-ocr page 1-
-ocr page 2-
mvr\\ iSUMC
-ocr page 3-
»
*
-ocr page 4-
-ocr page 5-
Vd: 151
M
Bloemen, kruid
EN
STEKELBLAADJES
UIT DEN HOF VAN
y E f\\D I N A ND.
MET EEN BRIEF AAN DEN AUTEUR VAN
„CAMERA OBSCURA."
AMSTERDAM,
C. L. VAN LANGENHUYSEN.
1891.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
A
AN DE NAGEDACHTENIS VAN
Pauwels Foreestier.
-ocr page 8-
„Ik ben niet van degenen, die veel willen weten van vermaak en
ontspanning. Ik besteed mijne nren niet, om schadelooze lektuur te
leveren ; die niet schaadt, zoo zij al niet baat.
„Dit komt mij, voor denkende geesten, eene onwaardige bezigheid
voor.
„Lektuur moet zoo veel mogelijk voedsel geven aan hart en geest."
Alb. Th.
-ocr page 9-
Heet gij, Dietsche Gaardenier,
Mijn nog Jlets-gekleurde bloemen :
„Kweekers phdmpjen" en „een cier
Voor uw korf jen," \'k mag dit roemen.
Toch gaaft gij door eigen kruid
Oog daaraan en geur, — voorzeker
Thijm riekt boven alles uit! —
En waart vooral niet gij van dit gebloemf de kweeker ?
B. 20 Nov. \'82.
Ferdinand.
-ocr page 10-
-ocr page 11-
„Neen het was ff een doodenruiker,
Dien gij me aanboodt, flets van kleur :
\'t Is een oogenlust en \'k ruik er
Frischheid in en balsemffenr.
Knipte ik soms aan takje of lover,
Toen \'k uw bloemen heb geschikt,
Gij otitwierpt haar kteurgetoover ;
Ik — het linfjen, dat ze omstrikt.
Alb. TA."
A. 22 Nov. \'82.
-ocr page 12-
-ocr page 13-
Aan den auteur van Camera Obscura.
Waarde Heer Hildebrand,
Voorreden in den vorm van een brief, en wel aan uw
adres!
Ja, dat heeft u er van. Uwe „noodige en overbodige op-
heldering" na vijftig jaar heeft den naam van uwe welwillend-
heid zoo mogelijk nog meer gestaafd; dies veroorloof ik mij
gerustelijk deze stout igheid. En dit te eerder, wijl
nog andere motieven mij bewogen tot u het voorwoord te rich-
ten, passend op deze gedachten en schetsen, als Bloemen, kruid
en stekelblaadjes
toegewijd aan den Meester, wiens laatste regelen
schier geschreven werden aan den auteur van Camera Obscura.
In een brief, gedagteekend «Buiksloot 20 Mei 1860," en
geadresseerd aan zekeren „Heer Kerstant van Aelbertsveldt
(gezegd Markies van Carabaz) lange Nieuwstraat, schuins over
de Gaterijne kerk te Utrecht," besprak de heer Pauwels
Foreestier o.a. de schilderijen-tentoonstelling, te dier dagen in
Arti gehouden. Nu, dat placht die kunstkenner meer te doen,
niet waar, en wel met ongemeenen smaak, met onmiskenbare
bevoegdheid. In dat epistel dan vertelde hij, dat zijn vriend
Negovagus eens bij hem te gast was en in don loop van \'t
gesprek het volgende zei: ;,Wat heb ik een genot gehad op de
tentoonstelling aan de Hooge Sluis; om je de waarheid te
-ocr page 14-
X
zeggen, Foreestier: die fotografie brengt een doodsteek toe aan
onze schilders.... van menschen, gebouwen, allerlei oude
kunstwerken, en wat dies meer zij. ... " waarop de gastheer
antwoordde: «aan de middelmatige schilders, Negovagus. Een
instrument, en dan nog wel een onvolkomen instrument, kan
toch nooit in de plaats treden van den menschenlijken geest."
«Dat is een goed woord, Foreestier, van den geest," her-
nam Negovagus. «Maar was er veel geest op de teekeningen-
ten-toon-stelling in Arüf\'
«Ja, ja," verklaarde de aestheticus, «er waren mooije dingen.
Zelfs in de wonderen van uitvoerigheid van Koelman zit toch
nog leven ...."
«Meer leven dan in fotogrufiën van \'t zelfde?" vroeg de
kunstlievende.
z/Fotografiën missen altijd de kleuren," luidde het antwoord
van den kunstkenner. ;,Men kan ook alleen fotografiëeren
wat men reeds heeft, niet, wat men maar scheppen
kan." —
Gelukkig, mijnheer Hildebrand, dat onze kunstrechter die
uitspraak aanstonds toelichtte door aldus voort te gaan : /;Foto-
grafiëer eens dingen als de malscho en krachtige landschappen
van Roelofs, als bijv. de bloemen van de juffrouwen Haanen of
de Rijk.... of scones als de kompozities van Ten Kate,
Scholten, Bles, Eochussen . ..." Want, niet waar, hadde hij
die verduidelijking van zijn vonnis niet gegeven, dan zouden
onze ridders van palet en harp, die van geen banden willen
weten, het met de waarheid zoo nauw niet nemen, die slechts
jacht maken op effect en z.g.n. impressioneeren willen, dan, zeg
ik, zouden dezulken allicht meenen in Foreestiers schatting van
hetgeen „men maar scheppen kan" boven hetgeen «men reeds
heeft," een kostelijken vrijbrief te bezitten, om hun phantasie
den teugel te vieren tot nog doller draf en nog onbesuisder
sprongen, dan waarvoor zij nu reeds onze aandacht, neen
onze bewondering durven vragen.
Nu is de bedoeling van den kunstrechter duidelijk.
-ocr page 15-
XI
Doch met dit al ligt juist in het vonnis, dat Foreestier streek
over het fotografiëeren, eene waarheid, die de hechte
en zoo duurzaam gebleken grond is van uw Camera Obscura.
Juist toch omdat uw kunstwerk de reproductie is van levende
en handelende personen, en gij dus weergegeven hebt «wat men
reeds heeft" en niet «wat men maar scheppen kan", is
het na vijftig jaren nog overdierbaar aan het Nederlandsche
volk. Omdat gij „gefotografiëerd" en niet «geschilderd" hebt,
zal \'t wel niet blijven bij de zeulende uitgave van «het onster-
felijksto van alle Hollandsche boeken", zooals Jonckbloet, niet
de Doctor, maar de Jezuïet van dien literarischen naam, het zoo
juist heeft gekarakteriseerd.
Want, meendet gij uwe bewonderaars te moeten waarschuwen,
dat men op uwe schilderijtjes «geen portretten moet zoeken",
dewijl er «niet alleen honderdmaal een neus van herinnering
staat op een gezicht van verbeelding, maar ook de uitdrukking
des gelaats zoo weinig bepaald is, dat eenzelfde tronie dikwijls
op wel vijftig onderscheiden menschen gelijkt", i) dat de Camera
Obscura
getrouwe licht-beelden geeft van het Nederland, zooals
het een halve eeuw geleden was, wil schier iedereen tegenover
u volhouden. En zult dus gij die bewering niet als een axioma
aannemen, toch, waarde Heer, hebt gij zelf gevoeld, «dat het u
gelukt moest wezen met waarheid te schetsen, zoodat de Mensch
den Mensch en de Nederlander zijn Vaderland gevonden heeft")".
Daarom lag er eene teleurstelling in de wetenschap, dat de
Camera Obscura eenig was en bleef, al werd een herdruk van
het boek wel eens als een vermeerderde druk dank-
baar ontvangen.
Sinds men toch is gaan inzien, dat de Volkshistorie niet ge-
schreven wordt, simpel door de vermelding van oorlogen en van
de verjaging en terugroeping of vervanging der vorsten en poten-
1)  Motto van uw boek, mijnheer Hildebrand.
2)   Voorbericht van den IXden druk blz. X.
-ocr page 16-
XII
taten, maar wel degelijk ook door de schetsing van de zeden
en gebruiken der Natie, door het fotografiëeren van indi-
viduen, waardoor vaak het karakter, de eigendommelijkheid van
geheel het volk in het licht treedt; — sinds men dat is gaan
begrijpen, waart gij, Heer Hildebrand, de geroepen hovenier
van dit bloemperk der Vaderlandsche letteren.
Immers onder de met u bloeiende geesten mocht noch Pot-
gieter, noch Busken Huet, noch Vosmaer, noch zelfs Alberdingk
Thijm zich in die roeping verheugen. Potgieter, de klassieke
Meester van d e(n) Gids, was er te patriarchaal voor als hij
sprak; hetgeen hij zeide was te zwaar op de hand, om geaccep»
teerd te worden door geheel het Nederlandsche volk. En Bus-
ken Huet, och, hij kon de geestige causeur wezen van het
Land van Rembrandt, — zijn literarische phantasie was
te Eransch voor zoo\'n door en door Hollandsch bock. Vosmaer,
de zeer menschelijke bewerker der geëtste bladen, mocht
al zijn doorgedrongen in Rcmbrandts geheim van licht en scha-
duw, hij was te zeer atheïst, om de roerselen tot \'s menschen
doen en laten te kunnen treffen, hetgeen toch ook noodig is,
opdat «de Mensch den Mensch" in zulke tafereelen «terug-
vinde". En Alberdingk Thijm, de geniale stylist van de V o n-
d el-portretten, was weer te Eoomsch, om te kunnen
rekenen op een goed onthaal bij alle zijne landgenooten, of liever
zijn Catholique avant tont klonk zoo luide, dat zij voor hem op
de vlucht gingen, die van kindsbeen af geloerd hebben op hun
hoede te zijn voor wzulko gevaarlijke menschen".
Doch ook Hofdijk, noch van Lennep, noch Toussaint konden
zich geroepen achten uw verdienstelijk werk voort te zetten.
Om w fotografieën" van het Nederland hunner dagen te nemen,
waren de Kennemer Bard, die o.a. Heen echo van 1573"
liet hooren, en de auteur van de(n) Pleegzoon, zoowel als
do schrijfster van het Huis Lauernesse, te zeer ingenomen
met ;/ons Protestantsch verleden;" des schilderden en borduurden
zij liever naar hartelust «hetgeen men maar scheppen kan."
En zouden ook Cremer en Kneppelhout niet mislukt zijn
-ocr page 17-
XIII
als auteur van een Camera Obscura, daar de onderhoudende
verteller van Over-Betuwsche Novellen zich, even-
goed als de guitige Klikspaan van Studenten-typen, te
nauwgezet hield bij eene bepaalde klasse en kaste van men-
schen?
De keurige Damas eindelijk toonde zich te^veel aristocraat,
de gemoedelijke van Koetsveld daarentegen te ijverig-catechisee-
rend volksman om zich, als Hildebrand, een plaats te veroveren
in het hart der Natie.
Onder ons legio novellisten en romanvertalers, bij wie het
invlechten eener mogelijke of onmogelijke intrigue hoofdzaak is,
onder onze dii minores behoeven we dus geen naamgenoot van
u te zoeken, als het een feit is, dat zelfs onder de meest ge-
vierde geesten de auteur van de Camera Obscura eene geheel
eenige plaats inneemt.
Maar gaf, of ten minste belooft het na, u opgroeiend geslacht
inderdaad de gewenschte voortzetting van uw kunstwerk niet?
Mogen we onder de thans levende en werkende gunstelingen
uwer bevallige Muze geen man aanwijzen, geroepen om in uw
spoor te treden en waardig uw naam te dragen ? Laat eens
zien: Als Dr. Jan Ten Brink in zijne „Geschiedenis der
Noord-Ned. Letteren in de XlXe eeuw", eene lijst geeft van
tijdschriften ten onzent, die aan Belletrie doen, dan tellen wij
De Gids, Nederland, De Neder landsche
Spectator, De Tijdspiegel, Eigen Haard, De
Dietsche Warande, enz. enz., niet minder dan zestien
tijdschriften. En vergeet die geschiedsclirijver der Noord-Ned.
Lett. niet daaronder de Nieuwe Gids te noemen, zoo min
als De Portefeuille en De Huisvriend: De
Katholiek slaat hij nog over, evenals De Studiën,
De Wetenschappelijke Nederlander en De
Katholieke Illustratie, die, ofschoon ze aan den
Leidschen Hoogleeraar blijkbaar onbekend zijn, toch óók aan
Belletrie doen.
Mogen nu al die tijdschriften niet evenzeer bogen op mannen
-ocr page 18-
XIV
van kunst en smaak, die ze dirigeeren en aan den gang hou-
den, zij laten toch een heirleger literatoren veronderstellen en
allicht enkelen, die geroepen zijn, een of twee talenten te
besteden aan een kunstwerk als van u, mijnheer Hildebrand.
Zoo zou men denken, niet waar ? Maar ach, \'t mocht wat!
z,Daar heerscht een foezerigheid op [dit] kunstgebied, die
onverdragelijk is, en duchtig kunnen de vingers u soms bran-
den om al die snaken, die er in de kunst tegenwoordig met
hun hoofd wel geheel niet meer bij schijnen te zijn, eens aan
de ooren te trekken, hun toeroepende : bedenkt toch, dat gij
in de verwaande XlXe eeuw leeft, en dat deze gekrinolizeerde
Dame een hoe langer hoe belachelijker figuur gaat maken, hoe
minder gij betoont verduiveld knappe kaerels te zijn." Zoo
schreef Foreestier J) en hij betreurde, dat er zelfs van de
waarlijk vigilante kunstenaars reeds zoovelen palet en harp
neerlegden, waaronder ook onze eenige Beets. Dat was in \'65,
en hoe is \'t nu gesteld ? Ach, laat ons vrij roemen in een
Schaepman en Van Hoogstraten, gaarne wat lezen van Margadant,
Jan Holland en Justus van Maurik; naar een tweede Camera
Oèscura
is schier geen kijk meer!
\'t Is echter eene waarheid, dat het werk hoe langer hoe
moeilijker wordt. U toch, waarde Heer Hildebrand, die zich op
deze kunst verstaat, durf ik vragen, of men in onzen tijd zoo\'n han-
dig boek wel zou kunnen leveren, met de verdienste van een beeld
te geven onzer Natie in het laatste vierde der XlXe eeuw ? Aan
de mogelijkheid van een volledig beeld zult gij wel met mij twijfelen.
Doch wat schrijf ik daar; zóó bedoel ik het eigenlijk niet.
Immers, zooals ik reeds aanstipte, zult gij zelf de eerste zijn
om te erkennen, dat uwe genrestukjes evenmin een vol-
ledig beeld geven van het Nederlandsche volk van voor
vijftig jaar. Slechts een gedeelte der Natie heeft het voorrecht
gehad door U ;/gefotografiëerd" te worden, zij n.1. die wegens
eenige numerieke meerderheid steeds willen doorgaan en aan-
l) Dietsche Warande I). 7, bla. 405.
-ocr page 19-
XV
gemerkt worden voor de Nederlanders. Maar als men, dat
daargelaten, nu eens lichtbeelden van onze land- en tijdge-
nooten ging nemen in don trant van uwe schilderijtjes, zou
men dan halverwege den arbeid niet den moed verliezen ?
,;Fotugratieer" eens onze dartele spes patriae, in de school
gewasschen en aldra gespijzigd, gymnastiek-makend en excer-
ceerend, daarna langs \'s heeren straten wielrijdend eri> zich
ontwikkelend door allerlei sport, ik vraag u, wie kan daarvoor
lust behouden, wie zijn gezond verstand geweld aandoen en
coti autore een bladzijde schrijven over zulke Hollandsche jon-
gens! Oin voorts een lichtdruk te nemen van Neerlands
maagdenstoet en jongelingschap, zou men, in stede van een
Sinterklaas-verguld-partij bij te wonen, of met Pieter Stastok,
die ffwaaratje verliefd" was, te gaan spelevaren, zóó vele ver-
makelijkheden moeten bijwonen en zóó vele gezelschappen
frequenteeren, dat ej geen tijd overbleef, om behoorlijk met
het fotografieer-toestel te werken; men had ook zóó vele zomer»
en wintertuinen te bezoeken, schouwburgen en café-concerts
af te loopen, dat het laatste sprankje van kunst en goeden
smaak vervlogen zoude zijn, wanneer men zich eindelijk er
toe ging zetten, om de gelijkenis te trerten onzer bakvischjes
en heertjes, die, met het einddiploma van het gymnasium of
de hoogere burgerschool in den zak, in den waan verkeeren
tot alles gerechtigd te zijn of te wel gedetermineerd.
En nu zwijg ik nog van een „op \'t leven betrappen" onzer
eeuwig politiseerende, zich corporeorende, steeds disputeerende
maar zelden harmonieerende, immer reclameerende, over de
slechte tijden jeremieerende en des ondanks toch veel verterende
Nederlandsche mannen en vrouwen. Wie slechts om zich heen
ziet erkent, dat het al moeilijker en moeüijker wordt een
tweede Camera Obicura te geven, zonder dat do „herkenning
al te pijnlijk is," zooals het geschieden kon ;/in de onbekom-
merde jeugd" i) van u, mijnheer Hildebrand.
I) Voorrede t. a. p.
-ocr page 20-
XVI
Allerminst dan ook heeft deze bundel de pretentie van ge-
lezen en saamgevoegd te zijn op den weg, waar ik u heel uit
de verte gekroond zie met den altijd groenenden laurier.
Dat zou den schijn van verwaandheid laden op een schrijver,
die zich zelven meer dan anderen mistrouwt en gaarne zijne
voorreden zou eindigen met de woorden van Broeder Thomas
van Utrecht: „Is enich ghebrec in desen boecke (dat is mi
leet) en soo wije dat gebrec verbeteren wille (dat is mij dief.")
Maar mijn Bloemen, kruid en stekelblaadjes zijn toch gekweekt
in een echt Nederlandsehen tuin, en voor \'t meerendeel nog
als \'t ware onder de oogen van den wakkeren Gaardenier, die
het verwijt van de „groote menschen" trotseerde, dat hij zich
met tuindertjes inliet. Mogen ze slechts niet ten eene-
male onwaardig bevonden worden te zijn toegewijd aan den
Meester, die „niet was van degenen die veel willen weten van
vermaak en ontspanning" en „zijn uren niet besteedde, om
schadelooze lektuur te leveren, die niet schaadt, zoo zij al niet
baat," dewijl „lektuur zoo veel mogelijk voedsel geven moet aan
geest en hart."
Zouden ze echter een welmeenend criticus veeleer bevestigen
in zijne overtuiging, dat „de bescheidenheid nog altijd geen
gebrek is van onze jongere letterkundigen", en „sommiger naï-
viteit wel aannemelijk zijn zou, wanneer de pedanterie daar
maar niet door heen gluurde" : dan herleze hij het slot van
Vondels Noodigh berecht over de nieuwe Nederduitse/ie misspellinge:
«Leef lang: vaer wel. Of slaet gij beter geld als dit,
Zoo deel het rustigh me: zoo niet, bestem mijn wit."
Wellicht treedt dan nog een of ander talent te voren, om
deze «stoutigheid" te \'beschamen met een deel Foreestierschen
pit en Hildebrandschen geest, hetgeen ik een onverhoopte vrucht
van dezen arbeid achten zou. En dat dan gij, waarde Heer
Hildebrand, het beleven moogt, is de oprechte wensch van
den U hiddigenden
FERDINAND MARKX.
Z. 2 Februari \'91.
•
-ocr page 21-
?
LOEMEN, KRUID
EN
?
TEKELBLAADJES.
-ocr page 22-
-ocr page 23-
v
GROOTSTE YAN MIJN KLEENTJES.
Een aardig ventje en lang geen bloed,
De grootste van mijn kleentjes,
Hij haalt, nu twoe-en-halve voet,
Maar ... rechtstaand op zijn teentjes.
Zijn kopje is van het schoonst model
En blond, zoo zacht als zijde;
Zijn blauwe kijkers schitren hol
En geestig, immer blijde.
Zijn wang heeft iets van rood fluweel,
Dat lokt tot kuiltjes-drukken
Met kusjes, die in zoet gespeel
Der oudren ziel verrukken.
Aan tafel, vloer of wand de schuld,
Dat arm en hoofd geregeld
"Versierd zijn met een schram of bult,
Wat jongen, die niet kegelt!
Zijn stem, zoo helder als kristal,
Gelijkt die van een lijster;
Toch raken wij, bij plak en bal,
\'t Gedachten-spoor steeds bijster.
-ocr page 24-
4
Hij stentort als een generaal
Wanneer hij, trotsch gezeten
Op \'t hobbelpaard, zijn moedertaal
Verrijkt met nieuwe kreten.
Zijn lust in d\' arbeid strekt zich uit
Tot de ongehoordste zaken,
Maar \'t meest om bouwdoos, trom of fluit
Voor brandhout nut te maken.
Hij speelt komedie, als zijn haan
Geen koninkje kan kraaien ;
Want met een droeven lach, een traan,
Weet hij elkeen te paaien.
Hij kan de vreugd voor \'t gansche huis
Zes dagen lang bereiden,
Doch op den zevende het kruis
Voor moe en kindermeiden.
Een aardig ventje en lang. geen bloed,
De grootste van mijn kleentjcs,
Hij haalt nu twee-en-halve voet,
Maar ... rechtstaand op zijn teentjes.
-ocr page 25-
MN BESTE WERK.
>Als deze krans u heeft gesierd
Mn als wij hebben feestgevierd,
Dan siert u schooner krans, vernieuwd met iedren morgen ;
Ban, iedere dag brengt ons festijn,
Dewijl ik slechts voor Doortje-mijn
Te zorgen heb, en gij voor Maurits slechts reilt zorgen."
Een dichtje van Maurits Dorfer aan zijne bruid Doortje van
Staken. Hij zond er een krans bij van levende oranje bloesems,
peperduur voor een hulponderwijzer, die zich aan een eenvoudig
burgermeisje verbond. Maar \'t was daags voor zijn huwelijk en,
wat alles zegt, hij gevoelde zich Dichter.
Dat is nu al een heelen tijd geleden, — zijn huwelijk wel te
verstaan, — \'t gaat reeds zachtkens naar de koperen bruiloft!
Zalige tijd, toen, een dozijn jaren geleden. Hij, de zoon van
een metselaarsknecht, door de mildheid en het door-
zicht der vroede landsvaderen in staat gesteld om te leeren
en te studeeren aan volks- en normaalschool, had, ten trots
zijner ouders en tot bewondering van alle buren in de groote
Zoutsteeg, op 22-jarigen leeftijd het diploma van hulponder-
wijzer verworven, en tevens in de stad zijner inwoning een plaats
bemachtigd van niet minder dan 600 gulden in \'t jaar. Bijna
zoo veel als zijn vader verdiende, deze had 13 gidden in de
week ; maar niet zoo vast als Maurits, redeneerde moeder Dorfer.
-ocr page 26-
6
En dat wns nu nog maar ccn begin ! Tot schoolhoofd, ua-
tuurlijk, moest hij opklimmen, hetgeen hem gemakkelijk zou
vallen, want Lij was knap. Bovendien kon hij dichten, mensen,
verzen maken, zoo mooi, als men ze van zijn leven niet gezien
had! Maurits petemeu, die in de Kersensteeg „aldernaast" de
wed. van Staten woont, had zelfs in vertrouwen van haar
z ster, \'s dichters moeder, gehoord, dat er van neef een verhaal
gedrukt stond in ik weet niet welke groote krant, \'t Was wel
niet uit zijn eigen koker, maar, nog kunstiger, uit een vreemde
taal in \'t Hollandsch overgezet! Zoo\'n ding, geloofde zij, noe-
men ze zooveel als een „vuile ton". Nu, iemand wat ver-
halen kon hij dan ook zoodanig mooi, en met-een maakte
hij door zijn postuur en geheel zijn manier van doen zoo\'n
aardigen indruk op iemand, die naar hem luisterde, dat
enfin, vrouw van Staken wist daar alles van, zij was de moe-
der van Doortje. Buurvrouw had er dan ook „niks niemendal
op tegen," dat haar dochter „den kostelijksten dienst uit de stad"
ging verlaten, om „eene juffrouw Dorfer te worden."
Zwaartillonde menschon mochten al iets mompelen van over-
haasting en dat het beter was, wanneer Dorfer eerst de hoofd-
acte haalde en zich een gunstige positie verzekerde, vooraleer
hij zich tot zulke zorgen verbond, — de zoon uit het volk
behoefde nog geen dichter zich te gevoelen of jongelings-idealen
er op na te houden, om, met twaalf gulden vast iedere week,
zijn bootje in zee te sturen. En Maurits kon ook dan immers
goed doorwerken, ten eindo spoedig de hoofdonderwijzers-acte
te verkrijgen en, over een paar jaren b.v., soliciteeren naar een
betere plaats. Maar dat alles, asjeblieft, zonder „de fraaie
letteren" vaarwel te zeggen. Want dat hij aanleg had voor het
kunstvak verklaarde zelfs een Lit. Doctor, die op het laatst
examen hem ter zijde genomen had met een „proficiat, mijn-
heer Dorfer. U heeft ook gemak in \'t verzen, zooals ik be-
morkt heb. Stijl en inhoud van uw opstel getuigen mede van
letterkundigen aanlog. Nogmaals, proficiat!"
Geen wonder dus, dat de jonkman er innig van overtuigd
-ocr page 27-
7
was, ook in de toekomst uitmuntend voor ;,Doortje-mijn" te
kunnen zorgen; terwijl Doortje van haren kant van plan was,
als onderwijzersgade niet minder dan als linnenmeisje van de
Barones, flink de handen uit de mouw te steken, al was liet
ook om «slechts voor Maurits te zorgen." Derhalve mocht de
knappe, dichterlijke bruidegom zijne hoopvolle bruid toezingen:
tAls deze krans u heeft gesierd
Eh als wij hebben feestijevierd..." enz.
Maar dat is nu al lang geleden, \'t gaat zachtkens op do
koperen bruiloft aan.
De heer Dorfer woont in de Kiezelstraat, hier heen, links,
No. 21. Het huis is in vijf woningen verdeeld en herbergt
even zoovele gezinnen. Onze man bewoont de 3e etage. Be-
hoedzaam, \'t is avond, dus donker op de hooge, steile trappen.
Maar, hoor ik u vragen, waarom dan niet liever op klaar-
licht-en-dag eens een kijkje bij hem genomen ? Ja, ziet u, dan
tien tegen één, dat we mijnheer niet t\'huis treffen. Nu, om-
streeks 8 uur, zijn we er zeker van ZEd. te ontmoeten.
Wat een trap. ..! Och, pruttel nu niet. Jawel, maar \'t
is om er den adem bij in te schieten ! Zijn we er nog niet ?...
Kom aan, nog 10—12 treden. Ziezoo, nu de eerste deur aan
uw rechterhand; daar, de tweede, weet u, geeft toegang tot een
keukentje. Voorzichtig, u merkt dat zoo niet, voor de deur
ligt iets, dat een maand of 3 geleden op een vloermat geleek;
nu schijnt hot ding hier te zijn neergelegd, om ons in den
letterlijken zin van \'t woord met de deur in huis te doen val-
len. Want deze kamer, — nog al groot, vindt u niet? —
deze kamer «van alle gemakken voorzien" is het huis, ge-
tuige van het lief en leed, dat meester Dorfer met vrouw en
kroost op het ondermaansche geniet en eerlijk deelt. Bij de
wel niet schitterende maar toch voldoende verlichting van een
petroleum-lamp, die met sierlijke koperen kettinkjes en kwast-
-ocr page 28-
s
jes aan de lage zoldering hangt, bemerken wij eene groote
chiffonicre, een soort van commode, een tafel met een half
dozijn stoelen, een rieten tuinstoel en tweo dito, dito, voor
kinderen. Een elegant spiegeltje, wat platen en fotografiën in
lijsten, een geriefelijke kachel en een mooi penduletje op den
schoorsteenmantel completeeren het ameublement, in burgerlijke
harmonie met het donker behangsel aan de wanden en het
twijfelachtig gekleurde karpet op den vloer.
Aan de voor zoo\'n groote kamer wel wat kleine ronde tafel
zit de vrouw des huizes. Juffrouw Dorfer ziet er goed uit, al
doen haar ietwat schuil-gaande oogen aan langgerekte avonden
en vervroegde ochtendstonden denken. De tint harer lang niet
meer gevulde wangen logenstraft ook geenszins ons vermoeden,
dat zij blij moet wezen een oogenblik te kunnen zitten, al gaat
de naainaald nog vlug door het weerbarstige laken van een
jongenspet, door hare kleine magere handen heen en weer be-
wogen. Intusschen maakt zij, zelfs in haar half-sleetsch japonnetje
en het gemis aan hoegenaamd eenig versiersel, op ons den
indruk van eene nette, ijverige huisvrouw; en het is eene ver-
kwikking, trots alle agitatie der vrije-vrouwen-vereeniging en
den zotteklap der zusteren Druckers en Cohens, nog het onver-
valschte type te vinden der Nederlandsche vrouw en moeder.
De blauw-laken ffmarinepet", waaraan zij zoo druk werkt, be-
hoort aan haar oudste zoontje, Jan, den guitigen krullebol, daar
tegenover zijne moeder gezeten. Tusschen licht en donker is
hij t\'huis gekomen met een scheur in zijn blouse en een pet
zonder klep. De jongeheer heeft gevochten. De jongens van
beneden en ffvan 2 hoog" hebben hem, Jan «van 3 hoog" voor
haan gescholden, welke diersoort hij synoniem acht met de
eigenschap bang, eene beleediging dus, die hij meende duchtig
te moeten wreken. En hij heeft dat gedaan, zij \'t dan niet
zonder schade aan zijne kleederen. Bovendien is een vrij vin-
nige woordenstrijd tusschen de respectieve moeders van de Ie, 2e en
3e etage het onvermijdelijk slot geweest van de vechtpartij ha-
rer zonen. Maar, zoowel als de jongeheeren, hebben ook de
-ocr page 29-
9
juffrouwen den vrede weer geteekend, en dat wel op het wijze
woord van de juffrouw der 2e étage, die verklaarde, dat het
geen leven voor een mensen zijn zou in een huis als dit,
waar vijf gezinnen met gezamenlijk een klein dertigtal kinderen
wonen, wanneer men in vredesnaam niet veel over zijn kant liet
gaan. Hiertoe werd dan ook door partijen grootmoedig besloten,
en de juffrouw „van beneden" heeft het verdrag bezegeld door
„zelvers" een emmertje regenwater te brengen bij de juffrouw
van de 3e étage. De onderwijzersvrouw stond er „verstomd" van.
Zoo is het dan wederom rustig. Moeder herstelt de geleden
schade en ziet nu en dan even op naar heur lieveling, Mau-
rits, die zóó verdiept is in de les, welke hij te leeren heeft,
dat hij al driemaal gevraagd heeft, wat St. Nicolaas voor hem
toch wel rijden zou. Jan zit intusschen vlijtig zijn schoolwerk
af te maken, dat hij morgen-ochtend, zooals gewoonlijk, zijn
vader toonen moet en waaraan niets mag ontbreken. Op een
stoof aan moeders zijde zit Catötje kunstige voorwerpen uit een
oude krant te knippen; zij is pas 7 jaar, en heeft zoo even
weer hare breitaak voltooid, zonder éenen steek te laten vallen.
Voorts bewegen zich op den vloer de lieve Kareltje en Joopje,
respectievelijk 5 en 3 jaren oud, en die zoo zoet spelen, dat
juffrouw Dorfer „er geen kinderen aan heeft." Eindelijk be-
duidt eene wieg, daar in den hoek, ons, dat Marietje, de jong-
ste van het gezin, nog in haar eerste levensjaar is. Zij slaapt,
tot zichtbare voldoening harer moeder, die, nu haar herstellings-
werk klaar is, behoedzaam achter \'t groen-saaien wieg-be-
kleedsel gluurt, om vervolgens met zoo min mogelijk gedruisch
de kachel wat aan te porren. Want dra moet het water koken
voor de koffie, die haar Maurits zoo gaarne bij zijne thuiskomst
gereed vindt, en het penduletje, — neg een huwelijks-geschenk
van de kinderen der Barones, bij wie Doortje „jaren gewoond"
heeft, — het penduletje slaat 8 uur. Fluks krijgt zij nu het
brood uit de kast en begint boterhammen te snijden, onder
welke bedrijvigheid Jan verklaart, dat hij zijn werk af heeft,
Maurits, dat hij zijn les kent en Catótje haar knipsel in den
-ocr page 30-
1(1
kolenbak werpt. Met begeerige blikken volgen de kinderen
elke beweging van «moe" en zij verlustigen zich, zoowel in
den aangenamen geur, die de aldra opguschonken koffie ver-
spreidt, als in den aanblik van ieders deel, dat op kleine be-
schilderde bordjes gelegd is en waaraan niet geraakt mag wor-
den vooraleer een kort gebed is uitgesproken, dat Jan twee-
maal moet overdoen, wijl hij \'t, als altijd, wederom voel te
gauw deed.
Zie, daar komt mijnheer "Dorfer binnen, \'t Is 10 minuten
over achten; niet ten onrechte gaat zijn vrouw er groot op,
dat hij altijd prompt op tijd t\'huis is. En na een avondgroet
en het hartelijk welkom van gade en kroost, zoo luidruchtig,
dat moe «in duizend angsten" verkeert wegens het nog zoo
zoet sluimerend Marietje, legt de huisvader zijn hoed voorzichtig
op de chiffonière, verwisselt overjas en colbert tegen eene meer-
malen gerestaureerde kamerjapon, — nog een geschenk van
Doortje op zijn eersten verjaardag als haar echtgenoot, — en
werpt zich in den rieten stoel, om ten laatste ook van schoeisel
te verwisselen.
«Jan," zegt juffrouw Dorfer, terwijl zij een heerlijken kop kof-
fie voor haar man en zich zelf schenkt, en den kinderen iets
te drinken voorzet, dat op koffie gelijkt, «Jan, toe, vlug, geef
pa\'s pantoffels eens aan."
«Die weet ik niet," antwoordt de jongeheer, zich oefenend in
de knnst, van in den kortst mogelij kon tijd een ordentelijke
boterham naar binnen te spelen.
«Zoek ze dan," herneemt zijn moeder; „onder de commode
heb ik ze vanmiddag geborgen."
„Daar staan ze niet," zegt hij even opziende, doch zonder
een voet te verzetten.
„Kijk dan waar ze zijn, bengol," klinkt het nu uit \'s vaders
mond, terwijl de goedhartige vrouw beurtelings op haar man
en zoon het oog richt.
Met een stuk brood in de hand gaat Jan nu pruttelend aan
\'t zoeken, niet zouder een oog in \'t zeil te houden op zijn
-ocr page 31-
11
bordje, in welks oumiddellijke nabijheid de kleine Maurits en
Catötje zich hun deel zoo goed laten smaken. Eindelijk komt
hij dan toch met de pantoffels aandragen, waarop Kareltje en
Joopje uitbarsten in een luid geschrei.
;/Och, wat doe je die schapen nou weer?" vraagt moeder
bezorgd en, zeker niet zonder reden, Jan verdenkend het een
of ander kattenkwaad aan zijn broertjes gepleegd te hebben.
//Niets," antwoordt Jau, „ik neem hun do pantoffels af.
Asjeblief, pa," vervolgt hij, zijn vader het gevraagde overrei-
kynd, en hij zet zijn peuzelkarwei voort.
De vermoeide huisvader heeft nu zijn pantoffels, maar in
welk een staat! Kareltje en Joopje, lief als zij spelen kunnen,
hebbon met hun engelenhandjes een paar bloembollen, verleden
Woensdagnamiddag door den onderwijzer in potjes gepoot en
voor \'t vensterraam gezet, overgeplant in paatjes pantoffels, in
welke prettige bezigheid onder de tafel zij zoo wreedaardig
werden gestoord door Jan. Deswege dan ook, dat zij zoo
erbarmelijk een keel opzetten, waardoor ook Marietje ten laatste
wakker wordt, en haar broertjes op hartverscheurende wijze
accompagneert
\'t Is voor den man om het op een loopen te zetten.
Doch mijnheer Dorfer, hulponderwijzer aan school IV voor
minvermogenden, gaat \'s morgens kwartier vóór 9 uur de deur
uit en ziet gade en kroost slechts des middags aan tafel, om
\'s avonds, omstreeks den tijd, dat wij hem opwachtten, zich
wederom bij de zijnen te voegen. En wat er dan ook gebeuren
mocht, hij dankt er niet aan «te gaan loopen". Dan toch
is zijn dagtaak nog lang niet afgewerkt. Des avonds vertaalt
hij romans uit het Duitsch, novellen en humoresken uit het
Fransch, om ze voor zoo- en zoo-veel af te staan aan een
lokaalblaadje, dat er een feuilleton op na houdt. Voorts ver-
vaardigt hij gelegenheidsverzen en tafelliedjes, niet zoozeer om
zijn zanglust te vieren, dan wel, omdat deze poëzie nog al pro-
ductief is, als zij beoefend wordt op bestelling voor verjaardagen,
groene, koperen, zilveren, en gouden bruiloften, alsmede voor
-ocr page 32-
12
dito, dito jubilcs van ambtsvervulling. En, verwonderlijk werk-
zaam als hij is, blijft hij toch ook bij zijn eigenlijk vak. Want
niet alleen waagt hij zich aan kunst-recensiën, maar ook aan
critiek b.v. op een pas verschenen Leerplan voor de lagere
school,
waarin hij verklaart, dat de auteur, — N. B. het
hoofd eener leerschool, welke aan eene Rijkskweekschool ver-
bonden is, — „op een gespannen voet staat met de taal," aan-
gezien die schoolarch schrijft over «voorwaarden tot een goede
voordracht," over „afkeer voor het kwade," over „eene toespraak
met allerlei gebaren vergezeld," enz. Ja, de hulponderwijzer
durft zelfs een Friesch taaiexaminator in diens verslag aan de
ltegeering een tiental flaters in slechts twee volzinnen verwijten,
daar die geleerde spreekt van „indrukken na het onderzoek
ontvangen," van „regels van spelling" van „het onderzoek der
bekwaamheid," enz. En bijtend besluit hij deze philippica met
een citaat uit genoemd verslag: „Aan het opstellen was niet
zooveel zorg besteed, vals matige eischen vragen mogen"
Men ziet dus, dat de heer Dorfer „de fraaie letteren" nog
niet heeft vaarwel gezegd, al verkeert zijn talent nog steeds in
het stadium van „aanleg." De acte van hoofdonderwijzer is
er intusschen bij ingeschoten, en nu is daar geen gooien met
de muts naar, al is dan ook het hulponderwijzers-tractement
niet gestegen, evenredig met de behoeften van zijn steeds aan-
groeiend gezin. Eens is hem ontvallen — \'t was in eene
zwaarmoedige stemming, nadat hij voor de veertiende maal
, vruchteloos gesolliciteerd had naar een betere plaats en hij N°.
éen-honderd-negen-en-tacJdig op de lijst der liefhebbers was, —
eens is hem ontvallen : „waarom moest men ook een m ij n -
h e e r van mij maken !" Want de zoon uit het volk, nu vader
van een talrijk gezin, gevoelde, dat hij een stand had op te
houden, waarin hij niet was geboren en opgevoed en waarvoor
zijn inkomen ontoereikend is. Wat lachte hem als jongeling
deze loopbaan toe ! Hoe gemakkelijk viel hem de studie ! Doch
vervolgens onder zorgen gebukt, werd het studeeren werkelijk
Hokken, zwaarder en juist minder met succes, toen hij eenmaal
-ocr page 33-
18
gezakt was voor het begeerde diploma van hoofd der school,
eene teleurstelling, die hij vroeger nooit had ondervonden.
Beter dus dan aan studie, moest hij weldra zijn vrijo avond-
uren besteed achten, door van half 6 tot 8 uur kopieerwerk te
verrichten en dan voor zijn gezin ten nutte te maken dat „ge-
mak in \'t verzen" en «dien aanleg voor de fraaie letteren,"
waarvoor zijn examinator immers een compliment overhad.
Mijnheer Dorfer zet het dus niet op een loopen, maar legt
zijn schrijfgerief wederom klaar, terwijl zijn egsl haar best doet,
om de lieve Kareltje en Joopje zoet te krijgen door wat suiker
op hunne boterhammetjes te sprenkelen vervolgens Jan met een
zacht lijntje aan den wieg te zetten en eindelijk mans pantoffels
in bruikbaren staat te maken.
WH(5, dat \'s waar ook," zegt zij opeens, met stoffer en blik
gereed, om de bloemaarde onder de tafel zoo goed en kwaad
als \'t nu kan op te ruimen. „Dat \'s waar ook, ik zou \'t in
de alteratie haast vergeten. Der is vanmiddag een briefje
gebracht. Weergaas, waar heb ik dat nou gelaten ? . . . . wacht,
in mijn naaimandje.... of neen, ik zal \'t in de siffinjèr ge-
sloten hebben.... Jawel, kijk, Maurits, dat heit de jongen
van meneer Zellenholler gebracht. Wat schrijft ie, toe, lees \'t
eens voor ?" —
Als ik t\'huiskom, ligt er altijd eenige verrassing in de
mededeeling, dat er brieven voor mij in de bus zijn, en ik
neem ze in ontvangst met grootere belangstelling, dan wanneer
men ze mij op mijn kamer brengt. Ik weet niet, of het meer-
deren zoo gaat, maar den heer Dorfer zeker. Hij ten minste
bekijkt den brief, dien zijne vrouw hem keuvelend toereikt,
zóó nieuwsgierig, dat hij er niet op let, hoe „plat" Doortje
weer „uit haren hoek komt," een gebrek, waaraan de onder-
wijzer anders nooit nalaat zich te ergeren, ofschoon het hem
niets heeft gebaat. Hij neemt nu zijn zakmesje, om het cou-
vert netjes te openen, en na kennisneming van de onderteekening,
-ocr page 34-
14
leest hij op het nog eens nieuwsgierig gedaan verzoek zijner
weêrhelft:
t> Mijnheer,
Ingevolge ome afspraak
...."
„Stil toch, kinderen," roept juffrouw Dorfer, haar man on-
derbrekend, „houw jullie nou toch eventjes je mond dicht.
Hoor je niet dat pa leest ?"
„Catöt stompt me, die valsche kat I" klaagt Jan, anders niet
gewoon zich te laten versukkelen.
„O moe," verdedigt zich de beschuldigde, „hij jokt het, hoor!
Ik wou maar eventjes . ..."
„Stilte," gebiedt moeder. „Ik zal jullie dadelijk na bed
maken !"
„Neen, neen, nog niet!" klinkt het nu in koor.
„Zwijg nou toch een oogenblikkie," smeekt de moeder, gelukkig
niet zonder gevolg, ten miuste heeft zij meer succes, dan wanneer
zij „met grof geschut" tusschen de strijdende partijen gekomen was.
En met voorbeeldig geduld hervat de vader zijne lezing, terwijl
„Doortje-mijn" aan zijn zijde staat, met heur linkerhand op
zijn schouder rustend on heur rechter steeds gereed voor een
tot stilte aanmanend gebaar.
»Ingevolge onze afspraak wachten wij, uiterlijk einde van deze
week, de door n toegezegde bespreking der schilderijen-tentoonstel^
Ung voor ons tijdschrift.
Hoogachtend
Uw dienstw. dienaar
A. C. W. M. Sneeger
Red. Secr. v. d. Nieuweren Gids."
„Zoo," vervolgt de bevoorrechte kunst-recensent en hij zet een
bedenkelijk gezicht, „Vrijdag of uiterlijk Saturdag klaar, jawel,
als ik \'m dat maar leveren kan."
„Kom, kom," bemoedigt zijn ega met een glans van verge-
-ocr page 35-
15
noegen in de oogen „zoo\'n karreweitje heit voor jou niks te
beduien !"....
„Hei," valt de literator de hollandsche huismoeder in de
rede, «spreek toch een beetje dragelijke taal."
„Kom, wat kan je dat nou schelen, as we mekaar maar ver-
staan. Ik ben niet eve geleerd as me man," vervolgt zij, hem
zoetjes in de oogen ziende, opdat hij eens lachen zou. „Wél
wou ik voor ik weet niet wat, dat ik half zoo vlug met de
pen kon zijn als jij.. .."
„Heilige gerechtigheid!" roept de man vroolijk uit, «daar
maak-je een volzin, groot zeker twee regels breed kolom, en
louter van cen-lettergrepige woorden!"
Juffrouw Dorfer staat op \'t punt zich boos te maken over
de geleerdheid van mijnheer, maar zij heeft redenen zich in
te houden, waarom zij minzaam voortgaat, «nou ja, dat steekt
zoo nauw niet. Ik wou maar zeggen, zie je, als \'t er aan dat
karreweitje nou reis an zat, konden we der nog een manteltje
uithalen voor Toosie, en een jassie voor Jan en Maurits."
„Welzeker," herneemt haar ochtvriend een en al verbazing,
„is er niet méér noodig ?"
„Ja, zie je," vervolgt de vrouw met overleg, als begreep zij
niets van \'s mans gemelijke opmerking, „wat ik zeggen wou,
dan kon Toosie haar bruine manteltje voor alle dag nemen,
als zij een nieuw voor Zondags kreeg. Der hangen zulke snoe-
perige modellen in Centraal voor zes en een kwart; maar als
ik er dan nog een kaper voor Marietje bij nam, — \'t schaap
heit \'t noodig als brood — dan krijg ik er dat kwartje wel af.
Nou en geloof maar gerust, dat Maurits zoo met tandpijn suk-
kelt komt alleen daar van daan, dat zijn buisie te klein is en
te dun voor \'t weer, zooals we \'t tegenwoordig hebben. En
Jan is heelemaal uit zijn polletötje gegroeid, \'t ding wordt te
meê goed voor Karel. Nou is het me ook al eens in \'t
hoofd gekomen, om van jou jas wat te maken voor Jan en
Maurits met-een."
„En ik dan ?" vraagt mijnheer Dorfer met een benauwd gezicht.
-ocr page 36-
ï»;
//Wel," antwoordt do juffer behendig, «dan mos jij maar
eens toehappen en oen andere jas nemen. Bij Peek on Clop-
peuburg hangen er voor 28 gulden. Verleden week heb ik er
een eens goed opgenomen, maar een beeldig stuk kleeren hoor,
dat verzeker ik je, zwaar ratiné en rommentom met watten ge-
voerd. Daar heb je dan nog wat aan, zie je, en dan kon ik
van die lange soepjurk, die je toch zoo leelijk staat, goed wat
maken voor de jongens. Met een wollen stoffie, — in De
Kroon
voor 85 centen de Meter, 7/4 breed en suffisant, beeldig
goed, — en een anderen hoed, zal ik dan den winter wel
door zien te komen."
«Enfin, doe dan, zooals je \'t best vindt", zegt de huisvader
met berusting, en moeder de vrouw is recht in haar schik, dat
zij haar «slag nu maar met-een geslagen heeft", en de begroo-
ting voor het a.s. seizoen, althans voor een gedeelte heeft inge.
diend. Een en ander had al wel drie weken „op hare lippen
gelegen". Te midden van dit voor beiden zoo belangrijk ge-
sprek, komt het hun echter niet meer in de gedachte, dat
aardige versje :
»l)an, iedre dag brengt ons festijn,
Dewijl ik slechts voor Doortje-mijn
Te zorgen heb en gij voor Maurits slechts wilt zorgen."
Maar de groene bruiloft is ook al zoo lang voorbij, waar de
koperen voor de deur staat!
De ijverige werker zal dan met zijn kunstbeschouwing begin-
nen. Kom aan, eerst eens //aanpijpen" en dan moet het maar
vlotten, hoewel de kinderen nog al druk zijn en Marietje einde-
lijk haar doordringende stem verheft, om uit de wieg genomen
te worden. Reeds krast de pen over \'t papier, hetgeen echter
niet gehoord wordt, daar de vrouw eenige noodzakelijke zorgen
wijdt aan haar jongste lieveling, die onder deze behandeling op
moeders schoot zoo mogelijk nog treuriger klaagtonen laat
-ocr page 37-
17
hooren dan zoo even. Rovendien worden de jongelui rumoeri-
ger, naarmate er meer op aangedrongen wordt, dat zij aanstalten
zullen maken, om zich ter rust te begeven. «Bidden, uitkleeden
en naar bed", luidt reeds ten tweede male het moederlijk bevel,
en nog wordt daar niet zoo gereedelijk en stil aan voldaan,
als wel wenschelijk zijn moet voor den gedachten-gang des
kunst-recenseerenden vaders.
wGunst, wat benne jullie toch voor kinderen !" kan juffrouw
Dorfer zich niet weerhouden nu eensklaps uit te roepen. En
schier schreiend gaat zij voort: „wat scheelt jullie van avond
toch? Daar gooit me die stoute Toos het emmertje omver!
Aanstonds lekt het door bij de juffrouw beneden . ..! Daar
heb je \'t al...!"
„Juffrouw," roept iemand aan de trap, „juffrouw, ben uwe
daar? Het druppelt dóór \'t plafon."
„Och juffrouw, neem me niet kwalijk," smeekt des onderwij»
zers gade. En met het halfnaakte Marietje op den arm, grijpt
zij wat zij pakken kan, om den plas gauw op te nemen, en
spoedt zich dan naar \'t portaal, ten einde het buurtje „van de
2e étage," die zich immers met haar verbond „veel over haar
kant te laten gaan," te woord te staan met de heilige verzeke-
ring, dat het maar een beetje zuiver, schoon water was, hetwelk
zij juist wou gebruiken om Marietje „klaar te maken," en nu,
door onattentigheid van de kinderen .... enz. enz.
Gelukkig, dat dit intermezzo den gedachtenstroom van den
kunst-recensent niet stoort. Trots alle, trouwens, gelijk deze,
gewone voorvallen, staakt hij den arbeid niet, zelfs niet als
zijn gade weder binnenkomt en met verheffing van stem zegt:
„Jan, Jan, wat ben je toch ondeugend! Nou klaagt de juf-
frouw van beneden weer, dat je haar poesie zoo erbarmelijk
geslagen hebt, dat het arme beesie \'t niet meer to boven zal
kommen! \'t Loopt er tegenwoordig toph overheen!" En nadat
zij Marietje op den vloer gezet heeft, vervolgt zij lang niet
malsch: „Hier, schandvlek!" en klets, klets, klets, klinkt het
door de kamer, terwijl de jongeheer een keel opzet, alsof hem
-ocr page 38-
is
gedaan werd, gelijker wijze hij het „poesie van 2 hoog" heeft
behandeld.
Er hapert iets aan des kunstenaars veder en peinzend voor
zich uitziende bemerkt hij, dat Joc-pjo half duttend ecne tuime-
ling maakt, welke vertooning aan zijn vaderhart den kreet af-
perst: «Kijk! die duvelt met stoel en al omver, en dat is
niets anders dan van den slaap! Ik kan waarachtig ook niet
begrijpen," zoo gaat hij tot Doortje-mijn voort, „\'t is mij een
mysterie, dat je die kinderen niet vóór achten naar bed laat
gaan."
Dat is te veel voor de wakkere huismoeder. Zich inhouden
is haar onmogelijk. //Welzeker," vloeit het ras van hare be-
vende lippen, «jawel, kijk, hoor nou reis an, recht vaderlijk,
dat mot ik bekenne! Ken ander zou nog zeggen: hou de
kinderen een uurtje langer op, anders heb ik er niks an.
Maar nee, meneer moet geen last van zijn goedje hebben, daar
is de slavin goed voor, die er nacht en dag meê optrekt!"
«Als je de litanie uit hebt, werk ik voort", zegt de gelukkige
met een zoet-zuur lachje; waarop moeder — die het wezenlijk
zoo kwaad niet meent — er gang achter zet, ton einde het
slaperig volkje //van den vloer te maken".
//Goê nacht, paatje, nacht, pa !" klinkt het dan ook spoedig
in koor, waarop de stoet ravottend naar de alcove gaat en
Catotje onder den voet geraakt, zoodat zij snikkend en jamme-
rend op den vloer ligt, uitgelachen door haar omnecdoogende
broeders, maar luide beklaagd door moe. En alsof dit rumoer
nog niet voldoende was, om den onverstoorbaren denker ten laatste
toch van de wijs te brengen, springen Jan en Manrits in hun
ledekant, ten einde een formeel gevecht te leveren om de ruimste
plaats en de grootste helft van de deken.
Nu verduistert des heeren Dorfers blik voor ecne verdere
kunstbeschouwing. Met de pen in ongewisse balans tusschen de
vingeren, laat hij zich in de rugleuning van zijn stoel vallen en
staart mistroostig voor zich uit. „\'t Is om gek te worden",
meent zijn gade, wie de tranen in de oogen staan. Maar zij
-ocr page 39-
1!)
zal er een einde aan maken, \'t heeft nu lang genoeg geduurd!
Neen, Maurits houde zich bedaard, zij zelve zal de rust her-
stellen. En nu, kort en goed, deelt zij den «blagen" zoo\'n
aardige vracht klappen uit, dat wel het gevecht een einde
neemt, maar door een schreipartij wordt vervangen, waaraan
ten slotte van den weeromstuit op de aandoenlijkste wijze wordt
deelgenomen door Joopje en Marietje.
Tien uur heeft de klok geslagen eer de kleine Dorfers zijn
ingeslapen en de groote zijn werk kan voortzetten.
Maar het feu sacre van den kunstenaar is uitgedoofd. Hoe
hij ook peinst en zich afmat, zijn phantasie is weigerachtig,
om hem meer te doen schrijven over No. 173, het fraaiste doek
der schilderijen-tentoonstelling.
„Daar," zucht hij, verdrietig de pen op tafel werpend, ffik
kan geen regel meer bij elkaar krijgen. Mijn gedachten zijn te
onbestemd, te verward, zelfs voor een artikel in den Nieuweren
Gids. Alles draait mij voor de oogen."
,;Kijk, dat \'s jammer," herneemt zijn vrouw, die slechts in
een oogenblik van drift zich een hard woord tegen Maurits kan
laten ontvallen. En nadat zij de kleertjes van haar kroost net-
jes bijeen heeft gelegd, plaatst zij zich met naaiwerk aan zijn
zijde en herhaalt met vriendelijke belangstelling: ;,dat \'s jam-
mer. Je was al zoo\'n mooi endje op streek, docht me. Wil
je \'t eens voorlezen, toe ?"
„Dat was zoo kwaad niet, om weer een weinig op gang te
geraken," meent de kunstcriticus.
»Wel ja," moedigt zijn goede genius hem aan.
En de heer Dorfer leest:
Een subliem genot wordt den bezoeker dezer tentoonstelling van
schilderijen van levende meesters aangeboden. Daar is stijl, toon,
conceptie, gloed, kleur, coloriet, warmte, diepte, maar vooral de vaste
zelfbeheersching des adelaars, die popert om zijn vleugelen uit te slaan,
om breed zwatelend te baden in het vloeiende goud der zonne. Be-
schouwen wij dat heerlijke doek van Maris, No. 173, de parel dezer
expositie.
3*
-ocr page 40-
20
\'t Woelt, \'t kookt, \'t bruist.
Los waait \'n holle bries in de wijdwegzwalkende wolkdampen,
die klaukblauk vlakstralen tusscheu schcurscheutend hemelblaaw,
waaronder baast, hoog en kloekbreed, \'n molen, niet in toon onder
\'n laag liggend stadje, waarvan link-i op den voorgrond vetplekt \'n
dampig droezig grasvlek, zacht heuvelend tegen de doezelig in de
aarde wegniolieude hnizenhompjes, met schuin hellende daakjes, die
oudstecnig roodkleureu ouder het zilvcrblank der lucht. En sonoor
doffe tonen grauwzilveren rechts uit \'t oudhouten huisje, dat hier
en daar met sjeuige glausglompen globbert als \'t binnenst van \'n
paarlschtlp; — naast ouder de zwaar steenen molen, waarop nadde-
rend zig-zag schetsflekkendc jaaulichtcu van \'t wolkingeweinel. Links
tusschen \'t gezellig vaalroode dakjesgcdoininel, fluweelt wulpig — als
oud perziesch tapijt — \'n ander dak met donzig rood weelderige wel-
luidendheid, onder het gaafhlazeude watergewerk. En de schuin en
schertsend hun zonlicht afhlakende vcrweghuizendopjes lliininereu vroo.
lijk met hun lichtgliininertjes fijn Uuitend llage oletsjielpeud achter het
deftig somber lluersgevibreer van de, als \'u vuile vallende schaduw*
partij, die toonduft onder den stomphoinpeuden breed hoogen molen,
waarboven vlakgaait het al-lichtpakkeud watergezwalk, dat door zijn
scheuren malleniolenachtigwarreleud blauwschcut of schijnglampen
zendt over de aarde".
De kunstrecensent kijkt eens even op, als om uit te vor-
schen, of zijn hoorderes nu een helder denkbeeld verkregen
heeft, van die prachtige 173. Maar Doortje-mijn ziet haren
Maurits slechts vragend aan, waarom hij vervolgt :
Het schilderij wekt emoties in me op als van: — \'n breedvleng-
opvlieuend vogelenkoor, dat slankgaait met zwatelende geluiden, gelui-
den, die jubelen boven de waterdronken aarde.
—   Als van \'t schuifplasscud losbreken, na zwoeldompe dagen van \'n
schertsgod met zijn licht, lucht en watervasallen.
—  Als van dartel blanke nimfen, die joollachend en joedelend lans-
spelen met lichtglouwingen, of sprciveilen met tot wit zonlicht ver-
blankte wolkgordijnen, die grotesk ommevaeren onder\'t schielijk blauwe
hemelgacren en kruijeud kruimwitlicht aanblecrcn of grauw, met het
dikke van hun vacht de aarde drijven in schaduwpracht.
—  Als van \'n bol-zuidvvesteu-wiuden-woeliug, die blazend baalt met
stramme koeling het lallend platsend dampfestij n, zoo lichtend rein :
-ocr page 41-
21
— die jaagt in warrelwerv\'lend wilde jacht de blankbeplekte hemel-
pracht en omfliert, vlijtig nat vergaart voor de gulzig vochtiuslur-
pende aard".
;,Wat dunkt je er van ?" luidt nu de vraag van den schrijver.
Ja, juffrouw Dorfer meent wel, dat mijnheer aan al dat wa-
ter-geklater en al dat zig-zag-gewoel gekomen is door \'t on-
geluk met het wateremmertje van vanavond en door het lawaai,
dat de kinderen maakten, terwijl vader schreef. Maar toch : zjj
vindt de beschrijving mooi, prachtig, bijna hemelsch en gcd-
delijk, zooals Doortje elke letter, door Maurits geschreven, mooi
vindt en prachtig, bijna hemelsch en goddelijk. En overtuigd
van de waarheid, dat man en vrouw een zijn, dat zijne glorie
dus ook de hare is, dat de roem van den heer Dorfer ook de
roem is van haar, mejuffrouw Dorfer geb. van Staken, zoo
vraagt zij wel wat ijdel aan haren echtvriend, nu ook zijn
naam onder het mooie stuk te laten drukken, voluit, en niet
zooals gewoonlijk met de simpele M. D. En voorts is de
vrouw hoovaardig genoeg, om het jammer te vinden, dat de
lezers niet weten, dat haar man zoo iets schrijven kon, terwijl
hij in de grootste herrie zat, die zes kleine kinderen kunnen
maken. Daarop verklaart de literator echter, dat hij bij der-
gelijk spektakel eigenlijk het best geïnspireerd is voor dit
gekkenhuis-proza. Want eerlijk gezegd heeft hij taal- en stijl-
kennis genoeg, zooals trouwens bleek uit zijn critiek op het
werk van het schoolhoofd en den taaiexaminator — hij heeft
te veel „aanleg voor de fraaie letteren," om zoo\'n opstel, als
een lappendeken bijeengeflanst, niet allerdolst en foei-leelijk te
noemen. Een mensch moet echter al eens wat doen voor een
revenuutje, en wil hij zijn pennevruchten opgenomen zien in
Portefeuille en Nieuweren Gids, dan moet hij wel in het kader
van die tijdschriften blijven. Maar, zoo luidt ten slotte zijn
plechtige verzekering, „ik gaf er toch den brui van, zoodra ik
kans zag, een betere plaats machtig te worden."
„Zou dat nog nie lukken ?" vraagt zijn vrouw, liefderijk be-
-ocr page 42-
22
zorgd, wijl haar Maurits weer zoo somber spreekt en zoo veel,
waarvan zij niets begrijpt. „Als je nog reis solleseteerde ... ?"
z/üaar heb ik genoeg van," verklaart de hulponderwijzer.
z/Maar als je reis," vervolgt zij met verhelderden blik, als
kwam zij eensklaps op een lumineus idee, „als je reis voor een
poosie je schrijfwerk liet rusten . .. ."
