-ocr page 1-
-ocr page 2-
*
-ocr page 3-
\'
.
.
-ocr page 4-
s
S
i
s
-ocr page 5-
-ocr page 6-
/
-ocr page 7-
GRIEKSCHE SPRAAKKUNST.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
>
GRIEKSCHE
SPRAAKKUNST
DOOK
W. JASPAR,
LEERAAR AAN HET SEMINARIE
TE
ROLDUC.
BIBL. CO NV.
O. F. fvl.
W IJ CHENS
Uitgave van N. ALBERTS, Boekhandelaar,
Kerkrade.
-ocr page 10-
Gedrukt bij Gebroeders Hoitsema, te Groningen.
-ocr page 11-
Doceo quod didici, non a meipso, id
est, a praesumptione, pessimo praeceptoi*
sed ab illustribus viris.
S. Hiehonïmus.
Tu yap afiapravav avSpióirotii; óvtuq
ni/iïii\'
oi/Kii Savfiatróv.
Xen. Cyr. V. 4, 19.
-ocr page 12-
CORRIGENDA.
N°.
30.
ahXijil lees.
m
eestal echter regelmatig A$i\\$i.
bl.
21.
ovpavoe „
Ol
•\'pavnc;.
bl.
22.
Ttjv *A$(o M
tov "A3w.
bl.
23.
fïirXouc .,
fïiwXouf.
N».
17.
6 \\f\\iS(óv „
\'Il
Y^fXl^faiv.
N".
CO.
Aanm. 1. De
monosyllaba op v en f te?s: v en p.
2. op
r/c en u>q lees: rip en top.
X".
08.
WWÏOt\'
lees:
7rw*of.
N».
!)ö.
w\\aKOVVT€
»i
TrXltKOVVTt.
N°.
97.
b. itvq
n
irvp.
N".
99.
ƒ• y»vr\\
11
yuvri.
I
m. viotv
11
VWÏV.
bl.
50.
ayaSoQ
.1
ayaSÓQ
N».
114.
aicov
,.
atov
N".
Hó.
a!,toxpK>>C
tvyripwc;
11
IvyifpcjQ.
X".
11S.
Dualis. (i\\i|.5i/
ó\\i)5et.
X".
119.
(iSptas) .
tl
(UpiVf).
X".
123.
TÓTOV
11
TUTOV.
N«.
132.
{>(ht>v
11
pifldV.
X".
134.
wr zamen
11
w samen.
X".
136.
paWov
11
imKXov.
bl.
63 laatste regel: tVcoirt
,.
UKOOl.
X".
143.
oi/Stvi
11
oitSspL
X».
145.
rhpaq
11
Terpót\'.
X".
147.
Ace. ifis
11
Ifü en jué.
X».
150.
i\'plrpoe
11
ri/iéripoc:.
X".
160.
oiïrai
11
OVTOl.
X".
163.
A. 1. ovroai
11
ovroai.
X".
174.
ijt
rJQ.
X».
196.
Cyr. I. 4, 6
,,
II. 4, 5.
X".
189.
oü<ra
11
oürru.
Vóór X°.
230.
(u Trtjrpiiyii het gaat mij goed: lees: het is mij |
terwijl Tréjrpcry
K ook de transitieve beteekenis ik he
hebben. Bijv.
Xen
. Heil. I. 4, 2.
X".
260.
II. Bij de S verba:
lees: Bij de verba.
X".
343.
waar? lees: wanneer
f
-ocr page 13-
GRIEKSCHE VORMLEER.
§ i.
Al
p h a b e t.
A
a
"AX^ia
alpha
a.
N
V
NS
°y
n.
B
0
Bijra
bèta
b.
l
sr
xi
X.
r
7
Vafifia
gamma
g-
0
o
"0 /XtKpÓV
o-micron
0.
A
8
Ac\'Xra
delta
d.
n
n
nr
Pi
p-
E
£
"E \\pi\\6v
e-psilon
6.
?
0
\'pü
rho
r.
Z
K
Zijra
zêta
ds.
2
a c
St-y/ua
sigma
f 8.
H
n
THra
êta
A
. e.
T
r
TaD
tau
t.
e
&
Gf/ra
thêta
th.
Y
V
rY xptXóv
y-psilon
u.
i
i
\'Iwra
iota
i.
4>
*
<ï>ï
phi
ph.
K
K
KÓ7TTa
kappa
k.
X
X
XT
chi
ch.
A
X
Aa/jtfièa
lambda
1.
^P
4>
¥ï
psi
ps.
M
M
my
m.
£2
.10
£2 /itya
o-mëga
ö.
Aanm.
1. De fi
guur o staat in
het bei
[in en
in het midden der woorden ; de
c op het einde der woorden, of van een samenstellend deel, wanneer
dit ook buiten samenstelling kan voorkomen: bijv. icóff/Joc, versiering;
wpocQipi», ik breng bij,
van wpÓQ en psput.
2.    Vóór de keelletters c, y, x > ï > wordt de y als » uitgesproken;
üyicüpa , anker.
3.    Het teeken c is gelijk aan ar.
4.    De oude Grieksche alphabetten , uitgenomen het Attische en Ionische,
hadden nog twee letters, wier invloed wij in de vorming en buiging
der woorden, vooral ook bij de Homerische gedichten bespeuren:
1) F, F, de digamma genoemd , omdat zij den vorm heeft van een
dubbele r, en aeolicum, omdat zij het langst bij de Aeoliërs bleef
voortbestaan. Zij werd als tv uitgesproken: bijv. .rolroc - vinum -
wijn. 2) J,j, de jod genoemd, die nooit geschreven werd.
§ 2.
Verdeeling der letters.
\' 1. De letters zijn vocalen (klinkers) en consonanten (mede- 2
klinkers).
2. De vocalen zijn: o, *, ri, i, o, u, <<>.
i
S
-ocr page 14-
2                                           KLANKLEER.                            [N°. 2—4.
3.    Door de verbinding dezer vocalen ontstaan de diphthongen
of tweeklanken: ai, tt, oi, av, tv, ov, vi, rjv en ft, y, cj>.
De iota der laatste drie heet iota subscriptum (ondergeschre-
vene iota), en wordt, wanneer het woord met een hoofdletter
begint, daarnaast geschreven, iota adscriptum.
Bijv. \'UiSri = ifSti gezang.
De tweeklanken ai, n, oi, av , iv , ov, worden eigenlijke, ui , jju , a , y on tt>,
oneigenlijke diphthongen genoemd.
Een diphthong wordt in twee lettergrepen verdeeld door de diaeresie • •, zoodat
iedere klinker afzonderlijk moet worden uitgesproken, bijv. jrpoftjfti, ik zend vooruit.
4.    De consonanten worden verdeeld:
A.    In mutae of stomme, liquidae of vloeiende, duplices of
dubbele.
1)    De mutae of stomme worden verdeeld in:
labiales of lipletters: ir, {3, $•
linguales
of tongletters: r, 8, &.
gutturales of keelletters: k, y, x-
2)    De liquidae of vloeiende zjjn: X, p, v, p.
3)    De duplices of dubbele zijn: £ (voor 70 *e of xc)>
^ (voor wc, /3c of r/>c), en £ (= dz).
B.    In tenues (harde), ir, k, r; mediae (zachte) /3, 7, 8,
en adspiratae (aangeblazene) r/>, x> &-
De volgende tafel geeft een overzicht van al de consonanten
volgens hare verdeeling:
Tenues.
TC
Mutae.
Mediae.
0
Adspiratae.
4>
Duplices.
K
T
7
X
Labiales.
Gutturales.
Linguales.
\\, v, p
Aanm. De Liquidae X, /\', v, p , alsmede de sisletter (littera sibilans) c , worden
ook semivoeales of halfklinkers genoemd.
§ 3.
Leesteekens.
Punt en komma zijn gelijk aan de onze. In de plaats der
kommapunt en dubbele punt treedt een punt boven aan den
-ocr page 15-
N°. 4—6.]                               KLANKLEER.                                                 3
regel gezet. Voor vraagteeken gebruikt men een teeken gelijk
aan onze kommapunt.
§4.
Spiritus.
1.    Er zijn in het Grieksch twee teekens, \' de spiritus asper,
gelijk aan onze nederlandsche h, en \' de spiritus lenis, die geen
invloed heeft op de uitspraak.
Bijv. ïv één , iv in ; tlf één , j(\'j naar ; s\'£ zes, IX uit.
2.    De spiritus staat bij kleine letters boven de vocaal, doch
bij hoofdletters vóór de vocaal: "E£, ?£.
Bij de eigenlijke diphthongen staat de spiritus boven de tweede
vocaal
ook wanneer de eerste een hoofdletter is, doch bij de
oneigenlijke diphthongen q, q, q staat de spiritus vóór de eerste
vocaal,
zoo deze een hoofdletter is:
Bijv. Ei\'c , doch "Hidr) = ySri, ik wist, "Aidijc = #St)t; Eades, \'QiSli = <p8i),
gezang.
3.    Alle woorden die met p of een klinker beginnen , hebben
een spiritus.
Die met p of de vocaal v beginnen hebben alle den spiritus
asper, terwijl het gebruik en het woordenboek ons den weg
moeten wijzen voor de woorden, die met andere vocalen beginnen.
§5-
Quantiteit.
1.    De tijd, die vereischt wordt tot het uitspreken eener vocaal
of syllabe heet quantiteit. Volgens deze quantiteit worden de
vocalen verdeeld in breves of korte, e en o, longae of lange,
y) en w, en ancipites of tweeslachtige, o, i, v, die in sommige
woorden kort, in andere lang zijn.
2.    Een lettergreep is kort, wanneer zij een korte vocaal bevat:
O W         W          V
t, o , oi a, i, v.
Bijv. iSiro,
3.    Een lettergreep is lang:
-ocr page 16-
4                                           KLANKLEER.                            [N°. 6—9.
a)    van nature, waaneer zij een lange vocaal bevat: ij, &»,
ö, 7, v, of eeae diphthong.
Bijv. m.\'iZio , ySn, %i!>pUQ , ïarr\\v , \\vato , fSov\\iifiv.
Aanm. Een — boven een vocaal duidt aan , dat deze lang, een ^, dat zij
kort moet worden uitgesproken: ayxvpa , jroXirrjc burger, ipv/ia bescher-
ming, IXlirov ik verliet, Xiirtïv verlaten.
b)    door positie (stelling), wanneer op eene van nature korte
vocaal twee of meer consonanten of een duplex volgen.
Bijv. jrpöffraSavref.
"Wanneer de twee consonanten echter zijn een muta gevolgd
door een liquida,
dan maken deze de voorgaande syllabe niet
door positie lang.
Bijv. riepïicAiic Pericles, ariicvoc kinderloos, SiSp&x/ioc twee drachmen waard,
HairÖTfiOQ ongelukkig.
D.och de mediae j3, y, S vóór A, n, v (niet voor de p) maken
weerom positie.
Bijv. fitfiXoc boek, iriirXlynai ik ben gevlochten, \'AptdSvri Ariadne, maar jko\\5-
|3póc bedelaar, MtXéaypoc, Meleager, ^ap&Spa diepte.
Aanm. 1. Ook zijn van nature lang alle syllaben door samentrekking of crasis
ontstaan: zoo m/ia voor èriftat, hij eerde, rd\\ri$sQ voor t!> a\\n$ic,
het ware.
Zie No. 11 en 20.
2.   De diphthongen ot en ai zijn als uitgangen der woorden kort voor het
accent, behalve 1) in den 3 pers. sing. van den optativus; 2) in
o\'ikoi te huis (doch ol oikoi de huizen); 3) in de samenstellingen met
encliticae bijv. i\\toi gewis.
3,    De quantiteit der a, i, v in de uitgangen wordt bij de verschillende
declinaties en het verbum gegeven. Hunne quantiteit in de stammen
der woorden moet hoofdzakelijk door het accent, het gebruik, bij de
dichters en in het woordenboek geleerd worden.
§6.
Accenten.
1.     Er zijn drie accenten of toonteekens, de acutus \', de
gravis \\ en de circumflexus ". Ieder Grieksch woord draagt een
dezer accenten, al wordt het niet altijd geschreven. Zie No.
12 en 13.
2.    De acutus kan op één der drie laatste lettergrepen van
een woord staan, de circumflexus slechts op één der twee laatste,
-ocr page 17-
N°. 9 , 10.]                          KLANKLEER.                                           5
terwijl de gravis op alle syllaben, die geen acutus of circum-
flexus hebben, gedacht maar niet geschreven wordt.
Bijv. KÓiTovTpov spiegel, Bor\\>uuj ik raad aan, avijp man, iïüpnv geschenk,
tf/vx\'is van de ziel.
3.    Deze accenten worden boven de vocalen geschreven en
bij eene eigenlijke diphthong boven de tweede vocaal:
Bijv. rüx°C »nuur , xai en.
Komen spiritus en accent op een en dezelfde vocaal zamen,
dan staat de acutus altijd rechts naast, de circumflexus boven
den spiritus:
Bijv. Aï welke, "Aiflijc, "Hpa Juno, \'Ipic Iris, alfia bloed, aïXoupoc kat.
4.    Volgens het accent wordt een woord genoemd:
Oxytonon, wanneer de acutus op de laatste lettergreep staat:
aya&ug goed.
Paroxytonon, met den acutus op de voorlaatste: Si\'ktj recht.
Propar\'oxytonon, met den acutus op de derde van achter:
avSpwirog mensch.
Perispomenon, met een circumflexus op do laatste: ipvx>ig.
Properispomenon, met een circumflexus op de voorlaatste: Btópov.
Barytonon, zonder accent op de laatste, zoodat alle woorden,
behalve de oxytona en perispomena, barytona zijn.
5.    Wanneer een oxytonon onmiddelijk, dat is, zonder door
eenig leesteeken gescheiden te zijn, gevolgd is van een ander
woord, wordt de acutus in den vorm van een gravis geschreven:
Bijv. Thucyd. I, 40, 1. <if ftiv ovv oiit piaini Kat irXtoviicrai tiai, SeHiXwraC
ütQ
5\' oOk av êiKaiwQ aüroin; SexoirrSe , paSilv \\pïl.
6.    De acutus kan zoowel op een korte als op een lange,
doch de circumflexus alleen op een van natuur lange vocaal staan:
ayaSÓQ , ayaHo&S , av^ptiiirov , icaróirrpov , »j\\ïoj , ïpvfia, iSipov , ayaSüv.
§ 7.
Algemeene regels voor de plaatsing der Accenten in
de Declinaties.
1. Het accent van den Nominativus der Nomina moet groo- 10
tendeels door het gebruik geleerd worden. Voor zoover doel-
-ocr page 18-
[N°. 10.
6
KLANKLEER.
matige regels mogelijk zijn, worden die bij de verschillende
declinaties gegeven.
2.    Hoofdregel. Dezelfde syllabe, die in den Nominativus het
accent draagt, behoudt dit ook in de overige naamvallen, voor
zoover de nog volgende regels dit toelaten.
Bijv. N. flieij, het recht. G. $Ui)Q. D. Hkij. Ac. i\'tVrjv.
Vandaar dat de circumflexus dikwijls in een acutus moet ver-
anderd worden, en omgekeerd, om het accent op dezelfde syllabe
te kunnen behouden.
Bijv. X. cüipov geschenk. G. Sdpov. D. Zü>pi,>. Ace. tiüpov. N. al/ia bloed.
G. aï/iaroc. D. a\'t\'/zan. Ac. <ii/<<<.
Kan het accent echter, wegens de nog volgende regels niet
op dezelfde syllabe blijven, dan komt het toch zoo dicht mogelijk
bij die lettergreep, welke het accent in den Nominativus had.
Bijv. N. avSiptiiiroQ, mennch. G. avSpóiirov. D. avdpwirft. Ac. av$t ptowov.
Aanm. Voor het plaatsen der accenten geeft men geen acht op de lengte door
positie: zoo lpi|3c3\\«E met vetten grond, iBóvrot van een tand.
3.    Een woord mag slechts dan proparoxytonon of properispo-
menon
zijn, wanneer de laatste syllabe kort is.
Wordt deze laatste syllabe nu in de declinatie lang, dan ver-
anderen volgens den hoofdregel een proparoxytonon en properis-
pomenon in paroxytona.
N. avSpwroc G. avSpiinov. D. avSpüirtp. Ace. avSpunrov.
N. Süpov.
          G. Siïipou.           D. Swpip.          Ace. Süpov.
4.    Wordt aan een properispomenon in de declinatie een let-
tergreep toegevoegd, dan verandert de circumflexus in een acutus.
Zie § 6, 2.
N. ai/ia. G. «ï/mrof. D. aïplari. Ace. alfla.
5.    Wanneer 1) de laatste syllabe kort,  2) de voorlaatste van
nature lang is, en 3) deze van natuur
  lange voorlaatste het
accent volgens den hoofdregel vereischt,
   dan moet het woord
properispomenon zijn.
Bijv. N.S. yi\'ufin meening. N.P. yviifiai.
„ Z,ó)vr\\ . gordel.
         „ Züvat.
6.    In den Genitivus en Dativus van alle numeri en alle
declinaties komt op de eindsyllabe de circumflexus, zoo 1) deze
uitgang lang is, en 2) het accent vereischt.
-ocr page 19-
N°. 10—13.]                              KLANKLEER.                                                      7
Bijv. N. tyvxh zicl- G- ^»x5c- D. «^"XV* Ace. tyvX0v- ®- ^. \'J"\'Xa"\'• Plur.
Dat. if/v^a7(.
7. Bij samentrekking krijgt in hot algemeen de samengetrok- 11
ken syllade 1) een circumflexus, wanneer de eerste der samenge-
trokken vocalen een acutus had: tap = JJp lente, aeSXov = aSXov
prijskamp, rsi\\êti)v
= re<xwv t>cw rZe muren; 2) een (ick(hs, wan-
neer de laatste een acutus had, zoo tdv = tJv indien; 3) </eeM
accent, wanneer geen van beide vocalen geaccentueerd was:
tü)(oq muur, Gen. Tel\\tog = rfi\'^oup.
Uitzonderingen hierop worden bij de declinaties gegeven.
Aanm. Uit het accent kan men tevens voor de uitspraak de quantiteit der
ancipites in vele woorden leeren : zoo tafttvot kreeft, {S&Sipov grondslag,
ïpifia sterkte, rrüpa proef,
gwpS landstreek, aulroc (van ó oirot;) nuchter,
•5*o0ï\\t)c (van <pi\\ne.) door de godheid geliefd, öSïicoq (van liien-ltieat)
onrechtvaardig.
§ 8.
A t o n a.
1.    Atona of Procliticae zijn éénsylbiye woordjes, die met het 12
volgende woord als één woord beschouwd (niet geschreven) worden
en geen accent dragen.
2.    Atona zijn: ó, ?j, ot, al (doch geen andere vormen) van
het lidwoord; de voorzetsels iv in, tig naar, i£ uit, wg naar;
de voegwoorden tl indien, wg evenals, en de negatie oï> (oiik,
ov\\) niet.
3.    Zij hebben alleen dan een accent, wanneer zij aan het einde van een zin of
voor een enclitica (zie No. 13) staan. Bijv. Soph. O. C. 24. rhv di x<3pov oü-
maar de plaats niet. Xen. Cyr. I. 3. \'2. ünirtp av li ric ira\\ai nwvré^pa^/jivof,
zooals indien men lang met iemand omging. Xen. An. IV. 6. 2. iir^ai i\'oü\' doch hij
boeide hem niet.
Soms ook wanneer zij achter het woord staan, waarbij zij behooren: Hom. II.
V. 78. 3eÓ£ 5\' óic rara <i >;/";), hij werd door het volk als een god gëeerd, doch Soph.
Phil. 260. <5 iraï Trarpöc èl \' AxiMéwc, o kind uit een vader Achilles.
§9.
Encliticae.
1.
Encliticae zijn éên- en tiveesylbige woordjes, die met het 13
voorgaande woord als één woord beschouwd (niet geschreven)
worden en daardoor dikwijls hun accent verliezen.
-ocr page 20-
8                                                       KLANKLEER.                              [N°. 13 , 14.
2. Het zijn de volgende:
1)   het Praesens Indicativi van ilpi ik ben, en <ptifii ik zeg, behalve de 2 pers.
sing. iï gij zijt en 0tjc gij zegt.
2)   van de pronomina personalia, de vormen :
fiov van mij ; aov van u; oh van zich ;
lioi aan mij ;
(Tot aan u ; 61 aan zich ;
fiè mij;
          <rs u;         \'s zich etc.
3)   het onbepaalde voornaamwoord rif, rf iemand, iets, in al zijn naamvallen.
4)   de onbepaalde bijwoorden:
irt) \\ op eenige rroSiv ergens vandaan, iroi ergens heen.
wiis
) ivijze. Trori eindelijk eens. iroi (iroSri) ergens.
6) de Particulae:
ten minste, en (= \'t lat. que).
vvv nu.
            roi voorzeker, waarlijk.
wip zeer.          wi!> nog (gew. met negaties : oüjtoi , \\ir\\ttm nog niet.)
6) Verder nog het onafscheidbare achtervoegsel Si, wat daarom, schijnbaar tegen
No. 10. 5, een acutus der voorafgaande lange vocaal of diphthong niet in den
circumflexus doet overgaan: Bijv. öfc, ijtie, rófc, deze, die, dat. N. PI. o\'ili,
uïfii.
N. A. Dualis rtiSi.
Aanm. Men verwissele het onbepaalde voornaamwoord n\'c niet met het vragende
tic ï tI ; wie ? wat ? welke ? noch de onbepaalde bijwoorden met de vraag-
woorden
n-ij ; hoe? irwc ; hoe? wó^iv; vanwaar? iroï; waarheen? rroxi;
waar ? itóri
; wanneer ?
§ io.
Accent der Encliticae.
14 1. Daar de Enclitica als één woord met het voorgaande be-
schouwd wordt, moet het accent van dit voorafgaande woord
ook voor de enclitica voldoende zijn. Het accent mag dus met
inbegrip van de syllaben der enclitica niet verder dan op de
derde van achteren staan, (zie N°. 9 . 2). Is dit niet het geval
dan wordt nog een tweede accent op de laatste lettergreep ge-
schreven, ook voldoende voor de enclitica, of wel de enclitica
ontvangt het haar eigen accent.
2. Men lette echter op de volgende eigenaardigheden:
a)    Alle eindsyllaben der Encliticae gelden als kort ten opzichte
van het accent.
b)    De circumflexus van een perispomenon is voldoende voor
een tweesylbige enclitica.
c)     geen twee achtereenvolgende syllaben mogen ieder een acutus
dragen.
-ocr page 21-
IS0. 14—16].                           KLANKLEER.                                                9
d) Is het woord, dat een enclitica voorafgaat oxytonon, dan
wordt het accent in den vorm van den acntus geschreven.
3.    Hieruit volgt:
a)    dat na een oxytonon en na een perispomenon elke enclitica
zonder verdere accentuatie kan volgen, daar geen enclitica
meer dan tweesylbig is: zie N°. 13.
Bijv. Xen. Cyr. 1, 1 , 2 : apxovnc piv tioi, zij zijn aanvoerders. I, 1, 1 : lög
<ro0oi Ti rai fvrv\\t~iQ, als wijzen en verstandigen. I, 2 , 5 : <ipx«vrig tüv uipüv
«ïirt aónica , er zijn twaalf gezagvoerders over de a/deelingen. I, 3,9: ixjSaXw ai Ik
rijt
njurjc > *& z"l u uiL **w ambt verdringen.
b)    dat na een paroxytonon de eensylbige enclitica zonder verder
accent\'
volgt, doch een tweesylbige volgens 2 . c. haar accent
behoudt.
Bijv. Xen. Cyr. I, 1, 4 : üv ovi\' üv ra èvópara fj^oi r<c liiriiv , wier namen
men zelfs niet zou kunnen opnoemen.
I, 1 , 5 : Kat dii\\$üv fpyov iariv, alleen het
doorloopen is moeielijk.
c)    dat op de laatste syllabe eener proparoxytonon en prope-
rispomenon
nog een acutus geplaatst wordt:
Bijv. Xen. Cyr. I, 1,2: noptvovrai re yap ai ayiXai, want de kudden gaan;
I , 3, 6: ij xai SiSotc; iravra ravra uot ra. icpéo; geeft gij mij ook al deze vleesch-
spijzen ?
4.    Indien verschillende encliticae elkander volyen verliest alleen
de laatste haar accent,
terwijl alle voorgaande een acutus dragen.
Bijv. Hom. II. I, 521: Kul t\'s pi 0ijiti paxv TpdttotriV apiiyiiv: en zegt ook dat
ik de Trojanen in den kamp begunstig.
Xen. An. VII, 7, 24 : yv rif\' rt inri-
axvüvrai indien zij iemand iets beloven.
5.    Wanneer een enclitica met nadruk of vooraan in een zin
staat, behoudt zij haar accent.
Bijv. Xen. Cyr. I, 3, 5: dX\\a «at ai opü pvaarrópcvov, maar ik zie, dat ook
gif alkeer hebt.
I, 3, 7: (rot ptv roüro, dit is voor u.
6.    Zijn niet enclitisch:
a) het Praesens Indicativi van tiftt wanneer het:
1°. meer is dan eenvoudig koppelwoord in de beteekenis van
bestaan , werkelijk zijn, in tegenstelling met schijnen :
Bijv. Xen. Cyr. VIII, 1, 41: «ui yap ra viroc\'ripara rotavra ixovaiv iv otc
paXiara XaSnv ion rai vironSipivove; rt, wan SokiIv utlZovc, iivai ïj tiai\' *«i
üïroYpffff^at Si rovf oip\'iaXpov^ wpoaifTo, wf euotp\'iaXpÓTipoi ipuivoivTo >/ ftVt\'. En
ook hebben zij zoodanige schoenen, waaronder men iets kan aanbrengen , terwijl het ge-
heel en al verborgen blijft, zoodat zij grooter schijnen dan zij werkelijk zijn: ook voerde
-ocr page 22-
[N°. 16, 17.
10
KLANKLEER.
hg het hlanketicn der oogen in, opdat zij er schooner zouden uitzien dan zij werke-
lijh zijn.
2°. op een woord volgt, wat door de apostrophc (no. 17) het accent verloren
heeft. Bijv. Cyr. IV, 6, 2: ön-aic f\' liui appÉvutv iraiSwv ik heb geen mannelijke
afstammelingen.
b) de voornaamwoorden na voorzetsels. In dit geval moe-
ten voor den eersten persoon altijd de langere vormen
tfxov, t/uoi, ifxê
gebruikt worden:
Xen. Cyr. I, 3, 14: & waï, rjv fiïvys irap\' ffioi, irpürov ftiv tïjq irap\' l/ti
tioóSov ooi oi
Sacac apE«, a\\\\\' èirórav f}oi\\y tiaiivat uiq ifti, liri ooi iaraf Kal
Xap\'V oot tiooftat \'óftp üv ir\\toraKi£ tioiyc we iuê. Wanneer gij bij mij blijft, mijn
kind, zal vooreerst Sacas u den toegang tot mij niet beletten, maar het zal u vrijstaan
naar mij toe te komen , wanneer gij wilt: en ik zal er u dankbaar voor zijn hoe meer
gij naar mij toekomt.
Aanm. Bij den 3. p. lort heeft in de heide gevallen onder a) gewoonlijk ana-
strophe plaats. Zie nu. 17.
§ IL
Anastrophe.
17 1. Door anastrophe verstaat men de terugtrekking van den
acutus naar de eerste syllabe van het woord.
2. Dit gebeurt gewoonlijk:
I. Bij den 3. p. iari zoodra hij meer is dan een gewoon
koppelwoord en eenigen nadruk heeft. Zoo:
a)    in de beteekenis van hebben, bezitten, bestaan, werkelijk zijn, (zie n°. 10), of
van ïliart, het is geoorloofd,
b)     wanneer het in het begin van een zin of bij een infinitivus staat.
c)     na de particulae a\\\\\' maar, ei indien, ovk niet, fiij niet, <ic dat, koï en,
alsmede dikwijls na yap want, vïiv nu, en de pronomina tovt\' en toot\'
dit, dal,
wier eindvocaal geëlideerd is, en na een apostrophe in het algemeen ,
vooral bij vragen.
Bijv. Xen. Cyr. I, 2, 3: "Effr»\' auroïc iXivSipa ayopti KaKov/tivn, zij
hebben een zoogenaamde vrije markt. Plato, Phaedo, XV: <iic tori Ti >; ijsvxr)
airoHavóvroc; roïi av^póiirov, dat de ziel van den afgestorven mensch blijft
voortbestaan. XIV : 7r«\\ai<5c fiiv ovv tan rif Xóvoc ouroc, er bestaat nu vol-
gende oude meening. Dem. Phil. IV, 63 : oü yap itrriv, ovk ion tüv ïlw ri/c
iróXiwc é\'x$(>(5i\' cparijirui k. t. X., het is toch niet mogelijk, het is onmogelijk
den vijand van buiten te overwinnen. Xen. Cyr. IV, 2,8: Kat vvv ioriv tri
iiïitv, en ook nu nog kan men zien. V, 29: saf ri tovt\' iartv; en wat
beleekent dit f
Aanm. Niet zelden schijnt de anastrophe willekeurig in de uitgaven : Zoo Soph.
O. C. 62: ravr\' loriv. 263: tovt\' iortv. 1586: tovt\' iariv. Gewoon-
lijk: ri b" ion rovro; doch 1459: ri S\' tart. (Ed. Nauck. Berlin 1870.)
-ocr page 23-
N°. 17—19.]
11
KLANKLEER.
II. Bij de praeposities wipt, vwó, \'ftira, ctwó, iwi, wanneer zij achter haren
casus of in tmesi, van hun verbum gescheiden, achter het werkwoord staan. Soph.
Phil. 7 : rax&tic r<55\' tpêttv rutv ctvaaaovrwv vwo, door de legeraanvoerders gelast dit
te doen.
343: t/\\dov pi vt)i woiKt\\ooTÓ\\tü ultra, zij kwamen naar mij op een bont-
versierd sehip.
553: aavrov w\'ept, aangaande u zelf en. 647: ov wo\\A<3v awo, niet
uil vele dingen.
648: vetos yi rijc f\'/\'ijc ïwt, op mijn schip. Hom. Od. IX, 17:
tjivywv vwo vi)\\eèc »;/iap, den dag des onheils ontvloden.
Aasm. 1) Men verwarre deze anastrophe niet met wapa, vwo, fiira voor wap-
lartv, nériartv, vwiartv.
2) Wat de anastrophe bij substantiva en adjectiva betreft, wordt bij de
declinaties gegeven.
§ 12.
H i a t u s.
1.    "Wanneer twee woorden elkander volgen, waarvan het
eerste op een vocaal eindigt en het tweede met een vocaal be-
gint, ontstaat er een zwarigheid in de uitspraak, daar men
tusschen de beide woorden even moet ophouden, wil men ze
duidelijk uitspreken. Deze gaping nu noemt men hiatus.
2.    Ofschoon de hiatus lang niet altijd vermeden wordt kan
men hem toch in sommige gevallen wegnemen, of door elisio,
of door crasis, of door inlassching eener consonant.
3.    Door Elisio verstaat men de uitstooting der laatste korte
vocaal van het eerste woord. Ten teeken dat er eene vocaal
weggevallen is schrijft men dan boven aan de laatste consonant
of klinker de ayostrophe \'.
Men mag van de elisio gebruik maken:
a)   bij de tweesylbige praeposities, uitgenomen n-ept om, a\\pt
en /xi\\pi tot aan.
Xen. An. I , 8, 27: óicrw oi apiarot rüv wfpi aiirbv Ïkuvto Iw\'avrtp
acht der voornaamsten van zijn gevolg bedekten hem.
b)   bij vele andere particulae: aWct maar , apa dus, apa = \'t lat. num , dra
vervolgens, upa te gelijk, irt nog , ïva opdat
, Sé maar , ré en , yi ten minste ,
met haar composita wart zoodat, róre = \'t lat. tum , \'Art = lat. quum toen,
ovKiri niet meer
etc.
Nooit echter heeft elisio plaats bij ör« omdat,
e)
Soms bij den uitgang a van het onzijdig meervoud der substantiva, bij de
pronomina en het verbum.
Doch de Dativi singularis en Tluralis op i en at worden in proza niet ge-
elideerd.
-ocr page 24-
12                                         KLANKLEER.                         [N°. 19—21.
Aanm. 1) Niet geëlideerd worden de korte v, noch de a, t, o, in woorden van
één syllabe.
2) Wanneer de vocaal, die geëlideerd wordt, het accent droeg, valt dit
niet bij de particulae (zie ra. en b.) weg, doch bij de pronomina en
het verbum verspringt het dan naar de voorgaande syllabe. Soph.
Phil. 261: \'ó$\' tl/t\' iyiïi, ik hier ben.
4.     Door crasis worden twee woorden tot één woord samen-
getrokken, terwijl ten teeken hiervan de coronis \' boven de
aldus ontstane vocaal geschreven wordt.
Zij heeft plaats bij het lidwoord en bij Kal met de vocaal van
het volgende woord.
Stond bij samentrekking met kul op de vocaal van het vol-
gende woord een spiritus asper, dan wordt deze veelal geschre-
ven en blijft de coronis weg. Zoo ook wordt de coronis niet
geschreven wanneer de nominativi ó, 17, oé, ai van het lidwoord
met een volgend woord samentrekken, daar de spiritus asper
dan den voorrang behoudt.
Bijv. o avrjp wordt  avinp.        tov avlpóg  wordt  rivtpég.
Tiji aviïpi    „     ravipi.      ru avSpi         „      ravSpt.
ra a\\\\a     „     raUfl.      ai/TÓ          ,,      raüró.
Kal iyii      „     icayói.        ical 6              „      x<i.
Kal ai        „     xal-           *ai               \'i      X\'h
Kai ouroc   n     X°"ro£-      Ka "\'"\'           *i      kowb.
gai av        „     küv en indien, Kat Iv       „     Kav en in.
Aanm. Is in de eerste der samengetrokken syllaben een t, dan valt zij weg, is
zij echter in de tweede, dan wordt zij bij een lange vocaal 1 subsrciptum,
bijv. :
         kiü Utï wordt kokiÏ en aldaar.
Kat tirura ,. Kaïrfira en vervolgen».
xai ti            „ til en indien.
Kal lira        „ Kgra en vervolgens.
5.     Ten derde kan de hiatus vermeden worden door het in-
lasschen eener consonant.
Zoo wordt
I. De v i<j)e\\Kv<TTiKÓv gevoegd:
a)   achter den uitgang ai van den Dativus Pluralis der
derde declinatie.
b)    achter de derde personen van het werkwoord, die op
t of e eindigen: lariv hij is, ÏXtyev hij zeide, Xéyovaiv
zij zeggen.
c)    achter sommige adverbia en particulae: vépvrti voor eenjaar, vixnpi be-
halve, wavrairaat geheel en al, irpórrSi voor, ómaSt achter, vv nu
ete.
-ocr page 25-
N°. 21, 22.]
13
KLANKLEER.
II. 0\'vtü) zoo, voor een vocaal, oStw?.
\'Ek uit, voor vocalen è£.
III. Ou niet, voor vocalen met den spiritus lenis ovk, voor
vocalen met den spiritus asper ov\\.
Bijv. oü waptariv hij is niet aanwezig, obx tviariv hij is er niet in, oii\\ \'iimoTiv
hij is er niet onder.
Aanm. Deze v en c worden ook regelmatig geschreven voor leesteekens en aan
het einde der zinnen. Ou blijft echter onveranderd maar wordt geaccen-
tueerd oü, en wordt dan slechts oük wanneer het in nauw verband staat
met den volgenden zin.
OVER DE NOMINA.
§ 13.
Over het geslacht der zelfstandige Naamwoorden.
1.    De zelfstandige naamwoorden of substantiva zjjn mannelijk 22
masculina, vrouwelijk feminina of onzijdig neutra naar gelang
van hun beteekenis en van hun uitgang.
2.    Naar hun beteekenis zijn:
I.    Masculina,
de namen van mannelijke personen, volken, rivieren (ó trorafióq
de rivier)
, maanden (ó firiv de maand) en winden (ó avtfxos
de wind).
Bijv. b irarrip de vader, ot Sicu&ai de Scythen, b Titjvuós de Penëus, b 9apyi|-
\\ibiv elfde maand van het Attische jaar , half April en Mei, b Zi<pijpot de zephyr,
westenwind, b
jSoppaj de noordenwind.
Uitgezonderd zijn de deminutiva of verkleiningswoordjes op -ov, die onzijdig
zijn: zooals rb fiupaiüov de jongeling, rb iraiitov het knaapje ; verder rb avSpaitoBov
mancipium, slaaf, rb tckvov en ró t-Ijcoï het kind, alsmede het plurale ré iraiSixa
de lieveling.
II.    Feminina,
de namen van vrouwelijke personen, van boomen, steden,
landen en eilanden.
Bijv. i) fiirlip de moeder, 17 Swyarqp de dochter, ry <pn,y6c de beuk, ri irirvs de
-ocr page 26-
14                                              OVER DE NOMINA.                         [N°. 22, 23.
pijnboom , y) Kópiv^of Corinthe, r) Aïyvwroc, Aegypti (doch ó Aïyujrrof de Nijl),
y AaKiSaipuv Laeedemonïè,
i; Aiajioc Lesbos.
Uitgezonderd zijn:
1°. van de vrouwelijke personen, de verkleiningswoordjes op -ov, die onzijdig
zijn, bijv. rb ylivaiov vrouwtje (van v yuvr) de vrouw).
2°. van namen van boomen de mannelijke: ó ipivióg wilde vijgenboom, o ^oi\'vi?
de olijfboom; de mannelijke en vrouwelijke ó, il xépaaos de kerseboom, b,
»; lórivof wilde olijfboom , ó , >; irairvpoc, de papierplant.
3°. van de namen van steden de Pluralia op -oi (lat. i-orum) en die op -tüc,
welke mannelijk zijn evenals de meeste op -owj Gen. -o\\>vtoq en op -aj
Gen. -avTOQ. Bijv. ol *i\\urn-o( Phi/ippi, ó *avo7rfi/c Panopeus , ó Tapaj-
avros Tarente; van die op -oe zijn \'Oy^ij<rróf altijd, \'Opxopivóc, iTüXoc,
\'EiriSavpoc , \'AXi\'aproc gewoonlijk Masculina.
Die op -of Gen. -o»c, die op -ov en de Pluralia op -a zij zonder uitzon-
dering neutra: bijv. t\'o Apaicuvov , ra Apéirava , rd \'EejSóravn , ró "Apyoc
Gen. "ApyovQ.
i". Sommige benamingen van personen zijn Communia, d. i. hebben denzelfden
uitgang voor de twee geslachten: bijv. b, y avSptawoc, de mensch, 6, >/ tpii\\a&
wachter en waehtsler
, ó, iï rpo^óc opvoeder en opvoedster , ó, t\'i, Seój i/e</ e»
godin, ofschoon ook nog een afzonderlijke uitgang bestaat »; Stó.
5.    Neutra zijn de Indeclinabilia, bijv. de Infinitivi der werk-
woorden.
Bijv. Plato Phaedo II: tal yap rb ptfivijoSat SWparouc ip-otyi ati iravroiv
ijSiarov : want het gedenken van Socrales is mij altijd het aangenaamste van alles.
6.    Bij de verschillende declinaties zal verder het geslacht der
substantiva naar hun uitgang worden aangegeven.
§ 14.
Algemeene opmerkingen over de Declinaties.
23 1. Door verbuiging of declinatie verstaat men het achtervoe-
gen der uitgangen van de verschillende naamvallen of casus aan
den stam van een woord.
2.    Er zijn vijf naamvallen, de Nominativus, Genitivus, Dati-
vus, Accusativus en Vocativus.
Wat hun beteekenis en vertaling aangaat komen zij overeen
met het latjjn, terwijl de Dativus tevens den Ablativus vervangt.
3.    Er zijn drie getallen: Singularis, Enkelvoud; Dualis,
Tweevoud, en Pluralis, Meervoud.
De Dualis wordt gebruikt wanneer er van een paar, slechts
van twee gesproken wordt, en heeft maar twee vormen, een
-ocr page 27-
N°. 23, 24.]                        OVER DE NOMINA.                                              15
voor Nominativus, Accusativus en Yocativus; een ander voor
Genitivus en Dativus.
4.    Bij de onzijdige woorden zijn evenals in het latijn Nomi-
nativus, Accusativus en Vocativus altijd aan elkander gelijk
zoowel in Singularis en Pluralis als Dualis, en gaan in het
Pluralis altijd uit op a.
5.    Bij de adjectiva, participia en pronomina, die voor ieder
der drie geslachten een afzonderlijken uitgang hebben, wordt
toch in den Dualis, algemeene regel, slechts de vorm van het
mannelijk voor de drie geslachten aangenomen.
6.    Men onderscheidt drie declinaties naar den uitgang van
den stam der verschillende substantiva. In de eerste en tweede
declinatie heeft de Nominativus den zuiveren stam, doch reeds
een uitgang.
Bijv. Ti/iii, avSpwirot • stam n/4-, afipuir-, terwijl r\\ en oc uitgangen van den
Nominativus zijn.
In de derde declinatie echter heeft de stam in den Nomina-
tivus geen afzonderlijken uitgang, doch heeft meestal verande-
ringen ondergaan, zooals ter plaatse verder zal verklaard worden 1).
7.    Bij een onderwerp in het Onzijdig Meervoud komt het
werkwoord gewoonlijk in het Enkelvoud.
§ 15.
Het Lidwoord.
1. Ofschoon het onbepaalde lidwoord een ook in het Grieksch
soms wordt weergegeven , blijft het meestal onvertaald.
\') Ofschoon deze onderscheiding der declinaties thans misschien vreemd schijnt,
meen ik ze toch naar „Buttmann\'s Griech. Grannn." omgewerkt door Alex. Butt-
mann, 1869, bl. 51,6, ook heden nog te mogen houden. Eveneens heb ik in de
derde declinatie als stam van ieder woord aangenomen, wat overblijft na weglating
van den uitgang -oc der Genitivi. Zoo ontstaat er een algemeene regel voor alle
woorden, waardoor de leerling, naar mijn bescheiden meening, de declinatie ge-
makkelijker zal aanleeren. De dwaling waarin hij dientengevolge verkeert, zal na
de kennis der vormen, in § 241, 244, 446 enz. zonder moeite verdwijnen.
-ocr page 28-
16                                             OVER DE NOMINA.                        [N°. 24 — 26.
2.     Het bepalend lidwoord, de, de, het, is als volgt:
Dualis
Pluralis.
3 geslachten.
Masc.
Femin.
Neutr.
Nom.
t
01
r
(Il
ra.
N. A. ré.
Gen.
tQ>v
Th)V
TWV.
Gr. D. to\'iv.
Dat.
Tvilq
TO.ÏQ
rotf.
Ace.
rovg
rag
r
ra.
Singularis.
Masc. Femin. Neutr.
Nom. <> i) tó.
Gen. TOV TlIC TOV.
Dat. T<j7       TIJ        Ttj".
ACC. TOV Tl\'lV        TO.
3.     Het bepalend lidwoord had oorspronkelijk aanwijzende be-
teekenis , zooals nog blijkt uit de spreekwijzen ó yuó> — ó St,
deze
— gene, de een — de andere; ol niv — oï dezen — genen,
sommigen — anderen; ó Zé hij nu, maar hij; rbv Kal tóv , dezen
en genen; rb nai
ró, ra kuI ra, dit en dat; npb tov voor dezen;
terwijl de oorspronkelijke vorm van den Nominativus nog ge-
vonden wordt in: Kat oe en deze; 7) 8\' öe zei — hij; oe «ai oe
deze en gene. Bij Homerus heeft het nog overal deze beteekenis.
4.     Het gebruik van het lidwoord in het Grieksch komt in
het algemeen met het Nederlandsch overeen.
In het bijzonder worde hier aangemerkt (zie verder N°. 319
enz.), dat:
a)  waar wij in het Nederlandsch het onbepaalde lidwoord gebrui-
ken, dit algemeene regel in het Grieksch onvertaald blijft.
b)  bijna nooit wordt het lidwoord gebruikt bij een praedi-
caatsnomen,
d. i. bij het substantivum, wat met een
werkwoord het gezegde of praedicaat vormt; vooral,
afwijkend van het Nederlandsch , wanneer een superlati-
vus, die den hoogst mogelijken graad
uitdrukt, praedi-
caatsnomen is.
Bij Xen. An. 1,9,5: Kvpos aiSt)jiovi«raTOQ rüv i)\\iicio)tu>v êiïóitu tlvai
Cl/rus bleek de zcdigste van al zijn makkers te zijn.
c)  Bij eigennamen kan het lidwoord geplaatst of weggelaten
worden, tenzij men door het lidwoord wil uitdrukken „hij ,
van wien reeds boven gesproken is, de bekende" etc.
Aanm. 1) Uit het voorgaande volgt dus dat men «innen als deze, Xen. An. III,
1, 21: ayuvoSikTai $\' ol Sioi üaiv moet vertalen: maar de goden zijn
rechten
(en niet: de rechter» zijn goden).
-ocr page 29-
N°. 26—28.]                      EERSTE DECLINATIE.                                            17
2) Wanneer in het Grieksch bij een appellativum geen lidwoord staat kan men
er in het Nederlandsch het onbepaalde lidwoord een voor plaatsen, somtijds het
bepaalde lidwoord zooals uit den zin zelf moet blijken.
3) Meermalen moet men het Griqksche lidwoord door hel bezittelijk voornaamwoord
vertalen, daar dit, wanneer de duidelijkheid het toelaat, in het Grieksch wordt
weggelaten.
4) Voor de namen van rivieren en volken plaatsen wij altijd het lidwoord, doch
laten het weg voor namen van personen, sleden, landen en eilanden, tenzij deze eene
nadere bepaling bij zich hebben.
Bijv. Xen. An. 1, 1 , 1 : \'Eiret S\' JjaSiévu Aapeïoj «ai virojirrevi ri\\ivrr)v rov
/3iou, t[iov\\iro tui waXSi aj«0wrép(<) wapüvai. Toen nu Darius ziek geworden was
en
het einde van zijn leven voelde naderen, wilde hij dat zijn beide kinderen aan-
wezig waren.
I, 2, 22: \'Evrtvütv Si Kipof Karefiaivtv tïf iribtbv fitya\' ... öpoQ b" avrb
irtpiéyee bxvpóv .... i)\\a<ri lig Tapoobt rf/c KiXi/ciaj iróXiv • • . Sta fi.iaov rijt wóXfios
ptl irorafibi; KvSvot övofxa. Vandaar daalde Cyrus in
een groote vlakte neer . . . een
steile berg sloot ze in . . . hij trok naar Tarsus, een stad van Cilieïi .... midden
door de stad stroomt
een rivier de Cydnus genaamd.
§ 16.
Eerste Declinatie.
1.    De woorden der eerste declinatie gaan in den Nominativus
Singularis uit op a, ij, ae, vc- Die op a en rj zijn vrouwelijk,
die op ae en ij? zijn mannelijk.
2.    Voor quantiteit en accent vergelijke men N°. 6—10.
I. In de eerste declinatie is slechts ééne vocaal de a anceps.
In den Accusativus en Vocativus Singularis heeft zij dezelfde
quantiteit als in den Nominativus, zoodat het accent dezer drie\'
naamvallen hetzelfde is. In alle overige gevallen is zij lang,
be-
halve in den Voc. der woorden op i)£. Vandaar N. en Ace.
Dualis TToXlra, Voc. Sing. 7roAïra.
II. De Genitivus Pluralis der sübstantiva is perispomenon,
daar de uitgang wv samengetrokken is uit au>v. Zie N°. 11.
Aaxm. Hierop zijn uitgezonderd de sübstantiva X9V"T1li woekeraar, aipvi) ansjovis,
ol Irrjaiat passaatwinden: \\pi)aT(av , a<pv<ov, trnaiuv.
Aldus wordt de Gen. Plur.
van XPI\'^ÓC nuttig ^prjffrwv, van a<j>viis dom a<pvüv, van de genoemde subst. onder-
scheiden , terwijl irtiaiuv overeenkomt met den Gen. Plur. van het adjectivum
Irtjaioc jaarlijkseh.
III. De sübstantiva perispomena dezer declinatie zijn alle
2
-ocr page 30-
18                                          EERSTE DECLINATIE..                       [N°. 28, 29. .
contracta en behouden daarom den circumflexus in alle naam-
vallen.
Bijv. ya\\ij (uit yoXét)) wezel, Nom. Plur. yakaï, daar namelijk at, ofschoon
op het einde van een woord, hier toch lang is, als zijnde samengetrokken uit
yaXiaf. Nu. 8 en N°. 11.
IV. Het woord 5«rwór>)e heer, heeft anastrophe in den Vocativus en wordt dus
proparoxytonon: Séanora.
3.    De uitgangen voor de verschillende naamvallen kan men
uit het volgende voorbeeld leeren.
N. t) yvuifxt).                                                    N. ai yviü/iai. (N°. 10,5.)
G. Tï\\g yvw(xr\\q.     N. A. V. rw yvwfia. Gr. rdiv yvuifxwv.
D. ry yvtófiy.                                                    D. ralt; yvw/iaiq.
A. rfjv yvw/xriv.     Gr. D. rotv yvdifiaiv. A. rag yvdj/xag.
V. u> yvw/x rj.                                                   V. S) yvwfi a i.
4.    Dualis en Pluralis hebben voor alle woorden dezelfde uit-
gangen. Voor
   de uitgangen van het Singularis valt aan te
merken:
a) dat de woorden op a, deze a voor Genitivus en Dativus
in »j veranderen, en alleen dan de a in alle naamvallen behou-
den,
wanneer zij van eene p of van eenen klinker is vooraf-
gegaan.
Bijv. S\'aAarra de zee. i] ootyia de wijsheid. 17 x^Pa de landstreek.
Singularis.
Nom.
fj Sakarr-a.
ao(j)i-a.
Xwp-a.
Gen.
rijg S\'aXarr-t/e.
ao(f>i-ag.
Xwp-ac.
Dat.
ry S\'aAarr-y.
ao<pi-q.
X<i>p-u.
Ace.
rr)v SaXarr-av.
ao(pi-av.
\\<óp-av,
Voc
3> iaXarr-a.
aotyi-a.
Xwp-a.
b)    dat de woorden, die in den Nom. Sing. den circumflexus op de a dragen,
deze a in de gehecle declinatie behouden , ook al is zij niet van een p of een klinker
voorafgegaan. Bijv. \' k^r\\va Minerva. G. \'AS\'ijvnc. D. \'A$i]i>p. Ace. \'ASijvav.
Zoo ook vele vrouwennamen op a, alhoewel zij niet perispomenon zijn, bijv.
Ariiïa, Gen. Aryfac.
c)    dat de woorden op »/e en ae in den Genitivus ov hebben.
Bijv. ó 7roXirijc burger, ó veaviag de jongeling.
Gen. ttoXit-ov veavi-ov.
Dat. TToXir-n        veav(-q.
-ocr page 31-
No. 29.]
19
EERSTE DECLINATIE.
Ace. iroXir-rtv
Voc.
veavi-av.
vtavla.
Doch van de woorden op af hebhen den zoogenanmden Dorisch*» Oenitivus op a :
1°. de pcrispomena op Sc, bijv. fSoppac. , Noordenwind, Gen. /3oppö. 2». eenige
andere woorden, zooals ópviSo&>;pac vogelvanger , irar paXoiac vadermoordenaar,
finrpaXoiai: moedermoordenaar.
3°. sommige eigennamen op ac, zooals \'Opói/raj.
G. \'Opóvra (Xen. An. 1, 6, 8); *oi/3iiaj, Phocbidas. G. QotpiSa (Xen. Heil.
V.4,46).
d) De Accusativus en Vocativus hebben dezelfde vocaal als
de Nominativus, doch de woorden op tj? hebben in den Voca-
tivus meestal u. Zie c) TroXirrig.
Aanm. Een klein aantal op nc, behoudt de n in den Vocativus: zooals bijv.
aSoXiaxVC babbelaar en de geslachtsnamen (patronymica) op tfijc, zooals \'ArpiiSnc. ,
Voc. \'ArpiiSn.
Voorbeelden ter oefening:
aSiXipi) zuster.
kóm
haar.
pmux\\
kracht.
dptri) deugd.
KW/"/
dorp.
ffra0ui
Kt) druif.
cipXW begin.
KV\\J/6A.I)
bijenkorf.
réx>"1
kunst.
Spaxp>v drachme.
\\virn
smart.
rifiii
eer.
SiKaioavvr) rechtvaardigheid. vikï]
overwinning.
Tpo<j>r)
voedsel.
ilprivt) vrede.
öpyn
toorn.
rpvipii
weelde.
lirtarii/xn wetenschap.
vnyn
bron.
TVX1
lot, noodlot.
X,i>vi\\ gordel.
irvXt)
poort, deur.
TJ/vXri
ziel.
t)Sovt) vermaak.
atria oorzaak.
ïnuLiciia billijkheid.
olxia
woning, huis.
avSpiia dapperheid.
liiSaiuovia geluk
, icelvaart.
öfióvoia
eensgezindheid.
apovpa akker.
liwoopia bescheidenheid.
iratStia
opvoeding.
daSivita zwakheid.
ii)TV\\ia voors,
ooed.
iravovpyia
list.
arv\\ia tegenspoed.
t\\tSva adder
piZa
wortel.
airwXna verderf.
T//tcpa dag.
atta
schaduw.
fiaaiXua koningin.
Siioasfitia godsvrucht.
aotpia
wijsheid.
(iaotXiia heerschappij.
«cnjcfa ondeugd.
aroa
gaanderij.
yiipvpa brug.
KoXaKiia vleierij.
(HJHupa
bol, spheer.
yi(i>pyia akkerbouw.
Xaiipa straat.
apvpa
hamer.
yXSirra tong.
piXiTTa bij.
ipiXapyvpia
geldzucht.
5<S?ct roem.
fikpiftva zorg.
QiXapx\'a
hcerschzucht.
UiiXnoia vergadering.
vavfiax\'a zeestr
ij\'l.
tjiiXia
vriendschap.
Aanm. De a van den Nominativus en derhave
Vocativus Singularis is meestal lang, wanneer zij
voorafgegaan. De uitzonderingen, voornamelijk bij
men gemakkelijk aan het accent kennen.
aSoXiaxit        babbelaar.           IpirnQ         roeier,
avraytoviarric, mededinger.         liipiTtis vinder.
Svvaarris         vorst,                  »\'/\\i«:iwrj/c makker.
ook van den Acciuativus en
van eene p of eene vocaal is
woorden op -tia en -ota, kan
iicértjc           smeekeling.
KXéirTt]t dief.
tcvptpviiTnc, stuurman.
2*
-ocr page 32-
20
[N°. 29, 30.
TWEEDE DECLINATIE.
irpoQriTtic. pro/eet.
(rrpariiirtjc soldaat.
irii(co0óvri)c valsche beschut\'
diger.
rixvtrtic kunstenaar.
caicïac noordoostenwind.
ra/iiaj waarnemer, opzichter.
KpiTTis          rechter.
\\yori\\Q         roover.
fta$t)T)ic      leerling.
liiptlivriTric,  bezorgde.
vavTrtQ        schipper.
ftiag nachtuil.
()w/(f!c Thomas.
rpvipnTTic, weelderige,
tyiornc, leugenaar.
\'Iwavvris Johannes.
népujjc P«r».
Kox^iat, slak.
Ttapaq tiaar, tulband.
\'Epfiriq Mercurius.
pva            mina {muntstuk). yaXij     wezel.
\'A^nvci Minerva.               yq         aarde.
adi\\<pi$i) nicht.                     Xtovrij  leeuwenhuid.
a/ivySaXij amandelboom.         avtij      vijgenboom.
N.B. Deze woorden zijn gekozen volgens het themaboek van Dübner, zoodat de
leerling in zijn Spraakkunst alle woorden voor de themata vindt, en geen tijd met
aanhoudend zoeken in de woordenlijst verloren gaat.
§ 17.
Tweede Declinatie.
30 1. De woorden dezer declinatie worden in drie soorten
verdeeld:
I. de woorden op -oe en -ov.
II. de woorden op -wg of tweede Attische Declinatie.
III. de woorden op -ovq en -ow, die de tweede samenge-
trokken declinatie uitmaken.
I. Woorden op -oe en -ov.
2.    De woorden op og zijn voor het grootste gedeelte manne-
lijk, die op ov zijn alle onzijdig.
Van de vrouwelijke op oe zijn, behalve die welke volgens hun
beteekenis vrouwelijk zijn (N°. 22), zooals r\\ irapStvoe de maagd,
fi aftirtXog de toijnstok
etc, de volgende de voornaamste:
ri atXovpog de kat. f) kéAeu&oc, de weg. r\\ TCKpgog de gracht,
v
j3i/3Xoe het boek. y\\ vüjaog, het eiland, jj vaXog het glas.
ti Spoo-oe de dauw. 17 vóo-oe, de ziekte. ij \\pri<poQ het scherf,
v KtpKog de staart. t)
óSó?, de weg.
3.    De uitgang a is in deze woorden kort. \'ASeX^ó? heeft in
den Voc. de anastrophe: aBe\\$e broeder.
4.    Bij de woorden op 05 is de Voc. dikwijls gelijk aan den
Nominativus. 4-<UJLi, Jte^^\'-1^M-
-ocr page 33-
N°. 30.]                           TWEEDE DECLINATIE.                                      21
5. De uitgangen dezer declinatie kan men uit de volgende
voorbeelden leeren.
ó av&pwTroe de mensch.
Dualis.
N. A. V. ro) av§p<ï>ir-to.
G. D.
Singularis.
N. ó avSptüv-ot;.
G. toÏ) avSpwir-ou.
D. T([" aV$plï)TT-(i>,
A. rbv nvSptotr-ov.
V. w av&fHDir-t.
ro otvk-oi>.
G. toD avK-ov.
D. T(J» aUK"<().
A. TO (TÜK-OV.
V. 5) aïiK-ov.
Pluralis.
N. ol av^pwTT-oi.
G. tCjv avSpwTT-wv.
D. Toïc avSpwir-oiG.
A. TOUf avSptoTf-OWe.
V. w av&pwTT-oi.
N. ra <rwK-a.
G. TWV (TVK-IOV.
D. rotc <tuk-ojc
A. to crvK-a.
V. W (JVK-U.
ro ovkov de vijg.
N. A. V. rei aU-u
G. D.
TOIV (TUK-OJV.
Voorbeelden ter oefening.
ïiriroq paard.
ó kukoq de booze, slechte.
KÏ)itoq tuin.
KtvSvvoQ gevaar.
KÓrtpLoc, sieraad.
Xi/ióï hongersnood.
Xóyof rede, woord,
gesprek, spraak.
Xni/ióï pest.
X<50oc heuvel.
\\vkoc, wolf.
vopóe, weide,
vópoc, wet.
bdriyóc, gids.
ó»rXojro«5!: zwaardveger.
b ayaSóc. de goede, welgezinde.
aiïi\\<j>óc. broeder.
a/xvós \'""••
b avairiot de onschuldige.
apyvpoQ zilver.
/3toc             leven.
tfij/uof           volk.
8tiïa(tKa\\o£ leermeester.
&i6vvnoQ Bacchus.
ffouXoc slnaf {van geboorte).
ïiraivoc, lofprijzing.
iX$P°C vijand.
j/Xioc zon.
$r)(ravp6e schat, schatkist.
i&rpóc, geneesheer.
ovpavog      hemel.
wXovtoc.     rijkdom.
iróXtfioQ      oorlog.
iróvroc.        zee.
irorafióc,      rivier.
TtTo>\\ÓQ       bedelaar.
b TrovT]póc,  de booze, slechte.
TavpoQ         stier.
vióc,             zoon.
</ii\\o£           vriend.
^ó/3of          vrees.
Xpvaóc,        goud.
\'A$qvtuoc  Athener.
Xïoc           bewoner van Chios.
AvSpawoSov {krijgsgevangene)
slaaf.
aoTpov
          ster.
[iaSpov          grondslag,
pa/crriptov stok.
Süpov
           geschenk.
lUtaXov beeld, afbeeldsel,
ipyov
            werk.
ópyavov werktuig,
irpófiarov schaap,
meerv.
kudde.
póSov
          roos.
gToixfïov beginsel.
t\'skvov kind.
tpwv
l/idnov
ïov
O Hf
Kp\'tVOV
KÜ\\0V
tvol.
kleed.
viooltje.
vergif.
lelie.
been.
fiéraWov mijn.
öirXov wapen.
-ocr page 34-
22                                           TWEEDE DECLINATIE.                      [N°. 31, 32.
II. Attische Declinatie op -ujq.
1.    Tot deze declinatie behooren eenige weinige woorden op
-wg,
die door de heele declinatie de w behouden en er de i
subscriptum bijvoegen, zoo dikwijls er in den uitgang der woor-
den op -og eene i voorkomt.
2.    Accent. Deze woorden behouden tegen den regel van N°.
10, 6 in alle naamvallen het accent\' van den Nominativus Sin-
gularis 1).
Is de uitgang wq onmiddelijk van eene e voorafgegaan, of
slechts door de liquidae A of p van de £ gescheiden, dan wordt
de uitgang w? voor het accent als kort beschouwd.
Bijv. MêvéXewc Menelaus, nj)i>É\\fwc Peneleus.
Deze regel komt voornamelijk ter toepassing bij de Adjectiva op <uf, N°. 115.
Bijv. ó At wc volk.
Singularis.                       Dualis.                        Pluralis.
N.
G. roü Atoj.                                                                           Q". twv Xitov.
D. rif Asw.                         G. D. toIv Xéyv.                  D. to7c Aew£.
A. tov Xtu)v.                                                                        A. roiig XétoQ.
3.    De woorden dezer declinatie hebben ook den Ace. Sing.
op u>, welke bij sommige de eenig gebruikelijke is. Zoo "ASwt;
de berg Athos, Ace. t^v "ASw en "A^w^, 17 swq de dageraad, ttjv
ïut
, ó Xaywg de haas, tov Xaywv en Aa-val, aAwc dorschvloer,
Ace. ti)v aXiü.
Weinig substantiva gaan geheel naar deze declinatie, de meeste nemen ook nog
andere uitgangen aan, voornamelijk van de derde declinatie.
4.    Tot deze declinatie behooren verder nog ó /cdXwr het kabeltouw, 6 rawc de
pauw
, ó rt>0<ic de orkaan , met het onzijdige to aviïtyioiv zolder (alleen Xen. An.
V, 4, 29) en XiirTÓyttov onvruchtbare streek, welke beide laatste eigenlijk adjectiva
zijn, waarvan het eerste alleen bij Xenophon, het laatste alleen bij Thucydides en
lateren voorkomt.
III. Samengetrokken Declinatie.
1. Hiertoe behooren de substantiva op -ovg en -ovv, samen-
getrokken uit -foe of -ooe en -eov. Die op -owe zijn mannelijk,
die op -ovv onzijdig.
\') Aldus naar de laatste uitgaven van Curtius, Koch , Van Den Es, Fritsche ,
Van Leeuwen en Mendes Da Costa en anderen.
-ocr page 35-
N°. 32, 33.]                      TWEEDE DECLINATIE.                                           23
De meest voorkomende zijn: (Spóoe) Spoïig geraas, (vóop) vovq
geest, (jrXóuc:) nXuvg vaart, {poog) poïig stroom, (aSsXfiSeóc;) aSeX-
0(8oü? neef, (avtif/taStóg) avtipiuBovg neef, [ZvyaTpihtóg) Su-yarpt-
Soïig kleinzoon, (oot(ov) ootovv been, (kóveov) wavovv korf, en
sommige eigennamen, bijv. (llavSooe) IlavSoue Panthus, {Uu-
q\'&ooq) ïïztpiSovQ Perithous.
Komen bijna niet voor /xvovc dons, yvovt baard, tvovq adem.
2. Accent, a) De appellativa simplicia dezer declinatie zijn
na de samentrekking alle perispomena, ook al waren zij voor de
samentrekking proparoxytona of oxytona (tegen N°. 11), zooals
Kavovv, avnpiaiïovt;.
De composita echter en de Eigennamen zijn paroxytona ó mpi-
ttXovq de omvaart, zeereis,
ó iÏttXovq (tairXovg) de ingang (eener
haven).
b)    De Nom. Ace. en Voc. Dualis is oxytonon , ofschoon uit
een paroxytonon samengetrokken, irXw uit ttXóüi tegen N°. 11.
c)    Door samentrekking worden oo en to ov ; ta wordt a, terwijl
a en o voor de lange w of voor eene diphthong wegvallen.
Bijv. ó vovq de geest, rè> Kavovv de korf.
Singularis.
                             Dualis.                        Pluralis.
N. o! voï.
G. TWV VWV.
D. ToTq VOlg.
A. TOl>C VOÜC\'
ra Kava.
G. TWV KÜVlZv.
D. toiq Kavoig.
A. ra Kava.
N. O VOVQ.
(jr. roü vov.
D. t$ v<{,.
A. TOV Voï>V.
N. TO KÜVOVV.
G. TOV KOVOV.
D. TiZ KaVlö.
A. to Kavovv.
N. A. rw vw.
G. D. toïv voïv.
N. A. tw Kavitt.
G. D. TOÏV KUVÓlV.
§ 18.
Verandering der Consonanten.
Aasm. Men vergelijke eerst nogmaals de verdeeling der letters N°. 3.    Door
verwante letters verstaat men die, welke tot eenzelfde spraakdeel behooren.    Zoo
zijn 7r, (3, 0 verwante lipletters , labiales ; de ir is de verwante tenuis van  j8 en
^; /3 de verwante media van ir en </>; <j> de verwante adspirala van ir en /3.    Zoo
ook voor de linguales r, J, S en de gutturales k , y, %•
-ocr page 36-
24                                       VERANDERING DER                      [N°. 33—37.
1.    Voor een tenuis moet een tenuis, voor een media een
media, voor een adspirata een adspirata staan, en waar dit oor-
spronkclijk niet het geval is, wordt de eerste der twee consonan-
ten
in de verwante tenuis, media of adspirata veranderd.
Zoo wordt: {it\'nr\\(K-Sov) Tr\'nr\\fx$ov\\ (yéKpa<p-rai) yiypairrai; (ypaip-Sriv) ypa/3-
flijv; (frpi|3-9i)i>) ïrpi<pSr]v; (
\\k\\ty-rui) \\i\\acTaf, (mtr\\iK-Sai) irtir\\ix$ai; (XéXéy
Srai) \\i\\ix^("\'> (/3f/3ajr-9«i) Pe(3a<pSai.
2.    De spiritus asper wordt ook als adspirata beschouwd,
zoodat de voorafgaande tennis, niet de media , in de adspirata
moet veranderd worden.
Vandaar wordt na elisio : {uirb ov) a(f>\' ov; (ore ai irvXat) 85\' al irvXai; (vvKra
iiXrjv) vOxS\' iiXijv; {ovk ovraie) ovx o\'vtioq (N". 21, III). Zoo ook in samenstellin-
gen (aw!> aipiia) capaipiia; (dvri ïrrrtj/ii) avSiarrifit. Doch (ó iïè vjré<r\\;fro) i i\'
viriaxfro
; (oi/Si eic) overig.
Aanm. De praepositie e\'? welke voor consonanten Ik wordt. (N°. 21) behoudt de
k onveranderd: Ik Siov , iKypafuv, USüvat, i«r?oïivat.
3.    Dezelfde adspirata wordt nooit verdubbeld, doch dan wordt de eerste in de
verwante tenuis veranderd: Zoo Sairfw (voor 2a00w), BdeY/>C (voor haxx°i) >
MirSeuc (voor HiSSivq).
4.   a) Indien in één woord twee achtereenvolgende lettergrepen
ieder met een adspirata beginnen, wordt de adspirata der eerste
lettergreep in de verwante tenuis veranderd. Zoo irtfiXtiKa (voor
(pscplXrjKa), rÉS\'pajU/xat (voor ^t^pa/ufiat).
b)    Slechts dan wordt de tweede adspirata in de verwante tenuis veranderd, wan-
neer zij volgt na de henletter in den Imperativus van den Aor. I Passivi: f5ov\\iv-
Si\\ti
(voor QovXii 5t|3i). Vandaar dat zoodra de kenletter in de tempora secunda
verdwijnt weerom Si geschreven wordt, bijv. ipavrjSi. Vandaar ook dat de uitgang
Si in andere vormen blijft waar de 3 niet als kenletter aanwezig is, al gaat ook
eene adspirata vooraf: bijv. QaSi, rcSvaSi.
c)    De S oefent geen invloed uit op de voorgaande adspirata zoo deze & de eerste
letter is van een buigings- of a/leidingsuitgang. Zoo heeft ook in samenstelling de
tweede adspirata geen invloed op de adspirata der voorgaande lettergreep, bijv. <pav-
Stig, navraxóStv, KoptvSóSi, XiSofyópoe.
Slechts de verba 5 v ia ik offer en rlSruii ik stel maken een uitzondering hierop
en hebben den Aoristus l\'assivi IriSriv en M$x)v (van de stammen Sv en Si) ofschoon
Sqv hier een buigingsuitgang is.
d) Sommige woorden hebben in hun stam eigenlijk twee adspi-
ratae, waarvan de eerste volgens den gegeven regel in de tenuis
veranderd is. Deze adspirata van den stam keert echter weer terug
in de declinatie of conjugatie zoodra de tweede adspirata ver-
dwijnt. Zoo ravve snel (stam %a\\) comparativus Sarrwi/.
-ocr page 37-
N°. 37—40.]                            CONSONANTEN.                                                  25
TpÉ^w ik voed {SpêQ) Fut. Sptyw. Perf. P. rê^pu/ifiai (rpéVw
heeft Tirpafifiat). Tpt\'xw ?\'& Joop , Fut. èptKo/nai: rvtfno ik rook,
Fut. Srut/iw. Perf. rs\'Su/u/wt. Spón-rw t& verbreek, Aor. P. iTpv<j>r)v:
^an-rw, «1* begraaf, Aor. II, P. Ii-a^oi/.
Hiertoe kan ook l^w (3\'\' \'*) \'u*- \'S"" teruggebracht worden.
Bpi? haar (st. öpix) Gen. rpt^c. Dat. PI. &piiji.
5. 1) De o wordt in de conjugatie tusschen twee consonanten
uitgestooten.
Bijv. {iriir\\iK-o$ov) iriirXix^ov, (yêypcup-oSrov) yéypafSov.
2)    Wordt de a niet uitgestooten, dan vallen vóór de o de
linguales r, 8, Sr, alsook de v weg; met een volgende o- gaan de
labiales n, j3 , 0 over iii u/, de gutturales k , y , \\ in £.
Zoo wordt de Dativ. Pluralis van den stam <T(üyua(r) lichaam,
door achtervoeging van o-t, aüfxaai; van ju>\'/i/ maand ^al; van
KijpuS heraut (st. Krjpu/c) K>/pu£c; van ^Ati// slagader (st. ^Xe/3)
<(>\\t\\pi; Batfitov geest (st. Saijuov) Bai/jtotri.
Aanm. 1. Daar de £ bij de werkwoorden dikwijls een versterking is der lingua-
les r, J, 3, valt deze alsdan ook voor de g weg, en ondergaat dezelfde veranderin-
gen als de linguales of gutturales , wier versterking zij is. «riju ik sticht, Fut.
Kriooi; <ra\\iri?w ik trompet (st. ffaXiri-vy) , Fut. ooi\\wiy%u>.
2.   Se v valt niet weg voor de uitgangen aai en o o der verba op aivo> en vvio,
bijv. 7rs0av<rai, yaxvvoo.
3.   S u v verandert in samenstellingen de v in c voor eene enkele c i wanneer
echter nog een andere consonant op de c volgt, of voor een £ gaat de v van ovv
geheel verloren, bijv. ra avaniria gemeenschappelijke maaltijd, t) ovaairia het m-
meneten
(van avv en atrlov), rrvaaw^ü} (van ovv-rrióZtu) te gelijk redden, rrvawovSaZtü
(avv-irnovS.) zich mede beijveren
, avTKtvaZai {auv-aKtva^io) bijeenpa&ken ; <
svX.au> (<r£v-
X,aui) samenleven, avZivyvt\'iit (avvZti>yvvfii) bijeenxpannen.
\'Ev in, behoudt de v altijd voor de c, bijv. lvaKivaZ,opai, ik wapen, ivomiptiv
inzaaien.
Tlav behoudt gewoonlijk de v voor de c, bijv. iravoiiticpoc. zeer klein, iravaoijioQ
zeer leijs
(doch ook TraaooQot).
Voor andere letters dan de c volgt de v dezer woordjes de gewone nog volgende
regels.
3)     Wanneer vr, vS, v$ voor eene e zijn weggevallen, wordt
de voorgaande vocaal verlengd: o, ï,.v worden lange ü, 7, ü;
e wordt ti en o wordt ov.
Bijv. y\'inuiv grijsaard (st. yipovr) , Dat. Plur. yipovm, awivSoj, fut. (trwivS-tito)
awiiiTüi, ((iov\\tv$ivTC,)
/3oi)Xeii3ï«c , (tirra-vrt) iirras; , {SuKvi-vrg) iïtucvüc,.
Uitgezonderd zijn de adjectiva op -tcc , -iaan-, tv , die in den Dativus Pluralis na
uitwerping van vr de korte t behouden, bijv. xaP\'l\'S (8t. xaP"VT) > Dat. Pluralis
Xapiiat, als van een stam ^apur.
•
-ocr page 38-
26                       VERANDERING DER CONSONANTEN. [N°. 40—44.
Aanm. Daar de a in irac van nature kort is, zooals uit het neutrum der com-
posita iiirav, nufijtav, irap&Trav blijkt, heeft iraQ (st. iravr) alleen de lange a
in die naamvallen, waar vr is weggevallen, derhalve iravra , navrfg, jruvr«s;,
doch iraaa , :ra*Tij>.
41        6. Foor de /i veranderen de linguales r, B, & in c\'; de labia-
les 7r , j3, f in ju; de gutturale» k, y, \\ m 7-
Bijv. (iriirii$-fiat) ïrtiritTuai ; (TrifpaS-pai) wétypaa/iat; (yiypa^/tai) yiypapiiai ;
(j\'irpair-pat) riTpajipai
; {ïfraXi)/3-^«i) «rl/caXv^/iat; (thtW-jjoh) 7rf7r\\fyp;<ii; (lih\\-
/iat) SiSty/iai
; (rérpi/3-/4ai) Térpi/tfiat.
42         7. a) Fdifr rfe henletter van het Perfectum Activi k vallen de
linguales r, S, 9 weg.
Bijv. iriiSoi, Perf. (7rl)rft5-«:o) irsirtdca.
i) Fo\'oV eene lingualis gaat een andere Unguaüs over in q.
Bijv. jreiSio Aor. Pass. (iiriiV$i|i<) sTriitr-^nv, \'ifiofiai (J/J-Jiji\') ffffdqp,
43        8. De v blijft voor de linguales r, 8, & onveranderd; voorde
labiales ir, (5, <j> gaat zij over in ft; voor de gutturales k, j, \\
in y; terwijl zij voor een liquida in dezelfde liquida veranderd
of geassimileerd (similis, gelijk gemaakt) wordt.
Bijv. avvraTTUv samcnscharen, ovvriKiTv tegelijk eindigen , avvSawruv te samen
begraven
; auvSiSufii tegelijk geven, IvrlfioQ geëerd.
\'EpjïaWuv in iets werpen, IfiiroSiZuv in den weg zijn, ijnpavriQ zichtbaar.
\'Eyypa^fiv schilderen, iyicaXiïv manen, lyxf~\'V ingieten.
\'EWtiirttv over/aten, i/tftivuv in iets blijven, svvoêlv overwegen, IppvSpoc, in de
maat, èfi/tiXiiQ welluidend.
ITayicaXoc zeer schoon, ir&iirroXvc, zeer veel, itavÜKOQ zeer rechtvaardig , jraXXtucoc
geheel wit, wa/ipkyac zeer groot, iravvi>x>-OQ gedurende den gansehen nacht bezig,
7rappr)aia vrijmoedigheid.
44        9. De p wordt in de vervoeging en bij samenstelling achter
een korte vocaal verdubbeld.
Bijv. piVrw ik werp, Impf. tppurrov ik wierp; wipippovQ door water omringd
(van jrtpt en poüc). Somtijds zet men dan op de eerste p den spiritus lenis, op de
tweede den spiritus asper: ippiirrov , irtpippovc,.
10. Geen Grieksch woord mag op t eindigen. Vandaar dat
de t wordt weggeworpen, zoo dikwijls zij op het einde van een
woord zou komen. Zoo is de stam van aiófxa lichaam (aw/iuT),
het neutrum van het Participium /SouAevov (voor fiovXtvovT) l
fiouXsvSêv
(voor fiovXtvSêvt) , (5ov\\ivaav (voor /3ouAtü<ravr).
-ocr page 39-
N°. 45 , 46.]                    DERDE DECLINATIE.                                       27
§ 19-
Derde Declinatie.
1.    Men verbuigt een woord dezer declinatie door voor de ver-
schillende naamvallen de volgende uitgangen achter den stam te
zetten.
Singularis.              Dualis.                       Pluralis.
G. -oq.           N. A. V. -*.           N. -ec. Onzijdig -a.
D. -i.               G. D. -oiv. G. -wi/.
A. -a(v).                                       D. -ai.
A. -ac-         „       -a.
2.    De woorden dezer declinatie gaan in den Nominativus uit
op de consonanten v, p, e W* of £), of de vocalen a, t, u, w,
welke uitgangen allen gevonden worden in het woord awaipw.
3.    Slechts zelden is de Nominativus gelijk aan den stam, bij
de meeste icoorden is de stam in den Nominativus versterkt.
Den
zuiveren stam vindt men, evenals in het latijn, door den uit-
gang van den Genitivus teeg te laten, zoodat men om een woord
van deze declinatie te kunnen verbuigen
, zijn Nominativus en
Genitivus moet kennen.
Deze naamvallen nu moet in de meeste
gevallen het gebruik leeren.
Voorbeelden van Declinatie.
1) Woorden met den zuiveren stam in den Nominativus.
ó Kpar//p mengvat, ó "EAAjjv de Griek, ó xitu>v het kleed,
ó /v\'iv de maand.
Singularis.
N.   ó icparrjp.               "EAAijv.                \\itu>v.                  fii\'iv. (N°. 53.)
G.  rov KpaTtjp-og.      "EAAiji/-og.           \\itü>v-oq.             fitfv-óg.
D.  r(£ Kparf/p-i.            EAAt)k-«.              \\itiZv-i.                fir\\v-i.
A.  rov Kparijp-a.        "EAArjv-a.             yiTiZv-a.               /uijv-a.
V.  & Kparjjp.              "EAAjjv.                \\itwv.                  ju?\'/v
Dualis.
V. A. N. ra» Kparrip-e. "EAArjv-E.              Y/Tiiïv-f.                /lijv-t.
G. D. roti» KpaTi\'ip-oiv. \'EAAr\'/v-oiv.          \\itu>v-oiv.            fir\\v-oiv.
-ocr page 40-
28                                            DERDE DECLINATIE.                       [N°. 46—49.
Pluralis.
N. ol tcparrip-tg.          "E\\\\i}v-tg.             xirwv-tg.               /xrjv-eg.
G. twv Kparr\'ip-wv. "JL\\\\t)vwv.           yirwv-wv.              /uiji\'-wv.
D. r<ng KparJjp-fft. "EXAn-ci (n°. 38).yirw-ai.                  /xr/-ai.
A. Toiip Kparïip-ag. "ÉWriv-ag.            X\'T(\'\'v"a              /ir/v-ag.
Aldus gaan onder anderen ook: ó triorfip redder (N°. 74), ^pairrffp wegwijzer,
o n>iv maand
(N°. 58), ó X\'<v 9ans, ö Si)p wild dier, è k\\<!>v tak, 6 ayiov strijd,
o xu/iütv storm,
ö aiiav leeftijd, 6 nfiirtXwv wijngaard, b fo>p dief, 6 Xiifiióv weide.
47        2) Woorden wier stamklinker in den Nominativus uit e en o
verlengd is tot
ij en w.
6 itoifinv de herder, ó riyt/iwv de gids , aanvoerder.
Singularis.                    Dualis.                      Pluralis»
N. Troifir\'iv. riye/xojv. iroi/iiv-s. riytfxóv-e. troifiivtg. riye/ióveg.
G. Troi/iêvog. rtyefióv-og. iroifiiv oiv. yyifióvoiv. iroifitv-ujv. tiyt/xóvaiv.
D. Troifitvu riye/ióv-t.                                                  voi/jt-at. riyt/jió-ai.
Ac. Troi/xtv-a. rjytfióv-a.                                                 noifjiêv-ag. riysfióv-ag.
V. ttoi/xi\'iv. riye/iióv.                                                    rroi/jilv-tg. riyeftóv eg.
Zoo worden ook gedeclineerd : 6 YtXï&iv zwaluw, ó ar\\$tbv nachtegaal, 6 aXaZüv
snoever, 6 Ki/iiiv haven,
ö aixyv nek, y 0ptji» geest, ziel, r; x^v aarde, ó pijrwp
de redenaar (N°. 74).
48        3) De woorden op na hebben de r van den stam weggewor-
pen (N°. 44), zijn onzijdig, met het accent zoover mogelijk naar
voren. Zij worden verbogen als volgt: rö o-<öjua (st. aü/jtar) het
lichaam.
Singularis.                       Dualis. Pluralis.
N. rb a<~>/ia.            ~N. A. V. T(ï> awfiar-i. N. ra auifiar-a.
GK rov aw/xar-og.        G. D. toïv awfiar-oiv. G. rüv o-w/uar wv.
D. rw awfxar-i.                                                                 D. rotp awfia-at.
A. to aüifjiu.                                                                      A. ra awfiar-a.
"V. w (TÜifiu.                                                                      V. w (TU>nar-a.
Eveneens worden verbogen: rö iri>t5p;a <fe jees<, rö aró/ia mond, bek, xpüp<*
de kleur,
övofia de naam, tppóvtjfia moed, Khj.ui golf, iroiti/ia het gedicht,
rö wlX/ia voetzool, a/jiaprrina de zonde, misslag, rö aïviyfta /i«< raadsel.
49     . 4) Woorden wier Nominativus de r #arc dew sfajw weggewor~
\' pen
, en tevens de stamvocaal verlengd heeft.
Bijv. ó AÉwv (st. Aeovt) de ZeeM«\\
-ocr page 41-
N°. 49 , 50].                     DERDE DECLINATIE.                                 29
Singularis.
Dualis.
Pluralis.
N. ó Xiwv.          N. A. V. tw AtW-e.          N. oi Xêovr-cg.
G. TOV XlOVT-OQ. G. D. To\'lV XlOVT OIV. G. TWV XiOVT-OJV.
D. ry XiovT-i.                                                          D. roig Xtov m (N°. 40).
A. tov XéovT-a.                                                        A. Toiig Xiovr-ag.
V. el Xiov (No. 74).                                   V. & XêovT-t<;.
Declineer evenzoo : ó apx<fv aanvoerder , ö yipotv grijsaard, 6 ipaxoiv draak, slang,
è Sipanmv dienaar.
5) Woorden wier nominativus den stam door een q versterkt
heeft, a) voor welke r, 8, 3 en v zijn weggevallen, b) en met
welke de k, y
, \\ tot £, c) de ir, j3, (p tot \\p zijn overgegaan ,
volgens N°. 38, 2.
A. Bijv. iï plg de neus, jj Ki>»jju7e ^e scheenplaat, ij Stp/uorrie
de warmte, ó 7470? cfe rews.
Singularis.
N.
r/ S\'ep/uor»}?.
GK
tï/c SeppórriT-og,
D.
^rtp/nórijr-i.
A.
tjjv S\'cpyuórjjr-a.
V.
(1 S\'ïp^órije.
Kvtin\'ie.
pÏQ.
0
yiyaq.
KVtlfüS OC\'
p\'ivóg.
TOÜ
yiyavr-og.
KVtlfÜO-l.
p\'iv-i.
rV
ylyavT-t.
Kvri/xic-a.
ptv-a.
rov
yiyavr-a.
Kvrifüg.
pÏQ.
*
O)
yiyav.
Dualis.
KVt)fï!è £.
pïvi.
ylyavT-t.
Kvt)niS-oiv.
pivoiv.
yiyavT-oiv.
Pluralis.
KvrifüS Eg.
/OÏV-Ef.
Ot
yiyavr ig.
KvrifjilS-uiv.
piv-Cov.
T(TlV
yiyavT-wv.
KVT)\'fÜ-(Tl.
pi-ai.
roTf
yiya-ai.
N. A. Y. to» Srfp^uorrjr-É.
G. D. TOt» 3\'EpjUOr/jT-Otl\'.
N. V. at, w &fpjuoTrjr-ec.
Q-.          TWV Stp/lOTllT-tOV.
D.
Kvrj/uïS-a?. ptvag. roiig yiyavr-ag.
A. rag vEpjUorijr-ac.
Ter oefening:
a) met r tot eindconsonant van den stam. »; ipvSpórtic, roodheid, >; ramtvórnc;
nederigheid, >/ pirpiórnt; matigheid, ii toSjjc A«< i\'e.d, ») >/Wrijc zoetheid , 1) «rutórrji;
slechtheid, »; iroiiAórijc onbestendigheid, j) ri;0\\ór»JC blindheid, 1\'; Ao/iirp«5rijc glans,
ij viiirnc jeugd, rb 0<5j ^e< frcA<, u 0ilc <fe ma».
4) met 5 tot eindconsonant van den stam. 1) Xa/in-ac de fakkel, 6 <j>vya<; de bal-
ling,
17 x^a/*^i\' * mantel, r; AttIJj a*« Aoop, t) <J<rjr£c ra^a* schild, >) rvpavvtc; alleen-
heerschappij , 1) Kptintc, de grondslag,
r; 7rarp*c vaderland, è 1) »raïc £»\'«<* (N°. 63).
-ocr page 42-
30                                   DERDE DECLINATIE.                  [N°. 50—52.
c)   met & tot eindconsonant van den stam. 7) xépvQ de helm (N°. 72). ó 1) ipvl{
de vogel.
d)   met v tot eindconsonant van den stam. ó Si\\<t>ts de dolfijn.
e)    met vr tot eindconsonanten van den stam. ó l\\(<pas de olifant.
B.     ó K»\'(pü5 de heraut, 6 rtrrt£, de krekel, ó oi>S£, de klauw,
V <paXay£ de slagorde.
Singularis.
N. V. ó, <u Ki\'ipvZ. TtTTtfi. ovv£.                 1? ^aAayl;.
G. rov Ki\'ipvKOg. rirrlyog. 6vv\\-oq.        rijc $aAayy-o£.
D. rql Ki\'ipvic-i. rtrriyu ovv\\-i.          • rijï 0aAayy-t.
A. tov Kr\'ipvK-a. riTTiya. 6vv\\-a.          rrjv <pdXayy-a.
Dualis.
N. A. V. TW, 5) Ki\'ipvK-e. TtTTÏye.           ovv\\-e.                    tpaXayy-f.
G. D.
Pluralis.
N. V. oi, (1 Ki\'ipvK-f^. TtTTiyiq. ovv\\-f.Q. al tpaXayyig.
G.
           twv Kt)p{>K-u>v. TtTTtywv. 6vv\\-ti>v. twv <j>aXayywv.
D.           roTg Kripv^l.           t(tt1£i.              ovv^t.            raït; faXayZi.
A.            rovg Ki\'ipvK-ag. rtrrly-af. ow^-ac\' rag (paXayy-aQ.
Ter oefening:
n) met eindconsonant e. 17 ctipl vlcesch, fwpinit mier, ó rópnï run f, ó k<>\\ii£
tffete/-, 17 jct/\\ 1E ieiw, ö düpsg harnas, ó 0ü\\a£ wachter, 7) a\\«T>]£ vo* (Gen. a\\<i-
ir«oc).
4) met eindconsonant y. ó ij nïï yet\'<, 17 nrlpui; vleugel, 1) tp\\i,l vlam, >) pcuTTïZ
zweep.
e) met eindconsonant x- v $P\'l haar (N°. 37) , 1} ttt6Z plooi.
d) met dubbel y. 7) Xapvyi de keel.
C.     ó yvip de gier, 7) <pXê\\p de ader, 77 icarSjAj^ de trap.
Singularis.
N. V. ó yvip.                         t) (pXiip.                        KaTrjXap.
G.          tov yvir-óg.                 rije 0Ae/3-oC"                  KarTjAi^-Of.
D.          t<£ yvir-t.                    Ttj ^Xs/3-t.                     KariiXi^\'i.
A. rov yün-a.                 rryv <j>Xi(S-a.                    KaTt\'iXiQ-a.
Dualis.
N. A. V. TW yvw-e.                           $Xif5-t.                     KUTr)Xi(p-e.
G. D. roti\' ywTT-otv.                       <f>XsfS-oiv.                 KaTr>Xt<jt-oiv.
-ocr page 43-
N°. 52—54.]                       DERDE DECLINATIE.                                            31
Pluralis.
N. V. oi yvir-tr;. al <j>\\i(3 eg.               icarY/Ai^-te.
Q. rüv yvtr-üv. tüv <p\\efi-üv.             kotijX/^-wv.
D. to\'iq yvipt. Talg (pXiipi.                   KarriXixpi.
A. rovg yvir-ag. rat; <j>\\é(5-ag.              Kari\'iXtijt-ag.
Ter oefening.
a) met ir. 6 ypity de grijpvogel, b kvkXio^ de cycloop, b) met /?. ó ^aXu^
het staal.
§ 20.
Accent en Quantiteit.
I.    Accent.
1) De monosylldba der derde declinatie hebben in Geniti-
vus en Dativus van alle numeri het accent op den uitgang, in
de andere naamvallen op de stamvocaal. Bijv. pfiy. N°. 46.
Zijn de uitgangen van den Genitivus lang, zooals in het Plu-
ralis, dan moet het accent de circumflezus zijn volgens N°. 10. 6.
2) Zijn van dezen regel uitgezonderd:
a)  de woorden ü waïc. het kind, ri oi\'c het oor, rb <f>üc het licht, r; Sqc de
fakkel, b
Tpwc de Trojaan, die in den Genitivus Dualis en Pluralis paroxytona zijn:
iraidÓQ, wróc, <pwróc., doiSóc., Tpatóe, maar iraiêwv, üruf, tpürtav, SoiSuv , Tpwtuv.
b)  rröc, ieder, geheel, en tic. e\'en , in de samenstelling obliic. (voor oitfl «Ij)
en /uji\'fi\'f (voor /iritfè tij) niemand, geen , die den regel slechts in het enkelvoud
volgen: ffavróc;, oiJej/óc, doch wavrwv, oiiSfvuiv.
c)  de eensylbige participia en het vragend voornaamwoord rif wie, welke, die
het accent in alle naamvallen op de stamsyllabe behouden : bijv. rivuiv; iivrmv
G. PI. van Stip Part. Aor. II. Act. van riSij^e , ik stel.
d)  Een schijnbare uitzondering maken verder sommige bijna enkel bij dichters
voorkomende monosyllaba, die door samentrekking uit tweesylbige woorden ontstaan
zijn : rb >}p (uit tap) lente, Gen. i/poc , u Xac (uit Xflac) slee/l > Gen. Xaof, rö e>}p
(uit ciap) hart , Gen. *i)pof, \'o irptav (uit irpijüf) heuvel, Gen. jrpdvoc..
II.   Quantiteit.
1)  In de uitgangen dezer declinatie zijn de ancipites kort,
behalve de a van den Ace. Sing. en de uitgang ag van den Ace.
Plur. in de woorden op tig, die lang zijn. (Zie N°. 241. b.)
2)  Als stamvocalen zijn de a, i lang, bij stamvormen op
av , tv , ty en &.
Bijv. SiXipic. dolfijn Gen. JiX^tvoj, waiav loflied Gen. iratavoc,, tïttiï, krekel Gen.
rcrrïyoc, öpviQ vogel ópviSoc. De quantiteit bij andere stammen moet het gebruik
leeren.
-ocr page 44-
32                                            DERDE DECLINATIE.                       [N°. 55—57.
§ 21.
Geslacht.
1.    Mannelijk zijn alle woorden op tic , r)v, 7)p, av, uv, rwp, de woorden wier
Genitivus op vtoq uitgaat, en de woorden op wc die niet oxytona zijn.
Uitgezonderd zijn: i) yaarifp de buik, maag, »} *r;p de dood, r) 0prjv het gemoed,
de geest,
Qwc, het licht.
2.     Vrouwelijk zijn de oxytona op i en wc, de woorden op a5c, ttjc en de
meeste op ij. Doch die op i)c zijn mannelijk, uitgenomen »; ;<i3i\';c /»7 kleed, Gen.
rijf foS\'/jroc.
3.     Onzijdig zijn de woorden op « , i, v , ap , oc en de pluraüa op i). Verder
nog rö irüp A<< v«ac , rö ov{ het oor, rb vSwp het water etc.
Uitgezonderd is : het dichterlijke ó i//óp de spreeuw.
4.    De woorden op -u>v Gen -uvoc zijn mannelijk, die op -uv Oen. -ovoc
vrouwelijk, uitgezonderd de masculina alwv as, kóvuiv regel, iVijiwi\' geest.
De woorden op -aQ Gen. -a Soc zijn vrouwelijk, die met den Gen. -aoc en -aroc
onzijdig, behalve het dichterlijke ó Xnc Gen. Xflot de steen.
Aaxm. Wat er verder nog aangaande het geslacht valt op te merken, zal het
gebruik leeren.
§ 22.
Over het vormen van den Nominativus.
1.    In § 19 hebbeu wij gezien hoe een woord van de derde
declinatie moet verbogen worden wanneer men eens zijn Nomi-
nativus en Genitivus kent. Hier nu wordt geleerd hoe men
den JSTominativus kan vinden van vormen, die ter vertaling ge-
geven zijn.
2.    Te dien einde moeten wij de woorden dezer declinatie in
twee klassen verdeelen.
Eerste klas: Woorden wier stam op een consonant eindigt.
Tweede klas: Woorden wier stam op een vocaal eindigt.
A. Eerste Klas.
"Woorden wier stam op een consonant eindigt.
3.    De consonanten waarop de stam kan eindigen zijn: 1) de
liquidae v of p. 2) de mutae, zoowel de linguales r, §, §• als
labiales n, (5, <f> en gutturales k , y , x-
4.    Om nu van een gegeven consonantstam den Nominativus
te kunnen vinden, lette men op de volgende regels.
Gegeven zijn bijv.:
a)    jroi/ifwc - xi\\ilóv(DV - pfiropaQ - a/poc. - iraiavot.
b)    aiojiuTi • XapiraSa • öpviïoc - Sip/iórnra - avaxTts - vvktü - &pxovro{ • Xlovri -
yiyavra - ipura - «répiiroc.
-ocr page 45-
N°. 57—62.]                     DERDE DECI.IXATIE.                                      33
e) XaiXairof - 0Xê/3<Sc - Kari]XitpoQ.
d) Kopaxuiv - TtTTiyiQ • övv\\a - tpaXayyaQ.
5.    I. Hoofdregel. Men laat de uitgangen der verschillende 58
naamvallen weg en houdt dan den stam over.
De gegeven vormen worden dan :
a)   Trnifuv • \\i\\idov - pt)rop • afp - vaiav.
b)   aiuftar - Xa/uiaS - ipw; - Stp/uorijr - üvukt • vvcr - dp\\ovr - \\tovr • yiyavr •
Ipiar
- xipar.
c)   XatXair • 0X(|3 - KaTt)Xi<p.
d)   KOpaK • TiTTiy • 6vv\\ - ipaXayy.
6.    II. Eegel. Volgens N°. 45 , 2 mag de Nominativus nooit 59
op eene t eindigen.
III. Kegel. Men versterke den stam om den Nominativus
te vinden
op de volgende wijze.
I. Stammen eindigende op de liquida v en p.
7.    Alle stammen op v en p hebben in den Nominativus de 60
lange vocaal. Zoo worden dus de Nominativi der boven aange-
geven stammen onder a).
wotfiriv - xiXiBwv - pjjrwp - aijp - waiav.
Aanh. 1) De monosyllaben op v en j hebben alle, behalve ») 0p>/v Gen. ippivóc,
geest
en i) jjw Gen. xJovóv tutrde, reeds in den Nominalims den zuiveren stam :
bijv. ó fu)v Gen. /irjvóc de maand, b 9rjp G. Sijpóc het wild dier, u «Xwv G. cXwvpc
de tak, b </>wp G. fyiapóq de dief.
2) De woorden op -i\'jc zijn oxytona, die op -wc van meer dan een lettergreep
paroxytona, die van een lettergreep oxytona.
II. Stammen eindigende op een muta.
a. Stammen op r.
8.    De woorden wier stam op r eindigt bestaan uit twee klassen. 61
Tot de eerste klas behooren:
1)  de woorden wier stam op fiar eindigt. Deze werpen de
r van den zuiveren stam in den Nominativus weg zonder verdere
verandering. Zoo wordt awfinr in den Nominativus oüfia.
Aa.nm. Alle woorden op -pa zijn onzijdig en hebben het accent zoover mogelijk
naar voren, terwijl de paenultima of voorlaatste lettergreep lang is, uitgenomen in
tTTÓfia mond en ipv/ia bolwerk.
2)  de woorden wier stam eindigt op -ovt, bijv. ap\\ovr, \\iovr. 62
Deze werpen eveneens de t weg, doch verlengen vervolgens,
3
-ocr page 46-
34                                           DERDE DECLINATIE.                        [N°. 62—66.
gelijk de stammen op v, de o tot w. Zoo zijn de Nominativi
van aQXpvTOQ en Xiovri , ap^iov en Xioiv.
Alleen is uitgezonderd oSouc tand, Gen. HBovrog, wat den
regel der overige mutae volgt; zie N°. 64.
63         9. Tot de tweede klas behoor en alle andere ivoorden wier stam
op t uitgaat
, hetzij deze van een jj of u> of van een consonant
is voorafgegaan. Deze nu volgen denzelfden regel als al de andere
mutaestammen. Zie /3.
/3. Overige mutaestammen.
64         10. Alle overige mutaestammen vormen hun Nominativus door
bijvoeging eener
e, waarvoor volgens N°. 38, 2 de lingnales r,
8, & wegvallen , met welke de labiales ir, /3, # tot \\p, de gut-
turales k, y, ^ \'°\' ^ overgaan, terwijl na wegvalling van vr
(bij andere stammen dan die op -ovt) de a , t, v lang worden,
en de e tot et verlengd wordt.
Zoo wordt de Nominativus der voorbeelden onder:
b)    Xa/^wag - opvig - ^ep/iÓTï)g - avas, - vvs, - yiyac - 6pw<; - Kipac;.
c)    XaïXaip - <f>Xt\\p - KarïjXiip.
d)    KÓpaS, - t£tti% - ovu£ - (jtaXayli.
(>5          Aanm. 1) Hiertoe behooren ook eenige v stammen, welke in den Nominativus
een s aannemen en de v uitstooten: bijv. SiKjif, Gen. SiXfiivoc dolfijn, a*rïc-ïi\'oc
straal, Sïg - Siïvóc strand, pig - pivóc, neus etc.
2)    De woorden op -rijc zijn vrouwelijk, paroxytona en hebben den Gen. op
•rrjroc; zie N°. 50, a. Doch uitgezonderd zijn de Mannennamen op -tijc zooals
SWparrjc, die tot de Vocaalstammen behooren : N°. 83. De woorden op -rnq die
mannelijke bedieningen of personen uitdrukken zijn van de eerste declinatie: bijv.
Ti\\viri\\z kunstenaar, iro\\£rr|c burger, vavrng schipper, terwijl die woorden op -rr)i,-,
welke afgetrokken denkbeelden beteekenen, tot de derde declinatie behooren, zooals
Stp/iórrjc warmte, ipvSpórris roodheid, TairtivÓTj)c. nederigheid, pirptórrig matigheid:
N". 60, a.
3)   y & X (!> v r) l vos ontvangt de c en verlengt tevens de vocaal. Gen. aXanrticoc:
irove voet
heeft tot stam jrotf, Gen. woS6c-
B. Tweede Klas.
Woorden wier stam op een vocaal eindigt.
66 11. De vocaalstammen gaan uit op e , v , o , a of w.
a) De vocaalstammen op u, w en a vormen den Nominativus
-ocr page 47-
N°. 66—72.]                       DERDE DECLINATIE.                                            35
door achtervoeging eener e, bijv. Ix&v-oq st. lx%v, Nomin. 1\\Svq
visch
, rjpw-oe st. fipio, Nomin. rjpwe /ïeW, aêXa-og st. aeXa,
Nomin. aiXag glans.
b)   De vocaalstammen op e versterken deze in den Nominativus 67
tot ig , oe, £we- Hoe nu bij een bepaalden vorm de e in den
Nomimitivus versterkt is, kan alleen het gebruik leeren, bijv.
(5aaiXi-a st. fiaoiXe, Nom. fiaatXtvs koning.
iróXt-cri st. ttoAe , Nom. nóXi^ stad.
Ttixt-<»v st. TEt^e, Nom. teÏ^oc muur.
Aanm. 1) De e wordt slechts «\'» twee substantiva tot «c en in slechts twee andere 68
<o£ u versterkt: nl. in Trrjyvi onderarm, el, m\\irvi; bijl, irüv kudde en airru «<«<?,
wier Gen. zijn: irr/xewc, irAé*s-wc, «rcüt-oc, airrt-of. Verder hij alle adjectiva
op ic-iïa-i: zie N°. 111.
2)    De t wordt slechts tot jjc versterkt bij Mannennamm, hijv. ArijUo<T5éi/i)c Gen. 69
A)jfto<r9ive-oc, SwrpÓTijc Gen. Sw/cpare • oc- Verder bij de adjectiva op -»je • *C
N°. 117, alsmede bij rpir/ptjc, yafa\', wat eigenlijk een adjectivum is, rpt^lpijc va5c
ee« schip met drie rijen roeibanken.
De volksnamen op -rjff zooals ó Srü&ric rftf Scyth, b IIfp<Ti)e rfe P«\'s, gaan naar
de eeiste Declinatie.
3)   De £ is ook eindvocaal van den stam bij eenige bijna niet voorkomende onzijdige 70
substantiva, zooals rb iréwipt peper, icófifii gom, Gen. Trtiriptot;, rófjjutoc.
c)   De o wordt in den Nominativus verlengd tot w of wc, bijv. 71
ri\\ó-og, Nom. rj^w ec/iö, atSó-oc, Nom. cuSwe, schaamte.
§ 23.
Over den Accusativus Singularis.
1.    De Accusativus Singularis wordt in het algemeen gevormd 72
door -a achter den stam te voegen, bijv. yipwv grijsaard, Gen.
yêpovr-oQ , Ace. ylpovr-a.
2.    Doch de woorden oj) «e ew vp vormen den Ace. door de ?
ï>a» den Nominativus in v te veranderen. Zoo ook ypaïig oude
vroïiw
, /3oü<; rwnd en vavg schip. Bijv. ;róA<e sto^, Ace. iróXtv,
irrrxye onderarm, el,
Ace. irr/xw, fiovv, ypaïiv, vaïiv.
Hiervan zijn echter die woorden op -ig en -vg uitgezonderd,
die en 1) oxytona zijn èn wier stam 2) op een consonant eindigt.
Bijv. è\\ric , Gen. iAiriS-oc , Ace. è\\wi$a hoop ; itarpiQ , Gen. irarpiiï-ot;, Ace. jra-
rplia vaderland. Doch épij twist, Gen. IpiS-og, Ace. êpiv; cópuc /i«ta, Gen. kó-
pvd-o£, Ace. cópuv ; ix^wfi w\'»«A , Gen. ix$v-oc , Ace. i\\&iv.
                           ,
3*
-ocr page 48-
36                                            DERDE DECUNATIE.                       [N°. 72—77.
3.    Do neutra hebben volgens N°. 23, 4 den Ace. gelijk aan
den Nomin. en gaan in het meervoud uit op a.
§ 24.
Over den Vocativus Singularis.
73           I< Bij de meeste substantiva en bij alle participia is de Vocativus gelijk aan
den Nominativus. Doch :
2. de woorden die in den Ace. v hebben, maken hun Vocativus door wegwerping
dezer v,
bijv. jróXt, irijxv, /3oD , ypav , Ipi, jcópo, i)(M, Ook rvpavvie, alleenheer-
schappij
Gen. rvpawtS • oc heeft in den Vocativus rvpavvi.
74           3. De barylona, die in den Nominativus de i of o van den stam tot n of <o ver-
lengd
hebben, ontvangen de korte vocaal in den Vocativus.
Bijv. ó Saiuwv geest.           Gen. Sai)io-voc,. Voc. Saiftov.
u pijTinp redenaar.
         ,, prjrop • oc. ,. pijrop.
Swcparqc Socrates,        „ Swjcpürïoc. * EwKpanc.
>\'( /ilirtip moeder.            ,, (pjjrépoc).         „ ftyrtp.
Aanm. De mannennamen op -i/c  hebben in den Voc. anastrophe.
Wanneer de stam op eene t eindigt wordt deze hier evenals in den Nominativus
N°. 59 weggeworpen, daar geen Grieksch woord op eene r eindigt, bij v. yspwv
grijsaard Gen. y*pnvr-oc, Voc. y\'tpov.
Draagt echter de verlengde vocaal in den Nominativus het accent dan is de Voc.
gelijk aan den Xomin., bijv. iroi/i»;y herder Gen. voipiv - oc, Voc. iroiuiiv.
4.    Zijn uitgezonderd:
1)    ofschoon zij oxytona zijn: irari/p vader, Gen. (jrarépoc) Voc. irartp; aw7p
ma« , Gen. (ai4poc) Voc. avtp ; Saiip zwager, Gen. (^aj-poj) Voc. iïaip.
2)    ofschoon <fc vocaal ook in den stam lang is: \'AttóXXwv Apollo Gen. \'A7TÓX-
\\uvoQ Xoc.\'AttoWov; TlorraSüv Neptunus Gen. HoimSiZvoc, Voc. nóneijov; aoin\'ip
redder
Gen. irwrijpoc Voc. ircDrep.
Men bemerke tevens dat deze zes woorden in den Voc. het accent zoover mogelijk
naar voren trekken.
Hjfr
          5. De woorden op ivq werpen in den Voc. de j van den Nomin. weg en zijn dan
perispomena, bijv. fiaotXtvc. koning Voc. |3a<TAf5. Zoo ook wuïc £i»rf Voc. iraï en
vaOc .vc/u\'/j Voc. vaü.
\'J\'g
          6. De vrouwelijke woorden op <J e» wc hebhen in den Voc. ol, perispomenon,
bijv. »;x<4 wAo Voc. i)\\oï, aiSüe, schaamte Voc. aiSoi.
§ 25.
Syncope.
77 1. Door syncope verstaat men de uitstooting eener vocaal
midden in een woord.
2. Zij heeft plaats a) in den Genitivus Singularis en in den
Dativus Singularis en Pluralis der volgende vijf woorden, die den
korten stam hebben: ó nariip de vader, 17 ju?ir»jp de moeder,
-ocr page 49-
N°. 77 , 78.]                       DERDE DECLINATIE.                                            37
7) Svyarrip de dochter, ij yaoTi\'ip de buik, maag, en A»jju//r?jp
Ceres.
In genoemde naamvallen wordt de t uitgestooten, terwijl in
den Dativus Pluralis na het verdwjjnen der e eene a wordt
ingelascht.
3. Accent. Bij deze woorden staat in de verbogen naam-
vallen het accent op de t en in den Dativus Pluralis op de a.
In Genitivus en Dativus Singularis komt het accent op den uit-
gang, terwijl deze woorden in den Vocativus het accent zoover
mogelijk naar voren trekken. Zie N°. 74.
A?|/ir;rijp echter is overal proparoxytonon en heeft ook in den Accusativus de
syncope Ati/itiTpa.
Bijv. ó nari\'ip de vader.
Singularis.                       Dualis.
N. ó irari\'ip. N. A. V. to) irarÉpe.
G. toÏ) irarpóg. G. D. to\'iv irartpoiv.
Pluralis,
ot TrartptQ.
G. tÜv irarlpwv.
D. toÏq rrarpaai.
A. TOtig TTUTtpaQ.
V. Si itariptQ.
D. tu7 Trarpl.
A. TOV TTUTSpa.
V. ui irarsp.
b) In alle naamvallen van het tvoord avi\'ip man , wat verder
voor de welluidendheid een B in de plaats der uitgestooten t
aanneemt.
De Dativus Pluralis heeft tevens de a en het accent
der woorden onder a).
\'Av/jp volgt in de Genitivi en Dativi het accent der monosyl-
laba, terwijl het in de overige naamvallen paroxytonon is.
78
Dualis.
N. A. V. tü> avSpt.
D. D. to\'iv avBpoïv.
Pluralis.
N. ol avSpfg.
Gt. rwi» avèpüw.
D.
A. tovq avSpag.
V. 2> avènctj.
Singularis.
N. ó «i\'//p.
G. tov ai\'Spoe.
D. rai avBpi.
A. tov avSpa.
Vt v
. w avep.
Aanm. Hierbij behoort ook de Dativus Pluralis aarpaai van aariip ster, Gen.
iaripot j en de Gen. apvóc Dat. apvi Ace. apva , Nom, Plur. apvtc. Dat. Plur.
apvamv, die door Syncope gevormd zijn van een niet voorkomenden Nominativus
Apijv lam.
-ocr page 50-
38                                           DERDE DECLINATIE.                       [N°. 79 — 81.
§ 26.
Dativus Pluralis.
1.     De Dativus Pluralis wordt gevormd door den uitgang ai
achter den stam te voegen.
Eindigt de stam op een der labiales ir , /3, <j>, dan gaan deze
met de e over tot i//, of op een der gutturales k, 7, \\ ^an
veranderen deze met de g tot £, terwijl de linguales t, 8, $
en de liquida v voor de e wegvallen.
Staan voor den uitgang ai de vr, vB, v$, dan vallen deze
beide weg en wordt de stam vocaal zoo mogelijk verlengd: a, T, 5,
worden lang, e wordt e< en o wordt ov. Zie N". 38 en 40.
Bijv. XaïXaiJ\' stormwind. Gen. X«iXct7roc.        Dat.  Plur.  X<m\\<hI/-i.
tpXty vlam.
KaTÏjXnf/ (rap, zolder,
nópal raaf.
rérrij krekel.
övvK klauw*
fyaXayï, slagorde.
rruj/ia lichaam.
Xafnrac, fakkel,
opvis vogel.
in)v maand.
Xiinv leeuw.
yiyBQ reus.
0\\»/3óf.             „ „      <p\\i4/i.
jcnri/X(0oc.         n n      »ar^X«|t.
KipuKng.            „ ,,      /ciipnHi.
Tfrriync.          „ „      WrnSt.
^a\'Xayyof.         .,       f. <pQ.\\ay^t,
Xapura^of.        „       ,,      Xa/iiraiTi.
ópvïdof.           ,.       „     Spvim.
pnvóc..              „       „      ur)<ti.
Xiovrof.            „       „      Xiovai.
yiyavroc,.         „       „      yiySffi.
2.     De woorden die in den Nominativus Singularis eene diph-
thong
hebben, behouden deze in den Dativus Pluralis.
Bijv. P^aiXivc, koning.              Gen. paatXiwc..
ypavQ oude vrouw.
              „ ypaóf.
/3o5f rund.                          „ /3oóf.
va&f schip.                         „ rfwt;.
D. Plur. fiaaiXivat.
„ „ ypavtti.
n n fiovoi.
1. n
va vat.
Uitgezonderd is n-ovc «>e<, Gen. 7roSóc, Dat. Plur. itoai.
Aanm. 1) De t blijft kort in den Dat. Plur. der adjectiva op ciq (zie N°. 112),
bijv. x"P\'f|c bevallig, Gen. ^apitiToc, Dat. Plur. ^apiicri (van een stam \\apttr), doch
bij de participia wordt zij verlengd , bijv. jiovXivSiic, , Gen. fSovXcvSivToc., Dat. Plur.
fSovXiv&tm.
2) Men herinnere zich wat N°. 21. a. over de v ephelcusticon gezegd is.
§ 27.
Samengetrokken derde Declinatie.
De woorden der derde declinatie , wier stam op eene vocaal
uitgaat
, ondergaan of in alle of in sommige naamvallen, waar
-ocr page 51-
N°. 81 , 82.]                       DERDE DECUNATIE.                                             39
de uitgang eveneens met een klinker begint, samentrekking.
Deze woorden kan men in drie klassen verdeelen. Doch:
1.     De woorden op -v<; met den stam op -u ondergaan geen
samentrekking.
2.     De Dativus Pluralis kan nooit samengetrokken worden, daar
zijn uitgang met de consonant e begint.
3.     De Ace. Plur. ging oorspronkeljjk bij mannelijke en vrou-
welijke woorden uit op -i\'c, welke v na stammen, die op een
consonant eindigen tot « moest overgaan. Bij vocaalstammen is de
v weggevallen met verlenging der vocaal: zoo \\pv\\a^ (voor \\pv\\avs\\
avSpioTTovQ
(voor avSpivTrovg), iróXetq (voor iróXivs), t\\^vg (voor
Ix$vi>g)- Hier heeft dus geen samentrekking plaats.
4.    De wijze waarop de verschillende vocalen samengetrokken worden, leert men
het gemakkelijkst uit de voorbeelden. Alleen lette men er op, dat de vocalen -in,
die gewoonlijk tot »j worden samengetrokken, wanneer voor f« nog een klinker staat,
tot d samensmelten , bijv. lltpneXhia wordt IlfpirAfa , doch Tli%ta wordt riix>l-
Scêünc gereedschap heeft ff/ctüi/.
§ 28.
Eerste klas van samentrekking.
De woorden op oe, nc, w en mq worden in alle naamvallen samen- 82
getrokken, uitgenomen in den Dativus Pluralis, volgens N°. 81,2.
1. De substantiva op -oc, die naar de derde declinatie gaan,
zijn onzijdig en hebben het accent zoover mogelijk naar voren ,
terwijl de mannelijke en vrouwelijke op -oe naar de tweede decli-
natie verbogen worden.
Bijv. to TtTxoc, de muur.
Singularis.
                              Dualis.                                Pluralis.
N. V. to TÜ\\og.                                                                              N. V. ra (rei\'xe-a) Tti\'^rj.
G. TOV (rflYéoc) Tt\'l\\OVQ. N.A.V. TW (rél^é-t) T((\\H \').        G. TU)V (rtiyt-wi\') Tll\\ü)V.
D. Tljj (rflx\'-i) Tlt\\ei.        G. D. TOÏV {ruxi-Olv) Tlt\\OÏV.       D. TOT? TU\\tai.
A. TO TÜ\\OQ.                                                                                 A. TU (r«l\'x«-o) Ttl\\1f.
l) Ttt^oc : st. Tfi^ec. Gen. TtT^t-ff-of , reiene > w\'xoi\'C : N°. 244.
Von den -c-Stiimmen in Handschriften der Attiker uncontrahierte Formen wie
yiva, die eirre Neubildung sind ; altes yivtt mussle zu yévn werden; yivr) das man
als daraus contrahiert ansieht, ist die auch dualisch verwendete 1\'luralform. Gust.
Meyer.\' N°. 381. Zie ook Meisterhans Gramm. der Att. Inschr.2 p. 103 en 162.
-ocr page 52-
40                                            DERDE DECLINATIE.                      [~N°. 82 — 85.
Aanm. 1) Voor het accent vergelijke men N°. 11.
2) In het attisch worden deze woorden altijd samengetrokken, doch den Gen.
Plur. vindt men dikwijls niet samengetrokken, bijv. bpiüv, Xen, An. IV. 1. 7\').
Voorbeelden ter oefening:
ytvoc het geslacht, rb TrXiy&nc de menigte, rb tros het jaar, rb lïboQ de ge-
daanle, rb
Wpdoc de winst, rb iriXayoc de zee, rb üi\'Soc de bloem, rb öpoQ de berg,
rb rifiivoc het heilig stuk land, rb
tjroc hit woord, gedicht, rb «Xfoc, de roem, rb
ft\'-yi$o£ de grootte, rb
icüXXnc de schoonheid, rb fiapoc, de last, zwaarte, rb a\\$oc.
de last, rb
xé\'X°C &e I*P > T<> »**Xi>C been, poot.
83        2) Van de substantiva gaan alleen de mannennamen op -rj?
naar deze declinatie, zooals S&ncparrje, A n|uoo-$évqg enz. Verder
gaan slechts de adjectiva op -»/c (N°. 118) naar het voorbeeld
Tpt>\'jp»)5, wat eigenlijk ook een adjectivum is. Zie N°. 69.
Aanm. Men lette voor het accent op den Gen. Dualis en Plur. ^^ie tegen N". 11
paroxytonon is, en men verwarre deze woorden op -«ic niet met de substantiva op
-ri)C van N». 60 en N°. 65. 2.
Singularis.                           Dualis.                             Pluralis.
N. 17 rp/jpjjc, de galei.                                             N. al (rptiipi-ic) Tpifiptig.
Q. rijf (rpiypt-oc) rpriipovg. N.A.V. rtti (rperjpe-«) rpiljpst. G. rüiv (rptijpt-oii\') rpifipiov.
D. rij (rpiiipt-ï) Tpn\'ipet. G.D. rolv (rptrjpi-oiv) Tptt\'ipoiv. D. Talg Tpi()pt-at.
A. Tl/l» (rptripf-a) Tpi//pj).                                                                A. TÜQ (rpi^pe-vf) rptrjpMf.
V. 5> TpirtpiQ.                                                                                V. Si (rpiripi-it) rpiripug.
N. Stütcpartjc 2) Socrates, G. \'Eiwicparovg , D. \'SiWKpard , A. Sb)Kpar>),
V. Sci.cpar£C (N°. 74).
84        3) De mannennamen op -«A>je hebben in den Nominativus
reeds een samentrekking ondergaan uit -K\\ir\\g, vandaar dat in
den Dativus een dubbele samentrekking plaats heeft, bijv.
N. (\'Hpaexjijc) \'HpaicA»ie Hercules. G. (\'Hpa*\\«-oc) \'HpaicA! ovg.
D. (BpacXtC-ï, \'HpaeXi (,) \'HpaicAtï. A. ("Hpa*X«-a) HpaicAf\' a (N°. 81 , 4.)
V. (\'HpaVxt-Jï) \'HpaicAïte.
85        4) Slechts de vrouwelijke op &> en uig behooren tot deze sa-
mengetrokken declinatie. De meeste dezer woorden hebben uit
den aard hunner beteekenis geen dualis en pluralis ; mochten zjj
echter in deze numeri voorkomen, dan worden zij naar de tweede
declinatie verbogen (N°. 30).
\') Der Genitiv PI. hat immer -wv, niemals -éu>v. Meisterhans, p. 103.
2) SWpariic st. \'SuiKpartt Gen. £wcparc-(r-oc , Storpartoc, Soncparovc etc. Zoo
ook rpii/ptï etc. N". 244. Vandaar het accent op den zuiveren stam in den Vocativus.
-ocr page 53-
41
N°. 85-88.]
DERDE DECLINATIE.
De Ace. Sing. dezer woorden is oxytonon tegen N°. 11 , doch
alStóg schaamte heeft ook aiSö>.
Bijv. N. 17 ri\\ió de echo, Gen. rik (ijxo-oe) \')X0"C > Dat. rV
(rjx6-t)
j?x°\' > Ace. tj)v (ji\\ó-a) ri\\(ó , Voc. w i?x«? (N°. 76).
Hiertoe behooren dus niet de masculina op -<«c zoonis zijn: ó f/pwc de held, ó TpcJc
de Trojaan, MivMf Minos, welke geen samentrekking ondergaan. Alleen »/pu»ï kan
den Ace. Sing. i)pt»a tot ijpw en den Ace. Plur. j/pwuc tot f/p«c samentrekken. Ove-
rigens is de declinatie regelmatig. Gen. fjpw-oc, Dat. »/pw-ï, Plur. Nom. >jpw-tc,
Gr. i\'ipui\'htv, D. ?/pw-<7i.
§ 29.
Tweede klas van samentrekking.
Tot deze klas behooren die woorden, welke in den Dativus
Singularis
en in den Nominativus en Vocativus Pluralis samen-
getrokken worden. Deze zijn 1) de substantia op -<e, wier
stam op
£ eindigt.
2)     de substantiva nt\\\\vQ onderarm, el, iriXtKvc bijl en atrrv
stad
, wier stam eveneens op t eindigt.
3)     •• subst. op -ac Gen. -aoe ,"sïi*fe\' ró o-e\'Aae ^r^aws , to StVac
te&er, rb oKtiras beschutting.
Substantiva op -tg met stamvocaal op t.
1)      Bij welke substantiva op -ic de stam op t uitgaat, kan men slechts volledig
leeren door het gebruik. Men lette echter op de volgende opmerkingen:
De stam op c hebben
a)     de appellativa, die op -<tic, -<|/ic en -£ic uitgaan, bijv. v raïiQ de plaatsing,
r; irpat\'Q de handeling, >\'/ 0ü<rif de natuur, »; üX<i<j<ic het zalven, »; ü-^ic /(e< gezicht.
b)     ook eenige andere appellativa die niet op eric uitgaan , waarvan de meest alle-
daagsche zijn: 6 fiAvric, de wiehelaar, r; jróXie de stad (met zijn compositum <irpó-
iroXif burcht), r\'i Uva/tic, de macht, »/ C/3p\'C de overmoed, ó 50iC de slang, ») nioric,
de trouw, y tnravic, het gebrek, y iravliyvpic, de volksverzameling, ö
é^\'C ^ adder, y
rónc het stol\'.
Daarentegen hebben den stam op t de eigennamen op -if, alsmede eenige adjectiva
op
-if, zie N°. 119; bijv. \'Svivv\'toic,, Gen. 2i>fi>vivt-oc> Wpic bekwaam, Gen. Wpt-oc.
2)     Deze woorden op -ic zijn meestal vrouwe\'ijk (Nu. 65) en hebben alle het
accent zoo ver mogelijk naar voren.
Aanm. Ook nog het woord irüv kudde heeft den stam op i, doch komt alleen
bij dichters niet samengetrokken voor. Gen. ïr<i»"-oc.
Zoo ook de onzijdige subst. op -i, bijv. aita-iri, G. oivawi-oc, etc. Zie Nu. 70.
Zie de Voorbeelden in § 30.
-ocr page 54-
42                                            DERDE DECMNAT1E.                                 [N°. 89.
§ 30.
Attische Genitivus.
89 1. De appellativa op -ig met den stam e, alsmede aorv, Trï)\\vQ
en TTtXtKvg hebben den zoogenaamden Attischen Genitivus in Sin-
gularis en Pluralis.
In het Singularis onderscheidt hjj zich door den uitgang -iw{
en het accent, terwijl alleen het accent hem in het Pluralis doet
kennen.
Deze naamvallen zijn namelijk proparoxytona, ofschoon
de uitgangen w^ en wv lang zijn.
De Eigennamen en Adjectiva hebben dus volgens N°. 88 geen Attischen Genitivus.
Aanm. Wat den Accusativus dezer woorden aangaat, weet men dat zij volgens
. N°. 72, in dien naamval de c van den Nominativus in v veranderen, terwijl zij
deze v in den Vocativus eenvoudig afwerpen, en in beide naamvallen de vocaal
van den Nominativus behouden. N°. 73.
Bijv. r/ jnSXic de stad, o tfijv.i\'C de onderarm , el, rö <r«\\ac de glans.
Singularis.
N. q iróXtQ.                       ó 7rï)\\vQ,                         otXac.
Gr. rijg iróXt-wt;.               tov Tri\'i\\t-(i)^.                     aêXa-og.
D. rri (jtoM-ï) wóXct. T<jji {vl\\\\i-\'i) Tr>i\\ei.             («Xo-ï) ffiXai \').
A. rrjv ttÓXi-v.                   rov 7rij^i;v.                         o-Aap.
V. S) wóXi.                        w Trï\\\\y.                            olXaq.
Dualis.
N. A. V. rw, & nóXi-t *).           ir)\'i\\(-t.                          trtXa-t.
G. D TÓlV TToXt-OlV.            7T»7^É OIV.                        (TtXa\'OtV.
Pluralis.
N V. ai, 3) (jróXf-ff) irnXtiq. oi (t//^«-fc) wr)\\tiq.            (<r«\\a-«) otXa.
G. toïv nóXt-wv. VTi\\f-lt>v.                          otXa-tov.
D. ralq nóXe-at. ro7c Trif^t-ot.                          aiXa-ai.
A. rag (TÓXe-i/f) iróXeig tovq (t^x\'-\'c) t»\'(\\ïiC\'           (<rl\\o-n) atXa.
"Aorv Stad (Athene). G. aoTti.it;. D. aam. P.N.  aart). G. aarnov.
D. a<jTiai(y).
\') Formen wie i>ip<f d. i. yiipüi in attischen Texten werden allerdings durch
(Choirob.) Herod. 2. 316, 10 ff. geschützt, sind aber lautgesetzlich nicht zu recbt-
fertigen. Gust. Meyer. 8. N". 347.
2) n<5\\ét en 7tóXt|. Beitr. zur hist. Synt. von Schanz. Keek. I. p. 172. Zie
vóór den stam van TnSXif N°. 241 en N°. 449.
-ocr page 55-
N°. 89—91.]                      DERDE DECLINATIE.                                             43
Voorbeelden ter oefening op if. Zie N°. 87.
Verder nog: »\'; jióSijiric het onderwijs, de kennis, r; aaicriaic, de oefening, t) «rqffij
de bezitting, n XP^\'t het gebruik, v altrSrirrtc het zintuig, r; öo^pi/irif de reuk)
V yevaic, de smaak,
»\'/ loü>rr\\aiQ de vraag, »/ ^pórijiric hit verstand, v fjraXEif de wat.
2. De tvoorden op -t v g hebben den Attischen Genitivus op 90
-wq alleen in het enkelvoud. Zie voorb. in § 31.
§ 31.
Derde klas van samentrekking.
Tot deze klas behooren de woorden op -tvq die alleen in den 91
Dativus Singularis en in den Nominativus Pluralis samengotrok-
ken worden.
Deze woorden zijn alle oxytona en mannelijk. In den Nominati-
vus Pluralis worden zij tot -jje of -üt; samengetrokken. i).
Bijv. ó fiaatXtvc de koning.
Singularis.                       Dualis.                               Pluralis.
N. ó (iatrtXevg.                                                                    N. oi {fiaai\\é-n) (5aai\\ï)G-\\ti<;-
G. toÜ l3om\\ê-o.s (N°. 90). N.A.V. r£> f5am\\(-t. G. rüv fia<n\\l-(ov.
D. T([" ((3affiXi-ï) (5aat\\ü. G. D. tihv (3aoi\\ê-oiv. D. rolg (5aai\\tv-ai (N°. 80).
A. rov j3aat\\é-a.                                                                     A. roiig [3a<n\\t-ac.
V. w (iaaiXiv (N°. 75).                                                    V. 5> (/W.XÏ-fc) fiaoiXw-XÜQ.
Ter oefening:
o avyypatpiin; de geschiedschrijver, !> tipafuif de pottebakker, ó yvufyivQ de volder,
6 üi\'$pitKft><; de kolenbrander, b voutvc, de herder, b èpunvtvc, de tolk, 6
yovf\'c de
vader,
Plur. ouders, ó Upivc, de priester, ó [Spaf3ivc, de scheidsrechter, ó \'nrvfiic, de ruiter,
b Qoviuq de moordenaar,
ó dpofttic, de renbode, \' Ax\'XXiic, Achilles, \'Otivaotbc. Ulysses.
Aanm. Gaat een vocaal den uitgang -ivc, vooraf, dan is er in alle naamvalten samen-
trekking. Uitgezonderd is aXifüc visscher, wat slechts de gewone samentrekking
heeft. Bijv. ó TlXarativc, de Plateer.
Singularis.                                                  Pluralis.
N. ó IlXaraifis.                                N. ot (üXarau\'-ec) ITXaraiijs; of TlXaTatiïc,.
G. toD (YlXarmi\'-iDc) TlXaraiüe. G. rüv (IlXarciië\'-wv) ÏWaratüv.
D. Tip (TïXaraif\'-i) HXaraiit.           D. roïc UXaraitvai.
A. rbv (TlXarati\'-a) üXaruia.         A. rovc, (üXaraiê\'-af) nXaratüf.
V. w nXaronD. (N°. 81, 3).          V. Si (IUaraiéJ-tc) nXaraii/c of IIXarauTc.
\') lm Nominativ Pluralis begegnen vereinzelt die aufgelösten Formen -itiC (-1*C
kommt nicht mehr vor), -«c (yec)- Sonst wird gewöhnlich kontrahiert und zwar:
») in -»jc, vorherrschend bis 350 v. Ch., vereinzelt bis 325 v. Ch. 4) in -i!g nach-
weisbar seit 378 v. Ch., hiiufig seit 350, ausnahmslos seit 324 v. Ch. Meisterhans.
Gramm. d. Att. Inschr.s bl. 110.
Stam van fiaatXiüc,, fiamXiF of fiaoiXn,?. G. ffasiXéfoc; of paoiXijfoc. Hom. |3a-
iriXfjoc. Att. fiaoiXiojc. etc. N». 241 en N°. 449.
-ocr page 56-
44                                   DERDE DECLINATIE.                  [N°. 91—93.
Zoo ook ö \'Kperpiti/c de Eretrienser, o <Piok8ivc de Phocaëêr, ó llupativt de Pi-
raeus, xnl^t [eene maat).
De woorden op -ue Gen. -voq worden als volgt verbogen:
De Ace. Pluralis der Oxytoiia is perispoinenon \').
Sing.                               Dualis.                               Plur.
N. 6 ix^"c de visch.                                  N. ol lx^v-ig.
G. toÏ) })(§v-oq.             N.A.V. rw lx§v-e. G. rüv l\\^v-u>v.
D. Tt£ l\\ü-i.                G.D. roiv Ix&v-oiv. D. róig l\\Stv-<ri.
A. top 2x^"-                                               A- Toi>e \'XS5c (N°- 81> 3)-
V. S> lypv.
Aanm. 1. Algemeene regel hebben de woorden op -t;c den Gen. -woc. Hiervan
zijn uitgezonderd 7n"j^t>c, triXiKVQ en eenige consonantstammen, zooals 17 xAa/<^C
de mantel, Gen. xXa/uüê\'oc, */ \'poxic vlok. Gen. «porü^-oc, »; icóptif <fr helm,
G. icópuS-oc (zie N°. 50) en eenige adjectiva van een uitgang, bijv. ó ïirnXvQ, G.
•coq de vreemdeling.
2. Worden als volgt verbogen: ö, 1\'; /3oü<; rund, G. j3o6s , D. /3oi, A. 0o5v, V.
j3oD, Dual. N. A. /3ót, G. /3ooïi», PI. N. /3ó(£ , G. fioüv, D. /3ou<r«, A. /3o5c.
rpaüc 0M* vrouw, G. ypaóc, D. yfim , A. ypaüv , V. ypav , PI. N. ypat£ , G.
ypaüv , D. ypuvai, A. ypaüf.
§ 32.
Op zicA 2^/* staaw :
1. de substantiva op -ac Gen. -aroe, waarvan sommige
zoowel iu de samengetrokken vormen, na uitstooting der r, als
in de niet samengetrokken vormen voorkomen.
Zoo komt to KÏpag de hoorn in beide vormen voor; to rêpag
het wonder
wordt in het enkelvoud niet samengetrokken; to Kpêag
het vleesch
, evenals to •yijpat; de ouderdom en to yipag het geschenk
(welke beide laatste in den Gen. op -aog uilgaan) worden ge-
woonlijk slechts in de samengetrokken vormen aangetroffen.
Bijv. to Kipag de hoorn.
Singularis.                                       Pluralis.
N. to Ktpat;.                                       N. ra Ktpar-a (eipa-a) icêpa.
G. toÏ) Kipar-og («spa-of) Kipiog. G. t£jv Ktpar-wv («pa-aiv) KipCov.
D. T<ïj Kipar-t (*lpa-ï) Ktpat. D. rotj nipüat.
A. to Ktpag.
                                      A. ra Kspar-a {*ipa-a) Kt pa.
Dualis.
N. A. V. ra», & KtpaT-f. («po-O Kfpa.
G. D.        TOTv KtpÓ.T-OlV («pd-Otv) Ktptï.V.
\') Hoc quidem i\'x^\'~\'l\' quoniam perperam contractum babebatur, cum falso accentu
scribitur, rectum habes in t6i>c-tovc Menrad. De contr. et Sjniz. Usu Homerico. p. 56.
-ocr page 57-
N°. 94—98.]                       DERDE DECLINATIE.                                            45
04
95
2.    \' XrróWiov en Tloitiilwv hebben in den Ace. na de woordjes vi\\ ja lij-, en
(ia (meestal) neen bij-, den vorm \'AtóXXco en TloauSü.
3.    Sommige woorden hebben in den Nominativus reeds een samentrekking onder-
gaan , die echter op de verdere declinatie geen invloed uitoefent. Zoo bijv. >}p lente
etc., zie N°. 53 d, zoo ook ó TrXaicoüc koek uit TrXaicóttc etc. Bijv.
Singularis.
N. ó 7r\\aicov{.
G. roü ir\\aicovvT-oQ.
D. T\'ji wXatcovvT\'i.
A. tov w\\aicovvT-a.
V. w irXaicouc.
Dualis.
N. A. V. rut, w wXaroivr-f.
G. D. ro\'iv irXoKOvvr-otv.
Pluralis.
N. oi irXaicoüyr-fc.
G. rw 7r\\uicot/i\'r-wv.
D. roïc 7r\\njcoD-Tt.
A. roiiQ irXa/coüvr-af.
V. u jrXacoDvr-tc.
§ 33.
Afwijkingen in de derde Declinatie.
I.    Sommige substantiva, die slechts één vorm hebben voor den Nominativus,
worden, althans voor sommige naamvallen, naar twee declinaties verbogen; deze
noemt men hetcroclita.
Zoo wordt r) OiJtTouc in Genit. en Ace. naar de 2e en 3e declin. als volgt ver-
bogen: N. Otti*ov{, G. O(oïjro£oc en OiSiirov, D. OlSixott, Ace. Ottiiiroda en
Oliiirovv, Voc. Oi\'ftirou.
o) ó hkótoi; duisternis, naar de 2« en 3e declin. Gen. tov okótov en okótovq ,
Dat. rip aKÓTip en okótu, Ace. ril\' okótov.
e) t) rtypic tijyer, Gen. riypioc en riypio\'oc, Nom. Plur. riypuc.
rf) de Eigennamen van mannen op -?jc, die voorul den Ace. naar de eerste en
de derde declin. vormen, bijv. Ace. Swrpórni\' en i\'wrpar»; (N". 83).
e) "Opvïc vogel, Gen. üpvïSoc heeft het Pluralis regelmatig öpvlSjc en tevens den
vorm öpvtiQ.
II.    Andere woorden nemen in sommige naamvallen uitgangen aan, die naar een
niet bestaanden Xominativus gevormd zijn. Dit noemt men ntetaplasmits. De voor-
naamste woorden zijn :
a)    tó SsvSpov de boom , Dat. Plur. SévSpniQ en meer gebruikelijke Shtipioi als
van (rö déviïpoc).
b)    tó irvc het vuur, Plur. N. A. »rüpa , Gen. tüv wvp&v, Dat. roïc irvpoÏQ.
c)    i> Sio-/io<; band, gevangenschap heeft in het Plur. oi Siauot en rd Sia/ia.
d)    b (TTa9/JÓc, deurstijl, weegschaal, verblijf, dagreis heeft in het Plur. ol ara$uoi
en ra oraSy/a.
e)    araSiov, stadie (lengtemaat) heeft in het meervoud ol araStoi en ra araSta.
(Zie Thucydides 8, 78.)
/) ó fftroc koom, meerv. meestal ra atra.
ff) (lóaavv toren, G. fi6aavvaQ, Dat. Plur. /loaavvoic.
Aanm. Hierbij kan men ook eenige subst. op -wv rekenen, die sommige naam-
vallen hebben als van een niet bestaanden Nominativus op <i, bijv. iikióv beeld,
Gen. tiicoi\'oc en cürovc, Ace. iUu>, Ace. Plur. iikovq; atib\'wv nachtegaal, Gen.
atidóvoi; en dncuvt;, Voc. aijdot; ^(Xiiiiii zwaluw, Gen. \\t\\iihvoc, Voc. ytKiloi.
