-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
mm i3 U
3
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000035447592B
3544 7592
-ocr page 5-
C
BLOEMLEZING.
\'.
•
-ocr page 6-
-ocr page 7-
Vak 151
mmmmmm ^
UIT
Neüerlanilsche Dichtersen Prozaschni vers
DOOR
A. RUYTEN, en H. BARTELS,
Leeraar te Eolduo.
Leeraar te Roermond.
EERSTE GEDEELTE.
—«<3aitD<ï*;vj»__ *•
Henri van der MARCK, Roermond.
1889
-ocr page 8-
*
i
-ocr page 9-
• k. Zet
NIET ZUUR KIJKEN!
Zaagt ge ooit een bloempjen in het veld
Op frisschen stengel prijken,
Dat met een zuur gezichtje naar
Zijn makkers stond te kijken?
Zaagt ge ooit een vogeltjen in \'t wild
Zijn daaglijksch kruimpje pikken,
En met een tronie zuur en strak
Ten blauwen hemel blikken?
Zaagt ge ooit een starretje in den nacht
Langs \'t flikkerend halfrond varen,
En met een zuur en kregel oog
Op \'t zilvren maantje staren?
Waarom dan gij, mijn jonge vriend,
Met blos én blonde lokken,
Waarom dan gij uw frisch gelaat
Zoo ijslijk zuur getrokken ?___
Schud gauw de muizenissen uit,
Zoo die je hoofd verwarren!
Kom, kijk \'reis in het rond
Als bloemen, vogels, starren!
God blikt in al zijn schepseltjes
Zoo vriendlijk op uw wegen:
Blikt gij Hem ook van uwen kant
Een beetje vriendlijk tegen!
G. JONCKBLOET.
-ocr page 10-
2                                                          LIEFDE.
LIEFDE.
»Zoo heeft God de wereld liefgehad."
Waarom ligt Gij daar zoo schreiend
In den kouden winternacht,
Op het harde stroo der kribbe,
Pas geboren, reeds veracht?
Waarom hangt Gij daar zoo bloedig,
Met een doornenkrans gekroond,
Aan een slavenkruis geklonken,
Tot in \'t sterven toe gehoond?
Waarom rust Gij daar zoo eenzaam,
Wordt Gij, onder schijn van brood
Dag en nacht bij ons vertoevend,
Nog verstooten na uw dood ?...
Arme kribbe, bloedig kruishout,
Eenzaam altaar, \'k hoor uw stem:
„Zóó bemint een God de wereld!
„Zóó bemint de wereld Hem!"
J. C. ALB. THIJM.
DE OOIEVAAR.
\'t Is in Maart. Snerpend giert de wind over de vlakte, \'t Is koud,
zeer koud, zooals het in Maart kan zijn. Dat merkt men ook aan
de lieve dorpsschooljeugd, die met klokke half twaalf de deur uit-
stormt, den nek in den kraag van den winterjas verscholen en de
handen in den zak. In een\' draf gaat het voort: \'t is geen weer
om stil te staan. Op eens roept er een: „Kijk, daar is hij al!"
en wijst naar den hoogen boom in den tuin van den dominé. „Ja,
hoezee, daar is hij," klinkt het overal; en \'t jonge volkje, dat daar
zooeven in vliegenden draf over de straat voortsnelde, schijnt nu
geen koü te voelen, en, — wat meer zegt — geen trek, om te eten,
ook. „Daar is de andere ook!" Daar zijn ze allebei," hoort men
nu. En allen kijken nog eens verheugd naar boven, om getuige te
wezen van de komst van het hooge echtpaar. En als de kinderen
eindelijk naar huis zijn gegaan, en daar hebben verteld, dat de
-ocr page 11-
DE OOIEVAAR.                                                   3
ooievaars weer het nest in dorriiné\'s tuin hebben betrokken, dan gaan
de ouderen van dagen ook al spoedig eens kijken, of de beminde
reiger in zijne witte blouse en met zijne roode, juchtleeren laarzen
werkelijk weer in \'t land is.
Waarom die drukte, waarom die vreugde bij jong en oud ? Omdat
de ooievaar voor ons is, wat de heilige ibisvogel voor de oude Egyp-
tenaren was: de heilbode, die ons komt verkondigen, dat een rijk
en schoon jaargetijde begint. Ja, is hij geen heilaanbrenger, de
vogel, die ons komt verkondigen, dat de natuur uit haren slaap zal
ontwaken, dat het jaargetijde weer genaakt, waarin de knoppen springen
en de bloemen ontluiken, waarin onze huisvrienden, de zwaluwen,
ook zullen terugkeeren, om hun nestje te bouwen en de nachtegaal
zelfs in den nacht zijne teedere, gevoelvolle stem zal doen hooren!
Geen wonder, dat, wanneer in de naaste buurt een ooievaarsnest is,
de ooievaarsfamilie wordt beschouwd als tot de dorpsgenooten, tot
de huisgenooten zelfs, te behooren, en dat, zoodra Maart weer in
\'t land is, de moeder haar kind wijst naar het groote, kloeke nest,
op de nok van \'t dak of in een hoogen boom. „Daar zult ge hem
spoedig weerzien, den vriend van ons allen, die na eene lange,
vermoeiende reis hier zal komen als bode van een beter jaargetij."
De ooievaar is een edele vogel; hij heeft iets aristocratisch in zijn
geheel voorkomen, \'t zij hij loopt of vliegt. Loopend heeft hij zijnen
hals in den vorm van een S gebogen; zijne passen zijn groot, maar
afgemeten. Uit zijn geheelen gang spreekt ernst en waardigheid.
Maar in de vlucht is hij nog oneindig schooner. Met een\' sprong
verheft hij zich van den grond; hij breidt de vleugels uit. Daar
zweeft hij op zijne zilverwitte wieken rustig voorwaarts en omhoog,
met statigen vleugelslag de lucht doorklievend.
Het is algemeen bekend, dat de ooievaar niet ongaarne zijnen zetel
opslaat in de nabijheid van menschelijke woningen. Wanneer men
op de nok van \'t dak of in de takken der boomen een wagenrad
vastmaakt ten teeken, dat men hem uitnoodigt, om in de nabijheid te
komen nestelen, dan maakt hij gewoonlijk gaarne van de vriendelijke
uitnoodiging gebruik. Hij begint spoedig op het oude rad een groot
nest te bouwen. Takken en rijsjes sleept hij bijeen, om daaruit met
behulp van klompen aarde en zoden de onderlaag van \'t nest te
maken. Daarop wordt dan voortgebouwd met takjes en twijgjes, riet
en stroohalmen, bladeren en aarde. Van binnen wordt het nest ge-
voerd met stukjes gras, stroo, stoppels, haren, lompen, stukjes papier,
-ocr page 12-
4                                                          DE OOIEVAAR.
veeren, enz. Fraai wordt het nest niet, maar het komt stevig in elkaar.
Terwijl de eene ooievaar uit is, om heinde en ver het bouwma-
teriaal te zoeken, gebruikt de andere het bijeengebrachte, om \'t nest
op te bouwen. Door snavelgeklepper beduiden de beide echtgenooten
elkaar, met hoeveel pleizier zij den vooruitgang waarnemen van den
bouw van het nest. Eene stem toch bezit de ooievaar niet; het
klepperen met den snavel drukt alle gevoelens uit, die hij wil uit-
spreken. Aardig is het, waar te nemen, op hoe verschillerfde wijzen
onze langbeenige gast kan klepperen — nu snel, dan langzaam —
nu hard, dan weer zacht, al naar het gevoel, dat hij wil luchtgeven.
Gewoonlijk is het nest klaar in het begin van April. Weldra worden
nu vier of vijf helderwitte eieren gelegd, die niet veel grooter zijn
dan eendeneieren. Het wijfje bebroedt ze ongeveer eene maand lang;
het mannetje beschermt het nest met zijn\' kostbaren schat tegen
iederen aanval. Ook later, wanneer de jongen zijn uitgekomen, blijft
de eene ooievaar altijd de wacht houden. De jongen worden aan-
vankelijk met insecten en wormen gevoed, later met het voedsel der
ouden, dat uit kikvorschen, visschen, hagedissen, slangen en ook uit
insecten bestaat. Eigenaardig is het, hoe zoo\'n ooievaar bij \'t verslinden
van zijn buit te werk gaat .• eerst grijpt hij zijne prooi met de punten
van den snavel, dan werpt hij ze in de hoogte en vangt ze in den
bek weer op.
\'t Is een allerliefst gezicht, eene ooievaarsfamilie in haar doen en
laten gade te slaan; te zien, hoe de ouden hunne jongen voeden,
hen het klepperen met den snavel leeren, hoe zij het nest verwijden
en den rand hooger optrekken, wanneer het nest te klein is ge-^
worden, zoodat zij vreezen, dat een van de jongen er uit zou kunnen
tuimelen. Na eenige weken beginnen deze hunne vleugels eenigszins
te gebruiken: zij slaan er duchtig mee op en neer. Maar eerst als
zij een paar maanden oud zijn, beginnen zij te vliegen; weldra ver-
laten zij dan met de ouden het nest, waar zij echter voorloopig nog
\'s avonds terugkeeren.
Tegen \'t einde van Juli echter beginnen de ooievaars onrustig
te worden, de tijd genaakt weder, dat de groote reis naar \'t Zuiden
moet worden aangevangen. Den gansenen dag vliegen ze rusteloos
rond en zoeken andere van hunne soort op, totdat er eindelijk
honderden bijéén zijn. Hebben zich alle langpooten uit de
naaste omgeving ergens op een weiland vereenigd, dan wordt het
strenge ooievaarsgericht gehouden. Allen die, \'t zij wegens ouder-
-ocr page 13-
DE OOIEVAAR.                                                   5
dom of wegens ziekte, niet goed kunnen meereizen, worden uit
den troep uitgestooten en soms meedoogenloos gedood. Zijn aldus
op echt Spartaansche wijze alle zwakken uit den weg geruimd, dan
verheft zich het geheele leger onder hevig snavelgeklepper hoog in de
lucht — en de tocht is aangevangen. Den nacht schijnen zij in
elkanders onmiddellijke nabijheid door te brengen. In\'weinige dagen
reeds zijn zij in het hart van Afrika aangekomen, waar zij over-
winteren.
DR. J. RITZEMA BOS.
HET KINDEKEN JEZUS.
Te Spiers op den Rijn stond voor dezen
Een heerlijk en wonderschoon beeld;
Maria en \'t goddelijk Kindjen,
Dat op haren moederschoot speelt.
Daar kwam, met haar wicht, eens een vrouwe;
Zij knielde aan haar voeten en bad
Zoo vroom en eerbiedig, en \'t jongsken
Stond stil voor de Moeder en at.
\'t Zag op naar het Kindeken Jezu,
En brak van zijn broodjen een beet;
En bood het zoo goedig aan \'t beeldjen
En stamelde: „eet, Jezuken, eet!"
En \'t beeldjen begon tegen \'t jongsken
Te spelen en lachte zoo blij,
En zeide: „gij zult, na drie dagen,
„Zoet kindeken, eten met mij."
De moeder rees op, vol ontroering,
En peinsde, verstomd, op elk woord,
Dat zij er zoo zoet uit het mondjen
Van \'t goddelijk Kind had gehoord.
„O vrouw," sprak een grijze Kanunnik,
„Hoü \'t wichtjen tot dien dag in eer ;
„Zeg daarna goênacht aan uw kindjen,
„En geef het gewillig den Heer."
-ocr page 14-
HET KINDEKEN JEZUS.
\'t Kind werd na drie dagen niet wakker,
En \'t was als de Koorheer het zet:
Want Jezus nam \'t op naar den Hemel,
Bij Bethlehems k-inderenrei.
J. POELIIEKKE.
HET HUISJEN IN DE DUINEN.
Het scheepsvolk lichtte de ankers
En hief een kreet van heil;
Het schip schoot door de golven ,
De zeewind zong in \'t zeil.
Hoog, in den top der masten,
Stak eene kleine hand
Vooruit, door vlag en zeilen,
Naar \'t verre vaderland.
Daar zat de jonge scheepsknaap
Een lach zweefde om zijn mond,
Och! hij dacht aan zijn huisje,
Dat in de duinen stond,
En aan zijn zieke moeder,
Die daar bij \'t venster zat,
Aan \'t Lieve-Vrouwen-Beeldje,
Waarvoor zij \'s avonds bad.
Hij dacht aan \'t broklig muurken,
Dat d\'engen tuin omsloot,
En aan de violierstruik,
Die uit de kloven schoot,
En hoe zijn moeder weende,
Den avond voor \'t vertrek —
Sinds zonk zoo menig avond
In scheemring over \'t dek.
Hij wreef een traan uit de oogen,
En \'t arme kind begon
Een oud vergeten liedje,
Dat zijne moeder kon.
-ocr page 15-
HET HUISJEN IN DE DUINEN.
Daar boven was er iemand
Die naar hem nederkeek:
Het was \'t gelaat der mane,
Zoo ernstig en zoo bleek.
Zoo zag zijne arme moeder
Hem zoet en zwijgend aan,
Toen ze, onder ruwe zeeliên,
Den jongen knaap zag staan.
Maar thans komt hij weer rusten
Bij haar, na al den last,
Gelijk de moede zwaluw
Komt rusten op den mast.
Hij had een traan in de oogen
Maar hoop en heil in \'t hert,
Toen weer het ijzren anker
Aan \'t land geworpen werd.
Daar stond het vriendlijk huisje
In roode schemertint,
En blikte naar de baren,
Als wachtte \'t op het kind.
De stormen zijn vergeten:
De thuiskomst is zoo zoet!
Hoe schittert \'t kleine venster
In d\'avondzonnegloed !
Hij komt, hij stoot aan \'t deurken
Dat hem geen weerstand biedt,
En staart — en zoekt in \'t ronde,
Maar vindt zijn moeder niet!
Hij zag er slechts een zonstraal,
Die door het spleetje scheen,
Waarin de stofjes glansden
En wemelden dooreen.
-ocr page 16-
8                                     HET HUISJEN IX DE DUINEN.
Hij zocht in \'t eenzaam hofken ;
Waar was zijn moeder, waar ?
Zijn lip dorst het niet vragen,
Zijn harte woog zoo zwaar.
Och, \'t gras groeit op haar terpje,
En of nu \'t onweer woedt,
Het kan haar rust niet storen ;
Zij sluimert er zoo zoet!
De wind blies in de zeilen,
Het schip vertrok weerom ;
Maar niemand dacht aan \'t knaapje,
Dat langs het scheepstouw klom.
Alleen een groote sterre
Keek door den mist hem aan,
Gelijk een oog vol weemoed,
Verduisterd door een traan.
Hij vlood, gelijk de vogel,
Die, door een pijl bezeerd,
Nog bloedend voort wil vliegen,
Maar nooit naar \'t nestje keert.
Daar staat \'t verlaten huisje
Nog in het distlig duin;
Het kruid schiet uit de steenen;
De mol wroet in den tuin.
ROSALIE LOVELING.
DE SCHOORSTEENVEGER.
Indien gij uw kort begrip van de aardrijkskunde openslaat, dan
vindt gij in \'t hoofdstuk Italië, onder het opschrift Voortbrengselen:
Granen, rijst, wijn, honig, olie, zijde, citroenen, amandelen, oranje-
appelen en schoorsteenvegers.
Arme schoorsteenveger ! Hoe ongelukkig staat zijn verachte naam
onder al die heerlijkheden; — zijne zwarte gestalte tusschen die
sneeuwwitte bloesems en goudgele zijde;—zijn rookerig pak tusschen
-ocr page 17-
DE SCHOORSTEENVEGER.                                               9
die welriekende bloemen en geurige vruchten; — zijn nikkersge-
daante tusschen die schatten van het paradijs der aarde.
Arme schoorsteenveger! Onder Savooie\'s heerlijken hemel stond
zijn wieg. Italië ontstak het vuur in de zwarte kolen, die onder zijn
voorhoofd glinsteren, en de frissche blos, dien het roet niet geheel
kan doen verdwijnen, is door de stralen van den zuiderhemel op zijn
gelaat geschilderd. Geuren waren de eerste lucht, welke hij als kind
inademde; bloemen het bed, waarop hij sluimerde; abrikozen en per-
ziken, vijgen en druiven het eerste voedsel, dat hij smaakte. Hij
wist niet, dat er een Noorden bestond; hij vermoedde nauwelijks,
wat koude, wat vuur, wat rook was.
Arme schoorsteenveger! De armoede van den vader stiet den
twaalfjarigen Leonard ter deur uit. Men hing hem eene oude man-
doline om den hals, zette er een marmot op, gaf hem een stuk brood
in den zak en wees hem den weg naar het Noorden. Schreiende
ging het jongske op weg. Men moest hem van zijne ouders los-
scheuren, men moest hem met geweld voortdrijven; het was als
voorzag hij, wat hem te wachten stond. — Nooit had Leonard ge-
dacht, dat er landen waren, zoo karig door de natuur bedeeld, als
het vlakke moerassige landje, waar hij eindelijk van zijne lange reis
uitrustte. Met iederen dag was hij treuriger geworden. Want met
iederen dag dat hij verder trok, vond hij het minder schoon, dan
in zijn vaderland, en iederen dag werd tevens het verlangen naar
dat vaderland sterker. Als hij zijn marmotje niet gehad had, zou
hij van heimwee gestorven zijn. — Zijn vader had hem een brief aan
een ouden vriend medegegeven, die in Holland het bedrijf van
schoorsteenveger uitoefende. Op zekeren avond stond hij voor een
huis, waar een bordje uitstak met het opschrift: Gebroeders Leoni,
Italiaansche schoorsteenvegers en rookverdrijvers. Voor de deur lagen
eenige zwarte garden, wier onaangename reuk Leonard het hoofd
onwillekeurig deden afwenden. De deur werd geopend. De jongste
der Leoni\'s ontving hem vriendelijk. Hij werd in huis opgenomen.
Onder het avondeten werd er in het Italiaansch over Italië gesproken.
Men sprak in zijne moedertaal over zijn vaderland. Leonard was bijna
weder gelukkig, \'s Nachts droomde hij van Italië en het ouder-
lijke huis. .
Arme schoorsteenveger! Den anderen morgen werden hem zijne
lompen uitgetrokken, en hij in een grof linnen kleed gestoken
met een losse kap over het hoofd. Toen hij zich in den spiegel
-ocr page 18-
DE SCHOORSTEENVEGER.
10
bezag, had hij veel van een monnik uit zijn eigen vaderland. Ook
zag hij er in het nieuwe pak alleraardigst uit; en ieder, die
hem op de straat, aan de zijde van den oudsten Leoni, op zijn eerste
proef zag uitgaan, kon de oogen nauwelijks van hem afhouden. —
Maar die vreugd duurde kort. Weinige oogenblikken later stond hij
met zijn meester onder een schoorsteen, waarin hij bijna niet zien
kon zonder duizelig te worden, zoo hoog was de donkere, nauwe
koker, waardoor ternauwernood een flauwe straal licht viel, evenals
een omgekeerde diepe put. Lang duurde het, eer hij zijn meester
begreep. Hij moest met zijn nieuwe pakje den vuilen schoorsteen
in. Had hij daarvoor leeren klimmen als een eekhorentje? Maar
de meester was onverbiddelijk. Toen hij beneden kwam, was hij even
vuil als de schoorsteen zelf. Bij het naar huis gaan zag hem nie-
mand meer aan. Nog erger! De jongens bespotten hem en riepen
hem een gekscherend: boe! boe! na, de meisjes gingen, zoo ver zij
konden, voor hem uit den weg en de kinderen begonnen te huilen,
als zij hem zagen. Hij had ook wel willen huilen. —- Het is waar,
\'s middags kreeg hij goed eten, beter dan hij in langen tijd gehad
had, maar het smaakte hem bijna niet van de rooklucht, die hij
nog altijd in den neus had. Alles, wat hij in den mond stak,
smaakte naar roet. P\'n dit verwonderde hem niet meer, toen hij
bemerkte, dat hij zeker in den schoorsteen zijn kapje had laten
afvallen, want zijn mooi, zwart haar zat vol van een dik en vetachtig
roet, zoodat hij het half moest afsnijden. Het was jammer van
de mooie lokken, waar ieder zoo\'n zin in gehad had.
Arme schoorsteenveger! Wel gewende hij langzamerhand aan de
guurheid van het land, evenals aan de lasten zijner betrekking. Maar
toch kon hij zijn vaderland niet vergeten. Dikwijls, wanneer hij zijn
dagwerk had afgedaan, kroop hij naar de vliering, kreeg dan zijn
mandoline en marmot, die zijn meester hem vergund had te behouden,
en speelde nog eens een Savooisch deuntje. En dan werd het hem
zoo wonderlijk wèl en wee om het hart, dat de kop van het diertje
nat werd van tranen. Ook hield hij van niemand in het geheele
land half zooveel [als van zijn marmot. Hij spaarde voor haar de
lekkerste beetjes uit zijn mond. Het was nu voor hem zijn geheele
gezin, zijn vaderland, zijn wereld! Al» het maar altijd winter ge-
bleven ware! Doch daar werd het lente. Een Noordsche lente. Maar
toch, de ontwakende natuur en zijn eigen gestel zeiden hem, dat het
lente werd, lente in zijn vaderland. Dan bruiste hem het Italiaansche
-ocr page 19-
DE SCHOORSTEENVEGER.
II
bloed heftig door de aderen. Dan werd het hem in Holland te eng,
als een gevangen vogel, die tegen den verhuistijd van zijn geslacht,
met den kop tegen de tralies stoot. Dan droomde hij eiken nacht
van Savooie en voelde de lauwe zuiderzon, en zag de bloeiende
amandeltakken, en dronk den geur der amandelbloesems, en hoorde
het gegons der bijen, en ontwaakte op het gezang van den nachte-
gaal... Maar neen! het was de nachtegaal niet, het was de meester,
die hem kwam roepen om op te staan, want het was voorjaar! er
was veel werk aan den winkel. Er moesten met het schoonmaken veel
schoorsteenen geveegd worden. Daarom moest hij vroeg aan den
gang. „De lente was de beste tijd voor schoorsteenvegers!" zeide zijn
meester.
Arme schoorsteenveger! Zoo duurt het met hem reeds jaren ach-
tereen. Maar toch heeft het dus het langst met hem geduurd. Hij
heeft door oppassendheid en spaarzaamheid een klein sommetje bij-
eengegaard. Nog drie jaren, dan is de som rond. Dan verlaat hij
Holland en keert naar Savooie terug. Dan koopt hij daar een
kleinen wijnberg en een huisje.....
J. P. HASEBROEK.
(IonathurO
DE KAPITEIN EN ZIJNE MOEDER.
„Mijn dierbre dochter! als de haan
Ons morgen uit den slaap zal wekken,
Laat ons alras reisvaardig staan:
Wij zullen ver, zeer verre gaan,
En \'t regiment voorbij zien trekken.
„Zij keeren roemrijk uit den slag,
Sinds jaren afzijns; en uw broeder,
Dien ik door \'t lot me ontrukken zag,
Zal ons omhelzen, als hij plag,
En troosten zijn bedrukte moeder."
En \'s morgens vroeg vóór zonsopstand,
Eer al \'t gevogelt nog was wakker,
Zoo gingen daar door heide en zand,
— De moeder aan haar dochters hand:
Twee schaamle vrouwen, langs den akker.
-ocr page 20-
DE KAPITEIN EN ZIJNE MOEDER.
Zij gingen uren, uren wijd,
De moeder stram en traag van voeten,
De dochter hupplende aan haar zijd\',
Doch beiden in de ziel verblijd
Met hoop, die alles kan verzoeten.
Zij kwamen eindelijk aan den voet
Eens heuvels, bij den weg gelegen.
Het meisje klom er op met spoed •
„Verheug u, moeder! o, schep moed!
\'k Zie ginds een stofwolk opgestegen."
„Zij draaide \'t hoofd al luistrend om:
„Mij dunkt, ik hoor... of zijn \'t de bijen,
Die dommlen op de boekweitblom? —
O neen! \'t is \'t rommlen van de trom;
Daar zijn ze! Ons heil is te benijen!"
„Mijn moeder! is \'t mij toegestaan,
Ik wil zijn roer en ransel dragen,
Opdat hij vrij met u moog gaan."
Nu dalen ze af tot op de baan,
Met harten, die van vreugde jagen.
Daar nadert, op gemeten tred,
Het regiment met trom en horen.
„Welaan, mijn kind ! thans wel gelet!
Laat ons, door angst noch vrees ontzet,
Met blikken door de rangen boren!"
Dan ach! zij trokken al voorbij;
En de eenige, dien zij niet zagen,
Van al wie wapens droeg, was hij!
De moeder zeeg van smart op zij,
En \'t meisje moest de droeve schragen.
„Maar moeder, zoo mijn oog niet mist:
Dat kruis van eer... die bloote degen,
Die ginds de rangen deelt en splitst...
De kapitein... o God, hij is \'t!
Hij ziet — herkent ons — vliegt ons tegen!
-ocr page 21-
DE KAPITEIN EN ZIJNE MOEDER.
En op der vrouwen schel geroep
Van „dierbre zoon!" en „dierbre broeder!"
Zijn duizend oogen uit den troep
Gevestigd op een schoone groep:
De kapitein en zijne moeder!
K. L. LEDEGAN\'CK.
HET MELAATSCHE KIND.
„Elisabeth, Elisabeth,
Mijn zuster teer en zoet,
Wat angsten jaagt gij door mijn hart,
Hoe pijnt ge mijn gemoed!
„Elisabeth, Elisabeth,
Mijn glorie en mijn roem,
Wat dwaze daden pleegt uw hand
Mij en u zelv\' ten doem!
„Wat waanzin gloeide er in uw hoofd,
Hoe hebt ge, o ramp! het bed
Door de melaatsche, kranke leen
Van \'t arme kind besmet!"
Zóó sprak de Landgraaf Lodewijk
En gispte in strengen zin
De roekelooze liefdedaad
Der heilige Landgravin.
En bevend, als de duive beeft
Bij \'t jagen van d\'orkaan,
Sloeg zij heur oogen zwijgend rieêr
En hief verschoonend aan:
„Mijn broeder, dierbaar bovenal,
Weerhoud dien strengen blik,
Och, hadt gij \'t arme kind gezien,
Gij hadt gedaan als ik!
-ocr page 22-
HET MELAATSCHE KIND.
„De sneeuwjacht stoof de velden langs,
En \'t was zoo snijdend koud;
Daar vond ik \'t weenend en verkleumd
Alleen in \'t wilde woud.
„Daar vond ik \'t, om het kranke lijf
Slechts harde lompen heen, —
Och, mocht ik toen geen moeder zijn,
Dan waar\' mijn hart van steen.
„Ik voerde \'t in mijn armen meê,
O, \'t glimlachte in zijn pijn, —
Och, laat het nog een weinig rust,
Ras zal het Engel zijn.
„Mijn broeder, dierbaar bovenal,
Weerhoud dien strengen blik,
Och, hadt gij \'t arme kind gezien,
Gij hadt gedaan als ik!"
Straks met een heldren traan in \'t oog,
Trok zij hem zachtjens meê,
En hief den rijken voorhang op
Der rijke legerstee.
Toen, — beiden knielden eerbiedvol:
Der Serafijnen Heer,
Het kindeken van Bethleëm,
Lag op die sponde neer.
„Wat gij den minsten broeder deedt,
Dat deedt gij ook aan Mij!"
Zóó klonk het lieflijk en zacht
Als hemelmelodij.
In golven stralende van licht
Verdween het godlijk kind,
De Landgraaf spreekt zijn gade toe,
Die biddende overwint.
-ocr page 23-
HET MELAATSCHE KIND.
„Elisabeth, Elisabeth,
Mijn zuster, teer en zoet,
Voorwaar, wel is het wel gedaan,
Wat gij uw\' Jezus doet!"
SCHAEPMAN.
OOGSTLIED.
Sikkels klinken;
Sikkels binken;
Ruischend valt het graan.
Zie de bindsters gadren!
Zie, in lange scharen,
Garf bij garven staan !
\'t Heeter branden
Op de landen
Meldt den middagtijd;
\'t Windje, moê van \'t zweven,
Heeft zich schuil begeven;
En nog zwoegt de vlijt!
Blijde Maaiers;
Nijvre Zaaiers,
Die uw loon ontvingt!
Zit nu rustig neder;
Galm\' het mastbosch weder,
Als gij juichend zingt.
Slaat uwe oogen
Naar den hoogen;
Alles kwam van daar !
Zachte regen daalde,
Vriendlijk zonlicht straalde
Mild op halm en aar.
STARING.
-ocr page 24-
l6                                     EEN NIEUWJAARSMORGEN.
EEN NIEUWJAARSMORGEN.
\'k Heb mij maar eens verslapen in mijn leven, en dat was op
nieuwjaarsmorgen. Op nieuwjaarsmorgen! waarop anders alles vroeger
dan gewoonlijk uit de veeren is! waarop de schel niet stil staat van
\'t oogenblik, dat de wacht van de straat en de melkboer er op komt,
met emmers voller dan anders voor al de chocolaad! Verslapen op
nieuwjaarsdag! Verslapen...., Dat kan — al mag het niet — eiken
morgen gebeuren, maar op nieuwjaarsdag, als de wenschen bijtijds
onder het hoofdkussen uitgehaald en nog eens gerepeteerd , —
vader en moeder al voor het ontbijt verrast, — en de beste kleêren
vroeg aangetrokken moeten worden, om naar de kerk en dan naar
de Ooms en tantes te gaan!....
„Verslapen op nieuwjaarsmorgen! en dat bekent de heer, die dat
geschreven heeft, zoo maar ronduit, alsof het niet heel leelijk was!
Ja, lieve lezer! van driemaal minder jaren dan ik, — ik beken het,
en ik heb daar even zelf reeds, in één adem, al het onbegrijpelijke,
al het onbehoorlijke ervan opgesomd bovendien. Mooi was \'t niet, dat
is zeker; maar men moet er nooit tegen opzien om eerlijk en rond
voor zijn fouten uit te komen, en daarom heb ik het dan ook maar
gezegd, net zooals \'t was. Maar laat mij nu ook vertellen, hoe \'t kwam
en wat er verder gebeurde.
Ik stond nog al voor wild te boek, moet je weten, toen ik een
kleine jongen was; ik hield dol veel van stoeien en ravotten. Mijn
lei was altijd dadelijk gebarsten, en mijn boeken een stuk dan uit-
geleerd, omdat ik er een geheel ander gebruik van maakte, dan waar-
voor ze eigenlijk bestemd waren. Ik hield niet veel van schoolbanken,
en had het hoofd vol kattekwaad. Toch was ik geen slechte jongen,
want ik klikte nooit, ik jokte nooit, en ik hielp altijd de kleintjes
tegen de grooten, dat moet gezeid worden, vraag \'t aan mijn oude
kennissen. Ik was een handjegauw en een voorvechter altijd en
overal; \'teerst in het hoogste topje van de boomen, deslootenover,
enz. enz., maar kwam gewoonlijk als \'t hinkende paard • achter
aan, wanneer het werk kant en klaar moest zijn, of \'t examen voor
de groote vakantie daar was. \'k Had, in vertrouwen gezegd, altijd
meer scheuren in mijn blouse, en builen hier en daar, dan bonnes
mar(/ues
in de week.
Voor \'t oogenblik hinderde \'t mij wel, maar ik dacht dat ik al die
boekengeleerdheid, die pedante wijsheid, volstrekt niet noodig had.
-ocr page 25-
EEN NIEUWJAARSMORGEN.
n
Ik wilde soldaat worden en geen professor; huzaar of dragonder, dat
was een kolfje naar mijn hand, dat idee mijn lust en leven, en ik
begreep op verre na niet, dat een goed soldaat toch ook heel wat
weten moest, ten minste om officier te worden, en ik wenschte na-
tuurlijk niets minder dan dat, om de mooie uniform, de epauletten,
het pleizier van het kommando, en om altijd vooraan te galoppeeren.
O, jammerlijke teleurstelling! Daar kwam met de zomervakantie
een neefje bij ons logeeren, die op de militaire akademie was, en ik
hoorde in al zijn geuren en kleuren wat men al kennen moest, om
daar te komen, laat staan als men er was! Ik duizelde van al \'t ge-
cijfer en werd er koud van, als ik dacht, wat ik een werk had aan
een regel van drieën met breuken! Ik hoorde mijn ooren uit,
en ik begon neefjes uniform, die mij eerst heel begeerlijk toe-
scheen, langzamerhand al minder en minder mooi te vinden... Ik
verloor den lust om soldaat te worden, en werd wel eens wat ver-
drietig en knorrig op mij zelf, dat ik toch maar niet een beetje
knapper was!
Er kwam van \'t werken gedurende dezelfde vakantie evenwel
alweer niet veel. Ik kon maar niet op slag raken; omdat ik achteruit
wés, bleef ik achteruit, en verging mij de lust al meer en meer. De
tijd, waarop ik weer naar de kostschool moest, naderde — en mijn
taak was lang niet af. Een paar dagen voor mijn vertrek kwam een
van mijn kennissen, die met mij op school was, bij ons. Hij was
gereed! Hij werd mij ten voorbeeld gesteld. Papa prees hem zeer,
moeder was stil verdrietig. Ik werd rood en wit, heet en koud;
ik kreeg lust, om met mijn ijverigen makker, die ,,zoo braaf oppaste,"
te vechten — en zoodra we samen alleen waren, pakte ik hem bij
den kraag, om hem te toonen, dat hij mij ten minste „niet aan
kon — hoe knap hij dan ook wezen mocht!
Had ik \'t maar niet gedaan — want papa merkte \'t — en ik
was er zelf beschaamd over, daar ik innerlijk begon te gevoelen, dat
hij toch een boel beter was dan ik. Op den morgen van mijn ver-
trek vroeg papa mij zeer ernstig, hoe het met mijn werk stond; en
ofschoon hij er mij dikwijls genoeg toe aangespoord had, och \'t hooge
woord moest er uit: onafgedaan! Moeder zweeg,... ze had met ze-
keren angst, dien ik later nog veel beter begreep dan toen, mijn ant-
woord gewacht — zij hoorde \'t — zuchtte, en zag toen stil voor
zich. Ik was alles behalve gerust, en durfde haar bijna niet aan-
kijken, zoo weemoedig was ze, en ik had haar zoo liet! Papa zag
2
-ocr page 26-
l8                                     EEN NIEUWJAARSMORGEN.
mij met strengen blik aan, en vroeg mij mijn horloge — een cadeau
van grootvader op mijn laatsten verjaardag, en waarmee ik toen
zeer blij was, omdat al de jongens van mijn klasse er al een hadden,
en ik toen mee kon doen. Ik gat het bevend over. Papa stak het
bij zich, en zei, dat wie den tijd verbeuzelde, geen horloge ver-
diende noch noodig had, nam vervolgens even koel afscheid van mij
en ging naar het kantoor. Toen was ik met moeder alleen. De
waterlanders begonnen bij mij op te komen, terwijl ik nog stokstijf
op dezelfde plaats stond. „Och, waarom heb je \'t er ook naar ge-
maakt..." zei mijne moeder, terwijl zij mij zachtjes tot zich trok....
Toen biggelden mij de tranen langs de wangen en ik viel haar snik-
kend om den hals.....
„Wil ik je eens een goeden raad geven?" fluisterde zij mij vrien-
delijk toe. Ik kon nauwelijks „ja" zeggen, maar ik zag haar recht
hartelijk aan met mijn betraande oogen, dat voel ik, dunkt me, nog.
Zij veegde ze af, nam bei mijne handen in de hare, en terwijl zij
het hoofd naar mij toeboog, ging zij voort: „\'t Is nu nog lang voor
de Kerstvakantie; als je nu eens heel erg je best deedt; als je nu eens,
om moeder plezier te doen, de helft minder speelde, en nu dubbel
werkte — den verloren tijd en schade zocht in te halen, om papa
met nieuwjaar, als je weer thuis komt, te verrassen met een prijs?
Dat \'s een beste jongen, zou hij zeggen, en moeder zou zoo hartelijk
blij zijn!....." Ik was de smart over \'t gemis van mijn horloge, ja
al mijn leed van daareven bijna vergeten — maar louter oor en
hart voor moeder, die ik nog lang aanzag, toen ze al uitgesproken had.
„Nu zal moeder eens wat zien!" borst ik eindelijk uit. „Een prijs?...
den eersten prijs zal ik hebben en een klasse hooger zitten ook, en
al de jongens zullen zien, dat ik ook wat kan... en zou v& dan weer
goed worden, moeder ?"
„Houd nu je woord; beloof niet te veel, maar kom \'t na, en dan
zal ik een goed woord voor je doen bovendien," hernam zij, en
toen ik een uur later vertrok en zij mij vaarwel kuste, fluisterde zij
mij nog eens toe:
„Kan ik er nu degelijk op aan?"
Nu was \'t mij recht ernst geworden; ik werkte, werkte, werkte voor
drie ! en ik kreeg maar eens straf, omdat ik op de speelplaats mijn vuisten
duchtig liet voelen aan een jongen, die mij plaagde, dat ik na de
vakantie „een heilig bontje" was geworden. „Maar ik heb mama
beloofd," zei ik, „dat..." en toen lachte hij nog harder — en een,
-ocr page 27-
EEN NIEUWJAARSMORGEN.                                       19
twee, drie, zette ik \'t hem ongenadig betaald. Ik kreeg straf, dat
\'s waar, maar hij lachte ook nooit weer, en al de jongens vonden,
dat ik gelijk had, maar de ondermeester dacht er anders over. Hij
had evenwel mogelijk meer gelijk dan ik, want waar zou het toch
ook heen, als we alle menschen, die ons een beetje plagen, zoo maar
op stel en sprong bij den kraag pakten ? \'t Is óók courage om daartegen
te kunnen, en we zouden anders ook wel levenslang wat te vechten
hebben, is \'t niet waar? want hoe ouder we worden, hoe meer de
menschen ons plagen, dat verzeker ik je.
De Kerstvakantie kwam. Viktorie, viktorie! Ik haalde den eersten
prijs, ik kwam een klasse hooger —• ik had woord gehouden! Wat
zou moeder nu wel zeggen!
Reikhalzender heb ik nooit naar huis verlangd.
„Ik zie het al, ik zie het al!" riep mijne moeder mij toe, zoodra
ze mij in de gang te gemoet kwam, en ik letterlijk van blijdschap
tegen haar opsprong en onzen ouden, trouwen Lord, die mij kwis-
pelstaartend verwelkomde, vergat en onderstboven liep! Ik gunde
mij haast den tijd niet — o, \'k weet het nog zoo goed, alsof \'t gis-
teren gebeurd was — om alles uit te pakken, prijs en getuigschrift
te laten zien, ieder in huis moest ze bewonderen. Ik vond dat
moeder zoo blij was, alsof zij een prijs en getuigschrift gekregen had,
en niemand bekeek ze zoo lang en van alle kanten als zij, en toch
vroeg ik haar wel twintigmaal „of ze alles dan niet heel, heel mooi
vond!" Ik mocht \'s middags zeggen wat ik \'t liefst eten woü, \'t was
een feestdag!
Maar toch er ontbrak wat aan mijn geluk; papa was op reis, om
dringende zaken voor het kantoor, die hij zelf voor nieuwjaar be-
spreken en regelen moest. Maar hij zou, als \'t maar eenigszins mo-
gelijk was,- op oudejaarsavond thuis komen, en anders zeker op
nieuwjaarsdag.
\'t Werd oudejaarsavond..... ik was in gespannen verwachting..... ik
had rust nog duur..... \'k sprong telkens op, als er gescheld werd.....
maar papa kwam niet. Ik was vroeger wel eens een beetje bang ge-
weest tegen dat papa thuis verwacht werd, omdat er dan wel eens
wat veel van mij te zeggen viel, dat niet in den haak was.....maar nu!
Die bordjes waren ook glad verhangen, en ik had mijn goeden vader
wel naar huis willen trekken, — had ik maar geweten hoe?
\'t Werd tijd voor mij om naar „de koets" te gaan, er zat niets
anders op. Maar eerst begon ik alles op mijn tafel uit te stallen, om
-ocr page 28-
20                                           EEN NIEUWJAARSMORGEN.
\'s morgens — want dan zou papa er toch zeker zijn •— een komplete
tentoonstelling van mijn nijverheid te kunnen geven. De prijs enz.
enz., al mijn boeken — want dan kon papa zien, hoe ver ik nü al
was, — mijn laatste teekeningen, een paar kaarten, alles moest op
de tafel uitgespreid. Ik was zoo druk in de weer, ik was zoo in
spanning, dat ik den slaap maar niet vatten kon. Vielen even mijne
oogen dicht, clan hoorde ik weer, een rijtuig, dacht me, of de schel,
of de hond blafte, die altijd in de verte wist als papa aankwam.....
Ik woelde, ik woelde uur aan uur, en zoo werd het laat, heel laat,
eer ik eindelijk in slaap raakte, maar toen sliep ik ook vast, zoo
vast, dat een kanon mij niet wakker gemaakt zou hebben, geloof
ik. Ik droomde natuurlijk na veel onrust, een heerlijken droom! Ik
was de hoogste klasse door; ik ging van school; anderen, die mij
vroeger voor waren, bleven nu achter; ik kwam bij papa op \'t kan-
toor, zonder dat onze oude boekhouder pruttelde, of de inkt-
koker voor mijn neus wegnam, als anders; en toch zat ik aan den
grooten lessenaar naast hem; ik ging met papa naar de beurs; ik
mocht paard leeren rijden; ik ging eene groote reis doen, en bracht
moeder een heerlijken shawl en kanten mee; papa liet een nieuw
schip bouwen en dat werd naar mij genoemd—ik droomde heerlijk,
overheerlijk!..... maar ik sliep een gat in den dag, en de heldere
winterzon won \'t mij wel een paar uur af!
Ik werd wakker, met een kleinen schrik van \'t licht, geloof ik.....
ik wreef mijn oogen uit..... droomde ik nog?..... neen! maar wat
verrassing! Pa stond met moeder vriendelijk lachend voor mijn bed,
en eer ik nog van mijne verlegenheid bekomen was, kusten zij mij
goeden morgen, dat het klonk!
Pa behoefde niets te zeggen..... Ik zag wel dat hij tevreden was,
toen hij alles van moeder gehoord en de tafel rondgekeken had.
Maar toch liet hij mij vertellen en alles wijzen, en nog eens vertellen,
en hij luisterde met onuitputtelijk geduld, en klopte mij wel twin-
tigmaal op den schouder... en dan sprong mijn hart op van blijd-
schap!
„Maar" zei moeder eindelijk met een ernstig gezicht, en toch zag
ik dat ze \'t niet zoo ernstig meende, „hij begint het nieuwe jaar niet
zoo goed, als hij \'t oude eindigde, want..... hij begint met zich te
verslapen".....
„\'t Is waar," antwoordde mijn vader, terwijl hij mij bij de hand nam,
mij aanzag en even ophield; — „maar" ging hij voort, „na zooveel
-ocr page 29-
EEN NIEUWJAARSMORGEN.                                           21
arbeid is \'t goed rusten, en hoe kon hij ook weten hoe laat het
was..... want hij had immers zijn horloge niet?"
En meteen haalde hij \'t weer te voorschijn uit denzelfden zak, waar
in \'t vroeger verdwenen was, en, o vreugd! ik kreeg het terug, terwijl
ik \'t uitschreeuwde van blijdschap, — met een mooien ketting bo-
vendien tot cadeau !
Is \'tu van \'t jaar gegaan zooals \'t mij vroeger ging, jongens! hebt
gij meer gespeeld, gestoeid, geravot, dan gewerkt, als het tijd was:
zijt ge achteruit bij anderen, zoodat vader ontevreden en moeder er
bedroefd om zijn moet, doet dan ook als ik, neemt een flink besluit,
om tegen \'t volgende alles in te halen, dubbel en dwars; of neemt
je vast voor, om, al hadt je bij voorbeeld dit jaar ook nog zoo je
best gedaan, het in \'t volgende nog eens zoo goed te maken, en ik
voorspel je een heerlijken nieuwjaarsmorgen, zoo al geen mooi hor-
loge met een ketting, dan toch de vrucht van wèl bestede uren,
dat is — een gelukkig leven!
A. J. DE BULL.
DE BESCHERMENGEL.
Nog laat stond de Graaf in den helderen nacht
Op \'"t marmren balkon met zijn zonen:
Hij liet zich door hen al de onsterflijke pracht
Der sterren bewonderend toonen;
Hij stortte in hun hart het zaligst genot
Door \'t denken aan de almacht en liefde van God.
„Mijn kindren, daar boven dat fonklend tapeet
„Bevindt zich de troon van d\'Algoede.
„Vertrouwt steeds op Hem, want in rampspoed en leed
„Neemt wis Hij de zijnen in hoede.
„En nu, gaat ter ruste! mijn zonen, slaapt wel!
„De nachtlucht wordt kil en de wind blaast zoo fel."
De slaapplaats der kindren was links in \'t gebouw,
En rechts die des Graven gelegen;
Hij zat daar en dacht aan zijn zalige vrouw,
Nog kortlings ten grave gezegen :
„Ik bracht U, mijn God, haar ten offer met smart,
„Och, scheur niet mijn zonen van \'t vaderlijk hart!"
-ocr page 30-
DE BESCHERMENGEL.
Maar hoor ! in de stilte wat wonder geklop,
Dat de oudste der twee heeft vernomen...
„Zou vader mij roepen? — snel richt hij zich op —
„Of is het een spel mijner droomen ?
Toch spoedt hij zich haastig de legerstee uit,
En vraagt aan zijn vader, wat of dit beduidt ?
„Ik heb niet geroepen ! gij waart in den slaap,
„Mijn jongen, een droom kwam dien storen." —
Doch nauw was hij weder te bedde, de knaap,
Daar meent hij opnieuw het te hooren,
En weer liep hij henen : „O vader, het is
„Zoo duidlijk uw stemme, gij riept mij gewis !"
„Gewis niet, mijn zoon ! maar misschien is \'t de wind,
„Die fluit door de takken der boomen ;
„\'t Geroep van de wacht op den toren, mijn kind;
„De regen, die klettert bij stroomen.
„Het weerlicht, het dondert — \'t is vochtig en kil;
„Ga heen, dek u goed en slaap rustig en stil.
Hij ging en hij wekte zijn broeder, die sliep,
Verhaalde hem \'t wonder weervaren :
„Ik meende tot tweemaal dat vader mij riep,
„Ik kan mij \'t geroep niet verklaren.
„Blijf wakker, o broeder, \'t wordt bang mij om \'t hart,
„Hoor \'t vreeselijk onweer, dat gromt in de vert."
\'t Was doodelijk stil in de donkere zaal,
Zij werden al banger en banger;
Daar hooren zij beiden \'t geroep weer — ditmaal
Is \'t vader, zij twijflen niet langer,
En spoeden ter slaapzaal des Graven zich voort:
„Wij hebben uw roepen thans duidlijk gehoord !"
De Graaf voelt, beangst en verschrokken als zij,
Het bloed als verstijfd in zijn ader.
„Welaan," sprak hij, „kindren, blijft hier nu bij mij,
„Vertrouwt op uw hemelschen Vader:
„Wis riep u zijn Engel, die liefdevol waakt
„En zorgt, dat u beiden geen onheil genaakt."
-ocr page 31-
DE BESCHERMENGEL.
Terwijl hij hun spreekt van de liefde van God,
Komt buldrend een stormvlaag genaken,
En \'t linker gedeelte van \'t gothische slot
Stort in met verschrikkelijk kraken —
En plettrende puinen bedekken den grond,
Waar straks nog de slaapsteê der kinderen stond.
B. VAN
VOOR HET MARIABEELD.
Ik kan den blik niet wenden
Van U, o schoone vrouw;
Mijn jubel heeft geen enden,
Als ik uw Beeld aanschouw.
Hoe straalt uw oog, Vorstinne!
Van hemelzaligheid,
Daar \'t Kindeken vol minne
Mij de armpjes openspreidt.
Het Kind, zoo rijk gezegend,
Rust spelend op uw schoot,
In \'t blanke handje wegend
Den kleinen wereldkloot.
Hoe dringen Jezus\' oogjes.
Zoo diep mij in \'t gemoed,
En lokken uit hun boogjes
Tot dankbren wedergroet!
O Moeder ! Jezus\' Moeder!
Laat mij uw zone zijn.
En de allerliefste broeder
Van \'t spelend Kindekijn!
w. de veer.
-ocr page 32-
EEN AALMOES.
EEN AALMOES.
„Een aalmoes!" bidt het bibbrend kind
En steekt het handjen uit.
Fel snerpt de koude Noordenwind
En geeselt pui en ruit.
„Een aalmoes!" \'t was vergeefs gevraagd
Aan deze en gindsche deur,
Het jurkje is oud: de sneeuwvlok jaagt
Door rafel en door scheur.
„Een aalmoes!" Altoos ijdle vraag!
Wie aankomt, gaat voorbij,
Al huivrend in den bonten kraag.
Ik deê \'t, misschien ook gij.
„Een aalmoes!" \'t Was een breede hand,
Die in den broekzak greep;
Een ruwe, wreed als kiezelzand,
Die thans de hare neep.
Een stoer matroos, in loop en draai,
Een rot van \'t echte soort!
En zulk een rilt niet in het baai,
Al blaast de wind uit \'t Noord.
\'k Blijf eeuwig dankbaar, edel heer!"
Hij schoof zijn pruim eens goed
En bromde „daarvan nou niet meer!
„Maar weet je wat je doet?
„Als \'t ginder spookt bij wind en weer,
„Voor hond en kat te boos,
„Bid jij dan tot ons Lieven Heer
„Om hulp voor elk matroos."
Hij trok weer gauw naar Java heen.
Zij kwam zijn wenschen na.
Of \'t hielp? De wetenschap schudt neen,
Maar \'t menschelijk hart zegt: ja.
H. J. SCHIMMEL.
-ocr page 33-
HET BROÊRKEN.
HET BROÊRKEN.
Ach, moeder! lieve moeder,
Waar is mijn broêrken heen?
Steeds speelden wij te zamen,
Nu laat hij mij alleen.
Ik minde hem zoo teeder.
Het doet mij zulke pijn.
Zeg, moeder, lieve moeder,
Waar mag mijn broêrken zijn?
Zie opwaarts, kind, ten hemel,
Daar is uw broêrken thans;
Met Jesuke en zijn Englen,
Omstraald van blijden glans.
Gij weet, hij was zoo vriendlijk,
Zoo lief als gul en teer;
Dit wist zijn wakende Engel,
Dit zagen er nog meer.
Zij meldden het hier boven ;
Toen sprak het Hemelskind:
Daalt geestjes naar beneden
En keert met hem gezwind.
En de Englen streken neder,
En maakten hem weldra
Een beddeken in d\'aarde
Met eene gouden spd.
Daar, onder gindsche boomen,
Waar op gewijden grond
Die groene terpen rijzen,
Met schrift en kruisen rond:
Daar droegen zij uw broêrken,
Zoo zacht en zalig heen;
En kweelden hemelliedren,
Te schoon voor hier beneên:
-ocr page 34-
HET BROÊRKEN.
Van eeuwig groene dreven,
Van schaapjes, blank van vacht,
En van den trouwen Herder,
Die hen zoo goedig wacht.
Zoo zacht kon niemand zingen,
Geen vogel, die zoo floot;
Zoo dat uw broêrken zachtjes
De vaakrige oogjes sloot.
Daar legden zij hem neder,
En plaatsten er in haast
Een needrig houten kruisje
En een viooltje naast.
Dan deed men hem een kleedje
Van \'t fijnste linnen aan,
Dat wit was als de hagel
En blank gelijk de maan.
Dan vlochten zij een kransje
Van bloemen om zijn haar,
En plaatsten aan zijn schoudren
Een gouden vleuglenpaar.
En als het nu getooid was
Met krans en gouden zwing,
Dan stelden er zich de englen
Rondom in dichten kring,
En riepen: wil ontwaken !
O Geestje, rein en zacht!
En stijg met ons ten hemel,
Waar Jesuke ons verwacht.
Gij zijt als wij gevleugeld,
Kom, reik ons uwe hand;
Verlaten wij deze aarde
Voor beter Vaderland.
-ocr page 35-
HET BROÊRKEN.                                               27
Zij spraken, en uw broêrken
Rees op met blijden spoed,
En vloog met de andren juichend
Het Godskind te gemoet.
Daar treffen wij hem later
In eeuwigheid eens aan,
Wanneer wij, in dit leven,
Langs \'s Heeren wegen gaan.
T. VAN RIJSWIJCK.
DE St.-BERNARDSHONDEN.
Het meest beroemde hondenras is voorzeker dat van de St. Ber-
nardshonden, de dieren, aan welke zoo menig verongelukt reiziger
zijn leven heeft te danken. Helaas! zij zijn niet meer. Ongelukkigen
reddende, zijn zij zelve \'t slachtoffer van hunne menschenliefde ge-
worden. Alle zijn zij omgekomen door lawines, de een na den ander.
Zij behoorden thuis in het klooster op den St. Bernard, 7780 voet
boven de zee. Daar heerscht de winter 8 of 9 maanden lang, hel-
dere dagen zonder storm, sneeuwjacht of nevel zijn in dit onher-
bergzame oord onbekend. Soms hoopt de wind de sneeuwmassa\'s
tot 20 a 30 voet hooge sneeuwbergen op, die voetpaden zoowel
als afgronden bedekken en door de geringste aanleiding als lawines
in de diepte storten. Alleen \'s zomers bij helder weer is de tocht
door dezen ouden bergpas zonder gevaar, maar bij stormachtig weer
zoowel als \'s winters, wanneer kloven en spleten met sneeuw bedekt
zijn, is die tocht hoogst moeilijk en gevaarlijk. Alle jaren zou de
berg ettelijke offers eischen, wanneer daar niet in de gevaarlijkste
streek het klooster stond, de woning der edele monniken, die sedert
de achtste eeuw met groote zelfopoffering verdwaalden en veronge-
lukten redden en op \'t liefderijkste verzorgen. Zij zouden echter
dit werk der echt christelijke liefde niet kunnen volvoeren zonder
de hulp van de wereldberoemde St.-Bernardshonden. Bij \'t opsporen
van de ongelukkigen verleenen deze groote diensten. Uren lang trek-
ken zij overal rond. Vinden zij iemand, die van koude verstijfd,
neerligt, fluks rennen zij naar het klooster, waar zij door hevig blaffen
hunne meesters waarschuwen, die hen dadelijk volgen door weer en
wind. Of zij lekken de ongelukkigen, totdat zij uit de sluimering
-ocr page 36-
28                                          DE ST. BERNARDSHONDEN.
ontwaken, en weten hun dan door teekenen te beduiden, dat zij
maar wat moeten nemen uit het mandje, dat zij om den hals dragen
en dat allerlei versterkingsmiddelen bevat.
Verplaatst u, mijne lezers, in \'t museum te Bern. Ziet gij daar
dien opgezetten, grooten, ruwharigen hond? Hoeden af! \'t Is het
overschot van Barry, den eersten der honden, wiens naam voor
immer aan de vergetelheid dient te worden ontrukt, want hij
was verstandiger, — en wat meer zegt — beter, dan zoo menig
mensch, wiens naam in onze geschiedenis met groote letters prijkt.
Hij wachtte niet, tot hij door de Bernardijner monniken werd uit-
gestuurd. Nauwelijks stak de storm op, of Barry draafde het klooster
uit; niets was hem te zwaar, waar het gold, zijnen plicht te ver-
vullen. Twaalf jaar heeft hij aldus zijn leven gewaagd voor dat van
anderen; gedurende dien tijd redde hij meer dan veertig menschen,
die zonder hem een gewissen dood hadden gevonden.
DR. J. RITSEMA BOS.
MEIZANG.
\'t Is Lente! Lente!
Het feestgeschal
Van „Lente! Lente!"
Klinke overal!
Hoe geurt de wasem
Der berkenspruit!
Hoe zacht is de asem
Van \'t vriendlijk Zuid!
De bijtjes dragen
Weer honig aan;
De tortels klagen,
De wachtels slaan.
In weide en dreven —
In vliet en poel —
Zwiert vroolijk leven —
Is blij gewoel.
-ocr page 37-
MEIZANG.
Was \'t meerder weelde,
Dan lentevreugd,
Die Adam streelde,
In Edens jeugd?
Of breidde de aarde,
Toen de Eerste Bruid
Haar bruidkrans gaarde,
Zich schooner uit?
STARING.
DE DROEFHEID.
De droefheid kwam in de wereld
En zocht zich een woonplekje uit.
Ze wilde een huisje gaan bouwen,
Maar kwam niet tot besluit.
Zij kwam bij de frissche vijvers,
En keek in die spiegels der lucht,
Ze zag duizenden vischjes dartlen
Zoo blij en zoo vroolijk! zij —• vlucht.
Op den oever der breede rivieren,
Wou ze bouwen een huisje van steen;
Daar zag ze de speeljachtjes vliegen
Als vogels zoo blij — Zij gaat heen.
Zij is dan gegaan naar de bosschen,
En zocht eenzaam een somber oord,
Maar hoe blij tierelierden de vogels!
De nachtegaal sloeg! — Zij vliedt voort.
En ze toog naar den heikant henen,
Die uitdroogt van verdriet;
Maar daar hoorde ze herdertjes zingen,
Zag lammerrjes springen — Zij vliedt.
Toen toog ze ten langen leste,
Met uitgebleekt gelaat,
Naar de huizen, de steden der menschen,
En doolde er langs de straat.
-ocr page 38-
DE DROEFHEID.
Uit de wiegjes hoorde ze schreien,
En lijken vond ze in \'t salet.
En daar heeft ze nu tot op heden
Voor goed haar huisje gezet.
F. J. TOELHEKKE.
LENTE ZANG.
«Ferreus est, eheu, quisquis in urbe jnanet",
TIKULLUS.
Geen nevelig duister
Bedekt meer liet veld;
Geen blinkende kluister,
Die "t beekje meer knelt;
Het stormen is over;
De buien zijn heen;
Wat ritselt in \'t loover,
Is zefir alleen.
Vol bloeisel van boven,
Vol bloemen omlaag,
Staan velden, en hoven,
En telgen en haag !
De vroolijkheid dartelt,
In klaverrijk Gras:
Zij wemelt, zij spartelt,
In vlieten en plas.
De wouden herhalen
Hun feestelijk lied;
Ook zwijgt, in de dalen,
De Leeuwerik niet.
Van Echo vervangen,
Bij \'t rijzen der maan,
Heft Gij nog uw zangen,
O Nachtegaal, aan!
Geen nevelig duister
Bedekt meer het veld;
-ocr page 39-
LENTEZANG.
Geen blinkende kluister,
Die het beekje meer knelt!
Ontvlucht nu de steden,
Wie vreugde begeert!
Ontvlucht ze nog heden —
De Lente regeert!
STARING.
DE VANGST DER KLEINE VISSCHERS.
Wat een pret
Nu het net
Ligt in \'t water !
Dat was o ! zoo lang verbeid,
Daarvoor o ! zoo lang gebreid. —
Onder blij en wild geschater
Werd het, eindelijk voltooid,
Vol verwachting uitgegooid.
Blij gejuich
Bracht het tuig
Naar het bootje.
Krullebollen, vijf in tal,
Zoo te water als aan wal
Rap als kikkers in een slootje,
Rozen van de frischte soort,
Kijken uit van \'t wieglend boord.
Fiksch een bries
Kust de lies
Streelt de lisschen,
Dartelt met de golfjes rond,
Speelt den kleinen om den mond,
Fluistert hun van \'t spel der visschen:
\'t Is een dag van louter goud,
Rozengeur en spel en kout.
-ocr page 40-
DE VANGST DER KLEINE VISSCHERS.
Op en neer,
Heen en weer
Gaan de dobbers,
Danst de kleine visscherssloep
Onder \'t jubelen en geroep
Van die onervaren tobbers:
\'t Schommelen op den waterplas
Bant voorzichtigheid te ras.
Paarlend spat
\'t Koele nat
Om hun wangen.
Voelt het sijsje d\'eersten drop,
\'t Klapwiekt altoos verder op
\'t Bad in, hijgend van verlangen
Naar de frischheid, die het drinkt,
Ach, zoo verre, dat het zinkt.
„Uit de schuit!"
Roepen ze uit.
Met gegiegel
Springt het volkje, duikt meteen,
Komt weer boven... één verscheen
Niet meer aan den waterspiegel...
En de dobbers zonken neer
Dieper in \'t diepe meer.
Op de boot
Staat de dood
Bij hun makker,
Dien zij met gebroken hart
Liggen zien in \'t net verward:
Ach, hij slaapt___"wordt niet meer
wakker.
\'t Net wordt vroolijk uitgezet,
Maar de haal rooft vaak de pret.
P. VAN HOOFI\'.
-ocr page 41-
ROELOF LINGE.
33
ROELOF LINGE.
\'t Is een koude Decemberavond. De noordenwind loeit langs de
grachten van een onzer eerste steden, fluit door de stegen en jaagt
het stof der breede pleinen in dichte wolken omhoog.
Zelfs in de voornaamste gedeelten der stad is de drukte niet zoo
groot als gewoonlijk, maar in de afgelegen buurt, die wij betreden,
is het als uitgestorven. Geen wonder; bijna een half uur geleden
sloeg de klok van den grooten toren reeds elf en de wind is zoo
koud! Maar toch, wanneer wij den blik in die nauwe steeg slaan,
die slechts door één fladderende gasvlam wordt verlicht, dan zien
wij een knaap van omstreeks twaalf jaren, met het hoofd schuin
tegen den wind in, haastig voorwaarts treden.
\'t Is een arme jongen. Wat is hij schamel gekleed. Zie, nu
beschijnt hem het licht der flikkerende gasvlam. Arm ventje, wat
ziet hij bleek, mager en bleek! Daar toeft hij; zijn blik moet iets
ontwaard hebben, dat op de stoep eener zeer armoedige woning
werd achtergelaten, \'t Is een paar klompen. Zie, hij tuurt rechts en
links en — maar neen! weder gaat hij voort, terwijl hij tenhalve
de oogen sluit voor den snijdenden wind. Tien passen ver, daar
houdt hij nogmaals stand; hij keert terug, terug tot bij de woning
waar de schoone buit hem in de oogen blonk; nadert — nadert
behoedzaam het stoepje; strekt zijne hand uit,..... maar neen, ook
nu deinst hij terug. Zie, zie hem loopen. Arme, brave jongen!
Tegen den snijdenden wind in, ijlt hij voort. Aan het einde der
steeg gekomen, snelt hij den hoek om en bereikt in weinige seconden
de ouderlijke woning.
De ouderlijke woning! Vijf gemetselde trappen daalt gij af en
eene kleine vervelooze deur verleent u toegang tot een vochtig
kelderverblijf. Het vlammetje van een keukenlamp verlicht maar
ten deele dat lage vertrek. Zie, het salpeter parelt er op de wanden.
Orde en netheid heerschen daar wel, maar ook armoede, bittere
armoede. — De zwakke moeder, die al sedert verscheidene maanden
het slachtoffer eener afmattende anderdaagsche koorts is geweest,
zit nog aan de kleine tafel en haastig drijft zij de naald door het
sleetsch verstelwerk, want — heden is het haar vrije dag, en morgen
zal de koorts, in weerwil der quina-poeders van den bos-dokter,
haar de lust en de kracht tot den arbeid ontnemen.
„Aafje, je moest naar bed gaan," zegt een man van omstreeks
3
-ocr page 42-
34                                                ROELOF LINGE.
zes en vijftig jaren die, tegenover haar gezeten, zich met het linieeren
van kantoorboeken heeft bezig gehouden, maar in het laatste kwartier
zijn arbeid reeds dikwijls heeft gestaakt om..... te luisteren, en dan
naar de deur is gegaan en naar buiten heeft gezien, terwijl er onrust
op zijn gelaat was te lezen.... Aafje, je moest naar bed gaan."
„Roelof blijft zoo lang uit en de wind is zoo koud," antwoordt
de vrouw ontwijkend, „zijn handwerk bevalt mij niet, Wouter."
„Roel doet wat hij kan," herneemt de vader zichtbaar afgetrok-
ken; en weder gaat hij naar de deur en herhaalt, terwijl hij er
luistert: „Aafje, ga dan naar bed toe."
Zie, daar wordt de deur geopend. Een blijde lach teekent zich op
het gelaat der moeder, nu zij haar jongen ziet binnenkomen. Ook
de vader werpt hem een vriendelijken blik toe, en zegt dat moeder
al ongerust werd, maar vraagt ook terzelfdertijd wat er gebeurde,
want, Roelof hijgt naar adem en ziet er uit alsof hem iets bijzonders
wedervoer.
„Zeg, Roeltje, wat overkwam je dan toch?" vraagt ook de moeder,
terwijl zij op den jongen toegetreden, diens verkleumde handen vat
en hem met bezorgdheid blijft aanstaren.
„Niets moeder, niets," zegt Roelof hijgend; „ik heb twee dubbeb
tjes met wegwijzen verdiend, en bij de komedie zestig endjes sigaren
geraapt; — mijn ooren doen zoo zeer, want \'t is erg koud, moeder."
„Och! zoo koud!" zegt de vrouw en drukt haar gloeiende handen
tegen de schier bevrozen ooren van haar jongen..... Wouter, ik wil
hem \'s avonds niet zoo laat op straat hebben," vervolgt zij tot den
man; „Roelof is te jong en te zwak. Zie hem eens beven."
„Ja, ja, \'t wordt te laat," stemt de vader toe, doch de toon waarop
hij spreekt, geeft duidelijk te kennen, dat de afgetrokkenheid, die
hem vóór de thuiskomst van Roelof beheerschte, nog niet geweken
is. „Met die kou, zie je," en hij staart naar den grond en legt de
vlakke hand op het voorhoofd.
„Ben je weer duizelig, Wouter?" vraagt Aafje, terwijl zij niet langer
de ooren van haar jongen koestert, omdat het zoo zeer deed!
„Nee, Aafje, Goddank nee," is het antwoord, en de man, als uit
een droom ontwakend, doet de hand van het voorhoofd weg, neemt
de twee dubbeltjes, die Roelof op de tafel heeft gelegd, en werpt een
blik in het zakje, waarin zich de bijeengeraapte sigaar-endjes bevinden.
„Daar zijn er maar veertig, vader," zegt de jongen, die nog ge-
durig naar de pijnlijke ooren tast, „maar — ik heb er twintig aan
-ocr page 43-
ROELOF LINGE.                                               35
Wal Prim moeten geven, omdat ie me een kunstje zou leeren, dat
net zoo goed als geld was, zeidie."
„Hier Roeltje," spreekt de moeder, terwijl zij den knaap, die mid-
delerwijl weer bij adem is gekomen, een snede roggebrood in de
handen stopt, en vragend : „Wat was het ?....."
„\'t Was een gauwigheid, zeidie," antwoordt de jongen, „en Wals
vader had er erg om gelachen, maar, zie je, ik wou dat ik de
twintig endjes maar niet had gegeven; vier waren er bij die nog
meer dan half waren."
„Zoo goed als geld! en wat had ie.....?" vorscht de vader, een
weinig opmerkzaam geworden.
„Als ik \'s avonds een loonwachtje deed — zei Wal, dan moest
ik altijd een half centje en een brabander in den zak hebben,"
antwoordde Roelof; „als de lui dan aan d\'r huis waren gekomen
en een dubbeltje of soms een vijfje fooi gaven, dan moest ik ze
eerst half naar binnen laten gaan, en — naar gelang van een dubbeltje
of vijfje het halve centje of den brabander laten zien en zeggen dat
ze zich vergist hebben; dan brommen ze wel eerst, zei Wal, maar,
zie je — dan kreeg je \'t toch meestal nog eens."
„En zul je dat doen, Roeltje ?" vraagt de moeder haastig, terwijl
zij haar kind beteekenend in de oogen ziet. Over het bleek gelaat
van den jongen verspreidt zich een zachte blos: „Nee, moeder,
nee!" zegt hij even haastig en zijn blauwe oogen — heldere kijkers
— glanzen haar tegen: „nee, moeder, ik zei tegen Wal, dat het
bedrog was en dat gij en vader mij altijd geleerd hebt, dat ik
niemand om een aalmoes zou aanspreken, maar niewaar moeder,
dit kunstje zou nog erger zijn.....? en ik zei ook dat hij de twintig
endjes terug moest geven, want dat ik het kunstje niet hebben wilde,
maar toen lachte Wal en zei dat ik een gek was.
Ik weet niet waaraan de vader denkt, nu hij zijn lieven Roelof
hoort spreken. Wouter is zoo vreemd van avond; dat heeft moeder
Aafje ook gevonden, doch nu bemerkt zij niet eens dat Wouter geen
teeken van vreugde geeft en schielijk heeft zij gesproken: En ik
zeg, dat \'ge braaf dacht, mijn jongen, heel braaf, mijn Roelof! Wat
met bedrog wordt verkregen, is diefstal en — die een dief wordt...."
Doch zie, hoe eensklaps een vuurrood het bleeke gelaat van den
knaap overdekt. Toen hij den drempel betrad, beefde hij nog, en nu,
nu beeft hij weder, want dat laatste woord doet een sombere snaar in zijn
binnenste trillen; hij denkt aan het oogenblik — aan het oogenblik
-ocr page 44-
36                                                ROFXOF LINGE.
waarop wij hem in die nauwe steeg bij het schijnsel der gaslantaarn
bespiedden, en — terwijl de tranen hem in de oogen springen,
drukt hij het hoofd tegen de moederborst en krijtend hikt hij:
„Nee, moeder, nee! een dief ben ik niet; ik dacht toen ik die
klompen zag staan, hoe vaders voeten..... zoo dikwijls koud op den
steenen vloer worden..... dat hij dan duizelig wordt..... maar......
moeder, beste moeder, ik heb ze laten staan, nee, weggenomen heb
ik ze niet."
Een gloeiende kus op zijn voorhoofd is moeders eerste antwoord.
Schuldelooze eenvoud! Hij wist wel dat moeder hem ginder niet
zag, hij weet wel dat vaders oog hem daar niet bereikte, maar toch,
het was hem alsof die beiden hem in de ziel gelezen hadden. Nu
heeft hij zijn hart ontlast, nu gevoelt hij zich vrij; nu ziet hij zijn
moeder aan alsof hij haar zegt: Moeder, lieve Moeder, ik ben nog
uw jongen!
En Wouter?..... De vader staat daar alweder met de hand aan
het voorhoofd en hij ziet zóó vreemd in \'t rond, dat vrouw Aafje,
die den blik op hem vestigt, hem haastig toeroept: Wouter, ga
zitten; ge wordt zoo bleek, Wouter !
Maar neen, Wouter gevoelt zich wèl, bijzonder wèl; want zie,
als uit een droom ontwakend breidt hij de armen uit en drukt zijn
lieveling aan het hart „Roel! mijn brave Roel! roept hij in verruk-
king uit en weder: „mijn beste jongen!"
j. j. cremer.
DE REDDING.
Er woei een vlaag: het wicht glee uit
En tuimelde in het diep,
„Te hulp!" zoo krijscht het noodgeluid,
Waar flus het knaapje liep.
Nog drijft het op zijn kleertjes voort,
Één wenk getoefd, en \'t zinkt.
„Te hulp! te hulp! een sloep ! een koord!
Te hulp! het schaap verdrinkt!"
Geen sloep nabij! geen touw gereed!
Onstuimer giert de wind;
Benauwder joelen klacht en kreet;
Al verder drijft het kind.
-ocr page 45-
DE REDDING.
„Wie springt het na? voor hem dit goud!"
Ja, menig nam het graag:
Doch doodsgevaar bespookt het zout;
Geen een, hoe koen, die \'t waag\'.
Maar stil! daar baant een forsche hand
Zich ruimte dwars door \'t volk.
„Waar, mannen? waar?" — „Aan gindschen kant,
„Daar links! nabij de kolk !"
„Hier, brave! neem de beurs!" — Hij kleurt :
„Weg, (gromt hij) weg daarmee!"
En, \'t kleed in haast van \'t lijf gescheurd,
Springt, plompt hij neer in zee:
En duizend oogen volgen hem,
Terwijl hij daalt en rijst.
Het meer alleen behoudt zijn stem;
De wal is stom en ijst;
Maar menig beê, die God slechts hoort,
Klimt uit de stilte omhoog:
Intusschen streeft de zwemmer voort,
Het veege knaapje in \'t oog.
Hij proest het schuim weg, klieft den vloed,
Gelijk een visch zoo vlug:
Maar, wee! daar stuit een baar zijn spoed,
En bonst hem fel terug:
Het geldt haar prooi, ze brult, ze bruist,
Ze steigert in de lucht,
En \'t wicht, al dicht bij \'s redders vuist, —
Ze sleurt het mede en vlucht.
Hij knarst van spijt, voelt d\'arm vermoeid,
Toch staakt hij \'t worstlen niet.
Een milder golf komt aangespoeld,
Een, die hem hulpe biedt:
Ze tilt hem op, ze torst hem voort,
Ze wijst hem op zijn buit,
En hij, van nieuwen moed doorgloord,
Schiet, hopend, weer vooruit.
-ocr page 46-
DE REDDING.
Maar hoop en moed en overleg —
\'t Is alles zonder baat :
Vlak voor hem zinkt het jongsken weg.....
Nog grijpt hij..... \'t Is te laat! —
Te laat ? — maar, God! zinkt hij ook neer ?
\'k Zie slechts den vloed, die plast!
Neen! — wacht! — hij dook: daar rijst hij weer,
En \'t knaapje heeft hij vast.
En \'t strand weergalmt van \'t vreugdgerucht,
Terwijl, met snelle streek,
Hij landwaarts roeit, alleen beducht,
Dat reeds het wicht bezweek,
\'t Is of met zooveel moeds begaan,
De wind bedaart en luwt,
En \'t meer, bevredigd en voldaan,
Hem zacht naar d\'oever stuwt.
Daar heft hij uit het zwalpend nat
Den forschen rug omhoog;
Al hijgend drukt hij \'t vaste pad,
En tilt zijn schat op \'t droog.
Triomf! nog leeft het bloedje! \'t lacht! —
Maar, hemel! — welk gezicht!
Wat hij het kind eens vreemden dacht, —
Dat is zijn eigen wicht!
Zijn dierste bloed! zijn eenig kind!
En ijzing schokt zijn leen:
Doch \'t is gered! de vreugd verwint
En jaagt de ontsteltenis heen.
Hij drukt zijn pand aan \'t harte en snikt,
Hij drukt het, kust het, knielt,
En dankt, in tranen half verstikt,
Dien God, die \'t hem behield.
Geroerd, getroffen, dringt de schaar
Om kind en vader saam,
En, als ontkwam zij zelf \'t gevaar,
Zoo haalt zij ruimer aam;
-ocr page 47-
DE REDDING.
Geen oog, of \'t gloeit van dankbre vreugd,
Geen boezem, of hij smelt:
Geloofd zij God, die zooveel deugd
Met zooveel heil vergeldt!
A. BOGAERS.
SINT NIKOLAAS.
EEN SPROOKJE.
Komt hier eens, Kinders, en let op;
\'k Vertel van Sinter-Klaas,
En van een braven Ambachtsman,
Den armen Huibert-baas.
De goede Sinterklaas was oud;
Hij droeg een witten baard;
En aan zijn witten mantel was
Het laken niet gespaard.
En als hij van zijn hoogen stoep
Den weg nam door de stad,
En dan zoo deftig met dien baard
En met dien mantel trad,
Dan wisten ook de kinders al,
Naar welken kant hij ging,
En waarom weer dat breede zeil
Hem van de schouders hing.
Dan hield de goede man een pak
Voor \'t volk op straat verstopt,
En bracht het naar een arme buurt,
Met kinders opgepropt.
Daar sloeg hij dan zijn mantel los,
En \'t was: „Dit is voor Jan,
Die dagelijks, als de meester roemt,
Zijn les het beste kan.
-ocr page 48-
SINT NIKOLAAS.
Dit is voor Keetje, die zoo vroeg
Het breien al verstaat;
En dit voor Hein, die niet meer dwingt,
En zich gezeggen laat.
En hier komt, voor dien zieken bloed,
Daar ginder in den hoek,
Een peperhuis met vijgen aan,
En — kijk! — een prentenboek."
Zoo stapte hij, deur in, deur uit,
Van steeg tot steegje voort;
Maar als hij op zijn schimmel zat,
Dan ging het uit de poort!
Dan reed hij naar de buitenlui,
En schimmel had zijn vracht,
Want ieder kind, een uur in \'t rond,
Dat arm was, werd bedacht.
Maar in de stad van Sinter-Klaas
Was ook een Ambachtsman,
Die at droog brood, en schaamde \'t zich,
En sprak er niemand van/
Hij maakte schoenen al zijn best;
Hij werkte laat en vroeg,
En voor tien kinders en een vrouw
Was \'t nog al niet genoeg.
Doch Sinter-Klaas vernam in \'t lest,
Wat Hij niet weten wou\':
Hij zoekt, bij nacht, zijn woning op,
Spijt duisternis en kou\'.
Hij trekt het winkelvenster los,
Dat met geen grendel sluit;
En \'t glasraam laat zijn goudbeurs in,
Door een gebroken ruit.
-ocr page 49-
SINT NIKOLAAS.
En \'s anderendaags zet Huibert-baas,
(Gij weet — die Ambachtsman !)
Zich bij de lamp reeds aan zijn taak,
Zoo wakker als hij kan!
Daar valt hem, van den driestal, juist
Een kleine schoen in \'t oog;
En, zie, die schoen bewaarde \'t geld
Getuimeld van omhoog!
Nu denkt, wat vreugd bij man en vrouw,
En kinderen alle tien! —
Wie om een hoekjen, van nabij
Hun vreugde eens had gezien!
Nochtans hun vreugd was kort van duur,
Want Huibert riep: „Houdt stil!
\'t Gevonden is geen oortje waard,
Voor die niet stelen wil!
\'t Hoort zeker aan dien vreemden Heer,
Van gistren avond laat;
Hij stond, toen hij zijn riemen kocht,
Omtrent waar Antje staat;
En, naast haar, in die kinderschoe,
Lag net de beurs met goud ! —
De Burgemeester weet misschien,
Waar zich die Heer onthoudt:
Daar is mijn schort! ik moet er heen !
\'k Wil loopen wat ik kan !
Zoo sprak Huib, en, gelijk hij sprak,
Zoo dééd de brave man.
Maar — wat de Burgemeester deed ? —
Hij ging naar Sinter-Klaas;
Want Die toch schonk, naar Hij \'t begreep,
Het geld aan Huibert-baas.
-ocr page 50-
SINT NIKOLAAS.
Ras haalt men Huibert. — Huibert komt,
Zijn meettuig in de hand:
De goede ziel kreeg Sinter-Klaas
(Gelijk hij dacht) tot klant.
Maar Sinter-klaas sprak: Huibert-baas,
Ik ben de man van \'t geld:
Het vond zijn weg door \'t vensterglas,
En hoefde geen geweld.
De beurs is in een kinderschoe
Gevallen, naar ik hoor ?
Breng Mij het paar, en hou\' de beurs:
Ik geef ze er gaarne voor."
En Huibert wischte met de mouw
De tranen uit zijn oog,
Zei snikkend dank, en ging, en trad
Zoo luchtig of hij vloog.
En, als nu vrouw en kind het wist,
Liep Huib weer op een draf —
Kocht leer in, bij zijn broeders weêuw —
En dong de sloof niet af.
En spoedig wist de gansche stad,
Hoe braaf baas Huibert was
En praatte van de kinderschoe,
Waar \'t geld in viel, door \'t glas;
„Een kinderschoe bracht Huib geluk.
Dat blijv\' zoo!" riep elk een;
,,\'k Bestel er bij geen ander meer —
Baas Huibert maak\' ze alleen."
En Huib nam, van zijn jongenstroep,
Twee gasten tot zijn hulp,
En brak naar grooter woning op,
Van uit zijn enge stulp;
-ocr page 51-
SrNT NIKOLAAS.                                               43
Maar \'t raam aan straat verhuisde meê
Voor alle schad bewaard;
En \'t bleef, ter eer van Sinter-Klaas,
Bij \'t kleinkind nog gespaard.
STARING.
DE AMSTERDAMSCHE KRANTENJONGEN.
De stuurman verliet met groote stappen den winkel en bevond
zich eenige oogenblikken later weder midden in het gewoel der
Kalverstraat. Op de Muntsluis gekomen zijnde, stond hij een oogen-
blik in twijfel welken weg hij moest nemen, dewijl aldaar de straten
in verschillende richtingen voeren.
„Weg wijzen, meneer?" vroeg een jongen met een aantal dagbla-
den onder den arm, die onmiddellijk had gezien dat de vreemde-
ling het spoor bijster was.
