-ocr page 1-
Vak 152
HENRIK 1BSEN
DE STEUNPILAREN
DER MAATSCHAPPIJ
TOONEELSPEL IN VIER BEDRIJVEN
NAAR DE OORSPRONKELIJKE
NOORSCHE UITGAVE DOOR J.
CLANT VAN DER MJJLL-PIEPERS
•*k
UITGEGEVEN DOOR MEULENHOFF & Co.
TE AMSTERDAM IN HET JAAR 1906 * *
-ocr page 2-
3^5?
yv\\fr\\ /
-ocr page 3-
-ocr page 4-
:.\\
-ocr page 5-
HENR1K 1BSEN
DE STEUNPILAREN
DER MAATSCHAPPIJ
-ocr page 6-
Het recht van opvoering voorbehouden volgens
de wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad No. 124)
-ocr page 7-
-ocr page 8-
44
De Heer Jan C. de Vos
nis Consul Bernick in De Steunpilaren
der Maatschappij
-ocr page 9-
Vak /f &
HENRIK 1BSEN
DE STEUNPILAREN
DER MAATSCHAPPIJ
TOONEELSPEL IN VIER BEDRIJVEN
NAAR DE OORSPRONKELIJKE
NOORSCHE UITGAVE DOOR J.
CLAN 7 VAN DER M1JLL-P1EPERS
O. F.
W IJ CHEN
UITGEGEVEN DOOR MEULENHOFF & Co.
TE AMSTERDAM IN HET JAAR 1906 * *
-ocr page 10-
PERSONEN:
Karsten Bernick, Consul.
Betty, zijn vrouw.
Olaf, hun zoon dertien jaar oud.
Martha Bernick, zuster van den consul.
Johan Tönnesen, jongere broer van mevrouw Bernick.
Lona Hessel, haar oudere halve-zuster.
Hilmar Tönnesen, neef van mevrouw Bernick.
Rörlund, hulpprediker.
Rummel, groothandelaar.
Vigeland en
Sandstad, kooplieden.
Dina Dorf, een jong meisje bij Bernick in huis.
Krap, procuratiehouder van Bernick.
Aune, scheepsbouwmeester.
Mevrouw Rummel.
Mevrouw Holt, vrouw van den postdirecteur.
Mevrouw Lynge, vrouw van den dokter.
Hilda Rummel.
Netta Holt.
Burgers en andere inwoners, vreemde zeelui, stooniboot-passagiers en*.
Het stuk speelt in een klein Noorsch havenstadje,
in het huis van den heer Bernick.
-ocr page 11-
EERSTE BEDRIJF.
Een ruime tuinkamer in het huis van consul Berniok. Links op
den voorgrond een deur leidend naar de kamer van den consul;
wat verder aan denzelfden wand een dergelijke deur. In \'t mid-
den van den tegenovergestelden wand een groote entree-deur.
De achterwand is bijna geheel van spiegelglas met een open-
staande deur die naar een breede tuintrap leidt, waarover een
zonnescherm gespannen is. Onder aan de trap is een gedeelte van
den tuin zichtbaar, omheind door een hekje dat een uitgang heeft.
Buiten langs het hekje loopt een straat, die aan den overkant
bebouwd is met kleine in lichte kleuren geverfde houten huizen.
Het is zomer en de zon schijnt warm. Enkele menschen gaan
nu en dan voorbij in de straat; zij blijven slaan en praten samen;
in een winkel op den hoek worden klanten bediend, enz. enz.
Binnen in de tuinkamer zit rondom de tafel een gezelschap
dames. In het midden zit mevrouw Bernick. Aan haar linker
kant zit mevr. Holt met haar dochter; daarnaast mevr. Rum-
mel en haar dochter. Rechts van mevr. Bernick zit mevr. Lynge,
Martha Bernick en Dina Dorf. Alle dames houden zich bezig
met een handwerk. Op de tafel liggen groote stapels halfgereed
of geknipt linnengoed en andere kleeren. Wat verder weg bij
een klein tafeltje waarop twee bloempotten en een glas suiker-
water staan, zit Rörlund en leest voor uit een verguld-op-snee-
gebonden boek, doch zóó dat maar enkele woorden voor de
toeschouwers verstaanbaar zijn. Buiten in den tuin loopt Olaf
rond en schiet af en toe met een boog.
Een beetje later komt Aune zachtjes binnen door de deur
rechts. Dat brengt een beetje stoornis in het voorlezen; mevr.
Bernick knikt hem toe en wijst naar de deur links. Aune gaat
er zachtjes heen en klopt een paar keer met eenige tusschen-
ruimte op de deur van Bernick\'s kamer. Erap komt met zjjn
hoed in de hand en stukken onder den arm er uit.
1
1
-ocr page 12-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
Krap. O, ben jij het die klopt?
A u n e. Mijnheer Bernick heeft om me gezonden.
Krap. Dat heeft hij ook; maar hij kan je niet ontvangen.
Hij heeft mij opgedragen ....
A u n e. Ü ? Ik wou nog liever!
Krap.....mij opgedragen het je te zeggen. Je moet ophou-
den met die Zaterdag-avonds-voordrachten voor de werklui.
A u n e. Zoo ? Ik zou toch denken dat ik mijn eigen vrijen
tijd mocht gebruiken .__
Krap. Je mag niet je vrijen tijd gebruiken om de menschen
onbruikbaar te maken in hun werkuren. Verleden Zaterdag
heb je gesproken over de schade die de werklui zullen lijden
door onze nieuwe machines en door de nieuwe methode van
werken op de werf. Waarom doe je dat?
A u n e. Dat doe ik om de maatschappij te steunen.
Krap. Dat is zonderling! De consul zegt juist dat zoo
iets de maatschappij onderste boven gooit!
A u n e. Mijn maatschappij is niet die van den heer Ber-
nick, meneer Krap. Als president van den werkliedenbond
moet ik....
Krap. Je bent in de allereerste plaats meesterknecht op de
werf van den heer Bernick. Je hebt in de allereerste plaats
je plicht te doen jegens den bond genaamd „de firma Ber-
nick", want daarvan leven wij allemaal.... Ziezoo, nu weet
je wat de consul je te zeggen had.
A u n e. De consul zou het niet op die manier gezegd heb-
ben, meneer Krap! Maar ik begrijp best aan wien ik dit te
danken heb .... aan dien vervloekten Amerikaan die hier in
reparatie ligt. De menschen willen dat hier net zoo gewerkt
zal worden als zij daarginder gewend zijn, en dat....
Krap. Nou ja, hoor .... met die praatjes kan ik me niet
inlaten. Je weet nu hoe mijnheer Bernick er over denkt, en
dus basta! Ga nu alsjeblieft naar de werf terug, ze kunnen
je daar noodig hebben; ik kom zelf straks ook. Excuseert
dames! {Rij groet en gaat door den tuin de straat op. Aune
gaat stil naar rechts. Čörlund, die gedurende dit op gedempten
toon gevoerde gesprek is blijven doorlezen, heeft even daarna
liet boek uit en slaat het dicht).
R ö r 1 u n d. Ziezoo, lieve toehoorderessen, hiermee is
het uit.
Mevr. R u m m e 1. Och, wat een leerrijk verhaal!
Mevr. Holt. En zoo stichtelijk!
2
-ocr page 13-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
Mevr. Bernick. Zoo\'n boek geeft waarlijk heel wat om
over na te denken.
Rörlund. O ja; het is een weldadige tegenhanger van
al de dingen die wij helaas, iederen dag zoowel in couranten
als tijdschriften te lezen krijgen. Die vergulde en geblankette
buitenzijde die de groote maatschappij ten toon stelt, wat
verbergt die eigenlijk? Leegheid en verrotting als ik het zoo
zeggen mag. Daar is heelemaal geen moreele vaste onder-
grond onder de voeten. In één woord, het is een gepleisterd
graf, die groote hedendaagsche maatschappij.
Mevr. Holt. Ja.... dat is maar al te waar.
Mevr. Eummel. Wij hoeven alleen maar te zien naar
de Amerikaansche zeelui, die tegenwoordig hier in de haven
liggen.
Rörlund. Och, van zulk uitschot der menschheid wil
ik niet eens spreken. Maar zelfs in de hoogere kringen....
hoe is het daar gesteld ? Twijfel en gisting overal; onrust
in de gemoederen en onvastheid in alle verhoudingen. Wat
is het familieleven niet ondermijnd daarginder. Wat een
dringen en drijven om zelfs de hoogste waarheden onderste
boven te halen.
D i n a (zonder op ie zien). Maar gebeuren daar ook niet
wel groote dingen?
Rörlund. Groote dingen___? Ik begrijp niet....
Mevr. Holt {verbaasd). Maar lieve hemel, Dina ....!
Mevr. Bummel (tegelijkertijd). Maar Dina, hoe verzin
je \'t....?
Rörlund. Ik zou het niet als een geluk beschouwen
als zulk soort van dingen hier ook gebeurden. Neen, dan
mogen wij God nog wel danken dat het hier is zooals het
is. Wel groeit ook hier helaas veel onkruid onder de tarwe,
maar wij doen toch braaf ons best om dat zoo goed mogelijk
uit te roeien. Het komt er op aan, dames, al het onreine en
verderfelijke ver van ons te houden, dat een onrustige tijd
ons wil opdringen.
Mevr. Holt. En daarvan is hier ook al meer dan genoeg,
helaas!
Mevr. Rum mei. Ja, \'t heeft verleden jaar toch maar
een haartje gescheeld of wij hadden hier ook al een spoorweg
gekregen.
Mevr. Bernick. Dat heeft Bernick gelukkig nog kunnen
tegenhouden.
3
-ocr page 14-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
R ö r 1 u n d. De Voorzienigheid, mevrouw. U kan er van
overtuigd zijn, dat uw man het werktuig was in de hand van een
Hoogere Macht, toen hij weigerde zich met die zaak in te laten.
Mevr. B e r n i c k. En toch werd hij zoo aangevallen in
de couranten. Maar wij vergeten heelemaal u te bedanken,
mijnheer Rörlund. Het is waarlijk meer dan vriendelijk van
u ons zooveel van uw kostbaren tijd te geven.
Rörlund. Geen kwestie van.... nu in de vacantie....
Mevr. B e r n i c k. Nu ja.... maar het is toch heusch
wel een offer....
Rörlund (haalt zijn stoel dichterbij). Spreek daar toch
nooit van, lieve mevrouw. Brengt u niet allemaal een offer
ter wille van een goede zaak? Of brengt u het soms niet
gewillig en blijmoedig? Deze moreel-verdorvenen, aan wier
verbetering wij arbeiden, zijn te beschouwen als gewonde
soldaten op een slagveld. U, dames, zijt allemaal de diaco-
nessen, de liefdezusters die pluksel maken voor de arme
ongelukkigen, met zachte hand verbanden aanlegt om de
wonden, ze verpleegt en geneest.
Mevr. B e r n i c k. Het moet toch wel een hemelsche gaaf
zijn om alles in zoo\'n mooi licht te kunnen zien.
Rörlund. Veel is er in zoo iets aangeboren, maar veel
kan men ook verwerven, \'t Komt er maar op aan de dingen
te zien in het licht van een ernstige levenstaak. Wat zegt
u er van, juffrouw Bernick? Vindt u niet dat u om zoo te
zeggen op een steviger grondslag staat, sedert u zich wijdt
aan de school?
Martha. Och, ik weet eigenlijk niet wat ik zeggen moet.
Soms als ik daarginder de school binnenga, wou ik dat ik
ver weg was op de wilde zee.
Rörlund. Ach ja, dat zijn de booze aanvechtingen, lieve
juffrouw. Maar voor dergelijke onstuimige gasten moeten wij
onze deur streng gesloten houden. De wilde zee.... dat
meent u natuurlijk niet letterlijk; u bedoelt de groote golvende
menschenwereld daarbuiten, waar zoo velen te gronde gaan.
En hecht u dan waarlijk zooveel waarde aan dat leven dat
u daarginder hoort bruisen en ruischen ? Kijk eens op straat.
Daar loopen de menseben zweetend en zwoegend in de bran-
dende zon en maken het zich druk met al hun zaken. Neen,
dan hebben wij het toch heusch beter, wij, die hier in de
koelte zitten en onzen rug kunnen keeren naar den kant
van waar de moeilijkheden komen....
4
-ocr page 15-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
Martha. Och Heer, ja, u heeft stellig wel gelijk....
Rörlund. En in een huis als dit.... in een goed en
rein thuis, waar het familieleven zich in zijn mooiste gestalte
vertoont.... waar vrede en eendracht wonen.... (tegen
mevrouw Bernick).
Waar luistert u naar, mevrouw?
Mevr. Bernick (naar de eerste deur links gewend).
Wat praten ze hard daar in de kamer.
Rörlund. Is er dan iets bizonders gaande?
Mevr. Bernick Ik weet \'t niet. Maar ik hoor dat er
iemand bij mijn man is.
(Hilmar Tönnesen, met een sigaar in den mond, komt uit
de deur rechts
.... hij blijft staan als hij al die dames ziet.)
Hilmar. O, pardon.... (wil zich terugtrekken).
Mevr. Bernick. Neen Hilmar, kom maar hier, je hindert
ons niet. Wou je iets?
Hilmar. Neen, ik kwam maar eens kijken. Goeden
morgen, dames (tegen mevr. Bernick.) Nou, wat komt er nu van?
Mevr. Bernick. Waarvan ?
Hilmar. Wel, Bernick heeft immers een vergadering bij
elkaar getrommeld.
Mevr. Bernick. Zoo ? Maar wat is er dan eigenlijk aan
de hand?
Hilmar. Och, \'t is dat gezanik weer over dien spoorweg.
Mevr. R u m m e 1. Neen .... maar dat kan toch niet!
Mevr. Bernick. Die arme Karsten, moet hij daar nu nog
al meer onaangenaamheden over hebben....
Rörlund. Maar hoe is dat mogelijk, mijnheer Tönnesen ?
Consul Bernick heeft toch verleden jaar zoo duidelijk te
kennen gegeven dat hij geen spoorweg wilde hebben.
Hilmar. Ja, dat dacht ik ook. Maar ik heb daar straks
Krap ontmoet en die vertelde dat die spoorweghistorie weer
op het tapijt was gebracht, en dat Bernick zou vergaderen
met eenige geldmannen uit de stad.
Mevr. R u m m e 1. \'t Wou mij ook al voorkomen of ik
Rummel\'s stem zoo even hoorde.
Hilmar. Ja, mijnheer Rummel is er natuurlijk ook bij,
en dan Sandstad van den Steenweg en Michel Vigeland....
de «Heilige Michael" zooals ze hem noemen.
Rörlund. Hm....
Hilmar. Pardon, mijnheer Rörlund.
Mevr. Bernick. En \'t was hier nu juist zoo rustig en
vredig.
5
-ocr page 16-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
H i 1 m a r. Nou, wat dat betreft, ik heb er niets tegen dat
ze weer eens een beetje beginnen te bakkeleien. Dat is ten
minste nog eens een afleiding.
E ö r 1 u n d. Mij dunkt zulk soort van afleidingen kunnen
wij wel missen.
Hilmar. Dat is een kwestie van temperament. Sommige
naturen hebben nu en dan eens een beetje opwekkenden strijd
noodig. Maar zoo iets levert het kleine stadsleven helaas maar
weinig op, en niet iedereen is het gegeven.... {hij bladert in
het hoek van Rörlund).
„De vrouw als dienstbare in de Maat-
schappij". Wat is dat voor onzin?
Mevr. B e r n i c k. Hč Hilmar, zeg dat nu niet. Je hebt
zeker dat boek niet gelezen?
Hilmar. Neen, en ik ben ook heelemaal niet van plan
het te doen.
Mevr. B e r n i c k. Je voelt je zeker niet erg lekker van daag.
Hilmar. Neen, dat doe ik ook niet.
Mevr. B e r n i c k. Heb je misschien van nacht niet goed
geslapen ?
Hilmar. Neen, ik heb heel slecht geslapen. Ik wandelde
nog een eindje om gisteren avond voor mijn zenuwen; liep
toen nog even op in de sociëteit en las daar een reisverhaal
van de Noordpool. Dat is nog eens iets om een mensch te
stalen, als je ze zoo volgt in hun strijd met de elementen.
Mevr. R u m m e 1. Maar dat schijnt u toch niet goed
bekomen te zijn, mijnheer Tönnesen.
Hilmar. Neen, het is mij heel slecht bekomen. Ik heb
mij den heelen nacht om-en-om gerold tusschen waken en
slapen en droomde dat ik achterna gezeten werd door een
afschuwelijken walrus.
Olaf. Is u nagezeten door een walrus, oom ?
Hilmar. Dat heb ik gedroomd, jou domoor! Maar loop
jij nou nog altijd te spelen met die malle boog? Waarom
zie je toch niet een behoorlijk geweer te krijgen?
Olaf. Nou, ik zou wat graag willen, maar....
Hilmar. Want een geweer dat beteekent ten minste
wat; daar is altijd iets spannends in als je vuren gaat.
Olaf. En dan zou ik beren kunnen gaan schieten, hč
oom? Maar dat mag ik toch niet van Papa.
Mevr. B e r n i c k. Breng hem toch niet zulke dingen in
zijn hoofd, Hilmar.
Hilmar. Hm.... een mooi geslacht dat ze opkweeken
6
-ocr page 17-
DE STEUXPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
tegenwoordig! Maken ze me daar een groote drukte over
allerlei lichaamsoefeningen .... lieve god ja!... en \'t is niets
dan een spelletje. Nooit een ernstig streven naar dat echte
stalende, dat er steekt in het manmoedig een gevaar te gemoet
gaan. Sta daar niet zoo met die boog naar me te wijzen, jij
lummel, die kon wel eens losschieten.
Olaf. Neen oom, er is geen pijl op.
Hilmar. Dat kan je niet weten; er kan toch wel een
pijl op zitten. Leg ze weg, zeg ik... . Wat drommel, waarom
ben jij niet meegevaren naar Amerika met een van je vaders
schepen ? Daar kon je nog eens een buffeljacht of een gevecht
met Indianen bijwonen misschien.
Mevr. B e r n i c k. Och maar, Hilmar....
Olaf. Nou, dat zou ik wat graag willen, oom; en mis-
schien zou ik dan oom Johan en tante Lona ook wel ont-
moeten.
Hilmar. Hm .... nonsens.
Mevr. B e r n i c k. Olaf, je kunt nu wel weer in den tuin
gaan.
Olaf. Hč Ma, mag ik ook op straat gaan ?
Mevr. B e r n i c k. Ja, maar niet te ver weg. (Olaf loopt
het hekje uit).
Rörlund. U moet dat kind niet zulke dwaasheden in
het hoofd praten, mijnheer Tönnesen.
Hilmar. Neen, natuurlijk niet. Hij moet zoet hier blijven
bij moeders pappot, zooals zooveel anderen.
Rörlund. Maar waarom maakt u dan zelf die reis niet
eens?
Hilmar. Ik? Met mijn zenuwlijden ? Nou ja, dat spreekt,
daar wordt hier niet veel notitie van genomen. Maar buiten-
dien .... een mensch heeft ook plichten in acht te nemen
jegens de wereld waarin hij verkeert. Er dient toch wel iemand
te zijn om de vaan der idee hoog te houden. Au ! Wat schreeuwt
hij weer!
De dames. Wie schreeuwt er?
Hilmar. O dat weet ik niet. Ze praten een beetje erg
hard daar binnen, en dat maakt mij zenuwachtig.
Mevr. Rummel. Dat zal mijn man wel zijn, mijnheer
Tönnesen. Maar weet u, hij is zoo gewend in groote verga-
deringen te spreken....
Rörlund. De anderen praten nu ook zoo zachtjes niet,
vind ik.
7
-ocr page 18-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
H i 1 m a r. Neen, godbewaarme, als het er op aan komt
de handen op de zakken te houden, dan.... Alles gaat hier
immers op in kleine materieele berekeningen. Bah!
Mevr. Bern ie k. Dat is in alle geval beter dan vroeger
toen alles in plezier-maken opging.
Mevr. Lynge. Was het hier heusch zoo erg vroeger?
Mevr. R u m mei. O mevrouw, als u dat eens wist! ü mag
blij zijn dat u toen niet hier woonde.
Mevr. Holt. Ja, hier is heel wat verandering gekomen!
Als ik denk hoe het was in mijn meisjestijd ....
Mevr. Rum mei. O ga maar eens in gedachten een
veertien, vijftien jaar terug. Lieve, goede hemel, wat een leven
was dat! Toen bestonden nog de dansclub en de muziek-
vereeniging....
M a r t h a. En het tooneelgezelschap. Dat herinner ik mij
nog heel goed.
Mevr. Rummel. Ja, daar werd toen uw stuk gespeeld,
mijnheer Tönnesen. (Hilmar gaat naar den achtergrond). Och
wat!....
R ö r 1 u n d. Een stuk van den student Tönnesen ?
Mevr. R u m m e 1. Ja, dat was lang vóór dat u hier kwam,
mijnheer Rörlund. Maar het is maar één enkelen keer ge-
speeld.
Mevr. Lynge. Heeft u mij niet verteld dat u in dat stuk
de rol van de minnares gespeeld heeft, mevrouw Rummel?
Mevr. Rummel (kijkt op zij uit naar Rörlund). Ik ? Dat
herinner ik mij heusch niet meer, mevrouw. Maar ik herinner
mij nog wel heel goed hoe vreeselijk veel er toen werd uit-
gegaan.
Mevr. Holt. Ja, ik weet nog best in welke families er
tweemaal in de week een groot diner was.
Mevr. Lynge. En een rondreizend tooneelgezelschap is
er ook eens geweest, heb ik gehoord.
Mevr. Rummel. Ja, dat was wel het allerergste!....
Mevr. Holt (onrustig). Hm .... hm....
Mevr. Rummel. O? Een tooneelgezelschap? Neen, daar
weet ik niets meer van.
Mevr. Lynge. Ja, de menschen moeten hier heel wat
rare stukjes uitgehaald hebben. Wat waren dat eigenlijk voor
histories ?
Mevr. Rummel. Och, mevrouw, dat had eigenlijk niets
te beduiden.
8
-ocr page 19-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPU.
Mevr. Holt. Lieve Dina, geef mij dat linnen eens aan.
Mevr. B e r n i c k {gelijktijdig). Beste Dina, ga eens vragen
of Katrine de koffie brengen wil.
M a r t h a. Ik ga met je mee, Dina. {Dina en Martha gaan
weg door de laatste deur links).
Mevr. B e r n i c k {staat op). En ik moet u ook verzoeken
mij even te verontschuldigen, dames; misschien kunnen wij
aanstonds wel buiten koffie drinken. {Zij gaat de tuintrap af
en dekt de tafel. Rörlund staat in de deur en praat met haar.
Hilmar zit buiten te rooken).
Mevr. Rammel {zachtjes). Lieve hemel, mevrouw Lynge,
wat heeft u mij doen schrikken!
Mevr. Lynge. Ik ?
Mevr. Holt. Ja, maar u begon er toch zelf over, mevrouw
Rummel.
Mevr. Rummel. Ik ? Maar mevrouw Holt hoe kan u zoo
iets zeggen? Ik heb toch geen enkel woord losgelaten.
Mevr. Lynge. Maar wat is er dan toch ?
Mevr. Rummel. Hoe kon u daar nu over gaan praten....!
Zag u dan niet dat Dina in de kamer was?
Mevr. Lynge. Dina ? Maar lieve hemel, is er dan iets
gebeurd met___?
Mevr. Holt. En hier in huis nog al! Weet u dan niet
dat de broer van mevrouw Bernick .... ?
Mevr. Lynge. Wat dan toch ? Ik weet heelemaal niets;
ik ben hier pas gekomen ....
Mevr. Rummel. Heeft u niet gehoord dat... ? Hm ....
{tegen haar dochter). Hilda, jij moest maar eens een beetje in
den tuin gaan.
Mevr. Holt. En jij ook Netta. En wees maar heel vriende-
lijk tegen die arme Dina als ze komt. {Beiden gaan den tuin in.) <
Mevr. Lynge. En wat was er nu met dien broer van
Mevrouw Bernick?
Mevr. Rummel. Weet u dan niet dat hij die leelijke
geschiedenis heeft gehad?
Mevr. Lynge {wijzend naar Hilmar). Heeft mijnheer
Tönnesen een leelijke geschiedenis gehad?
Mevr. Rummel. Och weineen; dit is immers haar neef.
Ik spreek van haar broer....
Mevr. Holt.....den verongelukten Tönnesen ....
Mevr. Rummel. Johan heette hij. Hij ging naar Ame-
rika....
9
-ocr page 20-
BE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
Mevr. Holt. Hij moest naar Amerika.... begrijpt u?
Mevr. Lynge. En had hij nu die leelijke historie?
Mevr. Rummel. Ja, het was iets .... hoe zal ik het
noemen .. . ? Het was iets met Dina\'s moeder. O, ik weet
\'t nog of het gisteren was. Johan Tönnesen was toen op het
kantoor bij de oude mevrouw Bernick. Karsten Bernick was
pas van Parijs teruggekomen .... was nog niet eens geënga-
geerd ....
Mevr. Lynge. Nou ja .... maar die geschiedenis ?
Mevr. Rummel. Ja, ziet u.. .. dien winter was het
tooneelgezelschap van Möller hier in de stad....
Mevr. Holt.....en bij dat gezelschap was de acteur
Dorf met zijn vrouw. Al de jongelui hier waren dol op haar----
Mevr. Rummel. Ja, hoe \'t mogelijk was dat ze die mooi
vonden.... Maar op een keer komt Dorf \'s avonds laat
thuis ....
Mevr. Holt.....heel onverwacht....
Mevr. Rummel.....en vindt daar.... neen dat kan
ik u heusch niet vertellen!
Mevr. Holt. Maar mevrouw, hij vond niemendal, want
de deur was van binnen gesloten.
Mevr. Rummel. Nou ja, dat is net wat ik zeg; hij vond
de deur gesloten. En hij die binnen was, u begrijpt me wel,
moest uit het raam springen.
Mevr. Holt. Heelemaal boven uit een zolderraam!
Mevr. Lynge. En was dat de broer van mevrouw Bernick ?
Mevr. Rummel. Ja zeker, die was het.
Mevr. Lynge. En is hij toen naar Amerika gegaan ?
Mevr. Holt. Ja, dat moest hij toen wel doen, dat begrijpt u.
Mevr. Rummel. Want achterna werd er iets ontdekt, dat
al haast even erg was. Verbeeld u, hij had de kas bestolen ....
Mevr. Holt. Ja maar, daar weet men het rechte niet van,
mevrouw Rummel; dat zijn misschien maar praatjes geweest.
Mevr. Rummel. Neen maar, dat is nu óók! Was het
dan niet bekend in de heele stad ? Is de oude mevrouw Bernick
daardoor niet bijna failliet gegaan? Dat heeft Rummel me
zelf verteld. Maar ik zal er wel zalig over zwijgen....
Mevr. Holt. Nou, madam Dorf kreeg in elk geval het
geld niet, want zij....
Mevr. Lynge. Ja, hoe liep dat toen af tusschen Dina\'s
ouders?
Mevr. Rummel. Wel, Dorf liet zijn vrouw en kind in
10
-ocr page 21-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
den steek. Maar dat mensen was zoo brutaal om nog een heel
jaar hier te blijven. Op het tooneel durfde zij zich niet meer
te vertoonen. Eerst is ze gaan wasschen en naaien voor den
kost....
Mevr. Holt. En toen heeft ze geprobeerd om danslessen
te geven.
Mevr. R u m m e 1. Maar dat ging natuurlijk ook niet. Welke
ouders zouden hun kinderen aan zoo\'n schepsel willen toe-
vertrouwen? Maar het duurde ook niet lang meer met haar;
die fijne madam was niet gewend te werken. Zij kreeg het op
de borst en stierf.
Mevr. Lynge. Hč, dat zijn echt leelijke histories!
Mevr. Eummel, U kan begrijpen hoe naar dat allemaal
was voor de Bernicks. Dat is de donkere vlek in hun gelukszon,
zooals Rummel het eens uitdrukte. Daarom moet u maar nooit
hier in huis er over spreken, mevrouw Lynge.