III.    Andere subst. hebben twee Nominativi, en deze worden Abundantia ge-
noemd, bijv.
a)    tö Saiepvov en (r6 Saicpv) traan, met den Dat. Plur. roïc SaKpvoic en Saxpvai.
b)    v rapa^i\') en 6 rapaxoc, onrust, verwarring.
c)    & wóroc de drank en rb itotóv (Neutr. van \'t Adj. Verb. van wivtit ik drink).
!)«
97
98
-ocr page 58-
[N°. 99.
46
DERDE DECLINATIE.
IV. Geheel op zich zelf staan de volgende woorden:
a)   to ydXa melk, Gen ydXaKTog.
b)    to yów de knie, Gen. yóvarog.
c)    to Sópv de lans, Gen. êóparo^ en Sopó^, Dat. Sópan
en Sopt (Supn bij dichters).
De vormen yoiivaroq, Soi/pams zijn Jonisch.
d)   to vBu>p het water, Gen. tov ilSarog.
e)     ro (Titwp drek, Gen. o-Karóe.
f)     ri yvvri de VrOUW , G. yvvaiKÓg , D. yvvaiKi , Ace. yuvaïica ,
Voc. yvvai. Plur. N. -yin>aticEe, G. yvvaiKwv, D. •yuvatlit, Ace.
•yuvaiKag.
Het accent als bij de Monosyllaba.
g)    Ze^c Jupiter, G. Aióg, D. Aa\', Ace. Ata, Voc. Ztü
(bij Dichters G. Ztjvóf, D. Zrp\'i\', Ace. Zrjva).
&) 17 icXtiQ de sleutel, Gen. icAetSoej Ace. kAhSci en kXeÏv.
Ace. Plur. icXiïSat,\' en kAeÏc. (Oud Attisch «Xy\'c, G. K\\ydóg.)
i) kvwv hond, heeft de syncope der o in alle naamvallen,
behalve in den Voc, die den zuiveren stam heeft. G. kwóq,
D. Kwt, Ace. k-i\'i\'ft, Voc. kvov. Plur. N. Kvveg, G. kmhöv, D.
Kvrti , AcC Kvvaq.
Het accent volgens de Monosyllaba.
j) fiapTvs getuige, G. fiaprvpoQ, Ace. fiaprvpa. Dat. Plur.
/uapruo-t(v).
&) ij vo«c het schip, G. vewc, D. vut, Ace. vawv. Dualis
G. en D. vtoïv. Plur. N. vritg, G. veoii/, D. yavai, A. vaut;.
Z) rooJc /ie* oor, G. wroc. G. Plur. &ru>v (N°. 53. 2.).
m) vlóg zoon, gaat regelmatig naar de 2e declin., doch
neemt tevens sommige naamvallen aan als van een niet bestaan-
den Nominativus (ut\'suc).
Singularis.                           Dualis.                            Pluralis.
N. vlóg.                                                                  N. vloi en vitïc.
G. vlov en w«oe. N. A. V. vlw en vlie.           G. utwv en tuéW.
D. vlijt en i»J«.           G. D. vloiv en vHutv. D. wtotc en vUai.
A. utov.                                                                  A. wtoucen ut£t£.
-ocr page 59-
N°. 99—101.]                    DREDE DECLINATIE.                                             47
n) ij x£\'P de hand, G. x*<poe, D. xs\'Pl\' ^-cc> XllCa- ^u"
alis N. A. V. x£\'P£) Q"- D. x£P°\'"• Plur- N. x£\'P£s, G. x£\'P"-v>
D. xrPff\'> -^-cc* X£*Pac*
o) ro /ii\\ i de honing, Gen. roü fiiXiToc.
p) kt tic kam, Gen. ktivóq ; >\'( ITvi/| rfe i>«y.r (vergaderplaats te Athene),
G. üuicvóc; rö fpiaf put, Gen. <ppïaroc, ; ró »; jt a p lever, G. ?;<rarof ; ?\'i SXc
rfe ï«e, Gen. ri)c a\\óc komt in het enkelvoud slechts bij dichters voor; het meervoud
ai üVfc beteekent zout; "Apqc Mars, G. \'Apfwj, D. "Ap« , Ace. \'Apqv en \'Apq ,
Voc. "Aptf.
j) npéff(3uc beteekent in het enkelvoud <fc owfc, in het meervoud de ge-
zanten ,
terwijl irpt<r/3(urqc Gen. -tov gezant beteekent. Hierbij komt verder
ó 7rpt<r/3ï5rijc do oude. Uit deze drie woorden kan men de volgende declinatie
samenstellen:
ó irpcafivc, de oude.
0 5T|
jj<j(3«ut>;c <fe gezant.
Singularis.
Singularis.
N. ó irpl(rj3uc.
N.
ó jrp«(T/3e«rqc.
G. roü wpiafivTov.
ü.
roü irp{ff/3twroü.
D. rif TTpiafibry.
IJ.
r»/< irptafievry.
A. röv irpirrfïvv.
A.
tóv irpiafiivriiv.
V. <J Trpiafiv.
V.
ut irpMffitvTa.
Pluralis.
Pluralis.
N. oi wptofivrat.
X.
oi Trpiofïuc,.
G. rwv TTpeafivTtov.
G.
tüiv Trpsafittüv.
D. rotc 7rpfff|8i/ratc.
D.
toïq irpioj3t<Jt.
A. tovq irpiajiürac,.
A,
rovc irpi<yf3iic. •
)e naamvallen, die niet
uitdrukkelijk i
langegeven zijn, worden regel
Aanm.
matig gevormd naar den Genitivus Singularis.
V. De\'ecliva zijn woorden die slechts in eenige naamvallen voorkomen, zooals
óvap hel droomgezicht, vwap de verschijning, rè öijitXoc, het nut, alleen in
Nominativus en Accusativus Singularis.
OVER DE AD.TECTIVA.
§ 34.
Algemeene bemerkingen.
1.    De Adjectiva zijn in het Grieksch, evenals in het latijn,
van drie, van twee of van eenen uitgang.
2.    Zooals reeds N0„ 23. 5. gezegd is, hebben de Adjectiva in
-ocr page 60-
OVER DE ADJECTIVA.                [N°. 101 —103.
48
den Dualis slechts één vorm, namelijk dien van het mannelijk,
voor de drie geslachten.
3. Het neutrum der Adjectiva heeft in den Nominativus Sin-
gularis en Pluralis, waaraan de Accusativus en de Vocativus
steeds gelijk zijn, een afzonderlijken uitgang; doch is in de
andore naamvallen gelijk aan het mannelijk. Het neutrum plu-
rale gaat altijd uit op -a.
Adjectiva van drie Uitgangen.
Declinatie en Accent van het Vrouwelijk.
1.    Het vrouwelijk der Adjectiva van drie uitgangen wordt
naar de eerste declinatie verbogen.
2.     Quantiteit. De anceps a is in den Nominativus, Accusa*
tivus en Vocativus Singularis vrouwelijk altijd kort, behalve bij
de adjectiva, wier manneljjk op -oe uitgaat, waar de a lang is.
Overigens geldt hier dezelfde regel als bij de substantiva N°. 28.
3.    Accent, a) De adjectiva nemen, voor zoover dit niet met
de algemeene regels strijdt, in alle naamvallen en alle geslachten
het accent aan van den Nominativus Singularis mannelijk.
b) De Genitivus Pluralis van het vrouwelijk der Adjectiva
heeft evenals bij de substantiva der eerste declinatie een circum-
flexus op den uitgang uv, behalve bjj de adjectiva op -oc , waar
zich het accent ook in dien naamval naar den Nomin. Sing.
Masc. richt.
Bijv. t)SvQ. ïi$iï-a.          r/tv, \\apaii;. \\apUaaa. xaP\'tv-
Gen. Flur. t\'iSu-üv.                                      xapif<r<ra»v.
SiicaiOQ. SiKai-a.      SiKaiov.
Noni. Flur. Siicaioi. Sixai-ai.     SiKaia.
Gen. Flur. iïiicaidtr. <W<<i\'-<«jj<.    êucaitov.
Aansi. Wat voor Mannelijk en Onzijdig valt op te merken zal bij de verschil»
lende soorten worden aangegeven.
4.  De Adjectiva, die voor ieder geslacht een verschillenden vorm
hebben, gaan uit op: M. -oc, Vr. -»j of -a, Onz. -ov.
-owe, -»j „ -a,          -ovv.
-VQ ,             -6ÏO ,                          -V.
-«C,          -eaaa,                  -«v.
-ocr page 61-
N°. 104—107.]                 OVER DE ADJECTIVA.                                          49
§ 35.
Adjectiva op -o?.
1.    Deze adjectiva zijn het talrijkst en hebben in het vrouwe- 104
lijk t), doch wanneer voor den uitgang -oc eene klinker of eene
p staat, a.
Bijv. <j>l\\oQ, 0/Xjj, (pi\\ov geliefd, <j>iXiog, <j>iX(a, iftlkiov bevriend.
Aanm. De adjectiva op -ooc hebben in het vrouwelijk -ón, doch die op -pnoc
hebben -póa, bijv. öyiïoog de achtste byiïbn, d$póoc verzameld a\'ïpóü.
Het mannelijk en onzijdig wordt regelmatig naar de tweede
declinatie verbogen als volgt:
N. tpiXioq iptXia <j>!Xiov.                                N. (piXiot (piXtat <f>iXia.
GK (ptXiov <piXlag tyiXiov. N.A.V. 0/Xiw. Q-. qjiXicov 0<Atti»v (jtiXibJV.
D. tpiXtq QtXiq <jii\\l(ij. G. D. tpiXiotv. D. <j>iXiotg (piXiatg (jtiXloig.
A. ip\'tXiov tpiXtav QiXimi.
                             Ac. (piXlovQ tj)iXiag (piXia.
V. <j>(Xte tpiXla (jttXiov.                                V. tplXtoi (piXiai <j>lXta.
2.    Niet alle adjectiva op -oe zijn van drie uitgangen , vele 105
hebben slechts twee uitgangen, zoodat dezelfde uitgang oe voor
het mannelijk en het vrouwelijk dient.
3.    Of een adjectivum op -oe van twee of van drie uitgangen
is, moet voornamelijk het gebruik en het woordenboek leeren,
vooral daar de regels, die daarvoor gegeven worden , reeds een
niet geringe kennis der taal vooronderstellen.
I. Communia of van twee uitgangen zijn: 1) alle samengestelde adjectiva, die 106
zonder bijzonderen ajleidingsuitgang op oc eindigen. Bijv. linfxovoc. welluidend (van tu
wel
en <pti>vi\\ geluid), aiïnXoi; onze/eer (van a privativum en SrjXoQ duidelijk), apyóf
lui (van a privans en ipyov tceik), üSikoC onrechtvaardig (van a privans en $iiij
recht), auaxoQ onbedwingbaar (van a privans en ixa\\n strijd) , iia<popo<; verschillend
(van Siaiptpw ik ben verschillend).
2) • Slechts weinige niet afgeleide stamadjeetiva, zooals: /5apj3apoc vreemd,
*f»"X0f rustig, ijfiipoe zacht, Xd\\oc snapachlig, Xoiiïopoc. lasterend etc.
II. Van drie uitgangen zijn de meeste stamadjeetiva op -oc, alsook die welke 107
door bijzondere afleidingsuitgangen van andere woorden gevormd zijn. Zoodanige uit-
gangen zijn koq , Xoc, voc , poe etc, bijv. pavrikóq profetisch (van uóvtiq ziener,
wichelaar), iuXÓQ lafhartig
(van hiöi,< ik vrees), oiuvóe eerbiedivaardig (van oéjïouai
ik vereer), ipavtpóc blijkbaar
(van paivüt ik blijk).
III. Sommige adjectiva op -o£ van drie uitgangen worden tevens ook vooral door
dichters als adjectiva van twee uitgangen gebruikt, bijv. /3f/3aioc stevig, IXiiSipoe
vrij
, \'éroiuoe bereid, apyos lui.
4
-ocr page 62-
50                                 OVER DE ADJECTIVA. [N°. 107 , 108.
Ter oefening:
1)   van drie uitgangen :
ayaSroQ goed.
üSXtoc ongelukkig,
aloxpót schandelijk,
aiiiviot eeuwig.
aXriStvóe. waar.
aWórpioe, vreemd.
livöpiini; dapper.
/3é/3aioc vast, bestendig,
yvfivóc naakt.
Sttvóe. verschrikkelijk.
2)   van tivee uilgangen:
iTicutoc rechtvaardig.
IpiQuoQ van bokken.
KaSapéi zuiver, rein.
Kaïeóg slecht.
ciiXói; schoon.
coïXoc hol.
Kotvóe gemeen.
icwrJXoc snaterend.
öpviStuoc, van vogelt.
wavroioQ
mrpóc bitter.
iriirróf getrouw.
ironipnt; slecht.
jri/pivoc van tarwe,
oiicx&t keurig.
ri/iioc kostbaar.
0awXoc slecht, gemeen.
iftavratTTiKÓQ uitgedacht,
ippóvtjioc, verstandig.
Xpriotfioc nuttig.
tvirpóowiroQ schoon.
ilifópot; vruchtbaar.
ySiipwvoQ aangenaam van
stem.
a^i\'/iijroc onnavolgbaar.
airpoaSóci)T0Q onverwacht,
yvtüptpoc, bekend.
Siatpopoe, verschillend.
tvcaipoc geschikt, gunstig.
dyewpyijrof onbebouwd.
altajiaTOQ ondoordringbaar
aévaoQ onuitputtelijk.
aSavaroc. onsterfelijk.
ativSvvos gevaarloos.
rptywvot driehoekig.
0(\\ai\'5pimroc menschlievend.
§ 36.
Adjectiva op -ovq.
108 1. Er zijn twee soorten van adjectiva op oüe > die van drie
uitgangen
zijn, wier mannelijk en onzijdig naar de tweede sa-
mengetrokken declinatie verbogen wordt, a) de multiplicativa,
b)
de stoffelijke.
2.    Zij zijn in den Nominativus perispomena en blijven dit in
alle naamvallen, behalve in den N. A. V. Dualis, waar zij oxytona
zijn. Zie N°. 32.
A. Multiplicativa op -irXoïig , -jr\\tj, irXoïiv.
3.    Multiplicativa worden die adjectiva genoemd, welke een
veelvoud te kennen geven, zooals an-Aoüe eenvoudig, ook in over-
drachtelijken zin openhartig , BiwXovq tweevoudig , dubbelhartig ,
rpiirXovQ drievoudig, 7roXAa7rAo5e veelvoudig etc.
4.    Deze adjectiva gaan oorspronkelijk uit op -irXóoe, 7rAói/-,
irXóov, doch trekken deze uitgangen zamen tot -jrAof>e, irXrj,
irXovv.
Het neutrum pluraio irXóa trekt zamen tot -7rAö.
-ocr page 63-
N°. 108—110.]                OVER DE ADJECTIVA.                                           51
Pluralis.
N. ÓjtXoï airXciï airXa.
G. inrXiuv anXüv airXwv.
D. uttXcüq inrXaïc; liwXoig.
A. anXovqcnrXag anXa.
Bijv. Singularis.                 Dualis.
N. anXovg airXïi airXovv.
G.
awXov airAFjg üirXov. N.A.V. asrXii.
D. anXi^ airXy tnrXtji.
           G. D. air\\oï>:
A. airXovv cnrXriv cnrXovv.
B. Stoffelijke adjectiva op -ov$, -i/ of -ö , -ovv.
5. De stoffelijke adjectiva trekken -e o e en -eov samen tot 109
•oüc en -oï/v. Het vrouwelijke -ta wordt -a, wanneer voor den
uitgang -éog eene p of eene vocaal staat, in andere gevallen -»j.
Bijv. (xpÜTfoc • xPvttia " XP""\'0") gouden van ó XP1""^ /i«< goud, wordt xpixroüc,
Ypi""l > xpwoüi\', doch (apyupfo; zilveren, apyvpïa , apyvptov) van ó apyvpos het
zilver, apyvpoïiQ, apyvpa, apyvpovv.
De declinatie is als volgt:
Singularis.
\\pvaovg XP1""\' xPva0VV\'
Xpvaoï) xpvarig %pvoov.
XP1"7\'!\' XPU<TÏ\' XPvaV-
Xpvaoïiv xpvaïfv
xpuo-oüv.
Dualis.                       Pluralis.
N.   xpvsroï xpvoaï xpvoa.
N.A.V. xp"<rü- G.   xpvoujv xpvaüv \\pvaü)V.
G. D. xpfcol»\'. D.   ^pixroïe xpuo-at? XP1"70\'?\'
A    xpvaovg xpuaac ^puffa.
6. Eéne soort van adjectiva op -ovg is van twee uitgangen. 110
Het zijn de adjectiva, welke gevormd worden door samenstelling
met substantiva der ticeede samengetrokken declinatie.
Deze worden evenals de voorgaande twee soorten naar de tweede
samengetrokken declinatie verbogen, doch zijn paroxytona, terwijl
verder 1) de uitgang -o i van den Nominativus Pluralis mannelijk
en vrouwelijk kort is voor het accent en 2) het neutrum plurale
-oa niet samengetrokken wordt.
Bijv. tvvovg • evvovv goedgezind,
welwillend (van eï> en vovg).
Singularis.                   Dualis.                    Pluralis.
N.
evvovQ - tvvovv.
N.
evvot • tvvoa.
G.
tvvov
N.A.V. ivvw.
Gh
iVVOJV.
D.
tVVtf)
G. D. fïivoiv.
D.
avvotg.
Ac.
tïivovv • tvvovv.
A.
(ïivoug • ivvoa.
Voorbeelden ter oefening:
1)    Multiplicativa. airXovg eenvoudig, JcrXoüf tweevoudig, jroXXrurXoDf veelvoudig.
2)    Stoffelijke. 7rop0upoüf purperen, ^aXicoDc koperen (ü x"Xic<Sc koper), tri Jr)pov£
ijzeren oilnpos ijzer), \\tvovc linnen (rè Xivoi\' i\'Jas), tpeove wollen (ró tpiov jpo/).
4*
-ocr page 64-
[N°. 110-112.
52
OVER DE ADJECTIVA.
3) Samengestelde. ait\\ovQ onbevaarbaar, üüavovc, slecht gezind, misnoegd, tvirvovQ
gemakkelijk ademend, goed om in ie ademen, welriekend, tvpnvc, weistroomend, fia^up\'
po«£ diep stroomend, diep, ïfiirvav^ ademend, lerend.
N.B. Men zie verder de adjectiva op -oSc, smgtr. uit -ów; N°. 113, en de
composita van »u£c N". 120.
§ 37.
Adjectiva op -vg, -üa, -v.
1.    De Adjectiva op -{>g , üa, -6 worden voor mannelijk en
onzijdig volgens de derde samengetrokken declinatie verbogen
naar de voorbeelden ir$xvC en "aTV (^°- 89), doch zij hebben
geen Attischen Genitivus (No. 88, 89) en trekken het onzijdig
pluralis -ta niet samen.
2.    Deze adjectiva zijn alle oxytona, uitgenomen SijAuc vrouwe-
lijk, nptafivg oud
(No. 99, 9) en ij/uio-ve half; zij hebben verder
tot eindvocaal* den stam s, en vormen dus volgens N°. 72 den
Accusativus door de g van den Nominativus in v te veranderen
,
terwijl zij deze v volgens N°. 73 in den Vocativus verliezen.
Bijv. ïjSi»c» ylüa , r)$v zoet, aangenaam
Singularis.                 Dualis.                  Pluralis.
N. fidvg r)Büa ficv.                                    N. riBtïg riBtiai rjêta.
Gh riBtog fiBtiag riBêog.
D. fi$tï r\'iBeit} rjBeï.
Ac. i)Bvv f)Btiav r/Bv.
N. A. V. Wit.
G. D. rfSiotv.
. r)ötwv rioeiuiv riotwv.
D. fiBêat ijBtlatg ï)Bi<ji.
A. riBeig rjBelag r)B(a.
Voorbeelden ter oefening:
fiaSvc; diep.                           Spifiót doordringend, scherp.      iraxvc, dik.
Ppaiit langzaam.                  ivSiic techt, rechtschapen.         irXarvQ breed.
fipaxvQ kort, kortstondig. lüpvQ breed.                              Tn^i/C snel.
yXuicvc zoet.                           Spaave, koen.                             rpaxvQ ruw.
Saaie dicht, ruw.                 ó$ic, scherp.                               incÜQ snel.
§ 38.
Adjectiva op -ug , -taau , -tv.
1) Deze adjectiva, waarbij de uitgang -ttg ontstaan is door
wegwerping van vr voor de g van den Nominativus (N°. 40),
worden voor het mannelijk en onzijdig regelmatig naar de derde
declinatie verbogen. Alleen lette men op N°. 40, waar gezegd
-ocr page 65-
N°. 112—114.]
53
OVEU DE ADJECTIVA.
is, dat de t in den Dativus Pluralis niet verlengd wordt, of-
schoon vt voor den uitgang -ai is weggevallen. In den Vocativus
hebben zij den zuiveren stam met wegwerping der r.
Bijv. \\ap!ttg bevalliy.
Pluralis.
\\aplivng \\apitaaai \\aphvra.
^apitvTwv
\\apttaauv %apitvTit)V.
Xapitai \\apii<raaig
\\apleat.
^apnvrae;
\\apiirraag \\apitvra.
G. D. %aptivrtHv.
Singularis.
\\apttic; \\apisaaa \\apttv.
\\ap(tvTO(; ^apuaatfg
\\aplevrof;.
\\apltvrt \\apti<T(jy ^upiivTi.
\\apiivra \\apii<muv \\apltv.
Dualis. N. A. V. xaP\'"\'T(-
N.
O.
1).
A.
2)     In proza komt bijna alleen xaP\'f"! voor> doch bij dichters vindt men ook
vele andere adjectiva op -tic. Deze zijn alle paroxytona en geven een overvloed,
een rijkdom aan van hetgeen het stam woord beteekent. Bijv.:
ffcióeic, schaduwrijk (»/ ir/ció srh\'idun:), fri>?p7Jnc boomrijk (c\'svfpov boom), irirpiiitg
rnlsig
(rrlrpa steen), vujióitc, besneeuwd (vi0ac - ai\'oc sneeuwvlok), éwviiiu; klinkend
(0ui\'i7 geluid), vM/hq bo.sc/irijk {v\\r) bisc/t), aifiitTÓiic, bloedig (ui/ia bloed), a/iireXóêig
rijk aan wijnstokken
(a/t?re\\oc wijnstok) etc.
3)     Deze adjectiva komen ook in samengetrokken vormen voor, zoodat »;«ic,
ilHttra, ytv overgaan tot ïjc, tyfftrct, yt> en ófic f óeffrra , 6tv tot oüc » oüffffa , oüv.
Meestal echter vindt men de niet samengetrokken vormen.
Na de samentrekking worden zij regelmatig verbogen naar de derde deelinatie,
zooals bijv. wkucovc N". 95.
Bijv. ri/iriiiQ geëerd (van 77 rifii] de eer).
Singularis.
Mann
Vrou
w.
Onzijdig.
N.
n/iqfic;
Tinne
Tifitifaaa
TlfUitTtTa.
rififJEv
tihïjv.
G.
TlfliltVTOQ
Ttni)VTOQ.
TipiT\\i<ranQ
ri^r/irrrni\'.
ri/iqtvrof
TtlitlVTOQ.
1).
TlflilSt\'Tl
TljlT)VTl.
TlflTI\'ITTy
Tifii\'itrny.
TlftijtVTt .
rijuf/vri.
A.
rt/iijfvra
Tiuijvrct.
rifiiiKraav
riujatrav.
r//i»j<i\'
Ttfttjv.
V.
TlflijlV
Ttflrjv.
Tl^.illfTO\'tl
Tiftijaau.
Ttftijtv
rc/x^v.
Pluralis.
N.
riixi]ivTtq
ripT)vriQ.
Tiftiifnaai
rifiTiffffut,
Ti/ijjevra
Tin\'lVTU.
G.
Ttfin\'&VTlOV
rifiiivnov.
Tt\\ir\\ta<iö>v
Ti/irjaaüv.
T»jUtjÉvrwi\'
TlflilVTOIV.
1).
r</ir/f<r(
ri/iijnt.
TifinéimaiQ
rifiiiutraii;.
Tipi)l<ll
TlflTjITl.
A.
TtpijtvTat;
n/i/jiraf.
Ttnniaaas
Tifiiiaaac;.
Tipiiivra
Ttfi\'lVTa.
Dualis.
N. A. V.
TlflijfVTl
TlflijVTl.
G. D. TI/lt)ivTOlV TlflilVTOIV.
§ 39.
Op zich zelf staan de volgende adjectiva, die voor mann.
onzijdig regelmatig naar de derde deelinatie verbogen worden.
en
-ocr page 66-
54                                  OVER DE ADJECTIVA.             [N°. 114—116.
/ïlXag /itXaiva fjiéXav zwart. raXag raXatva raXav ongelukkig.
G. [ntXavog /itAai\'vrjt; fiéXavog.
           rdXavog raXuivtfg T&Xavog.
tK(H)v tKovaa     \'tKi\'tv gewillig,   ükwv       aKovaa ükov onwillig.
G. \'ikovtoq \'iKovar\\Q   tKÓvrog.            aKOvrog   aieovarig aKOvrog.
ripriv Tiptiva    ripiv teeder.     irag         iratra irav geheel, ieder.
G. ripivog ripüvr\\g  Ttpsvog.             iravróg    iraar\\g iravrug.
Aanm. 1) Voor het accent van iröc zie men N°. 53. 2 b) en N°. 40. Aanm.
2) In het enkelvoud kan iraq ieder, elk en geheel beteekenen: iraQ ieder
(= ficairroc) staat zonder lidwoord, ir«c avr/p, ieder man, irana 7róXi(; elke stad:
iras geheel
(= ISXoc), staat met het lidwoord, iraaa ?/ jtóXic of r) iró\\t£ itaaa of r/<
iratra iróXic de gehecle stad.
In het meervoud heteekent het alle en wordt zoowel zelfstandig als bijvoegelijk
gebruikt: itaaai ai jróXtic alle de steden, iraaai iróXnc alle steden, elxov iïl navriQ
Kpavt)
gaXirif m allen hadden koperen helmen, waaai (iróXitc) afiariiKioav zij waren
alle afgevallen.
§ 40.
Adjectiva van twee uitgangen.
1)    De adjectiva van twee uitgangen gaan uit op:
-og -ov , -ovg -ovv , -tvg -wv, -wv -ov , -r\\g -tg , -ig -i.
Verder zijn er nog adjectiva van twee uitgangen gevormd door
samenstelling met substantiva.
2)     Over de adjectiva op -oc en -oi»c is reeds gesproken N°.
105, 106 en N». 110.
3)     De adjectiva op ~o>g -wv worden naar de tweede Attische
declinatie verbogen, alwaar reeds over hun accent gesproken is.
Zie N°. 32. Bijv. "tXtwg medelijdend, genadig.
Si
;ngularis
Dualis.
Pluralis.
N.
ïXtiog.
\'iXtwv.
N.A.V. ÏX«j.
N.
\'iXtto.
G.
\'IXiü).
G. J). ïXitpv.
G.
(Af(.)i\'.
D.
ïAé<[>.
D.
\'iXeqg.
A.
\'iXtuiv.
A.
ïXewg.
ÏAm
"Xeti).
Ter oefening diene: ayripwc, onvergankelijk (van a privans en yijpac, ouder-
dom), üh»xpna\\ bruikbaar, ivyiiptuc; van een gelukkigen ouderdom.
Zoo worden ook eenige composita van yé\\a>Q gelach en /ciporc hoorn verbogen,
bijv. ^iXóytXwï gaarne lachend, SiKipiat tweehoornig, irXarvufpioc, met breede hoornen.
Aanm. UXéwf vol is van drie uitgangen, wXiwc TrXla ir\\ititv, Nora. 1\'lur. irXéy
wXfui TrXéö. Doch de composita zijn weer van twee uitgangen, zooals avairXiuc
-ocr page 67-
N». 116—118.]                OVER DE ADJECTIVA.                                          55
avanXiwv vol (wat echter ook een vrouwelijk avair\\ia heeft, Plato Phaed. XXIII,
40 of 83 d), éc7r\\fwv Ïktt\\uov genoegzaam, ffufjiirXtitiC, oufiirXiatv en i[ï7r\\ttoc t/iTrXcüjv
opgevuld.
4)    De adjectiva op -tov -ov zijn meest alle paroxytona en wor- 117
den regelmatig naar de derde declinatie verbogen. Behalve die
op -<ppwv hebben zij meestal het accent zoover mogelijk naar
voren, terwijl alle den zuiveren stam tot Vocativus hebben. Bijv.
tvSatfiw tvBai/jiov gelukkig.
Singularis.                  Dualis.                    Pluralis.
N. tvcatfu.iv. tvèatfiov.                                      N. tvSalfiovtq. (vêaifxova.
G.            tvSalfiovoc.             N.A.V. luSaifiovi. G.             tvBai/uóvwv.
D.            tvSatfiovi.                  G. D. ivSntiinvoiv. D.            fvSal/xoai.
A. tviïalfjiova. tvSai/iOv.                                      A.. cvSal/xovag iv$ai/xova.
V.            tvBui/jiov.                                                   V. tvSalfiovt^. ivSat/wva.
5)    De adjectiva op •?}? •£? worden naar de eerste klas der 118
derde samengetrokken declinatie verbogen. Zjj hebben de korte
vocaal in den Vocativus en de barytona zijn in den Genitivus
Dualis en Pluralis paroxytona, evenals rpi/iprje N°. 83. Bijv.
vvvifiric; Gen. Plur. ouviftwv.
Bijv. aXri^fig -t\'e waar.
Singularis.                  Dualis.                    Pluralis.
N. aXjj&i/p.          akrfStQ.                                          N.   aXr/^tt?.           aXrjSfj.
G.               aXrfiovg.                 M.A.V. a\\n9|fi         G.              aXijSüi/.
D.               aXriSti.                      M. D. a\\t,$olv.         D.               aAtj&\'aj.
A. dXrjSi).           aAjjStc.                                           A.   aXjjStïe.           aXr/Sfj.
V.               aXi/Ste.                                                       V.   aXi/S\'stf.           aXrjSïj\'
Voorbeelden ter oefening:
1)     Op -üiv, -ov, afivriituiv ongedachtig.                         *
aQptov onverstandig. yüruiv naburig.                          itviifiutv indachtig.
i\\tilfitijv medelijdend. 5(irrtSuifitov bijgeloovig.               öfioyvwptav eensgezind.
liriSTiifitav kundig.         ivyvwpiav billijk, welwillend.      trw<pp<,>v ivys, verstandig.
iripoyi\'ióiuov oneenig. iripptov opgeruimd.                      <pt\\6<pp(ov goedgezind.
2)   Op -ifc, ff. meestal oxytona.
ai\\ii]q onaangenaam.        tvptvïit welwillend.        ito\\vr\\xiic, klotsend.
aiStviiQ ziek, zwak.       cvjur/ict|c reusachtig.        7roXur«Vi/c duur.
afiXrit eenvoudig.            jurt\\ï;c goedkoop.           avvii^ns samenlevend, gewoon.
Svaxip\'li knorrig.           lirvx^lt gelukkig.           by\'IC gezond.
ïii»/S»|C goedgezind.          irivTairrit vijfjarig.       <pi\\nfia5>n leergierig.
-ocr page 68-
56                                           OVER DE ADJECTIVA.                [NV 119—122.
119            6. Vijf niet samengestelde, bijna alleen bij dichters voorkomende adjectiva op
-«C zijn van twee uitgangen: iêptc. kundig, vrforie, nuchter, rpóQtc, gevoed, «ivij be-
roofd, ijvic eenjarig. Zij worden in den Dativus Singularis en Nom., Ace. en Voc.
Pluralis samengetrokken volgens N". 86. Zij hebben den Ace. op v en den Voc. op
i, en hebben de i tot stamvocaal, N°. 88. Bijv. ttfpie, ÏSpi kundig.
Singularis.
Dualis.
Pluralis.
Wptf ISpi.
N.
(ïfipiéï) i\'öpij; ïfipiti.
"liïpiOQ.
N. A. V. Upit.
G.
iSpiutv.
(fópit) t#pï.
G. D. iSpioiv.
D.
Idpiai.
Wpiv ÏSpi.
A.
(ISpiac,) ISpig ISpia.
N.
G.
D.
A.
120        7. Eindelijk zijn nog vele adjectiva van twee uitgangen gevormd door samenstel-
ling met substantiva.
Deze behouden de declinatie van het Substantivum , waarmee
zij zijn samengesteld, doch: 1) de met wó\\ig samengestelde hebben in den Gen.
•ilog, bijv. dwoXfC, balling, Gen. diróhdoc,.
2)     de met ttovq samengestelde hebben in den Ace. -irovv en -iroSa, bijv. rerpa-
wovq viervoetig, onz. Tirpairovv , Gen. TfTpairoSoe,, Ace. Tirpawovv en rirpairoiïa.
3)     de met ?ri/x«ï sammgestilde hebben volgens N°. 85 geen Attischen Oenitivus,
bijv. SiirinxvQ twee ellen lang, Gen. Biiriixiot;.
Bijv. ivx«pis, «üxaP\' bevallig, van t\'i x^P\'C» bevalligheid.
Gen. n/yupiTnc. Zoo .ïyapii; onbevallig, iirixaptg bevallig.
ivtKtriQ vol goede hoop, van v è\\jrif <fe hoop, Gen. eftéXjridoc.
Tpiirr\\xvQ van dr>e ellen, ï^jtr}xvt van zes ellen, ijjuiVijxuc van eert halve el.
0e\\Ó7rarpie vaderlandslievend, Gen. 0i\\o7rarpi$os,\', Ace. <jtt\\óiraTpiv (van r)
jrarptf het vaderland, Ace. irorpï^a).
/iorÓTrouc met een voet, iïixovQ met twee voeten, rirpairovc met vier voeten,
voXinrovQ veelvoelig, airovc zonder voeten.
<pi\\6iro\\t£ de stad beminnend, vaderlandslievend.
§ 41.
Adjectiva van een uitgang.
121            De adjectiva van één uitgang bestaan niet in het onzijdig. Sommige zijn voor
mannelijk en vrouwelijk, andere slechts voor één dezer geslachten in gebruik. Veelal
zijn het substantiva, die als adjectiva gebruikt worden. Hunne verbuiging is dezelfde
als die der substantiva.
Ziehier eenige voorbeelden: ayvwi; - wroc onbekend, 6£óxup • xltP°S behendig, iwr)-
Av\'C - vioe vreemdeling, vreemd, airrr/v - rjvos vederloos, yvpvrie - ijrof lichtgewapend,
y\\il
- «of van gelijken leeftijd, üpwa$ - yof roofzuchtig, jrévtie - ijroi; arm, ir\\iovU-
Tilt • ov gierig, hebzuchtig, ftiïvvZ
- vxoe, eenhoevig, «XlirriJC - ov diefachtig, vj}pt<i-
rr;c - oü overmoedig.
§ 42.
Afwijkende Adjectiva.
122 1. 7roAóe veel en niyas groot, worden, behalve in den Ace.
Sing., mannelijk en onzijdig, verbogen en geaccentueerd als waren
hunne Nomininativi (iroXXóg en fxeyaXog).
-ocr page 69-
N°. 122—124.] TRAPPEN VAN VERGELIJKING.
57
Singularis.
N. 7roAóe iroWii woXv.                  A*\'7aC               fuyaXi) fitya.
G. noXXov ttoAXF/c 7roAAoü.             fieyaXov         [isyaXtit; fiiyóXov.
D. woAAtj) iroXXy ttoAA(j>.               jUfyaAw           /utyaA^ //eyaAty.
A. ttoXvv 7roAA//v 7roAi).                  fityav              fityaXtiv fitya.
V. jUÉ-yaAt (/ityag) fjnyaXt) jue-ya.
Pluralis.
N. iroAAot\' TToXXai noXXd.               fieyaXoi           fityaXai fityóXa.
G. iroXXwv 7roAAwi> ttoXXüv.            /utyaXwv fuyaXwv fityaXwv.
D. iroXXóig iroXXaTg noXXoic.            fityóXotg fieyaXaiQ fityaXoig.
A. TroXXovg noXXag TroXXd.                fizyaXovr; fityaXag fityaXa.
Dualis.
N. A. piyaXu.
          G. D. /ufyaXoiv.
Aanm. Het Compositum -rranvo\\vQ zeer veel, trekt het accent zoover mogelijk
naar voren. Noro. Plur. irafiiroWot.
2. 2<if behouden, heeft in het Onzijdig en in den Ace. Sing. mannelijk aüv.
Verder bestaan nog de vormen ?\'i en ra. aa. Ook vindt men nog den Nom. Plur.
af (Xen. Anab. V. 2. 32. Cyrop. IV. 5. 2.)
ITpaof zacht, tam, neemt geheel het vrouwelijk en het onzijdig meervoud van den
vorm irpaie - irpaeïa aan, terwijl het mannelijk meervoud ook naar dezen Nomina-
tivus kau gevormd worden. Overigens is de declinatie regelmatig volgens piXioc en
Wie, N°. 104 en 111.
§43.
Trappen van Vergelijking.
De meest voorkomende uitgang van den Comparativus is rtpoc
Tipa. repof en van den Superlativus tütoq tótij rarov. Zij worden
verbogen gelijk de adjectiva op -oe (N° 104).
Het accent staat zoover mogelijk naar voren. De a van den
vrouwelijken uitgang rlpa is lang.
I. Adjectiva op -og.
1) De meeste werpen de e weg en zetten die uitgangen achter
de o , welke tot w verlengd wordt, indien de syllabe , die den
uitgang -«e voorafgaat noch van nature , noch door positie lang is.
In dit geval maken muta cum liquida ook positie. Zie N°. 6 en 7.
Bijv. oo<pó<; wijs , ao(j)WTtpoQ ao$<l>taToq.
(ptXórl/iog eergierig , (piXon/xÓTtpOQ <f>iXorifiÓTaTO€;.
/3é/3atoc stevig,
           (Sefiaiórtpog fitfiainTaTOQ.
-ocr page 70-
58
TRAPPEN VAN VERGELIJKING.         [N°. 124—130.
atfivóg eerwaardig , atfivórtpog        rrtnvóraTog.
\'ivSo^oQ beroemd, ivBo^órtpog ivBo^órarog.
fwcpóg klein ,                /jUKpórtpoe           fiiKpórarog.
Aanm. Om de quantiteit der voorlaatste anceps te kennen, lette men er op, dat
zij lang is in de composita van rïfiri eer, övfinQ gemoed, leivSvims gevaar; doch kort
in de uitgangen -wq, -ikoq, •i/tot, -ivoc; vandaar:
örï^of ongïeerd aripiÓTipoc., ïrpóUvnot bereidwillig fióripoi, iirJicivlvvnc, geraarvol
•verfpot,
jSairiXïcóf koninklijk -i(irarof, iïïioc waardig «liwrépof, aüiwraroj, av
SpiKÓQ dapper
-»wraro£.
Ook is de v lang in irr\\vpÓQ sterk, i(t\\vpórtpoz, lrr\\vp6raroQ-
125         2) Sommige adjectiva op -oc vormen hun Comp. en Superl. op
•ahipoq -a\'tTaroQ. De voornaamste zijn ïo-oc gelijk, loairtpoq,
laaiTUTOQ , j}(Ti»^oe rustig , ^«ru^airfpoc , riav\\a\'tTaTo^ , Evêiog , hei-
der , EvSiaiTtpot; , tvSiairaTOQ , 6\\ptog laat, oxpialrtpog , oxpialraTOQ ,
TrXi\'imog nabij, TrXr}(TiatTtpog,
7rAr)<T(airaroc.
126         3) De adjectiva tfx\'Aoc bevriend, ytpaióq oud, iraXcuó$ oud,
oxokaïoQ ledig, langzaam,
stooten gewoonlijk de o uit, bijv. 0/A-
repoQ fiXrarog ; yspairepog yipaharoq ; TraXairepog naXuiraTOg;
a\\oXaiTepog (T^oXairarog.
127             II. De adjectiva op -o v e hebben in het algemeen ovampoQ ,
ovaraTOQ , bijv. anXoïig eenvoudig , anXodarcpog , airXovaTaToq.
128           III. De meeste adjectiva op vq, -tTa, -v en -rjg -e$ vormen
hun Comparativus en Superlativus door «poe en rarog achter
het onzijdig te voegen: bijv. tvSvc recht, tvSu-rtpog ivSv-raroe,
(piXofiuZi\'ic; leergierig, 0tAo/ua$£<x-r£po£ (piXo/na^ta-Taro^.
129            IV. De adjectiva op -wv -ov maken Comp. en Superl. door
achter het neutrum -éoTepo£ -tararoQ te plaatsen, bijv. cvêalixwv
gelukkig , tiiSai/jioviaTtpog ibBai/iovéaTaroQ.
Ook x«pfee bevallig, heeft xapiêaTtpog xaP\'f\'ff^aro
130              V. De adjectiva raxv^snel, tiSvq aangenaamalaxpóg
schandelijk, Ix&póg vijandig,
hebben de volgende Comp. en
Superlativi.
ra\\VQ Sarrwv (N°.37) Ta\\iaruq , r)$vg fiSiwv rjBiarof,
alaxpóg ala\\7t»v
               atoxioTot; , t^&póc ix^lu,v £X^"TroC*
OÏKTpóg deerniswaardig, Comp. oiKTpórtpog , Superl. oJicrpó-
roroj en oÜKTiarog.
-ocr page 71-
59
N°. 131 — 133.] TRAPPEN VAN VERGELIJKING.
Aaxm. 1) Vele onregelmatigheden bij de vorming van Compar. en Superl., die 131
hier niet zijn aangestipt, moet het gebruik en het woordenboek leeren. Zoo vormt
aa/uvoc blijde, den Comp. en Superl. regelmatig als Adjectivum, terwijl men als
Superlativus van het Adverbium (N°. 140) a<r/ifvcurnra en aayaviarara vindt.
2) Enkele adjectiva (bijna niet dan in themaboeken voorkomende) vormen hun
Comp. en Superl. op -i<mpoc -wtutoc; zoo onder anderen: üpirnS roofzuchtig,
\\a\\og snapachtig, 7rrwx<Sc, arm, \\ayvoc, tvulpsch, eXén-rtjc diefachtig, wXtoviicTnc,
hebzuchtig, ^ivlijs leugenachtig
etc.
"A*pSroc onvermengd, heeft atparitTTipoc, itiiruv rijp, iriirainpoc,, irnrairaToc,
irliav vet, irtóripoc wwTaroc
(II. 9. 577.), imXiidfuov vergeetachtig, lwiXr)a\\iÓTaToc.
3) De meest voorkomende onregelmatigheden worden in het volgend nummer
aangegeven.
§ 44.
I. Van dagelijksch gebruik zijn de volgende Comp. en Superl.: 132
f a/iaviov.                    I apiaroq.
) ptXrlwv.                   1 fiiXrioTOg.
Kpeirrwv.                   j Kpariaroq.
KUKltoV.                         [ KCtKMTTOS.
\\eipwv.                   (\\ttptaTog.
[r\'iTTwv.                   [riKiaTa (adverbium geenszins).
{fiaKpórepog.             I /xtucporaroe.
(Xen. Cyr. II, 4,27).
fiiyiaroq.
oXiyiarog.
(XdxiaTOQ.
TrXeïaroq.
1. ayaSós goed.
slecht.
KOKOQ
1. fiaKpnqlang.
4.  filyag groot.
5.  oXiyoq wei-
nig.
6.  voXvq veel.
Gen. irXeiovog.
7
8
1
KaXXiarog.
\' paaroQ.
la\\yitvóraTi>£.
\\ aXyiffroc,.
133
2.    ipputnévoc sterk
3.    vjjptorric onbeschoft
Ippw/iivfaraToc. Xen. Cyr. III. 3. 31.
vj3piOTÓTa.TOf;.         „         „ V. 6. 41.
Bij Homerus is flaaiKivc, koning nog adjectivum en heeft dan tot Comp. f}aoi\\ii-
ripoc
en tot Superl. paatXivTaroc,.
-ocr page 72-
60                                       TRAPPEN VAN VERGELIJKING.         [N°. 134—136.
§ 45.
1)   Declinatie der Comparativi op -wi>.
De Comparativi op wi> worden regelmatig naar de derde
declinatie verbogen gelijk de adjectiva op -wv N°. 117. Gewoon-
ljjk echter trekken zij de uitgangen -ovte en .ovaj tot -oi#c, den
uitgang -ova tot -w% /amen, en hebben in het onzijdig het accent
zoover mogelijk naar voren. Bijv.
Singularis.                                       Pluralis.
N. fitXrlbiv             plXriov. N.V. (pfXrioMc) (itXrtuve (|3<\\7-ir».<i) fitXritt).
TtOVOQ.                                                               TIOVIVV.
D. ptXrtovi.                                D. /3tXr(0(Tj.
A. ifiAriova) ^eXti\'w (3t\\Ttov. A. (/3fXr(ovuc) fitXriovc (/JtXrfovo) (BiXrltv.
V.             fitXnov.
Dualis.
N.A.V. 0£Ar/ow.
GK D. jSfAr/ovoiv.
2)     Van eenige Comparativi en Superlativi beslaat geen Positivus, zooals zijn :
{irpó voor t praep.)                 Trpórfpoe, eerder                 irpuirac, eerste
(üjró onder)                             vrrrtpoc, later                      vararoc, laatste,
(it, uit)                                                                               fV^aroe uiterste,
(iiwip boven)                            virkpripoq hooger              üirrprarof j . , .
VTTCtTOC,           S
3)    Se beteekenis van den Superlativut is tweevoudig; hij geeft een zeer /wogen of den
hoogsten
trap aan. Men lette dus op het zinsverband om te weten hoe de Superla-
tivus in een voorkomend geval moet vertaald worden. Bijv. Xen. Anab. I. 9. 9.
KDpoc ai&nuivfetfaroii piv wpwrov ru>v qXiciturwv ISókh llvat r»?c re 7rp«<r/3urs-
poic, Kai Tuiv tavTflü virtidtttTTtptoV ftaWnv frcidcir^ui, tirfira fc tyiXiTTirnraroQ rui
roï( ïniroif, apttrra xP~l"^al\'
\'Vpnov iï\'aiirbv rni rüiv Ji{ Tav rróXtjiov ïpyiov <pi\\o-
[laSÊtTTarov flvat Kui uiXirnpórarnv Itrti êt rij IjXikui tirp&irt Kut (piXoSnpóruroi; yv
Kat TTpoQ ra Snpia pévroi tptXoKn\'Suvóraroc,. Cgrns bleek nu vooreerst de beseheidenste
onder zijne makkers te zijn tn beter naar de ouderen in jaren te luisteren dan zij die
van geringeren stand waren dun hij; vervolgens ook was hij een zeer groot liefhebber
van paarden en een uitmuntend paar denmenner. Men oordeelde verder dat hij liet leer-
gierigste was voor al wat de krijgskunst betrof en zich het ijverigste daarop toelegde.
En toen het aan zijn leiftijd paste u\'as hij ook een zeer groot liefhebber tan de jacht
en zeer onversaagd ten opzichte der wilde dieren.
4)     Men kan den Comparativus en den Superlativus omschrijven of versterken door
p,aXa, aaXXov, fiaXtara zeer, meer, meest (magil, maxime) door ïri nog, rravv en
aipóiïpa zier, ttoXv ver, verreweg door voorvoeging van irav, N". 39 etc.
Van deze omschrijving moet men zich bedienen bij woorden, die geen vergelij-
kingstrappen toelaten, zooals bijv. participia.
Bijv. Xen. Cyr. I. 3. 2. ITfpfr.ii\' prjv iroXi taWiaroQ o Ip\'oc, irariip, mijn vadtr
is verreweg de schoonste van alle Perzen.
-ocr page 73-
N°. 136—140.]                      ADVERBIA.                                           61
Ibid. 4. ov ydp iroXv aoi SokiX rfvat kóXKiov tó$i t\'o Stïirvov; schijnt u deze
maaltijd niet veel schooner te zijn.
An. I. 1. 4. QtXovo-n ai/rbv ftaWov hem meer beminnende, ó. ünri abnp itaXXov
(fiiXori; livat zoodat zij hem meer bevriend waren.
IV. 8. 20. opóSpa piSiovmv lipxi-
aav zij waren ah zeer bedronken mentenen.
5.    Wanneer de Superlativus den hoogst mogelijken graad aanduidt, wordt hij dik. 137
wijls versterkt door \'órt, <üc of \'óirinQ, soms in verbinding met diva/iat, ik kan,
gelijk aan het latijnsche quam possum.
Xen. An. I. 1. 6. Tiqv 81 \'EWnvtKyv Hvafiiv i)5pot£iv <ic uaXiara fiïvvaro lirt-
Kpvirrófifvoc, ottioq oti aTrapaaicivnrarov Xafioi fta.\'itXfa\' wapiiyyuXt
roïc tppovpdpxoiQ
Xapfiavuv (ivêpac, \'órt irXfiarove, xai fliXrinrovc.. Hij verzamelde verder zijn Grieksche
macht zoo geheim mogelijk, opdat hij den koning zoo onvoorbereid mogelijk {op \'t onver\'
wachtst) zou overvallen. Hij beval zijn legerhoofden zoovelcn mogelijk van de beste man-
tchappen te verzamelen.
Ibid. I. 3. 14. üiq Ta\\i(tTa zoo spoedig mogelijk. 15. y Sóvarov paXtara zoo goed
alt de beste.
I. 2. 5. y ISvvaro rax\'OTa qua maxima poterat celeritate, zoo snel
mogelijk.
6.    Het woordje dan wordt na een Comparativus door j; vertaald. Dit >; kan , 138
evenals het lat. quam, weggelaten worden, indien het tweede lid der vergelijking in
den Xom. of Accus. staat, en dan zet men den Genitivus, gelijk in het latijn den
Ablativus.
Bijv. Xen. Cyr. I. 3. 4. nu ydp iro\\ó <rot SoKtl iivai KaXXtov ró 8è ïtlirvov
toö
(fofjri\'oti) tv népaaic;. Schijnt u deze maaltijd niet schooner toe, dan de maaltijd
bij de Ptrzen
? Nonne haec tibi videtur coena multo elegantior quam Persica of Per-
sica. Toü Iv Tlipoatc, voor »; ró ilïirvov iv ïïipaaiQ.
7.    Evenals in het Latijn wordt ook in het Grieksch de Nederlandsehe overtref- 139
fende trap door den Comparativus weergegeven, wanneer er slechts van twee sprake is.
Bijv. Xen. Anab. I. 1. 1. Aapilov ylyvovrai irtüb\'ic; ivo irpfirfiiripoc. uïv \'Apra-
Ef/iEiK\', viwripoe Si KDpoc. Darius had twee kinderen, de oudste {major natu) tvat
Artaxerxes, de jongste {minor natu) Cyrus.
§ 46.
Adverbia.
1.     De Adverbia, Bijwoorden zijn of afgeleid.e- of stamadverbia. 140
Hier wordt alleen gesproken over de adverbia in zoover zij van
adjectiva afgeleid worden.
2.     Van de adjectiva worden adverbia gevormd door de v
van den Genitivus Pluralis mannelijk te veranderen in c, terwijl
hetzelfde accent blijft. Bijv.
rroipÓG wijs.                Gen. Plur. <jo<j>ü>v.        Adverb.  ao^üg.
auxpptvv verstandig. „           „ aw(ppnvu)v.          „         ertiMppóvwc;.
17SUC aangenaam.          „ „ rjêïwv.               „       fi&wg.
a»jS»)c onaangenaam. „ „ aijSüv.               „       a»)8wc.
s
-ocr page 74-
[N°. 140, 141.
62
NUMERALIA.
3.    De Comparativus der Adverbia is gelijk aan het Neutrum
Singulare van den Comparativus der adjectiva, en de Superla-
tivus
der Adverbia aan het neutrum plurale van den Superlativus
der Adjectiva.
BjjV. Adj. (TO(j>ÓQ               (TO<j>(jJTepOQ               (TOtfttVTaTOQ.
Adv. mxjx\'ixj              oo<j>iï)rtpov               aotpórara.
Adj. ai\'icpixoi\'            awfpovéoTepoQ ato^povigraroq.
Adv. aitxjipóvtiJQ a(ö<f>povioTipov obHppovêaTara.
Adj.      7]§U£                    ?)8lü>V                        ï\\$lOTO£.
Adv. rjStwg                 S\'iöiov                         rJStora.
Adj. aj/8C;c               atjSfWfpoe             atjSto-raroe.
Adv. ariBüg              ariStartpov              anStorara.
Somtijds echter wordt de Comparativus van het Adverbium gemaakt door den
uitgang r*poc in ripuc of den uitgang uv in óvüiq te veranderen.
4.    Het adverbium van ayaSóg goed, is tv wel, goed, Comp.
iifutvi)» beter, Superl. apio-ra best.
Aanm. De Comparativus en Superlativus der Adverbia kan ook versterkt wor-
den, gelijk in N°. 136 van de Adjectiva aangegeven is.
§ 47.
Telwoorden. Numeralia.
Cardinalia.                             Ordinalia.
1.
t
a
eiQ , ftta , tv.
irpwrog, t), ov.
2.
p<
Svo.
ètvTtpog , a, ov.
3.
7
rpt7g Tpia.
TpiTO£ , t) , OV.
4.
g\'
Tirrapts, a.
Ttraprog.
5.
f
irtvre.
irt/lTTTOQ.
6.
t
?\'
tKTOQ.
7.
l\'
tirra.
t(3SofJ.OQ.
8.
V
OKTW.
ojSooq.
9.
y
fvvta.
ïvaro$.
10.
f
t
èiica.
Séicoroe.
11.
ia
svSlKa.
tvSticaroe.
12.
,/3\'
BuiSfKll.
StoSiicaTOQ.
13.
rpiaicaiêsKa.
TptaKaiBtKaTog.
14.
3\'
TtTTapta-aKaiStKa.
TiTTapaKaiBiicaTO£.
15.
niVTtKaiBeica.
irtvTknaiBiKUTOt;.
-ocr page 75-
^_J^//L^iie^^cJi^ ^^t^
ffl~
\'a-o.
(f (7         /
1S6^rf*- isirU~^ f(7°(f<rf ft/f** , ^f\\ <=|
ét J •           W\' fc/- - \' \' \'              !
-ocr page 76-
N°. 141.]                              NUMERALIA.                                          63
Card
i n a 1 i a.
16.
tKKaiStKa.
17.
il\'
tTTTOKaiSeKa.
18.
t
OKTWKalêsKa.
19.
&
èvvtaKaiceKa.
20.
t
K
eiKoat (•»).
30.
A\'
rpiaKOvra.
40.
TtTTapaKOvra.
50.
t
V
irevT))icovTa.
60.
r
ï^1)KOVTa.
70.
0
i^êo/ll\'lKDVTa.
80.
7T
öyooZ/KOvra.
90.
?
iveviiKovra. i*4
100.
9
ikcltÓv.
200.
f
SiaKÓaioi.
300.
f
T
rpiaicótTioi.
400.
f
V
Terpaicóaioi.
\'500.
¥
nevTUKÓaioi.
600.
X
t\'s«k-d(T«)(.
700.
f
tTTTUKÓatOl.
800.
/
oKTaicóaiot.
900.
^
tvvaKÓmoi. *f
1000.
,"
\\lXioi. II
2000.
fi
êia\\iXiot.
3000.
,i
Tpia\\iXiot.
4000.
,8
TCTpaKl(T)(iXtOl.
5000.
t
iravraKitT\\lXioi
6000.
/C
tJZaKiaxiXioi.
7000.
£
\'nrTaKi(T\\iXioi.
8000.
,}ï
ÖKraKia-)(iXioi.
9000.
,a
ivvaKia\\iXtoi.
10,000.
/
fivpioi.
20,000.
/k
èiafidpioi.
100,000.
,p
SiKUKKTfWplOl.
Ordinalia.
tKKcuStKaTog.
EiTTaicaiBtKaTOg.
OKTiDKaiStKaroQ.
IvvcaKatBtKaTog.
£1KO(TTOC\'
rptaicooroC\'
T£TrapaKO(TTü5
t^rjKOaróg.
lj3Soju?)ico(Tro<:.
ö-ySojjKogróc.
** *y<?\'
£l>£VJ)(CO<TrÓc.
tlCaTO(TTOC.
SiaKoaioaTOQ.
TpiaKoatooróg.
TiTpOLKOaiOOTÓQ.
irtvraKoaioaTÓg.
£^aKO(TtO(TTOC-
iirraKoaiooTOQ.
OKTaKoatoaróg.
ivvaKOaioarog.
\\i\\io(ttÓ{;.
Sia\\iXioaróg.
TpiayiXiooTÓc.
TErpaKia\\i\\ioaTÓQ.
irivTaKi<j\\iXioaTÓq.
t^aKi<r\\iXioaTog.
ÉTTTaKiaxiXioaTOQ.
oKraKicr^iXioijTÓg.
tvvaKta^iXioaróg.
fiVplCHTTÓg.
CKTflVpiOOTOQ.
SEKaKltTflVplOffTOQ.
Iftf
1. Afzonderlijke getallen worden door Kat en aan elkander
verbonden, zoodat gewoonlijk het kleinste voorop staat, de groo-
tere volgen en met het grootste geëindigd wordt, bijv.: 121
schepen /j.(a Kal fiKoai aai ticarov vijsc.
-ocr page 77-
\'                Crrirri) / (Jt«*)          •         </^                           JÊtir*r*y\\
(Crtm-o
J
M/i 7T/7r,<?.t 7?7//r^. J,o. 4(4/} 4/*,\'*; 4*1\'3}
4tt£f,/t}
A7r.fr; A/r-r,d- A7T////.fp i4,£*>; 444 io,
A/iad, £*• (TT, ra} lil4.6* Jiï\\ fl, Ut^>;
ffliïnMmxxxxm zjrxHmii ma irr//r, /<^
/fffrirv. \\sd ICÜ X f (ritere c^-/\'-fNtÜ7rtrO .                    ï . VJt flj
-ocr page 78-
/
64                                                   NUMERALIA.                           [N°. 142—146.
142.      2. De Ordinalia zijn alle adjectiva van drie uitgangen, de
Cardinalia zijn van en met nivre tot en met warov onverbuig-
baar
, doch de honderdtallen en hoogere getallen zijn pluralia
tantum
en worden verbogen volgens het meervoud der adjectiva
op -of.
De vier eerste Cardinalia worden als volgt verbogen:
Nf               /w tl
. ui; fjiia tv.
Q. kvÓQ juiöe tvóg. N.A V. Svo. N.A. rptic; rpla. N.   TtTTaptg rirrapa.
D. tvi iita tvt.               G. ü. Bvoïv. G. Tpiiiiv.                G.   rerraptov.
A. tva fiiav tv.                                              D. rpiai (v).           D.   Tirrapai (v).
A.   Ttrrapaf TtVrapa.
Aakm. Men lette op het accent van fiia en SvoTv.
Naar Siio gaat ook ü/i^m beide, G. D. ap^oTv, A. ap<pa>.
143.      3. Volgens «c gaan de composita ovStic en /ujjStt\'c. die
als substantiva niemand, niets, als adjectiva </eera beteekenen.
Zij zijn ontstaan uit oiièi tig en /ujjSI etc zelfs niet één. N°. 34.
Singularis.                            Pluralis.   Mannelijk.
X.
ovêtig
G.
ovotvóg
1).
ovBtvi
A.
ovStva
ovStfita      oviïtv                   N.     ovotvtg.
ovBtfiiag     ovBtvóg.              G.    •óvSivwv.
ovSt/iuj      ovStvi.                 D.     oiiSêat (v).
ovStfiïav     ovBtv.                  A. oï/Sti>a£.
OüSfif en /xrjStic volgen het accent der monosyllaba slechts in het Enkelvoud,
volgens N°. 53. 6.
144.        4. Adverbia numeralia op de vraag hoe dikwijls, zijn: ixvai eenmaal, Hq, twee-
maal,
rpic, driemaal, rirpaKie, viermaal, vivtókiq vijfmaal, Igaictc zesmaal, iirraKig
zevenmaal,
iicraric achlmaal, ivaicic negenmaal, liK&ntQ tienmaal enz.
Deze worden gebruikt om de duizendtallen te vormen. De tienduizendtallen wor-
den uitgedrukt door het Substantivum numerale /luptaj.
Hiertoe kan men ook rekenen ttoXAóicic dikwijls, AXiyaeic zelden,
145.        \'• De vrouwelijke Substantiva numeralia, die een hoeveelheid aanduiden en op
•aQ, Gen. aioQ, uitgaan, zijn: ivac, en novae de eenheid, Svuc, de koppel, rptae drie-
tal, rirpaQ viertal, irifiirac, (irfiiirrae,
of jrtvrac) vijftal, (si-af zestal), IfHo/t&S zeven-
tal,
(óvfloae achttal), (èvvtae. negental), Sucac, tiental, tUae twintigtal, rpiStac.
dertigtal,
iearovróc honderdtal, X\'Xiac duizendtal, /xvptae tienduizendtal etc.
146.        6. De Adjectiva multipticaliva op de vraag hoeveelvoudig zijn reeds, wat decli-
natie en accent aangaat, in N°. 108 behandeld. Doch er bestaan ook nog adjectiva
pp -irXomoc, bijv. SiirKaoioc, tweemaal zooveel of zoo groot, rpiirXaaioc. driemaal zoo
groot
etc, jroXXnjrXóirioc zeer groot, ontelbaar.
Aa.vm. Om de met acht en negen samengestelde getallen uit te drukken, wordt
-ocr page 79-
65
N°. 146—149.]                         PRONOMINA.
ook eene omschrijving gebruikt met het werkwoord Sim ik mis, ik heb gebrek, wat
den Gen. regeert. Zoo bijv. Xen. ïïell. I. 1. 5: lAX««/3«i5i)c iirittrirXtï Svnïv Siob-
oatQ ÜKotri vavaiv. Alcibiadts vaart nog daarheen met
18 schepen (met 20, gebrek
hebbende aan twee = min twee).
PRONOMINA.
§ 48.
Persoonlijke Voornaamwoorden. Pronomina
147
personalia Substantiva.
1* Persoon.
2\' Persoon.
Singularis.
3" Persoo
N.
È-y&> ik.
ai gij.
G.
i/ioï) en /iov van
t mij.
aov van u.
[ov van hem.
D.
ifioi en fioi aan
mij.
aoi aan u.
ol aan hem.
A.
tfii mij. en/(ct
at u.
\'i hem.]
Dualis.
a<j>m gij, u beiden,
oftpv van , aan u beiden.
Pluralis.
N.A.V. vit wij, ons beiden.
G.D. vifv van, aan ons beiden.
afymi hen beiden.
aijnüiv van, aan hen beiden.
N.
i7iueïe wij.
G.
rifiióv van ons.
D.
fifüv aan ons.
A.
i\\Haq ons.
v/iüq gijlieden.
vfitóv van ulieden.
v/iïv aan ulieden.
ifiag ulieden.
o<j>tÏQ zij.
a<j>ü>v van hen.
a<piai{v) aan hen.
a<j>ag hen].
1)    De vormen /iov, fioï, pi, aov, aoi, ai en ov, ol, \'i zijn enclitisch (N°. 13).
Na voorzetsels gebruikt men voor den eersten persoon steeds de langere vormen
Ifioü, Ifioi, ini (N°. 16. «.).
                                              •
2)    Het pronomen van den derden persoon is tusschen haakjes geplaatst, daar het 148
in proza minder voorkomt en veelal vervangen wordt door Iciivoc en avróc,. Bijv.
Xen. An. I. 2. 15: ilx1 T<> fiv SiZtov Mivmv aai ol aiiv avrif, St tbilivvfiov
KXiapxoc xai
ol iiceivov. Menon vormde met de zijnen den rechter-, Clearchus met de
zijnen den linkervleugel.
3)    \'V.yói kan als volgt versterkt worden: iymyt, ipovyt, l/toiyt, ï/tfyi.
§ 49.
Terugwijzende Voornaamwoorden.
1. Deze voornaamwoorden worden terugwijzende genoemd, 149
omdat zij dan in de plaats der persoonlijke voornaamwoorden
5
-ocr page 80-
66                                                    PRONOMINA.                              [N°. 49—51.
gebruikt worden , wanneer zij op het subject van den zin terug-
wijzen.
Bjjv. 7raj8tii(i> IfiavTÓv ik onderwijs mij zelven, doch
iraiBiveiQ i/xt gij onderwijst mij; hij deed het kind een kleed van
zich aan
, tov iraiSa ri/iipuae rbv /ulv tavrov \\trüjva; toen de
grootvader ziek was verliet Cyrus hem geen oogenblik: aoStvri-
aavroq aïiroü ov^iiron cnrlXtnre (Küpog) tov ttcutttov. Stond in
dit laatste voorbeeld avrov , dan zou Cyrus zelf ziek zijn geweest,
en stond in het eerste avrov , dan zou het een kleed van het
kind
geweest zijn.
2. Deze pronomina zijn gevormd door samenstelling van de
personalia met avróq, waarmee zij in het enkelvoud tot één woord
samentrekken. Zij worden als volgt verbogen:
Singularis.
1\' pers. van mij %elven. 2e pers. van u zelven. 3\' p. van %ich zelven (mi, sibi, se)
G. t/iauroü-fjc.                atavTOV-riQ of (xauroü-ijg           savrov-ïJQ of auroü-ijc.
D. èfiavTiji-y.                   asavTty-rj of aavTty-ij                  ÈavTty-rj of avTty-y.
A. fnavrówyv.               trtavróv-riv of aavTÓv-r\\v           kavróv-i\'iv-ó of avróv-riv-ó.
Pluralis.
G. r\\iiü>v avTtöv             vfxwv avrwv               tavriöv of avrüv of <r<piSv avrwv.
D. ïi/üv avToÏQ-aïq vfüv avróïg-aÏQ         savrolg of avroïg of aQiaiv avróï^-aÏQ
A. ijjuac avTOv^-ag vfjiag avrovg-ag tavrovg of avrovq of crrpïu; avrovg-ag
§ 50.
Bezittelijke Voornaamwoorden.
150       1. De bezittelijke voornaamwoorden, pronomina possessiva,
gevormd van den Genitivus der personalia, zijn:
(van tfjiov) 1/jióq ifiri tfióv meus (van S)(i<Zv) r\\(iir^o^-a-ov noster.
(van aov) aóq ai\'i aóv tuus (von vfxüjv) vfiêrepog-a-ov vester.
Gebruik der bezittelijke\' voornaamwoorden.
151          l) Wanneer de bezitter onderwerp van den zin is, zoodat er geen onduidelijkheid
kan bestaan, worden de bezittelijke voornaamwoorden in het Grieksch niet vertaald,
doch wordt alleen het lidwoord gebruikt. Zie N°. 26. Bijv. Xen. An. I. 2. 18.
t; KiXiiffii ïifivylv iwi rqf apftafia^ni; xai Ik Trji óynpaj /caraXi7róiTec rd üvia
Ipvyov\'
oi H "EWnvtc aiv yéXuiri lirl tüq deijvdc t/Xdov. De Cilicische koningin
vluchtte op
haar wagen en de kooplieden vluchtten met achterlating van hun waren ; de
Grieken echter gingen lachend naar
hun tenten.
-ocr page 81-
N°. 153—157.]                   pronomina.                                      67
Zoo vertaalt men, ik waseh mijn handen, vi^o/iai rdc xtïpaQ.
Wil men met nadruk spreken zooals wij in-het Nederlandsen mijn eigen, uw eigen, 153
zijn eigen gebruiken, dan worden in het Enkelvoud de terugwijzende voornaamwoorden
Ifiawfov, aavrov, iavrov bij het artikel gevoegd, terwijl in het Meervoud de prono-
mina possessiva met avrüv verbonden worden. Deze bepalingen staan gewoonlijk
tusschen het artikel en het substantivum: bijv. Demosth. Phil. I. Et\' *iXt7r»roc
rabrnv ïfxl T*lv yvüftnv <1>Q \\a\\iitov iroXiueïv lariv \'ASnvaiotg ixovai roaavra
iiriritxiiuara TWS aiirov x<\'>P"£ n.r.X. indien Philippus gemeend had, dat het voor
hem moeielijk was de Atheners te beoorlogen, die zoovele versterkingen tegen
zijn eigen
land hadden enz.
Zoo zegt Demosthenes telkens rei v/iértp\' aiirüv Krintara ma eigen bezittingen.
Zoo Hom. Od. a. 7. avrüv yap oQirkpyoiv araaSaXiyaiv óXovto, zij kwamen om
door
hun eigen vermetelheid, sua ipsorum temeritale perierunt.
2)   Is de bezitter echter niet subject van den zin dan moet men de pronomina 154
possessiva gebruiken of, zooals veelal gebeurt, ze door de pronomina personalia
omschrijven.
De pronomina possessiva van den derden persoon öc, »/, ov en aipiripoc., -a, -ov»
die in proza niet gebruikt worden, moet men altijd omschrijven door avroü of Uiivov
pan hem.
Gewoonlijk staan deze Genitivi achter het Substantivum.
3)    Het geheele kan uit de volgende voorbeelden blijken :                                           155
I. b irarijp uov en b lubt irariip mijn vader.
ó irariip aov „ ó abc irariip uw vader.
ó irariip aiirov of 6 Ikuvov irariip zijn vader.
b irariip yfiüv
en ó i\'ipiripoc, irariip onze vader.
ó irariip bfiüv „ ö vuiripoc. irariip uw vader.
b irariip aürüv
of ó imivinv irariip hun vader.
II, rbv Iftavrov iraripa mijn eigen vader,
rbv aiavrov irarépa uw eigen vader,
rbv iavrov iraripa zijn eigen vader,
rbv imirtpov aiirüv iraripa ons eigen vader,
rbv iuiripov aiirüv irarépa uw eigen vader.
rbv iavrüv iraripa of zelden rbv o<pirepov aiirüv iraripa hun eigen
vader.
4)    Tusschen ó irariip iiov en ó iubs irariip is dit verschil, dat in het eerste 156
geval het pronomen geen nadruk heeft, noch terugwijzend is, terwijl men het
bezittelijk voornaamwoord gebruikt wanneer de klem op het voornaamwoord gelegd
wordt, zooals in tegenstellingen.
De terugwijzende voornaamivoorden worden gebruikt wanneer de bezitter subject is
en nadruk op het pronomen valt. Bijv.
aripyu rbv iraripa jiou oö/c ix^aipft, hij bemint mijn vader en haat hem niet;
aripyu rbv lubv iraripa oii rbv aóv, hij bemint
mijn vader niet den uwen;
aripyio rbv iuavrov iraripa ov rbv aóv, ik bemin
mijn eigen vader niet den uwen;
aripyu rbv iraripa ik bemin
mijn vader.
Aanm. Men lette er op dat b teetvoc irariip beteekent die, gene vader, en lutivot
dan aanwijzend voornaamwoord is. Zie N°. 163.
5)    Staat het pronomen possessivum bij het subject zelf van den zin, zoo wordt 157
het slechts dan vertaald wanneer de duidelijkheid dit vereischt, bijv. Xen. Cyr. I. 3. 2.
Tlipaüv jiïv iroXb naWiaroc, b l/ibt irariip, Mrjflwv /tivrot iroXii ovrog b iftbe iraw
5*
-ocr page 82-
68                                              pronomina.                        [N°. 157—161.
noQ KaWttTroc* avTatma^ófitvoQ   H 6 wairnoc, avrbv aro\\t)v ku\\i)v ivkiïvm. Mijn
vader is wel verreweg de schoonste
  dtr Petzen, maar onder de Meden is deze mijn groot-
vader verreweg de schoonste: en
   zijn grootvader groette tegen en trok hem ecu schoon
kleed aan.
§ 51.
Het wederkeerig voornaamwoord.
158        Het reciprocum aXXyXw elkander kan als dualis en als pluralis
verbogen worden, gelijk volgt: A. aXXyXto. G. D. (iAA>)Aoiv(-n<v).
Plur. G. aAA/;A(ui>. D. aWi\'iXoiQ-aiQ. A. aXXi\'iXovg ttAA/;Aac; uXXrjXa.
§ 52.
Aanwijzende voornaamwoorden.
159        De pronomina demonstrativa zijn:
1. Voor den eersten persoon, wat betrekking heeft op den
persoon die spreekt: <"Se fiSe róBe, deze deze dit, gelijk aan het
latijnsche hic haec hoc. Het wordt verbogen als volgt:
Singularis.
Dualis.
Pluralis.
N.
tl $ W ^ / ^
OC£ 7)OE TOÖE.
N.
o\'iBe oïoe
raêe.
G.
TovBt tFj<t§£ Toïide.
N.A. riiiSe.
G.
TUWCi.
D.
roïot" rtjBs r<»j§£.
G. D. roivSt.
D.
toTctSé rdiercc
roTaSs.
A.
róvBs ti\'ivSe toBs.
A.
TovctSe rdace
raSt.
160 2. Voor den tweeden persoon, wat betrekking heeft op don
persoon tot wien gesproken wordt, outoc oDnj tovto , die die dat,
gelijk aan het lat. iste ista istud. Het wordt regelmatig naar
de eerste en tweede declinatie verbogen , doch neemt een t aan
waar het lidwoord de r heeft en verandert de o in a waar het
lidwoord a of r\\ heeft.
Singularis.
N. ovto$ avTr\\ tovto.
G. tovtov raurtjc tovtov.
D. rovrij) ravry tovti^i.
A. TOVTOV TaVTtJV TOVTO.
Dualis.
n
• Pluralis.
N.
oïirmi altrat
Tavra.
N. A. TOVTUl.
G.
TOVTWV.
G. D. rovTotv.
D.
Tovroig Tavraig
TOVTOIQ.
A.
TOVTOVQ TÜVTCIQ
raïira.
1(J1          Aanm. 1. Volgens ohroc, worden ook de pronomina correlativa, onderling betrek-
kelijke voornaamwoorden, roiroDroc roaairn Toaovro, zooveel als, zoo groot als,
tantus, toiovtos roiavrtf
roioüro zoodanig als, talis, en tï)\\ikovtoc, rij\\«air»| r»j\\i-
-ocr page 83-
N°. 161 — 166.]                    PRONOMINA.
(59
kovto zoo groot, zoo oud als, verbogen. Het onzijdige dezer pronomina neemt voor
een volgenden klinker de v aan, roaovrov, toioutov.
2.   "OSi evenals de correlativa roïoc roióirh, rÓToc. ronnofi en het adverbium 162
w(5« hebben betrekking op hetgeen in het verhaal volgt, en kunnen dus vertaald wor-
den : op de volgende wijze, zooali volgt: bijv. ï\\iyi raSi, rota, Totale, uiSi hij sprak
als volgt
, hij zeide het volgende.
Qutoc daarentegen evenals de correlativa 7-n<Tnüroe, roiot\'roc. en het adv. oïrwc.
hebben betrekking op hetgeen in het verhaal voorafgaat, en staan dus op het einde
of na het sluiten eener redevoering: oftrwc, ravra etc. ïktytv : zoo sprak hij, dit
zeide hij.
3.    Voor den derden persoon, wat betrekking heeft op den 163
persoon over wien gesproken wordt: èictTvoc, tKtivti licttvo, die,
die, dat, gene, gelijk hot lat. Me, illa, Mud. Het wordt regel-
matig naar de eerste en tweede declinatie verbogen, doch men
lette er op dat het onzijdig op o uitgaat, evenals bij ovrog ,
aXAo\'e en ovtÓq , zie N°. 167 en 168.
Aanm. 1. Achter de pronomina \'ó\'i, o5roc en èiceïvoc vindt men dikwijls een t
gevoegd waarvoor de korte klinkers wegvallen, om den nadruk aan te geven, die
op het pronomen valt, bijv. o\'vroai, óSi, Ikiivoi\'i, die daar, deze hier, gene daar,
gelijk aan het lat. illicine, hice (hicci). Deze jota heeft dan altijd den acutus en
doet de voorgaande syllabe kort uitspreken.
2.   \'Exüvot; is niet alleen aanwijzend voornaamwoord, doch dient tevens als pron. 164
pers. van den derden persoon, evenals aiiróc, en beteekent dan, hij, van hem, aan
hem, hem. Vooral dient het bij redenaars om de tegenpartij eenigszins met verach-
ting aan te wijzen. iJoo bijv. spreekt Demosthenes tot de Atheners over Philippus >
Phil. I. 8. /ui; yup «f Stip voftiltr\' ÏKitvta rd TTapóvra Xlirnyivai irpayuara a$a-
vaTa, aWd utaiï tic, Ik(Ïvov
, Kat iïéêttv Kat tpSovn , Kal tuiv Ttavv vvv doKnvvTtov
oUiiioQ ixl,v aiirtf kt.\\. Meent toch niet, dit de veroveringen, die hij nu gemaakt
heeft, hem evenals een god onvervreemdbaar eigen zijn, maar weet, dot menigeen hem
haat en vreest en benijdt, ook van hen die hem nu het incest genegen schijnen.
3.     Men lette er op dat de pronomina demonstrativa evenals é\'rnirrof, (Kanoot > 165
üiitpio, afKfiÓTtpot (zie N°. 171 en 172) bij verbinding met substantiva steeds vergezeld
zijn van het lidwoord, terwijl het pronomen dan vóór het lidwoord of achter het
substantivum geplaatst wordt: bijv. ó avi)p o&roc. of ovroe ö avrjp deze man, rii
iraïêe ctutporépio of afjtpojépu) rtl> naïef de beide kinderen.
4.     Het pronomen avróg wordt voornamelijk in vier beteeke- 166
nissen gebruikt:
1) Bij een zelfstandig naamwoord herft het de beteekenis
van zelf: bijv. Xen. An. I, 8, 27, Küpoe S\' avrug airêSave Kal
oktü)
o? uptffToi twv irept avrbv tKtivro t7r\' avT(£. Cyrus zelf nu
sneuvelde en acid der voornaamsten uit zijn gevolg lagen bij hem.
2) Op zich zelf staande heeft het de beteekenis van het
latijnsche ipse, ipsa, ipsum, ik zelf, gij zelf, hij zelf of zij
-ocr page 84-
70                                         pronomina.                    [N°. 166, 167.
zelf, terwijl de persoon door het zinsverband uit het werkwoord
moet worden opgemaakt. Xen. Cyr. 1, 3 , 10. "A ovk tart tjjuöc
rovg nalSag iroiüv, ravra avroi iroiiirt, wat gij ons kinderen niet
toestaat te doen, dat deedt gij zelf.
Zoo zal beteekenen avrbg
voitj ik doe het zelf, avrbg irotüg gij doet het zelf, ai/rog noieï
hij doet het zelf, avroi iroiovfiiv wij doen het zelf, avroi iroiovatv
zij doen het zelf.
3)   In de verbogen naamvallen heeft het de beteekenis van
hem, aan hem
etc. en wordt gebruikt in de plaats van het pron.
pers. van den derden persoon of ter vervanging van het pron.
possessivum van den derden persoon , gelijk het lat. is ea id. Zie
N°. 148 en 154 en het voorbeeld onder 1).
4)    Het heeft de beteekenis van het lat. idem eadem idem,
dezelfde hetzelfde,
wanneer het onmiddellijk door het lidivoord is
voorafgegaan.
In dit geval heeft er gewoonlijk crasis plaats bij
de vormen van het lidwoord die op eene vocaal eindigen. Alzoo
beteekent 6 airoe of avrbg av//p dezelfde man, doch avróg ó
óvïjp of ó avrip avróg de man zelf.
Singularis.
. o avrog avrog.          tj avnj aurtj.            ro avro ravro.
Gt. rov avroïi ravroïi. rijg abrrig.                    rov ahrov ravroï).
D. rt£ avrt^ raïirtjï. ry avry ravry.          rep avrtp raiiTtji.
A. rov ahróv.                    rrjv aiirr)v.                    rb avró ravró.
Dualis.
N. A. tui abri!) ravrii.
Q. D. toïv avroïv.
Pluralis.
. oi avroi avroi.         ai avral avrai.         ra avra ravra.
Gr. twv avrwv.                  tÜv avrwv.                  rwv avrwv.
D. roig avrolg.                 Talg avrdïg.                 roig avroïg.
A. rovg avrovg.                 rag avrag.                   ra avra ravra.
Bijv. Xen. An. I. 1. 7. TiaaaijiépvnQ irpoaeirSó/uevoc ra aiira ravra j3ouXtt;o-
fiivovq. Daar Tiasophernes bemerkte dat zij ditzelfde beraamden. Cyr. I. 3. 4. hjxu^
ei\'c iiiv rb abrb >iutv omvfori, gij streeft met ons naar hetzelfde.
Aanm. Voor ecnen klinker neemt het onzijdig soms de v aan ai/róv of rairbv.
-ocr page 85-
N°. 168—174.]                     pronomina.                                          71
5.             "AXXoe ZMr, &X\\o ) ,.                   ,                            168
,           „           > amjs , ee» ander.
irtpoc; trimt trepov )
\'O trtpoc, n f répa ro tVfpov (zelden ó aAXoe) e?e tmrfer (van twee) alter.
"AXXoi anderen, ot a\'XXot de anderen, ceteri en gelijk o< trtpoi
de andere yartij , de vreemdelingen , de vijanden.
\'0 öXXoc drukt een geheel uit in tegenoverstelling met zijn deelen, bijv. Xen. Cyr. II.
1. 5. 6 tik \' Aoiitpinc, ó B-f/3aXuii\'& re lxMV *"\' Tt)v fiAAfl>" \'bvavpiav t de Assyriër
die Bahylon in zijn macht heeft en geheel het ovrrige Assyrië,
rè a\\Xo ffrpartu/ta
geheet het overige leger, of het volgende in betrekking met het voorafgaande: ry a\\\\y
il/iintf den volgenden dng
, r<jj iiWtp Int liet volgend jaar.
Aanm. Wanneer trtpet met het lidwoord verbonden is, heeft er dikwijls oroêit 16a
plaats, en dan gaat de e over in u, terwijl de tenuis r van het lidwoord voor den
spiritus asper van é\'repoc in S verandert, volgens N°. 34. bijv. i \'irtpog wordt arepnf,
rov tr\'tpov Sdrtpov , tcl ïripa Sartpa.
6.     Door voorvoeging der negatie zijn van jfrtpoc gevormd          170
. geen van beiden, neuter.
(xtiotTipoQ -a -ov )
7.    "Eicao-roe -r; -ov elk (van meerderen) quisque.                            171
\'E/curfpoc -a -ov elk van beiden, uterque.
8.    "An<t>w G. D. bn<t>oïv Ac. afii>u> (N°. 142) j                             172
afupóripoi -at -a                                                          )
Het enkelvoud a/x^órtpog komt gewoonlijk slechts voor als
adverbiale Accusativus: afxfyórtpov beide, utrumque.
9.     ó 17 to Sfïi>a cfce, gene, wordt of niet verbogen of Gen. 173
Süvog, Ace. Süva, Plur. N. Sttwc, G. Stiw». (Demosth. 01. II,
31, ó êeïva ^ ó Stiva deze of gene).
§ 53.
Het betrekkelijk voornaamwoord.
Het pronomen relativum öc tj o , cfo\'e, efo\'e, rfa£, qui, quae, quod, 174
wordt regelmatig verbogen als volgt :
Singularis.                   Dualis.                     Pluralis.
N.
OQ
»*i
ti
O.
N.
« » «
ot <u a.
G.
T
f\'
OU.
N. A. ói.
G.
T
(UV.
D.
r
\'f
T
V
T
0. D. oZv.
D.
oïe al? oTc-
A.
ff
uv
f\'
0.
A.
w « ff
ovc a$ a.
Het pronomen kan versterkt worden tot ö<T7T£p, ijn-ep , oirep.
-ocr page 86-
72                                         pronomina.                     [N°. 175—179.
Gebruik van het pronomen relativum.
175         1. Het relativum komt in geslacht en getal overeen met zijn
antecedens, dat is met het woord waarop het betrekking heeft,
doch zijn naamval hangt af van den zin waarin het staat, bijv.
Ntavi\'ae, uq rrjv /3i\'j3Xoi/ <ro< ïèwicsv, jnvenis qui tibi librum dedit.
„         ov rov irarêpa yiyviïxricw ,         „ cujus patrem nosco.
„ $ rrjv /3//3Xov iScuKac,             » cui librum dedisti.
„ ov tlStg,                                     „ quem vidisti.
176           2. Wanneer het pronomen relativum in den Accusativus moet staan en terugslaat
op een nomen , wat in den Oenitivus of Dativns staat , dan wordt het relativum ge-
woonlijk door dit nomen aangetrokken en neemt er den casus van over. Dit heet men
atlractio : hijv. Xen. An. I. 1. 8. ó KDpoc airéirtUTri tovq iiafiove fiatriXfï ir tüv
iróXtu/v uiv Tiaaaipt pvovc. tTvy\\avtv ixwv. Cyrus zond den koning de belastingen uit
de steden, die hij van Tissaphernes in bezit had: Ik twv iróXfutv &v Wvy\\avtv t\\uv
staat dus door attractie voor Ie rüv iróXtiav üc. lTvy\\avtv t\\6>v.
Ib. I. 3. 17. poj3oiunv- av Tip r/ytuóvi <p Snin ïwiaSai, ik zou vreezen den gids te
volgen, dien hij oi<s mocht geven : Tip iiytuóvi ip iïoin
voor T<p i\'iytuóvt öv Soin.
177           8- Deze attractie heeft geregeld plaats wanneer het relativum in den Accusativus
op een demonstrativum in den Oenitivus of Dativus slaat, terwijl dan het demonstra-
tivum verder geheel verdwijnt, zooals ook in het Nederlandsen kan geschieden: bijv
Xen. An. I. 3. 4. \'iva w$t\\oii\\v abrbv av3\' &v tb tiraSuv vir\' èictivov = avri rov-
riitv u tv liraSov, opdat ik hem zou van nut zijn voor {datgene) wat ik in weldaden
van hem ontving.
Xen. Heil. III. 5. 18. AiaavipoQ avv oïc ii\\lv VH wpAc t& tiïxoc. = avv ro«-
roif oiij \'ïxiv. Lysander naderde den muur met (deze troepen) die hij had.
178          In net Grieksch wordt de constructie Tan den relatieven zin dikwijls afge-
broken en komt een nieuwe hoofdzin ,
waar wij in het Nederlandsch den relatieven zin
doorzetten : bijv. Xen. An. I. 1. 2. Kïipoi; utraTTtfiirtrat airb rtje ap\\niQ \'K avrbv
aarpannv Inoinat, Kat arparnybv 8t abrbv atrtSttZt iravrojv ötroi tic, Kaaroj\\ov
iriêiov iSpoiZovrat, Cyrus ontbiedt hij uit de provincie waarover hij hem ah satraap
had aangesteld; en ook had hij hem tot opperbevelhebber benoemd over allen, die in de
vlakte.van Kastolus gekampeerd zijn.
179         De reden ligt hierin , dat de Grieken de pronomina zooveel de duidelijkheid dit
toelaat vermijden, daar zij den stijl hard maken en toch reeds zoo veelvuldig zijn.
Vandaar ook dat zij het relativum niet twee- of meermalen op hetzelfde antecedens
laten terugslaan , en wanneer een tweede relatieve zin een anderen naamval van het
pronomen zou vorderen, het pronomen eenvoudig weglaten, zoodat het door den
lezer moet worden aangevuld, bijv. Xen. An. III. 2. S. \'Apiaïoc öv tfuuc rjüikoixtv
jïaatXia KaSiardvat Kai ISiiwautv
Kal IXaflouiv iriirra ui) wpoSuiirtiv a\\Xij\\oi;c vuac
kuküs irottïv iruparai. Ariaeus dien wij koning wilden maken en ivitn wij ons woord
gaven, en van wien wij het ontvingen van elkander niet te verraden , is er op uil ons
kwaad te doen.
Volledig zou de zin zijn: jcai ip kiütKautv Kai wap\' pv iXafioptv.
-ocr page 87-
N°. 180—182.]                    PRONOMINA.
73
§ 54.
Het Onbepaald en Vragend Voornaamwoord. Pronomen
Indefinitum et Interrogativum.
1)
Het vragend voornaamwoord, dat als substantivum quis, 180
quid, wie, wat, en als adjectivum qui, quod, welke, welk betee-
kent, wordt als volgt verbogen:
Singularis.
Dualis.
Pluralis.
N.
Tig rt.
N.
Tiveg
G.
Tivog of TOV.
N. A. rivt.
G.
TIVIOV.
D.
rlvi of rq.
G. D. rivoiv.
D.
Tiai.
A.
riva t(.
L.
TIVOLQ
Tiva.
riva.
Het lat. uter, wie van beiden, is itÓTtpog -o -ov, en in indi-
recte vragen óirÓTtpoq -Ttpu -rtpov, wie, wat van beiden ook,
uterlïbet.
Als adverbiale Ace. beteekent rf hoe, u-aartoe, waarom, in u-elk opzicht ?
2) Het onbepaalde voornaamwoord, dat als subst. aliquis, ali- 181
quid, iemand, iets, als adjectivum eenig, een zeker, quidam
beteekent, wordt verbogen als volgt:
Singularis.                      Dualis.                       Pluralis.
N.
Tig Th
N.
TIVIQ
G.
of TOV.
N. A.
TIVÏ.
G.
TIVÜJV,
D.
TIVÏ Of Tl$.
G. D.
TIVÓÏV.
D.
Tiai.
A.
TlVtt TÏ.
A.
rivac
m of
UTTQ.
-a of
Aanm. 1. Het\' pronomen indefinitum verschilt van het prono-
men interrogativum doordat het pronomen indefinitum in al zijn
vormen, uitgenomen üttü, enclitisch is,
of, zoo het accent ver-
eischt wordt, dit altijd op de laatste syllabe komt. Het pron.
interrogativum daarentegen draagt altijd zijn accent en wel op
de i der eerste syllabe.
De nominativns van het interrogativum rtg - t\'i heeft altijd den
acutus,
ook al is hij niet door eenig leesteeken van het volgend
woord gescheiden. Het indefinitum heeft echter in dit geval
zoo het moet geaccenteerd worden den gravis, tenzij een andere
enclitica volge.
182
-ocr page 88-
74                                         pronomina.                     [N°. 182—186.
Bijv. r\'tq tJk«; wie is gekomen? Tig vku iemand is gekomen, Tig
avrjp
i)K«<; welke man is gekomen? r<e avrjp yicu een zeker man
is gekomen. Aiyuv ti tivi iemand iets zeggen.
Gewoonlijk echter
zal het onbep. ng op de tweede plaats staan: r\'iKti ng en avi\'ip
ng ")ku iemand is gekomen.
183        2. Het pronomen indefinitum rit staat dikwijls voor het Nederl. onbepaald lid-
woord een , voor men of menigeen , gelijk het latijnsche qitis, bijv. ne guls dir.at men
zegge niet, hic qnaerat quüpiam hier zou men kunnen vragen.
Zoo beteekent 7r5f rij
een ieder. Zoo Demosth. PhiL I. 1. tl uïv irtpi tatvoü rtvof irpayuaTOQ TrpoÜTiStro
Xêyttv , indien er over een nieuw onderwerp
woe.it gesproken worden. Ibid. 8. ptatï tiq
Ikiïvov menigeen haat hem.
Xen. An. I. 4. 12. oir/c i/paauv iivai lav /ir; nc auroij
Xnijuara iïititfi , zij weigerden vooruit te trekken , indien men hun geen geld gaf.
184           3. Na adjectiva, pronomina, telwoorden en adverbia beteekent het ongeveer :
Xen. Heil. IV. 2. 44. ax\'Sóv ti zoo ten naaste bij. Cyr. II. 1. 2. iróaoi rivie,; hoe-
veel ongeveer?
Ibid. V. 4. 25. óXiyoi rivtj tamelijk weinigen, betrekkelijk weinigen.
Thuc. 7. 34. \'èitra Si rtvfc (vfjec) an\\oi lyivovro, doch ongeveer zeven schepen wer-
den onbruikbaar.
4. Als Adverbium beteekent het onbepaalde ri in eenig opzicht.
185         3) Door samenstelling van het pron. relat. 6g, ij , fi met het
pron. indefin. rlg is ontstaan het onbepaald betrekkelijk voornaam-
woord, het pronomen relativum. indefinitum Hartg, wig, on.
Het
heeft de beteekenis van het lat. quicumque, alwie, wie ook, of
wordt in de onrechtstreeksche vraag voor het vragende pronomen
r\'ig wie, gebruikt. Zijn declinatie volgt:
Singularis.                                         Pluralis.
. ootiq TjTtc         o ti.             JN. oiTivtg airivtg (ariva 01) arra.
GL (pvrivog) rjaTivog (ovnvog). G. wvrivwv.
D. (yrivi) yrivi («jirtvt).           D. oiariai aiariai óioTiai.
A. övriva r\\vTiva o Ti.            A.. oïiartvag aarivag (aTiva of) arra.
Dualis.
N. A. ütivi.
G. D. olvrti\'oiv.
jgg A.anm. 1. Voor de vormen olnvog en i^tivi zijn de korte
vormen lirov en öt<j> meer in gebruik.
Het neutrum o ti wordt of zooals hier van elkander gesehre-
ven, óf door de diastole ti, ti gescheiden, ter onderscheiding van
de conjunctie fin dat.
Men verwissele het neutrum ar ra (spir. asper) niet met het onbepaalde arra
(spir. lenis).
-ocr page 89-
N°. 186—189.]                     pronomina.                                          75
Wsit het accent aangaat, lette men er op dat r«c , ofschoon met o; in één woord
geschreven, als enclitica beschouwd wordt en 8c alleen zijn accent behoudt. Zie
N°. 14 en 15.
2.   Het pronomen <><rric verschilt van het eenvoudig pron. relat, oc, ij, o in 187
zoover, dat dit laatste op een bepaalden persoon of een bepaalde zaak betrekking
heeft, terwijl birric algemeen is, op onbepaalde personen of zaken betrekking heeft, op
een geheele klasse of soort wijst en daardoor niet zelden op een meervoud terugslaat,
dikwijls te vertalen door: van dien aard dat, geschikt om. Zoo vertaalt men,
niemand die oiJtf \'6ari{, een ieder oiio\'tic ö<rnc ov.
Bijv. Xen. An. I. 3. 14. Eïc Si lij llw ijytpóva airiiv KDpov öotic diragft.
Een nu zeide van Cyrus een gids te vragen, die hen zou wegvoeren. De persoon is
niet bepaald vandaar ftytp&va zonder lidwoord en ö<mc. Ibid. 16. ei Si «ai T<ji
ijytfióvi ittOTiiaoiiiv ov av
KSpof Sip ic.r.X. en indien wij ook op den gids, dien Cyrus
ons mocht geven vertrouwen kunnen enz.
Ilier is de gids bepaald „dien Cyrus ons
mocht geven",
vandaar r<p en ov. Ibid. I. 1. ö. ötrne o" d^ucvoïro r<5v irapa /3ao*i-
X«<>C it.r.X. zoo dikwijls nu iemand uit de omgeving des konings kwam enz.
3.   "Oitj-ic kan versterkt worden door de achtervoegsels ovv wat dan altijd den 188
circumflexus heeft en door Sifirori bijv. \'óotiqovv , iarioSriiroTi, overeenkomende met
het lat. quicumgue en quilibet.
4.   "O rt beteekent als Ace. adverb. waarom.
§ 55.
Onderling betrekkelijke Voornaamwoorden.
Pronomina Correlativa.                                     189
Interrogativa.                  Demonstrativa.                       Relativa.
I. 7i\'.> roe " 1 " OV j             (róaoQ - rj - ov)
quantus ? quot ?         (roaovrog - avrr\\ - oüro
hoe groot ? hoe veel ? \\ roaóaSs - o>i$e - tróvBt
tantus - tot                    quantus • quot
zoo groot, zoo veel.              als.
i                                              óyróaof - r\\ - ov
zoo groot, zoo veel • quantus.
II. Trotoe • a - ov]
              (toïoc - a • ov)
qualis ? hoedanig ? i roiovrog - avrri • ovro T
\\       , « \'S \' S          ot°C "•"OV
(roioaot - ï]b& - «voe
talis, zoodanig.            qualis, als.
óttoïoc » a • ov
qualis, welkdanig.
III. Trt)\\licog • ti - ov;
         [ tti\\(koq
hoe oud? hoe machtig? i TjjXiicoüroe                   . t/Aikoc
(TtiXiKÓaBe
zoo oud, zoo machtig.            als
£* /~n * .. Jioe machtig, hoe groot,
O.\'F.M.         
wu.chens
-ocr page 90-
76                                        pronomina.                    [N°. 190—194.
J90           !• Deze pronomina worden correlativa, onderling betrekkelijke genoemd, omdat
zij volgens hun beteekenis en vorm in onderlinge betrekking tot elkander staan ,
evenals de bijgevoegde latijnscbe woorden.
2.     Hun verbuiging is regelmatig naar de eerste en tweede declinatie. Voor
Toaovroq, toiovtos en rnXttovroc zie men N". 161 en 162.
3.     Deze pronomina hebben alle het accent op de voorlaatste syllabe.
4.     Evenals het relativum öc ij o kunnen ook deze relativa door wtp en evenals
önnc door obv en Srirron versterkt worden, bijv. o-iomrtp , bo~oaSr)iroT(, dikwijls in
twee woorden geschreven oïoc Sr), oïoc ovv, oïoc SiiiroTi, oliSe Trip etc.
Gebruik en beteekenis.
191             1. De vormen róans en roioc komen bijna alleen bij dichters vnor.
2. De vormen óiróffoc iróffoc Ó7roïoc jrolof zijn èn relativa èn dienen tevens,
evenals tic en \'ótns, ter inleiding van rechtstreeksche of zijdelingsche vrugen : bijv.
Xen. Cyr. II. 1. 2. ïirura Sé vpirn rbv Kiipov b Kvalapqs iranov ayoi irrpa-
nvfia
.... iróaoi tivss ; ïtpr\\ b \\L.vu%,apr\\q. Vervolgens nu vroeg Cgaxares Cgrus hoe
groot leger hij medebracht
.... „Hoeveil ongeveer f\' zei Cgaxares.
An. V. 5. 15. IptoTare Sé aurovc, biroiuiv Tivotv iijiStv Itv\\ov. Ondervraagt hen nu
(hocdanige zaken) wat zij door ons verkregen.
Cyr. I. 1. 6. laici\\f/aiiiSta iroiav riva
<püGiv ixttiv Kal nota. tivi iratSiiq. iraiSivSiis rotrovrov SiijVtyicfv k.t.X. wij gingen
na hoedanig zijn karakter was en op hoedanige wijze opgevoed hij zoozeer uitstak in het
beheersehtn der mensehen,
192            3. Wanneer de relativa niet van hun demonstrativum zijn voorafgegaan, worden
in de plaats van B<rnc en oloc gewoonlijk de vormen bvóaog en óttoÏoc gebruikt.
Vandaar dat otoc, wat dikwijls zonder voorafgaand demonstrativum staat, door weg-
lating van roffoürof wordt uitgelegd, en dan beteekent: zoo groot als, zooveel als.
Het Pluralis ö-roi beteekent allen die, zooveel als. Zoo iravriQ oaoi allen welke, iravSi\'
\'óaa al wat.
Bijv. Xen. An. I. 1. 6. óiróo-ac ilx1 tpvXaicac, iv ratc wóXiat zooveel
bezettingen hij in de steden had.
Ibid. I. 2. 1. Kal Stvioi i)Kltv cmayyiXXit Xafióvra
toAc (ïWowc 7r\\j\'/v óttóitoi \'iKai\'oi i/trav rag atpowóXiis ipv^ÓTTitv en hij beveelt Xenias
met alle anderen te komen behalve zoovelen als noodig waren om de burchten te bewaken.
193           *• Evenals in het latijn als na tantus door quantus, na talis door qualis vertaald
wordt, zoo volgt ook in het Grieksch op roToüroc, Toaó-rSt het relativum Ötoc , op
roiowroc rotóah het relativum oïoc , op rrjXUos , TijXiicoOroc , rnXiKÓirSi het relativum
i/Xïcnc; bijv. Demosth. Phil. I. 11. oiiSk yap toiXtiriros irapa riyv avrou pó>pn\\v
Toauvrov
iVni/?>)rui oaov irapït rr)v hfiiripav ti/uXliuv. Want Philippw is volstrekt
niet door zijn eigen kracht zooveel als door onze zorgeloosheid in macht toegenomen.
Olynth. I. 9. fyiXimrov KaTiarriaafifv rnXticovrov, t/Xicoc ovSfis ttoj flaatXfis yéyovt
MctKiboviac,. Wij hebben i\'hilippus zoo machtig gemaakt ah nooit eenig koning van
Macedonië was.
194  / 5. Dikwijls moet het relativum niet door als maar door dat vertaald worden,
/ hetgeen dan ook dikwijls door Hort vervangen wordt, gelijk het lat. tantus . . ut.
Bijv. Xen. Cyr. I. 1. ö. Küpoc J\' dvnpriiaaTo Tortavra QvXa \'b-a «roti SifXSüv
ïpyov ioriv. Cgrus verbond zoovele volken aan zich dat zelfs ze te doorreizen reeds
moeielijk is; ISvvavSri Si kTTiSvpiav èfifiaXeïv Tonuiirnv Tov Travras avrip xapifyoSai
ÜVTI au ry ai>Toïi yvói/iy aXtovv icvfifpvaaSai, en hij wist allen een zoodanige begeerte
in te boezemen om hem welgevallig te zijn, dut zij altijd volgens zijn guedvinden wenschten
bestuurd te worden.
Voornamelijk is dit het geval bij toiovtos - oloc met volgenden Infinitivus, te
-ocr page 91-
N°. 194—197.]                    pronomina.                                    77
vertalen door: zoodanig dat, van dien aard dat, in staat zijn om enz., bijv. Xen.
Cyr. I.. 2. 3. o\'i vóuoi ijrifttXovTat, \'óirtoQ ri)v dp\\i)v ui) roioïïroi ïtrnvraio\'; iroXÏTttt
oïoi vovnpoü ni/os Ipynv ItyiioSat. De wetten zorgen, dal de burgen van af Iiiih
jeugd niet in staat zullen zijn om naar cenige slechte daad te streven.
6.     Bij Comparativi beteekenen bnu> - ronovTip, hoe - des te. Demostb. Olyntb. II. 3.
QiXnrirot; uèv yup öffip irXtiov\' üjrtp n)v aiiuv imroinKi ti)v aürov , roiourip &au-
patjTÓTtpog
TTopii naam vouiZtrar ü/«ïc St biip \\iipov r) irpntriJKfv ti\\pna^( roïf
wpdyuairt, roaoiiTip wXtiov ai^xuuiiv öi-p\\i]Kart. Hoe meer toch Philippus boven
verwachting verricht heeft, des te bewonderenswaardiger wordt hij door allen gehouden :
maar gij hebt, hoe minder betamelijk gij uw zaken bestuurd hebt , des te meer schande
op n geladen.
Een voorbeeld van 5 en 6 geeft Xen. Cyr. V. 5. 25. *I<t3i \'6ri ravra rdyaid
roiaïird ètrrtv ola \'ó<toj wXliova tpaivtrat, Toaolirip uaXXov lui j3apvvtt. Weet dut
deze weldaden zoodanig zijn, dal zij naar mate zij grooter schijnen, mij des te meer
bezwaren.
Aaxm. Wat verder gebruik en beteekenis aangaat, moet men voornamelijk in de
schrijvers zelven leeren. Zoo wordt het relativum oloc dikwijls in vragende zinnen
voor jrnioc gebruikt, evenals ook het relativum ot i) o soms in vragende zinnen
afwisselt met \'óaric,, bijv. Lysias, icard \'Ayopdron, 4. &ei S\' vfiac, w dvSptQ
\'ASnraïot, tt
apx\'lc ruv irpayudrojv tnrdvrwv dtcovaai, \'tv ttSi}rt Trpwrov pïv ip
TpÓTrip vuiv y) Snuotcparia KariXvSn.
rcii vip\' orov, tirura ip rpcnrtp oi dvSptc. v-jr\'
\' Ayopiirov d-TrèSavov, Kal Si) o
rt diro^vijTKtiv uéXXovrtc èiréffKtj^av. Gij moet nu,
mannen Atheners, de geheele zaak van het begin af vernemen, opdat gij wetet vooreerst
op welke wijze uwe volkstcgeering werd omvergeworpen, en door wien ; vervolgens op
welke wijze de mannen door Agoralas zijn omgebracht en daarbij nog wat zij op het
punt van te sterven ons oplegden.
Xen. Cyr. I. 4. 5. oïov 7re7roii)«a!,\'; wat hebt gij gedaan ?
7.     In het bijzonder lette men nog op de volgende spreekwijzen :
a)     oïóg re met tlvat of yiyviaSoi beteekent van personen gesproken: in
staat [tot iets) zijn,
van zaken: mogelijk, bijv. Xen. Cyr. I. 4. 12. oiiS\'t yup olóf
n tifti Xéytiv tyioyt k.t.X., want ik voor mij ben volstrekt niet meer in staat om ie
spreken.
Ibid. 11. vwo ri}c wXari/rtjroc otilt duaprtiv oïóv rt ï/v rwv icdirpuiv,
wegens hun bretdte was het volstrekt niet mogelijk de wilde zwijnen (te missen) niet te
treffen.
b)     De neutra oïov en ola worden als adverbia gebruikt, dikwijls versterkt door
Sy of 7T«p, olóvwtp en beteekenen: 1) als het u-are, evenals; 2) bij een participium
daar namelijk: art
en het latijnsche ouippe, bijv. Xen. Cyr. I. 3. 2. ó Küpoj rbv
\'Aarvaynv
tuMj ola Si) 7raïf <j>uatt ipiXóaropyoc, S>v fidvaZtro, daar Cyrus een van
nature minzaam kind was, groette hij Astyagcs aansttnds.
Ibid. 3. art wals S>v Kal
0i\\ó«ra\\oc k.t.X.
e) oiiSiv oïov, niets is daarmee te vergelijken, niets is beter dan, il n\'y a rien
de tel que.
d) Bij Homerus staat oloc dikwijls in afhankelijke zinnen in de plaats van ört
rotoc, daar, dewijl, nadat zoodanig: bijv. II. XXII. 347. ola u" ïopyaq, daar gij
zoo tegen mij gehandeld hebt.
II. XVIII. 262. oloj intivov Svptöc, ujrépjSioc, dewijl
hij zoo ontembaar van gemoed is.
Aaxm. Van deze pronomina bestaan ook indefinita, die oxytona zijn: irooós - f) - 6v
aliquantus, van zekere grootte, iroiói - d • óv aliqualis, van zekere hoedanigheid.
-ocr page 92-
78                                                       verbum.                             [N°. 198, 199.
198 Tot de pronomina correlativa kan men ook nog rekenen:
1°. xóirroc = óiróoTOQ; quotus? de hoeveelste? birooTKiovv, quotuscumque, de hoe-
veelste ook.
2a. de pronomina gentililia: woiïairóg — ówoSairÓQ ; uit welk land ? cujas ? >//«(5a-
w&c nostras, een landsman van ons, ifiiSairóc vestras, een landsman van u, aWoluirót
alienus, een vreemdeling.
O e f e nin g.
Bepaal en geef de beleekenis der volgende Tormen:
ow(2), ro5(2)rou - ol, oï, ói-tp, ry(2)ry - rèv. öv, 6, 8-<5i», rüv - avrov,
aürov, rabrov, toOtov, ravró, tovto, abri/, abri), abri], rairp
- iirra, <irra-r«f,
rif, ri, rivtov, Tiai-rfiv, r\\v, rijs, ijs , ;, jj, ij.
Bemerk tevens de partikel j} of, na een negatie en een comparativus dan, -r/
inderdaad, voorwaar
of als vraagwoord = \'t lat. tie - y , ik was, le p. Impf. van ei\'/ii
ik ben • f/ = t$»j hij zeide - r)v indien, samengetrokken uit iav - ijv hij was of ik
zeidc
= «0i)v.
HET VERBUM.
§
56.
199
Het hulpwerkwoord slfii, ik ben.
Praesens.
Indic.
Conjunct.
Imperat. Infinit. Partic.
Sing.
Dual.
1.
2.
3.
tqu , ik ben,
tl.
tan.
5>, dat ik zij.
v-
tlvai, zijn. wv oïiaa ov.
ïaSi
, wees. GK ovroc-ovatiQ ,
ffo-rw. zijnde.
2.
iarov.
%TOV.
iarov.
3.
laróv.
ijrov.
tOTOV.
Plur.
1.
2.
lafiiv.
EOTE.
«5/UEV.
*
tart.
3.
elai(y).
(Lat.
övrtov.
Imperfectum.
Indic.                     Optativus.
Sing. 1. %, ik  was^»tfV.Qïr)v, dat ik ware.
2.  faïu.   Lffl\' JtïnC\'
3.   %v.                        ut).
Dual.
. t)Ti\\v.                      tirr\\v [eijjtijv.
. jjTrjv.                      urriv strjrijv.
Plur. 1. l//tEl\'.                      (IfltV IUI/UV.
2.   ^T£.                         EtrE EtJJTE.
3.   i/aai/.                      eTev Etrjffav.]
-ocr page 93-
N°. 199—201.]                      verbum.                                        79
Futurum.
Indic.
                         Optativus.
Infinit.           Partic.
tatrriat,         taófxtvog-ti-ov
te zullen     zullende zijn.
zijn.
Sing.
1.
taofiai i
ik zal
zijn.
laoi/uiriv ,
dat ik zal
zijn.
2.
tast, i\' 4
t ï\'tf.
taoio.
3.
tarai.
taoiro.
Dual.
2.
tcnaSov.
looioSiriv.
3.
tataSov.
laoiaSriv.
Plur.
1.
taó/x&a.
laoi/uiSa.
2.
tattrSe.
taoioSt.
3.
ïaovTai.
taotvro.
Aanm. 1. Het geheele Praesens Indicativi behalve de 2 pers. «7 is enclitisch
volgens N°. 13 en 16 , en de 3e p. iari heeft de anastrophe volgens N°. 17.
2. De composita van tifti behouden overal het accent van het Simplex , uitge-
nomen in den Indicativus en in den Imperativus van het Praesens, waar zij het
accent zoover mogelijk naar voren schuiven, bijv. wafiarai, iraprjv, irapiïtv, doch
irapian , irapiore.
§ 57.
Over het werkwoord in het algemeen.
Aanm. Hier worden slechts die zaken besproken, welke noodzakelijk zijn om
het paradeigma (voorbeeld) iraili&u met vrucht te kunnen leeren, terwijl de ver-
schillende deelen in het bijzonder later meer uitgebreid zullen behandeld worden.
1.    Het Grieksche werkwoord heeft drie geslachten of soorten 200
(genera) het Activum , het Medium en het Passivum.
Het Activum en Passivum komen in beteekenis met het la-
tijnsche verbum overeen en met den bedrijvenden en lijdenden
vorm in het Nederlandsen , iraiBevo> educo ik voed op, iraiSevonai
educor ik word opgevoed.
Het Medium heeft gewoonlijk een reflexieve, wederkeerige be-
teekenis, bijv. iratBeiofiai ik voed mij zelven op, ik onderwijs mij
zelven,
of ik laat (voor mij) onderivijzen, doch heeft, uitgenomen
den Aoristus en het Futurum, dezelfde vormen als het Passivum.
2.    De tempora of tjjden zijn dezelfde als bij het latijnsche 201
werkwoord. Het Grieksche werkwoord heeft echter ook nog een
Aoristus, die, wat den Indicativus aangaat, met het latijnsche
Perfectum historicum en het Fransche Passé défini overeenkomt.
-ocr page 94-
80                                        verbum.                     [N°. 201-205.
De tijden hebben evenals wij bij de declinatie zagen drie ge-
tallen :
Singularis, Dualis en Pluralis. Voor ieder getal zijn
drie personen, doch in plaats van den eersten persoon Dualis
wordt altijd de eerste persoon Pluralis gebruikt, terwijl de tweede
en derde persoon steeds denzelfden vorm hebben.
202        3. Deze tijden worden verdeeld :
I. in hoofdtijden : het Praesens , Futurum , Perfectum en
Futurum Exactum ook Futurum tertium of Futurum Perfecti
genoemd ;
en in historische tijden: het Imperfectum, de Aoristus en het
Plusquamperfectum.
II. in stamtijden: de Indicativus 1) Praesentis activi,
2) Futuri Activi, 3) Perfecti Activi, 4) Perfecti op -/xai, 5) Aoristi
Passivi, waarvan de overige als afgeleide tijden gevormd worden.
203        4. De historische tijden hebben in den Indicativus (niet in de
overige modi) een augment (vermeerdering) wat bij de werk-
woorden, die met één consonant beginnen, in de voorvoeging
eener e bestaat
, bijv. naiStvw, Imperfectum tTraiBevov.
204        5. Het Perfectum, Plusquamperfectum en Futurum Exactum
hebben zoowel in het Activum als in den vorm op -/iat eene redu-
plicatie
, die bij verba welke met ééne consonant (uitgenomen de
duplices) aanvangen bestaat in de herhaling der consonant, waar-
mede het werkwoord begint met tusschenlassching eener t. In het
Plusquamperfectum staat het augment vóór de reduplicatie. Bijv.:
iraiStvuj. Perf. Act. 7te - iraiiïevica. Plusqpf. è - tte - jratSeuioj.
Perf. op fiat. ire - iraiSev/iai.
       „       è - wt - ncuSev/xtiv.
Fut. Exact.
Aanm. Slechts weinig werkwoorden hebben een Futurum
Exactum in het Activum, doch bij zeer vele wordt het in het
Passivum gevonden.
205        6. De Modi of Wijzen zijn de Indicativus, de Conjunctivus,
de Optativus en de Imperativus; verder zijn er in het Grieksch
drie nominaalvormen, evenals in het Latijn, de Infinitivus en het
Participium, en nog de adjectiva verbalia.
-ocr page 95-
N°. 205—208.]                     verbum.                                        81
Het zij voldoende hier aan te merken dat zij in gebruik en
beteekenis overeenkomen met die vormen van het werkwoord in
het Latijn en Nederlandsch. Over de adjectiva verbalia zal later
gesproken worden.
De Optativus (van optare wenschen) dient om een wensch uit
te drukken, bijv. iratSevotfxi, moge ik opvoeden. Evenals de Con-
junctivus wordt hij echter het meest in afhankelijke zinnen ge-
bruikt,
zoodat na een hoofdtijd gewoonlijk de Conjunctivus, na
een historischen tijd de Optativus volgt.
De verschillende vormen van den Aoristus komen in beteeke-
nis overeen met diezelfde vormen van het Praesens uitgenomen
de Indicativus, zie N°. 201, en het Participium, dat wij ge-
woonlijk als verleden moeten vertalen.
7.    Men vindt den stam van een werkwoord zooals naiSevu) 206
door de «u weg te laten: dus iraiStv. Deze stam blijft door het
geheele werkwoord onveranderd.
8.    Drie stamtijden met hun afgeleide tijden hebben een ken- 207
letter, waardoor zij van de overige tijden onderscheiden en on-
middellijk herkend worden. Deze kenletter blijft in alle vormen
en staat onmiddellijk achter den stam, vóór verbindingsvocaal
en uitgang.
Deze tijden zijn:
a)   het Futurum Activi met zijn afgeleide tijden de Aoristus
Activi, het Futurum en de Aoristus Medii en het Futurum
Exactum of Tertium met de kenletter g.
Fut. Act. iraiSiv-a-w. Aor. Act. tiraièsv-a-a. Fut. Med. TratStv-CF-o/xai.
Aor. Med. iTratBiva-afitiv. Fut. Tert. TrsTrmSev-a-ofjiai.
b)    het Perfectum Activi met zijn afgeleiden tijd het Plus-
quamperfectum Activi met de kenletter k: Perf. irsiratBtv-K-a.
Plusqpf. IntTraiBtv-K-t).
c)    de Aoristus Passivi met de kenletter S: tnaiSev-S-riv.
Het Futurum Passivi heeft twee kenletters: de c van het Fu-
turum en de & van den Aoristus Passivi: iraiSev-S-i\'i-o-oiLiai.
9.    Wat de uitgangen, waardoor de verschillende personen 208
6
-ocr page 96-
82                                         verbum.                      [N°. 208, 209.
onderscheiden worden , aangaat, bemerke men, dat de lc pers.
Indicativi
van het Praesens, Futurum, Aoristus en Perfectum
en de le persoon der Conjunctivi in het Activum geen afzonder-
lijken uitgang heeft,
doch op de verbindingsvocaal eindigt, ter-
wijl de 3" persoon enkelvoud van het Activum alleen in den Im-
perativus een afzonderlijken uitgang heeft.
De uitgangen zijn dan als volgt:
I. Voor het Activum.
Indicativus der
Hoofd tij den en Con-
junctivus.
Indicativus der his-
torische tijden en
Optativus.
Imperativu
Singularis.
1   p. -
2  p. - c.
3p. -
1
2
3
Singularis,
p. - v - ut.
p. -c.
P- ~
Singularis
2p. -
3 p. TU).
Dualis.
Dualis.
Dualis.
2  p. - rov.
3  p. - rov.
2
3
p. - TT/V.
p. - TTfV.
2  p. - tov.
3  p. - rov.
Pluralis.
Pluralis.
Pluralis.
1   p. - fliV.
2   p. -T£.
3  p. - vti.
1
2
3
p. - fitv.
p. - te.
p. - v - aav • sv.
2   p. -T£.
3   p.,- vtwv
209         Aanm. 1) De 3e p. op -vti wordt -<it met verlenging der voorgaande vocaal als
was de uitgang -vrai: bijv. waiStv-ov-ai (voor iraitiiv-o-vTi).
2)    Het Imperfectum en Plusquamperfectum gaan in den eersten persoon uit op
v, ofschoon voor het plusquamperfectum gewoonlijk een kortere vorm gebruikt wordt;
de Optativus gaat uit op -/u.
3)     Het Imperfectum en de Aor. gaan in den derden persoon Pluralis uit op -v,
de Optativi op -tv en het Plusquamperfectum op -aav.
i) De tweede persoon Singularis van den Imperativus Aoristi is onregelmatig
gevormd, iraihva-o-v.
-ocr page 97-
N°. 209—212.]                     verbum.                                        83
il ^
Indicativus der
T oor
Indic
Hoofdtijden en
junctivus.
Con-
tori
Singularis.
1   p. - jxai.
2  p. - aai.
1
2
3 p. - tui.
3
Dualis.
2 p. - a§ov.
2
3 p. • aSov.
3
Pluralis.
1   p. - /ut$a.
2   p. -<X&£.
1
2
3 p. - vrat.
3
den vorm op
ativus der his-
torische tijden en
Optativus.
Singularis.
p. - firtv.
p. - ao.
p. - to.
Dualis,
p. - ffSt/v.
p. • aSrriv.
Pluralis.
p. - n&a.
\' fiat.
Imperativus.
Singularis.
p. - <ro.
p. - ffSw.
Dualis,
p. - a$ov.
p. - a$ov.
Pluralis.
a&e.
oSrwv.
p. - aSrt.
p. - vro.
210
Aanm. 1) De optativus stoot altijd de c van den tweeden persoon uit: bijv.
|3oti\\ëi/-<r-o»-o (voor fiovXii-o-oi-ao). Ook in de andere modi wordt de c van den
tweeden persoon uitgestooten en heeft vervolgens samentrekking plaats met de ver-
bindingsvocaal , zoo die aanwezig is (dus niet in het Perfectum en Plusquamperfec-
tum op -f>ai zie no. 215). Bijv. (iraiSii-t-aai wordt waiSiv-i-at en verder) irailiv-u,
(iratêii-t-ao
wordt n-aifow-e-o en verder) 7raihv-ov, (irathv-ri-aai wordt iraiSti-ii-ai
en verder) iratSivp.
2)     De 2e p. sing. van den Imperativus Aoristi Medii verlengt de verbindings-
vocaal tot -ai en heeft geen afzonderlijken uitgang.
3)     Onder de historische tijden moet de Aoristus Passivi niet gerekend worden,
die geheel op zich zelf staat: zie N". 216.
10. De aangegeven uitgangen worden in alle tijden, behalve
in het Perfectutn en het Plusquamperfectum van den vorm op
-fxai, door een verbindings- of bindvocaal met den stam verbonden.
Deze bindvocaal is voor den Indicativus.
I. In het Praesens, Imperfectum, Futurum en Futurum
Exactum , zoowel in het Activum als in den vorm op -/iai.
vóór de n en de v eene o,
vóór de andere consonanten eene e.
Hierbij valt echter op te merken , dat de £ in de 2" en 3e pers.
Sing. van het Praesens en Futurum Activi tot ti verlengd is.
Deze tijden worden dus met toepassing van het voorgaande
aldus vervoegd:
6*
211
212
-ocr page 98-
[N°. 212, 213.
84
VERBUM.
Activum.
Indicativus.
Imperfectum.
Futurum.
Praesens.
S. waiSev-to ik voed op. l-waiBev-o-v ik voedde op. iraiBev-a-tj ik zal opvoeden.
irai$ev-Ei-£                     i-iraiBev-t-g                              waiStv-o-tt-Q
voeBev-ei                         è"ira($tv-t                                 iratBev-a-ei
D
P
rratStv-i-rov                   i-iraiStv-é-rriv                          7taiSti-a-t-TOv
waiBiv-E-rov                   t-Tratêtv-t-Ttiv                          iraiBEv-a-E-rov
natStv-o-fjitv                  i-Traidtv-o-fxtv                          naiBtv-a-o-ntv
Bev-e-te                      i-TraiBtv-e-n                             watBev-a-t-re
iraiBev-ov-ai.
ffaiBev-o-ov-m.
i-iraiBtv-O\'V.
Vorm op -/im.
Indicativus.
Praesens.
           Imperfectum.            Futurum.          Futurum Exactum.
Pass. ik word opgevoed, ik werd opgevoed.                                          ik stal opgevoed %ijn.
Med. ik laat opvoeden, ik liet opvoeden, ik zal laten opvoeden.
S. iraiBii-o-fitti
           t-TTaiBev-ó-/iiriv irmBev-a-o-fiat             irtiraiBtv-a-o-fiat
TraiBev-eifa 210,1) t-rraiBev-ov (i-oo) TraiBev-a-ti (aE-aaï) 7r£-7ra<§£u-<x-£t (<re-<xm)
irt-TraiBtv-a-i-Tcu
ne-iraiBtv-a-e-a^rov
ire-TraiBtu-aó-fiESa
iri-naiBtv-o-E-aZlE
iTE-waiBEV-cr-o-VTai.
è-TraiBsv-e-ro
iratBev-a-ETCu
iraiBev-ar-t-aSov
iraiBtv(T-ó-fjie^a
iraiBev-a-e-aSe
iratBev-a-o-vrai.
D. TratBtv-t-oSov
P. TrcuBivó-fi&a
ircuBtv-t-aSe
vaiBev\'o-vrai.
È-iraiBevi-oSirtv
È-iraiBev-ó-n&a
s-iraiBev\'f-aSe
è-TraiBev-o-VTO.
Aanm. Sommigen trekken -t-aat samen tot y zooals dit in den Conjunctivus
met t)-aat geschiedt, zie N°. 210, doch dat is niet navolgenswaardig.
213 II. De Aoristus Activi en Medii en het Perfectum Activi heb-
ben tot bindvocaal de a.
Aoristus Activi.
S. È-iralBEV-ff-a ik voedde
liraiBEva-a-q {op.
l-7TOtS«l(-(T-£
D. E-iraiBEV<J-a-T7\\v
1-itaiBEV-a-a-Tiqv
P. E-iraiBEv-a-a-fiEv
È-TTaiBEV-ff\'tfTE
È-TralBtv-o-a-v.
Aoristus Medii.               Perfectum Activi.
È-iraiBEv-o-a-fxiiv ik liet opvoe- irE-iraiBEv-K-a ik heb opgevoed.
È-naiBEv-o-ii) (aa-ao)       {den. TTE-iralBEV-ic-a-g
ÈmiraiBEv-o-a-TO                          irE-iratBEv-K-E
È-n-aiSfu-er-ó-ffS\'ijv                     WE-iraiBEv-K-a-rov
È-TraiBEv-tr-a-o&riv                     WE-naiBev-K-a-TOv
È-natBEv-<r-a-/iE^a                      irE-rraiBEv-Kra-fiEV
È-iratBEv-a-a-oSe                        iTE-iraiBEv-K-a-TE
è-iraiBEv-a-a-vro.                       iTE-TratBEv-iea-oi
-ocr page 99-
N°. 218—217.]
85
VERBUM.
Aanm. Men merke op dat de verbindingsvocaal in de 3" p.
Sing. Activi in t is overgegaan.
III.     Het Plusquamperfectum Activi heeft tot bindvocaal «, 214
doch in den eersten en tweeden persoon enkelvoud zijn verkorte
vormen met r\\ meer in gebruik, terwijl in den derden persoon
meervoud de e in de plaats van a komt, zooals volgt:
S. i-rrt-watSiv-K-T) (k-u-v) ik had opgevoed.          PI. i-ire-iraiStv-K ti-fttv.
i-Tre-iraiBtv-K-ï}-g (k-h-c). D. i-Tri-TratStv-K-ti-Tt)v. i-Trt-TraiStv-K-ei-TE.
È-ire-rraiStv-K-ei.
                     È-7r£-7rai§fi»-ic-et-T?ji>. è-irt-Traiiïtv-K-i-oav.
IV.     Het Perfectum en Plusquamperfectum van den vorm op 215
•fiat heeft noch kenletter, noch verbindingsvocaal en zet de uit-
gangen dus onmiddellijk achter den stam.
Perfectum.                              Plusquamperfectum.
Medii. ik heb laten opvoeden.             ik had laten opvoeden.
Passivi. ik ben opgevoed geworden, ik ivas opgevoed geworden.
S. irt-rraiiiv-fiai
                                 i-irt-irmBsv-nriv
ire-iraiBev-am                                  è-irt-TraiSevcro
ire-Trafèiv-rai                                  l-ire-Trafèev-TO
D. Tre-tralBev-oSov                              è-ire-natdev-tr^rfv
irt-ffu($tv-o%ov                               t-irt-Trat$tv-<j%r)v
P. TT£-Trai$tv-fi.&a                                t-TrriraiBtv-fji&a
ire-iraiBiv-a&e                                 t-Tre-TraiBtv-aSt
ir£-ira($EVVTai.                               k-ns-iralBtv-VTO.
V.     De Aoristus Passivi heeft de verbindingsvocaal jj en de 216
uitgangen van het Plusquamperfectum Activi.
S. è-TraiStv-S-ri-v ik werd opgevoed.                P. t-jrat$iv-§-Ti-(iev
È\'iraiSiv-^-ifc            D. i-TraiBtvS-tiTtfv         l-TraiStvS-q-rt
i-irai?>Ev-S~i}.                    l-irai$ivS-i\'ri">lv         t-iratSiv-Sr-ri-oav.
VI.     Het Futurum Passivi heeft de kenletters en de verbin- 217
dingsvocalen zoowel van den Aoristus Passivi als van het Futurum
Medii, met de uitgangen van den vorm op -ftat.
S. Trai$evS-!i-<r-o-uat ik zal opgevoed worden. P. irai$tv-S-ri-(r-ó\'-uE$a
Traiiïtv-§-i\'r<j-ei (a-i-aai)
D. iraiSev-S-i\'ro-t-oSuv 7raiStu-9p-»}-o,-£-<r&s
7raiBsv-§-ri-o-E-Tcu
                iraiStvS-i\'ro-t-oSov iraiStv-^-fi-a-o-vrat.
-ocr page 100-
86                                            verbum.                       [N°. 218, 219.
218 11. De bindvocaal wordt ook modnsrocaal genoemd, omdat zij
de modi van elkander doet onderscheiden, daar de uitgangen,
althans voor de meeste personen, in de verschillende modi de-
zelfde zijn.
De bindvocaal voor den Conjnnctivns is gevormd door verlen-
ging derzelfde vocaal van den Indicativus, zoodat
voor n en v de t»
voor andere consonanten de »j staat.
Conjunctivus.
Activum.
Praesentis.
                            Aoristi.                               Perfecti.
S. irai$Ev-iD dat ik op- iraiBev-a-w dat ik opvoede  irs-iraiStv-K-w dat ik opgevoed
iratSev-tjs (voede. naiBtv-a-y^ (N°. 205.    irB-iratBtv-K-ye {hebbe.
TraiSev-y.                       iraiStv-a-y.                              ne-iratStv-K-y.
D. iratSeiJ-rj-TOv                 iratciv-a-rj-Tov                        Tre-TraiSiv-K-if-rov
iraiBti-ri-TOV.                natctv-a-ri-TOv.                       Trs-Tratcev-K-ifTov.
P. TTaiSEv-(i)-/xEV                 iratStv-o-ui-fiev                       TTfiratStv-ietD-fiiv
TraiStv-ri-TB                    7ratSev-a-n-Te                          Tre-TratStv-K-rfTi
iratBtv-u)-ai.                  7raiSiv-a-wac.                         irt-naiBtv-ic-woi.
Vorm op fiat.
Praesentis.
                                            Aoristi Medii.
S. iratStv u)-fiat dat ik opgevoed ivorde,       iratSsv-aivfiat dat ik laat opvoeden.
irai$tv-y (i\\-aai) (dat ik laat opvoeden. natStv-a-tj {a-r\\-aut)
itatBiv-xi-rai.                                                 iratBtv-a-n-rat.
D. irai$tv-Ti-oSov                                               TratStv-a-ii-a^ov
Trai$tv-T}-oSov.                                              7ratSfu-<T-»j-<r$ov.
P. iraicEV-w-fit^a                                               iraiBev-o-ui-fi&a
rrai$iv-T)-<T%E                                                 iratSiv-a-ij-aZte
iraiBtv-io-VTat.                                               iraiBtv-ff-w-vrat.
219 12. De Optativus heeft tot verbindingsvocaal de diphthong ot,
en in den Aoristus Activi en Medii at.
-ocr page 101-
N°. 219, 220.]                     verbum.                                         87
Optativus.
Activum.
Futuri. • Plusquamperfecti.
dat ik zal opvoeden, dat ik opgevoed had.
Impcrfecti
dat ik opv
Aoristi.
dat ik opvoedde.
8. iraictv-oi-fxi
naiStv-oi-Q
iraiStv-ot.
D. TTUlSlV-ol-TTIV.
P. natosv-oi-fitv
TratSiv-ofTe
iraiotv-oi-Ev.
TratBev-a-oi\'fii
iratciv-a-oi-i;
TratBtv-cr-oi.
TraiStv-o-oi-Tijv.
7ra(C£v-<x-o<-jUEi>
waiêtv-a-ot-Tt
TraictV\'(T-oi-sv.
TrE-natStv-K-oi-fii       iraiStv-o-at-fii
ne-TratBtv-K-oi-g        irai$Ev- (o-at-c) a-ei-ag
iTE-irai$iv-K-oi.          iraiBtv- {a-aï) a-u-t.
TTt-naiStv-K-oi-Ttiv.   TraiStv-iT-at-Triv.
Trc-irai$tv-K-oi-/Aev    natdiv-a-ai-fjiav
irs-natSti-K-ot-Te       naiSev-a-ai-re
Tre-7rai$iv-K-oi-EV.      iraidev- (a-m-ev) a-u-av.
Vorm op -/iat.
Futuri.
              Fut. Exacti.
Imperfecti.
M. dat ik liet opvoeden.
P. dat ik opgevoed werd.
S. rraiSivoi-fj.T)v
TraiSev\'Oi-o
iraiiïw-ot-ro.
D. Trai$tv-ol-a§ï}v
Trat$£vol-o%r)v.
P. iraiBev-oi-/x(^a
iraiSev-oi-aSi
natSiv-ot-vTO.
Fut. Passivi.
dut ik zal laten opvoeden.
iraièiv-a-oro
iruiêtv-a-ofTO.
nai$t:V-<T-o[-<j§r)V
Troiêtv-o-oi-aStiv.
Traicev-a-oi\'fxtSa
iratStu-cr-ot-tT&t
Traicev-a-vi-VTO.
ik zou opgevoed zijn.      dat ik zal opgevoed worden.
irt-iratSev-a-oi-iuiiv     Trai$ev-S-ri-<T-oi-fitiv
ire-iraiStv-o-oro         iratStvS-i\'ro-oi-o
ire-TraiSiv-a-oi-TO.       iraiiïev-S-ii-cF-oi-TO.
7rt-7raiStv-a-oi-aSrt)v   rrai$EvS-ii-<T-oi-<j%rt)V
TTfnaiStvo-oi-aSriv. iraictv-$-ri-cr-oi-o&t)v.
ire-TraiSiva-oi-ii&a    TraiStv-S-rrcr-oi-fi&a
TTt-TTaiStv-a-oi-aStE      irai$tvS-{)-a-oi-<T%E
irt-iratSiv-o-ofvro.     TraiSev-S-ïra-oi-vro.
13. De Conjimctivus en   Optativus van den Aoristus Passivi 220
hebben de uitgangen en het  accent van deze modi bij het werkw.
tl/ui ik ben.
Conjunctivus.                                 Optativus.
S. iraiSev-S-ü dat ik opgevoed iraiBiv-S-tiiiv dat ik opgevoed iverd.
TrmStvS\'TiQ (worde.         TraiStvS-uqg
TraioEt/S\'-rj.                                     iratBtvS-eiti.
D. iraiBtv-Sr-ïj-Tov                               iraiStu-S\'-Eirijv
iraidevS-ri-Tov.                              ira<Stu-3\'-6<\'rrjv.
P. waiSevS-üftcv                                naidev-b-s7fjiev
iraiSsv^-tiTi                                   TratSevS-tÏTe
iraiiïevS-ÜHTi.                                 iratStv-Sr-eïev.
-ocr page 102-
[N°. 221, 222.
88
VERBUM.
14. De Imperativus heeft de verbindingsvocaal van den Indi-
cativus, daar de uitgangen in de meeste personen genoegzaam
verschil geven.
Activum.
Praesens.
                                    Aoristus.
S. 2 p. iraiStv-e voed op.
iratSev-i-rw.
D. 2-3 p. iraiSti-E-TOv.
P. 2 p. iraiBev\'E-re
irmBev-ó-vTwv.
naiBtv-a-ov voed op.
iraiStv-o-a-Th)
waiêiv-o-a-Tov.
Trai$ei-a-a-TE
iraièiv-o-a-vrwv.
Vorm op • fiat.
Aoristus.                  Perfectum.
laat opvoeden. M. heb laten opvoeden.
P. zij opgevoed.
Praesens.
M. laat opvoeden.
P. word opgevoed.
S. 2 p. natStv-ov (e-ao) naiStv-a-ai
irai$tv-É-<rSw. iraiSiv-O\'a-oSrto.
D. 2-3 p. iraiSev-t-aSov. TruiSev-o-a-oSov.
P. 2 p. Trat$tv-t-(T%s
         naiSev-a-a-aSe
TraiSev-ê-oSwv. iraiiïeva-a-a&wv.
7rE-natSiv-(TO
Trt-iraiBtv-a^u)
irt-naiètv-oSov.
irt-iratèev-tr^t
npffaiBev-oSrwv.
Aanm. Men lette op de vormen naiBtvaov en iraiStvoai: in
den Imperativus Perfecti is noch kenletter, noch verbindingsvo-
caal volgens N°. 215.
15. De Infinitivi en de Participia zijn in het Activum onre-
gelmatig gevormd zooals volgt:
Praesentis.                  Futuri.                         Aoristi.
op te voeden. te tullen opvoeden, op te voeden of opgev. te hebben,
Infinit. Traiiïtv-tiv
iraiiïtv-a-tiv               iratStü-d-at
zullende opvoeden. opgevoed hebbende.
iraiStv-a-wv
              naiSei-a-ag
Partic. naiStv-wv
iraiiïtv-ovou
iraiiïtïi-ov
Gen. iraiBtv-o-VTOQ
naiStv-a-ovaa
iraiBtv-o-ov
iraiètvaovTOQ.
iraiöev-a-aaa
7raidev-a-av.
iraiSivaavTOC.
-ocr page 103-
N°. 222, 223.]                       verbum.                                            89
Perfecti.
Infinit. iraraiBiv-K-é-vai opgevoed te hebben.
Partic. 7rE7reu§{i/-K-fc>e opgevoed hebbende.
ir&raiSev-K-vïa
irerraioev-K-óg
Geil. TTtWalBtVKOTOQ.
In den vorm op -fiai worden de Infinitivi gevormd door achter
de verbindingsvocaal van den Indicativus en achter de kenletter
van den tijd, zoo deze aanwezig zijn, den uitgang -o$atte zet-
ten, en de Participia den uitgang -/nvog.
