-ocr page 1-
-ocr page 2-
mm i3$\\<?
-ocr page 3-
s
f
-ocr page 4-
-ocr page 5-
- Prijs 30 On\',.
AMERIKAAN JCHE DETECTIVE ROMANS. No. 5.
£en stout stuk,
DOOR
lcaurence Lynch.
UTRECHT.
A. W. BRUNA & ZOON.
-ocr page 6-
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT I
A06000030571362B
3057 136 2
-ocr page 7-
t4^
nt-j
.
u *-y-
EEN STOUT STUK.
rt» , /h
5 35
ROMAN
UIT HET AME R IKA ANSCHE LEVEN
DOOR
LAURENCE LIJNCH
BIBLIOTHEEK _
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT
COU. TH0MAAS9S
UTRECHT.
A. W. BRUNA & ZOON.
•
l-l
-ocr page 8-
!«<«
• ■■■■-.\' ri "i-h
t             „....... _
-ocr page 9-
HOOFDSTUK I.
Een schandelijke handel.
»En je hebt geene herinnering aan je moeder, Alice?"
«Slechts een zeer flauwe. Zij stierf toen ik ternau-
wernood drie jaar oud was. Mijne kindermeid Hagar
verzorgde mij, tot mijn stiefvader mij naar school zond,
waarbij hij verklaarde, dat ik geen penning vermogen
bezat en dus mettertijd mijn eigen brood moest verdie-
nen. Dat prentte ik mij in het geheugen en leerde zoo-
veel ik kon. Toen de jaren van schoolgaan om wa-
ren, kwam ik weder naar hier, om voortaan het een-
zaamste en vreugdelooste leven te lijden, want mijn
stiefvader, die mij reeds als kind hard en onvriendelijk
had behandeld, hield mij als \'t ware gevangen. Zelfs
mijn trouwe Hagar had hij weg gezonden. Zij woont
nu hier in de buurt in een eigen huisje, naar ik ge-
hoord heb, doch slechts in het geheim kan ik met haar
omgaan. Gij ziet dus, Lucian," eindigde het jonge meisje
met een zucht, »dat ik nooit geweten heb wat het
zegt gelukkig te zijn."
» Nooit, Alice?\'\' De verwijtende toon zijner stem deed
-ocr page 10-
4
haar blozen. »Tot ik jou leerde kennen, Lucian,\'\' sta-
melde zij, een schuchteren, doch tevens vertrouwenden
blik tot hem opslaande.
^Maar hoe kort zal dit geluk duren, want als je
eenmaal weg bent, zal je zeker je kleine boschnimf,
zooals je me noemt, wel gauw vergeten."
Een eigenaardig lachje vloog over het gelaat van den
jongen man, toen hij haastig antwoordde: »Welnu laat mij
dan niet van je weg gaan, lieveling! Waarom zulje je
leven hier in treurigheid slijten. Ga met mij mede
naar Boston. Ik zal je de heerlijkheid en vreugde der
wereld toonen. Tot de koningin van mijn hart zal ik
je maken en ik zal mijne liefde aan je voeten leggen,
wanneer je toestemt mede te gaan."
Hij had deze laatste woorden met hartstochtelijke
warmte gesproken, terwijl hij den arm sloeg om de
gestalte van het jonge meisje en haar teeder naar zich
toe trok. Zij liet hem begaan, doch gaf geen antwoord
op zijne vraag.
»Nu, waarom spreek je niet?" drong Lucian aan. »Is
mijne kleine boschnimf bereid dit vervelende oord mor-
genavond met mij vaarwel te zeggen ?"
Het meisje schrikte terug. »Morgen reeds ?" kwam
het sidderend over hare lippen.
»Ik moet, liefste. Gewichtige zaken roepen mij terug.
Uw lief gezichtje heeft mij reeds te lang vastgehou-
den. Zulje mij vergezellen ?"
Alice zag zwijgend voor zich neer. Hoe lief zij den
man aan hare zijde ook had, zoo stuitte het haar toch,
zich door hem te laten ontvoeren. Wel was het geen
vriendelijk tehuis dat zij zou verlaten, maar het bleef
-ocr page 11-
.5
toch altijd haar »Heimat,\'\' die zij dan voor altijd verlo-
ren zoude hebben.
»Waarom wil je dat ik heimelijk vlucht?" vroeg zij
na een wijle. »Laten wij, als het wezen moet, liever
een korten tijd van elkaar gescheiden zijn. In dien tus-
schentijd zeg ik mijn stiefvader, dat wij elkaar liefheb-
ben en zullen toebehooren, zelfs al zoude hij zijn toe-
stemming weigeren."
»0, gij lieve onschuld!" viel Lucian haar half lachend,
half ongeduldig in de rede. »Eer ik terug kwam zou
hij je al lang tot een huwelijk met zijn ouden gebochel-
den vriend hebben gedwongen, of je zoo tegen mij
hebben opgezet — — —"
»Alsof hij dat kon doen," zeide Alice verachtelijk.
Zij stonden onder een grooten Ahornboom, waarlangs
de weg naar het naaste dorp liep.
Eensklaps, als ware hij uit den boom gevallen, stond
een kleine boerenjongen voor hen, die Lucian een te-
legram overhandigde, terwijl hij stotterend zeide, dat
de waard hem bevolen had het aan mijnheer te bren-
gen. Haastig opende Lucian het couvert en las het
slechts weinige woorden bevattende telegram.
»Het is goed, Jim," zeide hij tot den knaap.
»Ga naar het logement terug en zeg aan mijn knecht,
dat hij mijn bagage moet inpakken, want ik moet nog
dezen avond afreizen. Hij gaf den jeugdigen bode een
fooitje en wendde zich daarna tot Alice.
»In plaats van morgen, moet ik reeds van avond ver-
trekken lieveling," zeide hij. »Neem dus spoedig het
besluit of je mij wilt vergezellen of niet. Bedenk hoe
eenzaam je leven hier zonder mij zal zijn en vergeet
-ocr page 12-
6
niet dat ik je lief heb, dat je mijn alles bent. Neem een
besluit, kleine elf, ik laat je tijd tot dezen avond en
zal dan je antwoord op deze zelfde plaats wachten."
»Goed, ik zal komen!" zeide Alice. Zij keek hem na,
terwijl hij zich met vlugge, veerkrachtige schreden naar
het dorp spoedde. »Zij is e5n verduiveld aardig ding,"
mompelde hij voor zich heen, »maar ik geloof niet dat
zij van avond gaan zal. Nu, een paar weken eenzaam-
heid zullen mijn duifje wel tam maken en wat de
stiefvader betreft .— al te boos zal hij zich wel niet
om hare vlucht maken. Waarom toch zou hij het meisje
niet mogen lijden? Hm — misschien weet de oude
Hagar er de reden van. Ik had wel zin haar eens te
gaan uithooren." Hij bleef eenige oogenblikken beslui-
teloos staan, vervolgde daarna zijn weg, voor zichzelf
overtuigd dat hij, die zich onweerstaanbaar voor de
vrouwen hield, ook dezereis gemakkelijk spel zou hebben.
Onderwijl stond Alice Perth, door de tegenstrijdigste
gevoelens geslingerd, als vastgenageld aan de plaats,
welke haar geliefde zoo even had verlaten. Zij dacht
er over na, of zij hem zou volgen of blijven, en kwam
ten laatste tot het besluit eerst openhartig met haren
stiefvader te spreken, doch in geen geval afstand van
Lucian te zullen doen. Voornemens den terugweg aan
te nemen, zag zij haar stiefvader, John Arthur, in ge-
zelschap van een anderen man naderen.
Die andere was de voor haar bestemde echtgenoot
Amos Adams, een leelijk, wanstaltig mensch, met te-
rugstootende gelaatstrekken en een boosaardige uit-
drukking in de door zware wenkbrauwen overscha-
duwde oogen.
-ocr page 13-
7
Alice huiverde, toen zij hem zag. Haastig trok zij
zich achter een dicht begroeid boschje terug, om te
wachten tot de beide mannen voorbij gegaan zouden
zijn. Alleen John Arthur stond hier stil en zette zich,
zonder de nabijheid van zijn stiefdochter te vermoeden,
op een omgewaaiden boomstam neder.
»Voor den koekoek, Adams! wat gaat jou mijn gestor-
ven vrouw aan !" hoorde Alice hem zeggen. »Spreek
mij niet van haar. \'t Is al erg genoeg dat zij mij alleen
het vruchtgebruik van haar vermogen heeft nagelaten.
Over geen boom en geen steen heb ik vrije beschik-
king, — het geheele goed en elke penning van haar
vermogen vervalt na mijn dood aan hare dochter."
»Weet Alice het?"
»Als zij het wist zoudt gij niet de minste kans heb-
ben haar te krijgen," luidde het weinig hoffelijk ant-
woord. »Gelukkig heb ik er voor gezorgd dat zij er
niets van te weten komt. Want zie je, beste vriend, —
heel lang zal ik het niet meer maken ; met mijn hart-
ziekte is het niet goed gesteld en als gij het meisje
huwt komt het vermogen natuurlijk in uw bezit.
Alleen om de laatste jaren van mijn leven rust te
hebben wil ik u mijne stiefdochter tot vrouw geven,
doch daarvoor verlang ik dat gij uwe schuldvordering
op mij zult vernietigen en mij een som van ioooo
dollars betaalt." Adams plukte nadenkend aan zijn dunne
stoppelbaard. »Hm, dat is duur gekocht," zeide hij ein-
delijk. »Evenwel — het meisje ziet er lief uit, zij bevalt
mij. Alzoo toegestemd!"
»Gij doet een voordeelige zaak, Adams," antwoordde
John Arthur, listig met de oogen knippend, »en mijn
-ocr page 14-
8
zegen krijgt gij bovendien."
Nadat hij nog een poos over de zaak had gesproken,
spoorde hij zijn waardigen deelgenoot aan, de aangelegen-
heid zonder verder uitstel met Alice in het reine te
brengen en formeel om hare hand te vragen. Adams
vond dit goed, en zoo gingen zij te samen naar Arthurs
huis terug, terwijl Alice Perth, het slachtoffer van dezen
schandelijken handel, als verdoofd door hetgeen zij ge-
hoord had, onbewegelijk bleef zitten. Zij bezat echter
ondanks hare jeugd en haar haast nog kinderlijk voor-
komen, een energiek karakter en een tot opstand ge-
neigde natuur, die slechts een stoot van buiten noodig
had om zich ten volle te ontwikkelen.
Dat zij nu haar stiefvader niet over haar geliefden
Lucian Davis spreken kon, was duidelijk en ook dat
zij niet onder zijn dak blijven kon, als zij weigerde den
haar tegenstaanden Amos te trouwen.
Alles kwam bij haar in opstand bij de gedachte hoe
haar hebzuchtigen, onnatuurlijken stiefvader haar wilde
verschacheren, hoe bedriegelijk en slecht hij jegens haar
handelde. Bleef haar dus wel een andere keuze, dan te
ontvluchten en haar lot aan de handen van den ge-
liefde toe te vertrouwen, over ? Nog geen uur geleden
was zij voor het doen van dezen stap terug geschrikt,
doch nu was zij er toe besloten.
Vastbesloten sprong zij eensklaps op. »Ik zal naar
Hagar gaan," mompelde zij zacht.
»Zij heeft mijne moeder gekend, zij alleen kan mij
alles zeggen."
Haastig ijlde zij op het een weinig ter zijde van den
weg gelegen huisje harer voormalige kindermeid toe,
-ocr page 15-
9
die zij, zooals gewoonlijk, voor het venster met haar
breiwerk in de hand zag zitten. Verwonderd keek de
oude vrouw op, toen zij het jonge meisje met een haar
ongewone onstuimigheid op haar zag toetreden.
»Nu, wat scheelt er aan, kind ?" vroeg zij, haar vroe-
ger pleegkind met uitvorschenden blik aanziende.
»Ik ben gekomen om iets van mijne overleden moe-
der van je te vernemen, Hagar," antwoordde Alice,
zich naast hare kindermeid zettend. »Tot dusverre heb
je altijd mijne vragen ontweken ; mijn stiefvader heeft
me zelfs verboden er over te spreken, maar thans moet
je me de geschiedenis mijner moeder vertellen en wel
op staanden voet. Ik wil het."
Ontzet staarde de oude vrouw het opgewonden meisje
aan. »Je weet niet wat je verlangt, kind," stamelde zij.
»Mijnheer Arthur heeft gezworen, dat ik je nooit zou
weerzien als een enkel woord over mijne lippen kwam."
»Heb daarover geen zorg," viel Alice haar in de
re te. »Ik weet reeds meer dan je vermoedt, ik weet
dat mijn stiefvader mij haat, omdat mijne moeder haar
vermogen zoo belegd heeft, dat hij er niet vrij over
beschikken kan en na zijnen dood wordt alles het mijne."
»Wie heeft je dat gezegd ?" vroeg Hagar verbaasd.
»Niemand. Ik ben het te weten gekomen. Natuurlijk
zou hij liever hebben dat ik stierf, maar ten zijnen
gevalle doe ik dat niet. Nu heeft hij mij aan dien onuit-
staanbaren Adams voor een paar duizend dollars ver-
schacherd, met het vooruitzicht op een gelijke som als
ik jong kwam te sterven. Wil ik je vertellen, hoe ik
het weet ?"
De oude vrouw knikte zwijgend van ja en Alice
-ocr page 16-
IO
deelde haar nu mede hoe zij den onvrij willigen luister-
vink had gespeeld. Toen drong zij van nieuws aan om
de levensgeschiedenis harer moeder te weten en ten
laatste gaf de kindermeid toe.
Wat zij haar mededeelde kwam in \'t kort hierop neer.
Alice Harcourt, die na den dood harer ouders door
een ongehuwden oom als dochter was aange-
nomen, had zich van hem vervreemd, wijl zij haar hart
had geschonken aan Lionel Perth, een jongen man die
heel flink en zeer ontwikkeld was, doch zonder middelen.
Hij had aanvankelijk in de rechten gestudeerd, doch
deze studie opgegeven, om détectief te worden, omdat
hij voor dat beroep niet alleen groote neiging gevoelde,
maar er ook bijzonder veelf aanleg voor had. Door zijn
flink optreden in moeielijke gevallen, verwierf hij zich
spoedig een uitmuntenden naam, zoodat hij zich in staat
gesteld zag Alice Harcourt te huwen.
Doch slechts een tweetal jaren hield zijn jong geluk
stand. Bij het vervolgen van een gevaarlijken misdadi-
ger werd hij verraderlijk doodgeschoten. Een vriend uit
zijn jongelingsjaren, John Arthur, die klerk bij een
advocaat was, trok zich het lot der verlaten weduwe
en van haar kind aan, doch slechts uit eigenbelang. Hij was
nl. te weten gekomen, dat Alice, zonder het te weten,
door haren oom als erfgenaam van zijn aanzienlijk ver-
mogen was aangewezen en daarom stelde hij alles in
het werk om zich in hare gunst te dringen, wat hem
door zijn openlijk getoonde teederheid voor het kind
spoedig gelukte. Kort nadat de weduwe van Lionel
Perth hem hare hand gereikt had, stierf de oom, waar-
door zij plotseling tot welvaart kwam.
-ocr page 17-
11
John Arthur, die thans zijn doel bereikt had, liet het
masker vallen en ontpopte zich als een zelfzuchtige
despoot, wiens schijnbare liefde slechts huichelarij was
geweest. Ook jegens de kleine Alice werd hij dagelijks
onvriendelijker, zoodat de beangste moeder, bezorgd,
voor de toekomst van haar dochtertje, een testament
ten haren gunste maakte, waarvan echter haar echtge-
noot geen kennis droeg. Kommer en hartzeer onder-
mijnden hare gezondheid. Zij stierf echter nog geheel
onverwachts aan hartsverlamming, naar het heette.
John Arthurs ontgoocheling was groot, toen hij zich
bedrogen zag in de hoop in het onbeperkt bezit van het
vermogen zijner vrouw te zullen komen. Van dat oogen-
blik aan, haatte hij zijne stiefdochter, die hij liefst uit
den weg zou hebben geruimd.
»Voor haren dood," besloot Hagar hare mededee-
ling, »stelde uwe moeder mij een pakje voor jou ter
hand, dat ik alleen dan mag afgeven, wanneer je stief-
vader je slecht mocht behandelen."\'
»Dan heb ik er nu recht op," antwoordde Alice, »geef
het mij."
Zonder tegen te spreken haalde de oude vrouw het
zorgzaam bewaarde pakje voor den dag. Het was een
dagboek der overledene, waarin het martelaarschap van
een geplaagd hart was afgespiegeld. Alice las het
met diepe ontroering en toen zij Hagar weer het
gelaat toewendde, stonden hare oogen vol tranen. »Ik zie
uit deze woorden mijner moeder, zeide zij met stot-
terende stem, »hoeveel zij heeft geleden en hoezeer zij
mijn stiefvader heeft gevreesd. In de hoop van haar te
zullen erven, deed hij alles om haar leven te verkorten
-ocr page 18-
IJ
en is hij langzamerhand haar moordenaar geworden."
Hagar knikte zacht met het hoofd, als wilde zij zeg-
gen, dat dit ook hare meening was.
»Uit hebzucht doodde hij mijne moeder," voer Alice
met toenemende gemoedsbeweging voort, »en uit heb-
zucht wil hij mij verkwanselen.
Maar zijn schandelijke daden zullen niet ongestraft
blijven. Ik zal wraak nemen. Zooals hij haar in den
dood joeg, zoo zal ik hein jagen en vervolgen. Zooals
hij haar heeft laten lijden, zoo zal hij alle pijnigingen
der hel ondergaan. Ik ga nu heen, Hagar, doch houd
om mijnentwille een waakzaam oog op hem. £n nu,
vaarwel! Binnen kort zulje van mij hooren." Haastig
drukte zij een kus op de wang der oude vrouw en
was daarna verdwenen.
-ocr page 19-
HOOFDSTUK II.
Onder het net gevangen.
Lucian Davis bevond zich precies op het afgespro-
ken uur onder den Ahornboom, vol ongeduld wach-
tend op het verschijnen der geliefde. Maar hij wachtte
vruchteloos. — Alice kwam niet. Met een zachte ver-
wensching op de lippen verwijderde hij zich tén laatste
en sloeg den weg naar het spoorwegstation in. Het
ergerde hem geweldig door het »kleine landmeisje,"
zooals hij haar noemde, gedupeerd te zijn, te meer daar
de begeerte om deze in jeugdige frischheid bloeiende
schoonheid te bezitten, zijne zinnen prikkelde.
Middelerwijl zat Alice in de eetkamer van Oakley
Hall in gezelschap van haren stiefvader en van diens
vriend Adams. Alvorens haar plaats als gastvrouw aan
de tafel in te nemen, had zij zorgvuldig toilet gemaakt,
een reistaschje gepakt en dit even als haar hoed en
mantel in een verborgen hoek der vestibule neerge-
legd. Gedurende den maaltijd werd slechts weinig door
de beide mannen gesproken, maar toen de tafel was
afgenomen, zeide hij tot Alice, haar met een doordrin-
-ocr page 20-
M
genden blik aanziende: »Waarschijnlijk zijt gij u de eer
bewust, die deze heer u wil bewijzen. Ik heb er
je tenminste al eenige malen op voorbereid. Ik houd
er niet van de zaken te rekken en daarom zoude het
mij aangenaam zijn, als deze aangelegenheid nog he-
den avond haar beslag kreeg. U ook, Adams?"
»Zeker, zeker!" knikte deze gewichtig.
»Nu dan," ging Arthur voort, »in de onderstelling
dat je het voorstel van mijn vriend aanneemt. —"
»Halt, niet zoo snel!" viel Alice hem in de rede.
«Mijnheer Adams heeft mij nog geen voorstel gedaan,
en door tusschenkomst van een ander neem ik het niet
aan."
»Zij heeft gelijk," knikte Adams, en zich met een
bloemzoet lachje tot het jonge meisje wendende, begon
hij niet zonder eenige verlegenheid: »Hm, ziet u, juf-
frouw Alice, het zoude mij zeer verheugen, hm — als
u mij de eer wildet aandoen mij uwe hand te schenken.
Waarlijk zeer!"
»Uw voorstel klinkt uiterst vleiend voor mij," gaf
Alice spottend ten antwoord, > alleen ben ik bang,
mijnheer Adams, dat u mij — te duur koopt. Ook is
het handel drijven met mijn persoon, gelijk mijn ge-
ëerde stiefvader van plan is, niet naar mijn smaak en
op dezen grond veroorloof ik me de mij toegedachte
eer, om uwe gade te worden, van de hand te wijzen."
»Wat voor een onzin kraam je daar uit ?" riep Arthur
met heftigheid uit, terwijl Adams verbluft voor zich
keek.
Alice bleef volkomen kalm.
»Ik weet dat gij mij aan dezen man verkwanselen
-ocr page 21-
\'5
wilt, doch daartoe laat ik mij niet vinden — in geen geval.\'*
Hare openlijke rebellie, nog wel in een zaak die zijn
hebzucht dienen moest, deed Arthur van woede blaken.
Hij schimpte en tierde, stiet bedreigingen en verwen-
schingen uit, en vergat zich zelf in zijn onzinnigen toorn
zoover, dat hij de nagedachtenis zijner gestorven vrouw
belasterde.
Alice had zijn toorn met kalme onverschilligheid over
zich laten heengaan, maar toen John Arthur op hare
moeder begon te smalen, kwam haar hart daartegen
in opstand. Met bliksemende oogen trad zij op hem toe.
»Geen woord meer !" riep zij in hartstochtelijke opge-
wondenheid uit. »Is het niet genoeg, dat gij mij mijn
leven lang hebt gehaat, omdat ik de erfgename van
het vermogen mijner moeder ben, en wilt ge mij nu
nog voor geld verschacheren ? Wilt gij ook nog de
nagedachtenis mijner moeder te schande maken, nadat
gij haar leven vergiftigd hebt ? Neem u in acht, want
dit zweer ik u: voor eiken traan, dien zij door uw toedoen
vergoten heeft, zult gij eenmaal boeten. Ik zal mijne
moeder wreken, ik zal gericht houden over u, haren
moordenaar!"
Sprakeloos, als verwezen staarde Arthur zijn stief-
dochter aan, welke hem zulk een ontzettende aanklacht
in het gezicht slingerde. Eer hij een woord tot antwoord
gevonden had, had zij de kamer verlaten.
»Dat is een wilde kat,\'\' mompelde Adams het hoofd
schuddend. »Voor zulk eene zou men bang worden. Ik.
geloof dat zij in staat zou zijn iemand te wurgen !\'\'
John Arthur was intusschen weder tot zich zelf ge-
komen.
.
-ocr page 22-
i6
»Bah! belachelijk!" stiet hij verachtelijk uit, »die
kleine."
Hij sloeg grimmig met de vuist op de tafel, daarna
stond hij op, om naar het oproerige schepsel, zooals hij
Alice in zijn ergernis noemde, om te zien. Maar zij was
nergens te vinden en met hoeveel ijver ook naar haar
gezocht werd, zij was en bleef verdwenen.
Geen enkele minuut had zij na deze heftige scène
met haren stiefvader geaarzeld zich van hem los te
maken en haar lot toe te vertrouwen aan den man,
dien zij lief had en die verlangde dat zij hem zou
volgen.
Nog juist bijtijds bereikte zij het kleine spoorweg-
station. Lucian Davis stond op het perron, den trein
wachtende. Een straal van vreugde vloog over zijn ge-
laat toen hij Alice zag.
»Breng je me eindelijk antwoord, liefste ?" vroeg hij,
haar tegemoed tredend. »Is \'t ja, of neen ?"
»Ja."
Een sardonisch lachje speelde om zijnen mond. »Zoo
is het goed, kleine boschnimf!" fluisterde hij teeder.
» Vergeet nu alles wat achter je ligt en laat je door
mij geleiden in een nieuwe, schoonere wereld."
Zij vleide zich zwijgend tegen hem aan en eenige
minuten later voerde het stoompaard haar aan de zijde
haars geliefden naar de groote stad heen, waar zij, naar
zij hoopte, een gelukkig leven beginnen zoude. Had zij
slechts kunnen vermoeden wat haar beschoren was.
In de coupé, waar zij met Lucian ingestegen was,
bevond zich slechts een enkele medereiziger, een jonge
-ocr page 23-
\'7
man met een intelligente gelaatsuitdrukking en eerlijk
blikkende blauwe oogen, zooveel merkte Alice nog op,
daarna verzonk zij afgemat door de aandoeningen van
den dag in een lichte sluimering.
Aan het laatste station voor Boston steeg Davis uit
om een verfrissing voor Alice te halen. Van dit oogen-
blik maakte de jonge man, die het paar ongemerkt
scherp had gadegeslagen, gebruik om zijne reisgenoote
aan te spreken.
» Vergeef mij, mejuffrouw, dat ik mij veroorloof u
te vragen of u in Boston bekend zijt," vroeg hij zich naar
Alice heenbuigend. Zij zag hem onthutst aan. »Ja, maar
waarom stelt u er belang in dat te weten ?"
»Hm, ik dacht zoo," mompelde de vreemdeling voor
zich heen. Luider vervolgde hij:
»Misschien zult u eenmaal een vriend noodig hebben,
om u te helpen of om u te beschermen. Wees zoo goed
mijn kaartje aan te nemen en vergeet niet, dat het een
eerlijk man is, die u voor ingeval van nood zijn bijstand
aanbiedt." Hij reikte haar zijn kaartje toe, dat zij echter
in het eerste oogenblik terugwees, wijl de houding van
den vreemdeling haar indringend toescheen. Eerst als
hij zijn verzoek met meerder drang herhaalde en zeide :
»neem het kaartje aan — om der wille uwer moeder !"
greep zij er naar en stak ze het zonder het te lezen in
haar reistaschje. Tegelijk daarop kwam Lucian terug,
hij bracht haar gebak en vruchten ; onderhield zich met
haar en vertelde haar van het leven en drijven in een
wereldstad, dat zij nu door eigen aanschouwing zou
leeren kennen.
In Boston aangekomen riep Lucian een rijtuig aan
Een stout stuk.                                                                                      2
-ocr page 24-
i8
en gaf hij den koetsier het adres van een Hotel op. Hij
merkte niet, dat de jonge man, die met hen samen ge-
reisd had, eveneens een rijtuig nam en zich naar het
zelfde Hotel liet brengen.
Ondanks het ver gevorderde uur was er nog leven
en beweging in de hel verlichte straten dat Alice met
een gemengd gevoel van nieuwsgierigheid en verwon-
dering gadesloeg.
»Zult gij niet bang zijn, zoo alleen in een Hotel te
wezen, liefste ?" vroeg Davis, zijn arm om haar heen
slaande.
»Ik heb n.1. nog een bijeenkomst voor zaken bij te
wonen, welke ik niet durf verzuimen. Ben je niet
angstig ?"
»0, neen," verzekerde zij.
»Des te beter! Morgenmiddag haal ik u af en dan
zullen wij niet meer van elkaar scheiden. Voorzich-
tigheidshalve zal ik u onder den naam van mis Web
voorstellen — met het oog op uwen stiefvader. Vindt
je dat goed ?"
>Richt alles in, zooals je meent dat goed is, Lucian,\'\'
antwoordde zij hem met een vertrouwenden blik aan-
ziende.
Toen hij haar naar de voor haar bestemde kamer
geleide, zag zij haren medereiziger in de vestibule staan.
Dit bracht haar de woorden te binnen, die deze heer
tot haar gesproken had en zoodra Lucian haar had
alleen gelaten, haalde zij het kaartje te voorschijn het-
welk de vreemdeling haar had gegeven. Het adres
luidde: »William Vaughan, Arts. Bar street 430."
»Een arts ?" dacht zij verwonderd. »Wie kan het
-ocr page 25-
■ 9
zijn ? Ik zal Lucian morgen vragen of hij hem kent.
Morgen ?
Wat zal de nieuwe dag mij opleveren ?"
Zij legde zich ter ruste, niet vermoedende dat het
voor geruimen tijd was, dat zij vrij van kommer en
hartzeer zich aan hare droomen kon overgeven.
-ocr page 26-
DERDE HOOFDSTUK.
Een vreeselijk ontwaken.
Terwijl Alice Perth in blind vertrouwen, op den man
dien zij nauwelijks zes weken kende, rustig sliep, zat
diezelfde man in een elegant ingericht vertrek, aan
de zijde een er vrouw, welke men het op den eersten
blik kon aanzien, dat zij een bewogen leven leidde. Zij
kon ontegenzeggelijk als een schoonheid gelden met
haar rosachtig blond haar, de schoone gelaatskleur, en
de schitterende nixe oogen.
Cora Weston, was een bekende verschijning in Bos-
ton, doch haar naam stond niet in den besten roep,
want men hield haar voor eene avonturierster, die
trachtte zich ten koste van dwaze aanbidders te ver-
rijken.
Met Lucian Da vis onderhield zij sinds meerdere jaren
reeds intieme betrekkingen; hij was de eenige voor
wien zij een bepaalde neiging gevoelde, een gevoel,
door hem beantwoord voor zooverre zijn zelfzuchtige
natuur daartoe in staat was.
