-ocr page 1-
//Cf Vak -i:
AH".
*                                ... "..v.
1
UIT
.. "•%/
DE HUISHOUDIN
E
ö
SCHETSEN
BIBLIOTHEEK 0€R
«IJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT
cotx. TMOMAASse
DOOR
••V^"..^.^,
H. M. J, WATTEL
Extra-Feuilleton van Het Nieuws van den Dag
,1 Ü ^).«*-*
.
AMSTERDAM — Bureau NIEUWS VAN DEN DAG
•
.
•
-ocr page 2-
•
•*«*#*•• »^y
*""",
JC1
-ocr page 3-
i
Uit de Huishouding van den Slaat.
9
L
De bewoners der gansche beschaafde wereld leven in groote groe-
pen: Volken of Stoten genaamd. Wel bestaan tusschen de verschil-
lende volken vele punten van aanraking; wel heeft het eene volk
dikwijls veel overeenkomst met het andere; maar toch staat elke
groep op zichzelf. Binnen bepaalde grenzen gevestigd, bewegen de
menschen, die er toe behooren, zich meestal ook in dien kring. Ge-
woonlijk stemmen zij overeen in taal en gebruiken. Bovenal, en dit
maakt juist den Staat tot Staat, zij hebben hetzelfde bestuur, zij leven
onder dezelfde wet, zij leven uit dezelfde beurs: eene groote huis-
houding dus.
Het kan ons niet onverschillig zijn, hoe het huishouden bestuurd
en de beurs aangewend wordt. Wij hebben daarbij zelf belang. Bo-
vendien is de wetenschap, die ons leert hoe de Staat is ingericht,
ook in andere opzichten zeer belangrijk, vol verscheidenheid en ten
hoogste practisch, maar zij wordt weinig gekend en begrepen.
Slagen wij in ons doel, dan zullen de Schetsen uit de groote
huishouding van den Staat, die wij voornemens zijn te geven, voor die
lezers van ons blad, wien dit terrein minder bekend is, een huis-
boek kunnen vervangen.
Niet geheel door vrije keus, meestal slechts door omstandigheden
van hun wil onafhankelijk, zijn de menschen tot Volken of Staten
vereenigd. Het is daarom niet minder belangrijk te weten hoe onze
Staat ontstaan is.
Ons vaderland maakte in vroegere eeuwen een deel uit van het
groote Duitsche Rijk. Tot de Nederlanden of de Nederkreits behoorden
echter niet alleen de tegenwoordige Nederlandsche gewesten, maar
ook andere, thans meerendeels Belgisch grondgebied. Ten tijde van
Karel V waren er zeventien afzonderlijke gewesten, die in 1548
geheel onafhankelijk werden en eigenlijk nog maar alleen in naam
gerekend werden tot het Duitsche Rijk te behooren. Vroeger door ver-
1
-ocr page 4-
2
schillende bestuurders geregeerd, was het bestuur langzamerhand door
huwelijk en erfrecht in dezelfde handen gekomen. Karel V regeerde,
onder verschillende titels, over al de zeventien gewesten. Maar het
gezag der toenmalige Vorsten was hier in vele opzichten zeer beperkt.
De afzonderlijke Staten en vooral de steden met hunne nijvere en
gegoede poorters (burgers), wisten voortdurend eene ruime mate van
onafhankelijkheid te bewaren en voor de groote geldelijke bijdragen,
die de Vorsten steeds behoefden, allerlei vrijheden en rechten, of zoo-
genaamde privilegiën te bedingen. Intusschen gaf juist dit aanleiding
tot de groote en vrij algemeen bekende gebeurtenissen der zestiende
eeuw. Vooral de Vorsten uit het Oostenrijksche stamhuis, meerendeels
oppermachtige gebieders in de grootere Staten die zij boheerschten,
streefden naar uitbreiding van gezag over de rijke en bloeiende
Nederlanden. Niet alleen over aangelegenheden van godsdienstigen
aard, zooals men wel eens denkt, maar ook over de geldmiddelen, over de
rechtspleging, over de krijgsmacht ontstonden hooggaande twisten.
Toen Karel\'s zoon, Philips II, Koning van Spanje en heer der Neder-
landen, met geweld de geschillen te zijnen gunste wilde doen beslis-
sen, brak de zoogenaamde Tachtigjarige Oorlog uit, die Noord-Nederland
vrij maakte.
Het grootste deel der tegenwoordige Nederlandsche provinciën
sloot in 1579 en 1580 een verbond van verdediging, de Unie van
Utrecht genaamd, dat men de eerste Nederlandsche grondwet kan
noemen en aan welk verbond later nog andere gedeelten van het
land werden toegevoegd. De oorlog zelf, in 1568 reeds aangevangen,
had eigenlijk slechts ten doel: de handhaving der vrijheden en pri-
vilegien, met erkenning der heerschappij van Philips ; maar toen deze
zijn hevigen tegenstander, den bij velen geliefden Willem van Oranje,
stadhouder in Holland en Zeeland, vogelvrij verklaarde en in den ban
deed, met het kennelijk oogmerk om hem uit den weg te ruimen,
verklaarden de verbonden gewesten den Koning vervallen van zijne
heerschappij over deze landen (1581).
Van dien tijd af rekent men gewoonlijk het bestaan van de Re-
publiek der vereenigde provinciën: Holland, Zeeland, Gelderland,
Utrecht, Friesland, Overijsel en Groningen; waartoe tevens behoorde
het landschap Drente, met eene eigene regeering, maar zonder aan-
deel in de algemeene regeering. En toen, in 1648, bij den vrede van
Munster, onze onafhankelijkheid door Spanje was erkend, werd het
grondgebied nog met eenige veroverde streken vermeerderd; onge-
veer het tegenwoordige Limburg, Noord-Brabant en Zeeuwsen»
Vlaanderen
-ocr page 5-
3
Het vreemde woord Republiek, afkomstig van eene Latijnsche
uitdrukking, beteekent, letterlijk opgevat, algemeen belang. Maar elke
regeeringsvorm is natuurlijk voor het algemeen belang ingesteld. Eene
Eepubliek is eenvoudig een Staat, waarover niet éen persoon als
hoofd is gesteld, maar een geheel college van personen, of verschil-
lende colleges. Zóo was het ook bij ons. Elk gewest stond op zichzelf,
geregeerd door eigen vertegenwoordigers of Staten, die in hoofdzaak
overal op dezelfde wijze waren samengesteld, voornamelijk uit de
edelen en de vroedschappen of stedelijke regeeringen. Die Staten
hadden dus ook de wetgevende macht, en meestal was er een stad-
houder, die de wet uitvoerde en het recht handhaafde.
Maar behalve de bijzondere zaken van elk gewest, waren er ook
algemeene zaken, omdat overeen was gekomen om in vele aangele-
gonheden, vooral omtrent het voeren van oorlog en het sluiten van
bondgenootschap met vreemde mogendheden, gemeenschappelijk
te handelen. Daarom hadden er soms bijeenkomsten plaats om samen
te beraadslagen, waar de bondgenooten, de verschillende gewesten
namelijk, hun gemachtigden heenzonden, en die men daarom noemde
do vergadering der Generale (Algemeene) Staten, kortheidshalve ook
St aten-G eneraal.
Die Staten-Generaal hadden ook het bestuur over de veroverde ge-
westen, waarvan wij boven spraken. Deze hadden geen eigen beheer
en men noemde ze daarom: generaliteitslanden.
Intusschen waren de bijeenkomsten der Generale Staten slechts
tijdelijk; zij waren volstrekt niet voortdurend vergaderd of, zooals
men het met een vreemd woord noemt, zij waren niet permanent.
Daarom was er nog een blijvend werkzaam college, de Eaad van State
genaamd, dat de wetten uitvoerde en het dagelij ksoh beheer had
over de algemeene zaken, zooals het krijgswezen en de geldmiddelen,
totdat in 1593 de Algemeene Staten ook permanent werden en daar-
om langzamerhand de meeste zaken zelf begonnen te behandelen.
Het beheer over oorlogszaken en financiën bleef echter voortdu-
rend bij den Raad van State. De rekeningen van het algemeen be-
Btnur wrcrden nagezien in eene andere vergadering: de generaliteits-
rekenkamer; terwijl de zeezaken werden geleid onder toezicht van nog
een ander college, de admiraliteit genaamd, dat op verschillende plaatsen
zitting had en waarbij ook elke provincie gemachtigden zond, ofschoon
het eigenlijke beheer door Holland, Zeeland en Friesland werd gevoerd.
Bij dit alles was en bleef het de hoofdzaak, dat elk gewest vo!ko-
men zelfstandig was. De Unie van Utrecht was eene zeer onvolkomenQ
grondwet en eene verbeterde samenstelling van het algemeen bestuur
-ocr page 6-
4
was welhaast, dringend noodig. Maar zoolang de vereenigde provinciën
bestonden, dat is meer dan tweehonderd jaren, kon men tot die ver-
betering niet geraken, en dit feit was oorzaak van den later jsoo trou-
rigen toestand des lands. Tot algemeeno hervormingen, van tijd tot
tijd in eiken Staat gewonscht, omdat elke staatsinrichting met de
nieuwere denkbeelden en begrippen, die met don tijd ontstaan, reke-
ning behoort te houden, kon het nooit komen. Wat de een wildo»
wilde de ander steeds niet. De hoog geroemde zelfstandigheid der
gewesten had eene zeer donkere zijde. Ook elke stad had hare eigene
wetten en gewoonten. Het bestuur, het recht waren schier overal
verschillend. Steeds nam dat verschil toe; bijna nooit kon men ge-
raken tot maatregelen van algemeene kracht, en die niet wilde mede-
werken kon moeilijk of in het geheel niet gedwongen worden.
Er waren groote rechtsgeleerden, maar het recht werd niet naar
behooren uitgeoefend. Er waren groote krijgshelden, maar leger en
vloot zagen er dikwijls treurig uit. Aan onderwijs, aan volksbcseha-
ving, aan volksgezondheid liet men zich te weinig gelegen liggen.
Zóo was het met de belangen van het verkeer, met de belastingen,
met het muntwezen. Ambten en bedieningen werden hoe langer zoo
meer erfelijk of werden verkocht, on het beste dat. de republiek op-
leverde kwam dan ook meestal aan eenige bevoorrechte familien ten
bate. Die niet tot de gereformeerde staatskerk behoorden, sloot men
uit van alle waardigheden.
De overdreven zucht om toch maar volkomen op zichzelf te staan,
om macht en gezag uit te oefenen, om het bestaande te behouden en
niets op te offeren aan het algemeen, waren van dat alles de oorzaak.
Zóo kon men op de gebrekkige grondwet der Unie niet voortbouwen
en zij, die iets van de historie kennen, weten hoe dit alles ten slotte
leidde tot een toestand van onhoudbare verwarring en regeeringlooshoid.
Is het waar, wat de schoone spreuk zegt, dat de wereldgeschiedenis
het wereldgericht is, dan moest een volk, dat na een zoo glorierijk
verleden zijn beste belangen zóo verwaarloosd had, door een tijdperk
van harde beproeving gelouterd en tot meerdere zucht naar eenheid e»
overeenstemming worden aangespoord.
II.
De ernstige verbetering van regeeringsvormen en maatschappelijk»
toestanden kon men desnoods nog met geweld tegenhouden, maa»
het doorbreken van nieuwere denkbeelden en den wensch naar ver*
-ocr page 7-
5
andermg nooit. Do natuurlijke ontwikkeling gaat van zelve voort.
Zóo was het ook in do dagen der Vereenigde Nederlanden, inzonder-
heid in de laatste dagen der achttiende eeuw. Tegenover de verstokte
zucht naar behoud, stond de eisch van verbetering en aaneensluiting
met klimmenden aandrang, nog gesteund door armoede en groote
maatschappelijke rampen. Als do beker vol is doet éen druppel dien
overloopen. Vandaar dat de omwenteling met geweld bracht wat
anders niet te bereiken was. Maar, zooals het met elke omwenteling
gaat, zij brak te veel af en bouwde aanvankelijk te weinig op.
Toen in 1789 de verschrikkelijke revolutie in Frankrijk een einde
maakte aan het wanbestuur der Fransche Koningen en hunne regee-
ringslieden, gaf dit ook hier het sein tot eene gelukkig niet zeer
bloedige revolutie, eigenlijk een reeks van kleine of plaatselijke om-
wentelingen, die hierop uitliepen, dat de nieuwe Fransche Republiek
hare legers zond, om een einde te maken aan den regeeringsvorm en
inzonderheid aan het stadhouderlijk bewind van Pr^ns Willem V, die
door de zoogenaamde patriotten (vaderlanders) ten onrechte als den
grootsten dwingeland en "vijand van alle verbetering, werd beschouwd.
Waarheid is, dat in den verwarden toestand geene verbetering meer
mogelijk was, dan door het geweld van den staatkundigen storm. De
geschiedenis toont daarvan meer dan éen voorbeeld aan.
In 1705 werd de revolutie of staatsomwenteling daarmede voltooid
dat, onder bescherming van Frankrijk, dat ons in ruil voor dien dienst
al dadelijk zware lasten oplegde, de vereenigde provinciën werden
gevormd tot éen Rijk : de Bataafsche Republiek.
Dit groote feit was voorzeker het allerbeste gevolg van den tuimel-
geest dier dagen; maar het moet erkend worden, dat ook veel goeds
•werd vastgesteld in de grondwet of staatsregeling, die den in Mei
1708 tot stand kwam: een eenigszins zonderling klinkend en geheel
van den opgewonden tijdgeest getuigend stuk. Uit een reeks van
algemeene beginselen, waarmede deze merkwaardige grondwet aan-
vangt, blijkt zeer duidelijk wat als de voornaamste fout van den
ouden regeeringsvorm werd geacht en natuurlijk ook wat men er
voor in de plaats wenschte te brengen. Zeer belangrijk zijn daarin
b.v. de volgende artikelen:
Alle leden der maatschappij hebhen, zonder onderscheid van ge-
boorte, bezitting, stand of rang, gelijke aanspraak op derzelver voor-
deelen.
Ieder burger is volkomen vrij om te beschikken over zijne goede»
ren, inkomsten en de vruchten van zijn vernuft en arbeid, en voortft
om alles te doen wat de rechten van een ander niet schendt.
-ocr page 8-
6
Ambten en bedieningen zijn lastgevingen der maatschappij voor
een bepaalden tijd. Zij zijn noch erfelijk noch vervreemdbaar, noch
bijzondere voorrechten van hen die ze waarnemen. De keus van den
eenen burger boven den ander is alleenlijk gegrond op meerdere
deugd en bekwaamheden.
De vrijheid der drukpers is heilig.
Ieder burger heeft het recht om met zijne medeburgers te verga«
deren, tot onderlinge voorlichting, ter opwekking van vaderlandsliefde
en ter nauwer verbintenis aan de staatsregeling.
Ieder burger heeft vrijheid om God te dienen naar de overtuiging
van zijn hart. De maatschappij verleent te dezen opzichte aan allen
gelijke zekerheid en bescherming.
Geene burgerlijke voordeelen of nadeelen zijn aan de belijdenis van
eenig kerkelijk leerstelsel gehecht.
Alle heerlijke rechten en titels, waardoor aan een bijzonder persoon
of lichaam zou worden toegekend eenig gezag omtrent het bestuur
of de aanstelling van ambtenaren, worden voor altijd vernietigd.
Er zal een wetboek gemaakt worden, zoowel van burgerlijke als
van lijfstraffelijke wetten, algemeen voor de gansche republiek.
De pijnbank wordt afgeschaft door de gansche republiek.
Bij de aanneming der staatsregeling worden vervallen verklaard
alle gilden, corporatiën of broederschappen van neringen, ambachten
of fabrieken. Ieder burger heeft het recht zoodanig eerlijk bedrijf aan
te vangen als hij verkiezen zal, enz.
Dat van dit alles in de eerste tijden veel niet tot uitvoering kwam,
laat zich wel begrijpen. Voor een deel moet dit echter ook geweten
worden aan den onrustigen staatkundigen toestand en den invloed
van Frankrijk, waardoor alras de grondwet en de regeeringsvorm
werden veranderd.
Eerst kwam de grondwet van 1801, die al een weinig minder
republikeinsch gekleurd was, of waarin, met andere woorden, de
onmiddellijke invloed van het volk op de regeering reeds minder
groot was dan volgens hare voorgangster. Toen wist Napoleon
Bonaparte, Frankrijk\'s machtige beheerscher, die den republikein-
schen regeeringsvorm haatte, te bewerken, dat bij eene nieuwe con-
stitutie, die van 1805, een raadpensionaris aan het hoofd der zaken
werd gesteld. Den 9n April 1805 werd de bekende Rutger Jan
Schimmelpenninck onder Bonaparte\'s invloed als zoodanig bij volks-
stemming gekozen; maar kort daarop, bij het verdrag van 20 Mei
4806, werd de republikeinsche regeeringsvorm afgeschaft en gaf
Napoleon 0113 zijn broeder Lodewijk tot Koning. Ook deze gaf ons
-ocr page 9-
7
eene grondwet, die van 1806, in vele opzichten met de vroegere
overeenkomende; maar ook deze had weinig uitwerking.
Het noodzakelijk einde van onze verdeeldheid en van de staatkun»
dige gebeurtenissen, die er op gevolgd waren, was dat Napoleon het
kleine Nederland, welks bezit hem in zijn oorlogen tegen Engeland
van zooveel gewicht was, bij Frankrijk inlijfde. Wat daarop volgde
behoeft niet in bijzonderheden vermeld te worden. Verdrukt, uitgezo-
gen, meegesleept in de oorlogen van het Fransche Keizerrijk tegen
half Europa, was het een tijd van harde beproeving, maar die louterde
en vereenigdo. Wij weten allen hoe November 1813 ons de onafhanke-
lijkheid hergaf en het Rijk der Vereenigde Nederlanden deed ge.
boren worden, waarover Willem Frederik, Prins van Oranje, tot
Souverein Vorst werd uitgeroepen; hoe wij daarna met de Zuidelijke
Nederlanden werden vereenigd, onder den naam van Koninkrijk der
Nederlanden; hoe de Souvereine Vorst de eerste nationale (door hot
volk gewilde) Koning was en hoe bij twee constitutiën, van 1814 on
1815, bepaald werd op welke grondslagen de regeering van den Staat
zou rusten en welke de betrekking zou zijn tusschen Vorst en volk.
Bij deze en latere gebeurtenissen behoeven wij in dit geschiedkundig
overzicht slechts kort stil te staan, omdat wij menig belangrijk punt
later nog zullen ontmoeten.
Willem I was, zonder twijfel, een zeer goed en vaderlijk Vorst,
maar, onder den indruk van het gebeurde, was de grondwet van 1815
wel wat ver afgeweken van de beginselen in 1708 aangenomen. De
vrijheden en bevoegdheden van het volk waren tamelijk ingekort, zijn
aandeel in de regeering was zeer gering en daarentegen de ge] egenhoid
voor het hoofd van den Staat en zijne bewindslieden, om willekeurig
te werk te gaan en toezicht op de daden der regeering af te snijden,
zeer groot. Bij de wetgeving en het beheer der geldmiddelen, kwam
dit vooral sterk uit. Ook waren niet eens aan alle burgers gelijke
rechten toegekend, en werd onderscheid gemaakt tusschen den adel,
de steden en het platteland.
Op den langen duur kon dit niet goed gaan. Willem I was be-
elist tegen alle verandering, die natuurlijk de macht des Konings
een weinig moest beperken. Toch wonnen nieuwere denkbeelden
omtrent het Staatsbestuur steeds veld en werd de aandrang tot grond*
wetswijziging grooter, vooral toen er, na de afscheiding van Bobfiö,
meer aanleiding en gelegenheid was om zich met ernst op de vor-
-ocr page 10-
8
betering der staatsvormen, geheel in Noord-Nederlandschen geest,
bezig te honden.
Toen, nadat in 1840 eenige onbeduidende wijzigingen waren aan-
gebracht, kwam, grootendeels door de persoonlijke tusschenkomst van
Willem II, die daarmede eene echt koninklijke daad verrichtte, do
groote grondwetsherziening van 1848, die bijna geheel de wenschon
van het volk bevredigde en waaruit zeer veel goeds is geboren. De
invloed, vooral het toezicht van het volk op de regeering, werden
aanmerkelijk grooter, do zelfstandigheid van provinciën en gemeenten
werd uitgebreid zonder benadeeling van de eenheid van den Staat,
de verhouding tusschen de verschillende staatsmachten en het geldelijk
beheer werd op vaster voet geregeld, eene passende uitbreiding
werd gegeven aan de volksvrijheid, de wetgeving werd aanzienlijk
verbeterd.
En later is op dien grondslag voortgebouwd. Zooals wij allen weten
is in 1887 de nog altijd bestaande grondwet van 1815 weer door
eene wijziging tot verdere ontwikkeling gebracht.
Waar wij nu in een reeks van opstellen een blik wenschen te slaan
in de belangrijke huishouding der gemeenten, het provinciaal beheer
en het groote Rijksbestuur, daar zal ons van zelf blijken hoe krachtens
de grondwet, zooals die nu bestaat, de betrekking der staatsmachten
is geregeld, hoe in ai ie behoeften wordt voorzien en waarover de zorg
voor de groote huishouding van den Staat en zijne onderdeden zich
uitstrekt.
m.
De staatsregeling van 1798 verdeelde hot grondgebied des lands in
departementen en gemeenten ter betere uitoefening van het burger-
lijk bestuur.
De splitsing in gemeenten, de voornaamste onderverdeeling van het
Rijk, troffen wij dan ook nog heden ten dage aan, en zij is voorzeker
onmisbaar. De grenzen der gemeenten toch zijn niet geheel willekeu.
rig getrokken, maar omvatten de eene of de andere stad of een of meer
dorpen, gehuchten, enz. met eene uitgestrektheid land daarom heen.
waarvan de bewoners met de stad of het dorp ds meeste gemeen-
schap hebben of het gemakkelijkst kunnen verkeeren. De plaatselijke
of zoogenaamde locale belangen van zulk een kring (er bestaan ruim
-ocr page 11-
9
elfhonderd gemeenten) worden, onder een afzonderlijk hoofd, door
een eigen bestuur, met een eigen kas en gedeeltelijk zelfs met eigen
plaatselijke wetten uitgeoefend, en het zou moeilijk anders kun-
nen zijn.
Intusschen kunnen veranderde omstandigheden, b. v. verbeterde
of gewijzigde middelen van gemeenschap, uitbreiding van bevol-
king en daardoor van de bebouwde kom der gemeenten, enz.
wel eens noodzakelijk maken, dat de kaart worde verlegd. Met
andere woorden : de gemeentelijke grenzen kan men niet eens en voor
altijd vaststellen, en het zou zelfs de vraag kunnen zijn, of eene alge-
heele herziening, op een eenvoudige wijze, niet gewenscht zou wezen.
De grondwet heeft dit nu wel niet voorgeschreven, maar dan toch
in de zaak voorzien. Zij bepaalt dat provinciën en gemeenten kunnen
worden vereenigd en gesplitst, dat nieuwe kunnen worden gevormd
en de grenzen der bestaande veranderd. "Vooral de belangen der inge-
zotenen moeten daarbij wegen, doch de wonschen van de eene gemeente
strooken niet altijd met die der andere. Er wordt echter zooveel
mogelijk gezorgd dat, wat het zwaarst is, ook het zwaarst weegt.
Alle belanghebbende partijen worden gehoord. De vereeniging of
splitsing en evenzoo de grensverandering, die niets anders is dan de
vereeniging van een deel eener gemeente met eene andere, wordt
ontworpen door het dagelijksch bestuur dor provincie, de zoogenaamde
Gedeputeerde Staten, of, zoo de gemeenten in meer dan éene provincie
liggen, door eene commissie uit de Gedeputeerden dier gewesten, nadat
de burgemeester en de wethouders der betrokken gemeenten door dio
Staten zijn geraadpleegd. Dan wordt in elk der gemeenten, die bij de
zaak belang hebben, het plan beoordeeld, niet alleen door den ge-
meenteraad, dit ligt voor de hand, maar bovendien door eene bijzon»
dere commissie uit de ingezetenen, even sterk als de raad in ledental,
door de gewone stemgerechtigden voor den gemeenteraad gekozenen
waarvan de burgemeester voorzitter is.
De vereeniging, splitsing of verandering kan daarna plaats hebben,
maar kan toch nooit geschieden dan tengevolge eener wet, die daar-
voor opzettelijk wordt gemaakt. Wat dit beteekent zal ons later dui-
delijk worden
De huishouding der gemeente wordt in geen enkel opzicht willo-
keurig geregeld. Vooral bij deze huishouding heeft de burger belang
en, het moet gezegd worden, hij stelt er over \'t algemeen ook belang
2
-ocr page 12-
10
in. Hier vooral kan hij zelfstandig waarnemen en den loop der zaken
beoordeelen. De gemeente is de beste oefenschool voor de staatkun-
dige opleiding van h»t volk.
Sedert do grondwetsherziening van 1848 zijn een aantal belangrijke
aangelegenheden bij verschillendo wetten geregeld. Onder deze behoort
ook de wet van 2\'J Juni 1851, welko de samenstelling, inrichting en
bevoegdheid der gemeentebesturen vaststelt.
Elke gemoento wordt bestuurd door een raad en door een burge-
meester en wethouders.
In den eigenlijken zin des woords is het do Koning die regeert,
ook in de gemeenton. Hem komt het opperbostuur toe; doch het wordt
feitelijk in zijnen naam uitgeoefend door eenen ambtenaar, dien men
zou kunnen noemen Commissaris (zaakgelastigde) dos Konings in de
gemeente, maar dio den naam draagt van burgemeester.
Laat ons hier even opmerken dat, ofschoon do rogeering thans
berust in handen eoner Koningin, wij opzettelijk van een Koning
spreken en dit in hot vervolg zullen blijven doen. In de grondwet en
in andere wetten, waar het te pas komt, wordt steeds van den Koning
gesproken, niet zoozeer omdat, toen die wetten gemaakt werden, een
Koning regeerde, maar omdat men, van het hoofd van den Staat
sprekende, vooral het oog hooft op het koninklijk gezag of, zooals
men het ook wel uitdrukt, do kroon. Het is dan ook niet alleen
gemakkelijker, maar het schijnt juister, om steeds het mannelijk woord
te bezigen, tenzij men bepaald mocht spreken van de persoon der
Koningin.
Het hoofd van het plaatselijk bestuur wordt door den Koning
benoemd, niet voor het leven, maar voor den tijd van zes jaren
tegelijk, en, dit is althans de regel der wet, uit de ingezetenen der
gemeente gekozen.
Op dezen regel zijn wol wat veel uitzonderingen. Haasten wij ons
er bij te voegen, dat do wet die uitzonderingen toelaat in het belang
der gemeente. Maar de rogeering alleen heeft dit belang te beoor-
deelen en het woord belang is zeer ruim op te vatten. De uitzonde-
ring is eigenlijk regel, en dit schijnt ons beslist afkeurenswaardig.
Het is en blijft waar, dat het de gemeente is dio zelve het meeste
belang heeft bij eene goede keuzo en dit belang het liefst zal behar-
tigd zien door een harer bekwaamste en geschiktste burgers. Niet alle
gemeenten, het is zoo, leveren geschikte personen op, die zich voor
-ocr page 13-
11
de taak beschikbaar kunnen stellen, maar in den regel zou men het
voorschrift der wet kunnen nakomen, en juist omdat de burgemeester
niet wordt benoemd voor het leven, maar de Koning telkens de vrije
keus heeft, behoorde voor de gemeenten eenige waarborg te bestaan,
dat niet zonder afdoende redenen een man, vreemd aan hare belaa«
gen, aan het hoofd der zaken worde gesteld.
Uit het feit dat de burgemeester eigenlijk de koninklijke macht in
de gemeente vertegenwoordigt, moet vanzelf volgen dat de wet hem
verschillende bevoegdheden of zoogenaamde attributen toekent: hij
is voorzitter van den gemeenteraad en heeft daarin in ieder geval
eene raadgevende stem; hem komt de zoogenaamde uitvoerende macht
toe, dat wil zeggen: wat besloten wordt voert hij uit; wordt door de
gemeente een proces gevoerd of wordt tegen haar in rechten opge-
treden, het geschiedt op zijn naam; hij treedt op als hoofd der
plaatselijke politie, enz.
Overal waar ecne uitvoerende macht is, moet noodzakelijk eena
wetgevende macht zijn. Immers, zal men een besluit uitvoeren, het
moet eerst wettig bestaan en het gezag, dat bevoegd is om besluiten
te nemen, noemt men do wetgevende macht, al duidt men die be-
6luiten zelf dan ook niet altijd met den naam van wet aan.
Het voornaamste wetgevende lichaam der gemeente is de raad,
die, zooals trouwens vanzelf spreekt, uit de ingezetenen wordt ge-
vormd. Dit welbekende collego bestaat minstens uit zeven en hoog-
stens uit negen-en-dertig leden, naarmate der bevolking, volgens een
tafel van berekening in do gemeentewet opgenomen. Bij eene bevol»
king van minder dan drieduizend zielen bedraagt het aantal zeven.
Groeit het zielental tot drieduizend aan, dan zijn er elf raadsleden,
enz. Het getal is steeds oneven, om zooveel mogelijk het zooge-
naamde staken der stemmen to voorkomen.
En de keuze der leden van den raad geschiedt door do ingezetenen
of, beter gezegd, door ingezetenen, namelijk alleen door hen die het
recht van keuze bezitten, kortweg kiezers genaamd: mannen, die ten
volle drie-en-twintig jaren oud en geen vreemdelingen zijn, een jaar
in de gemeente hebben gewoond en bevoogd zijn om huune borger*
lijke en burgerschapsrechten volledig uit to oefenen.
Déze vereisclitën om kiezer te zijn behoeven wel\'eenige toelichting.
De gewijzigde grondwet van 1848, die het maken van een aantal
-ocr page 14-
12
nieuwe •wetten gebood, bepaalde ook, dat bij eene bijzondere wet zou
moeten worden uitgemaakt wie Nederlanders zijn, vooral omdat men,
volgens de grondwet, om eenig burgerschapsrecht te hebben, bepaal-
delijk Nederlander moet wezen. Nederlanders en vreemdelingen hebben
geenszins dezelfde rechten, ook niet geheel op ander gebied. Wie,
met betrekking tot die burgerschapsrechten, Nederlanders en wie
vreemdelingen zijn, is dan ook bij de wet van 28 Juli i850 beslist. Men
noemt haar de naturalisatiewet, omdat zij onder anderen ook bepaalt
hoe een vreemdeling genaturaliseerd kan worden, dat wil zeggen: de
rechten van een Nederlander kan verkrijgen.
Doch wat zijn dan burgerschaps- en wat zijn burgerlijke rechten?
Tot de eerste soort behooren die welke men bezit juist omdat men
burger, lid der vereeniging van den Staat is en die dus ook het bestuur
of de huishouding van den Staat betreffen, zooals: om een ambt te
bekleeden, een volksvertegenwoordiger te kiezen, enz..
De burgerlijke rechten zijn die, welke de menschen in het onder-
ling verkeer, dus tegenover elkander, uitoefenen en op hunne eigene
bijzondere levensverrichtingen betrekking hebben. Zij beschikken over
hun eigendom, over hunne nalatenschap ; zij huwen, sluiten allerlei
contracten, voeren processen, enz. Het recht daartoe is een burgerlijk
recht en hier maakt de wet tusschen man en vrouw en tusschen
Nederlander en vreemdeling bijna geen verschil.
De kiezer moet al die rechten ten volle kunnen uitoefenen en niet
alle menschen kunnen dat. Zoo verliest b. v. de koopman, die ophoudt
te betalen en zooals het heet in staat van faillissement verklaard
wordt, enkele burgerlijke rechten; zoo kunnen burgerlijke enburger-
echapsrechten verloren worden tengevolge van een strafvonnis, en
elk verlies van dien aard maakt — soms wel wat overdreven — de
stembus voor een burger ontoegankelijk.
Er is echter nog een vereischte, om als kiezer voor den raad der
gemeente op te treden, een vereischte dat wij nog niet noemden,
omdat het eene meer nauwkeurige opmerking vordert.
Tot aan de grondwetsherziening van 1887 moest men, om kiezer
te zijn, eene zekere som betalen in de grondbelasting, de personeele
belasting of het patentrecht. Het te betalen bedrag was echter niet
in alle gemeenten even hoog. In de groote steden was die som (de
zoogenaamde consus) hooger dan in de kleinere, enz., en die census
was zoo hoog gesteld, dat het aantal burgers, bevoegd om aan de
verkiezingen deel te nemen, over \'t algemeen betrekkelijk zeer gering
-ocr page 15-
13
•was. Het mocht met recht een bedenkelijk stelsel heeten, dat uitging
van twee gedachten, die eigenlijk geen van beiden geheel juist waren.
Wie nieer betaalt, zoo redeneerde men ongeveer, heeft ook meer be-
lang dan hij die minder opbrengt. Die b. v. een groote handelsstad
bewoont, zoo dacht men verder, en weinig ontwikkeld is, zal door-
gaans toch wel ongeveer zooveel belasting betalen, als die meer ont-
wikkeld is, doch in eene kleinere plaats of op het platteland leeft;
want in grootere plaatsen woont men kostbaarder en drijft zijne za-
ken op meer uitgebreide schaal. Daar nu ook de ontwikkelde meer
recht moet hebben dan de niet of minder ontwikkelde, moet in de
grootere plaatsen de census hooger zijn.
Men had sinds lang algemeen ingezien van welke onjuiste voorstel-
lingen deze regeling uitging en het voornaamste bezwaar tegen dit
onhoudbaar stelsel was ongetwijfeld gelegen in de omstandigheid dat,
zooals wij reeds opmerkten, een zoo gering aantal personen werd
toegelaten.
Om deze en andere redenen is bij de laatste grondwetsherziening
het maken van eene nieuwe kieswet voorgenomen, die de keuze van
afgevaardigden op andere grondslagen moet regelen. En terwijl wij
nu in afwachting van deze wet leven, zijn bij diezelfde grondwets-
herziening alvast eenige overgangsbepalingen gemaakt, waardoor
terstond dit voordeel is verkregen, dat het aantal kiesgerechtigden
zeer aanmerkelijk is uitgebreid. Hoewel nog altijd het betalen van
eene zekere som in de zoogenaamde Rijks directe belastingen is voor.
geschreven, is deze betrekkelijk laag, terwijl tusschen de bewoners
der verschillende gemeenten volstrekt geen onderscheid wordt gemaakt.
Welk stelsel van verkiezingen de te verwachten nieuwe wet ons zal bren-
gen, is natuurlijkjonbekend. In zooverre zal het tegenwoordige wel behou-
den blijven, dat men een te betalen geldsom (census) ook in het
vervolg zal eischen. Die som zal echter vermoedelijk zeer laag worden
gesteld, en bovendien zal dan waarschijnlijk vereischt worden, dat de
kiezer blijk moet geven van het bezit van genoegzame verstandelijke
ontwikkeling, om zelfstandig in het burgerlijk leven te kunnen optre-
den. Ontwikkeling moet misschien het eenige vereischte zijn; want
iiet vermogen om een redelijk oordeel te vellen is eigenlijk alleen
noodzakelijk.
Of zou men wellicht het stelsel der algemeene kiesbevoegdheid
invoeren, waarbij op eigenlijke verstandelijke ontwikkeling of op het
bijdragen in de lasten in het geheel niet behoeft te worden gelet on b.v.
ieder kan worden toegelaten die een naam op een stembiljet kan
invullen ? Met de grondwet, zooals die thans luidt, is dit in elk geval
-ocr page 16-
14
in strijd; want deze zegt uitdrukkelijk dat de nieuwe kieswet moet
letten op geschiktheid en het bezit vau eenigen maatschappelijken
welstand. Het is dan ook stellig de bedoeling om daardoor zooveel
mogelijk waarborg te verkrijgen, dat alleen zij aan de keuze der
regeeringslichamen deelnemen, die iets te verliezen hebben en daarom
meer bijzonder belang hebben bij maatschappelijke orde, en die,
eenigszins op de hoogte van de inrichting en de eenvoudigste eischen
van het Staatsbestuur, niet al te licht een werktuig worden in de
hand van anderen en zelfstandig over de openbare belangen kunnen
oordeelen.
De leden van den gemeenteraad hebben zitting gedurende den
tijd van zes jaren, maar zij treden niet allen tegelijk af. Om de twee
jaren is een derde gedeelte aan de beurt van aftreding, en wel met
den eersten Dinsdag in September. Men noemt dit de periodieke
(op geregelde tijden plaats hobbondo) aftreding. Mochten er plaatsen
te vervullen zijn, dio door outslag, overlijden of om cene andere reden
tusschentijds openvallen, dan wordt binnen zes maanden doorburge-
meestor en wethouders eono nieuwe verkiezing uitgeschreven. Als
algemceno regel geldt, dat een aftredend raadslid dadelijk weder ver-
kiesbaar is.