„En dan ?" valt hij haar gemelijk in de rede.
z/Wel en dan nog reis geprobeerd, om de hoofdacte te ha-
len ...." zegt de juffrouw schuchter.
;/\'t Ziet er mooi uit," moesmuilt mijnheer. //Gesteld eens,
dat ik slaagde, wat hadden we dan nog? Voor de betrekking
van hoofd aan drie nieuw te bouwen openbare lagere scholen
der Ie klasse hebben zich 205, zegge twee-honderd-vijf sollici-
tauten aangemeld ! Dat kan je lezen in de krant van vandaag,
22 October 1890. Een schoon vooruitzicht dus, waarvoor ik
geen moeite meer zal doen."
De onderwijzersvrouw heeft daar niets op te antwoorden, en,
terwijl hij het geschrevene nog eens herleest, houdt zij zich vlijtig
met naaiwerk bezig, zoodat eene stilte volgt, die na zooveel
levendigheid voor beiden al te pijnlijk is, om lang te kunnen
duren. „Ik wou", zoo begint hij weer, „dat ik een andere
positie kon krijgen, en ik me \'s avonds niet meer behoefde af te
beulen, als ik den geheelen dag gewerkt heb."
„Wel kom aan", herneemt de ijverige huisvrouw en pijnigt
hare oogen af bij \'t insteken van een draad in haar naald, „nou
nog mooier! En dat. . . om de kinderen ?"
„O neen, meisje", luidt het hartelijk antwoord van den echt-
genoot.
„Ik wou ook al zeggen. Want ik voor mijn denk maar zoo,
als ze \'t me wat bont maken: in vredesnaam, een teeken, dat
ze gezond bennen, en dat is ook veel, waarvoor we den goeien
God niet genoeg kunnen danken. Ik zou er ten minste niet
eentje willen missen", verzekert de moeder.
„Ik waarachtig ook niet," haast de vader zich te verklaren.
„Nou, wat bedoel je dan"? vraagt zijn vrouw met deelneming,
-ocr page 43-
23
daar hij met de armen over elkaar geslagen droefgeestig voor
haar staat.
«Och, ik wilde maar zeggen", antwoordt hij, „dat het mij
altijd nog spijten kan, dat vader mij ook maar niet eenvoudig
metselaar liet worden. Is dit een leven, zooals wij \'t nu hebben!"
«Ik ben tevreden, Maurits", zegt üoortje niet innigheid.
«Dat is ten minste een geluk", herneemt de hulponderwijzer,
z/ïoch zou ik wel willen, dat wc onze positie wat kondten ver-
beteren. Ik kan me hier \'s avonds nog afsloven . . . ."
«Man, dat is je eer," zegt de vrouw beangst. //Haal nou
toch in Gods naam geen malle dingen in je hoofd."
z/Ja wacht, ik krijg daar een idee", gaat hij nadenkend voort.
«Je hebt nog het een en ander te doen, zeg je; welnu ik zal je
nog wat gezelschap houden."
«Wou je dat stuk dan nog afmaken?" vraagt zij, bezorgd
voor \'s mans gezondheid.
«Neen, daar zal ik morgen mijn vrijen Woensdag-namiddag
aan besteden," is het geruststellend antwoord. En de heer
Dorfer zet zich weder aan do tafel, om de punten aan te teeke-
nen voor niets meer of minder dan een wezenlijk boek met den
titel: Frnclden van wijn onderwijs. Hij noteert de volgende
nummers, om ze als zoovele hoofdstukken bij tijd en gelegen-
heid uit te werken:
1.     Schoolmeester-kindermeid. (Inleiding.)
2.     12 Ambachten en 13 ongelukken.
3.     Bureelist en commis-voyageur.
4.     Over café-concerts en nog iets.
5.     Politieke tinnegioters.
6.     Proletariër en socialist.
7.     Volks meetings en werkstakingen.
8.     Fin de siècle.
\'t Wordt Porfers beste werk; maar ach .... hij kan er geen
uitgever voor vinden !
-ocr page 44-
EN NSTALLATIE-PARTIJTJE.
I.
„Goeden morgen, oom. Welkom in uw nieuwe woning!"
„Hé, dag Gerrit. Wel, daar doe je goed aan, dat je eens
komt kijken. Kee ! Kee ! Waar zitje?"
z/Hier, oomo!"
wJa, nou weet ik nog niks!"
//In den kelder, ooine!"
«Wat deksel, dat vrouwvolk zit altijd in den kelder of op de
vliering. Kom eens gauw hier, kind! Gerrit is er!"
z/Ocli, kom u dan eerst even hier! Ik kan dien steen niet
op den snijboonenpot krijgen!"
„Al weer wat raars! — Ga dan in vredesnaam maar alvast
alleen naar binnen, Gerrit; ik kom dadelijk bij je. —Wel, wel,
wat een drukte ! Wat heb je, kind !"....
Deze volzinnen hooren wij schier in een adem door uitspre-
ken, of liever elkander toeroepen door den heer Arie van Vliet
en diens nichtje Keetje Dingemans, ter ontvangst van hun
beider eerzamen neef, Gerrit De Baal, Theologim Studiosus nan
het naburig seminarie, die zijn oom en nicht een eerst bezoek
brengt in hun nieuw betrokken woning.
Arie-oom, zooals hij door geheel zijne familie naar oud-
hollandschen stijl genoemd wordt, Arie-oem is kinderlooze
weduwnaar, en gehuwd geweest met een zuster vnn Gerrits
nioeder en Keetjes vader. Zijn levensgeschiedenis begint, althans
-ocr page 45-
23
voor de jongere leden der familie, eerst met zijn twee—on-
dertigste jaar, als wanneer hij met tante Keetje, zaliger gedach-
tenis, trouwde. Men weet van oom alleen, dat hij vóór dien
tijd wop \'t schip" geweest is; een carrière dus, van welke voor
neefjes en nichtjes gewoonlijk meer avontuurlijke dan stichtende
bizonderheden te verhalen zijn. Slechts heeft tante Treesje,
Keetje\'s moeder, zich eens laten ontvallen, ffdat het nog al
voeten in de aarde had," eer grootmoeder Dingemans er in
toestemde, dat Arie van Vliet bij haar ;,over den vloer kwam"
om Kee.
Acht-en-twintig jaren heeft hij met zijn zwartje", die inmid-
dels tamelijk »peper-en-zout" geworden was, \'s levens zoet en
bitter eerlijk gedeeld, en won hij, door een welbeklante nering
in porselein en aardewerk, zijn dagelijksch brood, benevens een
nog aardig stuivertje, om weg te leggen voor den ouden dag.
Met het oog op deze laatste aangelegenheid keek tante Treesje
dan ook nogal zuinigjes, toen Arie, op het jaargetijde van zijn
vrouw-zaliger, in de pastorie zoo bij \'t ontbijt eens praatte over
zijn eenzaam leven, en dat hij meende nog nit\'t te oud te zijn, om
het «nog eens te wagen". Er zijn wel meer, die het op hun
6Ó"te jaar „nog goed doen", had oom gezegd. En, zonder
erg, luidde tante Treesjes wederwoord: „Hé ja, dat wou ik
reis vragen, hoe kommen die Van den Bergen toch zoo groot
bij je, Arie ? De ouwe juffrouw en haar dochter waren met ons
ten hoogtij; \'t verwondert me, dat ze niet meê naar de pastorie
zijn gegaan. En wat was me dat schepsel opgedirkt, Suzo Van
den Berg bedoel ik; een kleeding voor een meisje van twintig,
en ik wed, dat ze al een mooi endje in de veertig is."
Tante vergiste zich; de jongejuffrouw was zeven-en-dertig
jaar, oom wist het precies. In alle geval jong genoeg, om zijn
dochter te kunnen wezen, • hernam de minnelijk-bezorgde
schoonzuster van den kinderloozen weduwnaar niet zeer logisch.
Ruim een half jaar daarna.... doch aanstonds, lieve lezer, de
steen ligt op den snijboonenpot; hoor, daar komt mijnheer
Van Vliet al aan.
-ocr page 46-
36
«Wel, wel, Gerrit, wat een drukte, he?"
«Dat zal nu toch wel gaan, oom," veronderstelt de ander.
„Ja, jongen, \'t ergste is geleên," stemt de zeeman in ruste
toe. «Maar je had verleden week eens motten zien, toen we
aan \'t laaien en lossen waren! \'t Was of er een schip naar
Oost-Inje ging!"
„En hoe bevalt u dit leventje ?" vraagt de bezoeker met
gepaste belangstelling.
„Goed, jongen, best," getuigt de rentenier. „Kom, pak een
stoel; wat zal je drinken ?" En oom roept even buiten de deur,
zoodat het door \'t heele huis weerklinkt: „Kee, waar blijf je
toch !" waarop hij weer zachter tot zijn neef voortgaat: „precies
je tante-zaliger, Gerrit, altijd druk en niks te doen."
„O, ik geloof dat zij hier dan juist op haar plaats is," meent
de seminarist.
„Daar is zij dan eindelijk," zegt oom, terwijl de deur open
gaat en de geroepene verschijnt. „Zeker eerst nog vlag en
wimpel in den mast moeten steken !\'
»Zoo, heerneef, welkom hier. Hoe gaat het ?" luidt nichtjes
groet.
„Mij best, Keetje. En u?"
„Ja vertel dat straks maar, hoor," \'onderbreekt oom deze
plichtpleging. „Geef ons eerst eens wat te drinken, Kee." • Eu
vervolgens tegen zijn gast: „een glas Madera, Gerrit ?"
„Neen, volstrekt niet, oom, \'t is pas half twaalf," heet het
weigerend.
„Ik weet beter, ik zal koffie zetten," bemiddelt nichtje; „goed,
heerneef?"
„Drommels ja," valt oom weer in, „dat \'s waar ook ! Ik speel
maar van Gerrit en jongen, en dat tegen een geestelijk heer!"
„Dat \'s niets, oom ; geen complimenten, asjeblieft," is het
oprechte wedenvoord van den sub-diaken.
„Ja, je hebt nu al een wijdie*, niet waar? En wanneer denk
je klaar te wezen, Priester bedoel ik?" gaat de oud-zeeman
voort te vragen, maar nu zachter, zelfs met zekeren eerbied.
-ocr page 47-
27
«Over een jaar, mag ik hopen," antwoordt mijnheer De Baal
bescheiden.
«Zoo, zoo. En hoe lang heb je nu vacantie?"
«Tot het begin van Oetober, oom."
//Prachtig! Dat komt goed uit voor toekomende week; dan
geven we partij in \'t nieuwe huis, niet waar, Kee ?"
„Grut neen, oome," zegt Keetje tegenstrevend, //over veertien
dagen, eerder zijn we heusch niet op streek, om menschen te
ontvangen. — Wacht, oome, hier is een schoteltje, men kan
die asch zoo slecht uit het kleed krijgen."
„Kijk, dat \'s een leepe zet!" herneemt de heer des huizes.
„Ik heb een dopje op me \'pijp; maar Keetje-nicht wil heer-
neef geen uitbrander geven, omdat hij sigarenasch op \'t kleed
heeft gemorst."
„O, pardon," vraagt de onbedachtzame.
;/\'t Is niets, heerneef, \'t is niets, ik zal een stoffer halen.
Praat samen wat, ik kom zoo aanstonds terug," zegt het lieve
Keetje en vertrekt.
wJa, ja, ga maar, kind!. ... Allons, Gerrit, ik heb verdui-
veld lekkeren port; laat ik je daar eens op trakteeren,"
„Och, oom . ..."
Maar nauwlijka is heerneef alleen en bezig, met den wijs-
vinger voor stoffer en een naamkaartje voor blik, zoo mogelijk
zelf zijn misslag te herstellen, of oom is al terug met een
flesch in de hand. Nu volgt een geroep van de kamer naar
de keuken vice-versa: waar de glazen staan ? //In \'t buffet,
oome!" — Waar \'t sleuteltje van \'t buffet is ? — „Achter het
pulletje aan de rechterzijde van de pendule op den schoorsteen-
mantel, oome !" — Waar de knrketrekker is ? „Hier, oome!
Trui zal \'m brengen! \' — De oude heer begrijpt niet wat ze
in de keuken met een kurketrekker moeten uitrichten.
Ondertnsschen bewondert mijnheer De Baal een paar werke-
lijk schoone platen, door mijnheer Van Vliet onlangs aangekocht
op een „def\'tigen boel." Hij dacht nu ook wat mooi te moeten
meubileeren, nu hij op zijn lauweren ging rusten. En voorts
-ocr page 48-
28
pratende over koetjes en kalfjes, schenkt oompje een fijn glaasje
en weidt er eens over uit, hoe hij er toe gekomen is, zoo
\'n verandering in zijn levenswijze te maken. ffJe bent geen
kind meer, Gerrit, laat ik je dat eens gauw vertellen." En
neef hoort een omstandig verhaal over ooms eenzaam leven in
den porseleinwinkel, toen zijn goede zwartje overleden was, bij
wier herinnering hem nog de tranen in de oogen komen. Ver-
der over zijn hinken op twee gedachten : hertrouwen en in de
zaak blijven; of den rommel verkoopen en alléén gaan stilleven.
Vervolgens, hoe tante Treesje van een en ander had ;/lont gero-
ken" en den knoop doorgehakt met den belangloozen en wel-
meenenden raad, dat Arie-oom zi\'n zaken aan kant zou doen en
op zijn ééntje gaan rentenieren. Met dien verstande evenwel,
dat hij haar dochter Keetje, die toch zijn petekind is en naar
zijn vrouw heet, bij zich nemen zou voor de gezelligheid en
het bestier zijner huishouding. Zooals heerneef weet, is Keetje-
nicht zoo om en bij de dertig; zij hinkt een weinig met het
linkerbeen en kijkt iets of wat loensch, en dus.... nu ja, zij
zou wel «tot geen staat komen," meende hare moeder. Wel
had zij roeping voor \'t klooster, braaf meisje als zij is; maar
zuster kan zij dan altijd nog worden. Enfin, Arie-oom moest
het, natuurlijk! zelf weten, haar //kon het niet schelen." Kort
daarop, zoo gaat de heer Van Vliet voort te vertellen, kort
daarop kwam dit huis in veiling, hetgeen hem alweder door
tante Treesje werd ter oore gebracht en aanbevolen, als voor
hem uitnemend geschikt. Eindelijk dan kocht hij dit perceel
niet te duur, deed zijn zaak daarentegen voor nog al goeden
prijs over aan jongelui en hoopt hier nu een rustig leventje te
leiden, tot, genoegen van geheel de familie en niet minder tot
voldoening van zich zelf\'. «Van achteren gezien ben ik toch
blij, dat ik het zoo gedaan heb, Gerrit," besluit hij in gemoede,
terwijl zijn nichtje, op den voet gevolgd door Trui, zijne dienst-
bode, met koffiegerief binnenkomt. ;/En nu geven we toeko-
mende week partij, niet waar, Keetje?"
-ocr page 49-
20
//Oome, geloof mo, dan zijn we nog niet klaar," verzekert de
bestierster zijner huishouding.
//Het schijnt, dat je er nogal wat van maken wil, Keetje,"
zegt mijnheer De Baal.
z/Och, heerneef, wat zal ik u zeggen; oome wil het nog al
netjes hebben, weet u. Suiker en melk heerneef?"
«Wou je dan zwarte koffie geven, \'t is toch geen goede Vrij-
dag!" antwoordt de huisheer voor zijn bezoeker, terwijl Keetje-
nicht hem aankijkt, als wilde zij zeggen : heet ü heerneef?
z/Van beiden zoo wat, Keetje, dat \'s goed, zóó, merci," zegt
deze, en bedankt om «iets er bij te gebruiken;" hoe dringend
hem dat ook wordt voorgesteld.
„Hoor eens, Kee," hervat mijnheer Van Vliet zijn thema
weder «we moeten het nu met-een afspreken, dan kan Gerrit
de boodschap naar huis meenemen. Laat eens zien, vandaag
Dinsdag, als we \'t eens stelden op a. s. Zondagavond?"
«Grut, oome, en dan krijgen we Pater Ghrysostomus om 6
uur," roept nichtje verschrikt uit.
wWat blief je, komt Pater Chrysostomus dan hier?" vraagt
oom verwonderd.
En Keetje proest van het lachen. «Och," gichelt zij, ffik
bedoel in \'t Lof! ja, dat begreep u ook wel."
z/Welnu, wat zou dat ?"
«Ja, oome," zegt de jongejuft\'rouw beslist, «als we dien
predikant in de kerk hebben, houden ze mij niet t\' huis. \'t
Zelfde wat er gebeurt, maar dan laat ik den boel den boel."
En met heur loenscheu blik ten hemel geslagen vervolgt zij
vroom tegen don jongen geestelijke: „o heerneef, die Pater
preekt zoo prachtig!"
Deze doet er het zwijgen toe.
En Arie-oom vindt dien trek in zijn nichtje nog al be-
denkelijk voor de goede verstandhouding op den duur; hij
neemt zich voor te zorgen, dat //hij baas blijft." Nu, den
eersten keer, wil hij iets toegeven, doch van geen langer
uitstel zijner partij hooren dan tot heden, Dinsdag, over acht
-ocr page 50-
30
dagen. Men zal wat vroeg, \'s namiddags 6 uur, beginnen,
want mijnheer Pastoor, dien hij zeker verwacht, gaat tegen
elf uur op zijn laatst heen, en de gastheer houdt er toch ook
niet van „om er nachtwerk van te maken." Heerneef wordt
dus verzocht de invitatie aan zijne ouders en zuster Anna te
willen overbrengen, en zelf de eerste gast der familie te wezen.
Keetje-nicht zal de uitnoodiging doen aan hare ouders, dat is
dus aan tante Treesje en haar man; voorts aan juffrouw de
wed. Van den Berg, eeno oude overbuur, van wie oom bij de
ziekte en het overlijden van de vrouw, zooveel vriendschap ge-
noten heeft; zoo mede aan mijnheer Deelen, den tabakskooper,
met vrouw en drie kinderen, in welk gezin hij van jaren her
huisvriend en (óók niet voor niemendal, meent tante Trees,)
zelfs peter is over den jongsten zoon ; vervolgens aan tante
Doortje, eene maagd van ruim 60 lentes, die eigenlijk geen
tante, doch een goede vriendin van geheel de familie is, en
eindelijk aan den eerwaarden heer Pastoor. „En dan zal de
kajuit wel vol wezen," dunkt den gastheer.
„\'t Kan een aardig partijtje worden."
„Ja, heerneef; en toch moest er nog iemand bij verzocht
worden," meent Keetje-nicht.
„Zoo, wie zal die iemand wezen?\'\' vraagt de weduwnaar. „Als
je soms een oogje op den een of ander hebt, wil ik je wel een
handje helpen hoor, dan zal ik hem zelf gaan verzoeken."
\'t Lieve Keetje kleurt en .... er gaat een dominee voorbij.
„Kom, zeg het maar," vervolgt oom goedhartig. „Wie wou
je der nog bij hebben ?"
„Och," herneemt zij aan het adres van den seminarist,
„Arie-oom plaagt al eens meê, heerneef."
„Daar moet je tegen kunnen, Keetje," luidt het bescheid van
den geestelijke. „Wat zou dat voor kwezelarij worden, als
je om zoo \'n bagatel zoudt kleuren en zwijgen."
„Patent! Jongen, je lijkt me!" roept de heer Van Vliet uit,
en tegen zijn nichtje: „Zeg nu maar gauw, wie je er bij wil
hebben."
-ocr page 51-
31
,/Wel, oome, Pater Chrysostomus."
„Goed, goed, kind, mij goed."
«Gaat u zelf dan de heeren verzoeken?"
„Neen, kind, zulke boodschappen zijn mij slecht toevertrouwd,"
meent de oud-zeeinan.
Keetje-nicht zal dus morgen aan den dag er op uitgaan, ten
einde ook mijnheer Pastoor en Pater Chrysostonius te vragen,
of zij haar oom de eer zouden willen aandoen, van een gezelligen
avond te komen passoereu, ter installatie in zijn nieuwe woning.
En ten slotte beslist de heer Van Vliet, dat Keetje-nicht zelf
de partij beredderen zal, zonder de minste raadvraging aan hare
moeder. Zij behoeft op geen gouden Willem te zien, als zij
maar zorgt, dat alles goed, deftig-burgerlijk is, behoorlijk voor
een rentenier, die genoeg in de melk te brokkelen heeft, om op
zijn verjaardag met sigarenkokers en geborduurde pantoffels
vereerd te worden door hartelijk toegenegen neefjes en nichtjes.
-ocr page 52-
:»2
II.
\'t Is een triestige, regenachtige September-namiddag, als twee
geestelijken van ongelijken leeftijd op een paruikenmakers-drafje
naar de Tuinstraat knieren, waar zij bij den hoer Van Vliet
aanschellen. Zie, daar komt juist ook een vigilante aanrollen.
De goede Trui, in de huishouding van Arie-oom reeds meer
dan twintig jaren een dienende liefde, — on die op grond
daarvan schijnt te meeneu, dat zij zich tegenover den eerivaar-
den neef van haar meester nog altijd verspreken mag door hem
Gerrit te noemen, tot niet weinig ergernis van dezes moeder en
zuster, — de goede Trui verwelkomt de beide heeren met een :
„ge-navend, eerwaardes ! Gerrit, uwe weet den weg al. Zullen
de heeren om do mat denken, asjeblieft ? Is dat een houden-
weer!" En terwijl Pastoor Jillons en mijnheer De Baal terdege
„om de mat denken," vliegt Trui naar do stoep en helpt oone
dame, mejuffrouw de weduwe Van den Berg, uit het rijtuig,
om vervolgens weer met den koetsier te gaan overleggen, hoe
lang men zal festeeren, „Meneer heit niks verordeneort; maar
tegen elf uur kom je gerust hoor, dan hoef je niet te wachten.
Tegen zóó laat is ook de visjelant voor de geestelijken besteld."
„Eindelijk!" zoo klinkt ondertusschen een basstem in de
gang, „eindelijk op do loopplank! Een half uur te laat aan
boord, Pastoor! En nu mankeeren er nóg twee op \'t appèl !
Ha, daar is juf Van den Berg toch ook. Maar dan nog ine-
neer.... ja, hoe heet zijn eerwaarde ook ?"
„Chrysostomus," zegt de Pastoor met gullen lach.
;;Precies. Waarom is de Pater niet meegekomen ? Hij zal
toch zijn kat niet sturen, hoop ik; \'t is aangenomen werk!"
„Neen, neen, hij zal wel gauw hier zijn. De Pater moest
eorst even naar een zieke," luidt de geruststellende inlichting.
„Maar," zegt Pastoor al dadelijk, „hij moet, geloof ik, vroeg
vertrekken, zooals hij mij ten minste gezegd heeft."
„Dan zal ik hem uitlaten," is het leuke bescheid van den
-ocr page 53-
:ï-\\
gastheer. wIk heb nog nooit gevaren zonder averij, en een ieder
is hier vrij man."
Met deze uitroepen en vragen en antwoorden, terloops afge-
wisseld door een handdruk en een wedorkeerig ffhoo gaat het,"
wordt het drietal dus binnengeleid in den gezelligen kring,
bijeengekomen, om A-rie-ooins\' entree in zijn nieuwe woon te
vieren. En terwijl de gastheer zijn feostgenooten, voor zoo-
ver noodig, met elkander in kennis brengt, wordt ook Pater
Chrysostoinus ingeleid door Willem, don voor deze gelegenheid
gelmurden knecht, zoodat ook de laatst gekomen gast zijn bil-
lijk aandeel krijgt in de gebruikelijke plichtplegingen.
Onder de reeds aanwezigen had men het weder al behoorlijk
afgehandeld. Arie-ooin was reeds met zijn vriend Deelcn in
discussie geweest over den dienstplicht en beiden zouden juist
met de heeren De Baal Sr. en Dingemans hot vóór en tegen
van een inkomstenbelasting gaan bespreken. Maar, ofschoon
ook tante Treesje\'s aandacht al in beslag genomen was door het
mooie garen en het jobs-geduld, waarmede tante Doortjo die
twee beeldige antemecassers heeft gewerkt, welke daar voor \'t
eerst op de tête-a-téte prijken; — en hoezeer Keetje-nicht en
Anna warm disputeeren over het al of niet hoofdpijn wekkende
van kruidenwijn: nu de vier laatst-gekoinenen zijn gezeten,
.noeten dio gesprekken toch eens heel eventjes onderbroken wor-
den door de hernieuwde verzekering, dat het al een dag of
vier allerakeligst weer is, ofschoon men anders in \'t laatst van
September nog zulke mooie dagen hebben kan. wDen geheelen
dag heeft het aan een stuk geregend," is het nieuwtje, waarop
de gemoedelijke juffrouw Deelen het gezelschap nog eens ont-
haalt.
ffIk durfde er dan ook te voet niet door," getuigt de def-
tige weduwe.
„O," herneemt tante Treesje, als altijd zonder erg, «ik doch,
dat meneer Pastoor en heerneef met den sleeper gekommen
waren! Maar uwe heeft groot gelijk, juffrouw. En nou is
\'t hier nog heilig, vergeleken met de slik, bij ons in stad ! Ja,
4
-ocr page 54-
34
uwe mos orois in Amsterdam komme! Zidke ende en dan die
hooge sluize!"
„Och, dat is zoo erg niet," meent de tabakskooper. r/Daar
heb je trams en aapies, spotgoêkoop! Voor 12 stuivers rijdt
men een half uur met zoo\'n aap. En met de tram gaan we
half voor niet."
„\'t Loopt er toch in op den duur," verzekert tante Trees,
waarop zij de andere juffrouwen gaat voorrekenen, «hoeveel of
je in de week wel kwijt ben, als je maar zes keeren op een
dag tramt." Den heeren interesseert dit minder, zij gaan dus
liever hunne aandacht wijden aan de vraagstukken van den
dag, zoodat de gezelligheid voor de jongere leden van den
kring wel iets te wenschen overlaat en zij „hun pleizier wel
op kunnen."
Keetje-nicht, die in een keurig kleedje gedost zich als gast-
vrouw uitmuntend voordoet, heeft echter reeds den knecht ge-
scheld, ten einde de thee te laten plaats maken voor wijn en
gebak. Arie-oom schenkt nu den heeren een glaasje zuiveren
Bordeaux en nichtje heeft bisschop voor de dames, terwijl Cornelia
Deelen, een jongejuflïouw, die op bestel van moe heur laatste
t w ij f e 1 a a r s reeds afdraagt, verzocht wordt, zich wel met de
soezenmand te willen belasten. En bij de opwekkende geuren
der dampende en niet dampende glazen, der flacons en fijne
Havanna\'s, — onder den invloed van het gezellig samenzijn
in de prettige ruime kamer, die met een tweede en-suite ge-
bouwd, voor zulke gelegenheden zich zeer wol leent, ontspint
zich allengs zoo\'n levendig gesprek, zoowel onder de oudere
gasten als onder „het jonge goed," dat de gastheer het noodig
oordeelt, de volle kracht van zijn stem te gebruiken bij de aan-
kondiging, dat er zal worden kaart-gespeeld. Een algemeene
bedrijvigheid is hiervan het gevolg. Onder \'t gelach der jonge-
lui, daar mijnheer Dingemans serieus waarschuwt tegen valsche
spelers, en bij het smeekend verzoek van tante Doortje, — die
//dolgraag" en fijn speelt, — om wat consideratie met haar te
gebruiken, tils zij soms bokken maakt, worden twee speeltafeltjes
-ocr page 55-
35
bezet. De gastheer zal whisten met do heoren Jillons, Chrvsos-
tomus en De Baal Sr. Aan \'t andere tafeltje gaan de heoren
Dingemans, Keetjes vader, en Deelen, \'s gastheers vriend, met
de tantes Aaltje, Gerrits moeder, en Doortje, de huisvriendin,
quadrilleeren; terwijl er aan de groote tafel zal gecommerst
worden door de jonge heeren Deelen, juffrouw Van den Berg,
Anna De Baal en Keetje-nicht. Ondertusschen wil Cornelia
voor de consumptie blijven zorgen, en tante Treesje zich onder-
houden met mama Deelen, breedvoerig behandelend de inrich-
ting van het nieuwe huis. Boven, juist als beneden, een rui-
me kamer en-sitite met een ffporte-prisédeur," een „amparte"
slaapkamer boven de keuken en hier, neven de gang, nog
drie kamers op rij. Ook is er een heel lief tuintje aan. //Ik
vond het voor mijn zwager dan ook als met een schaartje ge-
knipt .... Maar, wat is dat," valt tante zich zelf in de rede,
als zij heur glas van de tafel neemt en den seminarist een
coinmerce-spelor ziet plagen, ffwat is dat, heerneef, mot uwe
niet speulen ?"
«Och neen, tante," zegt de aangesprokene kalmpjes.
«Doe met ons meê, mijnheer?" vraagt juffrouw Van den Berg.
z/Zoo\'n allegaartje is wel eens aardig voor een keer."
z/Toch houd ik er niet bizonder van, juffrouw," luidt het
beleefd.
z/Als u quadrilleeren wil, De Baal, daar kunnen ze nog een
lummel gebruiken!" klinkt het van ginds aan het whist-tafeltje.
Tante Aaltje, tamelijk ontevreden, zoowel over dit gezegde
van mijnheer Pastoor, als over het luide of gesmoorde lachen
van bet gezelschap, verzekert, dat haar heerzoon liever in de
boeken kijkt dan in de kaarten. Deze is echter zoo vrij
dit tegen te spreken, en presenteert zich als vijfde bij de
quadrille-spelers, waartegen Keetje-nicht zich weder verzet met
de vraag, of heer-neef niet liever een whistpartijtje zou willen
maken met do heeren Deelen en zijne zuster Anna. wDat com-
mersen," zegt zij, //haalt toch niets uit, en juffrouw Van den
Berg praat ook liever wat met juffrouw Deelen en moe." Maar
4*
-ocr page 56-
36
als de gastheer Anna\'s naam hoort noemen, overstemt hij de
spreekster met een : «ga je zingen, Anna ? dan leggen we de
kaarten neer, hoor!"
De jonge dame doet, alsof zij hevig verschrikt, zij vraagt
«wel excuus" en kent niets, is niet vrij van verkoudheid, enz. enz.
Daarmede is zij er echter niet af. Schoon zij beweert, o.a. dat
Gorneliu Deelen heel mooi zingt, weegt het getuigenis van mijn-
heer Pastoor zwaarder, die, zonder den anderen te kort te willen
doen, verklaart, dat Anna de Baal de beste zangeres is van de
Congregatie. De andere jongejuffrouw, door papa aangezet met
een «toe Corrie," heeft daarop den moed in het midden te bren-
gen, dat mijnheer De Baal zoo prachtig reciteeren kan, ofZEW.
dus voor wil gaan. Nu wordt het nog erger. «Alloo, Gerrit,
dat heb ik nog nooit van je gehoord," overreedt Arie-oom.
En Keetje-nicht voegt daar smeekend bij : «hé ja, heerneef, zoo
\'n mooi gedicht hoor ik toch zoo graag!" — Vreeselijk, wat
kijkt zij nü loensch !
,/Geloof mij oom," dus verweert zich de geplaagde, «wat ik
van dien aard ken, heeft niets te beduiden. Ik begrijp ook
niet, hoe de jongejutfrouw daaraan komt."
«Ik heb het gehoord, mijnheer, bij mijne vriendin, Marie
Van Noot; haar broer is bij u op \'t seminarie."
En de dames smeeken in koor om een mooi vers; de
heeren meest in duo\'s om door te spelen, waaronder een solo :
«laat de meisjes eerst eens zingen," en een andere: «ik hoor
liever een flinke mannenstem." Gelukkig dus, dat tante Treesje
de orde vermag te herstellen door met eene haar eigene be-
scheidenheid voor te stellen: «laten de spelers spelen en de
praters praten tot negen uur, en dan kunnen de jongelui een
aardigheidje ophalen!" welk voorstel bij acclamatie wordt aan-
genomen, met wijziging echter van Keetje-nicht, die als fun-
geerendo gastvrouw bepaalt, dat men dan ook onderdehand
een boterhammetje gebruiken zal.
Alzoo worden de kaarten weer opgenomen, en neemt mijnheer
De Baal Jï, aan de groote tafel de plaats in van juffrouw "Van
-ocr page 57-
37
den Berg, die zich bij juffrouw Deelen voegt en bij tante Treesje.
Keetje-nicht maakt inmiddels eenige schikkingen en afspraken
met Willem, die zoo aanstonds aan tafel dienen zal, en verwij-
dert zich met den knecht, om te zien of boven alles in orde is.
Het gezelschap speelt aardigo spelletjes : o. a. is tante Doortje
in de wolken, daar zij al een „opgelegde volle" gehad heeft on
//een misère générale, waaraan niets te doen was," fortuintjes,
die HED., onder ons gezeid, maar zoo-zoo gegund worden door
hare tegenpartij, dewijl zij dan alleen declareert, „als zij \'t maar
voor \'t neerleggen heeft." Aan de groote tafel gaat het spel
niet zoo van harte, maar des te beter het discours aan dezen kant,
waar tante Treesje ten laatste ook eens bij juffrouw Van den
Berg informeert naar den welstand van hare dochter Suzanna.
wDat lijkt me nou zoo\'n wezenlijk goed schepseltje te zijn;
een net en toch eenvoudig meisie," besluit tante, met het zui-
verst Amsterdamsen dialect, dat ons gehoor streelen kan. ffEn
nou zillen we ruimte motte make, he Kee?" vraagt zij ten slotto,
daar het op slag van negenen is en hare dochter juist weer is
binnengekomen.
„Wel neen, moe, waarvoor ?" En Keetje-nicht hinkt naar het
drietal keuvelende dames, om haar zachtjes te zeggen, dat boven
alles klaar staat. Met een glans van voldoening op haar overi-
gens niet kleurig gelaat voegt zij er nog bij: ,/keurig netjes
heeft Willem gedekt moe, \'t zal u wel bevallen."
«Wou je dansen, Trees ?" plaagt de gastheer, die zoo iets van
ruimte maken gehoord heeft en zijn schoonzuster ziet opstaan.
Maar zij is ontstemd, zij vindt liet „te veel bostel, voor ons soort
van menschen," nogal „braniaclitig," en zij begint te gelooven,
„dat het bij Arie niet op kan."
Met tact is Keetje-nicht echter bij de hand, om deze bui te
bezweren, en zij vraagt vriendelijk met luider stomme: „Oome, wil
u asjeblieft vóórgaan naar boven, \'t licht is opgestoken."
„Als de gasten mij dan maar willen volgen," luidt het gulle
bescheid.
En in prettige bedrijvigheid en onder vroolijke scherts verhuist het
-ocr page 58-
38
gezelschap naar de bel-étage, zooals een der heeren de ruime boven-
kamer noemt, waar men zich hereenigt aan een verlokkend souper.
Mijnheer Van Vliet heeft niet lang nagedacht over de schier
gewichtigste aangelegenheid eener geanimeerde partij, hoe nl. de
gasten zonden geplaatst worden. Een bonte rij, voor zoover men
dit schikken kan, vindt hij wel het aardigst. Aldus wordt
mijnheer Pastoor de rechterzijde van den gastheer aangewezen
en deze\'s linkerhand aan tante Boortje, .luist tegenover oom
ligt het kaartje voor Keetje-nicht, als fungeerende gastvrouw,
ter rechter- en linkerzijde beschermd door Pater Chrysostomus
en heerneef, die wederom respectievelijk de heeren Dingemans en
Deelen tot tweeden gebuur hebben. De tabakskooper heeft
tante Treesjo aan zijn groene zij en diens echtgenoote zit aan
dito dito vau den heer Dingemans. En zoo vervolgens vinden
allen een plaats, zij het dan ook aan een ieder niet evenzeer
naar genoegen.
Als meu gezeten is schijnt Koetje-nicht zich te verspreken
met voor te stellen : „zullen we eerst eens een goed woordje
spreken?" Want schielijk laat zij er op volgen : „o, neem mij
niet kwalijk, mijnheer Pastoor." Doch ZEw. ;/inag dat wel,"
en Arie-oom zegt: «nu, kind, dat is immers jou taak; moeder
de vrouw commandeert bidden aan tafel." En na het V a d e r -
o n s rolt het «welkom aan den disch" van aller lippen.
Keetje-nicht heeft gezorgd voor delicieuze Spaansche castanjes,
welke zij, goed malsch gekookt, laat opdienen met Delftsche
boter, prima qualiteit, en waarbij een glaasje Eijnschen wijn ten
zeerste wordt aanbevolen, \'t Is wel nog wat vroeg in den tijd
voor castanjes, maar oom heeft gemeend de gasten er op te
tracteeren; hij kreeg zo juist dezer dagen gestuurd van een
ouden vriend uit hot Zuiden. Inmiddels krijgt Willem den
last do galantino te presenteoren met een profeten-broodje, want
;/misschien zijn er gasten, die zich van castanjes niet wenschen
te bedienen," vreest de gastvrouw in functie.
„Gunst, Kee," brengt mama echter in \'t midden H\'t is toch
een kostelijk eten, zulke castanjes !"
-ocr page 59-
39
,/ïk wil er ten minste voor teekenen, om zo van den winter
twee avonden \'s weeks zoo te hebben," verzekert de tabakskoo-
per aan juffrouw Van den Berg, die tegenover hem zit, en wier
rechter-buur, mijnheer De Baal Sr., hij een hun appétit toedrinkt.
Het gerecht schijnt dan ook wel in den smaak te vallen; als
Willem do borden komt afnemen, blijkt het mandje, waarmede Trui
hem volgt, reeds bij de eerste helft der aanzittenden te klein
om al de schillen in ontvangst te nemen. Na een profeten-
broodje met galantine of een ;/grofje" met Westphaalsche ham,
heeft Keetje-nicht nog een kapoenenboutje met abrikozen-conipöte;
en toont daarna door een warme »pain-d\'orange," een madera-
gelei en wat verder volgt, dat zij zich van de haar opgedragen
taak loffelijk heeft gekweten. Tante Aaltje meent dus hare nicht
te mogen prijzen, de goede vrouw weet «wat het in heeft,"
zoo\'n avondje te regelen tot ieders genoegen en .... ting, ting,
klinkt het opeens, waardoor er stilte komt in den wel-gekruiden
tafelkout.
Mijnheer Pastoor rijst van zijn zetel en zegt, dat hij daar
een woord van lof hoorde op degene, die dit feest dirigeerde.
Zonder nu, evenmin als daarstraks aan de zangeressen, haar,
wie eere toekomt, te kort te willen doen, meent ZEw. toch,
dat men op de eerste plaats hulde moet brengen aan den gast-
heer, waarom de spreker een dronk instelt op het welzijn van
mijnheer Van Vliet. De Gever aller gaven doe deze pas be-
trokken woning gedurende een lange reeks van jaren voor den
bewoner zijn een huis van geluk en vrede. »En verwachten
we nu," zoo besluit ZEw. „dat de jongelui iets ten beste zullen
geven, eerst zingen wij op onzen gastheer: lang zal hij leven!"
Deze preek bevalt Arie-oom nog beter, dan die Pater Chiy-
sostomus verleden Zondag-avond hield. Doch «alles op zijn
,tijd," dat is zoo, stemt hij zijn herder toe.
wOndertusschen, als \'t een beetje wil, krijg jij toch ook nog
een pluimpje, Kee."
wNeen, oome, dat hoeft niet," zegt het lieve Keetje beschei-
den. «\'k Wou liever, dat heerneef nu eens oen gedicht reci*
-ocr page 60-
41)
teerde, dat hoor ik zoo graag. — Kan u ook reciteeren, Pater,"
vraagt zij vervolgens haar rechterbuur zedigjes aanziende.
wWat blief?" vraagt de aangesprokene Oost-Indisch doof.
wik vroeg, of ÜEw. óók gedichten kan reciteeren ?"
wNeen juffrouw. Daar, mijnheer Pastoor, die doet dat on-
verbeterlijk," is het snaaksche antwoord.
//Is het wezenlijk, mijnheer Pastoor, kan u ook reciteeren?"
vraagt Keetje-nicht verrast, maar toch op zulk een toon, dat
het duidelijk uitkomt tot wien zij spreekt, als zij voortgaat:
//Willem, neem nu de conifituurtaart maar af; nette stukjes
presenteoren, hoor."
De Pastoor staat intusschen dadelijk zijn beschuldiger te woord
met een geestigen zet en is nog bezig, met Keetje wijs te ma-
ken, dat niet hij, maar juist de Pater prachtige verzen kent,
zeer geschikt om hier voor te dragen, als het bekende geluid
van \'t mes op glas wederom aller aandacht vraagt voor een
heildronk, dien de heer De Baal Sr. instelt op de beide Priesters
in het gezelschap: Pastoor Jillens en Pater Chrysostomus. En
het Iö-vivat, aangestemd door den seminarist, is niet uitgezon-
gen, of de vroolijkheid is zoo algemeen, dat Keetje-nicht de
voor haar zeer teleurstellende verzekering krijgt, van geen ge-
dicht te zullen hooren, ten minste niet van het genre, waaraan
zij de voorkeur geeft.
„Kom, Anna," vraagt papa Do Baal nu aan zijne dochter,
wzou(lt u niet haast met een of ander voor den dag komen ?"
Waarop deze door „haren heer," Frans Deelen, het woord laat
vragen, dat haar gaarne gegeven wordt voor een blijkbaar voor
deze gelegenheid vervaardigd gedicht, hetwelk tot titel heeft:
wde voortzichtighcid, moeder der porcelein-kast."
De gastheer en de aanzittenden mèt hem vermaken zich daar
uitstekend meê, dewijl Anna in hare verzen verhaalt van ee»
zeeman, die verscheidene reizen ondernomen heeft en eindelijk
besluit, voortaan aan wal te blijven, een aardig vrouwtje trouwt
en eene nering in potten en pannen begint. Dat hij echter,
gewoon alleen met dikke masten en zware kabels om te
gaan, telkens kopjes en schoteltjes en likeurglaasjes en karafjes
-ocr page 61-
41
brak, waarom hij door zijn wederhelft van het bestuur der zaak
werd afgezet en veroordeeld, om als \'t noodig was een mand
hooi naar den pakzolder te sjouwen, of onder \'t genot, niet van
een glas, maar van een stevigen pot bier, de administratie bij
te houden. Dat hij voorts al spoedig na de zilveren bruiloft
door de moeder van de porcoloinkast werd verlaten, dewijl zij
het loon voor hare voorzichtigheid in betere gewesten ging ont-
vangen. Dat hij toen de porceleinkast verkocht en een sterk,
weldoortimmerd huis ging bewonen, waar hij met geen an-
dere zorgen noch voorzichtigheid van noode heeft, dan met die
van collectant in zijne parochie-kerk en van penningmeester
der Vincentius-vereeniging. En eindelijk, dat hij nu, zooals al
zijne familieleden en vrienden hem toewenschen, de hem nog
weggelegde levensjaren in vreugde en vrede denkt te slijten, in
afwachting, dat hij ook van deze reis, welke nog lang moge
duren, eenmaal in de gelukkigste haven moge aanlanden. —
Een oorverdoovend handgeklap is het loon voor Anna De
Baal. Maar, wie heeft dat keurig gedicht gemaakt, juist
zooals het in Arie-ooins leven is toegegaan en bij welks voor-
dracht men beurtelings lachen en schreien moest ? Keetje-nicht
is al dadelijk in de weer, met haren Chrysostomus als den
auteur te doodverven, die er toch zoo onschuldig aan is, als
zijne lofprijster zelve.
„Ik wed," zoo roept een doordringend stemmetje, luid genoeg
om al dat uitvorschen tot zwijgen te brengen, „ik wed, dat
mijnheer De Baal de dichter is."
,/Kind, ben je mal," luidt het niet zeer hoffelijk van den
ouden hoer, en juist niet pleizierig voor iemand, die schier
onopgemerkt toch ten tweeden male den moed heeft ook eens
een woordje mee te spreken. Als van een schoothondje, dat
op de pootjes getrapt wordt, klinkt het dan ook vlug aan het
adres van den tegenspreker: „wel excuus! Om zoo iets van
mijnheer De Baal te verwachten behoeft men juist niet mal te
wezen. Ik bedoel natuurlijk mijnheer uw zoon."
vWat een snibbig ding," fluistert de zachtzinnige tanto Treesje
-ocr page 62-
42
tegen hare schoonzuster, juffrouw De Baal, die vlak tegenover
haar zit; en het geheele gezelschap houdt er zich van overtuigd,
dat die jongejuffrouw, Cornelia Deelen, haar tongetje wel tot
hare beschikking heeft.
wis \'t waar, Gerrit, heb jij \'t gemaakt?" vraagt de gastheer
nu dadelijk op den man af. En deze heeft, zoo rechtstreeks
ondervraagd, geen ontwijkend antwoord gereed. Neefje behoeft
daar echter geen spijt van te hebben, want na zijne gulle be-
kentenis, dat inderdaad hij \'t gedicht maakte, doet de bezongene
hem een bod van honderd manilla\'s voor het manuscript.
ff Ik heb het niet meer, oom. Anna, heeft u het bewaard ?"
»Wat, heerbroer ?"
ff\'t Papier, waarop ik bet stukje schreef?"
wJa, heerbroer, \'t ligt thuis in mijn schrijfmap." — Oom ver-
wacht, dat Anna \'t hem morgen zonder mankoeren brengen zal,
en... . deze volzin wordt afgebroken door \'t opstaan van Pater
Chrysostomus, die een speech afsteekt op den dichter. Na een
geestige lofspraak op het waarlijk fraaie stuk en een satire op
den ruil van poëzie en manilla-sigaren, uit ZEw. den wensch)
dat onze poëet-subdiaken op het in \'t volgend jaar te vieren
feest zijner H. Priesterwijding een zanger moge vinden, die
niet alleen den gevierde behaagt, maar, zooals hier, aan alle
aanwezigen.
«Is uw zoon al Priester, juffrouw ?" vraagt de ietwat hard-
hoorige juffrouw Van den Berg, terwijl een «hij lebe hoch!"
op hem gezongen wordt. Maar zij wordt niet verstaan, waarom
zij hare vraag nog eens herhaalt en, achter haar heer gebogen,
juffrouw De Baal eens aanstoot.
«Och gunsjes ....! o jeetje .... is dat schrikken ....!\'
Ja, dat \'s te laat, er valt niets meer aan te doen! De aange-
sprokene gaf juist een fruitschaal aan Willem en nu stiet zij
haar vol glas rooden wijn omver, zoodat het, in rechte lijn
voorover gevallen, zijn inhoud uitstort, de eene helft op de
tafel en do andere op tante Treesjes beste zwart thibet japon!
«De begrijp niet, wat je aan dat fruitschaaltje doet! Waar
-ocr page 63-
4a
heb je dan een knecht voor?" vloeit het in den eersten schrik
van juffrouw Treesje Dingemans beminnelijke lippen.
Ettelijke seconden is het ffzoo stil, dat men een speldje kan
hooren vallen," en een donderbui van zenuwen dreigt los te
barsten, bij tante Treesje, uit ergernis over de «lompheid" van
haar schoonzuster; bij tante Aaltje, over het ongeluk, dat zij
toch niet helpen kan ; en bij juffrouw Van den Berg, over de
onheuschheid, dat haar dus de schuld gegeven wordt.
«Ik tikte u toch maar even aan, juffrouw?" zegt zij zich
verontschuldigend.
«Neen juffrouw," valt tante Treesje buiten zich zelve van
spijt haar in de rede. //Uwe trok me zuster bij der mouw!
Ik zag het wel aankommen! Kijk me nou om de liefde reis
aan !"
wEen nieuwe baan in den rok, moe," waagt Keetje-nicht aan
te raden, terwijl zij met een schoonen doek naar best vermogen
droogt en gladstrijkt.
wEen nieuwe baan?" herhaalt mama, /;wat ben je toch een
wurm! En \'t garneersel dan aan \'t lijf? Kijk, wel allemach-
tig! mo mouw heit het ook al beet! Daar trekt een mensch
nou een goed stuk kleeren voor an!"
Wederom is het stil, en wie niet wrevelig naar het tooneel
van het onheil ziet, bekijkt de zoldering of de knoopen van
zijn jas. Alzoo is het eene vredelievende gedachte van den
heer Dingemans, om een dronk in te stellen op de gehuwde
dames van het gezelschap en dezen toast te eindigen met de
aan Goöthe ontleende ontboezeming:
z/Eere de vrouwen, zij vlechten en weven
Duurzame bloemen in \'t vluchtige leven!"
Arie-oom meent, dat zijn zwager uit ondervinding zoo spreekt,
hetgeen tante Treesje een steek onder water noemt. Doch zij zal
\'t er maar bij laten, uit welk besluit 1\'ater Chrysostomus tianlei-
ding neemt, om met heusche verontschuldiging aan gastheer en
-ocr page 64-
u
gasten zich gereed te maken tot vertrek. Mijnheer Pastoor is
zijn getuige, dat hij onmogelijk langer blijven kan; men zou het
dus niet kwalijk nemen. Allen spijt het natuurlijk, «doch, als
er niets aan te doen is, moot men \'t zich getroosten," brengt
tante Treesje zeer wijselijk in het midden, waardoor nieuwe
vroolijkheid wordt opgewekt.
En als de gastheer den Pater uitgeleide gedaan heeft, dan
wordt de fruit gepresenteerd, en Frans Deelen zingt den op een
fraaie melodie gezetten tekst:
Verbodene vruchten.
Als kind is ons vaak, soms gevoelig gezegd :
Verbodene vruchten, mijn jongen, zijn slecht;
En denkt gij ook hinderen kan het mij niet,
Het zal u steeds schaden al wat men verbiedt.
Maar kon eens de boomgaard of koektrommel spreken
Of pronkboog, waar vaders sigaren in steken,
Wij zagen \'t reeds duidelijk in \'t kindergemoed:
Verbodene vruchten, ach smaken zoo zoet!
De jongling, van school op zijn zestiende jaar,
Wordt vaak onverzaadbaro leeslust gewaar;
En de ouders, zoo zwak, ach zij vragen bedeesd:
Hoe heet toch het boek, dat ge \'s avonds graag leest?
Zie toe en wil nooit het verbodene zoeken,
Zoo fraai en verlokkend in velerlei boeken!
Maar de ouders vergeten .... het zit ons in \'t bloed :
Verbodene vruchten juist smaken zoo zoet!
Men hoort het zoo vaak, dat een huisvader mort:
Ik kom voor mijn huisgezin altijd te kort!
Hoe vlijtig ik werk, nooit verdien ik genoeg....
Doch steeds blijft hij habituu van de kroeg.
-ocr page 65-
45
Terecht zucht zijn ega: we konden wel leven,
Als \'s weeks maar geen guldens in \'t koffiehuis bleven!
Ja daar ligt de schuld, door zoo velen geboet,
Verbodene vruchten toch smaken zoo zoet!
Een echtgenoot neemt soms de nota ter hand,
Die Sinkel hem stuurde van linten en kant,
En roept dan: och, vrouw, wees in kleeding wel net,
Maar geef toch geen sommen voor \'t fraaiste toilet.
Mevrouwtje belooft zich wat minder te kleeden,
Bij Sinkel voort zuinig haar geld te besteden,
Doch schrijft naar Parijs om het keurigste goed....
Verbodene vruchten, ach smaken zoo zoet!
Verbodene vruchten, zij smaken zoo zoet,
Verleidend van geur en betoovrend van gloed;
En heeft staag het plukken en eten gedeerd,
Slechts enklen zijn wijzer door \'t plukken geleerd.
Want altijd en immer voelt ieder in \'t leven,
Zich zachtkens gedrongen of sterker gedreven
Tot schijn voor de waarheid, tot kwaad voor het goed,
Verbodene vruchten toch smaken zoo zoet!
Frans Deelen heeft succes met zijn lied, zoodat, nu Anna
De Baal zegt //haar plicht gedaan te hebben," het weinig moeite
kost de lieve Cornelia over te halen eene romance te zingen,
hetgeen zij er tot ieders bevrediging «netjes afbrengt." Daarna
acht ook Adriaan Deelen, des gastheers peetekind, zijn beurt
gekomen, om eens wat ten boste te geven. En met voreerende
aandacht luistert het geheele gezelschap weder naar de voor-
dracht van
-ocr page 66-
4(5
Een Carnavals-dineetje.
Ik zag een o zoo aardig feest,
Een carnavals-dineetje.
De gasten waren wel geen geest,
Maar raensohen ook niet, weet je;
Want elk van hen wordt hier te land
Geacht te zijn een heusche krant.
Be Standaard presideert den disch
En wisselt gul een woordje
Met al de gasten; bij de visch
Reeds drinkt hij \'t best accoordje.
En hij begroet in \'t feestlijk uur
Be(n) Tijd als vriendlijk overbuur.
Be Standaard heeft ter rechterhand
Be Nieuwe Rotterdammer,
Voorts Venloosch Weekblad, Vaderland,
En vindt het lang niet jammer,
Dat hier Be Oranjevaan vernoegd
Zich bij Het UtrecMscli Bagblad voegt.
De wakkre Bode van de Maas
Heeft \'s Standaards linker-zijde
En V IJsselbode links, helaas,
Dat Centrum \'t hem benijdde!
Naast deze sluit Be Zoom het hek
Met Haagsche krant in druk gesprek.
Aan d\' overkant zijn, naast Be(n) Tijd,
Heraut en Vaderlander
De waarheid en den vrede om strijd
Aan \'t roemen met elkander.
Het Noorden en Be Goesc/ie krant
Zijn laatste gast aan dezen kant.
-ocr page 67-
47
Ter andre zijde, groen in min,
Des Tijds zit hoogst welwillend
Hel Handelsblad, voor \'t Huisgezin
Een sappig peertje schillend,
\'t Zuid-Hollandsch Dagblad drinkt hun heil
En De Banier heeft lachjes veil.
Be Bode nog van Maas en Roer,
De Grondwet, Post en andren
Vermaken zich door pure-amour
Te klinken met elkandren.
Getoast wordt ook naar oud gebruik
Door De Eclio van liet land van Cuijk.
Opeens verschijnt een telegram,
Een stuk van echte specie,
Want wHeeren, hoort, uit Amsterdam,
Betuiging van adhaesie ?"
«Van wien?" wordt hier en daar gevraagd,
z/Van.... van de Nederlandsche Maagd!"
De Praeses leest:
//WIk ben de tolk,
Mijnheeren, hier vergaderd,
Van \'t door zijn eendracht sterke volk,
Wien Noerlandsch bloed dooradert;
Des worde uw Pax, Concordia
Gehuldigd door
Neerlandia.""
\'t Iö-vivat wordt ingezet.
Bruisch aan, champagne-stroomen!
Poef, paf___! Wat nu___ ik lag___ in bed....!
Hoe mal toch kan men droomen!
Hoe drommel komt een mensch er aan,
Die weet hoe thans de zaken staan! —
-ocr page 68-
•48
De declamator wordt met luid applaus dank gezegd; en,
ofschoon de portee van het stukje door de dames eigenlijk niet
begrepen wordt en wel een beetje tast in het politiek zwak der
heeren, is Arie-oom onvoorzichtig genoeg, zijn naamdrager
te vragen, of hij nog niet een stukje kent. — Laten de smaak-
volle critici het maar wraken, dat onzo novellisten en roman-
schrijvers hun partijtjes eeuwig en altijd doen eindigen met de
voordracht van een lang en vervelend gedicht; als een gast-
heer aan een recitator van professie vraagt, om nog een stukje,
kan de laatste moeilijk anders doen, dan het geduld der
gasten op de proef te stellon. Adriaan laat zicli dus geen
tweemaal vragen en kiest uit het rijke repertoire, dat hij in zijn
achtien—jarig brein geborgen heeft, eene afgrijselijke moord-
geschiedenis van een paar honderd statige Alexandrijnen, die
hij nu, letterlijk ter elfder uur, gaat declameeren. Zoo komt
er echter ook nog iets van Keetje-nichts gading. Zij vindt
het „schrikkelijk mooi" en bijgevolg zeer hinderlijk, dat de
spreker in de laatste en juist aandoenlijkste passage van het
aandoenlijk gedicht van zijn stuk gebracht wordt door het bin-
nenkomen van Trui. Dat schepsel weet ook niet waar zij staan
moet; familiaar zegt zij : „de rijtuigen van de eerwaarde heeren
en van juffrouw Van den Berg zijn voor; elf uur door,
meneer!", bij welke boodschap de gastheer en de dame in
quaestie opschrikken als oudjes, die na \'t diner een uiltje van-
gen en daarin gestoord worden door de poes.
„Gunsjes, is het al zóó laat. . . !" zegt juffrouw Van den Berg.
„Juffrouw," valt mijnheer De Baal Jr. haar in de rede, en,
op den declamator wijzend, voorkomt hij ook dergelijken uitroep
van Arie-oom met een „huuust!"
„Inmiddels staat Trui met de handen in de zijde, laat hare
blikken eens over de tafel gaan en zegt zoo bij zich zelve:
„nou \'t heit den lui nog al gesmaakt, zou \'k meenen" ; en lui-
der gaat zij voort: „wat mot ik aan den koetsier zeggen, me-
neer ?"
„Stilte," roept mijnheer De Baal woder, en nu op een toon
-ocr page 69-
49
van tamelijk gezach. Maar als hij de rustverstoorster aanziet,
kan hij duidelijk merken hoe zij mompelt: /;er wordt üwe niks
gevraagd, Gerrit."
En met bewonderenswaardigen moed vervolgt de spreker:
«Hij richt ten laatste nog een langen blik naar boven ....",
doch hij wordt wederom gestoord en overstemd door een uitroep
van de weinig-kunstlievende Trui, die naar den kant der tafel
vliegt, waar een door \'n servet kwalijk verborgen wijnplakkaat
haar hevig doet verschrikken: «Alle menschen! Christene zie-
len! Dat kostelijke tafellaken, waar de juffrouw-zaliger zoo
zuinig op was, in den grond bedorven!"
Hiermede maakt zij \'t echter wat al te bont, zelfs bij haren
meester, en \'t klinkt dan ook niet zachtkens: ffafgemarcheerd,
Trui! maak, dat je de kamer uitkomt!" En de dienstbare
gehoorzaamt, doch niet zonder de handen in een te slaan met
de verzuchting: „och, och, als dat goeie mensch zoo iets had
motte beleve!"
Ondertusschon heeft de declamator reeds driemaal de bam-
mende phrase herhaald:
«Hij richt ten laatste nog een langen blik naar boven,
En dreunend valt de slag, die hem den nok zal kloven...."
ffGra voort, als \'t u blieft," vraagt de een; „rust u even,
mijnheer," raad een ander, „of drink eens een teugje," fluistert
een derde met gemoedelijke bezorgdheid. Doch stil, daar vlot
het weder, en nog een twintigtal verzen ....
wDan is de moord gestraft, om \'t goud alleen begaan!" —
Om lang in do handen te klappen is geen tijd meer; men
heeft het druk met do horloges te vergelijken om secuur te weten,
of het toch heusch al elf uur dóór is. Keetje-nicht presenteeit
nog een kopje thee met een tafelbeschuitje, waarvan o. a. juf-
frouw Van den Berg ffin de gauwigheid" zich gaarno bedient.
5
-ocr page 70-
50
«Dames, die met den slooper gebracht en gehaald worden, be-
hoeven zoo \'n haast toch niet te maken," meent de beminnelijke
tante Treesje.
ffHaast," pruttelt Arie-oom, die nog scherp hoort, //niemand
heeft haast te maken, \'t is nu toch een gebroken achter-middag
en \'t is prachtig weer geworden."
Mijnheer Pastoor staat echter op, en daar de gastheer nooit
//spreekt," wijdt ZEw., opdat het feest niet als een nacht-lichtje
zou uitgaan, een vroolijken afsclieidsdronk aan mijnheer Van
Vliet, waarna hij vertrekt, vergezelschapt van den jongen mijnheer
De Baal. Terwijl voorts ook de andere gasten aanstalten maken,
om «zoo zoetjes aan op te stappen," wordt Keetje-nicht nog eens
door hare moeder ter zijde genomen en gevraagd, of dio meid
hier altijd zoo \'n hoog woord voert? //Want," zoo gaat mama
waarschuwend voort, ;,ik weet wel, dat zo bij Kee-zaliger al
een eerste viool speelde, wat zal het dan nou wezen, daar er
geen eigenlijke vrouw meer in huis is. Je mag dus wel op je
ponterneur blijven, kind, wat ik heb al zoo dikkels gezeid:
Trui weet niet waar ze staan mot. . .."
z/Kom," valt Arie-oom haar knorrig in de rede, «die ziel is
heel goed, al twee-en-twintig jaar is ze bij ons. Laat ze al
eens opspelen, dat \'s een bewijs, dat ze hart voor mijn boel
heeft."
wJa," bevestigt Keetje-nicht, «\'t is een pronte meid en goedig
ook en gewillig en een werkezel, moe, neen, daar heeft u geen
voorbeeld van!"
z/\'t Zou me waarachtig ook wat weze," repliceert de lieve
Amsterdainsche, ;;nou nog mooier! Wou jij dan een meid over
den vloer hebbe, om \'r op \'n stoel en \'n stoof te zette ?"....