Mevr. Holt. En ook alsjeblieft niet over haar halve zuster!
Mevr. L y n ge. Zoo ? heeft mevrouw Bernick ook nog een
halve zuster?
Mevr. Rummel. Gehad .... gelukkig! Want nu is alle
betrekking met haar afgebroken. Ja, dat was me ook een
mooie! Stel u voor, die liep met kortgeknipte haren en hooge
heerenlaarzen als \'t vuil weer was!
Mevr. Holt. En toen die halve broer van haar, dat onge-
luk, er nu van doorgegaan was, en de heele stad natuurlijk
diep verontwaardigd was over hem, weet u wat zij toen deed?
Toen is ze hem nagereisd!
Mevr. Rummel. O, maar dat schandaal dat zij gemaakt
heeft nog eer ze weg ging, mevrouw Holt!
Mevr. Holt. Sst, praat daar toch niet van.
Mevr. Lynge. Gut, maakte zij ook al schandaal ?
Mevr. Rummel. Neen maar, dat moet u hooren, lieve
mevrouw. Bernick was net geëngageerd met Betty Tönnesen;
en zoo als hij met haar aan zijn arm bij haar tante komt om
zijn meisje te presenteeren....
Mevr. Holt.....staat Lona Hessel op van haar stoel,
en geeft den knappen, fijngemanierden Karsten Bernick een
oorvijg, die klonk als een klok.
Mevr. Lynge. Neen maar heb je nu ooit!
Mevr. Holt. Ja, het is heusch waar.
Mevr. Rummel. En toen pakte zij haar koffer en vertrok
naar Amerika.
11
-ocr page 22-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
Mevr. Lynge. Maar dan had ze misschien zelf een goed
oogje op hem gehad?
Mevr. R u m m e 1. Ja natuurlijk, dat begrijpt u wel. Zij
had zich verbeeld dat hij met haar trouwen zou als hij terug-
kwam uit Parijs.
Mevr. Holt. Ja verbeeld je, dat zij zoo iets denken kon!
Bernick, de jonge elegante man van de wereld .... volleerd
gentleman .... de lieveling van alle dames ....
Mevr. R u m m e 1.....en daarbij zoo fatsoenlijk, mevrouw
Holt, en zoo braaf!
Mevr. L y n g e. Maar wat is die juffrouw Hessel daar in
Amerika gaan uitvoeren?
Mevr. Rummel. Ja, ziet u, daarover ligt, zooals Rummel
zich eens uitdrukte, een sluier, die maar liever niet moet
worden opgelicht.
Mevr. Lynge. Wat beteekent dat?
Mevr. Rummel. Alle betrekking met de familie is al
lang afgebroken, dat begrijpt u wel. Maar zooveel weet de
heele stad er toch wel van, dat zij daar ginder in café\'s voor
geld gezongen heeft....
Mevr. Holt.....en lezingen gehouden ....
Mevr. Rummel.....en een allerdolst boek geschreven
heeft....
Mevr. Lynge. Neen, maar!
Mevr. Rummel. Ja, ja, Lona Hessel is ook wel een
van de zonnevlekken in het geluk van de familie Bernick.
Maar nu is u dus op de hoogte, mevrouw Lynge. De hemel
weet dat ik er alleen over gesproken heb omdat u nu op uw
woorden zou kunnen passen.
Mevr. Lynge. Wees gerust daarop, lieve mevrouw. Maar
die arme Dina Dorf! Ik heb heusch medelijden met
haar.
Mevr. Rummel. Och, voor haar was het eigenlijk een
groot geluk. Verbeeld u eens dat zij bij haar ouders gebleven
was! Wij hebben ons natuurlijk allemaal veel met haar
bemoeid en haar vermaand, zoo goed wij konden. Later zette
juffrouw Bernick het door dat zij hier in huis kwam.
Mevr. Holt. Maar een moeilijk kind is zij altijd geweest.
Denk ook maar eens aan .... al die slechte voorbeelden!
Och, zoo\'n kind is ook van zelf heel anders dan een van
de onzen; wij moeten wat toegevend voor haar zijn, mevrouw.
Mevr. Rummel. Sst.... daar komt ze. {hardop). Ja, die
12
-ocr page 23-
DE STEUNPILAREN DEK MAATSCHAPPIJ.
Dina, dat is een echt flinke meid. Zoo? ben jij daar Dina?
Wij scheiden net uit met werken.
Mevr. Holt. O wat geurt je koffie heerlijk, lieve Dina!
Ja, zoo\'n kopje koffie \'s middags....
Mevr. B e r n i c k (buiten op het terras). Als u lust heeft
om buiten te komen dames! (Martha en Dina hebben intus-
schen het dienstmeisje geholpen het koflie-servies klaar te
zetten. Al de dames gaan buiten zitten; zij praten overdreven
vriendelijk tegen Dina. Even later gaat zij naar binnen en
zoekt haar handwerk weer op.)
Mevr. B e r n i c k. Dina, wil jij ook niet... ?
Dina. Neen, dank u ... . liever niet. (Zij gaat zitten met
haar naaiwerk. Mevr. Bernick en Rörlund wisselen een paar
woorden ; een oogenblik daarna komt hij ook in de kamer).
Rörlund (verlegt iets op de tafel en zegt zachtjes). Dina!
Dina. Ja....
Rörlund. Waarom wil je niet buiten zitten ?
Dina. Omdat, toen ik met de koffie binnen kwam, ik
kon merken aan die vreemde mevrouw, dat er over mij gespro-
ken was.
Rörlund. En heb je dan ook niet gemerkt hoe vrien-
delijk zij zoo even tegen je was?
Dina. Maar dat kan ik juist niet uitstaan!
Rörlund. Je bent erg weerspannig van aard, Dina.
Dina. Ja.
Rörlund. Maar waarom ben je zoo ?
Dina. Ik ben nu eenmaal niet anders.
Rörlund. Zou je er niet naar kunnen streven anders
te worden?
Dina. Neen.
Rörlund. Waarom niet ?
Dina (ziet hem aan). Ik hoor immers tot de moreel-
verdorvenen.
Rörlund. Foei, Dina!
Dina. Mijn moeder hoorde ook tot de moreel-verdorvenen.
Rörlund. Wie heeft met je over zulke dingen gesproken ?
Dina. Niemand; ze zeggen nooit iets. Waarom? Ze pak-
ken me allemaal zoo voorzichtig aan alsof ik breken zou
als.... O, wat haat ik al die goedhartigheid!
Rörlund. Lieve Dina, ik begrijp heel goed, dat je je
hier gedrukt gevoelt, maar....
Dina. O, kon ik maar weggaan, ver weg! Ik zou mij
13
-ocr page 24-
DE STEUNPILAREN DEK MAATSCHAPPIJ.
wel redden en vooruit komen, als ik maar niet hoefde te
leven onder menschen die zoo .... zoo ....
R ö r 1 u n d. Wat zoo ?
D i n a. Zoo fatsoenlijk en zoo braaf zijn.
R ö r 1 u n d. Maar Dina, dat meen je toch niet!
D i n a. Och, u begrijpt heel goed hoe ik het bedoel,
lederen dag komen Netta en Hilda hier, opdat ik een voor-
beeld aan hen nemen zal. Ik kan nooit zoo hoogst fatsoenlijk
worden als zij. Ik wil zoo niet worden. O, was ik toch maar
ver weg, dan zou ik wel flink worden!
R ö r 1 u n d. Maar je bent immers flink, Dina-lief.
Dina. Wat helpt mij dat hier ?
R ö r 1 u n d. Dus weggaan .... denk je daar in ernst
over?
Dina. Ik zou hier geen dag langer blijven als u hier
niet was.
R ö r 1 u n d. Zeg me eens Dina .... waarom vindt je het
eigenlijk zoo prettig om met mij samen te zijn?
Dina. Omdat u mij zooveel mooie dingen leert.
R ö rl u n d. Mooi ? Noem je dat wat ik je leeren kan
amooie dingen" ?
Dina. Ja. Of eigenlijk .... u leert mij wel niets, maar
als ik u hoor spreken, dan ga ik allerlei mooie dingen zien.
R ö r 1 u n d. Wat versta je dan eigenlijk onder iets moois ?
Dina. Daar heb ik nooit over nagedacht.
R ö r 1 u n d. Denk daar dan nu eens over na. Wat versta
je onder iets moois?
Dina. Mooi is iets dat groot is.... en ver weg.
R ö r 1 u n d. Hm!... Lieve Dina, ik maak mij erg bezorgd
over je.
Dina. Anders niets dan dat?
R ö r 1 u n d. Je weet toch wel, hoe onuitsprekelijk lief
je mij bent.
Dina. Maar als ik Hilda of Netta was, zou u niet bang
zijn het aan iemand te laten merken.
R ö r 1 u n d. Ach Dina, je kunt zoo weinig al de consi-
deraties beoordeelen die ik in acht nemen moet.... Als een
man een positie bekleedt, waarin hij moet optreden als zedelijke
steunpilaar van de wereld, waarin hij verkeert, dan .... kan
hij niet voorzichtig genoeg zijn. Als ik er maar zeker van
was, dat men mijn motieven goed zou begrijpen en er geen
verkeerden uitleg aan geven.... Maar dat is tot daaraan
14
-ocr page 25-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
toe. Jij moet en zult geholpen worden. Dina, zal dit onze
afspraak zijn, dat, als ik kom.... als de omstandigheden
mij toestaan te komen .... en ik zeg : hier is mijn hand ....
dat je die dan wilt aannemen en mijn vrouw worden ? Beloof
je me dat, Dina?
Dina. Ja.
R ö r 1 u n d. Dank je, dank je! Want ook voor mij ....
Och Dina, ik hou toch zoo veel van je.... Sst; daar komt
iemand. Toe, Dina, doe \'t voor mij .... ga naar de anderen toe.
(zij gaat naar de koffietafel. Op hetzelfde oogenblik komen de
heeren Rummel, Sandstad en Vigeland uit de eerste kamer
links, gevolgd door den heer Bemick, die een pak papieren
in de hand houdt).
Bemick. Nou, de zaak is dus afgedaan.
Vigeland. Ja. In \'s hemels naam dan maar.
Rummel. \'t Is afgedaan, Bemick! Het woord van een
Noor staat vast als een rots in de zee, dat weet je!
B e r n i c k. En niemand zwicht, niemand wordt afvallig,
hoeveel tegenstand wij ook ontmoeten.
Rummel. Wij staan en vallen met elkaar, Bernick!
H i 1 m a r (in de tuindeur). Vallen? Permitteert! Is het
dan niet de spoorweg die valt?
Bernick. Integendeel; die zullen wij wel aan het rollen
krijgen....
Rummel. Met stoom, mijnheer Tönnesen.
H i 1 m a r (dichterbij). Zóó ?
R ö r 1 u n d. Hoezoo ?
Mevr. Bernick (in de tuindeur). Maar Karsten-lief, wat
beteekent dat eigenlijk?
Bernick. Och, Betty-lief wat kan jou dat nu interes-
seeren ? (tot de drie heeren). Maar nu moeten wij de lijsten
opmaken, hoe eer hoe beter, \'t Spreekt van zelf dat wij vieren
het eerst teekenen. De positie die wij in de maatschappij
bekleeden, maakt het ons tot plicht hierin voor te gaan.
Sandstad. Natuurlijk, mijnheer Bernick.
Rummel. Het móét gaan, Bernick; dat staat vast.
Bernick. O ja, ik ben heelemaal niet bang voor den
uitslag. Wij moeten er ons best voor doen, ieder in zijn eigen
kring van kennissen; en als wij maar eerst eens kunnen
wijzen op een levendige deelneming in alle maatschappelijke
kringen, dan volgt daaruit van zelf, dat ook de gemeente
het hare moet bijdragen.
15
-ocr page 26-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
Mevr. B e r n i c k. Maar Karsten, nu moet je ons toch
eindelijk eens vertellen ....
B e r n i c k. Och, lieve Betty, dat is iets waar dames
heelemaal niet in komen kunnen.
Hilmar. Je wilt je dus toch met die spoorweggeschie-
denis inlaten?
B e r n i c k. Ja, natuurlijk.
R ö r 1 u n d. Maar verleden jaar, mijnheer Bernick ....
B e r n i c k. Verleden jaar was dat heel iets anders. Toen
was er sprake van een lijn langs de kust....
V i g e 1 a n d.....die ten eenenmale overbodig zou zijn,
meneer; want wij hebben immers de stoombooten....
Sandstad.....en die zoo onzinnig veel geld gekost
zou hebben....
R u m m e 1.....ja, en die inderdaad de wezenlijke belan-
gen van de stad zou geschaad hebben....
Bernick. De hoofdzaak was dat die in wijder kring geen
nut gedaan zou hebben. Daarom verzette ik er mij tegen; en
zoo werd toen de binnenlijn aangenomen.
Hilmar. Die zal de steden in den omtrek toch niet aandoen.
Bernick. Maar die zal onze stad aandoen, mijn waarde
Hilmar; want nu wordt er een zijlijn aangelegd.
Hilmar. O zoo; een nieuw plan dus.
Rummel, En wat een prachtig plan ook, hč?
R ö r 1 u n d. Hm ....
V i g e 1 a n d. \'t Kan niet ontkend worden dat de Voor-
zienigheid als \'t ware het terrein heeft klaar gemaakt voor een
zijlijntje.
Rórlund. Meent u dat in ernst, mijnheer Vigeland?
Bernick. Ja, ik moet toegeven dat ik het ook als een
bestiering beschouw dat ik in \'t voorjaar voor zaken op reis
was op \'t land, en toevallig langs een weg door\'t dal kwam,
waar ik vroeger nooit geweest was. Als een lichtstraal kwam
het denkbeeld in mij op, dat hier een zijlijn naar onze stad
te maken moest zijn. Ik heb een ingenieur er heen gezonden
en den weg laten opnemen; hier heb ik de voorloopige be-
rekeningen en kostenopgaven; niets staat den aanleg in den weg.
Mevr. Bernick (met de andere dames vooruitgekomen in
de tuindeur).
Maar lieve man, dat je dat alles zoo voor ons
verborgen hebt gehouden.
Bernick. Och, mijn goede kind, jullie zoudt immers toch
niet begrepen hebben hoe dat alles in elkaar zat. Ik heb er
16
-ocr page 27-
DE STEUNPILAREN DEK MAATSCHAPPIJ.
overigens met geen levende ziel over gesproken, vóór van daag.
Maar nu is het beslissende oogenblik gekomen, nu moet er
openlijk en met alle kracht gewerkt worden. Ja, al moest ik
mijn heele bestaan er aan geven, ik zal de zaak doorzetten.
R u m m e 1. Wij ook, Bernick, daar kan je op vertrouwen.
R ö r 1 u n d. Heeft u dan waarlijk zooveel verwachtingen
van die onderneming, heeren ?
Bernick. Ja, dat zal waar zijn. Wat een hefboom zal
die niet kunnen worden voor onze heele maatschappij? Denk
maar eens aan de groote bosschen die toegankelijk gemaakt
zullen worden; denk aan de rijke ertslagen die in exploitatie
kunnen worden genomen; denk aan de rivier met haar talrijke
watervallen! Wat een industrie kan zich daar ontwikkelen!
R ö r 1 u n d. En vreest u niet dat een drukker verkeer met
een verdorven buitenwereld .. .. ?
Bernick. Neen, wees maar gerust, mijnheer Rörlund.
Ons klein nijver stadje staat, Goddank, tegenwoordig op een
standpunt van gezonde moraliteit. Wij hebben allen ons best
gedaan om den bodem te draineeren, als ik \'t zoo noemen
mag; en dat zullen wij ook verder doen, ieder op zijn manier.
U, mijnheer Rörlund, blijft voortgaan met uw heerlijk werk
in school en huisgezin. Wij, de mannen der praktijk, steunen
de maatschappij door welvaart onder de menschen te brengen
in den grootst mogelijken kring;.... en onze vrouwen, ja,
komt maar dichterbij dames, u moogt het wel hooren.....
onze vrouwen, zeg ik, onze echtgenooten en dochters,.... ja,
u moet ongestoord voortwerken in den dienst der weldadigheid,
en zijt verder een hulp en een troost voor die u het naast
staan, zooals mijn lieve Betty en Martha dat voor mij en
Olaf zijn.... (Kijkt rond). Waar is Olaf toch weer vandaag?
Mevr. Bernick. O, nu in de vacantie is het niet mogelijk
hem in huis te houden.
Bernick. Dan is hij zeker weer beneden aan den waterkant!
Je zult zien, hij laat het niet voor er een ongeluk gebeurd is.
H i 1 m a r. Kom .... laat hij zich maar eens meten met
de natuurkrachten....
Mevr. R u m m e 1. Wat vind ik het mooi van u, dat u
zooveel gevoel voor het gezin heeft, mijnheer Bernick!
Bernick. O, het gezin is immers de kern der maatschappij.
Een goed tehuis, achtenswaardige en trouwe vrienden, een
kleinen, gesloten kring, waarin geen storende elementen hun
schaduw werpen....
2
17
-ocr page 28-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
(Krap komt met brieven en couranten van rechts).
Krap. De buitenlandsche post, mijnheer de consul;___
en een telegram van New-York.
B e r n i c k (neemt het aan). Ah, van de reederij.... over
de „Indian Girl".
Rummel. Zoo? is de post gekomen? Ja, dan moet ik
naar huis.
V i g e 1 a n d. Ja, ik ook.
Sandstad. Tot weerziens, mijnheer Bernick.
B e r n i c k. Tot weerziens, heeren. En denkt er aan dat
wij van middag om vijf uur vergadering hebben.
De drie Heeren. Ja, ja.... zeker.... dat spreekt.
(%ij gaan naar rechts af).
Bernick (die het telegram gelezen heeft). Neen maar, dat
is waarachtig echt Amerikaansch! Eenvoudig.... stuitend....
Mevr. Bernick. Hemel Karsten, wat is er?
Bernick. Kijk eens Krap, lees dit eens 1
Krap (leest). „Minst mogelijke reparatie; stuur Indian
Girl terug zoodra zeilklaar; goed seizoen; drijft zoo noodig op
lading." Nou, ik moet zeggen....
Bernick. Drijft op lading! De heeren weten best dat
met die lading het schip zinkt als een baksteen, als er iets
gebeurt.
R ö r 1 u n d. Ja, daar kan u nu eens zien, hoe het toegaat
in die veelgeprezen groote maatschappij.
Bernick. Daar heeft u gelijk in. Zelfs menschenlevens
worden niet geteld zoodra er winst of verlies in het spel is.
(tegen Krap). Kan de .Indian Girl" in zee gaan over vier of
vijf dagen?
Krap. Ja, als meneer Vigeland het zoo schikken kan
dat het werk op „de Palmboom* zoolang stilstaat.
Bernick. Hm; dat zal hij niet doen. Enfin. Wil u
misschien de post even doorzien ? Zeg eens, heeft u Olaf niet
beneden op den steiger gezien?
Krap. Neen, mijnheer, (af in de eerste kamer links).
Bernick (kijkt weer in het telegram). Acht menschen-
levens wagen die heeren zoo maar kalm-weg er aan....
H i 1 m a r. Och, \'t is nu eenmaal het beroep van een
zeeman om de elementen te trotseeren. Daar moet toch iets
spannends in zijn, zoo enkel met een dunne plank tusschen
jezelf en den afgrond ....
Bernick. Ja, ik zou den reeder bij ons wel eens willen
18
-ocr page 29-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
zien die zich tot zoo iets leenen wou. Niet één.... geen
enkele .... {krygt Olaf in het oog). Zoo, Goddank dat hij
heelhuids weer thuis is. {Olaf met een hengel in de hand is
de straat opgekomen en komt door de tuindeur binnen).
Olaf (nog in den tuin). Oom Hilmar, ik ben beneden
geweest en heb de stoomboot gezien.
Bernick. Ben je nu alweer op den steiger geweest?
Olaf. Neen, ik ben enkel maar met een boot uit geweest.
Maar oom, er is een heel gezelschap kunstrijders aangekomen,
met paarden en andere dieren, en een heele boel passagiers!
Mevr. Rummel. Wat? Krijgen we hier heusch kunst-
rijders te zien?
R ö r 1 u n d. Wij ? Dat kan ik toch niet toestaan.
Mevr. R u m m e 1. Neen, wij natuurlijk niet..,. maar....
D i n a. Ik zou ze wel graag zien.
Olaf. Ja, ik ook.
Hilmar. Je bent een ezel. Is daar nu iets aan te zien ?
Louter dressuur. Neen, een Gaucho op zijn snuivenden mus-
tang door de pampas te zien jagen, dat is wat anders! Maar
godbewaarme hier in dit nest....
Olaf {trekt Martha aan haar japon). Tante Martha, kijk,
kijk .... daar komen ze!
Mevr. Holt. Hemel ja, daar heb je ze.
Mevr. L y n g e. O foei, die afschuwelijke menschen!
(Veel reizigers en een heele troep stadsvolk komen de straat
langs).
Mevr. Rummel. Ja, dat is je echte kermisvolk. Ziet u
die daar, met die grijze japon, mevrouw Holt; zij draagt den
knapzak op haar rug.
Mevr. Holt. Ja, en ze draagt hem aan haar parasol-stok!
Dat is natuurlijk de vrouw van den directeur.
Mevr. Rummel. En daar heb je den directeur zelf, die
met dien baard. Hij ziet er net uit als een roover. Niet
kijken, Hilda!
Mevr. Holt. Jij ook niet, Nette!
Olaf. Mama, de directeur groet ons.
Bernick. Wat is dat?
Mevr. Bernick. Wat zeg je, kind ?
Mevr. Rummel. Ja, lieve hemel, daar groet die vrouw
ook al!
Bernick. Neen, dat is toch te erg!
Martha {onwillekeurig). Ah....
19
-ocr page 30-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
Mevr. B e r n i c k. Wat is er, Martha ?
Martha. Och niets, ik dacht maar....
Olaf (schreeuwt van plezier). Kijk, kijk, daar komen de
anderen met de paarden en de andere dieren! En daar heb
je de Amerikanen ook! Al de matrozen van de „Indian
Girl* .... (men hoort Yankee-Doodle zingen begeleid door een
klarinet en trommels).
Hilmar (houdt zijn ooren dicht). Au, au, au!
R ö r 1 u n d. Mij dunkt, wij moesten ons een beetje afzon-
deren, dames; dat is toch niet iets voor ons. Laat ons weer
aan ons werk gaan.
Mevr. B e r n i c k. Wij konden misschien de gordijnen
dicht doen ?
E ö r 1 u n d. Ja, dat is juist wat ik bedoelde (de dames
nemen hunne plaatsen aan de tafel weer in; Rürlund sluit
de tuindeur en doet de gordijnen dicht; het is half-donker in
de kamer).
Olaf (die uitkijkt). Ma, nu staat de vrouw van den directeur
aan de fontein haar gezicht te wasschen.
Mevr. Bernick. Wat? Midden op de markt!
Mevr. Rummel. En dat op klaarlichten dag!
Hilmar. Nou, als ik op reis was door de woestijn en
een waterput aantrof, zou ik mij ook niet lang bedenken
om.... Au, die vreeselijke klarinet!
R ö r 1 u n d. \'t Zou waarlijk wel noodig zijn dat de politie
zich er eens mee bemoeide.
Bernick. Och wat; met vreemden moet men dat zoo
nauw niet nemen; die menschen hebben immers niet het
aangeboren gevoel van fatsoen, dat ons binnen de juiste per-
ken houdt. Laat hen maar wat buitensporig doen. Wat gaat
ons dat aan? Al dat ongeregelde gedoe dat in strijd is met
fatsoen en goede zeden, raakt gelukkig onze maatschappij
heelemaal niet, als ik \'t zoo zeggen mag.... Wat is ddt ?
(de vreemde dame komt snel binnen door de deur rechts).
De dames (verschrikt maar zachtjes). De paardrijdster!
De vrouw van den directeur!
Mevr. Bernick. Hemel! wat moet dat beteekenen?
Martha (opspringend). Ah ...!
De dame. Dag lieve Betty! Dag Martha! Dag zwager!
Mevr. Bernick (met een kreet). Lona ...!
Bernick (tuimelt achteruit). Zoo waar ik leef!.. .
Mevr. Holt. God zij ons genadig.. ,!
20
-ocr page 31-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
Mevr. R u m m e 1. \'t Is toch niet mogelijk ... I
Hilmar. Nou! Oeh!
Mevr. B e r n i c k. Lona! Ben je het heusch ... ?
Lona. Of ik het ben? Ja, bij mijn ziel, ik ben het. Je
kunt mij wat dat betreft gerust om den hals vallen.
Hilmar. Oeh! oeh!
Mevr. B e r n i c k. En kom je nu hier als ... ?
B e r n i c k.....en je wilt hier optreden ?
Lona. Optreden ? Hoezoo optreden ?
B e r n i c k. Ja .... ik bedoel.... met de kunstrijders ....
Lona {hardop lachend). Hahaha! Ben je niet wijs, zwa-
ger? Denk je dat ik bij de kunstrijders hoor? Neen; ik heb
wel allerlei kunsten uitgehaald en mij dikwijls gek aange-
steld ....
Mevr. R u m m e 1. Hm ....
Lona.....maar kunststukken op een paard heb ik nooit
vertoond.
B e r n i c k. Dus toch niet....
Mevr. B e r n i c k. O, goddank!
Lona. Neen, wij reisden heusch net als andere fatsoen-
lijke menschen.... wel tweede klasse, maar dat zijn wij
gewend.
Mevr. B e r n i c k. Wij, zeg je ?
Bern ie k (een stap naderbij). Wie „wij"?
Lona. Ik en mijn kind, natuurlijk.
De dames (verschrikt). Haar kind!
Hilmar. Wat!
R ö r 1 u n d. Nu, ik moet zeggen ...!
Mevr. Bernick. Wat bedoel je toch, Lona?
Lona. Ik bedoel natuurlijk John; ik heb geen ander
kind dan John, zoover ik weet,... of Johan, zooals jullie
hem noemden ....
Mevr. Bernick. Johan ...!
Mevr. R u m m e 1 {zachtjes tegen mevr. Lynge). De be-
ruchte broer!
Bernick [weifelend). Is Johan bij je ?
Lona. Zeker, zeker; ik reis nooit zonder hem. Maar jullie
ziet er zoo bedrukt uit. En je zit hier in \'t halfdonker en
naait aan iets wits.... Er is toch geen sterfgeval in de
familie ?
R ö r 1 u n d. Mejuffrouw, u bevindt zich hier in de „Ver-
eeniging voor moreel Verdorvenen" ....
21
-ocr page 32-
DE 8TEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
L o n a (halfluid). Wat zegt u ? Deze nette deftige dames
zouden .. . ?
Mevr. E u m m e 1. Neen .... daar is nu toch het eind
van weg ...!
Lona. Och zoo, ja! Begrepen.... begrepen! Maar wat
drommel, dat is mevrouw Rummel! En daar ginds zit mevrouw
Holt ook! Nou, we zijn er alle drie niet jonger op geworden
sedert wij elkaar het laatst gezien hebben. Maar luistert nu
eens, lieve menschen; laat nu de moreel-verdorvenen een
dagje wachten; daar worden zij niet slechter van. Een blij
oogenblik als dit....
R ö r 1 u n d. Een terugkeer is altijd een blij oogenblik.
Lona. Zoo ? Wat kent u goed uw Bijbel, dominee!
R ö r 1 u n d. Ik ben geen dominee.
Lona. Nou, dan wordt u \'t toch zeker wel eens ....
Maar foei, foei,.. . dat moreele linnengoed heeft zoo\'n lucht
van bederf.... precies een lijkwa. ik ben gewend aan de
lucht van de prairieën zal ik je maar zeggen.
Bernick {veegt zich het voorhoofd af). Ja, \'t is hier
waarlijk een beetje bedompt.
Lona. Wacht maar; we zullen wel uit dien grafkelder
naar boven zien te komen, (trekt de gordijnen open). Het
volle daglicht moet hier invallen als de jongen komt. Dan
zal je eens een jongen zien die zich gewasschen heeft.
Hilmar. Oeh!
Lona (zet deur en ramen open) .... ja, dat is te zeggen,
wanneer hij zich gewasschen zal hebben in het hotel. Want
op de boot werd hij zoo smerig als een varken.
