pad, dat door de velden leidt,
dan achterhaalt men eene menigte mannen en vrouwen, die rustig van
hun dagwerk huiswaarts keeren. Sommigen dragen een lichten ploeg op
den schouder, anderen houden eene duif in de hand. Na overdag onder
den gloeienden hemel te hebben gezwoegd, gaan ze onder vroolijk gekout
de zoete rust tegemoet in de stille belommerde woning. Vroolijk blinken
de kruinen der palmen, in den avond als met goud overstrooid; luide
weergalmt het gestamp in het rijstblok; allerwege heerscht leven en drukte.
Doch weldra vernauwen de schitterende kleuren, die den hemel in het
avonduur tooien; breede schaduwen breiden zich uit over het dal en de
bergen, het gekweel der vogels verstomt, en met hen schijnen alle stern-
men te zwijgen. Welhaast is alles ter ruste gegaan en hoort men in de
nachtelijke stilte alleen de zware ademhaling van het meer."
Een kenmerkend onderscheid bestaat nog bij de woningen van de
Maleiers, ten aanzien van het aantal palen, waarop de woning rust;
dit is afhankelijk van den rang en de positie, door den bewoner
bekleed.
Achter zijne woning heeft de Sumatraan, even als de Javaan, zijn
schuurtje tot berging van rijst, maar dit is op Sumatra, gelijk de
woonhuizen, grilliger van vorm dan op Java, met puntige dakjes
gebouwd en met snijwerk en kleuren opgesierd. Vooral de huizen
-ocr page 97-
9i
der hoofden, die dikwijls kwistig met blik worden getooid, hebben
iets zeer teekenachtigs.
De Maleische dorpen, anders gewoonlijk kampong of doesoen
genoemd, verdienen in Midden-Sumatra ook den naam kola (Sans-
kriet: vesting, burg, versterkt huis), aangezien zij voorheen meest
alle door ondoordringbare heiningen van bamboe-doeri (doornig bam-
boesriet), versperringen en loopgraven in een versterkten staat ge-
bracht waren.
De landschappen dragen veeltijds den naam naar het aantal dor-
pen, dat zij bevatten, b. v. het district der „Dertien Kota\'s", enz.
De Sumatraan is minder slaafsch dan de Javaan ; hij schijnt zeer
voor ontwikkeling vatbaar; hij is bevattelijk, vindingrijk, een goed
landbouwer en een bekwaam handwerksman. Dit een en ander
bewijzen de waterleidingen, om zelfs de hoogst gelegen velden onder
water te zetten; dit bewijzen hunne woningen en tempeltjes, en de
uitnemende wijze, waarop zij allerlei versierselen in zilver of goud
bewerken.
Van groote beteekenis voor Midden-Sumatra worden, wellicht spoe-
dig, de rijke steenkoolbeddingen in het gebied van de Ombilien
(linker bijrivier van de Indragiri); die steenkolenrijkdom wordt van
groot gewicht geacht voor het gebruik van steenkolen in den Archipel
zelven : de oorlogsmarine zal de door haar benoodigde kolen gemak-
kelijk verkrijgen ; de aanleg van spoorwegen en de uitbreiding der
stoom vaartlij nen zullen er door bevorderd worden: wellicht zal ook
de nijverheid, thans in Indie betrekkelijk van weinig beteekenis, er
door toenemen. Dit alles zal kunnen plaats hebben onafhankelijk
van kolen-aanvoer uit Europa.
Doch niet voor den kolenafvoer alleen is de spoorweg van gewicht;
hij komt bovendien ten goede aan de algemeene welvaart van de
Padangsche Boven- en Benedenlanden , en draagt in hooge mate
bij tot de ontwikkeling der landstreek.
§ 39. Het gouvernement van Atjeh en ondtrhoorigheden wordt
begroot op eene oppervlakte van ca. anderhalfmaal ons vaderland.
De bodem bestaat voor een deel uit nog weinig bezochte berglanden,
voor een deel uit vlakke streken met sawa\'s, pepertuinen, enz. Peper
en pinangnoten zijn de voornaamste uitvoerartikelen (bctelnootkust en
peperhavens).
-ocr page 98-
92
Het cijfer der bevolking kan volstrekt niet worden opgegeven.
Immers het Koloniaal Verslag, waar voor dit cijfer een half millioen
wordt vermeld, zegt, dat het op louter gissing berust.
De Atjeneesche bevolking aan de kusten maakte zich meermalen
aan zeeroof schuldig; zelfs voerde zij bewoners van eilanden aan
Sumatra\'s Westkust, b.v. N\'ias, als slaven weg.
Bij het meer genoemde tractaat van 1824 met Engeland waren ons
echter de handen gebonden door de bepaling, dat wij ons gezag op
Sumatra niet mochten uitbreiden; en vruchteloos richtte onze Indische
regeering keer op keer vertoogen tot den Sultan van Atjeh.
In 1872 werd die bepaling tusschen Engeland en onze regeering
opgeheven en in \'t volgend jaar reeds werd de oorlog aan Atjeh
verklaard. Ue eerste expeditie, onder Generaal Kohier, leverde geen
blijvend resultaat op, ten deele door het sneuvelen van den bevel-
hebber (bij het verkennen van de vijandelijke hoofdversterking), ten
deele door het onvoldoende der strijdkrachten en het invallen van
den kwaden moeson.
Bij de tweede expeditie, onder generaal Van Swieten, werd de
Kraton, de residentie van den Sultan, bezet. De macht van den
Sultan had intusschen plaats gemaakt voor die van de Rijksgrooten,
de hoofden van onderscheiden staatjes. Van deze zijn thans de
meesten, die aan de kusten , aan ons gezag onderworpen.
In 1877 werd de hoofdplaats Kota-Radja door een spoorweg met
Oleh-leh, de havenplaats, verbonden; eene nieuwe moskee werd
ten behoeve van de inlandsche bevolking gebouwd. Op Poeloe Bras,
een der eilandjes voor de Noordkust, werd door de zorg der regee-
ring een vuurtoren opgericht.
De onafhankelijke Bataklanden. Deze liggen in de binnenlanden
van Noord-Sumatra, tusschen het gouvernement van de Westkust,
Atjeh en Oost-Sumatra.
Het belangrijkste gedeelte is het landschap Toba; daar ligt het
dichtbevolkte plateau en het meer van denzelfden naam. Dit gedeelte
van de Batak-landen is herhaaldelijk door Europeanen, o. a. zende-
lingen, bezocht.
De Bataks noemen zich zelven Toba; zij hebben hunne eigene
taal, die in een eigen letterschrift wordt uitgedrukt. Evenals de
Maleiers der Padangsche Bovenlanden zijn zij verdeeld in een aan-
tal stammen of families; hunne dorpen zijn meestal versterkt, want
-ocr page 99-
93
herhaaldelijk worden oorlogen gevoerd tusschen de bewoners der
verschillende dorpen. De regel is daarbij nog altijd, dat de krijgs-
gevangenen worden opgegeten; in sommige gevallen echter worden zij
tot slaven gemaakt.
§ 40. In Oost-Sumatra liggen aanzienlijke vazalstaten : Djambi,
Indragiri, Siak; ingedeeld bij de residentiën Palembang, Riouw,
Sumatra\'s Oostkust. Ook in deze landen is op onzen aandrang de
slavenhandel afgeschaft; toch komen nog velen voor, die voor schuld
dienst doen, zoogenaamde pandelivgen, wier lot doorgaans iets beter
is dan van eigenlijke slaven.
In de residentie Sumatra\'s Oostkust, hebben, gelijk reeds vroeger
is gezegd, belangrijke kolonisaties plaats ten gevolge van de groote
landbouwondernemingen aldaar. Een hoofddeel van de bevolking bij
deze ontginningen maken de Chineezen uit, die als arbeiders ge-
worven worden.
De belangrijkste plaatsen zijn thans Laboean, Deli en Medan.
».....Medan is nu eene deftige plaats geworden; het is nu de hoofd-
plaats van Deli en van de residentie Sumatra\'s Oostkust, de standplaats
van den resident, van den commandant der troepen ter kuste, van den
rechtsgeleerden voorzitter des landraads, van den predikant, van de ver-
tegenwoordigers der Deli-maatschappij, der Deli-Spoorwegmaatschappij en
der Nederlandsche Handelmaatschappij; het is de woonplaats van tal van
ambtenaren, officieren, beambten, handelaren, het is eene courant rijk, en
wordt het middelpunt van den handel van Boven-Deli.
Kort na de oprichting der Deli-Maatschappij in 18G9 koos haar admini-
strateur Medan als zijne woonplaats: centrum van de toenmalige bezittingen
der maatschappij, aan de Deli-rivier, geschikt voor de afscheep der pro-
ducten naar de omstreeks 22 K.M. lager af gelegen ankerplaats der zee-
schepen, alsook voor de ontvangst der van de kust komende bouwmaterialen.
In vroegere tijden was Medan eene groote sterkte der inlanders, die zich
daar verdedigden, waarschijnlijk tegen Atjehsche invallen. Overblijfselen
uit dien tijd zijn een dubbele ringwal, die zich ook aan de overzijde der
rivier uitstrekt en den landtong insluit, die daar gevormd wordt door de
samenvloeiing van de Deli-rivier met een zij stroom; voorts tal van graf-
heuvels , w.o. zeer heilige, door reuzenboomen beschaduwd en, in den
grond, een aantal Atjehsche gouden muntjes, later door den landbouwer
aan \'t licht gebracht.
Aan de overzijde van de rivier was de Maleische kampong Medan ge-
legen, maar waar de heer N. de palen in den grond zette, was toen wil-
-ocr page 100-
94
dernis tot ver landwaarts in; boven en beneden lagen op korten afstand
andere onaanzienlijke kampongs.
Ongeveer terzelfder tijd ontstonden vestigingen van andere maatschap-
pijen, over \'t geheele rijk; Medan werd door een dertig voet breeden weg
langs de rivier naar beneden met Laboean , den zetel des Sultans, en naar
boven met Deli Toewa verbonden ; andere wegen werden aangelegd, de
plaats trok het civiel en het militair bestuur tot zich; de Sultan bouwde
een paar paleizen; tal van Europeesche, Maleische en vooral Chineesche
winkels verrezen er en nu is het eene plaats met eenige duizenden inwoners,
\'t centrum van spoorbanen, die naar Laboean Belawan (de ankerplaats),
Toewa, Boven Langkat en Terdang loopen. De vestiging van den een-
zamen planter is in achttien jaren eene der belangrijkste plaatsen van
Nederlandsch-Indie geworden.\'\'
{Eigen Haard, 2 Februari 1889.)
De residentie Riouw en onderhoorigheden bestaat vooreerst uit den
Riouw- en den Lingga-Archipel, waarvan de eerste belangrijk is
door de ligging aan de straat van Malakka.
De eilanden staan onder de heerschappij van een sultan, die op
het eiland Lingga zijn verblijf houdt. Rechtstreeks wordt ons gezag
alleen uitgeoefend op een deel van het eiland Bintang, maar de
zetel van den Resident is te Tandjoeng Pinang of Riouw.
De Sultan van Lingga strekt zijn gebied ook uit over Tndragiri,
op Sumatra\'s Oostkust; terwijl verder tot de residentie van Riouw
de weinig belangrijke eilandengroepen tusschen Malakka en Borneo
behooren.
Welken naam draagt de zee tusschen Malakka en Borneo ?
Geef de bedoelde eilandengroepen van de kaart op.
De Riouw-eilanden brengen als hoofdproduct peper op; verder
wordt er veel gambier bereid.
Als havenstad is Riouw sedert het midden van deze eeuw achter-
uitgegaan, voornamelijk ten gevolge van de opkomst van Singa-
poera, de hoofdplaats van de Engelsche Straits-Settlements.
Singapoera, in de i2e eeuw door Maleische vluchtelingen gesticht,
was tot 1818 niet meer dan een Maleisch visschersdorpje van eenige
hutten. Door de energie van Raffles ontstond sedert eene koop-
stad, die thans in bedrijvigheid, handel, rijkdom, alle steden van
den Indischen Archipel achter zich stelt. Het eiland, waarop de
stad gebouwd is, bedraagt slechts weinige mijlen in omtrek en de
-ocr page 101-
95
grond munt er niet door vruchtbaarheid uit, maar de bestemming
van Singapoera was: vrijhaven te zijn, waar de schepen zonder aan
eenige onkosten of formaliteiten onderworpen te worden, ladingen
konden brengen of innemen. En die bestemming is bereikt: een
mastbosch van schepen van allerlei vlaggen; leven en beweging op
het water, overal waar men de oogen wendt; aan het strand eene
groote regelmatig gebouwde stad, die nog jaarlijks in bevolking toe-
neemt (thans ca. 100.000 inw.). Singapoera is het middelpunt van ge-
regelde stoomvaartverbindingen tusschen Europa, China, Nederlandsch-
Indië en Australië. Naar de getalsterkte vormen de Chineezen het
hoofdbestanddeel der bevolking; vrij talrijk zijn ook de zwarte
„Klingaleezen", afkomstig van Dekan of Ceylon ; de oorspronkelijke
Maleische bevolking van het eiland is tegenwoordig de minst
beduidende.
-ocr page 102-
HOOFDSTUK X.
B o r n e o.
Opgaven :
i. Geef de politieke deelen van Borneo op.
2.    Wat weet ge van den verticalen vorm van Borneo?
3.    Welke zijn de groote rivieren?
4.    Bereken . van de kaart hoeveel uren gaans het Noord-
oostpunt ligt van \'t Zuidwestpunt.
§ 41. Borneo, Nieuw-Guinea en Madagascar zijn de
grootste eilanden der aarde. Ue oppervlakte van Borneo bedraagt
22maal die van ons vaderland.
