-ocr page 1-
Vak 157 ___
HANDBOEKJE
UEn
WELLEVENDHEID,
voor
; SCHOOL EI HUIS. .
\' *\' Ék •\'•*>• ■♦ ■* ^\'-i; \'** .\'*" ••• •\'" -:\'
..TWEEDE STUKJE.
vtjfde DRUK. — 9e en 10e Duizendtal.
I ■
,r *
:- ,. *\'•\'
jWOLLE,
5            ULICK. *
.
. - x • ■
■\'"■•\'                                                                                                                                                                                                      \'
-ocr page 2-
r.                                   . , .-                                          -■ \' .
i
*K
-
•
-ocr page 3-
flW{ VA157
HANDBOEKJE
DER
WELLEVENDHEID,
VOOR
SCHOOL BH HUIS.
TWEEDE STUKJE.
VIJFDE DSTTK. — 9. en 10o Duizendtal.
W IJ.
o
s-Bosch —Zwolle,
W. VAN GULICK.
1887.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
WELLEVENDHEID.
De mensch die wèl wil leven, moet de
plichten, welke op hem rusten, zoo goed
mogelijk vervullen.
ledereen heeft drie soorten van plichten,
waaraan hij niet mag te kort komen, wil hij
aanspraak maken op ware wellevendheid :
plichten jegens God, zijnen Schepper, jegens
zichzelven en jegens zijne medemenschen,
die hij, als kinderen van éénen Goddelijken
Yader en vrijgekocht door het Bloed van
onzen Zaligmaker Jezus Christus, als zijne
medebroeders en zusters moet beschouwen
en beminnen.
Hoe meer wij ons dus er op toeleggen, de
regels en voorschriften der wellevendheid
op te volgen, hoe meer wij ons aangenaam
zullen maken aan God en de menschen;
aan God, omdat Hij ons beveelt onze naasten
te beminnen als ons zelven; aan de menschen,
omdat wij al ons doen en laten ten hunnen
opzichte zullen inrichten om hen te behagen.
Dan volgen wij tevens het voorbeeld van
-ocr page 6-
*
het Goddelijke kind Jezus, die met de jaren,
zooals de H. Schrift zegt, ook toenam
in behagel ij kheid bij God en
de menschen.
De Liefde moet alzoo de grondslag we-
zen voor het gedrag des Christens in den
omgang met zijne medemenschen; het is niet
voldoende, dat hij alleen de regels der bur-
gerhjke wellevendheid in acht neme, volgens
welke men dikwijls aan alle verplichtingen
meent te hebben voldaan, al verbergt men
ook niet zelden verachting of onverschillig-
heid, ja zelfs haat onder de beleefdste vor-
men, de menigvuldigste betuigingen eener
gehuichelde wellevendheid en schijnbare
hoogachting. Zijne wellevendheid, welke zich
ook vertoont in de opvolging van de gewone
voorschriften der burgerlijke beleefdheid, is
inderdaad de uitoefening van de schoonste
christelijke deugden: geduld, zelfvorlooche-
ning, nederigheid, zedigheid, zachtmoedig-
hedd, in één woord liefde.
De nauwgezette opvolging van de voor-
schriften der wellevendheid, de waakzaam-
heid, welke wij op ons gedrag en onze
handelingen uitoefenen om niet voor ruw,
onbeschaafd, voor iemand die geene opvoe-
ding heeft genoten, te worden gehouden, ge-
-ocr page 7-
5
wennen ons aan en vergemakkelijken ons
die veel strengere waakzaamheid, waarmee
wij ons hart en onze zinnen moeten bewaken.
Uit dit alles blijkt ten duidelijkste, hoe
belangrijk, hoe noodzakelijk het is, zich reeds
vroeg met de eischen der burgerlijke wel-
levendhcid bekend te maken. Zij is niets
anders dan die broederlijke liefde, welke het
Evangelie ons voorschrijft: Doe aan an-
deren niet, wat gij niet wenscht,
dat men u aandoe; maar doe hun,
wat gij wenscht, dat u zelven ge-
daan worde. Zij werkt gunstig op de
maatschappij, doordat zij de menschen leert,
elkander met achting en toegenegenheid te
bejegenen; zij is de bron der goede ver-
standhouding in \'t bijzonder, van orde en
vrede in \'t algemeen.
-ocr page 8-
6
Plichten jegens ons zei ven.
Hel lichaam.
De mensch bestaat uit twee doelen: uit ,
ziel en lichaam.
De Catechismus leert ons, wat wij hebben
te doen en te laten, om onze onsterfelijke
ziel zuiver en onbevlekt te bewaren, opdat
zij waardig worde, eenmaal onder het getal
der zalige geesten te worden opgenomen.
Over de plichten, welke onze heilige Gods-
dienst ons oplegt, welke wij jegens onzen
almachtigen Schepper hebben te vervullen,
zullen wij daarom hier niet in \'t bijzonder
spreken.
Het lichaam, ofschoon het sterfelijke doel
des nicnschen en dus van voel minder waarde
dan de door het allerheiligste Dloed van
den Zone Gods vrijgekochte ziel, eischt even-
wel ook verzorging, echter geene vertroeteling.
Ook omtrent zijn lichaam heeft de mensch
plichten te vervullen, welker niet-inachtne-
ming de schromclijkste gevolgen kan na
zich slepen. Hoewel er in het eerste stukje
terloops al op het een en ander is gewezen,
zal het toch goed zijn, nu in \'t kort meer
bepaaldelijk de aandacht op sommige punten
te vestigen.
-ocr page 9-
7
Aan de houding dos lichaams erkent
men licht den welopgevoeden mensch. Hierin
wachte men zich voor alle gemaaktheid en
overdrijving. Het zou bespottelijk wezen,
als de jeugd zich een ernst aanmatigde
welke alleen den ouderdom past; maar niet
minder belachelijk maakt zich de meer be-
jaarde, als hij nog in alles den jongeling
wil uirhangen.
In de eerste plaats zij men altijd daarop
bedacht, dat in al ons doen en laten zedig-
heid en nederigheid uitblinken. Daarom
spele men nooit den zonderling; men blijve
bijv. in een gezelschap niet staan, als allen
zijn gezeten, of omgekeerd.
Staande, sta men recht op zijn eigen bee-
nen en leune niet tegen den muur of hange
met zijn lichaam over de leuning der stoelen.
De bcenen houde men niet ver van elkaar,
noch de voeten binnenwaarts, maar men
plaatst liet linkerbeen cenigszins vóór het
rechter, tamelijk dicht aaneengesloten, zoo-
dat de linkerhiel tegen het midden van den
rechtervoet kome.
Zittende, zij men vooral daarop bedacht,
de beenen niet kruiselings over elkaar te
slaan of ze heen en weer te laten slingeren ;
de knieën niet te ver vaneen of te dicht
-ocr page 10-
8
aaneen te houden. Ook wachte men zich
eene ongemanierde uitgestrekte houding aan
te nemen; een gedeelte van de zitplaafs
zijns buurmans in beslag te nemen, of zijne
plaats zóó te kiezen, dat men een ander in
het geringste hindert.
De gang mag ook geene verwaandheid,
noch achteloosheid verraden. Men loope recht-
op, het hoofd noch achter- noch voorover,
noch op zij gebogen. Met de armen zwaait
men niet, alsof men de menschcn van zich
wil afweren, maar laat ze ook niet als een
paar stijve stokken langs de zijden hangen.
De schreden neme men voorts niet te groot,
echter ook niet zoo klein, dat men meer zou
schijnen te trippelen dan wel te loopen.
Het gelaat, terecht de spiegel der ziel
genoemd, mag ons niet anders doen schijnen
dan wij inwendig zijn. Bedaardheid en lief-
talligheid behooren er op uit te blinken;
het vertoone geen gemaakten ernst, noch
lichtzinnigheid of onbeschaamdheid.
Is ons hart wèl geplaatst, dan zal onze
deelneming in de vreugde en smart van
onzen evenmensen zich vanzelf op ons ge-
laat toonen; dan zullen wij niet lachen en
schertsen in tegenwoordigheid van hen die
treuren, en de opgeruimdheid van een ge-
-ocr page 11-
9
zelschap zoo min mogelijk door onze minder
opgewekte stemming storen.
Het hoofd dient niet om een toestem-
mend of ontkennend antwoord te geven op
de vragen, welke men ons doet; noch min-
der om door eenig teeken of eenige uitdruk-
king van het gelaat misnoegen of onver-
schilligheid over hetgeen in liet gezelschap
voorvalt, aan den dag te leggen.
De welgevocgelijkheid en, vooral aan tafel,
ook de zindelijkheid verbieden, met de hand
voortdurend over het aangezicht, of nog
erger, door het haar te strijken. Parelt ons
het zweet op het voorhoofd, men gebruike
den zakdoek, en niet de handen, om het af
te wisschen, na vooraf het gelaat een weinig
te hebben afgewend van hem die voor ons
staat, of naast ons is gezeten.
Inde oog en ligt het hart. Moge daarom
uit de onzen een ootmoedig en zuiver hart
schijnen! In het gebruik der oogen moeten
wij uiterst behoedzaam wezen! Iemand die
in de wereld verkeert, kan ze niet steeds
neergeslagen houden, maar hij wachte zich
niettemin, zijne nieuwsgierige blikken voort-
durend te laten ronddwalen en op alles te
vestigen, wat zich om hem heen bevindt of
daar voorvalt. De oogen zijn toch wezenlijk
-ocr page 12-
10
de deur, waardoor de zonde zoo gemakke-
lijk en misschien het meeste binnenkomt,
om tot het hart door te dringen.
Spreekt men tot anderen, dan sla men
de oogen niet ter aarde, maar zie dengene
tot wien men het woord richt, vrijmoedig,
echter niet scherp aan.
De plaats waar, en de toestand waarin
we ons bevinden, regelen niet zelden het
gebruik onzer oogen. In de kerk bijv. of
onder het gebed houdt men de oogen óf ge-
sloten of terneergeslagen, of wel op het al-
taar of eenig ander heilig voorwerp gericht;
altoos zoo, dat wij onze aandacht het beste
opwekken en gaande houden en daardoor
tevens anderen het meeste kunnen stichten.
Onder het sermoon zijn daarom onze blik-
ken onafgewend op den predikant gevestigd;
verliest men dezen uit het oog, dan loopt
men gevaar, dat men zijne oogen ergens
anders den kost geeft en zijne aandacht
verliest, of ten minste zijne gedachten ver-
strooit.
Neus en oor en eischen onze bijzondere
zorg; immers, het is hoogst walgelijk, iemand
te ontmoeten wiens onzindelijkheid zich in
deze uitstekende deelen van het hoofd open-
baart; niet minder onwelvoegelijk zou het
-ocr page 13-
u
wezen, in het rein houden van beide de ge-
vestigde gebruiken uit het oog te verliezen.