„Ja, d\'as goud, jongen," antwoordde de zeeman, „voor \'n dubbel-
die kanste mi noar de Binnen-Amstel brengen."
„Voor \'n kwartje doe ik het anders ook al," sprak de jongen met
een snaaksch gezicht. „Waar moet u wezen, kapitein?"
„Bij de Heerengracht, noramer veir en vieftig."
„Is dat Fransch of Spaansch, kapitein?"
„\'t Jordaansch zal je zeker beter verstaan, kleine bengel. Ik meen
nommei vier en vijftig; de naam is Walker."
„Die zijn daar meer, kapitein, wacht eens: De Oprechte Haar-
lemmer, de Amsterdamsche en de Bazuin....... is \'t zoo niet ?"
„Wat snater je toch, jongen?"
„Pas op die omnibussen, kapitein, \'t is hier niet pluis. Zóó, nu
kunnen zij passeeren....... Ik meen een ouwe heer, die lid is van
\'t Bijbelgenootschap en zondagsoefeningen houdt."
„Neen, die is het niet."
„Wacht, nu weet ik het al. De Nieuwe Rotterdammer, het Zon-
dagsblad en het Vaderland; vier stuivers in de week en met kermis
en Nieuwjaar een kwartje. Een toe huis, jongelui, de meid praat
ook altijd veir en vieftig, en zoo wat. \'t Is goed, kapitein, kom
maar mee."
Zonder eenig antwoord af te wachten sloeg de krantenjongen den
weg naar de Reguliers-Breestraat in.
-ocr page 52-
DE KRANTENJONGEN.
44
Krantenjongens als te Amsterdam vindt men nergens. Van jongs
af verplicht, van den vroegen morgen tot den laten avond
op de straat te zijn en tegen hooge bruggen op te kruipen, schijnen
zij hunne beenen te verslijten, alvorens den vollen wasdom te
hebben bereikt. Zij loopen bijna altijd met kromme knieën en
wanneer voeten, evenals voorwerpen van ijzer of steen, door veelvul-
dig gebruik konden afslijten, zou menige krantenjongen te Amsterdam
op krukken moeten gaan, alvorens hij vijftien jaar oud was. Voor
den militairen dienst zijn zij dan ook meestal ongeschikt. Men
denkt er waarschijnlijk zeer weinig aan dat zeer vele kranten, behalve
scheeve beginselen ook nog scheeve beenen vormen.
De jongen ging op zijn gewoon sukkeldrafje dwars de Botermarkt
over en zong nu, waarschijnlijk ter eere van den zeeman, luidkeels
het liedje van Piet-Hein :
„Piet-Hein, zijn naam is klein,
Zijn daden bennen groot,
Hij heeft gewonnen de zuiveren vloot."
Plotseling bleef hij voor een mosselkraam staan, zag den zeeman
schalks aan en zei:
„Kapitein, als ik nu een kwartje van je kreeg voor m\'n boodschap,
zou ik voor een stuiver lekkertjes kunnen smullen, en toch nog
twee dubbeltjes aan mijn moeder geven.
„Heb je dan geen vader, jongen?" vroeg de stuurman, terwijl zij
weer voort wandelden.
„Jawel, kapitein, maar \'t is beter dat die daar niets van weet,
want we hebben een groot huishouden."
„Heeft je vader geen bestaan?"
„Zeker wel, want de sigarenmakerij geeft goed, maar mijn vader
heeft te veel noodig voor......."
„Voor?"
„Och, kapitein, ik zal \'t het maar zeggen: er blijft van het week-
geld te veel aan \'t glaasje hangen."
„Dat is leelijk, jongen! En hoe groot is het huisgezin ?"
Behalve vader en moeder een groote zuster, die altijd ziek is, een
gekke grootmoeder en een klein broertje."
„Dat wil nog al wat zeggen; en hoeveel verdien je in de week ?"
„Een gulden, eiken avond een boterham en met kermis en
Nieuwjaar een j>aar nieuwe schoenen....... Hier den hoek om,
kapitein, \'t tweede huis, daar de meid aan \'t schrobben is."
-ocr page 53-
DE KRANTEN\'JONGEN.                                          45
De zeeman opende zijn porte-monnaie en zeide:
„Daar jongen, geef die twee kwartjes aan je moeder en hier is
een dubbeltje voor mosselen."
„Dank je wel, kapitein," antwoordde de knaap, in zijne vreugde
zijn rechterbeen op eigenaardige wijze in de lucht werpend. Hij
zette nu op een drafje zijn weg voort en zong weder luidkeels:
„Piet Hein, zijn naam is klein."
H. BANNING.
DE ENGEL EN HET KIND.
(naar het fransch van jean reboul).
Een Engel boog zich over \'t wichtjen,
Dat sluimrend in zijn wiegjen lag:
\'t Was of hij in dat aangezichtjen
Zijn eigen reine beeltnis zag.
„Lief kind!" zoo klonk zijn stille bede,
„Gij zijt te teeder voor deze Aard:
Ga naar den blijden Hemel mede !
Daar is u beter lot bewaard.
„Hier is de blijdschap onvolkomen,
Hier duurt elk heil een korte poos:
De bloesems welken aan de boomen,
En dorens groeien aan de roos.
„Hier zitten in de weidsche zalen
De zorgen met de gasten aan :
De morgen blinkt van goud en stralen,
En \'s avonds woedt de noordorkaan.
„Moet dan dat blonde hoofd gebogen,
Die kalme kinderziel ontrust ?
De zonneschijn dier blauwende oogen
In wrange tranen uitgebluscht ?
„Neen ! opgezweefd naar reiner sfeeren,
In \'t Onverganklijk Licht gebaad,
Nu de alvoorzienigheid des Heeren
Van d\'aardschen proeftijd u ontslaat !
-ocr page 54-
46
DE ENGEL EN HET KIND.
„Men moet om u geen rouwkleed dragen,
Geen huis vervullen met geklag:
Men vier\' den laatsten uwer dagen
Zoo feestlijk als uw eersten dag !
„Vroegtijdig wordt gij weggenomen,
Toch gaat ge ontijdig niet voorbij:
Het gaan is zaliger dan \'t komen,
Wanneer men schuldloos gaat als gij !"
En pas heeft de Engel \'t woord gesproken,
Of zie, in \'t verre morgenrood
Heeft hij de blanke wiek ontploken...
Ach, moeder! ach, uw kind is dood !
TEN KATE.
HET VROUWEZAND.
„Aan bakboord in, aan stuurboord uit!
Weg met dat nietig graan!"
Zoo sprak een weduwe, in sameet,
Met paarlen overstikt, gekleed,
Vergramd een zeeman aan.
Niet een in \'t schatrijk Staveren,
Zoo maatloos rijk als zij;
Haar schepen ploegden elke zee,
En voerden van de verste reê
Steeds nieuwe schatten bij.
„Nu breng" — beval ze eens grillig trotsch —
„Nu breng van \'t Noordsche strand,
Mij \'t edelst wat uw oog aanschouw\'!
Geen dure prijs die \'t mij onthoü —
Ga, dien mij met verstand!"
Toen had de scheepsvoogd lang gewikt
Bij onbeslist besluit —
In \'t end — „wat zou er boven \'t graan,
De glorie van \'t Noordoosten, gaan?"
Zijn weifelen had uit.
-ocr page 55-
HET VROUWEZAND.
Hij keert; zij komt; hij toont den schat
Die proef geeft van zijn trouw;
Maar zij, ontkleurd van woede en waan:
„Wat scheepzij hebt gij \'t ingeladn?"
„Aan bakboord, eedle vrouw!" —
„Aan bakboord in, aan stuurboord uit!
Weg met dat kaf, in zee!----
Is dat het uitverkoren deel,
Mij toegedacht?___ \'t is mij te veel!
Weg met dat kaf.... in zee!"
—  „Neen!" roept al \'t scheepsvolk, „neen, mevrouw!
Dat wierp te zwart een blaam,
Alsof gij in vermeetlen spot
De giften smaaddet van uw God,
Voor eeuwig op uw naam!"
En trillend — „wie betaalde \'t goed,
Waarover ik beschik ?___
Wie ben ik ?___ uwe meesteres ?
Wie vraagt, wie duldt uw zedeles ?...
In zee... \'k gebied het, ik!" —
—  Ach vrouwe! een deel___ aan ons een deel!"
Krijt \'s armen luide toon;
„Wie de armoe bijstaat in heur nood
Wint zich voor \'t mild geschonken brood
Des Heeren gunst ten loon!"
—  „Des Heeren gunst?... \'k behoef ze niet;
\'k Ben met het mijn tevreê —
En \'k deel wie mij een aalmoes vraagt,
Wanneer en zóó als \'t mij behaagt,
Maar nooit om gunsten meê!"
—  „Boet vrouwe!" — klinkt een achtbre stem —
„Boet af die schrikbre schuld!
Uw trotschheid raakt ten wissen val.....
Weet, dat de dag eens dagen zal,
Waarop gij beedlen zult!"
-ocr page 56-
HET VROUWEZAND.
— „Ik beedlen?.... Priester! — als dees ring,
Die in mijn vingren blinkt,
Weer uit de golven opgedoemd,
Uw leugentaal mij waarheid roemt!
Niet eer"... \'t juweel verzinkt.
En nauw verving ten tweeden maal
Weer \'t licht de duisternis,
Daar toont, bestorven als de dood,
De kok haar \'t fonkelend kleinood,
Gevonden in een visch.
De roede trof — en zee en vuur
En rampen zonder tal
Bewezen aan de snoode vrouw,
Die \'s Heeren gunsten derven woü,
Dat hoogmoed komt ten val.
Nu was in \'t schatrijk Staveren
Niet éen zoo arm als zij;
Nu smeekte zij, in bittren nood,
In \'t snakken naar een stuksken brood:
„Erbarm u over mij!...."
\'t Was of de vloek haars euvelmoeds
Zich stortte op heel de stad;
Het blinkend Staveren verviel —
Het wrekend zand weerde elke kiel,
Die eens heur waatren mat.
Nog ziet men, tot op dezen dag,
Aan \'t woest en eenzaam strand,
Een veld van looze halmen staan —
Zij spreken van \'t verworpen graan,
Den vloek van „\'t Vrouwezand."
p. j. koets
-ocr page 57-
PIETER VAN STRALEN.                                              49
PIETER VAN STRALEN.
DE OUDE UTRECHTSCHE OMROEPER.
\'t Is lang, zeer lang geleden, dat van Stralen te Utrecht aan alle
hoeken der stad het volk bijeen klopte, om met schelle stem be-
kend te maken wat er verloren en te koop was. Men moet meer
dan een halve eeuw oud, of, zooals men het daar noemt, boven Jan
zijn, om zich dit nog te herinneren, doch het is mij nog alsof ik
den ouden omroeper bij levende lijve voor mij zie, met zijn gelakten
koetsiershoed en zijn lange blauwe jas, die wij schertsend een kuiten-
dekker noemden. Na Kees van Dort, die altijd in staat van be-
schonkenheid verkeerde en dagelijks, onder het luid gejubel der
straatjongens, zwoer, dat hij den domtoren in klontjes zou gruizelen,
bezat in dien tijd te Utrecht niemand zoo groote populariteit als de
omroeper Van Stralen. Ik wil echter geenszins een parallel tusschen
beide Utrechtsche typen trekken, want de oude omroeper was een
braaf en zeer geacht man; doch wat geeft de straatjeugd ook om
braafheid als zij haren spotlust kan botvieren. Van Stralen had nu
eenmaal de gewoonte van zich op zonderlinge wijze te kleeden en,
bij de uitoefening van zijn ambt, met ratelende stem allerlei zonder-
linge woorden te spreken — dit was in de oogen der jongens genoeg
om hem tot een straat-acteur te maken, die toejuiching verdiende.
Het was zeker niet zooals het behoorde, doch zoolang er Hollandsche
jongens zijn, zullen zich zoodanige verschijnselen wel overal voordoen.
Daar komt hij aan, de oude Pieter. De lange blauwe jas omhult
statig zijne beenen, de gelakte hoed staat, als altijd, een weinig
scheef op het hoofd. Zijn bovenlijf helt naar de linkerzijde óver,
alsof het koperen klankbord, waarin men zich wel spiegelen kan,
hem te zwaar is om te dragen. In zijne rechterhand heeft hij een
korten houten hamer, geheel gelijk aan dien, welke menigen
president van groote en kleine vereenigingen de achtbaarheid bijzet,
die men te vergeefs in hunne persoonlijkheid zou zoeken. Hij houdt
stand bij de Hamburgerbrug aan de Oude-Gracht, want daar is een
kruispunt, waar zich de verschillende stroomen der voetgangers ver-
eenigen. Van Stralen is gelukkiger dan de zoogenaamde profeet
Mojiammed, die eens tevergeefs een berg verzocht, dat hij bij hem
zou komen, en toen, om zich goed te houden, genoodzaakt was uit
te roepen: als de berg niet tot Mohammed wil komen, zal Mohammed
tot den berg gaan. Nauwelijks heeft hij eenige malen het hoofd
4
-ocr page 58-
5<5                                               PIETER VAN STRALEN.
gedraaid, als om het terrein op te nemen, of van alle kanten stroo-
men menschen naar hem toe. De werkmeid werpt dweil en luiwa-
gen op de stoep, de bakkersknecht verlaat zijn broodkar, de wande-
laars blijven een oogenblik staan, uit de Hamburgerstraat en van
de brug komen menschen van allerlei leeftijd aangeloopen en de
straatjongens dringen door alles heen om, evenals de claqueurs in
den schouwburg, bij de voorstelling van hun geliefkoosden straat-
acteur de beste plaatsen in bezit te nemen.
Pang ! pang! pang ! klinkt liet op \'t koperen klankbord; Van
Stralen zet zich in postuur en roept in scherp Utrechtschen tongval,
op hooger toon en met meedoogenlooze mishandeling der letter R:
„Aar is verloren.....een goud middeljon.....van achtere met
perels berand.....van vore met haar gewark.....twee herte met
een pijl der deur..... Die hem te voorschijn brenk zal twintig
gulde tot een belooning hebbe."
Daarop daalde zijne stem eenige tonen en er volgde:
„De oanwijzer van den vindenoar.....zal een genereuze beloo-
ning hebbe."
Pang ! pang ! pang ! klonk het andermaal.
„Wie der goading in heef.....bij Piet Knops.....het tweede
huis o)) de vischmark.....is te bekome allerbeste tarbot en schol."
Toen het bleek dat de omroeper zijne belangrijke zending voor
dat oogenblik volbracht had, stoven de jongens met een luid hoera
uiteen en zongen op eene welbekende melodie:
„Van Stralen, Van Stralen, wat heb je \'n glimmenden hoed."
De omroeper schudde glimlachend het hoofd; hij scheen zich over
die plaagziekte eer te verheugen dan te ergeren.
„Ik zou die bengels dat schelden wel afleeren," zei grimmig een
slagersknecht, die er, met het gewone moordtuig aan zijne zijde,
gevaarlijk genoeg uitzag om een geheel regiment, jongens het hazen-
pad te doen kiezen.
„Och man," zei Van Stralen, altijd het hoofd schuddende, „ver-
geet toch niet, dat je ook jong bent geweest, \'t Is dartelheid van de
jongens, anders niet, de broodkruimels steken hen. Maar als ze
zoo niet zijn, deugen ze niet, geloof me; dan zijn het, om zoo te
zeggen, smuigers, die het achter de mouwen hebben en dat is vrij
wat erger. Hoor maar eens," zoo vervolgde hij, „daar gaat het
weer langs over mijn glimmenden hoed; laat ze toch maar pleizier
hebben, ik kan er wel tegen."
-ocr page 59-
PIETER VAN STRALEN.                                              51
En altijd glimlachende en het hoofd schuddende ging de omroe-
per de brug en de gracht langs om zich door de Rrandsteeg naar
den Springweg, den Utrechtschen jodenhoek te begeven, waar in
dien tijd de verloren voorwerpen maar al te dikwijls terecht kwa-
men, zonder dat de „oanwijzer van den vindenoar" eene genereuze
l>elooning kreeg.
H. A. BANNING.
HET AVE MARIA.
Heer Hugo, een ridder uit stout geslacht,
Was immer liet eerst in den strijde;
Hij toog met de helden naar \'t Heilige Land,
Heeft mede er het Kruis des Verlossers geplant,
En stond er den vroomste ter zijde.
Maar toen hij, na menig roemvollen strijd,
De helft van een eeuw mocht beleven,
Ontvlood hij de wereld en wereldsche vreugd,
Om, biddend tot God in beoefning van deugd,
Alleenig ten Hemel te streven.
Hij klopt aan het klooster: hij knielt voor den Abt,
Eerwaardig door godsvrucht en jaren:
Dan zegt hij wat streven zijn boezem vervult,
Dan smeekt hij, in nederig boetkleed gehuld,
Hem onder de broeders te scharen.
En de Abt ziet zijn ootmoed en heiligen zin; —
Hij voegt zich naar \'s ridders begeeren.
Heer Hugo aanvaardt nu de harige pij,
En krijgt er een ouderen broeder ter zij
Om bede en brevier hem te leeren.
Maar hoe ook die broeder met ijver en zorg
Den zin van \'t brevier mocht vertalen : —
Na dagen en weken toch kwam hij niet voort;
Niet anders kon Hugo dan \'t hemelsche woord
Van „Ave Maria" herhalen.
-ocr page 60-
52                                                    HET AVE MARIA.
ü, \'t Ave Maria dat werd nu zijn beó
Aan d\'uchtend, aan d\'avond, te nachte ;
Bij werk en verpoozing, bij vreugde of bij smart,
\'t Bleef immer den ridder een balsem voor \'t hart, —
\'t Was immer zijn schoonste gedachte.
Hij sloot in die woorden zijn streven, zijn hoop,
Zijn uitzicht naar \'t vaderlijk Eden:
Zijn beê om de voorspraak der Moeder van God,
Die eens om de zonde gehoond en bespot,
Zoo bitter en veel had geleden.
Toen Hugo op \'t sterfbed lag nedergevlijd, —
Men hoorde geen zucht hem ontglippen: —
Toen bracht hij zijn bevende handen vooruit
Tot Gods lieve Dochter en Moeder en Bruid,
En stierf met dien groet op de lippen.
Maar zie, op zijn graf in den kloosterhof,
— O, \'t werd door een wonder verheven ! —
Daar bloeit er en lelie vol ambergeur,
En draagt op elk blaadjen in gouden kleur
Een Ave Maria geschreven.
ir. j. c. van nouhuvs.
EENE KLUCHT VAN PHILIPS DEN GOEDEN.
Philips de Goede was niet liever dan in zijne stad Brugge. Daar
smaakte hij de geneugten des vredes; daar volgde hij zonder achter-
docht de luimen van zijnen vroolijken aard; daar bracht hij zijnen
tijd door met vermaaklijkheden, die den ontspannen geest best ver-
kwikken, praat- en speelpartijen, poetsen en kluchtigheden van allen
aard, doch zonder erg.
Zekeren keer had hij met zijne vertrouwelijkste vrienden langer
dan naar gewoonte aan tafel gezeten; en schoon het niet verre van
middernacht was, geenen lust tot slapen gevoelende, stelde hij hun
voor, om nog eene korte wandeling in de stad te doen. Dit werd,
natuurlijkerwijze, door allen toegeslagen, want, al had misschien een
of ander der gasten eenen beker te veel gedronken, en daardoor
meer trek om naar bed te gaan, dan om te kuieren, dat liet men
-ocr page 61-
EENE KLUCHT VAN PHILIPS DEN GOEDEN.                       53
niet blijken; daarenboven men wist vooraf, dat er zou gelachen
worden, dewijl de Hertog, als hij opgeruimd was, immer wat snaaksch
wist uit te vinden.
Het gezelschap ging dus uit, al schertsende, en de een den andere
vermanende, dat ieder zich te wachten had voor straatschenderij,
uit vrees van in de handen der Schabeletters (i) te vallen en
zoo misschien met Hertog en al in het kot te geraken. Zij komen,
na eenige straten doorgewandeld te hebben, op de Markt; en ziet!
daar lag een man van nederig uitzien en zoo zat als een snep te
slapen, en ronkte als een Turk. Niemand verschrikte, dewijl de
dronkaard zoo luidruchtig te kennen gaf, dat hij het slachtoffer niet
was van eenen kwaaddoener, maar van zijn al te droge lever. In-
tusschen, blijven liggen mocht hij daar niet, want hij kon veron-
gelukken. doch, wat men hem schudde, wat men hem trok of sleurde,
daar was gevoel noch beweging in te krijgen.
Een der heeren werd indachtig, hoe zij in hunne tafelgesprekken
\'s menschen leven aan eenen droom vergeleken hadden, en stelde
voor, de waarheid van dit gezegde op dezen thans door den drank
bewusteloozen man te beproeven. Zulks vond behagen bij den
Hertog, die aanstonds eenige lakeien, welke de \'wandelaars op be-
hoorlijken afstand gevolgd waren, last gaf, om den zatterik op te
nemen en naar het hof te dragen. Dat geschiedde : de bedienden
laadden hem op de schouders, zonder dat hij een enkel oog open
deed en strompelden er mee naar \'t paleis, alwaar zij hem, volgens
\'s meesters bevel, in eene rijk gestoffeerde slaapzaal en op een vorste-
lijk praalbed neerleggen. Dj zatterik sliep maar voort. De dienaars
zetten hem eene met goud gekwispelde muts op \'t hoofd, stroopen
hem zijne verlodderde en beslijkte deksels van de leden, en, na deze
zoo wat in het ruwe met reukwater te hebben schoongemaakt, doen
zij hem een sneeuwwit batisten hemd aan, steken hem in eenen sitsen
nachtjapon met groote bloemen, draaien hem eenen satijnen das om
den hals en laten hem liggen.
De zatterik sliep maar voort. Zijn onbeleefd gesnork was nu
en dan wel eens onderbroken, of door eenen langen zucht afge-
wisseld geworden; doch voor \'t overig was hij nog geheel en al
onder den invloed der bierdampen, evenals een uur te voren op de
Markt van Brugge.
1) Voor schadclieletters. nog tegenwoordig te Brugge in gebruik voor politieagenten.
-ocr page 62-
EENE KLUCHT VAN PHILIPS DEN GOEDEN.
54
Eerst laat in den morgen was cle dronkenschap uitgewasemd. De
slaap werd lichter; de bedelaar begon zich te verschikken, en, na
nog een uur of wat, look hij een half oog open. Nu nog eenen
tijd lang gegeeuwd en gezwijmeld, totdat eindelijk de bewustheid
wederkwam, en de dronkaard zag, dat het dag was. De man ver-
schoot, keek rond en op zich zelven, greep zich bij den neus, en
meende nog, dat hij droomde. Inwendig gevoelde hij wel, dat hij
het was; maar uitwendig erkende hij zich zelven niet, en kwam er
met al zijn verstand niet toe, om eene volkomen overtuiging zijner
eenzelvigheid te krijgen. Of hij in de eerste verbaasdheid eenig
gerucht gemaakt had, wordt niet gezegd: maar men mag het ver-
moeden ; want nu kwamen er eensklaps onderscheiden dienaars en
kamerlingen toegesneld, om te vragen, of het Zijner Hoogheid (of
gelijk zij den Hertog van Burgondifi gewoon waren te noemen)
beliefde op te staan, en welke kleedij hij dien dag verkoos te dragen.
De vent deed oogen open gelijk een valk, maar wist geen woord
te zeggen, en pitste nogmaals in zijnen arm, om zich te verzekeren,
dat hij wakker was. Daar kon hij nu niet langer aan twijfelen:
slapen deed hij niet meer ; doch voor \'t overig wist hij er toch niet
wijs uit te worden. Daar zweefde hem nog wel een verward ge-
heugen door het hoofd van de slemperijen van \'s avonds te vo-
ren; hij gevoelde wel, dat Jan of Klaas (of hoe hij ook heeten
mocht), die gisteren grooten dorst had, in hem nog bestond; maar
hij zag voor zijne oogen, dat er toch iets aan veranderd was, zonder
recht te weten wat, hoe of wanneer. Met dit alles kon hij evenwel
niet ontveinzen, of de verandering was ten goede geschied, en, te
midden zijner bewondering, zijner verlegenheid zelfs, smaakte hij
wel eenig gevoel van voldoening. Kort, als ware er iets in hem zelven,
dat zeide: indien \'t zoo wezen moet; liet zij zoo! wanneer de be-
dienden, die eenen stap achteruit gegaan waren, om op hunne lippen
te bijten, nu weer naderden en nogmaals vroegen, welken tabbaard
en kaproen hij hebben wou, antwoordde hij flinkweg: „de beste!"
Nu repten zich de kamerdienaars en stoven door malkander, om alles
bij te brengen voor kleeding en opschik van den betooverden Hertog.
Deze werd gewasschen, gekapt, gezalfd en gesmukt, dat hij blonk
als eene hesp en wel rook als een bloementuil. Dus opgesierd, stapte
hij de bedzaal uit, alswanneer de hoveiingen hem te gemoet snelden,
goeden morgen wenschten, en, na zoo nog wat complimenten, waar
de sukkel genoegzaam mee gediend scheen, hem naar de hofkapel
-ocr page 63-
EENE KLUCHT VAN PHILIPS DEN GOEDEN.
55
leidden, om zich van zijne christelijke plichten te kwijten. Hier was de
scherts zoo goed op hare plaats niet; doch \'t ging in de eenvoudigheid
door, en denkelijk zonder verergernis. Hoe \'t zij, hij woonde den dienst
bij, bad op zijne vingeren niet zoo min verstrooidheid als \'t moge-
lijk was; want in \'t gebedenboek lezen, dat vóór hem op de knieb
bank lag, dat had hij zoo haast niet kunnen leeren. Voor \'t overig
werd hij bewierookt; men bracht hem het evangelieboek te kussen;
hij ontving de pax, en zoo voort, gelijk het de gewoonte was bij den
Hertog van Burgondic. Hoe langer het duurde, hoe meer het den
gewaanden vorst ernst wierd; en, toen hij de kapel uittrad, droeg
hij het hoofd reeds hooger in de lucht en pronkte als een haan.
Nu werd het etenstijd. De (leuren der feestzaal vlogen open, en
daar stond de tafel gedekt en voorzien met alles, wat de drie toen
bekende werelddeelen lekkerst en kostbaarst mochten opleveren. De
gewaande meester, wien van den reuk alleen het water in den mond
kwam, zet zich neder in eenen fluweelen leuningstoel; zijne hove-
lingen scharen zich rondom heen ; de voorsnijder stroopt zijne mouwen
op ; de knechten loopen over en weer in groote livrei en met de
handen vol pasteien. Ren edelknaap diende zijne Hoogheid, die on-
gelukkig dezen vreemden kost niet gewend was, en moeite hail om
zijne brokken door te zwelgen. Ken beker hypocras, (i) en de romer(2)
met wijn, gedurig ledig, doch even zoo haast weer gevuld, kwam
hier te stade, om den nasmaak te verdrijven en grooter ongeval
voor te komen. Kort, liet middagmaal liep tamelijk goed af, en de
nieuwe vorst dacht: dat zal nog beteren. Nu bracht de kamerling
de speelkaarten binnen, en stelde een verheven stapel gouden schilden
(3) aan de rechterhand des Hertogen, die met zijne edele gasten
lustig aan het troeven viel, en er ruim zoo goed mee omging als
met lepel of vork.
De nieuweling leerde allengskens bij, en kreeg er smaak in. Om
vier, vijf uren deed hij eene wandeling in den tuin; vervolgens
trok hij met zijn geheel gezelschap naar het hazenperk, om zich
met de jacht te vermaken, en eindigde de vroolijkheden van den
dag met de vogelvangst.
De avond bracht nieuwe feesten mede. Een rijk banket lokte
weer al de gasten naar de eetzaal, de tijdkortingen des namiddags
1) Zeer gezochte drank in ile middeleeuwen: \'t was roode of witte wijn met suiker of
Kaneel. -j) Romer ol\' roemer — e;root wijnglas.
2\'; Geldstuk waar de wapens van \'s vorsten schild op gedrukt stonden.
-ocr page 64-
56                       EENE KLUCHT VAN PHILIPS DEN GOEDEN.
hadden de magen opgwekt, en vooral dorst ontstoken. De spijzen,
als hadden zij reeds eenen minder ongewonen smaak dan te mid-
dag, verdwenen gelijk rook ; de malvezij, de lekkere Beauner-wijn
en die van Romanée liepen als van zelf de glazen uit, en verkwikten
hart en geest, dat het een lust was om te zien. Te midden van het
avondmaal, werden er nog nieuwe kronen met waskaarsen opge-
hangen; nu kwamen de muzikanten binnen; hen volgden dansers
en danseressen, allen dochters en zonen van de adellijkste huizen
der stad, met de vreugd op het aangezicht. Daar werd gezongen,
gespeeld, gedanst; de heeren zegden refereinen op in den smaak
der Rederijkers, de dames tierelierden om filonieelen beschaamd te
maken; allen te zamen vertoonden Spelen van Sinne, gedicht door
de Broeders van de Brugsche Kamer de Drie Santinnen. Om kort te
zijn, in het aardsch Paradijs was nooit zoo een feest geweest, men
zou er den hemel mee vergeten hebben. De uren vervlogen, alsof
men er met zweepen achter zat, en, toen de hofklok twaalf slagen
liet hooren, meende ieder, dat ze ontredderd was, en voor \'t minst
een vierde gelogen had. Nu werden er nog nieuwe gezondheden
ingesteld; een ontzaglijke romer, vol muskadellensap, deed de ronde,
en moest beurtelings, door ieder der gasten, te beginnen met
den Hertog, tot den bodem geledigd worden.
De Hertog deed bescheid zonder meten of rekenen; daar viel hem
wel een mondvol op de mouwen en op de armen van zijnen zetel,
doch men gaf er geene acht op, dewijl er ditmaal, en inzonderheid
voor zijnen persoon, van geene boete gesproken was. Deze lustige
teug maakte slot van rekening en \'t was tijd; want de kruiken
wilden niet meer.
Het spel was uit; de gelukkige vorst, wist niet veel meer te zeg-
gen, maar geeuwde des te luider, en eindigde met zich aan de zoete
nachtrust, die allen kommer verdrijft en alle wonden zalft, over te
geven. De slaap sluit zijne oogen toe; hij sluimert in, en, al ware
vijf Vaderonzen daarna de wereld vergaan, hij zou niet wakker ge-
worden zijn, of er iets van geweten hebben. Zoover juist moest
het komen. Hertog Philips, die verkleed alles bijgewoond en zich
niet weinig vermaakt had, deed nu den man onttooveren. De rijk-
versierde tabbaard werd uitgeschud; de kostbare, nu een weinig
verfrommelde kaproen, en wat overigens nog gediend had, werd
weggedragen, en men bracht in de plaats het werkmansbuis, waar
de vent opnieuw werd ingestoken; vervolgens bond men hem de
-ocr page 65-
EENE KLUCHT VAN PHILIPS DEN GOEDEN.                       57
blinkende en stinkende broek weer om de heupen, men deed hem
zijne zokken en blokken weer aan de voeten, en zoo werd hij, juist
in het kostuum van den avond te voren, teruggedragen op dezelfde
plaats, waar men hem toen had opgeraapt.
Daar lag nu de zatterik weer te slapen : zoo zacht wel niet als
op het praalbed der hofzaal; doch, gelijk hij van het dons geen
gevoel had gehad, zoo min voelde hij thans de hardheid van het
steenen oorkussen, waar zijn hoofd op rustte, of van den hobbeli-
gen grond, waar zijn leden op uitgestrekt waren. Vermoedelijk
echter zal hij ditmaal wel iets vroeger wakker zijn geworden dan
den vorigen ochtend; maar nu keek hij met niet minder verbijste-
ring in \'t rond, toen hij, half geradbraakt, in de straatgoot overeind
zat. Zijne eigen persoonlijkheid was dezen keer geen voorwerp van
twijfeling of verwondering: hij dacht er niet eens aan; want hij ge-
voelde zich, zonder de minste redeneering, in- en uitwendig denzelf-
den, gelijk hij zich altoos gekend had. Doch, terwijl hij met de
handen zijne lamgelegen en gekneusde dijen wreef, schoot hem al
het gebeurde van daags te voren als een bliksemschicht door de
hersenen: die schoone kleederen, die hofstoet, die eerbewijzingen,
die kerkplechtigheden, dat middagmaal, die wandelingen, die ha-
zenjacht, die vogel vangst, dat avondfeest, die lekkere wijnen, dat
spelen, zingen, dansen van heeren, dames, jongens, meisjes, en al
die pracht en kostelijkheid van hij wist niet wat of waar. Nochtans,
hij sliep niet meer; neen, hij was wakker; hij stond recht, mat en
afgesloofd, stijf en met een hoofd zoo zwaar als een molensteen.
Wat was er toch omgegaan? Was hij geen koning, of hertog, of
zulk iets geweest? Had hij in geenen zetelstoel gezeten? Had hij
geen honderd knechten zien rondloopen, niet gegeten en gedronken
uit gebloemde teiloren (1) en kristallen romers?Ja, dat herinnerde
hij zich zoo levendig, alsof \'t in dit oogenblik zelf gebeurde. Maar
zou het niet gedroomd zijn? Hij had nog al gedroomd van dingen,
die even zoo onmogelijk waren als koning zijn. \'t Was moeielijk
om te gelooven; want het had zoo lang geduurd, hij had het zoo
wel gehoord en gezien, en \'t was alles zoo treffend, zoo verbazend
en tevens zoo aangenaam!
Met deze gedachten brak de man zich het zieke hoofd; doch
wat het peinsde en herpeinsde, hij zag er geenen dag door. Intus-
1 Tcllimr, teljoor, o. ^. Imnl. eetbord.
-ocr page 66-
58                       EF.NF. KLUCHT VAN PHILIPS DEN GOEDEN.
schen stapte hij tic Markt af, en richtte zich naar ile steeg, waar
hij sedert jaren een achterhuis bewoonde. Onderwege verdiepte hij
zich nog in zijne herinneringen, doch besloot in \'t eind dat hij,
alles wel ingezien, gedroomd had.
Nu verhaalde hij met eene soort van welsprekendheid, aan zijne
vrouw, aan zijne kinderen, aan zijne ge-buren, den wonderen droom
met al de omstandigheden; en deze riepen eenpariglijk uit: O! wat
een schoone droom ! maar droomen is bedrog.
.1. DAVII).
MIJNE GROOTMOEDER.
Mij dunkt, nog zie ik heur zitten,
De brave, goede vrouw,
In hemen breeden leunstoel
In \'t hoeksken van de schouw.
\'k Zie nog heur witte kappe,
Heur needrig zwarte kleed,
En de oogen, die allengskens
De tijd verdooven deed;
Heur bleeke paersche kaken,
Heur beenderige hand,
En dan de trouwe krukke
Die ophing aan den wand!
\'t Is lang, zeer lang geleden !
Ik telde nauw acht jaar —
Een knaap met vonkende oogen,
En weeldrig bloeiend haar !
Zij was mijn beste speelnoot,
Mijn zachtst verblijf heur schoot,
Niets zoeter dan de kussen,
Die zij mij rustloos bood!
Hoe dikwils, nimmer moede,
Heeft zij me niet gestreeld,
En uren, gansche dagen,
Met mij, zelf kind, gespeeld !
-ocr page 67-
MIJNE GROOTMOEDER.
Hoe dikwils, mij omhelzend,
Gezucht met bleeken mond:
„Nooit zal u Grootje man zien !"
Tot mij, die \'t niet verstond !.. .
Ik reed op heure knien,
Klom langs den stoel omhoog,
Sloeg plots de poëzie handen
Dol gichlend voor heur oog,
En eer de goede ziele
Mij dan met name hiet,
•— Zij dreigde, keef en pruilde ! —
\'k Ontsloot de hand toch niet!. . .
Nu is het hoekje ledig,
De krukke niet meer daar . . .
Geen kind woelt om den zetel
En speelt en jokt met haar!
Maar telkens dat ik inkoom,
En \'t ledige plekje aanschouw,
Mij dunkt, ik zie heur nog zitten,
En ach ! \'k draag heuren rouw!
POL DE MONT.
EENE GKTUIGENIS.
De oude en trouwe Lycisca was gestorven en Dameet had bij
zijne schaapskooi eenen wachthond noodig. Om eene zekere keus
te doen, besloot hij de getuigenis der wolven te raadplegen. —
„O, neem den grimmigen Lycus niet!" schreeuwden de wolven;
„dat is een doorslechte hond. Immer ontrust hij de gansene streek
met zijn hol geblaf. Hij verstoort ieders nachtrust en bijt steeds
naar al wat hein nadert of slechts onder den reuk der schapen
komt. Geen nacht dat zijne kudde den slaap geniet; ook is hij
alomme gehaat en met den nek aangezien. — En dan zijne eerlijk-
heid!" — „Ik heb hem gisteren den muil vol bloed gezien," riep
een, die zijne tanden met moeite ontsnapt was: „gewis hij steelt
heimelijk." — „Ik zag hem zelf met een lam, half doodgebeten,
-ocr page 68-
6o                                             EENE GETUIGENIS.
de hei oversnellen, het deerde mij," riep een ander, wien dat lam
door den trouwen wachter uit de kaken ontscheurd was; „neen,
gewis Pycus is niet eerlijk!" — „Maar de stille Procion dan?"
„O, dat is een goed, vriendelijk beest, dat nooit blaft of nooit bijt,
en met niemand geschil heeft. Neem Procion, henier : dat is eene
parel der honden !"
De grijze Melibee, die ilit hooide, sloeg Dameet op den schouder.
„Geen slechter teeken voor herder of hond," zei hij, „dan wanneer
de wolven ze prijzen."
W. BILDERD1JK.
W E 1) Z A N G.
Nachtegaal en Koekoek streden
Om den zangprijs van het dal.
Hoe gelukkig zal hij wezen,
Die den zangprijs winnen zal!
Koekoek sprak: ik weet een rechter,
Die ons vonnis wijzen kan :
Ooren heeft hij om te hooren
Grooter dan de groote Pan.
De Ezel kwam; men gaat aan \'t zingen.
Langoor bromt eens in de keel,
Rekt zich uit, en geeuwt en luistert
Naar het lied van Filomeel.
Wind en bosch en stroomen zwegen.
Eindlijk zegt hij: „Gansch niet kwaad;
Maar het is te wild gezongen,
En het blijft niet in de maat."
Na een korte poos gegrinnik,
Geeft hij d\'ander ook gehoor,
Koekoek fluks aan \'t koekoekschreeuweh,
Koekoek ! koekoek! na als voor.
„Bravo ! ja, dat noem ik zingen,
(Zegt hij) dat \'s de rechte toon !
\'t Nachtegaaltjen piept wel aardig,
Maar de Koekoek spant de kroon.
-ocr page 69-
WEDZANG.                                                           6l
„Dat zijn klinkklaar zuivre jamben ;
Dat \'s een maat naar m ij n verstand :
Daar is \'t zoet bij in te slapen,
\'k Hou niet van dien Griekschen trant."
\\V. HII.DKRDIJK.
DE KONING EN HET KONINKSKEN DER VOGELEN.
De vogels hielden eens eenen plechtigen landdag, waarbij moest
beslist worden, wie van hen over het pluimgedierte den schepter
zwaaien zou. Men kwam overeen dat hij, die \'t hoogst ten hemel op
kon vliegen, de kroon zou spannen.
De arend, breed gevleugeld en fel gespierd, schoot al de mede-
dingers voorbij. Maar als hij daar nu in al zijne glorie en majesteit
in de hoogste lucht hing te zweven, hoorde hij eensklaps boven zich
eene fijne stem „victorie! victorie!" roepen. Het was het vogelken,
dat wij nu het koninksken noemen, maar toen heette het nog zoo
niet. — Hoe was het zoo hoog geraakt, hooger dan al de andere
vogels? — Het had zich op den rug van den arend gezet, die er-
mee opgestegen was zonder het te voelen, en toen de arend niet
hooger meer kon, was het ooiijk ding maar eerst beginnen te vliegen.
Als de landdag nu uitspraak moest doen, werd zulks niet voor
geldig aanvaard, en de kroon werd den arend toegestemd. Onder-
tusschen zat onze kleine guit op zijne houtmijt, van waar hij het
verlies van zijn proces met zulk een boertig liedje begroette ,dat
gansch de vergadering in eenen luiden schaterlach uitbarstte." De
arend zelf geraakte in goede luim, en daar hij nu met macht
bekleed was en voor gansch zijn volk het woord mocht voeren,
sprak hij: „Ik ben koning en zal het blijven. Edoch, gij daar,
koddig ding, zult in \'t vervolg der eeuwen Koninksken heeten."
J. B. MARTENS.
DE MUSCH TUSSCHEN DE ZANG VOGELS.
IN \'T ALBUM VAN D1\' J. NOLE\'i\' DE KRAUWERK VAN STEELAND.
\'t Woelde en het schaterde in \'t woud
van het liefelijk orgiën der vooglen;
Gansch het gevleugelde koor
zong er zijn jubelend lied.
-ocr page 70-
02                              DE MUSCH TUSSCHEN DE ZANCVOGELS.
\'t Droppelde als vloeibaar goud
uit honderd verschillende gorglen,
Grootsch zich smeltend te zaam
tot een welluidend akkoord.
Leeuwrik en Nachtegaal
naast Grasniusch, Merel en Sijsje,
Schuilend in \'t lommerig groen,
kweelden op iedere twijg.
Allen wel dongen zij niet
naar de kroon met gelijke verdiensten,
Toch was ieder van hen
meester in \'t edele vak..
\'t Schallende vooglengezang
lokte immer nog andere vooglen,
Die met eere hun stem
paarden aan \'t juichende koor.
Eindelijk kwam er een muschje
bedeesd, en het zette zich luistrend
Op een naburigen boom;
maar het verroerde geen bek.
„Waarom zingt gij niet mede,
o makker?" zoo vroegen de vooglen;
„Kom, zit neder bij ons;
meng u bij \'t vroolijke lied !" —
,,\'k Ben maar een musch," was \'t antwoord ;
„dierbare vooglen, ge weet wel,
\'k Ben geen zanger; ik kan
piepen et tjilpen alleen !" —
„Piep dan en tjilp ! kom hier,
kom hier op dit ledige takje:
Piepen en tjilpen, o musch,
vullen ook \'t vogelenkoor." —
Dankbaar vloog het nu bij,
en het wipte op \'t ledige takje;
\'t Piepte er en tjilpte, maar \'t deed
hartelijk, wat het vermocht.
S. DAEMS.
-ocr page 71-
HET GESCHENK VAN DEN ARME.                                    63
HET GESCHENK VAN DEN ARME.
De carnavaldagen waren luidruchtig en vroolijk afgeloopen voor
velen; voor <le weduwe uit het winkeltje en haren zoon moesten zij
een treurigen nasleep van smart en kommernis nalaten. Hij was
een eenig kind, een mechaniekmaker. Hij was oppassend en werkzaam :
dit wist zijn patroon; dit bevestigden de meesterknechten. Hij was
opbruisend, maar oprecht van karakter; dit getuigden zijne werk-
gezellen. Hij was een bedorven kind, zeiden de geburen, nu zag
zijne moeder, wat er van gekomen was. Ja, het scheen al heel erg:
in den dinsdagnacht was er twist ontstaan onder drie of vier \\verk-
lieden: een hunner had cenen steek gekregen en lag tusschen leven
en dood. Pingel was tegenwoordig geweest en in de zaak betrokken.
De grootste plichtige zat achter slot; hij ook was reeds voor den
onderzoekrechter gedaagd geworden, maar tot hiertoe nog op vrije
voeten. Was hij plichtig ? was hij het niet? Wie kon het zeggen?
Zij, die er bij geweest waren, getuigden de eenen vóór, de anderen
tegen hem. Hij loochende hardnekkig de hem ten laste gelegde
misdaad, doch degenen, die zijn karakter kenden en daaruit hunne
gevolgtrekkingen maakten, geloofden aan zijne schuld.
                    r\'
„Hij is onnoozel als een lam," verzekerde zijne moeder in hare
verblinde liefde; „hij heeft niets misdaan; er is geen braver kind
o]) heel de wereld, geen zoon, die zijne moeder meer bemint dan hij."
Ja, dat was waar, dat hij haar beminde, en het was ook wel zeker,
dat zij zijne liefde verdiende. Wat had zij al niet gezwoegd voor
hem, als hij klein en hulpeloos was! Zij was vroeg weduwe geworden;
haar man had ergens een kleine bediening vervuld, en na zijnen
dood bleef zij zonder middelen van bestaan. Maar zij was jong en
moedig, zij ging in daghuur uit werken, en eindelijk, als haar zoon
groot was, had zij mogen rusten; want hij was er fier op, dat hij
voor zijne moeder arbeidde.
Zij hield een klein winkeltje van bezems, ajuin, fruit en eieren.
Zij woonden in een bouwvallig hoekhuisje met een hellend geveltje,
in een arm en volkrijk kwartier der stad. De vloer lag lager dan
het straatje of veelmeer het steegje voor de deur. Van op den
drempel harer woning kwamen orde en zindelijkheid u tegen. In
het woonkamertje achter den winkel blonk en schitterde het nederig
huisraad van reinheid; want uiterst nederig en schier armoedig was
er alles, bij uitzondering van eenen ouderwetschen spiegel met eene
-ocr page 72-
64                               HET GESCHENK VAN DEN ARME.
vergulde lijst, en een sierlijke rank van druiventrossen in het glas
geslepen, dat duister en vol spotvlekken was. Dit scheen van vroe-
geren rijkdom te getuigen; maar wat nog meer het oog des toe-
valligen bezoekers aantrok, waren twee lichtblauwe porseleinen
kuipjes met kleurige vlinders en bijen op, die op het schouwoord
prijkten; oud, onbeschadigd, van een zonderling maaksel en —• van
eene groote waarde, had men aan liet vrouwtje meer dan eens ge-
zegd. Dat waren Grootmoeders kuipjes, zoo noemde zij hen. Kn
als Kngel klein was en schreide, mocht hij soms met een van de
wonderbare voorwerpen vóór hem in zijn stoeltje aan tafel gaan
zitten, om de vlinders en bijtjes er op te bezichtigen : dat was wel
gevaarlijk voor de schoone kuipjes; maar Kngeltje werd zoo gaarne
gezien van zijn moeder.
Als hij grooter was, had zij hem dikwijls van Grootmoeder ver-
teld: Grootmoeders ouders waren heel rijk geweest; Grootmoeder
had als kind in de koets gereden, en een dienstmeid voor haar
alleen gehad, zij had groene marokijnen schoentjes gedragen en hare
moeder een satijnen kleed met groote bloemen op geweven. Kn de
twee tobbetjes had ze toen ook eens gekregen. Maar als Groot-
moeder zeven jaar oud was, waren hare ouders in eens arm geworden;
want haar vader had zich borg voor zijnen halfbroeder gesteld, en
heel zijn vermogen daarbij verloren. Grootmoeders ouders waren
van verdriet gestorven, en zij was bij een nicht in huis genomen,
en daar als dienstmeid opgebracht; maar den spiegel en de twee
porseleinen kuipjes had zij behouden.
Wat hoorde Engel dat gaarne vertellen, en wat had hij de kuipjes
van Grootmoeder lief! Helaas, wat zou er nu van hem geworden
en waaraan had zijne moeder het verdiend, dat hij aldus ineens den
vrede haars harten verstoorde?
In een nieuw verhoor had hij zijn eerste verklaringen tegenge-
sproken, en was nu ook in het gevangenhuis moeten blijven. Daarmede
werd de vrouw radeloos en in hare hulpelooze wanhoop, dacht zij als
laatste redmiddel aan den zoon uit een huis, waar zij vóór twaalf
of vijftien jaren gewerkt had, en die thans advocaat was.
Zij liep naar hem om troost en hulp. Hij kende haar nog. Hij
was eerst onlangs geplaatst. Zij vertelde hem weenend van de
valsche beschuldiging, die op haar kind woog, van zijne deugden
en zijn goed hart; zij voegde er bij, dat hij niets misdaan had en
enkel tegenwoordig geweest was bij de vechtpartij. En de advocaat
-ocr page 73-
HET GESCHENK VAN DEN ARME.                                   65
stond na te denken met de kin in de hand; wellicht had hij mede-
lijden met haar ; wellicht beschouwde hij dit als eene zaak, die hem
roem kon bijbrengen; mogelijk was hij door een mengsel van dit
alles bezield: allhans hij klopte haar op den schouder en sprak
troostend, dat zij niet wanhopen moest, dat hij haren zoon verdedb
gen zou. En toen zij hem ontroerd bedankte en hem zeide, dat zij
hem al wat zij bezat, hadde willen schenken, toen glimlachte hij
zoet en verzekerde haar, dat hij zulks uit oude genegenheid doen
zou, en zij hem niets daarvoor verschuldigd was. Hij had haar tot
aan de deur geleid en nog eens beloofd, dat hij het geval zou on-
derzoeken. Zij was met lichten tred en een verlicht hart wederge-
keerd en beeldde zich in, dat de jonge advocaat, evenals zij, van
de onschuld van haren zoon overtuigd was.
Thans volgden op nieuw onrustige dagen en slapelooze nachten
met vluchtige tusschenpoozen van betrouwen en hoop, volgens
de geburen spraken, of hare eigene phantasie haar troostbeelden of
spookgestalten voor den geest bracht.
Eindelijk brak de morgen aan, waarop het proces moest gewezen
worden. Het uur was daar; de tijd ging voorbij; het werd laat,
en zij zat alleen in haar woonkamertje. Haar hart klopte popelend
en het was alsof zij er een schicht door schoot, telkens als zij een
gerucht daarbuiten vernam of meende te hooren. Bidden kon zij
niet meer, denken evenmin en zij zat met de handen in den schoot
als versteend voor zich te staren.
Daar verneemt zij in eens luide stemmen en gewoel aan de voor-
deur: het is haar zoon, — haar vrij gesproken zoon, die van zijne
vrienden omringd, en van de geburen gevolgd, in huis komt ge-
stormd, en haar lachend en weenend om den hals valt.
„Vrijgesproken!" klonk het in verwarde tonen aan haar oor, en
de mutsen zwaaiden om haar heen.
Het ophouden van eene kwellende onrust of het ontsnappen aan
een dreigend gevaar staal gelijk met eene onmetelijke vreugde. Wat
werd er feest gevierd in huis! — Want degenen, die hem voor schub
dig hielden en zeiden, dat zijne vrijspraak een schande was, bevon-
den er zich niet, en zij, die aan zijne misdaad getwijfeld hadden,
waren — medegeslecpt door de woorden van den advocaat en door
hunne genegenheid voor Engel en opgewonden door den wijn, dien
hij hun in ruime mate toedeelde — thans volkomen van zijne on-
schuld overtuigd.
5
-ocr page 74-
66                                    HET GESCHENK VAN DEN ARME.
„O, moeder," sprak hij vol geestdrift, „gij hadt moeten hooren,
hoe de advocaat mij verdedigd heeft! hoe hij het uitlegde, dat nooit
iets o]) mij te zeggen is geweest, en ik eens een enkel maal — bui-
ten mijnen wil in een slecht gezelschap geraakt en ten onrechte van
cene misdaad beticht was. lui moeder!" — en hier greep de zoon
in vervoering hare heide handen vast — „hij heeft ook van u ge-
sproken; ginder, zei hij, zit een brave, ziekelijke, oude moeder, wier
steun hij is, met de onrust in het hart op haren zoon te wachten.
Zij zou het niet overleven, moest hij eene veroordeeling ondergaan.
Mnar neen, riep hij tot de rechters en sloeg met de vuist op de
balie, neen, zoo onrechtvaardig zult gij niet zijn. Gij zult hem
vrijspreken, en zuiver van allen blaam in de armen zijner liefderijke
moeder terugzenden."
En de arme vrouw weende, als zij dit hoorde en al de omstan-
ders veegden aan hunne oogen, en spraken allen tegelijk, en elk
vertelde nog eens aan den andere het gebeurde.
Als zij des avonds alleen zaten in het rustig huisje, gevoelden zij
zich zoo innig gelukkig weder vereenigd te zijn. Zij spraken ook
van den jongen advocaat en zijne pleitrede... Al de heeren van
het tribunaal hebben hem de hand gedrukt en hem geluk gewenscht,"
zei Engel. „Wat ben ik hem danklaar!... maar, moeder, wij zouden
hem onze erkentelijkheid op de een of andere wijze moeten uit-
drukken."
—  „Ach," antwoordde de vrouw, „indien wij toch rijk waren om
hem een kostbaar geschenk te geven! Laat eens zien: indien ik hem
zoo vijftig van de allerschoonste versche eieren droeg, wat dunkt u ?"
Maar de zoon schudde het hoofd: „neen, moeder, dat kan niet
zijn, dat is niet genoeg," zei hij: „Zou ik hem niet een kistje fijne
sigaren kunnen koopen ? — maar wie zou mij het geld voorschie-
ten ? vroeg hij zich treurig af.
—  „Wie weet of hij rookt!" sprak de moeder.
Zij dachten en zochten in den geest, maar vonden niets.
—  „Ja," zuchtte de vrouw," indien wij nu het vermogen van de
ouders van Grootmoeder bezaten !"
Grootmoeder! Dat was een lichtstraal voor beiden. De porselei-
nen kuipjes van Grootmoeder! — Ja, daar was het gevonden. —
„En dat is ten minste schoon genoeg voor den advocaat," zei Engel
met fierheid, als hij er een van op tafel zette, terwijl zijne moeder
het andere aan haar voorschoot afveegde.
-ocr page 75-
HET GESCHENK VAN DEN ARME.                                    67
De nacht was haar te lang. Des anderen daags morgens trok zij
naar haren advocaat met den schat onder den mantel. Het was nog
te vroeg. Zij zag hem door de glazen deur van de gang, met
zijnen slaaprok en pantoffels aan, in het hoveken.
Hij kwam bij haar, en met dankbare, afgebroken woorden en
blijde tranen stak zij hem de oude kuipjes van Grootmoeder toe, en
hij nam ze met ontroering aan, en drukte haar de hand, en wenschte
haar geluk over den goeden uitslag en lange en vreedzame dagen
met haren zoon te mogen beleven.
Nog staan de porseleinen tobbetjes op het schouwbord zijner
eetzaal te prijken, en wekken de bewondering der kenners. Thans
is hij een oud man en een vermaard advocaat, en hij toont ze nog
met zelftevredenheid, als cene herinnering aan zijne eerste zegepraal
voor het assisenhof, (i) en tevens als een bewijs van milde dankbaar-
heid, als een geschenk van den arme.
VIRGINIE LOVELING.
P R E N T J E N S-K IJ K E N.
Schoon het rustuur was geslagen
Voor den kleenen, zwakken knaap,
Bleven de oogen vrij van slaap,
Hoe ze ook staarden, wat ze ook zagen
In d\'ontsloten foliant,
Krakende in den leeren band.
\'t Was het lievlingsboek van d\'oude,
Die er menig kreuke in vouwde,
Iedren avond trouw in las,
Of \'t zijn Bijbel was.
\'t Avonduur werd met verlangen
Door zijn kleinzoon afgewacht;
Als het boek werd mee gebracht,
Verfde een blos de bleeke wangen,
Joolde hij in \'t rond van vreugd.
Maar \'t bracht moeder ongeneucht, (2)
En met recht was zij te onvreden:
\'t Slapensuur werd overschreden,
Stond de jongen eenmaal daar
Bij zijn beste-vaar.
: i, AssiscithoJ — hol van assises* lijfstraffelijk gerechtshof.
;2J Otigt\'ticiicht voor ongeneugte, ongenoegen.
-ocr page 76-
PRF.NTJENS-KIJKEN.
Welk een tweetal, hoe verscheiden!
Kindren van verschillende eeuw!
\'t Zwarte haar en \'t witte als sneeuw.
Toch goé vrienden waren beiden:
En in \'s grijsaards grove knuist,
School temet de kindervuist.
De oude was — dit dee \'t verklaren,
Hoe hij bij \'t verschil van jaren,
Toch den jongen bleef gezind —
Naar \'t harte een kind.
Hij was goed en lief voor allen,
Daarom ook aan allen waard.
\'t Beste hoekje van den haard
Moest aan hem te beurte vallen.
Ieder merkte blijde er op:
„\'t Blijft altijd een flinke kop."
Als hij kalm zijn pijpje rookte,
Of met kracht in \'t turfvuur pookte,
Zou je\'em schildren, — beste-va&r
Met zijn gouwenaar.
\'t Feestuur sloeg weer voor den jongen,
Die, bij \'t flikkren van de zes,
Hunkerend naar de avondles,
Moeders schoot was afgesprongen,
Waar hij vaak te rusten plach. (i)
„Ben je ree?" sprak de oude; een lach
Krulde hem de breede lippen,
Bij \'t oopnen van de knippen,
\'t Rekken van de kleene hand
Naar den lecren band.
De oude liet den knaap verhalen.
„Weet ge \'t nog, zeg, wie zijn dit?"
„Dat \'s de Ruiter, dat \'s de Witt,
„Dat de Trompen, dat van Galen,
„Dat de Zwijger, dat Piet Hein."
Alles kruiste hem door \'t brein.
voor phicht.
-ocr page 77-
PRENTJENS-KI/KEN.                                             69
En hij kroop op Grootvadrs schouder,
Vleide en riep er: „Word ik ouder,
„Beste-vadr! dan ga ik mee
„Texel uit, naar zee."
De oude grinnikt van genoegen;
O hoe lief hem \'t jonksken was!
„Die is nog van \'t echte ras,
„Die zou nog voor \'t baaitje voegen,
„Voor de draaibas en kortjan,
„Kroop niet weg voor d\'Engelschman."
Moeder had het lang verdroten;
Eindlijk rees ze: „\'t Boek gesloten,
„Beste-vadr! hij is vermoeid;
„Hoe de jongen gloeit!
„Al die ruwe en vreemde mannen ....!
„Als hij nu maar slapen kan___
„Och hij droomt er zeker van,
„Want het kind is overspannen.
„Als hij ziek wordt — hij is zwak...."
De oude schaterlachte en sprak:
„Moeder! \'t zal zóó ver niet komen;
„Laat hem van die lui maar droomen,
„Dat geeft zwakke lenden kracht___
„Jongen! goeje nacht!"
H. J. SCHIMMEL.
DE JONGE VORST VAN SCHLESHEIM.
—  „Urbaan, Urbaan ! wat komt ge laat," klonk eene vriendelijk
verwijtende stem.
—   „Verschoon me, moederlief! Ik ben den geheelen dag op de
jacht geweest. Maar laat ons spoedig in, ge mocht koü vatten."
—  „Wie is hij daar achter u ?"
—   „Herkent ge hem niet, moedertje? Zie eens goed !"
—  „De Vorst?"
—  „Schrikt ge van mij? Ik hoop toch niet, dat ge mij een
plaatsje aan den haard weigeren zult. Ik ben doodmoe, en smacht
naar iets warms."
-ocr page 78-
70                             DE JONGE VORST VAN SCHLESHEIM.
—   „Maar, Uwe Hoogheid, we hebben niets in huis. Mijn man
komt zoo juist uit het bosch, en we zullen ons aan tafel zetten.
Maar ge zijt beiden zoo koud — kom binnen, in de keuken; \'t is
het eenige warme vertrek •— en neem dan voor Hef, wat ik u kan
aanbieden."
—   ,,\'t Eenvoudigste is ons goed genoeg. Hè! \'t is hier beter
dan daarbuiten."
Het ruime vertrek was netjes in orde gebracht voor den feestdag,
\'t koperwerk glansde, een hagelwitte doek lag op de tafel, en een
schotel warme melkpap lokte de kinderen daarom heen. De vader,
Hubert, zat in zijn armstoel bij \'t lustig knappend vuur; zijn twaalf-
jarig dochtertje stopte zijne pijp, en twee kleine bengels kropen
tegen zijn knieën op.
—  „Daar is Urbaan!" riepen allen vroolijk, en gingen den oude-
ren broeder tegemoet, maar toen zij 1 .udwig achter hem zagen,
bleven zij bedremmeld staan. Ook de vader stond eerbiedig op.
—  „Goeden avond, Hubert, goeden avond, kinderen!" groette de
Vorst vriendelijk. „Maak geen omslag; \'t is immers de eerste keer
niet, dat ik hier wat kom rusten. Ik heb honger gekregen van dien
verren tocht, en ik zal me die heerlijke pap goeil doen smaken,
als ge mij een plaatsje aan uwe tafel geeft."
—  „Maar, Uwe Hoogheid meent dit toch niet! Vrouw, haal de
flesch voor den dag: een glaasje warme wijn zal tien Vorst beter
smaken."
—  „Als ge dat doet, moedertje, dan ga ik, hoe vermoeid en
hongerig ook, onmiddellijk heen; wijn drink ik genoeg, maar melk-
pap krijg ik zelden, om niet te zeggen nooit."
—  „En straks komt de kerstboom uit den Hemel," zei een tier
kinderen, die nog geen begrip had van rang en stand, en in den
vriend van Urbaan niets anders zag dan een vroolijken, vriende-
lijken jongen.
—  „Welnu dan, Prins; ge zijt de meester, doe zooals ge goed-
vindt; maar wijt het ons niet, als we nu niet ontvangen zooals
het past."
—  „Mag ik doen zooals ik \'t goedvind ? Nu, dan ga ik naast
uwe moeder zitten, Urbaan; voor vandaag\' staat ge mij die eere-
plaats af, jongen, en straks, kleine....... is dat Hannes niet?......
gaan we samen den mooien boom bewonderen."
Eerst heerschte er eenige gedwongenheid aan tafel, maar toen
-ocr page 79-
DE JONGE VORST VAN SCHLESHEIM.                            Jl
Ludwig dapper, doch altijd door pratend, meehielp den grooten
vollen schotel te doen verminderen en de kinderen hoe langer hoe
vrijer met hem werden, raakten ook de ouders meer op hun gemak.
Toen Ludwig bij het einde van het maal den aardigen driejarigen
krullekop, Fransje, op zijne knieën liet paardje rijden, verzocht
de moeder hem zeer eerbiedig, toch zijne kleeren niet vuil te
maken, en toen een blik op Ludwig\'s Uooten hals werpend, ried
zij hem aan in den winter toch niet zoo roekeloos te zijn, en, even-
als Urbaan, eene bouffante te dragen. Ludwig lachte, en ver-
klaarde, dat hij wel twintig dassen en pelzen had van allerlei
kleur en dikte, maar er nooit aan dacht een om te doen, doch hij
zou in \'t vervolg beter oppassen.
Ondertusschen werden de kinderen ongeduldig.
—  „Moeder," fluisterde er een, „is \'t boompje onderweg bevro-
ren en komt het nu niet?"
—  „St. St." vermaande de moeder, „straks."
—  „Waarom straks?" vroeg Ludwig; „mag ik \'t niet zien?"
—  „Och, Uwe\' Hoogheid ! \'t is niets, \'t is maar een boompje,
dat Hubert uit het bosch heeft meegebracht, en waaraan wij een
paar lampjes hangen." .
—  „Zooveel te beter; dan verschilt het des te meer met het op-
gesmukte ding, dat ik van avond zal moeten bewonderen."
Hubert fronste, bij \'t hooien dier op minachtenden toon uitge-
sproken woorden, onwillekeurig zijne wenkbrauwen.
—  „Als de vorsten zelven zoo spreken van \'tgeen hun aangaat,
dan kan \'t niet anders, of ook de minderen moeten zoo denken,"
dacht hij,
—  „Zal ik maar gaan, moetier?" vroeg Grietje...... Ik geloof,
dat de Vorst \'t ook gaarne wil zien, en Klaartje is reeds lang in
de voorkamer."
De moeder wenkte van ja, en Urbaan, die voor het vuur stond,
schoof langzamerhand op zij, totdat hij eindelijk aan zijn geweer
kwam, en zich herinnerde, dat het juist ergens buiten du kamer
moest geborgen worden. Ludwig zag, dat zijne moeder lachend
den vader aankeek, waarop deze, half schertsend, half ontevreden,
liet hoofd schudde.
Ken oogenblik later hoorde men in de kamer daarnaast tikken,
L|i de grootere kinderen vielen op de knieën neder. Nu was
rransje niet meer te houden en gleed uit Ludwigs handen op den
-ocr page 80-
72                                 DE JONGE VORST VAN SCHLESHEISf.
vloer en met gevouwen handjes zette liij zich tusschen de anderen
neer. Toen gaf de verzwakte stem der moeder de eerste tonen aan
van een lieflijk kerstlied; de vader viel in met alle kinderstemmen
en ook Ludwig paarde zijne krachtige stem aan de hunne.
Daar ging de deur open, een helder licht scheen door tot in de
keuken en met een kreet van vreugde stormden de kinderen vooruit.
—   „O, wat is dat mooi, wat is dat heerlijk! en heeft \'t Heilig
Kindje dat alles gebracht?" en Fransje klapte in de handen en
stampte met zijne kleine voetjes op den grond en gierde het uit
van pret."
De den neboom was dan ook glanzend van al de kleine kaarsjes,
die tusschen \'t donkere loof flikkerden en daaronder stond een
eenvoudig houten kribje, met eenige leelijke poppen in bonte kleer-
tjes gestoken en tusschen de takken hingen een paar oranjeappels
en krakelingen, papieren bloemen, prentjes en beeldjes; daarachter
op een tafel netjes uitgestald, een paar nieuwe petten, griffels, leien,
een kerkboekje voor Grietje, een nieuw zakmes voor Urbaan, \'t
Was heel eenvoudig, de geschenken waren eigenlijk noodzakelijks
heden in het huishouden, die toch moesten aangeschaft worden,
maar \'t zag er feestelijk en netjes uit, en geene stadskleinen konden
bij den prachtigsten en rijksten kerstboom zóó juichen, als de ja-
gerskinderen om de verlichte tafel.
Ludwig deelde in de algemeene vreugd; hij bewonderde alles,
beproefde met Urbaans nieuw mes een stuk koek, eerst voor moe-
der Hubert te snijden en toen voor Grietje; hij beloofde te zorgen,
dat er \'t volgende jaar eene mooiere kribbe onder den boom zou
staan en zag even verstomd op als de anderen, toen Hannes aan-
kwam snellen met een glinsterend goudstuk, dat hij tusschen de
bladen van zijn prentenboek had gevonden.
—  „Een gouden cent," riep hij, „een gouden cent!"
—  „Ik heb er ook een!" juichte Anneke.
—  „En ik ook!" gierde Fransje.
De ouders zagen den Prins verwonderd aan, maar Ludwig ging
met hen mee zoeken en in de algemeene verwarring hoorde hij
niet eens, hoe Hubert en zijne vrouw hem verweten, dat hij zóó
verkwistend en veel te goed was.
:— „Maar weet ik er iets van ?" vroeg hij met eene hoogroode
kleur, die zoowel onstond uit de overmaat van zijn genoegen als
uit zijne weinige ervarenheid in het veinzen...... Denkt gij, dat
-ocr page 81-
DE JONGE VORST VAN SCHLESHEIM.                             73
mevrouw mijne moeder mijne zakken zoo goed vult ? Was \'t maar
zoo ! Ken van de engelen, die het Gloria zongen in de vlakte van
Bethlehem heeft het goud uit zijne vleugels laten vallen. Ik wenschte
dat hij ook iets in mijne beurs achterliet, maar die is leeg, helaas !"
en hij haalde zijn portemonnaie uit, waarin zich slechts wat koper
bevond. „Nu moet ik heen en vermaakt u goed, lieve kinderen !
Ik zal van avond nog veel moois zien, maar stellig niet, wat ik
hier vind: die vroolijke gezichtjes, — dat doet goed aan \'t hart;
in \'t paleis mist men ze geheel."
En hij groette allen met eene vriendelijke beweging, terwijl de
jager en Urbaan hem tot de deur brachten, onder allerlei dankbe-
tuigingen van den eerste.
.MEI.ATI VAN\' JAVA.
DE WAARHEID EN EZOPUS.
\'t Was eenmaal kermis op het land;
De blijde boerenjeugd
Sprong vroolijk dartiend hand aan hand,
In onbepaalde vreugd.
Men zag er menig kraam en tent,
Daar alles was. te koop:
Daar wierd een macht van koek gevent,
En brandewijn met stroop.
Ook was er een tooneel gewrocht,
Daar stond een oud doktoor,
Die pillen voor den dood verkocht,
En brillen voor \'t gehoor.
Hij riep de boeren bij elkaar,
En bood zijn prullen rond,
En maakte van zijn kranke waar
Zijn kranke beurs gezond.
Men zag er nog een Afrikaan,
Besmeerd met schoorsteenroet,
Die toonde daar een weerwolf aan,
Getemd aan Zembla\'s voet.
-ocr page 82-
DE WAARHEID EN EZOPUS.
En, nevens hem, een Samojeed,
Die, onder veel geschreeuw,
Op een der grootste honden reed,
Betiteld als een leeuw.
Men vond er een geschoren beer,
Die opsprong door een ring,
Of klauterde op een steile leer,
En voor een boschmensch ging !
Jan Klaasen stond er als een vorst;
Jack Pudding stond er bij ;
En Jan Potage met Hansworst,
Gemonsterd op een rij.
Ook kwam er Joris met zijn Trijn,
Gekropen uit den zak;
En de Italiaansche Harlekijn.
In \'t bonte lappenpak.
De Waarheid reisde door \'t gehucht,
En kwam bij dat geraas.
Zij wilde eens meedoen voor de klucht,
En vroeg er ook een plaats.
Zij kreeg ze van den Ambachtsschout;
Maar \'t kost haar een dukaat.
En fluks wordt daar een loots gebouwd,
Waarvoor: De Waarheid staat. —•
„De Waarheid? — Dat \'s een drommelsch woord
Roept een der kinkels uit.
„Wie heeft hier ooit zoo\'n naam gehoord !
„En wat of dit beduidt ?" —
„Dat \'s vast een zoon van Maziton,
Herneemt een grijze paai,
„Het heugt me, dat die pas l>egon;
„Dat was uitnemend fraai." —
-ocr page 83-
75
DE WAARHEID EN EZOPUS
„Dan danst m\' er zeker op de koord,
„Of goochelt uit de tas,
„Of brengt een hoen uit bekers voort,
„Met hocus-pocus-pas." —
Intusschen neemt ze een schreeuwer aan,
Gekleed in rood en geel;
Om voor de schouwplaatsdeur te staan ;
Die oefent zich de keel.
„Treedt binnen, vrienden, treedt maar in!
Hier is wat schoons te zien;
Zoo aanstonds maken wij begin.
Treedt binnen, goede liên !
„Hier ziet ge, voor een stuiver maar,
Uw inborst in een glas.
Nooit zag men hier een glas, zoo klaar,
Of dat zoo zuiver was !
„Al wie u zelven kennen wilt,
En wat gemoed gij draagt,
Acht hier uw stuiver niet verspild;
Hier wordt nooit geld beklaagd.
„Teedt binnen, mannen, treedt maar in !
Hier is wat echts te zien;
Zoo aanstonds maken wij begin.
Treedt binnen, goede lién."
„Zijn inborst kijken in een glas!
Wel dat moet aardig zijn;
Dat kwam ons somtijds wel te pas !"
Zei Jaap aan Jakomijn.
„Dat moet ik kijken met mijn wijf,
En met mijn oudste meid.
\'t Is nu een tijd van tijdverdrijf,
En \'t kost een kleinigheid."
-ocr page 84-
DE WAARHEID EN EZOPUS.
„Ik ook (zegt Goossen), \'k moet dat zien.
Zij zeggen: \'t is al raar !
Mijn wijf en jongens alle tien,
Die gaan er met malkaar."
„Ik ook (zegt Huibert) voeg me erbij."
„Ik ook," zegt de Ambachtsklerk,
Met nog een kermisfeestpartij,
Wel veertig, vijftig sterk. —
Men stapt er in met ongeduld,
En eer het iemand dacht,
Is reeds de gansche tent vervuld,
En \'t schouwspel wordt verwacht.
De Waarheid treedt bedeesd in \'t licht,
Van achter heur gordijn,
En houdt heur spiegel voor \'t gezicht
Van allen die er zijn.
Zij kijken. Maar met d\'eersten blik
Deinst ieder achter uit.
„Zou ik dat wezen kunnen ? Ik ?"
Is \'t algemeen geluid.
„Wel foei! heb ik zoo\'n trouwloos hart?
„Zoo\'n doorbedorven aard ?" —
Wel foei! Is mijn gemoed zoo zwart ?
Mijn inborst zoo onwaard ?"
„Wel foei! dat is een wolventrek !
Ken Ezels onverstand !
„Vervloekt! men houdt ons voor den gek !
Dat vrouwmensch moest verbrand!"
Vergeefs is \'t, of de Waarheid zeit:
„Sus, vrienden, zijt bedaard,
De spiegel heeft u niet misleid,
Gij ziet uw rechten aard.
-ocr page 85-
DE WAARHEID EN EZOPUS.
„Verbetert u, zoo als \'t betaamt,
Nu gij u zelven kent;
Zoo maakt het glas u niet beschaamd,
Wanneer ge er \'t oog op wendt." —
„Ik ben zoo niet! Dat \'s enkel Nijd
Van deze Tooverkol!"
Dus roept, dus schreeuwt men wijd en zijd,
En alles raast als dol.
„Zij liegt met heur betooverd glas !
Zij liegt en steelt ons geld.
Geen Duivel ooit, hoe zwart hij was,
Is zoo ten toon gesteld."
„Fluks, mannen, steenen opgeraapt!
Weg moet zij met heur tent!
En die den bek heur openjaagt,
Dat is een brave vent!
Straks haalt men daar de loots omver,
En alles vliegt in roer;
Doch eindelijk geeft men \'t kijkgeld weer,
En stilt het woest rumoer.
De Waarheid redde met de vlucht
Heur lijf en spiegel nog:
„Ach (sprak zij, met een diepen zucht)
Men wil hier slechts bedrog." —
Dit hoorde Ezopus met den bult,
Die op de Kermis was:
„\'t Is (zei hij) Waarheids eigen schuld,
En niet de fout van \'t glas.
„Zij sta het mij een tijdlang af,
En zoo ik, voor haar scha,
Haar geen driedubble winst verschaf,
Wijs mij met vingers na!
-ocr page 86-
78                                     DE WAARHEID EN EZOPUS.
De Waarheid wordt dit ras gewaar,
En geeft zich naar den man:
„Ik maak u (zegt zij) eigenaar ;
Neem gij de proef er van !"
Hij richt een nieuwe schouwplaats op,
Maar in een weidschen trant;
En zet een spiegel op den top,
• Met uitgesneden rand.
De muur, met schilderwerk bedekt,
Toont velerlei gediert,
\'t Geen de aandacht van \'t gepeupel trekt,
Dat in den omtrek zwiert.
Nu roept men aan de ontsloten deur:
„Treedt binnen, goede liên !
Hier hebt gij allerhande keur
Van vreemdigheen te zien.
„Hier ziet ge een leeu\\v- en wolvenaard,
De woede van een beer,
De listen van een vossenstaart,
Kn honderd zaken meer.
„Die ziet gij in een spiegelglas,
Voor eenen stuiver maar !
Een ding, waarvan geen weerga was
In meer dan duizend jaar.
Treedt binnen, mannen, treedt maar in !
Hier is wat echts te zien !
Zoo aanstonds maken we begin,
Treedt binnen, goede liên !" —
Straks trekt men met nieuwsgierigheid
Naar \'t vreemde wonder saam,
En wordt het schouwspel ingeleid;
Maar \'t heeft een nieuwen naam.
-ocr page 87-
DE WAARHEID EN EZOPUS.
K/.opus hield hun \'t zelfde glas,
Het glas der Waarheid, voor,
Maar daar men Fabel boven las;
En vroeg hun toen gehoor.
„Mijn vrienden! (riep hij) \'k toon u niet
Dan beesten uit het veld;
Maar velen die men mensohen hiet,
Zijn even zoo gesteld.                              .
„Licht dat gij in een ezelsbrein
Uws nabuurs geest ontwaart:
In wolf of meerkat, groot of klein,
Des Schouts of Ambtmans aard.
„Dat ieder kijker van verstand
Zijn voordeel daarmee doe.
Neemt zelf den spiegel in de hand;
Kn ziet oplettend toe !"
„Ha ! (riep men) dat \'s eerst wonderfraai!
Ai, kijk, die valsche kat,
Die ziet er uit als kleine Maai!
Die ezel als Jan Gat!" —
Die hommel lijkt den Jonker wel,
En Flip die honigbij ;
Die bandhond met zijn gladde vel
Is Sijmen in \'t livrei."
„Die vorsch, die zich te barsten blaast,
Is net de rijke Louw,
En \'t vosjen, dat op torren aast,
Lijkt sprekend op Mevrouw."
„Dat \'s heerlijk mooi, dat \'s wonderbaar !
Dat is de moeite waard !"
Zoo juicht en joelt men door elkaar :
„Dat heeft zijn rechten aard!"
-ocr page 88-
So                                       DE WAARHEID EN EZOPUS.
Dus vangt liet reis op reis weer aan,
De gansche Kermisweek ;
En ieder is op \'t hoogst voldaan,
Die in den spiegel keek. —
Maar waarom wordt men nu gestreeld
Door alles wat men ziet ?
Een ieder ziet zijns buurmans beeld,
En kent het zijne niet.
Een grijsaard, boven de andren kloek.
Had slechts zich zelf herkend ;
Maar zwijgend kroop hij uit zijn hoek,
En gaf zich uit de tent.
„Zie daar ! (riep toen de Bultenaar)
Men wil de Waarheid wel;
Doch nergens loopt zij min gevaar,
Dan in het Fabelspel."
W. BILDERDIJK.
DE KNORREPOT.
Onder al de meesters, die moeielijk zijn te dienen, blinken uit de
Knorrepotten; een ongelukkig soort van menschen, wien alles in
den\' weg is en die zich zelven tot een ondraaglijken last strekken.
Dit karakter vind ik in een Fransen tooneelstuk zoo natuurlijk
en zoo krachtig geteekend, dat ik denk mijn lezer te zullen ver-
plichten, niet hem eene vrije navolging daarvan mede te deelen.
Het zal eene samenspraak wezen tusschen een dokter en Jan, zijn
knecht, die hem, na eene korte poos de deur opent.
Dokier: Hoe drommel heb ik het weer met je, kerel?
Moet ik hier dan altijd een paar uren voor de deur staan?
Jan. Ik was bezig in uwen tuin, mijnheer, en zoodra heb ik de
bel niet gehoord, of ik ben zoo schielijk komen loopen, dat ik op
mijn neus ben gevallen.
Dokier. Ik wou dat je den hals hadt gebroken, jou kerel! Waar-
om, drommel! laat je de deur niet open ?
Jan. Maar is u dan vergeten, mijnheer, dat u me gisteren uit-
-ocr page 89-
DE KNORREPOT.                                               8l
gescholden liebt voor al wat leelijk is, omdat u de deur open vondt.
Is ze toe, zoo kijft u; is ze open, zoo kijft u ook; ik weet niet,
hoe ik het langer stellen zal.
Dokter. Hoe dat je het stellen zult, schobbejak ? Hoe dat je het
stellen zult, deugniet ?
Jan. Maar bedaar toch, mijnheer, en zeg mij ten minste of ik,
als u weer uitgaat, de deur open zal laten ?
Dokier. Neen.
Jan. Zal ik ze dan gesloten houden ?
Dokter. Neen.
Jan. Maar, mijnheer, al was het om mijn leven te doen, zoo
moet evenwel eene deur open of toe zijn; kies maar, hoe u het
hebben wilt.
Dokter. Ik wil, ik wil....... heb ik je dat niet meer dan dui-
zendmaal gezegd? Je durft hier nog met me komen raisonneeren,
zie ik....... K-rijg ik je straks eens bij de ooren, zoo zal ik je
wel leeren, hoe dat ik het hebben wil. Maar hoor eens hier, ka-
meraad, heb ik je niet gezegd de trappen af te vegen?
Jan. Die zijn geveegd, van boven tot onder.
Dokter. En mijne kamer, hè !
Jan. Zoo u er een stipje vuil in vindt, zoo wil ik geen duit
van mijne huur hebben.
Dokter. Maar je zult zeker vergeten hebben mijn paard te water
te brengen.
Jan. Toch niet, mijnheer, vraag het vrij aan de buren, die me
voorbij hebben zien rijden.
Dokter. Heb je \'t op zijn tijd wel haver gegeven?
Jan. Ja, mijnheer, Willem, de stalknecht, heeft het voor zijne
oogen gezien.
Dokter. Maar ik zou wel durven wedden, dat je die flesschen
met kina niet gebracht heb waar ik gezegd had.