In kustontwikkeling staat dit groote eiland bij Java, Sumatra en
Celebes achter: het is zeer gesloten van vorm en deze omstandigheid
heeft zeker er toe medegewerkt, dat de uitgestrekte binnenlanden ons
zoo weinig bekend zijn. Eenigermate wordt de ongunstige vorm van
\'t land vergoed door de uitgebreide rivierstelsels: de drie hoofdrivieren
met hare bijstroomen zijn de door de natuur aangewezen groote ver-
keerswegen door de binnenlanden. Maar voor de mondingen liggen
zandbanken, die althans aan groote schepen \'t opvaren beletten;
bovendien zijn de bergstammen dikwijls vijandig tegen de kustbewo-
ners, zoodat deze zelden verder dan eene dagreis de rivier opgaan.
Borneo, grooter dan Duitschland, Nederland en België samen,
heeft nauwelijks drie millioen bewoners.
Deze bevolking bestaat uit:
1.    de inboorlingen, doorgaans samengevat onder den naam van
Dajaks;
2.    Maleiers, als kolonisten; vooral van handel, zeevaart en visch-
vangst bestaande; aan de Zuidelijke en Oostelijke kusten wonen
ook zeevarende en handeldrijvende Boegineezen;
3.     Chineezen, in zeer aanzienlijke getale;
4.    de slechts weinige Europeanen.
-ocr page 103-
97
De oorspronkelijke inboorlingen van het eiland, de Dajaks, zijn
in den loop der tijden door de Maleiers, die de kusten bezetten
naar de binnenlanden gedrongen. Zij wonen daar, in een groot
aantal stammen geputst, meest aan de oevers der rivieren; te midden
van den rijkdom der weelderigste natuur leven zij in een staat van
armoede, ruwheid en het grofste bijgeloof.
De Maleiers, belijders van den Islam, hebben aan de kusten ver-
scheiden kleine staten gesticht; zij wonen vooral aan de mondingen
der rivieren.
Ons gebied bestaat uit een groot aantal van die inlandsche staatjes
onder eigen vorsten; in de Wester-afdeeling alleen wel meer dan
twintig. Rechtstreeks wordt onze macht alleen uitgeoefend in het
kustgebied en dat nog pas sedert het midden van deze eeuw.
Groote krachtsinspanning vorderde op Borneo herhaaldelijk het ver-
zet der Chineezen. Deze waren lang vóór ons daar gevestigd en hadden
een groot getal kleine republieken, hunne kongsies (blz. 40), die
het mijngebied onder elkander verdeelden; de inlandsche bevolking
hadden zij met geweld verdreven; slechts schijnbaar waren zij aan ons
bestuur onderworpen.
In 1850 was hun overmoed zoo groot, dat ze \'t gezag trotseerden
en de vlag hoonden, zoodat eene krijgsmacht tegen hen werd afge-
zonden; een hunner versterkingen werd genomen en de onderwerping
tot stand gebracht, maar in het geheim werd een ernstige tegenstand
tegen ons gouvernement beraamd, krijgstoerustingen op groote schaal
werden gemaakt, om alle Europeanen en Maleiers te vermoorden of
te verdrijven. Eene tweede, sterkere expeditie werd afgezonden en
Montrado werd genomen, doch het gelukte eerst ons gezag voorgoed
te vestigen, toen de hoofden van een geheim genootschap (het „Drie-
vingerenverbond"), dat voortdurend tegen ons stookte, in 1855 waren
overvallen en gevangen genomen door den toenmaligen Kapitein
Verspijck.
§ 41. Banjermasin, de hoofdplaats van Borneo\'s grootste residentie,
is in 1860 onder ons rechtstreeksch bestuur gebracht. Voor dien tijd
bestond in dit Zuidoostelijk deel van het eiland het sultanaat van
Banjermasin met het oude Martapoera als vorstlijke verblijfplaats.
Een aanval uit godsdiensthaat op de daar verblijfhoudende Euro-
peanen werd de aanleiding tot een der hardnekkigste van onze
AlTTON, Oost- en West-Indie, 3« druk.                                       7
-ocr page 104-
98
Indische oorlogen, die echter na een strijd van twee jaren door
Generaal Verspijck werd ten einde gebracht en de inlijving van deze
streken ten gevolge had.
De stad Banjermasin kan met eenig recht eene „drijvende stad"
heeten, een Palembang in \'t klein: zij is bijna geheel op vlotten
gebouwd; het aantal inwoners bedraagt ruim 20.000. Langs den
rivieroever liggen talrijke sa?npangs, groote overdekte booten; zij zijn
bevracht met kokosnoten, pisangs, suikerriet, enz. Voornaamste
artikelen van uitvoer uit Banjer: rotting, getah pertja, eetbare vogel-
nestjes, hars, was en zeer mooie gevlochten matten van rotting, door
de Dajaks (Kahajan) vervaardigd, 6 a 8 gulden per stuk; gedroogde
visch. Invoer: katoentjes, gambier, tabak, zout, opium; vroeger
was de stad bekend door den handel in diamanten.
In de Wester-afdeeling zijn, met de hoofdplaats Pontianak, de
steden Montrado en Sambas het belangrijkst; alle drie steden in het
kustgebied. Meer naar de binnenlanden hebben Landak en Sintang
de meeste beteekenis.
De voor eenige jaren gekoesterde verwachting, dat Noord-Borneo
(Britsch) door zijn tabak een ernstige concurrent zou worden voor
Sumatra (Deli) is ongegrond gebleken; de meeste ondernemingen
hebben reeds den arbeid gestaakt.
Eenige streken in het N.O. van het eiland zijn onderworpen aan den
Sultan der Soeloe-eilanden (de bewoners dezer eilanden zijn door zee-
roof berucht, doch zij heeten onder Spaansch protectoraat te staan).
Gelijk vroeger gezegd (zie blz. 5) staat tegenwoordig \'t geheele
Noordwesten des eilands onder Britsch protectoraat. In 1891 kwam
een verdrag tot grensregeling tot stand tusschen Nederland en Groot-
Brittannie. De naam Broenei of Borneo Proper („eigenlijk Borneo")
toont aan, dat de tegenwoordige naam van het eiland aanvankelijk
alleen op het Noordelijk deel betrekking had.
De vestiging der Engelschen op Laboean dagteekent van 1846.
§ 42. Ook Borneo is zeer rijk aan belangrijke voortbrengselen,
al geldt vooral van dit groote land de bewering, dat slechts zeer
weinig van den natuurlijken rijkdom wordt partij getrokken. Uit-
gestrekte wouden bedekken schier de gansche oppervlakte.
Volgens bevoegde schrijvers is de natuur uitmuntend geschikt voor
den rijstbouw, kunnen suikerriet en koffie daar zeer goed slagen.
-ocr page 105-
99
Tot nu toe zijn de voornaamste artikelen: kam/er en andere bosch-
producten; sago; delfstoffen.
Borneo heet bij Wallace het „land van den orang oetan", gelijk het
even groote en nog minder bekende Nieuw-Guinea door dien be-
roemden natuuronderzoeker het „land van den paradijsvogel" genoemd
wordt. De orang-oetan is dan ook wel Borneo\'s vermeldenswaardig-
ste diersoort: met den gorilla en den chimpanzee behoort hij tot de
menschvormige apen (de beide laatste behooren thuis in Afrika:
Guinea en Congogebied).
De inlanders noemen hem majas en hebben veel ontzag voor de
kracht van dit dier; volgens hen is er geen dier sterk genoeg om
den majas kwaad te doen; zelfs de krokodil bezwijkt in den strijd:
de majas gaat op hem staan , rukt zijne kaken open en scheurt hem
de keel op; en de reuzenslang, de python, wordt even gemakkelijk
door hem gedood.
Volgens Wallace zijn de voorstellingen, die men soms leest, van
orangs, die met een stok wandelen , geheel denkbeeldig en loopt het
dier maar zelden recht op; hij leeft in de boomen en daalt slechts
zelden naar den grond af; de hoogste boomen beklimt hij met gemak
en met zijne lange, krachtige armen grijpt hij gemakkelijk vruchten
en bladeren; \'s nachts slaapt hij in een nest van takken en gebladerte.
Een onnoemelijk aantal en eene oneindige verscheidenheid van
apen (wouwouwen, loetongs e. a.) nemen verder de eerste plaats
onder Borneo\'s fauna in. Er is zelfs eene soort, die tam gemaakt
en tot het plukken van kokosnoten wordt afgericht.
Waar kokosnoten groeien is men ook zeker een aantal eekhorentjes
aan te treffen; met behulp van hunne scherpe snij tanden knagen zij
een gat boven in de vrucht, steken er hun kop in en drinken de
melk er uit.
Van de tijgers komt eene gestreepte soort op Borneo voor; in de
bergstreken leeft, in grootere en kleinere kudden, de wilde os of
banteng; aan Malakka en Sumatra herinnert de kleine Maleische beer;
verbazend is het aantal herten, dat ongestoord hier voortleeft.
In de uitgestrekte moerassen leven de krokodillen; zij zijn nergens
veelvuldiger dan op Borneo.
De binnenlanden zijn, behalve door Wallace, ook meer bekend
geworden door de reizen van een Duitscher in Nederlandsch-Indischen
dienst, Dr. Schwaner, die tusschen 1843 en I^48 zijne tochten deed
7*
-ocr page 106-
100
dwars door \'t eiland, en o. a. het stroomgebied van den Barito (met de
groote en de kleine Dajak-rivier) in een belangrijk werk heeft beschre-
ven; merkwaardig is ook de tocht van de reizigster Ida Pfeiffer, die
in 1852 van Serawak naar de binnenlanden trok; de meer genoemde
Radja Brooke heeft belangrijke mededeelingen gedaan vooral ten
aanzien van het gebied van Serawak. Borneo\'s Westerafdeeling is in
een uitvoerig en belangrijk werk, historisch en geografisch door Prof.
Veth beschreven. In 1879 en \'8o is door Carl Bock op last der
Indische regeering eene reis gemaakt door O.- en Z.-Borneo, van
Koetei naar Banjermasin. Verschillende streken in \'t gebied der
Koetei werden bezocht en beschreven door den Ass.-Res. Tromp.
Aldus neemt de bekendheid met dit grootste eiland toe, doch tot
dusver is die kennis onvolledig.
Onder den naam van Dajaks vatten de Europeanen doorgaans al
de bewoners van Borneo\'s uitgestrekte binnenlanden samen. Het
is echter gebleken, dat die naam eigenlijk niet anders beteekent dan
„mensch" en dat bij de inlanders zelf talrijke stamnamen in gebruik
zijn, doorgaans ontleend aan de streek waar of de rivier langs wier
oevers de stam woont. Zoo de stam der Kahajan in Zuid-Borneo;
de Doesoen in de binnenlanden; enz.
In den regel bestaat tusschen de onderscheiden stammen groote
vijandschap en zijn herhaalde strijd en strooptochten op elkanders
gebied mede oorzaken van de geringe bevolkingsdichtheid van Borneo.
Sommige schrijvers, b.v. Wallace en Bock, oordeelen zeer gunstig
over het karakter der Dajaks; in aanleg staan zij zeker gelijk met de
Maleiers; zij maken goede prauwen, verstaan de kunst van ijzer-
smelten en wapensmeden, vlechten mooie matten en mandjes van
rotting. Doch overigens staan zij nog op uiterst lagen trap van
ontwikkeling.
Algemeen is het beruchte „koppensnellen"; in den regel vereenigen
zich hiertoe eenige personen, met het doel om enkele ongewapende
lieden heimelijk en onverhoeds aan te vallen en hen van het leven
te berooven ten einde met de afgesneden hoofden de vlucht te nemen
naar de dichte bosschen. Alleenstaande huizen zijn ook dikwijls
aan dergelijke aanvallen blootgesteld; dit verklaart zeker mede de
gewoonte onder de meeste stammen der Dajaks, van met talrijke
familiën in één groot huis te wonen. De buit bestaat bij deze tochten
-ocr page 107-
IOI
in niet anders dan in het grootst mogelijk getal afgesneden hoofden.
Aanleidende oorzaken tot deze tochten zijn: de dood van een
familielid, eerbewijzen aan vroeger overledenen, droomen, geloften,
eerzucht, enz. Het algemeen verspreide gevoelen, dat er bij het
aangaan van een huwelijk vereischt wordt aan de bruid een afgesne-
den hoofd aan te bieden, schijnt onjuist.
James Brooke heeft in zijn gebied van Sera wak aan het koppen-
snellen een einde trachten te maken. Elders op Borneo tracht het
Nederlandsch gezag er paal en perk aan te stellen, maar in de bin-
nenlanden gaat dit niet gemakkelijk.
Sommige stammen hebben het tot eene merkwaardige hoogte ge-
bracht in het smelten van ijzererts en het bewerken van wapens;
het witte metaal, waarmede klingen en krissen dooraderd of, zooals
men het noemt, gedatnasceerd worden, is eene bijzondere soort van
ijzer, pamor geheeten. Wanneer de dus gedamasceerde wapens met
een mengsel van arsenicum en limoensap worden ingewreven, krijgt
het gewone ijzer eene bruinachtig zwarte en de aderen van het pamor
eene zilverachtig witte kleur.
Algemeen is onder de Dajaks het tatoëeren, in uitgewerkte patro-
nen; ook dragen mannen zoowel als vrouwen gaarne sieraden: groote
gaten in de oorlellen, waarin talrijke ringen; halssnoeren, arm- en
beenringen.