Nog kort geleden had Cora een ouden gek, den rij-
-ocr page 27-
21
ken mijnbezitter Thomson op nog al onbeschaamde
wijze uitgeplunderd. Den bedrogene vielen ten slotte
de schellen van de oogen en om zijn toorn te ont-
vlieden, trok Cora naar Europa, doch keerde in het
geheim terug, wijl zij niet den minsten lust gevoelde
het schouwtooneel harer aan gevolgen rijke handelingen
vaarwel te zeggen. Zij had Davis getelegrafeerd haar
wegens een gewichtige zaak te komen bezoeken en
spreken en niettegenstaande het reeds late avonduur,
kwam hij tot haar, nadat hij het jongste slachtoffer
zijner slechtheid de arme Alice Perth, een veilig on-
derkomen had verschaft.
»Je ziet, Lucian," zeide Cora lusteloos in haren zetel
terugvallend, een cigaret met haar slanke vingers
draaiende, »voor een poosje moet ik mij een beetje
achteraf houden, tot de oude gek Thomson weer kalm
is geworden en er gras over de zaak zal zijn gegroeid.
Kun je me niet een -rustig oord aanbevelen, waar ik
toch de bezigheden vind die ik wensch. Zij deed het
woord, »bezigheden" vergezeld gaan van een veelbedui-
dend lachje.
Davis bedacht zich eenige oogenblikken en zeide
vervolgens: »Hm, ik weet wel iets dat geschikt voor
je zou zijn, maar dan moet je je bekwamen de rol van
een eerbare jonge weduwe te spelen."
»Als het de moeite loont, waarom niet!" antwoordde
Cora luchtig.
»Goed dan, luister!" Met de hem eigen handigheid
legde hij haar een plan voor dat haar hoe langer zoo
meer interesseerde. Het was niets minder dan om John
Arthur, den eigenaar van Oakley in hare netten te
-ocr page 28-
22
lokken en over te halen tot een huwelijk met haar.
»Wijl hij een afgeleefd man is, die een hartkwaal
heeft," besloot Davis zijne uiteenzetting van \'t plan,
»zoo heb je alle kans na korter of langer tijd zijn erf-
genaam te zullen zijn."
»Heeft hij geen bloedverwanten ?\'"
»0, ja — een vermogende zuster en een stiefdochter
welke hij echter haat en die heimelijk van hem is weg-
geloopen. Als je het slim aanlegt laat hij je alles na.
Ik zal je natuurlijk zooveel mogelijk ter zijde staan en
dat gaat het best in de rol van een broeder."
Cora lachte begeerig. »Je bent werkelijk een genie,
mijn allerliefste Lucian, en ik denk dat van al de
kleine veldslagen, waaraan wij samen hebben deelge-
nomen, deze niet de slechtste zal zijn."
»Als jouw hand het spel leidt, schoonste van alle
schoonen," luidde Lucians galante antwoord, »dan kun-
nen wij van een schitterenden uitslag zeker zijn."
Zij bespraken verder hun plan in alle bijzonderheden
en tegen het grauwen van den ochtendstond, begeleide
Davis haar naar Bellair, een plaatsje in de onmidde-
lijke nabijheid van Oakley, waar hij haar in het eenige
daar bestaande logement als zijne zuster, mevrouw
Termer, bracht.
Twee uren later bevond (hij zich weder in Boston,
op weg naar Alice Perth, zijn lichtgeloovig slachtoffer
hetwelk hij waande geheel in zijne macht te hebben.
Hij had echter buiten het toeval en buiten zijn onbe-
kenden medereiziger doctor Vaughan gerekend.
In de voormiddag uren, terwijl Alice met klimmend
ongeduld haren Lucian wachtte, liet zich een dame bij
-ocr page 29-
23
haar aandienen, die zich mevrouw Girard noemde. Zij
scheen omstreeks 30 jaar oud te zijn, had zachte, don-
kere oogen en zeer sympathieke gelaatstrekken, die
echter den stempel van diepen kommer droegen.
»Wil mij verontschuldigen," begon zij met wellui-
dende stem. »Als ik mij niet bedrieg is u de jonge
dame, die gisteren avond hier is aangekomen.
\'t Zal u wellicht aanmatigend toeschijnen, dat een
vreemde die u ten eenenmale onbekend is u opzoekt.
Maar de zaak, die mij hier heen voert, is gewichtig
en-------------"
»Wie heeft u gezonden ?" viel Alice hare bezoekster
op tamelijk hooghartige wijze in de rede.
»Een, die in alle opzichten een man van eer is, die
u, hoewel slechts oppervlakkig, kent — dr. Vaughan.
Ik ben sinds jaren met hem bevriend en op zijn ver-
zoek ben ik tot u gekomen."
»Waarom deed hij dat ?" vroeg Alice hare bezoek-
ster met een blik van wantrouwen aanziende.
» Omdat hij bezorgd over u is."
»Over mij ? Waarom ?"
»Omdat hij vreest dat gij niet weet onder wiens
geleide gij gisteren hier zijt aangekomen."
Alice werd bloedrood. »Wat wil u daarmee zeggen ?"
riep zij heftig uit.
»Dat gij nog het karakter nog de reputatie kent van
den man, onder wiens hoede gij u hebt gesteld," luidde
het ernstige antwoord.
Als door een adder gebeten, sprong Alice op, »hoe
komt dr. Vaughan er toe mij door u tegen mijn besten
vriend te willen ophitsen ?" riep zij met gramschap uit.
-ocr page 30-
24
»Als ik meer over hem weten wil dan ik weet, zoo zal ik het
hem zelven vragen. Wat anderen zeggen, treft mij niet."
»Ook niet als die anderen u toonen, dat gij aan den
rand van een afgrond staat, dat uw leven, uw zielsrust
in gevaar is ?"
»Neen !" klonk het trotsch over Alices lippen.
Mevrouw Girard vestigde een medelijdenden blik op
het opgewonden meisje. »Ik zie gij zijt boos op mij," ►
zeide zij met ernst, en toch zelfs op het gevaar af u
nog meer te ontstemmen, moet ik u eene vraag doen:
in welke betrekking staat gij tot dezen Lucian Davis
en wat verwacht gij voor hem te zullen zijn ?"
Een gloeiende blos spreide zich over Alices gelaat
uit, want met bliksemsnelheid schoot haar de gedachte
te binnen, dat Lucian, niettegenstaande al zijne liefdes-
betuigingen, er nog geen enkele maal van gesproken
had haar tot zijne vrouw te zullen maken. Hoe, indien
hij werkelijk eens oneerlijke bedoelingen had ?
Verlegen liet zij het hoofd zinken. Mevrouw Girard
maakte van hare verwarring gebruik om op overtui-
genden toon te vervolgen : »dr. Vaughan is een groot
menschenkenner. Toen hij u in gezelschap van dezen
man aantrof, zag hij dadelijk dat de schurk niets goeds
met u voor had en dat gij in het gevaar verkeerdet
als een slachtoffer zijner slechtheid te vallen. Hij durfde
het niet wagen u zelf te waarschuwen. Daarom bad hij
mij, het te doen. Arm kind. gij hebt uw lot aan slechte
handen toevertrouwd aan die van een erkend speler,
een mensch van wien de heele wereld weet, dat hij
liefdesbetrekkingen onderhoud met een slecht befaamde
avonturierster.\'\'
-ocr page 31-
25
Zij zweeg, doch Alice die gedurende deze voor haar
zoo verpletterende onthullingen als gebroken in haren
zetel terug gezonken was, verroerde zich niet. Mevrouw
Girard sloeg zacht haren arm om het jonge meisje.
»Ga met mij mede,\'\' zeide zij vriendelijk; »laat mij
vooreerst uw bescherm geest zijn. Ik weet dat gij lijdt
onder deze ontgoocheling, maar ik beschouw het als
mijn plicht u te waarschuwen. En mocht gij toch nog
twijfelen aan de waarheid mijner woorden, dan kan ik
u bij een jong meisje brengen, dat nu stervend neer-
ligt, nadat Lucian Davis haar te gronde heeft gericht.\'\'
Een rilling liep Alice langs de leden, toen zij dit
hoorde. Met doodsbleek gelaat, en starende oogen, doch
met een harden, vastbesloten trek om den mond, richtte
zij zich uit hare verdooving op.
»U meent het misschien goed met mij," zeide zij
toonloos, »maar ik kan u daarvoor niet danken. Wil
u mij alleen laten ? Lucian Davis kan dadelijk hier
zijn."
»Ga toch met mij mede!" verzocht mevrouw Girard
nog eens. »Gij moogt dezen man niet wederzien."
»Ik ben geen kind meer," luidde het koele antwoord,
»en niemand zal mij beletten Lucian Davis op mijne
wijze vaarwel te zeggen."
»Beloof mij echter daarna tot mij te komen,\'\' ver-
volgde mevrouw Girard, »opdat gij niet zonder vrienden
in deze groote stad zult zijn. Hier is mijn adres.
Zij legde haar kaartje op de tafel en verwijderde
zich, terwijl Alice stom en onbeweegelijk wachtte tot
zich de deur achter hare vreemde bezoekster had ge-
sloten. Toen eerst kwam er leven in hare gestalte.
-ocr page 32-
26
»Groote God, bedrogen, schandelijk bedrogen !\'\' mom-
pelde zij het gelaat in hare handen drukkend. Het
scheen haar zoo onmogelijk, zoo ongeloofelijk toe. Nog
den vorigen dag had zij vol blind vertrouwen geluisterd
naar de eeden zijner liefde, had zij in hem het ideaal
van haar hart gezien, en om zijnentwil haar thuis met
vreugde verlaten. En nu ? Een giftige damp was over
haar jonge leven heen gegaan; haar liefde voor Lucian
was dcod — alleen haten, kon zij den ellendeling, hoe
sterk ook haar hart zich daartegen verzette. Want de
woorden der vreemde vrouw, dit gevoelde zij, droegen
den stempel der waarheid.
Langzamerhand kwam de storm in haar binnenste
tot bedaren; met koele bezonnenheid overdacht zij
haren toestand en ontwierp zij een plan om zich aan
het geweld van haar schurkachtigen geliefde te ont-
trekken.
Toen hij eindelijk kwam, begroette zij hem met on-
bevangenheid, lachte bij de teedere woorden die hij
haar toefluisterde en liet zich zonder verzet door hem
in zijn jonggezellenwoning voeren. Hoe prachtvol was
alles daar ingericht. Nog nimmer had Alice zulk een
weelde gezien.
»Dit zal voorloopig het paleis van de koningin mijns
harten zijn," voerde Lucian haar tegemoet en toonde
haar vervolgens alle vertrekken, verblijde zich over
hare bewondering en genoot met vreugde de vele
vragen die zij hem deed.
Eensklaps viel haar oog op een fraai bewerkten,
kleinen revolver. »Wat een aardig stukje speelgoed!"
zeide zij, naar het wapen grijpende. »Is het geladen ?
-ocr page 33-
27
Ik heb nog nooit een wapen in de hand gehad. Toon
mij eens aan, hoe men daarmede omgaat."
Lachend vervulde hij haren wensch, laadde de
revolver, legde haar de zamenstelling uit, doch trok
er vervolgens voorzichtigheidshalve de patronen
weder uit.
Spoedig daarop kondigde een knecht aan, dat de
tafel gedekt was. Alice was gedurende den maaltijd
schijnbaar in een vroolijke stemming, zoodat Da vis hoe-
genaamd niets van haar werkelijken gemoedstoestand
merkte.
In de namiddag sloeg hij haar voor tot den avond
wat te gaan uitrusten. Gedurende dien tijd wilde hij
eenige handelsvrienden bezoeken. Zij vond dit goed
en liet hem met goed gespeelde teederheid uit.
Nadat hij zich verwijderd had viel haar blik op een
toegevouwen blad papier, dat op den grond lag. Waar
schijnlijk had Davis het onopgemerkt laten vallen. Alice
herkende het telegram, dat hij in hare tegenwoordig-
heid had ontvangen en door nieuwsgierigheid gedreven,
las zij het. De inhoud luidde:
Moet U dadelijk spreken. Wacht u in uwe woning.
Cora."
Met een toornig gebaar slingerde Alice het tele-
gram weg.
«Doortrapte schelm!\'\' siste zij tusschen de tanden.
»Zij riep hem, en hij kwam en voerde mij hier
heen.
»Schandelijk! Ongehoord!" In hare oogen gloeide
felle haat. »Maar neem u in acht, Lucian Davis! Ook
uw uur zal slaan. Boeten zult gij voor uw euveldaad, en
-ocr page 34-
28
ondervinden hoe vreeselijk de kleine boschnimf zich
kan wreken."
Opgewonden liep zij de kamer eenige keeren op en
neer; daarna schelde zij den knecht, een neger, dien
Davis had aangewezen om de »jonge dame" te bedie-
nen. Reeds toen Henry aan tafel diende had Alice uit
Lucians korten en bevelenden toon en uit het bedrukte
voorkomen van den neger gemerkt dat er geen bij-
zondere goede verstandhouding tusschen heer en die-
naar bestond. Hiervan wilde zij partij trekken.
Toen Henry verscheen, verzocht zij hem haar een
vel postpapier te brengen en sprak hem zoo vriendelijk
toe, dat hij na enkele oogenblikken reeds verklaarde
alles voor haar te willen doen, wat zij van hem mocht
verlangen.
»Nu, bezorg mij dan gauw wat schrijfgereedschap,"
zeide zij, verheugd den man voor zich te hebben ge-
wonnen. »Ik heb papier noch inkt.\'\'
De bediende knikte en opende zonder aarzelen de
schrijf map van zijnen heer, die op een zij tafeltje lag.
Het was een geschenk van Cora, wier portret den bin-
nenkant der map versierde. Eer Henry haar weder
sluiten kon had Alice het portret gezien.
»Is dat madame Cora ?" vroeg zij een plotselinge
ingeving volgend.
»Ja," bevestigde Henry een weinig verlegen.
»Zij moet zeer schoon zijn," vervolgde Alice, »gij
kent haar zeker ? Bevalt zij u ?"\'
De neger trok een grijnslach en antwoordde : »neen,
want zij is precies als mijnheer; zij denkt een zwarte
is geen mensch."
-ocr page 35-
29
»Hoe slecht van haar," merkte Alice op en schreef
vervolgens eenige haastige regelen aan dr. Vaughan,
hem smeekende haar uit de handen van den schurk
te bevrijden. Zij verzocht hem binnen een uur met een
rijtuig aan den hoek der straat te wachten, om haar
te brengen bij mevrouw Girard, die haar bescherming
had beloofd.
»Ziezoo, Henry zeide zij tot den bediende die ge-
duldig bij de deur wachtte, »bezorg deze aan het adres
en breng mij het antwoord terug."
De zwarte nam den brief aan dien hij beloofde te
zullen bezorgen en zoodra hij zich had verwijderd, vloog
Alice op de schrijfmap aan, die het beeld van de schoone
Cora bevatte. Zij keek er lang naar, als wilde zij zich
deze gelaatstrekken diep in het geheugen prenten. »Als
ik haar ooit zie, zal ik ze dadelijk herkennen," mom-
pelde zij voor zich heen. rjierop nam zij de revolver,
laadde die zorgvuldig, gelijk Lucian het haar had voor-
gedaan en stak het fraaie wapentje in haar zak.
Spoedig hierop keerde Henry terug. Het antwoord
van dr. Vaughan behelsde alleen deze woorden :
»Ik dank u voor het vertrouwen dat u mij schenkt
en zal u op den aangegeven tijd wachten." Alice ademde
verlucht op.
Op voorzichtige wijze verzekerde zij zich van den
bijstand des negers wien zij een ruime belooning toe-
zeide, als hij haar van dienst wilde zijn.
Henry, die zijn heer in stilte haatte, stemde be-
reidwillig toe en bewees een zeer bruikbaar werktuig
te zijn.
De pendule op de schoorsteen sloeg 5 uur. Dat
-ocr page 36-
30
was de met dr. Vaughan afgesproken tijd. Haastig,
met kloppend hart, kreeg Alice hoed en mantel en
zoude juist den drempel overschrijden, toen zij ver-
schrikt terug week, want voor haar stond — Lucian
Davis.
-ocr page 37-
VIERDE HOOFDSTUK.
Op leven en dood.
Het plotseling verschijnen van den man, dien zij tot
eiken prijs wilde ontvlieden, beroofde Alice bijna van
haar bewustzijn. Zij was als verlamd, niet in staat een
enkel woord uit te brengen.
Davis, die in het eerste oogenblik geloofde dat zij
hem wilde begroeten, zag al gauw zijne dwaling in en
raadde zonder moeite hoe de zaken stonden.
»Ik kom op het juiste oogenblik," zeide hij op spot-
tenden toon. »Mijn liefje wilde zonder geleide uitgaan,
— maar dat mag ik niet toestaan.
Hij sloot de deur en leunde met gekruiste armen
daartegen. Een waarlijk duivelsche lag grijnsde om zijn
mond, terwijl hij het sidderende meisje vast in het
oog hield.
Zoo stonden zij een wijle sprakeloos tegenover el-
kander, totdat Alice, die langzamerhand de heerschappij
over zichzelf herwonnen had een stap voorwaarts deed
en met gekunstelde kalmte verlangde, dat hij haar de
deur zou openen.
-ocr page 38-
32
»Het spijt mij zeer!" klonk het ironisch antwoord.
»Mijne schoone gebiedster moet mij eerst zeggen,
waarheen zij voornemens was te gaan."
»Zeker niet terug naar de plaats die ik terwille van
een speler en woesteling verliet," antwoordde Alice koud.
»Aha, zij heeft lont geroken,-\' dacht Lucian; men
houdt mij niet meer voor een »Tugend held," — nu
dat kan verder geen kwaad. Luid zeide hij op zoet
vleienden toon; zeg niet zulke hatelijke dingen, mijn
zoetlief. Ik ben heusch niet zoo slecht als je denkt.
Wie hecht nu waarde aan praatjes van dienstboden."
»Wat ik omtrent u weet, heb ik uit een betere bron,"
zeide zij trotsch. »Ik verkies niet langer hier te blijven
— laat mij dus gaan."
»Voorloopig niet, mijn duifje," Het honende zijner
weigering dreef haar het bloed naar het gelaat en ver-
riedt zich in het trillen harer oogleden. »Laat mij gaan!"
riep zij heftig uit. »Ik wil hier niet blijven, ik wil u
niet wederzien."
»Hu, wat klinkt dat!" lachte Da vis, hoofdschuddend.
»Je ziet er uit als een kleine tijgerkat, maar het staat
je goed. Jammer, dat je toorn geen effect op me maakt.
Ik heb overigens geen lust je te laten vertrekken, want
ik wil nog dikwijls je lief gezichtje bewonderen. Kom,
wees verstandig, schatje! Je weet dat ik je lief heb. —
Gisteren nog heb je het van me geloofd en ik ben in
dien tusschentijd niet van gevoelen veranderd."
Hij strekte den arm uit als wilde hij haar naar zich
toetrekken, doch zij week voor hem terug. »Raak mij
niet aan!" riep zij bevende van toorn. »Ik wil niet
hierblijven ! Ik wil niet !*\'
-ocr page 39-
33
Zij beproefde de deur te naderen, doch hij versperde
haar den weg. Ook bij hem was thans de bedaardheid
verdwenen.
»Geen enkelen stap verder!" snauwde hij haar toe.
»Ik sta je niet toe weg te. gaan, begrepen ?"\'
Een oogenblik stond Alice verdoofd door de gedachte
dat zij zich reddeloos in de macht van dezen man
bevond, daarna echter dreef de vertwijfeling haar tot
het uiterste. Met bliksemsnelheid trok zij de revolver
te voorschijn, waarvan Davis haar de behandeling nau-
welijks drie uur geleden geleerd had. Lucian was geen
bloodaard. Opgewonden sprong hij op het meisje toe,
om haar het gevaarlijke wapen te ontrukken, doch in
hetzelfde oogenblik ging een schot af en in de rechter
arm getroffen tuimelde Davis terug.
Als een pijl uit den boog vloog Alice hem voorbij
naar de deur, doch reeds was hij weer geheel overeind.
Met geweld kampend tegen het gevoel van zwakte,
door het sterke bloedverlies veroorzaakt, sleurde hij het
heftig tegenspartelende meisje met den linkerarm naar
zich toe, en siste haar in het oor: »kleine satan ! eer
wurg ik je, dan dat ik je de vrijheid geef. Je zult —
mij — niet — ontg — — —." Zijn stem stokte een
doodelijke bleekheid overtoog zijn gelaat en bewuste-
loos zonk hij op den grond neer, het van ontzetting
bewusteloos geworden meisje vast tegen zich aan-
drukkend.
Zoo vond hen zijn bediende Henry. die toen hij het
schot hoorde onmiddelijk toesnelde. Hij begreep dadelijk
wat er was gebeurd en stormde de straat op om hulp
te halen. Het toeval voerde hem Dr. Vaughan te gemoet.
Een stout stuk.                                                                                      3
-ocr page 40-
34
die sedert een kwartier uurs op de afgesproken plek
wachtte. Hij had Davis het huis zien binnengaan en
vol bezorgdheid over Alice bleef hij in de nabijheid.
Niets goeds vermoedend stond hij op het punt te gaan
onderzoeken naar de oorzaak van het uitblijven van
Alice, toen hij den neger zag, wiens ontsteld gelaat en
vreemde handeling zijn aandacht trok. Enkele woorden
waren genoegzaam om alles te verklaren.
Begeleid door den ontstelden knecht spoedde dr. Vaug-
han zich naar het tooneel des onheils en wat hij daar
aanschouwde: een in zijn bloed zwemmenden man en
een oogenschijnlijk dood meisje welker rechterhand de
nog rookende revolver krampachtig omspande, — ver-
vulde hem met afgrijzen.
Doch er was geen tijd te verliezen. De arts gelastte
Henry het levenlooze meisje naar een andere kamer
te dragen, terwijl hij den verwonde een voorloopig ver-
band aanlegde en hem naar het naastbij gelegen zieken-
huis liet overbrengen. Nu wijdde hij zijne zorgen aan
Alice, die in zulk een diepe onmacht lag dat het meer
dan drie uren duurde eer zij tot bewustzijn kwam. Af-
wisselend met een pleegzuster bleef Vaughan den ge-
heelen nacht aan het ziekbed en toen Davis, den arm
in een verband dragende, den volgenden morgen kwam
om naar den toestand van Alice te vernemen, verklaarde
hem de dokter met ernstig gelaat, dat als de patiënte
zou ontwaken uit de verdooving, waarin zij thans lag,
zij of dadelijk zou sterven, of door een hevige koorts
zou worden aangetast. Bij de geheele uitputting van
haar lichaam, was het verloop van deze koorts moeielijk
te bepalen. Evenwel zoude hij — dr. Vaughan alles
-ocr page 41-
35
beproeven om Alice in het leven te houden.
»Ja, doe dat, dokter," antwoordde Lucian, laat haar
de beste verpleging genieten. Het zoude toch al te
verschrikkelijk zijn als mijne onvoorzichtigheid de arme
kleine het leven zou kosten."
»Hoe is het ongeluk eigenlijk gebeurd ?" vroeg dr.
Vaughan, die eigenlijk niet aan een ongeval geloofde.
»0, heel eenvoudig!" luidde het snel gegeven ant-
woord. »Zij speelde met de revolver en vroeg mij haar
de samenstelling er van te verklaren. Toen zij zag, dat
het pistooltje geladen was, werd zij bang, waarom ik
het weder op zijne plaats wilde leggen. Daarbij stootte
zij onwillekeurig tegen de leuning van den stoel ; het
schot ging af en trof mij in den arm. Van schrik viel
de kleine buiten kennis en ik verloor, {tengevolge van
het bloedverlies, ook het bewustzijn.
Dat alles klonk zeer geloofwaardig. De doktor
scheen er door te zijn bevredigd, want hij deed geen
verdere vragen doch verlangde alleen dat Davis zich
een tijd lang niet zou vertoonen, wijl de zieke de meest
mogelijke rust behoefde.
»Dat zal wel het beste zijn, stemde Lucian toe.
Zoolang zij ziek is zal zij zich misschien niet kunnen
herrinneren hoe de zaak zich heeft toegedragen."
Ten einde zich den tijd te bekorten besloot hij de schoone
Cora op te zoeken om zich door haar te laten verplegen,
daar het sterke bloedverlies hem tamelijk had verzwakt.
»Als eerst mijn arm genezen is, en de kleine bosch-
nimf geheel hersteld," mompelde hij voor zich heen
»dan zal ik haar wel temmen. Voor geen half millioen
zou ik het kleine nest nu laten loopen."
-ocr page 42-
VIJFDE HOOFDSTUK.
Een verrassende nieuwheid.
Overeenkomstig hare afspraak met Davis, hield Cora
Weston zich sedert eenigen tijd onder den naam van
mevrouw Termer in Bellair op. Zij verwekte een alge-
meen opzien door hare schoonheid, hare elegantie en
het voorname van geheel haar wezen; terwijl zij zich
hoogst onverschillig toonde voor de openlijke bewon-
dering der dorpsbewoners, legde zij het er op toe den
bezitter van Oakley voor haar te interesseeren.
Tegen alle verwachting in, gelukte haar dit zeer
spoedig, want John Arthur was niettegenstaande eene
groote hartstocht die hem beheerschte, zijn hebzucht,
zeer gevoelig voor vrouwelijke aantrekkelijkheid. Blin-
delings vloog hij onder het net hetwelk de schoone
kokette hem had gespannen en toen Davis, die zich
voor haren broeder uitgaf, haar na zijne verwonding
(welke hij tegenover haar als het gevolg van een twist
aan de speeltafel voorstelde) kwam bezoeken, kon zij
hem het welgelukken harer plannen mededeelen. Ge-
meenschappelijk sponnen zij de intrige verder af, zonder
-ocr page 43-
37
vermoeden, welke hand eenmaal het geheele weefsel
verscheuren zoude.
Af en toe ging Davis naar Boston om te vernemen
hoe het met Alice Perth ging en om haar tegelijk in
het oog te houden. Weken lang zweefde zij tusschen
leven en dood; maar dank zij haar krachtig gestel,
kwam zij eindelijk de koorts te boven en onder de
zorgzame verpleging van dr. Vaughan en Olivia Girard
ging zij, hoewel slechts langzaam haar genezing tegemoet.
Zoodra ze zich sterk genoeg gevoelde, verliet zij de
woning van Lucian en nam zij haar intrek bij mevrouw
Girard, die alles deed wat mogelijk was, om hare vriendin
het bittere leed, dat het verraderlijke gedrag van Davis
haar had veroorzaakt te doen vergeten.
In hoeverre haar dit gelukte kon zij niet nagaan, wijl
Alice zich aanvankelijk stil en in gedachten verzonken
toonde, als hield zij zich onafgebroken met een bijzon-
dere gedachte bezig.
Vier maanden verliepen, in welken tijd Alice haar
krachten geheel terug kreeg. Lucian Davis had zij niet
terug gezien, daar hij gelukkig niet wist waar zij zich
bevond. Toen hij op een zekeren dag aan zijne woning
kwam vond hij die leeg en zijn bediende die gedurende
de ziekte van Alice in het huis was gebleven, kon hem
niets anders mededeelen, dan dat een heer haar met een
rijtuig had afgehaald. Bij het vertrek, had zij den knecht
een pakje gegeven, hetwelk hij zijn heer moest ter
hand stellen. Lucian opende het haastig; het hield niets
anders in dan zijn kleine revolver en een strookje papier,
waarop de woorden stonden: »Als wij elkander weer-
zien, zal ik u met andere wapens bestrijden."
-ocr page 44-
3&
Hij lachte verachtelijk, maar toch beving hem een
onaangenaam gevoel. Was het een voorgevoel, of was
het het bewustzijn Alice Perth te laag te hebben ge-
schat. Zij had hem getoond moed te bezitten, dat zij
niet de speelbal van zijnen hartstocht wilde zijn en dat
zij evengoed wist te haten als lief te hebben. Wat zoude
er wel van haar zijn geworden ? Hij deed voorzichtig
navorschingen, die echter alle zonder gevolg bleven. Alice
bevond zich gezond en veilig onder de hoede harer
vriendin, die het jonge meisje had lief gekregen en als
een zuster behandelde.
Hoewel mevrouw Girard door een groot leed gedrukt
werd sprak zij daarover niet. Slechts eens, toen Alice
deelnemend naar de oorzaak van haar leed vroeg, ver-
haalde zij haar met korte woorden op welke verschrik-
kelijke wijze zij bezocht was geworden. Tot voor vijf
jaren had zij gelukkig met haren echtgenoot geleefd;
toen werd hij van een moord aangeklaagd en niettegen-
staande zijne verzekeringen van onschuld tot langjarige
gevangenisstraf veroordeeld. Olivia had hemel en aarde be-
wogen om zijne vrijspraak te verkrijgen, doch te vergeefs.
Alice luisterde met gespannen opmerkzaamheid naar
dit verhaal en den volgenden dag, scheen zij nog meer
in gedachten verdiept dan anders. Zoowel Olivia als dr.
Vaughan, die dikwerf de avonduren bij mevrouw Girard
doorbracht, merkte dit op, maar zij waren te f ij nge voe-
lend om het meisje met vragen lastig te vallen.
Ongeveer een week later verklaarde Alice plotseling,
voornemens te zijn naar Bellair terug te keeren. Olivia
keek haar verrast aan. »Naar Bellair ?" zeide zij hoofd-
schuddend.
-ocr page 45-
39
»Waarom wilt gij daarheen ?"
