-ocr page 1-
^
^"vn \\3S\\0
,
•
Vak 159
•
\'
.
!
•
. ..
:
78
A
-ocr page 2-
/
, ïï
\'
•
-ocr page 3-
, • i
!
(\'
i
\' • .
\'.\'
I
j
-ocr page 4-
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000030571420B
3057 142 O
i
-ocr page 5-
fok 159
LEERBOEK
DER
SCHEIKUNDE
VOOR
H. B. Scholen met 3-jarigen cursus, Gymnasia,
Handelsscholen, Kweekscholen, enz.,
DOOR
D. HO RN,
Leeraar aan de Rijks Hoogere Burgerschool te Venloo. *
Met 70 Ho utsnc «figuren.
enhage. — JOH. YKEMA. — 1892.
-ocr page 6-
Bij den uitgever JOH. IJKEMA is verschenen:
S. DE GAST Jz. Leerboek der Rekenkunde.
2 deelen a .... f 1,25.
Voor zooverre eene eerste lezing recht geeft een oordeel over een boek als het boven-
staande uit te spreken, meen ik te mogen zeggen, dat de schrijver de taak, welke hij
zich stelde, gelukkig heeft volbracht. Van de mij bekende leerboeken over rekenkunde
wijkt het onderhavige in menig opzicht af. Ik behoef daarbij slechts te wijzen op de rang-
schikking der stof, op den aard van vele bewijzen, op de menigte met,zorg gekozen
vragen en opgaven tusschen den tekst, op den toeleg van den schrijver om den leerling
een helder inzicht te geven in \'t verband, dat er tusschen verschillende eigenschappen
bestaat. AVat eindelijk de bruikbaarheid van dit leerboek in mijn oog nog aanmerkelijk
verhoogt, is dit, dat de schrijver bij vele eigenschappen wijst op het practisch nut ervan.
\'t Is mij meer dan eens voorgekomen, dat een leerling op mijne vraag: „waartoe
dienen nu eigenlijk de eigenschappen, welke we bewezen hebben?" geen ander antwoord
wist te geven, dan dat ze dienen om weer andere eigenschappen, die nog volgden, te
kannen bewijzen. Toch hadden de leerlingen menigmaal de bedoelde eigenschappen onbe-
wust bij berekeningen toegepast, \'t Eigenaardig verschijnsel deed zich dus voor, dat
iemand eene eigenschap kende, zonder die met bewustheid te kunnen toepassen, en dat
hij diezelfde eigenschap toepaste zonder het te weten, \'t Is mij gebleken, dat een voort-
durend vragen naar, of wijzen op de practische waarde eener eigenschap ten gevolge had,
dat men haar „mooi" begon te vinden en meer moeite deed haar correct te bewijzen,
terwijl men haar bovendien beter kon onthouden. De heer De Gast wijst telkens op die
toepassingen en maakt daardoor zijn leerboek m. i. ook geschikt voor hen, die zonder
leiding stndeeren. Ten slotte meen ik nog te moeten meedeelen, dat de verhoudings- en
verdeelingsdeeling door den schrijver, en m. i. terecht, streng vau elkander onderscheiden
worden; dat één hoofdstuk gewijd is aan het voorstellen van getallen door letters; en
eindelijk, dat in eea zestal aanteekeniugen kortelijk behandeld worden: de periode der
resten, de negen, en elfproef, de GGD van rest en. deeltal, ongelijkheden, samengestelde
breuken en talstelsels, terwijl 150.meer ingewikkelde vraagstukken over de theorie der
rekenkunde aan het slot worden aangetroffen^.:.\'.•\'. Ik wensch den schrijver met zijn\'
arbeid veel succes.
                    •;         :* m ..... /§ ;i.- ;\'
Schoolwereld, Juni \'90. > •\'•"•. J**-•„,\'•\'                                           F. Duiker.
Dat werk zou ik u als het mij Voorkomende beste studiewerk kunnen aanraden, omdat
het in alle geval de verdienste heeft, dat de hoofdzaken er goed in uitkomen en deze
helder en breed zijn uitgewerkt. Het is m. i. voor studeerende onderwijzers het beste,
meest volledige, meest practische en bruikbare. Een groot aantal opgaven, aan verschillende
eiamens ontleend, besluit elk deeltje en verhoogt de waarde.
School en Studie, Oct. \'91.                                                          A. J. M. Brootrop.
De schrijver maakte zich reeds een goeden naam door velschillende uitgaven en dit
practische Leerboek, dat zonder geleerden omslag de hoofdzaken als hoofdzaken behandelt
en de bijzaken niet te veel op den voorgrond brengt, zal zeker zijn weg ook wel vinden.
Tal van opgaven aan het eiud van elk hoofdstuk en aan \'t einde vaa het boek maken
het den leerling mogelijk zelf te onderzoeken, wat hij van \'t geleerde begrepen heeft.
Natuurlijk zou er over een of ander punt wat op te merken zijn, maar dit is niet
van dien aard, dat we eenig\' bezwaar zouden hebben tegen het boek. Werken in den
practischen, eenvoudigen toon, dien de schrijver aanslaat, zullen voor onze opleiding steeds
gewenscht blijven. Hoe meer er van de schoollucht aan<,,c, des te beter zullen ze ons
bevallen.
Nieuw Nijmeegsch Schoolblad. Dec. \'89.
-ocr page 7-
LEERBOEK
DER
SCHEIKUNDE
VOUR
H. B. Scholen met 3-jarigen cursus, Gymnasia,
Handelsscholen, Kweekscholen, enz.,
DOOR
D. HO RN,
Leeraar aan de Rijks Hoogere Burgerschool te Venloo.
Met 7 0 Houtsneèfiguren.
BIBLIOTHEEK DER
KUKSUt^VE^ErT
UTRECHT
OOtU TH0WAAS9B
\'.s-Gravenjiaoe. — JOH. YKEMA. — 1892.
-ocr page 8-
•\' 5tl";
ü?>; *»*»;
.._•J
•patH^Mw^-o^»^
GEDRUKT BIJ G. f. THIEME, TE ARNHEM.
-ocr page 9-
VOORREDE.
Toen mij in 1875 de tijdelijke waarneming werd opgedragen van het
onderwijs in de scheikunde aan de R. H. Burgerschool te Helmond, om-
dat de leeraar wegens ziekte verlof had en ik mij daarbij geheel wilde
houden aan diens methode van onderwijs, leerde ik er Dr. R. Arendfs
Lehrbuch der Anorganischen Chemie kennen. De leergang, in dat werk
gegeven, werd in hoofdzaak gevolgd; vele der proeven, die er in beschreven
zijn, werden genomen; doch tal van onderwerpen, die in dit uitvoerige
leerboek worden behandeld, moesten natuurlijk worden overgeslagen of
konden slechts zeer beknopt besproken worden. Een dictaat, waarin alles,
wat in de les behandeld was, zeer kort werd aangeteekend, moest den leer-
lingen tot studieboek dienen.
De lust en ijver der leerlingen bij dit onderwijs, de uitstekende resul\'
toten, die verkregen werden, wat betreft hunne vorderingen, vormden eene
zoo sterke tegenstelling met hetgeen ik elders ondervonden had, dat ik be-
sloot, toen ik kort daarna tot leeraar in de scheikunde benoemd werd en
een eigen programma moest opmaken, Dr. Arendi\'s methode te blijven
volgen. Het meest werd ik evenwel hiertoe gebracht door de overtuiging,
dat op deze wijze voldaan moest kunnen worden aan den tweeledigen eisch,
dien het tweeslachtig karakter der H. Burgerschool met 3-jarigen cursus
aan liet onderwijs in dit vak stelt, n.l., le dat dit een wetenschappelijk,
afgerond geheel vorme voor de leerlingen, die geene andere inrichting van
onderwijs bezoeken, nadat zij het einddiploma dezer school verkregen hebben
en 2e dat het de leerlingen, die overgaan tot de 4de klasse eener H. Burger-
school met 5-jarigen cursus, genoegzaam voorbereidt om er het onderwijs in
dit vak met vrucht te kunnen volgen. (In de meeste dier scholen worden in
de derde klasse de niet-metalen geheel of gedeeltelijk behandeld.)
Eene 17-jarige ervaring heeft mijne oorspronkelijke verwachting niet
te leur gesteld. Wel deden zich vele moeilijkheden voor, wat betreft de
keuze en de wijze van behandeling der leerstof; wel kwam daarin eerst
-ocr page 10-
langzamerhand meer vastheid; doch eindelijk meen ik een leergang te héb\'
hen verkregen voor
inrichtingen, waar wekelijks 2 a 3 uren les in
scheikunde gegeven wordt, die aan de volgende eischen voldoet:
1\'. Dat hij begint met de eenvoudigste verschijnselen, geleidelijk
moeielijker wordt en den leerling nooit plaatst voor dingen, die hem geheel
vreemd en onbegrijpelijk zijn;
2e. dat hij een Hinken theoretischen grondslag oplevert voor verdere
studie;
3e, dat hij den leerling tevens bekend maakt met de belangrijkste
scheikundige verschijnselen, waarvan de kennis voor elk beschaafd
mensch gewenscht is (verbranding, bereiding van metalen uit ertsen, de
zouten en hunne eigenschappen, ox\\jdatie- en reductieverschijnselen);
4\'. dat hij noch van den leerling noch van den leeraar meer ver-
langt, dan in den zeer beperkten tijd kan worden behandeld (veel van
hetgeen met kleine letter gedrukt is en ook de twee laatste hoofdstukken
kunnen worden overgeslagen, zoo de tijd ontbreekt);
oe. dat, door de herhaling, aansluiting wordt verkregen met het
onderwijs, zooals het gegeven wordt aan H. Burgerscholen met ö-jarigen
cursus en aan andere inrichtingen, waar het onderwijs in Scheikunde
meer wordt uitgebreid.
Overtuigd, dat mijne methode nog voor veel verbetering vatbaar is, houd
ik mij zeer aanbevolen voor opmerkingen, die daartoe kunnen leiden.
D. HOSN.
Venloo, Februari 1892.
-ocr page 11-
/
INLEIDING.
, \'--r.
1.    De natuurkunde leert ons de eigenschappen der
lichamen kennen, de veranderingen, die zij onder be-
paalde omstandigheden ondergaan en den invloed, dien zij
op elkander uitoefenen, voor zoover de stof, waaruit zij
bestaan, daarbij geene verandering ondergaat. De
studie van de aantrekking, die de lichamen op elkander uit-
oefenen, van de voorwaarden van hun evenwicht, van de be-
weging, die een gevolg is van de werking van krachten,
van de veranderingen van agregatietoestand, van de uitzetting
door verwarming, van de magnetische en electrische eigen-
schappen behoort tot het gebied der natuurkunde.
De scheikunde daarentegen omvat de kennis van alle
veranderingen, die de lichamen ondergaan, wat betreft
de stof, waaruit zij bestaan. Het roesten van ijzer, het ver-
branden van hout, de oplossing van koper in sterkwater of
salpeterzuur zijn scheikundige verschijnselen, omdat bedoelde
stoffen daarbij geheel van aard veranderd zijn. Bij die verschijn-
selen zijn de oorspronkelijke stoffen verdwenen en nieuwe
ontstaan. De studie er van behoort dus tot het gebied der
scheikunde.
Vraag. Tot welk gebied behoort de oplossing van zout in water, van vet in
warmen alkohol?
2.    Bij de studie van de scheikunde gaat men geheel op
dezelfde wijze te werk als bij die van de natuurkunde (Leer-
boek der Natuurkunde door Horn en de Gast I § 21.) Gelijk"
-ocr page 12-
(5
soortige verschijnselen, die men door waarneming heeft
leeren kennen, worden te zamen gegroepeerd; door proeven
worden de omstandigheden opgespoord, die er invloed op heb-
ben; zooveel mogelijk worden de grootheden, die hierbij in
\'t spel treden, gemeten en de wetten opgespoord, die de
verhoudingen der gevonden getallen beheerschen, en eindelijk
tracht men het verband tusschen al die verschijnselen en
wetten te verklaren, desnoods door het aannemen van h y-
pothesen en het opbouwen van theoriën, die daarop
berusten.
HOOFDSTUK I.
Scheikundige verbinding.
§ 1. Overeenkomst tusschen de verkalking der metalen
en de verbranding.
1. Wanneer de smid een stuk ijzer sterk verhit, vormt zich
aan de oppervlakte eene donkerbruine, doffe stof, die gedurig
dikker wordt. Bij het smeden springt deze stof van het ijzer
af; zij wordt hamerslag genoemd. Door een dun stuk h\'zer
lang in het smidsvuur te verhitten, verandert het geheel in
hamerslag: het verkalkt.
Wij hebben hier te doen met een scheikundig verschijnsel
(waarom?) en dit kiezen wij als uitgangspunt van onze schei-
kundige studiën.
Eene eerste vraag, die zich voordoet, is deze: Vindt dit
verschijnsel in de gegeven omstandigheden alleen bij het ijzer
plaats, of ondergaan ook andere metalen, indien wij er dezelfde
bewerking op toepassen, dezelfde verandering?
-ocr page 13-
7
O/HNerlring. Iedereen kan metalen van andere stoffen onderscheiden. Zij zijn
te herkennen aan den eigeuaardigen glans, de klenr, de meestal ge-
ringe hardheid, en het groot geleidingsvermogen voor warmte en elec-
triciteit. Zij zijn daarbij smeltbaar en hebben meestal een groot
soortelijk gewicht.
Opgave. Vergelijk deze eigenschappen bij ijzer, koper, zink, tin, lood en kwik
met elkander.
Proef 1. Een stukje blank koper wordt in eene gasvlam
sterk verhit. Aanvankelijk vertoonen zich alle kleuren van den
regenboog op de verhitte plek, wat de aanwezigheid van een
dun, doorzichtig laagje eener vreemde stof op de oppervlakte
van het metaal aanduidt, (een dun laagje olie op water!)
Spoedig wordt deze plek dof en weldra vertoont er zich dui-
delijk een laagje van eene grijszwarte atof, dat dikker wordt,
zoo wij voortgaan met verhitten.
Proef 2. Wij verhitten een stuk lood in een porseleinen
kroes. Nadat het metaal gesmolten is, bedekt zich zijne op-
porvlakte met een geelachtig gekleurd vlies. Nemen wij dit
weg, dan vertoont de blanke metaaloppervlakte zich slechts
een oogenblik, daar zich spoedig opnieuw een vlies vormt, dat
steeds dikker wordt. Door langdurige verhitting kunnen wij
het lood geheel doen overgaan in eene gele, vaste stof, die
licht smeltbaar is.
Proef 3. Fijne snippers zink worden in eene gasvlam gehouden.
Zij branden met eene helder-blauwe vlam; het metaal veran-
dert in een poeder, dat bij hooge temperatuur eene gele, bij
gewone temperatuur eene witte kleur bezit.
Magnesium is een wit, sterk glanzend metaal met bijzonder
gering soortelijk gewicht (1.8). Het komt in den handel voor
in den vorm van dun, smal band en als poeder.
Proef 4. Houdt men een stukje magnesiumband een oogen-
blik in eene vlam, dan brandt het met eene sterk lichtgevende,
witte vlam en verandert daarbij in een fijn, licht poeder.
Het magncsiumlicht, dat ook verkregen wordt door magnesinmpoeder te blazen in
eene niet lichtende spiritus-of gasvlam, wordt veel gebruikt bij het photographeeren.
Platina behoort met goud en zilver tot de edele m e t al e n.
Het bezit een bijzonder groot soortelijk gewicht (21.5), een zeer
-ocr page 14-
8
hoog smeltpunt (ver boven witgloeihitte), groote hardheid en
eene blauwachtig-grijze kleur.
Proef 5. Wij verhitten een stukje platina zoo sterk mogelijk
in eene gasvlam. Zoodra het weer is afgekoeld, kunnen wij ons
overtuigen, dat het niet de minste verandering ondergaan heeft.
Ook bij de andere edele metalen heeft geen e kalk vorming plaats.
Uit de genomen proeven blijkt, dat wij bij de metalen in het
algemeen, onder dezelfde omstandigheden als bij het ijzer, verkalking
kunnen teweeg brengen; bij de edele metalen niet.
Bij sommige
metalen heeft zij plaats met vuurverschijnselen, die aan ver-
branding doen denken.
2. Welke omstandigheden zijn het, die de verkalking der
metalen veroorzaken? "Volgens onze proeven kunnen slechts
twee omstandigheden er invloed op hebben, n.1. de h o o g e
temperatuur, waartoe de metalen gebracht moeten wor-
den en de lucht, waarmee zij in aanraking komen (ver-
klaar dit nader!). Dat de lucht alleen geene verkalking
veroorzaakt, blijkt uit het feit, dat de metalen bij gewone
temperatuur deze verandering meestal niet ondergaan. Is
de hooge temperatuur op zichzelf oorzaak der verkalking?
Wij zullen het antwoord op deze vraag door proeven trachten
te vinden.
Borax is eene witte, vaste stof, die wij kunnen smelten.
De kleurlooze, doorzichtige vloeistof, die hierbij ontstaat, onder-
gaat zelfs bij de sterkste verhitting geene verandering.
Proef 6. In een porseleinen kroesje brengen wij een stukje
tin, bedekken dit met eene laag borax en sluiten het kroesje met
een deksel. Wij verhitten het nu sterk met eene glasblazerslamp,
overtuigen ons na eenigen tijd dat alles gesmolten is en nemen
dan het deksel weg. Wij zien nu het gesmolten metaal onder
het borax liggen, dat het van de lucht afsluit. Hoe lang wü
ook blijven verhitten, het metaal blijft zijne glanzende opper*
vlakte behouden en ondergaat geene verandering.
Waterstof is een zeer merkwaardig gas. Een zekeren voor-
raad er van hebben wij in een gashouder verzameld om er
proeven mede te nemen.
-ocr page 15-
9
Fig. 1 en 2 stellen een gashouder voor, van twee zijden gezien. In A be-
vindt zich water, in B het gas. De kranen a en c zijn gesloten, b is open.
Er is zooveel water uit A in B gevloeid, dat de spanning van het gas in B
groot genoeg geworden is om de verdere uitvloeiing van water te verhinderen.
(De buis, waarin de kraan b zit, reikt tot dicht bij den bodem van B). Opent
men ook kraan c, dan stroomt het gas hierdoor uit. Aan het peilglas e ziet men
hoeveel gas nog in den gashouder aanwezig is. Om hem met gas te vullen wordt
B eerst geheel met water gevuld, de kranen a, 6 en c worden gesloten, de buis d
open geschroefd en door deze buis leidt men het gas in den gashouder. Dit stijgt
door\'hct water omhoog en een gelijk volume water vloeit door d weg.
Fig. 1. Gashouder.
Proef 7. Wij vullen een kleinen
waterstof. Ze stijgen snel omhoog,
gering soortelijk gewicht (0.0693).
Het is de soortelijk lichtste van
alle bekende stoffen.
Proef 8. Wij vullen een glazen
cylinder met waterstof.
Dit geschiedt met behulp van een pneu-
matischen bak (fig. 3), d. i. een bak, die met
water gevuld is en waarin zich cenc brug
van blik bevindt, die eenige openingen bezit.
Boven een dezer openingen plaatst men den
met water gevulden cylinder het onderste boven
en leidt dan het gas in den cylinder.
Fig. 2, Gashouder.
ballon of zeepbellen met
Waterstof heeft een zeer
3. Het vullen van een cylinder
met waterstof.
-ocr page 16-
10
Wij houden den cylinder met de opening naar beneden en
brengen nu snel een brandend kaarsje er in. Dit dooft hier-
door uit, doch het gas zelf brandt aan de opening des cylinders
met nauwelijks zichtbare, donkerblauwe vlam (fig. 4 en 5).
Fig. 4.                                                   Fig. 5.
Waterstof is brandbaar, doch onderhoudt de verbranding niet.
Proef 9. Wij laten waterstof door een buisje met eene fijne
opening uitstroomen, steken het gas aan en houden eene
droge glazen klok boven de vlam. Spoedig beslaat deze in-
wendig; er vormen zich waterdruppels, die steeds dikker wor-
den en weldra langs het glas afvloeien. Hieruit volgt, dat bij
de verbranding van waterstof water ontstaat.
Proef 10. Een glazen cylinder wordt voor f met lucht en
voor ^ met waterstof gevuld. Wordt eene vlam met het gas-
mengsel in aanraking gebracht, dan ontploft het met hevi-
gen knal.
Opyuve. Geef al de punten van overeenkomst en verschil op tnsschen waterstof
en lucht.
Proef 11. In eene buis Cbrengen wij glanzende koperkrullen
en leiden er een stroom waterstofgas door heen, dat vooraf in de
toestellen A en B gedroogd is. (In A bevindt zich vitriool
of zwavelzuur, inBstukjes chloorcalcium; beide stoffen trekken
-ocr page 17-
11
water sterk aan; ze zijn zeer hygroscopisch). Wan-
neer al de lucht uit den toestel door de waterstof verdrongen
is, steken wij dit gas aan de fijne uitstroomingsopening c aan
en verhitten dan de buis sterk op de plaats, waar het koper
ligt. Het metaal blijft onveranderd. Hebben wij ons hiervan
overtuigd, dan blazen wij wat lucht door de buis, waardoor
onmiddellijk koperkalk ontstaat.
Fig. 6. Koper wordt gegloeid in watcrstofgas.
Uit de genomen, proeven mogen wij besluiten, dat zonder
medewerking der lucht geene verkalking plaats vindt en
dat daarvoor in den regel eene hooge temperatuur verelscht
wordt.
3. De vraag doet zich nu aan ons voor: Welken invloed
oefent de lucht uit op het metaal, wanneer het verkalkt?
Er zijn twee mogelijkheden: le de lucht neemt iets uit het
metaal op of 2° zij geeft er iets aan af.
Wij onderzoeken eerst of de hoeveelheid der lucht, die bij
de verkalking van een metaal meewerkt, verandering ondergaat.
Proef 12. In eene glazen buis, die aan ééne zijde is dicht»
gesmolten, brengen wij glanzende koperkrullen en smelten dan
-ocr page 18-
12
ook het andere uiteinde dicht, nadat we dit een weinig hebben
uitgetrokken. Hierna verhitten wij de buis. Onmiddellijk begint
zich koperkalk te vormen, maar dit duurt slechts korten tijd,
want weldra zien wij, dat bij verdere verhitting de verkalking
geen voortgang heeft. Wij laten de buis dan weer afkoelen,
breken het uitgetrokken uiteinde onder water af en zien dan
water in de buis omhoog stijgen. Dit bewijst, dat een gedeelte
der lucht als zoodanig verdwenen is en dat het overblijvende
gedeelte geene verkalking kan veroorzaken.
P>vef 13. Aan den eenen kant van eene balans hangt men
een kleinen hoefijzermagneet, die vooraf met de uiteinden in
ijzerpoeder is gedompeld, en brengt dan de balans in even-
wicht. Steekt men hierna het ijzerpoeder met eene gasvlam
aan, dan verbrandt het langzaam, waarbij de balans meer en
meer doorslaat naar den kant, waar de magneet hangt.
Bij de verkalking geeft de lucht dus iets aan liet metaal af;
dit is oorzaak, dat de metaalkqlk zwaarder is dan het metaal,
waaruit zij ontstond.
Proef 14. Eene droge glazen buis vult menmetkoperkrullen.
Kg. 7. Afscheiding vaii de stikstof uit de lucht.
Zij wordt nu in een gasoven sterk verhit; dan leiden wij er
een zwakken luchtstroom doorheen en vangen het gas, dat
van de lucht overblijft, in een cylinder op. Het is kleur-, reuk-
-ocr page 19-
13
en smaakloos als lucht. Een brandend voorwerp dooft er
onmiddellijk in uit en het gas zelf is niet brandbaar. Het is
ook ongeschikt voor de ademhaling en wordt stikstof genoemd.
Wij besluiten uit de genomen proeven, dat bij verkalking
een bestanddeel der lucht door het metaal wordt opgenomen, dat dit
bestanddeel in de metaalkalk moet aanwezig zijn en dat, wanneer
het uit de lucht verwijderd is, stikstof overblijft, die geene kalk-
vorming kan veroorzaken.
4.\' Uit al het voorgaande blijkt, dat er groote overeenkomst
bestaat tusschen de verkalking der metalen en het ver-
schijnsel, dat men gewoonlijk verbranding noemt. Voor-
eerst hebben wij de verkalking bij magnesium (proef 3), zink
(proef 4) en ijzerpoeder zien geschieden met verschijnselen,
die ons het recht geven hier te spreken van het aansteken en
verbranden dier metalen. Het is verder van algemeene be-
kendheid, dat verbranding evenmin als verkalking kan plaats
hebben zonder aanwezigheid van eene voldoende hoeveelheid
lucht. De volgende proeven zullen ook in andere opzichten
deze overeenkomst bevestigen.
Proef 15. Plaatsen wij een brandend kaarsje in eene wijd-
mondsche fiesch, dan beslaat het glas spoedig met fijne water-
druppels. Gieten wij, na het kaarsje verwijderd te hebben,
helder kalkwater in de flesch, sluiten ze en schudden korten
tijd, dan wordt het kalkwater melk-
achtig troebel. Hieruit volgt, dat
behalve water, nog een onzicht-
baar gas bij de verbranding van
het vet is ontstaan, dat de eigen-
schap heeft door kalkwater geabsor-
beerd te worden, waardoor dit
troebel wordt. Dit gas en water
zijn de verbrandingspro-
ducten van het vet.
Proef 16. Plaats een brandend "Ij                              13T
eindie kaars (fig. 8) op een porselei- .,. ~„ ,. 7^~r.            ~",
^\'"ujv n.o,i.i^ ^s.^jvp «w ^                   Ylg4 8. Verbranding van eene kaars
n en schaaltje, dat op kalkwater drijft           onder een glazen klok.
-ocr page 20-
14
cn eene glazen klok met geopenden tubus er over heen. Het kal k
water staat in den bak en in de klok op gelijke hoogte. Sluit den
tubus nu snel. Spoedig begint de kaarsvlam kleiner en doffer
te worden en weldra dooft zij geheel uit. De vloeistof stijgt du
in de klok veel hooger dan in den bak, ten bewijze dat een
gedeelte der lucht uit de klok verdwenen is. Het gas, dat in de
klok overbleef, is stikstof.
Vragen. Hoe kunt gij u overtuigen, dat dit gas stikstof is?
Waar zijn de verbrandingsproductcn van het vet gebleven?
Phosphor is eene wasachtige, doorschijnende stof, die in den
vorm van vingerdikke staafjes in den handel komt. Hij is zeer
licht brandbaar, zoodat geringe drukking of wrijving reeds
voldoende is om hem te doen branden.
Vraag. Kunt gij begrijpen waarom men phosphor steeds onder water bewaart,
smelt, doorsnijdt, enz. ?
Phosphor is zeer vergiftig; brandwonden, er door veroorzaakt,
zijn zeer gevaarlijk. Hij geeft in het donker licht (phospho-
resceeren), is gemakkelijk smeltbaar (44°) en kookt bij 290°. Zijn
damp is kleurloos; de geringste sporen van phosphordamp, in wa-
terdamp voorkomende, verraden zich door het phosphoresceeren
van den waterdamp (Proef van Mitscherlich voor de ontdekking
van phosphorus in vergiftige
spijzen). Phosphor is niet op-
losbaar in water, doch wel
meer of minder gemakkelijk
in oliën, ether, zwavelkoolstof
en vele andere vloeistoffen.
Proef 17. Wij herhalen de
vorige proef, doch nemen een
stukje phosphor in plaats van
„. ......
           ,                    het eindje kaars en gewoon
Fig. 9. verbranding van phosphor in eene
nfgesloten ruimte.                 water in den bak (fig. 9). De
phosphor wordt met behulp
van een verwarmden ijzerdraad aangestoken, nadat hij onder de
klok geplaatst is. Hij brandt met een sterk, wit licht, waarbij
zich een dikke, witte rook vormt, die in het water oplost
-ocr page 21-
15
Overigens doen zich dezelfde verschijnselen voor als bij de
vorige proef.
Proef 18. Fig. 10 stelt eene balans voor, die aan den eenen
arm van het juk een eindje kaars draagt, dat in eene wijde buis
op eene doorboorde kurk geplaatst is. Deze is verbonden met eene
U-vormig gebogen buis, die gevuld is met stukjes droge bijtende
soda (Natriumhydroxyde, zie § 22,2), die de eigenschap heeft
Fig. 10. GewicMsvermeerdcring bij <lc verbranding.
de verbrandingsproducten van vet met kracht te absorbeeren<
Door gewichten in de schaal aan den anderen arm van het juk
te plaatsen, brengt men de balans in evenwicht. Nu wordt
de U-vormige buis verbonden met een met water ge vulden
gashouder, die als aspirator dienst doet om lucht door de
-ocr page 22-
10
buizen te zuigen (verklaar deze werking). Vervolgens neemt
men het kaarsje er uit, steekt het aan en brengt het snel
weer op zijne plaats. Is al het water uit den gashouder ge-
vloeid, dan dooft het kaarsje uit. Men neemt de caoutchouc-
buis weg en ziet nu, dat de balans doorslaat naar den kant
van het kaarsje. Hieruit volgt, dat de verbrandingsproducten
zwaarder zijn dan het verbrande vet.
Uit de genomen proeven blijkt duidelijk: 1\' dat eene stof,
die verbrandt, een bestanddeel uit de lucht opneemt, zoodat de
verbrandingsproducten zwaarder zijn dan de stof zelf ivas, en
2! dat er stikstof overblijft, wanneer dit bestanddeel aan de lucht
is ontnomen.
Daar alle verschijnselen bij de verbranding eener
stof geheel overeenstemmen met die, bij de verkalking van
metalen waargenomen, besluiten wij, dat beide veranderingen
van gelijken aard zijn.
§ 2. Oorzaak der verbranding.
1. Kwik is een metaal, dat op de grens staat tusschen de
edele en de niet-edele metalen. Zoo men het langen tijd in
Kg. 11. Bereiding van zuurstof uit kwikkalk.
eene wijde, open flesch met zeer langen hals tot op kookhitte
verwarmt, vormt zich aan de oppervlakte van het ^metaal een
-ocr page 23-
17
rood poeder — kwikkalk. (De flesch moet een zeer langen
hals hebben, opdat de kwikdamp gelegenheid hebbe te conden-
seeren, vóór hij den toestel verlaat.)
Proef 19. In de retort A van moeilijk smeltbaar glas wordt
kwikkalk sterk verhit (flg. 11). Er ontstaat kwikdamp, die in
den ballon B condenseert en buitendien een gas, dat in den
cylinder D wordt opgevangen. Dit gas kan niets anders zijn
dan het bestanddeel der lucht, dat door het
metaal werd opgenomen, toen het in kwik-
kalk veranderde. Het is kleur-, reuk- en
smaakloos als lucht. "Wij brengen een
glimmend «tukje hout in den cylinder
(flg. 12); het gaat er met buitengewone
levendigheid in voortbranden, tot het gas
verdwenen is. Het gas zelf is niet brand -
baar, meer oplosbaar in water dan stikstof
en heeft een S. G. = 1.1088. Het wordt
zuurstof of oxygenium genoemd.
Tig. 12. Verbranding van
een stukje hout in zuurstof.
2. Bestaat de verbranding van meta-
len en andere stoffen werkelijk in de
opneming van zuurstof door deze stoffen? De volgende proe-
ven zullen deze vraag beantwoorden.
Proef 20. Wij vullen eene flesch
met zuurstof uit een gashouder, doch
laten er een weinig water in. Vooraf
hebben wij aan de stop der flesch eene
uitgegloeide horlogeveer bevestigd,
waaraan een stukje zwam zit. Dit
laatste steken wij aan en plaatsen
nu den stop op de flesch (flg. 13).
Het zwam gaat levendig branden en
spoedig ook het ijzer, waar talrijke
Fig. 13.
Verbranding van ijzer
in zuurstof.
gloeiende sterretjes en vonken van
afspringen, die uit eene gesmolten,
donkerbruine stof bestaan, die in het water stolt (hamer-
slag).
Ilorn. Scheikunde.                                                                                     2\'
-ocr page 24-
18
Proef 21. Zoo wij een glazen ballon met zuurstof vullen en
daarin met behulp van een ijzeren lepeltje een stukje brandenden
phosphor brengen (flg. 14), brandt dit
daarin voort met een verblindend licht.
Zwavel is eene lichtgele, brooze,
kristallijne stof, die als zwavelbloem
(zeer fijne, poedervormige kristallen) of
als pijpzwavel (staven in den vorm van
zeer verlengde afgeknotte kegels) in den
handel komt. Zij is niet oplosbaar in
water, doch wel in sommige andere
vloeistoffen en brandt met donker-
blauwe vlam. Zwavel smelt reeds
1\'ig. 14. Verbranding van
phosphor in eene met zuurstof
gevulde flcsch.
bij 111° tot eene lichtgele, dunne vloei-
stof, die bij verdere verhitting donkerder
van kleur wordt en tevens taaier, zoodat
zij bij circa 250° eene bruinzwarte, bijna vaste massa vormt.
Verhit men deze nog meer, dan wordt zij weer dun vloeibaar,
gaat bij 420° koken en verandert daarbij in een lichtgelen damp,
die tegen de koudere deelen van het vat verdicht wordt tot
zwavelbloem (sublimeeren).
De zwavel komt, gemengd met
steenen, lava en zand, in
vulkanische streken (Sicilië,
Java), in den bodem voor.
Door smelten en\'sublimeeren
wordt zij in zuiveren toestand
er van afgescheiden.
Proef 22. Een stukje zwavel
laat men, op dezelfde wijze
Kraan van Daniëll.
als den phosphor in de vorige
proef, in zuurstof branden. Het brandt daarin met heldere,
lichtblauwe vlam levendig voort, tot alle zuurstof verbruikt is.
Proef 23. Wij laten waterstofgas in zuurstof verbranden.
Hiertoe maken wy gebruik van eene kraan van Daniëll (flg. 15),
om te voorkomen, dat zich een mengsel van beide gassen
-ocr page 25-
19
vormt, dat zeer ontplofbaar is (zie volgende proef). De zuur-
atof wordt uit een gashouder in de binnenste rechte buis aan-
gevoerd; de waterstof uit een anderen gashouder door de wij-
dere buis, die daaromheen zit (flg. 16). De kranen worden
zoo geregeld, dat de vlam zonder gedruisch brandt. De waterstof
brandt nu met kleine, niet-lichtende vlam. Deze geeft verbazend
72
Fig. 16. Wateretof-zuurstofvlam.
veel hitte; een ijzerdraad smelt en verbrandt er in, zelfs pla-
tina smelt. Onsmeltbare stoffen, zooals kalk, worden witgloeiend
en stralen een licht uit, dat veelal in plaats van electrisch licht
gebruikt wordt (Drummond\'s licht).