Jan. Wel degelijk heb ik ze gebracht en ik heb zelfs de ledige
Hesschen weer meegenomen.
Dokter. Nu, mijne brieven, heb je die niet verzuimd op de post
te brengen?
Jan. Verzuimd, mijnheer? Daar ben ik de man niet naar; ik
weet al te wel, dat brieven zaken van eene al te groote aangele-
genheid zijn.
Dokter. Maar antwoord me hier eens op: heb ik je niet hon-
6
-ocr page 90-
82                                                     DE KNORREPOT.
derdmaal verboden op je verbruide vcc\'1 te liggen schrapen en heb
ik jou drommelsch zagen van ochtend niet weer gehoord ?
Jan. Van ochtend, mijnheer? Wel heugt het mijnheer dan niet
meer, dat mijnheer de viool gisteren op mijn hoofd aan stukken
geslagen heeft?
Dokter. Nu, dat hout, dat vandaag te huis gekomen is, dat ligt
nog op de plaats, buiten twijfel, om met dit losse weer doornat te
worden.
Jan. Daar heeft het geen nood van, mijnheer: het ligt reeds
op zolder, zoo net gestapeld, dat het een pleizier is. Ho, ho ! sedert
heb ik Willem nog een voer hooi helpen opsteken; ik heb al de
boomen van den geheelen tuin begoten, ik heb al de paden ge-
schoffeld. Daarbij heb ik nog drie bedden omgespit en ik was be-
zig met het vierde, toen mijnheer heeft gescheld.
Dokter. Jawel; het is niet langer te houden met dien duivel-
schen vent. Nog ben ik van mijne dagen van geen knecht zoo
gebruid geweest; hij is immers in staat mij van spijt en razernij
te doen bersten, zoo ik hem niet zonder uitstel wegjaag. Scheer je
van hier, zeg ik, en wacht je zelfs van ooit in mijne nabijheid te
komen.
Al de trekken, die zich in deze samenspraak vereenigen, passen
bij uitstek op een grommer, die geen boden kost en inwoning
schijnt te geven, om er van gediend te zijn, maar enkel, om het
dagelijksch vermaak te genieten van ze te bekijven en met schcld-
namen te overladen. Doch niets schildert zulk een ongelukkig
schepsel juister en levendiger af, dan de laatste uitval van hevige
gramschap van onzen dokter tegen den armen Jan, die wordt weg-
gejaagd, omdat hij, doende, alles wat hem geboden is, ja zelfs nog
meer, zijn meester allen mogelijken grond van kijven en schelden
beneemt en als ten hoogste misdadig wordt behandeld, juist omdat
hij nergens in misdaan heeft, \'t Is juist zoo gelegen met het ramp-
zalig humeur der rechte Knorrepotten. Ze zijn als overstroomd
van eene zwarte gal, die, zoo ze geene opening naar buiten vindt,
de naaste werking van binnen veroorzaakt, de droevige bezitters bij
de keel grijpt en in gevaar brengt van te stikken. Niets kan hun
daarom aangenamer zijn en eene krachtiger verlichting aanbrengen,
dan hun schijnbare beweegredenen te verschaffen om hun toorn te
ontlasten.
JUSTUS VAN EFFEN.
-ocr page 91-
HET HOLLANDSCH DUIN.
HET HOLLANDSCH DUIN.
De kust, de vaderlandsche kust,
God lof! daar klimt ze uit zee!
Mijn boezem zwelt van blijden lust
Na jaren scheidenswee.
Wat heb ik vaak bij \'t palmgeboomt\',
In Java\'s wondertuin,
Verlangend van die.kust gedroomd:
Dat dierbaar Hollandsen duin !
Die top, van de avondzon gebloosd,
Daarachter schuilt, o vreugd!
De beste g&, het liefste kroost,
De makker van mijn jeugd.
Gezegend nu mijn lang gezwoeg,
Vergolden door Fortuin !
Ik heb voor meer dan één genoeg :
Genaak, mijn Hollandsch duin !
Terwijl hem \'t heil vooraf verblijdt,
Daar schiet een stormviaag uit;
Ze jaagt het schip; het strandt en splijt;
De zee verzwelgt haar buit.
Nog groet hij uit het zinkend want
De dierbre heuvelkruin:
Zijn lijk dreef \'s andrendaags aan land:
Hij rust in \'t Hollandsch duin.
A. BOGAEKS.
UIT DE HUISKAMER.
Voor \'t knetterend haardvuur zit de vader. Hij is omgeven
\' an heel zijn lief gezin: grootmoeder, wie het leven
Nog enkele bloemen strooit op \'t eenzaam winterpad,
En moeder, die een blik vol wellust heft ten hoogen,
^oo vaak zij haar gelaat weerspieglen ziet in de oogen
Van \'t kleintje dat haar arm omvat.
-ocr page 92-
84                                           UIT DE HUISKAMER.
Kn midden in \'t vertrek de kinderen, die spelen
En met hun lachjes of het ware een liedje kweelen,
Als jonge vogeltjes in \'t loof somwijlen doen ;
Drie zijn ze in getal, drie blonde krullekopjes,
Schoon als het morgenlicht dat straalt op de lenteknopjes,
Frisch als een nestjen in het groen.
En oj) het zacht tapeet, van bloemen rijk doorweven,
Waarover de oudste twee als dartle vlinders zweven,
Zie hoe zij pogen om het jongste te doen gaan :
Zij maken hunne stem, zoo zacht alreê, nog zachter,
De een wenkt van verre en roept hem, de andere van achter,
Spoort hem met woord en duwtjes aan.
Wel heeft het ventje pret: het houdt zijn mondje open
En lacht, maar is toch bang; het wil, maar durft niet loopen,
J\'.ijt op zijn vingertjes en werpt een blik naar moe ;
Met helt naar achter, als het dreigt te gaan naar voren:
„Toe maar !" roept zusje ; „kom, niet bang !" laat broertje hooren ;
En beiden spreken tegelijk hem toe.
De kleine lacht, hij staat te waggelen op zijn voetjes
En antwoordt binnensmonds, onhoorbaar zacht en zoetjes;
Het haardvuur werpt zijn gloed op \'t lief tooneeltjen uit.
Grootmoeders breinaald zinkt allengs, zij gluurt en luistert,
De vader houdt zich stil en in moe\'s armen fluistert
Het popje ik weet niet wat voor lief geluid.
De kloinc lacht en beeft. Fluks, na een kort beschouwen,
Daar waagt hij \'t kloeke stuk, vol moed en vol vertrouwen :
Zijn kloppend hartje maakt zijn koontjes warm ;
Eerst zachtjes wanklend zet hij voet voor voet, wat verder
Versnelt zijn kleenen tred, en eindelijk harder, harder
Valt hij geheel onthutst in zusjes arm.
Een zoen stelt hem gerust; hij wil de proef herhalen,
Keert blij zijn hoofdjen om en minstens twintig malen
Vangt nu zijn loopjen met een zoetlief kreetjen aan:
Grootmoeder lacht, en denkt aan vaders kinderjaren,
De vader peinst en blijft in stilte op \'t jongske staren,
In moeders oogen glimt een traan.
G. JONCKBLOET.
-ocr page 93-
OP GLAD IJS.                                                  85
• OP GLAD IJS...
„Een vriendelijke zonneschijn....
Ken voor-den-wind, een gladde baan___
De beste schaatsen die er zijn....
Och, is daar zoo veel kunst nu aan ?"
Ei, kom eens even van den wal,
Bind onder — ga je gang \'reis, vrind !
Dezelfde schaatsen... eender wind___
„Oei!___oef!___"
Pof!____
Kijk, daar ligt hij al!
Een vriendelijke zonneschijn,
Ren voor-den-wind, een gladde baan,
De beste schaatsen, die er zijn ! —
Wie er niet mee weel om te giurn
Valt reeds, als hij nog meent te staan ....
Wien \'t schoentjen past — die trekke \'t aan !
A. J. !>E BULL.
HET VADKRHUIS.
\'t Was een Septemberdag 1844, toen ik het vaderhuis verliet;
mijne moeder, altijd in alles, zelfs tot in het geringste, de leids-
vrotnv, de schutsengel harer kinderen, wilde mij uitgeleide doen.
Ik zat naast haar op de witgehuifde kar, die mij tot aan de oude
«diligencie" brengen moest, welke mij naar de oude Scheldestad
voeren zou.
Die kar — beweegbare, herderlijke, patriarchale tent in ds wijde,
stille, zelfs dood-eenzame woestijn onzer Kempen — zou zich dus
slechts tot op hare grenzen bewegen, tot daar waar de sneller en
driftiger beweging der wereld begint.
De avond viel; de gloed in het Westen scheen aan gene zij van
het vergelegen mastbosch een onmeetlijken brand te hebben ont-
stoken, die zijn rooden glans tot onder de donkere takken en tot
over den stofterigen weg uitspreidde.
Eange schaduwen strekten zich over de vlakte uit en onze kar,
-ocr page 94-
86                                                     HET VADERHUIS.
nederige tent zeg ik, scheen in hare schaduw, de langzaam voort-
golvende en monsterachtige leviathan, (i)die mij reeds, zonder dat
ik het bevroedde, naar de wijde wereldzee begeleidde.
Rust, diepe rust heerschte op de vlakte. Daar woelden geen lage
driften, geen booze hartstochten, geen dolzinnige begeerten; daar ge-
niet men nog het aartsvaderlijke leven in den vollen zin des woords.
Mijne moeder hield mijne hand door de hare omklemd; geruimen
tijd had zij het stilzwijgen bewaard, en eindelijk als een vervolg van
hare gedachten, zeide zij luid, maar toch altijd fluisterend :
„Houd immer uwen naam in eere......"
Ken poos later zeide zij: „En als gij moe gedwaald zijt, kom dan
terug in ons huis, daar zal het u altijd wel zijn."
Kn toen zij den reeds hoog opgeschoten jongeling alles indachtig
had gemaakt, wat in zijn gemoed bewaard blijven, daar kiemen en
zich ontwikkelen moest, en dat hij nederig als een kind geluisterd
had, zeide zij nog:
„Vergeet nooit iederen avond te bidden: zoolang gij dit doet,
zult gij eerlijk leven......"
Dat waren hare laatste woorden; wij stonden op de grenzen van
onze eenzaamheid. Uit de avondnevelen rees de kleine stad op,
van waar ik de wereld zou binnenijlen, en waar men reeds een
lichte trilling der koortsachtige jacht gewaar wordt.
Met die eenvoudige, doch groote waarheid ben ik de wereld in-
gegaan, en hoe verder ik voorttrad, hoe levendiger zij mijnen geest
bezig hield.
Jong en onbekend ging ik heen, eenige jaren later keerde ik
terug. Mijn hart klopte van geluk, toen ik den toren van ons
dorp boven den donkeren gordel mastbosschen, in het zonlicht glins-
teren zag, alsof ik een ouden grootvader zag, die opgestaan was en
uitkeek om te zien of zijn kleinkind nog niet aankwam.
De dorpelingen verschenen in de open deur en groetten mij met
een lichten glimlach op het wezen en ik wist wel wat die lach be-
duidde; de speelgenooten van voorheen kwamen en drukten mij
koortsachtig de hand en ik, ik snelde mijne moeder te gemoct, die
in de schaduw van onze linden, op den dorpel van onze huisdeur
stond, om mij welkom te heefen.
Ik had met mijn Vlaamsche vrienden, op den voorpost van den
i] Leviathan is een e;edro^, waarvan in de 11. Schrift gewag wordt e,cm;iukt. dikwijls
figuurlijk vour : booze geest.
-ocr page 95-
HET VADERHUIS.                                              87
Nederlandschen stam, den goeden strijd gestreden; ik bad den flau-
wen gecstessprankel, dien God in mij gelegd had, niet miskend en
ik droeg, hoe jong ook, mijne eerste ridderkruis (1855) — eene
nietigheid zoo gij wilt, maar die in tien bloei des levens eene wereld
vol illusiën voor ons neertoovert. Zeepbelkléur en bengaalsch
vuur....... Doch is gansch bet leven wel veel meer?
Het oog mijner moeder blonk helderder dan ooit, zij was ge-
lukkig en juist daarom was de onderscheiding mij zoo lief.
Ken jaar later ging zij ter ruste en de laatste woorden, die zij
sprak, staan op het kruis, dat haar graf aanwijst, gebeiteld :
„Kinderen, bemint elkander."
Het huis werd nu lediger; maar uiterlijk ten minste bleef het
zooals zij, de heilige vrouw, dit gelaten had. Wel viel van liever-
lede hier wat in puin, memelde (i) het houtwerk, roestte het ijzer ; doch
dit hier bleef waar het stond, dit daar waar het lag, dat ginds waar
het hing, alsof het huis gewijde grond en het eene heiligschennis
ware, een doode te ontgraven, te verleggen en dus in zijne rust te
storen........
Zóó hebben de achtergeblevenen dit erfpand bewoond, terwijl de
geest des tijds gedurig riep: „verbouwt, verbouwt!" antwoordden de
eerste kalm en overtuigd: „behoudt, behoudt!"
Wij zijn eindelijk in bet dorp. Daar, voor mij en op eenige
schreden afstand, ligt het oude vaderhuis, dat ons echter geen groet
toestuurt; zijne oogen zijn gesloten en het moet wel in diepen rouw
verkeeren, dat het de zijnen niet welkom noemt.
Wat zag het ons verleden zomer onder het neerhangende linde-
loof door, nog met diep liggende, maar recht vriendschappelijke en
glinsterende oogen aan !
De eersten, die op het doffe gedommel van het rijtuig uit het
donkere huis verschijnen, zijn de twee overblijvende broeders; zij spre-
ken geen woord en ons ook is het gemoed te vol, tot stikkens vol.
Niets, niets dan een handdruk en tranen in de mannelijke oogen.
„Tranen zijn het bloed van ons hart!" zegt een heilige.
De familie, mannen en vrouwen, zijn daar in de gïoote donkere
kamer bijeen; dé mannen in het zwart, de vrouwen diep in hare
falies gedoken, als waren zij grafbeelden, met gebogen hoofd, neer-
gezeten gelijk de mater dolorosa, de moeder der smarte.
[1) Mr.mc.\'ttï ^^ molmde.
-ocr page 96-
88                                              HET VADERHUIS.
Die kamer, in het halfdonker gehuld met die zwarte, zwijgende,
biddende gestalten bevolkt, is voor mij als een smachtende graf-
kelder, in welken slechts van zeer hoog een flauwe straal licht
neervalt.
Alles treurt rondom mij, alles rouwt en weent en de spiegel met
zijn neerhangenden rouwsluier voor het anders zoo blinkende wezen,
geeft de groepen nog spookachtiger weer dan zij in waarheid zijn.
In de vertrekken naast ons, gaan en komen de buren; zij gaan
voor \'t laatste den doode zien in zijn wit laken, in zijn enge kist —
och, maar groot genoeg voor hem! — het kalme gelaat door het
gewijde licht bestraald, de handen op de borst en over het kruis-
beeld gevouwen.
Nu schijnt hij nog de vrome man van weleer, maar niet meer
de vroolijke — neen! Den vroolijken trek heeft de vinger des
doods weggevaagd, \'t Past niet te lachen in een doodkist........
Men bidt luid: „Onze Vader, die in de hemelen zijt;" en alle
buren knielen en bidden voor hem.
Het gebed begroette hem, toen hij in het vaderhuis geboren werd;
het gebed murmelt hem vaarwel, nu hij heengaat.
De kist wordt gesloten....... voor altijd gesloten; de aarde wordt
weergegeven aan de aarde, de assche aan de assche, het stof aan het stof.
Vaarwel, o vaderhuis, vaarwel!....... Nog een die heengaat, na
onder uw lommer slechts ruim een halve eeuw vertoefd te hebben!.....
Nog een lidmaat dat ons wordt afgesneden, totdat ook wij denzelf-
den weg zullen ingaan en onze kinderen, in eene lange rij, over
den dorpsweg heen, onze doodkist zullen volgen.......
\'t Is altijd dezelfde weg, hetzelfde kerkhof! Sedert eeuwen volgen
wij ditzelfde pad en waar wij nu gaan, gingen de vader, de groot-
vader, de overgrootvader achter de met het kruis overdekte lijkbaar
van vrouw en kinderen.
God, mijn God, wat valt het scheiden hart !
„Heere, Heere, moest Gij dan al uw macht ontplooien tegen het
blad, dat de wind wegvoert, moest Gij het verdroogde blad ;.óó
vervolgen!" zoo spreken de gebeden voor de overledenen.
De treurmuziek klaagt, de menigte snikt de tonen na; de klok
galmt langzaam bim...... bam over onze akkers heen; kinderen,
grijsaards en vrouwen, protestant, israeliet en katholiek, allen gaan
mee om toch, zoo lang het mogelijk is, bij hem, bij den dierbaren
doode te zijn.....
-ocr page 97-
HET VADERHUIS.                                                     89
Wij zijn op het kerkhof, waar gansch onze familie woont; slechts\'
weinigen werden daar niet hegraven en ook daar hoop ik te fusten
en den dag der opstanding af te wachten.
„De dooden sluimeren in het stof," zegt de priester.
En wij, wij antwoorden:
„Zij zullen ontwaken!"
Het Misoffer is opgedragen; het wijwater glimt nog druppelend
o]> de kist, de wierookwalm drijft nog om haar heen.
Wij brengen hem, den dierbare, naar zijne laatste rustplaats.
Tot weerziens, tot weerziens in het land van licht en liefde!
Immers, alles herleeft in een beter vaderland ; of zouden wij min-
der zijn dan de bloemen tier aarde, die vandaag.
Om \'t hoofd van eene doode dorden
En \'t jaar nadien weer bruidskroon worden!
Slaap zacht, broeder! in de schaduw van het kruis, op moeders
graf geplant......
En in de kerk geknield hooren wij nog altijd de treurmuziek en
den droeven klokketoon, die beide ons beletten het bonzen der
aardklompen op de kist te hooren...... Gelukkig! want iedere bons
zou een nieuwe slag zijn voor onze verbrijzelde en bloedende harten.
Eindelijk sterft de muziek, de klokketoon weg.
Alles is volbracht, alles — zonder terugkeer — zonder weerzien
hier beneden!
Uw wil geschiede, o mijn God!.......
Al\'G. SNIEDERS.
ÜE GOEDE BUURMAN.
PARABEL.
Een teed\'re band van liefde en vree
Omstrengelde twee huisgezinnen;
De Tweedracht, loerend steeds in \'t rond,
Sloop nimmer beider woning binnen.
\'t Was, of de boom, wiens frissche lommer
Aan beide schaduw en koelte schonk,
Welsprekend allen moest verkonden
Hoe heerlijk hier de vriendschap blonk:
De vriendschap in heur reinsten zin,
-ocr page 98-
DE GOEDE BUURMAN.
Zich steeds in liulpe en offers uitend,
En, altijd trouw, den boezem nooit
Der wrevele ijverzucht ontsluitend:
De vriendschap, waar, oprecht en innig...
In lief en leed, in vreugde en smart
Steeds deelend, altijd meegevoelend,
En weerklank wekkend in elks hart !
Kn ziet, de hemel deelde mild
Zijn zegen dien gezinnen mede,
En schonk, naast aardschen overvloed,
Den waren, innerlijken vrede !
Zóó vlood het leven kalm en zalig,
Door deugd en waren godsdienstzin
Geheiligd, zóó herschiep zich de aarde
In Paradijs van broedermin!
Maar hoe — wat wolkjen dreef somtijds
1 ,angs \'t effen voorhoofd van dien vader ?
Hoe plooide \'t zich tot rimp\'len vaak,
Als kwam een dreigend onheil nader ?
Wat sombere gepeinzen maakten
Hem vaak zoo in zichzelf gekeerd ?
Waarom die ernst, die stille weemoed,
Die traan... wat is het dat hem deert ?
Ach ! \'t was dat enk\'le denkbeeld slechts :
„Wie zal mijn kinderen verzorgen,
„Als \'k eenmaal scheiden moet, — de nacht
„Is zelfs onzeker van den morgen !"
Het is een schoone dag — de zonne
Schijnt heerlijk aan den heineltrans,
Het is of alles, bloeiend, geurend,
Zich spiegelt in dien blijden glans ;
Zoet kwinkeleert het voog\'lenkoor,
Kn huppelt vroolijk langs de twijgen,
Kn schatert luide steeds zijn lied,
Gewekt uit \'t lang en domm\'lend zwijgen !
\'t Is of de vader ook herademt
Hij \'t frissche leven der natuur;
Verjongd, geniet hij al het zoete
-ocr page 99-
DE GOEDE BUURMAN.
Van \'t stil en vredig morgenuur!
Ei... zie... wat boeit daar zoo zijn oog,
Zoo blij, onafgebroken starend
Naar gindschen bladerrijken top ;
Wat is het in \'t verschiet ontwarend? . . .
Een vogelnestjen ! . . . o, wat liefde
Maakt daar het stil verblijf zoo zoet;
Zie, hoe die oude, teetier zorgend,
Zijn vederlooze jongen voedt.
Dan ginds, dan herwaarts vliegt hij rond . . .
Steeds brengt hij versehen buit weer mede.
Ach ! vogelijn .. . wat onheil naakt!...
Ach! vlied... ja vlied... ontvlucht dien wreede !
Daar strijkt met uitgestrekte klauwen,
lïloedgierig ... op een prooi belust. . .
Een wreede havik plots\'ling neder,
\'t Verrassend in zijn kalme rust!
Hoor... de arme piept van vreeze en angst,
Wil schuw naar \'t dierbaar nestjen vluchten...
Wellicht dat daar nog redding wacht,
\'t Gevaar er minder is te duchten!
Vlucht... voog\'lijn, vlucht!... te laat... och arme!...
De havik grijpt \'t onnoozel dier,
En voert het in zijn scherpe klauwen
Ter dood. .. naar \'t roofnest, ver van hier!
Ontroerd, met neergebogen hoofd,
Als macht\'loos aan de plek gekluisterd,
Staat daar de vader, — bleek, ontdaan,
En door een traan het oog verduisterd.
„Ach !" peinst hij, „wie zal thans hen voeden,
„Die jongen in \'t verlaten nest;
„Wie u, mijn kind\'ren, als ook eenmaal
„Geen dierbre vader u meer rest?"
En somberder dan ooit voorheen,
Keert hij terug, met wank\'le schreden,
En slechts een weeinoedvol gezucht
Geeft antwoord op tier kind\'ren beden !
Doch \'s and\'ren daags, als onweerstaanbaar
\'t GevoA daarheen hem trekken blijft...
-ocr page 100-
92                                               DE GOEDE HUURMAN.
Daar is het of een blijde /.onne
Des voorhoofds nevelen verdrijft...
En lachend blikt hij o|)\\vaarts ... ei ! . . .
Wat schouwspel gaat zich daar vertoonen ?
Hij /iet, hoe in \'t naburig nest
Ook liefde en stille vrede wonen.
Hij ziet.... wat teederheden de oude
Ook d\'armen weeskens ginds bewijst,
Terwijl hij ze als een liefd\'rijk vader,
Gelijk zijn eigen jongen spijst !
Nu keert hij, wonderbaar ontroerd,
Het hart ontlast van bange zorgen,
Tehuis — verhaalt al \'t geen hij zag
Den goeden buurman d\'and\'ren morgen.
Doch deze grijpt vol vuur zijn handen,
Kn drukt hen, innig aangedaan,
En spreekt dan met bewogen stemme,
Het oog bevochtigd door een traan:
„Zie hier, mijn vriend, ons beider beeld,
„Niet slechts in vreugd, maar ook in rouwe,
„Staat onze vriendschap immer pal.. .
„Zelfs na den dood blijft zij getrouwe !"
E BROM.
IN DE GRIJSHEID.
De ouderdom komt met gebreken,
En wie zeven kruisjens telt,
Weet er doorgaans van te spreken —
Toch is vader Kras een held.
Wie hem voor zijn eigen huisjen
Zoo zijn pijpjens rooken ziet,
Denkt sekuur: „hij jokt één kruisjen —
Zeventig ? . . . dal is hij niet !"
Smaaklijk eten, rustig slapen,
Opstaan nog vóór dag en dauw,
Meedoen — voegt het — met de knapen,
Als een ooiijk handjegauw;
-ocr page 101-
IN DE GRIJSHEID.                                                     93
Bol in \'l keeglen, kuiven, kaatsen,
Op het dambord bij de hand,
Vlug ter been, en vlug op schaatsen,
Scherp van oog en van verstand.
Waar een jonger d\' arm laat zinken —
Hij nog lustig, sterk en stoer;
Op de markt — wat bij de pinken !
O]) liet land — een leepe boer !
Bovendien, wie zou \'t gelooven,
Zag hij \'t niet, dat vader Kras,
Schoon de zeventig te boven,
Zonder bril de krant nog las !
Hoort hij andere oudjes klagen
Over pijn in merg of been,
Kruptiün van oude dagen :
„Daarin schuilt \'et niet alleen,"
Laat dan vader Kras zich hooren:
„Als je mij de waarheid vraagt,
„\'t Zit \'em jaren van te voren
„\'t Kwaad, dat je in de grijsheid plaagt !
En als hem de jongens vragen:
„Hoe zóó sterk nog, vader Kras ?"
Zegt hij : „In mijn jonge dagen
„Liet ik Wat niet oorbaar was ..."
A. J. ])E BULL.
DE JAPANSCHE STEENHOUWER.
Er was een man, die steenen hieuw uit de rots. Zijn arbeid was
zeer zwaar en hij arbeidde veel, doch zijn loon was gering en te-
vreden was hij niet.
Hij zuchtte omdat zijn arbeid zwaar was, en hij riep: „och, dat
ik rijk ware, om te rusten op een baleh-baleh (i) met klamboe van
roode zijde.
(ij Balch-balch z^z bamboezen msthank; klamhoe — gordijn: pafvug ----- zonnescherm.
-ocr page 102-
94                                  I\'K JAPANSCHK STEENHOUWER.
En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: „u zij gelijk gij
gezegd hebt."
En hij was rijk. En hij rustte op een baleh-baleh en de klamboe
was van roode zijde.
En de koning des lands toog voorbij, met ruiters voor zijn wagen.
En ook achter den wagen waren ruiters en men hield den gouden
pajong boven het hoofd van den koning.
En als de rijke man dit zag, verdroot het hem, dat er geen gou-
den pajong werd gehouden boven zijn hoofd. En tevreden was hij niet.
Hij zuchtte en riep: „ik wenschte koning te zijn!"
En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: ,,u zij gelijk
gij gezegd hebt."
En hij was koning. Kn voor zijn wagen reden vele ruiters en
ook waren er ruiters achter zijn wagen en boven zijn hoofd hield
men den gouden pajong.
En de zon scheen met heete stralen en verbrandde het aardrijk,
zoodat de grasscheut dor werd.
En de koning klaagde, dat de zon hem schroeide in het gelaat
en macht had boven hem. En tevreden was hij niet.
Hij zuchtte en riep: „ik wenschte de zon te zijn!"
En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: „u zij gelijk
gij gezegd hebt."
En hij was de zon. En hij zond zijn stralen naar boven en
naar beneden, naar de rechterzijde en naar de linkerzijde en alom.
En hij verschroeide de grasscheut op de aarde en het gelaat der
vorsten, die op de aarde waren.
En een wolk stelde zich tusschen de aarde en hem, en de stralen
der zon stuitten daarop terug.
En hij werd toornig, dat zijner macht weerstaan werd, en hij
klaagde, dat die wolk machtig was boven hem. En tevreden was hij niet.
Hij wilde de wolk zijn, die zoo machtig was.
En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: „u zij gelijk
gij gezegd hebt."
Én hij werd een wolk, en plaatste zich tusschen de zon en de
aarde en ving de stralen op, zoodat het gras groen werd.
Kn de wolk regende in grootc druppen op het aardrijk en deed
de rivieren zwellen en banjirs voerden de kudden weg.
En zij verwoestte door veel waters het veld.
En ze viel neer op een rots, die niet week. En ze klaterde in
groote stroomen, maar de rots week niet.
-ocr page 103-
DE JAPANSCHE STEENHOUWER.                                 95
En ze werd toornig, omdat de rots niet wijken wilde, en omdat
de sterkte van haar stroomen ijdel was. Kn tevreden was zij niet.
Ze riep: „aan de rots is macht gegeven boven mij. Ik wenschte
die rots te zijn!"
Kn er kwam een engel uit den hemel, die zeide: „u zij gelijk
gij gezegd hebt."
En ze werd rots, en bewoog niet als de zon scheen en niet als
het regende.
Kn daar kwam een man met houweel en met puhtigen beitel, en
met zwaren hamer, die steenen uithieuw uit de rots.
Kn de rots zeide: „wat is dit, dat die man macht heeft boven
mij, en steenen houwt uit mijn schoot?" Kn tevreden was zij niet.
Ze riep: „ik ben zwakker dan deze...... ik wenschte die man
te zijn!"
Kn er kwam een engel uit den hemel, die zeide: „u zij gelijk
gij gezegd hebt."
Kn hij was steenhouwer. Kn hij hieuw steenen uit de rots, met
zwaren arbeid en hij arbeidde zeer zwaar voor weinig loons en hij
was tevreden.
E. DOUWES DEKKER.
fMl\'LTATliLl .
DK SCHKKPSJONGKN VAN KINISTKRRK.
De storm giert rond op zwarte vlerk,
Schiet o]) de golven neder,
Zweept nu de ranke boot naar \'t zwerk,
Ploft dan ze in d\'afgrond weder.
De dood spookt rond in elke baar,
Grijnst woest den scheepling tegen,
Voor \'t onverbidlijk doodsgevaar
Vertwijflend neergezegen.
Want, in het kokend golfgeklots
Van klip tot klip gesmeten,
Wordt \'t veegc schip op rots bij rots
Versplinterd en gesleten.
-ocr page 104-
DE SCHEEPSJONGEN VAN FINISTERRE.
Zoo duurt de worstling uur aan uur.
Wel doemt de kust van verre;
Maar wee! het is de rotsenmuur
Der kaap van Finisterre.
Toch houdt de kloeke schee] «voogd stand.
„Den moed niet opgegeven!
Wie brengt mij dezen strik aan land
En redt ons aller leven ?"
Zoo spreekt hij, maar het scheepsvolk ijst
Dat waagstuk te volvoeren,
Kn schoon hij op den kabel wijst,
Geen, die hem aan durft roeren.
Daar treedt er een van \'t achttal op,
Nog jong en onbevaren,
Ken nieuwling op het ruime sop,
Een knaap van veertien jaren.
„Laat, mannen, mij die taak, die eer.
U beiden vrouw en kindren.
Ik heb geen huis, geen ouders meer,
Mijn dood zal niemand Kindren."
Hij speekt, en eer \'t verbijsterd volk
Hem antwoordt op zijn vragen,
Daar plompt hij in den zwarten kolk,
Den strik om \'t lijf geslagen.
Men staart zijn worstling na van \'t schip,
Zijn zwalpen, zwoegen, zweven.
Een vlokje schuim, een donkre stip:
Ziedaar een menschenleven !
De ruwe scheepling wischt zich \'t oog,
Voor \'t lot des jonglings bevend,
Die zwemt en zwalkt, nu laag, dan hoog,
Maar altijd voorwaarts strevend.
-ocr page 105-
DE SCHEEPSJONGEN VAN FINISTËRRE.
97
Hij naakt der branding wild geklots.
Hij worstelt, kampt en spartelt.,
Vergeefs! ze smakt hem op de rots,
Geleêbraakt, afgemarteld.
„Goddank!" zoo juicht hij, „\'t is volbracht!"
Maar van zijn bleeke lippen
Komt, schoon zijn mond tevreden lacht,
Een roode bloedgolf glippen.
Snel schiet men toe en grijpt den strik.
Hij, stervend, opgetogen,
Schouwt rond met dankbren, zaalgen blik
En sluit voor immer de oogen.
De manschap is gered, ten prijs,
Helaas ! van \'t jeugdig leven,
Waar menig maat, \'t zij jong of grijs,
Graag \'t zijne voor zou geven.
Een kruis, als grafnaald opgericht
Meldt ieder, reeds van verre,
Waar \'t heldenkind begraven ligt,
Ter kust van Finisterre.
. J. R. VAN DER LANS.
KEGELEN.
Die oude kegels! Mooi zijn ze nooit geweest, \'t zijn lange, on-
oogelijke figuren zonder de minste gratie; — de oorspronkelijke
kleur is niet goed meer te herkennen; hier en daar zwaar gedeukt,
sommige wat gesplinterd, verraden zij, dat er wel eens wat anders
mee gebeurd is dan hetgeen waarvoor zij bestemd waren; de ballen
njn ook verre van zuiver rond meer; — maar toch die oude ke-
gels!... hoe ook, ik zou ze niet willen missen, voor geen geld,
voor nog zoo veel niet..... zij herinneren, zij beteekenen voor mij
zooveel!
\'t Is al menige Meimaand geleden, dat mijn kennismaking er mee
dagteekent. Ik kan nu beide ballen wel in een hand houden, en
toen had ik beide handen haast noodig voor één: maar wie weet
7
-ocr page 106-
98                                                      KEGELEN.
of \'t juist ook niet veel door die exercitie komt, dat hand en arm
zoo veerkrachtig en zeker in hunne beweging werden als ze nu nog
zijn. \'t Is een flink spel, kegelen; \'t geeft een vast oog, een vaar»
dige hand; \'t hangt van geen toeval, maar van oefening af; \'t gaat
staande voets en het geheele lichaam is er bij in de beweging;
\'t wekt op, \'t brengt vuur en leven in de spelers; er is geen gevaar
bij — als je maar de ballen naar de kegels en niet naar je kameraads
gooit; je kunt er zoo druk en roezemoezig bij wezen als je zelf
maar wilt — mits buiten de baan, dat spreekt; —enfin, als ik ferme
jongens zie kegelen zou ik nog wel eens willen vragen: „mag ik
meedoen?" en graag van de partij zijn. Voor de volwassen menschen
is de geheele wereld een kegelbaan, waar ieder om het best werpt,
maar de ballen rollen er soms zoo raar, dat ons het huilen nader is
dan \'t lachen, als men ziet hoe zij loopen en wat zij omverwerpen
waarop het niet gemunt was!..... Doch, dat wordt te verdrietig; dat
hoef ik allemaal niet te vertellen, want dat ondervindt iedere jongen
op zijn tijd als hij man wordt, en dan is het al erg genoeg! Nie-
mand moet te vroeg tegenzin in de groote kegelbaan — de wereld —
krijgen, of er tegen opzien daarin mee te gooien. Maar dat het
onder ons jongens, in onze kegelbaan, veel prettiger toeging, dat is
zeker; toen we er eenmaal goed den slag van beet hadden, lieten
we er eten en drinken voor staan.
We hadden een heerlijken Zondag in \'t vooruitzicht. Zoo wat met
ons zessen jongens uit ééne klas waren we gevraagd, om dien heelen
dag bij een der vrienden te komen, wiens ouders ik weet niet meer
waar naartoe moesten voor een familiepartij. Wij zouden hem den
dag helpen korten, en de kantoorknecht zou de wijsheid onder ons
bewaren. Daar hadden we niets tegen; we mochten dien ouden
Wouter graag lijden. Hij wist overal raad op, kon van alles meedoen;
je hadt hem moeten zien tollen — ongeloofelijk behendig; in
kunstjes met de kaart was hij zoo ervaren als Hamberg; hij was een
man naar ons hart.
Dien dag had hij een zware taak; want hij moest ons, en dat
wilde heel wat zeggen, troosten over een bittere teleurstelling, \'t Re-
gende namelijk dat het goot, en alle afspraken om een tuinhuis te
belegeren, waarvoor reeds alles bedacht en bepraat was, lagen in
duigen. Wij kwamen, wij keken elkaar met vrij lange gezichten
aan, en de groote vraag, nu we niet in den tuin konden, was: „wat
zullen we dan doen?"
-ocr page 107-
KEGELEN.                                                     99
Wouter liet ons eerst maar een beetje begaan, totdat we, na zoo
wat over en weer praten, kattekwaad begonnen te doen, uit pure
verveling, en wonderwel in onzen schik waren, dat hij als een red-
dende engel zieh met ons bemoeien ging. Hij had eerst goed zijn
best aan de koffietafel gedaan, want eten kon de man — buiten-
gewoon! Hij had eens gewed met de bedienden op \'t kantoor, dat
hij vier en twintig krentenbroodjes zou opeten, en \'t gedaan ook. Hij
zei altijd dat zijn maag nog veel grooter was dan zijn hoed, en dat
had zoo iets te beteekenen. Hij nipte nog doodbedaard met zijn
vinger de laatste kruimeltjes van zijn bord, toen hij een zakdoek,
tot een bal opgerold en waarmede wij waren gaan gooien, naar
\'t hoofd kreeg. Hij ving hem natuurlijk met zijn gewone behendigheid.
„De koffiekan was daar haast honderd jaar," zei hij. Nog een klein
fortuintje en daar gaat een ornement van den schoorsteen. Ik weet
wat beters."
Meer had hij niet noodig te zeggen; want zijn talent voor allerlei
vermakelijkheden was bij ons boven allen twijfel verheven, en dus
werd dadelijk een kring om hem geformeerd. Wouter had er wel
op gerekend, dat het weer tegen zou slaan, en hij dan met ons heel
wat te stellen zou hebben, als hij geen goed tijdverdrijf bij de hand
had. „De jongeheeren moeten maar eens mee naar boven gaan.
Nu \'t beneden zoo regent, zullen wij \'t hoog en droog zoeken.
„„Als \'t buiten woedt, is \'t binnen zoet," zeit vader Cats. Komaan,
wie me liefheeft, volge me!" en Wouter stapte ons vooruit de gang
in. „Een-twee, een twee!" commandeerde hij, toen we wat al te
driftig te hoop liepen, „een-twee, een-twee! Pink op den naad van
de broek! Alle dingen moeten met orde geschieden." En zoo
marcheerden wij, vast in den pas als oude knevelbaarden van de
garde, de gang door, die er van dreunde en daverde. Aan de trap
was het: halt! „Nu opgepast!" vermaande Wouter, „de onderste tree
\'s beneden, moet je denken," en we kwamen vroolijk en wel boven
—• op den zolder—een zolder over het geheele huis, een flinke ruimte.
Kerst keek Wouter of het groote voor- en achterluik wel goed ge-
sloten waren, en voelde eens of de boom er wel stevig voor zat.
loen werd het luik, dat de trap afsloot, zorgvuldig gegrendeld,
nztie zoo," zei hij, „nu zullen we reis een ouderwetsch potje kegelen.
Dat heb je mogelijk van je leven nog nooit gedaan zooals \'t hoort,
maar dat is niemendal. Eens moeten alle dingen het eerst wezen.
Wij zullen beginnen met een baan te maken."
-ocr page 108-
KEGELEN.
IOO
Wouter zocht naar de gladste, vlakste plank op den vloer, en nam
ons toen mede naar een met latwerk afgeschoten deel van den zolder,
waar groote kantoorboeken sedert jaren waren opgeborgen. «Die
eerwaarde folianten werden voor den dag gehaald. „Zie je, \'t oude
rijmpje zeit wel: „„handen uit de kas en oogen uit de boeken,""
maar dat geldt enkel en alleen op het kantoor. Helpt nu eens
een handje," en meteen begon hij de boeken vlak op den grond te
leggen in twee evenwijdige rijen, waartusschen zich alzoo een lange,
breede baan vormde. Wij droegen dapper de boeken aan, Wouter zorgde
voor de goede plaatsing, en in een ommezien was de baan gereed.
„Veel handen maken licht werk," zei hij, „en nu de kegels!" Meteen
ging hij naar een oude shiitmand, die in een hoek bij de trap stond,
en die hij daar reeds uit voorzorg neergezet had, eer wij kwamen.
Daaruit haalde hij de negen kegels te voorschijn en een paar ferme
zware houten ballen. De kegels werden aan het einde der baan in
het vierkant op rijen van drie stuks gezet, de langste als de koning
in \'t midden. Wouter ging daarbij staan, en wij aan\'t andere einde,
waar hij de ballen had neergelegd. Terwijl hij eene plank kreeg
met een stuk krijt, waarop zooals men het noemt, „turfgeschreven"
werd, — Wouter wist zich altijd kostelijk te behelpen en alles was van
zijne gading, — begon een van ons reeds te gooien. „Neen, met je
permissie! dat gaat zóó niet!" riep hij: „Wacht een beetje is ook een
dorpje! \'t is maar niet te doen om voor dol en blind die kegels om
te smijten en te plukharen om de ballen. Ieder op zijn beurt! Eerst
,„jtafigv0ien"", dat is zooveel te zeggen als: gooien wie \'t eerst en
wie vervolgens spelen moet."
Zoo gezegd, zoo gedaan. Wouter, strikt rechtvaardig, liet van den
oudste tot den jongste eerst ieder twee ballen werpen. Wie de meeste
kegels omgooide, werd de eerste op zijne sehrijfplank, waarop wij
naar die volgorde eindelijk allen bij onze voornamen vermeld ston-
den. „Haantje-de-voorste," die zich \'t eerst van een bal meester ge-
maakt en gegooid had, werd nu pas nummer vijf op de plank! Hij
keek er niet vriendelijk van; maar „recht is recht," zei Wouter,
„wacht je beurt, en doe dan je best, maar vergaloppeer je niet te
vroeg." Ons haantje zette een nog leelijker gezicht, maar wij vomlen
allemaal, dat Wouter wel deugdelijk gelijk had.
Nu ging \'t spel aan den gang. Wouter maakte eerst nog aan
\'t begin van de baan een ferme streep op den grond, waar ieder der
spelers den voet op zetten moest, en zei ons wel nadrukkelijk, dat we
-ocr page 109-
KEGELEN.
IOI
eerlijk moesten doen en ons precies op de streep plaatsen. Toen
ging hij bij de kegels staan, zou afroepen hoeveel gegooid was, de
omvergeworpene weer opzetten en de ballen terug laten rollen.
Ken aardige kleine jongen, de lieveling van ons allen, een blond
ventje, — mij dunkt, ik zie hem nog! — was de eerste op Wouters
schrijfplank geworden en gooide dus het eerst. Hij zette zijn voet
op de streep en daar ging de bal. Hij wierp één kegel om. „Klein
Jantje"
riep Wouter, en schreef één op de plank. ,,*k Heet
Willem, Willem, hoor je ! antwoordde de knaap. „Ja, dal weet ik
ook wel," hernam Wouter, „maar bij \'t kegelen heeft alles, net als
cip \'t jachtveld, zoo een eigen soort van naam. Zie je, een jager
noemt de pooten van een haas — de loopers ; — den staart — tie
pluim;
— de ooren — de lepels ; het bloed — hel ïweet; en dan
praten ze, zonder dat een schoolmeester ze op de vingers tikt, van:
hel haas! Hegrijp: het haas! Maar, zie je, dat hoort zoo. „„Zoo zijn
onze manieren!"" zeggen de jagers, en nu zijn onze manieren in
\'t kegelen, om de kegels: hout, en één : Klein Jantje te noemen.
Twéé, dan roepen we: Twee duifjes of ook wel: Hoedje af! Drie
blijft drie, maar als het de middelste van de eerste, tweede en derde
rij is, dus de koning met het hout, dat er voor en achter staat, dan
zeg ik, dat wie het gooit: Gerade atts.\' gemaakt beeft. Je hoort, ik
spreek een mooie mondvol Duitsch. Vier, vijf en zes hebben geen
anderen naam, zeker omdat anders te veel te onthouden zou
zijn, begrijp je! Zoo heeft alles zijn reden. Vooruit nu maar weer!"
Nommer 2 wierp, en we zagen zeven kegels omvallen, maar
Wouter riep: Ken mooie gooi! Dat geldt twaalf." „Mis, mis,"
kraaide ons Haantje-de-voorste, „\'t zijn er maar zeven." Wouter zette
de handen in de zijde en keek den schreeuwer even aan. „Wel heb
ik van mijn leven!" zei hij eindelijk, „dat kan een boerenjongen
wel zien. Maar wie zoo mooi gooit, dat hij er zeven omwerpt,
wordt opgeschreven voor twaalf punten, en daarom heb ik gezegd:
dat geldt twaalf, — begrepen? Als er straks een acht gooit, en dat
willen we hopen, geldt het 18; en worden acht zoo handig geworpen,
dat alleen de koning staan blijft, dan roep ik: aeht om den lange,
en ik schrijf 27, en als er een al de kegels omwerpt, zeg ik : alle
negen,
en dan moeten de jongeheeren voor zoo\'n knappertje maar
reis allemaal hoera! roepen, en ik schrijf 36, drie, Gerade at/s ge-
gooid, geeft 6 punten. Zie je, dat is nu precies als een meneer, die
niet één affairetje op de beurs een heeleboel gelijk wint, of een ge-
-ocr page 110-
102
KEGELEN.
neraal, die met weinig schoten, maar goed raak, vat je ! een schans
met honderd man neemt. Vooruit maar weer!"
„We bewonderden Wouter hartgrondig en vonden hem bij uitne-
mendheid knap. Vlugger en vlugger gingen nu de worpen achter
elkaar. Toen Haantje gooien moest, kwam ons heele klubje in beweging.
„Hou je nu goed!" zei de een; „Laat nu kijken wat je kunt!" een
ander. „Alle negen!" riep een derde, Wouters stem spottend na-
bootsende. Haantje stapte geducht pedant op de streep, keek en
mikte zeer neuswijs.... daar ging de bal.....
Poedel!" riep Wouter, met een sterken nadruk op de laatste let-
tergreep: „Poedel!"
Arm Haantje, wat lachten wij hem uit! Want Wouters uitroep
beduidde, dat de bal, zooals wij dan ook allen zagen, van den
rechten weg, dat is van de gladde middelplank der baan gerold, en
dus op zij geloopen was, zonder een enkelen kegel te raken.
\'t Is toch aardig! ledere „mooie gooi" van de anderen werd met
algemeen gejuich begroet, maar dat Haantje er den eersten keer den
besten kaal afkwam, deed ons allemaal eigenlijk goed. Hij was ook
zóó geducht wijs ; hij moest ook zóó nummer één wezen; hij wilde
ook altijd zóó koning kraaien; \'t was verdiend loon in ons oog,
dat hij nu eens dadelijk „schaap was."
Hij zette eerst een gezicht of hij \'t niet gelooven kon, dat hij —
hij! — slecht, het slechtst van allen gegooid had. Maar hij moest
zijn eigen toch wel "gelooven, we brulden allemaal zoo hard we
konden: „Poedel! Poedèll!"
„Overdoen! Ik moet overdoen!" riep hij er tegen in. „Dat geldt
niet! Ik moet overdoen!"
Daar had je de poppen aan \'t dansen! „\'t Geldt wel,\'t geldt wel!"
klonk het eenstemmig van onze zijde. „Poedèll Poedèll! Poedèlll!"
riepen we al harder en harder in koor. „Wouter, wat zeg jij ? Niet
overdoen, wel?"
Haantje was rood als vuur. Dat hij van Wouters uitspraak niet
veel te hopen had, begreep hij vooruit. Hij mompelde, dat we „ge-
meene jongens" waren; dat kegelen een „gemeen spel" was, enz.
Dat lieten we ons nu zoo zoetsappig niet zeggen, en er volgde
een tumult van wat ben je me!
Wouter liet ons net zoolang begaan tot hij meende, dat ons pedante
Haantje genoeg gestraft was, en toen riep hij met een stem als een
grenadier: „Stilte in de gelederen! Geen gepruttel, stilte!" en daar
-ocr page 111-
KEGELEN.                                                          103
stonden we, met strijdlustige oogen Haantje aankijkende, maar vol
respect voor Wouter, die toen met de noodige deftigheid verklaarde
dat de worp naar alle regels geschied, en hoe ongelukkig ook, dus
geldig was en niet overgedaan mocht worden. „Maar aangezien dat
nu aan de jongeheeren allemaal gebeuren kan, moeten zij hun kameraad
niet uitjouwen," voegde hij er bij, „en maar liever elk voor zich
oppassen beter te doen. Vooruit maar weer!" En lustig ging het
spel door, en wij raakten zoo in het kegelwoordenboek en de kegel-
rekenkunst thuis, dat we Wouter al vooruit riepen: „Hoedje af" of
„Klein Jantje", of „Geratie ans/\'è en bij dien uitroep niet vergaten
Wouter te herinneren: „Schrijf nu vooral .zw.op!" of als er zeven
werden omgegooid: „Dat geldt nu voor twaalf" en als er acht
voor den grond lagen: „Woutertje! denkt er aan, dat is nu
achttien, hoor I"
Maar Haantje had den lust voor het spel glad verloren. Het was
in zijn eentje op het windastouw, dat vooraan op den zolder met
een losse bocht nederhing, gaan zitten schommelen en floot om zijn
verveling en stille ergenis te verdrijven.
„Je blaast valsch," plaagde hem een uit den hoop.
„Geef dien blindeman een cent!" riep een ander.
„Maar dan moet hij nooit weerom komen I" voegde een derde
er bij.
\'t Was eigenlijk om medelijden met hem te krijgen. Maar \'t alge-
meen gevoelen was, dat hij er wel tegen kon en maar eens „hebben
moest." Zóó erg had hij \'t dien dag nu wel niet gemaakt, maar hij
was altijd zoo kitteloorig en zijn ik stond altijd op den voorgrond,
en hij wilde altijd dat daarvoor alles wijken en wachten moest.
Hat werd nu wel eens lang door de jongens goedhartig verdragen,
maar o wee hem, als dan soms, zooals nu, de bom losbrak!
Toch ontbrak \'t hem nog niet aan een vriend in \'t verdriet. Die
goede kleine Willem! Hij beschaamde ons allemaal. Telkens zocht
hij den pruiler op, zonder ons af te vallen, en per eind en slot gaf
hij Haantje en ons eene les in zelfopoffering, die de moeite
waard was.
Nu we intusschen zoo knap in de regelen van \'t spel geworden
waren, dat we Wouter vooruitliepen in het oproepen en berekenen
der gemaakte punten, meende deze, dat hij er nu zijn gemak wel
een beetje van nemen kon. Zijne zilveren zondagsche tabaksdoos
— een present, dat hij gekregen had, toen hij vijf en twintig jaar
-ocr page 112-
104                                                       KEGELEN.
knecht op \'t kantoor geweest was, — kwam voor den dag, en hij
nam er een sigaar uit, die daar, naast een zilveren pijpuithaler in
den vorm van een hazesprung, te midden van de fijn gekorven ta-
baksblaadjes hare lotsbestemming had liggen af te wachten. Hij
stak op, ging op een kist zitten, dampte lastig en vroeg, wie nu eens
in zijne plaats oproepen en aanschrijven wilde? „Niet allemaal gelijk,"
zei hij lachende, toen geen van ons zich haastte te antwoorden, daar
ieder liever vrij meespelen bleef. .Doch, waar Willem bij was, zou
nooit vergeefs een dienst gevraagd worden! Hij had af en toe mooi
gegooid en stond goed op de schrijfplank; hij was lang geen van
de minsten. Juist sprak hij met ons knorrig Haantje, die nog altijd
zoowat in vrijwillige ballingschap op den voorzolder zat te schom-
melen, toen Wouter voor den dag kwam met de propositie, of een
van ons zijne taak wilde overnemen. Hij kwam toeloopen en dadelijk
was hij de bereidwillige. „Een beste jongen," zei Wouter, en klopte
hem op den schouder; „als nu niemand er iets tegen beeft, dan zal
ik je beurt van gooien waarnemen, en je zult er niet slecht bij staan,
hoop ik." We vonden dat allemaal goed; wat Wouter deed was
wel gedaan, en we hielden allemaal zooveel van Willem, dat wij
hem gaarne het voordeel gunden, hem nu door Wouter voor zijne
bereidwilligheid toegedacht. Maar Willem zelf was er niet mee te-
vreden. „Och Wouter," sprak hij met die liefelijke stem, wier klank
wij nooit vergeten, „ik zou graag wat anders willen"..... en hij zweeg
een oogenblik. „Wel, wat dan, mijn ventje?" antwoordde deze, die
op zijne beurt, hoe forsch en oud militair anders, toch ook recht
vriendelijk wezen kon, „zeg maar op! \'t Zou er al heel Spaansch
moeten uitzien, je voorstel, als ik je man niet was om er fiat op te
zeggen, en zoo denken we er allemaal over, niet waar ?" voegde hij
ons toe, om reeds bij voorraad te zorgen, dat alles naar Willems zin
zou gaan. Als uit één mond klonk dan ook ons antwoord toestem-
mend, zonder dat we nog wisten waarop. Dat gaf een extra vroo-
lijken trek op Willems gelaat, want hij was heimelijk bang geweest
voor het tegendeel, en waarlijk hij vergde dan ook veel van ons!
„Nu," zei hij, „als ik dan zeggen mag, zooals ik \'t graag\' had, —
wel, dan zal ik voor Wouter kegeljongen wezen, en oproepen, aan-
schrijven en de ballen terug gooien; maar dan moet hij" — en nu
wees hij naar Haantje — „weer hier komen en in mijn nommer
staan. Wat ik dan tot nu gegooid heb, is voor hem, en hij is niet
ten achter. Dan is alles weer beter dan nu hij daar zoo alleen zit."
-ocr page 113-
KEGELEN.                                                        I05
— Dat hadden we niet verwacht! Geen van ons zou ooit iets, laat
staan dus zooveel! voor Haantje gedaan hebben. Wouter vreesde
dan ook weer een oogenblik voor onze toestemming, en hij gunde
Willem den triomf van zijn goed hart toch zoo ten volle. „Een
kostelijke jongen ben je!" riep hij, je zult je zin hebben; maar we
zullen je eerst reis in triomf ronddragen, — hier!" en in een oogen-
blik had hij Willem in een baliemand getild. Opgepakt, jongens!"
was het nu tegen ons, en daarmee tegelijk alle tegenstand afgesneden.
„Opgepakt!" En in een wip hadden we Willem in de hoogte; de
mand op onze schouders, en zoo ging het den zolder driemaal rond,
in statigen optocht, terwijl Wouter met een langen stoffer in de
hand als tamboer-majoor vooruit ging, en „Wilhelmus" zong, dat
de turven op de vliering boven ons er van beefden.
Haantje nam \'t offer aan, hem zoo grootmoedig door Willem ge-
bracht. „Schaam je!" duwde een van ons hem toe. Maar als
Haantje maar nommer één was, kon \'t hem minder schelen hoe, en
hij profiteerde doodkalm van Willems spel, dat heel mooi stond,
en dat hij tamelijk gelukkig voortzette, \'t Speet ons allen geducht;
Wouter voelde het en ried onze gedachten. Toen het dus tijd werd
om te eten en het spel eindigde, waardoor we aan geen regen of
teleurstelling gedacht hadden, stond Wouter op, lei zijn sigaar neer
en hield een heel deftige aanspraak. Wat hij al oreerde, ja, dat was
niet te onthouden, maar wij vonden het allemaal heel mooi; doch
wat wij het meest en van harte toejuichten was, dat hij ten slotte
aan Willem de kegels, de ballen, ja zelfs de mand, waarin ze ge-
borgen waren geweest, royaal present gaf.
Maar hoe kom ik er nu aan? Eerlijk, dat kan ik je verzekeren;
ik durf \'t iedereen en hardop vertellen.
Al dadelijk werd dienzelfden dag, nog onder den frisschen indruk
van een vroolijk spel, afgesproken, dat we \'t moesten volhouden en
de eerste Woensdagmiddag zag ons, Haantje uitgezonderd, weer
bijeen. Wij richtten eene vaste kegelklub op, waarover Willem als
bezitter van de kegels en omdat we veel van hem hielden en omdat
hij de jongste van ons was en dus op hem niemand jaloersch wezen
kon, met algemeene stemmen tot eere- voorzitter benoemd werd.
Wij maakten Wouter om zijne velerlei kostelijke eigenschappen,
eerelid, en hij kwam trouw kijken, soms meedoen, en hield alles
in orde. Wat hebben we menig potje gespeeld ! Grooter worden,
van school gaan, op kantoor komen, studeeren, liet deed er allemaal
-ocr page 114-
IOÓ                                                         KEGELEN.
niet toe — en, al ging het later zoo geregeld niet meer, toch ke-
gelden we nu en dan, en bij alle feestelijke gelegenheden speelden
later de kegels eene groote rol. Ken van ons ging naar Indic en zelfs
daar verliet hem de herinnering van ons spel en ons klubje niet!
Toen hij bij de eerste militaire expeditie, die hij medemaakte, ten
minste, maar vergeefs! op de militaire Willemsorde gerekend had,
schreef hij ons: „Mis hoor! \'k heb: poedel gegooid, jongens!" Maar
hij was er niet door ontmoedigd, in latere jaren gelukkiger en toen
was \'t: nu alle negen, vrienden, \'k hen weer bevorderd en heb
\'t kruis. Ken ander trouwde, wij allen woonden de partij bij en
bij den eersten feestdronk op het paar werd de oude roep: livee
duifjes
nog eens lustig gehoord niet alleen, maar tusschen het diné
en dessert kwamen zelfs nog eens bij andere pretjes de oude kegels
te voorschijn, feestelijk ieder met een bouquét\' versierd en allen,
zelfs de dames, moesten meegooien!
En niet alleen door al zulke sprekende herinneringen, bleef ons
de blijde kegeltijd in \'t geheugen en het hart, maar hoe dikwijls
kwam ons bij allerlei levensomstandigheden het spel in de gedach-
ten! Een van ons, die altijd een beetje over de streep trachtte te
staan , probeerde dat later in zijne zaken ook nog wel eens, maar
hij werd dan nog ruim zoo hard op zijne plaats gezet als inder-
tijd door ons op de baan!___
De bedaarde gooiers werden de bedaarde menschen. Zij, die
vervelend lang mikten, eer zij den bal lieten rollen, och, wat ging
hun in hun volgend leven veel den neus voorbij, omdat zij te
lang wachtten, eer zij toewierpen! en de wilde spelers, zij bleven
achteloos en op goed geluk gooiend: soms, ja, was \'t: alle negen,
maar hoe dikwijls bleef \'t bij: klein Jantje of Ifocdje af! Ons on-
verbeterlijk Haantje heeft nog wat dikwijls en naar recht, in zijn
volgend leven, in allerlei zaken en onder allerlei menschen poedel.\'
moeten hooren — en daarentegen ook in den goede bij uitnemend-
heid onder ons, in Willem, den hartelijken, vroolijken Willem,
herkenden wij als man steeds alles, waarom wij hem als jongen
liefhadden.
Wij hadden, opgroeiende, en toen links en rechts verspreid, onzen
vriend Wouter langzamerhand uit het oog verloren, \'t Was den
man niet voor den wind gegaan, zoo als ons later bleek, want
eerst had het kantoor, na den dood van een der voornaamste
-ocr page 115-
KEGELEN.                                                  I07
deelhebbers, en ongelukkige zaken door de overblijvenden gedaan,
opgehouden en sedert was zijn toestand, vooral door zijn jaren, er
niet op verbeterd. Hij had echter nog altijd cene kleine lijfrente,
maar kwam sober rond, verliet de stad en ging bij een boer op het
land leven. Dat was zoo kwaad niet overlegd, maar toch \'t liep
alles behalve goed voor hem af. Zijn eenige dochter was gehuwd
in de stad, maar verloor haar man en bleef als arme weduwe met
een paar kinderen achter. Toen kwam Wouter met zijn klein
pensioentje bij haar inwonen, maar het gelukte haar niet spoedig
genoeg wat te verdienen en zoo teerde het weinige geld op en allen
werden en waren arm met elkaar.
Wouter herinnerde zich „de jonge heeren te goed, om niet in
zijn nood aan hen te denken, en vooral toen andere menschen
minder behulpzaam waren dan hij gehoopt had. Op een goeden
dag trok hij, zooals hij dat noemde, „de stoute schoenen" aan en
zocht Willem op, wiens adres als praktizeerend dokter niet moeilijk
te vinden was. De academietijd, en hoevele jaren bovendien, lagen
er tusschen hunne laatste ontmoeting, — maar Willem was nog de
oude gulle jongen en ontving hem recht hartelijk. „Heel florissant
zie je er niet uit, Wouter," sprak hij hem op den vroegeren ge-
meenzamen toon toe, „je lijkt me de gepersonifieerde anderdaagsche
koorts, maar dat \'s niemendal. Ik zal mijn best doen om je zoo
gauw mogelijk weer zoo gezond als een visch te maken. Ik vind
het recht aardig van je, dat je mij de klandizie geeft. Kom, laat
me je tong maar eens zien, en voor den dag met den pols ! Als je
nu zoo goed kunt innemen als vroeger eten, dan ben je in veertien
dagen weer klaar !"
„Eten," zei Wouter, en hij zuchtte en zijn oogen werden vochtig
bij die herinnering van den ouden, goeden tijd, in zoo scherpe
tegenstelling met het tegenwoordige. „Eten...... en nu kwam \'t
verhaal van\'zijn armoede, en hoe er wel dagen waren dat hij niet
at, om zijn arme dochter en kleinkinderen nog wat te kunnen
geven!..... De goede Willem kreeg nu half berouw van zijn
luchtige toespraak, hoewel hij het niet helpen kon. „Arme Wouter,"
zei hij meewarig, „wel, dat had ik eer moeten weten. Je hebt
andere quinine noodig dan de apotheker verkoopt! Maar laat het
hoofd niet hangen, zoolang er nog een van ons leeft, moet je niet
bezorgd wezen. Kom, goed voorbeeld doet goed volgen. Ik zal
-ocr page 116-
Io8                                                  KEGELEN.
maar beginnen met je de hand te bieden. Wees maar welgemoed!
Dat Wouters gelaat een boel opklaarde, spreekt van zelf. Willem
zag het met blijdschap en durfde nu ook weer zijn gewonen vroo-
lijken toon aanslaan. „Zie nu wat een wonderdokter ik ben ! Man,
je hebt nog niets geslikt en je fleurt al op. Wat zal het nu zijn,
als je mijn medicamenten gebruikt!" en doende als wilde hij Wouter
de pols voelen, die te dien einde de hand naar hem uitstak, stopte
hij er een stuk geld in en "zei: „zie zoo ! laat dat recept nu maar
eens door je dochter klaar maken. Zoo"n huismiddeltje kan zij in
den gewonen ijzeren pot koken en je hebt er den apotheker niet
bij noodig. Je heele gezin moet er van gebruiken, en als het op
is, moet je weerkomen, hoor, Wouter, dan kan ik zien hoe \'t ge-
werkt heeft en wat er verder moet worden voorgeschreven." Wouter
wilde bedanken, maar Willem liet hem niet aan \'t woord, „\'t Re-
cept heeft haast," sprak hij, „rep je maar voort! Het bedanken is
vroeg genoeg, als ik je geheel hersteld heb. Vertel me nu nog
maar, waar je woont, dan schrijf ik je op mijn visitelijst en kom
eens kijken, als je me te lang weg blijft."
Wouter kon niets zeggen, zoo was hij getroffen; maar hij zag met
zijn trouwe, eerlijke oogen Willem zoo veelbeteekenend aan en
drukte hem zoo hartelijk de hand, dat hij met woorden niet meer
had kunnen uitspreken.
Willem liet liet er niet bij. Hij zelf voorzag in de eerste en
dringende behoeften van het ongelukkige gezin, en toen schreef hij
links en rechts aan de oude vrienden een woordje over zijne ont-
moeting met Wouter, en voor zoo verre wij in de stad woonden,
riep hij ons deftig op tot eene vergadering te zijnen huize.
Van de afwezigen, zonder ééne uitzondering, zoo goed en levendig
was de oude geest onder ons gebleven, ontving hij dien dag brieven
van toetreding tot het voorstel, dat hij ons op blijmoedigen toon
deed, nadat hij ons van alles had ingelicht. We zouden wekelijks
ieder wat bijdragen, trouw de handen in elkaar slaan, om intusschen
de dochter in eene kleine winkelnering te helpen, en een van ons
nam op zich, de noodige stappen te doen, ten einde Wouter met-
tertijd een plaats in een gesticht van liefdadigheid te bezorgen.
„Dat mag: gereideaus heeten" — riep hij vroolijk uit, „met dit
onderscheid, dat we grootvader, dochter en kleinkinderen, het eerste,
tweede en derde gelid, niet hebben omgeworpen, maar integendeel
weer opgezet. Nu een glas wijn!" en hij schelde.
-ocr page 117-
KEGELEN.
109
Even daarna ging de deur open en wie bracht flesch en glazen?
Wouter, niemand anders dan Wouter. Geen van ons. Willem na-
tuurlijk uitgezonderd, had hem in al die jaren meer gezien. Dat
was dus een blijde verrassing, dubbel aangenaam na het goede
besluit, dat we zoo even genomen hadden, üe jongens waren
mannen geworden en Wouter een grijsaard, maar we voelden ons
allen weer jong. Voor dat hij nog iets wist van de blijvende en
afdoende hulp, die hem, dank zij Willenis lusschenkomst, zou ver-
schaft worden, werd hij reeds meer vroolijk en opgeruimd, toen
hij ons allen zoo wederzag en wij hem zoo hartelijk bejegen-
den. De een gaf hem een stoel, de ander een sigaar, of eigenlijk
werden hem zoo wat alle kokers gelijk aangeboden. „Ja, heeren !
van wien zal ik nu nemen?" zei Wouter en hij was waarlijk een
beetje confuus, „ik wil niemand affronteeren." — „Wel," kreeg hij
ten antwoord, „neem dan maar van ieder zooveel je goeddunkt,
dan heb je nog een paar neuzewarmertjes om mee naar huis te
gaan ook."
— „ „Alle negen" " dan met je verlof!" riep Wouter nu, en
zijn oude, oolijke glimlach keerde terug op het verstramde gelaat.
„alle /tegen !" en waarlijk het was, bij dien tweeden uitroep, de oude
eigenaardige stem weer.
Willem schonk in en begon Wouter nu heel deftig te vertellen
wat „de klub" besloten had. De oude man kreeg de tranen in de
oogen en zijne hand beefde, toen hij, — nadat de toespraak, rijk
doorweven met allerlei herinneringen en toespelingen op den vroe--
geren tijd, geëindigd was, — dankbaar met ons allen klonk.
Wij waren reeds weer gaan zitten, maar hij bleef nog staan.
„Heb je nog wat op je hart?" zei Willem. „Ja, of ik!" antwoordde
Wouter met eene stem, die getuigde dat zijn gemoed vol was. Hij
begon met ons in \'t algemeen te bedanken; zijne aandoening klom
al sprekende en eindelijk richtte hij uitsluitend tot Willem het
woord. Toen eerst vernamen wij alles, waarvan deze zelf ons geen
woord had gerept; toen eerst hoorden wij, hoe hij ook nu weer
dadelijk en volijverig in de bres gesprongen was, hoe trouw hij
geholpen had in den nood, met raad en daad ; hoe hij den ouden
man dadelijk in alles bijgestaan, ja zelfs de zieke kinderen had
helpen verzorgen en de arme moeder, Wouters dochter, dikwijls de
hand gereikt had ter verpleging, ,,\'k Heb al de heeren lief," ein-
digde Wouter, „en God weet, hoe goed het mijn oud hart doet
-ocr page 118-
IIÖ                                                           KEGELEN.
ze zoo flink opgegroeid, als kloeke, volwassen marmert en trouwe
vrienden weer te vinden. Morgen noch avond zal er voorbijgaan
dat Wouter en de zijnen niet dankbaar aan allen denken.......
maar beter dan hij, en nu stak hij Willem de rimpelige hand
toe, die deze met gelijke warmte aannam en drukte, „beter dan hij
is er geen van allen! Neem me niet kwalijk, heeren! maar Wouter
spreekt zooals hij denkt. Wat hij als jongen voor zijn kameraads
was, werd en bleef hij als man voor zijn evenmensch. Lang zal
hij leven!"
Lang zal hij leven!...... We wenschten het hem allen, even
hartelijk, met Wouter mee — maar die wensch is, in den gewonen
zin althans, niet verhoord; want reeds op dertigjarigen leeftijd nam
de dood den edele van ons weg en hij leeft thans alleen nog
onder ons voort in onze harten !.....
Hij heeft het door hein begonnen en later met onze hulp, onder
zijne trouwe en verstandige leiding, voortgezette liefdewerk aan
Wouter gelukkig volbracht en bekroond gezien, en nog menige
andere vrucht van zijn ijver voor al wat goed was aanschouwd.
Maar te midden van zijn drukken werkkring, waarin hij zich, vurig
van geest in alles, rusteloos in onophoudelijke zelfopoffering bewoog,
bezweek hij aan een kortstondige maar hevige ziekte. Uren lang
heb ik aan zijn krankbed doorgebracht, in mijne armen is hij ont-
slapen; de hand die deze regels schrijft, heeft hem het wakker oog,
toen het levenslicht er in uitgebluscht was, gesloten. Wie zoo wèl
geleefd heeft, sterft moedig en, ondanks lichaamslijden, kalm en ge-
laten. Nimmer vergeet ik dien nacht.
Wij, de oude vrienden, hebben hem ten grave gedragen, en van
ginds en ver zijn de afwezigen naar onze woonplaats opgekomen,
om den vriend en broeder de laatste eer te bewijzen. En wel was
dat eene eere, zóó beweend, zóó begraven te worden.......
Wouter en zijne kleinkinderen stonden mede aan het graf. De
oude man was sprakeloos, maar zijne gevouwen handen en zijn ten
hemel geslagen oog getuigden, wat stemme uit zijn binnenste oprees
tot den Almachtige !......
Nadat alles volbracht was en Willems bloedverwanten zijne zaken
regelden en afdeden, werd mij gevraagd, wat ik uit zijne nalaten-
schap ter gedachtenis begeerde?
-ocr page 119-
KEGELEN.                                                  III
Ik had mij niet lang te bedenken. Hoeveel schoons er in zijn
geliefden boekenschat, zijne verzameling kunstprenten, en wat niet
al meer ware — „och" zei ik, „die oude kegels had ik \'t liefst!"
Zoo ben ik er aan gekomen.
A. J. DE BULL.
OOST, WEST, THUIS BEST.
In hoven en hoeven
in Oost of in West,
Moog\' t goed zijn te toeven:
te huis het best.
Geen plekje zoo heilig,
geen kerk of geen kluis
Zoo vreedzaam en veilig
als \'t vreedzaam Tehuis
\'t Zij prachtig in \'t Oosten,
\'t zij heerlijk in \'t Zuid;
Natuur sprei er schatten
en wonderen uit;
Het goud moge er lokken
de wellust, of de eer,
Genot moge er veel zijn,
Gemis is er meer.
Tehuis zijn mijn schatten,
mijn eer, en mijn lust;
Mijn smaaklijkste maaltijd,
mijn rustigste rust.
De bloem in mijn venster,
het vuur op mijn haard,
Zijn al uw tooneelen
En lustoorden waard.
NIC. BEETS.
-ocr page 120-
rr2
VOORHEEN EN THANS.
VOORHEEN EN THANS.
De winterneevlen weren
Den uchtend-zonneschijn;
Een sneeuwvlaag dekt de daken
En \'t breede raamkozijn.
Toch tjilpen daar, al bibbrend
Op looden plat en goot,
De grauwe, trouwe musschen
Om zaad en kruimels brood.
Men laat niet lang ze wachten,
Maar schuift het venster op . . .
„Komt, arme luchtbewoners!
„Vult vrij den kleinen krop."
Het raam wordt toegeschoven,
Men beidt haar komst, maar toch:
Zij wagen \'t niet te naadren —
Wat doet haar dralen nog ?
\'t Is waar: zij zagen vroeger
Geen man met strak gelaat,
Die broodkruim aan haar deelde —
Een man in rouwgewaad.
Zij zijn verwend; zij zagen
Altijd een lieve vrouw,
Wier oog haar tegenstraalde
Als \'t zonnetje in de kou.
Haar milde hand, die de armen
Zoo min als u vergat,
Strooide, uitgehongerd volkjen !
Uw voeder op het plat.
Haar stem noodde u te komen,
Een stem vol melodij
Als \'t fluistren van het Zuien
In \'t jonge lentetij.
-ocr page 121-
VOORHEEN EN THANS.
Toen deed geen vrees u toeven
Tot zij van \'t venster toog;
Neen, ijlings kwaamt gij allen
Gefladderd van omhoog.
Van onder hare handen
Werd weggepikt het brood,
Terwijl uw kralen oogjes
Een dankend straaltje ontschoot.
Maar zij kan niet meer stillen
Uw nood en winterleed ;
Een ander moet volbrengen
Wat zij zoo gaarne deed.
Zij slaapt den slaap des vredes,
Die zonder Droomen boeit. . .
Wat draalt gij dan nog langer ?
Komt haastig aangespoeid.
Dien man met ernstig wezen,
Die \'t venster reeds verliet,
Droeg ze op voor u te zorgen —•
Ei, kleinen ! vreest dan niet.
En strooit hij morgen ochtend
Weer voedsel voor u neer,
Och, blijft dan niet van verre,
Gij doet hem \'t hart zoo zeer.
A. I.. DE ROI>.
HET VOGELNESTJE.
Ziet ge ginds den pronk der dalen,
Dien verheven popelboom,
Breedgetakt met fierheid pralen,
En zich spieglen in den stroom ?
Lentes adem heeft hem leven,
Dos en bladerkroon gegeven ;
En een minnend vooglenpaar
-ocr page 122-
HET VOGELNESTJE.
114
Koos uit al \'t geboomte in \'t ronde
Deez\' abeel ter bruiloftssponde,
Wijdde hem ten eclitaltaar.
Onder luid en vroolijk tieren,
Was het jonge paar getrouwd ;
Na het dartel hoogtijdvieren,
Werd het kleine nest gebouwd ;
Door de liefde, rijk in zorgen,
Onder \'t loover half verborgen,
Hoog, maar ook niet al te hoog,
Was het, door de min geheiligd,
Voor den stouten knaap beveiligd,
En voor \'s haviks loerend oog.
Eens, bij \'t afzijn van den vader,
Broeide een onweer aan de lucht;
Donker dreigend drijft het nader,
En de teedre moeder ducht,
Dat de bliksem \'t kroost zal treffen ;
Wie, wie kan haar angst beseffen !
Hoog, en hooger stijgt de nood . . .
Bij het rommlen van den donder
Duikt ze \'t hoofdje in \'t nestjen onder,
En ze wacht een\' wissen dood.
Sidder niet, bedrukte moeder,
Voor het alverblindend licht!
Boven zetelt de Albehoeder,
Die den bliksem werpt en richt.
Uwer zal hij zich ontfermen,
En uw weerloos kroost beschermen,
Schoon geen straal van hoop meer schijn\';
\'t Bliksemvuur moge u doen schrikken,
Binnen weinige «ogenblikken
Zal het licht uw redder zijn.
Hoor, wat sist er in \'t gebladert\'
Aan den lagen rand des strooms ?
\'t Is een slang, die schuiflend nadert,
-ocr page 123-
HET VOGELNESTJE.
Kruipend naar den voet des booms.
Waar, waarheen zal zij zich keeren ?
\'Zal zij ook de onnoozlen deren,
Voor het onweer reeds vervaard ?
Wie, wie neemt hen in zijn hoede
Voor des monsters gruwbre woede ? —
I )e onschuld wordt door God bewaard !
Zie! de slang in \'t stof zich kronklend,
Heft reeds d\' opgezwollen kop,
Van venijn en moordlust fonklend,
Naar \'t verblijf der onschuld op;
\'t Ranke lijf naar boven dringend,
Om des popels stam zich wringend,
Glijdt zij over ruigte en bast,
En, zich slingrende om de twijgen,
Kleeft ze, in \'t bochtig opwaarts stijgen,
Als het klemmerkruid zich vast.
Op het ritslen van het loover
Beurt de moeder \'t hoofdje eens op,...
En ze ziet van d\'ijsbren roover
Slechts den blauwgeschubden kop;
Doodsangst doet haar \'t borstjen hijgen,
En in \'t nestjen nederzijgen :
Maar — op eens verrijst zij weer,
Voelt zich moeder, voelt zich sterken,
En ze slaat met beide vlerken,
En haar hartjen beeft niet meer.
Ook de vader, aangevlogen,
Heeft den dood zich toegewijd ;
\'t Wijfjen voelt haar moed verhoogen,
Nu ze naast haar gaaiken strijdt:
Maar, van naderbij besprongen,
Drijft het angstgeschrei der jongen
De ouden tot vertwijfling aan :
En . .. nu aan het nest gekropen,
Spert de slang haar kaken open .. .
Ach, met de onschuld is \'t gedaan !
*
-ocr page 124-
HET VOGELNES1JE.
Neen! daar schiet —• wat heerlijk wonder! —
God ! uw bliksem wrekend neer !
En — bij \'t raatlen van den donder
Is het wangedrocht niet meer.
Zie \'t verpletterd nederploffen,
In den vuigen kop getroffen ;
En de vooglen zijn gespaard:
\'t Vuur viel langs het nestjen neder,
Maar het zengde pluim noch veder ! . . .
De onschuld wordt door God bewaard!
II. A. SPANDAW.
HEIMWEE.
Wanneer de winter ons verlaat,
En naar het noorden vlucht;
Wanneer \'t viooltje, in blauw gewaad,
Naar \'t lentelachje zucht;
Wanneer de Mei naar \'t liedje hoort,
Dat hem de kever bromt,
De zwaluw weer uit warmer oord
Naar \'t wiegenestje komt;
Dan roept een stem in mijn gemoed :
„Wat suft gij in uw kluis ?
Dan trekt het mij zoo sterk en zoet
Naar \'t vroeg verlaten huis ;
Dan zie ik, achter berg en bosch,
Een dal voor storm beschut;
Daar tooit de lente in schooner dos
De vaderlijke hut.
In Limburg ligt de stille plaats,
Die zoo mijn hart bekoort;
In Limburg stroomt de breede Maas,
Niet ver van \'t dierbaar oord;
En vogellied en lentepracht
En wat de ziel verheugt,
Verlokken mij met wondre macht
Naar \'t erfdeel mijner jeugd.
-ocr page 125-
HEIMWEE.
Tk speelde vroolijk daar als kind,
Langs beek en bloemcnwei,
En met mij speelde menig vrind
Door \'s levens bonten mei;
O, mocht mijn oog nog eens u zien,
Die mij zoo dierbaar zijt,
Eb u den trouwen handslag biên,
(lelijk in vroeger tijd !
Thans dwalen velen, ach ! als ik,
Door streken minder schoon,
En werpen vaak een\' droeven blik
Naar hunner oudren woon;
Die ginder bleven, spelens moe,
Verlieten kolf en schijf,
En snelden reeds den grave toe,
Tot rust voor ziel en lijf.
Één\' vriend liet mij des hemels wil
Van al dat vriendental,
En die alleen herdenkt nog stil
Ons spel met kaats en bal;
Die leidt mij dan van huis tot huis,
Kom ik ten dorpe weer,
Verklaart op \'t kerkhof ieder kruis:
„Zij slapen in den Heer !"
Dan schenken wij een weemoedstraan
Aan eiken zaalgen vrind,
En denken als wij henengaan:
„Wat hebben we u bemind !"
Wij scheiden traagzaam van elkaar,
En teeknen eerst een plek
Op \'t kerkhof, achter \'t hoofdaltaar:
„Dat die ons beide eens dekk\' !"
J. M. DAUTZENBERG\'.
-ocr page 126-
n8
KORENBLOEM.
KORENBLOEM.
Gods liefde, die wij dankbaar roemen
Bij \'t nuttig koren, dat ons voedt,
Gods liefde schenkt ons ook de bloemen,
Bij haar is weelde en overvloed.
Zoo ons de heerlijkheid des Heeren
In \'t goud des akkers tegengloeit:
Hij wil, dat we ook de bloem waardeeren,
Die kleurig aan zijn zoomen bloeit.
De knopjes gluren uit de bladeren
En zien ons met een glimlach aan,
En zoo wij ons een tuiltje gaderen,
Daaraan is niet-met-al misdaan.
Slechts hij bedroeft den Allerhoogste,
Die, daar hij \'t minst vóór \'t meeste kiest,
Den tijd van zaaien en van oogsten
Bij lieve bloemetjes verliest.
Bewaar ons, God ! voor ijdelheden,
En hecht ons hart aan onzen schat,
Maar ook voor bloemen te vertreden,
Die Gij doet bloeien op ons pad.
N. BEETS.
DE VOGELEN.
\'t Groen puilt nauwlijks uit de boomen,
Of daar zijn ze weer in \'t hout,
Al die zwervers, jong en oud.
Waarvandaan toch of ze komen ?
\'s Winters is er geen in \'t woud.
Zeg eens, waar gij hebt gezeten,
Waar gescholen, bonte vlucht,
Die komt vallen uit de lucht ?