»Om verschillende redenen."
»Mag ik ze weten ?"
»0 ja. Lucian Davis en die Cora hebben zich in
Bellair genesteld. Ik wil trachten te ontdekken wat zij
in het schild voeren ; ik wil over mijn stiefvader waken
en als de tijd gekomen is rekenschap vragen aan de
schuldigen.
Olivia gaf zich alle moeite om Alice van haar voor-
nemen af te brengen, doch deze bleef erbij. »Sinds
weken zon ik er op, wraak te nemen over hen die
mij en mijne moeder zulk een groot onrecht hebben
aangedaan, en nu zich de gelegenheid aanbiedt, zoude
ik die ongebruikt laten ? Neen, ik heb nog slechts één
levensdoel —■ en dat wil ik bereiken. En nog iets anders
wilde ik doen, voegde zij er na een kleine pauze aan
toe, »doch dat betreft u, lieve mevrouw Girard. Wil u
mij eenige vragen beantwoorden, ook bij u moet ik daar-
mede een wonde aanroeren ?"
»Welke vragen ?"
»Over uw ongeluk. Gij hebt mij onlangs verteld dat
Lucian Davis voor de rechtbank tegen uwen man had
getuigd. Heeft de verwonde — Percy heet hij niet-
waar ? — ook verklaard of hij zijn aanvaller herkende ?"\'
»Ja."
»En wat beweerde Davis ?"
»Hij had mijn man kort voor het gebeurde naar de
plaats zien sluipen waar later de verslagene gevonden
werd.
»En wie maakte het eerste gewag van den moord ?"
»Ik geloof Davis."
-ocr page 46-
4o
Alice zag een poos nadenkend voor zich en vroeg
verder: «bestonden er oneenigheden tusschen uwen
man en Davis ?"
»Geen openlijke, maar ik weet dat zij een innerlijken
afkeer van elkaar hadden. Ook had Philip ontdekt, dat
de andere bij het spelen niet eerlijk te werk ging, en
had hij zijne vrienden daarvoor gewaarschuwd."
»Was de verhouding tusschen uwen man en deze
Percy een betere ?"
»Xeen; zij hadden zelfs kort voor het plegen van de
misdaad een heftigen strijd gehad. Philip kende hem
van de schoolbanken af en wist veel ongunstigs van
hem. In de hitte van den strijd dreigde hij Percy in
zijn eer te zullen aanranden en dit werd later uitgelegd
als had hij diens leven bedreigd."
«Volgens hetgeen u mij zegt, heeft dus Davis schuld
aan de veroordeeling van uwen man. Daar deze hem
echter nooit eenig onrecht heeft aangedaan, zoo zoude
de handelwijze van Davis geheel onbegrijpelijk zijn als
hij er niet een bijzondere reden voor had gehad."
» Welke ?"
» Zelfverdediging."
Mevrouw Girard zag het meisje getroffen aan. »Hoe
meen je dat Alice?" vroeg zij aarzelend.
»Dat Lucian Davis de schuld op een ander wierp
om de verdenking van zich zelf af te wenden."
Deze veronderstelling bracht Olivia\'s gemoed in hevige
bewegmg. »Daaraan had ik niet gedacht," riep zij uit.
»Groote God! als dat eens zoo ware! Ik moet dadelijk
een détectief gaan raadplegen."
»Neen, dat zult gij niet doen," viel Alice haar driftig
-ocr page 47-
41
in de rede. Ik ben op het denkbeeld gekomen en maak
aanspraak op het recht deze zaak zelve tot klaarheid
te brengen. Wordt deze schurk ontmaskerd, dan zal
het door mijne hand geschieden. Dat zweer ik.
Nog op denzelfden middag kwam Lucians bediende
bij haar. De neger stond in haren dienst en bracht ge-
trouw bericht van alles wat hij van zijn heer wist. Deze
keer bracht hij haar een brief. »Hij is van haar," zeide
hij veelbeteekenend. »Mijnheer haalde hem met andere
papieren uit zijn zak en legde hem achteloos op zijn
schrijftafel neer eer hij uitging. Ik heb van die gelegen-
heid gebruik gemaakt, omdat ik dacht, dat u gaarne
zoudt willen weten wat er instaat."
Alice gaf den bediende een pluimpje en zag toen
haastig den brief in, die het navolgende behelsde:
»Geliefde Lucian\\
Zoo even heb ik een heel onaangename ontdek-
king gedaan. John Arthur is niet de werkelijke
eigenaar van Oakley. Een stiefdochter, die, zooals
men hier verteld heimelijk weggeloopen is, en
sedert niets meer van zich liet hooren, zal na zijnen
dood alles erven. Als zij nog leeft is al mijn werk
voor niets. Is het niet ergerlijk? Kom onverwijld
naar hier want ik heb met u te spreken. Er moet
iets worden gedaan.
John Arthurs zuster, een oude, belachelijke en
ijdele vrijster is sinds vier weken bij ons. Zij speelt
het jonge meisje en spreekt aldoor over haar aan-
bidder Percy, die naar hare beschrijving een half-
god is. Hare tegenwoordigheid is volstrekt niet
-ocr page 48-
42
naar mijn zin, maar zij heeft geld. Was dat niet
iets voor jou, mijn lieve? Kom dus dadelijk. Met
smachtend verlangen wacht je uwe
CORA ARTHUR."
Alice ontstelde, Cora Arthur? Wat beteekende dat?
Zij zond den bediende weg en dacht vervolgens over
het gelezene na. Er was geen twijfel mogelijk. Deze
intrigante avonturierster had John Arthur getrouwd in
de hoop hem te kunnen uitplunderen. En Lucian
Davis was haar bondgenoot. Nu kwam het er opaan
te handelen.
-ocr page 49-
ZESDE HOOFDSTUK.
Fijn gesponnen.
In de nieuw ingerichte woonkamer zaten vier perso-
nen aan de ontbijttafel, nl. John Arthur, Cora, zijn zus-
ter Ellen en Lucian Davis, die zijn rol als broeder uit-
muntend speelde.
»Dezen avond komt mijn nieuwe kamenier Mariette
Leroque, een francaise," zeide Ellen Arthur, tot Cora,
terwijl zij een zooeven ontvangen brief terzijde lag. »Zij
is mij zeer dringend aanbevolen geworden,"
»Belachelijk!" bromde John Arthur. »Waarvoor heeft
men op het land een francaise noodig. Je kunt het
toch ook wel zonder zulk een luxe artikel stellen.
Ik behoef je toch niet te vragen wie ik voor mijne
bediening kan aannemen," gaf Ellen haren broeder
vinnig ten antwoord. »Of ik een Hottentotsche of een
fransche neem gaat je niets aan.
Eer haar broeder iets kon antwoorden, diende de dienst-
bode een oude dame, Hagar genaamd aan, die de hee-
ren wenschte te spreken. John Arthur schrikte even op
»stuur ze weg!" riep hij geërgerd.
-ocr page 50-
44
»Ik kan dat oude wijf niet uitstaan,"
Doch voor hij nog had uitgesproken stond Hagar,
Alice Perths beschermster reeds op den drempel, zich
niet bekommerend om de nieuwsgierige blikken der
aanwezigen, trad zij dicht op John Arthur toe en een
klein pakje, benevens een visitekaartje op de tafel leg-
gend zeide zij op afgemeten toon:
»Het zou zeer onbillijk zijn, mij weg te sturen, want
de tijding die ik u breng zal u waarschijnlijk niet on-
welkom zijn. Ik breng u de boodschap eener doode."\'
John Arthurs gelaat werd aschgrauw, doch hij uitte
geen woord.
»Gisteren avond," zeide Hagar den heer des huizes
scherp in het gelaat ziende, »hield een rijtuig voor
mijne deur stil. Een vreemde dame steeg er uit, die
mij mededeelde, dat zij lid was van een liefdadigheids-
vereeniging en dat zij meermalen in het ziekenhuis een
ziek meisje bezocht had dat op sterven lag. Voor haren
dood, had dit meisje haar toevertrouwd, dat zij niet
Martha Gray, onder welken naam zij in het huis was
opgenomen, heette, maar de dame mocht het niet ver-
raden en wilde zeker wel haar laatste bede vervullen
om een klein pakje eigenhandig aan het daarop aan-
gegeven adres te bezorgen. De dame had het beloofd
en ook woord gehouden. Hier is het pakje John Ar-
thur," eindigde de vrouw, met sidderende stem. «Ver-
heug u er nu over als gij kunt! Maar Gods vloek kome
over allen, die het arme kind in den dood hebben ge-
dreven!"
Zij verwijderde zich zonder te groeten en eenigen
tijd heerschte er doodelijke stilte in de kamer, Cora
-ocr page 51-
45
was de eerste die zich herstelde. Zij nam het kaartje
en las wat er op stond voor: »Alice Perth onder den
naam van Martha Gray gestorven aan hersenkoorts in
het St. Maria Gasthuis," en opende vervolgens het
pakje. Het hield een beursje en eenige waardelooze
sieraden in, die zooals ieder in Oakley kon getuigen,
Alice Perth hadden toebehoord.
Cora\'s hart sloeg van vreugde bij de gedachte dat
de gevreesde erfgename dood was, maar zij hoedde
zich wel hare vreugde te laten blijken.
»Hoe droevig!\'\' zeide zij bedrukt. »Dat arme jonge
meisje! Het doet mij in de ziel leed."
John Arthur stond bij deze hare woorden haastig
op en verliet het vertrek, terwijl een sarcastisch lachje
over Lucians gelaat vloog. Hoe weinig kende Cora de
ware toedracht van zaken, dacht hij, doch zij behoeft ook
niet te weten hoe alles gegaan is. Alice Perth is nu
eenmaal dood — jammer van die aardige kleine.
Niemand ging natuurlijk over haar in den rouw. —
Zij was zelf de oorzaak van haar ongeluk geweest door
heimelijk weg te loopen.
Cora speelde nu wederom met dubbelen ijver de
liefhebbende echtgenoote, doch in den grond van haar
hart verveelde zij zich grenzenloos en smachtte zij
naar het aan afwisseling zoo rijke leven in de stad.
Dit zeide zij ook op een avond aan haren »broe-
der," toen zij met hem door de lanen van het park op
en neer wandelde.
»Ik geloof je graag." stemde Lucian toe, »alleen
zoude het dom zijn de buit nu te laten varen, Heb dus
nog een beetje geduld."
-ocr page 52-
46
»Zoo dikwijls heb je me dat al herhaald!" mokte
Cora. »Moet ik dan maar rustig afwachten tot het den
ouden gek invalt zelf een einde aan zijn leven te maken ?
Hij is taaier dan je denkt. Ik zou mijn halve leven hier
kunnen versuffen eer het noodig was het weduwenkleed
aan te trekken. Neen, mijn geduld is ten einde. Ik heb
een plan uitgedacht en als je me daarbij niet wilt hel-
pen dan zoek ik een anderen partner.\'"
Lucian lachte. Slechts niet zoo heftig, liefje! Gij en
ik hebben te veel gemeenschappelijke belangen om niet
samen door dik en dun te gaan. Laat me je plan hoo-
ren ! Als het uit jouw slimme hoofdje gekomen is zal
het ongetwijfeld geniaal zijn."
Aan het einde van den met dicht heestergewas om-
zoomden weg stond een bank, waarop Cora zich neer
liet en vertelde aan haar met opmerkzaamheid luiste-
renden geliefde wat zij had uitgedacht. Een lichte rit-
seling werd achter hen gehoord en twee loerende oogen
drongen door het boschje heen, doch zoo min Cora als
Lucian had er eenig vermoeden van dat zij werden
beluisterd. Toen zij een half uur later naar huis terug-
keerden kwamen zij Mariette Lerogne, de nieuwe kame-
nier van juffrouw Arthur tegen.
Zij had zwarte, laag over het voorhoofd gekamde
haren, droeg een wit jak, hetwelk hare gestalte bedekte
en noch in gang, noch in houding had zij iets van die
veelgeroemde gratie eener francaise. Met een lichte
buiging liep zij het paar voorbij in de richting naar het
dorp. Zoodra zij echter uit het gezicht was keerde zij
om en verdween in het huisje van de oude Hagar.
Deze zat voor het smeulende haardvuur toen Mariette
binnenkwam.
-ocr page 53-
47
»Zoudt ge mij herkend hebben Hagarals je niet ge-
weten had dat ik Alice Perth ben ?" vroeg zij lachend.
»Neen, kind," antwoordde de oude vrouw. »Je ver-
kleeding is meesterlijk. Even als in alles wat je onder-
neemt, ben je de echte dochter van je vader. Blijf je
nog altijd bij je besluit je te wreken over het geleden
onrecht ?"
De oogen van het meisje schoten bliksemstralen. «Meer
dan ooit,"\' zeide zij beslist. »Dat paar daar boven in
Oakley smeedt nieuwe plannen, die zij zeker zouden
verwezenlijken als — Marie Lerogne er niet was."
» Hoezoo ?"
Alice lachte. «Alleen die neuswijze kleine francaise
heeft iets gehoord, wil ik je eens vertellen wat die
mooie mevrouw Arthur heeft vernomen ?"
Zonder een antwoord af te wachten nam zij naast
de oude vrouw plaats en begon: »een uur geleden zag
ik mijn tegenwoordige stiefmoeder met Davis uitgaan
om te wandelen. Zij waren samen in druk gesprek,
wat mij deed besluiten hen stilletjes te volgen. Onge-
merkt kwam ik in hunne nabijheid en hoorde ik hoe
zij het volgende met elkaar afspraken: Mevrouw Cora
zal zich ziek houden als haar lieve «broeder" in de stad
weergekeerd is. Zij zal weigeren een der dorpsgenees-
heeren te consulteeren en zal verlangen dat haar broeder
zal overkomen met haren huisdokter, die haar reeds
vele jaren heeft behandeld en die kort geleden in
Europa geweest is. De laatste moet dan verklaren dat
zij een besmettelijke koorts heeft. Juffrouw Arthur en
de bange dienstbode zullen natuurlijk wegloopen. John
Arthur echter zal onder het voorwendsel dat hij reeds.
-ocr page 54-
48
door de besmetting is aangetast worden teruggehouden.
Op Davis verzoek blijft de dokter. Er zal om pleeg-
zusters uit de stad worden geschreven en het fraaie
paar heeft de handen vrij."
»En wat gebeurd er dan weder?" vroeg Hagar met
spanning.
»Nu, mevrouw Cora zal gauw genoeg genezen zijn;
haar echtgenoot daarentegen blijft ziek. Men strooit
het praatje uit dat de koorts het denkvermogen heeft
aangetast, zoodat hij in zijn geestvermogens gestoord
is en bewaakt moet worden.
»Wat hebben ze daarmede voor?"
»0, de zaak is heel eenvoudig. Iedereen zal het be-
grijpelijk vinden dat de oude, zieke man spoedig sterft.
Daar is het die twee om te doen. Ik ben immers dood
en als nu mijn stiefvader sterft, dan valt de geheele
erfenis zijne weduwe ten deel."
»Alzoo willen zij John Arthur uit den wegruimen?"
»Ja, zoo ongemerkt mogelijk waarschijnlijk met be-
hulp van den dokter, die natuurlijk door hen betaald
wordt, door vergiftiging of op eenige soortgelijke ma-
nier. Hem geschiedt recht," besloot Alice met een uit-
drukking van haat op het gezicht, »hij zal thans boeten
voor al de plagerijen die mijne moeder van hem te
verduren heeft gehad en voor de slechtheid waarmede
hij mij heeft behandeld. Maar ook die anderen zullen
hun lot niet ontgaan. Ik zal dien schurk van een
Davis ontmaskeren, en Philip Girard de vrijheid her-
geven."
»Dat is een goed werk," stemde de oude vrouw toe.
»Wat binnen het bereik mijner zwakke krachten staat
-ocr page 55-
49
om u te helpen wil ik graag doen, want ik hoop het
nog te beleven, dat gij als rechtmatige meesteres Oak-
ley binnentrekt."
»Geduld slechts!" antwoordde Alice zich gereed ma-
kend om te vertrekken. Eer wij twee maanden verder
zijn zal ik gewroken wezen.
Een stout stuk.
-ocr page 56-
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Een onpleizierig weerzien.
Juffrouw Arthur bevond zich in groote opgewonden-
heid. Zij wachtte bezoek en wel van niemand minder
dan van haren aanbidder, Edward Percy uit Boston.
»Besteedt de grootste zorg aan mijn haar en aan
mijn toilet, Mariette," zeide zij tot hare kamenier, »ik
wil er zoo voordeelig mogelijk uitzien, zoodra mijnheer
Percy komt, laat hem dan in het kleine salon en be-
richt mij dadelijk."
Mariette verwijderde zich in stilte overleggend of
deze Percy misschien dezelfde zou zijn, terwille van
wien Philip Girard in de gevangenis smachtte. Uit
vroegere vriendschapsbetrekkingen bezat dr. Vaughan
een fotografie van dezen Percy. Alice of Mariette, ge-
lijk zij zich tegenwoordig liet noemen had deze foto-
grafie gezien en de gelaatstrekken van den man zoo
goed onthouden, dat zij hem uit honderden herkend
zoude hebben.
Toen de verwacht wordende binnen kwam en zij hem
de deur opende, ontsnapte haar een kreet van verrassing,
-ocr page 57-
51
want de man die voor haar stond, een flinke man met
blauwe oogen en blonde haren en baard, was niemand
anders dan Edward Percy wiens persoon voor Alice
zulk een groote beteekenis had.
Mariette liet hem in het kleine salon en wilde zich
juist verwijderen met de woorden: »Ik zal juffrouw
Arthur roepen," toen de vreemde bezoeker haar terug-
hield.
»Wie is die dame daarginds ?" vroeg hij door het
raam naar een elegant gekleede dame wijzend, die op
het terras voor het huis gezeten was.
*Dat is mevrouw Arthur."
»Zijne weduwe?"
»Neen, zij is de vrouw van den bezitter van Oakleij,
verklaarde Mariette vriendelijk.
»Ah, ik geloof dat ik die dame vroeger gekend heb.
Hier, aardig kind," — hij drukte haar een geldstuk in
de hand — »wilt gij mij een genoegen doen ? Roep
juffrouw Arthur nog niet, doch zeg aan mevrouw Arthur
dat een heer verzoekt haar te mogen spreken,"
Bereidwillig beloofde Mariette de boodschap te zullen
overbrengen. Zij had zeer goed opgemerkt hoe verrast
de vreemde bij het zien van Cora was geweest en
brandde van nieuwsgierigheid te ontdekken in welke
betrekking die twee tot elkander stonden. Mevrouw
Arthur was niet weinig verwonderd toen de kamenier
van hare schoonzuster haar de boodschap overbracht,
zonder echter den naam van dien heer te noemen.
In het eerste oogenblik wilde zij hem niet te woord
staan, wellicht uit vrees voor een onaangename ont-
moeting, — doch toen zij vernam dat deze haar reeds
-ocr page 58-
5*
door het venster gezien en het meisje gezegd had dat
hij een oude bekende was, liet zij zich door Mariette
naar het salon brengen.
Noch zij, noch de vreemde merkten dat de francaise
zich achter een leunstoel verborg die vlak bij de deur
stond. Toen Cora de kamer binnenkwam en den man aan-
zag deed zij, met een uitdrukking van haat en vrees op
het gelaat een stap achteruit. »Zijt gij het?" stamelde zij.
»Jawel ik ben het zelf!" klonk het half lachend ge-
geven antwoord. »Ben je niet verheugd mij na zoo
langen tijd weer te zien, mijn lief wijfje ?"\'
Zij werd bloedrood en zeide geërgerd: »noem mij
niet zoo, gij hebt daar geen recht toe, of hebt gij ver-
geten hoe schandelijk ge mij tien jaren geleden hebt
verlaten om een andere achterna te loopen ? Hoe durft
gij het wagen mij hier op te zoeken ?"
>Om uwentwil ben ik niet gekomen," antwoordde hij
met een spottend lachje. »Mij voert een heel ander oog-
merk hierheen."
Zij keek hem wantrouwend aan. »Wanneer gij soms
wat tegen mij in \'t schild mocht voeren, zoo waarschuw
ik u vooruit, dat ik niet meer het onervaren ding van
vroeger ben."
»Dat zie ik," viel hij haar met onwillekeurige bewon-
dering in de rede. »Je bent prachtig ontwikkeld, liefje
en ziet er uit als een vorstin. Jammer dat jij niet de
weduwe van John Arthur bent, — dan konden we
weer beginnen waar we geëindigd zijn."
»Zwijg!" riep zij toornig en met den voet stampend.
Tusschen ons is alles uit, — begrepen ? En hoe eer
gij weggaat, zoo beter."
-ocr page 59-
53
»Dien wensch kan ik niet vervullen," voer hij haar
tegemoet, zich in hare ergernis verkneukelende. »Voor-
loopig blijf ik hier."
»Waarvoor.
»Om mij van een vermogen meester te maken.
»Gij hebt toch voor vijf jaren een groote erfenis gehad?"
»Alles op tot den laatsten penning toe. Helaas heb
ik nu niemand meer om van te erven en daar ik zonder
geld niet leven kan, moet ik naar een rijke vrouw omzien."
* Ah!"
»Nu is mij een juffrouw Arthur ingevallen die ik in
Boston heb leeren kennen. Met haar zal ik stellig ge-
makkelijk spel hebben, als jij me een handje wilt helpen.
Cora maakte een afwijzend gebaar. »Jou helpen ?"\'
zeide zij met verachting in den toon harer stem. »Daar
denk ik zelfs in mijn droomen niet aan."
Hare weigering ergerde hem. »Je zoudt beter doen
op goeden voet met mij te komen," merkte hij op,
nadruk op zijn woorden leggend.
«Waarom ?" klonk het hoogmoedig wederwoord.
Hm, omdat ik in staat zou zijn te bewijzen, dat ik
voor tien jaren een zekere Cora Fort trouwde, die zich
onlangs onder een anderen naam met den bezitter van
Oakleij in den echt heeft laten verbinden, zonder wettig
van haren eersten man te zijn gescheiden. Dat noemt
men bigamie, is het niet ?"
De schoone vrouw ontstelde vreeselijk; alle kleur
week van haar gelaat en zij wierp een blik vol bitteren
haat op den man. die zich beroemde haar m zijne macht
te hebben. Hare vrouwelijke sluwheid hielp haar echter
uit het dilemna.
-ocr page 60-
54
»Uwe bedreigingen zijn belachelijk," zeide zij min-
achtend de schouders ophalend. »Gij kunt mij niets be-
wijzen want ik was slim genoeg alle op ons huwelijk
betrekking hebbende papieren onder mij te houden.
Maar laten wij het verleden rusten," viel zij zichzelf
plotseling in de rede, het is bij slot van rekening in
ons beider belang de vrede te bewaren. Beproef u
geluk bij juffrouw Arthur, ik zal u geen hinderpalen
in den weg leggen."
»Best dan zullen we vrienden blijven," knikte hij
toestemmend, terwijl een triumfeerend lachje om zijn
lippen speelde,
Op dit oogenblik ging de deur open en kwam juf-
frouw Arthur ruischend binnen. Uit haar beschilderd
gelaat las men verdriet en jalousie; toen zij haar aan-
bidder in een tête a tête vond met hare, haar zoo anti-
pathieke schoonzuster.
Voor zij echter een woord kon uitbrengen, dook
Mariette achter haar op. »Heeft men om mij gescheld ?"
vroeg zij, oogenschijnlijk buiten adem van het harde
loopen.
Het verschijnen van het meisje kwam Cora hoogst
gewenscht. »Jawel, ik heb gebeld," jokte zij. »omdat
gij juffrouw Arthur het bezoek zoudt aankondigen. Ik
heb een ouden bekende in mijnheer Percy gevonden,
lieve Ellen," zeide zij zich tot deze wendende. »Hij was
echter zoo ongeduldig je te zien, — — —"
Gevleid en geheel gerustgesteld nam de juffrouw nu
haar jeugdigen aanbidder in beslag, terwijl Cora, spot-
tend lachend zich terugtrok.
Mariette ging naar haar kamertje, om na te denken
-ocr page 61-
55
over hetgeen zij had afgeluisterd. »Als ik slechts wist
of Davis destijds al Percy\'s medeminnaar is geweest,"
mompelde zij voor zich heen; »dan liet het zich ver-
klaren, waarom hij een aanslag op dezen heeft gedaan.
Welnu, ook daar zal ik achter komen. Het net sluit
zich al meer en meer over de schuldigen en als de
dag van afrekening aanbreekt zal Alice Perth gewro-
ken zijn !"
-ocr page 62-
ACHTSTE HOOFDSTUK.
De veldslag begint.
Mariette had een dag verlof van hare meesteres ge-
kregen, om naar het heette, haar zieke moeder te be-
zoeken. In werkelijkheid echter vertrok zij naar Boston
om Olivia Girard te bezoeken en te raadplegen. Er
was haar veel aan gelegen het verleden der beide mede-
minnaars Davis en Percy na te sporen. Maar dat zou
slechts met behulp van bekwame Detectiefs mogelijk zijn.
»Tot dusverre heb ik alles alleen gedaan," zeide
zij tot Olivia, »maar om te kunnen aantoonen dat Davis
de schuldige is, moeten wij trachten te weten te komen
op welken voet hij tijdens den aanslag met Percy stond.
Is daaromtrent bij de behandeling der zaak voor het
gerecht niets aan het licht gekomen ?"
Niet het geringste," antwoordde mevrouw Girard.
»De beide mannen getuigden eenstemmig ten nadeele
van mijnen armen man en verkeerden gedurende den
loop van het proces vriendschappelijk met elkaar. Alleen
weet ik dat Percy spoedig daarop uit Boston verdween.
Dr. Vaughan, de eenige vriend, die Philip en mij was
-ocr page 63-
57
overgebleven heeft later nasporingen naar hem laten
doen, doch steeds te vergeefs."
»En toch moet hier de schijn bedriegen," merkte
Alice nadenkend op. »Uit al wat ik in Oakley heb
gehoord heb ik theorie opgebouwd die misschien zal
blijken juist te zijn.\'"
»En hoe luidt die theorie ?"
»Heel eenvoudig, Cora Arthur was of is veeleer nog
Eduard Percy\'s wettige vrouw. Destijds moet zij reeds
betrekkingen met Davis hebben onderhouden en toen
zij ontdekten dat Percy een zeer aanzienlijk vermogen
van zijnen oom had geërfd zal zij met haren waardigen
vereerder wel op het denkbeeld gekomen zijn om door
den dood van haren man, van wien zij gescheiden leefde,
in het bezit van zijn vermogen te komen.Hetheeft haiir zeker
niet veel moeite gekost Davis, die Percy in stilte als
medeminnaar haatte, tot die daad over te halen. Om
nu de verdenking van zich af te werpen beschuldigde
hij uwen man, van wien hij wist dat deze kort te voren
hooggaande onaangenaamheden met Percy had gehad.
»Gij zijt een geboren detectief !" riep mevrouw Girard
vol bewondering uit. Hoe meer ik er over nadenk, te
waarschijnlijker vind ik uwe vermoedens. Maar een
ding begrijp ik niet, hoe kwam Percy er toe Davis te
ontlasten, terwijl hij wist dat deze den moordaanslag
had gepleegd.
»Hiervoor is werkelijk slechts ééne verklaring te
vinden, Davis moet een geheim uit Percy\'s leven ken-
nen, hetwelk hem macht over dezen geeft. Wij moeten
alles aanwenden om dit punt tot klaarheid te brengen
— de vrijheid van uwen man hangt er van af."
-ocr page 64-
Mevrouw Girard brak in tranen uit. »Ach, Alice,"
snikte zij, »met vreugde zou ik mijn heele vermogen
opofferen als ik Philip daarmede de deur der gevangenis
kon openen. Wat heb ik niet al beproefd om hem te
helpen, doch altijd te vergeefs ! En ik vrees dat ook
uwe bemoeingen schipbreuk zullen lijden op de sluw-
heid dezer schurken."
Stellig niet!" antwoordde Alice met vertrouwen.
»Ik heb den moed en de energie van mijn vader
geërfden misschien ook een beetje van zijn talent," voegde
zij er fier aan toe. »En dan — mij drijft nog een
machtiger factor wraak te nemen op mijn stiefmoeder,
die mij van geld en goed heeft beroofd en op den
ellendeling die mij mijne eer ontrooven wilde, en die mijn
leven heeft vergiftigd. Al ben ik slechts een zwak
meisje, zoo zullen die twee toch ondervinden, zich in
mij te hebben bedrogen."
»Xu, voor het oogenblik houden ze je voor dood."
»Tot ik voor hunne oogen zal verrijzen!" lachte
Alice. »Was mijn denkbeeld niet voortreffelijk ? Alleen
op deze wijze kan ik ongehindert in Oakley leven en
handelen en uit den eigen mond der schuldigen ver-
nemen, wat ik wil weten. Doch zooals ik zeide. ik
heb thans hulp noodig en daarom ben ik naar hier
gekomen."
»Mij dunkt wij moesten dr. Vaughan raadplegen,"
sloeg 01 ivia voor. Hij zal gaarne op zich nemen de
noodige detectiefs te kiezen en te instrueeren."