Praesentis.                Futuri Medii.                  Aoristi.
M. te laten opvoeden,    te zullen laten opvoeden.         te laten opvoeden.
P. opgevoed te worden.
Infinit. iratSev-s-oSai         naiBev-a-E-aSai             7rai8iv-a-a-aSai
M. latende opvoeden.     zullende laten opvoeden,    hebbende laten opvoeden.
P. opgevoed wordende.
Partic. iraiêev-6-fj.evog      7rai^tv-a-ó-fj.tvog          iratSev-a-a-iJievos
•fiivri                         -fitvri                            -(iêvr)
•/xevov.                      -fxtvov.                          \'nevov.
Perfecti.                 Futuri Passivi.           Futuri Exacti.
M. te hebben laten opvoeden, te tullen opgevoed
P. opgevoed te zijn.                     worden.             te zullen opgevoed zijn.
Infinit. ne-iraiStv-oSai naiStvS-i\'ro-foSai irt-naiSiv-o-e-oSai
P. opgevoed.
                    zullende opgevoed wor- zullende opgevoed zijn.
M. hebbende laten opvoeden.             den.
Partic. ire-naiêtv-fiévos jrajSeu-3,-i}-(7-ó-juevoe (we-naiêtV\'(T-ó-fisvoQ-)
•fxivr]
                          -fj.ivi}
•fltVOV.                                  -/UEVOV.
Aanm. De participia worden als adjectiva van drie uitgangen
verbogen; het mannelijk op -uv en -ag is ontstaan uit -ovt en
•avr, zoodat zij verbogen worden volgens N°. 49 en 50, naar
Xêwv en yiyag.
16. Imperativus, Infinitivus en Participium van den Aor.
Passivi
zijn als volgt:
-ocr page 104-
90                                            verbum.                       [N°. 223—225.
Imperativus.                      Infinitivus.          Participium.
S. 2 p. iraiStv-S-ti-Ti word opgevoed. iraiBev-^l-ri-vai         jratStu-S-ci\'c
Trm$tv-S-{,-T<D                      opgevoed te worden waiSevS-iïoa
D.        Trai$tv-S-T)-rov                         of te %ijn.             TraiBevS-(v
P. 2p. natBevS-ii-TE                                             Gen. iratStuS-tvTog.
TraiStv-Sr-ê-vTiDv.                                               opgevoed zijnde.
17. 1) De Conjunctivus Perfecti en de Optativus Plusquam-
perfecti op -ftat
worden gevormd door omschrijving met het
Participium Perfecti op -/j.ai en den Conjunctivus en Optativus van
tl/jii ik ben.
Conjunctivus Perfecti.          Optativus Plusquamperfecti.
M. dat ik hebbe laten opvoeden. M. dat ik hadde laten opvoeden.
P. dat ik opgevoed zij.
                P. dat ik opgevoed ware.
ne-waiBev-ixivog ( 3)                                                                   l uriv
( r|c                                     irtTraiêiVfxtvoG ( ur}g
[ y etc.                                               ( elt) etc.
2)    Doch k run i< ai ik bezit, fii/tvii n tot ik breng te binnen, kiiShiiihi ik zit,
hebben in den Conjunctivus, KiKTÜfiai-ry ; uiprüiiat-vy ; Kaèü/iat-Sy etc.
in den Optativus , KiKTyfir\\v-Tyo; puftvyiitjv-vtjo ; Ka§ynt)vSijo etc.
BaXXw ik werp, en eaXéw ik noem hebben in den Optativus Plusquamperfecti
f3tfi\\yHTlv-y"o ; «rucXjiftijv-icXj/o etc.
3)    De Conj. en Optat. van Perfect, en Plusquamperfectum kunnen ook in het
Activum op dezelfde wijze omschreven worden.
Conj.                                                          Optativus.
.           ( <1 dat ik opgevoed heb.              « , i ilnv dat ik opgevoed had.
wiiraiciVKiac \\ T               r"                    imratitvKioc ) „
•via -6c }yr                                          -via -oc ((»„ etc
4) Zooals N°. 204 gezegd is, hebben slechts weinig werkwoorden een afzonder-
lijken vorm voor het Futurum Exactum in het Activum. Wanneer de tijd echter
voorkomt, wordt hij gevormd door omschrijving met het participium Perfecti Activi
en het Futurum iao/iai, bijv. TruraifouiciOc-uïa-óc ttrofiai, ïaet, ëirrai etc. ik zal op-
gevoed hebben.
18. Quantiteit. De Ancipites in de uitgangen van het werk-
woord zijn kort. Ook hier zijn -o< en -at op het einde der woor-
den kort, behalve in den Optativus, waar zij lang zijn : iratStv-
taSai, TTaiBeiaat
, waiStvaai, iratStvoat, iraiSevoi. Men lette op
de vormen , die alleen door het accent onderscheiden worden ,
zooals TratSttHrai.
De uitgang -ag van het Participium Aoristi Activi is lang als
zijnde ontstaan uit avrg, zoodat naiStvoag paroxytonon is.
-ocr page 105-
N°. 225, 226.]
91
VERBUM.
Het Accent staat bij de verschillende vormen van het werk-
woord zoover mogelijk naar voren. Zijn echter uitgezonderd:
a)  de Infinitivi op -vm , die het accent op de voorlaatste heb-
ben : irtnaiStvKivai, TratiïtvSrivai.
b)    de Infinitivus Aoristi Activi, de Infinitivus en het Parti-
cipium van het Perfectum op -/iai,
die eveneens het accent op
de voorlaatste hebben : TraiBevaai, iwraiSEvaSat, TriiraiStv/itvog.
c)   het participium van het Perfectum Activi, wat oxijtonon
is, neTraiBevKwg -i»ia -óf.
d)    de Aoristus passivi die in Conjunctivus en Optativus met
de vormen van eïfii als uitgang, tevens het accent dier vormen
heeft, terwijl het Participium oxytonon is, waiBevSü , iraiStvStiriv,
iratiïtvStïfjitv , iraiStvSe\'t<;-§ü(ja-%iv.
§ 58.
Kenmerken der tijden.
1. Uit al het voorgaande blijkt, dat men bij een gegeven vorm 226
onmiddelijk den tijd kan terugkennen, waartoe hij behoort.
Daarom volgt hier nogmaals een overzicht der kenmerken van
ieder tijd.
I.  Het Praesens heeft de verbindingsvocaal: irat8ti-w, iraiBiv-o-fiai.
II.  Het Imperfectum heeft 1) de bindvocaal, 2) het augment:
t-nalBsv-o-v , i-irai$ev-ó-iutiv.
III. Het Futurum Activi en Medii heeft 1) de verbindingsvo-
caal
, 2) de kenletter e : iraiSev-cr-to, iraiSti-a-o-iuai.
IV. De Aoristus Activi en Medii heeft 1) de bindvocaal a ,
2) de kenletter g, 3) het augment: è-iralSiva-a , i-naiBev-a-a-fxrjv.
V. Het Perfectum Activi heeft 1) de reduplicatie, 2) de
kenletter k , 3) de bindvocaal a : nt-n-alStu-K-a.
VI. Het Plusquamperfectum Activi heeft 1) het augment, 2) de
reduplicatie, 3) de kenletter k, 4) de bindvocaal et: B-Trt-rraiSev-K-st.
VII. Het Perfectum en Plusquamperfectum Passivi of Medii
zijn onmiddelijk te kennen 1) aan de reduplicatie, 2) aan het
ontbreken der bindvocaal, terwijl het Plusquamperfectum gewoon-
-ocr page 106-
[N°. 226.
92
VERBUM.
lijk door het augment van het Perfectum te onderscheiden is:
m-iraiStv-fiai, i-ne-irai$t{i-fi.i)v.
VIII.  De Aoristus Passivi onderscheidt zich door 1) het augment,
2) de kenletter &, 3) de bindvocaal »/: t-ire-iraiSev-$-ii-v.
IX.    Het Futurum Passivi heeft twee henletters & e« c, niet
de twee bindvocalen van den Aoristus Passivi en het Futurum
Medium : iraiStv-5-i\'i-a-o-fj.ai.
X.    Het Futurum Exactum heeft de kenmerken van het Fu-
turum Medii, doch onderscheidt zich door de reduplicatie: w
iraiZiv-a-o-fiai.
2.    De verschillende modi zijn te onderscheiden of door de
bindvocaal die in den Indicativus kort e of o , in den Conjunctivus
lang n of w en in den Optativus de diphthong oi of voor den
Aoristus at is, óf door den uitgang, zooals in sommige personen
van den Imperativus.
3.    Het genus of de soort en de persoon van iederen vorm
zijn duidelijk te kennen aan de uitgangen.
4.    a) Alle historische tijden hébben een Optativus, alle hoofd-
tijden
een Conjunctivus. Alleen het Futurum heeft geen Conjunc-
tivus, doch een Optativus, terwijl de Aoristus alle modi heeft.
b)   Alle tijden hebben een Infinitivus en een Participium,
behalve het Imperfectum en Plusquamperfectum, waarvoor die
vormen van Praesens en Perfectum gebruikt worden
c)   Alleen het Praesens en de Aoristus met het Perfectum
op -fiat
hebben een Imperativus.
Dit alles zal duidelijk worden uit het overzicht van het geheele
werkwoord in het paradeigma.
§ 59.
Afleiding der tijden.
Aanm. Ofschoon deze paragraaf eigenlijk overbodig is na al hetgeen wij over
het vormen van iederen tijd in het bijzonder gezien hebben, kan zij toch voor
eerstbeginnenden haar nut hebben, vooral bij de onregelmatige werkwoorden waar
alleen de stamtijden worden aangegeven.
Het werkwoord heeft vijf stamtijden, waarvan de overige tijden als volgt kunnen
worden afgeleid.
-ocr page 107-
N°. 226.]
93
VERBUM.
Na voorvoeging van augment en reduplicatie voor zoover de verschillende tijden dit
vorderen komt:
I.   Van het Praesens Indicativi w a il iv 10
1)    het Imperfectum Indicativi Activi door u> te veranderen in ov: Inalliv - ov;
2)    het Praesens op pai door w te veranderen in -o/mi: iraiSii - opat;
3)    het Imperfectum Medii of Passivi door <a te veranderen in -o/ii)v: l-vatdiv - «/iijv.
II.    Van het Futurum iratStv a w
1)    het Futurum Medii door <tia te veranderen in aopat: rmSti • aopai;
2)    de Aoristus Activi door w te veranderen in « : l - waifav - oa ;
3)    de Aoristus Medii door « te veranderen in afuiv. I - iratStv - nannv ;
4)   het Futurum Exactum door <rw te veranderen in ooftat: iriiratiïiv • oouat.
III.    Van het Perfectum Activi ir ttt aiS tv k a het Plusquamperfectum
Activi door a te veranderen in »): iiwraiSivieri.
IV.    Van het Perfectum op -|iai, wiiraiStvfiai het Plusquamperfectum
Medii of Passivi door -/»a« te veranderen in -fuiv : i - iriiratSiv - /xtjv.
V.    Van den Aoristus Passivi I - iraiSi63))v het Futurum Passivi door -S)jj»
te veranderen in -diiaoftai: TtaiStv^rjaofiai.
-ocr page 108-
VERBUM.
94
^
"e
iv>
v>
voeden
(OV
I
.1
1
o
K
ft
O
i
o1 uj
-=
lS>
UI
<u
«icsw n
** ïï
e
s
go
s
^e
•ï)
<s
s>
ft
« w
"*a o
va
o* co
e
t)
§* ,
ft
I
ft
3
oed
UI
ij
1
»
s
ft«»
vft ft
w
uj UJ
UJ UJ
focow
SO CO
e
s «
e ?
fc
fc fc
fc fc
V
j-
\\
.
*>
V \'
^S
§
$
i-s
/~«v
1*.
ft
s
a
in
6.
o
S5- B"
1
fc 1
c- 3
VS
vs
va vft
VS
vft vft
td o
ui
UJ UJ
MJ
UJ UJ
e co &o c« co cü c© £>o
^s s
H
"* ~J
Vf.
e
5
e c
=
e o
N
fc
fc fc
fc
fc 1=
&
,
^
&
ft
^
ö 3
«t
1
LU 0
.JJ, VS
vs
VS va
*5
*S *-S
i~* c
ui
UI UJ
UJ
UJ Vj
-* co co co co co co co
"J ~
««1 — 1
e
0
B O
0
e e
fc
fc
tc 1=
fc
fc fc
>-h cn eó t
-5 <n\' cc
fcb
\'ÖS
H
Sin
flpH
^2
a
.3
\'3<
(j. v« v»
O F O
i- b i-
c
I § »
3 o o
ft SS
S
"5=
e
e o
b b b
vft vft ü
UJ UJ UI .
co coco j3
8 3 5 2
fc fc fcO
1
5-
3
»
s
h
§^
3
S
- ^»
Cs
£. a
3
^
— S" w ui ^
Ph
•^vi
o o o vo o o c
N
to b b b b to b
"5 *» ^S> S ^» *>P vs
f44
Ui uy m uj UJ w vu
•*
co co co co co co co
5
c e e b c ö c
si
ts 1= 1= N: t: J= 1=
I
IlljIJlJ
3
OS
Pm
O
o e s e e b o
tc I: |t fc fc k fc
"8
5v
3
\'- S
i
o
O
«H*
«I
§<
ft ft
1
ft   r. •>   P S   ™   ^
O     UJ     uj   vuj     O     uj     O
ft     ft     ft     ft  vft  vft     ft
uj    uj     ui     uj     uj    uj     uj
CO  CO CO    CO  CO  i?0
5  b   5  S  S  a  S
U
O ïi w
~. ~ «, c 3-1.
O uj uj ui O ui
b b b b b b
vft vft vft vs vft vft
LU UU UJ **\'J W «U
co co co co co co t
£25555
fc fc- fc N fc fc
E
fiU ">A
   k   N JU   fc   fc
*»w« "W *>W \'JÜ
i-h oï CO i—i Oi CC
•H CM CÖ        i-H Cv] CO
IJ
I
I
II
OPh
-ocr page 109-
VERBUM
95
^
•i
a
E
•joed hebbe
o « o
3 e f? S
£ 2 i è-§ 5
^ >S iS
1
Ullf!
opga
<-j -\'j o ,
5 3 S j» .
b fc NO
1
Illl
s\'
ï
|
3
a
.2
xs
«ü
8
\'vi
P
b
§
co
§"
CO
44
0
N
1
1
»
&
-, » 3
©
l .. 3 O i * t
a i i- t- -
i o ve e \' e vs
^
b e b b b
0
^
s a va >s »
W M 4 UU UU
3
CO^O^} CO CO
s
*3 3 3 SS
•
O
3
QQ
N 1= k t= 1=
s
-UJ
----
—
o
O
Ph
il .,
M
aa u?
u,»^Y
cm
2
ji|tt Hk s
3
s
Ao
opv. of
? ^i. F ï « >
3" 2 ï\'»fc ~ b 5
h
9
3
3 uu hj 3 3 6 uu
b b b b b b b
^s <b «.a 3 >s va va
Ph
cc
-*-
3
Pu
~g
VJ VJ vj W o ^U vj
fo to w<Jo fo fo co
^"=«3 0-303
1
S S s 3 S S 5
X\' t^WU/WWWW
fc t= k N 1. N fc
"• fct-t-NNkl=
^
------v,
2
<S
d
ïi
i
C-l
\'S
i
o" ^ ^
woe
» £
1
B
&
O w UU uj
3 Bh ss. sr 3 p 3
3 5*» jsti s?* 3 ff*
3
~a
2 «^ S ^ ^ S
a
dat ik
S
\\2 \\S vj vj vn VS
va
b b b b b b b
••3 »a vs va va va va
uu uu >u uu uu uu uu
1111111
ë ë !5 fe h b fc
3 S 5 S 3 S S
fe k N Is N |t tl
1
ë
•.*
O1 ff" «J UI •
1
- A
1 „?i|s|
il
,S
|i
(4 i- 3» K»
b
ui
1.^^ s. K s>
e o »-e s s s
&
3 C w S 6 3
3
^H \'*£ \'-£ "-t \'~i \'•£. 1^ \'-£.
T3
Q
\'•£. \'-£ \'•£. \'-£ ü i^
^
** vp \\^ vp p vp vp vp
b b b b b b b
»Q
S 2 2 *£ N2 "2
\'S
\'S e£ &o c% cS co to c©
*
b
a a a a va va 3
uu uu uu uu uu uu uu
CO CO CO CO Co CO CO
V*. Uw V^ B X S VM
3 3 ö 3 3 O 3
1
1111111
5 1 1 1 I I 1 1
IL
f fi SL.J5 ts 6 B
*<*t -\\U r-VJ «*«J "W r<U **MI
•«»
i Ii B i s
i-U
" ^ JS ^j|:A<i. j
•8 £
•—i oï eo i—< Ovi có
^3 ei eö i-h c4 oó
i-5 oi oö <-h c4 «5
ü
i •* ij
, .S OS
1 II
1 II
!
l!
(
t
V1
-ocr page 110-
oeden.
K w
i
8" o
p
o
_ a
»
a
i 3.
^Ui
Ui
f
f
«1
~ ui
_S co
H 3
§ b
|
S
8-3
I\'S
R e
s
s
É
•~i
\'S
&
& a
I^iSo
0
a ?
o dj °£ <n g
1 §•
c
h b 3. b a
Pu
•S o
o
o o o o o
•s <»
b
b b b b b
-=
^ S 3« *»
•«cococococococo
-~ 3
B
B 8 B 8 b
•8 h
t=
b N b 1: N
oetfe».
*a
aM*i
B
g 3.
illii
•S o
Ui i„ NO 5 O
S b
b
b b b b b
-^ "»
vS
v» \'» » va vS
Sco
s\\j CO CO CO Co CO
^ B
B
B 8 8 8 8
" Is
fc
b b b ts i
,
.
.
i—i
N W ^h cq m
VERBUM.
•8
il •
S v.
[is
C-
1
«V S
a
s
*1 rs.1
S5>8
i
1
§ »p
i IS
co
Sft °.
il
\'S o
S §
& „
§.•2 J
M
latt
gevo
» SJS
a «co
spJ_
.•i
II,
3 §
-
1 u 3
§<^
<J> <J?
0?<>?
„•«
a
b b
b b
11
o
vS S
ui vui
>3
s VS
vS S
Ui
Ui Ui
Ui Ui
soco co
CO CO
i_ï •
sph
e
s e
B B
b
b b
b b
a
CD
00
-
0)
5
ei ^
5.
\\
M
i>
\\
fc
\\
:
voeden,
worde.
*i
tk
B J
9 §> ï
u O £?? Ui 8
33 3
etl
m\\
• ^ ~v»
va o
S SS vS
1-gcScS :,.,:
^
-*
v* «i
-vj vvj —
j • B
a
e s
B B B
SPh b
b
b 1=
b b b
eden.
evoed.
x <*>
1*
a
B J
^ "« S
,, och =
III
S
11
f IJ
^^tv»
>g
v» si
» vS v=
•*•; w
ui
«41 UI
Ui Ui Ui
. «BlCfo^r.u\', - .
. *. . —
•M -w
S^ o
e
e e
SBB
b
b
b b
t= 1= t=
,
#
* • •
l-H
<M
CO
^ CM CO
1
11
I
PL,
a
te
o
a
•H
11
si
3*
* 8
a           J~a? jf> o
!=• o oj m oi u
.3-2 t vS x3- S £
"S o o o "5 o o
S v» vs s S vs vs
Ui Ui Ui Ui Ui Ui Ui
co co co co co co co
5 B B S S 3 5
b b b b b b b
$
sp;
>
*^
o
3
\'ff
O
Ö
3
>
3
a
© <*? ïï e»?
sitJJMlJ
mmm
HNffl h tM CO
il
II
f
ii
i
-ocr page 111-
97
VERBUM.
I
o. ft
o * o
5 3 3
< ui v^j «J
S lil
^ *2
i ?
* is
Sü, 1=
I
i
3
a? <>?
b b
e vs
b b
vs s
w ui
CO CO
3 3
b Iï
3
JU 3
b b
s vs
UJ UJ
CO CO
*S 3
fc: iï
vj uu
b Iï
s  i
-    b    b
b    b    b
3    S  vs
UW       UI       UI
\'5  3  3
fc   b   b
b b b
3 vs 3
ui ui _uj
CO CO *©
V«J C V-l
SBB
Iï Iï Iï
VU UJ UU
Iï Iï Iï
S
O
1-1
CU
a
09
0
CT1
31
SPh
3 o
&s
3 S
3 3
vui vul
3. 3.
S 3
u
CU
P4
1
.=s. 2
h _b .3. b
•5 S
^BCBBBBB
~bbbbbbb
^ s>s>a 3 a va vs
"— UJ UJ UJ uj UJ UJ uj
CO CO CO CO CO CO CO
-§3b33333
N k k h k is ii
8    B
b   b
VJ      UJ
b   b
a 3
vv        £ 3. £ «5
o              3 o
3                 3 3
vui                  vui vui
3.                s, 3.
3                 SS
iu B f; ui UJ RB
SI
SI
•s I
3 3          J
• S . pif? • e
§• - b b ?- b ^
3 s». sr c-v3 s- 3
b b b b b b b
••3 >S >S vs s va va
UJ UJ UJ UJ UJ UJ UI
CO Co Co CO CO Co CO
8 3 3 8 3 3 3
Iï Iï b b b |ï b
1
co co
8   B
   
Ui      uu
Iï   b
; v»
.\'S
6 "*s
|
3               sr .)^ ui 5
sr O s  &f °Z d? it
3. b i.    b 3. b 3
vs 3 S  vs vs 3 3
W UJ UJ      UI UJ UJ UJ
CO Co Co  CO CO CO CO
3 5 v5  3 3 5 *3
b b b   b b b fc
UJ UJ VJ      UU UJ UU U
b b b   b b fc b
"*> "UU "U>   "UU "UU "UU "UU
3
fa
b b
3 vs
3 §•
f i
JRo,
:jjjjf
V«   V«J
•imui
BBS
Iï b b
IW U UJ
b b b
fc *   B
JW III      VJ
b b   b
Sfü
i-5 Cvi eó
r-5 l
ri oó
13
•i-i
Dual.
Plur.
rH (M có        ,-i Cv| 03
r* tN «3 r-iNcij
l
M
SC
I
w
-ocr page 112-
98
VERBUM.
I
fi o>
ft
is o
ff
O
§ ft
ft
ft
VUJ
Ui
•w 3.
5.
3.
§ vO
1
i
? to
S, ff
Ift
° 3
=tt Ui
is co
Si 8
\'s B
s
3
:
e o
5a W W v^ ^^
^ S i i
11
OS
Ph
.i
w
1
i
2
b
Si
Ui
1
b
v3
Ui
?
CO
-i
5
Q
1
B
WJ
•S
B
:=>
3
\'S
3
I
3 B
§ IC
I d?
s
1=
ie
3
- 3 I
t- i- i-
ffv~ sr
d? d? d?
vï 3 *3
Ui Ui Ui
CO CO CO
5 5 5
b 1= b
<-XJ
ff* vw
d? d?
^3 3
Ui Ui
CO CO
O 5
B B
0)
CU
a
O
ei
y,
4
K
S
1
h
3
«o
ó
S
="
O
rf?
wu
C»?
l-
3
|
-5-
c
0J0
1-
O
O
o
3
i-I
t
t
t
fc
t>
te
te
3
\'S
z.
•s
-3
=
s
-a
-=>
N
*•£
<--
C
<z
\'i
•^.
*2
3
%
S
3
3
s
c
5
a
^
fe
b
N
fc
fc
&H
1
^
£
£
È
*
£
£
s
3
b,
3
3
Ö
ui d?
b a. b
ft
ff
3. O
\' ft    Ü          B-   w u»    a
V~.   V~ ^—   *•—    lv*^ ,v    f*
Ut      Ut Ui      Ui      UI Ui      Ui
3   3 3   a   a a   a
Ui      Ui UI      ut      UI Ui     Ui
\'S s   b 3   3   3 s  3
"«bbbbbbb
o ö
b b
O O o O
b b b b
o
ff^^r ff ffv~
fr> frl &> oï &} &i
3 3 3 3 3 3
Ui UJ Ui Ui UI Ui
CO CO CO CO CO CO
3 3 3 3 3 3
B B I? B B B
CL,
O
3
u
3
3
\'S9
O
i3 i=>.\'=t.i£-i3 isr\'3
d> d? &l &>&>&> &}
3 3 3 3 3 3 3
ib UI wu faü tu wu h\'j
co co co co co co co
5 5 5 5 3 5b
N B B B B B B
lllJJ
h
ft ft          ft
*                      ff S w B
i, ft o> k a. t: b
ff ff ff *ff ff ff ff
d? d? d? d? d, &> d?
>-3 «\'S -3 3 va »a va
Uf Ui UU U* W U| kW
co co co co co co co
5 5 5 5 5 5 5
.!= _k _!* Jï Js b b
B B B B È 6
i-1 oi eö r-ï c4 eo
h ncö i-i tM eó
i-i cm oó hnm
a s.
1 ^
II
f
II
te
o
• I—I
50
I
-ocr page 113-
N°. 227—228.]                     verbum.                                        99
§ 60.
Over de beteekenis en de Genera van het Verbum
in het algemeen.
1.    Volgens hun beteekenis zijn de verba overgankelijk, 227
transitiva of onovergankelijk, intransitiva of neutra.
Zij zijn overgankelijk of transitiva, wanneer zij een recht-
streeksch voorwerp in den Accusativus bij zich hebben:
Bijv. virwirrtvi Ti\\tvrr)v tov /3iou, hij vermoedde het einde van zijn leven.
Zij zijn onovergankelijk, intransitiva of neutra, wanneer zij,
of 1) een werking aanduiden, die zich bepaalt bij den persoon
of de zaak, die de werking verricht.
Bijv. fiaivut, ïpxouai, ik ga, rp«x<« *\'* loop.
of 2) een werking, die uitgeoefend wordt met betrekking tot
een verwijderd voorwerp,
dat in den Genitivus of Dativus staat.
Bijv. /ZE/ivrjtr^ut rn»oc» tneminisse alicujus, aan iemand denken, ap\\nv tivóc, over
iemand heerschen,
\\vaiTi\\iiv tivi, prodesse alieui, iemand voordeelig zijn.
2.    Veelal zijn de werkwoorden, die in het Nederlandsch over-
gankelijk of onovergankelijk zijn, eveneens in het Grieksch transi-
tiva of intransitiva. De afwijkingen in het Grieksche spraak-
gebruik worden in de Casusleer aangegeven.
3.    Naar den vorm wordt het Grieksche werkwoord verdeeld: 228
in twee vormen, den vorm op -w of -fxi, en den vorm op -fxat,
en in drie genera, geslachten of soorten: 1) het Activum, gelijk
aan den vorm op -w of -/u, 2) het Medium, 3) het Passivum,
welke beide laatste tot den vorm op -/iac behooren.
4.    Het Medium en Passivum hebben in Praesens, Imperfec-
tum, Perfectum en Plusquamperfectum dezelfde vormen, doch
die vormen hebben een andere beteekenis naar gelang zij tot het
Medium of Passivum behooren, bijv.:
Passivum.
ik word bekranst,
ik word opgevoed,
ik werd opgevoed,
ik ben opgevoed geworden,
ik was opgevoed geworden.
7*
Medium.
areQavoviiai ik bekrans mij.
iratSivofiai ik voed mij op of laat opvoeden.
lirat$ivófir)v ik voedde mij op of liet opvoeden,
wnraiiivuai ik heb mij opgevoed of heb laten opvoeden.
iiriiraiSiiiiriv ik had mij opgevoed of had laten opvoeden
-ocr page 114-
100                                        BETEEKENIS                     [N°. 228, 229.
Of een gegeven vorm van genoemde tijden nu als Medium of als Passivum moet
vertaald worden, kan men uit de constructie, uit de beteekenis van het verbum of
uit den samenhang opmaken. Zoo zal 7ratSipoftai rrc niets anders kunnen beteekenen
dan: ik laat u opvoeden, daar het Passivum geen Accusativus kan bij zich hebben.
Het Medium en Passivum hebben echter ieder een verschil\'
lenden Aoristus:
Medium op -oa/ir}v, Passivum op -&tjv.
Verder is er een Futurum Passivum op -&/;o-o^a(, doch bij
vele verba heeft het Futurum Medii passieve beteekenis, bijv.:
aBiKi\'iao/xat, ik zal beleedigd worden, av^aofiai, ik zal vermeer-
derd worden, (j>v\\a%o[iat, ik zal bewaakt worden, rtfiriaofuu
, ik
zal gëeerd worden.
Bijv. Xen. Cyr. V, 4, 34: «ai atiroi ljn/3ou\\fu(r<S/ië$a «cat ó ofcoc öXoc, en wij
zelven en geheel ons huis zullen belaagd worden.
Aanm. Het Futurum Passivum bestond zelfs niet in het oude Grieksch. Zoo
vinden wij bij Homerus slechts drie plaatsen, II. X, 365, Od. III, 187 en XIX
325, waar hij een Futurum II Passivum gebruikt, terwijl er geen enkel voorbeeld
is van een Futurum op -$<i<iapai.
OVER DE BETEEKENIS DER GENERA
IN HET BIJZONDER.
§ 61.
Over
het Activum.
229
1- Het Activum duidt aan, dat het subject de handeling ver-
richt, hetzij deze 1) op een rechtstreeksch voorwerp, dat in den
Accusativus staat, overgaat, transitief is, bijv.: iroiQ t£?xoCj ik
bouw een muur ;
of 2) op een middelijk voorwerp overgaat, dat in den Geniti-
vus of Dativus staat, bijv.: è7T(/3ouA£uw nvt, ik belaag iemand;
upxw Ttvóg, ik heersch over iemand;
of 3) hetzij deze handeling niet op een ander overgaat en zich
bij het subject bepaalt, bijv.: fiatvto, ik ga, rp^w, ik loop.
In de beide laatste gevallen is het werkwoord intransitief,
neutraal
of onzijdig.
2. Een werkwoord is nu regelmatig naar zijn beteekenis,
wanneer het in het activum één dezer beteekenissen heeft.
-ocr page 115-
N°. 229—231.]                    DER GENERA.                                       101
Onregelmatig, wanneer het:
I.    In den actieven vorm twee dezer beteekenissen vereenigt.
Zoo zijn transitiva t\\u) acnr\'tSa, ik heb een schild, irparrw óSóv,
ik leg een weg af,
terwjjl zij tevens de intransitieve beteekenis
kunnen hebben van zich bevinden, in een toestand zijn, in ver-
binding met adverbia of adjectiva die den toestand uitdrukken.
Bijv. Xen. An. 1, 1, 5: KOpoc tüv f3apflap<av i-niuXiïro <if fuyoïicwc. ixoiiv
avrip, Cyrus zorgde er voor, dat de b trbaren hem yenegen waren. — An. VI, 4, 8:
\'Xkovovtiq xai tovq aWovg robe, Trapa Ki/pip TroXXd Kal aynSa irparrtiv, daar zij
vernomen hadden, dat ook de anderen, die Cyrus volgde», rijk en welgesteld waren.
Zoo ook bijv. dirayopióttv verbieden         en afgemat worden.
UXtinuv verlaten                 „ verslappen, sterven.
hayuv voortdurend doen „ in een toestand zijn.
$n\\oï>v openbaar maken\', „ openbaar zijn.
oIkiÏv bewonen                     ,, wonen.
aiyav, aiunrav verzwijgen ,, zwijgen.
rt\'tvuv spannen                    „ zich uitstrekken.
Hiertoe behooren vele werkwoorden, wier intransitieve beteekenis ontstaan is door
weglating van het objict, bijv.
iXuivuv drijven                  (iipfia, ïirirov, vavv) rijden, varen.
avayuv opvoeren                             {vavv)                uit zeilen.
iicfiaWnv uitwerpen             (          ,_, .                                       .
, o-\\.            • ..                  i          (vomp)                uitslroomen, zich on/lasten.
IfijiaXKiiv in iets werpen l         * \'
TiXivrav voleindigen                       (|8<o>\')                sterven.
II.    In eenige tijden overgankelijke, in andere onoverganke-
lijke beteekenis heeft.
Dit is voornameljjk het geval bij \\verk-
woorden, die tempora secunda hebben (zie N°. 263. 2).
Bijv. itkitpaxa ik heb gedaan , iv jréwpaya het gaat mij goed.
3.    Niet zelden heeft bet Activum causatieve beteekenis, wanneer het subject niet 230
zelf de handeling verricht, maar ze door anderen laat verrichten.
Bijv. Xen. An. I, 1, 3: \'Apraliplng iri&irat Kut avWafiParti Küpov <Jc ójtojc-
Ttvüv, Artaxerxes wordt overreed in laat Cyrus gevangen nemen. 1, 4, 10: Küpoc
o" airbv (napatinaov) i%iieo\\f/f, Cyrus liet het park verwoesten. Zoo ook in het latijn :
Nepos, Miltiades III, 1: Darius pontem fecit in Histro flumine, hij liet een brug
slaan.
4.    Verba transitiva worden dikwijls bij samenstelling « intransitiva, en omgekeerd,
bijv. /3u\\,\\(u>, werpen, lufiaWnv een inval doen, jtV/3a\\\\«v uitmonden; üvat \'zendin
Ittévai uitslroomen; flaivitv gaan, iiapahu» doortrekken, oversteken, itapafiaiviiv
overtreden.
§ 62.
Over het Medium.
Het Medium heeft een tweevoudige beteekenis, of ten eerste: 231
eene indirect reflexieve, onrechtstreeks wederkeer end e, wanneer het
-ocr page 116-
1*02
[N°. 231.
BETEEKENIS
beteekent, dat het subject iets verricht ten zijnen behoeve, in zijn
belang,
en dit is de gewone beteekenis.
Bijv. \'hrrifii ik plaats, \'inruiiai rpovalov ik richt een zegeteeken voor mij op. —
Xen. Cyr. I, 2, 8: $!pwrui b" olroSiv airov fiiv aprov . . . nWura wc, dwb roü
irorafiov apuauaim, en zij brengen voor zich als spijs brood van huis mede .... een
kruik om water
voor zich uit de rivier te scheppen.
of ten tweede: een direct reflexieve, rechtstreeks wederkee-
rende,
wanneer het subject de handeling niet alleen ten zijnen
behoeve, maar tevens aan zich zelven verricht.
Bijv. ïarapnt ik plaats mij zelven, d. i. ik ga staan; utipai scheren, minaa^ai zich
scheren ; aieiva
Juv gereed maken, nmrd\'ifi\'iui zich gereed maken.
Vandaar het Medium directe of indirecte reflezivum.
2.     Uit het Medium directe reflexivum ontstaat bij verschil-
lende werkwoorden of a) een intransitieve beteekenis:
Bijv. airoWvvat in het verderf storten    Med. awbWvaSai omkomen,
yfuftv doen, laten proeven
                  „ ytviaSai proeven.
bvtv&vai bevoordeelen                           „ bvivaaSai voordeel hebben,
iravtiv doen ophouden                         „ wautaSat ophouden.
wtlduv overreden                                 „ irtiSuiSat gehoorzamen,
(paivitv toonen                                     „ QaiviaSai verschijnen.
öf b) een transitieve beteekenis:
Bijv. iripatovv riva iemand overzetten, irepatovoSai irorapóv een rivier oversteken —
ripuapiiv tivi iemand helpen, njuwptïirSaï riva zich op iemand wreken — <pv\\aTTUv
riva iemand bewaken, <pv\\aTTia$ai
rivet zich zelf voor iemand bewaken, d. i. zich voor
iemand wachten, op zijn hoede zijn.
In de plaats van het medium directe reflexivum staat echter
veelal het activum, soms zelfs het medium met een terugwijzend
of persoonlijk voornaamwoord, vooral bij tegenstellingen.
Bijv. Xen. An. 1, 9 , 7 : Küpoc iwifatZiv avrbv Sri 7repi jrXfiTrou jroeoïro unflv
A tyivbioSai — I, 8, 29: xai oi fiiv Qairi j3aat\\éa Ki\\iüaai riva lirtaQaïat avrbv
Kvp<<>, oi 5\' tavrov lirtatpaKairSat mrarra^iivov rbv dKivdtcijv, en eenigen zegtjen , dat
de koning iemand beval hem te dooden, anderen dat hij zijn dolk trok en zich zelven
doodde. Zie ook I, 3, 3: KareSéunv luoi.
Vele verba deponentia hebben deze direct reflexieve beteeke-
nis in het Passivum, zie N°. 237.
3.     Het medium indirecte reflexivum kunnen wij in het Ne-
derlandsch dikwijls goed weergeven met het voorzetsel voor:
Bijv. airiiv vorderen, aLruaSai voor zich vorderen — aipéïv nemen, a\'ipiloStai voor
zich nemen, kiezen
— ibpioKiiv vinden, iupioicio$ai voor zich vinden, verwerven —
\\iiiv riva iemand vrij laten, XitoSai riva iemand voor zich vrijlaten, rrijkoopen —
wopiZuv verschaffen, iropiZio&ai zich verschaffen.
t-*i/t*u4
-ocr page 117-
N°. 231—234.]                    DER GENERA.                                      103
Zoo zegt men van hem, die door het volk geroepen wordt om wetten te maken,
ypaifiu , Tt9i)ffi vnuovc,; doch ó Sij/toc, ypiiftrai, T&tTat vó/Joiif Ae< fo/i maakt zijn
wette» (voor zich).
Dikwijls verricht het subject iets in zijn belang door iets van
zich, uit zijn nabijheid Ie verwijderen.
Bijv. afivvtiv riva iemand afweren, anvvitf^ai riva iemand van zich afweren, zich
verdedigen, een gevaar afwenden
— annSiSuvai Ti iets weggeven, diroc~ó<T$at ri iets
veikoopcn
— airoirifnrtiv riva iemand wegzenden, airoirifiiriaSat iemand van zich weg-
zenden, laten gaan.
4.    Bij de meeste werkwoorden heeft het medium slechts één
dezer twee beteekenissen, doch somtijds zijn ook beide in één
werkwoord vereenigd.
Zoo \'iarrtm, zie 1, zoo ook hijv. rpéirw ik wend, keer, Med. reflex, dir. rpsiro/iai
met den Aor. II irpairifinv, ik wend mij, ik vlucht — Med. reflex, indir. rpéiro/<<n
met den Aor. I irpftfra/tqi>, ik wend tan mij af, ik jaag op de vlucht. — Pass. met
de Aoristi irpiipSnv en irpan^v, zich tot iets wenden, op de vlucht geslagen worden.
5.    Het Medium heeft dikwijls evenals het Activum (N°. 230) 232
causatieve beteekenis, dat men iets ten zjjnen behoeve door een
ander doen laat: iratStvo/iai, SiSaoieo/jiat, ik laat onderwijzen.
Bijv. Xen. Cyr. I, 6,2: lyw yap ai ravra iirirnc\'fc. (SiSaXófinv, want met opzet
heb ik
« daarin laten, onderwijzen.
6.     Het Medium kan verder aanduiden, dat het subject iets 233
uit eigen krachten, uit eigen middelen verricht, en wordt dan
energisch, dynamisch of subjectief medium genoemd.
Bijv. airotpaivitv vertonnen, airotpaivtaSai iets van zich hekend maken, bijv. rqv
yvdfiijv zijn meening — iróXijtov, iipi\\vi}v rotiïv vrede, oorlog bewerken, helium movere —
iroifïirS.it, vrede sluiten , zelf oorlog voeren, helium gei et e — irapixuv verschaffm , icap-
i\\ia^ai, uit eigen middelen, zelf verschaffen , aanbrengen.
Bij intransitiva drukt bet de handeling uit als gevolg van den toestand, dien het
Activum aangeeft, bijv. arpanvuv een veldtocht ondernemen, arparfiietiai krijgsdienst
verrichten
— Tro\\irtvuv burger zijn, wo\\irfutrr$at zich met staatszaken bezig houden.
7. Nog kan het Medium eene wederkeerige handeling uitdrukken, bijv. avu{$ov-
Xiimdai met elkander beraadslagen
, Siavt/uoSat onder elkander verdeelen. Plato.
Gorgias. 523, a.
§ 63.
Over het Passivum.
1. De vorm op -/uai is Passivum, wanneer hij zuiver lijdende 234
beteekenis heeft, wanneer het subject de handeling ondergaat,
bijv.: TraiBtvo/xat ik word opgevoed.
-ocr page 118-
[N°. 234.
104
BETEEKENIS
2.    Het Passivum heeft steeds een van het Medium verschil-
lenden Aoristus op Sujv, bijv: i-n-aiStvSriv ik werd opgevoed.
Niet zelden ook wordt dan van dezen Aoristus een Futurum
Passivi op -%i\\<TOfiai afgeleid, bijv.: TratStv^iitjo/xat ik zal opgevoed
worden.
Doch, zooals reeds N°. 228 is gezegd, heeft bij vele
werkwoorden het Futurum Medii passieve beteekenis , terwijl hec
Futurum op -S)\'/<ro/uat in de oude Grieksche dialecten zelfs niet
bestond
Het Futurum op -$ï)o-o/ia< heeft, behalve bij de deponentia, N°.
236 en 237, altijd zuiver passieve beteekenis en nooit reflexieve
mediale
beteekenis, die aan het Futurum Medium eigen is.
3.    Eigenlijk kunnen slechts verba transitiva een persoonlijk
Passivum vormen.
Om nu een actieven zin in het Passivum om te zetten, wordt
het object van het Activum, subject van het Passivum, terwijl
het subject van den actieven zin in den Genitivus komt, ge-
woonlijk met de praepositie ün-o.
Bijv. ó warijp irttiSiiu vióv de vader voedt zijn zoon op, b t\'iój wathvirai liirb
tov irarpÓQ de zoon wordt door zijn vader opgevoed.
Aanm. In plaats van vitó komt ook irapa, jrpóc of de enkele Dativus voor. Bij
de Passiva van geven, ook IS.
4.    Doch ook sommige verba intransitiva hebben een persoon-
lijk passivum:
Bijv. apx\'tv Ttvós over iemand heersenen, Pass. apx«<7$ai beheerscht worden, gehoor-
zamen
— KaraytXav tivoc. iemand uitlachen, KarayiXaoSat uitgelachen worden —
iriartinv rivi iemand vertrouwen, iriOTtvwSat vertrouwd worden — lirijiovXivnv r«vt
iemand belagen, liriliovXtvinhai belaagd worden.
Xen. An. 1, 3, 15 : apxia$al iirieTafMu ik weet beheerscht te worden {te gehoor-
zamen)
— VII, 6, 33: Iwiarivófinv ii iiirb AaKiSatuoviuiv, ik werd door de Lacede-
moni\'érs vertrouwd
— Cyr. V, 4, 34: <tai uvroi iiri(ïov\\ ivaóuiSa «of ó oïroc b\\oc,
en wij zelven en geheel ons huis zullen belaagd worden.
5.    Als Passiva worden wegens hun beteekenis ook sommige
Activa beschouwd.
Bijv. Si\'j/dtuv (= teriiviaSai) omkomen, gedood worden, licir\'ïirTiiv, ipiiyuv ver-
bannen worden, aangeklaagd worden, iu waaxuv goed behandeld worden
(act. tv iroiiiv
wel doen), tv atoiuv geprezen worden
(act. tv \\iyuv prijzen). Vergelijk in het latijn
perire, interire, crescere (= augeri).
Bijv. "Ekto>p a-iriSavtv virb toü \'AxiXXfwc , Hector periit ab Achille, Hector werd
door Achillts gedood.
— Xen. An. I, 3, 4: \'V.itapfvöui\\v ïva i!)0e\\oï>ji> abrbv avS\'ttfu
T wi\' iv ïiraüov vir\' Iküvov, ik trok op om hem ten dienste te staan voor de weldaden ,
-ocr page 119-
N°. 234—236.]
105
DER GENERA.
die ik van hem ontving. — Heil. 1, 1 , 27: iJyysXS\'n roïc arparnyott iiri (piiyntiv
virb rov Squov, den bevelhebbers werd bekend gemaakt, dat zij door het volk verbannen
§ 64.
Verwisseling van de Genera.
A. Deponentia.
1.    Evenals in het latijn zijn er ook in het Grieksch vele 235
werkwoorden , die bij passieven of medialen vorm een actieve be-
teekenis hebben.
2.    Deze worden deponentia genoemd, en wel eigenlijke, wan-
neer zij niet in actieven vorm op -w of -/n bestaan, oneigenlijke,
f wanneer zij tevens in het Activum met dezelfde of met een
andere beteekenis voorkomen.
De deponentia worden media genoemd, wanneer zij den Aoris-
tus uit het medium op -afir\\v, passiva , wanneer zij den Aoristus
uit het Passivum op -r\\v hebben.
Sommige deponentia hebben beide Aoristi, doch dan is gewoonlijk een van beide
minder gebruikelijk of dichterlijk, of de eene heeft mediale, de andere passieve be-
teekenis. Zie Aanm. 2) van N°. 237.
De meeste deponentia Passiva hebben het Futurum uit het Medium, sommige
daarbij nog het Futurum Passivi, terwijl andere geheel passiva zijn.
De deponentia media zijn het talrijkst en eigenlijke deponentia,
wier actieve vorm of verouderd of niet gebruikelijk is.
De voornaamste deponentia passiva zijn:
I. Eigenlijke deponentia                                                      236
a)  met Futurum Medii en Aoristus Passsivi.
aliiWri\'i\'li\'iii wedijveren.                   Ivavriaiijvat zich verzetten.
ayaaSrjvai beicondercn.                     iv^VfinSiivai behartigen.
ax$i<rSiivat zich ergeren.                  ImortiSiivat weten.
Pov\\n5ijvai willen.                           lirtiit\\n§ï)vai zorgen.
SinSijvai verzoeken.                          oi>fir)vai meenen.
iïiavonSriivai voornemens zijn.           fiavijvat woeden.
dvvrfSnvai kunnen.
b)    met Futurum Medii en Passivi, Aoristus Passivi.
airovon.$ijvai wanhopig zijn.         (TupirpoüufiriSiivai bevorderen.
tvKapriiijvai zich wachten.            r)rrii^qvai bezwijken.
wpoSvpnSijvai geneigd zijn.
-ocr page 120-
106                                       BETEEKENIS                      [N°. 236, 237.
c) met Aoristus Medii en Passivi.
aiitaSijvai zich schamen.                  rmvoXoyn$i)vat bespreken.
airo\\oyrf5!}pai zich verdedigen,         /iifiipüijvai Serispen.
apvijSijvai ontkennen.                       ifnXoTiunSiivat eerzuchtig zijn.
av\\ta$rjvat overnachten.                    0i\\o$poi<T)9i)i>fu welwillend bejegenen.
d) met Futurum en Aoristus uit het Passivum , zuiver Passiva.
ijSoftai ik verheug mij.                Fut. vaSiioofiai              Aor. ijitünv.
(ïpctfxat ik heb lief dicht.              „ IpaaSiiao/iai)             „ rjpaaSriv.
II. De oneigenlijke deponentia passiva meestal met het
Futurum Medii hebben
of a) dezelfde beteekenis als hun activa, bijv :
cnropnv = curopnSrivai in verlegenheid zijn.
lairavav = SairavnSiivai verkwisten.
Ivvoiïv = ivvotitSai overwegen, iirtvoiïaSai overdenken, irpovoiioSai zorg dragen.
ififiptiv = intp$ï)vai verlangen.
XotSoptïv = \\ot8opn$ïir»ai beschimpen, lasteren.
of b) eene mediale, direct reflexieve beteekenis van het transi-
tieve Activum (zie N°. 231), mediale Passiva.
De meest alledaagsche zijn:
1.    aioxivitv mishandelen.                  aioxwSijvat zich schamen.
2.    aXt\'Cnv verzamelen.                         aXiaSrivtu zich verzamelen.
3.    avvaWctTTiiv vereenigen.               auvaXXayiivat zich verzoenen.
Zoo ook airaWayijvat zich terugtrekken, SiaXXayijvai zich verzoenen, KaraXXa-
yijvai zich verzoenen.
F. P.
4.    fuioxfh\' goed onthnlen.                   ttiuxq^ïjvai zich te goed doen.
5.    KaraxMvuv neerbuigen.                 KaraicXtvrjvai of •K\\&qvai zich nederleggen.
6.    riviiv beioegen.                              Ktvti^ijvat zich bewegen.
7.     (noijtriv doen inslapen dicht.).       icoi/ii/3ijvai zich te slapen leggen, slapen.
8.    bpuüv aandrijven.                          óp/irjSiJi\'ai zich in beweging zetten, optrekken.
9.    iropiitiv doen gaan.                       iroptvSïjvai zich op marsch begeven, gaan, op-
trekken.
10.    avXXtytiv verzamelen.                    avXXiyijvai zich verzamelen.
11.    oii)rav, redden.                              ami\'ivai zich redden.
12.    T&TTiiv rangschikken.                    Ta\\dijvai zich schare».
13.    pojSélv vrees aanjagen.                   ^ofJijJijjxu zich angstig maken, vreezen. F.M.enP.
Verder nog:
ASpoiZttv verzamelen.                       aSpntoSijvat zich verzamelen.
(iKiivnv doen toenemen.                  avinSijvai {zich doen) toenemen.
Sifrav voeden.                                 $io}rri$ï)vat zich ophouden, wonen.
ItaXiyiiv uitleggen.                          8taXtx$fjvaiof-Xtyïivat zich onderhouden, redetwisten.
lKir\\riTTUv schrik aanjagen.            licirXaytjvai (zich beangstigen) schrikken.
liriiyuv voortdrijven.                       lirttx$>jvai zich haasten.
iariav onthalen.                               loTiaSijvai zich vergasten.
ibépaivuv verheugen.                       iv<ppav$rjvat zich verheugen.
-ocr page 121-
N°. 237.]                             DER GENERA.                                       107
Su/iovv toornig maken.                    Sv/toiSijvai zich boos maken.
KaToiieiZuv doen wonen, bevolken. KaroiKtttiïjvai wonen, zich nederzetten.
XvTtiïv bedroeven.                            Au7rt)5i)vai zich bedroeven, treuren.
oir\\i%tiv wapenen.                            óir\\ta$>jvat zich uitrusten.
èpyi&iv toornig maken.                   ópy«r9ijvai zich driftig maken.
bpplZuv voor anker leggen.              ópfn<r$i)vai voor anker liggen.
irXavav doen dwalen.                       irXavriSijvat dwalen, zich vergissen.
TpfQtiv voeden.                                rpatpijvat zich voeden.
ariWuv zenden.                              araKijvai zich reisvaardig maken,
arpifyuv keeren.                               OTpaQrjvcu zich keeren. F. P.
tt<l>u\\\\nv doen wanketen.                 oQnXijvai wankelen. F. P.
fïfipfw verderven.                           ij>$apijvai te gronde gaan.
Aanm. 1) Vele dezer werkwoorden komen ook in zuiver passieve beteekenis hunner
activa voor, bijv. Xen. An. II, 4, 3: litfiv Si iraXiv a\\io$y avriji r; arparia, doch
wanneer zijn leger wederom verzameld is.
Men lette nog op:
1)  fiaivofiai ik raas, woed. Fut. fiavovfxat (juavrjffojuat). Aor. t/ua-
vr\\v. Perf. fxêfxriva ik ben razend.
2)  fju/iviioKtti. Act. Fut. fivi\'iaw. Aor. tfivr\\aa ik breng te binnen.
Dep. Med. fivriaotxai Aor. tuvnaaunv. Perf. /xt/ivrtfiai. Fut. III.
/xtfivrioofiai zich herinneren.
Dep. Pass. Aor. invi)o%r)v- Fut. /uvria^vaofiai. Perf. ixiixvt\\fiai.
iemand herdenken, van iemand of iets melding maken.
3)  ntföt» ik overreed. Fut. ndaw. Aor. «rtio-a. Perf. nêiruKa.
Pass. nttöonai ik word overreed. Aor. lirria&nv. Fut. irttaSr\'r
aofiai. Perf. 7rinei(Tfiai.
Med. irtiSo/iat ik gehoorzaam, ik geloof. Fut. iretao/xai.
Perf. iriiruanai. Aor. iirtl<t^m\\v. Aor. II. f^Só/Kijv.
Perf. II. TrtTTo&a ik vertrouw.
4)  o-/y7rw ik doe verrotten.
P. ar\'iirofiat ik verrot. Fut. oairfoonai. Aor. toantiv. Perf. II.
^.
            Act. aiamra ik ben verrot.
5)  rr)K(» ik doe smelten. Fut. t»j5<ü. Aor. irrfca.
P. TiiKOfiat ik smelt. Fut. raicijao/ucu. Aor. ïraKiji;. Perf. II.
Act. TirriKa ik ben gesmolten.
6)   tpaiviü Tr. ï& toow aan, openbaar. Fut. 0avü. Aor. è\'^tjva.
Perf. 7rÉ0iiy«r<i.
M. ipalvofiai Intr. «\'& schijn, blijk (videor), ik verschijn, ik
-ocr page 122-
108
BETEEKENIS DER GENERA.            [N°. 237, 233.
vertoon wij. Fut. (pavïiaofiai en <j>uvov/xai. Aor. II. l<j>a-
vnv. Perf. Tri<t>aar/Liai en Perf. II. n((pr)va-
Deze beteekenis kan ook het Act. in Praesens en
Imperf. hebben.
P. fj>n!va/uu ik word getoond. Perf. irifao/uai. Aor. i<p&v$i)v.
Fut. tpavSfoofiai.
In samenstellingen beteekent het Medium iets van zich
openbaren
met den Aor. tfriva/iriv, bijv. aTro<j>i\'ivaoSai
rtjv yvwftnv zijn gevoelen uitspreken.
7) xptvèo) Act. beliegen, bedriegen.
Med. xptvSonm. Fut. iptvsoixai. Aor. tytuo-n/uijv, liegen, ver-
breken.
Pass. iptvSofiai. Perf. ïxpivo/xat. Aor. iipivaSijv. Fut. \\piva$Si\'r
aofiat belogen, bedrogen worden en zich bedriegen.
Aanm. 2) Niet zelden vormen de Grieken ook van een eigenlijk deponens
werkwoord tijden met passieve beteekenis. Dit geschiedt voornamelijk 1) in het Per-
fectum, bijv. ilpyaarai het is verricht geworden; 2) in den Aoristus Passivi, wan-
neer het deponens tevens een Aoristus Medii heeft, bijv. fita\'ouai ik dwing,
If&iaeiaiinv ik dwong, IfitaoSqv ik werd gedwongen.
Zoo IxptiaSn het weid gebruikt
(Herod. VII , 144) , i\'ao/uai ik genres , taaa/itiv ik genas, ii^nv ik werd genezen.
3) Meerdere onregelmatigheden in de beteekenis van werkwoorden zullen verder
bij ieder werkwoord afzonderlijk gegeven worden.
B. Futurum Medium bij Verba Activa.
238 Vele Verba Activa, die niet in het Medium voorkomen, vor-
men het Futurum op -aofiai, terwijl de Aoristus en verdere tij-
den de gewone actieve uitgangen behouden.
Men kan ze als volgt rangschikken:
I.    Verba die een geluid uitdrukken, of zwijgen beteekenen.
$c~io ik zing.                     fluaio ik roep.                              yt\\aio ik lach.
oifiióZto ik weeklaag.         poQéto ik slurp.                           ovpiï,to ik Jluit.
Tpiitybi ik knaag.              aiyata en atwirata ik zwijg.
Die op -£<o hebben het Futurum op -$o/*ai volgens N°. 253, c.
II.    Verba van beweging.
iiravraü) ik ontmoet.         Snpaüi en Snpilno ik jaag.         \\topho ik wijk.
flaivii), PaSiZw ik ga. irnlata ik spring.
SiwKW ik vervolg.
               </>fvyw ik vlucht.
III.    Verba van prijzen en het tegendeel.
iyituipia^ia i                               coXa£ci> ik kastijd,
kitaiviü) \\ " \'"                 entinrrht ik spot.
SavuaZio ik bewonder.               T<n$aZ<a ik hoon.
-ocr page 123-
N°. 238—241.]                   sibilantes.                                     109
IV. Verba van stelen.
óp?ró?w ik roof.               ie\\éirTu) ik steel.
V.
nyvolia ik weet niet.
                      fiióai ik leef.                           BtrovSaZu) ik ijver,
atovia ik hoor.                               fi\\éiru> ik zie.
diroXavu) ik heb aandeel, geniet, ficnióo» ik houd voor recht.
Verder zijn er nog verschillende andere werkwoorden, zooala $«w ik loop, viui ik
zwem, vX\'toi ik vaar, irvito ik waai,
en een groot getal anomala , die het Futurum
op sofiai hebben en later zullen gegeven worden.
Aanm. 1) Van deze werkwoorden komt echter ook somtijds, ofschoon zelden
en meestal bij latere schrijvers, een Futurum Activum voor, hetgeen wij niet moeten
navolgen, bijv. Xen. An. 1, 4, 8: Siwtui. Andere werkwoorden hebben naast het
Futurum Activum het Futurum Medium in dezelfde beteekenis, zooals u\\a\\aO» ik
iuich, óKoXvZu) ik jubel, iir topictw ik doe een valsehen eed.
§ 65.
De Sibilantes F, J en 2.
Daar het voor het beter begrip van sommige schijnbaar onregelmatige vormen bij
het werkwoord, althans voor meergevorderden, zijn nut kan hebben op de ^,jenc
te letten, geven wij hier eenige aanwijzingen aangaande hun verdwijnen en de spo-
ren, die zij in de taal hebben achtergelaten. Bij de behandeling der verschillende
werkwoorden zal telkens hierheen verwezen worden.
A. De digamma.
I.    In het begin der woorden is de F gewoonlijk in den Spiritus leni\' overgegaan,
bijv. Fiap ver, iap = i/p lente: Fspyov, ïpynv werk; Folvoc, , oli\'oc wijn; zelden in
den Spiritus asper
, zooals Fiairipa, tairipa vesper, avond; fihSt/c, , IffSr/c, veslis,
vest; met de sibilans g is zij dikwijls in den Spiritus asper overgegaan, bijv. aFtidic.
suavis, t/Sic; aangenaam,
alhoewel aFtH^ia tii\'iio werd.
II.    In het midden der woorden :
1)     Foor consonanten en ook aan het einde der woorden gaal de F in v over, zoodat
men in het algemeen kan zeggen, dat de diphthongen au, tv, ov uit aF, tF, of
ontstaan zijn. Zoo zijn de Nominativi der woorden op -tvc (N°. 91) gevormd door
achtervoeging eener c aan den stam op -cf , bijv. (iaaiXtvc. st. fiatriXiF; zoo de
Nominativus |3o5c rund van den stam {Sof, Gen. {(ioFoc,) |8o<5c, gelijk het lat. bos,
bovis,
het Futurum van raio ik brand, van den stam kuF , (KaFaui) Kaóou , het Fu-
turum van vim ik zwem, (ï\'t^iro^ai) vtiianfiai. Vandaar de Vocativi f3aoiXiv, /3oü.
Voor een p wordt een F geassimileerd. Vandaar dikwijls de dubbele p bij het aug-
ment, bijv. Fpiyéto, frigeo, ik huiver Impf. ÏFp\'iyovv, Ippiyovv ; Fpt)yvvp.i, fraugo,
ik breek,
Aor. é^pnja, ïppnla.
Somtijds gaat de F voor eene vocaal in v over, doch dan heeft er tevens metathesis
plaats, bijv. vtpFov, nervus, nerf, (vipvov) viöpov : irapFOQ, parvus, klein, (irapvoc)
navpoc,. Zoo krijgt men van den stam apiF van het werkw. piio ik vloei, (ptu) pui,
waarvan het Futurum puqcropai etc. regelmatig gevormd is.
2)    Tusschen twee vocalen wordt de F uilgeslooten, bijv. ó/"ic, ótc on\'», ooi, schaap;
ai.-iuv, aiüv, aevum, eeuw; byiïoFoQ, oetarus, Cyiïooi;.
In dit geval heeft er in de declinatie en bij het augment dikwijls 6f a) samen-
-ocr page 124-
110                                        SIBILANTES.                    [N°. 241—243.
trekking plaats, öf b) schadeloosstelling, waardoor de eerste vocaal verlengd wordt.
Na die verlenging heeft er echter in het Attisch verder metathesis guantitatis plaats,
waardoor de eerste vocaal weder kort, doch de tweede in hare plaats verlengd wordt.
Bijv. a) fiaa-iXtvq koning, Dat. f}amXijti-fSaaiXiï-[iaaiXit: Nom. Plur. fiaoiKifit-
|3a<rt\\fec-/3a<TiXe!c.
FipyaX,opai ik werk, Inipf. iFipyaZnitijvifpyaZófittviipya^\'fttiv : Aor. bij ipaio ik
zie,
van den stam FiS {videre) lftlov, tlêov: FuKiaKOfiat , Aor. iF&Kuv, ïa\\uiv
(zie b) ti\\o/u.
b) fiaotXfvc, Gen. (3airi\\ifos, fiaatXfjoc, (nog bij Homerus), |3a<TtXiwc. Van-
daar dat de uitgangen o en «c van den Ace. Sing. en Pluralis der woorden op -tuc
lang zijn (N°. 54), jiaaiXifa, fiaaiXiïae, worden eerst fiaittXija, fiaaiXijac, en dan
fiaaiXia , j3a<riX«3c.
Deze regel geldt in het algemeen ook bij het wegvallen der andere sibilantes
,; en c. Zoo iróXtc stad, st. iroXy Gen. 7roXyoc 7róX>joc-)róV(wc; iitriXaa wordt
ïaruXa etc. Zie N°. 244.
Dikwijls ook is de v tustchen twee klinkers in F overgegaan en dan verdwenen: zoo
is \\ivta, x,Fen verder xéw ik giet, geworden. Vandaar nog bij Homerus Aor.
I^cva, i\\ivafxnv en het Perf. iclxuca, (i^v/iai, l^v^ijv.
B. De Jod
242           De J, die oorspronkelijk in de stammen van vele woorden aanwezig was, is als
volgt verdwenen :
I.    In het begin der woorden is zij öf door eene X, bijv. ?iyov, jugum, juk, óf
door een spiritus asper bijv. 7/irap jeeur, lever, óf door een jota iairro), jacio, ik
werp,
vervangen.
II.    In het midden der woorden is zij :
a)   nu eens tot « dan tot e overgegaan, bijv. (ia.ai\\tFja. j3aai\\ua , irarpjot
TtarpioQ
, viri(TxvJop\\at vmixvwf*"1» /3wiyw /3ui\'fw.
b)   tuuehm twee vocalen uitgevallen óf zonder spoor achter te laten, bijv.
•piXiu, Ttjiaui, StfXótn voor QiX\\)u>, ri/iajui, Sj]Xóju>, öf met verlenging der voorgaande
vocaal en metathesis quantitatis in het Attisch, bijv. iróXts stad, st. n-oXy; Gen.
iróXtjoc, • iróXrjnc, - wóXtwe,.
c)   na v en p in i overgegaan, en door metathesis verplaatst, bijv. <pavjui
0otrw , ijiHpjui ipSriipui, ftiXavJa n\'tKaiva.
d)   na de X geassimileerd aXjoc,, aXjofiai, iiaXjov worden üAXoc, aXXo/tai,
fiaXXov.
e)   met de tenues k, t, en met de adspiratae ^, & tol aa of tt overgegaan:
<jivXaeJii> • (pvXaTTU) : T&xJiav - Harrutv.
/liXiTja • /iêXtTra : tcopvSjw • KopiiTTw.
f)   met vr tot c overgegaan, met verlenging der voorgaande vocaal (zie N°. 40):
iravrja, Sivrja, Xsyovrja worden iraaa , Stioa , Xéyovoa.
g)    met y en S gewoonlijk £ geworden, Kpayjia *pa£ta, \'éojoftai t?o/*ai,
iXirioju èXiri^iti.
C. De Sigma.
243           !• De sibilans f in het begin der woorden door eene vocaal gevolgd is gewoonlijk
in den Spiritus asper overgegaan, bijv. atpiria serpo, ik kruip, \'ipir<o; aiwonat seguor
èVo/iat ik volg; oaXjopai salio aXXo/iat ik spring, aiSjopat scdeo, s£o/»ai ik zit.
-ocr page 125-
N°. 243—145.]                            AUGMENT.                                                    111
Somtijds in den Spiritus lenis , vooral bij een volgende adspirata (N°. 37) aèxw >
lyta ik heb; aótppa o<ppa , zoolang als.
Waar de sigma in het begin der woorden voor eene vocaal gebleven is kan zij
voor vf staan, bijv. astyaoj, aiyaia, zwijgen (dikwijls echter zijn beide weggevaU
len, zie N°. 239) of zij kan een verzachting der r zijn, bijv. ai voor tv, Xiovai
voor Xiovri (N°. 209, 1.).
II. Ia het middea der woorden                                                                                      244
1)   valt de c weg: a) tusschen twee consonanten wanneer zij de uitspraak lastig
maakt (zie N°. 38). Vandaar wordt ïl = irc voor consonanten Ik.
b)  bijna altijd tusschen twee roealen, als wanneer er geregeld samentrekking
der vocalen plaats heeft. Vandaar watciCiocu, iratSiviat, iraiBiiu (Nu. 210). Zoo
is de stam der substantiva op -of en -t|f der 3e declinatie eigenlijk op -ec, bijv.
yévoc st. yfvic» Gen. yivt~o~oc, , yivtoQ , vfvouc ; 2wicpari;c st. —(oKpurtc, Gen.
2<u/cpaT«-(r-oc, Swicpareoc, Swicparouc. Zoo bij het augment, bijv. ïarritii = iriffj-ti/j»
(zie I.). Plusquamperf. van den stam <rra : iffmrrjcij, eiurijici) : ïij/ut stam «. Per-
fectum iréfftea , tljca.
c)    Vóór en achter X, v, p doch »ic< verlenging der vocaal, die vooraf gaat:
Bijv. errlXXw (voor rrréX^w) l\'A »»(i, Aor. ïariXoa , iaruXa.
<p$iipa> (<p$ip}ta) ik verderf, Aor. ïtpStptra , ïfóupa.
Ook achter en soms vóór de /»: bij v. vt/iu ik weid, Aor. (?vifioa), tvttpa:
h\'/« voor (lo/ii), doch Plur. 1 p. la/iiv, bij Homerus nog liftiv.
In Homerus vindt men nog bij .FéXXw ik dring samen, ~\'fppio ik ga weg, iceipoj
ik scheer af, en anderen de Aoristi IffXaa, ïrtpaa , Ixtpita, evenals de Futura
Sipao/iai, opa ui, (p^rpaio van &ipo/iut ik ivord warm, öpw/ti ik wek op, tpSiiput
ik verderf.
2)    wordt de c evenals de f soms geassimileerd, bijv. apïFu» (plu ik vloei),
Imperf. ïapifov, ïppiov, ovsfu (vtw ik zwem), Imperf. tnvtfov, Ivvtov.
§ 66.
Augment.
1.    Het augment, dat alleen in den Jndicativus (niet in de 245
overige modi) der historische tijden voorkomt, is tweevoudig,
syllabicum of temporale.
2.    Het augmentum syllabicum, aldus genoemd omdat het een
syllabe aan den verhaalvorm toevoegt, wordt gebruikt bij werk-
woorden, die met een consonant beginnen en bestaat in een e,
die voor den stam van het werkwoord geplaatst wordt.
Bijv. wmïtino. Impf. liraiiivov. Aor. liruiiïivaa.
In het Plusquamperfectum staat het augment vóór de redu-
plicatie.
Bijv. I - irt - iratfavKtj.
Is de consonant waarmede een werkwoord begint de p, dan
wordt deze achter het augment verdubbeld.
-ocr page 126-
112                                     augment.                    [N°. 245—247.
Bijv. piirrta ik werp. Impf. ïppiirrov.
Stam Fpiir: zie N°. 240.
Aanm. Bij de drie werkwoorden finuXofiai ik wil, iïvvapcu ik kan en pÉXXw ik
zal,
vindt men ofschoon zelden in plaats der i de tj als augment, bijv. ijiovXófitiv
of t}/3oi>Xó/ii/v.
3.    Het augmentum temporale, aldus genoemd omdat de tem-
pus der vocaal, de quantiteit, gewoonlijk verandert, vindt plaats
bij werkwoorden, die met een vocaal beginnen en bestaat in de
verlenging dier vocaal.
De a en i worden ij, de o wordt a», ook dan wanneer zij de
eerste klinker van een tweeklank zijn.
ai en a worden dus y; av en tv worden rjii ,
oi wordt <j).
Korte ï en S worden lange 7 en v, terwijl de andere lange
klinkers onveranderd blijven.
Bijv. alrtui ik vraag.           Impf. yriov: fiïia ik zing.               Impf. y$ov.
aiiMio ik speel fluit. „ rjüXfov : tu\\n\\m\\ ik bid.             „ >|ü^njuqv.
oiKfu) ik woon.                 „ i\'iKtnv : iKtTtOto ik smeek.          „ \\kItivov.
h/iviui ik zing.                 „ \'v/iviov : ta\\iu) ik ben sterk. „ laxvov.
yrraopai ik doe onder. „ ^TTaófii\\v: (\'<)<pt\\\'no ik help.            n uxpiXtov.
Dit augmentum temporale dient tevens als reduplicatie bij de
Perfecta en Plusquamperfecta dezer verba, doch blijft dan bij
deze tijden in alle modi.
Aanm. De werkwoorden, die met de diphthongen tt en ov beginnen, hebben ge-
woonlijk geen angment, bijv.: i\'ipyot ik sluit in, Imperf. üpyov. oura\'-w, ik wond,
Impf. oürajov.
Die met tv beginnen vindt men ook zonder augment, bijv.: ivp\'utKut ik vind,
Aor. P. ivp\'&riv en r\\i>phSnv.
                                                        : t«>?7*«
4.    a) Eenige werkwoorden, die met i beginnen, hebben tot
augment et, namelijk: idio ik laat toe, èSï\'^&j ik gewen, éAh-rw ik
wentel,
?Xkw ik sleep, \' tirofiat ik volg, tpya^ofiat ik werk, tpjrw »v4.
ik kruip,
to-rtaw ik onthaal, ïxw *^ héb.
                                 tfir*J—
Imperf. ilwv, tïStZov, Aor. i\'iXtfüa, etc.
Samengetrokken uit Muv, iirfldtZov, If\'tXiTTOV, ïftXnov, hiirófitfv, lFipyaZ,6-
pnv, Itrtpmv, Ipiariwv, tacxov,
N°. 241, 244.
4) Ditzelfde geschiedt bij het werkwoord ïqpe ik zend. Perf. ilta. P. tl/iai. Aor.
fï9)|v en in het Plusquamperfectum van frrq/ii, ihrr^cq.
Ontstaan uit aéaiica, ahipat en iaKirrfti], N°. 244.
e) Nog vinden wij het augment Et in ftXoe ik nam. Aor. II bij aipiu ik neem;
i
-ocr page 127-
N°. 247, 248.]                 reduplicatie.                                  113
dSov ik zag. Aor. II bij bpaui ik zie, alsmede in het Perf. Autia \') ik ben gewoon,
bij fSw ik pleeg. Over tlitov zie N<\\ 249. 4.
Ontstaan uit ïfiXov (stam FtX), ïFifov.
5.    De werkwoorden ayvv^u ik breek, Méta ik sloot, üvéo/iat ik koop, hebben het
Augmenttim Syllabicum.
Impt\'. ItóSovv, H.ji\'ni/ii|r. Aor. tnS\'i. Voor IfwSovv, iFutvovfttiv, t.-a$a,
N». 241.
6.    Beide augmenten hebben : aXioKopai ik word gevangen, avoiyia (avoiyvvfii) ik
open
en opato ik zie. Aor. laXojv, av\'upZo. Impf. Uóptov.
Het Perfectum van aXiaKo/iai is echter iaXuiea, terwijl opaoi in de Perfecta
iópaica, iópa/iai en ióipaica, Idpa/iai heeft. \' K<i\\«i> en iaXwica worden verder dik-
wijls samengetrokken tot i\'iXoiv en i;\\«n.
Ontstaan uit de stammen FaX, Foty en fop. Eenige verba die met de F begin-
nen , schijnen r\\ tot augment gehad te hebben, zoodat: \'uopuv ontstaan is uit i/FÓpuiv ,
terwijl vervolgens metathesis quantitatis plaats had. Zoo ook ittpata etc.
7.    \'EopraZu) ik vier feest heeft het Imperf. iüpraZov. Zoo vindt men van de
dichterlijke perfecta toXira ik hoop bij i\\irta ik doe hopen, topya ik doe van den stam
EPr, éotxa ik gelijk Perf. II. bij üku>, de Plusquamperfecta: ItaXirq, iüpyrt, tyVrj.
Ontstaan uit h.-opra\'C<o, FeFoXwa, FtFopya, FcFotKa2).
§ 67.
Reduplicatie.
1.    Het Perfectum en Plusquamperfectum hebben eene redu- 248
plicatie, ivelke in alle modi blijft.
2.    Bij werkwoorden, die met ééne consonant beginnen (be-
halve de p en de duplices) bestaat de reduplicatie in de verdub-
beling der eerste consonant van den stam met tusschenlassching
eener
e.
Bijv. iraiitvia: Perf. irtvaifovica. Plusquamperfectum iiwrcutiivKr).
Is de eerste consonant een adspirata, dan wordt volgens N°.
35 de reduplicatie met de tennis gevormd.
\') "EtaSa 8 408 und bei üerodot. èciSti Hymn. auf Hermes 305 aus FtFtaSa
Wz. nFqS (»/Soc), sonst bei Homcr und im Attischen ttuSa lióSiiv mit unerkliir-
tem K *).
*) fi im Plusquamperfect kann alt sein = 1-fi-fó>$hv , und von da ins Perfec-
tum gedrungen. (O. Meyer, N°. 655.)
*) lm Perfect von ópaia brauchte die Komüdie iópata, für die Att. Proza scheint
iiópaxa gesicherter zu sein. Einige entsprechende Homerische Formen sind unsicher,
weil sie bloss auf falscher Transscription des alten Alphabetes beruhen kunnen: für
ïi;n>(>xón A. 3. v 255 wird iotvoxóti {cFotvox"1\') einzusetzen sein . . . sicherer ióXirii
$
96 (FfFóXwn) für iüXieu , ioixn S 474 (FiFoica) fürly\'rei, liópyit oder tFiFópytt
i 289 für das mit einem metrisch™ Fehler behaftete iüpyn, wie S 693 avSpa
FiFópyu.
(Griech. Grumm. v. G. Meyer, n". 477.)
8
-ocr page 128-
[N°. 248.
114
REDUPLICATIE.
Bijv. <pt\\éto ik bemin. Perf. irnpi\\r)iia. ; SavpaSw ik bewonder. Perf. redav/iaica ;
\\afiZ,nfiai ik ben we/gevallig. Perf. Ktxaptaptai.
3.    De reduplicatie is gelijk aan het augmentum temporale
bij werkwoorden, die met een vocaal beginnen, doch dit blijft
dan in alle modi.
Bijv. dXijStüw ik ben oprecht. Perf. rjXriSiviea. Inf. r)\\nilvtcvai.
aiplui ik neem. Perf. jfpi)/tai, part. ypt)fiivoQ. Act. ypijra. Inf. jprjcsvai.
IpuratD ik vraag. Perf. >)p<urT)*a. Pass. i/pwrij/uii, part. riptarnfiivoQ.
IpyaZoftai ik werk.
Perf. Pass. lïpyuirpai, part. lipyaapivot (N°. 247).
ó/uXÉw ii verteer. Perf. v/iiXijra , part. tvfiiXntctie,.
oi\'ictw i\'A woon. Perf. tpKt\\p.at. Inf. fj<qir3ac.
ijdopat ik verheug mij. Perf. tiofiat.
4.    De reduplicatie is gelijk aan het augmentum syllabicum,
wat dan eveneens in alle modi blijft: .
a) bij de werkwoorden, d/e met een p beginnen, tt>eZfcc ac/i-
fer /«e£ augment verdubbeld icordt.
Bijv. pin-roi ik werp. Perf. ipptQa. St. ^piir No. 240.
6) bij de werkwoorden, die beginnen met een duplex of
met twee consonanten die positie maken,
zooals twee mutae of
yv. (N°. 7.)
Bijv. KTiZ,a> ik sticht. Perf. pass. I una pat : tpSiipu ik verder/. Pass. tQïapica ;
aittipto ik zaai. Perf. P. ïairapfiat; Jtjréw «A zoek. Perf. è£?jri)ica; yvwptjw ik ken.
P. iyvtbpiKa , êypiiptaiiat.
Doch daar wtwte cww liquida (uitgez. /3, 7, 8 vóór X, /u, v)
</ee« positie maken, hebben de werkwoorden, die met twee zulke
consonanten beginnen, de reduplicatie op de gewone manier.
Bijv. KpiiTf.to ik heersch. Perf. rtcparijica : ypatfta ik schrijf. Perf, yiypafa.
((pajij l\'A schreeuw) Perf. icéicpBya
                tcKivto ik buig.             „ cÉcXtca.
7ri\'fw i\'A adem.         „ jréjrveuica.            7rXj)rrw ik sla.            „ wiirXnyftat.
Aanm. 1) Werkwoorden, die met yX en /3x beginnen, zijn zeer zeldzaam en
nemen nu eens de gewone reduplicatie, dan alleen het augmentum svllabicum aan,
bijv. p\\awrw ik benadeel. Perf. fiifiXatpa (Dem. XIX, 180); /3é/3x«^ai (Plato Protag.
314, b); jiXaardvto ik ontkiem. Perf. i/3Xd<rri)ita (Eurip. Iph. in Aul. 595). Plusqpf.
ipipXaoriiicri (Thuc. III, 26).
2)    Bij de werkwoorden, die het augm. temp. of syll. tot reduplicatie hebben ,
neemt het Plusqpf. geen verder augment aan, bijv. tppi0o. Plusqpf. .èppitpti : ypr\\ta.
Plusqpf. yptitcn. Uitgezonderd is «<rr»;ci) ik stond van ï<»ri//ii ik plaats. Perf. ïarnta
ik sta
uit alartiKa en {attTTiinn X°. 244.
3)    Vormen hun reduplicatie op de gewone manier, ofschoon de twee eerste con-
sonanten positie maken: mnviitricio ik breng te binnen. (st. pvct). Perf. p.ifivnfiat
memiiii
, ik herinner mij en Krao/iai ik verwerf. Perf. Kttcrnpat ik bezit. Echter ook
tKrnitai (Plato Meno. 97, e).
I
-ocr page 129-
N°. 248, 249.]                   REDUPLICATIE.                                      115
4. Eenige werkwoorden, die met een liquida beginnen, hebben tot reduplicatie t«:
Xa/lfiavw ik neem, ii\\i|fi, f ï\\r)/(/mi , Xayxóvia ik verkrijg door hel lot, fiX>|\\<<(
(tïXtjy/iai). Zoo ook bij Xéyw ik zeg van den stam piai. Perf. üpijica, fïpij/ifu en in
de Composita -iiXox;a i -fïXjy/ia«5 <^»4 ft-ufo/"<t-
Over lotita, tïiuSa , toXira, fopya zie N". 247, 7.
§ 68.
Attische Reduplicatie.
1.    Sommige werkwoorden, die met a, t of o beginnen, vor- 249
men in Perfectum en Plusquamperfectum de reduplicatie door
herhaling der twee eerste letters van den stam vóór het angmen-
tum temporale.
Zij komt voornamelijk voor bij de werkwoorden aicouw ik hoor,
iXavvw ik drijf, t\\tyx"> ik overtuig, ip\\ofiai ik ga, toS!ü> ik eet,
6\\Xv/it ik verderf, i\'mwui ik zweer, opvrrw ik graaf.
Zelden of alleen bij dichters vindt men ze van de verba aXéto ik maal, óXütpu) ik
zalf, ayüpu) ik verzamel, lytipoi ik wek, apóui, ik ploeg, ipiiiïu) ik steun ,
iijrn ik riek.
Bij ïpxoiiai, ö\'m, óWvfu bestaat slechts het Perf. Activi, terwijl bij acoiui het
Perf. Passivi wel bestaat, doch zonder Att. Red. gevormd wordt.
\'AXiw, apóui, l\\ky\\<0 hebben alleen het Perf. op -fiai.
2.    De tweede lettergreep dezer Perfecta wordt, indien zij lang
is, kort gemaakt: u wordt i, ov wordt o, behalve bij tpifèu,
Pf. ipi)piiKa , ipitpuaflai.
Bijv. ÓKovia (korte st. óeo, uitg. Perf. dro-a. Augm. wroa). Att. Red. derjicoa.
IXavvoj „ l\\a,        „        ÈXaica.       ,, r/Xaica). „        iX>;Xaca-fin(.
,l\\éyXO> ,, &*yX> 11        iXiy/iat. „ yXty/iat). „        Ai/Xeypat.
ipiiTTi» „ ipvx> «1        èpvx«- « üpvX<*)- « óptópvxa-vyfiat.
Zie voor tpx°/«" N°. 281, i<r3iw N°. 298. 1., öXXuju N«. 278. 3., önvvm N°.
278. 4. Meerdere onregelmatigheden dezer verba zullen later behandeld worden.
3.    Het Plusquamperfectum van aicouw is ^kijkÓij, van ópvrrw
Aanm. Attische reduplicatie hebben ook nog Ivitvoxd, lvï}viyiiai, van den stam
EXKK bij <pipu>, zie N°. 285. 3. en de vorm fyprtyopa Perf. bij iyfipia, waar de
stam tyip verdubbeld en gesyncopeerd is: iytp - ftyopa - iypriyopa.
4.    Ook twee Aoristi II hebben deze Attische reduplicatie,
doch met dit verschil, dat zij eerst de Attische reduplicatie plaat-
sen en daarvoor het augment. Zij zijn ïiyayov van ayu> ik voer,
en rtvsyicov. Aor. II. bij 0tpu>, zie N°. 285. 3.
Zoo ook wordt dikwijls ilirov ik zeide, Aor. II bij \\iyai (N°. 282.) verklaard als
ontstaan uit l.\'eFiirov of l.-t^irov (f).
8*
-ocr page 130-
116                                               REDUPLICATIE.                     [N°. 249, 250.
Aanm. Bij Homerus komt de Att. reduplicatie zoowel in het Perfeetum als in
den Aoristus nog bij vele andere werkwoorden voor.
§ 69.
Augment en Reduplicatie bij Verba Composita.
250 De werkwoorden kunnen op twee wijzen samengesteld zijn,
óf 1) met praeposities of voorzetsels, of 2) met andere woorden.
Do voorzetsels zijn:
an$i om.                        • tif naar.                        fitra niet.         avv met.
ava naar boven.              Iv in.                            irapa bij.         virtp boven,
avri in plaats van.         t% uit.                           jrepi om.           vwó onder,
airó van af.                     iiri op.                           irpó voor.
Sta tusschen.                    kutci naar beneden.       Trpóf bij.
I. 1) Bij verba, die met een der praeposities samengesteld
zijn, komen augment en reduplicatie achter de praepositie.
De vocaal der tweesylbige praeposities wordt geëlideerd, be-
halve bij irept (N°. 19), terwijl de praepositie npó dikwijls met
het augment (gewoonlijk niet met de reduplicatie) door crasis
tot oii samensmelt.
De praeposities lv,. t£ en avv worden voor het augment weer
in dezen hun oorspronkelijken vorm geschreven (zie N°. 39 en 43).
Bijv. wpoaipipta ik breng bij. Impf. irpoaitpipov.
airodvto ik\'Jrek uit.
Aor. airib\'vaa. Perf. airoiïiSvica.
TrtpijSaXXoi ik werp om. Impf. n,fpif(3a\\Xov: 7rpojrép;jrto ik zend vooruit. Aor. npoü-irf/iif/a.
avWiyut ik verzamel.
Impf. awiXtyov. Aor. avvhX&a, doch Conj. avWéZw. Inf.
<Tv\\\\e%ai.
lH<j>i(t> ik plant in. Aor. IviQvv. Perf. èfiiriipVKa. Plusqpf. iviiriQvKti.
ovaKivaZii) ik puk bijeen.
Impf. avvtaictvaZ,ov.
IWtiirui ik schiet tekort. Impf. tvéXwrov: lyypéupot ik schrijf in. Imp. Iviypatpov.
Upa\\\\u> ik werp uit.
Impf. ÈZéfiaWov. Aor. s%ij3a\\ov, doch Inf. lic|8aXfïv.
Bij samenstelling met twee praeposities komen augment en
reduplicatie na de tweede.
Bijv. irpoetTroiriuiroiiai ik zend vooruit weg. Aor. irpoa7re7re^i|/afi)jv.
avyKaraXa/ijiavo) ik neem te zamen weg. Perf. avyKarüXnipa.
Aanm. Men merke hier reeds op, dat het accent bij samenstelling nooit over de
syllabe van het augment mag gaan.
bijv. virapx<a ik begin. Imp. ójrijp^ov, üiri)px«C>
iïirijpxi. Zoo kan men, waar het anders onzichtbaar is, hét augment in sommige
vormen aan het accent kennen, bijv. KaStiJKi 3. p. s. Impf. van «t&rjuw ik kom af.
(ica$i)ict
zou Imperativus Praesens zijn.)
De reden hiervan is, dat het augmentum temporale eigenlijk niets anders is dan
het syllabicuni, wat met de eerste vocaal van het werkwoord is samengetrokken:
virijpxov (= viriapxnv), jcaSijef (=: Ka$ïr)Ki).
-ocr page 131-
N°. 250—252.] VERDEELING DER VERHA.                             117
2) Worden als samcngetleldcn betchouwd en hebben het augment in het midden,
ofschoon het werkwoord als fimplex, buiten samenstelling niet bestaat: airo\\avu> ik
heb aandeel, cnro\\oyiauat ik verdedig mij, iystaui&lia ik prijs, ivtêpliu) ik belaag,
ItnroiïiZio ik sta in den weg, iiriopKiio ik doe een valschen eed,
èiri^tipfw ik leg de
hand aan, v-jrairTtvto ik heb argwaan, iraparofifut ik handel wederrechtelijk, Trpo$v-
fiiouai ik ben geneigd, vpotivim ik ben gastrritnd
etc.
1__ 3) Hebben het augment vóór de praeposilie : auipuvvvfii ik trek aan. Aor. i\\u$ii«a,
fintpiiaapnv\', liriaTauat ik weet. Aor. riirtarri^nv.
4) Hebben augment vóór en achter de praeposilie: ivnx\\éu> ik hinder, avi\\anai
ik hond uit, irapntvkta ik ben dronken, dpipMifiriTéw ik weerspreek.
i_ 5) \'Ainrix<» *& d°e aan, aufiyvoéu) ik weifel, en andere hebben öf dubbel aug-
ment, öf enkel vóór de praepositie.
II. Bij samenstellingen met andere woorden komt het augment 251
van voren.
Bijv. iii\'/cm\'n/it\'w ik bouw een huis. Aor. ipicoBófinaa, ir\\niiui\\éti) ik misdoe. Perf.
vtirXnfipéXtjica.
Doch wanneer in samenstellingen op de voorvoegsels Sve;-
(kwalijk)
en iv (wel) eene vocaal volgt, komen augment en redu-
plicatie achter deze woordjes. Volgt echter een consonant, dan
hebben zjj augment en reduplicatie van voren (hetgeen dan voor
e? soms geen verandering te weeg brengt, volgens N°. 246. A.)
Bijv. Svaapiariu) ik ben misnoegd. Impf. êva-iipêarovv; ibepyiTtuj ik doe wel.
Impf. (b-r\\py6Tovv. Perf. tbrjpyiriifiai.
Doch Ivrt-Tvxio) ik ben ongelukkig. Aor. i$vaTvxr]tTa. Perf. iït&oarvxnKa , ibSo-
Kiuito ik word geroemd.
Aor. Moiciftriaa. Perf. ibioKifit\\Ka.
§ 70.
Verdeeling der Verba.
1.    De verba worden naar den uitgang van den Indicativus 252
Praesentis verdeeld in verba op -io en verba op -/ui.
2.    De verba op -u> worden naar den uitgang van den stam
(na het weglaten der -w) verdeeld in verba pura, wanneer de
stam op een vocaal of diphthong eindigt, en verba impura, wan-
neer de stam op een consonant eindigt.
Zoo zijn iraiSivu ik roed op, \\vu> ik maak los, irpita ik zaag, otito ik schud,
airoXalm ik geniet, rifiau) ik eer,
0i\\rw ik bemin, /iiaSóu ik verhuur, verba pura.
De verba pura, die voor den uitgang eene a, t of o hebben,
worden verba contracta genoemd, dewijl zij in Praesens en Im-
perfectum zoowel van den vorm op -w als van dien op -ftai
-ocr page 132-
VERDEELWG DER VERBA.             [N°. 252, 253.
118
samengetrokken worden. Alle anderen zijn non contracta, daar
zij geen samentrekking ondergaan.
Derhalve zijn riuato, <pt\\iio, uiaióio verba pura contracta.
3. De verba impura zijn öf muta öf liquida, naar gelang de
eindconsonant van den stam een muta of een liquida is.
Liquida zijn dus irréXXw ik zend, v\'tfiia ik ureid, fiivui ik blijf, aniipuj ik zaai etc.
De muta zijn derhalve öf labialia öf gutturalia öf lingualia.
Bijv. Labialia : Xéiirw ik verlaat, rpifiw ik wrijf, ypacjnü ik schrijf.
Gutturalia: jrXérw ik vlecht,
\\iyia ik zeg, s\'Xfyxw •\'* overtuig.
Lingualia : t/Soi ik zing, retiSto ik overreed.
253 4. Tot de verba muta worden ook teruggebracht die werk-
woorden, wier eindconsonant versterkt is tot vr , rr en £.
o) De werkwoorden op 7tt zijn alle labialia, wier zuivere
stamconsonant eone ir, /3 of $ is.
Bijv. tvwtio ik sla, Bt.rvir; ku\\vittu) ik bedek , Bt ica\\i>|3 ; pónrrto ik naai, \'st. pap.
Aanm. IïiVrw i\'A !>«/, maakt geen uitzondering daar het uit wiiriru ontstaan en
dus zuiver lingua/e is; N°. 283.
&) De werkwoorden op rr zijn gutturalia met k, y of x tot
eindconsonant.
Bijv. Tarra, ik orden, st. ro»; ppirroi ik huiver, st. 0puc; ipvrrto ik graaf,
st. èpvjf; a<parria , ik slacht, st. tnpay ; raparru ik verwar, st. rapa\\.
Omslaan uit rarjoi, <ppiicju>, ópvrjw, rapayxJia, volgens N". 242.
Linguale is irXarTw ik vorm. Fut. ttXaato. Aor. tirXaaa. Perf.
virrXaafiai. Aor. èttXóo-S\'ijv.
Lingualia die minder voorkomen zijn de dichterlijke ipirria, ik roei, \\p\\arria ik
geesel, topvam» ik wapen, irarrw ik bestrooi, fi\\irroj ik lees honig, irr\'ussot ik stamp.
Ontstaan uit wXarjui, ipkrjiu etc. Zie N°. 242.
Labiale is (n-érriu) ik kook, Fut. iriipt», Perf. irkirtiifiai, iréjr«//<u.
c) De werkwoorden op £ zijn meerendeels lingualia.
Bijv. ctKÜ-tü ik spreek recht, Ajri\'Jw ik hoop, BavpaZia ik bewonder.
Ontstaan uit SiKÓljut, iXwlfytt etc. ; No. 242.
Gutturalia met y tot stamletter zijn die verba, welke een ge-
luid
of geroep uitdrukken, zooals aXaXaZto ik hef een krijgs-
geschreeuw aan, icpaZu> ik schreeuw
(st. Kpay, dicht.), oifiióZto
ik weeklaag
(st. oi/uwy). Ook <rra£<u ik druip (st. aray).
Ontstaan uit rpayjio etc. ; N°. 242.
De volgende twee hebben yy tot stamletter: ffaXjriJu ik trompet en het dicht.
irXd?<o ik drijf rond. X/ta^w . \\A. Kki^
                                                                       "
Futurum «raXsriyEw, 7rXayEw uit <TaX7riyy;(i» etc.
(Ni£w) ik wasch heeft het Fut. viipw. In Praesens minder gebruikelijk viitru.
\\
-ocr page 133-
N°. 253—255.]                  verba pitra.                                   119
5. Naar het accent zijn de verba barytona, zonder accent,
of perispomena met een cireumflexus op de laatste lettergreep,
zooals de contracta.
Bijv. watStuw,
§ 71.
Verba op -w.
Vroeger zagen wij hoe de verschillende tijden van het werkwoord gevormd wor-
den en hoe de stam bij iratiïivui steeds onveranderd blijft. Dit is echter niet bij alle
weikwoorden aldus. Wat er nu bijzonders plaats heeft öf in de verandering der
stamvocaal öf in de vorming der tijden en personen, zullen wij bij de verschillende
klassen van werkwoorden nagaan. Steeds zal de vorming der Stamtijden met den
Aorietus Activi, voor zoover deze bestaan , worden aangegeven , zoodat de overige
tijden des te gemakkelijker volgens § 59 kunnen worden afgeleid.
Verba Pura.
1.    De verba pura vormen hun stamtijden door, met inacht- 254
neming van augment en reduplicatie voor de verschillende tijden ,
de uitgangen -<rw -ko -ftai -&rjv achter den langen stam te zetten.
De i en v zijn bij deze werkwoorden reeds in het Praesens
lang, evenals de diphthongen, doch a en £ worden »j; o wordt
verlengd tot w.
Bijv. TraiStvu) iiaiStvtTd) iiralStvaa imraièevKa ntTralSevfiai tVaiottóriv.
Ttfiato
           rtfMi\'iatii          hifjiriaa          rtTt/xt^Ka           Tirt/irifiai           iTt/urftriv.
<pi\\la>           (juXi\'imii          tylXiimi          TTfipiXriKa          7T£0(Ajj;ueu          i<j>iXiftr)V.
fuoSóu) fuaSwow tfilaSwaa fte/xia^wKa fiifxiaSwfiai t/iio-3\'wSiji\'.
Aanm. 1) rtia ik schat en iitSuw ik ben dronken hebben in het Praesens een
korte vocaal.
2)    irruo) ik spuw heeft wrüata , iitrvaa.
3)    Uw ik hul in, $#«> ik offer, Xiu> ik maak los hebben in het Perfectum op
•fiat en in den Aoristus Passivi de korte v, terwijl $i<o en \\vm ook reeds in het
Perf. Activi de korte vocaal krijgen.
$vu> Svaui SéSïiKa BiSvfiai       èSv&riv.
&va> 3tüo(i> t&voa TtSvica Tt&vfxai       hvSriv (N°. 36. c).
Xïitt) Xvoii) tXvaa XtXvKa XïXv/xai       ëASSrjv.
2.    Staat voor de stamvocaal a eene t,  i of p, dan wordt de 255
a niet tot it, maar tot lange a verlengd.
Bijv. Spaw ik doe.             Bpaoto tSpFura êtSpaita                   IfipaoStiv. N°. 259.5.
èaai ik laat toe. taato ilaoa i\'Iuku uü/iai eiüSiji». (No. 247.)
ipvSpiaw ik bloos. IpvSpiaaw i)pv&pia<ja.
-ocr page 134-
120                                      verba pura.                    [N°. 255, 256.
Uitgezonderd zijn: 1) \\pau> ik geef orakel en  xpóopm ik gebruik.
Xpaw Xf>i\')tTo> e\\pt)<ra Kt\\ptjKa Kt\\pt)aTai       Èxp\'/ad*!\' (N°. 259. 2).
Xpaopat xpiiaofxat è\\pr)o-u/Uijv Ki\'xp»j/ua<                 lxph«$iv. (N°. 259. 3.)
2)    \'Aïpoüo/tot ik aanhoor, Fut. ÓKpoaaoftai.
3)     De twee verba kóuj ik brand en k\\üw ik ween verlengen
de a tot uv:
Kc\'tw          navaii)          ïicavoa          KCKavica          kikuv/uu          tKiii\'ri/i\'.
kX«<« icXaiHTOfiai en «XauffoD^ai N". 260- tnXavoa           KtKXavpai.
Regelmatig van de stammen icaF en icXaJ^. Zie N°. 240.
4.     De verba Séw «A; Zoop, vtw J& zivem, nvtw ik adem, nXtio
ik vaar
, verlengen de t tot tv.
Qtu>, Fut. Sevao/juti, komt alleen voor in Praesens en Futu-
rum, het overige wordt van rpixi» & ^00iJ genomen. N°. 298. 9.
nXtto, rrXivoofxat en nXtvoovfiat N°. 260, iirXtvaa, ninXtvxa
(iréirXfvaiiai, l7r\\ivo$r]v.)
Ntw vtvaofiai (en nvtroüpat) tvtvaa vivtvna.
Ylviu) irvtvaopai
(en nvivnoviiat) itrvtvaa TrtirvtVKa {iirviüaSnv.)
5.     Geheel onregelmatig zijn de stamtijden van pito ik vloei
en x«t> ik giet.
Pto». Fut. pui\'ioofwi Aor. (\'opi\'i/i\'. Perf. èppiW/ica.
Xtw. Fut. A. x\'w- M. x\'0^04, Aor. A. £x£a- ^* \'Xe"/i\'\'1\'-
Perf. Ktxuica, Ktxvpai. Aor. P. tx\'\'^»)l\'-
Vergelijk voor deze werkw. alsook voor die onder 4 N°. 240 en 241.
§ 72.
256 1* Sommige verba pura behouden de korte vocaal in al hun
stamtijden.
De voornaamste zijn :
I. Op atv = ü. a) alle op Xatu = Xü.
Bijv. kvW.i ik breek, kXóo-cu ï\'kXao-a KttcXaofiai licXaoSiiv.
ytXaw ik lach
, yeXao-ojuai tytXaaa tytXavStqv.
Uitgezonderd zijn: a/uMiinai ik kamp, óiiiMiiaoftat; noWaio ik lijm, Ko\\\\i)(tu>;
nv\\at,i ik beroof, av\\i\\aw,
alsmede jcXau ik ween N°. 255, 3.
Aanm. Hiertoe kan ook teruggebracht worden IXavvw (ver-
lenging van èXów). Fut. ïXü (N°. 261. A.). Aor. ï,Xaaa. Perf.
iX^Xaica, IXi\'iXafxai (N°. 249.). Aor. P. ^Xa$w
-ocr page 135-
N°. 256—259.]                  verba pura.                                   121
b)      ipatt) ik bemin (wat alleen in Praesens en Imper-
fectum Act. en Pass., in den Aor. Pass. fipaaSriv en het Fut.
Pass. ipaoSi\'ioo/jiai voorkomt) en airaw ik trek, onaow, tairaaa ,
ïairaKn, ïairaaftai, i(nraa%r)v.
c)   de verba op -avvvfti, verlenging van aio ; No. 279.
II. Op lw = w.                                                                                                 257
a) TeXiui ik voleindig, reXüi (N°. 261. B.), trtXioa rtriXtica
rsTtAtff/uat tTeXlaSijv.
Atcio/uu ik ontzie, atêtaofxat ySKta/iriv yhapiat yètaStiv.
\'ApKt\'w ik weer af, apKtrrw ïipKtrru.
\' IC/it ci) ik spuw , \'TJ/itaa,
Zéu ik zied, \'C.iaio, ifyaa.                                                                                                •
Tpjw ik beef, rplaio , trpéffa.
J) De verba op -tvvu/ii, verlenging van -<?w ; N". 279.
III. Op ei = oiü : apóin ik ploeg. Fut. apóaoj (Perf. ap^po/»at). Aor. ijpddqi».
2. Sommige verba pura verlengen de vocaal in eenige tijden, 258
terwijl zij in andere tijden kort blijft. De voornaamste zijn:
(Alvtto) wat slechts in samenstellingen voorkomt, bijv. lir-aivii»
ik prijs, liraiviaofim, iir-yviaa , iir-jvua, lir-yvtiftat, tir-yvfètiv.
A\'tpêw A. Iets nemen, iemand gevangen nemen, een stad in-
nemen , iets met zijn verstand vatten, begrijpen.
M. voor zich,
nemen, kiezen.
P. gekozen worden, zelden genomen, gevangen
worden,
waarvoor men gewoonlijk aXioicofiai, N°. 287. 1., gebruikt.
aïpi\'iaw , ypr)KU, yprjjuat , ijpêStiv, Aor. II. Act. tïXov (8t. iX).
Asw ik bind, Br/out, s\'Sjjo-a , StêiKa , èictfuu , têéSriv.
Aanm. 1) Hiertoe behooren ook de anomala evpioicio ik vind,
N°. 292. 3., ofiivwui ik blusch, N°. 279. 6.
2) De reden waarom de verba in N". 256 en 257 de korte vocaal behouden is,
dat zij eigenlijk sigmastammen zijn, welke sigma volgens N°. 244 verdwenen is,
en derhalve verba impura, die de stam vocaal niet veranderen. Zoo is de stam van
yiXaui yt\\a{. De verba van N°. 258 vormen hun tijden deels van een sigmastam ,
deels van een stam op -s.
§. 73.
Perfectum op -/xut en Aoristus P. met £.
1. Alle verba op ü> = aw en de meeste op w = iw, welke in 259
de stamtijden de a en e kort laten (No. 256, 257), benevens
-ocr page 136-
122                                 VERBA CONTRACTA.                [N°. 259, 260.
eenige verba pura non contracta maken het Perfectum op -ftai
en den Aoristus Passivi op -a/iai en -o-S»|i>.
Bijv. cXaio ik breek, uUKaofuu, U\\aa$r\\v.
TiXiu ik voleindig, TiriXiauat, IrtKifStiv.
Van de verba pura non contracta zijn de meest voorkomende
UKOvtti ik hoor, uKOviru/iat, iJkovctu, oktjkoo (ynovafioi, r/icovoStiv.)
KtXtiat ik beveel, KtKtXtvafiai, tKt\\tvo§riv.
atito ik schud, aêatia/xat, lottaStriv.
2.    Zoo ook, niettegenstaande zij de vocaal verlengen, x""> \'* hoop °P< XPÓ<" •*
geef orakel N°. 255, en de anomala *ri/iirX»jfii t\'A «•»/, iriuirpijiu «\'& verbrand N°. 280,
ytyvüiTKui ik leer kennen N". 287. 4.
                        4"
3.     Hebben alleen in den Aor. Passivi de c> Xii» i* steenig, naTiXivo$i\\v, irviu
ik adem
X". 255, xpüaai ik gebruik N". 255. Zoo ook bet verbum mutum dx~o/\'«i
t\'& «yw mij, dx&ffo/tai, ijgStoStii» en andere.
                                             >
4.    Hebben de t alleen in het Perf. op -/<m, bet verbum mutum aüZio ik red,
aiaiotrfiai,
firwïrjv, irraiui ik sloot, lirraiaitat.
± 6. Apaio ik doe, heeft Aor. IdpatrSriv.
Qpavu ik breek,
ridpav/iai en ri^patur/iat. Aor. iSpaiaüttv.
KAjiw of cXfi\'d) ik sluit, c«sXp/iai, tirXn/iat (en cécXeiir/iat). Aor. U\\ti<iBt]v en
itXj/nStii\'.
KoXoiio ik verklein, ttKÓXovfiai en rfróXouir/mi. Aor. icoXoi>£i)v en f\'toXot\'ff^Tji\'.
Kpoi\'u (\'/.\' Mojo, -KfKpov/iat (en •niicpovauaï). Aor. Upoia^nv.
Nfo) i\'A Aeqo op, vriaii), m>ijto. Perf. vivtifiai (en ré v7|<T/iat). Aor. i><qir&t|>>.
\'*->Xpïw i\'A !«(/", tixp\'pai (en gixpuifiat). Aor. Ixpiainv.
§ 74.
Verba Pura Contracta.
260 De verba pura op -ów, -tw, -óa> worden volgens N°. 252 in
Praesens en Imperfectum zoowel van het Activum als van den
vorm op -fiai samengetrokken, terwijl zij voor de overige tijden
geheel regelmatig zijn volgens N°. 254. Alleen gaat de Infini-
tivus Praesentis Activi uit op -tv en de Optativus Imperfecti
meestal op hji>.
I. Bij de verba op -dw wordt a -f- o-klank samengetrokken
tot w, zoodat on, a(o, aov overgaan in <u.
a -f- e-klank tot «, zoodat #«, «1/ overgaan in ö.
Komt er een jota bij, dan wordt deze subscriptum, zoo-
dat aot tot (t), en au, ag tot a overgaan.
Aanm. De verba Zau> ik leef, xpdw ik geef een godspraak, ^pdo/iat ik gebruik.
-ocr page 137-
N°. 260.]                         VERBA CONTRACTA.                                 123
vuvaia ik ben hongerig, lixf/ato ik ben dorstig, xvaia ik krab, itriw ik schuur, spant
ik strijk,
worden samengetrokken tot ij en j;, in plaats van a en a. Bijv. Praesens
Indicativi £<ï, Jyc, Zy, Zürov, ZH/uv, Zn", Jiïffi. Imperativus Zij, ?i;r<u, Jjjrov,
Jqrê, Z<dVT<ov. Infinitivus ?ijv. Indicativus Imperfecti IZatv, iZlti «J>/> <?qri|v,
f\'?li/(fl\', 1\'Cl\'lTf, ÏZ<OV.
II.    Bij de ft verba op -t\'w wordt de e met t samengetrokken
tot u, met o tot ou, terwijl zij voor lange klinkers en twee-
klanken verdwijnt.
Aanm. De tweesylbige verba op -im worden alleen samengetrokken tot k, be-
halve Si.oi ik bind, wat overal samengetrokken wordt. Bijv. Praesens Indicativi
Tfiia ik beef, TpitQ, rpiï, rpttrov, rpéoptv, rpüri, rpéouff».
III.    Bij de verba op -óu> wordt de o met f, o of\' ou samen-
getrokken tot ow; met een lange vocaal rj of w tot w; in verbin-
ding met een jota, dus met «, y of oi, tot 01.
Aanm. Het verbum piyów ik bevries, wordt overal samengetrokkon tot « en qj,
in plaats van ov en 01. Bijv. Praes. Ind. piyü, piyipi;, ptyift piyürov, ptyvpiv,
ptyürf, piyüai.
Inipf. Ind. Ippiyuv, ippiyiaQ, Ippiyu), Ippiyiirifv, Ippiyüpiv, lppt-
yün, ippiytav.
-ocr page 138-
125
124
VERBA CONTRACTAV
VRKBA CONTRACTA.
VOOR BEELDEN.
a) w = aw. — tïhü. Fut. rlftfiau, Prf. rerl^ica, TtA^ixai, Aor. Pass. trï^j/Sjjv. 1) A. eeren, schatten. M. id. 2) A. tot iets veroordeelen.
M. s<ra/~ tegen iemand eischen.
Num.
EN PERS.
INDICATIVUS.
CONJUNCTIVUS.
| i
OPTATIVÜS.
IMPERATIVÜS.
INPINITIVU8.
PARTICIPIUM.
Acti
Praeff
vu m.
sens.
Sing.
1
rlfiüi
(= d-tu)
TÏfia
(= a-w)
rï/tav (= d-lv)
N. tïuüv (= a-wf)
2
ri/i^c
(= a-éif)
TtH^Q
(= Ó-vq)
\\
Tifa
(= <*•«)
rlfidiaa (= d-oii<ra)
;;
\'W
(= d-f/)
rli>4
(= ó-?)
t\'ih&tid
(= a-iriu)
Ttiiütf (= d-ov)
Dual.
1
G. rïfiCivToc (= d-ovroc)
2
8
TlflilTOV
rt/Aarov
(= d-«ro>>)
(= a-trov)
TÏpaTov
(= a->|rov)
TÏ/iarov
(:= ó-«roj\')
Plur.
1
rlfiwiitv
(= a-of<éi\')
rï/iw/iti»
(= a-w^ei\')
2
rlfinri
(=a-êrt)
rifinri
(= a-ijn)
rt/idrf
(= d-«re)
;s
TÏflüffl (v)
(= a-ovm)
Tt//W7t (r)
(zr a-üjff*)
Imper
TÏfUÓVTtüV
fectum.
(^ a-ói\'Twv)
Sing.
i
2
3
II!
(= a-oi\')
(= «-<c)
(= «-0
II!
(= a-oii)v)
(= o-oi\'ik)
Dual.
1
\'2
8
(= a-értiv)
(= a-htiv)
0
(=: a-oïrqi\'}
( = a-otr?;ï\')
Plur.
1
2
3
m
(= a-ofi(i<)
(= a-érf)
(== a-ov)
Hf
(= a-oi/«i\')
( = d-OITf)
(= d*oiei>)
Medium en
Prae
Passivum
sens.
\'
Sing.
1
riftifun
(= a-o/jai)
ripfipal
(= li-i.i/mi)
rïfia<rSai (= a-tff^ai)
TÏpuiiifvoc (= o-ófiivoc)
2
Tlflp
(= a-u)
riff
(= ó-v)
rlfiiü
(=: a-ov)
n/iw/ièi\'T) (= n-ofi\'fvt))
3
rlfiarat
(= d-Jrai)
TÏfiarai
(=r a-ijroe)
rlfiaaito
(= i-éir^w)
TÏftwitivov ( = (i-ó/Jf cni\')
Dual.
1
2
TÏfiatrSoi\'
(= a-éujoi\')
rlftaffSov
(= d-ijffïov)
TÏpaoHov
(= d-f».5ov)
3
TipaffSov
(= Ó-6T^OI\')
riftaoSov
(= ó-T)ff5oi\')
4
Plur.
1
rïfiwfie^a
(= o-ó/(f&a)
ütiwfiiia
(= a-w/ifS»)
2
TÏjiïiaSt
(= a-étSé)
TÏ/iaffSt
(= a-i)(r5f)
TÏftaaüe
(= Ó-tff^f)
3
TÏiiüirai
(= a-ovrnt)
TÏitüvrai
(= d-wirat)
Imper
TÏ/tairduv
fectum.
(= a-iirdiov)
Sing.
1
Irtiitifiifv
(= a-ófHif)
7\\ynf\\ir\\v
(= a-oi/xtiv)
2
3
ÏTÏftUJ
IrifiaTO
(= a-ov)
(= d-sro)
TipLtjio
TlfitpTO
(= ó-oio)
(= d-oiro)
•
Dual.
1
2
8
irJ/iatfiriv
(= a-(aSt)v)
(= a-fffSijv)
TÏfujiaStiv
(= a-otirSr))»)
(= a-oiffSi))\')
Plur.
1
ir\'ifxüfiiia
( = a-ó/Jf^a)
Tifii/iiif^a
(= a-oiftiSa)
2
èri/uaffSe
(= a-taSf)
rifii/ioSi
(= a-otirSt) _i
8
lrï[itüi>TO
(= d-ovro)
r\'iftipvro
(= d-oii\'ro)
:
-ocr page 139-
125
124
VERBA CONTRACTAV
VRKBA CONTRACTA.
VOOR BEELDEN.
a) w = aw. — tïhü. Fut. rlftfiau, Prf. rerl^ica, TtA^ixai, Aor. Pass. trï^j/Sjjv. 1) A. eeren, schatten. M. id. 2) A. tot iets veroordeelen.
M. s<ra/~ tegen iemand eischen.
Num.
EN PERS.
INDICATIVUS.
CONJUNCTIVUS.
| i
OPTATIVÜS.
IMPERATIVÜS.
INPINITIVU8.
PARTICIPIUM.
Acti
Praeff
vu m.
sens.
Sing.
1
rlfiüi
(= d-tu)
TÏfia
(= a-w)
rï/tav (= d-lv)
N. tïuüv (= a-wf)
2
ri/i^c
(= a-éif)
TtH^Q
(= Ó-vq)
\\
Tifa
(= <*•«)
rlfidiaa (= d-oii<ra)
;;
\'W
(= d-f/)
rli>4
(= ó-?)
t\'ih&tid
(= a-iriu)
Ttiiütf (= d-ov)
Dual.
1
G. rïfiCivToc (= d-ovroc)
2
8
TlflilTOV
rt/Aarov
(= d-«ro>>)
(= a-trov)
TÏpaTov
(= a->|rov)
TÏ/iarov
(:= ó-«roj\')
Plur.
1
rlfiwiitv
(= a-of<éi\')
rï/iw/iti»
(= a-w^ei\')
2
rlfinri
(=a-êrt)
rifinri
(= a-ijn)
rt/idrf
(= d-«re)
;s
TÏflüffl (v)
(= a-ovm)
Tt//W7t (r)
(zr a-üjff*)
Imper
TÏfUÓVTtüV
fectum.
(^ a-ói\'Twv)
Sing.
i
2
3
II!
(= a-oi\')
(= «-<c)
(= «-0
II!
(= a-oii)v)
(= o-oi\'ik)
Dual.
1
\'2
8
(= a-értiv)
(= a-htiv)
0
(=: a-oïrqi\'}
( = a-otr?;ï\')
Plur.
1
2
3
m
(= a-ofi(i<)
(= a-érf)
(== a-ov)
Hf
(= a-oi/«i\')
( = d-OITf)
(= d*oiei>)
Medium en
Prae
Passivum
sens.
\'
Sing.
1
riftifun
(= a-o/jai)
ripfipal
(= li-i.i/mi)
rïfia<rSai (= a-tff^ai)
TÏpuiiifvoc (= o-ófiivoc)
2
Tlflp
(= a-u)
riff
(= ó-v)
rlfiiü
(=: a-ov)
n/iw/ièi\'T) (= n-ofi\'fvt))
3
rlfiarat
(= d-Jrai)
TÏfiarai
(=r a-ijroe)
rlfiaaito
(= i-éir^w)
TÏftwitivov ( = (i-ó/Jf cni\')
Dual.
1
2
TÏfiatrSoi\'
(= a-éujoi\')
rlftaffSov
(= d-ijffïov)
TÏpaoHov
(= d-f».5ov)
3
TipaffSov
(= Ó-6T^OI\')
riftaoSov
(= ó-T)ff5oi\')
4
Plur.
1
rïfiwfie^a
(= o-ó/(f&a)
ütiwfiiia
(= a-w/ifS»)
2
TÏjiïiaSt
(= a-étSé)
TÏ/iaffSt
(= a-i)(r5f)
TÏftaaüe
(= Ó-tff^f)
3
TÏiiüirai
(= a-ovrnt)
TÏitüvrai
(= d-wirat)
Imper
TÏ/tairduv
fectum.
(= a-iirdiov)
Sing.
1
Irtiitifiifv
(= a-ófHif)
7\\ynf\\ir\\v
(= a-oi/xtiv)
2
3
ÏTÏftUJ
IrifiaTO
(= a-ov)
(= d-sro)
TipLtjio
TlfitpTO
(= ó-oio)
(= d-oiro)
•
Dual.
1
2
8
irJ/iatfiriv
(= a-(aSt)v)
(= a-fffSijv)
TÏfujiaStiv
(= a-otirSr))»)
(= a-oiffSi))\')
Plur.
1
ir\'ifxüfiiia
( = a-ó/Jf^a)
Tifii/iiif^a
(= a-oiftiSa)
2
èri/uaffSe
(= a-taSf)
rifii/ioSi
(= a-otirSt) _i
8
lrï[itüi>TO
(= d-ovro)
r\'iftipvro
(= d-oii\'ro)
:
-ocr page 140-
126
127
VERBA CONTRACTA.
VERBA CONTRACTA.
b) w = tw. — 0<Aw, Fut. (fttXtiad), Prf. irtQiXriica, irt^i\'Ajjjueu, Aor. P. tyiXiftijv beminnen. M. elkander
Num.
en Pers.
INDICATIVUS.
CONJUNCTIVUS.
I----------------------------------------—----------------------------------------
OPTATIVUS. IMPERATIVUS.
INFINITIVUS.
PARTICIPIUM.
A c t i v u m.
Prae
sens.
Sing.
1
ftXw
(= i-w)
0lX<2
(= i-w)
•
0<XfTv (= i-iv)
N. ^tXüv (= i-oiv)
2
^iXfte
(= i-«c)
0\'XJÏC
(= t-vc)
»
<pi\\lt
(= w)
\'PiXnvira (= é-o«<tn)
3
^tXtï
(= «•«)
0(X j?
(= «-V)
i-nXm tü
(= i-ér<i»)
0i.\\oüi\' (= i-ov)
Dual.
1
G. ^iXoüvroc (^ i-ovrot)
2
3
0iX«?roi>
0e\\tïroi/
(= f-«rov)
(= i-trop)
^tXjJrov
^tXfjrov
(= i-t}Tov)
(= s->)rov)
1
0i\\itrov
(= i-irov)
Plur.
1
0(Xoü/iév
(= é-o/iev)
QtXwlHV
( = J-M/KI\')
2
^iXtïrf
(= t-fTf)
QlXïlTt
(= t-qrt)
^iXtïri
(= l-f«)
3
0<XoÖ<T< (%>)
(= f-ouiri)
0lXÜlTt (v)
(= t-üttri)
Imper
i/uXovvtwv
fectum.
(= t-óvrwv)
Sing.
1
2
3
lipiXovv
ifiXltt
ttpiXft
(= i-ov)
(= f-\'c)
(= «-0
III
JL11
Dual.
1
2
3
tyiXtirifv
^iXïirjji»
(== i-irriv)
(= £-ér»)v)
0tXoirn>\'
*t\\oirt>v
(= e-ot\'rijv)
(= e-m\'r»/v)
Plur.
1
2
3
II!
(= l-trt)
(= i-ov)
. -
•lil
(= é-OlTj)
(= £-Olfl\')
Medium en
Prae
1
Passivum.
sens.
Sing.
1
tptXohfiat
(= é-o/iai)
(ptXuifiitr
(= ï-U)fiCli)
<piXf~itiSai (= é-«»3ac)
0iXow^(voc (= f-rf^*voc)
2
<pt\\fï
(= {.«,)
QiXy
(= é-y)
•
ipl\\iu)
(= «-o«)
0iXot\';ifi\'i) (= t-ofitvij)
3
tptXitTal
(:= c-irai)
tpiXrjrai
(= «-?)rai)
iptXiiniu
(= l-tff^w)
0cXoü/i«vov (= e-ó/Jtvov)
Dual.
1
2
3
0tXtI(rSov
(= é-fffSov)
(= é-tffSov)
<ptXï)o3tov
(= i-fjirSoi\')
(= é-ijo\'Soi\')
<fnXiïa$ov
(^ f-t(T&Ov)
Plur.
1
<ptXov/if$a
(= e-i!/i«^a)
tpiXio/lfSa
(= f-ióftiSa)
2
<f>t\\ila!ji
(= é-tffSi)
(/uAF/aSf
(= é-jjo-St)
QiXiioSi
(= {-t*at)
3
QiKovvrat
k-ovrai)
IpiXülVTat
(= é-wvrai)
\'4
Imper
(piXiiaSiov
fectum.
(= i-iaSiDv)
Sing.
1
l^iXoifiriv
(= f-ó^i)v)
piXoi/o))\'
(= i-oiptiv)
2
3
tipiXov
ifiXüro
(= I-o v)
(= é-iro)
0iXoïa
0«Xotro
(=r é-oio)
(= t-otro)
"
Dual.
1
2
l<piXiioSt]l>
(= f-iffSijv)
0iXoio"5nv
(= e-oïff^ijv)
3
l<piXfioSriv
(= i-co$tiv)
^tXoiffStjv
(= «-oi<f5ijv)
•
Plur.
1
2
3
iQiXavitlia
IpiXünZf
i^tXovvro
(= l-ovro)
QiXoift&a
QtXoïaSi
<pl\\ÓÏVTO
(= i-oi/i&a)
(=: é-o«r9é)
(= i-oivro)
1
-ocr page 141-
126
127
VERBA CONTRACTA.
VERBA CONTRACTA.
b) w = tw. — 0<Aw, Fut. (fttXtiad), Prf. irtQiXriica, irt^i\'Ajjjueu, Aor. P. tyiXiftijv beminnen. M. elkander
Num.
en Pers.
INDICATIVUS.
CONJUNCTIVUS.
I----------------------------------------—----------------------------------------
OPTATIVUS. IMPERATIVUS.
INFINITIVUS.
PARTICIPIUM.
A c t i v u m.
Prae
sens.
Sing.
1
ftXw
(= i-w)
0lX<2
(= i-w)
•
0<XfTv (= i-iv)
N. ^tXüv (= i-oiv)
2
^iXfte
(= i-«c)
0\'XJÏC
(= t-vc)
»
<pi\\lt
(= w)
\'PiXnvira (= é-o«<tn)
3
^tXtï
(= «•«)
0(X j?
(= «-V)
i-nXm tü
(= i-ér<i»)
0i.\\oüi\' (= i-ov)
Dual.
1
G. ^iXoüvroc (^ i-ovrot)
2
3
0iX«?roi>
0e\\tïroi/
(= f-«rov)
(= i-trop)
^tXjJrov
^tXfjrov
(= i-t}Tov)
(= s->)rov)
1
0i\\itrov
(= i-irov)
Plur.
1
0(Xoü/iév
(= é-o/iev)
QtXwlHV
( = J-M/KI\')
2
^iXtïrf
(= t-fTf)
QlXïlTt
(= t-qrt)
^iXtïri
(= l-f«)
3
0<XoÖ<T< (%>)
(= f-ouiri)
0lXÜlTt (v)
(= t-üttri)
Imper
i/uXovvtwv
fectum.
(= t-óvrwv)
Sing.
1
2
3
lipiXovv
ifiXltt
ttpiXft
(= i-ov)
(= f-\'c)
(= «-0
III
JL11
Dual.
1
2
3
tyiXtirifv
^iXïirjji»
(== i-irriv)
(= £-ér»)v)
0tXoirn>\'
*t\\oirt>v
(= e-ot\'rijv)
(= e-m\'r»/v)
Plur.
1
2
3
II!
(= l-trt)
(= i-ov)
. -
•lil
(= é-OlTj)
(= £-Olfl\')
Medium en
Prae
1
Passivum.
sens.
Sing.
1
tptXohfiat
(= é-o/iai)
(ptXuifiitr
(= ï-U)fiCli)
<piXf~itiSai (= é-«»3ac)
0iXow^(voc (= f-rf^*voc)
2
<pt\\fï
(= {.«,)
QiXy
(= é-y)
•
ipl\\iu)
(= «-o«)
0iXot\';ifi\'i) (= t-ofitvij)
3
tptXitTal
(:= c-irai)
tpiXrjrai
(= «-?)rai)
iptXiiniu
(= l-tff^w)
0cXoü/i«vov (= e-ó/Jtvov)
Dual.
1
2
3
0tXtI(rSov
(= é-fffSov)
(= é-tffSov)
<ptXï)o3tov
(= i-fjirSoi\')
(= é-ijo\'Soi\')
<fnXiïa$ov
(^ f-t(T&Ov)
Plur.
1
<ptXov/if$a
(= e-i!/i«^a)
tpiXio/lfSa
(= f-ióftiSa)
2
<f>t\\ila!ji
(= é-tffSi)
(/uAF/aSf
(= é-jjo-St)
QiXiioSi
(= {-t*at)
3
QiKovvrat
k-ovrai)
IpiXülVTat
(= é-wvrai)
\'4
Imper
(piXiiaSiov
fectum.
(= i-iaSiDv)
Sing.
1
l^iXoifiriv
(= f-ó^i)v)
piXoi/o))\'
(= i-oiptiv)
2
3
tipiXov
ifiXüro
(= I-o v)
(= é-iro)
0iXoïa
0«Xotro
(=r é-oio)
(= t-otro)
"
Dual.
1
2
l<piXiioSt]l>
(= f-iffSijv)
0iXoio"5nv
(= e-oïff^ijv)
3
l<piXfioSriv
(= i-co$tiv)
^tXoiffStjv
(= «-oi<f5ijv)
•
Plur.
1
2
3
iQiXavitlia
IpiXünZf
i^tXovvro
(= l-ovro)
QiXoift&a
QtXoïaSi
<pl\\ÓÏVTO
(= i-oi/i&a)
(=: é-o«r9é)
(= i-oivro)
1
-ocr page 142-
\\
128
129
VERBA CONTRACTA.
VERBA CONTRACTA.
c) ü> = 6b». — niaSCo, Fut. fiiaSwob), Prf. fitfilaSwKa, j
utfiiaSwfiüi,
Aor. Pass. èni<y&ó>Stiv verhuren. M.
Awrew.
Num.
en Pers.
INDICATIVUS.
CONJUNCTIVUS.
OPTATIVUS. IMPERATIVUS.
INFINITIVÜS.
PARTICIPIUM.
A C t i | v u m.
Prae sens.
Sing.
1
luobü
(= 6.0.)
IHirSÜ (= (S-6»)
litaSovv (^ ó-tj\')
nw^ü>v {•=. 6-iav)
2
moSoie
(= 6-iit)
f»iir9o?c (= ó-pc)
f
fiiaSou
(= o-|)
fitaiovaa (= 6-ovaa)
3
HitrSoi
(= Ó-él)
f.io$ol (= <5-p)
f
fittjSoóru)
(^ o-éru)
fugüovv (-= ó-ov)
Dual.
1
G. ficrjoüvroc (-= (i-oi\'roc)
2
3
fiirtSovTov
(= ó-irov)
(= ó-irov)
fitnSiiTov (= ó-ijroi\')
/ifff^wrov (= ó-Tjror)
fitaSovrov
(= (5-«rov)
Plur.
1
ftlfT^OVftfV
( = ó-o/ifv)
fittrSüfitv (= ó-w/iér)
2
ItiaSovri
(= ó-érf)
HiirSaiTi (= ó-ijrf)
ptoSovri
(= ó-iri)
3
piaSovai (v)
(= (S-Ol\'ffl)
lita$ü>ai (v) (=; (5-wffi)
Imper
ftioSovvrwv
fectum.
{= o-óvrwi\')
Sing.
1
2
3
ifiioüow
Ifitoünvi;
(= o-ov)
(= o-te)
(= o-O
liurSoiriv (= o-oit)v)
/itirSoïrif (= o-otrjc)
inn\'-i-i\'ii (= o-o(t|)
Dual.
1
2
3
tfuadoirifv
l/JioSovrriv
(= o-ért)]\')
(= o-sr^v)
/itff^otrijv (= o-otr?jy)
/uirSoirijv (= o-oirijv)
Plur.
1
2
3
(= Ó-lTl)
(= O-OJ»)
/uirSoirf (=: ó-otri)
liioSoliv
(= ó-oifv)
Medium en !
Prae
Passivum.
sens.
Sing.
1
fitoSoüfiai
(= ó-ofiat)
fWtSwpai (= ó-otjiai)
(tiaSovgSai (= (5*(tS(>i)
ftttrSovutvne (r= o-ó/itvof)
2
liwSoï
(= ê-n)
piirSoï (= ó-{/)
liiaSov
(=: ó-ojj)
liitönvfikvi} (=z o-ofiivtj)
Tl..nl
3
1
2
UtaSovrat
(= (5-frai)
fiiaiinai (= ó-ijrai)
pttrSoüaSu)
(=: o-éffSu)
fUtrSeèptvov (= o-ó/xtvov)
JJual.
fitoSovoSov
(= ó-éffSoi\')
/tiffJciir^ov (= ó-iitSov)
ptoSovaSov
(^ ó-eir^ov)
Plur.
3
1
(= ó-éff-Jov)
(= o-ófif$a)
lunSrtbittSa (= o-<i/«9u)
2
IHaSoïiaSi
(= ó-faSê)
/uiffSwirS\'e (= ó-ijffSf)
HioSoïioSi
(= ó-io$i)
Sing.
Dual.
3
1
2
3
1
2
3
(tiaSoiïvrai
I/wtSovto
I in 11
il ililil iiil
fiKrSüvrai (= ó-wvrai)
-
Imper
fitaStoipriv (= o-oi/itiv)
Hioüoïa
(= ó-oio)
/«<rSoTro (= ó-oiro)
/iktSoiitSji»\' (= o-oiffSi)!\')
fectum.
i
Plur.
1
2
3
lliHT&OVVTO
(= o-óf<e&a)
(= (5-iff^f)
(= Ó-OlTo)
i
i
/iKT^oIffSf (= ó-uktS»)
ftiaSoïvTo (= ó-oijto)
;
;«
•
9
-ocr page 143-
\\
128
129
VERBA CONTRACTA.
VERBA CONTRACTA.
c) ü> = 6b». — niaSCo, Fut. fiiaSwob), Prf. fitfilaSwKa, j
utfiiaSwfiüi,
Aor. Pass. èni<y&ó>Stiv verhuren. M.
Awrew.
Num.
en Pers.
INDICATIVUS.
CONJUNCTIVUS.
OPTATIVUS. IMPERATIVUS.
INFINITIVÜS.
PARTICIPIUM.
A C t i | v u m.
Prae sens.
Sing.
1
luobü
(= 6.0.)
IHirSÜ (= (S-6»)
litaSovv (^ ó-tj\')
nw^ü>v {•=. 6-iav)
2
moSoie
(= 6-iit)
f»iir9o?c (= ó-pc)
f
fiiaSou
(= o-|)
fitaiovaa (= 6-ovaa)
3
HitrSoi
(= Ó-él)
f.io$ol (= <5-p)
f
fittjSoóru)
(^ o-éru)
fugüovv (-= ó-ov)
Dual.
1
G. ficrjoüvroc (-= (i-oi\'roc)
2
3
fiirtSovTov
(= ó-irov)
(= ó-irov)
fitnSiiTov (= ó-ijroi\')
/ifff^wrov (= ó-Tjror)
fitaSovrov
(= (5-«rov)
Plur.
1
ftlfT^OVftfV
( = ó-o/ifv)
fittrSüfitv (= ó-w/iér)
2
ItiaSovri
(= ó-érf)
HiirSaiTi (= ó-ijrf)
ptoSovri
(= ó-iri)
3
piaSovai (v)
(= (S-Ol\'ffl)
lita$ü>ai (v) (=; (5-wffi)
Imper
ftioSovvrwv
fectum.
{= o-óvrwi\')
Sing.
1
2
3
ifiioüow
Ifitoünvi;
(= o-ov)
(= o-te)
(= o-O
liurSoiriv (= o-oit)v)
/itirSoïrif (= o-otrjc)
inn\'-i-i\'ii (= o-o(t|)
Dual.
1
2
3
tfuadoirifv
l/JioSovrriv
(= o-ért)]\')
(= o-sr^v)
/itff^otrijv (= o-otr?jy)
/uirSoirijv (= o-oirijv)
Plur.
1
2
3
(= Ó-lTl)
(= O-OJ»)
/uirSoirf (=: ó-otri)
liioSoliv
(= ó-oifv)
Medium en !
Prae
Passivum.
sens.
Sing.
1
fitoSoüfiai
(= ó-ofiat)
fWtSwpai (= ó-otjiai)
(tiaSovgSai (= (5*(tS(>i)
ftttrSovutvne (r= o-ó/itvof)
2
liwSoï
(= ê-n)
piirSoï (= ó-{/)
liiaSov
(=: ó-ojj)
liitönvfikvi} (=z o-ofiivtj)
Tl..nl
3
1
2
UtaSovrat
(= (5-frai)
fiiaiinai (= ó-ijrai)
pttrSoüaSu)
(=: o-éffSu)
fUtrSeèptvov (= o-ó/xtvov)
JJual.
fitoSovoSov
(= ó-éffSoi\')
/tiffJciir^ov (= ó-iitSov)
ptoSovaSov
(^ ó-eir^ov)
Plur.
3
1
(= ó-éff-Jov)
(= o-ófif$a)
lunSrtbittSa (= o-<i/«9u)
2
IHaSoïiaSi
(= ó-faSê)
/uiffSwirS\'e (= ó-ijffSf)
HioSoïioSi
(= ó-io$i)
Sing.
Dual.
3
1
2
3
1
2
3
(tiaSoiïvrai
I/wtSovto
I in 11
il ililil iiil
fiKrSüvrai (= ó-wvrai)
-
Imper
fitaStoipriv (= o-oi/itiv)
Hioüoïa
(= ó-oio)
/«<rSoTro (= ó-oiro)
/iktSoiitSji»\' (= o-oiffSi)!\')
fectum.
i
Plur.
1
2
3
lliHT&OVVTO
(= o-óf<e&a)
(= (5-iff^f)
(= Ó-OlTo)
i
i
/iKT^oIffSf (= ó-uktS»)
ftiaSoïvTo (= ó-oijto)
;
;«
•
9
-ocr page 144-
130                                    BIJZONDERHEDEN AANGAANDE                       [N°. 260.
VOORBEELDEN TER OEFENING.
a)   ui == au.
Nï«r<3 , Fut. vtKriaio, Prf. viviicniea , P. viviicriuat, Aor. fviic/j^ijv overwinnen.
3v/jiü> , Fut. Svpianio, Prf. TfSü/ii\'a/ca, P. Ti^v^iSjiai, Aor. fSü/iisSiji\' bewieroo-
ken. N°. 255.
tü/tai, Fut. ta<Tn/Kai, Aor. tairctfinv , (Prf. "ïff/iat) , Aor. P. ftóqv heelen , transit.
P. /i«/f» intrans.
\'Ay«7ri5 beminnen. aiTiüftai Dep. P. beschuldigen. arpoüuai Nu. 255 Dp. M. hooien.
afiiWüfiai
N°. 256 Dp. P. kampen. Ttvvü voortbrengen. AinravSi aan iets besteden.
M. id. 5p<ï N\'. 255 <?»»i. \'Eii N°. 255 toelaten. Ipivvü nasporen, ipvöpiai rood wor-
den. ipurCb vragen, ittriü
N". 247 onthalen. \'Httwum, Dep. P. met Fut. Pass.\'rfe
mindere zijn, overwonnen worden. 8nD/\'ni, Dp. M. zien. Kn\\Xw N". 256 lijmen.
Krünai
N°. 224 Dep. M. met Aor. P. zich verwerven, bpuü aanzetten, M. en 1\'. op-
breken. ïlapüj/jai beproeven.
TtXmrw eindige//. to\\uü dtirce/i. Xa>w ontspannen, vieren.
P. slap zijn. xpüiuat. Dep. M. niet Aor. P. gebruiken N°. 255. \'F.icrtncüi F. Med. uit-
springett. \'E£airariö misleiden. TIpoTÏuiü hooger achten.
                                                ,
b)   <i = lal.
ITow, Fut. iroiiinw, Prf. irf7roi\'r)/cu , 7r» iroi\'i|/irti, Aor. P. irottfinv maken. M. «wr
r/c/i /(/?r« maken,
iiyovnai.
Fut. ïryï\\"ojiai, Aor. i]yn,napnv, Prf. i\'/yiiuat voorgaan, ergens voor houden.
\'AJirtS onrecht doen. P. onrecht lijden, airui verzoeken. M. voor zich. (a/coXoi/Su)
volgen, (\'nrnpüi verlegen zijn. Bot)Sc5 l/elpen. Aojpovuat Dp. M. m. Aor. P. besehtnkin.
\'Leut zieden
N". 257 en 260. Jijnü zoeken. \'laropü onderzoeken. Knapw in orde brengen.
M. id. rpurü behetrsch/n. MïjuoS/iai Dp. M. nadoen. OiKoSo/iüi bouwen. M. voor zich.
üun\\oyui toestemmen. M. id. P. erkend zijn. ópxoüfiai Dp. M. dansen. YWtoriKriZ heb-
znchtig zijn. Trn\\fuai oorlogen. woXtopKÜt belegeren. TïuiopiZ verdedigen.
M. straffen.
\'YirnpiTÜi dienst doen.
P. i»y wordt een dienst bewezen. 4>oj3ü pree» aanjagen. P. t?ra-
»\'H. (jtpovüi verstandig zijn. Xiupü Fut. Med. wijken, gaan. \'Q<pi\\ü nuttig zijn. P.
voordeel trekken. AvaSvuui mismoedig zijn. M. id. \'Ev.91 f\'/toü/iat Dp. P. ter harte nemen.
Ivo^Xü
N". 250. 4. /«.«<!</ «j/«, lüSaiiiovü fortuin //ebben. tvSoieiuü in aanzien zijn,
M. id. tvopKÜ zijn eed houden, tiiojxüi onthalen. P. smullen. TlpoSvuovfiai Dp. P. 4«-
r«rf zy«. 7rpoi\'o<i gewl. Dp. P. vooraf bedenken. P. id. 7rpo<x:roiu> 4y <foe». M. rff»
schijn aannemen van iets te doen. \'Zvvoikü samenwonen.
c)   & = ów.
AocAai, Fut. 5üiA(ü<tu> , Prf. ftdouXaiira, dfG*oó\\i<ju.at, Aor. P. idoiAtü^qi\' tot slaaf
maken.
