-ocr page 1-
119                                            Prijs ƒ 0.35.
DE RECHTEN EN PLICHTEN
I VAN ONZEN STAAT, ,.
OPZICHTENS
het onderwijs der jeugd
DOOE
W. C. J. A. HEYDENRIJCK.
-<x&°8S83°o-
\'sG-ravenhaagsche Kantoor-, Boek- en Papierhandel,
Wagenstraat 57, Den Haag.
fez
Vak 151
-ocr page 2-
-ocr page 3-
EEN AKADEMISCH PROEFSCHRIFT VAN 1855
OVER
De rechten en plichten van onzen Staat,
OPZICHTRNS
HET ONDERWIJS DER JEUGD
DOOR
M". 0. J, A. HEYDENMJCK.
\'s Gravenhaagsche Kantoor-, Boek- en Papierhandel,
Wagenstraat 57, Den Haag.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
De Onderwijskwestie, welke geruimen tijd sluimerde,
trad dus weder op den voorgrond.
Het Ontwerp-Leerplicht bracht heel wat gemoederen in
beweging.
Te verwonderen is het niet. Zelfs al kon de zoogenaamde
„Politiek" ter zijde worden gelaten, hangt de Leerplicht
ten nauwste samen met de heiligste rechten en plichten
der burgers, met de teederste rechten en verbintenissen
van den Staat.
Bijkans vier en veertig jaren geleden werd ik aan de
Leidsche Hoogeschool tot Doctor in de beide Rechten be-
vorderd, op een Proefschrift, houdende eene uiteenzetting
der Beginselen, welke aan een en ander ten grondslag
liggen \').
Ik h\'ad daarbij vooral het Lager Onderwijs op het oog.
Mijns bedunkens, kan het nut eener reproductie dier
Beginselen, naar de wijze en den vorm van het Proefschrift
niet worden betwist.
In September 1855 leefden we, ja, onder de Grondwet
van 1848, aan welker Art. 194 niemand zulk een krachtig
bestaan kon toeschrijven, als het bleek te bezitten.
\') De Civitatis nostrae erga Juventut.is institutionem officiis.
-ocr page 6-
4
In elk geval liet de Grondwetsherziening van \'87 het
artikel, thans 192 geworden, ondanks de uitspraak der
Tweede Kamer, ongewijzigd.
Als toen, zóó ook nu, geeft het pas te onderzoeken, of
het, in een Staat, als de onze, eenig ware stelsel: bijzonder
onderwijs regel, openbaar onderwijs aanvulling,
door de hoogste
Landswet, al of niet, en zoo ja, in welke mate wordt ge-
huldigd.
"Wat betreft den vorm van het Proefschrift, heb ik slechts
den vorm van uiteenzetting, van bewijsvoering op het oog.
Het Wetsontwerp destijds aanhangig, met al de gewis-
selde stukken, bracht het niet verder, dan dat het werd
onderzocht en in het publiek druk besproken.
Wat van Reenen niet vermocht, werd de triumf van
van Rappard: de Wet van 13 Augustus 1857 (193): sedert
door die van 17 Augustus 1878 (127), van 8 December
1889 (175), van 28 December 1896 (230) gewijzigd.
Het was dus niet wel mogelijk eene eenvoudige vertaling
van mijn werkje te leveren, wilde ik, wat de Wetgeving
aangaat, den lezer niet op een dwaalspoor brengen. Het-
geen niet wegneemt, dat ik, vooral uit de stukken, des-
tijds tusschen Regeering en Volksvertegenwoordiging ge-
wisseld, menig argument blijf putten, terwijl de welwil-
lende lezer de goedheid zal hebben in de alom bekende
Wetten, die ik daar noemde, na te gaan, in hoever mijn
stelsel al of niet weerklank vond.
Mijn stelsel .... ach neen: een gansch andere autoriteit,
niemand minder dan wijlen Groen van Prinsterer mocht
bogen op het Vaderschap er van en het is den onderge-
teekende waarlijk reeds een te groote eer, dat zijn Proef-
schrift door zulk een man in zijn „Nederlandsche Gedachten"
werd geprezen!
Ten slotte zij een verzoek gericht tot hen, die zóó harts-
-ocr page 7-
5
tochtelijk vóór en tegen „Leerplicht", pleiten, in welken
strijd ik mij niet mengen mag.
Er kan in het afgetrokkene over geredetwist worden,
zooveel men wil: gaat het echter aan, dien Plicht op te
leggen, als de volledige toepassing van het eenig ware
beginsel, dat daaraan ten grondslag moet liggen: „Bij-
zonder onderwijs regel, Openbaar Onderwijs aanvulling"\',
mocht blijken te ontbreken??
Ziedaar de vraag.
April 1899.                                      HEYDENE1JCK.
-ocr page 8-
OVERZICHT.
Bladz.
Inleiding...................7
Over do beginselen, waaruit de Staatsrechten eu -plichten *)
betreffende het onderwijs der jeugd voortvloeien..... 7
HOOFDSTUK I.
Vrijheid van onderwijs, in verband mot do Voorschriften der
Grondwet...................11
HOOFDSTUK II.
Over den baud tusscheu Godsdienst en Ouderwijs.....22
HOOFDSTUK III.
§ 1. Ovor de Staatszorg omtrent het Opeubaar Onderwjjs.    36
§ 2. Do Wet regelt het Openbaar Onderwijs.....    38
§ 3. Over het voldoend Openbaar Lager Onderwijs . .    41
§ 4. Over het toezicht, hetwelk de Staat met betrek-
king tot het Onderwijs heeft uit te oefenen . . 43
§ 5. Over het onderzoek naar de bekwaamheid en zede-
lijkheid der onderwijzers.........47
\') Het spreekt van zelve dat onder „Staal" worden begrepen: Ge-
meenten,
enz.
-ocr page 9-
INLEIDING.
OVER DE BEGINSELEN, WAARUIT DE STAATSRECHTEN EN -PLICHTEN,
BETREFFENDE HET ONDERWIJS DER JEUGD VOORTVLOEIEN.
Hoe men liet begrip van Staat hebbe te omschrijven,
niemand ontkent, dat zijn doel, zijne bestemming is: het
belang, het ware geluk der burgers te bevorderen, te ver-
zekeren : niet op dezelfde wijze, niet met dezelfde midde-
len, als de individuen het doen, doch aller streven, zonder
onderscheid, is daarheen en op niets anders gericht.
Ondanks alle verscheidenheid van landaard, van volks-
karakter, van historische vorming treedt overal en altijd
de Staat op, als de noodzakelijke band, vastgesnoerd door
de natuur zelve des menschen.
Het zij voldoende, in herinnering te brengen :
1°. dat men zich, waar ter wereld ook, steeds vereenigd
heeft, hier meer, daar minder, doch steeds vereenigd
heeft, gedreven door de inspraken der natuur;
2U. dat de gemeenschap met anderen onvermijdelijk is,
wijl de afzonderlijke krachten van het individu te
kort schieten, wil hij zijn, wat hij wezen moet;
3°. dat de verschillende vermogens van wil en verstand,
ter hunner ontwikkeling, de gemeenschap met anderen
vorderen; maar ook
4". dat geene gemeenschap kan bloeien, ja zelfs bestaan,
zonder gezag, dat is: het gezag van den Staat.
-ocr page 10-
8
Ee"n hoogste doel intusschen heeft \'s menschen bestaan:
dat hij door onderwerping aan, en naleving van de Godde-
lijke Wet, de zedenwet, de onvervalschte rede, gelukkig zij
en in verband daarmede een juist gebruik wete te maken
ook van stoffelijke middelen, ter ontwikkeling tevens van
zijne stoffelijke welvaart.
Welk eene taak, het kind, de jeugd zoodanig te vormen,
dat al de subjectieve vermogens tot hun recht komen en het
objectieve, zooveel het kan, worde begrepen en benut!! !
Ik noemde: de Goddelijke Wet.
Of er overtuigde atheïsten te vinden zijn, weet ik niet;
zoo ja, dan kunnen we in elk geval die zeldzame exem-
plaren, wegens hunne zeldzaamheid, laten rusten.
Nog koestert de wereld zich in de stralen van de Zon,
die onzen aardbol beheerscht, wat wij, komende en ras
verdwijnende stervelingen ook van haar denken ! ! !
Zedenwet, natuurwet, verstand, wil, stoffelijke begaafd-
heid en kracht, elke gemeenschap, dus ook de Maatschappij
in haar geheel, dus ook de Staat en het Staatsgezag, heeft
zich naar die Wet der Wetten te voegen, wijl deze allen en
alles in het leven riep: Zoo en niet anders.
Uit al het voorafgaande, maar inzonderheid uit het laatst-
gezegde volgt, dat het Staatsgezag, hetwelk nergens ter
wereld kan gemist worden, eene zeer gewichtige taak heeft
te vervullen bij de opleiding der jeugd. Wat de zedenwet,
de wetten der natuur, de orde der samenleving en wat dies
meer zij, kwetst, wat de stoffelijke welvaart der burgers
belemmert, worde door het Staatsgezag gekeerd en het tegen-
deel door zijne tusschenkomst bevorderd.
Toezicht dus van zijne zijde op zoo menigerlei gebied
onmisbaar, kan wel het allerminst bij de opleiding der
jeugd ontbreken, wanneer deze plaats heeft buiten den hui-
selijken kring.
-ocr page 11-
9
Bekwaamheid en zedelijkheid van hen, die zich ten taak
stellert, de „ouders behulpzaam te zijn bij de opleiding, de
vorming van hun kind", hoe zou men den Staat het recht
kunnen betwisten, naar een en ander onderzoek te doen?
Den geneesheer, den rechtsgeleerde stelt gij eischen,
waaraan hij door examina moet blijken te voldoen, en waar
het meer dan de gezondheid, meer. dan eene vaak nietige
vordering geldt, zoudt ge, en nog wel in onzen tijd, de baan
willen effenen voor onbekwame, onzedelijke opleidings- of
onderwijs-speculanten ?
Dat de Staat ook daarin weder te ver kan gaan en gaat,
zij erkend, maar het beginsel wordt er niet door gedeerd.
Vooropgesteld die ruime mate van toezicht en onderzoek
ter keering van het kwaad, blijft tevens de bevordering
eener goede opleiding, van goed onderwijs, de roeping,
ongetwijfeld de edelste roeping, ook van het burgerlijk
gezag.
Bevordering zoo krachtig mogelijk, mits zij niet overga in
rechtstreeksche opleiding door den titaat
\') zelven of van zijnent-
wege, dan in de uiterste noodzakelijkheid, waar de bijzondere
krachten falen.
Hierop komt het aan.