Allice was het geheel daarmede eens. Toen dr. Vaug-
han in den namiddag mevrouw Girard een bezoek
bracht, werd hem de zaak voorgelegd. Hij zoude liever
-ocr page 65-
59
hebben gezien, dat het jonge meisje, in hetwelk hij
levendig belang stelde onder de hoede van hare moe-
derlijke vriendin in Boston ware gebleven; hij waagde
het echter niet haar van haar voornemen af te brengen,
wijl hij zeer goed begreep, hoezeer zij zou wenschen
de beide schurken, die zulk een diepe wonde aan haar
hart hadden toegebracht met eigen hand te straffen.
Hij liet haar dus haar eigen gang gaan, onder belofte
evenwel haar naar zijn vermogen te zullen bijstaan.
Met bewogen stem zeide zij hem dank en voegde
daaraan toe: »ik heb mijn eerste plan veranderd, want
aanvankelijk wilde ik alleen de beide avonturiers ont-
maskeren en mijnen stiefvader het bewijs leveren welk
een voortreffelijke vrouw hij bezit; om tegelijk Oakley
van zijn tegenwoordige bewoners te zuiveren. Nu echter
zal ik daarvan afzien."
»Waarom ?*\' vroeg dr. Vaughan verrast.
»Omdat ik hoop den heer Girard de vrijheid te kun-
nen hergeven en dat kan ik alleen als ik deze lieden
ongestoord hun gang laat gaan, zoolang tot ik bewijzen
heb gevonden."
»Hoe gij wilt dus uw eigen wraak daaraan opofferen?"
»In \'t geheel niet! ik stel ze alleen maar uit, want
ik wil mij dankbaar betoonen tegenover al degenen
die het zoo loffelijk met mij voor hadden. Davis is
thans hier, waarschijnlijk om Percy uit den weg te
blijven. Het zal dus gemakkelijk vallen hem door een
detectief te laten nagaan.^Zij vermoedde niet dat hij,
terwijl zij in Boston vertoefde, op aansporing zijner
zuster naar Bellair was gereden, hoewel slechts heime-
lijk, want mevrouw Cora haalde hem met haar pony-
-ocr page 66-
Co
wagentje dat zij zelf mende aan het station af en sloeg
niet den weg naar Oakley in, maar stuurde haar rijtuig
in tegenovergestelde richting.
»Xu liefje," begon Davis een sigaar opstekend »wat
is er geschied dat je me weer zoo gauw naar hier hebt
geroepen ?"
»Iets aangenaams: Edward Percy is hier."
»Wat ? Percy !" Hij keek haar strak aan. »Hoe komt
dat mensch hier ? Ik dacht dat hij in Cuba was."
»Dat geloofde ik ook, maar de waarheid is, dat hij
zich sedert drie dagen op Oakley bevind."
»Waarom heb je hem niet de deur gewezen y\'
»Als ik het slechts had gekund!" zuchtte Cora.
>Hij trad echter zoo brutaal op, en bedreigde mij
. te zullen bewijzen dat ik John Arthur getrouwd had,
zonder wettig van hem te zijn gescheiden."
»Je hebt toch de bewijsstukken ?"
>Dat wel maar toch zou hij mij nog veel onaange-
naamheden kunnen berokkenen en daarom heb ik een
soort van vredeverbond met hem gesloten."
»Tot welken prijs ?"\' vroeg Davis.
Zij lachte spottend. «Natuurlijk niet voor niemendal.
Hij heeft de aanzienlijke nalatenschap van zijn oom tot
de laatste penning verbrast en hengelt nu naar een
rijke vrouw, als hoedanig hij juffrouw Arthur heeft uit-
gekozen. Deze oude jongejuffrouw is doodelijk op hem
verliefd, zoodat hij gemakkelijk spel zal hebben. Na-
tuurlijk laat hij haar zitten zoodra hij het geld binnen
heeft. Van mij verlangt hij, dat ik hem geen hinder-
nissen in den weg zal leggen en om der wille des
lieven vredes heb ik hierin toegestemd."
-ocr page 67-
6i
»Het is echter zeer lastig, hem altijd hier te hebben,"
merkte Davis neerslachtig op.
»Dat is waar," stemde zij toe. Ook mij, komt hij
zeer ongelegen. Maar van twee kwaden moet men het
minst schadelijke kiezen. Het is beter zoo, want nu
kunnen wij hem in \'t oog houden. Jou echter mag hij
nog niet zien ; — hij weet nog niet welke rol je hier
speelt; eerst als hij Ellen Arthur geënterd heeft, zal
een ontmoeting tusschen u beiden onvermijdelijk zijn.
Blijf tot zoolang liever in de stad en maak die zaak
met doctor Ie Guise in orde."
Zij bespraken het laatste punt nog uitvoerig, waarop
Davis naar Boston terugkeerde zonder te vermoeden
dat een detectief voortaan elk zijner schreden zou volgen.
Maar deze kon niets anders constateeren dan dat Davis
eiken avond een speelclub bezocht en herhaalde samen-
komsten met een man had die den titel van professor
droeg, doch van wien eigenlijk niemand wist, waar hij
vandaan kwam of thuis hoorde.
Inmiddels maakte Eduard Percy groote vorderingen
in zijnen aanval op het jonkvrouwelijke hart van Ellen
Arthur. Zij was verrukt over zijn ridderlijk wezen, ge-
loofde zijn gevlei en verknoeide verscheiden uren aan
haar toilet, om er zoo jong mogelijk in de oogen van
haar smachtenden minnaar uit te zien.
Mariette doorleefde onaangename uren; zij kon hare
meesteres absoluut niet meer tevreden stellen en had
veel van hare luimen te verduren. Daarover wreekte
zij zich echter door te beproeven een norsch karakter
aan te nemen en den aanbidder der juffrouw door
bedekte toespelingen verdacht te maken.
-ocr page 68-
6 2
»Ik geloof,\'" zeide zij eens op een morgen, terwijl zij
juffrouw Arthur kapte, >;dat ik mijnheer Percy verle-
den jaar in Baltimore gezien heb bij de menschen waar
ik toen diende. Men vertelde destijds dat hij met een
schatrijke weduwe verloofd was, van wie hij gaarne
wilde erven. Naar het schijnt is daar echter niets van
gekomen." In den spiegel kon zij zien, dat juffrouw
Ellen bleek werd. »Aha!" dacht Mariette, »de angel
steekt."
Inderdaad begonnen jalousie en twijfel het hart van
de verliefde oude vrijster zoo te verontrusten dat zij
dienzelfden dag haar aanstaande aan een scherp kruis-
verhoor onderwierp. Dank zij zijne radheid van tong,
doorstond hij het met goed gevolg. Hij zeide Mariettes
meester nooit te hebben gekend, dat hij vele naamge-
nooten had en dat het zeer krenkend voor hem was
als zij het oor leende aan het geklets van dienstbaren.
Natuurlijk geloofde zij zijne verzekeringen, ja zij liet
zich zelfs door hem overreden de babbelachtige fran-
caise te ontslaan. Mariette scheen zich daarvan niet
veel aan te trekken. Door kleine oplettendheden had
zij zich den laatsten tijd in de gunst van mevrouw
Arthur weten in te dringen en herhaaldelijk gezegd
hoe veel liever zij een jonge en schoone meesteres zoude
bedienen dan zulk een ijdele oude vrijster. Dat streelde
Cora. Zij begon zich voor het meisje te interesseeren
en zoodra zij hoorde, dat Mariette ontslagen was, nam
zij haar in hare dienst, gedeeltelijk om hare schoon-
zuster te ergeren, gedeeltelijk omdat zij geloofde in
Mariette een bruikbaar werktuig voor hare plannen te
vinden.
-ocr page 69-
f>3
Natuurlijk droomde ze er zelfs niet van, dat zij zelf
door deze francaise was uitgezocht om haar eigen oog-
merken te dienen.
Dr. Vaughan had n.1. geschreven, dat men omtrent
het verleden van Davis geen ontdekkingen had gedaan,
dan alleen deze, dat hij ettelijke jaren geleden in ge-
zelschap van een zekere Cora Weston een reis naar
Europa gemaakt had en eerst geruimen tijd later weder
in Boston opgedoken was.
»Met deze resultaten der nasporingen, was natuurlijk
niet veel te beginnen, ofschoon daaruit een langjarige
intiemiteit tusschen den speler en de tegenwoordige
mevrouw Arthur viel te constateeren.
Alice zag in, dat zij het beoogde doel, Philip Girard
de vrijheid te hergeven, geen stap nader zou komen,
als het haar niet gelukte uit te vorschen dat en waar-
om Lucian Davis den moordaanslag op Edward Percy
had begaan. En dat bewijs was in dit geval alleen
door Lucians medeschuldige, Cora Arthur, te leveren.
Klaar en duidelijk zag Alice nu voor zich wat zij
had te doen. Zij moest de schoone avonturiester in
hare macht hebben en tot eene bekentenis zien te dwin-
gen. Op grond hiervan had zij den dienst bij juffrouw
Arthur verruild voor den tegenwoordige, want om macht
over Cora te krijgen, was het noodig hare geheimen
uit te vorschen en voor alles, om in het bezit te komen
van de papieren, die betrekking hadden op het eerste
huwelijk van hare tegenwoordige meesteres. Doch waar
waren deze papieren ? Waar hield mevrouw Arthur ze.
verborgen.
-ocr page 70-
NEGENDE HOOFDSTUK.
Doktor Le Guize.
Mevrouw was ziek. Niet verontrustend ; zij leed slechts
aan een lichte aanval van migraine. Zij had behoefte
aan rust en verscheen daarom niet aan den middag-
disch. Dit beviel John Arthur niet erg. Naar den aard
van zijn egoisme, hinderde het hem te weten, dat iemand
in zijne omgeving ziek was; bovendien verkoos hij het
gezelschap van zijn schoone pikante vrouw die sedert
den dood van Alice Perth een verdubbelde teederheid
jegens hem aan den dag legde, verre boven dat zijner
schoonzuster. Toen de eigenzinnige stiefdochter zoo eens-
klaps het huis verliet, had hij juffrouw Ellen tot zich
geroepen, omdat hij geen lust gevoelde zich zelf met
het bestier der huishouding te bemoeien. Zij kwam
bereidwillig, nestelde zich en dacht, ook na het her-
trouwen van haren broeder er niet aan het veld te
ruimen. Daarom kwam het aanzoek van Percy, John
Arthur zeer gelegen want daardoor bestond er voor-
uitzicht de lastige medebewoonster van zijn huis met
goed fatsoen kwijt te raken. In den loop van den dag
-ocr page 71-
65
won hij verscheiden malen bij Mariette inlichtingen in,
omtrent den toestand harer meesteres en gaf den raad
een dokter te ontbieden; doch daarvan wilde Cora
niet weten.
Tegen den avond echter kwam de francaise zijn kamer
binnen. «Vergeef mij als ik u stoor, mijnheer," stotter-
de zij, »maar ik ben zoo ongerust over mevrouw, haar
hoofd gloeit en zij is zeer opgewonden. Kan men niet
het een of ander voor haar doen ?"
»Zeker moet men dat," antwoorde John Arthur, zicht-
baar verontrust, »maar zij wil geen dokter hebben."
Mariette trok verlegen aan de banden van haar
boezelaar. »Mag ik mijnheer zeggen, wat mevrouw
onlangs gezegd heeft?"
>Nu, dat was?"
»Zij meende, in een vreemde, dien zij in het geheel
niet kende, had zij geen vertrouwen. Ja, als het haar
oude huisdokter was, die haar sinds jaren had behan-
deld, dan ware het iets anders, maar die was in Boston
en zij was bang, dat mijnheer het kinderachtig zou
vinden als zij hem vroeg, dien te laten komen."
De handige kamenier had de haar door Cora ge-
leerde les goed opgezegd en het gevolg bleef niet uit.
John Arthur ging zelf naar de kamer zijner lijdende
vrouw die als een geduldige lijderes in de hagelwitte
kussens lag — schooner dan ooit. Hare oogen brand-
den als van koorts, haar wangen gloeiden en de pols-
slag was, naar Mariette mededeelde, beangstigend snel.
»Wil ik een van de doktoren hier, bij je laten komen ?"
vroeg John Arthur teeder. »Zij zijn werkelijk zeer be-
kwaam."
Een stout stuk.                                                     •                                 5
-ocr page 72-
66
»Dat kan wel zijn," gaf zij met nauwelijks hoorbare
stem ten antwoord. »Ik stel echter geen vertrouwen in
een vreemden dokter. Mijn oude Le Guise kent mij
het beste, — die zal mij in elk geval het spoedigst
cureeren."
»Zooals gij wilt!" gaf John Arthur toe. »Zeg mij zijn
adres, dan zal ik hem telegrafeeren."
»Zend ook bericht aan mijn broeder," verzocht zij
zacht, »die kan hem meteen meebrengen. En ga nu
heen ! Ik wil beproeven wat te slapen."
De echtgenoot verwijderde zich gehoorzaam. Nauwe-
lijks echter was de deur achter hem gesloten, of Cora
richtte zich half overeind op, haalde een roman van
onder het hoofdkussen te voorschijn en begon ijverig
te lezen, Mariette aansporend te zorgen dat niemand
haar stoorde.
»Die arme zieke vrouw!" dacht de francaise. »Als
John Arthur haar zoo eens kon zien.\'"
»Deze had natuurlijk onmiddelijk aan Lucian Davis
getelegrafeerd, wiens antwoord hij met ongeduld ver-
beidde. Eindelijk kwam het en luidde:
»Dokter Le Guise kan heden onmogelijk komen. —
Komen morgen per eersten trein."
Hoe fataal — doch er bleef niets anders over dan
geduldig te wachten.
Den volgenden morgen was Cora\'s toestand zeer
verergerd. Zij lag oogenschijnlijk in een harde koorts,
zij ijlde en herkende noch haar echtgenoot, noch Ellen
die zich uit angst voor een misschien aanstekelijke
ziekte, zoo spoedig mogelijk terug trok. Eindelijk ver-
scheen Davis met den dokter, een heer met een grauwe
-ocr page 73-
67
baard, die zich zeer gewichtig voordeed. Hij verlangde
met de paciente te worden alleen gelaten ten einde den
aard der ziekte te kunnen vaststellen. Eerst na geruimen
tijd keerde hij in het salon terug waar John Arthur,
Ellen en Lucian op het vernemen van het resultaat
van zijn onderzoek wachten.
Met ernstig gelaat en hem in de oogen ziende trad
de medicus op den heer des huizes toe. »Wil u zoo
goed zijn mij te zeggen, wanneer gij het laatst in de
kamer uwer echtgenoote zijt geweest ?"
»Ik was er een uur geleden met mijne zuster."
Dokter Le Guise bracht zijn gelaat in een nog ern-
stiger plooi. »Hm, dat is kwaad, heel kwaad! Gij hebt
u aan een groot gevaar bloot gesteld, want — ik mag
het u niet verzwijgen — mevrouw Arthur ligt ziek
aan een kwaadaardige, hoogst besmettelijke koorts.
John Arthur werd bij deze woorden krijt wit, terwijl
zijn zuster, die niet van kleur veranderen kon om de
eenvoudige reden dat haar tint grauw was, met een
kreet van ontzetting in den naastbijstaanden leunstoel
neerviel. Alleen Davis behield zijn tegenwoordigheid
van geest.
Eenigszins verschrikt over de uitwerking zijner woor-
den, beijverde de man der wetenschap zich, de al te
beangste gemoederen te kalmeeren.
»Voor alles moet ik u dringend verzoeken u niet
op te winden," zeide hij met nadruk. »Het best zou
zijn als gij beiden u naar uwe kamer begaafd en daar
voorloopig bleeft. In dien tusschentijd zal ik poeders
voor u klaar maken die gij om het uur moet innemen,
Op die manier zal, hoop ik, het gevaar worden afge-
-ocr page 74-
68
wend. »En gij, mijn vriend," aldus wendde hij zich op
vaderlijken toon tot Davis, »deedt beter naar Boston
terug te keeren. Het is voor u niet geraden hier te
blijven. Doch daarvoor had Davis geen ooren. Het
zoude hem onmogelijk zijn, verzekerde hij, zijne ge-
liefde zuster in zulk een ernstigen toestand te verlaten.
Nog dienzelfden namiddag bracht dokter Le Guise
aan mejuffrouw Ellen een bezoek in hare kamer. Na
verschillende vragen aan haar te hebben gedaan, verklaar-
de hij dat zij van besmetting was vrij gebleven; hij
moest haar echter aanraden voorzichtigheidshalve een
ander kwartier op te zoeken, ten minste als zij een
geschikt onderkomen in de nabijheid kon vinden.
De vreesachtige dame liet zich dit geen tweemaal
zeggen, pakte inderhaast haar boeltje bijeen en nam
haar intrek in het kleine dorpslogement, dat zij, in
andere omstandigheden niet zou hebben aangezien, doch
dat haar thans als een veilige haven toescheen, waarin
zij te liever vluchtte, omdat zij er in de onmiddellijke
nabijheid harer geliefde Edward zou zijn. Deze eer-
waardige heer maakte dan ook zich de gelegenheid
ten nutte om zijne harts aangelegenheden te bevorde-
ren. Reeds na drie dagen had hij het doel zijner wen-
schen berijkt en zich met mejuffrouw Arthur verloofd.
De bezitter van Oakley beleefde intusschen geen
prettige dagen. De dokter deelde hem mede dat hij
een lichten, ofschoon slechts zeer lichten aanval van
de koorts had; hij moest daarom eenige dagen zijn
kamer houden en zich voegen naar de voorschriften
van den arts. John Arthur had een vreeselijke angst
voor den dood. Bijgevolg volgde hij alle voorschriften
-ocr page 75-
69
van den arts nauwkeurig op, doch in plaats van beter
te worden, voelde hij zich met iederen dag zieker.
Tegen het einde der week ontving Olivia Girard
van Mariette of liever van Alice Perth den volgenden
brief:
Lieve Mevrouw Girard !
»De veldtocht is geopend. Lucian Davis en de
zoogenaamde huisdokter van Cora een zekere doctor
Le Gruise, zijn hier. Het is hun gelukt zoowel de
huishoudster als het grootste gedeelte van de be-
dienden op de vlucht te jagen met de verklaring dat
mevrouw Arthur aan een zeer besmettelijke koorts
lijdt. Alleen de keukenmeid is gebleven en daardoor
is het mij niet moeielijk gevallen mijne oude Hagar
als noodhulp binnen te smokkelen.
Beneden in het dorp verteld men elkaar, dat de
meesteresse van Oakley gelukkig buiten gevaar en
op den weg van beterschap is. Haar echtgenoot
daarentegen ligt bedenkelijk aan dezelfde ziekte. De
arts hoopt hem in het leven te behouden, doch hij
zal nooit weder zijne vorige gezondheid herkrijgen,
aangezien zijn denkvermogen is aangetast en hij
waarschijnlijk levenslang gestoorde geestvermogens
zal behouden.
De zorgzame dokter had reeds twee vertrekken
in het meest afgelegen gedeelte van het huis voor
zijne patiënten laten inrichten; daar zouden zij onder
bewaking worden gehouden. Met dit doel had Davis
zijn bediende Henry laten overkomen, echter niet ver-
moedende dat deze in mijn betaalde dienst staat. De
-ocr page 76-
7 o
neger bezorgt mij een proefje van elk geneesmiddel
dat den zieke wordt ingegeven. Daarenboven heb ik
een copie der recepten — louter onschuldige huis-
middeltjes — die Le Guise mevrouw Cora voor-
schrijft om den schijn te bewaren.
Juffrouw Arthur blijft voorloopig in het dorp, doch
laat zich dagelijks bericht geven hoe het met haar
broeder gaat.
Ik heb nog eene taak te vervullen, gelukt mij die,
dan ben ik na aan mijn doel en zal vermoedelijk
binnen weinige dagen naar Boston komen. In het
andere geval moet ik hier blijven en een gunstiger
gelegenheid afwachten voor een nieuwe proef. Tot
iederen prijs wil ik mijn voornemen volbrengen —
er hangt zooveel van af."
Wat Alice Perth zich voornam te doen, daarover
brak zij zich te vergeefs het hoofd. Toch twijfelde zij
er geen oogenblik aan of het koene meisje zou de zaak,
die zij ondernomen had glorierijk ten einde brengen.
-ocr page 77-
TIENDE HOOFDSTUK.
Gewaagd spel.
Het was in den namiddag van een helderen Decem-
berdag. De zonnestralen vielen door de hooge vensters
in het boudoir van mevrouw Cora, welks verf ij nd-
weelderige inrichting eer in het paleis eener we-
reldstad, dan in een eenvoudig landhuis zou worden
gezocht. De bezitster van al die pracht rustte in een
gewaad van cachemier gehuld, op een ottomane voor
het brandende haardvuur. Zij zag er goed, ja zelf bloeiend
uit, — een merkwaardig feit, in aanmerking genomen
de zware ziekte die zij pas was te boven gekomen.
Tegenover haar, de beenen lang uitgestrekt en zijn
welverzorgde handen beschouwend, zat Lucian Davis.
»Wat heb je Percy geschreven?" vroeg hij op luste-
loozen toon.
»Wat ik je al gezegd heb: dat ik hem een gewich-
tige mededeeling heb te doen en hem hier wacht."
Hij liet zijn blik onderzoekend op haar gelaat rusten.
»Zie je er niet veel te goed uit voor iemand die zoo
gevaarlijk ziek is geweest ?" merkte hij na een poosje op.
-ocr page 78-
72
Zonder een woord te antwoorden stond Cora op, ging
in hare kleedkamer, »bewerkte" zich daar met poeder
de riz en blanketsel en keerde na weinige minuten
triumfeerend lachend naar Lucian terug.
»Zoo, zeide zij op luchtigen toon; »de interessante
bleekheid is er. De matte oogen dito, — nu trek ik
nog de gordijnen dicht om het licht te temperen en
dan merkt men stellig niets.
Zij nam hare vorige houding op de ottomane weder
in, ten overvloede nog een reisdeken over zich heen
leggend. Tegelijk daarop berichtte Mariette dat mijn-
heer Percy in het salon was. »Geleidt hem naar hier!"
beval Cora en zich tot Davis wendende, voegde zij dezen
zachtjes toe: »ga nu heen en blijf in de bibliotheek tot
ik je laat roepen. Hij knikte toestemmend en verdween
door een zijdeur, terwijl Percy door een anderen deur
de kamer binnentrad.
»Ik hoop, mijne genadigste," aldus begroette hij de
vrouw des huizes met gehuichelde bezorgdheid, dat gij
uwe krachten niet hebt overschat door mij dit gesprek
toe te staan."
Cora voelde den spot, doch bleef zichzelf volkomen
meester. »Gij zijt werkelijk zeer oplettend," voerde zij
Percy minzaam tegemoet. »Maar stel u gerust, ik ge-
voel mij heden veel beter en denk spoedig geheel her-
steld \'te zullen zijn. Dat ik u verzocht hierheen te ko-
men, geschiedt om een bijzondere reden."
«Natuurlijk!" viel hij haar lachend in de rede.
Zij lette er niet op, maar ging zonder zich in de
war te laten brengen voort: »wijl gij er naar streeft
een lid der familie Arthur te worden, zoo wilde ik u
-ocr page 79-
73
er op voorbereiden dat gij hier een persoon zult aan-
treffen, dien gij, ook al doet gij het misschien met eeni-
gen tegenzin, toch met behoorlijke beleefdheid moet
behandelen.
Er ontstond een kleine pauze, doordien de spreekster
eenigszins verlegen was hoe zij hare mededeeling zou
inkleeden.
»Nu?" vroeg hij haar voortdurend aanziende.
»Gij hebt ongetwijfeld gehoord dat mijn broeder hier
is,"zeidezij aarzelend. »Hij weet van ons huwelijk af en
dat ik niet wettig van je ben gescheiden is hem be-
kend, doch uit eerbied voor mij, wil hij erover zwijgen.
Er is mij veel aan gelegen een goede verstandhouding
tusschen u en hem te verkrijgen en daarom heb ik hem
verzocht hier te komen, wil je zoo vriendelijk zijn te
bellen?\' Hij gehoorzaamde zwijgend en toen Mariette
verscheen beval Cora haar, haren broeder te zeggen
dat zij hem wenschte te spreken. Na enkele minuten
ging de deur open en kwam Lucian Davis binnen.
Percy was langzaam opgestaan. Op deze ontmoeting
was hij niet voorbereid geweest.
Lucian merkt zijne ontsteltenis op, richtte zich echter
met groote koelbloedigheid tot zijne »zuster" met de
woorden: »wilt gij mij aan dezen heer voorstellen lieve
Cora?"
»Ja Lucian," knikte zij. »daarom liet ik je roepen.
Hij is mijn broeder, mijnheer Percy," verklaarde zij
dezen. Gij kunt u gerust met hem onderhouden."
«Wezenlijk een zeer aangename verrassing," mom-
pelde Percy tusschen de tanden, »en zoo effectvol door
haar gearrengeerd."
-ocr page 80-
74
Op Lucians uitnoodiging zette zij zich weder, be-
daard afwachtend wat deze zou zeggen. »Ik denk,"
begon Davis, aan de punten van zijn knevel draaiend,
»het fijt dat mevrouw Arthur mijne zuster is, zal u
veel verklaren, waarover gij vroeger anders geoordeeld
hebt. Doch laten wij het verleden rusten. Deze aanbe-
veling scheen Percy niet te willen hooren, want, ter-
wijl hij een onderzoekenden blik op de zuster wierp,
antwoordde hij: «Merkwaardig, ik kan geen gelijkenis
tusschen u beiden vinden."
»Dat zult u ook niet," klonk het gevatte antwoord.
»Even zoo weinig vindt ik een aanleiding voor ons
onderhoud van dit oogenblik," zeide Percy verder.
»Die licht toch duidelijk voor de hand." viel Davis
hem ongeduldig in de rede. »Er is hier alleen quaestie
van een vraag en een antwoord."
»Welnu dan — vraag!"
»Wilt gij oorlog of vrede ?"
»Dat hangt er van af."
»Van wat ?\'*
»Van de voorwaarden."
»Wat verlangt gij ?"
Percy bekeek met opmerkzaamheid de nagels zijner
vingers als wilde hij die raadplegen. »Met rust gelaten
worden," zeide hij eindelijk.
»En anderen met rust laten ?*\'
»Dat spreekt van zelf."
»Dan zijn wij het eens," zeide Davis bevredigend.
»Wij zullen elkaar geen van beiden hinderen — dat is
de hoofdzaak."
»Juist," knikte Percy, opstaande. »»Ik geloof, wij
-ocr page 81-
75
mogen mevrouw Arthur niet langer tot last zijn, —
het zou haar kunnen vermoeien."
Met de meeste hoffelijkheid nam hij afscheid van
Cora, die inderdaad zeer getroffen scheen en keerde
met een ernstig gelaat naar het spoorweg station te-
rug. »Ik geloof het nooit en nimmer dat die twee
broeder en zuster zijn,"\' mompelde hij.
»Ik zou graag willen weten wat zij in hun schild
voeren. Als de oude man sterft — hm, wie weet of
ik, niet door Ellen zijn vermogen in mijne handen kan
krijgen ; zij is op het oogenblik eigenlijk zijn naaste
erfgenaam. Maar dan is het zaak het paartje scherp op
de vingers te zien, en dat kan alleen als ik ze van
nabij bewaak. Ellen moet naar Oakley terug en mij
moeten ze daar als gast uitnoodigen. Ik wil toch eens
zien of ik mijn slim ex — vrouwtje niet kan over-
troeven."
In elk geval was het plan niet zoo gemakkelijk te
verwezenlijken daar zijn aanminnige bruid nog altijd
doodelijk bang voor de besmetting was. Het kwam er
dus op aan haar die vrees uit het hoofd te praten en
haar de noodzakelijkheid van hare tegenwoordigheid
in Oakley te betoogen. Dat gelukte hem boven ver-
wachting, want de oude vrijster v/as te zeer op hem
verliefd om zich niet blindelings naar zijne wenschen
te voegen.
»Weetje, Edward, had zij hem gezegd, toen hij haar
\'s avonds zijne opwachting maakte, dat de menschen
onderstellen, dat mijn broeder zijn verstand verloren
heeft. Dat kan ik geheel niet gelooven en derhalve wil
ik hem zien, om mij te overtuigen. J/*\'^fcRAMS\\
/yy\\
VA. ssf
\\°S—iw
-ocr page 82-
76
»Daar heb je gelijk in," stemde Percy toe, »en als
ik mij een opmerking mag veroorloven, zoo zoude ik
u raden naar Oakley terug te keeren. Mij dunkt, wij
moesten den zieke niet zoo geheel aan de handen van
uwe schoonzuster overlaten. Wie kan weten, wat daar
gebeurt. Meent gij ook niet dat uwe plaats thans daar-
ginds bij uwen broeder is ?"
»Maar gij dan, bracht zij bevend in het midden —
»ik kan je niet missen."
»Dat behoeft gij ook niet," lachte hij haar met goed
gespeelde innigheid naar zich toetrekkend. Ik ga met
u mee naar Oakley."
»0," riep zij verrast uit, hebben zij je uitgenoodigd ?"
»Ja. Ik sprak heden den broeder van mevrouw Arthur."
»Waarlijk? Dus zijt gij weder verzoend?"
»Verzoend ?" Percy zag haar ondervragend aan.
»Nu ja," verklaarde zij, »Cora verzocht mij geen
melding van haren broeder tegen u te maken, omdat
gij geen goede vrienden van elkaar waart."