En ten laatste, onder het afscheid nemen, wordt juffrouw
Van den Berg door tante Treesje hartelijk dank gezegd voor \'t
aangenaam gezelschap; waarop de weduwe goedig bescheid geeft,
met een hernieuwd excuus voor hare onhandigheid. ;/Ja, \'t
spijt mij geducht, juffrouw, van uw japon. Maar in lauw
water . .. ."
-ocr page 71-
51
„Och kom, juffrouw, praat er niet over; \'t is niemandal,
hoor," zegt tante Troesje minzaam, „\'t Was immers een ongeluk!
Meer japonnen dan lieve menschen in de wereld; daarom zullen
we mekaar niet loelijk ankijke. Complement aan uwes dochter
Susanna, asjeblief."
„Ik beloof het u."
„Adjusjes, wel t\' huis!" —
Men heeft zich kostelijk geamuseerd.
En als Anna De Baal den volgenden dag het dichtstukje bij
Arie-oom brengt, neemt hij de oogenblikkelijke afwezigheid van
Keetje-nicht waar, om te getuigen, dat het installatie-partijtje
ook hem goed bevallen is. „Maar," besluit hij, „ik ben eer in
staat, op mijn ouwen dag nog als gemeen matroos een reis naar
Java te doen, dan tante Treesje ooit weer aan te monsteren
voor mijn wachtschip. Nog voor geen uur!"
En Arie-oom houdt woord.
5*
-ocr page 72-
Wat Ds, Van Noordt zijn zoon
LIET WORDEN.
Het huis ligt schoon en heeft den dublen naam gekregen,
Waaronder \'t is bekend: wIn vrede-welgelegen."
Het is de trots van \'t dorp; notaris, arts noch schout
Kan bogen op zoo \'n hof, die, steeds met zorg bebouwd,
Een keur van groenten schaft; niet enkel kool en boonen,
Der boeren lievlingskost, neen, die dat oord bewonen
Zijn eedier spijze waard, want huis en hof behoort
Een achtbaar predikant, aan Dominee Van Noordt.
Hoe rustig, hoe tevroê, hoe vrij van aardsche zorgen
Leeft daar het vroom gezin! Hoe lieflijk wordt de morgen
Steeds ingeluid, waar \'t Boek der boeken is gelegd
Bij \'t welvoorzien ontbijt, en stichtend wordt gezegd:
De mensch leeft niet alleen van brood! Dus, lieve gasten,
Beproeft nog uw geduld, niet met het Eoomsche vasten,
Doch, vóór uw hand naar aardsche spijze is uitgestrekt,
Worde eerst de ziel gevoed door \'t Woord, dat leven wekt.
Maar, rustig en tevreè en vrij van aardsche zorgen,
Houdt Dominee Van Noordt toch éene smart verborgen,
Een addertje onder \'t groen, wijl Frans, zijn oudste zoon,
Een valsohe steen is aan des Herder3 vaderkroon.
-ocr page 73-
5;!
Zoo zat eens, als gewoon, zijn kroost bij \'t bijbellezen,
Toen Frans zijn beido broers reeds elaadlijk had gewezen
Op \'t lange hoofdstuk, dat zijn vader heden kiest.
De jongen gloeit van spijt! Hij wendt zich om, verliest
Zijn evenwicht en grijpt nog fluks het tafellaken,
Doch sleept het in zijn val ten gronde. Tal van zaken,
Door moederlijke zorg ter tafel opgebracht,
Gerangschikt en verdeeld, zijn voor men daar aan dacht
Met rammelend geweld op \'t fraai tapijt gesmeten,
En heel de pastory weergalmt van luide kreten.
Mevrouw staat gansch ontsteld, bejamrend het verlies
Van \'t wel niet best, maar toch zoo goede theeservies;
En \'t zestal spruiten, die des leeraars disch versieren,
Laat zich niet onbetuigd, zij grablen, vlug als mieren,
De scherven van den vloer. Nu grijpt mama geducht
Haar zoon, die \'t stuk bestond, on wil haar leer dor tucht
Hem doen begrijpen, dat, als pa hier leest voor stoelen,
Zij practisch handelt: ffwie niet hooren wil moet voelen!"
Met engelengeduld zag Dominee \'t tooneel;
Maar als zijn ga, zóó spreekt is \'t voor den man te veel.
Des rijst hij langzaam op, als om een tekst te klaren,
De linkerhand op \'t Boek, de rechter tot gebaren
Steeds vrij; en kucht en spreekt dan zacht met zoeten galm:
«Herinner u het vers der zaalge vredepsalm
En zing: waar vrede woont gebiedt de Heer zijn zegen!
Ach, kan die kostbre gaaf niet meer dan rijklijk wegen
En overslaau bij \'t klein verlies, dat ons nu treft?
Hoe is het mooglijk! vrouw, dat gij het nooit beseft:
Hij, die gegeven heeft, hij heeft het weêrgenomen!
Het past u, dierbre ga, ten voorbeeld aan de vromen,
Dat gij geduldig zijt, gelaten, kalm en zacht.
\'t Was zeker boos van Frans; maar, hebt gij soms gedacht,
Dat wie de roede spaart zijn kindren niet kan minnen,
Breng dan den tekst ook van Matheus u te binnen,
Dat, wie den zwaarde trekt door \'t zwaard ook zal vergaan,
-ocr page 74-
54
En dat Joannes zegt: de liefde blijv\' bestaan.
Ja, \'t heerlijk bijbelwoord: de liefde dekt gebreken,
Zij steeds uw lievlingstekst ten toonbeeld aan mijn leeken.
En gij, mijn beste Frans, ach door uw ongeduld
Naar \'t einde van het Woord, hebt gij weer groote schuld.
Mijn zoon, uw zaligheid is steeds mijn grootst verlangen ;
Gij moet, wanneer ik lees, het Woord als brood ontvangen,
Dan toont gij u den zoon eens dienaars van dat Woord,
Een goeden, waren telg van Dominee van Noordt." —
Dus rustig en tevrêe en vrij van aardsche zorgen,
Stoort niets zijn kalm gemoed ; al houdt hij ook vorborgen
Een addertje onder \'t groen. En zij dan de oudste zoon
Hem dra een valsche steen aan zijne vaderkroon,
En Frans op vijftien jaar de plaag der lieve woning:
De vrome gruwt zoowel van straf als van belooning.
Zelfs als mama hem soms beteuglen wilde en strak
De leidsels hield en strafte als \'t noodig was, dan sprak
Papa weer: «moeder, laat het over aan den Heere,
Die werkt zooals Hij wil in allen tot Zijn eere!
Want heeft hij onzen Frans tot Zijn verkozen volk
Van eeuwigheid bestemd, dan drijft die donkre wolk
Toch eenmaal van ons huis; en is hij niet verkoren,
Welnu, mijn zoon van smart zij reddeloos verloren!"
Zoo onverstoorbaar kalm aan \'t stellen van een preek,
Krijgt Dominee bericht, dat nog voor deze week
Zijn vriend en ambtgenoot, emeritus sinds jaren,
Het plan heeft opgevat bij hem eens aan te varen.
„Dat zal dan morgen zijn," vermoedt zijn wederhelft.
„Neen, Saturdag, schrijft hij, met de eerste boot van Delft.
\'t Valt minder goed, \'t is waar, want voor den dag des Heeron
Wil ik dan mijn sermoen gewoonlijk repeteeren,
Opdat ik, voorbereid viin hart en geest en mond,
Aan de uitverkoren schaar het levenswoord verkond.
-ocr page 75-
55
Maar Frans . ... ? Ja, luister eens! Gij moet er prompt voor zorgen
Mijn ouden vriend Van Hal te ontvangen; overmorgen
Komt zijneerwaarde hier. Haal gij hem van de boot;
Maar stichtend, hoor, bedaard, beleefd het hoofd ontbloot." —
Met vreugde heeft zich Frans naar de aanlegplaats begeven
En neuriënd den tijd van \'t wachten goed verdreven,
Tot eindlijk \'t bootje komt; de eerwaarde heer Van Hal,
Bedienaar van het Woord, stapt statiglijk aan wal.
Met arendsblik heeft Frans niet vruchteloos gekeken
Naar \'t groepje passagiers, want \'t is hem ras gebleken,
Dat hij, in zwarten rok en witte das gekleed,
Mijnheer Van Hal moet zijn, wien hij dus welkom heet.
«Welzoo, mijn jonge vriend, weizoo, hoe vaart uw vader?"
„Mijn pa is goed gezond," zegt Frans en treedt wat nader
Om zachter voort te gaan: «maar in den laatsten tijd
Is pa verschriklijk doof geworden; o, hij lijdt
Daar vreeslijk onder, en, hek is al vaak gebleken,
Dat hij het gaarne heeft wanneer wij luide spreken.
Daarom verzoek ik u, mijnheer, dat u zoo hard
Hem toespreekt als u kan ..." En Frans is niets verward,
Hij keuvelt voort, en, zijn ze al gauw het huis genaderd,
Wiens helder wit zich kaatst in \'t groen van \'t vol gebladert,
Dan leidt hij hoogst beleefd den gast door \'t ijzren hek,
En voert hem verder in \'t eenvoudig spreekvertrek.
//Mijnheer, ik zal direct uw komst aan pa gaan zeggen . . ."
En Frans naar boven... «Pa, hoe is dat uit te leggen ?
Mijnheer is daar, en praat zoo vreemd, dat ik geloof,
Dat hij krankzinnig is, of hij is vreeslijk doof.
Hij antwoordt niet of schreeuwt; \'k wist niet met hem te praten,
Dus mag u dezen keer het fluisteren wel laten,
Schreeuw maar zoo hard als hij. En \'t mooiste is, dat de man
Hot zelf niet weten wil, dat hij niet hooren kan." —
De heer Van Noordt staat op, en zucht en spreekt van plagen,
Die \'t uitverkoren volk verdraagt naar Gods behagen;
Eu roept dan met een stem, als uit een koopren buis:
-ocr page 76-
66
«Dag, beste vriend Van Hal! Wees welkom in mijn huis!
«Hoe vaar je, beste vriend! hoe varen vrouw en kinderen!
Waart ge altijd goed gezond en kwam geen plaag u hinderen,
En is \'t emeritaat u naar genoegen ?" — «Ja 1"
Schreeuwt de ander: wik ben wel! Mijn kindren en mijn ga
Zijn altijd goed gezond ! Wat heb je een lieve woning,
Van Noordt, wel man ! je woont hier als de rijkste koning !
Was dat uw oudste zoon, die mij heeft afgehaald ?!"
z/Ja, vriend, wat zeg je er van ?!" //Een ferme knaap ! het faalt
Hem zeker niet aan geest!...." — Maar vriend,spreektochwat zachter!
z/Ik zou U goed verstaan, al stond ik dan ook achter
In onze pastory !" — „Maar beste vriend Van Noordt!
Ik sprak zoo luid, ja schreeuwde omdat u kwalijk hoort.
Maar U hooft ook voor mij zoo luide niet te spreken;
\'t Is waarlijk of men hier den draak met mij wil steken!
Eerst zegt me uw zoon, dat u niet hooren kunt, en dan
Schreeuwt u, als ware ik doof; .... ik word er duizlig van"
«Dat ik niet hooren kan . . . . ? Maar dat is grof gelogen !
Dan heeft mijn booze zoon èn u èn mij bedrogen!
Hij zei me vleiend : pa, schreeuw, schreeuw uit alle macht,
Want Dominee Van Hal hoort niets, hoe hij ook tracht
Een woordje te verstaan. — \'t Is niet om te gedoogen,
Dat Frans dus u, mijn vriend, en mij heeft voorgelogen!
Wat weefsel van bedrog! en dat ik zulks weer vind
In \'t afgebeden pand, mijn zoon, mijn eigen kind!
O, vriend, besef mijn leed, mijn pijn aan \'t vaderharte
Om dien verworpeling, mijn kind, maar___ kind van smarte!"
wOch, ik voor mij houd van een braven Hendrik niet,
En ik begrijp niet wat misdadigs u hier ziet.
De poets, die hij ons speelde, is wel wat stout verzonnen,
Maar snaaksche levenslust slechts heeft dat net gesponnen.
Uw jongen lijkt mij best, zoo vroolijk, schalksch, vol geest,
Heeft hij een oogslag, waar men schranderheid in leest."
//O, dit ontken ik niet; en dat hij zich vermake,
Zooveel zijn leeftijd past, \'t is naar de Schrift. Ter zake
-ocr page 77-
57
Van die blijmoedigheid zeg ik het keer op keer:
Wees vroolijk, Frans, een blij gemoed behaagt den Heer.
Maar denkt u, dat hij hoort naar Davids vrede-tonen:
Hoe zalig is \'t waar broeders t\' zaam eendrachtig wonen?
O, vriend, \'t is iedren dag een twisten, een krakeel
Met broeders om de minste nietigheid; te veel
Om voor een zacht gemoed als \'t mijne te verdragen ...."
Als Dominee nog spreekt, komt Frans onnoozel vragen :
Of pa nog met zijn gast niet in do kamer komt,
Waar ma reeds lang hen wacht. Maar \'s jonglings mond verstomt,
Dewijl papa, dien hij niet schroomde te onderbreken,
Weer spreekt, zooals hij nooit zijn vader hoorde spreken:
„Durft gij nog komen, hier nog tarten mijn geduld,
Verstokte zondaar! Is uw wensch nog niet vervuld,
Om mij, uw vader, driest te tergen, te bedriegen?
Zeg, wie heeft u geleerd zoo onbeschaamd te liegen?
Doortrapte booswicht, die mijn vrede op aarde stoort!
Gij, zondig schepsel, die den Satan reeds behoort!
Ik wil u niet meer zien! ga weg! ga uit mijne oogen!
De maat der gruwelen is vol! Geen mededoogen
Heb ik voorlaan met u! Neen, ik kastijd u niet,
Gij deugt toch nergens toe, dus wordt gij maar.... Jezwiet!
-ocr page 78-
f
EN LAATSTE ONDERHOUD.
Wat een genot voor den zoon des huizes, die, elders verblij-
vend, eenige dagen ,,t\' huis" vertoeft! Geen meubelstuk, geen
plekje in de ouderlijke woning ziet hij, of het seliijnt hem te
verwelkomen, als een oude bekende. Iedere verandering of
nieuwigheid, — al strookt die dan met huismoederlijke aesthe-
tica, — hindert den logé; hij ziet ze aan met die onverschil-
ligheid, waarmede men een vreemde ontmoet. — O ouderlijk
huis, mocht ik nog eens vertoeven binnen uwe eenvoudige muren!
eenvoudig, ja; maar heerlijk, overdierbaar in de herinnering van
zooveel lief en leed, daar gesmaakt en gedragen, bij de zelf-
opofferende en ach zoo karig vergoldene liefde dier onver-
getelijke .. ..!
En wat is moeder eene uitmuntende gastvrouw voor haren
Ferdinand. Aan het ontbijt is haar ijver, om het mij toch zoo
aangenaam mogelijk te maken, buitensporig; hoewel ik juist
met vader in druk gesprek ben, neemt zij tegen hare gewoonte
in telkens het woord: „maar, jongen, wat gebruikt je weinig!
Neen, dan had ik vroeger een anderen kostganger aan je! Kom,
smeer nog een broodje, toe!"
wJa, moe, we moeten toch wat praten ook."
//Welzeker. Hoe maakt het juffrouw Vertuijlen."
z/Best, moe. Vele groeten moest ik u doen."
„Kom je nog zoo dikwijls bij die familie?"
-ocr page 79-
59
«Ja, vader, dat is mijn tweede thuis. En Willem, een patente
kaerel! Een vriend voor me, zooals men zelden vinden zal."
u\'t Zijn beste mensclien," besluiten vader en moeder nu in duo.
«Maar, hoe gaat het met Joseph?" luidt de wedervraag.
//Ach," hervat moeder, ;,die zal wel gauw uitstappen," welke
meening door vader wederom volkomen beaamd wordt met een
«\'t is jammer vftn den jongen."
«En dan voor zulke ouders, Ferdinand! Deuk eens aan, hij
is immers de derde zoon, dien zij op zoo\'n leeftijd zullen ver-
liezen, aan dezelfde ziekte."
«Ja, dat ziet men gemeenlijk; hij heeft de tering, zooals je
weet; en als die eenmaal in een familie is... ."
«Je gaat toch naar hem toe? Dezer dagen heb ik het zijn
moe verteld, dat we Ferdinand overkregen."
«Zeker, mijn eerste visite maak ik bij hem. ..."
Daar gaat de deur open en binnon treedt mijne schoonzuster.
Ida komt uit de acht-uursche Mis oven bij onze ouders aan,
of Ferdinand gisteren-avond is t\'huis gekomen. En na de ver-
welkoming wordt de invitatie, om te komen koffie-drinken, voor
vandaag ten minste, afgeslagen; want ,,\'ik moot eerst naar Joseph
Ehooner, en daar ben ik niet zoo dadelijk weg."
z/Och, Ida, dat is een werk van barmhartigheid, dat weetje."
z/Ik weet dat maar ten halve, moe. Wel zei Antoon onlangs,
dat hij zoo ziek is; maar ik ken het jongemensch niet eens."
«Een zoon van Ehooner, hier achter in de straat?"
«Ja, vader, de familie ken ik wel."
«\'t Is jammer van den jongen, herhaalt mijne moeder nog
eens hartelijk.
En ik vervolg: „\'t spijt me geducht. Een beste vent; ik
houd veel van hem. Even oud, waren we makkers, Ida,
buurjongens van jongs cif, tot ons veertiende, vijftiende jaar.
Toen ging hij naar Amsterdam, als bediende bij een handels-
vriend van zijn broer, en wij verloren elkaar geheel uit het oog.
Maar een goede zes jaren later kwam hij me op eens als uit de
lucht vallen: hij bezocht mij, waar ik destijds woonde, en Joseph
-ocr page 80-
60
bleek mij dezelfde fideele jongen, zooals ik hem altijd had gekend.
Maar .. . . ! Misschien wat al te jong in Amsterdam, en daar
reeds zoo goed als zijn eigen baas geweest, bracht hij vervolgens
eenige jaren in Parijs door, in Lyon, Bordeaux, ja, weet ik
waar al meer. En veel gezien en veel geleerd en.... veel
verloren! Een uitmuntend jongmensch voor de zaken, met veel
ambitie om te werken, is hij zoo goedhartig en minzaam, dat
ieder, die met Ehooner in relatie komt, zich gaarne zijn vriend
heet. Ik herinner me nog uit onze kinderjaren een karaktertrek
van hem, die teekent, en me dunkt hij is nog dezelfde. We
zullen een jaar of 8-9 geweest zijn, als we op een morgen naar
school gingen en Joseph een cent rijk was. 1) Den geheelen weg
overleiden wij welke weelde hij zich voor zijn kapitaal zou
kunnen veroorloven. En juist, toen een besluit genomen was,
strompelde daar een arme oude man voorbij. Zonder iets te
zeggen liep Joseph naar hem, en, ik zie hot nog! hoe hij met
het vriendelijkst gelaat van de wereld den arme zijn cent gaf.
Dat is mijn vriend, Ida. En nu ligt de arme jongen aan de
longtering, in den hevigsten graad!"
«Woont hij nu hier ?" vraagt mijn zus belangstellend, hetgeen
mij goeddoet.
»Ja, zoogenaamd logeert hij bij zijne ouders, die leven stil-
letjes. Want hij beeldt zich in, nog wel beter te zullen worden.
Een paar keeren in de week maakt hij zelfs een wandeling van
een half uur, niet waar, vader ?"
wNu toch niet meer. Wel is hij alle dag op en gekleed.
Ook aan zijn mannier van doen, zou men \'t niet zeggen, dat
hij er zoo erg aan toe is; nog opgeruimd genoeg! Maar zijn
gezicht verraadt hem"..............
«Goeden morgen, mevrouw Ehooner, hoe gaat het u ?"
«Hé, mijnheer Markx, dank u, heel wel. Kom binnen. Hoe
maakt u het?"
1) Vindt u dat zou erg, waarde paedagogen V
-ocr page 81-
t)l
n Springlevend, mevrouw! Neem mij niet kwalijk, dat ik zoo
vroeg kom, maar ...."
;/Kom, kom, Joseph wacht u al, hij is in de voorkamer."
«Geen belet dus ?\'\'
z/Welneen, zie daar staat hij al in de deur."
Ach God, is dat Joseph! Die rijzige gestalte van vroeger,
nu gebogen als van een ouden man! — Dat vroolijk, levens-
lustig gelaat, als marmer! — De hol-liggende oogen staren
dof voor zich. — De saamgeperste lippen, door prachtige
zwarte knevels overschaduwd, doen zich geweld, om een glim-
lach na te bootsen! — God, wat knikken zijne knieën!
//Dag, Joseph! Hoe staat het leven?" klinkt het zoo vroolijk,
als de lijder van zijn vriend gewoon is.
//Zoo, zoo, Eerdinand, zachtjes aan. Ik wacht op beter weêr>
en dan naar \'t Zuiden. Dan zal ik wel weer geheel opknap-
pen."
;/Dat help ik u wenschen. Jammer, dat het seizoen u niet
dienstig is voor zoo\'n reisje."
ffJa, mon cher ami, daar zit het \'m juist. Als het geen De-
cember was, wist ik het wel. De Dokter zegt, dat ik tot Ee-
bruari zal moeten wachten; maar dan ga ik stellig."
„Waarheen ?"
„Naar Nizza. Papa zal intijds logies voor mij bespreken.
De ben niet meer in staat behoorlijk te correspondeeren. Eh
bien, hoe vindt je, dat ik er uitzie ?"
Netelige vraag. Daar ligt de jonkman in den kolossalen
ziekestoel. Zijne weelderige, gitzwarte haren doen de bleekheid
van zijn gelaat sterk uitkomen, hetgeen mij nu bij \'t venster-
raam nog meer in \'t oog valt, dan toen ik hem zooeven bij de
deur de bevende, klamme hand drukte. En toch, met welk een
zorg heeft hij zijn toilet gemaakt, als verwachtte mijn vriend
een bezoek van zijn beminde Leonie, de smaakvolle Parisien-
ne ! ....
z/Welnu, antwoordt je daar niet op?"
Scherper ziet hij mij in de oogen, als wil hij in mijn bin-
-ocr page 82-
62
nenste lezen, of liet werkelijk gemeend is, wanneer ik getuig,
zooals hij stellig verwacht, dat hij er goed uitziet. Maar stil,
ik word geholpen. Zijn mama doet het dringend verzoek, dat
Joseph wat bedaarder zou blijven. „Straks moet je \'t weer
bezuren, dan is \'t weer hoesten zonder einde."
„Ja, dat \'s waar," zeg ik eindelijk, om dan toch iets te zeg-
gen, ffu is nog levendig genoeg. Dit is al veel."
„Eh bien, maar ik bedoel mijn kleur, entin, hoe ik er uitzie!\'\'
(Met verheffing van stem en starren blik :) «Jij hebt me nu in
geen vier maanden gezien eu kan dus beter oordeelen, of je
aan me gewonnen hebt ?"
— Welzeker, aan me gewonnen hebt! —
„Hoor eens, Joseph, ik ben geen dokter. U is bleek; dat
zijn er wel meer, vooral als men de deur niet uitgaat. ..."
„O, pardon! Daar staan sigaren; kijk, ma is zoo ongemerkt
heengegaan. Wacht, ik zal ze krijgen . . . ."
„Blijf nu in vredesnaam zitten. Ik zie ze staan en zal maar
zoo vrij wezen mij zelf to bedienen. Doch hindert u het roo-
ken niet?"
„Neen, ik rook zelf nu en dan een sigarette. En wat ben
je beleefd met je u! Dat geeft me zoo\'n idee, dat je schrikt,
nu je mij ziet."
„Toch niet; maar me dunkt, dat past bij uwe complaisance,
om pardon te vragen ... ."
„Alweer dat u. We zijn dit immers niet van elkaar gewoon?"
„Joseph, wees toch asjeblieft bedaarder; anders durf ik je
waarachtig niet langer ophouden."
«Wat zou dat! Je blijft me minstens oen paar uren gezel-
schap houden, hoor. Och, mon cher, ik verveel mij dikwijls
zoo!"
„Mag je lezen?"
„O, de dokter verbiedt mij niets meer. Drankjes en pillen
behoef ik niet meer te slikken; en ik mag eten en drinken wat
ik verkies. Dat bevalt mij, want op bepaalde uren van den dag
houd ik veel van mijn café-noir. Mijn Esculaap permitteert mij
-ocr page 83-
(53
voorts knutselen en kunst-zagen, lezen en zoo meer. Alleen
moet ik mij wachten voor vermoeienis."
«En dat praten dan, vermoeit je dat niet?"
ffOch neen; en al zou dat ook, aanstonds zit ik weer lang
genoeg stil."
«Maar, als de dokter het niet verbiedt, kan je toch ook lezen
Of ben je daar nog geen liefhebber van?"
,z Jawel, ik lees ook al eens. Zie ik heb juist de //Notre-Dame"
van Victor Hugo onderhanden."
«Lieve hemel, lees je nu nog Victor Hugo?"
wWaarom niet? Schrik jij daar ook al voor?"
wMe dunkt toch minstens geen lectuur, voor iemand....
die...."
«Zijn huisje van zes planken gerust bestellen kan, wil je
zeggen."
z/Och, Joseph, dat kan een ieder, welbeschouwd. De een
krijgt een lange waarschuwing van mageren Hein, de ander een
korter, en een derde neemt hij in zijn knokkels, zonder zich
eerst aan te dienen."
z/Ja, is het niet verschrikkelijk, nu al te moeten heengaan?
O, Ferdinand, ik voel het maar al te wel, dat ik gauw.. .,"
z/Kom, vent, zoolang er leven is, is er immers hoop."
«Noem je dat leven, zooals ik nu ben ? Ach God, drie
weken geleden werd ik 26 jaar, en ik ben afgeleefd....!"
«Maar hoe heb ik het nu? Waar is de levenslust en blij-
geestigheid, die ik altijd zoo gaarne in je zag? Toe, vertel me
liever eens wat van Parijs."
wVan Parijs, Ferdinand? Neen ! .... Zie," — en mijn vriend
vat een juist binnengehuppelden krullebol van omstreeks 4 jaren
bij de hand, — wzie eens de oudste van mijne zuster, deze is
mijn memento mori; die vraagt nooit waar ik geweest ben, en
zegt trouw waar ik heenga."
„Ik begrijp je niet."
ffEh bien, luister. — Jantje, hoe gaat het met oom ?"
Het lieve knaapje ziet wat schuchter naar den vreemden
-ocr page 84-
64
mijnheer en, als een kind, dat voor de visite een versje opzegt,
reciteert hij met een leeuwerik-stemmetje: „Oompje gaat dood."
„En waar ga ik dan heen?"
„Na \'t kerkhof," lacht de kleine.
„Och, Joseph," zeg ik ontroerd, „hond op! Hoe komt het
kind er aan ?"
„Dat heb ik hem geleerd, mon cher," luidt het antwoord.
„Er komen soms bezoekers, van die heel lieve, weet je, die mij
verrassen met een : „U ziet er niet slechter uit," of „ik heb
wezenlijk aan u gewonnen," en „u schijnt er weer heelemaal
boven op te komen." Dan roep ik Jan, \'t kind is voor mijn
pleizier den geheelen dag bij me, en ik doe hem de vragen
van zooeven."
„En welke bedoeling heb je daarmee ?"
n\'k Wed, dat je die zelf al heel gauw vindt, als je zoeken
wil. In alle geval merkt je wel, dat ik niet meer gestemd ben,
om je tafereeltjes uit la tie Parislenne voor te leggen, al sla
ik dan nog eens een oog in Victor Hugo\'s werken. Dat is
geweest, Eerdinand ; maar wat zal er komen .... ?
Ach, mon cher, veel heb ik gezien en gehoord in de zes
jaren, die ik in Erankrijk doorbracht, en wil je wel gelooven,
dat alles is me nu een benauwde droom."
„\'t Is mij vreemd, je zóó te hooren. We moesten ons praatje
staken, Joseph, en ...."
„Neen, nog ...."
„Och, vent, ik blijf immers een paar dagen in de stad,"
werp ik mijn vriend tegen, ondertusschen opstaande, om nu
tooh maar te vertrekken. „Ik kom nog wel eens terug. Je
vermoeit je te veel, met zoolang achter-een te spreken."
„Neen, ga nu niet wech;.... wie weet.... is het niet voor
\'t laatst___?
„Je bent veel te ernstig van morgen."
„Mon Dieu, wil je dan, dat ik in de kist nog zal geksche-
ren? Geloof me, je vermoeit mij niet, het doet mij goed, met
jou eens te kunnen praten."
-ocr page 85-
65
„Als je dan met geweld wil, zal ik weer gaan zitten."
„Tenez, tenez, rook je nog ? Wacht, ik zal schellon."
„Weineen, waarvoor ?"
„Jantje, jongen, ga eens aan groöma vragen, of zij wat voor
ons heeft."
„Neen, neen," stribbel ik tegen, doch te vergeefs. //Nu,
zeg eens, dat je het kind die woorden geleerd hebt, vind ik,
wèl ingezien, niet onaardig. Maar . . . ."
„Continuez, mon ami, continuez! Wat maar....?"
„Wel, in plaats van naar \'t kerkhof, liet ik hem liever zeg-
gen : naar den Hemel."
„Zóó, kan je mij daarvoor een vrijkaartje geven ?"
„Neen; maar Victor Hugo toch ook niet."
„Ik voel die speld, Ferdinand."
„Hoo, hoo, \'t ligt in de verste verte niet in mijn bedoeling,
om je speldeprikjes te geven."
„\'t Was toch niet kwaad, zoo dit wèl in je bedoeling lag.
Mijnheer Scherfkens, die mij zoo nu en dan met een visite
vereert, doet niets anders. En daarom juist is hij me welkom."
//Is ZijnEerwaarde je biechtvader, zonder onbescheiden te
zijn?"
wDie vraag stel je wel wat fijntjes, om aan geen indiscretie
te denken. — Maar Ferdinand mag dat doen, niet waar, ina ?"
ffIk weet niet wat do heeren bespreken," zegt mevrouw
Ehooner, die met vriendelijken glimlach binnenkomend, al • da-
delijk het rug-kussen in den ziekenstoel wat opschudt, opdat
haar Joseph toch altijd gemakkelijk zitten zou. En om aan
het geboodschapt verlangen van den lijder te voldoen, noemt
de goede vrouw ons een lijstje van koude en warme dranken,
precies als een kelner in \'t cafu, zooals haar zoon opmerkt.
Wij besluiten echter tot „een niemendalletje", want nog slechts
een half uur, en het is tijd voor hot vaderlandsche kopje troost,
door mijn vriend zijn „cafe-noir" genoemd, \'t Schijnt intus-
schen, dat geen intermezzo den teringlijder van zijn ernstig a
propos kan afbrengen. Althans inet Aanwen glimlach vervolgt
6
-ocr page 86-
66
hij, zijne mama in de oogen ziende: ,;Ferdinand vroeg daar,
of mijnheer Scherfkens mijn biechtvader is."
„Dat heeft hij dan juist geraden niet waar?" vraagt zij met
lieven eenvoud.
„Zeker," bevestigt de zieke met een ironisch lachje. «En nu
vreesde hij door die vraag onbescheiden te zijn."
De moeder verstaat haar kind niet meer; hij is haar te
Fransch geworden. De vrome gevoelt niet, dat met die simpele,
schoon met bizonder accent uitgesproken woorden, aan den wel
in Nederland geboren en opgevoeden Katholiek, maar Parijze-
naar in levensbeschouwing, gevraagd werd, of hij in zijn bekla-
genswaardigen toestand den zoeten troost van den Godsdienst
niet versmaadt. Dat mijn vriend den zin dier vraag vat, blijkt
wel, wanneer hij, zoodra zijne moeder ons weer alleen gelaten
heeft, vervolgt: „Ferdinand, weet je aan wie die mijnheer Scherf-
kens mij dikwijls doet denken ?"
„Neen, aan wien dan?"
„Aan soeur Gabrielle."
„O, die herinner ik mij nog heel goed."
„De mij nog maar zoo flauwtjes."
„De zuster, die mede ons heeft voorbereid tot de eerste H.
Communie ?"
«Tot de eerste H. Communie," herhaalt de zieke langzaam.
En na een met zekeren schroom uitgesproken verzoek, om
alweder het windkassen wat te verleggen, laat hij zich in zijn
stoel terugvallen en vraagt schier fluisterend: „Ferdinand, vertel
me eens wat van die dagen. Ik ben er veel van vergeten, en
toch denk ik er tegenwoordig dikwijls aan."
„Als je dokter mij ontmoet krijg ik om mijn ooren, maar
dan geef ik jou de schuld, \'t Was immers in de Paaschweek,
toen we voor \'t eerst naar het Liefdegesticht gingen, om daar,
met eenige andere jongens, voorts driemaal \'s weeks te worden
beziggehouden over dien gewichtigen dag. Weet je nog, dat
zuster Gabriël, met dien eigenaardigen tact van uitleggen, ons
dan voorlas uit een boek: „De groote dag nadert?""
-ocr page 87-
„Jawel, daarvan staat me nop; iets voor."
„En wat kon zij dan onderhoudend uitweidon over het geluk,
dat wij, Katholieken, hebben in den schat dor H. Eucharistie.
Met welk een vuur sprak zij over de zuiverheid des harten, die
men hebben moet, als wij God willen ontvangen; maar ook,
hoe gemakkelijk wij in de Biecht die zuiverheid kunnen erlan-
gen, zoo we die soms verloren hebbon. En, wars van angst-
valligheden, wist zij ons zoo vrijmoedig te maken, dat we
zonder de minste vrees, zelfs met blijdschap, de generale Biecht
spraken, om toch zoo waardig mogelijk de eerste II. Communie
te doen."
„Ja, ja, en dat, als men die goed deed, ze altijd invloed zou
hebben op ons volgend leven."
„Juist."
„Waarachtig, een lieve vrouw, in de eerbiedigsto beteekenis
van het woord! Maar, Ferdinand, zon iedereen dien invloed
gekend hebben, ook die ze goed deed?"
„Mo dunkt, gij ten minste zijt er een levend getuigenis voor."
„Wel vleiend
„Weet je nog wel, Josoph, hoe wij in het eerste en tweede
jaar daarop, soms Saterdagsmiddags uit school kwamen, en met
kinderlijken trots tot elkaar zeiden: „ik ga moi\'gen ten hoogtijd?"
„Ja, ik weet dat nog. Hoe kinderlijk, en toch wat een genot!"
„Ken je nu nog dat genot?"
„Ben je dan nu nog kind?"
„In dien zin, ja, Goddank! Maar jij toch ook, niet waar?"
„Ik hoop het te worden, nog voor mijn dood! Priez pour
moi, mon ami de jeunesse............
Van \'t ouderlijk huis in mijne gewone omgeving teruggekeerd,
stond, bij dezes aangename herinnering, \'t droevig beeld van
mijn schier stervenden vriend mij telkens voor den geest, als
ik, in antwoord op een schrijven van medio Januari, een brief
van hem ontving :
6*
-ocr page 88-
«8
ii.............J\'attends maintenant
avec impatienco la fin du mois de TA\'vrier, pour vite me sauver
en Italië.... Ensuite, je suis heureux d\'apprendre, que vous
ne m\'oubliez pas dans vos prières. Demandez surtout ma con-
valescence .. .."
Allons, dan schijnt het toch wel te gaan. De toon van zijn
brief, al is het bevend schrift bijna onleesbaar, stemt trouwens
overeen met dien, welken hij aansloeg, niet bij ons laatste
onderhoud, maar bij onze laatste ontmoeting, toen ik afscheid
van hem nam. \'t Is waar, de mij onbekende bezoeker, dien ik
dan bij hem aantrof, verstond heel wat beter dan ik de kunst,
om mijnheer Rhoonor „wat op te vroolijken;" zelfs zoo, dat
deze zijn „memento mori" vergat, en, met een opvallend
kleurtje op de lijkwitte kaken, keuvelde over Nizza en de
amusementen der badplaatsen, \'t Zal dus niet waar zijn, dat
we ons op dien December-ochtend voor het laatst met elkander
onderhielden, zooals hij toen in zijn ernstige stemming vol-
hield. Fiat!
Maar wanneer ik, enkele weken daarna, weer eens met
Joseph een praatje op het papier houd, kan do post dat nau-
welijks hebben overgebracht, of ik krijg een kort bericht....
van zijn overlijden.
Als zijne moeder, die voorbeeldeloos kloeke vrouw, haar
lieven zoon in zijn nog onverwacht ingeganen doodstrijd onder-
steunde, zag, neen gevoelde zij het hoofd van den stervende
met een diepen zucht op hare borst zinken, en smartelijk
klaagde zij: „Ach, God, hij is dood!" — Maar neen, „nogniet"
lispelde hij zieltogend. «Joseph," fluisterde zij toen, „Joseph,
hoe gaat het ?" — „God is goed .... Hij is . .. barmhartig!"
luidde het nog goed verstaanbare antwoord, waarmede hij zijn
ziel aan den goeden, barmhartigen God overgaf.
Toegerust met een krachtigen geest, een vasten wil en eene
rustige blijmoedigheid, had de jonge man, met de hulpmiddelen
der kunst gewapend, langen tijd weerstand geboden aan den
-ocr page 89-
69
vijand, dien hij zoo haatte, den dood. Deze echter, het wach-
ten moede, en verbitterd om de kunstgrepen, waardoor zijn
prooi hem telkens ontglipte, greep hem onverhoeds en hij viel;
maar getroost, bemoedigd, ja verblijd door de genadeschatten
der H. Koomsch-Catholieke Kerk.
En op last der vriendschap verschalkte de kunst het barre
jaargetijde : een heerlijke bloemkrans, besproeid met de tranen
der naamlooze smart zijner ouders, broers en zusters, dekte de
lijkkist van onzen geliefden doode, den speelmakker mijner
jeugd.
-ocr page 90-
De dokter kwam te laat.
\'t Is een wlaksche" winter, veel regen en wind; doch van-
daag is \'t eens vinnig koud, het vriest dat hot kraakt.
Freule Lucia van Eikelenstein tot Sommersburg, die als
«eenige" dame met slechts éene dienstbode, het keurigste boveir
huis in de Hoogstraat bewoont, heeft Naatje naar den timmer-
man gezonden, om do tochtlatten eens te komen nazien. Want,
neen, \'t is geen verbeelding, voel maar, de wind giert door de
reten! Vandaar dat het wederom veel erger is mot do pijn in
freules rechter schouder. Deze — de pijn n.1. — schiet nu tel-
kens naar heur linker elleboog en vervolgens naar \'t hoofd.
Onuitstaanbaar! De freule lijdt nog al eens meer aan die
rheumatische aandoeningen, maar toch nooit zooals dezer dagen,
juist nu zij stellig beloofd heeft de soiree der Van Develaers
bij te wonen, bovendien eene invitatie beeft aangenomen voor
het diner van a.s. Satnrdag bij den controleur, en eindelijk zelf
daags te voren een theetje denkt te geven.
Freule Lucia is eene ongehuwde, bijna zestigjarige dame van
aanzienlijken huize, gevierd vooral door hare talrijke neefjes en
nichtjes, en bizonder geacht door haren notaris. Deze gevierd-
heid en achting wil men wel eens toeschrijven aan de omstan-
digheid, dat H.HoogEdelGeb. schatrijk is. En in aanmerking
genomen, dat tante Lucia, zooals zij in geheel hare uitgebreide
conversatie genoemd wordt, huis en hof houdt, niet grootsehcr
-ocr page 91-
71
dan op de bel-étage van het kapitale winkelhuis, dat zij in
deze vroolijke, bedrijvige straat heeft aangekocht, en waarvan
zij het benedengedeelte verhuurde aan een groothandelaar in
Comestibles, Primeurs en Delicatessen, —
overwegende, dat de freule, hoewel smaakvol, toch niet weelderig
is in haar toilet, — vermits zij bij zich «geen menschen
ziet" dan op een theetje of hoogstens op een onder-onsje, —
dewijl HED. voorts geen pleizier heeft in het „wisselen van
cadeau\'s" bij bepaalde gelegenheden en zij, wegens die telkens
terugkeerende pijn in heur schouder, niet zoo ijverig kan deel-
nemen aan de liefdadigheid, als hare middelen haar overigens
wel voroorlooven, — zoo is het dan zeer begrijpelijk, dat tante
Lucia goen dag ziet voorbijgaan, zonder lieve visites te ontvan-
gen van heusche belangstellenden in hare gezondheid.
Zoo ooit dan was intusschen nu een dergelijk bezoek zeer
gewenscht. Ofschoon tante nog in négligé is, en op andere dagen
zelfs aan haar „byoutje," de achtienjarige Elize van hare zuster
Chiïstine, belet zou geven, wanneer die \'t wagen zou den
goeden toon zoozeer te veronachtzamen, dat zij nu reeds, voor
twaalf uur, zich zou aanmelden, — ach, of er nu toch iemand
kwam!
De freule gevoelt zich zoo eenzaam! Naatje doet zeker nog
een andere boodschap na die bij den timmerman, zij blijft zoo
lang uit. Wat een pijn! Phu! daar schiet het van den linker
pols recht naar do slapen van \'t hoofd, aan beido kanten te
gelijk! Dat is geene gewone rheumatische aandoening. Migraine
is \'t ook niet. Ai! nu snijdt het door \'t hoofd naar de keel,
kuche, kuche, kuche! Wat het wezen zou? De freule vermoedt
het, vreest het, voelt het, maar durft het niet uitspreken. «Ai;
och hemel, Naatje, ben je daar eindelijk! Schepsel. . .."
„Gaat zitten!" zegt de dienstbode, die na hare thuiskomst
niet eerst naar de kouken gaat, maar, op froule\'s geroep, dadelijk
het boudoir binnentreedt en don grooten huissleutel in \'t ledige
mandje op een stoel legt. „Gunst, freule, wat scheelt er aan?"
„O, Naatje, mijn schouder, mijn arm, mijn elleboog! Och
-ocr page 92-
72
mijn hoofd, mijn keel.... phu! kuche, kuche, kuche, alles doet
mij zeer."
„Gaat zitten !" herhaalt Naatje, die zich het zitten-gaan tot
devies schijnt gekozen te hebben. „Ik ben bij den timmerman
geweest, hij zal komen. Maar zon ik mi niet eens gauw naar
dokter Klaver loopen ? Ik ben in een ommezientje weerom ?"
„Kuche, kuche, kuche! o mijn keel!" is freulo\'s eenig ant-
woord, benauwd voor de officieele bevestiging van haar ver-
moeden, dat zij door eene ziekte is aangetast, die zij zelf niet
noemen durft, zoo beangst als do naam alleen haar maakt. Die
geheimzinnige, verraderlijke ziekte heeft immers reeds zoo vele
offers geëischt. «Phu, kuche, kuche, kuche !"
„Gaat zitten!" vervolgt Naatje met bedenkelijk hoofd-
schudden. „Gunst, freule, als u die nieuwe ziekte maar niet
onder uwes leden heeft, hoe heet die ook weer, de Elenze, is
\'t niet?"
Onbarmhartige! En do geïnfluenceerde dorst zelf het woord
niet uitspreken, ofschoon zij \'t beter weet dan gij !
„O Naatje, ja, ik voel het! Kuche, kuche, kuche ! Ik heb
de .... de .... kuche, kuche,.... do Influenza ! phu !"
„Wat zal ik beginnen! Die ziekte zeggen ze dat zoo over-
erfelijk is," zucht de dienende liefde, allereerst op zelfbehoud
bedacht. „Weet u wat ik doen zal, freule : ik zal in de keuken
een glas suikerwater klaar maken. Geen goud zoo goed, als
suikerwater voor het hoesten .. .."
„Kuche, kuche, kuche, phu !"
„Ja, \'t is de Flenzo hoor, ik merk het wel. Een leelijken
hoest heeft u over u. Zal ik .... ?"
„Kuche, kuche.....dadelijk naar boneden," brengt de freule
er nu met moeite uit, door hare dienstbode bevestigd in hare
heilige overtuiging, dat ook HED. als een gewoon sterveling
door de vermaarde Influenza is aangetast. „Kuche, kuche, phu!
Naatje, zeg aan de juffrouw beneden .... dat zij.... naar
dokter Klaver stuurt, dadelijk, phu! kuche, kuche, kuche, dok-
ter dadelijk hier komen."
-ocr page 93-
78
„Subiet, freule, ik ben direct terug."
En Naatje naar beneden. Maar de meid van den winkelier
in Primeurs en Delicatessen, bezig met wat asch
over de glibberige stoep te strooien, krijgt de primeur van het
delicate nieuws, dat de freule boven er leelijk aan toe is. „Zij
heeft de Elenze, Bet, in den hevigsten graad. Ik zit er zoo
meê in; want \'t is immers het zeggen, dat die nieuwerwetsche
ziekte zoo overerfelijk is ?"
,/Asjeblieft," antwoordt Bet, die aanstonds hare taak onder-
breekt en, met de ontbloote armen in een slip van haar boezelaar
gewikkeld, zich in positie stelt tot het voeren van een geregeld
gesprek. „Je kan er op aan, dat die ziekte overerfelijk is!
Na, wat ik je raaien mag, meid, neem je in acht en kom
maar niet te dicht onder de freule der asem. En denk er om,
dat je haar zakdoeken dadelijk moet verbranden."
„Gaat zitten ! zulke kostelijke batisten doeken ....?"
„Meid, laat je raaien, want anders krijg jij het ook, wees er
sekuur op. Dat komt door die paskwillen, of die bascillen, of
hoe ze die beesies noemen. Die moeten in haar zakdoek
zitten, begrijp-ie, nou en daardoor erft het over."
„Gaat zitten," herneemt Naatje ongeloovig. „Maar, Bet,
weet je dat wel sekuur?"
„Ja, Na, ik weet het zeker. Ik heb \'t de juffrouw lest eens
hooren voorlezen tut de krant. Die beesies motten dan mise-
rabel aanstekelijk wezen ...."
Het hevig en herhaald tingelen eener salonschel klinkt van
boven, waarop Naatjo zich naar de zieke spoedt, zonder er aan
te denken, eerst hare boodschap af te geven aan de juffrouw
beneden.
„O, Naatje," zoo hoort de trouwe dienstmaagd zich verwei-
komen in het boudoir, waar hare meesteres in een armstoel is
neergezegen. „O, Naatje, kom hier, ik ga dood, geloof ik!
Waar is de dokter ? Ik ben zoo koud, phu! kuclie, kuche . ..."
„Gaat zitten, freule, is het zóó erg?" en tranen wellen Naatje
in de oogen. „Och, ik zag de juffrouw beneden niet," vervolgt
-ocr page 94-
74
zij spijtig en niet zonder zelfverwijt; „maar ik zal nu toch in
een wip ...."
En de daad bij het woord voegend snelt zij heen, doch wordt
op het portaal staande gehouden door de juffrouw uit den
manufactuurwinkel van „d\' overkant," die hare diensten presen-
teert. „\'t Kon soms noodig wezen," zegt de juffrouw tegen de
verwonderde dienstbode, „dewijl zij weet, dat de freule niet
Naatje alléén woont, en het beneden op dezen tijd van den dag
dan al eens te druk is om bij te springen, enfin, zooals \'t in
zulke omstandigheden gaat...."
„Maar wist u dan, dat de freule zoo subiet ziek geworden
is?" kan Naatje zich niet weerhouden eerst eens te informeeren,
daar zij \'t zich niet verklaren kan, hoe der juffrouw van d\' over-
kant dit reeds bekend is.
„Zéker wist ik dat," zegt de gedienstige overbuur, „ik
hoorde \'t zooeven van mijn meid, die had het van Betje be-
neden." — En dat in den tijd van drie of vier minuten! —
„Ik dacht," zoo vaart de juffrouw voort, „\'k zal eens gauw
bij de buurtjes overloopen, daar ik de deur zag openstaan.
En ik zeg nog togen mijn man, je kan nooit weten of \'t soms
noodig is."
„Nu, juffrouw, dat is \'t wel hoor," verzekert de dienstbare,
beleefd voor de eigenares van dien mooien winkel aan d\' over-
kant, maar toch zeer gejaagd door het akelig hoesten van hare
gebiedstor. „Wil uwe dan zoo vriendelijk wezen en sturen een
boodschap naar dokter Klaver?"
„Klaver? hé, waar woont die?" vraagt de juffrouw, die in
geen geval van een anderen geneesheer, dan van Dr. Steverijns
„iets hebben moet."
„Klaver woont in de Heerenstraat," zegt het meisje en rad
van tong getuigend, dat zij op heete kolen staat. „Hij woont
aldernaast Pit, den juweelen-koopman. Aan den anderen kant
woont de Dominee van de Luthersche kerk," voegt zij er ten
overvloede bij, in de meening, dat ze van d\' overkant het dan
zeker vinden zullen, want: „daar bennen ze Luthersch."
-ocr page 95-
75
wIk zal direct den loopjongen sturen," belooft de vriendelijke
juffrouw. «En, Naatje ...."
Maar de dienstmaagd is wederom heengespoed naar de lijde-
res, in angstige afwachting van dokter Klaver, om wien zij zegt
gestuurd te hebben. Zij voegt daar niet bij door wiens tus-
schenkomst, want de freule vraagt er niet naar.
De toestand van de zieke schijnt intusschen met ieder oogen-
blik te verergeren en zij kan niet meer uitbrengen, althans geeft
zij geen ander geluid dan kuche, kuche, kuche, phu! En haar
helpster in nood en lijden weet niets beters te doen, dan de
arme aangetaste te beklagen, terwijl zij, met de handen in den
schoot en zelve bevend van koude, de kachel totaal laat uitgaan,
versuft als zij is door de plotselinge ongesteldheid harer mees-
teres, wier kuchen alleen slechts bewijst, dat zij nog tot de
levenden behoort, doch die overigens geheel van haar tramon-
tane is.
Naatje kan het eindelijk niet langer aanzien en hooren, waarom
zij een glas ij s k o u d water gaat halen, daar wat suiker door-
roert en het der geïnfluenceerde aanbiedt met de hartelijke uit-
noodiging: «Toe, freule, drink eens; geen goud zoo goed, als
suikerwater voor het hoesten."
En werktuigelijk neemt de kranke een teugje, helaas! om
zich jammerlijk te verslikken en een kwartier aan-een te hoesten,
dat een mensch er akelig van worden zou, zooals Naatje onder-
dehand voortgaat te verklaren. Maar eensklaps komt zij op
het lumineus idee, om ook goeden raad te voegen bij haar
deelnemende klachten. wHé, freule, dat \'s waar, daar valt mij
iets te binnen. Als u ereis probeerde een beetje overeind te
gaan zitten, dan wil het soms wel eens beter losschieten."
De trouwe heeft het er echter allesbehalve op begrepen, hare
meesteres te ondersteunen bij de poging om, in plaats van een
halfliggende, eene meer zittende houding in den armstoel aan
te nemen. Zelfs griezelt zij er van, denkend aan de ,;bees-
ies", die nu zeker mede //losschieten", en waartegen Bet van
beneden haar waarschuwde, «omdat die zoo aanstekelijk ben-
•
-ocr page 96-
76
nen." Zij is dus blijde uit deze netelige positie gered te wor-
den door de anders zoo vaak verwenschte huisbel. «Daar zal
de dokter wezen," roept zij met verlichting uit en spoedt ziek
naar beneden, waar de loopjongen van d\' overkant voor de
nog altijd geopende deur staat.
„Zussie," zegt hij luchthartig, „ik ben naar den dokter ge-
weest; maar complement en dat ie niet t\'huis is, want der is
een regement zieken in de stad, door de Flens, weet je. De
dokter komt niet thuis voor t\'achter-middag, tegen vier uur,
zei de meid, en dan mot meneer eerst aan tafel...."
„Gaat zitten," onderbreekt Naatje de wei-toegelichte bood-
schap, om verontwaardigd voort te varen: „\'t is wat moois!
Zou ie soms denken, dat ons geld niet zoo goed is als van een
ander? Hij mot komen en dadelijk! Ga er nog eens heen___"
„Jawel, en dan heb je \'m al!" is \'t leuke wederwoord van
den jongen, die voorts duim en vingertop klappend over el-
kander schuift, om kracht te zetten bij zijne verzekering, dat
zulk een boodschap niet zooveel geeft. „Laat ik dan liever
naar een anderen dokter gaan."
„Klaver," zoo houdt de getrouwe aan, „Klaver bedient de
freule altijd, en .. .." de salonschel van boven maakt een einde
aan \'t gesprek, althans in zooverre, dat den jongen half ge-
vraagd, half bevolen wordt te wachten op hetgeen de freule
zelf decideeren zal.
„Wat nu begonnen, freule ?" vraagt Naatje, weinig minder
dan de geïnfluenceerde hijgend naar den adem en bibberend
van kou. „\'t Is toch ongepermitteerd; nou is Klaver niet t\'huis,
verbeeld u!"
„Kuche, kuche, kuche, och, och, phu! Hoe laat kan mijn-
heer dan komen ?"
„O daar is geen wachten naar," is de meening van haar,
die „zoo beangst is voor de aanstekelijkheid dezer nieuw-mo-
dische ziekte," gelijk zij maar onbewimpeld te kennen geeft.
„Om vier uur t\' achter-middag komt ie pas t\' huis, is de bood-
-ocr page 97-
77
schap, en dan mot dat heer eerst nog aan tafel! \'t Is onge-
permitteerd, wat u ?"
«Kuche, kuche, o mijn hoofd !"
«Zal ik dokter Middendorper maar laten halen, die woont
hier \'t dichtste bij?"
«Neen, neen," kreunt de freule," die is mij veel te kort-af.
Die man hoeft geen begrip van vormen. Plm! o mijn keel!"
«Maar Gilsen dan," vervolgt Naatje, «die doktert bij uwes
zuster ook ?"
«Neen, kuche, kuche, neen !"
«Niet, nou zooals u belieft," herneemt de dienstbare vrij
snibbig, innig overtuigd, dat hare gebiedster toch een lastig
meubel is, vooral als zij wat mankeert. «Maar," gaat zij na
eenig nadenken voort, «als u Van den Meerder eens liet roepen ?
Een hovenste dokter, freule, die heeft zeker wel drie zieken-
bussen onder zijn directie, als \'t er niet meer zijn."
«Ben je stapel!" luidt nu het kitteloorige wederwoord van
H.Hoogwelgeborene. «Weet je wat," en kuchend denkt de
freule aan haar vriendelijken heer op \'t laatste diner van de
lieve familie Brak. «Naatje, stuur maar oogenblikkelijk om
dokter Bergenboom."
«Gaat zitten!" roept Naatje uit en slaat van louter schrik de
handen ineen. «Maar, freule, dat is een dokter van \'t volk,
liefst nog wel van \'t paardenvolk, en.... vrijgezel, hoor!"
«Och, kuche, kuche, doe nu maar wat ik zeg, gauw."
«LT moet het weten, natuurlijk," zegt de dienstbode; en met
de verzuchting, dat die groote lui zich toch zulke vreemde din-
gen in \'t hoofd kunnen halen, en het haar laatste verkiezing
zou wezen een dokter van \'t volk, nog wel van \'t paardenvolk
te raadplegen, haast zij zich naar beneden, om den jongen te
gelasten naar dokter Bergenboom te loopen, hard te loopen, en
te vragen, of de dokter subiet bij freule Van Eikelenstein tot
Sommersburg in de Hoogstraat komen zal.
«O, dat is," bezint de jongen zich, «dat is bij dien kaptein
van de artillerie op de kaai?"
-ocr page 98-
78
z/Ja," hernoemt Naatje minachtend, //dat weet ik niet. Loop
nou maar hard en breng een boodschap terug, hoc of wat."
De jongen wech en do dienstmaagd naar boven. Maar nau-
welijks heeft zij \'t portaal wederom zwoegend bereikt, of zij staat
in tweestrijd, wie het eerst te believen, dewijl hare meesteres met
klagende stemme roept en er opnieuw gebeld wordt. Wellicht
door de macht der gewoonte trekt zij ondertusschen aan \'t lange
koord, boven aan de trap bevestigd, waarop de deur opengaat
en een heer binnenkomt, die verzoekt bij freule Van Eikelen-
stein te worden toegelaten. En Naatje, die nu als water is,
loopt wat zij loopen kan naar de zieke, en schier juichend
klinkt het blijde bericht: *o, freule, daar is toch dokter Klaver
al! Wil ik meheer maar bovenlaten?"
//Welja, gauw toch," steent de lijderes, «kuche, kuche,
kuche!"
z/Meheer," klinkt het voorts aan de trap, //wil uwe maar
boven komen?" En de dienstmaagd zet zich met een zoeten
glimlach op het gelaat in postuur, om dokter bij hare meesteres
binnen te leiden. «Hierheen, meheer, de freule is nog in haar
bedwor."
«Maar u heeft dan toch belet gevraagd?" herneemt mijnheer,
blijkbaar aarzelend om te voldoen aan het verzoek der vrien-
delijke dienstbode. Vóór de geopende deur van freule\'s hoilig-
dom blijft hij staan en in zijn brieventaschje zoekend vraagt hij
beleefd: ;/wil u eerst mijn kaartje afgeven?"
z/Gaat zitten! Meheer, der is haast bij?" werpt Naatje drif-
tig tegen, en zonder verdere complimenten duwt zij hem voor
zich uit in het schaars verlicht boudoir, waar de freule nooit
of te nimmer iemand veroorlooft binnen te treden, dan aan
hare dienstbode, haar //bijoutje" on eindelijk aan den genees-
heer, wiens komst zij kuchende verbeidt.
«O, dokter!" steent de kranke met golokene oogen.
,/Pardon, freule," herneemt de binnengeloo/dste eenigszins ont-
hutst, wik geloof, dat u in mij den bezoeker niet ontvangt,
dien u schijnt te verwaehten. Ik ben Van Schaarsma, repre-
-ocr page 99-
71)
sentant van de firma Boekers & Steel, specialiteit in oude wij-
nen en fijne likeuren."
„(laat zitten!" roept Naatje, die bij de deur heeft postgevat.
En de freule slaat verbaasd hare oogen op en uit erbarmelijke
klachten over zoo\'n «affreus mal-plaisir." „Phu, mijnheer, ik
ben ziek, kuche, kuche, kuche! ik kan u niet te woord staan.
Kuche, kuche, ik dacht dat mijn dienstmeisje, kuche, kuche,
dokter Klaver aandiende . .. . "
„Dat dacht ik ook wezenlijk, freule," verontschuldigt zich
het schier schreiende Naatje. «Maar ik ken dien dokter ook
niet goed."
„Mille pardons, freule, voor deze vergissing. Mag ik u in-
tusschen onze prijscourant olfreeren, en onze offerten bij U ko-
men hernieuwen na uw zeer gewenscht herstel ?" vraagt de
negociant met een innemend lachje.
„Kuche, kuche! Mijnheer," herneemt de kranke smeekend,
„verplicht mij door heen te gaan. Phu, o mijn keel."
„Uw dienaar, freule. Ik hoop dat de Influenza, waardoor u
blijkbaar is aangetast, spoedig moge voorbij zijn, en u mij weldra
zal willen permitteeren, uwe aandacht te vestigen op onze exquise
Bourgogne de Nuits, op onze Chartreuse en Elixer de Spa.
Onze Bourgogne is krachtig en toch in het geheel niet zwaar."
En buigend verwijdert zich de man van zaken, achtervolgd door
Naatje, die ter nauwernood weerstaan kan aan den lust, om
hem van boven neer te doen tuimelen. „Waarom zeggen zulke
menschen ook niet dadelijk wie ze bennen," schroomt zij niet
luidop te pruttelen. „Maar dat doen ze nooit, omdat ze wel
weten, dat ze dan niet t\'huis krijgen." En met, dat zij den
tegenover haar stilzwijgenden heer zoo vriendelijk uitgeleide doet,
komt de jonge freule Elize, tante\'s „byoutje", binnenhuppelen.