M. aa» zich onderwerpen.
\'
AS«5 waard achten, bcgeeven. M. voor zich. Btj3aiü bevestigen. r«/iwj ontblooten.
4éSioD/mi Dp. M. begroeten. SifXS bekend maken. SiKaiiZ, Fut. Med. roor ra://* Ao«-
«fe«. \'EXéu9ïp<3 bevrijden. Èpt)/iü K\'ocs< maken. ZqXü naijverig zijn. \'Il/ifpui temmen.
M. id. Or/iw toornig maken. P. toornig zijn. Sivovpat Dp. P. gastvriendschap sluiten.
\'OpHü oprichten.
P. recht, juist zijn.
§ 75.
Bijzonderheden aangaande het Futurum \').
Behalve den gewonen uitgang van het Futurum -<Ttü, bestaat
\') Het Futurum werd oorspronkelijk gevormd door een hulpwerkwoord -iojto.
Dit onderging in den loop der tijden voornamelijk drie veranderingen.
1". de i verdween en de j ging over in t: vandaar Soiatio, wpayaiio , oude
-ocr page 145-
N°. 260, 261.]                   HET FUTURUM.                                      131
er nog een uitgang -oovfiai Futurum Doricum en -ü> Futurum
Atticum
genoemd. 36~^ <««*^A- ,4^/ ~ui jVL* V ... ^ iXii-iüi?
1.    Het Futurum op -ffoü/iat heeft altijd jn\'jrrw (uit iriirirw, st. n-ir) (\'£ »«/,
Fut. w(aoï<)iai\').
De verba vtw, jrXiw, tttéw, rii», (N°. 255) Qtvyui ik vlucht, kunnen een
Futurum op aovnai vormen naast het gewone Futurum op -<rouai; bijv. piOZn/tai en
£fv$ov/fac.
2.     Onder de werkwoorden welke het Futurum Atticum op
-ü> hebben, zijn de voornaamste:
A.     op -C> ontstaan uit daw, Med. -ünat.
-(5ifiaZw, ik doe gaan, Fut. -/3ij3öi, Aor. ifi((3a<xa. Verder
tAauvw «A; dry/, Fut. i\\ü> en **4 anomala op avwfxt, N°.
279. Deze Futura worden vervoegd volgens het Praesens van
Tifiati), doch hebben natuurlijk geen Conjunctivus en Imperativus.
Zie N°. 260.
B.     op ój = i(Tii), of                     M. •ovfiai of -iovfxai.
1)     koXój i& roep, Fut. icaAw ; rfXw ik voleindig, Fut. rtXai,
zoodat Praesens en Futurum in vorm gelijk zijn.
2)     Alle werkwoorden van meer dan twee lettergrepen op
dorische vormen, of in i: vandaar (0euy(Tfo/Mt) Qivloviuu, (wXevmoiiai) nXtvaovfiat,
vormen die ook in het Attisch voorkomen, doch hij voorkeur door de Dorié\'rs ge-
bruikt worden, vandaar het Futurum Doricum op •uovfim.
2°. De e blijft, maar de j verdwijnt, zonder verder spoor na te laten, ter-
wijl vervolgens de c tusschen twee vocalen uitvalt (N°. 242 en 244). Zoo zijn ge-
vormd a) de Futura der verba liquida N°. 267. 2., bijv. tshvw (st. Tip,, Fut. re-
fuajiü, Tijiiaia, ri/ifu) rtuü: <f>aivu> [<pavju> N". 242, st. 0ai<) Fut. ipavü: aioia
(apjtu)
Fut. dpü: |3óX\\u» (/3a\\;w) Fut. |3aX<3. 4) de Futura der verba op -iZui
(ifyw) en van sommige andere verba in het Attisch. Bijv. j>ofii?w (vo//i<!yw) , Fut.
{vo/it-iajio, vayiuam, vo/iiéw,) voftiw, zoodat deze verba een dubbelen stam, een op
-t waarvan het Futurum voptü, en een op -iS hebben, zooals ook bij eenige subst.
der 3\' deel. op -it -iS -iS het geval is, waar Ace. en Voc. van een stam op -t ge-
vormd zijn: bijv. xópi;, Gen. \\apiroz, Ace. \\ipiv, Voc. x<*P,: \'P\'Ci Gen. tpiSot,
Ace. ipiv, Voc. f pi: üpvie, Gen. ópriSoc, Ace. ópviv, Voc. ópvi.
Zoo ontstond het Futurum Atticum.
3°. De t verdwijnt en oyw wordt door assimilatie airio en verder -<ru (zoo-
als ïaouai bij Hom. laao/tat uit lajnpai) , wat <fe giwone uitgang van het Futurum
geworden is en waarvoor de vocaal verlengd wordt (N°. 254). Zie echter Curtius.
Verbum II. bl. 321 etc. G. Meyer 537, etc.
\') In deze paragraaf worden tevens de hierbij behoorende verba impura be-
handeld.
9*
-ocr page 146-
132                                       VERBA MUTA.                   [N°. 261, 262.
-i\'£w. Derhalve vo/iiZw ik meen, Fut. vo/iiw; yvt»plZ,t» ik leer
kennen,
Fut. yvwpiü , doch kt\'iZ,w ik sticht, Fut. ki-i\'o-w.
3) Sommige verba op -ivvvfii (zie N°. 279), en de anomala fiaxo/tat ik strijd
N°. 296. 6., Fut. paxovftai, Ka$iZw ik set mij, Fut. KaBtSoZfiai N°. 298. 3.
Deze Futura worden vervoegd volgens het Praesens <j>i\\(w,
N°. 260.
Aanm. Het Futurum op -iiru wordt niet samengetrokken wanneer de lettergreep,
die den wortelklinker voorafgaat, van nature of door positie lang, of het Futurum
twtelettergrepig is, bijv. tïapniï, Fut. l^aptïacr. liraivit», Fut. iiruivéooiiai: ofièv
vvpt,
Fut. <t/3s<t«. Zie ook N°. 257.
3. Drie anomala hebben een Futurum zonder q: ItrSlw ik eet (dicht, iJu), Fut.
têo^iai N". 298. 1.; irivia ik drink, Fut. iriniutt N°. 298. 6.; yiia ik giet, Fut. \\iu
N°. 255.
§ 76.
Verba Impura muta.
262 1. De verba impura muta vormen hun stamtijden door de
uitgangen -ai» -/xai -%riv achter den stam te zetten zonder ver-
andering van den wortelklinker
, doch met verandering der con-
sonanten volgens § 18.
Het Perfectum Activi der Verba labialia en gutturalia gaat
uit op -<pa en %a, hetgeen men uitlegt als was de spiritus asper
bij deze werkwoorden de kenletter \'a, voor welke een adspirata
moet staan, TS"0. 34 *).
De Ungualia vormen hun Perfectum door achtervoeging van
•Ka aan den stam, voor welke ingeschoven k , de r, $ en Sr vol-
gens N°. 42 wegvallen.
Bijv. 7T£(\'Sttt ik overreed, irdffo), ïirtitra, TriiruKa , TrtTrtKT/xai, lrrua§i\\v.
irXfKW ik vlecht,
7rAt£w, tirX&a., iréirX^a, TriirXtyfxai, iirXi\\Sr\\v.
ypa(j)ii) ik schrijf, ypaipw, iypaxpa, ytypa(j>a, yiypa/xfxai, iypa<j>Srriv.
l) De adspiratie vindt men bij Homerus nog niet, tenzij bij werkwoorden, wier
stam op een adspirata eindigt, zooals rérpo^n van rpitpu. Na Homerus vindt men
slechts 37 Perfeeta met adspiratie, waarvan nog eenige tot latere schrijvers behoo-
ren. Bij Homerus vindt men ook den uitgang -«ra nog alleen bij verba pura, en
daar niet eens altijd (bijv. rt&i\'rjicwc en reSvjjwc), terwijl deze uitgang bij verba
liquida van latere vorming is. Den oorspronkelijken vorm van het Perfectum vin-
den wij nog in Dual. en Plur. der zoo genaamde Perf. Sync.
Das k des Perfects ist ein stammbildendes Element (p. 226). Das aspirirte Perfect
ist keine vom nicht aspirirten prineipiell verschiedene Bildung, vielmehr ist die aspi-
ration nur als eine lautliche Affection des Wurzelconsonanten zu betrachten, (p. 217).
Curtius Verbum. II2.
-ocr page 147-
N°. 262.]
133
VEltliA MUTA.
Bij de vervoeging van het Perf. en Plusqpf. op -/icii, waar de verandering der
consonanten voornamelijk moet worden toegepast, lette men er op, dat als eerste
regel geldt: de o wordt in de conjugatie tussenin twee consonanten uitgestooten. N°. 38.
Perfectum en Plusquamperfectum Medii en Passivi bij Muta-stammen.
Plusq.
pf.
Opt.
Num.
on
Pers.
Plusqpf.
Indicativi.
Perfectum
Indicativi.
Perf.
Part.
Perf.
Conj.
Perfectum
Imperativi.
Perf.
Infin.
1) Stam op een T-klank: irii$u> (stam ntt$).
Sing. 1
TT&TTttfTflat
fVéTTfirr^ttju
£.
—
ft
2
7rêTTtirtai
lirh Triitto
a>
£
TWTtM\'O
3
irèyrttftrat
Inkirtiaro
i-3
nfirtifT^Ko
s
F
Dual.
TrswttfrSnv
ÏTriirtirrSr}!\'
o
ii
TTlTTtHlSoV
O)
b
ï
Plur. 1
7T€7rtï(T/i(3u
É7reïr(t<T/(f.^a
-t*i
-si
--
1
2
7TS7r«(T^e
InsiTfirrSe
b
s
TrtirfinSt
1
3
ir€irti<rfiévoi
irtrtHfjfikvnt
E
*
TTlTTlirrSuiV
6
tifi{y)
ijfTav
N
£
2) Stam op een K-klank: irXiKto (stam n-Xec).
Sing.
1
2
;s
Dual
J
Plur.
1
2
,"
;s
N
,.-\\
*j>
O
ft N
"3.
*<
N
i
R
ÏTr(Tr\\iyur}>\'
iTèirXtlo
iir\'tTrXtKTo
iTrnr\\ix$i)>\'
intlrXiyp,^
«TTÉTTXfYSe
irinXtyiiérot
TTstrXfyfiai
iriirXitai
• \'7T£7rX«)cr«i
TréirXix^01\'
vcirXéyiit^a
iriir\\ixSf
7r«7rX*yjUÉVoi.
tiai{v)
Tti-n-Xiin
nnr\\rxS\'o
Trk-rrXtx^ov
nén\\tx5t
7rt7rXf^9MV
3) Stam op een P-klank: ypaQw (stam yp«0).
s
^
e
sr
<u
\'3
w
t*
o •
?
~ n
b
•< fl
"ïï
=- <3J
a.
a.
a.
s
s
\' Q_
o.
?•*
^
ï*.
Sing. 1
2
3
Dual.
Plur. 1
2
3
yeypappat
y\'sypatyai
yêypaiTTai
yéypatySov
yiypüpptSa
yèypa<p5l
ytypapitèvot
êti»t(v)
tytypafiuijv
iyéypaipo
lytypairro
iyiypa<p5i)v
lyiypafiptSrct
lykypa<p$i
yiypaftpsvut
il (Tav
yëypa4*n **
yeypa^Sw
yéypu^ïoi\'
yiyp«0^É
yfypd^wf
2. Tegen ü°. 1 veranderen a) de verba k-AéVrw «\'& steeZ,
TrifxiriD ik zend, orptcpw ik keer, TpéVw ik ivend, rpitpoo ik voed,
in het Perfectum Activi de t in o: kUXo^o, niirofx^a, irjTpo<j>a,
Ttrpoipa. r*Ae~> <*~m,.A, r^f ftt Jl> /^ ^Ue.i \\ <LkJ<"*«
b) de verba o-rptyw, rpiirw, rps^w in het Perfectum op -/xat
de e in a: ïaroafiftai, rtrpa/^uai, T&pufi/xai, N°. 37.
-ocr page 148-
134                                                      VERBA MUTA.                                          [N°. 262.
3.     Somtijds wordt de 3e p. Pluralis -vrat en -vro van het Terf. en Plusqp. op
•fini veranderd in -arai en -aro, in welk geval bij de labialia en gutturalia de ad-
spirata voor stamletter geldt. Bijv. xwP\'*w " "XwP\'^a\'-<"> rplfkt - Tirpifarai,
tüttu) • rtTa\\arai.
Gewoonlijk echter moet de 3e p. Tlur. omschreven worden om de opeenvolging
van drie consonanten te vermijden.
4.     Komen yy of p.\\x voor de uitgangen die met u beginnen , dan wordt eene
y of ft uitgestooten. Bijv. kóutttm ik buig, oipiyyu ik omknel. Perf. op -/kh
KtKauuai ïéic(i/iv|/(i( «ficn/jTrrat KUcapuiSa ciica//^9».
ïaQiyfiai iaQtyZm lirQtyicTai loepiyptSa ia<ptyx&l-
5.     De verba op -ójw en -(Jw hebben de korte a en i: dus Sikó-u) ik spreek
recht.
Fut. $iKaau>, vapi^ui ik ineen, Aor. h\'óuïcra ; doch die op £m, welke een ge-
luid
uitdrukken, met y tot stamletter, N°. 253. e. en N". 238, hebben een langen
etamklinker.
De verba op -ttio hebben, behalve irparrw ik doe, 0pfrrw ik huiver, Ktifirrui
ik kondig af,
een korten stamklinker.
De verba op -irrw hebben eveneens, behalve pinrto ik werp en tvTtrui ik buk,
een korten stamklinker.
VOORBEELDEN TER OEFENING.
L i n g u a 1 i a. SirsvSui ik pleng. M. ik stuit, een verdrag. Fut. airiiaui. Aor.
toiriirra. Perf. lavsixa, lovwipui. Aor P. lairü<j$t\\v N". 40.
\'AüpoiZhi ik verzamel, <fSu> ik zing N". 238, avayK&Zto ik noodzaak, apiraZin ik
roof
N°. 238, i\'inniiZ\'iini Dp. M. (\'A groet, eiüXiZnfiui Dp. P. «A overnacht. Vvfivdt,ia
ik oefen.
AfXfiiiw f/< verlok, (ikuZi.i ik spreek recht, Kara-luca^m ik veroordeel, SoKt-
uaZw ik doe onderzoek. Eitarw
t/i »«««£ gelijk, gis P. gelijken, l\\wi?,<o ik hoop, ipya-
Zo/iui ik werk, ItoiuóZw ik maak gereed, tbSaipovi^ta ik acht gelukkig. "Hèofiai
ik verheug mij
N". 236 d., t\'iitn^a^io ik ben stil. BavfiaZat ik bewonder N". 238.
KoXa£w ik straf, Knuiyot ik breng, M. ik verschaf mij iets, KTiyu> ik sticht N°.
261, B. 2. Mfpil\'u ik verdeel. No/«\'Jw ik meen. StviZu) ik onthaal. Oiniiui ik bevolk,
óriu\'iZiü ik berisp, óro/iaZw ik noem, 6w\\iyo> ik wapen,
a0-o7rXtJw ik ontwapen,
apyiZio ik vertoorn.
nXarrw ik vorm N°. 253. b., iropirto ik verschaf. XciuiS(w,
jrcip«-mciua£<o ik maak gereed, ar-mrnaZuj ik pak samen, M. ik maak mij marsch-
vaardtg, oirivSü) ik spoed, awovSaZin ik haast mij, ben ernstig
N°. 238., orairtaZui
ik rui op, a^iZ<a ik splijt, m.VZi,/ ik red
No. 259. 4., *w<j>poviZaj ik maak verstandig,
verbeter.
"nSpiJw ik mishandel (Att. Fut. Med.). GiiSnuat Dp. M. ik spaar, <jipov-
TtK\'o ik bedenk. Xapi^n/iai ik ben voorkomend Dep.
M. fiiSw ik bedrieg, M. ik
lieg
N°. 237, ij/n0t$w ik reken, M. ik stem, benoem, kies.
Gutturalia.
"Ayw ik roer, M. neem met mij. Aor. II. N". 249. 4. aXXrirrw (y) ik verander,
M. ik verkoop, aiT-aXXdrrw ik verwissel (zie ook N". 273. 3.). Aor. P. I. en II.
Bpi-^m ik bevochtig, Aixnl"" ik ontvang, htÓKiu ik vervolg N°. 238. \'EXéy^cu ik nver-
tuig
N°. 249, fXirru ik wentel N°. 247, ivyopai Dp. M. ik bid. BsXyu ik betoo-
ver. Aijyut ik houd op.
\'Opurrw ik graaf, Kar-opvrrto ik begraaf. ITi\'tyw ik rerstik,
Aor. II. P. = airovviytü. {ir\\ltTTia) ik sla, Perf. II. en Aor. II. P. N°. 298, 5.
iic-wXi\'/rrw ik verschrik, P. ik schrik, iiti-nXiiTTio ik vaar uit tegen, irparrüi (y) ik
doe
Perf. I. en II., N". 229. I. en II. en N°. 266. Srêpyw ik bemin, tnparrui (y)
ik slacht,
Aor. II. P. Tórrai, ik orden, dvTt-Tarrui ik stel tegen, M. ik verzet
mij, Sia-TaTT<D ik rangschik,
(jrpn(T-rarrw ik beveel), biro-TaTTia ik bedwing, M. \'k
onderwerp mij,
rapdrra» ik verwar, rtyyia ik bevochtig, rryiew Perf. II. intr. Aor. I\'.
-ocr page 149-
N°. 262—264.]               tempora secunda.                                  135
ik smelt, N°. 237. 5., rivaatru) ik schud. Qtvyoj ik rltteJit, ik ben balling, Terf. II.
en Aor. II. A. ïs°. \'261. 1. , ip\'Myu ik brand Aor. II. P., <ppvyii} ik braad, ipuXarTui
ik beuaak,
M. ik wacht mij.
Labislia.
\' A\\iitpu> ik zalf. Aor. II. P. unrouai ik sla dr hand aan iets, h\'-airrw ik bevestig.
M. ik doe mij aan, erov-airrw ik verctuig (fm^r/v oin\'cnpat den strijd beginnen"). Bajrrw
ik dompel onder, verf\', tn-fiaiTTto ik dompel in, fiXairrui ik bedrieg, fiXtiroi ik zie
N". 238. Ypatjno ik schrijf. M. ik laat opschrijven, ik beschuldig. Aor. II. P. êyypa<t>(o
ik schrijf in.
UXi|3üi ik druk, wrijf. Aor. II. P. Ka\\virrut ik btdik, kVhttoi ik steel
N*. 238, KÓwrw ik sla, Kpiirrw (fi) ik verberg. Ktiirw ik verlaat. Pf. II, Aor. II.
Act., = KaraXtÏjtw. IléuTTu) ik zend. \'l\'iimo ik werp. S/jttu ik doe verrotten. Perf.
II. intr. W. 137. 4. arpiipui ik keer. Tpiirto ik wend N". 231. 4. rpéi/xu ik voed,
Tpifitv ik wrijf, Siarpifiut ik wrijf stuk, vernietig.
§ 77.
Tempora Secunda.
1.     Vele verba in het Grieksch hebben tempora secunda, al- 203
dus genoemd om ze te onderscheiden van de gewone vormen in
TratSu\'jo) aangegeven, die tempora prima genoemd worden.
De tempora prima worden soms zwakke, de tempora secunda
sterke tijden genoemd.
Er zijn slechts zes tijden die een tempus secundum kunnen vormen:
1) de Aoristus Activi. 2) de Aoristus Medii. 3) de Aoris-
tus Passivi. 4) het Futurum Passivi. 5) het Perfectum Activi.
6) het Plusqpf. Activi.
2.     Waar zij de tempora prima vervangen, hebben zij dezelfde
beteekenis als deze. Vele verba echter hebben èn tempora prima
èn tempora secunda. Bij deze hebben de tempora prima veelal
transitieve, de tempora secunda intransitieve beteekenis.
Bijv. Perf. I. wkfayKa ik heb getoond. II Trtfrjva ik ben verschenen.
Perf. I. oXu\'AtKa ik heb gedood. II. 6XwXa ik ben omgekomen.
Aor. I. antSvaa ik trok (een ander een kleed) uit. II. diriBvv
ik trok (ze/f een kleed) tlit.
Aor. I. lesfihct%r\\v ik werd nitgebluscht. \\l. iofiyv ik ging uit.
3.     De tempora secunda worden gevormd door:                             2(J4
o) voor den Aoristus II Activi en Medii de uitgangen van
het Imperfectum Activi en Medii, en de uitgangen van het
Praesens Activi en Medii voor de bij het Imperfectum ontbre-
kende vormen achter den stam te zetten.
-ocr page 150-
136                                          TEMPORA SECUNDA.                  [N°. 264, 265.
b) voor do overige tempora secunda de uitgangen der tem-
pora prima zonder henletter
achter den stam te zetten.
De volgende tabel geeft een overzicht der uitgangen :
Indic. Conj. Optat. Imper. Infin.            Partic.
Aor. II. Activi. -ov          -w        -oifu -t       -üv           -J>v.
„ Medii. -6fir\\v        -w/iai    -o(\'(Uijv -oï>      -t<r%ai         -óju£vop.
„ Passivi. -r(v                       -ur\\v          -ri$i    -ijvai           -ug.
Fut. II. ., •i\'iao/nai                   -tjao!fjit}v             -r/<xfff3,at    -»J<XO|UEVO£.
Perf. II. Activi. -a               -w                                       -ivai            -wq.
Plqpf. II. „ -t]                       -oir\\v en oi/ii.
Aanm. Men lette er op dat hier, evenals bij de verba contracta, de Optat. van
het Plusqpf. II. (niet van den Aor. II.) op -ir\\v kan uitgaan.
4.     Accent. Zooals uit voorgaand overzicht blijkt, is 1) de
Infinitivus Aoristi II. Activi perispomenon, het Participium oxy-
tonon;
2) de Imperativus Aor. II. Medii perispomenon, de Infini-
tivus paroxytonon, zoodat men deze vormen onmiddelijk kan
herkennen «aan het accent.
3) De 1\' p. Sing. Imperativi Aor. II. Activi is oxytonon in «VI (bij \\iyu> N°. 282.)
IX&I (bij ïpxo/iai N". 281.), tip! (bij lipfmtw N". 292. 3.), iti (bij ipato N°. 289)
\\afii (bij Xa/i(3avw N°. 294. 1.).
5.    Stamvocaal.
265               A. De tioeede Aoristi en het Futurum II. hebben een
korte stamvocaal. Zoo wordt de t) van het Praesens a: tv wordt
v: ai wordt a.
Bij de verba muta wordt u verkort tot i, doch bij de verba
liquida is ei een versterking der e (N°. 267), en van dezen zui-
veren stam met e vormt men de tempora secunda.
Verder gaat de i der éénsijlbige stamvormen in deze tijden
over tot a.
Bijv. ti\'ikw ik smelt, Aor. II. P. irdicTiv; ^tevyw ik vlucht, Aor.
II. Act. t<pvyov.
(j)iih>u> ik toon, Aor. II. P. è<j>avriv ik bleek; Xeiww ik ver-
laat,
Aor. II. Act. ÏXittov.
</>Stlpw ik verderf
(st. 0$tp), Aor. II. P. -i(f>%apr)v (in
StaipSelpw).
-ocr page 151-
N°. 265.]                           TEMPORA SECUNDA.                                      137
Aoristus secundus Activi en Medii.
Korte Stam Xf7r, praesens Xt\'nru>.
Num.
en
Pers.
Indieativus.
Conjunetivuo.
Optativus.
Iniperativus.
Intimi.
Partic.
ACTIVUM.
Sing. 1
ï\\ïirov
Xiirto
Xl7TOI/ll
_
•?
2
ïKÏTtc
XiiryS
Xi7ro*c
Xl7T6
f
3
tXtm(v)
Xiiry
XtVot
XlTTSTW
&
&
k S
Dual.
MJirsrijv
XlWt)TOV
XiToirijv
XlTTlTOV
£
?
\' .*
Plur. 1
iXtirofttv
Xinwfitv
\\iirnifitv
—
^
5
A\'
2
f\'Xfirere
Xi7TJ|Tf
XiVoirt
XlJTfTf
1
3
tXïirov
\\\'nriaat{v)
Xi7rot«i\'
XmÓVTiuV
MEDIUM.
Sing. 1
(Xnró/iT|v
Xiirci/un
Xiiroifiijv
_
I
2
«Xiirou
XlTTJ)
Xinoto
Xtrroü
-
c-
3
iXiirfro
XiiniTai
Xiirnirn
XhtétSw
Dual.
iXiirsff^ijv
Xt7ri/(T$oi>
XnroirT^rjv
Xiiria $ov
e
?
Plur. 1
IXiirófiiSa
Xj7TlJUéJ«
Xirrn(Uf?u
—
s
2
iXiirêoSt
AtlT//(T.&£
XiirotoSt
XiirinSf
1
3
iXiirovTo
Xt7TWITa(
XlTTOlVTO
XnrioStjjv
Aoristus en Futurum II Passivi.
Stam 0(ir, praesens <j>aivu>.
Num.
en
Pers.
Indicativus.
Conjunctivus.
Optativus.
Imperativus.
Infinit.
Partic.
AORISTUS.
Sing. 1
è(f>avr)i>
0Ctl\'ÜJ
<f>avttr}v
? *
2
£0di\'f|C
0avj/c
<pavtii]£
^avi|^/0io.36.b)
• ^ ~
3
l(pavrj
fyavy
ifxtvtitf
tpavi\\rtt»
l
1 •? ?
Dual.
i<jtaviiTi)v
QaviJTov
(pavfirrjv
<pavr}Tov
f
f I
Plur, 1
fiftavrifitv
<f>a}>0>ptv
ipavHfitv
l
-ï g ?
2
l<pavt\\Tt
(pavtin
0ftt\'ftr£
(j)avr}Tt
1 3
3
è<pavr)<rav
(JHd-tAHTl
(pUVlliV
(JtaVéVTwv
l
FUTURUM.
Sing. 1
0((1\'/yrTn/((((
0avtiiroi/«>)i/
-
o
2
0((l\'(/tTK
0av//(To<o
£
•
3
$iivi]<JtTai
0al-\'?;(Toirn
s
Dual.
0Ul\'//ff(T^OV
0(ÏI^TI(Trtl\'(TÏlJl\'
s.
S
Plur. 1
0av7)<TÓ/»eSa
0avïJ(Toi//*3a \'
§
3.
•2
pavijffio-S-f
^avi\'/ffoiffSe
4.
B*
3
0av»jirovrai
0aW;<roivro
B
-©-
-ocr page 152-
138                                 TEMPORA SEC\'JNDA.               [N°. 265, 266.
Uitzonderingen op voorgaanden regel zijn :
1". (irXijrrw) ik tref kor. II. Pass. lirXiiymv, doch in de composita bijv. rara-
irX»;rrw ik verschrik, regelmatig icareTrXuyni\'.
2°. ivpi(tKiti ik vind Aor. II. A. tvpov.
3°. de i blijft a) in verba van meer dan twee lettergrepen, bijv. ó<f>il1u> ik ben
schuldig
Aor. II. ütpiXov, titinam.
b)    in eenige werkw. wier stam in het Fraesens versterkt is, als tiktoj (st. tik,
N". 283) ik breng voort, Aor. II. A. ïtihov : Têfivm ik snijd, ïripnv (zelden tru/ioi\'):
yiyvofiat ih word, lyivó^r\\v.
c)     dikwijls in den Aor. II. P., bijv. avW\'tyut ik verzamel, <r»nXly>jv.
Aanm. 1) De Aor. II. Act. en Mcd. verschilt alleen door de stamvocaal van het
Imperfectum en Praesens. Werkwoorden nu, die in den Aor. II. de vocaal van het
Praesens zouden hebben, bijv. ypó^w, kunnen dus geen Aor. II. A. of M. vormen,
daar deze dan aan Imperfectum en Praesens zouden gelijk zijn. Ook zelfs dan niet
hebben zulke verba een Aor. II, Act. of Med., wanneer er verschil van quantiteit
zou zijn, zooals bij Tplfiw, tXivio. Wel echter kunnen zulke werkw. een Aor. II.
Pass. vormen, daar de uitgang alleen hier genoegzaam verschil geeft. Bijv. !ypa-
Qrjv, lrptfii]v.
(De Aor. I. zou zijn èypcupSnv, irpi<p^tiv.)
2)     De andere dan de bij A. besproken wortel klinkers blijven onveranderd, be-
halve dat zij, indien zij lang zijn, hort worden, liijv. (icpuZw) ik schreeuw ïicpayov,
rptflot ik wrijf èrpffiriv, ipvx<" \'k verkoel
t^/8^jjv. Doch rpwyoj ik knabbel heeft
trpayov.
3)     De Aor. II. van \'ayia ik voer, is V/yayov, N" 249. 4. Bij ip\'epto is de Aor.
II. fjvtyxov door AU. Redupl. en syncope der stamvocaal in den grondvorm (èviicw)
ontstaan, Nu. 249. 4. en \'S". 285. 3. Nog is de wortelklinker uitgestooten in Itttó-
jxnv, Aor. II. van irirofiai ik vlieg, N". 285. 2. en i)X9ov (dicht. VJXu&ov), Aor. II.
bij tpxopai ik ga, X". 281.
Voor ünov Aor. II. bij \\iyiu zie N". 249. 4. en N°. 282.
4) Twee Aoristi II. nemen een c aan, welke in alle modi blijft.
"Ettxov Aor. II. van t^w ik heb. Conj. <rY,<3. Opt. <tyo«\'»(V (in samenstelling
•iT^m/u). Imper. (T^if. Infinit. ttxiïv. I\'artie. axióv.
Medium gewoonlijk in samenstelling - ioxófiw - cr^w/im ~ •X*^M* " aX°"
- ff^irr^Hi - trxópevoQ.
- \'EffTÓ^ni\' Aor. II. van ticofiai ik volg (alleen in samenstelling). Conj. - tiirü-
piai.
Opt. - B7roi/it)t\'. Imp. - oirov. Inf. - OTrt\'rSat. Part. - trirópivoc;.
Ontstaan uit <iteineó\\ii\\v, door syncope otaicóiii}v en verder irrjrójtnv N°. 243.,
terwijl de n tot den stam behoort van aiirouai N". 247. Zoo asxul \' *<nxov " ï"Xov =
yviytov,
//XSoi>, Inrópiiv, j/ypó/in», N° 285.
266               B. Het tweede Perfectum en Plusquamperfectum verlengt
de stamvocaal.
a wordt tj of, na een voorafgaande p, lange ü.
u wordt bij verba muta 01, bij verba liquida e, terwijl de
e dan overgaat in o. Bijv.:
-ocr page 153-
N°. 266.]                        TEMPORA SECUNDA.                                  139
(patvw ik toon,
&óAAd> ik bloei,
{•cpaZo) ik schreeuw,
AeiVoj ik verlaat,
iiTrti\'piu «A; zaai,
TTtpSw ik verwoest,
t\'iktio ik breng voort,
st. <j>av (N°. 267). Perf. II. nttptiva ik ben verschenen (intr.)
riSijAa t% Woei (Praes. Bet.)
KtKpaya ik schreeuw (it.)
AfAoin-a ik heb verlaten.
tairopa ik heb gezaaid.
TrêiropSa ik heb verwoest.
TtTona ik heb voortgebracht.
Perfectum en Ptusquamperfectum Secundum.
Sterke stam Xoiir. Fraesens Xtiir<o.
Num.
en
Pers.
Indieativus
Perfecti.
Indieativus
Plusqpfti.
Infinitivus
Perfecti.
Participium
Perfecti.
Sing. 1
2
XéXoiwa
XiXoiwac
XkXonre
XtXoiiraTov
Xt^o\'nraptv
XtXoiirari
Xé\\oi7ra<ri(v)
èXtXoiirn.
IXiXoiirti
lXiXoiiritTt)v
iXiXoiirnpiv
èXtXointtTt
IXtXointffav
XèXoiirh\'ai
XsXoorwc
via
3
Dual.
Optativus
Plusqpfti.
0{
(Gen. ótoc
i\'i\'ac)
Plur. 1
2
3
XtXotiruiriv of
XtXotntÓQ
ttijv
etc.
Aanm. 1) De andere dan de bij B behandelde wortelklinkers blijven onveranderd,
doch worden lang zoo zij kort zijn, bijv. fpiTroi ik huiver, Perf. II. wiipptica : (piiyto
ik vlucht,
Perf. II. iri<ptvya.
De voorlaatste is echter kort bij verba met Att. Reduplic. \'S\'. 249.
2)    Gelijk de t verandert in o, zoo verandert bij piiyvvpi ik verscheur de ij in u.
Perf. II. Ippuya ik ben gescheurd (intr.).
3)     Hiertoe behooren ook de Perfecta tour» ik yelijk, schijn, ólla ik weet, t\'taiSa
ik hen gewoon
N". 247. e. en 7. Verder Ivfivox» Perf. II. bij ipipw ik draag, liïr\\iïoKa
bij inSlw ik eet, -il\\ox" bij -Xlyw ik verzamel, lypr/yopa ik waak bij tyiipta ik wek
N». 249. 3.
De in het Attisch dialect meest voorkomende tempora secunda, buiten de reeds
in de vorige nummers besprokene, volgen.
Aoristus II Activi en Medii.
\'Ayio ik roer.
                        vyayov (ayayflv). ijyayófiijv (ayityéaSat).
\'Kva-KpaZ,o> ik schreeuw. av-\'iKpayov
j8a\\Xw ik werp.
èyeipoi ik wek.
rpiirw ik wend.
tara-icaivhi ik dood.
l^aXov.                        f|8aXó/ji)r.
nypóunv (\'ïyptaSat) N". 285. 3.
irpiiiröunv ik wend mij N". 231. 4.
kutÏk&vov.
Aoristi II Passivi.
jjXXóyi)" (nevens »;XXóxSiri\') N". 237. 3.
ê\'/3Xu/3i)i> ( „ l.j3X&Q$riv) ik werd benadeeld,
iypaip-nv ik werd geschreven.
aX^arrto ik wissel.
pXavrto ik benadeel,
ypatjna ik schrijf.
-ocr page 154-
140
[N°. 266, 267.
VERBA LIQUIDA.
léput ik vil.
Suittüj ik begraaf.
kXstttio ik steel.
KÓTTTU) ik sla.
trv\\-\\tyu/ ik verzamel.
fiaivofini ik raas.
fiarroj ik kneed.
irXUoj ik vlecht.
iridyoj ik slik
(intr.).
oiliroj ik doe rotten.
(Tna-nTia ik ijranf.
airüpw ik zaai.
tirkWto ik zend.
arpitpoj ik keer.
o$d\\Xo> ik doe wan/telen.
afyaTTio ik slacht.
rr\\Koi ik doe smelten,
rpijiw ik icrijf.
(paivoj ik toon.
cnr-ib\'apt\\v ik werd gevild.
èT«0/)v N°. 37. ik werd begraven.
tK\\uin)Y (nevens tV\\f0&rp\') ik iverd gestolen.
iróirijv ik werd afgeslagen.
<rm>-i\\éyt)V X". 237. 10. zoo ook xaraXfyh) etc.
!ftui>r)v ik werd razend X°. 237. 1.
It\'tp-uyni; ik werd afgebeeld.
InXaKnv (nevens lirXéx^\'l1\') ik tcerd gevlochten.
arr\'fTTvfytjt\' ik stikte.
inairnv ik werd rot X". 237. 4.
é(Tcu0r|j» ik werd gegraven.
laraptiv [zich rerspriiden).
i<rru\\i)v ik maakte mij reisvaardig X". 237.
tarpiifiTiv ik keerde mij X". 237. en ik werd gekeerd.
lrr(t>a\\i}i> ik vergiste mij, ik dwnalde No. 237.
lafyaynv ik werd geslacht.
ir&tnv ik smolt N". 237. 5.
tTptjix\\v ik beoefende.
l<p&vnv ik bleek , iipavSriv ik werd getoond N". 237. 6.
Perfecta Secunda.
•KTUvia ik dood.
irtiSoj ik overreed,
irparruj ik doe.
aifniü ik doe rotten.
t1ik(u ik doe smelten.
(iïta-)<l>5iipoj ik verderf.
•ÏKTova ik heb gedood.
7T67roiJa ik vertrouw,
viirpaya
N". 229. II.
oian/ra ik ben rot X". 237. 4.
TêTijKa ik ben gesmolten.
(h-)i(p\'z>opa ik heb vernietigd.
Aanm. Die werkwoorden welke een Aoristus Secundus in het Activum hebben,
vormen gewoonlijk ook dien tijd in het Medium, doch niet in het Passivum , en
omgekeerd. Bij een Aoristus II Ptissivi bestaat ook een Futurum II Tassivi, en
bij het Perf. II een Plusquamperfectum II.
§ 78.
Verba Liquida.
1.
De verba liquida, wier stam op X, p, v, p eindigt, heb-
ben bijna alle den stam in het Praesens versterkt, of a) door
verlenging der vocaal a tot ai, e tot ti, korte ï en ü tot lange 7
en ïi, öf b) door jjositie, daar een A of v bij den stam gevoegd is.
Bijv. a) (patvu) ik toon, st. ^av; -KTtIvw ik dood, st. "icrtV.
Kp\'ivw ik oordeel, st. Kpïv; aia\\vvu) ik beschaam, st.
ala\\vv-
b) o-rsAXtü ik zend, st. art\\; rt/ivw ik snijd, st. n/i.
Men zie de verklaring hiervan X°. 242. c. en d.
Aanm. Slechts twee verba versterken den stam door eene v, réfivoj en KÓfivut
267
-ocr page 155-
N°. 267.]                                      VERBA LIQUIDA.                                                    141
ik vermoei mij. Verder zijn er nog vier werkw. met den stam op p, waarvan yapiia
ik huw
den uitgang tot ao versterkt, terwijl de drie overige yiitio ik ben vol, vt/ni
ik deel, rplfioi ik tril
een zuiveren stam hebben, evenals Upu> ik vil, Stpn/nn ik
word warm,
juleu ik blijf, vcvofiai ik arbeid, sréva) ik steen, klaag.
De versterkte stam bestaat alleen in Praesens en Imperfec-
turn,
de overige tijden worden van den zuiveren stam gevormd,
zooals volgt.
2. Het Futurum wordt gevormd door voor het Activum -&j,
voor het Medium -ovfiai achter den zuiveren stam te zetten.
Ontstaan uit -4<rw -ioopLai volgens N°. 261. Nota.
De Aoristus Activi en Medii zet de uitgangen -a en -ant}v
achter den verlengden stam: a wordt r\\ (in het Praesens werd
de a verlengd tot at), e tot ei, korte i en v tot lange 7 en ü
N°. 244 c. Bijv.:
A.
t0T)vn.
M.
èiprjvaftrjv.
A.
ÏKTtiva.
A.
tKplva.
A.
i\'llU\'va.
M.
rjfivva/it)v.
A.
laritXa.
A.
i\'iyyftXa.
M.
))yysi\\a/ii)v
tpaivht ik loon, st. <pav.
Fut. A. favü.
Aor.
M. tpavovfiat,
A. ICTIVÜ.
KTiivio ik dood, st. ktiv.
Kpivti) ik oordeel,
st. nptv.
uinx"i\'"\'
> \'" besehaam, st. aiaxiïv.
i\'ijif>vm ik weer af, st. apuv.
ariXXta ik zend, st. ariX.
lïyysXXw ik boodschap,
st. ayyi\\.
ré/ivu) ik snijd, st. Tip.
Kapvia ik vermoei mij,
st. ica/i.
A.
A.
M.
A.
Kpïvüi.
ainxoviö.
aiax«voüfiai
apvvü.
M. ci/l(\'l\'Ol"///«l.
A. artXio.
A. ayyfXü.
M. ayytXov/iai.
A. Tlflül.
M. Kilfloi\'llltl.
Dit Futurum op <2 en -ovfiat wordt vervoegd naar (piXiw N°. 260.
Aanm. De a gaat in den Aoristus niet over in rj, doch in lange 3
1". bij de verba op •paivw en -iaivm, bijv. Zmpaivta ik doe drogen, Aor.
Itvpava, ayptaivw ik word wild rjypiava , doch rerpuiVw ik doorboor heeft 6Virpr)va>/*tew ^t»\'
2". bij iaxvaivu ik maak mager, KipSaivoi ik win, noiXaivui ik hol uit, Xiv3 /*~ •v*A***l0ty
icaivoj ik maak wit, itiiraivio ik laat rijpen,tam. a Oir
°(\' f<-o. iA. -r~**A 2W-i*<^
3°. Bij aXXofim ik spring en a\'/poi ik hef op, waar de a in
den Indicativus door het augment verdwijnt, doch in de andere
modi zichtbaar wordt.
tiAXojuai, Fut. aXov/iat, Aor. Ind. i)Xu/j.i}v, Inf. "aAao&ai,
Part. \'óXójUfvoC\'
aipw, Fut. ópw, Aor. Ind. ilpa, Inf. apat, Part. "öpae, Perf.
t/oica, rjp/4a(, Aor. P. ripSijv.
3. Het Perfectum Activi, het Perfectum op -;uat en de -4or.
-ocr page 156-
142                                    VERBA L1QÜIDA.                 [N°. 267, 268.
Passivi worden gevormd door de uitgangen -*a , -/iat en Siji> of
Aor. II. -»»v achter den zuiveren stam te plaatsen.
De eensylbige stammen op e echter, verwisselen in deze tijden,
de t met a.
Bijv. <T0a\\X«) ik doe wankelen, st. oQaX.  Perf. ïa<pa\\Ka-fiat. Aor. P. II. iaQaXtiv.
(JyyeXXw ik boodschap, st. ayyeX. „ T/yyeXica-XjUai. „
            ^yy«X&»Jv.
irrtXXw ik zend, st. (TtïX.                     ,, turaXica-X^ai. ,, II. jfrraXqv.
fJu\'pM «\'& verderf, st. 0$fp.                 „ ï<jiSrapKa-p[tai. „ II. iQUapnv.
268 Voor de stammen die op -v eindigen, valt echter op te merken:
1)     dat zij zeer zelden een Perf. op -ica in het Attisch
vormen, zooals irifyayKa van 0ai\'i>w «fc toon.
2)     dat de y in het Perf. op -/iat a) slechts bij de drie
werkwoorden ala\\vvw ik beschaam, £r)patv(o ik maak dor en
Trapo£vvu> ik spoor aan, voor de uitgangen die met n beginnen,
in fj. verandert, bijv. ya\\vfifiat, t^fipa/iftai, Trapw^v/uiuai, doch bij
de andere verba in a overgaat, bijv. $ahw, Perf. irtfaofxai.
b)
voor de uitgangen -aai en -ao der verba óp -atvu> en -vvi»
volgens N°. 39 niet wegvalt.
3)     dat de verba kXIvw ik buig, Kpivin ik oordeel, itXvvid
ik wasch
, en nlvw ik span, in Perf. Activi, Perf. op -/iai en
Aor. P. de v verliezen. -* krt/rc*. ^ U^T-
kX7vü>          kXivü          È\'icXïva          KtieXiKa (CficXT/jat          iicXtSriv.
Kpl.VU)           Kph\'Ü           iKp\'lVa           KifCptKCt          KlKpïfMtl          tKpiSriV.
ttXvvü) nXvvü tTrXvva TrtirXvKa TrtTrXvftai tTrXv%r)v.
relvü)
         airo-Tivü) aTT-tTiiva airo-riraKa rirafiai         tV-tra&Jjv.
4)     dat het werkwoord /iéVw ik blijf, alsook vi/xw ik verdeel,
laat weiden,
M. grazen, bezitten, hun Perf. en verdere tijden
vormen van een stam op -e.
fitvü) /xevü) ï/xeiva ftifiivijKa.
véfito        vtftü)        ïvtifiu        vevt/uiKu • vivifir]fiai        Ivifiifiriv.
Eveneens yafiw A. ik neem tot vrouiv, M. yafiovfim ik word
tot vrouw genomen.
(A. uxorem duco. M. nubere alicui).
yaftü» == Fut yafiü.         Aor. tyri/xa.         Perf. yeyd/it}Ka.
M.          „ yafiovfxai. » tyquannv. „ ytyd/itf/jiai.
5. dat Kttfivu) ik ben vermoeid, rinvw ik snijd, alsmede
-ocr page 157-
N°. 168.]                              VERBA LIQUIDA.                                        143
/3aAX<ü ik werp Perfectum en verdere tijden door metathesis \\or-
men. N°. 284.
VOORBEELDEN.
FUTURUM.
Num.
• en
Indicativi
Indicativi
Optativi
Optativi
Infinitivi.
Participia.
Pers.
Aetivi.
Medii.
Aetivi.
Medii.
Sing. 1
dyyiXiü
dyyfXnv flat
ayyeXonjv
dyytXoiiirjv
A. dyytXsïv
A. dyytXuiv
2
dyyAfïc
dyyfXtï
ayy*W»;c
dyylXoïo
M. dyyt\\tïn$at
•nvaci
3
dyytXtt
ayytXtÏTat
dyytXnir]
dyyAoïro
•OW
Dual.
dyytXfirov
dyytXiïaStov
dyytXoiriiv
dyyeXoiffSriv
Gen. ovvtoq
Plur. 1
ayyt\\nvn(i>
dyyiXov/tlSa
dyytXoipiv
dyytXoififSa
M. dyy(\\oi/ftevoc
2
ayyfXtiTt
dyyfXttrrSe
dyytXnïri
dyyfXoïaSc
•ixivrt
3
dyyfXovm
dyytXoüvTut
dyytXoïtv
ayyt\\oivro
•liivov
PERFECTUM EN PLUSQUAMPERF. OP -/iai.
Num.
Perfectum
Plusquam perfectum
en
Pers.
^—~*m*^
Indicativi.
^.— _
Indicativi.
^^^^^
Sing. i
vyytX/tat
ynx<<HHai
irkfyutiftai
nyyiX\\lT\\v
V^ft\'VV
lirnjidirftttv
2
vyyfXnai
yn\\vv(Tai
iréiftavaat
?/yy(Xffo
yirxvvtro
IweiptivtTn
3
j/yyfXrm
yir\\vvrai
irétpavTiii
VyyiXro
yrt\\vvTO
lirïtpuvro
Dual.
fiyytXSov
y<T\\vv§ov
wéipavSoi\'
r)yyk\\^r)v
yi\\vv^i]V
tTTHpdvSrjv
Plur. 1
vyyÉXfiiSa
yaxvftHtSa
irttydoii&a
ï)yyéXfii$a
p\'T^i\'.^iïJa
ijrf0aT/«^<«
2
vyytXSs
yirxwSe
irfQavSc
yyyiXSl
yeXwSt
iniipavii
3
1/yytXflévol.
yfj^vfiftéfOL
iriijiaaiiévoi
VyyfAuÉi\'oi
y\'oxvpiiéi>oi
irt(j)atT[x\'tvoi
üai(v)
cur<(v)
iiai(v)
yaav
yaav
yttav
PERFEC TUM.
Imperativi.
Infinitivi.
Participia.
Conjunctivi.
Sing. 2
3
Dual.
Plur. 2
3
i/yyfXiro
rjyyiXSto
jJyyfXSüv
r)yyeX9f
rjyyiX$o>v
ïr«0ai\'ffo
7T€0av5((i
TtttyavSov
•n ètpavüre
7rnpctr";iüv
fiyyéXSai
irtifrdvSai
ya\\üv^ai
rjyyiXfiïvoe,
wt$a tr/lêvoQ
y«XVHnkvoQ
yifXvltll*vf)Q
ireipiitr^tévoc
f/yytXiiévoc.
ü> i yz i y 6nz.
Opt. Plusqp, fïijv enz.
Ter oefening:
op -XXo>. "AXXopai ik spring. Dep. M. N°. 267. Aanm. 3°. BaXXu ik werp.
BaXXu ik bloei Perf. II. rt^ijXa met Praesens bet. ik bloei N°. 266.
\'AyyéXXw ik boodschap = a7r-oyy«XXw, f\'E-ayyïXXw ik verkondig, meld, noem.
M. ik verkondig, verklaar van mij. \'0«XXw = HoKfXXia tr. ik zet op het strand, doe
stranden,
intr. stranden, miilukken. SriXXw Aor. II. P. A. ik maak gereed, zend. M.
ik maak mij gereed, reisvaardig, ik reis. N°. 237: diro-aréXXio ik zend af. P. ik ga
teeg: èiri-ort\\X<o ik bericht
(per bode of brief), beveel. TiXXw 1) ik voleindig (= r«-
. *
-ocr page 158-
144                                      verba op ui.                    [N°. 268, 269.
Xéw); 2) opgaan (der zon). M. ontspruiten, bloeien: ava-Té\\\\to tr. doen opgaan,
voortbrengen,
intr. en M. opgaan, te voorschijn komen: Ini-riWio ik draag op, tevéél.
Intr. en Med. opkomen , verschijnen, ontstaan.
op -viü. \'Afibvia ik weer af. M. van mij. Ava\\ipaivm ik ben ontevreden N". 267.
Aanm. 1°. : Ofpfiaivw ik verwarm. P. ik word warm. Kpivut N". 268. 3. 1) ik
scheid, onderscheid, oordeel;
2) ik klaag aan. P. ik word voor het gerecht gedaagd:
Kara-icpivui ik veroordeel, U-icpivui ik zonder uit, keur af, verwijder. Mhuo
intr. ik
blijf, volhard, wacht,
tr. en M. iemand of iets afufachten = tttpi-fikvia. ïia\\vvio
ik maak vet.
P. ik word ret. \'Ytyaivia ik weef.
op -pu>. Aïpw ik hef op. P. ik word verheven en ik verhef mij. M. ik begin,
onderneem:
N°. 267. A. 3". iw-aipto. A. ik richt op, spoor aan. P. ik verhef mij,
word trotsch: virip-aipw ik verhef mij boven: ayiipia ik verzamel.
P. zich verzamelen
N°. 249. Aia-0iip<o. Perf. I en II. Fut. Med. met Passieve beteekenis. A. ik
vernietig, richt te gronde.
P. ik kom om, ga te gronde. \'Eytipio Nu. 249 en 285. 1.
ik wek. M. (met Aor. II. t)ypó^nv N". 266) en P. ik ontwaak. Perf. II. iypijyopa
ik waak
N°. 249. 3. Aanm. KaSaipoi ik zuiver (niet te verwarren met Kar-uipia ik
kom af
en «rnï-aipcï (=: im) ik haal neer). \'Oivpo)tai intr. ik ween, tr. Ik beween.
OiKTtipia ik heb medelijden, bcklaag(d).
Iln\'pw ik doorboor.
VERBA OP ,«.
§ 79.
Verdeeling, Stam en Stamtijden.
269 1- De verba op -/ui bestaan uit twee klassen. Tot de eerste
behooren de werkwoorden, die het Praesens van den zuiveren
stam vormen door toevoeging van de lettergreep vu en den uit-
gang -f.ii, zooals Sukw/m ; tot de tweede, die in het Praesens
den uitgang -/m onmiddellijk met den verlengden stam verbinden,
zooals "arrffu.
P Klas. Verba op -vv(u
2.     Deze werkwoorden gaan uit op -vv-/jii wanneer de stam
op een medeklinker eindigt, Bt\'iK-vv-fjii ik toon aan, doch op
•wvfxi wanneer de stam op een klinker eindigt, bijv. Kspd-vw/xi
(st. Ktpa) ik vermeng, afil-vvv-fii ik blusch uit (st. erj3e).
3.     De stamtijden dezer werkwoorden worden op de gewone
wijze der verba pura of muta van den stam gevormd.
-ocr page 159-
N°. 269-271.]                  verba op fi,.                                  145
StiK-vvfu ik toon aan, St(^o> ïlu^n StSuxa BiBttynai tSet\'x&jjv.
OKeBa-vvvfu ik verstrooi, Fut. <ti«§w (N°. 261. A), Aor. taitêSaoa
(N°. 256. c), Perf. laKéBa*vat (N°. 259.), Aor. P. £<n«8<5<7-
dqv (N°. 279. 4.).
Eigenlijke stam ociSac, welke sigma geassimileerd wordt met de v van den uit-
gang. N". 244. 3°.
De bijzonderheden in de vervoeging dezer verba beperken zich
tot Praesens en Imperfectum
Activi en van den vorm op -fiai
en zijn dezelfde als van de werkwoorden der tweede klas die volgt.
IP Klas. Verba op -/m
4.    De verba op -/it verschillen van die op -w alleen in het
Praesens,
het Imperfectum en den Aoristus Secundus.
5.    Behalve de Deponentia hebben de verba op -fii in Prae-
sens
en Imperfectum een reduplicatie, welke in de andere tijden
wegvalt.
Deze reduplicatie bestaat a) bij de verba die met één consonant
beginnen, in de herhaling dier consonant, met tusschenlassching
eener i, bijv. Sï-Swjut, n\'-^r/jut. b) bij verba, die met een vocaal
beginnen, of met ticee consonanten die positie maken (N°. 248),
alleen in een i met den spiritus asper, bijv. l-ar^m, 7-ij/ui.
Deze spiritus asper is een overblijfsel der weggevallen sibilans van triarmu en
ffiffijH» N°. 243.
6.    Het aantal dezer werkwoorden is klein. De voornaamste
zijn ïorrjjw ik plaats, riStt/ui ik stel, BiSwfii ik geef, \'c\'jj/ut ik zend,
welke echter in talrijke samenstellingen voorkomen.
"lii/n komt in proza buiten samenstelling slecbts voor in de beteekenis van A.
voortdringen, werpen, uilen. M. voortsnellen.
7.    Den zuiveren stam der verba ïartmi, \'it\\fii, rtëtifxt en Biêwfii
vinden wij door o) den uitgang -fu weg te laten; b) de redupli-
catie van den stam te scheiden en c) de stam vocaal te verkorten,
daar deze in de drie personen Singularis van het Praesens ver-
lengd is, zooals verder zal gezegd worden, N°. 272. b.
De zuivere stammen zijn dan: van lariifja STA, van \'Iri/ii \'E
(e met den spiritus asper), van riStifii 0e, van BlSwfu AO.
8.    Van dezen grondvorm worden de stamlijden regelmatig
10
-ocr page 160-
146                                   verba op ui.                  [N°. 271, 272.
afgeleid door de uitgangen -(tw, -ko, ~/iai, •Syv achter de stam-
vocaal te plaatsen.
Het Futurum en het Perfectum op -ku hebben de verlengde,
het Perfectum op -fnu en de Aoristus Passivi de korte vocaal,
uitgezonderd rtöijyut en "ij/ii (die steeds voor alle bijzonderheden
samengaan), wier Perfectum zoowel op -ko als op -fiai ti heeft;
doch hun Aoristus Passivi heeft weer den korten klinker e.
Het werkwoord "o-rn/ui heeft in het Perfectum op -ko en op
fiai den spiritus asper.
Deze spiritus asper is het overblijfsel der weggevallen sibilans van aiartiKa en
iriaraiiat. N°. 243.
Aanm. 1) De Aor. P. van ïij/w is iï9i)i>, doch deze lange tt is het gevolg van
het augment N°. 247. b. Vandaar de Optativus ÈSttijv, het Futurum i Sfoopcu.
2) De Aor. P. van ri^ijfii is It\'&ijv volgens N*. 36. e.
De stamlijden zijn dan als volgt:
"lartifu Fut. oTi\'icrto Perf. eotokci tarafiai Aor. P. foraStjv.
ïtl/j.1
                  „ r\\aw                „ eïica          tT/iat                   „          t\'L§r\\v.
rtörifii             „ S/((T(ü              „ TtSttKa Ttitifiai             „          tTt%t)V.
SiSw/ii             „ Swaii)             „ StBtvKa StBo/tai               „          iBó^tfv.
9.    De afgeleide tijden worden regelmatig van hun stamtijden
gevormd, uitgezonderd de Aoristi Activi van "rifit, rtötini en Bi-
êwfii
, waarover verder zal gesproken worden, N°. 273.
10.    De verba op -fu hebben in Praesens en Imperfectum en
Aoristus Secundus geen bindvocaal, tenzij in Conjunctivus en
Optativus, waar deze verder met de stamvocaal samensmelt. Dit
geldt voor den vorm op -fii en voor den vorm op -ftat, zoowel
voor de verba op -w/xi als die op -fu.
§ 80.
Bijzonderheden in de Vervoeging der Verba op -/ii.
I. Vorm op -fu.
A. Indieativus.
1. Praesens en Imperfectum.
o). De persoonsuitgangen zijn dezelfde als die der overige
-ocr page 161-
N°. 272.]
147
VERBA OP fu.
verba, behalve dat in het Praesens de 1\' p. Sing. uitgaat op -/xt,
de 3e p. Sing. uitgaat op -ai,
de 3e p. Plur. „ op -aai.
In het Imperf. en den A.or. II gaat de 3e p. Plur. uit op -aav.
Aanm. 1) Bij latere schrijvers en bij dichters wordt de 3 p. Plur. van het
Praesens gevormd als was de uitgang -vrat, zoodat vt voor de c wegvalt en de
klinker volgens N°. 40 verlengd wordt.
2) Bij ïarijiii en ïqjui wordt de uitgang -aai met den voorafgaanden klinker
samengetrokken.
b). Verlenging der stamvocaal.
In de drie personen Singularis van het Praesens en Imperfec-
tum wordt de stamvocaal verlengd, in Dualis en Pluralis is zij kort.
Num.
en
Pers.
PRAESENS INDICATIVI.
Sing. 1
2
3
watSu\'t-io
watStv
éi-c
iraiSiii-ii
Urn-t
\'i<tT1\\-<ll
SiSto-ui
SiSio-c
SiSto-ffi
ïti-iu
ieT-f (zie e.)
(T|-<ri
TlSlï-Q
riSrti-91
StlKVV-ltl
SlIKVV-C
SÜKvv-ai
Dual.
Plur. 1
2
3
waiStv-f-rov
iraiSiu-o-piv
•natStv-i-n
iraiiiv-ov-ei
irtTCL-TOV
ïara-fifv
ïara-Ti
wra-ot
Silo-rov
SiSo-iuv
Si li o-t e
SiSó-airt
tt-TOV
\'U-iiiv
\'il-Tf
ia-at
TI$l-TOV
riSe-pev
riSi-Té
SllKVV-TOV
SflKVU-flW
SilKVÜ-Tt
SiiKii-aai
Aanm. Men merke op hoe de uitgangen grootendeels gelijk zijn aan die der verba
op -<o, doch hoe bij de verba op -//i geen bindvocaal aanwezig is.
c). De verba riSrifxi en ïn^jt hebben in den 2en p. Sing.
van het Praesens
den uitgang der verba contracta op -£u>:
TtSrtÏG) mg.
TtSrrifii, \'it)(u en Siêut/u vormen ook het Singularis Imperfecti,
evenals verba contracta.
Num.
en
Pers.
IMPERFECTUM INDICATIVI.
Sing. 1
2
3
Dual.
Plur. 1
2
3
iwaiSev-o-v
hrniSiv-i-c
liraiSiv-i
iiraiSiv-i-Ttlv
iiratStv-o-liiV
STraiSfV-i-Ti
iiratStv-o-v
ïirrij-v
ïirrtj-c
ïdri)
iaTa-rt\\v
ïura-fiiv
ïara-Ti
\'iora-oav
ISukvv-v
ISlilCVV-Q
IStlKVV
ISllKvfi-TtJV
ISllKVÜ-fllV
ISlIKVV-Tl
ISi\'iKvb\'Uav
ISiSovv
ISiSov-s
ISiSov
iSiSó-niv
laca-iiti>
idiSo-Ti
iSiSo-aav.
IriSri-v
iriSH-e
ItiSu
Iriit-fttv
lri$e-Ti
tridf-aav
•in-v
ï„-c
7d
If-IMV
•it-Tl
U-aav
Aanm. 1) De 2e p. Sing. Praes. itïc verschilt door het accent van de 2\' p. Sing.
Imperfecti ïetc-
10*
-ocr page 162-
[N°. 272—274.
148
VERBA OP /UI.
2. In het Imperfectum Singularis van ri$»|/u vindt men ook de regelmatige
vormen iTi$i\\i, «rtSijc, IriSij. Van ïtjjii vindt men ook ïr)v, ïijc, \'itj, terwijl een
1\' pers. ïoi\'7\' evenals iriSovv niet voorkomt.
2. Aoristus Secundus.
a). Hoofdregel. De Aoristus II. heeft de vervoeging van
het Imperfectum (N°. 264), doch 1°. de reduplicatie valt weg
en 2°. de wortelklinker wordt in alle numeri verlengd.
INDICATIVUS.
Num.
e&
Imperfecti.
Aoristi II.
Pers.
Sing. 1
é-TTflltffU-O-V
\'i-arti-v
t-(TTtJ\'V
2
1-iraiiïfV\'t-c
ï-ffTTJ-C
carri-e
3
l-irailfv-t
ï-rrt]
t-irrti
Dual.
{•Traifitvé-Triv
l-ara-Tijv
i-irrii-rriv
Plur. 1
è-irn»?£«-n-/ifv
\'L-OTa-yuv
t-arri-fiiv
2
i-waifnv-i-Tl
ï-ara-ri
t-orti-Tt
3
t-iraiSsu-o-v
\'L-ora-aav
i-ari\\-oav
b). Doch van r/Sijju*, "tjjut en Siêwfxt bestaat de Aor. II.
alleen in Dualis en Pluralis, alwaar zij den korten klinker hebben.
Voor het Singularis bestaat een onregelmatig gevormde Aoris-
tus I. met den uitgang -«a.
INDICATIVUS.
ï-ovv
t\'Swica
i-Sri-ra
l-Jlf
l-Sm-Kac
é-Sij-taf
ï-ei
i-iïio-Kt
ï-Sn-ice
l-t-Tr)V
l-SA-Tt)v
i-§k-rr)v
1-l-fUV
l-tio-piiv
l-^l-llfV
l-l-Tl
t-So-Ti
f-Sl-Tl
i-i\'ttav
i-So-aav
Z-Si-aav
Sing. 1
2
3
Dual.
Plur. 1
2
3
tl-Ka
rj-Kac
fj-rt
Ü-T1\\V
ll-fllV
ll-Tl
tl-aav I
N". 247
e-8i-iïov
i-iïi-iïa-ntv
t-Si-Sn-Ti
ê-li-So-aav.
i-ri-$é-Tt)V
i-ri-Si-Ti
l-ri-Si-oav
II.
Aanm. Men vindt ook de 3e p. Plur. tSutxav, bijv. Xen. Heil. I. 2, 10,
naast ISoaav.
B. Overige Modi en Nominaalvormen.
1. De uitgangen der overige vormen zijn gelijk aan die van
den Aoristus Passivi bij de werkw. op -w , N°. 220.
-ocr page 163-
N°. 274.]                          verba op fit.                                   149
Conjunctivus. Optativus. Imperativus. Infinitivus. Participium.
-o».                     -ir)v.                  (Si).                   -vat.                  -vtq.
Deze uitgangen worden bij alle vormen onmiddellijk achter de
korte stamvocaal geplaatst,
waarmee zij in Conjunctivus en Op-
tativus samentrekken.
CONJUNCTIVUS.
Num.
en
Aoristi Passivi.
Presentis Activi.
Pers.
Sing. 1
iraiSt »&-ui
(l(TTa~tü
IfTTüi
(ri^é-üt
rt^dj
iu
(J.M-oi
Sifü
2
irat?ttfè-y£
WTa-yz
iffrj/c
riSi-p\';
n*p;
\'0C
a,w-j,c
faSi/ic
3
iruifiiu§-y
ttrra-y
tTrp
ri9i-{/
Tl ^5
\'P
«.W-p
fifi»
Dual.
irniiïfu§~tj-Tnv
iTra-iiroi\'
tTr//?nv
riSé-iirov
rc5i")rnv
cirov
£.«-r|roi<
iïicojrov
Plur. 1
iraiiïtv\'ï-tü\'fitv
WTa-iontv
\\htu> fitv
Ttik-ulfltV
rtïw\'ijv
Hout i\'
£i£,;-u,/m».
lifü/itv
2
7rciitftiiï-ij-rt
ifra->)r«
trtruTi
rt^i-ijre
n-J in
iijre
£i«-ri™
SlSljJTl.
3
Traidtvï-ü-oi
laTa-tttai)
itjruttri
ri3é-«j<ri)
ri^iifi
1U/T1
£.C<S-W(T.)
iïifiufTi
Aanm. Men lette er op, dat £iflw;it de i« in alle personen heeft.
OPTATIVUS.
Num.
en
Aoristi Passivi.
Iuiperfecti Activi.
Pers.
Sing. 1
TTOlSfV^t^ilJV
(tTra-ljiv
lirraiqv
ri^ÉiTjy
IfïlfV
Siiïoi\'iv
2
Tratdtv\'St-iïic
iirra-iijc
iiriiiijC
T(Sé(t)(;
""IC
iïtênii)c
3
iruiltv^i-ir)
KTrU-ill
iTraiv
Ti^fii)
uit}
êiiïoit]
Dual.
iraidivSt-iTT)i>
iffrn-irijv
iTrciirt)v
n^éirrii\'
h«tiii»
iïiênirriv
Plur. 1
winütvSi-iiiiv
tTra-i/xfv
iirrai/Jfv
TiSeïntv
lllljfl/
SiSolniv
2
irarftvSt-iri
iirra-irs
iirniire
rtStiTi
iéïrt
öiênïre
3
irai$ev$é-ttv
tTra-nv)
11TUIIV
TiSlUv
uiev
itiotfv
2. De Conjunctivus en Optativus van den Aor. II., die vol-
gens deze modi van het Praesens en Imperfectum vervoegd wor-
den, zullen derhalve aan de gegeven vormen gelijk zijn, doch
de reduplicatie verliezen, welke alleen in Praesens en Imperfec-
tum blijft.
AORISTUS SECUNDUS.
Num.
en
Conjunctivus.
Optativus.
Pers.
Sing. 1
*r<5
&<3
6
$dt
itraitjv
StllfV
iit)v
loiqv
2
OTys
S?c
vc
Syg
ffrcmjc
Stinc
««IC
&ui/f
3
ffrj}
q
$
d<i>
fTrcu»;
3(17)
tirj
Soirj
Dual.
srifrnv
ST/rov
1]T<\\V
êürov
rrratrïiv
dfirqn
f\'iri/v
Sniriiv
Plur. 1
(TTÜfltV
}£/«>\'
W/IIV
Sü/ttv
tiraifitv
Sü/ièu
Cl/KV
fat/Hv
2
«TtlTl
9fjr«
>ITt
Süti
ffratre
SfÏTl
tin
Snirt
3
(TrütTt
»a»t
WOl
Siiat
OTUltV
SiUv
tttv
iottv
-ocr page 164-
150                                      verba op fii.                   [N°. 274, 275.
De Conjunctivus en Optativus der verba op -wfu wordt zoo-
wel in het Activum als in den vorm op -nm volgens de conju-
gatie op -o> gevormd.
Conj. Praesens. Bsikvvvj , SfiKvvys, SetKvvy, SeiKvvrirov,
SeiKviito/ucv etc.
Opt. Imperf.
         BtiKviot/ii, Bukvvoiq , StiKvvoi, §tticvvot-
tjjv , iïitKvtmtfuv etc.
Conj. Praesens. BtiKvito/uai, SttKvvy , SitKvvrirai, Suk-
vvrjirSov , StticvvuifitSa etc.
Opt. Imperf.
         ontevvof/utjv , Secki/óoio , Seikuvojto , §e<k-
vvoio%t)v , SuKi\'vt>!/aia etc.
Aanm. In oudere uitgaven van Attische schrijvers en bij Lateren vindt men nog
andere vormen van Praesens en Imperfectum dezer werkwoorden volgens de Conju-
gatie op -ta , bijv. StiKvvovm, Ifoiicvvov etc.
3. De Imperativus gaat a) in het Praesens uit op -e, welke
met de korte stam vocaal samensmelt.
(Ïora-E wordt) ïo-r»): (W&s-e wordt) rtSrci: ("e-e wordt) \'lei: (SiSo-é
wordt) Si\'Sou: (Seikvv-e wordt) Stbevv.
b) in den Aoristus II bij ï<ttij//( op -&t: terwijl de vocaal
in alle personen lang is, behalve in den 3en p. Pluralis. Aldus
<JTÏj$(.
Bij Tt\'Sijjut, Yij^t en SiSw/u op •?, welke achter den korten
stamklinker gezet wordt.
IMPERATIVI.
Num.
en
Praesentis.
Aoristi Secundi.
Pers.
Sing. 2
\'L<IT1\\
rÖJi
Vk
«(rW
»ri)9i
Srit
ïs
Wc
3
\'irtrariD
TjSérw
Utw
tifÓTu
(tttitui
Séri»
fTiü
Wtw
Dual.
\'itirarov
rtöerov
ïerov
Hêorov
(TTÏJTOV
StTOV
STOV
!6rov
Plur. 2
ÏTrari
röfH
ïire
SiSoti
ariJTf
Sin
ÏTl
Sóre
3
\'taravToiv
riSfvrwr
iivrwv
iiSévruv
aravruiv
StVTItiV
ivruiv
SÓvTUtV
4. De Infinitivus Praesens zet den uitgang -i/at achter de
korte vocaal, doch de Infinitivus van den Aor. II. achter de
verlengde vocaal: a tot r\\: e tot u: o tot ov.
Infinitivi Praesentis. laravai ri&évu lévat SiSóvat.
„
          Aor. II.         artivai Séivai tlvai Sovvat.
I
-ocr page 165-
N°. 275, 276.]                    verba op m.                                      151
5.    De Participia zetten -vtq achter den korten stam, doch,
na wegvalling van vt voor de g, moet de vocaal verlengd wor-
den volgens N°. 40.
Participia Praesentis. ïara-g rt^il-g h(-e SiBov-g.
„          Aor. II.         araq         !$tt<;           siq          Sovg.
6.     Het Accent van Conjunctivus en Optativus is gelijk aan
het accent dier modi bij tl/ii ik ben. De Infinitivi op -vai heb-
ben het accent op de voorlaatste lettergreep (N°. 225). De Par-
ficipia
zijn in Praesens en Aor. II. Activi der Verba op -fu oxy-
tona.
Bij de Imperativi St\'c, ?c, Sóg verspringt het accent in
samenstelling op de praepositie,
bijv. iniSig, airóSoQ, ovvStg,
uqitg,
7rpóf?oc; in het Medium alleen bij tweesylbige praeposities,
tirfèov, cnróèov, doch ovv&oïi, a<pov, 7rpooo!<.
Aanm. De oorspronkelijke uitgang van den Imperativus -Si is alleen bewaard ge-
bleven :
I.    In de Aoristi op -tjw en <ov, welke den langen klinker behouden , dat is
a)   in den Aoristus Passivi der verba op -<j : }&vt)S», ftouXtu^nn voor SqSt N°. 36 c.
b)  in den Imperativus Aor. II. van \'hrrjut, tirrjSi, die in samenstellingen verkort
wordt tot -<rrn, bijv. irupaira, cnróiTU. e) in de Aoristi Syncopati, N°. 287.
II.    Bij sommige verba Anomala: <t>a$i , Irt^i, I3(.
III. In de Imperativi der Perfecta Syncopata, N". 288.
II. Vorm op ftat.
1.     De persoonsuitgangen zijn in alle vormen gelijk aan die 276
der verba op -to. Zij worden overal onmiddellijk achter de korte
stamvocaal
geplaatst, waarmede zij in Conjunctivus en Optativus
samentrekken. De uitgangen van deze modi worden evenals in
het Activum met de verbindingsvocaal gevormd: Conj. cm/mm ,
Optat. l/u)]\'.
In de tweede personen van den Indicativus op -aat wordt de
e niet uitgostooten tegen N°. 210 en 244. Zoo ook niet in de
2\' pers. van het Imperfectum ïoraoo.
2.     Als Perfectum Passivi van rförifii gebruikt men Kiiuai ne-
vens zijn gewone beteekenis ik lig; T6&«(/zcu behoort alleen tot
het Medium, bijv. virori^fti ik leg tot grondslag — vttokütui
het is tot grondslag gelegd, het dient tot grondslag; vófiovg n-
Stamv oi ap\\ovreQ de archonten (de overheid) geven wetten
— of
-ocr page 166-
152                                      verba op fu.                             [N°. 276.
vófiot KÜvrat de wetten zijn gegeven, bestaan — vófioi Ktifitvoi
de bestaande wetten.
Zoo ook avarldtifit ik wijd (aan de godheid),
avüKtt/idt ik ben gewijd.
Plato. Crat. 394. b. tï ri irpóaKurai
ypa/ifia
i) fitraKtirat indien een letter bijgevoegd of verplaatst is.
Act. tï Tig yoa/t/ifi TrpoaTi&ftKtv rj fitTariStiKtv.
Praesens Indic. Ktt/tat , Ktïaai, Ktïrai etc. Conj. kIu/mu, «p, «éi|-
toi etc. Imper. keïo-o , KtiaSrw. Infin. KtïoSai. Part. Kiifitvor;.
Imperf. iKitfiriv, eKitao, ikuto etc. Opt. cfot\'pqy, «oiro.
Fut. Kti(To/uu etc.
Compositum. KaTaicetnai ik lig neder.
3. De Conjunctivus en Optativus Aoristi II Medti van rföqfii, ïr|/it en Silupi
worden in mtmenstellinj soms als verba op -u vervoegd, hetgeen voor den Conjunc-
tivus slechts zichtbaar is aan het accent, doch voor den Optativus van r&qftt.en
ï?)/ii ook nog uit de diphthong 01 blijkt, bijv.:
«Viïoio
siri^oiro.
9eto
9«ro.
Tpfio/O
irpóoiro.
tio
elro.
Conjunct. liriSno/tat iiri^j/ JwiBtfrat. Optat. iiridoc\'fiqv
irpóu/iat       Tpóp      irp6r\\Tai.                  irpooifii)V
iSpai             p             qrai.                        tï/iijv
i<7ri\'n\'M/ii(i     óiritöfi    dn-ó^o/rai.                airoSoi[it]v airóiïoto awóSotro.
i\'iu/iat          êtjï          Storat.                     iïoifiqv Solo Solro.
-ocr page 167-
153
VERBA OP fit.
i
co
a
a
3
GO
•a
CU
\'3
ti
Ph
g
Ph
co
.J
3
>
CO
*i
CS
c3
Ph
"
00
s
CU
\'S
CU
s
c3
ï
C
O.
Ph
£
M
S
3
.rt
ü
>
.ffi
-G
•e
-S
mpe
o
"
.
00
>
1 a
"-C
CU
u
1 co
£3
rae
•p
Ph
o
o
a
3
•£
O
•-C
perfe
1
K
HH
I-H
00
3
>
cu
"-Ö
cu
O
B
ti i"3
Ph
3
I-H
«5
|
E
CU
3P.;
ta
3
CU
a O.
v» S-
a b
U vs
w b a
S a
so ie
v| \'| xg
m 2 *
cu cv
te o
COCSSO
Sr k.
fi
s
v&
ph
Sf
a
54
3
3 o
ui
h
L. |*.
1 ••
S>
| is v3 >s
3S
vS
1 ï.
a
& & ld
M
w
CV6V6V
co co
a
-j 7
a
3. w 1*
3. i-
UI
o o o o
o o
O
vs v3 ^= ,s
v? vS
vS
a a 5 5
a -
3
ï ï ïï
ie -J.
*
s s s s
3
<ocoeo«)W^«3
B
a
a
., vj> 2
~ ui
3- i-
K
3 S>. b. &
3 sr
3
vS vs vs vS
vS vs
vS
5 5 S S
a a
3
5 E 5 5
u •*
&
co co co co co co co
3
g"
8
i O1 h>
a. i-
b
ld ld \'d v~
)?JS \'S
M — —• —
a S
3
S j* ^s* k
ü *
8
Cu üu 2 w
cococococi;
/—v.
a
v*. »
d
^K
a. cj> 5 2
a. S
IS
IS IS IS >S
3S JS
VS
5 5 5 a
a a
5
& M B S
-J. -t
É
Nü *3 *S *S
co co co co co co co
hNW
iHOqm
ü) Ti
C
1 l£
Cvl
a
o
S
UI
a.
vS
M
UI
co
1
o
•
5
<\'?
b
s
s.
UI
co
3 o
a
u. 3
o
rf? d?
d? a?
1 "
b b
b b
3S
vS S
a vs
O
a -
a a
cl
u
» u
\'-i U
>
co co co
co co
>H
01
&
>
3
ui o
01
s?
o t»?
UI
&> y-
a. c
t v»
3
b 5
o c
óNö
O
o o
\\k
3S VS
^5i
-
vS vS
a a
u u
* *
al
ie x
co co co co co co co
ri
-
3
fl
^
^ o <h
uj 3
r{
s
3.
E\'S
UI
3.
% %
3
3 au
=• c-
VH
» 3
VS vs
VS vS
)i
vS vS
a -
» a
S
a a
^ u
& ur
i^
u --t
(1)
u>
y
co co co co co co co
rt
a
C
s
sr
(Il
ü »
P 0
O &>
en e
a. b
i b
3
b 5
vS >S
3S vs
vS
s s
-~ -
s. s
a
a a
•J -J.
* S
\'J
J* J*
co co cö co co co co
\'W ^w
\'UI \'UI
s 5
S
„ O
s <2
3
<>>
UI
mi
a. b
i- b
3
b a
3S 35
>- 5
VS
3 S
s> -
s a
a
a a
X --t
•J. f-c
*
5 va
*l UI
ui ui
co co co co co co co
HN«5
*—t
cn eo
bb
\'i
Ik!
3
3
3
\'S
fiS
d
o
4
-ocr page 168-
154
VERBA OP pi.
o>
o
k
a c,
? =•
t b
bvö
B . t
til
b a a b
^3
ia-a o
k
k k to
b
b b S\'
rravT
sr
b
o
w
k
o
tl
-
b
»o
13
^o
fl
*"•*
k
k
k
i
J!
b
te
3
\'•4-1
—
s
Ph
sr
rf?
k
b
Pm
1.
O
3
>
a
cc
9
o
s>
v3
k
b
3
-
l
e
M
Sr
k
b
CC
»
3
w k
k a
\'O *S
k I.
b b
?
s.
a
3
f
Cl
k
<J.>
k
k
k
a
1
isr
^=-
i&
1
IET
^n
k
k
k
k
k
3
b
b
b
b
b
T3
3
3
O
0)
GO
a
a
3
»
0>
sr
B
«j
a
»
sr
Sr
k
,4
k
uu
co
3
3
3
3
3
3
3
k
k
k
k
k
k
k
ki
b
b
b
b
b
b
b
O
o
ft
irj
a
0
£
3
cu
(4
0)
ft
k
b
3
3
>
ifffili
C3
ft
O
I
3
o
e
3
"EP
o
O
o
-4
3
b
\'itrltH
>3 is>is>.isr<3 i=->3
k I. I- k k I. k
b b b b b b b
3
f*
3
ci
o
\'S
3
e
3
f—i
-
a
s.
sr
uu
Ml
3
a
o
k
3.
k
b
sr
sr
sr
^=-
sr
sr
k
k
k
k
k
k
k
b
b
b
b
b
b
b
kw
;*u
• *,
ïuU
>vu
*uu
*—1
CM CO
-
CM CO
6b
\'S
£
.1
§
3
£
PPM
illlil!
iiilljl
I
hN« rtNW
HNCO HJ)M
3 P<
Ij*
PP4
l
I
II
APm
*s
-ocr page 169-
155
VERBA OP ftl.
Praesens
Participium.
I \' ?
IV
a.
»B
Praesens
Infinitivi.
Praesens
Imperativi.
2 * * 1
j-j &> öi &i &>
1 , b b i b b
3 vB B B «B
k 1» k k k
-S vto -S -S ..S
Imperfectum
Optativi.
1 9lw.
S CS S S B 3 B
U k k k k 1. 1.
b b b b b b b
Praesens
Conjunctivi.
& B ~
2 ^ O &f w B
![ b <>? ïï <*? i;
>3 1SMS- isrN3 isr\'3
f. k k k k k k
b b b b b b b
Imperfectum
Indicativi.
a B
S- O o <?? * <*? E
3, b k b 3. b a
-ö >o \'o sa xö b e
k k k k E L. (.
b b b b b b b
Praesens
Indicativi.
2 «
M - .«())« B
B B B <*> H "ï b
a. b £ b a. b S
>3 \'S >B 3 v3 B B
L. L. E. k k k k
b b b b b b b
S-i C*« ï« t^ *.~ *»* t**
Num.
en Pers.
^h tM CO >-i IN «5
t H
\'S P -H
:ifï!
X 3
i eg |» t
o
k
. »-
>B v<3 >8 >B
I k k t-
          I.
b b b
tM «-W t*l
s
h
o
pkl
s
i
oi
s-
3
*S
O"
1
3
fc
flflll
O
i
pi
d
k k k
b b b
ifilF
If
l!l:l;I:!
JilJJil
I
E1
HStO        1HNCI5
HNCI5 -i«cO
tc
\'S ö
Sin
£s
f
ii
-ocr page 170-
156
VERBA OP /il.
ff
2
*UU UV
*.<W "*•!
•3?«§4i
O) oi
«.** v.»» «- —
II
«*§ *
E K.
*— tw a
a
W (V «-UV
d? <T}Ö7
&
ÏCC
59
rtïJ JDrt^.1
a
- a
3
1
3 o
1 « b
1
«••.».
•• .a
Ui ».«, ui
__ui *ui
S-> ..^ £^
a
£
3
3 o
u 1-
~ u *•
i- a
1
ui vui ui
1 Ui *Ui
<>? d?c^
<*?<>?
Vw — *^l
1. 1. t-
I- t-
03
3
O
CC
0}
ee
(H
P-l
i^N
2
ft v*.
•3
iS-i?^
<3 .=->3
/^\\
a £,
•3
w, ij.
UU —
3. e b
\'3 i=->3
&i &> &t <r> óï <*? <fi ]
t-
(. t- l-
3 ft
\'a\'
3.
* E £
ui ui rr
sr
3 sr S
Ui ui 10
i.3 t-» »•»
3a
* \'s1
3.
&£2
•j • b
a »- is
ST
* p »
Ui Ui vw.j
&} &) &> &> &} &i d? |
Vw *«* «*
t-
l- l- l-
T-H
<N «5
HN05
bb
•d
c
Sin
£s
II
s
3
"EL
O
—
CS
o
o
i» b
,s§
liiiyiij
J0(I?3
"Z\'€
. 3 I
t»u twu curf
3
* tl
. O
P-| <
ci.3 S
&l &l ói
S
d? 3?
a
a
a
sr
a
WJ
a
.5"
ssr
«?
.t
,3-
ifc
.2
.5
Ui
Ui
.5
3.
12
:s
uw . **.
a
a
a
Oi
sr
3
LU
^
s*
sr
sr
_i-.
,a.
h,
s
i--
!• —
Ui
Ui
Ui
"uï
a
Ui
a
Mi
WJ
a
Ü>
sr
a
UJ
i
sr
sr
u
.3.
.fc
.2
d
3
a a
a o» sr ^ ui   ^
B p ? h 1>  ,»
V^ V^ V^, V^ 1^ t«i    1~
Ui Ui Ui Ui Ui Ui      Ui
&> &i &} &i &i &i  &i
.11>
" .H
CL,
O
UU MJ MJ
<*? d? <t? d? d? Ö7 &i
t- *— i—
0
<1
O,--------
S
►i^piij&ï
3
3
3
\'B"
O
O
^feliH
li
.lullij
3
C3
\'S
3
►sr >sr ►!? *
IiJ
a   a *
ft ï - t   3. E. b
ff Ui Ui Nui      Ui Ui Ui
&} &i &> &)  &l &> <*>
a
(. b_^
"O.
Q O ui
a
sr
a a !<
cc
§
&
si
••?*
^J
s8
a.
Sr
<n
g.
vw
Sr
H
sr sr srvui
J? d? &) &> &> &> &t
TUi «Ui >Ui *-Ui >Ui %Ui ÏUi
H NM       r-lN 9)
*-h c<i co »—< c<i co
« 2
I
M
3
^S
-ocr page 171-
157
VERBA OP /ui.
a
s
Ph
o
E
oS
Ph
\'1iugii|
73
3
>
-w
«4
e
1
Cl,
fj
TJ
3
h-1
i>
•H
tl
ill
a
ft
cS
Oh
ö
O
<D
9
QQ
•H
B
tf
\'-4J
0
S
onju
O
B
>
•£3
cS
o
T3
S
1—1
<; 5
s J>
sPh
&fl
o
o>
a
o
C-
o
§
1
i
vu
3
t/>
a
O
C-
o
a
1
i
w
3
"uu
rf?
t
a
I
»D£Dj} m$m$
JD£133J in£03£11
St
3 o
I _<>?<>?
<»? rf?
1 g b b
b b
8 *
>
3^ 3 o
(w 3
<t? <n
--S <= b
b b
<>? &> &i
&> d?
t» i- t.
i- (-
È
3 §
<>? rf?
hg b b
O Svu tuu
3 §
I .» ^ *g
&i &i &i
w 3
b b
d><>?
a o
.
a ff^ w o
• FH
S" 0 o> S o? 1.
• ^H
a. o E b .a. b S
T3
UU W UU WU W VU UU
o>
S
& e
05
ft 5" ó? ïi O
a o i. b a b a
3
J
&i &i &i &> &i &i &t
OJ
1,2 | Hl
a
«3
O
C3
ÏH
Ph
as
5 s * Si <H k
3- i- b ?• b 5
•3 \'o.» is-v3 iff\'3
a b
j> © <f> vu 8
§_ S <»? !£<»? £
<3 iff-isr is-s3 is-\'3
&i &i &> &> ó? &} &}
!• ü C C ü E C
1 8 «. -
S S $ &i \'Q ói g
3. b g b s. b a
t- t— s*> e— v2 s— t^-
*» « - °rb * B
=L b E b 3. b S
vj wW \\jj WJ »uj UU UU
&l &i &i <T} d? <Ti &i
*E. *C VC *E C *E *E
rH 1M «0 hNW
Sing.
Dual.
Plur.
03
04
a e
o <»?
>-l"*S9.»«-i**l\'i*>"3
as
§[         B f»? ^^ ^
>3 >&,s- .=-v3 i=-<3\'
<ff &t óf óï <fi &i &t
uAïu
<?? 2
ijjllllj
* e
Sr _ o <*? vu d7   k.
3. g C b a. b   a
^ ?2 ?2 ^ *§ Ö v2
^W *"*« ^Mi r-WU >-Wj »-«J    "uj
a s
a
             & &> w o
s- _ o <>? u5 o? u
agi.ba.ba
"UU O UU <u.U V^U Ml UU
&) iT? &i &l &l &i &>
^UU «UU ïuu \'UU ^WU «UU «VU
<M 05
r-i (M CC
rH CM ÏO        r-l (M «5
3-8
l
1
II
-ocr page 172-
158
VERBA OP ftl.
P F
fc b
vo o
co co
co co
a
in b a
>sis Sa)
o o "o ho
co co co ---S
co co co
§
co
co
a
3 o w i.
O »o 3 O "C
1 co co co co co
co co cö co co
\\
c
a ft 3
O w w *•
u> i. 3. h b
\'3 \'S^\'S-iS \'3 >3 \'3
co co co co co co co
co co co co co co co
\'T1 \'S"
- 4 » » "k"
S ,„ K o «< w e
3 3 3 o o o *o
co co co co co co co
co co co co co co co
Sing. 1
2
3
Daal.
Plur. 1
2
3
IJ
E
g
"8
g
Ph
d
ba
s
o> b
ss «» a >S5
o o ja
co co co
P
e
J
e
a
3
w [-
i- a
«•o *o
co co
CD
Oh
S
Mii
co
3
Sh
a
a
CB
a
o.
&
\'S
s-
sr
*
c
,3.
u
w
Ph
O
n
o
ó
\'a
o
o
S
co co co co co co co
Co CO CO Cu ^\'u <: o f-u
i—i
I
P-l
3
_>
o
a
s
ra5
o
O
a a .*,
& W |U N
w K a. t- b
>3 \'3-\'3-\'3 \'3 \'3 <3
co co co co co co co
É
03
J
a a
a a a i. a. t>
o o o ve o o
co co co co co co
cö co cö co co co
»*« r«* *tM *-*U "W "W
jlllijj
hnm i-i cm eo
i-i cm eo i-h CM co
3 PH
I
II
bD
.1
0Q
II
-ocr page 173-
VERBA OP /ut.                                                       159
o>
a
o
CO
co
1
o
1
b
o
co
co
o
la
o
t^>
S
3
a
o
Si
&> <f.
<*1óï
1 3
b
b
b b
o
vr
3
o -o
1 cocqoo
co co
«o c© co
co co
—
=>
B
s
S
4
a.
h
b
=
b a
\'2 \'3-
\'3
\'3
•>a
>3 \'3
CO CO CO CO CO CO CO
CO CO CO CO CO CO CO
&
B
B B
s
o
«l
JU o
3. b
l-
b
3
b a
O O
o
c
VC1
o o
co co co co co co co
co co co co co co co
.i c* eo
t—i
ff) CO
6b
^
H
3
a
A
GQ
QPu
s
3
o » o
a • •
co
09
Cl,
s
>
3
1
3
>
•t              a
3 o         w 3
rf? rf?    I &i ö>
ia b b         b b
o vo *o       »o *o
co co co       co co
O)
Ui
01
<rt
Pi
03
3 ,
>
ri
03
(i)
CL,
O
a
0
>H
•b
03
T3
3
o
co
O
CS
«•*                             a a
u £. .£"<>? .£ °
* a. © !: b 3. b .5
MH OOCOOOO
g co co co co co co co
co co co co co co co
<D
3
3
\'5*
o
ü
% S b 3. b a
\'3 \'S^ \'3 v3 \'3 \'3
co co co co co co co
CC
3
>
j lil J
ft
lullij
13
3
CO ^O &Ü £Q &Q tö &Q
i—I CM CO ihNM
r-i W W        i-" W CO
3 Ph
* 9
f
II
I
II
-ocr page 174-
160
[N°. 277.
VERBA OP (il.
§ 81.
Beteekenis van ïortifu.
1.     In de volgende tijden van het Activum transitieve beteekenis.
Praesens. ïiri7fti ik plaats. Imperfectum. ïtrrnv ik plaatste.
Futurum. ari\\aio ik zul plaatsen. Aoristus I. inri\\aa ik plaatste.
2.      Iu het Medium: a) voor zich, ter zijner eer plaatsen, oprichten.
Praes. ïarauai ik richt voor mij op. Imperf. iaTÓfii\\v ik richtte voor mij op.
Fut. nrijnojicii ik zal voor mij oprichten. Aor. lartiaapmv ik richtte voor mij op.
Perf. \'éarapai ik heb foor mij opgericht. Plusqpf. i<rra/ut)v ik had voor mij
opgericht.
b) zich plaatsen, gaan of blijven staan.
Praes. ïaraptai ik ga staan. Imperf. iarapnv ik ging staan.
Fut. <rr)j<ro/iat ik zal gaan staan.
Als Aoristus dient in deze beteekenis de Aor. II Activi iartjv ik plaatste
mij, ik ging of bleef staan, ik stond.
3.      Perf. tVrtjeu ik sta. Plusqpf. ti<rrf;ic>) ik stond, en ik bleef staan.
Fut. III. cffrqgui ik zil staan, of zal blijven staan.
4.      Het Passivum heeft zuiver passieve beteekenis: geplaatst worden.
VOORBEELDEN.
1.     Xen. Heil. I. 2. 8 en 10. rpónatov taTi\\aav zij richtten een zegeteeken op.
Ib. I. 5. 14. rpóiraiov arr/iai;.
2.     a) Xen. An. IV. 6. 27. rpórraiov arnaaiiivot nadat zij een zegeteeken ter hun-
ner eer hadden opgericht.
Heil. V. 4. 66.
b) Xen. An. I. 2. 15. iiciXivat mie, "E\\Xtjv«c oürw Ta\\^i}vat r«2 arijvai , hij
beval de Grieken zich zoo te rangschikken en te gaan staan.
Ib. II. 5. 38. lirii Si
iarrfaav
ti\'f liriisoov, toen zij nu stonden zoodat zij elkander konden verstaan. Ib. I.
10. 1. oüiJn ïirravrai aWa fytvyovai, zij houden niet meer stand, zij blijven geent-
zins staan, maar vluchten.
Zoo ook Ib. IV. 8. 19. o\'okbti ïarriaav. Ib. I. 10. 11.
IvTavia taTï\\<rav, daar bleven zij staan.
3.     Xen. An. I. 3. 2. ISatput iro\\vi> xp&>\'°v iiT&£ hij stond langen tijd te weenen
{staande toeende hij langen tijd).
Plato Critias 116. e. xpvaa Si ayóWpara ivkatr\\-
aav, rbv piv Sibv l<p\' lipparot iarwTtx..
. . iripl Si rbv veóiv t$u>Srtv lisóvic, ïoraaav
Ik xpvaov
: en (in den tempel) hadden zij gouden standbeelden geplaatst van den god
op zijn wagen
staande . . . en van buiten rondom den tempel stonden gouden beelden.
Conv. 220. ï,vvvoi)«ac yap auróSi tuiSiv rt noriiKit «kottwv, Kai êirttSi) ov wpoi)\\ü)pu
airip ,
oir aviu, a\\\\\' «ffri\'/icei Z,t)Tu>v Kat j)fr) i)v p,i«i\\u{ipia Kal Savp.aï,ovTtQ ci\\Xoc
a\\\\oj i\\iyov, \'in Scocpórjjc ïi, tui^tvov 0poi\'ri?wv rt %otii\\kv TiXtvrSivTtc, Si tiviq ,
iirttSi) tairipa yv, l(pv\\aTTov aiirbv, ti xai rrjv vvkto iiWj?ot. ó Si liarrintt /<f,YP\'
mg èyéviTO. Want eens dat Socrates over iets nadacht, bleef hij al peinzende van
\'s morgens vroeg op dezelfde plaats
staan, en toen hij de oplossing niet spoedig vond,
gaf hij den moed niet op, doch
bleef staan en zocht: zoo werd het reeds middag en met
verwondering vertelde men elkander : „Socr.ites
staat al van den vroegen morgen over
iets na te denken." Eindelijk toen het avond geworden was, letten er eenigen op, of
hij ook \'s nachts
zou blijven staan; en inderdaad bleef hij staan totdat de dageraad
aanbrak.
•
-ocr page 175-
N°. 278.]                              VERBA OP -VV/U.                                       161
§ 82.
Consonantstammen op -wni, volgens Sttxpv/u.
1.    Ztvyvvfu ik verbind (st. &vy), £n<!;w, £$ei;5a, s&iry/uai, 278
f£ft>X$»}v. Aor- II- Wyn». Met den Ace. van den naam van een
water: een brug slaan over.
2.    /jüyvvfit ik meng (st. (iïy), /u7£w, t/ui^a, nifüynat, i/iix^n",
Aor. II. lfttyt)v.
3.    -öAAViu£ (voor 8Xvv/ii) (st. ÓA -óAe.) Put. -ÓAÜ (N° 267. 2.).
Aor. &\\l9a. Perf. I. -óAaiA«a. II. -3Aa>Aa. (N°. 249.)
Med. Put. -<,Xoï)fxai. Aor. II. -a>Aó/uijv.
In Proza gebruikt men gewoonlijk airóXXvfxi. Act. verderven,
in het verderf storten (perdere), verliezen.
Med. omkomen (perire).
Het Perf. I. oXiLXtKa is overgankelijk: ik heb in het verderf ge-
stort, perdidi;
het Perf. II. oAwAa is onovergankelijk : ik ben
omgekomen , perii.
(N°. 263.)
4.    ofjLvvfja ik zweer (st. èju). Fut. M. ó/xoü/ieu, (N°. 267. 2.)
Aor. wfioaa. Perf. 6fxu>fiOKa. (N°. 249.) 3. p. Sing. Perf. P. èfitóiiorai
(Part. ö/Kij/MfT/ufi\'ni;). Aor. w/(<>3iji\\
5.    irtiyw/ii (st. n-rj-y). Fut. irfêw. Aor. «rrjiifa. Perf. II. irttrr\\ya.
Aor. II. £7r£-yijv.
Bet. 1) Iets dat I03 of bewegelijk is vastmaken, bijv. een nagel
indrijven, inslaan, insteken. 2) Enkele deelen tot een geheel
samenvoegen: boutven, timmeren, vaïig, a/uxZav, onrivas, ook in
\'t Med. 3) Wat vloeiend is doen hard worden: doen bevriezen.
Pas. stijf worden, bevriezen. 4) Overdr. bevestigen, vaststellen.
P. vast worden. Het Perf. II is onovergankelijk: niirnya ik sta
vast, ik ben bevroren
etc.
6.    priyvvfu ik verscheur (st. rpriy, N°. 240. I0.), /ó»/£w, tpprj^a.
Perf. II. tppwya intr. ik ben gescheurd (N°. 266. A. 2.). Aor.
P. II. tppayrfv.
Hierbij behooren nog:
7.    Syw/it ik breek, st. fay. Fut. -a£a>. Aor. -êsS«. Perf. II. -?3ya intr. ik
ben gebroken.
Aor. II. P. -layt\\v. Augment N°. 247. S.
In proza samengesteld carayvv/tt.
8.    (\'ipyivfn (st. .cfpy) i\'A sluit af. De stamtijden zijn regelmatig van den bij-
vorm lïpyu gevormd.
11
-ocr page 176-
verba OP vvvfu.                 [N°. 278, 279.
162
9.    olyvvpu in proza avolyvvfii (st. ^oty) ik open. De stamlijden zijn regelmatig
van den bijvorm avoiyut. Fut. nvoiSw. Aor. aviipla. (Infin. avoi^at.) (Perf. I.
ai\'iiiix» ik heb geopend. II. avitpya ik sta open.) P. aviipyuat. Aor. P. ai»jij/\\5\')i\'.
Met dubbel augment volgens N°. 247. 6.
10.    b/iópyvv/ii (st. èftopy) ik wixch af. Aor. w/iopüa. Aor. P. wjirfpY^nv. Meest
bij dichters samengesteld niet atró en <?.
11.    ópi/w/ii (st. op. Dicht.) üpirw iiipan. M. ópov/iat üpO/tqv (Imp. êpiro en ópaio.
Inf. opdat. Part. üp/tevot.) Perf. II. ópiapa intr. A. t» beueging zetten. P. ït\'eA
Vocaalstammen op -vvu/ut.
1.     Kepavvvfu ik vermeng (st. «pa). Aor. Èicépaera. Perf. P. «-
Kpüftai. Aor. £Kpa-J»/v , (N°. 286. 3.) (en t«püff9r)v).
2.     Kpt/xavvvfiii ik hang op (st. Kpipa). Fut. nptjuw. Aor. «pé-
/unira. P. ficpquaff^rji;. Als Perf. P. dient het dep. Kpipapai ik
hang. Fut. icpini\'ioopai, met den stam xpepa, wat volgens \'iarapai
vervoegd wordt.
3.    -iriTavvvni ik sprei uit (st. irtra). Fut. -jt£tw. Aor. -tTriTaaa.
Perf. -7iéTTTafiai (N°. 286. 3.) Aor. -t7rtra\'\'<x:V.
Gewoonlijk ava»rtravi>u/it uitbreiden, openen. Perf. di<air(irra/ia< i\'A «te qpm.
4.    oKeSavvvfii ik verstrooi (st. aictSa). Fut. «tkeSw. Aor. laKt-
Baaa. Perf. P. ècricêSaapai. Aor. itTKïSaffS\'ni/.
Gewoonlijk HiaatiSawvin en Sitatidaaa.
5.     afiQriwvfu (st. l-«c). Fut. a/Kpiw. Aor. r\\p<p\'uaa. Med. ö/u-
^Hvvüjuai. Fut. afKfnitrofiai. Perf. jjju0<e<j;uat. (Augm. N°. 250. A. 3.)
Act. 2&M awtfer Meeden. Med. Ze//" (eew Weerf) aantrekken.
6.    -ofiêvvv/u (st. a/3e). Fut. •ofittrw. Aor. I. -è\'<T/3t;xa. Aor. II.
-Eaj3r,v. (N°. 287. 8.) Perf. II. -i\'^nKa. P. iefitopai. Aor. P. -iff-
/3£(t3\'1)1>.
Act. /e^s uitblusschen; doch Aor. II. -t<x/3»jv i& #m<7 «tY. Perf.
II. to-j3»)Ka ik èew tfitgegaan. Pass. uitgebluscht worden.
Gewoonlijk met awó of cara samengesteld.
7.    £ó»i/vu|ui »& omgord (st. £w). Aor. <;£w<ra. Perf. ££w(<r)/ua«.
8.    pu>vvvpi ik versterk (st. pui), pwaw, èppfexra, tppu>pai, tp-
paiffS\'n^. P. sterk, gezond zijn. De Imperat. Perf. ïpputao betee-
kent vaarwel, het Part. èppto/itVo? sterk. (N°. 133.)
-ocr page 177-
N°. 279, 280.]                   verba OP jut.                                       163
9.     arpuvvvftt ik sprei uit (st. arpw, eig. <xrop, N°. 284. A. 2.),
arptóaw , tarpwaa , larpui/jiai, iarpw^tfv. Bijvorm aTopivvvpt, Fut. aropü,
Aor. èarópiaa (st. aropt).
Verder nog:
10.    Het dichterlijke nnpivw/ti ik verzadig (st. sopt). Fut. («op<3 en) tcopéaio.
Aor. Uóptta. Perf. P. Kocópeaiiai. Aor. UopiaSqv. (Part. M*ope<Tpévoj. Xen.
Mem. 3. 11.)
11.    xp"vvvtu *\'* bestrijk. Aor. i\\pia(ta. Perf. »»xpu«r/iai. Aor. lxpü"$1v-
12.    x\'<,vvl\'f>\' *\'* ^"V <!?• Fut. X^<"»- Aor. ix\'oaa. Perf. Ki\\to«fiui. Aor. Ixión\'ïiiv.
Aanm. Voor de Futura op -a< zie men N°. 261; voor de c \'n Perfectum en
Aori8tus Passivi N°. 259; voor de korte stamvocaal N". 256 en 257, en verder
Aanm. 2 van N". 258.
§ 83.
Verba op -/m, volgens ïotijjui.
1.   bviviifu ik bevoordeel (st. ö»a). Als Imperf. gebruikt men 280
dxpiXow van uifyiXLw ik bevoordeel. Fut. ovr\'iaw. Aor. /,\'n»i/rTo.
P. wx\'iizijv ik werd bevoordeeld. Med. ovlva/iat ik heb voordeel. Fut. ól»l\'/-
aofiai. Aor. II. toi>i\'i/i)ii\'. (Optat 1. p. óvai[j.r)v; 2. p. oi/oio etc.
Infin. ovaoSai met onregelmatig accent. N°. 264. 4.).
2.     Trifm\\r\\fu ik vul (st. wAa en ir\\r\\%). Gewoonlijk ifiiriir\\r)fu
{fftiriftir\\i\\fu).
Fut. i/xtt\\i)<tu>. Aor. fvéVAijaa. Perf. èjun-firAr/ica,
P. tf>nrtir\\t)(Tnai. Aor. ti>e7rAj)<T$r/v.
Hierbij nog een Aor. II. Medii iviir\\rifir\\v (Opt. i/urXj/Vlv. Imp. ifnr\\i)no. Part.
IpirXiiitivoc) niet Passieve beteekenis.
3.     irifnrpr]fii ik steek in brand (st. n-pa en 7rp»j&). Gewoonlijk
ifiirlvprifu (t/nrl/X7rpiffXi). Fut. ï/iTrp/jo-w. Aor. lviirpr\\aa. P. èfinéTrpt)a-
fUtl. Aor. £II£7T()|\'/(tS\',)1\'-
Aanm. De p; is na de reduplicatie bij deze twee werkw. voor de welluidendheid
ingelascht, zoodat zij in de composita wegvalt wanneer de praeposieties Iv en avv
voor de w reeds in fi veranderen, bijv. é/"r"r^1/", IpiriirXapai, doch i-\'i>f7n/i7r.\\r)i\'.
De dichters letten echter in het vers hierop niet.
Deponentia Passiva.
4.     ayafiai (st. aya). Aor. riyaoSriv. Iets hoog opnemen, van
daar ik bewonder of >& benijd. Komen minder voor: Fut. ayaaofiai. Aor,
fiyaoaiitjv.
5.     Bvvafiat (st. Suva) t& &aw. Impf. ièvva/xrjv (2. p. tèvino)
Fut. Svi/i)(To,ua<. Perf. StS
Voor het augment zie N". 246 Aanm.
11*
-ocr page 178-
164                                      verba op fit.                    [N°. 280, 281.
6.    ItrlrrTa/jiai ik weet (st. imaTa). Impf. r\\maTaiii\\v, 2. p. ï\\ttI<jt<o.
Fut. ï7rt(rr//(TO/ia(. Aor. T)Tr/.orj}%tii>.
7.     {tpapui) ik bemin. Fut. ipa<r>/i<rofia<. Aor. i\'/oarrri/p. Praesens en
Imperf. worden gevormd van ipaw ik bemin.
8.    Hiertoe behoort ook voor de vervoeging de defectieve Aoristus
tTrpiafXTfv (st. npia) ik kocht. Conj. irptwuai. Opt. -rrpiaifi\\\\v. Imper.
irgiuao en irpit». Infin. npiaaSui. Part. n-pta/uEvoe, gebruikelijk bij
het worlw. uvtofxai ik koop. Fut. ojviiao/xai. Perf. i&vrinai ik heb
gekoeld
of j\'A; 6ew gekocht geivorden. Aor. È.»is>idi)i; «\'& M>erd #e-
fcocR Augm. N°. 247. 5.
Aanm. 1) "Aya/iiu , luva/iat, èvivapat, Kpi/ta/iat (N°. 279. 2), ivinrapiai en
lirpiafirfv hebben in Conj. en Optat. altijd de betooning der verba op -u>.
Conj. aytufiat l&vwftai rff/n.i/mi lirlariaflai irpiuifiat
ayy             livy             \'PWV             èiriary             irpiy
Opt. ayainqv Swai/iijv *pf/i<n/u;i> iirirrraifiriv Trpiai f*r\\v 6vaipit)v
ayaio
          SOvaio         Kpïfxaio          iwiaraia          npiitto         orato.
Doch ÏTTafiat heeft steeds iirrü/Kn, ïpafxai steeds Ipüfiai.
2) Tot de verba op -/j< moet ook het onpersoonlijke
Xp/j /ie£ «\'s noodig, oportet teruggebracht worden, wijl het ont-
staan is uit het Substantivum \\p{} = \\ptia behoefte en het werkw.
tïfxl ik ben.
Praesens.
Indic. xp{) (fanv) het is noodig. Conj. %py (=xpn y)- Infin. \\pïjvai
(= xp\'l üvat). Part. xptlóv (door metathesis voor xpn óvf).
Imperfectum.
Indic. xp^v (= XP1» \'\'") °f \'XP^"- Optat- XP£"J (= XP7) \'ï»»).
Futurum.
Indic. xpfjora\' (= XP1? \'<"•«\')•
Zelden en twijfelachtig \\pqau waarvoor men in Att. Proza doorgaans $ti]9u
gebruikt.
Men verwissele hiermee niet airóxpi het is genoeg van een stam X9"- 8. p. Plur.
airoxpdotv. Infin. airoxpfiv. Partio. diroxpüv • üaa - üv. Imperf. awixpr\\. Fut.
airoxpv»11\' Aor. airsxpi"1^)\'
§• 84.
Verba Anomala op fiu
281 I. Eïfu ik zal gaan. Futurum bij het defectivum ïp^ofiai ik
ga
, kom. Als Aoristus bij tpxojuat gebruikt men »}ASov (voor
-ocr page 179-
N°. 281.]                                VERBA OP ui.                                           165
jjXvSov) en als Perfectum èXi\'iXvSa, met Attische reduplicatie (N°.
249) van een stam IXvSw gevormd.
"Epxofiai komt alleen voor in den Indicativus Praesens; de
overige vormen van het Praesens en het Imperfect, worden ge-
nomen van il/xi, zooals volgt.
"Ep\\n/jiai, itfxi, fiX&ov, IXt\'iXvSa.
Stam J.
Num.
en Pers.
Indicat.
Conj.
Optat. Imperat.
I n fin.
Part.
PRAESENS.
Sing.
1
ipX"fat
iia
üi\'at
l\'Ül\'
2
fpXfi
.yt
Ï9«
tovoa
3
fpX*rai
\'V
ITW
tnv
Dual.
tpXtnSiv
ir)Tov
ITOV\'
(Gen.
Plur.
1
tpX"Hl^a
iwfili\'
inVTOQ
2
IpXfa&t
\\r\\Ti
ITl
iouat\\Q)
3
tp\\ovr ai
"itxill
iÓVTttiV
of "nwaav
IMPERFECTUM.
Sing. 1
2
3
Dual.
Plur. 1
2
3
ya (yftv)
ptiC (yuaSa)
yu(v)
yrnv
ypiv
i"
ynav {yittav)
loittv-wi/ii
ÏOIC
ïot
i\'nirqv
ïoifiiv
ïoir«
lottv
\'
Indicat.
Futuri.
A 0 R I S T U S II.
Indic.
Conj.
Optat.
Imper.
Infinit.
Partic.
Sing. 1
tlfii
flXSov
AJw
IX&atfU
2
tl
il\\$>«;
IXdyt
éX^oic
iXSé (No. 264.4.)
I\\9«ïv
IX&uv
3
»Z»l(l\')
>}\\9é
iX$y
iXSot
IXSério
IXÜovaa
Dual.
ITOV
fl\\$\'tT7\\V
l\\$t)rov
i\\do«ri)t>
ÏXSlTuV
IXdtv
Plur. 1
1/ltV
ijXSofitv
i\\$wlttv
tXHoiiiiv
Gen. -óvroc
2
Iri
?/A9ere
IX&qTt
Ï\\$01TI
IXSlTt
•ovartq
3
iHm{v)
fiXüov
i\\$tufft(i>)
iXSotiv
l\\$>VT*av
•ÓVTOQ
De liilinitivua en het Participium Praesentis en de Opttitivus van het Imperfec-
-ocr page 180-
166                                  verba op pi.                  [N°. 281, 282.
tum hebben tevens de beteekenis van het Futurum, zoodal deze vormen als dusda-
nig ook bij het Futurum gebruikt worden.
282 II 4*»j/w( ik zeg, gaat volgens ïarnfu, doch is oxytonon en
enclitisch, behalve in den 2. p. <f>fc (N°. 13.) Het Imperf. Jf^rjv
geldt als Aoristus bij Xéyto ik zeg. Het Futurum 0/jo-iu, de Aor.
I. {(prjaa en al de vormen van het versterkte Qaaicw hebben de
beteekenis: beweren, bevestigen, ja zeggen, welke beteekenis de
Indicativus Praesentis $t\\ni ook kan hebben en dan is deze niet
enclitisch. Aldus:
— 1. (f>r\\fii ik beweer, bevestig. Conj. famcio. Infin. tpaaiciiv. Part.
(parrKMv. Imperf. ttpaoKOV. Fut. 0tjerci>. Aor. hjninra.
2. <p)]fii of Xtyu) ik zeg. Fut. èpw. Aor. tlnov of i<f>t)v. Perf.
etpr/ica - Hprj/uat. Aor. P. èppi\'/Sr/i». Fut. III. ilpi\'iaofiai.
Stam <pa.
AOBISTI.
Num.
Praesentis
Indicat.
en Pers.
Indicat.
Conjunct.
Optat.
Imperat.
Infinit.
Partic.
Sing. 1
0V\'
i(f>t\\v
ffyui
Qaiijv
2
<Pm
tiptioüa
tfjf
0alt](
0adt
tpUVltl
tiirmv
3
<f>r\\ai
(01)
00
jaiil
farm
•ovaa
Dual.
•piróv
tipari)v
tprJTOV
tpa\'tTHV
</>arov
•óv
Plur. 1
Qafiév
tfyapiv
(pwfitv
Qaipilv
(0óc dicht.)
2
ipari
iQart
<Pv\\Tt
ipaïrt
ipan
3
ipsai
fyaaav
(pUIIL
fyaïiv
Qavrutv
De overige vormen van het Praesens ^jjjui\' ik zeg, worden
evenals het Imperfectum genomen van \\(yu>.
Verder vindt men nog bij Homerus en ingeschoven in de oratio recta bij Plato
in plaats van ipriiti, l$riv en t<pij de vormen rmi zeg ik, ijv S\' lyü zei ik, ») S\' 8c
zei hij.
                                                                                                      »
Het Futurum IpiS en de Perf. üpi\\Ka, (tpnftat komen van een stam Fipi: Perf.
Fi*hpi\\Ka, Ftrlptiiiai N°. 241, de Aor. f.pprfiiiv door metathesis van den stam Fpt.
Over den Aoristus tlvov zie N°. 249. 4.
De Aoristus II. elirov is een tempus mixtum (vergelijk N°.
273. b.), die gedeeltelijk de uitgangen van den Aor. I. aanneemt.
Hij wordt gewoonlijk vervoegd:
Indic. ilirov, tlnat;, eiire{v), tliraTijv, uirofitv, tiirart, t\'nrov.
Imperat. tlirê (N°. 264. 4.), ilirarw, titrarov, utrart, tnróvrwv.
-ocr page 181-
N°. 282, 283]                 verba anomala.
167
3 Xêyüt vormt zijn tijden regelmatig in de beteekenis van
spreken: As£<i>, ÏXe^a, XéXty/iai, iXtx%r\\v, XexStiao/xat.
4. BiaX&yofjiai ik onderhoud mij, ik redetwist, ik onderhandel,
is volgens N°. 237 een deponens passivum. Fut. SiaXê^o/tai. Perf.
SieiXtynat. Aor. $teXéx%yv- Act. haXêyetv beteekent uitkiezen,
onderscheiden.
5 In de overdrachtelijke beteekenis van lezen, dat is verza-
melen,
vindt men veelal avXXiyva, avXXt^o), awtXi^a, avvti-
Xo\\n
\')» aweiXtyfiai, crwtXtyrjv. Als Dep. P. zich verzamelen,
N°. 237.
6. In samenstellingen vindt men in plaats van Xlyuv zeggen,
spreken,
gewoonlijk ayoptuuv, wat de verdere stamtijden dan
van Xlytj aanneemt en als simplex slechts in Praesens en lm-
perfectum voorkomt, bijv : cnrayoptvw ik verbied of ik word af-
gemat
(N°. 229). Fut. airtpió, avayoptvto ik kondig luide af,
avtpü, avttnov, avtiptiica,
enz.
Doch avTtXiyuv tegenspreken, smXêyttv ergens iets bij zeggen,
een rede sluiten, irpoXiyetv voorafspreken.
VERBA ANOMALA OP -w.
§ 85.
Reduplicatie in het Praesens.
1. Behalve bi^de verba op -fu vinden wij ook bij vele verba
op -w in het Praesens een reduplicatie voor den stam, gevormd
\') Ein auffallendes «i srscheint in den Att. Perf. *ïXij0a, auvii\\oyn, nvviïKacTai.
Mit den normalen Formen XtXaftr/ra bei Herodot., irpo\\(\\iyn\'ivoi bei Aristophanes,
\\i\\nyxaoi bei Homer lassen sie sieh auf lautlichem Wege nicht vereinigen. Es ist
tnöglich, dass es nur Neuschöpfungen nach üptjica sind. fi\\i/Y" \'sl< auch mit sei-
nem i\\ jedenfalls eine Analogiebildung. Dies ti ist spsiter sogar in den Aorist ge-
drungen: TrapeiXrj^Sijirav, $ui\\ix$\'l- (Gustav Meyer, N°. 846.). Curtius Verbum.
II.\' p. ISO. \\f\\>i<pa • {.\\i\\tjijta - ï\\\\i]<pa • tl\\i}<pa.
-ocr page 182-
VERBA ANOMALA.                 [N°. 283, 284.
168
door de herhaling der eerste consonant met tusschenlassching
eener t.
De voornaamste dezer werkwoorden zijn:
ylyvo/iai ik word (voor yiyïvofiat, st. yev), whma ik val (voor
trnrÏTw, st. 7rtr), tiktid ik breng voort (voor titIku , door omzet-
ting tIktw, st. t£k">. Deze drie verba hebben tevens de t van
den stam in het Praesens verloren.
Verder j3«/3pó><Ticw ik eet, yiyvüoKw ik leer kennen, SiSpótricw
ik loop, fu/xviioKw ik breng te binnen, wtirpaoKw ik verkoop, ti-
rpaw ik boor,
rn-poWw ik wond.
Zoo ook /iijui\'io, dichterlijk voor /iivw, ïa\\ta (uit aial\\üi) voor ï\\ia ik heb, ï(w
ik zet mij (uit ai-zlw), ió^w ik schreeuw (uit ^i^ójfiu), ÏXXw ik wentel (uit ft?\\u>),
wiiriarta ik drenk,
cicXqaicu ik roep etc, die niet of zelden voorkomen in het at-
tische dialect.
2. Deze reduplicatie blijft evenals bij de verba op -(u alleen
in het Praesens en Imperfectum, doch valt in de overige tijden weg.
Uitgezonderd zijn SiSóo-kw ik onderwijs (N°. 292. 2.) en /3<j3a£(u
ik doe gaan (N°. 261. 2.), die de reduplicatie ook in de andere
tijden behouden.
Aanm. Hiertoe behoort ook nog vtrmxviojiai ik beloof, samengesteld uit viró en
oiaixiopat N°. 295. 4.
§ 86.
Metathesis \').
284 1. Door metathesis (jxtTa en rfötyit) verstaat men de plaats-
verwisseling van een vocaal en de daarop volgende liquida.
2. De metathesis heeft bij de verba in het algemeen slechts
plaats in het Praesens voor den uitgang -<jkw, of bij andere
verba in de Perfecta of in den Aoristus Passivi.
\') Die Annahme der metathesis macht nicht unbedeutende Schwierigkeiten ;
deshalb bat Brugmann diese Erkliirung durch eine andere zu ersetzen gesucht, nach
weieher r\\ ein an die sehwache Wurzelform (irX, k\\) angetretenes Suffix ware. Diese
Erkliirung würde dann auch für anhliche Wurzelformen mit a (r\\a) und «i (ycw)
gelten, wo das Suffix a und ö lautet. Der griech. Vocalismus macht im Kinzelr.cn
noch manche Schwierigkeit, . . . Anders wieder urtheilt über einzelne dieser Wur-
zelformen Osthoff zur Gesch. d. Perf. 367. (Gustav Meijer, p. 40, N°. 35 nota.)
Curt. Stud. V. bl. 197. Curt. Verb. I*. p. 281. 194.
-ocr page 183-
N°. 284.]                         VERBA ANOMALA.                                   169
Het Futurum en de Aoristus II Activi worden gewoonlijk van
den zuiveren stam op de gewone manier der verba liquida gevormd.
3.     De stamvocaal van het Praesens der verba die metathesis
hebben, is of voor den uitgang -o-kw in den van nature langen
klinker verlengd, of is lang door positie (N°. 267), bijv. Stvt\'ioKio
ik sterf,
st. Sav: /3aAA(u ik werp, st. /3aA : kó/jivw ik vermoei
mij,
st. Ka/u.
4.     Na metathesis van den stam , welke alsdan op een klinker
uitgaat, worden de Perfecta op -*a en -/uai en de Aor. P. gelijk
bij de verba pura, gevormd door de uitgangen -ko, -nai, Sijv
achter de verlengde vocaal te plaatsen.
1.     BaAAw ik werp, st. /3aA: door metathesis j3Aa. Perf. /3t-
j3Ar)ica - fxm, lj3A//Snv.
Fut. /3aAü. Aor. II. ?/3aAov.
2.     9vr;<ricci> ik sterf, st. Sav: door metathesis §va. Perf. Tt$-
vrjica ik ben dood. N°. 288. 2.
Fut. Savovfiat. Aor. II. tSavov
In proza gewoonljjk airo8rvfi<TKu> een geivelddadigen dood sterven.
3.     Kófivo) ik vermoei mij, st. ku/x : door metathesis K/ia.
Perf. KtK/urjica.
Fut. Ka/xovfxai. Aor. II. ÏKUfiuv.
4.     Té/ivo) ik snijd, st. rt/i: door metathesis r/ut. Perf. rir-
fir)Ka - fiat , lTfir)%r)v.
Fut. TlfXW. Aor. II.                            (N°. 265. 3o. 6)
Hiertoe bebooren verder:
5.    B\\(ü<rr(u ik ga, st. /m\\ , door metatb. /iXo , na verlenging der vocaal /Ai.Wm
wegens de welluidendheid /3\\witjcw. — Perf. juéfj|3X<<)Ka : voor /lé/iXwro, waar de |3
voor de welluidendheid ingelascht wordt.
Fut. poXovfiai. Aor. ipoXov. (Xen. An. VII. 1. 33.)
6.    Aé/ti* ik bouw, verlengt de vocaal niet (N°. 267), st. Si/i, door metath. S/it.
Perfta liSnt]ica, e\'sfyirj/mi. Aor. Act. thi/m.
7.    Bpwaicti) ik spring, st. Sop: door metath. Spo. Fut. Sopoü/ani. Aor. II. t5opov.
8.     S<-fX\\w !& rfne verdorren, st. <rrê\\, door metatb. <ricXf. Perf. f<j«:Xr)iru »A verdor.
Aor. II. forXiji\', (N°. 287. 12.) Fut. II. <ncXi;fo/iai met Passieve bet. dor uorden ,
verdorren.
Men kan hiertoe terugbrengen het werkw. xa\\iu ik roep, wat in het Praesens
niet de vocaal maar den uitgang versterkt, van welken versterkten uitgang de Aor.
UaXiaa gevormd is, terwijl de overige tijden gevormd zijn door metathesis, van
den stam *Xa.
-ocr page 184-
VERBA ANOMALA.                     [N°. 284, 285.
170
9. KaXth). Fut. kiiAw. Aor. licaXsaa. Perf. icéicX^Ka - k:\\-Xr//jat.
Aaxm. 1) Bij Homerus is de metathesis ook veelvuldig in den Aor. II, waar-
door de lengte door positie soms vervalt, zooals in ïtipaSnv bij $ap$avu> ik slaap,
tfipaicov
bij "ipKofiiu ik zie, iwpaSov bij irépSu) ik verwoest, Irpawijv bij Tipirio ik
verheug,
»//i(3porov bij afiapTavot ik faal.
2) Zoo ontstaat uit den stam amp, waarvan aropévvvfii en irrópvi\'/ii het werkw.
trrptbvvviii (N°. 279. 9.), zoo de dicht, vorm /itp/3X.ërac 3. p. s. Perf. van fti\\u>,
gelijk fiifi(i\\ioira van 11\\üiiku>, en wéirpwrai het is door het noodlot bepaald, van den
stam ?rop. Aor. tiropov i\'i verschafte, etc.
§ 87.
Eenige werkwoorden op -w, vooral met de e tot stamvocaal,
hebben in sommige tijden deze stamvocaal verloren. Andere
werkwoorden op -w vormen hun Aoristus of Perfectum volgens
de verba op -ju« en werden Aoristi syncopati of Perfecta synco-
pata genoemd, omdat men ten onrechte aannam dat kenletter
en bindvocaal gesyncopeerd of uitgestooten waren.
I. Verdwijning der Stamvocaal.
De t van den stam verdwijnt:
1) In den Aor. II. Voornamelijk bij de volgende verba:
1.    iytlpuj ik wek. Fut. i%-tytpü>. Aor. 1. fiyupa.
Pass. iyupofim ik word gewekt. Aor. riyêpSnnv.
Med. èytlpofiai ik word wakker. Aor. II. i)ypófir\\v ik werd
wakker.
Inf. i£iypeo%ai. Part. iypó/Atvos (als van een Praesens
ïypo/xai). Wegens zijne beteekenis behoort verder tot het Med.
het Perf. II. typjjyopa (N°. 249. 3. A.) ik ben wakker, ik waak.
riypófitiv etc. voor r\\ytpófir\\v.
2.      ntrofjiai ik vlieg. Fut. irrriaofiai (N°. 284 ook irirfiao/iai). A.Or.
£7TTO/uj)V (voor lirirópnv) en ïirrijv (N°. 287. 11.). Perf. iriwórtifim (van \'t dicht.
irOTaojlat).
3.    <f,iptti ik draag. Fut. oiaio. Aor. II. rivcyicov. Perf. tviivo\\a
(N°- 266. A. 3.), tvfivtyfiat. Aor. P. ^ty&ijv.
De Aor. II. rtvtynov is evenals ilirov (N°. 282. 2.) een tempus
mixtum en wordt als volgt vervoegd:
Indic.
Kart, rjveyxov.
Imper. ivryicc, «veyicarw, IviyKart*
-ocr page 185-
N°. 285—287.]                verba, anomala.                                    171
yviyKov. st. tvtic uitg. Ivtxnv: att. reduplic. (N°. 249. 4.) Iv - iviitov, met augm.
fivivtmov, na verdwijning der stam vocaal ijviyKov.
Vergelijk verder !n\\ov, i»iró/it)v voor lai\\nv en iriaiirn/txiv N°. 265. A. 4. en
j)X5ni/ voor fjKvSov N°. 281.
Bovendien rjypiro 11. H. 434. il 789 van ayiipto st. ayip :
lirXófiriv Aor. II. van itéXo/kii !& ben, st. »rA (Part. wepurXó^icot) :
de defectieve Aor. II. iirtQvov ik doodde van een st. ^»v (vergelijk ó ^<ioc rfe
moord), bij Homerus.
2)    In deze Praesentia, die met reduplicatie gevormd zijn: 286
1.     ylyvo/iat ik word (voor yiyêvo/uai) van den stam yiv. Fu-
turum en Perf. op -fxai van den stam ytvt. N°. 296.
Fut. yevi)ao/jiai- Aor. II. tyevó/ii}v. Perf. II. "ytyova. Perf.
op -fiai, yeysvij/xat.
\'Eyei\'ójuijv en yiyova dienen als Aoristus en Perfectum bij
ilfxl ik ben.
2.     TriTTTtD ik val (voor wnrirw), st. wit. (N°. 283.).
Fut. wiaov/iai (N°. 261.). Aor. II. twtaov (voor tnsrov).
Perf.
Miirrwra kan verklaard worden uit een door metathesis verkregen sterken stam
irrij, waarvan de ij in w is overgegaan, gelijk ïppuya van flliyvvfu (N°. 266. A. 2.),
zoodat het deels volgens het Perf. I en deels volgens het Perf. II gevormd is.
3.     t\'iktu) (voor rtriKw, No. 283), st re* ik breng voort. Fut.
ri^o/iui. Aor. II. irtKov. Perf. II. tétoko.
Zoo het dicht, pifivw (voor nipivi.i) = pivu ik blijf, en tit^w voor aioixw
(N°. 283.).
3)    In de Perfecta wtwTafxai van wtTavvv/M (No. 279. 3.)
(voor ireTriraafjiai), st. wtra, en KtKpa/jai en den Aor. P. Hotijiiu
van Ktpavvv/u (N°. 279. 1.) (voor iceidpaafjiai en tKtpóa&jjv), st.
Ktpa. Zoodat deze vormen na het verdwijnen der stamvocaal
de c verliezen tegen N°. 259.
II. Aoristi en Perfecta volgens de verba op -/u«.
A. Aoristi.
Eenige Aoristi van verba op -w worden vervoegd volgens den 287
Aor. II. bij de verba op -fii (N°. 273—275). Zij zetten de uit-
gangen onmiddellijk achter den stam,
zonder kenletter of verbin-
dingsvocaal
I
-ocr page 186-
172                                           VERBA ANOMALA.                                [N°. 287.
Hier zijn dus voor de verschillende vormen de regels van
N°. 273—275 van toepassing \').
1)   de Indieaticua heeft in alle numeri den langen klinker.
2)   Cimjunctivm en Optativu» zetten de uitg. -w -it)v achter den korten stam,
waarmee de stamvocaal samensmelt.
3)   de Imperativu» gaat uit op -&i, en heeft in alle personen, behalve in den 3lle"
p. Plur. de lange vocaal.
4)   de Infinitivus zet den uitgang -vai achter de lange vocaal.
5)   het Participium wordt gevormd op -vrc. (N°. 40).
De Aoristus wordt aldus gevormd bij de volgende werk-
woorden :
1.    aXidKonai (st. a\\o) ik word gevangen, ingenomen. Pass. bij
a\'tptw, N°. 258. Fut. aXwoofxai. Aor. taXo>v. Perf. taXwua (ook
r\\Xwv, TjAoHca, N*. 247 6.)
Indic. taXtov , ïaXwg , saXo), ïaXaiTtfv, ïaXw/iiv, iaXwn, éaXpooav.
Conj. aXw, hX(ï>g , aXiji, aXiZrov , aXiöfisv , aXwrs, aXiZai.
Opt. aXott)v. Infin. aXwvat Part. aAovf, aAoüo-a , aAóv.
2.    BaiVw (st. /3a) tfc (/«. Fut. ftt\'iaoftai. Aor. ?/3>ji>. Perf. fiïfiwa
en in Composita Perf. P. -/3t\'/3ajuat. Aor. P. -«j3aSrjv.
Indic. t/3r/v, t/3iïc > È\'^f) 6/3»\'jtj7v , ffiq/itv, f/3ijrE, tfitioav.
Conj. /3tü , /3»Je etc. Opt. /3afyv etc. Imper. /3»j2r<, /3i)rw,
/3»jtov , fiïjre , j3avrwv.
Infin. /3^at. Part. /3óc, /3óo-o, (5av.
3.    (B«ow) (st. j3io) ik leef. Dit werkw. komt niet voor in
Praesens en Imperfectum , doch wordt daar vervangen door Zaw,
?ye i 2\'J > K^tov , Z,ü)(xtv, £ijr£, £öio-i. Optat. Zqriv. Imper. £ij.
Infin. Zï». Part. Süv: gen ?wvroc. (N°. 260. I. A.).
\') Deze Aoristi zijn evenals ïart\\v zonder verbindingsvocaal van den stam gevormd
door voorplaatsing van het angment en achtervoeging der uitgangen van het Imper-
fectum. In het Singularis was de sterke stam, in Dualis en Pluralis de korte,
zooals bij ISojkh , i/ta, é^ijicii , doch de lange vocaal van het Singularis is later in
Dualis en Pluralis gebleven.
Ook de Aor. I op -<ra is oorspronkelijk zonder bindvomal gevormd. De historische
tempora toch van het Activum hadden als primitieven uitgang van den eersten per-
soon -m, die na vocalen tot v is overgegaan, bijv. Iwaütvo-P, liriiraiStvicti-v,
ïQcpo-v, iriiriv, tnri\\-r,
en na consonanten wegens de uitspraak in een klinker
moest veranderen: iwaiütva-m werd alzoo Ireaitwoa, welke a verder in alle perso-
nen, behalve de 3. p. s., gebleven, en dus eigenlijk geen bindvocaal is.
Zie voor de Perfecta Curtius Philippica. Verbum. II\'. p. 188.
-ocr page 187-
N°. 287.]                                VERBA ANOMALA.                                             173
Imperf. t^wv. Fut. £i/<r<i> of fiitjaoftat. Aor. È/3cW. Perf.
ptfitwica.
Perf. P. onpersoonlijk : ficfilwral poi ik heb geleefd.
Aor. Indic. Ifiïwv = ta\\u>v- Conj. (3uC = a\\<Z. Opt. (ii^rjv (onre-
gelmatig gevormd met de lange vocaal). Infin. fitwvat. Als Partic.
gebruikt men (5iu>aag. Gen. fiiuxravTog van den zelden voorko-
menden Aor. I. ifiiwoa.
4.     TiyvwaKU) (st. yvo) ik leer kennen. Fut. yvwao/uai. Aor. tyvuv.
Perf. tyvtüKa , ïyvtoafxm. Aor. iyviïia^mv.
Aor. Indic. e-yvwv = tóXwv. Conj. yvü = a\\w. Opt. yvolrjv.
Imp. yvwSi 3. p. P. •yvóvron\'. Iufill. yvwvat. Partic. yvove;,
yvovaa, yvóv.
Gen. yvóvroc;.
5.     AjSpawicfü (st. Spa) ik loop teeg, komt slechts in composita
voor met de praeposities awó, Sta , i£. Fut. -Spao-ojua«. Aor. -sSpav
Perf. -S£\'8paKa.
\'Aor. Indic. -tBpav, -t8pae, -£§pa, -tSparnv, -ïSpïi/jiev, -tSpare,
fSpav.
Conj. -Spa», -8p<j.Q, "Sp£, etc. Opt. -Spa(\'ijv, etc.
Infinit. Spavat. Part. -Spae. Gen. Spavrog.
• 6. Avw (st. Sv) ik hul in. S°. 254. A. 3.
Aor. Indic. ïSw, tS^c , tSu , etc. Conj. Svw, Si^e, etc.
Opt. Sioifju.
Imper. BvSt. Infin. Svvai. Part. SDe- Gen. Svtroc.
Beteekenis van Siat en zijn composita.
Vijf composita van e~ita : ivSiu) ik trek (een kleed) aan, Utiiu, cnraBiu) ik trek
uit, leg af, wipiSiiia trek uit, Karaf uw ik doe ondergaan, zinken
(een schip), hebben
in den Aor. II. -«<W en het Perf. SiSvKa de intransitieve beteekenis van het Me-
dium, terwijl het Praesens, het Futurum en de Aor. I. Activi transitieve beteekenis
hebben, bijv.
Act. airoiiiü) ik trek (een ander een kleed) uit. Fut. airoiiiria. Aor. airiivaa.
Med. aitotiofiai ik trek (mij zelven een kleed) uit. Fut. •lioopai. Aor. II. -icvv.
Perf. SfSvKa,
Pass. airoSidvpat men heeft (mij een kleed) uitgetrokken. Aor. -W«$ijv. Fut. -<Su3i\'j<to/«u(.
Van het Simplex en de overige composita bestaan alleen de vormen met intransi-
tieve beteekenis, bijv.
Med. Siouai (bijvorm iïivui) ik ga onder (van de zon etc). F. tvaouat. Aor. II.
•ISvv. Perf. -$iiïvKa.
Zoo ook civadvioSai opkomen, opgaan (der zon), virodviirSat onder iets duiken enz.
.
-ocr page 188-
174                                            VERBA ANOMALA.                                [N°. 287.
Wegens zijn beteekenii behoort hierbij d/t^iÉi/vvfu N°. 279. 6. Bijv. Xen. Cyr. I.
3, 17. üa?c P\'fiC i /iiKpbv ïx<vv xt™va < "»I8a fwtpbv, uiyav ix0VTa jfiriiva ,
fVfi\'/Taf auröi>, róv /»€f iauroB èke!i>ov rjfupiioi, töv b" IkiIvov abrot Iv\'tbv.
Men vindt nochtans airobibvKiv in transitieve beteekenis bij Xenophon Ac. Y. 8. 23.
7.    \'Ptw (st. pvc N". 240) ik vloei. Fut. -pvi)aopai. Aor. Èppuijf.
Perf. tppüijica: N°. 255. 5. Het Fut. gewoonlijk in samenstellin.
gen t(C\'oi"\';<To/(<u-
Aor.Indic. èppu»|v = ïfitjv. Conj. pvw. Opt.pvdtfv. Imper. pvTiSrt.
Infin. /óuïji\'at. Partic. pust"?.
8.     SfSévwpi (st. ff/3f) *& blusch uit. N°. 279. 6.
Aor. Indic. ïofinv — *j3>jv. Infin. afirjvat. Als Participium
gebruikt men liever ofitoSeis van den Aor. I. Pass.
dan <r/3ttc-
9.     $5avw (st. 0Sa) i& voorkom. Fut. fSi\'iaopat. Aor. I. fySèfo-a.
II. té$ni>. Perf. tySaiea.
Aor. Indic. t^ni» = tj3»jv. Conj. 0$<J. Opt. ^Sai\'ijv. Inf.
^Sjji/en. Particip. gewoonlijk van den Aor. I. fóaaaQ in
plaats van <pSag.
10.     <l>uw (st. <jtv) ik breng voort of ik doe groeien. Fut. fvaw.
Aor. I. ï<pvau.
Med. (pvofiat. Fut. (pvaofiui. Aor. ü^Ci», groeien, worden.
Perf. Act. trtyvKa , «an nature zijn, «i/w, plegen
Aor. Indic. e^ü» , fyüt; , fyü, etc. Conj. 0)\'a>. Infin. <pï>vai.
Partic. ^üy.
Nog behooren hierbij:
11.    niropat li Wj\'ey N°. 285. 2 met den Aor. twrijv (st. jrra). Opt. n-raïijv
Infin. irrïjvai. Part. wrac.