»Zoo, zoo, zeide zij dat? Heel fijn gevoelend van
madame ; alleen maar verkeert zij een beetje in dwaling.
Tusschen Davis en mij heeft voor jaren een klein mis-
verstand bestaan, doch wij hebben daarom de vriend-
schap niet verbroken."
*Des te beter!" zeide Ellen tevreden gesteld.
»Gij zult daar dus blijven ?" drong Percy nogmaals aan.
»Als je het graag wilt — ja. Mijne schoonzuster zal
er echter niet erg verrukt over zijn. Zij kan mij niet
uitstaan en heeft de francaise ook alleen gehouden om
mij te ergeren."
»Waarschijnlijk is zij bang voor uwen invloed op
-ocr page 83-
77
haren man," zeide Percy sluw. »Gij moet u echter
daaraan heelemaal niet storen, maar rustig uwe stelling
handhaven."
Dat beloofde zij hem en den volgenden morgen be-
gaven zij zich samen naar Oakly om John Arthur te
zien. Deze bevond zich in een treurigen toestand.
Geheel van de buitenwereld afgezonderd, als een
waanzinnige behandeld en derhalve onder voortdurende
bewaking, bracht de zieke, ten gevolge van de door
dokter Le Guise hem toegediende medicijnen, het groot-
ste gedeelte van den dag in een doffe wezenloosheid
door. Ontwaakte hij echter daar uit en werd hij zich
zijn toestand bewust, dan werd hij aangegrepen door een
opwinding die soms tot hevige vlagen steeg.
Zoodra de arts vernam dat mejuffrouw Arthur haren
broeder wilde bezoeken haastte hij zich deze een op-
wekkend middel te geven, waardoor de patiënt zich
spoedig in den gewenschten toestand bevond.
Hij begaf zich hierop naar het salon, waar hij juf-
frouw Ellen en haar verloofde met innemende hoffelijk-
heid begroette. Toen de dame echter haar voornemen
te kennen gaf op Oakley te blijven trok hij een be-
denkelijk gezicht. »Ik kan u dat niet aanraden," zeide
hij hoofdschuddend, »hoe gerechtvaardigd uw wensch
ook moge zijn, een kort bezoek zal u niet in gevaar
brengen, doch om gedurende langen tijd dezelfde lucht
in te ademen, dat zou wat te veel gewaagd zijn, ge-
ëerde dame. Wacht nog een acht dagen. Dan is het
wel te wagen."
Mejuffrouw Arthur was dit uitstel eigenlijk heel wel-
kom ; zij had zelfs liever willen wachten, om haren
-ocr page 84-
7*
broeder te gaan zien, daar echter Percy er op aandrong,
zoo volgde zij hem, hoewel ongaarne naar de weste-
lijke vleugel van het huis. Angstig kwam zij over den
drempel der ziekenkamer, doch bleef verschrikt staan,
bij hetgeen zij hier aanschouwde. De vermagerde, ver-
vallen gestalte van John Arthur zat rechtop in zijn
bed; de oogen gloeiden, het gelaat was vertrokken en
kreten van woede uitstootend wierp hij zijn hoofdkussen
naar Henry — die vergeefsche moeite deed om hem tot
kalmte te brengen.
»Ziet U," riep dokter Le Guise triomfantelijk uit, zoo
is het nu altijd met hem. Gij kunt u nu van zijnen
waanzin overtuigen."
»Vreeselijk, vreeselijk !" stamelde juffrouw Arthur ; die
zich sidderend aan haar verloofde vastklampte en hem
met zich voort trok,terwijl de doker bij zijn patiënt bleef.
De aanval van woede verdween bij den laatste even snel als
hij was opgekomen. — na nog geen half uur daarna
verzonk de ongelukkige weder in zijne vorige verdooving.
In den volgenden nacht deed zich iets bijzonders voor.
Het middernachtelijk uur was voorbij en mevrouw
Cora lag in een zoeten sluimer, toen een donkere ge-
stalte in haar slaapkamer rondwaarde. Het was Mariette.
Behoedzaam naderde zij de legerstede harer meesteres,
haalde een witte doek te voorschijn en legde dien
over het gelaat der slapende. Een flauwe reuk van
chloroform vervulde het vertrek, terwijl Mariette zich
voorzichtig over de onbewegelijke gestalte heenboog
en een gouden kettinkje waaraan een lederen taschje
bevestigd was van den hals der bewustelooze losmaakte.
Nadat zij den doek weder bij zich had gestoken, ver-
-ocr page 85-
•
79
wij derde zij zich even zacht als zij gekomen was, spoedde
zich naar haar kamertje, grendelde de deur en opende
haastig het taschje. Het bevatte slechts een geel ge-
worden papier, een trouwacte. Doch voor Alice Perth
scheen het een kostbare vondst te zijn want een straal
van vreugde blonk in hare oogen. »Eindelijk aan het
doel!" fluisterde zij.
«Eindelijk de macht in handen om wraak te nemen
en een onschuldige te bevrijden.*\'
Zorgvuldig sloot zij het taschje in een kleine reis-
tasch, zette haren hoed op, sloeg een donkeren mantel
om en ontvlood ten tweede male haar tehuis. Maar
nu niet, gelijk voor weinige maanden aan de zijde van
den geliefde, als een onervaren, blind vertrouwend kind.
Zij was thans tot vrouw gerijpt; zij had de wereld lee-
ren kennen, had een blik geworpen in den afgrond
van menschelijke hartstochten en den strijd met het
kwade aanvaard, onbekommerd om de hinderpalen, die
zij op haren weg ontmoette. Een schakel ontbrak ech-
ter nog aan den keten van bewijzen tegen het schul-
dige paar. Maar nu was ook deze in haar bezit; hare
rol als detectief was in Oakley uitgespeeld en het slot
bedrijf van het drama kon beginnen. Vooraf echter
wilde zij nog hare vrienden raadplegen en daarom ver-
trok zij met den eersten trein naar Boston.
Mevrouw Arthur was buiten zichzelf toen zij het
verlies van \'t kettinkje en het voor haar zoo ge-
wichtige taschje ontdekte. Zij geloofde stellig dat Percy
de bedrijver van dezen diefstal was, doch durfde het
niet wagen ruchtbaarheid aan de zaak te geven. Na-
tuurlijk sprak zij er over met Davis en na langdurige
-ocr page 86-
8o
beraadslaging kwamen zij overeen om Percy uit te noodi-
gen naar Oakley te komen om hem beter in \'t oog te kun-
nen houden. Niets kon meer naar diens wenschen zijn.
Hij begreep wel niet, waarom men hem eensklap
zoo vriendelijk tot overkomen uitnoodigde, maar het
lag niet in zijne natuur zich daarover het hoofd te breken.
Het verdwijnen van de francaise, werd door Cora
zoo uitgelegd, dat hare kamenier juweelen van haar
had gestolen. Om den schijn te redden, stelde Da vis
voor dat hij zich onverwijld naar de stad zou begeven
om bij de politie aangifte van den diefstal te doen.
Juffrouw Arthur schonk, evenals het geheele bedienden
personeel geloof aan de woorden der bestolene en een
ieder was blij niets meer met de diefachtige en listige
persoon te doen te hebben. Niemand vermoedde hoe
spoedig deze weder ten tooneele zou verschijnen.
-ocr page 87-
ELFDE HOOFDSTUK.
Herrezen.
Het vroolijkste vertrek van het oude heerenhuis was
ontegenzeggelijk de huiskamer, vooral omstreeks den
namiddag. Het zachte smirnasche kleed op den vloer,
de gemakkelijke stoelen, het knappende haardvuur en
de verwarmende zonneschijn, die bij helderen dag door
de hooge vensters binnen viel, gaf een gevoel van be-
hagelijkheid, die iedereen ondervond die deze kamer
binnenkwam.
Voor de eerste keer sedert hare ziekte was mevrouw
Arthur daar weder tegenwoordig. Zij droeg een kleed
van zacht roode kleur met zwart afgezet, dat haar ver-
rukkelijk stond. Met een zekere onverschillige gratie
leunde zij tegen den schoorsteen, terwijl de eenige die
zich mede in het vertrek bevond, haar lieve »broeder",
Lucian, zich behagelijk in een leunstoel had laten neer-
vallen en de rookwolkjes uit zijn fijne havanna naoogde.
»Weet je, hoelang wij dit spel nu al speelen, Lu-
cian ?" vroeg Cora zonder eenigen overgang het onder-
werp van gesprek loslatend.
Een stout stuk.                                                                                      6
-ocr page 88-
82
Hij knipte met de oogen. »Laat me eens even na-
denken liefje. In Juli kwam je in deze streek, in Oc-
tober vierde je bruiloft, het eigenlijke begin van de
comédie en nu hebben we December, — bij gevolg
zijn we al twee maanden aan \'t werk. Dat is nog niet
lang."
»Dat moge zoo zijn, maar ik heb er al meer dan
genoeg van. Ik zou liever vandaag dan morgen naar
Boston terug keeren."
Zij zeide dit op zulk een verdrietigen toon, dat Davis
half verwonderd en half verontrust het hoofd ophief
en zijne deelgenoote een scherpen blik toewierp.
»Geloof je dat ik het pleizierig vind hier te zitten ?"
merkte hij na eenig nadenken op. «Niettemin blijf ik
hier, wijl de voorzichtigheid mij gebied op mijn qui
vive te zijn. Daarom raad ik ook jou aan, onze zeker-
heid niet door eenige overijlde daad in gevaar te bren-
gen. Ik hoop dat je mij verstaan hebt," voegde hij er
scherp aan toe.
Cora\'s trotsch kwetste zich aan deze stellige terecht-
wijzing; maar zij was te zeer in de macht van dezen
man om een openlijk verzet te durven wagen. Zonder
eenige tegenspraak, keerde zij zich zwijgend van hem
af en ging aan het venster staan.
Davis scheen haar mokken niet op te merken, ten-
minste hij bleef stilletjes door rooken.
»Waar hangt Percy toch uit ?" vroeg hij na een
poosje.
«Natuurlijk bij zijne dulcinea," gaf Cora ten antwoord..
»Het verliefde paartje wandelt arm in arm langs de
straat. O, ik geloof dat ze hierheen komen."
-ocr page 89-
«3
Zij trok zich van het raam terug, zette zich in een
der lage stoeltjes en nam een lijdende houding aan.
Tegelijk hierop zeilde juffrouw Arthur binnen, opge-
smukt, beschilderd en geparfumeerd als altijd. Percy
kwam langzaam achter haar aan.
Sinds Ellen weder in Oakley was overtroffen de
beide schoonzusters elkaar in wederkeerige beminne-
lijkheid. Ook jegens haar voormaligen echtgenoot be-
toonde Cora zich bijzonder vriendelijk, zonder echter
eenige intimiteit te toonen.
Mejuffrouw Arthur had de herstellende met groote
warmte begroet. »Hoe heerlijk, lieve Cora,\'" riep zij
uit, »dat we u eindelijk weder in ons midden zien. Die
booze ziekte heeft u zoolang aan ons onttrokken. Gij
zijt werkelijk weer flink op uw verhaal gekomen !"
»Het zal echter nog een heele poos duren eer zij er
zoo goed uit ziet als gij, vereerde mejuffrouw," bracht
Davis in het midden.
»Nu, hoor dien ongalanten broeder eens aan!" zeide Cora.
»Troost u," antwoordde Ellen, die zich door de woor-
den van Davis niet weinig gevleid gevoelde. »Alle
broeders zijn zoo." Zij ging in een stoel tegenover Cora
zitten en het hoofd achterover leunend, keek zij haren
verloofde, die achter haar stond en zich tamelijk scheen
te vervelen, met een verliefde blik aan. Cora merkte
dit op en om hare schoonzuster te ergeren wendde zij
zich tot Percy met de vraag, of hij het in dien ach-
terhoek, ver van alle beschaving, nog langer kon uit-
houden.
»0." antwoordde Percy met een lichte buiging, »in
zulk beminnelijk gezelschap."
-ocr page 90-
8|
»Dat is een versleten phrase," viel zij hem snel in
de rede. »Ik ben overtuigd dat ieder onzer een beetje
naar afwisseling verlangt."
»Die kan men zich voor het oogenblik echter niet
geven," kwam juffrouw Arthur tusschen beiden. »Hoog-
stens kan men een arpartij organiseeren, natuurlijk
moeten de heeren dan koetsier zijn."
»Xiet slecht bedacht," stemde Davis in. »Maar ik
weet nog iets veel amusantere."
»Nu."
»Hm — een prettige bruiloft."
»0, — jou !" Juffrouw Arthur liet het hoofd beschaamd
op de borst zakken en gaf zich de grootste moeite om
te blozen.
»Toch een heel goed voorstel, niet waar?" wendde
zich Davis tot zijne »zuster." >Je bent het er stellig
mee eens."
»Mij is alles om het even," knikte deze, als het slechts
de eentoonigheid van ons tegenwoordig leven verbreekt.
Spoediger dan zij had gedacht — doch op een andere
wijze zoude haar wensch naar afwisseling worden vervuld.
De oude Hagar, die na de vlucht der huishoudster
bij het ziek worden van haren heer door Mariettes be-
middeling als noodhulp in dienst was genomen, ver-
scheen in de deur. De beide vleugels wijd open wer-
pend, diende zij met vroolijke stem aan : »Mejuffrouw
Alice Perth!" Hierna trad zij terug en overschreed
een gestalte den drempel, bij wier verschijning alle aan-
wezenden stom van verrassing werden.
Niemand durfde zijne oogen vertrouwen, doch Davis
en juffrouw Ardiur herkenden haar dadelijk.
-ocr page 91-
85
Met trotsch opgeheven hoofd, naderde de kostbaar
gekleede jonge dame de verblufte groep, die een dank-
baar motief voor een schilder zou zijn geweest. Cora
zat als verstomd.
Juffrouw Arthur was op het punt in onmacht te val-
len terwijl haar verloofde, zijne Don Juan natuur ge-
trouw de schoone meisjesgestalte met bewonderende
oogen aanzag. En Lucian Davis ? In het eerste oogen-
blik was hij geheel in de war, volkomen van zijn stuk
gebracht; daarna overmeesterde hem een gevoel van
vreugde, dat Alice Perth nog leefde en de hartstocht
die hij voor haar koesterde vlamde opnieuw in hem op.
Alice had zich intusschen tot Juffrouw Arthur gewend.
»Goedendag tante Ellen," zeide zij met duidelijke
stem, »hoe maakt u het? Gij ziet mij aan als ware ik
een geest, wat toch werkelijk het geval niet is. Wilt
gij mij voorstellen aan uwe vrienden ? Die dame daar
is waarschijnlijk mijn nieuwe stiefmoeder ?"
Eer juffrouw Arthur kon antwoorden had Cora hare
ontsteltenis overwonnen en op hooghartigen toon ver-
klaard : »Ik ben mevrouw Arthur, de meesteres des
huizes."
»Ah, dus mijne stiefmoeder," vervolgde Alice rustig.
»Zooals ik hoorde, zijt gij zeer ziek geweest, men
kan het u aanzien, want gij ziet er nog «aangegrepen"
uit. En u tante Ellen," wendde zij zich tot deze, «schijnt
sprakeloos te zijn. U hebt mij tenminste nog geen
woord toegesproken."
»Ik — ik dacht — —" stamelde Juffrouw Arthur in
hopelooze verwarring.
»Ach, dat kan ik mij begrijpen," lachte Alice. Gij
-ocr page 92-
86
geloofdet dat ik dood was en hebt natuurlijk over mij
getreurd. Ik zal u echter vertellen hoe het gegaan is.
Gij weet ik ontliep mijnen vader, omdat hij mij een
echtgenoot wilde opdringen die mij niet beviel. Om
mogelijke navorschingen te ontgaan, maakte ik gebruik
van de gelegenheid die zich voordeed en gaf mijn naam
aan een arm meisje, dat in het ziekenhuis stierf. Zoo
bleef ik onontdekt. Om verschillende redenen heb ik
echter thans besloten naar mijn tehuis in Oakley terug
te keeren en er mijne plaats als erfgename in te
nemen."
Als van een slang gestoken rees Cora bij Alices
laatste woorden uit haren zetel op. »Hoe durft gij het
wagen, ons zulke sprookjes op den mouw te spelden ?"
riep zij toornig uit. »Alice Perth is dood en begra-
ven — gij zijt niets meer dan een schaamtelooze be-
driegster."
Alice bewaarde tegenover deze beschuldiging hare
kalmte.
»Tante Ellen, ben ik een zwendelaarster?" vroeg zij
zich voor deze plaatsend.
»Neen," luidde het zichtbaar onwillig gegeven ant-
woord. »Gij zijt Alice Perth. Iedereen in het dorp zal
u dadelijk herkennen."
»Dat geloof ik ook," zeide het jonge meisje.
»Nu, ik vergeef u de beleediging, lieve stiefmoeder,
te meer, daar het u zeer hard moet vallen de schoone
bezitting Oakly aan uwe handen te zien ontglippen. Ja,
ja, er zijn vele ontgoochelingen in het leven. Zult gij
mij willen zeggen, wie van deze heeren uw broeder
is ?" voegde zij er onbevangen bij. Lucian stond haastig
-ocr page 93-
«7
op. »Ik ben de broeder van mevrouw Arthur," ver-
klaarde hij met een hoffelijke buiging. »Wil het minder
vriendelijke optreden van den kant mijner zuster ver-
ontschuldigen. Zij is zeer ziek geweest en is dien ten-
gevolge nog zeer zenuwachtig."
»Gij behoeft uwe zuster niet te verontschuldigen,
mijnheer — —"
»Davis," vulde Lucian aan.
»Da vis, herhaalde zij zoo bedaard als hoorde zij dezen
naam voor de eerste maal. »Mijne stiefmoeder en ik
zullen stellig nog vriendinnen worden. Voorloopig ben
ik haar al zeer dankbaar dat zij dit vertrek zooveel
schooner ingericht heeft."
Zij liet zich nu den heer Percy voorstellen en vroeg
vervolgens naar haren stiefvader van wiens ziekte zij
reeds was onderricht.
»Omtrent mijn zwager, kan ik u niet veel troostrijks
zeggen," merkte Davis met schijnbare droefheid op.
Hij zal waarschijnlijk levenslang gestoorde geestver-
mogens behouden.
»Hoe schrikkelijk !" riep Alice uit. »Wees zoo goed
en laat hem niet vernemen dat ik hier ben, — tenminste
van daag nog niet. Ik ben vreeselijk bang voor waan-
zinnigen."
Cora ademde verlicht op. Niet alzoo Lucian, die Alice
te goed kende om geloof te schenken aan hare laatste
verzekering. Met geheime onrust beschouwde hij haar,
bij zichzelf overleggend, wat haar tot deze plotselinge
terugkeer in het huis van haren vader had doen be-
sluiten.
Intusschen had Alice aan de bel getrokken en Hagar
-ocr page 94-
88
bevolen voor haar en hare dienstbode kamers in gereed-
heid te brengen. »Ik wenschte een weinig te rusten,"
zeide zij hierna tot Cora.
»Gij eet zeker op den gewonen tijd, dus over een uur.
Tot weerziens !\'* Zij maakte een lichte buiging en ruischte,
trotsch als een koningin het vertrek uit.
\'Een volle minuut lang heerschte een doodenlijk zwijgen
bij de achterblijvenden. Percy verbrak dit het eerst en
zich met een sardonisch lachje tot Cora wendende
zeide hij:
»Nu heb je de gewenschte afleiding, mijn genadigste,
niet waar ?"
Dat was te veel voor haar. Sidderend van toorn
sprong zij op en hare rol als herstellende zieke ver-
getend, verliet zij haastig de kamer. Met ontstelden
blik zag Percy haar na. Daarna floot hij zacht voor
zich heen. »Madame schijnt eensklaps kern gezond te
zijn geworden," spotte hij.
»Dat komt door deze heftige opwinding.\'\' Hiermede
trachtte Davis de tegenstrijdige houding zijner mede-
schuldige te bemantelen. In stilte was hij woedend dat
zij zich zoo geheel verraden had, vooral nu, nu alles
op het spel stond. In hooge mate ontstemd en onge-
neigd Percy\'s steken onder water aan te hooren, begaf
hij zich op het terras, stak een sigaar aan en dacht over
den toestand na, waarin hij zich bevond.
Nog voor weinige maanden, toen alles groeide en
bloeide, had het meisje dat hem thans zoo koel en
vreemd behandelde hem in liefde en vertrouwen aan-
gehangen. En nu? Was die liefde geheel in haar ge-
storven ? Misschien — — Wie weet, — vrouwenharten
-ocr page 95-
89
zijn niet te pijlen. >Ik moet haar tot eiken prijs alleen spre-
ken," dacht hij. »Het is altijd nog mogelijk, dat het
mij gelukt haar weer in mijne macht te krijgen en
dan — —
Wat dan geschieden zoude, daarvan gaf hij zich
voorshands geen rekenschap.
-ocr page 96-
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Twee tegenstanders.
De schoone Cora was in een slecht humeur. Geen
wonder, na al hetgeen zij zoo even had beleefd. Het
plotselinge opduiken der dood gewaande stiefdochter
van haren echtgenoot, wierp met een slag, de fijn ge-
sponnen plannen overhoop, waardoor zij in het bezit
van een aanzienlijk vermogen was gekomen. Doch meer
nog: er dreigde haar gevaar. Als dit onergdenkende
meisje met haar scherpen blik het spel dat zij met John
Arthur gespeeld had doorzag, dan was zij ontmaskerd
en verloren. Het was nu zaak, voorzichtig te zijn en
onverschrokken het hoofd te bieden aan den toestand.
Zij was tot dit besluit gekomen toen Davis binnentrad.
Haar kalme houding en de omstandigheid dat zij voor
haar toilettafel zat, toonde hem aan, dat zij wist wat
haar in den nieuwen toestand te doen stond. Verlucht
ademde hij op, want in stilte had hij zich bevreesd ge-
maakt voor de eerste ontmoeting met haar.
»Nu komt het er opaan, het hoofd boven water te
houden, Cora!" zeide hij. »Ga je mee naar beneden?"
-ocr page 97-
91
»Zeker," gaf zij opstuivend ten antwoord, »meen je
dat ik dezen Percy de voldoening zal geven mij moe-
deloos te zien? Heb maar geen zorg, ik zal mij niet
weder vergeten. Doch laten wij daarover niet spreken
er is nu geen. tijd voor. Na den eten kunt ge mij hier
opzoeken. Jij hebt mij in deze ongelegenheid gebracht,
zie nu hoe je me er weer uithelpt. Anders doe ik het
met eigen hand."
»Je moet geen dwaasheden begaan, Cora !" antwoord-
de hij op scherpen toon. »Wij hebben het spel nog
lang niet verloren. Als wij het slim aanleggen winnen
wij het ten slotte nog."
Zij zag hem ongeloovig aan. »Hoe dan ?"
»Laat dat aan mij over," luidde zijn voorzichtig ant-
woord. Zij verlieten te samen het vertrek. Cora ging
echter niet met hem naar beneden, doch zond hem
vooruit, terwijl zij Alice Perth opzocht, die nog met
haar toilet bezig was.
»Ah, is u het, stiefmoeder!" zeide het jonge meisje
toen Cora binnentrad. »Hoe vriendelijk van u mij te
komen afhalen. En u is al geheel gereed ? Hebt u zulk
een handige kamenier ?"
»Op het oogenblik heb ik er heelemaal geene," ant-
woorde Cora. »De mijne liep voor eenige weken weg,
nadat zij mij bestolen en met chloroform bijna om het
leven gebracht had.\'\'
»Dat is wezenlijk ontzettend! Heeft men haar ge-
vangen genomen ?"
»Tot nog toe niet. De politie doet echter scherpe na-
sporingen.
»Nu, dan zal zij wel gauw gevonden worden. Zie-
-ocr page 98-
Q2
zoo, ik ben klaar. Zullen wij gaan ?"
De beide dames begaven zich naar de eetzaal waar zij
door Da vis, Percy en juffrouw Arthur opgewacht werden.
Zelden, zeker hadden zich vijandelijker elementen
tegenover elkaar aan de tafel geplaatst, doch daar elk
zijn best deed zijn ware stemming te verbergen en om
zich zoo onbevangen mogelijk voor te doen, verliep de
maaltijd oogenschijnlijk op de aangenaamste manier.
Onder het gesprek vroeg Alice naar dokter Le
Guise. »Die eet met zijn pacient," verklaarde Davis.
»Stelt gij ten volle vertrouwen in hem ?" vroeg de
jonge erfgenaam verder.
»Zeker;" haastte Cora zich te antwoorden. »Hij is
sedert jaren mijn huisdokter en zeer bekwaam, uit voor-
zorg hebben wij nog een der geneesheeren van hier
in consult genomen en die is het in alles met dokter
Le Guise eens."\'
«Zooveel te beter, nu, morgen zal ik hem zelf leeren
kennen."
Kort nadat de tafel was afgenomen trok Cora zich
onder het voorwendsel van vermoeidheid terug. Tot
hare verrassing en verdriet begeleidde Alice haar naar
hare kamer. Daar gekomen sloot het jonge meisje de
deur af en het masker van vriendelijkheid en voorko-
mendheid afnemend, zeide zij op bevelenden toon.
»Nu, mevrouw Arthur, kunnen wij tot een verklaring
komen!"
Deze snelle verandering van toon en houding bracht
Cora een oogenblik van streek.
Zij was door en door een avonturierster, ieder oogen-
blik geneigd tot intrigeeren, maar daarbij altijd op haar
-ocr page 99-
93
eigen veiligheid bedacht Sedert Mariette Lerogne haar
het gewichtige document had ontstolen, leefde zij in
voortdurenden angst voor ontdekking en toch had zij
het tot dusverre niet gewaagd tegenover Percy, in wiens
bezit zij het papier geloofde, een toespeling te maken.
Ook nu bekroop haar een heimelijke angst, daar zij
Alice Perth instinktmatig als hare vijandin beschouwde.
»U hoeft in mijn bijzijn niet de zieke te spelen,"
zeide het jonge meisje op verachtelijken toon. Ik weet
nu te goed dat alles vermomming en comedie was."
Cora werd bleek tot over de lippen, herstelde zich
echter met inspanning van al hare krachten en vroeg uit
de hoogte:
»Wat meent gij daarmede ?"
»Dat weet u heel goed," luidde het barsche antwoord.
»Gij zijt thans in mijne macht en moet u naar mij
voegen."
Deze verklaring bracht Cora\'s bloed aan het koken.
Alle voorzichtigheid vergetend riep zij honend uit:
»Oho, dat staat nog te bezien."
»Dat doet het," antwoordde Alice koel terug. »Slechts
raad ik u aan, uw waardigen vriend dokter Le Guise
voor te schrijven zijn patiënt morgen een poeder in te
geven, opdat deze als ik hem kom bezoeken genoeg-
zaam «krankzinnig" schijnt.
Cora kampte tegen een aandoening van machteloos-
heid. »Ik begrijp u niet," stamelde zij «verklaar u nader."
»Heel graag," knikte Alice »en daar ons gesprek
van eenigszins langen duur zal zijn zullen wij plaats
nemen."
Met groote koelbloedigheid schoof zij een stoel naar
-ocr page 100-
94
voren en hare ontstelde tegenstandster met scherpen
blik aanziende begon zij: »Ten eerste ben ik bekend
met een plan om John Arthur uit den weg te ruimen
en het vermogen te erven dat naar gij tot nog toe
geloofd et hem behoort."
»Dat is niet waar!" riep Cora heftig uit.
»Verder weet ik," ging Alice voort, »dat de arts die
hier woont, slechts een werktuig in uwe handen is.
Elk recept, dat hij John Arthur heeft voorgeschreven
heb ik in de stad laten onderzoeken."
Sprakeloos staarde Cora haar aan. »Dat geloof ik
niet," stiet zij naar adem hijgend uit. »Op welke wijze
hadt gij u die kunnen verschaffen."
»Op dezelfde wijze als uw trouwacte met Edward
Percy."
Als vernietigd schrikte Cora terug. »Wat," stamelde
zij, »g-ij zijt..."
»Identisch met Mariette Leroque," vulde Alice spot-
tend aan. »Doch blijf bedaard madame. Lag het in
mijne bedoeling u te verraden dan had ik dit reeds
voor lang kunnen doen. Daar ik echter mijn stiefvader
haat
»Wat heeft dat hiermede te maken," bracht Cora
in het midden.
»Zeer veel. John Arthur kwelde mijne moeder tot zij
met een gebroken hart gestorven is. Mijn kinderjaren
heeft hij verbitterd en mijn jeugd liet hij mij tusschen
kloostermuren doorbrengen. Voor 10,000 dollar verscha-
cherde hij mij aan een man, nog ouder en leelijker dan
hij zelf. Om aan zulk een huwelijk te ontkomen liep
ik weg, doch zwoer mij op hem te zullen wreken
-ocr page 101-
95
voor al het leed dat hij mij en mijne moeder heeft
aangedaan. Begrijpt gij mij waarom ik u niet in uwe
plannen tegen hem dwarsboomde ?"
»Ik begrijp het," mompelde Cora, nog altijd van angst
vervuld.
»Gij zult ook inzien," ging Alice onbarmhartig voort,
»dat ik u elk oogenblik gevangen kan laten nemen.
Eens wegens bigamie en dan nog eens wegens een
poging tot vergiftiging."