Daarom zorge men. dat de ooren altijd goed
schoon worden gehouden, \'t Spreekt vanzelf,
dat bet in de boogste mate onbetamelijk zou
wezen, ze in tegenwoordigheid van anderen
te reinigen, of met den pink of vinger er
in te wroeten. Om nadeelige gevolgen te
voorkomen, make men daartoe ook nooit
gebruik van den kop eener speld of een an-
der puntig voorwerp, maar bediene zich van
eenig daarvoor bestemd werktuigje.
Hoe onmisbaar de zakdoek ook zij, men
haalt hem toch niet anders voor den dag
dan uit noodzakelijkheid, en gebruikt hem
met zoo weinig luidruchtigheid en omhaal
mogelijk. In tegenwoordigheid van anderen
wendt men het gelaat een weinig terzijde,
en vouwt hem onmiddellijk na het gebruik
weer ineen. Men blijft er niet mee in de
hand zitten noch legt hem op de tafel, den
stoel, of de knieën, noch ergens anders, dan
waar hij, volgens zijn naam reeds, tehuis
behoort.
Het staat hoogst onfatsoenlijk, met den
vinger in den neus te peuteren. Vele kin-
deren evenwel hebben zich deze onhebbe-
lijkheid tot eeue gewoonte gemaakt, welke
-ocr page 14-
12
zij zich niet te spoedig kunnen afwennen,
daar zulks niet alleen zeer onzindelijk is,
maar ook nadeelige gevolgen kan na zich
slepen.
Mond en tanden behooren dagelijks te
worden gereinigd. Het te menigvuldig ge-
bruik van een tandenborsteltje kan nadeelig
op het tandvleesch werken, evenals sommige
tandpoeders; in het gebruik hiervan zij men
zeer omzichtig. Nadat men iets gegeten of
genuttigd heeft, reinigc men zoo noodig da-
dehjk de tanden; niet met eene speld of
eenig ander scherp-puntig voorwerp, en vooral
niet aan tafel met een tand der vork: zóó
zou men zich aan eene grofe fout tegen de
welvoegelijkheid schuldig maken. Een afge-
sneden penneschachtje, daartoe op sommige
plaatsen aanwezig, is er het beste voor ge-
schikt. Bevindt men zich in de noodzake-
lijkheid, zich ervan te moeten bedienen vóór
men van tafel is opgestaan, dan wendt men
het hoofd iets terzijde en bedekt met de
eene hand den mond. Iets tusschen de tanden
te laten zitten, is zeer nadeelig.
Men onthoude zich in tegenwoordigheid
van anderen zooveel mogelijk van te geeuwen.
Kan men den aandrang niet overwinnen,
dan houdt men de hand voor den mond,
-ocr page 15-
13
draait het hoofd om en make geen geluid
erbij. Dezelfde voorzorgen neemt men in acht,
als men een aanval van hoest krijgt, niezen
moet, of behoefte gevoelt iets uit den mond
te werpen, in welke gevallen, bepaaldelijk
in het laatste, men gebruik maakt van den
zakdoek.
Bevindt men zich in streken waar de
goede gewoonte nog bestaat, iemand die niest,
met het oud-christelijke God zegene u!
te begroeten, men late niet na, dat eer-
waardige gebruik in eere te houden; de
toegesprokene zal dan eveneens met het ge-
bruikelijke God loone ui antwoorden.
Waar deze gewoonte is verdwenen door de
verlichting dezer eeuw, (die, jammer genoeg!
reeds zoo menig echt christelijk gebruik heeft
verdrongen), bepaalt men zich tot een P r o-
ficiat of Wel bekome \'tu! en het we-
derkeerige Dank u! Ook kan men volstaan
met van weerszijden eene kleine neiging te
maken.
De handen, die steeds zichtbaar, nooit
in de zakken of onder de kleeren verborgen
mogen worden, moeten altoos schoon en zin-
delijk zijn. Men wascht ze daarom niet
slechts des morgens en na den maaltijd,
maar telkens als zij door dit of dat aan te
-ocr page 16-
14
vatten, of door eenigen arbeid vuil zijn ge-
worden. De nagels, die van voren nooit zwart
moeten zien, snijde men behoorlijk af, opdat
zich het vuil er niet onder kan verzamelen.
Men wachte zich evenwel ze op het uiterste
leven af te snijden of, nog oneindig erger,
ze af te bijten. liet is gewis onnoodig te
doen opmerken, dat men nooit aan tafel of
in tegenwoordigheid van anderen de nagels
mag zuiveren of korten. Degenen die ze lang
dragen, moeten vooral daarop bedacht zijn,
dat zij ze helder wit, van het minste vuil
vrij houden. Voorts zij men indachtig, dat
de wijsvinger niet is bestemd om personen
van wie men spreekt, aan te wijzen; zulks
te doen zou eene groote onbeschoftheid we-
zen. Ook strijdt het tegen de wellevendheid,
met de vingers tegen elkander te slaan, of
ze door uittrekking te laten knappen.
De armen houde men niet op don rug,
in welke ongemanierde houding men toch
soms enkelen ziet gaan of staan, noch krui-
selings op de borst, vooral niet in het bij-
zijn van aanzienlijke personen of van hen,
met wie men niet op een zeer vertrouwe-
lijken voet omgaat. Echter hoede men zich
vooral in de houding der armen voor stijf-
heid en onbeholpenheid.
-ocr page 17-
15
Ook de voeten eischen de grootste zorg,
ofschoon velen ze maar al te dikwijls ver-
waarloozen: denkende: zij zijn toch altoos
bedekt. Daarom zorge men er zooveel te
eerder voor, ze dikwerf te wasschen en de
nagels der teenen op behoorlijken tijd te
korten. Hetzij men gaat, staat of zit, men
plaatst ze nooit binnenwaarts, integendeel
altoos een weinig naar buiten gekeerd.
Het haar, de zindelijkheid en degezond-
heid beide eischen het, moet ten minste eiken
morgen flink gekarnd worden. Het gebruik
van pommade is niet noodzakelijk; in elk
geval mag het niet dan zeer matig wezen.
Men drage het haar volgens het gebruik;
in den zomer, en bovenal voor kinderen,
echter liever kort dan lang. Het overmatig
optooien van het haar is evenmin geoorloofd,
als zich met het in orde brengen er van lang
voor den spiegel op te houden: zulks verraadt
ook eene groote mate van ijdelheid.
Zindüiijklieid en orde.
De zindelijkheid en netheid op ons lichaam,
hoe belangrijk ook, zijn toch nog niet vol-
doende; men moet ze ook toepassen op de
kleederen die wij dragen, de voorwerpen
-ocr page 18-
10
welke tot ons gebruik dienen, de woning
waarin wij ons bevinden. Zoowel de achting
welke wij voor ons zelven en voor onzen
evenmensch moeten hebben, als de zorg voor
de gezondheid, die wij verplicht zijn in acht
te nemen, eisehen ten strengste, dat wij op
alles even zindelijk zijn, in alles even net
en ordelijk te werk gaan. Onzindelijkheid
is de bron van vele ziekten; onordelijkheid
veroorzaakt schade en tijdverlies.
Eenvoudig en zedig moet de kleeding in
de eerste plaats zjjn; nooit mogen wij in
dezen den geringsten aanstoot, de minste
ergernis geven. Eenvoudigheid in de kleeding
wil zeggen, dat ieder zich naar zijn rang,
stand en ouderdom kleede, maar daarbij eiken
ijdelen en overdreven opschik vermijde. Licht-
zinnigheid, luchthartigheid en gemis van
goeden smaak spreken uit een opgesmukt
tooisel. Wees geen modepop, maar wacht u
tevens voor eene slordige nalatigheid en af-
keurenswaardigc achteloosheid. Te ver met
de gebruikelijke kleeding achteruit te zijn,
verraadt eene minachting der maatschappe-
lijke gewoonten en gebruiken, niet minder
dan gebrek aan goeden smaak of begrip
van welvoegelijkheid.
Tegen de fatsoenlijkheid in de kleeding
-ocr page 19-
17
wordt evenwel minder gezondigd door de
snede van de kleedingstukken dan wel door
onzindelijkheid. Duld geen vlek, geen stofje
op wat gij aanhebt; trek geen kleedingstuk
aan, waarin eene scheur mocht wezen ot
waarin een knoop ontbreekt. Laat daarom
nooit na, vóór gij iets aantrekt, het goed
af te schuieren, noch wat gescheurd of niet
goed in orde is, dadelijk te doen herstellen.
Natuurlijk bepaalt de zindelijkheid zich
niet alleen tot het uiterlijke, tot de boven-
kleederen, maar niet minder, en dit vooral
om der gezondheidswille, tot het ondergoed.
Sla dus nooit over, op den bepaalden tijd
van kousen en ondergoed te verwisselen.
De zindelijkheid strekt zich verder uit tot
alles wat wij gebruiken.
Voor de voorwerpen welke tot ons bij-
zonder gebruik bestemd zijn, dragen wij
zelven zorg.
Het luchten der kamers, vooral der slaap-
vertrekken, het schrobben en vegen, het stoffen
en reinigen van meubels en keukengereed-
schappen, de zorg voor bed en slaapplaatsen,
enz. enz. zijn veelal werkzaamheden aan
dezen of genen van het huisgezin opgedra-
gen, wier plicht het dus is, zich van de hun
opgelegde taak nauwkeurig te kwijten. Zij
-ocr page 20-
18
zorgen bijv. dat het bed op behoorlijken tijd,
om do veertien dagen, of in den winter hoog-
stens om de drie weken, van scboone lakens
worde voorzien ; dat hun die bij ons vcrnach-
ten, al zijn het ook nog zulke goede beken-
den, altoos schoon beddegoed worde gegeven;
dat na het ontbijt of welken maaltijd ook
de tafel dadelijk geruimd en schoon gemaakt
worde; enz.
Do anderen, vooral kinderen, nemen zich
in acht, dat zjj niets doen, wat do goede zorg
der vorigen kan tegenwerken, door bijv. meu-
bels te beschadigen of te bemorsen, op deu-
ren of vensterbanken te schrijven, er in te
snijden, enz.
Zindelijkheid gaat onvermijdelijk gepaard
met orde.
Alles hebbe een vaste plaats, alles ge-
schiede op den bepaalden tijd.
Zet den stoel welken gij hebt gebruikt,
dadelijk weer op zijne plaats; berg uwe
boeken, uw schrjjf- of teekengereedschap,
alles waarvan gij u hebt bediend, en wat gij
op \'t oogcnblik niet meer noodig hebt, daar
waar het behoort, opdat het niet blijve rond-
slingeren, en gij het later onmiddellijk weet
te vinden, als gij het wenscht te hebben.