Proef 24. Zeepbellen, of wel zeepschuim in een bak met zeep-
water, worden met behulp van de kraan van Daniëll gevuld
met een mengsel van waterstof en zuurstof, in dezelfde ver-
houding, waarin het bij de vorige proef verbrand werd. Komt men
nu met eene vlam in de nabijheid er van, dan heeft er eene he-
vige ontploffing plaats. Dit mengsel wordt knal gas genoemd.
Verkalking van metalen en verbranding van allerlei stoffen
zijn verschijnselen, die in zuurstof met bijzondere levendigheid
plaats vinden.
In verband met het vroeger geleerde, komen wU
tot de gevolgtrekking, dat zij hunne oorzaak vinden in de ver-
-ocr page 26-
20
eeniging van zuurstof met andere stoffen. Men zegt, dat deze
stoffen oxydeeren of dat hare oxydatie plaats heeft. De nieuwe
stoffen, die hierbij ontstaan noemt men oxyden of zuurstof-
verbindingen.
(Lavoisier f 1792).
Opmerking. Niet alle stoften kunnen oxydeeren. Bij de edele metalen, kalk, de
meeste gesteenten, keukenzout, soda en talrijke andere stoffen is dit
niet mogelijk. Van andere stoffen oxydeeren, bij verhitting in de lucht,
sommige bestanddeelen, terwijl andere onveranderd blijven. De asch,
die overblijft bij de verbranding van hout, papier, bladeren, beenderen,
enz. zijn de onbrandbare bestanddeelen dezer stoffen, terwijl de oxyden,
die hierbij ontstaan, zich als onzichtbare gassen in de lucht verspreiden.
3. De oxydatie is het eerste voorbeeld, dat wij leeren ken-
nen, van eene scheikundige verbinding. Wij zien
daarbij zoowel de stof, die oxydeert, als de zuurstof verdwijnen,
daarentegen een of meer nieuwe stoffen ontstaan, waarin zoo-
wel de geoxydeerde stof of hare bestanddeelen, als zuurstof
voorkomen. Deze oxyden noemt men scheikundige ver-
bindingen. De bestanddeelen, die er in voorkomen, zijn er
niet in te herkennen. Noch het beste microscoop, noch eenig
ander hulpmiddel stelt ons in staat in kwikoxyde het kwik
of de zuurstof waar te nemen. De vereeniging van de stoffen,
die scheikundig verbonden zijn, is zóó innig, dat zij zelfs in
de kleinste deeltjes der verbinding, die bestaanbaar zijn (de
moleculen), voorkomen. De verbinding is eene nieuwe stof,
met geheel bijzondere eigenschappen, die geheel afwijken van
die der bestanddeelen, welke er in voorkomen.
Opgave. Toon dit met voorbeelden aan.
Nauwkeurige proeven leeren evenwel, dat het gewicht dei-
verbinding gelijk is aan de som van de gewichten der bestand"
deelen, waaruit blijkt, dat er bij eene scheikundige verbinding
geene stof verloren gaat.
Traag. Welk verschil kent gij tusschen eene scheikundige verbinding en een
mengsel van twee stoffen ?
Opmerking. De uitdrukking scheikundige verbinding wordt in tweeërlei beteekenis
gebruikt. Men bedoelt daarmee zoowel de werking zelf als ook
de nieuwe stof, die door de werking ontstaat. Uit dca zin blijkt
meestal gemakkelijk, wat men bedoelt.
-ocr page 27-
21
4. Voor de verbranding eener stof moeten blijkens de ge-
nomen proeven twee omstandigheden samenwerken: 1°. Er
moet eene voldoende hoeveelheid zuurstof aanwezig zijn en
2°. De stof moet minstens tot eene bepaalde temperatuur, de
verbrandingstempera tuur, gebracht worden. Deze
is bij de verschillende stoffen zeer verschillend.
Proef 25. Een stukje phosphor wordt in zwavelkoolstof op-
gelost. Men drenkt een stukje vloeipapier met deze oplossing
en laat dit zonder verwarming opdrogen. Is het geheel droog
geworden, dan gaat de zeer fijn verdeelde phosphor, en daar-
mede het papier, van zelf branden.\'
Phosphor in fijn verdeelden toestand gaat dus reeds bij ge-
wone temperatuur branden; hetzelfde doen zeer fijn ijzerpoeder
en verschillende andere stoffen. Andere stoffen kan men door
eene lucifervlam aansteken, nog andere moeten tot op eene
zeer hooge temperatuur gebracht worden om te kunnen bran-
den, b.v. steenkolen, stukken ijzer, enz. De graad der verdee-
ling der stof is van grooten invloed op de verbrandings*
temperatuur.
Opgaven. Toon dit laatste aan door voorbeelden.
De gewone phosphorlucifers zijn droge houtjes, die men met het eene uiteinde
gedompeld heeft in gesmolten zwavel of vet (parafine) en aan dezelfde zijde voor-
zien zijn van een kopje, waarvan phosphor het hoofdbestanddeel is. Zwavel en
vet hebben veel lagere verbrandiugstemperatuur dan hout. Verklaar het gebruik
dezer lucifers.
/T**^
Proef 26. In een glas met kokend water
brengt men een stukje phosphor, het smelt
en zinkt. Nu blaast men lucht door een
metalen buisje, zoo, dat zij onder water
in aanraking komt met den phosphor.
Iedere luchtbel, die ermede in aanraking
komt, doet eene vlam onder water ontstaan.
Opgave. Verklaar deze proef.
De werking van brandblusehmiddelen berust of op
•de afsluiting van de lucht van het brandende voor-
werp, of op de afkoeling er van tot beneden de ver-
ij randingstemperatuur.
Fig. 17. Verbranding van
phosphor onder warm
water.
-ocr page 28-
22
Vragen. Welke middelen, om een brandend voorwerp uit te dooven, kent gij ?
Verklaar hunne werking.
Waarom kan eene kleine vlam worden uitgeblazen, terwijl eene grootere
door blazen wordt aangewakkerd?
Hoe verklaart gij, dat een schoorsteenbrand onmiddellijk kan worden
gebluscht, a) door de bovenste opening van den schoorsteen dicht te
stoppen, b) door zwavel in de brandende kachel te brengen, c) door een
pistool (met los kruit geladen) in den schoorsteen af te schieten?
§ 3. Verschijnselen, die met de verbranding gepaard gaan.
1.    De verbranding eener stof gaat steeds gepaard met
warmte-ontwikkeling. Men maakt hiervan gebruik
tot het voortbrengen van kunstmatige warmte.
Het is bekend, dat gelijke hoeveelheden van verschillende
stoffen niet evenveel warmte voortbrengen bij hare verbranding.
De verbrandingswarmte eener stof is de hoeveelheid
warmte, die ontwikkeld wordt bij de verbranding van 1 KG.
der stof. (Zie Horn en de Gast, Natuurkunde I, § 35). Bij waterstof
is zij het grootst (34000 cal.), bij steenkolen en houtskool ook
zeer groot (6000—8000 cal.). Zij is geringer bij zwavel (2200
cal.), ijzer (1500 cal.) en koper (600 cal.), nog geringer bij lood
en kwik.
2.  Gewoonlijk worden bij verbranding v uurverschijnse»
1 e n waargenomen. Zij danken hun ontstaan aan de verbran-
dingswarmte, daar deze zoowel de brandende stof zelf, als ook
de oxyden, die gevormd worden, in gloeienden toestand brengt.
Eene vlam bestaat uit gas- of dampvormige stoffen, die in
gloeienden toestand verkeeren. Sommige stoffen, als sterk uit-
gegloeide houtskool, diamant en ijzer verbranden zonder vlam.
In eene kaarsvlam zijn drie deelen te onderscheiden (fig. 18). De donkere in-
wendige kern a bestaat uit dampen, die ontstaan zijn door de verhitting van het
vet. Brengt men er snel een luciferskopje in, dan zal dit niet branden; een platina-
draadje wordt in dit deel der vlam niet gloeiend. Om deze kern bevindt zich
een lichtende mantel e, f, g. Hierin heerscht eene veel hoogere temperatuur, de
dampen verkeeren hier in gloeienden toestand. Aan den buitenkant er van heeft
de volledige verbranding der dampen plaats; daar is de vlam het heetst. Om dezen
lichtenden mantel bevindt zich nog een niet-lichtende, donkerblauwe mantel b, c, d,
-ocr page 29-
•23
bestaande uit de verbrandingsproducten in gloeienden toestand.
De gasvlam heeft dezelfde samenstelling.
Komen er vaste deeltjes of dampen van groot soortelijk gewicht in
de vlam voor, dan is ze lichtend ; in het tegenovergestelde geval in
den regel weinig of niet. De lichtsterkte eener vlam wordt grooter zoo
hare temperatuur hooger wordt. Te groote toevoer van lucht werkt
afkoelend en vermindert dus de lichtsterkte der vlam. Evenzoo te
geringe toevoer van lucht, daar hierdoor de verbranding niet
volledig kan plaats hebben en walm ontstaat. Voorafgaande ver-
hitting van het te branden gas en vau de lucht, die voor de
verbranding moet dienen, verhoogt de temperatuur der vlam en
bevordert dus hare lichtsterkte. (Siemensche gasbranders, Wenhaui-
lampen). Wordt lichtgas met eene voldoende hoeveelheid lucht
vermengd vóór.men het doet branden, dan is de vlam niet lichtend,
doch heeft eene veel hoogei\'e temperatuur (Bunsensche branders).
Kg. 18.
Kaarsvlam.
§ 4. Langzame oxydatie.
1. Proef 27. Plaats een stukje phosphor op een standaardje
van draad, dat in een bakje met water staat, en daar over-
heen een omgekeerden glazen cylinder, die met lucht ge-
vuld, doch door het water van de buitenlucht is afgesloten
(in flg. 19 is, in plaats van een cylinder,
eene buis geteekend, die aan ééne zijde ge-
sloten is). Een zware nevel daalt van den
phosphor naar beneden en lost in het water
op; langzamerhand vermindert de phosphor
en stijgt het water in den cylinder omhoog.
Wanneer dit ophoudt, is ^ der lucht uit den
cylinder verdwenen. Het gas, dat er in over-
I blijft, is stikstof.
Hier heeft dus langzame oxydatie
Fig. 19. Langzame van phosphor plaats gehad, die niet met
verbranding van vuurverschijnselen gepaard ging.
Vraag. Heeft zich hierbij een oxyde gevormd? Zoo ja, waar is het gebleven?
Uit deze proef leiden wij af, dat de lucht is samengesteld uit \'/5 zuurstof en
Vs stikstof (naar het volume gemeten). Andere bestanddeelen, die er in betrek-
keiijk zeer geringe hoeveelheden in voorkomen, bespreken wij later.
-ocr page 30-
24
Dat langzame oxydatie ook met warmte-ontwikkeling gepaard
gaat, blijkt uit het feit, dat kleine stukjes phosphor, die men
op elkander gestapeld in de lucht laat liggen, na eenigen tijd
smelten en eindelijk van zelf in brand geraken (zelfver-
branding).
Opmerking. Het is nu duidelijk, waarom phosphor onder water moet bewaard
worden. Het lichten van phosphor in \'t donker moet aan zijne
langzame oxydatie worden toegeschreven.
Bij alle brandbare stoffen doet zich het verschijnsel der lang-
zame oxydatie of langzame verbranding in meerdere of mindere
mate voor. Door vocht en warmte wordt het zeer bevorderd.
Gevolgen er van zijn: het dof worden en roesten der metalen,
het verweeren van hout, stroo, papier, mest, bladeren, katoen,
linnen, touw, enz., het verminderen van de hoeveelheid steen-
kolen, die in de open lucht bewaard worden. Veelal is van de
warmte-ontwikkeling, die hierbij plaats heeft, niets te merken,
omdat zij zeer langzaam ontstaat en even snel door geleiding
en uitstraling weer verloren gaat. In daarvoor gunstige om-
standigheden hoopt zij zich evenwel op en de temperatuur
stijgt aanmerkelijk, b. v. in het inwendige van een hoop mest,
vochtig hooi, run, enz.; men zegt dan, dat deze stoffen broeien.
Stijgt hierbij de temperatuur tot de verbrandingstemperatuur
bereikt is en heeft de lucht vrijen toegang, dan geeft het
broeien aanleiding tot zelfverbranding (vochtig hooi, poetslappen
in fabrieken, steenkolen in schepen, enz.).
Opgaven. Verklaar het nut van: het verven, vernissen, teeren, wassen van hout;
het drenken van zeilen en touwwerk met pek of teer; het bedekken van
ijzer met menie, zink (galvaniseeren), tin en nikkel; het vergulden of
verzilveren van niet-edele metalen.
Verklaar, dat heipalen zich in een moerassigen bodem onbepaalden tijd
goed houden, terwijl zij boven den grond spoedig zouden vergaan.
De ademhaling van alle levende wezens bestaat in het opnemen van
zuurstof, die gebruikt wordt voor de langzame verbranding der bestanddeelen van
de weefsels, waaruit het lichaam is opgebouwd. Deze langzame verbranding is
hoofdoorzaak van de stofwisseling, tevens de bron van het a r b e i d s-
vermogen, dat noodig is voor het volbrengen der levensverrichtingen en van
-ocr page 31-
25
de lic h aamswarm te. I)e verbrandingsproducten, die hierbij ontstaan, worden
door de excretieorganen uit het lichaam uitgescheiden.
§ 5. Oxyden.
1. De oxyden van ijzer, koper, zink, lood en magnesium
zijn vaste stoffen; de meesten zijn moeilijk smeltbaar en niet
vluchtig.
Proef 28. Zinkoxyde wordt met zuiver (gedistilleerd) water
omgeroerd en daarmee verwarmd. Wij scheiden nu de vloeistof
door filtreeren van de vaste stof af en laten er een weinig
van verdampen op een platina-schaaltje. Er blijft niets op
het schaaltje over, dus ia het zinkoxyde niet oplosbaar in
water.
Behandelen wij de andere genoemde metaaloxyden evenzoo,
dan komen wij tot dezelfde uitkomst.
Kalium is een zilverwit metaal met sterken glans; het
is bij gewone temperatuur week en kneedbaar als was, smelt-
punt 62.5°, S. G. 0.865. Het metaal wordt onder petroleum
bewaard; in de lucht zou het zeer snel oxydeeren. \'*
Proef 29. Een stukje kalium wordt op een vlak porseleinen
schaaltje verhit. Het smelt spoedig, bedekt zich met eene
witte korst en gaat eindelijk met heldere vlam branden.
Hierbij ontstaat eene geelachtig witte stof, die gedeeltelijk als
zware rook ontsnapt; dit is kaliumoxyde. Brengen wij,
na afkoeling, een weinig water met het kaliumoxyde, dat op
het schaaltje overbleef, in aanraking, dan lost het daarin
met warmte-ontwikkeling op. De oplossing heeft een sterk
loogachtigen smaak. Rood lakmoespapier 1) wordt er oogen-
blikkelijk blauw door gekleurd.
Natrium is een metaal, dat veel op kalium gelijkt. Het is iets
harder, smeltpunt 95.6°, S. G. 0.972. Het oxydeert bijna even
1) Lakmoes is eene verfstof, die uit korstmossen, in \'t zuiden van Frankrijk
voorkomend, verkregen wordt. Het komt als kleine, vierkante, blauwgekleurde blokjes
in den handel. Een aftreksel er van met water kleurt filtreerpapier blauw (blauw
lakmoespapier); giet men er een weinig zoutzuur in, dan wordt de kleur rood.
-ocr page 32-
20
gemakkelijk als kalium. Natriumoxyde heeft dezelfde eigen-
schappen, die wij bij kaliumoxyde opmerkten.
Calcium is een geelachtig metaal, S. Gr. 1.55; het smelt bij
rood-gloeihitte en verbrandt dan in de lucht met sterk licht.
Kalk is het oxyde van calcium.
Proef\' 30. Op een stuk kalk gieten wij zooveel water als er
door opgezogen kan worden. Na korten tijd valt het als een
fijn poeder uit elkander, waarbij zich veel warmte ontwikkelt.
Dit poeder lost in water slechts weinig op. De oplossing
(kalk wat er) kleurt rood lakmoes blauw en heeft een zwak-
ken, loogachtigen smaak.
2. Wij zullen nu het onderzoek naar de eigenschappen der
oxyden ook uitstrekken over die van niet-metallische stoffen.
Proef 31. In eene wijde glazen buis plaatst men een klein,
Fig. 20. Bereiding van zwaveloxyde.
langwerpig, porseleinen schaaltje (schuitje) met brandende stuk-
jes zwavel. Door de buis leidt men een zwakken stroom van
zuurstof en het gasvormige zwaveloxyde, dat ontstaat, leidt
men in een open cylinder. Daar het gas een groot S. G. heeft
-ocr page 33-
27
(2.2), zal het zich slechts langzaam in de lucht verspreiden.
Het is kleurloos en bezit een zuurachtigen, sterk prikkelen*
den reuk en smaak. Een brandend
stukje hout dooft er onmiddellijk in
uit, het onderhoudt dus de verbran-
dingniet. Ook is het onbrandbaar. Is al
de lucht door het zwaveloxyde uit den
cylinder verdrongen, dan sluit men
hem met eene stop dicht, plaatst hem
het onderste boven in een bak met
water en opent hem nu (fig, 21). Het
water stijgt er snel in omhoog en
Fig. 21. Absorbtie van
zwaveloxyde door water.
vult na eenigen tijd den cylinder bijna
geheel. De oplossing van het gas
heeft denzelfden reuk en smaak als het gas zelf, zij kleurt
blauw lakmoes rood.
Fraai/. Zou men dit gas op de gewone wijze boven water kunnen opvangen?
Proef 32. Wij brengen eenige stuk-
jes brandende zwavel onder eene
glazen klok, waaronder zich tevens
verschillend gekleurde bloemen be-
vinden. Door den invloed van het
zwaveloxyde verbleeken de kleuren
der bloemen zeer snel.
Zwaveloxyde wordt als bleekmiddel voor wol,
zijde en stroo veel gebruikt; liet heeft ook de
eigenschap gistplanten en hare kiemen te dooden
en wordt daaromygebruikt voor het z w a v el e n
Fig. 22. Bleekende werking van
zwaveloxyde.
van bier- en wijnvaten om de verdere gisting
dier dranken te voorkomen.
Proef 38. Een stuk phosphor wordt onder eene ruime, droge
glazen klok, die met de opening op eene glasplaat staat, ver-
brand. Wij verkrijgen zoodoende eene aanmerkelijke hoeveelheid
phosphoroxyde in den vorm van een wit, sneeuwachtig poeder.
Brengen wij bij dit poeder een weinig water, dan lost het
daarin met warmte-ontwikkeling op, die ook merkbaar is aan het
-ocr page 34-
28
sissend geluid, dat hierbij ontstaat. De oplossing is sterk zuur
en kleurt blauw lakmoes rood.
Phosphoroxyde 19 zeer hygroscopisch en lost op in het water, dat het
met groote kracht aantrekt; men zegt: het vervloeit. Het wordt gebruikt
ala droogmiddel voor gassen.
Indien hout bij afsluiting der lucht sterk verhit wordt,
ontwikkelt zich een dikke rook, uit brandbare dampen bestaande,
en ten slotte blijft er eene zwarte, zeer poreuze stof over,
houtskool genaamd.
Vorming van houtskool in bakkersoven3. Bereiding in het groot in de kolen-
branderijen in bosschen. De stukken hout worden tot groote kegelvormige stapeU
opgehoopt zoo, dat er cenige kanalen voor den aanvoer van lucht en den afvoer
van de dampen in aanwezig zijn. Het geheel wordt met aarde bedekt en dan aan-
gestoken. Een gedeelte van het hout verbrandt; het grootste gedeelte wordt door
de hierbij ontwikkelde hitte verkoold. Suikerkool en beendereukool worden ver-
kregen door verhitting van suiker of beenderen, bij afsluiting der lucht.
Fig. 23. Kolcnbranderij.
Proef 34. In eene glazen buis worden stukjes houtskool sterk
verhit en dan zuurstof er doorheen geleid, waardoor de houtskool
gaat branden. Het gas, dat zich hierbij vormt, leiden wij in een
open glazen cylinder (fig. 2^), waarin het zich laat verzamelen,
omdat het een grooter S. G. heeft dan lucht (1.52). Brengen wij
een brandend stukje hout in een met dit kleurlooze gas gevul-
den cylinder, dan dooft het onmiddellijk uit; het gas, dat zelf
onbrandbaar is, onderhoudt de verbranding niet. Dit wordt
nader bevestigd door in een wijden cylinder vier brandende
-ocr page 35-
Fig. 24. Bereiding van koolzuurgas.
kaarsjes op verschillende hoogte te plaatsen en de aanvoerbuis
van het gas tot aan den bodem te doen reiken (fig. 24). De
kaarsjes dooven van onderen naar boven achtereenvolgens uit.
Wij kunnen het gas uit een cylinder in een anderen overgieten
en zoodoende een kaarsje uitdooven, dat hierin brandt, waaruit
blijkt, dat het gas een groot soortelijk gewicht heeft (fig. 25).
Wij vullen een cylinder met dit
gas, gieten er een weinig water
in, schudden hem na sluiting flink
en openen hem daarna onder wa-
ter. Het water stijgt er dan in
omhoog; een bewijs, dat het gas
zeer oplosbaar is in water.
Spuitwater is water, waarin dit gas onder
sterken druk is opgelost.
De oplossing in water is zuur*
achtig van smaak en kleurt blauw
lakmoes rood. Het gas WOrdt Fis;. 25. Groot S.G. van koolzuurgas.
-ocr page 36-
30
koolzuur genoemd. "Wordt koolzuur in kalkwater geleid,
dan wordt dit melkachtig troebel, tengevolge van het ont-
ataan eener fijne, witte, poedervormige stof.
Vraag. Hebben wij dit gas reeds bij eene der vroeger genomen proeven ontmoet V
Koolzuur is een standvastig bestanddeel van den atmospheer (3—4 liter op
10000 L lucht). Het komt in vele minerale wateren in grootc hoeveelheid in
opgelostcn toestand voor (Selterswater, Apolinariswater, enz.) en stijgt op vele
plaatsen uit den bodem op (Hondsgrot bij Napels, Doodendal op Java).
Indien diamant in zuurstof verbrand wordt, vormt zich
hetzelfde gas, evenzoo bij de verbranding van g r a p h i e t of
potlood. Beide stoffen zijn bijna zuivere koolstof, die ook
het hoofdbestanddeel vormt van houtskool, beenderenkool,
steenkolen, bruinkool, turf, enz.
De asch, die bij de verbranding dezer stoffen overblijft, bestaat uit bestand"
dcelen van den bodem, die door de wortels der planten daaruit worden opgenomen
en die voor de voeding van planten en dieren onmisbaar zijn; ze zijn onbrandbaar.
Houtskool en beenderenkool zijn zeer poreus en hebben het vermogen vele gassen,
in het water opgeloste kleurstoffen en sommige andere stoffen te absorbeeren. Zij
worden gebruikt om slecht water drinkbaar te maken (filtreertoestellen) en om
gekleurden suiker en andere stoffen te zuiveren.
De retortenkool, die zich tegen de wanden der retorten in gasfabrieken afzet, is
bijna zuivere koolstof, zeer hard, de warmte en electriciteit goed geleidend; zij
wordt veel gebruikt in electrische toestellen.
Koolzuurgas is het oxyde van koolstof.
Arsenik is eene donkerblauwachtige, grijze, kristallijne
stof, die op sommige plaatsen in den bodem voorkomt; zij is
zeer broos en heeft een metaalachtigen glans. S. G. 5.9. Arse-
nik is zeer vergiftig.
Proef 35. In een reageerbuisje (fig. 26) wordt een stukje
arsenik verhit; het vervluchtigt zonder te smelten. De damp,
die een knoflookachtigen reuk heeft, condenseert tegen de
koudere deelen van het glas, waar zich een zoogenaamde
arsenikspiegel vormt.
Arsenik is gemakkelijk brandbaar. Het oxyde, er van
is een wit poeder, dat zeer vergiftig is en algemeen bekend
is onder den naam rattenkruit. Het laat zich goed subli-
-ocr page 37-
31
meeren en is slechts weinig
oplosbaar in water; de op-
lossing kleurt blauw lak-
moes zwak rood.
Zand, kwarts en
v uursteen hebben de-
zelfde samenstelling. Het
zijn verschillende vormen
van siliciumoxyde.
Silicium is eene niet-
metallische stof, die moei-
lijk te bereiden is; het is
brandbaar; zijn oxyde is
onoplosbaar in water.
3. Overzicht van de
eigenschappen der oxyden.
,; Oxyden van
Zink, ijzer, koper,
Fig. 26. Arsenikspiegcl.
onoplosbaar in water
id.
oplosbaar in water
geene werking op lakm.
id.
kleuren rood lakm blauw
lood, kwik,
Magnesium
Kalium, natrium,
calcium
Waterstof
Zwavel, phosphor,
koolstof, arsenik
Silicium
geene werking op lakm.
oplosbaar in water
onoplosbaar in water
kleuren blauw lakm rood
geene werking op lakm.
§ 6. Sulfiden.
1. Kunnen de stoffen, die wij leerden kennen, zich ook met
andere stoffen dan zuurstof, b.v. met zwavel, verbinden?
Proef 36. Wij verhitten zwavel in een glazen kolfje, waar-
van wij den hals hebben doen afspringen. Zoodra de zwavel
kookt en het glas zich met zwaveldamp gevuld heeft, laten
•wij er kopervylsel in vallen. De koperdeeltjes verbinden zich
onmiddellijk onder het vallen met den zwaveldamp, wat met
vuurverschijnselen gepaard gaat en waarbij eene blauwachtig"
-ocr page 38-
32
zwarte, doffe stof ontstaat. Dit is de scheikundige verbinding
van koper met zwavel of kopersulfide.
Proef 37. Wij herhalen dezelfde proef met kleine stukjes tin,
doch nemen een reageerbuisje, waarin we de zwavel verhitten
(flg. 28). Ook hier heeft na eenigen tijd de verbinding van het me-
JhO
I
01034729
Fig. 27. Vorming van kopersulfide.            Fig. 28. Vorming van tinsulfide.
taal en de zwavel plaats met ontwikkeling van veel warmte, die
vuurverschijnselen en de smelting van het tinsulfide veroorzaakt.
Proef 38. Nogmaals wordt de proef in een reageerbuisje
herhaald met fijn ijzerpoeder. Dit valt, terwijl het in ijzer-
sulfide verandert, als een vuurregen naar beneden.
Grover ijzervijlsel zou onveranderd blijven, doch verbindt zich
ook met zwavel, zoo men het daarmede vermengt en het meng-
sel in een gesloten kroes tot gloeihitte brengt. -\'-
Proef 39. In eene glazen kolf, waarvan men den hals heeft
afgenomen, wordt zwavel tot koken gebracht, totdat de kolf
geheel met damp gevuld is. Een stuk brandend magnesium-
band wordt er nu ingedompeld. Het blijft in den zwaveldamp
schijnbaar voortbranden. -v^\'
                                        u-.
Traag. Waarom spreken wij kier van schijnbaar branden?
Proef 40. Dezelfde proef wordt herhaald, doch in plaats van
het magnesiumband nemen wij een stukje brandend natrium
-ocr page 39-
33
op een ijzeren lepeltje (flg. 29). Ook het natrium blijft schijn-
baar voortbranden.
Proef 41. Kwik wordt met zwavel in een vijzeltje geruimen
tijd samengewreven. Het metaal verdwijnt meer en meer en er
vormt zich eene zwarte stof (kwiksulflde). Bij hoogere tempera-
tuur verbindt kwik zich onder vuurverschijnselen met zwavel.
Kwiksulfide verandert door sublimeeren in
een blauwachtig-zwart, glanzend poeder, dat
fijn gewreven rood ia (c i n a b c r).
Proef 42. Eene blanke zilveren
munt wordt een oogenblik in zwa-
veldamp gehouden, zij bedekt zich
met eene doffe, zwarte stof (zilver-
sulfide). • •
Uit deze proeven blijkt, dat de.
meeste metalen zich op dezelfde wijze
met zwavel kunnen verbinden als
mét zuurstof.
Die, welke zich zeer
gemakkelijk met zuurstof ver-
binden, gaan soms moeilijk eene
verbinding aan met zwavel en
Kg. 29. Vorming van natriumsulfide.
omgekeerd.
Opgave. Geef hiervan voorbeelden.
De verbindingen, die hierbij ontstaan, noemt men sulfiden.
2. Zwavel kan zich ook met niet-metallische stoffen verbinden.
Proef 48. Eene porseleinen buis, die met stukjes houtskool ge-
vuld is, wordt in een oven tot gloeihitte gebracht. Wanneer geene
vluchtige bestanddeelen van het hout, die veelal nog in
houtskool aanwezig zijn, meer ontsnappen, stoppen wij eenige
stukken zwavel aan het eene uiteinde in de buis en sluiten
dit met eene kurk dicht (flg. 30). Nu komt zwaveldamp in aan-
raking met de gloeiende koolstof en verbindt zich daarmede
tot een damp, die gedeeltelijk in den glazen ontvanger, ge-
deeltelijk in een cylinder, die een weinig water bevat en in
koud water staat, condenseert tot eene zware olieachtige
vloeistof (S. G. 1.27), die onoplosbaar is in water. In zuiveren
Hom. Scheikunde.                                                                                     3
-ocr page 40-
31
toestand is koolstofsulfide of zwavelkoolstof
eene kleurlooze, sterk lichtbrekende vloeistof met onaangena-
men reuk. Zij kookt reeds bij 48° en is, evenals haar damp,
licht brandbaar. Zwavel, vet, phosphor en caoutchouc lossen
er gemakkelijk in op.
Deze eigenschap wordt ia het groot toegepast om vet uit schapenwol en andere
stoffen te trekken, bij het vulkanisceren van caoutchouc (d. i. vermengen met
zwavel, waardoor het bij gewone temperatuur zacht en buigzaam wordt), enz. Door
distillatie verkrijgt men de gebruikte zwavelkoolstof weer grootcndeels terug.
Fig. 30. Bereiding van koolstofsulfide.
Zwavel verbindt zich ook zeer gemakkelijk met phosphor en
arsenik. Met waterstof verbindt zij zich slechts langzaam bij
hooge temperatuur; met stikstof niet.
3. De volgende proeven stellen ons in staat de eigenschap-
pen der sulfiden te vergelijken met die der oxyden.
Proef 44. Wij brengen fijn gestooten kopersulfide in gedistil-
leerd water, roeren het daarin om, verwarmen het water en
filtreeren dan. In het Altraat (d. i. de heldere vloeistof, die
door het flltreerpapier geloopen is) is niets opgelost.
Vraag, Hoe ouderzoekt men dit?
De sulfiden van alle behandelde metalen, behalve die van
kalium, natrium en calcium, zijn onoplosbaar in water en ko-
men veelal, gekristalliseerd, als mineralen in de natuur voor.
-ocr page 41-
35
Proef 45. Kaliumsulfide wordt in water opgelost. De oplos-
sing kleurt rood lakmoes blauw.
Hetzelfde is het geval bij de sulfiden van natrium en calcium.
De sulfiden van phosphor en arsenik zijn, evenals koolstof-
sulfide, onoplosbaar in water.
Wa t er s t o f su lf id e is een kleurloos gas met zeer on-
aangenamen reuk (naar rotte eieren). In eenigszins groote
hoeveelheid ingeademd, werkt het als vergif; kleine dieren kun-
nen er slechts zeer weinig van verdragen. Het is oplosbaar in
water. De oplossing heeft den reuk en den smaak van het gas
(zwavelbronnen in Aken) en kleurt blauw lakmoes zwak rood.
Het gas is brandbaar met donkerblauwe vlam.
Opgave. Vergelijk de eigenschappen der oxydcn met die der sulfiden.
V /
§ 7. Chloor en Chloriden.
1 Chloor is een groen -geel gas, dat in de natuur niet vrij
voorkomt. Men bereidt het door zoutzuur met stukjes bruinsteen
te verhitten en daar het soortelijk zwaarder is dan lucht (S. G. 2,46),
Fig 81. Bereiding van chloor.
(Tiet gas wordt gedroogd door het door zwavelzuur te leiden).
-ocr page 42-
36
kan het in een open cylinder of flesch worden opgevangen
(flg. 31). Het bezit een onaangenamen, zeer prikkelenden reuk.
De inademing van geringe hoeveelheden veroorzaakt reeds
hoesten, grootere hoeveelheden zijn doodelijk. Chloor is zeer
oplosbaar in water. De oplossing in water (chloorwater) bezit
de kleur en den reuk van het gas en wordt veel in plaats
daarvan gebruikt. Zij wordt bereid op de wijze als in flg. 32
is afgebeeld.
Fig. 32. Bereiding van chloorwater.
Proef 46. In eene met chloor gevulde flesch brengt men
onecht bladgoud (koper en zink) en onecht bladzilver (bladtin).
Men ziet het eerste onmiddellijk, het laatste na korten tijd
vlam vatten en in rook overgaan. -\'
Antimoon is eene zilverwitte, metaalachtige stof, kristallijn,
broos en vluchtig. De damp condenseert, evenals die van
arsenik, als een spiegel op glas.
Proef 47. "Wy laten antimoonpoeder in eene flesch vallen,
die met chloor gevuld is. Het valt er als een dichte vuur-
regen in neer en verandert daarbij in een dichten, witten rook,
die zeer vergiftig is.
-ocr page 43-
37
Proef 48. Een brandend eindje kaars brengen wij in eene
met chloor gevulde flesch. Het blijft daarin schijnbaar voort-
branden, doch met kleine, roodachtige vlam en dichten walm.
Proef 49. In eene flesch, die met chloor gevuld is, brengen
wij gekleurde bloemen, met water bevochtigde lapjes bedrukte
katoen en stukjes bedrukt papier. Alle kleurstoffen verdwijnen
zeer snel, behalve de drukinkt (die zijne zwarte kleur aan
koolstof dankt). Chloor is dus een uitstekend bleekmiddel, en
wordt als zoodanig veel gebruikt. Het tast evenwel de te
bleeken stoffen zelf ook sterk aan; wol en zijde zelfs zoo, dat
ze geheel bedorven worden. (Gebruik voor het bleeken van
katoen, linnen en papier, zie § 31,3).
2. Uit de genomen proeven blijkt duidelijk, dat chloor zich
met vele stoffen zeer gemakkelijk verbindt,
doch ook, dat het
zich noch met zuurstof en stikstof, noch met koolstof kan
verbinden. Dit laatste blijkt uit het onveranderd blijven der
drukinkt en het sterk walmen der brandende kaars in chloor.
De verbindingen van chloor noemt men chloriden. Wij zullen
de eigenschappen der chloriden van de vroeger behandelde
stoffen nu onderzoeken.
Proef 50. Dun ijzerdraad wordt in eene glazen buis sterk
Fig. 33. Bereiding van ijzercUloride.
verhit, daarna leidt men chloor door de buis (fig. 33). Het
chloor verbindt zich met het ijzer, waarbij dit laatste hevig
gaat gloeien. Er ontstaat een donkere damp, die tegen het
-ocr page 44-
38
koudere gedeelte van de buis tot donkere, glanzende kristallen
condenseert. Het ij z e r c h 1 o r i d e, dat op deze wijze ver-
kregen is, lost gemakkelijk op in water. De oplossing kleurt
blauw lakmoes rood. \'\'\' •\'\',/>..