Zij zweeg een oogenblik, doch daar de zich van
schuld bewuste vrouw zweeg hervatte zij : »Het licht
echter niet in mijne bedoeling u aan te geven, indien
gij u zonder tegenspraak aan mijne voorwaarden on-
derwerpt."
»En wat verlangt gij van mij," vroeg Cora met nau-
welijks verhulden onwil.
»Dat gij u tegenover anderen gedraagt, als waren
wij de beste vrienden. Zoodra ik mijn doel bereikt heb,
d. w. z. als ik in het bezit mijner erfenis gekomen ben,
krijgt gij een som gelds en kunt gij gaan waarheen
gij wilt."
»Welken waarborg heb ik, dat gij mij ongemoeid
zult laten," viel Cora wantrouwend in.
»Mijn woord."
De schoone avonturierster overlegde bij zich zelf.
Ten slotte was het nog het verstandigst voorloopig
alles toe te geven, dreigde er gevaar dan kon zij altijd
nog in stilte ontvluchten en zich verborgen houden tot
er gras over het gebeurde was gegroeid.
»Goed," verklaarde zij, na een kort beraad. Doch
veroorloof mij nu een vraag: »Waarom hebt gij mij
-ocr page 102-
96
het document afgenomen ?"
» Omdat wij beide een gemeenschappelijken vijand
hebben."
»Wien ? Edward Percy ?"
»Ja."
Cora keek verrast op. »Kendet gij hem dan vroeger ?\'»
vroeg zij nieuwsgierig."
»Ik heb hem hier voor het eerst gezien."
»Van waar dan deze vijandschap?"
»Omdat hij iemand, die mij zeer dierbaar is, groot
onrecht heeft aangedaan — doch dat heeft hier niet
mede te maken," brak Alice hare woorden af.
»Voor mij is op het oogenblik dit de hoofzaak, dat
gij voorloopig mijne bondgenoote zijt. Voorzichtigheids-
halve, moet gij ook laten welgevallen, dat mijne kame-
nier u bedient, daar gij er zelve geen hebt."
Cora werd rood van ergernis. «Daartegen protesteer
ik," zeide zij driftig; »ik heb geen opzichteres noodig."
»Zeker niet," gaf Alice kalm ten antwoord. »Mijne
kamenier zal u ook alleen bij het toilet behulpzaam
zijn." Zij stond op, ging naar de deur en na die half
te hebben geopend riep zij: »Betsie!"
Een groote stevig uitziende vrouw, die in de gang
scheen te hebben gewacht, kwam binnen.
»Betsie," sprak hare meesteres haar aan, »gij zult
tot nader order mevrouw Arthur bedienen, want zij is
lijdende. Wees dus zeer oplettend te zorgen dat zij niet
in den tocht komt en slaap bij haar in de kamer hier
naast."
Tegen dit laatste wilde Cora in verzet komen; zij
bezon zich echter en zweeg, in stilte nam zij zich echter
m
-ocr page 103-
97
voor bij de eerste gelegenheid de beste aan deze hin-
derlijke voogdij te ontsnappen.
Met neergeslagen blikken zeide Alice : »Goeden nacht
stiefmoeder!" en verliet de kamer, zich niet bekomme-
rend om den blik vol haat, welke hare tegenstandster
haar nazond.
Een stout stuk.                                                                                     -
7
-ocr page 104-
DERTIENDE HOOFDSTUK.
De Erfgename van Oakley.
Den volgenden morgen maakte Alice aan het ont-
bijt kennis met doktor Le Guise, die met sterk over-
dreven woorden over de moeilijke behandeling van
zijnen pacient sprak. Het jonge meisje luisterde opmerk-
zaam naar hem en hield zich als geloofde zij alles wat
hij zeide.
»Ik zoude mijn stiefvader gaarne zien," zeide zij in
den loop van het gesprek. »Om bijzondere redenen
houdt hij mij voor dood, ik verzoek u daarom hem
voorzichtig mede te deelen dat ik nog leef en hem op
mijne komst voor te bereiden. Ik hoop dat hem dit
niet in gevaarlijke opwinding zal brengen."
De dokter lachte eigenaardig. »Wees geheel onbezorgd
mejuffrouw ik ga met u mede."
»Als de zieke zich kalm houdt, zoude ik hem liever
alleen zien," zeide Alice.
»Zoo als gij wilt. Bovendien is zijn bewaker altijd in
de nabijheid."
Een half uur later begaf Alice zich, door dokter Le
-ocr page 105-
99
Guise begeleid naar den westelijken vleugel. In het
voorvertrek trof zij den neger Henry aan, wiens don-
ker gelaat van voldoening straalde, toen hij de jonge
dame zag die hij sedert maanden als zijn eigenlijke
meesteresse beschouwde. Wijl de arts teruggebleven
was, sprak zij den zwarte eenige vriendelijke woorden
toe, hem aanmoedigend, het nog een kleine poos in
zijne rol als oppasser uit te houden; zij zoude hem
rijkelijk daarvoor beloonen. Tegelijkertijd beval zij hem
aan zijn verpleegde geen medicijnen meer te laten in-
nemen, doch hiervan den dokter niets te laten merken.
Henry beloofde het, deed daarna de deur der aan-
grenzende kamer open en Alice stond tegenover haar
stiefvader. Wel had zij gedacht hem veranderd te zul-
len vinden, maar dat hij zoo verouderd en afgevallen
zou zijn, dat had zij zich niet voorgesteld. Zijn houding
was gebogen, zijn gelaat aschgrauw, de oogen lagen
zonder eenige uitdrukking diep in hunne kassen en
van tijd tot tijd doorliepen stuiptrekkingen zijn lichaam.
Het was om medelijden op te wekken, maar Alice
ondervond dat niet. »Wat hij gezaaid heeft, moet hij
nu oogsten" was hare gedachte. »Mijne wraak is reeds
half door anderen voltroitken geworden."
John Arthur keek haar eerst met een verwezen en
daarna met een boozen blik aan. »Waar heb je tot
dusverre rondgezworven, gij nietswaardig ding ?" luidden
zijn eerste woorden. »En hoe durf je het wagen mijn
huis weder te betreden ?"
Alice lachte vroolijk op. »Uw huis ? die klinkt goed.
Maar men kan het u niet kwalijk nemen — gij weet
niet wat gij zegt."
-ocr page 106-
IOO
De spotachtige toon, dien zij aansloeg, bracht hem
tot woede. »Hou jij me dan ook al voor gek ?" siste
hij. »Misschien maak je wel gemeene zaak met de
rest ?"
»Wie meent gij daarmee ?"
»Nu iedereen hier in huis."
»Ook uwe vrouw?"
John Arthur zette een barsch gezicht. »Zij behoort
er stellig ook toe," bromde hij. »Waarom komt ze niet
naar me toe ?"
»De arme vrouw is er niet toe in staat," antwoordde
Alice. »Zij is zelf zoo ziek geweest."
»Je schijnt goed op de hoogte te zijn, niet tegen-
staande je zoo lang weg bent geweest.\'"
Wederom lachte het jonge meisje spottend.
»0, ik ben al geruimen tijd in Oakley zonder dat u
het vermoed hebt."
Een oogenblik zag hij haar versuft aan, daarna raakte
hij weder in toorn: in \'s duivelsnaam waarom ben je
hier ? Heb ik \'t jou te danken dat men mij hier opsluit
als een hond ?"
»Niet zoo heftig!" gaf Alice met volkomen bedaard-
heid ten antwoord. »Door mijn toedoen is het niet ge-
beurd, maar wel heb ik het ongehinderd toegelaten."
»En waarom ?" knarste hij tusschen de tanden. »Dat
vraagt gij mij ? Hebt gij mijne moeder haar eigen huis
niet tot een gevangenis gemaakt ? Hebt gij mijn jeugd
niet vergiftigd en mij door uw grofheid en hebzucht
uit het huis verdreven, dat mij van rechtswegen toe-
komt ? Hoe kunt gij na dit alles nog vragen, waarom
gij u hier bevindt ?"
-ocr page 107-
101
Met toornige gebaren en bliksemende oogen, had
Alice gesproken; zij zag er weder uit als op dien avond
in Juni, toen zij haren stiefvader van moord aanklaagde,
en evenals toen overviel hem thans een gevoel van
bijgeloovigen angst. Krachteloos neerzinkend vroeg hij
op klagenden toon: »je wilt mij hier toch niet gevan-
gen houden ?"
Zij mat hem met een blik, waarin geen mededoogen
te lezen was. »Gij zult deze vier muren nooit meer ver-
laten," zeide zij koud, »wanneer gij u niet aan mijne
voorwaarden onderwerpt."
»Welke ?" stamelde hij.
»Ten eerste dat gij afstand doet van uw voogdij -
schap; ten tweede dat gij Oakley voor altijd verlaat
en mijn weg nooit weder kruist."
Deze voorwaarden ergerden hem.
»Oho", riep hij opstuivend, «houdt je mij voor zulk
een gek ? Ik denk er niet aan afstand van mijn recht
te doen.
»Gij schijnt niet te weten, dat iemand die ontoere-
kenbaar is, volgens de wet geen ambt bekleeden en
geen vermogen beheeren kan."
»Ik ben echter niet ontoerekenbaar," viel John Arthur
met heftigheid in.
Alice haalde medelijdend de schouders op. »Dat
zeggen alle krankzinnigen. Ik heb het getuigenis van
twee doktoren over uwe toestand en dat is voor de
wet voldoende. Wees dus redelijk, want gij kunt nooit
bewijzen bij uw volle verstand te zijn.
De gedachte krankzinnig verklaard te worden, bracht
John Arthur in een bijna dierlijke woede en daar hij
-ocr page 108-
102
Alice als de aanhitster van alles beschouwde, zoo vloog
hij, alle zelfbeheersching verliezende, met ;van toorn
fonkelende oogen, op haar los. Henry, die in de kamer
daarnaast alles gade geslagen had, kwam ijlings tus-
schenbeiden, drukte den razende in zijn stoel terug en
voegde hem toe: »als dokter Le Guise dit merkt, zijt
gij er slecht aan toe."
Deze bedreiging miste haar uitwerking niet. De aan-
val van woede bedaarde, doch zijne gelaatstrekken be-
hielden een boosaardige uitdrukking, toen Alice, zich
omdraaiend om heen te gaan hem nogmaals aanmaande
de zaak ernstig te overleggen. Hij wist nu onder welke
voorwaarden hij zijne vrijheid kon herkrijgen en hij
kende zijn stiefdochter te goed om in te zien, dat zij
geen vingerbreed van hare eischen zou afgaan. Dat
begreep hij, doch zijn hebzucht behield de overhand.
— Hij wilde van niets afstand doen.
Alice sprak niemand een woord over het gesprek
dat tusschen haar en haren stiefvader gevoerd was.
Daar zij hem nu door den haar getrouwen Henry kon
laten bewaken, liet zij den dokter oogenschijnlijk de
vrije hand, te meer, omdat het haar nog niet mogelijk
was, den laatsten slag te brengen. William Vaughan
had haar geschreven, dat de detectieven een getuige op
het spoor waren, die de schuld van Davis ontwijfelbaar
kon bewijzen. Zij moest nog een korten tijd geduld
oefenen dan zoude hij zelf met de noodige bewijsmid-
delen naar Bellair komen. Dat wachten was een harde
proef voor Alices geduld, want het zamenzijn onder
één dak, met menschen die zij haatte, werd haar met
eiken dag onverdragelijker. Bijzonder moeilijk was hare
-ocr page 109-
io3
houding tegenover Lucian Davis. Deze had er lang
over nagedacht, waarom het jonge meisje zoo eensklaps
was teruggekeerd. Wilde zij bezit nemen van haar
eigendom, of was het omdat hij, — Lucian in Oakley
verwijlde. Zijne ijdelheid deed hem het laatste gelooven.
Een vrouw vergeet haar eerste liefde nooit, zeide hij
tot zichzelf. Alice kon hem dus niet geheel uit haar
hart verstooten hebben. Als hij haar slechts eens alleen
kon spreken als het hem maar mocht gelukken haar
weder onder de oude betoovering te brengen — dan
had hij gewonnen spel. Natuurlijk moest hij zich vooraf
met Cora verstaan en zorgen dat deze hem geen steen
in den weg lag. Maar dat hoopte hij met een som
gelds en eenige kleine tegemoetkomingen heel gemak-
kelijk gedaan te krijgen.
Het bezwaarlijkst scheen hem toe een tête a tête
met Alice te hebben. Hoe onbevangen zij zich in tegen-
woordigheid van anderen ook met hem onderhield, steeds
wist zij te ontwijken met hem alleen te zijn. In zijn
teleurstelling hierover nam hij de toevlucht tot een oud,
maar beproefd middel, \'s Avonds, toen Alice het salon
verliet om naar hare kamer terug te keeren opende hij
galant de deur en drukte haar steelsgewijs een briefje
in de hand. Haar eerste wil was het te laten vallen
doch daar Cora haar op den voet volgde, liet zij dit na.
Zoodra zij alleen was, las zij den inhoud, die haar een
blos van toorn op het gelaat joeg. »Om Gods wil, pijnig
mij niet langer!" had Lucian geschreven. »Gij hebt mij
veroordeeld zonder mij aan te hooren. Wees barmhartig,
voor me en sta mij een zamenkomst toe, opdat ik mij
kan rechtvaardigen."
-ocr page 110-
io4
Een half uur later had Davis het volgende antwoord
in handen : «Wanneer u iets aan mijne vriendschap ge-
legen is, zoo moet gij onze bekendschap met elkander
beschouwen als eerst van deze week af te bestaan.
Het verleden is begraven."
-ocr page 111-
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Verijdeld.
Het was in den laten namiddag. Alice stond in ge-
dachten verzonken voor het venster harer kamer. Sinds
een paar uren sneeuwde het onophoudelijk en streek
een koude wind over den grond. Het jonge meisje
zuchte. »Welk een verschrikkelijk weer is het buiten,\'\'
mompelde zij »en hoe verdrietig binnen ! Ik had niet
gedacht, dat het mij zoo zwaar zoude vallen mijn doel
te bereiken om de schuldigen te ontmaskeren. Hoe
lang zal ik deze huichelachtige rol nog moeten spelen,
mijn werkelijke gevoelens verbergen en den eenen dag
na den anderen doelloos zien voorbijgaan ? Kwam dok-
ter Vaughan in \'s hemelsnaam maar -— ik houd het
waarlijk niet langer uit."
Zij drukte het gelaat tegen de bevroren glasruiten
en keek naar de dwarrelende sneeuwvlokken. »Ach,"
riep zij plotseling uit, »wie strijdt daar zoo tegen weer
en wind? Is dat niet Edward Percy? Ja waarlijk LWat
kan die bij zulk een weder naar buiten drijven ? Daar
moet ik achter komen."
-ocr page 112-
io6
Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt en
kwam Cora binnen. »Ik heb een ontdekking gedaan,"
zeide zij met een verholen boosaardig lachtje, »die ook
u interresseeren zal. Ik vertel het u alleen maar, opdat
gij het spel der betrokken personen kunt verstoren,
wat ik helaas niet kan doen."
»Wat is er aan de hand ?" vroeg Alice onverschillig.
»Percy en de oude vrijster willen zich morgen in de
vroegte laten trouwen."
»Van wat weet gij dat ?"
»Ik zat in de kamer hiernaast in de vensterbank
en had de gordijnen toegeschoven. Die twee kwamen
binnen, zonder mij op te merken, bespraken hun plan
en gingen weer heen, zij naar hare kamer en hij het
dorp in, om den geestelijke te spreken, in wiens huis
zij elkaar morgen zullen ontmoeten en om na de trouw-
plechtigheid weer hier te komen, als ware er niets
gebeurd."
Alice lachte. »Ik zal zorgen, dat de oude dame er
met zulk weer niet uithoeft. Juist nu komt een bruiloft
niet te pas."
»Hoe rustig en koel, kunt gij alles opvatten,\'" merkte
Cora op. »Waart gij niet mijne tegenstandster ik zou
u kunnen bewonderen."
»Ik solliciteer anders niet om uwe bewondering," gaf
Alice minachtend ten antwoord.
»Misschien des te meer naar die van mijnen broeder,"
klonk Cora\'s verstoord antwoord. Overigens kan ik u
de heugelijke mededeeling doen, dat Lucian Davis mijn
broeder niet is."
Zij zweeg, om te zien welke uitwerking, deze woor-
-ocr page 113-
io7
den op Alice zouden hebben ; doch het antwoord harer
tegenstandster overblufte haar geheel. »Gij zijt zeer
vriendelijk," was Alice\'s antwoord, »maar wat gij mij
daar zegt wist ik al lang."
Het duurde eenige oogenblikken eer Cora zich weder
had hersteld. »Is hij misschien uw aanbidder," vroeg
zij eindelijk, «evenals hij de — — —"
»De uwe is," vulde Alice aan. »En als dat het ge-
val ware, wat dan noch ?"
»Dan —\'\' siste de jaloursche schoone, »zoude ik u
beide haten."
»Nu," zeide Alice met een bitter lachje, »tot uwe
geruststelling kan ik u zeggen : »Lucian Da vis is wel
mijn aanbidder, alleen ben ik zijn ergste vijandin."
»Wat heeft hij u gedaan ?" vroeg Cora nieuwsgierig
voor een oogenblik haar ijverzucht vergetend.
»Dat vertel ik u een anderen keer," weerde Alice
af. »Verraadt echter niets van wat ik u gezegd heb
aan Davis. Het zou tot uw eigen nadeel zijn, want als
gij er een woord van laat verluiden, lever ik u aan
het gerecht over.".
»Wees zonder zorg," gaf Cora ten antwoord op een
toon waaruit de haat sprak. »Om zij nentwil zal ik heusch
mijn vrijheid niet op het spel zetten." Hierna verliet
zij de kamer.
Kort daarop liet Alice de oude Hagar tot zich roepen.
»Als tante Ellen van avond zich in haar kamer heeft
teruggetrokken," zeide zij tot deze, »zeg dan aan den
heer Percy, dat ik hem wensch te spreken en ver-
zoek hem in de bibliotheek te komen, waar ik hem
zal wachten."
-ocr page 114-
io8
Hagar bracht hare boodschap punctueel over, tot
niet geringe verbazing van Percy. Wat wilde die hoog-
moedige erfgename van Oakley. Had hij misschien
indruk op haar gemaakt ? of was zij voornemens hem
een gunstbewijs te schenken ?"
Deze jonge schoonheid voor zich te winnen, was vrij
wat aanlokkelijker dan zich af te geven met die oude
vrijster.
Hij bekeek zich met welgevallen in den spiegel. Ziet
er lang niet kwaad uit! dacht hij.
Alle vrouwen hebben gezegd, dat hij een mooie man
was en als hij het er op aanlegde, kon hij elk meisje
op zich verliefd maken.
Waarom ook niet Alice Perth ? Bij haar was het
tenminste de moeite waard, want zij was rijk en be-
koorlijk.
»Gij wenscht mij te spreken mejuffrouw," zeide hij
met zijn onweerstaanbaar lachje, toen hij binnen kwarm
»Ik ben geheel tot uw dienst.
«Waarop ik dadelijk beslag zal leggen," viel Alice hem
in de rede, hem een stoel gevend. »Zou U mij wel een
genoegen willen doen, mijnheer Percy zelfs al zoude
het u misschien niet geheel aangenaam zijn ?"
O zeker," antwoorde hij haastig. »U hebt slechts te
bevelen."
»Goed dan houd ik u aan uw woord. Ik zoude gaarne
zien, dat gij uw huwelijk met juffrouw Arthur nog een
week uitsteldet."
Als geëlectriseerd sprong Percy op. »Wat meent u
daarmee ?" vroeg hij zichtbaar ontsteld.
>Juist dat, wat ik zeg. Het bevalt mij namelijk niet,
-ocr page 115-
s
IOQ
dat mijn bloedverwante op zulk een heimelijke manier
in het huwelijk wil treden.
Vraag mij niet, hoe ik uw geheim ontdekte stel er
u eenvoudig mee tevreden dat ik het weet, wilt gij nu
om mij te pleizieren dit romantische huwelijk weinige
dagen uitstellen ?"
Percy brak zich het hoofd om te bedenken wat haar
aanleiding tot dit verzoek kon hebben gegeven, maar
hij vond er geen verklaring voor. Misschien echter kon
hij haar de reden ontlokken.
»Als ik al niet vragen mag hoe u mijn geheim hebt
doorgrond, zoo zult u mij toch wel willen zeggen, waar-
om gij dezen wensch te kennen geeft, zeide hij op den
meest hoffelijken toon.
»Heb ik het u niet reeds gezegd ?" luidde het korte
antwoord. »Deze heimelijke trouwpartij stuit mij tegen
de borst."
»Vergeef mij, mejuffrouw, dat is geen afdoende grond."
»Voor mij, wel."
»Gij verlangd te veel."
»En toch moet ik er bij blijven."
De besliste, haast bevelenden toon, welke het jonge
meisje aansloeg, ergerde Percy. Hij stond haastig op.
»Het is mij onmogelijk aan uwen wensch te voldoen,
mejuffrouw," zeide hij nadenkend.
Alice bleef volkomen kalm. »Dan zal ik mij tot mijne
tante wenden," verklaarde zij gelaten. Zij zal zich zeker
meegaander toonen als zij verneemt, dat gij, en nog
wel onder hetzelfde dak met haar, reeds een vrouw hebt."
Marmerwit zonk Percy in zijn zetel terug. »Cora
heeft mij verraden," dacht hij, »nu is alles verloren."
-ocr page 116-
L
I IO
»Ik wist van den beginne af," ging Alice onverbid-
delijk voort. »in welke betrekking gij tot mevrouw
Arthur stond. Waart gij er niet verwonderd over dat
madame Cora en haar waardigen broeder, u onlangs
zoo dringend uitnoodigde naar hier te komen ? Ik kan
u de reden daarvan precies zeggen. De dame had een
gewichtig document — een trouwacte verloren en zij
geloofde, dat gij u daarvan meester had gemaakt. In
werkelijkheid echter berust dit document in mijne han-
den, Zal ik het juffrouw Arthur laten zien ?"
Percy gaf geen antwoord; hij was te hevig ontdaan.
»Laten wij tot overeenstemming komen," vervolgde
Alice na een poos. »Ik heb niet de bedoeling mijne
tante in te lichten; ook heb ik er niets tegen dat gij
hierblijft. Integendeel, dat zou mij aangenaam zijn, daar
gij mij nog van veel dienst kunt wezen. En zoolang
gij hier blijft, beloof ik u — ten minste wanneer gij
den wensch, dien ik zoo even heb geuit wilt vervullen
geen gebruik van het document te maken."
-ocr page 117-
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Het doel bereikt.
De volgende morgen bracht zonneschijn en helderen
hemel. Over veld en wegen lag een sneeuwtapijt uit--
gespreid zoo verblindend wit, glinsterend, als ware het
met myriaden edelgesteenten bezaaid.
Alice was vroegtijdig opgestaan ; zij hield van die
koude, heldere winterdagen en ondernam daarom on-
middelijk na het ontbijt een lange wandeling. Op haar
terugweg kwam zij door het dorp in de nabijheid van
het postkantoor toen een aankomende jongen haar tege-
moet liep.
»Ik wilde juist naar Oakley gaan om u dit telegram
te brengen," zeide hij haar een papier overhandigend.
Zij gaf den jongen een fooi en opende het telegram.
Het luidde: »Alles gereed. Kom met den avondtrein,
zal bij Hagar op u wachten,
Vaughan."
Dat gaf haar een groote verademing. Eindelijk was
het uur geslagen, eindelijk zou het recht over het on-
recht zegevieren.
-ocr page 118-
112
Nu de beslissing zoo nabij was, sloeg haar het hart
van voldoening en van innerlijke tevredenheid, want
door hare bemoeiingen zoude een onschuldige, die in
den kerker smachtte, de vrijheid krijgen.
In gedachten verdiept stapte zij langzaam voorwaarts,
zonder acht te geven op den weg. Plotseling keek zij
op. Een man, in wien zij dadelijk Lucian Davis her-
kende liep haar tegemoet. Zij zou hem gaarne hebben
ontloopen, maar daarvoor was het reeds te laat. Onder
denzelfden boom, waar hij haar op den Junidag zijne
liefde gezworen en haar overreed had hem te volgen,
troffen zij elkander aan.
»Goeden morgen juffrouw Perth !" sprak hij haar aan,
terwijl hij beleefd groette. »Het verheugd mij te zien,
dat wij een zelfden smaak hebben — liefde tot de
natuur. Is dit winterlandschap niet prachtig ?"
»Ja dat is het," stemde Alice toe, zonder echter te
blijven staan. «Alles glinsterd en schittert als in een
tooverpaleis. Het is bijna nog mooier dan in den
zomer."
»Het is zeer bekoorlijk," herhaalde hij, »niet het land-
schap doch haar gelaat beschouwend, »maar — zoo koud.\'!
Zij moest wel raden wat hij bedoelde, want zij ant-
woordde snel. »Koud," »nu ja maar het is ook geen
zomer."
»Helaas!" zuchte hij hoorbaar, en hartstochtelijk
voegde hij er aan toe, »Alice zal het voor ons nooit
weder zomer worden ?"
Zij wierp een droomerige blik over hem heen.
»Ja, — spoedig!" Daarna vermande zij zich en liep
haastig op het heerenhuis toe. Davis volgde haar zwij-
-ocr page 119-
"3
gend. Toen zij nabij de stoep gekomen was, hield hij
haar een oogenblik terug.
»Alice, mag ik u een vraag doen ? Toen gij onder
dien boom stond, herinnerde hij u ook aan vroegere
dagen ?"
Zij knikte zwijgend.
»Wilt gij mij ook zeggen, wat gij dacht ?"
Een oogenblik zag zij hem vlak in het gelaat en
zeide daarna langzaam. »Heden avond zal ik *t u
zeggen."
Wat duurde het lang eer het avond was. Lucian
zoowel als Alice wachtten hem met ongeduld, hij in
de dwaze hoop een reeds lang gestorven liefde weder
te zien opleven, zij in de verwachting hare lang ge-
koesterde wraak te zullen bevredigen en een schurk
te kunnen ontmaskeren.
Toen het geheel donker geworden was begaf het
jonge meisje zich naar het huisje van Hagar waaruit
een licht haar tegen blonk. Met een kloppend hart
trad zij binnen. Daar stond William Vaughan, de man
die haar bij de eerste wankelende schreden, die zij op
het zelf gekozen levenspad had gezet, de reddende
hand toereikte. Die haar in hare ziekte aan den dood
had ontrukt en die haar later in al haar ondernemen
helpend ter zijde had gestaan.
Een onbestemd gevoel overmeesterde haar, toen hij
haar beide handen toestak en op zijn trouwhartige
wijze begroette.
»Alice," zeide hij zacht, eindelijk hebt gij uw doel
bereikt; zal ik ook het mijne nader komen ?"
Zij zag hem vragend aan, daarna sloeg zij blozend
Een stout stuk.                                                                                     8
-ocr page 120-
U4
den blik neder; — zij had in zijne oogen gelezen welk
doel hij meende.
»Ik heb helpers meegebracht," zeide Vaughan, aan
het gesprek een andere richting gevend, terwijl hij op
twee heeren wees, die zich op den achtergrond hadden
gehouden. Het zijn detectiefs, van de noodige bevel-
schriften tot gevangenneming voorzien."
»En Olivia?"
»Is op weg naar haar echtgenoot, om hem de blijde
tijding zijner op handen zijnde bevrijding te brengen."
»Wat verheugd mij dat!" fluisterde Alice. Zich tot
Vaughan wendend, voegde zij er bij: »Maar ga nu
mee wij hebben geen tijd te verliezen. Onderweg kunt
gij mij wel vertellen wat uwe getuigen tegen Davis
hebben opgespoord."
»Zeer gaarne !" knikte Vaughan. Hij wenkte de beide
detectiefs hem te volgen en terwijl hij met Alice voor-
uit liep, vertelde hij hetgeen volgt: »Een jonge man,
die tengevolge van ongenoegen met zijn vader heime-
lijk de ouderlijke woning had verlaten, had zich eenige
dagen schuil gehouden in het logement waar Edward
Percy na den op hem gepleegden moordaanslag werd
verpleegd. De kamer van den jongen man grensde
aan die van den verwonden en daar de muren zeer
dun waren kon hij bijna alles hooren, wat er gespro-
ken werd.
Op zekeren avond was het hem, alsof de zieke zeer
levendig met iemand in gesprek was.
Ingespannen luisterend, hoorde hij dat een mannen-
stem tot Percy zeide: »Gij kunt natuurlijk vertellen
dat ik uw aanrander ben geweest, maar welk nut trekt
-ocr page 121-
"5
gij daaruit. Als gij mij verraadt zal ik ook niet
zwijgen en den rechters mededeelen door wien de
arme John, — gij weet wien ik meen, en wiens moor-
denaar de politie altijd nog niet heeft gevonden, om
het leven kwam."
»Wat moet ik dan zeggen ?" vroeg de gewonde.
»Werp de heele schuld op den ander, hij verdient
niet beter, want hij bekladt ons overal en benadeelt
ons waar hij kan. De zaak is gemakkelijk genoeg, zoo
te plooien, want er zijn getuigen genoeg voorhanden
die kunnen verklaren dat gij eenige uren voor de daad
een heftige woordenwisseling met hem hebt gehad.