Wees ook ordelijk in het gebruik van
-ocr page 21-
19
den tijd; verdeel uwe werkzaamheden zoo,
dat gij den gehcelen dag nuttig bezig zijt.
Maak het u eens en voor altijd tot regel,
op een vasten tijd te bed te gaan en, na
een slaap van zeven of hoogsten acht uren,
zoo vroeg doenlijk op te staan; op den be-
paalden tijd een eenvoudig maal te nemen
en tusschen de gezette uren niets te ge-
bruiken. Stel niet tot morgen uit, wat gij
vandaag nog kunt verrichten. Yan uitstel
komt afstel; en wie de gewoonte van uit-
stellen heeft, wie denkt later te kunnen in-
halen, wat hij verzuimt, zal bepaald tijd te
kort komen. Orde in den arbeid maakt het
moeieli jkste werk licht, wanorde brengt slechts
schade en verdriet, oneer en schande aan.
VRAGEN.
Uit hoeveel deelen beslaat de rnensch?
Wat leert ons de Catechismus met betrek-
hing tot ome ziel?
Waaraan kan men licht den v>elopgevoeden
mensch erkennen ?
Wat moet gij in moe houding vermijden?
Wal moet gij in al uw doen en laten doen
uitschijnen ?
Hoe behoort uwe houding te zijn, als gij staat?
Hoe behoort moe houding Ie zijn, als gij zit?
-ocr page 22-
20
Hoe behoort uw gang te zijn?
Wat moet op uw gelaat uitblinken ?
Hoe veegt men het zweel van het aangezicht 1
Hoe moet gij uwe oogen honden, wanneet
u iemand aanspreekt!
Hoe in de kerk.
Wat hebt gij in acht te nemen, bij het rei-
nigen van den neus en de oor en?
Waarvoor moet men zich bij hel reinigen
van den mond en de landen wachten?
Mag men aan tafel, een tandenstoker ge-
bruiken ?
Wal behoort men te doen bij het geeuwen,
niezen, hoesten enz?
Welk \'gebruik heeft men bij het niezen in
acht te nemen?
Waar mogen de handen nooit zijn?
Waarop heeft men bij het reinigen en
afknippen der nagels Ie letten?
Hoe moet de houding der armen zijn?
Hoe moei gij uwe voelen plaatsen?
Waarop hebt gij bij het kappen te letten?
Is het voldoende als wij enkel zindelijk en
netjes zijn op ons lichaam en onze kleederen ?
Waarvan is onzindelijkheid de bron?
Welke zijn de gevolgen van onordelijkheid?
Wat wil het zeggen, dat eenvoudigheid in
de kleedina moet uitschijnen?
-ocr page 23-
\'21
Mag men zijne kleederen ooi dragen, als
ze vuil zijn f
Is kei voldoende, dat alleen de bovenklee-
deren zindelijk zijn?
Hoe zult gij de zindelijkheid in acht nemen,
in uwe kamer, de meubels het beddegoed, enz ?
Op welke wijze kunnen de kinderen er toe
medewerken, dat alles in huis netjes en zin-
delijk is?
Welke deugd gaat steeds met zindelijkheid
gepaard?
Wat moet gij doen met de voorwerpen, die
gij gebruikt hebt ?
Wat hebt gij, opzichtens het gebruik van
den tijd in acht te nemen!
Gedrag jegens anderen.
Het tweede grootegebod: Bemint uwen
naaste als u zelve n, bevat in het kort
alles, dat wij ten opzichte van onzen even-
mensch hebben te doen en te laten. Wat
gij niet wilt dat u geschiedt, doe
dat ook aan een ander niet, leert ons
hetzelfde even beknopt en even duidelijk.
Door de verschillende betrekkingen waarin
de menschen tot elkander geplaatst zijn, heeft
evenwel de wellevendheid verschillende voor-
-ocr page 24-
22
schriften en regels vastgesteld, volgens welke
dat algemecne gebod in beoefening wordt
gebracht, naar de onderscheidene omstandig-
heden zulks eischen; en aan deze door de
burgerlijke beleefdheid in het onderlinge
verkeer voorgeschreven gebruiken en wetten
kan een welopgevoed mensch zich niet on-
gestraft onttrekken.
Daar wij reeds op enkele bijzondere plich-
ten gewezen hebben, toen er sprake was bijv.
van het gedrag in school en huis, op de
straat, enz., zullen wij ons tot enkele der
algemeene plichten bepalen, om vervolgens
nog van de voornaamste dier bijzondere te
spreken, welke meermalen voorkomende om-
standigheden den mensch opleggen.
Veroorloof u niets, wat gij in anderen
zoudt afkeuren.
Hoe onpleizierig of lastig van humeur zij
ook mogen wezen, met wie gij dagelijks om-
gaat, wees er niet korzelig en gemelijk te-
gen in, maar wel inschikkelijk en toegevend
zooveel mogelijk. Heb geduld met hen, die
met zulke gebreken en onvolmaaktheden
zijn behebt en bedenk, dat anderen in u ook
niet alles lief en aangenaam zullen vinden.
Ga niet anderen zoo om, dat gij nooit in de
achting te kort schiet, waarop ieder mensch
-ocr page 25-
V)
aanspraak heeft; wees vriendelijk en beleefd
in uwe antwoorden jegens een ieder, wie
hij ook zij
Veroorloof u geene scherts, grap of kwink-
slagen, waardoor een ander in de verste verte
zou kunnen worden geërgerd of geraakt.
Toon u dienstvaardig jegens allen, meer in
\'t bijzonder jegens hen met wie gij meer in
aanraking komt, als huisgenooten, buren, enz.
Eerlijkheid en rechtvaardigheidmoeten zelfs
uwe geringste handelingen besturen.
"Wees oprecht en waar in alles wat gij zegt;
de leugenaar onteert zich zelven, verliest het
vertrouwen, en bedriegt en beleedigt hen dien
hij iets op den mouw spelt.
Zoek geen twist, neem niet spoedig iets
kwalijk; want wat ten kwade wordt uitge-
legd, blijkt bij nader onderzoek dikwijls, met
geene verkeerde bedoelingen gezegd of ge-
daan te zijn.
Wees geen bemoeial; kwijt u zoo goed
mogelijk van uwe plichten, en stoor u ver-
der niet aan de praatjes der wereld. In de
rust van uw eigen geweten moet gij de vol-
doening vinden van uwe daden, niet in wat
anderen er van zeggen.
Zoek de vriendschap en den omgang alleen
van rechtschapen menschen; weet dat gij
-ocr page 26-
24
óók beoordeeld wordt naar het gedrag van
de personen met wie gij omgaat: met
wie men verkeert, wordt men
ook geëerd.
Wees openhartig, eerlijk en toegevend,
dienstvaardig en onbaatzuchtig jegens uwe
vrienden: doe geene onbescheiden vragen en
misbruik het in u gestelde vertrouwen niet.
Griffel ontvangen weldaden en bewezen
diensten in uw hart, en schrijf de u aange-
dane beleedigingen onder de zolen uwer
schoenen; dankbaarheid is eene grootc deugd;
haat en wrok zijn den Christen onwaardig.
Toon eiken ongelukkige uwe deelneming;
bied hem hulp aan en sta hem ten dienste,
waar en waarin gij slechts kunt.
Bejegen den arme met vriendelijkheid, deel-
neming en liefde, hetzij gij hem eene stof-
felijke ondersteuning kunt aanbieden of niet.
Herinner u steeds, dat al wat gij den arm-
sten of gcringsten der menschen hebt gedaan,
beschouwd zal worden alsof het Christus
zelven gedaan was; wacht u daarom wel
hen onheusch, ruw te bejegenen, of wel met
eene afsnauwing van uwe deur te verjagen.
Dat sommige personen eene meer bijzon-
dere aanspraak op onze toegenegenheid heb-
ben, is reeds vroeger gezegd, bepaaldelijk
-ocr page 27-
25
van de huisgenooten. Natuurlijk hebben ook
onze bloedverwanten recht op meer dan al-
gemeene bewijzen van onze liefde en achting.
Daarom moet gij nooit eenige gelegenheid
ongebruikt laten voorbijgaan, wanneer gij
uwen grootouders, oom of tante blijken
kunt geven van de hartelijke genegenheid,
welke gij hun toedraagt. Het zou bijv.
eene lompe onachtzaamheid wezen, hun
met nieuwjaar, verjaringsfeesten of soortge-
hjke herinneringsdagen, geen geluk te wen-
schen, hun geen blijken van uwe deelneming
te geven in alles wat hun overkomt. Per-
sonen die min of meer de plaats uwer
ouders vervullen, hebben natuurlijk aan-
spraak op dezelfde achting en eerbiedige
onderdanigheid, welke gij uwen ouders zijt
verschuldigd.
De ouderdom heeft een bijzonder recht
op eene eerbiedige bejegening. Wacht u
dus niet alleen voor het spotten en lachen
met de gebreken en zwakheden van oude
of gebrekkige mensehen, maar tracht ook,
als gjj u in hunne tegenwoordigheid bevindt,
hun bewijzen te geven van uwen eerbied;
voorkom hunne wenschen en voldoe zooveel
mogelijk aan al hunne verlangens.
Evenals in het gedrag van een broeder
-ocr page 28-
26
jegens zijne zuster meer zachtaardigheid en
toegeeflijkheid zal doorstralen, dan wel in\'
den omgang van hroeders onderling, (of-
schoon ook daarin nooit ruwheid mag heer-
schen.) zoo gevoelt ook een welopgevoed
mensch, dat in alle omstandigheden zijne
houding tegenover vrouwen nooit onacht-
zaam of onverschillig mag wezen; integen-
deel, hij zal ze altoos met onderscheiding
en zedige voorkomendheid bejegenen.
VRAGEN.
Hoe luidt het groole gebod der naastenliefde ?
Noem eenige der verschillende egelen en
voorschriften, die door de wellevendheid zijn
vastgesteld, ter beoefening van het groole ge-
bod der naastenliefde.
li elke personen hebben de meeste aanspraak
op onzen eerbied en onze liefde?
hij welke gelegenheden vooral moet men
hun daarvan blijken geven?
Wat moet men in den omgang met ouden
van dagen in acht nemen?
Op de wandeling.
Wat reeds in het eerste stukje gezegd is
omtrent het gedrag op straat, dient
-ocr page 29-
27
nog met het volgende te worden aangevuld.
Houdt niemand onderweg staande, tenzij
het een uwer bekenden is, of dat gij den-
gene dien gij ontmoet, iets dringends of
van groot belang hebt mee te deelen. Het
gesprek zij in geen geval van langen duur.