De chloriden van koper, zink, tin en lood kunnen op dezelfde
wijze verkregen worden. Die van kwik en zilver ontstaan
zelfs reeds bij gewone temperatuur. Het zijn vaste stoffen of
vloeistoffen, alle min of meer vluchtig en meestal gemakkelijk
oplosbaar in water (loodchloride is in koud water weinig, in warm
water goed oplosbaar; kwik- en zilverchloride zijn onoplosbaar).
De oplossingen dezer chloriden kleuren blauw lakmoes rood.
Proef 51. Brengt men een brandend stuk magnesiumband
in eene flesch met chloor, dan verbindt het zich met eene
sterk lichtende vlam daarmede (het brandt schijnbaar zeer
levendig voort). Het magnesiumchloride is eene vaste, vluch-
tige, witte stof, gemakkelijk oplosbaar in water en zelfs liy-
groscopiach. De oplossing oefent geene werking op lakmoes
uit; zij smaakt zoutachtig bitter.
Proef 52. Laat men een stukje natrium op een ijzeren lepeltje
branden en brengt men het dan in eene flesch met chloor, dan
brandt het daarin schijnbaar met groote levendigheid voort.
Er vormt zich wit natriumchloride.
Proef 53. Wij brengen dunne schijfjes natrium in eene flesch
met chloor en sluiten ze dan dicht. Het metaal bedekt zich
onmiddellijk met eene dikke, witte korst. Na eenigen tijd zal
al het chloor uit de flesch door het natrium geabsorbeerd zijn.
De flesch is dan luchtledig. Het natriumchloride, daU"
wij zoodoende verkregen, lossen wij op in water en vinden,
dat de oplossing geene werking uitoefent op lakmoes en den
smaak heeft van keukenzout. Nader onderzoek leert, dat het
werkelijk gewoon keukenzout is.
Kaliumchloride wordt op dezelfde wijze verkregen; het heeft
dezelfde eigenschappen, doch een bitteren smaak. Calcium-
chloride is zeer hygroscopisch en oefent evenmin werking uit
op lakmoes (gebruik als droogmiddel voor gassen).
3. Proef 54. Wij laten waterstof door eene aan het uit-
-ocr page 45-
39
einde omgebogen buis met fijne opening uitstroomen, steken
het aan en brengen de buis nu in eene flesch met chloor
(fig. 34). Het gas blijft daarin schijnbaar voortbranden met
helderblauwe vlam.
Zoodra de kleur van
het chloorgas in de
flesch bijna verdwenen
is, wordt de buis er
uitgenomen en de
tlesch snel gesloten.
Zij is nu gevuld met
waterstofchloride,
een kleurloos gas. Ope-
nen wij nu de flesch
onder water, dan
dringt het water er
met kracht in om-
hoog, tot de flesch voor
Fig. \'ü. Verbranding van waterstof in cloor.
een groot deel daar»
mee gevuld is. Hieruit blijkt, dat waterstofchloride zeer oplosbaar
is in water (bij 10" absorbeert 1 L water 460 L van dit gas).
De oplossing heeft een sterk zuren smaak en kleurt blauw lak-
moes rood; zij is bekend onder den naam van zoutzuur.
Een mengsel van gelijke volumen waterstof en chloor ont-
ploft, aangestoken, nog heviger dan knalgas. Een zonnestraal
is zelfs voldoende om de ontploffing te weeg te brengen. In
diffuus licht verbinden deze gassen zich langzaam met elkander.
De chloriden van zwavel, phosphor en kiezel ontstaan ge-
makkelijk. Het zijn licht verdampende vloeistoffen, die niet
oplosbaar zijn in water.
§ 8. Oxyden, sulfiden en chloriden.
1. Zoo wij de oxyden, sulfiden en chloriden met elkander
vergelijken, merken wij op, dat er daaronder vele voorkomen,
die niet oplosbaar zijn in water en die dan ook geene werking
-ocr page 46-
40
op lakmoes uitoefenen. (Wij duiden ze in het onderstaande
overzicht aan door N.0.) De oplosbare kunnen wij onderschei-
den in drie groepen: le Die, welke een loogachtigen smaak
hebben en rood lakmoes blauw kleuren. Men zegt, dat ze eene
basische reactie hebben of basisch re ageer en.
(Wij duiden ze in het overzicht aan door O.B.) 2e Die, welke
een zuurachtigen smaak hebben en blauw lakmoes rood kleu-
ren. Deze hebben eene zure reactie of reageerenzuur.
(Wij duiden ze in het overzicht aan door O.Z.) 3° Die, welke
geene werking op het lakmoes hebben en een zout- of bitter-
achtigen smaak bezitten. Dit zijn indifferente verbindin-
gen. (Wij duiden ze in het overzicht aan door O.I.)
Overzicht van de reactie der oxyden, sulfiden en chloriden.
OXYDEN
SULFIDEN
CHLORIDEN
A. Metalen.
O.Z.
(van lood, zil-
ver, kwikN.0.)
1. IJzer, koper, zink, tin, 1
lood, zilver, kwik )
N.0.
N.0.
2. Magnesium
N.0.
N.0.
O.I.
3. Kalium, natrium, cal-")
cium )
O.B.
O.B.
O.I.
B. Niet-Metalen.
Waterstof
I.
O.Z.
o.z.
Chloor, zwavel, phosphor, ]
O.Z.
N.0.
N 0
arsenik, koolstof, silicium )
(van Silicium
N.0.)
2. Uit dit overzicht blijkt, dat er verschil bestaat tusschen
de verbindingen der metalen en die der niet-metalen. Terwijl de
oxyden en sulfiden van de eerste, die in water oplosbaar zijn, eene
basische reactie bezitten, reageeren de oplossingen van die der
laatste zuur (waterstofoxyde uitgezonderd). De chloriden dei-
metalen daarentegen oefenen eene zwak-zure of indifferente
reactie uit (behalve de niet-oplosbare), die der niet-metalen zijn
-ocr page 47-
41
onoplosbaar in water, behalve waterstofchloride, dat sterk
zuur is.
Bij de metalen onderscheiden kalium, natrium en calcium zich
van de andere, behalve door gering S. G. en de gemakkelijkheid,
v/aarmede zij oxydeeren, door de oplosbaarheid der oxyden en sul-
fiden. Magnesium onderscheidt zich van de in de eerste groep ge-
noemde metalen, behalve door gering S. G., door de indifferente
reactie van het chloride. De metalen, die wij tot de eerste groep
gebracht hebben, zijn de zware metalen. De overige zijn
lichte metalen, die wij voorloopig tot twee groepen kun-
nen brengen.
3. Bij onze proeven is genoegzaam gebleken, dat de meeste
opmerkingen, die wij gemaakt hebben omtrent het ontstaan
der oxyden, ook gelden voor de sulfiden en chloriden. Zoo is het
noodig, dat eene stof tot eene bepaalde temperatuur gebracht
wordt, opdat zij zich met zwavel of chloor kunne verbinden. Men
noemt deze temperatuur de ver bindingstempera tuur
dier stoffen. De verbinding gaat ook gepaard met warmte-
ontwikkeling, die, indien ze aanzienlijk genoeg is, oorzaak is
van vuurverschijnselen en soms eene vlam doet ontstaan. Men
noemt de warmte, die hierbij ontstaat, de verbindings-
warmte dier stoffen; zij is bij verschillende stoffen zeer ver-
schillend. De verbindingen kunnen snel ontstaan met vuur-
verschijnselen of wel langzaam; evenals bij de verbranding
hangt dit af van de temperatuur en dikwijls van den graad
van verdeeling.
Opgave. Verklaar, dat het in vele gevallen voldoeude is om een zeer klein deel
der stof te brengen tot de verbindingsteniperatuur, om te bewerken, dat
zij, in eene voldoende hoeveelheid zuurstof, zwaveldamp of chloor gebracht,
daarin blijft doorbranden (of schijnbaar doorbranden). Wanneer zal die
stof er niet in blijven doorbranden?
-ocr page 48-
42
HOOFDSTUK II.
Scheikundige ontleding. Elementen.
§ 9. Ontleding iloor warmte. Affiniteit.
1.    In proef 19 zagen wij, hoe door sterke verhitting van
kwikoxyde, deze verbinding weer gesplitst kan worden in de
beide bestanddeelen, waaruit ze is samengesteld. Deze schei-
kundige werking of reactie, die het tegengestelde is van eene
scheikundige verbinding, noemt men ontleding of analyse. Tal-
rijke verbindingen kunnen door warmte ontleed worden, zoo bijv.
alle stoffen, waaruit het lichaam van planten en dieren is
samengesteld (zie Hoofdst. I § 5) en die bij verhitting ver-
kolen.\' Ook enkele andere oxyden, sulfiden en chloriden kunnen
op die wijze ontleed worden, als waterstofsulfide en zelfs water,
ofschoon hiertoe cene zeer hooge temperatuur vereischt wordt.
In \'t algemeen zijn deze verbindingen evenwel door verhitting
niet te ontleden, ten minste niet bij eene temperatuur, die wij
kunnen bereiken. Wij hebben grond om aan te nemen, dat zij
bij de zeer hooge temperatuur, die op de zon heerscht, niet
kunnen bestaan.
2.    De oorzaak van het onstaan eener scheikundige ver-
binding wordt toegeschreven aan het bestaan van meer of
minder affiniteit of verwantschap tusschen de stoffen, die zich
met elkander verbinden. Deze wordt ook als oorzaak beschouwd
van het blijven bestaan der verbinding, dus van het ver-
eenigd blijven der bestanddeelen, die in eene molecule er van
voorkomen. Is de affiniteit tusschen twee stoffen groot, dan
verbinden zij zich gemakkelijk en snel met elkander en met
ontwikkeling van veel warmte; men zegt „met veel energie".
Indien zij geringe affiniteit tot elkander hebben, dan heeft de
-ocr page 49-
43
verbinding langzaam, zonder vuurverschijnselen plaats. Bezitten
zij geen affiniteit tot elkander, dan verbinden zij zich niet.
Kwik en zuurstof verbinden zich bij gewone temperatuur
niet met elkander, bij 300"—350° heeft de verbinding langzaam
plaats, boven 400° wordt kwikoxyde weer ontleed. Hieruit volgt,
dat de affiniteit dezer stoffen bij gewone temperatuur zeer ge-
ring, bij 300°—350" grooter is en bij 400° weer vernietigd wordt.
Dit is een gewoon verschijnsel. In het algemeen groeit de
affiniteit sneller of minder snel aan bij yerhooging der tempe-
ratuur, tot zij een maximum bereikt en dan bij verdere verhit-
ting weer vernietigd wordt. De temperatuur, waarbij dit laatste
plaats heeft, ligt veelal buiten ons bereik., \'.
Opgave. Geef eenige voorbeelden van stoffeu, wier affiniteit tot elkander grooter
wordt bij verhooging der temperatuur.
§ 10. Ontleding door affiniteit. Substitutie.
1. Proef 55. Door eene glazen buis, waarin zich koperoxyde
in fijn verdeelden toestand bevindt, leiden wij waterstofgas,
dat we vooraf drogen door het te leiden door zwavelzuur.
Fig. 35. Ontleding van koperoxyde door waterstof.
Wanneer alle lucht uit de buis verdrongen is, steken wij de water-
stof aan de monding van het dunne afvoerbuisje aan (fig. 35)
-ocr page 50-
44
en verhitten de buis op de plaats, waar het oxyde ligt. Plotse»
ling begint dit te gloeien; tegelijkertijd dooft de waterstofvlam
uil en in de koudere deelen der buis zet zich rijkelijk water af.
Er heeft nu blijkbaar eene scheikundige werking plaats, waarbij
de waterstof als zoodanig verdwijnt en water ontstaat. Tevens
verandert het koperoxyde in koper, dat aan zijne eigenaardige
kleur en den metaalglans gemakkelijk te herkennen is. De schei-
kundige werking moet dus hierin bestaan, dat de waterstof zich
verbindt met de zuurstof van het koperoxyde. Dit laatste wordt
door de groote affiniteit van waterstof tot zuurstof ontleed en
het koper komt in vrijen (ongebonden) toestand. De waterstof
heeft dus het koper verdrongen of gesubstitueerd.
Men zegt, dat er in het oxyde substitutie heeft plaats
gehad van koper door waterstof.
Vele oxyden laten zich door waterstof ontleden, b.v. ijzer-
oxyde, zinkoxyde, enz.; andere niet, b.v. magnesium-, kalium-,
phosphoroxyde. Worden de eerstgenoemde oxyden in fijn
verdeelden toestand op deze wijze ontleed, dan verkrijgt men
de metalen in den vorm van een uiterst fijn poeder, dat
vanzelf ontbrandt, zoo men het in de lucht laat vallen.
ïig. 36. Ontleding van zilversulfide door waterstof.
Proef 56. Wfi verhitten zilversulfide in eene buis van moei-
lijk smeltbaar glas (fig. 36) en leiden er dan waterstof langs.
-ocr page 51-
45
"Wij bemerken aan den reuk het ontstaan van waterstofsulfide.
Na eenigen tijd blijft gesmolten zilver in de buis over.
Hieruit blijkt, dat de geringe affiniteit van waterstof tot
zwavel zelfs voldoende is om
sommige sulfiden te ontleden.
2. Proef 57. Wij vermengen
loodoxyde met houtskoolpoeder
en verhitten dit mengsel sterk
in eene gesloten porseleinen
kroes. Na afkoeling vinden wij
talrijke loodkorreltjes te mid-
den van het houtskoolpoeder.
Het loodoxyde is hier blijk-
Fig. 37. Ontleding van loodoxyde op
een stuk houtskool met de blaaspijpvlam.
baar ontleed door den invloed
der koolstof. Deze heeft bij hooge
temperatuur zeer groote verwantschap tot zuurstof; zij ont-
neemt die aan het loodoxyde, neemt dus de plaats in van
het lood en zoo komt dit metaal in vrijen toestand, ter-
wijl kooloxyde ont-
staat, dat als gas natuur-
lijk uit de kroes ontsnapt.
Deze proef kan men ook
nemen door een weinig
loodoxyde met water te
bevochtigen en in een kuil-
tje, dat in een stuk houts-
kool geboord is (fig. 37),
met behulp van eene blaas-
pijp sterk te verhitten. Wij
zien dan weldra het lood-
oxyde in een dikken lood-
korrel veranderen.
Proef 58. In een klein,
droog glazen buisje, dat on-
Fig. 38. Ontleding van rattenkruit door
middel van houtskool.
deraan eene vernauwing
heeft, brengt men een wei-
-ocr page 52-
46
nig arsenikoxyde (rattenkruit). Boven de vernauwing legt men
eenige stukjes uitgegloeide houtskool (Mg. 38). Men verhit
eerst de houtskool en daarna het rattenkruit. De damp van
het arsenikoxyde strijkt door de gloeiende houtskoolstukjes
en wordt hierdoor ontleed, tengevolge waarvan arsenik ont-
staat, dat als spiegel op het glas condenseert (zie proef 35).
(Middel om de aanwezigheid van rattenkruit in andere stoffen
aan te toonen).
Proef 59. Wij vullen eene porseleinen buis met kleine stuk-
jes houtskool, verhitten deze tot gloeiens toe in een gasoven
en leiden er daarna waterdamp doorheen. "Wij verkrijgen nu
een reuk- en kleurloos gas, watergas genaamd, dat met zeer
heete, doch niet-lichtende vlam brandt. Het wordt in \'t groot
bereid voor \'t gebruik als brandstof in plaats van lichtgas.
Hot is een mengsel van waterstof en een brandbaar oxyde
van koolstof (zie § 13) en is blijkbaar ontstaan door de ontle-
ding van het water door de gloeiende koolstof.
Uit deze proeven blijkt, dat koolstof in gloeienden toestand,
tengevolge van hare groote affiniteit tot zuurstof, vele oxyden
van metalen en niet-metalen kan ontleden. Zelfs kalium,
natrium en p h o s p h o r worden door koolstof uit hunne
oxyden vrij gemaakt. Enkele metaaloxyden, b.v. magnesium»
oxyde, kunnen door koolstof niet ontleed worden.
3. Van deze eigenschap van koolstof wordt veelvuldig gebruik gemaakt ter
bereiding in \'t groot van metalen en andere stoffen, uit hunne oxyden, die in de
natuur voorkomen.
Zoo verkrijgt men tin uit t i n s t e e n d. i. tinoxydc, (Banka, Billiton). Dit
wordt in kuilen in den grond of in gemetselde ovens met houtskool verhit, waarbij
tin uitsmelt.
Zink verkrijgt men uit zinkoxydc, dat uit verschillende zinkertsen verkregen wordt.
Het oxyde wordt in retorten van leem of ijzer met houtskool gemengd en sterk
verhit, liet vrij wordend metaal verdampt en de damp wordt buiten de retort
opgevangen en verdicht.
Koper en lood worden verkregen door de oxyden dezer metalen in groote ovens,
met cokes gemengd, te verhitten.
IJzer bereidt men uit ijzeroxyde. De meeste ijzerertsen bestaan uit ijzeroxyde,
andere kunnen er gemakkelijk in worden omgezet. (Zie proef 64). Dit ijzeroxyde
is altijd gemengd met verschillende gesteenten nit den bodem. Ten einde
-ocr page 53-
47
deze gesteenten gemakkelijk tot smelten te kunnen brengen, wordt het in ijzeroxydc
omgezette erts met toeslag gemengd, zijnde zand, kalk of andere stollen in be-
paalde hoeveelheden, zoo, dat de toeslag met die gesteenten tot eene glasachtige
stof (slakken) kan samensmelten. Het mengsel van erts en toeslag wordt nu in
den hoogoven gestort
lagen, afwisselend met lagen
cokes, van boven
(lig. 39). Onder in dien
oven brandt de cokes zeer
fel, daar er hier met be-
hnlp van perspompen
lucht wordt ingeblazen
<bij c door de buizen m).
Bij de zeer hooge tcm-
peratuur.die hier heerscht,
smelten de toeslag en de
gesteenten, die in het erts
voorkomen, samen tot
slakken. Hier wordt ook
het ijzeroxyde door den
invloed van de gloeiende
koolstof ontleed en ijzer
gevormd, dat dmppels-
gewijze en omhuld door
de gesmolten slakken, naar
beneden valt en zich in
het onderste gedeelte van
een hoogoven verzamelt,
waar het door de slakken,
die soortelijk lichter zijn
en dus boven drijven, be-
schut is tegen hernieuwde
oxydatie. Zoowel slakken
nis metaal worden van
tijd tot tijd verwijderd,
daar de hoogoven altijd
goven.
blijft door branden, tot
noodzakelijke herstclliH-
gen dwingen hem te laten uitbranden.
Het ijzer, zooals de hoogoven het oplevert, is ruwijzer.
Om er gietijzer van te maken, wordt het in kleinere hoogovens nogmaals met
toeslag en cokes omgesmolten, waardoor het van verschillende stoffen gezuiverd
wordt, die verbranden of wel met de slakken samensmelten. Dit gietijzer is zeer
hard, broos, niet smeedbaar; het smeltpunt is ongeveer 1400°.
Smcedijzer wordt verkregen door ruwijzer te smelten en het dan geruimen
-ocr page 54-
48
tijd in aanraking te brengen met veel lucht, ten einde alle brandbare vreemde
stoffen, die er in voorkomen (zwavel, phosphor, arsenik, koolstof), te verbranden.
Goed smeedijzer, dat geene andere stoffen dan hoogstens 0,7% koolstof mag
bevatten, is veel minder hard dan gietijzer, wordt bij sterke verhitting steeds wee-
kcr, is zeer taai, smeedbaar, plet- en rekbaar en kan bij witgloeihitte geweld worden.
Het smeltpunt is veel hooger dan dat van gietijzer (ongeveer 1800°); het bezit
eene vezelige structuur, doch wordt korrelig en broos, wanneer het gedurig bloot-
staat aan schokken en trillingen (wagenassen, bruggen).
Staal kan uit zuiver ruwij^er (gietijzer) of uit smeedijzer vervaardigd worden.
Men verkrijgt het uit ruwijzer, zoo men een groot deel van de koolstof, die
hierin aanwezig is, door oxydatie verwijdert (Bessemerstaal). Uit smeedijzer
ontstaat het door dit te gloeien in houtskool poeder (cementstaal). Het ia
harder dan smeedijzer en kan, door het na gloeiing plotseling af te koelen, zoo
zeer gehard worden, dat het bijna alle andere stoffen in hardheid overtreft.
Daarbij wordt het broos, doch men kan het die broosheid ontnemen door
het tot circa 200° te verwarmen en dan langzaam te doen afkoelen (temperen).
Door de groote hardheid, veerkracht en vastheid, die het staal bezit en omdat
het zich evengoed als smeedijzer laat bewerken, en ook als gietijzer laat gieten
(smeltpunt circa 1600°), wordt het meer en meer voor allerlei doeleinden gebruikt
(rails, bruggen, stoomketels, schepen, draad van staal). Het verschil in samen-
stelling van de drie genoemde ijzersoorteu, bestaat alleen in een grooter of kleiner
koolstofgehalte. Dit bedraagt bij gietjjzer 2\'/2—5%, bg staal 0,7—2.5 °/0 en
bij smeedijzer hoogstens 0,7 %.
Kalium en Natrium worden bereid door de oxyden dezer metalen (bestanddeelen
van potasch en soda), met koolstof gemengd, tot witgloeihitte te brengen. De
metalen ontstaan in dampvorm; de damp wordt in petroleum geleid, om hem
te condenseeren.
Phosphor en Arsenik worden op gelijke wijze uit de oxyden verkregen,
(phosphoroxyde is een bestanddeel der beenderen, arsenikoxyde ontstaat als afval bij
de bereiding van vele metalen).
4. Proef 60. Neem een bak met water
en werp daarin een stukje kalium. Het
metaal gaat als gesmolten bolletje heen
en weer op het water drijven, omhuld
door eene paarsche vlam en neemt daarbij
snel af (fig. 40). Wanneer nog maar een
klein stukje is overgebleven, verdwijnt dit
plotseling, doordien het met zwakke ont-
ploffing uit elkander spat.
Ontleding van
door kalium.
Fig. 40.
water
Met een stukje natrium hebben dezelfde verschijnselen plaats,
-ocr page 55-
49
doch de vlam ontstaat slechts, wanneer men de beweging van
het metaal belemmert door het op een stukje papier te leg-
gen; zij is geel.
Proef 61. Plaats een met water gevulden cylinder, het on-
derste boven gekeerd, in een bak
met water (zorg, dat er geen lucht
in komt!) en breng nu een klein
stukje natrium onder zijne monding
(flg. 41). Het metaal stijgt snel in
het water omhoog en nu zien wij,
dat een gas aan zijne oppervlakte
ontstaat, dat zich in den cylinder
verzamelt en dat wij, als alle natrium
verdwenen is, herkennen als water-
stofens                                                                   Fig. 41. Bereiding van waterstof
°c \'                                                              uit water, door middel van natrium.
Opgaven. Verklaar de scheikundige werking, die hier plaats had. Geef een middel
aan, om het ontstaan van natriumoxvde aan te toonen.
Magnesium en zinkpoeder ontleden water bij kookhitte; ijzer
bij witgloeihitte; koper, lood, kwik en edele metalen niet.
Ook andere oxyden, evenals sulfiden en
chloriden, b.v. waterstofsulfide en water-
stofchloride worden gemakkelijk door
vele metalen ontleed, waarbij waterstof
vrij wordt. Belangrijk is de ontleding
van magnesiumchloride door natrium.
(Bereiding van .magnesium.)
5. Proef 62. "Wij vullen eene flesch
met langen hals met chloorwater en
plaatsen haar met de opening naar be-
neden in een bak met verzadigde keuken-
zoutoplossing (fig. 42). Wij zetten den
Fig. 42. Ontstaan van zuurstof toestel in het zonlicht en laten hem
eenige dagen staan. Na dien tijd is de
kleur van het chloorwater verdwenen. In het bovengedeelte
der flesch heeft zich een kleurloos gas verzameld, dat wij ge-
Hom. Scheikunde.                                                                                     4
-ocr page 56-
50
makkelijk als zuurstof kunnen herkennen (hoe?). In het water
is nu waterstofchloride opgelost.
Vragen. Hoe kunt gij dit aantoonen?
Welke werking heeft hier plaats gehad ?
Dezelfde werking heeft sneller plaats bij hoogere tempera-
tuur. Door een mengsel van chloor en waterdamp te leiden
door eene porseleinen buis, die met porseleinscherven gevuld
is en in gloeienden toestand verkeert (flg. 43), verkrijgt men
groote hoeveelheden zuurstof en waterstofchloride. Ook de
meeste metaaloxyden, zelfs kalium- en calciumoxyde, laten zich
bij hooge temperatuur door chloor ontleden, dat daarin de
plaats van de zuurstof inneemt.
Fig. 43. Ontleding van water door chloor. (Het chloor uit de gasontwikkelings-
flesch wordt in de retort geleid, waarin water gekookt wordt).
6. Proef 63. Wij verhitten kwiksulfide in eene glazen retort,
leiden hierover droge zuurstof (of lucht) en zien nu, dat het
sulfide gaat branden, alsof het zwavel ware. Werkelijk be-
speuren wij weldra aan den reuk, dat zwaveloxyde ontstaat.
Wij leiden dat gas in eene flesch met water, om het daarin te
doen oplossen. In den hals van de retort zet zich kwik af
als fijne druppeltjes, die zich in den ontvanger verzamelen (hg. 44).
-ocr page 57-
51
Fig. 44. Verbranding van kwiksulfide in zuurstof.
Proef 64. Wij herhalen dezelfde proef, doch nemen koper-
sulfide in eene glazen buis. Hierbij ontstaat zwaveloxyde en
koperoxyde.
Opgave. Verklaar deze beide proeven.
Door de twee voorgaande proeven leerden wij zuurstof kennen
als middel om uit de sulfiden van kwik en de edele
metalen, de metalen zelf in vrijen toestand te ver-
krijgen en uit die der n i e t • e d e 1 e metalen hunne o x y d e n.
Talrijke ertsen zijn metaalsulfiden. Om de metalen hieruit te verkrijgen worden
die der edele metalen bij aanzienlijken luchttoevoer verhit (roosten der
ertsen). Die der niet-edele metalen (loodsulfide, kopersulfide, zinksulfide), wor-
den eveneens geroost, waardoor zij in oxyden veranderen. Deze oxyden worden verder
behandeld als in no. 8 is aangegeven.
7. Proef 65. Eene glazen buis is aan eene zijde gesloten
en daar knievormig gebogen. In dit omgebogen gedeelte wordt
zwavel gedaan (fig. 45). In het andere gedeelte der buis
brengen wij koperoxyde en verhitten dit sterk. Zoodra het
gloeit brengen wij de zwavel aan \'t koken. De zwaveldamp
komt met het gloeiende koperoxyde in aanraking en nu vormt
zich kopersulfide en zwaveloxyde.
Opgave, Verklaar deze proef.
-ocr page 58-
52
8. Al de in deze § behandelde ontledingen van oxyden, sul-
flden en chloriden zijn gemakkelijk verklaarbaar door de werking
van de affiniteit, die de verschillende stoffen, welke samen-
gebracht worden, tot elkander hebben. Brengen wij bij de
verbinding van twee stoffen A en B eene andere stof C, die
grooter affiniteit tot A heeft dan B, dan zal C zich met A
verbinden, B wordt er door gesubstitueerd en dus vrij.
Fig. 45. Werking van zwaveldamp op koperoxyde.
Heeft C niet alleen affiniteit tot A, maar ook tot B, dan tre-
den er twee krachten op, die de verbinding van A en B trachten
te ontleden; terwijl er slechts ééne kracht werkt, die zich daar-
tegen verzet. Geen wonder, dat wij in dit geval de ontle-
ding meestal met veel energie zien plaats grijpen; er vormen zich
dan twee nieuwe verbindingen, n.1. die van A met C en die van
B met G.
Opyaven. Verklaar de brandbaarheid van koolstofsulfide en van waterstofsulfide.
Verklaar, dat zich zwavel afzet tegen een koud lichaam, zoo men dit
in eene vlam van waterstofsulfide houdt.
Daar de affiniteit der stoffen afhangt van de temperatuur, is
het duidelijk, dat de temperatuur van grooten invloed is op
de werking, die de stoffen op elkander uitoefenen. Doch ook
andere omstandigheden hebben daarop invloed. Vandaar de tegen-
strijdigheden, die wij dikwijls opmerken. Wij zagen b.v., dat
kaliumoxyde bij witgloeihitte wordt ontleed door koolstof. De
volgende proef laat zien, dat omgekeerd het oxyde van koolstof
kan ontleed worden door kalium.
-ocr page 59-
53
Proef 66. In eene bolbuis worden stukjes kalium gesmolten
en dan leiden wij droog koolzuurgas door de buis. Na eenigen
tijd is het metaal veranderd in kaliumoxyde, dat door de aan-
wezigheid van fijne koolstofdeeltjes zwart gekleurd is. Door het
kaliumoxyde in water op te lossen, kan men deze koolstof
afzonderen.
Leiden wij uit de eerste werking af, dat koolstof grooter
affiniteit tot zuurstof heeft dan kalium; de laatste werking
leidt ons tot de tegengestelde gevolgtrekking. In de eerste
plaats hebben wij hier te
denken aan het feit, dat de
eerste werking slechts plaats
heeft bij witgloeihitte, de laat-
ste bij veel lagere temperatuur.
In de tweede plaats is van
invloed, dat bij de eerste wer-
king zeer veel koolstof op be-
trekkelijk weinig kaliumoxyde
werkt, terwijl bij de laatste, FiS- 46 Koolzuurgas wordt door kalium
ontleed.
omgekeerd, eene groote hoe-
veelheid koolstofoxyde op eene geringe hoeveelheid kalium werkt.
De iverking van de affiniteit eener stof wordt versterkt, door
de stof in grootere hoeveelheid aan te wenden.
Opgave. Verklaar de tegengestelde uitkomsten, die wij verkrijgen, bij de behan-
deling van ijzeroxyde met waterstof (onder gloeihitte) en bij de behan-
deling van ijzer met water (bij witgloeihitte).
Hoe komt het dat calcium- en magnesiumoxyde niet door
koolstof ontleed worden, ofschoon de kracht, waarmede hierin
de zuurstof wordt vastgehouden, zeker niet grooter is dan die,
welke bij het kaliumoxyde werkzaam is ? De oorzaak hiervan
moet gezocht worden in het feit, dat eerstgenoemde stoffen
niet smeltbaar of vluchtig zijn. In \'t algemeen oefenen vaste
stoffen geene scheikundige werking op elkander uit,
omdat de
deeltjes er van niet dicht genoeg tot elkander kunnen nade-
ren. Daar hier noch het oxyde, noch de koolstof vloeibaar of
gasvormig kunnen worden, kan er geene ontleding plaats vinden.
-ocr page 60-
54
§ 11. Ontleding door electriciteit.
1. Proef 67. Met behulp van den toestel, in flg. 47 afge-
beekl, leiden wij een electrischen stroom van voldoende sterkte
door water. De beide draden, waardoor wij den stroom leiden
eindigen in platina-plaatjes (electroden), die in het water uit-
komen. Zoodra de stroom er doorgevoerd wordt, nemen wij
aan de oppervlakte der electroden
gasontwikkeling waar. Aan de eene,
die met de negatieve pool der batterij
in verbinding staat, ontwikkelt zich
juist een dubbel zoo groot volume
gas dan aan de andere electrode. Nader
onderzoek leert, dat aan de negatieve
electrode waterstof, aan de positieve
zuurstof ontstaan is. Het water is
dus door den invloed van den elec-
trischen stroom ontleed (e 1 e c t r o-
lyse). (Een weinig zwavelzuur door
het water bevordert de ontleding).
Geheel op dezelfde wijze kunnen
wij waterstofchloride, dat in water is
opgelost, door electrolyse ontleden.
Hierbij vormt zich aan de negatieve
electrode waterstof, aan de positieve
chloor, en wel van beide gassen ge-
lijke volumen.
Ook andere oxyden, sulfiden en
Fig. 47. Ontleding van water
door den electr. stroom.
chloriden worden door den electrischen
stroom ontleed, mits zij vloeibaar zijn
en de electriciteit geleiden.
Aan elk der beide electroden ontstaat steeds een der bestand-
deelen, waarin de verbinding gesplitst wordt.
Eene der belangrijkste toepassingen hiervan is de bereiding van aluminium,
nit aluminiumoxyde (aluminiumfabriek te Schünhaasen).
-ocr page 61-
55
Aluminium is een wit, ccnigszins gvijsachtig metaal met sterken glans, dien het
in de lucht lang behoudt. S.G. 2,6. Het smelt bij roodgloeihitte, is plet- en
rekbaar, heeft de hardheid van zilver en aanzienlijke vastheid. Het is het hoofd-
bestanddeel van leem en talrijke andere gesteenten. De voortreffelijke eigenschap-
pen van dit metaal en van zijne legeeringen (zie § 12) zullen zonder twijfel oor-
zaak zijn, dat het ecne belangrijke rol in de industrie gaat vervullen, zoodra de
prijs er van lager wordt.
§ 12. Elementen.
Trachten wij de verschillende stoffen, die wij kennen, te
ontleden, gebruik makende van de verschillende middelen, die
ons hiertoe ten dienste staan, dan vinden wij, dat verreweg
de meesten werkelijk gesplitst kunnen worden in verschillende
bestanddeelen. Beproeven wij ook deze verder te ontleden en
gaan wij hiermede steeds voort, dan verkrijgen wij eindelijk
stoffen, die (evenals vele andere, die in de natuur voorkomen),
weerstand bieden aan alle pogingen om ze verder in nadere
bestanddeelen te splitsen. Deze stoffen moeten wij, op den
tegenwoordigen stand der wetenschap, beschouwen als enkel-
voudige stoffen of elementen in tegenstelling met de samen-
gestelde stoffen of scheikundige verbindingen.
Er zijn slechts 78 elementen bekend. Alle stoffen, die wij
kennen, zijn öf elementen, öf verbindingen, öf mengsels van
verbindingen en elementen. Onder deze elementen zijn er vele,
die slechts zeer zelden voorkomen; andere zijn wel zeer ver-
spreid, doch komen slechts in uiterst kleine hoeveelheden
voor. Deze zijn alle van zoo weinig belang, dat wij ze geheel
buiten beschouwing zullen laten.
De elementen worden onderscheiden in metalen en n i e t-
metalen ofmetalloïden.
Opgave. Geef de kenmerken op, waardoor zich metalen van niet-metalen onder-
scheiden.
In de onderstaande lijst worden de voornaamste elemen-
ten, met de verkorte teekens, waarmee ze worden aangeduid,
opgegeven. Diegene, wier verbindingen wij niet nader bespre-
ken, zijn met kleinere letter gedrukt.