In de meeste gemeenten is de dorde Dinsdag in de maand Juli,
om het andere jaar, en wel in die jaren welker tallen met een oneven
cijfer eindigen, een gewichtige dag. Dan zijn de gewone gemeentelijke
verkiezingen daar. Vooral na de belangrijko uitbreiding van het zoo-
genaamde kiezerspersoneel, door de grondwetswijziging van 1S87, is
dio dag van groote betcokenis geworden en de nieuwe kiezers hebben
van hun recht aanvankelijk een ijverig gebruik gemaakt. Op den
duur diezelfde belangstelling van allen te verwachten zou weleenigs-
zins ongegrond zijn. Hot is toch proefondervindelijk bewezen, dat de
Nederlandsche natie dergelijke zaken en eigenlijk het geheele zooge-
naamde politioko (staatkundige) leven over het algemeen vrij kalm
opvat. Dit levert zeker een groot voordeel op, daar bedaard overwo-
gen keuzen do slechtsto niet zullen zijn en hartstochtelijkheid of
wanordelijkheid, dio wij zoo vaak in andere Staten aantreffen, de
goede zaak slechts kunnen schaden. Toch zal men ten onzent altijd
wel een weinig moeten waken, dat niet do gewenschte kalmte ont-
aarde in lauwheid en onverschilligheid. Bovendien behoort naar onze
meening ijverig zorg te worden gedragen voor de staatkundige op-
-ocr page 17-
15
leiding van het volk. De kalme opvatting der dingen spruit niet
zelden voort uit onwetendheid, die natuurlijk de wezenlijke belang-
stelling schaadt. Op alle scholen behoort reeds een eenvoudig lees.
boek over de allereerste beginselen der staatsinrichting aanwezig te
zijn, en ook de volwassene moet, voor zoover hij er behoefte aan
heeft, door woord en schrift worden onderwezen en opgewekt. Niet
het minst de dagbladpers kan in dit opzicht bijdragen tot de volks*
opvoeding en de overtuiging ingang doen vinden, dat wij wel rechten
bezitten, maar meer plichten te vervullen hebben en dat slechts de
ordelijke, doch algemeene samenwerking der burgers den Staat zijn
taak wezenlijk kan doen vervullen.
De wet stelt natuurlijk eenigo verdachten voor het lidmaatschap
van den gemeenteraad, die overeenkomen met hetgeen in den kiezer
gevorderd wordt.
Er zijn evenwel nog cenige bijzondere bepalingen voor de leden
van don raad gemaakt, die ten doel hebben, eene vrije gedachten*
wisseling en zelfstandigo stemming, buiten allen invloed, zooveel
mogelijk te bevorderen. Van familieregeering wil tlo wet niet weten.
Tusschen den burgemeester en de loden van den raad on tusschen
do leden van den raad onderling, mag niet bestaan bloedverwantschap
of zwagerschap in den eersten of tweeden graad. Do betrekking van
zoon, kleinzoon, vader, grootvader, schoonvader, schoonzoon, zwager,
tusschen twee personen, is dus voor dio personen een beletsel om te
zamen in den raad zitting te hebbon, enz. Dio b.v. met do zuster van
den burgemeester dor gemeente gehuwd is, kan geeno zitting nemen
in den raad van diezelfde gemeente, maar sterft do vrouw, die oorzaak
was van het beletsel, dan houdt hot verbod op. De bedoelde personen
zijn dan in het staatkundig leven geeno zwagers meer, ofschoon zij
het in het btrïgerlijk leven wel degelijk blijven.
Ambtenaren der gemeente of zij, die invloed hebben op het bestuur,
zijn niet verkiesbaar, en, wat wel het voornaamste is, een aantal
betrekkingen zijn met het lidmaatschap van den raad geheel onver*
eenigbaar. Voor dio uitsluiting geldt in hoofdzaak dezelfde reden, die
wij boven hebben genoemd. Deze verbodsbepaling betreft de Ministers,
voor zoover dozo werkelijk aan het hoofd eener afdeeling der Kegee*
ring staan, den Commissaris des Konings in de provincie, de griffiers
der Provinciale Staten, de leden der Gedeputeerde Staten. Ook is met
het lidmaatschap van den raad onvereenigbaar de betrekking van
-ocr page 18-
40
commissaris van politie, geestelijke of bedienaar van den godsdienst,
onderwijzer bij het lager of middelbaar onderwijs en krijgsman in
werkelijken dienst. In enkele gevallen wil het ons voorkomen, dat
deze verbodsbepaling te ver is uitgestrekt en velen, die thans zijn
•uitgesloten, zonder bezwaar in het regeeringscollege der gemeente zitting
zonden kunnen nemen.
De burgemeester is altijd benoembaar, zelfs wanneer hij tevens
secretaris en dus ambtenaar der gemeente is. In vele gemeenten
maakt het hoofd van het bestuur dan ook deel van den raad uit. In
andere is de burgemeester zelf daartoe niet gezind en inderdaad is
het eene ernstige vraag, of de vereenigbaarhoid der betrekkingen van
burgemeester en lid van den gemeenteraad niet aan gegronde beden-
kingen onderhevig is?
V.
Ook zonder het bezit van rechtskennis kan men over de stelling
van den burgemeester, die tevens lid van den raad is, wel eenigszins
oordeelen. Het is volkomen waar, dat hij door het vertrouwen der
kiezers het lidmaatschap verwierf, maar dit vertrouwen geldt zijn
persoon, niet zijn ambt. De burgemeester, die vanwege den Koning
de gemeente bestuurt, is voorzitter van den raad en bovendien van
een ander college, dat van burgemeester en wethouders, waarvan de
voorstellen, die de raad moet behandelen, hoofdzakelijk uitgaan.
Vooral in laatstgemelde betrekking is zijn invloed groot en nu brengt
hij in den gemeenteraad nog eens stem uit, soms wel de beslissende
Btem, over diezelfde voorstellen. Strookt wat de raad beslist niet met
zijne zienswijze, dan is er allicht een grond te vinden om de ver-
nietiging van het besluit aan den Koning voor te dragen. Wij komen
op dezen laatsten maatregel nog nader terug, doch wijzen er ook
thans reeds op, om te doen uitkomen dat in het algemeen velerede-
nen bestaan, om den burgemeester zijne eigenaardige stelling in de
gemeente geheel zuiver te doen bewaren. Alleen voor zeer kleine
gemeenten, vooral ten platten lande, moet soms het bezwaar zwichten
voor een ander: dat daar namelijk de keuze van een genoegzaam
aantal geschikte personen niet altijd even licht valt.
De gemeente is slechts een onderdeel van het groote geheel des
Eijks en tevens een deel van eene provincie of gewest. Het spreekt
•wel van zelf, dat de algemeene Rijkswetten en de provinciale veror-
deningen (waarover wij later uitvoeriger spreken) ook betrekking
kunnen hebben op het gemeentelijk leven. Voor het overige geldt de
-ocr page 19-
17
regel, dat de gemeente zichzelve bestaart, mits zij zich gedrage naar
de algemeene regelen, die de gemeentewet en de grondwet hebben
gesteld en onder voorwaarde dat hare besluiten niet met hoogere
wetten in strijd zijn. De regeling en het bestuur van de huishouding
der gemeente zijn voor een deel voorbehouden aan den burgemeester
of aan den burgemeester en wethouders. Al het overige behoort tot
de bevoegdheid van den raad, die het aangewezen lichaam is om de
eigenlijke gemeentelijke wetten te maken, of, zooals zij heeten: de
keuren, verordeningen of reglementen.
In de allereerste plaats kunnen deze keuren betrekking hebben op
de eigendommen der gemeente, en hierbij moeten wij er de aandacht
op vestigen dat de gemeente, zoowel als de Staat en d» provinciën,
op tweeërlei wijze eigendommen bezitten of kunnen bezitten. Zoo is
een straat, een marktplein gemeente-eigendom; een raadhuis, een
timmerwerf, een werkinrichting evenzeer; maar al deze zaken bezit
de gemeente als gemeente of, zooals men het in de rechtszaal noemt,
als publiekrechtelijk lichaam, dat wil zeggen: zij zijn bestemd om
door of ten dienste van het publiek of van het bestuur der gemeente
te worden gebezigd. Die bestemming behouden zij, totdat bij een
raadsbesluit verklaard is, dat zij aan den openbaren dienst worden
onttrokken. Geschiedt dit, dan staan die eigendommen gelijk met alle
andere die de gemeente bezit en die niet tot den openbaren dienst
zijn bestemd. De gemeente bezit deze zooals elk mensch het zijne
bezit, als een privaat persoon of, zooals het weer met een rechts-
term heet, als privaatrechtelijk lichaam.
Over de laatste kan het gemeentebestuur vrijelijk beschikken, door
ze te verkoopen, verruilen of met hypotheek te bezwaren. Over alles
wat tot den openbaren dienst is bestemd kan op die wijze niet be-
schikt worden, dan nadat de eigendommen aan dien dienst onttrok*
ken zijn.
Vele beslissingen van den raad, die in het algemeen meestal beslui-
ten worden genoemd, betreffen bijzondere op zichzelf staande gevallen
en behoeven slechts tijdelijk te werken, zooals b.v. het besluit tot het
doen eener geldleening, het verkoopen, verhuren, verruilen of bezwa-
ren van gemeente-eigendommen, het aannemen van legaten of schen-
kingen aan de gemeente gedaan, het aanleggen of verbeteren van
gemeentewegen, straten, pleinen grachten en andere werken, het
benoemen van ambtenaren, enz.
Doch andere besluiten, de eigenlijke gemeentewetten, hebben de
strekking om voortdurend te blijven werken. Deze worden meestal
aangeduid met den naam van verordeningen, keuren of algemeene
3
-ocr page 20-
18
regelingen; zooals die welke in het belang der openbare orde, zede-
üjkheid en gezondheid worden vereischt, die welke in betrekking
staan tot de openbare veiligheid, enz.
Bij deze keuren of verordeningen worden aan de burgers allerlei
verplichtingen opgelegd, waardoor de zindelijkheid, het onbelemmerde
verkeer en alles wat zoowel op zedelijk als op stoffelijk gebied voor
de welvaart der gemeente noodig is, kan bevorderd worden.
Meer dan verordeningen maken kan het bestuur echter niet doen.
Ze behoorlijk en vrijwillig uit te voeren is de taak der burgerij, en
het kan helaas niet ontkend worden, dat veelal eene onredelijke
tegeningenomenheid is waar te nemen met de plaatselijke reglementen
en de bijzondere voorschriften van politie, eene tegeningenomenheid,
die meestal voortspruit uit een verkeerd begrip van vrijheid. Juist
de vrijwillige onderwerping aan de voorschriften der openbare orde
kan veroorzaken, dat minder of minder gestrenge voorschriften in haar
belang behoeven te worden uitgevaardigd en het openbaar gezag
zeldzamer behoeft op te treden om ze te handhaven. Maar ook het
tegenovergestelde is waar, en slechts bij volmaakte orde is de maat-
schappij in waarheid vrij, omdat daar niemands handeling de vrijheid
van anderen belemmert.
Intusschen zal verstoring der openbare orde wel steeds in de maat-
schappij voorkomen, en de wet geeft dan ook wel degelijk het middel
aan de hand om tot plichtsbetrachting te nopen. De gemeenteraad
kan tegen de overtreding zijner verordeningen, wanneer dit niet reeds
bij eene hoogere wet is geschied, straf, namelijk geldboete en hech-
tenis, bedreigen. De overtreder der verordening wordt voor denrech-
ter gedagvaard, en wanneer hij door dezen tot eene geldboete wordt
veroordeeld, wordt tevens bepaald, dat wanneer de boete niet binnen
twee maanden na gedane aanmaning is betaald, deze door hechtenis
(de zoogenaamde subsidiaire hechtenis) wordt vervangen.
Bij het maken der verordeningen, vooral die tegen welker over-
treding straf is bedreigd, is algemeene kennis der wetgeving, inzon-
derheid ook van het strafrecht, een vereischte. Het ontwerpen van de
laatstgenoemde plaatselijke wetten wordt zooveel mogelijk opgedragen
aan vaste commissiën, waarvan de burgemeester voorzitter is. Waar
geene commissie voor de strafverordeningen bestaat, behoort dit uit
den aard der zaak tot den werkkring van burgemeester en wethou-
ders. Door deze öf door de genoemde commissie, wordt steeds on-
derzocht welke strafverordeningen nog van kracht zijn, en minstens
eenmaal in de vijf jaren wordt eene afzonderlijke verordening
gemaakt, waarbij de gemeenteraad, na eene algemeene herziening,
-ocr page 21-
19
verklaart welke der bedoelde verordeningen nog in de gemeente
gelden.
Het is niet twijfelachtig, dat het gemeentebestuur de stoffelijke
belangen der ingezetenen zoo krachtig mogelijk behoort te bevorderen.
Trouwens, stoffelijke en zedelijke belangen gaan veelal hand aan hand.
Maar wij hebben hier het oog op die maatregelen, welke inzonder-
heid strekken om het verkeer te vergemakkelijken, den handel te
verlevendigen en de nijverheid aan te moedigen. De gemeentewet
heeft dit punt niet vergeten en maakt uitdrukkelijk melding van het
aanleggen of verbeteren van gemeentewegen, waterleidingen, straten,
pleinen, grachten, gebouwen, werken en inrichtingen, het instellen
van jaarmarkten of gewone marktdagen, enz. Juist omdat de gemeente
in betrekkelijk kleinen kring leeft, omdat zij in vele opzichten zoo
huishoudelijk is ingericht, omdat men er haast aller belangen kent
en veler belangen kan behartigen, schijnt het gemeentebestuur het
aangewezen lichaam om in deze voor te gaan en wel kalm en voor-
zichtig, maar dan toch ook ijverig te streven in de richting van
vooruitgang en ontwikkeling. Vooral is het zijne roeping te helpen
en voor te gaan waar particuliere krachten te kort schieten of ont-
breken.
Maar de gemeente moet niet, om hare inkomsten te vermeerderen,
als mededingster der ingezetenen optreden, in het algemeen zelfs niet
als mededingster der particuliere nijverheid. Worden werken of in-
richtingen daargesteld in het algemeen belang of in het belang van
handel en nijverheid, dan behoort dit werkelijk ton nutte van het
publiek te geschieden en dus zonder dat do gemeente voor de door
haar bewezen diensten meer dan den kostenden prijs rekent. Nog veel
beter is het te trachten het benoodigde door particuliere krachten
onder goed toezicht van het bestuur tot stand te doen brengen, en
waar de gemeente ernstig in die richting streeft, zal het haar onge-
twijfeld meestal gelukken. De gemeentewet heeft het ook zóo begrepen,
maar in de praktijk zijn vele gemeentebesturen afgeweken van don
goeden weg, waarop de wetgever ze wel door strengere bepalingen
behoorde terug te brengen.
VI.
Wanneer eene verkiezing van leden voor den gemeenteraad heeft
plaats gehad, moeten eenige formaliteiten worden vervuld, die voor
deze gelegenheid door de wet worden geëischt. Vooreerst moeten de
zoogenaamde geloofsbrieven der nieuw inkomende leden door den
-ocr page 22-
20
raad worden onderzocht. Onder geloofsbrieven verstaat men zoodanige
stukken, waaruit blijkt van de gedane keuze en van de bevoegdheid
om de betrekking van raadslid te bekleeden. Worden deze niet in
orde bevonden en weigert de raad toelating, dan kan eene hoogere
beslissing van Gedeputeerde Staten worden gevraagd; doch ook bij
gunstige beslissing van den raad kunnen de burgemeester en elk der
raadsleden zich op die wijze tegen de toelating verzetten. De eind-
beslissing is in beide gevallen aan den Koning.
Bij het aanvaarden van het lidmaatschap zijn de leden van den
raad verplicht in handen van den voorzitter den zoogenaamden
zuiveringseed af te leggen, dat wil zeggen, te zweren dat zij om
de benoeming te verkrijgen niemand iets hebben beloofd of gegeven
en ook aan niemand iets zullen geven. Daarna zijn zij verplicht te
zweren trouw aan de wet en dat zij de belangen der gemeente met
al hun vermogen zullen voorstaan en bevorderen. Zij die behooren
tot het Doopsgezinde Kerkgenootschap, met welks beginselen de eed-
zwering in strijd is, kunnen volstaan met eene verklaring en belofte,
hetgeen alleen een klein verschil maakt in de bewoordingen of het
zoogenaamde eedsformulier.
De raad is het vertegenwoordigend lichaam der gemeente, bij uit»
nemendheid geschikt tot bespreking harer belangen. Openbaarheid is
zijn hoofdkenmerk, en die openbaarheid is niet alleen gewenscht in
het belang van onpartijdigheid en toewijding; zij is tevens dringend
noodzakelijk, daar zij het voornaamste middel kan zijn om met juist-
heid te oordeelen over de vraag, of de afgevaardigden, ofschoon vrije
mannen, zich het vertrouwen der bevolking waardig betoonen?
Het is een stellig beginsel onzer Staatsinrichting, dat de afgevaar-
digden vrij blijven, dat zij hun last of mandaat zelfstandig opvatten.
Zij mogen dan ook niet met een bepaalden last of zoogenaamd im-
peratief mandaat worden afgevaardigd. Zij mogen evenmin, voor het
uitbrengen van stem, met de kiezers daaromtrent in overleg treden.
De gedragslijn voor het lid van den gemeenteraad en van de leden
van alle hoogere colleges, die wij nader zullen ontmoeten, wordt be-
paakl door den afgelegden eed en de eerlijke overtuiging van het
geweten: zóo wil het de wet en zóo behoort het te zijn.
Streng af te keuren is het vaak voorkomend streven, om de
Eegeeringslichamen te vullen met personen, wier doel hetis, bij voor-
keur de ielangen van een bepaalden stand of van de aanhangers
-ocr page 23-
21
van éene bepaalde richting te behartigen. In het gemeentelijk leven
b. v. wordt door elk raadslid de geheele gemeente vertegenwoordigd.
Nu is het zeer zeker waar, dat de geheele gemeente eerst dan ver-
tegenwoordigd wordt, wanneer alle voorname richtingen in het bur-
gerlijk leven een afgevaardigde bezitten, die inzonderheid de denkbeelden
dezer richting met bekwaamheid voorstaat; maar het zou z\'eer wen-
schelijk zijn dat de verschillende partijen zich meer dan thans van
tijd tot tijd vereenigden, om de vertegenwoordiging op die wijze
samen te stellen. De aldus gekozen afgevaardigden zoudon dan de
belangen hunner eigene richting met de algemeene belangen der ge-
meente weten overeen te brengen, en de vertegenwoordiging zelve
zou een meer waardig en degelijk karakter aannemen. Dit schijnt des
te meer aanbevelenswaardig, omdat de gemeenteraad niet het terrein
is, waar groote vraagstukken van staatkundig belang voorkomen.
Zijn eenigszins huiselijk en huishoudelijk karakter eischt vooral on-
derlingen steun en waardeering, kalme bezadigdheid en een groote
kennis van plaatselijke toestanden en belangen.
Minstens zes malen per jaar houdt de raad zijne openbare verga-
dering of, beter uitgedrukt, de raad vergadert zoo dikwijls als de
burgemeester of burgemeester en wethouders het oordeelen of verga-
dering moet worden belegd, en dit laatste is zes malen in een jaar.
Op het verzoek van een deel der leden, dat schriftelijk wordt gedaan,
en wel in gemeenten beneden twintig duizend zielen door drie en in
de overige gemeenten door een vijfde der leden, moet de raad mede
buitengewoon worden bijeengeroepen. De vergadering zelve wordt
door den burgemeester belegd.
Van de openbaarheid der beraadslagingen kan slechts in enkele
gevallen worden afgeweken. Acht de voorzitter of een door de wet
aangewezen deel der leden het noodig, dan worden de deuren gesloten
en kan aan de aanwezige leden geheimhouding omtrent het behandelde
worden opgelegd. Maar de wet stelt terecht op de openbaarheid den
grootsten prijs en voor de meest belangrijke zaken, zooals over geld-
leeningen, over plaatselijke belastingen, over het beschikken ten
opzichte der gemeente-eigendommen, kan met gesloten deuren niet
worden gehandeld of beslist. Aan den andoren kant heeft de wet een
waarborg gegeven, dat niemand de openlijke bespreking van alle
zaken en een volkomen vrij en zelfstandig besluit behoeft te schro-
men, want wegens de stem of meening door hen in de vergade-
-ocr page 24-
22
ring geuit, kunnen de leden niet gerechtelijk worden vervolgd.
De besluiten zelven moeten zooveel mogelijk het wezenlijk gevoelen
van den raad uitdrukken. Vandaar dat, wanneer niet de grootste helft
van het aantal leden, waaruit de raad volgens de wet moet zijn
samengesteld, aanwezig is, van beraadslagen of besluit nemen geen
sprake kan zijn.
In dit geval wordt eene nieuwe vergadering belegd, en doet zich
daarin opnieuw hetzelfde verschijnsel voor, als dan ten derde male;
en in deze laatste vergadering kunnen met de aanwezige leden de
zaken worden behandeld en afgedaan. Men stemt over de meeste
zaken mondeling. De volstrekte meerderheid, dat wil zeggen de
grootste helft, is voor het nemen van een besluit noodig. Staken de
stemmen, met andere woorden, zijn er evenveel vóor- als tegenstem-
mers, dan wordt in eene volgende vergadering nog eenmaal gestemd,
en heeft dan weder hetzelfde plaats, dan staat de staking van stern-
men met eene verwerping gelijk.
Alleen wanneer een keuze of voordracht van personen moet ge-
6chieden, stemt men met briefjes, ongeteekend en gesloten (b.v.
dichtgevouwen). Heeft nu in zoodanig geval staking van stemmen
plaats, dan moet het lot beslissen.
Nog andere voorschriften zijn omtrent de wijze van werken van
den raad in de wet vervat; doch waar de wet zwijgt, kan de raad
zelf daaromtrent bijzondere bepalingen vaststellen. Het daarvan opge-
maakte besluit noemt men het reglement van orde.
Hoe noodig het ook zij, dat de leden van den gemeenteraad uit de
beschaafde en verstandige burgers worden gekozen, het is toch on-
mogelijk dat zij allen kennis bezitten van alle gemeentelijke belangen
en van de geheele wetgeving. Een zoogenaamd werkman zal b.v.
moeilijk over het maken van strafverordeningen kunnen oordeelen.
Moet men daarom den werkman uitsluiten? Zeker niet, want de
werkman zal een verstandigen raad kunnen geven, waar derechtsge-
leerde geheel onwetend is. Intusschen heeft de wet getracht te voor-
zien in de moeilijkheid, die zou kunnen ontstaan, door de verplichting
om een besluit te nemen over zaken, waaromtrent de kennis der
leden onvoldoende is. Dan is het zeer gewenscht dat vooraf door de
deskundigen een onderzoek geschiede en door dezen hunne meening
omtrent het voorstel aan de overigen kenbaar worde gemaakt. De
raad heeft daarom de bevoegdheid om vaste commissiën uit deleden
-ocr page 25-
23
te belasten met de voorbereiding van hetgeen waarover een besluit
moet worden genomen, en tevens, doch dit alleen op voordracht van
burgemeester en wethouders, aan vaste commissiën uit de leden op
te dragen, om het dagelijksch bestuur, en dit zijn juist burgemeester
en wethouders, in het beheer van bepaalde takken van de huishou-
ding der gemeente bij te staan (zoogenaamde commissiën van bijstand).
Van deze laatste is de burgemeester of een der wethouders altijd
voorzitter.
Zoo vindt men in sommige gemeenten commissiën voor de gelde-
lijke aangelegenheden, voor de strafverordeningen, enz.
Wij merkten op dat hier sprake is van vaste commissiën. De regelen
voor het benoemen van andere commissiën, tot uitvoering van een
bijzonderen last, worden door den raad zelf bij het reglement van
orde vastgesteld.
Het lidmaatschap van den raad is eene onbezoldigde betrekking;
terecht, want zucht naar wezenlijk geldelijk voordeel mag geen gewicht
in de schaal leggen bij het al of niet aanvaarden van openbare bedie-
ningen van dien aard. Bovendien, hoe meer onafhankelijke personen
hoe beter. Toch mogen anderen niet worden uitgesloten omdat de tijd
voor hen te kostbaar is en brengt de billijkheid soms het toeleggen
eener schadevergoeding mede. De wet heeft echter niet gewild dat in
dit opzicht verschil zou bestaan, en wanneer de raad dit zoo bepaalt
genieten daarom de leden, zonder onderscheid, een zoogenaamd pre-
sentiegeld voor de zittingen die zij werkelijk hebben bijgewoond, als
tegemoetkoming voor het verlies van den tijd, in het belang der
publieke zaak besteed.
VIL
Het zou volstrekt onmogelijk wezen, den gemeenteraad steeds te
doen vergaderen, steeds werkzaam te doen zijn, en toch moet er een
schier voortdurende werkkracht wezen, die de zaken gaande houdt,
die beheer voert en kleine dingen regelt. De wet heeft dien bijzon-
deren werkkring opgedragen aan het zoogenaamde dagelijksch be-
stuur, dat gevormd wordt door den burgemeester met twee of meer
leden van den raad, die den titel van wethouder dragen.
Dat zulk een dagelijksch beheer volkomen onmisbaar is, blijkt
terstond, wanneer men opmerkt wat de wet bijzonder aan burge-
meester en wethouders opdraagt. Het is voldoende, er op te wijzen
dat het dagelijksch bestuur belast is met het uitvoeren der gemeente»
lijke verordeningen, die de raad heeft vastgesteld; het houden van
-ocr page 26-
24
toezicht over de administratie van den gemeente-ontvanger en op het
beheer en het onderhoud van alle plaatselijke werken en eigendommen,
de brandbluschmiddelen, enz.; het benoemen en ontslaan van ambte-
naren ter secretarie en van wijk- en brandmeester, enz. Verder wordt
al hetgeen ter overweging en beslissing in den raad wordt gebracht,
door het dagelijksch bestuur voorbereid. Immers, de leden van den
raad mogen wel uit eigenhoofde voorstellen doen, van welken aard
ook, of, zooals men het uitdrukt, zij hebben wel het recht van
initiatief, maar de regel is natuurlijk dat de meeste voorstellen,
inzonderheid de ontwerpen der eigenlijke gemeentelijke wetten of
plaatselijke verordeningen, uitgaan van burgemeester en wethouders.
Het is volstrekt geen vereischte dat die ontwerpen of de voorstellen
der raadsleden onveranderd worden goedgekeurd of wel verworpen.
Elk lid van den raad heeft het recht om veranderingen of bijvoe-
gingen voor te dragen, waarover dan op de gewone wijze wordt be-
slist. Zulk een voorstel tot wijziging eener gedane voordracht noemt
men een amendement.
Het minste getal wethouders (in gemeenten van niet meer dan
twintigduizend zielen) bedraagt twee, het hoogste (in de overige
gemeenten) drie of vier. De helft hunner treedt om de drie jaren af.
In welke volgorde die aftreding plaats heeft, bepaalt het lot. Intus-
schen zijn ook hier de aftredenden dadelijk herkiesbaar. Op den
eersten Dinsdag in September in de jaren 1893, 1896, 1899, enz.
heeft door en uit de leden van den raad, de gewone verkiezing
plaats van wethouders, die met dien dag hunne zesjarige bediening
neerleggen.
In vele gemeenten worden bijzondere af deelingen der werkzaam-
heden, die het voortdurend toezicht van éen bepaald deskundige
vereischen, dan ook aan bepaalde wethouders opgedragen; zoo heeft
men b.v. een wethouder voor het onderwijs, een ander voor de
openbare werken, een ander voor de geldmiddelen, een ander voor
den burgerlijken stand.
Dit laatste punt vereischt eenige toelichting, Volgens de burgerlijke
wet bestaan in elke gemeente registers, die voortdurend worden bij-
gehouden en waaruit met grooto zekerheid blijkt van alle plaats
hebbende geboorten, huwelijken, echtscheidingen en sterfgevalion en
van alle bijzonderheden welke daarop betrekking hebbon. Deze nuttige
instelling, welke wij nog aan de Fransche overheersching te danken
-ocr page 27-
25
hebben, levert zooveel zekerheid en gemak op, dat zij wel onmisbaar
kan worden genoemd en er zeker de meest mogelijke zorg aan behoort
te worden besteed. De ambtenaar nu, die met het bijhouden dezer
belangrijke registers wordt belast, en die, ofschoon de taak zelf feite-
lijk meestal door anderen wordt waargenomen, daarvoor verantwoor-
delijk is, noemt men ambtenaar van den burgerlijken stand. Hij wordt
door den gemeenteraad benoemd en uit de leden gekozen. De burge-
meester echter, ofschoon geen lid van den raad zijnde, is toch in deze
betrekking altijd benoembaar. Meestal wordt dan ook de burgemeester
of een der wethouders voor de taak aangewezen.
Hoe gewichtig de werkkring van den gemeenteraad ook zijn moge,
hij is ondergeschikt aan de hoogere wetgevende machten; bovendien
moeten zijne besluiten aan het openbaar belang bevorderlijk wezen
en mogen geenszins, in strijd met het algemeen, een bijzonder belang
op den voorgrond stellen. Voor de handhaving van dit beginsel waakt
de burgemeester, die elk door den raad genomen besluit, dat hij
stiijdig acht met Rijks- of provinciale wetten of met het algemeen
belang, niet ten uitvoer brengt, maar aan den Koning tot schorsing
(tijdelijke buiten werking stelling) of vernietiging voordraagt. De
Gedeputeerde Staten der provincie zijn verplicht den Koning daar-
omtrent van raad te dienen, en wanneer na dertig dagen, volgende
op de kennisgeving van het voorgevallene door den burgemeester aan
Gedeputeerde Staten, geene schorsing of vernietiging door den Koning
is bevolen, moet het besluit van den raad worden ten uitvoer gelegd.
Tot de bevoegdheden van den raad behoort mede het benoemen
en bezoldigen van gemeente-ambtenaren; doch ook dit punt vereischt
eenige toelichting.
De burgemeester is in den eigenlijken zin des woords geen ambte-
naar der gemeente. Zijne bezoldiging wordt onder goedkeuring des
Konings door Gedeputeerde Staten der provincie vastgesteld, maar
komt ten laste der gemeentekas. De raad wordt er over gehoord.
Is er in de gemeente een commissaris van politie, dan wordt deze
door den Koning benoemd en ontslagen. Zijne bezoldiging, door den
Koning geregeld, wordt mede door de gemeente betaald.
De wethouders die, als raadsleden, evenmin gemeente-ambtenaren
4
-ocr page 28-
26
zijn, genieten uit de gemeentekas eene jaar-wedde, die door Gedepu-
teerde Staten onder goedkeuring des Konings wordt vastgesteld en
die zij voor de helft ontvangen als vast inkomen en voor het overige
als presentiegeld, naarmate zij de vergaderingen van het dagelijksch
bestuur bijwonen, en dus op dezelfde wijze als de leden van den
gemeenteraad.
De dienaren van politie, onder welke benaming deze dan ook voor-
komen, worden door den burgemeester aangesteld, de gemeenteveld-
wacht op het platteland door den Commissaris des Konings in de
provincie. De gemeente draagt alweder de bezoldiging, die door den
raad wordt vastgesteld.
Gemeente-ambtenaren, welke niet alleen uit de gemeentekas wor-
den betaald, maar die ook bepaaldelijk door den raad worden be-
noemd en ontslagen, zijn vooral de secretaris en de ontvanger, en
verder de ambtenaren bij de gemeente-administratie, de raadsboden,
de onderwijzers bij de gemeente-scholen, de gemeente-geneesheeren.
Hun traktement wordt mede door den raad vastgesteld, behalve dat
van den secretaris en den ontvanger, hetwelk door Gedeputeerde
Staten wordt bepaald.
Ook is de raad soms geroepen om te voorzien in de vervulling
van andere bedieningen, waarvan de bekleeders niet zoozeer als
ambtenaren kunnen worden aangemerkt, omdat zij minder in dienst
der gemeente staan, zooals de leden van het burgerlijk armbestuur
en van de plaatselijke schoolcommissiën.
Over twee der bovengemelde ambtenaren dient nog iets naders te
worden gezegd: den secretaris en den ontvanger. De eerste voert,
met uitzondering van de geldelijke aangelegenheden, bijna het geheele
beheer der gemeente en van alles wat door de Rijkswetten aan de
zorg der gemeentebesturen is toevertrouwd. De ontvanger voert
bepaald de geldelijke administratie, onder bijzonder toezicht van
burgemeester en wethouders. Hij is verplicht om, tot zekerheid van
zijn beheer, een zakelijken borgtocht te stellen, hetzij hijzelf zijne
goederen verbinde, hetzij een ander dat te zijnen behoeve doe. Onder
zakelijke borgtochten verstaat men vooral het stellen van hypotheek
op onroerende zaken en het verbinden van kapitalen ingeschreven op het
grootboek der nationale schuld. In de gemeenten waar de ontvangst ge-
ring en de bezoldiging laag is, kan onder goedkeuring van Gedeputeerde
Staten genoegen worden genomen met een persoonlijken borgtocht»
-ocr page 29-
27
die hierin bestaat, dat een ander zich in het algemeen verbindt om
de geldelijke verplichtingen van den ontvanger na te komen, wan-
neer deze zelf in gebreke is.
Ook de burgemeester eener gemeente kan tot secretaris dierzelfde
gemeente worden benoemd, en bovendien kan dezelfde persoon bur-
gemeester, secretaris of ontvanger van meer dan éene gemeente zijn,
althans wanneer de bevolking van elk dier gemeenten niet meer dan
vijfduizend zielen bedraagt, de gemeenten aan elkaar grenzen en te
zamen niet meer dan tienduizend zielen bevatten.
De betrekkingen van secretaris en ontvanger derzelfde gemeente
kunnen niet door denzelfden persoon worden bekleed, dan alleen in
gemeenten van niet meer dan vijfduizend zielen en mits de secretaris
niet tevens burgemeester zij, daar deze, als lid van het dagelijksch
bestuur, op de gemeente-administratie toezicht houdt.
Het is juist het geldelijk beheer, dat het nauwst tot de gemeente-
lijke huishouding in betrekking staat. Zij heeft hare inkomsten en
uitgaven en zij heeft vaste regelen daarvoor, in hoofdzaak door de wet
bepaald. Wij merkten reeds op, dat de gemeente ook eigen bezittingen
kan hebben, die, b. v. door verhuring of belegging, rente kunnen op-
leveren, doch geen enkele gemeente kan daardoor alleen in haar
onderhoud voorzien. Trouwens, al ware dit zoo, dan nog zou de
administratie niet zoo heel eenvoudig zijn en toch eene nadere be-
schouwing ten volle verdienen, met het oog op de talrijke en onder-
scheidene uitgaven.
Bij die beschouwing zullen wij al dadelijk opmerken, dat het niet
alleen de gemeente-ontvanger is, wiens bemoeiingen in deze zaak zijn
betrokken.
vni.
Het is alweer de gemeenteraad, die, met burgemeester en
wethouders, op de inkomsten en uitgaven der gemeente rechtstreeks
den meesten invloed uitoefent en die eigenlijk geheel regelt.
Nimmer is het met volkomen zekerheid te zeggen, welke de inkom-
sten en uitgaven der gemeente in een volgend jaar zullen zijn, maar
de wet heeft toch gewild dat men die te voren zoo na mogelijk zal
bepalen, om alle willekeur en wanbeheer te voorkomen. Dit geschiedt
door het maken eener raming of zoogenaamde begrooting, welke vier
maanden vóór den aanvang van een nieuw jaar door burgemeester
en wethouders wordt opgemaakt en den raad aangeboden.
-ocr page 30-
Op die begrooting komen natuurlijk ife de eerste plaats de te ver-
wachten ontvangsten voor, en daarom hebben wij thans gelegenheid
om even een overzicht te geven van hetgeen in de kas der gemeente
vloeit of kan vloeien. Een oningewijde zou allicht denken dat, daar de
gemeente een onderdeel van den Staat is, deze laatste aan elke ge-
meente slechts heeft uit te keeren wat zij noodig heeft. Wij willen
nu niet onderzoeken of dit denkbeeld ook geheel voor uitvoering
vatbaar zou wezen. Gedeeltelijk stemt het met de werkelijkheid over.
een; doch over het algemeen moeten de gemeenten in haar eigen
onderhoud voorzien, en bij de gemeentewet is geregeld op welke wijze
dit geschiedt.
Behalve de inkomsten uit eigen bezittingen, wordt, hetgeen de
gemeente behoeft, hoofdzakelijk gevonden uit zoogenaamde plaatse-
lijke belastingen, die voor een groot deel in verband staan met de
Rijksbelastingen.
Onder de voornaamste Rijksbelastingen rekent men: de grondbe-
lasting en de personeele belasting, die wij bij een overzicht van de
belastingheffingen in het algemeen nog wel eens zullen ontmoeten.
De opbrengst der personeele belasting nu komt, sinds de afschaf-
fing der plaatselijke accijnzen, voor het grootste deel aan degemeen-
ten, want deze kunnen over viervijfde gedeelten van de opbrengst
daarvan beschikken.
Verder mogen zij heffen veertig opcenten, dat wil zeggen veer-
tig percent, van de hoofdsom (de eigenlijke belasting) der grond-
belasting van gebouwen en tien opcenten van de hoofdsom der grond-
belasting van landerijen enz., benevens een onbepaald aantal opcenten
op de hoofdsom der reeds genoemde personeele belasting, die het Rijk
in de gemeente heft. Deze laatste opcenten bedragen in sommige ge-
meenten meer dan honderd.