Terwijl ik in het eerstvolgende hoofdstuk zal aantoonen
dat het onderwijs in rechtstreekse/ten zin, de roeping der
ouders is en niet slechts vrij, maar het vrije onderwijs
regel moet zijn, stuit ik op eene tegenwerping, die het ge-
heele betoog dezer Inleiding, dat is: het hoofdbeginsel
raakt.
Indien natuur en zedenwet, indien de mensch met al
zijne vermogens, indien de samenleving, geheel de Maat-
\') Dat ik onder Staatsonderwijs, het onderwijs rechtstreeks door ge-
meenten, enz. verstrekt, begrijp, behoeft geen herhaling.
-ocr page 12-
10
schappij, dus ook de Staat ten eenenmale afhankelijk zijn
oan de (jfoddelijke Wet, waarom dan den laatsten de plicht,
dus tevens het recht ontzegd, zelf, en rechtstreeks de
taak der opleiding van het onderwijs te volvoeren?
Daargelaten, dat volgens Hoogere Beschikking die taak
in de eerste plaats op de ouders rust, gelieve men te be-
denken, dat ons Nederland op het gebied der Goddelijke
"Wet halverwege blijft staan.
Het kon wel niet anders sedert de omwenteling der zes-
tiende eeuw.
Vrijheid van godsdienst, vrijheid van eeredienst, vrijheid
van belijdenis werden eischen des tijds. Slechts wat niemand
missen kan, gelijk de Zon, bleef als gemeen goed behouden.
Is nu, wat ik in mijn tweede hoofdstuk hoop aan te
toonen: opvoeding, onderwijs van leerstelligen godsdienst
onafscheidelijk, hoe kan dan de op dat gebied onzijdige
Staat zich met die opvoeding, met dat onderwijs belasten,
zonder of in gebreke te blijven, of de neutraliteit te
kwetsen en twist te kweeken, waar eenheid moet zijn?
Terwijl ik den inhoud der twee eerste hoofdstukken reeds
aangaf, zal het derde behalve voor een klein gedeelte aan
het Staatstoezicht in het algemeen en aan het onderzoek
naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers, meer
in het bijzonder aan het openbaar onderwijs, voor zoover
het als aanvulling onontbeerlijk is, zijn gewijd.
"Wat art. 192 der Grondwet van 1848 wilde en derhalve
art. 192 der Grondwet van 1887 nog wil, wordt in elk dei-
hoofdstukken met de door mij verdedigde beginselen ver-
geleken.
-ocr page 13-
HOOFDSTUK I.
OVER DB VRIJHEID VAN ONDERWIJS.
{volgens Artikel 194, thans 192 der Grondwet).
Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het.
toezicht der overheid, en bovendien, voor zoo
ver het middelbaar en lager onderwijs betreft,
behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid
en zedelijkheid des onderwijzers, het een en
ander door de wet te regelen.
Vierde Lid.
Men kan vragen, welk nut er in gelegen is te redetwis-
ten over de vrijheid van onderwijs, daar deze vrijheid ge-
waarborgd wordt door even zoovele woorden der Grondwet.
Het is waar, de bepalingen der wet zijn duidelijk, oh toch
schijnt het mij toe, dat de verdediging van eene beschre-
vene vrijheid steeds nuttig is.
Immers opdat een wet hare volle kracht ontwikkele, is
het noodig dat zij, om het licht der waarheid dat uit
haar straalt, van ganscher harte worde aanvaard.
Alleen op deze wijze zal zij wortelen schieten onder het
volk en van kracht blijven.
Ook zijn de voorschriften der Grrondwet wel theoretisch
vastgesteld, maar in de praktijk kwamen zij nog niet tot
volle rijpheid, m. a. w. op de bijzondere wetten, ter uitvoe-
ring dier voorschriften, komt het aan.
-ocr page 14-
12
Mijn beginsel is: dat de burgers zelven in de eerste plaats
te zorgen hebben voor het onderwijs.
De opleiding toch der jeugd is, volgens natuur- en zedenwet,
de taak der ouders. Het onderwijs zij dus vrij.
Voortreffelijk zegt Spitzen \') aangaande deze allerge-
vvichtigste zaak: „den ouders die het kind ter wereld brach-
ten, hun staat het recht toe, om hen in de wereld op te
voeden; zij deden het zijn, zij mogen het vormen; zij noe-
men hot kind het hunne. De geboorte gaf een begin van aan-
zijn, de opvoeding schenkt het ten volle."1
En verder. „De onder-
wijzer alzoo treedt in de plaats der ouders; hij treedt ge-
volgelij k in hunne plichten; zoolang hij de kinderen school
heeft, is hij er vader, is hij er moeder over."\'
Inderdaad rust op de ouders de plicht van het onderwijs,
want zij brengen het kind ter wereld, verzorgen het, dee-
len het de eerste begrippen mede van deugd en kennis. Door
woord en voorbeeld zijn de ouders van den beginne af en
het geheele leven door, de leidslieden hunner kinderen; is
het derhalve niet overeenkomstig de natuur, dat ook de
ouders zelven, dien verheven plicht van onderwijs vervullen
en geldt hier niet, toegegeven dat het overige gelijkstond,
vóór alles, het recht van den bezitter?
De ouders zelven zullen voorzeker niet ontkennen, dat
deze taak op hen rust, en ook wanneer de stem der natuur
werd gesmoord, zal er een tijd komen, dat het ongelukkig
lot der kinderen tevens het ongeluk der ouders zal zijn!
Ook de Staat is er in ruime mate bij betrokken. Schen-
nis van de natuurwetten, verslapping van den band tus-
schen het volwassen en het opkomend geslacht, hoe zou het
publiek belang daarbuiten kunnen staan?
\') Euphronimus of Neêrlands lager onderwijs naar de Grondwet en het
gezond verstand, öron. 1849, pag. 5.
-ocr page 15-
13
Er is meer.
Wanneer de Staat ingrijpt op rechten en plichten den
ouders toekomende, begeeft hij zich op een hellend vlak.
Wanneer ge de taak van onderwijs op hem overbrengt,
waarom dan ook niet de plicht van opvoeding en ... . voe-
ding ?
En het belang der kinderen kan er slechts door lijden.
Een anoniem schrijver a) moge zeggen: „Evenmin als het
ouders vrijstaat, hunnen kinderen door vergif het leven te
benemen, evenmin hebben zij het recht, derzelver jeugdige
gemoederen ter vorming toe te vertrouwen aan hen, die
het gif van onkunde of bijgeloof door hun onderwijs strooien
— ik keer de bewering om en vraag, of de Staat die den
burgers hun eigendom niet mag ontnemen, wel zou mogen
ingrijpen op een recht der ouders, voortvloeiende uit den
familieband, voor een onderwijs, dat hij, we zullen het later
zien, niet naar behooren kan geven?
Misbruik der ouders !! Dreigt misbruik van den Staat niet
veel meer?
Volgens art. 159 van het Burg. Wetb.: „De Echtgenooten
verbinden zich over en weder door de enkele daad des
huwelijks, hunne kinderen te onderhouden en op te voeden,"
blijft het recht van opvoeding bij hen; op grond van welk
recht wordt derhalve het onderwijs aan den Staat over-
gedragen ?
Onderwijs toch en opvoeding zijn zonder elkander niet
denkbaar, hetgeen ik later zal aantoonen; waarom dus die
distinctie???
Het kan den Staat er niet minder aan gelegen zijn, dat
de kinderen goed opgevoed, dan dat zij goed onderwezen
\') Beginselen van Nederlandsen Staatsbestuur, bij Johan Muller,
Amsterdam, 1855.
-ocr page 16-
\\4
worden. "Waarom heeft hij dan ook niet het recht van
onderhoud en opvoeding aan zich getrokken?
En nog eens, de ouders brengen het kind voort, onder-
richten het in de eerste beginselen van deugd en kennis,
zij zijn in elk geval, om mij zoo uit te drukken, reeds in
het bezit van het onderwijsrecht; aan U het bewijs, dat het
op den Staat overging.
Hoe dit bewijs te leveren?
De Staat beweert niet en kan niet aantoonen, dat deze
zorg hem door God is opgelegd!
Allerlei eerediensten of godsdiensten, ten zeerste van
elkander verschillende, worden gelijkelijk geduld; niet
weinige dezer verzetten zich tegen zulk eene Staatsroeping!
Heeft misschien de volkswil, zoo machtig in onzen tijd,
gesproken ?
Immers veen, en hoe zou deze ook ooit meer dan de
hoogste orde en de orde der natuur kunnen gelden?
Op welken grond dan steunt de overdracht??
Zeer zeker erken ik, dat op den Staat eene groote zorg
rust omtrent het onderwijs, wat reeds blijkt uit het beginsel
hierboven uiteengezet, want de Staat bevordert al datgene,
hetwelk met de zedenwet overeenkomt, hetwelk de geeste-
lijke en stoffelijke welvaart der burgers tot ontwikkeling
brengt!
Bevorderen nu wijst op vele plichten, welke wij later
nauwkeurig zullen nagaan, maar hier geldt \'t uitsluitend
de vraag, of de Staat zelf en in de eerste plaats den
plicht van onderwijzen heeft te vervullen, ja, dan neen,
m. a. w. of het onderwijs, al dan niet vóór alles vrij moet
wezen!
Wat de moeilijkheden betreft, die uit genoemde vrijheid
kunnen voortvloeien, hierop strekke ten antwoord, dat aan
elke zaak, hoe voortreffelijk ook, bezwaren zijn verbonden,
-ocr page 17-
15
maar om deze reden mag zij, die vrijheid, niet worden
ontnomen of belemmerd en het zou allertreurigst wezen,
wanneer de verschillende rechten, door de Grondwet erkend,
moesten vervallen, wijl eenigen ze misbruiken; zooveel te
treuriger, daar het tegenovergestelde systeem aanleiding
geeft tot veel grootere verwikkelingen.
Let wel, dat onze Staat geen onderwijs kan geven, aan
alle redelijke eischen voldoende.
Opdat toch het onderwijs zoodanig zij, als het door den
aard der zaak wordt gevorderd, moet het:
1°. met den godsdienst ten nauwste verbonden wezen. Deze
stelling zal ik trachten uiteen te zetten op een andere
plaats.
Het zij genoeg, hier op te merken dat de meeste man-
nen van wetenschap een allerinnigst en onverbreekbaar ver-
band tusschen onderwijs en leerstellig en godsdienst erkennen.
Daghelder blijkt ook dit gevoelen, zoowel uit de geschie-
denis der Grondwet als uit de handelingen en gewisselde
stukken der Staten-Generaal.