\'t Voornaamste wapen is een breed, scherp mes, de mandau,
(de naam beteekent letterlijk „koppensneller"), met keurig gesneden
en versierde greep, vaak een waar kunststuk. Voorts een schild uit
licht hout vervaardigd en, bij sommige stammen althans, aan de
buitenzijde met bosjes menschenhaar bedekt. Een blaasroer, van een
rond stuk ijzerhout, waaruit met groote juistheid tot op 40 a 50 M.
afstand vergiftigde pijlen worden geblazen; eindelijk een pijlkoker,
een lans (vooral voor de jacht op wilde zwijnen).
Jagen en visschen zijn een hoofdbedrijf; de talrijke rivieren en
meren (danau\'s) vloeien over van visch, die op velerlei manier ge-
vangen wordt. Het jagen is vaak moeilijk: dichte wouden en een
grond, die onbegaanbaar is door den modder; altijd gaan honden
mede, om de wilde zwijnen en de herten op te drijven.
Ook verbouwen de Dajaks wel wat djagoeng, zamelen bosch-
producten in, enz.
-ocr page 108-
HOOFDSTUK XI.
Celebes, de Molukken en de Kleine Soenda-eilanden.
§ 43. Celebes behoort eigenlijk noch tot het Aziatisch noch tot het
Australische deel der eilandenwereld. In flora en fauna wijkt het af
van de drie overige groote Soenda-eilanden , zonder daarom reeds de
eenvormigheid te vertoonen, die aan Timor en de Molukken eigen is.
De inlanders behooren in de Noordelijke helft tot den Alfoerschen
stam, in het Zuidelijke gedeelte tot de Boegineesche en Makassaarsche
volken.
Het belangrijkste gedeelte van het eiland is de Minahassa, die
eene uitgestrektheid beslaat als onze provincie Gelderland , en daarbij
150.000 inwoners telt (Gelderland 450.000).
De bodem is eene vulkanische bergstreek met modderwellen, warme
bronnen , zwaveldampen enz.; de Minahassa heeft dan ook veel te
lijden van aardbevingen.
De grond is echter zeer vruchtbaar en uitstekend ontgonnen; de
landbouw bloeit er zeer; van beteekenis zijn de volgende voortbreng-
selen: koffie, rijst, cacao, katoen, andere vezelstoffen (zie blz. 29),
en tabak.
Menado en Kema zijn aangename , doch stille Indische steden; als
handelshavens beteekenen zij weinig; zonder gevolg is getracht, door
ze tot „vrijhavens" (zie blz. 95) te verklaren, den handel aan te moe-
digen; de haven van Kema wordt veel door de Amerikaansche wal-
vischvaarders bezocht.
Tondano is de aanzienlijkste plaats in het binnenland. Voor nauw-
lijks 60 jaren was ook in dit deel van den Archipel het land nog
eene woestenij en bestond het volk uit naaktloopende wilden, die
hunne ruwe woningen met menschenschedels versierden. Nu is het
een der bloeiendste landschappen; goede wegen en paden doorkruisen
het in alle richtingen en de dorpen zijn omringd door koffieplantsoe-
nen , die met de schoonste in den Archipel kunnen wedijveren, afge-
-ocr page 109-
io3
wisseld door rijstvelden, meer dan voldoende voor de behoeften der
bevolking.
Niet ten onrechte geeft men dan ook dikwijls aan dit deel van
Celebes den naam van „Klein-Java".
En in geen ander deel van den Archipel is de bevolking onder den
heilzamen invloed van Europeesche zendelingen meer tot vlijtige,
vreedzame en ordelijke menschen gemaakt dan hier.
Met meer dan 10.000 inwoners, ligt Tondano aan het benedeneinde
van het meer van denzelfden naam, dat in grootte ongeveer overeen-
komt met ons vroegere Haarlemmermeer. Ruim één paal beneden
het dorp is een waterval, waarschijnlijk de schoonste van den gehee-
len Archipel, waarvan wij bij Wallace lezen:
„Even boven den waterval is het rivierbed niet breeder dan tien
voet, bekneld in eene nauwe en bochtige bergspleet; op deze plaats
zijn eenige planken over den stroom geworpen, vanwaar men de
kokende wateren, half door den weligen plantengroei verborgen, den
afgrond ziet tegemoet snellen, waarin zij eenige voeten verder met
donderend geweld neerploffen; zoowel het gezicht als het geluid zijn
indrukwekkend; de diepte bedraagt misschien 5 a 600 voet, doch is
eigenlijk over twee of drie vallen verdeeld."
§ 44. De Zuidelijke helft van het eiland vormt, met eenige van
de kleine Soenda-eilanden, het gouvernement van Celebes en onder-
hoorigheden.
De hoofdstad Makasser is eene der levendigste havensteden van
den Archipel en wordt als zoodanig wel: „klein Singapoera" genoemd;
stoombootlijnen verbinden het met Soerabaja en met de Molukken.
De Europeesche stad kreeg van onze voorouders den naam Vlaar-
dingen;
deze naam is alleen toepasselijk op de oude stad.
De bevolking, 25.000 inwoners, bestaat uit allerlei Indische natio-
naliteiten: de Boegineezen en Makassaren, inboorlingen, bewonen
de Kampong Boegi; de Maleiers zijn bijeen in hun Kampong
Melajoe;
in de buitenwijk der Europeanen, Kampong Baroe (Baroe
beduidt „vreemdelingen"), zijn de gouvernementsgebouwen en de
villa\'s van de Europeesche beambten en handelaars.
Vischvangst is voor de inlandsche bevolking hoofdmiddel van
bestaan; Makasser is de grootste markt voor de tripang (zie blz. 37),
-ocr page 110-
io4
de tripangvisschers gaan met hunne vaartuigen jaarlijks naar de kusten
van Nieuw-Holland, waar op de koraalbanken een rijke vangst is.
De reukwerken en oliën van Makasser zijn beroemd; zij vormen
met de Makassaarsche paarden de hoofdartikelen van uitvoer.
In dit Zuidelijk gedeelte van het eiland liggen leenrijkjes als Goa,
het overblijfsel van het rijk der Makassaren, Boni, of het land der
Boegineezen; beide rijken zijn toonbeelden van gevallen grootheid.
De vestiging van ons gezag in dit gedeelte van Celebes dagteekent
in hoofdzaak van 1859, toen de belangrijke Boni-expeditie heeft
plaats gehad.
Voor het bestuur van die kleine Soenda-eilanden, welke onder den
gouverneur van Makassar staan, is te Bima (op Soembawa) een
controleur gevestigd.
De Moluksche Archipel.
§ 45. Onder den naam Molukken, ten dage der Compagnie de
„Groote Oost" genaamd, verstond men vroeger (17\' eeuw) alleen de
Ternataansche eilanden; tegenwoordig vat men er het geheele ge-
bied door samen van de residenties Ternate en Amboina.
Halmaheira of Djilolo is het grootste, niet het belangrijkste eiland;
de Sultan van Ternate en de Nederlandsche resident houden verblijf
op het eiland Ternate, eigenlijk niets anders dan een groote vuur-
spuwende berg, om welks breeden voet de menschen zich gevestigd
hebben en tegen welks vruchtbare hellingen tot op zekere hoogte
tuinen zijn aangelegd. De kruin van den berg rookt onophoudelijk,
werpt asch en zand uit en herinnert voortdurend door zijne schud-
dingen , op welken gevaarlijken bodem men hier gebouwd heeft.
Onmiddellijk bij Ternate ligt Tidore, een even klein en onbedui-
dend eiland; ook hier houdt een Sultan verblijf, die over een uit-
gestrekt eilandengebied heet te heerschen.
Wat belangrijker zijn de Batjan-eilanden, ondereen derden Sultan;op
Batjan zijn goud en steenkolen ontdekt, die ook reeds ontgonnen worden.
Tot de Residentie Ternate wordt ook het Nederlandsch gebied op
Nieuw-Guinea gerekend: de Westelijke helft van dat groote
eiland behoort indirect tot onze bezittingen , maar ons gezag wordt
er niet uitgeoefend. Slechts eenmaal hadden wij aan de kust eene
nederzetting, fort du Bus, maar het ongezond klimaat was oorzaak,
-ocr page 111-
i°S
dat de plaats weer werd verlaten (1836); thans geven alleen eenige
merkpalen van onze souvereiniteit over dit gebied het bewijs, welke
palen door den inlander met stomme bewondering worden aangezien,
ja somtijds vereering genieten.
Even gering als de invloed, dien wij er hebben, is ook de kennis
van land en volk; al ontwaakt in de laatste jaren de belangstelling
in Nieuw-Guinea ook steeds meer, zoowel bij aardrijkskundige genoot-
schappen en handelaars als bij de regeeringen.
De Oostelijke helft van het eiland is ten deele Engelsch; er is
sprake van kolonisatie van dit gedeelte uit Q u e e n s 1 a n d. Een
ander deel is Duitsch: „Keizer-Wilhelmsland."
Herhaalde reizen zijn in de laatste jaren gedaan om de leemte
in onze kennis van de uitgestrekte binnenlanden een weinig aan te
vullen, maar de reizigers leeren de inboorlingen als gevaarlijk kennen
en de rivieren zijn slechts over een kort gedeelte, van de monding
uit, bevaarbaar.
De binnenlanden hebben, in tegenstelling met Australie\'s vast-
land, een weelderigen plantengroei, dichte wouden; rhizophoren ,
palmen (sago, areca e. a.), pandanen en andere tropische boom-
soorten ; de natuur zou den kolonisten vooral aanplant van suiker-
riet en katoen mogelijk maken.
Tot nu toe bestaan slechts eenige handelsbetrekkingen tusschen
enkele kustpunten en de Moluksche eilanden; alleen de uitvoer van
muskaatnoten is van eenige beteekenis, terwijl bovendien in dezeeen
bij Nieuw-Guinea veel tripang gevischt en schildpad verzameld wordt.
De dierenwereld is arm aan nuttige soorten ; kenmerkend zijn de
paradijsvogels, „godsvogels", om hunne kleurenweelde zoo gezocht,
en papegaaien in vele soorten; verder de buideldieren, in soort weer
verschillende met die van Australië.
De Papoea\'s worden, o.a. door Wallace, als menschen met gun-
stigen aanleg geroemd, maar zij zijn veel minder dan de volken van
Maleisch ras met vreemden in aanraking gekomen en staan daar-
door bij dezen thans ver achter. Een deel der bevolking van Nieuw-
Guinea woont in de kustdorpen, in paalwoningen; zij zijn zeer ruw
en van invloed van het Christendom is bij hen nog weinig sprake,
terwijl de stammen in het binnenland zelfs bepaald tegen eiken
vreemdeling vijandig gezind zijn.
Is de Maleier in zich zelf gekeerd en teruggetrokken van aard,
-ocr page 112-
io6
den Papoea vindt men afgeschilderd als luidruchtig, levendig en
toeschietelijk , al sluit deze laatste eigenschap nog volstrekt niet uit,
dat hij den vreemdeling over het geheel zeer vijandig bejegent.
§ 46. De Mol ukken zijn niet meer, wat zij eens waren: de
groote bloei uit den tijd der Oost-Indische Compagnie heeft plaats
gemaakt voor achteruitgang en verval.
Van de residentie Amboina geldt dit minder dan van die van
Ternate: het kleine eiland Amboina (half zoo groot als onze
provincie Utrecht), een geruimen tijd het middelpunt van ons gezag
in den Archipel, heeft nog altijd beteekenis door de rijke productie
van kruidnagelen; het stadje Ambon is de levendigste havenplaats
en kan als het middelpunt van den Molukschen Archipel worden
beschouwd.
De producten , die uit dit gedeelte van onze Oost worden uitge-
voerd zijn: specerijen, sago, kajapoetih-olie, visch, koraal en parelen.
In rijkdom aan kruidnagelen doen voor Ambon de Oeliassers
nauwelijks onder; voor sago is Ceram beroemd, gelijk Boeroe het
eiland van den kajapoetih-boom is. Koraal- en parelvisscherij zijn
van eenige beteekenis bij de Ternataansche eilanden , van waar ook
mooie schelpen in den handel komen.
Zijn op de meeste eilanden de inlanders woeste en onbeschaafde
Alfoeren , op Ambon zijn zij voor \'t meerendeel tot het Christendom
bekeerd, eene omstandigheid, die evenals elders van invloed is
geweest op de zeden, de levenswijze, de kleeding der bewoners.
De Islam heeft in dit gedeelte van den Indischen Archipel tot
nu toe alleen in enkele strandplaatsen aanhang gewonnen.
Van de Banda-eilanden, die eene afdeeling van de Ambonsche
residentie vormen, zijn eenige bewoond, eenige niet. Een altijd
rookende vulkaan is het eiland Goenotig Api; het belangrijkst zijn
Groot-Baxida of Lontor en Neira; de perken op deze eilanden
hebben het voorkomen van uitgebreide, rijk beschaduwde tuinen: de
notemuskaatboom behoort onder de fraaiste der tropische gewassen.
De vrucht heeft de grootte en kleur van eene perzik; als zij rijp is,
barst de buitenste bekleeding en vertoont zich de hoogroode kleur
der foelie, waardoor de boom een schilderachtig aanzien verkrijgt.
De noten worden van de hooge boomen geplukt met behulp van een
korfje aan een bamboezen stok gehecht, om den boom noch de
-ocr page 113-
107
vrucht te beschadigen; de notenplukker heeft eene korf op den rug,
om er de verzamelde vruchten in te bergen.