Eindelijk kunnen, behalve eenige kleine heffingen, zooals honden-
belasting en vergunningsrechten, ook nog zoogenaamde hoofdelijke
omslagen of andere plaatselijke directe belastingen worden ingesteld,
die daarin bestaan, dat de belastingschuldige ingezetenen, in evenre-
digheid van hun draagkracht, eene zekere som in de gemeentekas
storten.
In den laatsten tijd verkeeren de geldmiddelen van onderscheidene
gemeenten in vrij treurigen toestand, en het is zeer noodig daarin
eone andere regeling te brengen. Van de genoemde bronnen van in-
komst is wat de gemeente van hot personeel trekt verweg de voor-
naamste, en hieruit volgt, dat in plaatsen waar weinig of geene
vermogende lieden wonen, waar men zeer eenvoudig leeft en waar
-ocr page 31-
29
dus de personeele belasting (zooals men weet eene belasting op huur-
waarde, deuren, vensters, haardsteden, mobilair, enz.) weinig oplevert
en ook niet veel door middel van hoofdelijke omslagen kan worden
verkregen, de kunst om rond te komen niet altijd zoo gemakkelijk
te beoefenen is, zelfs niet, wat nu juist niet overal het geval is,\'waar
men de tering naar de nering weet te zetten.
Toen in 1865 de zoogenaamde accijnzen of belastingen op artikelen
van verbruik als gemeentebelastingen werden afgeschaft, moesten de
gemeenten daarvoor eene vergoeding hebben. De afschaffing zelvo
was zeer toe te juichen, want alle accijnzen geven aanleiding tot den
onzedelijken smokkelhandel en maken de levensbehoeften duurderi
meest ten nadeele der lagere volksklassen, waar men bij kleinere hoe-
veelheden koopt. Maar de gemeenten konden die bron niet missen en
men gaf ze een aandeel in de opbrengst der personeele belasting.
Echter werd hierdoor slechts een deel der gemeenten gebaat. Immers,
in de eene gemeente wordt in verhouding tot het gezamenlijk bedrag
der belastingen veel personeel opgebracht, in de andere weinig; waar
weinig opgebracht wordt ontvangt de gemeente ook minder en toch
wordt wellicht in diezelfde gemeente zeer veel opgebracht aangrond-
belasting, waardoor de gemeentekas echter minder gebaat wordt. Som-
migen willen dan ook het bedrag, dat het Rijk aan de gemeente uit-
keert, niet hoofdzakelijk afhankelijk stellen van do opbrengst van het
personeel alleen, maar ook een grooter aandeel in de opbrengst der
grondbelasting toekennen.
Bovendien acht men het wenschelijk, de invoering van nog meer
bijzondere plaatselijke belastingen mogelijk te maken, en als zoodanig
worden meestal genoemd: de vermogensbelasting, de verterings-
belasting, de bedrijfsbelasting en het debietrecht.
De hoofdelijke omslag of plaatselijke directe belasting, welke thans
in de gemeentewet is toegelaten, neemt veelal den vorm aan eener
bepaalde inkomstenbelasting, dat wil zeggen, men betaalt eon zeker
percent van zijn werkelijk inkomen. Maar er is veel getwist over de
vraag, aan welke belasting de voorkeur moet worden gegeven: aan
die naar het werkelijk inkomen of aan die naar het werkelijk ver-
mogen, en daarom zou men dan de gemeente tusschen die beide
soorten een keus willen laten doen.
Wat eon vex\'teringsbelasting is begrijpt men gemakkelijk, wanneer
wij opmerken, dat tot die soort de personeele belasting gerekond
wordt. Deze heffing is er dus eene naar den uitwendigen staat, den
uiterlijken schijn en, wij mogen er wel bijvoegen, wat men, althans
bij de personeole belasting, daaronder ten onrechte verstaat. Immera
-ocr page 32-
30
door b. v. huurwaarde, deuren, vensters en haardsteden te belasten,
belast men met den uiterlijken staat tevens lucht en licht en andere
noodwendigheden, en verder datgene wat noodzakelijk is om het
hoofd te bieden aan de eischen van den tijd en de mededinging. Om
die reden en andere dergelijke bestaan tegen alle verteringsbelastin-
gen gegronde bedenkingen.
Ook tegen de bedrijfsbelasting bestaan ernstige bezwaren. Men
verstaat hieronder vooral eene belasting op ondernemingen van handel
en nijverheid, uitgeoefend in winkels, fabrieken, werkplaatsen, kan-
toren en magazijnen binnen de gemeente; maar zoowel in deze als
in de verteringsbelasting kan men gemakkelijk, en dit is dan ook
veelal een hoofddoel van die heffingen, hen aanslaan, die in de ge-
meente het belastbaar bedrijf uitoefenen, zonder er werkelijk te wonen.
Dit is een gevaarlijk beginsel, want zoo gaat de eene gemeente
feitelijk belasting heffen van de inwoners van andere gemeenten.
Bovendien houdt men, zooals gewoonlijk, te weinig de eenheid van
belangen en den nauwen samenhang der dingen in het oog. Men
zegt: het is billijk dat de gemeente, die zich bijzondere uitgaven voor
handel en nijverheid getroost, ook hen in de lasten aanslaat die,
ofschoon elders wonende, daarvan mede genieten. Maar ook deze
redeneering kan niet geheel opgaan, want wat de gemeente schijnbaar
ten gerieve van handel en nijverheid alleen doet, is niet minder in
het belang van het algemeen, en nooit is het juist uit te maken, wie
er door gebaat worden en in hoever; terwijl het ook volstrekt onbe-
wijsbaar is dat de uitwonende handelaar van de voordeelen geniet
zonder wederkeerig de gemeente te bevoordeelen.
Debietrechten hebben het doel om sommige gemeenten in de ge-
legenheid te stellen, meer voordeel te trekken van het vreemdelingen-
bezoek. Juist daarom is ook deze belasting bedenkelijk, daar men,
door ze te heffen, de beteekenis van het vreemdelingenbezoek mis-
kent. Het is onbetwist dat de stroom van vreemdelingen, die ons
land bezoekt, door het verbruik van eene verbazende hoeveelheid spijs en
drank en den aankoop van allerlei zaken, de inkomsten van het volk
zeer verhoogt. En zal men nu zeggen: „er valt van die vreemdelingen nog
meer te trekken; laten wij halen wat wij kunnen ?" Dit zou zijn de be-
kende spreuk toepassen, dat men de belastingschuldigen moet knijpen
zoolang ze niet schreeuwen, maar het zou tevens wezen onbillijk en on-
practisch. Men rekent den vreemdeling voor zijn verblijf en zijne verte-
ringen wat men maar eenigszins kan. De meeste artikelen zijn bovendien
reeds belast. Wijn, bier, suiker en vleesch zijn belast. Gedistilleerd is
zwaar belast. De verkoop in het klein van sterken drank is belast.
-ocr page 33-
31
Nu zou de gemeente nog eens gaan belasten den verkoop in het klein
van artikelen als tabak en sigaren, bier, limonade, enz. Maar daar-
door zullen dan toch ook de ingezetenen worden getroffen, en deze
zullen meestal betalen van hetgeen reeds door andere Rijks» en ge-
meentebelastingen is bezwaard.
Alleen de inkomstenbelasting is werkelijk te verdedigen, omdat in
deze elk zooveel mogelijk in de kosten der huishouding kan bijdragen
naai\' gelang van zijne draagkracht.
Bij de bespreking der algemeene Rijksbelastingen vinden wij
wellicht nog gelegenheid om op dit punt terug te komen. Wij mogen
ons thans geene verdere uitweiding veroorloven, daar het eigenlijk de
begrooting van ontvangsten en uitgaven is, die ons bezighoudt.
Wij hebben met het bovenstaande de ontvangsten op de gemeente-
begrooting of zoogenaamde baten overzien en keeren dus nu het
blaadje om.
IX.
Wat de begrooting der uitgaven bevat behoeft nauwlijks vermel-
ding, ofschoon de gemeentewet het in alle bijzonderheden opnoemt,
om daardoor uit te maken wat op de raming moet voorkomen,
hoewel nog vele andere uitgaven, in de wet niet vermeld, noodig
zijn. Worden, tengevolge der algemeene wetten van het Rijk, aan de
gemeente uitgaven opgelegd, dan moet ook daarvoor een post worden
uitgetrokken, en wanneer de raad dit niet doet, dan geschiedt het
door Gedeputeerde Staten der provincie, want de begrooting is aan
de goedkeuring van dit lichaam onderworpen.
Welke kracht heeft eene begrooting? Moet er juist worden uitge*
geven wat er op vermeld is? Natuurlijk niet. Maar mag men meer
uitgeven; mag de begrooting worden overschreden ?
De wet geeft op die vraag het antwoord. Buiten de begrooting
kan geene uitgaaf geschieden dan met machtiging van Gedeputeerde
Staten. Slechts in buitengewone gevallen van dringenden spoed kan
de raad tot zulke uitgaven besluiten, mits terstond de zaak zelve en
de reden waarom zoo gehandeld is aan Gedeputeerde Staten worden
medegedeeld, met aanduiding van den post van ontvangsten, waaruit
de hoogere uitgaaf moet worden gevonden. Bijzondere uitgaven, welke
bestreden worden uit posten, die blijken niet noodig te zijn, of uit
den post voor onvoorziene uitgaven, die altijd op de begrooting moet
voorkomen, hebben trouwens dikwijls plaats. Er geschiedt dan op de
begrooting afschrijving van posten of overschrijving van den eenen
post op den. anderen. Dit kan echter niet of er moet machtiging toe
-ocr page 34-
32
verleend zijn bij de begrooting zelve of bij een afzonderlijk raads-
besluit, dat door Gedeputeerde Staten moet worden goedgekeurd; en
om de af- en overschrijving, waartoe bij de begrooting machtiging is
verleend, te doen plaats hebben, behoeven burgemeester en wethou-
ders, die de begrooting feitelijk uitvoeren, in ieder geval toestemming
van den raad.
Bij de begrooting worden de inkomsten en uitgaven dus slechts
geraamd, maar het dagelijksch bestuur moet van de werkelijke ont-
vangsten en uitgaven wel degelijk rekening en verantwoording doen.
Intusschen is de gemeente-ontvanger belast met de invordering van
alle baten en het doen van alle betalingen. Deze betalingen geschie-
den op bevelschriften of zoogenaamde mandaten, geteekend door den
voorzitter van het college van burgemeester en wethouders, met éen
der wethouders. Door den ontvanger wordt jaarlijks rekening gedaan
aan het dagelijksch bestuur, dat van zijne zijde, binnen zeven maan-
den na afloop van elk dienstjaar, rekening en verantwoording doet
aan den raad. Zij ligt voor het publiek ter lezing en wordt algemeen
verkrijgbaar gesteld. Zij wordt door den raad onderzocht en voorloo-
pig vastgesteld, maar moet daarna door Gedeputeerde Staten voorgoed
(definitief) worden vastgesteld, en door deze vaststelling worden-
gemeente-ontvanger en burgemeester en wethouders van hunne ver
antwoording over het vorige dienstjaar ontheven (gedechargeerd).
In den loop onzer schetsen van de gemeentelijke huishouding zien
wij zoo telkens eene hoogere macht of hoogere machten overdeaan-
gelegenheden der gemeente beslissen, een noodzakelijke maatregel
voor den geregelden en ongestoorden gang van zaken. Onder die
hoogere machten nemen de Gedeputeerde Staten der provincie eene
voorname plaats in, en eene afzonderlijke afdeeling van de gemeente-
wet is dan ook gewijd aan de besluiten der gemeentebesturen, die
aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten onderworpen zijn.
Hiertoe behooren vooral: het aangaan van geldleeningen, het als
eigenares beschikken over de voornaamste eigendommen der gemeente,
het aanvaarden van legaten of schenkingen, het onderhands verhuren
of in gebruik geven van gemeente- eigendommen en aanbesteden van
werken of leverantiën en het voeren van rechtsgedingen. De weige-
ring van Gedeputeerde Staten, om een besluit goed te keuren, is in
hooger beroep aan de uitspraak des Konings onderworpen. Dat de
gemeentelijke begrootingen van inkomsten en uitgaven mede de
goedkeuring der Staten behoeven, hebben wij reeds opgemerkt. Ook
het invoeren, wijzigen of afschaffen van plaatselijke belastingen ver-
-ocr page 35-
33
eischt de tusschenkomst der Staten, die de daartoe strekkende be.
Bluiten der gemeentebesturen aan den Koning ter goed- of afkeuring
voordragen. Wij zien uit een en ander, dat de provinciale besturen
in het beheer van de financiën der gemeente vooral zeer nauw be-
trokken zijn.
Overal zien wij er de bewijzen van, dat het bestuur der gemeente
aan de hoogere en algemeene wetgeving onderworpen is. De Rijks-
wetten verplichten haar om onderscheidene jnstellingen of inrichtin-
gen te hebben, die nu eens betrekking hebben op het zedelijk doel
van den Staat, dan weer op het stoffelijk belang der maatschappij.
Zoo zouden wij hier al dadelijk gelegenheid hebben om te spreken
over het onderwijs. Maar het onderwijs wordt meer in het bijzonder
als eene Rijkszaak beschouwd en bij een later overzicht van het Hij ks-
bestuur is die bespreking dus meer op haar plaats.
Als het ware naast de plaatsen, wraar de jeugd voor het maatschap-
pclijk en daardoor ook voor het staatsburgerlijk leven wordt opgeleid,
vinden wij de inrichtingen ten behoeve van hen die, door het gemis
eener voldoende maatschappelijke stelling, van het staatsburgerlijk
leven grootendeels zijn uitgesloten. Wij bedoelen die van weldadigheid.
liet bestaan eener klasse van armen, het zoogenaamd pauperisme,
schijnt wel onafscheidelijk aan het bestaan van eiken Staat verbonden
te zijn. Nevens hen, die moedwillig of door onachtzaamheid lijden,
zullen wel steeds slachtoffers van het ongeluk en van minder gunstige
maatschappelijke toestanden gevonden worden. In ons vaderland was
liefdadigheid steeds een hoofdtrek der burgers, maar de Staat schoot
wel eens in zijn taak te kort, en terecht schreef dan ook de staats-
regeling van 1798 voor, dat het vertegenwoordigend lichaam het arm-
bestuur over de geheele republiek zou regelen. Toch hebben wij voor
1854 geen wezenlijke arm wet gehad. De grondwet van 1848 schreef
voor, dat het armbestuur een onderwerp van de aanhoudende zorg
der regeering zou zijn en door eene wet moest worden geregeld. Deze
is daarna, den 28 Juni 1854, tot stand gekomen en bij eene latere
wet van 1 Juni 1870 gewijzigd. Deze wetten regelen in hoofdzaak
de zoogenaamde burgerlijke armbesturen, die door de gemeenten,
althans hoofdzakelijk door de gemeenten, worden opgericht.
De geest en het beginsel der armwet zijn deze: de arm verzorging
in het algemeen moet worden overgelaten aan kerkelijke en bijzon»
dere instellingen; het burgerlijk armbestuur ie tot leniging der armoede
5
-ocr page 36-
34
geroepen, waar van kerkelijke of particuliere zijde geen onderstand
te bekomen is.
Er bestaan ook wel andere dan gemeentelijke instellingen van arm-
Terzorging, maar de gemeentelijke armbesturen treft men alom aan.
Somtijds zijn deze van gemengden aard, dat wil zeggen: gedeeltelijk
beheerd door de gemeente, gedeeltelijk door de kerk of bijzondere
personen; op deze en op de zuiver burgerlijke is de wet vooral toe.
passelijk.
De Regeering doet jaarlijks van den toestand van het armwezen
en hare werkzaamheden op dit gebied een verslag aan de Staten-
Generaal; daarom moeten de besturen van alle instellingen van wel-
dadigheid van hunne zijde de noodige opgaven aan den Minister van
Binnenlandsche Zaken doen. De kerkelijke en particuliere instellingen,
die veelal door de openbare liefdadigheid in staat gesteld worden
om hare taak naar eisch te vervullen, zijn ten gerieve der ingezetenen
beperkt in de vrijheid tot het houden van openbare collecten, enz.,
die niet mogen plaats hebben dan na kennisgeving aan het gemeen-
tebestunr, dat zelfs, behoudens beroep op den Koning, de inzameling
kan stuiten. Alleen collecten in de kerken en die voor instellingen
eener kerkelijke inrichting, enkel aan de huizen der lidmaten van
het kerkgenootschap, zijn geheel vrij.
De burgerlijke armbesturen worden door den raad der gemeente
benoemd en zijn aan dezen rekenplichtig. Die besturen hebben soms
bepaalde afgezonderde fondsen te hunner beschikking; anders komen
de uitgaven, als alle andere kosten der gemeente, ten laste der gewone
begrooting. Voor vele gemeenten is het armbeheer een drukkende
last, die een betere regeling van het inkomen mede zeer wenschelijk
maakt. Er is echter voor sommige een tijd van zwaarder druk ge-
vreest,
toen de kosten van verpleging van eenen arme, door eenege-
meente, teruggegeven werden door die waar de arme zijn wettige woon-
plaats (domicilie van onderstand) had. Zeer vele armen, in de
groote steden aan het armbestuur vervallen, bleven voortdurend
ten laste van het platteland. Thans blijven de kosten der verpleging
van eenen arme, die ergens wordt bedeeld, ten laste van die gemeente
en teruggaaf (restitutie) heeft niet meer plaats.
In de besturen der gemengde instellingen van weldadigheid wordt
ook ten deele door de gemeente voorzien.
De beschikbare gelden van alle burgerlijke en gemengde instellin-
gen worden op eene door de wet aangewezen wijze belegd, en de
machtiging van Gedeputeerde Staten voor de beschikking over de
goederen der instelling, is voor het bestuur een vereischte.
-ocr page 37-
35
Bedelarij en landlooperij zijn verboden en er bestaan bedelaarsge*
stichten, waarin zij, die deswege zijn veroordeeld, kunnen en soma
moeten worden overgebracht en waarin ook andere behoeftigen kun•
nen worden opgenomen.
Men verwarre vooral de instellingen van armenzorg niet met die tot
voorkoming van armoede. Het voorkomen van armoede is zeker veel
schooner taak dan het bedeelen, en rechtstreeks in het belang der
maatschappij. Onze vooronders droegen, veelal uit een godsdienstig
oogpunt, tot verval van maatschappelijke welvaart bij, door het stich-
ten van hofjes en dergelijke instellingen van een blijvend karakter
en met een eigen, afzonderlijk vermogen. De vrij algemeen bekende
maatschappij van weldadigheid levert een voorbeeld op eener parti-
culiere instelling van lateren tijd, en op gemeentelijk gebied kennen
wij vooral de werkinrichting en de bank-van-leening, welke laatste
voorschot geeft op roerend goed, tegen rente. Het is proefondervinde-
lijk bewezen, dat deze instelling de armoede eer verergert, daar niet
altijd in geval van behoefte geleend wordt, het leenen zelf niet goed-
koop kan zijn en bij gebreke van aflossing de verkoop der panden
steeds schadelijk is voor den eigenaar. Het ware, naar onze meening,
de taak der gemeentebesturen om langzamerhand dergelijke instel*
lingen van twijfelachtig nut te doen vervallen en vooral niet toe te
laten, dat banken van leening door particulieren onder een valschen
naam worden gehouden, zooals in den laatsten tijd in de groote
gemeenten op ergerlijke wijze plaats heeft.
X.
In den aanvang onzer schetsen hebben wij een en ander medege»
deeld omtrent de staatkundige geschiedenis en de wording van het
Rijk en merkten daarbij reeds op hoe,, meerendeels door toevallige
omstandigheden, de verdeeling van het land in provinciën, ook wel
gewesten genaamd, ontstaan is. Holland is bij de grondwet van 1848
in twee deelen: Noord- en Zuid-Holland, gesplitst, terwijl de provinciën
Brabant en Limburg hoofdzakelijk gevormd zijn uit de vroeger ver-
melde generaliteitslanden.
Vóór de laatste verandering in de grondwet (1887) werden daarin
de namen der elf provinciën opgenoemd en werd aan Limburg den
-ocr page 38-
3G
naam gegeven van hertogdom. Ook thans wordt dat gewest nog wel
eens zoo genoemd, doch ten onrechte. Toen op den 19 April 18;i9
België door onze Regeering als een onafhankelijk Rijk werd erkend,
werd een deel van het landschap Limburg, toen eene provincie van
het Vereenigd Koninkrijk, aan ons land toegewezen, doch met bepa-
ling dat de Koning over de oostelijke helft, die over de Maas aan de
zijde van Duitschland ligt, als hertog regeeren zou, en dat dit ooste-
lijk gedeelte zou behooren tot het toen bestaande verbond van Duit-
sche Staten. Aan dit oorspronkelijk plan is echter geen gevolg gegeven.
Limburg kwam, zooals het ons tegenwoordig toebehoort, geheel aan
Nederland, onder de regeering van Willem I als Koning, maar het
werd tevens bijna geheel in den Duitschen bond opgenomen, totdat
deze in 1866 ophield te bestaan. Het woord hertogdom heeft dus
alleen eene geschiedkundige beteekenis, niets meer.
Toen elk gewest nog een zelfstandig bestaan had, sprak het van
zelf, dat elk ook zijne bijzondere belangen telde en elke Regeering
voor die inwendige belangen zorg droeg. Toen de Bataafsche Re.
publiek, die boven alles éénheid en ondeelbaarheid (centralisatie)
voorstond, tot stand kwam, werden de afzonderlijke gewesten wel
opgeheven, maar de constitutie van 1806 keerde, door hare verdeeling
van het land in departementen, in hoofdzaak tot den ouden toestand
terug, daarin door de grondwet van 1814 gevolgd, in zooverre althans,
dat de afzonderlijke gewesten, wat het burgerlijk bestuur betreft,
bleven bestaan als hoofdverdeeling van het Rijk. Daar die toestand
nu reeds zoolang geduurd heeft, zijn dan ook steeds vele belangen
aan de bewoners van hetzelfde gewest gemeen en komen zij dikwijls
overeen in verschillende zaken, die hen van de bewoners van andere
gewesten onderscheiden. Vandaar dat het gewenscht is, de eenmaal
getrokken grenzen zooveel doenlijk te behouden.
Is er eene gegronde reden om van dit beginsel af te wijken, dan
laat de grondwet, zooals wij vroeger reeds opmerkten, toe, dat da
grenzen worden veranderd bij eene opzettelijk daarvoor te maken
Rijkswet. Zelfs kunnen provinciën, evenals gemeenten, worden ver*
eenigd en gesplitst en kunnen nieuwe worden gevormd. Mocht ooit
de drooglegging van een deel der Zuiderzee, zoolang reeds voorge-
nomen, inderdaad tot stand komen, dan zal dit laatste voorschrift dot
grondwet waarschijnlijk worden toegepast.
Toen de gewijzigde grondwet van 1848 de meerdere zelfstandig»
-ocr page 39-
37
heid der gewesten, wat het eigen bestuur betreft, duidelijk uitsprak,
werden daarbij eenige algemeene voorschriften voor dat bestuur
vastgesteld, doch werd tevens bepaald dat eene bijzondere wet, voor
dat cioel opzettelijk in het leven te roepen, de wijze moest regelen,
waarop het gezag en de macht van dat bestuur worden uitgeoefend.
Dit is dan ook geschied. De zoogenaamde provinciale wet is den 6
Juli 1850 tot stand gekomen en thans worden dus, zoowel in de
grondwet als in de provinciale wet, de regelen gevonden waarnaar
onze gewesten worden geregeerd.
Wat wij bij het overzicht der gemeentelijke aangelegenheden op-
merkten, geldt dikwijls ook voor de provinciën. Zóo b.v. is het ook
hier de Koning die regeert, daar immers het gewest slechts een deel
van het Rijk is; maar ook hier wordt het hoofd van den Staat
vertegenwoordigd door een commissaris, die de bevelen des Konings
uitvoert en met het toezicht over de handelingen der Provinciale
Staten belast is. Deze hooge ambtenaar, die werkelijk den titel van
Commissaris des Konings draagt, is voorzitter van de vergaderingen
der Staten van de provincie, die wij spoedig zullen ontmoeten, en hij
heeft de uitvoerende macht, wat ook hier weer beteekent dat, wat
de Staten besluiten, door hem werkelijk ten uitvoer wordt gelegd
of.... niet ten uitvoer gelegd; \'want de Koning heeft de bevoegd-
heid om de besluiten der Staten, die met de wet of het algemeen
belang strijden, te vernietigen of tijdelijk buiten werking te stellen.
Meent nu de Commissaris dat een dergelijk geval aanwezig is, dan
brengt hij het genomen besluit niet ten uitvoer, en neemt de zaak
vervolgens ongeveer denzelfden loop als ten aanzien van dergelijke
besluiten van den gemeenteraad, waarop wij vroeger hebben gewezen.
Mag men veilig aannemen dat elke provincie hare bijzondere, in-
wendige belangen zal hebben en dat hare bewoners inzonderheid
daarop het oog zullen vestigen, dan is het ook gewenscht dat elk
gewest zijne eigene vertegenwoordiging heeft, evenals dat bij de ge-
meenten wordt aangetroffen; en zóo is het ook inderdaad. Deze ver-
tegenwoordiging, welke in betrekking tot haren kring de wetgevende
macht uitoefent, noemt men: de Provinciale Staten. De leden van
dit lichaam worden voor zes jaren door de stemgerechtigde ingezetenen
-ocr page 40-
38
gekozen, terwijl de helft van hen om de drie jaren aftreedt. De wet
bepaalt waar de Stoten vergaderen, en daar woont ook de voorzitter,
daar worden de dagelij ksche werkzaamheden door de ambtenaren
verricht aan de zoogenaamde provinciale griffie.
Ook het aantal van hen, die in de Staten-vergadering zitting nemen,
is bepaald, met inachtneming van de sterkte der bevolking. Zoo wor-
den b. v. in Zuid-Holland tachtig leden gekozen, waarvan, zooals wij
opmerkten, de helft om de drie jaren aftreedt. Wordt nu dat groot
aantal personen door al de stemgerechtigden gekozen, met andere
woorden: moet elk kiezer veertig personen tegelijk op zijn stembiljet
invullen? Dit zou niet doelmatig wezen en waarschijnlijk de opkomst
der kiezers tegenwerken. Men heeft daarom in 1852, bij eene afzon-
derlijke wet, elke provincie in districten verdeeld en uitgemaakt
hoevele leden binnen eiken kring moeten worden aangewezen. Zóo
worden nergens meer dan zeventien leden tegelijk gekozen (te Am-
Bterdam), hetgeen trouwens meer dan genoeg is en de deelneming
aan de stemmingen zeker niet bevordert. In de andere districten is
het aantal veel minder.
De verdeeling der provinciën in kiesdistricten is tamelijk verouderd,
en het is hier en daar noodig geworden, tot eene betere regeling te
komen, want de ongelijkmatige toeneming der bevolking is oorzaak
dat de vóór veertig jaren aangenomen getallen in verhouding tot die
bevolking niet meer juist zijn ; terwijl de geheel gewijzigde middelen
van verkeer er het hunne toe bijdragen om verandering van de gren-
zen der districten wenschelijk te doen achten. Het betreft echter eene
kiesche en teedere zaak, daar men zoo gemakkelijk, door de distric-
ten zooals men het noemt te verknippen, of andere getallen aan te
nemen, ten gunste of ten nadoele van de eene of andere staatkundig»
partij werken kan.
Veel van hetgeen bij de bespreking der gemeentebelangen, met
betrekking tot de vereischten voor het lidmaatschap, is opgemerkt,
geldt ook voor de Staten. Hetzelfde kan gezegd worden van de met
het lidmaatschap der Staten onvereenigbare betrekkingen, van da
vergaderingen en stemmingen. Teneinde dus niet in herhalingen tt
treden, zullen wij deze punten hier niet in bijzonderheden besproken.
Er blijven genoeg belangrijke zaken over.
De gewone verkiezingen voor de leden der Staten hebben plaats op
den tweeden Dinsdag ia de maand Mei, en wel in 1892, 1895,189$,
-ocr page 41-
39
enz. Deze verkiezing is, bij de tegenwoordige regeling van ons Staata-
bestuur, in de hoogste mate belangrijk, omdat, zooals wij later meer
in bijzonderheden zullen opmerken, de leden van de Eerste Kamer
der Staten-Generaal door de Provinciale Staten worden afgevaardigd.
Deze laatste oefenen dus middellijk invloed uit op de wetgeving van
het Rijk en op de zaken der Regeering in het algemeen. Om die
reden noemt men dan ook de Provinciale Staten soms politieke of
staatkundige lichamen, en tot op zekere hoogte zijn ze dat. Toch
meenen wij er voor te moeten waarschuwen om daaraan veel betee-
kenis te hechten. Het is stellig zeker dat de Eerste Kamer veel
minder dan de Tweede Kamer een bepaald staatkundig karakter
draagt en dat zij veel minder invloed op den loop der Regeering
uitoefent. Bij de verkiezingen van leden voor de Gewestelijke Staten
schijnt het daarom verstandig, slechts in de tweede plaats te letten
op kleur of richting, en in de eerste plaats op algemeene kennis en
zin voor het practische. De Staten der gewesten vormen, aangewezen
als ze zijn om vooral de stoffelijke belangen, de welvaart van hun
gewest te bevorderen, een bij uitstek practisch lichaam. Allerlei nuttige
zaken van dadelijk belang te behartigen is hun allereerste plicht.
Trouwens, het ontbreekt dan ook in deze colleges niet aan bekwame
en degelijke mannen, en de kiezers schijnen tot nog toe over het
algemeen werkelijk te handelen in de richting die wij zoo even aan-
duidden.
XI.
Evenmin als de raad der gemeente steeds bijeen kan zijn, evenmin
kunnen het de Provinciale Staten. Ook voor het gewestelijk beheer
is daarom noodig een klein college, dat zich bepaaldelijk met de
dagelijksche leiding belast en met de voorbereiding van hetgeen in de
Statenvergadering wordt behandeld. De laatste benoemt daarom uit
haar midden een zeker aantal leden, namelijk in Drente vier en in
de overige gewesten zes, die den naam dragen van Gedeputeerde
Btaten en als zoodanig een bezoldigd ambt bekleeden.
De Commissaris des Konings is van beide Staten voorzitter, heeft
ïn de Provinciale Staten een raadgevende stem en brengt, evenals
«f hij lid ware, stem uit in de vergaderingen van Gedeputeerden,
waardoor, en dit is zeer gewenscht, in dit kleine college, het aantal
jtemmen in den regel oneven zal zijn.
De eigenlijke werkzaamheden der Provinciale Staten zijn, hoe ge-
%ichtig ook, betrekkelijk eenvoudig. Er worden jaarlijks twee gewone
-ocr page 42-
40
vergaderingen ehouden, die, met het oog op uen tiju waarin zrj
vallen: zomer- en najaarsvergaderingen worden genoemd. Buiten-
gewene bijeenkomsten hebben alleen plaats, wanneer de eene of
andere keuze, b. v. voor leden van de Eerste Kamer der Staten-
Generaal, moet worden gedaan, of de Koning het om bijzondere
redenen noodig oordeelt.
Al bepalen intusschen de werkzaamheden der Staten zich hoofd-
zakelijk tot het bijwonen, tweemaal \'s jaars, van vergaderingen, die
hoogstens eenige dagen duren, al zijn die werkzaamheden dus over
het algemeen zeer eenvoudig, ze zijn er niet minder gewichtig om.
In breede trekken zijn ze reeds bij de grondwet omschreven. Daar
is beslist, dat de Staten belast worden met de uitvoering der wetten
en Koninklijke besluiten, waaromtrent hun door de wet of door den
Koning die verplichting is opgelegd. Voorbeelden daarvan vindt men
in de aangelegenheden der gemeentelijke huishouding, van het onder-
wijs, van den waterstaat, enz.
De huishouding der provincie vereischt natuurlijk ook voorziening.
De kosten van het bestuur, voor zoover ze niet wezenlijk het gewest
zelf betreffen, komen ten laste van het Rijk. Zij worden elk jaar
begroot, aan den Koning voorgedragen en vervolgens gebracht op de
Staatsbegrooting.
Onder deze kosten rekent men b.v. de traktementen van den
Commissaris des Konings, van de leden der Gedeputeerde Staten,
van den griffier en van de ambtenaren, die onder dezen werkzaam
zijn, de kosten van het onderhoud der griffie en van de vergader-
lokalen, enz. De gebouwen, waarin de vergaderingen worden gehouden
en de bureaux zijn gevestigd, noemt men gewoonlijk het Gouverne-
ment, eene benaming die nog dagteekent uit den tijd toen de Com-
missaris des Konings in de provincie den titel van Gouverneur droeg.
Behalve de gemelde provinciale begrooting, wordt er nog eene
opgemaakt en aan de goedkeuring des Konings onderworpen, name-
lijk die van de ontvangsten en uitgaven, welke meer in de enge betee
kenis van het woord het gewest zelf betreffen. De wet noemt deze:
de begrooting der enkel provinciale en huishoudelijke inkomsten en
uitgaven.
De inkomsten van het gewest zijn uit den aard der zaak niet vele.
De wet bepaalt dat de door de Staten voorgedragen provinciale belas-
tingen, waartegen bij den Koning geene bedenking bestaat, bij een
ontwerp aan de bekrachtiging der wetgevende macht moeten worden
onderworpen. Die belastingen bestaan hoofdzakelijk uit opcenten op
de hoofdsom der grondbelasting van gebouwde en ongebouwde eigen»
-ocr page 43-
41
dommen, en op de hoofdsom der personeele belasting, sluis- en
tolgelden, enz., waarbij dan nog de inkomsten uit eigen bezittingen
moeten worden gevoegd, zooals b.v. verhuringen van eigendommen.
Bij de belastingheffing ten behoeve der provincie geldt als alge-
meene regel, dat accijnzen of belastingen op artikelen van verbruik
in geen geval mogen worden geheven.
Wat de uitgaven betreft, komen op de enkel provinciale en huis-
houdelijke begrooting onder anderen voor de kosten van het aanleg-
gen en onderhouden van wegen en andere openbare werken, die ten
laste van het gewest zijn, en van het onderhoud der provinciale
eigendommen; verder de renten en aflossingen van aangegane geld-
leeningen, die de provincie, wil zij zich door openbare werken krach-
tig in de richting van vooruitgang bewegen, nog al eens moet
aangaan; inzonderheid ook de kosten der verpleging van arme krank*
zinnigen. Dit laatste is noodig omdat, voorzoover niet op andere
wijze in de behoefte aan gestichten voorzien is, het bestuur der
provincie, hétzij afzonderlijk, hetzij in vereeniging met de besturen
van andere provinciën, krachtens de wet voor de oprichting en in-
standhouding van krankzinnigengestichten is aangewezen.
Ten slotte moeten op de begrooting alle andere uitgaven voor-
komen, die het belang van het gewest vordert of die tengevolge van
bijzondere wetten ten laste der provincie komen.
Handel, nijverheid en vertier te bevorderen, behoort tot de roeping van
het gewestelijk bestuur, dat daarom, in verband met het verbod om accijn-
zen te heffen, in het algemeen behoort te zorgen dat de doorvoer en de
uitvoer naar en de invoer uit andere provinciën niet worden belemmerd
en het recht heeft om de belangen der provincie en hare ingezetenen
bij den Koning en de Staten-Generaal voor te staan. Het houdt verder
toezicht op alle wateren, wegen, bruggen, waterwerken en water-
schappen en over alle verveningen; indijkingen, droogmakerijen en
mijnwerken, althans voor zoover niet op andere wijze een wettig
toezicht wordt uitgeoefend. De regeling wordt overgelaten aan den
provincialen wetgever, die b.v. bij zijne reglementen beslist, welke
wegen publieke wegen zijn, wie ze onderhouden moeten, enz., die
het aanleggen van tramwegen regelt, voorschriften maakt voor de
ondernemers van verveningen, enz. Hoever het toezicht zich uitstrekt
en op welke wijze het moet worden uitgeoefend, behoorde in onzen
tijd van veelvuldig en toenemend verkeer, wel bij eene Rijkswet
Tolgens algemeene beginselen te worden geregeld.
6
-ocr page 44-
42
Omtrent al de belangrijke aangelegenheden, die wij boven opnoem*
den, wordt in de vergaderingen der Provinciale Staten beraadslaagd
en boelist, zoo dikwijls het noodig blijkt daaromtrent de eene of
andere voorziening te treffen. Maar het dagelijksch bestuur, het col*
lege van Gedeputeerde Staten, dat om zoo te zeggen steeds werkzaam
is, bereidt ze voor, leidt ze en voert ze uit. Op welke wijse dit
geschiedt, wordt nader door de Provinciale Staten bij eene zooge-
naamde instructie vastgesteld.
En behalve dit, voeren Gedeputeerde Staten beheer overdeinkom-
sten en eigendommen der provincie, treden voor het gewest op bij
het voeren van rechtsgedingen (wat overigens op naam van den
Commissaris des Eonings geschiedt) en houden op al wat de provincie
aangaat een gedurig toezicht.