Wordt gij door iemand die boven u is
geplaatst, aangesproken, neem dan uw hoed
of pet af, en dek u niet, voor gij daartoe
uitdrukkelijk wordt aangemaand. Geef zoo
iemand niet de hand, vóór zij u wordt
aangeboden, en denk er aan. dat knijpend
of hevig schudden een vreemdsoortig bewijs
van eerbied of hartelijkheid zou wezen.
Zorg, dat gjj bij drukte of gedrang nie-
mand op de kleeren trapt, duwt of stoot.
Mocht u zulks bij ongeluk overkomen, maak
u er dan niet af met een onbehouwen
H o! of dergelijke lompe uitdrukking, maaï
verontschuldig u over uwe onachtzaamheid,
en vraag beleefd verschooning.
Zwaai, om anderen geen overlast aan te
doen, niet met uw rotting of paraplu; loop
ook niet door dik en dun, maar zoek bij
ongunstig weer de schoonste plaatsen, en
zie tevens goed voor uwe voeten, opdat gij
u of anderen niet bespat.
De eerbied, dien wij aan alles wat onzen
-ocr page 30-
28
H. Godsdienst betreft, zijn verschuldigd,
heeft velen de prijzenswaardige gewoonte
doen aannemen telkens, als zij voorbij eene
kerk komen, zich eerbiedig het hoofd te
ontblooten en den Goddelijken Verlosser
met een Geloofd zij J. C. in het Al-
lerheiligste Sacrament des Al-
taars! te begroeten. Het is onnoodig te
zeggen, dat dit christeljjk gebruik allen lof
en de meeste aanbeveling verdient; ja zelfs
moeten wij het als een heiligen plicht be-
schouwen, dit schoone voorbeeld van ware
godsvrucht stipt na te volgen.
Gaat gij voorbij eene woning, waar gij
personen bemerkt die gij verplicht zijt te
groeten, neig u dan naar den kant des hui-
zes en groet beleefd; wacht u wel nieuws-
gierige blikken door de glazen te werpen
of den binnenzijnden door woorden of ge-
baren iets mede te deelen of te vragen.
Als gij iemand op straat vergezelt dien gij
achting zijt verschuldigd, plaats u dan aan
de linkerhand of wel aan de straatzijde, en
groet allen die hij, in wiens gezelschap ge
u bevindt, mocht groeten. Mocht deze soms
door den een of ander worden aangesproken,
vervolg dan langzaam uwen weg, of blijf
eenige passen verder wachten, tot het onder-
-ocr page 31-
29
houd is afgeloopen. Wordt gij zelf zoo
opgehouden, maak dan zoo spoedig mogelijk
een eind aan het gesprek, en verontschuldig
u bij hem, die u vergezelt, dat gij hem
onvrijwillig hebt moeten laten wachten.
VRAGEN.
Hoe moet gij u gedragen, als gij op straal
iemand aanspreekt, of door iemand aangespro-
keu wordt?
Wat vordert de wellevendheid, als gij iemand
op straal hindert?
Wat behoort gij te doen, als gij voorbij
eene kerk of voorbij het huis van een uwer
bekenden gaal?
Hoe hebt gij u Ie gedragen jegens de per-
sonen, die u op straal vergezellen?
Op reis.
Hoewel de eischen der wellevendheid op
reis niet zoo menigvuldig en streng zijn,
mag men ze toch niet uit het oog verlie-
zen.
Voorkomendheid en dienstvaardigheid je-
gens onze reisgenooten, alsmede de zorg
niemand, waarin ook, te hinderen, zijn de
-ocr page 32-
30
voornaamste plichten, welke men op reis
heeft te vervullen.
Men geve dus, wanneer anderen iets
vragen, een beleefd antwoord: overigens is
men vrij zich in het algemeene gesprek te
mengen of niet, als ten minste het onder-
werp het ons niet tot plicht, of ten minste
raadzaam maakt, het stilzwijgen te bewa-
ren. Overigens kan men naar verkiezing
lezen, slapen, naar buiten kijken of zich met
eenig handwerk bezig houden, als de gele-
genheid, bijv. op een boot, zulks toelaat.
De goederen die men bij zich heeft,
plaatse men zoo, dat geen ander er last
van heeft. In een wagon of rijtuig opene
of sluite men de raampjes niet zonder
vooraf den medereizigers te hebben ge-
vraagd, of zij er genoegen in nemen. Op
de boot kan men van de ruimte gebruik
maken om zijne plaats eens te verlaten, op
en neer te wandelen, enz. Men ga evenwel
niet onophoudelijk trap op, trap af, uit de
kajuit naar het dek, en omgekeerd; ook
blijve men niet in de onmiddellijke nabij-
heid van een ons vreemd gezelschap staan,
om den schijn niet op ons te laden, alsof
wij nieuwsgierig waren naar de gesprekken,
die gevoerd, naar de werkzaamheden, die
-ocr page 33-
31
verricht, of naar de ververschingen of spij-
zen, die gebruikt worden.
Men zou zich niet zeer voorkomend en
beleefd toonen, als men, met den weg dien
men volgt, bekend zijnde, reisgenooten niet
op belangrijke bijzonderheden, fraaie ge-
zichten, enz. opmerkzaam maakte. De voor-
zichtigheid verbiedt echter, dat men tot het
gezelschap op zulk een vertrouwelijken toon
spreekt, alsof men reeds jaren lang met
elkander bekend of intieme vrienden ware.
Bij het in- en uitstijgen in rijtuigen, waar
men de keus der plaatsen overlaat aan de-
genen die men achting wil bewijzen, zij
men jegens die personen ook zoo hulp-
vaardig mogelijk in alles.
VRAGEN.
Welke plichten van wellevendheid heeft men
op reis Ie vervullen?
Wat moet gij doen, als gij met vreemde-
tingen door eene u bekende streek reist?
Wat vereischt de voorzichtigheid in de ge-
sprekken met vreemdelingen?
Wat moet men bij het in- en uitstijgen van
rijtuigen, enz. in acht nemen?
Wat betrekkelijk het, openen en sluiten der
raampjes ?
-ocr page 34-
32
Gedrag in de kerk.
Het voornaamste wat omtrent dit punt
moet worden in acht genomen, hebben wij
reeds vroeger aangegeven. "Wij willen hier
nog een paar opmerkingen bijvoegen, om
het reeds gezegde volledig te maken.
Het algemeen gevolgde gebruik wil, dat
men zich van zijne handschoenen ontdoe,
indien men tot de Tafel des Heeren nadert
of in den biechtstoel gaat.
"Wanneer gij iemand ter kerk geleidt,
vordert de wellevendheid, dat gij bij het
binnenkomen, na de deur te hebben ge-
opend, dezen wijwater aanbiedt en hem ver-
volgens naar de voor hem bestemde plaats
brengt. Bij het uitgaan bewijst gij hem
dezelfde oplettendheid, en houdt de deur
geopend om hem te laten voorgaan. Komt
er nog iemand kort achter ons aan, dan
zou het zeer onbeschoft wezen de deur
niet geopend te houden, tot deze er mee
kan doorgaan.
Wenscht gij eene kerk te bezichtigen,
doe zulks dan als er geen dienst is. Ver-
lies overigens ook dan bij het beschouwen
der bezienswaardigheden den eerbied niet
uit oog, dien wij steeds en in elk geval
-ocr page 35-
33
aan die heilige plaats zijn verschuldigd.
VRAGEN.
Wanneer moet men zich in de kerk van
zijne handschoenen ontdoen?
Wat vordert de wellevendheid, wanneer men
met iemand de kerk in of uitgaat?
Wat moet gij in het oog honden bij het
bezichtigen eener kerk?
Over de verschillende soorten van
bezoeken.
Men brengt iemand een bezoek of uit
vriendschap; of om geluk te wenschen, of
zijne deelneming in de eene of andere treu-
rige omstandigheid te betuigen; of om iets
te verzoeken of zijn dank voor een ont-
vangen dienst te betuigen; óf om zich voor
te stellen en zich in de gunst van een
ander aan te bevelen.
Over \'t algemeen \'is dus vriendschap of
plicht de beweegreden van het bezoek, dat
men bij iemand aflegt.
Als personen met wie wij niet op een
heel vertrouwehjken voet omgaan, ons met
een bezoek vereeren, eischt de wellevend-
heid, dat men daarop een tegenbezoek af-
-ocr page 36-
34
legge. Zulks na te laten zou niet alleen
eene groote onbeleefdheid wezen, maar het
zou als een bewijs kunnen worden aange-
zien, dat ons het gebrachte bezoek nrnder
welgevallig ware geweest.
Bezoeken tusschen bloedverwanten en
vrienden eischen die oplettendheid niet; de
hartelijkheid in het verkeer zou er onder
lijden, als men ook daar op elk bezoek
een tegenbezoek verwachtte.
Voor sommige bezoeken zijn bepaalde
tijden vastgesteld. Zoo worden de visites
ter gelegenheid van Nieuwjaar in de eerste
dagen van Januari, liefst vóór of uiterlijk
Driekoningen afgelegd. Natuurlijk bezoekt
men personen die óf om bloedverwantschap,
of om andere redenen groote aanspraak
op onze onderscheiding en achting hebben,
reeds den eersten dag van het jaar om hen
te feliciteeren.
Bezoeken na een diner of avondpartijtje
legt men binnen acht dagen af.
Men make een bezoek, vooral als het ge-
sehiedt uit plicht of om zaken te behan-
delen, niet te lang. Ook zjj men er op be-
dacht, indien men vooraf geen belet heeft
laten vragen, op zulk een tijd te gaan, als
men denkt, dat het best gelegen komt. In
-ocr page 37-
35
den regel gaat men vóór twaalven geen be-
zoek afleggen, hoewel plaatselijke gebruiken
hierbij wel in acht moeten worden genomen,
waarnaar men zich in dezen behoort te ge-
dragen.
Men kleedt zich naar gelang de soort
van het bezoek en de rang van den per-
soon is, tot wien men zich begeeft. In elk
geval behoort men fatsoenlijk, netjes gekleed
te zijn en te zorgen, dat men zich onder-
weg niet met slijk en vuil bespatte.
Men haalt de bel bedaard over, om den
inwoners geen schrik op het lijf te jagen;
bevindt zich buiten de deur een voetschrap-
per, dan maakt men onderwijl gebruikt om
het schoeisel van \'t grofste vuil te ontdoen.
Binnengelaten zijnde, veegt men de voeten
nog eens goed af, vóór een vertrek binnen
te gaan.
Vindt men den persoon dien men wenschte
te spreken, niet te huis, dan geeft men
een kaartje af, of, wanneer het een vriend
of bekende geldt, dien men meermalen ont-
moet, zoo laat men eenvoudig zjjne groeten
achter on keert op een anderen tijd terug.
Ook overhandigt men den bediende die ons
opent, een kaartje om ons aan te dienen,
tenzij men zijn naam mondeling opgeeft of
-ocr page 38-
36
de persoon, met wien men een onderhoud
verlangt, tot onze gewone vrienden of ken-
nissen behoort.