De volgende fraaie beschrijving van het notenplukken treffen wij
aan in „Banda en zijne Bewoners", door Mr. Van der Linden :
„Des morgens om vijf uur, tegen het opkomen der zon, wordt de klok
van het perkhuis geluid, om de arbeiders te waarschuwen, dat de tijd van
opstaan daar is. Overal heerscht beweging, mannen, vrouwen, jongens en
meisjes, maken zich gereed om op de pluk uit te gaan. Eenigen nuttigen
hunne portie rijst vooraf, anderen nemen ze met zich en ontbijten in het
bosch. De plukkers en pluksters zijn voorzien van eene lange bamboe,
aan het einde waarvan een klein korfje zit, en eenige verlengstukken, die
zij , als in Holland de hengels, in elkander kunnen schuiven. Op den rug
dragen zij de korf, om de geplukte noten daarin te verzamelen.
De noteboomen moeten het thans ontgelden. Maar zij, de dragers van
het goud, verheugen zich in de komst van de bende, want ziet, hoe de
takken, zóó dat zij onderstut moeten worden, door de wicht der noten
neerwaarts buigen. Merkt op de courtoisie, die zelfs in het bosch heerscht:
de boomen, die gemakkelijk te bereiken zijn, worden voor de vrouwen en
meisjes gelaten, de tegen gevaarlijke hellingen aanstaande of die, waarin
geklommen moet worden, daarop gaan de mannen los. Vlug leest de gaai-
gaai,
benaming aan de plukkorf gegeven, de vruchten; de oefening heeft
het oog gescherpt en de hand vaardig gemaakt. Zit de vrucht te hoog om
ze tusschen den kleinen vork, geplaatst boven het korfje, dat aan de bam-
boe is vastgemaakt, te vatten en daarna met een ruk den steel te doen
afbreken, zoodat de vrucht in het peervormig korfje valt, dan klimt de
man in den boom, maar de vrouw weet er beter raad op, zij steekt de
tweede bamboe op de eerste, de derde op de tweede en wel hoog moet
de muskaat hangen, wordt zij niet op die wijze bereikt.
Is de vrucht geplukt, dan wordt zij van de bruingele buitenschil ontdaan,
die, onder den boom geworpen, na verrotting eene goede mest is en de
noot, door de foelie omgeven, wordt in de groote korf geborgen." (Zie ver-
der blz. 29.)
Geschiedde de arbeid in den eersten tijd der Compagnie door
zoogenaamde perkslaven, later is Banda lang eene verbanningsplaats
geweest; sedert 1864 is het als zoodanig opgeheven en is vrije arbeid
ingevoerd.
Voor al zulke plaatsen als Ambon, Banda, Kajeli (op Boeroe;
het is na Ambon en Banda de voornaamste haven in de Molukken),
is de aankomst der maandelijksche mailboot, van Makasser, als het
ware een feestdag. Overigens ziet men in de Moluksche zeeën slechts
-ocr page 114-
io8
inlandsche zeilvaartuigen , die ook voor de gemeenschap tusschen de
verschillende eilanden zorgen. Vele dier eilanden zijn door koraal-
riffen omringd. Dobbo, hoofdplaats van de Aroe-eilanden, is \'t ver-
zamelpunt van pi-auwen uit den geheelen Oostdijken Archipel: parelen,
tripang, vogelnesten , schildpad, paradijsvogels.
De Kleine Soenda-eilanden.
§ 47. Hiervan vormen de Oostelijke eilanden de residentie Timor-
Koepang;
de middelste behooren administratief tot het gouverne-
ment van Celebes en onder hoorighedcn; terwijl de belangrijkste van
de geheele groep, Bali en Lombok, sedert 1883 eene zelfstandige
residentie vormen.
Timor, „Oosterland", zoo groot als ons land, heeft over \'t ge-
heel eene dorre natuur; de droge moeson is hier meer dan elders
zijn naam waardig, want het regent er in dat seizoen zelden of
nooit. Timor mist de gewone karaktertrekken van den tropischen
plantengroei; geheele streken worden ingenomen door doornige
struiken en acasia\'s, terwijl de eucalyptus de belangrijkste boom-
soort is.
Ontbreken de woudreuzen, die met hunne tallooze takken, hunne
luchtwortels. lianen, woekerplanten ieder voor zich een bosch vor-
men, evenmin ontmoeten wij er de bij den tropischen plantengroei
doorgaans behoorende woudbewoners, de roofdieren , die elders den
schrik doch tevens het sieraad der wildernis vormen.
Alleen in de beter besproeide valleien is de landbouw van betee-
kenis en wordt rijst verbouwd, maar meer nog maïs (djagoeng) en
Europeesche tarwe.
Van beteekenis voor den uitvoer is was, van eene bijensoort, die
in de boomen leeft (vandaar „wasboomen"); verder sandelhout\', dat
trouwens wel het hoofdproduct is van de Kleine-Soenda-eilanden.
Het Portugeesche gedeelte is nog minder belangrijk dan het Neder-
landsche, Delhi (Dilli) nog van minder beteekenis dan Koepang.
Was men langen tijd van gevoelen, dat de bodem rijke en uitge-
strekte koperaderen bevatte, de gedane onderzoekingen bevestigden
dit vermoeden niet; maar het onderzoek is nog te onvolkomen, om
met zekerheid hierin te beslissen.
-ocr page 115-
io9 .
De Timoreezen staan als woest en onbeschaafd bekend; zij hebben
niets gemeen met Maleiers , zijn veel nauwer verwant met de echte
Papoea\'s, die men reeds op de Aroe- en andere eilanden naar de
zijde van Nieuw-Guinea aantreft.
Op Flores hadden in de laatste jaren onderzoekingen plaats naar
de aanwezigheid van tinerts. De bevolking toonde in \'t binnenland
eene vijandige gezindheid , die tot militaire expedities aanleiding gaf.
Deze hadden niet den gewenschten uitslag.
§ 48. Zoo arm de natuur van Timor, zoo rijk is die van Bali
en Lombok; vooral Bali schijnt voor de beste streken van Java
niet onder behoeven te doen.
Op eene oppervlakte zoo groot als Gelderland heeft Bali bijna
een millioen inwoners en is dus dichter bevolkt dan de genoemde
Nederlandsche provincie (Bali 8 a 9000 op 1 D G. M.; Gelderland
5000).
In vele en velerlei opzichten is Bali een belangrijk eiland : voor-
eerst door zijne rijke natuur, die rijst, klapperboomen, katoen in
overvloed levert, zóó zelfs, dat nog aanzienlijke hoeveelheden rijst
kunnen worden uitgevoerd naar verschillende streken van den Archi-
pel; kokospalmen groeien er in menigte en daarnaast o. a. de lontar
of waaierpalm, waarvan de bladeren als papier gebruikt worden; de
bewoners hebben van alle volken van den Archipel alleen het Hin-
doeïsme bewaard; de godsdienst van Brahma, met de daaraan ver-
bonden strenge kasten-indeeling; de lijkenverbranding, met de soms
daarmede gepaard gaande weduwen-offers (in den regel verbranding),
die echter door den invloed van de Nederlandsche regeering zooveel
mogelijk worden tegengegaan; Hindoe-tempels, waarvan Bali er ver-
scheidene heeft aan te wijzen. Belangrijk is eindelijk de geschiedenis
van Bali\'s onderwerping aan ons gezag in de drie daarvoor gevoerde
oorlogen: tot 1841 onderhield ons gouvernement weinig betrekkingen
met de vorsten op Bali; de herhaalde plundering van gestrande Ne-
derlandsche schepen had de sluiting van tractaten met de inlandsche
vorsten ten gevolge, waarbij deze beloofden van de uitoefening van
het strandrecht af te zullen zien; doch toen het weldra bleek, dat
op deze beloften niet was te vertrouwen, werd in 1846 eene expe-
ditie uitgezonden, die een paar van de inlandsche hoofdsteden ver-
meesterde en te Bleling een fort bouwde; een opstand van de Bali-
-ocr page 116-
110
neezen maakte in 1848 eene tweede expeditie noodig, die voor Dja-
garaga
eene bloedige nederlaag leed en met de ontruiming van het
eiland door de onzen eindigde. Eene krijgsmacht in 1849 onder
Generaal Michiels slaagde beter, doch eerst na een hardnekkigen
oorlog, die na de vermeestering van Djagaraga in de bergachtige en
ontoegankelijke binnenlanden moest worden voortgezet; Generaal Mi-
chiels sneuvelde hierbij, waarna de kolonel Van Swieten het bevel
op zich nam.
Ook Lombok, welks vorsten aan die van Bali ondergeschikt
zijn, werd toen onder scherper toezicht gebracht; de belangrijkste
plaats is hier Mataram. De bevolking bestaat uit Mohammedaansche
inlanders, die Sasaks heeten ; doch een groot aantal Balineezen heeft
zich op het eiland gevestigd en maakt in het Westlijk gedeelte de
heerschende bevolking uit.
-ocr page 117-
HOOFDSTUK XII.
Nedeplandsch West-Indië.
§ 49. Historische bijzonderheden; de Nederlanders in Amerika.
In het laatst der i6e eeuw begonnen ook de tochten van de Neder*
landers naar Amerika. Olivier van Noordt deed (van 1598—1601)
zijne reis om de wereld, waarbij hij ook de Braziliaansche kust be-
zocht; eenige jaren later (in 1609) werd door den Engelschman Hud~
son,
in Nederlandschen dienst, bij het zoeken van eene Noord weste-
lijke doorvaart naar Indië, de rivier ontdekt, die thans nog zijn naam
draagt en aan welke, op de plaats, waar nu Amerika\'s grootste stad
ligt, kort na de ontdekking, de grond gelegd werd tot de kolonie
Nieuw-Nederland. Deze volkplanting nam spoedig in bloei toe en
kreeg tot hoofdstad Nieuw-Amsterdam, op het riviereilandje Manhat-
tan,
dat voor f60 van de Indianen werd gekocht (in 1625; thans de
„city" van New-York).
Ook in de West-Indische zeeën en aan de Zuid-Amerikaansche kusten
werd dra de Nederlandsche vlag ontplooid en in dezelfde dagen en
wat later voerden hier onze zeelieden strijd met de Portugeezen en
Spanjaarden.
In 1621 werd de West-Indische Compagnie opgericht, voor den
handel op Amerika en ook op Afrika: toeval had hier een Enkhuizer
schipper (Barend Erickszoon) op de kust van Guinea, de Goudkust,
doen verzeilen (1590) en dit was \'t begin geworden van een winstge-
venden handel in goud, olifantstanden, gom, huiden, terwijl vader-
landsche manufacturen naar die negerlanden werden uitgevoerd; in
i5 jaren deden 200 schepen de reis.
Beleefde de West-Indische Compagnie een enkel schitterend tijdvak,
haar bloei was niet zoo duurzaam als die van de Oost-Indische Com-
pagnie. Dikwijls hadden de gouverneurs der Compagnie in Amerika
gebrek aan geld en soldaten.
Zoo kwam het, dat althans de bezittingen in Brazilië achteruit gin-
-ocr page 118-
112
gen, en toen Portugal in 1640 zijne onafhankelijkheid van Spanje
ging heroveren, begonnen de Portugeezen ons in Brazilië, dat sedert
de ontdekking (Cabral, 1500) hunne bezitting was geweest, te besto-
ken, totdat, bij den vrede met Portugal in 1661 , al onze aanspraken
op Brazilië voor f 8.000.000 werden opgegeven.
In West-Indie hadden de Nederlanders op de Spanjaarden eenige
Kleine Antillen veroverd, waaronder in 1634 het voornaamste, St.-
Eustatius;
en bij den vrede van Munster had Spanje ons die eiland-
jes afgestaan.
De zeeoorlogen, in de 17\' eeuw tusschen Nederland en Engeland
gevoerd, deden ook in Amerika hun invloed gevoelen: Nieuw-Neder-
land ging voor ons verloren tijdens den tweeden oorlog (admiraal
York); maar de Zeeuwen onder Abraham Krijnszoon veroverden
daarentegen Suriname en bij den vrede van Breda (1667) werd Nieuw-
Nederland door de Engelschen, Suriname door ons behouden (wat
toen als een voor ons voordeelige ruil werd beschouwd).
Aanvankelijk bleef Suriname eene bezitting van Zeeland, dat het
later aan de West-Indische Compagnie (toen reeds eene nieuwe maat-
schappij) verkocht. Nog herhaaldelijk ging deze kolonie in andere
handen over, o. a. voor een deel in die van de stad Amsterdam en
voor een ander deel in die van de familie Sommelsdijk.
Tot de inwendige aangelegenheden van de kolonie Suriname, ge-
durende de i8e eeuw, behooren in de eerste plaats de herhaalde
aanvallen van de Franschen en de steeds wederkeerende opstanden
van en oorlogen met de Boschnegers of Marons.
Eindelijk gingen, kort voor den ondergang van onze Republiek,
al de bezittingen in Amerika over aan den Staat.
In den Franschen tijd is West-Indie evenals Oost-Indie in handen
van de Engelschen, doch na het herstel van onze onafhankelijkheid
maakte het Engelsche tusschenbestuur weer plaats voor het Neder-
landsche bewind.
§ 50. Nederland bezit thans in Amerika: Suriname met eene
oppervlakte van vier h. vijfmaal ons vaderland, dus ruim zoo groot
als het eiland Java. De bevolking is aan die grootte lang niet in
sterkte geevenredigd; ze bedraagt slechts vijftig è zestigduizend men-
schen , zonder de weinig talrijke Boschnegers en Indianen.
Verder zijn Nederlandsch eenige eilandjes in de West-Indische wateren :
de groep van Cura^ao vóór de Venezuelaansche kust; St.-Eustatius,
-ocr page 119-
"3
Saba en St.-Martin (dit laatste voor de helft echter Fransch) in de
kleine Antillen.