Vroeger hebben wij reeds opgemerkt, dat een aantal besluiten van
den gemeenteraad aan de goedkeuring der Staten onderworpen zijn.
Deze bevoegdheid der Staten wordt werkelijk geheel door Gedepu*
teerden uitgeoefend.
Behalve dit ontdekt men, reeds bij eene oppervlakkige inzage van
verschillende Staatswetten, dat in een aantal bijzondere gevallen aan
Gedeputeerde Staten beheer of toezicht is opgedragen, zoodat hun
werkkring voor een niet gering deel in betrekking staat tot het
Rijksbestuur. Bij de wet op het Lager Onderwijs wordt het college
telkens genoemd, en er geschiedt op dit punt bijna niets.belangrijks,
zonder dat Gedeputeerden worden gehoord of hun inlichtingen wor-
den verstrekt. Bij de wet tot regeling van het armbestuur wordt hun
opgedragen, toe te zien dat de reglementen der armeninstellingen
waarborgen opleveren voor een regelmatig beheer en dat zij niets be-
vatten wat strijdig is met de wet of het algemeen belang. Gevangenis-
beheer, belastingwezen, militie en schutterij vorderen om strijd
hunne tusschenkomst, en tusschen beide merken wij op dat zij zelf»
bekleed zijn met een bijzonder rechterlijk gezag. Er zijn namelijk ge-
vallen, zooals in zaken van militie en van belastingen, dat door da
eene of andere autoriteit eene beslissing is genomen, waartegen men,
zooals het heet, in hooger beroep eene nadere uitspraak van Gedepu-
teerde Staten mag vragen, die dan soms weer aan de eindbeslissing
des Konings onderworpen is. Deze rechtsmacht, die wij nog wel
nader ontmoeten, wordt onderscheiden van de gewone, die doorwer-
kelijke rechters wordt uitgeoefend. Hier betreft het een verzet tegen
-ocr page 45-
43
een daad Tan een ambtenaar of een wettig college, en het lichaam,
dat daaromtrent uitspraak doet, oefent, zooals men het noemt, een*
administratieve rechtsmacht uit.
Zoo zien wij, dat op het gebied van practisch bestuur, geene ander*
colleges, wat uitgebreidheid en belangrijkheid van werkkring betreft,
met de Gedeputeerden der gewesten kunnen worden vergeleken.
Feitelijk worden de meeste werkzaamheden natuurlijk niet door
Gedeputeerde Staten zelven verricht. De ambtenaren en bedienden der
provinciale griffie zijn daarvoor aangewezen. De eerste ambtenaar
is de griffier, wiens betrekking door de wet zelf in hoofdtrekken is ge-
regeld, doch die voor het overige zijne instructie van de Provinciale Staten
ontvangt. Hij wordt dan ook door dezen op voordracht van Gedeputeerden
benoemd en woont waar de Staten vergaderen. Voor het overige
worden de ambtenaren en bedienden ter griffie door Gedeputeerde
Staten benoemd op voordracht van den Commissaris, en deze heeft
over de geheele provinciale griffie het oppertoezicht.
XII.
Tot dusver behandelden wij de wijze waarop de onderdeelen,
waarin de Staat voor het burgerlijk bestuur gesplitst is, door de
wetten is geregeld. Van die onderdeelen klimmen wij op tot het
groote geheel en naderen dus tot het Rijksbestuur zelf: niet het
minst belangrijke gedeelte onzer schetsen.
Het Rijk der Nederlanden, zooals het sinds 1815 bestaat, is een
constitutioneel Koninkrijk, thans onder bestuur van onze jeugdige
Koningin Wilhelmina.
Dat wij, niettegenstaande de Regeering thans berust in handen
eener Koningin, voortdurend zullen blijven spreken van den Koning,
tenzij bepaaldelijk de persoon der Koningin mocht worden bedoeld,
is reeds vroeger gezegd. Intusschen mogen wij hier wel even opmer*
ken, dat volgens een onlangs vastgestelde wet, zoolang eene Koningin
regeert, ook het woord Koningin moet worden gebezigd in alle wettelijk
vastgestelde formulieren, ambtstitels en officiëele (ambtelijke) bena-
mingen, waarin het woord Koning voorkomt. Er zal nu b.v. recht
•worden gesproken ,/in naam der Koningin,* de ambtenaren zullen
teouw aweren «aan de Koningin*, enz.
-ocr page 46-
44
Dat de Regeeringsvorm constitutioneel ie, beteekent dat de Koning
regeert als opperbestuurder, maar niet als onbeperkt gebieder. Waar
dit laatste het geval is, spreekt men van eene absolute monarchie,
een Regeeringsvorm die, vroeger bijna de eenig voorkomende, bij
de ontwikkeling der volken langzamerhand plaats heeft gemaakt voor
een stelsel, waarbij de invloed van den volkswil op de Regeering
wordt erkend en van meer of minder beduidenden invloed is.
Ten onzent zijn zoowel de Koning als de minste burger aan dezelfde
wetten en regelen gebonden, en die welke meer in het bijzonder de
macht en het gezag van den Koning bepalen, zijn neergelegd in de
door hem plechtig bezworen grondwet of constitutie. Die grondwet
omschrijft de rechten en verplichtingen van de Kroon en het volk
in hunne onderlinge verhouding en in breede trekken de wijze van
bestuur van het Rijk. Zij vormt den grond waarop het Staatsgebouw
rust en zij tracht het bestuur zóo in te richten, dat er steeds even-
wicht bestaat tusschen de onderscheidene machten in het Rijk, dat
elke macht zich houdt aan hare eigene bevoegdheid en de onderlinge
verhouding van dien aard is, dat eene verstoring van den wettigen
en regelmatigen gang van zaken schier onmogelijk moet worden geacht.
Toen, door de persoonlijke tusschenkomst van Koning Willem II,
in 1848 eene voor dien tijd vrij goed ingerichte grondwet was ver-
kregen, bestond in den eersten tijd aan verandering geene behoefte.
Natuurlijk is eene grondwet ook bestemd om zoolang mogelijk te
werken. Herhaalde en ongegronde veranderingen, die telkens ook
verandering zouden meebrengen in andere wetten en instellingen,
zouden zeer schadelijk werken en een toestand van onrust en onze-
kerheid veroorzaken. Toch komen steeds langzamerhand andere denk
beelden en inzichten op den voorgrond en leert bovendien de praktijk
de gebreken van het bestaande. Dat was de reden, waarom laatstelijk
in 1887 de grondwet weer enkele belangrijke veranderingen heeft
ondergaan en opnieuw zooveel mogelijk is gebracht in overeenstem-
ming met duidelijk geopenbaarde en vrij algemeen beleden gevoelens.
Die wijzigingen betroffen vooral: eene betere regeling der troonop»
volging, van de inrichting der Staten-Generaal, van de Mesbevoegd-
heid der burgers en van de landsverdediging.
De Koning der Nederlanden is een erfelijk Vorst. De Kroon gaat
door recht van eerstgeboorte over, maar de mannelijke tak heeft
steeds vóór den vrouwelijken den voorrang.
-ocr page 47-
45
Nadat in 1887 de bepalingen der grondwet ten opzichte der
troonopvolging zijn verduidelijkt, is Koning Willem III zonder man-
nelijke nakomelingen overleden en is tengevolge daarvan zijne
dochter tot de Kroon geroepen. De vraag wie daarna tot de Regeering
zouden komen bij gebreke van rechtstreeksche nakomelingen moet
nu op de volgende wijze worden beantwoord:
Van de kinderen van Koning Willem II is er nog éene overge-
bleven, namelijk Prinses Sophia, Groothertogin van Saksen-Weimar.
Zij is op dit oogenblik de zoogenaamde vermoedelijke troonopvolgster
of Kroonprinses, een titel die echter volgens de grondwet alleen toe-
komt aan den oudsten des Konings zonen of verdere mannelijke
nakomelingen, die de vermoedelijke erfgenaam der kroon is, zoodat
wij, indien deze aanwezig mocht zijn, van een Kroonprins zouden
6preken.
In het Huis van Saksen-Weimar, dat dus, na het Huis van Oranje-
Nassau, het eerst zou worden geroepen, zijn mannelijke opvolgers.
De zoon der Groothertogin, de tegenwoordige Erfgroothertog of Kroon-
prins van Saksen-Weimar, heeft zelf ook twee zoons.
Ontbreken er mannelijke afstammelingen in het Huis van Saksen-
Weimar, dan zou de regeering kunnen worden overgebracht in het
Huis van Reuss, want eene der dochters van genoemde Groothertogin,
de oudste, die dan in aanmerking zou komen, is gehuwd met Hendrik
VII, Prins van Reuss, terwijl eene andere dochter, de jongste, is
gehuwd met Johan Albert, Hertog van Mecklemburg, zoodat door
deze Vorstin ook in dit Huis later de kroon zou kunnen worden
overgebracht.
Wanneer in het geheel geene afstammelingen van Willem II meer
aanwezig mochten zijn, waarvoor alsnog geen vrees behoeft te bestaan,
dan worden die van wijlen onzen Piins Frederik geroepen, die, zoo-
als men weet, een broeder was van Willem II. Prins Frederik had
eene dochter, Prinses Loui6e, die Koningin van Zweden is geweest,
en daarvan is éene dochter in leven, die gehuwd is met den Kroon-
prins van Denemarken. Uit het huwelijk van deze laatste Vorstin
zijn vier zoons en drie dochters geboren, zoodat door haar het Huis
van Denemarken na dat van Mecklemburg zou komen.
Maar, zooals wij weten, heeft Prins Frederik nog eene dochter
nagelaten, die in vele opzichten nog met Nederland verbonden is:
Prinses Maria, gehuwd met den Prins von Wied, en die dus na hat
Huis van Denemarken tot de kroon zou worden geroepen, en die
ïou overbrengen in het Huis von Wied, daar zij drie zoons a i twe*
dochters bezit.
-ocr page 48-
46
Zelfs bij ontbreken van dit vorstenhuis is de troonopvolging ver-
zekerd. Koning Willem II had namelijk nog eene zuster, Prinses
Marianne, welker zoon Albert, Prins van Pruisen, uit het geslacht
der Hohenzollern, met zijne afstammelingen de kroon in dat Huis
zou overbrengen. Bovendien had Prinses Marianne twee dochters.
De oudste, Prinses Charlotte van Pruisen, huwde met George II,
Hertog van Saksen-Meiningen; de jongste, Prinses Alexandrine, is
weduwe van Wilhelm, Hertog van Mecklemburg-Schwerin.
Prinses Charlotte heeft twee kinderen nagelaten: haar zoon Bernard
en hare dochter Maria. Bij ontbreken van alle andere, zou dus door
haar de kroon overgaan in het Huis van Saksen-Meiningen.
En de genoemde jongste dochter van Prinses Marianne, Prinses
Alexandrine, heeft ook eene dochter, die gehuwd is met Hendrik
XVIII, Prins van Reuss, zoodat door dezen ten slotte de kroon in
het Huis van Reuss zou kunnen vererven,
Intusschen kunnen nieuwe huwelijken in deze lijst veranderingen
brengen, of liever die aanvullen; zoodat vooreerst geen vrees behoeft
te bestaan voor geschillen of onzekerheid, waar inderdaad een troon-
opvolger mocht noodig wezen. Natuurlijk is het volstrekt nietonmo-
gelijk, dat mettertijd de kroon in een der genoemde huizen overga,
terwijl dit toch ook het geval zou kunnen wezen tengevolge vaneen
huwelijk, door Koningin Wilhelmina te sluiten. Vreemde invloeden
zullen dus op den duur niet kunnen worden geweerd, maar de vrees
voor schadelijke invloeden schijnt bij den tegenwoordigen stand van
zaken toch geen reden van bestaan te hebben. Daarbij heeft de
grondwet aan de mogelijkheid van een dergelijk geval gedacht en het
belang des lands met betrekking tot dit punt niet uit het oog verloren.
Door een huwelijk in het regeerend stamhuis kan geen persoon
invloed op de regeering verkrijgen, aan wien de natie geen vertrou-
wen meent te kunnen schenken. De grondwet zegt duidelijk dat van ds
erfopvolging, zoowel voor zich zelven als voor hunne nakomelingen,
alle kinderen zijn uitgesloten, geboren uit een huwelijk dat aangegaan
werd door een Koning of Koningin, buiten gemeen overleg met ds
Staten-Generaal, of door een Prins of Prinses van het regeerend
stamhuis, buiten de bij de wet verleende toestemming. De Koningin,
een huwelijk sluitende buiten de Volksvertegenwoordiging om, doet
door die enkele daad afstand van de kroon, en een Koning, die aldus
handelde, zou zijne eigene afstammelingen uitsluiten. Prinsen *m
Prinsessen, die niet zoo hoog staan, hebben zelfs van ds Volksvss>
tegenwoordiging bepaalde toestemming noodig.
Op die wijze is de meest mogelijke waarborg verkregen voor hst
-ocr page 49-
47
voortdurend behoud van den in onze toestanden zoo passenden
constitutioneelen regeeringsvonn, onder een vorst (of eene vorstin),
aan wien de natie hare achting, eerbied en vertrouwen ten voU»
kan schenken.
xm.
Voor het tegenwoordige wordt door onze Koningin de regeering
natuurlijk nog niet werkelijk gevoerd. Toch kan die tijd spoedig
genoeg aanbreken, want, terwijl alle andere personen, volgens de
regelen van het burgerlijk wetboek, meerderjarig zijn op drie-en-
twintigjarigen leeftijd, is de Koning het volgens de grondwet, die op
dezen regel een uitzondering maakt, reeds op achttienjarigen leeftijd.
Voor het overige blijft het burgerlijk recht toepasselijk, zoodat, mocht
de Koningin b.v. op zestienjarigen leeftijd huwen, zij toch ook meer-
derjarig zou wezen en dus de regeering zou aanvaarden.
Tot zoolang staat de Koningin onder de voogdij harer moeder, de
Koningin-weduwe. De grondwet wil, dat, zoo mogelijk nog bij het
leven des Konings (zooals werkelijk is geschied), in de voogdij zal
worden voorzien, en wel door het maken eener wet. Ook hier zien
wij dus eene afwijking van het gewone burgerlijk recht, daar anders
de benoeming van eenen voogd eenvoudig door den kantonrechter
wordt gedaan. Bovendien kunnen in dit geval twee of meer voogden
worden benoemd, doch er is geen toeziende voogd.
De moeder-voogdes wordt door een raad van voogdij ter zijde
gestaan, waarin vier door den Koning aangewezen Nederlanders en
vijf der voornaamste staatsambtenaren zitting nemen. De plaats der
eerstgenoemden, die hunne benoeming aan hunne persoonlijkheid te
danken hebben, wordt, bij ontslag of ontzetting, door eene wet aan-
gevuld. Wat de laatsten aangaat, hun lidmaatschap van den raad is
aan het ambt dat zij bekleeden en niet aan den persoon verbonden;
wordt dus het ambt door een ander vervuld, dan neemt deze vanzelf
eok zitting in het college van voogden.
Terwijl Koningin Emma werkelijk de voogdij waarneemt, worden
de werkzaamheden, die anders volgens de burgerlijke wet aan een
toezienden voogd zijn opgedragen, door den raad verricht. Overigens
bestaat zijn taak hierin, dat hij de voogdes, zooals gezegd is,terzijde
staat, dat hij dus raad geeft en in belangrijke aangelegenheden ge-
raadpleegd wordt.
Intusschen, deze voogdij heeft met de eigenlijke regeering niets te
-ocr page 50-
48
maken. Namens den minderjarigen Koning wordt altijd de regeering
waargenomen door een Regent. Ditzelfde heeft plaats wanneer de
Koning buiten staat geraakt tot het waarnemen der regeering.
Tot de aanstelling van een regent is mede een wet noodig. Is de
Koning niet in staat de regeering waar te nemen, dan wordt het
gezag der kroon tijdelijk en voorloopig uitgeoefend door een Staats-
lichaam, waarover wij nader spreken: den Raad van State.
Heeft de Koning zoons, dan treedt de oudste, de Kroonprins, indien
zijn vader de regeering niet kan waarnemen, vanzelf, zonder bij eene
wet benoemd te worden, als regent op.
Wij kennen allen den samenloop van omstandigheden waardoor
thans, namens Koningin Wilhelmina, het Koninklijk gezag door hare
moeder als regentes wordt waargenomen. Den 2 Augustus 1884 is zij
bij eene wet tot die waardigheid verheven. Deze aanstelling geldt
echter slechts tot het aangaan van een nieuw huwelijk. Mocht deze
gebeurtenis plaats hebben, dan zou opnieuw in het regentschap
moeten worden voorzien. Immers, het nieuwe huwelijk brengt
vreemde invloeden mede en de zaak behoort dus in dat geval van
een vrij standpunt te kunnen worden beoordeeld.
Bij het overlijden van den Vorst of bij zijn afstand van den troon,
treedt zijn opvolger onmiddellijk in zijne rechten en aanvaardt ter-
etond de regeering. Is de troonopvolger minderjarig, dan heeft dez»
aanvaarding natuurlijk eerst plaats bij de meerder jarig wording.
Aan het tijdstip der aanvaarding van de regeering heeft de grond»
wet intusschen eene bijzondere plechtigheid verbonden, die niet
zonder beteekenis is. De Staten-Generaal houden zoodra mogelijk een»
openbare vergadering binnen de gemeente Amsterdam, als de voor*
naamste stad des Rijks, en daarin wordt de Koning plechtig beëedigd
en gehuldigd.
Deze plechtige handeling is een zinnebeeld van het wezen onzer
Staatsinrichting, die van het beginsel uitgaat dat kroon en volk
elkander schragen en in evenwicht houden; dat de Koning macm»
het volk rechten, beiden plichten hebben, die allen ongeschonden en
ten volle behooren te worden gehandhaafd; dat zóo vrijheid en ord»
de grondzuilen en hoeksteenen van het Staatsgebouw moeten vormen e»
dat dit alles de beste waarborgen voor volksgeluk en volkswelvaart biedt»
-
-ocr page 51-
49
Er is in de grondwet een hoofdstuk, dat uitsluitend handelt over
de macht des Konings en die, hoewel in algemeene bewoordingen,
toch vrij nauwkeurig omschrijft. Wij merkten reeds op, dat de con-
etitutioneele regeeringsvorm de macht en het gezag des Konings
eenigszins beperkt. De natie neemt in de regeering om zoo te zeggen
een aandeel, spreekt zelf ook een woordje mee, en bij de meerdere
volksontwikkeling is dit aandeel langzamerhand grooter geworden.
Zonder het gezag des Konings wezenlijk in te krimpen, zonder iets
af te doen van het beginsel dat werkelijk de Vorst regeert en het
opperbestnur heeft, kan de bevoegdheid van het volk of van zijne
vertegenwoordiging op bijzondere punten van tijd tot tijd zonder
bezwaar worden uitgebreid, zooals bij de laatste grondwetsherziening
ook inderdaad nog heeft plaats gehad.
Toen Xederland, onder Willem I, nog tamelijk wel als eene absolute
monarchie kon worden beschouwd, de wil des Konings ongeveer in
alles als wet gold, was de Koning ook persoonlijk, zooals het heette,
voor zijne regeeringsdaden verantwoordelijk; maar men begrijpt ge-
makkelijk dat een dergelijke verantwoordelijkheid in het wezen der
zaak geene beteekenis of gevolg kan hebben.
Een beter beginsel is dan ook in 1848 aangenomen, namelijk dat
de Koning onschendbaar, dat wil zeggen niet verantwoordelijk is en
de verantwoordelijkheid voor de daden der regeering wordt gedragen
door de zoogenaamde Ministers, de raadslieden der kroon.
De Koning verdeelt namelijk het regeeringsbeleid in verschillende af-
deelingen of departementen en plaatst aan het hoofd daarvan Ministers
die daarom hoofden der ministeriëele departementen worden genoemd.
Zij hebben te zorgen voor de uitvoering der wetten, voor zoover die
van de kroon afhangt, zij dienen den Koning van raad, zij leiden
feitelijk de regeering, zij zijn tegenover de natie verantwoordelijk en
die verantwoordelijkheid is geen ijdel vertoon. De wet regelt haar;
de Ministers kunnen voor de regeeringsdaden in staat van beschul*
diging gesteld en strafrechtelijk vervolgd worden.
Alleen in de regeling der verantwoordelijkheid voor de financieels
schade, door de daden der regeering veroorzaakt, is nog niet voorzien.
De grondwet bepaalt, dat alle besluiten en beschikkingen des Konings
door éen der Ministers mede onderteekend moeten worden; dat wil
zeggen: de Koning teekent met minstens éen zijner verantwoordelijke
raadslieden. Hierin is natuurlijk voor de trouwe naleving der consti-
tutie een waarborg gelegen; want wanneer de Minister, wien de zaak
aangaat, den maatregel, die in eenig besluit is neergelegd, met de wet
of
het landsbelang in strijd acht, dan kan zijne weigering om te
7
-ocr page 52-
50
teekenen of, zooals men het noemt, zijne contra-signatnnr te verleenen,
dien maatregel verhinderen. Het besluit zal dan in het geheel niet
genomen worden en er komt feitelijk niets tot stand, zoolang de
Koning den Minister niet ontalaat. Maar ook dit zal niet geschieden,
omdat het geheele Ministerie, al is dit nu geen wettelijk voorschrift,
de verantwoordelijkheid voor alle werkelijke regeeringsdaden in den
regel op zich neemt of, zooals men het noemt, homogeen is, en omdat
dus in zoodanig geval het geheele Ministerie zou moeten aftreden en
een ander de verantwoordelijkheid allicht niet op zich zou durven nemen.
De Ministeriëele departementen, waarin sedert de laatste wijziging
de regeertaak verdeeld is, zijn de volgende: 1 buitenlandsche zaken,
2 justitie, 3 binnenlandsche zaken, 4 marine, 5 financiën, 6 oorlog,
7 waterstaat, handel en nijverheid en 8 koloniën. Wat tot elkdepar-
tement behoort wordt door de namen genoegzaam aangeduid, al zijn
die namen ook niet alle even juist, want de waterstaat is natuurlijk
ook een binnenlandsche zaak en de zaken van het krijgswezen staan
volstrekt niet alleen in betrekking tot een mogelijken oorlog, maar
betreffen evengoed de inwendige veiligheid.
Door den Koning wordt soms aan verdienstelijke afgetreden Minister»
den titel verleend van Minister van Staat. Niet aan het hoofd van
een departement geplaatst, worden zij toch gerekend tot de raadslieden
der kroon, doch hebben geen gezag of verantwoordelijkheid.
Ofschoon het door de wet niet bevolen is, bespreken Koning en
Ministers de voornaamste staatszaken te zamen. Behalve het algemeen
regeeringsbeleid behooren daartoe in de eerste plaats de ontwerpen
der wetten, die de regeering aan de volksvertegenwoordiging voor-
stelt of door deze worden aangeboden en de besluiten, die de Koning
verlangt te nemen, in de gevallen dat de grondwet hem daartoe de
bevoegdheid verleent
XTV.
De loop onzer schetsen zal ons spoedig brengen tot eene bespreking
van de wetgeving van het Rijk. Daaruit zal ons blijken hoe de wet-
gevende macht is samengesteld en ingericht; doch wij moeten er
thans, nu de macht des Konings ons bezighoudt, reeds op wijzen dat
alle wetten feitelijk moeten worden ten uitvoer gelegd en dat daartoe
dikwijls belangrijke maatregelen moeten worden genomen. Dit is aan
den Koning opgedragen en de grondwet noemt het: de uitvoerende
macht
-ocr page 53-
51
Eens en voor altijd stippen wij hier aan, wat wellicht nit onze
▼orige schets reeds voldoende blijkt, dat wat aan den Koning opgo-
dragen wordt, door de regeering, dat wil dan zeggen door den Koning
en zijne verantwoordelijke raadslieden, wordt verricht en feitelijk
grootendeels door de laatsten of door de ministeriêele departementen
wordt uitgevoerd.
Dikwijls regelt de wet eenig onderwerp slechts in hoofdzaak, in
breede trekken, en laat de regeling der onderdeelen aan de uitvoe-
rende macht over, die er echter beter toe in staat is. De Koning doet
dit door middel van besluiten, door de grondwet algemeene maat-
regelen van bestuur genaamd.
Intusschen is men gewoon iederen maatregel, van de regeering uit-
gaande, b.v. waar het eene benoeming betreft, met den naam van
besluit aan te duiden.
De algemeene maatregelen van bestuur hebben natuurlijk, zoo goed
als de Rijkswetten, de strekking om, zoo noodig althans, voor het
geheele Rijk te gelden. In den regel zal dat het geval wezen, terwijl
de plaatselijke keuren en provinciale reglementen, ofschoon even goed
kracht van wet hebbende, slechts gelden binnen zekeren kring.
Later zullen wij opmerken hoe de Rijkswetten door samenwerking
van regeering en volk tot stand komen. Koninklijke besluiten worden
door de regeering zonder medewerking der volksvertegenwoordiging
uitgevaardigd, zoo dikwijls de wet het noodig maakt of de regeering
zelfstandig een maatregel verlangt te nemen. Het behoeft bijna niet
gezegd te worden dat dit alleen kan geschieden in zulke zaken, waar-
omtrent niet is bepaald dat zij eene regeling bij de wet vereischen.
Anders zou de Koning feitelijk als onbeperkt gebieder optreden of
zou er strijd kunnen bestaan tusschen zijne besluiten en de wet.
Wij zien alzoo, dat elk op behoorlijke wijze tot stand gekomen
•voorschrift van eenige bevoegde macht, kracht van wet heeft, hetzij
in beperkten kring, hetzij alom; hetzij onder den naam van wet
hetzij onder eenige andere benaming; kracht van wet, dat wil een-
voudig zeggen: ieder is verplicht het voorschrift na te komen.
Maar nu rijst de vraag: kent ieder dan de wet?
Natuurlijk moet het antwoord ontkennend luiden, doch men begrijpt
licht dat men eenvoudig aanneemt dat elk de wet kent, en hierin ia
niets wülekeurigs gelegen, omdat, zonder dit beginsel, de toepassing
Tan het recht eene onmogelijkheid zou zijn. Toch wordt bij de toe-
passing van het beginsel de billijkheid zooveel mogelijk in acht
genomen. Elk wettelijk voorschrift wordt door de eene of andere
uitvoerende macht afgekondigd, dat wil zeggen openbaar gemaakt,
*
-ocr page 54-
52
en dan neemt men na verloop van zekeren tijd aan dat het algemeen
bekend en daarom verbindend is.
Zoo worden de gemeente-verordeningen afgekondigd door aanplak-
king of plaatsing in een nieuwspapier. Is er geen vroeger of later
tijdstip behaald, dan zijn zij verbindend op den derden dag na dien
der afkondiging.
Zoo worden de provinciale reglementen in een provinciaal blad
geplaatst, het orgaan van het gewestelijk bestuur, bij de provinciale
wet voorgeschreven. Is niets anders bepaald, dan treden zij in werking
op den achtsten dag na de dagteekening van het blad waarin zij
geplaatst zijn.
Voor de openbaarmaking van Rijkswetten en van Koninklijke
besluiten bestaan twee organen: het Staatsblad, de door de regeering
uitgegeven of zoogenaamde officiëele (ambtelijke) verzameling van
wetten en besluiten, en de Staatscourant, die zesmalen per week
verschijnt en waarin allerlei mededoelingen worden gedaan, hetzij
door de regeering, hetzij door particulieren, in de gevallen dat de
wet dit vordert of belanghebbenden het verlangen.
De wetten en Koninklijke besluiten worden door den Koning afge-
kondigd. Wanneer de af te kondigen wet zelve daarvoor geen ander
tijdstip aanwijst, dan is zij verbindend op den twintigsten dag na
dien der dagteekening van het Staatsblad waarin zij geplaatst is. In
de Staatscourant worden de wetten niet opgenomen.
Ook de Koninklijke besluiten worden in het Staatsblad openbaar
gemaakt, maar soms ook in de Staatscourant. Is alleen het eerste het
geval, dan werken zij, evenals de wet, na verloop van twintig dagen.
Is plaatsing in beide organen bevolen, dan zijn ze reeds na vijf
dagen verbindend.
De Koning heeft verder het opperbestuur of de hoofdleiding der
veelvuldige, in den nieuweren tijd steeds meer belangrijke betrekkin-
gen, die met vreemde mogendheden worden onderhouden. Op het
gebied van recht, handel en nijverheid, staatkunde en op menig ander
bovendien, bestaan tusschen de verschillende volken talrijke punten
van aanknooping, hoofdzakelijk door het toenemend wederzijdsch
verkeer veroorzaakt. Eenigszins in verband daarmede staat de bepa-
ling der grondwet, dat de Koning oorlog verklaart, een beginsel,
waarvan het gevaar, dat er altijd min of meer in gelegen is, in den
oonstitutioneelen Staat sterk getemperd wordt door de omstandigheid»
-ocr page 55-
53
dat de benoodigde gelden tot oorlogvoeren door de volksvertegen»
woordiging moeten worden toegestaan, om van de ministeriëele ver-
antwoordelijkheid niet te spreken. Op dezelfde wijze sluit en
bekrachtigt de Koning alle verdragen met vreemde mogendheden,
waarvan hij den inhoud aan de volksvertegenwoordiging mededeelt,
doch alleen wanneer hij oordeelt dat het belang van den Staat dit
toelaat. Ook hier is het gevaar gering voor verschillende willekeurige
handelingen der regeering tegen den volkswil, want zoodra er sprake
is van afstand van grondgebied, ruiling of andere wijziging der grenzen,
het op de natie leggen van geldelijke lasten (b.v. het betalen van
oorlogskosten) of andere verplichtingen van dien aard, is de goed-
keuring der Staten-Generaal tot bekrachtiging van het verdrag noodig,
tenzij te voren bij eene wet aan den Koning in dit opzicht reeds
volle bevoegdheid was verleend.
De grondwet noemt nog verscheidene andere uitvloeisels der
Koninklijke macht op. Zoo berust bij het hoofd van den Staat het
opperbestuur der zee- en landmacht, van onze bezittingen in andere
werelddeelen en van de algemeene geldmiddelen.
Welke beteekenis heeft het nu eigenlijk, wanneer de grondwet
omtrent zoovele aangelegenheden den Koning het opperbestuur geeft ?
Feitelijk komt het hierop neer, dat in alle zaken, die niet bepaaldelijk
bij eene wet moeten worden geregeld, de Koning bij besluit regelen
kan stellen. Eigenlijk is het omtrent alle onderwerpen zoo gesteld
doch waar het geldt de buitenlandsche betrekkingen, de zee-enland-
macht, de overzeesche bezittingen en de geldmiddelen, schijnt het de
bedoeling der grondwet te zijn geweest om het oppergezag der kroon
niet te veel door wettelijke bepalingen aan banden te leggen. Dit
neemt niet weg, dat toch veel bij bijzondere wet geregeld moet
worden en dan ook werkelijk geregeld is. Bij de zee- en landmacht
benoemt, bevordert en ontslaat de Koning de officieren en verleent
pensioenen volgens wettelijke regelen. Gunst en willekeur zijn daar-
door zooveel mogelijk uitgesloten. Wat de overzeesche bezittingen
betreft, voor Oost en West is een soort van grondwet gemaakt, een
zoogenaamd regeeringsreglement, waarbij het algemeen beginsel is
vastgesteld, volgens hetwelk die gewesten moeten worden bestuurd.
Ook moeten daar het muntstelsel, het beheer en de verantwoording
der geldmiddelen geregeld worden naar voorschriften, die hier door
de wet worden gegeven.
-ocr page 56-
54
Met betrekking tot de geldmiddelen regelt de Koning de bezoldi-
ging der ambtenaren, die uit \'s lands kas worden betaald, met uit-
zondering van die der leden van den Raad van State, van de alge-
meene Rekenkamer en van de rechterlijke macht, waarvoor de grondwet,
evenals voor de pensioenen der ambtenaren, namelijk van allelands-
ambtenaren, de voorschriften eener wet verlangt.
Het is niet altijd juist te zeggen waarom in het eene geval den
Koning alle regeling is toevertrouwd, in het andere vaste wettelijke
regelen worden verlangd. In het eerste geval bestaat meer gevaar
voor gedurige verandering in voorschriften of beginselen; maar de
wet is ook dikwijls een knellende band, en het schijnt aanbevelens-
waardig om vooral algemeene beginselen en regelen bij de wet te
stellen en in de uitvoering veel ruimte te laten aan de regeering, die
telkens in aanraking komt met en feitelijk steun behoeft van de
meerderheid der volksvertegenwoordiging, zonder welke haar taak op
den duur onmogelijk is uit te voeren. Zoo is ook hier in het samenstel
onzer constitutioneele instellingen de beste waarborg gelegen tegen
willekeur en misbruik van macht, waardoor niet alles tot in de minste
bijzonderheden aan vaste wettelijke regelen, die moeilijk kunnen worden
gewijzigd, behoeft te worden gebonden en veel aan het verlicht oordeel
en de goede trouw van kroon en ministers kan worden overgelaten.
XV.
Nog in andere opzichten zien wij de grondwet de macht der kroon
ontwikkelen, doch wij zullen later gelegenheid vinden om die punten
opzettelijk te bespreken. Wij hebben hier vooral op het oog: het
recht om aan de volksvertegenwoordiging wetsvoorstellen in te dienen,
om voorstellen die omgekeerd door de volksvertegenwoordiging worden
gedaan te verwerpen, om gratie van straf te verleenen, de Kamers te
ontbinden, enz.
Enkele minder belangrijke aangelegenheden kunnen wij in het
voorbijgaan hier even aanstippen, namelijk : het recht van den Koning
om zijne beeltenis op de muntspeciën te doen stellen, om adeldom
te verleenen, enz. Het zoogenaamde recht van de munt heeft meer
eene geschiedkundige beteekenis; het is altijd een voorrecht van het
hoofd van den Staat geweest; maar al wat verder de munt betreft
wordt wel degelijk door eene wet geregeld.
Over de waarde van het verleenen van adeldom wordt zeer ver-
schillend geoordeeld. Zeker is het Staatsbelang bij dergelijke onder-
-ocr page 57-
55
scheidingen niet betrokken, maar aan den adeldom zijn ook geene
voorrechten meer verbonden. .Onder de werking der grondwet van
4815 was de adellijke stand als zoodanig kiesgerechtigd en zond
vertegenwoordigers naar de Staten der provinciën; maar de gewijzigde
grondwet van 1848 heeft hieraan een einde gemaakt.
Tot belooning van bijzondere aan den Staat bewezen diensten kun-
nen ridderorden worden ingesteld, doch dit geschiedt door eene wet.
Voor het aannemen en dragen der versierselen van vreemde orden
is het verlof van den Koning noodig en hij zelf en de Prinsen van
zijn huis, de laatste met zijne toestemming, mogen vreemde orden
aannemen, wanneer er geene bijzondere verplichtingen aan verbon-
den zijn, omdat zij allicht anders in eene dubbelzinnige betrekking
zouden geraken.
Op dit oogenblik zijn er slechts twee orden, welke door de kroon
kunnen worden verleend: die der Militaire Willemsorde en die van
den Nederlandschen Leeuw.
Eene eigenaardigheid is, dat wetsvoorstellen tot het instellen eener
orde niet door de volksvertegenwoordiging kunnen worden gedaan.
Al wordt ten onzent de eigenlijke regeering door de verantwoor*
delijke Ministers gevoerd, de persoonlijke tusschenkomst en de per-
soonlijke arbeid van den Koning (of van den Regent) mogen daarom
niet gering worden geacht. Ofschoon de grondwet het niet voorschrijft,
heeft het hoofd van den Staat dan ook een eigen kabinet, waar die
werkzaamheden worden verricht, welke onmiddellijk onder den
Koning plaats hebben. De hoogste hieraan verbonden ambtenaar
draagt den titel van directeur, en in dit kabinet worden bewaard de
oorspronkelijke Staatsstukken, die vandaar zoo noodig worden uit-
gegoven aan de verschillende ministeriëele departementen.
Het kabinet des Konings staat dus niet in direct verband tot regee-
ring of wetgeving, al kan het niet ontkend worden, dat de persoon-
lijkhoid van den directeur, allicht een vertrouweling des Konings,
zeer wel op den loop der zaken van invloed kan zijn. Het kabinet,
geen grondwettig lichaam zijnde, wordt dan ook niet gerekend onder
de zoogenaamde hooge colleges van Staat, de hoogste lichamen, die
met de belangrijkste aangelegenheden van bestuur zijn belast en
door de grondwet uitdrukkelijk worden genoemd, zooals de Kamera.
Daaronder rekent men echter in de eerste plaats den Raarl van
State. Dit lichaam, reeds zoovele eeuwen in deze gewesten bekend,
is een zoogenaamd adviseerend college, dat wil zeggen, zijn taak
-ocr page 58-
56
bestaat in hot geven van advies of raad, al oefent het nog wel in
andere opzichten invloed of gezag uit. De Koning zelf is van dezen
Raad voorzitter, wat ten gevolge heeft, dat de voorzittersstoel feitelijk
steeds door den vice-president wordt bekleed. De Koning benoemt de
leden van den Raad. Is er een Prins, die den titel van Kroonprins draagt»
dan is deze, wanneer hij achttien jaar oud is, zonder aanstelling te
behoeven of, zooals men het noemt, van rechtswege, lid van het college.