Wie heeft daadlijk u doen weten,
Dat weer \'t lentewindje zucht ?
-ocr page 127-
DE VOGELEN.                                                       119
Hoe ze domplen, hoe ze stijgen,
Hoe ze wappren op de veer !
Zie, «laar strijkt een troepje neer :
Hoe ze wieglen op de twijgen,
Hoe ze schommlen heen en weer !
Weest voorzichtig, al te dartlen !
Niet zoo woelig, niet zoo druk !
Krijgt toch maar geen ongeluk !
Met dat springen en dat spartlen
Brak er licht een pootje stuk.
Hoe ze schaatren, hoe ze fluiten,
Gagglen hier en kaaklen daar !
Wat beweging ! wat misbaar !
Hoe ze tjilpen, hoe ze tuiten,
Hoe ze gonzen door elkaar !
Zouden ze aan elkander vragen,
Waar ze scholen in een bouw,
Waar ze huisden in een schouw,
En \'t vertellen en het klagen
Wat ze leden van de kou ?
Of misschien dat ze overleggen,
Wat nu \'t groeizaamst op het land —
In de klei is of in \'t zand;
Mooglijk, dat ze elkander zeggen
Waar gepoot werd en geplant.
Zie daar drijven ze op de veder,
Na een kort en kloek beraad,
Met een golving op de maat,
Midden in mijn moesland neder .. .
Tuinman ! pas nu op uw zaad !
Maar de tuinman, sluw en wakker,
Stond verborgen op de loer,
Waar ze pikten naar het voer ;
Paf! daar dreunt het langs den akker
Van een kruitschot uit het roer;
En in dwarling opgevlogen,
Rondgestoven heen en weer,
-ocr page 128-
DE VOGELEN.
120
Weggefladderd heinde en veer,
Drijven ze als een wolk uit de oogen :
Nergens is een vogel meer.
Hoor eens, tuinbaas ! \'k wil \'t wel weten,
\'k Houw mijn erwtjes liefst voor mij ;
Stroopen staat ook niemand vrij ;
Maar de vooglen moeten eten,
Even goed als ik en gij.
\'k Voel mij \'t hart van deernis raken,
Als ze, hunkrend naar het aas,
Siddren bij het minst geraas :
Hoor eens: als ze \'t schaplijk maken,
Zie wat door de vingren, baas !
H. TOLLENS, CZ.
EENE VOSSENJACHT.
Ik ben buiten bij Janssen gelogeerd. Ik heb zaken met hem af
te maken, en mijn woord is gepasseerd, om van den Vrijdagmid-
dag tot den Maandag morgen te blijven.
Ik heb mij laten overhalen, om hem den Zaterdagmorgen op de
vossenjacht te vergezellen. Hoe ik daartoe kwam, weet ik niet;
want ik heb nooit een geweer in de hand gehad, anders dan als
schutter en de genoegens der jacht zijn mij tot dusver onbekend
gebleven. Misschien heeft de sterke punch gisterenavond op mijne
altijd licht ontvlambare verbeelding gewerkt; misschien vreesde ik
den geheelen dag in huis te moeten doorbrengen, misschien be-
koorde mij de nieuwheid van de zaak; — wie weet? — Maar, hoe
het zij, ik heb, tot blijkbare vreugde van mijn gastheer, beloofd hem
te vergezellen en \'s Zaterdags-morgens om zes uur, sta ik huiverig
en huiverend op, in verwachting van wat nog komen moet.
Janssen zal mij voor de gelegenheid uitrusten. Mijn deftige
zwarte rok hangt neerslachtig met zijn sombere panden over een
stoel en schijnt mij waarschuwend de leege, geknakte mouwen te
gemoet te strekken. Ik wend de blikken van hem af, trek een
grijslinnen kiel aan, die mij wat nauw over de schouders is, dom-
pel mijn voeten in een paar stijve, koppige waterlaarzen, stop de
-ocr page 129-
EENE VOSSENJACHT.
121
beschaamde pijpen van mijne beenbekleeding er in, leg mijn grijn-
zende boordjes naast den spiegel neder, wind eene warme bouffante
om den hals, knoop, met ontzaglijke moeite, de mouwen van den
kiel vast, die zoo nauw sluiten, dat al mijn vingers onmiddellijk
tot de dikte van kinderarmen opzwellen, zet mijne reispet zwierig
op het oor, steek mijn zakdoek in een der vijf en twintig zakken
van den kiel, overtuigd, dat ik hem nooit weder zal vinden, bekijk
mij zelven bij het kaarslicht, met eene zekere schuchterheid, in den
spiegel en stap moedig de kamer af.
Ik stompel de trap af, glijd op mijn dikke, onwrikbare zolen
door de marmeren gang, stoot mij de teenen of liever de toppen
mijner laarzen tegen de deur van de eetzaal, en daar mijn schou-
ders omhoog en naar voren gedaald zijn door den nauwsluitenden
kiel, en de korte mouwen mijn armen als de ooren van een Keul-
schen pot gebogen houden, is mijn entree de chambre niet al te
bevallig.
Een lekker vuur brandt in den haard; Janssen zit aan de ont-
bijttafel, met Champignon en nog een paar heeren uit de buurt.
Aan het einde van de kamer, bij het buffet staat een lange gestalte,
heel grijs van het hoofd tot de voeten; meer kan ik, bij het mor-
genschemerlicht, niet zien.
„(Ja maar zitten en val aan!" roept Janssen; „de tijd is kostbaar."
Ik heb hoegenaamd geen honger op dit ongewoon uur; daar ik
echter zie, dat iedereen druk bezig is met mes en vork, doe ik ook
mijn best, en treuzel zoo lang mogelijk, mijn gaaplust bedwingende,
over het ontbijt.
Het gesprek is niet levendig; niemand is levendig; alleen Cham-
pignon heeft het druk als altijd. Hij springt zoowat om de vijf
minuten op, kijkt uit het raam, houdt de hand voor cle oogen en
critiseert het weder.
Daar buiten is niets te zien dan nevel, die in zware, wolachtige
wolken over de velden rolt, en alles, behalve de (Jhineesche schim-
men van de boomen vóór het raam, en de natte, glinsterende stoep,
sluiert.
Champignon, dat zie ik nu, is heel anders gekleed dan Janssen
en ik. Hij draagt een jachthuis van donkergroene kleur, met gioote
medailles, jachttooneelen voorstellende, bij wijze van knoopen ver-
sierd. Zijn vest is van dezelfde stof en met kleine afstammelingen
der groote knoopen over zijne groene en roode sjaaldas vastgemaakt
-ocr page 130-
EENE VOSSENJACHT.
122
Zijn beenen zitten van boven in zulk eene nauwe broek, clat het
mij een raadsel blijft, hoe hij er ooit ingekomen is, en tot boven
de knieën reiken lange slopkousen, met zoo veel parelmoeren
knoopen bezet, dal hij dun halven nacht heeft moeten opzitten, om
ze alle door de gaten te krijgen.
Een bruine, brcedgerandc hoed, met een groenen band, waarin
allerlei veeren steken, en dien hij nu eens opzet en dan weder
afwerpt, voltooit zijn kostuum.
„Wij zullen eene goede jacht hebben," zegt Janssen: „de jager
heelt ons dat beloofd," en hij wijst op de lange, grijze gestalte bij
het buffet.
Ik zie nu daarin een man van meer dan middelbaren leeftijd, in
een grijs pak gestoken, dat kaal en vol vlekken is.
Mij heeft eene wcilasch, om de schouders, een stalen horlogeket-
ting, een hondenlluitje in zijn knoopsgat, en een eindje pijp uit
een ruimen vestenzak kijkende.
Zijn gelaatstrekken zijn gezond van kleur, maar hier en daar is
het vel gebarsten door de blootstelling aan wind en weer; hij heeft
scherpe, doordringende blauwe oogen, die onder zware, grijze wenk-
brauwen glimmen ; hij staat op een stroohalm te kauwen, en ver-
waardigt zich niet iets te zeggen of iets anders te doen, dan tus-
schenbeide op zijn zilveren horloge te kijken.
Wij staan echter van de ontbijttafel op; iedereen pakt een paar
broodjes met vleesch zorgvuldig in een klein damasten servet, steekt
ze in den zak, tegen den middag, hangt een veldfleschje, dat hij
uit het keldertje op het buffel vult om den nek, en zoo komen wij
in de gang.\'
Sommigen der heeren hebben geweren; anderen, waaronder ik,
worden door den heer des huizes gewapend.
De geweren staan, door den jager en een jongen van een twin-
tigtal jaren, dien hij medegebracht heeft, geladen, tegen den muur.
Iedereen grijpt naar een wapen, zet het aan den schouder, om te
zien of het gemakkelijk valt, wat ik ook met eenige inspanning
doe, overtuigd dat de onwrikbare stroo-eter mij reeds diep veracht,
en wij voltrekken, gevolgd door een stuk of wat knechts, met hon-
den en stokken.
De onwrikbare heelt het geweer op den rug, de beide handen
diep in de broekzakken, en steeds den stroohalm tusschen de tan-
den, en gaat voorop met de deftigheid van een Indiaansen opper-
-ocr page 131-
EENE VOSSENJACHT.                                                123
•hoofd. Ik begrijp, dat ik niet beter kan doen dan zijn voorbeeld
volgen.
Het gelukt mij, na tweemaal mijne pet afgcstootcn te hebben
mijn geweer op den rug te krijgen; ik steek de handen in den zak,
ben zeer voldaan over mij zelven, en verneem, dat wij een half
uurtje te wandelen hebben, eer wij de plek bereiken, waar de drij-
vers ons wachten.
Ik zal den tijd hebben om op de wandeling warme voeten te
krijgen en te bedenken, hoe ik mijn geweer, zonder een mal figuur
te maken, — weder van den rug zal krijgen, — «aar het nu tegen
mijn schouderblad drukt en hotst en stoot, en mij geweldig zeer
doet. Zoodra wij uit de aangelegde tuinen om het huis zijn, be-
vinden wij. ons op een kleverigen, glimmenden, gladden kleiweg,
met groote waterplassen. Ik ben trotsch op mijn waterlaarzen en
sta)) moedig achter den onwrikbaren jager, die spreekt noch rond-
kijkt. Ik stap wellicht wat al te moedig door, want op eens glijden
mijn geprezen waterlaarzen onder mij uit en ik bevind mij dadelijk
op de knieën, met de handen in den zak, in een modderplas.
Daar het pad smal is en wij één voor één loopen, veroorzaakt
dit een plotseling halt. De onwrikbare kijkt rond, en terwijl ik
nog bezig ben mijn handen uit de broekzakken te bevrijden, werpt
hij eventjes een blik op mijn geweer, ziet dat het niet nat gewor-
den is, keert zich weder om en vervolgt zijn marsen.
Ik richt mij met cenige moeite op; mijn knieën beven van het
kille, doordringende water; mijn rechterhandschoen, — ik heb op
de rechterhand moeten steunen, om op te komen, — is vol modder.
Ik trek hem uit, berg hem haastig in mijn zak, en vervolg mijn
weg, terwijl ik mijn best doe over eene aardigheid van Champignon
te lachen, die onmiddellijk achter mij loopt en mij toeroept:
„(Je moest liever de waterlaarzen aan de handen doen, als ge
door de modder wilt kruipen!"
Wij komen eindelijk aan den hoek van een perk van kreupel-
hout, waar in eene droge sloot, een dozijn of wat boerenjongens tegen
den wind, die ons vlak in het aangezicht waait, schuilen. Iedereen,
die nu iets te zeggen heeft, fluistert geheimzinnig als een diplomaat;
de stroo-eter neemt het commando op zich, haalt de handen uit den
zak, het geweer van den rug en richt zijn vorschende blikken op
de drijvers, die hem staan aan te gapen. Een van de jongens, die
eene pijp in den mond heeft, krijgt een fikschen schop, en ik werp
-ocr page 132-
T24                                               EENE VOSSENJACHT.
dadelijk, naar ik hoop ongezien, mijne sigaar weg, met een knorrig
gevoel van medeplichtigheid in liet kwaad doen, dat het verlies van
de geurige manilla volstrekt niet vermindert.
Terwijl de jager bezig is met zijn drijvers in te deelen, en hun
eerder met wenken dan met woorden aan te wijzen, hoe zij het
perk moeten bezetten, neem ik de gelegenheid waar, om mijn schou-
der van den ongevvonen last van het geweer te bevrijden, en sta
daarmede, in eene schilderachtige houding, met verkleumde vingers,
te wachten op wat verder geschieden zal.
Kr zijn enkele dikke hoornen, hier en daar een struik aan dezen
kant van de lange sloot; aan den overkant dicht kreupelhout. Op
verschillende] afstanden, van vijftig tot zeventig passen, worden de
jagers, als straatroovers, in hinderlagen achter de boomstammen in
dorre struiken verborgen. Janssen plaatste mij achter een boom
aan den hoek van het boschje.
„(Ie moet goed oppassen," fluistert hij mij in het oor; „als de vos
hier uitkomt, zal hij wel langs de sloot loopen, en het zal u gemak-
kelijk vallen, hem vlak in den kop te schieten; — maar ge moet
goed oppassen, want als hij daar links uitkomt, zal hij dadelijk over
den weg loopen, en ge moet vlug zijn, of ge krijgt geen schot!"
Hij verwijdert zich op de teenen, en ik sta alleen op mijn post.
Ik zoek mij zoo in te richten, dat ik tegelijk langs de sloot en
links om ihn hoek kan zien, daar ik echter niet scheel kijk, gelukt
dat niet, en ik vergenoeg mij met zenuwachtig, zoowat om de drie
seconden, het hoofd om te draaien. Ik ben te meer hiertoe ge-
neigd, omdat ik op den afstand van geen zestig passen, links om
den hoek, een anderen jager geposteerd zie, en ik bereken, dat zijn
schot mij licht raken kan, als de vos tusschen ons uitkomt. — Met
verstijfde vingers haal ik den haan van mijn geweer over, houd het
gevaarlijke wapen uiterst voorzichtig in den arm gereed, om alles
neder te schieten, wat voor den loop komt, en begin mij bijzonder
bloeddorstig en moedig te gevoelen, terwijl mijn hart met angstige
verwachting klopt, zoodra de doodsche stilte door het verre geroep
en het slaan der stokken van de drijvers tegen de boomstammen
gestoord wordt.
Ik kijk zenuwachtig eventjes naar den jager om den hoek, mijn
béte uoire, en zie dat hij, gereed om aan te leggen, onwrikbaar naar
het hout loert en schijnbaar mijn bestaan ignoreert. Ik neem eene
dergelijke houding aan en ben onbeweeglijk als de boomstam, waar-
-ocr page 133-
EENE VOSSENJACHT.                                               125
achter ik schuil. Zoo sta ik een geheelen tijd; het geschreeuw en
geroep, met het geblaf der honden, weergalmt steeds in de verte,
— vóór mij is alles doodstil, alleen valt er een zware druppel nat
van een der_ takken vlak op mijn neus, en jaagt mij voor het
oogenblik een schrik aan, die mijn hart dubbel snel doet kloppen...
Daar hoor ik iets, ik leg het geweer aan — een ekster vliegt uit
het hout en duikt over den weg, — en ik zou van ongeduld stam-
pen, ware het niet, dat mijn voeten reeds stijf bevroren zijn.
Alweer sta ik een heele tijd te luisteren. Kr is iets onbeschrijflijk
treffends en zelfs welluidens in dat droefgeestig klinkend geroep van
„Vos! Vos! Ha! Hoe!" hier en daar weerklinkend door het woud,
met de doffe slagen der stokken tegen de boomstammen en tusschenbeide
het ongeduldige blaffen van een hond; het geheel is, zoo te zeggen,
een eigenaardig accompagnement van de stilte in de onmiddellijke
nabijheid van den jager.
Terwijl ik bezig ben met hierover na te denken, hoor ik op eens
iets ritselen in het plantsoen vlak tegenover mij ; — dan weder is
alles stil, dan ritselt het wedei, eerst links dan rechts en eindelijk
komt een groote haas van onder het kreupelhout uit, blijft op den
rand van de sloot staan, kijkt rond naar bet kreupelhout en richt
zich op de achterpootcn op, zonder mij gezien te hebben, blijkbaar
onzeker waar heen te gaan. Het dier is geen tien passen van mij
verwijderd; de gelegenheid is heerlijk; ik zal ten minste iets mede
naar huis nemen, een ontembare moordlust doortintelt mijn aderen,
liet haas is vlak voor den loop van mijn geweer; ik behoef het
niet eens aan den schouder te leggen; in onbeschrijfelijke spanning-
breng ik den vinger aan den trekker, beide loopen zijn losgebrand, de
haas doet één sprong in de hoogte en valt voor mijn voeten neder!
Ik werp mijn geweer weg, stuif van achter den boom uit, en .
werp mij op het lijk van mijn slachtoffer. De halve kop is weg-
geschoten en het tweede schot is, op dien korten afstand, als een
kogel door het hart gedrongen. — Ik ben trotsch op mijne eerste
proef; ik ben verrukt over mijn voorspoed ; ik heb de schande van
mijne reeds gebleken onkunde uitgewischt; — de onwrikbare zal
mij niet meer verachten...... Op dit oogenblik tikt mij niemand
zachtkens op den schouder, — ik kijk verbaasd rond ; het is de
onwrikbare zelf, die mijn geweer in handen heeft. -- Hij legt den
vinger op de lippen, zet mijn geweer naast het zijne voorzichtig
tegen den boomstam, spreekt geen woord; maar steekt de handen
-ocr page 134-
126                                               EENE VOSSENJACHT.
uit en grijpt den haas, dien ik hem zegevierend te gemoet houd.
Eer ik weet wat hij wil, is liet dier in zijne jachttasch verdwenen,
en de onwrikbare is bezig met het geweer te laden. „Leelijke his-
torie, mijnheer!" fluistert hij „haas geschoten, buiten den jachttijd,
— en dat nog, (niet de meest mogelijke minachting) zittend! \'Als
de heer Inspecteur, die om den hoek staat, er iets van merkt, moet
ik proces-verbaal opmaken, - - verduiveld leelijk !"
Als een bliksemstraal schiet mij nu alles te binnen, wat ik ooit
van zware boeten en straffen voor jachtovertredingeii heb gehoord,
ik — ik, de oude Smits, ben in het oog der onpartijdige wet een
misdadiger, — een strooper; — wat zal ik doen ?"
De onwrikbare heeft den éénen loop al geladen, hij zocht in zijn
vestzak naar eene prop voor den tweeden, en haalt, te gelijk met
eene oude courant zijne beurs uit, die op het gras valt.
De nood scherpt mijn verstand: — ik haast mij de beurs op te
rapen; - hij gaat voort met langzaam de prop in den loop naar
beneden te stooten; — als ik hem zijne beurs weder in de hand
stop, is ze aanmerkelijk zwaarder geworden dan toen ik ze op-
raapte, — en de mijne?
Zijn grijze oogen fonkelen voor een oogenblik duivelsch, als die
van Caspar in den Kreischütz, hij belast de beurs zonder te spreken;
maar knikt mij eventjes toe, en geeft mij het geladen geweer in de
sidderende hand terng.
Op dit oogenblik komt de jager van om den hoek bij ons. „Is
mijnheer daar geweest ?" vraagt de onwrikbare; „ik dacht dat mijn-
heer Inspecteur daar sting!"
„Die is aan den anderen hoek," zegt de jager, „hebt gij op den
vos geschoten, Smits?"
„Er is niks in dit boschje," zegt de onwrikbare, „mijnheer heeft
een wouw misgeschoten. De vos zal wel in het andere perk zijn."
De drijvers, de honden, de jagers komen langzamerhand aan;
niemand heeft iets gezien, iedereen is overtuigd, dat de vos ergens
anders moet wezen. Enkelen vragen, wie geschoten heeft, (leen
mensch schijnt verwonderd, dat ik misgeschoten heb. Wij nemen
een slokje uil onze veldrlesschen en trekken verder. Ik ben neer-
slachtig en mismoedig : ik gevoel, dat ik in de macht ben van den
onwrikbare, ik ben een ellendige huichelaar en misdadiger en gaf
er iets om, om goed en wel te Amsterdam op mijn hoogsten kan-
toorstoel te zitten.
-ocr page 135-
EENE VOSSENJACHT.
127
Op eens maken eenige der jagers balt; de andere sluiten zich
aan; men vormt een dichten kring, in welks midden de onwrikbare
staat op den grond te staren. Wij vestigen allen on/e blikken op
dezelfde plek, en een twaalftal deftige mannen staan, met de meeste
belangstelling en met den grootsten ernst, niet de neuzen gebogen
over het zeker bewijs, tlat een vos onlangs daar is voorbijgegaan.
Het tweede perk wordt bezet en gedreven, met even weinig gevolg
als het eerste; — ik verveel mij gruwelijk.
Ik sta te bibberen van de koude; mijn moordlust is voorbij; ik
houd mijn geweer gereed, uit vrees, dat de onwrikbare mij anders
nog dieper verachten zal dan hij nu reeds doet; maar mijne stem-
ming is van dien aard, dat ik haast twijfel of ik op den vos zou
geschoten hebben, als hij zich vertoond had.
Naar het derde veld hebben wij weder een langen marsch. Ook
daar is niets. Mijne stemming blijft onveranderd ; alleen gevoel ik,
bij de koude, grooten honger; maar durf niet aan mijne boterham
te beginnen voor de anderen.
Eindelijk, het is reeds bij één uur, maken wij halt bij een den-
nenboschje; de geweren worden tegen de boomstammen gezet, en
pratende en lachende haalt men zijn voorraad voor den dag. Ik
gevoel weder eene opwelling van vreugde, die helaas, van korten
duur. Mijn modderigen, natten handschoen heb ik bij vergissing
in den zak bij mijne boterham gestopt. Water en modder zijn door-
gedrongen, ik kan er niets van gebruiken, en de onwrikbare verdeelt
mijn maal, blijkbaar met groot welgevallen, tusschen twee krom-
beenige honden, die nooit de oogen van hem afwenden.
Ik moet even als de verachtelijke dieren, van den afval van an-
deren leven ; ik doe dat met eene beschaamde, kruipende dankbaar-
heid, en ben blijde, als wij weder opbreken, om eene laatste po-
ging te doen, om den vos te vinden.
Alweder een perk met kreupelhout; al weder dezelfde voorzorgen;
alweder doodsche stilte en verveling, terwijl ik weder achter een
boomstam, met van vermoeienis knikkende knieën, sla te rillen.
Eene doffe onverschilligheid maakt zich van mij meester, het is
mij hetzelfde of een olifant of eene muis te voorschijn komt. Ik
sta alleen nog te berekenen, hoe lang het duren kan, eer wij weder
tehuis zijn.
Daar hoor ik weder bet geroep en het geschreeuw en het klop-
pen in het hout; ik sta weder met het geweer in den arm, onver-
-ocr page 136-
128                                                EENE VOSSENJACHT.
schillig den zandweg op te kijken, die aan den eenen kant door
het dennenbosch is gezoomd, en aan den anderen kant door
eene droge sloot tusschen den weg en de heivlakte. — Op eens
zie ik iets rosachtigs in de sloot, ongeveer vijftig passen van mij
weg, stil en zonder eenig geraas, en ineengedoken, loopen. Het is
een bange hond, - neen, het is waarlijk de vos, die rechtstreeks
op mij aanloopt! — Ik breng mijn geweer, in vreeselijke ontroering,
aan den schouder ; nu is het oogenblik gekomen om alles te ver-
goeden ; mijne hand siddert zenuwachtig; ik sluit de oogen en ruk
aan den trekker, beide schoten vallen, maar de vos niet, die een sprong
uit de sloot doet, een oogenblik onzeker schijnt, waarheen te loopen,
en dan den weg inslaat, vanwaar hij gekomen is. Maar hij loopt
niet ver. Een schot valt: de vos keukelt over den kop, en de on-
wrikbare komt van achter een struik, loopt naar den rand van de
sloot, verzekert zich, dat de vos dood is, laat hem liggen en is bezig
met den losgebranden loop weder te laden, als ik mij bij hem voeg.
„Ik heb hem zeker ook geraakt!" roep ik in mijne opgewonden-
heid; „ik heb tweemaal op hem geschoten !"
„Dat weet ik wel, mijnheer!" zegt de jager.
Het geheele gezelschap komt bijeen.
„Wie heeft hem geschoten?" klinkt het in het rond.
„De jager heeft hem doodgemaakt, maar ik heb hem het eerst
geraakt," roep ik: „ik heb hem beide loopen gegeven. De vos
kwam langs de sloot, en ik legde bedaard op hem aan en mijn
beide schoten,—"
„Zitten ginds in dien boomstam," zegt de onwrikbare, eventjes
met den vinger wijzende op den, op twee plaatsen, meer dan tien
voet van den grond afgescheurden bast van een eik, ongeveer vijf-
tien passen van waar ik gestaan had. De daverende lach, die op-
ging, was te veel; ik deed mijn best, om mede te doen; het wilde
niet; eene buitengewone strakheid had zich vooral van mijne recht-
terwang meester gemaakt; mijn rechteroog zat half toegeknepen:
mijne gezicht was aan dien kant, door het stooten van het slecht
aangelegde geweer, zoo dik opgezwollen, dat ik onkenbaar werd.
(leen mensch had medelijden met mij, zelfs Champignon, die anders
bang voor mij is, luchtte zijne geestigheid op mijn kosten. — O,
die lange, lange wandeling naar huis zal ik nooit vergeten, noch
het beschaamd gevoel, waarmede ik mij daar voor de oogen der
wereld verborg, dadelijk naar bed ging, en den volgenden morgen
-ocr page 137-
EENE VOSSENJACHT.                                         12 9
stijf en aan alle ledematen geradbraakt opstond, om dit mijn eerste
en laatste jachtavontuur te beschrijven !
DE OUDE HEER SMITS.
VMARK TRAGKR UHDO.1
DE NAPELSCHE KWAJONGEN.
Je vraagt me een soldo, deugeniet,
Die uit je zwarte kijkers ziet
Of jij geen tien kan tellen,
Om straks, heb jij mijn soldo beet,
(Of denk je dat ik \'t niet en weet ?)
Naar \'t kraampje ginds te snellen.
Je vraagt me een soldo, hè ? . . . . Nou daar !
Ik geef hem met genoegen, maar
\'k Gaf liever al mijn duiten,
Mocht ik, die \'t beter heb in schijn,
Zoo rijk, zoo jong en jolig zijn
Als jij en jouw kornuiten.
Je loopt met een gescheurde broek.
Je schoenen zijn vast altijd zoek.
Geen weerga kan \'t je schelen.
Licht ben je ook warm genoeg gekleed
Voor hier waar \'k, puffend en bezweet,
Geen jas haast aan kan velen.
En dan, naar \'t schijnt, heeft hitte, kou,
Zelfs dorst noch honger vat op jou:
Jij laat van niets je deren,
Springt voor een soldo van de kaai
In \'t blauwe, lauwe nat der baai
En weet van geen geneeren.
Je slentert langs den v/aterkant,
Loopt, luiert, ligt of lanterfant
De winkels langs der via,
Neemt, naar gelang \'t je hartje lust,
9
-ocr page 138-
130                                 DE NAPELSCHE KWAJONGEN.
In geurge schaüw je middagrust
Of zingt van Santa Lucia.
\'k Ben zeker in jouw oog een heer
Met geld op zak, zelfs goud ! Nog meer
Verlangen is niet doenlijk.
Ik ben er Nederlander bij ;
Dat spreekt: „van vreemde smetten vrij,"
Dus door en door fatsoenlijk.
Mij walgt de vieze pannekoek,
Dien jij aan \'t kraampjen op den hoek
Van bont, verschoten linnen,
Schoon in de zon tot leer gelooid,
Voor suiker rijk met stof bestrooid,
Zoo smaaklijk speelt naar binnen.
En toch kan ik soms wenschen, guit!
Dat ik een dag stak in jouw huid,
Ja, wil je wel gelooven,
\'k Was liever lazzaroni\'s-zoon
Dan menig koning op zijn troon :
Vrij man — daar gaat niets boven !
J. R. VAN DER LANS.
DE GRIJSAARD TE WATERLOO.
De zon verrees met blijder pracht.
Een Belgisch grijze trad
Naar \'t slagveld, dat nu welig lacht,
Weleer met bloed bespat;
Waar \'t land de zegepraal verwierf
Op \'t Eransche dwanggebied;
Waar menig dappre streed, en stierf....
Neen, braven sterven niet!
De diep ontroerde Belg hervindt
Het Waterloosche veld,
De rustplaats van zijn eenig kind,
Die sneuvelde als een held.
-ocr page 139-
DE GRIJSAARD TE WATERLOO.
Hij viel, maar op \'t eerebed,
Toen de Aadlaar \'t veld verliet;
Hij viel, maar Neerland was gered;
En braven sterven niet!
Verrukt, knielt de achtbre grijze neer,
Herdenkt zijn waarden zoon:
„Mijn vreugd eens, nu mijn schittrende eer,"
Zegt hij op teedren toon,
„Rust, waar gij hebt getriomfeerd,
Waar elk u hulde biedt,
En \'t veld in tempel is verkeerd:
                      ,
De braven sterven niet!"
Hij kust, vol dank, met weenend oog,
Hen overdierbren grond,
En heft het grootsch gelaat omhoog,
En slaat het, juichend, rond.
Daar rijst de leeuw, die klauw en tand
Zoo fier den vijand biedt.
Zoo stond, zoo viel zijn zoon voor \'t land:
De braven sterven niet!
Met vaderlijk bewogen ziel
Verlaat de Belg het veld,
Waar hem de liefste zoon ontviel
In d\'allerkloeksten held;
Hij slaakt geen zucht, en stort geen klacht,
Schoon hem een traan ontschiet;
„Rust, helden I" zegt hij, „sluimert zacht!
De braven sterven niet!"
„Ook gij leeft eeuwig voort, mijn kind!
Om trouw, beleid en moed,
Zoolang de Belg de vrijheid mint,
Gekocht door zooveel bloed.
Triomf! verdrukking week en smart
Van de aard die gij verliet,
En eeuwig leeft ge in \'t Neerlandsch hart:
De braven sterven niet!"
PR. VAN DUYSE.
-ocr page 140-
op \'t ziekbed.
132
OP \'tZIEKBED.
Op \'t ziekbed dankt u, Heer! mijn lied,
Dewijl \'t een bed mag zijn;
Zoo vele kranken hebben \'t niet;
Maar warm en zacht is \'t mijn!
O]) \'t ziekbed looft u, Heer! mijn zang,
Omdat een ziekbed leert;
Zooveel gezonden leefden lang,
Maar leefden lang verkeerd.
Maar wat, indien \'k ondankbaar was
En morde en tegensprak?
\'k Verdiende dan dat \'k nooit genas,
Maar sukk\'lend bleef en zwak.
Heer, zoo gij \'t ziekvertrek ook nu
Voor mij tot schoolzaal kiest,
Vertoon mij, dat een kind van u,
Daar nimmer bij verliest!
«                                                                                          NIC. BEETS.
DE REGEN.
Het onweer drijft over. De kimmen verbleeken:
Weer schemert het licht.. . Maar een nevel verscheen!
Hij zwelt en verdikt zich — zijn dampbobbels breken.
En loopen inéén.
Gods wondervermogen
Bereidt in den hoogen,
\'t Verjongende bad !
Daar biggelt een spat,
Daar vallen, daar hupplen,
Daar stuiven de drupplen,
Daar vliegen de stralen van \'t levendig nat!
Zij ruischen, zij plassen,
Tot stroomen gewassen, —
Al \'s Hemels fonteinen ontzeeglen heur schat!
-ocr page 141-
DE REGEN.
*33
o Regen !
o Zegen !
Oneindig meer waard
Dan \'t kostlijk metaal, door Gods wijsheid begraven,
Maar — immer te vroeg! — door begeerlijke slaven
Ontwoekerd aan de aard\'!
Nu — schijnbaar onnut plengt gij water in water;
Maar later, maar later!
Dan lescht gij den dorst
Van de aarde, geblaakt tot een dorrende korst!
Dan kust gij den kranken
De koorts uit het bloed !
Dan vangt u de zeeman, verdwaald op zijn planken,
In \'t wachtende zeildoek, en drinkt, — en schept moed!
Dan laaft gij de hinde, in haar schuilhoek gezegen,
Door bassende honden vervolgd op haar spoor;
En wasemt den ploegos, die zwoegt aan de voor,
Verkwikkenden klavergeur tegen !
Dan lokt gij het kruid
Uit de zwellende kluit;
Dan tikt gij de botten heur windselen uit;
Dan tintien uw droppen
Aan groenende bladn,
Aan barstende knoppen,
Aan \'t gelende graan,
Als duizend juweelen,
Waar \'t groen van de velden en \'t hemelsch azuur,
Waar \'t wolkengeschemer en \'t zonlicht in spelen,
Als tranen van dank der verjongde natuur!
J. J. L. TEX KATE.
(De Schepping.)
DE REUZENDRAAK VAN WASMES.
LEGENDE.
I.
In het jaar onzes Heeren 1132, toen het graafschap Henegouwen
zich verheugde en gelukkig gevoelde onder het wijs en zegenrijk
-ocr page 142-
134                             DE REUZENDRAAK VAN WASMES.
bestuur van Boiulewijn VI, overkwam dat gewest eene groote en
verschrikkelijke plaag, die alles met dood en vernieling bedreigde.
Ken draak, monsterachtig groot en bloedig wreed, was eensklaps
verschenen en had zijn verblijf genomen in een hol, aan de helling
van een der twee heuvels, waarop het dorp Wasmes, in de nabijheid
van Bergen, is gebouwd. Hij was wel, zooals men meende, vijf en
twintig Bergsche ellen groot, had vreeselijk breede klauwen met
scherpe en gekromde nagels, lange, dikke ooren en wijde vlerken,
waarmede hij fladderde en alles te pletter sloeg. Zijn geschubde huid,
hard als ijzer, was donker groen en grijs, en zijn muil, met drie
rijen scherpe tanden gewapend, was zoo wijd, dat hij een mensch
van middelbare lengte gemakkelijk naar binnen zwolg. Dagelijks
baggerde het ondier door de moerassen, die het dorp omringden,
en drong tot in de weiden en stallen van den ganschen omtrek, om
de kudden te rooven, menschen te verslinden, de lucht te verpesten,
en tot onder de wallen van Bergen dood en verwoesting te ver-
spreiden.
De nood was groot, en reikhalzend zag stad en dorp naar den
edelen ridder uit, die den kamp dorst wagen; de graaf zelf loofde
eene schitterende belooning uit voor tien held, die den reuzendraak
zou vellen ; terwijl geestelijken en leeken dag en nacht volhardden
in \'t gebed, om van den Hemel redding af te smeeken. En daar
bood zich ook menig ridder aan, die, tuk op eer en prijs, met fleren
moed het gedrocht ging bestoken; maar niemand keerde ooit weder.
Nog hooger klom de nood, want dieren en vruchten werden gedood
door zijn verpestenden adem; de stad Bergen werd overbevolkt door de
vluchtelingen van den omtrek; en hongersnood zoowel als besmet-
telijke ziekten bedreigden de benauwde bevolking. Toen was het,
dat in de ziel van een jeugdig en vroom ridder de begeerte opkwam,
om den gevaarlijken kamp nog eenmaal te wagen, welke begeerte
allengs tot een vast en welberaamd plan rijpte.
Gilles de Chin had aan het hof van Boudewijn te Bergen Ida de
Chièvres ontmoet, en zich in stilte met haar verloofd. Beiden waren
godsdienstig, en deden de gelofte, dat zij elkander niet zouden huwen,
vóór zij den draak bevochten hadden, — hij in den strijd der wa-
penen, zij in den strijd des gebeds. En zij overlegden met elkander
in het geheim, hoe het aan te grijpen, om met eenige kans het
waagstuk te ondernemen. Niemand werd in het geheim ingewijd, en
toen alles was afgesproken, ging Ida eene bedevaart doen naar Sinte
-ocr page 143-
DE REUZENDRAAK VAN WASMES.                          135
Kruis, bij Brugge, terwijl Gilles zich naar zijn ridderlijk slot heen-
spoedde.
II.
De ridder ontbood teenvlechters op zijn kasteel, en gebood hun
te beproevefi een soort van draak uit twijgen samen te vlechten.
Toen dit ongewone werk na veel moeite en arbeid eindelijk was ge-
lukt, bekleedde hij het gevaarte met een huid, waarop dezelfde schubben •
en kleuren werden geschilderd, die de reuzendraak vertoonde. Vier •
laten (*) kropen in de dikke pooten van het monster, deden het
voortloopen en opspringen, brachten met koorden den kop, de vlerken
en den vreeselijken staart in beweging, en maakten op sissende en
gillende instrumenten een vervaarlijk geluid, dat langs den als met
bloed geverfden muil naar buiten drong.
Gilles bezat twee wakkere honden, Ador en Gontar geheeten, van
wier trouw en reuzenkracht hij menig blijk ontvangen had. Zij waren
zijn vrienden in de eenzaamheid, zijn verdedigers in het gevaar,
zoowel als zijn trots in het gezelschap der edelen. Deze zouden
met Omer, zijn lievelingsros, de gevaren van den strijd tegen den
reuzendraak deelen, en werden daarop dagelijks afgericht. Groote
stukken vleesch waren iederen ochtend in de zijden van het gevaarte
verborgen, en wanneer dan de vier laten hunne plaats in de teenen
pooten hadden ingenomen, dan besteeg de ridder, in een stalen
harnas gestoken, zijn fleren hengst, en reed de slotpoort uit, terwijl
Ador en Gontar vroolijk tegen hem opsprongen en de lucht ver-
vulden met hun zwaar gebas.
Bij hunne aankomst op het voorplein begon de teenen draak zich
te bewegen, alsof hij hen te lijf wilde, sloeg vreeselijk met vlerken en
staart, en stiet een gehuil uit, dat onuitstaanbaar was voor mensch
en dier. Het paard schrikte hevig, steigerde, wierp de ooren
in den nek, en weigerde gehoorzaamheid aan den teugel; maar met
ijzervaste hand bedwong de koene ruiter dien onwil van zijn ros,
sprak het moed en bedaardheid in, en dreef het met zijn sporen in
een grooten kring naar de zijden en den staart van het ondier.
Ook de honden waren ontsteld en bevreesd; hurkend bleven zij staan,
het blaffen vergetende, om tusschen de gesloten tanden een heesch
gebrom te doen hooren, terwijl hun opgetrokken lippen van woede
[•] Arbeiders die aan hunne hceren in eigendom toebehoorden.
-ocr page 144-
136                             DE REUZENDRAAK VAN WASMES.
en bloeddorst sidderden. Doch de stem des meesters riep hen
weldra op, en wees hen op liet gevaar, waarin zij schenen te ver-
keeren. En dan sprongen zij, als door eene ongekende woede voort-
gezweept, weder tegen den ridder op, en volgden hem naar den
strijd, die zou aanvangen.
Gilles reed onophoudelijk rondom den teenen draak, om zijn paard
aan het gezicht van het vervaarlijk monster te gewennen, en dreef
het langzamerhand naderbij, om eindelijk met gevelde lans er recht
op aan te rennen, en een duchtigen stoot in de met vleesch opge-
vulde zijde te geven. En als dan het verschrikte dier zijn ouden
moed had getoond, clan ontving het menig prijzend woord en menigen
zoeten brok ten loon. De honden volgden hem trouw en wierpen
zich niet zelden vooruit om het ondier te bespringen; maar als zij
het vleesch roken, dat uit de gewonde zijde puilde dan werden zij
wild, huilden vreeselijk, en waren niet langer te temmen. Ofschoon
geslagen, soms ten bloede toe, door vlerk en staart, ofschoon me-
nigmaal opgenomen en ver weggesmeten, zij draafden altoos terug,
vielen met immer verdubbelde woede op de zijde aan, en rustten
niet voor zij een groot stuk vleesch hadden afgescheurd. Dan ein-
digde de ridder den strijd en riep zijn trouwe dieren naar een hoek
van het slotplein, waar zij hijgend en bloedend en grommend, maar
altoos met het vleesch in den bek, langzaam aankwamen, alsof zij
nopde het overige van den bloedigen maaltijd verlieten.
De avond werd besteed om de gehavende zijde van den teenen
draak te herstellen, en alles weder in gereedheid te brengen voor
de oefening van den volgenden ochtend. Dit hield men vol ge-
durende een gansche maand, en ten laatste waren de drie mede-
kampers van Gilles zoo gewend aan het vechten met het monster,
en zelfs zoo begeerig naar het zoet en het vleesch, hetwelk zij zeker
waren te zullen behalen, dat zij uit eigen beweging reeds naar het
geraamte heenvlogen en het besprongen, zoodra de slotpoort maar
geopend werd.
Nu meende de vrome ridder den strijd tegen den rcuzendraak van
Wasmes te kunnen wagen, en toog op zijn moedigen hengst, vergezeld
van de beide honden, naar Uergen, ten einde den graaf van Hene-
gouwen zijn dienst aan te bieden, en verlof te vragen om het waag-
stuk te ondernemen.
-ocr page 145-
DE REUZENDRAAK VAN WASMES.                                 137
III.
Geheel het hof was ontsteld, en betreurde het, dat zulk een schoon
en dapper ridder, die zooveel heldenfeiten in Palestina had bedreven,
zich kwam aanbieden om den ongelijken strijd te wagen, en een
zekeren dood te gemoet te gaan; ook graaf Boudewijn bracht hem
het roekelooze van zijn voornemen onder het oog, en weigerde zijne
toestemming te geven.
Intusschen ging het monster voort met pest, dood en vernieling
alom te verbreiden. Boudewijn gebood, gedurende drie dagen op
eene meer dan gewone wijze den Hemel om redding te smeeken, te
vasten, en door plechtige omgangen de gansche stad in het gebed
te vereenigen.
De derde dag liep ten einde, de laatste processie was gehouden,
en Boudewijn keerde vol bezorgdheid met zijn hof naar den grafe-
lijken burcht weder. Daar wachtte hem Gilles de Chin.
„Heer!" zoo sprak de koene ridder: „Heer! gij hebt gebeden en
gevast, om redding te verkrijgen voor uw volk, hetwelk gij bemint
als den appel uws oogs. Maar God heeft uw gebed reeds verhoord
om den wille van het lijden onzes Heeren. Geef mij oorlof, en
morgen vel ik het ondier, morgen is Henegouwen gered; morgen
werp ik mij als overwinnaar dankend voor uwe voeten neer. Weersta
niet langer, Heer! \'t is de wil van God!..... ja, ik bezweer het u bij
het H. Kruis: \'t is de wil van God! morgen overwin ik den reu-
zendraak van Wasmes."
Een dof gemompel van afkeuring ging onder de edelen die den
graaf omringden, rond en menige edelvrouw gaf door e. \'i half ge-
smoorden gil hare vrees te kennen voor het leven vand \'ischoonen
ridder, die zoo overmoedig sprak. Boudewijn trok de v .nkbrauwen
saam, legde de hand op het hart en was in tweest\' d. Hij zou
alles willen geven, alles willen opofferen, om zijn v ik te redden:
maar mocht hij de bloem van Henegouwens ade\' den dapperen
jongeling, die zoo moedig aan zijne zijde in Palest\' ia tegen de on-
geloovigen gestreden had, aan een wissen dood pi ijs geven, zonder
hoop op verlossing? Geen der ridders, die dm kamp gewaagd
hadden, was immers teruggekeerd ? Hij wilde eindelijk juist het
neenwoord uitspreken, toen tot aller bevreemding, en niet het minst
van haren vader, den ridder de (Jhièvres, de zeventienjarige Ida uit de
-ocr page 146-
138                             DE REUZE1STDRAAK VAN WASMES.
rij der edelvrouwen trad, zich voor den graaf op de knieën wierp,
de handen naar hem ophief en smeekend bad :
„Neen, Heer! weiger niet langer toe te staan, wat God wil en wat
God gebiedt....."
En als door hooger licht bestraald, verheft zij zich van den grond,
ontbindt haren sluier en werpt dien Gilles toe, in geestvervoering
uitroepende:
„Ga, vrome ridder! ga en trek ten strijde; en door God en onze
Lieve-Vrouw zult gij Henegouwen redden....."
Een blijde kreet ontsnapt aan \'s ridders borst. Hij neemt den
sluier op, windt zich dien om den zijden kolder, heft de rechterhand
omhoog en spreekt op plechtigen toon:
„Bij den heiligen naam des Heeren, bij mijn Hecren Sint Michael
Sint Georgius; bij de H. Waudra, onze patrones en bij onze Lieve-Vrouw
van Wasmes; ik zweer het mijn Heere den graaf en u allen, die hier
tegenwoordig zijt: ik zal niet wederkeeren dan als overwinnaar van
den reuzendraak!"
„Amen!" klonk het van Ida\'s lippen, „en „amen" ruischte het
door de gansche zaal uit aller mond. Graaf Boudewijn was over-
wonnen en legde zegenend zijne hand op het hoofd van Gilles, die
ten afscheid voor hem nederknielde.
Nauwelijks brak de eerste dageraad aan, of Gilles de Chin besteeg
zijn hengst, die rondom met ijzeren platen was gedekt, en hinnekend
en snuivend en van blijdschap trappelend den kop fier in de lucht
stak, als ware hij er trotsch op, den held van Wasmes te mogen
dragen. De ridder zelf was in een zwaar harnas gestoken, droeg een
stalen helm en ijzeren laarzen, en hield de roodgeverfde speer in de
hand gevat, waarmede hij menig muzelman uit den zadel had ge-
licht. Ida\'s sluier was hem om den halskraag geslingerd en met een
zijden band vastgeknoopt, waaraan zijn beukelaar hing, beschilderd
met de wapens van Chin en Coucy. Vier schildknapen in roode
kokiers volgden hem op kleine schimmels gezeten. En de hon-
den, wier halsbanden met lange en scherpe ijzeren punten waren
gewapend, \'t was alsof zij er een voorgevoel van hadden, dat zij
eindelijk weder den draak zouden bespringen, wiens vieeschzijden
zij sinds vier dagen hadden moeten derven ; want zij vlogen ont-
stuimig vooruit, om dan weder springend tot het hun te trage paard
terug te keeren, en deden de ledige straten van hun luidruchtig en
vroolijk geblaf weergalmen.
-ocr page 147-
DE REUZENDRAAK VAN WASMES.                                 139
En als de wachter van de poort den kleinen stoet met een „God
helpe ui" had uitgelaten, dan klom hij op den kleinen toren en blies
een langen en scherpen toon uit zijn hoorn. Nu begonnen alle
klokken der stad te luiden, en Boudewijn met zijn hof zoowel als
al de poorters spoedden zich naar verschillende kerken en kloosters,
waarbinnen de priesters de H. Mis zongen, en de gewijde maagden
en kloosterlingen zich voor het altaar nederwierpen, om met de bid-
dende scharen Gods zegen over Gilles\' wapenen af te smeeken.
IV.
\'t Was op \'t einde van October des jaars 1133. Zwijgend reed
de ridder voort en scheen geen aandacht te leenen noch aan de
pracht van het landschap, dat allengs uit de nachtelijke rust op-
dook en als met een frisch en vernieuwd leven weed overgoten, noch
aan den vroolijken kout der schildknapen, noch op de bewijzen van
vriendschap en blijdschap der honden. De moed was hem toch niet
ontzonken? noch het vertrouwen op zijne dappere strijdgezellen?
noch zijn geloof aan de zending en hulp des Hemels? En Ida dan?....
In het verlaten dorp Wasmes aangekomen, hield hij stand aan
de kleine kapel van onze Lieve-Vrouwe, steeg af, nam zijn beide
honden aan den halsband vast en trad het heiligdom binnen. Daar
knielde hij neder voor het altaar van de Moeder des Heeren, en
deeil ook zijn honden op den grond aan zijne zijde nederliggen.
Niet lang maar innig was zijn gebed, en toen hij opstond en Omer
weer besteeg, straalde een nieuw heldenvuur hem uit de oogen, en
hijgde zijn mannenborst van verlangen naar liet uur des strijds en
der overwinning. Den schildknapen beval hij opgezeten aan de kapel
te blijven wachten, totdat zij soms te hulp geroepen werden en
reed nu in korten draf recht op het verblijf van den reuzendraak aan.
Het monster lag nog in zijn hol, en kwam eerst op het geblaf
van Ador en Gontar, die door hun meester waren vooruitgejaagd,
te voorschijn. Gp het gezicht tier honden begon de draak gillend
te sissen, schoot stralen vuurs uit zijne vlammende oogen, richtte
zich op zijn staart omhoog, sloeg de wijde vlerken knetterend tegen
elkander en stortte zich als een geweldige stroom vooruit naar den
ridder, die juist kwam aangereden. Maar Gilles was op zijne hoede en
week eensklaps ter zijde uit, het verschrikte paard met spoor en teugel
dwingende zijn onverbiddelijken wil te volgen. Ook de draak wierp
-ocr page 148-
14°                             DE REUZENDRAAK VAN WASMES.
het vervaarlijk lichaam om, en spande zijn muil vol bloedig schuim
open, zoodat de hengst opnieuw schichtig werd en begon te steigeren.
Maar nu waren de honden op hun post en vielen onstuimig op de
zijden van het ondier aan, waar zij hun gewoon rantsoen hoopten
te bemachtigen. De geschubde huid was echter als met staal ompant-
serd en wederstond hun scherp gebit, zoodat zij vol woede en hui-
lende van spijt en vleeschlust zich op den staart wierpen, en het
monster dwongen den kop naar hen om te wenden. Dit oogenblik
nam de moedige ridder te baat; hij gaf zijn hengst de sporen, rende
Op het monster aan en dreef het de speer in den strot. De draak
huilde meteen schrikbarend geluid, spoog een zwart en vergiftig bloed
om zich heen en wierp zich met zulk een geweldigen sprong naar
den stouten kampvechter om, dat het paard achteruit steigerde en
dreigde den ruiter af te werpen.
Het gevaar werd groot, want de hengst schudde angstig den kop
en weigerde te gehoorzamen; ook de honden ontvingen geweldige
slagen van de dikke vlerken en tuimelde met gekneusde leden over
den grond, zoodat het voorwaar met den moedigen ridder zou zijn
gedaan geweest, zoo niet eene wonderbare tusschenkomst hem hulp
aangebracht hadde.
Jn dat hachelijk oogenblik verscheen eensklaps achter den reuzen-
draak eene maagd, in het wit gekleed; een brandende toorts hield
zij in de rechterhand gevat, en met de andere wierp zij vlug een
bundel verdorde doornen voor het paard van Gillis neer. Als door
eene ingeving begreep de dappere held wat haar inzicht was, stak
den bundel doornen met zijn speer op, en duwde hem met forsch
geweld in den geopenden muil, waarin de koene maagd op \'t zelfde
oogenblik ook de brandende toorts slingerde. De doornen vatten
vuur, en de wijde muil stond in lichte laaie. Het ondier brulde
vreeselijk van pijn, voelde zich de ingewanden verschroeien,
sloeg vervaarlijk met staart en vlerken in het rond, sprong van den
grond en plofte weer neer, zoodat de aarde dreunde en mensch en
dier in verstomming en angstige verwachting dat ontzaglijk.schouw-
spel eene wijle bleef aanstaren.
De honden echter waren spoedig van hun schrik bekomen, vielen
andermaal op het monster aan en begonnen reeds zijn rechterzijde
te verscheuren, huilende van spijt dat de ijzerharde huid hun zooveel
weerstand bood. Toen blies Gilles op zijn hoorn, om de schild-
knapen te roepen, sprong bij hun aankomst van het paard, naderde
-ocr page 149-
DE REUZENDRAAK VAN WASMES.                             I41
den reuzendraak, velde zijn lans en dreef hem die met zooveel kracht
in het hart, dat het ondier met een donderend gereutel zijn doodstrijd
had gestreden en levenloos ineenzakte. Dan wendde de overwinnaar
zich om, ten einde zich aan de voeten der reddende maagd dankend
neder te werpen; doch de witte maagd was verdwenen.
V.
Toen Gilles de Chin tegen den avond de poorten van Bergen
naderde, werd hij feestelijk ingehaald door de juichende poorters en
de van vreugde dronken dorpers uit den omtrek. Graaf Boudewijn
zelf met den ridder de Chièvres, en Ida in hun midden, gevolgd
door het gansche hof en een stoet van geestelijken, kwam hem te
gemoet met zegevanen, met klaroenen en trompetten. En toen Gilles
de jubelende menigte was genaderd en van zijn paard steeg om de
knie voor zijn Heer en graaf te buigen, gunde Boudewijn hem daartoe
den tijd niet, maar omhelsde hem met beide armen en kuste hem,
terwijl vreugdetranen hem van de wangen vloeiden.
„Leve de redder van Henegouwen!" riep de oude ridder de
Chièvres uit.
„Leve de zoon van ridder de Chièvres!" riep op zijne beurt de
vorst en legde de bevende hand der schuchtere Ida in die van den
held van Wasmes.
En nu trok de menigte in feestelijken optocht de stad binnen.
De klokken luidden, de klaroenen en trompetten schetterden, het
volk juichte en zong zegeliederen den overwinnaar van den reuzen-
draak ter eere. Gilles reed aan de zijde van Ida, tusschen den graaf
en den ridder. Deze echter moesten ruimte laten voor de beide honden,
die de zijden huns meesters niet wilden verlaten. Ador liep met den
kop omhoog, als was hij zich bewust een overwinnaar te zijn; Gon-
tar daarentegen sprong vroolijk tegen den ridder op, als wilde hij
zijn blijdschap te kennen geven, dat zij aan zulk een groot gevaar
ontkomen waren, en zelfs de hengst stapte zoo fier en trotsch door
de juichende straten, alsof hij gevoelde zijn aandeel in die verheer-
lijking verdiend te hebben.
De stad Bergen nam bij openbare brieven, met haar zegel beves-
tigd, de verplichting op zich om den hengst Omer en de honden
Ador en Gontar levenslang te onderhouden, en richtte een schitte-
rend banket aan, toen eenige weken daarna de overwinnaar van den
-ocr page 150-
142                                 DE REUZENDRAAK VAN WASMES.
reuzendraak Ida de Chièvres huwde. Gilles werd vervolgens benoemd
tot kamerling van den graaf, raadshe r van Henegouwen, lieer van
Berlaimont, Sart, Germingnies, enz., en droeg een naam, die nooit
zal vergaan.
Niet lang echter mocht hij zich in dat aardsche geluk verheugen,
daar hij vier jaren later reeds tot de glorie des Hemels werd geroe-
pen. Immers het oude opschrift in de abdij van Sint Gilles geeft te lezen:
„In het jaar 1137, drie dagen voor half-Augustus, stierf heer Gilles
de Clvin, door een lans getroffen. Hij was dezelfde, die den reuzen-
draak versloeg. Zijn uitvaart werd gehouden in de abdij van Sint
Gilles, waar hij ook begraven ligt, met dezelfde plechtigheid als
voor koning Dagobert, die deze kerk stichtte."
Tot aan het einde der vorige eeuw hield men nog altijd in dezelfde
abdij met groote staatsie op den i2(len Augustus het jaargetijde van
den held van Wasmes; terwijl de stad liergen jaarlijks op Heilige-
Drievuldigheids-dagde herinnering zijner overwinning luisterrijk vierde.
Dan trok men na de vespers in plechtigen optocht door de stad,
welke nauwelijks de menigte van vreemdelingen kon herbergen, die
derwaarts was gekomen om getuigen van Henegouwens schitterendste
feest te zijn.
Een vervaarlijk groote draak, van teenen gevlochten, met een ge-
schilderde lederen huid bedekt, en in wiens dikke pooten vier sterke
mannen waren verborgen, bewoog zich statig Aan het hoofd van den
langen trein; een ridder, in het harnas van de twaalfde eeuw gesto-
ken, volgde te paard het logge monster, en dreef het met eene lans
voor zich uit. Twee groote doghonden werden door een paar bont
versierde knapen geleid, waarachter vier schildknapen op witte hak-
keneien statig kwamen aangereden. Dan volgde eene edele jonk-
vrouw, in het wit gekleed en met een blauwen sluier in de hand,
wier paard bij den toom werd geleid door twee edelknapen, op wier
zijden kolders de wapens van Chin en Coucy, en ook die van
Berlaimont en Chièvres gestikt waren. Daarna een lange rij van
maagden, met bundels van doornen en fakkels in de hand, terwijl
er in lateren tijd ook herders, boschmenschen en duivels aan werden
toegevoegd. De broederschappen met hun vanen, en de gilden met
hun banieren, voorafgegaan door trommelslagers en bazuinblazers
sloten den trein.
Op de stads-bibliotheek van Bergen kan men nog een oud, in
steen gehouwen standbeeld van Gilles de Chin, met een hond en
-ocr page 151-
DE REUZENDRAAK VAN WASMES.
143
een drakenkop aan zijne voeten, gaan zien. Die drakenkop heeft
veel overeenkomst met den kop van een krokodil; waarom eenigen
dan ook beweren, dat de draak van Wasmes eigenlijk een krokodil
is geweest, door Gilles tijdens de kruistochten in Egypte gedood.
Anderen daarentegen hebben gemeend, dat de legende van den
reuzendraak niets anders is dan eene vervalsching van het feit, dat
Gilles een wieeden Egyptischen Sultan heeft verslagen. Eindelijk
zijn er nog, die den draak in een afgodsbeeld veranderen, dat door
den dapperen ridder, van wien zij nu een Heilige maken, zou om-
vergeworpen en vernield zijn. Wat hier ook van zij, ik raad 11
welmeenend aan, daarvan nooit te laten blijken, als gij eens de
omstreken van Bergen in Henegouwen bezoekt; want men zou het
u kwalijk nemen, en u dit wellicht op gevoelige wijze doen onder-
vinden, dat gij twijfelt aan de u verhaalde legende, vooral in de
herbergen, die overal „de reuzendraak van Wasmes," of „de gehar-
naste ridder"
of „Gilles de C/ii/i" tot uithangbord voeren.
(«Oud en Nieuw")                                                                       J. J. VAN UER HORST.
J. w. van LEEUWKN, Leiden.
PHILIPS VAN ARTEVELDE.
\'t Gevaar is groot
En dringend de nood
In de stad van Lei en Schelde;
De Honger maait,
Verdelging waait,
\'t Volk schreeuwt om een Artevelde.
Philips verneemt die bange stem,
Den angstkreet van de moeders;
De geest des vaders keert tot hem:
Sta op ! en red uw broeders.
En hij : „Kiest, mannen ! in den nood
Als martelaars den hongerdood
Of de onderwerping en de schand
En eeuwige verachting,
Of volgt mij, nogmaals \'t zwaard in hand,
Voor \'t vaderland, voor \'t vaderland,
Ter slachting!"
-ocr page 152-
144                                    PHILIPS VAN ARTEVELDE.
\'t Gevaar is groot
En dringend de nood
In de stad aan Lei en Schelde.
. Vooruit! in het veld !
Ter slachting gesneld !
Wij volgen u, Artevelde!
De Mei siert met het groen der hoop
De bosschen en de velden.
Op Brugge rukt een kleine hoop:
\'t Is Mei ook in \'t harte dier helden.
God help\'! God help\'! is \'t hoopvol woord . . .
Daar naakt de vijand, tuk op moord . . .
God hielp! de vijand ligt in \'t zand,
En uit is Vlaandrens lijden.
Den mannen heil, die, \'t zwaard in hand,
Het vaderland, het vaderland
Bevrijdden !
\'t Gevaar was groot
En dringend de nood
Als het heer ter slachting snelde . . .
Triomf in het land !
De slavenband
Is verbroken door Artevelde !
Maar neen ! de vrijheid moet opnieuw versmacht
Heel Frankrijk spuwt zijn ridderen ....
Te Rozebeek staat Vlaandrens legermacht. . .
De volken wachten en sidderen . ..
Hoe woedend holt en rolt de kamp!
O ramp, de ruwaard valt, o ramp !
En Vlaandrens Maagd zijgt neer, vermand,
En zieltoogt op de lijken ....
De ruwaard moest, het zwaard in hand,
Voor \'t vaderland, voor \'t vaderland
Bezwijken.
Ach ! steeds was groot
En dringend de nood
-ocr page 153-
.PHILIPS VAN ARTEVELDE.                                         I45
In \'t land van Lei en Schelde !
Maar \'t volk onthield
Hoe gij eens vielt
Voor \'t vaderland, Artevelde !
J. VUYLSTEKE.
KRIJGSDANS.
A° 1814.
Voor Vaderland en Koning,
Voor Hollands Leeuwenvaan,
Voor eigen haard en woning,
Neem ik de wapens aan.
Te wapen, op ! te wapen !
Op, Helden ! in \'t geweer !
Geen Hollandsen hart kan slapen,
Waar Koning roept en eer.
Welaan, welaan, welaan !
Aan plicht en eer voldaan !
Voor Vaderland en Koning,
Neem ik de wapens aan.
En Vaderland en Koning,
En Hollands Leeuwenvaan,
Vereischt zijn trouwbetooning
Om Roovers af te slaan.
Te wapen, op ! te wapen !
Op, Helden ! in \'t geweer!
Geen Hollandsch hart kan slapen,
Waar Koning roept en eer.
Welaan, welaan, welaan !
Aan plicht en eer voldaan !
Voor Vaderland en Koning,
Om Roovers af te slaan !
Roept Vaderland en Koning,
En Hollands Leeuwenvaan;
Hoe schoon is mijn belooning,
Voor hen ten strijd te gaan !
10
-ocr page 154-
PHILIPS VAN ARTEVELDE.
Te wapen, op ! te wapen !
Op Helden ! in \'t geweer,
Geen Hollandsen hart kan slapen,
Waar Koning roept en eer.
Welaan, welaan, welaan !
Aan plicht en eer voldaan !
Voor Vaderland en Koning
Is \'t zoet, ten strijd te gaan.
Bij Vaderland en Koning
En Hollands Leeuwenvaan,
Vindt dapperheid bekroning
Van eer en lauwerbla&n,
Te wapen, op ! te wapen !
Op, Helden ! in \'t geweer!
Geen Hollandsch hart kan slapen,
Waar Koning roept en eer.
Welaan, welaan, welaan !
Aan plicht en eer voldaan !
Voor Vaderland en Koning !
Om eer en lauwerbladn.
W. BILDERDIJK.
DE EZEL.
Ik weet een kleine fabel,
Die ik u zeggen zal:
Ik heb haar eens gelezen,
Gelezen, bij geval.
Eens ging door een der beemden
Van \'t zangrig Leeuwendal
Een ezel zich vermeien,
Vermeien, bij geval.
De langoor vond een pijpzak
Dien, bij een schapenstal,
Een herder had vergeten,
Vergeten, bij geval.
-ocr page 155-
i)E EZEL.
Daar trapt hij op den doedel,
En \'t geeft een groot geschal,
Een largo l) op zij ezelsch,
Een largo, bij geval.
„Ei, hoor eens (zei de lomperd),
„Ceci ne va pas mal\'t 2)
„Wat praat men dan van Ezels %
„\'t Is overloop van gal."
„Ja, kunst verwekt benijden;:
„Dat ziet men overal;
„Een ezel weet van spelen !"
Ja, zeker, bij geval !
W. BILDERDIJK.
LIJKZANG OP MIJN DOCHTERTJE.
Jacoba trad met tegenzin
Ter snoode wereld in,
En heeft zich aan het end geschreid
In hare onnoozelheid.
Zij was hier nauw verschenen,
«Of ging, wel graag, weer henen,
De moeder kuste \'t lieve wicht
Voor \'t levenloos gezicht,
En riep het zieltje nog terug:
Maar dat, te snel en vlug,
Was nu al opgevaren
Bij Gods verheugde scharen.
Daar lacht en speelt het nu zoo schoon,
Rondom den hoogsten troon;
En spreidt de wiekjes luchtig uit,
Door wee noch smart gestuit.
O, Bloem van dertien dagen,
Uw heil verbiedt ons \'t klagen.
h. c. poot.
i) Muziekterni; largo beteekent breed, ernstig, deftig, langzaam, met
ilragen.
a) Het gaat niet slecht; het klinkt goed.
-ocr page 156-
148                          LIJKKRANS VOOR MIJN DOCHTERTJE.
LIJKKRANS VOOR MIJN DOCHTERTJE.
En rij van Eng\'len zag
Door \'t dunne vvolkfloers heen,
Of ergens, hier beneên,
Een zuivre parel lag,
Die waardig was, te pralen
In \'t goud van \'s hemels zalen.
In \'t einde viel het oog
Op Margareetje, een wicht,
Dat pas door \'t levenslicht
Bestraald werd van omhoog,
En blijdschap noch ellende,
Noch deugd noch ondeugd kende.
Dat Pareltje vol glans
Behaagde \'t Eng\'lendom;
Des daalde \'t, in een drom,
Van \'s hemels hoogen trans,
En streek met pen en veder,
Bij Grietjes wiegje neder.
Hier nam het, met een vaart,
Dat Pareltje in zijn macht,
Belonkte en kuste \'t zacht,
En vloog er mee, van de aard
Naar \'t rijk der zaligheden,
Doch liet de schulp beneden.
J). SMITS.
DE LUCHTBALLON.
Eindelijk, het uur der opstijging was genaderd. De ballon, uit
Lyonsche taf vervaardigd, en voor twee derde met lichtgas uit onze
gasfabriek gevuld, zweefde reeds boven den grond. Hij werd even-
wel nog teruggehouden door twaalf stevige koorden, aan de stevige
handen van even zooveel arbeiders vertrouwd. De gespannen tou-
wen, die in steeds nauwer kring toeliepen, vormden met den daar-
boven zwevenden ballon het niet ongelijkend gezicht eener Turksche
-ocr page 157-
PE LUCHTBALLON.
149
moskee, in het midden van een grooten en brecden ringmuur van
toeschouwers, allen opzettelijk tot die kolossale natuurlijke proeve
uitgenoodigd.
Gelijk een ruiter, vóór hij zijn paard bestijgt, nog eens nauw-
kelirig onderzoekt, of er soms aan zadel en tuig iets ontbreekt, zoo
wierp de heer Delinau(i) een laatsten blik op den geheelen toestel
om zich te overtuigen, dat alles in orde was.
Het bovengedeelte bevatte een sterk net van gevlochten lint, om
het midden van den ballon bevestigd door een houten gordel; aan
dien gordel was door middel van lange en stevige koorden het
schuitje opgehangen: elk dier koorden nu. werd door hem afzonder-
lijk onderzocht. Vervolgens trok hij een paar malen aan de lijn,
die aan de luchtklep verbonden was, om te zien of deze regelmatig
en gemakkelijk open en dicht ging; hij telde de zakken ballast en
rangschikte eenige natuurkundige instrumenten.
Wij gingen beiden aan boord.
Het schuitje was van gevlochten mandewerk en groot genoeg om
zes personen te bevatten; en, laat mij het ridderlijk bekennen, diep
genoeg om voor het oog der toeschouwers mijne knieën te verber-
gen, die van angst tegen elkaar sloegen, als de kleppers van een
ooievaar. Ja, een jonge ooievaar, die voor \'t eerst het ouderlijke
nest moet uitvliegen...... ik had er op mijn woord veel van. Ik
sterkte mij met de gedachte, dat ik de eer van Holland ophield,
dat ik den Hollandschen Leeuw voorstelde, en maakte zoo goed
mogelijk wat de Franschen noemen „bonne mine a mauvaisjeu."
Een pistoolschot zou het teeken geven, dat wij alle banden, die
ons nog aan het aardsche hechtten, verbroken hadden.
Paf! daar knalde het schot...... het was, alsof ik een kogel
door mijn hart kreeg, en onwillekeurig riep ik: hulp! hetgeen de
Kranschen waarschijnlijk zullen vertaald hebben door Adieu!
Maar dat woord hulp ! kreeg, zonder dat ik het vermoedde, een
waarachtige beteekenis; bij het losbranden van het pistool had ieder
der arbeiders het door hem gehouden touw moeten loslaten, en zie,
één hunner had in de plaats daarvan op dat oogenblik een sprong
genomen, en klom met handen en voeten in het schuitje.
Tres faciunt collegium! zeide ik met een gemaakt lachje; maar
.1) De heer Oelinau was hoogleeraar in de natuurkunde, een man van groote, wéten-
schappelijke kennis en van bij uitstek practUchen zin.
-ocr page 158-
150                                          DE LUCHTBALLON.
professor Delinau noemde het kind bij zijn naam door te zeggen,
dat het een brutale vrijpostigheid was; en hij overlaadde den armen
drommel met een stortbui van scheldwoorden, die uit zijn mond
rolden, als de slagen van een Saksischen kanarievogel.
Ue onverwachte en ongenoodigde gast was ons echter niet vreemd.
Het was Sapeur, een kundig instrumentmaker, die sedert zes maan-
den in ons atelier was werkzaam geweest, en bij het vervaardigen
van den ballon groote diensten bewezen had.
„We zijn eenmaal in het schuitje, en het noodlot voert ons mee,"
trachtte ik te neuriën, zette Sapeur naast mij neder, en sprak hem
eenige woorden toe om zijne verlegenheid te verdrijven.
Pijlsnel en in loodrechte vaart schoot de ballon naar boven. Wij
baadden in een vollen stroom van licht. Ue touwen, waaraan ons
schuitje hing, teekenden zich als gloeiende staven af op de scherpe,
blauwe lucht. Ik zag naar boven — ik duizelde — ik meende,
dat de ballon in vlammen stond. Om de strak gespannen en sterk
opgezwollen taf speelde het zonnelicht, en de ballon flikkerde en
glansde als een drijvende zon.
Tóen sloeg ik mijne oogen over \'t schuitje naar beneden.
Het is onmogelijk u de aandoeningen te beschrijven, die mij aan-
grepen, toen ik op de aarde nederzag. De hoofdstad van het de-
partement la Haute-Loire met hare eerbiedwekkende kathedraal, de
oudste van geheel Frankrijk, scheen mij nu zoo klein toe als de
stad, die ik in mijn jongen tijd met een Neurenbergsche kermisdoos
bouwde. Menschen kon ik volstrekt niet onderscheiden. Als een
wonderbaar dooreengeworpen kcgelspel schenen de honderden bergen
rondom de stad over de aarde verstrooid. Duidelijk onderscheidde
ik nog de 700 meter hooge rots Corneille, die ik eens in gezelschap
van den heer Delinau beklommen had. — De rivier la Loire scheen
mij een nietig zilverdraadje, zwevend en fladderend, als een herfst-
draad tusschen het dunne loover.
Langzaam rolde het luchtruim zijne breede perkamenten voor ons
open. Het gevoel der ontzaglijke ruimte, die ons omgaf, was schier
bedwelmend. Wel is het groot mensch te zijn!
Gevoelen, dat wij opstegen kon ik niet, maar ik wierp eenige papieren
snippers naar buiten en kon toen bemerken, dat wij nog snel klommen.
„Hoe hoog zijn we al?" vroeg ik den heer Delinau, die daar
zwijgend vóór mij zat, in de ééne hand een barometer, in de andere
hand een minuut- en secondenwijzer waarnemend.
-ocr page 159-
*5*
DE LUCHTBALLON.
„Volgens de aanwijzing van den barometer zijn we 4100 voet in
de hoogte, en is de warmte der lucht gedaald van 10" tot 6"
Réaumur" — zeide hij droogjes en op een toon, die mij deed
verstaan, dat zijne knorrige bui nog niet over was.
Sapeur zat zwijgend naast mij; zijn gelaat was doodsbleek en
zijn blik strak ; zijne bevende hand verborg zich nu eens onder zijn
lichtblauwen kiel, dan weder streek zij krampachtig over zijn ros-
sen knevel.
Zulk een toestand, hoe vreemd en zorgwekkend ook, verklaarde
ik mij als heel natuurlijk in iemand, die zich zelven zeggen kon :
„Ik ben er wel niet te veel, maar \'k schiet er toch over," en die
daarenboven zoo vreeselijk de volle laag had gekregen.
Ik ging een praatje met hem aan en sprak: „Sapeur, wij gaan
hoog, jongen?"
Hij keek mij met onbepaalde blikken aan, als zocht hij naar een
antwoord. Eensklaps richtte hij zich op met den uitroep: „Wij
gaan parbleu nog niet boog genoeg!___,. Wij moeten hooger,
altoos hooger! Wat maal ik om mijn leven ?"
Ik aarzelde, of ik die uitbarsting als ernst of als scherts zou op-
nemen. Toch kon ik het gevoel van ontsteltenis en angst niet
onderdrukken; te meer niet, omdat professor Delinau zich veelbe-
teekenend oprichtte.
„Hooger, zeg ik, altoos hooger!" schreeuwde hij opnieuw, en
meteen rukte hij den barometer uit de hand van den heer Delinau
en slingerde dien weg in de lucht; met gebalde vuist gaf hij een
hevigen stoot tegen den schouder van den verschrokken professor,
en riep: „Hooger, zeg ik je, of ik smijt je, hals over kop, naar
beneden!"
Ik was als bedwelmd. Ik kneep mij zelven in den arm om mij
te overtuigen, of ik waakte dan of ik droomde. Ik zag den heer
Delinau bevend naast mij gezeten.
„Stil! Stil!" fluisterde hij.
„Wat scheelt Sapeur?" vroeg ik angstig.
„Stil! Stil! hij is....."
„Krankzinnig?"....... Het kille zweet brak mij uit. Meer dan
5000 voet hoog in de lucht, en dat met een krankzinnige!
„Gek! — gilde Sapeur •— nu weet ik, dat ik het ben! Ja!
„gek ! gek ! razend! Ik was het gisteren, ik was het eergisteren,
„ik was het reed? sedert veertien dagen. Ik heb het mij zelven
-ocr page 160-
152                                           DE LUCHTBALLON.
„afgevraagd, en ik antwoordde mij zelven: gij zijt niet gek !.......
„En ik schreef een brief — en ik heb dien brief wel honderdmaal
„gelezen — en honderdmaal heb ik gezegd ; zóó kan geen gek
„schrijven. En toch, ik was gek, gek! — nu eerst voel ik, dat ik
„gek ben — ha, ha, ha, ha!"
Met opklimmenden toon gilde hij \'t akelig hal hield den hoogsten
toon eenige seconden aan, en viel toen neder, alsof hij den laatsten
adem had uitgezongen.
„Laat het gas vliegen!" fluisterde ik den professor in \'t oor.
„Ik heb de klep reeds geopend!" was zijn antwoord. Ik hoorde
het sissend geluid van het ontsnappende gas en het ratelen der
klep. Ik wierp eenige papieren snippers naar buiten, en bemerkte
toen met huivering de snelheid der daling; terwijl de snippers lang-
zaam daalden, gingen wij\'pijlsnel naar beneden. „Dalen wij niet
te snel ?" vroeg ik.
„Wat, dalen ?" riep Sapeur, wederom opspringend. — „Stijgen
zal hij! Hooger, altoos hooger!" Daarop greep hij plotseling de
lijn, die aan de klep verbonden was, deed een geweldigen ruk, zoodat
de lijn brak en de klep dicht vloog; — hierdoor werd het ons
onmogelijk gemaakt verder te kunnen dalen.
„Wij moeten ons van hem meester maken, of we zijn reddeloos
verloren!" — zei de heer Delinau angstig maar hoogst onvoorzich-
tig; want nauwelijks had hij die woorden gesproken, of de krank-
zinnige trekt uit een lederen scheede, in zijn broekzak verborgen,
een mes te voorschijn en roept met uittartendc stem: „Ha! komt
maar op! „één tegen twee — ik sta ze!".....
Er ontstond een korte pauze. Geen van ons drieën verroerde
zich.
Na eenige oogenblikkcn prevelde Sapeur iets binnensmonds,
maakte een wending en stak met zijn mes een groote opening in
twee der drie zakken ballast, die wij medegenomen hadden. Het
zand stortte in breede stralen naar beneden, tengevolge waarvan de
ballon aanmerkelijk begon te stijgen.
„Ha! ha! ha!" — riep de rampzalige met een duivelachtig
grijnzend gelaat. — „Ha! ha! ha! dat heet eerst vliegen!..... Ziet
„gij die geesten daar ?" Hij brak af; zijn verwilderd, bloedig oog
staarde maar omhoog; zijne krampachtig bevende hand wees naar
een punt in de peillooze ruimte. „Ziet gij die geesten daar?" —
hernam hij met verheffing van toon. Zonder echter het antwoord
-ocr page 161-
DE LUCHTBALLON.                                          153
af te wachten sprak hij langzaam en diep: „Dat zijn duivels, die
„mij gekweld en gefolterd hebhen ! \'t Is vergeefsch, dat ze mij
„thans ontvluchten! Ik zal ze achterhalen met de snelheid des
„bliksems !"
Wederom maakt hij een plotselinge en geweldige beweging, en
werpt in een oogslag den laatsten zak ballast over boord.
Wij gaven alle drie een luiden schreeuw, die zich akelig in de
eenzaamheid der luchtwoïstijn deed hooren. Krampachtig hielden
wij ons aan het schuitje en aan de touwen vast. Schrikkelijk hevig
was de schok, dien de ballon door die plotselinge 1 astvermindering
bekwam. Wij stegen niet meer — wij sprongen de hoogte in —
onder het kreunen en kraken van de sterk gespannen taf. Ik dacht,
dat het schuitje zich van het bovenste netwerk zou losscheuren. Dui-
zelingwekkend was de versnellende vaart. Het suisde mij om de
ooren — het draaide mij voor de oogen — een ongekende koude
deed mij rillen — ik gevoelde een sterke spanning van de huid.
De ballon begon tengevolge van "de buitengewone verdunning der
lucht strakker en strakker te staan. „Hij kan ieder oogenblik
„barsten !" gilde de professor.
Den indruk, welken die ontzettende woorden op mij maakten,
vergeet ik nooit. Ik wilde mij tot den dood voorbereiden; maar....
„Hooger! altoos hooger!" schreeuwde de krankzinnige woedender
dan ooit. — „Ik heb nog 1000 voet te stijgen — de ballast is
„uitgeworpen — nu is het de beurt aan\' één van u tweeën."
Hij keek ons beiden beurtelings aan als een roofdier, dat zijne
prooi zoekt; zijne haren rezen te berge, zijne handen vormden zich
tot klauwen, gereed om te grijpen.
De heer Delinau gaf mij een wenk, dien ik meende te verstaan.
Het vreeselijk oogenblik van beslissing was genaderd. Terwijl de
professor onverwachts de armen van Sapeur vastgreep, slingerde ik
mij om zijn beenen ; door een geweldige krachtsinspanning gelukte
het mij den misdadiger het evenwicht te doen verliezen — hij viel;
maar in een oogwenk rukte hij zich met een woest gebrul uit de
handen van den heer Delinau, greep mij om het middel, lichtte
mij op..... en ik zat......
Ja, lezer, ik zou voor geen geld van de wereld willen, dat gij
mij hadt zien zitten. Verbeeld u, rechtop in mijn bed, met een
soort van gebreid netwerk over de ooren en met mijne handen in
-ocr page 162-
I 54                                          DE LUCHTBALLON.
het nachtelijk duister rondtastend, of ik mij wel wezenlijk op de
plaats bevond, waar ik mij \'s avonds horizontaal had neergelegd.
Hoe hel wakker ik van den schrik ook geworden was, toch heb
ik nog een oogenblik getwijfeld, of gordijnen en dekens niet het
bekleedsel waren van den verongelukten ballon, en mijn ledikant
het noodlottige schuitje
Zoo waar is het, dat wij dikwijls over die dingen droomen, waar-
mede onze ziel bij het waken zich met eenige voorliefde onledig
hield. Zoo waar is het, dat droomen bedrog is !
VAN MEURS.
FENELON EN DE KOE.
Een ander zing\' den strijdbren moed
Van overwonnen helden,
Ik ril bij stroomend menschenbloed,
Ik gruw van oorlogsvelden.
Mij is de Christen meerder waard,
Die \'t beeld van God vertoont op aard.
Mij is de Christen waard en lief,
Wiens ziel, door deugd gedreven,
In liefde en ootmoed zich verhief,
Op \'t hobblig pad van \'t leven.
Voor hem alleen, alleen voor hem,
Verhef ik citersnaar en stem.
Hij zij gemijterd of gekroond,
Of met een pij omhangen,
Indien de deugd zijn hart bewoont,
Dan wijde ik hem mijn zangen.
Mijn zangen, vloeit voor Fenelon!
Geen eedier stervling zag de zon.
De brave bisschop werd verneêrd
En uit het hof gebannen,
AVaar Maintenon alleen regeert,
Een vrouw, met dartle mannen;
De brave Bisschop had verdriet:
Want, ach, zijn leerling heerschte niet.
-ocr page 163-
EENELON EN DE KOE.