De Staat nu belijdt zelf geen bepaalden godsdienst, der-
halve zoo hij zelf onderwijs wilde geven, of het onderwijs
van eenige godsdienstige richting verplichtend stellen, ware
öf het onderwijs niet voldoende, öf de onzijdigheid slechts
eene leuze.
2°. Stabiliteit en uniformiteit zijn eerste vereischten voor
de vorming van het kind. Een krachtig, een levenwekkend
beginsel, dat karakter, geest en wil, ja al onze handelingen
bestuurt, door alle stormen der tijden henen, zal het door
den Staat of door de ouders bij de jeugd worden gewekt,
gekweekt, van den stempel der onvergankelijkheid voorzien ??
Wat al wisselingen in het Staatsbestuur, wat al partij-
schappen, welke invloeden van den „volkswaan van
den dag."!!
-ocr page 18-
16
Ministers mogen komen en gaan, het is nog zoo erg niet;
docli schoolautoriteiten met toezicht en onderzoek belast,
zij blijven. De Wet legge een keurslijf aan, zoo stijf mo-
gelijk, de letter doodt, de geest maakt levend, en onder
anderen bij benoemingen, waait de „geest van waar en
waarheen hij wil" !!!
Ook de ouders, of zij wien door hen de opleiding hunner
kinderen wordt toevertrouwd, kunnen afwijken van het te
volgen pad en te kort schieten in het voldoen aan de hier
besproken eischen; maar zij kunnen ook anders en in den
regel doen zij zóó; hunne richting althans blijft dezelfde]
en veel meer aan hunne zijde is . . . de liefde!!!
Nog een ander argument voor de vrijheid van onder-
wijs put ik uit art. 8(\') der Grondwet." Niemand heeft
voorafgaand verlof noodig, om door de drukpers gedachten
of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoor-
delijkheid volgens de Wet. (s)
Opleiding, onderricht, gelijk men ziet, van het groote
Publiek!!!!!
En den ouders zou men die vrijheid met betrekking tot
hunne kinderen ontzeggen?
Hoe kan voorts met zulk een systeem van dwang, of
zijdelingschen dwang, om niet van andere moeilijkheden
te spreken, de vrijheid van godsdienst worden overeenge-
bracht, die toelaat de kinderen in welk kerkgenootschap
ook te doen opnemen, zonder dat de Staat er zich mede
bemoeit ? ? V
>) Thans 7.
*) Grondwet van 1840 art. 225. Het is aan elk geoorloofd, om zijne
gedachten en gevoelens door de drukpers, als een doelmatig middel lol
uitbreiding van kennis en voortgang van verlichting, te openbaren,
zonder
eenig voorafgaand verlof daartoe noodig te hebben, blijvende nochtans
elk......verantwoordelijk.....
-ocr page 19-
17
Het meerdere werde dan toegestaan, het mindere ge-
weigerd! ! En als opvoeding, onderwijs van den godsdienst
onafscheidelijk zijn?? Hoe zou het dan moeten gaan?
Treffend is wat Voorduin in zijne „Geschiedenis en begin-
selen der Grondwet", bl. 494, aanhaalt uit de woorden des
Ministers van Justitie, de vrijheid van onderwijs verdedi-
gende. „Spreker wees op het erkennen van het recht van
vereeniging, van de vrijheid van geloofsbelijdenis, het on-
belemmerd verkeer met de hoofden der onderscheidene
kerkgenootschappen.....Hij kon zich dat alles niet denken
zonder de vrijheid van onderwijs! Het één kan zonder het
andere niet bestaan......
Rechtvaardig is, dat elk naar zijne meening zijne kinderen
kunne opvoeden. Het recht der Regeering is alleen, toezicht te
houden over de scholen;
om te waken, dat bekwame onder-
wijzers zulk een gewichtig ambt bekleeden."
Het is., gelijk men ziet, de meest juiste uitdrukking van
mijn systeem.
Alles te zamen genomen heb ik, naar het mij toeschijnt,
de vrijheid van onderwijs bewezen: 1°. omdat het recht
van opvoeding en onderricht aan de ouders toekomt en
er geene enkele reden wordt aangevoerd, waarom men het
zou moeten overdragen aan den Staat; 2°. wijl deze laatste
geen onderwijs kan geven, hetwelk aan alle eischen vol-
doet; 3°. omdat die vrijheid ten nauwste samenhangt met
andere voorschriften der Grondwet, welke zonder haar
slechts schijn en leuze worden.
Zeer belangrijk ware het aan de hand der geschiedenis ■)
l) Over het verschaffen van onderwijs volgens het oude Staatsrecht,
van ons vaderland handelt H. Bosscha, Amst. 1848,
Een later tijdperk beschrijven A. van dek Ende «Geschiedkundige
schets van Neêrland\'s schoolwetgeving. Deventer 1846." P. de Raadt
2
-ocr page 20-
18
na te gaan, hoe zij dan eindelijk in de Grondwet van 1848
zegevierde, ofschoon niet volkomen.
Slechts zij herinnerd, dat art. 224 der Grondwet van
1840, haar niet, althans niet uitdrukkelijk, vermeldde. \')
Evenmin het vermaarde voorstel, dat in 1844 den Staten-
Generaal door negen leden werd gedaan 2).
Eindelijk toen den 17 Maart 1848 aan eene Commissie
de taak werd opgedragen ontwerpen ter Grondwetsher-
ziening voor te dragen 3), las men daarin: „Het geven van
onderinjs is vrij,
behoudens het onderzoek naar de bekwnam-
heid
des onderwijzers en het toezicht der Overheid, beide
door de Wet te regelen," wat tot heel wat geschrijf en
gewrijf, b.v. tusschen mannen als Groen van Pbinsteher
en Hofstede de Gboot aanleiding gaf, en in de Staten-
Generaal werd behandeld op de meest uitvoerige wijze.
Ofschoon de uitkomst was, dat in het desbetreffende
Grondwetsartikel als Vierde Lid werd opgenomen, wat wij
er nog in lezen: „Het geven van onderwijs is vrij, behou-
dens het toezicht der Overheid en bovendien, voor zooverre
het Middelbaar en Lager Onderwijs betreft, behoudens het
>cle Wetten op het lager onderwijs in het Koninkrijk der Nederlanden, ge-
schiedkundig beschouwd. Rotterdam 1830. Dezelfde: de Kon. Besluiten
van 23 Mei 1845 en 1 Juli 1850. Amsterdam 1851.
\') Thorbeuke : Aanteekening op de Grondwet. Uitg. 2, deel 2, blz.
296, spreekt over dit artikel aldus: »Het is der Overheid bij uitstek
waardig, licht te verspreiden; het is publiek belang, schoon geenszins
gelijk eene bevoegdheid van publieke macht, zaak of recht der Over-
heid alleen. Zij zorgt voor onderwijs, maar het. publiek onderwijs is
niet het eenigel!!) Het sluit bijzonder onderwijs niet. buiten (!!!) "Welke
is de betrekking der Overheid tot het laatste? Hiervan zwijtjt de Grondwet.
\') Zie Voorduin : Geschiedenis en Beginselen der Grondwet 1848, blz.
481 en Handelingen omtrent het voorstel van negen Leden der Tweede
Kamer tot herziening der Grondwet 1845, \'s Gravenhage bij Belinfante,
1845.
\') Voorduin. Geschiedenis, enz. blz. 482 volgg.
-ocr page 21-
19
onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onder-
wijzers, het een en ander door de "Wet te regelen", bleek
ten duidelijkste, dat ondanks de onwederlegbare betoogen
van zoovele uitstekende mannen, Katholieken vooral in de
Pers: van een van Lijnden, een Mackay in de Kamers,
de bewuste vrijheid niet dan schoorvoetend werd toegestaan.
De Wet van 1806, waaromtrent volmondig erkend werd
dat zij, op het stuk van onderwijs, een Staatsmonopolie
handhaafde en de vrijheid uitsloot, bleef voor velen een
ideaal.
Men week, ja, wijl men meende den drang naar vrijheid
niet te kunnen weerstaan, men wilde, of eigenlijk moest
toegeven;
rondborstig werd het in de gewisselde stukken
verklaard.
„Dwang zou mistrouwen wekken en uit mistrouwen kon
geen verdraagzaamheid ontstaan!\'*
„De groote meerderheid," aldus een verslag van 8 Aug. \'48,
„bleef bij de vroegere betuiging volharden, dat zij niet dan
schoorvoetend, tot de erkentenis van het beginsel van vrij-
heid van onderwijs kunnende toetreden, die toetreding on-
dergeschikt moest maken aan het verlangen van waarbor-
gen, dat daardoor het voortdurend bestaan van een goed
Lager Schoolwezen niet in de waagschaal zou worden
gesteld."
En zóó geschiedde, doch welk een vrees! Dan zag de
toenmalige Minister van Justitie het beter in. Zijne be-
toogen voor de vrijheid blijven zijn roem!
„Zoo de macht om het onderwijs te regelen, alleen aan
den Staat toekomt", zoo zeide hij ondermeer, „watgewordt
er dan van de vrijheid van Godsdienst, welke met kwistige
hand is verleend ? Het is billijk dat het een ieder gegund
zij, zijne kinderen op te voeden naar zijne eigene begin-
selen; de tijd is daar, dat wij op den weg der vrijheid
-ocr page 22-
20
kunnen voortgaan"; en dan die gulden woorden, „ik twijfel
niet, of algemeene verdraagzaamheid zal het gevolg we-
zen: — niet de verdraagzaamheid, die in strijd is met eene
vast gevestigde overtuiging, maar de
verdraagzaamheid van
den Staatsburger, die, ofschoon betreurende de dwaling van an-
deren, toch eerbied heeft voor hetgeen zij te
goeder trouw
belijden en hen, als Staatsburgers noch boven, noch beneden
zich stelt."
Erkennen we het volmondig, de goede bedoelingen des
Ministers gingen verder, dan de Grondwet die tot stand
kwam.
Waarom moest alleen het Openbaar Onderwijs tot voor-
werp van de aanhoudende zorg der Regeering worden
verklaard en niet het onderwijs in het algemeen? Waarom
de bepaling opgenomen, dat overal in het Rijk van Over-
heidswege
voldoend Openbaar Lager Onderwijs wordt ge-
geven??
Het was de halfheid van de vrees!
Men koos bewoordingen, wier bedoeling uit de geschie-
denis harer wording blijkt, maar zóó onduidelijk, zóó on-
logisch, dat zij het stelsel hetwelk men wilde keeren, vol-
strekt niet ten eenenmale uitsluiten, gelijk wij verder
zullen zien.