„O, freule," roept Naatje weer ten hoogste verrast, „wat zal
uwes tante blij wezen, dat u der is ! Och, uw tante is er zoo
naar aan toe ... . De Elenze, hoor" gaat zij op gedempten toon
voort, zoodra het nichtje boven is, „geen twijfel der aan, dat het
die nieuwerwetsche ziekte is. [Jwes tante hoest dan allerakeligst!"
-ocr page 100-
80
Maar zonder antwoord van de jongedame aan //dat brecdspra*
kige schepsel," klinkt al spoedig het welbekende Ah ma cpre
tznte
van uit het boudoir, waar Elize op de kranke toetreedt
met de stereotiepe vraag: Comment vomportez-voug, ma tante? En
op het kuchen, dat zij als eenig antwoord verneemt, gaat nichtje
lieftallig voort: „wat hoor ik, ma chh-e, wat gaat u nu be-
ginnen! Ook al meedoen aan de modeziekte. Niet hoesten,
toe, kalmpjes aan."
„Kuche, kuche, mnn bijou ! Daar doe je wel aan, dat je gauw
komt. Phu! ja, ik geloof, dat ik de Influenza heb, ik voel het!"
,/Wel mogelijk," herneemt Elize, «en als men de griep niet
heeft, zou men ze hier heusch krijgen. Wat is het hier af-
schuwelijk koud! Brrr!" En het freuletje verstopt haar fijn-
gevormd neusje in het pelzen handmofje, terwijl zij eens omziet
naar de kachel, waarin geen vonkje vuur te bekennen is. Dat
vindt zij „verschrikkelijk" en tamelijk ontevreden voegt zij de
meesteres van dit armelijk verzorgd verblijf toe: „hoe is \'t
mogelijk, tante, waarlijk de kachel is totaal uit, en dat met
zulk bar weer! Heusch geen wonder, dat u de koorts op \'t
lijf gejaagd wordt. — Naatje !" geen antwoord. „Naatje.. . .!
Maar tante laat dan toch vuur brengen !"
„Kuche, kuche, phu! o mijn hoofd, mijn keel, mijn schouder
is stijf!" klaagt de geïnfluencoerde, die „zich zelve niet
meer is."
Maar dan zal Elize zich zelve eens wèl wezen, en, krijgt zij
op haar derde geroep tot de dienstbode geen gehoor, zij zal
toch eens zien, of dat „schepsel" geen mores te leeren is.
Dus spoedt zij zich naar \'t portaal en vindt tante\'s dienende
liefde in opgewonden twistgesprek met een timmerman, die
beweert hier besteld te zijn.
„Kort en goed, ik kan je nu niet velen," vloeit het beslist
van Naatjes welbespraakte lippen.
„Niet door de meid, maar door de freule ben ik hier be-
steld, om de tochtlatten na te zien," houdt de timmermans-
gezel echter vol.
-ocr page 101-
SI
„Man," zoo treedt Elize moedig tusschen beiden, „de freule
is ernstig ziek geworden, zij kan nu geen getimmer velen. Wat
er later noodig is zullen we doen weten."
„In vredes naam, ik zal \'t mijn baas zeggen. In alle geval
een uur verzuim," prevelt de gezel zijn pet verzettend met de
mine om heen te gaan.
„Kom, Naatje," vervolgt de jongedame vriendelijk tegen
de dienstbode, laat den man de deur uit en breng gauw vuur
op tante\'s kamer, \'t is om er te bevriezen." En voort gaat de
luipsche achttienjarige naar de kranke, overtuigd als zij is, dat
zelfs geene dienstmaagd van. het laatste vierde der negentiende
eeuw zoozeer op hare „rechten" staat, dat zij freule Elize
niet stipt gehoorzamen zou. Nichtje is dan ook nauwelijks
weer bij tante, of Naatje maakt met de grootste bereidwilligheid
de kachel aan, terwijl zij plechtig verzekert „geheel van streek"
te zijn en dat zij dientengevolge aan geen vuur heeft gedacht.
„Nu, dat zal wel weer in orde komen," bemoedigt Elize
haar en voegt er tactvol bij, dat Naatje nu ook eens heel
gauw voor koffiewater moet zorgen.
„Lieve freule, dat \'s waar ook ! Gaat zitten ! \'t Is half een
dóór. Ja, mijn hoofd loopt om; ik heb geen water aan den
kook en kan geen tweede ontbijt voorzetten ! Daar, waarachtig,
\'t is zonde, dat ik het zeg, alweer de bel!" En Naatje naar
beneden.
„Kuche, kuche, ach Lize, mon bijou, is de dokter er nog
niet?" vraagt de freule, die, ofschoon zij „geheel weg" schijnt,
toch óók de bel gehoord heeft.
„Neen, tante. Om welken dokter heeft u gestuurd ?" is
Elize\'s wedervraag.
„Och, om Klaver, natuurlijk, kuche, kuche, maar die was
niet t\'huis. En nu wacht ik op.... phu ! ik kan niet meer!"
„Maar \'t is toch al te gek, om zóó huis te houden," meent
het bijoulje, die er reeds lang niet op tegen zou gehad hebben,
wanneer zij, althans voor een paar jaartjes en op zekere condi-
ticn, gepromoveerd werd tot gezelschapsdame van freule Lucia,
7
-ocr page 102-
82
ma c/ih-e tante. „Gelukkig," roept zij blij verrast, „ik hoor
een heerenstap! O zie, daar is neef Frits." En nichtje haast
zich naar de deur, trekt den bezoeker zachtkens terug op \'t
portaal en zegt dan fluisterend: „Jongen, je komt of je geroepen
waart. Maar tante is niet visible, hoor. Ondertusschen kan
je ons een grooten dienst bewijzen, door even bij mijn mama
aan te loopen en haar te zeggen, dat tante plotseling ongesteld
geworden is, dus dat assistentie hoog noodig is."
„Nu ja," luidt \'s jongelings bescheid, hoezeer ook hij zijn
aardige nicht niet kan tegenstreven, „ik ga zóó niet weg, Lize,
Eerst moet ik even worden toegelaten."
„Onmogelijk," antwoordt zij stellig, en, terwijl de schalkschheid
haar uit de levendige kijkers straalt en kuiltjes toovert in haar
wangen, gaat zij met gedempte stem voort: „wees maar gerust,
Fritsje, er is nog niet het minste gevaar, hoor. Maar in alle
geval, tante is nog in haar boudoir, dus liggen de tandjes nog
in \'t waterbekken en de krulletjes in de doos. Kom liever
morgen, of overmorgen terug. Ik zal het heusch aan tante
zeggen, dat je hier geweest ben, doch geen stoornis wilde bren-
gen, en liever persoonlijk assistentie gehaald hebt."
„Nu, dan is \'t goed," berust neef in nichtjes wijze beschik-
king. „Ik zal wel even bij je ma aanloopen."
„Als je \'t doen wil, man, met je verjaardag een paar pantof-
fels! Of neen," laat ze er dadelijk plaagziek op volgen, „de
zorg voor pantoffels heeft nu la belle Celediue van je nichtjes
overgenomen. Maar dan toch: drie pennewisschers voor een,
hoor, als je prompt je boodschap doet! Adjuus !" En daar zij
zelf Frits wil uitlaten, trekt Elize met eigen hand aan \'t lange
deurkoord, zoodat zij \'t uitschreeuwt van de pijn; maar toch
nog eens herhalend: „Adjuus, prettige wandeling. Hé, Frits,
wanneer gaan we schaatsenrijden . .. ?" Maar neef is de stoep
al afgeloopen, waarom zij de deur laat dichtvallen, en vervolgens
haar keurige kleine handpalmen bekijkt, of zij ze soms geschaafd
heelt. Middelenvijl klinkt de bel opnieuw, waarop Naatje komt
aangeloopen, vast overtuigd, dat het die dokter van \'t paarden»
-ocr page 103-
83
volk wezen zal, en de jonge freule dus verzocht wordt, dit
troostrijk bericht alvast aan tante te gaan modedeelen.
Eilacie, nieuwe teleurstelling !
//Naatje," klinkt het van beneden als de deur is opengegaan,
wwat zal het wezen vandaag?"
„Gaat zitten! Daar heb je den slager al! En ik heb nog
aan geen pot gedacht! Wacht maar even, Doms !"
i,H6, beste," roept de gedienstige slager haar na, ,/hier is der
nog één met een boodschap, anders moet je nog tweemaal loopen,
zus."
En opnieuw buigt de dienstmaagd over de trapleuning op
het portaal, om de tweede boodschap aan te nemen, eene van
\'t grootste belang: „compelement, en dat de kaptein metpleizier
zal komen."
Naatje zal \'t even gaan zeggen en de loopjongen moet ween
ommozientje wachten, of er nog wat te belasten is." —
„\'t Is tegenwoordig een herrie in de stad met die Flenza,"
gaat de jongen voort tegen den slagersgezel. «De freule hier
moet het eindelijk ook te pakken hebben. Der liggen nou op
\'t moment precies 89 in de infirmerie. Ze zeggen, dat het
eigenlijk een grootelui\'s-ziekte is, maar ik geloof er niks van."
Dat houdt de ander ook voor een praatje; hij kan er wel vijf-
tig, zestig op een rijtje, allemaal dienstbaren, die \'t ook gehad
hebben. Ook zijn vader en beide broers hebben er aan ziek
gelegen, zoo goed als de keizer van Duitschland.
„Ja, \'t is toch aardig," merkt de loopjongen wijsgeerig aan,
«dat, op \'t stuk van ziekten en kwalen, de grooten zoo goed
bakker-aan bennen als de kleinen."
„Aardig is het," stemt de slager toe.
Terwijl dit gesprok beneden aan de trap gevoerd wordt in
afwachting van de dingen, die hier in letterlijken zin van bo-
ven moeten komen, en voor den vleeschhouwer in eene be-
stelling „gauw bezorgen," voor den boodschapper in eene fooi
zouden bestaan, houden freule Van Eikelenstein, hare dienstbode
en de zich voor de zieke opofferende Elize raad, of de laatste
7*
-ocr page 104-
84
al dan niet familiaar zou blijven dineeren. In \'t eene geval
moest Naatje een „niet te lomp" biefstukje en dito dito kalfs-
cotteletje bestellen, in het andere zou er vandaag niets noodig
wezen. Want de oude dame heeft niet de minste appetijt, en
voor de dienstbare is de proviand nog overvloedig. Nu vindt
tante het wel beter, dat nichtje blijft; maar nichtje acht het
verreweg het verkieselijkst, dat zij tante geen last veroorzaakt
en te huis moet dineeren, waarop Naatje „reseleveert," om den
slager te gaan zeggen «niets noodig vandaag, Dorus." Deze
vindt dit óók wel aardig, iemand op zóó \'n boodschap rond
een half uur te laten wachten. De loopjongen komt er beter
af\', daar hij in den vorm van een zilverstukje dank ontvangt
voor de boodschappen bij dokter Klaver en dien dokter van \'t
paardenvolk.
Ondertusscheu meent men in freule\'s toestand eenige beter-
schap te bespeuren, dank de goede zorgen van haar bijou, die
besloot met behulp van Naatje ma chère tante „goed ingepakt"
van den armstoel uit het boudoir over te brengen naar de
sopha, in het bereids goed verwarmde kleine salon. In eene
antieke Turksehe sjaal gewikkeld, met een warme capuchon op
het hoofd en een tijgervel over de voeten, hoog tot aan de
knieën uitgespreid, wacht zij dus de komst af van haar onder
velen uitverkoren geneesheer. Het hoesten is aanmerkelijk be-
daard, en het kopje bouillon, door Elize\'s eigene jonkvrouwelijke
handen, „juist op tante\'s smaak" gereed gemaakt, is reeds met
graagte geaccepteerd en delicieus bevonden. De freule gevoelt
zich zelfs reeds opgewekt genoeg, om Elize do malle scène met
dien wijnkoopman te vertellen, terwijl de jongedame eindelijk
ook eens zorgt voor zich zelve en voor Naatje, die nog „zoo
overstuur" is, dat zij aan niets denkt. Aan éene tafel, tegenover
tante geplaatst, gebruiken freule Elize en de dienstbode nu aller-
zusterlijkst een eenvoudig tweede ontbijt, en laten het zich zoo
uitmuntend smaken, dat de kranke er van watertandt.
Dit is toch vreemd, dunkt Elize. Nog vreemder, dat de
patiënte plotseling door een nieuwe hoest- of liever kuch-bui
-ocr page 105-
85
overvallen wordt, zoodra de huisbel klinkt en zij spoedig de
haar welbekende stem hoort van kapitein Bergenboom, die de
dienstbode belet laat vragen. Heeft het te harde stoken der
kachel met de schier verstikkende kleeding reeds saamgewerkt,
om een verhoogden blos op hare zestigjarige wangen te jagen,
heur anders zoo aristocratisch-blank gelaat neemt nu allengs een
meniekleur aan. En of Elize al dadelijk haar voorhoudt niet
zoo te hoesten, „kuche, kuche, kuche," is weer het pas gestaakte
lied, en bevend vloeit het van freule\'s min of meer paars-
getinte dunne lipjes: „phu! o mijn keel, mijn hoofd!"
Hierop verschijnt de dokter „van \'t paardenvolk," op eer-
biedigen afstand achterna gedribbeld door Naatje, die echter,
„geheel overstuur" geraakt, zich onmiddelijk verwijdert.
„Ik hoor, freule," begint de kloekgebouwde vijftiger, wiens
open, schrandere blik, nog meer dan zijn goed-verzorgde
snorrebaard en onberispelijke kleedij, een aangenamen indruk
maakt op de beide dames, die hij met een lichte buiging be-
groet, — „ik hoor, freule, dat uwe gezondheid te wenschen
overlaat."
„O, dokter, kuche, kuche, kuche," kreunt de kranke dame,
terwijl de gezonde hem met gedistingeerde elegantie een zetel
aanbiedt. „Kuche, kuche, ik vrees, dokter, ik vrees !"
„Jawel, herneemt de man der wetenschap, „u vreest, dat
u door de Influenza is aangetast."
„Och ja," zucht de lijderes en kucht nog eens.
„Maar mag ik u opmerken, freule," vervolgt de dokter van
\'t paardenvolk, „dat u zich te wenden heeft tot uw gewonen
geneesheer?"
„Kuche, kuche, kuche, die is niet t\'huis," klaagt de zieke.
„Dan zal u zijn t\'huiskomst moeten afwachten," gaat Z.Edel
Gestr., zoo beleefd als \'t maar mogelijk is, voort. „Ook zoudt
u een anderen dokter kunnen ontbieden."
„Daarom zond ik om u," lispelt de dame.
„Jawel," repliceert de officier met een lachje. „Maar,
freule, u weet toch wel, dat ik geen burgerpraktijk uitoefen,"
-ocr page 106-
86
/,En als ik nu eens wil, dat u dat wol doet ?" vraagt H.
Hoogwelgeborene. ffKan ik den geneesheer niet ontbieden,
dien ik wensch, dat mij cureere ?"
wZeker, freule; doch altijd een geneesheer, die zich belast
met de burgerpraktijk," is \'t onverstoorbaar kalme bescheid van
den onverbiddelijken kapitein. „Of hot moest zijn in excepti-
oneele gevallen, bij ongelukken of plotselinge aanvallen eener
epidemie. Doch," zoo gaat de ter zake kundige voort, terwijl
hem een fijn, door Elize terstond begrepen lachje, om don knevel
speelt: //U veroorlovo mij te meenen, dat van dergelijk excep-
tioneel geval hier geen sprake is. . .."
,/Kuche, kucho, phu!" onderbreekt de lijdende dame den
hardvochtigen man, van wien zij genezing verhoopt had. Hoe
geheel anders is Klaver toch ! — «Dus, dokter, u weigert vol-
strekt mij te helpen, en," zoo tracht de freule ZEdelGestr. nog
te vermurwen, „u kan het werkeloos aanzien, dat ik aan die
vreeselijke ziekte, kuche, kuche, ter prooi gelaten word ? Zeer
inhumaan !"
z/Hoor eens, froulo," herneemt de heer Bergenboom gemoede-
lijk, „ik ben te zeer vereerd door uw vertrouwen, om meer
voedsel te geven aan deze onaangename woordenwisseling.
Maar u brengt mij in een zeer lastig parket, eene hoogst moei-
lijke positie. In alle geval verwacht u toch zeker uw gewonen
geneesheer, Dr. Klaver, meen ik ?"
//Natuurlijk. Kuche kuche."
De geleerde schijnt daar niets natuurlijks in te vinden, doch
gaat met het grootste geduld voort: „Ik wil dan een voorloopig
onderzoek instellen en, zoo noodig, u iets voorschrijven, maar
uwe verdere behandeling moet u dan toevertrouwen aan Dr.
Klaver."
Met deze schikking neemt do freule genoegen. Als do officier
van gezondheid haar echter ondervraagt over de plaats en den
aard der pijn, die de dame zegt to lijden ; terwijl hij vervolgens
hare ademhaling met do grootste oplettendheid beluistert, haar
den pols voelt en alle onderzoek bij de patiënte nauwkeurig in
-ocr page 107-
87
het werk stelt, welke de medici plegen te doen, dan komt de
geleerde tot de vaste overtuiging, of liever, dan wordt hij be-
vestigd in zijn al spoedig opgevat vermoeden, dat freule Lucia
Van Eikelenstein tot Sommersburg niets deert dan angst voor
het overigens zeer goed mogelijk geval, dat ook H.Hoogwelge-
borene de Influenza wel eens krijgen kon.
Maar hoe dit haar nu aan het verstand gebracht!
«U schijnt een weinig geagiteerd," begint \'s dokters advies.
«En dan die hoest, dokter, kuche, kuche, en die kriebeling
in mijn keel. Phu !"
«Permitteer mij u op te merken," gaat de geneesheer voor-
zichtig voort, «dat u zich voor dien hoest niet zooveel moeite
geven mag. Dat kalmeert vanzelf, freule, als u mijn raad
slechts volgen wil." /
«O die wil ik gaarne volgen," verzekert de patiënte, die
zich al iets beter gevoelt door \'t vooruitzicht op \'s dokters
recept.
«Begin dan met u vast en stellig overtuigd te houden, dat
er geen spoor van Influenza bij u aanwezig is."
;/Is het toch heusch waar?" vraagt de freule, een en al
verbazing.
De menschenkenner doet, alsof hij daarvan niets bespeurt, en
gaat kalm voort: «Verwissel dan zoodra mogelijk deze verstik-
kende kleeding voor uw gewoon toilet, dat zeker wel voor dit
seizoen berekend zijn zal. Blijf zooveel mogelijk in eene niet
vochtige, goed verwarmde kamer, als u t\'huis is; maar schroom
ook niet, om bij wijlen, voldoende gekleed, beweging te nemen
in do frissche buitenlucht. Doe verder eer aan uwe tafel en,
als \'t u aangenaam is, gorust ook aan uw kelder. Dat is mijn
advies, freule, waarbij ik geen recept te voegen heb."
«Hé, mijnheer," waagt de vroolijke Elize nu op te merken,
terwijl tante al meer en meer gevoelt, dat zij toch inderdaad
aan geene ongesteldheid hoegenaamd onderhevig is, «dan heeft
men hier juist die geneesheeren afgewezen, welke het meest
van noode waren."
-ocr page 108-
88
Dit staat den officier van gezondheid nu minder aan, en tame-
lijk ontstemd luidt zijne vraag aan beide dames: „dus heeft u
al eenige doctoren geraadpleegd? Waartoe u dan nog tot mij
gewond?"
WU is de eerste geneesheer, die mij in deze ongesteldheid
van dienst heeft willen zijn," verzekert freule Van Eikelenstein
plechtig.
„Ondertusschen," voegt haar bijou daarbij, „heeft men hier
een koopman in ouden wijn en verwarmende likeuren afge"
wezen, vervolgens den timmerman, die de tochtlatten moest
herstellen, en eindelijk ook den vleeschhouwer."
„Inderdaad, dan heeft de jongedame gelijk," herneemt de
man van \'t vak. „Maar een der boste voorbehoedmiddelen
tegen de Influenza, zoowel als tegen vele kwalen, heeft men
toch niet kunnen afwijzen, dat is namelijk de opgeruimdheid,"
besluit hij vriendelijk, met een glimlach voor de blozende Elize.
Inmiddels is de oude dame op weg, om van het eeno uiterste
over te gaan tot het andere. Schier smeekt zij den kundigen
geneesheer niet zoo dadelijk heen te gaan en hem iets „entre-nous"
te mogen presenteeren. Zij keuvelt alleraardigst, en het drooge
kuchje van zooeven is vervangen door een zóó vroolijk en zóó
telkens-herhaald lachje, dat de knappe kapitein, onder het ge-
not van een kelkje chartreuse, zelfs een aanval meent te kunnen
wagen op freule Van Eikelensteins .... weivoorziene beurs. Hij
doet het ten behoeve van zoovelen, die in dit barre jaargetijde
in droeve werkelijkheid door de Influenza zijn aangetast, en do
doctoren niet kunnen ontbieden, die H.Hoogwelgeboreno heeft
wechgezonden.
;,Is er wezenlijk behoefte ?" vraagt de reeds radicaal genezcne
dame uit de volheid van haar dankbaar hart.
„O, freule !" roept de dokter van \'t paardonvolk, die echter
in deze epidemie ook herhaaldelijk getuige is van menschelijke
ellende, welker beschrijving do schatrijke aristocratische vrouw
al te pijnlijk zou treilen. En, als de beste smid, het ijzer
smedend nu het heet is, vervolgt hij diplomatisch: „Hoe ge-
-ocr page 109-
89
makkelijk valt het aan eenige bevoorrechten, wat aangename
voldoening, zoo nijpenden nood door een flinke gift te kunnen
lenigen . .. . " En met voordacht even panseerend maakt hij
zich langzaam ten vertrek gereed met den wensch, dat de freule
spoedig in de gelegenheid moge gesteld worden die voldoening
te smaken.
//Welnu," laat de genezenc zich niet onbetuigd, „de gelegen-
heid daartoe zoudt u zelf mij wel kunnen aanbieden, is \'t niet,
dokter ?"
wO, voortreffelijk, freule," haast hij zich te verzekeren, blijde,
dat hij beet heeft. „Als u deze aangename taak aan mij
zoudt willen opdragen . ..."
Dit zal de freule een eer wezen.
En freule Lucia Van Eikelenstein tot Sommersburg, die anders
wegens de telkens terugkeerende pijn in heur rechterschouder
in het werk der naastenliefde niet zoo ijverig deelneemt, als
haar middelen wel veroorloven, drukt bij het hoofsche afscheid
van den militairen dokter een enveloppe in diens hand, inhou-
dende twee banknoten van ƒ 300— elk. Zij verzoekt die te
gebruiken uitsluitend ten behoeve van armen, welke zijn aange-
tast door de Influenza, waarvan H. Hoogwelgeborene reeds zoo
vreeselijk te lijden had, toen zij de ziekte nog slechts in hare
angstige verbeelding ontwaarde.
De freule is zeer verheugd, dat het geval tot dit einde ge-
komen is. Zij herinnerde zich dien kundigen, vriendelijken
man, aan wiens zijde zij onlangs heeft deelgenomen aan het
diner bij de lieve familie Brak. Elize begrijpt dus, hoe tante
op \'t idee gekomen is, om dien knappen kapitein te ontbieden,
nu Klaver niet te huis was. Tante stelt er prijs op, dat dit
duidelijk zij voor haar nichtje. En nauwelijks heeft de eerzame
bijna zestigjarige deze verklaring met behoorlijken ernst afge-
legd, of Elizo\'s mama komt in hoogst eigen persoon informee-
ren, wat er toch is van een boodschap om assistentie, aan HED.
overgebracht door neef Erits. Mevrouw heeft het fijne van de zaak
-ocr page 110-
90
niet begrepen. Maar, ofschoon zij dacht aan een mogelijke
aardigheid van Elize, wilde zij toch zekerheid hebben van den
onveranderd gunstigen gezondheidstoestand van hare „chère
soeur Lucie."
En na bevinding van zaken heeft mevrouw ook eene bevre-
digende oplossing van hetgeen haar duister was, en tevens de
overtuiging, dat de familiebelangen, in verband met de per-
soonlijke belangen van tante, door hare lieve Elize goed be-
grepen worden. Dewijl nu aan den slager niets besteld is, en
Naatje zelf «nog aan geen pot gedacht heeft," geheel «van
streek" als zij is door do ongewone drukte van den dag, —
aangezien tante Lucia ondertusschen eene uitmuntende appetijt
bij zich in aantocht meent te bespeuren, zoo noodigt mevrouw
haar niet Elize mede te komen en en familie te dineeren.
Dit voorstel kan echter niet zonder discussie worden aange-
nomen. Het voor en tegen moet rijpelijk overwogen worden en
besproken. Doch, daar Elize met haro mama één lijn trekt,
moet tante Lucia weldra zwichten voor den lieven drang der
redenen, door haar schoonzuster en nichtje aangevoerd. En
klokke 4 rijdt het drietal uit in een goed gesloten coupé.
Naatje is blijde, dat zij nu eindelijk eens op haar verhaal
kan komen. Maar, in de keuken bezig zijnde met de toeberei-
ding van haar eigen maaltijd, wordt zij al wederom gestoord
door een fiinken ruk aan de huisbel, terwijl een rijtuig stilhoudt
voor de deur. Zij haast zich dus te gaan zien, wat daar nu
weer is, en in minder dan geen tijd staat zij vis-a-vis dokter
Klaver, die maar zóó, onaangediend, naar boven wil.
wGaat zitten!" roept Naatje onthutst, «dat \'s waar ook!
Dokter, u komt te laat!"
„Wat te laat?" bromt de man der edele geneeskunst. „Is de
freule dan____? "
„O neen, meheer," hervat Naatje, zich kwalijk van lachen
kunnende onthouden, dewijl zij nu eerst \'s dokters v r e e z e
bespeurt, dat het wel eens afgeloopen zijn kon. „Neen,
niks geen gevaar, hoor! Gaat zitten! de freule is uitgegaan!"
-ocr page 111-
91
ffHoe !" schreeuwt de dokter, lang niet zoo zacht en inne-
mend, als ZED. de freule pleegt te antwoorden; maar die nu
ook reeds van 7 uur dezen morgen af, ten pleiziere der inge-
beelde zoowel als ter hulp van de in werkelijkheid aan Influ-
enza lijdenden „in touw" geweest is, en nu nog, in plaats van
rustig aan tafel te kunnen gaan, wederom moest uitrijden, —
„is de freule dan niet ziek?"
„Och, dokter, wat zal ik u zeggen," antwoordt Naatje ge-
moedelijk, „ik dacht het vanmorgen ook. Maar, zooals het
bij zulke zieken méér gaat, \'t was groote parade met een klein
garnizoen. Alhoewel, de kapitein is er toch bij geweest."
Dokter Klaver rijdt in galop weg, zonder dat laatste gezegde
van de dienstbode verstaan te hebben ; zeker ten minste heeft
hij \'t niet begrepen.
En dat is maar goed ook.
-ocr page 112-
Fragment yan een brief aan
ff
ayenkorf.
Ge hebt gelijk, amice, dat
uitzoeken en ketis bepalen is nog een heele pruik! En meer
hoofdbreken kost het mij te besluiten, om in dit deeltje deze
stukken bij-een te voegen en die achterwege te laten, sinds ge
mij de woorden van Simon Stylitus hebt voorgehouden :
«Zoolang het koren op het veld staat, is er van het onkruid
gewoonlijk geen sprake; maar is het eindelijk gemaaid en in
de schuur verzameld, dan bindt men het onkruid bijeen om te
verbranden." Zeer waar, amice, zeer waar: «Dit is nu een-
maal de wet des levens, waaraan noch de dichter, noch de
criticus zich straffeloos kan onttrekken."
Intusschen dunkt u het oorbaar, in dit bundeltje ook reeds
vroeger „uitgesproken" en „geëxposeerde" gedachten en schet-
sen op te nemen, mits ze — en dit geldt trouwens, niet waar?
ook van de nieuwe, — geen te pover figuur maken onder het
motto van den Meester, die het wraakte „spel en b e u z e -
1 a r ij woorden van gelijke beteekenis [te] schatten," en zijn
keurigo talenten dan ook besteedde slechts „aan het doel, niet
om uit te spannen, maar om te spijzen en te leiden."
-ocr page 113-
!);{
O, mijn vriend, gij doet mij huiveren! ... .
Zon ik de beschreven en reeds bedrukte blaadjes maar niet
zedigjes in mijn lessenaar wechsluiten, liever dan ze naar den
uitgever te zenden ?
Zou ik.... doch neen! gij zijt de eenige niet, die mij tot
dit werk hebt aangespoord, ofschoon het wel eens gebeuren kon,
wdat ik dingen te zeggen had, die men zoo \'n jongen, onga-
oefenden schrijver, als ik zal blijken te zijn, nooit vergeven
zou." 1) En breng ik het er dan niet zonder kleerscheuren af,
welnu, die juist mishaagden niet aan den Meester, wiens nage-
dachtenis gehuldigd zij.
Ho, ho, zult ge mij tegenwerpen, de kleerscheuren, waar de
//Ultramontaansche Watergeus" van hield, en die hem inderdaad
niet misstonden, waren geen leelijke winkelhaken en tornen, welke
allicht worden opgedaan, wanneer men hooger reikt, dan men «•
kan. Neen, dat waren wezenlijke, royale scheuren in \'s Meesters
kleed, heusche, als in den wapenrok van een onversaagden krij-
ger, die zijn man stond en uit een edelen strijd zegevierend te
voren trad.
Zeg eens of ik uwe gedachten niet raad?
Hoe het zij, ik waag er een rok aan.........
...................en wees
gegroet van
Uw Ferdinand.
1) Alb. Th. in zijn „Johannes Hilman, 21 Nov. 1881."
-ocr page 114-
Ontwijde grafkransen.
Bijdrage tot de karakteristiek der Aedendaagsc/ie vereering
van roemruchtige dorden.
„Wanneer een ander hem soms eens aanraadde
dit woord niet te zeggen, of deze daad niet te
doen, dan vroeg hij : „verwijt gij mij dat ? Ik
draag er roem op I Je m\'en f ais gloire.""
Prof. Quack bij de groeve van Alb. Thijm.
Is het voor hen, die niet treuren, als zij die geen hoop
hebben, de meest troostrijke gedachte voor de overledenen te
bidden, het was ook denzulken in ons goede Vaderland
eene behoefte, bij \'t smartelijk verlies van den edelen Joseph
Albert Alberdingk Thijm, de uitvaart van zijn stoffelijk omhul-
sel te maken tot eene afschaduwing van zijner ziele glorie-
vollen intocht in het onveranderlijk Jerusalem. Dies vereenig-
den wij ons trouwhartig met hen, die «vriend en vijand tevens"
waren van den Catholique avant tont. Het heeft ons wèl gedaan,
vertroost, ons tot een juichtoon gestemd in het Benedictus
Dominus Deus Israël, dat de herfst des ouderdomsmet
de lente der jeugd in harmonische mengeling van de meest
verscheiden tinten en geuren samenstemde, om van aller innige
vereering getuigenis af te leggen voor dezen waarlijk grooten
Man, die onze hulde moge aanschouwd hebben van uit den
-ocr page 115-
95
Hemel, ,,waar het altijd zomer is," gelijk het kinderkoor bij de
groeve zong, wat hij als jongeling dichtte :
„In den hemel is het altijd zomer.
Vriendelijke engeltjens vliegen af en aan,
Mooije rooije bloemen groeyen daar alomme,
Samen zullen we allen daar voor Lieven Heertjen staan.
Zijn we ook in smarte met Gods wil tevreên,
Als waren wij al in den Hemel bijeen.
Neen, ga die vreugde met d\' aarde niet heen:
Voer ons, o Heer, in uw Hemel bij-een."
Ach zij allen, die daar stonden, de machteloozen om dat
veeleischend graf, de vroomste der Begijntjes niet uitgezonderd,
schreef de Amsterdammer terecht, zij hadden dien man, zoo mid-
den uit den strijd wechgenoiuen, minstens nog een paar dagen
leven willen schenken, al ware het slechts, om hem te kunnen
doen gevoelen, hoe hoog men hem wel schatte. Helaas, dat
heeft hij bij zijn leven niet ervaren. Ditmaal kwam de dood
te vroeg.
En als die duizenden, verschillend te moede — naarmate de
drijfveer van vereering of nieuwsgierigheid, en hun levensopvat-
ting of inzicht van de zaligheid der dooden, die in den Heer
sterven, verschillend was, — als zij terugkeerden van de plaats
der laatste rust tot het volle leven, ieder tot zijn werkkring, tot
;/de mate arbeids, welke de voorzienigheid een ieder onzer toe-
bedeelt," 1) was het velen, die , aan de groeve reeds met ver-
rukking geluisterd hadden naar de schoone en goede on ware
lofredenen op den Vereeuwigde, eene verkwikking voor geest
en hart, te lezen en te smaken, wat er schoons en goeds en waars
gegeven werd in tal van tijdschriften en dagbladen, bizonder in
1) Geliefkoosd woord van Alb. Tb.
-ocr page 116-
%
den IFetenschappel ijken, Nederlander, de KatholiH-e Illustratie en
den Amsterdammer, Weekblad voor Nederland.
Ja, de letterkransen, in de lente van \'89 Alberdingk Tliijin
ten hulde gevlochten, vormen eene bloemlezing van Proza en
Poëzie.
Ach, dat die kronen ook ontwijd werden, dat daar grove, ge-
meene slootbloemen werden tussohen-geworpen! En niet enkel
door deze en gene, die gewoon zijn op bemodderde klompen
daarmede te komen aandragen; niet alleen door lieden, die
gaarne overal een woordje medespreken en zich verkneukelen,
dat ook zij worden opgemerkt, wanneer zij driest naar voren
treden; — neen, ook door mannen, die zich mochten beroemen
op letterkundige samenwerking met den geleerde, op de vriend-
schap van den edelaardige, word daar plompweg een gemeeno
slootbloem op zijn terp gegooid, een klad gewreven aan zijne
beeldtenis, nog wel met de meening, zijn laatste rustplaats daar-
mede te sieren, een straal te voegen in zijn aureool!
Een rozenkrans wordt licht een doornenkroon,
Een schoone droom is half gedroomd vergeten,
Een hymne vindt haar slotaccoord in hoon! Ij
Moet ons daartegen veel van het hart, we leveren tevens
eene bijdrage tot de karakteristiek der vereering, die men heden
ten dage een roemruchtigen Doode pleegt te wijden. Het heeft
ons pijnlijk getroffen, bij het verscheiden van Alberdingk Thijm
wederom, als zoo dikwijls, te moeten ondervinden, met welk
eene halsstarrige onwetendheid, met welke ignorahtia
c r a s s a zulk een geest beoordeeld wordt zelfs door mannen,
die zich heel wat laten voorstaan op hunne rechtschapenheid en
universeele kennis, al verschillen zij in vele zaken van den
Catholique avant tout.
1) Aija Snphia. Aanhef van Irene.
-ocr page 117-
97
Zoo werden wij, bij den troost, dien we smaakten, de nagc-
dachtenis van den goeden Meester gehuldigd te zien, toch bit-
ter gegriefd door eenigen, die hem onteerden, ja letterlijk hoon-
den, in \'t gezicht van zijne getrouwen zelve.
in den Amsterdammer, bij welk weekblad voornamelijk wij
onze nalezing bepalen, werkten velen samen, om een heerlijken
letterkrans te vlechten ter nagedachtenis van Prof. Br. J. A.
Alberdingk Thijm.
Een blanke lelie van zijn geliefden Broeder
prijkte daar naast een krachtige stamroos van zijn Medestander
in het tornooiveld der Historie. Witte camellia\'s van bevoegde
kunstcritici; teederc vergeet-mij-nietjes van trouwe vrienden,
onder welke die zijn «vijand tevens" waren ; geurige viooltjes
van dankbare leerlingen; en dat alles omstrengeld en doorwoeld
met de groenende laurier van ware verdiensten en de immor-
telle eener onuitwischbaro herinnering aan den eenigen Alber-
dingk Thijm! Ach, waarom dan die bloemenkeur te schande
gemaakt door in \'t wild gewassen grove bloemen, met modder
en al uit een sloot getrokken en geworpen in den krans op dat
dierbare graf.. .. !
Dat daar ter inleiding argeloos gekeuveld werd over een
ouden priester, (bij een kinderlijkje, dat even te voren zou be-
graven worden,) prevelend den dienst verrichtend, begeleid door
twee koorknapen, los in, zwarte pijen gehuld, en die, toen het
wierookvat even rond de kist gedragen en het hoognoodige gespro-
ken wa%
zich (N.B. voor de lijkplechtigheid van Alb. Th!)
tooiden in witte misgewaden, — zie dat zijn lovertjes, welke «ter
nagedachtenis\'\' van onzen Alberdingk juist niet met smaak ge-
kozen kunnen heeten, maar den beminnelijken Overledene zelf
hoogstens een fijn lachje zouden ontlokt hebben met een «de
menschen meenen liet toch goed."
Doch iets anders, als daar zoo maar vlakwech wordt neerge-
schreven: «hij (Alb. Th.) was tegen de kerkelijke school."
Tegen deze scheeve voorstelling van Thijms meening komen wij
ten stelligste op met zijne eigene woorden: «Men heeft niets
8
-ocr page 118-
98
anders noodig dan een weinig gezond verstand, om in te zien,
dat het beste onderwijs dat is, waarin opvoeding en vorming
van het hart, ook door geleidelijke inprenting van geloofswaarheden,
harmonisch samenvalt met de verrijking van den geest." Deze
door en door katholieke stelling had de schrijver dier b e-
schuldiging kunnen vinden in de voorrede van den wAlma-
nak voor Ned. Katholieken \'86;" waar\'t ZED. tevens had kunnen
blijken, dat de Professor in de Aesthetica, slechts ter wille van eene
ook door zijn tegenstanders zoo hartelijk begeerde samenwerking
tusschen alle zonen des Vaderlands, eenige concessie aan neutraal
onderwijs wensclielijk achtte. Dus had ook de welbekende Hoog-
leeraar in de Ned. Letterkunde, — die er zoo innig van overtuigd
is, dat „de groote neder!andsche maatschappij aan niets meer
behoefte heeft, dan aan edele, fiere harten, dan aan eene ridder-
schap van onbevlekt blazoen," 1) — dus had ook hij, wien Alb.
Thijm „dertig jaren lang zijne hooggewaardeerde vriendschap
bleef toonen," 2) wel wat dieper in den geest van zijn vriend
mogen doordringen, alvorens ter z ij n e r nagedachtenis
met zoo blijkbare ingenomenheid te gewagen van de omstandig-
heid, dat de ,/Catholieko staatspartij, — wegens de onwrikbare
zelfstandigheid zijner overtuiging, gebleken in den schoolstrijd, —
niet geheel op hem rekenen mocht." 3)
Zou do vaandrager van het „Hollandseh-Catholie-
k e" do hulde wel geaccepteerd hebben van degenen, die hem
niet vieren kunnen, zonder zijne aanhankelijkheid en trouw aan
\'t oud Geloof in twijfel te trekken; of stout te beweren, dat hij
toch niet zoo Eoomsch was, als hij wel voorgaf, en wel op grond
o. a. dat hij „even eigenaardig was in zijn aan 13ilderdijk ontleenden
afkeer van tabak en sigaren, als in zijne waardeering van de
vrije Volksschool, trots het adagium zijner familie: wij zijn
1)  Dr. Jan Ten Brink, Litt. schetsen en kritieken, Leiden A. W. Sijthoff 1883.
2)  De Amsterdammer blz. 2.
3)  De Amsterdammer t. a. p.
-ocr page 119-
99
altijd catholiek avant tout geweest?" 1) \'t Getuigt zeker
niet voor den fijnen smaak, voor den aesthetischen zin van
de heeren, die trots hun naam, toch met dergelijke phrasen
Thijms groeve durfden naderen; en dat te minder, wijl zij dien
tocht maakten uit piëteit voor den Ontslapene. Geen wonder
dus, dat ons de vingers jeukten, om die giftige sloot-blo m-
metjes uit den graf krans te rukken, en daarvoor in de plaats
te stellen een viooltje van den geëerden Directeur der vermaarde
scholen te Uolduc: «Wat er zij van de bewering, dat A. Th.
in de schoolquaestie op de zijde der liberalen stond, ik blijf
gelooven, dat hij daarbij meer het oog op bijzondere toestanden,
op uitzonderingen had, dan op het beginsel." 2)
Het stond den mederedacteur van den Amsterdammer vrij, —
ofschoon het eene bedenkelijke vereering is van een k a r a k -
ter, — niet te verheelen, hoe bij hem meermalen twijfel
is gerezen aan de juistheid, althans aan de volledigheid der
verklaring van Alberdingk, wanneer hij zich «catholique avant
tout" beleed. 3) Wat daarop echter volgde over zelfkennis, en
do vraag, «of deze man Katholiek zou hebben kunnen zijn,
wanneer dat Katholicisme het vermogen hadde gemist, aan zijn
kunstliefde de rijkste voldoening te verschaffen," enz. enz., dat
alles had ZED. volkomen opgelost kunnen vinden en daghelder
verklaard in Thijms machtig Credo aan Da Costa. Die gespierde
verzen wraken tevens de meening, «dat Alberdingk Thijm te goed
Nederlander was.... om het anathema van den «Syllabus" te
herhalon," een certificat de bonne conduite, dat Zaïm zoo goedig
op de groeve afzonderlijk lag. Neen, hij heeft geen «vrijheid
verheerlijkt, die zijn Syllabus vloekt." En penvoerders, die,
ondanks het voorrecht, dat zij genoten in de vriendschap en
1)  De Ned. Spectator, 30 Maart \'89, blz. 100.
2)  Thijm-numraer van De Katholieke Illustratie.
3)  Eenige regels • verder gaf dezelfde schrijver de zeer juiste kenteeke-
uing: „Thijiu was echt, door en door."
8*
-ocr page 120-
100
medewerking van een Professor Thijm, toch zoo akelige bewijzen
geven van halsstarrige onwetendheid in de beoordeeling van dien
ïtoomschen Nederlander, zulke praatvaders hadden zich dan ook
niet gerechtigd mogen achten, om bij zijn verscheiden aan de
Katholieken den lieven raad te geven, //gedachtig [te zijn], dat
in het hartelijk medeleven en medestreven in kunst, weten-
schap on letteren met het andere [?] deel der natie een krach*
tiger waarborg voor hun toekomst ligt, dan in elke mogelijke
politieke of kerkelijke organisatie." 1)
In \'t voorbijgaan : Prof. Dr. J. A. Alberdingk Thijm was hoog-
leeraar, niet in de Staatswetenschap, maar in de Aesthetica. Of moet
in onze dagen noodzakelijk bij alles de politiek gesleept worden ?
Durfde de mede-redacteur van den Amsterdammer voorts als
zeker verkondigen, dat Alberdingk //hemel en aarde te gelijk
beminde:" nu wij bemerkt hebben, hoe kwalijk de Meester be-
grepen werd, kunnen we hem die zekerheid gerust present doen,
ofschoon hij er wel wat te vast op steunt bij zijn verdere tee-
kening „van den typischen idealist onzer dagen."
En zouden we eindelijk in een artikel aan de nagedachtenis
van den keurigen stylist —, die immers „naar veler overtuiging
reeds voorhing als zoodanig uitgeschitterd heeft," — geen raad-
sels verwacht hebben, als waarvan we reeds een voorbeeld aan-
teekenden, en die wederom sterk uitkomen, wanneer daar ge-
zegd wordt, „dat hij, Alb. Th., niet de wereld veroverd, maar
toch de harten gewonnen heeft," terwijl we tevens moeten ver-
nemen, dat „hij gelukkig onvolkomen genoeg was om bemin-
nelijk te kunnen zijn;" wij verbeelden ons den Vereeuwigde „van
hier te zien, lichtelijk met het hoofd schuddend, en om den
mond dat trekjen van kwalijk verborgen deernis, gehuwd aan
de overtuiging van beter wetenschap." 2) — Maar protest tee-.
kenen wij aan tegen de laffe profanatie van St. Thijm als
1)  Amsterdammer t. a. p.
2)  Dietsche Warande. D. 7 blz. 494
-ocr page 121-
101
schutspatrooon, indien de Nederlandsche pers een Heilige be-
geerde," en wel omdat hij „niet slechts strijdlustig was en
krijgshaftig, maar ook geestig, puntig, schalks(ch), ironisch,
en, ... . ook bijtend, sarcastisch .. . . " En dan dat „dagelijksch
gebed tot Sint Josephus gericht....!"
"Wech met die sloofbloemen, aan wier tronk zelfs een adder
kleeft!
Ten waardigen hulde aan den grooten Gregorius-ridder, den
hoogbegaafden Aestheticus, vonden wij in het Weekblad voor
Nederland
verder een slingering van zoo geurige letterbloemen,
als het ons niet heugt ooit bewonderd te hebben, ter nagedachtenis
van een christen Denker en Harpenaar. Daar volgden namen
van hoveniers in onze literarische gaarde, die klinken als een
klok! Wel hebben wij gehuiverd, wijl de hoogbegaafde Pierson
het oorbaar achtte, ook in dien krans een proeve te vlechten
van het XlXe eeuwsche heidendom, door de vraag tot den
Ontslapene te richten : „Hoe is uw ontwaken geweest? Heeft
men bij het allereerste wakkerworden nog eenige notie van
gedempte burgwallen, van tram en Paleis, Nut van \'t Algemeen
on Algemeen Handelsblad ? Weet men dan dadelijk, wat het
ware geloof en de ware politiek is .... ? " Maar toch, zooals
het treffend was te hooren uit den mond van den sympatheti-
schen Quack, daar bij de geopende groeve, zoo was het hier
verrukkelijk te zien, hoe zelfs twijfel en ontkenning cijns van
eere brachten aan het meest positief geloof. Dan, helaas! hoe
pijnlijk deed het ons aan, hoe bitter grievend was het onzer
piëteit voor den geliefden Meester, wanneer wij dat gewijde
spel van verven en geuren niet smaken konden zonder geërgerd,
verontwaardigd te worden door een tweeden tronk gemeene
bloemen, aangedragen uit een moddorsloot.... Voltairiaanschen
spot in een hier en daar vrij-duisteren stijl van Multatuli. En,
God beter \'t! dat werd nog wel besloten met de tirade: „Als
hierin ongetwijfeld de geheele Alberdingk Thijm niet te vinden
is, zoo heb ik toch als in een urn met een eerbiedig opschrift,
-ocr page 122-
102
de helft vnn zijne assche verzameld, die niet op de winden zal
worden verstrooid." Of die verzamelaar van assche tot het
anderhalf dozijn Nederlandsche voorstanders vnn lijkverbranding
behoort, weten we niet; maar wel, dat hij met dat geschrijf
toonde, niet op zijn plaats te zijn in het gezelschap van Prof.
Thijm en diens kring. Do man, die zicli openlijk frère-com-
pagnon toont met Sociaal-Democraten, moge den deftigen Am-
sterdamschen Poorter al eens ontmoet, «zoo eens buiten" gezien,
hebben, hij heeft hem niet gekend. Alberdingk Thijm
encanailleerde zich niet.
Het stuit ons, andermaal na te lezen, wat de Amsterdammer
ook uit die hand aannam, ter nagedachtenis van den Meester.
Onze droefheid werd door éene lezing reeds al te grievend be-
spot, en tranen van verontwaardiging zijn den Edele gewijd —
die nu dood is, zooals die vieze pen telkens zoo ijskoud kon
herhalen.
Maar tegen spotternijen als «dat Alb. Thijm .... de vleesch-
geworden eerbied voor het eerbiedwaardige .... met de aanra-
king van zijne handen het ongeveer banale wist te zuiveren,
zooals de priester van zijne Kerk door de besproeing met ge-
wijd water ....", tegen de voorstelling van zijn naleven der
ons heilige onthoudingswet op door de Kerk vastgestelde da-
gen.....tegen dat clown-achtige „smakelijk eten en drinken___
een katholieke deugd," — ons onthouden daartegen te prote-
steeren, wij kunnen het niet!
Met afschuw wijzon wij af dat illustreeren der namen van
Multatuli, A____T___en Voltairo!
Met verontwaardiging komen wij op tegen de vereenzelving
van «huisvlijt" en „huiskunst" met de werkzaamheid en kunst
van Alb. Thijm !
Als eerroof aan den doorluchtigon Doode zij gebrandmerkt,
dat vorknutselen van zijn heerlijk en heilrijk devies in een „je
prends mon bien oïi je Ie trouve," of misschien nog beter, nog
precieser: ;/je trouve mon bien oü je Ie prends;" gesteld, dat
het Fransch was."
-ocr page 123-
103
Neen, Professor ïhijm was geen lief karakter, geen kostelijke
man, die louter voor zijn pleizier leefde en knutselde, zooals
daar in den Amsterdammer den lezers werd diets gemaakt. //Ik
ben niet," zoo schreef de Meester in \'82, wik ben niet van
degenen, die veel willen weten van vermaak en uitspanning.
Men moet spel en levzelarij geen woorden van gelijke beteekenis
schatten. Al wat we doen, moeten we zooveel mogelijk in over-
eenstemming brengen met onze menschelijke waardigheid, en
dienstbaar maken aan onze bestemming." En die bestemming
geloofde, neen wist de Catholiqut avant toiit, heel iets anders te
zijn, dan door een vrijdenker als //assche" te worden verzameld
«in een urn met eerbiedig opschrift."
Een eerbiedig opschrift! Ach, hot bestaat in den gevierden
naam «Alberdingk Thijm" en daaronder.... „aan L. van
Deijsssl!"
Hoe fijn gevoeld!
z/Menschen, ergert je niet!" riep een beroemd tooneelspeler.
wMaar \'t is om je dood te ergeren," liet hij er onmiddellijk op
volgen.
En toch, een waarachtige hulde aan de nagedachtenis van
den zwaar beproefden Christen-kunstenaar zou ook onder dat op-
schrift gebracht kunnen zijn, wanneer niet een tronk gemeene
bloemen uit een moddersloot was aangedragen, doch eenvoudig
waren afgeschreven de woorden van vader Alberdingk Thijm:
z/Voor zoover de kunst van eenigen onzer nog niet in den
aalouden bodem mocht wortelen van het heerlijk en liefelijk
Jerusalem der Kerk, en voor zoover uitstekende katholieke den-
kers en dichters achterblijven met hunne gaven, — is het nog
tijd tot de katholieke letteren te roepen: Revertere, revertere,
Stinamitis : revertere, revertere, ut intueamnr te !
wKeer terug, keer
terug, opdat wij u aanschouwen!""
-ocr page 124-
^
UNSTZIN EN RECHTSGEVOEL.
„Men verstaat in de Nederlanden, in ongewonen grand do
kunst, om de monumenten hunne bestemming te doen missen
In Utrecht heeft men een treffelijke Domkerk, die ongelukkig
in den storm van 1674 haar schip en beuken verloren heeft.
Het belangrijkste deel, het choor, met den veelzijdigen choortrans
en kapellen, bestaat nog; ook bestaat nog het dwarspand. Wat
doet men nu? Men timmert een houten amfitheaterkerk in het
dwarspand, en sluit het choor, tot onbruik, daarbuiten. In
Amsterdam (en misschien ook elders) stichten de Roomsch-
Katholieken voor groote sommen kerken, die niet allen even
doelmatig zijn, noch in den rechten, besten kerkstijl gebouwd. 1)
De Gereformeerden, daarentegen, hebben kerken met de choren
en gangen, die de Roomschen behoeven, en in den gotischen
trant. Deze kerken zijn voor de Hervormden ondoelmatig.
Toch komt men niet op het. denkbeeld de rollen te verwisselen.
Het geld, dat de Roomschen verbouwen, behoorden de Her-
vormden te hebben, om zich kerken op te richten evenredig
aan hun eeredienst; en hunne (oude) kerken moesten zij, voor
dat geld, aan de Roomschen overdragen, dan waren allen veel
beter geholpen, en de kunst desgelijks." — Zoo schreef do
1) Dit is anders geworden. We krijgen nu waar voor onze tuuucu
gouds. (Noot van Terdinand.)
-ocr page 125-
105
wakkere Pauwels Foreestier. Men was toen in \'t jaar \'62.
Ja, „er zonden te onzent in zaken van kunst en wetenschap
minder ongelukken gebeuren, indien men meer notitie verkoos
te nemen van zijne denkbeelden," besloot Busken Huet zijn
studie over den knappen gaardenaar der DietscJw Warande.
Toen schreven we \'64.
En zie, vijf-en-twintig jaren later komt een kunstlievende
advocaat in den Nfderlandschen Spectator ons vertellen, dat die
averechtsche toestanden opzichtens onze kerkgebouwen ook hem
ergeren en hij wel zou willen, dat er aan die daden van van-
dalisme een einde kwam. De kunstminnende rechtsgeleerde
zou dan ook niet ongeneigd wezen, den Roomschen „die kerken
weer af te staan, die zij gebouwd hebben en in zedelijken zin
hun rechtmatig toekomen, terwijl zij bovendien voor de Protes-
tantsche godsdienstoefeningen volkomen ongeschikt zijn," indien
maar „de macht," ziet u, „en het aanzien der Katholieken,"
begrijpt u, „daardoor niet te veel zou winnen, en indien dit
niet te zeer in strijd was met ons historisch verleden."
Wat dunkt u, werd de Thijm-literatuur ten jare 1889 niet
hoe langs zoo meer interessant? O, als de oude Pauwels dat eens
had mogen lezen ! Hij had zijn brilleglazen opgepoetst, om het
nog eens te genieten !
Of dan niet vroeger van anti-Roomsche zijde een en ander
gezegd en geschreven is, waaruit bleek, dat men reeds voorlang
meer notitie ging nemen van Forcestiers denkbeelden ? Voorze-
ker. In ettelijke Kamer- en Gemeenteraads-zittingen b.v. is
gedurende dien tijd menig hartig woordje gewisseld, als het
subsidie voor restauratie onzer monumentale kerken te berde
kwam. Zoo herinneren we ons, hoe een twaalf, veertien jaren
geleden in de Utrechtsche vroedschap een balletje werd opge-
worpen, om de Domkerk aan de Katholieken terug te geven,
wijl dan de gemeente vrij was vau subsidie voor de hoog noo-
digo restauratie van dat juweel der middeleewsche bouwkunst.
Want, zoo meendo „de geachte inleider" dier quaestie, de
Roomschen zoudon uit eigen beurs dat werk wel bekostigen ;
-ocr page 126-
ion
en de Stichtsche Dom zou veel beter, meer correct en in kor-
ter tijd gerestaureerd worden, dan \'t nu geschiedt door een
ambtenaarscorps en door Eijks- en Gemeentegelden. Maar de
heeren.... lieten de zaak, zooals die was. Menige bladzijde
zouden we voorts kunnen afschrijven uit beschouwingen en
aesthetische verhandelingen, waarin ook anti-Roomschen onzen
Foreestier in het gelijk stelden, hoewel men de kerken zorg-
vuldig in \'t midden liet. Doch nimmer kwam ons, allhans
van een landgenoot, 1) iets te voren, als dat artikel in den
Ned. Spectator. Maar nooit ook zagen wij de rechtvaardigheid
zoo cynisch in \'t gelaat geslagen, als door denzelfden kunst-
lievenden rechtsgeleerde.
\'t Is waar, «gedurende zijn kortstondigen omgang met Alb.
Thijm is \'t ZEDGestr. gebleken, dat de opvoeding der
Protestanten zeer eenzijdig is en veel te wenschen overlaat;" en
papenvrees kan zelfs een knap man leelijke parten spelen. f$o-
vendien moest hij allicht in het kader blijven van het tijd-
schrift, waarin hij zijn stuk plaatste. En de Spectator, wien
deze denkbeelden te verkondigen werden toevertrouwd, had
immers nog geen jaar te voren het monster uitgeteekend, dat
het vaderland verdelgen zal, wanneer «de macht" en «het
aanzien" der Katholieken te veel winnen zou.
«Kon burgerlijke tucht dit monster niet betemmen,
Al \'t land zou tot de keel in bloed en tranen zwemmen,"
had de Haagsche profeet gewaarschuwd met zijn prent in de
hand: Clerus mnndi imperator. En zou men dan dien Katko-
lieken hun kerken teruggeven, ofschoon „zij die gebouwd heb-
ben en in zedelijken zin hun rechtmatig toekomen"? Dat kan je
1) Kilimimlii de Ainic.is weet in zijn Holland en zijne bewoners den
Calvinistische» vandalen nog wel degelijker de waarheid te zeggen, zou
goed als liuskin Huet in zijn Land tan Rembrandt.
-ocr page 127-
107
begrijpen ! Waar zou \'t einde zijn van den „Ultramontaanschen
overmoed ?" Neen, eenmaal zooveel toegegeven, dan zou zelfs
geen „anti-papistische felheid of Protestantsche plichtsbetrach-
ting" van een Amsterdamschen spruit sterk genoeg zijn, om
die „macht" en dat „aanzien" der Katholieken te breken.
Of er ondertusschen ook een kracht is uitgegaan van den
Ultramontaanschen Watergeus, van den Polemist, Kunstkenner en
— beoefenaar, van den Dichter, Geschiedvorschcr, Geleerde,
van Neerlands uitnemenden Zoon J. A. Alberdingk Thijm, op
wien de hoofdstad trotsch zijn mocht, meer dan hij groot ging
op zijn Amsterdamsch poorterschap!
Zoover zijn we nog wel niet, dat in den Utrechtschen
Dom en de St. Pancras van Leiden, in de Haarlemsche St.
Bavo en de St. Laurens van Rotterdam, — dat in het aantal
fraaie Gothische (Roomsche derhalve), tot Protestantsche bede-
huizen verhaspelde kerken een aanbiddende schare nederknielt
voor \'t middelpunt van den Christelijken Godsdienst, het hoog-
heilig geheim der Eucharistie, bij het klingelen der altaarschel
boven wierookwolken geheven. Neen, vooralsnog zullen die
tempels wel blijven in \'t gebruik van hen, wier „historisch
verleden" uit de rompen en brokstukken van altaren en nissen
zóó duidelijk spreekt en zóó luide, dat hun soms ontwakend
gevoel van billijkheid en recht niet rneer zwijgen kan. Doch het
pleidooi van den Meester in de rechten en smaakvollen kunst-
kenner in den Ned. Spectator is een stellig bewijs, dat Alber-
dingk niet vruchteloos gezwoegd heeft, niet te vergeefs ge-
leeraard en gestreden; en het wil ons voorkomen, dat die
kunstlievende Advocaat, in weerwil van zijne vreesachtigheid
voor Rome, niet de minst geurige bloem gelegd heeft op de
terp van den Katholieken Thijm.
-ocr page 128-
Aen Aemstels Stede/vïaeght.
(Op Vondels geboortedag in den jare 1889.) 1)
Slemmrn toor waarheid en vrede
Klinken haesl luide in uw stede.
Op toch, op, o Aemstel\'s Vrouwe!
Stut met raet uw vroeden Raet!
Houd den Steêvaer aen den praet,
Dat Cambrinus \'t stuck niet brouwe,
\'t Geen hij, zwart op wit, alreê
Tegens waerheit stelt en vree.
Laet ge uw Levy keuning krayen
Vroeg en spa, uit burgherplicht,
En ontsteeokt uw Spruit zijn licht
Langs uw wallen en uw kayen:
Mart dan niet met uw betoogh
Voor een vreedsaem theoloog!
1) Toen de Synode voorzien had in eene vacature nan de gemeentc-uni-
versiteit, terwijl het bekende voorstel-Heineken in den Baad aanhangig was.
-ocr page 129-
109
Uw doorluchte School blijv\' kercklijck !
Zet u schrap dus, wees bereidt
Voor haer schoonste faculteit
Op te komen. Maok soo wercklijck
Haer tot school voor iedereen,
Met het waere slechts tevreön.
Zeg de Vroedschap en den Steêvaer,
Wikkend scharp op mijn en dijn:
Wie het sterckst in \'t schuitje zijn
Sorgen, dat de burghor meovaer\'
Naer de witgekuifde zee
Van de waerheid en den vree.
Zammel niet op duizend daelders
Dry- of viermael meer of min:
Waerheit heeft een groot gezin
En vindt nergens zulcke onthaelders
Als, o Aemstel\'s Maeght! uw stee
Biedt aen d\' eêlsten man van vree.
Iedre poorter, gheen, hoe suf oock,
Of hij hondt reeds \'t oogh gericht
Op de Smeesluis in het Sticht.