Naar Kamerijk, zijn bisschopsstoel,
Naar Neerlands grens verdreven,
Vergeet hij dra het hofgewoel,
Om voor de Kerk te leven —
Vergeet Parijs en Bossuet,
En leert en doet naar Jezus\' wet.
Daar is hij in eenen stillen kring
Den armen tot een vader,
Verdrukten tot verdediging,
\'t Verdoolde schaap tot rader;
Daar vindt en smaakt hij \'t zielsgenot
Van wèl te doen, in naam van God.
Soms, met een boek en staf in hand,
Gaat hij natuur beschouwen,
Toeft bij de boeren op het land,
En ziet het veld bebouwen,
En proeft en keurt de versche melk,
En is de vriend en vreugd van elk.
Geen hutjen in de gansche streek
Of \'t zag hem binnentreden.
Waar onschuld huisde of wroeging week,
Waar wees of weduw leden,
Daar gaat hij heen, en redt of troost,
En zegent man en vrouw en kroost.
Eens, op een heldren lentedag,
Weer stil de stad ontweken,
Doorwandelt hij, zoover hij mag,
Het groen der ommestreken.
Lang weidt zijn blik de schepping door,
En luistert hij naar \'t vogelkoor.
Hij dankt en bidt in \'t stil gemoed,
En looft den naam des Heeren,
En zet al verder zijnen voet
En denkt niet om te keeren,
Doch hoort, aan \'t einde der vallei.
Op eens een jammerlijk geschrei.
-ocr page 164-
FENELON EN DE KOE.
Het komt van mcnschen uit een stulp;
Hij gaat, hij snelt er henen,
En stapt er binnen, biedt zijn hulp
En vraagt, waarom zij weencn.
„De Bisschop!" roept een oude vrouw
En ijlings stilt de bittre rouw.
Daar zitten, in hun smart vereend,
Die vrouw, twee echtelieden,
Een knaapje, dat van honger weent,
Wien niemand iets kan bieden.
Zij slaan hun oogen naar den grond,
En heilige eerbied sluit hun mond.
„Mijn goede lieden, meldt me uw leed,
En wilt uw tranen stelpen;
Licht dat mijn raad een uitkomst weet;
Ik kome om u te helpen.
Er is bij God voor alles baat:
Hij heelt de wonden, die Hij slaat."
Zoo spreekt de Bisschop. —• „Heilig man!
Gij schijnt door God verkoren
Om troost te brengen. Weet het dan,
Ik heb mijn koe verloren!
Mijn koe, mijn eenigste bestaan,
Is in de wei mijn oog ontgaan.
Het is van daag de derde dag
Dat wij ze moeten missen.
Geen weet er waar zij wezen mag,
Of kan haar schuilplaats gissen.
Ik bracht haar op met eigen hand:
Zij schafte ons brood en onderstand."
Zoo spreekt de boer, het hart verlicht,
En wischt een traan uit de oogen,
En wijst op gade en hongrend wicht.
De Bisschop is bewogen.
„Licht vinde ik iemand (luidt zijn taal)
Die u de waarde ei van betaal\'.
-ocr page 165-
FENELON EN DE KOE.
157
Er zijn in stad nog brave liên,
Die voor hun naasten leven;
Vast zullen zij u bijstand biên.
En liefdrijk geld u geven.
Vaarwel! gij ziet mij morgen weer,
Ach, staakt uw droefheid, tot ik keer\'."
— ,,o Engel (roept het huisgezin),
Bid liever God den Heere,
Dat onze koe haar stal weer in,
En tot haar meester keere!
Haar weerga leeft er niet op \'t veld.
Ach, geef ze ons weer!... Wat baat hier geld ?"
Met moeite komt hij uit de hut,
En laat zijn beurs er binnen,
Schoon elders bijna uitgeput.
Hij tracht de stad te winnen;
Doch eer hij nog de wallen speurt,
Heeft de avond alles vaal gekleurd.
Daar ziet hij in een kreupelbosch
Een koe in \'t hout verloren;
Zij zit geklemd, zij kan niet los,
En wringt en schudt haar horen.
Er is geen stervling aan of bij,
Die \'t arme dier ten redder zij.
Ras kent de goede Bisschop haar;
Hij stort zijn dankgebeden.
Zal hij, de moede wandelaar,
Naar huis nu spoedig treden?
Hij heeft al lang naar rust gehaakt.
De dag verdween, de nacht genaakt.
De reize is hachlijk op dees tijd,
De hut veraf gelegen.
Doch neen! waar onspoed zucht en lijdt,
Daar past geen overwegen,
Daar pleegt geen Fenelon om raad,
Daar vraagt hij niet: Hoe ver? hoe laat?
-ocr page 166-
FENÊLON EN DE KOE.
En spoedig nadert hij tot haar,
En poogt ze los te krijgen.
Hij stoot zich hier en kneust zich daar,
In zwoegend ademhijgen;
En eindlijk is de koe ontsladn,
En uit het bosch en op de baan.
Daar gaat hij, Frankrijks hofprelaat,
Die vorsten onderrichtte,
Wiens geest Homeer op zijde staat,
En als de Noordstar lichtte.
Daar gaat hij met vermoeide leen,
En stuwt een runddier voor zich heen!
Wie zal der schaamlen luide vreugd,
Bij \'t zien der koe beschrijven?...
\'t Is of de Bisschop, om zijn deugd
Een wonder mocht bedrijven.
Zij vallen dankend aan zijn voet,
En loven God met vol gemoed.
Heel \'t dorp in roer is, blij te moe,
Ter hutte ras gekomen.
„De Bisschop bracht den boer de koe,
Door wolven weggenomen!"
Zoo loopt de maar bij groot en kleen,
En brengt het landvolk op de been.
„Hoe zal de kerkvoogd nu naar stad?
(Vraagt iemand uit de mannen)
\'t Is nacht, en hij is afgemat,
Geen paard hier ingespannen!"
„Neen zeker! (schreeuwt men t\'allen kant)
Wij dragen hem met eigen hand!"
En ijlings is een stoel bereid
Van takken en van bl&ren.
De Bisschop wordt uit \'t huis geleid
Bij \'t juichen van de scharen.
Men siert zijn kruin met bloem en blad,
En draagt hem in triomf naar stad.
J. F. WILLEMS,
-ocr page 167-
DE KINDERBEDE.
DE KINDERBEDE.
„Ja, kind! vijf eeuwen zijn ten end.
Dat God te dezer stee
In zijn aanbidlijk Sacrament
Dit groote wonder deê."
Zoo toog een moeder voort ter kerk
Met \'t blijde kind ter zij,"
Dat immer sprak van \'t Wonderwerk
En van het Feestgetij.
„Maar, lieve kind ! vergeet gij \'t niet,"
Zoo spreekt ze \'t weder aan;
„In gindsche kerk, die ge aanstonds ziet,
En daar wij danken gaan, —
„Vergeet liet niet: Ons Heer is daar,
Dien gij aanbidden moet;
Vouw stil de handjes in elkaar,
En bid als moeder doet!
„Val, kind! dan op uw knietjes neer,
En zeg: Ik ben zoo blijd!
Dat Gij bij ons nog, Lieve Heer!
In \'t groote Wonder zijt.
„Dan moet gij bidden stil, zoo stil:
o Heer, verlaat ons niet!
Maar dat wij leven naar uw wil,
En doen wat Gij gebiedt."
En \'s Heeren tempel traden ze in,
Waar \'t uitgegolfd azuur
Gefonkel schiet, als \'s hemels tin,
Van licht en starrenvuur.
Gods Engel vangt de beden op,
En juicht en bidt daar mee:
En, — als de lelie d\'uchtenddrop, —
Ving hij des kindes beê.
-ocr page 168-
IÓO                                                   DK KINDERBEDE.
„Ik weet, Gij zijt hier in de kerk,"
Zoo bad het, „Lieve Heer!
En val voor \'t groote Wonderwerk
Hier op mijn knietjes neer.
„Nu, Lieve Heer! nu hoort Gij mij
En ziet mij immers aan!
En ik, o Heer ! ik ben zoo blij,
Dat \'k mee mocht bidden gaan.
„Nu bid ik U zoo stil, zoo stil:
Verlaat, o Heer! ons niet;
Maar dat wij leven naar uw wil,
En doen wat Gij gebiedt.
„En moeder zei ook: Lieve kind!
Als gij dat altijd doet,
Wordt gij door God, die kindren mint,
Voor alle kwaad behoed.
„Dan ziet gij in den Hemel Hem,
Op veel — veel schooner troon,
Dan bidt gij daar met Englenstem,
En krijgt van Hem een kroon.
„Hoor, Heer! ik bid dan stil, zoo stil:
Verlaat, verlaat ons niet!
Maar dat wij leven naar uw wil,
En doen wat Gij gebiedt.
„Hoor, Lieve Heer! mijn kinderbeê
En blijf ons altijd bij.
Dan bid ik met uwe Englen mee,
En moeder ook met mij!___"
„En moeder ook met mij!" Dit woord,
Dat luider \'t kind ontvliedt,
Had moeder aan zijn zij gehoord,
Wie \'t oog in tranen schiet.
-ocr page 169-
DE KINDERBEDE.
„Hoor," zucht ze; „Heer! een kinderstem,
Die (Ie altoos hebt bemind;
Om \'t geen (lij leedt in Bethlehem,
Ach, hoor \'t onschuldig kind!
,,\'k Vertrouw, Heer! dat hun Englenbeê
Tot voor Uw zetel gaat;
En daarom sprak ik: Kind! bid mee,
Dat God ons niet verlaat!
„Want Gij hebt ook uit kindertoon,
o God ! U lof bereid,
En looft hun Engel om uw troon
U niet in eeuwigheid?
„Hebt Gij geen Moeder, Heer! wier beê
Bij U genade vindt?
Met de Englen bidt Maria mee,
En aan mijn zij mijn kind !
„In uwe hand stel ik mijn lot, —
En wat dit eenmaal zij:
Geef mij uw hemel, o mijn God!
En aan mijn kind met mij !"
r. VAN DER l\'LOEG.
DE BEDEGANG.
Om torentop en geevlenpronk
Der groote stad aan \'t IJ,
Zonk eens de stormige avondstond
Van \'t vroege jaargetij.
De windvlaag joeg de straten om,
Bij rooden vensterstraal,
En rijkdom draafde in praalkaros
Naar \'t schittrend vreugdemaal.
Schroomvallig, van haar kind verzeld,
Sloop daar een moeder voort,
En had van heuren lieveling
De vragen niet gehoord.
il
-ocr page 170-
IÓ2                                                     DE BEDEGANG.
Zij bad zoo vurig! en haar oog,
Waaraan een traandrup hing,
Sloeg telkens op naar \'t Kerkgebouw,
Waarom heur voetstap ging.
„Maar moeder!" vroeg het jongske weer,
„De kerk, waarnaar gij ziet,
En waarom ik nu bidden moet,
Is immers de onze niet ?" —
„Ach kind ! zij is het eens geweest:"
Dus spreekt ze en vaagt haar oog,
„Kom, bid met mij voor vader mee,
Dat God hem sparen moog\'."
En weder voor haar echtgenoot,
Op \'t krankbed uitgestrekt,
Vloot hare beê, vol zoete hoop,
In \'t minnend hart gewekt.
Maar nauwlijks had het hupplend kind
Stil weer een kruis gemaakt,
Of met een scheldwoord vloog een steen,
Die strijkelings haar raakt.
„Ach moeder !" schreit haar \'t knaapje toe,
„Ach! ach! zij doen ons kwaad!"
Terwijl ze zijne klachten smoort
En zelf te siddren staat.
Reeds tweemaal was ze voortgegaan
Rondom de hooge kerk,
Naar \'t trouw bewaard geschiedverhaal,
Befaamd om \'t wonderwerk.
Ach! wie de bleekheid had gezien,
Om haar gelaat gespreid,
Dat zich van schrik en smart vertrok,
Hij had met haar geschreid.
Al zuchtend sprak ze \'t woord van \'t kind:
„Waarom doen zij ons kwaad ?"
-ocr page 171-
DE BEDEGANG.
Ën week fluks in de duisternis
Den moedwil en den smaad.
Hier worstelde in \'t eenvoudig hart
\'t Verhevenst mingevoel
Met ijver voor het kruisgeloof,
Vervolging steeds ten doel.
„Neen!" ging in haar gedachten om,
„Niet haten mogen wij,
En hoort nu God mijn dierste beê,
Als ik niet met Hem lij\'?
„Als ik niet min ?"....... o Zoet gevoel!
Waarvoor haar boezem zwicht;
„Kom!" zegt ze, „kom, voor hen gebeên!
Dat God hun \'t oog verlicht."
En met die beê in hart en mond,
Daar, voor den derden keer,
Gaat zij de dierbre plek in \'t rond,
En komt nu rustig weer.
Veel blijder zei ze toen aan \'t kind,
Hoe eens Ons Heer in \'t vuur
Niet was verbrand, en hoe nog meer
Gebeurde in Amstels muur;
En hoe men \'t omgedragen had,
Met wierook, kruis en vaan;
En hoe zij, \'t groot Geheim ter eer,
Dien weg weer was gegaan.
Genadig hoorde God haar beê,
En na niet langen tijd
Zag zij haar lieven echtgenoot
Van zijne smart bevrijd.
Het jongske wies, en \'t ouderpaar,
Dat hem dit voorbeeld gaf,
Zonk met het kruishout in de hand
En vol van hoop in \'t grat.
-ocr page 172-
DE BEDEGANG.
Maar telkens als, om dak en dom
Der groote stad aan \'t IJ,
Die nooit vergeten avond zonk
Van \'t vroege jaargetij,
Dan sprak die zoon, die \'t leed herdacht,
Zijn moeder aangedaan:
„Rust, lieve moeder ! rust in \'t graf!
Voor u zal ik nu gaan."
En biddend toog hij dan op weg,
En om diezelfde kerk,
Naar \'t trouw bewaard geschiedverhaal,
Befaamd om \'t Wonderwerk.
Door hem ook werd van \'t oud geloof,
Dat geene onwaarheid duldt,
Omdat het ware liefde vraagt,
De groote plicht vervuld:
„God!" bad hij, „om Uw lieven Zoon,
Zend Uw genade neer,
En voer al die zijn afgedwaald
Naar d\'éénen schaapstal weer."
Zóó, sinds der vreemden nieuwe leer
Drong in het vaderland,
Bleef de Amstelaar aan \'t Kruis getrouw,
En \'t vroom gebruik in stand.
Zóó gloeide daar in duisternis
De vonk der liefde voort,
Die altijd, altijd om zich grijpt
En altijd hooger gloort.
Hoe menig traan is daar gestort,
Hoe veler beê daarbij,
Als weer de dag des Wonders kwam,
En \'t duister was aan \'t IJ :
„God! hoor ons, om Uw lieven Zoon,
Zend Uw genade neer,
-ocr page 173-
DE BEDEGANG.
En voer al die zijn afgedwaald
Naar d\' éénen schaapstal weer !"
Die tranen werden opgeteld;
Die beden, waarin \'t bloed
Des altaars om verzoening riep,
Zij rezen voor Gods voet.
De kracht blonk in de zwakheid uit:
Er kwamen telkens meer,
Wier edel hart naar waarheid zocht,
Tot d\' éénen schaapstal weer.
En schoon van Amstels oud geloof
Geen tempel werd gezien,
En \'t Kruis, waar \'s werelds heil aan hing,
In duisternis moest vliên:
Toch nam de schaar in aanzien toe
Met ieder eeuwgetij;
Want trouw hield men den bedegang
•En fluisterde daarbij:
„God! hoor ons om Uw lieven Zoon,
Zend Uw genade neer,
En voer al die zijn afgedwaald
Naar d\' éénen schaapstal weer."
Godlof! daar eindlijk viel de boei!
Verdrukking werd gestuit;
En \'t Kruis, van kleine spits bij spits,
Stak d\'armen naar ons uit.
Doch liefde wint in kracht en moed,
Hoe meer haar de uitkomst loont;
Zij klopt, zij klopt, en houdt niet op,
Als \'t hart, waarin ze woont.
En als de dag des wonders kwam
En \'t duister viel op \'t IJ,
Ging drukker nog de bedegang
En \'t fluisteren daarbij:
-ocr page 174-
ï66                                              DE BEDEGANG.
„God! hoor ons om Uw lieven Zoon,
Zend Uw genade neer,
En voer al die zijn afgedwaald
Naar d\'éénen schaapstal weer!"
Vijf eeuwen zijn nu omgesneld,
Sinds Amstel \'t Wonder zag,
Waarom het met de Keizerskroon
Op \'t wapen pronken mag.
En nu! — Het woelt er in die Kerk,
Waarom wij bidden gaan:
Het schokt bij ontij, en \'t gezucht
Duidt\' boezemspanning aan.
En velen van dat broedrental,
Ontvoerd aan onze borst,
Gaan zoekend om, en vinden niet
Ter lessching van hun dorst.
Wat best gedaan? — Van \'t Kruisgeloof
Dat geene onwaarheid duldt,
Omdat het ware liefde vraagt,
Zij de eerste plicht vervuld !
Stil! stil op weg ten bedegang,
Bij \'t huidig eeuwgetij!
En vuriger dan ooit voorheen
Zij ons gesmeek daarbij :
„Geef, God! om Uwen lieven Zoon
Ons onze broedren weer!
En dat al wie is afgedwaald
Naar d\'éénen schaapstal keer\'f"
C. BROERE.
DEUS PACIFICUS. (i).
\'t Was den ist™ van Sprokkelmaand des jaars 1444. Akelig viel
de zwarte nacht over Haarlems vesten neer, als zwanger van het
(1) De God des vredes.
-ocr page 175-
DEUS PACrFICUS..                                           167
bloedig moordplan, dat dien avond gesmeed was. De nachtwind
loeide onheilspellend langs de verlaten straten en joeg den regen
kletterend tegen vensters en glazen. Het uur der Metten was reeds
lang van de nederige torens der kloosters geklept: maar overal zag
men het ontstoken licht nog door de kruisbogen boven de gesloten
vensters heenschijnen; holle stemmen drongen gedurig naar buiten,
en \'t was of men handbijlen en zinkroeren aanhoudend hoorde ne-
derstooten. Geen slaap sloot dien nacht de oogen der poorters, en
het rustleger bleef onaangeroerd; want de mannen waren druk aan
den arbeid, om wapens te zuiveren en te scherpen. Tinnen kan en
drinkkroes gingen herhaaldelijk rond, kleurden de door het nach-
telijk waken reeds opgezette aangezichten met een vlammend rood
en gaven eene vreeselijke uitdrukking aan het getier, dat allengs
liet vroeger gesprek verving. Men stampte ongeduldig op den steenen
vloer, stak de gebalde vuist omhoog en sprak een vloek; terwijl de
troostelooze vrouw, die vaak den bijna uitgedoofden haard kwam
oprakelen, te vergeefs haar tranen plengde om \'t broeder bloed, dat
stroomen ging; en uit de kamer verwezen werd, wanneer zij het
waagde een verzoeningswoord te spreken. Dan wendde zij zich met
tragen gang en nokkend heen, om in het duister binnenvertrek hare
gepijnde ziel uit te storten, en van den gekruisten Heiland, wiens
beeld daar aan den breeden schoorsteen hing, uitkomst en vrede te
smeeken.....
De Kabeljauwschen van Amsterdam, verbitterd omdat ook de
Hoekschen in de Vroedschap hunner stad hadtien zitting gekregen,
waren met de Waterlanders dien avond binnen Haarlem getrokken,
oni wraak te nemen over de nederlaag, die zij te Amsterdam geleden
hadden. De Haarlemsche Heeren, waaronder zelfs Simon van Adri-
chem, de broeder des Burgemeesters, en vele ontevredenen, die
het grauw hadden opgeruid, waren hun te gemoet getrokken; en
allen hadden gezworen, dat geen Hoeksche in Haarlem den volgen-
den dag zijn hookl zou te rusten leggen.
Maar de woede der Kabeljauwschen was te buitensporig, de
overwinning, die zij zich zelven beloofden, te zeker, dan dat het ge-
smeed verraad kon verborgen blijven. Het reeds opgewekt vermoeden
werd weldra bij de Hoekschen versterkt en bevestigd, en in den laten
avond was de Burgemeester Claes van Adrichem reeds met \'t gansche
opzet bekend. In aller ijl ontbood hij den Slotvoogd, de Vroed-
schap en\' de Dekens der gilden, die hij als de zijnen kende, bij
-ocr page 176-
IÓ8                                                  DEUS PACIKICUS.
zich, schetste hun in mannelijke taal het lot, dat Haarlem wachtte,
en den plicht, die allen tot verdediging riep. Als \'t geloei van een
getergden stier ging in die vergadering een bloedkreet op: allen
verbonden zich met eecïe tot verdediging en wraak, en togen ijlings
naar huis, om wapenen te halen. De vroege ochtendstond moest
allen welgewapend met hun manschappen op het Zand (i) vinden,
en geen winkel, geen werkplaats mocht zich openen, vóór de Kabeb
jauwschen waren verdreven of afgemaakt.
Langzaam klom de ochtend, als kwam hij noode den gruwel be-
schijnen, die binnen Haarlem ging gepleegd worden. De lucht was
grauw en zwaar, en een aanhoudende slagregen viel nijdig neer.
Maar de haat is machtiger dan de elementen der natuur!... De
strijders wachten vol ongeduld naar het besproken uur en wijzen
met woestheid de liefkozingen af der vrouw, die zij anders toch
liefhebben, die hare kinderen heeft gewekt, om hen door de tranen
dier kleinen te bewegen toch niet ten strijde uit te gaan. De grijze
vader drukt de hand zijns zoons, gebiedt hem moed en dapperheid
te toonen, maar bezweert hem tevens liet bloed te sparen eens broe-
ders, die den vorigen avond de ouderlijke woning heeft verlaten,
om bij den vijand zich te scharen ; de oude moeder en weenende
zusters hangen hem om den hals en laten niet af, om hem van het
vreeselijk wraakplan af te trekken. Docli alles te vergeefs. Ken
ieder meent dat het recht aan zijne zijde staat en dat dure plicht
hem naar het slachtperk rojpt. Hij scheurt zich los, stoot allen van
zich af, en spoedt zich welgewapend naar de afgesproken verga-
derplaats.
De aangrenzende straten spuwen aanhoudend gewap.nde Hoekschen
op de Markt, die, als de zandkorrels door een dwarrelwind omge-
voerd, door elkander woelen; de Dekens regelen de mannen hunner
gilden, en de Hoplieden bereiden alles tot den slag. Van de Bar-
teljorisstraat af tot het dat van de Houtstraat hadden de stielen dei-
Weverij zich uitgespreid, als de kern van het leger en bestemd om
het Stadhuis te bezetten, waar de Burgemeester met een gedeelte der
Vroedschap reeds vergaderd was. Van de Smeedstraat af vormden
de Volders en Smeden, met zware ijzeren knotsen en hamers gewa-
pend, eene onstuimige schaar; terwijl de Schippers, Brouwers, Met-
selaars, en de overige kleine gilden aan de overzijde langs de Vleesch-
,i) De Harkt.
-ocr page 177-
T)F.US PACIFICUS.                                            169
hal hadden post gevat. De Deken van het Weversgild, weleer zoo
machtig en rijk in Haarlem, was van rechtswege het hoofd der ver-
eenigde Ambachten en vloog door de opgewonden gelederen, een
groot slagzwaard boven het hoofd zwaaiende, om allen tot moed en
getrouwheid aan te sporen.
,,\'t Geldt uw eigen behoud, mannen!" — sprak hij met bulde-
rende stem — „\'t geld het leven uwer vrouwen en kinderen, want
ons is de dood gezworen. Zegt! zal Haarlem moeten zwichten voor
dien hoop ellendelingen, die, omdat zij Amsterdam niet konden be-
machtigen, onze goede stad willen vernielen ? Kennen wij ze niet,
die ons verlaten hebben, omdat zij door hun zwelgen en luieren in
berooiden staat zich luvinden, en nu zich met onze verdiende pen-
ningen willen verrijken? Zullen de Gillen niet voor hunne haard-
steden en hunne goede stad strijden? Ja, helaas! ik mis hier de
Vleeschhouwers en Bakkers, die zich aan Simon van Adrichem ver-
kocht hebben; maar in hun bloed zullen wij de smet afwasschen,
die hunne trouweloosheid op onze Ambachten heeft geworpen. Ik
zweer den dood aan de Kabeljauwschen! Leven de Hoekschen ! Leve
Haarlem!..." En als het loeien van een troep wilde woudstieren ging
de kreet op: Leve Haarlem! dood aan de Kabeljauwschen!"
En toen die bloedkreet aan gene zijde van het Zand langzaam
wegstierf, klonk een daverend geschreeuw als antwoord uit de verte
tien Hoekschen tegen. Daar kwam de Slolvoogd met een vaandel
Speerknechten te paard in vollen draf de Sint-Janstraat uitgereden
en deed de Markt nogmaals daveren van het wraakgeschreeuw. Ook
de Burgemeester, de Vroedschap en de Adellijke Heeren waren van
het Stadhuis afgeklommen en verdeelden onderling het bevel der
troepen, die, even als de paarden der Speermannen, trappelden van
ongeduld, op het hooren van de alarmklok, die in den toren van
het Stadhuis begon te kleppen. Hun aangezichten waren afgrijselijk
en gloeiden van het wraakvuur, dat uit de hijgende borst opsteeg
en mond en neusgaten uitvloog; hunne oogen fonkelden in hunne
diepe holen als glinsterwormen ; wapenen van veelslachtig soort vlogen
van de eene hand in de andere; en \'t was een gedruisch als van een
woelige zee, op \'t oogenblik, dat den alles vernielenden orkaan
voorafgaat.
Daar dagen eindelijk de Kabeljauwschen op: in ongeregelde dronr
men komen zij de Damstraat af, nog versterkt door vele Monniken-
dammers en andere Noord-Hollanders, die zij van den Spaarnwouder
-ocr page 178-
170                                                  DEUS PACIFICUS.
weg hebben ingehaald. De voorhoede is reeds tot het Klokhuis voort-
gerukt, maar deinst terug op het onverwacht gezicht der Hoekschen,
die opnieuw een huilend krijgsgeschreeuw aanheffen. Mond en voet
der Kabeljauwschen zijn voor een oogenblik als gebonden, en Simon
van Adrichem ziet zich zijn ondanks teruggedreven in de nauwe
straat, waar menschen en paarden worden opeengedrongen door de
steeds aangroeiende en woeste menigte, die van het Spaarne oprukt,
terwijl de voorhoede onbeweeglijk stand houdt, onder het uitgillen
van „verraad!"
Een akelig gehuil stijgt uit de schare op, en „verraad!" gilt het
voort tot de achterste gelederen. Maar Simon van Adrichem drukt
zijn spoor tot de helft in den buik zijns paards, dat brieschend op-
vliegt en menig strijder op den grond werpt; ijlings roept hij het
Vleeschhouwers- en Bakkersgild tot zich en rent als een bezetene
rond onder den uitroep: „verraad!... Voort, mannen!... De vijand
wacht! houwt en kerft!... De zege is ons, dood aan de Hoekschen!...
De Vlecschhouwers, met hun opgestroopte mouwen, met hun lange
messen aan den gordel en de hakbijl in de hand, dringen vooruit,
door de Bakkers, met hun lange ijzeren haken, gevolgd, en drijven
de voorhoede mede de Markt op.
Op het woord „verraad!" en het terugdeinzen van de eerste ge-
lederen der Kabeljauwschen, begreep de Slotvoogd dat het tijd was
zich op den vijand te werpen, en hem in de eerste verwarring te
verpletteren. Hij reed dan den Burgemeester ter zijde, wenkte de
Hoplieden en Dekens, die met begeerige blikken zijne bewegingen
gadesloegen, en riep uit: „Leve Haarlem! dood aan de Kabeljauw-
schen !" Nauwelijks konden de strijders het cijnswoord verstaan hebben,
of een ratelende donder rees uit de schare, en de Hoekschen stormden
het Zand verder op. Claes van Adrichem (de Burgemeester) rijdt
nevens den Slotvoogd voorop: de hakbijlen zijn omhoog geheven,
de lansen vooruitgestoken, de zijdgeweren in de hand gevat, de kruis-
bogen gespannen, en de zinkroeren, met bloed geladen, rusten op
den linkerarm; de borst hijgt naar wraak, naar bloedige wraak, en het
zwaar en galmend gekrijsch der bloeddorst overheerscht het gedruisch
der wapenen en \'t bevel der Dekens die niet bij machte zijn de
gelederen hunner gilden gesloten te houden. Men dringt elkaar
vooruit, begeerig om den eersten vijand te treffen; de aangrenzende
straten werpen nog voortdurend nieuwe strijders op de Markt; terwijl
moeders, vrouwen en maagtien in havelooze kleeding en met los-
-ocr page 179-
DEUS PACIFICUS.                                                   171
gereten haren in den omtrek zwerven, de lucht met akelig gekerm
vervullende, en den Hemel bezwerende dezen gruwel toch niet te
gedoogen.
Nog slechts de breedte van de Smeedstraat scheidt de Hoekschen
van de Vreeselijke Vleeschhouwers, en in blinde razernij gaan zij zich
op elkander storten, om te kerven en te hakken, dat het burgerbloed
in stroomen den grond overplast... Maar op dat oogenblik treedt een
kleine blonde knaap, met een rood onderkleed en een doorschijnend
koorkleed aan, de Smeedstraat uit en de Markt op tusschen de
woedende partijen, \'t Is of hij het krijgsgeschreeuw niet heeft gehoord
en de hakbijlen niet ziet, die over hem heenzwaaien: — want en-
gelzoet is zijn gelaat, vol vrome aandacht zijn geest, terwijl zijn
kleine lippen zich in \'t gebed bewegen en zijn rechterhand een groote
zilveren bel roert. De strijders staan een oogenblik verstomd... Nog
een koorknaap verschijnt met brandend waslicht in de hand; weder
een derde met het wierooksvat, en eindelijk een Priester van het
Sint-Jansklooster, met alb en stool gekleed en het H. Sacrament in
de handen dragende. Onwillekeurig dringen de voorste gelederen
terug, de wapenen nog immer omhoog houdende, als gereed om te
treffen; terwijl de Priester onder het spreken van Davids woorden:
Libero, me de sangiti?iibus, Deus, Deus Salutis meac" (i) midden
tusschen de strijders treedt. Dan wenkt hij den ouderen koorknaap,
die achter hem gaat, en deze laat den zijtien hemel nedervouwen;
bel en wierooksvat blijven ongeroerd. De Godsman blikte ten hemel:
en \'t was of een lichtstraal door de grauwe nevelen brak en een
glinsterende krans om het geschoren hoofd kwam vormen. In de
rechterhand hield hij het aanbiddelijk Sacrament, hij stak de linker
vooruit en sprak met eene stem, die als uit de wolken kwam en
de Markt overklonk:
„Laat af, mannen! — broeders van Jezus-Christus! laat af en
plengt geen burgerbloed!... Hoe kan de helsche vijand zoozeer u
misleiden, dat gij gereed staat om elkaar te moorden en tevens aan
uwe eigene zielen den doodsteek te geven? Zijt gij geen burgers van
hetzelfde vaderland? geen bewoners dezer zelfde stad? geen broeders
en magen van elkaar? En zoo gij u bloedig gewroken hebt, wat
hebt gij dan gewonnen? Den vloek van die zijn overgebleven, den
vloek van het nageslacht, den vloek van God! Zoo gij meent ver-
M Verlos mij van de bloedschulden, God, o God mijns Heils.
-ocr page 180-
172                                                  DEUS PACIFICUS.
ongelijkt te zijn: o, ziet hier uw Heiland, die voor zijne vijanden
heeft geleden en gestorven is; ziet hier Je zus-Christus, die in
uw midden woont als de Koning van vrede; die op dit oogenblik,
terwijl gij gereed staat op elkander in te houwen, naar een zieke
gaat om hem op te troosten en te verlichten! Ach, mijn broeders!
ik bezweer het u bij den Rechter van levenden en dooden, dien ik
hier in de hand draag, maar die eenmaal u allen zal komen oor-
deelen; legt de wapens af, keert vreedzaam naar uwe woningen terug,
begeeft u tot den arbeid en vergeeft elkander, opdat ook God u
vergeve !..."
En de Priester hief met beide handen het Allerheiligste omhoog
en zegende de schare, die reeds begon te knielen, toen de koorknaap
den zegen belde.
„iYnien!" riep de burgemeester Claes van Adrichem uit, „God ver-
geve ons, gelijk wij onzen vijanden vergeven. De overwinning was
ons: maar sparen wij het burgerbloed om Hem, die zijn bloed voor
ons vergoten heeft!"
Dan boog hij het zwaard onder den arm en volgde biddend den
Priester, die voortging en weder smeekte: „Benigne fac, Dornine!
in bona voluntate lita Sion: ut aedificentur muri Jerusalem /.."
(i)
Knarsetandend van spijt zag Simon van Adrichem de woede der
strijders bekoelen en ook de zijnen tot vrede gestemd. Met een gelaat,
als waarop de duivel zijn wezen had gegrift, wendde hij zich vloekend
om en gebood het bloedig slachtersgild hem te volgen.
Maar slechts gering was het getal dergenen, die aan zijn woord
gehoor gaven: verbaasd en bevend boden de gelederen den Priester
een doorgang en bleven hijgend en beschaamd staan; bijlen en
knotsen waren omlaag gedaald; menig hoofd hing op de borst ge-
bogen en menige hand sloeg eerbiedig een kruis op \'t oogenblik
dat ()ns-Heer voorbij ging. Naarmate de Priester vorderde, weken
de strijders achteruit en sloten zich aan de lange rij van biddenden,
die met Claes van Adrichem begon en allengs als een golvende
stroom van de Markt de Houtstraat indrong. De hoofden waren
ontdekt, de handen samengesloten; Hoekschen en Kabeljauwschen
wemelden door elkander, en als het zacht en liefelijk gemurmel eener
vreedzame beek, smolten de biddende stemmen samen. Nu kwamen
(i) Handel, o Heere : volgens uwen goeden wil genadig inet Sion, opd;it de muren Je-
rusalems herbouwd worden.
-ocr page 181-
DEUS PACIFICUS.                                            173
van alle zijden de vrouwen aangevlogen, knielden in opgewonden drift
op de straten neer en zochten in allerijl den rozenkrans, die be-
vochtigd werd met menigen traan.
Ter halver wege de straat hield de Priester stand, zegende ander-
maal het neergeknielde volk, en trad eene nederige burgerwoning
in, waar twee maagden met ontstoken fakkels de komst des Heeren
verbeidden.
„Vrede zij dit huis en allen die het bewonen!" luidde de wensch
van den Godsman, toen hij den drempel overschreed;..... en hij
diende den kranken vader de H. Sacramenten der stervenden toe.
Maar toen de kranke vader na vele weken hersteld was, deed hij
de gebeurtenis van den i8ten Februari op het paneel brengen, en
plaatste het schilderstuk in den hoogen schoorsteen van de kamer,
waar hij had ziek gelegen, en schreef daaronder tot eeuwige ge-
dachtenis: „Deus Pacificus" de God des Vredes.
(Oud en Nieuw.)                                                 j. j. van der horst.
WILLEM TELL.
Teil, in \'s boozen Landvoogds boeien,
Schuimt en grijnst en knarsetandt,
Doch zijn ingewanden gloeien
Voor \'t vernederd Vaderland.
„Hemel! (roept hij) doe mij sneven,
\'k Vraag uw hulp noch wraak voor mij :
Maar behoud mijn kroost in \'t leven,
Dat het eens zijn Land bevrij !" —
Gesier grimlacht: „Zoo, vermetele,
Zit den jongen dat in \'t bloed ?
\'k Weet, zoo dit uw hart nog ketele,
Hoe ik dit verhoeden moet." —
Gesier wenkt, en voor zijn oogen
Wordt het knaapjen ingebracht;
Lachend, van geen schrik bewogen,
En onwetend wat hem wacht.
-ocr page 182-
174
WILLEM TELL.
Teil ontzet; zijn knieën knikken;
Nauwlijks roept hij : „o mijn God!"
Landvoogd, — smeeken stem en blikken, —
Spaar mij in dit overschot!" —
Ach! de blikken van een vader
Zijn verstaanbrer dan de taal.
Gesier antwoordt: „Neen verrader !
Beiden treft hetzelfde staal!" —
Daar, daar zijgt de krijgsman neder,
En ontlast zich, gansch vermand:
„Geef mijn kind de vrijheid weder,
Ik . .. verzaak mijn Vaderland." —
„Neen (spreekt Gesier), hij zal sterven;
Of gij schutter, zoo vermaard,
Moet het door uw kunst verwerven,
Dat hem \'t leven zij\'gespaard.
„Stel dat kind op vijftig schreden
Met een appel op zijn hoofd,
En mijn gramschap is verbeden,
Zoo uw schot den appel klooft.
„Mist gij, — beiden moet gij sneven !
Treft gij, — beiden zijt gij vrij !
Waarom, woestaard, thans te beven?
Vrees geen trouweloosheid in mij.
„Zwakken trotsen, zwakken breken
\'t Eens gegeven woord, ik niet.
Ik behoef geen slaventreken,
Ik, die hier als Vorst gebied !
„Boeit hem los." — Zijn banden vallen:
\'t Lieve wicht vliegt aan zijn hart.
Tranen, ja bij duizendtallen,
Toonen niets van zulk een smart.
-ocr page 183-
WILLEM TKLL.
„Landvoogd (zegt hij), ja ik sidder.
\'k Zie hier pijl en boog gereed;
Maar vond rampspoed ooit verbidder, —
Dit uw vonnis is te wreed —
,,\'k Wil mij echter niet onttrekken.
Geef slechts uitstel voor één dag,
(\'k Mocht mijn kind ten beul verstrekken)
Dat mijn bloed bedaren mag."
Niet een uur," zegt de onverwrikbre,
Die nooit last herroepen had,
„Toon u thans nog de onverschrikbre,
Die zich \'t uiterste vermat." —
Teil omvangt den dierbren kleenen
Met een vaderlijk gevoel,
Maar verbiedt zijn oog te weenen,
Schemerblikkend op het doel.
\'t Argloos knaapje lacht hem tegen,
Daar hij aanlegt met den schicht.
Slechts een haarbreed, God van Zegen!
Of hij moordt het lieve wicht.
De ijfel siddert in zijn vingeren,
En de pijl op \'t spinnend koord;
Hemel! met de minste slingeren
Is dat lief gelaat doorboord. —
God is met hem. — Onbeschadigd
Valt daar de appel van het hoofd,
(De Almacht heeft het kind verdadigd)
De appel, door den pijl gekloofd.
\'t Jongske vliegt hem weer in de armen,
Weergegeven pand van God.
Die zich de onschuld weet te erbarmen,
Hij bestuurde \'t hachlijk schot.
Christen! — ja, de vader beefde;
Maar zijn teeder huwlijkspand,
-ocr page 184-
l^G                                                      WILLEM TELL.
Schoon de pijl te hem waart streefde,
Zag gerust op \'s vaders hand.
Vader, sprak zijn hart, mijn vader,
Is zijn liev\'ling nimmer wreed;
Wat van zijne hand mij nader\'
Is een weldaad, en geen leed.
Waarom, waarom dan, de ontroering,
Als uws Vaders boog zich kromt?
Waartoe dan die schrikvervoering,
Als Zijn donder om u gromt\'.\'
Vaster dan ooit boogbedwinger
Treft die schutter, die nooit mist;
Nimmer faalt of beeft zijn vinger,
En uw lot is steeds beslist.
Laat u \'t leed dan nooit versagen,
Hoe het dreige, nijpe of prang\'!
De Almacht schept geen welbehagen
In Zijns schepsels ondergang.
W. BILDERDIJK.
HET ONWEDER.
Hoe is natuur zoo stil, zoo plechtig!
Het dartel windje kwijnt;
En lispelt op een trillend blaadje
Zijn laatsten adem uit!
Geen vogel zingt nu blijde tonen,
Maar zwijgt eerbiedig stil!
De roos, dat sieraad van de maagden,
Hangt treurig naar den grond!
De dag verwisselt zijn gewaden
Voor \'t zwarte kleed des nachts!
De zee kust, kabblend, haren oever —
De gansche schepping bidt!
Daar breekt uit opgeperste wolken
Een felle bliksemschicht;
Daar rolt de klaterende donder!___
-ocr page 185-
HET ONWEDER.
De gansche schepping beeft!
Zoo schriklijk klaterde de donder,
Toen God de wereld sprak. —
Nog beeft de wereld voor die stemme:
Die schrik is dankbaarheid!
Daar vaart de Godheid op haar stormen,
Door \'t siddrend landschap heen;
Hoe beven honderdjarige eiken,
Gelijk een rillend riet!
Paleizen stuiven voor haar wielen
Als nietig stof daarheen! —
Daar storten trots gebouwde torens
Als smeltend ijs terneer!
Zoo zinkt uw grootheid, wufte vorsten!
Als God door donders spreekt;
Als Hij, gewapend met zijn bliksem,
Zijn forsche orkanen ment;
Dan werpen de verschrikte golven
Haar lillend schuim omhoog;
Dan werpen zij de zwaarste kielen
Als lillend schuim omhoog! —
Daar lacht door de uitgewoelde wolken
Het lieve zonlicht weer;
Zoo lacht een held, na \'t bloedig strijden,
Met tranen in \'t gezicht.
Nu dartelt weer een lieflijk windje
Door \'t afgematte bosch,
En kust de frissche regendroppen
Van \'t schommlend loover af;
Nu beuren weer de schoone bloemen
Heur lachend hoofd omhoog;
Nu zingen weer de lieve vogels
In \'t bosch een dankbaar lied;
Nu vaart de Godheid op de geuren
Van \'t frissche lentekruid;
Nu durft al \'t schepsel Haar genaken —
De gansche schepping juicht!
J. BELLAMY.
-ocr page 186-
178                                       DOOD VAN BARENDSZ.
DOOD VAN BARENDSZ.
Langs Nova-Zembla\'s kust wendt Barendsz zijnen steven.
Hij wil langs \'t kille Noord naar \'t brandend Oosten streven;
Hij boort door \'t krakend ijs, door zeeën, nooit doorzocht,
Maar onherroeplijk stuit Natuur zijn\' verdren tocht;
Doch zoo dit pad bestond, het waar\' door hem gevonden,
En Neerland had, door \'t Noord, Europe aan \'t Oost verbonden.
Dring verder door, mijn geest ! dring tot de Noordpool voort,
Volg Barendsz, die voor \'t laatst door storm en neevlen boort.
Nu ziet hij bergen ijs verschriklijk samenhorten,
Dan, door elkaar verdelgd, in brokken nederstorten:
Van \'t land grimt de ijsbeer hem met hongerigen muil
En brandende oogen aan; der wolven naar gehuil
Verliest zich in \'t geschreeuw van gier en adelaren ;
De walrus geeselt met zijn\' staart de Noorderbaren;
De kiel stoot op het ijs, als op een vaste klip,
Eene onafzienbre schots omringt het ranke schip;
De kiel ligt vast in \'t ijs, het kroost van honderd winters,
Zij rijst, zij klemt, en kraakt, en barst in duizend splinters.
Ach! \'t volk kermt nu op \'t ijs, daar \'t alle hoop verliest,
Daar de adem van den mond tot scherpe kegels vriest;
Ach! zullen zij nooit weer, in sneeuw en nacht verloren,
Hun gaden wederzien, hun lieve kindren hooren ?
Elk barst in wanhoop uit, vloekt zijn geboortedag!
Maar Barendsz\' taal verzacht en lenigt dit geklag:
Het wrak van \'t schip biedt elk een luttel hout en spijzen,
En \'t bijgelegen land ziet ras een hutje rijzen,
Dat, op de sneeuw gebouwd, en hoog door sneeuw gedekt,
\'t Ellendig scheepsvolk tot een ranke woning strekt.
Ach ! nu onttrekt de zon zich die gedoemde stranden,
Een nacht, zes maanden lang, daalt op dees Noorderlanden;
Verkwijnend loost elkeen de bangste zieleklacht,
En niets breekt de eenzaamheid van d\'eeuwig bangen nacht,
Dan \'t grommen van den beer, en \'t huilen van de wolven,
En \'t scheuren van het ijs en \'t klotsen van de golven;
\'t Vuur geeft geen warmte meer, het geestrijk vocht wordt steen;
Het bloed kruipt traag en mat door \'t stervend lichaam heen.
-ocr page 187-
DOOD VAN BARENDSZ.
179
I11 \'t eind\' zien ze aan de kim weer d\'eersten lichtstraal gloren,
De maan verlaat dit oord, de dag wordt weer geboren;
Bij \'t rijzen van de zon wordt ieders moed vergroot,
Uit spaanders van de hut houwt nu het volk een boot,
Der ranke hulk gelijk, waarop in de eerste dagen
Der zeevaart, zich de mensch dorst op de golven wagen.
Daar dobbren ze op de zee, langs \'t ijs en \'t barste strand,
En werpen \'t gretig oog naar \'t lieve Vaderland!
Nu dwingt hen \'t stormgeweld de boot op \'t ijs te beuren,
Waar de uitgevaste beer hen dreigt vaneen te scheuren ;
Dan zwerven zij, van rots naar rots, op \'t blind geval,
Ach! zonder voedsel, zwak, vergeten van \'t heelal!
De hoop ontvlucht hun geest, de wanhoop sluipt in \'t harte,
Elk wenscht slechts om den dood, als \'t einde van zijn smarte,
En Barendsz, in vvien \'t volk een hoofd en leidsman derft,
Kwijnt weg, stort machtloos neer, denkt aan zijn gade en sterft.
J. I\'. HELMERS.
GEVECHT VAN DEN TIJGER MET EENEN WILDEN BUFEEL.
Lichter dan het dorre gras der heide, door het verwaarloosde vuur
van den nachtelijken reiziger ontstoken, ontvlamt de toorn des tijgers,
en onvermoeid vervolgt hij zijnen vijand. Echter door razenden
honger gedreven, waagt het de gevlekte wurger den buffel aan te
randen; verraderlijk zoekt hij hem te overvallen, en zich van achteren
op den ronden rug te vestigen, ten einde zich onbevreesd eenen weg
tot zijne ingewanden te banen. Doch de gedreigde, op zijne hoede,
ziet den moordenaar komen, ziet, hoe hij, als geen kwaad in den
zin hebbende, zich achter een kreupelbosch nederlegt, of on-
achtzaam nu aan deze, dan aan gene zijde, dan onder de strui-
ken snuffelt; hij merkt zijn voornemen, en duister loert hij, van
ter zijde, op al zijne bewegingen De wreedaard, zich nu ontdekt
en alle hoop op eene gemakkelijke prooi verdwenen ziende, aarzelt.
Doch door honger en bloeddorst aangespoord, besluit hij eindelijk
tot een openbaar gevecht; vertrouwende op zijne behendigheid en
Hst, treedt hij stoutmoedig zijnen vijand te gemoet, en schrikkelijk
grijnzende, toont hij de scherpe slagtanden; terwijl de andere het
ontzaglijke hoofd dreigend verheft, damp uit de opgespalkte neus-
-ocr page 188-
l3o GEVECHT VAN DEN TIJGER MET EENEN WILDEN BUFFEL.
gaten blaast, snuivende van toorn eene wolk van zand in de lucht
schrapt, en hem onverschrokken verwacht; niet tot een gevecht,
waar kracht tegen kracht, en wapens tegen wapens gesteld zijn;
waar twee vijanden, met gelijke woede bezield, in het strijdperk
treden; waar het dampende bloed uit diepe wonden vloeit, en ver-
wisselende slagen gegeven en ontvangen worden; maar tot een ge-
vecht, waar de ééne zoekt aan te vallen, en de andere te vermijden;
waar de strijders zich vermoeien, zonder elkander te bereiken, en op
het oogenblik, dat de kamp beslist is, de overwonnene eerst de
doodelijke wapens zijner tegenpartij voelt.
Het gestreepte, bloeddorstige dier, rad als de wind, met lenige
en buigzame leden, vlug in het draaien en springen, grijpt met ver-
anderde wendingen, nu van deze, dan van gene zijde aan; dreigt
nu hier, dan daar; nadert, wijkt snel terug, en nadert weder in on-
ophoudelijke bewegingen, elk oogenblik zijnen aanval veranderende,
en tracht vergeefs zijnen vijand te vermoeien, of hem zijnen voor-
deeligen stand te doen verliezen. Bedaard, hoewel schuimend van
woede, volgt deze nauwkeurig al de wendingen van het radde mon-
ster, en biedt hem staag de spitsen der horens en het dreigende
voorhoofd; met een scheefgebogen nek en wijd opengespalkte blikken
loert hij van onder het boschachtig haar, dat zijne oogleden dik be-
schaduwt, op zijne listige tegenpartij, die eindelijk eene voordeelige
kans, een gelukkig tijdstip of blootgegeven zijde meenende te zien,
snel als de bliksem een gevleugelden sprong naar den rug van zijnen
gebulten vijand doet. Even snel werpt deze het neergebukte hoofd
omhoog en spietst hem in de scherpe horens, dan bukt hij nogmaals
tot op den grond en werpt den spartelenden tiran hoog in de lucht,
dat hij tuimelende van tak tot tak naar beneden komt, en zijne
rookende ingewanden in den boom slingeren; of hij sleept hem over
den ruwen grond, tot hij, vermoeid van den last, den nijgenden en
bewusteloozen ellendeling met menige diepe wond afmaakt, zoodat
hij zich sidderende uitrekt en rochelende sterft. — Daar ligt nu
de schrik der wouden, de onverzoenlijke vijand der zwakke dieren;
zijne vlammende oogen zijn uitgedoofd, verstomd is zijne vreeselijke
stem; als de afgehouwen wortel eens booms ligt de nooit rustende
staart; zijne breede, bloeddorstige muil is met zand gevuld; over hem
huppelt de veldmuis, en de jakhals verzadigt zich met zijn vleesch.
Nu keert de fiere overwinnaar naar zijne gezellen terug om zich
in den ruischenden stroom te koelen; de bosschen weergalmen van
-ocr page 189-
GEVECHT VAN DEN TIJGER MET EENEN WILDEN BUFFEL. l8l
zijn herhaald gebrul en van het zegepralende en blijde geschreeuw
der schichtige dieren in het ronde, die van verre getuigen waren
van dit vreeselijke gevecht en van den dood van hunnen gemee-
nen vijand.
Doch somtijds gelukt den waaghaals zijn sprong, en schiet hij on-
beschadigd over de puntige horens. Oogenblikkelijk kleeft hij op
den rug van zijne ongelukkige prooi, en vestigt de scherpe klauwen
in de breede zijden; terwijl hij met de verscheurende tanden het
lichaam ontgint, den verhitten muil in de diepe wonden steekt en
het uitbarstende bloed inzwelgt. Tevergeefs arbeidt het razende
dier om zich van hem te ontdoen, steigerende werpt het zich niet
hem om, en zet het met ijselijk gebrul door de wildste bosschen,
de dichtste struiken, vloeden en moerassen; drie malen stort hij
neder, drie malen heft hij zich weder op, en doet telken reize eene
verbazende, maar ijdele poging, om den doodelijken last af te
schudden, totdat hij eindelijk steil voorover stort en vreeselijk steu-
nende sterft.
J. HAAFNER.
DE KRUISIGING.
Das machfatollc Kitmz m/t Golgotha bebt.
Kl.ui\'STor.K. Der Messias, N"W (i<>s.
Ruben.                  Rachuel.                    Laban.
„Wat woelt er in het zwerk ? en hoe benauwend slaat
De ontgloeide lucht me op \'t hart! Zie in een nevel baadt
De rosse schijf der zon en doet het veld verkleuren!
Ken vreeslijk onweer moet zich uit de kimmen beuren !"
Zoo sprak een herdersknaap, die heg en struiken door
Ken wolf vervolgd had langs \'t van bloed geteekend spoor,
(Hem was het schoonste schaap van zijne kudde ontstolen)
Kn, vruchtloos moe gezocht naar \'s roovers donkre holen,
Zich op den kalen top eens heuvels had gezet.
Hem naderde weldra, met overhaasten tred,
De vrome rachuel, die, schuddend met zijn lokken,
Reeds in het opgaan, riep: „Hoe dreigend saamgetrokken
-ocr page 190-
182                                                    DE KRUISTGING.
Vertoont zich in het Oost dat donker wolkgevaart!
\'t Is, Ruben, als een rook die aan de kim vergaart,
En over berg en bosch in \'t dal komt neergegleden;
En, of een valsche schrik mij rijdt door al de leden,
Een droevig voorgevoel grijpt mij op \'t hevigst aan.
Vandaag kan ons de zon wel treurig ondergaan!"
RUBEN.
Zij is voor mij helaas! al treurig opgestegen.
Een wolf, bij nacht genaakt, heeft op den loer gelegen,
En middlerwijl \'k een put zoek voor mijn dorstig vee,
Sleept hij het schoonste schaap van mijne kudde mee.
RACHUKL.
Mijn God! wat zegt ge mij, dit is een onheilsteeken !
Een schaap dees dag verscheurd? oLamech! ja uw spreken
Was zeker profecij! dit is die droeve dag,
1 )ie dag, dien ge in den geest met zoo veel angst voorzag!
Ook zevenmalen heeft de zon den nacht verdreven.
Ach lamech ! \'k zie uw beeld nog altoos voor mij zweven.
RUBEN.
Mijn dierbre rachuEL, gij staat van schrik verbleekt!
Ik ken dien lamech niet: wie is \'t, waar gij van spreekt?
Zou het die grijsaard zijn, dien men voor weinig dagen
Om \'t zeerst van elk betreurd, ten grave heeft gedragen?
RACHUKL.
\'t Is lamech ! ja die man dien \'s Hemels .vuur ontstak,
Zoo vaak hij ons van \'t Kind van Bethl\'hems kribbe sprak.
Men riep mij, toen hij stierf, \'t Hoofd op de borst genegen,
Zag ik bij \'t lamplicht hem reeds stervend neergelegen.
Hij sloeg het oog nog op, en noemde mijnen naam,
Gaf ons het laatst vaarwel, bracht toen de handen saam,
En had, gelijk ons dacht, ten doodslaap zich begeven.
Dan zie, hij richt op eens, als weergekeerd in \'t leven,
Zich aan zijn staf omhoog, die naast het leger stond.
-ocr page 191-
DE KRUISIGING.                                                    183
Hij zag den hemel aan met half gesloten mond,
En tranen biggelden langs de ingevallen wangen:
„Slechts zesmaal," sprak hij, „moogt gij nog den nacht vervangen i
Omsluier uw gelaat!...... Gij, aard en hemel, treurt!
Door wreede wolven wordt het schuldloos lam verscheurd!
De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen.
Gij Sions dochter, zie, voor eeuwig ingeslapen
Ligt Mambres vruchtbaar dal. Geen kudde graast er meer
Langs Juda\'s stil gebergt! Heb mededoogen, Heer!
Met Israël...... met mij!" Hier zonk hij langzaam neder,
En sloot het schreiend oog, maar toen voor eeuwig, weder.
Zeg, ruden, vreest ge ook niet voor deze profecij?
Voorzeker, én dees dag én Christus meende hij.
RUBEN.
Van rampen op dees dag moog \'t een voorspelling wezen,
Maar hoe kan zijne taal voor Christus u doen vreezen?
Zij hem de Priesterschap vijandelijk gezind,
De goede Meester is door \'t gansche land bemind.
Ik zag \'t met eigen oog, hoe hij nog kort geleden,
In volle zegepraal de stad kwam ingereden.
In geestdrift stroomde \'t volk Jerus\'lems muren uit.
Het strooide met gezang, als waar\' \'t een Konings bruid,
(iebloemte en geurig loof, en palm en dadelbladen;
Sloeg kleed en mantel af, en wierp ze op zijne paden,
Klom over heg en struik, en riep in blijden toon,
Bij \'t zwaaien van zijn palm: „Hozanna davids zoon!
Gezegend Isrels Vorst, die komt in naam des Heeren!"
RACHUËL.
\'t Zij, ruben ! hoe het zij; maar laat ons huiswaarts keeren,
Want ieder oogenblik verzwaart de grauwe lucht,
En wijzer is \'t wat eer, dan al te laat gevlucht.
RUBEN.
Wel is het, rachuël! maar zie nog even verder.
Op gindschen heuveltop bespeur ik eenen herder:
Mij dunkt hij staart op iets, laat ons eens tot hem gaan.
— En zwijgend gingen zij toen op dien heuvel aan. —
-ocr page 192-
184                                             DE KRUISIGING.
Het licht was middlerwijl hoe lang hoe meer verdwenen.
Een sombre schaduwe kroop over \'t aardrijk henen,
En \'t scheen, als brak met schrik het naadrend stervensuur
Der gansche schepping aan, zoo\' treurde de natuur.
Het grauwe wolkgevaart, dat dreigend zich verbreidde,
Woog loodzwaar van het zwerk; \'t gediert in veld en weide
School angstig bij elkaar; alleen uit d\'ouden top
Eens olms stak, hier en daar, een uil de horens op,
En loeg met vurig oog het vreemde duister tegen.
Zelfs \'t plantenrijk, het kwijnde: als voor de zicht gezegen
Lag \'t graan verplet op \'t veld; \'t getakt hing bij den stam
Der boomen treurig neer, en slechts bij poozen .kwam
Een akelig gezucht de droeve stilte storen,
Alsof reeds de a<lm des doods in \'t luchtruim zich deed hooren.
Met stijgende\' angst en schrik keek rachuel telkens rond,
In \'t klimmen naar den top, waar grijze laban stond,
Die weenend op zijn staf voorover hing gebogen.
„Mijn groote God! gij schreit," sprak hij, zoodra zijn oogen
\'t Gelaat der grijsaards zien, „gij weenen, i.aban ! Gij ?"
laban.
Wie is het, die mij riep ? .. . Ach waarom stoort ge mij ?. ..
Hoe, jongelingen ! nog naar mijne droefheid vragen !
En zaagt ge dan daar ginds dat kruis niet opgeslagen ?
Dat kruis ... Ach, ziet gij \'t niet daar in het midden staan ?
Daar hangt... o groote God! daar hangt uw Meester aan !
— Toen sloeg de grijze man zijn kleed voor \'t schreiend wezen. —
Een kille schrik waar hem de haren van verrezen
Verstijfde rachuël. Zijn oog staarde in \'t verschiet
Het kruishout roerloos aan, en weenen kon hij niet.
Dan ruben stroomde een vloed van tranen langs de wangen;
En met een rauwen kreet: „Gij aan dat kruis gehangen,
Mijn jezus !" roept hij uit, en klemt de hand ineen
Om zijnen herderstaf, „Ach !" vraagt hij, zijn geween
Tot laban wendend, „Wie, wie zijn die moordenaren?"
-ocr page 193-
DE KRUISIGING.                                              185
LABAN.
Waarom, o goede God ! mocht ik mijn grijze haren
Niet huigen in het graf, voor ik dees gruwlen zag ?
o Jongelingen ! nooit verrees er snoodcr dag.
Ik trad den tempel uit, helaas ! waar ik nog heden
Den hemel voor hem smeekte in mijne morgenbeden,
En zag door -\'t woeste volk mijn jezus voortgesleurd.
Een duistre nacht bedekt wat vroeger is gebeurd ;
Maar zelf heb ik aanschouwd, hoe wreed zij de onschuld moordden.
Hoe hem de Landvoogd, eerst doorstriemd met scherpe koorden,
Met eigen bloed bemorst, met doornen \'t hoofd omkroond,
Aan \'t volk in bittiren spot als Koning heeft vertoond.
Zelfs zooveel wreedheid kon \'t gepeupel niet bewegen.
God ! kruisig, kruisig hem!" zoo krijschten zij hem tegen.
Zij vloekten \'s Hemels wraak op zich en hun geslacht,
En hielden schreeuwend aan, tot men het moordhout bracht.
Toen kon ik langer niet: mijn lichaam stond te beven,
En wagglend heb ik mij naar dezen top begeven,
En zag het kruis reeds daar.... Ach, ach ! doorstoot hem niet,
Mijn goeden jezus ! ...
Hier, bedrogen in het riet,
Waarmee men Christus laaft, strekt de oude man zijn armen
Naar \'t kruis, als smeekte hij het krijgsvolk om erbarmen ;
Doch spoedig dekt zijn kleed de schreiende oogen weer.
Nu sprak hij: „Christus sterft, komt, kindren, knielt terneer !"
Nauw had hij \'t woord geslaakt, of plotsling neergezegen,
Was \'t siddrend broederpaar naast hem ter aard gelegen.
De maan brak door een wolk op \'t midden van den dag,
En bloedig dreef ze voort; een schrikbre donderslag
Rolde af van Golgotha, bedreigende al wat leefde;
En woud en heuvel schudde, en berg en rotssteen beefde,
En heel de siddrende aard betreurde christus\' dood.
Het schriktooneel had uit, en \'t tiende daguur vlood,
Eer laban, uit het stof door ruben opgeheven,
Weer naar het kruishout zag, dat nu uit schrik begeven
En gansch verlaten was. De bevende arm omhoog,
Stond de oude man en bad, met roodgekreten oog:
„Mijn God ! mocht ik geen gift aan Bethlems kribbe brengen,
-ocr page 194-
/
l86                                             DE KRUISIGING.
Laat me aan den voet Uws kruis thans mijne tranen plengen ;
Dan moog\' uw dienaar, Heer, in vree ten grave gaan !
Ach, voor mijn ouden dag heeft alle vreugd gedaan !
Komt, jongelingen ! komt, wilt laisan ondersteunen."
Ter weerzij kwam de hand toen op hun schouders leunen;
Want de oude kon niet meer, en ging met wankle schreên,
Langs \'t rotsig heuvelpad ten droeven Kruisberg heen.
F. J. A. LEESBERG.
DE HAAN VAN DEN BURGEMEESTER.
„Weet gij het al? Het geheele dorp is er vol van."
„Wat, wat dan ?"
„Daar is een haan gedood: denk eens, met moedwil vermoord!"
„Nu, wat is dat?\'-
„Wat het is? Wel, het was de haan van den Burgemeester."
Die prachtige haan van onzen burgervader! Wat wandelde hij daar
deftig over de straat, terwijl het gitzwarte lijf zich golvend bewoog
bij iederen stap, de borst vooruit, de groote, witte kuif omhoog;
zoo achtbaar, als voor vijftig jaren de schoonste gepoederde pruik
prijkte boven den zwarten gekleeden rok.
Het is, of de hoogmoed van ons menschen licht onze huisdieren
besmet, wien wij toch van onze nederigheid, wijsheid of edelmoe-
digheid niets kunnen overdoen. Zoo grinnikt en springt het paard
in zijn klinkend tuig; zoo laat de hond van den rijke zijne tanden
zien of gevoelen aan den schamelen bedelaar; zoo stapte onze haan
daar heen als de burgemeester der Mastlandsche hanen, en geen
gewone boerenhaan kwam straffeloos in zijn nabijheid, als hij niet
terstond nederig voor hem uit den weg ging. En dit gaf nog al
eens een ernstig gevecht, daar de hanen en de groote mogendheden
niet gaarne een ander recht dan dat van den sterkste erkennen.
Maar behalve met zijns gelijken, had onze haan nog met andere
vijanden te strijden. De dorpsschool, gelijk gezegd is, lag aan het
einde van de straat. De meeste schoolkinderen moesten dus die
straat op, het huis van den burgemeester voorbij. Het was den def-
tigen haan al eene ergernis, dat deze springende en dartelende troep
zoo dicht langs huis en tuin draafde, zonder eenig bewijs van eer-
bied en ontzag. Maar als dan de kinderlijke moedwil hem en zijnen
-ocr page 195-
DE HAAN VAN DEN BURGEMEESTER.                              187
kippen steentjes voor broodkruimels voorwierp, of ze binnen de li-
mieten van den kippenloop terugdreef, gloeide zijn kam van ver-
ontwaardiging. Den geheelen droef durfde hij evenwel niet aan, en
retireerde dus met korten, onwilligen stap en dreigend gekloek. Maar
wee den armen kleine, schuldig of onschuldig, die zich van de hoofd-
macht der schoolkinderen verwijderde en hem te na kwam ! Meer
dan eens was hij zulk een kleinen dreutel naar het gezicht gevlogen,
niet zonder gevaar voor oogen of neus; en de moeders zouden zich
reeds lang de zaak hebben aangetrokken, maar nu stilden zij de
verschrikte en schreeuwende kinderen met eene kleine snoeperij of
met een oorvijg; want — het was de haan van den Burgemeester.
Tot dusver het merkwaardigste, dat er van den vermoorde te zeggen
valt: nu nog iets over den moordenaar.
Ruim een half uur gaans buiten het eigenlijke dorp, maar nog
binnen deszelfs wereldlijke en geestelijke jurisdictie, ligt eene buurt,
genaamd de Hokkendam. Hooge, prachtige ij pen en esschen verheffen
er hunne kruin, en vruchtbare bouw- en weilanden strekken er zich
aan alle zijden uit, zoodat het bij dien rijkdom der natuur den wan-
delaar nog meer in het oog valt, dat de woningen der menschen
daartegen zoo armoedig afsteken. Meestal zijn het ware hutten,
nauwelijks tegen een zvvaren stortregen of hevigen rukwind bestand.
De deuren hangen scheef en slepen over den grond; van de glas-
ruiten is meestal weinig meer dan eenige scherven over, en op de
vermolmde rieten daken wast het mos en huislook welig, terwijl
die daken zich soms niet eens meer uitstrekken over de half inge-
vallen schuurtjes. Enkele huisjes slechts zijn, wel weinig beter ge-
bouwd, maar toch iets beter onderhouden; en zij bewaren niet zonder
moeite hunnen stand door tapperij of winkel, of door een paar
koeien, die daarin des winters hun verblijf hebben. Des te meer
verrast ons opeens, midden in deze buurt, een sierlijk geverfd hek,
een wel stijve, maar ook nette en weivoorziene bloemtuin, en daar-
achter eene fraaie boerenwoning, waarvoor het blinkend kopergoed
prijkt: — de woning van Arij Ploegstaart.
Arij Ploegstaart is een man in de volle kracht zijns levens, sterk
en gespierd van lichaamsbouw, en — hetgeen vreemder is aan zijn
landaard, — vlug en vroolijk van geest en uitzicht. In vroeger
jaren slechts een daglooner, wist hij door zijne vlijt zich langzamer-
hand in eigen doen te zetten, waarbij eene voor zijn stand vrij
groote erfenis hem te hulp kwam. Sedert dien tijd schijnen misge-
-ocr page 196-
l88                       DE HAAN VAN DEN BURGEMEESTER.
was en veeziekte hem steeds te zijn voorbijgegaan, en is dus, door
de hooge prijzen van een en ander, zijne bezitting in dezelfde mate
aangegroeid, als die van anderen afnam. Nu is hij een der grootste
grondbezitters, en draagt met recht den naam van „Koning van den
Hokkendam"; niet alleen, omdat hij er de eenige rijke is onder vele
armen, maar omdat hij bijna de geheele bevolking, des zomers op
zijn land en des winters in de vlasschuur en op den dorschvloer,
bezighoudt, en dus een onbepaald gezag over haar uitoefent. Om-
trent Mastland gedraagt hij zich eveneens, als eene bijna onafhaiv
kelijke volkplanting omtrent het moederland. Hij erkent in naam
het gezag der dorpsoverheden, waartoe hij zelf niet hehooren wil,
maar doet inderdaad geheel, wat hij wil. Gelukkig voor de buurt
en voor den predikant, is hij een getrouw kerkganger, en gaat met
den leeraar gaarne vriendschappelijk om.
Doch het wordt tijd, dat wij tot den haan terugkeeren: wij zouden
het beest bijna geheel vergeten.
De bladeren waren van de boomen gevallen, en werden voor de
eerste maal met eene dunne laag sneeuw bedekt. Het was Zater-
dagmorgen, en de school ging uit. Ook de kinderen van Arij
Ploegstaart gingen, daar er een goed zandpad naar het dorp lag,
den winter dóór ter school, en de jongsten daarbij door de oudsten
geleid en beschermd, — zooals kinderen leiden en beschermen. A1-
thans zij kwamen altijd heelshuids, al was het juist niet altijd met
heele of schoone kleederen, aan den Hokkendam te recht.
Daar stond meester Baljon op de straat, naast de schooldeur, en
beslechtte de twisten over den eigendom der kleine klompen, en
draaide een en andere pet recht, en stuitte enkele springers in hun
wilden loop; met het laatste meisje avanceerde hij naar het midden
der straat, vervolgde toen met het vuur zijner oogen de schooljeugd
tot voor het huis van den burgemeester, boog tegen het mijne en
draaide zich om; — alles, gelijk hij dit reeds dertig jaren gedaan
had, des zomers met de handen op den rug, en des winters met de
rechterhand in de borst en de linker in den broekzak.
Van Zaterdagmorgen tot Maandag geen school! Dat vooruitzicht
deed de kinderen, zooals iedere week, eenige duimen hooger en
eenige voetstappen verder links en rechts springen. De weg vlak
rechtuit is voor de kleinen de marsch van een strafbataljon. Zij
dwaalden en krielden dan ook nu dooreen, en daar zij een bok in
het oog hadden, draafden zij, vlugger dan anders, het burgemeesters-
-ocr page 197-
DE HAAN VAN DEN BURGEMEESTER.                              189
huis voorbij. Opeens werd liet hoofdkorps door een noodgesclirei
teruggeroepen, üe kleinsten hadden den versnelden marsch niet
kunnen volgen, en de vreeselijke haan had van die gelegenheid
gebruik gemaakt, om al de beleedigingen van deze week op een
der achterblijvers te wreken. De kleine Arij Ploegstaart, een knaapje
van zes jaren, had den aanvaller willen ontvluchten, maar was juist
daardoor over de natte sneeuw uitgegleden, en lag nu op den rug,
onder de klauwen en den snavel van den algemeenen vijand, schreeu-
wende uit al zijne macht. Kr kwam spoedig ontzet, en de kleine
kwam zonder gevaarlijke kwetsuren vrij. Hij bracht evenwel slijk,
bloed en tranen genoeg thuis, om derwaarts ook het verhaal van
het gebeurde over te brengen. 1 )e oudsten hadden het anders maar
liever voor zich gehouden, en hunne berekening was niet ongegrond.
Arij was vaders naamgenoot en lieveling, en zoodra had hij niet
bevende en snikkende zijn verhaal gedaan, of de ontvangst der an-
deren bestond hierin, dat de vader den een bij zijne ooren, den
ander bij den kraag en de derde bij hare muts nam, ze dooreen
en over den dorpel in huis schopte en eenige bastaardvloeken ach-
ternawierp: — want andere vloeken gebruikte hij nooit, maar was
toch niet gaarne geheel zonder.
Maar deze huisvaderlijke beschikkingen voldeden Ploegstaart nog
niet, inzonderheid toen het knaapje dien avond door eene harde
koorts werd aangetast, die men aan schrik, wonden en vermoeienis
scheen te moeten toeschrijven. De koorts en de schrik weken nu
van het kind wel spoedig, maar niet de wrok uit het vaderlijke hart.
De trotsche vijand van zijn kroost stapte nog, vrij en ongestraft,
met zijn pauwentred over de Mastlandsche straten. Bovendien droeg
onze buitenman den burgemeester geen bijzonder goed hart toe,
daar beiden te onafhankelijk waren, om elkander niet wel eens in
den weg te treden. Hij bezat evenwel slimheid genoeg, onder zijn
uiterlijk voorkomen van losse openhartigheid, om eenige weken te
wachten, en intusschen naar eene geschikte gelegenheid uit te zien
voor de geduchte strafoefening, die hij in den zin had.
Het was op een marktdag, waarop vele inwoners afwezig waren
en ook de burgemeester zijne slede had ingespannen, om met zijne
vrouw over de dikke sneeuw stadwaarts te rijden, dat Ploegstaart,
eer hij zelf ook van huis ging, een paar kleine gauwdieven van den
dijk in het werk stelde. De moordenaars slopen met een stok en
een paar strikken gewapend naar het dorp, en wisten door een om-
-ocr page 198-
DÈ HAAN VAN DEN BURGEMEESTER.
190
weg ongemerkt in den burgermeesterlijken tuin door te dringen. De
haan, gelijk verwacht was, stond pal en verdedigde zijn terrein.
Maar terwijl hij den een aanvloog, werd hij door den ander bij de
vleugels gegrepen, de eene strik hem over het hoofd geworpen, en
met den anderen hem de pooten aaneengesnoerd; en de dappere
strijder stikte in zijn laatste gekraai !
Dit alles geschiedde in weinige oogenblikken, bij eene achteraf
gelegene mestvaalt, en werd door niemand ge/.ien. Even onbemerkt
gelukte het hun, den haan aan een spijker in den huismuur op te
hangen, met een papier er boven, waarop met groote letters Ie lezen
stond: Straatscliender.
De dag liep stil ten einde, de nacht ging ongestoord voorbij, maar
de volgende morgen..... o, die morgen !
De burgemeester was des avonds laat te huis gekomen. De nacht
had alles met zijnen sluier, die zooveel kwaads verborgen houdt,
bedekt. Des morgens juist te acht ure, — want Meester Herman
Baljon is een man van zijn tijd, — begon de klok te luiden; en bij
liet eerste gelui sloot de burgemeester zijne pijp met het zilveren
dopje, zette de slaapmuts recht en nam den bak met gerst in de
hand, alles alsof er niets gebeurd was. Maar daar trad hij naar
buiten, zag eerst naar de lucht en toen naar de hoenders, en riep
en schudde met tien bak, en riep nog eens, en kreeg alleen kippen
te zien, en ging het huis om..... en opeens wierp hij den bak gerst
op den grond, brak zijn pijp, struikelde over zijn pantoffel, en stortte
zóó ademloos naar binnen, waar hij in zijn leuningstoel nederzonk,
terwijl het bloed hem neus en ooren dreigde uit te springen.
De burgemeestersvrouw, even prompt, op haar tijd, had met het
begin van het klokgelui thee gezet, en begon met het einde daarvan
de boterhammen te smeren. Hoe weinig zij nu ook gewoon was,
zicli in den rustigen gang harer werkzaamheden te laten storen,
hield zij thans evenwel een oogenblik het mes onbeweeglijk in de
rechterhand en het brood in de linker, richtte haar rustig oog op
den dierbaren echtvriend en vroeg doodbedaard: „Scheelt er
wat aan?"
Deze vraag bespaarde wellicht onzen goeden Van der Zanden
eene beroerte: want door het contrast van die droge woorden met
zijne hevige gemoedsbeweging, was het alsof de dam van schrik werd
doorgestoken, die zijne hartstochten terughield. De beklemde lippen
openden zich, • nog bevende van woede. Gewone aardsche woorden
-ocr page 199-
DE HAAN VAN DEN BURGEMEESTER.                          IQI
konden hem niet voldoen, zoodat hij hemel en hel bijeenvloekte.
Dit was voor zijne vrouw geene alledaagsche zaak: zij wachtte het
alleen na eene of twee vaste jaarlijksche vergaderingen, waar buiten-
gewoon gedronken werd ; en daar nu de vloektaal wel krachtig is,
maar evenmin welluidend als duidelijk, zoo hervatte zij bedaard het
smeren van de boterhammen, in afwachting van naderen uitleg. Maar,
ongelukkig voor haar zelve, gelukkig evenwel voor het bloedrijke
burgermeesterlijke gestel, kwam juist de meid binnen, die zeker wel
een weinig schuld had, maar toch nergens van wist; en deze werd
niet de uitgezochtste scheldwoorden naar boven gezonden, om haar
kist te pakken en te vertrekken, zonder dat zij er nog recht achter
kon komen, door wat gruweldaad zij dit verdiend had. Hierop volgde
de veldwachter, een arm man, die een groot gezin had, geheel van
den burgemeester afhankelijk was, en naai\' gewoonte zijne orders
kwam vragen; en deze goede ziel krom]) hij de ongewone ontvangst
ineen als een aal, en boog al dieper en dieper bij ieder scheldwoord.
Nu was dan toch eindelijk het burgermeesterlijk gemoed genoeg
ontlast, om, langs den stroom zijner woorden, ook zijne gewone drie
hoterhammen en drie kopjes thee door de keel te laten; daarop
zocht hij zijn dopje op, kreeg een nieuwen aanval van woede bij het
gezicht van het corpus delicli, en raasde daardoor nog een weinig
tegen een paar arme buren, die niets gezien hadden en toch alles
hadden moeten zien.
Ondertusschen groepeerden zich langzamerhand buren en vrienden
op de dorpsstraat bijeen. Die met den rug naar des burgemeesters
huis of er verre vandaan stonden, lachten; de anderen behandelden
de zaak ernstig; eenige moeders konden nauwelijks de luidruchtige
uitdrukking harer vreugde bedwingen, en de oude redenaars van de
lieurs verklaarden zich tegen, alle straatschenders, zoowel den ver-
nioorde als zijne moordenaars. Maar hetgeen eigenlijk ieder van
zijnen buurman weten wilde, wist niemand; en schoon dien gansenen
dag ieder schoft te lang werd gemaakt, vele aardappelen tot moes
kookten en veel pap aanbrandde, wist men des avonds nog wel een
en ander te bedenken, die het feit zou hebben willen plegen, maar
niemand, die het kon gedurfd hebben.
De zaak vernemende, had ik mij dien dag stil binnen gehouden,
sprak er ook de volgende dagen zoo weinig mogelijk over, maar ver-
nam intusschen alles, wat er te vernemen was, door de tweede hand,
inzonderheid door mijn getrouwen adjudant, Meester Ualjon.
-ocr page 200-
DE HAAN VAN DEN BURGEMEESTER.
lt)2
De Zondag kwam, — men was nog niet wijzer. De kerk was
voller dan gewoonlijk, zelfs de vaste slapers spitsten de ooren, en
bij het uitgaan was bijna niemand tevreden, dat ik den dooden haan
had laten rusten en eenvoudig het evangelie gepredikt.
Maar des Maandags morgen zat de burgemeester te ontbijten en
had het noodlottig papier in de hand, toen hij plotseling opsprong,
zoodat zijne vrouw bedaard op zijde ging, om hem in alle richtingen
den weg vrij te laten. Met de woorden: „Dat had ik vroeger
moeten bedenken!" en met het doodvonnis in de hand, liep hij ge-
zwind de dorpsstraat over en op het schoolhuis toe. Herman Baljon
had de slaapmuts na het luiden der klok weer opgezet, om daarvan
zoo lang mogelijk genot te hebben, en zat pennen te vermaken in
de school; want bezigheden van studie deed hij nooit in het huis-
houdvertrek. Bij het haastig binnenkomen van den burgervader,
spouwde hij van schrik eene pen geheel open, in plaats van er eene
split in te maken, en nam de slaapmuts af.
„Meester! spoedig al uwe schoolschriften nagezien; en als dat niet
genoeg is, al de handteekeningen op het dorpshuis; ik moet weten,
wie dit vod geschreven heeft. Hoort gij ?"
Meester Baljon hoorde, en boog, en nam met die buiging de ha-
chelijke taak op zich. Zoodra er niet meer over den haan gesproken
werd, werd ook de toon van den burgemeester vriendelijker, en beide
dorpswaardigheden wandelden nog eens het kerkhof over. Ik zag
het uit mijn slaapvertrek, daar ik juist bezig was met op te staan,
en het scheen mij geen gunstig voorteeken voor de rust van deze
week.
Deze Maandag was voor Baljon een dag van ongewone inspanning.
Des avonds ontving hij vele authentieke stukken van het dorpshuis;
ook bij mij kwam hij nog kerkelijke akten nazien; dien nacht ver-
brandde hij twee kaarsen extra; en — nog vond hij het niet, om
eene zeer eenvoudige reden, waaraan de burgemeester niet gedacht had.
Bleek van het nachtbraken, meldde hij zich Dinsdag morgen vóór
half negen bij den burgemeester aan. Reeds een uur lang, zelfs onder
het luiden, had hij bedacht, met wat woorden hij zijn troosteloos
rapport zou indienen; maar de geheele aanspraak werd hem afge-
sneden door de vraag:
„Nu, wiens hand is het?"
„Ik..... ik weet het niet."
„Gij zijt een droomer, zeg ik u."
-ocr page 201-
DE HAAN VAN DEN BURGEMEESTER.                          I93
„Maar... maar de burgemeester gelieve te bedenken, dat de letters
op dit papier, geteekende drukletters zijn; en daarbij verandert geheel
het eigenaardige....."
Het gezicht van het noodlottige papier bracht Zijnedelachtbare in
nieuwe woede, en met een dreigend oog riep hij uit: „Drukletters,
ja! ik zal je met drukletters betalen, lomperd!"