-ocr page 62-
56
NIET-METALEN.
Waterstof Hydrogenium H
Chloor......Cl
* Broom......Br
METALEN.
Kalium......K
Natrium......Na
Calcium......Ca
Stronthon.....Sr
* Barium......Ba
Magnesium . . . . • Mg
Zink.......Zn
Chroom......Cr
* Mangaan......Mn
IJzer            Ferrum . . Fe
Cobalt.......Co
* Nikkel.......Ni
Aluminium.....Al
Tin Stannum . Sn
Lood Plumbum , Pb
Koper
Cuprum . . Cu
Kwik
Hydrargyrum Hg
Zilver
Argentum . Ag
Goud Aurum . . Au
Platina
......Pt
\'Jood......
\' Fluor.......
Zuurstof Oxygenium
Zwavel Sulphur .
Stikstof Nitrogenium
Phosphor.....P
Arsenik......As
Antimoon Stibium . . Sb
\' Bismuth......Bi
\'Boor.......B
Koolstof Carbonium . C
Kiezel
Silicium . . Si
* Bromium is eeue donkerbruine vloeistof, die reeds bij gewone temperatuur in
bruinen, sterk prikkelenden damp overgaat; oplosbaar in water.
Jodium is eene vaste, in glanzende plaatjes gekristalliseerde, donkerblauwe stof,
die bij verwarming licht smelt en in violetten damp overgaat. Weinig oplosbaar
in water, gemakkelijk oplosbaar in alkohol (bruin) en koolstofsulfide (violet).
Fluor is een kleurloos gas, dat wegens zijne groote affiniteit tot andere stoffen
zeer moeilijk te verkrijgen is.
Deze drie elementen hebben in scheikundige eigenschappen veel overeenkomst
met chloor.
Bitmuth, eene roodachtig witte, metaalachtige stof, kristallijn, broos, wordt in
legeeringen gebruikt.
Boor, een geel of bruin poeder of zeer harde kristallen, brandbaar; het
eenige metalloïd, waarvan geene waterstofverbinding bekend is.
Barium en Stronlium. hebben in natuur- en scheikundige eigenschappen veel
overeenkomst met calcium.
Chroom heeft veel overeenkomst met ijzer, het is zeer moeielijk smeltbaar en
komt slechts als poeder voor.
-ocr page 63-
57
Opmerking. Brons, messing, Berlijnsch zilver enz., zijn legeeringen; het zijn
innige mengsels van verschillende metalen (soms ook niet-metalen),
die samengesmolten zijn. Zij bezitten soms geheel andere eigenschap-
pen dan de stoffen, waaruit zij ontstaan zijn en worden daarom zeer
veel gebruikt. De voornaamste zijn:
Messing (koper en zink), brons (koper en tin j phosphorbrons is zeer
hard en bevat een weinig phosphor), Berlijnsch zilver (nikkel, koper
en zink), snelsoldeer (lood en tin), metaal van Rosé, dat bij 94° smelt
(bismuth, lood en tin), aluminiumbrons (aluminium en koper).
Goud- en zilverwerken bestaan uit Icgecringen van deze metalen met
koper (bij goud dikwijls zilver).
HOOFDSTUK III.
Gewichtsverhoudingen der verbindingen.
Atoomtheorie.
§ 13. De wet der constante verhoudingen.
1. Bjj proef 67 zagen wij, dat bij de ontleding van water door
den electrischen stroom de waterstof, die zich vormt een dub-
bel zoo groot volume inneemt als de zuurstof. Daar het soor-
telijk gewicht van zuurstof 16 maal zoo groot is als dat van
waterstof, is de gewichtsverhouding van de hoeveelheden wa-
terstof en zuurstof, die hierbij ontstaan, als 1 : 8. "Wordt water
op eenige andere wijze ontleed en bepalen wij de gewichtsver-
houding der beide bestanddeelen, dan vinden wij steeds 1 gew.
deel waterstof op 8 gew. deelen zuurstof. De samenstelling
van water is dus standvastig. Kan men dan geen water
verkrijgen, door waterstof en zuurstof in eene andere verhou-
Mangaan is zeer hard, moeilijk smeltbaar, oxydeert gemakkelijk, komt veelal
in ijzer voor.
Cobalt is staalgrauw met roodachtigen tint en bijzonder vast, komt veel overeen
met Nikkel, een geelachtig wit metaal, met sterken glans, dien het ook in de lucht
lang behoudt (vernikkelen van ijzer en andere metalen); het komt overigens zeer
veel overeen met ijzer, doch is moeilijker smeltbaar.
-ocr page 64-
58
ding te vermengen en de verbinding te doen plaats hebben?
•^5L          Proef 68. In een eudio
Wf. meter (flg. 48), wordt
eerst eene willekeurige
hoeveelheid zuiver zuur-
stofgas gebracht, waar-
van we \'t volume nauw*
keurig meten; daarna
meer dan een dubbel zoo
groot volume waterstof,
dat we ook nauwkeurig
bepalen (bij de metingen
heeft men te zorgen,
dat de spanning van het
gas steeds even groot
De eudiometer wordt van zuurstof
voorzien.
is) en nu laten we door
Fig. 48.
eeneelectrische vonk het
gasmengsel ontploffen. In den eudiometer blijft een gas over,
waarvan we eerst weer het volume meten; dit bedraagt juist
zooveel als het verschil van het volume van de waterstof, die
we er in gedaan hebben en
het dubbel volume van de zuur-
stof. Wij overtuigen ons, dat
het overgebleven gas water-
stof is. Hieruit volgt dus,
dat al de aanwezige zuurstof
zich verbonden heeft met eene
hoeveelheid waterstof, die een
dubbel zoo groot volume had,
en dat de rest van de water-
stof onverbonden overbleef.
Herhalen wij deze proef,
terwijl we de gassen in geheel
Fig. 49. Men doet het gasmengsel in den
eudiometer ontploffen, door eene
electrische vonk.
andere verhoudingen vermen-
gen, dan blijkt steeds, dat zij zich slechts in de ééne ge-
noemde verhouding met elkander verbinden. Wij toesluiten
-ocr page 65-
59
hieruit, dat in het water de bestanddeelen slechts in deze con-
stante verhouding kunnen voorkomen.
2. Wij kunnen dezelfde proeven nemen met waterstof-
chloride en verkrijgen dan tot uitkomst, dat daarin steeds op
1 vol. waterstof 1 vol. chloor voorkomt, of, daar het S.G. van
chloor 35.5 maal zoo groot is als dat van waterstof, op 1 gew.
deel waterstof 35.5 gew. deelen chloor en dat deze gassen zich
in geene andere verhouding kunnen verbinden.
Nauwkeurig onderzoek heeft geleerd, dat in elke seheikun-
diga verbinding de bestanddeelen voorkomen in eene bepaalde
constante verhouding. Men noemt deze stelling de wet der
constante verhoudingen.
§ 14. Multiple verhoudingen.
1. Proef 69. Eene porseleinen buis, die gevuld is met kleine
stukjes houtskool, wordt tot witgloeihitte verhit (flg. 50). Zoo-
dra geene dampen of gassen meer ontwijken, leiden wij er een
zeer langzamen stroom van droge lucht dooi-. Het gas, dat
Fig. B0. Bereiding van kooloxydegas.
zich nu ontwikkelt, vangen wij in een glazen cylinder boven
water op. Het is kleurloos, in water weinig oplosbaar, brandt
met donkerblauwe vlam en onderhoudt de verbranding niet.
-ocr page 66-
80
In kalkwater doet het geene witte stof ontstaan. Dit gas
wijkt dus in vele opzichten af van dat van proef 34, het-
welk ontstond door een fiinken lucht- of zuurstofstroom over
gloeiende koolstof te leiden. (Geef de verschillen op!). Toch
kan het niets anders zijn dan eene verbinding van koolstof en
zuurstof of een oxyde van koolstof. Wij laten het gas door
een, in eene fijne punt uitloopend, buisje uitstroomen, steken
het aan en houden boven de vlam eene glazen klok, die inwendig
met kalkwater bevochtigd is (fig. 50). Het kalkwater wordt
troebel, een bewijs, dat zich bij de verbranding van dit gas
koolzuur of het gewone oxyde van koolstof vormt. Wij mogen
hieruit besluiten, dat het gas, dat bij deze proef ontstond, een
oxyde is, dat minder zuurstof bevat dan koolzuur.
Opmerking. Dit pas, kooloxyde, koolmnnoxvde of ook wel kolendamp genaamd, is
zeer vergiftig. Daar liet zich steeds vormt, wanneer koolstof in
gloeienden toestand (gloeiende houtskool, steenkolen, turf) in
aanraking komt met weinig zuurstof, mag men het gevaar, dat deze
stoffen kunnen opleveren, nooit uit het oog verliezen,
(liet sluiten van de schoorstcenklep bij geopend deurtje, zoo de kachel
te fel brandt! stoven met houtskool of turf! strijkijzers met gloeiende
houtskool! enz.).
Er bestaan dus twee verbindingen van koolstof en zuurstof,
die zeer verschillen in eigenschappen. Zij onderscheiden zich
in hare samenstelling niet door den aard, maar wel door de
verhouding der bestanddeelen. Terwijl in het gewone
koolzuur (koolbioxyde) op 12 deelen koolstof 32 deelen
zuurstof voorkomen, vindt men in het kooloxydegas
(koolmonoxyde) op 12 deelen koolstof slechts 16 deelen zuur-
stof of juist de helft.
Proef 70. In eene glazen buis verhitten wij geplatineerd
asbest tot roodgloeihitte. (Asbest is een vezelig, onbrandbaar
mineraal; men bedekt de oppervlakte er van met zeer fijn pla-
tinapoeder, door het te drenken met eene oplossing van pla-
tinachloride, het daarna een oogenblik in ammoniak te dompelen
en het dan te drogen en uit te gloeien.) Daarna wordt er een meng-
sel van zuurstof en zwaveloxyde-gas doorgevoerd. Beide gassen,
evenals de buis, moeten vooraf met zorg gedroogd zijn en men
-ocr page 67-
61
neemt zoo juist mogelijk 2 vol. zwaveloxyde op 1 vol. zuurstof
(flg. 51). De buis staat in verbinding met een goed uitgedroog-
den, in een koudmakend mengsel geplaatsten, ontvanger, die
met een gasafleidingsbuis voorzien is. In den ontvanger ont-
staat eene witte, kristallijne stof, die aan de lucht dichte,
zware, zeer prikkelende nevels afgeeft. Brengt men er voor-
Fig. 51. Bereiding van zwaveltrioxyde.
a, Gasontwikkelingsflesch, waarin zwavelbioxyde wordt bereid, i. Buis, waardoor
zuurstof wordt aangevoerd. Beide gassen worden in een glas met zwavelzuur geleid.
Het mengsel gaat door den droogtoestcl e, die gevuld is met stukjes puimsteen,
welke met zwavelzuur gedrenkt zijn. d. Ontvanger, waarin zich zwaveltrioxyde afzet.
zichtig een weinig water bij, dan heeft eene zeer sterke
werking plaats en er vormt zich eene seherp-zure vloeistof
(vitriool of zwavelzuur). Het geplatineerd asbest is bij deze
proef niet veranderd. Terwijl gewoon zwaveloxyde in gewone
omstandigheden niet brandbaar is, blijkt ons uit deze proef,
dat het zich door den invloed van het fijn verdeelde platina
met meer zuurstof kan verbinden. In het gewone zwavel"
oxyde (zwavelbioxyde) komen op 32 gew. deelen zwavel 32
,c.....^>U/ 5**~~-*^ ji"......(--;r^-/^
-ocr page 68-
02
gew. deelen zuurstof voor; in het nieuwe, vaste zwaveloxyde
(zwaveltrioxyde) vindt men op 32 gew. deelen zwavel 48 gew.
deelen zuurstof. De hoeveelheden zuurstof, in beide verbin-
dingen voorkomende op gelijke hoeveelheden zwavel, verhouden
zich dus als 2 : 3.
2. Van de meeste elementen zijn meer dan één oxyde, sulfide
en chloride bekend. Zij kunnen zich namelijk onder verschil-
lende omstandigheden in verschillende verhoudingen met zuur-
stof, zwavel of chloor verbinden. Zeer merkwaardig is het,
dat bij de verschillende oxyden van één element de hoeveel-
heden zuurstof, voorkomende op eene gelijke hoeveelheid van
het element, tot elkander staan in zeer eenvoudige verhoudin-
gen, die meestal uitgedrukt kunnen worden door de geheele
getallen van 1 tot 5. Hetzelfde is het geval bij de verschillende
sulfiden en chloriden van één element met de hoeveelheden
zwavel en chloor, die zij bevatten, en in \'t algemeen bij alle
andere verbindingen, die uit dezelfde elementen zijn samen-
gesteld. Men noemt dit verschijnsel de wet der multiple
verhoudingen. De beide verhoudingswetten vormen het
voornaamste verschil tusschen eene scheikundige ver-
binding en een mengsel, daar in dit laatste de verhou-
ding der bestanddeelen niet constant en geheel willekeurig is.
§ 15. Atoomtheorie.
1. In de volgende tabel geven wij de gewichtsverhoudingen
op van de bestanddeelen in eenige verbindingen.
ELEMENTEN.
Waterstof . .
Zwavel . . . .
Koolstof . . .
OXYDEN.
SULFIDEN.
H 2        S 32
C 12 S 64
CHLORIDEN.
H 1 Cl 35,5
S 32 Cl 71
C 12 Cl 142
H 2        O 16
S 32       O 32
S 32       O 48
C 12       O 16
C 13       O 32
-ocr page 69-
63
CHLORIDEN.
ELEMENTEN.
OXYDEN.
SULFIDEN.
Mg 24    Cl 71
Zn 65    Cl 71
Fe 56    Cl 71
Fe 112  Cl 213
K 39      Cl 35,5
Hg 200 Cl 35,5
Hg 200  Cl 71
Magnesium
Zink. . . .
IJzer . . .
Kalium . .
Kwik . . .
Mg 24     O 16
Zn 65     O 16
Fe 56      O 16
Fe 112    O 48
K 78       O 16
Hg 400    O 16
Hg 200    O 16
Mg 24
Zn 65
Fe 56
Fe 112
Fo 56
K 78
Hg 400
Hg 200
S 32
S 32
S 32
S 96
S 64
S 32
S 32
S 32
Uit deze opgave blijkt, dat het mogelijk is de juiste samen-
stelling van de scheikundige verbindingen op te geven met
zoodanige getallen, dat bij eenzelfde element steeds
hetzelfde getal, of een klein veelvoud daar-
v a n, voorkomt. Het is duidelijk, dat de wet der multiple
verhoudingen hierin ligt opgesloten.
2. Ter verklaring der verhoudingswetten en van de schei-
kundige verschijnselen in het algemeen, nam Dalton (1808)
de atoomtheorie aan. Zij vormt nóg steeds den grond-
slag van de scheikundige wetenschap en luidt als volgt:
De moleculen vaneen element en van eene
scheikundige verbinding z ij n] samengesteld uit
een bepaald aantal atomen. Dit zijn de kleinste
deeltjes der elementen, die denkbaar zijn. Zij zijn
meestal op zichzelf niet bestaanbaar, doch komen
slechts voor als bestanddeelen der moleculen. De
verschillende soorten van atomen (hoeveel zijn er bekend?) wij-
ken zoowel in scheikundige als in physische eigenschappen van
elkander af. Hunne voornaamste scheikundige eigenschap is de
affiniteit of de scheikundige aantrekkingskracht,
die zij op elkander uitoefenen. De natuurkundige eigenschap
er van, die voor ons van het meest belang is, is hun gewicht.
De eigenschappen eener stof zijn afhankelijk van de wijze
van samenhang, de groepeering en de beweging der moleculen
-ocr page 70-
04
(agregatietoestand, magnetische en electrische eigenschappen,
warmtegraad, enz.), doch vooral van hare samenstelling.
Elke scheikundige verandering, die zij ondergaat, bestaat
in eene verandering in de samenstelling der moleculen. Deze
samenstelling kan verschillen: a. door den aard der ato-
men, die er in voorkomen; b. door hun aantal, zoo zij de-
zelfde soorten van atomen bevatten, en c. door hunne rang-
schikking, zoo zij dezelfde soorten atomen in gelijk aantal
bevatten.
3. Wij vinden hierin de verklaring van de allo tr op ie. Vele elementen
komen voor in verschillende (allo tro pische) toestanden. Behalve de gewone
zuurstof kent men ozon e (actieve zuurstof), d. i. zuurstof, die veel grooter affi-
niteit heeft tot de meeste stoffen en een eigcnaardigen reuk bezit. Zij komt in
geringe hoeveelheid voor in zuivere landlucht en ontstaat hij electrische ontladingen,
bij verdamping van water en bij langzame verbranding. Terwijl eene molecule van
gewone zuurstof is samengesteld uit 2 atomen, is de molecule ozone uit \'•> atomen
samengesteld. Ook zwavel komt voor in verschillende vormen; die, welke kristal-
liseert door langzame afkoeling van gesmolten zwavel, heeft een anderen kristalvorm
dan die, welke uit eene oplossing in zwavelkoolstof kristalliseert, terwijl gesmolten
zwavel bij plotselinge afkoeling als eene bruine, vormlooze stof vast wordt. De gewone
gele phosphor gaat bij verhitting op 300°, bij afsluiting der lucht, over
in rooden phosphor, die niet zoo licht verbrandt, niet vergiftig is, niet
in \'t donker licht en onsmeltbaar is. Bij sterkere verhitting gaat de roode phos-
phor weer over in gewonen. Koolstof komt voor als kleurlooze, achtvlakkige
kristallen, die uitmunten door groote hardheid en sterk lichtbrekend vermogen
(diamant); verder in den vorm van fijne, zachte, donker glanzende blaadjes
(graphiet) en eindelijk als zwarte vormlooze massa (suikerkool).
liet verschil in de allotropische toestanden bij deze elementen wordt algemeen
toegeschreven aan een verschillend aantal atomen, waaruit de moleculen zijn
samengesteld.
§ 16. Atoomgewichten.
1. Door nauwgezette studie der schei- en natuurkundige
eigenschappen van het water zijn de scheikundigen tot de
gevolgtrekking gekomen, dat ééne molecule water is samen-
gesteld uit 1 atoom zuurstof en 2 atomen waterstof. Daar
het gewicht van de zuurstof, die in eene molecule water voor-
komt, zich verhoudt tot die van de waterstof als 8 : 1 (§ 13),
volgt hieruit, dat het gewicht van 1 atoom zuurstof zich ver-
houdt tot dat van 1 atoom waterstof als 16 : 1.
-ocr page 71-
65
Zoo is ook vastgesteld, dat de molecule waterstofchloride is
samengesteld uit 1 atoom waterstof en 1 atoom chloor. De
gewichtsverhouding van de waterstof en het chloor in deze ver-
binding is als 1 : 35,5 (§ 13), waaruit volgt, dat het gewicht van
1 atoom chloor staat tot dat van 1 atoom waterstof als 35,5:1.
2. Talrijke geleerden hebben er toe meegewerkt door zeer
omslachtige en nauwgezette onderzoekingen de samenstelling
van verbindingen van de verschillende elementen volledig te
bepalen, dus zoowel de gewichtsverhoudingen der
bestanddeelen, die er in voorkomen, als het aantal van
de verschillende soorten van atomen, waaruit
eene molecule er van is samengesteld. Hieruit kon toen ge-
makkelijk worden afgeleid de verhouding van het gewicht van
één atoom van de verschillende elementen tot dat van één atoom
waterstof.
Deze verhouding noemt men het atoomgewicht van
het element.
Het atoomgewicht van een element is dus ook het gewicht
van één atoom er van, uitgedrukt in het gewicht
van 1 atoom waterstof als eenheid.
Lijst der atoomgewichten.
H
1
N
14
\'Si
28
Zn
65
Sn
118
Cl
35,5
-P
31
. K
39
Cr
52
Pb
207
Br
80
As
75
Na
23
Mn
55
Cu
63,5
J
127
Sb
122
Ca
40
Fe
56
Hg
200
F
19
B
11
Sr
87,5
Co
59
Ag
108
0
16
Bi
207,5
Ba
137
Ni
59
Au
196
s
32
C
12
Mg
24
Al
27.5
Pt
194
§ 17. Moleculairgewichten.
1. Daar de moleculen eener stof uit een bepaald aantal
atomen bestaan en ieder atoom een bepaald gewicht heeft,
moet ééne molecule van elke stof een bepaald gewicht hebben,
waarvan wij de absolute grootte niet kennen. Onder het
moleculairgewicht eener stof verstaat mende ver-
Hom, Scheikunde.
                                                             5
-ocr page 72-
60
houding van het gewicht ééner molecule van
die stof tot dat van één atoom waterstof.
Het gewicht van de molecule is natuurlijk gelijk aan de som
der gewichten harer atomen. Uit vele verschijnselen heeft men
opgemaakt dat de molecule waterstof uit twee atomen
bestaat; het moleculairgewicht van dit gas is dus 2. Ook de
moleculen van zuurstof, stikstof, chloor en de meeste andere
elementen bestaan uit twee atomen. Het moleculairgewicht
dier elementen is dus het dubbele van hun atoomgewicht.
2, Een zeer belangrijk hulpmiddel ter bepaling van het
moleculairgewicht van die stoffen, wier moleculaire samen-
stelling nog niet volledig is vastgesteld, is de wet van
Avogadro. Deze luidt: In gelijke volumen van verschillende
gassen of dampen van gelijke temperatuur en spanning bevin-
den zich evenveel moleculen.
Zij is gegrond op de groote over-
eenkomst van alle gassen wat betreft de wet van Boyle, de
uitzetting bij verwarming, de soortelijke warmte, enz. Kent men
nu het S. G. van eene gasvormige verbinding, dan kan men
hieruit de verhouding afleiden tusschen het moleculairgewicht
dier verbinding en dat van waterstof, en door vermenigvuldiging
van die verhouding met 2 vindt men haar moleculairgewicht.
Het S. G-. van waterstofchloride is 1.262, dat van waterstof
0.069 (bij 0° en 760 mM spanning). De verhouding van de ge-
1.262
wichten der moleculen van beide gassen is dus . _ = 18,28;
het moleculairgewicht van waterstofchloride is dus 36,5. De
kennis van het moleculairgewicht eener verbinding is meestal
een voornaam hulpmiddel ter bepaling van hare moleculaire
samenstelling.
Voorbeeld van de toepassing der wet van Avogadro:
Zoo in een eudiometer een mengBel van 20 cM\' waterstof en 20 cM3 chloor
tot ontploffing gebracht wordt, dan ontstaat 40 cM3 waterstofchloride. Wij leiden
hieruit af, in verband met de wet van Avogadro, dat 1 mol. waterstof en 1
mol. chloor zich verbinden tot 2 mol. waterstofchloride. Neemt men aan, zooals
ook uit het moleculair gewicht der verbinding blijkt (zie boven), dat de molecule
van deze verbinding de eenvoudigste samenstelling heeft, die denkbaar is, en
-ocr page 73-
67
bestaat uit 1 at. waterstof en 1 at. chloor, dan bevatten de 2 mol. waterstof-
chloride, die ontstaan zijn, dus 2 at. waterstof en 2 at. chloor en wij komen
tot de gevolgtrekking, dat ééne molecule van die twee elementen is samen-
gesteld uit twee atomen.
§ 18. Scheikundige formules.
1. De samenstelling eener scheikundige verbinding kan,
zoodra ze bekend is, door eene formule worden voorgesteld,
die ons op de eenvoudigste wijze aangeeft uit hoeveel atomen
van verschillende soort de molecule is samengesteld.
H, O is de formule van water; zij drukt uit, dat eene molecule
water is samengesteld uit 2 at. waterstof en 1 at. zuurstof.
Fe S is de formule van ijzersulfide; zij duidt aan, dat eene
molecule dier verbinding bestaat uit 1 at. ijzer en 1 at. zwavel.
Au Cl, is de formule van goudchloride; zij duidt aan, dat lat.
goud en 3 at. chloor in ééne molecule er van voorkomen.
As2 O, is de formule van arsenikoxyde, waaruit we opmaken,
dat 1 molec. er van bestaat uit 2 at. arsenik en 3 at. zuurstof.
2. Formules van de voornaamste oxydcn, sulfiden en
chloriden.
SULFIDEN.
CHLORIDEN.
OXYDEN.
Ho S waterstofsulfidc
H Cl waterstofchloride
water
waterstofperoxyde
chloormonoxyde of
ondcrchlorigzunranhydride
chloortrioxyde of
chlorigzuuranhydride
cbloorpentoxyde of
chloorzuuranhydride
zwavelbioxyde of
zwaveligzuuranhydride
zwaveltrioxyde of
zwavelzuuranhydride
stikstofmonoxyde of
stikstofoxydule
S., Cl., zwavelchloride
-ocr page 74-
68
0 X Y D E N.
SULFIDEN.
CHLORIDEN.
NO
stikstof bioxyde of
stikstofoxyde
Ns03
stikstoftrioxyde of
salpeterigzuuranhydride
NC13
stikstofchloride
N20<
stikstoftetroxyde of
stikstofperoxyde
N205
stikstofpentoxyde of
salpeterzuuranhydride
P203
phosphortrioxyde of
phosphorigzuuranhydride
P2S3
phosphortrisulfide
PC13
phosphortrichloride of
phosphorchloruur
P205
phosphorpentoxyde of
phospliorzuuranhydride
P2S5
phosphorpentasulfide
PC15
pbospborpentachloride
of phospborchloride
As203
arseniktrioxyde of
arsenigzuuranhydride
As2S3
arseniktrisulfide of
arseniksulfaur
AsCl3
arseniktrichloride
As205
arseuikpentoxyde of
arsenikzuuranhydride
As2S5
arsenikpentasulfide of
arseniksulfide
Sb203
antimoontrioxyde of
Sb2S3
antimoontrisulfide of
SbCl3
antimoontrichloride of
antimonigzuuranhydride
antimoonsulfuur
antiraoonchloruur
Sb205
antimoonpentoxyde of
Sb2S5
antimoonpentasulfide of
SbCl5
antimoonpentachloride
antimoonzuuranhydride
antimoonsulfide
of antimoonchloride
Bi203
bismuthoxyde
BiS,
bismuthsulfide
BiCl3
bismuthchloride
B203
booroxyde of
boorzuuranhydiïde
CO
koolmonoxyde of
kooloxyde
C02
koolbioxyde of
koolzuuranhydride
cs2
koolsulfide
CC14
koolstofchloride
Si02
siliciumoxyde of
kiezelzuuranhydride
SiCl4
kiezelchloride
K20
kaliumoxyde
K2S
kaliumsulfide
KC1
kaliumchloride
Na20
natriumoxyde
Na2S
natriumsulfide
Na Cl
natriumchloride
CaO
calciumoxyde
CaS
calciumsulllde
CaCl2
calciumcbloride
BaO
bariumoxyde
BaS
bariumsulfide
BaCl2
bariumchloride
Ba02
bariumperoxyde
MgO
magnesiumoxyde
Mg 8
magnesiumsulfide
MgCl2
magnesiumchloride
ZnO
zinkoxyde
ZnS
zinksulfide
ZnCl2
zinkchloride
M11O
manganooxyde of
mangaanoxydnle
MnS
manganosulfide
MnCl2
manganochloride of
mangaanchloruur
Mn203
mangauioxyde of
mangaanoxyde
Mn2Cl(
manganichloride of
mangaanchloride
-ocr page 75-
G9
0 X Y D E N.
SULFIDEN.
CHLORIDEN.
MnO,
maogaanperoxyde
MnS»
mangaanpersulfide
FeO
ferrooxyde of
ijzeroxydule
FeS
ijzersulfide
Fe Cl» ferrochloride of
ijzerchloruur
Ff O,
ferrioxyde of
ijzei\'oxyde
FeS,
ijzerpersulfide
Fe» Cl6 ferrichloride of
ijzercliloride
A1„03
aluminiumoxyde
Al» Cis aluminiumchloride
Sn» 0»
stannooxyde of
Sn» S,
stannosulfide of
Sn» CI4 stannochloride of
tinoxydule
tinsulfuur
tinchloruur
SnO»
stannioxyde of
SnS»
stannisulfide of
Sn Cl-i stannicliloride of
tinoxyde
tinsulfide
tinchloride
PbO
loodoxyde
PbS
loodsulfide
Pb Cl» loodchloride
PbO»
loodperoxyde
Cu»0
cuprooxyde of
Cu, S
cuprosulfide of
Cu, Cl» cuprochloride of
koperoxydule
kopersulfuur
koperchloruur
CnO
cuprioxyde of
CuS
cuprisulfide of
Cu Cl, cuprichloride of
koperoxyde
kopersulfide
koperchloride
Hg.0
raercurooxyde of
hk,s
mercurosulfide of
Hg, Cl, mercurochloride of
kwikoxydule
kwiksulfuur
kwikchloruur
HgO
mercurioxyde of
HgS
mercurisulfide of
Hg Cl» mcrcurichloride of
kwikoxyde
kwiksulfide
kwikchloride
Ag„0
zilveroxyde
AgsS
zilversulfide
Ag Cl zilverchloride
AujO,
goudoxyde
Aa,Sa
goudsulfide
Au Cl3 goudchloride
PtO»
platinaoxyde
PtS,,
platinasulfide
Pt CL| platinachloride
3. Aangaande de namen dezer verbindingen is het volgende op te merken:
Van een element, waarvan slechts één oxyde, sulfide of chloride bekend is, noemt
men dit eenvoudig het oxyde, het sulfide, het chloride er van. Zijn er daarentegen
meer bekend, dan volgt men verscheidene wegen om ze te onderscheiden: Men
maakt gebruik van de van het Grieksch of Latijn afgeleide woorden mono (een)j
bi (twee), tri (drie), tetra (vier), penta (vijf), enz., om het aantal atomen van
O, S of Cl in de molecule aan te duiden. Men noemt ook de meest voorkomende
verbinding het oxyde, sulfide en chloride; eene verbinding, die meer atomen
O, S of Cl bevat, is het peroxyde, persulfide, of perchloride, en eene
andere, die minder bevat, is het suboxyde, subsulfide of subchloride.
De oxyden van niet-metalen noemt men ook naar de z u r e n, die er van worden
afgeleid (zie $ 22,$). Bij de metaal-verbindingen geeft men verder aan den metaal-
naam den uitgang o bij de verbindingen, die het minst en den uitgang / bij de
verbindingen, die meer O, S of Cl bevatten. Eindelijk noemt men ook de eerst-
genoemde verbindingen oxydulen, sulfuren en chloruren, de andere
oxyden, sulfiden en chloriden.
-ocr page 76-
70
§ 19. Scheikundige vergelijkingen en berekeningen.
1. Wordt koolstof bij voldoenden luchttoevoer verbrand, dan
verbinden zich atomen koolstof met atomen zuurstof tot kool-
bioxyde.
Deze scheikundige werking kan worden uitgedrukt in eene
scheikundige vergelijking, die ons in de eerste plaats
aanwijst, welke stoffen op elkander inwerken en welke stoffen
tengevolge hiervan ontstaan, doch buitendien het aantal
atomen (van elementen) of moleculen (van verbindingen)
leert kennen, die op elkander moeten inwerken, opdat zich het
kleinst mogelijke aantal atomen of moleculen der nieuwe
stoffen kunne vormen.
Om deze vergelijking op te stellen, beginnen wij met de schei-
kundige teekens der stoffen, die op elkander inwerken, door
teekens verbonden, naast elkander te schrijven. Hier achter
plaatsen wij het teeken = en daar naast de scheikundige
teekens der nieuwe stoffen, die ontstaan, ook door -f- teekens
verbonden. Wij schrijven dus op C 0 = C02.
Deze vergelijking is evenwel blijkbaar onjuist, want in 1 moi.
C02 zijn 2 at. O en er moeten zich derhalve 2 atomen O met
1 atoom C verbinden, opdat de kleinste mogelijke hoeveelheid
koolzuur zich kunne vormen.
De juiste vergelijking is dus C 2O = C02. Zij leert ons
dat 1 atoom koolstof en 2 atomen zuurstof
zich met elkander verbinden tot 1 mol. koolzuur.
Is eene scheikundige vergelijking juist, dan komt in de beide leden
van iedere atoomsoort een even groot aantal voor.
Vraag. Waarom kan de vergelijking niet juist zijn, wanneer aan deze voorwaarde
niet voldaan is?
Opgave. Druk de volgende vergelijkingen in woorden uit:
H2 -j- O = H„ O.
Fe 4- S = Fe S.
Cu Cls= Cu Cl3.
De ontleding van kwikoxyde door hitte wordt door de vol-
gende vergelijking uitgedrukt: Hg O = Hg -f- O. Zij zegt ons,
dat 1 mol. kwikoxyde bij de ontleding 1 at. kwik en 1 at.
-ocr page 77-
71
zuurstof oplevert. De ontleding van water door electriciteit
wordt uitgedrukt door de vergelijking H2 O = H2 0.
Wordt ijzeroxydule met waterstof behandeld, dan vormt zich
ijzer en water. Fe O H2 = Fe H2 O. 1 mol. ijzeroxydule
en 2 at. waterstof leveren, door hunne inwerking op elkander,
1 at. ijzer en I mol. water.
Bij het roosten van kopersulfide ontstaat koperoxyde en zwa-
velbioxyde. Deze verandering wordt uitgedrukt door de verge-
lijking CuS 3 0 = CuO S02. Zij zegt ons, dat 1 mol. ko-
persulfide 3 at. zuurstof behoeft, om te verbranden en dat
daarbij 1 mol. koperoxyde en 1 mol. S 02 ontstaan.
Opgave Druk nl de schrik, werkingen, in j 9 beschreven, door vergelijkingen uit.
2. De formule van magnesiumoxyde is Mg O. Zij drukt uit,
dat in ééne mol. er van 1 at. Mg en 1 at. O voorkomt.
Één at. Mg weegt 24 maal zooveel als 1 at. H. (blz. 65).
» » "           »          1"        »            »              »         „          n
De gewichtshoeveelheden van Mg en O in deze verbinding,
verhouden zich dus als 24 : 16 of als 3:2. In 1 KG dei-
verbinding komen dus voor 3/6 KG Mg en 2/5 KG O.
Hoeveel % kwik komt voor in kwiksulflde?
De formule dezer verbinding is Hg S, dus op 1 atoom Hg
komt 1 atoom S voor. 1 Atoom Hg weegt 200 maal zooveel als
1 atoom H; 1 atoom S weegt 32 maal zooveel als 1 atoom H.
De gewichtshoeveelheden der bestanddeelen van ééne molecule
verhouden zich dus als 200 : 32. Op 232 gewichtsdeelen van de
verbinding, komen dus 200 deelen kwik voor, op 100 gewichts-
200 X 100
deelen dus —rr^----deelen kwik. De stof bevat dus 86,l°/„ kwik.
Hoeveel zwavel is noodig om 5,4 KG koperoxyde te veran-
deren in kopersulfide ?