Het Ontwerp van Wet op het Onderwijs, tijdens de
Zitting der Staten-Greneraal van 185i—1855 ingekomen,
droeg dan ook de sporen dier weifeling, zoowel in de Ar-
tikelen als in de Toelichting.
Zóó b.v. is, men vergeve mij het woord, curieus, de
volgende verklaring. „De Regeering erkent, dat het Bij-
zonder
Onderwijs, goed ingericht, voordeden aanbiedt, welke
het Openbaar Onderwijs, wegens zijn algemeene strekking mist,
maar tevens is zij innig overtuigd, dat voor de hoogste
belangen van Volk en Staat niet zou zijn gezorgd, indien
-ocr page 23-
21
een wel geregeld Openbaar Onderwijs ontbrak, en alles aan
het bijzondere werd overgelaten!!!!!" \').
Doch gaan we tot de bespreking van het verband tus-
schen Godsdienst en Onderwijs over.
\') Heb ik den lezer er aan te herinneren, dat ik hem een Proefschrift
uit den jare 1855 voorleg, om den wille der beginselen daarin ontwikkeld,
beginselen oud, o ja, maar altijd nieuw om hun praktisch belang ? ? ? ■
Het Ontwerp, waarvan ik hierboven spreek, werd niet tot wet verheven
Maar in de vier en veertig jaren, die sedert verliepen, kregen we nog
heel wat anders te zien: de Wetten van 57 en 78, door die van 89 en
96, om den wille der Pacificatie, wat verzacht en dragelijker gemaakt
doch wat de beginselen betreft vrijwel onaangetast gelaten.
Steeds was ik een voorstander van schoolgeldheffing bij het openbaar
onderwijs : ik ben der Wet Maukay dankbaar voor de invoering, doch
de volledige toepassing van mijn stelsel ware nog beter.
-ocr page 24-
HOOFDSTUK II.
OVEE HET VERBAND TUSSCHEN GODSDIENST EN ONDERWIJS
ALSMEDE OVER DE RECHTEN EN PLICHTEN, DIE DAARUIT
VOORTVLOEIEN VOOR DEN STAAT.
Het Openbaar Onderwijs is een voorwerp van
de aanhoudende zorg der Regeering.
De inrigting van het openbaar onderwijs wordt,
met eerbiediging van ieders godsdienstige be-
grippen,
door de Wet geregeld.
Er wordt overal in het Rijk van overheidswege
raldoentl openbaar lager onderwijs gegeven.
Art. 194 (thans 192 der Grondwet
Ie, 2« en 38 lid).
Ik meen als bewezen te mogen beschouwen, dat het
Onderwijs vrij moet zijn. 1°. wijl het recht van onderwijs
en opvoeding aan de ouders toekomt; 2". omdat deze
vrijheid met andere bepalingen der Grondwet ten nauwste
samenhangt.
Betoogd moet thans worden, dat onze Staat op dit stuk
geen meer of min exclusief recht bezit, wijl hij geen onder-
wijs kan geven, dat aan billijke eischen voldoet, waartoe
ook voor alles behoort, dat Onderwijs en Godsdienst onaf-
scheidelijk verbonden zijn.
Men versta mij wel.
Niet bij elke gelegenheid, niet op elk uur van den dag,
-ocr page 25-
23
niet bij de behandeling van welk onderwerp ook, brenge
men eenig voorschrift van den Godsdienst, eene dogmatische
stelling of eene zedenles te berde: het zij verre.
Ik bedoel, dat de Godsdienst, en wel de leerstellinge,
zijne onvermijdelijke hulp verleene, ter afwending van het
geen geest en hart, ziel en lichaam, dat is, de vermogens
van het kind, verzwakt en ter aanwending van hetgeen
ze versterkt; dat hij zijn licht doe schijnen over de weten-
schap; verstand en wil samenhoude, ontwikkele, kortom al
de vermogens doe medewerken ter bereiking van het eonige
doel: \'s menschen geluk en derhalve dat van de Maat-
schappij. — Ziehier mijn logischen gedachtengang.-
1°. Geen onderwijs zonder opvoeding;
2°. Geene opvoeding zonder godsdienst, derhalve geen onder-
wijs zonder godsdienst.
3°. Geene algemeene Christelijkheid \'), of beginselen mui al-
gemeene zedelijkheid zijn voldoende.
Geen onderwijs zonder opvoeding.
Voortreffelijk zegt de Gerando in zijn werk: du Perfec-
tionnement Moral, ou de 1\'éducation de soi-même, Livr. 11
Chap. V: „Toutefois, les puissances de Vesprit ont avec
celles de la volontê un commun foyer; elles se rencontrent
dans Ie principe d\'unité, qui préside a notre nature; elles
ne peuvent donc dans leurs développemens rester étrangères
les unes aux autres.
Le perfectionnement intellectuel ne consiste pas essen-
tiellement dans Fétendue des lumières acquises 2), il con-
siste turtout dans le développement harmonique des facultés
de 1\'intelligence; dans eet heureux concert, qui s\'établit
\') De uitdrukking „Christendom boven geloofsverdeeldheid" had zich
in 1855 nog geen baan gebroken.
\') Men schijnt er tegenwoordig anders over te denken!
-ocr page 26-
24
entre elles, lorsque chacune, croissant en énergie, conserve
Ie rang, remplit les fonctions qui lui sont propres; lorsque
toutes ensemble, entretiennent \'réciproquement des rapports
conformes a 1\'assistance qu\'elles se doivent, et concourent
ainsi en accord a leur destination commune. Le perfec-
tionnement intellectuel conduit ainsi a Taccroissement des
connaissances; mais en même temps, il rend capable d\'ob-
tenir des lumières complètes, coordonnées, réglées sur de
sages proportions; il garantit ainsi du danger de la demi-
science, plus fatale encore que Vignorance.
Or, on voit déja que l\'homme doit trouver dans 1\'habi-
tude de se gouverner lui même, le moyen essentiel de sou-
mettre les facultés de 1\'esprit a ce régime sanitaire, a cette
sage subordination. On voit également que l\'harmonie des
facultés morales doit prêparer par de secrètes influences,
celles
des puissances de l\'\'entendement; que les exercises, par
lesquels 1\'ame s\'applique a la méditation et a la pratique
du bien, doivent naturellement introduire 1\'ordre et le
calme dans les régions de l\'intelligence, et assujettir toutes
les facultés, suivant le röle, qui leur appartient, au service
de la raison."
Mij dunkt, dat het betoog afdoende is.
Vermogens van het verstand, vermogens van den wil, hoe
zijn ze te scheiden???
Hoe dan ze afzonderlijk aan te kweeken, te vormen??
Opgevoed hier, onderwezen ginds 1 Zooveel tijd aan dit ge-
deelte van de taak gewijd, zooveel aan het andere \\l Is het
denkbaar?? En als beider richting verschilt???
Zooveel althans staat vast, dat, al bestonden deze be-
zwaren niet, het toch verkieslijk is, de taak, wel dubbel
maar toch één, te laten aan den vader, of aan den persoon,
wien deze ze toevertrouwt, dan aan personen, hoe bekwaam,
en hoe goedgezind ook, de zorg alleen voor het onderwijs
-ocr page 27-
25
op te dragen, omtrent hetwelk de een niet dezelfde in-
zichten heeft als de andere!!
Terecht zegt de Bonald in zijne Theorie du Pouvoir
(Tomé UT de 1\'éducation sociale) „On ne sait rien a dix-huit
ans, mais on aura appris a tout apprendre." O ja, er zijn
lichtstralen gevallen op dat jeugdige verstand, die het de
wegen toonden op allerlei gebied van kennis! Wat baten
ze als die wegen niet worden betreden, wijl de opvoeding
die zedelijke gebreken liet bestaan, of kweekte, zulks belet?
Hoor wat een der straks genoemde schrijvers zegt: „On
peut ranger sous trois ordres principaux les facultés acti-
ves de l\'intelligence, et rapporter ainsi a trois principaux
points de vue toutes les causes, qui déterminent les succes
réels dans les diverses carrières de 1\'étude; l\'esprit d\'ob-
servation
qui recueille les éléments de sciences ou des arts,
Ie jugement, qui les met en ordre, les fait concorder entre
eux et fonde la solidité des connaissances; enfin l\'esprit de
création,
qui met en oeuvre ces matériaux soit pour pro-
duire les découvertes, soit pour enfanter des modèles, soit
pour réaliser les applications pratiques. Or sous chacun de ces
trois points de vue, on reconnait, que les facultés de l\'esprit
peuvent recevoir des influences de la vertu les pluspréciewo secours."
De opmerkingsgave.
Om, bij welke studie ook, alles juist op te merken, te
onderscheiden, behoeft men eene zekere mate van rust,
waardoor we zonder eenige hindernis kunnen opgaan in
de zaak.
Wordt deze rust niet het best door de deugd, dat is,
door de opvoeding bevorderd??
„Il faut une ame pure pour recevoir la verité, comme il
faut un milieu transparant, pour recevoir les rayons de la
lumière."
„Socrate," zoo gaat de G-érando voort, „Socrate enseigna
-ocr page 28-
26
que la Science et la Morale ont une source uniqae et commune:
la connaissance de soi même; et dans ce principe unique
il ren-
ferma tous les principes de découvertes, qui devaient guider
ses successeurs dans les régions de la sagesse. Le célèbre
Oracle de Delphes ne pent être reéllement compris que des
gens de bien.\'\'1
En het gezond oordeel, benevens de scheppingsgave!
Wie toch ziet niet in, dat vooral het oordeel beneveld
wordt door sommige omstandigheden, welke den wil be-
wegen en aldus ook het oordeel naar dezen of genen kant
doen overhellen, zoodat ons verstand het spoor bijster raakt ?
En wat ik de scheppingsgave meen te mogen noemen???
Nog ééne aanhaling uit de geschriften van den uitste-
kenden De Gébando. „Les exercises de la vertu n\'auraient-
ils fécondé aucune de ces dispositions, qui sont demeurées
stériles? n\'auraient-ils prévenu aucune de ces déviations,
qui semblent rendre le génie infidèle a lui-même; n\'au-
raient-ils perfectionnó encore aucune de ces qualités bril-
lantes, qui ressemblent a une espérance mal remplie ? n\'y a-
t-il donc aucun commerce entre le talent et le caractère,
entre les conceptions et les moeurs, la vie de 1\'entende-
ment ne recoit-elle rien de la chaleur de Fame?\'\'
Is het niet het zedelijk leven (door opvoeding gevormd),
hetwelk onopgemerkt de eigenschappen, de vindingrijkheid
des verstands aanwakkert door zijn bezieling en den geest
als ter sluiks verrijkte met verhevene en nieuwe gedachten ?