Alle wetten en Koninklijke besluiten, die van de regeering uitgaan
en door haar zijn ontworpen, en alle wetten door de Staten-Generaal,
op voorstel van een of meer der leden aangenomen en aan den Ko-
ning ter bekrachtiging aangeboden, worden eerst onderzocht door den
Raad van State, die een advies uitbrengt vóór de regeering ze bij de
volksvertegenwoordiging indient, of vóór de Koning omtrent de be-
krachtiging een besluit neemt. Trouwens, de Raad is verplicht ook
in alle andere gevallen den Koning van advies te dienen, maar di-
recte inmenging in de zaken der regeering komt dit lichaam niet toe,
dan alleen in het geval dat het de Koninklijke macht uitoefent, na-
melijk tijdelijk en voorloopig, wanneer de Koning buiten staat ge-
raakt tot het waarnemen der regeering.
Op uitdrukkelijk voorschrift der grondwet zijn de samenstelling, de
inrichting en de bevoegdheid van den Raad bij eene bijzondere wet
geregeld. Die lid van het college is draagt den titel van Staatsraad.
Er zijn echter ook Staatsraden in buitengewonen dienst, die door den
Koning ten getale van hoogstens vijftien kunnen worden benoemd.
Eigenlijk gezegde Staatsambtenaren zijn deze niet; de betrekking die
zij bekleeden is een eerepost. De Staatsraden in buitengewonen dienst
worden onder anderen door of vanwege den Koning opgeroepen om
deel te nemen aan bepaalde werkzaamheden van den Raad en hebben
dan gelijke bevoegdheid als de leden.
Bij de bespreking van het bestuur der provinciën hebben wij reeds
iets medegedeeld omtrent de zoogenaamde administratieve rechtsmacht
en opgemerkt dat de Gedeputeerde Staten met eene dergelijke rechte-
macht zijn bekleed. Van den Raad van State kan men zeggen, dat hij
in de administratieve rechtsmacht betrokken is; want in de gevallen
dat van eene ambtelijke beslissing (b. v. weigering door Gedeputeerde
Staten om een besluit van een gemeenteraad goed te keuren) hooger
beroep op den Koning is toegelaten, of de Koning onmiddellijk beslist
(b.v. een geschil tusschen twee provinciale besturen), wordt de zaak
door den Raad van State onderzocht en dus de beslissing der regee»
ring door dit lichaam voorbereid.
-ocr page 59-
57
Zeer zeker bestaat intusschen de voornaamste arbeid van den Baad
van State in het onderzoek der ontworpen \'wetten en Koninklijk»
besluiten en het uitbrengen van zijn gevoelen daaromtrent.
Alvorens de Raad over die ontwerpen beraadslaagt en besluit, heeft
een voorbereidend onderzoek plaats door de afdeelingen van het
college tot welker bevoegdheid de zaak behoort. In bijzondere gevallen
kan ook, met machtiging van den Koning, het voorbereidend onder-
zoek door den Raad worden opgedragen aan leden of Staatsraden in
buitengewonen dienst, die niet behooren tot de afdeeling die met het
onderzoek zou zijn belast.
Wat de wetten betreft voert ons overzicht ons thans tot eene
bespreking van den werkkring der volksvertegenwoordiging, of, zooals
het met eene oude, geschiedkundige benaming nog altijd wordt uit-
gedrukt, van de Staten-Generaal.
Een der hoofdkenmerken toch van onzen constitutioneelen regeerings-
vorm is hierin gelegen, dat niet alle macht berust bij den Koning en
natuurlijk evenmin bij het volk, maar samenwerking tusschen kroon
en volk plaats heeft, juist in het gewichtigste deel der regeering:
de wetgeving van het Rijk.
De deelneming van het volk aan den wetgevenden arbeid der
regeering geschiedt, zooals bijna van zelf spreekt en aan ieder bekend
is, door vertegenwoordigers, want de natie in massa zou onmogelijk
tot die taak kunnen worden geroepen. De volksvertegenwoordiging
is verdeeld in twee afdeelingen of zoogenaamde Kamers: een Eerste
en een Tweede Kamer.
De wetsontwerpen, welke van de regeering uitgaan, worden eerst
ter behandeling aangeboden aan de Tweede Kamer. De indiening van
zulk een ontwerp noemt men eenigszins zonderling: een Koninklijke
boodschap.
Van de Tweede Kamer kan men zeggen dat zij meer in den eigen-
lijken zin eene vertegenwoordiging van het volk is, omdat de leden
van dit hooge college onmiddellijk door de stemhebbende burgers
gekozen worden.
Bij de Eerste Kamer gaat het anders. De leden van dit lichaam
worden, zooals wij reeds vroeger opmerkten, gekozen door de Provin-
ciale Staten en de leden van laatstgenoemd college zijn afgevaai-digd
door de gewone kiesgerechtigde burgers. Deze laatsten vaardigen de
leden der Eerste Kamer dus niet onmiddellijk maar slechts middellijk
af. Men noemt deze verkiezing daarom eene trapsgewijze.
Bij ons overzicht der gemeentelijke huishouding vonden wij reeds
gelegenheid om op te merken dat, tot aan de jongste grondwetsher-
8
-ocr page 60-
58
ziening, het aantal kiezers betrekkelijk gering was. Dit bezwaar gold
vooral voor de Tweede Kamer en voor de Provinciale Staten. Voor
de gemeenteraden bedroeg de census ten minste de helft van dien
welke voor de Tweede Kamer gold. Was men het er sinds lang over
eens, dat de wet verbetering brengen moet, het thans geldende voorloo-
pige kiesreglement heeft slechts gedeeltelijke verbetering gebracht en
behoort dan ook zoo spoedig mogelijk door eene afdoende regeling te
worden vervangen, die de volksvertegenwoordiging in waarheid eene
vertegenwoordiging van de kern van het volk doet zijn.
XYI.
Do grondwet heeft, zooals wij vroeger reeds opmerkten, voor den
wetgever, die eerlang zal geroepen worden tot het ontwerpen eener
kieswet, zekere regelen gesteld, en wil dat niet alleen het bezit van
cenige gegoedheid, die dan wel zal moeten blijken uit het betalen
van belasting, maar ook geschiktheid om het recht van keuze uit te
oefenen, aan het kiesrecht ten grondslag zal liggen. Zij drukt dit uit
door te spreken van welstand en geschiktheid. Nog altijd zal men
het dus zóo moeten beschouwen, dat hij die betaalt meer belang dan
anderen heeft bij den goeden gang van zaken, en in verband daar-
mede den regel toepassen: hoe meer belang hoe meer recht. Maar
gelukkig zal men, door ook geschiktheid of zoogenaamde capaciteit
te eischen, de te betalen som vrij laag kunnen stellen. Komen er dan
vele minder gegoeden onder het kiezersvolk, dat hindert niet indien
zij maar eenige ontwikkeling hebben bereikt. Thans is het kiesrecht
gegeven aan duizenden die geenerlei onderricht ontvingen; natuurlijk
omdat de census laag is, en geene andere vereischten zijn gesteld.
Het denkbeeld, dat aan den constitutioneelen regeeringsvorm ten
grondslag ligt, brengt ongetwijfeld mede, dat het kiesrecht aan allen
behoort te worden verleend, wien men het zonder bezwaar geven kan.
Uitzonderingen op den regel zullen er natuurlijk altijd wezen. De
toekenning van het stemrecht aan alle meerderjarige mannen of iets
dergelijks, meestal bekend onder den naam van algemeen stemrecht,
wordt voor het tegenwoordige door de eischen der grondwet vanzelf
uilgesloten. Ook door een dergelijk stelsel zouden weer velen onder
het kiezerspersoneel worden opgenomen, wier verstandelijke ontwik-
keling slechts een zeer laag peil heeft bereikt, zoodat bij hen over het
algemeen eenige zelfstandige opvatting der zaken niet met grond
kan
worden verwacht.
-ocr page 61-
59
Zoolang de nieuwe kieswet er niet is, en zoo heel spoedig zal ze
wel niet komen, hebben alle verkiezingen van leden voor de Tweede
Kamer, de Provinciale Staten en de gemeenteraden volgens zekere
tijdelijk werkende regelen plaats, welke opgenomen zijn in dezooge»
naamde additioneele artikelen (het aanhangsel) der grondwet. Deze
bevatten dus een tijdelijke kieswet, waarin voorloopig als vereischte,
om kiezer te zijn, alleen de voldoening eener matige belasting gesteld
is, hetzij dan dat men die belasting zelf betaalt, hetzij dat men een
huis of gedeelte daarvan bewoont, dat niet afzonderlijk in de belas.
ting wordt aangeslagen, doch waarvan dan toch een zeker bedrag
betaald wordt. Deze personen storten de vereischte som middellijk, da
anderen onmiddellijk.
De Tweede Kamer is de zoogenaamde Kamer van honderd; dat
wil zeggen: er zijn honderd leden, die om de vier jaren allen tegelijk
aftreden en die gekozen worden in vaste districten, waarin het land
voor deze keuze is verdeeld. Deze districten zijn bijna allen enkelvoudig;
dit beteekent dat in elk district slechts éen persoon gekozen wordt.
Van dezen regel zijn alleen uitgezonderd: het district Amsterdam,
bevattende de gemeenten Amsterdam en Nieuwer-Amstel, waarin
negen leden worden gekozen; Rotterdam met Kralingen, Charlois en
Capelle aan den IJsel, waarbinnen de keuze voor vijf leden wordt
uitgebracht; \'s-Gravenhage, dat drie leden afvaardigt; Groningen en
Utrecht, beiden met eenige omliggende gemeenten, welke districten
ieder twee leden aanwijzen. Dientengevolge zijn er niet honderd maar
slechts vier-en-tachtig districten. Velen wenschen ook de genoemde
meervoudige districten in enkelvoudige te splitsen, omdat over het
algemeen dit stelsel nu eenmaal is aangenomen en er geene afdoende
redenen bestaan om daarin juist voor de groote gemeenten verandering
te brengen of üever, uitzonderingen te laten bestaan. Intusschen schijnt
het geraden om daartoe vooral niet anders over te gaan dan in tijden
van kalmte op staatkundig gebied, of b.v. wanneer eene bepaalde
aanleiding er toe bestaat, zooals ter gelegenheid der behandeling
eener nieuwe kieswet.
De verkiezingen voor de leden der Kamer van honderd hebben
plaats op den tweeden Dinsdag der maand Juni, in 1895, 1899, enz.
De aftreding der leden heeft plaats op den derden Dinsdag in Sep-
-ocr page 62-
60
tember. Zoowel hier als met betrekking tot alle dergelijke lichamen
zijn de aftredenden steeds herkiesbaar. De vereischte ouderdom voor
het lidmaatschap is dertig jaar, terwijl bij de Provinciale Staten
slechts de vijf-en-twintigjarige, bij de gemeenteraden slechts de
drie-en-twintigjarige leeftijd verlangd wordt. De Eerste en Tweede
Kamer stemmen in dit opzicht overeen.
De grondwet heeft voorgeschreven, dat de Staten-Generaal ten
minste eenmaal per jaar te zamen komen of, zooals men het noemt,
eene zitting houden. Die gewone zitting wordt geopend op den derden
Dinsdag in September, terwijl de Koning eene buitengewone zitting
bijeenroept, zoo dikwijls hij het noodig acht. De gewone zitting moet
volgens de grondwet minstens twintig dagen duren. De praktijk sluit
zich echter hier niet bij de leer aan, want de gewoonte brengt mede
dat de zitting voortduurt en niet gesloten wordt dan zeer kort vóór
den derden Dinsdag in September. De bijeenkomst duurt dus een
geheel jaar; de Kamer gaat wel van tijd tot tijd een poos uiteen, doch
dit wordt slechts gerekend voor een tijdelijke rust. Feitelijk zijn er
altoos aanhangige zaken; dikwijls zoovele, dat een gedeelte voortdurend
onafgedaan blijft. Van een toestand als de grondwet schijnt bedoeld
te hebben, van een slechts van tijd tot tijd, ingeval van gebleken
noodzakelijkheid, bijeenroepen der Kamers, kan geen sprake zijn.
Juist omdat de Kamers slechts eenmaal per jaar worden geopend,
brengt de gewoonte mede, dit eenigszins plechtig te doen. De Eerste
en Tweede Kamer houden dan eene vereenigde zitting, en men herin-
nert zich nog zeer goed den Staten-Maandag, een soort van feestdag
voor het volk. Immers, vóór de grondwetswijziging van 1887, toen de
Kamers op den derden Maandag in September geopend werden, was
de Koning persoonlijk tegenwoordig en werd door hem eene zooge-
naamde troonrede voorgelezen, eene plechtigheid waarvan de grond-
wet geen gewag maakt. Doch al geschiedt de opening niet persoon-
lijk door het hoofd van den Staat, maar, zooals thans plaats heeft,
namens hem door de raadslieden der kroon, er wordt toch eene toe-
spraak gehouden, waarin de regeering hare plannen voor het vol-
gend jaar blootlegt omtrent den wetgevenden arbeid. Groote waarde
kan men daaraan niet toekennen, omdat het natuurlijk geheel van
de omstandigheden afhangt of dergelijke plannen tot uitvoering
komen, en zoo ja, in hoeverre.
Op welke wijze de Tweede Kamer, wier arbeid het voornaamste
doel van do taak der volksvertegenwoordiging omvat, dien arbeid
regelt, moet zij zelve bepalen bij een zoogenaamd reglement van
orde. De grondwet schrijft voor: de beëediging der leden en de benoe-
-ocr page 63-
61
ming van een voorzitter, door den Koning, op voordracht van de
Kamer, telkens voor den tijd van eene zitting. De grondwet bepaalt
verder welke rechten deze tak der volksvertegenwoordiging uitoefent
en gebiedt dat alle beraadslaging over eenig ontwerp door een onder-
zoek moet worden voorafgegaan.
Niet alleen de regeering kan ontwerpen van wet indienen; elk der
leden van de Tweede Kamer heeft daartoe evenzeer het recht, dat
bekend is onder de benaming: recht van initiatief.
De leden dezer Kamer bezitten ook het zoogenaamde recht van
amendement. Wanneer namelijk de regeering eenig voorstel van wet
heeft ingediend, dan kan elk lid veranderingen of bijvoegingen voor-
stellen. Het voorstel tot zulk eene wijziging noemt men een amendement.
Om alle onzuivere beslissingen te keeren, is bepaald dat niemand
van de beide Kamers gelijktijdig lid kan zijn. De Ministers, wier taak
het natuurlijk is de volksvertegenwoordiging in te lichten en de door
de regeering ingediende wetsontwerpen toe te lichten en te verdedi-
gen, hebben in de beide Kamers zitting, maar zij stemmen alleen
mede wanneer zij zelf lid eener Kamer zijn. De wet verhindert de
vereeniging van beide betrekkingen niet; doch er bestaat veel strijd
over de vraag of het wel gewenscht is. Het gebruik ten onzent was tot
dusver in den regel, dat de Ministers zich niet verkiesbaar stellen.
Enkele hooge Staatsambtenaren kunnen niet tot lid der Staten-
Generaal worden benoemd, en dat wel om verschillende redenen, b.v.
omdat tusschen den werkkring der beide betrekkingen een nauw ver-
band bestaat, enz.
De volksvertegenwoordigers zijn als zoodanig vrij en onschendbaar.
Voor hetgeen zij in de vergadering zeggen of schriftelijk aan de Kamer
mededeelen, kunnen zij niet voor den rechter geroepen worden.
De Kamers vergaderen, zooals bijna vanzelf spreekt, in den regel
afzonderlijk, maar de grondwet maakt toch ook melding van veree-
nigde zittingen. Bij de opening der zitting, bij de sluiting en bij de
inhuldiging van den Koning, is zulk eene vereenigde zitttng voorge-
schreven. Bovendien maakt de grondwet melding van vereenigde
zittingen in dubbelen getale. Voor dat geval zijn, zooals men begrijpt,
bijzondere verkiezingen noodig. De vereenigde zitting in dubbelen
getale is voorgeschreven voor het benoemen van een troonopvolger
in het haast ondenkbare geval, dat geen bevoegd opvolger volgens do
grondwet mocht bestaan.
-ocr page 64-
62
XVII.
Het ledental onzer Eerste Kamer bestaat uit vijftig, die, zooals wij
reeds hebben opgemerkt, gekozen worden door de Staten derprovin-
ciën en wel voor den tijd van negen jaren. Gelijktijdige aftreding
heeft hier echter niet plaats. Een derde gedeelte der leden treedt af
om de drie jaren. In elke provincie wordt een vast getal leden geko-
zen, door de grondwet voorgeschreven, natuurlijk in verhouding tot
de bevolking. De verkiezingen hebben plaats op den tweeden Dinsdag
in Juli, in de jaren 1893, 1896, enz. Alsdan wordt voorzien in do
vervulling der plaatsen van dat gedeelte der leden, hetwelk den derden
Dinsdag in September daaraanvolgende aftreedt.
Wat de vereischten betreft om in dit hooge college zitting te nemen,
hebben wij hier met een geheel ander stelsel te doen als bij de Tweede
Kamer. Ook bij de gekozenen, en dus niet alleen bij de kiezers, is hier
de belasting van invloed, want in de eerste plaats komen zij in aan-
merking, die behooren tot de hoogst aangeslagenen in de Rijks directe
belastingen. Het getal der hoogst aangeslagenen wordt in elke provincie
zóo bepaald, dat op iedere drieduizend zielen éen persoon verkiesbaar
is. De overige vereischten komen overeen met die voor de leden der
Tweede Kamer; maar bij de wijziging der grondwet in 1887 heeft
men gemeend zich een weinig van het beginsel, dat alleen betalen
recht geeft, te moeten losmaken. Over het algemeen kwamen alleen
groote grondbezitters in de Kamer en konden velen niet in aanmerr
king komen, die een sieraad van het college zouden zijn geweest. In
afwachting ook alweer eener nieuwe kieswet, die de zaak nader zal
regelen, heeft de nieuwe grondwet bepaald, dat ook zij verkiesbaar
zullen zijn, die een of meer hooge en gewichtige openbare betrekkin,
gen, door de wet aangewezen, bekleeden of bekleed hebben. Dat
hierdoor vele bekwame en verdienstelijke mannen voor dezen tak
der volksvertegenwoordiging kunnen worden gewonnen, staat vast;
maar toch mag men veilig de bedenking wagen dat niet allen, die
door gaven van den geest of op welke andere wijze ook uitmunten,
hooge en gewichtige openbare betrekkingen bekleeden of bekleed
hebben, en het is toch immers juist de persoonlijke hoedanigheid en
niet de betrekking waarop het aankomt?
Het voornaamste gedeelte van den arbeid der Eerste Kamer bestaat
in de behandeling der reeds door de Tweede Kamer aangenomen
wetten, die zij in haar geheel aanneemt of verwerpt, want deze
-ocr page 65-
63
Kamer bezit niet het aan den anderen tak der volksvertegenwoordi-
ging toegekende recht van amendement, evenmin als het recht van
initiatief. Zij regelt hare werkzaamheden zelfstandig, evenals de Tweede
Kamer, en vergadert onder leiding van eenen voorzitter, door den
Koning voor elke zitting aangewezen, zonder dat daartoe door haar
eene voordracht wordt gedaan.
De werkzaamheden der Kamera bestaan intusschen niet alleen in
de beraadslagingen, waarvan wij geregeld de verslagen in de dagbladen
lezen. Het voorloopig onderzoek der wetsontwerpen, waartoe de Kamers
in afdeelingen worden gesplitst, is dikwijls veel gewichtiger. Deregel
is dat de ingediende ontwerpen, vergezeld van toelichtende stukken
of zoogenaamde memoriën, door de afdeelingen worden onderzocht en
daarvan een verslag aan de regeering wordt uitgereikt. Dit verslag
wordt dan weder beantwoord en daarna is het ontwerp meestal gereed
voor de behandeling in de openbare zitting. In sommige gevallen kan
echter van den regel, dat de vergaderingen openbaar zijn, worden
afgeweken en eene geheime zitting worden gehouden. Men noemt dit
de behandeling eener zaak in comitó-generaal.
In de verslagen der zittingen zien wij dikwijls melding gemaakt
van eene motie van orde of van eene interpellatie. Dit beteekent het
volgende: De leden der Kamers hebben het recht om over eenig
punt, waarin licht verlangd wordt, bepaalde vragen tot de regeering
te richten. Zij doen dit na bekomen verlof der Kamer en men noemt
het zoó, dat dan eene interpellatie tot de regeering wordt gericht. De
grondwet bepaalt daaromtrent, dat de Ministers aan de Kamer alle
inlichtingen moeten geven, die zij niet strijdig oordeelen met het
belang van den Staat; maar het behoeft geen betoog dat een Minister»
om het geven van inlichtingen te ontgaan, zich niet licht achter dit
wetsartikel zal verschuilen, wanneer inderdaad het belang des landa
bij de zaak niet betrokken is.
De interpellaties eindigen meestal met het voorstel eener motie van
orde, waarbij de Kamer een bepaald gevoelen uit of een wensch tot
de regeering richt. SomB neemt de zaak een meer ernstigen vorm aan.
Bestaat er tnsschen de regeering en een deel der volksvertegenwoor-
diging een verschil over belangrijke punten, dan wordt eene motie.
van wantrouwen door die leden voorgesteld of eene motie van ver-
trouwen door de vrienden der regeering, en bij aanneming eener
motie van wantrouwen kan dit tengevolge hebben dat de betrokken
Minister aftreedt, of wel het geheele kabinet (dat wil zeggen al de
Ministers), indien deze zich te zamen voor de zaak verantwoordelijk
stellen, of, zooals het heet, homogeen zijn.
-ocr page 66-
64
Laat ons nu nog opmerken, dat de boide Kamers der Staten-
Generaal het zoogenaamde recht van enquête bezitten, dat wil zeggen,
dat zij kunnen besluiten om zelfstandig eon onderzoek in te stellen
naar de eene of andere gewichtige aangelegenheid, waaromtrent het
aan licht ontbreekt. Zoo gaf b.v. nog in den laatsten tijd de toestand
van het fabriekswezen aanleiding tot het instellen eener enquête van
zeer grooten omvang en die nog niet is afgeloopen. Men hoopt er
degelijke gegevens door te verzamelen voor de zoogenaamde sociale
wetgeving, dat wil zeggen voor wetten in het bijzonder belang van
den werkenden stand en van eene betere verhouding tusschen werk-
gevers en werklieden.
Het recht van amendement, waarop wij vroeger reeds hebben gewe-
aen, komt ook toe aan de vereenigde vergadering van Eerste en
Tweede Kamer, maar niet aan de Eerste afzonderlijk.
Men heeft dikwijls de vraag gesteld, of de instelling eener Eerste
Kamer, in onzen regeeringsvorm, eigenlijk geene overtolligheid is,
daar immers de Tweede Kamer, die direct door het volk wordt afge-
vaardigd, de wetsontwerpen zeer goed kan beoordeelen, evenals het
algemeen beleid en de handelingen der regeeringspersonen ?
Wij voor ons beantwoorden deze vraag stellig ontkennend en zien
juist in den werkkring der Eerste Kamer een waarborg van niet
geringe beteekenis voor den behoorlijken gang der zaken.
Dat de Tweede Kamer onmiddellijk door het volk wordt gekozen
is natuurlijk een recht dat op hoogen prijs behoort te worden gesteld;
maar het heeft dan toch tengevolge, en dit kan natuurlijk ook niet
anders, dat de partijstrijd bij de verkiezingen hevig is, dat dienten-
gevolge in deze Kamer velen zitting nemen die zich in den partij-
strijd het meest op den voorgrond stelden en niet altijd de bekwaam-
eten en geschiktsten, dat ook in de Kamer de partijen of zooge-
naamde politieke (staatkundige) richtingen scherp tegenover elkander
staan, dat de beraadslagingen of debatten niet altoos op kalme en waar-
dige wijze worden gevoerd, dat men wel eens de partijschap zwaar-
der laat wegen dan het onbevangen oordeel over de zaken.
Nu stelt de Eerste Kamer zeer zeker een tegenwicht daar. De traps-
gewijze verkiezingen voor dit regoeringslichaam hebben tengevolge
dat de keuze met meerdere kalmte plaats heeft; daarom vinden wij
ook in deze Kamer meerdere bezadigdheid, minder partijstrijd; de
juistheid van het oordeel moet daarbij winnen, zoowel waar het de
-ocr page 67-
65
zaken als de regeeringspersonen gelet. Hierbij komt nog dat, zoonis
wij reeds opmerkten, de reeds door de Tweede Kamer aangenomen
ontwerpen door de Eerste in hun geheel werden aangenomen of ver-
worpen en dat geene veranderingen meer kunnen worden aangebracht.
Volk en regeering hebben dus beiden groot belang bij het behoud
van dezen tak der vertegenwoordiging: het volk, omdat de Eerste
Kamer een waarborg oplevert voor het tot stand komen van wetten,
die, om haren inhoud zelve, in het wezenlijk belang der natie zijn;
de regeering, omdat zij meer onpartijdige beoordeeling en waardeering
van de Eerste dan van de Tweede Kamer kan verwachten en het
zoogenaamde Hoogerhuis desnoods een waarborg kan opleveren tegen
aanmatigingen van het Lagerhuis.
Dit neemt intusschen niet weg, dat wezenlijke verbeteringen in de
inrichting der Eerste Kamer niet ondenkbaar zijn. Wij kunnen dit
punt thans echter laten rusten, omdat wij vroeger reeds opmerkten
dat er iets niet in den haak is, waar de wet tot dit lichaam alleen
toelaat de hoogst aangeslagenen en de hoogere ambtenaren, en dat
eene ruimere keuze zeer gewenscht zou zijn, of wellicht een geheel
ander stelsel.
De gebreken van het stelsel kunnen echter niet wegnemen, dat
het bestaan van het lichaam zelf voor onzen constitutioneelen Staat
van groot belang schijnt.
XVIII.
Onze beschouwing van den werkkring der Staten-Generaal moest
uit den aard der zaak eenigszins breedvoerig wezen, doch thans nemen
wij van dit onderwerp weldra afscheid. Nog éene zaak blijft te ver-
melden, die in zeer nauw verband staat met de macht des Konings.
Het hoofd van den Staat heeft volgens de grondwet het recht om de
beide Kamers, te zamen of afzonderlijk, te ontbinden. Wanneer het
blijkt dat regeering en vertegenwoordiging in zaken van groot
gewicht te zeer tegenover elkander staan om op vruchtbare samen-
werking te kunnen hopen, en de regeering meent dat de vertegen-
woordiging niet het gevoelen van het volk uitdrukt, dan maakt de
Koning desnoods van zijn recht tot ontbinding gebruik, met andere
woorden: dan treedt de vertegenwoordiging buiten tijds af en nieuwe
verkiezingen worden uitgeschreven. De kroon maakt van dit recht,
door welks uitwerking de gemoederen allicht zeer in beweging worden
gebracht, niet licht gebruik. Minder zeldzaam is het, dat de regeering
0
-ocr page 68-
66
bukt en do Ministers aftreden, meestal om vervangen te worden door
raadslieden, die het gevoelen deelen der zoogenaamde oppositie, dat
wil zeggen van de meerderheid der vertegenwoordiging, die zich tegen
de regeering kantte.
In dien partijstrijd hoort men vaak de woorden: linkerzijde en rech-
terzijdo. Men gebruikt deze termen gemakshalve. De linkerzijde is dat
deel der volksvertegenwoordiging, dat de richting der regeering niet is
toegedaan. Onder de rechterzijde verstaat men het bevriende gedeelte.
Het recht van ontbinding, waarvan wij zoo even spraken, is een
zeer speciaal voorrecht of prerogatief der kroon, want wanneer de
Raad van State het Koninklijk gezag waarneemt, kan dit lichaam
de Kamers niet ontbinden.
Vroeger hebben wij het een en ander medegedeeld over burgerlijke
en burgerschapsrechten. Het recht van den burger, om deel te nemen
aan het werk der verkiezingen, wordt onder de laatstgemelde gerang-
schikt. Maar in de betrekking van den burger tot het Staatsbestuur
vinden wij nog andere rechten door de grondwet toegekend, die men
gewoonlijk staatkundige of politieke rechten noemt. In den loop der
eeuwen, meestal door staatkundige gebeurtenissen, hebben deze rechten
zich ontwikkeld, is het begrip ervan doorgedrongen en is het volk tot
het genot ervan gekomen.
Allen die zich bevinden op het grondgebied van den Staat, hetzij
dan Nederlanders of vreemdelingen, hebben vooreerst gelijke aanspraak
op bescherming van persoon en goed, zoolang het belang des landa
of dat van bevriende mogendheden, of wel het belang der maatschappij,
niet met deze vrijheid in strijd zijn.
Ten aanzien van vreemdelingen moet natuurlijk hot belang van
onzen Staat zoowel in acht genomen worden als dat van volken met
welke wij betrekkingen onderhouden. Bij eene wet van 13 Augustus
4849 zijn dan ook reeds bepalingen gemaakt tot regeling der toelating
en uitzetting van vreemdelingen ; terwijl bij twee wetten, van 6 April
1875 en 15 April 1886, de algemeone voorwaarden zijn geregeld, op
welke, ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen, die buiten
het Rijk misdrijven hebben gepleegd, verdragen met vreemdemogend-
heden kunnen worden gesloten. Met onderscheidene mogendheden
zijn inderdaad dergelijke verdragen of tractaten aangegaan, waardoor
natuurlijk de veiligheid der maatschappij in het algemeen moet toe-
nemen. De verzoeken van dien aard aan onze regeering gedaan en
de behandeling daarvan die gedeeltelijk behoort tot den werkkring
-ocr page 69-
Ü7
eener afzonderlijke afdeeling van het Ministerie van Justitie, noemt
men met een vreemd woord rogatoire commissiën.
De wet erkent hot recht van eigendom, dat zeker een der hoek-
steenen der maatschappij mag genoemd worden, omdat zonder deze
erkenning de beste waarborgen voor orde en de beste drijfveren voor
het raderwerk der samenleving zouden ontbreken. Het recht van
eigendom bukt alleen voor het algemeen belang van den Staat, en
niemand kan van zijn eigendom worden ontzet, dan tengevolge eener
wet, gegrond op het algemeen nut. Slechts in sommige gevallen
behoeft aan die voorwaarde niet voldaan te worden, b.v. bij oorlog
en besmettelijke ziekte. Eene door de wet met die macht bekleede
overheid kan dan de onteigening bevelen. De regel is voorts dat elko
ontzetting van eigendom plaats heeft tegen schadeloosstelling, die
vooraf moet worden betaald of waarvan de betaling althans vooraf
moet worden verzekerd. Bij twee wetten, van 28 Augustus 1851 en
van 14 September 186G, is hetgeen op dit alles betrekking heeft ia
bijzonderheden geregeld.
De veiligheid van personen en goed is alleen voldoende verzekerd,
waar eene onafhankelijke rechterlijke macht bestaat. In het algemeen
is de beslissing over alle geschillen tusschen de burgers onderling
opgedragen aan rechters, wier taak en bevoegdheid bij de wet zijn
geregeld. De straffen, op misdrijven gesteld, worden eveneens door
den rechter opgelegd krachtens de wet. Willekeurige handelingen der
regeering zijn ten onzent in dit opzicht niet mogelijk. Togen zijn wil
kan niemands zaak worden beslist anders dan door den rechter die
er voor is aangewezen. Ook mag niemand willekeurig in hechtenis
worden genomen, en in geen geval zonder bevel van den bevoegden
rechter, terwijl allen eene onschendbare woning hebben en niemand
daarin mag treden tegen den wil van den bewoner, dan alleen in de
gevallen dat de wet dit uitdrukkelijk bepaalt.
De grondwet huldigt de vrije gedachte volkomen. Ieder kan door
de drukpers zijne gedachten of gevoelens uiten. Voor het gesprokoiie
zelf blijft men natuurlijk verantwoordelijk en, waar het de rechten
van anderen aanrandt of in het algemeen eene niet geoorloofde han-
deling betreft, ook strafrechtelijk vervolgbaar. Het geheim der aan de
post of andere openbare instellingen van vervoer toevertrouwde brieven
is ook onschendbaar. De regeering mag zich tot gecnerlei doel van dat ge-
heim meester maken. Alleen de rechter kan last geven tot afwijking van
dezen regel, in de gevallen door de wet uitdrukkelijk goregeld. Ieder
belijdt verder zijne godsdienstige overtuiging met volkomen vrijheid,
voor zoover deze de vrijheid on de rechten van anderen niet aanrandt
-ocr page 70-
68
en dus in do termen der strafwet valt. Elk kerkgenootschap iegelijk
voor de wet. Binnen gebouwen en afgesloten plaatsen worden alle
openbare godsdienstoefeningen toegelaten, onder voorwaarde dat de
overheid desnoods voor orde en rust kunne waken. Buiten gebouwen
en afgesloten plaatsen, onder welke laatste ook begraafplaatsen worden
verstaan, is openbare godsdienstoefening niet toegelaten, omdat dit
allicht andersdenkenden aanstoot kan geven. Alleen zijn in dit opzicht
uitzonderingen gemaakt voor die plaatsen waar dergelijke godsdienst-
oefeningen (b.v. de processiën der Roomsch-katholieken) reeds gebrui-
kelijk waren vóór de wijziging der grondwet in 1848.
In ons land bestonden sinds eeuwen nauwe betrekkingen tusschen
Kerk en Staat. Onder de republiek der Vereenigde Nederlanden, die
overigens de vrijheid van denken huldigde, was er eene Gereformeerde
Staatskerk. De hervormde godsdienst was gedurende en na den vrij-
heidsoorlog tegen Spanje langzamerhand de overheerschende geworden
en in dien tijd kon men zich nog niet indenken in een toestand,
waarbij de zaken van den Staat geheel of zooveel mogelijk van die
der kerk worden afgescheiden, wat toch vooral in een land als het
onze, waar zoovele godsdienstige gezindten naast elkander bestaan,
dringend noodzakelijk is. Onder de republiek werden de belijders van
den Hervormden eeredienst natuurlijk zeer begunstigd, en die er niet toe
behoorden werden van de ambten en de regeering uitgesloten. Wij
hebben reeds vroeger opgemerkt, dat de Staatsomwenteling van 1798
aan dien toestand, althans op het papier, een einde maakte. Zeker is
het, dat de eigenlijke Staatskerk door de omwenteling verviel, maar
er bleven toch veelvuldige inmengingen der regeering in kerkelijke
zaken bestaan; zelfs waren er tot 1868 nog afzonderlijke departemen-
ten voor de regeling van kerkelijke zaken of zoogenaamde ministeriën
van eeredienst.
Maar met de wijziging der grondwet in 1848 brak toch het beginsel
door, dat Kerk en Staat beide hunne eigene zaken moeten regelen en
vrij in en naast elkander moeten bestaan. Vandaar dan ook dat wat
vroeger rechtens was, later is vervallen, b.v. de goedkeuring der
kerkelijke reglementen door den Koning, de benoeming door hem
van president en secretaris van de synode der hervormde kerkende
vertegenwoordiging der regeering in de zittingen van dat lichaam.
Ook zijn de ministeriën van eeredienst vervallen. Volkomen af-
echeiding van Kerk en Staat bestaat nog niet; er blijven nog vele
punten van aanraking, en natuurlijk behoudt de regeering het recht
van toezicht op de kerkgenootschappen, in het belang der openbare
orde en rust.
-ocr page 71-
69
XIX.
Vooral op geldelijk gebied blijft er tusschen Staat en kerk nog altijd
verband bestaan. Tengevolge der kerkhervorming in de zestiende eeuw,
vervielen de goederen der Katholieke kerken en godsdienstige of
kerkelijke gestichten meestal aan de nieuwe, hervormde gemeenten,
maar door de omwenteling in het laatst der vorige eeuw en de daarop
gevolgde Staatsregeling van 1798, werden die bezittingen, zooals ze
toen bestonden, geseculariseerd, dat wil zeggen, ze vervielen aan de
republiek, die op zich nam om nog eenigen tijd de traktementen enz.
der hervormde leeraren uit te betalen. Na verloop van zekeren tijd zou
de kerk dan geheel aan zichzelve worden overgelaten. Bij de grond*
wet van 1815 kwam men weer tot een ander stelsel en nam op zich,
de betaling der traktementen en pensioenen, die destijds door de
onderscheidene kerkgenootschappen werden genoten, en niet alleen
door de hervormden, want toen Lodewijk Napoleon Koning van
Holland was, werden ook de katholieken en andere gezindten gesteld
in het genot der uitkeering, die dus daardoor een meer algemeene
en ook meer billijke strekking verkreeg. De godsdienstige gezindten,
na de grondwet van 1815 opgericht, hebben op de toelagen echter
geen aanspraak.