Ziet gij dat in ?"
»Ja," luide Percy\'s antwoord, »alleen begrijp ik niet
waarom gij mij hebt willen vermoorden Davis ?"
»Ik heb er heelemaal niet aan gedacht," verzekerde
degeen, die als »Davis" werd aangesproken.
»Het was een betreurenswaardige dwaling, ik hield
u in de duisternis voor een ander, iemand die mij
doodelijk had beleedigd. Zeg nu wat gij doen zult, dan
weet ik tenminste waaraan ik mij te houden heb."
»Nu, wat mij betreft, als gij mij het geld wilt terug-
geven dat gij mij laatst afhandig hebt gemaakt, zal ik
mijne aanklacht naar uwen wensch inrichten.
De jonge man had nu gehoord hoe daarna geld
geteld werd en hoe de bezoeker spoedig daarna
heenging. Het scheen hem toe, dat hier een schur-
kenstreek uitgehaald zou worden, doch daar hij zich
in een toestand bevond, die hem dwong zich zoo-
veel mogelijk schuil te houden, liet hij de zaak op
haar beloop. Door omstandigheden gedrongen, zeil-
-ocr page 122-
n6
de hij reeds den volgenden dag naar Australië uit,
waar hij verscheiden jaren verbleef. Eerst kortgeleden
keerde hij naar Boston terug.
De nasporingen der detectiefs hadden aan het licht
gebracht, dat Edward Percy tijdens zijne verpleging
in het logement een kamerhuur had gehad en daar de
logementhouder zich gelukkig diens naam herinnerde,
gelukte het dezen getuige uit te vinden. Hij had zijne
mededeeling voor het gerecht bezworen en zoodra
Davis in hechtenis zal zijn genomen, wordt Philip Gi-
rard in vrijheid gesteld.
Aldus luide hetgeen dokter Vaughan berichtte, waar-
naar Alice met gespannen opmerkzaamheid had ge-
luisterd.
Intusschen hadden zij het huis bereikt. Als schadu-
wen gleden zij door de flauw verlichtte vestibule en
bereikten langs de dienstbodentrap, den westelijken
vleugel. Zij klopten zachtjes aan de deur van de voor-
kamer die door Henry werd geopend en de vier per-
sonen traden bijna onhoorbaar binnen.
»Roep mij dokter Le Guise!" gelastte Alice den
neger.
Een paar minuten later verscheen de waardige pro-
fessor met het hem eigen zelfbewustte voorkomen;
maar toen hij de drie heeren in Alices gezelschap zag
verliet hem zijne zekerheid, hij keek verlegen en on-
rustig om zich heen.
Alice merkte het op.
»Gij behoeft niet bevreesd te zijn," zeide zij tot hem.
»Ik ben slechts gekomen om u te verzoeken uw patiënt
naar de bibliotheek te geleiden en hem, zoodra ik u
-ocr page 123-
ii7
een teeken geef in de aangrenzende huiskamer binnen
te laten komen. Te voren wenschte ik echter nog een
paar woorden met hem te wisselen.
Zij schreed hem voorbij naar de kamer, waar John
Arthur stompzinnig voor zich uitstarende bij den
schoorsteen zat. Bij den aanblik zijner stiefdochter, rees
hij gejaagd overeind.
»Jij hier?" stotterde hij. »Wat wil je?"
»Ik heb tot dusverre vergeefs gewacht of gij ver-
klaard bereid te zijn mijne voorwaarden aan te nemen,"
antwoordde Alice.
Thans verlang ik uwe tegenwoordigheid bij het straf-
gericht dat ik houden zal over hen die nog slechter
jegens u hebben gehandeld, dan jegens mij. En dan
kunt gij beslissen of gij als een vrij man Oakley ver-
laten of verder in gevangenschap blijven wilt."
Zonder zijn antwoord af te wachten verwijderde zij
zich en begaf zij zich ongemerkt met hare begeleiders
in het naaste vertrek.
-ocr page 124-
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Vergelding.
Een viertal personen zaten in de huiskamer, wien de
verveling op het gelaat geschreven stond. Cora bladerde
verstrooid in een mode journal, Davis rookte zijne ei-
gaar en Percy zat zwijgend naast zijne verloofde, die
boos op hem was, omdat hij, zonder gegronde reden,
naar zij meende, den trouwdag had uitgesteld. Zoo was
ieder met zijn eigen gedachte bezig, die na de uit-
drukking van hun gelaat te oordeelen niet even aan-
genaam waren.
Davis in het bijzonder voelde zich slecht gestemd.
Alices\' laatste woorden: »dat zal ik u heden avond
zeggen," klonken hem nog in het oor en telkens we-
der vroeg hij zich af, of hij die als gunstig of niet
voor hem kon uitleggen. Thans in den vollen bloei
harer schoonheid en van hare zelfbewuste, trotsche hou-
ding was hij haar duizendmaal begeerlijker dan in den
tijd, toen hij haar zijn »kleine boschnimf" noemde, on-
willekeurig begon hij zich in behagelijke toekomst-
droomen te verdiepen, van tijd tot iijd een blik op de
-ocr page 125-
iiq
pendule slaande, en zich in stilte verwonderend dat
Alice juist nu zoo lang wegbleef.
Eindelijk, — hij vreesde reeds dat zij geheel niet
zou verschijnen, ging de deur open en trad de erfge-
name van Oakley binnen. Op haar gelaat lag een on-
gewonen ernst en de eerste woorden die zij sprak,
verrieden Davis, dat zijne hoop haar te kunnen terug-
winnen een bedriegelijke was geweest.
Zonder hem met een enkelen blik te verwaardigen,
wendde zij zich tot de overigen. »Hoe aangenaam, dat
ik u hier bijeen vind. Ik heb al lang gewenscht u een
geschiedenis te verhalen die u zeker zal interesseeren,
daar gij allen er den held van kent. Natuurlijk ben ik
goed op de hoogte.
Zooals gij weet, verliet ik Oakley in een bittere
stemming. Ik zwoer destijds mij op mijnen stiefvader
te wreken die mij mijn erfdeel onthield en mij uit lage
hebzucht aan een mij onuitstaanbaren mensch wou ver-
kwanselen. Ik wist echter niet, hoe dit uit te voeren,
maar de voorzienigheid wees mij den weg. In een zie-
kenhuis vond ik een jong meisje, dat lag te sterven.
Zij heette Ketty en haar levensgeschiedenis was een
zeer droevige, Jong en onervaren, had zij gehoor ge-
geven aan de falsche liefdes eeden van een slechten
man, een speler en een losbandige."
Hier hield Alice een oogenblik stil en richtte blik-
semsnel haar oog op Davis, die met saamgeperste lip-
pen en met neergeslagen oogen zat.
»Het was de alte G-eschichte,\'\' ging Alice voort, »be-
drogen, verleid, verlaten. De arme kleine werd op een
zekeren dag door een wagen overreden en zwaar ge-
-ocr page 126-
120
kwetst in het ziekenhuis gebracht. Zij zond een bood-
schap naar haren geliefde en smeekte hem, nog eenmaal
tot haar te komen. Maar deze onmensch weigerde de
bede van een stervende te vervullen. Achteloos stapte
hij over zijn slachtoffer heen om nieuwe te zoeken.
De arme stierf en werd onder den naam van Alice
Perth begraven. Aan hare doodbaar deed ik de ge-
lofte niet te zullen rusten voor ik haar op haar harte-
loozen verleider gewroken zou hebben."
Weder hield Alice eenige oogenblikken stil, doch
niemand verroerde zich.
»En dan ontdekte ik," sprak Alice verder dat die-
zelfde man, het levensgeluk van twee edele menschen
op ongehoord gruwzame wijze had verstoord. Het toe-
val deed mij de ongelukkige vrouw ontmoeten, wiens
echtgenoot, op aanklacht van dezen schurk onschuldig
was veroordeeld. Zij werd mijne weldoenster. Hare
hand bewaarde mij voor een lot dat erger dan de dood
zou zijn. En weder zwoer ik niet te rusten eer ik de
schandelijke daden van dezen ellendeling aan het licht
zou hebben gebracht.
Stap naar stap vervolgde ik hem, drong in zijne ge-
heimenissen in en sloeg zijn doen gade, vermomd was
ik in zijne nabijheid, ademde ik dezelfde lucht met den
gehate in, geduldig wachtend en hem onvermoeid na-
sporend om de noodige bewijzen tegen hem in han-
den te krijgen.
Nu eindelijk heb ik dat doel bereikt! Nu eindelijk
kan ik het masker afleggen, kan ik den verleider der
arme Ketty, kan ik den man, die anderen aanklaagde
om zich zelf te dekken, toeroepen: »Lucian Da vis ik
-ocr page 127-
121
heb u ontmaskerd! Ik lokte u in den val, waaruit gij
niet meer ontkomen zult."
»Mijne heeren" — zij wendde zich tot de eensklaps
op den drempel van de aangrenzende kamer verschij-
nende détectiefs — »grijpt hem !"
De politie beambten wierpen zich op Davis, die door
woede vermeesterd, een wanhopigen tegenstand bood.
Eerst toen hij revolvers blinken zag in de handen zijner
vervolgers gaf hij den tegenstand op. Maar hij wierp
een blik vol doodelijken haat op het jonge meisje dat
zijne misdaden aan het licht gebracht en hem voor de
geheele wereld gebrandmerkt had. Hij had het spel
verloren, — dat zag hij in, — reddeloos verloren. Maar
hij kon toch nog wraak op zijne vijandin nemen indien
hij hare eer tegenover de aanwezigen in het stof trad.
»Gij hebt heel wat slechts van mij verteld," viel hij
haar met grimmigen hoon in de rede, »maar vergeet
niet van u zelf te vertellen dat gij, een jonge dame,
met een man op den loop zijt gegaan en u door hem
in zijn woning hebt laten herbergen."
»En den laffen woesteling neerschoot," vulde Alice
met verachting aan. »Meent gij, dat mijne vrienden dit
niet wisten ?" Hier, zij wees naar docter Vaughan die
inmiddels op haar toegetreden was, — »deze man heeft
mij uit uwe misdadige handen gered en mij geholpen
u te ontmaskeren. Er zijn ontwijfelbare bewijzen voor-
handen, dat gij het waart die Edward Percy voor vijf
jaar hebt overvallen en niet Filip Girard, wiens schuld
gij bezworen hebt. Met een onderdrukten vloek viel
Davis in zijn zetel terug, terwijl Alice zich met ijzige
koelheid tot Percy wendde die nu eens deze dan eens
-ocr page 128-
122
gene aanzag. »U mijnheer," zeide zij, «beloofde ik een
zeker papier te vernietigen. Dat zal geschieden, alleen
staat het niet in mijn macht de onthulligen uwer mede-
daders te verhinderen."
Percy gaf geen antwoord; hij haalde lusteloos de
schouders op, als was het hem onverschillig wat men
aan hem zou vertellen.
Onderwijl wisselde Alice zacht eenige woorden met doc-
ter Vaughan en tegelijk daarop trad John Arthur binnen.
Cora verbleekte toen zij haar echtgenoot zag binnen
komen, wiens voorkomen een levende aanklacht tegen
haar was.
»Nu komt de beurt aan u, Mevrouw Arthur,\'\' zeide
Alice op dien onverbiddelijken toon die allen als de
stem van een wrekenden Nemesis in de ooren klonk.
Cora pleegde snel overleg met zich zelf. Te redden viel
er niets meer; zij wilde echter nog haar leedver-
maak hebben aan den ontrouwen minnaar. Zij had hem
op hare wijze liefgehad; maar nu zij wist, dat hij haar
bedrogen had, gelijk hij het zoovele van zijne slacht-
offers gedaan had, haatte zij hem. Mocht hij al zijn
verdient lot niet kunnen ontgaan, zij was ten minste
gedekt want Alice had haar veiligheid beloofd.
Tot John Arthur waagde zij het niet op te zien. Hij
had haar, toen hij haar vroeger zag, half vleiend, half ver-
wijtend bij den naam geroepen, maar zij deed als had
zij het niet gehoord.
»Vertel ons zoo kort als mogelijk is, van welken aard
uwe bekendheid met mijnheer Percy is," gebood Alice,
zich tot Cora wendend. Gewillig voldeed deze hieraan.
»Ik ken Edward Percy sints ongeveer tien jaren,\'"
-ocr page 129-
123
begon zij, terwijl zij juffrouw Arthur een blik vol leed-
vermaak toewierp. »Hij was mijn eerste liefde, en ik
trouwde hem. Spoedig genoeg echter moest ik ont-
dekken dat hij mij ontrouw was en anderen naliep. Ver-
bitterd over zijne valschheid verliet ik hem, nam alle
op ons huwelijk betrekking hebbende papieren mede
en ging naar Europa."
»Eerst na vijf jaren keerde ik in Boston terug. Deze
man hier," — zij wees op Davis — »die zich destijds
mijn vriend noemde deelde mij op zekeren dag mede
dat mijn echtgenoot een groote erfenis had gekregen.
Mocht hem echter een ongeluk overkomen, zoo zoude
ik, als zijne weduwe gerechtigd zijn, aanspraak op het
vermogen te laten gelden. Ik begreep wat hij meende
en liet hem zijn gang gaan. Edward Percy werd ge-
wond doch bleef in het leven. Op zijn aanklacht en
ingevolge de aanwijzing van Davis nam men een zekere
Girard gevangen en werd deze veroordeeld wegens
poging tot moord. Hij was echter onschuldig."
»En de werkelijke dader?\' vroeg Alice.
»Is Lucian Davis."
Er onstond een pauze gedurende welke aller oogen
zich op den aangeklaagde richtten, die met een duister
voorkomen, en schijnbaar gevoelloos voor zich heen
staarde.
»En vertel gij ons nu nog, mevrouw Arthur.\' zette
Alice haar verhoor voort, hoe en op wiens aanraden
gij hier naar Oakley zijt gekomen ?"
»Lucian Davis, sloeg het mij voor. Hij overreedde mij
dat ik gemakkelijk kon worden wat ik nu ben."
»En dat is?"
-ocr page 130-
124
»Meesteresse van Oakley."
John Arthur steunde licht, doch niemand lette op
hem, want Alice zette haar ondervraging onbarmhartig
voort: »Gij hebt dus geïntrigeerd om de vrouw van
John Arthur te worden ?".
»Ja."
»En — zijne weduwe."
Ditmaal volgde geen antwoord.
»In verband met dit plan hield gij uwen echtgenoot
wederrechtelijk gevangen en Lucian Davis, uw voor-
gewende broeder was uw medehelper, bij dit afschuwe-
lijke werk.
»Hebt gij gehoord ?\'\' wendde Alice zich tot haren
stiefvader. Het staat thans aan u te beslissen, of gij
Oakley verlaten en mij het mijne teruggeven wilt of
dat gij hier wilt blijven veracht en onteerd, door allen
bespot en uitgelachen, omdat gij u in de netten van
een avonturierster hebt laten vangen ! Kies nu!"
John Arthur beefde van woede. »Duivelin !" schreeuw-
de hij Cora toe. »Dat alles is jouw werk — —"\'
»0, neen!" onderbrak Alice kalm, »het is uw eigen
werk. Wat gij gezaaid hebt zult gij thans maaien en
nu vraag ik u voor de laatste maal, wilt gij mijne
voorwaarden aannemen of niet ?"
John Arthur streed een oogenblik met zichzelf daar-
na stiet hij grimmig uit: »Goed ik ga, maar mijn
vloek laat ik u achter !" Dit oogenblik, terwijl een ieder
zijn opmerkzaamheid schonk aan den ontroonden be-
zitter van Oakley, maakte Davis zich ten nutte voor
het plegen van een afschuwelijke daad, waarmede hij
zich op Alice wilde wreken.
-ocr page 131-
\'25
Een der politiebeambten, bliksemsnel de geladen re-
volver uit de hand rukkend, legde hij op het jonge
meisje aan, dat hij onfeilbaar zou hebben getroffen,
wanneer dokter Vaughan zich niet in zijne armen had
laten vallen. Niettegenstaande dat knalde het schot,
doch de kogel, die voor Alice Perth bestemd was trof
Edward Percy, die op den grond nederviel.
In de verwarring die thans ontstond, zocht Davis te
ontkomen, doch de détectiefs verijdelden zijn voornemen
en legden hem de handboeien aan. Inmiddels onder-
zocht dokter Vaughan de wonde van den getroffene.
Zij was doodelijk en nog eer men Percy naar een an-
dere kamer gedragen had, had de dood hem achter-
haald.
Een uur later werd Lucian Davis naar de gevange-
nis te Boston overgebracht, welker deur zich levenslang
achter hem sloot.
Nog aan denzelfden dag herkreeg Philip Girard, de
onschuldig veroordeelde, zijne vrijheid terug, en om
hem eenigermate schadeloos te stellen voor het zware
onrecht dat hem was geschied, werd hij tot een eervol
ambt geroepen.
Gelijk Alice het gewenscht had bleef het drama van
Oakley voor de wereld geheim. John Arthur reisde in
gezelschap van zijn vrouw en dokter Le Cruise tot her-
stel zijner gezondheid. Doch reeds in Boston scheidde
het waardige echtpaar van elkaar. John Arthur, inwen-
dig [verwoest door het hem toegediende vergift, stierf
spoedig daarna, terwijl Cora haar avontuurlijke loop-
baan vervolgde, die ten laatste gelijk zoo menig be-
staan van soortgelijken aard eindigde in het armenhuis.
-ocr page 132-
I2Ó
En Alice Perth zij was nu de onbeperkte meesteres
van Oakley, maar zij legde haar scepter spoedig neder,
om slechts de liefhebbende vrouw te zijn, van den man
die haar voor ondergang behoed en haar zoo getrouw
had bijgestaan, tot zij haar eed vervuld en vergelding
uitgeoefend had.
-ocr page 133-
•
1
; lÉin 11
iet
(ÜSI
te
Swa ec i
I
I.
Tijgerking.
VAN A. CONAN DOYLE.
Eindelijk weer thuis! O, welk eene vreugde, na vijf
jaren de zeeën te hebben doorkruist! Het loont de
moeite de wereld doortetrekken zooals ik, al was het
ook maar alleen voor het genoegen weer thuis te ko-
men in de oude woonplaats. Eerst na haren dood heb
ik mijne oude tante Marianne recht op prijs gesteld,
en ik wist eerst, hoeveel ik van Eversfold hield, toen
de afwezigheid mij er van vervreemd had. Ik had er
naar gehaakt het te verlaten, maar nu op mijne terug-
reis van Parijs naar huis werd ik verteerd van verlan-
gen naar de groene lanen, boschjes en heidevelden van
Surrey. Vier eindelooze uren moest ik te Londen op
de Cross Hills trein wachten. Terwijl ik ongeduldig
langs het strand liep, ontmoette ik toevallig iemand,
-ocr page 134-
128
met wien ik onlangs in het buitenland had kennis ge-
maakt. Ik aarzelde vóór ik hem aansprak, want of-
schoon hij en zijne familie te Rome zeer hartelijk voor
mij waren geweest, wist ik welk verschil eene andere
luchtstreek somtijds maakt. Echter niet voor den vroo-
lijken. gastvrijen ouden heer Matthew Parker. Zijne
eerste vraag was ook de laatste, die hij mij gedaan
had vóór zijn vertrek naar de Piazza de Spagna:
»Wanneer komt gij te Swalecliffe? De werklieden
zijn er eindelijk uit, en wij hebben het er aardig en
prettig. Dinsdag wordt ons huis feestelijk ingewijd. Gij
hebt mij beloofd daarbij tegenwoordig te zijn en mijne
dames zullen het mij nooit vergeven, als ik u nu laat
gaan."
»Ik ben op weg naar huis, naar mijne moeder," ant-
woordde ik, »maar ik zal overkomen voor het feest."
Wat beteekenen twee honderd mijlen voor iemand, die
juist twintig duizend achter zich heeft?
»Hier is mijn kaartje— het kasteel Swalecliffe. Neem
een biljet tot Wood End, de Great Western lijn. Ver-
geet het niet."
Ik stak het kaartje in den zak en spoedig vergat ik
hem geheel, op weg naar Eversfold. In de schemering
stapte ik uit aan het station van Cross Hills op twee
mijlen afstands. In vijf jaren hebben heel wat verande-
ringen plaats. Ik zie een nieuwen conducteur, die Fran-
sis Milford niet kent, de nieuwe stationchef neemt zijn
hoed niet af. De bediende, dien mijne moeder gezonden
heeft om mij aftehalen, is nieuw, en wij nemen elkan-
der eerst eens goed op, voor wij tot het besluit komen,
dat wij meester en knecht zijn.
-ocr page 135-
i2g
Hij neemt mijne bagage. Ik wil liever door de vel-
den wandelen. Ik zal bijna even spoedig thuis zijn als
het rijtuig; en ik wil gaarne stap voor stap den weg
weer vinden en de veranderingen zien.
Ik zag er verscheidene, niet alle juist verbeteringen.
Daar is eene nieuwe herberg aan den weg; die rieten
hutten hebben leien daken gekregen; die weide is om-
heind. Dat hek van den ouden Glover is niet hersteld.
Ha, ha, de zuinigheid van een gierigaard! Hier van
deze haag ken ik ieder takje. Daar groeit de nacht-
schade — daar de braambessen, daar hebben Jemmy
King en ik het nest van een basterdnachtegaal gevonden.
Het voetpad leidde nu naar een landweg, eene halve
mijl van ons dorp. Toen ik over het hek klom, sprong
eene mannelijke gedaante, die ik bij het verlaten van
het station reeds meende te hebben gezien, van
de andere zijde van de haag op den weg. Mij ziende
ging hij terug; ik liep door, maar hoorde hem op eeni-
gen afstand volgen. Iets eigenaardigs, angstig aarzelends
in zijn gang, wekte achterdocht. Hij was armoedig ge-
kleed, had zijn hoed diep in de oogen gedrukt en droeg
een dikken stok. Ik had slechts eene lichte parapluie en
een kostbaar horloge en ketting, die zeer in \'t oog vie-
len. De plaats was eenzaam, daarom ging ik, daar ik
mijn landlooper liever voor mij had, op zijde naar den
steilen oever als om naar het vergelegen dorp te zien,
en wachtte tot hij zou voorbijgaan. Hij stond stil. Zoo
wilde ik mij niet laten plagen, daarom keerde ik terug
om hem voorbij te gaan en zoodoende zag ik hem ern-
stig in \'t gelaat. Mijn wantrouwen loste zich op in eene
lachbui.
Een stout stuk.                                                                             9
-ocr page 136-
130
»Wel, Jemmy, man," riep ik vroolijk, »gij zelf, zoo
waar als ik leef! Het eerste van al de oude, bekende
gezichten, die ik gezien heb. En van alles, wat veran-
derd is, zijt gij nog het meest in uw nadeel veranderd,"
voegde ik er in den geest bij. Was dit bleeke, smalle,
armoedig uitziende schepsel mijn stevige, gelukkige
boer van vóór vijf jaar? Zijne zaken konden zeer ach-
teruitgegaan zijn, maar hij had over zich eene zonder-
linge, zenuwachtige, angstige terughouding zóó ongelijk
aan zijn vroeger wezen, dat het mij meer verbaasde
dan het zien van steenen, groeiende aan een oranjeboom
zouden hebben gedaan.
»Je bent ziek geweest, oude jongen," zeide ik. »Wat
kan een vriend doen om je er weer bovenop te helpen ?
Je hebt er nu één meer in Engeland dan je gisteren
hadt, zie je."
Mijn groet scheen hem geheel in de war te brengen.
»Meneer Frank," stotterde hij onrustig.
Jemmy King en ik waren gezworen vrienden ge-
weest van ons zevende tot ons zeventiende jaar, en nog
trouwe vrienden toen ik, twee en twintig jaar oud, naar
Amerika onder zeil ging.
»Geef mij de hand, oude jongen," ging ik voort, de
hand grijpende, die hij mij niet wilde toesteken, >kom
mee en vertel van alles. Hoe gaat het met den
dominee, en met dien ouden vrek, Sampson Glover, en
zijn deugniet van een neef, en met de aardige Rosé
Evans, wie gij bij mijn vertrek allen het hof maaktet
en tot wier aanbidders ik ook wel zou hebben behoord,
als ik maar een kansje gezien had —"
Hier bleef ik steken in mijn stroom van vragen. Zijn
-ocr page 137-
i3i
gelaat werd doodsbleek, zijne trekken werden door drift
verwrongen, en ik herinnerde mij Jem\'s driftigen aard,
welke hem op school den bijnaam «Tijger" King be-
zorgd had; eens ook, toen wij jongens waren en ik
hem uitdaagde tot een gevecht, was zijn aanval zoo
verschrikkelijk, dat ik het nog steeds in mijn schouder
voelde.
»Verdoemd!" schreeuwde hij. »Zijt gij gek, zoo tot
mij te spreken."
»Ik denk, dat gij het bent," gaf ik ten antwoord.
«Verwelkom jij iemand op die manier ?"
Mij wantrouwend van ter zijde opnemend zeide hij
norsch : »Weet ge het niet ?"
»Wat weten ? mijne moeder vertelt mij nooit iets.
Kom mee en vertel het mij."
Woest schudde hij mijn arm. Hij was weer »Tijger"
King. Zonder op mij te letten, klom hij op den oever
om door de boomen ingespannen te turen naar den rooden
kerktoren, de school en de met riet bedekte schuren
van Eversfold.
»Vervloekte dwaas, die ik was," barstte hij uit, »in
\'t gezicht van het oude dorp te komen — behalve
wanneer ik een mes had om mij hier de keel aftesnijden
en er een eind aan te maken!"
»Jemmy," riep ik verschrikt uit, »wat is er in \'s he-
mels naam toch gebeurd? Zeg het mij en ik zweer,
dat ik het terecht zal brengen."
»Daar ginds zal men het u wel zeggen," zeide hij,
»en geen mensch ter wereld kan het in orde brengen."
»Oude vriend," zeide ik ten einde raad, »gij hebt
moeilijkheden gehad — \'t is genoeg, dat ik dat weet.
-ocr page 138-
132
Indien eene beurs of eene hand je kan helpen, wel, er
is niets, waarvoor ik de mijne liever zou gebruiken.
Het gaat mij nu goed in de wereld, maar de fortuin
is veranderlijk, en ik weet, dat gij hetzelfde zoudt doen
als onze rollen omgekeerd waren."
Voor een enkel oogenblik verzachtte zich de uitdruk-
king van zijn gelaat, maar zijn gevoel beheerschende,
zeide hij kortaf:
»Ik heb geld om mij naar de plaats mijner bestem-
ming te brengen."
»Waar is die?"
>De mijnen van Colorado. Van nacht zeilt de »Cam-
bria" uit en ik ga mede. Dood of levend, moge hij
ondergaan of zich staande houden, gij zult niet meer
van Jemmy King hooren."
Hiermede keerde hij zich om en liep weg en eene
kromming van den weg verborg hem voor mijn oog.
Ontstemd en verward zette ik mijn weg voort; maar
toen ik dicht bij huis kwam, verdrong de vreugde, die
ik zelf gevoelde over mijn terugkeer, alle andere aan-
doeningen en weldra vergat ik alles in de armen mijner
moeder, die wel het minst was veranderd van alles wat
ik mij herinnerde. Gij kunt u die ontmoeting voorstel-
len, het levendige gesprek, de snelle afwisseling van
vragen, die de eerste uren vulden. Eerst na het mid-
dagmaal in de plotselinge stilte, die ontstaat aan het
dessert, als de bedienden zijn heengegaan en het klet-
teren van borden en schotels heeft opgehouden, keerden
mijne gedachten terug naar die vreemde ontmoeting,
en ik begon terstond;
»Zeg eens, moeder, terwijl ik hier heen liep, ont-
-ocr page 139-
133
moette ik Jemmy King. Nooit in mijn leven zag ik
iemand zoo veranderd. Ik zou hem bijna niet herkend
hebben."
Mijne moeder was de kalmte in persoon, van natuur,
door gewoonte en uit principe, maar mijne mededeeling
electriseerde haar. Zelfs de linten en de kant van hare
muts schenen in beweging te komen.
> Jemmy King hier ?" riep zij verschrikt uit.
»Ja: op Shooter\'s Hill. Wat ter wereld is er met hem
gebeurd ?"
»Shooter\'s Hill ? Dan heeft men hem vrij gelaten,
Genadige hemel! Hoe onveilig."
»Vrij gelaten ?" vroeg ik verbaasd. »Is hij in een
krankzinnigengesticht geweest ?"
»In de gevangenis te Dartmoor," antwoordde zij ernstig.
»Jemmy King ?" donderde ik, verontwaardigd op-
springend. »Gij scherst. Waarom ?"
»Hij heeft bijna een mensch vermoord, dat was alles,"
antwoordde zij.
Mijn schouder stak mij. Ik had een antwoord, maar
was bereid te zweren, dat Jem\'s slachtoffer zijn lot ver-
diende.
»Dat kan hij niet gedaan hebben dan na verschrik-
kelijk getergd te zijn," zeide ik. »Wie was die man ?"
»De arme Mick Glover, de neef van den ouden Sampson."
»Mick was altijd een verschrikkelijk brutale kerel,"
zeide ik, geneigd verontschuldigingen te maken voor
mijn ouden makker, tot welke verschrikkelijke daad hij
zich ook had laten vervoeren.