Derhalve geen onderwijs zonder opvoeding; beide onafscheide-
lijk verbonden en dus beide te stellen onder dezelfde leiding.
Maar ook: Geene opvoeding zonder Godsdienst. Welk ernstig
man ontkent dit verband?
Eene natie zal, dunkt me, in hoofdzaak wezen wat de
opvoeding van haar heeft gemaakt. Geef haar zelfkennis,
zelfverloochening, offervaardigheid ter verdediging van den
-ocr page 29-
27
geboortegrond, trouw jegens het gezag, ordelievendheid en
zoovele deugden meer, zij werden gekweekt aan den hui-
selijken haard, onder verwijzing naar een God die loont
en een God die straft, door de kus eener moeder, die het
best bij ondervinding weet, waar te vinden zijn: de teeg,
de waarheid en het leven.
De geheele wereldgeschiedenis in hare duizelingwekkende
verscheidenheid, bevestigt wat ik zeg.
En met de enkele zedenleer komt ge er niet. „Tous les
sentiments moraux invoquent les sentiments religieux pour
achever de s\'y purifier, de s\'y satisfaire: sous ce doublé rap-
port, la morale est donc une vraie initiation religieuze.\'"
„De même que la civilisation dépose de 1\'existence du
législateur politique, la morale dépose de celle du législateur
divin; ce que 1\'une atteste sur Ie théatre de la société,
1\'autre 1\'atteste dans Ie sanctuaire de la Nature. Lo légis-
lateur politique n\'a point créé la morale publique et privée,
il 1\'a rencontrée préexistante; il s\'est appuyé sur elle, il lui
a servi d\'organe. Mais ce génie de la morale, qui 1\'a inspiré,
d\'oü dérivait il lui même?" \')
Geene opvoeding dus, maar dan. ook geen onderwijs zonder
godsdienst.
Onrust des geestes, te groote zinnelijkheid, onstandvas-
tigheid door den invloed van het ons omringende teweeg-
gebracht vooral bij de jeugd, dat alles wordt door den
godsdienst gekeerd, terwijl inzonderheid de historische en
wijsgeerige wetenschappen, bij dezen verklaring en bewijs-
grond vinden. Men vergete ook niet welke gevaren de
maatschappij bedreigen van de zijde des volks, wanneer
het wel veel heeft gehoord en gelezen, maar niet geoefend
werd in de beteugeling zijner, niet altoos onrechtmatige
\') De Geiundo in het aangehaalde werk.
-ocr page 30-
28
verlangens! Mij dunkt, de ondervinding der eeuwen en van
thans spreken luide genoeg!
Mijn innig vereerde Oud-Hoogleeraar den Tex had dus
wel gelijk, toen hij in zijne Encyclopaedia Jur. den Cyclus
aanwees, die alle onze vermogens, welke ook, en dezen met
God
verbindt.
Maar zal men vragen, waartoe uw zóó uitvoerig betoog?
noch Katholieken, noch Antirevolutionairen \'), noch goed-
gezinde Liberalen ontkennen het onverbroekbaar verband
tusschen onderwijs en godsdienst en zelfs zij, die den laat-
sten miskennende, toch bekwame mannen zijn en ons ver-
rijken met veel schoons, zullen moeten instemmen met het-
geen de Gtebando van hen zegt: „Leur imagination ne dé-
robe-t-elle pas a la vertu par un secret larcin, ce que leur
caractère n\'a pas osé lui emprunter ouvertement? Nerecueil-
lent-ils pas en eux-mêmes une portion de cette vie morale,
qu\'ils ont trop exclue du reste de leur conduite\'? N\'est-ce
pas elle peut-être, qui, a leur insu, vient encore les animer
de son soufflé, et leur suggérer en secret de hautes et
neuves pensees"?
Intusschen
3e Zijn zoogenaamd algemeen Christelijke beginselen 2) niet
voldoende, maar wordt leerstellige, dogmatische godsdienst ge-
vorderd.
Een systeem van waarheden en voorschriften, door on-
\') Zie ook Tijdgenoot van 1855, Deel IV, No. 34, bl. 529.
*) Nog herinner ik me, hoe de vraag van Mr. Heydenrijck, lang na
1855, in de Tweede Kamer gedaan: „Wat het voor christelijke deugden
zijn. die nog boven en behalve maatschappelijke deugden in de openbare
school moeten worden gekweekt", van den toeninaligon Minister van Bin-
nenlandsche zaken ten antwoord ontving: „het zijn de deugden van het
Christendom boven geloofsverdeeldheid, boven verscheidenheid van Secten t
Prachtig!!
-ocr page 31-
\'29
betwistbare, duidelijke grenzen omlijst, gemakkelijk te ken-
nen en door goddelijk gezag bekrachtigd, op goddelijk gezag
verkondigd; dat en niet minder is vereischte.
Zoovele Christelijke Belijdenissen treden op en hebben
volgens onze Grondwet aanspraak op gelijke rechten.
En de Israëlieten dan?
Wat al te gemakkelijk maakt een Voorloopig Verslag der
Staten-Generaal zich van hen af. „Het eenig wezenlijk be-
zwaar tegen de vermolding van het Christelijke (?)ofgods-
dienstig beginsel in de Wet ligt, naar het oordeel dezer
leden, daarin, dat die vermelding krenkend zou kunnen
worden geacht voor de Israëlieten! Maar de goede inrich-
ting van het openbaar lager onderwijs mocht niet in een
land van 3 millioen*) zielen aan het belang van 70 OOü
Israëlieten worden opgeofferd."
Niet aldus zou ik het grondwettig recht voor allen durven
verstaan.
Maar hoe het zij, welken godsdienst, die toch, gelijk ik
bewees, bij het onderwijs broodnoodig is, denkt gij U bui-
ten den leerstellig en?
Welke voordeden voorspelt gij u, buiten den invloed
van dezen?
Gezag der Hoogste Leer, die het zedelijk leven des kinds,
des jongelings moet besturen, moet voorkomen, wegnemen
wat de vorming zijner verstandelijke vermogens in den
weg staat, wat zijne rust verstoort, zijne opmerkingsgave,
zijn oordeel, zijn scheppingskracht
verzwakt.
Waar vindt ge dat gezag?
Het moet zijn van boven, want anders imponeert het niet,
het moet prijzen uitloven, die men stellig ontvangt en straf-
fen bedreigen die men stellig ondergaat, het moet Eén
\') Men gelieve zich in 1855 te verplaatsen.
-ocr page 32-
30
wezen opdat het richtsnoer zij, het moet de eeuwen en dus
ook den tijd beheerschen, opdat het niet een louter mode-
artikel worde of een wrak zonder mast of roer, dobberende
op den oceaan, als een speelbal der winden, dat geslingerd
kan worden op de eerste rots de beste en... . vergaan.
Godsdienst is verschuldigde dienst, maar verschuldigde
dienst op voorschrift en voorgeschreven zoo en niet andees
door God zei ven ; zonder dat bindt hij niet: geene macht ter
wereld kan er ons toe dwingen! Uwe algemeene Christelijke
beginselen,uw Christendom boven geloofsverdeeldheid, eilieve
beste vriend, die u op zulke dingen beroept: Zij zijn er niet!
Wat de eene voorstander daarvan gelooft, wordt door
den anderen ontkend; is de Stichter van dat Christendom
God? ja, zegt de een, neen, de ander: de eerste ten koste
der consequentie, de andere ten koste van bedrog.
En hoe moet dat alles werken op de kinderen, als ze er
naar vragen — en dat zullen ze — zoo ten minste uw gods-
dienst niet loutere zedenleer wordt?
Het antwoord dat zij heden ontvingen, zal allicht niet
dat van morgen zijn: de beschaving en ontwikkeling gaan
tegenwoordig zóó snel!
En, merkt het kind het verschil, of wordt hem daarenboven
nog geleerd, dat alle godsdiensten zoowat even zwaar
wegen, dan vrees ik, dat het kind, jongeling geworden, er
geen een meer, tenzij voor den schijn, zal volgen en de
zucht van Faust slaken:
Da steh ich nun, ich armer Thor!
Und bin so klug, als wie zuvor.
Welke beweringen voert men tegen mijne stelling aan?
Lees het Algemeen Handelsblad van 19 October 1854:
„De jeugd wordt niet noodwendig goddeloos opgebracht
(opgeleid), indien haar de geloofsPUNTEN, die zij op rijpen leef-
tijd heeft te kennen {althans in zich op te nemen) niet met het
-ocr page 33-
31
élémentaire, maatschappelijke onderwijs worden ingegeven (sic!)"
Geloofspunten, die zij op rijpen leeftijd heeft te kennen!!
De bewering steunt op niets.
Bovendien is het eene moeilijke taak op rijperen leeftijd
godsdienstige beginselen te aanvaarden, die men in zijne
prille jeugd niet kende, voor welke wij toen nimmer een
offer brachten of die wellicht toen reeds werden ondermijnd!
En de onverdraagzaamheid, die volgens menige uiting
der Staten-Generaal door bijzondere leerstellingen der kerk-
genootschappen bij het onderwijs zou gekweekt, het kwade
zaad, dat zou uitgestrooid worden?
Wat er van te zeggen!
De meest onverdraagzame is in den regel hij, die geene
overtuiging heeft, of, nog erger, die onder den schijn van
het zoeken naar waarheid, tracht haar te doen verloren
gaan. Doch genoeg.
Het verband tusschen onderwijs en leerstelligen gods-
dienst werd aangetoond en, meen ik, bewezen.
Welke rechten en plichten vloeien daaruit voort voor onzen
Staat??
Indien de laatstgenoemde stelling, hier mag ik zeggen:
waarheid, medebrengt en bevestigt, dat het onderwijs de
taak der ouders en der door hen gekozen personen is,
volgt daaruit, dat bijzonder onderwijs regel, openbaar onder-
wijs aanvulling moet zijn.
*)
Immers de op godsdienstig gebied onzijdige Staat kan
de taak slechts ten halve volbrengen.
En toch is het zijn recht, zijn plicht te zorgen, dat de
verwaarloozing van de vorming der jeugd worde gekeerd.
\') In een volgend hoofdstuk zullen we zien, in hoever het 3e lid van
het bewuste grondwetsartikel hiermede te rijmen is
-ocr page 34-
32
Eene soort politiezorg, zoo men wil; gelijk die waarop
de arme, aan de kerkelijke en bijzondere liefdadigheid in
de eerste plaats bevolen, zoo deze te kort schiet, zich kan
beroepen.
Meer dan dat.
Men voorkome het kwaad en bevordere het goede.