Hilmar. Oeh! oeh!
Lona. Oeh ? Ja, waarachtig is dat niet... ? (wijst op
Hilmar en vraagt aan de anderen).
Boemelt hij nog altijd hier
rond zonder iets anders te doen dan oeh! te zeggen?
Hilmar. Ik boemel niet rond; ik moet beweging nemen
omdat ik lijdend ben.
R ö r 1 u n d. Nu dames, ik geloof niet....
Lona (die Olaf in het oog gekregen heeft). Is dat jouw
jongen, Betty ?.. . Geef mij een poot, vent! Of ben je mis-
schien bang voor je oude leelijke tante?
R ö r 1 u n d (zijn boek onder den arm nemend). Dames, ik
geloof niet, dat er meer stemming is voor ons, om verder te
arbeiden van daag. Maar morgen zullen wij immers weer
samenkomen ?
22
-ocr page 33-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
L o n a (terwijl de vreemde dames opstaan om afscheid te
nemen).
Wel ja, laat ons dat doen. Ik zal present zijn.
R ö r 1 u n d. U? Met verlof, juffrouw, wat wil w in onze
vereeniging ?
Lona. Ik wil een beetje versche lucht binnen laten,
dominee.
EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.
23
-ocr page 34-
TWEEDE BEDRIJF.
Tuinkamer in consul Bernick\'s huis.
Mevrouw Bernick zit alleen aan de groote tafel met haar
naaiwerk. Even later komt de heer Bernick van rechts met
zijn hoed op het hoofd; handschoenen en stok in de hand.
Mevr. Bernick. Zoo, ben je al terug, Karsten ?
Bernick. Ja, ik heb iemand rendez-vous gegeven.
Mevr. Bernick (zuchtend). Ocb ja, Johan zal zeker wel
weer hier komen.
Bernick. .Iemand" zeg ik. (zet zijn hoed af). Waar
blijven al de dames van daag?
Mevr. Bernick. Mevrouw Rummel en Hilda hadden
geen tijd.
Bernick. Zoo? Afgezegd?
Mevr. Bernick. Ja, ze hadden thuis zooveel te doen.
Bernick. Begrepen. En de anderen komen natuurlijk
•ook niet?
Mevr. Bernick. Neen, die hebben ook verhindering
van daag.
Bernick. Dat had ik je wel vooruit kunnen vertellen.
Waar is Olaf?
Mevr. Bernick. Ik heb hem een beetje met Dina laten
uitgaan.
Bernick. Hm; Dina, dat lichtzinnige schepsel.... Om
het gisteren dadelijk zoo druk aan te leggen met Johan...!
Mevr. Bernick. Maar, man-lief, Dina weet immers
heelemaal niet....
Bernick. Nou, maar dan moest Johan in elk geval
takt genoeg gehad hebben om geen bizondere notitie van haar
24
-ocr page 35-
}
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
te nemen. Ik zag heel goed wat voor oogen Vigeland opzette.
Mevr. B e r n i c k (met haar naaiwerk op haar schoot).
Karsten, begrijp jij wat ze hier eigenlijk komen doen?
Bern ie k. Hm; hij heeft immers daarginder een „farm",
waar het nog niet zoo heel goed mee gaat; en zij vertelde
gisteren dat zij tweede klasse reizen moeten ....
Mevr. B e r n i c k. Ja, helaas, zoo iets moet het wel zijn.
Maar dat zij meegekomen is! Zij! Na de doodelijke beleedi-
ging die zij je heeft aangedaan ... !
B e r n i c k. Och, denk toch niet meer aan die oude
geschiedenissen.
Mevr. B e r n i c k. Hoe kan ik tegenwoordig aan iets
anders denken? Hij is toch mijn broer;. .. och, het is niet
om hum, maar al de onaangenaamheden die jij daardoor
ondervinden kunt.... Karsten, ik ben zoo doodelijk bang dat....
B e r n i c k. Waarvoor ben je bang?
Mevr. B e r n i c k. Kunnen zij hem niet in de gevangenis
zetten, voor het geld dat je moeder ontstolen werd?
B e r n i c k. Och wat, malligheid! Wie kan bewijzen dat
er geld ontvreemd werd?
Mevr. B e r n i c k. Och God, dat weet immers de heele
stad; en je hebt het zelf gezegd....
B e r n i c k. Ik heb niets gezegd. De stad weet niets van
die zaken af; dat waren allemaal maar losse praatjes.
Mevr. B e r n i c k. O wat sta jij toch hoog, Karsten !
B e r n i c k. Laat die oude herinneringen toch rusten, zeg
ik je! Je weet niet hoe je me pijnigt met dat alles weer op
te halen (hij loopt op en neer in de kamer .... dan gooit hij
zijn stok weg).
Dat ze ook juist nu moesten terugkomen ....
nu ik juist in de stad en in de couranten een onvermengd zuivere
stemming jegens mij noodig heb. Er zullen in de bladen van de
omliggende plaatsen berichten over geschreven worden. Of ik
hen goed of slecht opgenomen heb .... over het een zal net
zooveel gekletst en geleuterd worden als over het ander. Ze
zullen dien ouden boel weer oprakelen,... net als jij doet.
In een wereldje als het onze.... (gooit zijn handschoenen
op de tafel.)
En geen enkel mensch heb ik met wien ik
praten kan of bij wien ik steun vinden kan.
Mevr. B e r n i c k. Heelemaal niemand, Karsten ?
B e r n i c k. Neen .... ik zou niet weten wie. Dat ze mij
nu juist op mijn dak gestuurd zijn! Het is buiten kwestie
dat ze niet op de een of andere manier schandaal zullen
25
-ocr page 36-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
maken .... vooral zij! \'t Is me toch een ongeluk zulke men-
schen in je familie te hebben!
Mevr. Bernick. Ik kan het toch niet helpen dat....
B e r n i c k. Wat kan je niet helpen ? Dat ze familie van
je zijn? Neen, dat is een heel waar woord.
Mevr. B e r n i c k. En ik heb hen ook niet verzocht om
terug te komen.
B e r n i c k. Jawel! Daar hebben wij het! Ik heb hen niet
verzocht om terug te komen; ik heb hun niet geschreven; ik
heb hen niet bij de haren hierheen gehaald ... ! O, dat heele
liedje ken ik al van buiten!
Mevr. B e r n i c k. (barst in tranen uit). Wat ben je vree-
selijk onaardig !. ..
B e r n i c k. Juist, zoo is \'t goed; ga nou maar grienen,
dat de heele stad ook daarover kletsen kan. Schei uit met
die aanstellerij, Betty! Ga buiten zitten; hier kan licht iemand
komen. Moeten ze soms mevrouw met rood-behuilde oogen
zien zitten? Jawel, dat zou iets heerlijks zijn als het onder
de menschen kwam dat.... Wacht, daar hoor ik iemand in
de gang (er ivordt geklopt.) Binnen! (Mevrouw gaat de tuin-
trap af met haar naaiwerk. Aune komt van rechts binnen.)
Aune. Goeden dag, meneer Bernick.
B e r n i c k. Goeden dag. Wel, je kunt zeker wel nagaan
wat ik je te zeggen heb, hč?
Aune. Meneer Krap zei mij gisteren dat meneer de con-
sul niet tevreden was over....
Bernick. Ik ben ontevreden over den heelen toestand
op de werf, Aune. Je schiet niets op met de reparaties. „De
Palmboom" had al lang onder zeil moeten zijn. Mijnheer
Vigeland komt hier iederen dag er over zanikken; hij is een
lastige man om mee samen te werken.
Aune. „De Palmboom" kan overmorgen in zee gaan.
Bernick. Zoo, eindelijk. Maar die Amerikaan, de „Indian
Girl", die hier nu al vijf weken ligt en ... .
Aune. De Amerikaan ? Ik had begrepen dat wij in de
eerste plaats al onze krachten zouden wijden aan uw eigen schip.
Bernick. Ik heb je toch geen aanleiding gegeven om dat
te denken. Met den Amerikaan moet ook zooveel mogelijk
voortgemaakt worden, maar dat gebeurt niet.
Aune. De bodem van die schuit is door en door verrot,
meneer; hoe meer wij er aan lappen, hoe erger het wordt.
Bernick. Dat is niet de ware reden. Mijnheer Krap
26
-ocr page 37-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
heeft mij gezegd wat de eigenlijke reden is. Je kunt niet
overweg met de nieuwe machines die ik heb aangeschaft,...
of liever, je wilt er niet mee werken.
A u n e. Meneer Bernick, ik ben nu al diep in de vijftig;
van jongsaf ben ik gewoon geweest op de oude manier te
werken....
Bernick. Daar kunnen wij het tegenwoordig niet meer
mee doen. Je moet niet denken, Aune, dat het mij te doen
is om het grootere voordeel; dat heb ik gelukkig niet noodig;
maar ik moet rekening houden met de maatschappij waarin
ik leef, en met de zaak waarvan ik aan het hoofd sta. \'t Is
van mij dat de vooruitgang moet uitgaan, anders komt er
nooit iets tot stand.
Aune. Ik ben ook zeer voor vooruitgang, meneer.
Bernick. Ja, voor je eigen kleinen kring, voor den
werktnansstand. O, ik ben wel op de hoogte van je drijven;
je houdt toespraken; je stookt de menschen op; maar als het
er op aan komt iets nieuws aan te pakken, zooals nu met
onze machines, dan wil je er niet aan meedoen, dan wordt
je bang.
Aune. Ja, ik word nčt bang, meneer Bernick. Ik word
bang voor de velen wie de machines het brood uit den mond
nemen. Meneer de consul spreekt zoo dikwijls van rekening
houden met de maatschappij, maar ik geloof dat de maat-
schappij toch ook wel haar plichten heeft. Hoe durven de
wetenschap en het kapitaal het wagen die nieuwe uitvindin-
gen in te voeren, vóór de maatschappij een geslacht heeft
opgekweekt dat ze weet te gebruiken ?
Bernick. Je leest en denkt te veel, Aune; dat doet je
geen goed; daardoor wordt je ontevreden met je stand.
Aune. Neen meneer, dat is het niet; maar ik kan het
niet aanzien dat de eene brave werkman na den andere wordt
weggezonden en broodeloos gemaakt om die machines.
Bernick. Hm; toen de boekdrukkunst werd uitgevonden,
werden er ook heel wat schrijvers broodeloos gemaakt.
Aune. Zou meneer zich over die kunst zoo verheugd
hebben, als hij toen een schrijver was geweest?
Bernick. Ik heb je niet laten komen om met je te
redetwisten. Ik heb je laten roepen om je te zeggen dat de
in reparatie liggende „Indian Girl" klaar moet zijn om over-
morgen uit te zeilen.
Aune. Maar, meneer....
27
-ocr page 38-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
B e r n i c k. Overmorgen, hoor je, gelijk met ons eigen
schip; geen uur later. Ik heb goede redenen om daar achter
heen te zitten. Heb je van ochtend de courant gelezen ? Zoo;
dan weet je ook dat de Amerikanen weer opstootjes gemaakt
hebben. Die bandelooze troep zet de heele stad overeind; er
gaat geen nacht om dat er niet gevochten wordt in de her-
bergen en op straat; van andere getneene dingen spreek ik
nu maar niet.
A u n e. Ja, het is gemeen volk, dal is zeker.
B e r n i c k. En wie krijgt de schuld van dat alles ? Ik
natuurlijk. Ja, op mij wordt er over gescholden. De kranten-
schrijvers schimpen er in bedekte termen op, dat wij al onze
werkkracht aan „de Palmboom" besteden. Ik, op wie de
taak rust, door mijn voorbeeld invloed uit te oefenen op mijn
medeburgers, ik moet mij zulke dingen onder den neus laten
wrijven. Dat duld ik niet. Ik ben er niet van gediend dat
mijn naam op die manier beklad wordt.
A u n e. O, meneer\'s naam is zoo best .... die kan daar
wel tegen__. en nog wel tegen veel meer!
B e r n i c k. Nu niet. Juist tegenwoordig heb ik alle achting
en welwillendheid, die mijn medeburgers mij schenken willen,
zeer noodig. Ik heb, zooals je misschien al gehoord hebt,
plannen voor een groote onderneming; maar gelukt het
slecht-gezinde menschen het onbepaalde vertrouwen in mij
aan het wankelen te brengen, dan kunnen daaruit voor mij
de grootste moeilijkheden voortkomen. Daarom wil ik, het
koste wat het wil, die kwaadaardige en lasterende kranten-
schrijvers geen vat op mij geven, en daarom heb ik de termijn
op overmorgen bepaald.
Aune. Meneer de consul, u zou evengoed de termijn op
van middag kunnen bepalen.
B e r n i c k. Je bedoelt dat ik iets onmogelijks verlang ?
Aune. Ja, met het aantal werklui, waarover wij nu
kunnen beschikken ....
B e r n i c k. Goed .... best;... dan zullen wij ons van
elders voorzien.
Aune. Wil u waarlijk nog meer van onze oude werklui
ontslaan ?
B e r n i c k. Neen, daar denk ik niet over.
Aune. Want ik geloof zeker dat het kwaad bloed zetten
zou, zoowel in de stad als in de kranten, als u dat deed.
B e r n i c k. Dat \'s niet onmogelijk. Daarom zullen wij
28
-ocr page 39-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
het dan ook niet doen. Maar, als de „Indian Girl" over-
morgen niet zeilklaar is, dan ontsla ik jou.
A u n e (met een schok). Mij! (hij lacht). Dat zeit meneer
toch zeker maar voor de grap.
B e r n i c k. Daar zou ik maar niet te veel op vertrouwen,
als ik jou was.
A u n e. Zou u er waarlijk over denken om mij weg te
zenden ? Mij, terwijl mijn vader en mijn grootvader hun leven
lang op de werf gediend hebben, en ik zelf ook ....
Bernick. En wie is het, die er mij toe noodzaakt?
A u n e. U verlangt het onmogelijke, meneer.
Bernick. O, met wat goeden wil is niets onmogelijk.
Ja of neen; geef mij een bepaald antwoord, of ik ontsla
je op slag.
A u n e (een stap nader). Meneer de consul, heeft u goed
bedacht wat het beteekent, een oud werkman te ontslaan ?
U denkt, dan moet hij maar wat anders zoeken. O ja, dat
kan hij ook wel; maar is het daarmee afgedaan? U moest
er eens bij zijn, in het huis van zoo\'n weggestuurden werk-
man, als hij \'s avonds thuiskomt en zijn gereedschapskist
binnen zijn deur zet.
Bernick. Denk je dat ik je zoo maar luchthartig-weg
laat gaan? Ben ik niet altijd een goede patroon geweest?
A u n e. Des te erger, meneer. Juist daarom zullen ze
thuis niet u de schuld geven; zij zullen er mij niet over
aanspreken, want dat durven zij niet; maar ze zullen naar
me kijken als ik het niet merk, en denken: dat zal zeker
wel verdiend zijn. En ziet u, dat, — dat kan ik niet ver-
dragen. Al ben ik maar een burgerman, toch ben ik
altijd gewend geweest thuis nommer één te zijn. Mijn een-
voudig thuis is ook een maatschappij in het klein, meneer.
Die kleine maatschappij heb ik kunnen steunen en er boven
op houden, omdat mijn vrouw in mij geloofde en mijn kin-
deren in mij geloofd hebben. En nu moet dat alles in dui-
gen vallen.
Bernick. Ja, als het niet anders kan, dan moet het
mindere voor het meerdere wijken; het bizondere moet in Gods
naam voor het algenieene opgeofferd worden. Anders weet ik
je niet te antwoorden, en het gaat ook niet anders toe in de
wereld. Maar je bent een koppige kerel, Aune! Je verzet je
tegen mij, niet omdat je niet anders kunt, maar omdat je niet
wilt erkennen, dat machinewerk boven handenarbeid staat.
29
-ocr page 40-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
A u n e. En u houdt er juist zoo aan vast, omdat u weet,
dat u de pers althans uw goeden wil toont, als u mij weg
jaagt.
B e r n i c k. En al was dat zoo ? Je hoort immers wat er
voor mij aan vast is .... of de pers mij aanvalt of welwillend
voor mij gestemd wordt op een oogenblik dat ik voor een
groote zaak van algemeen belang werkzaam ben. Zeg zelf:
kan ik dan anders handelen dan ik doe? Ik kan je zeggen,
het is een kwestie van of jouw thuis staande te houden, zooals
je het noemt, öf misschien honderden te beletten zich een
eigen thuis te maken, een eigen haard te bezitten, indien het
mij niet gelukt dat door te zetten, waar ik nu voor werk.
Daarom is het dat ik je voor de keus stel.
A u n e. Ja... . als de zaken zoo staan, dan heb ik niets
meer te zeggen.
B e r n i c k. Hm;.... mijn waarde Aune, het doet mij
oprecht leed dat wij nu van elkaar moeten gaan.
Aune. Wij zullen niet van elkaar gaan, meneer.
B e r n i c k. Hoezoo ?
Aune. Een eenvoudig man heeft ook iets hoog te houden
in de wereld.
B e r n i c k. Zeker,___zeker ....; en je denkt dus te kun-
nen beloven .... ?
Aune. De „Indian Girl" kan overmorgen uitgaan.
(Hij groet en gaat af naar rechts).
Bernick. Ziezoo! Dien stijf kop heb ik dan toch doen
buigen. Dat neem ik als een goed voorteeken aan ....
(Hilmar, met een sigaar in den mond, komt door de tuin-
deur op).
Hilmar (op de trap). Dag Betty! Dag Bernick!
Mevr. Bernick. Goeden dag.
Hilmar. Zoo, jij hebt gehuild, zie ik. Je weet \'t dus
zeker al?
Mevr. Bernick. Wat weet ik al?
Hilmar. Dat het schandaal in vollen gang is ? Oeh!
Bernick. Wat beteekent dat ?
Hilmar (binnenkomend). Jawel, de twee Amerikanen
loopen de stad rond en vertoonen zich in de straten in ge-
zelschap van Dina Dorf.
Mevr. Bernick (loopt liem na). Maar Hilmar, dat kan
toch niet waar zijn ... . ?
Hilmar. Jawel, het is helaas volkomen waar. Lona was
30
-ocr page 41-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
daarbij nog zoo taktloos om mij aan te roepen; maar ik deed
natuurlijk alsof ik het niet hoorde.
B e r n i c k. En dat is zeker niet onopgemerkt gebeurd ?
H i 1 m a r. Neen, dat kan je begrijpen. De menschen ston-
den stil om hen na te kijken, \'t Leek wel als een loopend
vuurtje door de stad te zijn gegaan.... ongeveer zooals eeu
brand in de prairieën in het verre Westen. In alle huizen
stonden de menschen te wachten voor de ramen tot de optocht
voorbij zou komen; hoofd aan hoofd achter de gordijnen___
oeh! Ja, je moet me niet kwalijk nemen, Betty, dat ik oeh!
zeg, want dat alles maakt me zenuwachtig;.... als dat nog
lang duren moet, dan zal ik genoodzaakt zijn plannen te
maken om een tijdlang op reis te gaan.
Mevr. B e r n i c k. Maar je hadt hem toch liever eens moeten
toespreken en hem onder het oog brengen ....
H i 1 m a r. In \'t publiek? Op straat? Neen .... dat moet
je me niet kwalijk nemen. Maar dat die man zich hier nog
in de stad durft vertoonen! Nou, we zullen eens zien of de
pers er niet een stokje voor steken kan. Ja, neem me niet
kwalijk, Betty, maar....
B e r n i c k. De pers, zeg je ? Heb je dan al iets van dien
aard gehoord?
H i i m a r. Jawel, er hangt wel zoo iets in de lucht. Toen ik
gisteren avond van je weg ging, liep ik nog even binnen in de
sociëteit, om beter te kunnen slapen. Ik merkte best aan de stilte
die ontstond, dat er over de twee Amerikanen gesproken was. Daar
komt die onbeschaamde kerel, Hammer, de redacteur, binnen
en feliciteert mij hardop met de terugkomst van mijn rijken neef.
B e r n i c k. Rijken.... ?
H i 1 m a r. Ja, dat zei hij. Ik keek hem eens goed van
onderen naar boven aan en gaf hem te verstaan dat ik niets
wist van Johan Tönnesen\'s rijkdom. „Zoo," zei hij, „dat is
toch vreemd; in Amerika maken de menschen toch gewoonlijk
fortuin als zij iets hebben om mee te beginnen, en uw neef
ging immers niet met leege handen weg."
B e r n i c k. Hm; doe mij nu een plezier ....
Mevr. B e r n i c k (bezorgd). Nu, zie je toch eens Karsten___
H i 1 m a r. Ja, mij heeft hij alvast een slapeloozen nacht
bezorgd. En dan loopt hij daar door de straten met een ge-
zicht alsof er nooit iets met hem gebeurd was. Waarom bleef
hij nu maar niet voor goed weg? Het is of het leven in som-
mige menschen ingeroest is!
31
-ocr page 42-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
Mevr. B e r n i c k. Maar Hilmar, wat zeg je daar nu!
H i 1 m a r. O, niemendal. Maar zoo\'n kerel ontkomt daar
heelhuids aan treinongelukken, Californische beren en Zwart-
Voet Indianen, ja is zelfs niet eens geskalpeerd .... Oeh!
daar heb je ze!
B e r n i c k (kijkt de straat op). Olaf is er ook bij!
Hilmar. Ja natuurlijk; ze willen de menschen laten zien
dat ze tot de eerste familie van de stad behooren. Kijk, kijk,
daar komen al de dagdieven uit de apotheek om ze aan te
gapen en achter hun rug het hunne er van te zeggen. Dat
is heusch te veel voor mijn zenuwen ; hoe een man onder zulke
omstandigheden de vaan der idee hoog houden moet, dat....
Bernick. Zij komen hier naar toe. Hoor eens Betty, het
is mijn uitdrukkelijk verlangen dat je ze zoo vriendelijk moge-
lijk bejegent.
Mevr. Bernick. Mag ik dat doen, Karsten ?
Bernick. Ja zeker; zeker; en jij ook, Hilmar. Zij
zullen hier, hoop ik, niet zoo heel lang blijven; en als wij
onder elkaar zijn geen toespelingen alsjeblieft; wij mogen hen
op geen manier kwetsen.
Mevr. Bernick. O Karsten, wat ben jij toch grootmoedig.
Bernick. Nu ja.... nu ja.... \'t is goed.
Mevr. Bernick. Neen, laat mij je danken ; en vergeef
mij dat ik daar straks zoo driftig was. O, je hadt immers
alle reden om ....
Bernick. \'t Is goed; \'t is goed.... laat dat nu maar
rusten!
Hilmar. Oeh!
(Johan Tönnesen en Dina, daar achter Lona Hessel en
Olaf, komen den tuin door).
Lona. Goeden dag, goeden dag, lieve menschen!
Johan. Wij zijn er op uit geweest en hebben al de oude
plekjes eens opgezocht, Karsten.
Bernick. Ja, dat hoor ik. Heel wat veranderingen,
niet waar?
Lona. Consul Bernick\'s groote en goede daden overal.
Wij zijn boven in het plantsoen geweest dat jij de stad cadeau
gedaan hebt.
Bernick. Zoo ? Daar ?
Lona. „ Geschenk van Karsten Bernick", zooals er boven
den ingang staat. Ja, jij bent hier wel de Groote Piet.
Johan. En prachtige schepen heb je ook. Ik ontmoette
32
-ocr page 43-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
den kapitein van „de Palmboom", een ouden schoolkame-
raad van me ....
L o n a. En een nieuw schoolgebouw heb je ook laten
zetten; en de gasleiding en ook de waterleiding hebben ze
aan jou te danken, hoor ik.
Bernick. Nu, men moet toch wat doen voor de maat-
schappij waarin men leeft.
Lona. Ja, dat is flink, Bernick. Maar het is ook ver-
blijdend om te zien hoe trotsch de menschen op je zijn. Ik
ben niet ijdel, geloof ik; maar ik kon toch niet nalaten om
sommige menschen met wie wij praatten, te laten hooren dat
wij van de familie waren.
Hilmar. Oeh!
Lona. Zeg jij daar oeh! voor?
Hilmar. Neen, ik zeg hm....
Lona. Nou, ga jij je gang maar, sukkel! Maar ben jullie
van daag zoo heel alleen?
Mevr. Bernick. Ja, van daag zijn wij alleen.
Lona. O, we ontmoetten zoowaar een paar van die
„moreelen" op de markt; zij deden of zij het ijselijk druk
hadden. Maar we hebben nog heelemaal niet eens samen
kunnen praten. Gisteren waren eerst die drie spoorwegmannen
hier, en toen kwam die dominee....
Hilmar. Hulpprediker ....
Lona. Ik noem hem dominee. Maar wat zeg jullie nu
wel van mijn werk in deze vijftien jaar? Is hij niet een
flinke kerel geworden ? Wie zou den wildzang nog herkennen
die van hier wegliep?
H i lm a r. Hm ...!
J o h a n. Zeg, Lona, bluf nou maar niet te veel.
Lona. Ja, ik ben daar nu echt trotsch op. Lieve Hemel,
dat is het eenige wat ik uitgevoerd heb in de wereld; maar
dat geeft mij toch wel een beetje recht van bestaan. Ja,
Johan, zeg, als wij daaraan terug denken hoe wij tweeën
daarginder begonnen met onze vier leege klavieren....
Hilmar. Handen.
Lona. Ik zeg klavieren, want smerig waren ze.
Hilmar. Oeh!
Lona. En leeg waren ze ook.
Hilmar. Leeg ? Nou ik moet zeggen ...!
Lona. Wat moet je zeggen ?
Bernick. Hm!
3                                                                               33
-ocr page 44-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
H i 1 m a r. Ik moet zeggen .... oeh! {gaat de tuintrap af).
Lom. Wat mankeert die vent?
B e r n i c k. Och, stoor je maar niet aan hem; hij is een
beetje zenuwachtig tegenwoordig. Maar wil je den tuin niet
eens zien? Daar ben je nog niet geweest, en ik heb nu nog
een uurtje vrij.
L o n a. Ja, heel graag; je kunt denken dat ik genoeg
met mijn gedachten hier in den tuin bij jullie ben geweest.
Mevr. B e r n i c k. Daar is ook veel veranderd, dat zal
je zien.
(Bernick, Mevr. Bernick en Lona gaan den tuin in, waar
men hen af en toe ziet gedurende het volgende.)
Olaf (in de tuindeur). Oom Hilmar, weet u wat oom Johan
mij vroeg? Hij vroeg of ik met hem mee wou gaan naar
Amerika.
Hilmar. Jij, zoo\'n lummel die hier aan je moeders
rokken hangt....
Olaf. Maar dat wil ik nu ook niet langer. U zal eens zien
als ik groot ben....
H i 1 m a r. Nonsens; jij hebt geen aanleg in je voor dat
stalende dat er gelegen is in___(zij gaan den tuin in).
Johan (tegen Dina die haar hoed heeft afgezet en in de
deur rechts staat, terwijl xij het stof van haar japon schudt).
U heeft het knapjes warm gekregen van de wandeling.
Dina. Ja; het was een heerlijke wandeling. Zoo\'n
heerlijke wandeling heb ik nog nooit gemaakt.
Johan. U wandelt misschien niet dikwijls zoo in den
voormiddag?
Dina. Jawel, maar enkel met Olaf.
Johan. Zoo .... U heeft misschien ook lust om in den
tuin te gaan, of blijft u liever hier?
Dina. Neen, ik heb veel meer lust om hier te büjven.
Johan. Ik ook. En dat is dus afgesproken, dat ik u
iederen ochtend kom afhalen om te wandelen.
Dina. Neen, mijnheer Tönnesen, dat moet u niet doen.
Johan. Waarom niet? U heeft het toch beloofd.
Dina. Jawel; maar nu ik er over nadenk.... neen, u
moet niet met mij uitgaan.
Johan. Maar waarom dan toch niet?
Dina. U is hier vreemd; u begrijpt dat niet; maar ik
zal u zeggen....
Johan. Wel?
34
-ocr page 45-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
Dina. Och neen.... ik spreek er liever niet over.
Johan. O, tegen mij kan u gerust over alles spreken
wat u wil.