Dit woord klonk den goeden meester, die juist eene aanmaning om
achterstallige dorpslasten wachtende was, als een donderslag in de
ooren; maar bij begreep dat het best was de bui te ontwijken, en vertrok.
Een droomer! Ja, wel droomde hij nog half, van den slapeloozen
nacht en de vergeefsche inspanning. Het was juist schrijfmorgen op
de school, en dan waren de kleinen nog al rustig. Toen nu alle
pennen zoo krasten, dommelde Meester Baljon in, en droomde van
schriften en handteekeningen, die in woest geweld dooreendansten,
en waarachter eenige drukletters uit den grond opkwamen, die al
grooter werden, tot opeens al het schrift door een stroom van hanen-
bloed werd uitgewischt, en de goede man verschrikt ontwaakte en
zich het klamme zweet van het voorhoofd wischte.
Ondertusschen begreep de burgemeester, die bij de gewone stenv
ming van zijn gemoed niet onredelijk was, al spoedig, dat meester,
veldwachter noch buren eenige schuld aan het feit hadden; en zoo
kwam de zaak tot een kalm status quo, Q) dat gewoonlijk op deze woe-
lige aarde de plaatsvervanger is van ware rust en vrede. Dit status
quo
zou waarschijnlijk wel onbepaald zijn verlengd geworden, en dan
had de tijd, die reeds zooveel kwaad heeft doen vergeten, ook dezen
dooden haan al spoedig in zijn grooten reiszak ingepakt; maar.....
Het is weinig menschen gegeven, het goede, aardige, of wat er
ook opmerkelijks is, dat zij gedaan hebben, te verzwijgen. Het
draait zich om en om in hun geheugen, het kijkt hun de oogen uit,
het brandt hun op de tong, en sluipt eindelijk ongemerkt tusschen
de tanden door. Want er is geen woord dat zwaarder op de on-
derlip weegt, dan het woord ik: er behoort veel \'spierkracht toe om
het binnen te houden, en ontsnapt het eens, hoeveel woorden sleept
het niet met zich!
Job Wijsland is een eerzaam winkelier op ons dorp, rustig van
aard, goedhartig, vroolijk, en, schoon hij ook vrij wel medespre-
ken kan, met de gelukkige gaaf bedeeld, om bij ieder, die gaarne
(1) Stat/ts g/w, blijvende staat.
13
-ocr page 202-
DE HAAN VAN DEN BURGEMEESTER.
194
spreken wil, aandachtig te luisteren. Dit maakt hem bemind, en
doet, gevoegd bij zijne bekende eerlijkheid, ook zijnen winkel goed.
Ook bij Ploegstaart was de brave Job altijd welkom; en even
na nieuwjaar stapte hij, naar jaarlijksche gewoonte, den weg naar
den ffokkendam op, om met hem te rekenen en verder wat te
praten bij de warme plaat. Hij vond onzen vriend alleen te huis,
daar vrouw en kinderen (zoo zeide hij) bij grootje waren. Ploeg-
staart wierp een groot wortel-end van een boom op de plaat, en
tapte eene kan best bier. Er werd veel en vroolijk gepraat; Job
haalde nog eens, daar hij het hier veilig doen kon, de kluchtige
woede van den burgemeester op; Arij liet zich een en ander
ontvallen, — ten slotte werd er gelachen — en Wijsland de hand
op den mond gelegd.
Lezer! kent gij iemand, die zwijgen kan, zwijgen als het graf?
Geef hem de hand en kies hem tot uwen vriend. Maar is hij
getrouwd, en kan hij het nog ? kan hij het waarlijk nog ? O druk
hem dan aan uw hart, en maak hem vooral tot uwen boezemvriend.
Job Wijsland was geen babbelaar, en Ploegstaart dacht daarom,
dat hij niemand veiliger zijn geheim vertrouwen kon. Maar Job
had eene vrouw, die in anderen en voor zich zelve van de kunst
van zwijgen een geweldigen afkeer had. Een weinig scheel, een
weinig krom van rug, een weinig rheumatiek in de handen, had
zij geen harer leden zoo geheel tot hare beschikking, als de tong-
en de ooren. Bij haar in den winkel werden alle leerredenen be-
oordeeld en godsdienstige redevoeringen gehouden; het nieuws
werd er uit den dop gebroken of groeide er in korte oogenblikken
verbazend aan; het kwade werd er onder den microscoop gezet,
en plannen beraamd, die de mans naderhand als hunne eigene denk-
beelden uitvoerden: — met één woord, het spreken van vrouw Wijsland
deed den winkel niet minder goed, dan het zwijgen van haar man.
Hoeveel duizenden woorden waren er aan die smalle toonbank
niet reeds gewisseld, sedert het eerste lood koffie op dien ramp-
zaligen morgen gehaald was! En nog — hoe spijtig! — wist
vrouw Wijsland niets anders over den haan te zeggen, dan eene
strafpredikatie tegen het dartele en goddelooze geslacht dezer eeuw,
en tegen den nijd, die de braafste menschen geen rust liet: —
de burgemeester was een goede klant in haar winkel.
Juist op dien avond en den volgenden dag, daar er vreemdelin-
gen over waren en dus het oude weer nieuw werd, sprak vrouw
-ocr page 203-
DE HAAN VAN DEN BURGEMEESTER.                       195
Wijsland veel over den haan en den goeden burgemeester. Jol)
zweeg. Nu, dit was hem in huis niet vreemd. Maar hij zweeg
— vooral toen hetzelfde gesprek nog eens terugkwam, en de vrouw
met hare gissingen en vermoedens zoo geheel van den weg af
was— hij zweeg alleen met de tong: hij glimlachte. Dit lachen
was vrouw Wijsland bedenkelijk; zij polste, zij dreigde, en —
..... eer zij insliep, wist zij althans, dat hij meer wist. Reeds
vroegtijdig werd zij wakker, en ging in hare gedachten na, waar
haar man al zoo geweest was in de laatste dagen, en wie hij kon
gesproken hebben. Op eens schoot haar het lang vergeten onheil
van het verschrikte en gekwetste kind te binnen, in verband met de
wandeling van Job naar den Hokkendam; nu viel zij haren man
met grof geschut aan, waagde eene stoute gissing, beloofde te
zwijgen; — te zwijgen, waaraan zij zou gebarsten zijn! — genoeg,
Job Wijsland schond letterlijk zijn geheim niet, en toch wist het
zijne vrouw. J/ij zeide het immers niet, maar zij zeide het en hij
sprak het niet tegen.
Tegen den volgenden Zondag had vrouw Wijsland de vrouw en
de zuster van den molenaar gevraagd. De vrouwen mochten ei-
genlijk elkander niet zetten; Q) maar de mans waren neven en vrienden,
en elkanders klanten; de vrouwen hielden dus ook, zoo het heet,
de vriendschap aan. Het was avond en het gezelschap zat bijeen.
Men dronk koffie, — dit sprak van zelf. Men at boterhammen
met rookvleesch en beschuitjes met suiker, — dit ook. En dat
evenzeer vanzelf sprak, was, dat eerst de preeken van dien dag
werden besproken, en daarna het nieuws van de afgeloopen weck
uit alle hoeken bijeengezocht.
Ik heb dikwijls opgemerkt, dat wanneer menschen, die elkander
niet mogen lijden, vriendschappelijk bijeen zijn, de gal, die zij
eigenlijk elkander gunnen, op de afwezigen te rijkelijker wordt uit-
gestort. Althans, daar de drie nichten even spraakzaam en even
belangstellend in de kerk en in hare naasten waren, was de
middagpreek „maar weer zóó zóó geweest," en werden, toen dit
afgehandeld was, de jonge meisjes van het dorp gemonsterd, of
geen harer ongepaste kleederen droeg, enz___— Er was weinig
nieuws. — Om nu eene van die pijnlijke tusschenpoozen aan
te vullen en het vuur van het gesprek wat op te rakelen, deed
,1 Elkander niet mogen zetten — niet mogen lijden.
-ocr page 204-
196                       DE HAAN VAN DEN BURGEMEESTER.
de molenaarsvrouw tien dooden liaan nog eens herleven. Hier werd
het gezicht van vrouw Wijsland bedenkelijk: zij smiifde, evenwel
bewaarde zij haar geheim. Zij zeide alleen: „Zij zou wel.....
maar men kon alle dingen zoo niet zeggen; — de armen werden
wel eens beschuldigd, omdat men de rijken niet aandurfde; —
maar \'t was beter, van die dingen niet veel te spreken, om de rust
der gemeente niet te verstoren....."
Eer de volgende Zondag daar was, wist het gansche dorp, ergo(J)
ook de burgemeester, wie het hanenbloed op zijn geweten had; —
niemand had het gezegd.
Ik wist het ook. Het verwonderde mij dus niet, dat Arij Ploeg-
staart de eenige was, — enkele goede, oude, vrome zielen uitgezon-
derd, — die aandachtig luisterde, en daardoor het bliksemend oog
van den burgemeester, dat van tijd tot tijd op hem rustte, niet
bemerkte, vóór Zijnedelachtbare zich verstoord omwendde, toen Arij
bij het uitgaan der kerk hem groette.
Nu moest de bom losbarsten. Ploegstaart was juist in het recht-
huis, had daar zijn korte pijp aangestoken, gaf zijne orders om in
te spannen, en dacht er over na, of hij zich ook in het gezicht
van den burgemeester kon vergist hebben, toen de veldwachter
hem al buigende en bevende verzoeken kwam, om eens bij den
burgemeester aan huis te komen.
Ploegstaart was op alles voorbereid, en in het volle gevoel zijner
onafhankelijkheid begaf hij zich op weg, zooals hij was, op de
klompen en rookende. Zonder veel aandienen, trad hij hinnen, en
wachtte de kans niet af, of hem een stoel werd aangeboden: hij nam
er zelf een.
„Nu weet ik het: gij hebt den haan vermoord!" — Deze woorden
werden haastig en afgebroken hem toegeduwd, met eene stem, die
van toorn beefde. Meer kon de man niet uitbrengen.
„Is \'t anders niet?" Dat is uw zaak. Maar ik weet, dat hij mijn
kind bijna de oogen uitgepikt en eene ziekte op \'t lijf gejaagd heeft:
dat was mijn zaak.\'"
Met deze woorden stond onze Arij op, zette bedaard zijn stoel
weg, klopte zijne pij]) uit en ging heen, waarna hij inspande en
wegreed, zoo gerust, alsof er niets gebeurd was, en zelfs eenigszins
verlicht, omdat zijn geheim nu geen geheim meer was. Evenwel
(1) Ergo ^r bijgevolg.
-ocr page 205-
197
DE HAAN VAN DEN BURGEMEESTER.
was hij voorzichtig genoeg om alleen te lachen en niets toe te
stemmen, als er van den haan gesproken werd, gelijk natuurlijk nu
weder dagelijks het geval was.
Maar nu de gevolgen!
Het eerste was, dat Ploegstaart in openlijke onmin geraakte met
zijne verraders. Hij liet voortaan zijn graan niet meer bij den mo-
lenaar van het dorp malen, en nam zijne winkelwaren bij Jochim
Wijsland, die kort geleden, uit broederlijke liefde, een soortgelijken
winkel, als Job hield, had opgezet.
En de burgemeester — ja, die begreep bij nader indenken, dat
er toch weinig aan de zaak te doen was, daar de eigenlijke moor-
denaars zich nog altijd schuilhielden en de schuldige niets bekend
had, terwijl ook de bewijzen verre zouden te zoeken zijn. Hij
schaamde zich ook een weinig, om een correctioneel proces (\') over
een haan te entameeren (2). Kr was dan geen directe straf uit te den-
ken; maar op kleine plaatsen, mijne lezers! waar directe en wctte-
lijke straffen doorgaans te omslachtig, te moeilijk en te kostbaar
zijn, behelpt men zich in dit geval met indirecte en heimelijke straf-
fen, die evengoed doel treffen en zelfs nog scherper wonden.
In Februari werd de dorpsomslag gereed gemaakt; die doos van
Pandora (:i) in elke kleine gemeente ! En de burgemeester wist dit
maal te bewerken, dat de schuldige hooger dan gewoonlijk werd
aangeslagen.
Arij Ploegstaart ontving het aanslagbiljet, smeet het eerst op den
grond, maar nam het toen weer lachende op en zette op de keer-
zijde (weder met drukletters!):
Jaarlijksche dorpsomslag...........ƒ 80
Daarenboven een zwarte haan met witte kuif. . . „ 20
Somma . . . . f 100
Zoo werd het biljet teruggezonden en de honderd gulden voldaan.
C. E. VAN KOETSVELD.
DE SCHIPBREUK.
Met fierheid doorklieft, in het holst van den nacht,
Een stoomschip de glinstrende baren ;
Trotsch ijlt het vooruit met geweldige kracht,
i) Correctioneel proces =ZZ rechtsgeding over een misdrijf, waarop slechts correctioneel e
\'I. i, lichtere, niet ontcerende) straffen staan.
(a) Eniameeren ----- aanlegen.
•11 ,De dons 7>atr Pandora, de bron van alle kwaad.
-ocr page 206-
198                                                  DE SCHIPBREUK.
Verwinnaar van duizend gevaren.
Gloort de uchtend, dan is het aan \'t eind zijner baan;
De zee is zoo kalm, en zoo helder de maan.
Het stampend gevaarte voert mee in zijn schoot
Het leven van honderden menschen,
Die moedig trotseeren én stormen èn dood
Voor \'t land hunner droomen en wenschen:
Amerika!___ Morgen reeds landen zij aan;
De zee is zoo kalm, en zoo helder de maan.
Nog wandlen twee vrienden gearmd op het dek,
\'t Gelaat draagt geen zweem meer van rimpel,
Het hart, dat zich uitstort in vroolijk gesprek,
Is licht, als de zwierende wimpel;
Want morgen reeds komen ze in \'t vaderland aan;
De zee is zoo kalm, en zoo helder de maan.
„De Hemel, zegt de een, zij geloofd en gedankt!
Ik ben niet door d\'afgrond verzwolgen;
Het schip heeft soms vreeslijk gegierd en gezwankt,
Want erg was Neptunus ]) verbolgen.
Behouden kom \'k weer in Amerika aan;
De zee is zoo kalm, en zoo helder de maan." —
„Mijn moeder, zegt de ander, heeft aaklig gedroomd
Den nacht vóór het droevige scheiden:
Zij zag toen het schip op een rotsklip gestoomd . . .
Zij zag toen verzinken ons beiden.
Maar morgen zal \'t kind voor zijn moetier weer staan!
De zee is zoo kalm, en zoo helder de maan !" —
In \'t scheepsruim genieten de nachtlijke rust
En Ieren èn kloeke Germanen;
Hun oogleên heeft de Kngel der hope gekust;
\'t Geluk mocht in \'t vaderland tanen,
In \'t andere werelddeel lacht het hun aan;
De zee is zoo kalm, en zoo helder de maan.
1) Neptunus is de god tier zee ; als hij in toom is, beroert hij de wateren met zijn\' drietand
-ocr page 207-
DE SCHIPBREUK.                                             199
Een koopman van Boston lei \'t moede hoofd neer;
Hij droomt van den bloei zijner zaken:
\'k Ben eindelijk rijk! De fortuin nam een keer,
En noodt mij, den arbeid te staken;
De lading doet morgen de haven reeds aan;
De zee is zoo kalm, en zoo helder de maan.
Nog waakt bij het bed van haar ziekelijk kind
Een moeder met duizenden zorgen:
„Slaap, kleine, daar huilt nu geen aaklige wind !
Slaap rustig, mijn lieve, tot morgen,
Dan komen we in \'t andere vaderland aan ;
De zee is zoo kalm, en zoo helder de maan."
„En als gij daar aankomt, in \'t gastvrije land,
Dan hebt gij genezing gevonden,
Dan speelt gij weer vroolijk aan \'t zonnige strand,
Slaap, kindlief, nog weinige stonden;
Het schip stoomt nu recht op den oeverzoom aan;
De zee is zoo kalm, en zoo helder de maan.
Op eenmaal — een schok, met een dondrenden slag !
„Gestrand!..." stijgt de noodkreet ten hemel:
En alwie in \'t scheepsruim te sluimeren lag,
Vermengt zich in \'t raadloos gewemel.
Het schip op een klip, aan het eind zijner baan ! . . .
De zee is zoo kalm, en zoo helder de maan.
De kiel is verbrijzeld; met klimmend gebruis
Dringt \'t water naar binnen, in stroomen.
De zeeboot verzinkt daar met man en met muis
Bij \'t land aller wenschen en droomen.
Eén oogenblik slechts werd ontroerd de Oceaan,. . .
Toen glom hij weer kalm, in het licht van de maan.
H. ERMANN.
-ocr page 208-
200                              REMBRANDT S VOORSPOEDIGE REIS.
REMBRANDTS VOORSPOEDIGE RKIS.
GESCHIEDKUNDIGE ANEKDOTE.
Toen Rembrandt/) nog op \'s Vaders molen
Te schildren zat,
Bleef daar de glorie van zijn gaven
Niet onder \'t stuivend meel begraven,
Maar blonk en klonk van stad tot stad.
Reeds kwam er soms een steeman azen,
I )ie kunst verkocht,
En uit zijn gouden schilderproeven,
Gerande Rijders3) wist te schroeven,
Die menigeen met opgeld zocht.
Wie van die twee de varkens scheerde,
Hoeft niet gemeld;
Maar Rembrandt was \'t niet onverschillig,
Wat prijs hem voor een kunst, zoo willig,
Nu langer thuis werd toegeteld.
Hij had ter goeder uur vernomen,
Hoe, in den Haag,
Ken Kdelman voor \'t schoone blaakte,
Het waar genot des rijkdoms smaakte,
Verliefd op kunst, in \'t koopen graag.
Wat licht is hem, bij \'t winstbereeknen,
Nu opgegaan!
Hij wil niet langer zitten wachten
Naar klanten, die zoo karig brachten,
Maar trekt zijn stoute schoenen aan.
l) RembrandtIlartnrnz. Van Rijn is de grootste schilder der Hollandsrhe school \'1607—1660.)
Hij was de zoon van een welgesteld molenaar, wiens molen te Kondekerke bij Leiden lag.
In lO.io vestigde hij zich te Amsterdam.
2 Jlenie; kunstkooper aasde in den beginne op zijn werk en wist uit zijne schilderproeven
•die menigeen met opgeld zocht" gerande Rijders te schroeven. Een Rijder was een goud-
stuk ter waarde van \\\\ gld.; die Rijders waren voorzien van een rand, evenals thans al
onze geldstukken.
-ocr page 209-
REMBRANDT\'S VOORSPOEDIGE REIS.                              201
De zondagsrok met wijde mouwen
Wordt uitgeklopt;
De breede das wordt omgeslagen;
En Vader leent, met welbehagen,
Den wandelstok, met goud geknopt.
En Moeder vult zijn ruime zakken
Met spek en brood,
Als moest hij voor ontelbre dagen
Een bedevaart naar Mekka \') wagen,
Ter prooi, wellicht, aan hongersnood.
Een kunsttafreel in d\'arm genomen,
Trekt Rembrandt voort,
En keert den Koudekerkschen molen,
Vol moed, zijn welbeslagen zolen,
En naakt en wint de Leidsche poort.
Daar ligt de schuit! — Maar zou hij varen?
De vracht is hoog!
En mag hij ook op slaging hopen,
Het best ontwerp kan tegenloopen :
Zoo menig, dien de hoop, bedroog!
Zijn zuinigheid behaalt victorie
Op \'t reisgemak;
Want wellust is \'t hem, dat de schijven
Nu ongewisseld mogen blijven,
En lieflijk rammlen in zijn zak.
Hij wandelt voort en smult bij poozen
Van \'t proviand,
En wet zich \'t brein in \'t overleggen,
Wat hij den edelman zal zeggen,
En buigt het lijf, en zwaait de hand.
i\' Mekka is de heiligste stad der Mohammedanen; het is de geboorteplaats van Moham-
med, bijgenaamd den Profeet. Eens in zijn leven, is ieder Muzelman verplicht, eene bede
vaart naar Mekka te ondernemen.
-ocr page 210-
rembrandt\'s voorspoedige reis.
202
Daar stapt hij de verblijfplaats binnen
Van \'t Vorstelijke hof! \')
Nu ras in \'t spiegelglas gekeken,
Den breeden knevel opgestreken,
Kn zich ontdaan van \'t wandelstof!
Nog eenmaal de aanspraak uitgepreveld,
Die sierlijk zwelt;
Het laatste stofje weggeschuierd,
En toen naar \'t Buitenhof\') gekuierd,
Kn zacht, nauw hoorbaar aangescheld!
Men opent, laat den schilder binnen,
lui tle Edelman,
In \'t prachtig zijvertrek verschenen,
Roert Rembrandt armen, lenden, beeneiï,
En hals en tong zoo goed hij kan.
En hinkte de aanspraak, bij \'t verschijnen,
Wat lam van voet,
En ging er \'t sieraad van verloren,
Het lijden van des huisheers ooren
Werd dubbel hem door \'t oog vergoed.
Hij blijft, verbaasd, op \'t kunstwerk staren,
Dat Rembrandt toont.
En \'t is in \'t gloeiendst zielsverrukken,
Dat hij met honderd guldenstukken
Des jonglings arbeid rijkelijk loont.
Den Schilder klopt het hart van wellust
Bij zulk een schat!
Het zilver rolt zijn zakken binnen;
Hij dankt, met opgetogen zinnen,
En spoedt zich voort uit huis en stad.
De hand, die wint, zoo wil men zeggen,
Is veelal mild;
i Hij stapt nl. de Residentie binnen.
2 Een welbekend, fraai gedeelte van Den Haag.
-ocr page 211-
REMBRANDï\'S VOORSPOEDIGE REIS.                              203
En andren, die \'t licht beter vatten,
Beweren, dat de dorst naar schatten
Nooit door verwerving wordt gestild.
Hoe \'t zij, de borst had nu in \'t wandlen
Maar gansch geen zin.
De trekschuit dan...? naar elks vermoeden —
Neen! die zou nog te traag zich • spoeden; —
Hij klautert zacht de postkoets in.
Hier plant hij zich op \'t achterbankje,
Gelukkig leeg!
En spreidt, bevreesd voor spie en roover,
Ue handen bei zijn zakken over,
Opdat zijn schat zich niet beweeg\'.
Zoo roerloos en als vastgenageld,
Een beeld gelijk,
Zit Rembrandt in den bolderwagen;
En, wat zijn makkers kouten, vragen,
Hij geeft maar nauwlijks levensblijk.
\'t Gezelschap, aan Den Dijl l) genaderd,
Stapt even uit;
En, zou hij graag een fluitje 3) leegen,
Hij durft de handen niet bewegen,
Die schildwacht houden op zijn buit.
Door dorst en ongeduld gemarteld,
Laat hij een zucht,
En, hoe de paarden dien begrepen,
Hangt nog in twijfel, maar zij sleepen
Nu \'t rijtuig henen, snel ter vlucht.
Zij hollen, als door honderd zweepen
In ren gespoord;
En \'t angstig gillen van den Schilder
1] Ken dorpje, ten \'A. W. van Leiden, met cene pleisterplaats ot herberg. 2) Een flnitjr
u> een lang en sma! drinkglas.
-ocr page 212-
204                        rembrandt\'s voorspoedige reis.
Maakt de arme dieren nog al wilder,
En jaagt hen nog al sneller voort.
En erg toch meenden \'t niet de beesten
In dit geval;
\'t Was maar, omdat zij halverwegen
Wat kaf en hooi voor haver kregen,
En hongrig snakten naar den stal.
Misschien ook had wel, sympathetisch,
Het ongeduld
Van Rembrandt zóó hen \'t hart bekropen,
Dat dus door vliegen, meer dan loopen,
Zijn heimlijk wenschen werd vervuld.
Althans zij zetten, zeer gedienstig,
Hem heel van huid,
Met zijnen schat voor \'t posthuis neder,
En Rembrandt krijgt den adem weder,
En kruipt bedaard tien wagen uit.
Men komt van allen kant geloopen,
En vraagt en gaapt;
Maar Rembrandt pakt zich uit den wagen,
Eer iemand soms de vracht komt vragen,
Of, erger! hem zijn buit ontkaapt.
Terug in de ouderlijke woning,
Toont hij zijn schat:
En \'t scheen, dat wel het meest hem bolde,
Dat hij zoo pijlsnel huiswaarts rolde,
En nog de vracht gewonnen had!
IMMERZEEL,
j.
-ocr page 213-
EEN ORKAAN TE MADRAS.                               205
E E N ORKAAN T E MADRAS.
Het was den 2™ October 1782, des avonds om vijf uur, dat de
orkaan uitbarstte. Des anderen daags \'s morgens was er geen schip
van de proviandvloot meer te vinden; zij waren alle vergaan!
Deze orkaan kwam niet verraderlijk en onverwacht. Onmisken-
bare voorteekens hadden ons meer dan eene week te voren van
zijne komst verwittigd. De ontroerde elementen — de gansche
natuur — verkondigde zijne schrikkelijke nadering op menigerlei
wijze.
De geregelde wind had opgehouden te waaien; zware buien, uit
eiken hoek geboren, verdrongen elkander, en eigenden zich, in
haastige ongestadigheid, een kort gebied der lucht toe. Men zag
afgrijselijke monsters hunne diepe schuilhoeken verlaten en naar
de oppervlakte der zee stijgen; het strand was met wier, schelpen
en andere voortbrengselen, die de zee uit haren kokenden boezem
opgaf, als bedekt; vaak spreidde zich een rosachtige gloed, niet on-
gelijk aan de verre en flauwe schemering van brandende dorpen,
dreigend langs den hemel; onophoudelijk beefden de bladeren van
den pipal 1) of wortelboom; de maan rees in ongewone grootte, en
de zon ging bloedig onder. Uit onbekende oorden verschenen
eensklaps eene menigte onweerszwaluwen; scharen van meeuwen en
andere zeevogels kwamen in onophoudelijken aantocht van den ge-
zichteinder aansnellen; van verre hoorde men reeds hun ongerust
geschreeuw, en in haastige vlucht ijlden zij om het strand te bereiken.
Ook verkondigden de landdieren het dreigende gevaar; ja, ook
zij hebben van den Hemel een vonkje van voorgevoel ontvangen.
Dicht ineengedrongen stonden de kudden in troepen bij elkander:
diep stenende, staroogden zij telkens omhoog, of zij lieten de hoofden
treurig en neerslachtig hangen en vergaten hunne weide. De hon-
den verhieven bij tusschenpoozen een naar en akelig gehuil, en het
wild kroop in holen en in het diepste der bosschen ; met angstig
gepiep vlogen de vogels heen en weder en zochten eene schuib
plaats, men hoorde niet meer het schelle gezang der krekels, noch
het eentonig gesjerp der sprinkhanen; de vorschen zelfs waren stom
en kwamen niet te voorschijn, — alles was met schrik vervuld, alles
1) De Baninan- of wortelboom ; zijne bladeren beven altijd bij een naderend onweer.
-ocr page 214-
2o6                                   EEN ORKAAN TE MADRAS.
vluchtte en verborg zich, en de lucht en liet veld waren welhaast
ledig van levende wezens.
De dag, waarop dit vreeselijke tooneel zich zoude gaan openen,
brak aan; — zwarte, eenvormige wolken, als omgekeerde bergen,
hadden zich reeds aan den gansenen gezichteinder gelegerd; langs
hare koperkleurige randen kruisten zich de flikkerende bliksem-
stralen, en onbeweeglijk wachtten zij op het teeken tot den aanval,
gistende en dreigende met vernieling.
Dien gansenen voormiddag had er eene ondraaglijke en strikkende
hitte in de lucht geheerscht, en een benauwde walm, die het adem-
halen moeielijk maakte. (leen koeltje ritselde tusschen de bladeren,
en de waaiers der prachtige palnv en kokosboomen hingen onbe-
weeglijk om den gladden stam. Om twee uren in den namiddag
begon de wind zich wat te verheffen; doch tegen vier uur werd
het eensklaps weder doodstil.
Desniettegenstaande zag men de zware en opgespannen wolken
snel van alle kanten naar boven stijgen; in schrikkelijke majesteit
trokken zij bijeen; de verre donder bromde in hare ingewanden;
zij naderden elkander als twee machtige legers in slagorde; wei-
haast sloten zij zich; — het daglicht verdween en maakte plaats
voor eene akelige duisternis. Kene ongemeene stilte heerschte alom,
alles was in angstige verwachting.
Ik stond op het strand met eene menigte van toeschouwers, die
het lot der ongelukkige schepelingen beklaagden.
Als duizend te zamen geketende donders, die zich te gelijk uit
het zwerk scheuren, zoo ontzettend was de uitbarsting van den
woesten orkaan. — Het daverde van gezichteinder tot gezichtein-
der; de aarde beefde, de zee loeide. In wervels opgeheven, vlogen
terstond hutten, daken, riet en struiken, met heuvels van zand ver-
mengd, dwarrelende door de lucht; de palm- en kokosboomen,
heen en weer geslingerd, sloegen hunne kronen met een vreeselijk
geruisch tegen elkander. Steil stapelden zich de golven opeen, hoog
schuimend als gespitste bergen, welker kruinen wolken omgeven.
Piasregens stortten op piasregens. Het kraakte alom van donder-
slag op donderslag, en de lucht stond reis op reis in lichten brand
van weerlicht en bliksems. Onder het brullen der winden hoorde
men het bulderen der baren en het bruisen der regenvloeden —
alles was in eene schrikkelijke verwarring, in ijselijk oproer; hemel
en aarde weergalmden van het verdoovend gedruisch.
-ocr page 215-
EEN ORKAAN TE MADRAS.                               2O7
Ren vreeselijk geschreeuw rees terstond van de reede; men hoorde
het te midden van het schromelijk geraas der strijdende elementen.
Van de ankers gereten, slingerden welhaast eene menigte barken
in verwarring door elkander; geweldig hotsten do zware zeeën ze
tegeneen; krakende en verbrijzeld zonken zij in de diepte; andere,
door de sterkte hunner touwen aan den grond gehecht, vervaarlijk
stijgende en dalende en op het laatst overstelpt door eenen water-
berg, terwijl ze in de uitgeholde zee schoten, rezen niet meer en
smoorden voor hunne ankers; dan weldra, van de eene golf na de
andere getroffen, stoof een stroom door de verbrijzelde zijden der
schepen. Vergeefs klommen de wanhopige schepelingen naar ifen
top van den zinkenden mast, en riepen en wuifden in doodsangst
over de bruisende diepte, — de afgrond opende zijne wijde keel,
en verslond het gansche gevaarte; achter hen volgde de trechter-
vormige maalstroom, en de woeste baren rolden over hen heen.
De nacht verborg eindelijk dit treurtooneel voor het oog van de
sidderende toeschouwers; en onder eene bijna tastbare duisternis
verdwenen alle voorwerpen. Van verre blonk alleen het witte
schuim, en de zwarte, huilende woestijn was bedekt met scheme-
rende heuvels.
Omstreeks drie uren in den morgen werd het eensklaps stil; doch
maar voor eenige minuten. De zuid- en noordwestenwinden, die al
dien tijd beurtelings gewoed hadden, maakten plaats voor den
noordoosten, die, nu met een ijselijk geloei uit zee schietende, de
nog overig gebleven schepen, met behulp der vervolgende baren,
naar strand dreef. Als pijlen vlogen zij naar den steilen oever —•
van den rand der hoog schuimende branding vielen zij op het harde
zand; uiteengebarsten dreven hunne afgereten stukken verspreid
henen; de doodsgil der zinkenden weergalmde in dit schrikkelijk
gewoel! — Men hoorde in verwarde vermenging het klagend roepen
om hulp, het geschreeuw der helpenden, en de klachten van hen,
die, aan de schipbreuk ontkomen, hunne gewonde leden nasleepten.
Dus woedde de orkaan, totdat hij, als het ware afgemat en uit-
geput, met het aanbreken van den dag wegtrok, en den niet min
vernielendén hongersnood in zijne plaats achterliet.
). HAAFKER.
-ocr page 216-
208
DE PERS EN ZIJN PAARD.
DE PERS EN ZIJN PAARD.
Een Perzisch koning, uit den slag
Gekeerd in zegepraal,
Gaf aan zijn helden eeregoud,
Zijn hof een feestonthaal;
Geen vveidschen disch, geen praalbanket,
Geen dartlen zang of dans,
Maar wedloop op het moedig ros,
Of kamp met zwaard en lans.
Een jeugdig krijgsman van het heir,
Door moed zijn glorie waard,
Snelt mee het stuivend renperk in,
Op zijn vlamoogig paard.
Het schuim vliegt, langs het gouden bit
Uit d\'opgestoken bek;
Het purpren neusgat briescht en snuift,
Het haar krult langs den nek ;
De klepper slaat, ten rit gereed,
De hoeven in den grond,
En rekt het hindevormig lijf,
En zwiert den staart in \'t rond:
Daar klinkt de schelle seintrompet
Den ruiters in het oor; —
De loop vangt aan — een stofwolk rijst, —
Des Perzers Ros vliegt voor !
Het edel dier, zijn meester trouw,
Behoeft noch spoor, noch roe; —
En, eer zelfs de andren d\'eindpaal zien,
Komt hem de zege toe.
Nu galmt de juichtoon in het rond,
Die \'t handgeklap vervangt,
Terwijl de vorst om \'s jongelings hals
De gouden keten hangt.
-ocr page 217-
DK PERS EN ZIJN PAARD.                                         20y
Dees huppelt, op zijn Arabier,
Des Konings stoet voorbij;
De glorie kroont hem van alom,
Zelfs van zijn weerpartij.
Nu springt hij van den zadel af,
Omhelst en dankt zijn paard;
Droogt hem het zweet van hals en borst,
En wascht hem hoef en staart.
Het edel Ros verheft den nek,
Het ademt zegepraal,
En antwoordt op zijns meesters dank,
In hem verstaanbre taal.
De Koning, door het schoon bekoord
Van \'s jonglings strijdgezel,
Spreekt: „Dat men voor dit pronkjuweel,
Hem duizend Minen teil\'!"
De Perzer schudt de fiere kruin;
Hij klemt zich aan zijn ros,
En zijn verheven zelfgevoel
(Jeeft antwoord met een blos.
„Staat (zegt de vorst) gij, tot dien prijs,
„Uw Arabier niet af?
„Wat deedt ge, zoo mijn gunst u zelfs
„Twee duizend Minen gaf?"
„Vergeef mij, Koning ! (zegt de Pers)
Mijn paard is al mijn schat;
Daar is voor mij niet één kleinood,
Geen goud, zoo waard als dat.
Het voert mij sneller dan de wind,
Den vlugsten struis voorbij;
Het rent — maar stapt of struikelt nooit,
En waakt en vast met mij."
„En, zoo ik u een rijk gewest,
„De macht van landvoogd gaf?"
•4
-ocr page 218-
210                                    DE PERS EN ZIJN PAARD.
„Vergeef mij, Koning ! (zegt de Pers)
Ik sta mijn Ros niet af!
Vergeef me, — al trof, o machtig Vorst!
Voor gunst me uwe ongena,
Hoe scheidde ik van een metgezel,
Door wien ik nog besta ?
Hij voert mij moedig in den strijd,
Voelt, zonder dwang, mijn wil,
En, in het snelste van zijn vaart,
Staat hij onmerkbaar stil ;
Zie nog het teeken in zijn borst
Van \'s vijands wreed geweer;
Eerst bracht hij trouw mij uit den nood,
En viel toen machtloos neer.
En, toen ik viel door \'t Grieksche staal,
Mijn klepper bleef mij bij,
En dekte mij voor nieuwe wond
En schreeuwde om hulp voor mij."
„Dan ware (sprak der Perzen vorst),
Zoo \'k om uw Ros u vroeg,
Misschien mijn gansche koninkrijk
„Voor d\'afstand niet genoeg?"
„Neen, Heer ! voor geenen prijs, hoe hoog,
Wierd u mijn ros gegund,
Dan — voor een waren vriend — zoo gij
Dien voor mij vinden kunt!"
J. VAN WALRE.
DE VUURHOOS.
De dag was ongemeen heet geweest; de avond was zwaar en druk-
kend. Aan den gezichteinder broeide een zwaar onweder, hetwelk
met snelheid omhoog steeg en weldra den geheelen hemel met zijn
akelig zwart bedekte.
-ocr page 219-
DE VUURHOOS.                                                    211
Alles was stil en als in diepe aandacht verzonken, doch de dor-
peling waakte; de weerkenners, die in kleine groepen op het markt-
jilein waren vergaderd, verklaarden, in hun leven niets gezien te
hebben, hetwelk kon vergeleken worden met de voorteekenen van dit
naderend onweer.
In de verte rommelde de donder, en nu en dan kwam een felle
bliksemstraal de randen der op elkaar gestapelde wolkgevaarten aan
den hemel afteekenen. De wind stak met buitengewone kracht op
en loeide gelijk een hevige storm, zooals ons die somtijds in het
voor- of najaar overvalt. Weldra viel de regen in groote, lauwe
droppelen neder, en de oudste weerkenners begonnen reeds te ge-
looven, dat zij zich in hunne opvatting bedrogen hadden, toen zij
op het midden der markt eenen onmeetbaren, zwavelkleurigen kegel
zagen neerdalen, waarvan het breede voetstuk met de wolken ver-
eenigd was en de top zich op den grond vastzette.
In minder dan een oogenblik scheidde het voetstuk zich van de
wolk af, en rees in eene lange punt op, die eene ontzaglijke hoogte
bereikte en aan het natuurverschijnsel den vorm gaf eener zooge-
naamde Chineesche ruit.
Er liep een kreet van verbazing en angst over de markt, dien de
ontzaglijke vuurhoos met een dreigend, dof gedruisch beantwoordde.
Eensklaps scheen het gevaarte zich te bezielen en begon met ver-
vaarlijke snelheid op zijne spil rond te draaien, en toch bleef het
op hetzelfde punt stilstaan, als bezon het zich, welke richting te
geven aan zijne vernielende vaart. Opeens spuwde het eenen geweh
digen bliksemstraal uit zijn schoot, en in zijn ingewand hoorde men
een gekraak, niet ongelijk aan dat eener barstende bom.
De kom van het dorp dreunt als van eene aardbeving, de huizen
daveren op gunne grondvesten ; de groote linde- en kastanjeboomen
schijnen groote spoken, die bij het doodelijk vuur ronddansen, en
honderden stemmen van mannen en vrouwen, die met de slapende
kinderen op straat vluchten, roepen en kermen om hulp.
Doch wie beschrijft de verbazing der dorpelingen, toen er eens-
klaps aan den voet der verschrikkelijke vuurhoos eene vrouw ver-
scheen, die, in de ééne hand een dolk zwaaiende, met de andere
eenen jongeling met geweld voorttrok.
Het scheen eene helsche furie, die, met opgeheven wapen, het ver-
nielend verschijnsel scheen te gebieden ; want op dit oogenblik dreef
de hoos met eene vervaarlijke snelheid vooruit, het plein op, rukte
-ocr page 220-
DE VUURHOOS.
212
de grootste boomen omver en sloeg ze tot spaanders, ploegde eene
ontzaglijke diepe vore in den grond, spuwde regen en hagel in het
rond en vloog met eenen verbazenden sprong over de huizen, om
zich op de akkers wederom neder te zetten. Daar vernielde zij alles,
bossen, onvergerukte heesters, losgerukte takken, wat zich op haren
weg bevond; honderden korenhoopen, takken vlogen huilend, met het
gevaarte door de lucht. Nu en dan verhief het zich honderd schre-
den in de hoogte en viel bijna even spoedig terug op de aarde, die het,
als beducht voor zulk een wonder, in de wolken scheen terug te kaatsen.
Het marktplein was donker geworden als te voren; het gevaar
was voorbij; maar de doodsangst beklemde nog aller harten, en stom
van verbazing en afgrijzen herhaalde ieders mond: „De Zwarte Kaat!...
de Zwarte Kaat"... (i) God zegene ons!
Doch wij laten de verschrikte bewoners gedurende den onrustigén
nacht die er volgde, aan zichzelven over.
De morgen wierp zijn purper over het dorp. De millioenen dauw-
droppelen herkaatsten het licht, en boden hunne ronde oppervlakte
aan de ontelbare, ontwakende insecten, om er zich in te spiegelen.
Statig rees de zon aan den zuiveren, blauwen hemel, goot hare
lichtstralen door de groote linde- en kastanjeboomen en scheen on-
bewust van alles, wat er des nachts, gedurende hare afwezigheid, was
voorgevallen.
De weg, dien het verschijnsel had afgelegd en met verdelging had
geteekend, vertoonde zich nu aan ieders oog. Reusachtige boomen-
de roem van het aloude dorp waren omvergerukt, of lagen, treurig
het hoofd gebogen, in de armen hunner medebroeders. Op het markt,
plein en de akkers toonde zich de wijde, diepe groef, hier en daar
onderbroken, naarmate de grillige hoos in hare vervaarlijke sprongen
was voortgehold. Gansche korenvelden waren vernield; een geheel
dennenbosch was meer kort en klein geslagen dan een boekweitveld,
waarop eene vernielende hagelbui neervalt. Op een kwartier uur
afstands vertoonde een groote vischvijver zijn naakten bodem en
scheen treurig zijn vloeibaar element en zijne zwemmende bewoners
terug te roepen. Evenals ware er een reusachtige spons overheen-
gehaald, had de hoos den geheelen vijver leeggemaakt en duizenden
visschen over het land heen geworpen.
DR. R. SNIEDERS.
;i: Eene krankzinnige, kwaadaardige vrouw, die bij de dorpelingen in slechten reuk stond.
-ocr page 221-
HET ONTSTAAN VAN HOLLAND.
2I3
HET ONTSTAAN VAN HOLLAND.
Een handvol zeewier dreef door \'t nat
Ten spel van wind en golven,
Nu, \'t moedig hoofd omhoog gebeurd,
En dan, in \'t schuim bedolven.
Maar, hobblende op den woesten vloed
En worstlend met zijn baren,
Kwam \'t eindelijk op een oeverplant
Als eilandje aangevaren.
Hier schuilde \'t in een kleene bocht
Voor de ongena der winden,
En scheen bij d\'uitloop van den Rijn
Herbergzaamheid te vinden.
De stroom bespoelde \'t met zijn slib,
Die \'t nu eens overdekte,
En dan, aan de eene of andre zij
Tot waterboordsel strekte.
De zee, in \'t bruisen opgezet,
Bewierp het met heur zanden;
De slib bracht nieuwe planten voort
Van zaad uit verre landen.
Die planten vatten nieuwe slijk;
Die teelde weer gewassen;
En \'t hoopje gronds won telkens aan
Door \'t stadige overplassen.
\'t Vergrootte, en hechtte hier en daar
Aan d\'oever, waar \'t aan paalde,
En wies nu telkens van den roof,
Die \'t elk getij behaalde.
Verhoogd ontrees het thans aan \'t meer,
En Rijn- en Maasstroom beide
Doorwandelden \'t met sprank bij sprank,
Die \'t als in beemden scheidde.
-ocr page 222-
HET ONTSTAAN VAN HOLLAND.
De Hemel juichte \'t gunstig toe,
En spaarde \'t in Zijn hoede,
Ten toonbeeld van weldadigheid,
Hoe wind en winter woedde.
De Sneeuwvorst schudde \'t toornig hoofd
En deed de stroomen groeien,
En jaar aan jaar dit wonderland
Door \'t water overvloeien.
Hier stort hij vlakker meren uit,
Daar boort hij dieper kolken,
Waarin de schatting zich ontlast,
Gevallen uit de wolken.
Maar, Winter, woel! uw woeste drift
Kon \'t plekje niet vernielen:
Het rees bij \'t krimpen van uw macht,
Zoodra de waatren vielen.
Die waatren brachten telkerreis
Een vruchtbre slibkorst mede,
En \'t hief het rijzend hoofd omhoog,
En werd bewoonbre stede.
De Rijn en Maas, in vriendschapsbond,
Verrijken \'t met den zegen,
Van d\'Alpentop en Frankengrond
Voor \'t lager land verkregen.
De stormen zweepen golven op
Met hemelhooge kruinen:
Zij, drabbig van gezwolgen zand,
Omheuvelen \'t met duinen.
Orkaan en wilde vooglenvlucht
Brengt beuk- en eikelnoten,
En siert ze \'t voorhoofd met heur teelt,
In bosschen uitgeschoten.
Daar wijkt, daar tiert nu \'t tamme wild,
Daar nestien filomeelen;
-ocr page 223-
HET ONTSTAAN VAN HOLLAND.
215
Daar hupt het krekeitje door \'t groen
Om \'t lied haar na te kweelen.
Daar weet zich \'t schuwe zandkonijn
Een leger uit te holen;
Daar aast de haas op \'t heidekruid,
In bruine struik verscholen.
Daar broeiden kievit, eend en spreeuw,
In ongestoorde vrijheid,
Daar zwiert de leeuwrik om en om:
\'t Is alles rust en blijheid.
De kikvorsch kwaakt in \'t waterriet;
En gastvrije ooievaren
Begroeten er de Lentezon,
Van over \'t vlak der baren.
Het goudgeel vinkje vreest geen net,
Maar doet de halmpjes krommen,
En fluit met uitgezette borst
Door \'t bij- en vlinderbrommen.
Ziedaar uw wording, dierbre grond,
Die \'t licht mij hebt geschonken;
Die eens met Christus\' tempelburg
En vrijheidstroon moest pronken !
Ziedaar \'t beginsel van die macht,
Aan aarde en zee ten wonder,
Die Neerlands glorie blinken deed
Op vleugels van den donder !
Die glans, die als de bliksem trof,
Waarheen uw kielen dreven,
En de Almacht (wordt mijn bee verhoord)
U eenmaal weer moet geven.
W. BILDERD1JK.
-ocr page 224-
2l6                          IJK PAMBÜU-RAJAH OK KONINGSSLANG.
DE PAMBOU-RAJAH OF KONINGSSLANG.
Wie is de schrik der bergen van Wellaponahoy? l) — Wie doet
den reiziger angstig zijnen weg vervolgen in liet uitgestrekte woud
van Jalé? — Het is de vreeselijke pambou-rajah, de geschubde
koningin der slangen! — Hare reusachtige lengte is als een twintig-
jarige palm, die zich welig aan de zandige boorden van eenen snel-
vlietenden stroom verheft; haar omvang als de gladde stam van
den paiïam: evenredige, zwarte vlekken loopen over den schubbigen
rug, en de wijde kaken zijn gewapend met zagende tanden; haar
geblaas is als het ruischen van een palmbosch in den storm, en
wolken van giftigen damp stijgen uit de diepe keel.
In tiendubbele bochten hangt zij over den nederigsten tak van
een machtigen boom en loert op prooi; de vluchtige ree, die onder
haar bereik graast, is een lichte buit; de verscheurende tijger zelfs
spartelt tevergeefs; zijne scherpe klauwen en tanden baten hem
niet, noch de luchtigheid van zijnen sprong, noch zijne radde leden.
Vaak verrast zij hem, als hij bij het verbleeken der sterren, verge-
noegd van zijne nachtronde, met uitgedijde zijden en bebloeden
muil naar zijn hol terugkeert, en zonder vrees voor gevaar onder
het gapende monster voorttreedt. Snel als de straal des hemels, die
uit gistende onweerswolken de aarde beroert, schiet zij neder, vat
hem in den gespikkelden rug en bindt hem met den verdunden
staart aan den knoestigen stam; dan de lenige knoopen aanhalende,
verbrijzelt ze zijne beenderen, zoodat hun gekraak zich in de verte
doet hooren. Nog levend en jammerlijk brullend wordt het onge-
lukkige schepsel, eerst door haar speeksel overdekt, in het afgrij-
selijke hol haars muils ingezogen; uit het diepste van hare inge-
wanden laat hij nog een naar en dompig gekerm hooren, totdat
hij in den beweeglijken kerker smoort. Nu tot berstens toe opge-
vuld, strekt zij zich uit en slaapt een langen en ongevoeligen slaap.
Ongelukkig zij, zoo op dit tijdstip der bedwelming de ronddwalende
Vaddah haar vindt, als hij, met den klinkenden boog en rammelen-
den pijlkoker gewapend, ter jacht gaat; onbevreesd kapt hij haar
met zijne handbijl den vreeselijken kop van den gedrochtelij ken romp,
die onmachtig zich veigeefs in duizend bochten wringt. Juichende
over den buit zoekt hij zijne makkers, en lang nog vergasten zij
zich aan het malsche en smakelijke vleesch.
-ocr page 225-
DE LANDMAN.
DE LANDMAN.
(geldersch avondtafereel.)
Mat rust de gloor van \'t stervend westerrood
Op \'t akkerveld, bedekt met golvend graan;
\'t Gestarnte steekt aan \'s hemels blauw gewelf,
Reeds hier en daar zijn stille vuren aan.
Hoe statig schijnt daar boven \'t eikenwoud,
De gouden lamp der vriendelijke avondster,
En schiet, door \'t minste wolkje niet omfloerst,
Zoo koel, zoo kalm heur stralen heinde en v r.
Het nachtkleed breidt zich over \'t aardrijk uit,
Het drok gewoel des dags verdooft alom;
Maar eenzaam paart het windje zijn gesuis
In \'t lindeloof aan \'s kevers dof gebrom.
De dorpsklok galmt het sterflied op den dag
Van grijzen trans in hol gedommel uit;
Weemoedig klinkt, van \'t bruine heigebergt\',
De schapenbel met vreedzaam, zacht geluid.
De krekel tjilpt in \'t geurenspreidend gras.
Waarop de dauw in zilvren droppen rust,
En gindsche beek de bloemen aan heur boord,
Als murmelend, in zoete sluim\'ring sust.
Nu keert de landman van het akkerwerk
En \'t zwoegen in den brand der zonne moe,
Door \'t avondkoeltje vriendlijk aangewaaid
Met stille schreên weer naar zijn woning toe,
Die, overschaaüwd van bloeiend lindeloof,
En aan den kleimuur met klimop begroeid,
Zich ginds verheft en flauw nog in het rood
Des avonds straalt, dat op het mosdak gloeit,
Terwijl de rook met purperblauwen walm,
Zacht golvend, uit den lagen schoorsteen klimt,
En \'t haardsteevuur gastvrijelijk, van ver
Door \'t klein-geruite en enge glasraam glimt.
-ocr page 226-
2l8                                                     DE LANDMAN.
\'t Verlangend kroost snelt, met een luid gejuich,
Al huppelend, den vader te gemoet,
Wiens trouwe hond, vast kwispelstaartend, hem
Met vreugdgeblaf aan zijne deur begroet.
Gulhartig klinkt hem, als hij binnentreedt,
Uit eegaas mond het „goeden avond" toe,
En straks verkwikt hem \'t smaaklijk bruine brood
En \'t melkgerecht der zuivelrijke koe.
Dan steekt hij weer \'t berookte pijpje in brand
En smookt tevreen; en, vóór het bedwaarts gaan,
Laat hij de vlam nog eens, met heldren schijn
En luid geknap, door \'t dorre rijshout slaan.
B. II. LULOFS.
S». AELBRECHTS PUT BIJ EGMOND.
..... Lange jaren waren heengevlogen over S1. Adelberts grafstede.
üe zomerwind had de ritselende bladeren der reuzeneiken en weinig
minder machtige beuken doen ruischen over \'t reeds met mos be-
dekte dak van het heiligdom, en de jachtsneeuw, op den ijzigen
adem des winters voortgedragen, had in dwarlende woeling, welfsel
en zijwanden vele malen overdekt.
Lange jaren waren heengevlogen over S\'. Adelberts grafstede.
Amalech was de eeuwige rust binnengegaan, maar een ander priester
had hem opgevolgd in het vervullen van een heiligen plicht. Met
vromen ijver had hij de gewijde overblijfselen bewaakt, en de kapel
aan tien woudzoom, die de grafplaats overwelfde.
Ue Noorman was weergekomen met zijn vervaarlijk oorlogslied,
en wederom had hij de kapel verwoest, en zelfs zijn verschrikkelij-
ken tocht met de brandfakkel in de hand voortzettende, had hij de
Heiligen des Heeren gedood, en Hunger, den eerwaardigen bisschop
van Utrecht doen vluchten verre van zijne zetelkerk.
Maar wederom werd St. Adelberts kerkje hooger en schooner her-
bouwtl. Wel hadden de verwoestende strooptochten der zeekoningen
de volkeren rondom verstrooid; wel was bij eene opnieuw toege-
-ocr page 227-
ST. /ELBRECHTS PUT BIJ EGMONI).                    •           219
vloeide bewoning de historie der streek omshiierd of uitgewischt; wel
wist niemand meer, dat daar onder de nederige kapel Ie het lichaam
zelf des vorstelijken Belijders rustte — maar toch was er altijd weer
een ander Priester gekomen als wachter der heilige stede, die haar
trouw bewaarde, al wist hij niet, welke schat er door omsloten werd.
Het scheen, alsof die groene plek een machtigen invloed uitoefende
op de harten der om.voners; de eeredienst van Donar en Wodan,
van Wodan zelfs, den woesten krijger, die in den stormwind met
zijn dampende rossen door de lucht holde, was gevallen voor eene
kinderlijke gehechtheid aan onzen Heere Christus.
Ook de rijksstaf was in Christene handen. De oorlogvoerende
Friezenkoningen, naar het Noorden teruggedrongen, waren zelf ge-
christend, of waagden het niet meer, de scherpte hunner zwaarden
aan \'t Christenvolk te doen gevoelen, en slechts nu en dan hoorde
men van een inval op het gebied van den doorluchtigen Grave
Diederik, die thans het gezag over deze streek voerde.
Hij ook, hij leerde Aelbrechts kapel kennen.
En kwartieruurs meer oostwaarts verheft zich het kruis zegepralend
boven eene kloosterkerk, naar den trant dier eenvoudige tijden van
hout opgetrokken. Dat heiligdom was door Diederik gesticht, en
met vele goederen begiftigd, ter eere van St. Aelbrecht. Godge-
wijde maagden, die gehuld zijn in St.-Benedictus\' donker gewaad,
en diens regel met vromen zin volgen, doen daar dag en nacht hare
heilige lofliederen opgaan.
Luister, — \'t is schoon om te hooren, hoe de metten in den
hollen middernacht hare klanken mengelen met het morren der
opkomende zee: het regelmatige geluid der psalmen zweeft smeltend
en golvend rondom het klooster, en de heldere stemmen aller non-
nen vloeien juichend inéén ; maar hoor, ééne stem toch beheerscht
en overzweeft met krachtvolle tonen den statigen koorzang, en
overtreft nog de overigen in schoonheid. Die stemme —• het land-
volk zou \'t u weten te zeggen — behoort aan de bleeke Ulfit, de
nonne, wier schoone ziel in reinheid beantwoordt aan den zang,
dien zij zoo verheven schoon door het gebladerte doet trillen.
De laatste toon der metten glijdt stervend weg langs de bleeke
stammen van het woud; de nonnen zijn teruggekeerd in hare cellen
— ook Ulfit; en de nachtegalen van het bosch nemen de hymne
der Godsvereering over.
Weldra is alles in \'t klooster in diepe rust. In ééns — daar is
-ocr page 228-
ST. iELBRECHTS PUT BIJ EGMON1).
220
het Ulfit, als wordt heure cel met een onbeschrijfelijken glans ver-
licht: eene vorstelijk edele gestalte verschijnt haar, met het opper-
kleed der Diakenen omhuld, en van gelaat stralend als met hemel-
sche klaarheid. Sidderend richt zij zich op, maar hij spreekt haar
toe: „Ulfit, mijne dochter! vrees niet: ik ben Adelbert. Mijne ziel
is bij God; diep onder den grond rust mijn lichaam, en de kapel
van den woudzoom staat boven mijne grafstede. Zij wordt vereerd,
maar niemand weet, dat mijn lichaam daar begraven is, zelfs niet
de priester, die het bewaart. U draag ik den last op, het uit de
diepte der aarde te doen opgraven, opdat het op eene verhevene
plaats getoond worde aan ieder. Doe, jonkvrouw! zooals ik u heb
gezegd!"
En het gezicht is eensklaps verdwenen, en de celle van Ulfit was
weer duister en eenzaam als altijd.
God zij der nonne genadig! \'t Is reeds de derde maal, dat dit
vizioen aan haar verschijnt. Zou zij langer gehoor durven weigeren
aan de bevelende stem? Zij snelt ijlings tot den edelen Graaf, den
beschermer des kloosters."
En nauwelijks acht dagen daarna — zie, hoe de menigte zich
daar in den vroegen ochtend reeds verdringt rondom de woudkapel.
Van allen stam en volk, van alle marke en heem zijn ze hier bijeen,
Friezen en Saksers; uit het verre Utrecht, en nog aan gene zijde
van den Rijnoever ; van de eilanden zelfs der woeste Noordzee, en
de grenzen van het land der Denen. Nu en dan doet eene sche-
mering in het bosch, of de gekleurde Friesche mantel van een laat
aankomenden vreemdeling, of het koorgezang van eene naderende
rij monniken eene valsche tijding onder de opeengedrongen volks-
massa\'s rondloopen, en terwijl aller oogen zich naar het woudpad
richten, van waar de stoet komen zal, gaat er als eene golving over
de hoofden der schare, en een kreet van teleurstelling verheft zich
straks uit honderden monden.
Maar nu toch is het geen schijn, maar werkelijkheid...... Daar
komen ze, daar komen ze!"
Het kruis gaat vooruit, door een Diaken gedragen tusschen twee
acolieten, en dan volgt Hunger, de eerwaardige Bisschop van Utrecht;
eene menigte Priesters en kloosterlingen in hun plechtgewaad om-
stuwt hem, en diepe ernst staat op \'s Kerkvoogds gelaat te lezen; de
lange grijze baard golft neer tot zijne borst. En nog eens — de
banier met den rooilen liebaart gaat vooruit, en dan volgt de door-
-ocr page 229-
ST. vfcLBRECHTS PUT BIJ EGMONO.                            221
luchtige Grave Diederik met zijne Edelen. Elwijde, zijne schoone
en godvruchtige dochter, later eerste abdisse der nonnen van Rhijns-
burch, vergezelt hem, en ter andere zijde gaat Egbert, \'s Graven
zoon, in de korte tuniek der Onderdiakens gekleed; maar langdu-
rige ziekte heeft op \'t gelaat des jongelings een trek van smarten
gegrift, en gestalte en gang zijn die eens lijdenden. De nonnen van
St. Aelbrechts klooster met hare abdis komen nu twee en tweedaar
aangetreden. Bemerkt gij Ulfit ? Zie, hoe haar aangezicht straalt
van eene heilige blijdschap: nu zal het blijken, dat de mond der
heiligen waarheid spreekt.
Zie op, daar heft zich de baanderol der heeren van Egmond. Daagt
gij ten tweeden male, Radbout, geliefde leerling van Adelbert, en
edel als hij? — Voorwaar, de gelaatsgelijkenis bedriegt ons. \'t Is
Wolbrand, Radbouts zoon. Edel vorstenkind, welk een wolk om-
nevelt uw gelaat? Hebt gij een voorgevoel van den verraderlijken
dood, die u binnen twee jaar wacht?
De uchtendzon schiet hare stralen uit, en glinstert op zwaard en
strijdbijl, op banier en standerd, maar boven alles rijst het kruis,
schitterend in den morgenstond.
Ze staan stil bij de kapel. Daar komt de Priester, die Adelbrechts
graf bewaart, uit zijne cel. Hij slaat het houweel in de aarde.
Dieper, dieper! Dof klinken de slagen op den bodem: de grond
dreunt rondom. Voorzichtig ! wat raakt de spade daar ? — Een
kruis, een gouden kruis ! Spoedig! werp af dat witte kleed!
Hemel, hoe schoon! het zacht getinte gelaat des Heiligen is, als
sliep hij slechts! De blanke dalmatiek, met twee purperen strepen
doorweven, valt in plooien om den doode, en op zijne borst rust
altijd nog het kruis.
De Bisschop slaat zijne gezalfde handen aan het eerbiedwaardig
lichaam, en heft het met hulpe des Priesters uit den grond op. Zie,
daar borrelt de kristalheldere bron uit de diepte naar boven:
het water stroomt murmelend tusschen aarde en steenen, tusschen
keitjes en kiezelzand op: het vult weldra de geheele groeve — en
over eeuwen spreekt nog de nazaat van St. Aelberts bron.
Weer met behulp der Priesteren legt de Bisschop het lichaam op
de met groen en bloemen versierde baar; onder het zingen van de
Litanie der Heiligen zet zich de schitterende stoet in beweging, en
het galmt door het bosch :
«Sancte Adelberte, ora pro nobis !"
-ocr page 230-
222                                ST. jELBRECHTS PUT BIJ F.GMOND.
Zij trekken langs den voet rler machtige eiken — en beukenstam-
men, over het mos van de woudpaden naar het maagdenconvent;
want de Heilige moest rusten onder het Hoogaltaar der kloosterkerk:
het volk schaart zich achteraan, en weldra zijn de laatste flikkerin-
gen van zwaard en speer, de laatste schemering wan vaan en kruis,
van wimpels en baanderollen tusschen het donker gebladerte ver-
dwenen; de kapel ligt weer eenzaam als voorheen, maar steeds nog
is de groeve met helder water gevuld.
Kn eer het nog avond geworden was, trad Egbcrt, de Onderdia-
ken des Graven zoon van Holland, naar de bron; hij dronk van
het water ter eere des H. Adelbert, en was genezen: de Hemel
immers had den jongeling bestemd voor den Aarts-bisschoppelijken
stoel van Trier !
Sinds dien tijd is er menig wonder gebeurd aan de bron : daar-
van weten velen te verhalen; daarvan kan ook KI wijde spreken, de
dochter des Graven ; daarvan weet ook bovenal VVolniar te roemen,
de Engelsche Priester, die, van Rome komend, hier genezing vond,
en het licht des Hemels weer in zijne oogen ontving.
De bosschen verdwenen in den omtrek; de kapel aan den woud-
zoom verviel, en tot hare laatste sporen werden weggewischt; de
vorstelijke Abdij zelfs is lang vernield, en slechts een onaanzienlijke
puinhoop van den kerkhofmuur wijst de stede aan, waar zij eenmaal
stond; maar de bron vloeit altijd nog, en het water, dat in haar
opwelt, is altijd nog even helder en rein, als op dien gedenkwaar-
digen uchtend.
Zie, wandelaar! daar ligt zij vóór u; sla nog één blik er op.
Geen bedehuis, zelfs geen eenvoudige landkapel, alleen het blauw
der hemelen overhuift haar. Sla nog één blik er op, en werp clan
uw penningske in het offerblok, aan den sleutel der bron vastgehecht.
J. A. DE RIJK.
KEIZER O TT O 1. (936—973).
In Quedlinburges domkerk
Weerklinkt de klokkenklank,
En de orgelstemmen brommen
Bij \'t eerste koorgezang.
Daar binnen zit de Keizer
-ocr page 231-
KEIZER OT\'l\'ü.
223
Met zijne riddermacht
üodvruchtiglijk te vieren
Den heilgen Kerstmisnacht.
Hij zit met vrome leden
Te midden van de schaar,
Met oogen als de bliksem
Omgolfd door gulden haar.
Men had hem niet ten onrecht
Den Leeuwe bijgenaamd;
De kracht van zijne vuisten
Had menig reeds beschaamd.
Thans is hij ook weer roemrijk
Van \'t slagveld weergekeerd;
Doch niet des landes vijand
Heeft zijn geweld geweerd;
Het is zijn eigen broeder,
Dien thans zijn vuist versloeg,
Die driemaal na elkander
Des oproers bloedvlag droeg.
In Quedlinburges domkerk
Komt middernacht te slaan;
Thans wordt er door den priester
De heilige Mis gedaan;
Neer buigen alle knieën
De harten buigen neer;
\'t Gebed uit alle monden
Stijgt gloeiend tot den Heer.
Daar oopnen zich de poorten,
En sterk en krachtig treedt
Een man den tempel binnen,
Gehuld in \'t boetlingskleed.
Hij wendt zich tot den Keizer,
Valt neder vóór zijn stoel,
Omhelst zijn beide knieën
Met levend leedgevoel.
-ocr page 232-
224                                                    KEIZER OTTO.
En spreekt: „Mijn fouten, Broeder,
Die drukken mij zoo zeer!
Hier lig ik vóór uw voeten,
Vergeving smeekend, neer.
Mijn bloedige euveldaden
Wascht uw genade wit;
Vergifnis, strenge Keizer!
Gend den broer, die bidt!"
Doch toornig blikt de Keizer
Den strafbren broeder aan!
,,\'k Heb tweemaal u vergeven,
Maar nu is \'t ook gedaan.
Uw vonnis werd gestreken!
Uw leven zij geroofd:
Als \'t derde licht zal dagen,
Dan valle uw schuldig hoofd."
Bleek werd de hertog Hendrik
Met heel den ridderkring,
Terwijl een doodsche stilte
De gansche schaar beving.
Men hadde kunnen hooren
Den val van \'t gelend loof,
Want niemand dierf den Leeuwe
Betwisten zijnen rooi!
Zie, daar houdt de Abt, de vrome,
Voor Otto\'s zitplaats stand;
Hij houdt het Boek der boeken
Ernsthaftig in de hand,
Hij leest met luider stemme
De heiige waarheid voor,
Die, of \'t de stem van God waar\',
Weerklinkt in ieders oor!
„En Petrus sprak tot Jezus:
Niet waar, ik deed genoeg,
Wanneer \'k den strafbren zondaar
Tot zeven maal ontsloeg?"
-ocr page 233-
KEIZER OTTO.
—  „Niet enkel zeven malen,
— Zoo luidde Jezus\' taal —
Maar zeventig maal zeven:
Gods goedheid kent geen paal.
Daar stort de gramme keizer
Eensklaps in tranen uit,
Wen hij zijn broeder opheft
En in zijne armen sluit.
Een machtig blijde vreugdkreet
Klonk langs de beuken om;
— Nooit vierde men zoo\'n Kerstnacht
In Quedlinburges dom.
D. CLAES.
1) E V L IXDER.
Op \'t donzige gras eener bloemrijke weide,
Liep stoeiend een kind, als een lachje zoo schoon
Een krans madeliefjes versierde zijn schedel,
En teer kuste \'t koeltje zijn blozende koon.
\' Op eens, viel zijn blik op een schittrenden vlinder,
Dien \'t gonzen der bij van een bloeme verjoeg,
En nu, op een straal van de zonne gedragen,
Al wiegend zijn goudene vleugeltjes sloeg.
„O vlinder," sprak \'t kindje, „wat zie ik u gaarne!
Kom, blijf wat met mij;... maar, o pepel, gij vlucht,
O, konde ik, als gij, mij van de aarde verheffen,
En zweven alom, waar ik wou, door de lucht!"
En \'t vlindertje pimpelde al verder en verder,
Tot als het ten laatsten aan \'t stroometje kwam,
Dat derwaarts zijn slapende wateren voerde,
Waar \'t hangende gras het gezicht van benam.
Het kindje, nog vlugger dan \'t jong eener hinde,
Vervolgde den pepel veraf, tot een vliet;
(i) Pc/c/, (Zuidn.) vlinder.
-ocr page 234-
2 2Ó                                                      DK VLINDER.
Het had reeds liet zoompje des waters betreden,
En merkte liet aanzijn ckr hske nog niet.
Op eens, klonk een aaklige gil door de weide;
Het kind stortte neer in het zwalpende nat...
___Nog wiegelde en kringelde \'t stroompjen een weinig,
En werd, daarna, weer als een spiegel zoo glad,
En \'t vlindertje pimpelde al verder en vender,
Weldra, was \'t verdwenen gansch uit het gezicht;
En de engeltjes voerden met zich naar den hemel,
De leliënziel van \'t onnoozele wicht.
1\'. A. ROIIIJXS.
D E HOOP.
Vroolijk en onbezorgd daalde de jonge Milehas van Libanons
woeste bergtoppen, om in Salems tempel den God zijner vaderen te
gaan aanbidden.
De lucht was helder en alles voorspelde den jongeling eene voor-
spoedige reis.
Doch pas was de zon tot het middagpunt genaderd, of eensklaps
verduisterde de lucht, zware donderwolken rolden over Libanons
toppen heen en kondigden een van die zeldzame, doch schrikkelijke
onweders aan, welke soms geheele cederbosschen in vlam zetten.
Een dikke nacht omsluierde het aardrijk. Nu en dan schoot een
bliksemschicht door de opeen geperste wolken en ontdekte bij zijn
flikkerend licht een afgrond vóór Milehas\' voeten.
I )e j ongeling wist niet_meer waar zij ne schreden te wenden en dwaalde
angstig tusschen de rotsen en afgronden om.
Moedeloos wierp hij zich ter aarde om zijne jongste bede te stor-
ten en zag nu een wissen dooil te gemoet.
Doch plotseling omgolft hem een helder licht, schitterender dan
de bliksem, liefelijk als de glans, die om de hemelingen straalt.
Verbaasd, slaat Milehas de oogen omhoog en ziet aan zijne zijde
eene maagd, leunende op een anker en omgeven met verblindenden
luister.
— „Waarom, zoo sprak zij, waarom laat Milehas den moed toch
zinken? Is er in den Hemel geen God, die u ziet, geen engel, die
uwe schreden telt?"
-ocr page 235-
DE HOOP.                                                          22 7
Milehas stond op en sprak:
—  „Wie zijt gij, hemelsche maagd? Zijt gij een engel, uit Jehova\'s
rijk ter aarde gedaald om Milehas\' schreden te bestieren?"
—  „Neen, Milehas! hervatte de Maagd, ik ben geen engel, noch
uit Jehova\'s rijk ter aarde gedaald. Hoewel een telg des hemels, is
daar evenwel mijne woonplaats niet: mijn verblijf is steeds bij de
kinderen der menschen. Ik ben de Hoop, de tweede uit het zus-
terlijk drietal, die den mensch ten hemel geleiden. Nooit wijken wij,
ofschoon onzichtbaar, van uwe zijde, dan door u zelven verjaagd.
Dan, ik blijf getrouw den menschen bij, zoo lang zij door vertwij-
feling mij uit hun hart niet bannen.
„Waarom toch, Milehas, riept gij mij niet, als angst en vrees u
het hart beklemden? Zeg: ben ik het dan niet die de lijdenden troost
en hun smarten met heelenden balsem lenige? Ben ik het niet die
den pelgrim, door geloof en liefde gesterkt, langs ongebaande wegen,
door hitte en storm, veilig tot het doel zijner reize geleide?
„(la dan, Milehas, voltrek uwe reis en vrees geen woedenden
storm; maar houd gestadig het oog op Gods vaderliefde gevestigd.
In Salems heilige tempelwanden zult gij hem vinden, dien God,
die zijnen wellust vindt bij de kinderen der menschen te wonen:
Jezus van Nazareth, die den menschen de hoop en het onderpand
der;hoop komt verkenen."
Zoo sprak de hemelsche Maagd en verdween.
En Milehas reisde gesterkt voort en kwam behouden te Salem aan,
waar hij aan Jezus\' voeten de hemelsche wijsheid mocht leeren.
FR. SERVATIUS DIRKS.
DE STORM.
De stormwind huilt met woest gerucht:
De golven zenden nu een zucht,
Dan kreten naar de sombre lucht.
Miserere Domine.
En door den donkren onweersnacht
Kampt daar een scheepje nauw bevracht,
Gansch vruchtloos met de wilde macht.
Miserere Domine.
-ocr page 236-
228
DE STORM.
Een lichtstraal scheurt der wolken kleed;
Vergeefs is al wat manschap streed,
En luid weergalmt een wanhoopskreet:
Miserere Domine.
Ue booze stemmen van het meer,
De vlagen beuken keer op keer
Op twee verlichte vensters neer.
Miserere Domine.
Daar, tusschen lakens warm en fijn
Slaapt zacht een kind, en \'t moederkijn
Vreest, dat hij straks gewekt mocht zijn.
Miserere Domine.
Doch reeds knielt hij in \'t bedje neer,
En bidt, verschrikt door \'t booze weer :
„Red, wie op zee zijn, lieve Heer!"
Miserere Domine.
De morgen komt, en \'t zonlicht vindt
Het schip verborgen voor den wind
En straalt dan op een spelend kind, —
Gloria tibi, Domine!
LOUISE STRATENUS.
LEGENDE VAN DE H. RITZA.
Eene oude overlevering leeft aan den Rijn in den mond van het
volk over de heilige Ritza, de Karolingische vorstendochter. Waar
Rijn en Moezel te zamen vloeien, daar op de smalle landtong, van
beide vloeden omspoeld, niet ver van het kasteel der Frankische
vorsten, staat St. Castors heilige kloosterkerk, door den zoon van
Karel den Grooten, Lodewijk den Vromen, gebouwd; hier heeft zij
gebeden, hier heeft zij hare rustplaats gevonden, en nog heden toont
het volk niet verre van de stad in het veld, aan den oever van den
Rijn, het voetpad, dat zij op wonderbare wijze heeft bewandeld.
Tegenover de Karolingische kerk namelijk, aan gene .zijde van
den Rijn kronkelen langs den stroomoever groene wijnbergen voort,
waaruit de Hermannstein en de Ehrenbreitstein van de bruinroode
rotskruinen, eeuwen door, met hunne torens en tinnen, ernstig en
-ocr page 237-
LEGENDE VAN DE H. RITZA.                                      229
krijgshaftig van blik, op den stroom en de kloosterkerk daartegen-
over beschermend nederzien.
Achter deze wijngaardpaleizen van den rechter Rijnoever en
achter het woud, dat den top dezer bergen kroonde, stond de een-
zame kluis der vrome Vorstendochter Ritza, dicht bij de plaats,
waar nu het dorpje Arzheim ligt. Daar woonde zij, God dienend,
in heiligen vrede op de stille, eenzame hoogte, van het woud om-
geven, boven het lachende dal.
En iederen morgen in de vroegste vroegte ging zij van hier over
den kluisberg en door het woud en door de wijngaarden naar den
oever af, en over den stroom aan gene zijde door het veld, of wel
rechtuit op den naasten heuvel, den Beatusberg aan, waar de Rijn-
en Moezelbergen zich vereenigen, naar de kerk der Martelaren op
de hoogte, waar St. Bruno\'s zonen hunne stille cellen hebben ge-
bouwd; of zij schreed rechts den oever langs naar de kerk van
St. Castor, welker torens zich in de golven spiegelen, om hier hare
gebeden te storten, het heilig Offer bij te wonen en zich met het
Brood des levens te versterken.
Dit is het pad, hetwelk nog heden ten dage in den mond des
volks het Ritzpad heet.
Doch zóó van alles afgetrokken en geheel in zich zelve gekeerd,
ging de aandachtige jonkvrouw, in zulk een ootmoed, vol geloof en
vast vertrouwen op God, en zóó zeer was haar geest, het aardsche
vergetend, door brandende liefde tot God opgeheven, dat zij, zonder
het zelve te weten, over de golven van den Rijn als over de groene
weide henentrad; willig droegen de wateren van den stroom het lichaam
der biddende, wier geest door geen boei aan de aarde werd weerhouden.
En wel moest het een treffend gezicht zijn, de zedige maagd op
het pad harer stille godsvrucht te volgen: Zie, daar stijgt de zon
over den Ehrenbreitstein aan den blauwen hemel op; haar glans
vervult het van damp omsluierde dal; als goud en blinkend ge-
steente vlieten de golven zacht dalwaarts neder; in het eenzaam,
lommerig duister van \'t gebladert, aan den zoom van het woud,
slaan de nachtegalen, en hoog uit de heldere blauwe lucht boven
de golvende koornaren klinkt de trillende zang der leeuwerikken;
tjilpend schieten de zwaluwen, hare vleugelen in de spitsen der
golven dbopend, over den Rijnspiegel heen. Nu roepen de klokken
van St. Castor in het dal en van de Martelaarskerk op de hoogt s
met feestelijk geluid tot het Ave Maria, en het gezang der broeders
-ocr page 238-
230                                      LEGENDE VAN DE H. RIT2A.
in het koor heft het Salve Reg-ina aan: daar treedt de jonkvrouw
uit het woud te voorschijn; zij gaat door de bloeiende wijngaarden
en tusschen rozen en leliën verschijnt zij nu aan den groenen oever-
rand, en zoo treedt zij, van engelen begeleid, biddend en zwijgend
over de golven als over een vasten, kristallen spiegel met zachten
ernst voort; de visschen zwemmen onder hare voeten, het water be-
vochtigt den zoom van haar kleed niet; de scheepjes varen in de
morgenzon met hunne sneeuwwitte zeilen voorbij; en wanneer hare
stem den lof des Scheppers verkondigt, dan blikken de reeen luis-
terend uit het donker van het woud.
Doch vluchtig en ijdel is aardsche geur en glans! Eens op een
morgen staat zij weder op om ter kerke te gaan; maar geen zon
verlicht ditmaal haar pad; een duister weder staat dreigend aan den
hemel; verstomd is aller vogelen zang; verdoofd scheen der bloemen
pracht: glansloos, grauw, somber en koud ligt het dal aan hare
voeten; eene verontrustende, ongeluk voorspellende, zwoele stilte
scheen er over uitgebreid; daar verheft zich bruisend de stormwind,
die rozen en leliën ontbladerde en de kruinen der eiken verbrak.
Verschrikt rukt zich de jonkvrouw op den kluisberg den stok eener
wijngaardrank uit den grond, en daarop steunend vervolgt zij haar
weg op den Rijn aan. Doch zoo als zij aan den oever komt, jagen
haar de wilde golven, van den storm gegeesel l, al schuimend te ge-
moet; zij stapt op het water, maar in den storm, die haar rondom
met den dood bedreigt, beeft voor de eerste maal haar hart, haar
geest ontstelt, zij wendt den blik van God af — op haren staf; met
het zwakke steunsel, dat den wijngaard heeft geschraagd, wil zij zich
redden; dat moet haar helpen tegen de woede der elementen; zij
stoot den staf de opgeruide golven op het schuimende hoofd; doch
zie! het water wijkt onder hare voeten, het wil haar niet meer
dragen, zij zinkt tot aan de enkels, zij zinkt tot aan de knieën, zij
zinkt dieper en dieper; toen, in \'t laatste oogenblik, heft zij rouw-
moedig haar hart weder tot Go.1 op; den staf ver wegwerpend, roept
zij vol vertrouwen met het oude geloof tot Hem, die in den hooge
over wind en golven gebiedt. Zijne barmhartigheid heeft den kreet
van haar berouw en goloovig vertrouwen gehoord: de storm zwijgt,
de golven beuren haar weder op, en God lofzingend zet zij haar
weg voort, als een zegepralende koningin op het kristalschild der
wateren, door de genade Gods gedragen.
Zoo verhaalt de overlevering aan den Rijn van de vrome pel*
-ocr page 239-
LEGENDE VAN DE H. Rl\'l\'ZA.                                      231
grimme uit den Karolingischen voortijd. En van \'t geen haar hier
op den Rijn wedervoer, is het voorbeeld duizend jaren vroeger ge-
zien, toen de Heer met zijne leerlingen over het meer naar Caphar-
natim stak, en Petrus, die, gelijk zij, op de stormige golven ver-
saagde en begon te zinken, berispte, zeggende: „Kleingeloovige,
waarom hebt gij getwijfeld? Doch zij zelve, de Karolingische jonk-
vrouw, is weder een voorbeeld van \'t geen veel later ten tijde des
afvals van de oude Kerk geschiedde, en waarvan wij nog heden de
gevolgen voor onze oogen zien. Want toen, in het oogenblik der
stormen, der bedreiging en verlokking, begonnen ook velen te ont-
stellen en te wankelen en in plaats van \'t onwrikbaar geloof aan
den ouden God en de door Hem gestichte Kerk en haar goddelijk
gezag, gaven hun de hervormers den gebrekkigen staf van eigen,
menschelijk gezag, van eigendunk en zelfzucht in de hand. Doch
die zwakke steun vermocht hen niet over den machtigen stroom
der twijfelingen te dragen; velen zonken en vonden den dood in de
golven; anderen, van onvoldaan zielsverlangen gejaagd, wandelen
aan den oever rusteloos op en neder, en weten niet waar, noch hoe
zij er over zullen geraken ; weder anderen, hebben het heiligdom aan
gene zijde den rug toegekeerd, en zijn bij menigten naar de schand-
tempels der zonde gewandeld, waar zij in luidruchtig vermaak de inwen-
dig vermanende stem en het geroep der klokken van gindsche zijde
poogden te verdooven, en jammerlijk zijn bedrogen en omgekomen.