Het toezicht dat de Staat, in het belang der openbare orde, op de
kerkgenootschappen uitoefent, is geregeld bij de wet van 10 September
1853. Bij die wet is het beginsel, dat Staat en kerk gescheiden zijn,
duidelijk uitgesproken door de bepaling dat aan alle kerkgenootschap-
pen de volkomen vrijheid verzekerd blijft, om alles wat den godsdienst
en de uitoefening daarvan in eigen boezem betreft, te regelen, maar
de bepalingen omtrent inrichting en bestuur moeten aan de regeering
worden medegedeeld, vreemdelingen mogen geene kerkelijke bedie-
ningen aanvaarden zonder toestemming des Konings en in het belang
der openbare orde en rust kan die toestemming geweigerd worden.
De bedienaren van den godsdienst mogen hun plechtgewaad slechts
dragen binnen de gebouwen en besloten plaatsen waar de openbare
godsdienstoefening wordt gehouden, tenzij, zooals wij boven hebben
gezien, die godsdienstoefening ook daarbuiten is toegelaten. Het
gemeentebestuur moet verlof geven tot het oprichten van een gebouw
tot uitoefening van den openbaren godsdienst binnen den afstand van
twee honderd ellen van eene bestaande kerk; terwijl het klokken-
arelui bij den aanvang van den dienst enz., in gemeenten waar
-ocr page 72-
70
kerken van meer dan een kerkgenootschap zijn, in het belang van
rust en orde door den Commissaris des Konings kan worden verbo-
den en, tot andere doeleinden dan de genoemde, voor het luiden der
klok steeds de toestemming der plaatselijke politie noodig is.
De ingezetenen des Rijks hebben voorts het zoogenaamde recht van
petitie (verzoek). Men zou zeggen, het spreekt van zelf dat zij iets
kunnen vragen of verzoeken aan de regeering of aan eenige openbare
macht; maar de grondwet, die dit recht toekent, bedoelt daarmede
dat de overheid van die verzoeken, die echter schriftelijk moeten
worden ingediend, kennis behoort te nemen en heeft dan ook bepaal-
delijk op het oog aangelegenheden van staatkundigen aard inbetrek-
king tot de regeering van het Rijk of zijne onderdeelen. Bij den
aanvang der werkzaamheden van de Kamers zien wij gedurig dat een
aantal verzoekschriften zijn ingekomen omtrent de zaken die tot haren
•werkkring behooren. Soms worden zij eenvoudig ter griffie gedepo-
neerd, dat wil zeggen: er wordt niet verder op gelet dan doorbloote
kennisneming, maar soms worden zij in handen van eene commissie
gesteld, die een onderzoek instelt, verslag uitbrengt en zoo noodig
voorstelt een besluit of conclusie te nemen, waaromtrent dan door de
vergadering wordt beslist. Niet alleen voor zichzelven maar ook namens
anderen mag men verzoekschriften indienen of petitionneeren, mits
men, ter voorkoming van misbruiken, de volmacht overlegt, waarbij
die anderen den last daartoe hebben verstrekt.
Er is nog een ander staatkundig recht, dat tot het indienen van
verzoekschriften aan de regeering zeer veel aanleiding geeft, namelijk
het recht van vereeniging en vergadering. Vóór de grondwetswijziging
van 1848 werd dit onderwerp beheerscht door de strafwet, die straf
bedreigde tegen het zonder verlof der overheid houden van bijeen-
komsten van meer dan twintig personen. Hierdoor konden, en dit
was ook de bedoeling, geregeld vergaderingen met een godsdienstig
of staatkundig dool worden geweerd. Meermalen is van die bepaling
een gebruik gemaakt, dat met gezonde begrippen van volksvrijheid
geheel en al in strijd was. Bij de grondwet van 1848 werd dan ook
het recht van vereeniging en vergadering uitdrukkelijk erkend, met
de bijvoeging dat eene bijzondere wet de uitoefening van het recht
in het belang der openbare orde nader moest regelen en beperken.
Dit geschiedde dan ook bij de wet van 22 April 1855 en het is niet
gewaagd, te zeggen dat nimmer van eenige wet een ruimer gebruik
-ocr page 73-
71
is gemaakt, zoo zelfs, dat wij ons nauwelijks meer zouden kunnen
indenken in den toestand van vóór veertig jaren. Wij durven hierbij
gerust de opmerking maken, dat zelden door eenige wet de natie
meer werkelijk is gebaat geworden. Wij allen kennen de tallooze
vereenigingen op staatkundig, godsdienstig of wetenschappelijk gebied,
die in vele opzichten gunstig op de algemeene ontwikkeling terug-
werken en de natie inderdaad doen leven het leven van een vrij en
ordelijk volk. Stond daartegenover in do laatste jaren hier en daar
eenig misbruik, dat voor een deel veroorzaakt werd door minder
gewenschte maatschappelijke toestanden, tot eene beperking van de
rechten van het volk zal dit treurig verschijnsel hoogstwaarschijnlijk
niet behoeven te leiden. Twee bijzondere maatregelen zijn er toch
het gevolg van geweest. De vrees, dat de burgerlijke overheid wel
eens niet bij machte zou kunnen wezen om orde en rust te hand-
haven, heeft een nieuwe bepaling gebracht in de gewijzigde grondwet
van 1887. Daarbij is aan den Koning do bevoegdheid gegeven om
een gedeelte van het Rijk zoogenaamd in staat van beleg of van
oorlog te verklaren, waarvan het feitelijk gevolg is, dat niet de bur-
gerlijke maar de militaire overheid heerscht, de drukpersvrijheid
tijdelijk wordt opgeheven, vereenigingen of vergaderingen worden
verboden, de onschendbaarheid der woning, waarvan wij vroeger
spraken, niet wordt geëerbiedigd, enz. De tweede der bedoelde maat-
regelen is de wet van den 9 Mei 1890, die verbiedt om wapenen bij
zich te hebben op den openbaren weg of eenige voor het publiek
toegankelijke plaats. De wet heeft voornamelijk het oog op vuur-
wapenen, sabels, dolkmessen en degenstokken en bevat natuurlijk de
noodige uitzonderingen, opdat geene verhindering worde toegebracht
aan de gewone maatschappelijke levensverrichtingen. De bedoeling is,
dat men geen wapen bij zich mag hebben, dat voor dadelijk gebruik
kan worden aangewend, zonder noodzakelijkheid of zonder vergunning.
Een goed ingepakt wapen b.v. is voor zoodanig gebruik niet vatbaar.
Bij eene gezonde opvatting kan, ook in het algemeen gesproken, de
wet zeer gunstig werken.
De door ons bedoelde* vereeenigingen van staatkundigen, godsdien*
stigen of anderen aard, vereenigingen van personen dus tot een zooge-
naamd zedelijk of onstoffelijk doel, kunnen, alsof zij eén persoon waren,
in de samenleving handelend optreden, en dus ook als éen persoon aan
het politieke leven deelnemen, b. v, door het indienen van petitién
als anderszins. Zij worden daarbij door het bestuur vertegenwoordigd.
Echter moeten zij, om zich als zoodanig te kunnen gedragen, aan
zekere voorwaarden voldoen, door de genoemde wet van \'22 April
-ocr page 74-
72
1855 gesteld. Zij behoeven namelijk de zoogenaamde erkenning als
rechtspersoon, die, ingeval het doel der vereeniging strijdt met de
wet of de openbare orde, geweigerd wordt. De erkenning, tegenwoordig
eene bijna dagelijks voorkomende zaak, ook in gevallen waarin het
nuttige of noodzakelijke van dien maatregel sterk moet worden
betwijfeld, geschiedt door den Koning als zij voor minder dan dertig
jaar wordt gevraagd, terwijl anders daarvoor eene bijzondere wet
wordt vereischt.
Nog enkele bepalingen van evengenoemde wet trekken onze aan-
dacht. Wij zeiden reeds dat het recht ook is beperkt. Zoo is b. v.
bepaald dat vreemdelingen, die hier geen vast verblijf hebben, geene
leden kunnen zijn van staatkundige vereenigingen. Dergelijke personen,
die geen belang hebben bij den binnenlandschen vrede, zullen des te
eerder een noodlottigen invloed op anderen uitoefenen.
Ook zonder het bestaan eener vereeniging is vergadering toegelaten\'
Voor openbare gemeenschappelijke beraadslaging in de open lucht is
vergunning van het hoofd van het gemeentebestuur noodig. Tot alle
openbare vergaderingen hebben de ambtenaren der politie vrijen toe-
gang, terwijl het dragen van wapenen, tenzij door militaire officieren
en onderofficieren in uniform, in beide soorten van bijeenkomsten
verboden is.
XX.
Bij het overzicht van de samenstelling der Rijksregeering, hebben
wij opgemerkt dat de taak der regeering in hoofdzaak feitelijk wordt
volbracht onder de leiding van de hoofden der ministeriëele departe-
menten: de verantwoordelijke Ministers. Daartoe zijn aan elk ministerie
of departement een groot aantal ambtenaren, hoogere en lagere, wier
werkzaamheden in verschillende afdeelingen zijn gesplitst.
Wanneer men, meer in bijzonderheden, den werkkring van regeering
en wetgevende macht en de vruchten daarvan wil beschouwen en
het oog vestigen op de voornaamste instellingen van den Staat, waar-
over de regeeringszorg zich uitstrekt, dan is eene kleine wandeling
door de departementen van algemeen bestuur daartoe zeer geschikt.
Willen wij daartoe aanvangen met het departement dat ons de
meeste stof tot bespreking oplevert, en dat dan ook zeker niet de
minst gewichtige onderwerpen beheerscht, dan moeten wij kiezen het
Ministerie van Justitie dat, wat ook de naam aanduidt, het rechtswezen
regelt of bestuurt.
-ocr page 75-
73
Dit is dan ook door de grondwet uitdrukkelijk voorgeschreven.
Van de justitie, zoo luidt haar vijfde hoofdstuk, en inderdaad is de
justitie, het recht in den Staat, zijn beste bolwerk. Nederland is in
vele opzichten een land van goede justitie, en wij kunnen one
beroemen op eene zeer bekwame en onafhankelijke rechterlijke macht.
De rechtspraak zelve, die in beginsel aan de kroon toekomt, om
welke reden het recht dan ook wordt gesproken en uitgeoefend m
naam des Konings, geschiedt op grond van de bestaande wetten,
waaraan de rechter gebonden is, zonder dat hij hare innerlijke waarde
of billijkheid mag beoordeelen. De voornaamste afdeelingen van het
recht zijn geregeld in algemeene wetboeken, terwijl andere onderwerpen
afzonderlijk zijn behandeld: in dit laatste geval spreekt men een-
voudig van wetten. Wetboeken bestaan van: i. het burgerlijk recht,
dat de rechten en verplichtingen der burgers in de onderlinge samen-
leving behandelt, 2. het handelsrecht, dat de bijzondere rechten en
verplichtingen in zaken van koophandel bevat, 3. het strafrecht, 4. de
manier van procedeeren, zoov»el in burgerlijke als in strafzaken (de
zoogenaamde rechts- en strafvordering en 5. de inrichting der rechter»
lijke macht of rechterlijke organisatie. Waar de grondwet het bestaan
dezer wetboeken gebiedend voorschrijft, doelt dit alleen op een voort-
durend bestaan, want de meeste zijn reeds op 1 October 1838 in
werking getreden. De strafwet, zooals die thans bestaat, beter gezegd
het wetboek van strafrecht, kwam op 3 Maart 1881 tot stand en werd
op 1 September 1886 in werking gebracht. Het militair strafrecht is
echter nog niet bij een algemeen wetboek geregeld.
De zoogenaamde rechterlijke organisatie verdeelt het land voor de
rechtspraak in verschillende districten, bepaalt het aantal rechterlijke
colleges en rechters en wijst ieders werkkring aan. Alleen het hoogste
college, de Hooge Raad der Nederlanden, dien wij aanstonds nader
zullen ontmoeten, is ook door de grondwet genoemd en kan dus,
welke regeling de bijzondere wet ook make, niet worden opgeheven,
Het Rijk is in de eerste plaats verdeeld in 106 kantons, in elk
waarvan de kantonrechter de alleen rechtsprekende rechter is. De
bemoeiingen van den kantonrechter loopen intusschen veelal over
zoogenaamde buitengerechtelijke zaken, die dus niet in betrekking staan
tot eigenlijke twistgedingen, zooals benoemingen van voogden en
curators, het waken voor de belangen van minderjarigen bij boedel-
scheidingen en andere handelingen, waarin zij betrokken zijn. Ook
het verzegelen en ontzegelen van boedels heeft door hem plaats.
In burgerlijke en handelszaken worden sommige geschillen door
hem besüst, soms in eersten aanleg, dat wil zeggen, dat van de
10
-ocr page 76-
74
beslissing hooger beroep mogelijk is, soms in het hoogste ressort, als
wanneer hooger beroep of zoogenaamd appèl niet is toegelaten. In
Btrafzaken is de "werkkring van den kantonrechter buitengewoon
uitgebreid. Aan zijne kennisneming zijn vooral onderworpen deover-
tredingen der plaatselijke verordeningen en van een aantal zoogenaamde
Rijkspolitiewetten, b. v. van de drankwet, de wet op de jacht en
visscherij, enz. Of de kantonrechter óf een hoogere rechter moet
beslissen, en of er al of niet hooger beroep bestaat, hangt af van de
zwaarte der straf, welke op de overtreding is gesteld. Het vervolgen
der overtredingen, het eischen van straf en de zorg voor de uitvoering
van het vonnis is opgedragen aan een ambtenaar, die den titel
draagt van ambtenaar van het openbaar ministerie.
Er zijn drie-en-twintig arrondissementen, elk met een rechterlijk col-
lege, de arrondissements-rechtbank genaamd. Hier en bij de hoogere col-
leges, wordt niet meer door éen persoon recht gesproken, maar worden de
eigenlijke vonnissen gewezen door een oneven aantal rechters (minstens
drie). De ambtenaar van het openbaar ministerie draagt hier den
titel van Officier van Justitie. Zijn werkkring is zeer uitgebreid en
gewichtig, daar hij vooral belast is met de handhaving der wetten,
de vervolging der strafbare feiten en het doen uitvoeren der straf-
vonnissen. Ook moet hij in vele gevallen door de rechtbank worden
gehoord, alvorens deze een vonnis velt of de eene of andere buiten-
gerechtelijke beslissing neemt, b. v. in zaken van echtscheiding, van
scheiding van tafel en bed, van scheiding van goederen, van boedel-
scheiding en in het algemeen van zaken, waarbij minderjarigen of
onder curateele gestelden betrokken zijn, van geschillen in betrekking
tot den burgerlijken stand, en vele andere.
Wat betreft het opsporen van strafbare feiten, die bij de algemeene
strafwet zijn opgenoemd, zijn er ook ambtenaren die als hulp-officieren
van justitie dienst doen, namelijk de officieren en onder-officieren der
marechaussee of bereden Rijkspolitie, de commissarissen van.politie
en de waterschouten, in de gemeenten waar geen commissaris is de
burgemeester, en eindelijk de kantonrechter, terwijl, behalve deze
ambtenaren ook nog met het opsporen dier feiten zijn belast de veld-
en boschwachters, de officieren van justitie en de andere ambtenaren
van het openbaar ministerie; behalve die bij de kantongerechten, en
andere ambtenaren, die daartoe in bijzondere wetten voor bepaalde
gevallen zijn aangewezen, zooals, om éen voorbeeld te noemen, de
inspecteurs van het geneeskundig staatstoezicht.
De taak der rechtbank zelve bestaat vooral in het beslissen, in
hooger beroep, van de z^fken die reeds door den kantonrechter zijn
-ocr page 77-
75
behandeld, doch waarvan de partijen of het openbaar ministerie in
hooger beroep kwam, en verder van andere geschillen omtrent burger-
lijk" of handelsrecht, die aan hare kennisneming onderworpen zijn,
hetzij dan met of zonder hooger beroep.
Wij merkten reeds op, dat de rechtbank ook kennis neemt van
geschillen over den burgerlijken staat of stand der personen en van
de procedures omtrent echtscheiding, enz. Vergeten wij niet hierbij
te voegen, dat de behandeling der faillissementen een der voornaamste
werkzaamheden van dat college uitmaakt.
Ook in strafzaken velt de rechtbank vonnis over een aantal over-
tredingen en misdrijven, behoudens weder, wat deze laatste betreft,
het appèl bij een hooger college.
In het voorbijgaan mogen wij, tot recht verstand, hier wel even
opmerken, dat de strafbare feiten verdeeld worden in misdrijven en
overtredingen en dat de straffen, zooals zij tegenwoordig zijn geregeld,
bestaan in gevangenisstraf, hechtenis en geldboete. Als bijkomende
straffen kunnen nog in sommige gevallen worden opgelegd: ontzetting
van bepaalde rechten (zooals van die om ambten te bekleeden, te
kiezen of verkozen te worden, voogd, enz. over andere dan eigen
kinderen te wezen, de vaderlijke macht en de voogdij over eigen
kinderen uit te oefenen, enz.); verder verbeurd-verklaring van be-
paalde voorwerpen, plaatsing in een Rijkswerkinrichting en open-
baarmaking van het vonnis.
De doodstraf is sinds eenige jaren afgeschaft. Gevangenisstraf kan
levenslang zijn en, zoo zij voor bepaalden tijd is opgelegd, niet meer
dan twintig jaren duren. Gevangenisstraf van vijf jaren of minder
moet geheel in afzondering (cellulair) worden ondergaan, is zij voor
langer opgelegd, dan moeten de eerste vijf jaren in afzondering onder-
gaan worden.
Waar de straf ondergaan wordt, is aangewezen bij de zoogenaamde
gestichtenwet van 3 Januari 1884. Dit hangt natuurlijk af van den
aard der straf.
De hechtenis wordt opgelegd voor ten minste éen dag en ten
hoogste éen jaar en vier maanden.
Het minste bedrag der geldboete is vijftig cents. Bij gebreke van
betaling binnen twee maanden na den dag waarop het vonnis kan
worden ten uitvoer gelegd, wordt deze straf door hechtenis vervan-
gen. Men noemt dit, zooals wij vroeger al eens deden opmerken, de
Bubsidiaire straf.
EJBL. C
WIJ G HEN 3
-ocr page 78-
70
XXI.
Het overzicht der rechterlijke organisatie vordert, na de bespreking
van den werkkring der arrondissements-rechtbanken, nog eene korte
beschouwing van de gerechtshoven en van den Hoogen Raad der
Nederlanden.
Er zijn vijf gerechtshoven, te \'s-Gravonhage, \'s-Hertogenbosch,
Amsterdam, Arnhem en Leeuwarden, die onder meer in hooger beroep
oordeelen over de daarvoor vatbare vonnissen der arrondissements-
rechtbanken.
De grondwet bepaalt, dat er een oppersto gerechtshof zal zijn, onder
den naam van Hooge Raad der Nederlanden, eene benaming waarvan
de beide laatste woorden natuurlijk geheel overtollig zijn. Dit college
wordt geacht min of meer een staatkundig karakter te hebben, daar
de leden der Staten-Generaal, de Ministers, de Gouverneurs-Generaal
der buitenlandsche bezittingen, de leden van den Raad van State en
de Commissarissen des Konings, wegens ambtsmisdrijven in die
betrekkingen gepleegd, voor den Raad moeten terecht staan. Vandaar
dat de leden van dit lichaam wel door den Koning worden benoemd,
maar uit eene voordracht van drie personen, welke door de Tweede
Kamer wordt gedaan.
De voornaamste bevoegdheid van den Hoogen Raad bestaat in het
casseeren of vernietigen der vonnissen van lagere rechters, wanneer
deze zijn uitgesproken in strijd met de wet. Men noemt dit lichaam
daarom ook wel Hof van Cassatie.
Onder de verdere werkzaamheden, die den Raad zijn opgedragen,
behoort het kennis nemen van sommige rechtsvorderingen, die gevoerd
worden tegen den Koning en tegen den Staat.
Bij den Hoogen Raad en de gerechtshoven, ontmoeten wij als
ambtenaren van het openbaar ministerie, de procureurs-generaal en
de advocaten-generaal.
Toen de bespreking van de voorrechten of prerogatieven der kroon
ons bezighield, hebben wij ook melding gemaakt van het recht van
gratie, dat de Koning bezit. De aard van dit recht wordt veelal geheel
verkeerd opgevat. Het doel der gratie is geenszins om uit medelijden
of grootmoedigheid kwijtschelding van straf te verleenen, maar
integendeel om bij te dragen tot eene goede en juiste rechtspleging.
Wij wezen er reeds op, dat de rechter aan de wet is gebonden en
de innerlijke waarde of billijkheid ervan niet beoordeelen mag.
-ocr page 79-
77
Vandaar dat er zich gevallen kunnen voordoen, dat een vonnis berust
op wetsbepalingen, die op een gegeven oogenblik, of in bepaalde
omstandigheden, uit een oogpunt van billijkheid niet konden worden
toegepast. Nu kan de Koning het evenwicht tusschen het recht en
de billijkheid door gratie, dat wil zeggen door kwijtschelding of
vermindering van straf (want het recht van gratie ziet natuurlijk
alleen op strafvonnissen), herstellen, na ingewonnen bericht van het
daartoe door de wet aangewezen rechterlijk college.
Bij de onderscheidene rechterlijke colleges ontmoeten wij nog andere
personen dan de rechters en leden van het openbaar ministerie,
namelijk de griffiers, de advocaten en procureurs en de deurwaarders.
De eerstgonoemden zijn aangewezen tot het administratief gedeelte
der rechterlijke taak; de advocaten treden op als rechtsgeleerde raads-
lieden en verdedigers der partijen en beklaagden; terwijl de procureurs,
in burgerlijke en handelszaken, bij de rechtbanken en hoogere colleges,
namens partijen, die daar in \'t algemeen niet in persoon verschijnen
de vormen in acht nemen door de wet bij de rechtspleging voorge-
schreven. Voor de kantongerechten verschijnen partijen of hunne
gemachtigden in persoon.
De deurwaarders zijn beambten, door wier tusschenkomst de door
de wet vereischte gerechtelijke aanzeggingen plaats hebben, waarmede
elk rechtsgeding of proces aanvangt en die ook in vele andere
gevallen noodig zijn of gewenscht kunnen wezen.
Bij eene vroegere gelegenheid werd reeds melding gemaakt van de
zoogenaamde administratieve rechtspraak, die niet opgedragen is aan
de rechterlijke macht. Uit de rechten en verplichtingen der burgers
tegenover den Staat en zijne onderdeelen, kunnen even goed geschil-
len ontstaan als uit die tusschen de burgers onderling, b. v. in zaken
van belasting, van militie, enz., en ook uit de verhouding tusschen
verschillende bestuurslichamen onderling. In die gevallen is door de
wet aangewezen aan wiens beslissing de zaak onderworpen is, b. v.
aan die van den gemeenteraad of van Gedeputeerde Staten en met
hooger beroep op den Koning, na ingewonnen advies van den Raad
van State. Het zou intusschen zeer gewenscht wezen dat in die zaken
meer éénheid bestond en dat een bepaald college belast werd om
-ocr page 80-
78
dergelijke geschillen in het hoogste ressort te beslissen. De grondwet
wil dit ook en heeft eenige regels voorgeschreven voor de samenstelling
van zulk een hof, indien dit te eeniger tijd werkelijk tot stand
mocht komen.
Boven hebben wij opgemerkt, dat de strafwetgeving in militaire
zaken volgens de grondwet in een algemeen wetboek moet worden
vervat. Ook moet de wijze van rechtspleging door eene wet worden
geregeld. De tegenwoordige regeling is gegrond op eenige wetten,
meestal van vroegere dagteekening, en eischt dringend herziening.
Wat het krijgsvolk betreft, dit staat terecht voor krijgsraden en in
hooger beroep voor het Hoog Militair Gerechtshof te Utrecht, dat ook
in eersten aanleg vonnis velt over de strafbare feiten door hoofd-
officieren begaan.
Bij de schutterij bestaan voor de berechting der strafbare feiten
zoogenaamde schuttersraden, van wier uitspraken hooger beroep
bestaat bij Gedeputeerde Staten der provincie.
Er bestaat een zeker verband tusschen de nu door ons besproken
rechterlijke macht en de politie, inzonderheid de Rijkspolitie, omdat
de taak der politie niet alleen bestaat in het bewaren van rust en
orde, maar ook daarin, dat zij de justitie of rechterlijke macht behulp-
zaam is, waar het op de feitelijke uitoefening van het recht aankomt.
Wij onderscheiden de politie ingemeente- en Rijkspolitie. De eerste
is die, welke in dienst der gemeenten is en daar hoofdzakelijk de orde
handhaaft en van de overtredingen der plaatselijke verordeningen bij
zoogenaamd proces-verbaal doet blijken. De agenten van politie of,
zooals zij op het platte land heeten, de veldwachters, kunnen tevens
staan in dienst der Rijkspolitie als onbezoldigde Rijks veldwachters ea
hebben dan de bevoegdheid om ook van overtredingen van Rijks-
wetten te doen blijken.
Het opsporen van de overtredingen der algemeene wetten van het
Rijk is natuurlijk de voorname taak der Rijkspolitie. Hiertoe behooren
ook de jachtopzieners, beambten die meer in het bijzonder zijn belast
met het toezicht op de nakoming van de bepaling der wet tot regeling
der jacht en visscherij, en de zoogenaamde marechaussee (eigenlijk:
rijdende veld wacht of veiligheidswacht te paard), eene op bijzondere
-ocr page 81-
79
wijze ingerichte onderafdeeling, welke aanvankelijk alleen dienstdeed
in Limburg, Brabant en Zeeland, doch nu sinds eenigen tijd ook in
Gelderland, Overijsel, Drente, Groningen en Friesland.
Waar bepaalde wetten dit voorschrijven, kunnen ook bijzondere
ambtenaren bevoegd zijn tot het opmaken van proces-verbaal wegens
overtredingen van wetten, provinciale besluiten en provinciale ver-
ordeningen. Dit geldt b.v. van de ambtenaren van het geneeskundig
staatstoezicht met betrekking tot de wettelijke voorschriften in het
belang der volksgezondheid.
Onder het beheer van het Departement van Justitie behoort ten
slotte ook het notariaat.
Geen grooter belang in het burgerlijk leven dan de zoogenaamde
rechtszekerheid. In de onderlinge samenleving doet zich telkens aan
die rechtszekerheid behoefte gevoelen. Zij bestaat hoofdzakelijk hierin,
dat men steeds op afdoende wijze kunne doen blijken van het bestaan
van gemaakte overeenkomsten of gedane beschikkingen en van het
vervullen van door de wet opgelegde verplichtingen. Hiertoe bestaat
geen beter middel dan de zoogenaamde authentieke akte, dat wil
zeggen het geschrift, door een bekwaam en bevoegd persoon in de
wettelijke vormen opgemaakt, en nu zijn de notarissen aangewezen
om daarvoor te zorgen, zoo vaak de wet het eischt of de burgers het,
ofschoon onverplicht, verlangen.
Hoe beter bewijsmiddelen er bestaan, hoe minder geschillen en
processen. Vandaar dat men het groote belang der authentieke akte,
als waarborg voor recht en goede trouw, steeds meer inziet, en daarom
is het te verwonderen dat voor vele zeer gewichtige handelingen dit
bewijs niet is voorgeschreven, doch genoegen wordt genomen mot
een zoogenaamd onderhandsch stuk, dat de hulp van een openbaar
ambtenaar niet vereischt. Dit heeft dan ook tengevolge dat personen,
zonder voldoende kennis, zich bijwijze van bedrijf met het opmaken
van dergelijke stukken belasten, waardoor de rechtszekerheid vermin-
dert en dus het publiek belang schade lijdt.
, ^ xxn.
Van het Departement van Justitie zetten wij thans de wandeling
naar andere departementen voort.
Onder de zaken, welker behartiging aan de ambtenaren bij het •
-ocr page 82-
80
Ministerie van Buitenlandsche Zaken is toevertrouwd, behooren natuur-
lijk in de eerste plaats de betrekkingen die wij met vreemde mogend-
heden onderhouden, en verder alles wat de vertegenwoordiging van
onzen Staat in het buitenland betreft.
Bijna overal in de wereld wordt door Nederlanders gereisd of ver-
blijf gehouden; bijna overal hebben wij handelsbetrekkingen; bijna
overal wordt onze vlag vertoond. Alom hebben wij dus behoefte aan
goede behandeling en bescherming, aan de uitoefening van rechten.
Wederkeerig heeft de Staat er belang bij, dat zijne onderdanen overal
hunne verplichtingen nakomen.
Bij vreemde mogendheden worden wij door verschillende ambte-
naren, die verschillende titels dragen, vertegenwoordigd: buitengewone
gezanten en gevolmachtigde Ministers, Minister-residenten, gezant-
schapsraden, kanseliers, gezanten, attachés en secretarissen. Deze
ambtenaren noemt men diplomatieke agenten. Zij vertegenwoordigen
den Staat als zoodanig bij andere mogendheden en onderhouden de
onderlinge betrekkingen, vooral van staatkundigen aard.
Doch er zijn ook consulaire agenten (consuls en vice-consuls), die
meer bepaaldelijk in vreemde havens voor de belangen van den handel
waken en zorgen voor de burgerlijke rechten van de aldaar tijdelijk
vertoevende Nederlanders. Vandaar dat zij, waar het noodig,is, dienst
doen als ambtenaar van den burgerlijken stand, notaris en rechter.
De wet regelt dezen belangrijken tak van dienst in alle bijzonderheden,
en zoowel voor de diplomatieke als voor de consulaire agenten in het
algemeen, zijn examens voorgeschreven, tot waarborg dat onze belangen
alleen aan bekwame handen worden toevertrouwd.
In vele landen kunnen de Nederlanders zich vrij bewegen, zonder
zoogenaamd paspoort. In andere Staten wordt nog een paspoort
verlangd, een bewijs door de regeering van Nederland afgegeven,
waarop men wordt toegelaten en dat somtijds door ons gezantschap
in het vreemde land (de zoogenaamde legatie) moet worden geteekend.
Natuurlijk is het voor hem, die zich buiten \'s lands begeeft, altijd
aanbevelenswaardig om papieren bij zich te hebben, waaruit desnoods
zijne identiteit kan blijken; dat wil zeggen dat hij werkelijk kan
aantoonen, dat bij degeen is voor wien hij zich uitgeeft.
Bij het Departement van Binnenlandsche Zaken trekken vooral
onze aandacht: het onderwijs en in verband daarmede de kunsten
en wetenschappen.
-ocr page 83-
\';
81
Het onderwijs is een landsbelang, eene Rijkszaak. Immen, de Staat
zelf heeft bij de algemeene ontwikkeling het grootste belang; want
goed onderwijs draagt veel bij tot welvaart en ordelievendheid.
In de laatste jaren heeft de wetgeving op het onderwijs een bijna
algeheele hervorming ondergaan.
De grondwet zelf verlangt dat het openbaar onderwijs een voorwerp
zij van de aanhoudende zorg der regeering. Het woord openbaar duidt
aan dat ook bijzonder onderwijs is toegelaten. Het openbare, waar-
mede de Staat zich rechtstreeks bemoeit, is toegankelijk voor alleni
zonder onderscheid van godsdienstige overtuiging of staatkundige
richting; het bijzondere, dat alleen onder zeker toezicht van het
Kijk staat, huldigt meer een stelsel van uitsluiting en brengt uit den
aard der zaak te zamen de kinderen van hen, die geacht worden eene
zelfde godsdienstige overtuiging te hebben of eene zelfde richting
te volgen.
De inrichting van het openbaar onderwijs wordt, mot eerbiediging
van ieders godsdienstige begrippen (waarom men het neutraal of
onzijdig noemt) door de wet geregeld. Dat onderwijs wordt gegeven
van overheidswege, dus door den Staat zelf of zijne onderdeelen.
Overigens is het geven van onderwijs vrij, doch de Staat houdt
toezicht en onderzoekt vooral, ten minste wat het lager en middelbaar
onderwijs betreft, de bekwaamheid en zedelijkheid van den onderwijzer.
Wat het openbaar lager onderwijs aangaat, de zorg daarvoor rust
op de gemeentebesturen. Dit onderwerp is geregeld bij de wet van
43 Augustus 1857, die echter herhaaldelijk is gewijzigd en in 1889
zelfs eene zeer ingrijpende verandering heeft ondergaan.
In elke gemeente moet voldoend openbaar lager onderwijs gegeven
worden in een genoegzaam aantal scholen, welke voor alle kinderen,
zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid, toegankelijk zijn.
Daarom wordt hier toch niet uitsluitend de voor het loven noodzakelijke
kennis, b.v. van lezen, schrijven en rekenen, opgedaan. Het onderwijs
wordt wel degelijk dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling van
verstand en hart, dus, zooals de wet het misschien een weinig zonderling
uitdrukt, ook aan de opleiding tot allo christelijke en maatschappelijke
deugden. Maar het spreekt vanzelf dat de openbare onderwijzer niets
mag leeren, doen of toelaten, wat strijdig is met den eerbied, dien
elk beschaafd mensch aan do godsdienstige begrippen van andersden-
kenden bewijst. Is deze taak zeer moeilijk, de Nederlandsche openbare
onderwijzer weet over het algemeen die moeilijke taak naar eisch te
vervullen en staat in waarheid hoog èn als onderwijzer èn als opvoeder.
Dit neemt niet weg dat men rekening behoort te houden met gewich-
U
-ocr page 84-
82
tige maatschappelijke verschijnselen en in de laatste jaren nam het
getal van degenen, die voor hunne kinderen onderwijs verlangen,
voor een deel ook aan godsdienstige of kerkelijke opleiding gewijd,
zeer toe en de bijzondere scholen van dien aard verrezen bij menigte.
Terwijl het Rijk aan de gemeenten een deel der kosten van het
lager onderwijs teruggeeft, konden de bijzondere scholen van die
uitkeering niet genieten en zij, wier kinderen van de openbare school
geen gebruik maakten, moesten natuurlijk toch het hunne bijdragen
in de kosten der gemeentelijke huishouding, waartoe die van het open-
baar onderwijs behooren. Daarom heeft de wet in 1889 bepaald dat
aan de besturen der bijzondere scholen ook eene bijdrage in de kosten
van het onderwijs kan worden verleend, mits die scholen aan zekere
voorwaarden voldoen, die stellig in het belang van het onderwijs zijn.
Overigens is het te betreuren dat het voornaamste gebrek, hetwelk ons
lager onderwijs aankleeft, nog niet is weggenomen. Het staat namelijk
den ouders volkomen vrij, hunne kinderen geen onderricht te doen
genieten. Waar het genoten wordt, is het toch dikwijls geheel onvol-
doende, door verregaand schoolverzuim of door een zoo kortstondig
schoolbezoek, dat hiervan geene vruchten te verwachten zijn. Men
berekent dat nog ongeveer zeventig duizend kinderen van alle onder-
wijs verstoken zijn, en daarom schijnt het de dure plicht van den
wetgever om, in het welbegrepen belang van den Staat, een stelsel
van leerplicht te scheppen, dat geschikt is, aan dezen treurigen toestand
een einde te maken,
Terwijl het lager onderwijs, zooals wij reeds opmerkten, vooralten
doel heeft het aanleeren van die gepaste en nuttige kundigheden»
welke geacht worden aan eiken mensch eigen te moeten zijn, zal hij
in waarheid geschikt wezen voor de maatschappelijke samenleving,
beoogt het middelbaar onderwijs meer de vorming van bekwame
personen in sommige bijzondere vakken, zooals in den landbouw, in
zekere ambachten, in de nijverheid (industrie), enz.
Tot het middelbaar onderwijs behoort ook dat aan de polytechnische
school (dat is: school waar vele kunsten worden geleerd) te Delft.
Deze inrichting brengt de zoogenaamde ingenieurs voort, zij die eene
bijzondere kennis bezitten van de bouwkunst, de werktuigkunde en
het mijnwezen.
Verder ontmoeten wij de Rijks- en gemeente Hoogere Burgerscholen
en de burger dag- en avondscholen, de Rijkslandbouwschool te Wage-
ningen en de Nederlandsche tuinbouwschool „Amsterdam", te Water-
graafsmeer.
Ook op het gebied van bijzonder onderwijs moet met waardeering
-ocr page 85-
83
•worden gedacht aan sommige nuttige instellingen, zooals de akademie
van beeldende kunsten en technische wetenschappen te Rotterdem en
de ambachtsschool aldaar en te Leiden.
Het hooger onderwijs heeft ten doel: te vormen en voor te bereiden
tot zelfstandige beoefening van wetenschappen en, wat trouwens ook
van het middelbaar onderwijs kan gezegd worden, de vorming tot
maatschappelijke betrekkingen, waarvoor eene wetenschappelijke
opleiding vereischt wordt. Tot deze afdeeling behooren de gymnasia,
waar men voorbereid wordt tot zelfstandige studie, en de hooge-
scholen, die, vooral ook door hare rijke bibliotheken en andere ver-
zamelingen, meer bepaaldelijk tot zelfstandige studie gelegenheid
aanbieden.