Dina. Dan zal ik het u zeggen: ik ben niet zooals
andere jonge meisjes; er is iets.... er is iets bizonders met
mij. Daarom moet u het niet doen.
Johan. Daar begrijp ik heelemaal niets van. U heeft
toch niets misdaan?
Dina. Neen, ik niet, maar.... ik kan er niets meer
van zeggen. U komt het wel te weten door de anderen.
Johan. Hm.
Dina. Maar er was nog iets anders dat ik u graag
vragen wou.
Johan. En wat is dat dan ?
Dina. In Amerika is het immers zoo gemakkelijk om
een betrekking te krijgen?
Johan. Nou, zoo heel gemakkelijk is het nu altijd niet;
in het begin moet je dikwijls heel wat uitstaan en hard werken.
Dina. Daar zou ik ook niet tegen opzien....
Johan. U?
Dina. Ik kan wel werken; ik ben gezond en sterk, en
tante Martha heeft mij van alles geleerd.
Johan. Maar, wat drommel, ga dan met ons mee!
Dina. Och, nu maakt u maar gekheid; dat heeft u tegen
Olaf ook gezegd. Maar wat ik eigenlijk wilde weten is, of
de menschen daarginder erg.... erg braaf zijn?
Johan. Braaf?
Dina. Ja, ik bedoel of ze ook zoo fatsoenlijk en in den
vorm zijn, als hier?
Johan. Nou, ze zijn in elk geval niet zoo slecht als ze
hier \'denken. Daar hoeft u niet bang voor te zijn.
Dina. U begrijpt mij niet. Ik zou juist willen dat ze niet
zoo fatsoenlijk en braaf waren.
Johan. Niet? En hoe moeten ze dan zijn?
Dina. Ik zou willen dat ze natuurlijk waren.
Johan. Jawel, jawel, dat zijn ze misschien juist wel.
Dina. Dan zou het goed voor mij zijn om er heen te gaan.
Johan. Welzeker, en daarom moet u met ons meegaan.
Dina. Neen, met u wil ik niet meegaan; ik moet alleen
gaan. O, ik zou het nog wel tot iets kunnen brengen; ik
zou wel flink worden ....
B e r n i c k (beneden aan de tuintrap bij de beide dames).
35
-ocr page 46-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
Blijf maar, blijf; ik zal het wel halen, Betty-lief. Je zoudt
licht kou kunnen vatten. {Hij komt de kamer binnen en zoekt
naar een chdle.)
Mevr. B e r n i c k {in den tuin). Jij moet ook meegaan,
Johan. Wij gaan naar de grot.
B e r n i c k. Neen, Johan moet nu eens hier blijven! Hier,
Dina, neem jij de chale mee van mijn vrouw en ga met
haar mee. Johan blijft bij mij, Betty-lief. Ik moet nog eens
het een-en-ander hooren over de toestanden daarginder.
Mevr. Bernick. Goed! Maar kom gauw weer\'bij ons;
je weet waar wij te vinden zijn. {Mevr. Bernick, Lona en
Dina gaan door den tuin links af.)
Bernick {kijkt hen een oogenblik na, gaat dan de verste
deur links sluiten; dan gaat hij naar Johan toe, grijpt zijn
beide handen die hij schudt en drukt).
Johan, nu zijn wij
alleen: laat mij je nu eens danken.
Johan. Och wat!
Bernick. Mijn huis en haard, mijn huiselijk geluk,
mijn heele positie in de maatschappij .... heb ik aan jou te
danken.
Johan. Wel, dat doet mij plezier, beste Karsten, dan is
er toch nog iets goeds uit die gekke geschiedenis voortge-
komen.
Bernick {schudt hem op nieuw de hand). Toch dank,
dank, en nogmaals dank! Niet één uit de tienduizend zou
gedaan hebben wat jij toen voor mij deedt.
Johan. \'t Is ook wat! Waren we niet allebei jong en
loszinnig? Een\' van ons beiden moest de schuld toch op zich
nemen....
Bernick. Maar wie was daar nader aan toe dan de schul-
dige zelf?
Johan. Stop! Toen was de onschuldige er nader aan toe.
Ik was immers heelemaal vrij en ouderloos. En \'t was een
waar geluk om van die kantoor-slavernij af te komen. Maar
jij hadt je oude moeder nog, en daarbij was je net stil geën-
gageerd met Betty, die zoo veel van je hield. Wat zou ze be-
gonnen hebben als ze te weten was gekomen... . ?
Bernick. Zeker.... zeker.... alles waar, maar ....
Johan. En was het niet juist om Betty dat je een eind
ging maken aan dat scharrelpartijtje met madam Dorf? \'t Was
immers daarom dat je bij haar Doven was dien avond....
Bernick. Ja, die onzalige avond, toen die dronken kerel
36
-ocr page 47-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
thuiskwam....! Ja, Johan, dat was om Betty; maar toch___
dat je zoo grootmoedig den schijn tegen je zelf keerde en
weg ging-----
Johan. Heb maar geen gewetensbezwaren, beste kerel.
Wij waren het er immers over eens dat het zoo zijn zou; je
moest gered worden, en je was immers mijn vriend. Ja, op
die vriendschap was ik wat trotsch! Ik liep hier rond als een
gewoon huisbakken inlander; en toen kwam jij terug, elegant
en voornaam, van je groote buitenlandsche reis. Je was in
Parijs en in Londen geweest. En toen koos je mij tot intiemen
vriend, hoewel ik vier jaar jonger was dan jij;,... nou ja,
dat was omdat jij Betty het hof maakte, dat begrijp ik nu wel.
Maar wat was ik daar trotsch op! En wie zou dat niet ge-
weest zijn? Wie zou zich niet graag voor je opgeofferd heb-
ben ; vooral omdat er toch niet meer aan vast was dan een
maand lang wat kletspraatjes in de stad, en ik meteen de
wijde wereld kon intrekken.
B e r n i c k. Hm; mijn beste Johan, ik moet je eerlijk
zeggen, dat die geschiedenis nog niet zoo heelemaal vergeten is.
Johan. Zoo? Niet? Nou wat raakt mij dat, als ik weer
daarginder op mijn farm zit....
Bernick. Dus je gaat weer terug ?
Johan. Ja, stellig.
Bernick. Maar toch niet zoo heel gauw, hoop ik?
Johan. Zoo gauw mogelijk. Ik ben alleen maar meege-
komen om Lona plezier te doen.
Bernick. Zoo? Om Lona?
Johan. Ja, zie je, Lona is niet jong meer, en in den
laatsten tijd begon het verlangen naar haar eigen land haar
te kwellen; maar zij wou het nooit bekennen, (glimlachend).
Hoe zou zij zoo\'n lichtzinnig wezen durven achterlaten, dat zich,
toen hij negentien jaar oud was al had afgegeven met....
Bernick. En___?
Johan. Ja, Karsten, nu moet ik je iets biechten, waar-
over ik me schaam.
Bernick. Je hebt haar toch niet verteld hoe de zaak in
elkaar zit?
Johan. Ja, dat heb ik wel. Het was verkeerd van mij
maar ik kon niet anders. Je kunt je niet voorstellen wat
Lona voor mij geweest is. Jij hebt haar nooit goed kunnen
uitstaan, maar voor mij is ze als een moeder geweest. In de
eerste jaren, toen wij het zoo spaansch hadden daarginder,
37
-ocr page 48-
DE STEUNPILAREN DEE MAATSCHAPPIJ.
wat heeft ze toen niet gewerkt. En toen ik langen tijd ziek
lag en niets kon verdienen, en het ook niet kon verhinderen,
toen is zij liederen gaan zingen in café\'s, voordrachten gaan
houden, waar de menschen om lachten; en toen heeft ze een
boek geschreven waar zij naderhand om gelachen en geschreid
heeft,.... allemaal om mij in het leven te houden. Daarom
kon ik het niet langer aanzien hoe zij van den winter ver-
teerde van heimwee, zij, die gezwoegd en geslaafd had voor
mij! Neen, dat kon ik niet, Karsten. En daarom zei ik: ga terug
Lona, je hoeft voor mij niet bang te zijn; ik ben niet zoo licht-
zinnig als je denkt. En zoo.... zoo kwam zij het te weten.
B e r n i c k. En hoe nam zij het op ?
J o h a n. Nou, ze vond, wat ook waar was, dat als ik wist
niets misdaan te hebben, ik er ook niets tegen hebben kon
de reis mee te maken. Maar wees maar gerust, Lona verklapt
niets, en ik zal ook nu wel weer mijn mond houden.
B e r n i c k. Ja.... ja.... daar vertrouw ik ook op.
J o h a n. Daar heb je mijn hand er op. En nu zullen wij
niet meer spreken over die oude geschiedenis; gelukkig is dat
de eenige dolle streek, zoover ik weet, die een van ons heeft
uitgehaald. Nu wil ik van de enkele dagen dat ik hier ben
ten volle genieten. Je weet niet wat een heerlijke wandeling
wij van morgen gemaakt hebben. Wie zou gedacht hebben
dat die kleine dreumes, die hier rondliep en voor engeltje
speelde op het tooneel.... 1 Maar zeg toch eens,.... hoe is
het toen verder met haar ouders afgeloopen?
B e r n i c k. Och, ik weet er niet meer van te vertellen
dan ik je schreef kort nadat je weg was. Je hebt immers die
twee brieven wel gekregen?
J o h a n. Jawel, jawel; ik heb ze nog allebei. Die dronken-
lap liep immers van haar weg?
B e r n i c k. En is later in de jenever gestikt.
J o h a n. Zij stierf immers ook kort daarop ? Maar jij hebt
zeker alles voor haar gedaan wat je in stilte doen kon?
B e r n i c k. Zij was trotsch; zij heeft nooit iets verraden
en ze wilde niets aannemen.
J o h a n. \'t Is in elk geval goed dat je Dina in huis ge-
nomen hebt.
B e r n i c k. Ja, maar het is eigenlijk Martha geweest die
dat heeft doorgedreven.
J o h a n. Zoo was dat Martha\'s werk ? Ja, Martha....
dat is waar ook .... waar zit die toch van daag?
38
-ocr page 49-
I)E STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
B e r n i c k. O, die,.... als die niet aan \'t les geven is
op school, dan is ze bij haar zieken.
Johan. Dus Martha heeft zich met. haar bezig gehouden.
B e r n i c k. Ja, Martha heeft altijd een zeker zwakje ge-
had voor alles wat opvoeding is. Daarom heeft zij ook een
betrekking aan de volksschool aangenomen. Dat was een
groote dwaasheid van haar.
Johan. Ja, zij zag er gisteren erg vermoeid uit; ik vrees
ook dat zij daarvoor niet sterk genoeg is.
B e r n i c k. Och, wat haar gezondheid betreft zou het wel
gaan. Maar het is onaangenaam voor mij; \'t staat net of ik,
haar broer, geen lust heb om haar te onderhouden.
Johan. Te onderhouden? Ik dacht dat zij zelf geld ge-
noeg had om ....
B e r n i c k. Geen cent. Je herinnert je nog wel wat voor
een benauwde tijd het was voor moeder toen jij weg ging.
Zij hield het toen met mijn hulp nog wel een tijdlang vol;
maar dat kon op den duur toch zoo niet gaan. Daarom liet
ik mij in de firma opnemen; maar zoo ging het toen ook
alweer niet. Ik moest dus de heele zaak overnemen, en toen
wij onze balans opmaakten, bleek het dat er van het aandeel
van mijn moeder zoo goed als niets overbleef. Toen moeder
kort daarna overleed, was er natuurlijk ook voor Martha niets.
Johan. Die arme Martha!
Bernick. Arme? Waarom? Je denkt toch niet dat zij
iets te kort komt? O neen, ik durf gerust zeggen dat ik een
goede broer ben. Zij woont natuurlijk bij ons in en eet aan
onze tafel; van hetgeen zij verdient kan zij zich ruim kleeden,
en een vrouw alleen.... wat zal die met meer uitvoeren ?
Johan. Hm; in Amerika denken wij daar anders over.
Bernick. Ja, dat geloof ik wel; in zoo\'n vrijgevochten
maatschappij als de Amerikaansche. Maar hier, in ons kleine
kringetje, waar Goddank de verdorvenheid tot op heden althans,
nog niet is binnengedrongen, hier stellen de vrouwen zich er mee
tevreden een gepaste al is het dan ook een bescheiden plaats
in te nemen. Het is bovendien Martha\'s eigen schuld; zij had
waarachtig al lang bezorgd kunnen zijn, als zij maar gewild had.
Johan. Je bedoelt dat zij had kunnen trouwen?
Bernick. Ja, zij had zelfs meer dan eens een heel goede
partij kunnen doen; zij heeft verscheidene goede aanzoeken
gehad. Merkwaardig genoeg; een onbemiddeld meisje, niet
jong meer, en daarbij hoogst onbeduidend.
39
-ocr page 50-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
J o h a 11. Onbeduidend ?
B e r n i c k. Nou, ik maak er haar geen verwijt van. Ik
verlang haar niet anders dan ze is. Je begrijpt, in een groot
huis als het onze, is het altijd gemakkelijk zoo\'n eenvoudig
persoontje te hebben die je voor alles gebruiken kunt.
J o h a n. Jawel, maar zij ... ?
Bernick. Zij? Hoe dat?... Nu ja, zij heeft natuurlijk
ook wel wat om zich voor te interesseeren. Zij heeft mij toch,
en Betty en Olaf en mij. Een mensch moet niet altijd in de
eerste plaats aan zich zelf denken, en allerminst een vrouw. Wij
hebben toch allemaal een kleinere of grootere maatschappij
om te steunen en voor te werken. Zoo doe ik althans (wijst
naar Krap, die van rechts komt).
Daar heb je net het bewijs
voor mijn stelling. Denk je dat het mijn eigen zaken zijn
die mij in beslag nemen ? Volstrekt niet. (snel tegen Krap). Wel ?
Krap (zacht, laat een pak papieren zien). Alle koop-
contracten in orde.
Bernick. Prachtig! Uitmuntend!. .. Ja, beste jongen,
nu moet je mij heusch voor een poosje excuseeren. (Gedempt
•en met een lianddruk.)
Dank, dank, Johan; en wees er van
overtuigd dat ik alles, waarmee ik je van dienst kan zijn,...
nu, je begrijpt mij wel. ... Kom, mijnheer Krap. (Zij gaan
Bernick\'s kamer binnen.)
Johan (ktjkt hen een poos na). Hm .... (hij wil den tuin
ingaan. Op het zelfde oogenblik komt Martha met een mandje
aan haar arm van rechts).
Johan. Kijk eens aan, Martha!
Martha. O___Johan .... ben jij het ?
Johan. Ook al zoo vroeg op het pad?
Martha. Ja. Wacht maar even, als je wilt; de anderen
zullen wel dadelijk komen. (Wil naar links weggaan.)
Johan. Hoor eens, Martha, heb je altijd zoo\'n haast ?
Martha. Ik?
Johan. Gisteren liep je ook al weg, zoodat ik geen
woord met je kon praten, en van daag....
Martha. Ja, maar....
Johan. Vroeger waren wij toch altijd bij elkaar, wij twee
oude speelkameraden.
Martha. Och, Johan, dat is zoo heel, heel lang geleden.
Johan. Wel, het is op den kop af vijftien jaar geleden,
niet meer en niet minder. Vindt je soms dat ik zoo erg
veranderd ben?
40
-ocr page 51-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
M a r t h a. Jij ? O ja, jij ook, hoewel....
J ohan. Nou wat?
M a r t h a. Och .... niets.
Johan. Je schijnt niet erg blij te zijn om me terug te zien.
Martha. Ik heb zoo lang gewacht.... te lang.
Johan. Gewacht? Dat ik terugkomen zou?
Martha. Ja.
Johan. En waarvoor dacht je dat ik terugkomen zou?
Martha. Om goed te maken wat je misdaan hebt.
Johan. Ik?
M a f t h a. Heb je vergeten dat er een vrouw in ellende
en schande gestorven is door jouw schuld? Heb je vergeten,
dat door jouw schuld de beste jaren van een opgroeiend
meisje vergald werden?
Johan. En dat moet ik van jou hooren? Martha, heeft
je broer dan nooit. .. ?
Martha. Wat?
Johan. Heeft hij nooit...; nu ja, ik bedoel, heeft hij
nooit zooveel als een woord tot mijn verontschuldiging gezegd ?
Martha. Och, Johan, je kent immers Karsten\'s strenge
principes wel.
Johan. Hm.....ja zeker, zeker ken ik de strenge prin-
cipes van mijn ouden vriend Karsten wel. ... Maar dat is
toch ...! Wel!... Ik sprak zoo even met hem. Ik vind dat
hij opvallend veranderd is.
Martha. Hoe kan je dat zeggen ? Karsten is toch altijd
zoo\'n uitstekend mensch geweest.
Johan. Zoo was het eigenlijk niet gemeend; maar dat
doet er niet toe. Hm; nu begrijp ik pas in welk licht je mij
gezien hebt; je hebt gewacht en uitgekeken naar de terug-
komst van den verloren zoon.
Martha. Johan, ik zal je zeggen in welk licht ik je
gezien heb {wijst naar den tuin). Zie je haar, die daarginder
in het gras met Olaf speelt? Dat is Dina. Herinner je je
nog dien verwarden brief dien je mij schreef toen je weg
ging? Je schreef dat ik in je gelooven moest. Ik heb in je
geloofd, Johan. Al die slechte dingen die later van je verteld
werden, moeten in de verwarring, zonder nadenken, zonder
overleg gebeurd zijn....
Johan. Wat voor dingen bedoel je?
Martha. Och, je begrijpt mij heel goed;... daarover
praat ik niet meer. Maar je moest immers weg, van voren
41
-ocr page 52-
WE 8TEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
af aan beginnen, een nieuw leven. Zie je, Johan, ik ben je
Člaatsvervangster hier geweest, ik, je oude speelkameraad.
>e plichten die jij hier verzuimde te vervullen, of niet ver-
vullen kon, die heb ik op mij genomen en voor je vervuld.
Ik vertel je dit omdat je je ook niet dat nog te verwijten
zoudt hebben. Voor het arme, ongelukkige kind, ben ik een
moeder geweest; ik heb haar opgevoed zoo goed als ik
kon....
Johan. En je heele leven daaraan verspild ....
Mart ha. Dat is niet verspild. Maar je bent laat geko-
men, Johan.
Johan. Martha.... als ik je alles zeggen kon.... Wel,
laat ik je in elk geval danken voor je trouwe vriendschap.
Martha (met een droevig lachje). Hm .... Zoo, nu heb
ik ten minste gezegd wat ik op \'t hart had. Sst; daar komt
iemand. Adieu; ik kan nu niet.... (zij gaat weg door de
verste deur links. Lona Hessel komt uit den tuin, gevolgd
door Mevr. Bernick).
Mevr. Bernick (nog in den tuin). Maar om \'s hemels
wil, Lona, wat verzin je toch!
Lona. Laat mij toch maar begaan; ik wil en moet met
hem spreken.
Mevr. Bernick. Maar dat zou toch het grootst mogelijke
schandaal geven! O Johan, ben jij daar nog?
Lona. Maak dat je wegkomt, jongen; blijf niet hier in
de kameratmosfeer omhangen; ga den tuin in en praat een
beetje met Dina.
Johan. Dat was ik juist van plan.
Mevr. Bernick. Maar....
Lona. Hoor eens, Johan, heb je Dina al eens goed
aangekeken ?
Johan. Ik geloof van ja.
Lona. Je moet haar maar eens heel nauwkeurig opnemen,
jongen. Dat zou iets voor jou zijn!
Mevr. Bernick. Maar Lona!
Johan. Iets voor mij ?
Lona. Ja, om naar te kijken, meen ik. Ga nu maar!
Johan. Maar al te graag! (hij gaat den tuin in).
Mevr. Bernick. Lona, ik sta verstomd over je. Dit kan
je toch onmogelijk ernst zijn.
Lona. Ja waarachtig is het mij ernst. Is zij niet frisch
en gezond en braaf? Zij is net een vrouw voor Johan. Zoo
42
-ocr page 53-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
een heeft hij daarginder net noodig; dat zal wat anders zijn
dan een oude stiefzuster!
Mevr. Bernick. Dina! Dina Dorf! Denk toch eens aan!...
L o n a. Ik denk in de eerste plaats aan het geluk van
mijn jongen. Want hem een beetje helpen moet ik wel; zelf
is hij niet heel handig in zulke dingen; voor meisjes en
vrouwen heeft hij nooit veel oog gehad.
Mevr. Bernick. Hij niet ? Johan! Nou, mij dunkt dat
wij van het tegendeel de treurige bewijzen wel gehad hebben....
L o n a. Naar den drommel met die malle geschiedenis!
Waar is Bernick? Ik moet hem spreken.
Mevr. Bernick. Lona, je doet het niet, zeg ik je!
L o n a. Ik doe het wčl. Heeft de jongen zin in haar___
en zij in hem .... dan zullen ze elkaar krijgen ook. Bernick
is immers zoo\'n knappe man; die moet dan maar een uitweg
vinden ....
Mevr. Bernick. En geloof je dat zulke Amerikaansche
onwelvoeglijkheden hier geduld zullen worden....
Lona. Leuterpraat, Betty.
Mevr. Bernick.....dat een man als Karsten, met zijn
streng moreele begrippen ....
Lona. Och wat! Die zullen wel zoo overdreven streng
niet zijn.
Mevr. Bernick. Wat durf je daar te zeggen ?
Lona. Ik durf zeggen dat Bernick wel niet zooveel braver
zal zijn dan andere mannen.
Mevr. Bernick. Zoo diep zit dus de haat nog in je!
Maar wat wil je dan toch eigenlijk hier, als je nooit hebt
kunnen vergeten dat... ? Ik begrijp niet dat je hem onder
de oogen durfde komen na de schandelijke beleediging die
je hem hebt aangedaan.
Lona. Ja, Betty, toen heb ik mij leelijk vergaloppeerd.
Mevr. Bernick. En hoe grootmoedig heeft hij het je
niet vergeven, hij, die toch nooit iets misdaan had! Want
hij kon toch niet helpen dat jij je hier illusies gemaakt hadt.
Maar sinds dien tijd heb je ook een hekel aan mij. (begint
te schreien).
Je hebt mij mijn geluk nooit gegund. En nu
kom je hier om mij al die narigheid te bezorgen .... om de
heele stad te laten zien in wat voor een familie ik Karsten
gebracht heb. Ik zal er op aangezien worden, en dat is het
juist wat je wilt. O, het is afschuwelijk van je! (ze gaat
schreiend weg door de verste deur links).
43
-ocr page 54-
DE STEUNPILAREN DEK MAATSCHAPPIJ.
Lona {haar nakijkend). Arme Betty! (Bemick komt uit
xijn kamer.)
B e r n i c k {nog in de deur). Ja, ja, dat is best, mijnheer
Krap; dat is uitstekend. Stuur vierhonderd kronen voor
voedsel voor de armen, {keert zich om). Lona! {dichterbij).
Ben je alleen? Komt Betty niet hier?
Lona. Neen. Zal ik haar soms gaan halen?
B e r n i c k. Neen, neen, neen, niet doen ! O Lona, je
weet niet hoe ik er naar verlangd heb eens openhartig met
je te praten .... om je vergeving af te smeeken.
Lona. Hoor eens, Karsten, laat ons niet sentimenteel
worden; dat staat ons niet.
B e r n i c k. Je moet mij aanhooren, Lona. Ik weet wel
hoezeer de schijn tegen mij is, nu je gehoord hebt van die
zaak met Dina\'s moeder. Maar ik zweer je, dat het maar
een korte opwinding geweest is; ik heb ééns heusch eerlijk
en oprecht van je gehouden.
Lona. Waarvoor denk je dat ik teruggekomen ben ?
B e r n i c k. Wat je ook van plan bent, ik smeek je niets
te ondernemen vóór ik mij gerechtvaardigd heb. Ik kan het,
Lona, ik kan mij in elk geval verontschuldigen.
Lona. Nu ben je bang.... Je hebt eens van mij ge-
houden, zeg je. Ja, dat heb je me dikwijls genoeg verzekerd
in je brieven; en misschien was het ook wel waar.... in
zekeren zin .... zoolang je nog daarginder in een ruimer en
vrijer wereld leefde, die je den moed gaf zelf vrij en ruim
te denken. Je vondt misschien bij mij meer karakter en eigen
wil en zelfstandigheid, dan bij de meesten hier. En dan was
het ook een geheim tusschen ons beiden; niemand kon je
uitlachen over je slechten smaak.
B e r n i c k. Lona, hoe kan je toch denken ... ?
Lona. Maar toen je terugkwam, toen je allerlei spotter-
nijen hoorde, die als hagel op me neervielen, toen je hoorde
hoe er gelachen werd over alles wat ze hier mijn dwaasheden
noemden....
Bemick. Maar je w&s toen ook erg excentriek.
Lona. Toch voornamelijk om al die stijve harken te
ergeren, die in pantalons en rokken door de stad slenterden.
En toen je dan die jonge verleidelijke actrice ontmoette....
Bemick. Het was een kwajongensstreek.... anders
niets; ik zweer dat er geen tiende deel waar was van al de
praatjes en den laster die in omloop waren.
44
-ocr page 55-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
L o n a. \'t Kan zijn; maar toen nu Betty thuis kwam,
mooi, bloeiend, door allen vergood.... en het bekend werd
dat zij het heele fortuin van tante erven zou, en ik niets
zou krijgen ....
B e r n i c k. Ja, dat is nu juist de zaak, Lona; en nu zal
je ook alles zonder omwegen hooren. Ik had Betty toen
niet lief. Ik maakte het niet af met jou om een nieuwe
verliefdheid. Ronduit gezegd, het was om het geld. Ik was
er toe gedwongen; ik moest dat geld hebben.
Lona. En dat zeg je mij zoo maar vlak in mijn gezicht ?
B e r n i c k. Ja, dat doe ik. Luister eens, Lona. ...
Lona. En toch schreef je mij dat een onoverwinnelijke
liefde voor Betty zich meester van je gemaakt had, deed je
een beroep op mijn grootmoedigheid, bezwoer je mij ter wille
van Betty te zwijgen over wat er tusschen ons geweest was ....
B e r n i c k. Ik moest dat wel doen, zeg ik je immers.
Lona. Nou, dan weet de hemel dat ik er geen berouw
van heb dat ik mij toen zoo vergaloppeerde.
B e r n i c k. Laat ik je eens koel en kalm vertellen hoe
de toestand was in die dagen. Mijn moeder stond, zooals je
je herinnert, aan het hoofd van de znak; maar zij bezat
absoluut geen verstand van zaken. Ik werd haastig terugge-
roepen uit Parijs; de tijden waren kritiek; ik moest de zaak
weer op de been helpen. Wat vond ik ? Ik vond, wat natuurlijk
diep geheim gehouden moest worden, een zoo goed als
geruďneerd huis. Ja, het was zoo goed als geruďneerd, dit
oude aanzienlijke huis, dat al sedert drie geslachten had
bestaan. Wat had ik, de zoon, de éénige zoon, anders te doen
dan dm te zien naar een reddingsmiddel?
Lona. En zoo redde je het huis Bernick ten koste van
een vrouw.
Bernick. Je weet wel dat Betty van mij hield.
Lona. Maar ik dan ?
Bernick. Geloof mij.... Lona.... je zoudt met mij
nooit gelukkig geworden zijn.
Lona. Was het uit bezorgdheid voor mijn geluk dat je
mij losliet?
Bernick. Denk je soms dat ik uit egoďsme handelde
zoo als ik deed? Als ik toen alleen gestaan had, dan zou
ik flink en moedig van voren af aan begonnen zijn. Maar je
hebt geen idee hoe een zakenman, onder den druk van een
onmogelijk zware verantwoordelijkheid, samengroeit met de
45
-ocr page 56-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
zaak die hij erft. Weet je wel dat het wel en wee van hon-
derden, ja duizenden, van hem afhangt? En bedenk je wel
dat de heele maatschappij, die wij allebei ons thuis noemen,
op de gevoeligste manier de gevolgen van den val van het
huis Bernick zou ondervonden hebben?