Wordt men, gelijk in den regel het ge-
val is, in afwachting in eene kamer gelaten,
dan zou het eene erge fout tegen de wel-
levendheid wezen, gedekt te blijven, de
voorwerpen welke zich daar bevinden in de
hand te nemen, te fluiten of te neuriën,
of zich voor het venster te plaatsen om uit
te kijken. Men wacht staande of zittende
af, dat men bericht krijgt, of men ontvangen
kan worden of niet.
Voor men binnengaat plaatst men de
paraplu of rotting, indien men die bij zich
heeft, in den standdaard, als deze in den
gang staat, anders ergens in een hoek of
naast de kamerdeur. Vindt men daar ook
gelegenheid mantel of overjas en hoed neer
te hangen, dan ontdoet men zich daarvan
vóór de ontvangkamer binnen te treden,
als ten minste het bezoek van eenigen duur
zal zijn.
Zelfs bij zijn vertrouwdsten vriend ga men
de kamer niet binnen, zonder vooraf op de
deur getikt en antwoord gekregen te hebben.
Is degenen tot wien men wordt toege-
laten, bij onze komst met iemand in gesprek,
-ocr page 39-
37
dan stoort men hem niet, maar blijft be-
scheiden afwachten, tot hij liet woord tot
ons richt.
Vindt men meer personen aanwezig, dan
richt men zich, na dadelijk bij het binnen-
komen het geheele gezelschap met een en-
kel woord of eene buiging gegroet te heb-
ben, tot den heer en de vrouw des huizes,
waarna men de overigen achtereenvolgens
toespreekt en niet de ons meer bekenden
of naast ons zittenden eenige woorden van
beleefdheid wisselt.
Een heer zal zich nooit veroorloven den
hoed weer op te zetten, zelfs niet al noo-
digde men hem er toe uit; hij houdt dien
bij zich of plaatst hem, als men hem ver-
zoekt zich er van te ontlasten, op of onder
een of ander meubel, maar niet op de tafel
of op een bed.
Eene dame echter ontdoet zich niet van
hoed en doek, tenzij men haar daartoe uit-
drukkelijk uitnoodige. Hieraan zal zij echter
alleen dan gevolg geven, als het bezoek
van niet te korten duur zal wezen.
Merkt men, dat het bezoek minder ge-
legen komt, dan make men geen misbruik
van den tijd zijns vriends, maar zegt in korte
woorden, wat men heeft mede te deelen,
-ocr page 40-
:58
vertrekt zoodra mogelijk, en vraagt bij het
heengaan verschooning, dat men hem on-
willekeurig heeft gehinderd.
Geschriften, boeken of andere voorwerpen,
welke men voor de hand ziet liggen, late
men onaangeroerd; vooral wachte men zich
in open liggende brieven, papieren of boeken
een nieuwsgierigen blik te slaan.
Worden er nieuwe bezoekers aangemeld
of binnengelaten, dan neemt men afscheid
en gaat heen; en mocht de heer des hui-
zes ons uitgeleide willen doen, zoo verzoekt
men hem, zich om ons niet te bekommeren
en zijn gemak te houden. Is de binnen-
komende echter een lid der familie, dan
staat men eenvoudig op om te groeten,
zonder dadelijk heen te gaan. Ook verwij-
dert men zich niet onmiddellijk, als men
mot aandrang wordt uitgenoodigd te blijven,
wanneer men bij de komst van een nieuwen
bezoeker aanstalten tot vertrek maakt.
Is de tijd van heengaan daar, dan groet
men bij het opstaan evenals bij het binnen-
komen, en neemt bij de deur nog eens af-
scheid van hem, die ons uitlaat.
Ontvangt men bezoek, dan late men hen
die tot ons komen, zonder noodzakelijkheid
niet wachten. Kan men door omstandighe-
-ocr page 41-
:io
den zich niet dadelijk tot hen begeven, zoo
vergete men niet zich daarover eerst te
verontschuldigen, vóór men een gesprek aan-
knoopt. Is men iemand van hoogen rang
te verwachten, dan zorge men dat onze
kleeding en de geheele wijze van ontvangst
toonen, hoezeer wij de eer van dat bezoek
op prijs stellen.
Overigens zjj men ook binnenshuis altoos
netjes en zindelijk gekleed, opdat men nooit
door een bezoek worde verrast in eene
kleeding, waarover men zich zou moeten
schamen.
Zoodra iemand onze kamer binnentreedt,
staat men op om hem te groeten en te ver-
welkomen; men biedt hem eene gemakkelijke
zitplaats aan en bewijze hem alle mogelijke
beleefdheid. Zijn er onder de bezoekers
dames, dan zorgt men dat voetbankjes aan-
wezig zijn en verzoekt haar, zich van hoed
en shawl of mantel te ontdoen, welke men
op eene geschikte plaats wegbergt.
Niet alleen vraagt men, hoe hij die ons
bezoekt, vaart, maar men toont zijne belang-
stelling door ook naar de gezondheid der
familie en huisgenooten te vernemen.
Men tracht het gesprek op onderwerpen
te leiden, waarin men denkt, dat de bezoe-
-ocr page 42-
40
ker belangstelt. Ontvangt men in tegen-
woordigheid van vreemden brieven, dan opent
en leest men ze niet, tenzij men vermoedt,
dat de inhoud van gewicht is, of de ken-
nisneming geen uitstel duldt, in welk geval
men vooraf verlof vraagt voor de vrijheid,
die men zich veroorlooft.
Bij liet vertrek doet men hen die ons
hebben bezocht, uitgeleide tot aan de straat-
deur, neemt beleefd afscheid en bedankt
voor de eer, ons door het bezoek bewezen.
Een bezoek aan zieken mag men niet te
lang maken, tenzij men van dienst kan zijn.
Met den zieke spreke men weinig en zacht,
om hem niet te vermoeien, en vermijde alle
uitdrukkingen welke hem noodeloos zouden
kunnen verontrusten. Daar een zieke in den
regel nog al prikkelbaar en zeer gevoelig
is voor de oplettendheid, welke zijne vrien-
den jegens hem aan den dag leggen, herhale
men het bezoek dikwijls en geve, door hem
nu en dan met eenige verversching te ver-
rassen, een bewijs van de belangstelling,
welke men in zijn toestand neemt; daarin
zal hij tegelijk troost en opbeuring vinden.
Wordt een onzer huisgenooten ziek, dan
zorge men, in zoover zulks van ons afhangt
of het onze plicht is, ten spoedigste voor
-ocr page 43-
41
toereikende verzorging. Men roepe tijdig de
hulp van een geneesheer in en, is de ziekte
van langen duur, of wordt de toestand ge-
vaarhjker, zoo make men den biechtvader
van den zieke daarmede bekend.
Komt iemand den zieke bezoeken, als
deze in slaap is, of de dokter stilte en wei-
nig drukte heeft aanbevolen, men bedanke
dan in naam van den patiënt hartelijk voor
zijne belangstelling, geleide hem in de woon-
kamer en vrage verschooning, dat men hem
op dat oogenblik niet bij den zieke kan
toelaten. Het spreekt vanzelf, dat de be-
zoeker, indien men hem zegt, dat bij den
zieke niemand mag worden toegelaten, er
niet op moet aandringen, alsof men ten
zijnen opzichte eene uitzondering maken
zou.
Wordt men zelf door eene ziekte bezocht,
dan zoeke men troost in de overgeving aan
Gods heiligen wil, die ons dat kruis toe-
zendt, vermeerdere de zorg en ongerustheid
zijner huisgenooten niet door eene al te
groote gevoeligheid, welke zich in klaag-
en jammertonen uit, maar men zoeke de
moeielijke taak van hen die ons verzorgen,
te verlichten door dankbaarheid, geduld en
tevredenheid.
-ocr page 44-
42
VRAGKN.
Welke omstandigheden kunnen er aanleiding
toe geven, dat men iemand een bezoek brengt ?
Wat vordert de wellevendheid, als iemand
u bezocht heeft?
Heeft men dit ook Lij vrienden of bloed-
verwanten in acht te nemen?
Wat heeft men aangaande den tijd en den
duur van het bezoek in acht te nemen?
Wat moet men doen als de persoon, dien
men een bezoek brengt niet te huis is, of als
men in afwachting van den persoon in eene
kamer wordt binnengelaten ?
Waar brengt men zijne paraplu, enz. ?
Wat heeft men te doen bij hei. binnentreden
in een vertrekt
Wanneer mag eene dame zich van haren
hoed en mantel ontdoen?
Wat heeft men verder bij een bezoek te
onderhouden ?
Wat behoort men te doen, bij hel heengaan?
Wat moet men doen, als men iemand, die
ons komt bezoeken, heeft laten wachten?
Wat moet men doen, als iemand onze kamer
binnentreedt ?
Waarover moet het gesprek loopen .\'
Wal verehcht de wellevendheid, als men in
tegenwoordig/ieidvan vreemden brieven ontvangt?
-ocr page 45-
4:3
Wat moet men doen ah de bezoeker heengaat!
Waarop heeft men te letten ah men een
zieken bezoekt?
Waarop moet een zieke letten, ah hy be-
zocht wordt?
Wat moet men doen, ah men ziek is?
Het gesprek.
Knoopt men met iemand een gesprek aan,
dan regelt men het onderwerp, dat men be-
spreekt, en zijne uitdrukkingen naar den
ouderdom, de ontwikkeling en den stand
van hen tot wie men het woord voert. Met
personen die ons ver in jaren overtreffen,
spreekt men niet over de voorrechten van
een jeugdigeren leeftijd; in tegenwoordigheid
van menschen die minder met aardsche goe-
deren zijn bedeeld dan wij, vermijdt men
gastmalen of feestelijke partijtjes tot onder-
werp van het gesprek te maken; bij zieken
roemt men niet op de gezondheid of het
sterke gestel, waarover men zich verheugt;
in één woord, de Liefde, die moeder der
ware, christelijke wellevendheid, zij het
richtsnoer dat men in zijn onderhoud volgt;
zij zal ons voor alle ongepastheden vrijwaren.
Daar zijn ook onderwerpen welke men
-ocr page 46-
44
in talrijke en gemengde gezelschappen beter
doet niet aan te roeren, of waarover men
slechts met den grootsten eerbied spreekt;
bijv. alles wat betrekking heeft op de wet-
ten des lands, de goede zeden, den gods-
dienst, enz.
Denk daarom, vóór gij spreekt; de woor-
den die eens aan uwen mond zijn ontvallen,
worden moeilijk teruggenomen. Onbedacht-
zaamheid in het spreken haalt ons dikwijls
vele onaangenaamheden op den hals, be-
nadeelt onze eer en onzen goeden naam en
maakt, dat wij het vertrouwen van alle wei-
denkenden verliezen.