12.    SicéXXa» *\'* doe verdorren N°. 284. 8 met den Aor. fVcXqv (st. <r«\\a) ik
verdorde. Opt. a»\\air\\v. Infin. irrXijrai.
13.    (TXij/u) een niet voorkomend Praesens met Fut. rXq<ro/tot. Aor. trXtji\'
(Xen. CyrwIII. 1. 2.). Perf. rirXijra (N°. 289. 7) ik verdraag, duld.
Aor. Indie. érXijv (st. rXa). Conj. rXü. Opt. rXaiqv. Imper.
rXijSt. Infin. rXijvot. Partic. rXóf, meer gebruikelijk dvarXijvai.
14. Xaipuj ik verheug mij, N°. 296. 12, met den Aor. lxapt\\v ik verheugde mij.
Opt. xaP"1v- Infin. x"P\'iva,- Part. x"P\'\'i\'-
Aanm. Met deze Aoristi komt nog overeen de Aor. II. ïoxov van fyto N°. 265.
Aanm. 4., de Infin. yqpavai bij den Aor. van het werkw. yrjpaatui N°. 290. 6. en
de Imper. n-tdt van den Aor. II. van riva N". 298. 6.
-ocr page 189-
N°. 288, 289.]                verba anomala.                                    175
B. Perfecta.
1)     Sommige Perfecta Activi met hunne Plusquamperfecta zet- 288
ten in Dualis en Pluralis van den Indicativus en in alle numeri
der overige modi de uitgangen onmiddelijk achter den stam zonder
kenletter of bindvocaal.
2)     Zij komen dus in de vervoeging met de verba op -/u« o ver-
een en nemen ook als uitgangen aan in den Conj-w. Optat. -it)v.
Imper. Si. Infin. -vm, doch het Participium gaat uit op -u>q.
3)    Zij hebben Praesens-beteekenis en zijn: tarr\\Ka ik sta,
Ti$vt)Ka ik ben dood. N°. 284. 2. /3f/3ijica ik ben gegaan (N°.
287. 2.), olSa ik weet, SêSouea ik vrees, KÓcpaya ik schreeuw
(N°. 266.).
Het Plusquamperfectum heeft de beteekenis van een Imperfectum, en hierbij
hebben r&vqica, £<rr»)*a, cécpSya en niht een Futurum III, TiSvriZw ik zal dood
zijn
, \'t(iT\\\\\\<ti ik zal staan, KucpaZofiui ik zal schrteuwen, üirofiat ik zal weten.
4)    Dikwijls ook vindt men de regelmatige vormen van deze tijden, bijv. Xen.
An. I. 1, 6. al \'lutviKai iróSus a0(i<rW,ic«ffai> (voor &<j>ioTaoav).
1.     Yoor de vervoeging van 2o-rijica zie men het paradeigma
bl. 155. Men lette er op, dat het augment van het Plusquam-
perfectum (N°. 247. b.) alleen in het Singularis blijft.
2.     TïSvjjica ik ben dood (st. Srva), vormt het Partic. op tó>c
voor awg.
Indic. Perf. r&tojica , rtS\'vjjKae , T&vriKt, TiSvarov, TtSviï/xev ,
TÉStvare, TE&vaat(v).
Plusqp. IrtSfvfiKti, srï3,/)K»}e, iTtSviiKEt, ère&varrjv, cr&va/ucv,
triSvaTt, iTtSviïauv.
Conj. Perf. ontbreekt. Imper. rsSvaföt, re^varw. Infin. rtSvavat.
Participium «S\'yttüc-wo-a. Gen. tsSkéwi-oc.
Optat. Plusqp. Te&vat\'rjv etc.
3.     BêfinKa -ac -£. Dual. fSèfiarov. Plur. /&/3a,u£v, /3l/3art ,
fiefiaai.
Infin. fitfiavai. Part. /3e/3a)c , /3«/3w«ra.
4.     Van den stam EIA (FtiS), die niet in Praesensvorm 259
voorkomt zijn de volgende tijden gevormd.
-ocr page 190-
176                                            VERBA ANOMALA.                                 [N°. 289.
a)    tlBov ik zag, wat als Aoristus dient bij ópato. (Als
Aoristus II met korten stam voor IfiSov N°. 265 en 247 c).
b)    het Futurum tïo-o/iaj ik zal weten (voor filaoiim).
c)    het Perfect. II zonder reduplicatie olêa ik weet (voor soUa),\')
N°. 266. met het Plusqperf. $%r, ik wist.
A.    De stamtijden van ópaw ik zie zijn als volgt:
Fut. oipofiai. Aor. tlèuv. Perf. tiópaKa en lópaxa. Pass. tüpaftm
of iópufnu en lo/iutu. Aor. P. w<p^r,v.
Over het augment van het Imperfectum èépwv en de redupli-
catie der Perfecta , zie N°. 247. 6.
Het Futurum , het Perf. wfifiai en de Aor. P. wföqv zijn regel-
matig gevormd van den stam oir {w\\[* , uurót; oog, blik, r\\ 6\\pig
het zien).
Vandaar wordt oiftfiat in den 2. p. üif/at, 3. p. Horrat. Dual. oitpiov, etc.
De Aor. II tlSov ik zag , heeft in den Conj. lèw. Opt. lêoi/u.
Imp. («Sa) meer uit het Medium têoïi. Inf. iBelv. Part. t<$ó>i>.
\'l5oi beteekent ziedaar, kijk, welaan. Homerus en andere dichters gebruiken het
Medium iii6ftt\\v in dezelfde beteekenis als het Activum.
B.     Het Perf. o«Sa en het Plusqpf. för) worden als volgt
vervoegd.
PERFECTUM st. iS.
Num.
en Pers.
Indient.
Conjunct.
Imperat.
Infiii.
Partic.
Sing. 1
otiïa
i i\'^ü
fISivat
cï8u>C
2
oiaSix
llSgt
ï<r9t
tiiïvïa
3
ol$t
«tfy
ïffTft»
fiSóc
Dual.
tffrov
iiSijrov
ï<rroi>
(Gen. -(5toc
Plur. 1
ïff/UV
fii\'ij/ifi\'
-w(ac.)
2
iari
fiflijrt
Ï9TI
3
ItSai
fiïwtri
ïartav
\') Das Verbum oi£« hat im allgemeinen seine alte Flexion treu bewahrt: foïla
FoïoSa j^olSt FtSuiv
(att. iiuiv) f\'wrl — die 3. Plural laaaiv ist mit ihreni. a (für
ISavrt) an lart (iitfiiv) laav angelehnt. Nun tritt dafür auch von der 1 Person Sin-
gular olla aus, die Flexion 2 oïtiac, (Quint. Smyrn. 2, 71. 5, 313). Plural. 1 otiapiv
(Herodot. vereinzelt auch im Attischen) 2. otiari (Ar. Ach. 294. Quint. Smyrn. 9,
104.)\' 3. olSani (Herodot., Xenophon) ein.
Die ursprüngliche Form des Particips liegt in FiSvïa bei Homer vor. tiJiic =
.-hcVjc nach i\'iSïvai liliui tiiïiirjv, Femininum iltvïa. (G. Meijer N°. 551. 552).
Curtius Verbum. II.\' bl. 213. ^i/iJilj, rtriivïa.
Zie ook de nota bij N°. 262.
-ocr page 191-
N°. 289.]
VERBA ANOMALA.
PLUSQUAMPERFECTUM.^
Num.
en Pers.
Indicat.
Optativus.
Sing. 1
yiït)-{y$nv)
flSeiriv
2
ySnaSa
iiSiirit
3
ydn(v)
ilSiiri
Dual.
yarr\\v
ei\'^ftrTjv
Plur. 1
ytifiiv
liSflfitv
2
yen
liditTi
3
yaav
lidihv
Aanm. 1) In den 2 p.s. van het Plusqpf. vindt men ook ySiit, ySt\\t en ySiiaSa,
voor de 3 p. Plur. staat in de nieuwere uitgaven meestal yStaav, terwijl yaav zel-
den voorkomt.
2) triivoiiïa {l/tavr^) ik ben mij bewust trekt in den Indic. en Imper. het accent terug.
5.     AiBotKa ik vrees (korte st. Si) is waarschijnlijk een Perf.
van het bij Homerus voorkomende SelSu>, wat echter in het attisch
niet gebruikt wordt. Dit Perfectum heeft ook iu het enkelvoud
een korteren vorm StSta, ofschoon in dezen vorm minder gebrui-
kelijk: SiSm , StSta^ , S(Su , StSt/nev , SêStTt, 8t$iaot(v). Verder
vindt men nog 3. p. Plur. Plusqpf. IStSiaav. Inf. SeStêvat. Part.
SeSoiKwg. Gen. -órog en SeSiiLg. Gen. -wtoq. De Aoristus hierbij
is ïStiaa ik vreesde.
6.     Kêicpaya ik schreeuw (t t. Kpay N°. 70. 4. c.) wordt gebruikt
in de plaats van het slechts zelden voorkomende, dichterlijke
Kpü?w. Van dezen stam komt nog in samenstelling de Aor. II.
av-iKpayov ik schreeuwde (N°. 266.) voor (en zelden het Fut. III
KUepè&ofuu),
Perf. Ind. «Éicpa-ya -ag s. Imper. KSKp«x$\' > KtKpax^e. Infin.
KtKpaytvm. Part. KtKpayuxj.
Plusqpf. Indic. 3. p. Sing. iKtKpayu. 2. p. Plur. iKeKpayeire.
Van de voorkomende vormen gaat dus alleen de Imperat., wiens
uitgangen met de adspirata gevormd worden, naar de verba op /ut.
Eierhij behooren ook:
7.    TérXijca ik verdraag (st. r\\a) komt evenals de andere vormen van dit werkw.
(N°. 287. 13.) behalve eenige malen bij Xenophon en Plato alleen bij dichters voor.
\') Eine alte Aoristform ist ytiia zu oïSa, entstanden aus fiFtidia r/^uSiaa. Es
ist ein sigmatischer Aorist, bei dem der aueh sonst in der Tempusbildung verwendete,
im Griech. als i erscheinende Vocal zwischen Stamm und Endung getreten is. Con-
junctiv dazu is titiu liSü, Optativ. tiSiltiv. (Gustav Meyer N". S66. 3.).
12
-ocr page 192-
178                                           VERBA ANOMALA.                     [N°. 289, 290.
Plur. 1. p. rérXüjUïv etc. Oplat. rerXaïijv. Imper. rérXaSt. Infin. TirXavat. Part.
TtT\\t)<as.
8.    Het Perf. (oma ik gelijk, schijn, waarvan in het attisch voornamelijk het
neutrum van het Partic. in de uitdrukking ei\'eóc iari het is billijk, waarschijnlijk,
natuurlijk
nevens toiurdc, Gen. -<Sroc voorkomt. Verder de Infin. Imxivai (Xen. An.
V. 8. 10.), de Indic. (oma , (omat , iomi, 2. p. Plur. (omare, 3. p. Plur. tïlaoi \').
Bij Att. dichters 2) vindt men ook den Inf. t\'mivai, en bij üomerus het Part. ioiiciic
imvïa, het Plusqp. itptcuv, 3. p. Plur. loitiiav en de kortere vormen ïïktov,
Iïkto
(of ijï/cro) en dfïrni\', voor fiFucrov, l.-é.-mro, i?tf\\KTr\\v, gelijk lorna voor
fkïoiKa regelmatig Perf. II. van den stam fuk N". 266 en 247. 7. met de nota.
9.    Verschillende bij dichters voorkomende vormen, zooals irri-jriSutv 1. p. Plur.
van wiiroiSa; avoix^t, avtiix^ui, avu>x$t Imper. van het Ferf. defectivum avwya
ik beveel; iypriyop\'Si, iyptjyópSai
, iyptjyópSarti van het Perf. lyprjyopa ik waak, bij
lyiipui ik teek; TriwoaSt voor 7CiiróvSari bij iraff^w ik lijd.
§ 88^
Verba op itkw.
290 Do werkwoorden op -(tkw zijn meest van andere eenvoudigere
staramen gevormd en behouden den langeren vorm op oko dan
ook slechts in Praesens en Imperfectum , terwijl de overige tijden
van den oorspronkelijken grondvorm gemaakt worden.
I. Achter vocaalstammen behouden zij de stamvocaal.
1.    apioKio ik behaag. Fut. apiau. Aor. i\'ipeaa. P. j/pédSijv.
2.    Zie cicpaaKti) N°. 287. 5.
3.     Traaft» ik lijd. Fut. irdao/iai. Aor. eiraSov. Perf. irtirovSa.
.
Van den stam 7ra$ (waarvan de S voor de ? wegviel, doch de
adspiratie op de k overging) rb naSros het lijden en den stam mvS,
ntvSoQ de smart.
Men verwissele het Fut. ntiaofiat ik zal lijden niet met irtiao/iai
ik zal gehoorzamen
van ntiSio.
4.    (irtirpaaKui) ik verkoop. Perf. 7rt7rpaKa, iriirpafxai. Aor. lirpaSriv.
Als Fut. wordt bij dit werkw. gebruikt: awoBwao/nai of n-wAj\'/ffw,
als Aor. aweBó/xriv of ÈjrwArjcra , als Fut. Pass. imrpaaofxai, terwijl
het Praesens irnrpaaKtx) in het Activum gewoonlijk vervangen
wordt door irwXiw.
5.    ntüviTKM ik maak dronken, M. ik word dronken, Aor. gew. in samenstelling
1)    Unklar ist 3. Plural. ilZaai jedenfalls keine ursprüngliche Form. vielleicht
nach laaac. (G. Meyer N°. 352. Anm. 2.).
2)    \'EotKa in Attica has fornuis habet: (oma, i\'üamv, imèvai, ti\'eiic et futurum
t!?w. Plusquamperfectum apud Aristophanem est ijst] ut oUa, ySri. Apud Xeno-
phontem nonnumquam lipxiaav scribitur pro üxiaav quae unice vera forma esse
videtur. (Cob. Anab.3 p. XXI.).
-ocr page 193-
N°. 290—292.]                 verba anomala.                                   179
KaTiiiéSuoa, Aor. P. liuMaSnv ik was dronken. Tevens bestaat ftiSvia ik ben dron-
ken,
doch alleen in Praesens en Imperf.
6.    yripaaKin ik word oud, Fut. yripaito/tai , Aor. èyripSaa (Infin. yt\\pavai N°.
287. Aanni.), Perf. ytyijpsxa.
7.     t\'ifiaaisüi ik word man, Aor. r)fir\\oa.
8.    iX&aKopat ik verzoen, i\\a«oixai (Aor. ïKaaannv dicht.).
9.    xatiru) ik gaap (Fut. xavov/iat), Aor. i\\avov, Perf. ti^tiva ik gaap.
of II. verlengen ze, geljjk altijd gebeurt bij de door metathesis 291
verkregen stammen N°. 284, zooals S-vi\'/o-kiü ([5\\u>okw, Spwo-KO)).
1.     lAi/xvi\'iaKU) ik breng te binnen. Fut. uvfow. Aor. t/xvijaa.
Perf. ni\'uviiiiHi memini. Aor. IfivnaSnv. Het Traesens, Futurum
en Aoristus Activi komen gewoonlijk in samenstelling voor,
UVUIUHVl\'l<TKW en VTTOfilfiVriaKU).
Zie voor de beteekenis N". 237. en voor de vervoeging van Conj. en Opt. Perfecti
Hipvr\\iiai N°. 224. 2.
2.     TiTQwaKU) ik wond. Fut. rpwo-w. Aor. irpuxra. Perf. té-
rpuifjiai. Aor. P. Jrpcódqv.
Zie yiyvwoKtü ik leer kennen N°. 287. 4.
3.     StfipwiTKM ik verteer, Perf. /3;/3pw<a P. in samenstelling, ha - fliftpwnai,
Aor. i/3pw9tjv.
III. Consonantstammen en meerdere stammen op -o zetten 292
-<ffKw achter den stam, na wegvalling der o.
1.     avaXidKh) ik verbruik (Imperf. P. av»jAio-icóju»}i>). Fut. kv -
aXuxrw.
Aor. av - iiXuma. Perf. avi\'iXtoKa, dv//Atu/uat. Aor. P^
avrjAw&jjv.
2.     SiSao-Kw J& onderwijs (voor SjSóko-kw , st. &8aic). Fut. §<Sa£w.
Aor. ÉSt\'Sa£a. Perf. St&Saxa, BeSlBay/xat. Aor. IgtS^x^v.
3.     fvpiaicu) ik vind. Fut. ivpr\',a<o. Aor. tCpuv (N°. 265. 2°., tvpé
264. 3°.). Perf. tSpr,™, svprinat. Aor. P. süp^v. (N°. 246. Aanm.).
4.    OTipiaKtü (= cnro«Tipiu>) ik beroof, Med. (jripofiai ik ben beroofd, Fut. Ó7ro-
aripiiato, M. oTepr)Ooi*ai (met Pass. beteekenis), Aor. iariptiira, Perf. aniBTipnKa,
P. loTepnflat , Aor. trrrfpijSi/r.
Zie aXirjKOfiai N°. 287. 1.
§ 89.
Verba op -óvw.
Vele verba worden in Praesens en Imperfectum verlengd door
tusschenlassching der lettergreep av. Zij vormen twee klassen.
12*
-ocr page 194-
180                                            VKRBA ANOMALA.                     [N°. 293, 294.                        \'
293         I. die den Aoristus II van den zuiveren stam vormen, terwijl
zij in de overige tijden als verba pura op -aw beschouwd worden.
1.     aioSavofiat ik bemerk. Fut. ala^iiao/iai. Aor. II. ya&6(aiv.
Perf. yvStiftai.
2.     afjiapravu) ik mis, misdoe. Fut. afiaprt\'iaoftai. Aor. II.
rifiaprov. Perf. ïjfxaprr\\Ka, ri/xapTijfiai. Aor. P. iïjuapri\'/S\'jjv.
3.     avtiavio (= aïi£b>) ik vermeerder. Fut. aï>£i\';<7a>. Aor. I.
tjïi^jjira. Perf r)v1-,r\\Ka, i|J\'ii//<(u. Aor. P. »jïi5>\'/$j}i>.
4.     ó^Aio-kóvw «\'& maak mij schuldig. Fut. ó^At/o-iu. Aor. II.
<v<t>\\ov. Perf. (ïi^Arjica.
Dit werkw. verlengt den uitgang door toevoeging van ktk voor
iokw en behoort in zoover ook tot N°. 292.
5.  fxavSaviD ik leer (disco). Fut. f*a%(ioofjiai. Aor. ïuHSov. Perf.
fxtfjiaSriKa. Hier is de stam tevens door eene v versterkt, gelijk
bij de verba van N°. 294.
Verder:
6.    fiXanravia ik ontspruit, Fut. /SXtiirrr/irw, Aor. II. ïfiXairrov, Perf. s/3\\a<rrijica.
7.    $ap5avu> ik nlnap in, Fut. Sap^qffo/lai, Aor. II. ïiïapSov, Perf. (5(<5ap3i|ra.5 ^ ,
Gewoonlijk *arn£up9a»«o,- ü«-A * O" tJ"i v «TcJ « <>*- *&«^ • C^-<- JfritJi iJJyff"" ,-4*rUct fl\\)óy6-%
8.    drr - fv^avo/iai i& uwc? gehaat, Fut. èLitiy^n<so\\>.ai, Aor. II. dirtjY.&ójmjv. yi/jP-anJ.
Perf. d*%9„,ia..                                                                                   JLtJU"\'
9.    (\'Ait rai\'i.) t& ^//yrf ki< (Fut. ó\\«r&>;<rw), Aor. üXioSov.
10.    ónppaivo/tai ik ruik, Fut. &ofp{)(tofun , Aor. wT</>pó/ir]i\'-
294           ÏI- R\'u deze onregelmatigheid nog vermeerderen door in den stam eene v, \\i of
•y in te lasschen. Deze vormen den Aor. II. ook van den zuiveren stam, maar de
overige tijden gelijk bij de verba muta, doch met verlenging der stamvocaal:
a wordt t), v wordt tu.
1.     XanfiavM ik neem (st. Aa/3). Fut. Xi\'irpofiai. Aor. II. tXafiov
(Aa/3t N°. 264. 3°.). Perf tïX^a, tïXnftfim. Aor. P. iX,\',^t,v.                         (
2.     XavSavu) ik ben verborgen (st. AaS). Fut. A/jo-w. Aor. II.
ÏXaStov. Perf. II. AAij^a. P. XtXrianai. Als Dep. Med. èïriAttvSa-
vo/nai ik vergeet.
3.  Aayxa»"" *& verkrijg (st. Aax). Fut. At;go/uac Aor. II. ÏAaxov.
Perf. tïAi/xa, eïX?|Y/cai. Aor. tX»)^nv. Hierbij ook een Perf. \\i\\oyxa.
4.     rrvvdapoftat ik vraag, verneem. Fut. vivaofiai. Aor. II. t7ru-
S\'o/ujjv. Perf. iriiTurjuui.
-ocr page 195-
N". 294—296.]                verba anomala.                                    181
5.    Tvy\\av(o ik tref, word deelachtig. Fut. rtv^ofxm. Aor. II.
ÏtV\\OV. Perf. TlTU%1}Ka.
6.    Styyiïvuj ik rank aan (st. Siy) , Fut. SLtn/iai , Aor. II. tSïyni\'.
III. Hiertoe kan men de volgende verba terugbrengen, die 295
den stam of alleen door eene v, of door vt versterkt hebben.
1.     tÏvw ik boet (st. rt). Fut. rlo-w. Aor. ïriaa.
2.     §Ï,kvw ik bijt (st. Sok). Fut. Si\'^at. Aor. II. ÏSXkov. Perf
SéB>iyfiai. Aor. iSi\'i\\^r}v.
\'A. \'tKvtofxai ik kom (st. Ik). Fut. \'i^ofxm. Aor. II. fcó/utjf. Perf.
Iflim. Gewoonlijk in samenstelling a<piKvtofiai.
4.     ün-KTxvt\'ojuat ïX- JeJoo/" (Nn. 283. 2. A. st. inro<rx.-e)- Fut.
V7ro<T\\>i(rofxai. Aor II. vtria\\óixr)v. Perf. vTri(r\\t}fiai.
Aanm. Zie verder fiaivtn N°. 287. 2. lAaüi\'w 256. A. cn/urw 284. 3. ri/iru
284. 4. 0»avw \'.\'87. 9.
§ 90.
I. Verba op u>- met tijden als van -tw.
                      296
1.     ax^o^ai i& er^rec my (st. éixS^c)) N°. 257 en 258. 2.).
Fut. a)fii<70[iat. Aor. ri\\^i(T^t)v.
2.    (5ov\\o/im ik wil (st. /3ouAt). Fut. /3ouA/i<ro/uai. Perf. /3é/3ow-
Aq/uu. Aor. i(5ov\\{,S„v. (Nu. 245. A.).
3.     Se7 /«ei is noodig (st. Sw). Fut. Sei\'iati Aor. t&\'j|<T£(v).
Slw ü jmjs, Biriaw, iBiiiaa komt persoonlijk voor in de
uitdrukkingen iroXXov, oXiyov Stw etc., er scheelt veel, weinig
aan dat ik.
Sêo/iai ik héb noodig, verzoek. Fut. ?>i^aofiai. Perf. ScSlq/uat.
Aor. i&»\'/£i}v.
Zie voor de contractie N°. 260. II. A. Verder Slw ik
bind. TS°.
258.
^ 4. töt\'Aw (= SAw) »\'& wil (st. StAt). Fut. è&tAi\'/«rw. Aor. r)§(-
Xriaa. Perf. ij^lAriKa.
5.     Van den stam Èp-e worden gevormd het Fut. tpfiaofiai ik
zal vragen,
en de Aor. iipó/mn ik vroeg, gebruikelijk bij het
regelmatig werkwoord tpwraw ik vraag.
-ocr page 196-
182
[N°. 296, 297.
VKRBA ANOMALA.
6.    fiaxonai ik strijd (st. fia\\t). Fut. fiaxovfiut (N°. 261. B.).
Aor. {fia\\iaaiJitfv. Perf. fxt/ia\\r)fxat.
7.     fitXtt (jxoi nvoc) het gaat mij ter harte (st. /utXe). Fut.*
fit\\i\'i<rei. Aor. tfiiX^at. Perf. /ufiiXriKe. Compositum /xera/jtlXet
fxot het berouwt mij.
Het Medium wordt als Deponens Passivum gebruikt in de
samenstelling ImfitXonai of lirifieXovfiai ik zorg l). Fut. Eiri^EA/jo-ojuai.
Aor. £TT£/U£A/;3\'»}l>.
8.     fitXXt» ik zal, draal (st. fitXXt). Fut. /ueAA/jo-W\' Aor. ÈjueAAjio-o.
Als augment ook n volgens N». 245. A.
9.     o?o/iat ik meen (st. oJe). Fut. oïi\'xrofiai. Aor. ^Y/Stjv.
In het Praesens en Imperfectum verdwijnt de verbindings-
vocaal dikwijls: bijv. 1. p. olfiai, door crasis met lyw dik-
wijls iyy/iai. Impf. «f/ujv, 1. p. Plur. «."^a (Xen. An. VI.
3, 25-26).
10.     óïxo/MtL ik ben weg (st. ol)(t). Fut. olxv""h""-
Het Praesens oi\'x<>M heeft Perfectbeteekenis (zie Synt.) terwijl
het Imperfectum ((i^ó/uijv ook de beteekenis van den Aoristus heeft.
11.     6<j>uX(o ik ben schuldig. Aor. wfeXov ter inleiding van
een niet te vervullen wensch, och of, utinam. (Fut. &<pu\\ii<7to zelden).
12.     xatPw ik verheug mij (st. xalP£)* ^ut. xatP1\'i\'TW- A-or.
ixapijv (N°. 287. 14). Perf. KExapjjKa *\'& ^ verheugd.
Hiertoe behooren nog:
13.    a\\iï,ia ik weer af, Fut. a\\f5rj<To/iai, Aor. «jVfga^iijv, waarvoor men gewoon-
lijk apvvto gebruikt.
14.    (Hutu, Act. t\'i uvüf, faa< grazen, Med. ik graas, Fut. /3o»c/;<ru, Aor.
i/3<5<«i)<ra.
lö.    iraS - «iJw »\'& slaap, Imp. Ka5f)D£ov, Fut. Ka5eviïi)a<j>.
16.    t\'if/u //\' knok, Fut. t\\!/iimo en iif/q<rofia<, Aor. i/J/i)»u.
17.    ö?o/ »A" Wei, Fut. ó?t|<to> , Aor. uJ^rjira , Perf. üctoca ik riek.
Zie
  jkvw, vé/iw N". 268. 4. yfyvo/uai N°. 286. 1.
II. Praesens op -£w bij verba impura.
1. SoiMtu ?\'& meen, schijn. Fut, Só£w. Aor. eSoSo.
Onpersoonlijk Sokh Ae£ schijnt. Fut. Só&t. Aor. ISo£f(v).
Perf. Sf\'Soicrat (visum est). Part. \'ètooy^ïvov lari, het is besloten.
\') Veteres constanter dicebant èTri/iéXtir-ïai, non £Ti/<(\\c7<r$a(. (Cob. Anub.1\' p. XVII.).
-ocr page 197-
N°. 297, 298]                verba anomala.                                    183
e
2.     wStw ik stoot (Imperf. tiïtiow N°. 247. 5). Fut. w<rw.
Aor. ftt,aa. Perf. ihxrfiat. Aor. ti\'ixr^tiv.
Zie ya/tiw N°. 268. 4. *a\\Éw N°. 284. 9.
3.    yijSéw, Perf. yéyi/Sa l\'A verheug mij, Aor. iyi)§r\\<Ta. ik verheugde mij.
§ 91.
Verba met tijden van verschillende stam vormen.
1.     &!%(!> ik gewen. P. gewoon worden, zich gewennen. Fut. 298
iSiü). Aor. tïSara. Perf. {ÏSikci. P. t*Snaftat ik ben gewoon. Aor.
Eidfo&qi\'. Hierbij atüSa i& ic« gewoon. Plusqpf. eiwSr; t& tt\'«s geivoon.
2.     itrS\'iw ik eet. Fut. sSojuai (st. tS). Aor. ttyayov (st. ^ay).
Perf. töqfoca «ar-éJ^w/tai >?Ji(»5ijv. (X°. 249 en 266. A. 3).
Als Perf. etc. wordt ook gebruikt KaTaPlfipojKtt, «nra/3é/3pu/«ai, uaré/SpwSiji»
N». 291. 3.
3.     ï%w ik heb: intr. ik ben in een toestand, N°. 229 (bijvorm
?»xw N°. 283). Imperf tlXov (X°- 247)- Fut- *&* en »X«<«»».
Aor. to-xov (N°. 265. A. 4). Perf. taxv^a (taXvi"\'t- Aor. I(rx«3i)i\').
M. ik hond voor mij. Imp. ttx<\'>MVf Fut. \'ï^o/xai en «jy/zito/uch.
Aor. £ff^o^»ji\'.
Composita waptx\'0 ^ verschaf, napi^w en Trapuo-x/jow. Aor.
wapto-^oi». Perf. 7T«p6o-^»}Ka 7rapto-Y//ua(.
avixonai ik houd uit. Imp. r\\vux^Hnv (No. 250. 4). Fut. avi-
Zo/uai.
Aor. j)i>Eo-Y/Jju»jt>.
(a^7re\'xw) ik omhul, gewoonlijk afnrixofxai (en a/x-rrtaxviofiat) «&
Ae& aan. Fut. a/"/\'1\'?\'", tr. afift^uftai, intr. Aor. q/un-taxov *&
kleedde (een ander) r^niriaxó^v, ik had aan.
vTnaxvtofxui ik beloof, zie N°. 295. 4.
4.     ï£«d, IZavto komt in Proza slechts samengesteld voor.
Ka$(Z<t>, tr. «X- zet, plaats, intr. i/c zet mij. Fut. KaSiü
(N°. 261. 3).
Aor. tKaStaa (en Kticïnri).
Med. KaSlZoftat is intr. i\'fc ze£ my.
KubtZonat ik zet mij en i& ««7. Fut. KaSiSov/xai (N°. 261. 3).
Als Aor. geldt tevens het Imperf. tKa%tZó/jii)v, ik ging
zitten
of zat, als Perf. tcaStiftai ik zit.
-ocr page 198-
[N°. 298.
184
VERI5A ANOMALA.
KaStifjiat is eigenljjk samengesteld uit kütó. en ï\\(tai, welk sim-
plex alleen bij Dichters voorkomt. Het wordt als volgt vervoegd:
Praes. Indic. KaStj/uat KaS^o-at KaStirai etc.
Conj. raSw/iai. Opt. KaSol(ir)v en KaSy/iriv. Imper. KadtJffO KaSi/ffS\'fci etc.
Infin. KaSrjaSai. Part. Ka^i\'i/itvog.
Imperf.
luaSi\'ifiiiv ÈKa^jjffo ticaStiTo of met augm. in het midden
Ka$ii[ir)v KaSt\'iao KaS\'Jjoro etc.
5.     KTuvt» ik dood, gewoonljjk cnroKTttva). Bijvorm airoKTivw/M.
Fut. -KTtvw. Aor. I. tKTeivu. II. «raiov. Perf. -tKrova. Hierbij
behoort de Aor. II. Karticavov van icaraicai\'vw ik dood.
Als Perf. en Aor. Passivi dienen air-fèavoy ik stierf en r&vtiKa
ik ben dood,
N°. 284. 2.
6.     Het werkw. slaan wordt door de volgende werkw. weer-
gegev en:
Act. Praesens. TTa(li) , TVTTTU) , ik Sla. (Ionisch: êXnvvoi, itaraaati), wXqrrw).
Futurum, nara^w, tubtj/ow (naiaw). (Ionisch: irX^Sw, tü^w).
Aoristus. iirara^a (ïiratoa). (Ionisch : trvtya , mtX»)S<i) •
Pass. Praesens. rvirrofxai, iraiofiai of TrXrtyqv, 7rA/jyae Xa/i(3avo> ik
word geslagen, ik krijg een slag
of slagen.
Futurum. 7rA»ryi|o-ojuaj i& zal geslagen ivorden.
Perfectum. irtirXiiyfiat ik ben geslagen geworden en Ion. rtrv^uu.
Aoristus. tirXi\'iyrjv ik werd geslagen en Ion. frvirtiv.
Verder bedient men zich van de uitdrukkingen wXiryriv, ttA»j-
yag StSbjfit, i/jif3aW(o , ivrslvo), £vrp7j3w ik geef een slag of slagen.
Zoo wordt het Perf. Act. nXriyag StSwtca (of irtirXriya), Aor.
Pass. irXiiyag è\'Aa/3ov, het Fut. P. (ru;rrrjo-o/uai of) trXriyag Xi)\\po-
fiai, het Perf. P. ;rAr|-yae t(Xr)<pa.
Compositum van ttXtittw.
tKirXi\'iTTto
en Karan-AZ/i-rw ik jaag iemand schrik aan. Fut. èk-
itXi/Ëcü. Aor. i%tirXi}£a.
Pass. lienXiiTTOfiai ik word ontsteld, ik schrik. Fut. InrXoy^*
aofiai. Aor. t^tffAay^r. Perf. lKviirXr\\yftai.
7. irtvw «& e?rm& Fut. mo/iai. Aor. II. «nov (*?$«, N°. 287.
14. A.). Perf. iriirvKa, néirofxai. Aor. è;ró$»ji>.
-ocr page 199-
N°. 298.]                          VERBA ANOMALA.                                    185
8.     (TKoirêto ik beschouw, overweeg, gew. m. aKowiofiai. Fut.
oKl\\po/Liai. Aor. i(TKi\\pa[ir}v. Perf. ïrrKf/ifMi ik heb beschouwd en ik
ben beschouwd geworden.
Adj. verb. okitttiov tart er moet toege-
zien worden.
9.     rpt\'xiü ik loop. Fut. Epaftovfiai. Aor. II. tSpoyuov. Perf. St-
fya/njica. (Zie &\'w, N°. 254. 4.).
10.    é\'\\»w ik trek, sleep, Imp. f<X*oi> (N°. 247), Fut. ï\\K<o vormt de verdere
tijden van den stam iXeu, Aor. iïXici><ra, Perf. j\'Airüca , »ïXicü<t/i<u , Aor. tiXrvirêqv.
11.    é\'p7rw iJ kruip, Imp. flpirow (N°. 247) vormt zijn verdere tijden van \'ipiri^io,
Fut. ipirtau , Aor. tïpjriMn.
Zie 0fpM N°. 285. 3. X,aia en 0((5w N». 287. 3. ópaw N". 289. A. ntplw N°. 258.
Bepaal de volgende vormen :
1)    wapév, irapfjv, irapiQ, irapn (2), irapü (2), irnpiü, iriipiio, irapri, wapy (3),
napiy, vapiy
(2), frapeiq (2), irapyti, irnoijrfi\' (2), irapiÉvm (2), ?rapfi>\'cu (2).
2)    jrapcïc , irapiilv (2), wópfiiriv (2), waptiatv, mpiüatv , irapiaatv, irapiSmv,
iraptovmv, irapovaiv, airtioiv
(2).
3)    ISi, ïrrSi (2), ïre (2) , iari (2), ïri, naptjri (3) , irapyri, jrapéïrï (3) ,
wapeTrai, jropiïro (3), jrttptiqri (2), j/rf , ytrrt, ijirri, tjaSt (3).
4)    lari, ïsti , é<rrq, ïrrrrj (2), iarai, tatadat, i\'tiirüi (2), nirirriai, finuoSi (5),
5)     «Trcurcr», \'ioraoav, larriirav (2), i<TT«Oav, iarüaav, napiiaav , waptïffav (2),
{/(Tav, >/«av, cadijiroi\', cadqiro.
-ocr page 200-
LIJST DER VERBA.
Bet. = beteekenis. — st. = stam. — stt. = stamtijden. — augm. = augment. —
contr. = samentrekking. — ace. = accent. — Dep. = deponens. — att. red. —
attische reduplicatie. — P. F. A. = Perfectum, Futurum, Aoristus. —
M. P. = Medium. Passivum. — m. c- = met sigma. — A. bij een
nummer = Aanmerking. — De getallen geven de nummers
aan, tenzij bl. = bladzijde er voor staat.
\'Avayu, Bet. bl. 101.
\'Ava/cpiZw , A. II. 266-289, 6.
\' AvaXifKio, stt. 292, 1.
\'Avixo/iat, augm. 250, A. — stt. 298, 3.
\'Avoiyia, augm. 247. — stt. 278, 9.
"Atuiya, avtoxSt ,~289 , 9.
\'Airayopivm, Bet. bl. 101. — stt. 282, 6.
\'AiraXXórrw, Bet. bl. 106.
\'Afl-avraw, F. M. 238.
\'AirixSaropini, stt. 293, 8.
\'Airo&i\'w/ii, Bet. bl. 103. — 290, 4.
"Airotlio, A. II. 263.
\'AirnXai\'o», F. M. 238. — augm. 250.
\'AirnXXvfii, Bet. bl. 102. — stt. 278, 3.
\'AnoXoyioiiai, Bet. bl. 106. — augm. 250.
\'Airovoiui, Bet. bl. 105.
\'AiroTtÉftTriti, Bet. bl. 103.
\'ATropJw, Bet. bl. 106.
\'Airofaivo), Bet. bl. 103.
\'AT(5xpr|, 280 A. 2.
\' Apiirtia , stt. 290 , 1.
\'Apriia , stt. 257.
\' Anvncifuu , Bet. bl. 106.
\'Apnw, att. red. 249. — stt. 257.
\'Apjrufri, F. M. 238.
\'Apiw, Bet. bl. 102.
"Apx", Bet. bl. 99, 100 en 104.
AuXi&o, Bet. bl. 106.
AvZavui, Bet. F. M. bl. 100 en 106. —
stt. 293, 3.
\' A<ptKvioiiai, stt. 295, 3.
"Ax$oiiat, Bet. bl. 105. — A. P. m. c.
259. - stt. 296, 1.
B.
BaSifa, F. M. 238.
Baivo», F. M. 238. — stt. 287 , 2. —
f3f(3n«-«, 288, 3.
A.
"Ayafiat, Bet. bl. 105. — stt. 280, 4. —
ace. 280. A. 1.
\'Aytipu, att. red. 249. — yyptro, 285, 3.
\'Ayvoiu, F. M. 238.
"Ayvvf.i, augm. 247. — stt. 278, 7.
\'Ayopiiu , 282 , 5.
"Ayu , ïiyaynv, 249 , 266.
\'Attriui, F. M. bl. 100.
\'A5pf)(rT&;>ai , bl. 106.
Aldta$nvm , bl. 106. — stt. 257.
"Aitfw, F. M. 23S. — augm. 246.
Aipiw, Bet. stt. 258. — ilXov, 247.
Aïpw, stt. 267.
AlaSavofiat, stt. 293 , 1.
Alaxvvui, Bet. bl. 106. — P. P. 268.
Alrtu, Bet. bl. 102.
\'Aïoi/w , Bet. bl. 104. — F. M. 238. —
att. red. 249. — P. A. m. c. 259.
\' Atpnanpmi , stt. 255.
\'AXaXafa, F. 238, A. - st. 253.
\' Wfiipn) , att. red. 249.
\'AXiSa, stt. 296, 13.
\'AXim, att. red. 249.
\'kXiaSqvtu, Bet. bl. 106 en 107, A. 1.
\'AXificofmi, tfaXiov 241. — augm. 247. —
stt. 287, 1.
\'AXXarrw, A. II. 266.
"AXXojuat, aaXjo/iai 242, 243. — stt. 267.
\'Apapravu, i)fi/3porov 284, A. 1. — stt.
293, 2.
\'A/itXXao/iai, Bet. bl. 105. — stt. 256.
\'Aixiri\\m , augm. 250, A. — stt. 298, 3.
\'Afivvm, Bet. bl. 103.
\' Afiipiyvoêiü , augm. 250, A.
\'Afi<ptcvvvftt, augm. 250, A. — stt. 279, 5.
\'Aiifin^ijTiM , augm. 250, A.
\'Avuyopivia, stt. 282, 6.
-ocr page 201-
187
LIJST DER VERBA.
BÓXXw, A. II. 266. — stt. 284, 1.
BiaSo/iai , Bet. bl. 108 , A. 2).
BiPaZio, F. 261. — red. 283, 2.
Bi&p<a«K\'o , stt. 291, 3.
B«Sw, F. M. 238. — stt. 287, 3.
BXójrrw, red. 248, A. 1. — A. II. 266.
BXanravio, red. 248, A. 1. — stt 293, 6.
BXirrw, F. M. 238.
BXirrii), st. 253.
HXdiirw , Stt. 284, 5.
Boaw, F. M. 238.
Bóatto, Stt. 296, 14.
Bov\\oftai, Dep. bl. 105. — augm. 245. —
stt. 296 , 2.
r.
Yaftiu, stt. 268.
TtXéu* , F. M. 238. — stt. 256.
Tivuv, Bet. bl. 102.
rij&w, ylyi)Sa , stt. 297, 3..
VtjpaaKw, yjipiivai, 287, A. — stt. 290, 6.
riyvofiai, A. II. 265. — stt. 286, 1.
rtyvu\'xtKtn, stt. 287, 4.
IVupifr», F. 261.
rpaipio. Bet. bl. 103. — stt. 262. —
A. II. 266.
A.
Aanvia, stt. 295, 2.
Aairavam , Bet. bl. 106.
Aapiavui, iiïpaSov 284, A. 1. — stt.
293, 7.
Aiioiica , 289 , 5.
All, stt. 296, 3.
l»f», 289, 5.
Aiiicvvfti, stt. 269 etc.
Ai/<w , stt. 284, 6.
Aiofiai, Dep. bl. 105. - stt. 296, 3.
A«pw, A. II. 266.
Akto, ik bind, stt. 258. — contr. 260.
Aéu , ik mis, stt. 296 , 3.
Aiayw, Bet. bl. 101. — stt. 282 , 4.
AtdatrKU, Bet. bl. 103. — red. 283, 2. —
stt. 292 , 2.
AilpaiKu), stt. 287, 5.
AiraSw, st. 253.
Aticatóia , F. M. 238.
Anf/ów, contr. 260.
Aimïbi , F. M. 238 en A.
Ao/c«ü, stt. 297, 1.
Apaw, stt. 255. — A. m. f 259.
Aiwapat, Dep. bl. 105. — augm. 245. —
stt. 280, 5. — ace. 280, A. 1.
Avw, stt. 254. — ISvv en Bet. 287, 6.
B.
\'Eau , augm. 247. — stt. 255.
\'Eyilput, att. red. lypr\\ynpa 249. — A.
II. 266. — stt. 285 , l. — lypiiyopSi
289, 9.
\'Eyew/«a?w, F.M. 238. — augm. 250, A.
"Elnfint , aétjoiiat 242—243.
\'EïfXu, stt. 296, 4.
\'E$«£w, (tF 239. — augm. 247. — stt.
298, 1.
EUov, 288 , 4.
EIXw, FkXjui, Fi\\\\u, tfi\\na 244.
ïi/ii, 199.
v:i,u , 281.
Eïpyvwfii, stt. 278, 8.
Vlipyuj, augm. 246.
E;<u9n, 24 7. — stt. 298, 1.
\'Etw\\i)TT<a, Bet. bl. 106. — stt. 298, 6.
\'EXaiVw, Bet bl. 101. — att. red. 249.—
stt. 256. — F. 261.
\'E\\iyx<f, att. red. 249.
\'EXirn», augm. 247.
"E\\/cw, augm. 247. — stt. 298, 10.
\'EXttiZw, st. 253.
\'E/téw, stt. 257.
\'E/ijroöiSw , augm. 250 , A.
\'EviSpiirut, augm. 250 , A.
\'EvoxK\'hh , augm. 250, A.
\'ESapeéw, F. 261.
"Eoiira , augm. 247. — 289 , 8.
\'EoXira , augm. 247.
"Eopyo , augm. 247.
\'Eoprdjw , augm. 247.
\'Eiratvéw, F. M. 238. — stt. 258. —
F. 261.
\'Eirér&iitv, 289, 9.
" E7Tf(jivüi\', 285 , 3.
\'E7ri/iéXof*«c, Dep. bl. 105. — stt. 296, 7.
\'EviopKiw, F. M. 238, A. — augm.
250, A.
\'Eniarafiai, Dep. bl. 105. — augm. 250,
A. — stt. 280, 6. — ace. 280, A. 1.
\'E7rixïtpéii>, augm. 250, A.
"Ëirn/iai, niiroftai, 243. - augm. 247.—
t<rjró/»i)v 265.
-ocr page 202-
188
LIJST DEE VERBA.
\'ETpia;u»|!\', 280, 8. — ace. 280, A. 1.
"Epafiat, Dep. bl. 106. — stt. 280, 7.
\'Epdw , stt. 256—280 , 7.
\'Epya£o/Ja«, Bet bl. 108, A. 2). — F
241. — augm. 247.
\'Epttfui , att. red. 249.
\'EpéTTta, st. 253.
"Epiru, ffépjrw 243. — augm. 247. — stt.
298, 10.
"Eppw, Fippu, Ifiptta, 244.
\'Epvbpiaw, stt- 255.
"Ep^o/iai, att. red. 249. — t\\$i 264. -
stt. 281.
\'E-t^iw, att. red. 249. — stt. 298, 2.
\'Eirriów, augm. 247.
EüXo(3fo/ini, Dep. bl. 105.
Eipimcw, Bet. bl. 102. — augm. 246. —
ëvpi 264. — ivpov 265. — stt. 292 , 3.
Uv\\oiiai, augm. 246.
"Ex«J, Bet. bl. 101. — iré^w 243. —
augm. 247. — laxov 265. — stt. 298, 3.
"E<|/w, stt. 296, 16.
Z.
Zów, contr. 260. — stt. 287 , 3.
Zcvyvi\'/u, stt. 278.
Zéw, stt. 257.
Züvvi\'iii, stt. 279, 7.
II.
\'H/3a»icw, stt. 290, 7.
"Hflo/Mi!, Dep. bl. 106.
\'Hpó/tijv 296 , 5.
\'Hrraoiiat, Dep. bl. 105. — augm. 246.
e.
OóXXu, P. II. 266.
Gónrw , A. II. 266.
Bavfidlui, F. M. 238. — st. 253.
Gépoftat, S-pao/iat 244.
Biuj, F. M. 238. — stt. 255.
Gopaai, F. M. 238.
Gijpeüw , F. M. 238.
eiyydviK, stt. 294, 6.
ei>t)Oicu>, Bet. bl. 104. — stt. 284,2.—
rkSvtiica 288,\'2.
Qpavui, P. A. m. f. 259.
epiifficw, stt. 284, 7.
Gu^iiw, Dep. bl. 107.
eüftr, stt. 254.
1.
\'Jan/im, Dep. bl. 108. A. 2).
\'Ifói\'w , i\'Jw , stt. 298 , 4.
"Ilipf, Bet. bl. 101. — aigcra 244. —
augm. 247. — stt. 270 etc.
\'Itvionat, stt. 295 , 3.
\'IXóiticd/tni , stt. 290 , 8.
\'J/icittui , st. 253.
\'Iptlpv, Dep. bl. 106.
"Irrrriiii, Het. 277. — iri<rri)/ii, to(ffr/\'/*r|
244 , 248. A. 2. — augm. 247. stt.
270 etc. — fVrjjïa 288. 1.
\'l"X>\'aivu), stt\' 267.
"Iff.Xw 286. 3.
K.
KaSiZofiai, caSijfiai, stt. 298, 4.
KnVw, F. 261. — stt. 298. 4.
KaXiw, F. 261. — stt. 284. 9.
KaXvTTto , st. 253.
Ka/tvw, stt. 284 , 3.
Kapirrw, V. 1\'. bl. 262.
KurarmVw , A. 2. 266.
Kau>, F 240. — stt. 255.
Kitfuu 276.
K«ipu> — ïicipoa 244.
Këip«y« 289. 6.
KtXtüw, P. A. m. f. 259.
Kipavvvfit , Stt. 279. 1. — KiKpa/iat
286. 3).
KfpSaivia, stt. 267.
KXau, stt. 256. — P. A. m. c. 259.
KXow, stt. 255. — F. 261.
KKiwru,, F. M. 238. - P. 262. — A.
II. 266.
KXiiu — kXiJio , P. A. m. f. 259.
KXii\'io, stt. 268.
Kvaw, contr. 260.
KniXaivut , stt. 267.
KoXXaw, stt. 256.
Kójrrw , A. II. 266.
Kopivvvfii, stt. 279. 10.
Kopi/TTto, st. 253.
Kpa£<u , st. 253. — P. II. 266 en 289. 6.
Kpé^.fiai, stt. 279. 2. —Ace. 289. A. 1.
Kpf/ii(ii\'i\'i\'/« , stt. 279. 2.
Kpiixu , stt. 268.
Kpot/u, P. A. in. c- 259.
Krao/xat, red. 248. A. 3.
Krtivo,, P. II. 266. — stt. 298. 6.
-ocr page 203-
LIJST DER VERBA.                                                  189
Oixo/iat, stt. 296. 10.
\'O\\ia$av<o, stt. 293. 9.
"OXXv/ii, att. red. 249. — P. II. 263.—
stt. 278. 3.
\'OXoXüJw, F. M. 238.
"Ofivvpt, att. red. 249. — stt. 278. 4.
\'Opópyvvut, stt. 278. 10.
\'OviVijfii, stt. 280. 1.
\'Opów, ïftSnv, 241, 288. 4. — augm.
247. — Ui 264. — stt. 288. 4.
"Opw/u, üpaoj , 244. — stt. 278. 11.
\'Opui-rw, att. red. 249. — st. 253.
\'Oatppaivnfiai, stt. 293 , 10.
OüraZ<u , augm. 246.
\'O0ei\\w — w<pt\\nv, 265. — stt. 296. 11.
\'OtfiXtoicaviu , stt. 293. 4.
II.
Tlnidivw, Bet. bl. 99 en 103. — stt. 254.
I la\'uo, 298. 6.
Uapavofiéu), augm. 250. A.
Tlaptxt», stt. 298. 3.
ITapoivéw , augm. 250. A.
ITnpo£ui<c« , P. P. 268.
na»x<" , whwoaSi, 289. 9. — stt. 290. 3.
Ilurarrw , 298. 6.
Harro), st. 253.
n«iSw, stt. en bet. bl. 107. 3. — 262.—
P. II. 266.
Ilfiraw, contr. 260.
ITcXopat, 285. 3.
n^rrw, P. 262.
Tlnraivaj, 267.
n«7rp<urai , 284. A. 1.
népSw, P. II. 266. — éirpa^ov, 284.
A. 1.
YltTavvvfii, stt. 279. 3. — wéwrapai,
286. 3).
TlÏToiiai, stt. 285. 2. — tirrtiv, 287. 11.
llérrcti, st. en stt. 253.
Tliiyvviii, stt. 278. 5.
UtiSato, F. M. 238.
TliinrXtifii, stt. 280, 2.
ni/urpiu", stt. 280, 3.
nii\'u», irtSi 287 , A. — stt. 298, 7.
Jli-npatKia , stt. 290 , 4.
nurru, st. 253. — F. 261. — stt. 286, 2.
nxójw, st. 253.
ITXarrui, st. en stt. 253.
nXócw, st. 262. — A. II. 266.
A.
Aayxavu, red. 248. A. 4. — stt. 294. 3.
Aa/i/Bdvw , red. 248. A. 4. — Xafié 264. —
stt. 294. 1.
AavSóvw , stt. 294. 2,
Aéyw, tlpijca 248. A. 4. — lïirov 249.
282. etVi 264. — stt. 282.
AéiVw, A. II. 265. — P. II. 266.
AiVKaivui, stt. 267.
\\tvu>, A. m. f. 259.
Mu>, Bet. bl. 102. — stt. 254.
M.
Wlaivopat, stt. en bet. bl. 107. 1. —
A. II. 266.
MavSavw, stt. 293. 5.
Marrw , A. II. 266.
Wiaxopat, F. 261. — stt. 296. 6.
MtSutTKto, stt. 290. 5.
MtSiui , 254. — 290. 6.
M«X<(, stt. 296. 7.
MixXw, augm. 245. — stt. 296. 8.
MsXw — uiu|3X<rai, 284. A. 2.
M«vw , stt. 268.
MLyvu/ii, stt. 278. 2.
Misval, 286. 3.
MtaSóta , stt. 254.
JAifivijdKU), stt. en bet. bl. 107. 2 en N°.
291. 1. — red. 248. A. 3.
N.
Né/iu, tvip.ua , 244. — stt. 268.
Ni<u ik hoop op, stt. 259. 5.
NIm ik zwem. F. M. 238. A. — f. 240 ,
244. — stt. 255. — F. 261.
N(?(o, viirrio , st. 253.
No/«;<ü, F. 261.
E.
Stipaiviü, P. P. 268.
O.
"OJ«, att. red. 249. - stt. 296. 17.
Oïyvviii, stt. 278. 9.
OWa , 288. 4. B.
Oïopa», Dep. bl. 105. — stt. 296. 9.
Oi>(i?w, F. M. 238. — st. 253.
-ocr page 204-
190                                           LIJST DER VERBA.
IlXfw , F. M. 238. — stt. 235. — F. 261.
JIXriTTO), A. II. 265-298, 6.
TWivw, stt. 268.
Uvm, F. M. 238. — stt. 255. — A.
m. j. 259. — F. 261.
V.viyia, A. II. 266.
npórrw, Bet. bl. 101. — P. II. 266.
IIpoEf vim , augm. 250 , A.
Xlraiio , P. m. j. 259.
tlriaaui, st. 253.
Uriu>-, 254.
IIi\'i\'ïai\'o//c<i., stt. 294 , 4.
UuiMüi , 290 , 4.
P.
\'PaTThi, st. 253.
\'Plw, trptF 240, 214. — stt. 255. —
i\'ppinji\' 287, 7.
\'Pïyvvpt F 240. — P. II. 266. — stt.
278, 6.
\'Ptylw F 240.
\'Ptyóoi, contr. 260.
\'Poféot, F. M. 238.
\'Pmvvvpi, stt. 279 , 8.
Xi-fpiViciü (irrcptu), stt. 292, 4.
ïropM\'i\'n/ii, TTÓpvi\'/ti 284, A. 2.
2rps0w, Bet. bl. 107. — P. 262. — A.
II. 266.
\'Srpwvvvfxi, stt. 279 , 9.
Sv\\au>, stt. 256.
2uAXêyw, Bet. bl. 106. — A. II. 266. —
stt. 282, 5.
SivoiSa , 289, 4. A. 2.
2upi&), F. M. 238.
20aXXw, Bet. bl. 107. — A. II. 266.
20ai-rw, st. 253. — A. II. 266.
20<rrw, P. P. 262.
T.
Taparno, st. 253.
Tarra,, Bet. bl/l06. — st. »53.
Ttivui, Bet. bl. 101. — stt. 268.
TtXeurdw, Bet. bl. 101. \'
TtXlw, stt. 257. — P. A. m. c- 259. —
F. 261.
Tip™, A. II. 265. — stt. 284. 4.
Tépn-bi, trpcuniv , 284, A. 1.
TirXi)*a, 289, 7.
Tr;™, Bet. bl. 107. 5. — A. P. II.
265, 266.
Ttöij/ui (vó/uoüf), bl. 103. — stt. etc.
bl. 146 etc.
TiKTot — Itikov , 265. — P. II. 266. —
stt. 286. 3.
Ti/iów, Bet. F. M. bl. 100. — stt. 254.
Tivui , stt. 295. 1.
Tirpwitrw, Stt. 291. 2.
TXij/w, stt. 287, 13. — 289. 7.
Tpjjrw, Bet. bl. 103. — P. 262. — A.
II. 266.
Tptyw, Bet. bl. 107. — P. 262.
Tpé^w, stt. 298. 9.
Tplu, stt. 257. — contr. 260.
Tpï|3w, A. II. 265 , 266.
Tpüyta, F. M. 238. — A. II. 265.
Tvyxavw, stt. 294. 6.
Tvirrta , st. 253. — 298. 6.
Tu^aZu), F. M. 238.
ï.
2aXjrt£w, stt. 253.
2/3ii»<t7U, F. 261. — A. II. 266. — stt.
279 , 6. — t<Tj3j|v 287, 8.
Sctu, P. A. ui. f. 259.
2q7rw, stt. en bet. bl. 107, 4. — A.
P. II. 266.
2iyaw, Bet. bl. 101. — F. M. 238. —
of 243.
2.0.TÓU, Bet. bl. 101. — F. M. 238.
Sicótttw, A. II. 266.
2«Javvu/it, stt. 269—279, 4.
2«XXw, stt. 284, 8. - é<reXi)V, 287, 12.
ScottIw, stt. 298, 8.
Skuivtui, F. M. 238.
2/iów , contr. 260.
Sttów, stt. 256.
2n-#!pw, P. A. II. 266.
2iriv$o>, stt. bl. 134.
2»rouJd&ü, F. M. 238.
2ra$w, st. 263.
SrèKKoi, Bet. bl. 107. — iartXoctr 241,
244. — A. II. 266.
r.
\'XTttaxviopai, 282, 2, A. — stt.
295, 4.
•-,
-ocr page 205-
191
LIJST DER VERBA.
Xóüt, P. A. m. £. 259.
Xpaofiai, Bet. (t^priffSr)) , bl. 108. —
stt. 255. — A. m. j. 259. — contr. 260.
Xpam, stt. 255. — P. A. m. c. 259. —
cont . 260.
Xpri, 280 , A. 2.
Xptw, P. A. m. f. 259.
XpoWe/ii , stt. 279, 11.
Xwvvvftt, stt. 279, 12.
Xwpéw , F. M. 238.
*óu, contr. 260.
*(M«i, stt. en bet. bl. 108, 7.
Vvxi» , A. II. 265.
Q.
\'QSiio , augm. 247. — stt. 297, 2.
\'Qvio/iai, augm. 247. — stt. 280, 8.
*.
Qaivto, stt. en bet. bl. 107, 6. — P. II.
263. - A. II. 265, 266.
*épw, ijviyKOV, ivi/voxa 249, 285, 3.—
stt. 285 , 3.
*e</yw, F. M. 238. — F. 261. — A.
II. 265. — P. II. 166.
$ijfti, 282.
tJaviu, stt. 287, 9.
tötipui, Bet. bl. 107. — Qiépjui, <p$iprrm
244. — A. P. II. 265, 266.
*o/3éw , Bet. bl. 106.
QpLrru), st. 253. — P. II. 266.
♦lAdrrai, Bet. F. M. bl. 100, 102.
W-JvJ 2...\'/. \'"
X.
Xaipu, Ixapnv 287, 14. — stt. 296, 12.
Xaoicu, stt. 290, 9.
Xi<o, x^u "2*0. — 8tt\' 255.
-ocr page 206-
WOORDVORMING.
§ 92.
299 Woorden kunnen gevormd worden óf 1) door afleiding, de-
rivata verbalia (primitiva) of denominativa genoemd, naar mate
zij van een verbum of nomen afgeleid zijn , of 2) door samen-
stelling
, verba composita genoemd.
Door afleiding verstaat men, dat achter den stam van een
woord zekere uitgangen, suffixen of achtervoegsels geplaatst
worden , bijv. itpl-vw ik oordeel, icpi-rrie recfyter , Kpi-aig vonnis ,
Kpi-rr\'ipiov gerechtsplaats, npt-nicós beoordeelend.
Veelal ondergaat de stam dan veranderingen , hetzij door ver-
lenging of verwisseling der stamvocaal: Xa-vSavw ik schuil,
Xt\'i-Sri het vergeten ; Xéy-u> ik spreek, Aóy-oe de rede.
Door samenstelling verstaat men de verbinding van twee stam-
men tot één woord, dikwijls met verandering van den uitgang
der stammen: Xoyxo-^ópog lansdragend van Xóyxn en (pêpu>.
A. Afleiding.
1. Y e r b a.
De verbalia denominativa beteekenen alle het zijn, hebben,
maken tot hetgeen het stamwoord aangeeft of het bezig zijn
daarmee
, het uitoefenen daarvan, en gaan uit op:
1. -tu) en tv<i> meest intransitiva.
SoüAoe slaaf, SovXcvu) slaaf zijn, (SoiAótu tot slaaf maken).
XaXog praatziek
, XaXito praatziek zijn.
Ook transitiva.
ytwpyóq landman, yetopytw landman zijn, bebouwen,
tyovivq moordenaar, (povtiw moordenaar zijn
, dooden.
Bezig zijn met:
nóXtfxoQ oorlog, iroXi/iüv oorlog voeren.
tWoe paard, iirwtveiv het paard berijden.
-ocr page 207-
N°. 299, 300.]                 woordvorming.                                    193
2.     -ó(o, -aivw, vvtx), maken.
raireivóg nederig, ra7r«vow vernederen.
Xpvoóq goud,
^puffow vergulden.
ortyavoQ krans, irre^avóu) (om iemands hoofd maken) bekransen.
icspSoc ivinst, KspBaivd) ivinst maken.
r)S6g zoet, riBvvw zoet maken.
Ook yakvnóq lastig, \\a\\tiralvtt> lastig zijn.
3.     -dw , bezit of uitoefening.
vliet) overwinning, vtKaw overrvinnen.
irttvn honger, truvat» honger hebben,
atrarn bedrog, dirardu) bedriegen,
aiw-m\'i stilzwijgen, atwiraw zioijgen.
4.     -aZ,w, \'iZw.
ovofia, naam, övo/uéi&o noemen.
8\'iKt} recht, BtKaZ<» recht spreken.
orante oproer, oraoiaZw oproer maken.
a-y&v kamp, dytovi^ofiat kampen.
^ij0o5 stem, TptiQlZiD doen stemmen.
/is\'poc deel, fieptZu) verdeelen.
Gevormd van nomina propria bcteetenen zij het volgen der gewoonten, der partij
of der spraak
van hetgeen het stam woord te kennen geeft.
"EXXtjv Griek, i\\\\t)viZ*iv griekêoh spreken.
♦iXijT7roc - QiXtTrTrifytv van Philippus partij lijn.
tiijioc • fitlliZiiv Medisch gezind zijn.
2. Substantiva.
a. Van Verba.
Om de handeling of werking van het verbum aan te geven, 300
gaan uit op:
1. -//.OQ , -fii), -oiq , -Ttc, -eta, -aia nomina actionis (abstracta).
-fia, -oc nomina rei actae (concreta).
•fiOQ, -fia: Sla) ik bind, Sea/jióg band, Bia/jit) bundel, SiaBe/ia tulband.
oBipofiai ik weeklaag, óSvp/xóg het weeklagen, oSvp/xa de
klacht.
•*i£
: iroiiu) ik dicht, irolr\\aiQ het dichten, iroir\\na het gedicht.
13
-ocr page 208-
194                                    WOORDVORMING.                           [N°. 300.
Koafiiw ik versier, KÓa/nog , KÓ<xnr\\aiq de versiering, KÓ<tfir\\na
het versierde
, de tooi.
oirt\'iQO) ik zaai, airópoc het zaaien, <tn(pp.a het zaad.
irpaTTü) ik doe, npa^tg de handeling, npayp:u de daad.
oKÉirronai ik zie, aKixpig, het zien, oicif»[ia de beschouwing.
yiyvofiai ik word, yivtmg het ontstaan, -ytvoe het geslacht.
-[itj: liriaTafiat ik tceet,
ï7rt(rr»i/u»} de wetenschap.
pwwv/ii ik maak sterk, fnó/ni de kracht.
-fia
: iraiSivui ik voed op, Traidtlr, naiBtvaig opvoeding, waiBtv
jua (het opgevoede) de kweekeling.
ZovXiixo ik ben slaaf, SovXtla slavernij, SovXtv/ia slaaf.
-tiq
: (piin\'i ik zeg , <paric de roep.
                     /
TrilSo/nai ik geloof, tt\'iotiq het geloof.
-aia
: ^oKi^a^üj ik onderzoek, SoKi/naala het onderzoek.
ipyaZo/jiat ik tcerk, ipyaaia de werkzaamheid.
-op: kqotiw ik maak gedruisch, ó icpóroe het gedruisch.
Xiyw ik zeg. ó Aóyoe het woord.
irlviD ik drink, ó wóroe de drank.
-r\\: tïix0^01 & tod-i evxv het gebed.
apxw ik begin, ap\\i\') het begin.
-o: <p$itpu> ik verderf, <p%opa het verderf.
Aanm. Nomina op -na, die afgetrokken denkbeelden uitdrukken en van verba
op -ivui afgeleid worden, zijn paroxytona, die van mannelijke woorden op -iwc zijn
afgeleid proparoxytona : /3airiX{fa heerschappij, (iaoiXivc, fiaaiKiia koningin.
2. Nomina agentis.
•tig
: j3ao-tXtua> koning zijn, fiaoiXivs, koning, fiaaiXem, koningin.
lepevw offeren, hpivg priester, liptia priesteres.
ypa<j>(o ik schrijf, ypcuptig schrijver.
vifuo ik weid, voiiivq herder. (Vergel. N°. 91.).
Yan substantiva:
SX? zee, t(Xttv<; visscher, ypawua letter, ypafifiartvg schrijver.
-rt)p:
o-w£w ik red, o-wr/jp redder, auiretpa redster.
-Twp: (pt,
st. bij Xiyw) prirwp redenaar {prtna woord, pyrpa
afspraak).
-ocr page 209-
N°. 300.]                          WOORDVORMING.                                    195
•tijc: ifoiti» dichten, iroiijr/jc dichter (vergel. bl. 19.)
avXiiv ik bespeel de fluit, ai>A»/rj;e fluitspeler, vr. aïiAijrpi\'c.
6p\\tofiai ik dans, öp^jjuTtjc danser, ópxaiarpig danseres.
i                                                    i                                                     $
Ook van subst. nóXig TroXtrrig, rixyri rtxvÏTrjg, üirXov ónXlrrig.
b. Van Adjectiva.
3. Nomina qualitatis, die het abstractum van het adjectivura
uitdrukken.
-T»jc (N°. 50): Ta-Tnvóg nederig, raire(i>orr)e-rrjroe, humilitas-tatis.
/utrpjoc matig, fierpiÓTttg-TriTOQ sobrietas-tatis.
vioq jong, viórrig-TtiTOQ juventus-tutis.
•avvr): Siküioq rechtvaardig, Sinaioovvri rechtvaardigheid.
aw<pp(vv verstandig, auxppoavvr), wijsheid.
-eia
van adj. op t/t: alle proparoxytona.
aXr)%i\'i!; waar, aXifttta waarheid.
aoStvi\'is zwak, aa&ivtia zwakheid.
-ia
: Feminina Paroxytona.
aoQÓG ivijs, <ro0ia wijsheid, sapientia.
kokÓq slecht, KaKta slechtheid, malitia.
-oc: Neutra, Barijtona.
fiaSrvg diep, to |3a£oe diepte.
tvpvg breed, ro evpoc; breedte.
aloxpóe schandelijk, to ataxoCj schande.
KaXóg schoon, to kóXXoc schoonheid.
fiaKpóg lang, rb yuijicoe lengte.
Let op de overeenkomstige vorming van KaWitav, kóWwtoc, aiaxiwv, alax1"\'
roe i /iqfiffroc.
c. Van Substantiva.
1.    Van mannennamen komen vrouwennamen op
•tta, riipa, rpic> zie boven.
•IC\' Gen. 1J0C1 iiérijc smeekeling, «Ine, Ittpirric, ütpiric.
•aiva van masc. op iav: 5tpairoiv dienaar, Stpairaiva.
2.    Nomina Gentilitia.
-ioc, -oToc : KopivSioQ, \'Aotrvptoi;, \'AJrp\'ntoc, 0ij/3aïoc.
-»jvoc, avog , ivog : K.vZikt)vóc, Sapfliaróf, TapavrïVoc.
•irric, arijCi V\'VS\'• Xippovt}trtrtic , Sjrapri3rr|c, Afyïi\'»;ri)c, 2icc\\iurij£.
•lic: Awp«i>C , *w«uf (PAooiïr), <t<ü(cae^e (Phooaeër).
Vrouwelijke: \'A£>|i\'ui«, Sjraprtartc, Auiptj, 4>wicïc>
13*
-ocr page 210-
196
WOORDVORMING.                   [N°. 300, 301.
3.    Nomina Patronymica.
•tSt]Q , aJijc: TIijXt-iJi)c , Kpov-i$t)C, Aivit-aStiQ.
\'tQ
: Aiavrïc, KfrpoTrtc.
4.     Deminutiva.
•imcoc (Masc. Parox.) : n-ai&Woc-icij, vtai\'iirico{.
•iov: iraiSinv , irarpiiïiov , Ktfriov
(iijjri^iov).
•aptov : iratiïapwi\', tirwapiov (ïitttoc).
-itfiov : oiicidiov , Kvitêlnv (ewww), 2u»/cp«rt£iov.
Zoo v»jr-i/#pinv en rijirWiov {vijtos). /ti\\-vfpiov (/ié\\oc), n\'5-üXXwi> (élflof), «V-
üXXiov (fVof).
5.    Nomina loei.
•riipiov: èiKaarripioi\' gerechfsp\'aals, Sirrpoiriipioi\' gevangenis.
• iïov :         MoufffTov «iMsewm.
-<iv (Masc.): ayflpwv mannenzaal, %tvuv gastenkamer.
3. Adjectiva.
301 -«oe: Proparox. of Properisp. %évoq gastvriend, %ivtog gastvrij.
•atoe:
          „                    „           SiKt) recht, Sfccuoc rechtvaardig.
ayopa markt, ayopatog handel-
drijvend.
-o-ioq :
         „                    „           aiScü? schaamte, aiSoïoe ontzag in-
boezemend.
-£-jo? :
         „                    „           av/ip (avSpó?) ai/Spttoe moedig,
av$(HL>7re<oe menschelijk.
-£-oc: Stoffelijke, Perispom. N°. 109. ^P1"*0"^ j apyupoü?.
•ivoc:
            „          Proparox. £v\\ov hout, £v\\ivoe houten, Xföoe
steen, Aföivoc steenen.
Ook aAijS\'ïvóc = aXj]$i\'j£ waar, avSpwirivof; = av3"pü>7T£ioc ,
n-tStvof #Za&, en de tijdbepalende oxytona ri/itpivóg bij dag,
X&fo-ïvóe van x^£\'c gisteren, iapivóg van (eap) ijp lente, &£pi-
vóg van S\'t\'poe zomer.
-koc, -ikóc: j3ao-(X«icoC) avS\'pwTrjicóej 7ro\\7r<Koc, van Subst.
^iXtKÓc, fZeviKÓg, no\\s/iiicó<;, tvoaifioviKÓf, van Adject.
7pa^/icoc , 7rpaKTiKoc, apxiKOC) van Verba.
•takOQ\'. KópivSrog, KopfvSïoc, Koptv&(aicÓ£.
\'OXujU7rin , \'OXu/U7rticoe, \'OXvju7naicoe.
ri£Xo7rovv»)o-of, r[a\\oirovvt)(jiog, UeXoirovvriaiaKÓ^.
NB. Als Subst. >; ilovtriici\'i , ypn/liiaTiKli , tpvaiKij.
-etg: geeft overvloed aan, N°. 113.
-ocr page 211-
N°. 301, 302.]                   WOORDVORMING.
197
-ftwv: neiging tot iets, N°. 118.
-vóg: Stivoc verschrikkelijk (BtiBw Pass.), at/xvóg eerwaardig (ai-
(5ofiai).
-Xog: SttXóg lafhartig (Sefèw
Act.), afiaprwXóg misdoende (aftap-
ravw).
-póg: tx^póg vijandig, oltcrpóg deerniswaardig,
•tpóg
: <j>avipóg duidelijk (<pa(vti>), <p%ovspóg afgunstig (fóovêw).
•ripóg: Trovripóg slecht, vnat)póg, voatpAg ongezond.
•pog
, -m/iog : Proparox. fid\\i\\mq krijgshaftig {fiaxofim), %avam-
fiog doodelijk, xpfotpog nuttig, irnrifiog drinkbaar (nlvto).
-?)5: meest Oxyt. ïptvBfc leugenachtig, meest in samenstelling
(j>i\\ofta$iis leergierig, tvfitvi\'ig goedgezind, N°. 118.
-og: van verbaalstammen, met verandering van 6 tot o, et tot o<:
(XaXêuj) XaXog praatziek, (XotBopuo) XoiBopog schimpend,
{rtnvu)) rofiÓQ snijdend, (Xdtrw) Xonróg overig.
Vele Subst. worden zoo gevormd, bijv.: aoiBóg zanger, iro/i-
ttóq geleider, ayytXog bode,
en voornamelijk Adjectiva Compo-
sita, zooals narpoKTÓvog vadermoordend, avi\'iKoog omvetend, afia-
Xog niet strijdend.
B. Samenstelling.
Eerste lid. Dit is een nomen, een verbum of een onver* 302
buigbaar woord.
I. "Wanneer het eerste lid een nomen is, neemt dit meestal
de o als uitgang aan, welke voor een vocaal van het tweede
woord geëlideerd wordt.
(ira\'tg) 7ra(Sorpi\'j3>/e leermeester, (Xóyxn) Xoyxnfópog lansdrager,
KerpaX-aXyi\'iQ hoofdpijn veroorzakend, p6vapx°i alleenheerscher
,
ri/nipo Spófiog hardlooper, avSptavro-iroióg beeldhouwer.
De o blijft voor woorden, die oorspronkelijk met een sibilans
(N°. 239—244) begonnen , doch wordt met de s van ?xw («X"\')
en tpyov (ftpyov) samengetrokken:
Sto-uBi\'ig een god gelijk (ptlêog), (tcaKÓ-epyog) KaKovpyog misda-
diger, KXrtpovxog lot bezittend, okvtttovxoq schepter dragend.
-ocr page 212-
198                                    woordvorming.                 [N°. 302, 303.
Aanm. Men vindt ook andere samenstellingen, bijv. irap-pnaia vrijmoedigheid
(wav-p\'sia), irayicaXoc. zeer schoon, iSoiirópoc, reiziger, vavirriyiiaiuoe om schepen te
bouwen {vavc,-iri}yvvfli).
II. Zelden is het eerste lid een verbum, wiens stam weinig
veranderingen ondergaat, bijv. jretö-apxoc gehoorzaam, /uiaavSr(tu>-
vog menschenhatend.
Dikwijls wordt de stam van het verbum alsdan door de syllabe <ri met het subst.
verbonden. Xv-ai-Ttovoq de moeite doende eindigen (Xv-u>), iX/ci-iri-winXoc met slee-
pend bovenkleed (IXkui), aip-ai-wovq dravend (aiiptv).
303 III. Onverbuigbare woorden blijven onveranderd, met inacht-
neming der regels van de verandering der consonanten § 18 en
de elisie der praeposities, N°. 19.
Men lette op de volgende praefixa:
\'A intensitivum, wat de kracht van het woord versterkt: arevtjf zeer gespannen,
aompxéc,
en airiceXÉc, zeer hevig (vergelijk onweer, ondier etc).
\'A privativum of privans (ava-) verzwakt of heft het begrip van
het woord op: SïjAoe duidelijk, a§>jAoe onduidelijk: voor vocalen
av, aveXivSipoQ onvrij, of smelt samen okwv onwillig voor aeKwv,
of smelt niet samen aoTrXoq ongewapend.
\'A copulatirum duidt een vereeniging aan , als ükóXovSoc, vergezellend van tèXtv-
Soq weg : afioXiïv (fiaWia) te zamen treffen.
\'A euphonicum om de uitspraak te vergemakkelijken van een woord, dat met twee
consonanten begint, a(3X«jxpóc voor flxij^póc zwak.
Ev- beteekent goed, wel, gelukkig, tegenovergesteld aan a priv.
tvnXovg gelukkig varend, arrXovg niet te bevaren: tïnrvovg gemak-
kelijk ademend, airvovg niet ademend, evSai/xtov gelukkig, eiiytvvg
van edel geslacht, weldenkend.
Avg het Ned. mis- (tegenovergesteld aan tv, geeft iets moei-
ljjks, onaangenaams te kennen, terwijl « priv. meestal het be-
grip van het woord geheel opheft): Su<té<S//c misvormd, Svcrytvfc
onedel, SvairXovg slecht te bevaren, Svavovg misnoegd.
\'Epi-, \'Api-, \'Aya-, Ao- s= 7.a- versterken het woord, gelijk het Nederl. zeer:
(IpiSnXoQ
=) npWijXoc zeer duidelijk, tpi-fiü\\uZ met groote, zware kluiten (/3(5Xaï
aardkluit), Ipi-oSivric. zeer sterk, ftjcnciof schaduwrijk, da-ipoivóc. hoogrood, £a$foc
zeer goddelijk,
£a-jrX»)5»ic zeer vol, aya-icXuróc roemrijk.
TXav- zeer (irai*-, iray, 7r«X-) N". 39. irau-uiKpoq zeer klein, ir&fKaXoc, zeer
schoon , wa\\-\\ivKoc, geheel teil.
\'Apt<rro- versterkt in den hoogsten graad: apiar-apxso) op de beste wijze regeeren,
apiaro-Kparia regeering der aanzienlijkste», aristocratie.
\'Ap%f
het Ned. aarts-, ap\\npivq aartspriester, ap\\i-Kvpipvi)Ti\\q opperstuurman.
-ocr page 213-
N°. 303, 304.]                      adverbia.                                          199
\'P<ï = pifStov gemakkelijk : fXfSvftóc; (gemakkelijk van gemoed) zorgeloos, lichtzinnig.
\'H/u- half: >\'/ii-&vi)C halfdood.
Tweede lid. Is de eerste letter van het woord een korte
vocaal, dan wordt zij verlengd: orpar-tj-yós (arparóv aystv),
vir-r)Kooq onderhoorig (yitó-axofiuv), Kaïc-tiyopiw (icaKÓs-ayoptvw),
Kar-riyopiü) (Kara-ayoptvw).
De uitgang wordt gewoonlijk op -oe gevormd: ^ïXórifioQ (rlfiy)
eet-gierig.
ADVERBIA.
§ 93.
Over de Adverbia van Adjectiva afgeleid, is in N°. 140 ge- 304
sproken. Verder worden nog Adverbia gevormd met de vol-
gende uitgangen :
-S»ji>. (Verbalia Paroxyt.) Kpifi-Srjv heimelijk, (ia-St)v in tred.
Sóv. (Denominativa Oxyt.) ayi\\r\\-Sóv troepsgewijze.
-Ti\'. ovofiaart nominatim, itcovrt gewillig.
•u. aiia\\ii zonder slag of stoot, ati altijd.
De Adverbia van tijd zijn meest stamadverbia. De meest voor-
komende zijn:
xS\'e\'c — t\\^iq gisteren.               tha, ïireira vervolgens, dan.
Ti\'i/itpov heden.                            irdXat oudtijds, toeleer.
avpiov morgen.                            oXXotb bij een ander gelegenheid,
vvv nu.                                       ivloTe — iotiv ore somtijds, nuen dan.
?j§»j reeds nu.                              ovSiiroTs, /xiiSiiroTt         1
5,,                                    .« *               * , \\ nooit.
apri, vvvoii zooeven.                   ovctTrwTioTt, ftrièïirwTroTt)
fü&wC) rrapaxpv^a terstond. ïn nog.
avriica dadelijk, oogenblikkelijk. tri tov van toen af aan en nu nog.
iliairlvns = t^ai^i-j/c, plotseling. ïn fiiv een tijd lang, nog daarenboven.
irpv vroeg.                                  ht Si en daarenboven.
ói/<é laat.                                      ovKtrt, ixrtKtTi niet meer, niet langer.
oxnrtx), (ii\'iirto, nog niet.              riwc een tijd lang.
-ocr page 214-
200                                         adverbia.                     [N°. 304—307.
róre op dien tijd, turn.             rêtog sidq zoolang als, totdat.
TrivtKaSt op dit oogenblik, zoo rriviKavra op dat oogenblik.
vroeg op den dag.
Aanm. Men verwissele tóti turn, niet met rori fisv - rorè Sé — wori fiiv -
irori Ss nu eens — dan eens, en vvv mme, tijdbepalend, met het toonlooze nu viv.
305       Op de vraag wanneer? wordt verder geantwoord 1. door den
Genitivus bijv. vvktog koi 17/uspae \'s nachts en overdag, Sipovg
in den zomer
, xsifiüvog in den winter.
2.    Door den Dativus: Tavry rij r)f*tp<}) ry vartpaiq den vol-
genden dag
, Teraprtj» \'int het vierde jaar.
3.     Door Adjectiva: BtvTepaiog, rpiraïoc, tKraïog etc., op den
tiveeden, derden, zesden dag
etc., opSpio? in de vroegte, o-icoraToe
in den avond , rtXevraXog eindelijk etc.
4.     Met Praeposities, bijv. an<t> 17X101» Svafxaq omstreeks zons-
ondergang
, virb, irspl, irpbg opSpov, 1%, opSpov, n/xa opSpy,
fiXiy, ï\'v etc. bij den dageraad.
306                                   Adverbia van plaats.
Vanwaar ?
\' ASt)vt)Srfv v. Ath., Athenis.
MiyapóSiv V. M., Megara.
IvS\'tvfo van hier, hinc.
IvrtvStv vandaar, inde.
IküSiv van ginds, Mine.
avróSiiv van de plaats zelve, inde.
a\\\\o$itv van elders, aliunde.
ov&aiióStv nergens vandaan,
wavraxó^fv van alle kanten, un-
decunque.
XaftaSiv van den grond, ab humo.
attcoSiv ven huis, domo.
tvSoSev van binnen.
SvpaStiv van buiten af.
Waarheen ?
\'KSitivaZi, n. Ath. , Athenas.
MiyapaSi n. M., Megaram.
Waar?
\'A$qv»)<ri, te Athene, Athenis.
VtiyapoX, te Megara, Megarae.
IvSiaïi alhier, Me.
IvravSa daar, ibi.
Ikh , ginds , Mie.
avTÓSi = aiirov op de plaats
zelve {hier , daar) ibidem.
ü\\Xo.5i elders, alibi,
oiiiafiov nergens, nusquam.
iravr&xov overal, ubique.
Xapai, op de» grond, humi.
oÏKot te huis, domi.
ivSov binnen.
Sbpaai buitenshuis
, foris.
Stvpo f
hierheen, huc.
ivüSSt \\
tKiini gindsheen, illue.
a liróai daarheen , eo.
aWoat naar elders, aHo.
nvöaiinm nergens heen.
Travrax""1 overal heen , quoli-
bet.
Xa/iaZt ter aarde, in humum.
o\'tKaêt naar huis, domum.
ilaia naar binnen.
S&p&Zi naar buiten, foras.
307 1. Op de vraag hoe? jriSf ; wordt geantwoord door wSs zooals volgt, ovtuiq zooals
gezegd is
(N°. 162.), d\\\\ug anders, bij andere gelegenheden, Irfpwc op een andere
wijze, ovSa/iüc geenszins, irdvriüq in elk geval, UaTépwaï naar beide zijden,
«óirrort
van iedere zijde, onder elk opzicht, telkens, altijd, anfoTipoiStv van weerszijden.
2. Op de vraag, langs welken weg (op welke wijze) ? iry; rairy langs dezen weg,
op deze wijze, aldus, dWaxii
en aWy op een andere wijze, anders, langs een anderen
weg, oüSa/iy langs geen enkelen weg, op geenerlci wijze, iravr&xy langs eiken weg, op
alle manieren.
-ocr page 215-
201
N°. 307—309.]
ADVERBIA.
3. Op de vraag: hoe dikwijls? wordt met de adverbia numeralia, N°. 144, ge-
antwoord.
Adverbia Correlativa.                            308
Indefinita
Intekrooativa.
(alle Enclytisch).
Relativa.
irov; «4» ? waar ?
iroi alicubi, ergens.
ov f ubi ,
tvSa \\ alwaar.
oiro»
waar.
iroi; quo ? waarheen ?
iroi aliquo , ergens heen.
ol ( quo,
ïvüa
1 waarheen.
\'ówot quo ,
waarheen.
iróStv ; unde? vanwaar?
iroSiv alicunde, ergens
\'ótiv i unde,
ivBiv \\ vanwaar.
oiróStv unde, van-
vandaan.
waar.
iréri; quando? wanneer?
wori aliquando, eens.
\'órc , cum, ten
óiróri cum, wan-
tijde dat.
neer.
7rT|i\'ft»; om welk uur?
i\'/i\'i«:« , ten tijde
birnvita op dien
dat.
tijd, waarop.
irüc ; quomodo ? hoe ?
irióe eenigszins.
wc, üirirtp evenals,
oiriag op de wijze
gelijk.
waarop.
iry; qua ? hoe ? wat ?
iry\' langt eenigen weg,
y, yirtp waarlangs.
biry langs welken
waarheen ? langs wei-
soms.
weg
ken weg ?
irotraKis,; hoe dikwijls ?
bouictQ zoo dikwijls
biroaaKiQ hoe dik-
als.
wyls
Aanm. 1. In de onrechtstreeksche vragen vindt men de vormen der relativa
\'óirow etc. der vierde kolom. (N°. 191. 2.).
2.    "EvSa en tvStv zijn meest relativa. Zij zijn aanwijzend in de volgende uit-
drukkingen : ïvüa Si) zoo even, daar juist, ïvSra icai ïv$a hier en daar, ïvSa fliv —
iv$a Si hier — daar, ïvSiv «at tvSiv van beide zijden , IvSiv piv — ivSiv Si van
hier
— ran daar.
3.    AU demonstrativum bestaat wc (wc) in de verbindingen : Kai wc ook aldus,
ook in zulke omstandigheden, oltS\'
wc, fvS\' wc ook zoo niet, zelfs niet in zulke omstan-
digheden ,
wc aai &\'{ zóó en zóó, wffavrwj evenzoo.
Adverbiale Spreekwijzen.
Sommige naamvallen van nomina worden dikwijls als adverbia 309
gebezigd.
1.    De Genitivus.
ayxov nabij, ilije, tfrZnC in rij, geordend, ètairinrn, llaip\'nc, plotseling (zie N\'.
304), jiiKpov , óXiyoi) bijna, óuov te gelijk, UiroSüv uit de voeten, 1/tiroSiiv in den
weg
(voor iv iroaiv).
2.    De Dativus.
eicjj zóó maar, ax»\\y niet licht, KOitiSy (met zorg) zeer, airovty met ijver, moeite,
bezwaarlijk, nauwelijks, irtï,y te voet, Koivy gemeenzaam, iiia, privatim, als bijzonder
persoon, Snfioaiq. publice, van staatswege, iravrairaai heelemaal,
rp<xjji drievoudig etc.
tv) övti inderdaad, feitelijk, xP°vV ten l""H" \'««\'*\'«i ty a\\nz>iiqi in waarheid,
-ocr page 216-
202
[N°. 309.
ADVERBIA.
rij! tpyip inderdaad, SpA/iip in stormpas, kvkXi,: in een kring, fiiQ met geweld, ópyjj
drift, aiyy in stilzwijgen, etc.
3. De Accusativus.
A. Van Pronomina.
Ti wat, waartoe, waarom, in welk opzicht, N°. 180, r< in eenig opzicht, N°. 184,
ovSiv in geen opzicht, appóripa in beide opzichten, oi/Siripa op geen va» beide wij-
zen ,
rd iravra alleszins, ra\\\\a (r\'dXXci) overigens, rb wav in het algemeen, toüto in dit
opzicht,
— en ravra daarom , daartoe, tovto fliv - tovto b"s deels • deels, rb fiird ravra
hierop, raiirb toüto juist hetzelfde, to avftvav in het geheel, omnino, ra fliv
- rd
Si deels • deels, raSairip zooals.
B.     Van het Neutrum van Adjectiva, vooral in Comparativus en Superlati-
vus (N°. 140. 3.).
Mlya, fifyaXa Svvafiat ik vermag veel, filya \'jih-io , niyiara) <ppovüi ik ben
frotsch , fxiya fioü,
\\iyoj ik roep luid, fiiya, /ifya\\a Xiyu ik poch. \'Au|3\\i bpav
zwak van gezicht zijn. \'OU bpav Kal atovnv scherp zien en hooren. \'OZ.uv r/H Kat
KaXóv,
of, kokóv, irovinpóv, oairpóv. Miya KparfXv, avaaauv met kracht heerschen ,
(dicht.) piya avivSi rer verwijderd.
MiKpóv, uttpa nauwelijks, ter nauwernood, een weinig.
TïoXi verreweg, zeer, veel, wkvó, jroXXd, ra ïroXXd veelal, meerendeels, r,ewoon-
lijk, b\\iyov weinig, to
TrXfïov, Iwi irXilov, rd irïiw meer, wXfïarov zeer veel, In-t
vXnarov (ufpoe) voor het grootste gedeelte, meerendeeh , (ri) ftiyiarov meestal, voor-
namelijk, Ta\\v snel.
TovvavTtóv integendeel, ai/rb rovvavriov juist integendeel, irav TobvavTióv geheel
tegenovergesteld.
lïpóYfpov vroeger, rö irpónpov de vorige maal, itpSirov het eerst, wpürov voor
de eerste maal.
apxoiov van ouds, oudtijds, to Xonrav en ra Xoiira overigens, verder, in de
toekomst, riXtvraiov, ra nXtvraia eindelijk.
AaSpa heimelijk, udXa zeer, Taxa snel, wellicht, ii^a , rplya etc. in twee, drie
enz. deelen, aipóSpa zeer, rraijxi duidelijk,
Sdurt dikwijls, etc.
C.     Van het lidwoord met een praepositie of Adverbium.
To iir\' i/ié, rè kut\' lui, y\' Ipóv wat mij betreft, to *o3\' i/iöf wat « aangaat,
rb vvv,
rd vvv nu, voor \'t oogenblik, rb wpiv , 7rdXn:< voorheen, rb kut\' apyac, in
het begin, rb irapawav in het algemeen, rb airb rovSt van nu af,
éi\'c ra fiaXtara
maxime
, Ik toü irapaxpvpa aanstonds.
D.     Van Substantiva.
\'Ap\\ijv (ri}i>) in het begin, geheel en al, met ontkenning, volstrekt niet, yvii/inv
Iftr/v naar mijne meening, ?mptav , irpoÏKa
(van irpoit, huwelijlngift) voor niets, gra-
tis, uipog ti ten dcele,
l/ióv, anv fiipoQ voor mijn deel, wat mij betreft (zie C.
to y\' Ifióv), (ró) riXoc,, Tréptic ten slotte, eindelijk, rr)v üpav te rerhter tijd, rrfv
Taxiarrfv, irptiirnv [iiiv) ten spoedigste, tv/v iii§t~iav rechtstreeks, /laKpav ver, rbv
rpóVov naar het karakter, róvSi rbv rpóirov op de volgende wijze, iravra. rpóirov
op iedere wijze, toütov rbv rpóirov op die wijze, aldus, trtpov, ov rpóirov
etc,
riva rpóirov qua ratione, iravrac, rpóirot\'C (ook rivt, toutoj Tip rpóirip), irpótpaoiv
onder voorwendsel, voor de leus, irpófaotv y.iv • rb
ó"d\\i)9éc wel onder voorwendsel
van
— doch in waarheid.
E.     Van Participia.
Afoi\', irpoaïJKOV als of daar het noodig, betamelijk is, itóv als, daar of terwijl het
geoorloofd is
of was, Svvarbv bv — mogelijk — , KaXü{ Trapaoyóv — zich een goede
-ocr page 217-
N°. 309—311.]                PRAEPOSITIONES.                                    203
gelegenheid voordoet, Sokovv — goed schijnt, lóiav tovto , SóZavra ravra — besloten
was, iiiXov
— ter harte gaat, uiTapt\\ov — men berouw heeft, irpoffra^Sév — bevo~
len is, fipiiiih\'ov
— gezegd is, yivóutvov lit\' l/ioi — van mij afhangt, nVóf —
billijk, natuurlijk, blijkbaar is, rö Xeyó/itvoi\' volgens het spreekwoord.
PRAEPOSITIONES.
§ 94.
1.     In nauw verband met de Adverbia staan de Praepositiones,
die oorspronkelijk adverbia van plaats, tijd of wijze waren en
nog als dusdanig bij Homerus, Herodotus en de dichters gebruikt
worden. In Attisch proza is dit echter alleen nog het geval
met 7rpóc in de uitdrukkingen Kat 7rpoe, irphc St en daarbij nog,
en daarenboven.
2.     Men onderscheidt de praeposities in eigenlijke en oneigen-
lijke: eigenlijke, die met een werkwoord of nomen tot één woord
kunnen samensmelten, oneigenlijke of adverbia met welke dit
niet kan gebeuren, al zijn zij dan ook naar hun beteekenis en
regeering geheel als praeposities te beschouwen.
I. De oneigenlijke praeposities of adverbia, die den Genitivus
regeeren zijn de volgende:
?v£ko ter wille van, causa. fitraKv tusschen.
tvavriov
/uf\'xpi tot aan.
tegenover.
t
KaravriKpv >
tïffw naar binnen
è\'Soj naar buiten.
ivTÓg binnen.
iktóq buiten.
t/nirpooSev voor.
KaTavTinipag )
tripav aan gene zijde.
nipa voorbij.
AóSpa ) buiten weten van,
Küdijxt )            dam.
KaTÓmaStv / achter.
Karóiriv )
irXi\'iv behalve.
iróppw
verre van.
itpóou)
Aanm. 1. Evenals ivavrtov tegenover, behooren hierbij nog
de Accusativi irXyaiov nabij, BUvv bij wijze van, gelijk, instar,
X&qiv ter iville van, om, gratia
(N°. 309. 3. D).
2. Aikijv, x&qiv en ïvtKa staan veelal achter hun casus.
-ocr page 218-
204
PRAEPOSITIONES.                  [N°. 311—313.
3.     Men lette op de uitdrukking t/xrjv, afjv \\apiv mea, tua
gratia.
4.    "A/na te gelijk met, bij , regeert den Dativus, óju\' ?w, afx
rjXiq, v/ia t>) w/iipn bij het aanbreken van den dag.
5.     Mtxpt beteekent als conjunctie, totdat, donec, volledig
fiêxP\' °v (An- !• 7> 6)- Zie N°- 383-
6.     Deze oneigenlijke praeposities worden ook als zuivere ad-
verbia zonder verdere regeering gebruikt.
II. De eigenlijke praeposities regecren of slechts één of twee,
of drie naamvallen.
1.     In het algemeen staat
de Genitivus op de vraag: vanwaar? waaruit?
de Dativus
          „ „ „         waar? waarmee?
de Accusativus ,, „ „         waarheen? hoever?
2.     Zij zijn met den Genitivus avri, airó, t£, irpó.
Dativus lv, (xuv.
Accusativus ava, tig, o»?.
Genitivus en Accusativus Sict, «cara, jutra, virtp.
Genitivus, Dat. en Accusat. a/i<j>t, tni, itapa, wtpl, irpóg, vwó.
3.     Accent. Alle praeposities zijn oxytona; we, tig, tv, t£
zijn atona, N°. 12. Zie voor de Anastrophe N°. 17, II. en voor
de voornaamwoorden en voorzetsels N°. 16. b.
Praeposities met den Genitivus.
1. \'Aim\', in de plaats van, ter vergoeding van, voor.
Xen. An. III. 1, 17. tarpartvaafitv §è È7r\' avróv wg couXov
di\'rï (5aat\\twg irmt]anvTiq, wij trokken tegen hem op, om hem on-
derdaan te maken in de plaats van koning.
I. 3, 4. \'ha u)<f>i-
\\oiriv Kvpov avy wv tv ïnaSov vir\' tKtivov, om Cyriis ten dien-
ste te staan voor de weldaden, die ik van hem ontving.
An. IV.
1, 15.
Merk op: Sopb. O. C. 1326, avri wailuiv (= 7rpèi; iraUwv) rwi\'fle icai ^«x5f,
irarip \'ucirtiniiiv ai. Bij uw kinderen en uw leven inweken wij u , vader.
In samenstellingen veelal tegen: avrtXêytiv tegenspreken, avn-
tvtttuv tegenstaan, avrdSiKiiv kwaad met kwaad vergelden.
-ocr page 219-
N°. 313.J                          PRAEPOSITIONES.                                    205
2.    \'An-ó van, van af.
Xen. An. II. 6. 5. a7ro tovtwv twv \\pi\\naTuw avviXt^t orpa-
rtvfia, met dit geld wierf hij een leger. III. 1. 12. airb Aibg rb
ovap SokiÏ ilvai de droom schijnt van Jupiter te komen.
I. 2. 7.
airb \'inirov ibi\'ipivtv te paard jacht maken, 1, 2. airb rijg ap^Jje
van uit de provincie, 2, 17. airb tov aiiTo/uirov van zelf, III. 2.
14. a<f ov sinds. Demosth. XXIV. 6. ovk airb tov irpaynuTog
niet in overeenstemming met de zaak {buiten quaestie).
PI. ïheaet.
179, c. ovk airb okottov (niet onjuist) met juistheid, terecht. Xen.
Heil. III. 1. 6. oi airb toïi Arjjuaparou de afstammelingen van.
\'Air\' iXTriêuiv, airb M£q( tegen verwachting, airó y\\wrr?)f mondelings, dirö arroi-
Unc, niet ijver, airb tvxvs bij toeval, airb iüv
TroAffuwv 0ój3t>c vrees voor de vijanden.
In samenstellingen:
weg- airdvai weggaan, airontfjmtiv wegzenden.
af- arroTifivitv afsnijden, airo%vii<TKtiv afsterven.
terug- aitoSovvai teruggeven.
3.     \'E? uit.
Xen. An. I. 2. 9. Sfy&JC ük rijg \'EXXóêog airtx<ï>pit, -X"- trok uit
Gr. terug.
II. 3. 10. Iitoiovvto yifipag tic twv (j>oivIkwv zij maak-
ten (voor zich) bruggen uit palmboomen.
I. 2. 22. tic SaAarrije
tig SaXarrav «aw zee £o£ zee, 1. 6. u-óAeic tic fiaatXéwQ ctSofitvai
van ivege, door den koning gegeven,
VI. 6. 21. tic St tov apioTov
rrpoiiyaytv na het ontbijt voerde hij vooruit.
\'E* irailnt, ira\'Sojv van kindsbeen af, Ik iraXawv van oudtijds, Ik St%iaQ, apw-
TipaQ, irKayiov rechts, links, in de flank, 1% ov, örov sinds, daarom, Ik tovtou,
tovtojv daarop, derhalve, i£ laov gelijkelijk, Ik iravrbs rpóirov op alle wijzen, Ik tov
dfiKov onbillijkerwijze, Ik tov Ivavriov tegenover, Ik tüv rapóvruv naar de omatan-
digheden,
oi ie rrjc ayopag de kooplieden, ïk tüv \'EXXVjv&iv ei\'c rouf fiapftaporc, <pó-
|3o£ vrees der barbaren voor de Grieken.
In samenstelling: uit-, ticfiaWtiv uitwerpen, ikkoXeïv uitroepen,
tnXêytiv uitkiezen.
4.     npó vóór.
Xen. An. I. 2. 17. ariiaag to apfia wpb rïje (paXayyog fita-qg
nadat hij zijn wagen midden voor de phalanx had doen stil hou-
den.
7. 13. irpb rïje juaxic» Ka\' JU£r<* T*J" juax1)" v^r den s^a9
en na den slag.
8. 24. vikö. rovg wpb fiaoiXttog TtTay/iivovg hij
-ocr page 220-
206                                    PRAEPOSITIONES.                 [N°. 313, 314.
overwint hen, die vóór den koning gerangschikt waren. Cyr. I.
6. 42. intivoi travrtq a^tilxrovai at irpo iavrtóv (iovXtvtaZrai, die
zullen allen verlangen, dat gij voor hen (in hunne plaats = avrl)
zorg draagt.
IV. 5. 14. npb r\\fitpat; voor het aanbreken van den
dag ,
Trpo tov voorheen , vroeger.
In samenstelling: vooruit-, TrpoayytXXttv vooruit verkondigen ,
npofiaivtiv vooruitgaan, irpoaytiv voorbrengen, rrpoatpüabai de
voorkeur geven.
Praeposities met den Dativus.
5. \'Ev in.
Xen. Anab. VI. 4. 1. Xi/iriv tan iv ry Gpany r»J tv ry \'Aaiif
de haven ligt in Aziatisch TIn
\'acië. I. 6. 1. tv toÏg apiarote; Tltp-
aü>v Xtyófitvog onder de dappersten der Perzen gerekend. 6. 3.
tvqv hl iv tij tirioToXy en in den brief stonden. III. 1. 21. tv
fiioy kütcu Tavra aSXa dit ligt in het midden als kampprijs.
V. 7. 10. Xlytiv iv vfüv voor u {tot u) te spreken. VI. 4. 27. tv
hl toïq öirXotq iwKTtptvov zij overnachtten onder de wapenen.
5. 24. pviifinv LavToï) irapix^v iv oïg iStXu zich roem verwerven
bij wie men wil.
IV! 7. 9. ov yap f/v aatpaXlt; tv to\'iq hivlpoiq
toravai want het toas niet veilig onder de boomen te staan.
Heil. V. 2. 29. iv if >; /3oiA») itcaStiro iv ry iv dyopd otoq, iv TOVTtp vytïrot
«C rf/v arpÓJroXiv, terwijl de raad in den zuilengang op de markt vergaderd wat,
voert hij hen intusschen naar den burcht.
\'Ev Kaipif) te rechter tijd, iv KaXiji voordeelig.
In. samenstelling: in-, ivawruv in iets bevestigen, ivaaKtiv in
iets oefenen, ivtïvai in iets zijn.
6. Suv (?vv) met.
Xen. Anab. III. 1. 23. t\\ofitv ipvxas ovv rotc $«»e a/xtlvovag
met de hulp, onder de bescherming der goden.
I. 10. 2. (3aai-
Xtiis Kal oi avv avr({> de koning met zijn leger (gevolg).
2. 18. aiiv
ytXtDTi iirl rag
(XKj/vae ijA&ov zij gingen lachend naar hun tenten.
In samenstelling: mede-, te zamen-, ovvSnpav medejagen, av
vtaravat bijeenbrengen, te zanten plaatsen.
-ocr page 221-
N». 315.]
207
PRAEPOSITIONES.
Praeposities met den Accusativus.
7. \'Ava naar boven, op. (Adverb. avto).
Xen. Anab. III. 5. 16. rovg K.apêov\\ovg t<j>aaav oiKttv ava rit
oqï) zij zeiden dat de Carduchi op de bergen icoonden.
Cyr. II.
. Jö. fx-q avyt, oti èvvaaai rpt^nv ava ra opn, c«o/<m nyyarj
ook moet gij, wijl gij naar de bergen op loopen kunt, niet in
stormpas vooruitgaan.
Van beweging in eene ruimte: ava tiüua door het huis verspreid, ava arparóv
door het leger verspreid.
Bij getallen, distributief.
Xen. Anab. III. 4. 21. ol «rrparijyoi l-iroii\\aav Xó\\ovg ava.
skotov avBpag de veldheer en vormden zes af deelingen, ieder van
honderd man.
IV. 6. 4. iiroptv^riaav ava. irivrt irapaaayyag rij?
fifiipag zij legden vijf parasangen per dag af. VI. 5. 11.
\'Ava nró/m Ixnv op de lippen hebben, ava irparoj summis riribus (/cara icparoj i\'t),
ava iraoav t\'fuipav dagelijks , avd. iraaav t>)v ri/xépav den geheelen dag door.
Bij Dichters staat ook de Dat. bij ara. Hom. A. 15.
In samenstelling: op-, avafiaivtiv opgaan, stijgen, avafiaXXuv
opwerpen, ava(5Xtirtiv opzien;
terug-, avayytXXttv terugberichten,
avairXüv ter ug zeilen, avayeaSai in zee steken.
8. Ei e (tg) naar, tot.
Xen. Anab. I. 2. 2. irapï)<rav tig "Zópdug zij waren te Sardes
aanwezig
(namelijk, zij kwamen van alle kanten naar Sardes en
waren aanwezig). 3. 3. oiik tig rb ïBiov Kar&éfiriv i/ioi, aXX\' tig
v/iag tdanavwv ik bewaarde het niet voor mij, doch gebruikte het
voor u.
9. 5. ra tig rbv iróXtfiov tpya wat den krijgsdienst be-
treft.
II. 3. 25. tïg ttjv vartpaiav den volgenden dag. IV. 1.
15. vóór den volgenden dag, gedurende den nacht. VI. 6. 13. fifj
BtxttT^at tig rag iróXttg niet in de steden op te nemen.
TïapayyiWtiv, £pa/it?v tij Ta ön-Xa te tcapin {onder de wapens) roepen, loopen,
fi{ avpmv
, n)v liriovaav tol den morgen, tij rbv tiriira \\póvov in den volgenden
tijd, later,
tij iivauiv naar vermogen, tij Ka\\óv = l!{ xaipóv = iv Kaipip te rech-
ter tijd, l( Ktvóv te vergeefs, $6Za
tij avSptórnra krijgsroem, \\iyuv eïj riva tot
iemand spreken,
tij ttrirépav tegen den avond.
Eij roüro, TorroDro met Genitiv. in ongunstigen zin, bijv. fiavlas = eo furori»,
zie N°. 331. b. 2».
Men lette nog op de uitdrukkingen: tij Xóyouj IkSüv in gesprek treden , tij xtï-
-ocr page 222-
PRAEPOSITIONES.                   [N°. 315, 316.
208
paf ihvai handgemeen worden : ei\'c "AiSov, SLSaoicaKov, \'AyaSwvoc met weglating
van oJkov huis, zie bij den Genitivus.
Bij getallen : ongeveer of distributief.
X. Anab. I. 1, 10: III. 3. 6. el\\e roZórag Kal aftvBovlirag
dg rpiaKoaiovg hij had ongeveer driehonderd boogschutters en slin-
geraars.
Cyr. III. 1, 42, Y. 3, 6. Heil. II. 4, 12: VI, 4
12. tïiq §è qjaXayyog rovg /liv AaKeiïaifioviovg tipaaav dg Tptïg riijv
Ivwfiortav ayav\' toïito èi avfifiaivtiv avroïg ov tiXiov rj dg StuStica
to (SaSoQ , zij zeiden, dat de Lacedemoniërs elke afdeeling met
een front van drie mannen hadden opgesteld; en dat zij diensvoU
gens niet meer dan omstreeks twaalf man diep kon zijn.
In samenstelling: in-, daiivat, eiofia\'ivttv ingaan , dofiaXXttv
imverpen, timcaXüv binnenroepen.
                /
9.     \'Q,g wordt gebruikt in plaats van dg bij personen.
Xen. Anab. I. 2. 4. 7rop£UETat wc fiacriXéa hij gaat naar den
koning.
Praeposities met Genitivus en Accusativus.
10.     Ata door. Adv. 8«ó daarom.
a) Met den Genitivus: door, lat. per.
Xen. An. 12,5. i%eXavvei Sia rf/c AvSiag hij trekt door Ly-
dië.
7. Sta fiiaov Se roïi napaSdaov midden door het park. 8,
26. nrpdóoKu tov avSpa èia toÏi SwpaKog hij wondt den man door
zijn harnas heen.
II. 3, 17. ïXeye §<\' épjurjvtwc hij sprak door
zijn tolk.
IV. 5 , 1. tiroptvovTO Sia \\ióvog 7roAX»jc «y trokken
door veel sneeuw.
6 , 22. sicaov irvpa voXXa Sta vvieróg zij brand\'
den veel vuren gedurende den nacht.
Spreekwijzen: Sia arèfiarot é%«v op de lippen hebben (zie ava), Jia xl\'P^t *XI,W
iels onder handen hebben, met iets bezig zijn, Si\' ópyf/c, Si\' lir&vitiac, ixl,v toornig,
begeerig zijn, Sia
xaptrwi» , Si aüu/jiag, St\' tx$pa£ yiyvitrUai aangenaam, moedeloos,
vijandig zijn, Siêt
0iXïac, Sia /uaxiC ilvai, j/cfiv nvi iemand bevriend zijn, bekam-
pen, Si\' iiavx\'iac.
, 0ó|3ou tlvai stil, bevreesd zijn, Sta t&xovq, Tax*i»v. Ppaxvrarwv,
snel, spoedig, Sia fiaiepov van verre, in langen tijd, Sta jiaKpüv, naKporiptov u:ijd-
loopig, breedvoerig,
0i\\oc Sia. riXovc ün einde toe, getrouwe vriend.
b) Met den Accusativus: wegens, lat. propter.
Xen. An. I. 7, 6. fuxpt ov êut kuo/m ov Svvavrai oIküv av
S\'pwjrot tot waar de menschen wegens de koude niet kunnen wonen.
-ocr page 223-
N°. 316.]                          PRAEPOSITIONES.                                    209
8, 29. ireri/iriTo yap viro Kvpov Si tvvotav re Kal moTÓrriTa wegens
zijne goedgezindheid en trouw stond hij bij Cyrus in aanzien.
VI. 6, 24. Bi uvSpa SeiXóv, üvSpa ayaSov anoKTtiviov dat gij
wegens een lafaard, een dapper man doodt.
Aia toüto daarom. Voor iïia met den Gen. door: Sta vitra, Sid raippov , <Wi
ffrójuu ixilv e^e\'
In samenstelling: door- Siafiaivuv doorloopen, BiafiaXXttv door-
halen
, belasteren, StafiifiaZuv doorheenvoeren , Bia(pSrttpctv (door
en door) geheel en al verwoesten.
11. Kara. Adv. kóYw omlaag.
a)     met den Genitivus: langs.... naar beneden (te-
genover ava).
Xen. An. I. 5, 8. \'Uvto Sjgwep uv Spófxoi n? irtpl vIkiiq koï
fn\'iXa Kara irpavoïig jt}\\ó(pov zij sprongen, zooals iemand voor een
overwinning hopen zou, snel langs den stellen rand naar beneden.
IV. 2, 17. ju») ï\'iXafitvot Kara tF/c irtrpaQ die niet langs de rotsen
naar beneden gesprongen waren.
5, 18. jfcav tavrovg Kara tïjc
\\ióvoq tig rrjv vairriv zij stortten zich langs de sneeuiv naar be-
neden in het dal.
VIL 7, 11. Kara rfje -yïje KaraSvofxai ik zink
in den grond.
Aiyttv «ara nvog tegen iemand spreken: Kar \'EparooSivovs,
Ayopdrov
, QiXiinrov.
b)     Met den Accusativus: langs.
Xen. An. IV. 2, 16. irpotXSóvTas Kara rr/v óBóv langs den teeg
vooruit te trekken.
V, 2, 19. tSevro rd liirXa Kara rrjv óBóv zij
hielden halt (langs) op den weg.
Cyr. VII. 5, 16. ro ïiStop Kara
rap rcuppovQ ixwpu het water liep in de grachten.
Volgens, met betrekking tot: PI Ap. 17. b. ó(xoXoyoir\\v av
ïyioye ov
Kara tovtovq tlvai /ói\'/Twp gaarne geef ik toe geen rede-
naar volgens hunne opvatting te zijn.
Xen. An. I. 2, 16. reray-
fiivoi
Kara ÏAac Kat Kara ra^ug in drommen en in het gelid ge-
rangschikt (met geregelde en ongeregelde troepen).
Cyr. VIII. 1,
6. ot\' Kara rrjv \'Aaiav vwo fiaatXü \'óvrtg die in Azië \'s konings
onderdanen zijn.
Heil. II. 3, 30. rinw/xcvog Kara rbv traripa
14
-ocr page 224-
210                                       PRAEI>OSITIONES.                              [N°. 316.
"Ayvotva gëeerd wegens zijn vader. IV. 8, 1. 6 fiiv S>) kotu yriv
wóXtfiog o\'vTwg tiroXintïro en zoo werd te land gevochten.
Cyr. VI.
3, 12. tXavvuv icara nva op iemand afrijden.
Kard (rparof Pl\'i Kttra iïvvafiiv paar vermogen, Kard yijr jnu Kard SaXurrai*
terra wariqtic, Kard iró\\iv door de stad verspreid.
Distributief: Xcn. An. I. 9, 17. k-ara /aïiva Ktpèog loon per
maand. III. 5, 8. §iAw Staj3tj3aa-at v/xac; Kard TtTpaKtrr^tXiovg
óirXirag ik wil telkens 4000 hopl. overzetten. IV. 5, 23. tSo^t
k-ara rag KtofiaQ rag ra^tiq ctkjji\'oüv >«(?« fOwrf (/wtf rfe afdeelingen
volgens de verschillende dorpen te legeren.
Kar\' aviïpci viritim, Kard /if/i\'a maandelijks , rar\' iviavrav joorlijl\'s.
In samenstelling: neer-, Kara/3a/i>fti> neerdalen, Kara/3tj3a££ti>
waar beneden voeren , k-ara/3aAAe<v wtar beneden werpen ; ten na-
deele van-, Kar>jyopt7i», k-ara-ycyvwo\'k-fii\' beschuldigen, veroordeelen.
12. \'Yjrép.
a) Met den Genitivus: boven-over.
Xen. An. I. 10, 12. virip rijc k<iV»jc yliXixpor; ij», want boven
(achter) het dorp was een heuvel.
II. 6, 2. ë£éVAt< Óiq iruXffitiaiDv
ro7? in-lp Xïppov/)(Toi\' «ai rU/p/VSou Gpa^fi» /«//\' zeilde uit om de
Thraciërs boven den Ch. en Per. te beoorlogen.
Voor, in plaats van, om, ter wille van.
Xen. Cyr. III. 3, 44.
vvv virip \\{;v)(ü>v tÜv v/itTtpiov ó aywv Ka\\
{nrip yïis tv
y ïtjtvrt Ka) virip 6ikü>v tv oïg tTpa<pi}Tt Kat virip yv
vatKi\'iv ri
Kat tIkvwv Kat irtpl iravrwv wv ntiraaSlt nu moet gij
strijden voor uw leven en voor uw land waarin gij geboren zijt
en voor mee huizen waarin gij zijt opgevoed en voor echtgenoo-
ten en kinderen en voor alles wat gij bezit.
An. VI 6, 18. oï
virip tfxoïi XtZovotv, die in mijne plaats zullen spreken. Zie ook
V.  5, 18. X. nam het woord op voor.
b) Met den Accusativus : boven-over (meer in over-
drachtelijken zin dan met den Genit., doch ook = den Genit.).
Xen. An. I. 1, 9. ivoXtfiu toIq 6p«£ï toïq virip \'ËXXiiairovrov
uiKovaiv hij beoorloogde de Thraciërs die boven den Heil. wonen.
VI.    5, 4. KariXnrov rovr; virip vivrt Kat rtrrapaKOVTa tri) zij lie-
-ocr page 225-
N°. 316, 317.]                 PRAEPOSITIONES.                                    211
ten hen, die boven de 45 jaren waren, achter. Cyr. VIII. 7, 3.
lirt ovSiirunroTf tut) raïf ivtv\\iui<; virip av&po>irov i<j>póvij<ra dat ik
mij in voorspoed nooit buitenmate verhief.
In samenstelling: over-, vtripfiaivtiv overschrijden, virep(5a\\-
Xetv over iets heenwerpen, vneph$ea$tai zich buitenmate verheugen.
13.     Mfra.
«) Met den Genitivus: met = lat. cum.
Xen. An. I. 10, 1. ui /«r\' \'Aptalov Ariaeus en zijn leger.
II.  6, 18. tovtwv ouStv uv SêXoi KTao&ai fitr\' aêiKiag, aXXa <rvv
T(t" tltKuiw Kal KaXtï (ijiTu Sttv Tvy\\avftv, niets hiervan wilde hij
met onrechtvaardigheid verwerven, doch meende dat men dit door
gerechtigheid en eerlijkheid moest verkrijgen.
b) Met Accusativus: na.
Xen. An. IV. 6, 2. fxi^f ruxipav na het aanbreken van den dag.
Thuc. I. 63, 3. fiira rr/v fxa\\i]v rpoiraïov tartfaav na den slag
richtten zij een zegeteeken op.
MéTÖ raïiTu hierop, hierna, vervolgens.
Bij dichters vindt men /it rd in , te midden van, ook met den Dativus: Hom. Od.
y. 281 , 3. 156 etc.
In samenstelling: mede-, /.itraSiSovat meedeelen, of gewoonlijk
een verandering: fUTafiaXXetv omwerpen, veranderen, /xtTayiyvu>o-
Keiv van gevoelen veranderen, fitraTtStvai verplaatsen, veranderen,
nzraarptyuv omkeer en, veranderen
Praeposities met drie Naamvallen.
14.     \'Afvpi en fhpi\' om. Deze komen met elkander in ge-
bruik overeen, ofschoon anijti eigenlijk van beide zijden (aflijnt),
afKpórepoi), irtpi van alle zijden, rondom
beteekent.
«) Met Genitivus: aangaande (= lat. de), ter wille van, om.
Xen. An. I. 2, 8. tpiZovTÓ, ol nep\\ oofias die met hem over de-
toonkunst twistte.
II. 3, 1. Ki\'ipvKag ÏTrsfixpe irtpl airovSijv hij zond
een heraut om een verdrag te sluiten.
IV. 5, 17. oc\' iroXïfuoi irpov
ytjav iróXXy
Sopu/3a> <X/U0« wi> itxov Sia^sprf/ievoi de vijanden na-
derden met veel gedruisch, terwijl zij over den buit tivistten.
Cyr.
III.     1, 8. ciq Katpbv nullij, uirwq rijt; Si\'icrje aieovayt; napiov rrje
14*
-ocr page 226-
[N°. 317.
212
PRAEP08ITI0NES.
a/Kfn toxi trarpóq gij zijt te rechter tijd gekomen, om tegenwoordig
te zijn bij de rechtspraak over uw vader.
Jïfpi iróWou, irXftovoc, jrXnVrnu, iravrbs woiüoiai hoog, hoogcr, het must, bo-
ven allee achalten.
h) Met Dativus: rondom, om, van Uchaamsdeelen.
X. An. I. 5,8. tvioi tCov Wipoüv tl\\ov Kal arptwrovg ncpl
roïc Tpa\\//Ao(c , Kal xpiXXia irtpi raiq \\ipaiv, sommigen der Per-
zen droegen ketenen om den hals en armbanden om de handen.
\'A/c/ii met Dat. is dicht., bijv. Hom. 1\'. 344.
Overdrachtelijk Sappih\', iïtï<Tui jrtpi nvt bij iels moed hebben , roor iets vreezen.
c) Met Accusativus : rondom, meest overdrachtelijk.
Xen. An. I. 6, 4. èw\'Atuo-E StaSai ra oirXa iripl rrjv avrov
aKi\\vr]v hij beval hen rondom zijn tent post te vatten. IV, 2, 5.
KaraXanfiüvovai roiit; (piXaKag tui<l>) Ttïip Ka$nnêvov$ zij overvallen
de wachters die rondom het vuur gezeten waren.
IV. 5 , 36. jrcpï
Toii? TT<\'>Baf; wtptttXiiv ti iets om de pooten winden.
Merk op : Xen. Cyr. I, 2, 13. Swpata wipt roïj irripvoig tal yippov tv ry apm-
Ttpa.
II. 1. 9. So>pti£ irfpt ra aripva rat yippov iiQ Tt)v aptaripiiv.
Bij tijdsbepalingen en getallen : omstreeks.
X. An. I. 8, 1. au<pt ayopav nXiftovaav. II. 1 , 7. nt(A 7rA»j-
Sovaav ayopav omstreeks middag. I. 7, 1. iripï /ttaag vvktoq om-
streeks middernacht.
VI. 5, 32. TTtpi nXlov Bvafióg omstreeks zons-
ondergang.
VI. 2, 16. a/ifl rtrrupakovra lirtriaq omstreeks 40
ruiters. Cyr. I. 2, 15. aju^i rag SwBtica /mvptaêag omstreeks 120,000.
Ten opzichte van = tic;, npóg en kutó. met den Ace. Lat.
in, erga. t\\ttv, tlvat tttpl nva zich ten opzichte van iemand ver-
houden.
Cyr. IV. 5, 29.
ITfpi, a/i^i ti ï\'x€"\'i \'\'"ai mei ,f\'s h\'~*ff *VKt °\' ^l"t>\'t f\'P\' Ttva iemand met de
zijnen , met zijn gevolg
, ra nipt rovt Sioi\'ic de zorg roor den eeredienst.
In samenstelling: om-, a/i<jn(ia\\Xttv, irepifiaXXuv omwerpen.
15. \'Eth\'.
a) Met den Genitivns: op.
X. An. I. 2, 16. Kïipot; irapcXavvwv l<j>\' apfiaroq Kal i) KlXtaaa
ty\' apnauóZriq, Cyr. reed op een strijdivagen en de Cilic. konin-
gin op een reiswagen voorbij.
Ten tijde van: X. Cyr. VIII. 7, 1. ó Küpo? a^iKvürat tig
-ocr page 227-
N°. 317.]                          PRAKPOSITIONES.                                    213
ïltpaa<; to t(3èo/iov tV! tT/c uvtoïi ap\\rj^, C. komt voor de zevende
maal gedurende zijn regeering naar Perzië.
8 , 15. oi Mpoai
~pv7rTiK(!)Ttpni iroXv vvv ij
£7ri Kvpov ttrjlv de Perzen zijn nu veel
weelderiger dan ten tijde van C.
An. VI. 5, 2. tiri tov irptl-rov
itpiiov bij het eerste offer.
Distributief X. An. 1. 2, 15. of "EAAjjvec hax^tiaav tVi rtr-
rópiiM\' de Gr. waren vier man diep opgesteld. V. 2, 6. fjv yap
ttf tvóg ri Knr6(3a(Tig want men kon s/echts één voor één afdalen.
TTXfii\' firï rirof varen in de richting van. phtiv iiri tivoq bij iets blijven, met
iets tevreden zijn, oï tiri Ttjjv irpaytiarotv de. hooge staalsbeambten
, Iwi wnXKAv rfK~
fttipuvt\' firi^incvóvm wet vele heivijzen staren, lirt
rüv irpattujv in rebus grrendis, bij
de onderneming van zaken, iwi
rlpwc irnptuwSni ia kolommen marcheereu (jrtirii icipaf
tTiStirJin ia de flink aanvallen\') , iiri <pó.\\tiyync, injunylla^ui in phalanx vooruit voeren.
Mot den Dativus: bij, na, achter.
X. An. I. 4, 1. iróXir; tiri rij SuAdrry bij de zee. 8, 27. Ïkuvto
sV ai>Tty zij lagen bij Item. VI. 5, 23. lm toïq Svpatg rf/c \'EX-
XaSog in de onmiddellijke nabijheid van Gr.
Cyr. II. 3, 7 a.vlarr\\
S\'
tV avru~> 4>«pawA«c na hem stond Ph. op. VI. 2, 27. lw\\ r(t"
ori\'r<(i tü^iic apxwft&a irivtiv vSutp laat ons van nu af beginnen
water bij het eten te drinken.
Heil. IV. 4. 9. ti)v uiv ovv iwi rij
vvkti y na            nfitpav a/ua\\o< Sn\'iyayov, den dag nu , die op den
nacht volgde waarin zij binnengetrokken waren , brachten zij zon-
der te strijden door.
Cyr. VI. 3, 24
Om een doel aan te geven.
X. An. IV. 4, 17. £7rï rlvi ervvtiXtyutvov tegen wie, met welk
doel verzameld.
V. 8, 18. tV ayaSijl iicóXaaa avróv ik heb hem
voor zijn goed getuchtigd.
VI. 4, 18. SvtoSai itr\\ a<pó\\>, 17. itr\\
iropuq,
5, 2. tV iZóBy voor het vertrek, de reis, een strooptocht
offeren.
Op. X. An. IV. 4 , 2. iir) Talg irXiioTaig oIkiiih; rvpactr;
inïiaav, op de meeste huizen waren torens.
\' Eiri tivi ilvnt, yiyriaSai in iemands macht zijn , tomen, ook absoluut ró iiri
Tovrip voor zooeer het in zijne macht was , An. VI. 6 , 23. Zoo An. I. 1,4, III.
1 , 35 , V. 5 , 20. Cyr. I. 3, 14. \'Ejri roïc öttXoic fiÉwv onder de wapenen blijven.
\'Etti\' roiroic, 1) van tijd: hierop, vervolgens, X. Cyr. III. 2, 23. V. 6, 21.;
vun volgorde: na dtzen, vervolgeus. Cyr. V. 5 , 38 en V. 3 , 38.
2) op deze voorwaarden = liri roïnli Thuc. III. 114, 3. l<p\' olf
op welke voorwaarden, Heil. II. 4, 22.
-ocr page 228-
[N°. 317.
214
PRAEPOSITIONES.
\'E»ri tovt<i> op deze voorwaarde, Ann. VII. 6, 16.
\'Fjj>\' </>ri of l(j>\' o) 1) op voorn aarde dat, Heil. II. 2, 20 en 3 , 11. 2) met het
doel om, An. VI, 6 , 22.
\'E»r< rovTifi . . i<t>\' tpri op deze voorwaarde, dat. PI. Ap. 29. c.
c) met den Accusativus : naar, op, tegen.
X. An. I. 2, 17 en 18. Spó/uoc iyiviro int rag oxijvac er on^\'
stond een geloop naar de tenten. VI, 5, 32. airyaav tirl SaXarrav
zij gingen weg naar de zee.
I. 8, 3, III, 4, 35. ava(5>ivat iiri
tok \'iirirov te paard stijgen. VI, 5, 22. irapnyyiXro ra Bópam
Én-i run §é£(oi\' w/iov sx61" e>\' **erd gekommandeerd de lansen op
den rechter schouder te houden.
VII. 3 , 5. arparriyovq iirl Sutt-
vov tKaXeae hij riep de veldheeren ter maaltijd. I. 5, 13. rpi\\tiv
ittl ra oirXa te wapen hopen.
Cyr. I. 2, 9 en 4, 5. itri èi\'ipav
Uitivai op jacht gaan. III. 1 , 5. Ttypavi]<; trrt Xó(j>ov rtva Kara-
fytvya T. vlucht op een heuvel. V. 3, 50. Ïtw rit; i<f v$wp dat
iemand ga water halen.
XrparsMffSai, iropiviaHtti, bpuaaSai, livai liri rtva tegen iemand optrekken. An.
VI. 5. 25, 26 , 29, 30. Cyr. I. 1 , 2. tivSptoirot In ouSlvac, fiaXXov nwiaravrai
ff Ini tovtovq ovq av aloSojvrtti ap\\tiv nvrwv lni\\vpovvraz, de menselien staan te-
gen niemand eerder op, dan tegen diegenen , welke zij bemerken, dat hen trillen be-
heersehen.
Merk op : X. Ages. I. 16. \'ü Si \'AyijiriXaoc avri roü liri Kaplav iivai füSüc
avTiarpi\\pat liri "tpvyiac Inoptviro, doch Ag. in plaats van naar Carië te gaan,
nam aan.tonds een tegenovergestelde richting naar Phrygië.
Cyr. III. 3, 12. tiniv
auroiq VVV piv dirtlvnt Ini tuq raïtiQ, irpoj ?* naptivat liri
r*if Kun^apov SvpaQ.
Ty 5\' vartpaia: upa ry inttptp nap7]tiav liri Svpaic, hij zeide hun van nu naar hun
a/deelingen terug Ie keeren , doch vroeg bij het paleis van C. aanwezig te zijn
(bewe-
ging): en den rolgenden dag waren zij bij het aanbreken ra» den dag bij het pa/eis te-
gemvoordig
(rust). Zoo ook VI. 1, 1. »;/cov liri r«j SiipaQ — liri ö^Xoc lui roef
Hvpaie, un.
Tijdaangevend. An. VI. 4, 3G. ovk lyiyviro ra \'upa iirl rpüq
n/utpac; gedurende drie dagen waren de offers niet gunstig.
Thuc.
III. 68, 3. iin BtKa trt; anifilaSwoav ri)v ytjv zij verhuurden het
land voor
10 jaren.
Spreekwijzen. \'E»i növ geheel en a!, <if liri rb nb\\v zooah meestal, liri löpv
avaarpityuv rechtsomkeer maken, In\' d"iriïa linksom, liri nnlu &va%»p
ijffoi zich
langzaam terugtrekken.
An. IV. 2, 13. liri iro\\i b" i/v ra iirnZiyta iropivóptra, de
lastdieren toch trokken in een lange rij vooruit.
In samenstellingen: op-. iirtfïaXXuv op iets werpen, imfiatvttv
betreden, bestijgen;
bij-, imBiBóvat bijvoegen, iirticaXiïv bijroepen,
-ocr page 229-
N°. 317.]                                 PRAEPOSITIONES.                                            215
iwtXiytiv bij iets zeggen, bijvoegen; tegen-, tmoTanvtoSm tegen
iemand te velde trekken , tirifiovXtvttv tegen iemand iets beramen,
belagen.
16 Tlapa bij.
a)     Met den Genitivus: van den kant van, van bij.
b)     Met den üativus: bjj.
X An. 1. 9, 29. irapa (iaatXtoJc; iroXXdi irpóc. Kïipov airïfXSov,
vofiiZ\'ivrtQ irapa. Kijpy 6vTt<;
ayoSoï atitwTÈpaQ uv T</jf/e Tvy\\avnv
i) nupa /3«ai\\{7, velen gingen van den kant des konings naar C.
over, daar zij meenden door hun dapperheid bij C. meer eer te
verkrijgen dan bij den koning.
üi jr»p« Kvpnv Cyriu gezanten, ra irapa K., C. bevelen.
c) Met den Accusativus : tot, bjj, tegen (= iwi mot Ace).
X. An. I. 3 , 7. oi ei (TTpaTtüiTat uti ov (j>aii) irapa fiaotXla
irupivtaSai firgvsoav\' irapa ei ISfvlov irXi!o\\ie;
q Sttr\\!Xint terrpa\'
TomSivrravTo irapa KXiap\\ov en de soldaten prezen hem, omdat
hij weigerde tegen den koning op te trekken ; en meer dan
2000
gingen zich van X. bij Cl. legeren.
Langs, secundum. An. I. 2, 13. J)v irapa ri)v óB6v icpi\'jvi}
langs den weg was een bron. III. 5, 1. Jjaav küjuoi n-oXAal 7r«pa
tov iroranóv er lagen vele dorpen langs de rivier.
Xlapa ti)v yT)V - SaKaTTav irXiïv, iroptvia^at, iivm la lij» het huid vuren, langs
de zee gaan, optrekken.
An. VI. 2 , 1 - 2 , 18 - 3 , 10 etc.
Tegen (overdrachtelijk). An. III. 2 , 10 irapa tuvq tü>v Siüv
opicovc; tegen de eeden den goden gezworen.
Mem. I. 3, 4 u n
onc,tu \'SiioKpa.Tii ertinatvenSai irnpa Sewv Jjttov uv tiriiaSti irnpa
ra arifiaivnutva irotïjaat i) tt tiq avrèiv tirt&sv uSoïi Xafitiv
T)-y€-
uóva TvfyXóv, wanneer S. meende dat hem iets door de goden
bevolen werd, dan zou men hem gemakkelijker overreed hebben
om een blinde als gids te nemen voor den teeg te wijzen , dan om
tegen die bevelen te handelen.
Kil wparre\'i\' irapa T))v üïuiv tegen verwachting gelukkig zijn , wap\' óXiyov irniflir-
$at gering achten, wap\' tKaarriv >\'/ifpai> dugelyk*, irapa n t>t <ïAXni>c «üracrof boren
de anderen ordelijk.
In samenstelling: bij-, irupüvai tegenwoordig zijn, wapaitaXüv
-ocr page 230-
216
[N°. 317.
PRA.EPOSITI0NE8.
bijroepen; voorbij -, nupafialvtiv voorbijgaan, overtreden, irapa-
irXitv voorbij\'zeilen;
in slechte beteekenis: 7ropa7roit7v vervalschen,
irapcnrptofiiviiv een gezantschap trouweloos ivaarnemen , napairtl-
Sretv op listige wijs overreden, irapaenrovSüv een verbond verbreken.
17. Upóg bij = irapd.
a) Met Qenitivus : (van den kant van) bij.
X. An. VII. 6, 33. t^uw tiraivov noXvv 7rpoc v/iwv met grooten
lof bij u [van uwen kant).
39. lih ko\\ ^ïTpov aiir<t> ilvai v-pbs
iitiüv rt
T(5v AaKe^ui/ioviwv Kal irpbi; avroïi en dat hij daarom
minder goed aangezien ivas bij ons de L. alsook bij hem.
ITpö? Siüv, avSpwiriox\', Aióc, Uj de gade», menschen, Jupiler. An. V. 7, 11.
b)     Met Dativus : bij, in de nabijheid.
X. An. I. 8, 14. irapeXavvuv oi iravv irpbc; avrt^ rq> OTpartv-
fiari op eenigen afstand van het leger voorbijrijdend. IV. 5, 22.
7i<rav Trpoc ry tewpy waren zij bij het dorp.
TTpoc tovtoiq = irpoQ fr tTi en ?rp»c fit icai daarenboven.
c)     Met den Accusativus = wapa.
Bij: X. An. I, 1,3 iïtafiaXXfi tov KüpoK irpoc tov a.SeX<f>óv
hij klaagt C. bij zijn broeder aan. 4, 9. aftievovvrai npbg tov
\'ApaZriv nora/ióv zij komen bij de rivier de A.
VI, 1 , 5. n-poc
aiiXbv uipxoïivro zij dansten onder fluitspel. 6, 4. oi irXi\'jaiov
{{>kovv
7rpo£ Etvo<f>wvTa die in de nabijheid van X. woonden.
Tegen: An. I. 3, 21. Sn ayoi 7rpoe fiaaiXta dat hij hen tegen
den koning voerde.
Naar: An. I. 1 , 10. tpxtrat irpbr; Kvpov hij gaat naar C.
9 , 23. jrpoc tovs rpÓTtovQ tKaarov aKoirCov op ieders levenswijze
acht gevend.
Cyr. VIII. 6, 21. n)v apx^v &pt£cv tj," Kiip<t> irpoe
?w /uèv r) ipvSpa SaXaTTa k. t. t. de roode zee begrensde C. rijk
(naar) in het Oosten.
Ten opzichte van: An. I. 3, 9. ovrwt ï\\n to Kvpov irpbg
17/uac wairtp ra rifitTtpa upbg Iküvov C. staat in dezelfde verhou-
ding tot ons, als wij tot hem.
9, 6. 7rpot; ra Snpia <I>i\\okiv$vvó-
raroc zeer koen tegenover wilde dieren.
Spreekwijzen: wpöc ravra hierop, hierover, irpèc 0tXtav vriendschappelijk, irpèf
ipyyv, fiiiiv , xapiv, ix^pav w°«\'v ti iets in drift, met geweld, goedschiks (uit gunst-
-ocr page 231-
N°. 317.]                           PRAEPOSITIONES.                                    217
bejag), uit vijandschap doen, rd wpbg iróXifiov wat den oorlog aangaat, irpbt\'iawipav
tegen den avond.
In samenstelling: bij, toe-, 7rpoo-j3ai\'i>€ii\', bij iets gaan, toe-
treden
, irpoafiaWttv toewerpen.
18. \'Yttó onder.
a) Met den Genitivus: van onder, onder.
X. An. VI. 4, 25. Xafiiov [$oï>v vnb ana£ris een os van (onder)
den wagen genomen hebbende. {>ko yïig onder de aarde.
Door (bij \'t Passivum): An. I. 5, 5. n-oAAa t>"»v viro%vyltov
airwXiro vno Xtuov vele lastdieren kwamen van honger om.
Wegens: Cyr. I. 4, 11. oÜk a/mapTtlv tü>v Kaïrpwv virb Trjs
ir\\uTVTt)TOQ de wilde zwijnen wegens hun breedte niet missen.
Zoo vwó \\virtic, riioviJQ, ópyijc > "itt\\itvi\\Q, óPvvtic wegens {uit) smart, vermaak,
toorn, schaamte, smart, vir\' litiiSiiac, aotyiat;, awnplae, uit eenvoud, wijsheid, oner-
varenheid.
b)     Met den Dativus : onder.
X. An. IV. 7 , 8 — 10. jüXSov uito ra èlvSpa .... irpo(TpE\\tv
airb tov BivBpov v<£ tZ r\\v ovtuq, zij gingen onder de boomen ....
hij liep vooruit van af den boom ivaaronder hij stond.
c)     Met den Accusativus: onder.
X. An. I. 8, 27. YLvpov ükovtIZh ti$ viro rbv 6<j>Su\\nóv iemand
trof C. met een lans onder het oog.
IV. 7 , 8. airriXSov imb ra
SivSpa zij gingen onder de boomen.