Lona. En is het ook ter wille van de maatschappij dat
je al die vijftien jaar lang die leugen volgehouden hebt?
Bernick. Die leugen ?
Lona. Wat weet Betty van alles, wat te grond ligt aan
je vereeniging met haar, en daaraan vooraf ging?
Bernick. Waarom zou ik haar zonder eenig nut pijn
doen, met haar die dingen te vertellen?
Lona. Zonder eenig nut, zeg je ? Ja, ja, je bent een man
van zaken; jij moet weten wat nuttig is of niet.....Maar
hoor nu eens, Karsten, nu zal ik ook eens koel en kalm
spreken. Zeg mij eens. ... ben je nu ook heusch gelukkig?
Bernick. In mijn gezin, bedoel je ?
Lona. Ja.
Bernick. Ja, Lona, dat ben ik. O, je bent niet voor
niets zoo\'n opofferende vriendin voor mij geweest. Ik durf
zeggen dat ik ieder jaar gelukkiger ben geworden. Betty is
lief en meegaande. En wat heeft zij in den loop der jaren
geleerd zich naar mijn eigenaardigheden te voegen ... .!
Lona. Hm.
Bernick. Vroeger had zij een heeleboel overspannen idees
over de liefde; zij kon zich maar niet vereenigen met de gedachte
dat die zachtjes aan moest overgaan in een kalme vriendschap.
Lona. Maar berust zij nu daarin ?
Bernick. Volkomen. Je kunt begrijpen dat de dagelijk-
sche omgang met mij, haar ook veel heeft gerijpt en niet
zonder invloed op haar gebleven is. De mensenen moeten
leeren van beide kanten wat water in hun wijn te doen, als
zij in de maatschappij waarin zij leven waardig bun plaats
zullen innemen. Dat heeft Betty later ook leeren inzien, en
daarom is ons huis nu een voorbeeld voor onze medeburgers.
Lona. Maar die medeburgers weten niets van de leugen ?
Bernick. Van de leugen ?
Lona. Ja, van de leugen waarin je nu al vijftien jaar
volhardt.
Bernick. En dat noem je.... ?
Lona. Een leugen, noem ik het. Een drievoudige leugen.
Eerst tegen mij; toen tegen Betty, en dan de leugen tegen Johan.
46
-ocr page 57-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
B e r n i c k. Betty heeft nooit verlangd dat ik spreken zou.
L o n a. Omdat zij niets wist.
B e r n i c k. En jij zult het ook niet verlangen .... uit
consideratie voor haar.
L o n a. Neen, zeker niet. Ik zal hun spot nog wel langer
verdragen; ik heb een breeden rug.
Bernick. En Johan zal het ook niet eischen; dat heeft
hij mij beloofd.
Lona. Maar jij zelf, Karsten ? Is er niets in je binnenste
dat verlangt uit dien toestand van leugen te komen?
Bernick. Ik zou vrijwillig mijn huiselijk geluk en mijn
positie in de maatschappij opgeven!
Lona. Welk recht heb je om die positie te behouden ?
Bernick. Gedurende vijftien jaar heb ik mij iederen dag
een beetje recht daarop gekocht met mijn levenswandel en
niet wat ik gedaan en bereikt heb.
Lona. Ja, je hebt veel gedaan en bereikt, zoowel voor
je zelf als voor anderen. Je bent de eerste en rijkste man
van de stad; niemand durft zich tegen jouw wil te verzetten,
omdat je doorgaat voor iemand zonder smet of blaam. Je
thuis gaat door voor een modelthuis, je levenswandel voor
een voorbeeld. Maar al die heerlijkheid, en jij er bij, rust op
een onvasten moerasgrond. Eén oogenblik kan er komen,
één woord gesproken worden .... en jij met al je heerlijkheid
gaat naar de diepte, als je je niet bij tijds bergt.
Bernick. Lona, wat kom je hier eigenlijk doen ?
Lona. Ik wil je helpen om vasten grond onder je voeten
te krijgen, Karsten.
Bernick. Wraak nemen! Je wilt je wreken ? Ik dacht
het al. Maar dat zal je niet gelukken! Er is maar één mensch
die met autoriteit zou kunnen optreden, en hij zal zwijgen.
Lona. Johan ?
Bernick. Ja, Johan. Indien iemand anders mij aanklaagt,
dan ontken ik alles. Als ze mij willen vernietigen dan zal
ik vechten op leven en dood. Maar het zal je nooit geluk-
ken, zeg ik je! Hij, die mij zou kunnen neervellen, zwijgt....
en hij gaat weer ver weg.
(Hummel en VigeUtnd komen van rechts).
Riimmel. Goeden dag, goeden dag, m\'n waarde Bernick;
je moet met ons mee naar de handelmaatschappij; we hebben
vergadering over de spoorwegkwestie, zooals je weet.
Bernick. Ik kan niet. Onmogelijk op \'t oogenblik.
47
*
-ocr page 58-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
Vigeland. U moet waarlijk, mijnheer Bernick ....
R u m m e 1. Je moet, Bernick. Er zijn menschen die ons
tegenwerken. Hammer de redacteur en de anderen die vóór
de kustlijn waren, beweren dat er particuliere belangen ste-
ken achter het nieuwe plan.
Bernick. Nu, leg hun dan uit....
Vigeland. Dat geeft niets wat wij zeggen, mijnheer de
consul ....
Ru in mei. Neen neen, je moet zelf komen; van jou waagt
natuurlijk niemand zoo iets te veronderstellen.
L o n a. Neen, dat zou ik ook denken.
Bernick. Ik kan niet, zeg ik je; ik ben onwel;....
of wacht althans.... laat mij even tot kalmte komen.
(Rörlund komt van rechts).
R ö r 1 u n d. Pardon, mijnheer Bernick, u ziet mij hier
hevig ontsteld. .. .
Bernick. Ja .... wat scheelt u ?
Rörlund. Ik moet u een vraag doen, mijnheer Bernick.
Is het met uw goedvinden dat het jonge meisje, dat een toe-
vlucht onder uw dak gevonden heeft, zich op de openbare
straat vertoont in gezelschap van een persoon, die ....
L o n a. Van welk persoon, dominee?
Rörlund. Van den persoon dien zij, van alle menschen
ter wereld, het verst van zich af houden moest.
L o n a. Hoho!
Rörlund. Is dat met uw goedvinden, mijnheer Bernick ?
Bernick (die hoed en handschoenen zoekt). Ik weet ner-
gens van. Pardon, ik heb haast; ik moet naar de handel-
maatschappij.
Hilmar (komt uit den tuin en gaat naar de verste deur
links).
Betty, Betty, hoor eens!
Mevr. Bernick (in de deur). Wat is er ?
Hilmar. Je moet eens naar den tuin gaan en een einde
maken aan dat gevrij van een zeker individu met die Dina
Dorf. Mijn zenuwen zijn er heelemaal door van streek, alleen
maar van het aan te hooren.
L o n a. Zoo ? Wat heeft dat individu dan gezegd ?
Hilmar. O, anders niet dan dat hij wil dat zij met hem
mee naar Amerika zal gaan. Oeh!
Rörlund. Hoe is het mogelijk 1
Mevr. Bernick. Wat zeg je ?
L o n a. Maar dat zou juist uitstekend zijn!
48
-ocr page 59-
I
Mevr. Th. Mann-Bouwmeester
als Lona in de Steunpilaren
der Maatschappij
(♦e Bedrijf)
-ocr page 60-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
B e r n i c k. Onmogelijk, je hebt \'t niet goed verstaan.
H i 1 m a r. Vraag het hem dan zelf. Daar komt het
paartje. Maar laat mij er alsjeblieft buiten.
B e r n i c k (tegen Rummel en Vigeland). Ik kom dadelijk....
een oogenblikje maar.... (Rummel en Vigeland gaan af naar
rechts. Johan en Dina komen uit den tuin.)
J o h a n. Hoera, Lona, ze gaat met ons mee!
Mevr. B e r n i c k. Maar, Johan,.... wat een onbezon-
nenheid ...!
Rörlund. Is dat waar? Zoo\'n verregaand schandaal!
Met welke verleidingskunsten heeft u ... ?
Johan. Nou, nou, mijnheer; let een beetje op uw woorden!
Rörlund. Antwoord mij Dina, is dat je plan ? Heb je
uit eigen vrije beweging die beslissing genomen?
Dina. Ik moet hier van daan.
Rörlund. Maar met hem.... met hém!
Dina. Noem mij eens een ander hier die den moed zou
hebben om mij mee te nemen.
Rörlund. Dan zal je ook weten wie hij is!
Johan. Zeg het niet.
B e r n i c k. Geen woord meer.
Rörlund. Dan zou ik de maatschappij, voor wier zede-
lijkheid en welvoeglijkheid ik waken moet, een slechten dienst
bewijzen. En onverantwoordelijk zou ik handelen jegens dit
jonge meisje, wier opvoeding ik ook voor een groot deel ge-
leid heb, en die mij ....
Johan. Neem u in acht voor wat u gaat doen!
Rörlund. Zij moet het weten! Dina, dit is de man die
schuld heeft aan al de ellende en de schande van je moeder.
B e r ni c k. Mijnheer Rörlund . ...!
Dina. Hij! (tegen Johan). Is dat waar ?
Johan. Karsten, geef jij antwoord.
Bernick. Geen woord meer! Van daag zal hier verder
over gezwegen worden.
Dina. \'t Is dus waar.
Rörlund. \'t Is waar.... \'t is wŁar. En meer nog dan
dat. Die kerel, aan wien je je vertrouwen geschonken hebt,
liep niet met leege handen van huis weg;.... de kas van
de weduwe Bernick.... de consul kan het getuigen 1
Lona. Leugenaar!
Bernick. Ah ....!
Mevr. Bernick. O God! O God!
4
49
-ocr page 61-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
Johan (loopt op hem toe met opgeheven arm). En dat
waag jij!-----
L o n a (afwerend). Sla hem niet, Johan!
R ö r 1 u n d. Ja, vergrijp je maar aan mij. Maar de waar-
heid moet toch aan het licht komen; en dit is de waarheid;
mijnheer Bernick heeft het zelf gezegd en de heele stad weet
het.... Ziezoo, Dina, nu ken je hem. (kort ztctfgeri).
Johan (zachtjes, hem bij den arm pakkend). Karsten,
Karsten, wat heb je gedaan!
Mevr. Bernick (gesmoord en schreiend). O, Karsten, dat
ik je in al die schande brengen moest!
Sandstad (komt snel van rechts en roept met de kruk
van de deur in de hand).
Nu moet u eindelijk komen, mijn-
heer de consul! De heele spoorweg hangt nog maar aan een
draadje!
B e r n i c k (wezenloos). Wat is er? Wat moet ik....?
L o n a (ernstig en met nadruk). Je moet de maatschappij
gaan steunen, Bernick.
Sandstad. Ja mijnheer, kom, kom; wij hebben uw heele
moreele overwicht noodig.
Johan (vlak bij hem). Bernick, morgen moeten wij samen
spreken.
(Hij gaat heen door den tuin; Bernick gaat willoos met
Sandstad rechts af).
EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.
50
-ocr page 62-
DERDE BEDRIJF.
Tuinkamer in Bernick\'s huis.
Bernick met een Spaansch rietje in de hand, komt hevig
vertoornd uit de achterste kamer links en laat de deur half
open staan.
Bernick. Ziezoo, nu is het eindelijk eens ernst geworden;
dit pak zal hem heugen, denk ik. (tegen iemand binnen in de
kamer).
Wat zeg je ? .... En ik zeg dat jij een onverstandige
moeder bent! Je spreekt hem vóór en steunt hem in al zijn
kwajongensstreken . ... Geen kwajongensstreken? Wat noem
jij \'t dan? Om \'s nachts het huis uit te sluipen en met een
visschersboot mee op zee te gaan en weg te blijven tot op
klaarlichten dag,.... en mij zoo\'n doodelijken angst op het
lijf te jagen, terwijl ik toch al zoo veel aan mijn hoofd heb.
En dan waagt die deugniet het nog mij te dreigen dat hij
wegloopen zal! Laat hij \'t maar eens probeeren!.... Jij ?
Neen, dat geloof ik graag; jij geeft er niet veel om wat hij uit-
haalt! Al was zijn leven er mee gemoeid, geloof ik ....! Zoo?
Maar ik heb een taak hier te vervullen; mij kan het wčl
schelen of ik een kind nalaat of niet.... Niet tegenspreken,
Betty; het blijft zooals ik gezegd heb; hij heeft huisarrest....
(luistert). Sst; laat niemand iets merken.
(Krap komt van rechts).
Krap. Heeft u een oogenblik tijd, mijnheer?
Bernick (gooit het rietje weg). Jawel, jawel. Komt u
van de werf?
Krap. Zoo net. Hm....
Bernick. Wel ? Er is toch niets met „de Palmboom" ?
Krap. „De Palmboom" kan morgen in zee, maar___
51
-ocr page 63-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
Bernick. Met de „Indian Girl" dus? Dacht ik het niet
dat die stijf kop ....
Krap. De „Indian Girl" kan ook uitzeilen morgen;
maar .... die zal \'t zeker niet ver brengen.
Bernick. Wat bedoelt u?
Krap. Neem mij niet kwalijk, mijnheer; de deur staat
aan en ik geloof dat er iemand binnen is ... .
Bernick (sluit de deur). Ziezoo. Maar wat is het dan dat
niemand hooren mag?
Krap. Het is dit, dat Aune van plan schijnt te zijn de
„Indian Girl" met man en muis naar den kelder te laten gaan.
Bernick. Maar de Hemel zij ons genadig, hoe kan u
denken....?
Krap. Ik kan het mij anders niet verklaren, mijnheer.
Bernick. Maar zeg mij dan toch met een paar woorden....
Krap. Dat zal ik. Ü weet zelf hoe lamzalig het toeging
op de werf sedert wij de nieuwe machines kregen en de nieuwe,
ongeoefende werklui.
Bernick. Ja, ja.
Krap. Maar van ochtend, toen ik op de werf kwam,
merkte ik dat de reparatie van den Amerikaan opvallend ge-
vorderd was; het groote lek in den bodem, u weet wel, die
verrotte plek....
Bernick. Ja, ja, wat daarvan?
Krap. Volkomen gerepareerd,.... oogenschijnlijk althans;
gepantserd; zag er uit als nieuw; hoorde dat Aune zelf den
heelen nacht daar onderin met licht gewerkt had.
Bernick. Ja, ja, en dan ....?
Krap. \'k Liep er over na te denken; het volk was juist
aan \'t schaften, en zoo vond ik gelegenheid om ongemerkt
eens alles op te nemen van binnen en van buiten; \'t was
moeilijk genoeg om in het ruim van die zwaar geladen schuit
te komen ; maar kreeg zekerheid. Er wordt geknoeid, mijnheer
Bernick.
Bernick. Ik kan het niet gelooven, mijnheer Krap. Ik
kan en wil zoo iets niet gelooven van Aune.
Krap. \'t Spijt me.... maar \'t is de zuivere waarheid.
Er wordt geknoeid, zeg ik u. Geen nieuw hout ingezet, zoover
ik kon nagaan, alleen maar gestopt en gekalefaterd en ge-
dekt met platen en geteerd zeildoek en zoo al meer. Een-
voudig prutserij! „Indian Girl" haalt New-York nooit; zinkt
als een gebarsten pot.
52
-ocr page 64-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
B e r n i c k. Maar dat is verschrikkelijk! En wat kan hij
daarmee voorhebben, denkt u?
Krap. Wil waarschijnlijk de machines in discrediet bren-
gen; wil zich wreken; wil dat die heele oude arbeiderstroep
weer in genade zal worden aangenomen.
B e r n i c k. En zoo zet hij misschien al die menschen-
levens op het spel.
Krap. Hij zei onlangs: daar zijn geen menschen aan boord
van de „Indian Girl", enkel beesten.
B e r n i c k. Ja, ja, dat kan zijn; maar heeft hij dan geen
eerbied voor het groote kapitaal dat er mee verloren gaat?
Krap. Aune heeft maling aan het groote kapitaal, mijn-
heer Bernick.
B e r n i c k. Zeer juist; hij is een drijver en een onrust-
stoker ; maar zoo iets gewetenloos als dit.... Hoor eens,
mijnheer Krap, die zaak moet nog eens onderzocht worden.
Geen woord er over tegen wien ook. De eer van onze werf
zou er onder lijden als zoo iets bekend werd.
Krap. Natuurlijk, maar....
Bernick. In het middagschaftuur moet u nog eens in
het schip zien te komen; ik moet volle zekerheid hebben.
Krap. Die zal u hebben, mijnheer. Maar permitteer mij,
wat wil u dan doen?
Bernick. De zaak aangeven, natuurlijk. Wij kunnen
ons toch niet medeplichtig maken aan iets dat gewoon een
misdaad is. Mijn geweten moet zuiver zijn. Het zal buitendien
een goeden indruk maken zoowel bij de pers als in het
algemeen op de menschen, wanneer men ziet, dat ik alle
persoonlijke belangen op zij zet en het recht zijn loop laat.
Krap. Zeer waar, mijnheer.
Bernick. Maar in de eerste plaats volle zekerheid. En
tot zoolang zwijgen....
Krap. Geen woord, mijnheer; en zekerheid zal u hebben.
{hij gaat weg door den tuin en de straat af).
Bernick (halfluid). Ontzettend! Maar neen, dat is toch
onmogelijk,... ondenkbaar ! (terwijl hij xijn kamer binnen
wil gaan komt Hilmar van rechts).
H i 1 m a r. Dag Bernick! Ik feliciteer je met je overwin-
ning in de Handelmaatschappij gisteren.
Bernick. O, dank je.
Hilmar. Het was een schitterende overwinning, hoor
ik, de overwinning van de verstandige liefde voor je eigen
53
-ocr page 65-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
stad over egoďsme en vooroordeel,... iets als een razzia van
de Franschen tegen de Kabylen. Merkwaardig dat je na die
onaangename scčne hier in huis ....
B e r n i c k. Nu ja.... zwijg daar nu maar liever over.
H i 1 m a r. Maar de groote slag is toch nog niet geleverd.
B e r n i c k. In de spoorweg-kwestie bedoel je ?
Hilmar. Ja, je weet toch wel wat Hammer tegen je in
zijn schild voert?
Bernick. Neen, wat dan?
Hilmar. Hij heeft zich vastgeklampt aan een praatje
dat hier rondgaat, en daar wil hij een courantenartikel van
maken.
Bernick. Welk praatje ?
Hilmar. Wel, natuurlijk van den grooten aankoop van
terreinen langs de zijlijn.
Bernick. Wat zeg je? Loopt daar een praatje over?
Hilmar. Ja, \'t is al door de heele stad. Ik hoorde het
op de sociëteit, waar ik even binnen liep. Een notaris van
hier moet in alle stilte in commissie alle bosschen, ertslagen
en watervallen opgekocht hebben....
Bernick. Is \'t ook bekend voor wie ?
Hilmar. Op de sociëteit dachten ze dat \'t voor een
consortium was, lui van buiten de stad, die van je plannen
de lucht gekregen hadden en zich nu vóór de prijzen
stegen .... Hoe gemeen toch .... oeh!
Bernick. Gemeen?
Hilmar. Ja, dat vreemden zich op die manier indringen
in onze streken, en dat zelfs een notaris hier uit de stad
zich daartoe leenen wil! Nou gaan die vreemde lui met de
winst strijken.
Bernick. Maar het is toch maar een los praatje.
Hilmar. Dat intusschen geloofd wordt, en morgen of
overmorgen spijkert Hammer het vast als een feit. Op de
sociëteit waren ze er allemaal al nijdig over. Ik hoorde
verscheidene lui zeggen dat als het praatje waarheid bleek
te zijn, dan zouden zij zich laten schrappen van de lijsten.
Bernick. Onmogelijk!
Hilmar. Zoo? Waarom waren deze winkelierszielen zoo
bereid om met je mee te gaan in je plannen, denk je ? Geloof
je niet dat ze zelf hun neus er al op gespitst hadden ....
Bernick. Onmogelijk, zeg ik je. Zooveel gemeenschapszin
bestaat hier toch nog wel in onze kleine maatschappij....
54
-ocr page 66-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
Hilmar. Hier? Ja, jij bent nu eenmaal een optimist,
en oordeelt anderen naar je zelf. Maar ik, die een vrij
geoefend opmerker ben .... Hier is er geen één, zeg ik je,
die de vaan der idee hoog houdt. (Gaat naar den achtergrond.)
Oeh! daar zie ik ze alweer aankomen!
Bernick. Wie?
Hilmar. De twee Amerikanen (kijkt naar rechts). En
met wie loopen ze? Ja, lieve God, is dat niet de kapitein
van de „Indian Girl\'? Oeh!
Bernick. Wat hebben ze nu met hčm te maken ?
Hilmar. O, dat is juist heel geschikt gezelschap. Die
man moet slavenhandelaar of zeeroover geweest zijn; en wie
weet wat die twee al die jaren hebben uitgevoerd.
Bernick. Ik moet zeggen dat het je heel leelijk staat
om zoo slecht over hen te denken.
Hilmar. Ja, jij bent nu eenmaal een optimist. Maar nu
hebben wij ze weer op ons dak natuurlijk. Ik zal me daarom
maar bij tijds.... (gaat naar de deur links).
(Lona komt van rechts op.)
Lona. Hoe is \'t, Hilmar, jaag ik je de kamer uit?
Hilmar. Volstrekt niet. Ik had juist een beetje haast;
ik moet Betty even spreken, (gaat de verste kamer links binnen).
Bernick (na een kort zwijgen). Wel, Lona?
Lona. Ja?
Bernick. Hoe sta ik van daag voor je ?
Lona. Net als gisteren. Een leugen meer of minder....
Bernick. Ik zal je opheldering geven. Waar is Johan?
Lona. Hij komt straks. Hij moest nog iemand spreken.
Bernick. Na wat je gisteren hoorde, zal je begrijpen,
dat mijn heele bestaan verwoest is als de waarheid aan het
licht komt.
Lona. Dat begrijp ik.
Bernick. \'t Spreekt natuurlijk van zelf, dat ik mij niet
schuldig gemaakt heb aan de misdaad waarover hier gebab-
beld wordt.
Lona. Dat spreekt. Maar wie was dan de dief?
Bernick. Er was heelemaal geen dief; er is geen geld
gestolen; geen cent is er vermist.
Lona. Wat zeg je ?
Bernick. Geen cent, zeg ik je.
Lona. Maar dat praatje dan ? Hoe kwam dan dat schan-
delijke praatje in de wereld dat Johan ... ?
55.
-ocr page 67-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
B e r n i c k. Lona, aan jou geloof ik te kunnen zeggen
wat ik aan niemand anders zeg. Ik wil voor jou niets ver-
zwijgen. Ik ben voor een deel schuld er aan dat dat praatje
werd uitgestrooid.
Lona. Jij ? En dat kon je hem aandoen, die voor jou ...!
B e r n i c k. Je moet mij niet veroordeelen zonder te
bedenken hoe de zaken toen stonden. Ik vertelde je dat
immers gisteren. Ik kwam thuis en vond mijn moeder gewik-
keld in een heele serie van onverstandige ondernemingen;
allerlei ongelukken kwamen er bij. Het was of alles ons
op-eens moest tegenloopen. Ons huis stond op vallen. Ik
was half onverschillig en half wanhopig. Lona, ik geloof
heusch dat \'t voornamelijk was om mij te verdooven, dat ik
mij inliet met die relatie, die Johan er toe bracht weg te gaan.
L o n a. Hm ....
B e r n i c k. Je kunt je wel voorstellen, hoe er allerlei
praatjes werden uitgestrooid toen je allebei weg waart. Er
werd gezegd dat dit niet zijn eerste lichtzinnige streek was.
Dorf zou een groote som geld van hem gekregen hebben
om zijn mond te houden en weg te gaan, heette het. Anderen
hielden vol dat %ij het gekregen had. In dienzelfden tijd
bleef het geen geheim meer dat ons huis moeite had zijn
verplichtingen na te komen. Wat was natuurlijker dan dat
de kwaadsprekers deze twee dingen met elkaar in verband
brachten ? Toen nu de vrouw hier bleef en maar armelijk
leefde, beweerde men dat hij het geld meegenomen had naar
Amerika; en onder al die praatjes werd de som al grooter
en grooter.
Lona. En jij, Karsten ?
B e r n i c k. Ik greep dat praatje aan als een reddingsplank.
Lona. En strooide het verder uit ?
B e r n i c k. Ik sprak het niet tegen. De schuldeischers
begonnen ons lastig te vallen; \'t kwam er op aan hen te
kalmeeren. In geen geval mocht de soliditeit van het huis
verdacht worden. Wij verkeerden in een oogenblikkelijke
verlegenheid; men moest alleen maar niet te veel aandringen....
ons een beetje tijd laten; ieder zou het zijne krijgen.
Lona. En kreeg ieder het zijne ook ?
B e r n i c k. Ja, Lona, dat praatje redde ons huis en maakte
mij tot den man die ik nu ben.
Lona. Een leugen heeft je dus gemaakt tot den man
die je nu bent?
56
-ocr page 68-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
B e r n i c k. Wien deed dat toen kwaad ? Johan\'s plan
was om nooit terug te komen.
Lona. Je vraagt wien dat kwaad deed? Kijk eens in je
zelf en zeg me of het jou geen kwaad gedaan heeft.
Bernick. Kijk in welken man je wilt, en in een ieder
zal je op zijn minst één donkere plek vinden die hij ver-
bergen moet.
Lona. En jullie noemt je de steunpilaren der maatschappij!
Bernick. De maatschappij heeft toch geen betere.
Lona. En wat doet het er dan toe of zoo\'n maatschappij
gesteund wordt of niet? Wat is het, waar hier aan gehecht
wordt ? Schijn en leugen .... en anders niets. Hier leef jij
nu, de eerste man van de stad, in heerlijkheid en vreugde,
in macht en aanzien, jij, die een onschuldige als misdadiger
gebrandmerkt hebt.
Bernick. Denk je soms dat ik \'t niet diep voel dat ik
hem onrecht aangedaan heb? En denk je soms dat ik niet
bereid ben dat onrecht weer goed te maken?
Lona. Waarmee ? Met de waarheid te zeggen ?
Bernick. En zoo iets zou je van mij kunnen vergen?
Lona. Waarmee anders kan je zoo\'n onrecht weer goed
maken ?
Bernick. Ik ben rijk, Lona. Johan kan van mij eischen
wat hij wil....
Lona. Ja, bied hem eens geld aan, dan zal je eens
hooren wat hij je antwoordt.
Bernick. Weet jij wat zijn plannen zijn?
Lona. Neen, sedert gisteren zegt hij niets meer. Het is
of dat alles hem opeens tot een volwassen man gemaakt heeft.
Bernick. Ik moet hem spreken.
Lona. Daar heb je hem. (Johan komt van reclUs.)
Bernick (naar hem toegaand). Johan ...!
Johan (afwerend). Eerst ik. Gisteren ochtend gaf ik je
mijn woord dat ik zwijgen zou.
Bernick. Dat deed je.
Johan. Maar toen wist ik nog niet....
Bernick. Johan, laat mij met een paar woorden maar
zeggen, hoe de zaak in elkaar zit....
Johan. Dat \'s niet noodig; ik begrijp het heel best. He
huis Bernick had toen een moeilijken tijd; en omdat ik
weg was en jij met den naam van een weerlooze doen kon
wat je wou.... Wel, ik wil je daarover niet zoo heel hard
57
-ocr page 69-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
vallen; we waren allebei jong en lichtzinnig in die dagen.
Maar nu heb ik de waarheid noodig en nu moet je spreken.
B e r n i c k. En juist nü heb ik mijn heele prestige noodig
en daarom kan ik nu niet spreken.
J o h a n. Van die verzinsels die je over mij hebt uitge-
strooid trek ik mij niet veel aan. Maar dat andere___daarin
moet je schuld bekennen. Dina moet mijn vrouw worden en
hier, hier in de stad, wil ik met haar leven en huishouden.
L o n a. Wil je dat heusch ?
Bern ie k. Met Dina? Als je vrouw? Hier in de stad?