De Staat steune dus de particuliere krachten, het bijzon-
der onderwijs, door zedelijke en stoffelijke middelen, zoo-
veel hij kan: door opwekking van edelen naijver, wed-
strijden, belooningen, subsidiën en wat dies meer zij.
Zelfs kunnen behoorlijk ingerichte examens, te vorderen
van hen, die zich aan het onderwijs wijden en waarover
nader in een volgend hoofdstuk, hiertoe dienen.
En toch, te verwachten is het niet, dat overal en altoos,
én ouders én scholen van hunne richting in de behoeften
zullen kunnen voorzien.
Openbaar, of juister, van Staats- of gemeentewege ver-
strekt onderwijs, worde dan aanvulling.
Maar hoe in dat geval te handelen, gelet op den onver-
breekbaren band tusschen onderwijs en godsdienst??
Velen meenen, dat splitsing der openbare school naar de
kerkelijke richting der schoolgaande kinderen, wenschelijk
en mogelijk is; zie ook het Regeeringsontwerp 1855. Zoo-
veel is zeker, dat de Grondwet zich er niet tegen verzet.
Het ware er kwalijk uit af te leiden.
Dergelijke afzonderlijke of gesplitste scholen zijn niet in
strijd met de aanhoudende Regeeringszorg, noch met de
eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, noch met
den eisch, dat het openbaar onderwijs voldoende zij.
Ter zijde mag worden gelaten wat er tegen wordt aan-
gevoerd door verdraagzaamheid-predikers, die „de ver-
draagzaamheid" kwalijk schijnen te begrijpen.
„Tijdgenoot (deel IV, n°. 34, bl. 529), Algemeen Han-
-ocr page 35-
33
delsblad (19 October 54), ja, vele leden der Staten-Generaal
(blijkens de gewisselde stukken) deinzen terug van schrik
voor zulke scholen, die volgens hen de onderlinge liefde
kwetsen, het vuur van sektenhaat voeden, ons volksleven,
de nationale eenheid bedreigen, beletten dat men de wereld,
de maatschappij met ruimen blik overzie en oorzaak zouden
zijn dat „reeds op de school bijzondere leerstellingen van kerk-
genootschappen werden aangeraakt, hetgeen de overgroote
meerderheid der bevolking niet verlangt, enz. enz. enz."
De goede lieden vergeten, dat hunne redeneering tegen
geheel de vrijheid van godsdienst is gericht; „schrapt ze uit
de Grondwet,
of onverdraagzaamheid, haat, tweedracht, bur-
gerkrijg doen ons Nederland uit de rij der Staten verdwij-
nen!" Aldus moesten zij spreken!
Intusschen kan ik de moeilijkheden niet ontveinzen aan
de inrichting van dergelijke afzonderlijke scholen, of wil men,
aan de splitsing van het openbaar onderwijs naar de gezindte
der kinderen verbonden: moeilijkheden van praktijk. De
écoles communales in Frankrijk en de Simultan-Schüle in
Pruisen leverden voorbeelden; zijn ze hier te lande gemak-
kelijk te volgen? Ik beslis het niet, maar hoe het zij, ver-
moeien we ons niet te zeer met het vooralsnog onbereikbare.
Beter is het te doen uitkomen, dat, waar eene openbare
school noodig blijkt en kinderen van verschillende richting
samenkomen, geen godsdienst hoegenaamd mag worden aan-
geroerd.
Beter niets, dan dat, ten koste van het recht voor allen,
reeds bij kinderen eene slinksche propaganda worde ge-
dreven ten bate eener bepaalde gezindte of van het on-
geloof!!
Hoe ware zulks te rijmen met het grondwettige voor-
schrift, dat het openbaar onderwijs met eerbiediging van ieders
godsdienstige begrippen
geregeld zij ? Let wel, ieders be-
3
-ocr page 36-
34
grippen; het luidt zoo absoluut mogelijk; van ieder,
wien ook!!
Nogal duidelijk en vrij onomwonden schreef „de Tijd"
van 8 Nov, 54. : „Wijl de Katholieken en de Protestanten
weder onderling in geenen deele eens zijn, betreffende de
beteekenis welke het woord Christelijk \') heeft en het
een onrecht zou zijn, de opvattingswijze van den één door
te drijven tot ergernis en schade van allen, die eene
andere zienswijze toegedaan zijn, zoo moet het onderwijs
in de openbare school, ten opzichte van den godsdienst
„bloot negatief zijn,"\' en „de Nederlander" van 10 No-
vember: „Liever de godsdienstlooze school, dan een alge-
meen Christendom,
dat aan allen, hetzij Protestanten, hetzij
Roomsch Katholieken, die in de hoofdwaarheden van het
Evangelie, naar hun kerkgeloof, belang stellen, ergernis
geeft,"
Met de zoogenaamd algemeen Christelijke beginselen
meen ik thans te hebben afgerekend. Er blijft dus niets
over, dan dat, aangezien slechts het bijzonder onderwijs
aan de eischen, die ik uiteen zette, kan beantwoorden, dit
regel en het openbare aanvulling zij, natuurlijk voor zoover
letter en geest der Grondwet zulks eenigszins toelaten.
Voor het overige sture men op Grondwetsherziening aan.
Heb ik nog iets te zeggen over bepalingen als deze:
dat de openbare scholen op zekere uren toegankelijk worden
verklaard voor godsdienstleeraren, of in het algemeen, dat
aan dezen het geven van godsdienstonderwijs wordt over-
gelaten ? ?
Recht duidelijk heb ik me zoo iets nooit kunnen voor-
stellen.
\') De Christelijke Staatspartij bestond nog niet in 1855.
-ocr page 37-
35
„Voor wat „leerstellig" is, „leerstellig" in den meest
uiteenloopenden zin, opent men eenige uren per week of
per dag de deuren. Zijn ze weder gesloten, dus den
meesten tijd, heerscht het algemeen Christendom!
Hoe moet dat gaan???
Hoe is het een met het ander te rijmen?
Verbeeld u een Israëliet?
En de onzijdigheid ?
Waarom niet eenvoudig van opleiding tot deugd gesproken ?
-ocr page 38-
HOOFDSTUK III.
OVEE DE VERDERE RECHTEN EN PLICHTEN VAN ONZEN STAAT
BETREFFENDE HET ONDERWIJS.
§ 1.
Over de Staatszorg omtrent het Openbaar Onderwijs.
Zie art.
194 {thans 192) der Grondwet.
De Staat, dus beweerde ik, bevordert de verstandelijke en
zedelijke ontwikkeling der jeugd.
Het is een zijner voornaamste plichten.
Bevorderen, want de rechtstreeksche vervulling dier belang-
rijke taak rust op de burgers zelven, op de ouders, en
slechts daar, waar de krachten van dezen falen, treedt de
Staat zoo goed als het kan, in hunne plaats.
Dus zal er ook Openbaar Onderwijs zijn: voorwerp zijner
aanhoudende zorg.
Deze zorg lost zich daarin op, dat de Wet het Openbaar
Onderwijs regele; dat dit onderwijs voldoe aan de behoefte;
dat bij het middelbaar en lager onderwijs door examens
blijke van de bekwaamheid der onderwijzers; dat voorts
blijke van dezer zedelijkheid, het een en ander te regelen
door de Wet; dat de Koning jaarlijks verslag doe aan de
Staten-Generaal van den staat der scholen.
-ocr page 39-
?57
In het Ontwerp, hetwelk ten jare 1844 door negen Leden
van de Staten-Generaal werd voorgedragen, bleek de
Staatszorg te zijn opgevat, als medebrengende eene Wet
op het Openbaar Onderwijs.
„De "Wet van 3 April 1806", aldus zeide men, „in stede
van te leiden tot eene omvattende Wetgeving, ook ten
aanzien van het Hooger Onderwijs, werd een middel om
de medewerking der Staten-Generaal te ontwijken, eene
door Koninklijke Besluiten buigzame orde van zaken te
vestigen."
Inderdaad, indien er, opdat het openbaar onderwijs zoo
goed mogelijk zij, eenige niet angstvallig maar wel om-
schreven regelen worden gevorderd, kan men dezen toch
kwalijk afhankelijk stellen van de willekeur der sterk
afwisselende Ministers of richtingen!!
Niemand zal van mij vergen, dat ik omtrent deze wettelijke
regeling in bijzonderheden trede. In de volgende paragraaf
zeg ik er nog iets van.
Ik heb mij de aanwijzing, de uiteenzetting van begin-
selen ten taak gesteld.
Omtrent afzonderlijke openbare scholen bleek van mijne
meening.
Maar zooveel is zeker, dat, als deze laatsten praktisch
onmogelijk mochten zijn, de meest stipte neutraliteit als
strenge plicht en de „algemeene Christelijkheid" verwerpe-
lijk moet worden beschouwd!
Er valt dan nog genoeg voor de verstandelijke ontwik-
keling, voor wetenschap en kunst, voor de gezondheid, de
lichamelijke vorming der jeugd, te doen.
Eén woord moet mij van het hart!
De zorg voor het openbare ontaarde toch in \'s Hemels
naam niet in naijver, in eene soort vijandige concurrentie
met hen, die door geweten, door liefde, door natuurlijke
-ocr page 40-
38
banden, zich verplicht zien, meer dan, wie ook, voor de
hunnen te doen!
"Wanneer toch zal het oogenblik daar zijn, dat de zonen
van hetzelfde Vaderland, hoedanig hunne meeningen om-
trent \'s menschen hoogste aangelegenheden verschillen, zich
waarachtig verdraagzaam voelen en niet meer schermen
met het schoonklinkende, verleidelijke woord, terwijl hun
richtsnoer is: taktiek, gedreven door vrees!
§2.
De Wet regelt de inrichting van het Openbaar Onderwijs.
Gelijk ik in de laatstvorige paragraaf deed uitkomen
smelt deze regeling samen met de zorg, die aangaande
het Onderwijs rust op den Staat.
Let wel, dat hier slechts sprake is van het openbare,
welks geheele regeling wettelijke bepalingen eischt, terwijl
ik, wat aangaat het bijzondere, in het 4e Lid van het
bewuste Grondwetsartikel slechts voor het onderzoek naar
do bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers, benevens
voor het Toezicht wettelijke regeling gevorderd zie \').
Het „een en ander" van genoemd 4e Lid moet die meer
beperkte beteekenis hebben of de geheele „Vrijheid" waar-
mede het aanvangt, dreigt eene bedriegelijke leuze te
worden.
Eenige enkele historische herinneringen mogen verder
volstaan.
\') Of men dit in het oog heeft gehouden bij de vaststelling der Wetten
van 13 Augustus 57 en 17 Augustus 78 betwijfel ik zeer.