Cyr. VI. 3, 13. IXavvuv
vwo Tïjv
0-K07T1/V rijden tot aan den voet van den heuvel, waarop
de verspieders stonden.
Van tijd: tegen. Thuc. IV. 67, 1. oi \'ASrivaToi ivo vvicra
nXtvetavTu; de Ath. bij het aanbreken van den nacht (sub noctem)
weggezeild.
101 , 5 vwb tüq avrag v/uipa^ in diezelfde dagen (sub
eosdem dies).
In samenstelling: onder- vnoXvuv onder iets losmaken, viroStïv
onderbinden
, iwoT&ivai onder plaatsen.
-ocr page 232-
218                                    SUBJECT EN PRAEDICAAT.                        [N°. 318.
SYNTAXIS DER NOMINA EN VERBA
MEER IN HET BIJZONDER.
§• 75.
Subject en Praedicaat
1.     Bjj een subjectum neutrum Plurale staat het praedicaat
meestal
in het Enkelvoud, doch het praedicaat snomen altijd in
het Meervoud.
X. An. IV. 3, 19 tirsl St KaAd r\\v ra aipayta toen de offers
goedgunstig naren.
IV. 1, 20. (Doch Plur. An. I. 5, 1—7, 17.)
2.     Bij een subject in den Dualis of bij twee subjecten staat
het Praedicaat in den Dualis of in den Pluralis.
An. IV. 1 , 19. Bvo KaXui te kiu ayuSu\' avSpe rêSvarov twee
voortreffelijke mannen zijn omgekomen.
IV. 3, 10. Stvotywvri
irpotrtTpi\\ov Svo viav\'iaKuy twee knapen liepen naar X.
3.     Is het subject een nomen collectivum singulare dan kan het
Praedicaat in het Pluralis staan. Constructio ad sensum , «ara
avviatv.
X. An. I. 7, 4. VI. 4, 20 irarta ï) arparia ikvkXovvto iripi ra
upa geheel het leger schaarde zich rondom de offers.
Vergelijk An. II. 1,6 en uitdrukkingen als ró itupatt&v Itri rnXój, 0iXt i-iici\'ov.
Hom. )3. 363. "Ëcrwp Xïtire fit \\abv Tpioucnv, ov£ aérovrnQ opuurt) ratppnQ ïpvKf.
4.     Bij meerdere subjecten staat het Praedicaat of o) in het
Singularis overeenkomende met een der enkelvoudige subjecten ,
of b) in het Pluralis.
Het Praedicaatsnomen staat dan bij personen in het mannelijk,
bij zaken in het onzijdig meervoud.
X. Cyr. III. 1,7, wc ubi itartpa Tt Kal fir\\Ttpa a\\\\fta\\ti)Tovq
yeyivriiutvovQ toen hij zijn vader en moeder gevangen genomen zag.
(Vergel.: pater et mater mihi mortui sunt). Hom. E. 891.
aïti yap rot iptt; te flXt) nnXtfiul tb fia^ai rt, altijd toch vindt gij
genoegen in twist en oorlogen en gevechten.
Ook X. An. II. 1 ,
16. Mem. III. 1 , 7. \\(5oi rt «ai irX\'ivSoi Kal IjuAa Kaï (ctpajuop,
araicrwf Ippifjai-va, ovBlv \\p!ioif.ia ianv, steenen en hout en klei
-ocr page 233-
N°. 318.]
219
SUBJECT EN PRAEDICAAT.
zonder orde op elkander geworpen hebben geen nut. (Libri et
picturae saepe carissima sunt).
Aanm. 1. Dikwijls staat het praedicaat, vooral ilvat zijn, in het begin van een
zin in het enkelvoud, terwijl meervoudige subjecten volgen. An. VI. 2, 10. i)v tï
virfp iji((<rv tov arpardfiaTot; \'ApicaSec: rai
\'A y/moï, meer dan de helft toch van het
leger waren Are. en Ach.
An. II. 4 , 6.
2. Het werkwoord kan zich öf naar het subject öf naar het praedicaatsnomen
richten, wanneer deze in getal verschillen. An. I. 4, 4. "kirav fiinov ritv tii\\Siv
il<jav OTaStoi rpiÏQ, de geheele middenruimte lustenen de versterkingen ten» drie studiën
groot.
Cyr. I. 6, 28.
5.     Mannelijke en vrouwelijke Appellativa als subject hebben
dikwijls een Praedicaat (als substantivum) in het onzijdig enkel-
voud, wat kan verklaard worden door de weglating van xpijjja,
KTÏifia ding of rt iets.
Plato Hipp. maj. 295. e. Svvantg /.ui» apa naXóv, nSuva/xla ?l
alaxpóv; is macht dan schoon, onmacht daarentegen schandelijk ?
6.     Wanneer een pronomen demonstrativum subject van een
zin is, komt het meestal met zijn praedicaatsnomen in geslacht
overeen.
                                                                        \'
X. An. I. 1 , 7 Kal avTt) av nAXij irpótyaaig ^i< aï»r<|J en dit was
wederom een ander voorwendsel voor hem.
Zoo IV. 7, 4 en 8, 4.
Doch An. I. 3 , 18 tyuyi <prifii ravra (pXvapias ilvat ik zeg dat
dit beuzelingen zijn.
Onderscheid: re tart 0iXi« wat is vriendschap, van tij iari 0>\\i\'a wat voor een
vriendschap is dit.
7.     De verba tïvai yiyvtaSai kunnen ook als praedicaat met.
adverbia verbonden worden.
X. An. I 8. 8 tyyinpov lyiyvovrn toen zij naderbij kwamen,
Y. 4, 24 iiru tyyvg fioav ol óirXirat toen de hopliten in de nabij-
heid waren.
8.     Het subject wordt soms verzwegen, wanneer het duidelijk
is uit de handeling, die het werkwoord aangeeft. Zoo aaXirtZn,
atifjiatvii daXirty kt fa), Svei (Svrrip) , tKi\'ipv%e (ó K»\'jpu?), otvo\\otvu
olvo^óog), avayvwatrm vfüv avayvd)OTr\\s). Xen An. I. 17.
III. 4, 36. IV. 1, 3.
9.    De copula lari blijft weg: o) bij Substantiva , zooals avayxt) het is noodzake-
lijk, men moet,
xptüp daar het noodig is, av ^ptiiw wederrechtelijk, onbetamelijk,
-ocr page 234-
220                                             ARTIKEL. ADJECTIVA.                   [N°. 318—320.
Si/fiC hel 4» gebruik, billijk, natuurlijk, geoorloofd, rnipór niet volgenden Infinitivus
het is tijd om-, Upa met Infinitivus of Ace. c. Infin. bet is tijd om-.
6) Hij de Adjectiva : troiunf brreid, gereed, fypobtni; weg , verdwenen, «ïnof rer-
oofzohend, schuldig, pa\'dtoi; gemakkelijk, \\a\\tirÓQ moeilijk, $ij\\o£ openbaar, dnide-
lijk,
enz.
e) In de spreekwijzen: SnvpanTbv \'óiov, \'óaa ongelooflijk reel, oiliv Stivnaaróv
het is geen wonder, au.i)xnvov öfnv onberekenbaar groot, wonderbaar hoe groot, miium
quantum, \'óaov
raS\' y/iac, zooveel in onze krachten is, ai/tin olov niets is diurmee te
vergelijken ,
N". 197 c.
d) Bij het neutrum der Adjectiva Vcrbalia op -riov of Plur. -riu. ToDro iroii\\-
riov, tovto vvv
OMirrfoi\'.
§ 90.
Artikel. Adjectiva.
1.     Hot artikel is individueel of generisch , naarmate het een
bepaalde, afzonderlijke zaak of persoon aanwijst of alle personen
of zaken van eenzelfde soort.
Zoo staat het individueel in plaats van het pronomen j>ossessi-
vnm
(N°. 26. A. 3.), in de beteekenis van „de bekende" (N°. 26. c)
en somtijds distributief. X. An. III. 1 , 21. v7ner\\vÜTat èwauv
rpta ii/iitnoiiKu tov fitjvoQ
tij" (TTpuTit!)Tij hij belooft aan ieder sol-
daat
(in het bijzonder, individueel) drie halve dareiken per maand
(individueel) te zullen geven.
Daarentegen staat het algemeen , generisch of generaliseereud
An. II. 6, 10. Xtytiv K\\tap\\ov ityaaav wg Sim rbv arpartivrtiv
(pofitïoSat fiaWov rbv ap\\ovra r} robe; TroXt/xtovg, men verhaalde
als woorden van Cl. dat een
(de) soldaat (generisch) meer zijn
bevelhebber dan de vijanden moest vreezen.
2.     Het artikel staat dikwijls met weglating van zijn substan*
tivum, vooral bij den Geuit. Possessivus (Nn. 330).
Zoo met weglating van 1) üvipmrroi, Iv iitTfi , oi I* rf}c iróXxoc zij die in de
stad zijn, de stedelingen
, oi /ufr\' abrov (zie /htü) oi napa /3<iitiX(wc i <•\' wtfi,
aufy\'i , «iv tivi,
zie deze praeposities.
2) irpóy/jiira , ypiumra etc. r<i tT/c jróXfwc <fe staatsbelangen, ra ïtnp\' \'ifïv,
rü iififripa onze toerustingen
(X. Cyr. VI, 2, 15—20), r« irpbc f ui de in het
oosten gelegen landen, ra tt\'f rbv iraki/iov (ïpytt), de krijgszaken, ra wpb rüv novüiv
wat voor de voeten, voor de hand ligt.
Door deze weglating worden adjectiva en adverbia zelfstandig gebruikt.
Adverbia oi rórf de mensehen die toen leefden, if.uüpinv de dag van morgen. Zie
verder den Ace. Adverbialis.
Adjectiva ó »o0óf de wijze, ij irriovaa, iiirrtpaia , irponpaia (= vpipa) den vol-
-ocr page 235-
N°. 320 — 323.]             ARTIKEL. ADJECTIVA.
221
genden dag, gisteren, ii >/f(ercpa , irnXf^iia (\\iipa) ons tand, hel land der vijanden,
»} ittia , apiOTipa (xf\'f) de rechter, linker hand, oi jroXXoi degroote massa, o\\ ir\\tio-
i\'«t de meerderheid. Zoo ook Farticipia ó /3nuXó/in\'oc ieder, die wil, ó ri^iiv de eer-
ête de beste.
3. Een adjectivum staat attributief, als bijvoeglijk naam- 321
woord bij zijn substantivum, wanneer het tusschen het artikel
en het substantivum staat. of achter het subst. met herhaling
van het lidwoord, bijv. ó dyaSóf avt\'ip of ó avi\'ip ó aya^ó? de
goede man.
Een adjectivum staat praedicatief, als praedicaatsnomen (terwijl
het wcrkw. tori is verzwegen), wanneer het zonder artikel
een met het artikel verbonden subst. voorafgaat of volgt: bijv.
o-ya&oe ó avi\'ip of ó avijp aya&ót; [lort), de man is goed, of in
zoover (daar) hij\' goed is.
Men lette op de volgende voorbeelden:
ro uKpov opoc de hoocje berg. rj fxiai) 7roA<? de middelste stad.
rb oooq aKpov ) , ,                  v TróXir; uian ) het midden der
v „ (de bergtop.                , ,.
aKpov tu opoq )                                fxtain rj iroAtc )             Stad.
fi ia\\aTi) vtjoot; het laatste eiland, ó ftóvog vlóg de eenige zoon.
ri vïjcToc; ia\\aTr) ) de kust van         ó vibc; /xuvog
, de zoon alleen.
ta^arrj rj vrjaoc ) liet eiland.
           fiovoq o vioc;
Zie va<; N&. 114, avróg en avróg N°. 167.
4.     Waneer bij een persoonlijk voornaamwoord nadere bepalin- 322
gen als appositie komen, hebben zij het artikel: X. An. V. 7, 20.
f\\nüq oi orparijyot\' wij veldheeren. I. 7, 7. vftüv Si tüv \'EXXi\'ivojv
ïtcaoThj ci\'mw aan ieder uwer, Grieken.
IV. 6, 16 lyu> uyuüc
aKovti} tovq \'A5i}»/aioi/£ StivovQ tlvai KXénruv ik verneem, dat gij,
Atheners, bekwaam zijt in het stelen.
Ook dan wanneer het pronomen in het verbum opgesloten is
An. III. 1, 46. alpiïaSt oi Stó/jttvot apxovrac kiest gij, voor wie
zulks noodig is, aanvoerders.
Zoo II. 5, 25. V. 5, 21.
Doch Cyr. III. 2 , 15. d\\iya êvvdfttvoi ïrpoopiiv avSputiroi irtpi rov [itWoproc;
daar wij,
als menschen, weinig van de toekomst kunnen vooruit weten.
5.     Bepalingen van plaats, tijd, wijze, opeenvolging en van 323
gemoedsstemming, die in het Nederlandsch door adverbia uitge»
-ocr page 236-
222                             over den accusativus.          [N°. 323, 324.
drukt worden, geeft men in het Grieksch door adjectiva weer.
Zoo aafiivoc bl/jde , gaarne, £$tAoi>T>\'/c, ticwv, ÏKovtrtog vrijwil\'
lig, ^av\\og rustig, vnafóptoc; onder den blooten hemel, irpórtpo^
vroeger, npürog het eerst
etc. Zie ook bij de Adv. op de vraag
wanneer? N°. 305.
X. An. III. 4 , 24. ol "EAArjfïe ttoov aa/utvoi rove yrt\\6(povQ
de Gr. zagen de heuvels gaarne
(met bljjdschap). 12,9. xP\'\'iMaTa
owtfiaWovTo ai iróXits Uovoat de steden brachten vrijwillig geld
bijeen.
V. 5, 2i. oktivov/aiv viralSrptoi, wij legeren onder den blooten
hemel.
IV. 1, 10. kuti^uivov tig ra? h.\'/h»; j;St/ okotoioi en het
was reeds duister toen zij naar de dorpen trokken.
Cyr. VI. 2, 12.
iiav^alripoi q wg tlwSioav Eü(}>oIt(üv en stilzwijgende)\' dan naar
gewoonte gingen zij op en neer.
Zie nog An. VI 3, 24. I. 2, 25. VII. 1, 21 en Ace. Adv.
B. N°. 309.
Over het gebruik der naamvallen.
Aanm. In het Grieksch waren evenals in zijn verwante spra-
ken acht naamvallen , waarvan er drie de Locativus op de vraag
waar ? wanneer ? de Instrumentalis op de vraag door wien ?
waarmee ? en de Ablativus zijn verloren gegaan en deels door
den Genitivus, deels door den Dativus vervangen worden.
§ 97.
Over den Accusativus.
1.     Alle verba transitiva hebben het rechtstreeksch voorwerp,
waarop de handeling overgaat, in den Accusativus.
2.     In het Grieksch zijn echter vele verba transitiva, die in
het Nederlandsch intransitiva zijn, zooals:
1) de verba van nuttig en schadelijk zijn, van goed en hvaad
spreken
of doen.
1) bvivavat, itftXfïv rtva iemand voordeelig zijn, (iXawritv riva schaden.
acinlv onrecht dien, Tifiiapüa\'iai riva zich op iemand wreken,
iv ,
tiAiic, wutiïv, Spav — ivfpytTtiv riva weldoen.
KuKuii; 7roiu-v, Kaïcoirotiïv, Kaïcoupyeiv rtva iem. kwaad doen.
lii
, raXüc Xèyttv — iii\\oyüv rtva goed van iem. zeggen.
KtiKÜt;
\\eyuv — KasoXoyiïv riva kwaad van iem. zeggen.
XcuflatSai tiva iemand smaad aandoen {beschimpen).
-ocr page 237-
N°. 324, 325.]           ovkr den accusativus.                                 223
X. An. III. 1 , 38. olfxat av vfiag (xiya uxpsXrioai to arparivfia
ik geloof dat gij het leger een grooten dienst zoudt bewijzen.
Cyr. I. 6, 29. iiratBtvuutv vfiüq \'Iva /unSf T0115 <pl\\ov<; fiXanroiTe
wij leerden u dat gij mee vrienden niet zoudt benadeelen.
An. II,
5 , 3. olBa n/uüv (\'ipKovQ -ftyivnntvov<; fiy aSiKi\'iativ aAX/jAouc de weet
dut wij gezworen hebben elkander geen kwaad te doen.
Zie ook II.
5, 17. — 5, 4. — 6, 2. I. 1 , 9. — 3, 4. VIL 1 , 25.-4, 23.
Aanm. 1. Als Patricum van cacwc en tv Xrynv gebruikt men «arwc en 16
aKoiiuv,
van mtiir, fu iïpav, rarwc, liï van\\(iv. PI. Cr. 50. e. t) irpbt uiv apa
ffoi rbv irar\'epa ouk iS, itrov i)v rb Sitniov , ü<jti , iiwtp ira«X"l£ > tuvtu tui avrt-
7roiéïi», oüré kükuic fitavovTa arrtXiyttv\', of zoudt gij dan niet hetzelfde recht ten op-
zichte vnn uw rader hebben, znndat gij , wanneer gij door hem mishandeld wirdt , hein
ook op uice beurt die mishandeling koudst vergelden , in wanneer gij gehoond uerdl hem
dim smaad mocht teruggeven.
Xen. An. III. 3, 7.
2) Bot|5eïv, api\'iyttv, ripuipnv, helpen, \\vnmxüv roordee\'ig zijn, avftfipuy,
lirtKovpüv van nut zijn ,
regeeren den Datirus. Zie aldaar 3.
2) De volgende verba, die ook zonder object als intransitiva
gebruikt worden:
airr-^vviaSai nva (n), zich voor (over) iemand (iets) schamen.
An. II. 3, 22.-5, 39.
alSiïaSai nva zich voor iemand ontzien. An. III. 2, 5.
anvvioSai nva zich tegen iemand verdedigen (iem. van zich af-
weren).
Cyr. V. 4, 21.
£7rtopic£(v meineed doen, nva. bij iemand. An. III. 1, 22.
ivXafiüaSal (           zich voor iemand tcachten. An. II. 5, 3.
QvXÓTTtaSal \\           op zijn hoede zijn. Cyr. I. 4, 7.
Sappüv moed hebben, -rtvd n iem. iets trotseeren, vertrouwen
op.
An. III. 2, 20. Cyr. V. 5, 42.
Sr/pöi>, Sqpeveiv jagen, -n op iets jacht maken. An. I. 2, 7—13.
Cyr. I. 6, 11.
fjitvetv blijven, stand houden, nva., n iemand opwachten, te
wachten staan.
An. IV. 4, 20.
duvvvat zweren, nva. bij iemand, -n iets bezweren. An. II. 2, 9.
XavSavtiv verborgen zijn, -nvd voor iemand. An. VI. 3, 22.
<ptvytiv vluchten, -nva voor iemand.
tirtXtinttv te kort schieten, -nva aan iemand ontbreken. An. I.
5, 6. Cyr. I. 6, 10. VIII. 1, 1.
-ocr page 238-
224                                OVER DEN ACCUSATIVUS.           [N°. 325—327.
Zoo ook ÏK-airo-viro <j>tvyetv rivd ( aan iemand ontvluchten,
awoSiSpaoKttv „ \\ ontloopen.
Cyr. I. 4, 13.
Verder 7rAe7i> varen, SaXarrav de zee bevaren, oïküv wonen en
bewonen, airtvSeiv, <rirov$a£etv zich haasten, -ti zich om iets be-
ijveren, iets bespoedigen, oiyav, aiwirav zwijgen, -ti iets vezwijgen.
Zie N". 229.
326         3. Bij verba intransitiva kan de Accusativus van een prono-
men
of adjectivum staan. An. I. 3, 18. ™\' fiovXircu ri/üv xpij^at
waartoe hij ons wil gebruiken. An. II. 2, 13. tovto ovk l\\[/tv<rSti-
aav en hierin bedrogen zij zich niet.
(Cyr. VII. 2, 20). Cyr. VI.
3, 1. öiraie si rig Ti intXiXria^ivog iï»j, Kal tl Tiq ti IvStó/itvog
yvoln. VI. 6, 32. ravra Si aov tv\\óvti(; wanneer wij dit van u
verkrijgen.
Cyr. I. 6, 5. rl fiiftvnam tictiva waarom maakt gij
daarvan melding.
4. Ook staat bij intransitiva een Accusativus van denzelfden
stam
of dezelfde beteekenis, doch altjjd nader bepaald door een
ander woord:
bijv. tovtov rbv kIvSvvov KivBwevuv -(5ibv ij^tarov
ï,t\\v - yX\\iK\\>v virvov KoiuaoSai - Tiva fiot\'fteiuv |3ot)$t7i> ; - avooiiórara
afiüpTi\'ifjLara afiapravtiv.
An. I. 3, 15.
327         5. De Accusativus staat verder bij intransitiva en nomina ter
nadere bepaling of beperking van het begrip door het verbum
of nomen uitgedrukt: te vertalen door: ten opzichte van, wat be-
treft
etc. (Ace. graecus, limitationis of partis.)
X. Cyr. I. 2, 1. Küpoc (iStTm Ïti koi vvv tlBog fuv KaWiarog,
$v\\hv Si (j>tXav^pwirÓTUTOQ k. t. X. ook nu nog wordt C. bezon-
gen als zeer schoon van uiterlijk en zeer menschlievend van ka-
rakter
enz. Vergelijk Verg. Aen. I. 588. os humerosque deo similis.
Men lette in het bijzonder op de Ace. rb tvpog breedte, /u»jkoc
lengte, ïixpog hoogte, /SóS\'oe diepte, bij opgaven van maat. Zie
X. An. I. 2, 23.
6. Vele verba van beweging worden overgankelijk door samen-
stelling met praeposities, bijv. StafSaivuv norafióv, virtpfialvttv ra
rpiaKOvra itx\\ , irapafialvuv rag anovSag, irept-, irapairXtïv vrjaov,
Vergel. N°. 230. 4.
-ocr page 239-
N°. 328.]                    OVER DEN ACCÜSATIVUS.                             225
7. Een dubbelen Accusativus
1)     van het Object en het Praedicaatsnomen hebben de verba
die beteekenen: noemen, verkiezen, tot iets maken, voor iets
houden, zich betoonen,
welke in het Passivum twee nominativi
hebben.
X. An. I. 1 , 2. Aaptlot; Kvpoi\' aarpaitnv liroiriat kcu arpa-
rtiybv
£s aurttv airièu^tv. — 9, 7. Küpoe aarpan-ng KareTrifKp^ri,
oTpaTTiybg Ei km airt&i\'x&q Darius maakte C. satraap en stelde
hem als veldheer aan.
— 3,6. vojui\'^w v^aq km irarpiSa km (jt\'tXovr
icaï av/jfiaxovg ik beschouw u als mijn vaderland , mijn vrienden
en medestrijders.
2)   één van den persoon en één van de zaak, terwijl in het
Passivum de ace. der zaak blijft, doch de persoon subject wordt,
hebben:
«) de verba van: onderwijzen, verbergen , herinneren , vragen
(navorschen , onderzoeken), vorderen, aan- en uittrekken , berooven.
X. Cyr. I. 6,2. lyw yap at raïira è7n\'r»)Ofc i^iBa^ófj.iiv want
met opzet liet ik u daarin onderwijzen. — 2, 8. SiSaaKovat tovq
iraïSag awfpoavvtiv zij leeren de kinderen ingetogenheid.
An. III.
2, 11. avaixvl)tT(i) ii/jag toui; rüiv irpoyóviov Kivovvovt; ik zal U de
gevaren onzer voorouders in het geheugen terugroepen. I. 3, 14.
Küpov aWüv TrAoïa C. schepen vragen. VI. 6, 23. tovq Tpairt-
Zovvt\'iovq aireaTepiiKauev rfiv irivTi\\KÓvTopov wij hebben de T. van
hun schip beroofd.
Zie Cyr. I. 3, 17. VI. 2, 35.
AANM. Men zegt ook avafiifivi\'irjKü) riva Tivoe , cnrooTtpiïv riva
1)   noemen, hvafia\'Cni\', Ka\\i7v, Xiyftv riva rt. (appello , nomino, dico).
verkiezen, a\'ipiïtSat, KaSitiravai riva rt. (eligo , declaro , designo).
tot iels maken, airoSusvtvai, iroiüv riva ri< (creo , faeio, efficio).
voor iets houden, vi>in\'(nv , iiyuaSat, cpivfiv riva ri. (habeo, credo, judico).
zich betoonen, irapixi\'V iavróv ri. (se ostendere).
2)   onderwijzen, iilaaicfiv, iraiBivnv riva r«. (doceo).
verbergen, npiirrtiv , aitoKpiiirTis^ai riva ti. (celo).
herinneren, ava-, vvofxiuvrjattiv riva n. (moneo).
vragen, èpatrav, {IpisSat) UtraZnv, (iffropfïf, aviaropiiv) rii\'ó ri. (rogo).
vorderen, airiiv, airairtïv , lioirpaTTiiv uva ri (posco).
aan- en uittrekken , aHfyiivvivai, iviiitiv, IkSvhv riva rt.
berooven , afaipüoSai, airoaripitv , auXav riva
rt.
15
-ocr page 240-
226                                  OVER DEN GENITIVUS.              [N°. 328-330.
rivoe, cupaiptiaSai rivóg ti , a<j>atpiiv rivi ti , airtiv ti irapa rivog.
(X. An. I. 3, 16. VI. 6, 22. postulare aliquid ab aliquo).
X. Cyr. I. 3, 7. fit Iwirtvuv SiSóaKttg (doces me latine loqui).
b) vele transitieve verba, die in het Nederlandsen intransitiva
zijn (zie boven 2), vooral van zeggen en doen, doch gewoonlijk
slechts dan wanneer de Ace. der zaak door een Adjectivum of
Pronomen is uitgedrukt.
X. An. I. 6, 7. iaTiv o ti at i)?iiKt)(Ta; heb ik u in iets onrecht
gedaan?
— 8. Ti\' aSuctiStiq vit\' ifiov ; waarin door mij verongelijkt?
1.   3, 10. oti avvoiSa i[iavTüj> iravra i\\peva/ji(voq aliróv daar ik mij
betvust ben hem in alles bedrogen te hebben. (Vergeljjk 3). Cyr. VII.
2,   22. oÏik aiTiwfiai rah rbv Stóv hierom beschuldig ik de god-
heid niet.
329        8. De Accusativus staat verder op de vragen hoe ver? hoe
langen tijd? hoe oud?
X. An. III. 1 j 2. TÏ7C \'EXAaSoc ov /ieïov r\\ fivpia oraèia airü\\ov ,
zij waren niet minder dan 10,000 stadiën van Gr. verwijderd.
IV. 5 , 24. KaTaXafxfiavii rijv SvyaTipa ivdrijv vfiipav ytyanr)fiivr\\v
hij neemt de dochter gevangen, die sinds acht dagen gehuwd was.
Zie
ook I. 2 , 20. PI. Ap. 17. d. vvv èyö» irpürov iirl SiKaarfipiuv
óva/3f/3ijica tr»j yeyovvQ i(5Bofii\'iKnvTa, nu treed ik voor het eerst
als grijsaard van zeventig jaar in het gerechtshof op.
De leeftijd wordt ook aangegeven door a/iipi, iripi, iirtp met den Ace., of door
tlfii met den Gen. Qualitatis. Zie X. An. II. 6, 15 - 20 - 30. Ook maat en grootte
worden door den Gen. Qual. aangegeven. Zie Genitivus. 3.
§ 98.
Over den Genitivus.
330        1. De Genitivus is evenals in het latijn, subjectivus 0o/3oc
tüv iroXtu\'iwv, vrees der vijanden (de vijanden vreezen), of objec-
tivus vrees voor de vijanden
(men vreest de vijanden).
De Genitivus subjectivus wordt verdeeld in possessivus, quali*
tatis, partitivus, criminis en pretii.
2. Genitivus Possessivus. Deze geeft te kennen van wien
-ocr page 241-
N°. 330, 331.] OVER DEN GENITIVUS                                227
iets is of voorkomt: i) Kupou arpana het leger van Cyrus, ra
twv Stüv ïpya de werken der goden.
Hij staat a) afwijkend van het latijn bij de verba uvai en
ytyvsaSai. X. An. I. 1, 1. Aupetov ylyvovrai iraïSes Bvo Darius
had twee kinderen.
Cyr. I. 2, 1. — II. 2, 19. icoiva. savrötv
fiyi\'iaovTcti slvai zij zullen meenen, dat alles hun toebehoort als
gemeen goed.
Vergelijk : sui juris esse , suae ditionia facere.
b) evenals in het latijn met weglating van het substantivum,
waarvan de Genitivus afhangt: zooals vlóg zoon, Svyarrip dochter ,
oiicla huis, vtw$ tempel, yïi-^wpa land , ttó\\i<; stad, tpyov werk ,
rb TrpooïiKov de plicht, rtKfu\'ipiov teeken ,
vooral bij de verba tïvat
en yiyvioSai.
Plato Ap. 33. c. NtKÓirrparoe Gtofrm\'Sou , Nicostratus zoon van
Theozotides.
Etc"At<Sov, StSatricaAov , \'AyaSwvoe (oikIuv) naar de
onderwereld (huis van Hades), naar school, naar het huis van
Agathon.
\'E£ \'AaitXtimov (vtu>) uit den tempel van Aesculaap. Etc
TlXdraiav rijc Boiwriag (nóXiv) naar Plataeae in Boeötië.
X. An. II. 1 , 4. tü>v yap fia\\y vik&vtüiv ko.1 to ap\\stv iarlv ,
hun toch, die in den slag de overwinning behalen, komt ook de
heerschappij toe.
III. 2, 39. tüi» vikwvtwv tori Kat ra ïavrüv
vwZtiv Kal Ta rüv rirTiofitvwv Xa/ifiavitv, het is
(het werk van) den
overwinnaar gegeven zijn eigen zaken te redden en die der over~
wonnenen te bemachtigen.
Cyr. II. 1, 11. ap\\ovrog yap ianv het
is de plicht van den veldheer.
Ook III. 1 , 26.
3.     Genitivus Qualitatis. Deze wordt het meest gebruikt
wanneer maat, grootte of ouderdom door getallen bepaald wor-
den aangegeven.
X. An. II. 4, 12. «7^05 tvpot; t\'tKoai tto^wv. — 6, 20. Ï\\pó1£i-
voq
i5v irüiv wc rptaKOvra. VI. 4, 2. rpu\'ipu piv iariv ijfitpaq
(iuKpa<: irXovq.
In andere gevallen gewoonlijk de Ace. Partis. W. 327.
4.     Genitivus Partitivus. In dezen Genitivus staan substan-
tiva
(geen adjectiva) om een deel van het geheel aan te geven,
zoodat het woord wat het geheel aanduidt in den Genitivus staat.
15*
-ocr page 242-
228
[N°. 331.
OVER DEN GENITIVUS.
a)  evenals in het latijn 1) na substantiva van maat, gewicht,
hoeveelheid. 2) na numeralia, pronomina en adjectiva, vooral
na den superlativus. 3) na adverbia van plaats.
1)    rü)V \'AStivaiwv to irAjjS\'oc-jKtrpa o\'lvov, liSaro? , aX<jtlrov-
fiêSifivo^ ahov-TÜv Mi\'iSwv
ró rpt\'rov /uépoc.
2)    X. An. VI. 3, 5. a\'AAou 8i
van een ander af deeling lieten zij slechts acht man over. — 3,2.
tirpaZav tfavrüv ffcaaroi raBe ieder van hen deed het volgende. —
2 , 10. J]v Bi virip i)fjiiav tov arpaTiVfuiTOg \'ApnaSiQ Kat \'A^aioi en
meer dan de helft van het leger waren Arcadiërs en Achaeërs.
I. 9,5. Küpog oiiiriuovioTaToq twv rjAiKiutrdiv ièókti tlvai C. bleek
de zedigste zijner makkers te zijn.
3)    7roü 7ije; ubi terrarum? waar ter wereld?
b)     Afivijkend van het latijn 1) kunnen geeft Adjectiva in den
Genit. Part. staan: aliquid novi, naivüv n-quidmali? rl kcikóv;
• nil boni, ovoiv ayaSóv.
2)   richten zich Adjectiva van hoeveelheid soms , ook in Com-
parativus en Superlativus , voor het geslacht naar het nomen van
den Genit. Part. ó ij^u/o-ue tov aTparov, dimidium exercitus, 17
troWr] Tjje \'EXAÓS05 magna jmrs Graeciae, ó irXiiwv tov aTparov
major pars exercitus
, 11 aalarri rije yf/e optima pars terrae.
Doch ook rè woXu rï)c (rrparwf, ra iroWa rijf \\wpaQ , rara filaov rijj 6p^-
Kt|Ci ^1 \'/v /»t»ov i/uïpaj.
Zoo ook: «i\'ï roiroOrov, «c roüro pavi\'ac ?)\\5t, eo furoris progressus est. Zie
praep. ti\'c. N". 315. 8.
3)   kan niet alleen na adverbia van plaats, maar ook van tijd
de Gen. Part. staan: ón-ore tov trovg ; om welken tijd van het
jaar ?
n-ijvi\'ico tori tï\\q nfiipag hoe laat is het ? (welk uur van
den dag).
                       A"
4)   bij verba transitiva, alsook bij elvai en yiyvtaSai, te ver-
klaren door uitlating van rte. rl.
X. An. I. 5, 7. ïiv Bi tovtwv twv ora&fuov en het waren (som-
migen) dezer dagreizen enz. -XafióvTa$
roü (3ap(5aptKoï> arparov
(rtvat;) met eenigen der barbaren.
VII. 4, 5. afiüs Bi twv alxna- >
\\u>tü>v (rtvde) tXeyev en terwijl hij sommigen der krijgsgevangenen
-ocr page 243-
N°. 331 —333.J over den genitivus.
229
wegzond, liet hij zeggen. X. An. IV. 5, 35. avrut; Xafiftavu tmv
itmXwv hij zelf nam een der veulens.
Zoo voornamelijk 1. bij de verba van eten, drinken, genieten1). 332
X. An III. 1 , 3. itXiyoi tif Tt)v \'lairiQav oituv iyivaavro wei-
nigen hadden door den dag iets gegeten. IV. 7, 20. tö>v ktio\'iwv ,
\'óaoi ïtpayov allen die van de honigraten gegeten hadden. Cyr.
VI. 2 , 22. "va Suttov Kal tovtiov twv ayuSwv aTroXavwpiv opdat
wij ook deze goederen des te eerder genieten.
Wanneer deze verba echter aanduiden wat men pleegt te eten of te drinken, of
de beteekenis hebben van opeten, uitdrinken, regeeren zij den Accusativus.
Cyr. VI. 2 , 28. ö<rnc aXfyiToanii vêan pfpayuivrjv afi ti)v paZ.uv iirötci, til wie
gewoon is gerstenbrood te eten , neemt dit altijd met water vermengd, pira Si tov aXrov
av vlvov lirtirivioufv en na het eten kunnen wij dan wijn drinken.
— 27. up\\ó)ut^a
wivftv vSojp , laat ons beginnen met water drinken.
— PI. Phaedo. 57. a. ro >papfiif
kov ïttiiv hij dronk het vergif uit.
116. c. ttivuv tö Qapuaicov het vergif uitdrinken.
2. bij de verba van nemen , aanvatten, aanraken 2).
VII. 6, 41. rji\' ej<D<t>povto/xiv é£ojue$u avrov indien wij verstandig
zijn, zullen wij ons aan hem houden.
Zie ook An. III. 5, 11.
Cyr. I. 4, 20. VI. 2, 39.
5. Genitivus Oiminis. Bij de verba die gerechtelijke han- 333
delingen uitdrukken, alsmede bij de adjectiva van schuldig en
onschuldig staat de misdaad in den Genitivus. X. Cyr. I. 2, 7.
oi Mpoui SiKaZovatv axaptariag de Perzen spreken recht over de
\') la^inv rti\'óc van iets eten. wipuv tivoq van iets drinken.
yióav rtva tivoc; iem. iets laten proeven, yfvfirSai tivoq iets proeven.
ctiroKuvuv rivrfc van iets genieten. ovivuaSai tivoc, voordeel van iets hebben.
2J \\ap.fiavitv rtva tivoc iemand bij iets aanvatten.
tXfSui tivoc ziek aan iets, iem. vasthnuden. iiieTfa\'iai tivoc iets aanvatten,
aanraken.
btyyavttp , ipaietv rtvóc. iets aanraken. <Troy.i£f<T3ai tivoq np iets mikken.
5. liuiKtiv, xpivtiv, yoatptaUcti, airtöaiai rtva tivoc iemand van iets aanklagen, beschuldigen.
Qtuyfiv tivoc V. iets aangeklaagd worden. a-jroyiyvtaUKtiv
nvóc iemand vrijspreken.
aipüv Tiva
rivof, iem. v. iets overtuigen. aXin/cetJoi, óó\\iaicuvnt> Tiviig v. iets overtuigd worden.
&vo\\vuv, atpiivui tiv6\'; v. iels vrijspreken. airotpiiyiiv tiióc v. iets vrijgesproken worden.
SiKÓZftv, Kpiitiv tivóq over iets rechtspreken.
koMïhv, apuvfniai, rip.uiptïn\'iai riva
nvoc iemand voor iets tuchtigen [zich wreken).
alrtof, ivoxoc, imódiKoc schuldig.
                   dvairtoe, onschuldig (Cyr. I. 5, 10.)
») S\'mn, ypaipi) de aanklacht.                             rö t-y/cX»jfiii de beschuldiging.
(lytaXuv nvt iemand schuld geven (An. VII. 5, 7), gerechtelijk dagvaarden (Cyr. I. 2, 7).\\
ipaivHv Tivi iemand voor hel gerecht aanklagen. (Cyr. I. 2, 14.)
                                              /
-ocr page 244-
230                               OVER DEN OENITIV0S.             [N°. 333, 334.
ondankbaarheid. An. VII. 1, 25. rjv AaKtSainoviovg rf/c i^airaTtig
TifiwpriawfiiSa indien wij ons wegens dit bedrog op de Lac. wre-
hen.
An. I. 9, 13. — PI. Eutyphr. 5. c. MeAtji-oe Swicpar»} aatfieiag
èypaiparo M. klaagde S. van goddeloosheid aan. —
Dem. 732.
I tav tiq aXiy kXottT)^ Kal /uq Ti/xri$y Savarov, irpoaTifiav aiiriZ oW/uóv,
Kal tav Tig aXovg rijf KaKb\'jatwQ t£jv yaviuiv tig rijv ayopav ifi-
fiaWij , StStaSai, kSi» aarpartiag tiq o<p\\y, wanneer iemand, van
diefstal overtuigd, niet ter dood veroordeeld wordt
, moet hij (be-
halve zijn boete nog) met gevangenis gestraft ivorden, en wanneer
iemand, van mishandeling zijner ouders overtuigd, zich op vrije
voeten bevindt
, moet hij gekerkerd ivorden , en wanneer iemand
plichtig is aan ontduiking van den krijgsdienst etc.
De met Kara samengestelde verba Kart]yopt7v, Karayiyvwo-iciiv
aanklagen
, veroordeelen, KaraSucaZtiv veroordeelen hebben de
persoon in den Genitivus en de misdaad in den Accusativus.
X. Cyr. V. 5, 19. tv rovrmg i\\tig Tiva fiov irXtovt%iav Kart)yo-
pf/o-at; kunt gij mij hierin eenigszins van hebzucht aanklagen?
De straf waartoe iemand veroordeeld wordt staat gewoonlijk in den Accusativus:
MTtiCiKa\'Un\' TivbQ Savarov, ZnuiaV 6if>\\itv raXavra iira\' vandaar öfyXiatavitv
ytktora, alirxüvr)v, fitopiav verdienen uitgelachen, met schande overladen, als dwaas
beschouwd te worden
, zich het verwijt van . . . . op den hals halen. Men zegt echter
ook üavarov (capitis) zie boven en Cyr. I. 2, 14. Verder rtuav, TtuüoSai nvi
Savdrov, #uy>ic> de doodstraf of de verbanning als straf voorstellen voor een ander of
M. voor zich, doch altijd Zrffiiovv rtvi. SavaTtp iemand met den dood straffen.
Aanm. Bij ypa0tir5ai staat gewoonlijk de Ace. foeijv of ypa<pyv waarvan dan de
misdaad in den Genit. afhangt. Door weglating dezer woorden wordt de Genit.
Criminis in het algemeen somtijds uitgelegd, gelijk in het Latijn door crimine of nomine.
Ttumpilv rtvi nvoc beteekent: iemand voor iets voldoening verschaffen.
334 6. Genitivns Pretii. Lat. Ablativus Pretii.
Bij de verba en adjectiva van koopen , verkoopen, huren, ver-
huren , kosten
, schatten en achten staat de prijs in den Genitivus.
X. An. VII. 7 , 26. tovto tovtüjv rüv \\pr)fjiaTii)v TwrpaaictTai,
dit wordt voor dat geld verkocht. — 25. apx») ov rpiaKovra nóvov
6. (aestimare) atioïiv, riaav, irouloüai, r)ytïo$ai rtva nvoc achten, schatten,
(emere pretio) ayopaZfiv, uti\'iitrSai ri
nvoc iets voor een prijs koopen.
(renden pretio) itu>\\hv, irpiaaSai, airoSovvui
ri rtvoc iets voor eenprij» verkoopen.
(locare) pta^ovv
ri nvoj iets voor een prijs verhuren. M. voor iets huren [condueere).
(dignus)
óEioc waardig, dvagtoc onwaardig (indignus).
-ocr page 245-
N°. 334, 335.]             over den genitivus.                               231
a&a raXnvrtov a\\\\a iroWawXaoltov een heerschappij niet alleen
dertig maar ontelbaar meer talenten waard.
III. 1 , 20. otov
iïuivtiaófi&a yèuv en 6\\iyovg ï^ovTag
, ik wist, dat nog slechts
weinigen (geld) hadden om te koopen.
Zie Cyr. III. 1 , 36.
Tifiav ti jtoWoi", óXiyo» tnagni, pnrvi aestimare. Zie bij jrfpï en irapa, irept
iroXXnü rrotHrrSat, irflp1 óXiynv Trott7(T$at.
Zoo staat de Genitivus ook bij andere verba. Cyr. III. 2, 7 piirSoü orpaTiiioSat
voor loon kriji/sdirnst verrichten,
VI. 2, 37. /«it^oS virnpirüv voor loon dienen. Zoo
bij SiSaoiMo. PI. ap. 20. b. iróiro» dtSArricii; irivri /ivüv.
7. De Genitivus Objectivus staat bij de verba en adjectiva, 335
die beteekenen: begeerig , ervaren, gedachtig, deelachtig, machtig
en het tegendeel.
Begeerig. X. An. III. 2, 39. öo-nc te Z,r\\v imSvpii, n~etpaa§ü,
vtKav
, ft Tig St xpriftartov tiri^vftü tcpariiv TreioarrSw alwie naar het
leven verlangt trachte te overwinnen
, en wie naar geld verlangt
trachte eveneens te overwinnen.
— 5,7. TrtipacrSai tuÏi fiaSovg deT
diepte te peilen.
Cyr. VIL 2, 17. — Cyr. VIII. 2, 22. óptyopm
ael irXuóviov ik streef altijd naar meer. —
3 , 39. wtnrijv xprinariov,
esurire aurum.
— An. I. 9 . 5. tüv tig rwv iróXtftov toyojv (ptXo-
/la^taTarog
kiu /juXtTtipórarog zeer leergierig en vol ijver voor al
wat op den oorlog betrekking had.
Cyr. I. 6, 38. V. 3 , 48. Heil.
IV. 4,
6.
Ervaren. X An. II. 6, 1. Ik iravrtov rüv ifxirtiptog i\\óvriov
avTov volgens allen die hem kenden.
Cyr. I. 5, 11. — Cyr. III.
3, 55. cnralStvTni /xovoucrig onbedreven in de toonkunst. Ook I. 6,5.
III. 3, 37. f
Veelal echter staan deze Adjectiva met den Ace. Fartis zooals ook AuaSriQ onge-
leerd
en rroijinq wij*. Zie Cyr. III. 3, 9. — 3, 35. PI. Ap. 22. e. aofybe, rijv Iküvuiv
<ro(piav,
a;un3i)c ri)i\' óuaSiav met hunne wijsheid bekend, dielaehtig aan hun dwaling.
Begeerig.
iviivfiüv, IplioSai, Ipav, ópcyiirSai rn\'oc naar iets streven.
£n//i/i\', irttvfiv tivoq hevig naar iets verlangen , ircipa<r%i beproeven.
0iXn;iM.5i\'/t leergierig.
Ervaren.
IfmnpoQ peritus, iirto-riiftmi\' gnarus, Iftwiipios t^nv bekend zijn met.
anapnc, imperitus, avïirWTrj/iiov ignarus, airiipwc, ï\\tiv onbekend zijn met.
aytuTToc;
, ó\\|/f/*a^nc» Airaidfvroc onbedreven.
\'EirioraaSai ti iets welen, kennen, doch bij Dichters lirtarauivot = Wpic tivóq.
-ocr page 246-
[N°. 335.
232
OVER DEN GENITIVUS.
Gedachtig. X. Cyr. VI 4 , 13. vfiaq S\' l-yv fiovXofjiat avafivr\\am
wv pot BoKtïn fit/ivtifitinn wo\\ii av tvSufiÓTipoi tig rbv ayüva livui
ik wil u die zaken in het geheugen terugroepen, bij welker herin-
nering gij met veel meer moed ten strijde zult trekken.
An. III.
2, 25. BiêotKa fir} t-rriXaSiófiiSa rti<; oïnaSe oBov ik vrees dat wij
den terugkeer naar huis zullen vergeten.
— Cyr. f. 6, 16. rb
yap ap\\r)v juij k6/j.vciv rb arpartvfta tovtov aoi $ü ftiXttv . . .
. . vyieivov Stl arparoTTtoov fxi) afitXïjoai, tovtov ooiik av a/iapToig
tavnep fieXiitry ooi, want in de eerste plaats moet u dit ter harte
gaan , dat uw leger krachtig zij
... . gij moet niet zonder zorg
zijn voor een gezonde legerplaats, en hiertegen zult gij niet mis-
doen
, zoo de zaak u slechts ter harte gaat. Cyr. IV. 2, 38.
avfiua\\u)v iiriniXtiq bezorgd voor de bondgenooten. Zie ook: Cyr.
VII, 2, 17. VIII. 1. 1. VI. 3, 4. Ages. 7, l^Pl. Phaedr. 259. b.
Deelachtig. X. An. VI. 6, 16 iiraivov kw. Tiyuije rtvlitaSai lof
en eer te zullen erlangen.
Cyr. VI. 2, 38. — An V. 3, 9. wavnQ
fitTÜxov
Tiic toprïis allen namen deel aan het feest. Cyr. I. 2, 15. —
Cyr. VII. 5, 56. a/iotpoQ tariag verstoken van eigen haard. —
Cyr. I. 4, 11. VIII. 7, 12.
Gedachtig.
|ii/ii\'i\'/T/cKT?-m tivoq reminisci, meminisse - lirt\\av$avi<r$ai tivoq oblivisci.
ifiiKnv , è\\iytapüv tivoq iets verivaarloozen , gering schatten.
KridiaSai
, ttrifiéXiaSai, typovriZfiv tivóq om iets bezorgd, bekommerd zijn.
tvrpiirêcrSai tivoq zich om iets bekommeren, IvUvunnSai tivoq iets behartigen,
irpovoiïv tivoq voor iets zorgen, vooruit op iets beducht zijn.
fiiXn jioi tivoq iets gaat mij ter harte, nira/iÉXti /ioi tivoq iets berouwt mij.
QiiütaSai tivoq iets sparen, atJHiliïv tivoq niet sparen.
Iivlnn.iv meinor, apviiuoiv immemor, iiri\\i)afuav vergeetachtig.
iwi/tfXric bezorgd,
ajueXj/s onbezorgd.
\'EvSvpnv ri iets overwegen, fiifiviiOKitv Ttva tivoq monere aliquem alicujus rei.
Deelachtig.
TVyxÓLViiv, Xayxóvav, K\\i\\povnfiiiv tivoq iets erlangen.
aifiiKviïoSai tivoq iets verkrijgen , fiiraSidóvat rtvi tivoq aandeel geven.
HiTëx"", KOtviavnv nvi tivoq aandeel hebben, ithiori poi tivoq ik lub gemeen met
iemand,
ajiapravnv, airorvyxóvttv tivóq in iels misdoen, iels missen.
<r$a\\\\iaStai, ypiviïioSai tivoq zich in iets bedriegen.
fiiroxoQ particeps, afioipoQ expers, IvltiiQ , iirtliiiQ egenus, jrivn,Q pauper.
-ocr page 247-
N°. 335, 336.]             over den genitivus.                               233
Machtig. X. Cyr. T. 1, 5 — 6. Küpoc rovrwv rü»i> ISvwv tJpËcv -
- ó\'pYttv av^pwn-wi\', C. heerschte over deze volken. — I. 5 , 1.
Kïipov KpanaTivovTct tuptuv ïavriÓv zij zagen, dat C. hen overtrof. —
Mem. IL 1. 2a>icpdrr)G yaarpo^ nuvrwv avSpwirwv ijKpaTtaraTog i\\v.
S. was meer dan alle menschen meester over de zinnelijkheid.
Kpartïf Tira beteekent: iemand overwinnen An. VII. G, 32. Heil. IV. 4, 10 ook
tivoq An. III. 4, 26. In de beteekenis van: bemachtigen, handhaver: regeert het
den Genitivus of den Accusativus : An. IV. 7 , 16. V. 6, 7. VII. 3, 3.
\'üyüaSai óiïav nu iemand den weg wijzen , vyilaüai rivi aanvoerder zijn, aan het
hoofd staan.
"Ap\\uv, apxtaSrai tivoq, ctirn, ik tivoq ook mei iets beginnen, travnv, iravtaSai
tivoq, met iett doen ophouden.
M. ophouden. Heil. VI. 2, 13. An. I. 6, 7.
> 8. fienitivus copiae et inopiae. Lat. Ablativus. De verba 336
en adjectiva, die overvloed en gebrek, vullen, verzadigen, beroo-
ven
en bevrijden beteekenen, hebben den Genitivus ter aanduiding
van datgene, waarvan men overvloed heeft enz.
X. Heil. I. 1, 10. — 6, 19 ivtropricrut. \'iwirtov, cr\'irov paarden,
koren hebben
(zich verschaffen). Cyr. ILI. 2, 18. mraviZeiv ytie
aya&fje gebrek hebben aan vruchtbaren grond. IV. 2, 39. anogttv
av(iixa\\wv gebrek hebben aan medestrijders.
— An. I. 5, 10. \'tvt/w
irXaaav êupSipag
\\6prov Kovqyov zij vulden de vellen met hooi.
IV. 5, 28. kol §appüv avrov eke\'Aeue Xtywv oti ovre twv TtKvtov
artpijaoiTO,
rt\'/v re olielav avroïi avr£fjnr\\i,<TavTt<; tOjv tntTtictl(ov
air\'iaoiv en hij sprak hem moed in door te zeggen dat men hem
niet van zijn kinderen zou berooven.t en na zijn huis integendeel
Machtig.
apxln\' > fiuatXciiiv, Kparttv tivoq over iemand heersenen.
irpuJTiinv , apttirtöav, Kpariarevfiv tivóq iemand overtreffen.
lyxparriQ machtig,
arparnc onmachtig\', nvpioQ gebiedend over.
«0n<"i|c; niet sparend, streng.
8. nXifitiv, yf/ueiv vol zijn, füiropiiv, w\\ovrüv rijk zijn.
$in$ï)vai, awopiïv, atraviï,tiv tivóq aan iets gebrek hebben.
7rXir\\povv, sivntirXavat tivóq met iets vullen.
KopivvvaHai, TéprrtaSai tivoq zich met iets verzadigen.
airo(TTipiïi>, aripKiÜai riva tivoq iemand van iets berooven.
Kiroiiv ri tivoq iels van iets ontdoen, ledig maken.
\\irav, iXtvStpovv, cnraWarriiv riva tivoq iemand van iets bevrijden.
IXivSipÓQ tivoq vrij van iets,
tuiniwi; tivoq zuiver van iets.
piorós, ïtXtiptjS, irXéuQ, irXouatóc tivoq vol van iets.
kivóq, yvpvÓQ, SpnfioQ, üpfnvÓQ tivoq beroofd van iets.
-ocr page 248-
234                               OVER DEN GENITIVUS.             [N°. 336, 337.
met levensmiddelen opgevuld te hebben trokken zij weg. — An. VI.
6,   16. Cyr. VI, 2, 37. — An III. 2, 28. - An. I 2, 7. — 4, 9.
trórafioQ nXi\'iptig ï^vwv een rivier vol visschen. — I. 2, 22. n-tStW
BivBptnv aviiirXtwv een vlakte vol boomen. — I. 4, 19. Cyr. II. 1, 11.
Aanm. 1. Aairt/c rol, met Genitivus (An. II. 4, 14) en met Dativus (An. IV.
7,  6. — 8, 2. VI. 4, 5.).
2.    &iniiivai rtvoc iets noodig hebben, ciïa^ai tivóc Ti iemand iets vragen, petere
aliquid ab nliouo.
\'Airoaripitv riva n, zie N". 328. 2) a).
3.    Vele dezer werkwoorden komen ook voor met den Dativus.
4.    Tot deze adjectiva behooren vele adjectiva met a privativum, zooals airaic,
kinderloos, awaSriQ onverlet,
ai/St\'/c ongewoon ete. Cyr. IV. 6, 2.
9.     Genitivus Separationis. De verba, die een scheiding te
kennen geven, hebben de zaak waarvan men iemand of iets
verwijdert of afhoudt in den Genitivus, soms met een praepositie.
X. Cyr. V. 3, 48.                                                     An IV. 3,5.
an(l\\ov anb tov vorafiov II. 6, 10. Heil. V. 2, 6. Cyr. II. 4,
23 VIII. 5, 24. An. I. 2, 6. Heil. III. 2, 21.
10.     Genitivus causae bij verba en adjectiva affectuum. Lat.
Ablativus causae.
X. Cyr. II. 3, 21. Kvpog tovtov ctyao-S\'eie rF/e iirtfiiXttat;, daar
C. dezen wegens zijn zorgvuldigheid bewonderde.
III. 1,15. An.
I. 7, 3. rij? fXnuSrerj/ac vfiag tvSat/LioviZu ik noem u gelukkig we-
gens de vrijheid.
Cyr. V. 4, 32. Küpo? tov irdSovg $KTttptv auróv,
C. had medelijden met zijn ongeluk. Cyr. VIII. 4, 16.
Bij verba van b-wonderen staat de persoon in den Genitivus voornamelijk wanneer
nog een zin met \'óri of Et volgt. Zie An. I. 8, 16. VI. 2, 4. Verder vindt men
nog andere constructies bij deze verba, zooals de praeposities wtpi, vwip, trt,
9.    «jfév^ii\', airfx"*5«f Tiva rtvoc, iemand van iets afhouden,
cnrïxitv,
aïrf^ftr^aï rtvoc zich van iels afhouden.
ttpyiiv, roi\\vfiv riva rtvoc iemand van iets af honden, iels verhinderen,
ijiiroiuiv iivai rtvi
rtvoc iemand bij iets in den weg staan.
Xtopi&tv Ttvd rtvoc iemand van iets verwijderen,,afzonderen.
ükuv Ttvi rtvoc voor iemand in iets wijken,
enz.
10.   ayaaSrat, Savu&Zuv rtva rtvoc iemand om iels bewonderen.
fviïatuori"tiv, iuiKapi£tn> rtva TtvnQ iemand om iets gelukkig achten.
ZnXovv nva rtvoc l .                  . . ...
\'               ,             ; iemand om tets bvnyaen.
ipSovm rtvt rtvoc I
oiKTiipiiv rtva rtvoc iemand om iets beklagen.
Karaépoviiv, vtripopav, KaTayiXav rtvoc iemand verachten, gering schatten.
-ocr page 249-
N°. 338, 339.J            over den genitivus.                             235
11.    Bij de verba die een gewaarwording te kennen geven 338
staat de persoon in den Genitivus, de zaak meestal in den Ac-
cusativus.
X. An. I. 2, 5. iirti fiaoiXtvg 1\'iKiwrrt Tiaacupipvovs rbv Kvpov
otóXov toen de koning van T. Cyrus uitrustingen vernomen had.
I. 1,8. j3ao-«A£i>e rfjv tmf$ov\\rjv oi/K yaSavtro de koning bemerkte
den aanslag niet.
\'Akovuv, a!<r3avi<r$ai ni\'oc beteekent voornamelijk bij zaken, luisteren naar,
acht geven op.
An. I. 8 , 16.
12.    Genitivus comparationis. 1) na comparativi met weg-
lating van r), zie N°. 138. 2) na verba en adjectiva waarin het
begrip van een comparativus ligt opgesloten. Vergelijk 7. machtig.
X. Cyr. I. 5, 11. ofrtvec aypvirvTjaat $éov riTrwvrai tovtov
welke, wanneer er moet gewaakt worden, hierin te kort schieten
(doch aldaar ook: Tovry \\t!iro>vTat). An. III. 1, 37. Si\'tcaióv sari
vfiat; aufftipiLv ti tovtuiv .... Kal ort lipljvi) %v u/U{7c Kal \\piifiaai
Kal rtfiatg tovtwv iirXtovfKTtïrt het is billijk dat gij u eenigszins
boven dezen onderscheidt
.... in vredestijd stondt gij ook in rijk-
dom en eer boven dezen.
Cyr. I. 3, 15. I. 6, 13. III. 1, 19. An.
I.
9, 24. I. 1, 10. I. 7, 12. Cyr. VI. 3, 15-17.
13.    De Genitivus Materiae geeft de stof aan waaruit iets
gemaakt is.
X. Cyr. VIL 5, 22. (j>oivtKoe fxiv ai Svpai iwroirtfiivat, de
deuren zijn van palmboomenhout.
14.    De Genitivus Temporis staat 1) op de vraag: wanneer? 339
bij algemeene tijdsaangaven zonder lidwoord of attribuut, bijv.
vvKTog Kal rifitpac noctu et interdiu, ztpovs aestate, y^ti/jiüvo^
hieme.
11.   aloSavia\'iai waarnemen, wvv$aviir$ai vernemen, vragen,
axovuv, iiKpniïn\'ini hooien, avviivai verhemen.
bnQpaivtoiat ruiken.
12.   i\'/rrnnrSai, i]TT(ov iïvai , iXaTTOvaSat, IWiiwftv, fltioOTcrfiv, vvrfpiU\', v<TTfp(-
X,uv nvit \'i* irt* onderdoen, Ie kort komen, achterstaan.
Staórpnv rivóc, zich onderscheiden boven iemand, it\\iovneTÜv
, iriptyiyvta$at-,
irtpifh\'ai Tivi rtvof iemand in iets overtreffen,
enz.
-ocr page 250-
236                                         OVER DEN DATIVUS.                  [N°. 339, 340.
2)   met het lidwoord in distributieve betoekenis: tï}$ riuipaq
telken dag, toï> unvóg per maand. 7Ae
Art. 1, N°. 319.
3)   met een attribuut op de vraag: gedurende welken tijd?
iróXXov
, i:Xt iorov yjaóvov gedurende langen, zeer langen tijd,
•nivTi r,uipüv binnen de vijf dagen
, rijp tTriovoris ïinipa? gedurende
den loop van den volgenden dag.
An. I. 9, 25. ttóXXov \\póvov
sedert langen tijd.
15. De Gonitivus staat nog bij vele werkwoorden, die samen-
gesteld zijn met de praeposities airó, i%, kutü, ïrpó. Zie 5. 10.
§ 99.
Over den Dativus.
340 !• De Dativus staat op de vraag: aan tvien? (naast den Ac-
cusativus Objecti) bij verba transitiva, die beteekenen geven,
ontnemen
, schrijven, berichten, beloven, gebieden en dergelijken.
X. An. I. 1,8. Küpop aniirt/xirt tovq Baafxovg (iaoiXü, C zond
den koning de belastingen. — 9. SiSwoiv avr<[> fivpiovg BaptiKovt;
hij geeft hem
10,000 dareiken. — 7, 18. v-mayvovnai ooi Ska
raXavra ik beloof u tien talenten.
Cyr. III. 2, 8. Kvpog napriy-
yinat to7q Utpaat^ TTapaaKivaZta^ai C. kommandeerde de P. zich
gereed te maken.
Aaxm. 1) KiXiiio ik beveel heeft steeds den Ace. c. Inf. = lat. jubeo. An. I.
1,11. Tlpólivov ItiKtvat irapaytviaSut hij beval P. aanwezig te zijn.
2) An. I. 6, 3. ypatjm iie>9To\\r)v wapa fiaai\\Ut, seribit epiêtolam ad regem.
2. De Dativus staat bjj verba transitiva en intransitiva op de
vraag: waarvoor? voor wien? (Dat. commodi et inconimodi.)
X. An. I. 1 , 9. aXXo arpartvfxa avTt^ avvtXtytTo een ander
leger werd voor hem verzameld.
Hiertoe kan verder worden teruggebracht
a) de Dativus Ethicus, d. i. de Dativus der pron. personalia bij uitdrukkingen
van verwondering en wrevel, wanneer iemand zijn gevoel krachtig wil te kennen
geven, of iets zeer levendig wil voorstellen. PI. Ap. 20. c. aai pi /») 9npu/3ijrTijrf
wordt niet ongeduldig. X. Cyr. I. 4, 2. Küpoc virfpityofiuro firj oi 6 ira-nirnQ airnSavy
ft tva» zeer bevreesd, dat zijn grootvader sterven zou. Cyr. 1. 6, 26. (Lat. quid mihi
Celsus aijit.)
Bij zulk een Dativus staan dikwijls nadere bepalingen, air/ilviji, viojitvtf tot\'mijn
-ocr page 251-
N°. 340, 341.]                  OVER DEN DATIVUS.
237
genoegen, ftot\'Xnuértp, iroSovvrt naar mijn wensen, clkovti tegen mijn uil, ax^ofiivif
fiot yiyvirat tot mijn droefheid geschiedt het.
b) de Dativus Auctoris. In den Dativus staat de persoon altijd bij het Adj.
verb. op -t\'(oq (gelijk aan \'t lat. Gerundivum), dikwijls bij het I\'ussivum vooral bij
het Perfectum in plaats van iriró met den Genitivus (lat. Abl. met a.) N". 234, 3.
X. An. I. 3, 15. tftoi roüro ov Trntrjrêav, hoe mihi non faeiendum est. Cyr. III.
2, 16. a vwin\\vov Troiriaav cnrorirkKinrai troi tJ^ij quae promittebas jam a teffeta sunt.
e) de Dativus relativus of relationis, zooals X. An. III. 2, 22 — 5, 15. VI.
4, 1. Cyr. VIII. 6, 20. itpoiooat, Sitifiavri, ifoirXiovTt, IxfSavTi, roor hen, die
vooruit trekken, roor hem die {de rivier) overgetrokken is, die invaart, die verlaat,
of
wanneer men vooruitlrekt etc.
Merk op : (<is,) avviXóvrt liirtïv om kort te gaan , in één woord.
d) de Dativus van den bezitter bij tlvai, i>wap\\nv, yiyvn^ai, met de bezeten
zaak in den Nominativus.
X. An. I. 2, 7. ivravSa Kiipip (iitaiXitci >iv daar had Cgrtts een paleis.
Aanm. De Lat. dubbele Dativus bij esse, venire, dare etc. bestaat in het
Grieksch niet.
Bij de uitdrukking avofxa fiot \'tart (mihi nomen est) staat de naam in denzelfden
naamval als öroua.
Hom. I. 183. Ifiiii S\' ovoua k\\vtov Afötov.
PI. Prot. 315. e. iSota ÓKovaai övofia avriji tlvai \'AyaStuva. Zoo ook bijv. An.
I. 5, 4. II. 4, 13. Doch gewoonlijk staat de Ace. Purtis met volgenden Genitivus
of Nominativus I. 4, 11. jtóAic öi-o/m Bd^nroc. II. 4, 28. óvo/iu Kaïval.
3. Bij vele verba en adjectiva staat de Dativus krachtens
hun beteckenis.
X. Cyr. IL 1, 15. VfXi\'lQ Kal «jlVTS tV TIJ aVTIJ l)/ÜV XWPV\' tV
/ui\' tij waTpiêi ov iitTii\\iTe rütv ïatov rifiiv\' vïiv 8\' t^toTiv vfxlv tig
tui/ avrbv ïi/üv KivSvvov ifJifialveiv , Kat twv ó/xoiwv ï]fxïv c£,iova%ai,
gij zijt ook in hetzelfde land als ivij geboren: in ons vaderland
stondt gij wel niet met ons gelijk, doch nu is het u gegeven met
ons hetzelfde gevaar in te gaan, en gelijke achting te verwerven.
3. Helpen, voordeelig zijn, zie Ace. N°. 324. A. 2.
Dienen virijpinTv, SovXtvitv Ttvi; behagen apetrictiv Ttvi.
Om iets bidden tvxfoiai, irpotrtvxio^at Slotc ti
Gehoorzamen irfiiioüat, irft&apx*ïv Ttvi
; dreigen cnriiXilv Ttvi.
Vertrouwen Ttta-Tivitv, iriiro&ivat nvt
; wantrouwen airiarftv nvt.
Het past teptirii,
«rpoir/jicit;
                        het is geoorloofd iZioTi.
Vertoornd zijn ópyiZiaSat, \\a\\iiraivitv , ax$io~$ai rivi.
Met iemand vriend zijn
rr\\ijiria£»iv rivi; gelijken iotKtvai nvt.
Vergelijken linaZav , gelijk maken iaoïiv , ö/ioioüv Ttvi.
Adjectiva.
Nubij TtXr\\aioQ ; gelijk wapairXiiatoc, ouoïor, ïiroc ; bevriend 0t\\nc ; welwillend
itivovi ; genadig ïKioiq ; vijandig Ivavrioc , l%&pós , iroXifitoi;, c~ia<popoc ; eigen
Itfioc ,
oiicftoc > totvis i avyyivin ; alieuus (vreemd) dMórpioc.
Zoo ook het Pronomen b aiirót dezilfde, en de Adverbia lyyve, ófinv nabij etc.
-ocr page 252-
238                                     OVER DEN DATIVÜS.                            N°. 341.
An I. 5, 11. ol (rrpartütrai t^aXêiraivov Kat wpylZovro rw KAtop^
de soldaten vielen C. lastig en waren op hem vertoornd. Heil. III.
2, 5. ó/xov rotf "EXXrjfftv arpaTomStvaafitvoi bij de Grieken ge-
legerd.
Zie ook An. III. 2, 11. — 6, 9. Cyr. II. 1, 1. An. I. 3, 6. II. 5, 30.
—  6, 17. — 1, 13. Cyr. VII. 5 , 65. — An. I. 3, 12. II. 5, 11. — 6, 22.
VII. 7,6. Cyr. VII. 1, 2. VIII. 7, 21. An. III. 1,43. VI. 3,13.
Aanm. Men vindt deze Adjettiva ook met den Genitivus, voornamelijk Ivavrioc,
iroXi/iioc, ix$P°£ > 0*^"C a\'8 substantiva gebruikt.
\'ApégKtiv Ttva iemand bevredigen, ii^is5ai nvt n iemand iets toewentchen.
Ilpéirn, irpooiiKii , titan hebben ook den Ace. c. Inf. Cyr. VII. 6, 38.
4. Dativus Sociativus of Comitativus staat bij verba, die
een gemeenschap, een vriendelijken of vijandigen omgang, een
samentreffen uitdrukken.
Zie ittrixtiv, koiviuvüv Ttvi rivoj met iemand aan iets deel hebben, lij den Geni-
tivus 7, deelachtig, bl. 232.
X. An. VII. 2, 25. (jtlXi^ rtvl xp\'ia$ai me^ iemand als vriend
omgaan.
Cyr. III. 2, 4. Vil. 1, 17. — 5, 27. VIII. 1, 5. —
An. I. 2, 8. tviKTjatv iptZovra oc hij overwon hem, die met hem
wedijverde.
— 6, 6. iiroXi/iriatv ifioi hij beoorloogde mij. — 7, 9.
—  3, 6. tnti vftÜQ ïjuoi ou/c ISêXtrc ireiSeaSai oi»8t tireaSai iyut
aiiv v/iïv t\\po/xai daar gij mij niet wilt gehoorzamen noch volgen,
zal ik u volgen.
— 2, 13. oïvy Ktpaaag rriv kplivyv na de bron
met wijn vermengd te hebben.
IV. 4, 5. Hiriv on /3ouAotro Bta-
XtX$r}vcu toïq ap\\ovatv hij zeide met de bevelhebbers te willen
spreken.
Cyr. VII. 5, 49. Cyr. VI. 3, 5. An. III. 5, 8. IV. 1,
10. - 3, 23. V. 9, 23. etc.
4. Met iemand omgaan ypiiaSai, 6ftt\\itv nvt.
Met iemand overeenstemmen ó/ioXoytïv , ó/iovoiiv, avfifiaivuv nvi.
Met iemand een verbond sluiten mrivSia^ai, oirovlac; jroifï<r5a( Ttvi.
Tegen iemand strijden nax\'oSai, iroXi/itïv, aytoviï,taiai Ttvi.
Met iemand twisten lpirnv Ttvi, zich onderhouden dtaXéyta&ai rtvt.
Zich met iemand verzoenen KaraWaTTiaSai, ovvaWaTTtoSai rtvt.
Iemand volgen \'éwtoSat, ókoXov^üv nvt.
Iemand ontmoeten viravrav, airavrav, iv (f-irt) Tvy\\avitv Ttvi.
Met iets mengen mpavvvvat, [iiyvvvat rtvt. P. zich vermengen.
Zoo ook: iirtivut nvt op iemand losgaan, èir&iaSai nvi iemand overvallen,
wpootêvat nvi iemand naderen,
enz. alsmede de uitdrukkingen : «i\'c \\6yovt iivat, ti{
Xftpac, lici fóx\'lïi \'\'"\' To\\i/iou iivat etc. Zie ei\'c, cti.
-ocr page 253-
N°. 341, 342.] over den dativus.
239
Deze werkwoorden worden ook dikwijls evenals in het Latijn
met praeposities verbonden: bijv. KaraXïxrai, ovvaWaytjvai irpóg
riva.
An. I. 1, 10. — 2, 1. êmo-Sai avv, irri rtvi. Cyr. V. 2, 1—40.
airivStoSai irpós riva. An. III. 5, 16. etc.
TloXi/uTv rtvi of Jrpóc riva tegen iemand oorlog voeren, avv nvt in bondgenootschap
met iemand.
Zie bij den Genitivus. 9. i/iiroc\'iav ih\'ai rtvi rtvoc , ükhv rtvi nvoc. 10. fëovtïv
rtvi tivoq.
12. mpiyiyvtoSat, itipiiïvai rtvi tivoq. 5. t\'yicaXiïv nvt rt.
5.    De Dativus causae staat bjj de verba affectuum om de
beweegreden aan te geven. Zie Genitivus causae 10.
X. Cyr. I. 4, 24. — 3, 3. Küpoc rjSero rjj aroXy C. verheugde
zich over zijn kleeding.
Cyr. VI. 3, 15. iktit-n-\\r\\ynivoi rioav rt£
irpay/uaTt zij waren hierover verwonderd.
Heil. V. 3, 3. Cyr.
V. 3, 50.
Deze verba worden ook met praeposities geconstrueerd, voornamelijk met liri
(An. VII. 6, 10), of zijn gevolgd door een participium, een zin met 8n of een
Gen. Abs. (An. I. 1, 8.).
6.    De Dativus Instrumenti (Lat. Ablativus Instrumenti) 342
geeft het middel te kennen, waardoor of het werktuig, waarmede
iets geschiedt.
X. An. I\\. 1, 10. Kal Ai\'S\'o/f Kal To^tv/xuai KartTpojoav nvag
zij wondden sommigen met steenen en pijlen.
Is een persoon het middel, dan gebruikt men Biet met den Ge-
nitivus, zie aldaar.
7.    De Dativus Modi (Lat. Abl. Modi) geeft de wijze aan,
waarop iets geschiedt, navn Tpóww omni modo, rivi rpóir^t quo
modo
, rourtu rq7 rpónw hoc modo. Zie ook Ace. Adv. N°. 309 D.
Bij een substantivum zonder attribuut staan gewoonlijk praeposities: bijv. An. I.
2, 17 —18 ai>v icpavyy , avv ykXtart.
Zie verder den Dativus als adverbiale spreekwijze N°. 309, 2.
Wanneer men begeleid of vergezeld wordt van personen of aanduidt dat iemand
iets bij zich heeft, gebruikt men praeposities zooals avv, /«ra, gelijk in het latijn
An. I. 4, 12. ol irp6rtpot fierd Kvpov avafiavTie, die vroeger met C. gegaan waren.
Bij de substantiva arparia, ffróXoc» vrjig echter, en bij een militair gevolg wordt
de praepositie dikwijls weggelaten. An. II. 2, 12. Gewoonlijk echter vindt men
lx«ti\' niet den Ace. Zie An. I. 2, S etc.
5. Zich verheugen xaipuv, ijlioSai; bedroefd zijn XwntïaSai, ax$foSat ; ontevre-
den zijn
(3opéwc -x<»Xnr<Sc <j>ipiiv, aynvaxTiïv; ziek over iets schamen aiaxvriaSat;
zich verschrikken Uir\\iiTTia3at, KarairXiiTTUiSat
etc.
-ocr page 254-
BETEEKENIS DER TEMPORA.          [N°. 342 — 344.
240
8. De Dativus mensurae et differentiae (Lat. Abl.) wordt
gebruikt om den graad van verschil aan te geven, bij comparatieve
begrippen Zie N». 195. Cyr. Y. 3, 52.
9 De Dativus loei (Lat. Ablat. loei) staat op de vraag: u-aar?
slechts bij enkele steden-namen, zooals MapaSüvi, ^,aXafïivi,
\'A$»\';j\'i}(Tt, zie N°. 306 en bij de adverbiale uitdrukkingen TySt,
ravry, y etc. N°. 307. 2.
In andere gevallen staat in Prosa de Dativus met een prae-
positie, meestal tv.
10.     De Dativus Temporis (Lat. Ablat. temp.) staat op de
vraag: wm\' ? *v<w.j«i
1)   zonder praepositie, bij aangave van datums of Feesten:
ravry ry r\\nipq op dezen dag, ry voTipai(j den volgenden dag, ry
rpiry
i> nraory fipipq den derden of vierden dag.
2)  met de praeposltie Iv, om de tijdruimte aan te geven gedu-
rende welke
iets plaats had. PI. Crito. 52. e. ovk iv óAryqi XP°VV
uvayKaaStiq fiovXtvoaaSai , a\\X iv trtaiv tj3Sofn/Kovra , iv olg
I5qi> ooi amïvai, terwijl gij niet genoodzaakt waart binnen korten
tijd uwe beslissing te nemen
, doch binnen den tijd van zeventig
jaren, gedurende ivelke het u vrij stond heen te gaan.
An. I. 7, 1.
11.     De Dativus staat verder bij verba, die samengesteld zijn
met de praeposities iv, iiri, adv, zeldzamer bij samenstellingen
met irapa, irtpi, viró.
OVER DE BETEEKENIS DER TEMPORA.
§ ïoo.
In het Algemeen.
1) In het Grieksch geven de vormen van het verbum niet
alleen gelijk in het Latijn en Nederlandsch aan, of een handeling
in het tegenwoordige, verledene of de toekomst plaats heeft, doch
zij bepalen tevens den aard, de natuur der handeling, of zij (in
-ocr page 255-
N°. 344.]                  BETEEKENIS DEK TEMPORA.                           241
het tegenw., verledene of de toekomst) voortduurt, enkel feitelijk
plaats grijpt
of voleindigd is.
2. Alleen de Indicativus stelt de handeling als tegenwoordig,
toekomstig of verleden voor, de overige modi en de Infinitivi
geven slechts aan of de handeling voortduurt, alleen feitelijk
plaats heeft, of voleindigd is.
Zoo geven deze vormen in:
het Praesens een voortduring aan: anoSvi\'iaictiv op sterven liggen
(Praesensstam);
den Aoristus een feitelijk plaats hebben: awoS/avuv sterven (Aoris-
tus of Verbaalstam),
het Perfcctum de voleindigde handeling: r&vavai dood zijn (Per-
fectstam).
Of deze handeling nu op den tegenwoordigen, verleden of
toekomstigen tijd betrekking heeft moet men uit het hoofdwerk-
woord opmaken, bijv.:
Xtyw \\                                  l opdat gij gehoorzaamt.
ilnov > ravra \'iva irua^TB l opdat gij zoudt gehoorzamen.
ipü )                                  \' opdat gij moogt gehoorzamen.
3. Als tegenwoordig wordt uitgedrukt:
1)  een handeling die nog voortduurt, door het Praesens Indicativi.
anoSvi\'ioKu hij ligt te sterven.
2)   een toestand, als gevolg eener voleindigde handeling, door het
Perfectum Indicativi.
TtSviiKev hij is dood.
In de toekomst wordt een handeling uitgedrukt:
1)   hetzij deze voortduurt of enkel feitelijk wordt aangehaald, door
het Futurum Indicativi.
aTToSavïïrai hij zal sterven of op sterven liggen.
2)   die in de toekomst afgedaan zal zijn door het Futurum Exactum.
TtSvi&ei hij zal dood zijn.
In het verleden wordt een handeling uitgedrukt:
1) als voortdurend door het Imperfectum Indicativi.
a.ir(Svr\\oK£v hij lag te sterven.
16
-ocr page 256-
242                           BETEEKENIS DEK TEMPORA. [N°. 344, 345.
2)  als feitelijk plaats hebbend door den Aoristus Indicativi.
air&aviv hij stierf.
3)  als voleindigd door het Plusqperfectum Indicativi.
ir&vi\'iKii hij rvos dood.
De handeling wordt
voorgesteld nis
Tegenwoordig.
Toekomstig.
Verleden.
Feitelijk.
Futurum.
anoSavÜTai
hij zal eens sterven.
Indic. Aor.
aTriSavtv.
hij stierf.
Voortdurend.
I
Praesens.
CUTO%V>l(TKlt
hij ligt te sterven.
Futurum.
uTroSavtÏTai
hij zal liggen sterpen.
Imperf.
airt5vr)<jK£v.
hij lag te sterven.
Voleindigd.
Perfectum.
Tl§Vt)KtV
hij is dood.
Fut. Ex.
T&Vl\'fctl.
hij zal dood zijn.
Plusqperf.
iT&Vl\'lKEI.
hij was dood.
§ ioi.
In het B ij zonder.
A. Indicativi.
I. Tempora van den tegenwoordigen tijd.
345           1. De Indicativus Praesens, die de handeling voorstelt
als in het tegenwoordige voortdurend wordt gebruikt:
1)  bij herhaalde handelingen of gewoonten:
Cyr. VI. 2, 28. oartg aXfytrooiTÜ, vSan fxeua-yfiïvtjV aü Tr)v (iaÜ,av
io&tu al wie gewoon is gerstebrood te eten gebruikt dit altijd met
water vermengd.
I. 2, 4. 6. 7.
2)  bij een bewering, die ten allen tijde waar is:
An. II. 5, 7. iravTa\\rj wdvrwv taov of Stol tsparovoi de goden be-
heerschen alles overal gelijkelijk.
-ocr page 257-
N°. 345—347.] beteekenis der tempora.                           243
2.     De Indicativus Perfecti, die een tegenwoordig bestaan-
den toestand als gevolg eener vroeger afgedane handeling
aangeeft,
is dus geen verleden tijd. (Een Perfectum Praesens, nooit
Historicum.)
Het Perfectum verschilt dus slechts in zoover van het Praesens, dat dit de han-
deling als in het tegenwoordige nog niet voleindigd, nog plaats hebbende aanduidt,
het Perfectum ze daarentegen als in het tegenwoordige voleindigd, afgedaan voorstelt:
iratliiubt ik ben bezig met opvoeden, iriiraiSivKa (ik hen bezig geweest met opvoeden
en nu) is de opvoeding voltooid.
An. I. 6, 9. ó fxiv avrip Totavru ftiv 7TC7roi>}K£, roiavra Bi Xtyu\'
van dien aard nu zijn de handelingen en de ivoorden van dezen man.
Vandaar dat 1) uit de beteekenis van het Perfectum dikwijls een Traesens-betee-
ktnia
ontstaat, bijv. rsèvnaa ik ben dood, (traojum ik verwerf) icf*rnfiai ik bezit,
(rciXw ik noem) »>/cKil/uu ik heet, etc.
2)   andere werkw. in den Indicativus Praesens de beteekenis van het Perfectum
hebben: zoo «) i/icm ik ben gekomen, myn/iin ik ben weg.
b) de werkwoorden van hooien en waarnemen, waar wij in het Neder-
landsch ook dikwijls het Praesens in plaats van het Perfectum gebruiken. Zulke
verba zijn : annvuv, lipav, nwHavHtSat, (ntr$avf<rSai, p-ivSavuv.
Het Imperfectum dezer verba heeft gevolgelijk dikwijls de beteekenis van het
Tlusqperf\'., ofschoon >)kov en tp\'xópnv meer de bet. van den Aor. hebben, i/t kwam,
ik ging weg.
a)   Cyr. V. 3, 26. \\iyn \'órt i/toictiv a\'vTiji ayyt\\oi hij zegt, dat boden tot hem
gekomen zijn.
An. I. 4, 8. olSa ydp öiro ol\\ovTai ik weet toch waarheen zij gegaan
zijn.
— An. I. 2, 6. ï)ti Mivtav Menon kwam. V. 5, 2. rd i&vta ü /;« ovk liixovro
zij namen de geschenken, die aangekomen waren, niet aan.
IV. 3, 30. 7ro\\\\oi ydp
ifxovro want velen waren weggegaan. VI. 1, 14. utrei tovto ot npên-fiut <py;ovro hierop
gingen de gez\'inteu weg.
b)   An. IV. 6, 17. roOrutv tüv iiyiuóvuv irvviavotim on ovk üjiaróv èari tö
ópof van deze gidsen verneem ik (d. i. heb ik vernomen) dat de berg niet ontoegankelijk
is.
VI. 6, 23—34. ïiKoi\'f yip hij had toch gehoord, yicovov vernomen had.
3)   Een enkel feit zoowel als een nog voortdurenden toestand wijzen het Prae-
sens en Imperfectum aan van sommige werkwoorden, zooals: ura», rparüv over-
winnen
en overwinnaar zijn, iiTraoStat overwonnen worden en zijn, dSixüv onrecht doen
en in het ongelijk zijn, afaicitaSai beleedigd worden
en zijn, ypd0nrrm aanklagen en
aanklager zijn, tjiiuyiiv vluchten en op de vlucht zijn, verbannen zijn.
An. II. 1, 4. airayyiWiri \'Aptaiw Öri riuüc, vncüpiv, boodschapt Ariaeus, dat wij
overwinnaars zijn
(overwonnen hebben).
3.     Het Grieksche Perfectum is nooit Perfectum historicum,
daarvoor dient de Aoristus, doch het Praesens historicum bestaat
ook in het Grieksch.
An. I. 7, 16. ravTï\\v §è r»)i> ratypov (iaatXivc iroisï avr\\ ipv/i.aTog,
iiruBrj wvvSavtTat Kvpov irpootXauvovra, deze gracht had de koning
10*
-ocr page 258-
244                           BETEEKENI8 DEK TEMPORA.        [N°. 347 , 348
als versterking laten maken, toen hij vernomen had, dat Cyrus
tegen hem optrok.
(Zie N°. 230.)
4. Het Praesens sluit zich nauw aan bij het Imperfectum,
wijl zij beide een voortdurende handeling aangeven in den tegen-
woordigen of den verleden tijd.
Meer bijzonder komen zij in beteekenis overeen als Praesens
en Imperfectum de Conatu om het begin eener handeling, een
trachten naar hetgeen door het verbum wordt uitgedrukt, aan
te geven.
All. VI. 6, 4. \'ÏKiflTtOV Ol TToXl/JlOl TTpbt; StVOfjiWVTlt ClKOVOVTiQ OTl
7toA(\'£é( to xwpiov, de vijanden zonden tot X. wijl zij vernomen
hadden
, dat hij op die plaats een stad wilde bonwen. Zie Cyr. III.
1, 38. airoKTiivu fit, mij wil dooden. —An. I. 3, 1. KXiap^og
roi>s aTpaTiwTag ifitaZtTo ïivai
, Cl. nulde de soldaten dwingen
vooruit te gaan.
Zoo An. IV. 5, 19. VI. 1, 19. Heil. VI. 5, 23 etc.
II. Tempora van den verloden tijd.
348. i. In het verhaal verplaatst de Aoristus Iudicativus ons in het
-vN verleden en somt de gebeurtenissen achter elkander op zonder
te letten op de tijdsbetrekkingen der verschillende feiten
onderling,
wat den lezer overgelaten wordt.
Wil men aangeven dat de eene gebeurtenis te gelijk met een
ander plaats
had, dan gebruikt men het Imperfectum.
"Wil men doen uitkomen dat iets reeds had plaats gehad vóór
de gebeurtenis, die men verhaalt, dan gebruikt men het Plus-
quani perfect
urn.
An. I 1,9. Y%.\\iap\\oq (j>vyag 7jv\' ó Küpof r/yaa^r) ti avrbv Kat
Siowaiv avTty fivpiovg oapeiKOvq\'
ó Se arparev/xa avviXe^ev icai
inoXtitti Toïg Opq^i Kal w(j>iXu roiig
"EAAijvaf, axrre icai
\\piifiaTa
ovvtfiaWovTo avry. Cl. was een balling: C. was met hem inge-
nomen en gaf
(Pr. hist.) hem 10.000 dareiken. Hij verzamelde
dan een leger en beoorloogde de Thr.
(voortdurend) en bevoordeelde
de Gr.
(voortdurend), zoodat zij hem (voortdurend) geld opbrachten.
An. I. 3, 2. KXiapxpe Si róre ittv /juicpov i%,i<pvfi iifj Karaire-
-ocr page 259-
N°. 348, 349.] beteekenis dek tempoiu.                           245
rptuSövm, vrrrtpov S\'sn-ti ïyvw !>ti ov Bvvi\'iofTai fiutaaaSat avviiyayiv
iKüXiiatav\' K(ü TtpwTOV fiiv ioaKpvs iroXvv ^póvov iaTMc/ ol Bi
ópwvriQ tSavfiaZov tcaï laiwirwv. Cl. ontvluchtte toen nauivlijks de
steeniging; doch later toen hij bei/repen had, dat hij hen niet zou
kannen du-ingen, riep hij een vergadering samen: en eerst stond
hij langen tijd te weenen : en toen zij dit zagen waren zij verbaasd
en zwegen.
2.     Het Imperfectum dient (als in het verleden voortdurend)
in het bijzonder om karaktertrekken en meeningen aan te geven,
ter beschrijving van toestanden, gewoonten en gebruiken uit het
verleden.
An. I. 2, 7. tvTavSa Ki\'p(j) iiv napaSnao^ filyag ayploov Sijpiwv
7rAi\'ipr)e, o iküvo^ iSïiptvtv cddaar had C. een groot park vol
wilde dieren, waarop hij pleegde jacht te maken.
Zie ook II.
3, 15. curtriStaav Cyr. VIII. 1, 17 etc, An. I. 9, 25 etc. en
hierboven 1.
3.    De Aoristus heeft niet alleen de boven aangegeven factische 349
of feitelijke beteekenis, hij heeft ook nog bij verba, die in het
Praesens een voortdurende handeling of toestand uitdrukken een
ingressievc beteekenis om het begin van de handeling of den
toestand aan te geven: bijv.
TToSiw ik verlang, InóSovv ik verlangde, iiró^r^aa ik begon te
verlangen,
het verlangen maakte zich van mjj meester.
ïvoi ik heb, tï^ov ik had, taypv ik ontving, verkreeg.
aaStvto ik ben ziek, lirrSlvovv ik was ziek, i)rT%évt)<Ta ik werd ziek.
fiaaiXtvh), TvpawCo, opx\'0 \'^ heersch , regeer.
tfiaaiXtvov, irvpavvow, 7ip\\ov ik heerschte, regeerde.
ifiaciXivcTa, èrvpdwr)aa, 7ip£n ik begon te regeeren, heerschen.
Cyr. I. 5,2. \'Aarvayijg airoSviiaKit , ó St Kua£ap»K Tt)v (3aai-
Xriav ta\\c Astyages sterft en Cgaxares verkreeg de heerschappij. —
Heil. II. 2, 24. Afoiw/oi; irvpavvijae Diongsius begon te heerschen.
Aanm. Eenzelfde werkw. kan naar gelang van den zin factische of ingressieve
beteekenis hebben. Zoo kan in-oXf/itjira beteekenen: ik begon oorlog te voeren, of,
ik voerde oorlog.
-ocr page 260-
246                                  BETEKKENIS DEIl TEMPORA.          [N°. 350—352.
4.     Buiten het verhaal wordt de Aoristus in vergelijkingen ,
spreuken
en algemeene waarheden dikwijls in plaats van het Prae-
sens gebruikt, om een gewone verschijning, een plegen uit te
drukken, waarvoor men in het verhaal het Imperfectum gebruikt.
(Zie 2). Deze Aoristus wordt Gnomicus genoemd, van yvw/xri
spreuk.
Cyr. I. 2, 2. ïjv £t tiq roirwv ti wapapatvg %r)[itav avroig liri-
Stoav, en indien iemand tegen een dezer punten misdoet plegen
zij hem te straffen.
Hom. A. 218. A. 442.
Aanm. Daar deze Aor. in plaats van een hoofdtijd staat, volgt in den afhanke-
lijken zin de Conjunctivus. Zie N°. 389.
5.     De Grieken vermijden den langen vorm van het Plusquam-
perfeetum gaarne: vandaar dat zij dikwijls den Aoristus, (vooral
in tijdbepalende zinnen (N°. 383) na de Conjuncties lm!, iirufo),
w$
enz. en in redengevende zinnon (N°. 372)), zelfs het Imperfec-
tum in plaats van hot Plusquitmperfectum gebruiken, waar de
beteekenis duidelijk genoeg uit den samenhang blijkt.
An. V. 7, 2. [ia\\ii 0o/3tpoi ïiaav /ui) nodiaeiav ola Kal tovq
Ki\'ipvKaQ iTroinaav, het was zeer te vreezen, dat zij doen zouden,
zooals zij ook met de herauten gedaan hadden.
I. 2, 17. iirttSri
iróvTas vap{\\\\aoi nadat hij allen voorbijgereden ivas.
—V. 7,26.
i)$!kovv iiiv ovSiv zij hadden niets misdaan. VI. 6, 24. t< Si oi>
ïiytg indien gij echter hem had weggevoerd
, — 3, 22. liroXiopKovvro
waren belegerd geivorden.
Zoo ook staat de Aoristus soms in plaats van het Perfectum: An. V. 5, 8.
iirifiyptv i/p«c »; jróXic de stad heeft ons gezonden, wt >/pcïc fcoitafuv zooals wij ver-
nomen hebben.
6.    Zonder onderscheid staat het Imperfectum of de Aor. van verba die spreken
of vragen beteekenen. Zie An. I. 3, 2-4, 11. — III. 2, 7. Cyr. II. 3, 19. An. I.
8, 16. II. 4, 15.
III. Tempora van den toekomenden tijd.
1. Het Futurum geeft een handeling aan, die in de toekomst
of zal plaats hebben of zal voortduren: (BaatXevao) ik zal tot de
heerschappij geraken
of ik zal heerschen.
V 2. Het werkwoord fxéXXuv zullen in verbinding met den In-
-ocr page 261-
N°. 352—354.] beteekenis der tempora.                           247
finitivus Praosentis of Futuri (zelden Aoristi) komt overeen met
de latjjnsche Conjugatio periphrastica van het participium op
-urus en bctcckcnt:. van plan zijn, voornemens zijn, op het punt
staan van
iets te doen of iets trillen, kunnen, moeten doen, tot
iets in staat zijn.
Cyr. I. 6, 17. Sfï arpariav , tl fxiXXti irpaKt\'v ra Stovra etc.
indien een leger zijn plicht tril doen etc. An. V. 7 , 5. cucovbi Ttva
StafiaXXttv
è/uÈ wj iy<i> vpïtQ uiXXio riytiv tig <Pao-(i>, ik hoor, dat
iemand mij lastert, als u-as ik van plan u naar Phasis te voeren.
IV. 7, 1G. óVorE noXiuiot oiptaSai avrovf ïfitXXov wanneer de vij-
anden hen konden zien.
III. 4, 37. y t^eXXav napitvai waarlangs
zij moesten gaan.
Aaxm. n«5; nu uiWto, iï\' ali usWu ; hoe zon ik niet t Dell. IV. 1, 6.
3.     Het Futurum Indicativi dient in relatieve zinnen of na \'iiruQ om een bedoeld 353
gevolg uit te drukken. N". 394.
Heil. II. 3, 2. tSotf Tifi Stijn? rptaKovra avtpac tkia\'ïiu oï rovc irarpinvr vauovc,
avyypa-tynvm
jcaV oï)c irnXiTfttrrnitfTt, hei volk vond goed dertig mannen te kiezen om
de voorvaderlijke treffen volgene welke zij zouden bestuurd worden te boeken.
Zoo vooral ook het Participum Futuri met wc, No. 418: An. I. 1, 3. ttv\\\\aa-
t^urfi Kvpov tot; airoKTtvwv hij laat Gymt gevangen nemen om hem te dooden.
—T*~ 4. Na de ruet av verbonden partikels en Pronomina moet het Praesens Conjunc- 354
tivi gewoonlijk door bet Futurum en de Aoristus Conjunctivi met av door het Fu-
turum Exactum vertaald worden. N". 384, 389.
An. I. 4, 13. u-7rétrxfr0 ïicaOTtp tuieinv irh\'Tf uvac tir>)v tic lïttfit\'Xwva ïjKutm hij
beloofde iedsr ó minus te zullen geren, wanneer zij te li. zul\'en gekomen zijn
(J/icw ik
ben gekomen, N". 346. 2. a)). — Dem. Phil. I. 44. traSav iinnvra aKovettiri cpi-
vart, oordeelt nadat r/ij alles zult aangehoord hebben. Zie Cyr. VIII. 7. 8, 25, 26 etc.
Na een historischen tijd in den hoofdzin of in de oratio obliqua kan deze Con-
junctivus in den üptativus overgaan (N°. 399. b.), terwijl av bij de partikel of het
Pronomen wegvalt, zoodat de Optativus zonder Av dan de beteekenis van het Futu-
rum of Futurum Exactum ontvangt.
An.-I. 2, 2. üjro-TY/i/UM\'oc (— wTi(TX(ro) avrótt, fi coXiif icaTairpalitiv hij be-
loofde hun, dat, indien hij dtitaeue tjaed zon volvoerd hebben ^uirta\\v\'touai itïv
caXüig
ciir«7rpa£<u). Zie ook II. 1, 2.
4.     Het Futurum Exactum geeft aan dat een handeling in
de toekomM reeds voltooid zal zijn. Dom. 01. III. 7. StaaaoSt uv
Tpt\'nrov vftelg Èorparnynicorfc fravra tosaSi virtp <ï>t\\iinrov: ziet hoe
gij in alles voor Ph. zult gestreden hebben.
liet geldt als gewoon Futurum bij die verba welke in het 1\'erfectum Pruesens-
beteekenis hebben, zooals WSrijica ik ben dood, T&vittu) ik zul dood zijn; et er n/\'t"
ik bezit, irncriyiro/uu ik zal bezitten; ui\\ivr\\uai ik herinner mij, fitnvi\\ttoaat ik zal mij •
herinneren;
Ëirrnect ik sta, larijho ik zal staan of zal blijce» staan. Zie Nn. 288.
-ocr page 262-
248                                  BETEEKENIS DER TEMPORA.           [N°. 354, 355.
Bij vele werkwoorden geldt het Futurum Exactum in het Passivum als Futurum
Simplex, hijv. imrpaaicu) Fut. III. it(vfarro)iai ik zal verkocht worden (An. VII.
1, 36). Bij andere wordt het afwisselend met het gewone Futurum gebruikt.
B. Overige Modi en Nominaalvormen.
355 -i_ 1. De Conjunctivus, Optativus, Iraperativus en Infinitivus van
het Praesens en den Aoristus verschillen niet in beteekonis dan
in zoover dat deze vormen van het Praesens den duur, die van
den Aoristus alleen het oogenblikkelijk \'plaats hebben der hande-
ling aangeven.
Dem. Pil. I. 1G. irpiorov fuv Tpn\'ipiiQ irapamttvaaaaSai (pij/xi iïüv,
ht\' aiiTovg ovtw rag yvói/uag ï\\eiv, vooreerst dan zeg ik dat gij
(onmiddelijk) schepen moet uitrusten en vervolgens (altijd) aldus
gezind zijn.
18. ïi>\' j} i]av)(iav %%$ f) Arj^Sy opdat hij of (voort-
durend) rustig blijve, of (te gelegener tijd, eens) overvallen worde.
14. intiSav airavra aKt>vot)Tt, nptvart, fn) irpórspov TTpoXa/xfidvtre,
wanneer gij alles zult aanhoord hebben
, oordeelt dan (op dat
oogenblik), doch houdt u niet eerder bezig met het vormen uwer
meening.
•4— 2. De Optativus en Infinitivus Praesentis en Aoristi hebben
echter de beteekenis hunner Indicativi wanneer zij dezen modus
in de oratio obliqua (na verba dicendi) vervangen.
Aanm. Infinitivus en Participium Praesentis en Perfecti gelden ook voor den
Indieativus Imperfecti en Plusquamperfecti.
An. I. 2, 9. Stp^,r\\q Xtytrai tuKocn/uiaat raïna ra fiaaiXua men
zegt dat X. dit paleis gebouwd heeft (= tyKoSó/xtiot). Cyr. I. 4, 10.
Küpoc tAfyf Tfji irawTTty iiri avrbg raïira Sr/jmo-siEV (= tSi\'ipuoa
ravTa) C. zeide zijn grootvader, dat hij dit zelf voor hem gevan-
gen had.
An. I. 2, 21. tXéytro \'Sivtvvtaig tlvat im rüv atcpaiv, men zeide
dat S. op de hoogten was.
3. Overeenkomstig N°. 346 vertaalt men An. I. 3, 20. dm-
Kp\'ivaro on aKovot, hij antwoordde, dat hij vernomen had.
Cyr. V.
5, 42. av óBov /utKpuv riKtov Seinvti ?18tj eet gij nu, die reeds zoo
I
-ocr page 263-
N°. 355.]                              GEBRUIK DER MODI.                                          249
ver gekomen zijt. An. II. 1, 11. fiaaiXivg vikuv yytirai de koning
meent overwinnaar te zijn
(overwonnen te hebben).
L 4. De Participia hebben in het algemeen de beteekenis
hunner Indicativi.
\' In het bijzonder volgt de beteekenis van hot Participium uit
het hoofdwerkwoord, uit de betrekking waarin de door het Par-
ticipium aangegeven handeling staat tot de handeling door het
verbum finitum van den hoofdzin uitgedrukt.
Zooals van den Indic. Aoristi gezegd is (X°. 351) kan ook het Partic Aor. de
beteekenis van het Partic. Perfecti hebben, bijv. airnfia\\t!>v die verloren heeft en
thans niet meer bezit, itaSdiv die geleerd heejt en nu weet, Saviiv, TiKtvTfinuQ die
gestorven, dood is, oï
wktóitcc die gevalle» zijn, de gesneuvelden.
5. De Infinitivus van het Futurum, Conj., Optat., Imper. en
Infinit. van het Perfectum komen in beteekenis overeen met
hunne Indicativi.
De Optativus van het Futurum staat alleen in de onrecht-
streeksche rede ter vervanging en met de beteekenis van den
Indicativus Futuri.
X. An. I. 6, 3. ypafyti iwKTToXriv napa fiaaiXta öri rfeoi (= ypdipei\'
„?j£o»") hij schreef den koning een brief dat hij komen\'zou. I. 4, 8.
ol 8\' (incrtipov el aXtvaoivTo (= „otKrtijjo/iCv aïirouc ft aXwaovrat )
anderen beklaagden hen zoo zij achterhaald werden.
OVER HET GEBRUIK DER VERBAAL- EN
NOMINAAL-VORMEN.
§ 102.
Voorafgaande Aanmerkingen.
1. Verhaalvormen van het werkwoord zijn die, welke per-
soonsuitgangen hebben of geconjugeerd worden: de Indicativus,
Conjunctivus, Optativus, Imperativus.
-ocr page 264-
250
GEBRUIK DEK MODI.                 [N°. 355—357.
Nominaalvormen zijn die, welke evenals een nomen ge-
declineerd worden: de Infinitivus en het Participium, zoo nog-
thans dat de Infinitivus als een onvcrbuigbaar Substantivum be-
schouwd wordt.
II. Particula av (Homerus, w, Ktv.).
1.     Deze Partikel, die wij somtijds door „wel" doch meestal
in het Nederlandsch niet kunnen weergeven, duidt aan, dat
hetgeen gezegd wordt van zekere voorwaarden af\'hangt, die echter
in de meeste gevallen niet worden uitgedrukt.
2.     Daarom kan zij niet mot den Indicativus Praesentis, Futuri
of Perfecti verbonden worden, daar deze slechts gebruikt worden
om iets met zekerheid uit te drukken, onafhankelijk van eenige
voorwaarde. Wanneer men dus bij deze tijden av aantreft, zooals
olfiat av, oï»fc av o\'S\' ün, behoort het tot een ander woord van
den zin. Zie
5.
Aanm. FIct Futurum Indio. zoowel als de Infin. en het Part. met av staat nog
op vele plaatsen in 1\'lato en elders , door sommigen verdedigd , door anderen ver-
worpen. Zie Cob. N. L. p. 693. V. L. p. 92, 267 en 633. Buttman ad Crit. 53. e.
Wohlrab. Ap. 29. c.
3.     Zij is overbodig bij den Conjunctivus, daar deze modus de
uitspraak reeds als van de toekomst afhankelijk voorstelt. Daarom
staat zij ook nooit bij den Modus zelf doch bij het Pronomen of
de Conjunctie,
die den zin inleiden: ióv, inrorav, lirt&av, Iwc
av, uq av enz.
Zie voor de vertaling dezer Conjunetivi N". 354.
4.     De Partikel av kan geen zin beginnen, doch staat ge-
woonhjk of achter haar werkwoord of verbindt zich met het Pro-
notnen, de conjunctie, negatie of andere kleinere ivoorden, zooals
7röJe, yap , /xaXiara, ra\\a enz.
Somtijds wordt iiv verdubbeld, vooral wanneer het eerste av ver van zijn modus
verwijderd is. Cyr. II. 1, 6. III. 3, 36. PI. Ap. 35. d. Zie Cob. V. L. p. 571.
5.     Wanneer na de verba Soküv, oïtoSui, vofxiZ,uv, èXirlZtiv,
ovk irrn
etc. een zin volgt, die op de toekomst betrekking heeft,
geeft av aan den Infinitivus Aoristi, soms ook Praesentis de
kracht van den Infinitivus Futuri. Cob. V. L. p. 96, 98.
-ocr page 265-
N°. 357, 358.]              gebruik der modi.                                 251
An. I. 3, 6. avv vutv av ot/xat ilvai tiuioq öirov av w etc. met
u meen ik geëerd te zullen zijn, waar ik ook zijn moge.
Cyr. III.
1 , 20. iróXag aXoixrai avfi/ia\\oiiQ npocrXafiovaai movrat avaua\\i-
aaaSiai av veroverde steden meenen na bondgenooten verworven te
hebben weer den strijd te zullen hervatten.
Cyr. VIII. 1, 29—32.
An. III. 1, 38. II. 1, 12—13, 20.
Deze Infinitivus met av in de oratio obliqua staat namelijk voor den Opt. Poten-
tialis der oratio recta (zie 6) avv üfiiv ri/tioc ai\' urp\', tri\'/iuaxoni; TrpoiXnfinvmti
avaua\\matjit^a
iiv. N°. 366, 2.
Gewoonlijk echter volgt de Infinit. Futuri zonder iiv, in plaats van het Futurum
zonder av der directe rede: Cyr. I. 6, 4. è\\iriZf:c U tk/£ht><ii : or. recta. A Ti\'Juf
rivtoitat. II. 1, 12. vouiZovrit; aytvvuïitSat or. recta. IviutZnV ayuivtovu&a.
6. Ieder verhaalvorm met av kan wanneer de constructie het
vordert in het Participium of den Infinitivus gezet worden, ter-
wijl av bij den Infinitivus of het Participium blijft staan.
Doch de Conjunctivus met av kan slechts overgaan in het
Participium zonder av, daar volgens 3. av niet tot den modus
behoort, maar tot de partikel of het Pronomen en dus met deze
wegvalt.
Daar derhalve alleen de Indicativi met av of de Optat. met
av in den Infinitivus of het Participium met av kunnen over-
gaan , kan zulke Infinitivus of zulk een Participium met av alleen
de beteekenis van den Irrealis N°. 360 (hist. tijden van den Indic.
met av) of den Potentialis (Opt. met av N°. 366. 2 of Indic. met
S.v N°. 361) hebben.
Aanm. Men lette op de elliptische spreekwijzen wc <ïv, tuiirtp av il, waar het
bij iti\' behoorende werkwoord verzwegen is : üairip av rif (Ïtoi (= ünrfp av üi\\ éi),
te vertalen door alsof, quasi.
III. Verdeeling der zinnen.
1. Naar gelang van den inhoud kan men de zinnen verdee- 358
len in:
Oordeelszinnen, die een oordeel, een bewering, een feit
uitdrukken (negatie oü).
Begeerzinnen, die een wil, wensch, doel of onderstelling
uitdrukken (negatie yu»/).
-ocr page 266-
252                                    GEBRUIK DER MODI.                [N°. 358, 359.
2. Iets wordt uitgedrukt:
als werkelijk bestaand feit                           door  don  Indicativus.
als verwacht, van de toekomst afhankelijk „      „    Conjunctivus.
als enkel gedacht                                             „      „    Optativus.
als verlangd, gewild                                        „      „    Imperativus.
als mogelijk, ofschoon onzeker                       r      „    Potcntialis.
als niet werkelijk, onmogelijk                         „      v    Irrealis.
3. Iets wat in den tegenwoordige» tijd nog mogelijk is wordt uitgedrukt door den
Optativti) Potciitiivis met av. Zie N". 366. 2.
Iets wat in den verleden tijd mogelijk was wordt uitgedrukt door de Historische
tijden van den Indicativus met av. PotentiaU» van den verleden tijd. N°. 361.
De Irrealis, modus der niet-werkelijkheid, wordt uitgedrukt door den Indicativus
der historische tijden met av. N". 360.
I. Verhaalvormen.
§ 103.
A. Gebruik der Modi in Hoofdzinnen.
Het gebruik van den Indicativus komt in het algemeen overeen
met het Nederlandsch. Doch :
359 1. Meermalen zijn do Ncderlandsche werkwoorden moeten, be-
tamen
verbonden met het hulpwerkwoord zouden, zonder dat er
een bijzin met indien bij staat of bij gedacht moet worden. Voor
de vertaling van zulke zinnen gebruikt men in het Grieksch
evenals in het Latijn den Indicativus.
s\'Set, i\\p>)v, 7rpoo-ïji«i\', iZqv, oportet, decet, licet, het zou noo-
dig, passend, geoorloofd zijn of geweest zijn.
tiKoc, Si\'kcmoi\', a£ioi>, k-a\\ói\', Trpoaipsriov l)v het zou billijk,
rechtvaardig, waardig, schoon, verkieslijk zijn of geweest zijn,
aequum, justum, dignum, pulchrum, optabilius est.
X. Cyr. V. 5, 9. ravra \\a\\tnov filv olfiai Kal vwo TroXifiiwv
naSüv, iroXit
êè \\aXeirwTipov i>(f wv riKiara Èxpijv raüra mirovStvai,
ik meen dat het zwaar valt wanneer men zoo iets zelfs van den
kant zijner vijanden te verdragen heeft, doch het pijnigt nog veel
meer wanneer men dit van hen moet verduren, van wie men dit
het allerminst zou moeten verwachten.
An. VII. 7, 40. aïa\\pbv
yap 7jv het zou toch. schandelijk zijn.
-ocr page 267-
N°. 359 — 361.]                 GEBRUIK DEK MODI.
253
Is echter een voorwaarde uitgedrukt, dan komt er av bij, en
staan zij in den Modus Irrealis. N". 360 en 388. Dem. Phil. A. 1. •
il yaii tK tov 7raptAijAu3\'oroc \\pnvou ra Blovra ovtoi avvipovXtvouv,
obllv üv ii/uac vvv têtt fiovXivtoSai, indien dezen toch voorheen
goeden raad gegeven hadden
, zoudt gij nu volstrekt niet behoeven
te beraadslagen.
X. Au. V. 1, 10.
J___Aanm \'Eêtt kan derhalve drie beteekenissen hebben, het was nooiiy (modus
realis), het zon noodig zijn, het zou noodig geweest zijn ; tSu av men moest, of zou
hebben moeten
(modus irrealis).
—- Ik zou kunnen: lêuvautjv av en fuvai[n)v &i>. Cyr. VI. 2, 26.
^~^ Ik zon willen: f\'/3nv\\ó/ji|i\' iin, /3n»\\oi/<>|i\' av. Cyr. III. 2, 28. VII. 2, 16.
.___ 2. Even als in het Latijn bij paene, prope bijna het Perfectum Indicativi staat,
zoo ook staat in het Grieksch
de Aoristus Indic. zonder av met ókiyov, /iurpnü
of iiit\\aa ó\\iynn, /nrpov niet den inlinit. Aor.
PI. Ap. 17. «. óXtyoir luavTov liri\\aüiunv ik zon mij zihen bijna vergeten hebben.
Vergelijk An. VI. 6, 2 f. rb iirl raiirif airo\\t!)\\auiv in zoover het vim hem afhing
zouden wij omgekomen zijn.
3.     De Indicativus der historische tijden met av duidt aan dat 360
een handeling in den tegenwoordigen of verloden tijd kon of had
kunnen plaats hebben, doch niet geschiedt of geschied is. Modus
irrealis,
der niet werkelijkheid. Men gebruikt:
a)    Voor den tegenwoordigen tijd het Imperfectum Indic.
met av (= Lat. Imperf. Conj.).
ÏXiyov av, dicerem, ik zou zeggen (doch zeg niet).
b)      Voor den verleden tijd den Aoristus Indic. met av
(= Lat. Plusqperf. Conj.).
ilvov av dixissem, ik zou gezegd hebben (doch deed het niet).
Deze modus irrealis komt voor in de hoofdzinnen van de tweede soort der voor-
waardelijke zinnen , zie aldaar N°. 388.
4.     De Indicativus der historische tijden met av dient verder 361
als Potentialis van den verleden tijd, om aan te geven dat
een handeling in het verledene mogelijk was: $tró tiq av, cre-
deres, men had kunnen gelooven, ïyvt» rtc Sv putares, men had
kunnen meenen
, tlSec; av, cerneres, men had kunnen zien, rj-y/jffa»
av putares, men had kunnen gelooven.
An. IV. 2, 10. avToi f*lv av inoptvSiiaav ytrip o\'t aXXot, ra Bï
viroZvyia oinc r\\v iK^ï)vai, zij zelf zouden wel langs denzelfden weg
-ocr page 268-
GEBRUIK DER MODI.               [N°. 361—364.
254
als de anderen hebben hunnen voortrukken, doch de lastdieren
konden niet vooruit.
Cyr. VIII. 1. 33 iirtyvwg 8\' av èksï oviïêva
bpyiZ,t>ntvov (cpavyy, aXAa towv av avrovc; fiyiioio rtjj ovrt tig
KaAAoc Z,ï\\v men zou daar niemand hebben kunnen opmerken die
in toorn schreeuwde
, doch tvanneer men hen zag had men moeten
gelooven dat zij inderdaad deftig leefden.
Heil. VI. 4, 16. Cyr.
VII. I, 38.
362 5. "Av met een historischen tijd duidt verder nog aan, dat
een handeling in het verleden bij herhaling plaats had, av
iterativum.
X. Cyr. VIII. 1, 17. twv nap iavri[, fxaXio-ra <j>iXwv tKtXtvtrsv
av riva Xafisïv
ra toÏi ju»; Qoitöivtoq\' ï7reï ovv yivoiTO, jjkov av
evSvg oï arepó/xtvoi, hij ivas alsdan gewoon een zijner beste vrien-
den op te leggen de goederen weg te nemen van hem, die niet
naar hem toekwam: tvanneer dit nu gebeurd was pleegden de be-
roofden spoedig naar hem toe te komen. 7Ae
ook Cyr. I. 6, 40.
VII. 1, 10. An. I. 9, 19. II. 3, 11.
363         6. De Indicativus der historische tijden zonder av drukt een
wensch uit
, die niet kan vervuld worden. Zulk een wensch wordt
ingeleid door een partikel zooals uSsi och of, utinam. Negatie jujj.
Hiertoe behoort ook de uitdrukking wQtXov (-tc -e) met volgen-
den Infinitivus, dikwijls voorafgegaan van ü yóp, éfèe, wg, dXXa.
An. II. 1, 4. aW &<pt\\t ntv Kvpog ï,r\\v, och of Cyrus nog
leefde.
Mem. I. 2, 46. «Se ooi 5) EUpi\'icAEij róre avvsyevófir\\v had
ik toen bij u kunnen zijn
, Pericles. Ar. Nub. 24. tfö\' è£eko7tj}v
npÓTtpov tov 6<j>^aX/iov XlSy had ik mij liever met een steen een
oog uitgeslagen.
Wanneer de wensch kan vervuld worden gebruikt men den Optativus zonder av
N«. 366. 1.
364             II. De Conjunctivus staat in hoofdzinnen:
1. Ter uitdrukking eener onzekerheid van een twijfel, meestal
in den eersten \') Persoon (Conj. dubitativns of deliberativus).
Negatie fifi.
l) Prima persona in his conjunctivum postulat, reliquae av et Optativum: -iroï
rptimofiat ; et iroï rij o\\v TpairoiTo ; ri irabü; et rl av wa$oi nc ; ri ykvupai ; et
av yivoiTÓ tiq ; Cob. V. L. p. 106.
-ocr page 269-
Nu. 364—366.]              gebruik der modi.
255
Tt\' 7rotü>; irt) j3ö>; no\'i rpatr^nai; wat moet ik doen? waarheen
mij begeven? mij leenden?
2.     Ter uitdrukking eener aansporing, opwekking. in den 1 p.
meestal Pluralis. (Coiij. adhortativus.) Negatie /u/j.
X. An. VI, 5, 21. ïwfitv ïjti Tovq avSpag laat ons op den vijand
losgaan.
Cyr. VI. 4, 16. VIII. 1, 5.
In het Singularis met de Imperativi uyt, tpipt. PI. Phaedo. 63. b.
<j>ïpe
Si) TTttpuSü), welaan laat mij beproeven.
3.     Om een verbod uit te drukken, in de 2 of 3 pers., doch
alleen van den Aoristus, in plaats van den Imperativus Praesens.
(Verschil volgeus N°. 355.)
X. An VII. 1,8. pi) 7ro(>/(Tye ravru\' doe dat niet = /ut) nolu
raïira.
Conjunctivus Praesentis of Imperativus Aoristi (voor den 2"1 pers.) zouden fout
zijn. Zie N°. 368. 2.
4.     Met ov fti) te vertalen door het Futurum , terwijl men ov 365
fxi\'i door beswaarlijk of zeker niet kan weergeven.
X. An. II. 2, 12.
de koning zal ons zeker niet meer kunnen inhalen. Zie ook VI.
2, 4. VII. 3, 27. etc. Hom. A. 28. et passim.
Dit wordt soms verklaard uit ou/céri êiSoixa (iii etc. i/c vrees niet dat hij ons etc.
Zie N°. 381.
Aanm. 1) In plaats van don Conjunctivus staat ook met nog meer nadruk het
Futurum Indicativi. Ar. Ran. 508. oir uij ff\' Jycïi iripiótyopcn airiXSóvr\' ik ml u in
geen geval laten weggaan.
Deze constructie is niet te verwarren met oü \\ir\\ en een volgend Futurum in
vragen
ter omschrijving van den Imperativus. Ar. Ran. 202, 524. ov /ir) (p\\vapr)iii£
ixuv sla niet te bazelen.
Zie Nub. 296, 505, et passim. Vergelijk PI. Symp. 175. a.
2)    De in Aanm. 1) aangegeven constructie vindt men ook in afhankelijke zinnen.
Cyr. III. 2, 8. wc oï yt \'kppkvioi oü /ti) Sé^ovrai tovs TuXé/aiouf daar de Armeniërs
de vijanden zeker niet zullen a/wachten.
Zie ook VIII. 1, 5.
3)    Bij Homerus staat de Conjunctivus, gewoonlijk met kiv , dikwijls in plaats
van het Futurum. A. 184. iyui $i k\' ayto Bpiirijitfa itaWtirapyov doelt ik zil de schoone
Bristis medencmen.
III. De Optativus staat in hoofdzinnen:                                   3gg
1. zonder av om een ivensch uit te drukken, die vervuld kan
worden
, dikwijls ingeleid door tföe, tl yap, tóe > utinam. Ne-
gatie ju»\';.
-ocr page 270-
256                   \'             GEBRUIK DEK MODI.              [N°. 366-368.
X. An. VI. 6, 18. rn\'i^oKT-r; ar7(j)<iX(~Kj uiroi StXu licaoTOQ moget
gij in veiligheid daar aankomen, waar ieder uwer wenscht.
Heil.
IV. 1, 38. eï$s ah rj>l\\os fi/üv ylvoiu, och of gij onze vriend icerdt.
2. mot av om een mogelijkheid uit te drukken, in het Neder-
landsch te vertalen door zullen, kunnen, mogen, ivillen. Negatie
ov. Potentialis van den tegenwoordigen tijd.\')
X. An. I. 6, 8. "Ert ovv av yêvoio rej> ifii^ a$iX$u~> iroXé/Mog.
Zult gij {wilt gij) dan nu nog vijand mijns broeders worden.
Aanm. Vergelijk den Potentialis van den verleden tijd N°. 361
en let derhalve op het verschil van tlirot av r<e dixerit quispiam,
hier zou iemand kunnen zeggen, en tïittv av r»$ diceres, men zou
hebben kunnen zeggen.
Deze Optativus wordt ook gebruikt of om een meening op
meer bescheiden wijze voor te stellen, X. An. II. 2, 3. ó Trypqe
wora/uog tan, "tv ovk av SvvalfiiSa aviv irXoiwv ciafirjvai de Tigt\'is
is een rivier welke wij niet zonder schej)en kunnen overtrekken.
of om een gebod te verzachten. PI. Symp. 185. e. ovk av fSavoig
Af\'ywv, begin dan toch uw rede.
Aanm. 1. De Optativus zonder av staat nog
1)   als concesaivus, toegegeven, gesteld dat, waartoe tliv het zij zoo kan worden
teruggebracht. 2)
2)    om een onrechtstreeksche rede, die met \'óri, <ij of een Infiuitivus begonnen
is voort te zetten. An. VII. 3, 13. ï\\tyov jroXXoi \'óti iravrbc, a%ia \\hyu \'S.tvünc,.
Xiifiutv ydp üq Kai oIkhSi t\'tiroirXiïv oü êuvarbv tlrj, velen zeiden dut Seuthes\' voor-
stellen volkomen aannemelijk waren; het was toch winter en niet mogelijk naar huis
weg te varen. Zie
ook Heil. III. 2, 23. (Zie N°. 398.)
2. Bij Dichters staat mie av met den Optativus om een weusch uit te drukken.
Soph. Phil. 794, ttwc av rpipoiTt mocht gij gevoelen.
IV. 1. De Imperativus drukt een bevel uit. X. Cyr. V. 3,
49. ïrw tic ty\' CSiup, fivXa rtg axiaaTtu dat iemand tvater ga
halen, hout klieven.
2. Een verbod wordt uitgedrukt in den :
\') Cob. V. L. p. 93. Apud veteres fere perinde est tiiroip\' av aut Ipü dicere,
nisi quod illud lenius et urbanius dicitur, hoc paulo acrius et incitatius.
*) ihv, age vero, est interjectio cognata cum da quae nihil habet commune cum
Optativo verbi ilvai, cum quo confundi solet a plerisque. Van Herwerden ad. v. 275.
Ion. Euripidis.
-ocr page 271-
N°. 368 , 369.]              GEBRUIK DEU MODI.                                 257
2  pers. door den Imperativus Praesentis of Conjunctivus Aoristi
/ui} TTOiti of fii) Trotiiays.
3  pers. door den Imper. Praesentis, Imper. of Conj. Aoristi
fifj troitiTio, fxrj Troitioarto, fif) iroii/ay. (N°. 364, 3.).
3.     Meer dan de Optativus (N°. 367, 1.) wordt de ImperatU\'
vus gebruikt om iets toe te geven, in iets te berusten. An. I.
4, 8. aXA\' \\6vtu)v doch dat zij heengaan, laat hen maar weggaan.
II. 3, 24.
4.     Hij wordt gebruikt in verwijtingen. I. 4, 8. a\\X sv /xivroi
imoTaoSwv doch zij moeten ivel weten:
in aansporingen. An. III.
1, 24. (pavriTt tüv Xoxaywv apiaroi, toont u de dapperste der
aanvoerders.
§ 104.
B. Gebruik der Modi in afhankelijke zinnen.
Aanm. 1. Zooals in N°. 205 reeds gezegd is, volgt na een 369
hoofdtijd in den hoofdzin gewoonlijk de Conjunctivus in den af-
haukelijken zin, na een historischen tijd de Optativus.
Als hoofdtijden worden alle vormen van het werkwoord be-
schouwd, die op den tegenwoordigen tjjd of de toekomst betrek-
king hebben.
de Indicativus Praesentis, Futuri en Perfecti,
de Optativus Potentialis,
de Conjunctivi en Imperativi van alle tijden.
Als historische tijden beschouwt men alle vormen, die op den
verleden tijd betrekking hebben.
de Indicativus Aoristi, Imperfecti en Plusquamperfecti,
het Praesens historicum,
de Potentialis van den verleden tijd.
2. Dikwijls wordt het subject uit den bijzin weggenomen en
als object in den hoofdzin overgeplaatst, bijv.: An. I. 6, 5.
lc,i\\fyu\\t toiq <pi\\oi$ n)v Kpiotv mq tyévsro (== wg ij tcpiaig tytvtro)
hij maakte zijn vrienden bekend, hoe het vonnis had plaats gehad.
Dit noemt men Prolepsis van het Subject.
17
-ocr page 272-
OBJECTS-ZINNEN.                     [N°. 370, 371.
258
I.
Objects-zinnen
370 zijn die, welke na verba sentiendi of declarandi volgen en,
voor zoover zij niet door den Infinitivus of het Participium wor-
den uitgedrukt, door de conjuncties "m, ó»c dat worden ingeleid.
Het verbum staat na een:
hoofdtijd in den Indicativus,
historischen tijd meestal in den Optativus,
minder in den Indicativus.
Negatie: ov.
Cyr. III. 3, 45. Müpog, tl tic; Z,ï\\v fiovXófitvoc; <j>tvyav iiri\\tipotii,
tlBtüQ , UTt fxiv VlKIOVTfC; <JW%,OVTal K. T. (. hij ZOU (llCddS zijtl
die, terwijl hij aan zijn leven gehecht is, zou trachten te vluchten,
daar hij toch weet, dat de overwinnaars buiten gevaar zijn
enz.
X. An. II. 1 , 3. tXtyov on Kwpoc /iiv Tt^vriKtv, \'Apieuoc Bt
irtfytvywc; iv rij} oraSny tin zij zeiden dat C. gesneuveld was,
doch dat A. naar die plaats gevlucht was
enz. Zie II. 2, 15.
IV. 5, 10. V. 8, 10.
; An. I. 6, 3. ypafyti (Pr. hist.) imvToXriv liri rjgot, hij schreef,
dat hij komen zou.
In deze zinnen kan ook de Irrealis met av of de Optativus
Potentialis
met av staan.
Dem. 830. tl ó irarrip i)iri<jTti rovroig, SïjXov on ovr" av TaXXa
tirtrptntv
oi/r\' av tovt t$paZ,t, indien mijn vader hen wantrouwde,
is het duidelijk dat hij hun noch het overige toevertrouwd, noch
dit zou gezegd hebben.
X. Heil. VI. 2, 9. ol KtpKvpalot èSmWkov
ü>g fxiya fxiv ayaSbv airofiaXXoitv av, de C. toonden aan, dat zij
een groot voordeel zouden verliezen.
An. II. 3, 19.
371          Aanm. 1. Daar de Optativus in den afhankelijken zin aan den Indicativus Prae-
sentis en Imperfeeti der directe rede beantwoordt, kan hij twee beteekenissen hebben,
bijv.: éXtyjv ört aSucoiriv, hij zeide dat ik onrecht doe (or. recta. ó5ireïc),
hij zeide dat ik onrecht deed (or. recta. fiSiiciic).
Daarom blijft het Imperfectum Indicativi wegens de duidelijkheid dikwijls onver-
anderd.
2. "On staat dikwijls voor een rechtslreeksche rede, waar wij aanhalingsteekens
gebruiken. An. II. 4, 16. IljxSiUvoc lïiriv \'in ai/róc n\'/u óv £ijr«ïf. P. zeide: „ik zelf
ten het dien gij zoekt."
-ocr page 273-
259
N°. 371, 372.]             REDENGEVENDE ZINNEN.
3. "On wordt na een langen tusschenzin soms herhaald. An. V. 6, 19. Cyr. VI.
4, 5. — Soms volgt na een tusschenzin in plaats van een tempus finitum een Infi-
nitivus of Participium. Heil. II. 2, 2. \')
•>J^ 4. Elliptische spreekwijzen , te verklaren door aanvulling van olirwc lari, zijn
I Oï\'iKot ört, uitgemaakt, zeker, tu olt\' ör« ik ben er van overtuigd, ongetwijfeld, ï<r$\'
ört geloof het, wees daarvan overtuigd. Cyr. V. 1 , 6.
II.
Redengevende {Causale) zinnen.
Op de conjuncties ört, wq omdat, dewijl, quod,
Sióri (= Sta tovto ört) daarom dat, omdat,
twti daar,
quum, iirttSq daar toch, quoniam,
ore quando, uttoti quando-quidcm
volgt na een hoofdtijd altijd de Indieativus (ook Totentialis en Irrealis)
na een hist. tijd de Indieativus (feitelijke, objectieve oorzaak)
of de Optativus (subjectief gedachte oorzaak).
Negatie oï>.
Cyr. VI. 4, 7. Ki\'jiw Sotcw w/iag xaptv fxpeiXuv ört /ie ovrt wg
Bovktfv r)^i(uat k. r. ï. ik meen dat wij Cyrus dank verschuldigd
zijn omdat hij mij niet als zijn slavin beschouwd heeft.
— An.
III. 2, 2. yakitra. \\x\\v ra irapóvra ÓttÓts avSpwv orparn-yöiv rotov-
twv o-repó/ue&a, onze toestand is hachelijk daar wij zulke aanvoer-
ders moeten missen.
III. 2, 9. AoKtt pot, iirtl olwvbg rov Aioq
l$avi\\, tvliaoSai
tij» Stq, wijl een gelukvoorspellende vogel van
Jupiter ons verschenen is, meen ik dat wij der godheid moeten
beloven
enz.
I Cyr. I. 3, 1. \'AoTVtryijc rov 7ratSa lëüv trre^vfitt ört r/Kovtv avrbv
koXov Kal ayaSbv üvai, Astgages verlangde het kind te zien, daar
hij vernomen had, dat het schoon en deugdzaam toas.
Zie ook
VIL 1, 6. An. II. 3, 19. IV. 1, 24. - An. I. 10, 16. oï\'KWtivi,;
idavfiaZov on ovBa/uov
Küpot; fyaivoiro, de Grieken stonden ver-
baasd omdat Cyrus zich nergens vertoonde
(quod non appareret).
Zie ook II. 1, 2. I. 8, 12.
Aanm. 1. Na de verba &au/ia?w ik verwonder mij, aiayjbvafuu, ik schaam mij
en anderen volgt meestal ti in plaats van ört. Cyr. IV. 5, 20.
\') Ook in de ed. Cobet. 1888. Doch zie N. L. p. 432.
17*
-ocr page 274-
260                                     vraagzinnen.                  [N°. 372—374.
2. Bij de dichters o\'vvita, bij Homerus o re. A. 244. \\uofitvoQ ii r« aptarov
\'Axanïv oiSiv triffac, verbitterd omdat gij den dappersten der Achëers geminacht hebt.
III.
Vraagzinnen.
373        I. De onafhankelijke rechtstreeksche vraag wordt evenals in
het latijn door een vragend voornaamwoord (N°. 180, 189), door
een vragend adverbium (N°. 307, 308) of bij gebrek aan dezen
door een der volgende partikels ingeleid:
a)    lat. -ne                  7) en upa
b)    lat. nonne              oü, ap" ov, ouicoüv nonne igitur.
fj yap en aAAo ri ï) niet waar ?
c)    lat. num                 /u/;, apa yu/j
toch niet?
rf) lat. utrum - an. ttórtpov (irórtpa) - ï\\
enkel - an.
                        enkel - %.
In de rechtstreeksche onafhankelijke vragen staan de Modi der
hoofdzinnen, volgens N°. 359—368.
Men antwoordt door dat woord der vraag te herhalen , waarop de nadruk valt,
door wendingen als •pinii ajo, Iotiv ovrioc of ov </>n/<< nego, door val ja , iravv fiiv
ovv, wavv a<póSpa zeer zeker, ov neen, obdafiüQ geenszins
enz. Zie Plato. Xenoph.
An. I. 6. Cyr. I. 3. III. 1.
Soms moet een vraag enkel uit den klemtoon blijken, bijv.: Dein. Fh. I. 11.
riS\'vijre *iXnrjroc; i\'s Philippus dood?
II. De afhankelijke zijdelingsche vraag wordt evenals de on-
afhankelijke door pronomina, adverbia ingeleid of door de vraag-
partikels :
tl of, num, si.
irórtpov - r|, tt - r} ) of - of
irórtpa • v
> £(" - «re ) utrum - an, sive, sive.
374         1 • In de afhankelijke vraag volgt op een:
hoofdtijd de Indicativus (ook de Potent, en Irrealis)
hist. tijd meestal de Optativus,
minder de Indicativus.
Negatie ov.
An. II. 1, 10. SavfiaZw irórtpa üig tcparwv fiaaiXtvg alrti ra
-ocr page 275-
N°. 374, 375.]                   vraagzinnen.
261
orr\\a ïi w$ Sla <j>i\\tav Eüpa .... Xtytrw ri ietrai to7q arpaTiuiTatg
ik moet met verwondering vragen of de koning de wapenen als
overwinnaar vordert, of wel ten teeken van vriendschap als ge-
schenken
.... hij zegge welk het lot onzer soldaten zijn zal.
I. 8, 16. Kat öf tSavpacre t!q irapayytXXn kal ïiptro o ti fiij ro
ovvSrifia en met verwondering vroeg hij, wie dat beveelt en hoe
het wachtwoord was. III. 1 , 7. "ZtoKparns yrtaro avrbv ört oi) tovto
irpünov iipióru irórtpov
Aijlov thi avnö iroptvta^ai ?\'} ptvtiv ciAA\'
tirvvSavtTÓ on-wc av naWtara iropivStlrt S. berispte hem omdat hij
niet eerst dit vroeg of het voor hem beter was op te trekken of
te blijven, maar vroeg hoe hij den tocht met het beste gevolg zou
ondernemen.
— Zie ook An. II. 1, 16. VIL 2, 25. — 6, 8.
Cyr. I. 6, 12 etc. IV. 1 , 5 enz.
Aanm. Bij tweeledige vragen wordt of niet vertaald door f) ov (lat. annon) zoo
zij rechtstreeksch zijn, en door 77 pt\\ (lat. necne) zoo zij zijdelingsch zijn. PI. Ap-
20. b. tTTi tii; >i oü ; beslaat zoo iemand of niet f 34. e. il /liv SnppaXéwc f\'vu» ï\\ia
jrpèl Savarov i) fit) of ik den dooi moedig te tjemoet ga of niet enz. Zie ook 30. e.
2. Alleen de Conjunctivus dubitativus kan in vragen zoowel 375
na een hoofdtijd als een hist. tijd voorkomen, ofschoon hij in
het laatste geval veelal in den Optativus overgaat.
Cyr. I. 4, 13. fiovXtvopai liirwt; at airoSpü, ik denk er over na
hoe ik u zal kunnen ontloopen.
An. III. 5 , 3. i)dv/in<rav ówóStv
ra iiriTtiStia Xa/jt(3avottv zij waren ontstemd
(omdat zij niet wisten)
vanwaar zij zich levensmiddelen zouden kunnen verschaffen (ovk
ix.op.tv «Wtótv Xap(3avu>ptv). Zie Cyr. VIII. 4, 16. An. I. 10, 5.
I. 7, 7.
De samenhang geeft natuurljjk te kennen of de Optativus in
plaats van een Indicativus of in plaats van den Conjunctivus du-
bitativus staat: uvk ti^o»» ti Xiyoipr ik wist niet tvat ik zeggen
moest
(-— ri Xiyto), wat ik zeide (= ri tXtyov).
Aanm. Homerus plaatst dikwijls « in de indirecte vragen, zelfs bij den Con-
junctivus, bijzonder in de elliptische uitdrukkingen al Kt rvxwfii, ai " wi^ijrai
(om te zien) of ik het zal hunnen verkrijgen, of ik hem zal overhalen, bijv. A. 420.
(Vragende handeling.)
Zoo staat in het Proza lav na de verba «Koiriiv, bpav enz. Zie ook N°. 393. Aanm.
-ocr page 276-
262                           GEVOLGAANDUIDENDE ZINNEN.        [N°. 376, 377.
IV.
Gevolgaanduidende zinnen.
1. Deze worden door wart of o»c zoodat ingeleid en staan bij
een feitelijk gevolg in den Indicativus, Neg. ov (ook Potent, en Irr.)
bij een enkel gedacht, mogelijk gevolg in den Infinit. (Neg. /xfj).
An. II. 2,17. oi oi Kpavyfiv iroXXi)v Iwoiovv tcaXovvreg aXXijXovg
wart Kvii\' rovg noXtfiiovg axoitiv\' {otjrt oi /xiv iyyvrara rütv
7roAt-
h\'kdv Keil ïfvyov. Zij maakten veel gedruisch door elkander toe
te roepen, zoodat
(het mogelijk was dat) ook de vijanden het
hoorden: zoodat
(inderdaad) de naastbijzijnde vijanden vluchtten.
Zie nog An. I. 4, 8. IV. 4, 11. IV. 5, 4. VIL 4, 3. -II.5, 15.
iftoi ravra ovtw ookü Sav/xaarbv ilvai wart Kat tjokxt\' av uKovrrttiui
k. r. \'t. dit komt mij zoo vreemd voor dat ik wel gaarne zou wil-
len vernemen,
enz. Zie ook V. 6, 20.
ïhue. V. 6, 3. Kare(j>a\'tv£TO wavra üvto&ev wort oiik av t\\a$ttv
uvróStv ópfiivfievoQ alles was van daaruit zichtbaar, zoodat de
vijand niet in H verborgen van uit zijn stelling zou hebben kunnen
optrekken.
Volgens N°. 357, 6. An. V. 9, 31. oi Stol ovrwg iv ro\'ig hpoïg
èffi\'j/utjvav Start na\\ ïSió)Ttiv av yvüvai, de goden gaven dit zoo
klaar in de offers te kennen, dat zelfs een gewoon mensch het
kon inzien
(= av yvotrj).
2. Regelmatig staat de Infinitivus:
a)     bij een bedoeld gevolg.
X. Cyr. I. 6, 39. opviSitg 8\' iirtiralStvvró ooi wort aol (itv ra
avufipovra virnptTtïv k. t. L en gij hadt de vogels zoo afgericht
dal zij u tot uw voordeel dienden
enz. Zie voorb. met wg. An.
I. 8, 10. Cyr. I. 2, 8.
b)     na een comparativus met t), of na een positivus (ook
adverbia en geheele zinnen) zonder r} waarin de beteekenis van
een comparativus ligt opgesloten.
X. Cyr. VI. 4, 17. oi Alyvirrioi rag aoiriBag fitiZ,ovg i\\ovaiv
ri wg iroiiiv n Kal ópav de Aeg. hebben te groote schilden om iets
-ocr page 277-
N°. 377, 378.] doelaanduidende zinnen.                           263
te doen en te zien. IV. 5, 15. dXiyoi lapiv u»c s-yicparfï\'e tlvai
avrCov wij zijn te gering in aantal om die te bemachtigen.