J o h a n. Ja .... hier; juist hier wil ik blijven om al die
leugenaars en kwaadsprekers te trotseeren. Maar om haar tot
mijn vrouw te kunnen maken, is het noodzakelijk dat jij mij
rehabiliteert.
B e r n i c k. Heb je bedacht dat als ik het ééne beken ik
daarmee ook het andere op mij nemen moet ? Je zult zeggen
dat ik uit onze boeken kan bewijzen dat er geen onregel-
matigheden hebben plaats gehad? Maar dat kan ik niet; onze
boeken zijn in dien tijd niet zoo heel nauwkeurig bijgehouden.
En zelfs al kon ik dat.. . . wat zou daarmee gewonnen zijn?
Zou ik dan toch niet voor alle menschen staan als de man
die zich eens door een onwaarheid gered had en die vijftien
jaar lang die onwaarheid en alles wat er mee samenhing had
laten voortwoekeren en wortel schieten, zonder ook maareen
enkelen stap gedaan te hebben om dat te stuiten? Je kent
ons wereldje niet meer, anders zou je weten dat dat mijn
volslagen ondergang ten gevolge zou hebben.
.1 o li a n. Ik kan je alleen zeggen dat ik met de dochter
van madam Dorf trouwen wil en met haar wonen hier in
de stad.
B e r n i c k (veegt zijn voorhoofd af). Hoor eens, Johan....
en jij ook Lona. Het zijn geen alledaagsche omstandigheden
waarin ik dezer dagen juist verkeer. De zaken staan zóó, dat
je mij vernietigt als je dat tegen mij gaat beginnen. En niet
mij alléén, maar ook een mooie en zegenrijke toekomst voor
de heele stad, die toch ook je beider geboorteplaats is.
Johan. En ontzie ik jou, dan vernietig ik zelf mijn eigen
geluk en mijn heele toekomst.
Lona. Ga voort, Karsten.
Bern ie k. Luistert dan. Het hangt allemaal samen met
de spoorweg-kwestie, en dat is niet zoc\'n onverschillige zaak
als jullie wel denkt. Je hebt zeker wel gehoord dat er het
58
-ocr page 70-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
vorige jaar kwestie was van een lijn langs de kust? Daar
waren veel stemmen vóór, die meetelden, hier in de stad en
ook in de omgeving; en ook voornamelijk in de dagbladen.
Maar ik wist dat plan te verhinderen, omdat het onze kust-
vaart schade gedaan zou hebben.
L o n a. Ben je zelf geďnteresseerd in die kustvaart ?
B e r n i c k. Ja. Maar niemand durfde mij daarom verdacht
maken; mijn algemeen geachte naam was als een scherm en
schild boven mijn hoofd. Ik had overigens de schade wel
kunnen dragen, maar de plaats zelf had die niet kunnen
lijden. Zoo werd er besloten een binnenlandsche lijn aan te
leggen. Toen dat gebeurd was, ben ik eens in het geheim
gaan opnemen of er een zijlijn aan te leggen was.
L o ii ii. Waarom in het geheim, Karsten?
B e r n i c k. Heb je hooren spreken over den grooten
aankoop van boschgronden, groeven en watervallen ... ?
J o h a n. Ja, dat gaat immers uit van een consortium
buiten de stad ?...
B e r n i c k. Zóó als die gronden daar nu liggen, zijn ze
zoo goed als waardeloos voor de overal verspreid wonende
eigenaars. Daardoor zijn ze betrekkelijk goedkoop verkocht.
Was er gewacht, totdat die zijlijn een uitgemaakte zaak was,
dan zouden de eigenaars ongehoorde prijzen gevraagd hebben.
Lona. Jawel, jawel. Maar verder?
B e r n i c k. Nu komt dat, wat op verschillende manier
uitgelegd kan worden.... dat, wat een man in onze kringen
alleen kan doen en bekennen, wanneer hij steunen kan op
een vlekkeloozen en geachten naam.
Lona. Wel?
B e r n i c k. Ik ben \'t die dat alles heb opgekocht.
Lona. Jij ?
J o h a n. Voor eigen rekening?
B e r n i c k. Voor eigen rekening. Komt die zijlijn tot
stand, dan ben ik millionnair; komt die niet tot stand, dan
ben ik geruďneerd.
Lona. Dat is een waagstuk, Karsten.
B e r n i c k. Mijn heele vermogen heb ik er aan gewaagd.
Lona. Ik dacht niet zoozeer aan je vermogen, maar als
het aan het licht komt, dat....
B e r n i c k. Ja, daiir zit de knoop. Met een vlekkeloozen naam,
zooals de mijne tot nog toe was, kan ik die zaak op mij nemen,
er mee voor den dag komen en tegen mijn medeburgers zeggen:
59
-ocr page 71-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
„Kijk, dat heb ik gewaagd in het belang van de maatschappij!"
L o n a. Van de maatschappij ?
Bernick. Ja; en geen één zal er twijfelen aan mijn
bedoelingen.
L o n a. Dan zijn hier toch mannen die eerlijker gehandeld
hebben dan jij, zonder bijgedachten of nevenbedoelingen.
Bernick. Wie dan ?
L o n a. Wel, zoowel Hummel als Sandstad en Vigeland.
Bernick. Om hen voor mijn plan te winnen ben ik
genoodzaakt geweest hen in te wijden in de zaak.
L o n a. En ... ?
Bernick. Zij hebben een vijfde van de winst voor zich
bedongen.
L o n a. O, die steunpilaren van de maatschappij !
Bernick. En is het dan de maatschappij zelf niet die
ons dwingt langs kronkelpaden te gaan ? Wat zou er gebeurd
zijn als ik niet in het geheim gehandeld had? Allemaal
zouden zij op die zaak aangevallen zijn, en den heelen boel
verdeeld, verspreid, bedorven en verknoeid hebben. Hier in
de stad is er buiten mij geen enkel man die zoo\'n groote
zaak als dit worden zal, zou weten te leiden. Hier in \'t land
hebben over \'t algemeen alleen de van buiten-af gekomen
families aanleg voor groote ondernemingen. Daarom spreekt
mijn geweten mij dan ook vrij op dit punt. Alleen in mijn
handen kunnen deze bezittingen een ware en blijvende zegen
worden voor de velen die zij brood verschaffen zullen.
L o n a. Ik geloof dat je daarin gelijk hebt, Karsten.
J o h a n. Maar ik ken die velen niet en mijn levensgeluk
staat op het spel.
Bernick. Het welzijn van je geboorteplaats staat ook
op het spel. Komen er nu dingen voor den dag, die een
schaduw werpen op mijn vroeger leven, dan zullen al mijn
tegenstanders met vereende krachten mij aanvallen. Een
jeugdige afdwaling wordt in onze maatschappij nooit uitge-
wischt. Zij zullen mijn heele leven, tusschen toen en nu,
gaan napluizen, allerlei kleine voorvallen oprakelen, en ze
in het licht van wat er nu bekend geworden is gaan be-
schouwen en beoordeelen. Ze zullen mij onder het gewicht
van geruchten en lasterpraatjes trachten te verpletteren. Van
die spoorwegzaak moet ik mij terugtrekken; en als ik mijn
hand daarvan aftrek, dan valt die, en ik ben met één slag
geruďneerd en maatschappelijk dood.
60
-ocr page 72-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
Lona. Johan, na wat je daar gehoord hebt, moet je
heengaan en zwijgen.
Bernick. Ja, o ja, Johan, dat moet je!
Johan. Goed; ik zal weggaan en zwijgen; maar ik kom
terug en dan zal ik spreken.
Bernick. Blijf daarginder, Johan; blijf zwijgen, en ik
ben bereid alles met je te deelen ....
Johan. Hou je geld maar; maar geef mij mijn goeden
naam terug.
Bernick. Door den mijnen op te offeren!
Johan. Dat moet je maar met je eigen wereldje zien
klaar te spelen. Ik moet en kan en wil Dina hebben. Daarom
ga ik morgen al weg met de „Indian Girl".
Bernick. Met de „Indian Girl"?
Johan. Ja. De kapitein heeft beloofd mij mee te nemen.
Ik ga terug, verkoop mijn farm en regel mijn zaken. Over
twee maanden ben ik weer hier.
Bernick. En zal je dan spreken ?
Johan. Dan moet de schuldige zelf maar de schuld op
zich nemen.
Bernick. Vergeet je dat ik dan ook dat op mij nemen
moet, waaraan ik mij niet schuldig heb gemaakt?
Johan. Wie was het die vijftien jaar geleden profiteerde
van dat schandelijke praatje?
Bernick. Je drijft mij tot wanhoop! Maar als je spreekt,
ontken ik alles! Ik zeg dat het een complot tegen mij is,
een wraakneming; dat je bent overgekomen om mij geld af
te persen!
Lona. Schaam je, Karsten!
Bernick. Ik ben wanhopig, zeg ik je, en ik vecht voor
mijn leven. Ik ontken alles, alles!
Johan. Ik heb je twee brieven. In mijn koffer vond ik
ze tusschen mijn andere papieren. Van ochtend las ik ze nog
eens door; die spreken duidelijk genoeg.
Bernick. En die brieven wil je overleggen ?
Johan. Als het noodig mocht worden .... ja.
Bernick. En over twee maanden ben je weer hier terug?
Johan. Dat hoop ik. De wind is goed. Over drie weken
ben ik in New-York.... als de „Indian Girl" niet vergaat.
Bernick (schrikt). Vergaat? Waarom zou de „Indian
Girl" vergaan?
Johan. Ja, dat zeg ik ook.
61
-ocr page 73-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
B e r n i c k (bijna onhoorbaar). Vergaan ?
Johan. Dus, Bernick, je weet nu wat je te wachten staat;
je moet in dien tusschentijd maar raad schaffen. Vaarwel!
Betty mag je van mij groeten, hoewel zij zich weinig zusterlijk
jegens mij gedragen heeft. Maar Martha wil ik toch nog even
zien. Zij moet aan Dina zeggen .... zij moet mij beloven....
(hij gaat weg door de verste deur links).
Bernick (in zich xelf). „Indian Girl"___? (snel). Lona,
je moet dat verhinderen!
Lona. Je ziet het zelf, Karsten,.... ik heb geen macht
meer over hem (zij volgt Johan in de kamer links).
Bernick (onrustig). Vergaan ... . ?
(Aune komt op van rechts).
Aune. Excuseer, is meneer de consul bezig?
Bernick (keert zich driftig om). Wat wil je ?
Aune. Verzoeken of ik meneer een vraag mag doen ?
Bernick. Nou ja; gauw dan. Wat wou je vragen ?
Aune. Ik wou vragen of het vast staat.... onomstoote-
lijk vast.... of ik afgedankt word als de ,,Indian Girl*
morgen niet zou kunnen uitzeilen ?
Bernick. Wat is dat? Het schip is immers zeilklaar?
Aune. Ja.... dat is zoo. Maar als het nu eens niet zoo
was.... werd ik dan ontslagen ?
Bernick. Wat moet dat met zulke doellooze vragen?
Aune. Ik zou dat zoo graag willen weten, meneer Bernick.
Zeg u alleen maar of ik ontslagen worden zou?
Bernick. Ben ik gewoon mijn woord te houden of niet?
Aune. Ik zou dus morgen mijn positie verliezen in mijn
huis en onder hen die mij het naast zijn .... mijn invloed
verliezen onder den werkmansstand .... alle gelegenheid ver-
liezen om nuttig werkzaam te zijn onder de geringen en laag-
geplaatsten in de maatschappij.
Bernick. Aune, die zaak is afgedaan.
Aune. Nou, dan moet de nIndian Girl* maar uitgaan.
(korte stilte).
Bernick. Hoor eens, ik kan mijn oogen niet overal hebben;
kan niet voor alles aansprakelijk z\\jn ;.... je kunt mij toch wel
de verzekering geven dat de reparaties behoorlijk uitgevoerd zijn ?
Aune. U heeft mij een erg korte termijn gesteld, meneer.
Bernick. Maar de reparaties zijn betrouwbaar, zeg je?
Aune. Nou.... we hebben goed weer en het is zomer.
(weer zwijgen).
62
-ocr page 74-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
B e r n i c k. Heb je me anders niets te zeggen ?
A u n e. Anders weet ik niet, meneer de consul.
Bern ie k. Dus de „Indian Girl" zeilt uit?....
A u n e. Morgen ?
Bern i c k. Ja.
A u n e. Goed. (Hij groet en gaat heen)
{Bernick slaat een oogenblik besluiteloos ; gaat dan snel naar
de entree-deur, alsof hij Aune wilde terugroepen ; maar blijft on-
rustig staan met de hand op de deurknop. Op hetxelfde oogen-
blik wordt de deur van buiten geopend en treedt Krap binnen)
Krap (gedempt). O zoo, hij was dus hier. Heeft hij bekend?
B e r n i c k. Hm ...; heeft u iets ontdekt ?
Krap. Waarvoor zou dat nog noodig zijn ? Zag u niet
aan zijn oogen dat zijn geweten niet zuiver is?
B e r n i c k. Och wat;... zoo iets kan men niet zien.
Heeft u iets ontdekt, vraag ik?
Krap. Kon er niet bij komen; was te laat; ze waren al
bezig het schip uit het dok te halen. Maar juist die haast
bewijst duidelijk dat....
B e r n i c k. Bewijst niets. Het schip is dus gekeurd ?
Krap. Natuurlijk; maar....
B e r n i c k. Ziet u nu wel. En men heeft natuurlijk geen
klachten over iets uitgebracht?
Krap. Mijnheer Bernick, u weet maar al te goed hoe
dat keuren in zijn werk gaat, vooral op een werf, die zoo\'n
goeden naam heeft als de onze.
Bernick. Dat doet er niet toe. Wij zijn van de ver-
antwoordelijkheid af.
Krap. Mijnheer Bernick, heeft u waarlijk niet kunnen
merken aan Aune, dat... ?
Bernick. Aune heeft mij volmaakt gerustgesteld, zeg ik u.
Krap. En ik zeg u, dat ik moreel overtuigd ben, dat....
Bernick. Wat moet dat beteekenen, mijnheer Krap ?
Ik merk wel dat u iets tegen den man heeft; maar wil u
hem te lijf, dan moet u een andere aanleiding zoeken. U
weet hoeveel er mij aan gelegen is.... of beter gezegd aan
de reederij.... dat de „Indian Girl" morgen onder zeil gaat.
Krap. Goed, goed; dan moet het maar; maar eer wij
van dat schip weer wat hooren__. hm!
(Vigeland komt van rechts op.)
V i g e 1 a n d. Uw dienaar, meneer Bernick. Heeft u een
oogenblik tijd?
63
-ocr page 75-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
B e r n i c k. Tot uw dienst, mijnheer Vigeland.
V i g e 1 a n d. Ik kwam alleen maar eens hooren of u er
ook niet vóór is dat „de Palmboom" morgen uitgaat?
Bernick. Ja zeker; dat is ook zoo afgesproken.
Vigeland. Maar nu komt de kapitein bij mij en zegt
dat er storm gesignaleerd is.
Krap. De barometer is sedert van ochtend sterk gedaald.
Bernick. Zoo? Wordt er storm verwacht ?
Vigeland. Een stijve koelte althans; maar geen tegen-
wind, integendeel....
Bernick. Hm; ja, wat zegt u er van ?
Vigeland. Ik zeg, zooals ik ook tegen den kapitein
zei, dat „de Palmboom" in de hand der Voorzienigheid is.
En buitendien gaat ze vooreerst toch alleen de Noordzee
over; en in Engeland zijn de vrachtprijzen juist nu nog al
tamelijk hoog, zoodat....
Bernick. Ja, het zou waarschijnlijk lijden tot verlies
voor ons als wij wachtten.
Vigeland. Het schip is immers ook solide en bovendien
voor de volle waarde geassureerd. Neen, dan is het heel wat
grooter risico met de „Indian Girl".
Bernick. Hoe bedoelt u dat?
Vigeland. Die zeilt immers ook morgen uit ?
Bernick. Ja, de reederij heeft er erg achter heen
gezeten, en bovendien....
Vigeland. Nou, als die oude kast het er op wagen
kan,... en met zoo\'n bemanning op den koop toe ... dan
zou het wel schande zijn als wij niet....
Bernick. Zeker, zeker. U heeft vermoedelijk de scheeps-
papieren bij u?
Vigeland. Ja, hier zijn ze.
Bernick. Best; wil u dan maar naar binnen gaan met
mijnheer Krap.
Krap. Alsjeblieft; komt dadelijk in orde.
Vigeland. Dank u.... En de uitkomst geven wij over
aan den Almachtige, meneer de consul. (Hij gaat met Krap
in de voorste kamer links. Mörlund komt door den tuin op.)
R ö r 1 u n d. Weizoo, tref ik u om dezen tijd van den
dag thuis, mijnheer Bernick.
Bernick (in gedachte). Zooals u ziet.
R ö r 1 u n d. Ik kom eigenlijk voor mevrouw. Ik dacht
zoo dat een woord van troost haar welkom zou zijn.
64
-ocr page 76-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
B e r n i c k. Dat zal het zeker. Maar ik zou u ook wel
eens graag willen spreken.
R ö r 1 u n d. Met genoegen, mijnheer Bernick. Maar wat
scheelt u? U ziet er zoo bleek en ontdaan uit.
Bernick. Zoo ? Waarlijk ? Ja, hoe kan het ook anders,...
wat stapelt zich deze laatste dagen niet alles op elkaar om
mij heen. Mijn eigen groote zaak .... en die spoorweg....
Hoort u eens, mijnheer Rörlund. Mag ik u eens een vraag doen ?
Rörlund. Volgaarne.
Bernick. Ik ben over iets aan het denken geraakt. Als
men voor een zaak staat van zoo včrstrekkenden invloed, dat
de welvaart van duizenden er mee gemoeid is.... Als dat
nu eens één enkel offer noodig maakte?
Rörlund. Hoe meent u dat ?
Bernick. Bijvoorbeeld : iemand denkt er over een groote
fabriek op te richten. Hij weet zeker.... want dat heeft de
ondervinding hem geleerd .... dat vroeger of later het bedrijf
in die fabriek menschenlevens kosten zal.
Rörlund. Ja, dat is maar al te waarschijnlijk.
Bernick. Of een ander gaat mijnen exploiteeren. Hij
neemt zoowel huisvaders als jonge levenslustige menschen in
zijn dienst. Is het niet met zekerheid vooruit te zeggen dut
die niet allen het leven er zullen afbrengen?
Rörlund. Ja, helaas, dat is maar al te waar.
Bernick. Dus zoo iemand weet vooruit dat de zaak die
hij ondernemen wil, zonder twijfel menschenlevens kosten zal.
Maar die onderneming is van algemeen belang; voor ieder
menschenleven dat ze kost zal zij evenzeer zonder twijfel de
welvaart van honderden bevorderen.
Rörlund. Jawel, u denkt aan den spoorweg.... aan al
die gevaarlijke uitgravingen, het laten springen van rotsen,
en zoo al meer....
Bernick. Ja.... juist, ik denk aan den spoorweg. En
bovendien.... de spoorweg zal zoowel fabrieken als berg-
werken doen ontstaan. Maar denkt u niet dat toch ....
Rörl u n d. Waarde mijnheer Bernick, u is haast al te
nauwgezet. Ik bedoel dat als u de zaak overgeeft in de hand
der Voorzienigheid....
Bernick. Ja .... zeker; de Voorzienigheid ....
Rörlund.....dan is u verantwoord. Leg u maar gerust
uw spoorweg aan.
Bernick. Ja, maar nu stel ik eens een bizonder geval.
5
05
-ocr page 77-
DE STEUNPILAREN DEK MAATSCHAPPIJ.
Ik stel, dat men op een gevaarlijke plek een rots moet laten
springen; maar dat is daar bepaald noodzakelijk om den spoor-
weg tot stand te doen komen. Ik stel dat de ingenieur weet
dat het den werkman, die de mijn moet doen ontvlammen,
het leven kosten zal; maar het is de plicht van den ingenieur
den werkman er heen te zenden om het te doen.
Rörlund. Hm....
B e r n i c k. Ik weet wat u zeggen wil. Het zou groot zijn
als de ingenieur zelf de lont nam en er heen ging om de
mijn te laten springen. Maar zoo iets doet men niet. Hij moet
dus den werkman opofferen.
Rörlund. Dat zou geen ingenieur bij ons ooit doen.
B e r n i c k. Geen enkel ingenieur in de groote landen zou
zich een oogenblik bedenken om het te doen.
Rörlund. In de groote landen? Neen, dat geloof ik
graag. In die verdorven en geweten looze maatschappij ....
B e r n i c k. O, er is heel veel goeds in die maatschappij.
Rörlund. En dat kan u zeggen, u, die zelf... . ?
B e r n i c k. In de groote maatschappij heeft iemand toch
de ruimte om een nuttige onderneming te pousseeren; daar
heeft men den moed iets op te offeren voor een groote zaak;
maar hier wordt men belemmerd door allerlei onbeduidende
consideraties en bedenkingen.
Rörlund. Is een menschenleven een onbeduidende con-
sideratie ?
B e r n i c k. Wanneer dit menschenleven nu als een be-
lemmering staat tegenover de welvaart van duizenden?
Rörlund. Maar u stelt gewoon ondenkbare gevallen,
mijnheer! Ik begrijp u van daag heelemaal niet. En dan wijst
u op de groote maatschappij .... Ja, daarginder, wat is een
menschenleven daiir waard ? Daar rekent men met menschen-
levens als met kapitalen. Maar wij staan toch op een geheel
ander zedelijk standpunt, zou ik denken. Kijk maar eens naar
onzen eerwaard igen reeders-stand! Noem een enkelen reeder
hier bij ons, die om snoode winst een menschenleven zou
opofferen! En denk eens aan die schurken daarginder in de
groote maatschappij, die ter wille van de winst het eene onzee-
waardige schip na het andere bevrachten ....
B e r n i c k. Ik spreek niet van onzeewaardige schepen!
Rörlund. Maar ik spreek er van, mijnheer Bernick.
B e r n i c k. Maar wat heeft dat er nu mee te maken ?
Dat raakt de heele zaak niet.... O, die kleine angstvallige
66
-ocr page 78-
DE STEUNPILAREN DEK MAATSCHAPPIJ.
overwegingen! Als een generaal bij ons zijn troepen in het
vuur moest brengen en ze laten neerschieten, zou hij er achterna
slapelooze nachten van hebben. Zoo is het elders niet. U
moest eens hooren wat hij daarbinnen vertelt....
R ö r 1 u n d. Hij ? Wie ? De Amerikaan ?___
B e r n i c k. Ja, hij. U moest eens hooren hoe men in
Amerika....
Rörlund. Is hij binnen? En dat zegt u mij niet? Ik
zal dadelijk....
Bernick. Het helpt u toch niets; met hem komtutoch
niet verder.
Rörlund. Dat zullen wij eens zien. O daar is hij. (Johan
komt uit de kamer links).
Johan (praat in de open deur tegen iemand daar binnen).
Ja, ja, Dina, \'t is goed; maar ik laat je toch niet los. Ik
kom terug, en dan zal alles in orde komen tusschen ons.
Rörlund. Met verlof, wat wil u daarmee zeggen? Wat
is u van plan?
Johan. Ik ben van plan het jonge meisje bij wie u mij
gisteren belasterd heeft, tot mijn vrouw te maken.
Rörlund. Tot uw ? .... En zou u denken dat.... ?
Johan. Ik wil dat zij mijn vrouw zal worden.
Rörlund. Nu, dan zal u ook hooren .... (gaat naar de
half openstaande deur).
Mevrouw Bernick, wil u zoo goed zijn
getuige te zijn----- En u ook, juffrouw Martha. En laat u
Dina even hier komen (ziet Lona). O, is u ook hier?
Lona (in de deur). Moet ik ook komen?
Rörlund. Zooveel als maar willen; hoe meer hoe beter.
Bernick. Wat is u van plan ?
(Lona, mevr. Bernick, Martha, Dina en Hilmar komen uit
de kamer).
Mevr. Bernick. Mijnheer Rörlund, ik heb met den besten
wil niet kunnen beletten ....
Rörlund. Ik zal het hem beletten, mevrouw.... Dina,
je bent een onbezonnen meisje. Maar ik verwijt je dat niet
zoo heel erg. Je hebt al veel te lang hier den zedelijken steun
ontbeerd, die je staande moest houden. Ik maak er mezelf
een verwijt van dat ik je dien steun al niet lang gegeven heb.
Dina. U moet nu niets zeggen!
Mevr. Bernick. Wat moet dat beteekenen ?
Rörlund. Juist nu moet ik spreken, Dina, hoewel je
gedrag gisteren en van daag het mij tienmaal moeilijker heeft
67
-ocr page 79-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
gemaakt. Maar om jou te redden moeten alle andere over-
wegingen zwichten. Je herinnert je de woorden die ik tegen
je zei; je herinnert je welk antwoord je beloofde mij te zullen
geven als ik vond dat de tijd gekomen was. Nu mag ik mij
niet langer bedenken, en daarom .... {tegen Johan) dit jonge
meisje, dat u met uw aanzoeken lastig valt, is mijn verloofde!
Mevr. Bern ie k. Wat zegt u daar?
B e r n i c k. Dina!
Johan. Zij! Uw___?
M a r t h a. O neen, neen, Dina!
L o n a. Leugens!
Johan. Dina,.... zegt die man de waarheid?
Dina (na een oogenblik). Ja.
R ö r 1 u nd. Hiermee zijn, naar ik hoop, alle verleidings*
kunsten machteloos gemaakt. De stap, dien ik in Dina\'s be-
lang besloten heb te doen, mag volgaarne in onzen heelen
kring bekend gemaakt worden. Ik voed de stellige hoop, dat
er geen verkeerden uitleg aan gegeven worden zal. Maar nu,
mevrouw, geloof ik dat wij het best zullen doen haar hier
van daan te brengen, en te trachten weer rust en evenwicht
in haar ziel te doen terugkeeren.
Mevr. B e r n i c k. Ja, kom mee! O, Dina, wat een geluk
voor je! (zij leidt haar weg naar links; Rörlund gaat met
hen mee).
M a r t h a. Vaarwel, Johan! (zij gaat weg).
H i 1 m a r (in de tuindeur). Hm.... nou moet ik dan toch
zeggen ....
L o n a (die Dina met de oogen gevolgd heeft). Niet den
moed verliezen, jongen. Ik blijf hier en zal op den dominee
passen (zij gaat weg naar rechts).
B e r n i c k. Johan, nu ga je toch niet weg met de „Indian
Girl" ?
Johan. Juist nu wel.
Bern ie k. Maar dan kom je toch niet terug?
Johan. Ik kom wčl terug.
B e r n i c k. Na wat er gebeurd is? Wat wil je dan nu nog?
Johan. Me op jullie allemaal wreken; er zooveel ik maar
kan van jullie verpletteren.
(Hg gaat naar rechts af. Vigeland en Krap komen uit Ber-
nick\'s kamer).
Vigeland. Ziezoo, nu zijn de papieren in orde, meneer
de consul.
68
-ocr page 80-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
B e r n i c k. Goed, goed ....
Krap (gedempt). En het blijft er dus bij dat de „Indian
Girl" morgen uitzeilt?
B e r n i c k. Die zeilt uit. (hij gaat in xijn kamer. Vigeland
en Krap gaan weg naar rechts. Hilmar wil met hen meegaan,
maar op hetzelfde oogeriblik steekt Olaf voorzichtig zijn hoofd
buiten de deur links).
Olaf. Oom! Oom Hilmar!
Hilmar. Och ben jij het? Waarom blijf je niet boven?
Je hebt immers huisarrest.
Olaf (een paar passen naar voren). Stil! Oom Hilmar,
weet u \'t nieuws?
Hilmar. Ja, ik weet dat je een pak slaag hebt gehad
van daag.
Olaf (kijkt dreigend naar de kamer van xijn vader). Hij
zal me niet dikwijls meer slaan. Maar weet u dat oom Johan
morgen uitzeilt met de Amerikanen?
Hilmar. Wat raakt jou dat ? Maak dat je naar boven
komt.
Olaf. Ik zal misschien toch nog wel eens meegaan op
een buffeljacht, oom!
Hilmar. \'t Mocht wat; zoo\'n papkind als jij....
Olaf. Ja, wacht maar; morgen zal u eens wat hooren!