Staatkundig zijn onze koloniën in Amerika verdeeld in twee
gouvernementen :
I. Het gouvernement van Suriname; hoofdstad Paramaribo.
II. „
               „            „ Curacao en onderhoorigheden; hoofd-
stad Willemstad.
Suriname.
§ 5«-
Ligging. Kustgesteldhcid. Bodem. Rivieren.
i. Geef van de kaart de grenzen van Suriname op.
2.    Bepaal van de kaart de lengte en breedte, waarop Para-
maribo is gelegen.
3.    Bereken het tijdsverschil van Paramaribo met Amster-
dam en met Batavia.
Van den O r i n o c o tot de Amazone is de waterzoom van de
Zuid-Amerikaansche kust een ondiep, modderig, brak mengsel, dat
eene bijna onmerkbaar hellende alluviale laag overdekt; deze strekt
zich tien tot twintig mijlen ver in zee uit en getuigt van de ontzag-
lijke watermassa\'s, die onophoudelijk, met geringe verschillen voor
de jaargetijden, door de tallooze rivieren van de Zuidelijke bergen
in den Oceaan worden uitgestort.
Van de zee gezien vertoont zich die kust als eene eentonige lijn
van la;\'g bosch, dat bij onderzoek ondoordringbaar zou blijken en
bestaande uit rhizophoren of mangroves (zie § 6); nu en dan is die
lijn alleen afgebroken door eene breede opening , de monding
van een dier vele stroomen, waarvan de meeste en niet eens de
grootste, zoowel in lengte als in watermassa, Theems of Schelde
evenaren of overtreffen. De sterke stroom der rivier, ver in zee
merkbaar, doet zich bij de nadering dra gevoelen door het stampen
en slingeren van het schip.
Het Nederlandsch gedeelte, bij onze vaderen van de 17\' eeuw
algemeen de „Vaste of Wilde kust van Zuid-Amerika of Caribania"
genoemd , is ongeveer 60 uur gaans lang, laag en moerassig; zand-
banken maken bijna overal de nadering moeilijk en een zeestroom,
Aitton, Oost- en West-Indië, 3\' druk. .                                 8
-ocr page 120-
ii4
die er steeds in Westelijke richting langs strijkt, veroorzaakt eene
sterke branding.
Goede havens worden niet gevormd; andere inhammen dan de
breede riviermonden zijn er niet.
„Het zeestrand zelf levert voor het oog overal een gelijkvormig somber
tafereel op. Duizenden van gestorven, ontwortelde en aangespoelde boo-
men liggen er in alle richtingen verspreid; de grond, een wceke modder,
waarin men tot aan de knieén wegzakt, is door millioenen krabben door-
ploegd, en in het houtgewas, waarmede deze sombere kust is begroeid,
houden zwermen van muskieten en andere stekende muggen hun verblijf.
Vluchten van allerlei watervogels vinden hier gedurende de ebbe in onge-
stoorde rust rijkelijk hun voedsel, terwijl bij den vloed haaien en andere
roofvisschen tusschcn het met water overdekte hout ronddwalen. Even laag
zijn de monden der rivieren, waarvan de oevers echter door bosschen van
mangroveboomen, die door hunne wortels en loten ondoordringbare ver-
schansingen vormen, tegen het geweld der branding beschut worden.
Hoe verder men zich van de zee verwijdert, des te meer verandert het
tooneel. De oevers zijn met andere gewassen begroeid; grootere boomen
steken boven het lagere houtgewas uit; de slanke pinapalm vertoont zich
in menigte; klim- en woekerplanten bedekken de boomen en slingeren zich
van tak tot tak. Overal langs de rivieren heerscht dezelfde weelderige
plantengroei, en in het heldere, donkere water spiegelt zich het landschap
overheerlijk af. In het groen verscholen liggen langs de rivieren de plan-
tages.
Toch is hier nog alles vlak; eerst daar, waar heuvels den loop der rivier
bepalen, waar de rotsgronden beginnen, bevindt zich de grens der bebou-
wing; hier is de ingang tot het onbekende land. Alleen in het vijftien tot
twintig uur gaans breede, alluviale gedeelte liggen de plantages."
(KAPPLER. Herinneringen uit Hollandseh-Cttyana.)
Naar de zijde van Fransch-Guyana of Cayetme is de.....de
grensrivier; naar de zijde van Engelsch-Guyana of Bcrbice de......
(Cayenne = § X Suriname. Het uitgestrekte Britsche grondgebied, | X
Suriname, bevat de drie provinciën: Berbice, Demerary en Essequibo.)
De grens met Fransch-Guyana gaf in de laatste jaren tot moeilijkheden
aanleiding: de Marowijne, in deze eeuw als grensrivier beschouwd, heeft
2 bronrivieren, de Lawa (r.) en de Tafanahoni (1.). Van deze werd de
Lawa vrij algemeen als de hoofdrivier beschouwd; eerst na 1850 beweerde
de Fransche regeering, dat de Tapanahoni hoofdrivier en dus grens was.
Aardrijkskundige onderzoekingen — op een drietal expeditiën van Fransch-
-ocr page 121-
"5
Nederlandsche commissiën in 1860-\'62 — tot ver in de binnenlanden, be-
vestigden vrij wel \'t gevoelen van \'t meerdere belang der Lawa; deze uit-
komst echter is nooit diplomatiek bekrachtigd geworden en de vraag bleef
bestaan, welke der 2 rivieren als grens moest worden beschouwd, \'t Be-
twiste gebied, misschien 2 n X Nederland in grootte, is bedekt met
tropisch woud, hier en daar enkele savanna\'s (grassteppen•; als bevolking
leven er eenige honderden Boschncgers en een gering aantal Indianen.
Het vraagstuk nam in beteekenis toe, toen goud werd gevonden en zich
sedert 1885 troepjes avonturiers, zonder concessie, ten Westen van de Lawa
vestigden: van Cayenne uit voeren zij zoover mogelijk de Maroni-Lawa op,
lieten zich daarna gedurende 20 a 25 dagreizen in kano\'s door de inlanders
opwaarts roeien, tot waar een tweetal geïmproviseerde landingsplaatsen den
weg — een moeilijk begaanbaar boschpad — naar Dorado aanduidden.
Eene zeer gemengde bevolking van 3 a. 4000 menschen was hier weldra
bijeen, doch in een toestand van de grootste verwarring en bandeloosheid.
In 1888 werd besloten \'t betwiste gebied te ontruimen en in dat zelfde
jaar deed onze regeering het voorstel eene scheidsrechterlijke uitspraak in
te roepen. Dit is geschied en de beslissing van den scheidsrechter — den
Czar van Rusland — wees de Lawa als hoofdrivier en dus \'t betwiste ge-
bied als Nederlandsch aan.
In de kolonie zelve is de Suriname de hoofdrivier. Heeft deze
bij de hoofdstad eene breedte van ruim een half uur gaans, de
Marony is in den benedenloop niet minder dan een uur gaans breed
en de Corentijn is aan de monding zelfs nog breeder.
De rivieren hebben een vrij langen benedenloop: eerst op vijftien
è. twintig uur gaans van de kust beginnen de eerste heuvels en daar-
achter verrijzen in de verte de donkere, blauwe bergen, nog met
dichte bosschen- bedekt; deze bergstelsels maken naar de zijde van
Brazilië de niet bepaalde grens uit en vormen tevens de waterschei-
ding
met het Amazone-gebied; zij dragen nog geen algemeenen naam.
In deze wouden van het equatoriale hoogland, waar de reizigers in
vroeger eeuwen het geheimzinnige en fabelachtige Dorado (Goudland)
zochten, liggen de bronnen der rivieren verborgen.
Groot is de beteekenis der rivieren in de kolonie: zij zijn de uit-
sluitende verkeerswegen; goede kunst wegen zijn er niet, wel in
Engelsch-Guyana. Al de hoofdrivieren hebben gemeenschap met
elkander; sommige door gegraven kanalen, andere op natuurlijke
wijze, door bifurcaties (zie § 7); deze natuurlijke kanalen heeten hier
kreeken; men kan uit de Corentyn in de 60 uur meer Oostelijk
8*
-ocr page 122-
n6
stroomende Marowyne komen, zonder dat men tot eene zeereis de
toevlucht behoeft te nemen. De Suriname is de hartader der kolonie,
die dan ook voor een aanzienlijk deel tot de oevers van deze rivier
beperkt is.
i. Welke is de algemeene richting van de Surinaamsche
hoofdrivieren , welke die van de bijrivieren ?
2. Geef van de kaart op, welke rivier met de Suriname
een gemeenschappelijken mond heeft; welke met de
Corentyn.
Tusschen het vruchtbare alluviale kustgebied en de heuvels en
bergen in het Zuiden ligt het zoogenaamde Savana-gebied : de Sava-
na\'s vertoonen overeenkomst met de prairieën of de pampa\'s van
andere streken in Amerika; de bodem bestaat udt zandgronden;
daze zijn met harde grassoorten bedekt, boomgroei komt weinig
voor; alleen aan de oevers der rivieren vinden wij het hoogstammig
woud van het vorige en het volgende gebied terug. Als een gordel
van een paar uur gaans breedte strekken deze Savana\'s zich door de
kolonie uit en begrenzen aldus het door de cultuur in bezit genomen
gedeelte.
§ 52. Klimaat, Plantengroei en Dierenwereld.
Het zoo dicht bij den evenaar gelegen land heeft een heet, tropisch
klimaat;
de temperatuur bedraagt gemiddeld zeker niet minder dan
in Oost-Indie, maar toch is de dampkring over het geheel niet druk-
kend, waarschijnlijk als gevolg van de ontzaglijke wouden en de
ook daardoor ontstaande groote vochtigheid.
Overdag is de hemel bijna nooit onbewolkt, maar daarentegen is
hij \'s nachts doorgaans helder en aanschouwt men een sterrenhemel,
prachtiger dan onze Noordelijke breedten te zien geven. Aangaande
den duur van dag en nacht zoomede van de schemering geldt het-
zelfde, wat voor Oost-Indie werd medegedeeld.
Ten aanzien van de regenverdeeling wijkt het West-Indische klimaat
nog eenigszins van dat in de Oost af: de regentijd en het droge
seizoen komen elk tweemaal in den loop des jaars voor; men spreekt
van den „grooten" en den „kleinen" regentijd en evenzoo bij het
droge jaargetijde van den grooten en kleinen drogen tijd; maar de
-ocr page 123-
117
overgangen zijn onregelmatig, niet scherp geteekend. Het aantal
regendagen in Paramaribo bedraagt, volgens waarnemingen, die in
1864 zijn begonnen, 209 \'s jaars; de gemiddelde regenhoeveelheid
2200 mM. per jaar.
Niet minder dan in Oost-Indie heerscht in Suriname een echt
tropische plantengroei, waarvoor de onmisbare factoren, „warmte,
vochtigheid en een vruchtbare bodem", hier in even ruime mate
aanwezig zijn als ginds.
Toch mag, bij eene vergelijking met Oost-Indie, niet aan Java
worden gedacht; immers de mensch, die op Java zulk een grooten
invloed uitoefent op den plantengroei, ontbreekt bijna geheel in Suri-
name; liever denken wij daarom bij eene vergelijking aan het niet
minder vruchtbare en meer oorspronkelijke eiland Borneo; daar,
gelijk in Suriname, bedekken oorspronkelijke wouden bijna de gan-
sche oppervlakte en vergeefs wordt gewacht op de hand, die de
boomen velt en den grond ontgint.
Het hoofdmiddel van bestaan voor de kolonie moet berusten op
de plantages: de vruchtbare bodem, de weelderige plantengroei,
waarbij binnen drie maanden gezaaid en geoogst kan worden, wijzen
daar als van zelf op. De kolonisten, die zich in de 17\'\' en iS\' eeuw
in Guyana nederzetten, legden zich dan ook uitsluitend op den plan-
tagebouw toe, waarbij de veldarbeid door slaven werd verricht.
De voornaamste plantages zijn die voor suikerriet; dan volgen
die met cacao; de opbrengst van de koffie en van de katoen, eenmaal
van beteekenis, is tegenwoordig niet meer van belang.
Bij de meeste plantages liggen zoogenaamde kostgronden, die met
voedingsgewassen zijn beplant; ook zijn daarvoor afzonderlijke kost-
plantages,
waar alles verbouwd wordt, wat voor de voeding in de
kolonie noodig is: bananen, koren, rijst en aardvruchten.
Bananen vormen het hoofdvoedsel van alle inlanders, zoowel in
Suriname als in Demerary; in Cayenne daarentegen leven Negers
en Indianen meer van cassave, eene meelspijs, die de maniokboom
oplevert.
Aan vruchten is Guyana nauwlijks minder rijk dan Oost-Indie:
ananas, oranje appels, meloenen, mangga\'s, tamarinde en vele andere
soorten.
De plantages zijn alle op eenigen afstand landwaarts in aan de
rivier gelegen, veilig verscholen en van de zee gescheiden door den
-ocr page 124-
n8
dicht ineengestrengelden zoom van mangroves. De ligging aan de
zeekust zou voor het verschepen van de producten wel veel waard
zijn; maar de sterke branding spoelt aan de zeekust menig stuk land
weg en heeft reeds herhaaldelijk onheil gesticht. Bovendien vreesden
de kolonisten in vroegeren tijd de vrijbuiters en boekaniers, die in
de 17\'\' en r.8" eeuw op menige rijke plantage een aanval deden.