Minnaers van Synode en kmifloock,
Zij vooral, in \'t staen zoo pal,
Vreezen, dat hij weigren zal!
Weigren, wat hem is geboden,
Zulck een leerstoel! zoo\'n profijt!
Zulck een gansje! zelfs ten spijt
Van de kunst en gunst der goden.
En dit enckel.... om het stout,
Dat hem hier Cambrinus brouwt!
-ocr page 130-
110
Wil dien storm dan flux bezweren;
Laet de schuim op \'t garstebier!
Stuit dat henglen met een pier
In den vijver, \'t hof der heeren.
Ving men daer eens meer dan bot,
In de toga quam de mot!
Wil uw trouwen dus belezen,
Aemstel\'s wijze Stedemaeght!
Dat het smeekschrift word\' verdaeght
Tot het jutte-mis zal wezeu;
Dan nog rijst uw agtbre helt
Eens van brons inJAemstel\'s velt!
-ocr page 131-
f
EN CURIOSU/Vl ALS TOEGIFT.
Si duo faciunt idem, idem non est.
\'t Was een heerlijke Septembermorgen. Mijn vriend — een
Meierysche jonkman, wien, bij een helder verstand, op negen-
tien-jarigen leeftijd de kinderlijke eenvoud van een sohooljon-
gen ten sieraad strekte, — mijn vriend Frans was van zijn
uitstapje naar ;/H o 11 a n d" op de terugreis. Ik had het ge-
noegen hem te vergezellen tot den Haag, vanwaar uit hij,
met den trein van 3.17 \'s namiddags via Rotterdam, zijn ge-
liofd Oirschot wederom bereiken zou. Was hem Amsterdam
wat al te ,;drok" voorgekomen, en viel het toch niet «drokke"
Leiden, in weerwil van Musea en Rijks-Herbarium, weinig meer
in zijn smaak: het vorstelijk \'s Gravenhage scheen hem best te
bevallen.
Wij wandeldon van het station Hollandsche-spoor de Wagen-
Vene- en Hoogstraten door naar het Noordeinde, om vervol-
gens langs Boschkant en Vijverberg de Plaats te bereiken, en
dan wederom rechtsaf het Noordoinde in te gaan naar \'s Ko-
nings paleis.
Ik weet niet, of ik ooit zoo veel geslenterd en gedrenteld heb
als op dien morgen; doch \'t is waar: ffvan kuieren weten dia
Hollanders niets af," had Frans reeds opgemerkt.
-ocr page 132-
112
,/Kie, 1) dat \'s aorig!" riep mijn vriend eensklaps in zijn
eigenaardig dialect, terwijl hij mij noodigde stil te staan voor
een kunstmagazijn. „Aorig, wonne, 2) tusschen die grooteluis-
huizen zoo\'ne plaotwinkel! Eens efkens ?"
„Zeker," stemde ik toe, „we moeten eens kijken, ik zie graag
schilderijen en we hebben den tijd aan ons."
En ongemerkt zocht ik een steuntje, want ik begon mijn
beenen te voelen. Wanneer men eenmaal op zich \'genomen
heeft, een vreemdeling het moois van de stad te laten zien, en
deze vreemdeling van meening is, dat hij er niets aan heeft,
tenzij het genot van moois zien te voet gesmaakt wordt, dan,
niet waar ? kan men als fatsoenlijk mensch toch niet telkens
herhalen, hoezeer men verlangen kan naar een zitje.
„Kie," fluisterde mijn vriend toen voort, in bewondering voor
een fraai doek „Een aalmoes," getiteld, en waarop een jongentje
met een brood in zijn kieltje de hoodfiguur was, „dat \'s schoon,
wonne, dat jungske daor met diec mik." 3)
„Prachtig," stemde ik weer met hem in, en, even zacht sprekend
als hij, merkte ik op, dat die schilderij wel een kwartiertje
kijkens i was.
Dat zei ik eigenlijk met een ergje. Want, hoe aangenaam
mij het gekeuvel van Frans ook was, het deed mij groot genoe-
gen, dat hij voor een poosje in beslag genomen werd door het
„jungske met dieë mik" achter de glanzende spiegelruit, en ik
dus een oogenblikje vrij-af had. Zoo toch vond ik de onge-
zochte gelegenheid om eens „uit te blazen," en tevens een
tooneeltje te genieten, dat op dezelfde stoep, waar wij kunst-
beschouwing hielden, werd afgespeeld door twee of drie deftige
Hagenaars.
„Bonjour, mijnheer Van Bierg, tot genoegen! Mijn respect
1)  „Kie" d. i. kijk.
2)  „Wonne" d. i. mei waar ?
3)  „Mik" zegt men in de Meierij voor tarwebrood.
-ocr page 133-
113
aan uw familie," hoorde ik er een zeggen, die scheen zijns weegs
te zullen gaan.
„Salut, ïnon ami!" zei de toegeprokene, waarop de jongste
van het drietal zich inderdaad verwijderde met eene hoffelijke
buiging voor beide heeren, zooals alleen een Hagenaar zijn com-
pliment maken kan. En de overgeblevenen vervolgden hun
gesprek, luid genoeg, om mij geen woord te doen verliezen.
wEen echte dandy!"
//Een gedistingeerd jongmensch."
wJa, ja! — Al carrière gemaakt ?"
//Excuus; maar hij zal denkelijk binnenkort goed geplaatst
worden bij het Ministerie van financiën. Hij heeft nog al pro-
tectie, zijn oom is referendaris aan dat Departement."
//Zoo," herneemt de ander met een bedenkelijk gezicht en
kucht eens. «Maar zeg eens, amice, is hij wel oppassend?"
//Welzeker," luidt het antwoord. «U begrijpt, hij is jong-
mensch en kan dus niet als monnik leven."
//Volstrekt niet. Maar . . . ."
„Wat maar?"
z/Heeft hij wel veel vertrouwen?"
„Omdat hij een paar schulden gemaakt heeft en niet zeer
gefortuneerd is?"
„Dat meen ik gehoord te hebben. Zou dus ....?"
i,0, waren wij op dien leeftijd dan zoo ingetogen, dat we
aanmerking zouden maken op zoo iemand, die weet te 1 e -
ven?"
„In \'t geheel niet, mijn waarde. Maar ik heb bij mijn
weten toch nooit een ander de dupe van mijne verteringen
gemaakt."
//Excellent! Loffelijk! Toch zeg ik u, dat ook hij een so-
lied jongmensch is, ofschoon hij \'t leven geniet, zooveel hij kan."
„Ja, ja," gaat de ander glimlachend voort, ween solied jong-
mensch, ofschoon hij om den anderen dag half zalig is en een
schandaal voor zijne familie !"
z/Hc," luidt het wederwoord verwonderd, „dat zou ook wat!
9
-ocr page 134-
114
van eon goed glas wijn ? Kom, kom, heeft de groote Maker
den heerlijken wijnstok doen groeien, opdat hij verdorren zou ?
Contrarie, man! Mij dunkt, je hebt een te conservatieve op-
vatting, zoowel van de positie en de daaruit voortvloeiende rech-
ten onzer jeunesse dorde, als van het eigenlijk genot des levens."
„\'t Is mogelijk. Maar ik dacht. . . . "
„Dat hij geen gedistingeerd jongmensch is, omdat hij een
goed glas wijn drinkt en geen vrouwenhater is?"
„Neen, zoolang dit binnen de perken van \'t geoorloofde
blijft, kan ik het een jongmensch niet misgunnen, en hem in
\'t geheel niet er om laken. Maar hij is iemand . . .. "
„Die de kunst verstaat den Bijbel met den Koran te veree-
nigen ; trouwens eene uitmuntende eigenschap voor een ambte-
naar bij Financiën."
„Heb-de genoeg gezien ?" vroeg mijn vriend toen zachtkens.
Ik had echter te veel liefhebberij in het levendig paneeltje op
de stoep, om reeds heen te gaan. Fluisterend maakte ik Frans
dus opmerkzaam op de twee fraaie staalgravuren, die zijn
ffjungsken met dieë mik" flankeerden. Door die nieuwe stof tot
kunstbeschouwing dacht ik tijd te winnen, en vond het dan
ook erg jammer, dat een jong werkman zich bij ons kwam
voegen, blijkbaar om ook eens te kijken; want, vreesde ik,
nu z\\illen de heeren hun gesprek afbreken, daar er te veel dak
op \'t huis is. Maar gelukkig zie ik den jongeling zich aanstonds
weer verwijderen, terwijl hij beleefd zijn pet afneemt met een
bescheiden groet aan „meneer Van Bierg," die hem tamelijk uit
de hoogte een „gooden dag" naroept.
„Kent u dien man ?" vroeg toen de andere heer.
„Een knecht van mijn zwager," luidt de inlichting.
„Wat doet hij voor den kost ?"
„Werken natuurlijk."
„Nu ja. Past hij niet op, dat u zoo minachtend van hem
spreekt ?"
-ocr page 135-
115
«Oppassen, hij? Kr gaat geen dag om, of hij drinkt jenever !"
„En ....?"
„Wel ?"
„Is dat alles; of maakt hij ook schidden ?" vervolgt de on-
dervrager met een lachje.
Daarop wordt de ander ongeduldig en herneemt, luider dan
een Hagenaar op de publieke straat anders oorbaar acht: „zou
zoo\'n vent nog schulden moeten maken ?"
„Zeker niet; maar hij is jong en kan almeê een potje bre-
ken."
„En een ander oplichten ? Doch hij zal zijn kans daarvoor
nooit schoon zien. Iedereen is toch wijs genoeg, om zulke lui
geen crediet te geven.
„Ofschoon het suum cuique juist onder het z.g.n. volk het
meest tot zijn recht komt."
„Neen ; ik verzeker u, dat hij ten minste beneden het peil
staat der maatschappelijke moraliteit."
„Omdat hij dagelijks zijn borreltje drinkt en misschien een
vroolijke snuiter is ?"
„Dat past hem niet."
„Maar dat is zijn levensgenot."
„U geeft daar eene concessie aan den derden of vierden
stand, die ge\\ \'arlijk is. Voor lieden van zijn allooi, moet bo-
ven het levensgenot gelden de levens-wet, en deze schrijft
werken voor en werken alleen, geen genot."
De andere mijnheer deed toen op eens een schaterlach hooren
on zeide in korte tempo\'s van die zenuw-aandoening: „het
schijnt, dat u op uwe beurt een zeer conservatieve opvatting
heeft van eene wet des levens. Met die redeneering gaan, of
liever vliegen we terug naar het slavon-tijdvak. Wanneer een
oppassend werkman zich gedraagt en het leven geniet als braaf
en fatsoenlijk menscli. .. ."
„Och kom, hij is geen fatsoenlijk mensch !"
„Maar bedenk, dat men zich deerlijk vergissen kan."
9*
-ocr page 136-
116
wZeker; maar niet omtrent het volk, dat geen begrip van
fatsoen heeft."
wMaar hetgeen u vergoelijkt in dat jongemensch van zooeven,
kan u toch in dezen jongen man ...."
z/Bij hem...."
wLaat mij nu asjeblieft eens uitspreken. De genietingen des
levens, die u den een toestaat, mag u den ander toch niet
onthouden, in alle geval niet afkeuren, dat deze er op be-
scheidenc wijze gebruik van maakt, overeenkomstig zijn stand
en ontwikkeling. En mocht op beiden nopens dat punt wat
aan te merken zijn, dan nog was deze meer te verontschuldigen
dan gene, als men do jaren in verband brengt met de omge-
ving en de gelegenheden, welke voor den een toch heel wat
verleidelijker zijn dan voor den ander."
«Bij zoo iemand is geen smaken van genot denkbaar. Slechts
onbeschaamdheid en hartstocht zijn dan ook de factoren, die
denzulke aanzetten, om deel te verkrijgen in de genietingen,
die de levenswet der menschheid ons heeft voorbehouden, maar
hém onverbiddelijk ontzegt. En het is onzerzijds geen egoïsme,
maar zuivere humaniteit, als wij de profanen terugwijzen op
den weg van het levensgenot, waar alleen wij ons vrijelijk
kunnen bewegen tot hoogere volmaking."
ffDan heb ik zeker mis-gezien," zei de ander met een spot-
lach, doch blijkbaar verlangend, om een einde te maken aan
dit zonderling dispuut op de stoep van een kunstmagazijn.
«Mis-gezien, dat zou ik ook denken," besloot de heer, dien
ik Van Uierg had hooren noemen; en triumfantelijk reikte
hij zijn tegenstander ridderlijk twee vingers toe, waarna de
heeren mot eenige raadselachtige mines van elkander afscheid
namen.
Di had mijn vriend verschooning te vragen voor de slechte
vervulling mijnor plichten als cicerone in de Residentie. Want,
terwijl ik nog quasi aandachtig en met het air van een kenner
-ocr page 137-
117
voor hot kunstmagazijn stond, liep Frans minstens tien huizen
verder .... naar de lucht te kijken.
„O, neem me niet kwalijk, ik zou je heelemaal in den steek
laten."
„Neen, ik merkte wel, dat-de-gij er schik af hadt, hoe die
kaerels aan \'t stemmen 1) waren."
„Prachtig! vondt je niet? Een curiosum, als toegift op al
het moois, dat je in Holland gehoord en gezien hebt."
„Krek, dat zeg-de wel. Maar ge zoudt ze toch om deooren
slaon, dien eene vooral. Den dieë moesten ze een plaotske
geven in de enquête-commissie. Dan zoude-ge om de wil 2)
vóór-komen."
„Allons, nu gaan we recht op \'t paleis aan, daar een kijkje
nemen, en dan naar eene restauratie in dezelfde straat."
„Ja" hernam mijn vriend weifelend, „zie-de, ik zou \'t gaer 3)
willen zien, maor .... "
„Wat maar?" vroeg ik, aan den mijnheer op de stoep den-
kend, die deze expressie zeker 25 maal in de 7 of 8 minuten bezigde.
„Mengen we het wel zien?" vervolgde Frans, mijn vraag met
een vraag beantwoordend.
„Welzeker," zei ik, „als de Koning niet in de Residentie
is, mag het publiek zijn paleis bezichtigen; dat is altijd zoo
geweest."
„Gij begrijpt mij niet. Ik bedoel, of daor temet geen beelden
of schilderijen zijn, .... die .... ?"
„O, nu vat ik je! — Och, ik voor mij, vond er niets stootcnds,
beide keeren, dat ik het gezien heb," meende ik Frans te mogen
getuigen. Maar in gedachte de heerlijke zalen, vooral de weel-
derige balzaal vluchtig doorloopend en dan mijn vriend in de
open, kinderlijke oogen schouwend, was het mij, of ik een
1)  „Stemmen" d i. druk met elkander spreken, disputeeren.
2)  „Om de wil" = voor de pret, uit aardigheid,
8) „Gaer" d i. gaarne,
-ocr page 138-
118
Mephistopheles-rol jegens hem vervullen ging. En.... ik
breng je er niet heen, was mijn besluit.
„Nu," zei ik, „als je. er toch niet veel om geeft, kunnen we
dit nummer van het program schrappen, en onzen tijd toch aan-
genaam doorbrengen."
„Dat is veel beter, wonne?" —
En toen om 3.17 \'s nam. de trein naar Rotterdam te ver-
trokken stond, drukte Erans mij de hand ten laatst vaarwel met
Ie bemerking: „mocht ik dit uitstapje naar jullie land ooit
vergeten, zeker niet het curiosum als toegift."
\'t Ging mij precies zóó.
-ocr page 139-
Tn \'t Rijksmuseum.
Van uitstapjes gesproken: te Amsterdam smaak ik steeds het
hoogst genoegen, wanneer ik eenige uren mag doorbrengen in
Necrlands kunstpaleis bij uitnemendheid. Zoo\'n kostelijken mor-
gen had ik daar \'t vorig jaar doorleefd, in \'t gezelschap van
een kundigen vriend, die zoo juist oordeelde, dat we voor éénen
ochtend onze aanschouwing moesten bepalen tot slechts enkele
doeken en prenten en beelden, die hij, met een catalogus gewa-
pend, mij achtereenvolgens geestdriftig aanwees, terwijl we ook
\'t gebouw zelf niet onopgemerkt doordraaiden. Zelfs had ik het
meestal kwalijk begrepen pleizier in sommige aesthetische opvat-
tingen met mijn vriend te verschillen, waardoor het genot van
ons schouwend en sprekend samenzijn nog aanmerkelijk ver-
hoogd werd. Duidelijk dus, dat ik bij mijn plan bleef, be-
paald naar \'t Museum te gaan, en begrijpelijk, dat mijn
neef Willem vruchteloos mij voorstelde, «nou ik voor een daggie
in stad was," \'s morgens met hem in Artis te wandelen, om
vervolgens een kijkje te nemen in \'t Panopticum, en na den
eten te varen, met het bootje naar \'t Tolhuis, \'s Avonds
konden we dan en familie naar Mille-Colonnes gaan, en einde-
lijk, beware mij! tegen middernacht een pannekoek eten bij
Kras. Neen, vandaag eens niet naar Artis, niet naar \'t Pa-
nopticum.
Wat de avond geven zou, konden we afwachten,
en in den namiddag wilde ik met Willem wel een watertochtje
ondernemen, mits hij eerst mijn zin gedaan had. Als logé
inoende ik daar recht op te hebben,
-ocr page 140-
120
Nu, Willem had het dan ook aangenomen, hij zou mij ver-
gezellen. Zoo was hij dus op een prachtigen Juni-morgen
reeds om 10 uur, \'t geen heel wat zeggen wilde, kant en
klaar, om met mij een bezoek te brengen aan het Bijksmnseum,
Cuypers meesterstuk, den kostbaarsten steen van de keizerskroon
der Amstelstad.
\'t Was maar een eindje, had men t\'huis gezegd. //Een kuiertje
loopen en dan nemen jullie de tram met een overstappio, daar
of daar tot aan de P. C, dan bennen jullie der zoo." \'t Viel
mij echter bitter tegen, en ik weet niet, wat mij meer verdroot,
de lange wandeling, of het in- en uit— en weer instappen en
opeengepakt zitten, als we trammen moesten. Ondertusschen
begon het ook vrij warm te worden, zoodat ik blijde was ein-
delijk den voet te zetten in den luchtigen voorhof van de
hooggewelfde kunsthalle.
u\'t Is hier lekker," zei mijn neef, en aldra liad hij zich neer-
gevleid op de groen trijpen rnstbank in de z.g.n. binnenplaats,
waar men zoo\'n heerlijken aanblik heeft op de rijke arcade der
Maastrichtsche St. Servaas, op het zeventiende-eeuwsche orgel
met zijn fraai beeldhouwwerk en beschilderde deuren, op het
praalgraf van Engelbert van Nassau, de Dordtsche en Bols-
wardsche koorbanken, het koorhek van Enkhuizen, op den pitto-
resken gevel van het Haagsche raadhuis, ja, op wat niet al,
welks schoon reeds bij de intrede te bewonderen valt.
«\'t Is hier lekker," herhaalde Willem en noodde mij nevens
hem plaats te nemen.
«Ja," zuchtte ik, «dat merk ik ook. Verleden jaar viel me
dit minder op, doordat ik met een brommertje hier kwam, en
dus geen behoefte had aan dit zitje. Des te beter kon ik toen
echter genieten."
«Kijk, daar heb je Markensche lui," keuvelde Willem voort,
acht gevende, zoo min op mijne verzuchting, als op «de steenen
dingen," die hem omgaven. ffWat aardige kleeding hé, en wat
kijken die kaerels leuk. Om wat te zien, moet je toch in stad
wezen."
-ocr page 141-
121
Daarvoor was ik dan ook „over"; derhalve: «kom, Willem,
laten we nu regelrecht naar de eerezaal gaan, want daarbij
voornamelijk zullen we ons moeten bepalen."
«Al klaar," riep hij en sprong overeind. En voortwandelend
sloot hij zich wat nauwer bij mij aan, daar al meer en meer
publiek zich vertoonde en het dus wel wat onhuiselijk was voor
\'t gesprek, dat hij reeds met mij zou gevoerd hebben, ware de
gelegenheid daartoe vroeger hem geboden. «Zeg eens," begon
hij, «dat heb ik je al een paar keeren willen vragen : vindt
je Margot geen lieve meid ?"
«Jawel," antwoordde ik droogjes, geen verband vindend
tusschen de gracelijk met beelden en attributen versierde trappen
en portalen, die wij op- en doorgingen, en de verloofde van
mijn neef. En ik herbaalde : «jawel, een lief meisje. Ik heb
je immers mijn compliment over je keuze al gemaakt. — O,
zie eens: prachtig, niet waar, de entree van deze zaal, met
recht de eerezaal! Wat fijne smaak! Wat een kunst!
Wat glorieert Hembrandt daar aan \'t einde van deze galerij !"
«Nou ja" zei Willem kalmpjes en een toontje lager dan
ik ; «je maaktet mij je compliment, toen zij er bij was, toen ik
Margot aan jo voorstelde."
«Je denkt dus, dat ik er niets van meende," veronderstelde ik.
«Neen ; maar onder-ons spreken we toch vrijer uit," zei mijn
neef. En telkens om zich heenziende, of iemand hem soms
beluisterde, geraakt de jonkman nu eerst goed op gang met
zijne zangen in proza op het meisje, dat Margot heet en
niet Grietje, daar de Hollandsche naam zoo leelijk klinkt,
— terwijl zij zoo mooi is, en zoo lief, en zoo verstandig, en
zoo huishoudelijk, en van zoo goede familie, en zoo bemiddeld;
het meisje, dat Willem sinds twee maanden de zijne mocht
noemen, om haar nog in dezen zomer of uiterlijk in den a.s.
Herfst.... «als ik die zaak, weet je.... en als haar mama, zie
je ... . en als mijn ouwe heer, vat je .... en als .... "
«Hé," viel ik hem in de rede, standhoudend voor het
borstbeeld van hem, die van Vondel zong en van den Paus,
-ocr page 142-
122
van Napoleon en de Pers, van St. Elisabeth en Aya Sophia___
whé, is dit nu het borstbeeld van Dr. Schaepman !"
;z\'t Staat er onder, zooals je ziet," hernam Willem, en hij
keek minstens zoo //leuk," als daar straks de Markensche
boertjes. //Vindt je \'t niet mooi?"
wWat zal ik zeggen, \'t is werk van de beroemde Stracké\'s,
dus hoed-af, meneer! Ik geloof echter, dat Schaepman nooit
waar in beeld te brengen is, tenzij men den Doctor treffe, als
hij op de tribune staat, in \'t vuur zijner improvisatie zijn ge-
hoor medesleepend, of wel in discours u voor zijne overtuiging
winnend. En zou een beeldhouwer zóó gelukkig wezen, hij be-
hoefde dan ook de draperie daar om schouder en borst niet aan
te brengen, en zeker in geen honderd jaar den naam op het
voetstuk te beitelen, wijl iedere Nederlander aanstonds zeggen
zou: dat is \'t beeld van Schaepman."
z/Ik wist niet, dat jij daar verstand van had," klonk Willems
nuchter wederwoord op een toon van onverholen twijfel. «Ik
heb het anders erg hooren roemen," verzekerde hij met bizon-
deren nadruk op dat zoo vaak misbruikte erg; /;en dat het een
mooie kop is, weet ik van menschen, die er ook verstand van
hebben. Ik voor mij vind, dat het precies lijkt. Maar, laat ik
je eens zeggen: weet je wiè mooi getroffen is? Margot; prachtig!"
z/Heb je van haar ook een borstbeeld ?" vroeg ik mijn neef
toen, misschien wel wat gemelijk.
z/Welneen, ik bedoel natuurlijk een portret, kooldnik in ka-
binetformaat, magnifiquc ! —"
Zwijgend bleef ik staan, nog altijd in beschouwing van de
besproken statue, terwijl Willem voortkeuvelde over \'t portret
van zijn meisje; totdat ik eensklaps zei: Hja, zie je, \'t lijkt
wel, zelfs een beetje méér dan eenigszins, maar . .. . "
«Neen," viel Willem mij in de rede, «wacht, daar schiet mij
iets te binnen, dat je eens zien moet. Laten we deze zaal
uitloopen, dan zal ik je ginds brengen . . . . " en ondertusschcn
trok hij mij zonder complimenten bij de mouw, waartegen ik
echter beleefdelijk protesteerde.
-ocr page 143-
123
,/Dank je wel; ik wou alleen deze zaal op mijn gemak
bezichtigen, en hier is heel wat! \'t Overige zie ik een vol-
genden keer, naar ik hoop."
«Ach, je wil ook nooit eens geraden wezen," herneemt mijn
geleider teleurgesteld, om schier smeekend te vervolgen: „laten
we van hier wechgaan en dan naar de.... Regentenkamer ....
neen, wacht, nou rappeleer ik me, we moeten in \'t prentenka-
binet wezen. Daar zal ik je eens wat laten kijken !"
„Allons dan," stemde ik toe. En meer uit beleefdheid dan
uit vertrouwen in zijn smaak, volgde ik mijn cicerone naar de
drie zalen, waar een schat van merkwaardige prenten en por-
tretten in beweegbare omlijstingen zoo practisch zijn tentoonge-
steld. „Zie eens, Willem, hoe fraai is hier de zoldering be-
schilderd met de namen der Hollandsche graveurs, die eenmaal
meer in getal en aanzien waren, dan die van heel Europa te
zamen!"
„Neen," zei mijn neef, die daarvoor geen oogen had en recht
op zijn doel scheen af te gaan, kijk eens hier, Ferdinand, wacht,
een, twee, neen verder, daar heb je \'t. Wat zeg je nou van
dit portret, jij hebt er verstand van!"
Zoo trapte hij me op mijn likdoorn en ik meesmuilde: „laat
dat er nu maar af, dat heb ik niet beweerd. Maar, inderdaad,
een mooi meisjeskopje."
„Nou, en zie je er niet méér aan?" vroeg Willem, wiens
geestdrift eensklaps weer een tikje van teleurstelling kreeg.
„Méér, hoe bedoel je dat? Is \'t misschien een ets van een
ouden Meester, dat je weet ?"
„Och, dat kan me niet schelen! Maar zie je dan niet op wie
dat lieve bekje, dat engelenkopje gelijkt. ... ? Niet.... ? Nou
dan zal ik \'t je zeggon: sprekend Margot! Zie je \'t nou nog
niét....?"
Ik moest eerlijk bekennen, dat ik het nog niet zag, waarop
de galant van Margot met een tamelijk lang gezicht op zijn
horloge keek en mij voorstelde, ons twaalf-uurtje te gaan ge-
bruiken aan een der buffetten van \'t Museum, of, nog beter, in
-ocr page 144-
124
een gerenommeerd Café in de Vondelstraat, „hier vlak bij."
In vredes naam: tot het laatste deed ik Willem besluiten.
Want hoewel hij edelmoedig genoeg de keuze aan mij liet, zoo
ik soms nog wat blijven wilde, toch zag ik duidelijk, dat hij
u\'t land er aan had," nog een oogenblik langer hier te toeven.
En aan kunstgenot.... er was immers geen denken aan! Twee
volle uren had ik reeds in deze heerlijkheid rond geslenterd
en gedraafd, en wat had ik gezien, dank het gezelschap van
Willem ? —
Toch is mijn neef geen „onaangenaam mensch." Integendeel;
on ongetwijfeld was hij meer opgescheept met mij, dan ik met
hem. Toen wij tegen een uur de poort van \'t Kijksmuseum
waren uitgestapt en in de schilderachtige Vondelstraat, waar
letterlijk alles met lieven en leven schitterde en danste in de
blijde Junizon, den inwendigen mensch versterkten aan het aar-
dige en weivoorziene tafeltje van een Restaurant, toen, zeg ik,
beklaagde ik mij Willems gezelschap in lang niet. Ja, wanneer
ik nog eens recht pret wil hebben, ga ik op een zomer-
achtermiddag met mijn Amsterdamschen neef en eenige zijner
kennissen, dames en heeren, naar \'t Tolhuis, varen met het
bootje, zooals op dien namiddag; — wanneer ik mij nog eens
kostelijk amuseeren wil, dan ga ik met Willem en zijne
familie \'s avonds om 10 uur naar Mille Colonnes en tegen mid-
dernacht pannekoek eten bij Kras, zooals op dien avond. Doch
naar \'t Rijksmuseum .... voortaan alléén, hoor, liefst alléén!
-ocr page 145-
•
AATJE TlETERSEN.
\'t Is een heele slag voor de vrouw, daar achter te blijven
met zes kinderen en zóó\'n zaak.
Na wat gesukkel en gedoktor stierf de metselaar Dimmers
geheel onverwachts op 39 jarigen leeftijd, zijne weduwe met
vier jongens en twee meisjes achterlatend. Piet is ter nauwer*
nood 14 jaren en Truitje ligt nog in de wieg, \'t arme schaap !
Er is geen broodsgebrek, \'t is waar. Van knecht heeft T)im-
mers het in zijn tijd tot baas weten te brengen, en verleden
zomer had hij 6 of 8 man aan \'t werk. Bovendien heeft
moeder de vrouw eene aardig beklante nering in garen en band.
Maar om die beide zaken aan te houden, opdat er geen gebrek
komen mocht, vooral ook om die zes kinderen fatsoenlijk groot
te brengen, zie, dat is een zware taak voor eene vrouw alléén.
Of zij die wel aanvaarden kan ? Wie zal het zeggen! Alle
raad is geen baat.
Maar juffrouw Dimmers heeft eene zuster, de huishoudster
van den Pastoor van Negenhuizen, niet ver uit de buurt. Haar
zal zij eens gaan spreken en om raad vragen. Want heet de
metselaarsweduwe een wakker vrouwtje, heur zuster Kaatje is
méér bij de hand; ja deze mag, wat kennis van menschen
en zaken betreft, diensvolgens, wat levenswijsheid en ervaring
aanbelangt, de meest ontwikkelde bloem heoten van allen,
-ocr page 146-
126
die, als dienende liefde, vriendelijk on bescheiden in con pastorie
bloeien.
Hoewel de vijftig reeds genaderd, zou men Kaatje Pietersen
hoogstens veertig jaren toekennen, in weerwil van dat kleurloos
gelaat, waaraan hare doordringende blauw-grijze oogen, haar
scherp-geteekende neus en hoekige mond zoo\'n ernst bijzetten,
door geen glimlach zelfs getemperd, dan bij zekere beweging
met de hand, als zij gasten uitlaat, of goede parochianen, die
mijnheer Pastoor bij zich ontving na een Requiem of eene
trouwplechtigheid. De Hollandsche cornet heeft zij eerst een
jaar of zes geleden verwisseld voor een stemmig, maar toch zeer
netjes-opgemaakt zwart tulen mutsje, hetgeen dan ook beter
past bij de degelijk gouden sieraden en de burger-ju(frouw-
kleedij, waarin hare juist-middelmatige en tamelijk gezette ge-
stalte op het voordeeligst uitkomt. Is er nu al eens iemand,
die spottend beweert, dat te Negenhuizon, niot de eerwaarde
heer Van Raderen, maar Kaatje Pietersen pastoor is; — denkt
een ander den lieden al eens te kunnen wijsmaken, dat Kaatje
invloed heeft op de verplaatsing van Negenhuizens\' eerwaarde
heeren kapelaans; — ja durfde een derde zelfs zóó ver gaan,
met het jongste St. Nikolaasfeest een mijter in een pakje te
adresseeren aan «Wel Hem. K. Pietersen, te Negenhuizen" —
de onergdenkende trekt zich niets van dat alles aan, en zij is
en blijft de voorbeeldeloos trouwe dienstbode van haren mees-
ter, draagt den arme en ongelukkige een goed hart toe, en
voor iedereen, tegen wien zij niet is ingenomen, zou datzelfde
Kaatje door een vuur loopen, om hem to helpen.
Want van alle markten thuis, heeft zij voor allen goeden
raad, en toch is zij bescheiden genoeg, nooit op zich zelve
alleen te steunen. Zoo heeft Kaatje, om raad gevraagd, of,
wat ook wel gebeurd, als zij dien bij voorbaat aanbiedt, steeds
de woorden klaar : «Pastoor en ik vinden dat zóó het beste,"
of wel: «Pastoor en ik zullen daar wel oen mouw aan passen."
Ja in de geringste zaken, waarin het op eene beslissing aan-
komt, ligt het «Pastoor en ik" haar als in den mond bestor-
-ocr page 147-
127
ven. Geen wonder dus, dat juffrouw Dimmers, vóór iederen
raadgever, hare zuster als zoodanig verkiest. En Kaatje laat
zich geen tweemaal bidden, terwijl zij, bij de beantwoording
der vraag: wat der weduwe nu te doen staat, eene van hare
nog niet vermelde hoedanigheden aan den dag legt. Zij heeft
n.1. de loffelijke gewoonte, om eene raadgeving door aanhalin-
gen uit hare eigene rijke levenservaring toe te lichten; welke
uitweiding, gekruid door menige practische vingerwijzing of
pikante opmerking, zoo niet voor het onderhavige geval, dan
toch zeker in andere voorkomende omstandigheden behartigens-
waard, niet weinig kracht aan hare redeneering bijzet. En \'t
loont steeds de moeite op te merken, hoe zij toch altijd volko-
men juist op het eigenlijk te behandelen onderwerp weet terug
te komen.
„Hoor eens Eika," zoo begint zij dan, zoodra de weduwe
hare bezwaren uiteengezet heeft, „hoor eens, het beste beentje
voor. Pastoor en ik zullen je met raad en daad bijstaan. Dit
ten eerste: geen oude schoenen wechgooien voor je nieuwe hebt.
De metselaarsboel houdt je aan, en den garen- en bandwinkel
zet je toch niet op zij."
„Maar, Ka, ik de metselaarszaak aanhouden? Ik kan toch
de knechts niet naloopen?" werpt juffrouw Dimmers tegen.
„Welneen, Rika, dat kan je ook niet, en daarom zal je een
meesterknecht moeten aanstellen," decideert Kaatje.
„En anders zeg je altijd, dat vreemde bazen meer overstuur
maken, dan ze terecht brengen," meent de cliënte.
„O, dat zeg ik hondennaal tegen Pastoor," verklaart de
ondervindingrijke. „En toch kan je niet zonder hulp, zoo min
als ik. Daar heb je, om maar eens wat te noemen, het schoon-
maken van de kerk. Ik sta er op. dat Gods huis ten minste
om de twee jaar een goede beurt krijgt, dus dan moet er gewit
worden. Want, zooals je weet, is het hier nog alles witjes. Ik
ben er nog in het geheel niet voor, de muren te laten beschil-
deren, of zooals ze die tierelantijntjes dan noemen. Toen ik er
de lucht van kreeg, dat Pastoor er mee beginnen wou, heb ik
-ocr page 148-
128
het hem netjes uit zijn hoofd gepraat. Ik zeg toch maar op
mijn beurt, dat geschilder is nooit zoo zindelijk als witten. Dat
is zulke hecren wel moeilijk aan hut verstand te brengen, maar
ik heb het toch gewonnen. Enfin, met den grooten schoonmaak
moet er dus gewit worden, een heele geschiedenis, want dan
krijg ik er de godganschelijke week vijf over den vloer, kaerels
van wat ben je me! Maar, Eika, wil je wel gelooven, dat ik
het met drie flinke werkvrouwen beter zou doen in de helft van
den tijd? Dat gaat op hun dooie gemak de ladder op, en met
de witkwast: la, la, kom ik er vandaag niet, dan kom ik er
morgen. O, meid, ik zou hen wel van de leer kunnen aftrek-
ken ! Ja, en dan wou Pastoor nog wel, dat zij met-een in do
pastorie zouden witten. Maar ik zeg: het gebeurt niet! Och
heer, je moest eens zien, wat een strepen en moeten er voor
den dag komen, als ze eindelijk en ten laatste klaar bennen!
Neen, ik wil niet eens hebben, dat zij \'t in de saeristei doen. Maar
in de kerk, ja, ik moet het wel toelaten; een inensch heeft maar
één lichaam! Ik heb mijn keuken, de kamers en \'t heele huis
knap te houden, daar kan ik ook geen ander aanzetten. En
dan heb ik die satansche bel na te loopen. O, die bel! Daar-
voor alleen zou ik wel een meid op na kunnen houden, als \'t
niet beter waar, dat ik \'t zelf doe. Deed ik het niet, lieve
hemel, we hadden geen rust of duur. Wien tegen don eten
komt, om Pastoor of Kapelaan te spreken, geef ik behoorlijk
niet t\'huis, dat begrijp je; anders kon ik alle middagen zitten
wachten uit en ter na. Ik zeg het zoo dikwijls tegen de heeren:
maakt u een kniertje voor etenstijd, dat \'s gezond. Maar, zooals
die menschen dan zijn: nu zitten ze nog te studeeren, of te schrij-
ven, dan hebben zij de krant nog niet uitgelezen, of hun pijp niet
uitgerookt. Enfin, zij moeten het natuurlijk zelf weten, zij
zijn oud en wijs genoeg van hun eigen, en bovenste heeren, de
Pastoor ken je, en met den nieuwen Kapelaan hebben we \'t
nou ook nog al ordentelijk getroffen. Maar dit is zeker, dat ik
een uur vóór tafel niemand binnenlaat. — En dan, door den
dag, ieder oogenblik gaat die bel. Laat ik Mietje opendoen,
-ocr page 149-
129
dan krijg ik allerlei slag van volk in huis. Want tegenwoor-
dig is \'t niet alleen voor paroohiezaken en voor de zieken en
arme menschen, als er gebeld wordt; neen, ik krijg reizigers
aan de deur, zoo goed als jij in je bandnering. Commissionairs
in kerkegoed, in waskaarsen en wierook, in sigaren en wijnen
en weet ik in wat al meer! Dan komen er fijnbleekers, boek-
verkoopers, menschen met inteekenlijsten, en zoo gaat het den
heelen dag toesoers door, \'t staat geen oogenblikkie stil. En
dan krijgen we weer eens een gast voor de variatie, en dik-
wijls meer dan één. Jawel, dan denken zo: kom vandaag
eens naar Negenhuizen; Kaatje kookt lekker en heeroom is gul.
Maar ik maak het mij er toch niet moeilijk mee, hoor. Als
Pastoor het niet uitdrukkelijk anders verordeneert, dan schep
ik op, gasten of geen, precies, alsof ik mijn hoeren alleen te
bedienen had: een burgerpot, en daarmee uit.
Dus, Eika, ik wil maar zeggen : zoo min als ik, bij al mijn
werk, zelf de kerk kan witten, net zoo min kan jij, bij den
garen- en bandwinkel, den metselaarsboel naloopen."
„Zou ik dan een advertentie in de krant laten zetten ?" vraagt
juffrouw Dimmers.
„Een advertentie? Op wat manier?" luidt Kaatjes wedervraag
met verwondering.
„Wel, bijvoorbeeld : eene weduwe zoekt een fatsoenlijk mensch,
om als meesterknecht in hare metselaarszaak werkzaam te zijn,"
concipieert de juffrouw met argeloozen eenvoud.
„Zeg eens, raak je er een kwijt?" vraagt hare zustor daarop,
terwijl zij met deri wijsvinger een figuurtje op haar voorhoofd
maakt. „Dan zou er al gauw gezegd worden: een aardige
advertentie, met andere woorden: dat weeuwtje wil een man
hebben! Nou, begin er maar niet om te schreien, ik weet het
wel beter. Daarbij zou dat toch zoo vlot niet gaan; als je
zoowel een kruisje minder achter je rug en geen zes lappen op
je mouw hadt, zou het nog te bezien staan."
„Och, Ka, je kan toch ook altijd zoo raar uit den hoek
10
-ocr page 150-
130
komen," zegt de weduwe, in \'t geheel niet gediend van zulke
scherts. „Je weet wel.... dat ik .... Piet. ..."
/;Ja, ja, ik weet het best," herneemt Kaatje; wje waart gek
met je Piet, en die malligheid meen ik ook niet. Dat rijmt.
Maar de menschen zouden het toch al heer gauw denken, en
zeggen óók. En al hebben we ons niet aan de praatjes van de
menschen te storen, je inoet toch voorzichtig wezen. Vooral in
jou positie, zou je met zoo\'n advertentie je eigen glazen in-
gooien."
ffMaar wat dan?" vraagt Rika, die positieven raad van hare
zuster verlangt.
«Wel, Rika, heeft rooie Kees al geen jaar of vijf bij jelui
gewerkt?" informeert Kaatje nu in vollen ernst.
wMet Mei is hij acht jaren bij ons," luidt de inlichting.
z/Wel kijk \'reis aan! Hij lijkt me een geschikte kaerel, die
de klanten en den heelen boel kent. Als je hem zooveel als
meesterknecht maakt en navenant iets meer geeft, zal \'t met
Kees best gaan. Hij drinkt immers niet?"
z/Neen, gunst neen! Je weet wel, dan had mijn man-zaliger
hem niet zoo lang gehouden; en hij mocht den rooie graag."
//Des te beter, dat doe je dan maar zoo," reseleveert Kaatje.
«Ja maar, dan zal ik \'t met de andere knechts niet kunnen
schipperen; want, denk je, dat zij onder Kees willen staan?"
brengt de weduwe in het midden.
z/Als zij dat niet verkiezen te doen, dan geef je hun den
bons, doodeenvoudig. Daar zou ik me geen oogenblik over
bedenken. Want in alle geval, Rika, jij moet baas blijven en
dat toonen óók, versta je. Toch zal hot met nieuwe knechts
onder Kees beter gaan, dan met een nieuwen meesterknecht over
de ouden."
//.Ja, \'t is te probeeren; doch dan zit ik nog met het toezicht
over den boel, wat inkoop van kalk en steenen aanbelangt, en
verder met het boekhouden?"
//Ho, ho, ik ben nog niet uitgepraat," hervat Kaatje. wOver
\'tgeen het boekhouden betreft, zal ik eens praten met meneer
-ocr page 151-
131
Pastoor, die is daar in t\'huis zoo goed als de beste; rooie Kees
kan inkoopen, onder jou toezicht. En dan is mijn raad nog
maar provisioneel. Als je doet, zooals ik je gezegd heb, kunnen
we de kat eens uit den boom kijken; en zou \'t dan na een
jaar uitkomen, dat er geen zij bij gesponnen wordt, dan kunnen
we nog iets anders besluiten. Pastoor en ik zullen er dan nog
wel een andere mouw aan passen."
wEn als ik dan Piet eens van school nam en bij de knechts
alvast in de leer deed?" meent de weduwe hare raadgeefster
nog te moeten vragen.
„O, Eika, doe dat nooit," zegt Kaatje beslist. «Meid, begrijp
je dan niet, dat zoo\'n jongen weinig of niets leeren zou; en
toch, eer \'t twee jaar verder was, zich zou inbeelden, het brood
voor zijn moeder te verdienen, ja nog erger, dat hij baas-ei-
gen was? Buitendien ben ik er toch niet voor, om zoo\'n
kind van 14 jaar den geheelen dag zonder toezicht met allerlei
slag van menschen te laten omgaan, \'t geen dan toch gebeuren
zou. Dat je hem van school neemt, vind ik goed: hij kan nou
lezen, schrijven en rekenen. En weet je wat: neem hem dan
bij je in den winkel, en laat hem \'s avonds bij den een of
anderen meester aparte les nemen in \'t boekhouden en een fat-
soenlijken brief leeren schrijven, wat hij niet leert, al liet je \'m
nog zes jaar op school gaan. Maar dan is \'t ook voldoonde.
Ze behoeven allemaal geen perfesters te worden! Zet den jon-
gen achter de toonbank, daar kan je \'m best gebruiken."
Ingevolge dien raad handelt juffrouw Dimmers en zij vaart
er best bij, tot hartelijke blijdschap van hare mensch- en zaak-
kundige zuster, Kaatje Pietersen.
10»
-ocr page 152-
EN LIEVE VISITE.
„Hier it \'l mensch all dal spreekt; dat \'s in een Heine plaets
Bij luttel (joeds veel quaeds."
[Inygent. Korenbloemen.
De bel gaat over. Hé, wie zou mij komen storen ?
O foei, ik meen zoowaar do schelle stem te hooren
Van freule Wïckestroo.... Ja waarlijk ! wat dit wijf
Nu hier te maken heeft.. . . ? \'t Is zeker, buiten kijf,
Dat zij mij minstens weer twee uren komt vervelen.
Toch dien ik haar beleefd mijn afkeer te verhelen,
Te doen, alsof ik haar .... doch stil, zij klopt, — entrez !
wMevrouwtje Van de Paal, vriendin, hoe vaart uwe ?"
«Uitmuntend, bien merci. Hoe gaat het u, mijn waarde ?"
wHet kan nog al met mij; de hoofdpijn toch bedaarde
Nu vóór een dag of wat." — „Kom, doe uw mantel af,
Neem plaats in dien fauteuil; \'t is altijd op een draf,
Als u visites maiikt. Mag ik iets presenteeren ?
We zijn zoo entre-nous, u moet u niet geneeren."
w\'k Ben wel geöbligeerd voor \'t allerliefst onthaal.
\'t Visitcboekje wees familie Van de Paal
Vandaag mij aan, charmant! Want goede en trouwe vrienden
Zijn juist niet alle dag, en dan nog schaars te vinden.
Ach soms voel ik behoefte aan een trouwhartig woord!
Want als men nadenkt, ja, bij alles wat inon hoort
Oplettend is, dan zou men heusch nog gaan gelooven,
-ocr page 153-
133
Dat liefde en goede trouw slechts enkel zijn hierboven!
U kent mijn overbuur, mejuffrouw Evenzet?
Welnu, die stuurde mij een boodschap om belet.
Wat moest ik doen? Ik zei met theetijd haar te wachten;
En \'k wou u \'t had gehoord, haar lastren, haar verachten
Van \'tgeen een ander doet, neen \'t is impertinent,
\'k Heb van mijn leven niet zoo\'n babbeltong gekend!
Ik vroeg naar den Bazar. Want, lieve, u moet dan weten,
Zij is ook aan \'t bestuur. Nu, langzaam, afgemeten,
Zooals zij doen kan, zei ze: «bost, die zaak is klaar,
En zal meer geven ook, meer dan verleden jaar.
O dezen morgen ...." ja, ze zei dit in vertrouwen
En vroeg nog serieus dit onder ons te houwen.
Enfin zij ging dan voort, vertelde wijd en breed
Van zeekre dame, — \'k meen zij Wijle of Wiele heet —
Waar ze op visite ging; daar stond de straatdeur open
En ze is toen als een dief de gang maar ingeslopen.
Wel had zij eerst gebeld, maar \'t was dan niet gehoord,
Doordat men luide sprak, en zij heeft woord voor woord
Beluisterd en verstaan ! Vindt u het niet afschuwelijk ?"
„Wat werd er dan bepraat? Was \'t over Anna\'s huwelijk,
Dat dra gesloten wordt, zooals men heeft gezeid ?
Of hadden zij een woord met de eene of de andre meid?
Want, freule, wie toch met die schepsels om kan springen
En dan zich zelve goed en altijd kan bedwingen,
Moet wel een engel zijn hier wandlend in het vleesch.
Als ik iets noodig heb, ach, freule, ik roep mij heesch!
Neen, schellen hoort men niet! Dat komt van haar gesnater;
Laatst riep ik driemaal: Mie, krijg ik haast koffie-water!
En- toen werd zij me boos, jawel, het heele huis
Stond overeind, o mensch, die meiden, \'t is een kruis!
Ja, zij zijn oorzaak van mijn erge zenuw-vlagen,
Wijl ik niet permitteer, dat zij daar halve dagen
Staan bablen met een bode of slager aan de deur.
Och, stonden wij niet streng op onzen point d\'honneur,
-ocr page 154-
134
Gedaan waar \'t voor altijd inet schijn zelfs van prestige.
Zij vatten averechts \'t aloud noblesse oblige;
Want met de kermis kreeg ik waarlijk ten bescheid:
„Vandaag ben ik mevrouw, speel jij nou eens voor meid!""
;zVerschriklijk! Ach, ik moet u in mijn ziel beklagen !
Wat durft zoo \'n meid toch veel! En u kon dat verdragen....?
Wat engel van geduld....!" „Och, freule Wickestroo,
Wat zal ik zeggen, zie, dit ligt nu eenmaal zoo
In mijn karakter. — Maar, om eens terug te komen
Op juffrouw Evenzet; wat had zij dan vernomen,
Toen zij te luistren stond?" „Wel, lieve, daar was twist!
Verbeeld u, tusschen dames, nog wel zusters! wist
U, dat de Wijles niet te best harmonieeren?"
„Ja, \'k hoorde \'t van mijn nicht, die gaat daar soms dineeren."
„Ei, ei, \'t is dan toch waar. Ter zake dan : zij vond,
Zooals ik zei, de deur wijd open en verstond
Een woord, voor den Bazar niet vleiend juist gesproken.
Nu, juffrouw Evenzet haar bloed begon te koken,
Dat kan u denken; toch is \'t een affreus gebrek,
Om overal relaas te geven van \'t gesprek:
„Doet u niet mede, Annet, ik wel. Niet om wat eere,
Want wat men d\' arme geeft, dat leent men aan den Heere,"
Zoo hoorde zij. „Kan u in barren wintertijd
Uw medebroeder zien, die koude en honger lijdt,
Ik niet. Ja \'k zal uit heel mijn zwakke krachten werken
Voor \'t doel van dien Bazar. De Hemel moog\' mij sterken!"
En daarop zeide Annet: „maar, Doortje, ik zie niet in,
Dat weldoen met de trom van ware menschenmin
Alleen bewijzen geeft. Ik houd mij aan den regel:
Een aalmoes in \'t geheim is \'t best. Al wordt u kregel,
Ik blijf bij mijn idee. Waarachtig, zoo\'n Bazar
Is slechts een tijdverdrijf voor dames, of een nar
Met bellen, die \'t publiek een poosje kan vermaken
Door de expositie van een duizend lutle zaken,
Die kostbren tijd en geld verslinden, \'t Batig slot
-ocr page 155-
135
lntusschen is gering. Heusch, Doortje, \'t is te zot
Om van te spreken. Toch, reeds maanden van te voren
Moest ge in den dameskrans en op visites hooren
Van ware broedermin, van weldoen en zoo meer!
Noemt u dit armenzorg nit liefde tot den Heer ?"
«Houd op, Annet, houd op!" riep Dora, «\'t wordt mij banger,
Indien gij meer nog zegt! Bezondig u niet langer
Met zóó te spreken over vrienden van uw God.
Voor de armen werken wij, wij trekken ons het lot
Des naasten aan. Zat ik geen weken reeds te breien ?...."
En juffrouw Evenzet heeft Door toon hooren schreien!" —
wWel foei, \'t is ongehoord ! Maar, freule Wickestroo,
Zou \'t dus wel zijn gebeurd ?" wJa zeker is het zoo!
Ik ken Annette best. Heeft u haar nooit zien zitten
In beurten van De Bruin ? Zij heeft altijd te vitten :
Nu tocht het in de kerk, dan is haar stoof te heet,
Dan zingt haar buurvrouw valsch, of de overbuur is breed,
Zoodat zij het gezicht des predikants moet missen;
Nu hindert haar het galmen, draaien of vergissen
Met d\' een of d\' andren tekst; dan is het sluitgebed
Te kort, en soms te lang; nu vindt zij \'t lang niet net,
Dat de een riekt naar odeurs, dan is \'t een lucht uit kroegen,
Die de ander bij zich heeft, enfin, nooit naar genoegen !
Men ergert zich aan haar, en immer spreekt zij kwaad.
O, lieve, als u eens wist, hoe innig ik dat haat!"
ffMaar gaan de Wijle\'s ook dan bij De Bruin ter kerke?"
«Annet ten minste veel; desniettemin, men merke
Wel op: zo is niet De Bruins, als \'t aankomt op de leer.
Haar overtuiging is daarvoor te vrij, te zeer
Gelijkend op de kletir der nieuwe Leidsche richting.\'
Zoo komt ze ook bij Verstern, een man, die wel met stichting
Kan worden aangehoord; maar Dominee Verstern
Kent u, zoo goed als ik, voor ultra, zeer modern."
„O, spreek mij daar niet van! Mij dunkt, dat de Synode
Zoo\'n leeraar schorsen moest, .\'t Is zeker om den broode,
-ocr page 156-
136
Dat hij nog langer Gods gemeente voorgaat. Ja,
Ik word nog meer gesticht in menige opera,
Dan in zijn preeken !" «Zoó, dat is dan als Van Lingen
Laatst op den kansel zei, wijl door muziek en zingen
De mensch wordt opgewekt, veredeld, en een preek
Hem dikwijls nederdrukt, ontstemt voor heel de woek.
Geen preeken zegt hij, kunst, muziek is levend water.... "
Van Lingen, och, ontleent zijn teksten aan Lavater!
Zijn Christus is Eousseau, Spinoza, Goethe en Kant!
Komt u daar ook, ma chère ? Is hij niet Remonstrant ?
Ik acht het zonde zich bij zijn gehoor te voegen !"
„Och lieve, ik doe dit meest, om Betsy te vernoegen,
Niet, dat ik word gesticht door zijn modern sermoen;
Maar \'t is gedistingeerd. En dan, voor elk seizoen
Zijn daar toiletjes, die wel waard zijn te imiteeren;
In zijn gehoor is veel voor ons toilet te leeren."
;,\'t Is waar, Van Lingen heeft altijd een chique kerk;
Maar in het breken toch is hij mij al te sterk!"
//Precies zooals ik meen, \'t is niet om op te bouwen,
Als twijfel exegeert. Daarom dan ook, vertrouwen
Doe ik den man geen zier, die zoo het Woord verkondt.
En menigmaal dacht ik: komt dat nu uit den mond
Van een godzalig man, of van een Godverzaker. . . ."
;/Fi donc, ma chère! Alweer dat woord, als van een baker,
Die \'t zeide, toen ik laatst op kraamvisite was.
Dat is geen christen taal, ten minste veel te kras!
Zie, dat het volk zoo spreekt, allons, \'t is te vergeven;
Maar wie gewoon is in beschaafden kring te leven,
Behoort, uit eerbied voor elks meening, niet zoo ruw
Zich uit te laten. Hoor, ik noem zoo \'n leeraar nu
Een predikant van wat geavanceerde richting,
Die meegaat met zijn tijd. En of ge al, zonder stichting,
Als Pantheïst, Deïst of Atheïst hem hoort,
Hij blijft toch in mijn oog een dienaar van het Woord,
Geen Godverzaker!" «Hé, maar, lieve, dat \'s verschillend
-ocr page 157-
137
Van uwe meening___ straks___" «Genoeg, zijn wij welwillend
In \'t oordeel over hem. Toegevendheid mag niet
Een ijdle phrnse zijn, vooral op dit gebied,
Terwijl de Bijbel zelf ons dringt te disputeeren."
„Doet u daaraan, mevrouw? Dat is alléón voor heeren,
Zegt Dominee De Bruin. De vrouw zij liever kloek
In \'t vinden van een baat in \'t kostbaar huishoudboek,
Dan in een Schrift-dispuut___" „Wel heb ik van mijn leven!
Is dan de Bijbel niet aan iedre vrouw gegeven
Zoo goed als aan den man? Waarom, waarom dan wordt
De zwakke door zóó \'n mensch in \'t heiligst recht verkort?
Wat denkt men wel van ons? We zijn geen Roomsche vrouwen,
Vol aaklig bijgeloof, die heel haar toekomst bouwen
Op \'t woord van haar pastoor! Neen, lieve, ik lees de Schrift,
Waaruit ik onvermoeid en zeer zorgvuldig zift,
Al wat mij tegenstaat, zoo houdt men slechts zijn rechten,
En, vrij, laat ik, een vrouw, door niemand mij verknechten!"
„Hoe schoon! Daar geeft u blijk van waren christenzin!
Hoe gaarne luisterde ik nog naar uw taal vriendin;
Maar \'t wordt nu heusch mijn tijd. Mag \'k u mijn mantel vragen?"
„Ach, wil u dan al gaan? Ik zie u in geen dagen
Weerom! Toe, blijf nog wat?" „Neen, lieve, ik moet nu heen;
U weet het, och, mevrouw, ik ben zoo slecht ter been,
En \'t is een heele rit.... ! Maar wat gaat u beginnen ?
LT vat nog zware kou ! Mevrouw, blijf u toch binnen."
„Neen, freule, de honneurs neem ik persoonlijk waar,
En, als ik voor zoo \'n lief bezoek wat moeite spaar,
Verspeel ik ook de kans, dat u \'t eens zal hervatten.
Voorzichtig, struikel niet, daar heb jo \'t al! Die matten
Legt Mietje nimmer glad. Och, niet zoo gracieus,
Ma chère, ik ben vereerd door uw visite, heusch
Met ongeduld zie \'k u terug." „En ik zou schromen,
Om, zóó door u gevierd, eens spoedig weer te komen.
Neon, neen, mevrouw, nu is do beurt aan U." „Ma chère,
Ach, excuseer mij toch, de weg is mij zoo ver!"
-ocr page 158-
138
«Toe, op een mooien dag!" «Ik durf er niet voor teekenen."
«Ach, laat mij toch op één visite van u rekenen ?"
«We zullen zien. Maar kind, wat is toch met een sjeu
Uw hoed gemaakt!" „Niet waar?" „Met smaak!" „Bonjour!"
[„Adieu !"
„Wat prachtig weer! Dit komt uitmuntend mij te stade."
„Ja heerlijk, freule, mooi! een lieve promenade!" —
De huisdeur valt in \'t slot en vrouwe Van de Paal
Zegt preevlend bij zich zelf: „foei, foei, is dat een taal
En conversatie-toon! Dio oude, kromme fekel
Haalt altijd iedereen zoo hartloos op den hekel,
En nooit er over, neen, ze is immer aan \'t begin,
De malle babbelkous, do lastertong, de spin ! —
Maar \'k moet eens even naar Eliza overwippen;
Die Wijle\'s-scène brandt mij waarlijk op de lippen.
Wat zal zij kijken, als ik dat met kleur vertel....!"
Nu schelt mevrouw de meid en geeft haar strikt bevel,
Dat, mocht die dame van zooeven wederkomen,
Zij dan in elk geval moot zeggen, zonder schromen,
Een leugentjen om best: „och, freule, u treft het slecht,
Mevrouw niet t\'huis! En, Mietje, onthoud het, dat je zegt:
Hoe jammer, o wat zal mevrouw dat vreeslijk spijten. —
Help nu me aan mijn toilet— Maar zorg je goed te kwijten
Van de opgedragen taak, om netjes en beleefd
Haar af te schepen___" „Wat," zoo klinkt het eensklaps, „geeft
Ge u daar nog moeite voor? O, slang, wat kan je huichelen,
Om mij, onnoozle vrouw, zoo fijntjes te beguichelen!
Ik kon van A tot Z uw valschheid hooren ! zie
Mijn en-tout-cas bleef staan, en ik kwam juist, toen Mie
Den last, een vischwijf waard, door u werd opgegeven ...."
Het stuk werd afgespeeld, en de indruk, bijgebleven,
Heeft lang nog zaad gestrooid van \'t kleurig gif-gebloemt\',
Dat Conversatie heet, bij dames hoog geroemd. —
-ocr page 159-
F
IGEN HAARD.
„Kick syn waerom".
Devies van Tesselschade.
Simpel over een paar schoenen, die bij den lapper Span ge-
bracht waren, had ik in den avond van den zooveelsten Januari
achttienhondevd en zooveel eene vrij heftige woordenwisseling
met Elsje, de dienstmaagd van onzen huize. De meid begreep
maar niet, hoe meneer daarvoor zoo\'n bokkepruik kon opzetten,
wijl meneer nog zulke kostelijke schoenen had om uit te gaan.
Waarop meneer zei, dat hij zijn stevige bottines hebben wou,
om \'swinters-\'savonds op straat te loopen, en dat hij al zoo
dikwijls gezegd had, niet dan pantoffels bij Span te doen lappen :
hij werkt slecht en laat altijd een veertien dagen wachten.
wHet ventje heit \'t zoo brood-noodig," bemiddelde Els;ma(ir
meneer riep, dat hij zijn schoenen nog wat méér noodig had.
Toen zei de goedhartige: „\'t is zonde!" en zij sloeg hare han-
den in-een; waarop de luchthartige weer bromde: wja zonde
van mijn mooie molières, om daarmee door de sneeuw te bag-
geren."
«Weet u waar Span woont?" vroeg zij toen; en ik: //hoe
dat?"
//O," ging Elsje voort, «ik wou anders zeggen .... "
«Ga ze zelf terughalen," viel ik haar schamper in do rede.