Hilmar. Lummel!
(Hij gaat weg door den tuin. Olaf gaat de kamer weer in
en sluit de deur als hij Krap ziet, die van rechts komt).
Krap (gaat naar de deur van Bernick\'s kamer en doet die
half open).
Excuseer dat ik nog eens terugkom, mijnheer
Bernick,.... maar er komt een geweldige storm opzetten.
(wacht een oogenblik; geen antwoord). Moet de „Indian Girl"
toch uitgaan ? (na een korte pauze antwoordt).
Bernick. De „Indian Girl" gaat toch uit.
(Krap sluit de deur en gaat weer weg naar rechts).
EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.
69
-ocr page 81-
VIERDE BEDRIJF.
Tuinkamer bij Iiernick. De groote tafel is weggenomen. Heb
is een stormachtige namiddag en al schemerdonker. De duister-
nis neemt toe onder het volgende.
Een bediende steekt de kroon aan; een paar dienstmeisjes
brengen bloempotten, lampen en kaarsen, die zij op de tafels
en guéridons langs de wanden neerzetten. Rummel, in rok en
witte das, met handschoenen aan, staat in de kamer en geeft
aanwijzingen.
Rummel {tegen den knecht). Niet alle kaarsen, Jacob,
om den andere maar. Het mag er niet al te feestelijk uitzien,
het moet een verrassing zijn. En al die bloemen .... ? Nou
ja, laat die maar staan; de menschen kunnen denken dat
die er alle dag staan___
{Bernick komt uit zijn kamer).
Bernick (nog in de deur). Wat beteekent dat?
Hummel. O jé, ben jij daar al ? (tegen het personeel) Ja,
nu moet je zoo lang maar heengaan. (De knecht en de meisjes
gaan door de verste deur links weg).
Bernick (komt naderbij). Maar Eummel, wat beteekent
dat toch?
Rummel. Dat beteekent dat het mooiste oogenblik van
je leven gekomen is. De stad brengt van avond aan zijn
voornaamsten burger een serenade.
Bernick. Wat zeg je ?
Rummel. Een serenade met muziek! Fakkels zouden
wij er ook bij gehad hebben, maar dat durfden wij niet te
wagen met dit stormachtige weer. Maar geďllumineerd wordt
er; en dat klinkt ook allemaal heel goed als het in de
couranten komt.
70
-ocr page 82-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
B e r n i c k. Hoor eens, Rummel, daar wil ik niets mee
te maken hebben.
Rummel. Ja, het is nu te laat; over een half uur hebben
wij ze hier.
B e r n i c k. Maar waarom heb je mij daar vooruit niets
van gezegd?
Rummel. Juist omdat ik bang was dat je er iels tegen
zoudt hebben. Maar ik heb met je vrouw gecomplotteerd. Zij
stond mij toe een-en-ander te arrangeeren en zal ook voor
ververschingen zorgen.
Bern iek (luistert). Wat is dat? Zijn ze daar al? \'t Is
of ik hoor zingen.
Rummel {pij de tuindeur). Zingen ? O, dat zijn de
Amerikanen maar. Dat is de „Indian Girl" die uitgaat.
Bernick. De „Indian Girl"? Ja....; neen, ik kan van
avond niet, Rummel, ik ben ziek.
Rummel. Ja, je ziet er werkelijk slecht uit. Maar je
moet je een beetje opmonteren. Wat bliksem, kerel, je moet.
Bandstad en Vigeland en ik hechten het grootste gewicht
aan het gelukken van die ovatie. Onze tegenstanders moeten
verpletterd worden onder den druk van een zoo algemeen
mogelijke uiting van sympathie. Er komen al geruchten in
omloop; het bericht van de terrein-aankoopen is niet langer
stil te houden. Je moet noodzakelijk al van avond, onder
gezang en mooie toespraken en het klinken van glazen,
enfin, onder den indruk van een gloeiende feeststemming,
hen laten weten wat je voor het welzijn der maatschappij
geriskeerd hebt. Onder den indruk van zoo\'n gloeiende feest-
stemming, zooals ik zoo even zei, kan men hier bij ons
ontzettend veel bereiken. Maar die hoort er dan ook bij,
anders gaat het niet.
Bernick. Jawel, jawel....
Rummel. En vooral als je met zoo\'n delicate en netelige
zaak voor den dag moet komen. Nou, je hebt Goddank, een
naam die een duwtje velen kan. Maar luister eens; we
moesten toch eerst eens het een-en-ander afspreken. Hilmar
Tönnesen heeft een vers op je gemaakt. Het begint heel
mooi met de woorden: „Houdt hoog het vaandel der idee".
En Rörlund heeft de opdracht gekregen de feestrede te houden.
Daar moet je natuurlijk op antwoorden.
Bernick. Dat kan ik niet van avond, Rummel. Zou
jij \'t niet___?
71
-ocr page 83-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
K u in in c j. Onmogelijk, al zou ik \'t graag doen. De
toespraak wordt, zooals je wel denken kunt, voornamelijk
tot jou gericht. Nou, misschien krijgen wij anderen ook wel
een paar woorden. Ik heb er met Vigeland en Sandstad over
gesproken. Wij dachten zoo dat jij met een „leve het welzijn
van onze maatschappij" zou kunnen antwoorden; Sandstad
zal eenige woorden spreken over de eendracht tusschen de
verschillende klassen onzer maatschappij; Vigeland zal dan
iets zeggen van hoe gewenscht het is dat de nieuwe onder-
neming het moreele fondament waarop wij staan, niet zal doen
wankelen, en ik denk met een paar gepaste woorden de
vrouwen te gedenken, wier meer bescheiden werkkring ook
niet zonder beteekenis is voor de maatschappij. Maar je
luistert heelemaal niet....
B e r n i c k. Jawel.... zeker. Maar zeg eens, geloof je
dat het zwaar weer is op zee?
R u m m e 1. O, je bent bang voor „de Palmboom" ? Die
is immers goed geassureerd.
B e r n i c k. Geassureerd, ja; maar ....
R u m m e 1. En een flink schip; en dat is het voornaamste.
B e r n i c k. Hm. ... Als er iets gebeurt met een schip,
dan is het daarom nog niet gezegd dat er menschenlevens
mee verloren gaan. Het schip en de lading kunnen verloren
gaan.... en men kan koffers en papieren verliezen ....
R u m m e 1. Wat drommel, koffers en papieren beteekenen
toch zooveel niet.
B e r n i c k. Dat niet! Neen, neen, ik wou maar zeggen —
Stil.... daar zingen ze weer.
Rum mei. Dat is aan boord van „de Palmboom".
(Vigeland komt van rechts).
Vigeland. Ja, „de Palmboom" loopt aanstonds uit.
Goeden avond, meneer de consul.
B e r n i c k. En u, die een zeevaartkundige is, blijft u er
bij dat-----?
Vigeland. Ik houd mij aan de Voorzienigheid, meneer
de consul. Bovendien ben ik zelf aan boord geweest en heb
eenige traktaatjes uitgedeeld, die, naar ik hoop, een gezegende
uitwerking zullen hebben.
(Sandstad en Krap komen van rechts).
Sandstad (nog in de deur). Ja, als dat goed gaat,dan
gaat alles goed. Zoo, goeden avond, goeden avond!
B e r n i c k. Is er iets aan de hand, mijnheer Krap ?
72
-ocr page 84-
DE STEUNPILAREN DEK MAATSCHAPPIJ.
Krap. Ik zeg niemendal, mijnheer Bernick.
Sana stad. De heele bemanning op de „Indian Girl"
is dronken. Ik zal geen eerlijk man zijn als die beesten er
levend afkomen.
(Lona komt van rechts).
L o n a {tegen Bernick). Ja.... nu kan ik je van hem
groeten.
Bernick. Al aan boord ?
Lona. Zoo dadelijk ten minste. We namen afscheid vóór
de deur van het hotel.
Bernick. En zijn plan staat vast ?
Lona. Vast als een rots.
Ru mme 1 (bij het raam). De drommel hale die nieuwmo-
dische inrichtingen! Ik kan die gordijnen niet naar beneden
krijgen.
Lona. Moeten ze naar beneden ? Ik dacht juist....
R u m m e 1. Eerst naar beneden, juffrouw. IJ weet immers
wat er gebeuren gaat?
Lona. Jawel, laat mij u eens helpen, {pakt de koorden
beet.)
Ik laat het gordijn zakken voor mijn zwager .... hoe-
wel ik het liever zou ophalen.
R u m m e 1. Dat kan u ook doen, straks. Als de tuin vol
menschen is gaan de gordijnen op, en dan zien zij binnen
een verraste en blijde familie,.... het huis van een stads-
burger moet zijn als een glazen huis.
Bernick {schijnt iets te willen zeggen, maar keert snel
om en gaat in zijn kamer).
R u m m e 1. Laat ons nu nog even voor het laatst alles
afspreken. Kom mee, mijnheer Krap, u moet ons helpen met
een paar inlichtingen.
{Al de heeren gaan de kamer van Bernick binnen. Lona
heeft de gordijnen voor het raam dichtgetrokken en wil juist
ook dat voor de openstaande glazen deur dichttrekken, als Olaf
van bovenaf op de tuintrap springt. Hij heeft een plaid over
de schouders en een bundel in de hand).
Lona. O! Goede Hemel, jongen, is me dat doen schrikken!
Olaf (verbergt zijn bundel). Sst! tante!
Lona. Spring je uit het raam? Waar moet je naar toe?
Olaf. Stil; niets zeggen. Ik ga naar oom Johan;....
even maar naar den steiger, weet u;.... alleen maar even
afscheid nemen. Goeden nacht, tante! (hij loopt weg door den
tuin).
73
-ocr page 85-
DE 8TEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
L o n a. Neen, blijf hier! Olaf!___Olaf!
(Jolian, gekleed voor de reis, met een tasch over zijn schouders,
komt voorzichtig door de deur rechts).
Johan. Lona!
Lona (keert zich om). Wat! Kom je terug?
Johan. Ik heb nog een paar minuten tijd. Ik moet haar
nog ééns zien. Wij kunnen zóó niet van elkaar gaan.
(Martha en Dina, allebei met mantels om, en de laatste met
een klein valies in de hand, komen door de verste deur links).
Dina. Naar hem toe ! naar hém!
Martha. Ja, Dina, je zult naar hem toe!
Dina. Daar is hij!
Johan. Dina!
Dina. Neem me mee!
Johan. Wat___!
Lona. Wil je dat?
Dina. Ja, neem me mee! Die andere heeft mij geschre*
ven,.... heeft gezegd dat van avond alle menschen het weten
zullen ....
Johan. Dina, hou je niet van hem?
Dina. Ik heb nooit van hem gehouden. Ik spring in het
water als ik zijn verloofde worden moet. O wat heeft hij mij
gisteren vernederd met zijn arrogante woorden! Wat liet hij
mij voelen dat hij een minderwaardige tot zich ophief. Ik
duld niet langer die geringschatting. Ik wil weg. Mag ik met
je meegaan?
Johan. Ja, ja .... duizendmaal ja!
Dina. Ik zal je niet lang tot last zijn. Help mij alleen
maar om naar Amerika te komen; help mij een beetje terecht
in het begin ....
Johan. Hoera! Dat zal wel in orde komen, Dina!
Lona (wijst naar Bernick\'s deur). Sst; zachtjes, zachtjes t
Johan. Dina, ik zal je op de handen dragen!
Dina. Dat mag je niet. Ik wil zelf vooruitkomen; en
daarginder kan ik dat wel. Als ik maar eerst van hier weg
ben. O, die mevrouwen.... dat weet je nog niet.... die
hebben mij ook geschreven van daag. Zij hebben mij ver-
maand dat ik mijn geluk toch goed beseffen moest, mij voor-
gehouden hoe grootmoedig hij zich betoond heeft. Morgen en
alle dagen zullen zij zitten op te letten om te zien of ik mij
dat alles wel waardig maak. Ik heb een afschuw van al die
vroomheid!
74
-ocr page 86-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
J o li a n. Zeg mij eens, Dina, is het daarom alleen dat
je weggaat? Ben ik niets voor je?
Dina. Zeker, Johan, je bent meer voor mij dan alle
andere menschen te zamen.
Johan. O Dina ....!
Dina. Ze zeggen hier allemaal dat ik je moet haten en
verafschuwen, dat dat mijn plicht is. Maar ik begrijp niet
waarom dat mijn plicht zou zijn, en zal dat ook nooit leeren
begrijpen.
L o n a. Dat moet je ook niet, mijn kind!
M a r t h a. Neen, dat moet je niet; en daarom moet je
ook met hem meegaan als zijn vrouw.
Johan. Ja, ja!
L o n a. Wat? Daarvoor moet ik je een zoen geven Martha!
Dat had ik van jou niet verwacht.
Martha. Neen, dat wil ik wel gelooven; ik had \'t zelf
ook niet verwacht. Maar ééns moest het bij mij tot een
uitbarsting komen. Ach, wat gaan wij hier toch gebukt onder
den vloek van traditie en gewoonte! Kom daar tegen op,
Dina. Word zijn vrouw. Doe iets dat al dien sleur trotseert!
Johan. Wat is je antwoord, Dina?
Dina. Ja, ik wil je vrouw worden.
Johan. Dina!
Dina. Maar eerst wil ik werken, zelf iets worden....
net als jij. Ik wil geen ding zijn dat genomen wordt.
L o n a. Braaf zoo .... zoo moet het wezen.
Johan. Goed; ik zal wachten en hopen ....
Lona.....en winnen, jongen! Maar nu aan boord!
Johan. Ja, aan boord! O, Lona! mijn lieve zuster, nog
even een woordje. Hoor eens .... (hij gaat met haar naar den
achtergrond en spreekt haastig met haar).
Martha. Dina, jij gelukkige!.... laat mij je eens aan-
zien, je nog ééns omhelzen,.... voor \'t allerlaatst....
Dina. Niet voor \'t laatst; neen, lieve, beste tante, wij
zullen elkaar terugzien.
Martha. Nooit meer! Beloof mij dat, Dina, kom nooit
meer terug (grijpt haar beide handen en kijkt haar aan). Nu
ga je het geluk te gemoet, mijn lief kind;___over de groote
zee. O, hoe dikwijls heb ik daar naar verlangd, als ik in de
school was! Daarginder moet het mooi zijn, een ruimere
hemel; de wolken gaan daar hooger dan hier; een vrijere
lucht waait daar over de hoofden der menschen heen....
75
.
-ocr page 87-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
D i n a. O, tante Martha, u volgt ons nog wel eens.
Martha. Ik? Nooit; nooit. Hier heb ik mijn kleine
levenstaak, en nu geloof ik wel dat ik geheel en onverdeeld
zal kunnen worden wat ik zijn moet.
D i n a. Ik kan er niet aan denken dat ik van u afscheid
nemen moet.
Martha. Ach, een mensch kan van veel afscheid nemen,
Dina (kust liaar). Maar dat zal je, hoop ik, nooit ondervinden,
mijn lief kind. Beloof mij dat je hem gelukkig maken zult.
Dina. Ik wil niets beloven; ik heb een hekel aan be-
loven; alles moet gaan zooals het gaan kan.
Martha. Ja, ja; dat is zoo. Blijf jij maar zooals je
bent.....waar en trouw tegenover je zelf.
Dina. Dat zal ik, tante.
L o n a {verbergt, terwijl zij terug komt, eenige papieren die
Johan liaar gegeven heeft).
Braaf, braaf, mijn beste jongen!
Maar nu moet je weg!
Johan. Ja, nu hebben wij geen tijd meer te verliezen.
Vaarwel, Lona; dank voor al je liefde. Vaarwel, Martha, en
dank, jij ook, voor je trouwe vriendschap.
Martha. Vaarwel, Johan! Vaarwel, Dina! En veel geluk
je leven lang!
(Zij en Lona dringen hen zachtjes naar de deur in den
achtergrond. Johan en Dina gaan snel den tuin door. Lona
sluit de deur en trekt het gordijn er voor).
Lona. Nu zijn wij alleen, Martha. Jij hebt haar verloren
en ik hem.
Martha. Jij hčm .... ?
Lona. O, ik had hem daarginder al half verloren. De
jongen begon te verlangen om op eigen beenen te staan;
daarom maakte ik hem wijs dat ik heimwee had.
Martha. Daarom ? Ja dan begrijp ik dat je terug kwam.
Maar hij zal naar jou terug verlangen, Lona.
Lona. Naar een oude stiefzuster ? .... wat zou hij daar
nü nog aan hebben ? Om hun geluk te bereiken, verscheuren
mannen zoo gemakkelijk wat hen bindt.
Martha. Ja; dat gebeurt wel eens.
Lona. Maar wij blijven bij elkaar, Martha.
Martha. Kan ik dan iets voor je zijn?
Lona. Voor wie zou je méér kunnen zijn ? Wij twee
pleegmoeders,.... hebben wij niet allebei onze kinderen ver-
toren? Nu zijn wij alleen.
76
-ocr page 88-
DE STEUNPILAREN DEK MAATSCHAPPIJ.
M a r t h a. Ja, alleen. En daarom zal jij het ook weten....
ik heb hem boven alles in de wereld lief gehad.
L o n a. Martha! (grijpt haar arm) Is dat waar ?
M a r t h a. Mijn heele leven ligt in die woorden. Ik heb
hem liefgehad en op hem gewacht. lederen zomer heb ik
verwacht dat hij komen zou. En toen kwam hij eindelijk;...
maar hij zag mij niet.
L o n a. Hem liefgehad! En jij zelf was het die hem het
geluk in handen gaf.
Martha. Zou ik hem het geluk niet geven als ik hem
toch liefhad? Ja, ik heb hem liefgehad. Heel mijn leven is
een leven voor hčm geweest, van het oogenblik af dat hij
wegging. Of ik reden had om te hopen, denk je? O ja, ik
geloof wel dat ik daar reden toe had. Maar toen hij nu terug-
kwam, .... toen was het of alles uit zijn herinnering was
weggevaagd. Hij zag mij niet.
Lona. Het was Dina die je in de schaduw stelde, Martha.
Martha. \'t Was goed dat zij het deed. Toen hij wegging
indertijd, waren wij van gelijken leeftijd. Toen ik hem terug-
zag .... O, dat vreeselijke oogenblik!.... werd het mij duide-
lijk dat ik nu tien jaar ouder was dan hij. Hij had daarginder
gewerkt in den helderen warmen zonneschijn, en jeugd en ge-
zondheid ingedronken met iederen ademtocht. En terwijl zat
ik hier binnen en spon en spon....
L o n a.....den draad van zijn geluk, Martha.
Martha. Ja, het was goud dat ik spon, Lona. Geen bitter-
heid! Niet waar, wij zijn allebei goede zusters voor hem geweest ?
Lona (slaat de armen om haar heen). Martha!
(Bernick komt uit zijn kamer).
B e r n i c k (tegen de heeren binnen). Ja, ja, beschik alles
maar zooals je \'t best vindt. Als het tijd is zal ik wel....
(sluit de deur). O, is daar iemand? Hoor eens, Martha, je
moet je een beetje gaan verkleeden. En zeg aan Betty dat
zij het ook doet. Ik verlang natuurlijk geen groot toilet....
alleen maar een nette huisiapon. Maar je moet je haasten.
Lona. En een vroolijk, opgeruimd gezicht er bij zetten,
Martha, en een paar blijde oogen.
Bernick. Olaf moet ook beneden komen; ik wil dat hij
naast mij zal staan.
Lona. Hm; Olaf___
Martha. Ik zal het Betty gaan zeggen (zij gaat weg door
de verste deur links).
77
-ocr page 89-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
L o n a. Dus nu is het gewichtige, plechtige oogenblik
gekomen.
B e r n i c k (die onrustig op en neer loopt). Ja.... nu is
het er dan.
L o n a. Ik kan mij voorstellen dat een man zich op zoo\'n
oogenblik trotsch en gelukkig voelt.
B e r n i c k (kijkt haar aan). Hm.
Lona. De heele stad zal geďllumineerd zijn, hoor ik.
B e r n i c k. Ja, zoo iets zijn ze van plan.
Lona. Alle vereenigingen met hun banieren zullen zich
aansluiten bij den stoet. Je naam zal in vurige letters prijken.
Van nacht zal er naar alle kanten getelegrafeerd worden :
„In den kring zijner gelukkige familie ontving Consul Ber-
nick de hulde van zijn medeburgers als een der steunpilaren
der maatschappij."
B e r n i c k. Dat zal wel; en buiten zullen ze hoera roepen,
en de menigte zal net zoo lang juichen tot ik mij daar in de
deur vertoon, en dan ben ik wel gedwongen om te gaan buigen
en bedanken.
Lona. O, gedwongen....
B e r n i c k. Denk je soms dat ik mij op dit oogenblik
gelukkig voel?
Lona. Neen, ik geloof niet dat je je zoo echt heelemaal
gelukkig voelen kunt.
B e r n i c k. Lona, je veracht me.
Lona. Nog niet.
B e r n i c k. Daartoe heb je ook niet het recht. Niet om mij
te verachten!.... Lona, je kunt niet begrijpen hoe onzegbaar
eenzaam ik hier sta in deze benauwde bekrompen maat-
schappij, .... hoe ik jaar op jaar mijn eischen voor een be-
vredigende levenstaak lager heb moeten stellen. Wat heb ik
eigenlijk gedaan, al lijkt het ook nog zooveel? Lapwerk —
prutserijen! Wat anders of wat méér wordt hier niet ge-
duld. Als ik een stap verder zou willen gaan dan strookt met
de stemming en de opvatting, die juist aan de orde van den
dag zijn, dan was het uit met mijn macht. Weet je wat wij zijn,
wij, die beschouwd worden als de steunpilaren van de maat-
schappij? Wij zijn het werktuig der maatschappij.... niets
meer en niets minder.
Lona. Hoe komt het dat je dat nu pas inziet?
B e r n i c k. Doordat ik veel nagedacht heb den laatsten
tijd.... sedert jij terug kwam — en vooral van avond, —
78
-ocr page 90-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
O, Lona, waarom heb ik jou niet heelemaal gekend indertijd....
in dien ouden tijd!
Lona. En wat dan ?
B e r n i c k. Dan had ik je nooit losgelaten; en had ik
jou gehad, dan stond ik nu niet waar ik sta.
Lona. En denk je er niet aan wat zij voor je had kunnen
worden, zij, die je koos in mijn plaats?
B e r n i c k. Ik weet in elk geval, dat zij voor mij niet is
geworden dat, waaraan ik zoozeer behoefte had.
Lona. Omdat je nooit je levenstaak met haar gedeeld
hebt; omdat jullie verhouding nooit open en waar is geweest;
omdat je haar laat verkwijnen onder het verwijt van de schande,
die jij gebracht hebt over haar naaste betrekkingen.
B e r n i c k. Ja .... ja .... ja; dat komt allemaal van de
leugen en den valschen schijn.
Lona. En waarom breek je dan niet met al die leugens
en valschen schijn?
Bern ie k. Nu nog? Nu is het te laat, Lona.
Lona. Karsten, zeg me toch eens, wat voor bevrediging
geeft je toch die schijn en dat bedrog?
B e r n i c k. Mij geven ze niets. Ik moet ten onder gaan
net als deze heele knoei-maatschappij. Maar er groeit een
geslacht op dat na ons komt. Het is voor mijn zoon dat ik
werk; voor hčm maak ik een levenstaak klaar. Er zal een
tijd komen dat in het maatschappelijke leven waarheid zal
heerschen, en daarop zal hij een gelukkiger bestaan grond-
vesten dan dat van zijn vader was.
Lona. Met een leugen tot onderlaag ? Bedenk toch wat
je je zoon als erfenis achterlaat.
É e r n i c k {met onderdrukte wanhoop). Ik laat hem nog
duizendmaal slechter erfenis na dan je weet. Maar eens moet
toch de vloek worden opgeheven. En toch.... toch....
{uitbarstend) Hoe kon jullie mij dat alles toch aandoen!
Maar \'t is gebeurd. Nu moet ik verder. Het zal jullie niet
gelukken mij er onder te krijgen!
{Hilmar met een open briefje in de hand komt haastig en
ontsteld van rechts).
Hilmar. Maar dat is toch.... Betty, Betty!
Bernick. Wat is er? Komen ze al?
Hilmar. Neen, neen; maar ik moet noodzakelijk iemand
spreken.... {hij gaat weg door de verste deur links).
Lona. Karsten, je praat er van dat wij gekomen zouden
79
-ocr page 91-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
zijn om je er onder te krijgen. Laat mij je eens zeggen, van
welk metaal hij is gemaakt, die verloren zoon, dien jullie
brave maatschappij schuwt als een pestlijder. Hij kan jullie
missen want hij is nu weg.
B e r n i c k. Maar hij wou terugkomen ....
L o n a. Johan komt nooit meer terug. Hij is voor goed
weg en Dina is met hem meegegaan.
B e r n i c k. Komt hij niet terug? En is Dina met hem mee?
L o n a. Ja, om daarginder zijn vrouw te worden. Zoo
geven die twee je deugdzame maatschappij een slag in het
gezicht.... net als ik indertijd .... nou ja!
Bern ie k. Weg;... zij ook... met de „Indian Girl" ...!
L o n a. Neen; zoo\'n kostbaren last durfde hij niet aan
die roekelooze bende toe te vertrouwen. Johan en Dina zijn
vertrokken met „de Palmboom".
B e r n i c k. Ah....! Dus voor niets___(loopt snel heen, rukt
de deur van zijn kamer open en roept naar binnen) Krap,
hou de „Indian Girl" op; die moet van avond nietuitzeilen!
Krap (binnen in de kamer). „Indian Girl" is al in zee,
mijnheer.
B e r n i c k (sluit de deur en xegt met matte stem): Te
laat,.... en onnoodig ....
L o n a. Wat meen je ?
B e r n i c k. Niets, niets. Ga weg. ...!
L o n a. Hm; kijk eens Karsten. Johan laat je zeggen dat
hij mij zijn reputatie toevertrouwt die hij jou eens leende, en
ook den eerlijken naam dien je hem ontnam toen hij weg
was. Johan zal zwijgen; en ik kan doen en laten in die
zaak wat ik wil. Kijk, hier heb ik je beide brieven in mijn
hand.
B e r n i c k. Heb jij die? En nu .... nu wil je .... van
avond al.... misschien als de serenade ....
L o n a. Ik kwam niet hier om je te verraden, maar om
je wakker te schudden dat je uit eigen beweging de waarheid
zoudt zeggen. Dat is mij niet gelukt. Blijf dan voortleven in
je leugen! Kijk.... ik verscheur beide brieven. Neem de
stukken .... daar heb je ze. Nu is er niets meer dat tegen
je getuigen kan, Karsten. Nu kan je gerust zijn; wees nu
ook gelukkig.... als je kunt.
B e r n i c k (ontroerd). Lona,.... waarom heb je dat niet
eerder gedaan 1 Nu is het te laat; nu heb ik mijn heele leven
verspeeld; ik kan niet meer leven na dezen dag.
80
-ocr page 92-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
L o n a. Wat is er dan gebeurd ?
B e r n i c k. Vraag het mij niet.... Maar ik moet tóch
verder leven! Ik wil leven.... voor Olaf. Hij moet alles
weer goed maken, boete doen voor alles....
I j o n a. Karsten .... I
(Hilmar komt haastig terug).
H i 1 m a r. Nergens te vinden; weg; Betty ook niet!
B e r n i c k. Wat scheelt je ?
Hilmar. Ik durf het je niet zeggen.
B ernick. Wat is dat? Je moet en zult het mij zeggen!
Hilmar. Nu dan; Olaf is ervandoor met de „Indian Girl".
B e r n i c k (tuimelt achteruit). Olaf .... met de „Indian
Girl* ! Neen .... neen !
L o n a. Ja, \'t is waar! Nu begrijp ik het.... ik zag dat
hij uit het raam sprong.
B e r n i c k (in de deur van %i/jn leamer roept in wanhoop).
Krap, hou de „Indian Girl* op om alles in de wereld.
Krap (komt naar buiten). Onmogelijk, mijnheer. Hoe kan
u denken dat....
B e r n i c k. Wij moeten het schip ophouden .... Olaf is
aan boord!