-ocr page 41-
89
De G-rondwet dan van 1840 bepaalde in haar Artikel
224: „Het Openbaar Onderwijs is een aanhoudend voor-
werp van de zorg der Regeering. De Koning doet, enz."
Het Ontwerp van 1844 wilde deze „zorg" veranderd
zien in „Regeling door de Wet."
Denzelfden weg volgden de mannen, aan wie den
17den Maart 1848 de samenstelling van een Ontwerp-Con-
stitutie werd opgedragen.
In het Yoorloopig Verslag der Staten-G-eneraal van 13
Juli wenschten sommigen het voorschrift der Grondwet
„over de Staatszorg" behouden te zien."
En het gebeurde. Zie lid I.
Welk eene vrees!!!
„Regeling bij de Wet," kon niet zoo gaafweg, en zonder
tegenstribbelen door vele Heeren afgevaardigden worden
aangenomen.
Wees de een er op (zie hierboven) dat de Wet van 3
April 1806 een middel werd om de medewerking der Sta-
ten-Generaal te ontwijken en eene door Kon. Besluiten
buigzame orde van zaken te vestigen, anderen niet zoo
ingenomen met uniformiteit, beriepen zich op art. 143 der
toen bestaande Grondwet \') en „meenden, dat provinciale
en derhalve eigene Machten, het best in de zaak konden
voorzien! Men liet dit onderwerp echter liever onaange-
roerd!!!!!!"
De drang der omstandigheden, de gebeurtenissen van
1848 dwongen echter tot afdoening van de zaak en inzon-
derheid deed de invloed der Grondwetscommissie de „rege-
ling bij de Wet" van facultatief: verplichtend worden.
En nu „de eerbiediging van ieders godsdienstige be-
grippen?"
\') Vooeduin 481.
-ocr page 42-
4<>
Ik heb er reeds zooveel van gezegd !!
Wat al overleg en redekaveling, alvorens die „begrip-
pen," iets zoo onbestemd en verstrekkend, dat men er alles
onder kan verstaan, genade vonden bij de Heeren.
Art 188 der toenmalige Grondwet kwam er bij te pas. \')
Men beweerde, dat het, onder de heerschappij der „ver-
draagzaamheid" eigenlijk overbodig zou zijn, dergelijke waar-
schuwende woorden te bezigen, ofschoon de goede regel
tot „hiertoe niet altijd was betracht en dus waarschuwing
haar nut had!!!"
De Christelijke beginselen van artt. 22 en 23, Reglement
van 1806, vormden schering en inslag der wederzijdsche
betoogen.
„Volgens die schoolverordeningen was het doel van het
onderwijs opleiding tot alle maatschappelijke en Christelijke
deugden; moest het schooltoezicht bij het examen van
iederen onderwijzer zooveel mogelijk zijne zedelijke en
godsdienstige denkwijzen en beginselen trachten te ont-
dekken (! !!) en werden hem daartoe vragen gedaan over
de geschiktste middelen om het verstand der kinderen op
te leiden tot Christelijke deugdsbetrachting (art. 22 van het
Reglement voor het lager schoolwezen en artt. 8 en 11 van
de verordeningen op de examens). Bij de algemeene school-
orde van 1806 werd het openen en sluiten van den school-
tijd met een Christelijk gebed voorgeschreven.\'\'
In de circulaire van den Secretaris van Staat van 30
Mei 1806 werd de verwachting des G-ouvernements uitge-
drukt, dat, terwijl het geven van onderwijs in de leerstellige
begrippen (!! !) van bijzondere kerkgenootschappen aan de
kerkgenootschappen zelven verbleef, allengs (kostelijk!!!)
op de scholen een behoorlijk en welingericht onderwijs in
\') Vooeduin 482 volgg.
-ocr page 43-
41
den Christelijke», godsdienst (!!!) zou kunnen worden ingevoerd (!!!)
terwijl eindelijk bij de invoering der algemeene boekenlijst
aan de onderwijzers werd voorgeschreven om van den
Bijbel op de school een gepast gebruik te maken!"
En dat alles, waarvan letterlijk het eene het andere weer-
spreekt, zou te rijmen zijn niet onze Grondwet, die volstrekte
vrijheid van godsdienst, ja van begrippen, wil.
Allons donc!!!
. § B.
Over het voldoend openbaar lager onderwijs.
Het woord voldoend levert stof voor velerlei beschouwing.
Uit al het voorafgaande blijkt, mijns bedunkens, genoeg-
zaam dat in een Staat als de onze, ,,bijzonder onderwijs
zooveel mogelijk regel, openbaar aanvulling moet zijn".
Wanneer men dus in de Grondwet leest, dat overal in
het Rijk van overheidswege voldoend openbaar Lager Onder-
wijs wordt gegeven, zou de natuurlijke, duidelijke, meest
eenvoudige uitlegging wezen: voldoend in verhouding tot
hetgeen de particuliere krachten, in de eerste plaats tot
de vervulling der taak geroepen, leveren en kan het niet
gemist worden, dan zoo goed mogelijk.
Eene tegenovergestelde opvatting leidt tot zonderlinge
gevolgtrekkingen.
Indien men toch aldus redeneert, „zelfs waar het open-
baar onderwijs niet verlangd wordt, m. a. w. waar het
goede, dat men stichten wil reeds bestaat, blijft handelend
optreden plicht, alsof er niets bestond, dan kent de Staats-
zorg, zeggen we maar, de Staatsalmacht, geene grenzen
meer, op welk gebied ook!!
Armenzorg, behoorlijke voeding en kleeding der kin-
deren, naar hun stand en roeping, verstrekking van lec-
-ocr page 44-
42
tuur aan burgers, die zich in hunne ledige uurtjes vervelen
en wier denkvermogen min of meer aan de kwaal van
verstomping lijdt; voortplanting der bevolking op heide-
gronden en in zandige streken ; hulp voor den ouden dag
en invaliditeit der minvermogenden. Waarom zou de Staat
niet evenzeer tot rechtstreeksche zoig voor dat alles geroe-
pen zijn, indien hij het is tot rechtstreeksche zorg voor het
onderwijs in zulk een omvattenden zin??? Zeer ter snede
schrijft dan ook Spitzen in zijn reeds genoemd werk, blz.
11 en 12 „Let wel: voldoend. Ligt hierin wat de Minister
de Kempenaer beweert Tln elke gemeente is een voldoend
getal openbare scholen aanwezig?"
„Het aantal scholen maakt het onderwijs nog niet vol-
doende ; het onderricht zelf moet ook voldoen; voldoen aan
aller billijke eischen en verlangens: voldoen aan de be-
palingen dienaangaande van de Grondwet zelve."
En verder : „Indien de Staat zoo hoogst zorgvuldig is, dat
hij nog eens weder op eigen hand zorgt, waar de burgers
zelven genoegzaam zorgen, waarom richt hij dan niet
overal openbare molens op nevens de burgermolens, waarom
geen openbare winkels nevens de bijzondere?"
Volkomen juist.
Het zou nog al wat kosten; of vreest men dat
Exhausta redivivus pnllulet Aica
Nummus ?
In de uitgeputte schatkist, \'t geld
Te rijkelijk naar boven welt???
Eéne vraag is bij mij gerezen; ze moet me van \'t hart :
wanneer de gevolgtrekkingen, welke ik daar aangaf, onwe-
derlegbaar zijn, doch in tegenstelling er mede, zelfs de
vrijzinnige partij, in alles het meest van het particulier
initiatief verwachtende \'), op het gebied van „onderwijs" juist
\') Hoe anders, thans in 1899
-ocr page 45-
43
het tegenovergestelde beginsel voorstaat, is rlan die incon-
sequentie eigenlijk niet de dekmantel van de vrees, of ver-
raadt ze niet de zucht, ons schijnbaar vrij te laten, terwijl
men de koorden van het maatschappelijk leven in handen
houdt ? ?
Hoe het zij, ook uit hetgeen ik aanhaalde van de ge-
schiedenis, van de gewisselde stukken, blijkt, zoo men
eerlijk wil zijn, dat de Grondwet het eenig goede stelsel
slechts ten halve heeft gewild: maar dan toch ten halve!
Onzerzijds trekke men ten minste van die inconse-
quentie partij. \')
§ 4.
Over het Staatstoezicht op het Onderwijs.
Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht
der Overheid.
Niets is billijker dan dat; het volgt uit al hetgeen ik
tot nog toe aanvoerde. De Staat waakt over het onderwijs
in het algemeen, ten bate van kinderen en ouders, om de
eersten te waarborgen tegen schandelijke misbruiken, om
de taak der laatsten te vergemakkelijken.
Hoe zou dit, met onbevangenheid, zonder nevenbedoelingen,
kortom behoorlijk geregeld toezicht te kort doen aan de vrijheid,
aan het particulier initiatief?
Hoevele bedrijven, geheel volgens eigen verkiezing, uit-
geoefend naar maat en gewicht, zijn aan wettelijke bepa-
h Bij de Grondwetsherziening van 1887 handelde de Tweede Kamer
zeer wijs, door het 3e lid van het toenmalige art. 194 te doen vervallen.
Men leze en herleze hare beraadalaging en beslissing, die in elk opzicht
verbetering bracht en ook de vrijheid van onderwijs veel duidelijker
radiceerde. Helaas\'. onze Senaat dacht er anders over en deed het eenig
goede
der geheele herziening te looi\' gaan.
-ocr page 46-
u
lingen omtrent de betrouwbaarheid dezer laatsten onder-
worpen ?
Wel verre, dat de vrijheid er door lijdt, wint zij bij
dezen waarborg, dien slechts het Staatsgezag kan schenken.
Maar nog eens: de regeling zij krachtig en vrijzinnig,
eenvoudig en toch niet al te centraliseerend, verschillend
waar noodig, naar mate het geldt onderwijs, als aanvulling
van Staats- of Gemeentewege verstrekt, dan wel de vrije
school zelve, enz.
1". Met het Toezicht worden mannen belast, natuurlijk
in alle opzichten geschikt, (wat in deze niet weinig zegt),
verdraagzaam en op de meest onbevangen wijze, uit ver-
schillende godsdienstige richtingen gekozen \').
Zullen het zijn inspecteurs, schoolopzieners met eenige
Massificatie, plaatselijke schoolcommissien, het Dagelijk-
sche Bestuur der gemeenten; zal het Toezicht naar pro-
vinciën of naar een anderen maatstaf worden ingedeeld??
Mij zou toelachen eene regeling, welke de benoeming
van al die school-autoriteiten niet uitsluitend liet aan de
Kroon, let wel, aan een Minister van de bovendrijvende
partij, doch die den invloed der schoolhoofden, bijzondere
en openbare, tot zijn recht deed komen.