«Neen, terughalen niet," hernam zij bescheiden, «maar, ziet
-ocr page 160-
140
u, als u zelvers eens na \'m toe ging, dat zou zeker veel hei-
pen, dat zet altijd meer an, dan een boodschap, begrijp u. U
kent Span toch wel ?"....
Nu, dat was mij ook een vraag! Anders had ik al lang
mijn schoenen ongerepareerd laten terughalen. Maar juist omdat
ik hem kende,.... o, een wonder manneke, die schoenlapper
Span ! Me dunkt, zoo hij een el lang is, zeker meet hij geen
halven duim daarboven. De man is recht van lijf, doch niet
van leden, dewijl een bijna zuiver ovaal gevormd wordt door
zijne korte beentjes, die in groote, verwonderlijk platte voeten
eindigen. Daar ik zijn, althans in stoffelijken zin, flink ontwik-
keld hoofd nooit te aanschouwen kreeg, dan gedekt door een
vervaarlijke pet, die ten allen tijde op zijne uitstekende ooren
rustte, en waar-onder-uit een sierlijke haarkrul ter weerskanten
zijn schrale bakkebaardjes als ten haak verstrekte, zoo herin-
nerde ik mij van zijn gelaat echter niets, dan den wijden mond,
door eene ordentelijke pruim tabak geregeld scheef getrokken.
Dat ik zijne physionomie niet nauwkeuriger kende, had ik ei-
genlijk te wijten aan \'s mans overgroote beleefdheid. Want
altijd, wanneer ik het genoegen had hem te ontmoeten, bracht
hij oogenblikkelijk de breede hand aan zijn hoofddeksel, plooide
zijne dikke lippen tot een glimlach en bleef hij in die positie,
zoolang mijne oogen op hem gevestigd waren; zoodat ik van
zijn kijkers, neus en kin nooit een juist denkbeeld vormen
kon. En of zijn armen lang of kort, recht of krom waren, ver-
mocht ik al evenmin te weten, daar ik den man nooit zag, dan
bevracht met oude schoenen, die hij lapte, ten einde te voorzien
in de behoeften van zich en zijn gezin.
Zijn gezin; och ja, het bestond uit hem, Jan Span zelf, en
zijn eerzame wederhelft, Louise De Beekenaar, een vrouwtje, nog
aanmerkelijk kleiner dan haar man; maar die in haar tijd mooi
geweest moet zijn, zooals onze Els beweerde. Haar had ik
nooit gezien.
Het zeggen was, dat hij een borrel dronk en zij nog al van
een lekker beetje en stilleven hield. Maar Elsje verzekerde, dat
-ocr page 161-
141
hij minder kroeg, dan hem toekwam, en zij meer had door te
staan, dan zij verdiende. Dat beiden echter medelijden en onder-
steuning waard waren, o ja, hierin was oen ieder \'t met onze
dienstmaagd eens.
Juist dus omdat ik Span kende, beruste ik in zijne bevoor-
deeling, althans door het laten lappen van oude pantoffels.
Met zulk eene tegemoetkoming zijn we zoo iemand al zeer
te wille, meende ik. Onze goede Els scheen het er echter op
gezet te hebben, meneer eens te doen gevoelen, wat zoo\'n be-
genadiging eigenlijk om \'t lijf heeft. Zij is ten minste maar
zoo vrij, nogmaals mij voor te stellen, om, nu ik dan toch
uitga, er zelf eens aan te loopen. „Meneer zou er geen spijt
van hebben, bij Span geweest te zijn."
Allons dan, whier op de gracht, de vierde steeg rechts,
zoo\'n heel nauwe, derde deur links. IJ kan niet missen." —
\'t Valt nog al mee, drooge straat, helder weertje en een
beetje vorst, dat tegen den nacht nog al fel kan worden. Wat
schijnt het maantje vroolijk, wat schitteren de sterren! Maar
stil, laat ik nu oppassen, de vierde steeg heeft Els gezegd,
zoo\'n nauwe. Déze is erg smal, met nauw dus tamelijk gelijk;
maar neen, \'t is de tweede pas. Verder, nog verder, daar is
er weer een, n\'. 3. Waarom zegt zoo\'n meid ook den naam
van die steeg niet! Wacht, daar is er weer een, nog een eindje
verder, ja, deze zal \'t wezen, \'t is ten minste de vierde, en o
zoo nauw.
Afschuwelijk, wat is het hier donker! Derde deur links, zei Kis.
Hier moet ik dus zijn, een huis van éene verdieping met een
tamelijk groot raam naast de deur. Ik vind geen bel of klop-
per, en op \'t rammelen met do deurknop komt niemand te
voorschijn. Gelukkig, daar steekt de naaste buurvrouw het
goed-gemutste hoofd even boven haar onderdeur en roept mij
gedienstig toe: ;/draai uwe de klink maar om, meneer, \'t hok
zal wel open wezen."
w Woont hier Span, moedertje ?"
„Ja, meneer, uwe ben aan \'t rechte kantoor. Och, buurman
-ocr page 162-
142
zal er eentje zijn gaan pakken, en zijn goeie sloof zeker in de
lange veeren liggen. Poe, wat is \'t koud! \'n avond, meneer."
Wèch is de buurvrouw en ik sta alléén in \'t donker.
Zou ik maar niet heengaan ? Hoe kom ik er toe, mij door
Els te laten belezen, hier op avontuur te gaan! Maar \'t schijnt
toch niet pluis te wezen met ons lappertje. Hij zal er één zijn
gaan pakken, zei die vrouw; jawel, hij drinkt een borrel, \'k heb
het meer gehoord. En zij, och wie weet.... koin, de knop
omgedraaid, daar gaat de deur open en ik treed in eene pik-
donkero ruimte, waar een vunzige lucht mij tegenwalmt.
«Hola!" en een echo herroept: Hola! „Ben je t\'huis, Span? —
Is daar niemand? . . . ." Geen antwoord. Gruwelijk, wat is \'t
hier donker en koud, ik zie geen hand voor oogen, \'t waait
binnen meer dan buiten, en toch, hoe benauwd! Nog eens
geroepen: «Is daar niemand?" waarop een zacht gekreun zich
onderscheiden laat in de echo, die hier vrij sterk is.
Nu bekruipt mij zekeren afkeer, angst zelfs; \'t is er zoo
akelig! Ik zoek wederom de deur, die de tocht ondertusschen
heeft dichtgeslagen, en in de duisternis betast ik de naakte
muren.... bha! hoe vochtig, n.b. en \'t vriest! Een lucifer
aangestreken, jawel, poef! uitgewaaid. En de deur is toch dicht!
Weer herhaalt zich dat ijzig gekreun, maar nu verneem ik ook
meer duidelijk een zwakke stem, vragend naar Jan. Nogmaals
dan beproefd een lucifer aan te strijken. Gelukkig blijft deze
branden, en ik heb juist lang genoeg licht, om achter deze
holle ruimte een openstaande deur op te merken, waaruit ik
de zwakke stem hoor vragen : «ben je daar, Jan ?"
z/Neen," verman ik mij te antwoorden; «er is iemand, om
den baas te spreken."
//Zoo," hervat de stem.
«Is Span niet t\' huis ?".... Geen antwoord.
Doch zóó ver gekomen, wil ik nu ook verder. En de han-
den rechtuit gestoken, doe ik behoedzaam een paar stappen
voorwaarts, door welk godruisch de stem mij.... bemoedigt
eigenlijk niet, maar toch met een zuchtend «kom maar hier"
-ocr page 163-
143
aanspoort, vrijelijk te naderen. Andermaal dus een lucifer
aangestreken, waarop de stem zwakjes mededeelt: „\'t lanipie
staat op den aanrecht." \'t Geluk dient mij nu in zooverre, dat
onder don kier verspreiden chaos een kleine petroloum-lamp al
spoedig te vinden is, om welke aan te steken dan ook voor de
laatste maal een lucifer behoeft verbruikt te worden.
Het ding geeft goed licht. En huiverend kijk ik rond bin-
nen deze naakte, hier en daar afbrokkelende, bruin-berookte
muren. Met afschuw staar ik op het erbarmelijke huisraad:
eene verzameling wechgeworpen prullen en vodden. Met wal-
ging wend ik mijne oogen af van zeker slaapkamer-gemak en
trek den neus op voor het lage werktafeltje, overladen met
schoenmakers-gereedschap, kwalijk-riekende stukken leder en
dito, dito schoeisel, waartusschen toch een gebarsten steenen
kofriekan, eene kom en een fijn kopje met schoteltje zijn op
te merken. Mijn blik verdwaalt naar een half-vergaan pot-
kacheltje, terwijl mijne voeten van koude trappelen op den
rood-steenen vloer. Ik zie drie of vier kreupele stoelen, aan
dezen kant eene oude kast, bevracht met een naar \'t schijnt
compleet theeservies, waarover een gehaakt kleedje is uitge-
spreid, en ginds twee vieze lappen van niet-te-zeggen kleur,
hangende aan een roede, en die dus zeker voor gordijnen moe-
ten dienst doen. Ja waarlijk, zie, ach goede God ! daar steekt
een uitgemergelde kleine hand tusschen de smerige lappen uit,
de hand van vrouw Span ! Ik doe twee, drie schreden in die
richting, en een droeve blik uit de bedstede ziet mij vragend aan.
Ach, is dat dan het arme wijfje van ons schoenlappertje!
Wat een welgevormd, hoezeer vermagerd gelaat. Wat goedige
plooi om den kleinen mond. Wat fraai neusje, waarboven de
nog zwarte wimpers zich als veertjes uitspreiden en de vriende»
lijke oogen aardig overschaduwen. En hoe netjes omlijst het
katoenen met een strookje versierd mutsje dat aangezicht, als
met een zweem naar bevalligheid! Elsje heeft gelijk: vrouw
Span moet in haar tijd mooi geweest zijn, nu nog is zij een
knap, aardig oudje.
-ocr page 164-
144
//Komt meheer om zijn laarzen; uwe ben ommen meheer
Markx van gumls op de gracht?" vraagt zij met zwakke stem.
//.Ta, vrouw Span, dat raadt je goed. Is je man niet t\'liuis ?"
„Me man is werk wechbrengen, meheer. Hij kan elk oogen-
blik t\'liuis komen."
z/Dan zal ik even wachten."
wZooals meheer verkiest. Is daar geen stoel, dat u eventjes
zitten kan ?" En het vrouwtje poogt zich op te richten, houdt
de lap op zijde en verzucht: „och, wat komt meheer in een
berzie!" Daarop zinkt zij in haar kussen terug met den zachten
smartkreet: wik kan er niks meer an doen.... ach, goeie
heer....!"
Ten einde haar zoo ik meen voldoening te geven, leg ik een
paar schoenleesten van een stoel en neem bij de droeve leger-
stede plaats met de vraag: /,wat scheelt er aan, vrouw Span?"
Zij zucht, maar geeft geen antwoord.
z/Wat verkouden misschien .... of al lang ziek....?"
Zij zwijgt.
z/Komt er wel een dokter bij je ?"
Zij antwoordt mij niet; doch eensklaps poogt zij weder zich
een weinig op te richten, schijnt scherp te luisteren en brengt
er klagend uit: /,ben je daar, Jan?"
//Neen," zeg ik, «je man is er nog niet."
«Jawel," herneemt zij, /;ik meende toch .... zijn stap .... te
hooren."
Ik hoorde niets en evenals zij scherp luisterend werd het
mij zonderling te moede.
wJe zal je vergissen, vrouw Span, \'t waait een beetje....
Is \'t je hier niet wat koud, of.... lig je er nog al warmpjes
onder....?" En, zelf rillend van de kou, sta ik op, als om
een onderzoek in loco in te stellen. Doch nader bij het bed
gekomen blijf ik schier verschrikt staan, verrast door het slui-
pend binnenkomen van mijn schoenlapper. Voor het eerst, zoo-
lang ik hem ken, schouw ik hem in de oogen, die mij met
vergramden, uitdagenden blik monsteren, tintelend ja van oen
-ocr page 165-
145
zeker hartstochtelijk vuur. Op een paar schreden van mij af
houdt hij stand, zonder te groeten, zonder zelfs do hand aan
zijn pet te slaan.
Hoezeer ik meen reden te hebben verstoord op hem te zijn,
zeg ik toch gemoedelijk: wZoo, Span, ik kom eens hooren naar
mijn schoenen."
„O," herneemt hij brutaal, „ik wist al niet, wat meneer hier
te doen had. En mot meneer daar zelf om komen ?"
//Och, Jan," smeekt zijn alter ego, „wees toch zoo raar niet
teugen de menschen. Meheer heit me ...."
„We hebben geen soepkaartjes noodig," valt manlief haar in
de rede. En de vrouw zucht.
Zou hij dronken wezen? Neen. Ofschoon ik zijn zonderlinge
houding en woorden reeds aan den z.g.n. volkskanker wijten
wil, — buurman immers was er eentje gaan pakken en hij
drinkt een borrel, — andere gedachten dringen zich al dadelijk
aan mij op, daar ik toch voor mijn oogen zie,\' dat hij .... mij
laat staan voor evenveel, maar toch zonder \'t minste wankelen
op het werktafeltje toetreedt, twee heerlijke kipoieren — en dat
in Januari! — uit zijn zak haalt en daar behoedzaam één in de
kom en één in \'t kopje zet, vervolgens naar de bedstede drib-
belt, zich van zijn jas ontdoet, waarmede do dekking van de
vrouw wordt aangevuld, en dat hij daarna zich naar het pot-
kacheltje wendt, \'t gruis er uithaalt, wat spaanders en turf-
kluiten er in werpt, om \'t weldra lustig te doen branden. Onder
al die bedrijven echter spreekt hij geen woord en keert zich
zooveel mogelijk met den rug naar mij. Nu neemt hij een
waterketolrje en loopt er vlug mede heen, zonder te zeilen hoor,
en recht, voor zoover \'t van hem afhangt. Dat alles doet niet
iemand, die den prins gesproken heeft.
Van zijne oogenblikkelijke afwezigheid maakt intusschen de
vrouw gebruik, om mij in te lichten nopens \'s mans //pontor-
neur," zooals zij \'t noemt. Meheer moet het toch asjeblieft niet
kwalijk nemen: Span is wat kort aangebonden, hij wil niet,
dat de menschen zien, dat zij... . lijden, \'t Krenkt hem in
11
-ocr page 166-
146
zijn eer. Anders toch, o zoo\'n beste, goeie man, dat kan
meheer niet begrijpen.
En ik heb geen troostwoord voor de goede ziel op de lippen,
of Span is wederom terug, plaatst het keteltje in den rand van
de kachel, gooit er nog een schepje op en keert zich dan ein-
delijk tot mij met zijn gewonen groet, de hand aan zijn pet,
en de stellige belofte, dat hij morgen-avond zonder mankeeren
mijn schoenen zal t\'huisbrengen.
Dat \'s goed; maar daarmee ga ik niet heen. Hij heeft mij
nog te antwoorden op de vraag, waarom hij dat niet terstond
zei, toen ik hem do reden van mijn komst te kennen gaf.
//O, neem mij niet kwalijk, meneer; maar .. . ."
wJan," roept het vrouwtje met zwakke stem, «vraag toch,
of meheer niet wil zitten; geef meheer een stoel."
„Daar staat een stoel," krijgt zij vrij barsch ten antwoord,
en tegen mij vaart hij voort: „zie, meneer, ik zal u maar eens
kort en bondig zeggen, waar \'t op staat. Ik dacht, dat u mijn
vrouw meê wou tronen; maar ik zeg nog eens, dat het niet
gebeuren zal!"
Zou de vent toch wezenlijk boven zijn theewater zijn, of gek?
Verbeeld u toch, eerzame lezer, dat ik, Ferdinand ....! Neen,
maar \'t mooiste komt nog. Daar hij bemerkt, dat ik op zijne
lichtvaardige verdenking al heel vreemd sta te kijken, vervolgt
hij: „of is meneer niet van de Vereeniging ?"
ffIk, wolneen," haast ik mij naar waarheid te verklaren,
begrijpend welke Vereeniging hij bedoelt.
wO, dat is wat" anders," zegt het manneke gerustgesteld, en
nu eerst noodigl hij mij te gaan zitten.
Maar nu moet ik er toch haring of kuit van hebben, en ik
vraag hem: vdus, als ik lid van de Vereeniging was, zou je
bang wezen, dat ik met je vrouw op den loop zou gaan?
w\'t Is zonde," lispelt zijn trouwe ega.
ffU heeft gelijk, meneer," stamelt hij blijkbaar verlegen; ff\'t
was een gek zeggen aan iemand, die niet weet, wat er gepas-
seerd is."
-ocr page 167-
147
Gepasseerd? Vraag ik mij zelf af, terwijl \'t water op het
lustig brandend kacheltje begint te zingen en hij de benoodigd-
heden bijeen scharrelt, om koffie te zetten. Maar wat drommel,
dat wijfje moet nog kleiner wezen dan haar schoenlappertje, en
al zie ik dan, dat zij in haar tijd een aardig gezichtje moet
gehad hebben, zij is nu in de zestig, ziek en....
wIk zal u uit den droom helpen, meneer," verklaart de man
zich eindelijk. „De heeren van de Vereeniging willen, dat
mijn vrouw naar \'t gasthuis gebracht wordt, en ... . of... .
maar. . . ." De woorden blijven hem in de keel steken, en
schuw ziet hij mij tersluiks aan, als bevreesd, dat ik, die
vreemde, ziet u, de traan zal opgemerkt hebben, die hem
over \'t gerimpeld gelaat biggelt. Zwijgend zet hij nu koffie en
handig gaat het hem af, dat stukslaan en klutsen van een ei
in het mooie kopje, dat hij onder de oogen van zijn vrouw,
die al zijne bewegingen nauwkeurig gadeslaat, eerst met een
schoonen doek heeft uitgeveegd. Vervolgens doet hij er een lepel-
tje suiker bij, en al roerend, wordt het geurige vocht uit het
gebarsten kannetje er bij gegoten, tot het kopje oven onder
den rand vol is. Hij heeft daar slag van, ik moet het beken-
nen; niemand zal \'t hem verbeteren, luidt de welverdiende
lofprijzing van zijn vrouwtje.
\'t Is den man aan te zien, dat die lof hem voldoende be-
looning is voor den verkwikkenden drank, dien hij zijne vrouw
aanbiedt. Haar „dank je, Jan, dank je, beste," beantwoordt
hij met een hartelijk : „als \'t je maar smaakt, Wies, dat is \'t
voornaamste." Waarop zij : „o, heerlijk, man," en hij : „\'t zijn
boonen van Castelein." „Ik kan \'t proeven," verzekert zij en
vraagt: „neem jij nou ook eerst een bakkie; of heb je er pas
eentje gepakt?" „Voor vier-cn-half," luidt \'s mans antwoord,
waarmee het vrouwtje tevreden schijnt te wezen, althans zegt zij
goedig: „je hebt gelijk, dat komt je toe. Aanstonds dan."
„Ja," besluit hij, \'t leOge kopje van haar terugnemend, „aan-
stonds, als ik jou eerst nog eens ingeschonken heb, anders is
het raar der af. Fn, Wies, ik heb nog een beschuitje in de
11*
-ocr page 168-
148
kast, dat weet je wol, met, een klein vliempie rookvleesch; dat
moet je er dan bij opmnizen." „O, neen, morgen," is het
antwoord. „Kom," herneemt hij, „je hebt vandaag letterlijk nog
niks naar binnengespeuld . ..." „Och, praat nn wat met me-
heer," hoor ik haar fluisterend hem afweren, waarop de man
tegenover mij aan zijn tafeltje plaats neemt en met aandoening
„zegt: met mijn vrouw aan eigen haard,\'meneer, dan ben ik rijk!"
Ik was getroffen. Verwondert het n, menschonkenner, dat ik
niet meer griezelde van dat armzalige huisraad, dat ik niets
kwalijk-riekends meer bespeurde, dat ik nog aan geen heengaan
dacht ? Verwondert het u, dat ik meer en meer belang stelde in
deze blijkbaar elkander zoo liefhebbende oudjes en ik schier met
vochtig oog zeide: „jelui schijnt veel van elkaar te houden, Span!"
„Dat spreekt van zelf, meneer."
„Nu ja, men ziet het toch menigmaal ook anders."
„Wil ik u eens wat zeggen, meneer," herneemt het schoen-
lappertje niet zonder bitterheid in oog en glimlach : „menschen,
zooals ik en mijn vrouw, ondervinden van iedereen zooveel spot
en kleineering, dat het waarachtig geen wonder is, als ik ziels-
veel van mijn vrouw houd, omdat ik weet, dat zij de eenige op
de hoele wereld is, die veel van mijn houdt. U ben nog jong,
meneer, neem me niet kwalijk, dat ik het zeg; maar u kan niet
begrijpen, hoe \'t een mensch zeer kan doen, als je altijd hier
voor den gek gehouden wordt en daar voor kwajongen, terwijl
iedereen om ons lacht, omdat we nou eenmaal van wat bizondere
makelij bennen. Voor een boef, God beter\' \'t, hebben de men-
schen nog meer respect, dan voor ons, die . . . ."
Wederom stokt zijne stem. En wat zou ik antwoorden op
deze zoo smartelijke ontboezeming, ik, vier-en-twintigjarige, die
zoo menigmaal mij vroolijk gemaakt had ten koste van het cu-
rieuse schoenlappertje Span? — Of ik zelf dan zoo \'n Adonis
ben? Och, lieve dame, wat kan u dat interesseeren! — Ik
bracht dan mijn koker te voorschijn, met de bedoeling samen
een sigaar te rooken, en hein presenteerend vraag ik: „maar,
Span, is je vrouw bepaald ziek?"
-ocr page 169-
149
«Ziek genoeg, om hier niet te rooken, meneer," luidt zijn
antwoord kortaf.
/;Zoo," en ik berg\'mijn sigaren weer. «Wat zegt de dokter?"
,/Die komt tegenwoordig maar eens zoo nu en dan, en \'t is
altijd \'tzelfde: zwak, zwak, rust noodig en versterkende mid-
delen, bij kleine beetjes."
„En kan je baar die middelen nog al bezorgen ?"
wWat zal ik zeggen, meneer. Zij gebruikt zoo bitter weinig.
Als ik \'s avonds werk wechbreng, dan haal ik met-een twee
eieren voor haar. Der is tegenwoordig wel moeilijk an te komen,
maar voor een dubbeltje \'t stuk, heb ik ze bij den melkboer
nog altijd kunnen krijgen."
„In een grooten winkel zijn ze toch veel goedkooper," meende
ik; /;en bij hoopen .. .."
«O, meneer, dat ik u in de rede val, dat zijn zulke eieren
niet! Zoolang ik nog een dubbeltje verdienen kan, wil ik ook,
dat mijn vrouw melk-verschc krijgt. U moet denken, dat dit
haast het eenigste is, waarmee ik haar in \'t leven houd. \'s Avonds
een koppie — ja," vervolgt hij met ietwat gedempte stem: «dat
mag geen grove kom wezen, afijn, zoo heit ieder mensch al zijn
zwak; en kreen, als zij is, o, dat weet u niet! Dat komt, wil
ik denken, doordat Wies, tegen u gezeid en gezwegen, eigenlijk
nog van deftige komaf is. Louise De Beekenaar is haar naam
voluit, en daar schijnt nog altijd wat van te blijven zitten, men
kan het ook zien in haar viselemie. Maar een arm weesie en
niet groot, al was zij knap van uiterlijk, .... afijn, in \'t weeshuis
heb ik kennis aan haar gekregen; op mijn vijfde jaar had ik
ook geen vader of moeder meer, mot u weten. — \'s Avonds
dan," zoo gaat de man wederom luider voort, ff\'s avonds gebruikt
mijn vrouw een sterk koppie koffie met een ei der in geklutst,
zooals u gezien heeft, en \'s morgens en \'s middags een koppie
met een half ei, dat is dan ook op en al. Soms raak ik nog
een beschuitje met een vliempie rookvleesch daarbij aan haar
kwijt, maar meestal niet. Haar maag is te zwak, hou ik er
voor,"
-ocr page 170-
150
„Maar, als je eens naar ...."
„O, meneer, dat ik u in de rede val, zij gaat niet naar \'t
gasthuis, hoor! Zelvers wil zij ook niet!"
„Neen, ik bedoel eigenlijk, dat je eens bij de diakonie...."
«Waarachtig niet, meneer, ik kan nog werken !"
„Nu ja, bij de vereeniging C/taritas dan eens aangeklopt;
hare leden, dames en hoeren, voorzien do zieken van \'t noodige."
Maar oon bitteren trek brengt deze raadgeving wederom op zijn
toch alles behalve zoetaardig gelaat. Toch ga ik voort: ;/zou
je daartoe niet kunnen overgaan ? Je kan toch niet alles voor
zoo\'n zieke alleen verdienen, heeft zij ook wel goede ligging
en dekking, zon zij niet eens een krachtige soep willen gebrui-
ken? Wil ik er eens werk van maken?"
„Och, meneer, ik zag u daar straks al aan voor een heer
van die Vereeniging, en toen moet u toch wel begrepen heb-
ben, dat ik het op al die menschen niet groot heb."
„Maar mijn hemel, Span, wat heb je dan toch tegen die
heeren, die zich uitsloven, om hun medemensch te helpen ?"
„Och, meneer, ik geloof, dat u \'t goed met ons voorheeft,
daarom heb ik u al veel gezegd, wat ik anders nooit doe; maar
van \'t een komt een mensch op \'t ander. Laat ik dan eens
verder met u praten. Ik heb niks tegen die heeren; maar ze
kunnen het een ieder niet naar den zin maken."
„Juist, daar zit \'m de kneep; maar is dit nu een reden, om
zoo afkeerig van hen te wezen?
„Mag ik u eens wat zeggen? Maar u moet niet boos op
mij worden, als ik naar uw zin soms te veel zeg."
„Neen, neen, spreek gerust vrij-uit."
„Nou dan: heeren, zooals u en een ander, nog lang geen
dertig jaar oud, heb ik hier gehad. Dominee had daar dan
voor gezorgd, heel goed bedoeld, dat geloof ik graag. Ja, onze
wijk-Domineo is eens hier geweest, moet u weten; ik wist niet
wat ik zag, toen zijneerwaarde binnenkwam. Mijn vrouw zat
net een oogenblikkie op en zij schrok."
„Is zoo\'n bezoek dan om van te schrikken ?"
-ocr page 171-
151
„Wat zal ik u zeggen, meneer. Bij ons soort van menschen
komen de diakenen wel eens een enkel keertje op een jaar;
doch een bezoek van Dominee zelf, ziet u, dat was ons nog
niet overkomen, zoolang we hier wonen."
„Daar kan je ook niets tegen zeggen, Jan," roept zijn vrouwtje
met verheffing van stem, en zij steekt haar hoofdje buiten de
bedstee. „Wat u, meheer, we moeten het een zoo goed nemen
als \'t ander. De leeraar is voor de bediening van \'t Woord,
en de diakenen bennen voor de armen; dat is volgens Hande*
lingen VI of VII, daar wil ik afwezen."
„Ja," gaat haar echtvriend vergenoegd lachend tot mij voort,
»de Schrift kent zij op haar duimpje, beter dan ik, al hebben
ze in \'t huis mijn zoo goed als haar het goede voorgehouden.
Meneer is immers óók Gereformeerd?"
„Neen, Span, ik ben Katholiek."
«O gunstjes," roept het vrouwtje, en mij dacht, dat zij weer
schrok.
„Dat \'s ook al-eens" meent mijn schoenlapper, „we moeten
eenmiial toch allemaal voor eenzelfden Heer verschijnen."
„Maar," zoo stuur ik weer op ons a propos aan, „het bezoek
van die heeren diakenen, waarvoor je Dominee dan gezorgd
had ...."
„Neen," valt hij mij in de rede, „diè heeren waren geen
diakenen. Meneer moet wel weten, dat ik niet van de algemeene
bedeeling trekken wil."
„Het bezoek van die anderen dan, welk goed heeft je dat
aangebracht ?"
„Och, \'t was goed bedoeld, meneer, dat wil ik aannemen;
maar voor \'t overige, wat zal ik er van zeggen! Ik vraag niet
en ik heb niet gevraagd en ik zal niet vragen. Daarover had
ik al mot gehad met de diakenen, en ik wil denken, dat Domi-
nee daarop hier gekomen is, en zijneerwaarde gedacht heeft:
hier moet toch wat gedaan worden. Hij sprak zoo iets van
schaamachtige armoe, waarvan ik eigenlijk het fijne niet begreep.
J£en dag of wat daarna dan kwamen die andere heeren, twee
-ocr page 172-
152
jongelui, die hun eigen niet geneerden, om een loopje met ons
te nemen. Zij staken een sigaartje aan, namen den boel eens
op en zeiden, alsof zij \'t maar voor \'t commandeeren hadden,
dat ik met mijn vrouw naar \'t ouw-man-huis moest. Ik gaf geen
antwoord. Toen gaven ze vier kaartjes voor soep en zeiden,
dat ik een wollen deken kon komen halen en wat brand. Ik
trok mijn schouders eens op, en toen gingen ze. Vóór de deur
op straat hoorde ik hen lachen, o meneer! . . . . Afijn, ik was
van hun weldaden niet gediend. Maar toch een dag of wat
later dacht ik zoo bij mijn eigen: wie weet zoo\'n soepie kon
Wies toch wel eens goed doen; en daarom, meneer, omdat het voor
haar was, hoor, ging ik er met zoo \'n kaartje op af. Hei, wat
stond ik daar te wachten, een harde dobbel voor me! Maar
ik bracht dan soep t\'huis, ja, heerlijke, krachtige soep: een
tractatie voor een bleekersmeid ! Maar voor mijn arme, goeie
Wies, met haar zwakke maag? Ooh, meneer, twee lepels heit zo
er van gegeten en alles kwam er weer uit! Of ze te krachtig
was, of te zwaar, ik weet het niet. Buurvrouw zei, dat ze kos-
telijk was. \'t Kan wezen!"
„Heb je zo zelf dan niet gegeten ?"
„Ik, meneer ? Mijn droog roggebrood smaakt me lekkerder:
dat heb ik verdiend !"
„En zijn die heoren niet meer teruggekomen ?"
„O, jawel, meneer, nog twee keer, en dat wel om op te spelen,
dat ik die deken niet gehaald had en den brand evenmin. Ik
gaf geen antwoord."
„Maar, dat gaat toch niet aan, om zulke heeren niet te ant-
woorden," meende ik.
„Och, meneer, \'t scheelt veel hoe een mensch wordt aange-
sproken. En dan, toen zij \'t weer over hun lekkere soep had-
den, zei ik toch, dat mijn vrouw ze niet verdragen kon, dat
een eitje nog ging. Maar toen zeiden de heeren weer, dat
mijn vrouw te ziek was, om hier te blijven, en dat zij teugen
den avond een draagmand zouden sturen en haar naar \'t gast-
huis laten overbrengen. En toen zei ik op mijn beurt, dat ik
-ocr page 173-
153
daar niet zoo dadelijk in toestemde. En toen zeiden zij weer, dat
ik niks in te brengen had. Maar toen vroeg ik toch eens: wie
is hier baas, jullie of ik? En___en___"\'s Mans stem stokt weder.
„\'t Was toch om best wil van je vrouw, dat die heeren je
zoo geraden hebben ...."
„Neen, meneer," valt hij me nu heftig in de rede, „aan-
raaien was het niet, dan zou ik er misschien nog vrede meê
gehad hebbon, ik zou ten minste onderdanig hebben geant-
woord. Maar ziet u, die heeren, half zoo oud als ik en mijn
vrouw, spraken tegen ons, of wij kinderen waren en ze gie-
gelden!"
„Kom, kom, verbeelding...."
„O neen, meneer, ik weet wel, wat u zeggen wil, en u hebt
misschien meer verstand in uw pink, dan ik in mijn heele
lichaam ; maar ondervinding, meneer . .. . "
„Ondervinding, waarvan ?"
„Wel, meneer, in mijn plaats zou u der ondervinding van
hebben, hoe naar het is, als je arm ben, en oud, en wat min
van postuur, als je dan zooveel geteld wordt als idioot! En
dan dorst die éen nog zeggen, dat ik mijn kop te buigen had !
Wel ik stond te beven van kwaadaardigheid. En daarop zei
de ander, dat ik een borrel dronk en dat Wies .... maar toen
liet ik hem niet eens uitspreken, ik d.......den vent de
deur uit! Ik heb ze niet nrcer teruggezien," besluit hij met
een grijnslach en wat zachter van toon, want zijn vrouwtje riep
al beangst: „och, Jan, maak je nou weer zoo driftig niet."
„Met dat al," merk ik op, „heb je je eigen glazen ingegooid,
want nu blijven die heeren wech en jelui zoudt ze toch wel
eens noodig kunnen hebben."
„Daar maal ik zoo weinig om, meneer, dat ik van u, neem
me niet kwalijk, al een aversie had, toen ik daar straks t\'huis
kwam en u voor een heer van die Vereeniging aanzag. Want
van achter-af heb ik gehoord, dat ze ons allebei toch in \'t
ouw-man-huis willen doen. En die vereenigingen en gestichten
hangen allemaal als een kluwen aan mekaar. Maar ik voor
-ocr page 174-
154
mijn mot er niks van hebben en mijn vrouw ook niet. Toch
zou \'t me niks verwonderen, als met die kou Dominee van-
daag of morgen nog eens hier kwam, want die mot er sterk
voor wezen."
//Welnu, als je dat aannam, was je toch geborgen en hoefde
je geen schoenen meer te lappen."
z/Ik kan nog werken, meneer, en eigen haard is goud waard!
Wat jij Wies ?"
//Zeker, man, we hebben \'t goed," hoor ik van het arme
vrouwtje, en met schrik zie ik op mijn horloge, dat ik bijna
twee uren hier vertoefd heb, waardoor ik het eigenlijk doel van
mijn winteravond-uitgang miste. —
Toch gaf ik op mijn terugtocht Elsje gelijk : meneer zou er
geen spijt van hebben bij Span geweest te zijn. Maar, dat \'s
waar ook, ik had hem eens moeten interpolleeren over zijn
gebruik van een borrel. Als hij toch geregeld eiken dag er
ééntje gaat pakken.... Nu ja, wdat komt je toe," zei zijn
vrouwtje, en terecht merkte hij van haar op: „zoo heit ieder
mensch al zijn zwak."
n
-ocr page 175-
DlE NARE DOOD !
Vroolijk huppelt de muziek langs de loges van Casino, liefe-
lijker en zachter met elke maat, als moest zij boodschappen,
dat er stilte kome voor eenige tafereelen uit den Faust.
En, als op het gegeven teeken het scherm zich plooit en ver-
dwijnt, treedt daar een wereld voor \'t voetlicht, afgemaaid met
dien kittelenden humor en zwartgalligen ernst, met die fijne
nuances van levensgloed en stervenstwijfel, van bedriegelijk
licht en raadselachtige schaduw, als waarvan Goethe\'s palet
overvloeit, en die een heillooze smetstof overplanten in de
zwoegende borst van den jongeling en de maagd, van den
echtgenoot en de gade.
Ziet gij dien jonkman daar ? Zijn starre blik, het koortsig
vuur, dat zijn kaken purpert, de onrust, die zich in geheel zijn
houding afspiegelt, zeggen u, welk genot het tooneel hem biedt,
dat beloond wordt met een daverend applaus.
En, als het stuk is afgespeeld, de licht-prikkelbare hartstoch-
ten zijn opgezweept en het bij velen daarbinnen storm slaat,
maakt men zich op ten dans.
En, bij het helle licht der balzaal, vergast zich des jonge-
lings oog vrij aan het golvend albast, zoo speels duikend in
het doorzichtige gaas, dat zijn schoone omhult, die hij, fier als
een koning, ten rei geleidt en te teeder steunt bij de afmat-
tende wals van Strauss.
En, als \'t uur van middernacht reeds lang is verstreken, de
betooverende muziek niet meer bij machte is, om de verveling
te verdrijven, en de zachte, voor oostersche gemakzucht bere-
kende rustbanken zoo hard en ongeriefelijk bevonden worden,
-ocr page 176-
156
— als de door reukwerken kwalijk verfrischte atmosfeer met
ieder oogenblik benauwender wordt, en de kostbare koeldranken
geen verkwikking meer geven kunnen: dan, met knikkende
knieën, met heesche stem en fietsen blik, neemt men, niet meer
steelswijze geeuwend, afscheid van elkaar.
Ook de jongeling dwaalt naar huis.
En eensklaps, daar stuift hem een man voorbij, twee personen
te gemoet, die haastig, maar zwijgend herwaarts komen. En bij
het flauwe schijnsel der straatlantaarn is een van het tweetal
als Priester te onderkennen.
;/Ach," roept de man, terwijl hij den geestelijke nader treedt,
«ach, eerwaarde, te laat! Hij is dood! Hoe schielijk ! Zoo-
even nog in Caxhio .... I"
Doch do aangesprokene antwoordt slechts door een gebaar
der linkerhand, verhaast zijne schreden, en het drietal snelt
den nachtelijkon wandelaar voorbij, die hen nastaart en na
eenige seconden zich geweld aandoet, om zijn weg met loomen
tred te vervolgen.
Donker is die weg, donker zijne woning, donker is het in
zijn gemoed.
En op het zacht-gespreide leger neergevallen, haakt hij naar
den zoeten slaap.
Maar deze vlucht verre van die sponde, waar het moede
hoofd een helsch orkest ziet plaats nemen en van den schitte-
renden avond een finale hoort uitvoeren in \'t holle van den
nacht.
En akelig herklinkt nu de wulpsche muziek, het schateren van
den schaamteloozen lach, het gefluister van het vleiend gekoos.
En wanneer hij in verbeelding den beker der genieting
oververzadigd van zich afstoot, dat alles met walging ontvlucht,
dan ontmoet hij wederom het drietal op zijn weg en hoort:
ii ... . zooeven nog in Casino /"
En van ontzetting wendt hij zich op zijn leger, bij de onwil-
lekeurige gedachte aan .... den dood !
-ocr page 177-
f
ENE NALEZING,
Practische menschen, maar „schrikkelijk ouderwetsch."
Al doet November zich gelden, waterig, mistig en guur, des
te gezelliger is de avond in de huiskamer van de familie Berg-
houdt, waar moeder met zoo echt vrouwelijken arbeid bezig is,
in werkzaam gezelschap van hare dochters Marie, Cato en
Betje. Deze, eene bijna negentien-jarige brunette, met oogjes
zoo schitterend, met koontjes zoo kleurig, een mondje zoo
lachend, een postuurtje zoo vlug en levendig, dat zij reeds op
het eerste gezicht als het zonnetje van \'t huis te onderkennen
is, — Betje heeft het o, zoo druk met merken van de letters
M. P. S. B. 36 op zuiver-linnen zakdoeken met breede randen.
En al even ijverig toonen zich Marie en Cato, die met hare
jongste zuster respectievelijk \'n vijf- en tweetal lentes in leeftijd
verschillen, meisjes, op wie de bedaagde en schrander om zich
heen ziende moeder inderdaad trotsch zijn mag, en wie mama,
uit berekening voor de toekomst, heusch geen grootere weelde
in toilet behoeft te veroorloven, dan de eenvoudige, maar smaak -
volle kleedjes en aardige garnituurtjes, waarmede wij haar ge-
tooid zien ....
O, \'t is waar, opmerkzame lezer, misschien werden u deze blad-
zijden reeds elders voorgelegd, waarbij u dus kennis gemaakt
heeft met deze familie. Maar ik zal een trekje aan hare schetsing
-ocr page 178-
158
toevoegen en een paar lijnen er bij teekenen, allicht dan wil
ook n nog eens nalezen „wat die meneer in zijn boekje had."
Op dien waterigen, mistigen, gnren Novemberavond dan
wordt er van wind- en regenvlagen niets bespeurd, waar de
dames druk en vroolijk bezig zijn met meten en spelden, knip-
pen en scheuren, vouwen en naaien. Nu eens stemt Betje een
liedje aan, door Cato geaccompagneerd met een groote Singer-
naaimacbine, dan weder mengen beiden zich in eene discussie,
die moe en Marie hebben aangevangen nopens mooie patroon-
tjes en voordeeligen snit. En ieder komt dan zoo rond voor
haar gevoelen uit, verdedigt hare zienswijze met zoo klemmende
argumenten, en te zamen geven zij zoo levendig bewijs voor de
waarheid van \'t aloude spreekwoord de guatibus non est di.spu-
tatiduin,
1) dat zij niet eens de komst van Henri van Noord-
veld opmerken, die, intiem met de Berghoudten, slechts door
een kloppen op de deur zich heeft aangediend en binnen treedt
met een avondgroel aan tante en nichtjes, waarna de vraag
luidt, of Leonard thuis is ?
„Hé, dag, Henri!" roepen de verraste dames in koor en,
terwijl Betje een stoel bijschuift, zegt moeder: „neen, Leonard
is niet thuis, hoor. Heb je dan geen briefje gekregen, hoe
noemen ze zoo\'n ding ook weer, wacht ja, een convocatie-
biljet ; — met die stadhuisnamen raak ik nooit op streek."
„Ik heb niets ontvangen" zegt de bezoeker ontevreden.
„Daarom kom ik als verleden week Loonard afhalen, om naar
de repetitie te gaan."
„Vanavond is \'t geen repetitie," klinkt Betjes inlichting.
„Tamelijk onpleizierig," bromt mijnheer.
„Ja, wat zal ik je zeggen," sust Leonards moeder, „\'t is
vanavond lezing, de eerste van dezen winter. En nu moet je
weten, dat mijnheer Zwanenstein verleden Zondag uit de late
kerk hier kwam inloopen en Leonard zeggen, dat hij die brief-
l) Over den smaak valt niet te redetwisten.
-ocr page 179-
159
jes zou klaarmaken, want de repetitie moest op Woensdag
gezet worden in plaats van op Dinsdag."
„Waarom stellen ze \'t dan eerst op vanavond," pruttelt de
teleurgestelde.
«Och ja," zegt juffrouw Berghoudt, en zet haren bril op den
neus, ten einde des te nauwkeuriger een zoompje te kunnen
vouwen, ,/Henri, dwalen is menscholijk. Mijnheer Zwanenstein
is het hoofd van het Vincentius-concert, zooals je weet, en onze
Leonard zooveel cils tweede schrijver. Nou zei meneer, dat het
nog al wat in heeft met zooveel dilettanten, omdat er zoo dik-
wijls moet gerepeteerd worden voor zij allen behoorlijk hunne
partij kennen; en daarbij dan nog komt een ander aardigheidje.
Want zoo had verleden Vrijdag niemand aan de lezing van van-
avond gedacht. En toch kon het niet doorgaan, daar het dan
allicht een gebroken partij zijn zou; \'t was immers te voorzien,
dat vele zangers naar de lezing zouden gaan. Te meer, omdat
er vanavond een spreker optreedt, die heel wat in zijn boekje
heeft."
„Dat zal wel zijn," klinkt het ietwat spottend van mijnheer.
z/En waarom ben jij daar niet heengegaan? O, \'t is waar, je
dacht, dat het repetitie was."
//Al had ik dat niet gedacht, tante, dan zou ik toch niet naar
de Leesvereeniging gegaan zijn."
ffHé, waarom niet? vraagt Betje, in de meening, dat zij nu
lang gonoeg het woord alleen aan moe en neef Henri liet.
//Doodeenvoudig, omdat ik er geen lid van ben," antwoordt
de heer Van Noord veld; en knorrig zegt hij nog eens : „maar
dat zij mij geen biljet gestuurd hebbon ....!"
«Kom, kom, dat zal wel gebeurd zijn," veronderstelt Cato.
wJe vrouw zal het hier of daar hebben geborgen en toen fees-
telijk vergeten."
wDat ben ik van Julia niet gewoon," verzekert de man, aldus
van zijne vrouw een getuigenis afleggend, waarom hij door
menigeen mag benijd worden.
„In alle geval," gaat tante voort, „je ben nu eenmaal uit,
-ocr page 180-
160
blijf dan hier. Laat zien, \'t is kwart over achten; half tien of
eventjes daarover, komt Leonard thuis, dan kan je \'m zelf een
uitbrander geven."
i,0, tante, zóó erg is het niet."
/;Precies, zooals ik het begreep. Hoe \'t zij, blijf hier, Henri.
Vader is ook naar de zaal, zij komen straks samen thuis. En
als je onderdehand wat muziek wil maken, kan Betje of Calo
een mopje op de piano spelen on jij zingen, al naar je belieft.
Maar eerst een ander liedje : hoe maakt het Julia en gaat het
met den kleinen Albert goed ?"
ffO, Juul maakt het best en de kleine is vandaag dunkt mij
ook beter te spreken dan gisteren. Maar vannacht hebben we
weer erg met \'m opgetrokken. Die tandengeschiedenis is een
lastig ding. Dat duurt nu al wel veertien dagen . . .."
«Ho, ho," valt tante haar alles behalvo tot een lustig lied
gestemden neef in de rede, «begin je nu al te klagen, een
blauwen Maandag paatje ! Ik heb er vijf mogen grootbrengen
en vier heb ik bij Onzen-Lieven-Heer. Maar, voor dezen zoo
gelukkig waren en de anderen groot werden, heb ik wat anders
met hen doorgestaan en Berghoudt niet minder. Of dacht je
soms, dat het huwelijk zooveel als een concert is, waar we
voor elkaar een liedje zingen en in de handen klappen en dan
roepen: Wat is het toch mooi! — Jawel, morgen brengen!"
//Moe kan het wel aardig zeggen, vindt je niet, Henri ?"
vraagt Marie, die het eigenlijk te druk heeft, om aan het go-
sprek deel te nemen. Maar juist hoeft zij twee afgespelde
naden aan Cato en Betje overgereikt, die de zusjes met de
hand moeten stikken, dewijl dit toch degelijker is dan met de
machine. Zoo heeft de oudste zuster nu ook eens een woordje
veil, en zegt, dat zij gisteren zoo\'n zelfde kapitteltje van moe
kreeg, als waarop Henri thans onthaald werd.
z/U, Marie ?" vraagt haar neef verwonderd.
«Ja, mensch," luidt moeders inlichting. //Bruid op \'t tipje,
hoor. Dat \'s waar ook, je wist dat nog niet. Kijk eens, we
zijn met haar uitzet bezig. Nog vóór de vasten gaat het bootje
-ocr page 181-
1G1
in zee. Goeie reis! Februari zou mij te stormachtig geweest
zijn. Ik ben in de Mei getrouwd, \'53, \'t zelfde jaar toen de
Bisschoppen hier kwamen, gemakkelijk te onthouden.
En in deze historische Inzonderheid vindt juffrouw Berghoudt
voorts gereede aanleiding, om neef Henri, — «den eenige van
mijn eenigen broer," zooals zij pleegt te zeggen, — aangenaam
bezig te houden tot de thuiskomst van haar echtvriend en zoon.
Leidde de wending van het gesprek haar reeds, als vrouw on
moeder van veel ondervinding en practisehen zin, een hartig
woordje ten beste te geven aan den jongen man, aan de «bruid
op \'t tipje" en ook al aan Cato, die wel eens "kleurt, als er
een Piet genoemd wordt: \'t jaar \'53 wordt tevens vergeleken
bij het tegenwoordige, waardoor zij den zegenrijken invloed van
ons Doorluchtig Episcopaat, ook op het Katholiek familie- en
openbaar leven in Nederland, met gepaste waardeering doet
uitkomen.
Meermalen hoeft zij \'t gezegd en, zonder op den min-retho-
rischen overgang te letten, herhaalt de schrandere vrouw het
ook nu, dat zij luttel meer dan een behoorlijk voorziene linnen-
kast haren man had aangebracht, toen deze niet voor \'t grootsto
gedeelte opgenomen penningen, zijn zaak in droge on natte
verfwaren, mitsgaders alle soorten van borstelwerk, begon, ten
einde een huisgezin tot stand te brengen en daarin te behou-
den. Maar den huwelijken staat waren zij beidon ingetreden
met het.volle bewustzijn de hun door God aangewezen roeping
te volgen, en zij beleefden dien staat in stipte plichtsbetrach-
ting, in arbeid en gebed. Do liefde, de wederzijdsche hoog-
schatting deed het overige. Daardoor vooral, verklaart moeder,
waren zij steeds sterk geweest om, bij den zegen, dien zij on-
dervondeu, en bij den voorspoed, dien zij genoten, ook de zor-
gen des levens onder de oogen te zien en te doorstaan de vele
slagen, die Onze Lieve Heer ook hun niet heeft gespaard.
Berghoudt heeft gewerkt in zijn tijd, hard gewerkt; en, ofschoon
niet wars van genoegen en vermaak, hij was trouw gebleven
aan zijn stelregel: «nooit in een koffiehuis en van geen com-
12
-ocr page 182-
162
missiën, comité\'s of vereonigingen lid, vooraleer ik boven-Jan
ben en mijn zaak en huisgezin het kunnen lijden."
Nu zes jaren geleden is zijn oudste zoon hem opgevolgd in
de affaire, waarin vader eon goede dertig jaren bezig was met
overleg en orde, zoodat er altijd wat kon overschieten voor
armen en kerk, en tevens een behoorlijk uur van den dag voor
den goeden God, van wiens gunst toch alles afhing. ,;Want,"
vaart tante voort, terwijl zij een kluwen sajet op het wieltje
spant en afwindt, „want, Henri, het zou toch jammer en schande
wezen, als wij geen gebruik maakten van \'t geen we in die
36 jaren gewonnen hebben ! Als je maar eens blieft te begrij-
pen, dat, toen ik zoo \'n aankomend meisje was, het bij
lange na zoo gemakkelijk niet ging, aan onzen godsdienstzin
zoo ruimschoots te voldoen als tegenwoordig. Een Pastoor met
een Kapelaan was op vele plaatsen al mooi voor een groote
parochie. En dan, wat hadden we voor kerken ! Onze toestand
mocht toen al wat beter geworden zijn dan in de dagen, waar-
van mijn vaderzaliger zoo aandoenlijk vertellen kon, een en
ander liet vóór \'53 nog heel wat te wenschen over. Om maar
iets te noemen: van vele werken van godsvrucht en naasten-
liefde, tegenwoordig zoo talrijk en bloeiend, wist in mijn jeugd
geen sterveling."
Mijnheer Van Noordveld meent, dat tante goed praten heeft,
zij, rentenierster, die haar schaapjes op het droge en allen tijd
aan zich heeft. „Maar van die mooie medaille," zegt hij,
«moest tante ook de leelijke keerzijde eens bekijken. Met al
die werken van godsvrucht en naastenliefde worden de vrouwen
van honk gehaald, en .... "
/;En de mannen .. .. "
«Och, moe," brengt Betje schalks in \'t midden, «laat Henri
toch uitspreken. Nu krijgen wij er zeker eens van langs."
«Daar heb ik geen reden voor," bekent de toegenegen neef
der dames. „/Vlleen dit wou ik opmerken, dat het dikwijls en
voor vele vrouwen beter was, zoo zij wat minder naar de kerk
liepen en wat méér thuis bleven; dat zij wat minder met de
-ocr page 183-
163
armen- en ziekenvercenigingen zich moeiden en wat méér in
hare huishouding bezig waren."
„Met je welnemen," repliceert tante, „ook van het heilige en
goede kan misbruik gemaakt worden. Als een vrouw het niet
kan bijbrengen, dan is het zeker verkeerd; zij mag haar boel
niet in \'t riet laten loopen, ten einde meer dan zij verplicht is
naar do kerk te gaan; zoolang zij nog goed in haar kleinen
zit, heeft zij wel wat anders te doen, dan met armen en zieken
persoonlijk zich te moeien. Maar toch zóó te verstaan, dat zij hare
bezigheden niet als voorwendsel gebruiken moet, om zich op een
fatsoenlijke manier er van af te maken met het praatje : ik heb
er geen tijd voor. Wanneer men \'t zoeken wil, wordt het wel
gevonden."
„Welzeker," zegt neef, „en de dames vinden het ook ! Van-
daag is er dit te doen en morgen dat; de congregatiën en vrome
genootschappen zorgen daar wel voor. En wanneer er \'s avonds
nog eens Lof is bovendien, hebben zij een prachtige gelegenheid
voor een promenade langs do manufactuurwinkels. Maar als
we ondertusschen dan eens een kijkje namen in de huizen van
die brave zieltjes, hoe het staat met de verzorging der kinderen
en het bestier van de huishouding . . . . ! Geloof me, tante, als
onderwijzer heb ik een treurige ondervinding daarvan opgedaan."
„Daarbij heb je dan toch door jou bril gekeken," herneemt
tante, met bizonderen nadruk qualificeerend, hoe haar neef die
„treurige ondervinding" opdeed. „Dat er misbruik van het
goede gemaakt wordt, geef ik je toe. Doch daarom den gods-
dienstzin onder ons, Katholieken, af te keuren, mag je niet."
Henri blijft er bij en zal de juistheid van zijne meening
staven door een sprekend bewijs; éen uit honderdon. „Zoo had
ik gisterenmorgen een mooie scène bij mij, toen de jonge
mevrouw Van Dalen met Juul uit de kerk kwam.. .."
„Christene zielon, laat dat schepsel zich óók al mevrouw
noemen ?"
„Dat is nu eenmaal smaak, moe," vergoelijkt de bruid op
\'t tipje.
12*
-ocr page 184-
164
„Die malligheid haal jij toch maar niet uit, hoor. Wat een
pretentie!" zegt juffrouw Borghoudt, terwijl zij hare dochter eens
in de oogen schouwt, als vreest zij, dat Marie weldra breken
zal met de stijf-burgerlijke traditie der familie.
Betje intusschen vindt dat zoo erg niet, daar de dienstboden
zich tegenwoordig juffrouw laten noemen, en zij in haar stand
toch een trapje hooger meent te staan, dan b.v. onze Maartje.
Doch wijl moeder zoowat een halve eeuw tenachter is op \'t
stuk van titulatuur, en dit onderwerp ook eigenlijk geen praat
waard is, vraagt Cato: „nu, Henri, en die mooie scène van
mevrouw Van Dalen, die je zoudt vertellen?"
„ Wel, zij kwam met Juul mee, zij wilde ons kind eens zien;
nota bene, madame heeft er drie, waarvan \'t oudste een jaar of
vijf is. En na een uurtje bij ons verbabbeld te hebben, staat
zij op met de verzuchting : „Julia-lief, ik moet gaan, nog twee
zieken heb ik voor de vereeniging in mijn wijk te bezoeken, en
vanavond preekt er bij ons een vreemde, dien ik absoluut hooren
wil. En dan, morgen-namiddag vergadering, die lang kan
duren, zooals gewoonlijk." — Ik kwam binnen, juist toen
mevrouw dat lijstje van goede werken opsomde, en meende te
vragen... ."
„Of zij gek was?" vult tante Berghoudt aan, „en dan hadt je
groot gelijk gehad. Een jonge vrouw met kinderen, zooals die
madam, heeft wel degelijk wat anders te doen, en plichten te
vervullen, die vóór gaan. Trouwens wordt ons dat in de kerk
ook duidelijk en dikwijls genoeg op het hart gedrukt. Maar
het misbruik, dat jij daar met het volste recht afkeurt, komt
bij de jonge mannen tegenwoordig nog veel erger in zwang, zij
\'t dan op een ander gebied. Wacht maar, als je daarheen wil,
zal ik je wol een handje helpen ! Want een jong-getrouwd man,
óók al uit den burgerstand, schijnt tegenwoordig lid te moeten
wezen van alle mogelijke vereenigingen, alsof zij geroepen waren,
niet om hun huisgezin, maar de heele maatschappij te verzorgen.
En dat noemen zij werken voor de goede zaak, jawel, geloove
wie \'t wil! Neen, \'t staat chique! Of denk je, dat het niet
-ocr page 185-
165
verkeerd is, wanneer een man, in de eerste jaren van zijn trou-
wen, Hd is, ik zeg niet eens nog van sociëteit, zang- en comedie-
vereenigingen en van dergelijke bankroetiers-makende mallig-
heden meer; neen, maar van collectanten-colleges, conferentiën,
vereenigingen voor dit en dat, en comitc\'s, waarvan ik de namen
niet eens onthouden kan ?"
;/En toch hebben die vereenigingen een goed doel," spot
neef.
wWel wis en zeker," vaart tante voort met volle overtuiging.
«Maar voor dat alles moeten zij opkomen, die door hun ge-
vestigde positie en leeftijd daartoe geroepen zijn. Voor de
jongeren zijn ze in den regel verkeerd, enkele vereenigingen en
in bizondero gevallen natuurlijk uitgezonderd. Die geschie-
denissen kosten gewoonlijk veel tijd en geld, die een jong-ge-
trouwd man in de eerste plaats aan zijn zaken moet besteden
en aan zijn huisgezin."
//Is mijnheer hier voor zijn pleizier uit ?" klinkt het opeens,
en het gezelschap verwelkomt den oudsten zoon des huizes, die
juist tijds genoeg is binnengekomen, dat hij moeders laatste
woorden kon verstaan.
z/Hé, Jan," vraagt Eetje, terwijl zij een stoel gereed zet voor
haar broer, die ter begroeting eerst op moeder toetreedt, «hé,
Jan, ben jij niet naar de lezing ? En je had nog wel zoo\'n
groote verwachting van dien meneer, hoe heet hij ook ?"
„Ik kon niet zoo vroeg klaar komen; de zaken gaan natuur-
lijk vóór."
„Zie je, zóó hebben de mijnen het geleerd," zegt juffrouw
Berghoudt met voldoening, en moeder kust den snorrebaard dat
het zoo klapt. (/En nu kom je zeker hier, om zoo aanstonds
van Leonard te\'hooren, wat die geleerde heer te vertellen had;
dan zal je er weinig bij verloren hebben."
«Goed geraden, moeder, Leo is een beste verslaggever." En
na een handdruk aan zusters en neef gaat hij tot dezen voort:
z/Wat die jongen eens hoort, Henri, onthoudt hij voor goed. Ik
-ocr page 186-
Ititf
vind het dan ook altijd jammer, dat vader hem op zijn vijf-
tiende jaar van school nam on loodgieter liet worden. Ik weet
wel, dat ik \'m had laten studeeren."
„Tut-tut-tut, er zijn geleerden genoeg in \'t land. Er zouden
op \'t laatst geen burgers en boeren meer zijn, om al die heeren
aan den kost te helpen !"
Zonder het te bedoelen wordt tante wat al te persoonlijk voor
neef; althans is Jan er op bedacht, op heur laatste gezegde een
andere wending aan het gesprek te geven.
Zooals we reeds opmerkten is Van Noordveld de eenige zoon
van juffrouw Berghoudt\'s eenigen broeder, die, kort na zijn gade
overleden, den dertienjarigen wees een sober orfdeeltje had na-
gelaten en bevolen aan de zorgen van een vriend, ter zijde ge-
staan door zwager Berghoudt als toeziende voogd. En dit juist
noemde tante hot ongelukkigste van do zaak. Do vriend van
den overledene toch had er op gestaan, dat zijn pupil niet bij
zijn oom zou inwonen, maar bij hem, den voogd. Wel was
deze een beste man, doch van geheel anderen stempel dan de
familie Berghoudt, hetgeen voornamelijk bleek toen Henri, in
plaats van een ambacht of den handel te leeren, zooals oom en
tante wenschten, en waarvoor hij geschiktheid en lust bezat, tot
geheel iets anders moest worden opgeleid. En hetzij dan, dat
hij do vooringenomenheid tegen de ouderwetscho ideeën der
Borghoudten al of niet had overgenomen van zijn voogd, op
den raad van dezen werd Henri onderwijzer en genoot geheel
zijne opleiding aan de openbare- en Itijksnormaalschool.
Daar was veel over te doen geweest; maar de jongen zelf
hield zich bij voorkeur aan zijn voogd, en oom mocht immers
slechts toezien! Later kwam het resultaat te beoordeelen;
maar dat later kwam te laat.
Nu reeds vier jaren loopt Van Noordveld met de acte van
schoolhoofd in den zak en even zoolang heeft hij naar dion post
:gesolliciteerd. Want, bij den overvloed, is hij te onbeslist, te
flauw voor een Katholieke school en heet hij te Eoomsch voor
een neutrale. Begreep de onderwijzer zijne positie nog maar
-ocr page 187-
167
zóó, dat hij, zonder juist voor b e 1 ij d e r te poseeren, toch
rondweoh en altijd voor zijn Katholicisme uitkwam, dan nog kon
hij zich op eminente voorbeelden beroepen; — of had hij zijn
plaats in de samenleving, zonder juist te getuigen, met
waarlijk christelijke beginselen gehandhaafd, clan zou Van Noord-
veld, als zoo velen, eervol en vruchtbaar kunnen samenwerken
zelfs met zijne tegenstanders. Maar gelijk de ridders in het
strijdperk kleur te bekennen, acht hij te niiddeleeuwsch-histo-
risch. In de Eijksnormaalschool, in dat palladium der weten-
schappen gevormd, heeft hij geleerd alle kleur lief te hebben.....
uitgenomen ztrarf, \'t geen niet onder de kleuren gerekend wordt.