De kolonie is rijk aan uitstekende houtsoorten; de plantages liggen
aan alle zijden door de bosschen ingesloten, doch eerst in de hooger
liggende streken beginnen de eigenlijke houtgronden, waar kostbare
boomen worden geveld en verscheept. Die houthandel is nagenoeg
geheel in handen van de Boschnegers, die uit hunne dorpen met
houtvlotten de rivier afzakken, om het hout in Paramaribo af te
leveren en met het door hen benoodigde, aan wapens, enz., terug
te keeren. Dichte bosschen bedekken de Surinaamsche bergen, maar
van dien houtrijkdom wordt nog te weinig partij getrokken.
De dierenwereld van Guyana munt niet uit door groote, evenmin
door nuttige diersoorten; in dit opzicht staat trouwens het Westelijk
halfrond algemeen achter bij het Oostelijk.
Onder de roofdieren behooren enkele tijgersoorten, als dejagoear,
Amerika\'s grootste en gevaarlijkste roofdier, slechts iets kleiner dan
de koningstijger van Azië; de poema of koegoear, ook wel Ameri-
kaansche leeuw, veel kleiner en laffer dan de echte leeuw.
Verder zijn er eenige soorten van herten, buffels en wilde varkens.
Het aantal soorten van apen en bontkleurige vogels, die de uitge-
strekte bosschen bevolken, is aanzienlijk.
Zeer rijk is vertegenwoordigd al, wat tot de kruipende dieren be-
hoort: een verbazend groot aantal slangen, waaronder eenige vergif-
tige soorten. Talrijke insecten, muskieten, enz.; in de rivieren,
kreeken en poelen eene groote verscheidenheid van visschen, schild-
padden , hagedissen.
Ingevoerd zijn: runderen, paarden, ezels, schapen, geiten en var-
kens; doch de veeteelt is niet van bijzondere beteekenis.
Uit het delfstoffenrijk is de ontginning van het goud van belang;
zij dagteekent van 1876. In dat jaar werd voor eene waarde van
ca. / 50.000 uitgevoerd; sedert is het bedrag van den uitvoer steeds
klimmende gebleven; thans heeft \'t reeds het cijfer van ƒ1.500.000
\'s jaars bereikt.
-ocr page 125-
ii9
Bewoners.
§ 53. Het gouvernement van Suriname heeft, volgens het Koloniaal
Verslag, eene bevolking van bijna 60.000 zielen.
Hieronder zijn niet begrepen de in de binnenlanden zwervende
Indianenstammen en Boschnegers , samen misschien tusschen xo.000
en 15.000.
Indeeling der bevolking:
1.     Europeanen:                                                                  700
2.    De, in Amerika geboren, zoogenaamde „Creoolsche"
Negers;
                                                                       i 50.000.
Tot deze groep worden ook gerekend de afstammelingen van
gemengd bloed: mulatten, mestiezen en anderen, in\'t algemeen
„kleurlingen" genoemd.
3.   Immigranten; hieronder verstaat men aangeworven, op contract
werkende arbeiders (voor de eerste maal in 1853 aangevoerd),
uit China, West-Indië en Britsch-Indie. Het aantal onder
contract verbonden Britsch-Indische immigranten vormt verre-
weg het grootste deel en bedraagt thans ± 2.500. (Pogingen
om de immigratie van koelies uit Nederlandsch Oost-Indië te
bevorderen zijn mislukt.)
4.    Boschnegers of Marons | . , ,              ,
T ,.                                     in de bovenlanden.
5.     Indianen                           )
De oorspronkelijke bewoners van Guyana, de Indianen, behoor-
den ten tijde van de komst der Engelschen en Hollanders tot talrijke
stammen; thans zijn de voornaamste de Caraïben en de Arowakken,
de laatsten aan de stranden; de eersten hooger op langs de rivieren.
Dieper in \'t binnenland waren vroeger nog tal van kleine stammen ,
thans bijna geheel verdwenen ; eerst als men op Braziliaansch gebied
komt, bij Rio Negro en Amazone, treft men vele en talrijke
Indiaansche stammen aan; deze „Roodhuiden" zijn middelmatig of klein
van gestalte, met platte gezichten, gitzwart en glad haar en licht koper-
kleurige huid, die rood beschilderd wordt met eene verf, welke zij uit
een in \'t wild groeiend gewas bereiden (Bixa Orellana). Vooral de
vrouwen dragen veel oor- en neus versierselen en eene massa koralen;
-ocr page 126-
120
de opperhoofden of Uilen, zooals de oude Hollanders hen noemden,
dragen hoofd- en andere sieraden van vederen, goud enz.
De mannen jagen, visschen, maken kano\'s en wapens. De vrou-
wen doen den weinigen veldarbeid, verzamelen wortelen en vruchten,
bereiden \'t eten, weven hangmatten van de katoen , die hier en daar
in \'t wild groeit. Jams en andere wortelen, cassave of maniok
leveren niet alleen brood, maar ook verschillende soorten van bedwei-
mende dranken; gingen zij zich bij hunne feesten hieraan te buiten,
eene ramp werd voor hen die gewoonte, toen Hollandsche en EngeU
sche schippers hen in kennis brachten met brandewijn. Deze harts-
tocht is \'t eenige, dat zij van de Europeesche beschaving overnamen
en werd met ziekten oorzaak hunner vermindering. Hun land is
daarbij vaak een waar Dorado: niet alleen ligt goud daar in den
vorm van suiker, koffie, cacao enz., maar zelfs in den natuurlijken
staat. Terwijl echter onze voorvaderen in Insulinde geregeld bestuurde
rijken vonden met millioenen bewoners, die werkten, produceerden ,
en in geordende maatschappij samenwoonden, troffen zij in Guyana
niets dan eene dungezaaide bevolking, als nomaden levende, schuw
en tot veldarbeid ongenegen en niet meer duizendtallen tellende dan
in O.-I. millioenen.
De Caraïben waren zeer krijgshaftig, al hadden zij slechts eene
boog (doch met vergiftige pijlspitsen) als wapen.
Allen stonden op den laagsten trap van beschaving; zij woonden
in rieten hutten met hangmatten; het huisraad bestond uit gevlochten
korfjes, gekleurde potten en niet veel meer. Hun godsdienst was
alleen eene vrees voor duivels en het is bewezen, dat zij, als zij
konden, ook nog lang na de komst der Europeanen, menschen-
vleesch gebruikten, althans hunne gevangenen opaten.
De verschillende eigenaars van de kolonie trachtten door den invoer
van slaven arbeidskrachten te verkrijgen. De invoer van negers nam
soms een grooten omvang aan, daar in de 17\' en de i8e eeuw geen
tak van handel grooter voordeden opleverde dan juist die in slaven :
voor kleine sommen werden aan de Afrikaansche kusten van de neger-
vorsten krijgsgevangenen opgekocht en voor hoogen prijs werden deze
aan de plantagehouders in de koloniën geleverd.
Dikwijls liepen de negers weg van de plantages en zochten schuil-
plaatsen in de dichte bosschen. Van deze weggeloopen slaven stammen
-ocr page 127-
121
de Boschtiegers af; of naar den naam, dien zij in de Fransche kolonie
dragen, Mar ons. Hun aantal nam zóó toe, dat zij de veiligheid van
eene kolonie dikwijls in gevaar brachten en expedities tegen hen
moesten worden uitgerust; bijna onafgebroken werden, 60 jaar lang,
zelfs slavenoorlogen gevoerd, tusschen 1715 en 1775. Ten slotte is
er vrede met hen gesloten en is hunne onafhankelijke positie erkend.
In deze eeuw werden de slaven in de meeste landen van Amerika
vrij verklaard; voor onze kolonie werd in 1824 het verbod van
invoer van slaven uitgevaardigd; in 1863 volgde de vrijverklaring.
Maar ongelukkig heeft de eeuwenlange slavernij gemaakt, dat de negers
thans „vrijheid" en „niets doen" als woorden van dezelfde beteekenis
beschouwen. De behoeften, die de Creoolsche neger kent, zijn zeer
gering: ter bewoning kan hij voor zich en zijn gezin in enkele dagen
eene hut bouwen; en als hij slechts een paar uren werkt, schenkt de
rijke natuur hem voedsel voor eene week.
Deze traagheid van de zwarte bevolking en het ontbreken van
andere arbeidskrachten zijn de oorzaken, dat tal van eertijds bloeiende
plantages thans eenzaam en vervallen zijn, niet alleen in Suriname,
maar ook in andere deelen van Amerika. Wanneer men uitvoerige
kaarten van onze kolonie ziet, wordt men getroffen door het herhaal-
delijk voorkomende woord „verlaten". Suriname is groot 2500 D G. M.,
als Java; 700 hiervan zijn eenigszins bekend en maar 10 worden in
cultuur gebracht.
Toevoer van arbeiders is alzoo eene eerste vraag voor den bloei der
kolonie. De regeering tracht door allerlei middelen den vrijen arbeid
aan te moedigen en de immigratie van arbeiders te bevorderen; zoo
zijn door het uitloven van premies in de laatste jaren de bovenbe-
doelde koelies tot verbintenissen op de plantages overgehaald en, gelijk
wij boven zagen, vormen die immigranten een niet gering gedeelte
van het bevolkingscijfer.
Ook zijn er in verschillende tijden pogingen gedaan, om het tekort
aan veldarbeid van negers aan te vullen met dien van Europeanen;
die pogingen zijn echter in hoofdzaak steeds mislukt, al werden zij
ook aanvankelijk met een goeden uitslag bekroond.
Zoo b.v. in de /oden-Savanne, waar in de 17* eeuw zich talrijke
Portugeesche Joden vestigden (uit Brazilië verdreven) en waar een
bloeiend dorp ontstond, doch waarvan men thans de sporen nauwelijks
terugvindt.
-ocr page 128-
122
In 1845 werd aan de Saramacca eene proef genomen met Neder-
landsche kolonisatie, op vrij groote schaal; deze proef heeft tot geen
goeden uitslag geleid.
En geen beteren uitslag hadden dergelijke pogingen in het naburige
Fransch-Guyana of Cayenne; hier zijn boeren uit den Elzas heen
getrokken, ondersteund door de regeering; zij hebben zich gevestigd
in het gebied van de Marowyne, dus bij ons grensgebied. Na
eenige jaren echter moesten deze landbouwers op kosten van den
staat weder repatrieeren.
De ondervinding, in Suriname opgedaan, schijnt dus het gevoelen
te bevestigen, dat landbouw in de tropische gewesten niet door
Europeanen kan worden verricht. Het tropisch klimaat is te afmattend,
dan dat de Europeaan aldaar met zwaren veldarbeid onder den blooten
hemel zijn levensonderhoud zou kunnen verdienen. Dit klimaat toch
heeft men, warm en vochtig als het is, wel eens bij een broeikassen-
klimaat vergeleken en terecht.
Tevergeefs zoekt men op de wereldkaart naar voorbeelden van
Europeesche nederzettingen tusschen de keerkringen, waar de kolo-
nist anders dan als grondeigenaar, handelaar, ambtenaar enz. heeft
kunnen thuis geraken.
Wel daarentegen zien wij talrijke bloeiende volkplantingen in de
gematigde luchtstreek: de Engelsche kolonies van Zuid-Australië en
Nieuw-Zeeland, van Canada en de Kaap; of de Staten van de Noord-
Amerikaansche Unie in het gebied der Canadeesche meren, waar ook
Nederlanders en Duitschers in aanzienlijken getale als landbouwers
eene groote mate van welvaart hebbben bereikt.
Suriname zou als zoodanig dus voor kolonisatie niet geschikt zijn.
Wel echter indien Europeanen zich daar als grondeigenaars vestigden
en de veldarbeid door inboorlingen der tropen kon worden verricht.
En zoo blijft gebrek aan arbeidskrachten het groote bezwaar, dat
aan de verheffing en den vooruitgang van Suriname in den weg staat.
§ 54. Wat het Europeesche gedeelte der bevolking betreft, het
is uit den loop van de geschiedenis der kolonie verklaarbaar, hoe er
het Portugeesche, het Engelsche en het Hollandsche
element, van drie verschillende volken dus, vertegenwoordigd is. De
Engelschen toch zijn de eigenlijke eerste kolonisten in Guyana; uit
Brazilië kwamen , gelijk gezegd, talrijke Portugeesche Joden.
-ocr page 129-
123
De taal door het talrijkste gedeelte der bevolking, de Creoolsche
negers, gesproken, heet „Neger-Engelsch"; zij verdient den naam
„taal" echter maar weinig, want inderdaad bestaat zij slechts uit een
mengelmoes van woorden, die ontleend zijn aan het Portugeesch,
het Engelsch en het Nederlandsch; alles bovendien met eene Afri-
kaansche tint.
De godsdienst is voor stellig wel de helft der bevolking die van
de Moravische broeders; onder de andere helft der bewoners telt
bijna elke godsdienst een aantal belijders.
Zendelingen van de Moravische broeders zijn reeds werkzaam
onder de Boschnegers.
De eenige stad van Suriname is Paramaribo (volgens sommigen
aldus genoemd naar den stichter, Lord Parham, in 1662; volgens
anderen een oorspronkelijk Indiaansche naam, die „bloemenstad"
beduidt). De Zeeuwen noemden de stad aanvankelijk , na de verove-
ring, Nieuw-Middelburg, doch deze naam is spoedig in onbruik
geraakt.
Met de buitenwijken telt de hoofdstad ca. 25.000 inwoners, dus
nagenoeg de helft van de geheele bevolking der kolonie.
De ligging, aan eene bocht van de breede beneden-Suriname (op
welken oever ?), is voor den handel zeer gunstig; de stad is voor
zeeschepen bereikbaar. Het fort Nieuw-Arnsterdam moet zoo noodig
het binnenvallen der schepen beletten en heeft daartoe eene sterke
ligging aan de samenvloeiing van de Suriname en de Commewyne.
Onmiddellijk bij de stad ligt het fort Zeelandia.