Spreek nooit een oordeel uit in zaken waar-
van gij niet op de hoogte zijt; meng u ook
niet ongevraagd in een gesprek, dat anderen
voeren. Een onbezonnen jongeling, die maar
over alle onderwerpen op een hoogen toon
meesprak, ontving van een vernuftigen wijs-
geer de volgende behartigenswaardige les:
God heeft ons twee ooren en slechts eenen
mond gegeven, waaruit wij moeten leeren,
veel te hooren en weinig te spreken.
Prjjs u zelven niet, en spreek evenmin
met te veel ingenomenheid noch te dikwijls
over zaken welke u in \'t bijzonder aangaan.
Erken daarentegen gaarne de verdiensten
-ocr page 47-
45
van anderen, zonder ze te overschatten:
vleierij is onoprechtheid en wordt door geen
rechtschapen hart ingegeven, noch als echte
munt gewaardeerd. Aanhoor den lof die u
wordt toegebracht, indien gij er aanspraak
op hebt, met ware zedigheid; laat niet blij-
ken, dat gij dien graag hoort verkondigen
en zoek eene andere wending aan het
gesprek te geven. Spreekt men in uwe
tegenwoordigheid met lof van uwe naaste
betrekkingen, zoo betuig daarvoor uwen
dank; wacht u echter, aan die lofuitingen
nog iets toe te voegen.
Spreek van anderen, vooral van overle-
denen, altoos met achting; maak hunne ge-
breken nooit tot het onderwerp van uw
gesprek. Wordt er in uwe tegenwoordig-
heid met minachting over afwezenden ge-
sproken, neem dan hunne party op. Het
is inderdaad hoogst betreurenswaardig, dat
laster, kwaadsprekendheid, leugen en vleierij
zulk een groote rol in het dageljjksche on-
derhoud van velen spelen: lasteren is eene
afschuwelijke zonde; van een afwezende
kwaadspreken verraadt een bedorven hart
en is ook eene daad van groote lafheid; de
leugen, zelfs de zoogenoemde onschuldige,
is nooit geoorloofd.
-ocr page 48-
46
Wees ook omzichtig in uwe woorden,
opdat gij niemand der aanwezigen kwetst
of beleedigt. Wordt de spottende uitdruk-
king niet dadelijk gevoeld, later bij eenig
nadenken, treft zij soms des te gevoeliger.
Gekscheerderij is alleen met zijne gelijken
geoorloofd, maar blijft toch altoos gevaar-
lijk, wijl de grens van onschuldige jokkernij
zoo licht wordt overschreden.
Nooit mag de geringste dubbelzinnige
uitdrukking of woordspeling over uwe tong
komen; het kwaad, dat daardoor wordt ge-
sticht , is niet te berekenen. Kortswijl,
scherts, geestige gezegden en opmerkingen
zijn zeer geschikt het onderhoud te kruiden
en te veraangenamen; maar niet ieder is
het gegeven ze juist van pas te brengen,
en velen weten daarin, helaas! ook de rechte
maat niet te houden. Ook is niet alles ge-
schikt om tot voorwerp van onze geestigheid
te dienen. Het zou bijv. strijden met den
eerbied, dien men aan alles wat met onzen
heiligen Godsdienst in betrekking staat, is
verschuldigd, de woorden der H. Schrift tot
woordspelingen te doen strekken, of som-
mige harer spreuken en uitdrukkingen op
alledaagsche dingen toe te passen.
Geeft gij de eene of andere anecdote ten
-ocr page 49-
47
beste, hebt ge eene werkelijk pikante op-
merking gemaakt, lach er dan niet zelf, ten
minste niet het eerst om; dit toch zou niets
anders zijn, dan alsof ge vraagdet: merkt
gij wel, hoe geestig ik ben?
Onderhoud u niet uitsluitend met één
persoon, maar zooveel mogelijk met het ge-
heele gezelschap, als dit niet te talrijk is;
anders met de naast bij u zittenden. Roer
daarom alleen zulke onderwerpen aan, waar-
over allen kunnen oordeelen en meespreken.
De bescheidenheid vordert, als men van
anderen en zich zelven spreekt, dat de spre-
ker dan zich zelven het laatst noemt; even-
zeer dat, in geval men met iemand in
gevoelen verschilt of vermeent, een ander
te moeten tegenspreken, men zulks altoos
in de beleefdste termen doe en zijne eigene
meening niet op een te beslisten toon voor-
drage. Maak u niet van het geheele gesprek
meester, maar geef anderen ook de gele-
genheid zich te doen hooren; het zou eene
groote verwaandheid wezen, als men steeds
het hoogste woord voeren en zóó anderen
als \'t ware tot eenvoudig toeluisteren dwin-
gen wilde.
Schenk hem die tot u spreekt, uwe vol-
ledige aandacht; val hem niet in de rede
-ocr page 50-
48
en maak het hem ook niet lastig door
voortdurend vragen te doen. Laat, wanneer
iemand iets vertelt, niet blijken, dat hetgeen
hij mededeelt u reeds bekend is, of dat gij
het beter weet, hoe onaangenaam het ook
zij naar iets te luisteren, wat men al meer
heeft gehoord. Om anderen die verveling
te sparen, zoudt gij, vóór gij zelf het een
of ander gaat vertellen, kunnen vragen, of
het gezelschap er soms al mede bekend is.
Hebt gij eene vraag niet goed begrepen
of het tot u gesprokene niet wel verstaan,
geef zulks dan beleefd te kennen en ver-
zoek, of men de goedheid wil hebben het
nog eens te herhalen; maak u in dergelijke
gevallen niet bespottelijk door de lompe
uitdrukkingen Wat? Hè? of dergelijke te
bezigen.
Geraakt iemand onder het spreken in ver-
legenheid, lach daar niet om, maar toon
uwe deelnemende hulpvaardigheid door hem,
als gij kunt, ongemerkt op de eene of an-
dere wijze voort te helpen.
Fluister niet met iemand in tegenwoor-
digheid van anderen; bedien u ook niet van
eene taal welke niet door alle aanwezenden
verstaan wordt, om den schijn niet op u te
laden, alsof gij iets te zeggen had wat
-ocr page 51-
49
anderen niet mochten weten, en geen aan-
leiding tot argwaan te geven, alsof gij over
iemand van het gezelschap spraakt.
Meng u in geen woordentwist: spreekt
men u tegen, terwijl gij toch meent gelijk
te hebben, verdedig uwe meening dan op
een beleefden toon. En mocht iemand zich
zóó vergeten, dat hij, in drift gerakende,
zich in beleedigende termen tegen u zou
uitlaten, bedwing dan u zei ven, bewaar eene
grootmoedige bedaardheid, en zoek zoodra
mogelijk een einde aan dat gesprek te ma-
ken. Hebben anderen een woordenstrijd
onder elkander, welke wat te vurig wordt
gevoerd, tracht dan op eene verstandige
en bescheiden wijze het gesprek op een
ander onderwerp over te brengen. Gelukt
u zulks niet, dan is het raadzaam u er niet
verder in te mengen.
VRAGEN.
Wat moet gif in acht nemen, als gij met
iemand een gesprek aanknoopt?
Waartoe leidt soms de onbedachtzaamheid
in het spreken\'?
Welke les kreeg eens een onbezonnen jon-
geling van zekeren wijsgeer?
-ocr page 52-
50
Wal moet gij doen, als men met lof van
u of uwe betrekkingen spreekt\'!
Wat moet gij in uwe gesprekken altoos ver-
mijden ?
Wat vordert de liefde, als men in uwe
tegenwoordigheid van iemand kwaad spreekt?
Mag men ooit met iemand gekscheren?
Wat moet men doen, als men met iemand
in gevoelen vet schilt?
Wal kunt gij doen, als gij twijfelt, of het
gezelschap met hetgene gij wilt vertellen, reeds
bekend is?
Op welke wijze zult gij te kennen geven
dat gij eene vraag of het tot u gesprokene
niet wel oerslaan hebt?
Ts hel wellevend in tegenwoordigheid van
anderen te fluisteren of eene vreemde taal te
spreken die een of meer der aanwezigen niet
verslaan ?
Wat moet gij doen, als gij wordt tegenge-
sproken; in woordentwist geraakt, of ziel,
dat anderen een woordenstrijd onder elkander
hebben.
Gedrag bij het spel en andere uit-
spanningen.
De boog kan niet altijd gespannen zijn;
zoo heeft ook de geest behoefte aan ont-
-ocr page 53-
51
spanning. Deze noodzakelijke uitspanningen,
welke echter steeds met mate moeten ge-
nomen worden, zijn van verschillenden aard,
als wandelingen, onderscheidene soorten van
spelen, vriendschappelijke bijeenkomsten, enz.
Om geld spelen is altoos min of meer
gevaarlijk; om grof geld spelen is in elk
geval streng verboden. Bepaalt men alzoo,
om meer belangstelling voor het spel op te
wekken, dat de spelers een inzet zullen
doen, deze zij altoos klein, opdat het wer-
kehjk eene uitspanning bhjve en geene be-
treurenswaardige gevolgen na zich sleepe.
Zich gemelijk en onplezierig toonen, als
men verliest; of wanneer de fortuin ons
gunstig is, uitermate vroohjk en opgewekt
te zijn, is beide afkeurenswaardig. Zonder
noodzakelijkheid make de winnende partij
geen einde aan het spel, vóór de tegen-
partij het verlangt. Volg zoo stipt mogelijk
de regels van het spel; laat zelfs de schijn
van oneerhjkheid niet op u rusten.
Worden u aanmerkingen over uw spel
gemaakt, hoor ze zonder wrevel aan; en
meent gij u te moeten verdedigen, doe zulks
dan met de grootste bedaardheid, of beroep
u op hen die bij het spel geen belang
hebben.
-ocr page 54-
52
Verwijt anderen nooit op een minach-
tenden toon den misslag dien zij in het
spel hebben begaan; maar maak hen, zoo
noodig, met de meeste beleefdheid op hunne
vergissing opmerkzaam.
Wordt gij uitgenoodigd iets voor te dragen
op de piano, te reciteeren of te zingen, laat
u dan, als gij in staat zijt aan het uitge-
drukte verlangen te voldoen, niet herhaal-
delijk verzoeken, maar toon u bereid het
gezellig samenzijn, zooveel in uw vermogen
is, te veraangenamen.
Maak geene aanmerkingen op hetgeen
een ander tot genoegen van het gezelschap
ten beste geeft, maar toon, door met aan-
dacht te luisteren, dat gij zijn goeden wil
op prijs stelt. Vergast men het gezelschap
op eene muzikale uitvoering, dan zij men
er op bedacht, dat het tegen de wellevend-
heid strijdt, de maat door het trappen met
den voet aan te geven; dit geldt zoo goed
voor de uitvoerders als de toehoorders.