"Wat de hoogescholen of universiteiten betreft, hebben die te Leiden,
Utrecht en Groningen, van Staatswege opgericht, en die te Amsterdam,
(voorheen het athenaeum illustre of de doorluchte school) door de
gemeente onderhouden, een openbaar karakter en alleen aan deze
kan worden verkregen de zoogenaamde doctorale graad, die verschil-
lende rechten geeft, b. v. om benoemd te worden tot lid der rech-
terlijke macht of leeraar bij verschillende inrichtingen van onderwijs,
om zich als advocaat te vestigen, enz. De Vrije Universiteit te
Amsterdam, die geheel een bijzonder karakter heeft, bezit geene
bevoegdheid tot het toekennen van dien graad, omdat bij het bijzonder
onderwijs de waarborgen voor een werkelijk voldoend wetenschap-
pelijke opleiding niet in die mate bestaan als bij het openbaar; en
daar natuurlijk eenheid in de gestelde eischen moet zijn, kan het
recht om wetenschappelijke graden of titels met bepaalde rechten te
verleenen, ook moeilijk anders dan aan den Staat worden toegekend.
XXIII.
Aan het eindo onzer vorige schets doelden wij reeds op het bijzonder
hooger onderwijs. In het algemeen is het geven van onderwijs vrij,
behoudens echter bij het lager en middelbaar onderwijs het door de
wet geregelde onderzoek en toezicht omtrent bekwaamheid en zede-
lijkheid der onderwijzers, wat wij vroeger reeds deden opmerken.
De oprichting eener school van bijzonder hooger onderwijs is ge-
heel vrij. Slechts enkele vormen behoeven te worden nagekomen.
Dat van de vrijheid in deze slechts een zeer spaarzaam gebruik
zal worden gemaakt, ligt geheel in den aard der zaak.
Het openbaar hooger onderwijs bevat ook de zoogenaamde godge»
-ocr page 86-
84
leerdheid, doch alleen het zuiver wetenschappelijke der godsdienstleer.
Wat noodig is tot opleiding voor kerkelijke betrekkingen eener be-
paalde gezindte, moet elders of op andere wijze worden eigen gemaakt.
De verschillende kerkgenootschappen bezitten daartoe scholen of
seminaria, terwijl vanwege de synode der Nederlandsche Hervormde
kerk zoogenaamde kerkelijke hoogleeraren bij de openbare universi-
teiten worden aangesteld.
Alvorens dit onderwerp te beëindigen, moet nog met een enkel
woord worden herinnerd aan de schoone gemeentelijke instelling te
Delft, voor het onderwijs in de kennis der landen en volken van
Nederlandsch-Indië en van de daar gevestigde instellingen en bestaande
talen. Aan deze school worden zij opgeleid, die tot ambtenaar bij den
burgerlijken dienst of bij de rechterlijke macht in Indië wenschen
te worden benoemd. Wij moeten er voor zooveel noodig op wijzen,
dat dit alleen betrekking heeft op Ooet-Indië.
:                       "                    v                                                                           \'
Intusschen, niet alleen onderwijs maar ook in het algemeen kunsten
en wetenschappen te bevorderen, is de aangewezen taak der regeering
van een verücht volk, dat naar meerdere ontwikkeling streeft. Noch
gevoel voor kunst, noch wetenschappelijke zin kunnen aan onze natie
worden ontzegd. Naar vermogen wordt dan ook dit zedelijk doel
door regeering en volk in het oog gehouden. Zelfs is eene bepaalde
afdeeling van het Departement van Binnenlandsche Zaken met het
beheer der instellingen van kunst en nijverheid belast en de behar-
tiging van alle onderwerpen, welke daarmede verband houden.
In de laatste jaren is zeer veel verzameld, voor verval behoed, voor
practisch gebruik geschikt gemaakt, inzonderheid ook op het gebied
van het archiefwezen, dat de verzameling en bewaring van belangrijke
oudheden, voornamelijk boekwerken en geschriften, beoogt.
Onder de belangrijkste instellingen van wetenschap en kunst, die
bij de wet of bij koninklijk besluit geregeld zijn, behooren: de
Rijksacademie van beeldende kunsten te Amsterdam, waar hoofdza-
kelijk onderwijs wordt gegeven in teeken-, schilder-, graveer- en
beeldhouwkunst, en de mede aldaar gevestigde Koninklijke academie
van wetenschappen, een raadgevend lichaam voor de regeering op
het gebied der wetenschap en eene inrichting tot bevordering van
jralke wetenschappelijke onderzoekingen en ondernemingen, al3 slechts
door samenwerking van de beoefenaars der wetenschap en door
ondersteuning der regeering kunnen worden tot stand gebracht.
-ocr page 87-
85
Van de verdere belangrijke onderwerpen van staatszorg, welke tot
het Departement van Binnenlandsche Zaken behooren, moeten wij
nog in het kort die aanstippen, welke bepaaldelijk de volksgezondheid
betreffen, alsmede het armwezen, dat echter bij ons overzicht der
gemeentelijke huishouding reeds in hoofdzaak is behandeld. Nog een
ander onderdeel van binnenlandsche zaken, de schutterijen, kan beter
plaats vinden bij een kort overzicht van het krijgswezen.
Het spreekt wel vanzelf, dat de staatszorg zich aan het lichamelijk
welzijn der ingezetenen veel moet laten gelegen liggen en daarnevens
de stoffelijke welvaart niet vergeten wordt. Proeven daarvan geeft de
wet dan ook bij menigte. Wij kunnen daartoe reeds volstaan met te
herinneren aan het geneeskundig staatstoezicht en aan dat betreffende
de veeartsenijkunde, meestal aangeduid met de benamingen: medische
en veeartsenijkundige politie; alsmede aan de wet tot wering van
besmettelijke ziekten, aan de bepalingen betrekkelijk het begraven van
lijken en de begraafplaatsen. Een deel van hetgeen nog hiertoe kan
gerekend worden, behoort tot het beheer van het Departement van
Waterstaat, Handel en Nijverheid.
Den inhoud van al die wettelijke bepalingen te schetsen kan voor
een overzicht als dit minder in ons doel liggen. In het dagelijksch
leven maken wij met dien inhoud meermalen op zeer practische wijze
kennis, daar vele van de genoemde en van andere wetten van dien
aard allerlei verplichtingen opleggen en allerlei maatregelen tengevolge
hebben, die niet nalaten soms een onaangenamen indruk te maken,
omdat zij ons in onze vrije bewegingen min of meer belemmeren.
Wij behoeven dit niet door voorbeelden op te helderen, want bijna
ieder weet het uit eigen ervaring. Men heeft, in verband daarmede,
dan ook wel eens de klacht geuit, dat het volk zucht onder zijne
tallooze wetten, die maar steeds vermeerderen. Niets is meer over-
dreven dan dit. Juist het meer samengesteld karakter der nieuwere
samenleving, met haar druk verkeer, hare vele nieuwe uitvindin»
gen en ontdekkingen, hare opeenhooping van bevolking, hebben
dringend behoefte doen ontstaan aan bijzondere maatregelen in het
belang van gezondheid, veiligheid, welvaart en zekerheid van eigendom.
Hoe gunstig vele van die bepalingen reeds gewerkt hebben kan met
cijfers worden bewezen, en van andere bestaan de beste verwachtingen.
Veel kan nog worden verbeterd, maar zoo heel veel nieuwe wetten
hebben wij op dit gebied niet meer te wachten. En zou men niet
met recht als dwaas en onredelijk mogen beschouwen, die door onwil
of tegenwerking die maatregelen belemmeren, waarvan de geheele
maatschappij de voordeelen ondervindt? De feitelijke kracht der wet
-ocr page 88-
86
is alleen gelegen in de vrijwillige medewerking van hen, die zich aan
de wet hebben te onderwerpen, en die zich niet onderwerpt eischt
voor zichzelven een voorrecht, dat hij anderen niet gunt en dat de
samenleving niemand kan toestaan. . . ;•;•
De grondwet zelf noemt het armbestuur een voorwerp van de
aanhoudende zorg der regeering. Reeds de Staatsregeling van 1798
ging daarin voor, en terecht heeft men begrepen, dat hier eenlands-
belang bestaat. Men lette wel op dat niet zoozeer van armverzorging
sprake is, want hoewel deze een plicht der menschelijkheid is en er
wellicht geene natie gevonden wordt weldadiger dan de onze, hoewel
kerkelijke besturen, genootschappen en particulieren in de verzorging
en voorkoming van armoede allen ijver betoonen, de Staat zelf heeft
eene andere roeping en moet uitgaan van het beginsel dat de armoede
altijd gevaren oplevert voor de beste bestanddeelen der maatschap-
pelijke samenleving, b.v. orde, veiligheid, arbeidzaamheid, enz. Dien-
tengevolge moet de Staat tusschenbeide komen waar het noodzakelijk
is en van andere zijde geene hulp wordt verleend; maar het beste
wat de Staat in dit opzicht kan doen is, tot voorkoming van verval
achteruitgang en armoede, op stoffelijk gebied zijn taak naar eischte
vervullen en krachtig te streven naar verhooging van welvaart, door
altijd en overal waar particuliere krachten te kort schieten, mede te
werken tot bevordering en ontwikkeling van nijverheid, handel en
landbouw en van andere bronnen van bestaan.
Van het straks genoemde beginsel, dat de Staat behoort in te nemen
tegenover de armoede, gaat de wet van 1854 tot regeling van het
armbestuur dan ook uit. Volgens deze rust de armenzorg op de
gemeenten, die natuurlijk geen verschil mogen maken en alleen de
vraag stellen, of hulp inderdaad . noodig is. De door de gemeente
bedeelden noemt men algemeene armen, die slechts onderstand
genieten, waar kerkelijke of particuliere verzorging ontbreekt of niet
wordt verleend.
Wordt het armbestuur door den Staat naar eisch en plicht geregeld,
dan heeft hij ook het recht de bedelarij en hare gevolgen te weren.
Een krachtig optreden daartegen moet echter vooral verwacht worden
\'van de plaatselijke politie, wier taak, zooals trouwens veelal bij het
handhaven der wet het geval is, niet voldoende door de ingezetenen
ondersteund wordt.
Als schuldig aan bedelarij wordt hij die in het openbaar bedelt, en
-ocr page 89-
87
als schuldig aan landlooperij wordt hij die zonder bestaan rondzwerft,
met hechtenis gestraft, en zoo hij tot werken in staat is kan hij
bovendien, voor hoogstens drie jaren, worden geplaatst in een der
tot dat einde bestaande werkinrichtingen.
Onder de bijzondere instellingen met een weldadig doel, behoort
vooral de reeds sedert 1818 bestaande maatschappij van weldadigheid,
die zich tot doel stelt om in hare koloniën Frederiksoord, Willems.
oord en Wilhelminasoord, mede te werken tot verbetering van den
toestand der lagere volksklasse, door plaatsing van en werkverschaf-
fing aan behoeftige personen en huisgezinnen.
XXIV.
Een der hoofdstukken van de grondwet heeft tot opschrift „van
de defensie" (verdediging). De verdediging van het grondgebied is
dus mede als een Staatsplicht opgevat. Zij kan trouwens evenzeer eene
noodzakelijkheid wezen, en wij voor ons willen ons niet verdiepen in
de zeer onpractische vraag, of het land inderdaad verdedigbaar is,
wat dan toch altijd wel van bijzondere omstandigheden, b.v. van het
gehalte van den vijand en van onze bondgenooten, zal afhangen.
Verschillende omstandigheden zullen wel steeds het onderhouden van
een leger en eene vloot eischen, zooals ons bestaan als zoogenaamde
koloniale mogendheid en de noodzakelijkheid om desnoods de binnen-
landsche rust krachtig te handhaven. Zeker is het dat wij thans een
leger en eene vloot hebben. Do Departementen van Oorlog en Marine
beheeren wat hierop betrekking heeft.
In het algemeen zijn alle Nederlanders, daartoe in staat, verplicht
om mede te werken tot handhaving der onafhankelijkheid van het
Rijk, een plicht die zelfs ook kan worden opgelegd aan ingezetenen
die geen Nederlanders zijn, maar die overigens meer moet worden
opgevat in zedelijken zin, als beginsel, zonder dadelijk, feitelijk gevolg.
Er bestaat, zooals dit ook bij de grondwet is bevolen, eene zee-
en landmacht, die samengesteld zijn uit vrijwillig dienenden en uit
dienstplichtigen of zoogenaamde lotelingen. Deze verplichte krijgsdienst
is geregeld bij eene wet van 19 Augustus 1861, bekend onder den
naam van müitiewet. De samenstelling van het leger verkeert thans
in een tijdperk van overgang. Men heeft het sinds lang wenschelijk
geacht, vaste wettelijke regelen te stellen voor de samenstelling en
inrichting onzer strijdkrachten. Wat de doode strijdkrachten betreft
(hoofdzakelijk de vestingen of andere versterkingen) is dit ook gelukt;
-ocr page 90-
88
doch ten aanzien der levende strijdkrachten (het leger zelf) is men
zoover nog niet gekomen. In een land als het onze, waar met het
optreden van andere regeeringspersonen zoo vaak andere denkbeelden
den boventoon verkrijgen en waar men met zoo beperkte middelen
rekening moet houden, is zekerheid stellig gewenscht. Het waren dan
ook wijziging of verandering van stelsel, tengevolge van het optreden
van een ander kabinet, en meerdere bijzondere omstandigheden
bovendien, die het tot stand komen der zoogenaamde legerwet tot
heden hebben belet. De ondervinding heeft reeds geleerd, en het zal
ook wel in het vervolg blijken, dat groote strijdvragen daarbij zijn te
beslissen. Zeer velen wenschen de invoering van den zoogenaamden
algemeenen dienstplicht die, behoudens enkele strikt noodzakelijke
vrijstellingen, alle mannelijke ingezetenen, welke aan bepaalde ver-
eischten voldoen, gedurende zekeren tijd aan den dienst onderwerpt.
Anderen verlangen de afschaffing van de zoogenaamde plaatsvervanging,
die het recht geeft een ander voor zich te doen dienen, waardoor
van de meer gegoede klassen weinigen den dienstplicht persoonlijk
vervullen, wat op het gehalte van het leger niet gunstig werkt. Weer
anderen verlangen zoowel het een als het ander. Of algemeene en
persoonlijke dienstplicht inderdaad zullen worden ingevoerd is voor
het tegenwoordige niet met zekerheid te bepalen.
Vóór de laatste wijziging bepaalde de grondwet, dat schutterijen
in de gemeenten zouden worden opgericht, om in tijd van gevaar en
oorlog tot verdediging des lands en ten allen tijde tot behoud der
inwendige rust te dienen. De gewijzigde grondwet van 1887 maakt
hiervan echter geene melding meer, en het is te verwachten dat de
instelling der schutterijen, die onder anderen bij de zeer verouderde
wet van 1827 geregeld is, niet zal worden gehandhaafd. Zij heeft
weinig aan de verwachting beantwoord, te meer daar in de meeste
gemeenten volgens de wet slechts rustende schutterijen gevonden
worden. Maar ook de dienstdoende schutterij is van weinig beteekenis.
Zij verleent aan de gemeentebesturen zekere diensten, waarin ook wel
op andere wijze kon worden voorzien. Overigens is hare waarde zeer
gering. De gebrekkige wettelijke regeling en in verband daarmede het
ontbreken van voldoende tucht, is hiervan de voorname oorzaak.
Of eene werkelijk goed ingerichte schutterij niet aan het volk te
zware lasten zou opleggen in verband tot hare betrekkelijke waarde
voor de landsverdediging, is eene moeilijk te beantwoorden vraag,
die echter door de bovenvermelde wijziging der grondwet hare waarde
voor de praktijk verloren heeft.
-ocr page 91-
89
Eene beschouwing van hetgeen gerekend kan worden tot den
werkkring van het Departement van Financiën te behooren, is mede
van het uiterste belang. Het geldelijk beheer is voor den Staat al
even gewichtig als voor elke gewone huishouding, of eigenlijk gewich-
tiger, waar het zooveel meer omvat, zooveel meer ingewikkeld is.
Dat de grondwet dit belangrijk onderwerp van Staatszorg nietver-
suimt te bespreken, behoeft nauwelijks vermelding. Toch bevat zij
slechts eenige algemeene bepalingen, die vooral ten doel hebben: de
rechten der schuldeischers van den Staat te waarborgen, te verhinderen
dat op het gebied van belastingheffing willekeur en begunstiging zij,
en een goed toezicht te verzekeren op de ontvangsten en uitgaven
van het Rijk door de regeering. Al wat daarop betrekking heeft is
bij bijzondere wetten uitvoerig geregeld.
Wat wij reeds opmerkten bij de onderdeden, geldt ook voor het
geheel, voor den Staat zelf. Elk jaar worden de te verwachten uit-
gaven en de daartegenoverstaande ontvangsten of zoogenaamde mid-
delen geraamd of begroot. Die begrooting, gesplitst in verschillende
hoofdstukken en onderafdeelingen voor eiken tak van dienst, moet
bij eene wet worden vastgesteld, en de verantwoording van de ont-
vangsten en uitgaven, over elk afgeloopen dienstjaar, wordt aan de
Staten-Generaal gedaan, onder overlegging van de door de Reken-
kamer goedgekeurde rekening.
Deze rekenkamer, een der zoogenaamde hooge colleges van Staat,
houdt toezicht over het geheele geldelijk Staatsbeheer en levert een
afdoenden waarborg op voor een regelmatig en wettig financieel
bestuur. Vandaar dan ook, dat de leden der kamer niet geheel wille-
keurig door de regeering kunnen worden benoemd en do Tweede
Kamer der Staten-Generaal door het doen eener voordracht daarop
invloed\' uitoefent.
Ook de provinciale en gemeentelijke huishouding onderhoudt
betrekkingen met de rekenkamer ten opzichte van de verantwoording
der geldmiddelen. Immers, de rekenplichtige provinciale ambtenaren
doen van de door hen voor de provincie gedane ontvangsten en uit-
gaven rekening en verantwoording aan de algemeene rekenkamer, en
van de enkel provinciale en huishoudelijke inkomsten en uitgaven
wordt door Gedeputeerde Staten over elk dienstjaar aan de Staten
der provincie verantwoording gedaan, onder overlegging eener rekening
welker cijfers door de rekenkamer zijn deugdelijk verklaard.
Wat de gemeentebesturen betreft, heeft het toezicht der kamer meer
ten doel, na te gaan of de jaarlijksche rekeningen over het algemeen
behoorlijk, overeenkomstig de wet en in overeenstemming met da
12
-ocr page 92-
90
begrooting worden afgelegd. Daartoe worden, met machtiging van
den Koning, elk jaar, nit elke provincie, eenige der gesloten rekenin*
gen, door de kamer aan te wijzen, door haar nauwkeurig onderzocht,
on van dit onderzoek wordt ook melding gemaakt in het volledig
verslag, dat door haar elk jaar van hare werkzaamheden aan den
Koning wordt gedaan.
Laat ons even de Staatsbegrooting beschouwen en zien wat daarop
voorkomt. De wet op de middelen leert ons de bronnen en hulp-
middelen van het groote huisgezin kennen.
In de allereerste plaats de overtollige opmerking dat, wat de Staat
behoeft, hoofdzakelijk door de ingezetenen moet worden opgebracht.
Uit dit oogpunt beschouwd zou de belastingheffing zeer eenvoudig
kunnen wezen en b.v. ieder naar mate van zijn inkomen worden
aangeslagen voor eene som, die hij in de schatkist had te storten.
Deze heffing, de zuivere inkomstenbelasting, als eenige Rijksbelasting,
eal wellicht in den eenen of anderen vorm de belasting der toekomst
wezen, zooals zij reeds in sommige gemeenten wordt toegepast. Voor
het tegenwoordige is waarschijnlijk het eenig mogelijke de vervanging
van eenige der meest veroordeelde belastingen, door eene Rijksuv
komstenbelasting, die dan in het vervolg langzamerhand zoude kunnen
worden uitgebreid.
De tegenwoordig bestaande belastingen zijn zeer onderscheiden,
meestal van ouden datum en telkens gewijzigd, zoodat het stelsel
zeer ingewikkeld is en op grondslagen berust, die voor het meeren*
deel niet meer in onzen tijd, met zijne nieuwe instellingen en
begrippen, passen.
Erger is het, dat het niet aan het allereerste vereischte voor een goed
belastingstelsel voldoet en eene zoo gelijkmatig mogelijke verdeeling
tusechen de belastingschuldigen volkomen uitsluit.
XXV.
Op de begrooting der inkomsten of, zooals men eigenlijk behoort
te zeggen: in de wet „tot aanwijzing van de middelen tot goedmaking
van de uitgaven*, komen dan vooreerst voor de zoogenaamde direct©
belastingen, die onmiddellijk door de belastingschuldige ingezetenen
in de Bchatkist worden gestort. Het zijn: de grondbelasting, die in
-ocr page 93-
91
\'t algemeen verschuldigd is door de eigenaars van onroerende bezit«
tingen, gebouwd of ongebouwd, en door hen die op dergelijke goederen
zekere rechten bezitten; verder de personeele belasting, eene heffing
van de huurwaarde der woningen, van deuren, vensters en haard-
steden, enz.; en de patentbelasting, die geheven wordt wegens de
uitoefening van onderscheidene beroepen of bedrijven.
"Van deze belastingen heft het Rijk (en zooals wij vroeger zagen
van de twee eerstgenoemden ook de provincie en de gemeente) zeker«
opcenten, die in tijd van nood als tijdelijke maatregel zijn opgelegd,
maar voortdurend zijn blijven bestaan. Met de opcenten brengen die
middelen ruim acht-en-twintig millioen in de schatkist.
Daarna volgen de accijnzen of belastingen op voorwerpon van ver-
bruik, tot een bedrag van ruim vier-en-veertig millioen, waarvan niet
minder dan vier-en-twintig millioen wordt opgebracht wegens het
verbruik van gedistilleerd.
Dan komen de zoogenaamde indirecte belastingen, die toch ook
dadelijk uit de beurzen der ingezetenen in de schatkist overgaan
en dus slechts oneigenlijk dezen naam dragen. Het zijn de zegelrecht
ten, die verschuldigd zijn bij het gebruik van papier of perkement
voor onderscheidene akten en andere geschriften, waaronder ook
effecten; het registratierecht, dat vooral bij overgang van roerend en
onroerend goed van de sommen of waarden geheven wordt en verder
wegens de registratie of inboeking van een groot aantal burgerlijke
en gerechtelijke akten en geschriften wordt betaald; de rechten van
successie en overgang, die tengevolge van iemands overlijden van de
nalatenschap verschuldigd zijn, en eindelijk de zoogenaamde hypo-
theekrechten, of rechten van over- en inschrijving, die bij overgang
van vast goed, behalve het registratierecht, en bij vestiging van
hypotheek worden geheven.
De laatstbedoelde rechten worden betaald aan de daartoe bestaande
hypotheekkantoren, en het is van belang op te merken, dat daar
"tevens bewaard worden de zoogenaamde kadastrale leggers. Het
kadaster is eene zeer nuttige instelling, die vooral ten doel heeft elks
onroerende bezittingen met nauwkeurigheid te vermelden en de hypo-
theken en andere rechten, welke er op rusten, aan te wijzen. De
registers ea leggers ten hypotheekkantore zijn dan ook in het publiek
belang openbaar.
Het is wellicht overbodig mede te deelen, dat de kadastrale leggers
tevens als maatstaf dienen bij de regeling van de heffing der grondlasten.
De opbrengst der indirecte belastingen, alweer voor het grootste
gedeelte met opcenten, beloopt ongeveer vier-en-twintig millioen.
-ocr page 94-
92
Verder heffen wij eenige rechten op den invoer van Bekere goederen,
tot bescherming van binnenlandsche voortbrengselen, opdat de in-
landsche fabrikant de mededinging van den buitenlander minder zou
te vreezen hebben ; een vrij slecht stelsel, waarvan de nadeelen in alle
werken over de staathuishoudkunde zijn aangetoond. De belasting brengt
echter nog meer dan vijf millioen in de schatkist en een goede opbrengst
is altijd het zekerste middel om slechte belastingen te behouden.
De domeinen, de eigenlijke bezittingen van den Staat, die verpacht
worden, of bestaan in tienden, tolheffingen, enz. en waaronder dus
begrepen zijn de groote wegen, vaarten en havens, brengen ongeveer
twee-en-een-half millioen op.
Voegen wij hierbij nog eenige bijzondere en kleinere ontvangsten,
zooals de opbrengst der Staatsloterij en het aandeel van het Rijk in
de opbrengst der Staatsspoorwegen, benevens verschillende toevallige
baten, dan bereiken wij de eerbiedwaardige som van ruim honderd-
zes-en-tvdntig millioen, waarmede de begrooting toch niet is gedekt,
waartegen met andere woorden geene genoegzame baten overstaan.
Er zijn steeds tekorten, die echter, omdat ze tijdelijk door bijzondere
middelen kunnen worden aangevuld, niet dadelijk tot hoogere belas-
tingheffiugen of andere buitengewone maatregelen behoeven te leiden.
Wat de uitgaven betreft, deze zijn zoo talrijk, dat wij zo niet
afzonderlijk kunnen opnoemen. Men denke slechts aan de bezoldiging
der talrijke ambtenaren, de kosten der openbare werken, die van
leger en vloot, de rente der Staatsschuld, enz. Het onderhoud van
leger en vloot kost ons jaarlijks vijf-en-dertig millioen en aan renten
der Staatsschuld wordt twee-en-dertig millioen betaald. De geheelt
Staatsschuld bedraagt dan ook nog bijna duizend millioen guldens en
deze last vermindert slechts zeer langzaam door zoogenaamde amor-
tisatie of aflossing; terwijl zij allicht door nieuwe loeningen kan
worden verhoogd, indien deze voor buitengewone werken noodig zijn.
Voor een groot deel dagteekent de Staatsschuld uit lang vervlogen
tijden; een zestigtal jaren geleden bedroeg ze bijna het dubbele.
Kunnen wij er in slagen voortdurend den vrede te bewaren en zoo
zuinig mogelijk de Staatshuishouding in te richten, dan zal ook in
dit opzicht geen achteruitgang te duchten wezen, zelfs niet al mocht
de schuld nog vermeerderen. Leeningen toch, uitsluitend aangegaan
voor groote ondernemingen, die de nationale welvaart kunnen ver-
meerderen, zijn op zichzelf niet te duchten, want de meerdere welvaart
verhoogt de draagkracht van het volk en kan dat in veel sterkere
mate dan de rente der Staatsschuld, die door het volk moet worden
opgebracht, klimt.
-ocr page 95-
93
in de som, welke aan de middelen tot sluiting der begrooting
ontbreekt, is men gewoon te voorzien door de uitgifte van zooge-
naamde schatkistbiljetten en schatkistpromessen. Bij de middelenwet
wordt bepaald tot welk bedrag de regeering hiervan gebruik mag
maken. Deze biljetten en promessen zijn, evenals de muntbiljetten,
die wij nader zullen ontmoeten, niets anders dan tijdelijke schuld-
bekentenissen ten laste van den Staat. Juist in het tijdelijk karakter
dezer stukken en in de omstandigheid dat zij rentegevend zijn, ligt
hun eigenaardig kenmerk, dat ze van de meer bekende muntbilietten
onderscheidt.
Tot de zorg van den Staat behoort zeker ook het vergemakkelijken
van den omloop van het geld (circulatie), in het algemeen de zorg
voor de munt, door te waken tegen kwade praktijken en misbruiken.
In de nieuwere tijden was en is het geld natuurlijk volstrekt
onmisbaar. Roerende en onroerende zaken gaan onophoudelijk van
de eene hand in de andere over, en door de veelheid van behoeften
kan niemand geheel zichzelf het noodige verschaffen. Men kan niet
altijd ruilen, niet altijd zaken tegen zaken afstaan. Men ruilt eigenlijk
niet meer, maar koopt of handelt door middel van het geld, dat men
daarom ruilmiddel noemt.
Men verstaat onder geld zekere stukken, hoofdzakelijk fijn metaal,
van eene bepaalde en duurzame waarde, of waaraan althans duurzaam
zulk een waarde wordt toegekend in het belang van het maatschap-
pelijk verkeer. De stukken metaal zijn van een bepaald gewicht en
op eene bepaalde wijze samengesteld. Zij dragen eenige merken en,
zooals wij reeds vroeger vermeldden, heeft de Koning het recht om
zijne beeltenis op de muntspeciën te doen stellen.
Al wat het toezicht over de muntzaken betreft is opgedragen aan
een zeker lichaam, het muntcollege genaamd. De munt zelf, de plaats
waar het op wettelijke wijze tot munt verwerkt metaal, het geld,
vervaardigd wordt, is te Utrecht gevestigd.
De munt wordt onderscheiden in standaardgeld en pasmunt. Het
standaardgeld bevat de meeste werkelijke waarde aan edel metaal en
is het wettig betaalmiddel, zoodat men niet mag weigeren het in
ontvang te nemen. Wij bezitten den zoogenaamden dubbelen stan-
daard, dat wil zeggen, wij hebben tweeërlei standaardgeld: goud
en zilver; namelijk: tienguldenstukken, zoogenaamde rijksdaalders,
guldens en halve guldens. De pasmunt, het kleine zilvergeld, dat nieor
-ocr page 96-
94
met grove bestanddeelen vermengd is, en het brons, behoeft slechts
tot een zeker bedrag te worden aangenomen, en wel de zilveren
pasmunt tot een bedrag van tien gulden en de bronzen tot een bedrag
van éenen gulden.
Het is natuurlijk niet te zeggen hoeveel geld er in een land aan.
wezïg is. Die hoeveelheid regelt zich naar gelang van de bestaande
behoefte. Zoowel de handel als de regeering hebben de middelen om
die behoefte te ontdekken en dan wordt nieuw geld aangemnnt. In
het algemeen kunnen ook particulieren dit doen. In goud en zilver
wordt veel handel gedreven, en die dus eene groote partij edel metaal
bezit, die hij voor redelijken prijs machtig werd, kan door aanmun-
ting eenige winst behalen, wanneer namelijk de waarde der aan te
munten stukken meer bedraagt dan de gezamenlijke kosten van koop
en aanmunting.
XXVI.
Sinds geruimen tijd kunnen particulieren alleen goudgeld doen
aanmunten en is, wat het zilver betreft, de munt voor hen gesloten.
Zilvergeld wordt dus alleen op last der regeering bij gebleken behoefte
vervaardigd, omdat de zeer geringe waarde, die het zilver heeft, anders
zooveel aanmunting tengevolge zou hebben, dat de voorraad ingeene
verhouding zou staan tot de werkelijke behoefte van het verkeer en
de aanmunting als middel van speculatie zou worden aangegrepen.
De pasmunt, die uitsluitend voorziet in de behoefte van het klein
verkeer, wordt alleen op last der regeering naar gelang van behoefte
vervaardigd.
Bovendien worden door de regeering muntbiljetten van tien en
van vijftig gulden in omloop gebracht, om te voorzien in het bezwaar
van uitsluitend gebruik van metaal. De wet bepaalt hoeveel van dit
papier mag worden uitgegeven. Het is natuurlijk ook een wettig
betaalmiddel. Elk muntbiljet is een bewijs (renteloos) dat men van
den Staat het daarin uitgedrukte bedrag, in standaardgeld, bij vertoon
te vorderen heeft.
Intusschen kunnen de muntbiljetten in de groote behoefte aaneen
papieren ruilmiddel in de verste verte niet voorzien. Daaraan voldoet
een zeker handelslichaam, de Nederlandsche Bank te Amsterdam, die
ten behoeve van handel en verkeer papieren geld in omloop brengt,
het zoogenaamde bankpapier van vijf-en-twintig gulden en hooger.
Dit lichaam heeft daarvoor van de regeering octrooi verkregen, bezit met
-ocr page 97-
95
andere woorden tot de uitgifte van zoodanig papier het uitsluitend recht.
De eigenlijke werkkring der bank, waardoor dit doel bereikt wordt,
bestaat in het verleenen van voorschotten op koopmansgoederen en
effecten en op handelspapier, het zoogenaamde beleenen en discon.
teeren, en zij geeft bij die gelegenheid haar papier uit, dat niemand
verplicht is aan te nemen, maar dat door niemand geweigerd wordt,
omdat, ook door de wijze waarop de zaak bij eene bijzondere wet is
geregeld, die ten grondslag ligt aan de akte van oprichting van het
lichaam, genoegzame zekerheid bestaat dat het papier desverlangd
altijd voor gemunt geld kan worden ingewisseld.
Een departement, tot welks beheer mede tal van belangrijke onder-
werpen behooren, is dat van Waterstaat, Handel en Nijverheid, eerst
sedert enkele jaren opgericht, toen de werkkring van het Ministerie
van BinDenlandsche Zaken eene te groote uitgebreidheid verkreeg.
De natuurlijke gesteldheid van ons vaderland, een laag land, voor
een groot gedeelte beneden de oppervlakte der zee gelegen, heeft sinda
eeuwen de zorg voor waterkeering en waterloozing noodzakelijk
gemaakt. De lichamen, met deze zorg belast, noemt men met éen
woord „de waterstaat*. Zóo belangrijk is dit onderwerp, dat de
grondwet er een afzonderlijk hoofdstuk aan wijdt.
Reeds vroeger hebben wij opgemerkt dat de Staten der provinciën
over alle waterstaatswerken, waterschappen, enz. toezicht uitoefenen,
een soort van dagelijksch toezicht, terwijl het hoofdtoezicht behoort
aan den Koning, en onder den Minister va^Waterstaat feitelijk wordt
uitgeoefend door de ingenieurs en verdere ambtenaren, wier arbeid
vooral bij de uitvoering van sommige openbare werken van het
grootste gewicht is.
In \'t algemeen is de inrichting der waterschappen aldus. Eenige
landen, door dijken omringd, vormen een polder, die ten laste der
gezamenlijke ingelanden of grondbezitters de noodige waterkeerende
en waterloozende werken onderhoudt. Eenige van die polders te zamen
vormen een waterschap. De besturen worden op verschillende wijzen,
krachtens een oud reglement, gedeeltelijk ook door den Koning
benoemd. De Staten der provincie hebben de bevoegdheid om water-
Bchappen te vormen en op te heffen en nieuwe reglementen vast te
•tellen, terwijl de besturen zelven in het huishoudelijk belang van
het lichaam ook verordeningen kunnen maken en zelfs tegen de over*
tredinff daarvan straf bedreigen.
-ocr page 98-
96
Op het gebied van den waterstaat is nog veel niet behoorlijk
wettelijk geregeld. Er is eene wet van 1855, die voorloopig in enkele
belangen voorziet en eenige bepalingen bevat omtrent de zooeven
genoemde straffen en verder het een en ander voorschrijft met betrek-
king tot de tusschenkomst van het dagelijksch bestuur der provincie,
bij gebreke van beheer en bij weigering of verzuim der besturen om
werken uit te voeren of hunne schulden te voldoen.
» ----------------------------------                                               * -
Onder het beheer van dit departement ontmoeten wij verder de
Staatsspoorwegen, de telegrafie, de posterijen, de zoogenaamde strand-
vonderijen, het toezicht op het vervoer van landverhuizers en op het
etoomwezen, benevens de uitvoering van verschillende wetten in het
belang van handel en landbouw, tot bevordering der veiligheid enz.
Van dien aard zijn: de wet op de inrichtingen, welke gevaar,schade
en hinder kunnen veroorzaken, die tot bescherming van nuttige
diersoorten, die op het gebruik van stoomtoestellen, die tot wering
van knoeierijen in den boterhandel en die op de handels-en fabi-ieks-
merken.
Ook hier kunnen wij den hoofdinhoud van al deze wetten niet
weergeven. Wat ze bedoelen toont de naam vrij duidelijk aan.
Enkele bijzondere instellingen, die betrekking hebben op den handel
als voorwerp van staatszorg, behoeven echter eene meer nauwkeurige
beschouwing.
In de eerste plaats de betrekkelijk weinig bekende Kamers van
Koophandel en Fabrieken, die bij verschillende Koninklijke besluiten
zijn geregeld. In die gemeenten, waar handel en fabrieken genoeg-
zame betoekenis hebben en het gemeentebestuur het verlangt, worden
met goedvinden des Konings zulke kamers opgericht, met het doel
om aan het Rijks-, provinciaal of gemeentebestuur en aan de hande-
laars en fabrikanten mededeelingen of voorstellen te doen en raad te
geven omtrent onderwerpen, die den handel of het fabriekswezen
betreffen. Door deze kamers zijn vaak belangrijke adviezen en rappor-
ten uitgebracht over onderwerpen van wetgeving, welke op de maat-
regelen der regeering of op de beslissing der Staten-Generaal ook
niet zonder invloed bleven.
Verder ontmoeten wij de voor den groothandel zoo belangrijke
entrepöts. Aan eenige voorname zeehandelsteden is toegestaan om van
buitenlands komende koopwaren, die eigenlijk aan invoerrecht onder-
worpen zijn, in een algemeen entrepot op te slaan en daarna weder
-ocr page 99-
97
uit te voeren, vrij van rechten. Deze maatregel strekt dus ten gerie-ve
van den doorvoerhandel. De voornaamste dezer inrichtingen is het
entrepöt-dok te Amsterdam. Ook bestaan particuliere entrepóts, b.v.
van gedistilleerd en andere aan accijns onderworpen waren, waarin
die goederen door de handelaren worden opgeslagen, om daarvan telkens
bij uitvoer van partijen de verschuldigde belasting te betalen.