2°. Het Toezicht ontaarde niet in kleingeestig onderzoek
naar hetgeen men nog het best leert kennen, juist wanneer
men er niet naar zoekt.
Een rechtmatig onderscheid tusschen Staats- en bijzonder
onderwijs neme men hierbij in acht.
Treed bijv. particuliere woningen binnen zoovele ge wilt,
en zoo dikwijls ge wilt: zullen ze u ooit bekend worden,
als uwe eigene??
\') Tevens behoorlijk gesalarieerd en zooveel mogelijk staande buiten
andere ambtsbetrekking. Doch wat dit aangaat, geen nood.
-ocr page 47-
45
Vooral klemt dit onderscheid bij
3°. het Toezicht, voor zooverre het te keeren heeft alles
wat in strijd is met godsdienst en zedelijkheid; gansch wat
anders dan hygiënische misstanden van lokalen; van ven-
sters, deuren, banken, stookplaatsen of gasgeleiding.
Het is met betrekking tot de openbare school niet zóó lastig.
Lees het Handelsblad van 12 October 1854. „Door het stilzwij-
gen der Wet omtrent schoolboeken, door hetwelk zelfs niet is
aangewezen of er eene boekenlijst, eene censuur van boeken,
die op de openbare school gebruikt worden, zal zijn, bleef
er, ten aanzien van de eerbiediging der godsdienstige meeningen
eene leemte in de "Wet, die misschien weder door eene
transactie, zooals het Kon. Besluit van 2 Jan. 1842 was,
zou moeten aangevuld worden."
Zeer goed, zeer welwillend, ofschoon het u weinig kost!
Hoe kan het ook anders in eene gemengde School?
En zulk eene censuur vereischt weinig inspanning, naar ik
meen.
Slechts vrees ik, dat bij eerbiediging van alle meeningen,
uwe christelijke deugden groot gevaar loopen, nogal te wor-
den verwaterd.
Bij de bijzondere school is, een ieder gevoelt zulks, het
toezicht, het onderzoek van meer ingewikkelden aard, immers
4o de vrijheid moet in den ruimsten zin verzekerd blijven.
Men kan toezien, „dat er geene afwijking der verorde-
ningen plaats hebbe" men kan „de onderwijzers verplichten,
de noodige inlichtingen te geven omtrent hunne school en
hun onderricht," doch gaat men verder, zie, daar hebt ge
bvb. eene katholieke school; is, wat het schoolhoofd toelaat,
wel geheel volgens den Catechismus? loopt in die andere
Protestantsche, het Luthersche misschien te veel in het Cal-
vinistische over? En de verdraagzaamheid bij allen, hoe
staat het er mede? opdat, wanneer ge den rug zult hebben
-ocr page 48-
46
gekeerd, de kinderen zich niet afranselen op straat? Eene
netelige zaak die verdraagzaamheid!
En de geheele methode van opvoeding, die zulke uiteen-
loopende middelen eischt, vaak in één en hetzelfde huis-
gezin, hoe zult gij die doorgronden?
En als het niet gaat zonder inquisitie, hoe staat het dan
met de vrijheid, bij dat toezicht en onderzoek?
Nog is er eene andere bepaling der Grondwet, die trou-
wens geene de minste toelichting eischt en welke ik ner-
gens beter dan hier ter plaatse weet te vermelden: „De
Koning doet van den staat der hooge, middelbare en lagere
scholen jaarlijks een uitvoerig Verslag aan de Staten-Gene-
raal geven."
Wil men het een uitvloeisel van het toezicht, dan wel van
de staatszorg in meer bijzonderen zin, noemen?
Mij dunkt, het eerste ware beter.
Immers de bewuste Verslagen omvatten ook het bijzonder
onderwijs en, let wel, dat volgens de eigen bewoordingen
der Grondwet, niet dit, doch wel het openbare tot voorwerp
der staatszorg wordt verklaard \').
Inmiddels kan ik het hierbij laten. Genoeg, dat het voor-
schrift zijne nuttige zijde heeft.
Openbaarheid, de meest mogelijke openbaarheid heeft men
niet te schuwen en de altijd in volle stroomen voortbrui-
schende statistiek kan ook dit wel dragen!
\') In gelijken zin sprak onder anderen reeds art. 140 van het ontwerp-
Grondwet 1814. (Zie uitgave C. L. Schleijer, Amsterdam, Op \'t Water,
No. 63).
-ocr page 49-
47
§5.
Over het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid
der onderwijzers.
Onder de verschillende bemoeiingen, tot welke de Staat
in zake de opleiding der jeugd geroepen is, behoort het
recht, de plicht, in de Grondwet aldus omschreven, „dat
voor zoover het lager en middelbaar onderwijs betreft, een
door de Wet te regelen onderzoek plaats hebbe naar de
bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers.\'\'
Ook tegen dit voorschrift verzet zich de vrijheid niet!
Het mag waarlijk overbodig heeten, te betoogen dat hij,
die genezing zoekt van eene ziekte, van eene lichamelijke
kwaal, of hij, die zijne vordering in rechten wil doen gelden,
niet het allerminst wordt belemmerd in zijne vrije, o! zoo
overruime keuze van arts of advokaat, wijl de Staat het
verleenen van die „heilrijke, zegenrijke hulp", van examens
en wat dies meer zij, afhankelijk stelt.
"Wat de bekwaamheid des onderwijzers betreft is het voor-
zeker niet zoo moeilijk eenige afdoende proeven van dien
aard voor te schrijven, welke niet slechts Staat en gemeente
de noodige zekerheid verschaffen omtrent de personen die
zij in dienst nemen, maar vooral ook den ouders ten
waarborg zijn.
Ook hier komt het echter weder op eenige voorwaar-
den aan.
1°. Niet slechts bekwame, maar tevens onpartijdige
mannen moeten met het afnemen van dergelijke examens
worden belast. Zeer gemakkelijk is de regeling niet.
In een der gewisselde stukken van 1854 lees ik, dat de
samenstelling der Provinciale Commissiën een behoorlijk
onderzoek naar de kunde der adspiranten niet waarborgt.
Er is geene genoegzame eenheid.
-ocr page 50-
48
De eene Commissie is streng; de andere toegevend; de
leerwijze, de methode, waarop deze prijs stelt, wordt door
genen afgekeurd. Ach ja, het is nu eenmaal zóó en niet
anders met den mensch!!
Door zeer sterke centralisatie verhelpt ge \'t echter niet!
De benoeming der examinatoren, of de goedkeuring
daarvan geheel overlaten aan een Minister? Is het raad-
zaam??
Ik zal er, gelet op hetgeen ik reeds over het ministeriëele
bestaan in het midden bracht, niets meer van zeggen,
evenmin als van de vraag, of het provinciale stelsel ge-
huldigd, of, naar gelang van de vakken, en dus van de
akten, eene verschillende soort van commissiën aangewezen
moet worden !!
Uiteenzetting van beginselen, en niets meer beoogt deze
mijne beknopte verhandeling.
Ook hier wil ik echter gevraagd hebben, of de belangen
van het bijzonder onderwijs, hetwelk toch eigenlijk regel
moest zijn, niet eonigszins tot hun recht zouden komen,
door aanbeveling, door voordracht, door schoolraden wei-
licht???
2°. De examens mogen niet te zwaar, niet te veel om-
vattend wezen!
„Vrome wensch\'\', denkt misschien een of ander welwil-
lencle lezer van dit proefschrift.
Het „non multa" klinkt het tegenwoordig geslacht vreemd
in de ooren: opvoering van het aantal vakken, waarin de
burger ervaren moet schijnen, is gewild, is mode geworden;
het veelkleurige behaagt.
Lezen, schrijven, rekenen, moedertaal, vaderlandsche
geschiedenis, Fransche en misschien Hoogduitsche talen,
was zoo ongeveer waarmede onze ouders en grootouders
zich tevreden stelden.
-ocr page 51-
49
En tegenwoordig?
Heeft echter de degelijke vorming van het verstand, de
echte ontwikkeling van den geest er bij gewonnen?
In elk geval lette men er op bij de regeling der examens
en de keuze der examinatoren.
Het zij mij vergund te dezer plaatse iets op te merken
wat min of meer vreemd schijnt aan het thans besprokene,
maar er toch ten innigste mede samenhangt en de vrijheid
van onderwijs ten zeerste bedreigt.
De eisch, dat aan het hoofd, ook van elke bijzondere
school, steeds iemand zij geplaatst, die den hoofdonder-
wijzersrang bezit.
Een eisch door niets gewettigd, gaande buiten het recht
van den Staat en geboren uit dezelfde ziekelijke .stemming,
die de vakken opdreef en de examens dreigt te doen ont-
aarden in een onderzoek naar „veerweterij."
Gesteld dat ik een schooltje voor lezen, schrijven, rekenen
en niets meer wil doen houden, ongetwijfeld, aan u, o
Staat, het recht te onderzoeken, of hij die genoemde
vakken of vakjes onderwijst en tevens als hoofd van het
schooltje optreedt, daarin ervaren is, doch te vergen, dat
meer dan b.v. een hulponderwijzersakte voor de waarneming
van zulk een nederig baantje worde overgelegd en de volle
glans van den hoofdonderwijzersrang er over schijne, het
ware een doorslaand bewijs, dat het willekeurige, opge-
dreven niveau van volksontwikkeling onzer dagen u blind
heeft gemaakt voor de ware ontwikkeling: die welke uit
concurrentie geboren wordt: U maakte voor .... de vrij-
heidll!
ongevoelig.
Omtrent het onderzoek naar de zedelijkheid kan ik zeer
kort zijn.
Het is eene zaak daarom moeilijk, wijl bij het uitéén-
-ocr page 52-
50
loopende der meeningen op dit gebied afdoende zekerheid
toch niet te verkrijgen is!!
Een en ander zal zich wel tot de afgifte of weigering
der afgifte van een getuigschrift door het schooltoezicht,
dan wel door het Plaatselijk Bestuur bepalen, in dien zin,
dat weigering slechts volgt bij het bestaan van notoire
kenteekenen of feiten. Alweder een beweegreden om het
onderwijs zoo vrij mogelijk, of anders gezegd, de bijzon-
dere school regel te doen zijn.
Waar het onderzoek naar de wezenlijke, waarachtige
zedelijkheid mocht falen, is het instinct van het ouderlijk
hart de beste waarborg voor de ontdekking van het bedrog.
Dat er zoowel bij het onderzoek door den Staat naar de
bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers, als bij schor-
sing en ontslag beroep moet zijn, spreekt van zelve.
EINDE.