Het is gewis onnoodig de opmerking te
maken, dat de voordrachten niet in het al-
lergeringste zedenkwetsend of in andere op-
zichten aanstootelijk mogen wezen, noch
dat iets dergelijks, door wien ook ten ge-
hoore gebracht, onze goedkeuring wegdragen
-ocr page 55-
53
of een glimlach op onze lippen lokken
mag.
VRAGEN.
Waartoe dient de uitspanning?
Is het geoorloofd om geld te spelen?
Wat moet gig\' doen, als gij big\' het spel
wint en ook als gig verliest?
Wat behoort gij te doen, als anderen onder
het spel u eene opmerking maken?
Wat behoort gij te doen, als men in een
gezelschap, u verzoekt te zingen, een muziek-
stuk uit te voeren of iets dergelijks?
Wat moet gij doen, als iemand anders iels
voordraagt?
Gedrag bij maaltijden.
De mensch eet om te leven; hij leeft
niet om te eten. De rede zoowel als de
godsdienst verbiedt dan ook, in de genoe-
gens van de tafel als \'t ware het hoogste
geluk te zoeken. Om ook zelfs den schijn
te vermijden, dat men met dien zinnelijken
lust is behept, volge men het voorbeeld
niet na van hen, die steeds den mond vol
hebben van de heerlijke gerechten, welke
hun hier werden opgedischt, of hun daar
-ocr page 56-
54
nog staan te wachten; die bij voorkeur
spreken over al wat het gehemelte kan
streelen, of de wijze waarop deze of gene
spijs het smakelijkst kan worden toebereid.
«Hetzij gij eet, hetzij gij drinkt», zegt
de Apostel, «doe alles ter meerdere eere
van God», die ons, wel is waar, den smaak
heeft geschonken ook om meer voldoening
van de spijzen te hebben, welke wij tot
ons levensonderhoud nuttigen, maar ook de
gulzigheid als eene hoofdzonde wil hebben
beschouwd.
De matigheid eischt, dat men op vast-
gestelde uren zjjn nooddruft neemt; de zorg
voor de gezondheid vordert, dat men zoo
zelden mogelijk daarvan afwijkt en niet dan
in hooge noodzakelijkheid tusschentijds voed-
sel gebruikt.
Wat het gedrag aan tafel betreft, her-
leze men, wat daarvan in het eerste stukje
(bl. 19) is gezegd, en houde voor bijzondere
gelegenheden nog het volgende in het oog.
Indien men eene uitnoodiging tot een
maaltijd heeft aangenomen, klcede men zich
fatsoenlijk en net, volgens zijnen stand, en
zorge, dat men op den bepaalden tijd aan-
wezig zij. Komt men na den gestelden
tijd, dan brengt men den gastheer en de
-ocr page 57-
55
ga8tvro.uw in ongelegenheid met het op-
disschen der spijzen; en om hen niet te
noodzaken zich met ons bezig te houden,
terwijl zij hun tijd misschien nog voor de
toebereidselen of anderszins noodig hebben,
wachte men zich evenzeer al te vroeg te
verschijnen.
Is men verhinderd aan de uitnoodiging
gevolg te geven, dan zegt men zulks niet
aan den bediende, maar men is verplicht
den gastheer zelven van onze verhindering
kennis te geven. Geschiedt de uitnoodiging
per brief, dan geeft men ook schriftelijk be-
richt, en wel zoo spoedig mogelijk, dat men
ze aanneemt of zich genoodzaakt ziet er
voor te bedanken.
Zijn de plaatsen aan tafel door kaartjes
aangewezen, dan neemt ieder de hem aan-
gewezene plaats in, als de gastheer de gasten
daartoe uitnoodigt. Mocht de keuze zijn
vrijgelaten, hetgeen in den regel echter
niet het geval zal wezen, dan laat men de
meer bejaarden en personen van rang de i
eerste en gemakkelijkste plaats innemen.
Nooit late men in het minste blijken, dat de
ons toegedachte plaats ons minder bevalt.
Zet u niet neer, vóór de gastheer daartoe
het voorbeeld heeft gegeven.
-ocr page 58-
56
Men zij bedacht geene ongemanierde hou-
ding aan te nemen. Men schuive den stoel
niet te dicht bij, noch te ver van de tafel;
ga er niet scheef of hangend op zitten,
noch half over de tafel heengebogen, en
wachtte zich vooral, met de ellebogen op
de tafel te leunen; men houdt er alleen de
handen op tot aan den pols toe, niet den
halven arm.
Het servet ontvouwt men half en legt
het over de knieën. Men wachte zich,
eerst het bord er mee af te wisschen; zulks
zou beleedigend voor de gastvrouw wezen.
Lepel, vork en mes, welke rechts van
het bord behooren te liggen, hanteert men,
evenals het glas, steeds met de rechterhand.
Alleen bij het snijden van het vleesch
houdt men de vork in de linker-, het mes
in de rechterhand. Lepel en vork vat men
niet in de volle vuist, maar houdt ze, niet
te laag aangevat, met den duim en twee
vingers vaat; het glas evenzoo en altoos
onder den kelk.
Het is minder gebruikelijk aan tafel het
brood te snijden, dan wel het te breken;
men kruimelt het evenwel niet in de soep;
ook besmeert men het niet met boter of an-
dere spijzen, welke men op het bord heeft.
-ocr page 59-
57
De matigheid verbiedt, dat men elkander
tot veel en dikwijls drinken aanspoort;
eveneens, als er verscheidene soorten van
wijnen worden aangeboden, van alle te ge-
bruiken.
Wie zich niet als een gulzigaard wil voor-
doen, neemt geune groote hoeveelheden op
zijn bord; zoekt, als hem een schotel wordt
aangeboden, niet naar het grootste of beste
stuk, maar neemt wat voor de hand ligt;
ook zal hij, indien er vele gerechten wor-
den opgedischt, allicht het eene of andere
laten voorbijgaan. Om welke reden ook men
van een schotel geen gebruik maakt, men
bedankt eenvoudig zonder er iets bij te
voegen, of zijn weerzin van de aangeboden
spijs of de wijze ven toebereiding aan den
dag te leggen. Heeft men iets genomen
dat niet naar onzen smaak is, dan laat men
het liggen en wacht, tot de borden worden
verwisseld, of men verzoekt den bediende
het weg te nemen.
Het zou grootehjks tegen de zindelijk-
heid strijden, met den lepel of de vork
waarvan men zich bedient, spijzen van of
uit eenigen schotel te nemen, vleesch of
visch met de vingers aan den mond te bren-
gen of zelfs aan te raken. Moge het in
-ocr page 60-
58
enkele gevallen, bijv. met gevogelte of
visch, minder stootend zijn, dat men de
vingers eens te hulp neemt, het is toch
verreweg verkieslijker, zich ook dan alléén
van mes en vork te bedienen. Men zij
daarop vooral bedacht, dat men nooit een
vinger op het bord brenge om de laatste
overblijfsels van hetgeen men gegeten heeft,
er van te verwijderen: bjjna even onfatsoen-
lijk is het, vingers, vork of mes af te likken
of aan het tafellaken af te vegen; daartoe
moet het servet zijn dienst verleenen.
Laat noch door woorden, noch door tee-
kenen blijken, dat het eene of andere ge-
recht uwe geliefkoosde spijs is. Het vleesch,
vóór men het gebruikt te ruiken, zou eene
erge beleediging voor de gastvrouw wezen.
Vraag ook niet aan hen die naast u zitten,
hoe zij het opgedischte, hetzij spijs of drank,
vinden.
Is het gezelschap groot, onderhoud u
dan met hen, die in uwe nabijheid zijn ge-
zeten: is het niet talrijk, neem dan aan
het algemeene gesprek deel. Breng nooit
iets ter sprake, waardoor de gasten de eet-
lust kan worden benomen; verschooning
vragen zal in dezen de zaak niet veran-
deren
-ocr page 61-
59
Wees bij het ronddienen der gerechten
niet ongeduldig, maar wacht bedaard af,
tot de bediende aan uwe plaats is gekomen;
gaat de schotel rond en bedient men zich-
zelven, dan vordert de beleefdheid in som-
migo gevallen, dat gij, vóór ge u zei ven
bedient, hem eerst presenteert aan den per-
soon die naast u is geplaatst.
Men kan het vleesch dat men op het
bord heeft, in eens klein snijden, of wel
men snijdt er telkenmale zooveel af, als
men er van gebruikt. Bij het snijden ga
men voorzichtig te werk, opdat men anderen
of zichzelven niet met saus bespatte. Hierom,
alsmede om geen gevaar te loopen iets
omver te stooten. make men aan tafel bij
het spreken geene gebaren, vooral niet als
men een mes, lepel of vork in de hand
heeft.
Bij het nagerecht gebruikt men naar ver-
kiezing van de vruchten of ververschingen,
welke zich op tafel bevinden. Confituren
of gebak neemt men niet met zijn eigen
mes of vork; men bedient zich daartoe van
den lepel of eenig ander voorwerp dat daar-
voor is bestemd. Yan de vruchten bijte
men niet af; men verdeelt ze, appels of
peren bijv. in vieren of kleinere stukjes en
-ocr page 62-
<iO
legt de schil, pitten of steenen op het bord.
Nooit drijve men de onbeleefdheid zoover,
iets van het dessert in den zak te steken
of voor anderen mee te nemen.
Men verlaat de tafel niet, voor de gast-
heer daartoe het voorbeeld heeft gegeven;
kinderen kunnen zich eerder verwijderen,
als hun zulks wordt veroorloofd.
Aan eene vreemde tafel vouwt men zijn
servet niet op als de maaltijd is afgeloopen;
men legt het op tafel naast het bord, of op
den stoel welke men heeft gebruikt.
VRAGEN.
Wat leert ons de spreuk: ,,De mensch eet
om te leven; maar hij leeft niet om te eten t
Wat leert ons de Apostel?
Wat vereischt de deugd van matigheid <■
van ons?
Wat behoort men te doen, als men eene
uitnoodiging tot een maaltijd heeft aange-
nomen ?
Wat behoort men te doen, als men aan
eene uitnoodiging geen gevolg kan geven?
Welke plaats behoort men aan tafel te
nemen ?
Hoe moet uwe houding aan tafel zijn?
-ocr page 63-
61
Hoe moet men: lepel, vork, me», glas enz.
hanleeren ?
Welk gebruik maakt men van het brood,
dat ons bij den maaltijd wordt aangeboden?
Is het wellevend van alle spijzen en dran-
ken gebruik te maken?
Hoe neemt men de spijten van den schotel?