De vergelijking, die ons leert, welke scheikundige wer-
king hier plaats vindt, is 2CuO 3S = 2 Cu S S02. Wij
zien hieruit, dat op 2 moleculen koperoxyde, 3 atomen zwa-
vel noodig zijn. Eene mol. koperoxyde bestaat uit 1 atoom
koper en 1 atoom zuurstof, zij weegt dus (63.5 16) = 79,5
maal zooveel als 1 at. waterstof, 2 mol. koperoxyde wegen
-ocr page 78-
72
dus 2 X 79,5 = 159 maal zooveel, terwijl 3 atomen zwa-
vel 3 x 32 = 96 maal zooveel wegen als 1 atoom waterstof.
De verhouding van ,de hoeveelheden koperoxyde en zwavel,
die op elkander inwerken, is dus als 159 : 96. Voor de ont-
5,4
leding van 5,4 KG koperoxyde is dus j^z x 96 KG zwavel noodig.
Vraagstukken. Hoeveel zuurstof is noodig om 1 KG zuivere koolstof te verbranden.
Hoeveel °/„ ijzer bevat ijzerglans (dit is ijzeroxyde Fe» O3).
Hoeveel "/o chloor bevat keukenzout (Na Cl).
Hoeveel zwavel j is noodig om 360 G ijzervijlsel te veranderen in
ijzersulfidc? (Fe S).
Hoevee! waterstof is noodig om 1 KG koperoxyde (Cu O ) te ontleden ?
Hoeveel zuurstof is noodig om 100 KG loodsulfide (Pb S) te
roosten ?
§ 20. Wisselontledingen.
1. Proef 70. IJzeroxyde wordt verhit in een porseleinen
schuitje, dat we in eene droge glazen buis geplaatst hebben.
Door de buis wordt droog waterstofchloride geleid (fig. 52). Er
vormt zich water en ijzerchloride. Het laatste blijft gedeeltelijk
2
Fig. B2. Werking van waterstofchloride op ijzeroxyde.
-ocr page 79-
73
in gesmolten toestand in het schuitje achter, gedeeltelijk zet
het zich als bruine kristalletjes, die zich uit den damp er van
vormden, af op de koudere deelen van het glas. Wij kunnen
het in water oplossen en aan zijne bekende eigenschappen
herkennen (zie § 7,2). De volgende vergelijking drukt deze
scheikundige werking uit: Fe, O, -f 6 Cl H = Fe, Cl6 8 H, O
Dezelfde scheikundige werking heeft plaats, zoo wij in plaats
van ijzeroxyde andere metaaloxyden nemen. Bij kopéroxyde
heeft de omzetting nog veel vlugger plaats; bij tin- en zink-
oxyde zelfs met vuurverschijnselen; bij kwik- en zilveroxyde
reeds bij gewone temperatuur.
Proef 71. In eene buis worden verschillende oxyden, afge-
zonderd van elkander, verwarmd (flg. 53); b.v. loodoxyde (geel),
Fig. 68. Vorming van sulfiden uit oxyden door middel van watersulflde.
arsenikoxyde (wit), kwikoxyde (rood), ijzeroxyde (bruin).
Nu wordt een stroom waterstofsulfide door de buis geleid. De
oxyden veranderen van kleur (ze worden resp. zwart, geel,
zwart, zwart), terwül zich water vormt. De kleurverandering
duidt eene scheikundige ontleding der oxyden aan. Ze zijn
-ocr page 80-
74
alle veranderd in sulfiden, volgens de volgende vergelijkingen:
Pb O SH, =PbS -fOH2
As, 03 3SH2 =As, S8 8 0H,
HgO SH, =HgS OH2
Fe O SH2 -FeS 0H2
De oxyden der meeste metalen kunnen op deze wijze ge-
makkelijk in sulfiden veranderd worden.
Proef 72. Wij verwarmen antimoonsulfide in eene buis en
leiden er waterstofchloride overheen.
Er ontstaat waterstofsulfide en antimoonchloride. Het eerste is
aan den reuk gemakkelijk te herkennen. (Bereiding van water-
stofsulfide).
De volgende vergelijking drukt deze ontleding uit:
Sb, S34-üClH = 2SbCl3 3SH2.
Proef 73. Eene buis, die ijzerchloride bevat, verhitten wij
sterk en leiden er dan waterdamp doorheen. De uittredende
damp bevat waterstofchloride. (Hoe kan men dit aantoonen?)
In de buis blijft onoplosbaar ijzeroxyde achter. Fe2 Cl6 3H2 O =
= Fe203 6ClH.
Verschillende andere metaalchloriden kunnen op dezelfde
wijze door waterdamp ontleed worden. Ook zwavel- en phosphor-
chloride worden op dezelfde wijze ontleed.
Proef 74. Wij leiden waterstofsulfide over kwikchloride, dat
in eene buis verwarmd wordt. Er vormt zich kwiksulfide (zwart)
en waterstofchloride. Hg Cl2 S H, = Hg S 2 Cl H. Ook an-
dere metaalchloriden worden op deze wijze door S H2 in sulfi-
den veranderd.
2. Bij al deze proeven hadden wij te doen met w i s s e 1-
ontledingen, omdat de verbindingen, die we bij elkander
voegden, hare bestanddeelen met elkander verwisseld hebben.
(Toon dit nader aan). De oorzaak dezer scheikundige wer-
kingen moeten wij zoeken in de affiniteit der verschillende
bestanddeelen tot elkander. Zoo b.v. de affiniteit van ijzer tot
chloor en de affiniteit van waterstof tot zuurstof samen grooter
zijn, onder de in de proef 70 bestaande omstandigheden, dan de
affiniteit, van ijzer tot zuurstof -f- de affiniteit van chloor tot
-ocr page 81-
75
waterstof, dan zijn de krachten, welke de te zamengebrachte
verbindingen trachten te ontleden, grooter dan die, welke tot
hare instandhouding samenwerken en het is natuurlijk, dat de
bestaande verbindingen ontleed worden en nieuwe ontstaan,
door verwisseling der bestanddeelen.
Toch komt men soms tot tegenstrijdige gevolgtrekkingen, zoo
men alle wisselontledingen hierdoor alleen zou willen verklaren.
De ontleding in proef 73, op dezelfde wijze beredeneerende, zou
men namelijk tot de gevolgtrekking komen, dat de affiniteit
van ijzer tot chloor die van waterstof tot zuurstof kleiner
is dan de affiniteit van ijzer tot zuurstof die van chloor tot
waterstof. Hier moet dus nog een andere invloed in \'t spel
treden. Dat dit werkelijk zoo is, leert ons de volgende proef.
Proef 75. Wij gieten eenige druppels van eene oplossing van
ijzerchloride in water in eene groote glazen flesch met water,
laten haar eenige uren rustig staan en zien dan te midden
van het water losse, bruine vlokken ontstaan, die langzaam
zinken en zich eindelijk op den bodem afzetten. De bruine
stof, die zich hier vormde, is ijzeroxyde.
Terwijl dus ijzerchloride in weinig water oplost zonder
ontleding, wordt het door den invloed van eene groote hoe-
veelheid water ontleed. (Van deze werking maakt men ge-
bruik om troebel water snel volmaakt helder te maken).
Vraag. Welke stof vormt zich hierbij, die in \'t water opgelost blijft?
Uit deze proef blijkt dus, dat ook hier de hoeveelheden der stof-
fen, die we bij elkander voegen, invloed hebben op de werking,
die ze op elkander uitoefenen. Dit in aanmerking nemende,
zal het niet moeilijk zijn de tegenstrijdigheid in de uitkomsten
van de proeven 70 en 73 te verklaren; immers in het eene
geval brachten wij bij eene beperkte hoeveelheid ijzeroxyde
eene onbepaalde hoeveelheid waterstofchloride tot de ontleding
had plaats gehad, terwijl het water, dat zich vormde, zich
onmiddellijk afscheidde van de overige stoffen; in het andere
geval brachten wij bij eene beperkte hoeveelheid ijzerchloride
eene groote hoeveelheid waterdamp, terwijl het gevormde
waterstofchloride zich onmiddellijk uit de buis verwijderde.
i
-ocr page 82-
76
§ 21. Valentie of waardigheid.
1. Beschouwen wij de scheik. vergelijkingen van de vorige
§ nader, dan zien wij, dat, waar bij eene wisselontleding zuur-
stof vervangen wordt door chloor, telkens 2 atomen chloor
in eene molecule vervangen worden door 1 atoom z u u r-
stof. Waar waterstof wordt vervangen door zuurstof, wordt
de plaats van 2 atomen waterstof in eene molecule
ingenomen door 1 atoom zuurstof. Waar zuurstof wordt
vervangen door zwavel, komt 1 atoom zuurstof in de plaats
van 1 atoom zwavel. Waar zwavel wordt vervangen door
chloor, nemen 2 atomen chloor de plaats in van 1 atoom
zwavel.
Zoo zien wij ook, dat in proef 71 1 atoom lood de plaats
inneemt van 2 atomen waterstof; 2 atomen arsenik die van
6 atomen waterstof; 1 atoom kwik die van 2 at. waterstof.
In proef 72 worden 2 atomen antimoon vervangen door 6
atomen waterstof. In proef 70 worden 2 atomen ijzer vervan-
gen door 6 atomen waterstof, evenzoo in proef 73. In proef
74 1 atoom kwik door 2 atomen waterstof.
Dit zijn geene toevallige of op zichzelf staande uitkomsten,
maar telkens, wanneer bij eene scheikundige werking het eene
element de plaats van een ander element inneemt, is een
bepaald aantal atomen van dit laatste noodig om die van
het eerste te vervangen.
Dit hangt af van de waardig-
heid
of valentie van de atomen der verschillende ele-
menten.
Uit de opgegeven voorbeelden volgt, dat zuurstof" en zwavel-
atomen elkander in gelijk aantal kunnen vervangen; ze zijn
gelijkwaardig of hebben dezelfde valentie. Evenzoo,
dat waterstof" en chlooratomen elkander in gelijk aantal kunnen
vervangen; deze zijn dus ook gelijkwaardig. Daarentegen
neemt 1 atoom zwavel of zuurstof dezelfde plaats in eene
-ocr page 83-
77
molecule in, als 2 atomen waterstof of chloor; men noemt
daarom de zuurstof- en zwavelatomen tweewaardig. Een
atoom is drie», vier-, of vijf waardig, zoo het de plaats
inneemt van 3, 4 of 5 atomen waterstof of chloor.
De waardigheid der atomen is in de volgende tabel opge-
geven.
NIET-METALEN.
METALEN.
Eenwaardige
Vierwaardige
Een waardige
Driewaardige
H
,c
K
Au
Cl
S*
Na
Vierwaardige
Br
Vijfwaardige
Ag
Sn
J
N
Tweewaardige
Pt
Fl
P
Ca Mn
Zeswaardige
Tweewaardige
Aa
Ba Co
dubbelatomen
0
Sb
Sr Ni
Al, Cr2
S
Mg Pb
Fe2 Mn2
Driewaardige
Zn Cu
Ni2 Co2
B
Cr Hg
Fe
Sommige elementen, b.v. ijzer, hebben niet in al hunne
verbindingen dezelfde waardigheid. In ijzeroxydule en zijne
verbindingen is het atoom ijzer tweewaardig: Fe O
2 H Cl = Fe Clj H2 O. In ij z e r o x y d e zijn de twee ato-
men ijzer, die inde molecule voorkomen, zeswaardig:
Fe2 03 6HCl=:Fe2 016 3H2 O. Men zegt, dat in ijzer-
oxyde een zeswaardig dubbelatoom ijzer voorkomt.
Hetzelfde geldt van aluminiumoxyde, chroomoxyde, mangaan-
oxyde, cobaltoxyde en nikkeloxyde. In de k o p e r- en k w i k-
oxydu 1 e bevinden zich tweewaardige dubbelato-
men van die metalen; in k o p e r- enkwikoxyde komen
enkelvoudige atomen dier metalen voor, die ook tweewaar-
dig zijn.
-ocr page 84-
78
Bij nauwkeurige beschouwing van de tabel der formules van de oxyden, sulfiden
en chloriden (blz. C7) blijkt, (let er verband bestaat tusschen de formule eener
verbinding en de waardigheid der elementen, die er in voorkomen. In het alge-
meen hebben verbindingen van gelijkwaardige elementen
geheel analoge formules (vergelijk de formules der oxyden en der
sulfiden, die der verbindingen van P, N, As, Sb, van K, Na, Ag, van Fe, Cr,
Mn, Ni, Cd, enz.). Verder zien wij, dat 1 at. van een éénwaardig element zich
verbindt met 1 at. van een ander éénwnardig element. Dat 1 al. van een twee-
waardig element zich verbindt met 2 at. van een éénwaardig of met 1 at. van een
tweewaardig element. Zoo verbindt zich 1 at. van een driewaardig met 3 at. van
een éénwaardig element; 2 al. van een driewaardig met 3 at. van een tweewaardig
element, enz.
Op deze regels bestaan, zooals uit de formules blijkt, talrijke uitzonderingen.
HOOFDSTUK IV.
Basen, zuren en zouten.
§ 22. Hydroxyden, basen en zuren.
1. Proef 76. Wij verbranden een stukje kalium en behan-
delen het kaliumoxyde met een weinig water (zooals bij proef
29). De warmte, die hierbij ontwikkeld wordt, bewijst ons, dat
hier geene gewone oplossing van het oxyde in water plaats
vindt (waarom?), maar dat de beide stoffen, die wij bij elkander
voegen, eene scheikundige werking op elkander uitoefenen.
Dat hier werkelijk eene nieuwe stof ontstaan is, blijkt, wanneer
wij het overtollige water verdampen. Wij houden dan eene
witte stof over, die bij sterkere verhitting smelt, doch geen
water meer afgeeft. Deze stof is geen kaliumoxyde, daar zij,
-ocr page 85-
79
na afkoeling, in water eenvoudig oplost zonder warmte*
ontwikkeling.
Nader onderzoek heeft geleerd, dat de samenstelling dezer
nieuwe verbinding wordt uitgedrukt door de formule KOH.
Het is dus eene verbinding van de drie elementen kalium,
waterstof en zuurstof; zij draagt den naam kaliumhydroxyde.
De vorming van kaliumhydroxyde geschiedt volgens de vol-
gende vergelijking: K20 H20—2KOH.
Dezelfde werking heeft plaats, zoo men natriumoxyde, calci-
umoxyde (kalk) en bariumoxyde met water behandelt.
Vraag, Waarvan is kalkwater eene oplossing?
Zoo men bij de oxyden van andere metalen water voegt, on-
dergaan zij geene verandering (zie proef 31). Toch kunnen de
hydroxyden dezer metalen langs een anderen weg worden
verkregen. Hunne samenstelling is steeds alsof zij, even als
kaliumhydroxyde, ontstaan waren door verbinding van het
oxyde met water, waarbij in den regel zooveel watermoleculen
meewerken, als er zuurstofatomen in het oxyde zijn:
Ca O H20 = Ca02H2        Sn02 2H,0 = SnOtH,
Fe O H20 =PeO,H1        Ag2 O H20 =2 Ag OH
Fe, O, 8^0 = Fe, O.H,       Au2 O, 3H2 O = 2 AuOa H8
Pb O H20 =Pb02H2
Opmerking. Men kan deze hydroxyden ook beschouwen als de verbindingen van
het metaal met de atoomgroep of het radicaal HO, dat één-
waardig is en hydroxyl genoemd wordt. Is het metaal éénwaardig,
dan is in het hydroxyde 1 atoom er van verbonden met één radicaal
HO; is het tweewaardig, dan is 1 atoom verbonden met 2 radicalen
HO. Het zeswaardige dubbelatoom ijzer van het ijzeroxyde is verbon-
den met 6 radicalen HO, enz
Wij zagen in proef 33, dat phosphorpentoxyde en in proef
70, dat ook zwaveltrioxyde zich bij behandeling met water
juist gedragen als kaliumoxyde en kalk. Ook hier wijst de
aanzienlijke warmte-ontwikkeling er ons op, dat het water op
die stoffen eene scheikundige werking uitoefent. Zoo wij het
overtollige water verdampen, verkrijgen wij werkelijk twee
-ocr page 86-
80
nieuwe stoffen, n.1. phosphorzuur P 03 H en zwavel-
zuur S04 H2. De vorming van deze hydroxyden wordt
uitgedrukt door de volgende vergelijkingen:
P205 H20 = 2P03H en SO, H, O = SO, Ha.
Bijna alle oxyden van niet-metalen verbinden zich met
water, waardoor hunne hydroxyden ontstaan. Dikwijls heeft
deze verbinding plaats zonder warmte-ontwikkeling en gelijkt
zij dus geheel op eene oplossing, b.v. bij S02, C02, As2 Oa,enz.
Van die, welke niet oplosbaar zijn in water, zijn de hydroxy-
den langs een omweg te verkrijgen, b.v. van Si02.
2. Wij weten reeds, dat de oplosbare hydroxyden van me-
talen rood lakmoes blauw kleuren en een loogachtigen smaak
hebben, terwijl de oplosbare hydroxyden van niet-metalen
(meer of minder sterk) blauw lakmoes rood kleuren en een
zuren smaak bezitten.
De volgende proeven zullen ons nóg een ander gewichtig
verschil leeren kennen tusschen de hydroxyden van metalen
en niet-metalen.
Proef 78. "Wij vermengen oplossingen van zwavelzuur en
phosphorzuur in water met elkander. Zij oefenen geene wer-
king op elkander uit. Over het algemeen oefenen de hydroxy-
den van niet-metalen geene werking op elkander uit.
Proef 79. Oplossingen van kaliumhydroxydo en calcium-
hydroxyde in water worden bij elkander gevoegd. Zij oefenen
geene werking op elkander uit. Tot hetzelfde resultaat komen
wij, zoo wij andere [metaalhydroxyden by elkander voegen.
(Slechts in enkele gevallen heeft het tegendeel plaats.
Hierover later.)
Proef 80. Bij eene sterke oplossing van natriumhydroxyde
voegen wij druppelsgewijze zwavelzuur. Er heeft eene hevige
scheikundige werking plaats, zooals reeds aanstonds blijkt uit
de groote hoeveelheid warmte, die zich hierbij ontwikkelt.
Doen wij een weinig blauw lakmoes in de oplossing en gaan
wij langzaam voort met druppelsgewijze zwavelzuur er bij te
voegen, terwijl we steeds omroeren, dan zien we plotseling de
-ocr page 87-
81
blauwe kleur van het lakmoes overgaan in rood. Bij afkoeling
zet zich eene witte, vaste stof uit de vloeistof af. Wij gieten
de vloeistof af, wasschen de vaste stof eenige malen snel met
koud water, lossen haar dan in water op en overtuigen ons
nu, dat ze noch op blauw, noch op rood lakmoes werking
uitoefent. Er is dus eene nieuwe, indifferente of n e u-
t r a 1 e stof ontstaan.
Dezelfde proef herhalen wij met kaliumhydroxyde en phos-
phorzuur, met calciumhydroxyde en zwavelzuur (waarbij zich
eene weinig oplosbare stof vormt, n.1. gips), met magnesium-
hydroxyde en zwavelzuur, enz. Wij zien telkens eene schei-
kundige werking plaats hebben en eene nieuwe stof ontstaan,
die al of niet oplosbaar is in water.
Behalve de vroeger behandelde verschillen tusschen de hy-
droxyden van de metalen en van de niet-metalen, leeren wij door
deze proeven nog een ander zeer belangrijk onderscheid er
tusschen kennen. Terwijl de hydroxyden der niet-
metalen geene werking op elkander u i t o e f e-
nen, evenmin als in \'t algemeen die der metalen
op elkander, zien wij, dat hethydroxydevan
een niet-metaal op dat van een metaal inden
regel eene scheikundige werking uitoefent,
tengevolge waarvan zich eene nieuwe stof
vormt. Men noemt de hydroxyden van niet-metalen zuren;
die van de metalen, welke tegengestelde eigenschappen bezit-
ten en op zuren eene scheikundige werking uitoefenen, worden
basen genoemd.
2. De basen van de meeste metalen zijn vaste stoffen van
verschillende kleur, die onoplosbaar zijn in water. Alleen die
van K, Na, Ba en Ca zijn oplosbaar in water.
Kaliumhydroxyde (bijtende potasch) en natrium hydroxy de (bijtende
soda) zijn vaste, witte stoffen, smeltbaar, hygroscopisch, zeer oplosbaar in water.
De oplossingen tasten de huid sterk aan en werken op de meeste dierlijke stollen
bijtend en oplossend. (In eene warme oplossing van kaliumhydroxyde is wol op-
losbaar, katoen en linnen niet).
Calciumhydroxyde (gebluachte kalk) is eene witte, poedervormige stof, on-
smeltbaar, weinig oplosbaar in water.
Horn. Scheikunde.                                                                                    5
-ocr page 88-
82
Bariumhydroxyde (liaricl) is eene kristallijne stof, meer oplosbaar in water
dan gebluschte kalk.
Opmerkingen. Er zijn hydroxyden van metalen, die indifferent zijn; zij leveren
met zuren geene nieuwe verbindingen op, b.v. Mn 03 H2 (van Mn 02).
Andere (die meer zuurstof bevatten) zijn zelfs zuren b.v. Mn04H2,
Cr 04 H2 (blz. 83).
Nog andere hydroxyden van metalen gedragen zich tegenover zuren
als basen, terwijl zij tegenover sommige andere basen de rol van
zuren spelen, b.v. A1206H6, Zn02H2, enz. Hieruit volgt, dat er
geene scherpe onderscheiding van de hydroxyden in zuren en basen
te maken is.
3. De voornaamste zuren zijn:
Zwavelzuur S04H2 afgeleid van Zwavelzuur-
anhydride SO,
Salpeterzuur N08H „ „ Salpeterzuur-
anhydride N2 05
Phosphorzuur PO,Ha „ „ Phosphorzuur-
anhydride P20,
\') Koolzuur
            COa H, „ „ Koolzuur-
anhydrideC02
Kiezelzuur
        SiO»H4 „ „ Kiezelzuur-
anhydrideSi02
Zwavelzuur (vitriool) is eene kleurlooze, olieachtige vloeistof, S.G. 1,825, kook-
punt 326°. Ze verbindt zich gretig met water, waarbij zich hydraten van zwavel-
zuur vormen, wier samenstelling door eene formule kan worden aangegeven, b.v.
S04 H2-j-H2 O, S04H2 2H20, enz. Dit geschiedt met ontwikkeling van zooveel
warmte, dat groote voorzichtigheid moet in acht genomen worden bij de vermen-
ging dezer stoften, daar anders de plotselinge waterdamp-ontwikkeling ontploffing
en het wegslingeren der gevaarlijke vloeistof kan veroorzaken. Men giet langzaam
en gedurig omroerend het zwavelzuur in het water. Op allerlei plantaardige
en dierlijke stoffen werkt het zuur sterk bijtend en vernielend.
Salpeterzuur (sterkwater) is eene kleurloozevloeistof, S.G. 1,52, kookpunt 66°.
Het tast de huid en andere dierlijke en plantaardige weefsels, kleurstoffen, metalen,
enz. zeer sterk aan. In den handel komt het steeds gemengd met water voor.
Phosphorzuur is eene dikke, kleurlooze vloeistof; het verliest bij verwarming
water en gaat eindelijk over in pyrophosphorzuur. P04 H3 -f- H20 = P03H.
Kiezelzuur is een wit, licht poeder, niet oplosbaar in water.
*) Dit zuur is in vrijen toestand niet bekend, men kent slechts zijne oplossing
in water.
-ocr page 89-
83
Minder belangrijk zijn:
*) Zwaveligzuur
S03 Hs
Phosphorigzuur
P03H3
*) Salpeterigzuur
N02H
*) Arsenigzuur
AsÖ3H3
*) Antimoonzuur
Sb 04 H3
Boorzuur
B03H3
*) Chloorzuur
C103H
*) Chlorigznur
Cl 0., H
*) Onderchlorigzuur
Cl OH
*) Mangaanzuur
Mn 04 H2
*) Overmangaanzuur
Mn 04 H
*) Chroomzuur
Cr 04 H2
afgeleid van Zwaveligzuuranhydride S0S
„        „    Phospnorigzuuranhydride Pj 03
„         „    Salpeterigzuuranhydride N2 03
„         „    Arsenigzuuranhydride As 03
„         „    Antimoonzuuranhydride Sb2 05
„         „     Boorzuuranhydride B; 03 -t • \' •
„         „    Chloorzuuranhydride CU 05
„        „     Chlorigzuuranhydride Cl2 03
„         „    Onderchlorigzuuranhydride CL O
„         „    Mangaanzuuvanhydride Mn 03
„         „    Overmangaanzuuranhydride Mn; O;
„         „    Chroomzuuranhvdride Cr 03.
<
.\'.\'.
§ 23. Zouten.
1.    De nieuwe stoffen, die zich vormen door een zuur en
eene base bij elkander te voegen, worden zouten genoemd. Zij
ontstaan tengevolge van eene wisselontleding. De
waterstof van het zuur wordt vervangen door het metaal uit
<3e base, terwijl de plaats van dit laatste wordt ingenomen door
die waterstof. Tegelijkertijd met het zout ontstaat dan ook
altijd water. De volgende vergelijkingen, duiden de scheikun-
dige werkingen aan, die bij proef 80 plaats hadden:
S04H2 2 Na OH =S04Na, 2H20
P04H,-i-3KOH =PO,Ks 3H20
S04H2 CaOaH2 =S04Ca 2H20
S04H2 Mg02H2=SO, Mg 2H20.
2.    Elk zout kan men beschouwen als ontstaan uit een zuur,
door de vervanging van de waterstof door een metaal. Men
noemt het zout naar dat zuur. Zoo noemt men de zouten van
zwavelzuur. . sulfaten
salpeterzuur . nitraten
phosphorzuur. phosphaten
koolzuur. .
kiezelzuur.
chloorzuur.
carbonaten
silikaten
chloraten.
*) Al deze zuren zijn in vrijen toestand niet bekend; men kent slechts hunne
oplossingen in water,
-ocr page 90-
84
zwaveligzuur . .
phosphorigzuur .
salpeterigzuur .
arsenigzuur . . .
margaanzuur . .
overmangaanzuur
antimooDzuur.....stibiaten
boorzuur ....... boraten
cblorigzuar......chlorieten
onderchlorigzuur . . . hypochlorieten
chroomzuur......chromatcn
sulfieten
phosphieten
nitrieten
arsenieten
manganatcn
permanganaten
De naam van het metaal, dat in het zout voorkomt, wordt voor-
opgesteld; zoo is SO, Na2 natriumsulfaat,PO, K3 kaliumphos-
phaat, SO,Ca calciumsulfaat, SO,Mg magnesiumsulfaat.
Zijn er van het metaal twee basische oxyden bekend, dan
onderscheidt men de tweeërlei zouten er van op dezelfde wijze
als de oxyden onderscheiden worden. Men spreekt dus van
ferrocarbonaat, ferrisulfaat, cuprophosphaat, cuprinitraat, mer-
curosulfaat, mercurinitraat, enz.
Opgave. Schrijf de formules op van de bovengenoemde zouten. Evenzoo van kalium-
chloraat, calciumphosphaat, magnesiumsilikaat, zinknitraat, kaliumboraat,
kaliumhypochloriet. Denk aan de waardigheid der respectieve metalen!
3. Proef 81. Koperoxyde, magnesiumoxyde, ijzeroxyde wor-
den behandeld met verdund zwavelzuur of salpeterzuur. Wij
zien de sulfaten en nitraten van koper, magnesium en ijzer
ontstaan en wel opgelost in water. Men zegt, dat de oxyden
in deze zuren zijn opgelost.
Vraag. Is dit eene gewone of physische oplossing dier stoffen?
Opgave. Druk de scheik. werking, die plaats vond, door eene vergelijking uit.
Proef 82. Koolzuurgas wordt geleid over droge gebluschte
kalk of droog kaliumhydroxyde. Het gas wordt door deze stoffen
geheel geabsorbeerd door de vorming der resp. carbonaten.
Opgave. Schrijf de scheik. vergelijking op, waardoor deze werking wordt uitgedrukt.
Opmerking. In proef 10 werd natriumhydroxyde gebruikt voor de absorptie van
koolzuurgas en water, de verbrandingsproducten van het vet.
Op de absorptie van koolzuurgas door gebluschte kalk en de vorming van cal-
ciumcarbonaat (in de natuur voorkomend als marmer, kalksteen, krijt, vogeleier-
schalen, schelpen, enz.) berust het verharden van de metselspecie in de lucht.
Uit de vorige proeven blijkt, dat zouten ook ontstaan door
een basisch oxyde met een zuur te behandelen of door
een zuuranhydride met eene base samen te voegen.
-ocr page 91-
85
Zelfs vormen zij zich door een zuur- en een basisch oxyde
samen te voegen, mits één van beide gasvormig of vloeibaar ia.
Van deze wijze van ontstaan der zouten zijn de oudere namen, die nog veel
gebruikt worden, afgeleid. Zoo spreekt men van koolzure kalk, zwavelzuur koper-
oxyde, salpeterzuur cobaltoxyde, phosphorzmvi magnesia (magnesiumoxyde), enz.
4.    WaterstofcMoride is een gas, waarvan de eigenschap-
pen, die wij reeds kennen, overeenstemmen met die, waardoor
de zuren zich van andere stoffen onderscheiden.
Vraag. Welke zijn die V
Proef 83. Wij herhalen proef 80, doch gebruiken een e op-
lossing van waterstofchloride in water (zoutzuur) in plaats
van zwavelzuur. De verschijnselen, die zich hierbij voordoen,
zijn geheel dezelfde als die, welke daar werden opgemerkt. Er
vormt zich ook nu eene nieuwe stof, die tegenover lakmoes
indifferent is. Deze stof is natriumchloride (keukenzout).
De scheikundige vergelijking, welke deze werking uitdrukt, is
Cl H Na H O = Cl Na H, O. Ook hier heeft dus wisselontleding
plaats gehad. De waterstof uit waterstofchloride of zoutzuur is
vervangen door het metaal uit de base (Na) en tevens is er
water ontstaan.
Ook tegenover andere basen gedraagt zich waterstofchloride
geheel als een zuur. De chloriden, die ontstaan door de
samenvoeging van waterstofchloride met eene base, vertoonen,
zooals wij in § 24 zullen zien, in vele opzichten dezelfde eigen-
schappen als de andere zouten. Men beschouwt ze dan ook
als zouten van zoutzuur.
In tegenstelling met de vroeger behandelde zuren, die alle
zuurstof houdend zijn en zuurstofzuren genoemd worden,
noemt men waterstofchloride en daarmee overeenstemmende
verbindingen (J H, Br H, Fl H) haloïdzuren. Zoo spreekt
men ook van zuurstofzouten en haloïdzouten
(chloriden, bromiden, jodiden en fluoriden).
5.    Ammoniak is een gas, dat zich in verschillende omstan»
digheden in de natuur vormt, zoo als bij de rotting, de ver-
koling en de onvolkomen verbranding van vele plantaardige of
dierlijke stoffen. Het komt b.v. voor in tabaksrook.
-ocr page 92-
86
Proef 84. Salmiak (eene zoutachtige stof) wordt, met kalk
gemengd, in eene retort verhit. Hierbij ontwikkelt zich ammo-
niakgas, dat we boven kwik opvangen. Het is kleurloos, heeft
een sterk prikkelenden reuk, is onbrandbaar en onderhoudt de
verbranding niet. Het is lichter dan lucht (S. G. 0,59). Openen
wij een cylinder, die met dit gas gevuld is, onder water (zie
flg. 21), dan stijgt dit daarin omhoog, alsof de cylinder lucht-
ledig ware; een bewijs, dat het gas zeer oplosbaar is in water.
Een liter water lost bij 0° 1050 L ammoniakgas op. Bij eene
drukking van 7 a 8 atmospheeren en gewone temperatuur wordt
het vloeibaar (Ammoniak-ijsmachine van Carré. Zie Natuur-
kunde I, blz. 96). De oplossing van ammoniakgas in water,
gewoonlijk ammoniak (geest van salmiak) genaamd, kleurt
rood lakmoes sterk blauw.
Proef 85. "Wij herhalen proef 80, doch gebruiken in plaats
van natriumhydroxyde ammoniak. Dezelfde verschijnselen doen
zich dan voor.
Ammoniak heeft de formule XH,; toch heeft het alle
eigenschappen van eene base. Er bestaan vele gronden om
het te beschouwen als het hydroxyde, dat water heeft afge-
geven, van eene hypothetische stof (NH,), die geheel dezelfde
eigenschappen heeft als kalium en natrium en ammonium ge-
noemd wordt.
(NH,),0 H,0=2(NH,)HO
(NK()HO = NH, H!0.
De stoffen, die zich vormen door behandeling van ammoniak
met zuren, stemmen in eigenschappen geheel overeen met de
kalium- en natriumzouten. Ze worden ammonium zouten
genoemd. Het voornaamste verschil, dat ze met de genoemde
zouten vertoonen, is, dat ze zeer vluchtig zijn en gemakkelijk
gesublimeerd kunnen worden.
Opgave. Schrijf de formules op van ammoniumsulfaat, ammoniumchloride, am-
muniumnitraat, animoniumphosphaat.
In de dampkringslueht vindt men steeds eene geringe hoeveelheid aiiniioniiim-
zouten (carbonaat en nitriet). Baar zij in regenwater oplossen, is de hoeveelheid
-ocr page 93-
87
er van zeer afwisselend en komen zij in den bodem, waar zij als voedingsmiddelen
voor de planten belangrijk zijn.
6.     Behalve de gewone zouten, wier samenstelling in het vorige nummer bespro-
ken is (normale zouten), zijn nog bekend:
Hydrozouten of zure zouten. Deze ontstaan uit zuren, die in ééne
molecule meerdere waterstofatomen bevatten, zoo men slechts een gedeelte der wa-
terstof door een metaal vervangt. Zij vormen zich ook door bij het normale zout
de noodige hoeveelheid van het zuur te voegen.
S 04 Na» S 04 Ho = 2 S 04 Na H Natriumhydrosulfaat.
COs K3 C03H;- 2 C03 K H Kaliumhydrocarbonaat.
De carbonaten van Ca, Mg, Fe enz. zijn in koolzuurhondend water oplosbaar,
omdat zij veranderen in de hydrocarbonaten, die in het water oplossen. Bij
het koken geven zij weer koolzuur af en veranderen in de niet-oplosbare carbonaten.
Daar de hydrozouten zich tegenover basen en tegenover lakmoes gedragen als
zuren, worden ze ook zure zouten genoemd.
Dubbelzouten zijn zouten, die ontstaan door in l of meer moleculen van
een zuur (dat meer dan 1 at. waterstof bevat) de waterstof te vervangen door
twee verschillende metalen. Zij ontstaan dikwijls door twee zouten
van een zelfde zuur bij elkander te voegen.
COjK; COj Na» = 2 C 03 K Na Kalium-natriumcarbonaat.
S 04 lig S 04 K2 = (S04); K» Mg Kalium-mafrnesiumsulfaat.