Moge dan, gelijk het gevaar des doods de Karolingische jonk-
vrouw dermate ontstelde, dat zij weder tot God opzag en zich ge-
heel in Zijne armen wierp, aldus ook het gezicht dier dreigende
gevaren de ongelukkige zwervers zoodanig aangrijpen, dat zij met Petrus
rouwmoedig uitroepen: „Heer! behoed ons, wij vergaan!" — en tot
het oude geloof, dat alleen hen ledden kan, ootmoedig wederkeeren.
I\'. VAN DER 1-I.OEG.
KRUISLIED.
„Daar heerscht een wreede roover
In \'t land van o/erzee,
De breede waalren over
Weerklinkt een stam vol wee.
„De heidenen regeeren,
O gruwelijke schand!
-ocr page 240-
232
KRUISLIED.
Op \'t heilig graf des Heeren
Is Christus\' eigen land.
„Herodes, weer verschenen
In valschen Mahomed ,
Met woeste Saracenen
Vertrapt de heilige wet;
„O jammer aller vromen,
Och aller euvlen spot,
Weer is de stad genomen,
De heil\'ge stad van God.
,,Onz\' vaadren zijn gevaren
Naar \'t land van overzee,
Wij volgen hunne scharen,
Wij gaan ter heilige stee;
„Als onze vaadren winnen
Het hoog Jeruzalem,
Dan trekken wij ook binnen
Het kleine Bethleem.
„Dat willen wij bevechten
Voo \'t schoone kindekijn,
En zoo zijn trouwe knechten,
Als onze vaders zijn !"
Zoo ruischte \'t langs uw bogen,
Aya Sofia, heen,
De klanken zijn vervlogen,
De kinderschaar verdween.
Een lachje van verbazen
Speelt om der Grieken mond:
„Laat, laat ze gaan die dwazen
Naar hunnen heiligen grond.
O kinderlijk vertoonen,
O heldenmoed zoo grootsch,
Die vaadren en die zonen
Zijn allen wis des doods."
Maar beter toch te sterven
Al is het voor een droom,
-ocr page 241-
235
KRL\'ISUED.
Dan \'t leven door te zwerven
In laffe luiheid loom;
Die wijsheid der Heieenen
Vergaat in al haar trots,
De dwaasheid van die kleenen
Is toch de wijsheid Gods!
H. J. A. M. SCIIAEPMAN.
K I N D E R L IJ K.
Constantijntje, \'t zalig kijndje,
Cherubijntje van omhoog,
d\'IJdelheden, hier beneden,
Uitlacht met een lodderoog:
„Moeder!" zeit hij, „waarom schreit gij?
Waarom greit gij op mijn lijk?
Boven leef ik, boven zweef ik,
Engeltje van \'t Hemelrijk,
En ik blink er, en ik drink er,
\'t Geen de schenker alles goeds
Schenkt de zielen, die daar krielen,
Dartel van veel overvloeds.
Leer dan reizen, met gepeizen,
Naar paleizen, uit het slik
Dezer werreld, die zoo dwerrelt;
Eeuwig gaat voor oogenblik !"
J. VAN DEN VONDEL.
OP JONKVROUW ISABEL LE BLON.
Hier sluimert Isabel Ie Blon,
Die als een roosje met de zon
Blijgeestig op haar steeltje stond,
En sprak met een bedauwden mond:
Wat is de schoonheid? Wat is de roem
Der jonkheid anders als een bloem?
Dat was haar eerste en leste leer
En voort verwelkt, zoo zeeg ze neer.
\'T. VAN DEN VONDEL.
-ocr page 242-
234                           MIJMERINGEN VAN EEN TELEGRAFIST.
MIJMERINGEN VAN EEN TELEGRAFIST.
\'t Is een vreemd, een pijnlijk leven, om zoo de onbekende ver-
trouweling van iedereen te wezen en om zelf geen vertrouweling te
hebben, — om in iedereens geheimen ingewijd te zijn, —• om de
aandoenlijkste en belangrijkste berichten over te brengen, — en om
zelf, als eene machine, telkens de hand te leenen tot zaken, waar-
aan het hart vreeemd moet blijven, en die nooit over de lippen
mogen komen. — Een eentonig leven, vol afwisseling, — een ge-
jaagd leven, vol rust; — eene hoogst gewichtige betrekking, bij
welke men steeds een nul blijft!
Van \'s morgens vroeg tot laat in den nacht, — met slechts
een paar uren rust tusschen beide, — hoor ik niets dan het een-
tonig gesnor en getik en gerammel van de raderen en ketenen, die,
onwrikbaar als het noodlot, even langzaam en bedaard draaien, ter-
wijl het bitterste doodsbericht en de heuglijkste tijding met de
snelle vonk naar ver verwijderde streken overvliegen.
Dikwijls heb ik die ongevoelige draden benijd; — dagelijks vlieg
ik in gedachte met de vonk mede, terwijl ik lichamelijk op mijn
kantoorstoel gekluisterd zit...... Daar wordt driftig aan het vens-
tertje van het kantoor getikt, —• ik schuif het glas bedaard terug;
— het gaat mij toch niet aan, en een mensch met een bleek ge-
laat, geeft mij een streep papier in de hand:
„Dadelijk! als het u belieft, mijnheer, er is groote haast bij!"
Ik lees: „Gij moet onmiddellijk overkomen; Anna is gevaarlijk
ziek!"
„Mijnheer, hier is pen en inkt, mag ik u verzoeken het bericht
over te schrijven; er mogen geen doorhalingen zijn, het woord
„ernstig" is doorgeschrapt, en „gevaarlijk" daarboven geschreven;
zoo mag ik het niet aannemen."
De berichtgever spreekt niet; hij rukt mij de pen uit de hand,
en met bevende vingers schrijft hij de noodlottige woorden over;
ditmaal luidt het bericht „zeer gevaarlijk," en hij smijt het geld
neder, wacht niet op het recu, en ijlt weg.
Machinaal sein ik het bericht over; — en dan raak ik in gepeins.
Wie is Anna? Eene zuster, — een kind, — eene echtgenoote, — eene
beminde? — Was het haar vader? — Of wie ook, die bij mij was?
Hoe gaarne zou ik hem een woordje moed ingesproken hebben! Zal
hij, die het bericht ontvangt, dadelijk kunnen komen? Zal hij bijtijds
-ocr page 243-
MIJMERINGEN VAX KEN\' TELEGRAFIST.                        235
hier zijn? — Zal hij ook antwoorden met de telegraaf? In mijne
verbeelding ben ik in de donkere ziekenkamer, waar de stilte des
doods heerscht; — daar, daar achter de zware gordijnen, is de
lijderes; — bij de sponde zit de treurende moeder, wij stellen ons
zoo gaarne eene moeder bij ons sterfbed, evenals bij onze geboorte
voor; — de deur staat op eene reet, en angstige gezichten vorschen
met vragende blikken naar den toestand der zieke, en zij, die bij
het bed zit, legt de vingers op de lippen en schudt bedroefd het
hoofd; en de vragende oogen worden vochtig en verdwijnen; en ik
hoor zacht snikken in de gang, totdat de dokter binnentreedt, met
een ernstigen blik, en op het horloge ziet, en naar de tleschjes op
de tafel, die hij opneemt en schudt en proeft en weder nederzet)
— en eventjes door de reten der gordijnen kijkt, en de wenk-
brauwen ophaalt, — en weder kijkt, en weder de gordijn toe laat
vallen, en zonder een woord te spreken een receptje schrijft en met
een hoofdschudden overgeeft, — en klaarblijkelijk zich klein en
hulpeloos gevoelt. O, het moet een bitter iets zijn, in zulke oogen-
blikken, als de kunst onmachtig wordt, arts te wezen en troost
noch hul]) te kunnen bieden! en dit gevoelt de dokter, terwijl hij
sprakeloos tegenover de moeder zit, en werktuiglijk met zijn hor-
logeketting speelt, en met afgewende oogen de angstige blikken
niet zien wil, welke op zijn gelaat gevestigd zijn.......
Klik! Klik! — Ik zit weder op het kantoor ; mijn droombeeld
is verdwenen; — daar is een bericht uit Antwerpen: „Koop dade-
lijk voor dertig duizend gulden 4^ percents."
Terwijl ik het bericht overschrijf en toelak, ben ik weder met
mijne verbeelding op de Beurs. Daar is leven en drukte en gewoel
en bedrijvigheid en geene gedachte meer aan den dood, die drie
schreden van daar, achtei de gesloten gordijnen, staat te loeren!
Dertig duizend gulden 1 Ik, arme telegrafist, als ik die som had,
wat zou ik daarmede beginnen? Ik nam mijn ontslag dadelijk uit
de gevangenis van het bureau, dat is zeker! Ik zou het kapitaal
veilig beleggen en van de renten best kunnen leven, en de dompige
stad ontvluchten. Ik zou mij ergens buiten vestigen; als landbou-
wer; ik zou eene vrouw, niet zoeken, —• maar zeker iemand, op
wie ik al jarenlang het oog gevestigd heb, — zelfs toen ik nog
ondermeester was, — dadelijk vragen; — ik zou ook onmiddellijk
gaan trouwen, en een heel idyllisch leven leiden, — ik zou met
weinig tevreden zijn ; eene gezonde, degelijke kost, een stuk of wat
-ocr page 244-
236
MIJMERINGEN VAN EEN TELEGRAFIST.
flinke kinderen, liefst twee meisjes en twee jongens, een karretje,,
om er tusschenbeide mede naar de stad te rijden, een beetje geld,
om boeken te koopen, en genoeg om mijn kleinen eene goede op-
voeding te geven; dat zou natuurlijk niet gaan met de rente van
dertig duizend gulden; maar ik zou ook nog door mijn landbouw
een aardig sommetje kunnen verdienen; — wie weet ook, of ik
het niet zoover bracht, dat ik van de Provinciale Staten werd?
En dan heel licht van Gedeputeerde, en dat zou mijn inkomen
meer dan verdubbelen, — en het zou ook aardig zijn, met mijne
vrouw eens een uitstapje in het buitenland te kunnen doen; ik zou
zoo gaarne Parijs zien, — van waar ik soms dagelijks een half dozijn
berichten krijg, — en als ik maar in de wereld kon rondkijken,
geloof ik stellig, dat ik even slim als een ander zou worden, en
in plaats van slechts zulk een bericht over te seinen, zou ik zelf
bevel kunnen zenden aan mijn makelaar, om voor mij „dertig
duizend gulden aan 4^ percents" te besteden! — — —• Alweder
aan het raam getikt, en de liefelijke droom is weg.
Ditmaal is het een gebronsde zeeman, pas van de reis aangeko-
men, met een kort bericht aan zijne vrouw, die in een klein land-
stadje woont, dat hij morgenavond te huis zal zijn.
Ik vertel hem, dat er in het stadje nog geen kantoor is, en dat
hij het bericht alleen tot B...... kan zenden, vanwaar het verder
moet gaan met eene estafette, — wat heel duur is. — Dat kan
den goeden man niet schelen; hij legt zijne zware beurs op de tafel,
haalt het horloge uit en vraagt maar hoe lang het duren zal, eer
zijn bericht overgebracht is. —• En ik stel hem gerust en schrijf
het in het boek, en geef hem zijn geld terug, en hij staat met een
half verbaasd, half lachend gelaat toe te kijken, met de vingers in
het zware haar spelend, terwijl ik bezig ben met seinen, en hij ver-
zekert mij onder het werk, dat hij er niets van begrijpt, maar
dat het toch eene schoone uitvinding is, — en hij gaat eindelijk
weg, in het idee, dat ik in plaats van eene ellendige machine
een groot geleerde moet wezen, en laat eene lucht van pik en
teer achter, die mij dadelijk verplaatst naar het strand, waar ik
het ruischen der golven hoor en het schommelende schip zie met
de rijke vracht, en da dobberende schuitjes op de woedende zee,-----
wier verwoestingen ik zoo dikwijls moet vermelden, maar wier aan-
gezicht ik zoo zelden mag zien. Ben ik een erge egoïst, dat i\': dus
alles tot mij zelven terug breng? — Wellicht wel. Het zou mij,
-ocr page 245-
MIJMERINGEN VAN EEN TELEGRAFIST.                        237
niet verwonderen, — ik heb niemand anders, waarmede ik om-
gaan kan.
Alweder een bericht, —• en geen bericht van dagelijkschen aard,
het is een bevel van het hoofd der politie in een onzer groote ste-
den aan zijn ambtgenoot bij ons gericht, om iemand aan te houden,
die met den volgenden trein komt, iemand, die van moord en roof
is aangeklaagd, met het signalement van den misdadiger daarbij.
Over een uur zal hij zich in veiligheid wanen, — en over een
uur zal de wrekende Nemesis, wier werktuig ik ben, hem reeds in-
gehaald hebben ! De besteller, even onwetend als de draad van het
gewicht zijner boodschap, draaft onverschillig daarmede weg; — als
hij talmt, als hij valt en den voet verstuikt, kan de moordenaar zich
nog redden; — een gladde steen, een oploop in de drukke straten,
kan hem nog eene kans geven! Zulke dingen gebeuren wel eens!
— Hoe zou hij er om bidden, als hij veronderstelde, wie hem aan
het station zal opwachten !
Daar zie ik al in mijne verbeelding de onwetende menigte rond-
drentelen en slenteren tegen den tijd, dat de trein zal aankomen;
de slaperige voerlieden, die op de bokken der vigilante zitten te
dommelen, totdat zij en de duttende kruiers in het leven geroepen
worden door het schelle fluitje van de locomotief, — ik verbeeld
mij, hoe de schuldbewuste met een angstig kloppend hart, en met
een schijnbaar onverschillig oog, het hoofd uit het portier steekt
en naar de zee uitziet, die hem weldra van zijn vervolgers zal
scheiden; — ik zie zijn vingers krampachtig den reiszak opvatten,
om geen oogenblik te verliezen, als de trein stilhoudt, en hoe
hij tegen zijne medereizigers, zoodra de loop van de wagens gestremd
wordt, met een gedwongen lach eerder zucht dan zegt: „Eindelijk
zijn wij aangekomen!" en hoe hij toch aarzelt den veiligen wagen
te verlaten, hoewel hij, slechts een paar minuten geleden, zoo veel
haast had, en hoe hij nu, met slinkschen tred, naar den uitgang
van het station sluipt, en hoe hij niets kwaads veronderstelt in den
slenteraar daar, met de handen in de zakken, die, schijnbaar zonder
belangstelling, hem volgt, en ik hoor hem een kleinen jongen
half fluisterend den naasten weg naar de haven vragen, waar hij
eene boot zal vinden om hem aan boord van het schip te brengen,
dat morgen naar een ander werelddeel vertrekt...... en daar zinkt
de reiszak uit de onmachtige hand, — daar verbleekt het ontstelde
gelaat, — twee mannen zijn op hem toegeschoten op een wenk van
-ocr page 246-
238                       MIJMERINGEN VAN EEN TELEGRAFIST.
hem, die hem volgde, — en de wanhopige zondaar verdwijnt uit mijn.
oogen, te midden van de schreeuwende menigte, die hem op eens omgeeft.
Hoe zou het gegaan zijn, als ik het bericht had vertraagd? —
Als ik iets van dat uitvoerig signalement had veranderd? Ben ik
niet eigenlijk de man, die hem aan het gerecht heb overgeleverd? —
En zal die gedachte mij niet kwellen, als het schavot voor hem op-
gericht is ? Bah ! Ik ben maar een werktuig en men roept mij weder
tot mijne nooit eindigende taak.
Daar zijn de beursberichten voor de dagbladen, dat is een ver-
velend werk, — slechts een cijfertje verkeerd en de hemel weet,
welk onheil er gesticht wordt! Daar gaat het bericht heen, waar-
naar honderden en duizenden reikhalzend zitten te verlangen, en dat
hondïrden en duizenden wellicht rijk of arm maakt. — Maar geen
mensch denkt aan hem, die het overbrengt, en zoo ik tien dank der geluk-
kigen mis, ben ik ook tegen de verwijten der ongelukkigen beveiligd....
„Mijnheer, ik heb gisterenavond laat een bericht naar B gezond-
den; — mijn naam is A; is er nog geen antwoord?"
„Neen, Mijnheer."
De man heeft met eene stem gevraagd, die geene hoop uitdrukte;
hij slentert weg, met een gang, die onzeker en wankelend is als
zijn gevoelens; hij heeft mij niet eens aangezien; hij heeft er niet
aan gedacht, dat ik zijn geheim ken; — als hij hedenavond vóór
negen uur geen gunstig antwoord ontvangt van zijn correspondent,
moet hij zich morgen failliet verklaren.
Welk een ellende in de wereld! —• Ik gevoel mij haast gelukkige
dat ik er buiten ben; het gaat mij alles wel door de vingers, maar
er blijft niets van achter, dat mij aanraakt, — als ik het zoo be-
schouw, moet ik mij in mijn hart verblijden, dat ik een arme stum-
perd van een telegrafist ben! Waarom zou ik het mij ook aan-
trekken? — En toch als er geen antwoord komt voor dien onge-
lukkige, weet ik al, dat ik hedennacht van hem droomen zal, —
en ik kan de ziekenkamer ook niet uit mijn hoofd krijgen, — en
1 ik doorleef den eersten nacht met dien misdadiger in de gevange-
nis, — en ik speculeer in den droom op de beurs mede, en sta
morgen toch weder op om...... alweder een bericht:
„Aan den ouden heer Smits; s. v. pi. kopij per omgaande !"
Ik ben ten minste blijde, dat ik geen schrijver ben!
DE OUDE HEER SMITS.
(MARK PBAKEB I.IXDO,\'.
-ocr page 247-
SELIMA.
239
SELIMA.
(NAAR TH. GRAY.)
\'t Was op den gladden oeverkant
Van \'t porseleinen vat,
Waarin Klimeen heur goudvisch had,
Door Jesso\'s meest begaafde hand,
Met sierlijk blauw beklad,
Dat Selima, de fraaiste kat,
Op gunst van heur meestresse prat,
Met fleren hals te prijken zat,
Bij \'t levenvoerend bad.
Heur schittrend esmerauden oog,
Waaruit een zachte vonk
Der klimmende begeerte blonk,
Dat heimlijk hart en staart bewoog,
Ontsloot zich met een lonk,
Den sierlijk geschakeerden pronk,
Waarmee Natuur heur vacht beschonk,
En echt Sineeschen knevelbaard,
En fulpen ooren, waard.
Zij loerde, en zag in \'t stilstaand meir,
Dus schildrende op heur post,
In oogverblindend goud gedost.
Twee vischjens, zwemmende op en neer,
De roem van \'t schubbig heir.
Een purpren glans, zoo zacht en teer,
Als \'t zilver van de duivenveer,
Verhief dien gulden zonnegloed
Op \'t blauwen van den vloed.
Al dartiend op en onder \'t vocht,
Onwetend van gevaar,
Vermaakt zich \'t stom en weerloos paar,
Gansch buiten vrees en achterdocht,
En wordt nog niets gewaar.
Maar ijlings klieft een knevelhaar,
En fluks een ruige klauw, de baar,
-ocr page 248-
240                                                            SELIMA.
En tast en zoekt een lekkre prooi
In zulk een fraaien tooi.
AVat hart wordt door geen goud verlokt?
Wat huiskat door geen visch?
Het dier grijpt zes- ja tienmaal mis,
Door grage lust en schroom geschokt:
In \'t eind heur greep gewis,
Verlengt ze poot en nagelspits,
En rekt zich uit zoo lang zij is,
Doch glibbert van de gladde baan,
En stort in d\'oceaan.
Wel tienmaal heft zij \'t lij t weer op,
En mauwt met wijden strot,
Tot eiken dooven Watergod,
Al worstlend met het ruime sop,
Tot ze eindlijk zwicht voor \'t lot.
Geen Triton kwam van uit zijn grot,
Geen Tethys uit haar waterslot,
En Jacqueüne noch Margriet,
Vernam haar schreeuwen niet.
Alleen sloeg Lorre van zijn kruk,
De droeve Selima
Met oogen vol van wantrouw ga,
En zag heur schrikbaar ongeluk;
Doch merkte \'t niet zoo dra,
Of riep haar straks al jouwend na:
„Jouw leelijkerd!" en „ha, ha, ha!"
Een gunstling heeft, hoe onverdiend,
In \'t onheil nooit een vriend.
Maar gij, die \'t minlijk poesjen derft,
Bevallige Klimeen!
Ai, matig uw bedrukt geween;
De droefheid, die uw kaak misverft,
Behoort geen katjen, neen,
Hoe vol ook van aanminnigheen!
Maar wilt gij, richt een marmersteen
-ocr page 249-
SELIMA.
241
Op \'t graf der arme drenkling op,
Met roosjens aan zijn top;
En schrijf dan vrij op \'t lijkgesticht,
Met eigen rechterhand,
Den naam van \'t u zoo dierbaar pand,
En voeg erbij een denkgedicht,
Gesteld in dezen trant:
„Blijf, sterv\'ling, voor de lust bestand!
Zij is aan \'t wis bederf verwant.
Verlokking heeft een gladden rand;
Dus wacht u voor den kant!
W. BILDERDIJK.
DE KRACHT DES GELOOFS. (*)
(696)
„Hoort, mannen! hoort: wie Woden mint,
„Wie meed aan Fricga plengt:
„Hij schaff\' den vreemdling drank noch spijs,
„Die hier, naar sluwer Franken wijs,
„Ons vreemde zeden brengt."
Zoo sprak de Saxische Edeling,
Die heerschte op Kinnems Loo,
En, om de Goden van zijn stam,
Mistrouwde w-at van \'t Zuiden kwam,
Scheen \'t ook een vredebö.
Toen rees de nood met iedren dag
Bij Christus\' kleine schaar,
Die omging zonder schutse of dak,
Maar moedig van den Meester sprak,
Trots smaad en lijfsgevaar.
Dat was een eedle jongrenstoet,
Wel ijvrend voor den Heer:
Zij brachten, vol van menschenmin,
En blakende van Christenzin,
Zijn heilwoord heinde en veer.
Uit Kennem?rland (Uitgave D. Eolle, Rotterdam.1
16
-ocr page 250-
DE KRACHT DES GELOOFS.
242
Zij leerden \'t blinde Heidendom
Bewustzijn van zijn lot;
En hoe de weg van Christus leidt
Tot aller ziele zaligheid,
Door \'t heilgeloof in God.
Daar was een eedle Gravenzoon, a
Van \'t Nottinghamer Huis,
Maar die zijn gravenkroon en staf
Om Christus\' Evangelie gaf,
Om Christus en Zijn kruis.
Daar was een hooge Koningsspruit, ~
Een zoon van Sussex\' Heer,
Maar die met heel zijn edel hart
Een Prediker van Christus werd,
Van Christus en Zijn leer.
Ook stond er menig dorperskind
Naast d\'erfzoon van zijn Heer.
Maar allen achtten zich gelijk
Als kinderen van Christus\' rijk:
Apostlen van Zijn leer.
Een edelman was aan hun hoofd,
De keursteen in dien krans:
Hij was een Heer aan Humbers boord,;i
Maar werd een knecht om Christus\' woord:
Apostel Kenmerlands.
Thans naakte hun een felle plaag,
Een plage, lang gevreesd:
Des geestes wiek was niet geknacht —
Maar \'t lijf vroeg lafenis en kracht,
Tot sterking van den geest.
i Swithbert, zoon Sigibert, graaf van Nottingham. De broederen verkozen hem tot hun
tijdelijk hoofd, toen AVillebrord naar Rome was vertrokken om de wijding te ontvangen.
Hij stierf in 717 te "Weerdt.
2; Adclbcrt, zoon van Edilbald, Koning van Sussex, en neef van Oswald, Vorst van Xor-
thumberland. Hij overleed omstreeks 705 te Egmond, waar hij sinds als Beschermheilige
werd vereerd.
3] Willcbrord, een naam die het Christelijk hart met eerbied vervult. Hij was de zoon
van AVilges, Landvoogd in Xorthumberland. Paus Sergius de Eerste wijdde hem in 6g5
tot Aartsbisschop der Friezen, onder den naam van Clemens. Hij grondvestte het Bisdom
Utrecht, en stierf in 736 te Epternach, waar hij in de Abdij, door hem gesticht, werd begraven.
-ocr page 251-
DE KRACHT DES GELOOFS.                                  243
De male droeg nog luttel broods;
(Hun nooddruft vroeg niet veel!)
Maar ledig was de holle buik
Der uitgeschonken waterkruik,
En dorstig was de keel.
Wel spoelden meir en kreek en vliet
Den hoogen geestrug om;
Maar elke golf was zout of brak
Die speelde op stroom op watervlak,
Die op de meiren zwom.
De dag was zwoel. Geen druppel bracht
Verzachting voor hun leed.
Geen laving viel hun dorst ten deel;
En langs de dor gegloeide keel
Ging de adem brandend heet.
Maar niet een enkel morrend woord
Kwam van hun lippen af:
„Vrijmoedig is der Heeren Heer:
„Aan Hem de lof en eeuwige eer
„Hetzij Hij nam of gaf!" —
— „Ja!" sprak de Bisschop Willebrord,
Vol hooge kracht in God:
„Berusting des geloofs versterkt;
„Maar — niet gebeén slechts: ook gewerkt\':
„Dat is Zijn wijs gebod.
„\'t Geloof verzet het rotsgraniet,
„Geworteld diep in de aard. \'
„Breng hier een spade, en graaf met moed:
„Wie zegt u, dat deez\' heuvelvoet
„Geen frissche wel bewaart?"
Het koningskind greep kloek de spil,
En woelde in zode en klont;
En ziet — de grond werd koel.... werd vocht.....
\' 7
-ocr page 252-
244                              DE KRACHT DES GELOOFS.
Daar borrelde, zoo snel het mocht,
Het water uit den grond I 1
\'t Verheerlijkend „Laudamus Te!"
Klonk thans van aller mond.
Eerst God den dank uit diep gemoed:
Toen ging er, met een tranenvloed,
De waterkruik in \'t rond.
—  „Een wonder!" riep \'t verslagen volk ,
Bij hoopen saamgerot.
—  Neen !" sprak des Heeren Heilgezant :
„Neen, volkeren van Kenmerland!
„Dat is 7 Geloof in God"
W. J. HOFDIJK.
DE SAXISCHE WEEZEN.
INHOUD DER VIJF EERSTE HOOFDSTUKKEN.
Terwijl de Hunnen onder Attila Germanje verwoestend doortrokken, stierf
op het slot Wiltenburg de moedige Gerwart, de afstammeling der Saxische
vorsten, gehuwd met de zuster des Frieschen konings Uffo, twee kinderen,
den negenjarigen Berthout en de kleine Gizela, als weezen achterlatende.
Alberik en Gozo waren mededingers. Goza werd door de Adelingen tot
Hertog en Voogd gekozen. Dize liet Berthout en Gizela in den Wiltenburg
opsluiten en bewaken. Alleen de oude Trutha werd bij hen gelaten. De
twee weezen verlaten op een schoonen dag heimelijk het slot en verdwalen.
Zij ontmoetten bij een heuvel, de begraafplaats der vorsten uit Wickmans
huis, eene vrouw, wier gewaad als zilver blonk in het heldere schijnsel
der maan, die juist uit de avonddampen te voorschijn kwam.
»\'t Is de Witte vrouw, waarvan ons Trutha zoo vaak verhaald heeft,"
fluisterden de kinderen. Deze vrouw onderricht de kleinen in het geloof
aan éénen God. Middelerwijl verschijnt de goede Wolfert, een oud bediende,
door Gozo uit het slot gejaagd. Deze brengt de kinderen naar den Wil
tenburg terug. Gozo had middelerwijl Trutha uit den burcht verdreven
en deed de kinderen in een toren opsluiten.
l) Waardoor de put ontstond, die nog ten huldigen dage alom onder \'s mans naam be-
kend is. Achter het bosch van Heiloo, aan liet Egmonder-meir, heet nog een plekje : de
reekstoel : daar wil men dat de Bisschop zou gepredikt hebben.
-ocr page 253-
DE SAXISCHE WEEZEN.                                           245
VI.
Met hun ontwaking keerden echter bij Berthout en Gizela het
duidelijk besef terug van hun verlaten toestand. Hetgeen zij bij
eene vroegere gelegenheid uit het onderhoud van Trutha en Wol-
fert omtrent Gozo\'s bedoelingen hadden verstaan en onthouden,
het weinige, dat de Witte Vrouw van hem gezegd had, zijn hard-
heid jegens de oude voedster, en de maatregelen van dwang, jegens
hen gebezigd, hadden hunne kinderlijke gemoederen met angst en
verslagenheid vervuld; en zij twijfelden er niet aan, of hij koester-
de booze oogmerken te hunnen opzichte. En was het niet reeds
erg genoeg, voor kinderen van hunnen leeftijd, de vrijheid en het
gezelschap van eene trouwe verzorgster te moeten missen, om in
een oud en somber verblijf, waar zelfs het licht ternauwernood door
onbereikbare getraliede gaten inviel, van alle spelen en genoegens
verstoken te blijven? Niets verlevendigde de stilte van hun kerker,
en de uren liepen traag en treurig voort, zonder dat de kinderen,
in hunne moedeloosheid, de legerstede dorsten te verlaten, waar
zij in elkanders armen bleven zitten. Tegen den middag bracht
een dienaar van Gozo eenig voedsel, en vertrok weder zonder ver-
der een woord met hen te wisselen. Gizela, half ziek van angst
en/ van de vermoeienissen des vorigen dags, kon bijna niet eten
en Berthout, zich de waarschuwingen van Trutha herinnerende, om
niets te gebruiken, hetwelk zij niet bereid had, verduurde stand-
vastig zijn honger.
Iets later verscheen de arts, vergezelschapt van twee Adelingen,
die evenals hij, door Gozo gezonden waren om naar de gezond-
heid der beide weezen te vernemen; want de booswicht wilde,
ter afwending van alle vermoedens, de overtuiging algemeen doen
geboren worden, dat de kinderen aan eene kwijnende ziekte leden.
Daar beiden nu reeds half de koorts hadden van angst, behoefde
Vijking bij dit bezoek niet veel welsprekendheid, noch bewijs-
gronden, om aan de Adelingen die overtuiging te geven. Hij
toonde zich echter min of meer ontevreden, dat de kinderen niets
gegeten hadden, beloofde zijn bezoek den volgenden dag te her-
nieuwen, en verliet hen met hun te zeggen, dat zij een geschikter
verblijf zouden bekomen, zoodra de redenen van staat ophielden,
die hunne nauwe bewaking noodzakelijk maakten.
De dag liep even treurig ten einde als die begonnen was, en de
-ocr page 254-
246                                           DE SAXISCHE WEEZEN.
eenige vertroosting der kinderen was, om te spreken over de Witte
Vrouw en de schoone zaken, die zij hun verhaald had. Eindelijk
viel de av.ond en zij besloten den tijd zooveel mogelijk door den
slaap te korten.
De kleine Gizela was gelukkig weldra ingesluimerd; maar Bert-
hout kon deze reis den slaap niet vatten. Zijne verbeelding schil-
derde hem gedurig nieuwe gevaren; telkens waande hij gerucht te
hooren en stelde zich dan sluikmoordenaars voor, door Goza afge-
zonden, om hem en Gizela van het leven te berooven. Eindelijk
werd zijn angst onverduurbaar, want hij werd door eene bepaalde
oorzaak gewettigd: hij hoorde duidelijk voetstappen, die achter den
muur van uit de diepte schenen op te rijzen en meer en meer
naderbij kwamen; dit gerucht hield op en werd vervangen door het
krassend geluid van grendels of schroeven, die losgemaakt werden:
een deur draaide op hare scharnieren rond; de koude nachtlucht
woei binnen; geen twijfel meer; het waren de zendelingen van den
Hertog, die hun vloekbedrijf ten uitvoer kwamen brengen. Trillend
wierp hij zich voor Gizela, als wilde hij zijn lichaam haar tot schild
doen strekken en hield de oogen stijf gevestigd op de opening in
den muur. Een lichtstraal drong plotseling naar binnen; een der pi-
laren was omgedraaid en eene witte gedaante trad te voorschijn.
Maar de angst van Berthout werd in blijdschap veranderd, toen hij
in deze geen gehuurden moordenaar, maar de Witte Vrouw van
den grafheuvel herkende, en toen een tweede persoon, die met een
lamp haar volgde, hem de welkome gelaatstrekken van Wolfert
aanschouwen liet.
„Gij hier!" riep Berthout, verheugd opspringende en hij haastte
zich zijn zusje te wekken.
„Ja kinderen!" zei Wolfert, zich in de handen wrijvende, „gij
dacht, dat Wolfert u niet meer helpen kon; maar gij ziet, dat hij
trouw blijft aan de belofte om voor u te waken. Toen ik verno-
men had, dat gij in dezen toren waart opgesloten, want ik heb nog
vrienden aan den Wittenburg, die mij bericht geven, hoe het met
u staat, — toen verheugde ik mij; ik dacht bij mij zelven: Gozo
bedriegt zich, zoo hij waant, u buiten toegang te plaatsen, en hij
kon geen beter middel uitdenken om u een ongemerkt bezoek te
verschaffen en desnoods geheel in vrijheid te stellen. Deze toren,
die de oudste van den geheelen burcht is, bestond, naar mij ver-
Jbaald is, reeds ten tijde der Romeinen en strekte tot verdediging
-ocr page 255-
DE SAXISCHK WEEZEN.
247
der overvaart: en, gelijk die knapen gewoon waren, hadden zij daar
een onderaardsche gang gemaakt, die met het open veld gemeen-
schap had en hen in staat stelde om de sterkte ongemerkt te be-
zetten of te verlaten. Bij den bouw van den Wiltenberg is dit ge-
heim ontdekt geworden; doch alleen bewaard gebleven onder de
nazaten van Wichman en hen, aan wie zij het mededeelden. Wat mij
betreft, ik kende het niet, maar de oude Trutha wist het en heeft
er mij van onderricht: — en nu zijn wij langs dezen weg u komen
bezoeken, en ik heb wat voor u meegebracht, dat u, hoop ik, goed
zal smaken." Dit zeggende, opende hij een korf, dien hij onder
den arm droeg, en zette eenige spijs op tafel neer.
„O! Welk een geluk!" riep Berthout, opspringende en van vreugd
in de handen klappende: ,,ik had zulk een honger en ik dorst
de spijzen niet gebruiken, die Gozo ons gezonden had.
En beiden verkwikten zich met de goede gaven, die Wolfert hun
had medegebracht; terwijl de Witte Vrouw, zich tusschen hen ne-
derzettende, hen met welgevallen en teederheid aanzag.
Gij zijt wel goed, dat gij aan ons gedacht hebt," zeide Berthout,
haar bij herhaling de hand kussende, wij hebben ook vaak aan u
gedacht, niet waar, Gizela!
„Ja!" antwoordde deze, „maar ik heb wel altijd gehoopt, dat gij
tot ons komen zoudt: gij zijt immers de beschermster van ons geslacht ?"
„En wij hebben tot u gebeden, en gij hebt ons verhoord," her-
nam Berthout.
„Gij had niet tot mij moeten bidden, mijn engel!" zeide de
onbekende: „maar tot Hem, die ons aller lot in handen houdt, en
alleen machtig is, mijne pogingen voor uw welzijn te bekronen of
te verijdelen."
„En waar is Trutha?" vroegen op eens de beide kinderen, „kan
zij ook niet langs denzelfden weg tot ons komen?"
„De goede Trutha zal niet tot u komen; maar zij waakt en
werkt voor uwe redding," zeide de onbekende: „wacht geduldig af,
welke de uitslag van haar poging zal zijn. —• En nu, kinderen!
tracht te slapen: de rust is noodig op uwen leeftijd. Wolfert en ik
zullen voor u waken."
Dit gezegd hebbende kuste zij de kinderen en deed hen aan haar
zijde nederknielen. Toen richtte zij zich in het gebed aan den
Allerhoogste en de kinderen volgden hare woorden, schoon zij de
strekking daarvan slechts ten deele verstonden. Maar het kinder-
-ocr page 256-
248
DE SAXISCHE WEEZEN.
hart bezit een gevoel van innig vertrouwen, en het was hun, toen
de onbekende geëindigd had, alsof eene te voren nooit ondervon-
den kalmte hun zielen had ingenomen. Zij leiden het hoofd ter
rust, en de slaap bezocht weldra hunne sponde. Wolfert, op een
verborgen plaats de lamp gezet hebbende, opdat de weerschijn van
het licht niet van buiten zoude gezien worden, ging, als een band-
hond dwars voor de deur liggen en de Witte Vrouw bracht den
nacht met gebeden en stille overpeinzingen door.
— Toen de dag was aangebroken, wekte zij de kinderen. Wolfert
vertrok langs den geheimen weg, de spijzen uit Gozo\'s keuken met
zich nemende en onder de belofte tegen den avond terug te zullen
komen. In den loop van den dag kwamen de arts en de dienaar
van Gozo, die de spijzen bracht, hun bezoek bij de kinderen her-
halen ; maar de onbekende, gewaarschuwd door het wegschuiven dei-
zware grendels, had telkens den tijd zich achter den beweegbaren
pilaar te verbergen; zoodat niets hare geheime komst aan de zen-
delingen des Hertogs verraadde. Tegen den avond kwam Wolfert.
en wederom met een welgevulden spijskorf terug.
Zoo verliepen er eenige dagen. Schoon beroofd van die vrijheid,
welke vooral door kinderen zoo hoog wordt geschat, ondervonden
Berthout en Gizela echter minder verveling dan men wanen zou:
ja, er waren oogenblikken, waarin de tijd als met vleugelsnelheid
voorbijging. AVant met oordeel en welsprekendheid wist de onbe-
kende hun kinderlijke aandacht te boeien aan de schoone en be-
langrijke zaken, die zij hun van het Godsrijk verhaalde. Het zaad
des Christendoms, in hunne harten gestrooid, was in geen onvrucht-
baren akker gevallen, maar wies welig op, om honderdvoudige vruch-
ten voort te brengen.
Eens had de Witte Vrouw tot hen gesproken over de booze
geesten, die krijg voerden tegen God, en de kinderen tegen hun
verleiding gewaarschuwd; want de godgeleerden van die dagen, verre
van het bestaan der heidensche godheden of geesten te loochenen,
beschouwden deze als dienaars van den algemeenen vijand des mensch-
doms, door hem met macht bekleed om de stervelingen van den
waren Godsdienst af te trekken. Terwijl zij over dit onderwerp uit-
weidde, zag Berthout haar aan, alsof hij door een plotseling opge-
komen denkbeeld getroffen was.
„Maar !" vroeg hij, „zijn alle geesten dan boos en aan God on-
gehoorzaam?"
-ocr page 257-
DE SAXISCHE WEEZEN\'.                                            249
„Alle zonder uitzondering," was het antwoord, „want alle zijn
dienaren des boozen vijands, en deze is een logenaar en bedrieger
van den beginne af."
„Maar gij zijt toch niet boos, noch weerbarstig aan Gods wil; —
en gij zijt toch een Witte Vrouw!"
Een lichte blos verfde op het hooren dezer woorden het bleek
gelaat der onbekende. De eenvoudige vraag van den knaap door-
vlijmde haar hart gelijk een bitter zelfverwijt; want zij gevoelde, dat
zij, hoewel geen stellig bedrog hebbende gepleegd, de kinderen
echter misleid had, door hen in den waan te laten, dat zij in haar
een bovenmenschelijk wezen zagen. Wel is waar, zij had uit een
goed oogmerk gehandeld, want zij had gemeend, dat de waarheden,
die zij verkondigen moest, meerderen indruk zouden maken, wanneer
die door de geheimzinnige beschermster van Wichams huis werden
medegedeeld, dan wanneer de mond eener gewone stervelinge die
vermeldde. Maar in dit oogenblik zag zij in, dat geen doel, hoe
heilig ook, het gebruik van ongeoorloofde middelen kan wettigen en
dat het bedrog, hoe gering ook, altijd tegen zijn bewerker terugkeert.
„Kinderen !" zeide zij, na een wijl gezwegen te hebben, „ik heb
gezondigd; want ik had u voeger den waan moeten ontnemen, welken
ik bij u bespeurd heb. Ik ben niet de Wanda, de beschermster van
uw geslacht, die gij dacht in mij te zien; maar toch ben ik door
de nauwste banden aan u verknocht, en te uwer bescherming door
den Algoede gezonden. Omhelst en vergeeft mij, opdat onze He-
melsche Vader mij ook vergeven moge: ik ben de zuster van uw
vader, uwe moei Richilde.
„Onze moei Richilde!" herhaalde Gizela verheugd.
„Gij zijt dan niet door de Hunnen omgebracht?" zeide Berthout.
„Hoort, lieve kinderen!" zeide Richilde; „en aanbidt met mij den
goeden God, die mij gespaard heeft. Gij hebt ongetwijfeld wel ge-
hoord hoe ik, nog jong zijnde, aan Hermenrik, Koning der Ripua-
riërs, gehuwd werd. Daar leerde mij een vrome Bisschop het
Christendom kennen, dat ik vervolgens met hart en mond beleed.
Na den dood mijns gemaals besloet ik der wereld vaarwel te zeggen
en mij geheel aan mijn Verlosser toe te wijden. Ik dacht mijn leven
in stille afzondering te zullen eindigen! maar de Hoogste wijsheid had
het anders beschikt en mij tot nieuwe plichten bestemd. Ongeveer een
maand geleden drong de maar, dat de Hunnen in aantocht waren,
tot in de stille muren van het Andernachsche klooster door. Wij smeek-
-ocr page 258-
250                                     DE SAXISCHE WEEZEN".
ten dag en nacht voor het altaar geknield, dat God die plaag van
ons af mocht wenden; of zoo Hij voor een wijl de zegepraal der
boozen gedoogde, dat ons dan gelatenheid en kracht mocht geschon-
ken worden om de martelaarskroon te verwerven. In dien tijd van
bange onzekerheid werd de boodschap mij aangebracht, hoe uw
vader overleden was en gij als weezen overbleeft. Die tijding trof
mij diep; doch wat was nog deze ramp, bij de gevaren, die Gods
heiligdom bedreigden! Op éénmaal klonk de schrikkelijke kreet
door de stad: ,,de Hunnen zijn den Rijn o vergetrokken!" en schier
onmiddellijk daarna hoorden wij het krijgsrumoer tegen de rotsen her-
galmen en zagen wij de weerkaatsing der vlam van den door hen
gestichten brand.— Daar dreunden de mokerslagen op de klooster-
poort: en de vijanden stormden binnen; — maar ik wil uw kin-
derlijke harten niet bedroeven met een verhaal der aldaar gepleegde
gruweldaden. Al mijne zusters smaakten den marteldood, en genieten
thans bij God de ongestoorde rust der Heiligen. Ik alleen werd als
door een wonder gered en bleef ongedeerd tusschen de lijken liggen.
Toen, in die uren van benauwdheid, werd mij de wil des Heeren
kenbaar, dat ik niet sterven moest, maar dat een nieuwe plicht mij
werd opgelegd en mij in de wereld terugriep, die ik verlaten had.
Ja, dacht ik, ik moet naar Neder-Saxen gaan en het rijk Gods aan
de kinderen mijns broeders verkondigen. Ik rees op in het holste
van de nacht en geraakte onopgemerkt en onverhinderd buiten het
klooster. Niet verre beneden Andernach vond ik een verlaten vis-
schersboot: ik daalde den Rijn af, voer onbekend mijn vroeger ge-
bied voorbij en kwam in deze gewesten aan. Nu hoorde ik, hoe Gozo
aan het hoofd tier zaken stond, en eenige uitdrukkingen, hier en daar
opgevangen, deden mij vermoeden: dat men hem verdacht hield van
zich de opperheerschappij te willen toeeigenen. Ik besloot cliënten-
gevolge, omzichtig te werk te gaan, en mij vooreerst niet in het.
openbaar te toonen. Ik zocht Wolfert op, wiens trouw jegens ons
huis mij vanouds bekend is: en hetgeen hij mij mededeelde ver-
sterkte mijn besluit, in zijn stulp te vertoeven, en een poging aan te
wenden om u in \'t geheim te zien. De Almacht gaf mij het denk-
beeld in, mij op den avond na mijn komst naar de grafplaats mijns
geslachts te begeven en daar voor de zielen der afgestorvenen te
bidden. Gij vondt mij daar: — het overige is u bekend, (rij ziet
thans, door welke middelen Hij, wiens wegen onze wegen niet zijn,
zich bedient om de Zijnen tot zich te brengen."
-ocr page 259-
DE SAXISCHE WEEZEN\'.
251
Nauwelijks had zij uitgesproken, toen eenig gerucht, aan de bui-
tendeur de aannadering van bezoekers verkondigde: en slechts even
had Richilde den tijd gehad, om zich in haar schuilhoek te ver-
bergen, toen Gozo zelf, van Vijking en onderscheidene trawanten
vergezeld, de kamer binnentrad. Hij beschouwde beide kinderen, en
toen hij zag, dat zij, hoewel eenigszins ontsteld over zijn verschijning,
toch gezond en frisch voor hem stonden, wierp hij een toornigen
blik op den arts, die de schouders ophaalde; — want hij begreep zelf
niet, dat zijn giftige kruiden nog geen nadeel aan hun gestel hadden
gedaan. De Hertog zette echter zijn gelaat in een vriendelijker
plooi, en Gizela en Berthout bij de hand nemende, vroeg hij hun
,op een toon van belangstelling, of zij zich wel bevonden.
De kinderen knikten toestemmend.
„De tijd zal u hier ongetwijfeld lang vallen."
„O neen!" zeide Gizela, kleurende.
„Niet! Ik dacht, dat gij genoeg zoudt hebben van dit verblijf,
hetwelk inderdaad weinig aanlokkelijks aanbiedt, en dat gij wel
verlangen zoudt uw vorige kamer weder te betrekken en van tijd
tot tijd vergunning te ontvangen om onder behoorlijk opzicht buiten
te spelen: — indien namelijk de arts zulks niet verbiedt."
„Voor het oogenblik blijven wij liever hier," antwoordde Berthout.
„Gij weet niet wat gij zegt," zeide Gozo: „hoor! morgen zult
gij beide dit eenzame verblijf verlaten en met mij en al het volk
op den Donderberg gaan om te offeren."
„Dat doen wij niet," zeide Berthout, op een vasten toon: „wij
offeren aan geen valsche goden."
„Wat beuzelt de knaap?" vroeg Gozo verwonderd: „wie heeft hem
dit geleerd? is er iemand hier bij hem geweest? Wee over de on-
waardige wachters, die hier vreemden hebben doorgelaten!"
Al de aanwezigen zagen elkander met verbaasdheid aan.
„Hertog!" merkte eindelijk een hunner aan: „wie zou bij de
kinderen hebben kunnen doordringen! De toegang wordt nauw
bewaakt en al waren de wachters ontrouw geweest, de sleutels berusten
onder u zelven."
„Het is zoo," zeide Gozo, peinzend: „wie heeft u dan die zon-
derlinge woorden in den mond gelegd, knaap ? Is het de oude
ïrutha? Of een der dienaren uws vaders, die.....
Berthout schudde het hoofd. „Wie dan? Spreek op, gij moet ons
niet misleiden."
-ocr page 260-
DK SAXISCHE WEEZEN.
252
Berthout zweeg en zag voor zich: hij wilde het geheim van Ri-
chikle niet verraden; doch Gizela, zich alleen herinnerende wat haar
moei gezegd had, dat men de waarheid niet verbloemen moet, en
nog niet genoeg kunnende onderscheiden, om te beseffen, dat de
waarheid somtijds mag verzwegen worden, trad vooruit, en zeide :
„Onze moei Richilde heeft ons den waren God doen kennen,
en uw valsche goden verachten."
„Haar moei Richilde!" herhaalde Gozo, verbaasd: „Richilde, die
te Andernach door de Hunnen werd omgebracht! Die kinderen
hebben een droomgezicht gehad — of zij zijn ijlhoofdig."
„Bij de slangen der hel!" zeide Vijking in zich zelven, „zouden
mijn artsenijen de uitwerking hebben gehad van hen krankzinnig te
maken ? Ik moet dat onderzoeken."
„Ik ben zelf een dwaas," hernam de Hertog, mij aan dat ijdel
kindergesnap te storen. Kort en goed! Morgen gaat gij met mij
naar den Donderberg. Men zal u kleederen bezorgen, overeenkom-
stig uwen rang, en gij zult offeren aan mijne zijde. Gij hebt mij
verstaan. — En wanneer Gozo beveelt, wil hij gehoorzaamd wezen.
Berthout wilde antwoorden, en wellicht zou Gozo door verdere
ondervragingen het geheele geheim hebben uitgelokt; maar gelukkig
draaide hij den kinderen den rug toe en verwijderde zich, zonder
iets meer te willen hooren.
INHOUD VAN HET LAATSTE HOOFDSTUK.
Richilde vlucht met de kinderen langs een geheime trap naar de woning
van Wolfert. Onderweg ontwaarden zij eene groote menigte Hunnen. Hoe
waren zij zonder slag of stoot op eenmaal in het hart van Neder-Saxen
doorgedrongen ? Alberik had de hulp der Hunnen tegen Gozo ingeroepen.
Gozo werd met de zijnen geslagen. Vijking, de geneesheer van Gozo, die
na den dood van dezen, zijn schandelijke diensten aan Alberik had verpand
en hun beloofd had, de kinderen van Gerward dood of levend in zijne
macht te stellen, Vijking overviel met tien Hunnen eene hut, welke door
de inwoners uit vrees voor de Hunnen verlaten was en thans tot toevluchts-
oord strekte voor Richilde, Wolfert en Gerwards kinderen.
Terwijl de Hunnen op de weerloozen aanvielen, kwam een ruiter in
vollen draf aanrennen. Hij fluisterde den aanvoerder der bende eenige woor-
den in \'t oor : en zonder een oogenblik toevens sprongen allen te paard,
en reden spoorslags de vlakte door, Wolfert in verbazing en Vijking geheel
verbluft achterlatende. Wolfert doodt Vijking. De oude Trutha verschijnt.
Zij was naar Friesland getrokken en had koning Uffo overreed, zijn hulp\'
-ocr page 261-
DE SAXISCHE WEEZEN.                                       253
aan de weerlooze kinderen zijner zuster te bieden. Uffo plaatste zich aan
het hoofd zijner helden en overwon de Hunnen. Den volgenden dag ont-
ving de zegevierende Uffo Gerwards kinderen op den Wiltenburg. Hij biedt
Berthout de kroon zijns vaders aan. Deze weigert: toen hij in de hut
aan de heide de uitgetogen zwaarden der Hunnen zag blinken, had hij de
gelofte gedaan, zich toe te wijden aan Godes dienst en afstand te doen van
de wereld. Een Engel des Heeren was verschenen, en deed de bespringers
als kaf verstuiven.
Tot de jaren van onderscheid gekomen, nam Berthout het geestelijk ge-
waad aan en trok naar een klooster in Gallië.
Uffo bleef onverstoord in zijn nieuwe heerschappij en de naam von Neder-
Saxen verdween allengskens, om voor de algemeene benaming van Friesland
plaats te maken.
J. VAN LENNBP.
HERINNERING.
Neen, ducht niet dat ons hart, lief jongsken! u vergeet,
Schoon reeds ten derde maal, de herfstwind, in zijn waren,
Uw grafje onkenbaar maakt met afgescheurde blaren,
En immers, sinds een tweetal jaren,
Een dochtertje in ons huis uw leege plaats bekleedt.
Neen, ducht niet dat uw beeld terugwijkt uit onze oogen,
Te midden van de vreugd, die thans ons hart vervult,
Waaraan we opnieuw, Godlof! van blijdschap opgetogen,
Een aardig wichtje drukken mogen....
Neen, ducht niet, dat gij ooit vergeten worden zult.
Der oudren hart is trouw: het laat zijn kroost niet varen,
Al offren zij het Gode en leggen \'t welgemoed
Terneer in \'t donker graf, om voorts omhoog te staren;
Geen macht des doods, geen macht der jaren,
Scheidt hen volkomen van hun bloed;
Geen nieuwe vadervreugd, geen andre moedersmarte,
Geen goddelijke troost, geen bovenaardsche vree
Verdooft zijn beeltnis in dat harte,
Dat nooit zijn kindren telt, of telt de dooden meê.
Ach, \'t was me een zware gang, toen \'k, met een hart vol tranen,
Uw dierbaar lijkje bracht, waar \'t rusten zou in de aard.
Hoe lieflijk was de plek, door eikjes en platanen
En bloeiende kastanje omschaduwd en bewaard!
-ocr page 262-
254                                                     HERINNERING.
Hoe lieflijk was dat uur. Het zonlicht was aan \'t dalen,
Maar deed zijn ondergaande pracht,
Het tintlend rood, en goud, door \'t dichte lommer pralen,
En wierp zijn laatste en schoonste stralen
In de open graf kuil neer, waarin gij werdt verwacht.
Ik ben op \'t kerkhof thuis; \'k heb in die twalef jaren,
Waarin ik voeren mocht den herderlijken staf,
Er beurtelings in ieder graf
Met velerlei gedachten moeten staren,
Ik wacht er al de dooden af;
En immer was \'t mij goed, in \'t wachten op een doode.
De groene heuvlen rond te gaan,
Bij menig harde zerk en menig zachte zode
Herin\'rend, peinzend, stil te staan.
Ik zwierf er veel en lang met ongewisse treden:
Niets dan \'t geval alleen bestuurde er vaak mijn voet;
Maar, sinds dien avond spreekt het bloed,
En gaat dat kerkhofhek niet open voor mijn schreden,
Of \'kweet, waar ik het eerst die schreden wenden moet.
Dat hek!.... Mijn kind! Wanneer bij schoone zomerdagen,
Het lied des nachtegaals tot over \'t kerkhof klinkt,
Uw moeder uitlokt om te hooren wat hij zingt,
En ze aan mijn zijde treedt langs bosch en doornehagen :
Als zij dat hek genaakt, hoe zie ik haar meteen
Reikhalzend gluren door de reten,
Of zij, "door \'t hooge gras, en \'t lage lommer heen,
Een blik mocht werpen op den steen,
Dien wij zoo wèl te vinden weten.
Dan gaan wij zwijgend voort. Een zucht mag ons ontglippen,
Doch geen van beiden spreekt, zij soms de lust ook groot.
Maar eindlijk..... \'t Is genoeg uw naam moet van de lippen,
Uw naam, mijn lieve naamgenoot!
Dan schetsen we ons uw beeld, in \'t spelen, staamlen, koozen,
In dartle kindervreugd of ongestoorde rust,
Dat zachtblauw oog vol liefde en levenslust,
Die wangen frisch als lenterozen,
Dien mond, die stervend nog ons handen heeft gekust.
-ocr page 263-
HERINNERING.                                               255;
En \'s winters, als de storm daar buiten
Door witbesneeuwd geboomte vaart,
En \'t ramm\'len van de vensterruiten
Ons, met ons lief gezin, een dichten ring doet sluiten
Rondom den huiselijken haard:
Als wij omringd van al de spruiten,
Ons door de goedheid Gods gespaard —
De jongste op moeders schoot, een andere aan haar voeten
Op \'t kleine stoeltje neergehurkt —
Een derde aan vaders hart gedrukt —
Niets dan erkentnis wezen moeten
Voor wat ons oudrenhart verrukt,
Dan gaat wel nooit het oog, met innig welgevallen,
Van blij gezicht tot blij gezicht,
Of \'t hart gedenkt u, dierbaar wicht!
En zegt: Ziedaar zijn plaats; hier is hij uitgevallen.
Dan stijgt in moeders oog wel vaak een stille traan,
En vaders stem verflauwt, te midden van \'t verhalen :
Zijn kroost ziet hem verwonderd aan,
Onwetend dat hij denkt, hoe thans de bleeke maan
1 Uw graf verlicht met koude stralen.
Neen, ducht niet dat ons hart, lief jongsken! u vergeet,
Maar gij, gedenkt gij in dat Eden,
Waar gij, in Jezus\' arm, van smart noch tranen weet,
Nog soms — ik zeg niet aan ons leed —
Maar wel aan onze teederheden?
Daar weet gij met wat liefde ons hart u heeft bemind:
Een liefde, die u \'t heil der heemlen niet benijdde:
Maar, als uw Heiland riep, bedroefd en nochtans blijde
Tot u kon zeggen: Ga, mijn kind!
EEN DEUGNIET.
(Fragment.) l
Tegenover het hooid van de haven stond een armelijk huisjen,
welks uitwendige gedaante reeds genoegzaam de mate van welvaart,
die het daarin wonend gezin bezat, te kennen gaf. Voor het ge-
opend venster, op een houten ruwen zit, zat eene vrouw, bezig met
1 Met eene onbeduidende wijziginj
-ocr page 264-
256
EEN DEUGNIET.
een grove mansbroek te verstellen, terwijl zij van tijd tot tijd de
wieg, die naast haar stond, in beweging bracht, waar de jongste van
het elftal op dit oogenblik sliep. Ze was eene vrouw van eene
stevige dertig en stak ruwe en gebruikte armen uit den mouw. Hem,
dien ze aanzag met die ferme, klare, blauwe oogen, bekroop on\\vil-
lekeurig de gedachte: dat \'s een flink wijf. Menigeen, zelfs meer
weelde gewoon dan de kloeke moeder, die er thans in huisde, zou
het kluisken toch met genoegen zijn binnengetreden. De roode bakken
op den vloer waren pas geschrobd en met versch zand bestrooid;
het bracht zeker aan de frischheid, die er heerschte, niet weinig toe.
De tinnen borden op den rand der schouw glommen als zilver, en
de pullen op de spinde, die menigen barst telden, waren door de
zorg der huismoeder toch zoo geplaatst, dat de gebreken door geen
bezoeker konden opgemerkt worden. Een wit geschuurde tafel maakte,
nevens een paar stoelen met matten zittingen, het verder huisraad
uit. Alles ademde orde en reinheid en tuigde van de besturende
hand en rustelooze zorg van het huismoederken. Alles ademde vrede
en kalmte, tot zelfs de oranjekleurige poes, die zich in de venster-
bank met den opgeheven poot nette en waschte, en, als ze poosde,
haar vernoegd gespin paarde aan het gejoel en getier daar buiten,
terwijl ze met half toegenepen oog de vrouw goedig aanzag.
Die vrede zou, helaas, spoedig worden gestoord! Daar kwam
Lammert, de zoon van buurvrouw Lijsbeth, voorbij. Hij was haar
vriend niet. Zijne lange magere gedaante, zijn gluipend oog, zijn
zoete glimlach, waarmee hij altoos naar Michiel vroeg en van diens
booze streken op eene deelnemende wijze verhaalde, stuitte de moeder
tegen de borst. Zoodra zij hem nu ontwaarde, keerde zij het hoofd
spoedig om, ten einde den gewonen groet te ontwijken, maar Lam-
mert, die een nieuwsgierigen blik naar binnen had geworpen, liet
zich daardoor niet afschrikken, en kwam dichter bij.
„Is Michiel al thuis?" vroeg hij. En op den ontkennenden hoofd-
knik van vrouw de Ruiter, — bij dien naam was zij in de heele
buurt bekend, — vervolgde hij: „Hij hoefde toch niet school te
blijven. Ditmaal was hij er de eeiste uit; moest hij zelfs heengaan,
voor wij het mochten....! Dat hij zich ook nooit kan inhouden;
\'t is anders zoo\'n ferme jongen!"
„Daar weet jij niets van," klonk het achter hem, en tot Lammerts
Jiiet geringen angst stond Michiel daar.
„Moeder!" zei hij, zonder Lammert een woord meer toe te voe-
-ocr page 265-
257
EEN DEUGNIET.
gen: „ik ben het school uitgevlucht. U weet het zeker al van hem."
„Het school uitgevlucht?" herhaalde moeder Alida Jans de Ruiter.
„Ik kon het niet langer houden in dat hok," vervolgde Michiel,
die begon met zich te verontschuldigen en daarop voortging met
het geval te verhalen.
Hij verzweeg niets; of hij nimmer loog, hetwelk een bewijs kon
geweest zijn van zijn moed, of dat hij liet niet deed naast Lammert,
die toch alles wel uit zoude brengen, hij verzweeg thans niets en
bekende gulweg zijn schuld. Moeder voelde haren wrevel bedaren,
ja van tijd tot tijd een bijna niet te overwinnen trek tot een glinv
lach, ofschoon zij daarvan niets liet merken en haar man ook hierin
gehoorzaamde, die haar altoos had voorgehouden, dat de deugniet
alleen met strengheid te behandelen was, en de riem alleen nog maar
zijn vereelten rug gevoelig kon aandoen. Op dit oogenblik kon
zij hem echter niet straffen; slechts poogde zij de wenkbrauwen te
fronsen en vroeg zij: „Wat zal je vader er van zeggen?"
De knaap verbleekte een oogenblik.
„Waarom gaat de lummel niet heen?" riep hij half luid, het oog
op Lammert slaande, die hem lachend aanzag. Moeder verdroot
het bijzijn van dezen en duwde hem dan ook eenigszins ruw toe:
Dat hij heen kon gaan] en de pap roeren voor zijn moeder, die
zeker al op den uitkijk stond, waar haar zoete jongen bleef. Dit
scheen te werken, want Lammert toog heen.
Michel viel een pak van het hart. Hij behoefde nu niet langer
zich in te houden en zijn werkelijken angst te ontveinzen. „Moê-
ken," vleide hij, „zeg het vader niet; ik zal alles wel weer goed
maken en voor moeder een paar konijnen fokken, maar zeg het
vader niet....!"
Nauwelijks had hij de woorden geuit, of die gevreesde kwam
binnen, gevolgd door den beleedigden Maart Schrok. Adriaan de
Ruiter was een stoere waagdrager, die in het zweet zijns aanschijns
met zijne stevige knuisten het brood voor vrouw en elf kinderen
verdiende, en van de eerste eischte, dat zij zijn huis in oide houden
en hem het eten, dat hij verdiende, zou toebereiden, en van de laat-
sten verwachtte, dat zij eenmaal hem den last zouden verlichten
door zelven de handen te reppen. Eerlijk en vlijtig was de man,
maar daarbij streng en bekrompen. Hoe zou hij het laatste ook
niet zijn geweest, daar hij verkeerde in engen kring en leefde in
benarde omstandigheden, met het gebrek op de hielen, dat hem
17
-ocr page 266-
258
EEN DEUGNIET.
voorzeker zou inhalen, als hij die hielen niet altijd vlug in bewe-
ging bracht.
De moedwil en de speelschheid van Michiel hadden hem reeds
dikwerf tot toorn geprikkeld. Hoe zou de jongen ooit zijn steun
kunnen worden !
„Waar is de deugniet?" vroeg de vader en Michiel kende
zijn naam te goed om niet voorwaarts te treden. Het was zon-
derling, maar de jongen, die straks zoo bevreesd scheen voor
zijn vader, trad thans moedig vooruit en dorst zelfs meester uit
het schalke blauwe oog aankijken, dat de spotzucht blijkbaar deed
tintelen.
Meester was zenuwachtig aangedaan, toen hij binnentrad en den
schuldige ontwaarde. Hij bracht den arm onwillekeurig in beweging,
als tot eene kastijding gereed, en moeder, die het gebaar scheen te
begrijpen, repte zich om tusschen haar jongen en den woedenden
Maart Schrok te komen.
„Hij is de pest van mijn school!" riep meester. „Hij steekt ze
allen aan. De kinderen waren vroeger zoo stil, zoo leergierig, en
nu..." Meester poosde een oogenblik, als stond hij in tweestrijd
over de keuze zijner verven voor de schildering van het vreeselijk
heden, „en nu.... ze zijn als de zwijnen, in welke het legioen booze
geesten gevaren was; ze zijn....."
„Maar hij zal het voortaan beter maken, meester !" waagde Alida
Jans aan te merken. „Niet waar, Michiel, je belooft beterschap ?"
Michiel gaf geen teeken van leven; hij antwoordde niet, maar al
had hij het gewild, meester zou hem er geen tijd voor laten.
„Ik neem hem niet terug, vrouw de Ruiter!" hernam de meester
plechtig. „Hij heeft zich vergrepen aan mijn persoon, die hem heilig
moest zijn. Het toont zijn ganschelijk verdorven hart, dat ik niet
meer ten goede kan neigen. Stuur hem maar spoedig de wijde
wereld in, ver van huis, opdat hij ook de anderen niet aansteke.
Stuur hem naar zee !..."
„Naar zee! Zoo jong?" kreet de moeder.
Michiels oogen fonkelden.
„De zee is ruimer dan meesters school....." riep hij.
„Wie zal hem willen nemen?" vroeg de vader, die in drift ge-
raakte bij de gedachte, dat hij den kleinen booswicht den ganschen
dag thuis zou krijgen. „Luiaard, deugniet!" riep hij uit, terwijl hij
hem bij het wambuis greep en de vereelte hand met kracht liet
-ocr page 267-
EEN DEUGNIET.                                              259
neerdalen. „Ik zal je wel dwingen om beter te worden; ik zal je
boozen geest er wel uit weten te ranselen!" Eene strenge kastijding
volgde, die den jongen wel tranen van pijn, maar geene van berouw
deed storten; en toen de vader uitgeput ophield en Michiel naar
boven joeg, waar hij op water en brood zou verblijven, zag de jon-
gen, terwijl hij aan het bevel gehoorzaamde, den meester, die de
strafoefening glimlachend had bijgewoond, door zijn tranen heen,
zóó spotachtig, zóó uitdagend aan, dat Martinus Schrokkius allen
lust tot vreugde verging en hij haastig afscheid nam met de verze-
kering, dat er van dien jongen nooit iets kon komen.
Op den zolder was een afgescheiden hokjen, dat flauw werd ver-
licht door een dakvenster. Derwaarts werd Michiel gevankelijk heen-
gebracht en daar mocht hij zijn wangedrag beweenen. Of hij dat
echter deed, hoewel de tranen hem langs de wangen biggelden, mo-
gen wij betwijfelen. Soms balde hij de kleine vuist, en liep hij
stampvoetend het kamerken op en neer; meest prevelde hij in zich
zei ven en gaf hij zijne gewaarwordingen lucht in afgebroken be-
woordingen. De gevangenschap, waarin hij zich bevond, beklemde
hem weldra en werkte weldadig op zijne drift, die spoedig bedaarde
en plaats maakte voor neerslachtigheid. Hij zette zich neder in een
hoek van het vertrek, en staarde en tuurde, totdat hem de oogen
schemerden. Hij ging de spinnen na, die zich van de zoldering
neerlieten, of de duizendpooten, die zich wegspoedden langs de
daksparren; hij hoorde het geknaag van de houtwormen, en,
tot overmaat van ramp, daar buiten, het gekir, gefluit of getjilp
der vogels.
Hij kon niet meer stil zijn en heesch zich tegen de daksparren
op om het glas te bereiken, en hing daar tot hem de armen zeer
deden, altoos starende naar buiten, waar hij door het groen van
eenige boomtoppen de wijde zee kon zien. De zee! wat ging er in
dat jeugdig harte om bij haren aanblik! Hoe vaak had hij aan
het strand zijne jongensspelen gestaakt, tot groot verdriet zijne kor-
nuiten, wien alle lust ontviel, als hij niet met hen was ! Hoe vaak
had hij de enkels gebaad in het zilte nat en daarhij gedacht een
voorproef te kunnen smaken van wat het daar verre op het wijd
zoude zijn! Hoe vaak had hij de holsblokken zijner moeder ge-
kaapt en vervormd tot scheepkens, en deze, van zeil en vlag voor-
zien, langs het strand doen voortgolven en daarbij het verlangen
niet kunnen onderdrukken naar den tijd, dat hij wat verdienen zou,
-ocr page 268-
2Ö0
KEN DEUGNIET.
om dan den opgetuigden klomp te kunnen wapenen en ter zee een
slag te kunnen leveren, zooals hij het vaak met de jongens op het
land had beproefd! Hij, die te dom scheen om het aantal Bijbel-
boeken van buiten te leeren of de koningen van Israël en Juda te
kunnen opzeggen, had van de stad-compagnieën de commando\'s
afgezien en wist zijne kameraden in het gelid en in het vuur te
brengen, even goed als de hopman der schutterij; luisterde leerbegierig,
en zonder moede of mat te worden, naar de verhalen van Petervaêr,
een oud matroos, die van koperkleurige Javanen en koolzwarte Afri-
kanen en roodhuidige Indianen wist te vertellen, en de harten zijner
talrijke toehoorders wist te doen bonzen bij zijne berichten aan-
gaande monsterachtige hagedissen, leeuwen, tijgers en olifanten.
Al wat hij gezien en gehoord had, kwam hem dit oogenblik weder
voor den geest, en bezig met daarover na te denken, had hij het
binnentreden van moeder Alida niet vernomen, die niet weinig ver-
wonderd was hem hangende te vinden aan de balken. De goede
vrouw schudde het hoofd.
„Is dat leeren wat vader je heeft gezeid?" vroeg zij.
Michiel antwoordde niet; en toen moeder hare vraag op den-
zelfden goedigen toon herhaalde, schudde hij ontkennend met het
hoofd.
„Ik breng je wat eten, kind!" vervolgde zij. „Ofschoon hij, die
niet werken wil, ook niet eten mag, dacht ik toch dat je honger
zoudt hebben. Je hebt het niet verdiend, Michiel!"
De knaap kwam bij deze woorden naar beneden zakken en stond
met neergeslagen oogen voor zijne moeder.
„Michiel, als al je broers en zusters zoo waren als jij, wat zou
er dan van mij worden ?" vroeg zij.
Michiel vloog op haar toe en sloeg zijne armen om haar hals en
en kuste haar. Door zijn tranen heen snikte hij: Ik zal voor u
werken, moeder; toe, laat mij voor u werken!"
Moeder sprak nog lang met den knaap, en zou bij hem alles zijn ver-
geten, indien het geschrei van haar jongste haar niet hare andere plich-
ten herinnerd had. Het gevolg van het hier gehouden gesprek was, dat
Michiel binnen veertien dagen in de lijnbaan van mijnheer Lampsens
het wiel draaide en hennip hekelde met rappe hand, maar toch met
een... loom hart. Dat werd echter vergeten, toen hij moeder Zater-
dags \'s avonds zijne veertig duiten, het eerst gewonnen loon, thuis
bracht.
-ocr page 269-
2ÓI
KEN DEUGNIET.
Eens, het was een bewolkte lucht, en zelfs bij het raam der
schuur, waarin hij zat te werken, bijkans schemerdonker, scheen
hem de werkplaats te benauwd. Hij had al geruimen tijd geluisterd-
naar het gieren van den wind en berekend, dat er vloed zou loopen
en het prettig zou wezen op het strand. Hij had een blik op de
zee geworpen, die hij even door het raam kon zien, stond op en
verzon een reden om naar buiten te gaan. Daar stond hij naar
boven te gluren en te turen, alsof hij de drijvende wolken een strijd
zag voeren, waarvan hij de ordening en het doel begreep, toen hij
eensklaps opschrikte door een tik op den schouder en zijn ouden
schoolkameraad Joost, den lobbes, herkende.
„Dat \'s een ander leven hier als buiten," zei Joost meelijdend.
Lammert, zwarte Jan en al de anderen zijn er. Kom, ga mee!"
„Ik mag niet, ik wil niet"
„En waarom wil je niet? Het is een Woensdagachtermiddag en
in dat hok zeker zoo donker, dat je er niets ziet. Jongen, buiten
is \'t nu zoo lekker! We zijn nu klaar met de stokken. Maar wie
zal er hopman wezen? Lammert zeker, nu jij er niet bent....."
„Lammert? dat nooit!" riep Michiel in drift, terwijl hij diep adem
haalde. „Maar hij is immers bij het timmermansgild en op zijn
werk ?"
„\'t Mocht wat. Hij meldde zich ziek, de oolijkert! Hij ging met
de koorts heen, maar loopt nu als een konijn langs het duin. Doe
jij ook zoo."
„Neen, dat niet. Maar ik ga met ie," zei hij na een oogenblik
van beraad. „Gauw, kom!" en als was hij bang, dat hem zijn be-
sluit berouwen zou, nam hij hem bij den arm en ijlde heen.
Beide vrienden waren spoedig de stad uit, en nauwelijks op het
vrije veld, of er ging een kreet op uit het midden der jongens, die
er in slagorde waren geschaard. „Zwarte Jan," of liever -Jan Com-
pany, want de eerste naam was een bijnaam, door de kornuiten hem
gegeven, vergat het bevel van den hopman en vloog het o;elid uit
en Michiel te gemoet, met den uitroep: „Michiel, braaf gedaan,
goede jongen! Je beter roepen kunt dan hij, de slungel....."
De neger was op een schip van de Compagnie herwaarts gekomen
en stond op het punt om weer als hoog bootsman scheep te gaan.
Hij was altijd het voorwerp van veler nieuwsgierigheid en ook van
veler spot. Behalve zijn gelaatskleur had hij nóg een gebrek in de
oogen des volks — hij kon het Neerduitsch slecht spreken. De
-ocr page 270-
262
EE.V DEUGNIET.
naïevitëit iler gedachten, de kinderlijke eenvoud van den knaap,
kwam er echter des te beter door uit. De kennismaking met den
jongen Michiel, die bijna altijd bij Janmaat zat, was voor Jan Com-
pany een groote aanwinst — hij kreeg een vriend en in dien vriend
een beschermer.
Argeloos had Zwarte Jan Lammert zwaar beleedigd. Hij kon
maar niet begrijpen, dat hij niet herhalen mocht wat een ander zoo
dikwerf zei zonder te kwetsen. Hij had Lammert zoo vaak den
langen slungel hooren noemen, dat hij onvoorzichtig genoeg was om
het na te volgen, en dit juist op een tijdstip, dat Lammert alles
behalve Christelijk gestemd was, bij de nadering van den jongen,
die hem zeker uit zijn bevelhebberschap kwam stooten. Lammert was
echter slim genoeg om zijn woede voor een poos te ontveinzen en
Michiel mede met een soort van vreugde te gemoet te loopen.
„Ik dacht je aan het wiel! Je waart in de laatste dagen toch wat
werklustig, en je liet het wiel braaf snoeren..... als de baas er was!"
Michiel zeide Lammert op zoeten toon.
„Ik was ook gezond, ik heb ook nog nooit de koorts gehad,"
beet Michiel hem toe. Lammert wendde zich af. „Jongen" vervolgde
gene, „nu de slag bij Nieuwpoort! Ik ben Prins Mouring en Lam-
mert zal de Aartshertog wezen, de lange Spanjool, die smeer krijgt."
Had hij nog lang het kloppen van zijn hart gevoeld en een stem
gehoord, die hem zijn ongeoorloofde zucht naar het vrije verweet,
thans was hij alles wat achter hem lag vergeten en zag hij niets
dan de zee aan zijne rechter- en zijn leger aan zijne linkerhand:
Het deed goed, hem, den armoedig gekleeden knaap, in zijne
geestvervoering te zien, de oogen te zien glinsteren, de voeten te
te zien trappelen, de stemme te hooren verheffen tot een luid bevel,
dat door allen gehoorzaamd werd. Wel geschiedde het niet, bij allen
met dezelfde snelheid en gewilligheid, maar niemand durfde toch na-
laten wat hij zei.
Lammert en den zijnen werd de legerplaats in de vlakte aange-
wezen, terwijl Michiel en zijne partij een duintop bezette. Aan de
de stokken werden doeken geknoopt en het gevecht nam weldra een
aanvang. Het terrein was in het voordeel van Michiel, wiens leger-
bende echter minder talrijk was en daarom zijn onderhoorigen wij-
selijk beval, zich tot eene verdediging te bepalen. Lammert gaf van
zijn kant het teeken tot den aanval; hij liet den voortocht aanrukken,
maar bleef zelf met eenige der sterkste jongens in de achterhoede.
-ocr page 271-
263
EEN DEUGNIET.
Terwijl de beide gelederen slaags waren, sloop Lammert met eenige
jongens achter eenige struweelen weg en poogde ter zijde van het
duin te komen en den vijand in den rug aan te vallen. Michiel,
die in het heetste van het gevecht was en reeds menigen stok-
slag gegeven of ontvangen had, merkte het niet op; maar Zwarte
Jan, die gevraagd had het vendel te mogen bewaren, spiedde des
te scherper en zag weldra eene verdachte beweging in het struweel.
„Twee, drie koppen daar... Michiel... oppassen... zeg ik... die jongens
hier naar toe sluipen!"
Lammert, die zich ontdekt zag, achtte alle voorzorg langer over-
bodig en dacht door snelheid nog te kunnen winnen wat hij niet
meer door list verkrijgen kon. Hij rende door de struiken heen,
den heuvelkling op, en bereikte het vendel, eer Michiel, die den
vijand overhoop had geworpen en de vluchtenden vervolgde, eenige
der zijnen uit het slaggewoel kon doen terugkeeren. Lammert had
zijn heir een spoedige vlucht bevolen, ten einde zijne wederpartij
naar beneden te lokken, en zag alzoo zijn voornemen reeds ten deele
gelukt.
Hij vond echter een geduchte tegenweer in Zwarten Jan, die
het vendel met leeuwenmoed verdedigde, zijn pet als een kogel den
aanvaller in het gezicht smeet, voorts zich van zijn wambuis ontdeed
en daarvan een wapen maakte, waarmee hij rechts en links den
vijand van zich afhield.
Misschien had de goede jongen ook zijn broek het voorbeeld van
het wambuis doen volgen, indien Lammert hem niet genaderd en
met zijn beide medehelpers te lijf ware gegaan. Zwarte Jan kreeg
het te benauwd. „Geef je over, kardoes I" riep Lammert, en toen het
antwoord niet spoedig kwam, regende het vuistslagen op het gloeiend
gelaat van den neger, aan wien de overwinnende, maar onedele
vijand een soort van wrok schesn te willen koelen. Zwarte Jan,
verbitterd door de mishandeling, die hij niet tegen kon gaan, spande
alle kracht in om zich goed te houden en wilde zijn vijand het
genot niet gunnen hem overwonnen te hebben. Hij wou zich
daarom niet overgegeven, schoon hij op den grond lag onder drie
stevige jongens.
„Lafaards!" kreet hij woedend. ,,Ik..... éen tegen drie... Niet
overgeven!"
„Dat zullen we je anders leeren, leelijke moor, dat zegt je de
slungel, hoor!" riep Lammert.
-ocr page 272-
264
EKN DEUGNIET.
Zijne bondgenooten vonden het spel echter nu wat moorddadig,
en spraken er van, het niet verder voort te zetten. Zij zouden het
ook niet kunnen, al wilden zij het ook. Michiel had de spits der
zijnen en de overwinning prijs gegeven, toen hij Jan (Jompany alleen
zag ; hij was hem ter hulpe geijld, en zijne vuistslagen hagelden neer
op het hoofd van Lammert en de zijnen. Toen hij Jans toestand
bespeurde, werd zijn drift woede en beet hij Lammert toe: ,,Dat\'s je
waardig, slungel! Afrekenen zullen we!" en hij hamerde weer op
koppen en schouders. Aller aanval werd nu jegens hem gekeerd.
Eén bleef Jan onder houden, maar de twee anderen begonnen Mi-
chiel te bevechten en, hoe dapper hij zich ook verweerde, hij viel.
Hij knarste met de tanden bij deze schande en verzamelde al zijne
krachten om zich omhoog te heffen. Hij hoorde het gekerm van
Zwarten Jan, hij voelde de vuistslagen op zijn eigen schedel, hij zag
zijne bestrijders niet meer. Hij wist zich om en om te doen bui-
telen, en op die wijze de aanvallers even te doen deinzen; en richtte
zich toen, hoe wist hij zelf later niet meer te verklaren, op. Op hetzelfde
oogenblik kwam er hulp opdagen. Zwarte Jan werd ontzetj de slungel
met zijne bondgenooten gevangen genomen, en na het spannen van
een vierschaar veroordeeld om hun straf te hooren bepalen door
Michiel.
,,Lammert zal met mij vechten," zeide deze, terwijl hij de mouwen
van zijn hemd opstroopte. Het wambuis lag reeds lang op den
grond. Lammert evenwel bedankte, de builen aan zijn hoofd zwollen
hoe langer hoe meer en waren een welsprekend bewijs van de kracht
van Michiels vuisten, die hij niet ten tweeden male wilde voelen.
Hij rende weg onder het gejouw der jongens, die, thans weder in
één kamp vereenigd, weldra als een heir optrokken naar de stad,
waar zij voornemens waren in zegepraal hun intree te doen.
Moeder de Ruiter zat in haar huisken, vernoegd en tevreden, dat
zoo veel, wat haar bezwaard en bekommerd had, zoo gunstig was ge-
keerd. Er was meer vrede in huis, nu de deugniet er minder was, die —
zij wou het zich zelve nooit bekennen —• haar toch zoo lief, ja de
liefste was van al haar kinderen. Zij wist ook wat hart er in dien
jongen stak, hoe zacht hij was voor een zacht woord, hoe veel hij
hield van zijn moeder, en zoo\'n jongen kon niet slecht wezen, wat
meester schrok ook beliefde te beweren......