De stad heeft een fraai aanzien; de straten zijn breed, ongeplaveid,
met schelpzand gedekt; vroeger waren de meeste aan weerszijden met
oranjeboomen beplant, doch deze verdwijnen meer en meer; de hui-
zen waren langen tijd alle van hout, doch sedert in 1832 een groote
brand woedde, zijn meerdere van steen gebouwd.
De vroeger bloeiende en bevolkte voorsteden zijn nu slechts zeer
weinig bewoond en verkeeren in vervallen toestand.
De handel van de kolonie, die over de hoofdstad leidt, heeft geen
grooten omvang meer; het meeste verkeer heeft plaats met Engelsch-
en Fransch-Guyana, West-Indie, de Noordamerikaansche Unie en
naar Europa met Nederland, Engeland en Frankrijk.
De hoofdartikelen van uitvoer zijn: suiker, melasse (eene stroop,
-ocr page 130-
124
die bij de suikerbereiding verkregen wordt), rum, cacao, goud,
timmerhout. Onbeduidend zijn tegenwoordig: koffie en katoen.
De geregelde gemeenschap met Europa had vroeger alleen plaats
over Cayenne naar St.-Nazaire (aan Frankrijks Westkust, aan den
mond van de.....) en over Georgetown naar Southampton (aan
Engelands Zuidkust, ten Noorden van het eiland.....). Thans
bestaat eene rechtstreeksche verbinding, van de Kon. West-Indische
Maildienst te Amsterdam, vanwaar ééns in 3 weken een stoomschip
naar West-Indië vertrekt.
Zeilschepen doen de reis van Amsterdam naar Paramaribo in 30
a 35 dagen.
Rechtstreeksche telegraphische gemeenschap tusschen Suriname en
Europa bestaat tot nu toe niet.
Behalve in het gebied van de hoofdstad zijn alleen in het vroeger
beschreven kustgebied nederzettingen.
Ten behoeve van bestuur en politie is het land in zestien districten
verdeeld; deze dragen den naam naar de rivieren of kreeken, in
wier gebied zij gelegen zijn.
Deze districten zijn :
I.
Beneden-Suriname.
9-
Nickerie.
2.
Boven- Suriname.
10.
Coronie.
3-
Boven-Commewijne.
11.
Marowijne.
4-
Beneden Commewijne.
12.
Matappica.
5-
Beneden-Para.
i3-
Commetewane.
6.
Boven-Para.
14.
Perica.
7-
Boven-Saramacca.
•S-
Boven Cottica.
8.
Beneden-Saramacca.
16.
Beneden- „
(De cursief gedrukte zijn de belangrijkste.)
De plantages, althans de grootere, moeten in een zekeren zin
beschouwd worden als gemeenten, dorpen; de bevolking bestaat uit
den aard der zaak hoofdzakelijk uit Creoolsche negers of uit immi-
granten (zie blz. 119); alleen de directeur en één of meer opzichters
(blank-officier) zijn blanken; het aantal bewoners eener plantage wis-
selt af tusschen nauwelijks honderd en wel een paar duizend.
Het aantal der plantages bedraagt tegenwoordig :
Een dertigtal groote, waar enkel suikerriet wordt verbouwd (vooral
van deze plantages was het aantal vroeger veel grooter).
-ocr page 131-
"5
Een zeventigtal groote, waar cacao de hoofdcultuur is (deze zijn
vooral ontstaan ten gevolge van den achteruitgang van de
kaffie- en de katoenteelt; de cacao eischt veel minder zorg
en kapitaal).
Een driehonderdtal kleinere plantages, waar meer dan ééne cultuur
plaats heeft; en eindelijk een driehonderd kostplantages.
Op de suikerplantages zijn veel meer menschen dan op de andere:
aan de teelt van het riet en bovendien aan de bereiding van de
suiker is veel meer arbeid verbonden.
Bovendien is het werk in de cacaovelden veel minder vermoeiend
en afmattend dan in de rietvelden: de eerste zijn meer schaduwrijk,
terwijl de laatste blootgesteld zijn aan de brandende zon , den zoo-
genaamden koperen hemel der tropen.
Het verkeer tusschen de plantages onderling en lusschen deze
en de hoofdstad heeft, gelijk vroeger gezegd is , uitsluitend te
water plaats. Daartoe werd voor \'t personenvervoer vroeger alge-
meen gebruik gemaakt van zoogenaamde „tentbooten", ruim, fraai
geverfd en versierd en door acht negers geroeid; maar deze ver-
dwijnen langzamerhand, zonder door iets anders te worden vervangen.
Van tijd tot tijd bestaat de gelegenheid om met stoombootjes van
de hoofdstad naar sommige districten te gaan. De Indianen en
Boschnegers maken algemeen gebruik van korjalen (kano\'s), lichte
vaartuigen , bestaande uit een uitgeholden boomstam.
Gewone wegen komen in Suriname zeer weinig voor; vroeger was
in het binnenland een goed onderhouden militaire weg, het zoo-
genaamde cordon, loopende van de boven-Suriname (Joden-Savanne)
tot de zee (Oranje) en beschermd door verschillende posten. Dit
cordon is sedert lang verlaten; voor de verdediging tegen de Bosch-
negers was het trouwens overbodig geworden.
§ 55. Regeer ingswijze.
De samenstelling van de bevolking in West-Indië verschilt van
die in Oost-Indie, waar het aantal Europeanen betrekkelijk veel
kleiner is.
De Nederlandsche bezittingen in Amerika hebben dan ook meer
recht op den naam van koloniën dan die in Oost-Indie.
-ocr page 132-
I2Ó
Als gevolg van deze omstandigheid is het bestuur over Suriname
meer ingericht naar het stelsel van autonomie, zelfregeering, naar het
voorbeeld van de Engelsche koloniën, b.v. Canada, Australië en
het Kaapland.
Aan het hoofd van het gouvernement van Suriname staat als ver-
tegenwoordiger des Konings de Gouverneur, die door den Koning
wordt benoemd. Hij bezit de uitvoerende macht, waarin hij wordt
terzijde gestaan door een Raad van Bestuur; dit lichaam bestaat uit
den Procureur-Generaal van het Hof van Suriname en drie andere
leden, allen door den Koning benoemd.
De Wetgevende macht deelt de Gouverneur met de Koloniale
Staten;
vier leden worden hiervoor jaarlijks door den Gouverneur
benoemd; de andere, thans vijf in getal, worden door de bevolking
zelve gekozen, waarbij de kiezers aan bij de wet bepaalde vereischten
moeten voldoen.
Niet de geheele wetgevende macht berust echter in de kolonie zelve;
zoo wordt b.v. de jaarlijksche begrooting van Nederlandsch West-
Indie, evenals die van Oost-Indic, in het moederland vastgesteld.
De West Indische begrootingen, voor elk der beide gouvernemen-
ten eene afzonderlijke, sloten tot nu toe altijd met een tekort, maar
voor Curacao heeft dit opgehouden en voor Suriname neemt het
tekort in de laatste jaren steeds af en er is uitzicht, dat bij toene-
mende belangstelling in de kolonie en daardoor verhoogden bloei, dat
tekort eenmaal geheel zal ophouden te bestaan.
Land- en zeemacht in de kolonie staan onder het opperbevel van
den Gouverneur. Het garnizoen van Suriname telt ± 400 man,
voor \'t grootste gedeelte in de hoofdstad en op het fort Nieuw-Amster-
dam gelegen en verder in posten over de districten verdeeld.
-ocr page 133-
HOOFDSTUK VII.
Gouvernement van Curacao en Onderhoorigheden.
§ 56. Dit gouvernement omvat:
a.    de Curacaosche eilanden:
Curacao, Bonaire en Aruba; benevens eenige nog kleinere, onbe-
woonde eilanden.
b.    de Nederlandsche Kleine Antillen of Caraïbische
eilanden:
St.-Eustatius, Saba, en de helft van St.-Martin (de andere helft
is Fransch).
De oppervlakte van de gezamelijke eilanden bedraagt niet meer dan
ongeveer 15 Q G. M., dus nagenoeg de helft van onze provincie
Zeeland.
Curacao is nog het grootst; het heeft eene smalle, langstrekte
gedaante; de lengte bedraagt ongeveer tien uur gaans.
De gezamenlijke bevolking van het geheele gouvernement bedraagt
ruim veertig duizend zielen, dus niet veel minder dan die van de
kolonie Suriname.
Het eiland Curacao alleen heeft ruim de helft van dit geheele
bevolkingscijfer.
Wat de samenstelling der bevolking betreft, verschilt deze weinig
van die in Suriname: voor een zeer klein deel zijn de bewoners van
Europeesche afkomst; de hoof bevolking vormen negers en kleurlingen.
Wordt in Suriname eene leelijke, verbasterde taal, het zoogenaamde
Neger-Engelsch gesproken, in Curagao bedient men zich van een geheel
verbasterd Spaansch dialect.
Natuurlijke gesteldheid.
Al onze West-Indische eilanden zijn bergachtig, doch de Curacaosche
eilanden zijn veel lager dan de Antillen: de bodem van de eerste
bestaat voor het grootste gedeelte uit kalkrotsen, terwijl de Antillen
van vulkanischen oorsprong zijn.
-ocr page 134-
128
In Curacao komen in de kalkformaties mooie druipsteengrotten voor.
Het klimaat is op de Curagaosche eilanden droog: de passaatwind
voert de wolken over al deze eilanden heen, waar zij door niets
tegengehouden worden, tot naar de hooge boschrijke gebergten van
het vasteland; hier eerst worden de wolken gestuit en vallen zware
en veelvuldige stortregens. Somwijlen regent het op Curacao in een
geheel jaar of zelfs langer, geen enkele maal. Waterarmoede is dan
ook een gewoon verschijnsel op deze eilanden en de plantengroei lijdt
daaronder zeer.
De Antillen zijn niet zoo droog, daar zij door de aanzienlijker
hoogte de zeewinden meer opvangen, deze tot opstijgen noodzaken,
waardoor de neerslag aanzienlijker is.
Zijn bodem en klimaat op de eilanden van Cura^ao dus ongunstig,
de eigenlijke West-Indische producten „suiker, koffie, tabak en katoen"
komen dan ook op die eilanden niet voor. Toch is het klimaat volstrekt
niet ongezond (de „gele koorts" alleen heerscht van tijd tot tijd).
Vroeger is dit anders geweest; tijden van langdurige droogte waren
toen zeldzamer dan thans. Reeds Alexander von Humboldt, de
natuurbeschrijver vooral van het tropische Amerika, schrijft de droogte
van deze en andere streken toe aan het verdwijnen van de bosschen;
dikwijls werden de boomen op roekelooze wijze geveld.
Het voornaamste voortbrengsel van den Curacaoschen landbouw is
mals, niet van de gewone ook bij ons bekende soort, maar zooge-
naamde Afrikaansche maïs, ook „kaffergierst" of doerrha genoemd,
fijner van korrel en afkomstig van de kust van Guinea.
Voedingsmiddelen voor de bewoners kunnen niet in voldoende
mate worden verbouwd; ja op enkele eilanden heerscht somwijlen,
tengevolge van de groote droogte, gebrek.
De veeteelt is op Curacao vrij belangrijk, vooral van geiten en
schapen.
Uit het delfstoffenrijk verkrijgen de kolonisten kalk, die als uit voer-
artikel van eenige beteekenis is. Verder zijn er een aantal zoutpannen
aangelegd, waar groote hoeveelheden zout worden aangemaakt, die
zoowel op Curacao als op Bonaire worden verscheept.
De bodem van Aruba bevat goud, waaraan het eiland trouwens zijn
naam dankt. In de laatste jaren is dit echter niet meer ontgonnen.
Op de onbewoonde eilanden, o. a. de Aves, zijn guano-\\a.gza.
Door de betere^besproeiing zijn de Antillen vruchtbaarder; toch is.
-ocr page 135-
129
ook hier de productie van handelsgewassen niet meer van belang en
wordt de plantagebouw verwaarloosd.
§ 57. Curacao heeft aan zijne steile kusten menige goede baai en
vooral de hoofdstad Willemstad (ongeveer 10.000 inwoners) heeft in
de St-.Annabaai eene ruime en veilige haven, die volgens het oordeel
van velen tot de beste haven van geheel West-Indie zou kunnen
worden gemaakt.
Hiertoe zijn ook wel plannen gevormd en misschien zal Curacao,
als de doorgraving van het kanaal van Panama voltooid zal zijn, op
die wijze voor den handel eene groote beteekenis kunnen krijgen.
Thans zijn handel en beteekenis van dit, ons belangrijkste West-
Indische eiland, minder, dan zij wel geweest zijn; vooral in de 18"
eeuw dreef Curacao een belangrijken smokkelhandel op de Spaansche
koloniën van het vasteland, waarvoor de ligging het bijzonder geschikt
deed zijn.
St.-Eustatius (2500 inwoners) had in de tweede helft der achttiende
eeuw eene vrij groote beteekenis: het was toen de belangrijkste sta-
pelplaats van de producten der West-Indische eilanden, aan welke
omstandigheid het zelfs den bijnaam van „de gouden rots" dankte;
nog grooter werd die beteekenis, toen de bewoners handel dreven,
o.a. in krijgsbehoeften, op de in opstand zijnde Engelsche koloniën
van Noord-Amerika, al geraakte hierdoor de regeering van het moeder-
land ook in groote moeilijkheid , terwijl eindelijk het eiland door de
Engelschen veroverd werd.
De zetel van den handel en het verkeer is sedert lang verplaatst
naar het eiland Si.- Thomas (Deensch). Over dit laatste eiland heeft
ook hoofdzakelijk het post- en telegraphisch verkeer met Europa
plaats.