S 04 K» - - (S04)3 AL = (S 04)4 AU K» Kalium-aluminiumsulfaat of aluin.
Niet alle zouten van zulke zuren kunnen zich met elkander tot dubbelzouten
vereenigen.
7.    Vele zouten komen in den bodem of in het water voor of worden gemakkelijk
verkregen uit andere stoften, die de natuur oplevert. De voornaamste daarvan zijn:
P o t a s c h, Kaliumcarbonaat C 03 K», in de asch van hout en andere planten-
deelen. Hygroscopisch, zeer gemakkelijk oplosbaar.
*Salpeter, Kaliumnitraat N 03 K. Als korst op den bodem, vooral in wanne
gewesten.
* S o d a, Natriumcarbonaat C 03 Na». In de asch van zeeplanten.
Keukenzout, Natriumchloride Na Cl. In zeewater en in den bodem, soms in
uitgestrekte lagen.
Chilisalpeter. Natriumnitraat N 03 Na. In den bodem, vooral in Chili
(meststof).
\'Borax, Natriumboraat B4 07 Na». In den bodem.
Gips, Calciumsulfaat S 04 Ca. In den bodem als mineraal.
Marmer, k r ij t, Calciumcarbonaat C 03 Ca. In den bodem als gesteente.
Calciumphosphaat (P 04)» Ca3. Hoofdbestanddeel der beenderenasch.
*Bitterzout, Magnesiumsulfaat S04Mg. In bronwater (bitterwater) en in
zeewater.
De met een * gemerkte zouten worden grootendeels kunstmatig verkregen.
-ocr page 94-
88
Magnesit, Magnesiumcarbonaat C03Mg. Als mineraal.
* A1 u i n, Kalium-aluminiumsulfaat S4 016 Al2 K». Als mineraal.
Porseleinaarde (leem), Aluminiumsilicaat Si207AU. Als gesteente.
*IJzervitriool, Ferrosulfaat S 04 Fe. Ontstaat door verweering van Pyriet Fe S:.
IJzerspaat, Ferrocarbonaat C03 Fe. Belangrijk ijzererts.
8. Vele zouten zijn oplosbaar in water, enkele zijn zelfs hy-
groscopisch zooals calciumchloride, magnesiumchloride, kalium-
carbonaat; deze vervloeien in de lucht. De graad van oplosbaar-
heid wordt bepaald door na te gaan hoeveel L water noodig is
om 1 KG van het zout op te lossen; in \'t algemeen neemt zij
toe met de temperatuur. Andere zouten zijn niet of zeer weinig
oplosbaar in water.
Oplosbaar zijn: De chloriden met uitzondering van zilver-
chloride, koper- en kwikchloruur (loodchloride is weinig
oplosbaar).
De sulfaten met uitzondering van barium-, strontiunv
en loodsulfaat (calciumsulfaat of gips is weinig oplosbaar).
De nitraten.
Alle zouten van kalium, natrium en ammo-
nium.
Ook bijna alle hydrozouten zijn oplosbaar.
Onoplosbaar zijn: De ca r bonaten, phosphaten, b o ra-
ten, silikaten, arsenieten, chromaten,
behalve die van kalium, natrium en ammonium, en
verder de bovengenoemde uitzonderingen.
Voor de zouten gelden al de wetten der oplosbaarheid, die
in de Natuurkunde I § 16,3 zijn geleerd.
Het water, zooals het voorkomt in de zee, de bronnen en de rivieren, bevat
altijd verschillende zouten in zeer afwisselende hoeveelheden in opgelosten toestand.
Zelfs in regenwater komen, behalve gassen, stofdeeltjes, bacteriën en kiemen van
andere micvoskopische planten en dieren, ammoniumzouten en keukenzout voor, (het
laatste afkomstig van fijne druppels zeewater), die het uit de lucht opnam.
Zeewater bevat per KG ongeveer 35 G vaste stoffen, bestaande uit: keukenzout
26.7 G, kalinmchloride 1.3 G, magnesiumchloride 3,2 G, magnesium sulfaat 2 G,
calciumsulfaat 1.6 G, Bromiden en Jodiden, enz.
De met een * gemerkte zouten worden grootendeels kunstmatig verkregen.
-ocr page 95-
89
Bronwater bevat, naar gelang van den bodem, waaruit het afkomstig is, zeer
verschillende zouten, die het soms ondrinkbaar maken en er dikwijls gcneeskuudige
werking aan geven. Ammoniumzouten, nitraten en nitrieten duiden meestal de aan-
wezigheid van rottende stoffen in het water aan, waardoor zijn gebruik zeer schade-
lijk kan worden.
Rivierwater is een mengsel van bron- en regenwater.
Door dis til lat ie van gewoon water (Natuurkunde I § 19,,,) wordt zuiver
water verkregen.
9.    Proef 86. Men bereidt in een glas eene verzadigde op-
lossing van kaliumchloraat in kokend water en laat deze
langzaam afkoelen. "Weldra scheiden zich in de vloeistof talrijke
kleine, met alle kleuren van den regenboog schitterende kristal-
letjes af van platten, zeshoekigen vorm, die snel op den bodem
van het glas zinken.
Wordt eene verzadigde oplossing van een zout afgekoeld of
wordt een gedeelte van het water verdampt, dan scheidt zich
het zout in den vorm van kristallen uit de vloei-
stof af. Elk zout heeft zijn eigen kristalvorm en
is daaraan (en soms aan de kleur) te herkennen.
Zoo hebben de kristallen van keukenzout den
vorm van een kubus, die van aluin van een
regelmatig achtvlak (fig. 54), enz.
                     " Aluin-kristal.
10.  Proef 87. Kristallen van gewone soda (natriumcarbonaat)
worden in een buisje zacht verwarmd. Spoedig schijnen zij te
smelten; weldra begint de vloeistof te koken; er vormt zich water-
damp, die voor een groot deel aan de koudere deelen van het
glas condenseert en ten laatste blijft eene vaste, witte stof over,
n.1. watervrije soda. De sodakristallen bevatten dus veel water
en de schijnbare smelting er van bij het begin der proef was
niets anders dan de afscheiding van dit water, waarin de vaste
stof toen oploste.
Meerdere andere zoutkristallen gedragen zich bij verwarming
evenals soda, b.v. aluinkristallen.
Proef 88. Kristallen van kopersulfaat worden in een droog
glazen buisje zacht verwarmd. Zij vallen uit elkander tot een
wit poeder, terwijl zich waterdamp ontwikkelt, die gedeeltelijk
-ocr page 96-
90
op het glas condenseert. Ook deze kristallen bevatten dus
water.
"Wordt het witte poeder van het watervrije kopersulfaat met
een weinig water behandeld, dan zien wij onmiddellijk de
blauwe kleur der kristallen weer verschijnen. Daarbij wordt
tevens warmte ontwikkeld.
Proef 89. Gebrande gips is een wit poeder, dat ver-
kregen wordt door natuurlijke gips, in \'t algemeen gipskristallen,
die water bevatten, door zachte verwarming (tot 120°) water-
vrij te maken. Het wordt met weinig water tot eene brei
gemengd; na korten tijd verhardt deze brei tot eene vaste stof,
die weer waterhoudend is. (Gebruik van gips tot het maken
van afgietsels, stukadoorwerk, enz.)
Het water, dat in de kristallen voorkomt, noemt men kristal-
water. De hoeveelheid er van is standvastig en de
samenstelling van het kristal kan door eene formule worden
uitgedrukt. De formule van sodakristallen is C08Na2
10H2O; die van aluin kr i st al 1 e n (S 04)K» Al2-f
24:H20; die van kopervitriool SOtCu 5H20; die van
gips S04Ca 2H2 O.
Het kristalwater is in de kristallen scheikundig gebonden
aan het zout; dit blijkt uit:
a) de constante verhouding van water en zout;
6) de hooge temperatuur, die noodig is, om al het water
uit het kristal te verdrijven (soms tot 250°);
c)    de ontwikkeling van warmte wanneer men het watervrije
zout met water behandelt;
d)    het feit, dat het zout zich in een geheel anderen vorm
en soms geheel anders gekleurd voordoet, naar gelang
het met water verbonden is of niet.
Er zijn talrijke zouten, wier kristallen geen kristalwater
bevatten, b.v. natriumchloride (keukenzout), kaliumsulfaat, ka-
liumnitraat (salpeter), zilvernitraat, enz.
11. Niet alle zouten zijn, zooals die, welke wij in dat op-
zicht onderzochten, indifferent tegenover lakmoes. Eene op-
lossing van kaliumcarbonaat kleurt rood lakmoes blauw (het
-ocr page 97-
91
zout reageert basisch), terwijl eene oplossing van ferro-
sulfaat blauw lakmoes rood kleurt (het zout reageert z u u r).
Terwijl zwavelzuur, zoutzuur en salpeterzuur in staat zijn
kaliumhydroxyde te neutraliseeren, d. i. elkanders werking op
lakmoes op te heffen, kunnen koolzuur en kiezelzuur dit niet.
Omgekeerd kan zwavelzuur niet geneutraliseerd worden door
ferrohydroxyde, zinkhydroxyde, enz. Koolzuur en kiezelzuur
noemt men zwakke zuren, terwijl zwavelzuur, zoutzuur
en salpeterzuur sterke zuren zijn. Zoo is kaliumhydroxyde
eene sterke base, ferro- en zinkhydroxyde zijn zwakke
basen. Sterke zuren en sterke basen kunnen elkander
neutraliseeren; de zouten, die zij vormen, reageeren, voor zoo-
ver zij oplosbaar zijn, indifferent. Hetzelfde is het geval met
zwakke zuren en zwakke basen. Sterke zuren en zwakke basen
en evenzoo zwakke zuren en sterke basen neutraliseeren elkan-
der niet; de zouten, die zij samen vormen, reageeren, zoo zij
oplosbaar zijn, in \'t eerste geval zuur, in het tweede basisch.
HOOFDSTUK V.
Ontleding van basen, zuren en zouten.
§ 24. Ontleding van hydroxyden door warmte.
1. Proef 90. K o p e r h y d r o x y d e, een lichtblauw poeder
wordt in een glazen buisje verhit. Er ontstaat water en een
zwart poeder, n.1. koperoxyde: Cu 02 H2 = Cu O H2 O. De hy-
droxyden van alle metalen, behalve die van K, Na en Ba,
kunnen op dezelfde wijze ontleed worden.
-ocr page 98-
92
2. Proef 91. Eene kleine retort van platina wordt wit-
gloeiend gemaakt en daarin laat men druppelsgewijze zwavel-
Fig. 55. Ontleding van zwavelzuur door warmte.
In de U-vormige buis, die afgekoeld wordt, condenseert zwavelzuur, dat niet
ontleed is en dit verzamelt zich in het bolletje d.
zuur vallen. Tracht men de gassen, die zich ontwikkelen, in
een cylinder boven water op te vangen, dan verkrijgt men
daarin een kleurloos gas, dat gemakkelijk als zuurstof te her-
kennen is. In het water lost zwaveligzuur of zwavelbioxyde
op. Het zwavelzuur is dus ontleed volgens de volgende ver-
gelijking:
S04H2=S02 0 H20.
Proef 92. Salpeterzuurdampen worden door eene sterk ver-
hitte glazen buis geleid. Er ontstaat een roodbruin gas, dat
in water oplost, terwijl wij in een cylinder zuurstof kunnen
opvangen. Het roodbruine gas is N02 (stikstofp er oxyde).
De ontleding van salpeterzuur had plaats volgens de vergelij*
king: 2 N O, H = 2 N O, O H, O.
-ocr page 99-
93
Wordt eene oplossing van koolzuur of van zwaveligzuur in
water verwarmd, dan ontwijkt koolbioxyde resp. zwavelbioxyde.
De genoemde zuren zijn zelfs niet anders bekend dan opgelost
in water. Op gelijke wijze wordt kiezelzuur door verwarming
ontleed.
CO,H,, =C02 H20
SO„H2 = S02 H,0
SiO,H, = Si02 2H20.
Wordt eene oplossing van phosphorzuur verhit totdat geen water meer ont-
wijkt, dan blijft eene weeke, kleverige massa over, die bij roodgloeihitte zonder
verdere ontleding in damp overgaat. De samenstelling van deze stof is P03H,
het is een zuur (metaphosphorzuur), dat volgens de volgende vergelijking ontstaan is:
P04H3 = P03H HiO.
Uit de genomen proeven blijkt, dat sommige hydroxyden
door warmte niet ontleed kunnen worden (van K, Na en Ba),
terwijl de meeste zich splitsen in water en het oxyde, waar-
van ze zijn afgeleid. Soms kunnen deze oxyden bij de hooge
temperatuur, die voor de ontleding noodig is, niet blijven be-
staan, maar worden zij onmiddellijk verder ontleed in zuurstof
en een ander minder zuurstofhoudend oxyde (zwavelzuur, sal-
peterzuur).
Bij verhitting van ph osphorzuur verbindt zich een deel van de waterstof
en de zuurstof, die het bevat, tot water en vormt zich een nienw hydroxyde, dat
door verdere verhitting niet te ontleden is.
§ 25. Ontleding van zouten door warmte.
1. Proef 93. Verhitten wij watervrij kopersulfaat sterk in
eene buis van moeilijk smeltbaar glas, dan zien wij de witte
kleur van het watervrije zout overgaan in donkerbruin. Even-
als bij de ontleding van zwavelzuur (proef 91), ontstaat zuur-
stof en zwaveloxyde, doch in plaats van water wordt hier
koperoxyde gevormd.
S02Cu = CuO S02 0.
Proef 94. "Wij brengen loodnitraat in eene glazen retort tot
smelten. Nu heeft dezelfde ontleding plaats als bij de verhit-
-ocr page 100-
94
ting van salpeterzuur. Het spreekt van zelf, dat in plaats
van water loodoxyde ontstaat.
(N Oa)2 Pb = Pb O 2 N 02 O.
Proef 95. Een stuk marmer of krijt (calciumcarbonaat)
wordt tot witgloeihitte gebracht. Na eenigen tijd is het
in gebrande kalk ver-
anderd.
C03Ca = CaO C02.
Uit afval van kalksteen,
marmer, krijt en schelpen
wordt kalk gebrand in de
kalkovens (fig. 56). Naar
gelang van de zuiverheid der
grondstof ontstaat vette of
magere kalk; de laatste bevat
andere metaaloxyden, leem,
enz. en laat zich moeilijk blus-
schen. Zoo onzuivere kalk-
steenen te hard gebrand wor-
den, heeft er een begin van
smelting plaats en de kalk
is daardoor dood ge-
brand.
Fig. 56. Kalkoven.
2. Worden zouten door hitte ontleed, dan heeft de ontleding
in den regel geheel op dezelfde wijze plaats als die der zuren,
waarvan ze zijn afgeleid. Vele zouten zijn evenwel niet door
verhitting te ontleden. De silikaten, boraten en p h o s-
p h a t e n bieden weerstand aan de hoogste temperatuur, die
bereikbaar is (leem = aluminiumsilikaat, borax = natrium-
boraat, beenderenasch = calciumphosphaat).
Pat deze zouten niet door hitte ontleed worden, is niet toe te schrijven aan
de sterkte dier zuren, maar aan het feit, dat noch het znuranhydride, noch het
metaaloxyde vluchtig zijn.
De chloriden verdampen bij hooge temperatuur en worden
daarbij veelal gedeeltelijk ontleed. De meeste zouten van kalium
en natrium (dus van de sterkste basen) en vele zouten van
zwavelzuur (het sterkste zuur), zooals gips en magnesium-
-ocr page 101-
95
sulfaat, zijn niet door hitte te ontleden. Heeft de ontleding
van een zout plaats bij eene temperatuur, waarbij het zuur-
anhydride bestaanbaar is, dan vormt zich dit. Zoo ontstaat
bij de verhitting van ferrisulfaat zwavelzuuranhydride (Nord-
hauser vitriool).
Ii e e m in volkomen zuiveren toestand, zooals het voorkomt onder den naam
vnu porseleinaarde of kaoline, is aluminiu m sili kaat. In dezen
toestand is het onsmeltbaar (vuurvast). Pij pa ar de is bijna zuiver leem en is
ook vuurvast. Geringe hoeveelheden van basische o.xyden of van andere silikaten,
die er in voorkomen, zijn oorzaak, dat het niet meer vuurvast is. Met water ge-
mengd, vormen alle leemsoorten eene min of meer vetachtige, zeer plastische
(d. i. gemakkelijk alle vormen aannemende) massa. Deze vormt de grondstof voor
de bereiding van aardewerk, steengoed, fayënce en porselein, naar
gelang van de zuiverheid van het leem en de wijze van behandeling. Al deze
producten ontstaan door sterke verhitting van de gevormde leemmassa, die harder
wordt naar gelang de temperatuur bij het branden hooger wordt.
Aardewerk, uit onzuiver leem, is rood gekleurd, smeltbaar. Het wordt al
of niet bedekt door eene laag licht smeltbaar loodsilikaat (glazuur).
Steengoed, uit zuiverder leem, is grijs, minder licht smeltbaar, wordt harder
gebakken en met een dun glasachtig glazuur bedekt door keukenzout in den gloeienden
oven Ie werpen.
Fayënce wordt even als steengoed behandeld, doch met een wit ondoorzichtig
glazuur bekleed.
Porselein wordt bereid uit kaoline, gemengd met veldspaath en kwarts. De ge-
vormde stukken worden zeer sterk verhit en daarbij met een doorzichtig glazuur
bedekt. Daar het porselein een beginvan smelting ondergaat wordt het doorschijnend.
§ 26. Ontleding van zouten door basen, zuren en
andere zouten.
1. Proef 96. Oplossingen van verschillende zouten van mag-
nesium, ijzer, koper, zink, aluminium, lood, kwik, enz. worden
elk afzonderlijk in reageerbuisjes behandeld met oplossingen
der hydroxyden van kalium, natrium, calcium of barium. In
de vloeistoffen ontstaan daardoor steeds vaste stoffen, die als
zoogenaamde neerslagen op den bodem zinken. Deze
neerslagen zijn de hydroxyden der eerstgenoemde metalen,
die dikwijls reeds aan hunne eigenaardige kleuren als zoodanig
-ocr page 102-
9G
te herkennen zijn. In de vloeistoffen komen zouten der laatst-
genoemde metalen in oplossing voor.
S04Mg 2KOH =Mg01H, SO,K,
(N 08)2 Zn Ba O, H, = Zn 02 H2 (N 08)2 Ba
HgCl2 2 Na OH = Hg02 H2 2NaCl.
De ontledingen, die hier plaats hebben, zijn blijkbaar op te
vatten als substituties. De eene base heeft de andere
uit het zout er van verdrongen en hare plaats ingenomen.
Proef 97. Wij brengen magnesiumhydroxyde in eene oplos-
sing van kopersulfaat. De vloeistof, die blauw was, wordt
kleurloos; de vaste stof, die eene witte kleur had, wordt
blauw. Wij maken hieruit op, dat er eene scheikundige wer-
king plaats vond, waarbij zich magnesiumsulfaat en koper-
hydroxyde vormde.
Proef 98. Eene sterke oplossing van calciumchloride wordt
vermengd met eene oplossing van kaliumhydroxyde. Er ont-
staat een neerslag van calciumhydroxyde.
Proef 99. Bij eene oplossing van kaliumcarbonaat gieten wij
helder kalkwater. De vloeistof wordt troebel, door de vorming
van calciumcarbonaat.
Opgare. Maak de vergelijkingen op van de scheikundige werkingen, die bij de
drie laatste proeven plaats hadden.
Door geconcentreerde oplossingen van de carbonaten van K en Na aan het koken
te brengen en ze in dien toestand met kalkmelk om te roeren, verkrijgt men de
hydroxyden van K en Na.
Uit de genomen proeven blijkt: Dat door sterkere
basen andere, die zwakker zijn, uit hare zou-
ten verdreven worden, doch ook het omgekeerde kan
plaats hebben.
Het laatste geschiedt, zoo daardoor in de oplossingen,
die wij bij elkander voegen, eene onoplosbare
base of een onoplosbaar zout kan gevormd
worden (proef 99).
Rangschikken wij de voornaamste basen naar hare sterkte,
dan verkrijgen wij met de sterkste beginnende: KOH, Na OH,
-ocr page 103-
97
NH3, Ca02H2, BaO,H2, Mg02H2) Zn02H2) Fe02H2,
Pb02 H2, Cu02H2, Hg02 H2) FeO„H6, enz.
Opgaven. Vergelijk deze rangorde met die van de metalen, gerangschikt naar hunne
affiniteit tot zuurstof.
Verklaar de bereiding van ammoniak uit ammoniumchloride en calcium-
hydroxyde (proef 84).
Sommige der bij proef 96 verkregen hydroxyden lossen weer op, zoo men er
meer van de opgeloste base bijvoegt, zoo b.v. Zn O H« in K O H, Na OH en N H3,
Pb02H., in KOH en Na OH, Cu02H2 in NH,, enz. Dat dit geschiedt is
het gevolg van het ontstaan van verbindingen, die meestal overeenstemmen met
zouten, waarin KOH, Na OH, of N H3 als base, de andere hydroxyden als zuur
fungeeren. (Vergelijk blz. 80 en 82).
2. Proef 100. In eene glazen retort, waarin zich natrium-
chloride (keukenzout) bevindt, gieten wij zwavelzuur. Er heeft
eene sterke werking plaats, waarbij zich waterstofchlo-
r i d e vormt, dat wij in water doen oplossen (zoutzuur).
Houdt de gasontwikkeling op, dan wordt zij door verwarming
weer aan den gang gebracht, totdat wij in de retort slechts
vast natriumsulfaat overhouden. (Bereiding van zoutzuur en
van natriumsulfaat in \'t groot).
2NaCl-r-S04Hj = SO, Na, 2C1H.
P-oef 101. Dezelfde proef wordt genomen met natriumnitraat
(chilisalpeter) in plaats van keukenzout. De damp, die zich
vormt, wordt in een flink afgekoelden ontvanger gecondenseerd.
"Weer blijft natriumsulfaat in de retort over;
de vloeistof, die we verkregen hebben, is s a 1-
peterzuur. (Bereiding van salpeterzuur).
2N08Na SO,H2 = S O, Na2 2NO, H.
Proef 102. "Wij behandelen stukjes marmer in
eene gasontwikkelingsflesch (fig. 57) met ver-
dund zoutzuur, salpeterzuur of zwavelzuur.
Het hevige bruisen verraadt, dat een gas ont-
staat; dit gas is koolzuur. (Bereiding van
koolzuur, oplossing van carbonaten).
Opgave. Schrijf de vergelijking op, die deze werking aanduidt.                  ^
Fig. 57- Koolzuur-
Proef 103. "Wij gieten zoutzuur in eene op- ontwikkelingstoestel.
Hom. Scheikunde.                                                                                    7
-ocr page 104-
98
lossing van zilversulfaat. Er ontstaat een neerslag van zilver-
chloride, terwijl zwavelzuur vrij wordt, volgens de vergelijking:
SO, Ag2 2 Cl H = 2 Ag Cl S04 H2.
Proef 104. Kaliumcarbonaat wordt in een porseleinen kroes
met fijngemalen kwarts of zand (siliciumoxyde) samengesmol-
ten. Er ontstaat een gas, n.1. koolzuur, en eene glasachtige
massa, die in water oplost en bestaat uit kaliumsilikaat.
De oplossing er van wordt door zoutzuur ontleed met afschei-
ding van geleiachtig kiezelzuur. Verklaar dit!
Eene dikke oplossing van kalium- of natriumsilikaat of van een mengsel van
beide is liet bekende waterglas. Dit wordt op bovengemelde wijze verkregen.
Ook andere zouten worden bij hooge temperatuur door sili-
ciumoxyde ontleed.
Eene belangrijke toepassing hiervan is de glasfabrikatie. Glas is een dub-
belsilikaat van K of Na en van Ca of Pb; soms komen er drie dezer metalen of
alle vier in voor; ook zijn er steeds gewone silikaten en vrij Si O., mee gemengd.
De eigenschappen van het glas (sineltpunt, hardheid, glans, kleur, weerstaud tegen
zuren en basen, enz.) zijn natuurlijk verschillend naar gelang van zijne samenstelling.
Het wordt verkregen door in kroezen van vuurvaste klei, die in groote ovens
geplaatst zijn, zand met kalium- of natriuincarbonaat (ook wel natriumsulfaat) en
calciumcarbonaat (kalksteen) of loodoxyde (loodglit of menie), zoo lang samen te
smelten, tot er geene scheik. werking meer plaats vindt.
Proef 105. Calciumphosphaat (hoofdbestanddeel van beenderenasch) wordt met
zoutzuur behandeld. Het lost daarin op, waarbij zich calciumchloride vormt en
calciumhvdrophosphaat.
Vraag. Is dit eene werkelijke oplossing?
Alle in water onoplosbare phosphaten, ook vele silikaten en boraten kunnen op
deze wijze worden opgelost in zoutzuur, salpcterzuur of verdund zwavelzuur, zelfs
op den duur in het zwakke koolzuur, waarbij zich dan steeds oplosbare hydrozou-
ten vormen.
Oplossing van gesteenten in den bodem door den invloed van koolzuur of van
de zure vochten, die door de plantenwortels worden afgescheiden. Verweering van
rotsen. Kalkhoudend en ijzerhoudend water bevat calcium- of ferrocarbonaat opge-
lost door koolzuur; by het koken wordt dit koolzuur verdreven en het calcium-
carbonaat of ferrocarbonaat scheidt zich in vasten vorm af (j 23,6).
De genomen proeven leeren:
1°. Een sterker zuur (m. a. w. een zuur, dat grooter
affiniteit heeft tot basen) verdrijft een zwakker
-ocr page 105-
99
zuur uit zijne zouten en neemt de plaats
daarvan in. Het omgekeerde heeft plaats,
wanneer zich hierdoor in de vloeistoffen,
die wij bij elkander voegen, een o n o p 1 o s-
baar zout kan vormen (proef 103).
2°. Een zuur, dat door verhitting niet vervluclv
tigd wordt, verdry ft b ij hoogetemperatuur
een ander zuur (dat wel vluchtig is) uit
zouten en neemt diens plaats in.
Volgens hunne sterkte moeten de behandelde zuren in de
volgende rangorde geplaatst worden: Zwavelzuur, zoutzuur,
phosphorzuur, salpeterzuur, koolzuur, kiezelzuur.
3. Proef 106. Kaliumcarbonaat of natriumcarbonaat of beter
een mengsel van beide wordt met zeer fijn verdeeld leem
(aluminiumsilikaat) in een platinakroes sterk verhit. Zoodra
alles tot een volkomen heldere vloeistof is samengesmolten,
en zich geen koolzuurgas meer ontwikkelt, houden wij op met
verhitten, laten de massa afkoelen en behandelen haar met
zoutzuur. Zij lost daarin op (of eene zekere hoeveelheid gelei-
achtig kiezelzuur blijft onopgelost) en in de oplossing vinden
wij, behalve kiezelzuur, kaliumchloride en aluminiumchloride.
Opgave. Welke scheikundige werking heeft hier plaats gehad?
(Aluminiumcarbonaat is niet bestaanbaar!).
De bestanddeelen van in water en zuren onoplosbare ge-
steenten (silikaten, bariumsulfaat, enz.) kunnen op deze wijze
in oplossing gebracht worden.
Proef 107.    Oplossingen van:
a)    kaliumcarbonaat en    kopersulfaat;
b)    natriumsulfaat en    bariumchloride;
c)     natriumphosphaat en    ferrichloride;
d)    calciumnitraat en    magnesiumsulfaat;
e)     natriumchloride en    zilvernitraat;
worden samengevoegd in glazen reageerbuisjes. In al deze
gevallen vormt zich een onoplosbaar zout als neerslag. Zoo
men de eene vloeistof zoolang druppelsgewijze bij de andere
-ocr page 106-
100
giet, tot zich geen neerslag meer vormt, zijn de beide zouten,
die men bij elkander voegde, volledig ontleed.
Opgaven. Ga na welke zouten als neerslag ontstaan zijn. Vergelijk § 23,«.
Verklaar de vorming dezer zouten.
Proef 108. "Wij brengen eene verzadigde oplossing van
chilisalpeter (natriumnitraat) en van kaliumchloride in eene
porseleinen schaal samen. Er heeft geene verandering plaats.
Verdampen wij een deel van het water, dan zullen zich weldra
aan de oppervlakte der vloeistof kristalletjes gaan vormen.
Zoodra zij in genoegzame hoeveelheid ontstaan zijn, onder-
zoeken wij deze kristallen en vinden, dat ze uit keuken-
zout (natriumchloride) bestaan, hetwelk bij hoogere tempera-
tuur niet meer oplosbaar is dan bij lagere. Wij laten de vloei-
stof afkoelen en nu vormen zich daarin andere kristallen, n.1.
van kaliumnitraat (salpeter), dat bij hoogere temperatuur
veel meer oplosbaar is dan bij lagere. (Bereiding van gewoon
salpeter uit chilisalpeter).
Bij deze proef zijn de beide zouten, die we samenvoegden,
dus gedeeltelijk ontleed.
6. Uit de genomen proeven kunnen wij de volgende regels
afleiden:
1°. Smelten wij twee zouten te zamen, dan
zal er wisselontleding plaats hebben,
zoo de base van het eene zout en het
zuur van het andere zout bij die hooge
temper atuur groot ere verwantschap tot
elkander hebben dan het zuur en de base
van een der oorspronkelijke zouten.
2°. Voegen wij twee zoutoplossingen samen,
dan heeft alleen dan volledige ontleding
plaats, zoo door wisselontleding een on-
oplosbaar zout kan ontstaan. Wy v e r-
krijgen bij verdamping van het water
gedeeltelijke ontleding, zoo zich door
wisselontleding een nieuw zout kan vor-
-ocr page 107-
101
men, dat eerder kristalliseert dan een
der oorspronkelijke zouten.
Opgave. Ga na met behulp van de in § 23,3 verstrekte gegevens of er onmiddel-
lijk ontleding plaats heeft, zoo
  wij  oplossingen samenvoegen van:
a)     kaliumcarbonaat    en    kopersulfaat;
b)    zilversulfaat          en    bariumchloride;
c)     mercuronitraat      en    zinkchloride;
d)     kwikchloride         en    loodnitraat;
e)     zinksulfaat            en    kaliumnitraat.
§ 27. Ontleding van zuren en zouten door metalen.
1. Proef 109. In eene gasontwikkelingsflesch, waarin zich
stukjes zink bevinden, gieten wij verdund zwavelzuur (1 deel
zwavelzuur op 1 deel water). "Wij nemen een hevig bruisen
waar, als gevolg van de ontwikkeling van een gas, dat we
boven water opvangen en ge-
makkelijk als waterstofgas her-
kennen. Tegelijkertijd zien we
het metaal meer en meer verteerd
worden. Verdampen wij de vloei-
stof, nadat de werking heeft
opgehouden, dan zien we spoedig
een zout kristalliseeren; dit is
zinksulfaat. (Bereiding van water-
Fig. 58. Waterstofontwikkelingstoestel.
stofgas; oplossen van zink).
De scheikundige werking, die heeft plaats gehad, wordt uit-
gedrukt door de vergelijking: S04H2 Zn = S04Zn H2.
Opgave. Verklaar deze werking.
Nemen wij zoutzuur in plaats van verdund zwavelzuur, dan
heeft dezelfde werking plaats.
Opgave. Maak de vergelijking op voor dit geval.
De volgende metalen worden door verdund zwavelzuur en
zoutzuur op dezelfde wijze aangetast: kalium, natrium, cal-
-ocr page 108-
102
cium, magnesium, aluminium, mangaan, cobalt en nikkel.
Tin wordt door zoutzuur alleen bij verwarming aangetast; niet
door verdund zwavelzuur.
Door de andere metalen wordt in zoutzuur of verdund zwavel*
zuur de waterstof niet gesubstitueerd.
Koper, tin en lood worden door beide zuren bij aanwezigheid van lucht lang-
zaam aangetast. De verwantschap van de zuurstof der lucht tot de waterstof van
het zuur werkt hier mede om het zuur te ontleden en het zout te doen ontstaan.
Er ontstaat hierbij dan ook geen waterstof. (Verklaar deze werking nader en maak
de vergelijking op).
Alleen zuiver zilver, goud en platina, worden door de verdunde zuren ook bij
aanwezigheid der lucht niet aangetast.
Niet alleen de genoemde zuren, doch alle andere, zelfs de zwakste als koolzuur,
oefenen, bij aanwezigheid van lucht, deze werking op de niet-edele metalen uit.
Hierin ligt de oorzaak van het sterk roesten der metalen in de lucht, bij aan-
wezigheid van vocht en koolzuurgas, zoodat zelfs koper, dat zich in droge lucht
zoo goed houdt, onder deze omstandigheden, spoedig met het zeer vergiftige groene
kopercarbonaat bedekt is. Gevaar voor vergiftiging bij het bewaren van spijzen
in metalen vaten! Zelfs eene verdunde keukenzout-oplossing tast koper sterk aan!
Proef 110. Koperkrullen worden in eene gasontwikkelings-
flesch met geconcentreerd zwavelzuur (niet met water verdund)
verwarmd. "Weldra ontstaat een gas, dat we in een open
cylinder kunnen opvangen, terwijl het metaal wordt opgelost
en de vloeistof eene blauwe kleur aanneemt. Het gas, dat zich
ontwikkelt, is zwavelbioxyde. Bij afkoeling der vloeistof vor-
men zich daarin kristallen van kopersulfaat. (Bereiding van
zwavelbioxyde.)
De vergelijking, waardoor deze werking wordt uitgedrukt, is
2 S 04 H2 Cu = S 04 Cu S 02 2 H2 O.
Hier heeft blijkbaar geene eenvoudige substitutie van de
waterstof plaats gehad. De aard van de scheikundige werking
wordt ons duidelijk, zoo wij de volgende proef nemen:
Proef 111. We herhalen de vorige proef, doch nemen in
plaats van koper houtskool. Er ontstaat koolbioxyde en zwavel-
bioxyde, volgens de vergelijking 2 S 04 H2 C = 2S02 C02
-f 2HjO, Wij zien hieruit, dat 2 moleculen zwavelzuur op
dezelfde wijze ontleed worden door den invloed van de koolstof
-ocr page 109-
108
als door verwarming tot gloeihitte (§ 24,2). Het eenige verschil
is, dat de zuurstof niet vrij komt, doch zich verbindt met de
koolstof. Zwavelzuur kan dus ook bij lagere temperatuur ont-
leed worden, zoo eene stof, die verwantschap heeft tot zuurstof,
hiertoe medewerkt. Denzelfden invloed heeft het koper op het
zwavelzuur. Doch nu komt er nog eene andere scheikundige
werking bij, n.1. het gevormde koperoxyde vindt, onmiddellijk
bij zijn ontstaan, zwavelzuur, waarmee het zich verbindt tot
kopersulfaat. Wij mogen dus aannemen, dat de scheikundige
werking in proef 110 in twee phasen plaats vond, volgens de
vergelijkingen:
PSO.H. Cu =S02 CuO B,0;
en 2° S O, H2 Cu O = S Ot Cu -f H2 O.