L\\ c) na de uitdrukkingen waarin de beteekenis van zoo ligt,
gelijk ovrw?, Totovroe, roaovroe; etc. (Lat. ut consecutivum). X.
An. II. 5, 15. Tig ovtwq san Sctvbg Xtyetv ware <re TTiïaai wie
zoo behendig het woord voert, dat hij u heeft kunnen overtuigen.
Zie ook Cyr. I. 1, 5. Ook kan een tempus finitum volgen. Cyr.
I. 4, 15. \'Ao-ruayn? ovrwg rjir^\'l S><rrt aft auvfCyft rtj" Kupcu. A.
was zoo voldaan dat bij altijd met C. uitging. Zie ook VIII. 1,4.
Na Totroüroe, rotoüroc volgen dikwijls in plaats van wort de
relativa ö^oc, o«»c met volgenden Infinitivus, die in geslacht,
getal en naamval met het demonstrativum overeenkomen. Zie,
N°. 194. \'S
° /ré
d) na wart in de beteekenis van op, onder voorwaarde dat,
waarvoor l<f t{>rt meer gebruikelijk is. Zie bl. 214.
X. An. V. 6, 26. ilSwg u viti(t\\vovvto Sicfti iKirXeïv wetend wat
zij beloofd hadden op voorwaarde dat zij wegzeilden.
Dem. Ph. II. 11. war\' avrovg viraicovitv fiaatXiï op voorwaarde
dat zij zich aan den koning onderwierpen.
Vergelijk An. II. 6, 6.
IV. 2, 19.
Aanm. 1. Ook hoofdzinnen kunnen door ünrt ingeleid worden. Ontstaan uit üq
en (= lat. itaque) beteekent het dan en zoo, derhalve, daarom, in welke betee-
kenis het een zin begint en geen invloed op den modus uitoefent. An. I. 7, 7. Hart oü
tovto Siiïotica en zoo, derhalve vrees ik niet.
II. 3, 25. wcrS\' ol "RWnvti; t$póvTtï,ov
daarom varen de Gr. in verlegenheid.
Cyr. I. 3, 18. <u<rre S&ppei wees derhalve gerust.
Vandaar een volgende Conjunctivus PI. Crit. 45. h. Hart juijrt airotanyq l««t der-
halve niet na.
2. Toaovrov Siu met volgenden Infinitivus gevolgd door üari met den Indica-
tivus is gelijk aan het latijnsche tantum abest ut - ut.
V.
Doelaanduidende zinnen.
1. Deze worden ingeleid door:
"va, wg, onbjc ut finale, opdat,
"va
ju/j, &>e ut, o7Twc nv of enkel ftf\\ ne, opdat niet,
met volgenden Conj. (Praes. of Aor.) na een hoofdtijd,
met volgenden Opt. (Praes. of Aor.) minder Conj. na een hist. tijd.
-ocr page 278-
264                                  D0ELAANDU1DENDE ZINNEN.           [N°. 378 — 380.
X. Cyr. VII. 5, 82. Qrifii \\pïivm imraSnvai fifiüg sic ay$paya-
Slav
ottwc tüiv ayaStüv anoXavaw/ttv, ik zeg dat wij onzen moed
moeten vermeerderen om van de goederen te genieten.
An. II. 6,21.
c>/Aoc Jjv tir&vfiöip fj.lv ap\\etv ottw<; TrXtiw Xatxfidvai, iTriSrvfuov êè
TifiaoStat
, \'iva 7rAt(\'a» Ktpoatvoi, (j>i\\og te ipovXiro slvai rotc fityiarov
BvvafJiivotG
, \'iva aSjKiöv fxfi SiSo/rj 8/k»jv , het icas duidelijk dat hij
verlangde te heerschen om.
• des te meer te verkrijgen, dat hij ver-
langde in aanzien te staan om des te meer winst te maken; en
hij wilde met de machtigsten bevriend zijn
, om tvanneer hij on-
recht pleegde aan de straf te ontkomen.
I. 6, 6. iraptKaXtaa vfiüq
otbjc ovv vfüv povKivófiivog !\') ti Sixaióv iari, tovto 7rpa£w ik
heb u hierbij geroepen om met u te beraadslagen en datgene te
doen wat recht is.
III. 1 , 47. «cal avtoTrj d>g fxfj /iiWoiro a\\Xa
Trepa\'ivotTo ra SiovTa en hij stond op opdat men niet zou dralen
maar het noodzakelijke uitvoeren.
Cyr. I. 4, 25. KSpoc ÏXeytv,
oti aTrdvai (BovXoito
, /ui) ó irart\'ip ti a\\poiro k. t. é. C. zeide te
willen heengaan
, opdat zijn vader soms niet ontevreden zou zijn.
Cyr. I. 4, 7. <p{>Xaicae avfnriinrti (Phr. hist.) oirwg <pvXa.TTOitv avróv,
hij zond tvachters mede om hem te bewaken.
Heil. II. 1, 2.
379           Aanm. 1) Na den Optativus Potentialis met av en den wenschenden Optativus
zonder av heeft er dikwijls in de finale zinnen assimilatie der modi plaats. X. An.
III. 1, 18. oA* av liri irav ixSoi, <«c waai (pójiov Trapaaxoi; zon hij dan niet al
het mogelijke doen om allen vrees in te boezemen.
., —^-2) Op \'iva (<ie, Üirwc) volgt alleen dan de Indicativus van een hist. tijd (zonder
av), wanneer men wil uitdrukken met welk doel iets, wat niet geschied is, had
moeten geschieden (modus Irrealis). Zie Cob. V. L. p. 102, 359.
Dem. Phil. I. 27. o\'u yup ÏXP1V Tap\' iuüv apxovrac, oimiuvs ilvai, tv\' yv (ij
dXjjSaic rijf wóXtwc »/ iivauiq ; moest gij niet uiv eigen veldheercn hebhen (doch gij
hebt ze niet) opdat de macht inderdaad den slaat zon toebehoor en. X. An. VII. 0, 23.
3) Somtijds komt bij «e of \'óttojc de particula av. Cyr. VII. 5, 70. Heil. VII. 1, 33.
~~-"^( Als Conjunctie in de betcekenis van opdat kan \'iva nooit met av verbonden wor-
den, doch wel in zijn betcekenis van waar, zoodat ïv\' Av altijd beteekent ubicumque
waar oo/c. Men verwissele dit av echter niet metiv = tav, bijv. X. An. VI. 5, 9.
ïv\' av wou Sfy opdat, indien het soms mocht noodig zijn.
380         2. Na de werkwoorden van zorgen, toezien, zich beijveren
volgt op o7rwc (otto)q fit\')) of bjQ (wg ju»)) het Futurum Indicativi
of de Aoristus II Conjunctivi \').
X. An. III. 1 , 18. a\\X ottoiq toi /ir) Ijt\' iicttvq ysvtiaófi&a
\') Entwickelungs-geschichte der Absiehtssatze von Dr. Philipp Weber. II. bl.
120. — Cob. N. L. p. 365.
-ocr page 279-
N°. 380—382].          DOEIiAANDUinKNDE ZINNEN.                                  265
wavra iroiijTtov maar tvij moeten toch alle middelen aanwenden
opdat wij niet in zijne macht komen. An. III. 1 , 35. iravra iroir)r(a
we fu\'inoTi im ro7? /3o()j3ój>o<e yivwu&a. Zie ook IV. 6 , 10.
~<4J Aa.vm. 1) In deze constructie is óVwc opdat nauw verwant met het indirect
vragend relativum iiirwc op welke wijze, hoe, zoodat niet zelden éénzelfde zin op beide
wijzen kan vertaald worden. Bijv. An. I. 3, 11. atnrriov pat Soicfï \'óiriot; wc an<pa-
\\inrara pevov/tiv mij dunkt dat wij moeten lotzien opdat uij zoo veilig mogelijk zullen
verwijlen
, of, op welke wijze wij zoo veilig mogelijk zullen verwijlen.
2)    Dikwijls begint bij vermaningen en aansporingen een zin met de conjunctie
öirwc opdat en het Futurum Indicativi zonder dal een hoofdzin voorafgaat. In dit geval
kan men sjri/«\\eiT3{ zorgt of een dergelijk verbum als hoofdzin aanvullen , of men
kan iirrwc met het Futurum door een Imperativus vertalen. Bijv. An. I. 7, 3. öttwc
oiiv fireir-Jf aviftf «Sioi ri/c l\\tvSlpi«t i/c tUrnn-St, zorgt derhalve, dat gij « toont
mannen der vrijheid waardig, die gij bezit,
of toont ii derhalve etc. Zie Cyr. I. 3,
18. III. 3, 42. V. 2, 21.
3)    Na fili, opa pi] volgt ook soms de Indic. Zie Cyr. III. 1, 27. IV. 1, 18.
3. £Ja de verba en uitdrukkingen van vreezen of bezorgd zijn
wordt het Nederlandsche
dat door ui) = lat. ne,
dat niet door uv ov = lat. ne non (ut)
vertaald, terwijl het volgende werkwoord dan staat
na een hoofdtijd in den Gonjunctivus,
na een hist. tijd gewoonlijk in den Opt., minder in den Conj.
X. An. I. 3, 10. ovk tJt\'Aw t\\$th> StS
tiriSij ik ivil niet gaan wijl ik vrees dat hij mij gevangen neemt
en straft. III. 1, 12. i(j>ojiiÏTo fxrj ob êvvatro Ik rijf Y/^poc i
hij vreesde dat hij niet uit het land zou ontkomen. Thuc. III. 113, 6
ïSttoav /ui) o\'t \'ASrjvaïoi \\a\\tTrwTtpoi aepiai irapoiKOi S>aiv zij vrees-
den dat de Ath. hun nog lastiger naburen zouden zijn. Zie An.
III. 2, 25. I. 7, 7. VIL 1, 2.
/Aanm. 1) Soms volgt de Indicativiis of iln, wc met Indic. na de verba timendi
wanneer men wil aangeven , dat hetgeen gevreesd wordt reeds gebeurd is of zeker ge-
beuren zal.
PI. Lysis. 218. d. tpnftoüitai pi) \\f/iiSntiv h<TtTv\\ijKnpiv ik vrees (= ik
bespeur) dat wij tot ralsche begrippen gekomen zijn. Cyr. III. 1, 1. hpo/itlro \'óri Ó0^ij-
nioSai iptWf hij vreesde wijl hij zou gezien worden. V. 2, 12. pij Qofiov <Jc dirnpi/ffeic
vrees tiiet dut gij niet zult vinden. VI. 2, 30. pi) i^iirijre (ij ov\\ iiiitov, Ka$(iio7/<rtrt
vreest niet, dat gij niet aangenaam slapen zuil.
In de beteekenis aarzelen, schromen volgt enkel Infinit. gelijk in het latijn. Cyr.
VIII. 2, 12.
2) Het verbum timendi wordt dikwijls weggelaten, vooral wanneer deze spreek-
wijze gebezigd wordt om een gevoelen op bescheidene wijze uit te spreken, waar wij
-ocr page 280-
266
TIJDBEPALENDE ZINNEN.             [N°. 382—384.
pil door misschien, mij dunkt, pi] av door misschien niet kunnen vertalen. PI. Crit.
48. c. t\'ililv tè ftrj oi>&"tv iiWo n-Kiirriov y wij moeten misschien {dunkt mij) op niets
anders letten, fifi
<lc aXrj^w; ravra atéft/iara y mij dunkt, dat dit in waarheid slechts
opvattingen zijn.
Deze constructie is niet te verwarren met ov pi) en volgenden Conj. of Fut. N". 365.
VI.
Tijdbepalende zinnen.
383        1. De tijdbepalende zinnen worden ingeleid door:
ort, óirórt, ijvi\'kci, wg: toen, cuDi temp. (eo tempore cum).
lirti, €7TEtS?i: toen, nadat, cum narrativum.
lirti (tirtiS//) irpürov (ra\\(ffTa): zoodra, ubi.
a^\' ov, o\\>: sinds, ex quo; iv $ terwijl, dura.
2ai<;, tart, /iêxpt(ov): zoolang totdat, dum, quoad.
irpiv. alvorens, vooraleer, voordat, priusquam.
2. In tijdbepalende zinnen, die een feit beweren, staat de
Indicativus. Negatie ov.
X. An. II. 6, 2.
Toi>c \'ASnjvaioi/c irapt/itvsv KXtap\\ot;, tTrsiSti Si tiprivrj fyévsro
tZ&rXit, zoolang er oorlog tusschen de Lacedemoniërs en Atheners
gevoerd werd bleef Cl. aldaar, doch nadat vrede gesloten was
zeilde hij weg.
Zie ook I, 1, 1. I. 8, 8. III. 1, 33. II. 2, 15.
I. 7, 6. I. 3, 11. II. 3, 25.
384        3. Wordt echter geen feit aangegeven, doch alleen aangeduid
wat voor het oogenblik enkel gedacht in de toekomst tot werke-
lijkheid kan of zal overgaan
(vergel. N°. 389) dan staat:
na een hoofdtijd altijd de Conj. met av. Neg. //?\'/.
na een hist. tijd gewoonlijk de Opt. zonder av. Neg. fxi\\.
De partikel av wordt met de Conjunctie verbonden , en wel. zoo mogelijk tot een
woord orav, hirórav, iiri/v, liruSav \'). Zie N°. 35fi, 3.
X. An VI. 6, 26. orav tya> kiXivow , irapiart irpbg rrjv Kpioiv
komt het vonnis bijwonen wanneer ik het u zal bevolen hébben.
Cyr. VII. 1, 9. VIII. 7, 6. vftag Si XP*?\' orav TtXtvTi\'iaw, (I15
\') \'Eirav für inub\'av begegnet erst seit 265 v. Ch. (19). Die Ionische Form
iiri\\v ist den attischen Prozainschriften völlig fremd (20). ïiei\\v is jonisch. (nota 1692)
bl. 210. Meisterhans. Gramm. der Alt. Inschr.2,
-ocr page 281-
N°. 384, 385.]           tijdbepalende zinnen.                             267
wtp) tvSalfiovog iftoïi nol Xtyuv Kat iroiiiv iravra, doch, wanneer
ik zal gestorven zijn moet gij van mij als van een zalige spreken
en aldus onder alle opzichten handelen.
Zie ook 8, 25, 26 etc.
III. 2, 7. XaXcaïoi fiioSov arpaTivovrai, óirórav tiq avrüiv ctt)~ai,
de Chaldaeërs dienen voor loon, icanneer iemand hen mocht noo-
dig hebhen.
An. III. 5, 18. irapiiyytiXav, itreiiïrj Btnrvi\'iouav,
avanavtaSai aai tTrerrSat tivik av rig TrapayyiXXy, zij kondigden
af dat zij, ivanneer zij zouden gegeten hebben, zich konden uit-
rusten doch volgen moesten, wanneer men het teeken daarvoor zou
geven.
Zie Heil. III. 2, 20.
De Optativus geeft dikwijls aan, dat eene handeling herhaal-
delijk
plaats had (N°. 389—390).
X. An. I. 3. 1. ahrov ïfiaXXov Kal ra viroZvyia tirit ap^atvro
wpoiévat, zij wierpen hem en zijn lastdieren telkens wanneer zij
wilden vooruit trekken.
VI. 6, 27. óirórt i? arparia. è&\'ot zoo dik-
wijls het geheele leger uittrok.
IV. 1 , 17. Xupi<ro(j>og aXXore fiiv
ort napiyyvyro virifxtvi Chirisophus hield anders altijd halt zoo
dikwijls hij hem dit vroeg.
Aaxm. 1) Aldus beteekent:
^
iirii vplaro toen hij begon (feitelijk).
èiritSav apxiTai   wanneer hij zal beginnen          ! ,         ....   . ,
, ., .5                        ... , .               .. I (mogelijk  in de
tmtoav npEnrai   wanneer hit zal begonnen zijn } v ° \'      .
, ... .*, . \\
toekomst.)
, , . „        I   wanneer hij mocht beginnen )                     \'
lirn aplairo {                   \'         ....           «in !•«.»
t   telkens wanneer hij begon (herhaaldelijk).
2) De Conjunctie wc met av en volgenden Conj. heeft nooit tijdbepalende betee-
kenis, doch beteekent hoe ook utcunque, of opdat. N°. 379. 3.
4. Op de partikel vplv (irpóa&tv .. irpiv prius . . quam) voordat 385
volgt:
a)  na een bevestigenden hoofdzin geregeld de Infinitivus (N°. 402).
X. An. I. 4, 16. Bdfi^aav irplv rovg aXXovg anOKpivaaSai zij
waren overgetrokken voordat de anderen geantwoord hadden. I. 4.
13, 10, 19. IV. 1, 7. Cyr. V. 2, 9.
b)  na een ontkennenden hoofdzin de Indicativus, de Conj. met
av of de Opt. zonder av volgens 2. en 3.
X. An I. 2, 26. Sulvvsate ovk ijSeXe Kupcfi üg Xe\'PaC üvai
-ocr page 282-
268                           VOORWAARDELIJKE ZINNEN.        [N°. 385—387.
7rpii< r\\ yvvi) avrbv tTreiai koI Triaretg ÏXafie, Syennesis wilde zich
niet in Cyrus macht stellen, alvorens zijn echtgenoote hem had
overgehaald en hij borgstelling ontvangen had.
III. 1, 16. 2, 29.
Cyr. VII 1, 17.
Seaay val niet aan voordat gij genen ziet vluchten. V. 7, 12. —
Cyr. I. 4, 14. \'Aorrixryije antfyópeve /uijoéVa (SaWeiv npiv Küpog
t/nr\\ri<T§eiri Sripióv Ast. verbood, dat iemand naar de wilde dieren
wierp alvorens Cyrus voldaan was.
VII. 7, 57. Heil. VI, 5, 19.
Aanm. 1) Zelden volgt na een bevestigenden hoofdzin irpfr met den Indicativua
in de beteekenis totdat. An. II. 5, 33 of na een ontkennenden hoofdzin vpiv met
den Infinilivus. An. IV. 5, 30.
2) In de oratio obliqua kan na een hoofdtijd de Opt. zonder av volgen in plaats
van den Conjunct.
An. I. 2, 2. viroit^óutvnQ ui) TrpófT&fV iravtrm^ai irpiv aörovQ KtiTnyaynt oiKaftt.
Oratio recta: jrpóiT&éi/ iraiiofiai vp\'tv av vuai; icarayayio nïtiiJs terwijl hij
beloofde niet eerder te zullen ruften vooraleer hij hen in hun vaderstad teruggevoerd had.
Zie ook VII. 7, 57.
De Conj. met av kan echter ook blijven:
An. I. 1, 10. Surai aüroü uq wpóa^tv KaraXvrtai irpiv av aiiroj 0vpfiav\\tv*ii)Tai
kon ook zijn wp\'iv <rnuf$av\\ivaaiTo, Or. recta, ui) riirnXuirpc wpiv av hij verlangt
van hem dat hij zich niet verzoene, vooraleer hij met hem zal overlegd hebben.
Zoo ook
I. 4, 13. viriirxfT0 iiïxruv iirr)v e/c Bn/3uA<3i>a ijieiiiiri hij belooft te zullen geven wan-
neer zij te Babyion gekomen zijn,
kon ook zijn Ivii tjicoiti\', Or. recta. Stiirui iirijv
ï]KOJfltV.
VII.
Voorwaardelijke zinnen.
1) De voorwaardelijke zin wordt ingeleid door de Conjunctie
ü of tav {= tl av, ook av, yv *)) indien, en heeft tot negatie /u»j.
De hoofdzin heeft altijd de negatie ov. (Zie echter N°. 392.)
2. Men onderscheidt de volgende gevallen :
I" Geval. Realis. Wanneer de voorwaarde vervuld wordt
zal datgene wat in den hoofdzin wordt uitgedrukt zeker geschieden.
Er wordt echter niet op gelet of de voorwaarde vervuld wordt
of niet. In dit geval staat in den
\') Nur sechsmal findet sich vom V—III Jahrh. v. Ch. av = Uv. Giinzlich
fremd ist den Attischen Inschriften die Form yv, die bekanntlich in der jonisierenden
litterarischen I\'rosa des V Jahrh. (Thukydides, vgl. die Tragiker) vielfach überliefert
und ediert ist. Meisterhans. Gramm. der Att. Inschr.\' bl. 213. 38.
-ocr page 283-
269
N°. 387, 388.] voorwaardelijke zinnen.
Voorw. ziu.                                       Hoofdzin.
tl met den Indic. aller Tempora. Indic aller Tempora.
tl fioiXei, si vis.
             «at Svvaaai, etiam potes.
X. An. IV. 7, 3. el /u) Xriipó/ueSa rb \\wptOV ovk eari ra iTrirtiêeta.
indien wij de plaats niet veroveren, hebben wij geen levensmiddelen.
IIe Geval. Irrealis. De voorwaarde wordt niet vervuld, 388
beantwoordt niet aan de werkelijkheid, en de gevolgtrekking van
den hoofdzin derhalve ook niet. Dan staat in den:
Voorw. zin.                                      Hoofdzin.
tl met den Indic. der hist. tijden. Indic. der hist. tijden met av.
voor den tegenw. tijd het Imperf. Imperfectum met av.
voor den verleden tijd Indic. Aor. Indic. Aor. of Plusqpf. met av.
of Plusqp.
a)  Tegenwoordige tijd: el IfiovXov                 Kal tiïvvw av
si velles.                               etiam posses (sed non vis).
indien gij (nu) ivildet,            zoudt gij (nu) ook kunnen.
(doch, gij wilt (nu) niet                        en daarom kunt gij (nu) ook niet).
X. An. V. 1, 10. tl fjitv rjirtarafit^a aa<püig Ijti »\')£« 7rAota aywv,
ovètv av tSet (<Lv /xéXXa)) Xtyeiv.
indien wij zeker wisten dat hij met schepen kwam, behoefde ik
niets te zeggen.
(doch, wij weten het niet zeker en daarom zal ik iets zeggen).
PI. Ap. 17. c. el rij» ovn fiévoe trvyxavov &v ^vveyiyvwaKtTt Si\'ittov
av fiot.
indien ik inderdaad vreemdeling was zoudt gij het mij zeker toestaan.
(doch, ik ben geen vreemdeling en daarom is het niet zeker of gij het toestaat).
b)   Verleden tijd: el èfiovXifitjQ                 Kal iSwifins av
si voluisses.                                    etiam potuisses.
indien gij gewild hadt                 zoudt gij ook gekund hebben.
(doch, gij hebt niet gewild en daarom hebt gij ook niet gekund).
X. An. VI. 6, 15. il fxr) tKtXevaa               ovk av eiroir\\oev.
indien ik het niet bevolen had, zou hij het niet gedaan hebben.
(doch, ik heb het wel bevolen en daarom ook heeft hij het gedaan).
PI. Ap. 31. d. tl tyw TTctXai tirexeipriaa nparreiv ra iroXtriKa, TaXai
av
airoXwArj.
-ocr page 284-
VOORWAARDELIJKE ZINNEN.          [N°. 388, 389.
270
indien ik mij voorheen met staatszaken had bezig gehouden, zou
ik reeds lang omgebracht zijn.
(doch, ik heb er mij niet mee bezig gehouden en daarom ben ik niet omgebracht).
c) Gemengd.
X. An. VI. 6, 24. el av ifyse                   ovSiv av Iwoiriaa
indien gij hem hadt weggevoerd, zou ik niets gedaan hebben.
X. Cyr. "VII. 1, 16. el /xi) e\\a\\ov
              al<ryyvófir\\v av.
indien mij (deze plaats) niet door het lot aangewezen was, zou ik
mij schamen.
Aanm. Somtijds staat het Imperfectum in plaats van den Aor. om den duur der
verleden handeling aan te geven of omgekeerd de Aor. voor het Imperf. om het
spoedig intreden der handeling aan te geven, terwijl het Imperf. en de Aor. beide
in plaats van het Plusqpf. kunnen staan, volgens N°. 351. Zie voorb. onder e. PI.
Crito. 62. b. il jur/ aoi fipiütiv ii ttóXic ov yap av lirtSi)iJiei£ indien hij u niet bt-
vallen had zoudt gij niet in den staat gebleven zijn.
PI. Euthyd. 283. e. il \\i>) aypm-
KÓrtpov ijv fiwtïv, tlwov av tioi lif rijv KffaXr/v o Ti iraSrwv
(juaSwv?) ijtfoS tui rüv
aXktav Kara^iuSu toiovto irpayua indien hel niet te plat was zou ik u rondweg zeg-
gen, wat is
« overkomen dat gij mij en de anderen valsehelijk van zoo iets beticht.
389             IIP Geval. Futuralis. Do vervulling der voorwaarde hangt
of 1°. nog van de toekomst af: doch wanneer de voorwaarde
in de toekomst zal vervuld worden , dan zal de gevolgtrekking van
den hoofdzin ook zeker volgen,
of 2°. hing in het verleden van de toekomst af: en zoo dikwijls
de voorwaarde in het verleden vervuld werd volgde ook telkens
de gevolgtrekking
van den hoofdzin.
I. De vervulling der voorw. kan in de toekomst verwacht
worden
of voor een enkel maal en dan is tav = indien, of herhaaldelijk
en dan is tav = telkens wanneer, zoo dikwijls als.
Voorw. zin.                                  Hoofdzin.
Conj. Praes. of Aor.             Indicat. Puturi of Imperat.
tav
si quis volet, voluerit                      etiam poterit,          £bcU\'*,(~vrv •
zal hij ook kunnen,
zoo dikwijls ) (hebben gewild)
Gewoonlijk is Conj. Praes. = Futurum, Conj. Aor. = Futurum Exactum. N°. 354.
-ocr page 285-
N°. 389—391.]         VOORWAARDELIJKE ZINNEN.                              271
An. V. 1, 10. t)v fxiv yap Xei»((toc/)oc t\\&y TrXoïa ayu>v irXevaófi&a
fjv firj uy>)                         rniq Iv&aSe XPWÓ/ji&a
indien Ch. met schepen zal gekomen zijn, zullen wij wegvaren,
indien hij er geen zal aanvoeren, zullen wij die van hier gebruiken.
An. IV. 5, 8. tav ti <t>aytoaiv                     avaarfiaovrai
telkens wanneer zij iets zullen gegeten hebben, zullen zij opstaan.
All. VI. 6, 24. tav ifit vvv airoKTtivyc vó/xt^t avSpa ayaSbv airoie
Tt\'lVtOV (VI. 6, 26).
bedenk dat, indien gij mij nu zult dooden, gij een dapper man
ombrengt.
Zie nog An. II. 3, 23. III. 1, 36. Cyr. VII. I, 9—18. — In den hoofdzin kan
ook de Onomische Aoristus staan, die als hoofdtijd beschouwd wordt, daar hij in de
plaats van het Praesens staat. Zie X". 350.
II. Voorwaarde en gevolgtrekking zijn in het verleden her-
haaldelijk
voorgekomen: dan staat in den
Voorw. zin.                                   Hoofdzin.
tl met Opt. Praes. of Aor.        Indic. hist. tijd, vooral Imperf.
tl (BoiXoiO (j3oi»XlJ&6(IJc)                                              tSvVh)
ubi volebas (volueras)                           poteras.
telkens wanneer gij wildet {gewild hadt) kondet gij.
An. I. 9, 19. ei St rtva óo<i>»j êeivbv ovra oiKOvófiov irXiiia
npoatBiêov
telkens wanneer hij zag dat iemand een goed bestuurder was ver-
trouivde hij hem nog meer toe.
An. IV. 1, 14. ti ti tvplaKOtev tÜiv tipti/itvuw firj cupcifjitvov a(j>y
poïivro telkens wanneer zij bevonden dat in strijd met de gegeven
bevelen iets niet afgeworpen was namen zij het af.
Cyr. I. 3, 3.
t"i iroi hZtXavvoi \'A.arvayi)g ttf \'irnruv \\pvao\\a\\ivov irtpir\\ytv tov
Kvpov, telkens wanneer Astyages uitreed voerde hij Cyrus met
zich rond op een paard met gouden teugels.
\\S         IVe Geval. Potentialis. Zoowel de voorwaarde als de
gevolgtrekking worden zonder op hun verwezenlijking te letten
enkel als gedachten
van den spreker weergegeven.
-ocr page 286-
272                             VOORWAARDELIJKE ZINNEN.                    [S°. 391
Voorw. zin.                                     Hoofdzin.
tl met Opt.                                     Opt. met ai».
ü fioiXoto si velis                 Km Svvaio av etiam possis.
wanneer gij (misschien) wildet zoudt gij (misschien) ook kunnen.
An. V. 1, 11. tl oiïv nXoïa Kurayoi/itv, ïawg av ovk cnropiioat/jitv
Ko/t(8F)e. indien wij derhalve vaartidgen kaapten, zouden wij ntis-
schien niet om transportmiddelen in verlegenheid zijn.
IL 5, 14.
tl fiiv j3ouAotó Ttf) (piXog tlval, wg /liyiarog av teijc j tl Tig at
Xviroit}, ójq §E(X7rórj|£ av avaarpêfoio. indien gij iemands vriend
wildet zijn, zoudt gij voor hem van zeer groote waarde zijn,
indien echter iemand u beleedigde, zoudt gij als zijn gebieder kunnen
optreden.
An. II. 3, 23. tl rtg 17/iöc /u») \\virolr\\, iroptvol/ut^a 8\' av
oÏKadt indien niemand ons aanvalt, willen wij naar ons land te-
rugkeeren.
_ Aanm. 1. Verschil tusschen het l"te, 3lle en 4\'k\' geval. In het eerste geval werd
niet op de verwezenlijking der voorwaarde gelet, doch de gevolgtrekking was zeker,
zoo de voorwaarde misschien ooit vervuld werd. In het derde geval verwachtte men
(in den tegenwoordigen of verleden tijd) de verwezenlijking der voorwaarde als
wanneer de gevolgtrekking ook zeker zou volgen. In het vierde geval wordt noch
op de verwezenlijking der voorwaarde gelet, noch wordt beweerd dat bij vervulling
der voorwaarde de gevolgtrekking van den hoofdzin waarheid zal worden, vandaar
het dikwijls bijgevoegde ï<rwe, zie het eerste voorb. boven.
Algemeen Overzicht.
Voorw. zin. Neg. ui).
                                   Hoofdzin. Neg. aii.
I. Realis. u met Indic. aller Tempora.                           Indic. aller tempora.
il fi..t\'i\\n si vis.                                      Kut dvvairai etiam potes.
II.   Irrealis. 11 met Ind. der Hist. tijden.                 Indic. der hist. tijden met ai».
a)   tegenw. tijd. Imperfectum.                                Imperfectum met ai».
!(ïoii\\ov si volles.                                  tui iSivw av etiam posses.
indien gij (nu) wildet                                      zoudt gij ook kunnen.
(doch: gij wilt (nu) niet en daarom kunt gij ook niet).
b)   vcrl. tijd. Aor. (of Plusqpf.).                        Aor. (of Plusqpf.) met av.
ei !/3ouXf;$7)c si voluisses.                      Kal ISvvriStic av etiam potuisses.
indien gij gewild hadt                             zoudt g\\j ook gekund hebben.
(doch: gij hebt niet gewild en  daarom ook hebt gij niet gekund).
III.    Futuralis.
o) tegenw. tijd. tav m. Conj. Praes. of Aor.             Indic. Futuri of Imper.
iav jiotiXy (J}ov\\ti$y) si quis volet (voluerit).           gal ivviiau, etiam poterit.
indien \\
dikwiils al 1 *"*• m^ u\'iMm {gewild hebben)                zal hij ook kunnen.
b) verl. tijd. ü m. Opt. Praes. of Aor. Indic. van hist. tijden (lniperf.).
«\' fiov\\oio (j3oi»\\j)i&£t>jc) ubi volebas (volueras).
                   èSivu poteras
telkens wanneer gij wildet (gewild hadt)                           kondel gij.
-ocr page 287-
273
N°. 391—394.]                  RELATIEVE ZINNEN.
IV. Potentialis. ti met Opt.                                                   Opt. met av.
ei /3ouAoio ei velis.                                «rai iïóvaio av etiam possis.
\\                    indien gij (misschien) wildet                     zoude gij (misschien) ook kunnen.
-A\\ 3. Bij ieder geval is de gewone regelmatige constructie van den hoofdzin aan- 392
gegeven. Dit neemt echter niet weg, dat hij ook andere constructies kan aannemen
naar gelang van hetgeen men wil uitdrukken, zoodal de hoofdzin aan geen vaste eou-
ttructie gebonden is, behalve in het tweede geval
van den Irrealis, waar hoofdzin en
voorwaardelijke zin elkander wederzijds bepalen.
Zoo staat voornamelijk bij den Eealis en Futuralis dikwijls in den hoofdzin de Opt.
Potentialis om zijn meening op meer bescheiden wijze voor te stellen. (Zie N°. 366, 2.)
An. V. 1, 9. iav leara ukpoc. Qv\\aTTiopuv, t/ttov av Siivatvro iiuag Snpav
noXiuiot, wanneer wij afwisselend de wacht houden, zullen o>is de vijanden wel minder
lastig kunnen val/en. Zie ook V. 6, 7. II. 4, 19.
4.    In de Oratio obliqua kan staan na een hist. tijd in plaats van
e.\' met den Indic. van een hoofdtijd ) (. ^ den ()pt zonder &v
of lav met den Conjunctivus.
                  >
An. VI. 6, 25. eïirer öri Ai$nrwov oi>K ivaivoin, ti ravrn Trtwotntw\': iïn, hij
zeide dat hij Dex. niet prees, indien hij dat gedaan had.
(Or. recta. ninc fTraivü, li
Tavra irnroiiiKfv.)
II. 1, 14. aWoi\'f ityaauv
\\iyvv uiQ finaiXu av iróWou üEioi
ykvoivro, ei f3ov\\otro ipi\\OQ ytvérrSai, nien verhaalde dut altderen zeiden, dat zij voor
den koning van groote waarde zouden zijn, zno hij hun wilde bevriend worden.
(Or.
recta, ei\' /3oi/\\irai, of lav |3oi/\\i)rai). II. 1, 20.
5.    Overeenkomstig de regels van het derde geval moet men ook de constructies
der tijdbepalende (N". 384, 385) en relatieve (Nu. 395) zinnen verklaren met
örav, é\'wc av, trpiv av - öc av, ottioq av, y av en volgenden Conj. na hoofdtijden
\'órt, ii»Q , trpiv -\'Ó£ , öiriuc , y en volgenden Opt. na hist. tijden.
Vy\\ 6. Concessieve zinnen met ei Kai, èav Kai indien ook, of cai ei, Kat iav (tav) 393
ook indien, zelfs indien, toegegeven dat (neg. ft/j) volgen ook de regels der voorwaar-
delijke zinnen. Cyr. III. 3, 69.
-^\\ Kai of Kaivip met het Participium (neg. oii) worden vertaald door een zin met
„ofschoon".
7. Men lette nog op de volgende spreekwijzen:
o) ti ui) na een ontkenning (nisi) behalve, ti ui) ei behalve wanneer,
b) fiirip met Ind.: si quidem, zoo ten minste, zoowaar, indien werkelijk.
e) li ut) apa met Ind., ironisch, indien niet misschien (nisi forte, nisi vero).
d)   li yap of eïSe = utinam, och of! Soph. 0. R. 80.
e)   li ih ut) anders, in het tegenovergestelde geval, X. An. VII. 1, 8.
/) iaa-ttip av ti, zie N°. 357 Aanm.
Aanm. Men verwarre verder de conjunctie ti indien, niet met de vraagpartikel
ti of, welke na verba van onderzoeken ook dikwijls av wordt. PI. Ap. 23. b. N°.
373, 375 Aanm.
Ei\' = \'óri omdat, dat N°. 372 Aanm. 1.
VIII.
Relatieve zinnen.
1. Relatieve zinnen worden ingeleid door de pronomina rela- 394
tiva
5C (N°. 175), üartg (N°. 185), de correlativa (N°. 189) en
de adverbia correlativa (N°. 308).
18
-ocr page 288-
274                                 RELATIEVE ZINNEN.               [N°. 394, 395.
2.     Relatieve zinnen, welke tot verklaring of nadere bepaling
dienen van een enkel begrip dat in den hoofdzin voorkomt wor-
den als zelfstandige zinnen geconstrueerd. (N°. 359—368).
Iö oï»K tyêviTo die niet plaats had.
o oii ytvt\'iatTat die niet zal plaats hebben.
o ovk av yêvono die zeker niet zal plaats
hebben,
o
oïik av tyivtro die niet heeft kunnen
plaats hebben,
o firj yivoiro die nooit moge plaats hebben.
5 «v iytvtTo die wel eens plaats had.
o /utprort iroiCofxtv die wij toch nooit moe-
ten doen.
o
/ui) TToiÜTi (irmi\'iatiTi) die gij niet. doen moet.
3.     In de redengevende en gevolgaanduidende (Neg. oï>) zoowel
als in doelaangevendc (Neg. /u»i) relatieve zinnen staat (in \'t al-
gemeen) de Indicativus, en in doelaanduidende altijd in gevolg-
aanduidende meestal het Futurum Indicativi.
PI. Phaedo. 58. e. tviïaifiwv fioi avfip t<paivtTo u>g on ovtwq)
aStaJc IreXevTa de man scheen mij gelukkig te zijn, daar hij zon-
der de minste vrees stierf.
Zie ook 89. a. Crito. 43. b.
(Doch Ibid. 117. e. anêK\\aiov tfiavrov o\'iov (= on toiovtov) avSpog
haipov iartptifiévoi tït)v ik beklaagde mij zelven dat ik van zulk
een man en vriend zou beroofd zijn.)
X. An. II. 5,12. Tig ovtw fiaivtrai öang ov aoi f5ov\\sTat <pi\\og
ilvat wie is zoo dwaas dat hij niet met u bevriend wil zijn.
VI.
3, 16. tKiï oïire TrXota ianv olg cnroirXivaó/iit^a daar zijn geen
schepen om iveg te zeilen.
Zie III. 1, 20. V. 4, 10. VI. 5, 20.
An. II. 3, 6. ïXtyov lin ffKOUV riyt/iovag ïxpvTi-g avrovg
aZovot ïvStv t^ovat ra ivm\'iSeta zij zeiden dat zij met gidsen ge-
komen waren die (opdat deze) hen daarheen zouden voeren waar
zij levensmiddelen zouden kunnen opdoen. 7Ae
Heil. II. 3, 2. An.
IV. 7, 27.
395 4. Relatieve zinnen, die in de plaats van een voorwaardelij-
-ocr page 289-
N°. 395, 396.]               relatieve zinnen.
275
ken zin staan, hebben de constructie van den voorwaardelijken
zin waaraan zij beantwoorden. Neg. ju»\'/.
0£, OOTtC = tl Tig                 O? (IV, 00T(£ dl> = tav Tig.
a)     Realis. (387). An. IL 2, 14. Kaï oï (= tt nvtg) un trvXov
tv Talg ra%taiv ovrtg tig rag raS,ug tStov, en die
niet in het gelid waren spoedden er zich heen.
An. II. 5, 24.
b)     Futuralis (389). An. II. 2, 20 lig av (== tav rtg) rbv afivra
rbv bvov tig ra onXa uvvvay Xi)\\f/irai uioSóv, hij
die kan aanwijzen wie den ezel door de legerplaats
heeft laten loopen zal een belooning ontvangen.
Cyr. I. 2, 7. o< Wipaai Sv av yvtijai Svvautvov
fxiv
\\apiv airocovvai ui) airoSiSóvra oé, koXÓZovciv
laxvpüg. Telkens wanneer de Perzen mochten be-
vinden dat iemand teel dankbaarheid kan bewij-
zen
, doch dit niet doet, straffen zij hem streng.
(390). An. I. 9, 15. jroAAi) ï\\v aföovia tiZ Kt)p<j» rwv
iSeXóvruiv KivSvvtvtiv üirov rig
oiotro Kvpov ala&i\'r
atoSai. Ci/rus had overvloed aan menschen, die
zich voor hem in gevaar wilden stellen
, telkens
wanneer zij geloofden dat Cyrus het zon opmer-
ken.
An. I. 1,5.
c)    Potentialis. (391). An. I. 3, 17. oKvo\'nnv av tig ra. nXoïa i/x-
(iaivtiv a (= tï rtva) nuTv Bo\'tri ik zou bevreesd
zijn om op de schepen te gaan
, die hij ons mocht
geven.
d)      Irrealis.               Lys. 12, 98. oi Si iraiSfc vuüv, oaoi piv IvSali iioav, iiirb
ToiiTiav av vfipiZovro en al uwe kinderen, die daar aanwezig
zouden geweest zijn, zouden door dezen mishandeld zijn.
Aanm. 1. Zooals N°. 379. I) van de doelaanduidende zinnen gezegd is, zoo kan 396
ook in tijdbepalende en relatieve zinnen na den Optativus assimilatie der modi plaats
hebben.
X. Cyr. I. 3, II. Xïyotfi\' av \'óti ïoürai Ïwq vaparfivaifii tovtov, ik zou zeggen
dat hij een bad neemt, totdal ik hem gekweld had.
X. Ag. I. 10. Ti<r<r«0fpvtjC w/<fiT<i\' \'AyrjffiXdiji, ei\' oitüaairo \'itaq i\\$ouv o\'vq
Trsitipuf
irpès,\' j3u<ri\\ln ayyi\\ovQ, liairpati"~ai k. t. \'t. Tissapl.emes verklaarde Ag.
onder eed, dat, zoo hij een wapenstilstand sloot, totdat de gezanten, die h\\j naar den
koning zou zenden teruggekomen waren
, hij zou bewerken enz.
18*
-ocr page 290-
276
ORATIO OBLIQUA.                    [N°. 396—398.
2. Men lette nog op de volgende spreekwijzen :
N. lariv o\'i = Ivioi sommigen. G. lariv uv — Ivitov. ~D. lariv olf = IvioiQ. A. lariv
oiif = lviovs-
In vragen lariv \'óarif, er iemand ?
Hiermede komen overeen:
lariv \'óti = Ivtóri somtijds: lariv ïva of ttiroi;, alicubi, ergens, somtijds,
lariv ov
of IvSia hier en daar, somtijds, menigmaal: oók la$\' \'óirov nooit.
lariv y
of oiry eenigermate: lariv Sircu; ; is het mogelijk?
oüe lariv omuc geenszins: out lariv oituq oii, gewis, in ieder geval.
§ 105.
Oratio Obliqua.
1.     In de oratio recta worden iemands woorden of gedachten
juist weergegeven zooals zij gesproken of gedacht zijn: Socrates
zcide: „allen zijn welsprekend genoeg in hetgeen zij weten."
In de oratio obliqua daarentegen worden iemands woorden of
gedachten verhalenderwijze medegedeeld en afhankelijk gemaakt
van een verbum sentiendi of declarandi : Socrates zeide, dat allen
welsprekend genoeg zijn in hetgeen zij weten.
2.     Wanneer hoofdzinnen in de oratio obliqua komen dan staat:
a.     in oordeelszinnen (N°. 258) een verbum finitum met on
of ojc , of de Infinitivus (Nü. 370).
An. I. 2, 21. (ayytXog ÏXtysv\' „\'ÏLutvvemi; XAocirf ra aicpa.")
JJkiv ayyeXot; Xiyuv, ört XiXonrwg £i»j \'Sjvtvvtait; ra axpa een bode
kwam zeggen, dat Suennesis de hoogten verlaten had.
b.    in begeerzinnen de Infinitivus.
Heil. II. 4, 18. (irapriyyehXtv avrolc\' „firj irpórepov tmrièeoSe.\')
6 fidvriQ irapi\'iyyfXXtv aiiroiQ fj.rj irpórepov lirtTtSioSai, de wichelaar
beval hen niet eerder aan te vallen.
Zie verder An. I. 3, 14.
waar in de or. recta zou staan: iroptvwfuSa - iXtófx&a etc. Con-
junctivi Adhortativi.
Niet zelden gebeurt het, dat eene met wc of Sn begonnen constructie door den
Infinitivus wordt voortgezet of dat eene door Sri, <Jj of den Infinitivus ingeleide
onrechtstreeksche rede in den Optativus Obliquus overgaat. Zie N°. 367.
X. An. II. 1, 3. ouroi IXiyov Sn Küpo; uïv ri^vt)Kiv, \'Apiaïoc. til iruptvywc. iln,
Kal Xiyoi
Sn ravrr)v (itv rrjv yuipav iriptfitvoiiv aitrove,, li fiiWoiiv i\'iKiiv, ry ii
a\\Xy airiivai
^a(i) dezen zeiden dat Cyrus gesneuveld, Ariaeus gevlucht was en liet
zeggen, dat hij hen dien dag zou blijven wachten zoo zij komen wilden, doch dat hy
zeide den volgenden dag te zullen wegtrekken.
Zie Heil. III. 2, 23. IV. 3, 1. VI. 5, 3(5.
-ocr page 291-
N°. 399, 400.]                  infinitivus.                                   277
3.    Wat de bijzinnen betreft, die in de oratio obliqua komen 399
geldt het volgende.
a)    Staat het hoofdwerkwoord in een hoofdtijd dan moeten
zij
den vorm behouden, dien zij in de oratio recta hebben.
b)    Staat het hoofdwerkwoord in een hist. tijd dan moet de
Indicativus der hist. tijden, alsmede de Potentialis (en Irrealis)
onveranderd blijven,
doch de Indicativus der hoofdtijden en de Conjunctivus kun-
nen in den Optat. obliquus
(zonder av) overgaan. (Zie N°. 386. 2).
X. An. II. 3, 6. tXsyov on tiKÓra SoKolev Xtyetv fiaaiXeï Kal
rjKOtev riyt/ióvag
if^ovree oï uvtovq, èav anovSal y tv wvt at,
a^ovatv, tvStv tZ,ovai ra tntTriBtia zij zeiden, dat de koning
hun eischen redelijk vond en dat zij met gidsen gekomen waren,
die hsn daarheen zouden voeren, waar zij levensmiddelen zouden
kunnen opdoen.
(Or. recta, thora Sokutb Xtyetv fiaotXeï Kal "iKOftev
fiye/ióvaQ t\\ovrtg oi v/ua<; k. t. £.)
4.    Zeer dikwijls gaan de Grieken midden in eene oratio obliqua
in de oratio recta over. An. I. 3, 14 — 16 — 20.
II. Nominaalvormen.
§ 106.
Over den Infinitivus.
1.    De Infinitivus kan als een onverbuigbaar Substantivum door
het bijgevoegde lidwoord alle naamvallen aannemen (= lat. Ge-
rundium), regeert denzelfden naamval als de verhaalvormen en
wordt door Adverbia bepaald.
Infinitivus zonder artikel.
2.    De Infinitivus (Ace. c. Infin.) staat zonder artikel:                400
1) bij vele verba als subject (bij onpersoonlijke verba en
uitdrukkingen, N°. 359), of als object, of ter aanvulling van een
begrip, of om het doel uit te drukken overeenkomend met het
Nederlandsch, of te vertalen door dat met een verbum finitum,
of door om te.
-ocr page 292-
278
[N°. 400—402.
INFINIT1VUS.
An. II. 1, 2. HBoZiv avTol$ irponvai zij besloten vooruit te gaan.
I. 5, 13. rowc vTrX\'iTag ovtov héXivat fitlvai hij beval de hopliten
aldaar te blijven.
14. tSttro tov KAtap^ou pij woiüv tuvtcl hij
smeekte Cl. dit niet te doen.
I. 9, 4. tbSv^ 7raïSec ovre^ f*avSa-
vovatv
op\\tiv Tt Kai apYta^ai van af hun eerste jeugd leeren zij
bevelen en gehoorzamen.
YI. 2, 14. tiriTptTru avrtö iroit\'tv tin j3ou-
\\tTat hij laat hem vrij te doen wat hij wil.
An. II. 5, 30. KXeapY°C Bttirpa^aTO ttivti aTparriyovg Uvai Cl.
beiverkte dat vijf aanvoerders gingen. IV. 1,21. ot rtytfióvtg oï> <j>aotv
tlvai aXXriv oBov de gidsen ontkennen dat er een andere weg is.
Cyr. I. 2, 8. (pépovrai oïmoStv ntiiv Kw5u>va zij brengen om te
drinken een kruik van huis mede.
An. I. 2, 19. ravTijv rtjv x^pav
litiTpi\\Le Btapiraaai rotg "EXXqmv deze streek gaf hij den Grieken
ter plundering over.
V. 2, 1. i^ayu rb »j/u«rv tov arpaTivfiaroq,
to §t "i/utov KUTiXnrt <j>v\\ótthv ro oTpaTüTTtSov, eene helft van het
leger voert hij uit, doch de andere helft liet hij achter om de
legerplaats te beivaken.
V. 7, 12. S>pa fifttv fiovXtvtaSai het is tijd
om te beraadslagen.
401             2) bij Adjectiva ter aanvulling van hun begrip.
X. An. I. 2, 21. ij Be elafioXrj Jjv óSo? afiiixavoq èiaeXSeXv arpa-
Ttvuan doch de weg die toegang verleende was onbruikbaar om
met een leger in te trekken.
II. 6, 9. ópav arvyvbg t}v hij was
stug van uiterlijk.
II. 5, 15. Buvoq Xéyeiv behendig in het spreken.
25. a&oi\' tlui ra ïoxara 7ra$t?v zij verdienen de zwaarste straf te
ondergaan.
II. 6, 16. avrjp ra /xeyaXa wpaTTtiv IkovÓq een man
tot groote zaken in staat.
Cyr. I. 2, 11. ava/ivijffS/jrtü wwq /uèv
7}§i> [taZft Kat aproc TTttvCovTi (payeïv, itwq Bi r)Bv vBtop müv Bo\\jHjvti
hij bedenke hoe voor hem die honger heeft gerste- en tarwe-brood
een lekkernij zijn om te eten, hoe ivater voor hem die dorst heeft
een lekkernij is om te drinken.
402             3) De Infinitivus (Ace. c. Inf.) zonder artikel staat ook bij
&<rr£, &c N°. 376, fy\' fa bl. 214, Trp.\'v, irópoe N°. 385 en bij
i5 fifiv om eeden en krachtige verzekeringen in te leiden, in het
Nederlandsen door waarlijk, waarachtig weer te geven.
-ocr page 293-
N°. 402—404.]                    infinitivus.                                       279
An. IL 3, 26. t^tariv vfiiv Triara \\afitiv Trap\' r\'ifiwv jj firjv <(>t\\iav
irapé%,iiv i>fxiv ti)v x^Pav 9V kunt de verzekering onzer getrouw-
heid aanvaarden, dat wij waarachtig zullen zorgen
, dat gij als
vrienden in het land heschouicd wordt.
Cyr. VI. 2, 39.
^i Aanm. Men lette op de volgende uitdrukkingen, waarin de Infinitivus geheel
op zich zelf staat.
(wc) «ttXwc, wc awTÓpüic (wc) <fvvk\\ovrt eiVftv om kort te gaan, in \'t kort. wc
ïwoq tliriïv om zoo te spreken, als het ivare = wc Xóyw tlirüv = wc liwiiv.
(wc) Iftoi SaKfïv zooals mij toeschijnt, naar mijne mcening.
i>\\iyov, jiiKpov Sttv bijna, jroXXow iïiïv op verre na niet.
iiciiv ilvai in zoover men vrijwillig handelt.
__j_                                   Infinitivus met het artikel.
3. De Infinitivus moet het artikel bij zich hebben:
1)     wanneer hij gelijk een substantivum als subject of object 403
in een zin staat. Zoo fièv to Srjpai\' de jacht is aangenaam (fiSii
Snpav het is aangenaam
(om te) jagen).
PI. Crito. 49. C. to kcucüe; iroiuv av^piinrovg rov aSiKtïv ovSiv
$«i<l>iou de menschen kwaad berokkenen verschilt volstrekt niet van
onrecht plegen.
X. Mem. IV. 2, 31. to vyialvuv ayaSbv tïvat
vofiiZ,ü}
, rh votrüv kokov ik houd de gezondheid voor een wei-
daad , de ziekte voor een ramp.
2)    wanneer hij in den Genitivus of Dativus staat bij prae-
posities, substantiva, verba of adjectiva, die deze naamvallen
vereischen, daar deze naamvallen alleen aan het artikel te ken-
nen zijn.
X. An. II. 6, 9. toïito 8\' iirotu Ik tov ^aXsjroc uvni en dit
beiverkte hij door streng te zijn.
13. irmb tov ètïtrSrm door nood-
zakelijkheid.
22.. Sta tov Ittioqküv door meineed. 26. Mivtov r)jd\\-
Aero t«j> l^airaTav BvvaaSai M. verheugde er zich over te kunnen
bedriegen.
III. 1, 18. (j>ó(3oq tov arpaTtvaai vrees van op te trek-
ken.
24. ap^tv/itv tov i^opfurjaai laten ivij met aansporen beginnen.
Zoo ook na praeposities met den Ace. An. II. 6, 22. swi KaripyaZirrSrai om
te bsiverken.
Somtijds schijnt de Genitivus op zich zelf te staan, doch dan kan hij door de 401
weglating van \'évixa verklaard worden. Cyr. I. 3, 9. tov $f) tt <papu.aKa iyxionv ^i)
XvoiriXuv aüroïc opdat zij zelven er geen voordeel uit konden trekken wo tij er vergif
in mengden. Zie
ook I. 6, 40. tov /o) Siafyivyuv.
-ocr page 294-
280                                   infinitivus.                   [N°. 404—406.
Aanm. 1) De Infinitivus staat somtijds met het lidwoord in den Accusativus op
zich zelf, te vertalen door wat betreft, wat aangaat: Cyr. I. 6, 16. rb apxriv pr}
Kajivuv
tci ffrpartwjua, tvat betreft dat hel leger van af het begin sterk zij. PI. Ap.
36. a. X. Heil. VII. 1 , S.
lw\' \'aciivtp ilvai zoover het daarop, op hem aankomt, daarvan, van hem afhangt,
rb vvv
(rïj/ufpoi\') iivai voor het ooijenblik, heden.
2) De Infinitivus staat, ofschoon zelden in proza, somtijds in plaats van den
Imperatirus, te verklaren door verzwegen nhpvnao of kiXivw, tvxou.ai, 0i)/«\', Só\\.
Zie An. V. 3, 13. Zoo ook bij een uitroep van verwondering, bijv. Cyr. II. 2, 3.
Subject en Praedicaat bij den Infinitivus.
405        4. Wanneer het Subject van den Infinitivus verschillend is
van het Subject in den hoofdzin, dan komt het Subject van den
Infinitivus met al zijn bepalingen in den Accusativus. (Accus.
cum Iiitinitivo.)
X. An. I. 3, 6. \\n>fti£t« vfiaq 1(101 slvai Kal warpiBa Kal ipiXovg
Kal avfifiaxov^, ik meen dat gij voor mij en vaderland en vrienden
en medestrijders zijt.
Cyr. VII. 1,31. ol êt ayu^ï \'AfipaSarav
y fxiv IvifiaWov art ov Bvva/itvwv Bia\\aaaa^ai twv Aiyvirritov
Bia rb nivuv tovg ïv&tv Kal
evS\'ev avrióv, rovg fiiv opSoiig
avtrpeirov, k. t. I. en Abr. met zijn getrouwen wierpen daar waar
zij indrongen, wijl de Aeg., die van alle kanten stand hielden,
niet konden wijken, al wie recht stonden omver.
VII. 1, 38. ïvSa Bfj
iyvit) av Tig oaov aS,iov ur\\ to fyiküaSlai ap\\ovra, daar ZOU men
hebben kunnen leeren (N°. 361) van hoe groote waarde het is dat
een aanvoerder bemind wordt.
406        5. "Wanneer het Subject van den Infinitivus echter hetzelfde
is als dat van den hoofdzin wordt het niet uitgedrukt.
X. An I. 1,3. ovk ï(paaav Uvai zij weigerden vooruit te trek-
ken.
(Lat. negabant se ituros esse.)
Somtijds echter wordt het subject van den hoofdzin voor den Infinitivus herhaald,
wanneer er in den afhankelijken zin andere nieuwe subjecten voorkomen, of wanneer
bijzondere nadruk op het subject valt. Alsdan kunnen alle subjecten in den Aecusa-
tivus staan
of het herhaalde subject staat alteen in den Nominativus, terwijl alle overige
in den Accusativus staan.
Heil. II. 1, 26. oè arparnyoi airtivat avrbv lies\\iv9av aüroi yap vvv arpaTtiyitv
ovk Iküvov de veldheeren bevalen hem weg te gaan:
(zeggende) dat zij nu, niet hij,
het bevel voet den.
An. VII. 1, 30. lyit tixopai Ipi ytvéoSai. Vergel. Dem. eard
•Mufltow 679, 580.
-ocr page 295-
N°. 407.]                              infinitivus.                                       281
6. Is het subject van den Infinitivus (volgens 5.) niet uitge-
drukt
dan komen de nadere bepalingen van dit verzwegen subject:
1)    in den Nominativus, wanneer het verzwegen subject
tevens subject van het verbum finitum in den hoofdzin is, al
wordt het ook niet bij het verbum finitum uitgedrukt.
An. III. 2, 39. oariQ ifxwv tovq oIkuovq iwidv/ut iBtïv, (aiiTOf)
fttfivi\'iaSru) avfip ayuSbg tlvat al wie uwer de zijnen wenscht weer
te zien, denke er aan zich als een dapper man te gedragen.
II.
1, 14. u (fiamXtiis) (iovXoiTO tp\'iXog yivlaSai indien hij hun be-
vriend wilde worden.
Zoo ook II. 5, 14.
2)    in den Genitivus of Dativus naar gelang het verzwegen
subject van den Infinitivus als verwijderd voorwerp in den Geni-
tivus of Dativus in den hoofdzin staat. (Attractio bij den
Infinitivus.)
X. Heil. I. 5, 2. avruv iSïovro wg wpo^v/iorarov irpbg rbv
iróXe/xov ysviaSat zij vroegen hem,, dat hij al zijn zorgen aan den
oorlog zou wijden.
PI. Ap. 41. a.
An. VII. 1, 21. vvv ooi IZtoTtv avBpl yivtoSat nu is het u
gegeven een man te zijn.
Cyr. VI. 4, 9. Sóg fioi Qavrivcu a&iw ulv
UavSiia$
avSpi\' geef, dat ik mij een man Panthea waardig toone.
Cyr. III. 3, 55 bij prolepsis van het subject.
Aakm. Deze Attractie is echter niet noodzakelijk, ook kunnen
de nadere bepalingen in den Ace. staan.
X. An. I. 2, 1. irapayyiXXtt KXeapxy Xafióvrt fiicetv . . . Kal
Sevlq rq
\'ApicaSi !\\kuv Xafióvra. I. 3, 5. avayKt) fioi r) vfiaq irpo-
lóvra. II. 1, 19. Heil. I. 4, 27. IV. 1, 35. Cyr. II. 3, 8.
Zij is echter regel wanneer de Infinitivus afhangt van een
Participium en beide hetzelfde subject hebben. PI. Ap. 22. c.
y<r§ófit)v avrüv olofiivwv ooQuitÓtojv ilvui avSpwirwv ik bemerkte
bij hen dat zij zeer wijze menschen meenden te zijn.
Heil. VII.
5, 16. on ifitXXov fid\\eaiai OtTTaXóig èoKoïnriv roig Kpariarotg
lirirtvaiv tlvat dat zij zouden strijden met de Thessaliërs, die de
beste ruiters heeten te zijn.
3) in den Accusativus overeen met den weggelaten subjects-
-ocr page 296-
282                                       infinitivus.                     [N°. 407, 408.
accusativus, wanneer dit verzwegen subject niet in eenigen ande-
ren naamval
in den hoofdzin voorkomt, zooals na onpersoonlijke
uitdrukkingen.
X. An. II. 1, 20. il fiiv Sim fiaai\\ü fiXovg ilvat indien wij
met den koning moeten bevriend zijn.
Cyr. V. 4, 19. rb yap unap-
ravuv avSptoirovg ovrag ovBiv ciifiai ^av/xaaróv dat wij toch , die
mensehen zijn falen komt mij volstrekt niet bevreemdend voor.
Aanm. In het Grieksch gebruikt men dikwijls de persoonlijke constructie waar
wij de onpersoonlijke gebruiken:
1.    Zoo beteekent ipaivopiat met volgenden Infinitivus: mij dunkt dat ik, het heeft
de» schijn dat ik
(videor); ipaivft etc. het heeft den schijn dut gij enz. Cyr. II. 2, 1.
Sia rovro fyaivovrai iïvai IvSféirrfpoi nuüv; heeft het den schijn, meent gij, dut zij
daarom minier waard zijn dan wij.
Met volgend Participium beteekent ipaivopai het
blijkt
(apparet) dat ik. An. II. 5, 38. lirii swiopKÜv \'ttpavn daar het bleek dat hij zijn
eed verbrak.
N°. 411.
2.     Evenals 0aiVoitai worden ook de uitdrukkingen i^ni\'fpóc, tfijXnc te\'iee met het
Participium (echter ook met trt) persoonlijk geconstrueerd, hel ii duidelijk, het blijkt,
het staat rast, dat.
X. An. I. 6, 8. rö rpirov liriftniiXtvtov pai ^rrvfpöc yfyovaQ het
is duidelijk geworden, het. is gebleken, dat gij mij ten derde male belaagt.
II. 5, 27.
II.   6, 23. I. 9, 11 — 16. I. 10, 6. II. 3, 4. II. 5, 27. (II. 3, 6 en 5, 41. ore).
3.   Zoo vindt men ook Siratóc, tipt het is billijk dit ik, liriKaipinc. i\'ipi het is voor
mij gunstig dat ik,
tViW/fotóc tipt het is dienstig dat ik, iiriiïoïnc, tifii het is van mij
te verwachten dat ik
enz. Zie 7ró\\Xni\', uXiyov Uu N°. 296. 3.
X. An. V. 7, 2. pa\\a tpo3tpoi ijanv pi) voiijaiiav het was zeer te vreezen dat zij
doen zouden.
Cyr. V. 4, 19. a£toi laptv rov ytytvt]uivov wpnypaToQ tovtov airo\\av-
aai
re ayaÜóv het part dut xoij uit het gebeurde ons voordeel trekken. Heil. V. 2, 32.
4.   Aok\'ho mecnen, gelnnven, schijnen, goedvinden wordt gebruikt:
a)   persoonlijk (= lat. videor). tonii /tot het komt mij voor dat ik, cWe?c fioi dat
gij, Sokü
/lot dat hij: i\'otw tfnicfïc, SokiÏ avriji het komt hem voor dat ik, gij, hij.
An. I. 3, 12. iïoKoVfièv pot ovSt nóppto avrov Ka^i~ifT^ai = fioicn fiot ört ïifitïc, oi/St
tróppto aurov KaSrifteSa.
                                                          *
b)   onpersoonlijk met een pronomen: ïoicii 1101 het schijnt mij, ik meen, geloof dat
iels, i)fuv
tWsè wij meinen dal iels etc. An. I. 3, 11. eenrréoi> iiot ioKtï tlvai ik
meen dat er moet toegezien worden.
Zoo ook 18.
e) absoluut onpersoonlijk zonder pronomen : toKti men vindt goed, iïótit men zal
goedvinden, tdoZtv men rond goed. Zoo
in den Ace. Abs. iïó%av rovro, êóZavrtt ruvra
toen dit besloten was.
?ó£av, rek êótnvra meening, besluit. Aédoicrai er is besloten:
visum est, rti fotioypfoa het bcslolene. An. I."8, 20. IV. 1, 13. Heil. I. 1, 36.
5.     De Constructie van \\pi) is bij twee zelfstandige naamwoorden xP\'1 pk tivoq ,
doch gewoonlijk volgt een Infinitivus of Ace. c. Infin. xp\'l ai My«ev.
Bij tó staat gewoonlijk de Dfltivus der Persoon en de Genitivus der zaak : Stl
eioé rivoc. Wordt de zaak door een werkwoord uitgedrukt dan volgt Ace. c. Infinit.
lil at paxiitSui (zelden êtï aot uaxia^ai, zie An. III. 4, 35). X. Cyr. I. 4 , 5.
III.  6, 9.
6.     Over den Infinitivus met av, zie N°. 357.
-ocr page 297-
N°. 409, 410.]                    participium.                                      283
§ 107.
Over het Participium.
1.     Het Participium kan als een adjectivum verbogen en door 409
middel van het lidwoord zelfstandig gebruikt worden, doch regeert
als vorni van het werkwoord denzelfden naamval als de verbaal-
vormen en wordt door adverbia bepaald.
2.     Het Participium kan staan a) attributief, als adjectivum of
met het lidwoord als substantivum, b) praedicatief ter nadere be-
paling of aanvulling van het praedicaat, c) als Participium con-
junctum
of absolutum in plaats van conjunctioneele zinnen.
A. Het Attributieve Participium.
3.     Als attribuut kan het bij een substantivum staan tusschen 410
het artikel en het subst. of na het subst. met herhaling van het
artikel. N°. 321.
X. Cyr. VIII. 7. 6. waïBei; l/ioi Ka) iravTtg oi wapóvreg <pi\\oi.
An. I. 1,9. tiroXi/xti ro7<; Qpq\'t,) toTq virip \'EWfiairovrov oÏKOvat.
De Participia KaXovfavog, övofiaZófiivog, Xtyóftevog beteekenen
in verbinding met het art. en een subst. zoogenaamd. An. I. 2,
13. Kpi\'ivrt i? MiSov KaXovfnivr} de zoo genaamde bron van Midas.
II. 4, 12.
4.     Als substantivum met het lidwoord verbonden dient het
of individueel om een bepaalden persoon
óf generaliseerend om in \'t algemeen een soort aan te geven.
Generaliseerend. Neg. ju/j (si quis).      Individueel. Neg. oh (is qui).
óXiyiov een spreker, ieder die spreekt,    ó \\iywv de spreker.
ó ju») iTiaTivwv si quis non credit.     ó ov irtartvwv is qui non credit.
ó (3ov\\ó/xivoq wie maar wil.              ó S<ojkwi> de aanklager.
ó tvx<*>v de eerste de beste.                ó <j>tvyu>v de aangeklaagde.
6 $ia(5a\\\\wv een lasteraar.                ó SiafiaWuiv de lasteraar.
Wil men de onhepaaldheid van het Participium doen uitkomen dan blijft het
artikel weg en wordt er Wc bijgevoegd: i)\\$i ric Afywv daar kwam iemand die zeide.
Het Participium wordt ook dikwijls zonder artikel zelfstandig gebruikt, wanneer het
geen onduidelijkheid in den zin veroorzaakt. Cyr. VI. 2, 1. f/XSov 7r»pd roD \'Ivtfoü
Xpf/para ayovrit Kot airyyyuXav, waar ayovriQ duidelijk subject, is er kwamen er
-ocr page 298-
284                                      participium.                    [N°. 410—412.
van den Indischm koning die geld brachten en meldden. Gewoonlijk zal >}X5ov ayov-
Tt{
. . . beteekenen zij kwamen met . . .
\\ \\ Men lette op de volgende Participia :
"^ rè aiiuipipov, ra ovufyipovra, het nul, voordeel.
fiiWov, ra uiWovra de toekomst.
to. irap&vra, ra övra het tegenwoordige: = t) obala vermogen, bezitting.
ra /</) hvra het verledene: rb öv de waarheid,
yiyvóuivov het gebeurende, rd yiyivnpiva het gebeurde.
B. Praedicatief.
I. Ter bepaling van het subject
1)    bij deze verba, die men dan vertaalt door deze adverbia,
Tvyxavai ik tref, verkrijg.
                   \\ toevallig, juist.
(pSavtu ik voorkom.                               I vroeger, eerder.
Swrpi\'öw, Siayt» ) ik ben voort-              .             ,. ,
_ \\ _                     7 , , . \\ steeds, voortdurend.
èiarikio, ciayiyvo/iai) durend bezig. )
«ïxojuat ik ben iceggegaan.                   I weg.
XuvSavw ik ben verborgen, schuil. I heimelijk.
(paivofxat ik ben zichtbaar.                    ) in \'t openbaar, blijkbaar.
terwijl het Participium vertaald wordt als stond het in den tijd
en den persoon waarin deze werkw. staan.
X. An. I. ï, 2. TIptafivTepos wapwv trvyxave (= jrapfji/) de
oudste was juist aanwezig. I. 3, 14. oirwg fifj fzaotom KaraAaj3óv-
Teg (= KaraXaj3wort) opdat zij niet eerder de hoogten bezetten. Cyr.
I. 2, 6. Biayovoi navSavovreg (= pavSavovai) zij leeren voortdu-
rend. I. 2, 12. ètayuviZó/itvot êtaTtXovat (= $(aytuvf£ovrat) zij
wedijveren voortdurend, liarpifiovai utAtTÜaai (== ficXtrüm) zij
oefenen voortdurend. An. IV. 5, 24. $xeT0 Sqpaatov (= ISfipa)
hij was weg op jacht. 6, 3. cbroSpae 4\\tro (= onréBpa) hij was
weggeloopen. An. I. 2, 9. toïito Tpupó/utvov iXavSavev (irpé^ero)
dit werd in het geheim onderhouden. Cyr. I. 3, 1. Siatpipwv t(pa(-
vero (= St(<j>tpt) hij muntte blijkbaar uit.
Aanm. 1) Tvyxavui en \\av$avui kunnen soms geheel verwaarloosd worden in
de vertaling.
2)    De Aoristi !<j>$aaa en i\\a$ov worden geregeld met het Part. Aoristi verbonden.
3)    Zie jijXoc, ipavtoóc dfii met Partic. N°. 408. 3.
2) bij de verba.
apvo/nai ik begin met: wavofiai, AjWw ik houd op met:
-ocr page 299-
N°. 412, 413.]                    participium.                                       285
avtxo/xai, Kapriptw, virofiivm ik houd uit:
Kparüi, viKÜ> ik overtref in: r)rrü//ai, Xtlirofiai ik doe onder in:
Ku/iviti, awayopii\'no ik ben afgemat van:
tv, koXöjq ttouo ik doe goed van:
aSiKÓi, afiapravto, aQaXXouat ik misdoe in, door:
XaptZoftai, \\aptv <j>ipu> rivi iemand welgevallig zijn door: etc.
X. An. III. 1, 19. ovwoTE iiravó/iriv i\'ifiaq /liv oiKTtipuiv, (iarjtXta
Bé fiaKap\'iZwv ik hield niet op met ons te beklagen en den koning
gelukkig te noemen.
Cyr. V. 1, 26. «at ópüvrtg ai avtZóp&a Kal
KapTtpi\'iao/itv virh aov ivepytrov/xtvoi en wij zullen onze oogen op
u blijven vestigen en standvastig blijven bij uwe weldaden.
V. 3,
32. tl yap <j>aivó/ut%a tovq /atv KaKwe iroiovvrag viküv irttpw/utvoi
hikwij wotovvTtg want indien het blijkt dat wij onze vijanden in
wreedheid trachten te overtreffen.
An. V. 1,2. awtipifKa ïiSt) av-
aKtvaZ,6ntvog Kai
/3aSi£wv k. t. \'t. ik ben dat samenpakken en gaan
lang moe
enz. Cyr. VII. 4, 13. kuXüq ttoiüq npovoüv gij doet
goed van vooruit hiervoor te zorgen.
III. 3. 56 Ki>a£aptje tXtytv
oti HZafiapravoi Starpifioov k. r. L Cyax. zeide dat hij misdeed door
te dralen
enz.
\\^ Aanm. 1) "Apxw Xïyutv ik ben de eerste spreker: ap^a/tui Xéywv ik begin {pas)
te spreken
(en zal verder doorgaan) : apxopai \\iyuv ik begin met spreken (en zal
later zwijgen).
2)     De Participia apxa/itvoi; en tiXivtüiv moeten wij meestal door: in het begin,
aanvankelijk
en ten laatste, eindelijk vertalen. An. VI. 3, 8. tiKivtHvtiq Kai axb
tov vSaroc ilpyov aiiraiiq ten laatste sloten zij hen ook van het water af.
PI. Theaet.
174. ott«p dpY<;/!f]\'i>(.\' IXiyov hetgeen ik in het begin zeide.
3)    Bij het Activum wavitv staat het Part. ter bepaling van het Object. An. II.
5, 13. cdvq il oi/idi ai\' iravaai fi\'o\\\'\\nürr(t act tij vjiiTipa luSaipovif volkeren, die
ik meen, dat wij zullen doen ophouden met altijd uw geluk te verontrusten.
Zoo kan het Partic. ook staan bij avixopat en andere.
II. Ter bepaling van subject of object, in plaats van een
zin met Sn, dat, omdat, die ook volgen kan,
1) bij de verba affectuum.
Xaiptiv, nStaSai zich verheugen dat: ayairav tevreden zijn dat:
ayavaKTtiv,
ax&eo-Sai, xaX«TÖ>c tpiptiv ontevreden zijn dat:
fitrafiiXtabat, utraptXti
juot het berouwt mij dat:
alaxivo/iai ik schaam mij dat:
-ocr page 300-
286                                      participium.                    [N°. 413, 414.
X. Cyr. VIII. 4, 31. KDpoe SiBovq fiaXXov r) icrw/utvoc "lêtro
Cyrus was gelukkiger wanneer hij kon geven dan wanneer hij
ontving.
An. VI. 1, 26. PI. Ap. 38 e. ovre vvv /ioi juétcijuéA«
ourwc a.Tro\\oyr)aufi£vii> noch spijt het mij nu dat ik mij aldus ver-
dedigd heb.
Aanm. 1) xa\'Pf\'"> yüo/iai kan men dikwijls door gaarne, dx^o/ioe etc. door
ongaarne vertalen. PI. Ap. 33. c. xaipovtri iutTpi^ovTit zij verwijlen gaarne. X. Cyr.
I. 3, 5. ovk dx^o/ilvoi wXavüfifSa niet ongaarne dwalen wij rond.
„.                      j met Part. ik schaam mij dat ik doe {doe met schaamte).
I met Infin. ik schaam mij te doen {doe het niet uit schaamte).
X. Cyr. V. I, 21. %apiv aTrodiiïót\'ai ovnio ntiuv êt/vaniv i\\iiV llnl 3°*iï\' ffa\'
tovto iiiv «iiK aitxvvofiai \\rytuv rè S\' \'Euv fjéi\'jjre irap\' Ijim, anoSünru), iv torrf,
aifr-^vyoijinv av fiirtiv mij dunkt dat ik nog niet bij machte ben om u mijn dank te
bewijzen: en ik schaam mij niet dit te zeggen: doch weet wel dat ik mij zou schamen
te zeggen
(en zeg het daarom niet): indien gij bij mij zult blijven zal ik hen. u betoomn.
2) bij de verba van uiterlijke en innerlijke waarneming.
ópav zien, nsptopav dulden, okovuv hooren, aiaSaveoSai, irw§d-
vtaSui waarnemen.
KaraXa/iif3dveiv aantreffen, aXtaiczaSat, XafifiavtoSui overtuigd, be-
trapt worden,
yiyvtiücriaiv, [utvSavuv, elcêvai, liriaraaSiai leeren kennen, weten.
fufivnctKta^ui, ntfivvaSai zich herinneren.
tiriAav$avi(T$ai vergeten, ayvoiïv niet weten.
X. An. II. 3, 22. tnü avrbv ïwpCi/xev iv Setviji livra toen wij
zagen dat hij in de grootste verlegenheid was.
I. 10, 18. KaraXafi-
fiavovot ra irXilnra BtJtpwaafitva zij bevonden dat het meeste ge-
roof d was.
IV. 6, 15. lav Xrirj>Sï)Ts KXiirrovTtg wanneer gij op
diefstal betrapt wordt.
III. 1, 27. ovys ovèt ópwv yiyvwaKug,
ovèi aKovtov fitfxvtjaat gij zijt ziende blind en weet niet wat gij
hoort.
III. 1, 43.
Aanm. 1) Drievoudige constructie van:
aKovw t met den Gen. Part. ik hoor (met eigen ooren) dat: u * *">-~J~- *-
afoSavoiiai J met den Ace. Part. ik hoor (van anderen) als daadzaak dat = \'órt .\' »-<~-.,
irvvSavofiai ( met Ace. c. Inf. ik hoor als gerucht dat
Dem. Cor. 227. Sioftai vuüv axovaai fiov airoXoyou/iévou ik verzoek u naar mijn ver-
dediying Ie luisteren.
X. An. I. 4, 9. t\'jrei iJKovat Kvpov Iv KiXixia Svra toen hij
vernomen had dat Cyrus in Cilieie\' was.
An. I. 3, 20. aviKfiivaTo ön ukovoi \'Aj3po-
kó/ikv twi Tip EvQpary ilvat hij antwoordde dat hij gehoord had dat Abrocomas bij
den Euphraat was.
-ocr page 301-
N°. 414—416.]                  participium.                                   287
r
2) Zoo ook beteekent
( met Part.   ik iveet dat = tfri (zie voorb. boven).
ytyvuoiciü <
                                                            x .                      \'
t met In lm.  oordeel, ben van meemng dat.
Iriaraiiai ƒ met Part. ik weet dat is (brt).
(olSa, fiavSavto)
l met Infin. ik weet te doen.
X. An. III. 1, 43. öiróaoi rbv Sdvarnv iyvóncaai waai koivöv tlvat al wie van
oordeel ia dal de dood allen gemeen is.
V. 7, 25. iSffric viïv /<>) irbyxaviv iwiarapivoc;
al wie niet ion zwemmen.
VI. 6, 17. iwiaraaSt vfiaQ wpóSovra gij weet dat hij u
verraden heeft.
!met Part. ik herinner mij dat (ör/):
met Infin. ik gedenk, te zijn, te doen:
on
met Indic. memini cura, ik herinner mij den tijd toen: (Hom.).
X. Cyr. I. 6, 3. uhiviuiat cncovane aov ik herinner mij dut ik van n gehoord heb.
An. III. 2, 39. /uc/ivi/irSu avi)p dyu&öc tïvat hij den/te er aan zich dapper te betooncn.
PI. Meno. 79, d. ii yup fiifivi)aai, ut\' tyi\'o aoi üpri airiicptvaunv k. t. i. want indien
gij u herinnert toen ik u boren antwoordde
etc. Hom. II. O. 18. Y. 188. 4>. 396.
3)     Alle bepalingen die bij zulk een Participium behooren komen in den- *lo
zelfden naamval als het Participium. X. An. VII. 5, 12. a<piKvovvTai Sta twv M(\\i-
votpaywv KaXovpivinv QpqKÜv.
4)     Evenals bij den Infinitivus (N°. 406) wordt ook bij het Participium het
subject niet uitgedrukt, wanneer het éénzelfde is met het subject van het hoofdwerk-
woord. (Nom. cum Part.)
An. II. 1, 3. ï<t^i avöjjroc iöv weet dat gij dwaas zijt. Cyr. IV. 5, 29. a/ciipat
diip övti uoi wfpi ai oloQ u>v wepi lui ïwara uoi iifjiijifi
(= aiciipat oïoc uiv wipi
lui, Ikiitu uéuipti (tot, oiip övti /tot ïrfpi ai), zie toe hoe gij ten mijnen opzichte zijt
en berisp dim mij, die zoodanig ben ten uwen opzichte.
Vordert de duidelijkheid dat het subject uitgedrukt wordt, dan moet het voorwerp
worden en in den Ace. komen.
X. Cyr. I. 4, 4. Küpoc obx il xpiiaauiv ySti üiv, ravra wpouKa\\iïro roig avvóv
Tac,, d\\\\\' li-trip tv ySti iuvrbv ï\'irTova jóvra
(of Y/ttiov inv zonder iauróv) Cyrus
daagde zijn vrienden niet uil tol datgene waarin hij zich bewust was geoefender ie zijn,
maar tot die zaken waarin hij wist dal hij moest onderdoen
(zich zelf als minder kende).
5)     Als bepaling bij het verzwegen subject van een Infinitivus volgt het
Participium de regels van N". 407.
6)     Bij verba, die bet Pron. reflex, in den Dativus bij zich hebben, kan
het Partic. in den Dativus of in den Nominativus staan. Bijv. IvvoiSa luavnp
<To0uc wi\' en ovSiv Iwiarauivip. PI. Ap. 21. b. 22. e.
C. Participium Conjunctum en Absolutum.
1.    Evenals in het Latijn staat het Participium dikwijls in 416
plaats van bijzinnen, en wel:
1)   als Participium conjunctum, wanneer het subject van zulk
een bijzin in den hoofdzin voorkomt;
2)   als Participium absolutum, wanneer het subject niet in
den hoofdzin voorkomt.
2.    In het Grieksch neemt de Gen. Abs. de plaats in van den
-ocr page 302-
288                                      participium.                    [N°. 416, 417.
Lat. Abl. Abs. An.III. 3, 1. rourwv Xex&êvruni aviarrfaav his dictis
surrexerunt. Doch hij verschilt in gebruik, daar in het Grieksch:
a)   het subject kan weggelaten worden, wanneer het genoeg-
zaam blijkt uit den samenhang. Cyr. I. 4, 18. Sqpavdl vriav toen
(dit) gemeld werd. Y. 3, 13. ovrtn /nlv yiyvofiévt»v indien dit zoo
geschiedt.
50. ovr<i> TrpoaraTTOfitvwv indien aldus bevolen wordt.
An. I. 2, 17. I. 6, 1. II. 1, 3. II. 4, 24. Heil. V. 3, 27. etc.
b)    de Gen. Abs. soms gebruikt wordt wanneer zijn subject
in den hoofdzin voorkomt.
Cyr. I. 4, 20. ravr efaóvTos iSo^i n
Xêyttv t$ \'Aarvayu toen hij dit zeide, scheen hij Ast. iets nuttigs
te zeggen.
(An. II. 5, 24. ravra ütru>v iBo^e a\\t)St} Xtyttv.) An. I.
2, 17. ÈK TOVTOV SÜTTOV TTpOlÓvTtol\' ÖpóflOQ lyiVtTO T01q <TTptlTlti)TülQ
doordat zij langzamerhand sneller vooruitrukten ontstond er een
geloop onder de soldaten.
Zie An. V. 2, 24 waar het subject bij
den Gen. Abs. uitgedrukt is, verder II. 4, 24 en II. 6, 3.
c)    de Gen. Abs. zeldzamer is, daar er een Participium
Perf." in het Activum bestaat.
d)    het Participium niet door een nomen kan vervangen
worden, doch wv steeds moet uitgedrukt worden, bijv. \'HpaicAtouc
Tj-ye/uóvoe o ito? Hercule duce.
De adjectiva ïkwv en aicniv worden als Participia beschouwd.
PI. Cr. 52. C. t£tjv aot uirtp vvv aicovariq rijg TróXtwg iirt\\eipiig,
TÓrt \'tKovanq Ttoiriaai het was u gegeven toen met toestemming van
den staat te doen, hetgeen gij nu tegen zijn wil beproeft.
3. Beide constructies staan in het Grieksch dikwijls in ver-
binding met adverbia
a) redengevend (neg. oii) met:
are, are Sr/, oïa 8// (objectieve waarheid) daar, dewijl
(== quod met Ind.)
wc (subjectieve meening) dewijl, in de meening dat
(= quod met Conj.).
X. Cyr. I. 3, 2. Kvpog dia Sr) iraÏQ <j>vati <f>tXóoTopyo<; wv. 3. are
Traïc iüv Kai <pi\\ÓKaXog Kai ^iXorl^oe daar hij van nature een
teeder beminnend, prachtlievend en eer gierig kind was.
-ocr page 303-
JN°. 417—419.J                   participium.                                       289
An. II. 6, 4. K\\éapx°<! tSavarwS»! vnb rütv TtXiLv wq arrtiSüv
Clearchus werd door de overheid ter dood veroordeeld omdat hij
niet gehoorzaamde
(Socrates accusatus est quod corrumperet ju-
ventutem). VI. I , 30. \'Av&opv(3riauv wf tv tliróvroQ tov \'Ayaalov
zij juichten luide toe wijl Agasias naar hun meening goed gespro-
ken had.
b)  doelaanduidend. Zoo voornamelijk het Partic. Futuri, dik-
wijls in verbinding met <óc om te (neg. fii\'i).
An. I. 1,3. ovWitiifiavu Küpov u>q airoKTtvCov hij laat Cyrus
gevangen nemen om hem ter dood te brengen.
In het bijzonder lette men nog op het volgende gebruik van tic met het Participium.
1)    om de subjectieve meening van het subject in den hoofdzin aan te geven ,
in plaats van een objectszin met \'órt. An. I. 3, 15. wc Ifii (rrpurijyijffuvra /inJfif
vfiütv X«yirw niemand uwer zegge dal ik het bevel op mij zal nemen.
2)    om een vergelijking uit te drukken of enkel den schijn •=. quasi, alsof. Zoo
An. I. 1, 6. wc tirtfioi\'\\ti>ovTac, \'YioauQhpvovc; r«?C iróKioi alsof T. de stalen belaagde.
Zoo I. 1, 11. I. 2, 1.
3)   voor den Genitivus absolutus dikwijls te vertalen door: in de overtuiging dat,
in de meening, uut het doel om
en dergelijke uitdrukkingen. An. I. 3, f. ï\\iyi Sap-
püv,
wf Karaartfaofuviav tovtiuv tig rb Sêov hij zeide Cyrus moed te houden, in de
overtuiging dat dit wel in orde zou komen.
In de directe rede staat er dikwijls bij : tv*, i\\tTt ri)i> yvw/ini\'. Dit kan men nu
vertalen door: wees, weest overtuigd en vertuult dun wc met volgenden Gen. Abs. door
dat en een objectszin. An. I. 3, G. wc. ipob ouv ióvroc \'biry av Kai vfiftc. ovrut rt)v
yvtófttjv
*xïré weest aldus overtuigd dat ik derhalve gaan zal, waarheen gij ook gaan
moogt.
Vergelijk Cyr. I. 6, 11.
c)  tijdbepalend (Neg. oï») in verbinding met:
a/ia te gelijk, (auriica) ev^vg aanstonds
fitTu&v te midden van.
An. III. 1, 27. ó ju4i>ro< StvotpCtv /jttratiu viroXafiivv tXt^tv u>St
doch X. viel hem in de rede en zeide het volgende.
PI. Ap. 40. b.
rb rov Srtov armüov tv tiXXoig XóyotQ noXXa\\ov otj jut t7TioT^e Xi-
yovra fitra^v het teeken der godheid weerhield mij bij andere ge-
legenheden dikwijls midden in mijn woorden.
An. I. 9, 4. wart tiiSbg iraliïtg livrtQ /xavSavovoiv ap\\tiv zoodat
zij aanstonds als kinderen
(van kindsbeen af, a puero) leeren be-
velen. An. VI. 2, 14. Xuplao(po<; afia fitv aSvftwv Toïe ytytvrintvotg,
aiia §ï fxiaCov Ik tovtov to oTpaTivpa tiriTpiirti abr^ irottlv on
fiovXtrat. Chirisophus te gelijk door het gebeurde ontmoedigd en
19
-ocr page 304-
290                                  ADJECTIVA VERBALIA.              [N°. 419-422.
daarom tevens het leger hatend laat hem over te doen wat hij wil.
An. VI. \'6, 5. ifia\\ovTo a/jia iroptvófuvoi oï "EAAijwc de Grieken
trokken al strijdende vooruit.
420             d) concessief in verbinding met ical, Kaiwip ofschoon (Neg. ov).
X. An. I. 6, 10. olwip irpóaSnv irpoaiKvvovv tov \'Opovrav Kat
TÓrt irpoatKiivtjaav Katntp tlBórtg on ïtti Savarov a-yotro die Oron-
tas vroeger koninklijke eer bewezen deden dit ook toen ofschoon zij
wisten dat hij ter dood gevoerd werd.
I. 8, 23. V. 5, 17.
e) voorwaardelijk. (Neg. /u»/):
421         An. II. 5, 19. Kapirov v/itii êvvat/itS\' av KaraKavoavTft; Xiftbv
Vfïiv avTtra^ai
(= tl KaraKavaaififv Kapirov) wij zouden U met den
hongersnood kunnen bestrijden indien wij de vruchten verbrandden.
(Zie ook 2. a).
Aanm. 1. Zie voor het Participium al.solutum Séov, irpoan\'iv, <£ov etc. bl.202. E.
^ Voorbeeld An. II. 6, 6.
2. De Purticipia t\\iüv, aytov, 0fpu/v, \\n3tóv, xpc/i/ufoc, Krijfafitvo^
worden dikwijls het best vertaald door bet voorzetsel met. An. I. 2, 3—6.
§ 108.
Adjectiva Verbalia.
422         !• Het adjectivum verbale gaat uit op -roe of -rêoQ. Men
kan het vormen van den Aor. I. Pass (of zooals deze tijd regel-
matig zijn zou, wanneer hij niet bestaat) door -$r)v in -rog of
-tm>c te veranderen, met weglating van augment en verandering
der aspirata in de tenuis bij verba impura.
2. Het adjectivum verbale op -toq geeft of een geschiktheid,
mogelijkheid aan (= Ned. achtervoegsel -baar) of komt in betee-
kenis overeen met het Part. Per f\' Pass.
Het adjectivum verbale op -«\'oc is gelijk in beteekenis aan
het lat. Gerundivum.
liraiBivSriv: ira/Sturoc opgevoed of geschikt om opgevoed te worden.
watiïtvTêog educandus.
ypfóqv: alptróc gekozen of geschikt om gekozen te worden, wenschelijk.
aiptTtoc eligendus.
-ocr page 305-
N°. 422—425.]                      negaties.                                         291
in/jii\'i^v : ti/ititÓq gëeerd of eerbaar. Tifir\\rio^ honorandus.
tirpax$r)v: irpaKróg gedaan
of doenlijk. npaKTtog faciendus.
tSav/iaoStiv: Sravfjutoróg ivonderbaar. èavfxaariov mirandum.
(itrrpttjiSrriv): arpéWTÓQ gedraaid.
(tytvxSnv) \'•
tf>fuktoc ontvlucht, mogelijk te ontvluchten. (ptvicrioQ
fugiendus.
lairapr\\v: airapróg gezaaid.
tiró^ijv: ttotÓq gedronken, drinkbaar, noria? bibendus.
Aanm. Bij werkw. die ia het Pass. eene van het Med. ver-
schillende beteekenis hebben kan het adj. verb. beide hebben:
bijv. iuiotiov men moet overreden en men moet gehoorzamen.
3.     Bij met Praepositics samengestelde werkwoorden is het 423
adj. verb. op -toq
Oxytonon en van 3 ui tg. in de beteekenis der mogelijkheid:
Proparox. en van 2 uitg. in de beteekenis van het Part. Perfa Pass.
Alle andere samenstellingen zijn Proparox. en van 2 uitgangen.
j S<a/3aróf. 3. doorwaadbaar, mogelijk om over te trekken. a/3aroe. 2.
onbegaanbaar. ijKiXivaroQ
2. opgewekt, aangestookt. curaiStvTos 2.
onopgevoed.
4.     Evenals in het latijn bij het Gerundivum staat ook in het 424
Grieksch de persoon bij het Adj. verb. op téos algemeene regel
in den Dativus, nooit in den Gen. met vwo.
An. II. 4, 6. irorafioq b" ft Tig kcu • aWog i)füv fort Siafiarioe
oiik olda of wij nog een andere rivier moeten overtrekken weet
ik niet.
Aanm. 1) De Persoon kan ook in den Ace. staan. PI. Crito. 49. a. oMfvi Tpómp
Qaplv ikóvtus ainenriov fïvai wij beweren dat men nooit met vrijen wil onrecht mag
doen.
2) Bij het Adj. verb. op -rkoq kan (afwijkend van het lat. Gerundivum)
een ohjectmceusativus staan. Xen. Mem. II. I, 28. roin; ipiXovc. lóipyirqriov, ti)v
wó\\iv uipiXtjriov
etc. «miei beneficiis afficiendi sunt, civitas colenda est ete.
§ 109.
Over de Negaties.
1. Er zijn twee Negaties: oïi(k) en ju/j, die samengesteld voor- 425
19*
-ocr page 306-
292                                         negaties.                       [N°. 425, 426.
komen in oufit 15 /ujjSt/c, ovrt /u/jte , ovirort firiwore enz., en ook
dan dezelfde regels volgen.
2. Volgens N°. 358 staat:
ov in oordeelszinnen, die nameljjk een oordeel, bewering, feit
uitdrukken.
fir\'i in begeerzinnen, die een wil, wensch, doel, onderstelling
aangeven.
Vandaar staat
1) bij den Indicativus ov. Behalve: a) in de voorwaarde-
Hjke zinnen, hetzij deze door u worden ingeleid, hetzij door een
relativum, wat in een zin met tl kan opgelost worden. N°. 395.
b) in de doelaanduidende zinnen na Ivo, we, oinog opdat. N°. 379,
2. en N°. 380 of na relativa N°. 394. 3. c) in vragen waarop
men een ontkennend antwoord verwacht: \\it\\, apa /ui). N°. 373.
.,                  . .... _              (met ^ de Neg. ou. No 366.
2) In hoofdzinnen 011 den Optatwus . „ , „
(zonder av de Neg./ij/. „
In bijzinnen staat de Optat. met de Neg. oü behalve in de
doelaanduidende N°. 378, en tijdbepalende N°. 384.
3)  bij den Subjunctivus, Imperativus en Infinitivus /mi), be-
halve bij den Ace. c. Infinitivo na de verba sentiendi en decla-
clarandi. N°. 370.
4)   bij het participium ov of /uq naarmate het door een zin
met oïi of p/j kan vervangen worden. N°. 417.
426 3. Een Negatie door meer andere Negaties van dezelfde soort
gevolgd:
wordt versterkt wanneer de laatste samengesteld is,
opgeheven wanneer de laatste niet samengesteld is.
Ouk iptl oi&ie ovSêv niemand zal iets zeggen.
Ovètig ovk awoSaviirui een ieder zal sterven.
An. I. 8, 20. ovk aXXog tQiv EAA//i>ö>v tv ravry ry na,\\y iira-
$iv ovStlg ovStv k. t. i en niemand anders der Grieken had in
dit gevecht iets te lijden
enz. Cyr. I. 4, 25. icaï ovBtva tyutrnv
övriv ov SaKpvovr\' airooTpt<pt<T§ai en men zeide dat er niemand was
of hij verliet hem met tranen
, (= dat ieder hem met tranen verliet.)
-ocr page 307-
N°. 426—428.]                      negaties.                                          293
4.     Men lette nog op :
, , ( met den Conj. of Fut. Indic. bezwaarlijk, zeker niet. N°. 365.
\'"\' m f met Fut. = Imperativus. N°. 365.
, , ( bij de verba van vreezen = ne non, dat niet. N°. 381.
( misschien, mij dunkt. N°. 382.
5.     De Negatie staat voor het Nederlandsen spraakgebruik
overtollig in zinnen met wg na de negatieve verba van weerspre-
ken, bestrijden avriXiytiv, betwijfelen aft(j>ta(3tiTtiv, loochenen ap-
viïaSai.
Thuc. I. 86. oi \'ASijfatoi liraiviaavTtg iroWa ïavTovg ovBa/xov
avTsïirov i Óiq
oiiic aSiKovai rot/? fi/iiTipovg %v/tft&\\ovs de Atheners
die zich zelven uitbundig prezen weerspraken volstrekt niet, dat
zij ome bondgenooten verongelijken.
6.     Eveneens staat /u>/ voor ons overtollig bij den Infinitivus
na de negatieve verba avrtXtytiv, afnfna^tiriïv, apvüaSai = ï£apvov
üvai, inriartlv betwijfelen, airoXveiv vrijspreken, iic<pevyuv ont-
vluchten, airayoptvsiv, antcirtlv verbieden, i/unoBiov ilvai in den weg
staan, KwXvetv verhinderen
en meer andere dergelijke.
X. An. I. 3, 2. fiiKiihv i%t<pvyt /</} KarairtTpuSrivat hij ontvluchtte
nauwlijks (gesteenigd te icorden) de steeniging.
Zie ook An. II. 5,
29. IV. 8, 14. VI. 4, 24. VII. 2, 12. III. 5, 11.
Kwkiu) staat ook zonder volgend pfi. Zie Cyr. VI. 2, 18. An.
II. 5, 7. I. 3, 16.
7.     Staat bij deze werkwoorden eene ontkenning dan volgt ju>)
ov hetgeen in de vertaling verwaarloosd wordt.
Cyr. I. 4, 2 ó \'Aorvaytit; o rt Bioiro avrov o Kvpog, ovêiv
tSvvaro avrêxtiv
ju») ov \\aptZta$ai, wanneer Cyrus hem iets vroeg
kon Astgages zich niet weerhouden van het hem toe te staan.
Zie
ook I. 6, 32. IV. 3, 8. Heil. III. 3, 6. V. 2, 36.
8.     Zoo staat ju») ov ook overtollig na vragen die een ontken-
nenden zin hebben: bijv. Heil. IV. 1 , 36. tIvoq tiv Stoic /nff ov^L
irafiirav tvèaifiuiv tlvui
(= ovBtvbt; av êiotg) wat zoudt gij dan nog
ontberen om volkomen gelukkig te zijn.
An. III. 1, 13. tl Bi ytvrr
aófi&a tirl fiamXtï rt ifiwoBwv
jur) ov\\i arro^tavüv en indien wij
-ocr page 308-
294                                       particulae.                    [N°. 428-430.
in de macht des konings komen wat belet dan dat wij omkomen?
(=^ ovSïv ifnroB\'Mv). Doch An. IV. 8,14. ovroi fióvoi tri i](üv i/iiroSojv
rh fii)
jjSfj ilvai ïvSa iraXm aTrtvBofitv deze alleen beletten ons nog
van reeds daar te zijn uaarheen wij ons sinds lang spoeden.
(Zie 6.)
429         9. Mi) ou staat dikwijls voor enkel jurj bij den Infinitivus, zoo
a)    somtijds, wanneer het werkwoord (verschillend van de
onder 6 aangegevene verba) waarvan de Infinitivus met //// af-
hangt reeds een Negatie bij zich heeft: Heil. II. 3, 16. avriXtytv
on ovk ly\\wpoiri
/«/) ovk ticiroSwv vottïoSat hij voerde daartegen
aan, dat het niet nuttig toas hen niet uit den weg te ruimen. Zie
ook V. 2, 36.
b)    na het werkw. aia\\yvu> en de uitdrukkingen ala\\póv
iariv, ata\\vvif iariv
, ètivóv iariv enz. An. II. 3, 11. wan iraoiv
ala\\vvtiv ilvat fit) ov ovoirovSaZtiv zoodat het voor allen een schande
tcas niet ijverig mede te werken.
Cyr. VIII. 4, 5. Cyr. II. 2, 20.
c)    na de uitdrukkingen ov Bvvaftai, ov\\ oióv rt, aSvvarov,
ov ctKatov
, ov irpoaijKti etc.
§ HO.
Over de Particulae.
430         1. Door Particulae verstaat men alle woorden, die niet ver-
bogen of vervoegd worden, die geen nomina of verba zijn. Hier-
toe behooren dus ook de Adverbia (N°. 140 en 304) de Praepo-
sitiones (N°. 310).
Hier wordt echter alleen gesproken over de Particulae in
meer engeren zin, over de Conjunctiones of Voegwoorden, die
dienen om zinnen of zindeelen aan elkander te voegen, te ver-
binden.
2. Deze Conjunctiones zijn subordineerend, wanneer zij dienen
om een afhankeljjken zin onder zijn hoofdzin te rangschikken,
en deze zijn behandeld bij de verschillende soorten van bijzinnen.
N°. 369 enz.
Zij zijn coördineerend, wanneer zij dienen om verschillende be-
trekkingen tusschen zinnen of zindeelen aan te geven.
-ocr page 309-
N°. 430, 431.]                    particulae.                                       295
De coördineerende zijn
a)  copulativae of verbindende: kou\', ré, ov§é, jur)8t\';
b)   disjunctivae of scheidende: ?\'}, Ure, ovrt, nfat;
c)   adversativae of tegenstellende : aAAa, arap, av, ftiv, Bi,/uivroi;
d)  consecutivae of gevolgtrekkende: apa, Si\';, vvv, ovv, ro\'ivvv;
e)   causales of redengevende: yap;
f)   concessivae of toegevende : koItoi.
Zie de interrogativae of vragende N°. 373
3.     Nauw verwant met deze Conjunctiones zijn de particulae,
die dienen om een woord of gedachte meer klem en nadruk te
geven, zooals:
yi, -yoüi>, »1, fié v , fti\'iv , 8»\'), Trip, /<« , vr/, rol.
4.     Sommige Particulae kunnen niet als eerste woord van den
zin staan en worden daarom postpositivae genoemd. Dit is nood-
zakeljjk het geval met de encliticae. Zie N°. 13.
Het voornaamste aangaande hun gebruik vindt men in de vol-
gende lijst.
1. \'AAAó (lat. sed, at) maar, doch: na eene Negatie maar:
ov yap aAAa, oï» yap toi aAAa, ov fitvrot óAAó, ou /ir)v aAAa
het is niet zoo, maar : intusschen, verum tarnen:
bij een opwekking en antwoord: nu, goed, welaan, aldus.
An. I. 8, 16.
tl — aAAa yt: si — at certe, maar ten minste, ten minste toch.
Cyr. I. 3, 6. VIII. 6, 18.
oii fiovbv — aAAa icaf: non solum — sed etiam.
aAAa postpositief is gelijk aan \'t lat. saltem.
Aanm. \'AAAa yap = at enim. Soms wordt dAAó met yap in
het begin van een zin verbonden, terwijl aAAó eigenlijk bij een
volgend gedeelte van den zin behoort: An. III. 1, 24. aAA\' lowg
yap Kat aAAot ravr iTT&vfiovvTai, irpbg tü>v Srewv fifj ava/uêvw/itv
aXXnvQ
È^>\' rj/uöc tXSiïv, .... aAA\' i\'ifiiig apc,wfitv = ïuwp yap . . . .
aAAa irpoq rtóv Sttüv: misschien overwegen dit ook wel anderen,
doch bij de goden laat ons niet wachten totdat anderen naar ons
komen
.... maar laten wij beginnen. -. <•
-ocr page 310-
296                                          FARTICULAE.                                  [N°. 431.
2.    "AAAüic anders, in een ander opzicht, wegens andere rede-
nen.
Cyr. I. 2, 11. — oWmq rt et insuper, en daarenboven —
rïAAwe Tt Kat a) = ra rt a\\Xa — icai zoowel in andere opzichten —
als ook, niet alleen om andere redenen — maar ook daarom, cum
alia de causa — turn hac. Cyr. I. 6, 11. II. 2, 24, b) voorna-
meiijk, bijzonder,
cum praesertim. Cyr. IV. 5, 8. An. V. 6, 9.
Aanm. Ta ts aXXa — Kal = tiWwq Tt Kal. Cyr. I. 2, 12. An. I.
3, 3. Heil. III. 5, 6. Cyr. I. 3, 9.
TèfAAa als adverbium: voor het overige, overigens. Cyr. I. 2, 11.
3.    "Apa (postpositief): dus, nu, dan — ovk apa niet soms —
tl apa wanneer soms, of soms An. II. 4,6. — tl /nrj apa indien niet
misschien,
nisi forte, nisi vero. N°. 393. c.
4.    \'Apa (vraagwoord): ap\' ov nonne, apa tf num. N°. 273.
5.     \'Aróp (bij Hom. ook avrap) doch, at.
6.     Au (postpositief): wederom, van den anderen kant, van hun
kant
An. I. 10, 11.
7.     I\'fflp (postpositief): want (enim), namelijk. — In antwoorden,
soms in vorm van vragen: immers, toch. Cyr. I. 6, 12. ol> yap
nl/nniuai hoe toch zou ik mij niet herinneren.
An. I. 6, 8. Cyr.
III. 1, 11. — In levendig gesprek dan.
Ka) yap etenim, nam etiam, koi yap — Kai want zoowel—als.
An. I. 9, 10. — 7, yap; oï» yap; niet waar? N°. 373. — tl yap,
ti§t yap utinam
N°. 366. — yap Sj\'; enimvero, inderdaad.
8.     ré (postpositief, enclitisch) ten minste, juist, althans. —
tywyt
N°. 148. ik voor mij, intlyt daar toch. An. I, 3, 9. ge-
scheiden è7T£i\' yt.
9.     Toüv (= yt ovv, postpositief): ten minste, in ieder geval,
certe.
10.     At (postpositief): 1) maar, daarentegen, doch. 2) Het
heeft niet altijd tegenstellende beteekenis: in de meeste gevallen
dient het alleen ter verbinding van twee zinnen, waar wij het
door en of in het geheel niet vertalen.
Msi» (postpositief): verzwakt ju»)v (zie 19.) voorzeker, voorwaar —
fxlv ovv = lat. immo bevestigend, ja zeker of ontkennend, wel
-ocr page 311-
N". 431.]
297
PARTICULAE.
zeker niet, o neen — iraw, fxaXiara fiiv ouv gitnsch zeker toch —
«ai (<JAAd) fiiv S>) en (maar) voorzeker toch.
Aanm. 1. In het algemeen wordt door fdv een begrip met meer
of minder klem op den voorgrond geplaatst om het tegen andere
over te stellen, die dan gewoonlijk met Si volgen.
2.   Wanneer nu de tegenstelling van twee zinnen of
woorden door fiiv - Si wordt uitgedrukt, moet 1) fiiv somtijds
door wel of ten eerste vertaald worden; veelal echter blijft het
onvertaald, daar het Nederlandsche taaieigen niet vordert dat die
tegenstelling worde uitgedrukt, of daar zjj uit de plaatsing der
woorden genoegzaam volgt. 2) Si wordt door maar, daarentegen,
doch
vertaald. Doch ook in dit geval, evenals wanneer geen fiiv
voorafgaat, is de tegenstelling dikwjjls zwakker, dan waar wij
maar enz. gebruiken, en gaat Si daarom bij de vertaling verloren
of wordt na tjjdbepalende woorden door nu weergegeven.
3.   Op fiiv volgt altijd Si of een andere partikel van
dezelfde beteekenis aAAa, fiivroi, ürup enz. Bij opsommingen
volgt op npÜTov fiiv dikwjjls eenvoudig ïirtna, efra.
4.   Zie voor ó fiiv — ó Si, oi fiiv — oi Si N°. 25.
11.     Ai) (postpositief) = »)§»}: Partikel van tijd: reeds, even,
aanstonds
(jam), vïiv Si) zoo even — van gevolg: alzoo, derhalve —
van dringende aanmaning bij den Imperativus en bij vragen:
ays Si) iini welaan spreek dan — van instemming: natuurlijk,
ongetwijfeld, zekerlijk toch.
Dient als suffixum in ïi<xr<e 8»\'/, óaTiaSiiirort quicumque, iirtiSi)
toen nu
enz.
Aïfitv ongetwijfeld, naar het schijnt — Si)irov toch wel — Si)ra
(postpositief) in ieder geval, zeker, oi> Sijra zeker niet, rl Sfjra;
hoe dan?
12.     Eers — ene, sive — sive, hetzij — hetzij, of— of. N°. 373.
13.    *H, gewis, voorwaar: gewoonlijk »J fii)v N°. 402. — vraag-
woord N°. 373.
14.    "H. 1) scheidend: of, of anders: ?j — i), of— of = t}to< — »j.
-ocr page 312-
298
[N°. 431
PARTICULAE.
2) vragend: of, irórepov, irórepa — f|, utrum an N°. 373. 3) na
een comparativus: dan N°. 138.
15.    "Iva. 1) relativum: waar, 2) conjunctie: opdat N°. 379. 3.
en vandaar vragend "va rl (yivnrai) waarom?
16.     Kat\' en ri (Postpositief, Enclitisch) = lat. et en que: en,
ook, zelfs,
bij een Comparativus nog.
1)  wanneer op een zin met té een andere zin met Kal volgt
beteekenen zij : niet alleen — maar ook, zoowel — als ook, non
solum — sed etiam.
2)  gewoonlijk dient — Kal ter verbinding van twee zindee-
len,
waar wij en zetten. Alsdan kunnen zij onmiddellijk elkander
volgen. An. I. 3, 8. awopüv re Kal Xvirov/itvoQ in verlegenheid en
bedroefd.
Zie Cyr. I. 6, 7.
3)  Tt — ri dient gewoonlijk slechts om twee zelfstandige
zinnen te verbinden, wordt dan gevoegd bij de woorden, die
tegen elkander overstaan en dikwijls niet of door en vertaald.
4)   Km\' — Kal = lat. et — et.
5)  Kat\' in verbinding met = maar ook, en ook.
6)   Kal (ook té icaO verbindt soms twee adjectiva waar wij
het niet vertalen, bijv. toXAoi icnt aXXoi (ook) vele anderen, koAoc
KayaSós rechtschapen, rlg Kal a\\\\os eenig ander.
7)    Kat na aüróe idem, ójuoi\'wc, waulrwg etc. is gelijk het
lat. ac, atque.
8)  Kal voor Infinitivi: ook slechts, ook maar, alleen, reeds.
Cyr. I. 1,5. Kat SnXSüv. I. 3, 3. ko\\ Idüv; voor Participia:
hoewel, Kal 7roAAoi ovrsq hoewel zij talrijk zijn.
9)   Ovre — ri = neque — et. Té — Kal ow (/«»/) of —
oi> [firi) =
et — neque. An. I 8, 8.
10)    Kal staat dikwijls waar wij een tijdbepalende conjunctie
gebruiken, vooral om een plotseling intreden der handeling aan
te geven: a/xa — Kal, tv&vg — Kal, a\\iBbv — kcu, ovirw — Kal,
ovk tySnv — Kal.
Cyr. I. 4, 28. II. 1, 10. An. II. 1,7. Zoo
An. VI. 4, 26. k«i èZuirlvys toen eensklaps.
-ocr page 313-
N°. 431.]                              PARTICULAE.                                       299
17.     Ma Ata = ow /ia Aia neen bij Jupiter: Njj Aia = val pa
Aia, ja bij Zeus.
18.     Mtvrot (postpositief) voorwaar, doch: in vragen ow/ut\'i>ro<;
niet waar?
19.     Mr/v (postpositief): voorwaar, dikwijls met »} (zie 13) of
doch maar: aXXa ufo at vero, Ka) /ui)v et vero, nu echter, ov
n>)v aXXa
verura tarnen (zie 1).
20.     M?iSi, oi/Si = lat neque. a) na voorafgaanden negatieven
zin: en niet, ook niet (na voorafgaanden bevestigenden zin vertaalt
men en niet door Kai oü (/»\'/) et non), b) na een voorafgaanden
bevestigenden zin: niet eens, zelfs niet, volstrekt niet, en staat
dan gewoonlijk midden in den zin.
M/jrt en Ovrt komen gewoonlijk slechts bij verdubbeling voor
= lat. neque — neque , noch — noch.
21.     Müv vragend = pij ovv = num. N°. 373.
22.     Nwi> nu, op dit oogenblik. Nww (postp. enclit.) is meest
dichterljjk, het toonlooze nu, alzoo.
23.    "0;uw£ desniettegenstaande, evenwel, bijzonder bij Participia
te vertalen door een bijzin met ofschoon: ouwq yt ufo, o/uwc ys
fiivToi niettemin
, o/uwe Kai hoezeer ook.
Wel te onderscheiden van ó;uwe op gelijke wijze, evenzeer, ge-
lijkelijk.
24.    "Oïïwc. 1) als adverbium relativum (N°. 308) en als vraag-
woord in de zijdelingsche vraag: hoe, op welke wijze, op de wijze
waarop.
2) als conjunctie: opdat. N°. 378 — 380. 3) in plaats
van we (32). a) bij een Superlativus: o7rwe ra\\urra quam celer-
rime, zoo spoedig mogelijk (= on, we r«x«ffra) b) bij vergelij-
kingen: evenals, vawe owwe gelijk een schip. Zie Soph. Phil. 777
en 819.
Ow* 6(t3\' oirwe> het is onmogelijk: fieri non potest.
Owk toS" 6n-&»e oi, het is noodzakelijk: fieri non potest quin.
Ov\\ (fit)) öVwe, fiij on = ov Xtyto <"m, oÜk èpw öVwc ik zeg
niet dat,
of ftfi r«c Xtyirw niemand zegge dat.
-ocr page 314-
300                                       PARTICITLAE.                              [N°. 431.
iniet slechts.. maar ook. Cyr.
VIII. 1, 28.
niet slechts niet — maar zelfs.
Heil. V. 4, 34.
Ov\\ Ö7rtt»e (ort), /u?j Ö7rti)c (oti) . .. aAX\' ovSt niet slechts niet. ..
maar niet eens.
Cyr. I. 3, 10.
25.    "On dat. N°. 370—372. "On »{, volgend op een nega-
tieven zin beteekent: behalve, behalve dat, ftfj &ri laat staan,
nedum. Zie ook 24.
26.     Ou en fa\',. Zie N°. 425, N°. 373 en N°. 381. ovn vol-
strekt niet.
De Partikel oï» heeft bij sommige woorden zulke kracht, dat
zij deze niet alleen ontkent, maar zelfs in eene geheel tegen-
overgestelde beteekenis verandert. Zoo beteekent ov iraw vol-
strekt niet, ob\\ ^kivto geheel bijzonder, ov <pi\\ui ik weiger, ontken.
An. I. 3, 1.
Ov en ju/; vormen met een volgend substantivum een samen-
gesteld nomen bijv. 17 /i?) i/xnttpta de onervarenheid.
Móvov ov , ov\\t tantum non, bijna. Cyr. V. 5, 50. "Oauv ov
met volgend r}§»/: reeds bijna. An. VIL 2, 5.
27.     Ovv (postpositief) gevolgtrekkend: aldus, gevolglijk, nu,
derhalve,
ergo; of bevestigend: voorzeker, inderdaad: B\'ovv maar
althans, in elk geval echter, voorzeker, stellig.
An. I. 3, 5., aW
oiv maar voorzeker, yap ovv want toch zekerlijk, km yap ovv
daarom dan ook.
An. I 9, 8 — 12., tl S\' ovv als dan waarlijk,
SjtTirip ovv zooals dan toch zeker.
Zie ook 10, fiiv.
Ovv suffixum van pronomina = §>\'/ (11) óanaovv quicumque.
N°. 188.
28.     Ovkoïiv (versterkt ovv) a) verzekerend: aldus, derhalve,
b)
vragend: alzoo niet? nonne igitur? N°. 373.
Ovkow (versterkt oÜk)    a) verzekerend: aldus, dus niet.
b)
vragend: aldus niet ?
29.     nip (postpos. enclit):   zeer, althans, dient als suffixum
bij pronomina en particulae :
   \'óoirtp juist diegene, iirdvsp daar
-ocr page 315-
N°. 431.]                              PARTICULAE.                                       301
juist, uirep daar toch, zoo ten minste. N°. 393. Katirip ofschoon,
N°. 420, &anep gelijk, juist als.
30.     n«ó (postpos. encl.) in ovirio, fii)—irto nog niet (ovkIti
niet meer).
31.     Tot\' (postpos. encl.) bevestigend: zeker, ongetwijfeld, in-
derdaad
(soms gevolgtrekkend: dan , derhalve).
Kulrot ook inderdaad, en toch — /.itvroi tegenstellend: evenwel
(boven 10. 3); bevestigend: waarlijk, alleszins — uvroi waarlijk,
voorzeker niet — roiyap , rotyapovv, roiyaproi = Kaii yap ovv
daarom dan ook — rolvvv 1) derhalve, aldus: 2) nu echter, lat.
atqui. 3) = Bt, verder, echter.
32.    "Qg. 1) zooals, evenals, als (quasi) gelijk = wairtp.
2)  hoe, quam bij een uitroep An. I. 3, 16 ü>g tï>t)Stg
quam insanum, hoe dom. Cyr. I. 3,2.
3)   bij adverbia voor den positivus met versterkende
kracht wg a\\t)SÜ>g in waarheid. Cyr. I. 3, 8. voor saperlativi
(= liri, oirwg, zie boven 24. 3)) om den hoogst mogehjken graad
aan te geven. N°. 137.
4)  voor \'órrwg, ut finale. N°. 378., voor loart ut con-
secutivum. N°. 376, voor quum temporale. N°. 383, voor quod
causale N°. 372., voor tin dat N°. 370.
5)   wg in verbinding met Participia en den Gen.
Abs. N°. 418.
6)  wg = üg ongeveer, omstreeks bij getallen. An. 1.2, 3.
7)  tï»c, praepositie bij personen = ilg tot, naar.
bl. 208.
8)  w? geeft aan de praeposities fat, tig, npóg de
beteekenis van versus, duidt namelijk de richting niet het doel
aan: naar den kant van.
9)   in de uitdrukkingen wg ïvt naXiara zoo zeer als
mogelijk, wg tKaarog
of ïicaorot ieder voor zich: wg faï rb wo\\i
zooals meestal, wg tlnóg zooals billijk, natuurlijk, klaarblijkelijk is,
wg wipsXov
utinam, och of N°. 363, wg tfiol, u.a-f i/noi volgens
mijn oordeel.
-ocr page 316-
302                                       PART1CULAE.                              [N°. 431.
33.    "Qe (of J>c) = ourwc, <5>8t, aldus, zoo, op deze wijze —
icai &c ook aldus, ook in zulke omstandigheden — oï»8\' wc en yuijS*
&c ook zoo niet, ook in zidke omstandigheden niet, toch niet,
desniettemin.
34.    "Hart, itaquc 377. Aanm. 1, ut consecutivum, zoodat
N°. 376.
Dikwijls moet ware vertaald worden: op, onder voorwaarde dat,
ea conditione ut, waarvoor fy>\' $Tt meer gebruikelijk is. An. V.
6, 26 wort tKTrXïïv onder voorwaarde dat zij wegvoeren. Dem.
Phil II. 11.
"H dart of ware met den Infinitivus is achter begrippen waarin
een Comparativus ligt opgesloten te vertalen door: dan, dan dat,
soms ook na positivi om aan te geven dat een eigenschap in te
hoogen graad
aanwezig is. Cyr. IV. 5, 15 óXiyoi tofttv werrt
t7Kj>aruc tlvai avrüiv wij zijn te gering in aantal on ze te verwerven.
t
-ocr page 317-
AANHANGSEL
OVER
HET DIALECT VAN HOMERUS.
VOORWOORD.
Een aanhangsel over het dialect van Homerus wordt in deze spraakkunst gevor-
derd. In het kort zal ik hieraan trachten te voldoen. Hierdoor ben ik echter in
de noodzakelijkheid rekening te houden met den tot heden algemeen aangenomen,
den overgeleverden text, en den text, zooals hij ons gegeven wordt in de Homerus-
uitgave met de digamma van de twee vaderlandsche geleerden J. van Leeuwen Jr.
en M. B. Mendes Da Costa, door bevoegde beoordeelaars \') naar verdienste hoog
geschat. Voor het gebruik dier uitgave zal dit aanhangsel echter niet voldoende zijn,
doch gemelde geleerden hebben een merkwaardig handboek „Het Taaieigen der
„Homerische Gedichten" aan hunne uitgave doen voorafgaan. Kortheidshalve zal
naar deze uitgave door de letters v. L. verwezen worden.
§ 1.
Versmaat.
Het vers van Homerus (versus heroïcus genoemd) is een hex-
amëter (t£a/utrpoe zesmatig) bestaande uit zes voeten. De laatste
voet heeft altijd slechts twee lettergrepen (-----of — w) {dactyli-
cus catalecticus in disyllabum), de vijf andere voeten zijn of dactyli
^ ~J) of spondëi (-----).
In den vijfden voet is veelal een dactylus, ofschoon dikwijls
(vooral wanneer het vers op een vierlettergrepig woord eindigt)
ook een spondeus voorkomt, waarom het vers alsdan versus
spondiiïcus
genoemd wordt.
\') Grato animo quae non peritura novissimi editores dederunt accipiamus. Nam
falsa quidem opininnum commenta ipsa delebit dies, sed permultos Homeri locos cum
alienis conjecturis, in quibus pensitandis sanum sobriumque ostenderunt judicium,
turn suis ipsorum inventis, quae saepe non volgari eruditione elegantiaque et singu-
lari acumine commendantur, ita curarunt, ut haud facile suscepti gravissimi operis
eos poeniteat.
Van Hekwkkden, Mnemosyne 1889, p. 142.
-ocr page 318-
304                                 DIALECT VAN HOMERUS.            [N°. 432, 433.
2.     Men noemt arsis van een voet de eerste lange lettergreep,
waarop de ictus of klemtoon valt, terwijl de tweede lange of de
twee volgende korten de thesis vormen.
3.     Caesuur (van caedere snijden) is een rustpunt, dat in een
voet
valt en waardoor het vers in twee deelen verdeeld wordt.
Gewoonlijk valt zij in den derden voet en wel öf na de arsis
{mannelijke
caesuur) öf in de thesis (vrouwelijke caesuur), somtijds
na de arsis van den vierden voet.
4.     Behalve deze caesuur is dikwijls nog een rust of pauze
(van iraveoSat ophouden) in het vers , welke gewoonlijk met de
interpunctie samenvalt, of na den eersten of na den vierden voet,
in dit laatste geval bucolische diaeresis genoemd.
Bijv. :
___ ^/V-/ ___ ^V/ ___ |l —^ ||__^ ___ v^W ___ >-/V^       ___ v^
Vr. Cues. — Buc. Diaer.   a. l.\'Avipa /ioï|(Wêjr(|MoüiTa,||jro|\\iyrpojroi>,||<>(,\' psnXnjiroXXa
Mann. Caes.         2. ir\\ayx^>j 11wei Tpw\'|t)?||ït|pi»\' irro\\i\\i$pnv ï|xtp<TII\'.
Vers. Spond.       29. nviirraro\\yap Ktir<t\\$vpbv\\\\n\\nitfiovnQ\\Aiyitj\\$oto.
Pauze na l8t\'n voet.       32. w *J7roi,||oIni\'| ji/ vu S»|oï>c j3poToi\\alria\\<ivrat.
Cacs. na arsis 4llen voet.       14. rov S\' >/|/(ti73«r\' ï\\irtira $e|a,||y\\au|*<Sjric \'A|3i)»<i/.
§ 2.
Quantiteit
433 Voor de quantiteit gelden de regels van N°. 6—8, doch:
1)     Ook voor muta cum liquida wordt de vocaal doorgaans als
lang beschouwd, terwijl de consonanten van een volgend woord
ook nog hun invloed uitoefenen op den klinker in de eindsyllabe
van het voorafgaande. Zie boven vers 2.
o. 15. tv <T7rÉ<r|oï y\\a<pv\\p(Htrl, \\t\\\\aiofit\\vrj 7ró(Tiv\\(ivnt.
a.
45. (1 irarip ti/iÉTipt KpoviSt], \'i-nart tpftóvTuiv.
a.
122. tcai (iiv <j>u>v>i<taQ ïwtB irripótVTa irpnariiSa.
2)    Zelfs een enkele liquida of de digamma van een volgend
woord is voldoende om den korten eindklinker van een vooraf-
gaand woord, die ia de arsis staat, als lang te doen gelden.
a. 27. Zrji\'èc l|vl /«fya|poiffij».                 i. 47. f<Véro|£ï pófi\\Sov.
$. 87. ») rot o\\rt M/ Sint f a\\tlSuv, k. 3. ir\\u>Ty i\\vï vi)\\atp.
P. 196. o S\' a\\pü J?<p\\iratiïi ü\\iraoat.
-ocr page 319-
N°. 433—436.]          dialect van homerus.                              305
Schijnbaar geschiedt dit soms ook voor » of J, waar echter een oorspronkelijke
sibilans verdwenen is, bijv. atvui voor afiita P. 463. 41 198, Siiay voor iftiay
0.  116. truv6t r. 172.
3)    Een tweeklank of lange klinker, door een tweeklank of 434
klinker gevolgd, wordt in de thesis
altijd verkort, wanneer de eerste cindsylbe is:
dikwijls, wanneer beide tot hetzelfde woord behooren.
Zie § 1. a. 1 en 2. «j. 312. roïoc l | óiv, olóc | laat.
?. 303. i\'ipwoe | dXX\' ön-or\' | av e. r. £•
4)    Een korte eindletter greep geldt in de ar sis als lang en wel
bijna uitsluitend vóór de hoofdcaesuur of vóór een interpunctie.
a. 40. Ik yap \'O | piarci \\ o || Wnic. y. 230. Ti]Xf;ia | \\l, \'«\' I o".
De -ï van den Dativus geldt in de arsis als lang. Bijv. e. 415. B. 116. O. 267.
1.  23. P. 152, 329. U. 119. Eveneens geldt als lang de naamvals-uitgang -a midden
tussehen vier korte lettergrepen: \\j/.
225. apnppaPé \\ a Kart | X«£ai\'. k. 353. A. 45.
Q. 7, enz.
5)    In sommige woorden, die anders voor het vers onbruikbaar 435
zouden zijn, wordt een korte klinker als lang beschouwd, bijv.
avÏTfpÓTtpoc met a en 5 (overgel. aviripéarepoi;) j3. 190. a in a%a-
varoQ (a). a.
31. en airovhaSai. B. 113, 288. ï in £7riroi>0£. /u. 423.
np~iaii(h<;- B. 817. r. 356. 9. 356. 2. 164. enz.
Daarom is elapïvóc, oiXó/Jfvoc, SovXixóiïitpor;, TrovXvjiÓTitpu overgeleverd, waar
v. L. Ftapivtiq, iXójitvoi, SöXixóSupos, iröXvjSÓTtipa schrijft, met lange ï en ö der
eerste lettergreep.
Om deze reden ook wordt 1. niet positione verlengd: a) de korte eind-klinker voor
de woorden ImkvvSoq. a. 246. ZJXtta B. 824. ZKu/iavSpoc (Sptoc;). B. 465. a/eiirap-
vov, t.
237, ffriaroc (Gen. van ariap talk, ook als tweesylbig beschouwd), (p. 178.
183. 4) de tweede syllabe in Aïyujrrlfi) etc. c) de eerste syllabe van weinige andere
woorden , bijv. avSporiira n. 857.
2. de i in den uitgang -irj tussehen twee lange syllaben als lang beschouwd,
zooals aüfitn smaad v. 142. virtpoirXtr] overmoed. A. 205.
6)    Een korte lettergreep wordt soms lang gebruikt in het be-
gin
van een vers, bijv.: ï in tirri S. 13. Sïó. T. 357.
7)     De korte ü blijft onveranderd, evenals de a die door het 436
wegvallen van consonanten lang is N°. 40, bijv. /xéXag (voor
nêXavg), irac. (voor ttóvtq), en de Ace. Plur. der l8tc declinatie
ipvxfe met lange a (voor i/w^óve N°. 81. 3).
Doch wegens de versmaat v/uaSófiC, ijvifióiit voor a/taSót«c, avsfióiie B. 77 ,
606. y. 172.
De van natuur lange a echter wordt meestal door »j vervangen
20
-ocr page 320-
306                                     DIALECT VAN HOMERUS.             [N°. 436 — 439.
bijv. \\Mpri (att. x^P") Z. 516. vtr\\vir\\z (veavtag) k. 278. pttiStog
(paBiog) t.
577. 7rpr)aaw {irparrw) y. 476, A. 562. ava\'iaio (Fut.
van aviam) j3. 115.
Substantiva, die in het Attisch op -eia of -ota uitgaan van adjectiva op -tjc of
-owc afgeleid, hebben bij Homerus •tit\\ en -oit) tot uitgang. Bijv. óXi)Sfi»i tvaarlieid.
Q. 407. p. 122. jun-Xofr) I. 362. tvK\\iin ?. 402.
§ 3.
Over de Consonanten en Sibilantes.
1.    Men vindt \'la en /xla als vrouwelijk van tig één; aïa en
ycüa (yi}) aarde; el(3w en Xtlfiiv plengen; aiv en £iv met. Zoo
ttóXiq en 7róA£^ioc naast 7rroA<e en tttóXe/uoq , /xaXaKÓc; en fiaXSa-
koj toeefc, Bl\\a rpixa enz. en Six&a rpi\\^a enz\'
2.    Jlfeï en zonder q vindt men iroAAaw (r. 232) en iroXXaKiq
(9. 362), avriKpv (E. 130, 819) en uvtikqvq (A. 481) tegenover,
fuo(a)r\\yv
(A. 573) en fita{a)r\\yiq (E. 41) in het midden, ISvq
(E. 849) en 2SÓ (Y. 99) rechtstreeks, /iiXpi (N. 143) en /«XP«c
(Q. 128), a/xfi praep. (r. 231, 328) en ct^is adv. (B. 13), aXpi
praep. tot aan (<r. 370) en aXpte a<^v\' geheel en al. (A. 522, IL 324,
P. 599), arpêfjias (B. 200) en arpina (O. 318) onbewegelijk.
3.     De sigma is slechts dan als aanvangsletter van een woord
voor eene vocaal gebleven, wanneer zij gelijk is aan sv-, zooals
in aiyaoj (ofiyau) zwijgen) N°. 243.
Zij wordt nog als oorspronkelijke aanvangsletter teruggevonden in u\\a (ace.) zee,
aal
, upa samen, éVo/jai sequor etc., alsmede in sommige vormen der werkwoorden,
bijv. ivviiria door assimilatie der o uit iv-akitta. \'Hiirto: oix<* — airiiaoj: <sxr\\«ii> =
ianov: laxov. Futurum met den langeren vorm der praep. Ivi - oirtiaut. Aor. zonder
augment Ivitsirov. Conj. met beide vormen der praep. (tv - airu>) tairia en Ivi - air<o.
Infin. Ivitrwiiv. Zoo ook -ilirov uit ïanrov bij -£7rw hanteeren.
Vergelijk N°. 247, 265. A. 4. en Nu. 440.
Met en zonder a vindt men opiicpós en /mc/nii; tói\'x, <rÜ£ en f; z«-//« en andere.
4.     Bij Homerus vindt men dikwijls dubbel a
1)    daar de linguales (tegen N°. 38 2.) kunnen geassimileerd
worden: ttovq. Gr. jtoS-oc D. PI. (jroS-ffi) iroaai, &*a£w (st. SticaS)
Aor. M. it>LKaaaafir)v.
2)     daar de a van den stam bewaard kan blijven voor de
uitgangen, die met a beginnen: bijv. tVoc (st. Ftitto N°. 244 6).
-ocr page 321-
N°. 439 , 440.]             DIALECT VAN HOMERUS.
307
D. PI. fn-«r-<m>; rtXéw (at. reXia N°. 257, 258. Aanm.) Aor.
irêXta-aa. Zoo iriirva-oai X. 494, 2 p. van iriirvafxai Pf. van
itvv^avofiai.
3)    daar in de oudere vormen dubbel a was, waarvan in het
Attisch maar ééne gebleven is bijv.: ro<r(a)oe, oa(a)os, fila{a)oQ etc.
4)     daar bij Homerus steeds dubbel a staat voor de attische
tt bijv. KTtyivaaw = KJjpvrr&i , SaXaoaa = SaXaTTa.
Men vindt echter ook de Attische vormen met enkel <r, irooi,
ïirsai, trtXcot, tÓooq , oao$ , /usaof.
5.     De oudere vormen der relativa welke met órr- aanvangen,
werden met dubbel ir geschreven, zooals nog bij Homerus in de
arsis, bijv. ottttote a. 41, óinrolog a. 171, ottttwi; a. 270, 295.
Zoo ook otti naast ort s. 112.
6.     Verdubbeling van Consonanten moet voornamelijk toege- 440
schreven worden aan assimilatie \') eener sibilans. Zoo vooral bij
het augment (N°. 240 en 244. 2), en in de vervoeging bijv.
lf.lfttl>(U (VOOr t<T/UtVai).
Yerder ook in de samenstelling, zooals (piXo/ifiuSfo (voor <ptXo-
ff/i£t8/)c) gaarne lachend, ayawtfog (van aya-avi^>w) dik besneeuwd,
ïvvvijroc schoon geweven (van tv-avito) etc.
V. L. geeft ook airivviZovro zij wiesschen zich af (van Awo - {o)viï,to ?) 8) liriW\'iyiïnv
aait de oppervlakte rakend {itet
- J?\\iyc~>iv f) 3), avvi<pi\\oQ onbewolkt (van iv\' =: a priv.
N°. 303 en v^sX»)).
Deze verdubbeling heeft ook plaats bij de F, bijv. IffoZiv (voor 1-aFah\'i Aor. v.
favlavoi behagen) = ivafa. S. 340, n. 28 etc.
\') „Man hat, wie jetzt wobl so ziemlich anerkannt ist, hier in den bei weitem
„meisten Fiillen die Verdopplung der Consonanten als Assimilation aufzufassen . . .
„Danach stellt sich die Verdopplung des p überall als etwas uraltes heraus. Damit
„verglichen ist XX, vv, pp. nach detn Augment eine vereinzelte Erscheinung, die
„sich theils ebenfalls aus iilterein doppelconsonantischem Anlaut erkliirt, theils aus
„missverstiindlicher Xachbildung solcher Formen. Auf Grund eines vielleicht berech-
„tigten iWiaairo, é\\Xi<Ta/i>j" . . . wagte man tXXajSt, Hft/iaSé .... Endlich erkliirt
„sich in einigen wenigen Fiillen der Doppelconsonant aus einer nach dem Anfangs-
„consonanten eingetretenen Assimilation, so bei otia, und ISe\'ewiv." Curtius Ver-
bum2. I. p. 116, 117. „Mépopt — f/(f/(opf — t/i/inpt ; oéaviiai — iaiav/iai — taou/iat;
„auch mit iWafit hat es vielleicht die gleiche Bewandtniss." II. p. 150.
s) Curtius Grundz.» p. 317. N°. 439. Ook Christ. K. 572.
3) Curt. Stud. III. p. 300.
20*
-ocr page 322-
308                                     DIALECT VAN HOMERUS.              [N°. 441, 442.
7.     De digamma staat niet alleen als aanvangsletter der woor-
den zooals bijv. \')
Hup (»/p) ver piairipoQ Vesperus, avondster jroïicoc vicus.
ftitcom viginti rtB, c^iBov videre                     föivoQ vinnm, wijn.
ftXSofiai veile f\'iov viola, viooltje                   ftpyu), hipyt» weren.
ftp- verbum f\'i$ vis                                       Hpyov werk, daad.
r) stoSi\'iQ kleeding )                                           ««kw ivijken.
\\ / a. 7 7 7 i vestis. vest,
to .«(t3o5 kleed )
Zij staat ook als tweede letter bijv. in StSrta en S&rouca vreezen
SeSfloaonai bang maken, Sti\'iv lang, soms voorafgegaan van een e
zooals in hiXBup wensch , htXSopai wenschen, iftXirofjiai hopen enz.
Aanm. 1) Men lette op de digamma van het Pronomen ?óc, é\'.roc (fft^oc) «««»
cijn, haar — <Jf, i), \'óv TX". 154, het Pron. Pers. van den 3\'l,n pers. Gen. Ftïa, ïio.
Dat. ^ot\'. Ace. Fi, en f\'oco.itoq elk.
2) In den overgcleverden text is de f dikwijls gebleven in eene v, zooals
tvaSl = IffaSi, avipvrrav = aFfépvaav.
8.     Gutturales en dentale» blijven dikwijls onveranderd voor de
H (tegen N°. 41), bijv. aKa^fiivoe;, ÏKfitvoc;, (/)ïB/xev, KiKopv^fitvog,
ttót/joc zooals in \'t attisch ook bijv. aK/u/j.
§ 4.
1. Samentrekking en crasis komen bij Homerus, op enkele
uitzonderingen na, niet voor. Zie N°. 447, 449, 453, 459, 473
enz. Vandaar u. 3. aorta (att. aart)) vóov (att. voïiv). 4. aXyea
(att. aXyri).
V. L. voert dezen regel ook door bij de woorden op -kAF/c en
geeft bijv. 2. 117, Y. 145 \'UpanXteoQ 2) etc. voor \'HpaicXqoc»
T. 98. \'UpaKXttiltjv
           voor \'HpaieAiiir/v.
Wanneer er in den overgcleverden text samentrekking plaats heeft wordt to tot tv
samengetrokken, bijv. n. 112. Surtvvro voor daréovro, o. Ö33. yivtvc, voor yivioQ.
Vandaar de Genitivi der Pronomina t/uv, pw — atv — tv — \'6t(t)iv — tiïi voor
Ifitó, ptó — aio — \'io — öttio — réo. Zie N°. 456.
\') Zie de volledige lijst der woorden welke bij Homerus met de F geschreven
worden bij v. L., Taaieigen der Hom. Ged., N°. 41.
s) JlurpriKKifèoQ \'HpwcX«.Pfï : offensionem , quam Nauckianae scripturae, \'Hpa-
eXtÉof et \'HpacXdtt) trium quatuorque vocalium immensus hiatus merito excitavit,
a nobis restituto digammo vitatam esse (addo). Christ., II. Proleg. p. 178.