Wat behoort men te doen, als men het
vleesch of de visch niet van de beenderen of
graten kan ontdoen?
Waaraan veegt men de vingers af?
Is hel wellevend lang over de spijzen te
spreken f
Met wie moei men zich aan tafel onder-
houden ?
Waarop moet gij bij het dienen der spijze)/
letten?
Hoe moet men vleesch gebruiken?
Hoe eet men vruchten?
Wanneer mag men van tafel opstaan?
Waar moet het servet gelegd worden?
Het schrijven van brieven.
Gelijk in geheel onze houding ten op-
zichte van hen met wie wij spreken, de
mate van achting /al doorstralen, welke
wij voor die personen gevoelen, zoo moet
-ocr page 64-
62
ook uit de inrichting van een brief blijken,
dat wij doordrongen zijn van den eerbied
welken wjj hem, aan wien we schrijven,
zjjn verschuldigd. Men bedenke ook, dat
evengoed als het uiterlijke voorkomen van
iemand, dien wij voor de eerste maal ont-
moeten, ons onwillekeurig een meer of min-
der gunstigen dunk van hem geeft, zoo
ook het uiterlijke voorkomen van een brief
ons dadelijk meer of minder gunstig zal inne-
men jegens hem die er de schrijver van is.
Van de inrichting en netheid van een
brief hangt dus veel af.
Moet men in het spreken reeds omzichtig
zijn en op zijne woorden letten, bij het ter
schrift stellen van zijne gedachten behoort
men daarin nog veel strenger te werk te
gaan. Bij het schrijven immers heeft men
meer tijd zijne woorden te wikken en te
wegen; elke verkeerde uitdrukking, elke
fout tegen de taal- en spelregels wordt dan
opgemerkt en niet voor gering geteld, daar
het zwart op wit is.
Als men over zaken, of aan hoogge-
plaatste personen schrijft, zet men wat men
te zeggen heeft, zonder noodeloozen omhaal
van woorden, beknopt en duidelijk uiteen
en wachte zich voor het bijvoegen van een
-ocr page 65-
63
P; S. {post scrip turn), hetgeen een be-
wijs zou wezen, dat men vooraf niet goed
had overdacht, wat men te berichten bad.
In soortgelijke brieven bepaalt men zich
uitsluitend tot de zaak, waarover wordt ge-
handeld, en voegt er geen plaatselijk nieuws
of andere bijzonderheden bij. Evenmin als
men personen die in rang boven ons staan,
wanneer men met hen een onderhoud heeft
gehad, verzoekt onze groeten aan anderen
dan huisgenooten te doen, en dit nog vol-
strekt niet in elk geval, evenmin, neen!
nog veel minder zal men hen in brieven
verzoeken, complimenten of berichten aan
anderen over te brengen.
In vriendschappelijke brieven aan familie-
leden of bekenden slaat men van zelve een
andere toon aan. Dan voert men, als \'t
ware, een vertrouwelijk gesprek, verhaalt
bijzonderheden, waarvan men veronderstellen
mag, dat zij den onzen belang inboezemen,
zoodat het daar op een woordje meer of
minder zoo nauw niet aankorr.t. Maar wat
men schrijft zij evenwel altoos zonder fouten,
zonder doorhalingen, zonder kladden.
Wil men zich aan geene onbeleefdheid
schuldig maken, dan antwoorde men op
eiken brief, dien men ontvangt, zoo goed
-ocr page 66-
64
als op elke vraag, welke ons wordt gedaan.
Verzoekt men iemand schriftelijk om
eenige inlichting, dan verzuime men niet
een postzegel in te sluiten. Het zou niet
billijk noch wellevend zijn, hem van wien
men tijd en moeite vraagt om onzen brief
te beantwoorden, ook nog dat antwoord te
laten betalen. Dat men verplicht is voor
de ontvangen inlichting, hetzij voldoende of
niet, te bedanken, spreekt van zelf.
Kinderen, zoo groote als kleine, zouden
aan een duren plicht tekort komen, als zij
bij de vernieuwing van het jaar, geboorte-
feesten of andere heugelijke herinnerings-
dagen hunnen ouders of grootouders geen
brief van gelukwensching deden toekomen
noch zorgden, dat die op den feestdag zel-
ven in hunne handen kon zijn. Ook vrien-
den en bekenden doe men ter gelegener
tijd woorden van vriendschap, gelukwen-
sching, troost en bewijzen van deelneming
in treurige omstandigheden of geleden ver-
liezen geworden. In al deze gevallen zou
het gebruik maken van een briefkaart als
een blijk van weinig hartelijkheid en be-
langstelling worden aangemerkt.
Voor eiken brief, aan wien ook gericht
of van hoe korten inhoud ook, neemt men
-ocr page 67-
65
heel (dubbel) velletje postpapier, zorgt voor
goeden, zwarten inkt en duidelijk schrift.
In handelsbrieven plaatst men den datum
veelal bovenaan; overigens is het eigen-
aardiger dien aan het slot tegenover de
naamteekening te zetten, als aanduiding
wanneer de brief geschreven en gevolgelijk
verzonden is.
Men plaatst den titel of aanhef een paar
vingersbreed van den bovenrand en laat
evenveel ruimte over tusschen deze aan-
spraak en den eersten regel, dien men ook
een weinig laat inspringen, terwijl men de
overige regels ten minste een vingerbreed
van den rand begint, en hierin vooral voor
regelmatigheid zorgt. Aan het slot laat men
dezelfde ruimte als bij het begin, en richt
de verdeeling zóó in, dat het onderschrift
niet op eene nieuwe bladzij begint. Aan
voorname personen en in felicitatie-brieven
kan men de opengelaten ruimte iets grooter
nemen.
Aan het hoofd en aan het slot van den
brief benoemt men hem aan wien men
schrijft, met den hem toekomenden titel,
bijv. Weledelgeboren Heer; om stijfheid in
den stijl te voorkomen, schrijft men in den
brief. U, Uw, enz.
-ocr page 68-
66
Om de netheid en zindelijkheid van \'t
geheel te bevorderen, maakt men geen ge-
bruik van zand of vloeipapier, maar laat
den inkt eenvoudig drogen.
Men vouwt den brief in drieën of vieren
naar het formaat der enveloppe, welke men
niet moet vergeten, naar het gewicht van
den brief, van een postzegel te voorzien,
aangezien de geadresseerde anders den brief
lichtelijk zou weigeren, tenzij hij èn port
èn boete geliefde te betalen.
Om verkeerde bezorging te voorkomen,
zorge men, dat het adres juist en duidelijk
zij geschreven. Woont de geadresseerde,
dien men naar zijnen rang en stand betitelt,
in eene groote stad. dan plaatse men den
naam der straat en, zoo noodig, het num-
mer der woning er bij.
VRAGEN.
fVal moet men in het schrijven aan hoog-
geplaatste personen in acht nemen?
Hoe moeten onze brieven aan bekenden of
familieleden zyn ?
Wat moet men doen als men per brief van
iemand eenige inlichting vraagt?
Wal als men die ontvangen heeft?
-ocr page 69-
67
Wanneer behooren kinderen een brief ie
schrijven ?
In welk geval mogen deze geen gebruik van
briefkaarten maken?
Wanneer plaatst men den datum in handels-
brieven, waar in eiken anderen brief?
Hoe moet een brief worden ingericht?
Hoe moet het adres geschreven worden ?
Besluit.
De opvolging der plichten welke de wel-
levendheid ons oplegt, strekt ten nutte
zoowel van de geheele maatschappij, als
van ieder harer leden in \'t bijzonder.
Zij maakt de menschen geschikter voor
het maatschappelijke leven.
Zij werkt mede om ons welwillender je-
gens onze medeburgers te maken; om van
onze oprechtheid, zachtzinnigheid ook in
onze uitwendige handelingen, in de vormen
des levens blijk te geven. Die kieschheid
in ons doen en laten doet ons de harten
van alle weidenkenden winnen.
Tellen wij hare regels daarom niet ge-
ring ; laten wjj ze vroegtijdig, in onze jeugd
reeds, in beoefening brengen.
Gewennen wij ons er aan, alles wat be-
-ocr page 70-
68
tamelijk, wat rechtschapen is, ook als nuttig
te beschouwen.
Laten wij steeds iedereen die achting be-
wijzen, waarop hij aanspraak heeft; laten
wij het ook doen in de vormen, welke de
wellevendheid voorschrijft. Zóó zullen wij
ons het leven aangenamer maken, ons zelven
gelukkiger en meer tevreden gevoelen; zóó
zullen wij de achting en toegenegenheid
onzer medemenschen winnen; zóó zullen
wij ons behagehjker maken aan God, die
ons beveelt dat wij elkander moeten be-
schouwen als kinderen van éénen Vader,
als leden van een en hetzelfde huisgezin.
VRAGEN\'.
Welke gunstige gevolgen zal voor ons de
opvolging van de regelen der wellevendheid
hebben?
Wanneer moeten ivij beginnen de regelen
der wellevendheid te onderhouden?
-ocr page 71-
I N H Q U D.
Blz.
Wellevendheid............     3
Plichten jegens ons zelven.......     6
Het lichaam...........     6
Houding en gang.........     7
Het gelaat............     8
Het hoofd............     9
De oogen............     9
Neus en ooren..........    10
Mond en tanden.........    12
De handen...........    13
De armen............    14
De voeten............    15
Het haar............    15
Zindelijkheid en orde........    15
De kleeding.........\'. .    16
De woning...........    17
Gebruik van den tijd........    19
-ocr page 72-
INHOUD.
Blz.
Plichten jegens anderen.........    21
Jegens bloedverwanten.......    23
Jegens armen en ongelukkigen ....    24
Jegens bijzondere personen......    25
Op de wandeling...........    26
Op reis...............    29
Gedrag in de kerk..........    32
Over de verschillende soorten van bezoeken .    33
Tegenbezoek {contravisite)......    34
Gelegenheidsbezoeken........    35
Het ontvangen van bezoeken.....    36
Bezoek aan zieken.........    41
Het gesprek.............    43
Gedrag bij het spel en andere uitspanningen.    50
Gedrag bij maaltijden.........    53
Het schrijven van brieven........    61
Besluit...............    67
-ocr page 73-
-ocr page 74-
HANDBOEKJE DER WELLEVENDHEID,
VOOR SCHOOL EX HUIS.
Eerste Stukje. — Prijs 10 Cents.
INHOUD.
Een noodzakelijk woord vooraf. — Des
morgens. — Des avonds. — Voor school-
ujd. — In de school. — Gedrag jegens
uwe medeleerlingen. — Na schooltijd. —
In de kerk. — Te huis.
Gedrag jegenx de Ouders.
Omgang met Broeders, Zusters en Dienst-
boden.
Gedrag aan tafel. — Het spel. — Op
straat. — Gedrag in andere huizen.