Merkwaardig is het, dat sommige metalen, die door verdund
zwavelzuur zeer sterk worden aangetast, door het geconcen-
treerde zuur bij verwarming slechts langzaam worden opge-
lost (ijzer, zink).
Men kan door verhitting met zwavelzuur ook tin, lood, kwik
en zilver in oplossing brengen; goud en platina daarentegen
niet. (Scheiding van zilver en goud bij gering goudge-
halte of affinage).
2. Pr oei 112. In eene oplossing van kopersulfaat plaatsen
wij een blank stuk ijzer; in eene oplossing van loodnitraat een
staaf zink; in eene oplossing van zilvernitraat een stukje blank
koper. In alle drie gevallen zien wij op de oppervlakte van
het ingedompelde metaal een laagje ontstaan van het metaal,
dat in het opgeloste zout voorkomt en laten wij de werking
lang genoeg voortduren, dan kunnen wij op deze wijze in het
zout het eene metaal door het andere geheel substitueei\'en.
Opgave. OJeef de verklaring van deze werkingen en maak de vergelijkingen op.
Het spreekt van zelf, dat op deze wijze een zout slechts te
ontleden is door een metaal, dat grooter verwantschap heeft
tot zuren dan het metaal, dat in het zout aanwezig is.
Naar hunne verwantschap tot zuren kunnen de metalen ge-
-ocr page 110-
~7
104
rangschikt worden iii dezelfde orde als hunne basen in
§ 26,i.
Afscheiding in het groot van koper, kwik en zilver uit oplossingen hunner zouten
met behulp van ijzer of zink.
§ 28. Ontleding van zuren en zouten door
electriciteit en licht.
1. Proef 113. "Wij leiden een electrischen stroom door verdund
zwavelzuur en gebruiken een platinaplaatje als positieve elec-
trode. Aan de negatieve electrode vormt zich waterstof, aan
de positieve zuurstof.
Proef 114. Wij herhalen de proef, doch gebruiken als posi-
tieve electrode een stuk koper. Nu vormt zich hieraan geen
zuurstof, doch kopersulfaat; het koper wordt sterk aangetast
en kan geheel in oplossing gebracht worden. "Werd koper
door verdund zwavelzuur in gewone omstandigheden niet aan-
getast, de invloed van den electrischen stroom is oorzaak, dat
dit hier wel het geval is. Slechts goud en platina bieden weer-
stand aan het zuur, ook dan, wanneer de electrische stroom
zijne medewerking verleent.
Proef 115. Door eene oplossing van kopersulfaat leiden wij
een electrischen stroom. Als electroden gebruiken wij platina-
plaatjes. Aan de positieve electrode vormt zich zuurstof en
zwavelzuur, aan de negatieve zet zich eene laag koper vast
tegen het platina af. De ontleding van de zoutoplossing door
den electrischen stroom heeft plaats volgens de vergelijking:
S O, Cu H2 O = S 04 H2 Cu O.
Nemen wij koper in plaats van platina aan de positieve elec-
trode, dan verbindt zich dit koper met de zuurstof, die daar
vrij wordt en het gevormde oxyde lost op in het zwavelzuur
dat tegelijkertijd vrij geworden is. In dit geval zien wij dus
het koper van de positieve electrode a. h. w. overgaan naar de
negatieve electrode. (Galvanoplastiek, zie Natuurkunde II).
-ocr page 111-
105
Andere metaalzouten worden in oplossingen op dezelfde
wijze door den electrischen stroom ontleed. (Galvanoplastisch
vergulden, verzilveren, vernikkelen, enz.). De zouten van K en
Na schijnen hierop eene uitzondering te maken.
Proef 116. Door eene oplossing van kaliumsulfaat wordt
een electrische stroom geleid. Bij het gebruik van platina-
electroden ontwikkelt zich aan de positieve electrode zuurstof,
aan de negatieve waterstof. Gieten wij blauw lakmoes in de
oplossing, dan kleurt deze zich aan de positieve electrode rood;
een bewijs, dat er een zuur in de vloeistof vrij wordt. Het zout
wordt dus ontleed, en wel op dezelfde wijze als andere zouten,
doch het kalium, dat zich aan de neg. electrode vormt, zal door
het water onmiddellijk in kaliumhydroxyde worden omgezet
met ontwikkeling van waterstof. Wij kunnen werkelijk aan-
toonen, dat de vloeistof in de nabijheid van de neg. electrode
basisch reageert.
2. Ook het licht kan eene ontledende werking uitoefenen op
vele verbindingen. Wij wijzen\' op het verbleeken (verschieten)
van vele kleurstoffen, op de ontleding van koolzuur en water
in de planten bij aanwezigheid van bladgroen in het zonlicht
(zie plantkunde). Zoo bewerkt ook het zonlicht de ontleding
van zilverzouten, waarbij zich metallisch zilver afscheidt.
(Hierop berust photographie.)
-ocr page 112-
106
HOOFDSTUK VI.
Oxydatie- en reductiemiddelen.
§ 29. Ontleding van zuurstofrijke oxyden.
1.    Zoo men bariumoxyde in zwak gloeienden toestand in aan-
raking brengt met koolzuurvrije lucht of zuurstof, dan neemt
het zuurstof op en verandert in bariumperoxyde Ba O O =
= Ba02.
Proef 117. Bariumperoxyde wordt in eene glazen buis
sterk verhit. Er vormt zich zuurstof en bariumoxyde volgens
de vergelijking Ba 02 = Ba O O.
Middel om zuurstof te bereiden, waarbij langen tijd dezelfde grondstof altijd op
nieuw kan gebruikt worden.
Op dezelfde wijze kunnen vele oxyden, die rijk zijn aan
zuurstof, gedeeltelijk ontleed worden, zoodat zich zuurstof en
een minder zuurstofhoudend oxyde vormen. Zoo werd vroeger
de ontleding van bruinsteen ofmangaanperoxyde
door verhitting veel toegepast tot de bereiding van zuurstof.
3Mn02=Mn8 O, 02.
2.    "Waters tof per oxyd e, H202, is eene doorzichtige,
kleurlooze, dikke vloeistof, S. G. 1,45, reukloos, met bitteren
smaak. Het wordt bereid door bariumperoxyde met verdund
zwavelzuur te behandelen. 8 0*11;, Ba O, = S 04 Ba H2 02.
Hierbij vormt zich eene oplossing van waterstofperoxyde in water,
die men niet door verwarming kan concentreeren, zonder dat
een groot deel van het peroxyde ontleed wordt. Men moet het
water uit de oplossing daarom in eene luchtledige ruimte bij
gewone temperatuur verdampen.
Reeds bij gewone temperatuur splitst waterstofperoxyde zich
licht in water en zuurstof: H2 02 = H2 O 0; bij verwarming
heeft dit plaats met ontploffing. De oplossing in water is meer
-ocr page 113-
107
bestendig en wordt gebruikt als bleekmiddel (voor wol, zijde,
leer, veeren, enz.) en om vlekken te verwijderen (uit oude
gravures, enz.) Hare werking berust op de ontleding van het
peroxyde door den invloed van stoffen, die verwantschap hebben
tot zuurstof. Deze worden daarbij geoxydeerd en dus vernietigd.
§ 30. Salpeterzuur en zyne zouten.
1. Proef 118. In eene
gasontwikkelingsflesch giet
men salpeterzuur op koper-
krullen. Het metaal wordt
sterk aangetast; er heeft
eene stormachtige gasont-
wikkeling plaats en de vloei-
stof kleurt zich blauw. Het
gas, dat aanvankelijk dezelf-
de roodbruine kleur ver-
toont als dat, hetwelk ont-
staat door de ontleding van
salpeterzuur in proef 89,
verliest meer en meer deze
Fig 59. Oplossen van koper in salpeterzuur.
kleur. Men verzamelt het in een cylinder boven water en daarin
vertoont het zich als een volkomen kleurloos
gas. Nadat de cylinder er mee gevuld is, dompelt
men er snel eene reep blauw lakmoespapier
in, die met eene sterk verdunde oplossing van
kaliumhydroxyde bevochtigd is en die men
vooraf had gereed gemaakt. Wij zien nu, dat
het gas, zoodra de lucht er mee in aanra-
king komt, zich bruinrood kleurt en daarna
tevens de eigenschap verkregen heeft blauw
lakmoespapier rood te kleuren, terwijl het
kleurlooze gas indifferent was.
Het kleurlooze gas, dat zich vormt door Fig. 60. stikstofoxyde.
-ocr page 114-
108
den invloed van koper op salpeterzuur, is stikstofoxyde
N O. Het verbindt zich gretig met zuurstof en gaat dan over
in stikstofperoxyde NO,.
De scheikundige werking, die bij proef 118 plaats vindt, is
gemakkelijk te begrijpen. Wij kennen het salpeterzuur reeds
als eene zeer onbestendige verbinding, die licht zuurstof af-
geeft. Door den invloed van het koper wordt ze ontleed; er
vormt zich koperoxyde, stikstofoxyde en water.
2N03H 3Cu = 3CuO 2NO H20.
Elke molecule koperoxyde, die zoo ontstaat, vindt onmiddel-
lijk salpeterzuur-moleculen in hare nabijheid, waarmee zij ko-
pernitraat vormt. Cu O 2 N O, H = 2 (N O») Cu H2 O.
Proef 119. Men brengt arseniktrioxyde (As2 0„) met salpe-
terzuur in eene gasontwikkelingsflesch samen. Het donker-rood-
bruine gas, dat zich ontwikkelt, leidt men door eene buis, die
in een koudmakend mengsel geplaatst is. Daarin condenseert
het tot eene groenblauwe vloeistof. Met een weinig koud water
behandeld, neemt deze vloeistof eene prachtige blauwe kleur
aan. Het bruine gas, dat zich hier vormde, is s a 1 p e t e r i g-
zuuranhydride (gemengd met een weinig stikstofper-
oxyde). Met water verbindt zich deze stof tot salpeterigzuur.
Het arseniktrioxyde verandert bij deze proef in arsenikzuur
(het hydraat van As2 0„).
Opgave. Verklaar deze scheikundige werking en maak de vergelijking er van op!
Proef 120. Zink wordt in eene gasontwikkelingsflesch met
zeer verdund salpeterzuur behandeld. Er vormt zich een kleur-
loos gas, dat we boven water opvangen. Dit gas onderhoudt
de verbranding bijna even sterk als zuivere zuurstof, zoodat
we alle proeven, in § 2,2 met zuurstof genomen, er mee kun*
nen herhalen; alleen de zwavel dooft in dit gas uit, tenzij
men haar vooraf flink doet branden. Het is een mengsel van
stikstofoxyduul N20en stikstofoxyde N0. Stikstof"
oxyduul verbindt zich niet met de zuurstof uit de lucht, zoo-
als NO. Verder bezit het de eigenschap bij inademing eerst
een soort dronkenschap te veroorzaken (1 a c h g a s), dan ge-
-ocr page 115-
109
voelloos te maken (gebruik bij kleine operaties in plaats van
chloroform), eindelijk veroorzaakt het bij voortgezette inade-
ming den dood.
Opgave. Verklaar de werking van zink op salpetevzuur met vergelijking.
Salpeterzuur wordt door hitte alleen zoo ontleed, dat zich
N O., vormt;
bij medewerking van araenigzuur vormt zich N2 03;
„ koper
               „ „NO;
„            „             „ zink                 „ „ N2 O.
"Wordt salpeterzuur behandeld met eene stof,
die verwantschap heeft tot zuurstof, dan geeft
het daaraan een gedeelte van zpe zuurstof
af en wel meer, naarmate die stof grooter
verwantschap tot zuurstof heeft.
Alle metalen, behalve goud en platina, worden door dit zuur
geoxydeerd en in oplosbare nitraten veranderd (alleen bij tin
ontstaat een oxyde, dat niet oplost). Daarbij vormen zich
meestal mengsels van verschillende oxyden van stikstof.
Toepassingen: Het in oplossing brengen van metalen; afscheiding van goud
uit zijne legeeringen met zilver en met niet-edele metalen; herkenning van goud
met den toetssteen; bereiding van de oxyden van stikstof.
Ook alle andere stoffen, die eenige verwantschap tot zuren
hebben, worden door salpeterzuur geoxydeerd.
Opgave. Verklaar de vernielende werking van salpeterzuur op hout, kleederen,
de huid, enz.
Proef 121. In een ruimen glazen ballon C (fig. 61) laten wij de
volgende gassen of dampen samenkomen: 1° S02 (verkregen
door verbranding van zwavel met behulp van zuurstof in buis es),
2° N O (verkregen door behandeling van koper met salpeterzuur
in den kolf B), 8° lucht of zuurstof (uit den gashouder D),
4° waterdamp (uit de retort e).
Zoodra zuurstof met NO samenkomt, vormt zich N02.
Stikstofperoxyde oefent, in tegenwoordigheid van water, eene
oxydeerende werking uit op S02 volgens de vergelijking:
S 02 N 02 H2 O = S 04 H2 N O.
-ocr page 116-
110
Fig. 61. Bereiding van zwavelzuur.
Zoo ontstaat dus zwavelzuur, doch ook weer stikstofoxyde.
Dit laatste verbindt zich weer met zuurstof tot stikstofper-
oxyde, dat op zijne beurt weer eene nieuwe hoeveelheid S02
kan oxydeeren, zoo er genoeg water aanwezig is. Op deze wijze
zou met eene geringe hoeveelheid stikstofoxyde eene onbe-
grensde hoeveelheid S 02 kunnen veranderd worden in zwavel-
zuur, zoo men slechts zorgt voor voldoende hoeveelheid zuurstof
en water en zoo geen NO of N 02 verloren ging.
De bereiding van zwavelzuur in \'t groot is eene toepassing hiervan. Zwa-
velbioxyde, dat verkregen wordt door de verbranding van zwavel of de roosting
van sulfiden, wordt met salpeterzuur, lucht en waterdamp samengebracht in ruime
kamers, wier wanden met looden platen bekleed zijn. Er Tormt zich nu z\\vavel-
zuur en stikstofoxyde, volgens de vergelijking:
3SO, 2N03H4-2H20= 3S04H24 2NO.
Nu speelt verder stikstofoxyde a. h. w. de rol van bemiddelaar, die de zuurstof uit
de lucht opneemt om haar weer aan S 02 af te geven, als in de vorige proef. Zorgt
men, dat zoo weinig mogelijk oxyden van stikstof verloren gaan en dat steeds eene
-ocr page 117-
111
voldoende hoeveelheid waterdarop en lucht wordt aangevoerd, dan kan men zeer groote
hoeveelheden zwavelzuur met betrekkelijk weinig salpeterzuur bereiden. Het zwavel-
zuar, dat zich hierbij vormt, is zeer verdund en onzuiver. Het water wordt voor
een deel verdampt in looden pannen; doch daar geconcentreerd zwavelzuur lood
sterk aantast, wordt de verdamping voortgezet in platinapannen. Voor volkomen
zuivering moet het zuur gedistilleerd worden.
Ook andere zuurstofrijke zuren als chroomzuur (Cr 04 H2), mangaanzuur (Mn 04 H2)
werken als krachtige oxidatiemiddelen en vinden als zoodanig talrijke toepassingen.
2. Proef 122. Wij verhitten kaliumnitraat (salpeter, N03K)
in een glazen kolfje. Na smelting ontwikkelt zich langzaam een
gas, dat wij boven water opvangen en als zuurstof herkennen.
De stof, die overblijft als de gasontwikkeling heeft opgehou-
den, is kaliumnitriet (N O, K).
Leert deze proef, dat salpeter bij verhitting zuurstof afgeeft,
dit zal natuurlijk nog eerder plaats vinden, indien eene stof,
die verwantschap heeft tot zuurstof, hiertoe medewerkt.
Proef 123. Stamp salpeter in een vijzeltje fijn en vermeng
het met ongeveer \'/, fijngestampte houtskool. Eene geringe
hoeveelheid van het mengsel steke men met een lucifervlam-
metje aan. Het brandt zeer levendig met groote violette vlam
en met vorming van veel rook. De houtskool is hier verbrand ten
koste van de zuurstof van het salpeter. De stof, die overbleef,
is voornamelijk een mengsel van het carbonaat, het nitriet en
het oxyde van kalium. Salpeter kan dus als oxydatiemiddel
gebruikt worden, wanneer men het met de te oxydeeren stof
kan verhitten.
Zoo wordt door samensmelting van bruinsteen (Mn02) met
salpeter kaliummanganaat (Mn04K2) verkregen. De
belangrijkste toepassing ervan is de bereiding van buskruit.
Buskruit bestaat uit een zeer innig mengsel van salpeter (75%), fijn houtskool-
poeder (lZ\'/j\'/o\' en uJn Semalea zwavel (12\'/2°/o)- Aan de uiterst fijne verdecling
van de laatstgenoemde stoffen moet de grootste zorg besteed worden. Zij worden
met water innig gemengd en tot een deeg gekneed. Het deeg wordt door zeven
geperst tot korrels van bepaalde doorsnede, welke gedroogd en daarna met potlood
geglansd worden. Dat vooral het drogen met de grootste voorzichtigheid moet ge-
beuren, spreekt van zelf. Hoc grover de buskruitkorrels zijn, des te sneller heeft
de ontploffing plaats. De ontploffingsproducten zijn C 02, S02, K2 S, CO en
verbindingen van de waterstof, die in houtskool voorkomt.
-ocr page 118-
112
Opgave. Verklaar, dat de ontploffing van buskruit plaats vindt bij genoegzame
verwarming van een enkelen korrel ervan.
§ 31. Chloor, chloraten en hypochlorieten.
1.    Om chloor te bereiden maakt men gewoonlijk gebruik
van de oxydeerende werking, die bruinsteen op waterstofchloride
uitoefent (zie § 29, i). In eene gasontwikkelingsfiesch brengt men
grof-gekorrelden bruinsteen en zoutzuur samen en verwarmt
deze zacht. Weldra begint zich het groengele gas te ontwikke-
len (zie blz. 35).
Opgaven. Verklaar de vorming van chloor uit Cl H. Geef de vroeger geleerde
eigenschappen van Cl op (zie j 7).
Men zou natuurlijk ook andere oxydatiemiddelen tot dit doel kunnen gebrui-
ken. Werkelijk wordt soms salpeterzuur aangewend, indien men n.1. het chloor
op het oogenblik van zijn ontstaan wil doen samenkomen met eene
andere stof, die zich in de vloeistof bevindt. Op deze wijze is men in staat goud
en platina in oplossing te brengen. Een mengsel van 1 deel salpeterzuur en 3 deelen
zoutzuur wordt koningswater genoemd. Alle metalen, ook goud en platina,
worden er sterk door aangetast. Met ontwikkeling van roodbruine dampen vormen
zich de chloriden der metalen. Het verschijnsel, d at goud en platina niet worden
aangetast door v r ij chloor, maar wel door chloor op het oogenblik van
zijn ontstaan, staat niet op zich zelf. Wij zullen hiervan spoedig meer voor-
beelden zien,
2.    In § 10,5 zagen wij, dat chloor bij gewone temperatuur
langzaam, bij gloeihitte snel water ontleedt, doordien het zich
met de waterstof verbindt en de zuurstof vrij wordt. Zoo zich
in het water eene stof bevindt, die verwantschap heeft tot
zuurstof, zal de ontleding van het water door chloor natuur-
lijk sneller plaats hebben. (Verklaar dit!)
Proef 124. In eene oplossing van ferrosulfaat (licht groen)
gieten wij een weinig zwavelzuur en leiden er dan chloorgas
doorheen. De kleur der vloeistof wordt donkergeel; een bewijs,
dat ferrisulfaat ontstaan is. Het zout van ferrohydroxyde
is dus veranderd in dat van ferrihydroxyde, waartoe zuurstof
noodig was. 2Fe02 H2 0 H2 0 = Fe2 06 H6. Deze zuur-
stof is door den invloed van chloor uit het water afgescheiden.
-ocr page 119-
113
Opmerking. Ferrozouten veranderen licht in ferrizouten; reeds aan de lucht oxydeeren
zij snel. Ferrizouten onderscheiden zich van ferrozouten doordat de
eerste, nadat men er een weinig zwavelzuur bijgevoegd heeft, een druppel
van eene oplossing van kaliumpermanganaat (Mn 04 K) niet
ontkleuren, de laatste daarentegen doen dit oogenblikkelijk. Het per-
nianganaat o.xydeert hierbij namelijk de ferrozouten en verandert zelf
in bijna kleurloos manganosulfaat.
De bleekende werking van chloor (zie § 7,i) berust hierop,
dat de kleurstoffen geoxydeerd worden. Zij heeft slechts plaats
bij aanwezigheid van water. Het chloor verbindt zich met de
waterstof, de kleurstof met de zuurstof van het water.
Vraag. Kunt gij begrijpen waarom de goederen, die met chloor gebleekt worden,
zelf zoo veel lijden ?
Chloor is in tegenwoordigheid van water een krachtig oxydatie-
middel.
Proef 125. Door eene verwarmde oplossing van kaliumhy-
droxyde leide men chloorgas. Dit gas wordt geabsorbeerd;
spoedig vormen zich in de vloeistof de ons reeds van § 23,9
bekende kristallen van kali umchlo raat. Hier is dus eene
Fig. 62. Bereiding van kaliumchloraat.
Horn. Scheik»...de.
-ocr page 120-
114
zeer zuurstofrijke verbinding gevormd door den invloed van het
chloor. Wij kunnen ons de werking aldus voorstellen: De
groote verwantschap van chloor tot kalium is oorzaak dat K H O
ontleed wordt en dat kaliumchloride, water en zuurstof ont-
staan. De zuurstof wordt evenwel niet vrij, maar verbindt
zich met chloor en water tot chloorzuur (Cl2 05 H2 0 =
= 2 Cl 03 H), hetwelk op zijne beurt met eene andere hoeveelheid
KHO het zout vormt. De vergelijking, waardoor deze wer-
king wordt uitgedrukt, is
6KHO 6Cl = C10sK 5KCl-f 3H20.
Leiden wij chloor door eene verdunde, koude oplossing van
kaliumhydroxyde of door kalkbrij, dan vormt zich k a 1 i u m-
hypochloriet of calciumhypochloriet, in beide
gevallen gemengd met de chloriden dier metalen en water.
Deze vloeistoffen zijn bekend onder den naam van bleekwater
of Eau de Javelle en chloor kalk.
2K0H C12=KC1 C10K H20
2Ca02H2-f Cl. =CaCl,-f Cl2 02 Ca-f-2H20.
In deze beide gevallen is de oxydeerende werking van Cl
dus niet zoo krachtig als bij proef 125.
3. In eene molecule kaliumchloraat bevinden zich twee
atomen, die zeer veel verwantschap tot elkander hebben, n.1.
K en Cl, a. h. w. gescheiden door 3 at. O, die slechts weinig
verwantschap tot chloor bezitten. Geen wonder dus, dat deze
molecule zich zeer gemakkelijk ontbindt en dat daarbij hare
zuurstof vrij wordt, terwijl K Cl ontstaat.
Proef 126. Kaliumchloraat wordt in een glazen buisje verhit;
weldra heeft eene sterke gasontwikkeling plaats, die evenwel
spoedig ophoudt, om bij hoogere temperatuur opnieuw te be-
ginnen. Het gas, dat zich vormt, is zuurstof, in het buisje
blijft ten slotte kaliumchloride over.
Bereiding van zuurstof (lig. 63). Men vermengt altijd het zout net eene gelijke
hoeveelheid lijn gemalen bruinsteen; de gasontwikkeling heeft dan bij lagere tem-
peratuur en zeer gelijkmatig plaats.
-ocr page 121-
115
Fig. 63. Bereiding van zuurstof.
Proef 127. Vermeng fijngestampt kaliumchloraat zeer voor-
ziehtig met zwavelbloem (4 deelen zout op 1 deel zwavel).
Doe een weinig van dit mengsel in een papiertje, sla hierop
hard met een hamer en er heeft eene explosie plaats met
harden knal.
Opgave. Verklaar deze werking.
Mengsels van kaliumchloraat met houtskool of andere brandbare stoften zijn
zeer explosief en dienen met groote voorzichtigheid behandeld te worden. Toe-
passingen zijn: vuurwerk en bengaalsch vuur; dit zijn mengsels van genoemd zout
met zwavel, koolstof en andere zouten, die aan de vlam eene kleur geven, als
strontiumnitraat (rood), barinmnitraat (groen), enz.
De kopjes van Zweedsche lucifers bestaan hoofdzakelijk uit dezelfde stoffen, ver-
mengd met lijm of gom en gepoederd glas. De wrijfvlakjes bevatten rooden phos-
phor. De lucifers gaan ook aan, zoo men ze over glas, papier en andere
niet-ruwe oppervlakken wrijft. Verklaar dit!
Chloorzuur is zoo onbestendig, dat het slechts in water
opgelost bestaanbaar is. Wil men het water verdampen, dan
geeft het reeds bij 40° zuurstof af.
Vraag. Wat zal ontstaan, zoo zoutzuur en kaliumchloraat bij elkander gevoegd
worden ?
In een mengsel van kaliumchloraat en zoutzuur worden hout, linnen, spijzen,
enz. geheel verteerd; zij veranderen in gasvormige oxydatieproducten. Hiervan
wordt gebruik gemaakt om b.v. den inhoud van de maag van vergiftigde perso-
nen te oxydeeren, teneinde het vergif te ontdekken.
-ocr page 122-
116
5. Proef 128. Eene verdunde oplossing van chloor kalk
wordt gefiltreerd. Een gedeelte van het Altraat gieten wij
onvermengd in een glas; een ander deel behandelen wij met
een zwak zuur, b.v. koolzuur of azijn. In beide vloeistoffen
brengen wij nu gekleurde katoenen of linnen stoffen. In de
eerste worden deze niet, in de laatste volkomen (bij gebruik
van koolzuur langzaam) gebleekt. Dezelfde proef kunnen wij
nemen met bleekwater.
Bij behandeling van een hypochloriet met zwakke zuren wordt
onderchlorigzuur vrij. Door den invloed van brandbare
stoffen wordt dit zuur onmiddellijk ontleed; de zuurstof ver-
bindt zich met deze stoffen en tevens ontstaat zoutzuur.
Proef 129. Wij vermengen de gefiltreerde oplossing van
chloorkalk met zwavelzuur of zoutzuur. De vloeistof neemt
eene groenachtige kleur aan tengevolge van de ontwikkeling
van chloor.
In beide gevallen komt het vrijkomende onderchlorigzuur in
aanraking met zoutzuur (verklaar dit!) en daardoor vormt zich
chloor, volgens de vergelijking Cl HO C1H = H2 O -f- Cl2.
Katoenen of linnen stoffen worden clan ook onmiddellijk in deze vloeistof gebleekt.
Toepassing: het bleeken van katoen, linnen, napiermassa, enz. Het katoen wordt
eerst door koken met kalk ontvet, daarna met verdund zwavelzuur gedrenkt, dan
een oogenblik in eene oplossing van chloorkalk gebracht en daarna onmiddellijk
uitgewasschen. Zelfs wordt het goed meestal nog met eene licht-oxydeerbare stof
(antichloor) behandeld, om er alle chloor uit te verwijderen, anders zou het geheel
bedorven worden.
Opgaven. Verklaar, dat wijnvlekken, enz. uit linnen gaan, zoo men ze, met chloor-
kalk of bleekwater bevochtigd, in de lucht laat drogen. Verklaar,
dat dit nog sneller plaats vindt, door ze eerst met chloorkalk of bleek-
water en daarna met azijn te bevochtigen. Chloorkalk wordt veel gebruikt
voor de vernietiging van smetstoffen ; verklaar dit!
Broom oefent in tegenwoordigheid van water dezelfde oxydecrende werking uit
als chloor, hoewel minder sterk. Evenzoo jood, doch nog zwakker.
§ 32. Reducticiniddelen.
1. Onder de reductie van een oxyde of chloride verstaat men
het ontleden dier verbinding zoo, dat de zuurstof of het chloor,
-ocr page 123-
117
dat zij bevat, er geheel of gedeeltelijk aan onttrokken wordt.
"Wij hebben vroeger reeds verschillende voorbeelden van reducties
der oxvden en chloriden leeren kennen (§ 10). Behalve elec-
triciteit gebruikten wij als reductiemiddel zoodanige stoffen, die
groote verwantschap tot zuurstof of chloor hebben (welke?). "Wij
moesten hierbij altijd eene verhoogde temperatuur aanwenden.
Het is evenwel ook mogelijk de reductie te verkrijgen van
stoffen, die in eene oplossing voorkomen en die we dus niet
tot eene hooge temperatuur kunnen brengen. In de proeven,
die wij in de vorige § § namen, werden dikwijls zuurstof-
houdende verbindingen in eene oplossing gereduceerd door
andere stoffen, die wij er bij voegden. Wij leerden dus
metalen, arseniktrioxyde, zwavelbioxyde,
f erros ulfaat en verder allerlei brandbare stoffen (kleur-
stoffen, linnen, katoen) als reductiemiddelen kennen. De redu-
ceerende werking eener stof is krachtiger, naar gelang hare
verwantschap tot zuurstof of chloor grooter is.
2. Toch zijn hierbij dikwijls nog andere omstandigheden
van invloed. Leiden wij b.v. waterstofgas door eene koude of
eene warme oplossing van arseniktrioxyde (rattenkruit) in
verdund zoutzuur, dan heeft er geene werking plaats. Wij
nemen nu de volgende proef.
Proef 130. In eene gasontwikkelingsfiesch bereiden wij uit
zeer zuiver zink en verdund zwavelzuur waterstofgas, dat wij
door een buisje van moeilijk smeltbaar glas laten uitstroomen
(fig. 64). Is de toestel geheel met dit gas gevuld, dan steken
wij het gas aan de opening van het buisje aan. Houden wij
een koud, porseleinen schaaltje in de vlam (fig. 64), dan ont-
staat op het witte porselein (zoo de grondstoffen werkelijk
zuiver waren) geene donkere vlek. Nu gieten wij een klein
weinig van eene oplossing van As2 03 in de flesch; bijna on-
middellijk daarna zien wij op een koud, porseleinen schaaltje,
dat we weer in de vlam houden, eene donker-grijze, metaal-
achtige vlek ontstaan. Verhitten wij het buisje met eene
gasvlam, dan zien wij vóór en achter de plaats, die wij ver-
hitten, een arsenikspiegel ontstaan. Terwijl waterstof in vrijen
-ocr page 124-
118
Fitr. 64. Proef van Marsh.
toestand geene reduceerende werking op As, 03 uitoefende, heeft
de waterstof, die op het o o g e n b 1 i k van het ontstaan
er mee in aanraking kwam, het ontleed, volgens de ver-
gelijking: As2 03 12 H = 2 As H3 3 H, O.
Arsenikwaterstof is een gas,
dat bij gloeihitte ontleed wordt
in arsenik en waterstof. Wordt
dit gas aangestoken en de vlam
afgekoeld, dan verbrandt alleen
de waterstof. (Verklaar de proef).
Deze proef (proef van Marsh) is
een uitstekend middel om de
geringste sporen van arsenik-
oxyde aan te toonen.
Waterstof, die op het o ogen-
blik van het ontstaan hare
werking kan uitoefenen, is een
der krachtigste reductiemiddelen.
3. Waterstofsulfide is ook
een reductiemiddel. Om hare be-
Fig. 65.
Kipp\'s waterstofsulfide ontwikkelings-
toestel.
langrijkheid behandelen wij deze
verbinding eenigszins uitvoeriger.
-ocr page 125-
119
Het gas wordt gewoonlijk bereid in den toestel van Kipp
(fig. 65). In den ballon B, die in gemeenschap staat met den
ballon A, bevinden zich stukken ferrosulflde (Fe S). Door de trech-
terbuis e wordt verdund zwavelzuur in den toestel gegoten, dat,
zoo kraan d openstaat, door de wijde buis b naar A vloeit en
eindelijk in B met het ijzersulfide in aanraking komt. Hier
ontwikkelt zich nu waterstofsulfide volgens de vergelijking
FeS SO, H2 = SO,Fe SH2.
Opgave. Vergelijk deze werking met de oplossing van Fe O in verdund zwavelzuur.
Het gas stroomt door d uit en kan door buizen verder ge-
leid worden.
Sluiten wij de kraan d, dan verkrijgt het gas in B weldra
eene zoo groote spanning, dat de vloeistof uit B en gedeelte-
lijk uit A wordt teruggedrongen en door b omhoog stijgt; de
gasontwikkeling houdt dan op, doch begint telkens weer, zoo
kraan d geopend wordt.
Wij weten reeds, dat het gas brandbaar is. Wordt de vlam
afgekoeld door er een koud voorwerp (een porseleinen schaaltje)
in te houden, dan zet zich hierop zwavel af (verklaar dit).
Geven wij de lucht toegang tot eene oplossing van het gas in
water, dan verkrijgen wij hierin na eenigen tijd een bezinksel
van zwavelpoeder en de reuk van het gas verdwijnt (ver-
klaar dit).
Proef 131. In een ruimen, glazen ballon laten wij zwavel-
bioxyde en waterstofsulfide op elkander inwerken (fig. 66). Wij
zien eene groote hoeveelheid fijn zwavelpoeder ontstaan, dat
zich als eene vochtige massa tegen de wanden afzet.
Opgave. Verklaar dit verschijnsel; druk de scheikundige werking door eene vergc-
lijking uit.
Proef 182. Neem verdund salpeterzuur en leid daardoor
zwavelwaterstofgas. Er scheidt zich zwavel uit de vloei-
stof af.
Opgave. Verklaar deze scheikundige werking.
Vraag. Welke werking oefent waterstofsulfide uit op metaaloxyden?
-ocr page 126-
120
Fig. 66. Werking van waterstofsulfide op S O».
Proef 133. Wij leiden waterstofsulfide door eene oplossing
van ferrisulfaat. Wij zien zwavel en ferrosulfaat ontstaan.
(S04)3Fe2 SH2=2S04Fe SO„H2 S.
Vraag. Hoe is de aanwezigheid van ferrosulfaat aan te toonen ?
Opgave. Vergelijk deze werking van het gas met die bij de vorige proeven.
4. Proef 134. Wij brengen oplossingen van zouten van calcium, magnesium, zink,
ijzer (ferro), lood, tin, kwik en koper, en verder eene oplossing van arsenikoxyde,
alle vermengd met een weinig zout- of zwavelzuur, in wijdmondsche fleschjes, die
wij, op de wijze als in figuur 67 is aangegeven, met elkander verbinden. Nu leiden
wij door den toestel een stroom van waterstofsulfide.
In de vier eerste fleschjes vindt geene verandering plaats; in de overige ontstaan
neerslagen, die verschillend gekleurd zijn. Wij zonderen deze neerslagen af, be-
handelen ze met sterk salpeterzuur en zien, dat zij daarin oplossen met ontwikkeling
van waterstofsulfide (hierbij ontstaat altijd ook zwavel door de oxydatie van een
deel van het genoemde gas). De neerslagen waren dus de sulfiden van Pb, Sn, Hg, Cu, As.