-ocr page 323-
N°. 443—445.]              DIALECT VAN HOMERUS.                                     309
2. Door Synizesis \') wordt de t mot een volgenden klinker 443
of tweeklank als ééne lange lettergreep uitgesproken, bijv. E. 90.
tpiSïiXtlOV.
Overgeleverd is de Synizesis van de jj met volgende vocaal of diphthong: bijv.
a. 298. ?) ovk aiiic.
3 Apocope is de afkapping der laatste vocaal bij ava, napó,
Kara
en apa. De t van kot wordt dan geassimileerd aan de
volgende consonant: do v van av\' ondergaat de veranderingen in
N°. 43 aangegeven, terwijl zij voor de f geassimileerd wordt
bijv. cLFfipvaav (= avafipvaav), overgeleverd avépvaav (avepvio
terugtrekken) A.
459.
4.     Aphaeresis is de wegneming der eerste vocaal bij apa dus,
dan,
wat aldus in de volgende vormen voorkomt: apa, ap\' (zie
N°. 445.) Sp (zie boven 3.), pa en p (N°. 445.). Zie ook N°. 462.
5.     Syncope en Metathesis komen meer voor dan in het
Attisch ~N°. 284. Bijv. tiVte — ti non; waarom toch? irpóyvv
— npoyóvv op de knie, yXaKTOipayog = ya\\uKTO<j>ayo<; zich met
melk voedend, nXoxfioi = nXÓKa/ioi haarlokken. Zie verder N°. 448.
Kaprop , kaprtpóc nevens Kparog, KparipoQ, Spaeroc en Sapaog
koenheid, KoaBin en KapSnj hart, /3poroe sterfelijk en Comp. bij
ixópog dood. Zie voor dit laatste, alsmede voor t7rpa &ov, ïSpaKov,
N°. 284. A. 1.
6.     Elisie heeft niet alleen plaats volgens N°. 19, doch ook 445
de -i van den Dativus Sing. en Plur. kan geëlideerd worden,
evenals -ai in de uitgangen -pai, -aai, toi, -arat (N°. 262. 3),
•ptvai (N°. 461.), -aSai, en -oi in de Dativi poi, aoi, rot, fot.
\') Vidimus contractiones et synizeses, si traditionem solam sequemur, per omnes
carminura Homericorum libros dispersas inveniri; si criticam artem admovebimus,
graviora eartim genera e partibus vetustioribus to\'li posse, in reeentioribus remanere
tamquam indicia recentioris originis ; praeterea tres metrieas esse poëtae excusationes
evicimus t ut et in clausuia versuum et in caesura majore et ob nimium brevium
vocalium concursum contraotas formas non prorsus spernendas duceret. Vocales vero
eas facilius in unum coire demonstravimus quae olim aut nulla, aut consona j
disjuneta fuerint, multo difficilius ea quae apirunte s, difficillime quae digammo
antiquitus secretas esse constet. Menrad. De contructionis et synizeseos usu Ho-
merico. p. 191.
-ocr page 324-
310
DIALECT VAN HOMERUS.              [N°. 445 , 446.
K\' = KCV, r\' = «\' of = rot (zie N°. 456.) 5t\' = 5«. »)
7.     Hiatns is geoorloofd na vocalen, die niet kunnen geëli*
deerd worden (N°. 19. A. 1), na een langen klinker of tweeklank,
na elisie der eindvocaal (bijv. A. uXyt ïèt]icev), of bij een caesuur
of pauze.
Vele hiaten zijn in den overgelevetden text schijnbaar, wijl het volgende woord
met de f begint. A. 7. \'ArpiUrjc, n FavaX avSpaiv. S. 729. SioSt Facairri.
8.     Diaeresis (N°. 2) komt veelvuldig voor, bijv. \'Arpcfêqc.
"Waar de spiritus of het accent op de eerste vocaal staat is het
teeken der diaeresis overbodig ivB/irtTog.
§5.
Eerste Declinatie.
446 1. De stam der woorden van de eerste declinatie gaat uit
op -a, welke in de vrouwelijke woorden lang of kort kan zijn
of tot m verlengd worden, terwijl de mannelijke woorden de e,
het kenteeken van hun Nominativus, ontvangen en op -oc of-ije
uitgaan.
Sommige mannelijke woorden gaan uit op -« , zooals viipiXtiyipira wolkenverza-
melaar, iirirtha alwijze,
en andere.
2. Zij worden gelijk in het Attisch (N°. 27—29) verbogen,
doch :
de Gen. Sing. gaat uit op -ao: \'Arpet\'Sao (\'Arperêa\' door elisie)
(overgel. \' krptlttu en na vocalen -w : \'Ep/nefao , \'Epfiéiw).
de Gen. Plur. op -awv: Seawv, vavrawv, irapttawv: ook \'lüv
= -üv 2) (na vocalen) vavriwv, iraXatüv, TrapuQv.
de Dat. Plur. -yai, -yg: aanpyai, fisyaXyai, £e<rrijje.
v. L. Zeorija\' door elisie Z. 243.
Zie voor den uitg. van den Ace. Plur. N°. 81, 3. en 436.
\') Ueber den Ursprung des Substantivsatzes von Dr. Peter Sehmitt, bl. 40.
*) Bij v. L. in twijfelachtige verzen kuv diayllabus irv\\kuiv H. 1. M. 340.
apliov I. 666. wtiyïujv ♦. 312. èirXiiav A. 636. Y. 601 — tutv met synizesis woWiuiv
I. 644, B. 131. pikaivitov A. 117. airiiav M. 424. Svpoppatoriwv II. 691. 2.220 —
üv apyivviiv 2. 629. icpiüiZv A. 69. cXtaiüv M\'. 112. rüv E. 424. K. 263. avrüv
T. 302. Tpv<pa\\iiüv M. 339. Xkoiüv V. 263. Z. 307, volgens de Addenda p. 617.
-ocr page 325-
N°. 447, 448.]           dialect van homerus.
311
Tweede Declinatie.
3.     De stam der woorden dezer Declinatie gaat uit op -o.
De mannelijke voegen in den Nom. een -e (zie boven, 1.), de
onzijdige een -v achter den stam. Zij worden verbogen gelijk in
het Attisch (N°. 30—32), doch:
de Gen. Sing. gaat uit op -oio: \'HeXloio, AlylaSoio,
bjj v. L. door elisie -oi : niriipoi\' A. 485.
de Dat. Dual. op -ouv: b(j>Sa\\[ioïiv, &/iouv.
de Dat. Plur. op -oiat(v): olm <j>l\\otoi,
bij v. L. door elisie -oid A. 2. \'Ax<"o?<t\'.
4.     Contractie heeft niet plaats volgens N°. 442. Noo?.
D. vóip. Ace. vóov. N. Öortov. P. oarta. üai\'3\'ooe, YlavSóov, flav-
SoV etc. (NoÜc. k. 240. N«fov. il. 354).
5.     De Att. 2\' Declin. is niet in gebruik. Voor Atojc, wii?,
Aa-ywc gebruikt Homerus Xaóg, vnóp, Aay<oo£.
Het Attische tu>s wordt:
in den overgel. text: N. fitÓQ. Q. riovg. D. jjot. Ace. tj<ü (Perispomenon)
Dl] v. Li.
            7]a>5 tjooc not         rjoa.
Evenzoo (\'Spa»g zweet, xp^g Hjfi huid (ook Gen. xpa>roe K. 575,
Ace. xp<>Jr" <*• 1^2 en 179) en atSóJc schroom.
Samengetrokken ia AtjroDc A. 9. S. 327 voOc ö. 470, 525. Aijroï *. 498. U. 607.
i^pijj P. 745. kwbijw ace. v. kvkt\\mv mengsel A. 624, 641.
Derde Declinatie.
1.     Gen. en Dat. Dualis eindigt op -ouv: iroSoïiv, 2,tip{)vouv.
2.     Dat. Plur. (N°. 79) op -£o-o-t of -<n, voor welken uit-
gang -oi de -o- van den stam kan blijven of wegvallen, even-
als de linguales kunnen geassimileerd worden of wegvallen: iróB-
tacnv, iroei • aiv, no-aiv\', ïirog (st. ;£7T£C N°. 244), £7T£o-- eni/,
tirt - atv.
In den overgeleverden text vindt men bijv. ook K. 486 : aiy • emv, doch v. L.
geeft atyuro\' ») óiiitnt. Zoo avaicTiaiv o. S57. (ai>a*re<r<r\').
3.     De Ace. Sing. gaat tegen N°. 72. 2. bij barytona op -t?
-ocr page 326-
DIALECT VAN HOMERUS.             [N°. 448, 449.
312
en -vg, wier stam op een lingualis eindigt, meestal uit op -a:
ïpiQ , spiSa ; KÓpvg , icópv&a.
4.     Vocativus van ava% (fava£) vorst is ava (fava).
5.     Syncope (N°. 77). Bij Hom. vindt men naast de vormen
zonder e ook de vormen met £, waripog en Trarpóg, avSpóg en
avf\'pop etc., doch verder kan de e nog verdwjjnen in den Gen.
Plur. iraripwv en warpöJv, Svyarpüv, in den Ace. Sing. Svyarpa
en PI. Svyarpas, en in den Nom. Siyarptg. Dat. Plur. èvyart-
peoaiv.
449 6. Samentrekking. (N°. 82).
le klas. Bij stammen op -$ (E°. 244), namelijk de woorden
op -o? (N°. 82) en -»jc (JS°. 83, 84) heeft geen samentrekking
plaats.
Zie N°. 442. De uitgang -ta moet aan het einde van
het vers of voor de hoofdcaesuur dikwijls door synizesis als een-
lettergrepig gelezen worden: r. 27. Q. 267 — H. 207.
De neutra op -ag (JST°. 86) zijn talrijker dan in het Attisch,
worden niet samengetrokken en verzachten de a voor vocalen
dikwijls tot e, bijv.: oïiBag bodem, Gen. oïiBeog, D. oÜSeï, kwüq
vacht,
N. P. Kwta, D. P. Kü\'tmi\'.
2e klas (N°. 89). De woorden op -te behouden in alle naam-
vallen de i: bijv. /xavriQ, fiavriog, fiavru, fiavrtv enz. doch een
tweevoudigen stam heeft wóAtc st. 7roXt en iroXtj (N°. 241).
Vandaar bij Homerus:
N. nóXig.
                                          N. nóXut;
G. iróXtog                                                        (wóXyec) 7róA»)£5 (att. »<5X«c).
(iróXyoj) 7roA»)OC (a"- iró\\iug).          G. 7roA(\'tu»> (7roXs/«»v) 7tÓAewi>.
D. 7róAï (uit 7róXii)                                    D. 7ro\\tt(T(Ti (wó\\fj<ri) iróXeoi.
(iróXyi) 7róAj}\'(\', ïróXü (att. tó\\u). A. 7roA7e, 7roAtac
AcC. nóXlV.                                                 (wóXyac) 7TÓAt)ae (att. woXiïq).
"Aotv (faarv N°. 89). G. uareog. D. aarEÏ. N. A. PI. aorta.
3\' klas. Bo(7(Aeó£ (N°. 91) volgens N°. 241.
-ocr page 327-
N°. 449 , 450.]           dialect van homerus.
313
Hom. Att.                            Hom.           Att.
N. (flu<TiXf.c,c •)) fiaaiktvq.              (fiaaixifiv)     (3aai\\ïiec /3aitXf/c - iïc-
G. {fiatriXifos) pa(Tt\\7)OQ |Sn«iXFwe       (fiatnXtfuv)   paaiXriwv fiaaiXéwv.
D. (/SnoiXtfi) fiaaiXïll (iamXei.         (/3aot\\i r<n)              fiaatXevai.
A. (fSaoiXkra) j3ao-(Ai/a fiamXka.        (fiairtXifac)    /3a(T/Aijac j3n(TiXi";c - «C
V. {fiaatXi?) j3ao-tAtü.
\'ApKrrcvc heeft in den Dat. PI. apurrfietrotv.
De woorden op -uc met den stam -v (N°. 92) gaan in den
Ace. Pluralis somtijds uit op -v<i£. Somtijds is de Dativus op -vi
eensylbig
uit te spreken.
Bo«c rund = att. N". 92, doch ook Dat. PI. fiówirtv Ace. fióac.
Tpaüj oude vrouw, bij Hom. ypijuc, Dat. yp\'ji Voc. ypijo.
Afwijkingen.
1.    "Apijg. G. "Apr/oe en "Aptoc- D. "Ap»|t en "Apsi\'. Ace. "Aptja. 450
Voc. "Apeg. Overgeleverd is "Apr|i> E. 909.
2.     rów knie en Sópv paal, speer (N°. 99. b. c) hebben tot
stam -yowr(ar) en Sop^(ar). In alle naamvallen behalve den Nom.
wordt de o tot ou verlengd. G. yovvarot; en •youvoe, Soyparoe
en Sovpót; etc. Dat. PI. yovvaaiv en \'youvEOTo-tv, Soupafftv en
Sovptaoiv.
3.     NaOp schip, bij Hom. vijüp. G. v»/óe en vtóg. D. vijf.
Ace. vïja. PI. N. vms en véej. G. vr\\üiv en kwv. D. vfeooiv,
vitaoiv en vrjvaiv. A. vt/ac en vtu?.
De Ace. vla is éénsylbig overgeleverd, i. 283.
4.     Ytóc ^oow gaat regelmatig volgena N°. 99. m. en daarbij
G. uToe. D. vlti en vlï. Ace. vlo (vUa? N. 350). Dual. N. A.
ule PI. N. viitg en uïei;. G. vjwv. D. maai. A. vilac en vlaq.
\') Aldus volgens Kaegi bl. 45, Koch10 bl. 338, Van den Es2 § 18, Muller—
Lattmann4 bl. 30, Merzdorf Curtius Stud. IX. 221, Delbiück Curtius Stud. II. bl.
194 enz. Curtius. Stud. III. 398. Brugman, Curtius. Stud. IV. p. 168 (?). Christ.
II. Proleg. p. 170.
Gust. Meyer daarentegen geeft met Leo Meyer Vergleichende Gramm. 3 bl. 561.
een Nominativus liaat\\r)it st. |3uitiXijw (N°. 298) G. (ïaotXtïfos QS\'. 342) Dat. Pa<ri-
Xijft
(N°. 349). Ace. fiaTiXijjr,, (N°. 332). Gen. Tl. ^aatXii^uiv (N". 372). Ace. /3«-
<riXi)^oe (N°. 362). Zoo ook Henry. Gramm. Comp. s Nu. 76. en van Leeuwen Att.
Vormleer3 N°. 66 , Mnemosyne 1889. bl. 207.
-ocr page 328-
314                                     DIALECT VAN HOMERUS.              [N°. 450—453.
5.     Xdp hand volgens N°. 99. n. en Dat. S. xtpL PI. x^\'p60"0"1"
(en Xti9t(n? Y. 468).
6.    to Kapt) kruin. G. Kparóg enz. Gewoon meervoud is KÓprtvu.
Verder nog de G. Kapt\'iaTOQ, icpaaroc, Kaprirog enz.
MetaplasmuS: (N°. 97). 1. "AtSnc (\'A-^tSni; onzichtbare, Baden) regelmatig naar
de eerste declin. en Gen. "Aïfloc. D. "Aïtfi. 2. w a\\icr) kracht. D. aXnij en A\\ri.
3. v«iiivr\\ krijysgeieoel. D. vnu\'tvy en vofiïvi. 4. ó t\'i/io^oc wagenmenner neemt ook
de naamvallen aan van den Nom. qvu>x<£c- 5. üarpoeXof evenzoo van den Nom.
üarpoiXfijc. G. ITarpoicXïéoc N°. 442. (Overgeleverd XIaTpoK\\i}oQ van - icXtij (T\'. 554).)
6. "Ovtipoc droom. Plur. óvupot (en oVjïpara w. 87). 7. r\'j <cl\\fuSof K\'<y. PI. ai «é-
XtuSoj en ra «éXeuSa. 8. o Sta/lis de boei. PI. oi iidfwi en ra Sénuaru enz.
Defectiva: (N°. 100). 1. rw öffffé 00.9e». Dual. bij o ofSaXfioc en rd öfipara.
Ook o^SdX^w, ctySaXuni enz. 2. rè 5<5 Aw* bijvorm van Sü/ia. 3. rjji lat in den
strijd
enz.
§ 6.
Adjectiva.
1.     De Adjectiva worden evenals in het Attisch, doch met de
bijzondere uitgangen van Homerus en zonder samentrekking ver-
bogen. De Adjectiva op -«c uit -F.eire (N°. 112, 113) zijn
veelvuldig bij Homerus, en die op -tg van N°. 119 komen ook
voor.
Bijv. ^iTrXoof (Vr. fljjrX»}) , xP^al°t (ook xpvauoc) , apyvptoc, (Vr. apyvpéti). Tajfi/f
G. raxèoc,. D. Tax\'e\'i. PI. N. raxifC. D. raxhaaiv. Ace. ra^éac. NtjXijf onbarmhartig
(neg. ne en IXtéw). P. vijXét. Ace. i/ijX*ö. Voc. en Neutr. vtjXftc.
De v van xp>\'"t>"<: >s \'llnS i" de arsis, kort in de thesis.
2.     Men lette op: r)i>g of tve = ayaSóe ^oerf, erfeZ, dapper,
volgens N°. 111 verbogen. (Gen. S. eïjog PI. tatov?) Adv. tv =
att. tl (N°. 140, 4).
3.     Afwijkingen zijn tvpvg wijd. Ace. evpvv en eipta, /3a&uc
cfa\'ep. Gen. Fem. j3aSt rjc, wkuc srae£. Fem. wa, alirvg steil. Fem.
aart), npiofivg eerbiedwaardig. Fem. wpéofia.
EIoAuc «\'eeZ (N°. 122) vormt zijn naamvallen van de nominativi
rroWóg (stam woWo, 7toX.fo) en 7roXue (st. jtoXu , 7roX.r). Men
lette op den G. S. Masc. iroXtog. PI. N. iroXieg.
PI. G. itoXiidv.                     Vr. TroWdwv.
D. ttoXécito-iv, 7roXÉ<T»v. „ noXXrjmv.
A. TroXüc, iroXsag.
Overgeleverd Neutr. nov\\6. r. 387. Ace. Maso. wov\\6v. N. Fem. irouXij.
1
-ocr page 329-
N°. 454, 455.]           dialect van homerus.                              315
§7-
Vergelijkingstrappen.
1.     De uitgangen -ïwv (met korte ï) of -wv en -iotoq van 454
adjectiva op -oc en -vq (N°. 130) zijn bij Homerus veelvuldiger
dan in het Attisch, bijv. jXvkvq zoet jXvkiiov, Q\'iXoq lief <piXiu>v,
na\\vQ dik itaaawv, Tra\\iarog, KuSpo? roemvol kvSkttoc, fipaBvg
traag
/3ap§«rroe (N°. 444), ZOO ook KapTiaroq en Kpartaroq bij
ayaSóg, WKvg snel, wkkttoc etc.
\'AyaSóg
aptltov, fifXrtpog, Xui\'lwv, Xwlorepog, tpiprepog.
KapTiarog , icpartffroe, 0£praro£ , (péptarog.
Kokoc
         KOKwrepoc , \\ïp£(wv , XEpEiórtpoe , ^EipórEpoc.
IloXvc ttXi\'iwv , 7rXttüv. N. PI. wXéeg. Ace. h-Aeci?.
\'Pjj\'l\'SlOC /Ó»)lT£pOg , pr\\lTaTOQ dl pïjKJTOg.
Meer onregelmatigheden zal het gebruik leeren.
2.     De samengetrokken vormen op -w en -oi>e staan op het
einde van het vers: a/usivio r. 11. A. 400. I. 423. apttto K. 237.
opstouc n. 557. Zie N°. 443. nota.
§ 8.
Adverbia.
1.     Als Adverbium dient meestal het onzijdig Enkel- of Meer- 455
voud van het Adjectivum. Talrijk zijn de adverbia op-a, zooals
(uica, ra\\a snel (wicve, ra^vg).
2.   Adverbia van plaats worden gevormd met de suffixa -§tv van-
waar? Si waar? Si
-<xe waarheen? bijv. (.pVÏkoSev van huis,
(^)oÏkoSi te huis, (.fJoÏkcïSe naar huis, aXXoae naar elders. (Vergel.
N°. 306).
De Adverbia op -Sev kunnen de v afwerpen.
3.     Correlativa zijn: rïj/uoe — >?A«0e (= ™te — ««) °P ^m
tijd — toen.
TÓ<ppu
— oQpa zoolang — als, totdat.
rfjoc — rjoe (= rewg — tu>g) zoolang —•
terwijl.
-ocr page 330-
316                                     DIALECT VAN HOMERUS.              [N°. 456, 457.
§9.
Pronomina.
456
l. Personalia tevens als terugivijzende gebruikt.
S. N. ïyw(v)                         Tvvq
G. tfu\'o, Èjuto, fiió ocio , aio (rtïió)
(.f)eÏo , (f)to
fo\'l , 01 (f.roi - foï)
ƒ E , fJUV [iFi - ii)
a<pt (oQuté)
a<pw!v.
a&iv
TOt , TH».
t
ai
0<j)ü)l , VflS
vfitg (»/<ƒ»£)•
D.
A. Ifii, fxi.
D. N.A. vwi, 7)fie.
G.D.
P. N. rjfieg ("ififft)
G. S\'in<<)v, rifittwv
(>;/jéwv).
D. fy»M
A. ft/nag, vfiiag
vfiwv, vfitiwv
(i/iétüv).
(vju/u, 8/utii/).
5/uaf, v/xiag
<r(j>ü>v, a<j>ilwv
(a<pimv).
a<tfi(y)
, a<j>iai(v).
a<pag, arfiiag
(vftitf).
In den Gen. Singularis kan de -o geëlideerd worden , evenals -oi in den Dativus,
en de -* in den Dativ. Plur. Men lette voornamelijk op de Dativi /»\' <t\' r\' f\' voor
/ioi, vol, roi, .Foi (B. 172) niet te verwarren met f\' voor ré. (A. 116.).
De Dualis i;/<e, vpu wordt ook als Plur. gebruikt. (A. 59).
2.     Possessiva nóg tuiis, tóg, 6g (hóg, tóg) suus, zijn eigen,
{a/ing) rtfióg noster, vfi6g vester, a<j>óg suus, hun haar eigen,
viDirtpog ons beider, afwhepog u beider.
3.     Demonstrativa ó en lig, ri, ró volgens N°. 25. Gen. S. to\'io
en tov. Dual. touv. Plur. N. rol en o", rui en al. G. Fem. rówv.
D. Toïaiv. De Dat. r<j7 soms = ovv hierom, derhalve, dan,
voorzeker.
Verder zijn in gebruik öSe (Dat. PI. toi\'<t§e(o-)<t/) , ekeTvoc en
Kt\'tvog. Dezelfde (N°. 167) is nevens avróg ook ó/ioc- Avróg
beteekent zelf en op sicA zelf, alleen.
4.     Het Pronomen relativum is gelijk aan het Attisch (N°. 174)
doch ook het lidwoord geldt als relativum.
5.     Het Pron. Interrogatioum en Indefinitum zijn gelijk aan
het Attisch (N°. 180). Verder nog G. S. te\'o en teÓ of te\'. Dat.
457
-ocr page 331-
N°. 457, 458.]          dialect tan homerus.
317
van het Indefinitum rug. Gen. PI. van het Interrog. rlwv. (N. PI.
aaaa = arra).
Het Interr. tI ook rfij, met irori door syncope tikte , ivat,
waarom toch?
"Oc en Tig (N°. 185) zijn gewoonlijk gescheiden, <"v rtva, ovg
rivag.
Bijzondere vormen zijn.
Mann.               Onz.                     Mann.              Onz.
N. S.
G.            OVTtO (ÖTTto)                                           OTEbJV
D.            ""iii                                                          (ÓTtoiaiv)
A.            UTiva.                                                        oTivag                    aaaa.
Het Neutrum \'6 of o re als voegwoord = i>(r)n, dat, omdat, zie N°. 445.
Zie voor de contractie van -to tot -eu. N°. 442.
§ io.
Verbum.
Persoonsuitgangen.
A. Activum. 1. De Conjunctivus Praesentis en Aoristi heeft 458
bij verba op -o> ook de uitgangen 1 p. -ui. 2 p. -a%a. 3 p. -at
bijv. iSéXwfii (ÈSt\'Aa»), iSiXyaSa (ÈSÉXyq), ISiXyat (ÈSéXy).
De uitgang -a$a komt ook voor in den Indicativus, zooals
fVSa (— ïioSa N°. 199), htiSriaSa = ySjjo-^a, en in den Opta-
tivus fiaXotoSa = fiaXotg.
2.    De 3 p. Plur. van Imperfectum en Aoristus der verba op
-fii en der Aor. welke volgens deze verbogen worden (N°. 272. c.
273, 287) gaat uit op -av -tv -vv in plaats van -tiaav, -aaav,
•taav
, -vouv. In den Aor. Passivi is dit regel.
TrpÓTiStv = npovTÏStaav          ïiyspèiv = riytpSrioav (A. 57).
ïarav , Vrav = sorrjo-av          ^KÓaurj^tv = ttcoffnifirioav (T. 1).
fj3av, \'/3av = Ij3»)oT«»\'              è^o/Bij&v = i(pof3ifiriaav (E. 498).
«0av , \'0av = t(paaav
eovv = tövaav.
3.    Het Plusquamperfectum Singulare gaat uit op -ea -tag •«£,
bijv. Wotöea (8. 434).
-ocr page 332-
318                                     DIALECT VAN HOMERUS.              [N°. 459 — 461.
459         B. Medium. 1. Behalve in het Perf. en Plusqpf. vult de a
der uitgangen -aat en -ao weg, doch zonder samentrekking (N°.
210). Indic. fiovktai, IfiovXto. Conj. vi/iijat. Imperat. tpxi0-
2.     De uitgangen -at en -o kunnen geëlideerd worden: N°. 445.
In den overgeleverden text vindt men samentrekking tot -y -to en -iv bijv. A. 160.
fUTarpkiry. O. 18. 21. Upi/u,}. E. 897 yivtv. Zoo ook E. 284. N. 251. /3tj3\\T)ai voor
|3éj3\\t)<Tai. A. 380 voor fiéj3\\t)rr\' met elisie. 4>. 442. /lêpvriai voor pk/xvtirrat.
3.     Nevens den uitgang van de 1 p. PI. -fx&a bestaat ook
•ptoSa , sffojutffva , fiaxófitaSa.
4.     In plaats van -vrat en -vto komen -arai, -oro volgens N°.
262. 3 /3t/3A/|arat (— (5i(5Xi}VTai), TtrpaipaTat (van rpeVw voor
Terpanvrai = Ttrpafxfiivot tlai).
Bindvocaal.
460         1- De Conj. heeft de korf e bindvocaal e en o voor ij en w in
alle tijden die oorspronkelijk geen bindvocaal in den Jndicativus
hadden. Derhalve bij het Praesens en den Aor. der verba op -^i
(N°. 271, 10), bij de Perfecta zonder bindvocaal (N°. 288—289)
en den Aor. I. Act. en Medii (N°. 287. Aanm. bl. 172).
Bijv. A. 141. Ipvaaopiv (= ipitTuijiiv). 143. Srjo/itv (= Süfitv zie volgend 2.) 144.
(ïtiaofiiv (= fiiiaiafitv). 145. iXaaaiai (= i\\aay). 363. (j?)üdofitv (= fiSüifnv N°. 289. B).
B. 440. Io/jmv {= "itüfuv Nu. 281). a. 124. ayiipo/iiv (= aytipw/iev).
2.     In den Conj. Aor. II. hebben de vocaalstammen der verba
op -fu en der Aoristi, die volgens deze vervoegd worden, de
lange stamvocaal.
Bijv.:
\'ioTtiiu. Aor. II. lart)v. Conj. ottiio, ariiys, vri\\y— arifofiiv {araoiitv).
rOn/*<          ,, ISnica >t &<S, Siiyc > &ip — Sr/w/iev.
liiïiofu          „ ISuiKa „ —, —, Süy en Stbytri — Suofitv — tiiouist.
fialvw           „ l$r\\v „ fifa, Ptiys, (3t)y.
yiyvtiüKii) ,, ïyvütv ,, yviliio, yviiys, yvóiy — yvuiofitv — yvüuiat.
iófivt)iii        „        !Sapt)V ,| Sajii]ia, Safiliyg, JafJr;j>,\'5o/i»jeT£.
De vormen met ei zooals arfioptv, Sei\'o» etc. zijn onjuist. Overgeleverd en geen
Homerische vormen zijn: dü. i. 336, v. 296, .\'«t. H. 27, J<£<ri. A. 129, «. 379,
P. 144, Süat. T. 66, I. 136, Sw/tev. *. 537, 3\\ 389, r. 13 — óirotyjffiv S. 318,
yvipc x- 373, yv»p A. 411, n. 273, yvüai Z. 231, •yviSrov 0.218, oriwpiv A.348,
X. 231, Sswitiv w. 485, jHöat l. 86.
3.     Bij sommige i en u stammen gaat de Optativus uit op
•i\'junv, bijv. fó\'tunv (= fSufxriv). Aor. II. v. ^»5(\'vüj vergaan.
461         4. In de Conjugatie zonder bindvocaal gaat de Infinitivus uit
op -/MVM, we£ bindvocaal op -ifitvai.
-ocr page 333-
N°. 461—463.]           DIALECT VAN HOMERUS.
319
Voor vocalen kan de uitgang -ai geëlideerd of voor medeklin-
kers afgekapt worden (N°. 445 en 443). Bijv.:
afxvvuVf afiwlfitvai, a/xwifiiv\' en a/uun/uv.
tTTÏjvai, trrt\'ifjiEvai
, Perf. ïoraiAivai en iaraniv.
T&vafitvai
en reSva/jifv; Buxrtiv, Swa • tfxevat, Suxr - tfxev.
Bij sommige verba op -aw en -i<o wordt de uitgang fitvai zon-
der bindvocaal
met de lange stamvocaal verbonden, bijv. yoi\'ifuvai,
neivii/xevai.
Op dezelfde wijze ontstonden de Dualisvormen op "ijn/v, bijv.
ovvrivTi\'i - rt)v van avvavraw.
Bij verba op -fii is de stamvocaal soms lang waar zij in het
Attisch kort is, bijv. TiSt\'inevai, Ti^fi/utvog voor TiSéfitvat, TiSéntvoc;.
Overgeleverd zijn Aor. II. Infinitivi op -iuv bijv. Savéitv, iSktiv.
Augment.
Het augment blijft dikwijls weg, doch nooit wanneer het als 462
reduplicatie geldt (N°. 248. 3,4); het syllabicum als door aphae-
resis (N°. 443). A. 24. VavSai* (= ijvBavt). 34. \'j3fj (= 2/3»,).
36. VfKe (= etcke). 49. \'•y/ver\' (= tyiviro). 52. \'/3ÓAA\' (= tfiaWt) :
het temporale als door verkorting in de thesis (N°. 434). A. 10.
óXfKovro. 25. arjt\'iLi.
Attische Reduplicatie is bij Homerus talrijker (N°. 249. 463
Aanm.). Zoo voornamelijk:
1)   in het Perfectum.
dXao/im = ((Xa\\)|;un ik dool. apapiaicu ik pas aan tr. api)pa ik pas intr.
öpaw = üirwTra iA z/e. ópvvfit ik wek op, vpiona ik rijs.
Verder. aKvamo ik ben verstoord, a\\a\\{iKrr)uat ik ben buiten mij zelven.
a<cax\'t*tj ik bedroef, aKa\\t)fiai, aKH\\xiïarai.
Ipilirw ik stort, Ipfptirro hij was neergestort [ipljpirra).
(oSvaao/tai) ik haat, óSüSvarai hij haal.
èpéyui ik strek uit, èpu)pi\\aTai, èpotpixaTo > z\'eh uitstrekken.
Zoo ook av!ivo$i, ivi)voSe (st. av(t)S) hij komt te voorschijn, groeit (avSoQ bloem,
tiviïto bloeien).
2)   in den Aoristus.
ópvvui ik wek op wpopov.                           irfiSto ik overtuig jrtïriSftv Fut. irnrtSiiow.
iiSaoKio ik onderricht \'SiSai.                      tytilonai ik spaar Trttpit\'ia\'ïui Ft. TTi<pihi\\aiTai.
\\ay.ouai(aXt.\\atij3avwikgrijp)\\i\\aliia5at.ic\\v<ii ik luister kikXvüi.
avawaWü) ik zwaai an-iriiroKiiv.               ictvSui ik verberg Kdcdutai.
ijipa\'ii" ik toon iiriippaSov.                           irjiSo/jat ik vorseh uit witruHoiTO,
%aipu> ik verheug mij \'ntxapovTo.               Ttvx<* ik maak gereed titvicüv.
-ocr page 334-
320                                 DIALECT VAN HOMERUS.             [Nn. 463—467.
Ttpwofiai ik geniet \'riT&pTtiTO.                                Stamvocaal verdwijnt in :
irXi/aati) ik sla lircirXnyov.                          aXi^m ik weer af i\'/XaXnov.
KeXopiai ik spoor aan IkïicXito.
Hebben causatieve beteekenis:
AfXaxov ik doe erlangen van Xay\\avot ik erlang.
iieXéXaSov ik doe vergeten van XavSavw ik vergeet, doch XAaSovro zij\' vergaten.
Kitac\'hiv beroovcnd van yaZ,o\\ta< ik wijk, doch Ktr&Sovro zij weken.
Eindelijk nog Tirayibv grijpend van st. ray (tango, tetigi), IrtTfii hij trof aan van
st. rtp, rfii en ïiri<pvov ik doodde van st. <piv, <j>v (fóvoc, moord, (poviuq moorde-
naar etc).
§ 11.
464         1. Versterkte stam (N°. 253). Afwijkend van het Attisch
hebben vele verba op -£w een gutturalis tot eindconsonant van
den stam, bijv. ttoXi/iIZio Fut. iroXtnl%,(o.
K\\aZ,(t> ik klink heeft gelijk trXaZw en oaXiriZuj tot eindconso-
nant -yy. Aor. EfcAa-y^a , ivXayZa, èn-Aa-y^S\'»} > laaXmyï,a.
\'ApnaZu)
Aor. IJ(i7raia en ijpiraaa.
465         2. Futurum Atticum (N°. 261, 2) gelijk in het Attisch, doch
zonder samentrekking: reXLo Fut. TiXtt», Kpe/uavvvfii Fut. Kptfiau),
iXaivu)
Fut. iXatti Zoo ook blijft het Futurum der verba liquida
zonder samentrekking: fiivw
Fut. ntvêw (juv-i-aw N°. 261. Nota 2°),
ayyïXXu) Fut. ayyeXiu).
466         3. Futura zonder o zijn behalve de in N°. 261. 3. gegeven
verba: fiiofiai ik zal leven (fitiofiai overgeleverd), §j}o> ik zal vin-
den , Kt\'no ik ga mij ter ruste leggen.
Verder zijn vier Futura gelijk aan hun Praesens : avvu> ik zal
voltooien, {i)lpvtu ik zal trekken, ravuw ik zal strekken, avrtdu)
ik zal ontmoeten.
467         4. Aoristi Mixti. Aoristi I met -g doch met bindvocaal o
of £ van den Aor. II voor de a van den Aor. I. (Zie N°. 273. b.
N°. 282. 2. en 285. 3.) zijn bijv.
Indicativi.
Imperat.
Infinitivi.
Praesens.
é/3J;«ro
hrt, tearapiiato
van
ftaiviit ik ga
èSvaiTO
Siaio
»»
tivopai ik ga binnen,
Ho»
ïko> ik bereik.
ïfcoVTO
a%iTt , aSivSi
ali/uvai
»»
óyw ik roer.
olot olairiu, otairi
oiaipuvai
bij
ifilpto ik draag.
Xiiio (XéJio)
st.
Xt\\ — zich leggen.
öpaio
van
öpw/it ik wek op.
-ocr page 335-
N°. 468—473.]           dialect van homerus.                           321
5.    Aoristi zonder kenletter -«r zijn, riXtOaro Conj. aXtvtrat 468
en aXtijrat. Infin. aXevaoSai en aAta<rS«i van aXtofiui ontwijken:
tKija van ko/w l\'rt brand steken: tatreva van otvta aandrijven: e^eva
(N°.
241) van x*<° uitgieten.
6.     Voor ïfioXov, ï&opov, ?i/ir3poroi/, ËSpa^ov, tSpaKoy, Kn-paSo»»,
trpanTji\' zie men N°. 284. 5, 7 en Aanm.
7.     Bij vele verba wordt de Aor. zoowel Act. als Med. zonder 469
kenletter en bindvocaal gevormd (N°. 287) bijv. ciXao, aXfitvog van
aXXo/xai, tjuikto van fxiy w/xi, kXï>Si kikXvSi van kXvw , tXv/ut)v van
Xucu, wpro öp<ro opSai opfievog van opvu/i(.
8.     Sommige Futura en Aoristi van verba liquida hebben de 470
-<t (zie N°. 244 c) : ÉkeXo-o van k£XX<u att. ókéXXoj o/j strand zet-
ten: tKupo-a van Kilpw (icup&o) aantreffen: opo-w, iï>paa (N°. 278.
11) van ópvi/jui opwekken: Tipoa van apaptaicw aanpassen: tfvptru
van ^>ijp«u bevochtigen.
Verder s^tAo-a, {«po-a, tKtpaa, Sipoofiat en fóipau).
9.     Perfectum en Plusquamperfectum. De stamvocaal wordt 471
somtijds verkort: 1) in het Vrouwelijk van het Participium Perf\'
Activi: bijv. SaXAw ik bloei Partic. Perf\' T&niXwg. Fem. r&aXvïa.
2) in het Perfectum Passivi bijv. (j>evyu> Part. TTE^uyuivog: Ttv\\(D
Perf. Pass. Ind. 3 p Sing. rirvKrai. Infin. rtrvx^at Part. rervyntvoc.
Plusqpf. 3. p. S. \'rirvtsro. Het Part. Perf. Act. gaat dikwijls uit
op -»ja>e (zie N°. 262. \')) Gen. -wroe enz. bijv. «k/u»)we van wK/irjica
ik ben afgemat.
10.     Van het Imperfectum en den Aoristus worden Iterativa , 472
die gewoonlijk een herhaalde handeling aanduiden, gevormd:
Impf. tïa-oicov, \'é\\-e-<jKtg. Aor. I. èXaa-a-ane, /jtvt/a-a-dKiTo. Aor. II.
eSo-<Ticov , ïora-iTKOV, \'ycv-i-aKtro.
§ 12.
Verba op -aw -tto -ów.
1. Deze verba worden bij Homerus niet dan op enkele plaat- 473
sen samengetrokken. !)
\') Ilestitutis in integrum formis, quae salvo metro restitui possunt, contractoa
21
-ocr page 336-
DIALECT VAN HOMERUS.              [N°. 473, 474.
322
In den overgeleverden text echter heeft bij deze verba ten onrechte \') meermalen
contractie plaats, en bij de verba op -aw dikwijls assimilatie van den a klank met
den volgenden o klank , waarbij de quantiteit van dezen o klank dan veranderen kan,
terwijl een f klank (« of ij) aan de voorafgaande a geassimileerd wordt. Dit wordt
ook ectasis genoemd, wijl men aannam dat de vormen eerst samengetrokken werden
en dan als het ware uitgetrokken tot oia, ww, aa enz.
!v. L.           opau)           iipattc;          bpati           bpaovai           yêXaoiTfC
Overgel. \\ opóio           ópaqQ           öpaa           öpótoai            yt\\óiavr(Q
\\ üpwio                                                                ÖpüHOffl                yi\\lllOVTtC,.
{ v. L. A. 31. avriaovaav V. 387. vaiiraouiry A. 347. ópaotri 227. <pv<tiaovrac,
\\
Overgel.
         avrióiovav                 vaitraiótry                 ópóipri.          (pimiówvrac;.
Sv. L. E. 244. ópau II. 448. ópattc S. 345. thopain\'ïai U. 82. fiivoivayot.
Overgel.
           ópóm                ópapc                efoopaaoSai.             fiivotviiyai.
v. L. T. 164. juvotvan Q. 604. rjSJovrcc
Overgel.
          pivoivaq.                yflwovrtc.
Deze assimilatie heeft geen plaats bij verba op -sw, zelden bij verba op -6o>
bijv. A. 153. \\y-L\' ***«"«
( Overgel. öniowvrfc;.
Vergelijk voor de Contractie :
v. L. A. 61. Sanav A. 430. airifpaov B. 236. iaiofiiv B. 34. nipeïrw
Overgel.
           |T"/",\'                  awnipinv                Üü/uv.               aiptirio.
f
v. L. T. 142. (ip/iaero (E. 855. üpfinro) T. 449. tipoirai I\\ 388. yaKUU
<                     en                                                      en
( Overgel. *._572. ópfiaro                                 E. 528. (l)<poira.             r/aicitv.
y. L. P. 306. ópat<r3ai A. 5. InvpaiTO A. 55. iau> A. 105. ViJXat 4. 388 Vap|3ie
en                                              en
Overgel.          ópaffdat N. 806. cVciparo              ii\'a» 116. sViXa.             rap/?i«.
4.74 2. De stamvocaal is bij sommige verba Za«<7: ö in Sixpaw dor-
sten, èpdo) doen,
i7/3aw maw zijn, fiatnaio hunkeren, fivaofim zich
herinneren, imvau> hongeren,
verder \\9^m godspraak geven,
Xpriofiai gebruiken.
Soms is zij kort en soms lang in fitvotvatu wenschen, fivaofiat
tot vrouw begeeren.
haud paucas in Iliade et Odyssea restare, quae sine vi et audacia tolli nequeant,
id qui nesciret ignorantiam proderet plane incredibilem in eo qui vel seniel sicco
pede Homerica carmina pervolaverit. (p. 226.). Non ferimus igitur in textu Homerico
formas verborum distractas. Contractas vero quominus cunctas extirpare conemur
multa obstant; sed invite eas toleramus et intra lines quam angustissimos coërcere
conabimur. (p. 239). v. L. Mnemosyne. 1889.
\') Zie Mnemosyne 1889, p. 216.
-ocr page 337-
N°. 474—476.]          dialect van homerus.
323
3.     Sommige stammen gaan verschillend van het Attisch op
-w uit: (f)lèpww zweeten, £wa> leven, ttAww dobberen, pwo/iui
golven, rpuxo wonden, vttvi!»» slapen, ^ofiai zich verontwaar-
digen.
Zoo ook nXiiiit en rtXtw, aicstoficn en a.Kto/xat > S\'ttw en S\'ta»,
vtudw en vtiKiiw twisten, ökvuw en ökvuu (weifelen), ir\\tiu) en
irAtw, 7Ti\'C(d> en irviw, xüo> en ^tw, welke < het overblijfsel is
der in het Attisch geheel verdwenen j N°. 242. 6. (Zie TtXtajiv
N°. 258. A. 2.)
4.     Men lette op de niet samengetrokken Infinitivi, zooals Ideiv
X. 339, Tpitiv E. 256.
§ 13.
Eifii ik ben: st. (c (N°. 244).
Praesens.
Indicat.
                Conj. ew en ftirtiu) etc.
S. 1.  tijiH.                              (3. p. S. «y<n(i>) of yai{v).)
2.  taai (tic).
3.  sor«\'(v).                 Optat. atjjK, h»j? en toic etc.
D.
       ioróv.                  Imperat. ïaao.
P. 1. el/iiv.                    Infinitivus. ï/xfitvat, ifitvai, tlvai.
2.  tart.                     Particip. iwv.
3.  ïaai(v), tlai(v).
Imperfectum.
S. 1. Tr\\a, ia (lov). 2. itirrZu, iJo-$a. 3. %cv, ttjp, j}v {ïtv, »j<jv). D. j/rjiv.
P. 1. fifitv. 2. r>£. 3. i/o-av en ?<rav. Iterativum ijffkw etc.
Futurum.
8. 1. ï(a)oofiat. 2. t(a)atai. 3. t((r)<7£ra/, ttrrat en laaürm etc.
Et/it ï& kom, ga, of ik zal komen, gaan.
2. p. S. tïaSa.
Imperfectum. S. 1. >}<a (fov). 3. 1t(v), w(v), yt(v), yu.
P. 1. \'i\'iifinv. 3. \'tauv, ïuoav, -youv.
21*
-ocr page 338-
324                             DIALECT VAN HOMERUS.           [N°. 476—481.
Praesens Conj. S. 1. ïwja. 2.1v<,$a. 3. V- 1 PI. ïo/uev N°. 460.
„ Optat. S. 3. «tij.
„ Infinitivus ï/xtvai (ï^tvot).
§ 14.
Syntaxis.
477         1. Bij Homerus vinden wij nog den instrumentalis (Nu. 324)
met den uitgang -<pi{v) op de vraag waarmede? in Singularis en
Pluralis, soms, vooral na praeposities, gelijk aan den Dativus,
waardoor hij later vervangen is of gelijk aan deu Genitivus.
Bijv. A. 38. (i)l<j>i met kracht, a. 403. /3iJjtf>t met geweld. E. 794.
tt«p\' \'iiriToiaiv Kal 6\\KT<j>i bij de rossen en zijn wagen. H. 366. P.
477. ziótytv fu\'iartop araXavrog den goden in raad gelijk. P. 101.
iwti ik §tó<j>iv TToXifxlZu daar hij door goddelijke kracht (onder
de bescherming der goden) strijdt. ¥. 347. ö? tic Stó<ptv -yivoc
jjfv die van goddelijke afstamming was. B. 388. afi<p\\ orii&tafi
om de borst.
478         2. Door den uitgang -Srev (N°. 306) worden Genitivi gevormd
(oorspronkelijke Ablativus). Zoo bij de Pronomina t/itSev, o&ev,
fötv,
en verder bijv. <I>. 335 t£ aXóSev uit de zee 9. 19, 21.
Èc; ovpavóütv uit den hemel. 365. air ovpavóStv van den hemel.
A. 53. kotcl 8\' tyóStv van boven.
479         3. De Accusativus staat dikwijls zonder praepositie op de
vraag, waarheen? A. 322. tpxta%ov «Aia/ijv ntjAritaSa\' \'Ax<A»)oe,
gaat naar de tent van Peleus zoon Achilles.
480         4. De Genitivus staat op de vraag waar? en vanwaar? A.
359. KapiraXi/juot; aviSv iroAifje óAoe rjur\' dfxi)(Xii ijlings steeg zij
uit de schuimende zee op als een nevel.
B. 801. ïpxpvrai weSloto
fia\\riaónevoi irpoA aorv zij trekken in de vlakte vooruit om de
stad te bestormen.
Zie ook A. 596. /3. 404.
481         5. De Dativus staat op de vraag waar? B. 412. aföipi vaiwv
die den ether bewoont.
A. 45. ro£\' wpoujiv ï\\o>v met den boog op
den schouder.
-ocr page 339-
[N°. 481 — 484.            DIALECT VAN HOMERUS.                                 525
Hiertoe dient ook het suffixum -Si (N°. 455), bijv. (>)oÏko$i
te huis. Dit suffixum dient evenals -%tv (zie 2.) om Genitivi te
vormen in de uitdrukkingen: ovpavóSi wp6 vóór den hemel.
(F)\'lAioS« Trpó vóór Iliwn, fiüSi irpó vóór den morgen.
6.     Sommige Praeposities hebben bijvormen, zooals: tv, Ivf 482
(iivi, tlv)\'. irpóg, npori, wort\'. irapd, irapui: viró, virai: «/"/"\'?
afify\'ig \'. virip , virtlp.
Zij worden bij Homerus veelvuldig als adverbia zonder vol-
genden naamval gebruikt. Soms ook zjjn twee praeposities met
elkander verbonden,
bijv. a/uip} irtpl icpjjvijv, airb irpb veüv, Iiïk
irpoSvpov, vTrtK Tptvuiv.
Dikwijls staan zij in tmesi van hun
verbum gescheiden. Zie hierover, alsmede over het accent N°.
17. II. Zie kva met den Dat. N°. 315, fxtrd met den Dat. N°.
316. 13, i/itf met den Dat- N°- 317> 14-
7.     In plaats van de Conjunctie av vindt men bij Homerus 483
meestal k(v, ks\', k\' of voor een spir. asper \\\\
Verdere bijvormen van Conjuncties zijn:
tl = al vooral in a\'lSn, aï yap als eens, och of (wensch N°. 393).
lav = ti m(v) en aï Kt{v) indien: ttog av = tig o kb{v) totdat:
ore
= tvrt toen: orav = ore, tvrt ntv: tirtiBdv = iirtl Ktv:
irpiv = irapog
als Conj. alvorens, voordat: als adv. eer, vroeger,
anders,
ïva
= itypa opdat.
8.     Bij Homerus staat de Conjunctivus in algemeene uitspraken 484
en vergelijkingen, in voorwaardelijke, relatieve en tjjdbepalende
zinnen na tl, on, tvrt, irplv, ">g, lig rig, öirojg, ó>g, log rt, utg
ore, dikwijls met weglating der partikel av of Ktv.
v. 213. Ztvg a<j>ag riaaiTO \'iKtTi\'io-iog , ög rt Ka\\ aWovg —dvSpw"
irovg hjxioü Kai rlvvrai, ug ng a/ia\'pry. Moge mijn beschermgod
Zeus hen straffen, die ook let op de andere menschen die misdoen,
en hen straft.
£. 188. Ztvg 8\' avrbg vtfiti ii\\(3ov \'OXifiiriog
avSptówoioiv
, taSAoTe w$i KaKolaiv, üirtvg tStXyaiv, tKaario. Zeus
zelf verdeelt rijkdom aan de menschen, aan de goeden en aan
de slechten, zooals hij aan een ieder wil.
E. 161. üig §è Xtuv sv
-ocr page 340-
326                                  DIALECT VAN HOMERUS.           [N°. 484 , 485.
fioverl Sopwv av\\(vn pa%ri — iróprtoc i)t /3ooe, gelijk een leeuw,
die te midden van een troep runderen springt, een jong rund
of een koe den nek verbrijzelt.
NB. Zoo staat ook somtijds de Optativus Potentialis zonder at/,
bijv. y. 231, t 122.
485
           9. In plaats van den wenschenden Optativus of van den Im-
perativus staat dikwijls de Infinitivus (N°. 404. A. 2). Zie p. 354.
a. 290.
Zie nog den Aoristus Gnomicus N°. 350, en den Conjunctivus
in plaats van het Futurum N°. 365. A. 3.
-ocr page 341-
ALGEMEEN REGISTER.
N.B. De bijgevoegde cijfers geven de
er voor staat.
A.
Accent benaming. 9 — regels der plaat-
sing. 10 — bij samentrekking. 11 —der
atona. 12. 3 — der encliticae. 14 — der
contructa le deel. 28 — der att. 2\' deel.
31 — der samengetr. 2« deel. 32. 2. —
3e deel. 53 — bij syncope. 77. 3 — bij
adject. 103 — bij \'t Verb. 225 —bij temp.
sec. 264. 4 — bij verba op -(u. 275. 6.
Aceusativus. Sing. 3e deel. 72. — PI.
op vc. 81. 3. en 436 — bij verba van
nuttig en schadelijk zijn, goed en kwaad
spreken of doen. 324 — bij Intr. 326 —
Oraecus. 327 — dubbele Ace. 328 — hoe
ver ? hoe lang ? hoe oud P 329 — waar-
heen f 479.
Adjectiva. 101 — quantiteit. 102 —
Accent. 103 — op oc. 104 : 107 — op
ovq. 108: 110 — op wc. 111 — op ciq.
112 — op wc. 115 — op tav. 117 — op
rjf. 118 — op ie. 119 — samengestelde.
120 — van één uitg. 121 — afwijkende.
122 — comparatie. 124 — multiplicaliva.
146 — attributief, praedicatief. 321 —
voor adverbia. 323 — bij Hom. 453 —
Verbalia. 422.
Adverbia. Comparatie. 140 — van tijd.
304 - van plaats. 306 — hoe f hoe dik-
wijls ? langs welken weg f 307 — corre-
lativa. 308 — adverbiale spreekwijzen.
309 — bij Hom. 455.
Aflcidiny van Verba. 299. — v. Subst.
300 — v. Adject. 301 — v. Adverbia. 304.
Anaalrophe. 17.
randnummers aan, tenzij bl. = bladzijde
Aorialu*. Bet. bl. 201 — vorming. 213
M. P. 228 — Bet. op Sqv. 234 — Aor.
P. m. c. 259 — Aor. II. 264 — van verba
liquida. 267. 2 — Aor. II. bij verba op
fti. 273 — volgens verba op ui. 287 —
Bet. Indic. 344 , 348 — factische en in-
gressieve Bet. 349 — Gnomieus 350 —
voor Plusqpf. 351 — bij Hom. Aor. mixti.
467 — zonder c. 468 — zonder kenletter
en bindvocaal. 469 — van verb. liquida
m. c. 470.
Aphneresis. 443.
Apocope. 443.
Artis, 432.
Atlractio van \'t relativum. 177 — bij
den Infinitivus. 407.
Auyment. 203 — syllab. 245 — temp.
246 — fi. 247 — dubbel augm. 247. 6. —
als reduplic. 248. 3, 4 — bij composita.
250 — bij Hom. 462.
B.
Bepaling, als appositie bij Pron. Pers.
322 — van tijd enz. door adjectiva. 323.
Bindcocaal bij de verba op ui. 211 —
op /ii. 271. 10 — bij Hom. 469, 484.
C.
Caesuur. 432.
Comparativu/i der adj. 124 — declin.
134 — omschrijving. 136 — dan na Comp.
138 — van twee. 139 — van Adverbia.
140 — hoe . . des te. 195 — bij Hom.
454.
-ocr page 342-
328
ALGEMEEN REGISTER.
Conjugatie van Jndie. Praes., Imperf.,
Fut., Fut. Ex. 212 — Aor. Act. Med.
en Perf. Act. 213 — Nusqpf. Act. 214 —
Perf. en Plusqpf. op /ja/. 215 — Aor. P.
216 - Fut. P. 217 — Conj. 218 — Optat.
219 — Conj. en Opt. Aor. P. 220 —
Imperativi. 221 — Inf. Part. 222 — Cottj.
Pf. en Plqpf. op flat. 224.
Conjunctivus. Conjugatie. 218 — Beteek.
355 — dubitativus, adhortativus, prohi-
bitivus. 364 — met i<r\\ ov. 365 — bij
Hom. — Futurum. 365 A. 3 — dubitati-
vus in vragen. 375 — bij Hom. 484.
Consonanten : verdeeling. 3 — verande-
ring. 33 — verdubbeling bij Hom. 439.
Crash. 8. 20.
D.
Dativus. PI. deel. 79 — wanneer P
305 — bij verba tr., commodi, ethicus,
auctoris, relativus. 340 — sociativus,
causae. 341 — instrumenti, modi, men-
surae, loei. 342 — temporis. 343 — PI.
bij Hom. 446 — waar? 481.
Declinatie der Subst, I\'. 27 — II. 30,
Att. 31 , saamgetr. 32 — IIP. 45. Ace.
en Quant. 53, geslacht. 55 , Nominati-
vus. 56, Accus. S. 72, Voc. S. 73, Syn-
cope. 77, Dat. PI. 79, saamgetr. 81, op
oc. 82, op tjf. 83, op icXijc. 84, op tb,
wc- 85, op ie. 89, op et/f. 91, op uc-92,
op oj. 89, 93 — Afwijkingen, heteroclita.
96, metaplasmus. 97, abundantia. 98 ,
defectiva. 100 — der Adjcctiva, zie al-
daar — der Comporativi. 134 — der Nu-
meralia.
142 — der Pronomina, zie al-
daar — Bij Hom. 446.
Defectiva. 100. bij Hom. 452.
Dtponentia. 235.
Diacrcsis. 2 — bucolische. 432 — bij
Hom. 445.
Diphthongen : verdeeling. 2 — in Dat.
P. 80.
Dualis bij adj. partic. pron. 23. 5.
E.
Elisio. 19. bij Hom. 445.
Enclitieae. 13 — accent. 14.
F.
Futurum. Conjug. 217 — Bet. 228 —
Medii bij verba Act. 238 — Doricum.
260 - Atticum. 261 , bij Hom. 465 —
zonder f. 261, 3: bij Hom. 466 — van
verba liq. 267. 2 — Bet. Indic. 344,
352 — = Conj. Pr. m. av. 351 — met
ou ui>. 365. A. 1.
Futurum Exaetum: hoofdtijd. 202 —
Conjug. 212, 224. 4) — Bet. Indic. 344,
354 — = Conj. Aor. met av. 354.
G.
Oenitivus. PI. I\' deel. 28 — Attische.
89 — PI. der Adj. 103 — wanneer f
304 — Possessivus. 330 — Qualitatis.
330 — Partitivus. 331 — Criminis. 333 —
Pretii. 334 — Objectivus bij Adj. en
Verba. 335 — Copiae et inopiae. 336 —
Separationis, causae. 337 — Comparati-
onis, materiae. 338 — temporis. 339 —
Sing. en Plur. bij Hom. 446 — waar ?
vanwaar? 480.
Geslacht: naar bet. 22 — naar uitg. Ie
deel. 27, II» deel. 30. 2, 32. 1 , IIP
deel. 55 — van het werkwoord. 200.
H.
Hiatus. 18. bij Hom. 445.
I.
Imperaticus. Conjug. 221 — Bet. 355,
368.
Imperfectum. Conjug. 212 — Bet. Indic.
344, 348 — de conatu. 347 — voor
Plqpf. 351.
Indieativus. Bet. 344 — met av. 356,
360, 362 — zonder av. 363.
Iiifnitivus. Vorming. 222 — Bet. 355 —
Gebruik. 400.
Instrumentalis: 324. 477.
Iterativa. 472.
Iota subscriptum, adscriptum. 2.
K.
Kenletter der tijden. 207.
L.
Lettergreep: lang, kort. 6.
-ocr page 343-
ALGEMEEN REGISTER                                         329
Praeposities. Atiastrophe 17. II — elisio
19 — oneigenlijke. 311 — eigenlijke.
312 — met Gen. 313 — met Dat. 314 —
met Accus. 315 — met Gen. en Accus.
316 — met 3 casus. 317 — bij Hom. 482.
Praesens. Bet. 344 — Perfecti Bet. 346
—  historicutn en de conatu. 347.
Proc/ilicae. 12.
Prolepsis van \'t Subject. 369.
Pronomina: personalia. 147 — terug-
wijzende. 149 — possessiva. 150, gebruik.
151 — wederkeerig. 158 — demonstra-
tiva. 159 — betrekkelijke. 174, gebruik.
175 — indefinita en interrogativa. 180 —
correlativa. 189, gebruik en Bet. 191 —
Bij Hom. 456.
Q.
Quantiteit. 6 — uitg. ot en ai. 8, 2.
en 225 — I\' deel. 28 — II* deel. 30, 3.
31,2 — III- deel. 54 — bij Adjectiva.
102 — bij \'t Verbum. 225 — bij Hom.
433.
R.
Reduplicatie. 204, 248 — Att. 249 —
bij composita. 250 — in \'t Praes. 283 —
att. redupl. van Aor. en Perf. bij Hom.
463.
8.
Samentrekking. 8 — IIe deel. 32 —
III« deel. 81, 95 - bij adject. 108, 113
—  bij Comparativi. 134 — bij verba 260
—  bij Hom. 442 , 449.
Semivocales. 3. Aanm.
Sibilantes. Digamraa. 1, 239 — bij
Hom. 441, 445 — Jod. 242 — Sigma.
38, 210, 243; als aanvangsletter voor
vocalen = sv. 438 : dubbel sigma bij
Hom. 439.
Spiritus: asper , lenis, plaatsing. 5 —
asper = adspirata. 34.
Stamrocaal bij Verba Pura, lang 254,
kort in alle tijden. 256, 257, in sommige
258 — verdwijnt. 285.
Subject. Neutr. PI. 23, 7 — 318.
Substantiva, zie Declinatie en Numera-
lia — op (iij en ofij bij Hom. 436.
Superlativus der Adject. 124 — Bet.
135, 3 — omschrijving 136 — verster-
Letters: yerdeeling. 2.
Lidwoord: deel. 24 — Bet. en gebruik.
25, 26 — individueel, generisch. 319 —
met uitgelaten subst. 320.
M.
Medium. Bet. 231.
Metaplasmns. 97. bij Hom. 451.
Metathesis. 284. bij Hom. 444.
Modi. 205 — Irrealis 360, 388 — Po-
tentialis 361 , 366, 391 — Realia. 387 —
Futuralis. 389.
N.
Negaties, ov, fit). 425.
Nominaalvormen. 205.
Numeralia. 141 — deel. 142 — adver-
bia. 144 — Subst. 145 — Adjectiva mul-
tiplicativa. 146.
O.
Optathus. 205 - Conjug. 219 — Bet.
355 — wenschende, potentialis. 366 —
Concessivus, der Or. indir. 367 — met
irüc av. 367. A. 2.
Oratio obliqua. 397.
P.
Participium: Vorming. 222 — Bet.
355 — Gebruik. 409.
Partimlae. elisio. 19 — av. 356, 357
— &v iterativum. 362 —verdeeling, ge-
bruik en beteekenis. 430, 431.
Passivum. Bet. 234.
Pauze in het vers. 432.
Perfectum: redupl. 240, 248, 249, 250,
251 — kenletter. 207 — Conj. Act. 213 ,
op /uu. 215 , op /mi m. c. 259 — met
adspiratie. 262 — secundum 266 — bij
verba liquida. 267. 3 — zonder kenletter
en bindvocaal. 288 — Bet. Indic. 344,
345 — met Praes. Bet. 346 — met korte
vocaal bij Hom. 471.
Plusquamperfectum. Conjug. 214, 215 —
Bet. Indic. 344, 348.
Positie. 7 — bij Hom. 433.
Praedieaat bij Neutr. PI. — bij meer
Subj. — verzwegen. 318.
-ocr page 344-
330
ALGEMEEN REGISTER.
king. 137 — van twee. 139 — van ad-
verbia. HO, 3 — bij Hom. 454.
Syncope. III\' deel. 77, 78 — bij Hom.
444 , 448.
Synizesis. 443.
T.
Tempora. 201. hoofd-, hist-, stam-,
afgeleide. 202 — kenletter. 207 — uit-
gangen. 208 — bindvocaal. 211 — ken-
merken , afleiding. 226 — secunda. 263
— Bet. 344.
Thesis. 432.
V.
Verbod. 364. 3 — 368. 2.
Verbum: in \'t algemeen. 200 — quan-
titeit der uitg. en ace. 225 — verdeeling
naar beterkenis en vorm. 227 — naar
den stam. 252 — versterkte stam. 253 —
Pura. 254 - Contraeta. 260, bij Hom.
473 — Impura muta. 262, liquida. 267
—  op /ui. 269 — op skio. 290 — op dvw.
293 — op w = tw. 296 — op f<o bij
verba impura. 297 — met verschillende
stamvormen. 298 — Transit. Nederl. Intr.
325 — Intrans. m. Accus. 326 — Bij
Hom. uitgangen. 458 — bindvocaal. 460.
Vers bij Hom. 432.
Vocalen. Verdeeling. 6.
W.
TVemch: niet vervulbaar. 363 — mo-
gelijk. 366.
Z.
Zinnen. Oordeels-Begeerzinnen. 358 —
Objectszinnen. 370 — redengevende. 372
—  vraagzinnen. 373 — gevolgaanduiden-
de. 376 — doelaanduidende. 378 — tijd-
bepalende. 383 — voorwaardelijke. 387
—  concessieve. 393 — relatieve. 394.
-ocr page 345-
ALGEMEEN GRIEKSCH REGISTER,
A. bij een nummer = Aanmerking — G. D. A. = Genitivus, Dativus, Aecusa-
tivus — P. F. A. (Aor.) = Perfectum, Futurum, Aoristus — ace. = accent —
adv. = adverbium — att. = attisehe — at. =: atonon —augm. = augment —
Bet. = beteekenis — Comp. = comparatie — constr. = constructie — contr. =
contractie — conj. = conjunctivus — Deel. = declinatie — Dep. = deponens —
Encl. = enclitica — Gebr. = gebruik — Hom. = Homerus — Inf. = Infini-
tivus — M. P. = Medium, Passivum — m. = met — mixt. = mixtus —
Part. = Participium — Red. = reduplicatie — St. ss stam — ett. = stamtij-
den — Voc. = Vocativus.
De getallen geven de randnummers aan, tenzij bl. = bladzijde er voor staat.
« bij Hom. 436.
Aya- 303.
ayaSóc. Comp. 132 — Adv.
140 — bij Hom. 454.
iyavatrim m. D. 341, 5
—  m. Part. 413.
dyawi^oc. 440.
ayavaut m. Part. 413.
ayaa^vai. Bet. bl. 105 —
stt. 280, 4 — ace. 280.
A. I — m. G. 337.
ayiipu. att. red. 249 —
jj-yptro. 285. 3.
ayi\\t)Sóv. 304.
ayivaroc ui. G. 335.
ayvofw. F. M. 238 — m.
Part. 414.
ayvuitt. augm. 247 — stt.
278, 7.
ayopaZia. m. G. 334.
ayoftiiu). 282. 5.
ayyoi. 309.
ay<o. f/yayov. 249, 266 —
ayiav met 421. A. 2 —
A. mixt. 467.
üyiovi\'Cojiai m. Dat. 341.4.
affipvaav. 441.
altKtb). F. M. bl. 100 —
m. A. 325 — Bet. 346
—  m. Part. 412.
alvvarov pq oó. 429.
aiaxivui. Bet. bl. 106 —
P. P. 268 — m. A. 325
—   m. D. 341. 5 - u\'.
372. A. 1 — m. Part.
413 — ui) ov. 429.
citYidouui. m. G. 333.
aÏTtoc. m. G. 333.
aKoxilo). Perf. 463.
acaxuévoC\' 441.
d«iouai. 474.
ctKo\\ov$iw. m. D. 341. 4.
dicoiu. Bet. bl. 104 — F.
M. 238 — att. red. 249
—   P. A. m. c- 259 —
èlii. 309 - m. G. 338 —
m. Part. 414.
d<rpört)c. m. G. 335.
ÜKpUTOi;. 131.
arpoóo/ini. stt. 256. — m.
G. 338.
ükwv. 114 — bij G. Abs.
416. d.
a\\a
(fiXf). 438.
dXaXdJw. F. 238. A. —
st. 253.
dXaopiat. Perf. 463.
dXynvóc. Comp. 133.
a\\ii<pai. att. red. 249.
AMlw. stt. 296. 13 — Aor.
bij Hom. 463.
dXïo/t<u. Aor. bij Hom. 468.
«f\'. 304.
at)Si!)v. 97\'
arjSi\'ic. m. G. 336.
a9«varo£. 435.
\'A3t/va?f. 306.
\'A$iivti$cv. 306.
\'A&ivi)9i. 306.
aSpoiïto. Dep. bl. 106.
al, aïyap, aïSl, aïec. 483.
ai. at. 12.
ala s= yaïa. 437.
Aiyvirrtt]* 435.
alSio/iai. Dep. bl. 106 —
stt. 257 — m. A. 324.
"AtiïtiQ. 451.
fSu. F. M. 238 — augm.
246.
aiSiót. deel. 86 — bij Hom.
447.
aifiov. 241.
al\\ovpoc, ii, 30.
aliri{. 453.
aipiio. Bet. stt. 258 —
tïXov. 247 — m. 2 A.
328 — m. G. 333.
aipio. stt. 267.
atirddvouai. stt. 293. 1. —
m. G. 338 — m. Part.
414.
aiaxpÓQ. Comp. 130 — aia-
Xfov ion fii\\ oi). 429.
-ocr page 346-
332                                 ALGEMEEN GRIEKSCH REGISTER.
(iXt\'i.i. att. red. 249.
&\\ti$ti<f, ry. 309 — a\\ti-
Sii>). Hom. 436.
a\\ui{ 91. A.
«Xifr». Dep. bl. 106, 107.
A. 1.
aXiirco/iat, lfa\\u>v. 241 —
augm. 247. — stt. 287. 1
— m. G. 333 — m.
Part. 414.
<( \\ /r //. 451.
dXXó. 17 — elisio 19 —
Gebr. Bet. 431.
éiWaxy. 307.
a\\\\y. 307.
aWarrto. A. II. 266.
riWi\'/Xw. deel. 158.
aWoiïairóc. 198.
&\\\\o$tv. 306.
ftXoïi. 306.
liWonai -oa\\jopat. 242,
243 — stt. 267 — Aor.
bij Hom. 469.
aXXoc. 168. nXjoc. 242.
aXkooi. 306, 455.
aWort. 304.
aXXórpioc. m. D. 341.
&K\\h>{. 307 — Bet. Gebr.
431.
aXvaata. Perf. 463.
iïfia. elisio. 19 — m. D.
311 — m. Part. 419 —
aapa. 438.
aflapravio: yiipporov. 281.
A. 1 — stt. 293. 3 —
m. G. 335 — m. Part.
412.
(!/i.(i\\-K. 304.
api\\iuj. m. G. 335.
«/«(> \\<in;i<(i. Bet. bl. 105 —
stt. 256.
«/(ri\'i/tdii\'. ui. G. 335.
djunf. 456.
aumXoQ, »\'•. 30.
iintixi». augm. 250. A. —
stt. 298. 3.
ifiivui. Bet. bl. 103 — m.
A. 325 - m. G. 333.
afityi. 250 — m. 3 casus.
317 — 437.
«/K/)iyi/ofw. augm. 250. A.
a/i^t(]<vvfii. augm. 250. A.
stt. 279. 5 — m. 2. A.
328.
i/ipiaj3i)T(b>. augm. 250. A.
—    tic oïi, [tij ou. 427.
anfyónpoi: met artikel. 165
—  Bet. 172 — apipónpa.
309.
ifuporlpwSiv. 307.
ïijifm. deel. 142 — m. ar-
tikel. 165 — Bet. 172.
av. 356, 357.
av = lav. 387 nota.
iva. 250. — m. A. 315.
avuyoplilo. stt. 282. 6.
aviiytit. Bet. bl. 101.
avairtoe. m. G. 333.
avanpa^ta. Aor. II. 266 —
289 , 6.
AvaXiaKia. stt. 292. 1.
avapinvT)<iiciii. m. 2. A. 328.
avai, ava. Voc. 448.
«vóSioj. m. G. 334.
avarraWui. Aor. 463.
avaottav, u\'sya. 309.
óvWvoi = FavSavti). 440.
ai\'Jporqra. 435.
aviwttjTriiitov. m. G. 335.
ai\'êii. 311.
avivSi, n\'tya. 309.
avi\\niutt. augm. 260. A. —
stt. 298, 3 — m. Part.
412.
avrivo&i. 463.
avrip. voc. 74 — deel. 78
ai\'ïijpörepoc. 435.
avtiTopiüt. m. 2 A. 328.
<ii\'i\'l0tXoc. 440.
avoiyi». augm. 247 — stt.
278. 9.
avri. 250 — m. G. 313.
avTtata. Fut. 460.
avTtKpv£. 437.
avTtXiyta, <if nv , /iq, /«»)
ou. m. Inf. 427.
avvui. Fut. 466.
(ii\'wyr, avi*>x$fi. 2S9. 9.
Ü5..-C. m. G. 334.
aliÓM. m. G. 331.
awayopivw. Bet. bl. 101 —
stt. 282. 6. — m. Part.
412 — /tri en Inf. 427.
Ó7ra9jjr. m. G. 336.
airaifoiTÓc. m. G. 335.
awatc. m. G. 336.
airaiTibi. m. 2. A. 328.
awaWarTia. Bet. bl. 106
— ra. G. 336.
aitavraia. F. M. 238 —
m. D. 341. 4.
airuXlto. m. D. 341.
awéfpnc, d7r(ipwc fx"". rn.
G. 335.
airtvriZovTo. 440.
awexSavo/irtt. stt. 393. 8.
airixt». m. G. 337.
avwrèto. m. D. 341 — (ir/
en Inf. 427.
airXoïiQ. deel. 108 — Comp.
127.
iiré = ótto. 17 — 250 —
m. G. 313,2 — üip\' ov.
383.
anoiiiKwiu. m. 2. A. 328.
arroliSpanKia. m. A. 325.
i<7rn<W<.i/<i. Bet. bl. 103 —
m. G. 334.
ówoWw. A. II. 263.
airoKpvirrofiat. m.2A.328.
awoXaiia. F. M. 238 —
augm. 250 — m. G. 332.
inóWviit. Bet. bl. 102 —
stt. 278. 3.
\'AiróWtav. voc. 74 — A. 94.
airoXoyéoiiat. Bet. bl. 106
—   augm. 250.
«ttoX i/w. m. G. 333 — fil)
en Inf. 427.
dwovsiaSat. 435.
anovokii). Bet. bl. 105.
airoirhuiria. Bet. bl. 103.
airopiti). Bet. bl. 106.
awoaripéu). m. 2. A. 328
—   m. G. 336.
airorvyxaviü. 335.
airotpaivto. Bet. bl. 103.
ÜTror/inj\'yw. m. G. 333.
(i7róxp\'/- 280. A. 2.
aiTTofiiu. m. G. 332.
-ocr page 347-
ALGEMEEN GRIEKSCH REGISTER.                                 333
Upa. elisio. 19 — 431. 3.
apa. elisio. 19 — dp\' ov,
pi). 373 — 431. 4.
apapiaicü). Aor. 463, 470.
apitfKi». stt. 290. 1 — m.
O. 341.
(&pi)v). 78.
"Aptjc. deel. 99 — bij Hom.
450.
<ipi- 303.
apianvi;. D. PI. 449.
aptsriiu). m. G. 335.
apiaro — 303.
ApKÏio. stt. 257.
apviopat. Bet. bl. 106 —
(ij ov, pi/, pii ov. m.
Inf. 427.
apódi. att. red. 249 — stt.
257.
apraZui. F. M. 238 — bij
Hom. 463.
apiraï,. 131.
apn. 304.
apiiia. Bet. bl. 102.
apxalov, tó. adv. 309.
up\\i): apx<iv, tö kut\' dp-
X&Q. 309.
apxt — 303.
apxto. Bet. bl. 99, 100,
104 en N". 349 — m.
G. 335 — m. Part. 412
— apxóptvoc. 412.
aaSiviu. Bet. 349.
aopivoc. Comp. 131.
aariip. 78.
cLarv. deel. 89 — bij Hom.
449.
drop. 431. 5.
ilri. m. Part. 417.
«rï/u\'i|. 435.
«rpt/aii;. 437.
av. 431. 6.
aü\\f(o. aujim. 246.
aiXtJw. Bet. bl. 106.
oüSóvw. Bet. F. M.bl. 100,
106 — stt. 293, 3.
ttüpioi\'. 304.
avriica. 304 — m.Part. 419.
avróSiv. 306.
avróSt. 306.
airÓQ. deel. 148 — Bet.
166 — bij Hom. 456.
avróq. deel. 167 — raürb
tovto. 309 — m. D. 341
—  bij Hom. 456.
avrótri. 306.
aijxi\'piiiptn. m. 2 A. 328.
tii/itufi,!. va. G. 335.
aQftSiie. m. G. 335.
aipiKvkopat. stt. 295, 3 —
m. G. 335.
atpiitj utv. 28.
afviis-üv. 28.
&X$i>l\'at. Bet. bl. 105 —
A. P. ra. c- 259 — stt.
296, 1 — m. D. 341.
3, 5 — ra. Part. 413.
&xpi. 19 — 437.
Baiïnv. 304.
fiaSiZio. F. M. 238.
|3aWc. 453.
Paivu. F. M. 238 — stt.
287, 2 — /3s/3ij/ca. 288,
3 — Aor. mixt. 467.
paXXo». Opt. Plusqpf. 224
—    A. II. 266 — stt.
284. 1.
paoiXejya. 242.
liaaiXfiiQ. 91 — Comp. 133
—  st. 240, 241 — bij
Hom. 449.
PaaiXtvu. m. G. 336 —
Bet. 319.
pig. 309.
fiidZopai. Bet.bl.l08.A.2).
j3,/3d?w. F. 261 — red.
283. 2.
PiPXoe, fi. 30.
PiPpiattKoi. stt. 291. 3.
jSiów. F. M. 23S — stt.
287 , 3 — piopai. 466.
PXaitru). red. 248. A. 1
—  A. II. 266 — m. A.
324.
pXaaravat. red. 248. A. 1
—  stt. 293, 6.
PXiiria. F. M. 238.
p\\iTTia. st. 253.
pxdiaicut. stt. 284. ó.
poih>. F. M. 238.
/3ó(Ticw. stt. 296. 14.
PoiXopat. Dep. bl. 105 —
augni. 245 — stt. 296,
2 — IfiavXópriv av. 359.
(3nv£. A. 72 — Voc. 73 —
deel. 92 — st. 240 —
bij Hom. 449.
/Sn<iu, uiya. 309.
Ppadvg. 454.
fipoTÓc. 444.
pirjM, Povéui. 242.
Taïa = yrj. 437.
ya\\a. deel. 99.
yapiio. stt. 268.
ydp, étrri. 17 — 431. 7.
yaariip. deel. 77.
ys encl. 13 — elisio. 19 —
431. 8.
yiX&ut. F. M. 238 — stt.
256.
yipu. m. G. 336.
ytvof. st. yivia. deel. 244.
yfpnió\'s;. Comp. 126.
yépac. 93.
yivio. Bet. bl. 102 — m.
G. 332.
y»]5éw-ylyi|9a. stt. 297. 3.
yijpac. 93.
ytipaOKia-ynpavcu. 287 A.
— stt. 290. 6.
yiyvopai. A. II. 265 —
stt. 286. 1 —> yèvóptvov
kir\' kpoi. 309 — m. Adv.
318. 7 — tö yiyvóptvov.
410.
ytyviaaicw. stt. 287. 4 i—
m. Part. 414.
yXvKVQ. Comp. bij Hom.
454.
yviap.il. deel. 29 — yi/w/jqv
ipriv. 309.
ywi»p(?w. red. 248. 4 —
F. 261.
yóvv. 99. bij Hora. 450.
yoüv. 431. 9.
ypaüc. A. 72 — Voc. 73
Deel. 92 — bij Hom,
449.
-ocr page 348-
834
ALGEMEEN GRIEKSCII REGISTER.
ypa<pu. Bet. bl. 103 — red.
248. 4 — stt. 262 — A.
II. 266—m. G. 333 —
Bet. 346.
yvfivóq. m. G. 336.
yvvri. 99.
Aa- 303.
Sai)p. Voc. 74.
Sai, tij. 432.
Saicvw. stt. 295, 2i
Satpvov. 98.
£{t£. Ace. 53.
Sairavau). Bet. 1)1. 106.
ffapSavtj. ïSpaSov. 284. A.
1 — stt. 293 , 7.
flaoi/c. m. G. en D. 336.
Si. elisio 19 — 431, 10.
•Si. encl. 13.
SêSfia, tttfisnofiai, SiS-
FotKa. 441.
SiSoiKa. 289, 5.
Si7. stt. 296, 3 — fltov.
309 — Hu. 359 - Constr.
408, 5.
St(Sa>. stt. 289, 5 — SMov.
433 — tSSitrriv = ïSfu-
aiv. 440, nota.
hiKvi\'/n. stt. 269, enz.
(Séïva. 173.
fttvóc = Sfuvóq. 433 —
jfivói\' i<rn /jq oü. 429.
<5f/iw. stt. 284, 6.
SivSpov. deel. 97.
Sinfiui. Dep. bl. 105 — stt.
296, 3 — m. G. 336.
Is7ra{. deel. 89.
Sipiu. A. II. 266.
Sla/toe 97 — bij Hom. 551.
Siu ik bind. stt. 258 —
contr. 260.
iiu ik mis. stt. 296, 3 —
lêérioa èXiyov etc. 359
— Toaovrov Siia ....
«<r«. 377. A. 2 - i\\t-
yov etc. Silv. 402. A, Sim.
296, 3.
Sfriv. 441.
<5q, SijSlv, êrjwov, Srjra.
431, 11.
flijAóc «V\'- 408 . 2 — è5ij-
Xov Sri. 371 , 4.
ó|\\""<- Bet. bl. 101 —
JijX<i;w. 242.
Sn/iiin/o. deel. 77.
Sr\\noni<f. 309.
Jflw. Fut. 466.
flia. 250 — m. G. en A. 316.
drajSaivw. Bet. bl. 101.
Stayiyvofiai. va. Part. 411.
Stayto. Bet. bl. 101 — stt.
282, 4 — m. Part. 411.
Starau. Bet. bl. 106.
SiaXiy,o. Bet. bl. 106 —
m. D. 341, 4.
StaXXarrot. Bet. bl. 106.
Stavifta. Bet. bl. 103.
diavoénpat. Bet. bl. 105.
Siarpifiu. m. Part. 411.
Sttuftipu*. m. G. 338.
fid^opoc. m. D. 341.
cWóirxw. Bet. bl. 103 —
red. 283 , 2 — stt. 292,
2 — m. 2 A. 328.
SiSpaaicui. stt. 287, 5.
»«ij«. st. 253 — m. G.
333 — ihKaairaiitjv. 439.
SiKaiót fi/u. 408, 3 — oó
rirrmii\' ;»\'/ oü. 429.
£«<w(Sw. F. M. 238.
£(r»tv. m. G. 311.
SUn. 372.
%a. 309 = 8iX$a. 437.
<5nj/aü). Contr. 260 — m.
G. 335 — met lange vo-
caal. 474.
Suók<o. F. M. 238 en A. —
in. G. 333.
(\'(ncti.). stt. 297, 1 — t\'ri-
luv tovto etc. 309 — Ijioi
SokiÏv. 402. A. — constr.
408, 4.
Sópv. 99.
SovXtuta. in. D. 341.
SovXtxóSitpoc. 435.
Spau. stt. 255 — A. m. f.
259 — ii m. A. 324 —
in. lange vocaal 474.
(V/«,«. 309.
SpóooQ, >). 30.
Sivaftat bij Superl. 137 —
Dep. bl. 105 — iiugm.
245 — stt. 280, 5 —
ace. 280. A. 1 — piya.
309 — loi\'vófiiiv av. 359.
— ou Sivaftat fu) ou.
429.
Svvarov ov. 309.
Sin. deel. 142.
flv<r- 303.
SvifTvxim. augm. 251.
Simt. stt. 254 — ïSvv en
Bet. 287, 6 — Aor. mixt.
467.
SU. 452.
Sutpiav. 309.
\'Eóv na iricoTrtT»\', öpav,
375. A. — 387.
lato. augm. 247 — stt. 255.
iavroïi. deel. 149.
fyyie- 311 — m. D. 341.
lyiipoi att. red. lypi/yopa.
249 — A. II. 266 —
stt. 285, 1 — lypqyopSt.
289, 9.
lyxaXiut rii>». 333.
tycofiiaZM. F. M. 238 —
augm. 250. A.
lyrparris. m. G. 336.
iyiit-uni, fioi, fti encl. 13
—  deel. 147 — bij Hom.
456.
ifiXSouat. 441.
IfiXSuip. 441.
i.csXwoftat. 441.
IffaSt. 441.
ê>oj. 441.
^o(((ii, aiSjouat. 242. 243.
töiXw. stt. 296, 4.
hSilto - <r.F. 239 — augm.
247 — stt. 298, 1.
ft aton. 12. 17 — na 5a v-
uaXut. 372 — vrag. 373
—  li gut, li /"/ apa, lï
yap 393 — cï el. 483.
ii\'iipii\'óf. 435.
ilfiw. 437.
ilSov. 288, 4.
i&i. utinam. 363.
-ocr page 349-
335
ALGEMEEN GRIEKSCH REGISTER.
ivJii/jiw. Dep. bl. 105 —
m. G. 335.
iviori. 304.
M\'l\'t7TM. 438.
èvvoéw. Bet. bl. 106.
ivo^Xéw. augm. 250 A.
Ivoxoc m. G. 333.
(VTav^ra. 306.
la^rtvdcv. 306.
Ivrét. 311.
IvTpiiro/iai m. G. 335.
ig. at. 12 — 250 — m. O.
313, 3 — è| ov. 383.
i?a»r<VT)c. 309.
ilapnêiu. F. 261.
é?opvov iZvai firi m. Inf.
427.
t"Ef<»r«. 17 — m. D. 341 —
IViv. 359.
^erajw m. 2 A. 328.
iïijf. 309.
Utivui. Bet. bl. 101.
ilio. 311.
toiic.i. augm. 247— 289, 8
— f»óc309 — m.D. 341.
toXjra. augm. 247.
tnpya. augm. 247.
iopTaX,io. augm. 247.
ióc, i.-óc bij Hom. 456.
iwati\'éw. F. M. 238 — stt.
258 — F. 261.
tn-it. 435 — kiv. 483 cau-
saal 372 — temporeel 383.
lirtiyoi. Bet. bl. 106.
iireiSi). 431, 11 —causaal
372 — temporeel 383.
ïwttra. 304.
Iwffvov. 285, 3 — 463.
Iwi, ïwi. 17 — 250 — m.
3 casns. 317, 15.
IwtpovXivui. F. M. Bet. bl.
100, 104.
hrtitljf 335.
tVii\'ui\'ói,\' k/h. 408, 3.
lirtbv/iiu) m. G. 335.
iiritaiptós n\'/n. 408, 3.
tViXui\'ïiii\'o/tdi in. G. 335
in. Fart. 414.
tirt\\i)Oiiu)v. Comp. 131 —
m. G. 335.
lU&Zat. m. D. 341.
ficj/. 309.
i\'tKia. m. G. 337.
ilmóv. 97.
tïXw, fkXjta, fié\\\\io, ïfiX-
<ra. 244.
ftfii. 199 — encl. 13 — voor
iafii 244 — Tip övTt. 309
—   m. Adv. 318, 7 —
inri verzwegen. 3!8, 9
—    rd avra. 410 — bij
Hom. 475.
tJ/ii. 281 — bij Hom. 476.
t\'anp. 393.
tiitov. 249, 282 — liwi.
264 — avviXovrt ilirtïv.
340,  2. c — (wc) ciirXwc,
«vvTÓfUü£, irvviKovTi êi-
Trttv. 402. A.
t\'ipyvvftt. stt. 278, 8 — m.
G. 337.
eïpyio. augm. 246.
«i\'j. aton. 12 — 250—m.
A. 315. 8 — ii\'c o ki(v)
483.
<t»/3dXXw. Bet. bl. 100.
(\'wirpaTTia. m. 2 A. 328.
(Iitw. 306, 311.
dra. elisio. 19 — 304.
tin — ÜTi. 373.
eïwSa. 247 — stt. 298, 1.
«airroj. m. art. 165 —
Bet. 171.
UauTOTi. 307.
itartpog. m. art. 165 —
Bet. 171.
è/carip(u(T(. 307.
UfiaWui. Bet. bl. 101.
Muu.\' m. 2 A. 328.
»ft, Utïnt. 306.
i*Kvof. 148 — deel. en
gebr. 163, 164 — bij
Hom. 456.
«ÏÓ7TTW. Bet. bl. 101.
lickiiiru. Bet. bl. 101.
Uriitru. Bet. bl. 101.
UwX^ttio. Bet. bl. 101 —
stt. 298, 6 — m. D.
341,  6.
Uwoiiav. 309.
IKOVTt. 304.
UipiCyio in) m. Inf. 427.
Uóv. 114 — avai. 402. A.
—  bij G. Abs. 416. d.
Utóc. 311.
IXarrón/iat m. G. 338.
iXavvio. Bet. bl. 101 —
att. red. 249 — stt. 256
—  F. 261.
IXéyXot. att. red. 249.
iXtvdtpóc m. G. 336.
fXiuSipóu m. G. 336.
iXiTTut. augm. 247.
ïXmo. augm. 247 — stt.
298, 10.
Miinu m. G. 338.
IXXiaafirtv, fXXi\'irirero. 440,
nota.
iXiri^to, IXiriSjw. 242 —
st. 253.
lltavrov. deel. 149.
fM|8a\\\\w. Bet. bl. 101.
iniui. stt. 257.
fft/jont. 440, nota.
I^4Ó£. gebr. 150.
IjiwapuQ , ifiirtipuic f X"v
m. G. 335.
if47rijrX?|j« m. G. 336.
finroSiZw. augm. 250. A.
f/iTTufwi\'. 309 — m. G.
337 — iivat fii\\ en Inf.
427.
ipirpoabiv. 311.
ti\'. at. 12 — in samenstel-
ling. 39, 43, 250 — m.
D. 314 — Iv <f 383 —
bij Hom. 482.
èvavrióe, rouvavTióv etc.
309, 311 — m. D. 341.
tvavrtóofini. Dep. bl. 105.
MoSfv. 306.
tvdov. 306.
ivSvm m. 2 A. 328.
IvtSpiiut. augm. 250. A.
\'ivixa. 311.
fv»\';i\'o5e. 463.
fv$a. 308.
ivSafa. 306.
6V&ÏV. 308.
IvSivli. 306.
-ocr page 350-
336                                 ALGEMEEN GRIEKSCH REGISTER.
eViXeiVw m. A. 325.
iirtWiydqv. 440.
lirtiti\\r)c m. G. 335.
f7Ti/it\\n/Kii. Dep. bl. 105 —
stt. 296, 7 — m. G. 335.
t\'mi\'ntn/Kii. Bet. bl. 106.
Ijriopicéw. F. M. 238. A. —
augm. 250 A — m. A.
325.
lirlorafiat. Dep. bl. 105 —
augm. 250 A. — stt. 280,
6 — ace. 280. A. I —
n. 335 — m. Part. 414.
InwTtintov m. G. 335.
iiriT-qüliaQ lipt. 408, 3.
tjrirovoc. 435.
iiri\\npiio. augm. 250 A.
éVo/KK, oéiropai. 243 —
augm. 247 — ivirópr\\v.
265 — m. D. 341,4 —
438.
iiTj>iafn\\v. 280, 8 — ace.
280. A. 1.
Ï7rw, tïirnv. 438.
fpafiai. Dep. bl. 106 — stt.
280, 7.
Ipaia. stt. 256 — m. G. 335.
ipya&liai. Bet. bl. 108 , A.
2) — p. 241 — augm.
247 — red. 248, 4.
ipyifi, rif. 309.
IpiUtü. att. red. 249.
èpfiirto. Aor. bij Hom. 463.
Ipirrio. st. 253.
tpmioQ m. G. 336.
Ipi — 303.
Ipilm in. D. 341 , 4.
(époftai). 296 — m. 2 A.
328.
ïpTrw , gipitb). 243 — augm.
247 — stt. 298, 10.
(F)lpvo>. Fut. 466.
éppw, \'ippw , lïipoa. 244.
Ippiofiivoc. Comp. 133.
ipvSpiaia. stt. 255.
ïpxofim. att. red. 249 —
a.&é. 264 — 199.
laSib). att. red. 249 — stt.
298, 2 — m. G. 332.
iaovpat. 440, nota.
itfTi. 383.
lari. encl. 13 — anastro-
phe. 17 — ïariv\'ÓTi. 304,
396 — ttTTtv ou , ivSa,
y, oiic firnv öirwf. 396.
ioTtata. Bet. bl. 106 —
augm. 247.
éVtpoc. 168, 169.
IrèptüQ. 307.
iriTfit. 463.
Irriniat-aiiDV. 28.
IrriaioQ-aiitiv. 28.
In elisio. 19, 304 — J£
Irt rov, tri i>iv Si. 304.
(b — 303.
i5. 104.
tvSai/ioviZui. in. G. 337.
tMiof. Comp. 125.
tvSriKt/iim. augm. 251.
(uepyêrsw. augm. 251 —
in. A. 324.
ivSvg. 304— rrjv ibStiav.
309 — m. Part. 419.
fóicXfii). 436.
füXaj3lop<ii. Dep. bl. 105
—  m. A. 325.
ivXoyiw m. A. 324.
lvvvr)TOC. 440.
fSvovc* m. D. 341.
füirXoifJ. 436.
ibiropéw. m. G. 336.
lipiaKui. Bet. bl. 102 —
augm. 246 — eipl. 264
—    fi\'ipov. 265 — stt.
292, 3.
«üpv£. 453.
K/C. 453.
fi«, furiKiv. 483.
f«Xo/iat. augm. 246 — m.
D. 341.
lüippaivm. Dep. bl. 106.
fli<,i\\FM. Dep. bl. 106.
><piirK. 309.
ttpiio-Sai m. G. 335.
|0\' <j5re. bl. 214.
lx$k- 304.
é^^pof. Comp. 130 — m.
D. 341.
ÏX"), ïfa. 37 — Bet. bl.
101, N». 349 — ffixo».
243 — augm. 247 —
la\\ov 265 — stt. 298, 3
—   m. G. 332 — txülv
met
421. A. 2.
tyu. stt. 296, 16.
ê\'wf dv = «i\'c ö Kt(v). 483
—  \'iiag tijdbepalend. 383.
FaXiiiKoftai. 241.
Fava%. 448.
FavSavta. 440.
,"i..p. 239, 440.
FiapivÓQ. 435.
Fukmii. 441.
Fi\'iKia. 441.
.Ftïo, ^éo, .^oi, /\'s. 411.
r\'r.KartToQ. 441.
fiXSofUu. 441.
^ép- 441.
.-fpy«V»/««l. 241.
^épyor. 239 , 441.
Fipyoi. 441.
J^pi/w. F. 466.
Fmiripa. 239.
piawipoQ. 441.
Fid^iiQ. 239 — 441.
^««- 441.
Ftiïpiiu). 474.
.rfov. 441.
^if. 441.
^oïeof. 441.
FoitcaSi-üiv-St. 455.
^oïi\'oc. 1, 239, 441.
j^óc. 441.
.\'piiyvufu. 240.
zpiyiut. 240.
7.«- 303.
ZacwvSoc. 435.
2<i«. contr. 260 — stt.
287, 3.
ZÉXaa. 435.
Z,ibyvvpt. stt. 278.
Zfig. 99.
Kii». stt. 257.
ZtjXóht in. G. 337.
Zi]r\'no. red. 248 , 4.
£iyoi<. 242.
\'C,mvvk\\u. stt. 279, 7.
?ww. 474.
-ocr page 351-
ALGEMEEN GRIEKSCH REGISTER.                                  337
"H bij Comp. 138 — ÓXXo
re ij, irórtfov, irÓTfpa i}
373 — 431, 14.
t) at. 12.
»/ vragend 373 — 431, 13.
i5/3d<ri<u. stt. 290, 7.
v$ao>. 474.
yyioftcu m. 2 A. 328 — m.
G. 334, 335. bl. 233.
ySri. 304.
ïfiouai. Dep. bl. 106 — m.
Part. 413.
ilSi(. deel. 111 — Comp.
130.
#cw. Bet. 346.
t)\\UoQ. 189 — gebr. 193.
f/naSóiic. 436.
yliiSairöf 198.
yfiirepos. gebr. 150.
»; /ei}». 402.
,)Hi- 303.
jyjtof. 455.
W">C (a/tói). 456.
»jv = Uv. 387, nota.
t)viuólt£. 436.
rjv«a. 308—temporeel 383.
»;vtox»c. 451.
ijoc. 455.
»;»rap. 99 p. — 242.
vp. ace. 53.
\'HpaeXijc;. deel. 84.
vpó/"/\'\'. 296, 5.
i/pwe;. deel. 85.
ijffu^oc. Comp. 125.
yrraofiai. Dep. bl. 105 —
augm. 246 — m. G. 338
— Bet. 346 — m. Part.
412.
jjrrw iZvat m. G. 338.
rjv{. 453.
tl\\ü. deel. 85.
r/de. 447.
9a\\\\u>. P. II. 266.
Sofia. 309.
Sanrw-ird^i/v. 37 — 266.
dappÉcu m. A. 325.
Sapooc. 444.
&avita(co. F.M. 238 —st .2.33
m. G. 337 — «t 372 A. 1.
S/ipopai, S\'ipaauat. 244.
Slcu. F. M. 238 — stt. 255.
3-ijpaw. F. M. 238 — m.
A. 325.
Sripiitü, F. M. 238 — m.
A. 325.
Siyyavio. stt. 294, 6 — m.
G. 332.
Svriaicüi-TsSvaSi. 36 — Bet.
bl. 104 - stt. 284 , 2 —
T&vriKa. 288, 2 — Bet.
346.
Spavlo. P. A. m. c. 259.
Spe\'?, rpexóc, ^p\'?i. 37.
Spinrrtu, irputyyv. 37.
Spiicicu. stt. 284, 7.
Si\'ydrijp. 77.
Su/ióiu. Dep. bl. 107.
Sipaai, -Zt, -.W 306.
Hu. stt. 254 — Itv$i]v.36.
"Ia = /ua. 437.
i\'ao/mi. Bet. bl. 108 A. 2).
laitrui. 242.
i?ia. 309.
tótoc. 341.
Wpij. deel. 119 — m. G.
335.
iSpuiQ. 447.
(^)i\'Jpwu. 474.
ijdvw, \'e\'Sw. stt. 298, 4.
e\'ij/*e. Bet. bl. 101 — aéaiica
244 — augm. 247 — 270.
i\'Wf. 437.
icmiJw. augm. 246.
ïrpfi\'oi;. 441.
\'tKvionui. stt. 295, 3.
\'Uut. Aor. mixt. 467.
IXatTKopiu. stt. 290, 8.
ï\\ivc m. D. 341.
iflaTTi». St. 253.
i/utiptu. Dep. bl. 106.
ïva. elisio 19 — finaal 378
— iv\' av 379, 3 —
431, 15.
!<ro£. Comp. 125 — m. D.
341.
t\'tróct). m. D. 311.
\'iarrtiti. Bet. bl. 102 en bl.
160 — <ritrri)/u, i«emjici|
244,248, A. 2 — augm.
247 — Conj. 270 — \'ia-
rr\\Ka. 288, 1.
ioTopÉw m. 2 A. 328.
iaxvaivio. 267.
i\'itv/\'m. augm. 246.
IvX«. 286, 3.
i\'x^ic;. deel. 92.
KetSdjrep. 309.
naSapós m. G. 336.
KaSéZofiat. stt. 298, 4.
rd$i)(iae. 298, 4.
KaSlZw. F. 261 — stt.
298, 4.
radérri-qfu m. 2 A. 328.
icat-tffn. 17 — kq\'i £i, 393
— m. Part. 420 — 431,16.
taiirip m. Part. 420.
KacnXoyÉto m. A. 324.
KiiKmrmho in. A. 324.
«aicdc. Comp. 132 — bij
Hom. 454.
KUKovpyfuj m. A. 324.
koXIw. Opt. Plusqpf. 224
—   F. 261 — stt. 284, 9
—   m. 2 A. 328 — «i-
kXiukii. Bet. 346.
eaXóf. Comp. 132.
KaXvirru). st. 253.
icdjevw. stt. 284, 3 — m.
Part. 412.
Ka/iirTai. P. p. 262.
tav = Kal av. 20 — 393.
nipt). 450.
caprfpéui m. Part. 412.
caprepóc. 444.
icdproj. 444.
«rara. 250 — m. G. en A.
316, 11.
roraytXaw. Bet. bl. 104 —
m. G. 337.
kut uk ai vi». A. II. 266.
KUTUK\\ivi». Bet. bl. 106.
KuTaXafifiavio. met Part.
414.
earaXXdrrw. Bet. bl. 106
—   m. D. 341, 4.
KtxravTiKpv. 311.
KUTavmrïpu£. 311.
22
-ocr page 352-
338
ALGEMEEN GRIEKSCH REGISTER.
KaTaii\\i)TTti>. stt. 289, 6
m. D. 341 , 5.
Karafpov\'eu m. G. 337.
raroicigw. Bet. bl. 107.
KaTÓTIV. 311.
Karó>»r&{i>. 311.
rów. jr 240 — stt. 255.
k\'i , k\'iv. 483 — indir. vraag
375 A.
Kiïfiai. 276.
KtïvnQ. 456.
en\'pw. Bet.bl. 102 — Utpaa
244.
Kiiw. F. 466.
/c«op»$ji!voc. 441.
KiKptiya. 289, 6.
KSKTt)iiai. Conj. Opt. 224 —
Bet. 346.
KiXfvSoc. 451.
«éXeüw. P. A. m. c. 259 —
m. A. 340.
/céXXw. Aor. 470.
xiXofUu. Aor. 463.
Ktvóq m. G. 336.
Kipówufii. stt. 279, 1 —
KiKpaftat 286 3) — m.
D. 341, 4.
eépac. 93.
«epo\'aii\'w. 267.
«</Sw. Aor. 463.
KriSo/iai in. G. 335.
«fjp. ace. 53.
*«véu. Bet. bl. 106.
*Xa?<j. 464.
icXaw. stt. 256 — P. A.
m. e. 259.
«Xaw. stt. 255 — F. 261.
/cXfc\'c. 99.
kXim, «:\\j/w. P. A. m. f.
269.
icXInrijc. Comp. 131.
*Xé?r™. F. M. 138 — P.
262 — A. II. 266.
/cXijpovo/iéa». in. G. 335.
cXivu. red. 248, 4 — stt.
263.
cXéw. Aor. 463 en 469.
Kvcuo. contr. 260.
KoiXaivui. 267.
cot/udw. Bet. bl. 106.
coivjf. 309.
KotvoXoyibi. Bet. bl. 106.
/coii\'óc ni. D. 341.
«oXóJw m. G. 333.
icoXXdto. stt. 256.
Komtiy. 309.
KÓwria. Aor. II. 266.
Kopivvvfu. stt. 279, 10 —
m. G. 336.
KOpvTTIO, KOpiSjU). 242 ---
st. 253.
Kpaiïii). 444.
epajw, upayjbi. 242 — red.
248, 4 — st. 253 — P.
II. 266.
tcpaTtta. red. 248 , 2 —
likya. 309 — m. G. 335
— Bet. 246 - ra. Part.
412.
rporiirrtiJü/ m. G. 335.
Kpifianai. stt. 279, 2 —
ace. 280. A. 1.
Kpffiavwiit. stt. 279, 2.
Kpirw. stt. 268 — m. 2 A.
328 — m. G. 333.
«pot/w. P. Aor. m. c. 259.
Kpvfiiït)v. 304.
Kpvtpa. 311.
KTaonai. Conj. Opt. 224 —
red. 248. A. 3 — /cr>»-
aóutvot met. 421. A. 2.
««•kw. P. II. 266 — stt.
298 , 5.
KTllQ. 99. p.
*W?w. red. 248, 4 — F. 261.
KvBpoQ, 454.
icincTjün\'. 447.
icvicXy. 309.
Kvpwe m. G. 335.
«ïipw. Aor. 470.
KViDV. 99.
icüjiti\'. 449.
KuiXito m. G. 337 — juij
m. Inf. 427.
Aayvot. Comp. 131.
Xayxavu. red. 248, A. 4
— stt. 294, 3 — m. G.
336 — Aor. bij Hom.
463.
Xayaót;. 447.
XaSpa. 309, 311.
XaZn/tai. Aor. 463.
XóXoj. Comp. 131.
XanfiaviD. red. 248. A. 4 —
Xa/3É. 264 — stt. 294, 1
— m. G. 332 — m. Part.
414 — Xafiaiv, met. 421
A. 2 — ÏXXafii. 440 nota.
Xav&Avu. stt. 294, 2 —
m. A. 325 — m. Part.
411—Aor. bij Hom. 403.
X0Ó4\'. 447.
Xnc. ace. 53.
Xéyw-tu. Bet. bl. 104 —
Xëynvrja 242 — ftprjra.
248, A. 4 — üwov 249,
282 — tiwi 264 — stt.
282 — fièya. 309 — «i\'pi]-
pivnv, Xiyófiivov. 309 —
iv m. A. 324 — m. 2A.
328.
Xü/iw — fïj3u. 437.
Xtiirui. A. II. 265 — P. II.
266 — m. Part. 412.
Xix- Aor. mixt. 467.
Xtvxaivu). 267.
Xh\'/m. A. m. c. 259.
Xflyw m. Part. 412.
AijroDc. 447.
Xoic"opsw. Bet. bl. 107.
Xotiróv, tö. 309.
Xvir\'fo. Bet. bl. 107 — m.
D. 341, 5.
Xib>. Bet. bl. 102 — stt.
254 - m. G. 336 — Aor.
bij Hom. 469.
XwfSao/\'iii m. A. 324.
Md, o/j pa Ata. 431, 17.
fiai/iaw. 474.
/iaivo/lat. Dep. bl. 105 —
stt. en bet.bl. 107, 1 —
Aor. II. 266.
fiuKupi\'Cu m. G. 337.
ftaicpóc. Comp. 132. — /«o-
Kpdv. 309.
f*aXó bij Comp. 136 —
fiaXjov. 242, 309.
paXdacac. 437.
-ocr page 353-
ALGEMEEN GRIEKSCH REGISTER.                                  339
ItavSavui. stt. 293, 5 —
m. Part. 414 — tituaSt
440 nota.
pópn/j. 99.
paxopai. F. 261 — stt. 296,
6 — m. D. 341, 4.
Meynpoï -aSi -ó$iv. 306.
/liyas. deel. 122 — Comp.
132 — adv. /ïiyiarov. 309.
liiSvaKut. stt. 290, 5.
(tiSvui. 254 — 290, 5.
fiiiovfKTÏta m. G. 338.
fiiXu. stt. 296, 7 — fiéXov,
fiiTÓjitXav 309 — jxoi
rtvo<;. 335.
tiéAi. 99.
péXiTTa, (lèXiTja. 242.
ItiWüi. augm. 245 — stt.
296, 8 — m. Inf. 352
fx\'eWov. 410.
ftiXia, zie ftéXn —iif\'it|3Xe-
rat. 284. A. 2.
ftf/ivtl/iat. Conj. Opt. 224
m. Part. 414.
/ilppo/jai. Bet. bl. 106.
piv. 431 , 10.
(iivoivan). 474.
pivroi. 431, 18.
Iikvto. stt. 268 — m. A. 325.
Hépos, ti, tö t/ióv etc. 309.
ptaatiyv. 437.
lif<i(o)oQ. 439.
ptoTÓt m. G. 336.
/lira, fikra. 17 — 250 —
m. 3 casus. 316, 13.
ntTaiïiftbiiii m. G. 335.
liiTctftiXii fioi m. Part. 413.
/ifru/iéXojutu m. Part. 413.
t«r<iM.311 — ra. Part. 419.
fiÉrtari /tot nvoc. 335.
fiirixiu m. G. 335.
/KÉroxof m. G. 335.
I*éxi"- " — 311 — ou
383 — 437.
/«ij, turi. 17 — vrag. 373
finaal. 478 — m. Indic.
380. A. 3 — na verba
van vreezen. 381 —gebr.
425.
/irjfé. 431, 20.
/irjJeic. ace. 53 — deel.
143 — gebr. 425.
/iijjiworf. 304.
lït\\$viriimoT(. 304.
tiijo\'Érepoc. 170.
fiqcirt. 304.
ti^v. 431 , 19 — ») ti»jv. 402.
fii)irut. 304.
liljri. 431 , 21.
/j>/r»)p. 77.
fitjTtfTd. 446.
H\'iyvvu.i. stt. 278, 2 —
341, 4 — Aor. bij Hom.
469.
«iiicpóc. Comp. 124 — /u-
«rpoS, ftiicpóv, fwcpa. 309.
ii.\'/t]\'//iricw. stt. en Bet. bl.
107, 2 enN°. 291 , 1 —
red. 248. A. 3 — m. G.
335 — m. Part. 414.
itittvu. 286, 3.
lun-Sóu. stt. 254 — m. G.
334.
itvaouat. 474.
fivi\'ipiiijv m. G. 335.
fióaavv. 97.
/nor. 373.
NoSc. A. 72 — Voc. 75
— D. PI. 80 — deel.
99 — bij Hom. 450.
VllKtiu). 474.
véuw, ïvtfiaa. 244 — stt.
268.
vipsov. 240.
vtyiXriyiptTa. 446.
vlw ik zwem. F. M. 238.
A. — fi. 240, 244 —
stt. 255 — P. 261.
vin ik hoop op. stt. J59, 5.
i\'/;, f ai lid Aia. 431 , 17.
»\'»|\\»;c. 453.
rijiSf. 447.
rf£w , vijrru. et. 253.
viKatü. Bet. 346 — m. Part.
412.
voltij F. 261 — m.2A.328.
vóa<pt(v). 21.
viv encl. 13 — vv. 21 —
431, 22.
viv, lort. 17 — 304 —
rb vüv. 309 — 431, 22.
wvSr/. 304.
via\'iTfpoQ. 456.
Zi/pmi\'M. P. p. 268.
\'O at. 12 — Bet. 25 —
ró pèv, r« o\'s. 309 —
met verzwegen subst.
320 — bij Hom. 456.
öyiofoQ. 241.
Ut deel. 159 — gebr. 162
—   bil. 163 — bij Hom.
456.
(óo"ürT<roiiai) 463.
ö.-ic. 241.
5?w. att. red. 249 — stt.
296, 17 — i/Metc. 309.
lirtr. 308.
oïyvwpi. stt. 278, 9.
oUa. 288. 4. B. — tv oio"
\'óti, ïai\' on. 371, 4 —
m. Part. 414.
OiSlTTOVQ. 96.
(^oïtao\'e -oSfv -o$i. 455.
oi\'ielw. Bet. bl. 101 — m.
A. 325.
oIküoq m. D. 341.
oïicoi -aêi -o3tv. 306.
oUrüpix) m. G. 337.
oirrpóf. Comp. 130.
oivo\\oito. augm. 247. 2).
oc\'p:w£w. F. M. 238 — st.
253.
oïoimi. Dep. bl. 105 — stt.
296, 9.
oloc. 189, 193, 196 — ti
ëii\'at. 197 — oïoi\', ola.
197 — obèiv olov. 197
—  bij Hom. ss \'óti roTof.
197 — olu vi) m. Part.
417 --- OVX OIÓV Tl flf)
ov. 429.
oiXPfUtt. stt. 296, 10 —
Bet. 346 -m. Part. 411.
(iri\'HM. 474.
óXiyoc. Comp. 132 — ÜXÏ-
yov. 309.
óXiyojpioi m. G. 335.
-ocr page 354-
34Ö
ALGEMEEN GRIEKSCH REGISTER.
AXtgSavut. stt. 293 , 9.
üWvfii. att. red. 249 —
P. II. 263 — stt. 278, 3
—   oii\\óp.tvoc. 435.
i\\o\\vlu. V. M. 238.
ó/üVi.) m. D. 341, 4.
óuvvfit. att. red. 249 —
stt. 278, 4 — m. A. 325.
ó^oloc m. D. 341.
i\'i/ioióm :u. D. 341.
ó/ioXoysiu m. D. 341, 4.
ofiovoéto. 341 , 4.
bpópyvviii. stt. 278, 10.
ó/ióf. 456.
bfiov. 309 — m. D. 341.
ii/iMf, ó/iiji;. 431 , 23.
uvap. 100.
óvtipoc. 451.
óvivttiu. Bet. bl. 102 —
stt. 280 , 1 — m. A. 324
—  m. G. 332.
óvofia fini ion. 340. 2. A.
i\'ii\'n/Ki\'w m. 2 A. 328.
bvopaoTi. 304.
öiry. 308.
birqviica. 308.
ön-«r3t(v). 21 — 311.
AwX&K. Bet. bl. 107.
ÖTrnCdTTÓ^. 198.
öirtöev. 308.
Ö7TOt. 308.
öiroïoc. 189, 193 — b*-
woloc. 439.
ówóiroc. 189, 193.
biroontrovv. 198.
óiróffrot\'. 198.
Ó7nSre. ^08 — causaal 372
—   temporeel 383 — oir-
irori. 439.
ówórfpof. 180.
ojtow. 308.
\'óiru>Q bij Superl. 137 —
308 — finaal 378 — m.
P. en Aor. II. 380 —
ioTiv, oiiK Iotiv biroiQ.
396 — 431, 24 — b>-
irnic. 439.
\'opa
fj.ii m. Ind. 380. A. 3
—  m. Part. 414.
ópdo». i^ibov. 241 — augm.
247 — (il 264 — tlSnv
en stt. 288, 4 — öirtava
463.
bpyy. 309.
bpyiZu. Bet. bl. 107 — m.
D. 341.
bpiyia. ra. G. 335 — 463.
öpuati). Bet. bl. 106 —
anfiXv, bii. 309.
bpuiZui. Bet. bl. 107.
óptic- 96.
ópvvfii, ópiroi. 244. stt. 278,
11 — Aor. m. red. 463
—   Aor. mixt. 467, en
469 — Fut. 470.
bpvrria. att. red. 249 —
st. 253.
öptpavoq m. G. 336.
8c. pron. poss. gebr. 154
—  bij Hom. Foq. 456.
öc. artikel: icai oc, y b" 8c.
25.
8c. relativum. deel. 174 —
gebr. 175, 196 — at-
tractio. 176, 177.
o<raci£. 308.
8<roc. 189, 193 — \'óotp :
Toaovtif) bij Comp. 195
—  bo-croc. 439.
\'óiririp. 174.
öooe. 452.
oariQ. deel. 185 — gebr.
187 —birrtaovv, bartg-
Sf/ToTi.
138 — bij Hom.
457.
bo<ppaivouai. stt. 293, 10
—  m. G. 338.
\'ÓTav = ore, lurs kiv. 483.
\'óti. elisio. 19 — cum. 308
causaal 372 — temporeel
383 — bij Hom. 457 =
tin. 483.
Sri zonder elisio. 19 — bij
Superl. 137— in objects-
zinnen. 370—voor de or.
recta. 371 —causaal 372
—  431, 25 — ötti. 439.
ou. at. 12 — tart. 17 —
ouk , ov\\. 21 — ap\' ov
vragend. 373. — /iij ov
bij verba timendi 381 —
gebr. 425 — fiii ov m.
Inf. 427 — 431, 26.
ov ubi. 308.
ov, oï, ï. encl. 13 — deel.
147 — bij Hom. 456.
ovbauoi -uéot -uó$iv. 306
—  gebr. 425.
ovSafiüc. 307 — gebr. 425.
oSJac. 449.
ovStiq. ace. 53 — deel. 143
—   oèoèv. 309 — gebr.
425.
ovdïiroTt, oviïtirt\'oiroTt. 304
—  gebr. 425.
ovbéripoc. 170 — ovbéripa.
309 — gebr. 425.
ovctrt. elisio. 19 — 304 —
425.
oiv. 431, 27.
ovkovv. 373 — 431, 28.
OVKOVV. 431, 28.
ovvéKa. 372. A. 2.
oviru>. 304 — gebr. 425.
ovg. ace. 53 — deel. 99.
ol)TÓX,h>. augm. 246.
ovrt. 431, 20.
oürt. 431, 26.
ovroc. deel. 160 — gebr.
162 — oiroffi 163 — A.
adverbiaüs. 309.
ovrw(c). 21 — gebr. 162,
307.
ó0ei\\ww0Aoi\'. 265, 363 —
stt. 296, 11.
ö0«Xoc. 100.
ótp\\>lictirt,i. Stt. 293, 4 —
m. G. 333.
ó<ppa = nófpa. 243 — Bet.
455 = ïva. 483.
H>i. 304.
óif\'eoc. Comp. 125.
=
Ilaihvuj. Bet. bl. 99, 103
— stt. 254.
ttuïc. ace. 53.
iraiia. 298, 6.
iróXai. 304 — ró. 309.
TraXaijc. Comp. 126.
-ocr page 355-
ALGEMEEN GRIEKSCH REGISTER.                                  341
wav — in samenstelling.
39,   43 — Bet. 363.
iravTairam{v). 21 — 309.
iravTaxq. 307.
iravraxov • ótri -Ó5sv. 306.
iravrtoQ. 307.
irapa. 250 — m. 3 casus.
317, 16.
wupapttii\'tii. Bet. bl. 101.
wapFoQ. 240.
vnpuvnjiUo. augm. 250. A.
irapairav, to. 309.
irapairXriaioQ m. D. 341.
itapa\\p7\\iia. 304 — Ik tov
309.
TriipfyM. Bet. bl. 103 —
stt. 298, 3 — eaXwc ira-
pa»x»v. 309 — m. 2 A.
328.
irapoivita. augm. 250. A.
irapoï,vvu>. P. p. 268.
jrópoc = wpiv. 483.
iraq. quant. 40. A. — ace.
40,   53 — Bet. 114 —
irae ric. 183 — iravrja.
242 — Ta iravra, to irav.
309 — 436.
waaxot. ti. Bet. bl. 104 —
iriirooSi. 289, 9 — stt.
290, 3.
waraTTO). 298, 6.
varfip. Voc. 74 — deel. 77.
itarpjoQ. 242.
IldrpoicXoc. 451.
iraTTUt. st. 253.
iravui. Bet. bl. 102 — m.
Part. 412.
iraxvs- 454.
iriSjf. 309.
7rnïiipYtw Tri. D. 341.
iriiSno. Bet. bl. 102 — stt.
en Bet. bl. 107, 3 —
stt. 262 — P. II. 266 —
m. D. 341 — Aor. bij
Hom. 463.
iritvaii). contr. 260 — m.
G. 335 — met lange vo-
caal. 474.
TTEipaojUcu m. G. 335.
n-IXt/ct/j. 68 — 86 — 89.
iréXo/xai. 285, 3.
itiixiria. P. 262.
ir\'evnQ m. G. 335.
iriwaivo). 267.
iriirpwrai. 284. A. 1.
niiruv. Comp. 131.
irip. encl. 13 — 431, 29.
iripatóui. Bet. bl. 102.
irépac, ro. 309.
irkpSw. P. II. 266 — ïirpa-
9ov. 284. A. 1.
irtpi — irépi. 17 — zonder
elisio 19 — 250 — m.
3 casus. 317.
iripiyiyvofiai m. G. 338.
iripUt/xt in. G. 338.
iripiopav m. Part. 414.
irépvoi(v). 21.
iriTavvv/ii. stt. 279, 3 —
irkirrajiai. 286 3).
irkrotxai. stt. 285, 2 —
tjrrijv. 287, 11.
irkrtia. st. en stt. 253.
irii%fiai. 463.
iry. encl. 13 — 308.
iry. 13 — antw. 307, 308.
wriyvviu. stt. 278, 5.
Tqfófci. F. M. 238.
irijXÉeoc. 189.
irqvisa. 308.
Ttjxvs. 68 — 86 — 89 —
120.
iripirXiipi. stt. 280, 2.
iripirpiyit. stt. 280, 3.
tI»w, itjSi. 287. A. — stt.
298, 7 — m. G. 332.
iriirpÓLgKii). stt. 290, 4.
7rïjrrw. st. 253 — F. 261
— stt. 286, 2.
iriarivt». Bet. bl. 104 —
m. D. 341.
irXafo. st. 253.
jrXaicoSc. 95.
irXavai». Bet. bl. 107.
nXaraiêus. deel. 91.
irXarru. st. en stt. 253.
jrXIrw. stt. 262 — A. II.
266.
ir\\toviKT\'f.io in. G. 338.
wXioi/iicrijc, Comp. 131.
wXku. F. M. 238 - stt.
255 — F. 261 - m. A.
325 — irXfiw. 474.
7rXla»c. 116 — m. G. 336.
irXi)H<o m. G. 336.
irXr\\v. 311.
ir\\iipr)V m. G. 336.
irXijpób) m. G. 336.
irX>i<Ttac,o> m. D. 341.
n-Xi\'/fftof. Comp. 125 — m.
D. 341.
TrXjjrrw. red. 248, 4 —
A. II. 265 — 298,6 —
Aor. bij Hom. 463.
irXovrèia m. G. 336.
irXovmoe m. G. 336.
irXoxHoi. 444.
irXvvoi. stt. 268.
irKaio. 474.
vvioj. F. M. 238 — red.
248, 4 — stt. 255 —
A. m. c- 259 — F. 261
— irveim. 474.
irviyi». Aor. II. 266.
irviil. 99.
jro5a7riic. 198.
iroSkv. encl. 13 — 308.
tto&v. 13 — 308.
iroSih). Bet. 349.
woi. encl. 13 — 308.
ttoÏ. 13 — 308.
woiébJ. Bet. bl. 100, 103 —
tii 104 — «aiciSj m. A.
324 — m. 2 A. 328 —
m. G. 334 — m. Part.
412.
7T01ÓC. 197.          %
iroïog. 189.
iroXtfiiia m. D. 341, 4.
iroXéftioQ m. D. 341.
jtóXic. deel. 86, 89 — bij
adj. 120 — iroXg. 241,
242 - bij Hom. 449.
iroXiTtvut. Bet. bl. 103.
iroXXaKi. 437.
iroXig. deel. 122 — Comp.
132 — adverbiale neu-
trum. 309 — bij Hom.
deel. 453, Comp. 454.
iropcvi». Bet. bl. 106,
-ocr page 356-
342
ALGEMEEN GRIEKSCII REGISTER.
iropilia. Bet. bl. 102.
iróppw. 311.
woaaKiQ. 308.
Tloaiiêav. Voc. 74 — Ace.
94.
irooÓQ. 197. A.
wóaoc. 189.
JTÓirrof. 198.
irori. enel. 13 — 308.
won. 13 — 308.
wónpof. 180.
irÓTfioQ. 411.
»r<5roc, 7roróv. 98.
ttov. enel. 13 — 308.
iroü. 13 — 308.
irovXvfiÓTiipa. 435.
5to«c. D. PI. 80 — bij adj.
120 — woaai. 439.
jrparrw. P. II. 266.
wpaoc. 123.
jrptjrft m. D. 341.
wpe(T(3êi)T)\';f. 99.
7rp!»/3uc. 99 — bij Hom.
453.
«•peffjSurr/c. 99.
npïa/uiijc. 435.
•npiaoSai. 280, 8 — m. G.
,334.
jrpiv, ri. 309 — temporeel
383.
wpó. 250 — m. G. 313, 4.
irpoSvpioiJiat. Dep. bl. 105.
irpoïica. 309.
irpovoioj in. G. 335.
irpoZevfia. augm. 250. A.
jrpóf. 250 — «ai jrpóf,
irpóv 5f. 310 — m. 3 ca-
SU8. 317, 17.
irpotii\'\\nfiai m. D. 841.
irpotti)Ku m. D. .141 —irpa-
oriKiv. 359 — ob . . . fii)
ou. 429.
jrpó<rSt(i>). 21.
TTporrrax^iv. 309.
wpóffüt. 311.
ffpó^aoev fttv — rè 5\' aX»)-
&*C. 309.
jrpóx»\'»\'. 444.
Trpiji. 304.
irpév. ace. 53.
jrpwrei/w m. G. 336.
TtpÜTOV, TTpÓTlpOV. 309 ----
t>)v irpibrriv. 309.
rrriaau). st. 25\'.
irróXf/uuc. 437.
irr<5Xi£. 437.
wTvrn. 254.
xrw^^c. Comp. 131.
7ruv9avop:ai. stt. 294, 4 —
m. G. 338 — m. Part.
414 — irÉjriKTffai. 439.
irüp. 97.
jtw. enel. 13 — 431, 30.
wuiXito. 290, 4 — m. G.
334.
jrwc. enel. 13 — 308.
a-we. 13 — antwoord 307,
308.
wüv. 68 — 88.
\'P<f — 301.
fMfSiot. Comp. 132.
paiTTiD. st. 253.
péfci, <rpé.F. 240, 244 —
stt. 255 — cppóijv 287, 7.
prjyvvpii, F. 240 — P. II.
266 — stt. 278, 6.
prjtliog. 454.
piyéw, ƒ•. 240.
piyóio. Contr. 260.
piirTta. augm. 245 — red.
248 , 4.
poipiia. F. M. 238.
ptiivvvpi. stt. 279, 8.
pwofiai. 474.
ïiAïïi!,,,. st. 253.
»ó0a. 309.
ir/3évi\',.pi. F. 261 — A. II.
266 — stt. 279, 6 —
ïafiriv. 287 , 8.
ffeauroü. deel. 149 —gebr.
153.
fffiw. P. A. m. c- 259 —
440 nota.
fféXaf. 86 — 89.
oivtü = ufiüoi. 433 — Aor.
bij Hom. 468.
efidifo. 239.
OFr)Svc. 239.
ariirio. stt. en Bet. bl. 107,
4 — A. II. P. II. 266.
atyaia. Bet. bl. 101 — F.
M. 238 — „f. 243 —
m. A. 325.
otyy. 309.
ertroc. 97.
triuirau). Bet. bl. 101 —
F. M. 238 — m. A. 325.
OKawTtD. Aor. II. 266.
^KafiavSpoQ. 435.
oictiïavvvpt. stt. 269 —
279, 4.
ffiréXXw. stt. 284, 8 — la-
ic\\tiv. 287, 12.
aicêirapvov. 435.
ffKeiraQ. 86.
OKivaZu). Bet. bl. 102.
(TiceSoe. 81, 4.
dKoirkio. stt. 298, 8.
(SKÓTOQ. 96.
BKÜTtru. F. M. 238.
(Ticr.\'if). 99.
fffiaw. Contr. 260.
<r/u/cpóc. 438.
(tóc. gebr. 150.
aotfiór m. A. 335.
airaviZui m. G. 336.
(T7raici. stt. 256.
airüpiD. red. 248 ,4 — P.
II. A. II. 266.
airévtibi. stt. bl. 134 — m.
D. 341, 4.
airiuSid m. A. 325.
STrovSafo. F. M. 238 —
ni. A. 325
tnrovSy. 309.
apè.-u). 240.
ffrn^ior. 97.
<rra£w. st. 253.
ffra9p;<5c. 97.
<map-aroc. 435.
ffrÉXXw. Bet. bl. 107 —
hnXaa. 241, 244 — A.
II. 266.
aripiaKio (<TTipê<i>). stt. 292,
4.
errépojuat. stt. 292, 4 —
m. G. 336.
-ocr page 357-
ALGEMEEN GRIEKSCII REGISTER.                                  343
OTopivwiu, arópvviu. 284
A. 2.
aToxat,ofiat m. G. 332.
% OTpaTiiui. Bet. bl. 103.
arpéfij). Bet. bl. 107 — P.
262 — A. II. 266.
«rpwrop. 8tt. 279, 9.
au. deel. 147 — bij Hom.
456.
avyyiviie. 341.
av\\aia. stt. 256 — m. 2 A.
328.
avWiyai. Bet. bl. 106 —
A. II. 266 — stt. 282, 5.
avjijiaivu} ra. D. 341, 4.
aï\'liwav , tö. 309.
avffirpuivfiiniiai. Bet. bl.
105.
air in samenste ling. 39 ,
43 , 250 — m. D. 314, 6
= liv. 437.
awaWarTo/iai m.D.341,4.
avvhipi m. G. 338.
aivoiBu. 289 , 4. A. 2 —
m. Part. 415 , 6.
ovpüw. F. M. 238.
ffDf. 438.
aQaWu. Bet. bl. 107 —
A. II. 266 — m. G. 335
— m. Part. 412.
aQÓTTia. st. 253 — A. II.
266.
atyirtpoi;. gebr. 154.
aipiyyu). P. p. 262.
<T0o£. 456.
aftitiripoQ. 456.
«T^oXaTof. Comp. 126.
aXo\\y. 309.
2wicpartjC- Voc. 74 — deel.
83, 96 — st. deel. 244.
crüc. 123.
atarrip. Voc. 74.
TdXac. 114.
raXXa (r\'aXXa). 309.
Titpvui. F. 466.
raparrw. st. 253.
rapaxv • og. 98.
rdrrw. Bet. bl. 106 — st.
253.
ravr\' tan. 17 — ravrg.
307.
Taxie, SaTTOiv. 37 —
Comp. 130 — raxJcv.
242 — adv. raxi. 309
— raxa. 309, 455 —
t/)v Tax\'"Ti]v. 309.
rt. encl. 13 — elisio. 19 —
431, 16.
rtivui. Bet. bl. 101 — stt.
268.
Téï^of. deel. 82.
Ti\\ivralov. adv. 309.
TiXevraw. Bet. bl. 101 —
TfXevTtüv. 412.
TtXsu). stt. 257 — P. A.
m. c. 259 — F. 26 L —
fVéXeirrn. 439 — rtXciw.
474.
TtXoc, tö. 309.
Tiy.vu>. A. II. 265 — stt.
284, 4.
rtóc. 456.
rspijv. 114.
Tipiru), irpaTrtjv. 284. A.
1 — m. G. 336 — Aor.
bij Hom. 463.
Ttrayótv. 463.
rérXij/ca. 289, 7.
TÉrrapff. deel. 142.
Tiix">. Aor. bij Hom. 463.
réwe. 304.
tjjkw. Bet. bl. 107, 6 —
A. II. P. II. 265.
rijXïeoc • St. 189 — 193.
rijXiicoüroc. deel. 161 —
189 — 193.
Ttijiipov. 304.
rijzot. 455.
TijvitaCi. 304.
Tt]viKavra. 304.
tïjoq. 456.
Ti\'ypic. 96.
riSrjju (vo/iouf). bl. 103 —
IréSij»\'\' 36 — Sivrja. 242.
ricru - ïtikov. 265 — P.
II. 266 — stt. 286 , 3.
Ttp.au>, Ttitajot. 242 — Bet.
F. M. bl. 100 — stt.
254 — m. G. 334.
Tifuopih}. Bet. bl. 102 —
in. A. 324 — rtva rivog
333.
t\'ivio. stt. 295, I.
tutti. 444.
Tirp&iirictii. stt. 291, 2.
rXfj/tu. stt. 287, 13 — 289, 7.
roi. encl. 13 — 431, 31.
roïoc. 162, 189, 191.
Totóofo. 162, 189.
toiovtoq. deel. 161 —gebr.
162, 189------oïotm. Inf.
194.
T&aoQ-fo. 162, 189, 191,
193 — r<S<TiToc. 439.
ToftovTos. deel. 161 — gebr.
162, 193 — oi<p . . . TO\'
nnvrii) bij Comp. 195.
rórt elisio. 19. Bet. 304.
roür\' ïort. 17.
To<ppa. 455.
rpetc. deel. 142.
rpi-iru. Bet. bl. 103 — P.
262 — Aor. II. 266.
TpÉ0w - Spiif/u). 37 — Bet.
bl. 107 — P. 262.
rpÉ^w - $pi£onat. 37 — stt.
298, 9.
rpiui. stt. 257 — contr. 260.
rpipw. A. II. 265, 266.
Tpirjpijc. deel. 83.
Tpixa. 309 = rpix^ó. 437.
rptxy. 309.
rpóirov, tov. adv. 309.
rpciyw. F. M. 238 — A. II.
265.
Tpiif. ace. 53.
Tpitlil. 474.          ™
Tvyx&vu. stt. 294, 5 —
m. G. 335 — ó rvxiiiv.
410 — m. Part. 411.
riirrta. st. 253 — 298 , 6.
Tvpavvém. Bet. 349.
TVtptu, Sriiptfj. 37.
Tto$aX,u. F. M. 238.
\'rPpwrfa. Comp. 133.
vSoip. 99.
wlóe. 99 — bij Hom. 450.
upiëairÓQ. 198.
-ocr page 358-
34.4                                 ALGEMEEN GRIEKSCH REGISTER.
vuinpoQ. gebr. ISO.
vpóc. 456.
viravraü) m. D. 341, 4.
virap. 100.
virtp.250—m.G.A.316,12.
iurfpo7r\\ti). 435.
óirtpopat» m. G. 337.
vntiptriui m. D. 341.
itrurxviffiai. 245 — 282,
2. A. — stt. 295, 4.
v-mnoiü.
474.
iinó , iiiro. 17 — 250 —» m.
3 casus. 317, 18.
uttWikoc m. G. 333.
viroficw m. Part. 412.
>\'\'7ro/(i/n\'/(<Tk-<.j m. 2 A. 828.
virowTiiw. augm. 250 4.
i\'cifav)]. 451.
voTtpkw m. G. 338.
varipiZu m. G. 338.
<J>n(V<u. stt. en Bet. bl. 107,
6 — P. II. 263 —A. II.
265 — rtva. 333 — 0«ï-
vnfxai m. Int\', en Part.
408, 1 en 411 — <t>avj<o.
242 — 0ayqSi. 36.
Qavtpós "/"• \'"^s t 2.
0cfóopai m. G. 335 — Aor.
bij Hom. 463.
tyipuj , ijvlyKOV, M\'ljvn^u.
249, 285, 3 - stt. 285,
3 —xa*(7r<m- D. 341,
5 — m.Part. 413 Aor.
mixt. bij Hom. 467.
0euyw. F. M. 238—F. 261
— .A ^ï. 265 —P. II. 266
— m. A.325 -m.G.333
—  Bet 346.
0n/u. enol. 13 — 0ci&e. 36
—  282.
09avw. stt. 287, 9 — m.
Part. Bril.
«&<ipu. lii\'t.bl. 107 — <p$kp-
joj-ipyipm).
242, 244 —
red. 248,4—P.A.II. 266.
09ov!w m. G. 337.
<jn\\iui, iplMjw, (142 — Stt.
254.
piXo/iaSi\'/t\' m. G. 335.
0iXo/i/ifiÓK\'. 440.
0iXoc- Comp. 126 — m. D.
341 — bij Hom. 454.
\' iXorifitofiai. Bet. bl. 106.
0tXo0povéo/iai. Bet. bl. 106.
0o|3«w. Bet. bl. 106.
0pa£w. Aor. bij Hom. 463.
0pÉap. 99
typ il v, Qpivóc,. 60.
ipplr™. st. 253 — P. II. 266.
<ppovi<i>, fiiya. 309.
ippovriZu) m. G. 335.
0uXarr<u, <pv\\aKJoi. 242 —
Bet. F. M. bl. 100, 102
—  m. A. 325.
0t\'/ iu. Aor. 470.
0v(«. stt. en Bet. 287, 10.
0ü£. ace. 53.
\\aCofuu. Aor. 463.
Xaipio, lx°piv. 287, 14 —
stt. 296, 12 —m. D.341,
5 — m. Part. 413 —
Aor. bij Hom. 463.
X\'i\\fraii\'(o m. D. 341.
xapi«c. D. PI. 80 — deel.
112 — Comp. 129.
xapi\'Cofxtu m. Part. 412.
\\\'(ipn\', èfitiv. 311 — 0épa>
rivi m. Part. 412.
XaitKto. stt. 290, 9.
X««p. 99 — bij Hom. 450.
\\i\\iSó>v, 97.
Xétu, xffb>- 2*0 — stt. 255
—  Aor. bij Hom. 468 —
X^f\'J\' 474.
X$k- 304.
X<5w. P. A. m. c. 259.
Xpao/ioi. Bet. (txp»;ff*»l)
bl. 108 —stt. 255 — A.
m. £. 259 — contr. 260
—  m. D. 341, 4 — XP""
fiivot met 421. A. 2 —
XP\'lotuu. 474.
Xpau. stt. 255 — P. A.
m. £. 259 — contr. 260
—  XPH>>>- 474.
XPV- 280. A. 2 — >XP1V-
359 — constr. 408, 5.
XP»/ffrtjc - tiov. 28.
XP«j»r<!c - tüv. 28.
XP«w. P- A. m. c- 259.
Xpói\'<u. 309.
Xpuwwjii. stt. 279, 11.
XP«ic- 447.
X<ij\'i\'u/ii. stt. 279 , 12.
\\\'(.\'m/iai. 474.
Xojpeiü. F. M. 238.
xwpijw m. G. 336.
*-aU. contr. 260.
J/ariü m. G. 332.
4/tvStic. Comp. 131.
^«Ww. stt. en Bet. bl. 108,
7 — m. G. 335.
^iv\\ia. A. II. 265.
"Q8f{mfc). gebr. 162 — 307.
«i&éw. augm. 247 — stt.
297, 2.
cineac. 453 — wied. 455.
loviopmi. augm. 247 — stt.
280, 8 — m. G. 334.
lapav, ti)v. 309.
fic, ic«i *ic. 308 — 431,
33.
üc naar. at. 12 — m. A.
315, 9.
<if evenals, at. 12 — éerrt.
17 — bij Superl. 137 —
in objectszinnen. 370 —
causaal 372 — consecu-
tief. 376 — finaal 378
— m. Fut. 380 — tem-
poreel 383 — m. Inf.
402 — m. P. 417, 418
431, 32.
w(T7rfp. 308 — dv ti\'. 357.
A. — 431, 29.
iaort. elisio. 19 — na ro-
aovrot etc. 194 — con-
secutief. 376 — m. Inf.
402 — 431, 34.
wi/ieXéw ui. A. 324.