Krap. Wat zegt u!
Rmnmel (taf naar buiten). Olaf weggeloopen? Niet
mogelijk!
Sandstad (komt ook). Hij zal wel met den loods terug-
gestuurd worden, mijnheer Bernick.
Hilmar. Neen, neen; hij heeft mij geschreven; (laat het
briefje zien)
hij zegt dat hij zich in het ruim verstoppen zal
tot zij in volle zee zijn.
Bernick. Ik zie hem nooit terug!
R u m m e 1. Och wat, onzin! Een sterk, flink schip, pas
gerepareerd___
V i geland (ook buiten gekomen).....van uw eigen werf,
meneer de consul!
Bernick. Ik zie hem nooit terug, zeg ik jullie! Ik ben
hem kwijt, Lona, en.... nu zie ik het in .... ik heb hem
nooit gehad (luistert). Wat is dat?
Rummel. Muziek. Daar komt de serenade.
Bernick. Ik kan niet, ik wil niemand ontvangen
Rummel. Waar denk je aan! Dat is onmogelijk.
Sandstad. Onmogelijk, meneer; bedenk toch wat er
voor u op het spel staat.
6
81
-ocr page 93-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
B e r n i c k. Wat kart mij dat alles nu nog schelen ! Wien
heb ik nu nog om voor te werken?
Rum mei. Hoe kan je zoo iets vragen? Wij zijn er toch
nog en de maatschappij!
V ig e 1 a n d. Dat was een waar woord.
Sandstad. En meneer vergeet toch zeker niet dat wij___
(Martha komt door de verste deur links. Men hoort de muziek
in de verte).
Martha. Daar komt de stoet; maar Betty is niet thuis;
ik begrijp niet waar zij ....
B e r n i c k. Niet thuis! Daar zie je het nu Lona, geen
steun .... noch in vreugde, noch in leed!
Rum mei. Haal de gordijnen op! Help mij eens even,
mijnheer Krap. U ook mijnheer Sandstad. Doodjammer dat
de familie nu juist zoo verspreid is! Heelemaal niet volgens
het programma.
(De gordijnen van de deur en de ramen worden weggetrok-
ken. Men ziet de heele straat geďllumineerd. Tegen het huis
aan de overzijde is een groot transparant geplaatst met het
opschrift: „Leve Consul Bernick, de steun onzer maatschappij /")
Bern ie k (wijkt schuw terug). Weg met dat alles! Ik wil
het niet zien! Doe uit! Doe uit!
R u m m e 1. Met alle respect, Bernick, is het je in \'t hoofd
geslagen ?
Martha. Wat scheelt hem, Lona?
Lona. Sst! (%ij praat zachtjes met haar).
Bernick. Weg met dat honende opschrift, zeg ik! Zie
jullie niet dat die lichten de tongen naar ons uitsteken?
,R u m m e 1. Neen maar, nu moet ik toch bekennen ....
Bernick. Och, wat begrijpen jullie ook. ... ! Maar ik,
ik .... ! Lichten in een sterfkamer zijn het!
Krap. Hm....
R u m m e 1. Neen maar, hoor eens, Bernick, je trekt je
dat al te erg aan.
Sandstad. De jongen maakt een plezierreisje over den
Oceaan, en dan krijgt u hem weer terug.
V i g e 1 a n d. Maar vertrouwen op den Almachtige, meneer
de consul.
K ii ni in e 1, En op de schuit, Bernick; die zal toch wel
niet zoo dadelijk zinken, vermoed ik.
Krap. Hm....
Rammel, Ja, als het nu een van die drijvende lijkkisten
82
-ocr page 94-
DE STEUNPILAREN DEE MAATSCHAPPIJ.
was, waar je zoo van hoort in de groote maatschappij ....
Bernick. Ik voel dat mijn haar grijs wordt in dit uur.
(Mevrouw Bernick, met een grooten doek over haar hoofd,
komt de tuindeur door).
Mevr. Bernick. Karsten, Karsten! Weet je ....!
Bernick. Ja, ik weet....; maar jij.....jij, die niets
ziet, .... jij, die geen moederoog voor hem hebt.... !
Mevr. Bernick. O, luister toch ....!
Bernick. Waarom heb je niet over hem gewaakt? Nu
heb ik hem verloren. Geef hem mij terug als je kunt!
Mevr. Bernick. Ja, dat kan ik; ik heb hem!
De heeren. Ah .... !
H i 1 m a r. Nou, dat dacht ik ook wel.
Mart ha. Karsten, je hebt hem terug!
L o n n. Ja; maar weet hem nu ook voor je te winnen.
Bernick. Je hebt hem! Is het waar wat je zegt? Waar
is hij?
Mevr. Bernick. Dat zeg ik je niet vóór je hem ver-
geven hebt.
Bernick. Och wat, vergeven ....! Maar hoe kwam je
te weten .. .. ?
Mevr. Bernick. Denk je dat een moeder niets ziet ? Ik
was in doodsangst dat je er iets van merken zoudt. Een paar
woorden die hij gisteren losliet. .. ., en toen zijn kamer leeg
was en zijn randsel en zijn kleeren weg waren ....
Bernick. Ja...., ja .... ?
Mevr. Bernick.....ging ik loopen ; haalde Aune op;
wij zijn met zijn zeilboot uitgegaan; het Amerikaansche schip
wou juist uitzeilen. Goddank kwamen wij nog bijtijds.....
ging aan boord, liet het ruim doorzoeken .... vond hem....
O Karsten, je moet hem niet straffen!
Bernick. Betty!
Mevr. Bernick. En ook Aune niet!
Bernick. Aune ? Wat weet je van hem ? Is de „Indian
Girl" weer onder zeil?
Mevr. Bernick. Neen, dat is juist de zaak....
Bernick. Toe zeg.... gauw!
Mevr. Bernick. Aune was net zoo ontdaan als ik; het
onderzoek nam nog al tijd; het begon donker te worden
zoodat de loods bezwaren begon te opperen, en zoo verstoutte
Aune zich .... om in jouw naam ....
Bernick. Wat?
83
-ocr page 95-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
Mevr. B e r n i c k. Het schip tot morgen op te houden.
Krap. Hm....
B e r n i c k. O, wat een onuitsprekelijk geluk!
Mevr. Bernick. Ben je niet boos?
B e r n i c k. O Betty, wat een overstelpend geluk!
R u m m e 1. Je bent ook veel te nauwgezet.
Il i 1 m a r. J^i, zoodra er sprake is van een kleinen strijd
met de elementen, dan .... oeh!
Krap (bij het raam). Daar komt de stoet door het tuinhek,
mijnheer.
Bernick. Ja, nu mag hij komen.
Rum mei. De heele tuin loopt vol menschen.
Sandstad. De heele straat is propvol.
Rum mei. De heele stad is op de been, Bernick. Het is
waarlijk een verheffend oogenblik.
V i g e 1 a n d. Laat ons het in deemoed aannemen, meneer
Rummel.
R u m m e 1. Alle banieren zijn er bij. Wat een stoet!
Daar hebben we de feestcommissie met mijnheer Rörlund
aan het hoofd.
Bernick. Laat ze nu maar komen, zeg ik!
Rummel. Maar hoor eens, in den opgewonden toestand,
waarin je verkeert....
Bernick. Wat dan ?
Rummel. Zou ik niet ongenegen zijn het woord in jouw
plaats te voeren.
Bernick. Neen, dank je; van avond wil ik zelf spreken.
Rummel. Maar weet je ook wat je zeggen moet ?
Bernick. Jawel, wees maar gerust, Rummel;.... nu
weet ik wel wat ik zeggen moet.
(De muziek is intusschen opgelwuden. De tuindeur wordt
geopend. Rörlund treedt binnen aan liet hoofd van de feest-
commissie, vergezeld van een paar huurbedienden, die een over-
dekte mand dragen. Achter hen komen de burgers van de
stad van alle standen, zooveel als de kamer maar bergen kan.
Een onafzienbare menigte met banieren en vlaggen ontwaart
men buiten in den tuin en op de straat).
R ö r 1 u n d. Hoog vereerde Heer Consul! Ik zie aan de
verrassing die zich op uw gelaat afspiegelt, dat wij hier als
onverwachte gasten binnen dringen in uw gelukkigen familie-
kring, aan uw vredigen haard, omringd door achtenswaardige
en werkzame vrienden en medeburgers. Maar het was ons
84
-ocr page 96-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
een behoefte des harten u onze hulde te brengen. Het is niet
de eerste keer dat zoo iets gebeurt, maar wel voor het eerst
in zoo veelomvattende mate. Wij hebben u menigmaal onzen
dank gebracht voor den breeden moreelen grondslag, waarop u
om zoo te zeggen, onze maatschappij heeft opgebouwd. Dezen
keer huldigen wij u in het bizonder als de helderziende, onver-
moeide, onzelfzuchtige, ja zelfopofferende medeburger, die het
initiatief heeft genomen in een onderneming, die, volgens de
meening van alle deskundigen, een machtigen stoot vooruit
geven zal aan de tijdelijke welvaart van onze maatschappij.
Stemmen uit de menigte. Bravo, bravo!
R ö r 1 u n d. En juist die glorieschijn van onzelfzuchtigheid,
die over heel uw levenswandel ligt, is wat zoo onuitspreke-
kelijk weldadig werkt, vooral in den tegenwoordigen tijd. U
is nu bezig ons een .... ja, ik zie er geen bezwaar in het
woord prozaďsch en rondweg uit te spreken.... een spoor-
weg te bezorgen.
Vele stemmen. Bravo, bravo!
R ö r 1 u n d. Maar die onderneming schijnt op moeilijkheden
te zullen stuiten, inderdaad alleen te berde gebracht door be-
krompen, zelfzuchtige overwegingen.
Stemmen. Hoor, hoor!
R ö r 1 u n d. Het is namelijk niet onbekend gebleven dat
zekere individuen, niet tot onze maatschappij behoorend, de
nijvere burgers van onze stad zijn vóór geweest, en zich in
bezit van sommige voordeden gesteld hebben, die redelijker-
wijze onze eigen stad ten goede hadden moeten komen.
Stemmen. Ja, ja! Hoor!
R ö r 1 u n d. Deze betreurenswaardige zaak is natuurlijk ook
u ter oore gekomen, mijnheer de consul. Maar niettemin streeft
u onvervaard uw doel na, wel wetende dat een staatsburger
niet alleen zijn eigen gemeentebelangen voor oogen hebben
moet.
Verscheidene stemmen. Hm! Neen, neen! Jawel;
jawel 1
R ö r 1 u n d. Zoo is het dan den mensch zoowel als den
staatsburger,.... zooals de man moet en behoort te zijn___
dien wij dezen avond onze hulde brengen. Moge uw onder-
neming tot een waar en blijvend geluk voor deze onze maat-
schappij worden! De spoorweg kan inderdaad een weg worden,
die ons blootstelt aan het binnendringen van vreemde, ver-
derfelijke elementen, maar tevens een weg, die ons snel weer van
85
-ocr page 97-
DE STEUNPILAREN DEK MAATSCHAPPIJ.
hen bevrijdt. En tegen slechte elementen van buitenaf kunnen
wij ons toch ook nu niet beveiligen. Maar dat wij juist op
dezen feestavond, zooals verteld wordt, gelukkig en spoediger
dan te verwachten was, zekere elementen van dien aard zijn
kwijtgeraakt....
Stemmen. Sst! Sst!
Rörlund. »... .dat neem ik aan als een gelukkig voor-
teeken voor de onderneming. Als ik dit punt hier aanroer,
bewijst dit, dat wij ons bevinden in een huis, waar de eischen
van het gemoed hooger worden gesteld dan familiebanden.
Stemmen. Hoor! Bravo!
B e r n i c k (tegelijkertijd). Permitteer mij ....
Rörlund. Nog maar enkele woorden, mijnheer de consul.
Wat u voor deze gemeente gedaan heeft, dat deed u zeker
niet met de bijgedachte dat het u een tastbaar voordeel zou
brengen. Maar een gering bewijs van erkentelijkheid van
uwe dankbare medeburgers mag u toch niet versmaden, en
allerminst in zulk een gewichtig oogenblik, nu wij, volgens
verzekering van mannen van de praktijk, aan den vooravond
van een nieuw tijdperk staan.
Vele stemmen. Bravo! Hoor! Hoor!
(Hij geeft den bedienden een wenk; %ij dragen de mand
aan; de leden van de feestcommissie halen onder liet volgende
de voorwerpen waarvan gesproken wordt, er uit en bieden ze aan).
Rörlund. Zoo zijn wij dan zoo vrij, mijnheer de consul, u
een zilveren koffieservies aan te bieden. Laat het uwe tafel sieren
wanneer wij in de toekomst, zoo als zoo vaak tot nog toe, het
genoegen smaken in dit gastvrije huis bijeen te komen. — En
ook u, mijne heeren, die zoo bereidwillig den grootsten man
van onze maatschappij hebt bijgestaan, verzoeken wij een klein
geschenk als aandenken wel te willen aannemen. Deze zil-
veren beker is voor u, mijnheer Rummel. U heeft zoo dikwijls
in veelzeggende woorden, onder \'t klinken der glazen, voor
onze maatschappelijke belangen een lans gebroken; moge u
nog dikwijls een waardige gelegenheid vinden om dezen beker
op te heffen en te ledigen. — U, mijnheer Sandstad, mag ik
dit album overreiken met fotografieën .van eenige medeburgers.
Aan uwe bekende en erkende humaniteit heeft u het te danken
dat u vrienden telt in alle kringen der maatschappij. — En
voor u, mijnheer Vigeland, heb ik ter versiering van uwe
binnenkamer, dezen bundel preeken op velijn papier en in
prachtband, aan te bieden. Onder der jaren rijpenden invloed
-ocr page 98-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
is u tot een hoogernstige levensbeschouwing gekomen; uw
arbeid in uw dagelijkschen werkkring is in den loop der jaren,
door de gedachte aan het hoogere en het hiernamaals, gelouterd
en geadeld (keert zich tot de menigte). En hiermede, mijne
vrienden: leve consul Bernick en zijn medestrijders ! Een hoera
voor onze steunpilaren der maatschappij!
De heele schare. Leve consul Bernick! Leve de steun-
pilaren der maatschappij! Hoera, hoera, hoera!
L o n a. Mijn gelukwenschen, Karsten ! (Afwachtende stilte).
Bernick (begint ernstig en langzaam). Mijne medebur-
gers,.... bij monde van uw woordvoerder werd er gezegd dat
wij heden staan aan den vooravond van een nieuw tijdperk.....
en ik hoop dat die verwachting verwezenlijkt zal worden.
Maar opdat dat zal kunnen geschieden, moeten wij de waarheid
zoeken,.... de waarheid, die tot op heden doorgaans en in
alle kringen geen onderkomen gevonden heeft in deze maat-
schappij (verrassing onder de omstanders).
Bernick. Ik moet beginnen met de loftuitingen af te
wijzen, waarmee u, mijnheer Rörlund, volgens oud gebruik
bij dergelijke gelegenheden, mij heeft overladen. Ik verdien
die niet; want ik ben tot op dezen dag geen onzelfzuchtig
man geweest. Al heb ik dan niet altijd naar geldelijk voordeel
gestreefd, dan ben ik mij nu althans wel bewust, dat de
begeerte, het verlangen naar macht, invloed, aanzien, de
drijfveeren zijn geweest bij de meeste mijner daden.
R u in m e 1 (halfluid). Wat beteekent dat?
Bernick. Tegenover mijn medeburgers heb ik mij daar-
over niets te verwijten; want ik geloof nog dat ik onder de
bekwamen hier bij ons, in de eerste rij mag plaats nemen.
Vele stemmen. Ja, ja, ja!
Bernick. Maar wat ik mijzelf ten laste leg, is dat ik
zoo dikwijls zwak genoeg ben geweest om langs kronkelpaden
te gaan, omdat ik bang was voor de mij bekende neiging
van onze maatschappij, om onzuivere motieven te zoeken
achter alles wat een man onderneemt. En nu kom ik tot een
punt dat daarmee samenhangt.
Rummel (onrustig)*H.m .... hm!
Bernick. Er loopen hier geruchten over groote terrein-
aankoopen, in den omtrek. Deze gronden heb ik gekocht,
allemaal, ik alleen.
Gedempte stemmen. Wat zegt hij? De consul?
Consul Bernick?
87
-ocr page 99-
DE STEUNPILAREN DEK MAATSCHAPPIJ.
Bernick. Ze zijn voorloopig in mijn handen. Natuurlijk
heb ik mijn medewerkers, de heeren Hummel, Vigeland en
Sandstad, in het vertrouwen genomen, en zijn wij overeen-
gekomen ....
R u m m e 1. Dat is niet waar! Bewijs .... bewijs ....!
Vigeland. Wij zijn niets overeengekomen!
Sandstad*. Neen, nu moet ik toch zeggen....
Bernick. Dat is heel juist; wij zijn nog niet overeen-
gekomen over dat, wat ik zeggen wilde. Maar ik hoop vast,
dat de drie heeren het met mij eens zullen zijn, als ik zeg
dat ik van avond besloten heb om van dit grondbezit een
algemeene vennootschap te maken; ieder die wil kan er aandeel
in krijgen.
Vele stemmen. Hoera! Leve consul BernickJ
R u m m e 1 (zachtjes tegen Bernick). Zoo\'n gemeen ver-
raad ! ....
Sandstad (evenxoó). Ons zoo voor den gek te houden....!
Vigeland. De duivel zal me halen....! Och lieve
Heertje wat zeg ik daar!
De menigte (buiten). Hoera, hoera, hoera!
Bernick. Stilte, mijne heeren. Deze hulde komt mij niet
toe; want dat, waartoe ik nu besloten heb, was niet van den
beginne af mijn plan. Mijn plan was het allemaal zelf te
houden, en ik geloof nog, dat deze bezittingen het best
geëxploiteerd kunnen worden als ze in ééne hand blijven.
Maar ik laat u de keus. Wenscht men het, dan ben ik bereid
ze te beheeren naar mijn beste krachten.
Stemmen. Ja! Ja! Ja!
Bernick. Maar eerst moeten mijne medeburgers mij
geheel kennen. Laat dan ieder met zich zelf te rade gaan,
en laat het vast staan, dat wij van heden avond af een nieuw
tijdperk ingaan. De oude tijd, met zijn blanketsel, met zijn
huichelarij en valschen schijn, met zijn leugenachtig fatsoen
en zijn jammerlijke overwegingen, zal voor ons worden als
een museum.... toegankelijk voor hen die leeren willen; en
aan dat museum schenken wij,.... niet waar heeren ? ... .
zoowel het koffieservies als den beker, het album en den
bundel preeken op velijn papier en in prachtband.
R u m m e 1. Ja natuurlijk.
Vigeland (bromt). Als u al het andere ons toch heeft
afgenomen, dan....
Sandstad. Alsjeblieft.
88
-ocr page 100-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
B e r n i c k. Maar nu nog de voornaamste afrekening met
mijn maatschappij. Er werd gezegd dat slechte elementen ons
van avond verlaten hadden. Ik kan er bijvoegen, wat men
nog niet weet: de man, op wien deze woorden doelden, is
niet alleen weggegaan; hem volgde om zijn vrouw te worden...
Ii o u a (luid). Dina Dorf.
Rörlund. Wat!
Mevr. B e r n i c k. Wat zeg je ? (groote beiveging).
Rörlund. Gevlucht? Weggeloopen .... met hčm ! On-
mogelijk !
Bemick. Om zijn vrouw te worden, mijnheer Rörlund.
En ik voeg er Dog iets bij. (Zachtjes) Betty, vat moed om te
dragen wat er komen gaat. (Luid) Ik zeg: hoeden af voor
dien man! Want hij heeft grootmoedig de schuld van een
ander op zich genomen. Mijne medeburgers, ik wil alle
leugenachtigheid nu van mij wegdoen; het heeft niet veel
gescheeld of zij had iederen druppel bloeds in mij vergiftigd.
<5ij zult alles weten. Ik was de schuldige vijftien jaar geleden!
Mevr. Bemick (zacht en bevend). Karsten!
M a r t h a (evenzoo). O, Johan ....!
L o n a. Nu heb je eindelijk jezelf overwonnen!
(Groote verbazing van alle aanwezigen).
Bemick. Ja, mijne medeburgers, ik was de schuldige
en hij ging heen. De leelijke en onware geruchten, die later
uitgestrooid werden nu nog te logenstraffen, daartoe is geen
mensch meer bij machte. Maar daarover mag ik mij niet
beklagen. Vijftien jaar geleden heb ik van deze geruchten
gebruik gemaakt om mij naar boven te werken.... of ik
nu daarmee ook vallen moet, daarover moet een ieder maar
met zichzelf te rade gaan.
Rörlund. Wat een donderslag! De eerste man van de
stad .. ..! (gedempt tegen mevr. Bemick) Ach, wat beklaag
ik u, mevrouw!
Hilmar. Zoo\'n bekentenis! Nou, ik moet zeggen ,...!
Bemick. Maar van avond geen beslissing. Ik verzoek
iedereen naar huis te gaan.... kalm na te denken.... en
in zich zelf te kijken. Wanneer de gemoederen tot rust zullen
gekomen zijn, dan zal het blijken of ik verloren of gewonnen
heb door te spreken. Het ga u wčl! Er is nog veel, veel
waarover ik berouw gevoel; maar dat gaat alleen mijn eigen
.geweten aan. Goeden nacht! Weg met alle feestelijkheid.
Wij voelen nu allen wel dat zoo iets hier niet op zijn plaats is.
89
-ocr page 101-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
R ö r 1 u n d. Zeer zeker niet. (gedempt tegen mevr. Bernick)
Weggeloopen! Zij was dus toch mijner geheel onwaardig.
(halfluid tegen de feestcommissie) Ja, heeren, mij dunkt na
hetgeen er nu heeft plaats gehad, doen wij het best maar in
alle stilte te vertrekken.
H i 1 m a r. Hoe men na zoo iets nog de vaan der idee
hoog zal kunrten houden, dat.... Oeh!
(Wat Bernick gezegd heeft is intusschen fluisterend van
mond tot mond gegaan. Alle deelnemers aan den stoet gaan
door den tuin uieg. Hummel, Sandstad en Vigeland gaan
heen, gedempt maar heftig met elkaar pratend. Hilmar sluipt
weg naar rechts. Bernick, Mevr. Bernick, Martha, Lona en
Krap zijn, onder stilzwijgen, in de kamer achter gebleven.)
Bernick. Betty, kan je mij vergeven ?
Mevr. Bernick (ziet hem glimlachend aan). Weet je wel,
Karsten, dat je mij in al die jaren, niet zoo\'n heerlijk
vooruitzicht hebt geopend als nu?
Bernick. Hoezoo?
Mevr. Bernick. Vele jaren lang heb ik geloofd dat ik
je eens gehad had en je weer had verloren. Nu weet ik
dat ik je nooit gehad heb, maar nu zal ik je weten te winnen.
Bernick (slaat zijn armen om haar heen). O, Betty!
je hebt me al gewonnen! Door Lona heb ik je eerst goed
leeren kennen. Maar laat nu Olaf komen!
Mevr. Bernick. Ja, nu zal je hem terug hebben ... .!
Mijnheer Krap! (zij spreekt op den achtergrond met ďiem. Hy
gaat weg door de tuindeur. Onder het volgende worden achter-
eenvolgens alle lichten en transparanten in de huizen uit-
gedoofd).
Bernick (gedempt). Dank Lona, jij hebt het beste in
mij .... en voor mij .... gered.
Lona. Heb ik dan iets anders gewild?
Bernick. Ja.... of neen ? Ik kan niet goed wijs uit
je worden....
Lona. Hm....
Bernick. Dus geen haat ? Geen wraak ? Waarom ben
je dan toch teruggekomen?
Lona. Oude liefde roest niet.
Bernick. Lona!
Lona. Toen Johan mij dat van die leugen vertelde, toen
zwoer ik bij mijzelf: de held van mijn jonge jaren zal weer
vrij voor mij staan, vrij en waar!
90
-ocr page 102-
DE 8TEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
B e r n i c k. O, hoe weinig heb ik, ellendig menscb, dat
aan je verdiend!
Ij o n n. Ja, Karaten, als wij vrouwen er naar vroegen wat
verdiend is....!
(Aune komt met Olaf uit den tuin).
B e r n i c k (loopt op hem toe). Olaf 1
Olaf. Vader, ik beloof u, dat ik nooit meer....
B e r n i c k.....zal wegloopen ?
Olaf. Ja, ja, dat beloof ik u, vader!
B e r n i c k. En ik beloof je dat je er nooit meer reden
voor hebben zult. Voortaan zal je vrij zijn om op te groeien,
niet als erfgenaam van mijn levenstaak, maar als iemand die
zijn eigen levenstaak hebben zal.
Olaf. En mag ik dan ook worden wat ik wil ?
B e r n i c k. Ja, dat mag je.
Olaf. Dank u. Dan wil ik geen steunpilaar der maat-
schappij worden.
Bernick. Zoo? En waarom niet?
Olaf. O, omdat mij dat zoo vervelend lijkt!
Bernick. Je zult jezelf worden Olaf; de rest moet dan
maar gaan zooals het kan. — En jij, Aune?
Aune. Ik weet \'t, meneer de consul, ik ben ontslagen.
Bernick. Wij blijven bij elkaar, Aune; en vergeef mij___
Aune. Hoezoo ? Het schip gaat van avond niet meer uit.
Bernick. En ook morgen nog niet. Ik stelde je een
veel te korte termijn. Het moet grondiger gerepareerd worden.
Aune. Dat zal gebeuren, meneer de consul.... en méc
de nieuwe machines!
Bernick. Zoo is het best. Maar grondig en nauwkeurig!
Er is veel dat bij ons grondige en nauwkeurige reparatie
noodig heeft. Nu, goeden nacht, Aune.
Aune. Goeden nacht, meneer de consul;.... en dank,
dank, dank! (hij gaat weg naar rechts).
Mevr. Bernick. Nu zijn ze allemaal weg.
Bernick. En wij zijn alleen. Mijn naam schittert niet
langer in vurige letters; alle lichten zijn uitgedoofd in de
ramen.
L o n a. Zou je ze weer aangestoken willen hebben ?
Bernick. Voor geen geld van de wereld 1 Wat ben ik
ver weg geweest! Je zult er van verbijsterd staan als je het
hoort, \'t Is me nu of ik na een vergiftiging weer tot bezinning
en tot mezelf gekomen ben. Maar ik voel het.... ik kan
91
-ocr page 103-
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
nog weer jong en gezond worden. O, komt dichterbij....
vlak naast mij. Kom Betty! Kom Olaf, mijn jongen! En jij,
Martha;.... \'t is of ik je al die jaren niet gezien heb.
L o n a. Neen, dat geloof ik ook. Jullie maatschappij is
er een van oude jonggezellen; jullie kijkt niet naar de vrouw.
B e r n i c k. \'t Is waar.... heel waar; en juist daarom___
ja, hoor^ dat staat vast, Lona, je mag niet weer weggaan van
Betty en mij.
Mevr. B e r n i c k. Neen, Lona, je mag niet meer weg.
Lona. Neen; hoe zou ik het ook kunnen verantwoorden
weg te gaan van jullie jonge luitjes die nu pas je jonge
leven gaat beginnen. Ben ik niet de pleegmoeder? Jij en ik,
Martha, wij twee oude tantes.... Waar kijk je naar?
M a r t ha. Hoe de lucht opklaart. Hoe het licht wordt over
de zee! „De Palmboom" is een geluksschip.
Lona. En heeft het geluk aan boord.
B e r n i c k. En wij .... wij hebben een langen, ernstigen
werkdag vóór ons; ik vooral. Maar die mag komen; blijft
maar dicht om mij heen, jullie trouwe, brave vrouwen. Dat
heb ik ook geleerd in deze dagen: jullie vrouwen zijn de ware
steunpilaren van de maatschappij.
Lona. Dan heb je toch maar gebrekkige wijsheid opge-
daan, Karsten. (Legt haar handen zwaar op zfu schouders)
Neen, hoor; waarheid en vrijheid.... d&t zijn de steunpilaren
der maatschappij!
EINDE VAN HET VIERDE OF LAATSTE BEDRIJF.
92