Hij noemt zich dan ook met voorliefde neutraal onderwijzer.
Daarom merkte juffrouw Berghoudt met nadruk op, dat de
onderwijzer dan toch door z ij n bril gekeken had, wanneer
hij hZoo treurige ondervinding opdeed" van den godsdienst» en
weldadigheidszin van Neerlands Katholieken. Pleegt tante dus
met open kaart te spelen, neef is evenzeer gewoon haar wtroe-
ven" geregeld te verzaken. Maar van den anderen kant: «mag
zij den jongen graag" en «wil zij hem niet links laten liggen ;"
hij houdt veel van de zuster zijns vaders en bevindt zich gaarne
in haar gezelschap, waarom de goede vrouw dan ook geen weige-
ring hoort op het in aansluiting met haar laatst gezegde: «apropos,
blijf je een boterhammetje eten ? Eenvoudig hoor, je weet het."
En dat nu moest moeder vragen, onmiddelijk na hare meening
geuit te hebben, dat er op \'t laatst geen burgers en boeren
zullen wezen, om al die heeren aan den kost te helpen!
Geen wonder, dat Jan eene wending aan het gesprek tracht
te geven en Cato met blijkbaar welgevallen de bel hoort over-
gaan, waarop zij naar de deur huppelt met een „heerlijk, daar
zullen vader en Leonard wezen !"
„Neen, Toosje," zegt moeder, «niet doen, kind. Maartje zal
wel opendoen. En toch, vader heeft den sleutel."
„Och, moe ?-----"
„Jelui doet \'s avonds geen straatdeur open," luidt het beslist.
„Daar is nummer een al! waar is vader, Leonard ?"
-ocr page 188-
!6!S
„Vader houdt ginds nog een praatje, moe, met den ouden
hoer Do Biede. Als die luitjes aan den gang zijn ga ik er
van door. .. ."
„Christene zielen, gauw!" — en Leonard wordt geen tijd
gelaten om de aanwezigen te groeten, — „gauw, vader halen !"
zegt moeder, schielijk opstaande en met heur bril in de eene
hand en een kous in do andere gesticuleerend. „\'t Is om een
ziekte op \'t lijl\' te krijgen, pas uit zoo\'n warme zaal daar staan
praten in zoo\'n kouden mist! Kom, Jan, ga jij vader maar
halen, want dat duurt gewoonlijk uit-en-ter-na met dien De
Biede."
„Ta," lacht de aangesprokene, „dat is gemakkelijker gezegd
dan gedaan. Ik kan vader toch kwalijk bij den arm nemen...."
„Goddank, blijf maar, ik hoor hem al aan de deur."
En terwijl Leonard de eerste inlichtingen geeft, of de lezing
schoon, de zaal vol, of deze en die er óók waren, — heeft de
eerzame rentenier Berghoudt zich voor zijn quasi-verstoorde
wederhelft te verantwoorden nopens zijn praatje in dozen guren
Novemberavond, daar hij in de schatting van ega „nooit nage-
dachte schijnt te krijgen," ondanks zijn drie-en-zestig jaren.
„\'t Was maar een oogenblikje," verontschuldigt hij zich met
eene arme-zondaars-tronie, waarop vrouwlief: „om een kou te
vatten, heb je geen kwartier noodig. Toe, Betje, zeg eens aan
Maartje, dat zij kokend water binnenbrengt. Hó, Leonard, wacht
nu even met vertellen; ik wil er óók wel wat van hooren. Allo,
vader, u in de zorg, en, Toosje, schenk dan een grogje. Drin-
ken de heeren ook meê ?"
Geen der begunstigden slaat dit aanbod van de hand, en Jan
zegt zijn broeder dank voor het verraad aan vader gepleegd;
„want als jij dat praatje met De Biede niet verklapt hadt, zou
de grog tegen een mogelijke verkoudheid wel zijn wechgebleven.
„Natuurlijk," zegt moeder, „\'t is altijd geen kermis. Heb je
geen koude voeten, vader? Betje, toe, de marmeren stoof."
„Neen, dank je wel. Als je me mijn pijp en tabak reis geven
wil, kind, dan zal \'t wel gaan."
-ocr page 189-
169
Zoodra allen dan rustig gezeten zijn, wordt Leonard ten tweede
male door moeder aangemaand, zijn primitief verslag te staken
en geregeld te vertellen, zooals bij alleen dat doen kan. Bij
ondervinding wetend, dat die mijnheer, op wiens naam Betje
daar straks niet komen kon, voor de leden der Leesvereeniging
gewoonlijk improviseert, heeft Leonard met vrij goede steno-
grapliische bedrevenheid het grootste gedeelte zijner redevoering
opgeteekend. Hij haalt dus op algemeen verlangen zijn brieven-
taschje te voorschijn en deelt het gezelschap mede, dat de
gevierde redenaar begon met een klacht, welke tegenwoordig
veel vernomen wordt, n.1. over de malaise. Doch moeder ver-
zoekt al dadelijk zoo min mogelijk stadhuiswoorden te gebruiken,
anders heeft zij er niets aan. «Al heeft iemand onlangs dan
gezegd, dat we zoo schrikkelijk ouderwetsch zijn,
ik houd er van, om de dingen bij hun goeden Hollandschen
naam te noemen. Dan verstaan we elkander. Maar dat woord
nu, hoe noem je \'t ook weer, Leo, hoe, melasse ? ik begrijp
het niet."
„Malaise, moe," zegt haar zoon, die de oogenblikken, waar-
in moeder aan \'t\' woord was, benuttigd heeft om de grog eens
te keuren, die Betje onderdehand den heeren presenteert.
„Malaise" herhaalt hij en expliceert: «dat is zooveel als slechte
tijd, stilstand in de zaken, tegenspoed, achteruitgang en wat
dies meer zij,"
„Wat je niet weet, vrouw, of niet verstaat, dat heb je maar
eventjes te vragen ; meester zit er bij," zegt de oude heer, met
blijkbaar vergenoegen zich het hoofd van dezen liefelijken fami-
liekring gevoelend. Catótje mag de Cognacflesch nog niet wech-
zetten, zij zullen aanstonds nog eens repeteeren.
wAllons dan," hervat Leonard, ,,zóó ongeveer begon de spre-
ker: Meermalen gebeurt het ons, Mijne Heeren, dat wij bij de
ontmoeting van bekenden, en ook wel van onbekenden, ons ge-
sprek al spoedig richten naar het vruchtbaar onderwerp, dat wij
aanduiden door het woord malaise. Vruchtbaarder nog dan de
Sociale Quaeslie, — bij welker bespreking en pogingen tot op-
-ocr page 190-
170
lossing zoovele beste stuurlui aan den wal staan schreeuwen, —
veel meer omvattond noem ik dit onderwerp, wijl het voor een
massa menschen oorzaak en gevolg tevens is van hun doen en
laten.
Aan de malaise immers meent deze groothandelaar te moeten
wijten, dat hij schier niets omzet, en gene fabrikant, dat zijne
producten hem niet werden afgekocht; maar het heeft allen
schijn, dat diezelfde malaise hunne behoefte vermeerdert aan
weelde en kostbare vermaken !
Door de malaise wederom zegt de winkelier zoo bitter weinig
te verkoopen, en klaagt de ambachtsman geen werk te kunnen
vinden; doch is het ondanks of niet veeleer door die malaise,
dat Cafo\'s en herbergen vermeerderen en fraaier, confortabeler
worden, ten gerieve van dezelfde winkeliers en hun dienstperso-
neel, ter verpoozing van diezelfde ambachtslieden en hunne
maatjes-gelijk ?
Over de malaise zucht de huismoeder van hoogeren en lage-
ren stand bij de zorg voor haar gezin ; en andermaal vraag ik,
is het in weerwil van, of juist dóór de malaise, dat zij er op
bedacht is, hare vriendinnen en geburen te overtreffen in ont-
vangst van hare gasten, in kleoding, huisraad en verder ver-
bruik ?
Ongelukkig woord malake! Het geeft den staatsman zooveel
te denken, den nijveren burger zooveel te klagen! Hot voert
den diepzinnigen theoreticus tot de heterogene beschouwingen
van óverpruductio en overbevolking, terwijl het den nuchteren
practicus, — met al even luttel succes — zinnen doet op een
middel tegen het misbruik van Plutonische macht, tegen de
moderne afdwalingen van datgene, wat eertijds ten goede kwam
aan geheel de maatschappij zoowel als aan het individu...."
«Stil eens, Leo," onderbreekt moeder de nalezing met den
wijsvinger aan het oor.
;,Individu, moe, beteekent. .. ."
z/Neen, stil eens," is het ongerust wederwoord. //Hoort jelui
niets ?"
-ocr page 191-
171
«Ik .... niet.... ja toch : bim, bam."
„Zoowaar, de stadhuisklok ! Luistert.... er is brand !"
;,Welneen," \'t slaat half elf," meent vader en hij klopt zijn
pijp uit; waarop Marie zegt: „\'t is pas even tien uur," en
Henri: „ik geloof, dat tante gelijk heeft, \'t is de brandklok."
„Ja, nou hoor ik het ook," zegt do oude heer, en, alsof de
schrik nog niet groot genoeg was voor de dames, en de nieuws-
gierigheid niet sterk genoog voor de heeren, klinkt er op eens
een hevigen, herhaalden ruk aan de huisbel.
«Lieve Heer, \'t zal toch niet hier wezen," roepen de meisjes
beangstigd, en Jan en Leonard vliegen de kamer uit.
„Weest nu in vredesnaam bedaard," kalmeert moeder, „de
stadhuisklok luidt immers al? Toe, vader, blijf thuis; laten de
jongelui alleen gaan kijken, \'t is buiten te koud voor je, man....
Neen, geen meisjes naar den brand," zegt zij verder, als Cato
en Betje zich willen gereedmaken, om beslag te leggen op den
arm van neef Henri.
Doch terwijl ook deze zich alleen heenspoedt en moeder voor-
stelt, een doek om den hals te slaan en boven uit de ramen te
kijken, verschrikt ook zij door het binnenstuiven van Maartje,
die uitroept: „God, juffrouw, er is brand bij uw zoon in den
verfwinkel!"
„Bij mijn zoon ....?!" roept vader hevig ontsteld.
„Ja, meneer, ze kwamen \'m hier zoeken. Al \'n kertierhadde
ze \'m gezocht, de stommelingen, \'t is zonde, dat ik het zeg, ze
wisten ons niet te wonen.. .."
Hoe verpletterend deze tijding voor de familie ook is, de
kloeke vrouw laat zich er niet door temederslaan, en als een
bevel klinkt haar besluit: „Kom, moed, vader, \'t zal wel zoo
heel erg niet wezen. We zullen bij Van Dijk, hier om den
hoek, een vigilante nemen, — Maartje ga \'m eens gauw bestel-
len, zeg maar, dat we aan de stalhouderij zullen instappen. —
Zie je, vader, dan halen we Anna en de kleinen hier. Kinderen,
neen, jelui blijft thuis, binnen het half uur zijn we terug!"
-ocr page 192-
Ouderzorgen en een maatschappelijk vraagstuk.
Heeft u, lieve lezer, ooit gestaan bij een kinderziekbed, be-
waakt.... ja, door wie anders dan de moeder? Ach, \'t is waar,
misschien heeft u eens een kleine reeds bij den aanvang van \'t
leven zien worstelen met den dood, een arm kind, dat een
weesje was, verstoken van eene liefde, die zelfs gij, Bruiden van
den Goddelijken Kindervriend, niet geheel vergoeden kunt.
Maar hier voer ik u bij de zachte legerstede, door eene moeder
voor haren kranken lieveling gespreid en door haar alleen be-
waakt. Dies leid ik u eene school binnen, waar, gij en ik,
opmerkzame lezer, waar wij beiden liefde leeren en opoffering,
bidden en dankbaar zijn. Is moederliefde de grootste: zie eens,
nergens treedt zij zoo in \'t volle licht als hier, waar een jonge
vrouw het leven van haar leven bedreigd ziet door den onver-
murwbaren dood. Niet waar, dit schouwspel herinnert ons aan
zooveel, wat wij, wat gij en ik, nadenkende lezer, verschuldigd
zijn aan hen, wien wij \'t leven danken.
Julia, de jonge gade van den onderwijzer Van Noordveld,
verwelkomt zachtkens eene nu vooral zoo welkome bezoekster
aan de lijdenssponde van haar eersten en eenigen lieveling.
«Hij slaapt," fluistert zij en snikkend heet het verder; „ach,
tante, waar bleef u toch zoo lang ?"
-ocr page 193-
173
Zou juffrouw Berghoudt in andore omstandigheden hare nicht
het antwoord niet schuldig gebleven zijn, nu wenkt zij
slechts met de hand om tot kalmte te vermanen, en treedt on-
hoorbaar op het wiegje toe, waarin Henri\'s kind, die den naam
van zijn grootvader, haar broer Albert, draagt, — in koortsige
sluimering woelt.
„\'t Schaap ligt wat laag, Juul," zegt zij meer door gebaar
dan door klank van woorden; waarop de moeder: „dat komt
van \'t woelen, tante. Ach, mijn engeltje lijdt zoo verschrik-
kelijk !"
„Van \'t woelen, ja," gaat de ander in denzelfden toon voort,
en, Julia bij de hand naar de deur trekkend, fluistert zij:
„roep je meid reis even hier, ik moet je eons wat zeggen."
„Neen, tante, ik ga hier niet vandaan," snikt de arme moe-
der en zij houdt zich vast aan den deurstijl. Zij kan \'t echter
niet blijven weigeren, het dringend herhaald verzoek, dat hare
dienstbode voor een paar minuten haar plaats zou innemen; en
een oogenblik later zijn beiden in de voorkamer, waar de be-
zoekster zich van hoed en mantel ontdoet en antwoord geeft op
het zacht verwijt, „dat zij maar heel eventjes in \'t wiegje keek,
zonder er overheen te buigen." Tante zal „wel wijzer wezen.
Bij zoo\'n disperaat ziek kind moet je niemand toelaten, zóó uit
de buitenlucht, dat is altijd nadeelig."
„Maar, tante, dat u niet vroeger gekomen ben ! Hij ligt nu
al drie dagen tusschon leven en dood, mijn ventje, mijn engel,
en .... " een hevig snikken belet de moeder verder te spreken.
,,Hoor eens, Juulje-lief," herneemt juffrouw Berghoudt, en
vriendelijk troont zij hare nicht naar een stoel, waarbij zij staan
blijft met de hand op Julia\'s schouder. „Ja, schrei maar eens
goed uit, arm moesje, ik heb zoo innig medelijden met je. En
dat ik niet eerder gekomen ben, kindlief, is door den brand___
Doch daarover heen, je hebt genoeg te dragen aan je eigen
pakje. Maar wat ik eigenlijk zeggen wou: nu heb ik plan hier
te blijven en niet vóór morgenochtend heen te gaan; op éene
voorwaarde."
-ocr page 194-
174
w0, tante, u kan hier best logeeren__ en — maar neen__
nu moet ik naar mijn schatje."
„Welzeker! Doch zoo zijn we niet getrouwd," hervat tante
met een poging tot wat luchtiger toon. En, de gejaagde moe-
der weder in haar stoel vleiend, vervolgt zij met nadruk:
ffmijn voorwaarde is, dat jij dan wat rust neemt, dat je wat
gebruikt en gaat slapen."
wik slapen?" nokt de droeve als van iets onmogelijks.
«Laat mij eerst eens uitspreken, Juultje. Je ben al twee,
drie dagen op de been, dat hou je niet vol. Wees dus ver-
standig en ga wat rusten. Ik zal je plaats bij je kind inne-
men, geloof me, ik zal het ventje oppassen, of het mijn eigen
was, en.... " ook tante schreit. Dadelijk echter verkloekt zij
zich weer, en eenigszins boos op zich-zelve, gaat zij op de haar
eigene wijze voort: «zottinnen, die we toch zijn, door elkaar
wat van streek te maken, in plaats van wat uit te voeren I Toe,
Juulte, laat je nu eens raden, neem rust, dan ga ik dadelijk
naar \'t wiegje."
Juffrouw Berghoudt kan zich feliciteeren met een voorloopig
succes, wijl de afgetobde moeder er eindelijk in toestemt, ten
•minste te probeeren iets te gebruiken en tot vanavond te gaan
rusten, eene weelde, die zij in de laatste driemaal 24 uren niet
heeft gekend. Met stilzwijgend voornemen dus, om het te ver-
geten, zegt tante, Julia tegen tien uur vanavond te zullen wek-
ken, en spoedt zich liefdevol naar den haar zoo goed toever-
trouwden post.
Hoe dankbaar is Van Noordveld, die omstreeks half vijf uit
de school komt en zoo\'n trouwe wachtster vindt bij de sponde
van zijn lieveling!
z/Tut-tut," fluistert tante met vriendelijken glimlach, ffdank
Onzen-Lievon-Heer, als \'t goed mag afloopen."
//Zou u dan denken ....?"
wDat hij \'t nog ophaalt....?"
„Ja....?"
wEr is ten minste nog hoop. Hij is, dunkt mij, de crisis
-ocr page 195-
175
door. De dokter is er zooeven geweest, maar die kan er
weinig van zeggen ; bij zoo\'n jong kindje is het meestal raden.
Op \'t oogenblik heeft hij geen koorts; zie, neen niet te dicht
bij, zóó, zie je wel? \'t ventje slaapt nu als een roos; alleen dat
rochelen bevalt mij niet. Maar weet je wat," vaart de liefde-
rijke altijd met gedempte stem voort, „ga nu gauw eten, want
zoo aanstonds verwacht ik Leonard hier, om eens een flinke
wandeling met je te maken in do frissche buitenlucht, dat zal
je goed doen. En dan moest je gaan slapen. Mocht ik je soms
noodig hebben, dan zal ik je roepen, anders trek je door tot
morgen, zonder Juul te wekken."
„Is zij dan-----?"
„O, goed bezorgd, in de veeren, hoor. \'t Schepsel had het
meer dan noodig. Kom, ga dan," fluistert tante met minzamen
aandrang.
„Maar wou u vannacht dan alléén hier blijven ? o, met de
meid zeker. ..."
„Weineen, die is óók al lang genoeg in touw geweest; ik
heb mijn werkvrouw voor vannacht hier besteld."
„Maar tante . . . ."
„Neen, geen maren," besluit zij met nadruk, en toch, o zoo
zacht! „Doe nu, zooals ik zeg. Er moet hier niet zooveel ge-
praat worden. Adjuus."
Van Noordveld echter draalt nog, en, na een teederen blik
op het wiegje, grijpt hij hare hand en fluistert zijn innigen dank,
dien de waardige vrouw zich laat welgevallen, terwijl zij hem
zachtkens de ziekenkamer uitgeloidt.
Afgezwoegd, door droefheid en angst nog méér, dan door de
vermoeienis der drie laatste dagen, en nu gerust omtrent de
zorgen door tante Berghoudt van\'haar overgenomen, lag Julia
al spoedig in een verkwikkenden slaap, waaruit zij niet voor
den volgenden morgen gewekt wordt, met het blijde bericht,
dat haar kind leeft, naar omstandigheden wèl is en de dokter,
— met wien de ervarene verpleegster het intusschen niet eens
-ocr page 196-
176
is, — moed heeft gegeven door de verklaring, dat de kleine
het gevaar te boven is, ja, binnen oen week geheel hersteld zon
kunnen zijn; mits .... dat hij goed worde verzorgd.
ffO, tante, daar zal \'t niet aan rnankeeren," verzekert de
moeder met stralenden blik.
ff Ja, kind, dat zeg je nu wel en bedoel je ook goed; maar
toch is er hier een groot gebrek in de verzorging," oordeelt
juffrouw Berghondt; waarop nicht, niet haar, doch meer zich -
zelve afvraagt: „een groot gebrek ?"
//Zeker Juul. Hier moet stilte zijn. Geen visites, geen ge-
babbel, ook niet boven of in je voorkamer. Niet minder dan
vier bezoeksters heb ik gisteren tegen den avond afgewezen."
wJa, ziet n, deze en gene komt al eens kijken, en we zijn niet
zoo heel ruim gehuisd. .. ."
//Welnu, dan kan je toch eenvoudig aan de deur laten be-
danken voor de belangstelling en zeggen, dat jo niet te spre.
ken ben, dat er vooral niemand bij \'t kind mag toegelaten
worden. Zoo zou ik doen. En, Julia, nu moet ik naar
huis."
z/Ja, tante. Ben u niet vreeselijk moe ?"
«Neen, kind, dat gaat nogal, \'t Is niet voor den eersten
keer in mijn leven, dat ik zoo\'n nachtje doorbracht. Morgen
zie je mij weerom, als \'t God belieft en ik kan \'t er uitbreken."
z/Och, tante, hoe zal ik u bedanken. ..."
wMe lieve ziel, er valt bij mij nog wat anders te doen! Maar
genoeg. Goeden moed houden, hoor. Adjuus tot morgen."
De kloeke vrouw spoedt zich naar huis, want inderdaad daar
valt nog wat anders te doen ! Doch al heeft zij aldra het zesde
kruisje achter zich, zij ziet er niet tegen op, zelfs na deze
nachtwake hulp te vorleenen, waar die alweder gewacht wordt,
al ware \'t slechts door hare bezielende tegenwoordigheid en heur
gezachhebbenden raad. Tante heeft Henri „feestelijk bedankt"
voor een vigilante, zij kon dat eindje nog best loopen, daarbij,
de tijden zijn er niet naar om te rijden.
-ocr page 197-
177
Lieve Heer, wat kan er in vier dogen tijd toch veel gebeuren!
Bij Jan de boel afgebrand tot den grond toe en, ja verassu-
reerd, doch te laag, om geen groote schade te hebben ! En dan
dat andere. . .. ! Wat ? Och, laten we er niet aan denken, de
goede God geve uitkomst! — En met Anna, dat \'s me óók
iets! Gelukkig, dat mans moeder en vader er gauw bij waren :
in de consternatie had men aan haar en de kindertjes weinig
gedacht, toen men eenmaal wist, dat zij niet meer in \'t bran-
dende huis waren. Anna\'s familie, och, weet u, goeie, beste
menschen ! maar niet van de vlugsten, als \'t er op aan komt
iemand wezenlijk te h e 1 p e n. Beklagen, o ja, dat kunnen zij,
zoo goed als de besten. Zoo stond me daar Anna\'s vader met
zijn kleindochter, een peuzel van drie jaar, in zijn arm, naar
den brand te kijken en te schreien als een schooljongen; de
man was geheel van de wijs. Anna zocht ondertusschen in
duizend angsten naar \'t kind; zij wist wel, dat zij \'t vader
gegeven had, maar die was nergens te vinden ! Wat blief ? Hij
dacht er niet eens aan, waar zijn dochter gestoven of gevlogen
kon zijn, en bleef maar onder de groote massa volk staan kijken
en jeremiëeron. Gelukkig, nog geen half uur daarna waren zij
alle drie goed onder dak bij vader en moeder Borghoudt. Maar
de schrik voor Anna.... en dat in hare omstandigheden . . .. !
Geen wonder, dat zij erstig ziek ligt, hoewel nu buiten gevaar.
Goddank !
Met dat al, hoe kostelijk is zoo\'n gelegenheid, om elkaar te
helpen! Wat maakt het een mensch gelukkig, als men voor een
ander wat doen kan, als men in staat gesteld wordt werkdadig
te troosten en op te beuren. «Die gedachte maakt mij nog wel
zoo blijde, als ik bedroefd zou kunnen zijn over het ongeluk,
dat mijn kinderen overkomen is," verklaart juffrouw Borghoudt
des anderen daags aan den Pastoor, die de familie komt geluk
wenschen, dat een en ander nog zoo goed is terecht gekomen.
;/Toen ik gisterenmorgen van mijn neef terugkeerde, Pastoor,
wandelde ik op mijn gemak naar huis, en de heele geschiede-
nis kwam mij voor den geest, zooals ik het u daar vertelde."
13
-ocr page 198-
178
wJa, Pastoor," commenteort Marie, //vindt u het niet wat al
te sterk van moe ? Zij heeft gisterennacht gewaakt bij den
kleine van onzen neef Van Noordveld, u kent hem wel, dien
onderwijzer."
//Ho, ho," zegt moeder, //maak daar nu geen burengeruchtje
van; \'t heeft immers niets om \'t lijf. Als men helpen kan,
moet men \'t ook doen waar \'t noodig is."
«Maar Julia\'s familie is daartoe toch nader dan wij," meent
Cato.
«Dat moet je met geen passertje afmeten, Toosje; die men-
schen hebben óók het hunne gedaan. Daarbij zijn de meesten
handig in \'t koken van een soepje en eens te laten vragen hoe
\'t gaat, wat zegt u, Pastoor?"
//En practische hulp gaat iedoreen niet zoo goed van de hand
als moedor Berghoudt," is hot antwoord van den herder, die
de zijnen kent. „Maar toch moet u zich in acht nemen. Op
uw leeftijd bij een ziek kind te gaan waken, terwijl u hier
reeds zooveel ongewone drukte heeft, is wel wat sterk, daar
heeft Marie gelijk in."
«Wel ja, Pastoor, zet u mij nu ook eens in \'t zonnetje.
Toen ik thuiskwam, heb ik goed uitgerust, en daarna....
niets had ik te doen! Ik heb drie groote dochters, die ik ge-
leerd heb te werken, moet u weten. Als ik Maartje zoowel al
geen jaren in mijn dienst had, zou ik haar dan ook allang
congé gegeven hebben . .. ."
wEn dan zoil moe de straat schrobben!" veroorlooft Betje
zich lachend dat //schrikkelijk ouderwetsche" thema af te bre-
kon. \'t Was niet noodig geweest, er komt reeds variatie op;
zie, de deur gaat open en binnen treedt de oudo heer, die
zich aangenaam verrast toont door de aanwezigheid van zijn
Pastoor. //Daar doet UEW. wel aan, dat u de schaapjes in hun
ongelukken komt troosten."
//Troosten eigenlijk niet; integendeel, ik kom u feliciteeren,"
verzekert de bezoeker.
z/Peliciteeren ? Waarmee, als \'k u vragen mag ?"
-ocr page 199-
179
«Wel, papa, dat alles nog zoo goed is terechtgekomen,"
zegt ZEw.
«Goed terechtgekomen, Pastoor," herhaalt de ander, «goed
terechtgekomen ? Veel, veel te laag verassnreerd ! De jongen
heeft een schade van belang! En dan, niets te verdienen, vóór
het huis weer is opgebouwd en de zaak op dreef is!"
;/U begrijpt mij verkeerd," meent de geestelijke, waarop de
leek ongeduldig: «och, eerwaarde, daar moet u mij niet van
praten. Een ieder in zijn doen. Geestelijke en wereldlijke zaken
zijn twee! Groot verschil, Pastoor, groot verschil!"
«Kom, kom, vader, maak je zoo warm niet," kalmeert moeder
de vrouw met een minzaam lachje.
«Maar, Berghoudt," herneemt zijn herder vriendelijk, «is het
dan geen felicitatie waard, dat je schoondochter, wel niet met
den schrik alleen er is afgekomen, maar nu toch weer geheel
buiten gevaar en aan de betere hand is ; en dat de kindertjes
gered zijn, die toch in groot gevaar verkeerden ? Dat huis en
inboedel, zij \'t dan wat laag, toch soliede verzekerd waren ?
Dat u in staat en in de gelegenheid is, uw zoon en zijn gezin
behoorlijk te herbergen en, zoo noodig, verder te helpen ?
Dat...."
«\'t Is waar, Pastoor," valt de beproefde zijn trooster in de
rede, «dat alles is goed en wel. Doch ik heb méér kinderen."
En ontroerd klaagt hij : «Waarom moeten ons zulke slagen tref-
fen ! \'t Ging alles zoo goed, we waren zoo gelukkig !...."
«Maar, vader, hoe heb ik het nu ?" roept zijn trouwe ega uit,
terwijl de meisjes op haar wenk stilletjes heensluipen. wDaar
staan hem waarachtig de waterlanders in de oogen! Dat komt
meest daar vandaan, Pastoor," gaat zij tot dezen met gevoel voort,
«dat mijn man zoo zielsveel van de kinderen houdt en niets
verdragen kan, wat hun kan doeren. Zij passen dan ook voor-
beeldig op. Zij zijn de vreugd van onzen ouden dag !" —
Gelukkige ouders, die zulk getuigenis van hun kroost kunnen
geven! Maar ook : gelukkige kinderen, wien zulk een lofspraak
in waarheid geldt!
13*
-ocr page 200-
180
wEn dit is het juist, waarmede ik u ten laatste nog wildo
feliciteeren," herneemt de Pastoor met vriendelijken ernst. //Maar,
papa, juist omdat je zoo\'n gelukkigen ouden dag hebt, mag de
goede God je toch óók wel eens een kruisje opleggen, dat trou-
wens nog al gemakkelijk te dragen is...."
Een [zacht kloppen op de deur onderbreekt deze gemoedelijke
taal, doch slechts voor een wijle. Want, als neef Henri binnen-
gekomen is en der belangstellende familie gunstig bericht over
den kleinen patiënt gebracht heeft, kan mijnheer Pastoor, na
wederzijdsche plichtpleging met den heer Van Noordveld, den
aandrang van de vrouw des huizes niet wederstaan, dat ZEw.
zijn betoog mocht voortzetten. En niet zonder bedoeling nood-
zaakt zij den neutralen onderwijzer daarnaar te luisteren,
door hem te verzoeken een poosje te blijven. ffDan ga ik aan-
stonds met je mee, zooals ik Juul gisteren beloofd heb," over-
reedt zij hem, om vervolgens den Pastoor met veelbeteekenenden
blik te zeggen: //ja, eerwaarde, hij is er óók een, die \'t zwaar
meent te hebben, \'t Scheelde van de week maar zus of zoo,
een dubbeltje op zijn kantje, of hij verloor zijn eenigen lieve-
ling; niet waar, mijn jongen ?"
«Tante introduceert mij wel aardig," glimlacht de school-
meester aan \'t adres van heeroom; waarop deze zijn ingenomen-
heid betuigt met zulk een wijze van voorstellen, en niet nalaat
te vragen, hoe \'t met den kleinen zieke gesteld is. «\'t Gaat
nu nogal, Pastoor, dank u," zegt hij opgemonterd, en tegen
tante: «Straks lachte hij in zijn wiegje. Julia wou \'m er eens
uitnemen."
«Niet te vlug, niet te vlug," waarschuwt de ervarene moeder.
z/Ach, ik heb toch zoo\'n akelige week achter den rug," zucht
hij nu, als vreest hij, dat tantes woorden een voorspelling
inhouden.
wEn wij dan ?" meent oom te mogen klagen.
z/Hier was nog geen doodsgevaar," veronderstelt neef.
«Zoo, en Anna dan ?"
«Ja, Henri," licht tante in, //haar heeft de schrik zoo aange-
-ocr page 201-
181
pakt, en dat in haar toestand moet je denken, dat zij daags na
den brand wezenlijk niet buiten gevaar was. De dokter vond
het geraden, mijnheer Pastoor te laten roepen. Maar vanmor*
gen heeft de geleerde heer verzekerd, dat zij \'t door haar sterk
gestel te boven gekomen is en alles wel zijn gewoon verloop
hebben zal. We moeten echter nog ter dege oppassen."
„Wat zegt u, daar wist ik niets van ! Door eigen zorgen ...."
„O, dat is te begrijpen," valt tante hem minzaam in derede.
«Ik heb er je vrouw ook niets van verteld, toen zij weten wou,
waarom ik niet eerder gekomen was. Ik dacht, zij heeft ge-
noeg aan haar eigen pakje; schoon we allen een pakje te dra-
gen hebben, niet waar, Pastoor?"
„Ja," zegt haar echtvriend, don heeren een\' sigaar presen-
teerend, „zij denkt, eerwaarde, de preek was nog niet uit."
„Preeken doe ik alleen in de kerk, papa," geeft de Pastoor
lachend ten bescheid. „Doch op uw neerslachtig klagen paste,
dunkt mij, wel een woordje over \'t nut van wederwaardigheden,
die u nu ook eens ondervindt."
„Asjeblieft," herneemt de oude heer, „ik ben juist niet lachen»
de door \'t leven gegaan. We zijn 34 jaar getrouwd...."
„Met Mei wordt het al 36 jaar," verbetert zijn vrouw.
„36 dan ; en in dien tijd heb ik heel wat moeten ondervin-
den, dat verzeker ik u, eerwaarde!"
„Welnu, dan heeft u toch ook ondervonden, hoe de goede
&od nu eens slaat en dan weder heelt ? Ongelukkige menschen,
die niets kunnen dragen ! Laatst had ik het met u over de
Sociale Quaestie; maar wil je wel gelooven, papa, dat in de on-
tevredenheid met die beschikking der Voorzienigheid het vraag»
stuk ligt, dat de geheele maatschappij tegenwoordig bezighoudt
en in beroering brengt ? Wat toch is het geval ? Dat wij allen
gelukkig willen zijn en het op de wereld onmogelijk zijn kun-
nen, ten minste niet in alle opzichten. Dat ondervinden we,
groot en klein, in ziekten en kwalen, in verlies van betrekkin-
gen, van geld en goed, in teleurstellingen, enz. enz.; vooral ook
wordt dat ondervonden, door het verschil in staat en stand.
-ocr page 202-
182
De een heeft zijn leven lang weelde, zonder er iets voor te doen,
en do ander moet altijd zwoegen en tobben voor een sober stuk
brood. Zoo heeft God het nu eenmaal in zijn wijs-gestelde
wereldorde bepaald. Daartegen nu komen de ontevredenen op,
of zij willen zich wijs maken, dat die wereldorde niet bestaat, wijl
zij niet aan God gelooven, de lui n.1. van gelijkheid en broeder-
schap, de grooten met ni Dien, de kleinen met ni ma-Ure 1).
„Zij hebbon geen succes natuurlijk. Want Gods beschikking
staat onveranderlijk vast. In hun verzet zelf moeten zij toch
werken en lijden, en zijn diep ongelukkig bovendien; maar door
lmn eigen schuld.
„Als een ieder in de groote maatschappij, ja zeker, ook daar,
in de menschclijke samenleving, de zorgen en wederwaardig-
hedon droeg, zijn plichten waarnam, cordaat en blijmoedig over-
eenstemmend met Gods albestierende Voorzienigheid, dan zou \'t
anders gesteld zijn in de wereld. Pan zou het gezach, niet enkel
door zijne geëigende wijding, maar ook door het goede voor-
beeld sterk zijn, dan zou er gehoorzaamheid wezen, liefde en
dankbaarheid.
„Iemand toch, die zich niet halsstarrig aan Gods wilsbeschik-
king onttrekt of, beter gezegd, het niet tracht te doen, want
zich er aan te onttrekken is onmogelijk, — zoo iemand smaakt
zelfs de zoetheid en doorziet het geheim van barmhartigheid\',
dat gelegen is in de beproevingen en wederwaardigheden des
levens. Die zijn kruis, \'t zij dan zwaar of licht, gewillig op-
neemt en blijmoedig draagt, die zal lijden, ja, maar dat lijden
is afboeting, die wij allen noodig hebben; en afboeting is ver-
giffenis, is zielerust, vreugde en vrede."
„Maar, mijnheer Pastoor," zegt van Noordveld beleefd, daar
hij, evenals oom en tante, het onderhoud met belangstelling
volgt, wals u mij permitteert iets in \'t midden te brengen....?"
1) ZEw. schijnt intusschen te vergeten, dat hij tot een eerzamen,
welhcbbenden rentenier spreekt, wiens gade bovendien niet van „stadhuis,
.woorden" houdt.
-ocr page 203-
183
//Zeker, zeker," luidt hot vriendelijk aanmoedigend.
wDie berusting in de Voorzienigheid is wel zeer vroom,
doch men komt daarmee in de wereld zoo weinig vooruit,
Pastoor ! Misschien is uw leus laiter faire, laiser aller; maar ik
voor mij houd meer van handelen, de handen uit de mouw te
steken en, zoo noodig, tegen den stroom op te roeien."
Dat alles is tante nu wel wat te geleerd, maar zij zal er
het zwijgen toe doen, Pastoor neemt het woord.
//Begrijp mij goed," repliceert ZEw. »De berusting, waarvan
ik spreek, is geen Jan-salie-geest, zij leidt er niet toe, dom met
de handen in den schoot te zitten en alles over te laten aan
Onzen-Lieven-Heer tj en! Integendeel, zij port tot
werkzaamheid. Die berusting is de moedige overeenstemming
van den mensch met God-zelf, met den Bestierder der wereld-
orde, die aan een ieder zijn taak aanwijst, nu eens in kommer
en zorgen, dan weder in voorspoed en welvaart. O, betrekke-
lijk, wil u er bijgevoegd hebben, uitmuntend! Er zal altijd
verschil bestaan. Maar grooten en kleinen moeten zich toch
beschouwen als leden van éen gezin, als kinderen van den
Vader, «die altijd werkt," en zóó, ten bate van het algemeen
zoowel als van zich zelf, aannemen \'s levens last en zorgen, en
trouw volbrengen Hde mate arbeids, welke de Voorzienigheid een
ieder onzer toebedeelt," zooals een groot man placht te zeggen.
z/Maar," en Pastoor rijst van zijn zetel, «ik zit hier op mijn
praatstoel, alsof ik al den tijd had," en \'t horloge wordt eens
met de pendule vergeleken.
z/Och, eerwaarde, \'t is nog vroeg," beweert de rentenier.
z/Neen, neen, ik moot gaan," luidt het wederwoord. //Nu,
papa, je hebt in alle geval begrepen, dat ik u feliciteeren mocht,
niet waar?"
wWat zal ik u zeggen, Pastoor. Zoo u nog wat toeven
wou...."
Daar komt echter niets van in. En de krijgslist van moeder,
die //niet weet waar de meisjes ZEws. hoed gelaten hebben,"
helpt ook al niet. Een kwartier later bevinden zich tante en.
-ocr page 204-
184
neef zelf reeds op weg naar den kleinen patiënt, die voor \'t
eerst na den aanval der hevige ziekte, ligt te spelen op de
knieën van zijn overgelukkige moeder.
Maar de belangstellende ziet met één oogopslag, dat de kleine
Albert toch geen //blijvertje" is.
Arme ouders!
-ocr page 205-
Een alledaagsch gevalletje, waarbij echter iets niet alledaagsch
valt op te merken.
Juffrouw Berghoudt zit eens rustig te schemeren. Zij is «blijde
eens op heur verhaal te kunnen komen," zoo noodt zij haar
echtvriend en zoon tot gesprek, daar vader met de half-uitge-
vouwen Tijd in zijn matten stoel met hooge rugleuning zit te
droomen, terwijl Jan lusteloos uit het venster tuurt naar de
telkens meer ontstoken lichten in straat en winkels. «Kom,
waar prakkezeert jelui toch over," vervolgt zij wat luider dan
eerst, wijl de heeren haar schijnbaar niet de minste aandacht
schenken, „\'t Geval ligt er nu eenmaal toe; er zit niet anders
op, dan in Gods wil te berusten.
„O, Jan, je hadt er verleden week eens bij moeten wezen,
toen de Pastoor ons dat lesje voorzei! Wat was ik blij, dat
Henri juist hier kwam; bij hem is toen niet aan doovemans-
deur geklopt."
«Zoo; toen ik hem gisteren condoleerde, kon ik daarvan toch
niet veel merken," werpt Jan verstrooid tegen.
„Ik zooveel te beter," verzekert zijn moeder. „Zij zijn ziels-
bedroefd, natuurlijk, \'t Is dan ook wel erg: hun eenige! En
\'t kind had het al zoo mooi opgehaald; maar men kan daar
gewoonlijk geen pijl op trekken. Enfin, zei ik zoo tegen Henri,
\'t is een engeltje meer in den Hemel, daar hopen we toch
allemaal eens te komen; houd maar goeden moed. En wat
antwoordde hij, denk je ?"
-ocr page 206-
186
«Niets," veronderstelt haar zoon.
«Neen, jongen, hij zeide, dat het ongeluk, het verlies van zijn
kind hem tot de betere inzichten gebracht heeft, welke mijnheer
Pastoor hier verleden week verklaarde. Ik geloof, dat hij die
redeneering nog beter begrepen heeft, dan wij, vader."
z/\'t Doet mij pleizier," verzekert heur echtvriend.
z/En nu wil ik maar zeggen," gaat juffrouw Berghoudt voort:
«als dezulken beter worden door een groot kruis, dan moeten
wij wegens een klein averijtje er niet slechter op worden en
den geheelen dag zitten pruilen en morren tegen den goeden
God."
«Ho, ho, moeder, zóó ver ben ik niet gegaan," beweert haar
zoon."
\'t Scheelt toch niet veel," meent de brave, en zij neemt het
theegoed aan, waarmede Maartje binnenkomt. De dienstbode
fluistert hare meesteres wat toe, waarop deze een zacht bescheid
geeft en haar laat gaan. „Waar ik nu eigenlijk op neer wou
komen," hervat juffrouw Berghoudt het gesprek, terwijl zij den
heeren een geurig kopje schenkt; „er is immers nog veel van
dat borstelwerk uit den brand gered ?"
z/Ja," antwoordt Jan en hij proeft, dat moeder een extra
bakje presenteert, «er is van \'t goed meer gered, dan mij lief
is. \'t Zou voordeeliger geweest zijn, wanneer de heole boel in
\'t vuur gebleven was."
wDat moet je niet zeggen," weerspreekt de oude heer. «Dan
toch zou \'t niet bij ons huis gebleven zijn. Wat brandt er
feller dan dat goedje. Hadden ze om die twee vaatjes terpen-
tijn ook maar gedacht."
z/Kom, man, alles bij-een genomen is \'t nog goed afgeloopen,"
herneemt de vrouw. «Bk wou maar eens vragen, wat er van
dat geredde borstelwerk geworden is?"
z/\'t Ligt in het pakhuis. De agent van de assurantie-maat-
schappij heeft het nog laten taxeeren ; \'t is lang niet waard,
wat hij er voor aftrekt. Doch reclameer maar eens ! Al scha
voor de hand! Ik denk, dat er nog een honderd luiwagens zijn,
-ocr page 207-
187
wat houtborstels, kleêr- en kledenschuiers. Het beste heb ik
er uitgezocht," vertelt de handelsman met een vragenden blik
op zijne moeder.
«Zoo, weet jo wat we clan doen moesten ?" herneemt zij, —
ondertusschen gereeder dan gewoonlijk voldoende aan het verzoek
der heeren, om de lamp aan te steken en nog eens in te schen-
ken. «Hoe zou je \'t vinden, als we een goed werk daarmee
deden ?"
«Een goed werk ?" antwoordt haar zoon verwonderd met een
wedervraag, torwijl zijn vader zich niet van lachen kan ont-
houden bij \'t genot van zijn tweede kopje thee.
«Ja, ik heb er een koopvrouw voor, die een broodje...."
wNeen," valt Jan zijne moeder luidruchtig in de rede, «dat\'s
ook een mooie! Alsof die straatverkoopsters mij geen concur-
rentie genoeg aandoen! U wil haar dus nog een handje helpen ?"
«Ik dacht het al," zegt de oude heer hoofdschuddend, maar
toch met gullen lach, «ik dacht het al: moeder heeft zeker
een appeltje met ons te schillen ! Daarom is dat koppie thee
ook zoo lekker! Jawel, geef je er nog geen bitterkoekje bij ?"
«Och, maak er geen gekheid mee. Jelui kent vrouw Kruk.
Welnu, geef haar dat rommeltje, \'t is voor \'t mensch een
broodje en goed aan haar besteed."
«En dat maar geven, voor niet?" meesmuilt Jan, met een
kilo gewicht op geven.
«Och, de vrouw wil het koopen," zegt de goedhartige mee-
waiïg; «zij is gisteren hier geweest, opdat ik je er eens over
spreken zou. Maar het gaat mij wezenlijk aan \'t hart, die
ziel daar geld voor af te nemen. Dat zal je toch waarlijk ook
niet uit den brand helpen. Doe je \'t, Jan, zij is al om ant-
woord hier?"
«Oolijk overlegd !" plaagt de oude heer goedig.
«Neen, dat is toch meer toevallig," verklaart zijn ega. «Toen
Maartje den theeboel binnenbracht, gaf zij de boodschap, dat
vrouw Kruk er is, om mij te spreken. Ik zei: laat haar maar
even wachten."
-ocr page 208-
188
„Nu, ik wil het wel eens nazien," draait de negociant bij;
„er is allicht nog een veertig gulden van te maken."
wWelzeker," spot de liefdadige, „je moest er nog een bankje
van 25 op leggen!"
(/Weet je wat," bemiddelt vader, „kijk het eens na, Jan;
dan geven moeder en ik wat het waard is, en wij zullen er
een goed werk meê doen."
„Neen," werpt moeder weer tegen, „Jan óók zijn deel. Wij
geven twee derden en hij de rest."
ffAllons dan maar!" stemt de koopman toe.
«Maar moet je die vrouw nu nog langer laten wachten?"
vraagt de oude heer en hij stopt eens een versche pijp.
„Neen, ik zal haar hier roepen," antwoordt zijn huisvrouw.
„Hier ?"
„Waarom niet ? Ik wou haar met-een spreken. En als dat
den heeren soms verveelt...."
„Dan kunnen we ophoepelen," vult manlief vroolijk aan.
„O neen, jelui moogt er bij blijven ook, en dat zal je nog
niet tegenvallen," luidt het bescheid. En de schrandere vrouw
gaat de kamer uit, om dadelijk weer terug te komen met haar
beschermelinge, die zij, door vriendelijken kout en het aanbio-
den van een kopje thee, al spoedig den schroom ontneemt voor
de aanwezigen in de mooie kamer van den deftigen burger.
„Uw zaakje is al klaar gespeeld, vrouw Kruk," zegt juffrouw
Berghoudt bemoedigend.
;;Ja," voegt heur zoon daarbij, „je moet Donderdag- of Vrij-
dagmorgen maar aan mijn pakhuis komen, vrouw. Je weet
misschien wel, vlak over \'t afgebrande huis."
//Asjeblieft, meneer," luidt het onderdanig.
„Maar \'t zooitje is nog al beschadigd, hoor."
„Dat zal wel wezen, meneer. Maar, ziet u, een werkmcnsch
kijkt zoo heel nauw niet. Al is er dan een haartje of hoekje
af, in mijn buurt kan ik het wel kwijt raken en er een broodje
aan verdienen; ten minste," zegt de weduwe, die zoowel als
-ocr page 209-
189
Berghoudt jr. negotie doet, «zoo u navenant nogal schappelijk
met den prijs wil zijn."
«Daarover zou ik geen zorg hebben vrouwtje," stelt de oude
heer gerust, en hij ziet de zijne eens aan, als wilde hij vragen,
wat vrouwlief er toch eigenlijk mee voor heeft, om dat mensch
aan hunne theetafel te nooden. Een dergelijke interpellatie heeft
ook de zoon des huizes blijkbaar op de lippen. Nu, \'t zal den
heeren duidelijk worden.
«En kan je \'t tegenwoordig weer zoo wat stellen, vrouw
Kruk ?" vraagt juffrouw Berghoudt vriendelijk.
//Och, mevrouw, wat zal ik u zeggen.. . ."
//Ho, wacht een beetje," valt zij, die haar schaapjes op \'t
drooge heeft, de koopvrouw lachend in de rede. «Een mevrouw
woont hier twee deuren verder, en zij is dan ook de eenige
in onze straat, voor zoover ik weet."
wJa, \'t mevrouwt anders allicht," herneemt de ander niet
zeer ter snede; maar de eenvoudige weet ook niet, hoe zij zich
houden moet, terwijl de oude heer zijn goudsche pijp breekt
louter van luidruchtigheid, en de jonge meneer zich aanstelt,
alsof hij een blijspel in de komedie bijwoont. «Juffrouw dan,"
vervolgt de spreekster, ;/ja, of ik het tegenwoordig weer zoowat
stellen kan, vroeg u ?"
wHoe \'t met de negotie gaat, of je er van kan rondkomen ?"
wil de juffrouw weten. En de heeren luisteren wederom met
gepaste belangstelling.
„Och, juffrouw," antwoordt de weduwe, «we bennen alle dag
nog met zen zessen, en als Willem mettertijd wechgaat, sta ik
er weer zoo goed als alléén voor. Mijn oudste meisje is in een
goeden dienst sinds Augustus; maar de oudste jongen van de
drie, die ik dan nog overhoud, heeft met verschenen Mei zijn
eerste H. Communie pas gedaan. Dus u begrijpt, dat er heel
wat komt kijken, om knapjes voor den dag te komen."
«Die jongen is dan nu toch zeker óók op een ambacht ?"
vraagt de oude heer, sinds eenige jaren ijverig Vincentiaan.
,/Neen, meneer, in \'t voorjaar, als \'t God belieft, hij gaat nu nog
-ocr page 210-
190
school. Mijn man zei altijd: wanneer ze een jaar of dertien
zijn, is \'t vroeg zat; vóór dien tijd leeren ze toch niets op een
winkel. En dan, meneer, \'t is zoo moeilijk zoo\'n kind op een
werkwinkel te doen, waar men zeker is, dat ie niet bedorven
wordt. Daar kan men tegenwoordig niet te voorzichtig mee
wezen."
„Maar zeg mij eens, hoe is \'t met je oudsten zoon gegaan,
van wien je mij verleden winter gesproken hebt?"
,/Best, juffrouw, dat zal ik u vertellen. Hij heeft het hoogste
nummer getrokken op twee na. Mijn zoon is vrij."
wEn nu gaat hij ?" vervolgt juffrouw Berghoudt met levendigo
belangstelling.
;/Ja, wat zal ik u zeggen . .. ." luidt het aarzelend.
»Misschien vraag ik wat veel....?"
nO neen, juffrouw. Heel toevallig is u daar wat van te .
weet gekomen, en nu mag u óók wel hooren, dat de zaak be-
klonken is. Hij is er zooveel als aangenomen."
De heeren begrijpen er niets meer van, en op verzoek van
haar zoon vertelt juffrouw Berghoudt, met toestemming van
haar beschermelinge, dat het jonge mensch, van wien sprake is,
naar \'t klooster gaat. Een alledaagsch gevalletje dus, doch
waarbij .... toch wel iets niet alledaagsch valt op te merken.
«En, vrouw Kruk, kwam hij daar dadelijk klaar ?"
«Dat kan u begrijpen, juffrouw, dat gaat maar zóó niet! Hij
kreeg den bons, nog te jong, was het zoggen. Het speet den
eerwaarden Paters wel, omdat Willem nog al zoo ordentelijk
van postuur is, ziet u, en mijnheer Pastoor zulke puike infor-
maties van hem gegeven had. De voor mij geloof eigenlijk,
dat het \'m daarin zat, ik kan het ook mis hebben, maar me
dunkt: de Paters dachten, dat ik dan geheel zonder brood zou
wezen, en dat zou dus niet gaan. Twee, drie keeren kreeg mijn
jongen nul op \'t request. Toch hield hij aan, totdat hij eens
thuiskwam met de boodschap, of ik eens bij de Paters komen
kon. Ik zei: wel ja, jongen, waarom niet, zoover is \'t niet
uit de buurt; en mij dacht: \'t is beter ook, dat ik weet, waar
-ocr page 211-
191
hij dan zijn zinnen zoo op gezet heeft. Om kort te gaan : toen
de Paters hoorden, dat ik er vrede mee had, hehben zij \'m
aangenomen tegen a.s. Paaschtijd."
De oude heer wil nu weten, hoe zoo\'n jongen daaraan kwam.
«Heeft hij daarin van jongsaf zin gehad ?"
wDat juist niet, meneer. Maar, om u dat allemaal te vertel-
len, zoü ik u te lang moeten ophouden," zegt de koopvrouw
op behoorlijken afstand van den welvarenden rentenier.
«Toch niet," meent zijn ega. „Hoe denk je, dat je zoon
aan \'t plan gekomen is, religieus te worden. Of zijn we inis-
schien wat onbescheiden ?"
„Wat blief, juffrouw ?"
„Of we een beetje te nieuwsgierig zijn ?"
„O neen, juffrouw; hoewel ik moet bekennen, dat we over \'t
geheele geval met niemand gesproken hebben, dan die er meê
noodig hebben," zegt zij met ongepolijste openhartigheid. „Maar
ik wil het u graag vertellen, daar u \'t toch wel niet aan de
groote klok zal hangen."
wDaarop kan je rekenen," is \'t aanmoedigend bescheid van
het drietal; en de oude heer voegt daar ondeugend bij: //mijn
vrouw heeft goede redenen voor een beetje nieuwsgierigheid."
„Ik zal u dan zeggen, dat \'t er vroeger met mijn jongen alles
behalve kloosterlijk uitzag; wel niet slecht, maar zoo onbezonnen
als ie was. Met zijn dertiende jaar kwam ie bij mijn man-zaliger
op den winkel, die werkte toen bij Van Scharen in de Graven-
straat. Willem leerde goed, want zijn vader was een bovenste
beste timmerman, die zijn vak in de puntjes verstond, en hij
had \'m altijd onder zijn directie. Maar, zooals het dan al
gaat, toen ie een jaar of 16 was, wou ie reis op een ander, en
daar was mijn man dan ook niet tegen, alleen dit was het
bezwaar: Willem was, — en dat is ie nog, levendig van aard,
ziet u, en dan is het veel gewaagd zoo\'n jongen op een werk-
winkel te doen, waar geen regard op zulke knapen geslagen
wordt. In alle geval: bij \'t ambacht leeren ze door den band
meer dan recht toe, meneer, u weet dat zeker nog beter dan ik."
-ocr page 212-
192
Meneer is het volkomen met haar eens.
z/Om kort te gaan, we gingen er toch toe over: Willem kwam
bij een anderen baas. Maar lieve deugd, wat we daar een
spijt van hadden! Dat kwam \'s avonds uit de teekenschool
zelden of nooit meer op tijd thuis! Hij kreeg kameraden bij
de vleet, en dan \'s avonds een straatje om en nog eens om,
dat begrijpt u! Doordat ie nogal een aardig stuk begon te
werken, bracht ie ook een aardig weekhuurtje thuis ; maar toen
kreeg hij \'t óók al gauw in \'t hoofd, dat zijn kleeren niet
mooi genoeg waren, zijn kornuiten waren beter gekleed dan
hij ; en zij hadden méér zakgeld, mochten \'s avonds naar ver-
kiezing thuiskomen ; allemaal dingen, waarvan hij vroeger nooit
gekikt had. Ja over \'t ongezellige in huis begon hij me al
aanmerkingen te maken en hij liep er uit! En och, ze bennen
dan jong, men kan ze niet aan een band leggen."
z/Was hij geen lid van de St. Josephs-gezellen-vereeniging ?"
vraagt mijnheer Berghoudt Jr., die er sinds drie maanden be-
stuurslid van is.
z/Welneen, meneer, die bestond toen immers nog niet hier
in de stad ?" en meneers moeder veroorlooft zich eens te glim-
lachen, om don flater van haar zoon. ;/0 juffrouw," vervolgt
de weduwe, «wat heb ik Zondags dikwijls een angst uitgestaan,
dat Willem tegen den avond niet op tijd thuis was, om met
mijn man naar de H. Familie te gaan ! Want zijn vader bleef
altijd op \'m wachten, dan was hij meer gebonden, begrijp u.
Ja, \'k hoor \'t mijn man nog zeggen, als \'t dan zoo eens hom-
meles was: Mie, zei hij dan, geve God toch, dat we geen ver-
driet van Willem beleven; want hij is door en door goed van
aard, knap en ijverig in zijn werk; maar met een natten vinger
over te halen naar links. In vredes naam, zei ik dan, laten
we ons best doen, ik zal hem het goede voorhouden, evenals
jij \'t doet. En hij was een voorbeeld, juffrouw, een brave man,
neen, eon betere was er niet! Mijn gemoed schiet altijd vol,
wanneer ik aan \'m denk...."
De weduwe veegt met een tip van haar boezelaar de tranen
-ocr page 213-
193
wech, die haar ontrollen, en antwoordt op de deelnemende vraag
van den ouden heer, hoe zij haar man verloren heeft: «O,
akelig, meneer! Op een Woensdagmorgen — \'t is, of het gis-
teren gebeurd is! — zoo tegen schafttijd, krek, dat ik de aard-
appelen over \'t vuur hing, komt mijn buurvrouw ingeloopen en
vertelt, dat er een man van een steiger gevallen was. En ik, nog
geen erg, vroeg zoo : waar ? Toen zei ze, \'t niet precies te weten;
maar \'t moest wezen aan een huis van een officier, zooals zij ge-
hoord had. Ik stond te beven op mijn beenen, dat kan U nagaan,
daar ik wist, dat mijn man al een dag of acht op karre wei was
bij een hooge van \'t volk, en dat zij aan de voorpui met de
kroonlijst bezig waren. En mèt, dat ik den ijzeren pot weer
van \'t vuur nemen wou, — \'t waren zulke afkokers, juffrouw,
— en eens wou gaan hooren, kwam me daar een van mijn
man\'s winkel vertellen, dat ie gevallen was, maar \'t nog wel
zou losloopen. Och, die boodschap was maar quasie, dat be-
grijpt u. Om kort te gaan, meneer, twee uren later hoorde
ik de volle waarheid, en ik mocht mijn man zien, neen het
lijk van mijn goeden man! O, juffrouw, ik dacht het zelf te
besterven ! Verbeeld u toch, zoo\'n braven man op zoo\'n manier
te verliezen en ik bleef daar met vijf bloeien zitten! Wil-
lem was bijna achttien jaar, ja, maar Dieutje, mijn jongste, had
ik nog aan de borst!"
Geen wonder, dat bij deze herinnering de «waterlanders"
weer even voor den dag komen, dat ook juffrouw Berghoudt
aan heur oog pinkt, en de heeren, junior zoowel als senior,
meer en meer ingenomen zijn met moeders gast aan de theetafel,
Zij zullen nog meer hooren, ten bewijze, dat er nog goede, nog
schitterende elementen zijn onder het volk, wien een satani-
sche tijdgeest zijn eenigen schat, zijn godsdienst, nog niet heeft
kunnen ontrooven. —
Juffrouw Berghoudt heeft een herstellende in huis: Anna,
hare schoondochter, is wederom „op de been," doch moet nog
boven blijven, en met versterkende en opwekkende middelen
verzorgd worden. Deswege heeft moeder een aangebroken
14
-ocr page 214-
194
flesch goeden Medoc in de kast, waarvan zij nu een glaasje
schenkt en dit, met eon lepeltje suiker op vrouwensmaak ge-
bracht, der weduwe aanbiedt, die het, wel wat beschroomd, maar
toch dankbaar accepteert. En, als zij er eens voorzichtig van ge-
proefd heeft, wil mijnheer Jan weten, of zij dadelijk na dat
treurig verlies haar zaakje begonnen is ?
„Ja, meneer," is het antwoord, en de weduwe vertelt, dat
zij aan geen fonds had deelgenomen, een verzuim gedurende
het leven van haren man, dat haar bij zijn dood den slag ver-
zwaarde. Door raad en daad van mijnheer Pastoor en den
patroon van haar man bijgestaan, en nog eenigszins geholpen
door een beetje geld, dat zij steeds gewoon was voor den kwa-
den dag uit te zuinigen op haar huishouding en met een klei-
nigheid van de kinderen ter spaarbank gedeponeerd had, was
zij een nerinkje in borstels, zemelappen en dergelijke artikelen
begonnen. «En, daar Willem reeds een ordentelijk weekhuurtje
thuisbracht, liep dat nogal knapjes van stapel."
ffKon je daar gauw aan gewennen?" vraagt de vriendelijke
juffrouw, die eene ervarene huisvrouw is en voorbeeldige moe-
der ; maar wie de handen voor een winkelnering al even ver-
keerd zouden staan, als voor de pianino, die vader, ten pleiziere
zijner kinderen, „in vredes naam" op een erfhuis kocht. Mis-
schien was vrouw Kruk echter al vroeger in een winkel ge-
weest.
Doch „neen, nooit van mijn leven, juffrouw," verklaart zij.