St.-Martin (het Nederlandsch gedeelte heeft ruim 3000 inwoners;
het Fransche iets meer) en Saba zijn nog minder belangrijk dan
St.-Eustatius.
Op al de West-Indische eilanden doen zich van tijd tot tijd aard-
bevingen
gevoelen, maar meer nog hebben zij te lijden van de ge-
vaarlijke orkanen, die in de West-Indische zeeën waaien: cyclonen
(kringstormen), die soms de grootste verwoestingen aanrichten.
Het bestuur over de kolonie Curacao is in hoofdzaak ingericht als
dat van de kolonie Suriname.
Aitton, Oost- en West-Indiê, 3« druk.
                                        9
-ocr page 136-
130
De Raad van Bestuur, die den Gouverneur terzijde staat bij de
uitvoerende macht, is op gelijke wijze samengesteld als boven voor
Suriname werd medegedeeld.
Echter worden de leden van den Kolonialen Raad, bij welk lichaam
de wetgevende macht berust, allen door de Koningin benoemd; inde
eerste plaats behooren er toe de vier leden van den Raad van
Bestuur.
De koloniale begrooting voor het gouvernement van Curacao sluit de
laatste jaren zonder tekort.
Op de afzonderlijke eilanden zijn bovendien nog gezaghebbers
gevestigd.
Het garnizoen van de kolonie bedraagt ruim tweehonderd man.
-ocr page 137-
i3i
Overzicht van de Oppervlakte en Bevolking van
Java en Nederland.
Oppervlakte
(in D G. M.)
Bevolking
(in duizendtallen).
Namen der Gewesten.
4565
2005
1981
1486
1468
1440
1343
1280
1209
1163
1119
1084
1076
1070
967
936
935
844
756
745
673
614
562
537
516
514
381
336
297
275
257
224
201
132
600
105
371
123
94
81
62
135
101
113
127
107
69
122
54
96
54
49
37
57
184
141
32
63
92
93
90
59
60
41
40
25
32
Nederland......
Soerabaja......
Preanger-Regentschappen
Cheribon......
Semarang......
Madoera......
Bagalen.......
Rembang......
Banjoemas......
Soerakarta......
Kediri.......
Madioen......
Tegal.......
Batavia.......
Zuid-Holland.....
Pasoeroean......
Japara .......
Noord-Holland ....
Kedoe.......
Djokjokarta.....
Besoeki.......
Bantam.......
Pekalongan.....
Probolinggo.....
Gelderland......
Noord-Brabant ....
Krawang ......
Friesland......
Overijsel......
Groningen......
Limburg......
Utrecht .......
Zeeland.......
Drente.......
9*
-ocr page 138-
132
Overzicht van de Oppervlakte der Buitenbezittingen.
Namen.
Gouvernement van Sumatra\'s Westkust....
Residentie Benkoelen..........
„ Lampongsche districten......
„        Palembang..........
„        Sumatra\'s Oostkust.......
Gouvernement van Atjeh en Onderhoorigheden .
Residentie Riouw en Onderhoorigheden....
„        Banka ............
Ass.-„ Biliton ...........
„         Borneo\'s Westerafdeeling.....
„ „ Zuider- en Ooster-afdeeling .
Gouvernement van Celebes en Onderhoorigheden
Residentie Menado...........
„ Amboina...........
„ Ternate...........
„        Timor en Onderhoorigheden ....
,, Bali en Lombok........
Uit het medegedeelde op blz. 43 kan blijken, waarom hier geene Bevol-
kingscijfers zijn opgegeven.
-ocr page 139-
*33
Opgave van het cijfer der bevolking in de aanzienlijkste steden
in Nederlandsch Oost-Indië.
Namen.
Geheel aantal
inwoners.
Europeanen.
Chineezen.
100.000
8.000
26.000
(stad en voorsteden).
130.000
6.000
8.000
70.000
3.500
12.000
140.000
20.000
1.000
1.500
4.000
2.500
60.000
1.500
2.500
50.000
40.000
35.000
400
3.000
30.000
25.000
3.000
25.000
25.000
20.000
600
2.000
Pati...........
20.000
20.000
20.000
20.000
18.000
1.500
3.500
-ocr page 140-
134
Begrooting van Nederlandsen
MIDDELEN.
a.    Middelen in Nederland.........../ 28.837.878
b.            „ „ Indië.............„ 100.275.020
De begrooting sluit dus met een:
Tekort van....., 7.493.160 *)
ƒ   136.588.058
a. Tot deze middelen behooren voornamelijk:
de verkoop van koffie, geraamd op.......f     20.861.024
„ „ „ kina, „ „.........          178.200
„ ,, » tin, „ „........,       5.643.462
è. Tot deze middelen behooren voornamelijk:
Landrente; wordt geraamd op.........„     15.642.000
Opiumpacht en verkoop,, „.........„     18.567.000
Verkoop van zout; „ „.........„       8.100.000
„ koffie; „ „.........„       9.021.500
In-en uitvoerrechten etc.,, „.........„      11.641.000
Spoorwegen (Bruto-ontvangsten).........,       7.398.000
Opbrengst van onderscheidene belastingen en verpachtingen.
Overtroffen vroeger de inkomsten de uitgaven en was men langen tijd
gewoon aan, soms zeer aanzienlijke, batige saldo\'s, in de laatste jaren sluit
de Indische Begrooting altijd met een nadeelig verschil of tekort, hoofd-
zakelijk als gevolg van den langdurigen oorlog in Atjeh.
*) De eindcijfers der ontwerp-begrooiing voor 1894 wijzen een tekort aan van
f 14.000.000. Doch ook bijna dezelfde som is uitgetrokken voor den aanleg
van staatsspoorwegen , voor het dok van Tandjong Priok en voor bevloeiingswerken.
-ocr page 141-
135
Oost-Indië voor het jaar 1893.
UITGAVEN.
Uitgaven in Nederland............../ 25.489.592
„ „ Indië................„114.098.466
ƒ136.588.058
De onderstaande vergelijking geeft aan, welk aandeel elke begrootings-
afdeeling in de uitgaven heeft:
I.    Regeering en Hooge Colleges......   / 1.132.980
II.   Justitie...............   „ 5.496.102
III.    Financiën..............    „ 17.671.402
IV.    Binnenlandsch Bestuur.........   „ 35.551.893
V.    Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid. . . .   „ 13.412.675
VI. Burgerlijke Openbare werken.......„ 25.301.217*)
VII. Oorlog................, 29.277.677
VIII. Marine...............„ 8.734.112
*) Hieronder b. v. begrepen:
1.    Vaarwater bij Soerabaia.............f 795.500
2.    Spoorweg-aanleg en uitbreiding ..........., 2.926.900
-ocr page 142-
INHOUD.
Hoofdstuk I. (§ i—6). Ligging, grootte en indeeling van den
Oost-Indischen Archipel.
„             II. (§6—10). Bodem, rivieren en klimaat; in\'t bij-
zonder van Java.
„            III. (§ 10—13). De Plantenwereld.
„            IV. (§ 13—14). Het Dierenrijk.
„             V. (§ 14—15). Het Delfstoffenrijk.
„            VI. (§ 15—21). Ethnographie. Iets uit de Geschie-
denis van den Oost-Indischen Archipel.
„           VII.    (§ 21—25).    Bestuur.
„         VIII.    (§ 25—36).    Nadere bijzonderheden  over Java.
„           IX.    (§36—41).        „ „ „ Sumatra.
»             x\'    (§4i—43)-        » » » Borneo.
„           XI. (§43—49)- »                 »                » Celebes,
de Molukken en de Kleine Soenda-
eilanden.
„          XII. (§ 49—56). Kolonie Suriname.
„         XIII. (§56—57).          „ Curacaoenonderhoorigheden.
Aanhangsel.
-ocr page 143-
Zsam&K
t&btjs£3(&Bk "
^K
. ->wJ&&,.\'\'1 \'il
a">>
\'jLSpmM ff
m
* \' • \' X,
•Til\' tsteyJ\' \\\\
J
KIM
! Np i ft.»
; ; : .\'-^éJhkP^
Javanen.
-ocr page 144-
-ocr page 145-
1
-ocr page 146-
-ocr page 147-
2
i
o
13
-ocr page 148-
Muskaatnotenboom.
-ocr page 149-
Indigotak.
A. Peper. B. Kina.
-ocr page 150-
o.
J
a
-ocr page 151-
i
-ocr page 152-
b \'                         W
cd
Indische vruchten.
a. Tamarinde, *. Zuurzak. o. Banaan of Pisang, il. Djamboe mangit. e. Geurige
Pandang. ƒ. Djamboe bol. g. Mangga. h. Pepiga of meloen.
Suikerriet.
-ocr page 153-
S? ^vy;=?\'
\'-^S^fl^^
Palmen.
-ocr page 154-
01
-ocr page 155-
Uitgave van P. NOORDHOFF te Groningen.
Aardrijkskunde van Nederland,
TEN DIENSTE VAN GYMNASIAAL EN MIDDELBAAR ONDERWIJS
DOOR
D. y^ITTON.
Prijs ƒ o,^o.
REOORDEELINGEN.
,Het dezer dagen uitgegeven werkje van den heer D. Aitton, ten bc-
hoeve van Middelbaar en Gymnasiaal onderwijs, schijnt ons een zeer
goed geslaagde proeve toe van hetgeen men onder aardrijkskunde
van Nederland heeft te verstaan.
Het moge uit bovenstaande den Schrijver blijken, dat we met genoegen
zijn leerboek hebben uitgelezen, en wenschen het behalve velen leerlingen
ook zeer veel anderen in handen toe. die nog eens een belangwekkend
overzicht van hun geboortegrond willen ontvangen." {Indische Gids.)
„Met dezelfde ingenomenheid, waarmede wij van dezen S. het „Beknopt
Leerboek der Aardrijkskunde" en „Ned. O.- en W.-lndié" begroetten,
kunnen wij nu „de Aardrijkskunde van Nederland" onzen lezers aanbe-
velen. Wij wenschen onze schoollitteratuur geluk met dit nieuwe bezit;
\'t werkje is als geschikt voor kweek- en normaalscholen, onmisbaar in de
handen van a.s. onderwijzers en onderwijzeressen, uitstekend bruikbaar ook
nog bij de studie voor de hoofdacte."
                           {Het Schoolblad.)
„Een aardig boekje! Beknopt, zaakrijk, maar voor den leerling toch
duidelijk zijn de verschillende onderwerpen behandeld. Vooral de hoofd-
stukken, den bodem van Nederland behandelende, voldoen bijzonder;
daarentegen komt me \'t hoofdstuk over \'t klimaat wat al te beknopt voor.
Me dunkt: hier had, zonder vrees voor te veel, wel wat meer kunnen
gegeven worden. Wie \'t werkje gebruikt, zal tevens een ijverig gebruik
moeten maken van de kaart, waarvan hij vooral de kennis van water- en
spoorwegen moet opdoen. De aanhalingen van verschillende schrijvers,
hier en daar geplaatst, verhoogen de waarde van het boekske.
\'t Werkje, bestemd voor leerlingen der Gymnasia en H. B. Scholen,
is ook zeer geschikt voor de lagere klassen van kweek- en normaalscholen,
en zal zijn weg wel vinden. Druk en papier zijn goed."
(De Wekker)                                                                                  B.
-ocr page 156-
Uitgave van P. NOORDHOFF te Groningen.
D. A ITT ON,
BEKNOPT LEERBOEK DER AARDRIJKSKüè
Met in den tekst geplaatste grafische voorstellingen.
DERDE DRTTK.
Pi-g* f 1.30.
BEOORDEELINGEN.
„De Redactie van S. en S. verzocht me, bovenstaand wer
oordeelen. Gaarne voldoe in aan dat verzoek, omdat me bij het d
gebleken is, dat er veel in het werk te prijzen valt. Ik zal d
aanwijzen.
Mijne conclusie is, dat het werk voor schoolgebrutk zeer moe
volen worden."
[School en Studie.)                                                    J. J. Ten H
„Druk en papier zijn goed, en \'t groot aantal figuren, meerend
duidelijk, kunnen strekken om de leerstof gemakkelijk tot het e\'
van den leerling te maken. Aan de wiskundige Aardrijkskunde wc
aan de natuurkundige 80 bladzijden besteed. De stijl is onderhou
bevattelijk
Ik aarzel niet te erkennen, dat het boekje door rekening te
met de nieuwste inzichten, voor zoover een klein bestek het toela:
alles, wat belangrijk mag heeten, ook wat land- en volkenkunde
aan te stippen, en vooral door \'t verschaffen van juiste inzichten
hulp van oorspronkelijke grafische voorstellingen, ruimschoots aan
verdient. Moge spoedig een tweede, verbeterde druk noodig zijn!"
Brielle.                                                                          Dr. R. Si
„Het heeft onze volkomen goedkeuring, dat er tusschen d
vragen gesteld zijn, die den leerling dwingen tot het gebruik
atlas, en de inlassching der graphische figuren van den heer Jaegc
het werkje eene groote verdienste bij. Uitvoerig is de a beid vr
collega Aitton niet. maar hij vereenigt vele zaken in een kort best
eene massa aan den docent over, door korte wenken, opmerking
wijzingen enz., en geeft, wat op zich-zelf de moeite der kennismaki
schoots zou moeten loonen, iets nieuws en oorspronkelijks."
{Leeswijs
„Met dit in preitigen stijl geschreven en op goed papier gedru
boek, waarbij onnoodige uitvoerigheid vermeden en duidelijkheid
voorgrond is gesteld, mag onze schoollctterkunde gefeliciteerd word
{Het SchoplbL