Dat de sulfiden van Ca, Mg, Za, Fe niet ontstonden, is een gevolg van het feit,
dat deze in water of verdunde zuren oplosbaar zijn. Sommige hiervan zijn te
verkrijgen door de zouten dier metalen te behandelen met kalium- of ammo-
niums ulf ide-
Off/ave. Verklaar dit.
-ocr page 127-
121
Fig. 67. Werking van waterstofsulfide op zoutoplossingen.
Vragen. Zou een neerslag ontstaan door behandeling van calciumchloride, kalium-
\' nitraat of natriumchloride met kaliumsulfide?
En zoo wij ijzer- of zinksulfaat er mee behandelen?
SH3 doet neerslagen ontstaan in zure oplossingen van de zouten der volgende
metalen: Pt, Au, Ag, Sn, Hg, Cu, Pb, As, Sb.
(NH4)2S doet neerslagen ontstaan in basische oplossingen van de zouten van:
Fe, Mn, Ni, Co, Zn, Al, Cr.
Noch S H2, noch (N H4)3 S doet neerslagen ontstaan in oplossingen van de zouten
van: Mg, Ca, Ba, K, Na.
-ocr page 128-
122
HOOFDSTUK VIL
§ 33. Toepassingen van de scheikunde.
1.    De scheikunde leert ons de middelen kennen om stoffen
te bereiden, die in de natuur weinig of niet voorkomen, uit
grondstoffen, die gemakkelijk te verkrijgen zijn.
Onnoemlijk groot is het aantal verbindingen, die de schei-
kundigen hebben leeren bereiden. Vele daarvan kunnen ons
door hare bijzondere eigenschappen goede diensten bewijzen en
worden dan ook in de scheikundige werkplaatsen gemaakt.
Zoo de metalen, glas- en aardewerk, verfstoffen, vernissen,
geneesmiddelen, bleek» en waschmiddelen (chloorkalk, zeep,
soda), voedings- en genotmiddelen, enz.
2.    Behalve deze praktische toepassingen van de scheikundige
wetten en van de scheikundige eigenschappen der stoffen,
worden zij nog tot een geheel ander doel aangewend, dat niet
minder belangrijk is. Wij bedoelen het onderzoek naar de be-
standdeelen, die voorkomen in allerlei stoffen: mengsels, op-
lossingen, verbindingen, enz. Wij zullen door enkele voorbeelden
een denkbeeld trachten te geven van de wijze, waarop men
hierbij te werk gaat.
jste Voorbeeld. Men wil de samenstelling van geel koper of
messing bepalen.
Wij behandelen een stukje van het metaal (1 a 2 G) met
zuiver salpeterzuur. Het lost er geheel in op. (Pt, Au en Sn
zijn dus niet aanwezig, daar deze metalen in het zuur niet
oplossen). De oplossing wordt op een waterbad verwarmd
tot alle overtollig salpeterzuur is verdampt en de verkregen
nitraten gekristalliseerd zijn. Deze worden in gedistilleerd water
opgelost en met een weinig zoutzuur behandeld, waardoor geen
neerslag ontstaat. (Afwezigheid van Ag, Hg en Pb, want in de
zouten dezer metalen doet Cl H een neerslag ontstaan). Wij
-ocr page 129-
123
leiden door de blauwe oplossing een stroom van SH2. Hier-
door ontstaat een zwart neerslag, terwijl de blauwe kleur der
vloeistof verdwijnt. Wij gaan voort tot er verder geene ver-
andering meer door het gas wordt te weeg gebracht en de
vloeistof sterk naar SH2 riekt. De neerslag wordt door filtreeren
afgescheiden, flink met water uitgewasschen en voorloopig
bewaard (A). De vloeistof wordt met een weinig ammoniak
behandeld, tot zij basisch reageert; hierna voegen wij er
ammoniumsulfide bij, waardoor een wit neerslag ontstaat,
(afwezigheid van Fe, Mn, Ni, Co, Cr, want in oplossingen dezer
metalen zou (NH,),S een donker gekleurd neerslag doen ont-
staan). Wij doen zooveel ammoniumsulfide er bij als noodig is
om de ontleding van het zout volledig te doen plaats hebben.
Nu wordt het neerslag weer afgezonderd en gewasschen (B)
en een weinig der vloeistof op een glanzend platinablikje lang-
zaam verdampt; er blijft niets over (afwezigheid van Mg, Ca,
Ba, Sr, K en Na). De neerslagen A en B moeten de metalen,
die in het messing voorkomen, bevatten. Wij gieten op A (zie
boven) verdund salpeterzuur; er vormt zich SH, en verder
eene oplossing van een of meer nitraten. De blauwe kleur er
van verraadt de aanwezigheid van koper. Om ons te overtuigen,
dat het werkelijk koper is, wordt de oplossing met ammoniak
behandeld, er ontstaat een lichtblauw neerslag, dat in overmaat
van ammoniak met eene prachtige diepblauwe kleur oplost,
een bewijs, dat we kopernitraat en alléén dit zout in de oplos-
sing hadden, want de hydroxyden der andere metalen, die met
SH, een neerslag geven, lossen niet op in NH,,
Neerslag B kan niets anders bevatten dan zink-of aluminium-
verbindingen (zie boven). Wij lossen het op in verdund zout-
zuur (ontwikkeling van SH2!) en behandelen een weinig van
de oplossing met ammoniak; er ontstaat een neerslag, dat in
overmaat van NH, oplost; hieruit volgt, dat neerslag B slechts
zinksulfide bevat, want Al2 06 H6 is in NH„ niet oplosbaar.
Wij vinden dus als de bestanddeelen van messing: koper en
zink. Willen wij tevens de verhouding dezer bestanddeelen
kennen, dan moeten wij eene hoeveelheid messing nauwkeurig
-ocr page 130-
124
wegen, evenzoo de hoeveelheden kopersulfide én zinksulfide,
die we op de boven beschreven wijze hebben verkregen, nadat
we ze zorgvuldig hebben gedroogd. Uit deze gewichten zijn
door eenvoudige berekeningen de hoeveelheden te bepalen der
metalen, die in de legeering voorkomen.
2de Voorbeeld. "Wij hebben een kleurloos zout en willen on
derzoeken, wat het is.
Het zout is oplosbaar in water; de oplossing reageert neii\'
traal. Wij behandelen een gedeelte der oplossing met zoutzuur,
waardoor geene zichtbare verandering plaats vindt. Er is dus
geen carbonaat of silicaat en geen zilver-, cupro-, mercuro- of
loodzout aanwezig. (Verklaar dit!). Nu wordt bij een ander
proefje een weinig van eene zilvernitraat-oplossing gegoten,
waardoor geene verandering plaatsvindt (geen chloride, phosphaat,
boraat of arseniet, want deze zilverzouten zn\'n onoplosbaar in
water). Vervolgens gieten wij bij een ander proefje, dat niet
een weinig zoutzuur vooraf zuur gemaakt is, eene oplossing
van bariumchloride; er ontstaat een wit neerslag, een bewijs,
dat het zout een sulfaat was (Verklaar dit!).
Om te onderzoeken welk sulfaat het is, behandelen wij een
proefje van de zoutoplossing met een weinig zoutzuur en leiden
er H2 S door — geene verandering (afwezigheid van Ag, Au,
Pt, Sn, Cu, Pb, Hg, As, Sb, Bi).
Een ander proefje wordt met ammoniumsulfide behandeld —
geene verandering (afwezigheid van Mn, Fe, Sn, Al, Cr, Ni, Co).
Een derde proefje behandelen wij met eene oplossing van
kaliumcarbonaat — geene verandering (afwezigheid van Mg,
Ca, Ba, Sr).
"Wij moeten dus kalium- of natriumsulfaat hebben. Houden
wij een weinig van het zout, op een platinadraadje in eene niet
lichtende gas- of spiritusvlam, dan verkrijgt deze eene helder
paarse kleur; dit toont de aanwezigheid van K aan (zie proef
60). Wij hebben dus kaliumsulfaat.
8\'le Voorbeeld. "Wij hebben watervrije soda, zooals zij in den
handel voorkomt. Daar dit zout meestal vreemde bestanddeelen
bevat, willen wij het gehalte aan natriumcarbonaat bepalen.
-ocr page 131-
125
Wij gebruiken daartoe eene oplossing van zwavelzuur van
bepaald gehalte b.v. eene, die op 1L 100 gram SO, H2 bevat. (Zulke
oplossingen zijn in den handel, men noemt ze titreervloeistoffen).
Wij doen deze titreervloeistof in eene zoogenaamde burette, d.i.
eene glazen buis, die van onderen spits toeloopt, daar voorzien
is van eene kraan of eene knijpkraan (flg. 68) en die nauwkeurig
ingedeeld is in kubieke centimeters en tiendedeelen daarvan. Wij
lezen den stand der vloeistof in die burette nauwkeurig af.
Van de te onderzoeken stof wegen wij eene bepaalde hoeveel-
heid af, b. v. 5 G, lossen die
op in 100 cM8 zuiver water,
nemen hiervan met behulp van
eene zoogenaamde pipette (een
zuighevel van bepaalden inhoud)
20 cM3 af, verwarmen die in
een glaasje, na er eerst een
weinig lakmoes te hebben bij-
gegoten en laten nu druppels-
gewijze zwavelzuur uit de burette
Fig. 69. Meetpipette.
1\'ig. 68. Buretten met knijpkranen.
daarin vloeien. Elke druppel doet koolzuurgas vrij worden; lang-
zamerhand wordt de gasontwikkeling telkens minder sterk; we
-ocr page 132-
126
roeren nu flink, wachten telkens een oogenblik vóór we
op nieuw een druppel laten bijvloeien en eindelijk zien we de
vloeistof de roode kleur aannemen, die zwavelzuur aan lakmoes
geeft en de gasontwikkeling houdt geheel op. Wij lezen nu den
atand van het zuur in de burette af en vinden, dat we er
8 cM3 van gebruikt hebben. Alle natriumcarbonaat is door
zwavelzuur ontleed volgens de vergelijking:
C03Na2 SO, H2 =S04Na2 C02 H20.
Uit deze vergelijking blijkt, dat voor de volkomen ontleding
van 106 gew. deelen van het zout 98 gew. deelen zwavelzuur
noodig zijn. Voor 1 gram natriumcarbonaat is dus noodig
98
— = 0,92 G zwavelzuur. Iedere cM3 der titreer-vloeistof be-
106
vat \'/,„ G. We hadden 8 cM8 noodig voor de ontleding van
20 cM8 der oplossing van de te onderzoeken soda, dus ge-
bruikten wij daartoe 0,8 G zwavelzuur. Daar zich in 20 cM8
van de oplossing 1 G van de soda bevindt, volgt hieruit, dat
0 8
in 1 G van die soda -f— x 1 G natriumcarbonaat voorkomt
\\J*Oa
Het onderzoek naar de bestanddeelen, die in eene stof voor-
komen, noemt men analyse. Is het alleen te doen om te weten,
welke bestanddeelen er in voorkomen, dan verrichten wij eene
qualitatieve analyse. Willen wij tevens de hoeveel -
heden dier bestanddeelen kennen, dan hebben wij eene q u a n-
titatieve analyse te verrichten, die in den regel veel
omslachtiger is. Dikwijls doen wij dit met behulp van daartoe
bereide titreervloeistoffen, zooals in het 3e voorbeeld; wij noe-
men dit t i t r e e r e n.
Voor de bepaling van de waarde van vele producten, voor
het aanwijzen van vervalschingen en vergiftigingen en voor de
berekening van de hoeveelheden der stoffen, die wij moeten
samenvoegen om eene bepaalde scheikundige werking te doen
plaats hebben, is de analyse van het grootste belang.
-ocr page 133-
127
Opgave In een eudiometer bevindt zich 20 cil3 zuivere lucht; wij voegen hierbij
12 cM3 zuiver waterstofgas en laten het gasmengsel ontploffen. Na de
ontploffing blijft 20 cM3 gas in den eudiometer over. Leidt hieruit af de
verhoudinï van zuurstof en stikstof in de lucht.
HOOFDSTUK YIIL
§ 34. Koolstofverbindingen.
1. Zoo wij met een stok in het slijk op den bodem van eene
sloot roeren, zien wij een gas in groote bellen door het water
omhoog stijgen. Wij kunnen dit gas in eene flesch opvangen
(fïg. 70). Het is een
kleurloos gas, soorte- «É^x                          \\m,
lijk lichter dan lucht
(S. G. 0.5544). Op de-
zelfde wijze, als wij
dit bij waterstof deden,
kunnen wij ons over-
tuigen, dat het brand-
baar is, de verbranding
van andere stoffen niet
onderhoudt en, met
eene groote hoeveel-
heidl ucht gemengd (10
deelen), een ontplof-
baar mengsel vormt.
Bij de verbranding er
Fig. 70. Verzamelen van moerasgas.
van vormt zich kool-
zuur en water. (Hoe zoudt gij dit aantoonen?) Dit gas wordt
moerasgas, mijngas, licht koolwaterstofgas
of m e t h a n genoemd. Het vormt zich bij de ontleding van
-ocr page 134-
128
overblijfsels van planten onder water, in steenkolenmijnen,
ook bij de ontleding door warmte van steenkolen, hout en
talrijke andere stoffen, die koolstof en waterstof bevatten, doch
is dan steeds gemengd met andere gassen. De formule er van
is CH4.
Behalve deze verbinding van koolstof met waterstof zijn
nog honderden andere bekend, die alle betrekkelijk rijker zijn
aan koolstof dan de eerstgenoemde.
C2 H, is z w aar ko ol wa ter s t o f g as of ae t hy len.
Het brandt met lichtende vlam.
C6 H6 is benzol, eene kleurlooze vloeistof met eigenaardigen
reuk, S. GL 0,88, kookpunt 80°, brandbaar met lichtende en
sterk walmende vlam. Het is onoplosbaar in water en een uit-
stekend oplossingsmiddel voor hars, vet, zwavel, phosphor, enz.
Naphtaline, C, „ H8, is eene vaste, kleurlooze stof, met sterken,
teerachtigen reuk; smeltpunt 79°, kookpunt 218°, onoplosbaar
in water; oplosbaar in alcohol, ether, olie, enz.
. Anthracen, 0,0H,t, is eene vaste, kleurlooze stof, smeltpunt
213°, kookpunt 360°, onoplosbaar in water.
Petroleum is een mengsel van talrijke koolwaterstoffen. Die, welke het minste
koolstof bevatten, zijn zeer vluchtig en worden bg het raffineeren verwijderd
(benzine, naphta). De koolstofrijkere zijn bij gewone Temperatuur vast, licht
smeltbaar (paraffine).
Vele der genoemde koolwaterstoffen, met tal van andere, komen voor in den
brandbaren damp, die ontstaat bij sterke verhitting van steenkolen in een van de
lucht afgesloten vat, b.v. eene aarden pijp, wier mond met leem dichtgestopt wordt
(droge distillatie).
In de gasfabrieken worden steenkolen in aarden of ijzeren retorten tot witgloei-
hitte gebracht. Uit den damp, die zich vormt, zetten zich reeds dadelijk bij afkoeling
eene menigte distillatieproducten in den vorm van eene dikke donker gekleurde
vloeistof (teer) af. De teerafscheiding wordt bevorderd door de distillatieproducten
door koude buizen (coudensors) te leiden en daarna met koud water te wasschen in
groote cyünders, die met grove cokes gevuld zijn (scrubbers) en waarin de gassen
van onderen worden binnengeleid, terwijl het koude water druppelsgewijze tusschen
de cokesstukkeu naar beneden valt. In dit water lost ammoniak op (ammoniakwater).
Nog moet het gas gezuiverd worden van zwavelwaterstof en koolzuur; dit geschiedt
door het te leiden over gebluschte kalk of wel yzerhydroxyde (ijzeroer) (Verklaar
dit!). De hoofdbestanddeelen van lichtgas zijn H, CIIh C O en Cs H4. Hoe meer
-ocr page 135-
129
van de laatste verbinding er in voorkomt, des te grooter is zijne lichtkracht en des
te geringer zijne verbrandingswarmte.
De teer is een mengsel van vele koolwaterstoffen en enkele andere verbindingen,
zooals carbolzuur (zware teerolie, C6 H6 O), die door gedeeltelijke distillaties van
elkander gescheiden kunnen worden. Wat van de steenkolen in de retorten overblijft is
cokes. De retortenkool is koolstof, die zich als dikke laag inwendig tegen den
retortenwand afzet uit koolwaterstoffen, die door de warmte in de retorten zelf
reeds ontleed worden.
2 De koolwaterstoffen zijn verbindingen, waaruit tal van
andere koolstofverbindingen door substitutie van waterstofato-
men door andere elementen of atoomgroepen kunnen afgeleid
worden.
Zoo de alkoholen, door substitutie van 1 of meer at. H door
atoomgroepen H O, b. v.
uit CH, .... CHs(HO) = methylalkohol
„ C2H0 ... CjH.tHO) = aethylalkoliol (gewone)
„ C, H8 . . . C, H, (HO), = glycerine.
Wordt in eene koolwaterstof 1 of meer at. H vervangen door
atoomgroepen C02H, zoo ontstaan zuren, b. v.
uit CH4 .... CH3(C02H)        = azijnzuur
„ C|;H36 . . C17 H35 (C02 H) = stearinezuur
„ C6H6 . . . C6Ht(HO)(C02H) = salicylzuur
„ C17H„ . . C17H„(C0, H) = oliezuur.
Chloroform is CH Cl8, dus methan, waarin 3 at. H vervan-
gen zijn door chloor.
Tal van andere verbindingen kunnen op deze wijze worden
verkregen. Toch worden zij gewoonlijk niet uit de koolwater-
stoffen bereid. Zoo is methylalkohol een distillatieproduct van
hout. Aethylalkoliol ontstaat door gisting eener verdunde sui-
keroplossing. Glycerine is een bestanddeel van olie- en vet-
soorten. Azijnzuur is een oxydatieproduct van verdunden gewo-
nen alkohol. Stearine en oliezuur zijn bestanddeelen van vet.
Salicylzuur komt voor in de schors van wilgen.
In het algemeen komen de meeste dezer koolstofverbindingen
voor in het lichaam van planten en dieren of ontstaan uit be-
standdeelen daarvan door droge distillatie, gisting, rotting of
door den invloed van andere stoffen er op.
Iloru. Scheikunde.                                                                                   9
-ocr page 136-
130
Vandaar, dat alle deze verbindingen organische verbindingen
genoemd worden. De studie er van is het onderwerp der
organische scheikunde, die tegenwoordig veel grooter omvang
heeft dan de anorganische scheikunde.
8. Onder de organische verbindingen zijn er enkele, die ons
bijzonder belang inboezemen, omdat zij de hoofdbestanddeelen
vormen van het plantaardig of dierlijk lichaam en als onze
belangrijkste voedingsmiddelen gebruikt worden. In het planten-
lichaam zijn het: cellulose, zetmeel, suiker, vette oliën en
eiwitstoffen. In het lichaam der dieren eiwitstoffen en vetten.
De drie eerstgenoemde zijn stoffen, wier samenstelling onge-
veer dezelfde is. Het zijn zoogenaamde koolhydraten.
Cellulose (C0Hl0O5) noemt men de stof, waaruit de cel-
wanden der planten bestaan. Zij is onoplosbaar in water, alko-
hol, verdunde zuren en basen, doch kan opgelost worden in
eene oplossing van koperoxyde in ammoniak. Katoen, linnen,
vlas, hennep, jutte bestaan in zuiveren toestand uit cellulose.
Door behandeling met een mengsel van sterk salpeterzuur
en zwavelzuur, wordt een gedeelte van de atoomgroepen H O,
die er in voorkomen, gesubstitueerd door N 0„. Zoo ontstaat ook
het zeer explosieve schietkatoen (C6 H7 02 (N 03)3). Door indom-
peling in zwavelzuur verandert cellulose in perkamentpapier.
Zetmeel (amylum C6H,0Os) komt in den vorm van zeer
fijne korrels in verschillende plantendeelen (vooral zaden) voor,
die bij elke plant een bepaalden vorm bezitten. Men onder-
scheidt: tarwe-, rogge-, haver-, gerst-, rijst-, maïs-, aardappel-
zetmeel, arrow-root, tapioka, sago, enz. In heet water zwellen
de korrels op en vormt zich eene weeke, kleverige, door-
schijnende massa, n.1. stijfsel, die oplosbaar is in meer water.
Door koken met verdunde zuren verandert zetmeel in eene soort
suiker (glycose, druivensuiker of aardappelsui-
ker). Dezelfde omzetting heeft plaats door de werking van
diastase, een bestanddeel van mout, en van het speeksel.
Bereiding van bier en spiritus uit gerst, maïs, rogge, aardappelen. Het zetmeel
hieruit wordt met behulp van mout eerst omgezet iu glycose, welke daarna door
gisting geheel of gedeeltelijk wordt veranderd in alkohol.
-ocr page 137-
131
Suiker. Men onderscheidt talrijke soorten: Rietsuiker, melk-
suiker, druivensuiker of glycose, enz.
Rietsuiker (G,, H,2 O,,) komt voor in het sap van tal-
rijke planten, voornamelijk suikerriet en beetwortels. Hij wordt
verkregen door dit sap eerst te zuiveren met kalk, dan snel te
verdampen in eene luchtledige ruimte en de kristallen af te
scheiden. De ruwe suiker, die men zoo verkrijgt, wordt ge-
raffineerd door hem op te lossen en door beenderenkool te fil-
treeren, waarna de oplossing opnieuw verdampt wordt om den
suiker te doen kristalliseeren. De rietsuiker gaat, b.v. door
verwarming met zuren, licht over in druivensuiker en kan dan
eerst gisten.
Melksuiker komt voor in de melk en geeft er den zoeten
smaak aan. Het is eene zeer harde, witte stof. Hij gaat licht
over in melkzuur (zuur worden der melk).
Druivensuiker vindt men in het sap der meeste zoete
vruchten (druiven, pruimen, kersen, vijgen) en in honig. Het
is eene vaste, zoetachtige stof, die ook uit zetmeel kan ver-
kregen worden (zie boven). Hij werkt reduceerend op alkalische
oplossingen van koper- en zilveroxyde. Opgelost in water, gaat
hij door den invloed der gistplant over in alkohol en koolzuur
(bier- en spiritusbereiding).
Vetten. In het lichaam van planten en dieren komen tal-
rijke vetsoorten voor, die bij gewone temperatuur vast of vloei-
baar zijn; de laatste worden vette oliën genoemd. Tot de
vaste vetten behooren: rund-, schapen-, varkensvet, boter, palm-
olie en kokosolie. Tot de vette oliën behooren: olijf-, raap-,
amandelolie, traan, lijn-, noten-, ricinus- en papaverolie. De vier
laatstgenoemde onderscheiden zich van andere oliesoorten, door
de eigenschap van vast te worden door den invloed der lucht;
zh" worden gebruikt ter bereiding van olieverf en vernissen.
De vaste vetten hebben een laag smeltpunt; de vloeibare
stollen meestal reeds boven 0°. Zij zijn alle onoplosbaar in
water, de meeste zijn gemakkelijk oplosbaar in koolstofsulfide,
benzol, warmen alkohol en ether. Bij verhitting ontleden zij
zich spoedig met ontwikkeling van brandbare dampen, die bij
-ocr page 138-
132
afkoeling condenseeren tot eene teerachtige vloeistof, en brand-
bare gassen (zie de kaarsvlam, blz. 23). De scheikundige
samenstelling der vetten is analoog met die der zouten. Als
base komt daarin altijd voor glycerine, als zuren fun-
geeren de zoogenaamde vetzuren (stearinezuur, palmitinezuur,
enz.) en oliezuur. In een natuurlijk vet komen steeds verschil\'
lende zuren voor; hoe meer stearine- en palmitinezuur het
bevat, des te harder, hoe meer oliezuur, des te weeker
is het.
Worden vetten blootgesteld aan de werking van overhitte
waterdamp, dan splitsen zij zich in glycerine en de vetzuren.
Bereiding van stearinekaarsen uit de vaste vetzuren, die op
deze wijze uit vetten verkregen worden — nevenproducten
glycerine en oliezuur.)
Worden vetten gekookt met eene oplossing van kalium- of
natriumhydroxyde (loog), dan verbinden deze basen zich met
de vetzuren, waardoor zeep ontstaat; tevens vormt zich gly-
cerine.
Glycerine (blz. 127) is eene dikke, kleurlooze vloeistof, met
zoetachtigen smaak, oplosbaar in water en alkohol; de oplossing in
water bevriest eerst bij zeer lage temperatuur (gebruik in gaso-
meters). Door de inwerking van een mengsel van salpeterzuur
en zwavelzuur er op vormt zich nitroglycerine, eene
zeer gevaarlijke, reeds door een geringen schok hevig ontplof-
fende stof, die, met zeer fijne kiezelzuuranhydride gemengd,
dynamiet vormt.
Eiwitachtige stoffen. Bijna alle weefsels van het dierlijk
lichaam bestaan grootendeels uit eiwitachtige stoffen. In het
plantenlichaam komen zij niet in zoo groote hoeveelheid voor,
doch zij zijn er even sterk in verspreid; in alle levende cellen
treft men ze aan. Zij worden in de planten gevormd; die van
het dierlijk lichaam stammen alle van de planten af.
De voornaamste zijn: Eiwit of albumine, in vogel-
eieren, bloedwei en plantensappen; oplosbaar in water; bij
verwarming wordt het vast (coaguleeren). L e g u m i n e, in
erwten, boonen, linzen, enz.; vaste korrelige stof, die onoplos-
-ocr page 139-
133
baar is in water, oplosbaar in verdunde keukenzoutoplossing;
bij verwarming eoaguleert het in deze oplossing.
Fibrine, in het blo ed en de spieren (het eiwit van de
granen (gluten) is plantenfibrine); eene geleiachtige
stof, die bij verhitting eoaguleert; onoplosbaar in water.
Caseïne, in melk; oplosbaar in water; eoaguleert door
zuren en door het slijmvlies van de maag van kalveren.
De lijm stoffen (uit been en kraakbeen) en de hoorn-
acht i g e stoffen zijn met de eiwitachtige verwant.
De samenstelling van al deze stoffen is zeer ingewikkeld; zij
bevatten alle koolstof, waterstof, zuurstof en
stikstof, vele ook zwavel en p h o s p h o r. De meeste
gaan snel in rotting over door den invloed van bacteriën.
Daarbij vormen zich tal van ontledingsproducten, o. a. ammo-
niak, zwavelwaterstof, koolzuur, enz.; ook de zeer vergiftige
p t o m a ï n e n.
-ocr page 140-
TER HERHALING.
(Bladwijzer).
Voorkomen in
de natuur.
Bereiding.
tci a
a S
= ra
J£ JA
—
u
B B
_ V
m -t
55 \'5
Scheikundige eigen-
schappen.
49,54,101 . . .
35,54,112 . . .
39, 74,97 . . . .
37......
17,50,92,93, 106, 114
8 . .
35 . .
39 . .
88, 94 .
56 . .
17 . .
10 19 43 66 77 118
Chloor.....
Waterstofchloride . .
Mctaalchloriden .
Broom. Jood en Fluor
Zuurstof .*,."""•"
87 . .
23 . .
49, 66,77, 112
39, 54. 59, 65, 72, 74,
85, 101
37,94
56. 116
17, 50, 60. 64, 77
20 22
Langzame verbranding .
Ozone ......
Water......
64 . .
88 . .
10......
133......
106
23,64
fi4
42, 46, 48. 54, 58, 64,
74, 113.
106
115
Onderchloorzuur en hypo-
114......
116
Zwavel.....
Watcrstofsulfidc .
Zwavelbioxydc enzwave-
ligzuui\'.....
18 . .
74, 119.....
26,51,92,93,102 .
83......
86......
18,64 .
35 . .
27 . .
61 . .
82 . .
88 . .
13 . .
86 . .
81, 51
35, 42, 52, 78, 74, 77,
119
27, 117, 120
79 92
Zwavelzuur ....
80, 82, 84, 91, 92, 96
101, 102, 104
Stikstof.....
Ammoniak ....
23 . .
23, 30, 86
85,86 .
18
8fi
-ocr page 141-
135
s
komen
natuur
ij
Scheikundige eigen-
Bereiding.
11
schappen.
o o
o >o
>
Natu
Stikstofoxydmtl . . .
108.....
108
Stikstofoxyde . . .
107.....
107
107
Salpeterigzuur en nitrieten
108,111 . . .
108
Stikstofperoxydc .
92, 93, 108 . .
m .
109
Salpeterzuur ....
97.....
82 .
82,84,91, 92, 107, 119
Nitraten.....
83.....
88 .
93, lil
Phosphor , . . .
48.....
14,64
14,21,23, 64, 77
Phosphoi\'oxyde .
27.....
27 .
27,79
Phosphorznur .
79.....
82 .
82, 93
Phosphiiten ....
87
83.....
88 .
. 94, 98
Arsenik.....
45,48 . . . .
30 .
30, 77
Arsen ik waterstof.
117.....
118
Arsenigzuuren arsenieten
30.....
30,88
. 31,15,73,117
Arsenikzuur ....
108.....
Arscniksullide
73.....
Antimoon ....
.....
36 .
. 36, 77
Antimoonsulfide.
.....
74
Boor en boraten .
87
88 .
. 94, 98
Koolstof ....
80
28 ... .
28, 30
64 45,77, 102
Koohvaterstollen. . .
127
Organische verbindingen
130
Lichtgasfabrikatie . .
127
Kooloxydegas.
59 ... .
60 .
. 60
Koolzuur .....
30
29,94,97 . .
28 .
. 28, 84, 90, 93
Carbonaten en hydro-
earbonaten. . . .
83,87 . . .
88 .
93,97,98
Koolsulfide ....
33 ... .
33 .
. 33
Kiezel.....
.
.....
31 .
. 31,77
Siüciuiiioxyde en kiezel-
zuur .....
SI
98 ... .
82 .
\'.\'0, 98
Silikaten.....
.
83, 98 . . .
SS .
. 94,98
Olas......
98 ... .
Kalium.....
.
48 ... .
25 .
. 25,48,53,77,101
Kaliumoxyde en hy-
droxyde . . . •
.
25,78,96 . .
25,21
25,78,81,91,96
Kaliumsitlfide . . .
•
32 ... .
•
35
-ocr page 142-
136
Scheikundige eigen-
schappen.
IJ
Bereiding.
>
Kaliumchloride . .
„ sulfaat
Kaliumnitraat . .
„ chloraat .
„ carbonaat.
„ hydrocarbonaat
„ silikaat . .
Natrium....
Natriumoxyde en hy
droxyde
Natriumchloride.
,, snlfaat . .
„ nitraat . .
,, carbonaat .
„ boraat .
„ bypochloriet
Ammonium . .
Ammoniuniverbindingen
Calcium ....
Calciumoxyde en hy
droxyde.
Calciumsulfaat . .
„ carbonaat
„ zouten (andere)
Barium en strontium
Bariumverbindingen. .
Magnesium ....
Magnesiumverbindingen
100
105
111
114
90. 95, 99
8?
100
113
87
98
48
88
25
81
88,
25,48, 77, 101
78, 80, 81, 84
88, 96, 99
99
96,100
89
78,96
38 .
80,97
89
87
87
87
114
86
86, 120
77, 101
26, 53, 84
89
87,94
98, 99,116
56,77
99.106
7, 49, 77, 102
38, 53, 84, 95, 96, 99,
124
77, 102
82,90,99, 121
7,49,77, 101, 103
25,82,90,95, 96,121
56,77
86
79, 94, 95
95
114
79, 106
49 .
32, 38, 95
87
Aluminium ....
Aluminiumverbindingen
Porselein en aardewerk
Zink......
Zinkverbindingen . .
Chroom en chroom-
verbindingen . . .
55 .
87 .
95
46 .
51,95
88
51
66,88
-ocr page 143-
137
Voorkomen in
de natuur.
Bereiding.
Natuurkundige
eigenschappen.
Scheikundige eigen-
schappen.
Mangaan en mangaan-
verbindingen .
6.......
56 . .
7 . .
56,77,82,102,113,120
6, 49, 77,103
IJzeroxyden en hy-
Uzersulfide . . .
44,46,72, 73, 84,91
119, 120
38, 74,75, 99
87,91, 112,117,120
113,120
Cobalt en Nikkel.
Tin en tinverbindingen
46 . .
51, 93.....
31, 51.....
56 . .
7 . .
7 . .
56, 77,102
32, 77,102,109, 120
7, 77, 102,103, 104
Koperoxyde en hydroxyde
„ sulfide ....
51 . .
43,84,91, 96
34,51
89, 93, 96, 99,103,104
120
45......
32, 73, 74, 95 . . .
32......
7 . .
7 . .
32 . .
7,77 102
Loodverbindingen . .
Kwik ....
51 . .
73,93,96, 103,120
16 102
Kwikverbindingen . .
17,50,73,74,97,120
77, 102
44,98,99,103,105,120
102, 112,120
8,102,112, 120
Goud en verbindingen
Platina en verbindingen
51......
51......
7 . .
7 . .
-ocr page 144-
INHOUD.
Bladz.
Inleiding...................5
Hoofdstuk I. Scheikundige verbinding.
§ 1. Overeenkomst tusschen de verkalking der metalen en
de verbranding...............6
1.    De verkalking der metalen......... 6
2.    Omstandigheden, die daarop invloed hebben. ... 8
3.     Bij de verkalking neemt het metaal iets uit de lucht op. 11
4.     Verkalking en verbranding zijn verschijnselen van ge-
lijk.ii aard..............13
§ 2. Oorzaak der verbranding............16
1.     Bij de verbranding wordt zuurstof door de brandende stof
opgenomen..............16
2.     Oxydatie in zuurstof...........17
3.     Scheikundige verbinding..........20
4.     Verbrandingstemperatuur..........21
§ 3. Verschijnselen, die met de verbranding gepaard gaan (vlam). 22
§ 4. Langzame verbranding.............23
§ 5. Oxyden..................25
1.     Oxyden van metalen...........25
2.     Oxyden van niet-metalen..........26
3.     Overzicht van de eigenschappen der oxyden. ... 31
§ 6. Sulfiden..................31
1.    Sulfiden van metalen...........31
2.    Sulfiden van niet-metalen..........33
§ 7. Chloor en chloriden.............35
1.    Eigenschappen van chloor..........35
2.     Chloriden van metalen...........37
3.    Chloriden van niet-metalen.........38
§ 8. Oxyden, sulfiden en chloriden..........39
Hoofdstuk II. Scheikundige ontleding. Elementen.
§ 9. Ontleding door warmte. Affiniteit........42
1.    Ontleding door warmte..........42
2.    Affiniteit...............42
§ 10. Ontleding door affiniteit. Substitutie.......43
1.    Ontleding door waterstof..........43
2.    Ontleding door koolstof..........45
3.    Toepassingen..............46