Haar gepeins werd afgebroken door een grove vrouwestem.
-ocr page 273-
EEN DEUGNIET.                                              265
Buurvrouw Lijsbert stak, de armen over elkaar geslagen, het
hoofd naar binnen. „Goó dag, Aal! \'t Is warm, hé?" Heb jij je
avondstuk al klaar ?"
„Neen," antwoordde deze, „maar mijn man komt niet thuis, die
heeft het te druk voor de brouwerij, en Michiel zit in de lijnbaan."
„Zoo, is hij weer aan \'t werk?" klonk het eenigszins verrast uit
Lijsbets mond. „Nu, mijnheer Lampsens is wel goed. Heeft hij
hem weerom genomen, dien rouwen klant, want dat is hij."
Alida Jans de Ruiter boog het hoofd, en het ge\'aat kreeg iets
pijnlijks. „Ja, Lijsbet!" sprak ze, „\'t is een wilde kleuter, maar er
is toch veel goeds in hem."
„Nu ja, als jij, zijn lijfelijke moeder, hem ook afviel, dan was hij
van allen verlaten. Toch, Aal! ik beklaag je, dat doe ik waarach-
tig. Je houdt je goed, maar ik weet, dat het je niet in je koude
kleeren gaat zitten, als de deugniet zoo huis houdt. Maar je bent
veel te goed op hem! Ik zou hem wel klein krijgen — ik lei er
den stok op."
„Ja, dat is het rechte met hem......! dat moest je eens doen !
Kijk, Lijs! hoe veel de jongen ook van me houdt, als ik hem sloeg,
hij......"
„Nu, dan is me Lammert toch een andere jongen, hij doet zijn
dingen goed en wijkt geen haar van den rechten weg af. Wat je
hem zeit, doet hij ook, en \'t is een werkezel tot in zijn hart en zijn
nieren."
Alida Jans zuchtte; wat buurvrouw vertelde van haar zoon, kon
ze op Michiel niet toepassen. Een soort van jaloezie ontstemde haar
en eenigszins wrevelig beet zij de gelukkige toe: „Maar met dat al
heeft Michiel een hart zooals er weinigen hebben — iets stouts, weet
je; — dat heeft hij bewezen, toen hij den toren tot aan het puntje
opklom, en zonder iemands hulp weer omlaag kwam, dat een stuk
was, waar zelfs de schout van gesproken heeft. Mijn man zeit
altijd, dat het een goed teeken is in een jonkman, maar dan moet
je rijk en nobel wezen; och arm! wij zijn van de smalle gemeente,
dat \'s nu \'t ongeluk van den knaap. Daar zit bloed van me vader
zaliger in! Die was een knap en stout soudenier, weet je, en heeft
er menigeen van de Spanjools van het paard doen tuimelen. Geen
van Dirk Duivels knechten spanseerde zoo op zijn draver — daar-
om werd hij altoos de Ruiter genoemd." Ze werd warm en dwaalde
af, zooals de goede vrouw altoos deed, als ze van de ouwe tijen op-
-ocr page 274-
266
EEN DEUGNIET.
haalde. Lijsbet, die het relaas zeker dikwijls had aangehoord, en
wat ongeduldig werd om ook eens aan het woord te komen, bracht
haar spoedig weer op den rechten weg, door de vraag: „Maar
waarom laat je den jongen dan niet dienst nemen? Onze Prince
Mouring zal hem wel willen hebben."
„Spreek er niet van," viel de beangste moeder in. „Neen, God-
dank! daar is hij nog veel te jong voor...... Zijn vader heeft er
ook zwaar op tegen, weet je, want die heeft het niet op het landvolk,
die waaide vroeger op zee rond, en daar af, geloof ik, is de jongen
zoo mal op het water."
„Nu, Aal! ik zou hem laten gaan; daar komt toch niets van
hem, als hij hier blijft......"
„Dat zegt jij," antwoordde Alida half bits, half weemoedig, „jij
bent hem vreemd, maar al was je Lammert een slechterd, een dief
— het is toch je eigen en je zoudt toch bedroefd wezen tot in je
ziel toe, als hij het zeegat uit moest, ver op het wijd, en hem niet
meer zien of met hem praten mocht, al was \'t dan ook maar in
zijn slaap. En toch, Michiel is geen slechterd, geen dief!"
„Nu, dat zeg ik ook niet," sprak de andere plooiend en hare
vroegere woorden vergoelijkend. „Ik wil er niet in spreken, maar
ik moet je toch zeggen, dat het een schande is voor de buurt, dat
je je jongen zoo laat verslingeren. Daar heb je nu de meester, een
knappe vent, hoor je, die mijn jongen lezen heeft geleerd, en schrij-
ven en rekenen, en zei dat het een bolletjen was, heeft hij Michiel
niet weg moeten jagen, omdat hij een botterik was en een kwanse-
laar? In school kon je hem bijna nooit vinden, maar altoos aan
het strand, waar hij zijn holsblok liet dobberen als een vlieboot, of
ruzie zocht met de jongens; maar mijn Lammert......"
„Jou Lammert" kreet Alida Jans in woede, „is een bleeke melk-
muil, die de kat in donker knijpt, en al wat mijn jongen doet, ziet
het licht, weet je, daar hou ik van; op dat gluipen en sluipen heb
ik het niet, en mijnheer Lampsens denkt er ook zoo over, want die
ziet den jongen wat door de vingers, en die houdt veel van hem,
veel meer dan van den ander."
Het had een hevige kijfpartij kunnen worden, als het getier van
een hoop jongens, dat zelfs de geheele haven in opschudding bracht,
Lijsbet niet het hoofd wenden en Alida nieuwsgierig had doen op-
rijzen, terwijl zij tersluiks een traan wegveegde, dien zij buurvrouw lang
genoeg had verborgen. Zij hief de klink der deur op en trad naar buiten.
-ocr page 275-
EEN DEUGNIET.                                              267
Te midden van een hoop, met stokken gewapend, waarvan eenige
in de hoogte geheven, met mutsen en doeken prijkten, en de stan-
derds schenen van een optrekkend vendel, bemerkte het starend
oog van Alida, die door een angstig voorgevoel werd gekweld, haar
zoon Michiel naast den neger, algemeen onder den naam van Jan
Company bekend.
Alida ontsnapte een kreet van pijnlijke verrassing, in eeno ogopslag
vermoedde zij de waarheid. Michiel, dien ze in de lijnbaan van
den Heer Lampsens werkzaam dacht, was dus de oude kuren weer
begonnen, en had zeker aan het hoofd van zijn kornuiten, die hem
liefhadden of vreesden, weer de eene of andere kloppartij geleverd.
„Ach God!" zuchtte zij, en in haar angst wist ze niet wat te
doen — hem te gemoet snellen om te tuchtigen, of in huis gaan
en zich voor aller oog verschuilen.
Lijsbet, die spoedig bemerkte wat er gaande was, ondervond eene
mengeling van blijdschap en droefheid. Zij zag haar zoon daar
niet bij; die was zeker aan zijn werk.
In moederlijken trots hief zij het hoofd op, maar een oogenblik
later zag zij Alida aan en las in hare oogen zooveel smart, dat ze er
naar van werd en den glimlach, die om haar lippen speelde, be-
dwong. Toch streelde het haar voor een poos, dat ze nog kort
geleden de waarheid had gesproken in het woord: „daar komt toch
niets van, als hij hier blijft." Zij kon zich niet weerhouden even
een half zegevierenden blik naar buurvrouw Aal te werpen, die het
bemerkte, en thans, besloten wat ze doen zou, in huis trad en de
deur dicht wierp.
Inmiddels kwam de stoet nader en hield, helaas! vlak voor Ali-
da\'s woning stil, terwijl het gejuich verdubbelde, dat zich thans voor
moeders ooren oploste in: „Hoezee Michiel!" Plotseling was ech-
ter alles stil en Alida, die snikkend naast de spinde was nederge-
vallen en het\' gelaat verborg met de slippen van haar mouwen,
stond, nieuwsgierig naar de oorzaak er van, op, en trad ter sluiks
naar het venster, dat Lijsbet verlaten had. Zij zag den heer Lamp-
sens, die aan het havenhoofd zich bevond bij het lossen van eenige
zijner schepen en op het gejoel was afgegaan, bij den hoop, hoorde
hem de wilde jeugd straf vermanen, uit elkaar jagen, en ten laatste,
de klink van haar deur in de hand, Michiel gebiedend in huis
wenken. Eenige jongens gehoorzaamden en dropen af, de meesten
bleven, en daaronder de neger, die Michiels linkerhand vast hield.
-ocr page 276-
26S
EEN DEUGNIET.
„Rouwe kornuiten," zoo klonk het uit den deftigen mond, „moet
ie zoo de schrik wezen van je ouders en rebellie brengen op \'s Hee-
ren straten! En jij, jonge deugniet — het drong Alida door merg
en been, want het gold haar Michiel — je groeit op voor galg en
rad en zulk een wil ik niet onder mijn werkvolk."
Alida kon het niet langer harden. Zij trok de deur open en
stond met rood bekreten oogen en gevouwen handen voor den ver-
bolgen koopman: „Drijf zoo niet, mijnheer Lampsens! Och! ik
weet niet wat ik zeggen zal in mijn desperatie!......"
De koopman had een goed en vroom hart, maar verdroeg geen
losbandigheid. Hij, de door praktijk gevormde man, die een zelf
gewonnen vermogen bezat, kon weten hoe kostbaar de tijd is, en
hoe noodig de orde en de arbeid. Wat hij van zich zelven eischte
vroeg hij even streng van anderen, en hoe hem ook de geest, vlug-
heid en stoutheid van Michiel Adriaanszoon hadden ingenomen, die
eigenschappen, welke bij hem hoog stonden aangeschreven, konden
hem de oogen niet doen sluiten voor de wild- en woestheid van
den straatslijpenden en ordeloozen knaap.
Bewogen door de smeekende blikken der moeder, die zoo wei-
sprekend haar hartewee te kennen gaven, keerde hij zich tot haar
en ging zachter voort:
„\'t Doet me leed; moeder ! dat ik zoo\'n straffe vermaning moet
houden, maar die deugniet......."
„Die deugniet mijn vriend is," viel de neger driftig in.
Er moest zeker iets gewichtigs zijn voorgevallen, dat hem, den
nederigen knaap, moed gaf een heer als Lampsens was in de rede
te vallen. Het gejaagde in zijne bewegingen, het zenuwachtig tril-
len, toen hij daar aan Michiels zijde stond, bevestigden dat ver-
moeden en het werd zekerheid, toen hij vervolgde:
„Hij slaag heeft gehad voor mij, hij gevochten heeft voor mij,
tegen twee, tegen drie; hij geen deugniet is, maar een goeje jongen."
Moeder Alida wou hem wel om den hals gevlogen zijn; zij vergat
dat hij zwart was en riep hem toe: „Toe, Jan, vertel dat aan
mijnheer; ik wist het wel....... Michiel is geen slechterd."
De troep was van tijd tot tijd vergroot, en de heer Lampsens,
dien het verdroot in het midden van een hoop jongens, als aan-
voerder van een straatschenderij te blijven staan, en toch om den
wille der moeder en, laat ik rechtvaardig zijn, ook om dien van den
jongen het fijne van de zaak wilde weten, wenkte beiden in huis.
-ocr page 277-
269
EEN DEUGNIET.
Hij kon het niet verhinderen, dat vrouw Lijsbet en eenige der
grootste knapen mee naar binnen slipten.
„Wat zie je er uit!" riep Alida, toen ze binnen waren. Ze had
het in het eerst niet op gemerkt, want de smart over zijn wangedrag
had haar dat doen vergeten." Jongen! je ziet er uit als een slons,
haveloos als een bedelaar, kwaje jongen!"
Terwijl ze die woorden sprak, dacht ze minder aan de oorzaak
van dien toestand, dan wel aan het gevolg. Hoe zou zij hem weer
opknappen? Ze was er niet een, die een volle tasch had en maar
een ander wambuis kon koopen, in plaats van het nu aan flarden
gescheurde, dat al zoo dikwijls was gelapt!
Hij, wien dit alles gold, stond minder neergeslagen en bedeesd
dan men denken zou. Hij sloeg zijn glinsterende oogen misschien
wat al te vrij in het rond, en had nu eens mijnheer Lampsens, dan
weer zijn moeder aangezien. De knaap was niet groot, maar wel
breedgeschouderd voor zijn leeftijd; zijn gestalte had iets ineenge-
drongens, dat kracht te kennen gaf. Zijn vereelte handen tuigden,
dat hij ze roeren moest, maar het ook kon, en bewezen de waarheid
van het gezegde zijner kameraden, dat hij „pootig" was. Die indruk
werd niet verstoord door het breede voorhoofd en de hoogroode
wangen, waarover een bruine tint lag — een bewijs dat hij zich nooit
te lang van de buitenlucht speende. De muts schuins over de bruine
lokken gaf hem iets los en bevalligs, dat vereenigd met zijn schal-
ken oogopslag, ieder die hem onbevooroordeeld aanzag, voor hem innam.
Op dit oogenblik waren de wangen nog rooder gekleurd dan ge-
woonlijk en gutste het zweet hem van het voorhoofd. De toestand
van zijn wambuis wettigde de klacht zijner moeder, want de linker -
mouw was halverwege uit het armsgat gescheurd; en zijn rug, met
slijk bedekt, toonde dat de worsteling zelfs voor den overwinnaar
hachelijk was geweest. Hij hielde de handen thans in de wijde
broekzakken verborgen, uit een van welke een stuk getaand touw
te voorschijn kwam.
Misschien had de rustige houding van den knaap gedurende de
boetpredikatie van den heer Lampsens, wel het meest er toe bijge-
dragen, om dezen mede naar binnen te doen gaan en op het ge-
zegde van den neger, aan Michiel te vragen : „Was is er dan gebeurd ?"
„Mijnheer! mijn vriend Jan hebben ze verradelijk aangetast en
dat heb ik ze betaald gezet — ze zullen het niet weer doen." De
toon van den jongen, waarop hij dit zeide, was zoo vast en bepaald,
-ocr page 278-
270
EEN DEUGNIET.
dat het den vrager verbaasde. • Moeder Alida deed het goed. Lijsbet
mompelde: ,,\'t Is toch een brutale jongen, maar mijnheer zal \'t
hem wel verleeren."
„Zacht] wat, knaap!" begon de heer Lampsens streng, ,,je spreekt
of je een goede daad hebt verricht......"
„Voor mij gevochten tegen twee, tegen drie," viel Jan Company in.
„Als je stil aan het wiel waart gebleven," hernam Lampsens,
„was dit alles niet gebeurd. Denk je, dat ik je in dienst genomen
heb om langs den weg te slenteren en je vrinden, de .straatslijpers,
te kloppen ?"
„Mijnheer!" antwoordde Michiel, „ik kan het niet helpen, maar
de baas, die me vlak aan het raam zette in de lijnbaan. Weet u,
mijnheer! daar moest ik wel naar buiten zien en het woei een stevige
bries en daar zag ik het water — toen kon ik niet langer draaien.....
Ik ging heen, en op het strand vond ik Lammert, den ooievaar
heeten ze hem, omdat hij zulke magere beenen heeft, krek als zijn
moeder, de lange Lijs, weet u......"
„Wat durf je zeggen, vlegel!" borst Lijsbet, rood van toorn uit.
„Dat zul je me waarmaken......! Lammert was op zijn werk, leu-
genaar!" en ze strekte de hand uit om haar woorden van een strenge
kastijding verzeld te doen gaan.
Michiel was in \'t eerst wat onthutst, dat de lange Lijs zoo in de
nabijheid was; maar toen hij hare verdachte beweging zag, deinsde
hij een voetstap achteruit, en voerde haar dreigend te gemoet: „Raak
me niet aan, hoor je, of je krijgt van het pak van je zoon."
„Wat, heb je dien geranseld?" riep ze buiten zich zelve van woede,
en stoof op hem toe.
Alida hield haar echter tegen: „Buurvrouw! sla hem niet."
Moede van \'t gekijf maakte de heer Lampsens zich gereed te
vertrekken. Hij wendde zich nog eenmaal tot den knaap: „Vraag
die vrouw vergiffenis —• gauw!"
„Dat doe ik niet," antwoordde Michiel besloten. „Lammert heelt
mijn vriend Jan uit wrok geranseld; ik heb geen kwaad gedaan."
„Kom me nooit weer onder de oogen," beet mijnheer Lampsens
den driftig geworden knaap toe, dien Jan Company op het punt
stond te helpen.
„Ga niet, mijnheer!" riep Alida. „Ik vat wel dat Uwe hem niet
weerom nemen wilt — och God, hoe zal zijn vader wezen!" ze
weende bitter.
-ocr page 279-
271
EEN DEUGNIET.
Michiel zag nauwelijks hare tranen of hij vloog op haar toe :
„Schei uit, moeder! schei uit — och wees niet boos op me," sprak
hij vleiend, terwijl hij haar hand zocht te vatten.
Ze weerde hem af. „Werken," snikte zij, „armoe lijden is niets,
maar zoo\'n jongen!...... Och Heere God, dat \'s hard!"
„Moei Lijsbet!" stamelde Michiel, terwijl hij eensklaps naar deze
toeschoot, „mijn moeder denkt dat ik schuld heb. Moei Lijsbet!
straf me, sla me weer, omdat ik je Lammert geslagen heb, die me
vrind Jan sloeg......sla maar toe," en hij bood haar zijn rug.
Lijsbet sloeg niet, want ze was verbaasd. Ze dacht, dat de
jongen dol was. Mijnheer Lampsens scheen het echter beter te
begrijpen, want hij mompelde: „er zit toch in dien jongen wat in."
— „Moeder!" ging hij voort zich tot Alida keerende, „droog je
tranen; ik zal het nog eens met je zoon wagen. Nog ééns, maar
dan ook geen pardon meer. Jongen! het is een slecht kind, dat
zijn moeder doet schreien, maar het berouw kan veel goed maken.
Beloof me, dat je voortaan je schappelijk zult gedragen en je kunt
morgen weer aan de lijnbaan komen."
„O mijnheer! wat een pak neemt uwé van me hart. Toe, Michiel,
bedankt mijnheer I"
Michiel scheen maar half voldaan. Hij was blij dat zijn moeder
haar tranen droogde, maar naar de lijnbaan...... Toch wou moeder
het hebben — stamerend, bracht hij zijn dank uit.
„Beloof je beterschap?" vroeg Lampsens nogmaals.
„Mijnheer! u moet me maar diep in de lijnbaan zetten, waar ik
niets zie dan huizen," was het antwoord.
De heer Lampsens dacht nu de kans gunstig om op het gemoed
van den knaap te werken; hij hield hem het onvoegzame van zijn
gedrag voor, zei dat hij zijn daggeld tot zijn straf verminderde tot
op een halven stuiver, maar dat, zoo hij zich tot Oogstmaand goed
hield, hij het merken zou in zijn loon......
Moeder sprak met haar oogen en gebaren onder die predikatie mee.-
Ze dacht alles gewonnen — de knaap scheen zoo aandachtig te
luisteren, al dwaalden zijn blikken ook van tijd tot tijd het raam\'
uit. Eensklaps echter, terwijl mijnheer Lampsens juist hetroerendst
van straf en belooning sprak, scheen hij alles en allen te vergeten;
want met een kreet van verrassing, sprong hij naar voren: „Kijk,
Jan!" riep hij den neger toe, „daar heb je den kotter van Krijn.
Wat reeft hij zijn zeilen; \'t is of hij bang is voor de bries!"
-ocr page 280-
EEN DEUGNIET.
272
Mijnheer Lampsens was meer dan ooit geërgerd. Hij stond ver-
legen met zijn figuur en voelde zich persoonlijk beleedigd. De
man, wiens woorden de vroedschap zelfs met eerbied opving, werd
met minachting bejegend door een knaap. Alida stond verslagen
en durfde niet spreken. Jammer dat Lijsbet reeds heengegaan was,
want ze had getriumfeerd.
Michiel, druk aan het redeneeren met Jan, die in zijn verrukking-
deelde, wist van niets.
Mijnheer Lampsens herstelde zich echter spoedig en verweet zich
bijkans zijne kleingeestigheid.
„Moeder!" zei hij goedig tegen Alida, „zend dien jongen naar
zee; hij deugt hier niet, en je zoudt je bezondigen tegen God, door
hem hier te houen. Als ik je helpen kan, kom dan bij mij — er
ligt juist een Oostinjevaarder van me ree."
Hij ging en liet moeder en zoon alleen. Er werd gedreigd, er
werd geschreid, maar in het eind gaven vader en moeder toe en
de jongen ging met Jan Company het zeegat uit.
Acht en veertig jaren later gaf de zomermaand een dag, zooals
ze nooit geschonken had en nooit weer schenken zal. Ondoordring-
baar voor het oog was het mastbosch in de haven en de wimpels
en vlaggen, wapperend op de zuid-oostenwind, woeien uit, west-
waarts heen, waar een trotsche vijand verslagen was.
Als de golven der zee wiegden de saamgepakte volkshoopen heen
en weer langs het hoofd van de haven. De brandende zon scheen
niet te kwellen, schoon ze de tong aan het verhemelte kleven deed.
Telkens als een sloep, pijlsnel voortstuivend bij het uitslaan van haar
zes paren vleugels, den steiger bereikte, ging een hoezee uit de
massa\'s op, dat het salvo der kartouwen verdoofde.
Maar nog was de starende menigte niet voldaan. Hij was nog
ginder op de vloot, die in een vierdaagschen strijd de eer der re-
publiek had gehandhaafd en de vlag .van Brittanje doen strijken.
Daar donderde het geschut der „Zeven Provinciën" uit zijn veer-
tig stukken aan bakboord en het hoezee van Janmaat paarde zich
met het gejuich op de ree.
De steiger, waarop de Hoogmogende Heeren Gecommitteerden
beidden, kraakte bij het voortstuwen der volkshoopen, wuivende met
vaandels en mutsen. De vaders tilden hunne zonen omhoog en wezen
op den man, die, in het blinkende harnas, met den bevelhebbers-
-ocr page 281-
EEN DEUGNfET.                                              273
staf in de hand, groetende in de sloep stond, van welke de drie-
kleur uitwoei. „De ziel van \'s Lands vloot!" klonk het hier; „de
hand, die de maat sloeg in de grove muziek der kartouwen!" klonk
het verder; „besteva&r, besteva&r!" klonk het allerwegen.
De Luitenant-Admiraal-Generaal Michiel Adriaanszoon de Ruiter
stapte aan wal.
Vreugde heerschte in de stad, waar hij eenmaal het levenslicht
zag, en de hoogste achtte het zich een gunst hem te naderen en een
woord van hem op te vangen aan den feestdisch.
Vriendelijk was hij jegens de grooten, vriendelijker jegens de
nederigen aan wie hij zich verwant gevoelde; en toen de avond viel,
sloop hij de feestzaal uit, de hem welbekende straten langs en het
hek door van den Godsakker, waar hij met ontblooten hoofde eenige
oogenblikken poosde. Het was bij het graf zijner moeder Alida
Jans, die daar nederlag bij de smalle gemeente.
H. J. SCHIMMEL.
EERSTE H. COMMUNIE.
(fragment.)
„Een beeld nog zweeft mij voor den geest,
Een laatste erin\'ring aan die dagen,
Dat steeds bij storm en onweersvlagen
Mijn heil en trooster is geweest. —
Zie, aarde en hemel vierden feest!
In al den toovergloed der kleuren,
In onnavolgbre en rijke pracht
Begon, na langen winternacht,
Natuur haar hoofd weer op te beuren;
Als had ze een bruidegom verwacht,
Zóó blonk de blijdschap op haar wezen
In onvermengde schittring uit.
En was zij waarlijk ook geen bruid,
Klonk niet het blijde Hallel luid?
Zong aarde en hemel niet: „Verrezen!"?
„Des morgens, toen mijns vaders mond
Me een langen kus op \'t voorhoofd drukte
-ocr page 282-
274
EERSTE H. COMMUNIE.
En \'k juublend aan zijn zijde stond, —
Toen was \'t of hem zijn heil verrukte;
Toen sprak hij met bezield gelaat:
„Geluk, mijn dochterken! gij gaat
„Een schoone stonde te gemoet:
„Een stonde, rijk aan d\'overvloed
„Van de onvermengde vreugd hierboven,
„Waar de onafzienbare Englenstoet
„De goedheid van hun Schepper loven.
„U wacht een vreugde zonder smart,
„Waarin uw moeder zich vermeidde,
„Die haar deed juichen, toen zij scheidde,
„En leven goot in \'t brekend hart,"
En toen ik \'t vragend oog verhief,
Toen klonk het: „Dochter mij zoo lief!
„Gij zult het heil des Heeren smaken,
„Zijn lichaam zal uw spijze zijn,
„Zijn heilig bloed uw vreugdewijn;
„Ras, ras zult gij Hem zien genaken.
„Hang vrij uw rijkste tooisel om,
„Uw Jezus naakt, uw bruidegom!"
„En wat mijn hart toen heeft gesmaakt —
Wie, kluiz\'naar! waagt het uit te spreken?
Zou niet de straal der zon verbleeken,
Waar \'t eeuwig godlijk licht genaakt?
Zie, \'k heb zóó veel, zóó veel genoten,
\'k Heb onvermoeid en onverdroten
Naar al wat weelde was gestreefd,
Maar nooit eene enkele stond beleefd,
Zóó zalig als de zaalge stonden,
Waarin, door liefdegloed verslonden,
Ons hart een hemel is.
Och! had ik nimmer toch vergeten,
Hoe zoet het is, te zijn gezeten
Aan \'s Heeren liefdedisch !
(Maria Aegyptiaca.)
SCHAEl\'MAN.
-ocr page 283-
HET LIEDJE VAN VERLANGEN.                                2
HET LIEDJE VAN VERLANGEN.
Een knaapje rust aan moeders schoot
Vol slaaps de knippende oogen,
En houdt zich wakker, taai en groot,
Met knikkebollend pogen.
Hij \'s bang in \'t donker, bang alleen;
Hij wil niet heen,
Blijft talmen, treuz\'len, hangen.
Het dwaze jongske dwingt,
En zingt
Een liedje van verlangen.
Reeds half het offer van den dood,
In dorre levensgaarde,
Bukt zich een grijsaard naar den schoot
Der trouwe moederaarde.
Maar zegt hem niet: \'t is tijd van rust!
Schoon afgeleefd in iedren lust,
Hij hunkert nog te blijven:
Hij zucht en hijgt, maar juicht en lacht,
Hij leeft slechts om, met kunst en kracht,
Den doodslaap te verdrijven.
Hij \'s bang in \'t donker — bang alleen;
Hij wil niet heen,
Blijft meedoen, beuz\'len, hangen,
De dwaze grijsaard dwingt,
En zingt
Een liedje van verlangen.
P. A. 15E GENESTET.
BIJ DEN DOOD VAN HET JONGSTE KIND G. P. O.
Verhuld in \'t kleed
van ziekte en leed,
trad in een godgeliefde woning
een Engel, vragend voor den Koning,
een zijner schaapjes, dier gekocht.
Hij waarde rond in \'t huis; hij zocht —
hij zocht en vond...... een kind dat vroeg reeds had vernomen
de stem des Herders: Laat de kleinen tot mij komen.
-ocr page 284-
276              BIJ DEN DOOD VAN HET JONGSTE KIND G. P. O.
Kn de Engel kwam
en naar den lusthof van het Lam
nam hij den kleinen heemling mede —
ondanks eens vaders sterke bede,
eens moeders vast geloof in worstelende smart!
Is Jezus hard?
en in zijn hemel nog niet heden
de hoorder van Jaïrus\' smeekgebeden?
Zijt stille en hoort
de stem des troosters in het woord:
Geschokte moeder, en gij diep bedroefde vader,
in \'t hart gegriefden, maar bevoorrechten te gader:
Dat het vleesch zich verloochen\' de geest zich verblij\'!
Mijn genade is met u, en uw Kind is met Mij.
J. DA COSTA.
DE TRAAN DER DANKBAARHEID.
Daar kraakt een tred op \'t dorre gras
Met witte rijp bedekt,
En treedt er langzaam over \'t veld,
Dat naar den zerksteen strekt.
Het is een kloeke jonge man,
Een bouw, zoo fier als breed,
En \'t kleed, dat om zijn leden sluit,
Dat is een zeemans kleed.
En \'t bruin, dat op zijn kaken gloeit,
Door \'t zonlicht ingebrand,
Getuigt van lange jaren reis,
En ver van Hollands strand:
Een zoon der zee; wel ruw van woord,
Geen vormen van satijn,
Een vorm van steen, maar — \'t hart van goud,
Als Hollands zeeliên zijn.
En zie — met angstig zoeken dwaalt
Zijn vorschend oog in \'t rond,
En speurt de zwarte zerken langs,
Gezaaid op witten grond.
-ocr page 285-
DE TRAAN DER DANKBAARHEID.
Hij spelt, hij leest er menig naam,
Waarbij een diepe zucht,
Een: „Gij ook reeds ter rust gegaan!"
Zijn breede borst ontvlucht.
Hij spelt, hij leest er menig naam
Met onberoerd gelaat,
Totdat hij aan \'t verlaten graf —
En aan den zerksteen staat.
Hij spelt — en schoon de koude wind
Ook door zijn lokken vaart —
\'t Is met ontblooten schedel reeds
Dat hij er vorschend staat.
Hij leest — en lager buigt zijn hoofd,
De stoere knie meteen —
En knielend stort hij neer op \'t graf
En kust den kouden steen.
De brave, die er in dat graf
Ter sluimring was gegaan
Had eenmaal een verlaten wees
Verzorgd en welgedaan.
Verwante en bloedmaag volgden \'t lijk,
Bij \'t holle klokgebrom,
En lieten \'t in de groeve neer,
En__ keerden nooit weerom.
De wees zwierf op de wijde zee
Langs vreemde stranden heen,
En groeide tot een man haast op,
Maar hij vergat niet — neen!
En toen hij keerde, en \'t vriendlijk huis
Den vriend hem niet hergaf —
Toen was zijn eerste bedevaart
Naar \'t eenzaam stille graf.
Hij had zoo gaarn\' met blik en taal
Zijns harten dank gebracht,
Nu was het oor gesloten — en
Voor \'t oog was \'t eeuwig nacht,
-ocr page 286-
278                             DE TRAAN DER DANKBAARHEID.
Hem bleef alleen de kleine plek
In schaduw van de kerk,
En voor zijn groot en gloeiend hart
De smalle, koude zerk.
En hij betaalde er, wat hij mocht:
Geen woorden, schoon van klank,
Als bloemen om de naakte leest
Van een geveinsden dank —
Maar beden uit de ziel gestroomd
Zelfs voor den Hemeling,
En snikken van het beroerd gemoed,
Dat haast van smart verging;
En toen hij in \'t einde rees,
Trad hij nog droevig heen,
En met de stilte van den nacht
Bleef \'t kerkhof weer alleen,
Maar op den zwarten grafsteen blonk
In \'t schijnsel van de maan,
Alsof \'t een blanke parel was,
Tot ijs gestold — een traan.
DE. D. DORBCEK.
E EN E AARDIGE GROEP.
Eene aardige groep: voor de deur eener boerenwoning rookte een
grijsaard zijn pijpje, met een\' jongen van een jaar vijf, zes op de
linkerknie. Uitvoerig zou ik haar geschilderd hebben, ware zij maar
langer te zien geweest. Het was bladstil, getuigde de linde, onder
welke het paar zat, en het eene wolkje voor, het andere wolkje na,
uit het bruine eind Goudenaar rondgeblazen, verzwaarde den damp
tot nevel wordens toe. Echter had de hangende duisternis iets aan-
trekkelijks, vreemd als ze was, vergeleken met den luister der och-
tendzon, die boven de groep in de verweerde ruiten van het ven-
sterraam weerkaatste. Soms ging er een luid gelach uit op; dan
weder kwam een mollig armpje aan het licht; bijwijlen onderscheidde
men de grijze lokken als zilver. Stel u desondanks gerust, zoo ge
vreest, dat ik u in den Amersfoordter zal doen stikken: het scheen
den knaap in dien walm vast te benauwd geworden. Van de knie
gewipt, stoof hij naar de wel, dicht bij de woning gelegen, en onder
-ocr page 287-
EENE AARDIGE GROEP.                                   279
welker houten afdak ketting noch emmer ontbrak. Daar rinkinkte
de leste, bengelende over den muur; het huiswijf, dat straks water
putte, had verzuimd hem op te winden.
„Voorzichtig, Jaepie!" riep de oude.
Het kind was de gevaarlijke plek al ontweken — het liep een\'
vlinder na, die uit den boom voor de woning naar de haag van den
moestuin fladderde, en er op den meidoorn neerstreek, binnen, ja,
binnen het bereik van het handje, dat hem grijpen wou..... Maar
zie!..... Daar vlogen de witte wiekjes, even vóór de vingertoppen
die beet kregen, daar vlogen zij op, en zweefden hoog boven de
berken, welke aan de andere zijde van het huisje de wacht hielden
bij de hekdeur van het erf.
„Wat steken die doorns!" zei het jongsken, weer aan de knie van
den grijsaard, en met een pijnlijk gezicht.
„Al naar men ze hanteert," luidde het antwoord; doch schoon er
iets wijsgeerigs in school, de woelwater vroeg geene verklaring; reeds
was hij den vlinder op nieuw nagesprongen, en plukte, toen de jacht
andermaal ijdel bleek, eene handvol bloemen van het perkje voor
de deur.
„Oome," vroeg de knaap, er hem eene overreikende, „wat is dat?"
De oude vatte den stengel aan, voelde dien langs, tot hij den
bodem des kelks raakte, streek toen met de vingers over de groote
bladeren, die van buiten iets satijnigs, en van binnen iets fluweeligs
hebben, en zei:
„Eene lelie, Jaepie."
„tieraden, oome?" juichte het kind — de onnoozele verbaasde
zich over de snuggerheid van een blinde.
„En dit?"
Maar de oude bevoelde de pionie niet; hij stond op van de bank,
hij luisterde; waarlijk, hij had zich in den van verre vernomen voet-
stap niet bedrogen; de klink van het hekje werd opgehaald, — en
de jongeling, die het binnen —, die al nader kwam, drukte hartelijk
de hem reeds toegestokene hand.
„Vader, hoe gaat het?" vroeg hij.
„Wel, Huib, zoo wel als \'t mij gaan kan, — en, op je stem af,
gaat het jou ook goed," antwoordde de grijsaard, en liet er fluks op
volgen: „Jaepie! breng jij ooms [rijp eens naar binnen, in de ven-
sterbank, weet je, en niet te breken," en zatte zich toen weer op
de bank neder, en hief, uit oude gewoonte, het hoofd naar Huibert
-ocr page 288-
28o
EENE AARDIGE GROEP.
op, die tegenover hem stond en zweeg. De jonkman had deernis
met die vruchteloos starende oogen.
„Huib, mijn jongen, wat schort er aan?" begon de oude, zoodra
de stilte van eenige oogenblikken hem te lang had geduurd. •
„Vader ik wou, dat ik rijk was!"
Ei! ei! zegt ge, dat heb ik ook weleens gewenscht •— mag ik
vragen: uit even edel een beginsel ? Het gerucht had van artsen
gewaagd, wier kunstbewerking aan hopelooze lijders het gezicht weder-
gaf: waarom ontbraken Huibert de middelen, het talent van deze
op de proef te stellen voor zijn vader? Hij zag er in zijn blauw-
lakensch buis, nankingbroek, zwart vest, met zijn helder linnen, met
zijn paardenharen muts op het blonde hoofd, hij zag er welvarend
uit, en echter was hij arm, armer dan ge vermoedt. Er zijn deugden,
den landman eigen, welke, van geslacht tot geslacht overgeplant,
het gelaat eene karakteristieke uitdrukking geven, en Huiberts
voorkomen, dat iets innemends, Huiberts blos, die iets ge-
zonds, Huiberts blik, die iets opens had, Huibs manieren, die
zich door trouwhartigheid onderscheidden, zij bewezen, dat hij
van meer dan gemeene afkomst was; wat baatte het hem ? Of
hij ten minste zooveel gelds had bezeten, dat hij zijn vader, al
was het maar eenige weken, in de hoofdstad onderhouden kon, ten
einde er — moest het zijn — om niet te worden geholpen? Al
wat der sterkte, al wat der vlugheid zijner jeugd tot nog toe was
gelukt, het bepaalde zich tot den kost te winnen, in het dorp altoos,
voor hem en voor den grijsaard; ik vergat schier een jonger zusje,
dat hij nog onderhield. Het scheen luttel in de oogen des zoons:
laat ons zien, wat de dankbaarheid van den blinden vader er in
waardeerde.
Huib, Huib!" hervatte de oude, „geen wonder, dat de weerspoed,
die mij hof en have verliezen deed, moeder ten grave bracht. Wis
voorzag ze, dat het leed ons het zwaarst in onze kinderen drukken
zou. De goede vrouw is bij God; of ik er ook ware!"
„Spreek zoo niet, vader," viel de jongeling in, terwijl hij tranen
biggelen zag langs de witte wimpers; „ik wenschte immers maar
rijk te worden om___"
„Om mij; maar ook dat is zonde, Huibert. De Heer weet het
beste wat goed is voor den mensen in dit leven 1"
En beiden zwegen eene wijle.
E. J. POTGIETER.
-ocr page 289-
VOGELTJES, DIE ZOO VROEG ZINGEN, KRIJGT DE. POES.         28l
l
VOGELTJES, DIE ZOO VROEG ZINGEN,
KRIJGT DE POES.
Een vogeltje vroeg in den morgen,
Zong vroolijk en zonder v.eel zorgen,
Als vogelkens zijn, een lied.
• O vogeltje, hou toch uw snater!
O denk aan den loerenden kater —
Gij zingt___ge ontsnapt hem niet.
Een dichtertje, vroeg in den morgen
Des levens, zong zonder veel zorgen,
Als dichteren zijn, een lied.
O zangertje, hou toch uw snater!
O zie toch dien loerenden kater,
Dien kritischen, spottenden sater —
Gij zingt___ge ontsnapt hem niet.
Het vinkje bezweek onder wonden
En klauwen, en werd verslonden,
En \'t was met het vinkje gedaan.
En de ander? — hij scheurde zijn kleertjes
En liet er een bundeltje veertjes—
Maar vloog toch weer op in de sfeertjes,
En spoedig ook groeiden zijn veertjes,
Veel mooier, Meneertjes,
Weer aan.
De Génestet.
MOEDER EN KIND.
Mijn moeder heeft zoo vaak herhaald:
— O, kon ik duizendmaal haar loonen! —
„Daarboven, waar het zonlicht straalt,
Daarboven, waar Gods engelen wonen,
Daar leeft een Moeder, die u mint
Nog inniger dan ik, mijn kind.
„Niet alles, wat uw hartje vraagt,
Kan, lieve jongen, ik u geven;
-ocr page 290-
382
MOEDKK KN KIND.
Daarboven dus uw nood geklaagd!
Volg trouw dien raad geheel uw leven:
Daar leeft een Moeder, die u mint
En rijker is dan ik, mijn kind.
„Nu zingt gij nog uw lentezang,
Het blijde leven lacht u tegen;
Gij smaakt, geniet het___doch hoelang!...
Door distels kronklen \'s menschen wegen;
Er leeft een Moeder, die u mint,
Troost der bedrukten heet zij, kind."
Ik heb uw woorden, dierbre vrouw,
Op \'s levens reize niet vergeten:
In vrede en angst, in vreugd en rouw
Mocht ik Maria Moeder heeten;
Er leeft een Moeder, die mij mint
Nog inniger dan gij uw kind.
Haar liefdegloed heb ik gevoeld
In \'t eigenbatig, koude leven;
Ach! veler hart is afgekoeld,
Het moederhart is trouw gebleven.
Er leeft een Moeder, die mij mint —
Geen moeder heeft zoo lief haar kind.
\'k Heb telkens haar mijn nood geklaagd,
Als moed en krachten mij ontzonken;
Veel heeft het kinderhart gevraagd,
Het moederhart heeft méér geschonken.
Er leeft een Moeder, die mij mint,
Zij deelt haar rijkdom met heur kind!
Troost der bedrukten! — \'t Jonge hart
Vermocht die woorden nauw te schatten,
Maar leerde in de oefenschool der smart
Wat bittre zoetheid zij bevatten.
Ik blijf, o Moeder, die mij mint,
Tot in den dood uw dankbaar kind!
En haar, die me U eens kennen deed,
Wil haar U dubbel Moeder toonen;
-ocr page 291-
MOEDER EN KIND.                                                 2
Bid God, die U zijn Moeder heet,
Mijn grijze moeder rijk te loonen.
Maria, Moeder, die mij mint,
Verhoor de bede van een kind!
II. BRMANN.
WAAROM ZIJ HENENGAAN.
AAN EENE MOEDER.
Waarom zij henengaan ?... Och staak dat spraakloos peinzen,
En van het leege stoeltje, o moeder, hef uw oog
Naar boven, naar de poort der eeuwge vreugdpaleizen,
Wier voorhang troostend blauwt aan \'s hemels blijden boog.
Ach, zoo zij vlug en vroeg van de aarde henensnellen,
Als vlindertjes een poos gewiegeld op den wind,
Dan haasten zij zich om aan God te gaan vertellen
Hoezeer uw moederhart op aarde hen bemint.
Dan haasten zij zich om aan de englen te verhalen
Van tranen, die hun oog op aarde u schreien zag;
Om, ver van smart en leed, uit \'s hemels blijde zalen
Uw ziel te troosten met hun kalmen vredelach.
Dan haasten zij zich om een plaatse te bereiden,
Waar moeder eenmaal rust, bevrijd van zorg en smart;
Een troon vol heerlijkheid, waar zij, na \'t korte scheiden,
Voor eeuwig spelen aan uw juublend moederhart.
O hoe zij naar dien troon onwelkbre bloemen dragen,
Symbool van liefde en dank die in hun zieltje leeft!
O hoe zij uitzien of het uur nog niet komt dagen
Dat gij van de aarde naar hun open armpjes zweeft!
Zij lazen in uw blik zoo menig, menigmalen
Hoe \'t grootst geluk op aard \'t geluk is van een kind;
En hoorden u zoo vaak aandoenelijk verhalen
Dat meest van allen God de kindertjes bemint!
-ocr page 292-
284                                         WAAROM ZIJ HENENGAAN.
Ach, doet hun henengaan dan tranen u ontvlieten
Kn bloedt uw moederhart van bittre scheidenspijn,
Wees, moeder, toch getroost: indien ze u vroeg verlieten,
\'t Was om in eeuwigheid een kind te kunnen zijn.
G. JONCKBLOET.
GODEVAART VAN BOUILLON
VOOR JERUSALEM.
Driemaal honderdduizend kruisvaders hadden het beleg voor An-
tiochiè\' geslagen; slechts vijftig duizend begaven zich thans op weg
naar Jerusalem: Zoozeer waren hunne gelederen — zelfs bij de over-
winning — door oorlog, ziekten, hongersnood en wederwaardigheden
van alle slag, gedund. Ook afval bracht het zijne bij: Boudewijn,
door talrijke gelukzoekers gevolgd, had zich vroeger reeds in het
vorstendom Edessa gevestigd; nu eischte Bohemond Antiochië tot
zijn eigendom, en hield over de nieuwe bezetting wantrouwig wacht.
Maar hoezeer tot een klein getal versmolten, gevoelen de Christenen
zich sterker dan ooit: Eensgezindheid verdubbelt hunne krachten:
Godevaart gaat hen vooruit en zijn naam alléén jaagt onwil]ekeurigen
schrik in het hart des ongeloofs. Geen vijand waagt zich meer in
het open veld; zelfs afgelegen emirs zenden geschenken, voorzien de
Christenen van levensmiddelen en verklaren zich cijnsbaar.
Eindelijk zijn de vrome scharen Jerusalem genaderd; dat jongste
bolwerk, die laatste toevlucht van Mahomeds aanhangers. Jerusalem,
het doeleinde der vereerders van het Kruishout; Jerusalem rijst voor
aller oogen uit de nevelen van den nacht, en de opgaande zon be-
groet het teeken der Verlossing. O verrukkend en tevens aandoen-
lijk schouwspel! „Jerusalem! Jerusalem!" Zóó luidt de blijde kreet»
dien duizenden aanheffen, en die .verduizendvoudigd van Sions heu-
velen teruggalmt. Verteedering overstelpt de gemoederen: Grijze
krijgers, in den oorlog verstaald, schreien tranen van vreugde; bar-
voets drukken zij den grond, knielen neer en kussen eene aarde,
door de voetstappen van Christus geheiligd; allen zweren de spoe-
dige bevrijding van het Graf des Heeren.
Mislukte een eerste overhaaste aanval, thans zal men een geregeld
beleg om de wallen slaan. Godevaart is alom tegenwoordig en zet
aan tot het bespoedigen der werkzaamheden. Maar met slechts tegen
den besloten vijand, ook tegen de natuur hebben de belegeraars te
-ocr page 293-
285
GODEVAART VAN BOUILLON.
kampen: De ondraaglijke zomerhitte groeit dagelijks aan: een ver-
zengend zonlicht brandt aan den ontgloeiden hemel; de heete zuider-
wind, bezwangerd met het stof der zandige woestijne, schroeit de
verdroogde longen. De nacht weigert zijne verfrisschende koelte en
de vroege morgenstond biedt geene dauwdruppelen meer. Waar zijn,
o Kedron, uwe murmelende wateren? De vijand heeft de bronputten
gedroogd of vergiftigd, en de gansche omstreek tot eene geblakerde
vlakte herschapen.
In zulke hachelijke omstandigheden vertoont zich Godevaart als een
engel des troostes: Hij gaat de rijen door, en verkwikt de dorstigen
met woorden van hartelijke bemoediging; hij wekt ten strijde, wijst
naar de Heilige Stad, als naar het doelwit des langen arbeids en de
uitkomst van zoo vele ellenden. Maar de geestdrift kent geene palen
meer, wanneer de volgende toespraak den Christenen in de ooren klinkt:
„Aanschouwt, o spitsbroeders, de voor u liggende Heilige Stad:
Bedreiging en vervloeking waaien u toe van hare wallen. Zweert
gij den vervolgden Christus te verdedigen, te wreken ? Ja, gij zweert
het bij uwe godsvrucht, bij onze wapenen! Ziet, het rijk des onge-
Ioofs heeft uit: De legermacht des Allerhoogsten verschijnt, en de
vijandelijke drommen stuiven weg als eene stofwolk voor den ruk-
wind. Heden nog vol hoogmoed en verwaandheid, bekruipt hem
morgen schrik en vertwijfeling. Op den veroverden Kalvarie-berg
zullen zij u toeschijnen, den versteenden wachters des Heiligen Grafs
gelijk, wien de wapens uit de handen vielen, toen aardbeving de
opstanding des levenden Gods verkondigde. Slechts luttel stonden
meer, en deze wallen, te lang in het bezit des ongeloofs, beschutten
uwe gelederen. Jerusalem zal de lofliederen des Heeren herhalen
en het zegevierend Kruis zich boven de Halve Maan verheffen. Ons
zij de overwinning: God wil het! God wil het!"
Wie gevoelt zich niet opgewonden, medegesleept ? De opgetogen
krijgsbenden grijpen de wapens en trompetgeschal geeft het sein voor
den stormtocht. Aanval en verwering getuigen van wederzijdschen
moed; wanhoop spoort de Turken tot woedende verdediging: ziedende
pek en olie storten als lavastroomen op de Christenen neder; deze
wijken geen voet, maar beklauteren de stormladders, terwijl schrik-
kelijke gevaarten muur en poort stuk rammeien.
Onder zooveel dapperen blijft Godevaart steeds de uitgelezen held.
Mocht hij het mikpunt zijn van de pijlen der barbaren, de onzicht-
bare hand der Voorzienigheid strekt zich behoedend over hem uit.
-ocr page 294-
286                                 GODEVAART VAN BOUILLON.
Ziet, ginds nadert de hooge stormtoren: Hij voert een schitterend
Kruis ten top, dat de ongeloovigen de oogen verblindt. Het gevaarte
spreidt den dood uit zijn hol geraamte! De valbrug wordt neerge-
laten, klemt met ijzeren tanden de wallen vast, en de onversaagde
Godevaart is de eerste wiens voetzool de veste betreedt; hij, de eerste
die, met ontblooten zwaarde, den weg ter overwinning baant. Ue
dapperste ridders volgen hunnen geleider op de schreden; het voor-
gaan van den Christenheid wekt tot edelmoedig nastreven, en weldra
juicht het verloste Jerusalem zijne bevrijderen toe. Wel zoekt de
verslagen bezetting door haastige vlucht aan het scherpe staal te
ontkomen; maar zelfs in de gewijde schuilplaatsen vindt zij geen
genade: Verschrikkelijk woedt de wraak, en de Saraceensche bevol-
king wordt uitgemoord, ter plaatse waar een God van liefde en
verzoening voor zijne beulen had gebeden.
Wenden wij met afschuw de blikken van deze treurige tooneelen,
en verwijlen wij liever bij een schouwspel, den Christenheid meer
waardig. Niet Godevaart zal zijn ridderkling, den gewapenden vijand
zóó geducht, door het bloed van weerloozen ontreinigen! Neen,
hoogere gedachten, godvruchtige gevoelens bezielen hem op dit
oogenblik: Met ontdekten hoofde, ontbloote voeten en in rouw-
gewaad gehuld, treedt de vrome Kruisheld de Heilige Grafkerk
binnen. De Christenen vernemen zulks, en aanstonds dooven boete
en rouwpleging de woede en de wraaklust in alle harten; het bloe-
dige zwaard keert in de scheede, en psalmzingende trekken de pel-
grims ter Grafkerke. Zóó afdoende is het voorbeeld van hoogerhand
gegeven!
J. NOLET DE BRAUWERE VAN STEELAND.
DOOR HET WOUD.
I.
(>ij breede lanen van het woud,
Pilaren, die \'t verwulfsel torst,
Van levend groen en levend goud:
Wel noemde U Neerlands dichtrenvorst
„Een kerk van ongekorven hout!"
Want de adem Gods doorzweeft uw bogen,
En \'t lofgezang van \'t vooglenheer
-ocr page 295-
DOOR HET WOUD.
Daalt uit de diepe nissen neer;
En reukwerk stijgt er naar den hoogen
Uit al de bloemen wijd en zijd,
Die schittren in het mostapijt.
O! wie daar eenzaam dwalen moog\',
Hoe streng beproefd, hoe zwaar gedrukt,.
Hij heffe \'t roodgekreten oog,
Hij heffe \'t hoofd, zoolang gebukt,
Naar dien doorluchten tempelboog ! —
Dan voelt hij op zich nederdalen
Des Heeren gunst, des Heeren vree;
Dan zal zijn ziel, in dank en bee,
Van nooit gekenden troost verhalen___
O Tempel Gods, o ruischend woud 1
O kerk van ongekorven hout!
II
Zijt gij door \'t woud getogen,
Waar \'s morgens \'t schuwe wild,
Aan \'t veilig nest ontvlogen,
In \'t ritslend loover trilt?
Zijt gij door \'t woud gekomen,
Waar \'t ochtendzonlicht speelt,.
En \'t bruin der denneboomen
Met vloeibaar goud penseelt;
En, mocht uw oor er vangen
De melodie van \'t woud,
De blijde vogelzangen
En \'t suizend bladgekout?___
O hart! — wanneer u \'t leven
Om alle hoop bedroog,
Uw dierbren u begeven
En alle liefde loog....
Dan ruischt in \'t dichte lommer,
Als waar\' \'t uit englenmond:
„Mijn stilte stilt uw kommer,
Mijn koelte koelt uw wond!"
-ocr page 296-
288
DOOR HET WOUD.
Zijt gij in \'t woud gebleven,
Tot weer de scheemring daalt,
En door de stille dreven
De laatste lichtstraal dwaalt ?
Zijt gij in \'t woud gebleven,
Tot gij het licht der maan
Als zilvergaas zaagt zweven
Door \'t sluimrend loof der bladn;
En zondt ge (in \'t mos gebogen,
Als naar een moederhart)
Uw bede naar den hoogen,
Uw bede in vreugd en smart?...
O hart! — wanneer het leven
U kwetste tot den dood,
Klaag, aan die stille dreven,
Uw lijden en uw\' nood; —
Dan ruischt het door dat lommer,
Als waar\' \'t uit englenmond:
„Mijn stilte stilt uw kommer,
Mijn koelte koelt uw wond!"
III.
Sombre wouden van het Noorden!
Door uw dichte bladerkroon
Suizen wondervolle akkoorden,
Als een droom der jonkheid schoon;
Dartiend spelen ze om mijn wangen,
Fluistrend zweven ze om mijn oor,
En een naamloos-zoet verlangen
Dringt den engen boezem door.
„Naar den Hemel, naar den Hemel,
Waar ons eeuwig licht omstraalt...."
Suist het in uw toongewemel,
Dat van tak en bladen daalt.
Hoe door aardschen lust gevangen,
\'t Hart smelt samen met dien toon,
Die, als naamloos-zoet verlangen,
Afdaalt van uw bladerkroon.
D1\' J. P. HEIJE.
-ocr page 297-
EEN DROEVE TOCHT.                                               289
E EN D R O E V E TOCH T.
In een kouden Decembernacht van het jaar 1S29 bewoog zich
door de stille, doodsche straten der stad Mdcon een treurige stoet.
Voorop gingen acht mannen in het eenvoudig gewaad van het land-
volk dier streek, met gebogen hoofd en langzamen treil. Op hunne
schouderen droegen zij een eenvoudige eikenhouten doodkist met
zwart laken bedekt. Daarachter volgde een jonge man, een schoone
aristocratische gestalte, die zich met de onverzettelijke kracht der
wanhoop tot voortgaan dwong. Zijn gang was als die van een, wiens
eigen wil geen veerkracht genoeg meer bezit om tot een handeling
te sporen; hij ging als werd hij getrokken door een geheime kracht,
die van de doodkist scheen uit te gaan. De lippen bewogen zich
niet, de handen bleven strak en gevouwen, hoewel de armen neer-
hingen als van afmatting, de oogen stonden dof en zagen niets,.niets
dan de doodkist of den hemel met zijn levend blauw en zijn zin-
gende sterren. Een groep van landlieden, mannen, vrouwen en kin-
deren, in arm maai- eerlijk rouwgewaad, volgden; in den afstand,
dien zij bewaarden, den eerbied betuigend hunnen heer verschuldigd,
terwijl hun schromend naderdringen hun aanhankelijkheid aan de
doode, hun medelijden met den levende verried; wel een sprekend
bewijs, hoe het lijden den band der broederschap tusschen alle zonen
der ééne moeder nauwer samenhaalt.
Langzaam bewoog zich de stoet, de poorten der stad uit, de velden
langs, die de wintersneeuw reeds toedekte. Het was een heldere,
heerlijke nacht, maar geen geluid werd vernomen; de mensch was
stil als de natuur, de groota doode, die rustte onder haar dekkleed
van sneeuw, rustte ter verrijzenis. De grond kraakte onder den tred
der kleine schaar, soms knarde het hout der doodkist, als de eene
drager den ander verving.
Na een weg van drie uren te hebben afgelegd bereikte de treurige
optocht het vlek Milly. Daar heerschte beweging, al was het in den
nacht, maar ean beweging, die door het gefluisterd woord den eerbied
verried, dien al hst levende aan den dood bewijst. De deur van
iedere woning was geopend en op dan drempel stonden grijsaards
en kinderen, met de wankelende lamp in de bevende hand; zij
vroegen niet wie daar werd heengedragen, zij bogen biddend en
weenend het hoofd.
In de voorhal eener grootere woning werd de doodkist geplaatst.
19
-ocr page 298-
290                                              EEN DROEVE TOCHT.
Allen drongen toe en besproeiden ze met het wijwater uit het kope-
ren bakje naast den ingang, besproeiden ze meer nog met hunne tranen.
De jonge man was niet onder de menigte, alleen de eenzaamheid
zag zijne smart.
Bij het aanbreken van den dag werd de droeve tocht hervat, maar
de edelman was alleen, onverzelschapt; slechts acht mannen, van
welke vier het lijk droegen, terwijl anderen door de harde sneeuw
den weg baanden, vergezelden hem. Over de hooge heuvelen heen
klom de weg, steeds steiler, steeds gevaarlijker. Scherper en scher-
per woei de koude, fijne winterlucht. Een gang vol onafgebroken
smart, eentonig zonder de minste wisseling. Altijd sneeuw, altijd
hoogten. Eens streken twee grauwe musschen op de doodkist neder
en braken de stilte door hun weemoedig getjilp.
Tegen den avond bereikte men een oud kasteel op den hoogsten
bergtop der geheele streek, eenzaam, maar met een kerk en kerkhot
daarneven. Daar werd de doodkist geplaatst en alléén waakte de man,
die alleen wilde zijn met den dood, met zijne smart en met God.
üp den volgenden morgen werd de doodkist door den slottuin
heen, het kerkhof over, binnengedragen, in de eenvoudige kerk en
bij het weenen van allen werd ze geplaatst in den grafkelder der
heeren van St.-Point. De jonge man zelf leende de hand tot den
laatsten treurigen plicht.
Wilde hij het „Resurgam!" nog hooren uit den mond des doods?
Zoo begroef Alphonse de Lamartine haar, wier leven hij geweest
was, aan wier doodsbed hij niet had mogen staan, — zijne moeder.
H. J. A. M. SCHAEPMAN.
DE LEGENDE VAN DEN DRACHENFELS.
I.
\'t Hoofdje leunend op de hand,
Tranen in de vriendelijke oogen,
Zit ze peinzend neergebogen,
Beidt ze \'t uur der offerand.
Streng bewaakt door strijdbre knapen,
Op wier wapen
Nog de donkre bloedstroom kleeft,
-ocr page 299-
DE LEGENDE VAN DEN DRACHENFELS.
291
Uit de wonden opgespoten
En de borst van \'t paar ontvloten
Dat haar \'t licht geschonken heeft.
Nog klinkt haar \'t gedruisch in de ooren
Van den vreeselijken kamp,
\'t Staalgekletter, \'t hoefgestamp
En de bange kreet: „Verloren!"
Door het Christenheir geslaakt,
Toen het, door der Heidnen horden,
Overvleugeld was geworden,
En verwoed werd afgemaakt!
Aan een strijdros vastgebonden,
Onmeedoogend voortgezweept,
Over dooden en gewonden
Naar het Opperhoofd gesleept,
Moest ze als krijgsgevangne kiezen:
Afstand van geloof en leer,
Of het levenslicht verliezen,
\'s Vijands logengod ter eer.
Ginder in des afgronds holen
Hield zich \'t wangedrocht verscholen
Door de Heidnen aangebeen.
Huivrend zag ze eerst naar de kloven....
Toen naar \'t blauw gewelf daarboven, —
En spak moedig: „Voert mij heen!
,,Ik blijf in mijn God gelooven —
\'t Leven kunt ge mij ontrooven,
Maar de ziele dooden.....neen!"
Onveranderd bleef haar keuze,
En de tijd haar toegestaan
Tot herroepen, tot beraan,
Was onnut voorbij gegaan.
Trouw, volharding! bleek haar leuze —
En de laatste dag brak aan.
\'t Hoofdje leunende op de hand,
Tranen in de vriendelijke oogen,
Zit ze peinzend neergebogen,
-ocr page 300-
2Q2                            DE LEGENDE VAN DEN DRACHENFELS.
Beidt ze \'t uur der offerand.
Hoopvol blikt ze in \'t end naar boven,
\'t Blanke voorhoofd wordt ontplooid.
,.Zalig, zalig, wie gelooven,"
Zegt ze, „God verlaat hen nooit!"
De armen biddend opgeheven,
Vaart ze luid in geestdrift voort:
„Eeuwge Bron van Licht en Leven!
Die der zwakken roepstem hoort —
(\'rij hebt me in die zee van rampen,
Naar Uw wijsheid, neergestort.....
Leer mij zóó haar storm bekampen,
Dat Uw naam verheerlijkt word\'!
Mocht ik \'t zalig lot verwerven
Om, met kalmen, vromen zin,
Voor der Heidnen oog te sterven
Als een moedige Christin!"
\'I\'eedre weeze! Zestien jaren,
Zoo onschuldig en zoo schoon,
Nu reeds \'t lot der martelaren.....
Op uw zachte blonde haren
Reeds zoo vroeg een doornenkroon!...
2.
Geweken is \'t nachtlijk duister;
De dagvorstin betreedt haar baan,
Kn de offerplechtigheid vangt aan.
Reeds is \'t volk in dichte reien
Naar \'t vreeslijk oord des bloeds gegaan,
Kn dekt de heuvlen en valleien,
Als op de velden \'t golvend graan.
De diepste stilte heerscht in \'t ronde,
Maar \'t innigst medelijden spreekt,
En \'t vreeslijk lot van Hildegonde
Heeft meen\'ge frissche koon verbleekt;
Ontzetting ligt op aller wezen;
\'t Noodlottig uur naakt meer en meer,
De zon, reeds hooger opgerezen,
-ocr page 301-
DE LEGENDE VAN DEN DRACHENFELS.                        293
Ziet somber op \'t schouwspel neer;
Want vreeselijke donkerwolkan
Omgeven \'t fiere berggevaart;
Heur stemme dreunt door \'s afgronds kolken,
Heur hand schiet bliksems nederwaart.
Daar oop\'nen zich de dichte scharen;
De priesterstoet beklimt de rots,
En heft nu met de harpenaren
Een loflied aan ter eer huns gods,
Bij \'t smeeken om zijn gunst en zegen___
De donder brult dien lofzang tegen
En roept met klaterend geluid
De grootheid van den Eeuwgen uit!
Het lied sterft weg, het volk blijft zwijgen,
(leen geestdrift tintelt in hun oog,
Maar lippen beven, boezems hijgen
En zuchten stijgen naar omhoog___
Daar klinkt één kreet uit aller monden —
Eén schok doortintelt aller leen....
\'t Hoofd met een krans van cipressen omwonden,
Nadert de wees door de volksdrommen heen.
\'t Sneeuwwit gewaad golft haar los om de leden;
Fluisterend ontboezemt ze een innig gebed —
De oudste der priesters geleidt hare schreden —
Statig en plechtig zijn houding en tred.
\'t Beeld van den Heer klemt ze vast in haar vingren,
Drukt het met vuur aan het hart en den mond___
Zij voelt de koord om \'t lichaam slingren —-
Zich opgeheven van den grond___
ü! zij verdubbelt haar gebeden....
Daar zweeft ze boven d\'afgrond heen___
\'t Gehuil des monsters klinkt beneden —
De donder antwoordt het alleen!
Het volk verdringt zich op de toppen
Der bergen; huivrend blikt het neer!
Geen borst kan langer d\'angst verkroppen...
Zij naakt het monster meer en meer___
-ocr page 302-
]>E LEGENDE VAN DEN BRACHENEKLS.
294
Een oogwenk nog___ maar \'t beeld des Heeren
Brengt redding, wondre redding aan___
Het ondier durft de maagd niet deren,
De klauw verdort dien \'t uit wil slaan!
Daar ploft het neer in \'s afgronds kaken
Met dof geluid; en \'t woest gehuil,
Dat nog voor \'t laatst tien berg doet kraken,
Is \'t doodsgereutel uit zijn muil!
En honderd rappe vuisten scheuren
De koord uit \'s priesters hand en beuren
Het schuldloos offer juichend op;
En onder \'t juublen van de schare:
„Alleen haar Godheid is de ware!"
Bereikt de maagd gered den top.
3
Profetisch, zinrijk beeld uit overoude tijden,
Dat, in zoo schoonen vorm, zoo hooge waarheid leert!
Nog ziet ons oog op aard het licht en duister strijden
En hoe te vaak, helaas! het duister triomfeert.
De kolk is niet gedempt, het monster niet verslagen;
Maar beiden grimmen nog des Heeren volgers aan....
Geen stap terug gedeinsd, geen zwakheid, geen versagen !
Tot in den dood getrouw zijn godlijk beeld gedragen,
Wat Hem vijandig is kloekmoedig wederstaan:
En, uit den afgrond zelfs zal \'t licht eens heerlijk dagen,
En, vrij voor \'t oog der aard, als op een bergtop staan.
A. .1. DE UUI.L.
ONTHOOFDING VAN EGMONT EN HOORNE.
Maar hoe jammerlijk een schouwspel ook die eerste en tweede
Junidag, aan de inwoners van Brussel en het Nederlandsche volk,
ten beste gaven, dat, hetwelk den vijfden daarop volgde, overtrof
het verre nog. Niet door het aantal der slachtoffers voorzeker, noch
door de aandoenlijkheid der omstandigheden, maar door het per-
soonlijke gewicht, den hoogaanzienlijken rang der beide edelen, die
er in optraden. Het gold den hals toch der Graven van Egmont
en Hoorne.
-ocr page 303-
ONTHOOFDING VAN EGMONT EN HOORNK.
295
Sedert beiden, vóór meer dan acht maanden, naar \'t kasteel van
(Jent vervoerd waren, waren zij daar in de strikste gevangenis ge-
houden, en buiten allen toegang niet alleen, maar aanvankelijk zelfs
van \'t genot der versche lucht verstoken. In November was daarop
eene Commissie van onderzoek naar hen afgezonden, van welke, na
zes of zeven weken, eene akte van beschuldiging, van niet minder
dan 90 artikelen, tegen den Graaf van Kgmont uitging, weldra van
eene tweede, van 63 artikelen, tegen dien van Hoorne gevolgd. Men
stond aanvankelijk den ongelukkigen Heeren slechts vijf dagen en
geenerlei rechtsgeleerden noch ook vriendenbijstand, ter opmaking
hunner verdediging, toe, maar liet zich toch later overhalen, hun het
inwinnen van den raad eeniger deskundigen te veroorloven. Inder-
daad moest zulk eene toegevendheid gemakkelijker vallen, als zij
aan de zaak zelve niets bederven zou; de dood toch van beide
(iraven was lang onherroepelijk bepaald. Het scheen dan ook, dat
hunne verdedigers het beste nog van een uitstel hunner veroordeeling
verwachtten en daarom den tijd slechts te rekken, zochten. Zij stel-
den hunne verdediging naast die der (Iraven zelven op, en maakten
geenerlei haast, getuigen ter verontschuldiging op te roepen. Zoo
liep het tot in \'t midden van Mei, toen Alva, wenschende de zaak
te bespoedigen, een besluit uitvaardigde, dat Kgmont alle verder
recht op getuigenverhoor ontzei, veertien dagen later, den eersten
Juni, van een tweede gevolgd, dat den termijn der verdediging van\'
beide gevangenen voor gesloten verklaarde. Reeds den volgenden
morgen kwam daarop \'s Hertogen Raad bijeen, waar hunne schuld
werd uitgemaakt, en hun doodvonnis voorts door Alva\'s uitspraak
bekrachtigd. Nog dien eigen dag werd nu eene bende krijgsvolk
van 300 man naar Gent gezonden, om er de beide ter dood gedoemden
te halen. Den derden gingen deze op weg, elk in een afzonderlijk
voertuig, van twee officieren begeleid en met twintig compagnieën
voetknechten en eene afdeeling ruiters voor en achter bewaakt. Zij
brachten den nacht te üendermonde door, en kwamen \'s avonds
van den vierden Brussel binnen. „Geen mensch," zoo verhaalt ons
een ooggetuige, de Fransche gezant Mondoucst, „die niet verbleekte
op \'t gezicht van zoo droef eenen begrafenisstoet, bij de beklaaglijke
muziek van tamboers en pijpers." Op de groote Markt, nog altijd
het schoonste van Brussels pleinen en tot op den huidigen dag in
zijn aiouden luister bewaard, maar thans tot hunne strafplaats be-
stemd, werden de gevangenen aan het grootsche Broodhuis afgezet,
-ocr page 304-
296                     ONTHOOFDING VAN EGMONT EN HOORNE.
om er hunlaatsten nacht te verblijven. Hun krijgsgeleide bleef voor
het grootste gedeelte op de markt achter, om het plein te bewaken
en elke volksbeweging te voorkomen. Op Alva\'s bevel ging de
eerwaardige bisschop van Yperen, Maarten van Riethoven, Kgmont
zijn geestelijken bijstand brengen, terwijl de pastoor der kapel van
den Zavel, met hetzelfde doel, tot Hoorne kwam. Kgmont bracht
den nacht en morgen in onderworpen gebed en met het schrijven
van brieven door, waarvan een aan den Koning, de ander aan zijne
ongelukkige vrouw gericht, die hij in de grootste armoede — zijne
goederen waren onmiddellijk na zijne gevangenneming in beslag
genomen en bij zijn vonnis verbeurd verklaard — met twaalf on-
mondige weezen achterliet. Later moest zij dan ook met een klein
jaargeld, door Alva van Philips voor haar afgebedeld, haar levens-
onderhoud bekostigen. Kerst Egmonts zoon, Philips, kocht vervolgens,
zijns vaders dood weinig gedachtig, door zijnen overgang tot de
Spaansche zijde, zijne vaderlijke bezittingen terug.
Om tien uren in den morgen van den 5\'\'™, des Zaterdags voor
Pinkster, traden de overste Romero en de hopman Salinas, zijn
Oentsche kerkerwachter, bij Kgmont binnen, om hem naar \'t scha-
vot te begeleiden. Men liet, op zijn dringend verzoek, zijne handen
ongebonden, en
Cloek ging hij nu ter stede,
Daar hij moest sterven;
vriendelijk en waardig groette hij de officieren, die hij, da rijen der
soldaten langs trekkende, herkende; en „er biggelde langs \'t gelaat
van menig Spaansch krijger zelfs een traan van deernis en jammer
over zulk een droevig einde." Ken oogenblik scheen hij nog aan
de mogelijkheid te tienken, zijn leven verlengd te zien:
Gij Heeren, en burgers mede,
En is er nu geen genaed? —
maar alras tot juister inzicht gekomen, knielde hij op een zwart
fluweelen kussen neder, terwijl de bisschop zich op een tweede naast
hem boog, sloeg eenen blik van onuitsprekelijke droefenis ten hemel
en bad zoo innig en luide, dat hem de toeschouwers duidelijk kon.
den verstaan. De bisschop reikte hem een zilveren kruisbeeld toe,
-ocr page 305-
ONTHOOFDING VAN EGMONT EN HOORXE. • 297
dat hij herhaaldelijk kuste; waarna hij opiees, den bisschop een wenk
gaf ter zij te gaan, zich van zijn kleed en mantel ontdeed, knielde,
een zwart zijden mutsje over zijne ooren trok, en, zijne handen vou-
wende, Gode zijn geest beval. Met een forschen slag scheidde de
beul hem het hoofd van \'t lichaam.
Thans kwam de beurt aan Hoorne. Naar zijn heftiger inborst,
minder onderworpen dan Egmont, had hij slechts een gevoel van
verontwaardiging over het onrecht, hem aangedaan, waar gene de
meest gelaten berusting had getoond. Hij weigerde eerst te biechten,
maar liet er zich, na herhaalden aandrang, toe overhalen. Met op-
geheven hoofd en stouten blik doorschreed hij de gelederen der krijgs-
knechten, en had een open groet voor ieder, dien hij er van zijne
kennis zag. Op het schavot gekomen, bleef zijn gelaat zijner eerste
uitdrukking van verontwaardiging getrouw; terwijl hij luid verklaarde,
zich veler overtredingen jegens zijnen Schepper, maar geenerlei mis-
drijt tegen den Koning, bewust te zijn. Op het gezicht van het zwarte
kleed, dat Egmonts verminkte lijk bedekte, vraagde hij, of dat zijn
lijk was, en prevelde daarop in \'t Spaansch eene opmerking, die
echter niet verstaan werd. Hij bad een oogenblik, maar op even
onhoorbaren toon, vraagde vergiffenis aan allen, die hij mocht mis-
daan hebben, en riep hunne gebeden over zich in. Daarop knielde
hij neder, sprak, als Egmont zich God bevelend: iti manits ///as,
Dominet
— en onderging zijn lot.
Beider afgehouwen hoofden werden nu op de twee hoeken van
\'t schavot op staken gezet, en bleven daar drie uren lang prijken.
Toen zij afgenomen waren, werden zij met het lichaam in eene
looden kist geplaatst, en het lijk van Egmont voorts naar het klo.os-
ter van St.-Clara, gelijk dat van Hoorne naar de kerk van St.-Goedele
gebracht, \'t Volk stroomde er heen als naa.r het gebeente eens mar-
telaars. Niet lang echter werden de lijken in Brussel gelaten, maar
vervolgens naar beidei grafkelders overgebracht, om daar bij die
hunner vaderen vergaderd te worden.
JOU. VAN VLOTEN.
-ocr page 306-
BLADWIJZER\')
------------------..?.«£^ii«^J------------------
Illz.
i*    Niet zuur kijken! — G. Jonckbloet........      i
2*    Liefde. — J. C. Alb. Thijm...........      2
3      De Ooievaar. — Dr. J. Ritzema Bos........      2
4*    Het Kindeken Jezus. — J. Poelhekke.......      5
5*    Het Huisjen in de Duinen. — Rosalie Loveling. ...      6
6     De Schoorsteenveger. — J. P. Hasebroek. (Jonathan) . .      8
7*    De Kapitein en zijne Moeder. — K. L. Ledeganck .         n
8*    Het melaatsche Kind. — Schaepman.......    13
9*    Oogstlied. — Staring.............    15
10     Een Nieuwjaarsmorgen. — A. J. de Buil.......  16
11*    De Beschermengel. — B. van Meurs........    21
12*    Voor het Mariabeeld. — W. de Veer........  23
13*    Een Aalmoes. — H. J. Schimmel.........    24
14*    Het Broêrken. — T. van Rijswijck........    25
15      De St. Bernardshonden. — Dr. J. Ritzema Bos . . . .    27
16*    Meizang. — Staring.............    28
17*    De Droefheid. — F. J. Poelhekke........    29
18*    Lentezang. — Staring.....t.......    30
19*    De Vangst der kleine Visschers. — P. van Hooft" ...    31
20     Roelof Linge. — J. J. Cremer..........    33
21*    De Redding. — A. Bogaers...........    36
22*    Sint Nikolaas. — Staring...........    39
1] .De verzen worden aangeduid door een sterretje.
-ocr page 307-
rr          • bladwijzer.
23      De Amsterdamsche Krantenjongen. — H. A. Banning. .    43
24* De Engel en het Kind. — Ten Kate.......    45
25* Het Vrouwezand. — P. J. Koets.........     4<i
26*     Pieter van Stralen, de oude Utrechtsche Omroeper. —
H. A. Banning..............     49
27* Het Ave Maria. — H. J. C. van Nouhuys.....    51
28      Eene Klucht van Philips den doeden. — J. David . .     52
29* Mijne Grootmoeder. — Pol de Mont.......     58
30 Eene Getuigenis. •— W. Bilderdijk........     59
31* Wedzang. — VV. Bilderdijk...........     60
32      De Koning en het Koninksken der Vogelen. — J. B. Martens.    61
33*    De Musch tusschen de Zangvogels. —- S. Daems . . .     .,
34      Het Geschenk van den Arme. — Virginie Loveling . .     63
35* Prentjens-kijken. — H. J. Schimmel........    67
36      De jonge Vorst van Schlesheim. — Melati van Java . .    69
37* De Waarheid en Ezopus. —- \\V. Bilderdijk.....     73
38 De Knorrepot. — Justus van Effen........     80
39* Het Hollandsen Duin. — A. Bogasrs.......    83
40* Uit de Huiskamer. — G. Jonckbloet........     ,,
41* Op glad Ijs... — A. J. de Buil.........    S5
42 Het Vaderhuis. — Aug. Snieders.........     ,,
43* De goede Buurman. — E. Brom.........    89
44* In de Grijsheid. — A. J. de Buil.........    92
45      De Japansche Steenhouwer. — E. Douwes Dskker (Multatuli).    93
46*    De Scheepsjongen van Finisterre. — J. R. van der Lans.    95
47 Kegelen. — A. J. de Buil...........    97
48* Oost, West, Thuis best. — Nic. Beets.......   m
49* Voorheen en Thans. — A. L. de Rop.......   112
50* Het Vogelnestje. — H. A. Spandaw........   113
51* Heimwee. — J. M. Dautzenberg.........   116
52* Korenbloem. — N. Beets............   118
53* De Vogelen. — H. Tollens, Gz. . \'........    ,.
54      Eene Vossenjacht. \'— De Oude Heer Smits. (Mark Pra-
ger Lindo)................   120
55*    De Napelsche Kwajongen. — J. R. van der Lans . . .129
56* De Grijsaard te Waterloo. — Pr. van Duyse.....   130
57* Op \'t Ziekbed. Nic. Beets...........   132
58* De Regen. — J. J. L. ten Kat;.........    „
59      De Reuzendraak van Wasmes. — J. J. van der Horst. .   133
-ocr page 308-
BLADWIJZER.
III
60*    Philips van Artevelde. — J. Vuylsteke.......143
61*    Krijgsdans. — W. Bilderdijk..........145
62*    De Ezel. — W. Bilderdijk...........146
63*    Lijkzang op mijn Dochtertje. — H. C Poot.....147
64*    Lijkkrans voor mijn Dochtertje. — D. Smits.....14S
65      De Luchtballon. — B. van Meurs........,,
66*    Fenelon en de Koe. — J. F. YVillems.......154
67*    De Kinderbede. — P. van der Ploeg.......159
68*    De Bedegang. — C. Broere...........161
69      Deus Pacificus. — J. J. van der Horst.......166
70*    Willem Teil. — W. Bilderdijk..........173
71*    Het Onweder. — J. Bellamy..........176
72*    Dood van Barendsz. — J. F. Helmers.......178
73      Gevecht van den Tijger met eenen wilden Buffel. —
J. Haafner................179
74*    De Kruisiging. — F. J. A. Leesberg........181
75      De Haan van den Burgemeester. — C. E. van Koetsveld. 186
76*    De Schipbreuk. — H. Ermann.........197
77*    Rembrandt\'s voorspoedige reis. — J. Immerzeel, Jr. . . 200
78      Een Orkaan te Madras. — J. Haafner.......205
79*    De Pers en zijn Paard. — J. van Walré......208
80      De Vuurhoos. — D1\' R. Snieders.........210
81*    Het Ontstaan van Holland. — W. Bilderdijk.....213
82      De Pambou-Rajah of Koningsslang. — J. Haafner . . .216
83*    De Landman. — B. H. Lulofs. ...          .....217
84      S\' Aelbrechts Put bij Egmond. — J. A. de Rijk . . .218
85*    Keizer Otto I. — D. Claes...........222
86*    De Vlinder. — F. A. Robijns..........225
87      De Hoop. — Fr. Servatius Dirks.........226
88*    De Storm. — Louise Stratenus..........227
89      Legende van de H. Ritza. — P. van der Ploeg. . . . 228
90*    Kruislied. — H. J. A. M. Schaepman.....\'. .231
91*    Kinderlijk. J. van den Vondel.......... 233
92*    Op Jonkvrouw Isabel Le Blon. — J. van den Vondel . ,,
93      Mijmeringen van een Telegrafist. — De oude Heer Smits.
(Mark Prager Lindo)............234
94*    Selima (Naar Th. (iray). — W. Bilderdijk......239
95*    De Kracht des Oeloofs. — W. J. Hofdijk......241
•96      De Saxische Weezen. — J. van Lennep.......244
-ocr page 309-
BLADWIJZER.
IV
97* Herinnering. — N. Beets............253
98 Ken Deugniet. — H. J. Schimmel........255
99* Eerste H. Communie. — H. J. A. M. Schaepman . . .273
100* Het Liedje van Verlangen. — P. A. de Génestet . . .275
101* Bij den Dood van het jongste Kind G. P. O. — J. Da Costa. „
102* De Traan der Dankbaarheid. — Dr. D. Dorbeck . . . 276
103 Eene aardige Groep. — E. J. Potgieter......278
104* Vogeltjes, die zoo vroeg zingen, krijgt de poes. — De
Génestet. . . . . ._ ............2S1
105* \'Moeder en Kind. -—• H. Ermann.........,,
106* Waarom zij lienengaan. — G. Jonckbloet......283
107 Godevaart van Bouillon voor Jerusalem. — J. Nolet de
Brauwere van Steeland............284
108* Door bet Woud. — Dr. J. P. Heye........286
109 Een droeve Tocht. — H. J. A. M. Schaepman .... 289
110* De Legende van den Drachenfels. — A. J. de Buil . . 290
in Onthoofding van Egmont en Hoorne. — Joh. van Vloten. 294