In het jaar 1824 werd te Amsterdam het belangrijk handelslichaam
opgericht, genaamd de Nederlandsche Handelmaatschappij, met het
doel om de vaart op Indië te verlevendigen en den handel te bevor-
deren. Van het begin af stond deze maatschappij onder bijzondere be-
scherming der regeering, met uitsluiting van anderen, wat op de belangen
van den handel in het algemeen niet gunstig heeft gewerkt. De
maatschappij werd belast met de levering en verzending van al het
door de regeering voor Indië bestemde en tot vervoer naar Nederland
van alle Indische producten, voornamelijk koffie. Ook thans nog
bestaat dit contract. De aldus aangevoerde koffie wordt uitsluitend
hier te lande verkocht, met het doel om de markt voortdurend hier
te houden. Intusschen, kon de verkoop ook elders, b. v. in Indië,
plaats hebben en ware vrije mededinging in alles toegelaten, dan
zouden allicht door kooplieden uit verre streken hoogere prijzen kunnen
worden besteed en zou men minder mededinging te duchten heb-
ben van landen, die zich ook op de koffiecultuur toeleggen; terwijl
de kosten van het Rijk, thans aan de Handelmaatschappij te voldoen,
aanzienlijk lager zouden kunnen wezen.
Alleen vrije mededinging, die begunstiging en bescherming uitsluit,
is in het belang van het algemeen. Gelukkig hebben wij in latere
tijden groote vorderingen gemaakt op het gebied van den vrijen
handel. De uitgaande rechten zijn afgeschaft; alle uitvoer is vrij. Ook
de invoerrechten zijn verlaagd, doch zij zullen geheel moeten ver-
dwijnen, want de winst die er voor sommigen uit voortvloeit, door
wering van buitenlandsche goederen, wordt door het algemeen op den
langen duur dubbel verloren. Uitgebreide beschouwingen daaromtrent,
hoe belangrijk ook, behooren echter meer tehuis bij een overzicht der
Staathuishoudkunde dan bij eene schets van het Staatsbestuur.
Thans rest ons nog eene beschouwing van het Departement van
Koloniën, dat echter aanleiding geeft tot een afzonderlijk overzicht van
de instellingen onzer schoone Oost- en West-Indische bezittingen, zoodat
wij onze schets der huishouding van den Staat zelf, het zoogenaamde
Rijk in Europa, met dit hoofdstuk als voltooid kunnen beschouwen.
13
-ocr page 100-
98
XXVII.
Volgens de omschrijving van het eerste artikel dergrondwet, bevat
,. het Koninkrijk der Nederlanden het grondgebied in Europa benevens
de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen. Die omschrijving
•was noodig, omdat Nederland zelf, het zoogenaamde Rijk in Europa,
uit een oogpunt van wetgeving onmogelijk op éene lijn kan worden
gesteld met de overzeesche bezittingen, zoodat dan ook zelfs de
grondwet in het algemeen slechts voor het eigenlijke Koninkrijk kan
gelden.
Intusschen zijn de bewoordingen, waarvan de grondwet zich bedient,
niet volkomen juist. Eigenlijk gezegde koloniën hebben wij niet, of
althans niet meer. Kolonisatie bestaat hierin, dat de overvloedige
bevolking van het moederland zich neerzet in streken welke daarvoor
geschikt zijn, zich voortplant en om zoo te zeggen een nieuw moeder-
land vormt, meestal om na verloop van tijd een eigen, zelfstandig
bestaan te verkrijgen. Onze zoogenaamde koloniën zijn veroverde of
aan ons afgestane gewesten, die geheel vreemde en aan ons gezag
onderworpen volksstammen bevatten, waar een verblijf van Neder»
landers tengevolge van het klimaat slechts tijdelijk kan wezen, en
waar dus het zoogenaamde Hollandsche element van geringe beteekenis
is tegenover de inlandsche bevolking. Zoo bevatten b. v. de voornaamste
onzer Oost-Indische bezittingen, de eilanden Java en Madura, ongeveer
twintig millioen inlanders, Maleiers en Javanen, behalve een groot
aantal Chineezen enz., terwijl de daar gevestigde Europeanen slechte
ongeveer een veertigduizendtal bedragen.
Toen, kort vóór het aanbreken der zestiende eeuw, Koning Philips
III de havens van het door Spanje veroverde Portugal, waarop tot
nog toe door de onzen oogluikend en onder vreemde vlag een handel van
niet geringe beteekenis, inzonderheid in Indische producten, gedreven
werd, voor ons sloot, was het geen wonder dat onze kloeke en onderne»
mende voorvaders trachtten met Indië zelf handelsbetrekkingen aan
te knoopen, waardoor de voordeden, door den handel af te werpen,
aanzienlijk moesten toenemen. De weg naar het vreemde gebied, voor
velen nog een fabelland, was niet geheel onbekend, en voor zijne
tochten naar West-Indiö had de Koning van Spanje na 1580 zelfs bij
voorkeur de diensten van Nederlandsche zeelieden gebruikt. De Por-
tugeesche regeering had echter de vaart op Indië voor andere volken
op zware straffen verboden en onze tochten naar het Oosten, die ia
-ocr page 101-
99
1595 aanvingen met Houtman\'s reize naar Bantam, voor rekening der
pas opgerichte Compagnie van Verre Landen, kortheidshalve de
Compagnie van Verre genaamd, en die sinds dien tijd geregeld werden
voortgezet, hadden dus van zelf ten gevolge een oorlog tegen da
Portugeezen, of, wat toen op hetzelfde neerkwam, eene uitbreiding,
ook in die verre streken, van den oorlog tegen Spanje.
Onze ondernemingen gelukten wonderwel, ondanks de tegenwerking
der in Indië gevestigde Portugeesche kooplieden, ondanks den openlijken
strijd tegen de Spanjaarden en Portugeezen, die niet tegen de onzen
waren opgewassen, ondanks de moeielijkheden, die dikwijls met de
inlanders zelven rezen. Men opende een ruilhandel met de Oostersche
volken of met hunne vorsten, die dan de bevolking tot leverantiën
verplichtten, men stichtte kantoren en magazijnen of zoogenaamde
factorijen, plaatsen bepaaldelijk voor de handelsverrichtingen aange-
wezen, die van versterkingen werden voorzien, zoodat de. zaak van
zelf een geheel blijvend karakter verkreeg. In 1598 werd het eerste
verbond of tractaat van handel en vriendschap gesloten met den vorst
van Bantam, op wiens aanbeveling de handel met de Molukken
geopend werd. Maar toen de verbazende concurrentie weldra dreigde
alle voordeelen te vernietigen en het bleek dat de afzonderlijke
ondernemingen zich niet dan met moeite tegen den vijand konden
staande houden, werd, hoofdzakelijk door toedoen van den grooten
staatsman Johan van Oldenbarneveld, de Oost-Indische Compagnie,
eene samensmelting van de tot dusver bestaande afzonderlijke onder-
nemingen, opgericht, die den 29n Maart 1602 van de Staten het octrooi
verkreeg, om metuitsluiting van alle anderen op de Oost te varen.
Dit machtige lichaam trad geheel als lasthebber van de republiek
op, sloot met Indische vorsten verbonden, bouwde versterkingen,
wierf krijgsvolk aan, voerde oorlog en nam gansche streken in bezit,
waarover dan de republiek de rechten van opperbestuurder uitoefende.
De alleenhandel van de Oost-Indische Compagnie heeft vele rijkdom-
men in Holland gebracht en de aandeelhouders en ambtenaren hebben
groote winsten uit de onderneming getrokken. In lateren tijd echter
verminderden die voordeelen, onze zeehandel leed groote verliezen in
den oorlog, het land was door het eenig streven naar winst verwaar*
loosd en uitgeput, het geldelijk beheer liet veel te wenschen over en
de Compagnie werd met een belangrijken schuldenlast bezwaard. Het
bestuur der koloniën kwam direct aan den Staat tengevolge der con-
stitutie van 1798. De toen door de republiek overgenomen schuld
van het handelslichaam bedroeg niet minder dan honderd vier-en,"
dertig millioen gulden.
-ocr page 102-
100
De door verovering, inbezitneming en afstand verkregen Oost-
Indische gewesten, zooals die langzamerhand in onze macht zijn
geraakt, eerst door het beleid der Compagnie, later, ook nog in deze
eeuw, door de rechtstreeksche bemoeiingen van den Staat, zijn vooral
Java en Maduia, Sumatra, een gedeelte van Borneo, Banka en Billiton,
Riouw en Celebes met eenige kleinere eilanden of aanhoorigheden,
Ternate en Tidor.
Het is van genoegzaam algemeene bekendheid, dat wij niet kunnen
gezegd worden al die onmetelijke landen rechtstreeks en geheel te
bezitten. Zoo is b. v. Sumatra wel in naam geheel aan ons gezag
onderworpen, maar in ieder geval strekt het zich alleen over de kustlan-
den uit en is niet overal van even groote beteekenis. Op Java en Madura
daarentegen heerschen wij feitelijk en zoo goed als onbeperkt. Alleen
zijn op Java de Soesoehoenan van Soerakarta en de Sultan van
Djokjokarta vorsten die nog steeds hun waardigheid en titel hebben
behouden en zekere rechten uitoefenen, als een gevolg van hunne
vroegere vriendschappelijke verhouding tot onze regeering. Hun gezag
is echter in vele opzichten een schijngezag, zij staan onder toezicht
van onze regeering en kunnen eenigermate als hooge ambtenaren
van ons gouvernement worden beschouwd, daar zij door hot Rijk
worden gesalarieerd en te zamen een inkomen van ruim een millioen
gulden genieten.
De door ons in Amerika door verovering verkregen zoogenaamde
West-Indische bezittingen bestaan in de tegenwoordige kolonie Suri-
name, eigenlijk Nederlandsch Guyana, op het vasteland van Zuid-
Amerika, en eenige eilanden in de Antillen, die de kolonie Curacao
vormen, namelijk Curacao zelf, Aruba, Bonaire, een gedeelte van St.
Martin, St. Eustatius en Saba met hunne onderhoorigheden.
De Oost-Indische bezittingen, verreweg de grootste en belangrijkste,
zijn vooral gewichtig uit een oogpunt van verhouding tot het Rijk.
Zij zijn steeds uitsluitend als bezittingen beschouwd en er is geen
spoor van zelfregeering, waarvan misschien ook wel nimmer sprake
zal kunnen zijn. Dit is een uitvloeisel van de bijaondere toestanden
en behoeft voor de bezittingen geene minder gewenschte gevolgen te
hebben. Erger is het dat zij, tot voor betrekkelijk korten tijd, uitslui-
tend werden beschouwd als wingewesten ten voordeele van het zoo-
genaamde moederland, waartoe ze zich dan ook bij uitstek leenden. Zij
leverden toch steeds als het ware onuitputtelijke hulpbronnen op voor
-ocr page 103-
101
een volk als het onze, dat in vroegere eeuwen een wereldhandel
dreef van vorbazenden omvang.
Het was de Oost-Indische Compagnie, die dit stelsel het eerst en
het meest in toepassing bracht. Zij was een zuiver handelslichaam, en
naar de begrippen van dien tijd lag het op haar weg, dat de bloei der
koloniën en het lot der bevolking haar op zich zelven volkomen onver-
schillig lieten.
XXVIII.
Het stelsel, dat door do Oost-Indische Compagnie werd toegepast,
bestond voornamelijk hierin, dat men, hetzij voor de bescherming,
welke men den inlanders tegen de door ons verdreven Portugeezen,
die hen zeer hadden verdrukt, beloofde, hetzij om andere redenen
van de hoofden de levering bedong van de producten, die men hier
met het meeste voordeel kon omzetten. De hoofden hadden als souve-
reinen het recht om van de bevolking een zeker deel te vorderen
van de vruchten van het land of wel persoonlijken arbeid, zoogenaamde
heerendiensten. Toen de Compagnie alom in Indië het oppergezag
uitoefende, werden ook door haar zelve verplichte leverantiën en
heerendiensten opgelegd. Dat de uitoefening der door ons verkregen
rechten en de wijze waarop zij geschiedde aan Indië en hare bevol-
king niet ten goede kwamen, behoeven wij hier thans niet te herhalen,
In het laatst der vorige en in het begin van deze eeuw kostten
onze vriendschap met de Fransche republiek en de latere inlijving
bij Frankrijk ons eenen oorlog met Engeland, dat ons de meeste
bezittingen tijdelijk (zooals Java en de Molukken) of voor goed (zooaJs
Ceijlon en de Kaap) ontnam. Op Java hebben de Engelschen slechts
drie jaren het bestuur gevoerd, doch de wijze waarop zij het deden
stak bij de vroegere niet ongunstig af. Hun doel was, de verplichte
levering van producten en heerendiensten te vervangen door het
betalen van eene grondbelasting of zoogenaamde landrente, die dan
in geld of anders in voortbrengselen of vruchten moest worden vol-
daan. Deze belasting bestaat nog, ofschoon gewijzigd, op bijna geheel
Java en op Madura.
Volgens het Engelsche stelsel zou de beschikking over de voort-
brengselen van den grond aan den inlander worden overgelaten, maar
met de inzichten onzer regeering strookte dit niet en do verplichte
teelt en de leverantie aan het Gouvernement begonnen opnieuw.
Later, vooral toen de oorlog met België in zijne gevolgen zware
geldelijke lasten op de natie wierp, verkreeg de reeds op de Javaansche
-ocr page 104-
102
bevolking gelegde druk eene uitbreiding, die in de toekomst geheel
onhoudbaar was. Men bracht een stelsel in toepassing, waarin die
bevolking en de voortbrengende kracht van den bodem, waar en voor
zoover het mogelijk was, uitsluitend ten bate van het moederland
werden aangewend. Dit stelsel, in de geschiedenis onder den naam
van cultuurstelsel bekend, kwam in het kort hierop neer, dat men
de inlanders verplichtte om op hunne gronden verschillende produc-
ten aan te kweeken en vooral ook (doch dit wordt gerekend niet tot
het bedoelde cultuurstelsel te behooren) om op de gronden van het
Rijk of zoogenaamde Gouvernementstuinen, op zeer groote schaal
koffie te telen. De voornaamste nadeelen van het stelsel waren deze:
dat de moeiten en de zorgen, aan de cultures besteed, uiterst slecht
werden beloond, door de verplichte levering der producten tegen een
veel te geringen prijs; dat de bevolking voor eigen bebouwinggeene
genoegzame gronden overhield en die bebouwing geheel werd ver-
waarloosd; dat de zware en veel te gering betaalde arbeid in de
koffietuinen hare krachten ver te boven ging; dat dus de bevolking
zelf leed en verarmde, terwijl voor hare belangen niets werd gedaan.
Het eenig wezenlijk voordeel, voor Nederland, was het groot geldelijk
gewin. De Staatsrekening sloot met een belangrijk batig saldo, waar-
mede een deel der schuld werd afbetaald en dat ook op andere wijze
in het belang van het moederland werd aangewend, doch niet in het
belang van Indië.
Die geldelijk zeer gunstige, doch overigens zeer ongunstige toestand
behoort reeds grootendeels tot de geschiedenis. De cultures, b. v.van
tabak, thee en indigo, werden gaandeweg opgeheven, omdat zij niet
aan de verwachting beantwoordden. Met de suiker was het anders
gesteld, doch ook wat deze betreft wordt thans niet meer beschikt
over de gronden, welke door de Indische bevolking voor eigen gebruik
zijn ontgonnen. Hieruit volgt, dat het eigenlijke cultuurstelsel niet
meer bestaat, maar wel de verplichting om te werken in de koffie-
tuinen, en de op die wijze geteelde producten tegen eenen vasten
prijs aan onze regeering te leveren. Voor verreweg het grootste
gedeelte wordt de koffie, zoooals wij vroeger al eens opmerkten, door
de schepen der Nederlandsche handelmaatschappij, met uitsluiting
van alle anderen, naar Nederland overgebracht en hier verkocht.
Een bron van inkomsten voor het moederland is Indië niet meer.
In latere jaren werden krachtige pogingen aangewend om een ander
koloniaal stelsel te volgen, de ontwikkeling der kolonie te bevorderen
en het welzijn der aan ons onderworpen volken beter te behartigen.
Reeds is dan ook in dien geest het een en ander gedaan en de druk
-ocr page 105-
103
der bevolking is verminderd; maatregelen worden genomen om in
de toekomst een goed werkend belastingstelsel, grondbelasting of
landrente mogelijk te maken, door behoorlijke opmeting van den
geheelen bodem van Java; de heerendiensten ten behoeve van het
Gouvernement of de beschikking over den persoonlijken arbeid van
den inlander zijn verminderd; het rechtwezen is behoorlijk geregeld;
het onderwijs wordt uitgebreid; spoorwegen en andere openbare
werken worden aangelegd.
Intusschen mogen wij hier wel opmerken, dat de minder gunstige
toestand der Indische financiën voor een groot deel het gevolg is van
den oorlog, thans reeds sedert vijftien jaar gevoerd tegen het nog niet
geheel aan ons gezag onderworpen rijk van Atjeh op Sumatra.
Veel omkeer in de inzichten van het Indisch regeeringsbeleid
merken wij op na de herziening der grondwet in 1848. Tengevolge
daarvan verkreeg de volksvertegenwoordiging ook in die zaken directe
inmenging, en daardoor kwam vanzelf verandering in het stelsel om Indië *"
uitsluitend tot geldelijk voordeel van het moederland aan te wenden.
De grondwet wijdt aan het koloniaal beheer niet eens een afzon-
derlijk hoofdstuk. De vroeger door ons besproken afdeeling, die over
de macht des Konings handelt, bepaalt dat de Koning over de bezit-
tingen het opperbestnur heeft, maar tevens dat de reglementen op
het beleid der regeering in die bezittingen door eene wet moeten
worden vastgesteld, evenals het muntstelsel, en ook andere onder-
werpen, indien daaraan behoefte blijkt te bestaan. Opzettelijk noemt
zij als een onderwerp,, dat wettelijke regeling behoeft, de wijze van
beheer en verantwoording der koloniale geldmiddelen, en bepaalt ein-
delijk dat de regeering jaarlijks aan de Staten Generaal een uitvoerig
verslag moet doen van haar beheer en van den staat waarin de bezit-
tingen zich bevinden.
Een regeeringsreglement kan tot op zekere hoogte met een grondwet
worden gelijk gesteld. Het bevat in breede trekken de wijze van
bestuur, terwijl de onderdeelen of bijzondere punten bij nadere
wetten of besluiten worden geregeld.
Het regeeringsreglement voor onze Oost is van 2 September 1854.
Volgens deze wet worden de Oost-Indische bezittingen namens den
Koning beheerd door den Gouverneur-Generaal, bijgestaan door een
raadgevend lichaam, den Raad van Indië. Deze regeling sluit zich geheel
bij de geschiedenis aan, want de Gouverneur-Generaal en de Raad
*
-ocr page 106-
104
van Indië bestaan reeds sedert het begin der zeventiende eeuw.
Wij moeten hier vooaol opmerken, dat de eigenlijke wetgevende
macht voor Indië, evenals in het moederland, berust bij den Koning
en de Staten-Generaal. De Gouverneur-Generaal stelt wel algemeene
verordeningen vast, doch alleen omtrent zulke onderwerpen, waarin
niet op andere wijze is voorzien of voorzien moet worden, door
eene wet of door een Koninklijk besluit.
Intusschen is de Gouverneur-Generaal in dringende omstandigheden
bevoegd om, onder nadere bekrachtiging door de wet of goedkeuring
van den Koning, algemeene verordeningen vast te stellen omtrent
onderwerpen, die tot hunne regeling eene wet of een Koninklijk
besluit behoeven, zoolang een of ander nog niet tot stand is gekomen.
XXIX.
Ofschoon het in het algemeen alleen de Gouverneur-Generaal ie,
die besluiten neemt, en hij alleen van die besluiten aan den Raad
van Indiö kennis behoeft te geven, bestaat toch voor hem niet alleen
de verplichting om de meening van den Raad in te winnen (b.v.
waar het geldt sommige benoemingen van gewicht, begrooting van
ontvangsten en uitgaven en vooral de verordeningen omtrent het
eigenlijk bestuur), doch het regeeringsreglement eischt somtijds over-
eenstemming tusschen den Raad èn den Gouverneur-Generaal, waaruit
volgt dat er zonder medewerking van het raadgevend lichaam in
bepaalde aangelegenheden niets tot stand kan komen. Dit beginsel is
van toepassing op alle algemeen verbindende verordeningen, wanneer
geene dringende omstandigheden het tegendeel veroorloven, en verder
op de ontzegging, in het belang van rust en orde, aan bepaalde per-
sonen, van een verblijf in Nederlandsch-Indië of een zeker gedeelte
daarvan.
Vroeger hebben wij reeds het een en ander medegedeeld over de
zoogenaamde heerendiensten, eigenlijk persoonlijke diensten, die de
inlanders ten behoeve van het Gouvernement moeten verrichten.
Deze diensten, die somtijds zeer drukkend waren voor de bevolking,
zijn in lateren tijd zeer verminderd. Zij konden zoowel door de inland-
6che hoofden en dorpsbestuurders (in welk geval men ze pandjón-
diensten noemt) als door ons Gouvernement worden geëischt. Die ten
behoeve der inlandsche hoofden zijn afgeschaft en vervangen door een
hoofdelijken omslag. Die ten behoeve der dorpsbesturen betreffen de
algemeene veiligheid en behooren dus te blijven gehandhaafd; terwijl
eindelijk de heerendiensten ten behoeve van het Nederlandsch gezag,
-ocr page 107-
105
krachtons het regeeringsreglement, aan de bijzondere zorg van ons
bestuur zijn opgedragen. Het bepaalt dat in elk gewest de aard en
dunr der persoonlijke diensten, waartoe de inboorlingen verplicht zijn,
de gevallen waarin en de wijze en voorwaarden waarop zij kunnen
worden gevorderd, door den Gouverneur-Generaal worden geregeld, in
overeenstemming met de bestaande gebruiken, instellingen en behoeften
en dat de verordeningen, welke op die persoonlijke diensten betrekking
hebben, in elk gewest om de vijf jaren door den Gouverneur-Generaal
moeten worden herzien, met het doel om daarin langzamerhand en
zonder schokkende overgangen vermindering te brengen. De hier
bedoelde heerendiensten worden somtijds tegen betaling gevorderd,
en zij kunnen ook worden afgekocht.
Voorts is aan den Gouverneur-Generaal opgedragen, dat geene belas-
tingen geheven worden dan die bij algemeene verordeningen zijn
bepaald.
Het belastingstelsel wijkt geheel van het onze af. Vooreerst bestaat
nog de gewoonte om sommige belastingen niet door Staatsambtenaren
te heffen, maar die heffing te verpachten. Administratie en toezicht
worden daardoor zeer vereenvoudigd, maar daartegenover staan de
misbruiken van smokkelhandel en knoeierij op groote schaal. De
voornaamste der hier bedoelde belastingen is die op den verkoop van
opium, waaraan de inlandsche bevolking verslaafd is en die dringend
eene verbeterde regeling in het belang der inlanders eischt. Het
opiumverbruik is eene groote maatschappelijke ramp, die directe
tusschenkomst van den Staat wettigt. Wel mag de opium in onze
bezittingen niet worden geteeld, maar de invoer is verbazend groot,
de sluikhandel wordt door de pachters, die het recht verkrijgen om
alleen van den Staat te koopen, en dus ook alleen mogen verkoopen,
op ergerlijke wijze gedreven en het onbelaste verbruik is zeer aan-
zienlijk. Desniettegenstaande brengt de belasting in den vorm van
pacht nog ongeveer twintig millioen op.
Verder treffen wij aan: belastingen op goederen welke worden uit-
en ingevoerd en op artikelen van verbruik (accijnzen), eene belasting
op het bedrijf of patentbelasting, grondlasten, de reeds genoemde
hoofdelijke omslagen in plaats van de afgeschafte heerondionston, en
verschillende andere heffingen van minder belang. Van do Europeosche
ingezetenen wordt ook eene personeele belasting geheven.
14
-ocr page 108-
106
Wat wij in ons vaderland niet of althans bijna niet meer aan-
treffen (alleen bij de markegronden), komt in het oosten nog veel-
vuldig voor, namelijk het gemeenschappelijk of zoogenaamd commu-
naal bezit van den grond, die dan van tijd tot tijd door de dorpshoofden
ter bebouwing wordt verdeeld. In andere, streken bezit ieder zijn eigen
etuk grond of heerscht het persoonlijk (individueel bezit), dat in
vroegere tijden algemeen schijnt te hebben bestaan. De grootendeels
nog woeste gronden behooren overigens aan het Gouvernement, met
uitzondering dus van die welke door de inlanders in cultuur zijn
gebracht of tot de dorpen behooren. Hier ligt dus een zeer ruim
gebied tot ontwikkeling en welvaart. Het regeeringsreglement, waarin
door de zoogenaamde agrarische wet (wet die den toestand van den
grond regelt) van 9 April 1870 eenige wijziging is gebracht, bevat
enkele bepalingen dio als een eerste stap in die richting worden
beschouwd. De Gouverneur-Generaal kan namelijk, zonder inbreuk
te maken op de rechten der inlandsche bevolking, gronden in huur
afstaan en ook in erfpacht, doch dit laatste voor niet langer dan
vijf-en-zeventig jaren.
De gronden, welke door de inlanders persoonlijk, erfelijk worden
bezeten, kunnen voorts aan hen op hun verzoek in eigendom worden
afgestaan. Men merke hierbij op, dat de Souverein, ons Rijk dus,
geacht wordt eigenaar van den bodem te wezen, zoodat het bezit van
den inlander slechts eene beschikking is onder voorwaarde dat geen
hoogere macht over den bodem bescliikke. Wordt nu het bezit in
eigendom omgezet of zooals men het noemt geconverteerd, dan ont-
staat een toestand die meer met onze westersche begrippen overeenstemt
en waardoor men hoopt den inlander nauwer aan zijn grond te
verbinden en hem dus aan te sporen tot meerdere vlijt of ontwik-
keling. Mocht ooit het communaal of gemeenschappelijk bezit overal
in individueel of persoonlijk bezit overgaan, eene verandering of con-
versie die sommigen wenschelijk achten, dan zou op die wijze
gelegenheid bestaan om alom dat persoonlijk bezit in wezenlijken
eigendom te doen overgaan en alzoo op dit punt tot onze toestanden
te geraken.
De eigenaardige verhoudingen in het oosten, zoo hemelsbreed van
de onze verschillend, moeten noodzakelijk een geheel bijzonder stelsel
van burgerlijk bestuur tengevolge hebben. Zooveel de omstandigheden
het toelaten, wordt de inlandsche bevolking daarom gelaten onderde
onmiddellijke leiding van haar eigen hoofden die door onze regeering
-ocr page 109-
107
moeten worden aangesteld en erkend en natuurlijk onder hooger
toezicht staan. De inlandsche gemeente, meestal dessa geheeten, kiest
dus haar eigen bestuur, dat rechtstreeks met het Nederlandsche bestuur
in betrekking staat en de huishouding der gemeente regelt, eensdeels,
zooals dat in het oosten gevonden wordt, in verband met de gods-
dienstige gebruiken der bevolking en met de gewoonte (adat) en
overigens in overeenstemming met onze wetten en voorschriften van
ons Gouvernement. De dessas vormen districten en onder-districten
en eenige districten te zamen vormen meestal weer een regentschap _
De hoofden der regentschappen, regenten genaamd, worden door het
Nederlandsch gezag aangesteld en gesalarieerd, terwijl de hoofden der
districten en onder-districten alleen eenige bezoldiging van onze
regeering ontvangen.
Voor de uitoefening van het Nederlandsch gezag is het grondgebied
evenzeer verdeeld in afdeelingen, gewesten genaamd, die in naam
van den Gouverneur-Generaal worden bestuurd door gouverneurs of
residenten, en die meestal weder gesplitst zijn in onder-afdeelingen,
met een adsistent-resident aan het hoofd. Deze hoofd-ambtenaren
worden bijgestaan door hunne secretarissen; terwijl andere ambte-
naren, controleurs genaamd, meer bepaald belast zijn met het toezicht
op de teelt der koffie en in het algemeen op de voortbrenging van
hetgeen de bodem onzer bezittingen aan het Gouvernement oplevert.
Vroeger hebben wij reeds opgemerkt dat zij, die tot ambtenaar bij
het burgerlijk bestuur wenschen te worden aangesteld, daartoe hunne
opleiding ontvangen aan de gemeentelijke instelling te Delft, voor
onderwijs in de Indische taal-, land- en volkenkunde. Ook de ambte-
naren bij de rechterlijke macht, die wij nader zullen ontmoeten, worden
aan deze belangrijke inrichting gevormd.
XXX.
«
Omtrent het Nederlandsch burgerlijk bestuur in Indië moeten wij
ten slotte nog enkele opmerkingen maken.
Evenals wij ten onzent ministeriën of departementen van algemeen
bestuur kennen, bestaan ook in Indië dergelijke takken van beheer;
doch er zijne geene ministers of verantwoordelijke raadslieden, alleen
maar directeuren voor elke afdeeling, die eenvoudig hoofd-ambtenaren
zfjn en door den Gouverneur-Generaal worden benoemd. De directeuren
vormen te zamen een raad, zoo dikwijls de Gouverneur-Generaal hunne
-ocr page 110-
108
samenwerking beveelt, natuurlijk met het doel om hem in gewichtige
aangelegenheden tot voorlichting te verstrekken.
Alleen deze laatste is voor de bestuursdaden direct verantwoordelijk
en wel aan den Koning; maar toch kent de grondwet aan de Tweede
Kamer der Staten-Generaal het recht toe, om den Gouverneur-Gene-
raal wegens ambsmisdrijven te vervolgen. In welke gevallen deze
vertegenwoordiger van het Koninklijk gezag strafbaar is, wordt door
het regeeringsreglement bepaald.
Evenals ten onzent is eene der voornaamste instellingen de alge-
meene rekenkamer, die belast is met het toezicht over het beheer
der koloniale geldmiddelen en over de verantwoording der reken-
plichtigen.
In vroegere tijden was het financieel bestuur der bezittingen aan
alle wezenlijk toezicht onttrokken en het was niet zonder noodzaak
dat de grondwet van 1848 voorschreef, dat de wijze van beheer en
verantwoording der koloniale geldmiddelen door eene wet moest wor-
den geregeld en dus niet aan de willlekeur der regeering kon worden
overgelaten. Voor de volledigheid der geschiedkundige zijde onzer
schetsen, stippen wij hier even aan dat de bedoelde wet, de zooge-
naamde Indische comptabiliteitswet, den 23 April 1864, dus lang na
de herziening der grondwet, is tot stand gekomen.
En nu eindelijk nog een enkel woord over de rechterlijke macht.
Voor een groot deel is de bevolking nog gelaten in het genot van
hare eigene rechtspleging. Wat de Europeanen betreft, berust de
rechtspraak, evenals ten onzent, op algemeene wetten. De regeering
van Indië kan die wetten, waar het gewenscht en voor zoover het
mogelijk is, op de inlanders toepasselijk verklaren. Voor het overige
geldt voor hen het Mohammedaansche recht, met inachtneming der
gebruiken of gewoonten van dat land (de adat).
Kortheidshalve kunnen wij hier volstaan met de mededeeling, dat
voor de inlanders verschillende rechterlijke colleges of met rechtspraak
belaste overheidspersonen bestaan. Er zijn onder anderen regentschaps-
en districtsgerechten voor eenvoudige zaken, verder landradon voor
zaken van meer gewicht en om te beslissen in geschillen tusschea
inlanders en Europeanen, residentie-gerechten, waarin de resident de
alleen rechtsprekende rechter is (evenals bij ons de kantonrechter)
voor sommige politie-overtredingen, en eindelijk de rechtbanken van
omgang voor zware misdrijven. Bij de landraden en bij de rechtban*
ken van omgang worden ook Europeesche ambtenaren aangesteld,
hetzij alleen om de pen te voeren, hetzij als rechter of voorzitter.
Wat de Europeanen betreft, voor hen bestaan als gewone recht-
w»wj
-ocr page 111-
109
banken de raden van justitie. Deze hoven beslissen echter ook in
hooger beroep over de uitspraken der landraden en vellen tevens
vonnis waar het betreft de zaken der inlanders, die zich daartoe aan
de Nederlandsche rechtspraak hebben verklaard te willen onderwerpen.
Te Batavia bestaat een opperste gerechtshof onder den naam van
Hoog Gerechtshof van Nederlandsch-Indië. Er is veel overeenkomst
tusschen den werkkring van dit college en dien van den vroeger door
ons besproken Hoogen Raad der Nederlanden. Verschillende hoog ge-
plaatste ambtenaren staan wegens ambtsmisdrijven voor het Hof
terecht en verder beslist het in hooger beroep over vonnissen van
lagere rechters of treedt, evenals de Hooge Raad, als Hof van Cassatie op.
Van het oosten richten wij, tot besluit, nog even den blik naar het
westen, naar de koloniën Suriname en Curacao, die in vele opzichten
van minder gewicht en beteekenis zijn, maar aan den anderen kant
nauwer aan het moederland verbonden.
Immers, hoewel de Europeesche bevolking er zeer gering is, bestaat
geene eigenlijke inlandsche bevolking. In de uitgestrekte plantages,
waar onder anderen suiker en tabak worden geteeld, werd voorheen
de arbeid uitsluitend verricht door slaven. De opheffing der slavernij,
hoe gewenscht overigens, was zeer gevaarlijk met het oog op de
afwezigheid van andere arbeidskrachten, want voor den slaaf zelf is
de vrijverklaring eene weldaad die hij niet weet te waardeeren en
die hij misbruikt om toe te geven aan zijne neiging tot werkeloos-
heid. Intusschen is die vrijverklaring of zoogenaamde emancipatie
toch in 1862 een feit geworden, een feit dat het dringend noodzakelijk
maakte om in de behoefte aan werkkrachten te voorzien. Het middel
dat men daartoe aanwendt bestaat in de immigratie of invoer van
vrije arbeiders uit andere landen. Zij, die daartoe hun vaderland
verlaten en zich in de kolonie vestigen, zijn voor het meerendeel
uit Britsch-Indië afkomstig.
In zooverre als de "West-Indische bezittingen niet evenals do Oost-
Indische eene eigenlijk gezegde inlandsche bevolking hebben, kan
men, ondanks het gering aantal Europeanen, van koloniën spreken
en zijn. zij dus van de Oost-Indische onderscheiden, een onderscheidl
dat in de wijze van bestuur nog al sterk uitkomt. Immers, terwijl
men in de Oost geen spoor van zelfrogeering ontdekt, is dit hier we
-ocr page 112-
HO
degelijk het geval, althans zeer zeker wat de kolonie Suriname betreft.
Beide koloniën worden, evenals de Oost-Indische bezittingen, beheerd
op grond van een regeeringsreglement, dat in het jaar 1865 is tot
stand gekomen.
Natuurlijk is het in de eerste plaats de Nederlandsche wetgevende
macht, die in de belangen der koloniën voorziet. Niettemin worden
sommige onderwerpen door koloniale verordeningen geregeld, waar-
omtrent het uitvoerend gezag berust bij den Gouverneur (en niet
Gouverneur-Generaal), die in naam des Konings regeert.
In Suriname heeft omtrent sommige aangelegenheden overleg plaats
tusschen den Gouverneur en een raad van bestuur, doch wordt de
eigenlijke wetgevende macht uitgeoefend door den Gouverneur met
een vertegenwoordigend lichaam, de Koloniale Staten genaamd,
waarvan de leden gedeeltelijk door den Gouverneur worden benoemd,
maar overigens rechtstreeks door kiesgerechtigde ingezetenen gekozen
worden.
In Curacao ontmoeten wij wel dezelfde regeeringslichamen, maar
toch met eenige afwijking. De Staten,heeten daar Raad, maar er zijn
geene kiesgerechtigde burgers. De Raad is samengesteld uit de leden
van den raad van bestuur en eenige andere leden, door den Koning
benoemd uit eene voordracht, die hem daartoe door den Raad wordt
aangeboden.
En hiermede kunnen wij ten opzichte onzer Amerikaansche bezit-
tingcn volstaan. Daar, zooals wij reeds opmerkten, van geen vreemde
bevolking sprake is, maar onder zekere voorwaarden allen, ook de
vrijgemaakte slaven, ingezetenen zijn, geldt in het algemeen voor allen
dezelfde wet. De ingezetenen oefenen ook op staatkundig gebied
rechten uit, welke in vele opzichten met die in het moederland oVer-
eenstemmen. Het burgerlijk bestuur, het rechtswezen en andere staats,
instellingen, zijn op eenvoudige wijze in beide koloniën geregeld.
Wij eindigen hiermede onze schetsen en drukken de hoop uit, dat
de vorm waarin zij vervat zijn aan het doel heeft mogen beantwoor*
den en\' dat zij dus aan onze lezers, voor wie de kennis van eigen
geschiedenis en eigen instellingen geene onverschillige zaak is, eenige
genoeglijke oogenblikken hebben verschaft. Wellicht dat dan andere,
niet minder gewichtige onderwerpen dan de huishouding van den
Staat, in het vervolg op dezelfde wijze een onderwerp van behande-
ling voor ons opleveren.
v Einde. *>~ \' —<&*• ~fK~^ -t -