„Ik heb jaren bij een goudsmid gediend, en bij dokter Spran-
ken ben ik uitgetrouwd. Maar, wat moet, gewent wel. En
dan, \'t was algemeen bekend, dat mijn man doodgevallen was
en ik zóó achterbleef: daardoor gunst en recommandatie. Ach,
dat er toen ook weer nijd en afgunst tusschen moest komen!"
„Hoe zoo ?" is aller vraag.
„Dat zal ik n zeggen. Bij het zaakje had ik toch, zoo goed
als vroeger, mijne huishouding, en klokke twaalf stond Willem
voor me, dan moest het eten klaar zijn. Daarbij had ik alle
week mijn wasch, te zorgen, dat de kinderen hun kleeren heel
-ocr page 215-
195
bleven, zoodat, om kort te gaan, de droefheid over mijn mans
dood ul-en-meer begon te sbvjten. U begrijpt, juffrouw, ik had
om zoo te zeggen geen tijd, om bedroefd te wezen; en, ulevel,
in mijn winkeltje moest ik een opgeruimd gezicht zetten, dat
staat vriendelijk. Maar wat gingen de menschen toen zeggen ?
„Hard gekreten, gauw vergeten ! — Zij is er de vrouw door
geworden!" — En dat bleef niet bij een praatje, neen, men
ging denken: ze heeft het niet noodig, en de klandizie ver-
minderde van lieverlee. Nog geen vol jaar na mijn mans
dood moest ik met den wagen op marsch, wou ik aan \'t ver-
koopen en met mijn kinderen in \'t leven blijven." —
Dat haar zoon onder deze omstandigheden op de gedachte
kwam, aldra zijne moeder vaarwel te zeggen en „een heenkomen
in \'t klooster te zoeken," vindt mijnheer Jan nu „allesbehalve."
En vader Berghoudt begrijpt dit te minder, „wijl de jongen
vroeger daaraan weinig schijnt gedacht te hebben."
„L)at had hij ook niet, meneer, daar heeft u gelijk in. Maar
mijn Willem is na zijn vaders dood veranderd als een blad op
een boom. Zoo onbenullig als ie eerst was, zoo verstandig en cor-
daat werd hij toen. Toch vroolijk hoor en opgeruimd ! Spre-
kend zijn vader-zaliger! Neen, \'t is niet te zeggen, wat een
troost en genoegen ik van toen af aan mijn zoon mocht beleven!
Hij is de kroon van mijn hoofd! Enfin, zoo dragen we ons
kruis gemakkelijker, tevreden met Gods wil. Ja, wil u wel ge-
looven, juffrouw, als hij \'s avonds met ons bidt, zooals vroeger
zijn vader \'t deed, dan schieten mij soms de tranen in de oogen,
maar, waarachtig, méér van blijdschap, dan van droefheid!"
Met dat al hebben de heeren geen hoogen dunk van\'sjonge-
lings plichtbesef tegenover zijne moeder.
„Verleden jaar dan," vervolgt vrouw Kruk, „of neen, laat zien,
\'t was kort na nieuwe jaar, spraken we eens over den dienst, en
wat we doen zouden, om hem vrij te krijgen van de militie.
Hij had er maar niets geen zin in, en ik beefde er voor bij de
gedachte alléén. Een vrijstelling, als kostwinner van zijn moe-
der, zou hij moeilijk kunnen krijgen, omdat ik een patent heb
14*
-ocr page 216-
196
als koopvrouw. In alle geval moest hij de loting afwachten.
Zoo had zijn patroon ons geraden. Toen we daarover dan zoo
eens gepraat hadden, zei mijn zoon op eens: wja, moeder, ik
hen er benieuwd naar, hoe de goede God over mij beschikken
zal." Dat gezegde knoopte ik in mijn oor; en toen hij dan
vrijgeloot had, feliciteerde ik \'m en zei, dat die beschikking
wel naar onzen zin was uitgevallen. Dat weet ik nog niet, zei
Willem daarop, en verder vroeg hij, of ik \'m zoiï willen missen?
WU kan begrijpen, hoe ik schrikte, juffrouw, ik raakte er heel
van overstuur. Kerst dacht ik : zou ie dan al het oog op een
meisje hebben ? Maar neen, bij Willem geen denken daaraan ;
want toen ik hem vroeg, hoe hij dat bedoelde, vertelde hij zoo
van \'t een en ander, dat hierop neerkwam : hij wou naar een
klooster, om later naar de vreemde landen meö te gaan met de
Paters Missionarissen. Hij is timmerman van zijn ambacht en
sterk van inhoud, dus kon hij wel gebruikt worden voor \'t werk
van Onzen-Lieven-Heer, dacht hij. En ik, precies als u, heeren,
vroeg natuurlijk : maar, jongen, hoe kom je daaraan ?"
„Hoe is \'t mogelijk !" herhaalt mijnheer Jan nog eens.
„Ja, meneer, dat zegt u wel, ik sloeg dan ook een gat in de
lucht! Hij had er nog met niemand over gesproken, ook niet
met een geestelijke, want hij wou eerst weten, of ik er niet op
tegen was en, of ik kans zou zien, mij door de zorgen heen te
slaan ?"
„En gaf je hem toestemming ?" vraagt de oude heer.
„Wel wis en drie, meneer! Op conditie altijd, dat zijn
biechtvader zou oordeelen, of \'t zijn roeping kon wezen. Ik zei:
Willem, praat er met ZEw. over, en als die ja gezegd heeft,
jongen, dan zeg ik het tienmaal! Nu, van dien kant kwam er
geen bezwaar, en hoe \'t toen verder gegaan is, heb ik u straks
verteld."
,/Dan was je wel gauw besloten," zegt juffrouw Berghoudt
niet zonder aandoening. „Dacht je er niet aan, moeder, wat je
missen zal?"
„Maar, juffrouw, we mogen als moeder ons toch niet verzet-
-ocr page 217-
197
ten tegen de roeping van onze kinderen ?" herneemt du vrouw
met ongekunstelden eenvoud. „Ik heb vertrouwen op God;
zooals Hij \'t beschikt, zal \'t wel het beste wezen. En zo» Hij
me in nood kunnen laten, als ik het liefste, wat ik op de wereld
heb, gewillig aan Hem geef?"
«Neen, dat kan niet!" is aller overtuiging.
Doch vrouw Kruk moet gaan, zij zit «op heete kolen. Meneer,
mag ik dan Donderdag-morgen eens komen kijken ?"
„Gerust, hoor, breng je wagen maar mee," is \'t gul-gegeven
antwoord van den handelsman aan zijn concurrente.
«Ja, ziet u," hervat zij echter nadenkend, «mijn wagen al
meê te brengen.... zoo er veel is...."
«O, dan kan de knecht van mijn zoon je wel helpen, vrouw,"
stelt de oude heer haar gerust.
«Neen, meneer, dat is het eieren-eten niet. Willem kan mij
wel helpen. Maar, ziet u, ik wou vragen, als er veel is, en
meneer nogal schappelijk in \'t rekenen zou zijn .... als u \'t
dan schikken kon, dat ik hot in drie of vier porties betaalde,
zoo om de maand bijvoorbeeld."
«Hoo#r eens, vrouw Kruk," zegt de juffrouw met vriendelijken
lach, «u komt eenvoudig met een wagen en laadt maar op;
wat er is, krijg je van mijn zoon present."
«Present ?" stamelt de weduwe vluchtig kleurend, en wederom
herhaalt zij : «present ? dus voor niet ? Maar, juffrouw, als
meneer het schikken wil, ik zou er een prijsje voor kunnen
besteden .... "
«Neen, vrouw," herneemt de jonge Berghoudt nu met warmte,
„jij krijgt dat rommeltje en \'t zal nog een mooi vrachtje we-
zen; laat je zoon maar gerust meekomen !"
«Och, meneer," aarzelt de koopvrouw.
«Weet je wat," besluit de oude heer, die begint te vatten,
waar de schoen wringt: «heeft je zoon nog veel werk ?"
«Dat mag op \'t moment wel zoo wezen, meneer. U begrijpt,
op \'t laatst van November wordt het zuinigjes voor een tim-
merman."
-ocr page 218-
198
//Haal dan dat partijtje borstels, luiwagens en wat er meer
is bij mijn zoon ; en in de volgende week stuur je Willem bij
mij. Ik heb mijn kippenloop wat op te knappen en nog zoo\'n
karweitje. Dan kan hij \'t verdiene n. Ik betaal aan mijn
zoon, en we zijn alle drie quitte!"
//Zóó gaat het op, meneer, accoord!" —
*
t
v
-ocr page 219-
Wat St. Nicolaas bracht en wat bij beloofde.
Hebben wij op een donkeren Novemberavond kennis gemaakt
met de familie Berghoudt, thans, begin van December, is de
lucht vrij wat opgehelderd, want menige op haar aandrijvende
wolk heeft een anderen koers genomen. Anna, de beminde
schoondochter, die door den schrik zoo ernstig ziek werd, dat
zij daags na den brand in levensgevaar verkeerde, Anna is,
dank de wijze maatregelen en voorbeeldige zorgen van mans-
moeder, reeds zoover hersteld, dat zij \'s middags, tussc.lien
twaalf en twee, een wandelingetje doen mag in \'t vroolijk-
schijnend winterzonnetje; terwijl de kleintjes, een Christiaan
van vijf en een Catötje van drie jaar, levendigheid te over
brengen in de anders vrij rustige woning der grootouders. Met
de zaak van Jan is men nu zoo ver op streek, dat het pak-
huis, schuins over het afgebrande perceel, tot winkel ingericht,
half December zal geopend worden ; en met het a. s. vroegjaar
hoopt men met den herbouw van het huis te beginnen, opdat
hij \'t reeds in den nazomer in gebruik zou kunnen nemen.
Inmiddels zal \'t gezin eene bovenwoning in de nabijheid van
den winkel betrekken, die, door overlijden van de oude be-
woonster is vrij gekomen en tot den 1» Augustus e.k. voor
matigen prijs kon worden gehuurd.
Bovendien .... ja, er is nog eene zeer donkere wolk van de
familie afgedreven, er is nog iets ten goede gekeerd, een drei-
-ocr page 220-
200
gende slag, waarvan de kinderen zich onbewust bleven, maar
die toch, na de bezorgdheid voor Anna\'s toestand, aan de
ouders heel wat zwaarder toescheen dan de brand, met den ge-
heelen nasleep van dien.
De zaak is deze: mijnheer Berghoudt had twee jaar geleden
\'t grootste gedeelte van zijn overgelegd kapitaaltje, waarvan
men ordentelijk rentenierde, in eene onderneming gestoken,
van welko hij eensklaps «slechte noten hoorde kraken." Daags
na den brand toch, toen hij met den makelaar, bij wien zijn
huis verzekerd is, over zaken sprak, had de geldman zoo keu-
velend gezegd : «die operatie, u weet wel, oude heer, is niet
zuiver op de graat; die onderneming gaat den kelder in, hoor!
Let er op, ik twijfel er geen oogenhlik aan." — Zóó, dacht de
ander, eene vroolijke boodschap voor iemand, die er in betrok-
ken is ! \'t Is. of alles tegelijk moet komen: een geduchte brand,
mijn lieve schoondochter in gevaar en nu dit! Zoo hard, als
zijn leeftijd en corpulentie het gedoogden, was hij naar huis
komen loopen, even in do secretaire, — een familiestuk, zoo
soliedo als een brandkast, en waarop de oudste zoon des huizes
reeds „vigileert," — een pakje daaruit gehaald, in den zak ge-
stoken en toen weer op route! Zijn vrouw, die het stilzwijgend
had opgemerkt, „kon er geen touwen aan vastknoopen." En
toen de baas weer thuiskwam, wat zag hij confuus en wat was
hij stil! Precies als toen hij die kwaal had, waarom hij uit de
zaken gegaan is; hoezeer hij zelf van harte instemde met de
altijd-bescheidene openbare opinie, dat de oude Berg-
houdt nog wel wat jong was voor het renteniersbaantje. „Ben
je niet in orde, vader ?" heeft vrouw-lief toen gevraagd ; maar
zij kreeg een ontwijkend antwoord, waarom zij dacht, dat de
„miseries" hem een beetje van streek gemaakt hadden. Doch
\'s avonds vernam zij \'t fijne van de zaak. Onder vier oogen
en uitdrukkelijk verbod van iemand er over te spreken, of den
kinderen er iets van te laten blijken, had hij zijn goede vrouw
schier radeloos gezegd : „we zijn zoo goed als arm, Toos; . ...
die stukken, je weet wel, vallen als baksteenen!" waarop zij: „ver.
-ocr page 221-
201
koopen, Jan, verkoopen!" En hij weder: «och, ziel, hoe kan
je zoo praten ? Als ik dat verleden week gedaan had ....!"
Juffrouw Berghoudt heeft geen begrip van «speculeeren."
«Maar," veronderstelde zij, «die dingen zijn dan toch al
lang aan \'t dalen ? Dat gaat toch zoo in eens niet ? Ik kan
mij niet begrijpen, man, dat je \'t niet eerder wist, dan nu \'t
misschien te laat is. Waartoe lees je dan De Tijd ? Voor
zoo\'n dure krant, die ze nog wel zooveel als een hoofdorgaan
noemen, zijn handels* en geldzaken toch voorname dingen."
«Dat zijn het ook," stemde haar man toe, hoewel in eenigs-
zins anderen zin, dan de vrouw bedoelde. — Trouwens, zooals
is opgemerkt, van speculeeren heeft juffrouw Berghoudt geen
begrip.
Hij zei dan verder, dat die quaestie overigens hiermede niets
te maken had, de nakijk van de beursnoteeringen een paar
dagen in de slof gebleven was, enz. Den volgenden dag zou
hij eens te rade gaan bij den ouden De Biede, een goed finan-
cier.
Deze was echter in twijfel, want de beurs was het ook. Ge-
lukkig kwam het intusschen al spoedig uit, dat het gerucht
voorbarig geweest was, waarop «de dingen weer in de hoogte
gingen," en eindelijk alles nog ten goede keerde. Eenigen
waren er best bij gevaren, anderen hadden verspeeld en onze
rentenier was «zoo om-en-om gebleven." Maar tocli is er
«een luchtje aan," die stukken zijn niet meer te vertrouwen,
waarom hij ze nu toch maar verkocht heeft, of lievor gewisseld
voor solieder waarden; al rendeeren dezen dan niet zoo goed, ze
zijn secuurder, weet u.
Zoo is dan ook dit gevaar geweken, ook deze wolk van de
familie afgedreven. Zoodra dus vanavond «alles van den vloer
is," meent juffrouw Berghoudt haren man eens te moeten her-
inneren, dat het overmorgen Sinterklaas-avond is, alzoo, dat
hij haar een zeker crediet zou toestaan, ten bate van kinderen
en kleinkinderen, want «er dient toch iets te wezen, te meer,
wijl nu alles weer in \'t gereede is."
-ocr page 222-
202
;/Zeker, vrouw, doe dan, zooals je \'t best dunkt," heeft hij
goedig geantwoord.
Dientengevolge is moeder er \'s anderen daags wop uit ge-
weest," vergezelschapt van Anna, en heeft zij \'s namiddags aan
tafel medegedeeld, dat zij morgenavond tracteeren zal op melk-
chocolade met Haagsche beschuitjes. En onder het genot daar-
van, of liever onder de toebereidselen voor deze smulpartij,
vinden wij de familie bijeen op den vermaarden avond van den
5n December.
Betje, ondeugend als zij plagen kan, is reeds dapper in de
weer met moeders „schrikkelijk-ouderwetsche" tractatie te criti-
seeren. En, toch al niet het minst opgemerkt in den gezelli-
gen kring rondom de groote tafel, rammelt zij telkens met de
belletjes, waarmede heur vlugge vingeren een eigen gemaakten
pias voor den kleinen Christiaan versieren, inmiddels vragend,
of moe wel eerst onderzocht heeft, welke cacao de beste is en
de goedkoopste in gebruik; en of men dokter Grootevan alvast
geen boodschap zou sturen, dat hij morgen-ochtend eens zou
aankomen, daar het geheele gezin wel met zware hoofdpijn te
bed zou liggen ?"
«Ach, malle juf," luidt moeders vroolijk antwoord, terwijl zij
met medehulp van Anna de pop aankleedt, die St. Nicolaas
wrijden" moet voor haar kleinkind en naamgenootje. //Vroeger
was het op Sinterklaasavond altijd een kopje melk, nooit iets
anders, zelfs bij de deftigste lui. En niemand wist van hoofd-
pijn."
//O ja, vroeger," slaat de gezonde negentienjarige door,
//vroeger hadden de menschen magen u la tante Neeltje !"
ffHé, wat voor magen zijn dat ?" vraagt Leonard, die een
paar voor de kleintjes bestemde prentenboeken doorbladert.
«Dat zal Anna je wel vertellen," roept de pretmaakster, en
tring-ling-ling-ling joolt haar pias met de belletjes.
Nu wordt, om eene verklaring te geven, Anna aangezocht
door Leo, Marie en Cato niet alleen, maar zelfs door moe. Ja,
vader onderbreekt er zijn spel voor, zonder zich te storen aan \'t
-ocr page 223-
203
protest van Jan, wien \'t schaakbord meer interesseert, dan de
trouwens hem reeds bekende historie van Neeltje-meu, eene
oudtante zijner vrouw.
«Neeltje-meu," zoo vangt Anna aan, middelerwijl Marie en
Cato heur preparaat aan moeders oordeel onderwerpen, en, na-
dat het «juist van pas" gekeurd is, de kopjes beginnen vol te
schenken: «Neeltje-meu was eene tante van mijn moe-zaliger.
Zij is nooit getrouwd geweest en woonde samen met onzen neef,
u allen bekend als oome Daan."
;/0," vraagt Marie, «den neef, van wien je die twaalf suffi-
sante stoven in je huishouding kreeg?"
«Precies. Nu moet u weten, vader, hoe klein \'t gezin dus
was, tante, of liever gezegd, Neeltje-meu...."
«Waarom niet tante?" willen de jongelui weten.
«\'t Woord tante vond ze te deftig, te nieuwerwetsch; we
noemden haar dus trouw Neeltje-meu. — U moet dan weten,
dat zij gewoon was jaarlijks te slachten. . .."
«Te slachten?" klinkt het uit den lachenden mond der meis-
jes, die haar kopje even neerzetten, uit vreeze van zich te ver-
slikken.
«Ja, ja, te slachten. Zij slachtte een varken, daags na St.
Andries, zooals zij den tijd rekende; dat is, geloof ik, den
laatsten November. En dan verzocht zij Zondags daarna neven
en nichten op de slacht."
De jongelui vinden het «allerkluchtigst", ofschoon moeder een
commentaar op dat verhaal levert door de verzekering, hoe haar
het gebruik nog heugt, familie en vrienden op de «slacht" te
nooden, of anders een proefje van de «slacht" thuis te sturen.
„Nu," vervolgt Anna met den tact van iemand, die metjeu
vertellen kan: «wij waren gewoonlijk met acht, hoogstens tien
gasten, waarbij u dan Neeltje-meu en Oome Daan moet optel-
len. \'s Namiddags een uur, niet vroeger, maar ook niet later,
werd men verwacht, en klokke twee uur begon het diner.
Dadelijk na de entree in haar huis, schonk Neeltje-meu een
bittertje voor \'t mansvolk en een glaasje advocaat voor de
-ocr page 224-
204
vrouwen. Heeren en dames stonden niet in haar woorden-
boek ...."
wEen advocaatje, uitmuntend, om appetijt te wekken voor
varkensvleesch !" heeft Betje ondertussclien weer op te merken.
«Dat nu juist niet," zegt Anna, dit punt nader toelichtend.
wWant de advocaat bestond uit eier-dooiers, goed aangelengd
met melk, machtig veel suiker en een s m a a k j e Franschen
brandewijn ... ."
z/Delicieus ! Afschuwelijk!" klinkt het hier en daar; en Betje
drukt haar fijnen zakdoek tegen de keurige lipjes, wier roze-
rood besmeurd is door chocoladebruin.
«Klokslag van tweeën dan kwam de meid binnen met tafel-
goed: linnen, moe, als een plank, zilver en Wedgwood, dat
haast niet te beuren was. Dan dekten de gasten, de vrouwen
w. t. v., zelf, terwijl de mannen /,het laatste staartje" verorber-
den en hun pijp uitklopten, heel familiaar in den kolenbak of
in de kachellade. Onderdehand tooide Neeltje-meu zich met
een Friesch-bonten boezelaar, haalde zelf een vervaarlijk groote
soepterrine binnen en liet de meid schier bezwijken onder een
grooten schotel kluiven . . . ."
//Kluiven?" klinkt het andermaal schaterlachend, hoewel de
oude heer, zelfs met een kopje chocolade en een beschuitje in de
hand, kan watertanden bij de gedachte alléén aan zulk gerecht.
«Ja, kluiven," herhaalt Anna, „wij waren immers op de
slacht! Kort en goed zal ik u de menu opgeven:
Erwtensoep met kluiven en versche worst.
Zuurkool met goed doorregen spek.
Boterzachte capucijners met karbonaden.
Pannekoek met daarin gebakken appelen en worst.
Dat Neeltje-meu geen dessert kende, — of de pannekoek
moest als zoodanig worden aangemerkt; — dat zij ;/volop
schafte", zooals twee karbonaden per persoon en twee panne-
koekon, — daarop ten minste was steeds gerekend; — dat bij
-ocr page 225-
205
de zuurkool en capucijners oud bier, bij den pannekoek een
glaasje wijn geschonken werd; dat Neeltje-meu en oome Daan
zelf de meeste eer aan de tafel deden, enz. enz. — dat alles
vermag Anna niet meer zoo „in geuren en kleuren" te vertel-
len, daar de vroolijkheid over het slachtdiner en de magen a la
Neeltje-meu zoo luidruchtig wordt, dat men geen enkelen keer
de huisbel gehoord heeft, die toch al drie-viermaal overging.
En hoort men zelfs geen kloppen op de deur, deze gaat dan
maar zonder bekomen verlof open, en binnen treedt Maartje,
belast en beladen met pakjes. Onder nieuw gejuich overhan-
digt de dienstbode nu een pakket niet aangegeven waarde aan
Marie; \'t is zooeven van \'t postkantoor gekomen. Leonard
neemt een mandje in ontvangst, moeder een klein pakje, Betje
krijgt ook weer een pak, dat is vandaag \'t vierde reeds, en voor
Cato, tot nog toe misdeeld, heeft Maartje er nu twee op elkander.
Gij, lieve lezer, kent die blijde, ook wel eens droeve verras-
singen van den St. Nicolaas-avond. Bij geen enkele gelegen-
heid is hartelijke vriendschap en innige liefde, maar dikwijls
ook te ver gedreven plaagzucht, helaas, zelfs onbetoomde haat
zóó vindingrijk, om zich in eene surprise uit te drukken, dan
op dit feest van kleine en groote kinderen. Van hetgeen aan
de meisjes en aan Leonard van bevriende zijden, of van vader
en moeder, — zij weten \'t niet dadelijk, moe houdt anders óók
wel van de pret, — ten deel valt, kan ik niet, zooals Anna
van \'t slachtmaal, met «jeu" vertellen. Genoeg voor ons te
weten, dat allen „in hun schik" zijn en niet het minst Marie,
wie van haar „aanstaande" uit Rotterdam is toegezonden een
eerst cadeau in hare aan te leggen huishouding: een dozijn
keurige zilveren lepeltjes met suikerschepper in étui. Moeder
vindt het wel „wat hoog gevlogen"; zij kreeg „die dingen"
pas op haar koperen bruiloft, door vaders toedoen, van de
kinderen. Des te meer „zwak" heeft zij er voor, want drie
van hen, die dat beleefden, zijn nu in den Hemel: vandaar die
gaping tusschen Jan en Marie, dezen schelen zoo om en bij de
tien jaren. Intusschen vindt moe deze lepeltjes nog mooier,
-ocr page 226-
206
clan die zij heeft, doch niet zoo zwaar; in alle geval beter, dan
dat Frans in Rotterdam zijn geld aan „prullen" van opschik
voor Marie had „weggegooid."
„Ik zou toch liever een paruurtje van mijn Klorus gehad
hebbon," plaagt Betje ondeugend en zij huppelt met Cato de
kamer uit.
„Wat die twee nu moeten uitvoeren," weet niemand aan
moeder te zeggen, zoodat Marie en Anna heel wat moeite heb-
ben, haar rustig te doen afwachten de dingen, die komen zullen.
Zij kan zich echter niet weerhouden uit te roepen: „hoor me
nu toch reis aan, wat een leven die kinderen maken! Goed om
de kleintjes wakker .... gunst, daar heb je ze al!"
En werkelijk komen de kleine Christiaan en Catótje, — in
hun nachtponnetjes om te stelen! — de kamer binnen, op den
voet gevolgd door de grootere Cato en Betje, die ieder met
veel beweging een fauteuil aansjouwen. Onder een „christene
zielen, wat moet dat beteekenen? — Arme schapen, zóó uit je
slaap gehaald!" en „dotjes, wat zie je er toch snoeperig uit,"
worden de kinderen door Anna tot bij de tafel geleid, en de
oudste dreumes maakt „een dienaartje" voor de aanwezigen.
„Groöpa en groömoe," zoo brengt hij er vrij duidelijk, maar
wat te vlot uit, „deze stoelen heeft St. Nicolaas gebracht voor
u, ieder een. Wij hopen en wenschen, lieve groöpa en groö-
moe, dat u daar nog vele jaren in zitten inoogt. Lang leve
groöpa ca groömoe! — O, wat mooie piassen!" —
Meen nu niet, goedwillige lezer, dat de schalk zijn groot-
ouders voor „mooie piassen" houdt. Neen, terwijl hij \'t reeds
honderdmaal te voren opgezegde lesje voor de betrokken perso-
nen opzei, zag hij den pias en de pop liggen, aan welke dezen
avond de laatste hand gelegd was. Toen de guit, onder zijn
laatsten uitroep, naar de andere zijde van de tafel liep, deed
hij dan ook schreien en lachen te gelijk.
Kost het wel een weinig moeite: met een zoet lijntje heeft
men den aardigen Chris, zoowel als zijn zusje, aldra weer op
de slaapkamer, waar hij droomen kan van Sinterklaas\' vollen
-ocr page 227-
207
buidel. En nu hooren fle oude lui met welgevallen, dat deze
stoelen een geschenk zijn van hun kroost. Hoezeer moeder de
tijden er niet naar acht voor zulke rijke cadeaux, is zij er zoo-
zeer mee ingenomen, dat zij, behoudens goedkeuring vau vader,
belooft, over een dag of acht de zetels te zullen inwijden met
;,een avondje", tevens ten afscheid aan Jan en Anna, die dan
hun eigen kwartier weer zullen betrekken. En al wederom
heeft de huisbel een paar keeren geklonken, wederom gaat de
deur open en andermaal komt Haartje binnen met een groote
doos voor Cato en een pakket aan het adres van «den heer en
mejuffrouw Berghoudt-Van Noordveld."
„Hé, van wien die doos komen mag?" vraagt moeder zonder
erg aan Cato.
„Wel, wat er in dat pakket wezen zon ?" is Toosjes weder-
vraag; waarop zij met het haar gezondene stilletjes wechgaan
wil, doch de kamerdeur versperd vindt door Leonard en Betje.
„Dat is geen aardigheid, zij moet de doos openmaken, waar
we allemaal bij zijn !"
En na een wagonvracht papier komt daar te voorschijn een
prachtige Sintorklaas-viïjer, een kaerel van heb ik jou daar! —
Moe vindt, dat die dingen vroeger veel aardiger waren, toen
schitterde zoo\'n vent van het goud. «Zóó, nu nog veel mooi-
er!" meent Betje, want „zie eens, alle menschen ....! een
klein doosje is aan de rechterhand van de zoete pop vastge-
maakt." — „En aardiger ook," merkt Leonard op, „kijk, in zijn
linkerhand heeft hij een briefje."
Cato heeft dat al dadelijk gezien, en, als zij van een en
ander met verhoogden blos heeft kennis genomen, geeft zij, —
daar eene weigering toch niet baat, — Leonard permissie het
briefje ook eens te lezen.
„Gunst, wat ben jij nieuwsgierig," zegt Betje; maar onder-
tusschen heeft zij \'t billet donx reeds in handen en reciteert:
Vroeceu moet u wie ik ben, !
I.v u dit om \'t even,
Kniel, omdat ik u ken,
V/mis tcaar \'k niet gebleven.
-ocr page 228-
208
En het doosje? Cato doet het open en laat een gouden
medaillon zien, keurig, beeldig in één woord !
«Van wien \'t komen mag ?" vraagt moe nog eens weer zon-
der erg.
Cato bloost, doch weet het niet.
//Als je de eerste letters van eiken regel naast elkaar zet, —
want daarvoor zijn ze aangedikt, — dan krijg je: P I E T!"
zoo verraadt de zich tranen-lachende Elisabeth. ;,Een leelijke
naam, Toos : Piet klinkt erg ouderwotsch! Maar je ben toch
bon-af; zoo\'n vrijer uit de oude doos is nog zoo kwaad niet !"
De oude heer prijst nu zijn dochter, dat zij zich zoo gedul-
dig laat plagen, met welke loftuiting hij haar echter geen dienst
bewijst. Ondertusschen helpt ook zij een handje, aan het ope-
nen van het pakket, dat voor de oude lui gekomen is, en
door zes-acht handen te gelijk van touwtjes en papieren voor-
zichtig ontdaan wordt. En met een kreet van bewondering
aanschouwt de familie ten laatste een fraai zwart-ebbenhouten
kruis met fijn ivoren corpus. Zie, onder aan den voet bevindt
zich een klein zilveren plaatje met het opschrift:
Souvenir
van
Henri en Julia.
Nov. 1888.
-ocr page 229-
Wat mijnheer in zijn boekje had.
Wie zich veel voorstelt van ;;het avondje, dat juffrouw Berg-
houdt heden geeft, ter inwijding van het St. Nicolaascadeau harer
kinderen en ten afscheid tevens van haar zoon en schoondoch-
ter: jongejuffrouw Betje heeft er geen groote verwachting van.
Frans Van Scharen, de verloofde van Marie, heeft uit Rotter-
dam een «snoepreisje" gemaakt, nu ja, dit is meest ten plei-
ziere van zijn meisje. Maar, verbeeld u, Henri en Julia zullen
ook van de partij wezen, en dat wel op uitdrukkelijke verkla-
ring van moe, dat het een stil onder-onsje zijn zal, geene
feestviering, \'t lijkt er niet naar! Anders waren zij niet geko-
men, \'t is pas drie weken na \'t verlies van hun eonige. Enfin,
een verzet voor hen, doch met dat al tamelijk saai «voor een
meisje." Als dus Marie en Cato de honneurs willen waarne-
men en zorgen voor, ja, wie weet, wat moe van plan is,
misschien wel voor den chocolade-ketel! — dan zal zij, de
stille Elisabeth, heur moeder wel gezelschap houden met de
breikous of maasnaald. Onderdehand kunnen Anna en Julia
de quaestie over het weer en de meiden in orde brengen, ter-
wijl de heeren, — er zijn er immers precies vier ? Ja: vader,
Jap, Leonard en Henri, — nu, die kunnen dan een quadrille-
partij maken.
„En Frans dan?" onderbreekt Cato lachend, en zij toont
moeder de laatste toebereidselen voor den avond in orde.
«Frans ?" herneemt de schalke brunette met oen ooiijken blik
15
-ocr page 230-
210
op hare oudste zuster, „Frans ? wel, die zal met Marie het
mooie lepeldoosje moeten bekijken . ..."
„Niets dan jaloerschheid," schertst de bruid op \'t tipje. „Je
speelt straks maar eens een mooi stuk op de pianino, hoor,
dan zal Frans .. .."
„Neen, geen muziek!" valt moeder haar in de rede. „Be-
grijpt toch, dat het ten minste voor Julia hinderlijk wezen zou,
als jelui pret gingt maken."
„Voor Henri niet minder," meent Jan, die vader is.
„Maar, moe," werpt de negentienjarige pruilend tegen, „\'t is
toch geene begrafenis-bijeenkomst! De kleine Albert is nu
eenmaal een engeltje meer; met den besten wil van de wereld
kan ik er geen traan om laten . . . ."
„Sssst!" stuit Cato dien woordenvloed, „ik meen Henri in
de gang te hooren, zooeven ging de bel over."
„Ja, zij zullen \'t wezen," bevestigt de gastvrouw, „\'t is ook
al zes uur dóór. Toe, Toosje, ga vader eens roepen en Frans."
En aan \'t adres van Marie vervolgt zij : „wat die twee toch
samen hebben ?"
„Zij zullen eens naar \'t kippenhok gaan zien," veronderstelt
de aangesprokene; „daar heeft de zoon van die borstelvrouw
vandaag immers aan getimmerd."
„Dan hebben ze zeker een lantaarntje meegenomen," plaagt
Betje. „Als die maar niet uitwaait, want \'t is lief weer, om
in den tuin te gaan."
„Dr zal maar in de achterkamer zoeken; dat plaatsje zal
vader wel liever gekozen hebben, om eens een appeltje met
zijn a. s. schoonzoon te schillen," meent Cato, en zij wipt de
kamer uit, waarna Van Noordveld met zijn vrouwtje binnen-
treedt, door tante en nichtjes hartelijk verwelkomd.
Julia wordt een plaats aangewezen naast de vrouw des hui-
zes, en dozen stoel, aan haar linkerzijde, moet Betje laten staan
voor Anna; „zij komt zoo aanstonds, eerst wou zij de kinderen
naar bed maken. Ziezoo, en daar is vader, — neen, nu niet
meer in de zorg, je nieuwe stoel, baas!"
-ocr page 231-
211
„Gunst, tante, wat mooie fauteuil!"
wJa, kind, kijk, ik heb er óók een. O, je hadt ze nog niet
gezien, dat \'s waar. \'t Zijn de stoelen, die Sint-Nicolaas gere-
den heeft. Eigenlijk zonde, om alle dag te gebruiken, vindt je
niet?"
z/Welneen, tante, waar zou u dan iets goeds voor hebben?"
Zoo keuvelend is de gastvrouw er op bedacht, dat ten min-
ste de entree niet wsaai" wordt; verder zal voornamelijk haar
jongste dochter er wel voor zorgen, zonder hare nicht door te
groote vroolijkheid onaangenaam te treffen. Julia gevoelde zich
toch allesbehalve opgewekt, om uit te gaan ; maar bij oom en
tante den avond te passeeren, had zij niet kunnen afslaan.
Ondertusschen geraakt Henri in levendig gesprek met zijn oom
en neef Jan, mitsgaders zijn neef in spe; nu en dan, als vurig
beminnaar der toonkunst, een woordje wisselend met de lieve
Elisabeth, over de heerlijkheden, die \'t a. s. Vincentius-concert
te genieten zal geven, waarom zij, met meer stemmigheid, dan
de huisgenooten van haar gewoon zijn, hem aanspoort, zijne
partij weer op te nemen.
„O neen, daar staat mij nu \'t hoofd niet naar," is \'t zacht
gegeven antwoord van den beroofden vader.
„Dan zal Leonavd je daar wel toe overhalen," besluit zij
lieftallig, en plaatst een stoel naast hem voor haar jongsten
broeder, die \'t gezelschap voltallig komt maken.
De meisjes, gewoon als zij zijn, zelf alles in \'t gereede te bren-
gen, hebben met goedvinden van moe besloten, niet meer voor
thee te zorgen; \'t is zoo\'n omslag en \'t kort den avond zoo op.
Betje presenteert dus den wijnkooper en Cato een Rotterdam-
schen confiseur, Sinterklaas-geschenk van do Van Scharen\'s. —
Neen, \'t is niet oud-bakken, lieve mevrouw; de delicatessen, op
den on December of daaromtrent, geleverd, blijven minstens
twee maanden versch. — En bij \'t eerste rondgaan met schenk-
blad en schotel, vinden de zusjes vader, Frans en Jan vlijtig
bezig een oude koe uit do sloot te halen, in dispuut over het
al of niet behoorlijke van de houding der Magistraat van Rot-
15*
-ocr page 232-
212
terdam, tijdens de standjes tusschen socialisten en oranjeklanten,
toen Domela Meuwenhuis die stad met een bezoek vereerde.
Voorts treffen zij Henri en Leonard in gesprek, nog altijd over
de muziek. En eindelijk komen zij bij Julia en Anna, die
met Marie luisteren naar moeders rede over voordeelige inkoo-
pen, die gedaan moeten worden ten dienste van de jongelui,
die morgen hun bovenhuis gaan bewonen en zoo goed als
nieuw in hunne huishouding gezet moeten worden, wijl letterlijk
al hun huisraad verbrand is. Zieh voorloopig nog wat te be-
helpen, totdat Anna een en ander van haar gading op een
goeden inboedel kan machtig worden voor een koopje, vindt
moeder het verstandigst.
Ofschoon de oude heer Berghoudt „een hekel aan compli-
menten heeft" en niet van toasten houdt, onderbreekt hij nu
toch \'t gesprek met de gewichtige vraag aan zijn tweede ik :
ffzeg eens, vrouw, wat heb je toch bedoeld met het inwijden
van onze stoelen ?"
„Eenvoudig," zegt moeder hartelijk, „dat we ze niet maar
zoo, voor evenveel, in gebruik moesten nemen; maar dat de
kinderen zouden weten, hoe aangenaam hun cadeau aan ons is."
„Begrepen," herneemt vader. „Welnu, dan zeggen we jelui
nogmaals dank voor \'t mooie cadeau, en in ruil daarvoor den
wenscli, dat je steeds voor ons blijven moogt, wat je nu zijt:
ware kinderen voor je ouders, dan zal \'t je steeds wèl gaan!"
Betjes vingeren jeuken, om een „lang zullen ze leven" op de
pianino te trommelen. Onder \'t klinken fluistert zij \'t moe
nog eens in, maar er mag niets van komen. En zij behoeft
niet aan te houden, want er is iets anders in aantocht. Leonard
haalt op verlangen van Henri het katerntje te voorschijn,
waarop hij de eerste lezing in dit seizoen, zoo goed als in haar
geheel, heeft afgeschreven. „Ik heb," luidt zijne toelichting,
«alléén mijn stenographische aanteekeningen uitgewerkt, zonder
ze uit hot geheugen aan te vullen. Door de strubbeling van
den brand was ik het toch glad kwijtgeraakt.
Moeder vindt het intusschen nog heel wat, en zou wel wil-
-ocr page 233-
213
len, dat Leo het eens voorlas. „Beware ons!" roept Betje uit.
//Welja," meent vader, „dan hadden we daar allemaal nog
wat aan."
De meesten der aanwezigen stemmen met hem in, doch niet
allen. Zoo vraagt al wederom Betje, of men geen handschoe-
nen zou aantrekken, eeno gebruikelijke ceremonie op een lezing,
met introductie van dames. En als Cato haar lachend vraagt,
hoe lang dit pretje wel duren zou, verklaart de levenslustige,
het heusch niet te weten! //Misschien wel een uur, is \'t niet
Leonard ?"
«Ja, juffrouw," luidt het vroolijk antwoord, «voor minstens
een imr vraag ik u het offer van te zwijgen."
„Ik een uur lang mijn mond te houden ? Dat heb ik bij
mijn weten nog nooit gedaan !" klink Betjes gulle bekentenis.
Onder algemeen gelach getuigt haar vader, dat, zoo ooit, zij
dan nu toch ernstige waarheid spreekt; doch verzoekt haar
tevens, om ten minste eens te probeeren stil te zijn, dan zal
Leo beginnen, zoo hij ons pleizier wil doen."
„Ik ben er ook zeer nieuwsgierig naar, verzekert mijnheer
Van Scharen, instemmend met zijn a.s. schoonpapa; waarop het
schalke zusje weer niet laten kan, Marie op te merken, dat
haar Frans een beleefde politicus is. En nadat moeder beves-
tigend geantwoord heeft op Anna\'s vraag, of deze de lezing is
van den avond, toen de brand bij haar uitbrak, begint Leonard
met klank volle stem :
„Meermalen gebeurt het ons, M. H., dat wij bij de ontmoeting
van bekenden en ook wel van onbekenden, ons gesprek al
spoedig richten naar het vruchtbaar onderwerp, dat wij aan-
duiden door het woord malaise. ..."
„Met je permissie, dïit hebben we al gehoord," kan de jolige
Elizabeth onmogelijk zich onthouden haren broeder te herinne-
ren. „Denk je, dat we zoo kort van memorie zijn ?"
De oude lui vinden \'t een ongelukkig ding, dat hun jongste
maar niet zwijgen kan, hetgeen de andere hoorders echter niet
zoo heel erg opnemen, vooral daar Leonard haar aanstonds in
-ocr page 234-
214
\'t nauw meent te brengen met een: „weizoo, vertel dan eens,
wat ik reeds heb voorgelezen en waar ik dus gebleven ben!"
//Wel," hervat zij gereedelijk, „dat tegenwoordig iedereen
over de malaise klaagt; maar dat van die malaise niet veel te
bespeuren is aan de vele vermakelijkheden, mooie café\'s en
dure toiletten. En dat die malaise ondertusschen doet denken
aan slechte tijden en verkeerdheden van, van .... ja, ik geloof
van den duivel!"
De bewuste redevoering moge in de zaal zoo sterk zijn
toegejuicht, als „de geachte spreker" \'t maar had kunnen wen-
schen : zwakjes was dat applaus, vergeleken bij het handgeklap,
nu aan de aardige brunette ten deel gevallen. Dat zij goed
geluisterd heeft naar Leo\'s verslag en niet „kort van memorie"
is, allen zijn er van overtuigd. „Maar dat laatste woord, neen,
duivel was het niet, Leonard, is \'t wel ?"
„\'t Heeft er iets van in klank, moe. Komaan, ik zal bij
den volzin, waarop Betje doelt, de nalezing hervatten.
„Attentie, dames en heeren !" roept het enfant terrible met
comischen ernst.
„Ongelukkig woord, malaise ! Het geeft den staatsman zooveel
te denken, den nijveren burger zooveel te klagen ! Het voert
den diepzinnigen theoreticus tot de heterogene beschouwingen
van overproductie en overbevolking; terwijl het den nuchteren
practicus, — helaas met al even weinig succes ! — zinnen doet
op een middel tegen het misbruik van Plutonische macht, tegen
de moderne afdwaling van datgene, wat eertijds ten goede
kwam aan geheel de maatschappij, zoowel als aan het individu.
«Nu is het waar, M. H., dat de mensch immer geneigd was
tot klagen over de tijden, die hij beleeft. De klachten der
oudste schrijvers zelfs over do gebreken van hunnen tijd, ko-
roen al vrij wel overeen met die, welke wij van elkander ver-
nemen. Doch, al waren die klachten meestal gegrond, en al
vinden wij heur oorzaak steeds in de natuurlijke, doch geschon-
dene, majesteit van den mensch zelf: nooit was het maatschappe-
lijk kwaad zóó ernstig, als bij het thans levend geslacht. Neen,
-ocr page 235-
215
zelfs niet onmiddellijk vóór de komst van den gezegenden Ver-
losser der wereld ! Toen nog was zelfs de heiden zich bewust
van de algemeene ellende, en stemde hij in met Israëls smeek-
zang: Dauwt, hemelen ! Dat de wolken den Eechtvaardige
regenen ! — Doch nu ? .. .. ach ! En moeilijker wordt de verbe-
tering door de steeds toenemende onverschilligheid omtrent do
middelen daartoe.
„Immers, ofschoon de oplossing van alle levensvragen der
volken slechts verwacht moet worden van Hem, die de woorden
heeft des eeuwigen levens, — hoezeer eene bevredigende rege-
ling van staten en standen, de heeling van maatschappelijke
wonden slechts te vinden zijn in den godsdienst, „tot alles
nut": toch is men maar al te zeer geneigd, het oor te leenen
aan de klinkende machtspreuken en overmoedige uitspraken
eener God-verzakende wetenschap, en een beter bewustzijn tot
zwijgen te brengen in den maalstroom van vermaken eener
bedorven wereld.
„De rechtvaardige echter leeft uit het geloof.
„En leeft dat volle leven niet enkel in het heiligdom van
den Christus, in wien hij gelooft en gerechtvaardigd wordt;
maar vooral ook daarbuiten, in den dagelijksohen omgang met
zijn medemensen, in de duizend verschillende omstandigheden,
waarin eene bont-gemengde samenleving hem plaatst, — daar,
tegen den stroom in van ongeloof en zedenbederf, in heldhafti-
gen kamp tegen de gebreken van zijn tijd, stelt hij, door woord
en door daad, zijn machtig Credo !
„Noemt dit geen vruchteloos pogen, M. H. Scheldt het geen
ijdel vertoon!
„Allerminst toch, gij, Nederlandsche Katholieken, kunt u laten
verleiden tot geringschatting van deze macht!
„Sterk in uw Credo, stondt gij, zonen van Willibrord, pal in
een onzaligen strijd en hebt gij het heerlijkst erfdeel uwer va-
deren bewaard!
„Sterk in uw Credo, hebt gij onrecht gedragen en verdragen,
onrecht, schande, uitsluiting en spot; totdat gij door onkreuk»
-ocr page 236-
216
bare trouw aan uwe beginselen, door bewondoring-afdwingende
standvastigheid uwe tegenstanders wist te pressen tot een ont-
zach, dat te eerder leidde tot de prijs van uwen kamp: de
herwinning uwer rechten ! En al zouden er ook nog stemmen
opgaan, om u den grond uwer vaderen te ontzeggen, u te
verwijzen naar de overzijde van den Moerdijk : uw Credo, dat
aan God geeft, wat O odes is, maar tevens een niet te versma-
den deel aan den Gesar, zal ook uw laatsten tegenstander
dwingen, het eeresaluut te geven aan u, Katholieken van Ne-
derland!
//Onder u immers wordt het gezach hooggehouden en geëer-
biedigd ! Onder u draagt het plichtbesef tot arbeid rijpe vruch-
ten, zoowel op stoffelijk als geestelijk gebied! Onder u bloeien
wetenschap en kunst, is het huwelijk heilig, blijft het huisgezin
in stand, zijn vriendentrouw en vaderlandsliefde in eere!
//Ken beproefde macht bezit dus gij, Katholieken, in uw Credo!"
ffEn is het een feit, dat gij, in ons dierbaar Vaderland, op
koopmanskantoor en in werkplaats belangrijk sterker zijt dan in
raadzaal en magistratuur, — en is het andermaal eono waarheid,
dat handel en nijverheid meer onmiddellijk worden getroffen
door de hedondaagsche malaise: dan, M. H., zouden Neerlands
Katholieken ontrouw worden aan hun verleden, zoo zij ook tegen
die malaise niet te velde trokken met hun aloud Credo.
//Vanwaar toch komt die ongelukkige toestand, uitgedrukt door
dat ongelukkige woord? Vanwaar anders, M. H., dan uit het
in onze dagen zoozeer toenemend ongeloof en de verflauwing
van geloof bij hen, die \'t nog niet geheel hebben verloren? De
patroons zijn ten speelbal aan de werklieden, het gezach wordt
maar al te vaak niet geëerbiedigd, zoo klaagt men. Maar is het
niet veelal doordat het gezach zich-zelf niet eerbiedigt, doordat het
zijn plichten veronachtzaamt en slechts zijn rechten wil doen
gelden ? Is het niet, alsof men niet gehouden is tot het goede
voorbeeld, alsof men slechts leeft, om te genieten, zooveel en
zoolang men kan genieten ? Weelde en genot te smaken zonder
zorgen, zonder overleg? De kleinen volgen de grooten. Wen-
-ocr page 237-
217
sehen dezen zich steeds te ontspannen, genen dunkt acht uren ar-
beids per dag al meer dan genoeg; zoekt de een amusement, de
ander wil pret hebben. En als men op een goeden dag den naak-
ten bodem van zijn hulpbron ontdekt, dan klaagt men over malai-
se; — dezen vervallen tot moedeloosheid, zonder gedachte aan eene
Voorzienigheid, terwijl anderen vervuld zijn van wrevel en haat.
«Ziedaar in onze dagen voor kleinen en grooten, voor eiken
stand, voor ieder in het bizonder en toch weer voor elkander,
een toestand geschapen, waarin men wrokt tegen malaise!
;;Verwijt mij geen pessimisme, M. H., ik toon u slechts de
donkere, de zwarte schaduw van onze lichtende eeuw, eene
eeuw van kunstlicht trouwens, waarin de rede hafir hoogste
triumphen viert. Zij bevalt u niet, deze schildering ? .... O
gij hebt het in uwe macht, die donkere, die zwarte schaduw, zoo
niet geheel te doen verdwijnen, dan toch tot een kleinere afme-
ting terug te brengen door den fakkel van uw geloof; \'t is aan
u, zelfs over die triiimpheerende redo te zegevieren door de
praktijk van uw Credo, d. i., ten opzichte van ons-zelven: door
een werkzaam vertrouwen op de Voorzienigheid; en jegens de
maatschappij: door eene werkdadige liefde.
,;Toen was het pauze," zegt Leonard, en zijne moeder vindt
goed, dat hij nu ook eens pauseert; doch zij verzet er zich
tegen, dat haar zoon de nalezing geheel zou staken, iets waar-
voor Betje weer sterk ijvert. Ondertusschen vertelt Marie, dat
zij onlangs in Rotterdam ook eens op een lezing geweest is, o,
heel aardig, mooier dan deze, dunkt haar. Een novelletje werd
daar ten beste gegeven en een paar vroolijke stukjes toe. Maar
zoo iets, als Leo nu voorlas, och neen daar valt zij niet in.
Henri vindt dit zeer natuurlijk. De dames toch, meent hij, hoo-
ren liever iets, dat alleen van de verbeelding en niet van het denk-
vermogen eenige werking vraagt. Broer Jan werpt daar echter
tegen, dat veel heeren aan \'t zelfde euvel mank gaan. Dit moest
Henri verleden jaar maar eens gehoord hebben, toen die Rector
een anekdote of historietje in zijn redevoering invlocht, hoe
-ocr page 238-
218
krachtig er dan geapplaudiseerd werd. En hoe, daarentegen,
bij eene gedachte of betoog, in de zaal nog al uiltjes vlogen,
welke door velen gretig gevangen werden, totdat zij, opgeschrikt
door een bravootje hier of daar, mede-applaudiseerden van den
weeromstuit. Doch neen, zoo erg was het niet, beweert de
oude heer, getuige hoc ook Leonard, die toch geen geleerde is,
juist weer geeft, wat er gezegd is.
«Nu ja, doordat hij er liefhebberij in heeft, om zoo\'n rede-
voering te stenographeeren."
«Hoe doe je dat toch, Leo?" vragen de dames; waarop hij
een verklaring geeft, die haar niets verder brengt, \'t Fijne
van de zaak geven zij hem dus «present", maar niet het ver-
volg van zijne nalezing. Hij moet echter alleen nog maar \'t
voornaamste geven, want vader wou nog «een kaartje leggen",
welk commando, — want als zoodanig geldt een verzoek van
mijnheer Berghoudt in zijn huis, — Befje «heerlijk" vindt.
Dies hervat Leonard, er vluchtig overheen gaande:
«Vertrouwen op de Voorzienigheid, M. H., is slechts een
natuurlijk gevolg van ons Credo. Door het geloof toch zijn
wij overtuigd van de inwerking Gods op alles, wat om ons
heen geschiedt, en dat Hij alles regelt, alles beschikt propter
electos Dei,
ten gunste der Zijnen. Dit vertrouwen is echter
niet werkeloos; want die slechts Heere, Heere, zeggen, zullen
\'t waarlijk niet ver brengen, zoo min op stoffelijk als op gees-
telijk gebied. De arbeid toch is ten wet gesteld aan den mensch,
die «geboren is, om te werken, als de vogel, om te vliegen."
Komen wij deze wet na door stipte plichtsvervulling in den
staat of stand, waarin Zijne Voorzienigheid ons geplaatst heeft,
dan kunnen wij ook met grond vertrouwen op de hulp van
Hem, «in wien wij leven, ons bewegen en zijn." Dan zullen
zelfs geen tegenspoeden, geene wederwaardigheden, of, zoo men
wil, dan zal do malaise ons niet vervoeren tot moedeloosheid,
om met een: «wat kan \'t me verder schelen," de zorgen wech
te spoelen in fraaie of minder verlokkende café\'s; dan zal
men zich er niet nog dieper onderwerken, door verstrooiing te
zoeken in altijd kostbare vermaken.
-ocr page 239-
219
//Neen, M. H., dat leven uit het geloof, dat vertrouwen, dat
steunen, zou ik zeggen, op Gods vaderlijke Voorzienigheid zal
ons sporen tot grootere vurigheid voor het Deus in adjutorium
meum Mende"
1) en tevens tot grootere werkzaamheid. Zoo
wordt de kwaal in ons zelven met succes bestreden. En in
de maatschappij ? .. . . Door de liefde.
«Waarlijk, M. H., de vergoding van het eigen ik, de zelfzucht
en eigenbaat zijn niet de minste gebreken van onzen tijd!
Liefdelooze onverdraagzaamheid, lastering en verdachtmaking
van den brave, spot en verguizing van hen, die weigeren met
den stroom mede te gaan, afgunst en nijd, achterdocht en kwado
trouw zelfs onder broeders en medestanders in den goeden
strijd, zij behooren tot de meest-alledaagsche zonden in onze
samenleving; al worden ze dan beschouwd als zoovele heb-
belijkheden dezer eeuw, waarvoor sommigen toegeeflijkheid ver-
gen ! Doch, wanneer men het daarmede zoo nauw niet neemt,
ik vraag het u, M. H., zal dan zelfs het opkomend geslacht
betere tijden boleven, dan die, waarover wij klagen ? Zal dan de
malaise verminderen door herleving van oud-Hollandsche dege-
lijkheid en kracht, die steunpilaren van Handel en Nijverheid?
«Neen. En geen buitensporig onderwijs, al pronkt het ook
met ,/christelijke en maatschappelijke deugden" op zijn program,
geene aan het Heidendom ontleende veredeling van den mensch
geven ook maar eenigszins vooruitzicht op beter.
//Vruchteloos ook wordt het kwaad bestreden van uit de
studeerkamer, waar schootsvel en teekonplank de symbolen van
het Christendom hebben vervangen ! Geen economische brochures
herstellen zekere averechtsche verhoudingen tusschen kapitaal en
arbeid; geen theoretische beschouwingen temperen het gistende
bloed in de aderen der samenleving; geen dwaze vleierij noch
overmatige kortwieking van het volk verlammen of beteugelen
slechts de gespierde vuist van het Socialisme!
1) Bctjc herinnert zich, dat dit psalmvers in haar kerkboek vertaald
staat, en zij heeft het gauw gevonden ; hij den aanhef der vesperpsalmen
leest zij: God, zie neer op mijne hulp.
-ocr page 240-
220
«Neen, M. H., die denkers zouden beter op de hoogte van
hun tijd wezen en dezes behoefte beter kennen, wanneer zij niet
hooghartig en baatzuchtig verzaakten aan ons aloud Credo, welks
eerste voorschrift is de liefde; de liefde, M. H., die blijken moet
niet uit woorden alléén, maar vooral ook uit daden! De grijze
Moederkerk heeft hare zending niet volbracht door de bescha-
ving enkel der oude Barbaren: ook jegens het moderne Hei-
dendom heeft zij eene roeping te vervullen. Wij dan, hare
zonen, trekken wij te velde tegen den eigenbaat en de zelfzucht
van onzen tijd, door eerbiediging en handhaving van het gezach,
door cijns en eere aan onze overheid; maar ook door het goede
voorbeeld en eene rechtvaardige bejegening aan onze minderen.—
Suum cu\'ique, M. H. ! En laat ons dan wedijveren met elkander
in de werken der liefde, niet zoozeer door de aalmoes, als wel
door steun en bescherming, aanmoediging van den nrbeid; —
niet door moderne philantropie, maar door de christelijke lief-
dadigheid, en deze niet beneden, doch ook niet boven onze
krachten, opdat door ijdel vertoon het heilige niet ontwijd
worde en wij zelf niet ten gronde gaan.
«Laat ons, aldus sterk in ons Credo, trouw aan ons vaandel,
ondeelbaar éen blijven en, ruiterlijk uitkomende voor onze ge-
voelens, die eenheid toch nooit of te nimmer kwetsen. Dan
zullen wij voor de geen steekhoudende stellingen over economie,
voor de dwaasheden van het Socialisme, voor de goddeloosheid
van het Malthusianisme, voor de werkelooze verzuchtingen over
het zedenbederf van onzen tijd, voor de klachten over de maat-
schappelijke wanverhoudingen en de malaise in de plaats stel-
len: dat volle leven uit het geloof, en ons mannen van de
daad toonen door de liefde!
«Dan, M. H., mogen wij met grond van de Voorzienigheid
verwachten, dat de eeuw der revolutiën niet ter westerkimme
zal wechzinken, vooraleer zij gevoeld zal hebben en luide erkend,
de onvergelijkelijke kracht van ons Credo, in de eeuw der Cesars
reeds alverwinnend gehuldigd, om zijn keurmerk: de liefde!"
-ocr page 241-
Naschrift.
Voor hem of liaar, die ook deze Nalezing gevolgd heeft, niet
zoozeer, om hetgeen die mijnheer ;,in zijn boekje had," dan
wel uit belangstelling in de familie Berghoudt, diene de me-
dedeeling, dat Marie in Februari trouwde met Frans van Scha-
ren; en dat Cato op hare bruiloft voor \'t eerst openlijk voor
den dag kwam met heur «vrijer uit de oude doos;" Piet
was over de huizen! Verder, dat bij Jan de zaken wederom
goed op dreef zijn en bij Anna gelukkig //alles zijn gewoon
verloop had," en Julia weer in blijde verwachting is haren
Henri gelukkig te maken als weleer.
En Betje, de mooie, vroolijke, levenslustige Elisabeth ... . ?
Nog een beetje geduld, zij is in haar proeftijd; doch \'t laat
zich aanzien, dat zij weldra als Soeur Casimira, de vreugd en
het geluk verhoogen zal van allen, die het voorrecht hebben
dagelijks met haar om te gaan.
-ocr page 242-
Aan de firma C. L. van Langenhuysen,
te Amsterdam.
U vraagt mij een lijstje van de Errata?
Och, waartoe u nauwkeurig opgegeven, o. a. dat die wdoo-
denruiker" in Alb. Th.\'s versje eene valschheid in geschrifte is
en „kerkhofruiker" wezen moest; — dat ik het lieve Keetje
niet wou laten „gichelen", doch liever „giegelen", zooals de
meisjes elders; — dat daarentegen meermalen een g gezet is,
waar ik gewoon ben ch. te schrijven; — dat hier een n of
t te veel, daar wederom te weinig staat; — dat al eens een ,
of A gemist wordt of verkeerd geplaatst is, enz. enz.? Waartoe
van dat alles een lijstje gemaakt? U toch, die jaren lang het
voorrecht had, de keurige schrifturen van Pauwels Foreestier
tot gemeengoed te maken, u moet het voorkomen, dat een op-
gave van die minder-beduidende drukfeilen óók wel gemist
kan worden aan het einde van dit boek, schoon aan de nage-
dachtenis van den Moester gewijd, toch zoo onvolkomen in zijn
geest en dictie. —
En de lezer neme den bundel dus voor lief, zonder aanwij-
zing van Errata.
F. M.
-ocr page 243-
I ÏT H O -Ü- D.
lilz.
Aan de nagedachtenis van Pauwels Foreestier . .      IV
Brief (ter voorreden) aan den auteur van Camera Obscura.      IX
De grootste van mijn kleentjes........        3
Zijn beste werk..............        5
Een installatie-partijtje..........      24
Wat Ds. Van Noordt zijn zoon liet worden ...      52
Een laatste onderhoud...........      58
De dokter kwam te laat..........      70
Fragment van een brief aan K. F. Havenkorf. . .      92
Ontwijde grafkransen............      94
Kunstzin en rechtsgevoel..........    104
Aen Aemstels Stedemaeght..........    108
Een curiosum als toegift..........    111
In \'t Eijksmuseum.............     119
Kaatje Pietersen.............    125
Een lieve visite..............    132
Eigen haard...............    139
Die nare dood..............    155
Eene Nalezing..............    157
Praktische raenschen, maar „schrikkelijk oiiderwetsch" . .     157
Ouderzorgen en een maatschappelijk vraagstuk.....     172
Een alledaagsch gevalletje, waarbij echter iets niet alledaagsch
valt op te merken..............     185
Wat St. Nicolaas bracht en wat hij beloofde......     199
Wat mijnheer in zijn boekje had..........     209
Naschrift..................     221