Natuurlijk duldde mijne moeder zulk eene toegevend-
heid niet.
-ocr page 140-
134
» Beste Frank, \'t is gemakkelijk te zien, dat gij kers-
versch komt uit het land van dolken, revolvers en lynch-
wetten," zeide zij. »Dat uw naaste u tergt, rechtvaar-
digt u nog niet hem te overvallen in een eenzaam veld,
en hem voor zoover gij weet dood te slaan."
»Mick moet hem toch vreeselijk getergd hebben,"
zeide ik. Mijne moeder verloor het geduld, en ik maakte
verontschuldigingen. »Ik kan het nog niet geheel be-
grijpen of er over heen komen. Gij weet Jemmy en
ik waren als broeders. Waarover liep de twist ?"
»Over niets anders dan dat mooie, onnoozele meisje.
Rosé Evans," zuchtte mijne moeder; en hoewel tegen
mijn zin scheen mij nu alles duidelijk te worden. Voor
mijn vertrek liep het gerucht, dat er iets was tusschen
boer King en de mooie dochter van smid Evans. Maar
de knappe, roekelooze Mick was een gevaarlijk mede-
dinger voor ieder minnaar — zeker leefde hij woest,
maar meisjes van eiken stand zagen zijne grillen over
het hoofd of gaven de schuld er van aan de handelaars,
die hem plukten, aan den oom, op wiens kosten hij leefde,
aan de meisjes, die hij in \'t verderf stortte, aan ieder-
een behalve aan Mick zelf.
»Toen King ontdekte dat Mick, Rosé het hof maakte,"
ging zij voort, »sprak hij kwaad van hem tegen Evans,
die het meisje verbood hem weer te ontmoeten. Mick,
tot razernij gedreven, sprak minachtend over haar in
King\'s tegenwoordigheid in de «Cricketers." Er vielen
hooge woorden en de waard moest tusschenbeide komen.
King ging woedend weg, zwerend Mick te vermoorden de
eerste maal, dat hunne wegen elkaar kruisten. Men gaf
Mick den raad niet alleen naar huis te gaan, maar hij
-ocr page 141-
135
vertrok onbevreesd. Dien nacht was het heldere mane-
schijn ; de andere kwam hem tegen bij den ouden kas-
tanjeboom in Elmer\'s veld, sloeg hem neer en liet hem
voor dood liggen. Het was een lafhartige wraak, want
Mick dacht niet aan vechten."
>Jem kan niet nuchter zijn geweest," opperde ik, mij
houdende aan den geliefkoosden algemeenen grond van
verzachting bij de Engelschen.
»Dat is de mijnwerker ook niet, die zijne vrouw schopt.
King dacht, dat hij veilig, en de mond van zijn slacht-
offer gesloten was, maar Mick leefde om getuigenis af te
leggen tegen hem, die bijna zijn moordenaar was geweest."
Niet in staat den schuldige te verdedigen, begon ik
het slachtoffer aantevallen.
»En hoe gaat het met den Don Juan van ons dorp?
Is de maat van zijne ongerechtigheden nu vol ?"
»»Zijn oom stierf spoedig daarna en liet zijn geld
na aan een verren bloedverwant. Mick ging er hem
veel te lichtzinnig mee om. De arme kerel; hij had
zelf een beetje geld, maar was in moeilijkheden, toen
hij wegging. Sedert dien tijd heeft men niet van hem
gehoord."
»En Rosé Evans ?" vroeg ik.
»Is nog Rosé Evans. Zij is niet zoo mooi als zij
was, maar zij heeft een les gehad. De jongens loopen
haar niet meer zoo na als vroeger, maar zij is beter
geschikt de vrouw van een eerlijk man te worden, en
sedert vrouw Evans\' dood heeft zij zich met hart en
ziel aan haar ouden vader gewijd. Maar waarlijk, Frank,
als King losgelaten is en hier rondsluipt, moest, vind
ik, de politie in kennis gesteld worden."
-ocr page 142-
136
»Wees niet bang, moeder. Ik zag hem teruggaan
om den sneltrein naar Southampton te halen. Van
avond zeilt hij uit naar Amerika. Moge het hem daar
even goed gaan als mij !"
Eene vergeefsche hoop. Aan hem, die bezit — kapi-
taal en betrekkingen — zal gegeven worden. Maar
Jemmy had niets dan een bevlekten naam.
-ocr page 143-
IT.
Rosé Evans.
\'t Is genotvol voor iemand wakker te worden in zijne
oude kamer — voor het eerst na vijf jaar. Ik had in
dien tijd in zonderlinge plaatsen geslapen — in loodsen,
hutten van wilden, op de tafel van eene kroeg — en
de terugkeer tot eene slaapkamer vol gemakken en
herinneringen aan de stille jongelingsjaren van den eeni-
gen zoon eener weduwe deed mij ontroeren. Had ik al,
wat daar tusschen lag, niet gedroomd ? Was ik werke-
lijk vijf jaar ouder ?
Na het ontbijt praatte ik lang met mijne moeder,
toen volgde de langste wandeling, die zij ooit maakte,
— naar den moestuin — toen een lunch, toen
een ritje, toen de thee; daarna schreef ik een briefje
aan Parker om mij te verontschuldigen, want mijn voor-
genomen uitstapje kwam mij nu lastig voor; vervol-
gens, daar ik een gevoel had, alsof ik sterven zou, in-
dien ik nog langer zat, bepleitte ik de onmogelijkheid
aan tafel het gemeste kalf eer aan te doen, als ik niet
-ocr page 144-
13»
eerst eene wandeling deed. Mijne moeder glimlachte en
stemde er in toe, en ik slenterde naar het dorp, zooals
wij het twaalftal hutten van het verstrooide gehucht
Eversfold noemden, die dicht bij de kerk stonden, elk
met een tuintje, als een grooten ruiker.
Een coöperatieve winkel, in plaats gekomen voor den
ouden winkel in gemberbier en likeuren, is eene nieu-
wigheid, maar ziet er reeds kwijnend uit. Het school-
gebouw staat er nog evenals vroeger, maar het heeft
een deftiger aanzien gekregen, dat doet denken aan de
werkzaamheid van schoolbesturen. De oude boeren zijn
natuurlijk niet het minst veranderd. Er is meer dan vijf
jaren noodig, zelfs meer dan vijftien of twintig om eene
zichtbare verandering te weeg te brengen bij een dorps-
koster of geestelijke.
»Daar is het huisje van smid Evans — ik moet er
aan denken, dat ik niet naar zijne vrouw mag vragen.
En daar — ja, bij Jupiter — daar staat zijne mooie
Rosa aan de deur!"
In haar donker wollen kleedje, wit batisten boezelaar,
en eenvoudig mutsje stond zij daar, zich bukkende om
de kan van den jongen van den melkboer aan te nemen.
»0, moeder, gij hebt u vergist," dacht ik. »Zij is mooier
dan ooit I"
Hoe zal ik dat meisje beschrijven ? Zij zag er niet
uit als eene engel, noch als eene elf, noch als eene ko-
ningin. Zij was lang en welgemaakt, met een mooi klein
hoofdje omringd door een overvloed van dik, glanzig
bruin haar, hare gelaatstrekken waren fijn. Noch de
vorm, noch de kleur, noch de uitdrukking, afzonderlijk
beschouwd, was treffend, maar het geheel boeide u
-ocr page 145-
139
langzaam maar zeker. Haar hals was werkelijk prachtig
en de kuiltjes in hare wangen waren onweerstaanbaar.
Het was eene stille, rustige soort schoonheid, die hare
aantrekkingskracht gedeeltelijk te danken had aan uwe
verwondering, als gij al spoedig ontdektet, dat dit stem-
mige persoontje, hetwelk gij in uwe domheid voor eene
pop aanzaagt, werkelijk een eigen wil en eigen wijze van
doen had. Het maakte alle mooie, coquette meisjes woe-
dend, dat de mannen zonder uitzondering, haar ver-
lieten, om zich rond de rustige Rosé Evans te scharen.
Toen ik haar daar nu zag staan, zoo helder, zoo net,
en zelfvoldaan — want Rosé was niet de persoon om
zich zelve te gering te schatten — nam ik haar het
ongeluk, dat zij veroorzaakt had, zeer kwalijk. Nooit
kon ik haar dat onheil vergeven. Zij had gecoquetteerd
met dien knappen, innemenden verworpeling, Mick, en
daardoor een beter man gedreven tot wat slechts toe-
vallig geen moord bleek. »Jij krijgt je verdiende loon,
juffrouw Rosé, als je nooit trouwt,\'\' was mijne stille
manlijke smaadrede, de ergste, die mij inviel. Maar zij
zag er zoo frisch, zoo lief en onschuldig uit, dat mijne
stem, toen ik haar aansprak, minder afgemeten was. dan
mijn plan was geweest.
»Goeden middag," zeide ik. »Hebt gij mij geheel ver-
geten ?"
»Niet geheel," zeide zij met een bijna onmerkbaar
glimlachje en blosje — Rosé betrachtte de matigheid
in alles — »maar het was zulk eene verrassing. Wilt
gij niet binnenkomen, meneer ? Vader zal terstond uit
de smederij thuis komen en het zal hem erg veel genoe-
gen doen u te zien."
-ocr page 146-
140
Ik volgde haar in de keuken en keek naar haar, ter-
wijl zij de provisiekamer binnentrad om de melk neer
te zetten, hare opgestroopte mouwen lieten hare ronde,
gevulde armen zien. Dat meisje bezat zeker eene demo-
nische aantrekkingskracht. Dan weer, als ik lette op
hare nauwsluitende kleeding en gladde vlechten, haar
gelaat — geen dag ouder op haar drie en twintigste
dan op haar achttiende jaar, juist als of niets ooit hare
kalmte verstoord had — de keuken met den zindelijken
steenen vloer en de blinkende potten en pannen (de
Evansen waren welgesteld), dacht ik aan den armen,
in \'t verderf gestorten Jem en zijn lot — uitgestooten,
zonder vrienden, strijdend tegen eene vijandige wereld
om een ellendig bestaan, en mijne bitsheid keerde
terug.
»Hoe lang is het geleden? Vijf jaren?" vroeg zij.
»Lang genoeg om een volslagen ommekeer te bren-
gen in het lot van eenigen mijner bekenden," antwoordde
ik. Hare gelaatstrekken bleven onbewegelijk. Aan het
raam zittend te naaien, was zij precies het model voor
een Hollandsch binnenhuisje. »Zij is gevoelloos," dacht
ik. Ik behoef mij niet te ontzien toespelingen te maken
op het verleden. »Sommigen zijn vooruitgegaan en an-
deren zijn achteruitgegaan," voegde ik er scherp bij.
»Gij zijt vooruitgegaan," hervatte juffrouw Rosé.
»Ik zal u niet tegenspreken. Tot mijne spijt vond ik,
dat het niet zoo gesteld is met een ander van uwe oude
bewonderaars, dien ik gisteren toevallig ontmoette."
Rosé, hier niet op verdacht, keek haastig op.
»Mick, bedoelt gij ?" vroeg zij snel. »Waar ? Hij heeft
nooit iets van zich laten hooren, sedert hij hier weg-
-ocr page 147-
I4i
ging, toen zijn oom stierf — dat is met Kerstmis drie
jaren geleden."
»Hoeveel gebroken harten liet hij achter ?" vroeg ik
hoonend.
Rosé boog zich over haar werk, haalde diep adem,
en antwoordde dan trots en zacht:
»Het mijne in elk geval niet."
»Neen, ik durf wedden, dat het uwe heel is, als gij
er een hebt," dacht ik, buiten mijzelf gebracht door
hare onverstoorbare zelfvoldaanheid. »\'t Was Mick niet,
dien ik zag," zeide ik ; \'t was een beter man, ofschoon
hij de kleeding van een boef gedragen heeft en men hem,
als hij zich hier liet zien. zou schuwen als een melaatsche."
Ditmaal had ik doel getroffen. Rosé liet haar naai-
werk vallen en veranderde van kleur. Hare lippen ver-
mochten zijn naam niet uittespreken — zij vroeg met
onderdrukte drift:
»Is hij vrij ?"
»Vrij en op weg naar Amerika," antwoordde ik.
»Waar de hemel hem in zijn nood genadig moge zijn !"
Hare bruine oogen, als die van eene ree, staarden mij
oplettend aan.
»Hoe zag hij er uit ?" vroeg zij.
»Zeer treurig," vertelde ik haar. »En eens een balling
beteekent maar al te dikwijls voor altijd een balling
voor menschen van zijne soort; maar waar hij heen
gegaan is, zal hij tenminste niet de hand van ieder man
tegen hem opgeheven zien, noch de tong van elke
vrouw hebben te vreezen."
»Ik wilde, dat ik hem gezien had," zeide zij, als of
zij overluid dacht.
-ocr page 148-
142
»Gij ? Dat zou te wreed zijn. Waarom hem aan de
oorzaak van zijn val te herinneren ?"
Rosé stoof nu geraakt op.
> Waarom spreekt gij zoo tegen mij," riep zij uit, alsof
het mijne schuld was ?"
»Ik denk, dat het uwe schuld was," zeide ik kortaf.
»Gij liet u het hof maken door Jem, alsof gij het pret-
tig vondt, en indien hij jaloersch werd op Mick, meent
gij, dat hij maar droomde er reden voor te hebben ?"\'
»Ik vergat zijn driftigen aard," zeide Rosé peinzend;
»ik geloofde er nauwelijks aan — hij was altijd zacht,
als ik er bij was. En ik was niet door eene belofte
gebonden — ik was vrij naar Mick te luisteren, als ik
wilde."
»En dat wildet gij."
«Misschien," bekende Rosé eerlijk. »Hij was een van
degenen, die u alles kunnen wijsmaken ; hij gaf spoedig
zijn woord — maar om het weer te breken. Het had
meer dan eene hier tot verderf en dood gebracht, en
ofschoon Mick het eerlijk met mij meende, zond ik hem
bericht, dat ik niets meer van hem weten wilde. Toen
sprak hij de woorden, die —"
»Die hem bijna het leven gekost hebben," vulde ik
aan, »Jem was natuurlijk niet nuchter. Hij dronk anders
nooit te veel, maar als een matig man daarmee begint,
ker hij geen grenzen."
>Jk heb nooit weer tot Mick gesproken," zeide Rosé,
als om zich vrijtepleiten.
»Dat is alles goed en wel, meisje," dacht ik; dat zal
nu niets meer helpen." En ik kon niet nalaten er luid
bijtevoegen. »Een schrale troost, vrees ik, voor Jemmy
-ocr page 149-
143
in de gevangenis, of zich weg banende onder vreem-
delingen aan de overzijde der zee." Tot mijne verwon-
dering barstte Rosé in tranen uit. Dat maakte natuur-
lijk een einde aan mijn preek. >Schrei toch niet," zeide
ik als een hulpelooze man, die ik was.
»Ik zie niet in, dat het mijne schuld was, zeide zij,
»ofschoon zonder mij, Jem nooit in deze moeilijkheid
zou zijn geraakt. De gedachte aan hem nu kan ik niet
verdragen. Er is niets, dat ik niet zou willen doen om
hem te helpen of het goed te maken — maar ik kan —
niets."
»Wat! zoudt gij met hem willen trouwen, Rosé ?"
vroeg ik met onbescheiden nieuwsgierigheid.
»Ja," zeide zij, hare handen van het gelaat nemend
en bepaald overtuigend sprekend. >Maar gij weet, dat
het onmogelijk is. Vader zou mij liever dood zien dan
Jem\'s vrouw."
»Ja, dat weet ik." En alsof eene bevestiging noodig
was, zagen wij ze juist in de gedaante van den stevigen
smid\' — het ware type van den stijven, goedhartigen,
bekrompen, onbuigzamen Filistijn — als het ware een
landelijke bisschop in zijne slopkousen en schootsvel.
Hij was in zijne jeugd een populair prediker geweest,
maar jif e afscheiding vond niet veel aanhangers te Evers-
fold, ,en Evans ging met de overigen naar de kerk.
Wij zaten een poos te praten in het voorhuis —
kijkende naar eene dorpsbijeenkomst van een half dozijn
leden, die uit den avonddienst kwamen — ik vraag
onzen nieuwen • hulpprediker vergiffenis — uit den
avondzang.
»Dat is toch Joe Murphy niet ?" vroeg ik nu, toen
-ocr page 150-
144
eene gedaante met borstelige haren en een zonderling
gelaat, gekleed in wat waarschijnlijk een afgelegd pak
van den hulpprediker was, uit het portaal kwam strom-
pelen! »Joe een getrouw kerkganger! Dat overtreft
alles!"
»Hij is vroom geworden ; en orgeltrapper," bevestigde
Evans ernstig. In mijn tijd lag hij onder verdenking
waarschijnlijk een strooper, en zeker een dronkaard te
zijn. Dank zij zijne eigenaardige geestigheid, die hij
waarschijnlijk aan de laatste gewoonte verschuldigd
was, werd hij behandeld als iemand, die maar half toe-
rekenbaar is — eene beminnelijke dorpsnar, wiens dwaas-
heden van zelf spreken.
»Hij is onthouder geworden," zeide Rosé, »en is dat
nu al bijna twee jaren. Eerst werd hij venter en men
gaf hem den bijnaam »heilige Joe," maar zijne gezond-
heid werd minder en orgeltrapper is nu alles, waarvoor
hij geschikt is."
Ik hield den belangwekkenden bekeerling staande,
toen hij voorbij ging. »Wel, Murphy, goeden avond.
Waar komt gij vandaan?"
Hij herkende mij, nam verheugd zijne pet af en ant-
woordde :
»Ik kom altijd van het geloof en zijne kerk. Een
vreeselijk lange psalm den i5den avond van de maand.
Moogt gij nooit uw kost mogen verdienen met een
blaasbalg van u zelven te maken, meneer."
»Ik ben blij te hooren, dat gij u gebeterd hebt,"
antwoordde ik twijfelend. Ik dacht, dat ik de mogelijk-
heid van eene wederinstorting ontdekte bij de »Heilige
Joe."
-ocr page 151-
145
»Ik raak nu nooit een droppel sterken drank aan,"
verzekerde hij. »Ik ben vergeten, hoe de smaak ervan
is." Met een diepen zucht wenschte hij mij goeden avond
en ging verder, iets zingende, dat even goed een psalm
kon zijn als niet.
»Heeft hij geen tijding van Mick?" vroeg ik plotse-
ling. »Die twee plachten altijd bij elkaar te zijn."
»Neen," antwoordde Rosé. »Misschien is Eversfold
nu te min voor Mick."
Men placht Mick\'s ongebondenheid toe te schrijven
aan Joe\'s verderfelijken invloed, maar soort zoekt soort
en van den stijfkoppigen Mick kon Joe Murphy nooit
meer dan eene schaduw zijn geweest.
Toen ik dien avond een vloeiboek opende, vond ik
mijn briefje van verontschuldiging aan Parker, dat bij ver-
gissing tusschen deze bladzijden was blijven liggen. Nu
kon het hem niet meer bijtijds bereiken. Ik raadpleegde
mijne moeder, die de nauwgezetheid zelve was, en be-
sloot, dat ik, zooals afgesproken was, des Maandags
moest gaan. Ik zou Woensdag dan weer thuis zijn.
Van zulke toevalligheden hangt somtijds het lot der
menschen af.
Een stout stuk.
-ocr page 152-
III.
Het geheim van het kasteel Swalecliffe.
»Hoe ver is het tot Swalecliffe ?"
Ik had Wood End bereikt in de schemering op een
onstuimigen, natten avond. Het station zag er nog ver-
latener uit dan met die geheel aan wind en regen bloot-
gestelde halteplaatsen gewoonlijk het geval is. Ik sprak
tot twee menschelijke gedaanten, die ik onduidelijk tegen
het hek zag leunen — naar ik hoopte, een achtelooze
portier en een huurkoetsier.
»Een mijl, anderhalf of twee mijlen," was het norsche,
vage antwoord, den spreker aanduidende als den een
of anderen onafhankelijken Sykes of Hodge, van wien
ik niets te hopen had.
»Ik moet naar Swalecliffe. Kan ik een voertuig vin-
den om mij daarheen te brengen ?"
Eene onderdrukte uitbarsting van lachen van Hodge.
Hij stiet Sykes aan.
»Bill, h\'er is een gast voor Swalecliffe. Hij wil er
heen gebracht worden."
-ocr page 153-
147
»Het kasteel Swalecliffe," voegde ik er bij; »kent
gij het?"\' maar mijne vraag verwekte opnieuw een on-
betamelijk, onderdrukt gelach.
De naderbij komende portier kwam mij hier te hulp en na
tien minuten, die door de beide leegloopers gebruikt
werden om in hunne eigenaardige taal onbegrijpelijke
maar blijkbaar verbazend geestige grappen ten mijnen
koste te maken, werd er een open rijtuigje van de her-
berg gehaald.
De doorweekte wegen maakten den korten rit bijna
lang. De regen had opgehouden, en de wind, die lang-
zaam bedaarde, blies nog met afwisselende vlagen. Zware
massa\'s donkere wolken als bazaltzuilen dreven naar
den horizon. Boven mijn hoofd was de hemel onbewolkt
geworden, en de maan scheen helder na den regen.
De plantengroei van de landstreek, waardoor ik reed,
scheen opvallend rijk. Reusachtige olmen, wilde vijge-
boomen en beuken beschaduwden den weg, hunne stam-
men waren rijkelijk versierd met klimop. Aardrijkskunde
was nooit mijn beste vak, maar ik verbeeldde mij, dat
er hier eene rivier was. Plotseling verlieten wij den weg
door de poorten van eene splinternieuwe portierswoning,
en reden de heuvels op door de gronden tot Swalecliffe
behoorende, een sombere rit van eene halve mijl of
langer. Aan elke zijde lag een schilderachtig bosch,
waarin reusachtig groote boomen en aan de linkerhand
strekte zich een breede holle weg uit, welks weelderige
plantengroei deed denken aan een moeras van Carolina.
Reusachtige slingerplanten, die de stammen en takken
der boomen schenen te verstikken, deden ze gelijken
op wanstaltige reuzen. Daaronder bedekten eene dichte
-ocr page 154-
148
massa groote varens, donkere laurieren en knoestige
wilgen een moeras, waarvan het maanlicht hier en daar
een poel zwart water liet zien. Zooals ik het dien nacht
zag, geleek het een phantastische droom — eene ver-
warde phantasie van Doré — waar de verwrongen
takken half menschelijke gedaanten aannemen, en over
alles eene zonderlinge betoovering schijnt te liggen.
Het was drukkend, en ik had een gevoel van verlich-
ting, toen wij plotseling uit het bosch reden.
Hoog en droog op een met gras bedekten heuvel
verhief het kasteel zich voor mij, trotsch en indrukwek-
kend door zijne grootte, zijn massieven bouw en schil-
derachtigen stijl. De grijze muren leken wit bij de
donkerblauwe lucht. Het stond daar met zijn park en
bijgebouwen door een steenen muur omringd als eene
oude vesting, de muren van schietgaten voorzien en
tot ingang eene Gotische steenen poort — het reus-
achtige speelgoed van een rijken koopman.
Matthew Parker kwam mij in de vestibule te gemoet.
»Juist op tijd voor het diner," kondigde hij aan. »Gij
hebt nog twintig minuten om u te kleeden. David, wijs
meneer Milford zijne kamer."
Een bejaarde, eerwaardig uitziende lakei bracht mij
in een ruim, hoog voorhuis, dat licht ontving van boven.
Op elk portaal van de steenen trap, die wij beklommen,
kwamen gangen uit. Geen wonder, dat Parker gastvrij
was, met plaats in zijn kasteel voor den ganschen omtrek.
Ik volgde David door eene lange gang, aan welker
eind mijne kamer was. Toen hij de deur opendeed, blies
eene windvlaag door het opengelaten venster zijne kaars
uit. In plaats van eerst het venster te sluiten, haastte
-ocr page 155-
i49
hij zich terug naar het portaal om licht te krijgen. Met
de bedoeling dit verzuim te herstellen liep ik de kamer
door — de tocht deed onmiddelijk de deur achter mij
toe vallen.
Het was een langwerpig vertrekje met een venster
tegenover de deur. De wind had de gordijnen opge-
waaid en het maanlicht scheen er door. Toen ik over
den drempel stapte, bleef ik stilstaan onder een indruk
— ongelijk aan alles in mijn vroeger of later leven
■— een indruk, dien ik nooit kan vergeten en dien ik
niet gaarne in mijne verbeelding terugroep — phan-
tastisch, plotseling, verrassend levendig. Het was alsof
er eene vreemde, zonderling gekleede gedaante half
verscholen in de opening tusschen de gordijnen hing.
Ik bleef als aan den grond genageld staan. Ik weet,
dat de begoocheling geene minuut duurde, maar het
leek mij eene eeuwigheid, dat ik daar alleen stond in
het halfduister, onder een vreemd dak, opgesloten met
dit geheimzinnige wezen — eene menschelijke gedaante
met een gelaat, dat ik niet kon zien.
David kwam weer binnen met eene lamp. Toen hij
die op de tafel plaatste, verbleekte het maanlicht, de
verschijning loste zich op in eene speling van licht en
schaduw; en nu stond de lakei voor het venster juist
op de plaats, die een oogenblik te voren door een ander
werd ingenomen.
Toen hij het venster sloot en de gordijnen dicht trok,
kwam ik tot mijzelf en dacht. »Wij zien gezichten in
het vuur, spookverschijningen in de takken der boomen,
waarom dan ook geen geesten in de gordijnen?"
Met behulp van David kwam ik tijdig beneden. Par-
-ocr page 156-
15°
kers onthaal was vorstelijk, evenals zijn slot. De jonge
lieden hadden de meerderheid, de avond ging vroolijk
voorbij met gezelschapsspelen en geïmproviseerde chara-
des en tegen middernacht trok ik mij terug, nadat ik
zelfs de herinnering aan die buitengewone zinsbegooche-
ling, die mij in de eerste oogenblikken te Swalecliffe
was overvallen, had weggelachen. Ik vond mijn vriend
David, die het vuur oppookte. De kamer was meer dan
warm genoeg, maar hij legde groote zorg voor mijn
welzijn aan den dag.
»Ik hoop, dat gij goed moogt slapen, meneer. Kan
ik niets meer voor u doen ?"
»Gij kunt de gordijnen opentrekken," zeide ik, daar
hij mij nog gaarne een dienst scheen te willen bewij-
zen. »Het is een warme nacht en ik houd van frissche
lucht."
»Ik denk, dat gij beter zult slapen, als zij gesloten
zijn," antwoordde hij veelbeteekenend.
»Ik stoor mij niet aan de maan. Gij kunt dejalouzie
dicht laten."
»Ik zou u raden, meneer, alles te laten blijven, zooals
het is."
»Is er iets niet in orde met de kamer ?" vroeg ik,
getroffen door zijne vreemde manier van doen ; »voor
een ongehuwd man, David, is ze uitmuntend ingericht.\'
»Men zegt meneer, dat er iets niet in den haak is
met dit vertrek."
»Vochtig ?" veronderstelde ik, hem aanziende.
»Droog als eene evangelische preek," antwoordde hij
met drogen humor.
»Last van ratten, he ?"
-ocr page 157-
i,5i
»0, neen, mijnheer." Hij wachtte even en voegde er
dan bij: »En gij gelooft natuurlijk niet aan geesten,
meneer. Ik ook niet. Maar er zijn toch verhalen en
dingen, die niemand kan verklaren, en als gij mijn
raad volgt, laat gij de gordijnen toe. Goeden nacht,
meneer."\'
Met moeite gelukte het mij de onpleizierige gewaar-
wording niet te verraden, die Davids afscheidswoorden
bij mij opwekten. Ik had dikwijls gewenscht in eene
spookkamer te slapen, maar mijn innige wensch op dit
oogenblik was, dat Parker mij toch ergens anders ge-
plaats mocht hebben. Eenig nadenken bracht mij tot
het besluit, dat het een toevallige samenloop van om-
standigheden was. Honderden dergelijke gevallen van
gezichtsbedrog zijn bekend. Ik dacht, dat ik mijn visioen
wel kon verklaren op eene wijze, zoodat het volstrekt
niet samenhing met Davids toespeling. En een kasteel
zooals Swalecliffe zou onvolledig zijn zonder zijn geest.
Ik lachte, tartte David en de geestenwereld, trok de
gordijnen open, ging naar bed en sliep den geheelen
nacht rustig door.
Den volgenden morgen na het ontbijt werden de
gasten eene poos aan zichzelf overgelaten. Ik wandelde
op het grasperk met een paar landedellieden onder \'t
genot van eene morgensigaar. Wij slenterden een tijd-
lang langs een heuvel naar een wal, van waar men
een uitmuntend gezicht op het kasteel had. Hier bleven
wij staan om er naar te kijken.
»Knap gedaan, op mijne eer," viel Sir John goed-
keurend uit.
»Het ziet er buitengewoon goed uit."
-ocr page 158-
152
»Grij hebt nooit gedacht nog eens binnen Swalecliffe
te komen," hervatte de ander lachende.
Iets in de wijze waarop zij grappen maakten, her-
innerde mij aan de ruwe leegloopers aan het station.
»Het kasteel Swalecliffe," voegde de spreeker er bij.
»Het klinkt mooi. Nu, wij zullen er spoedig aan ge-
woon raken."
»Waaraan gewoon raken vroeg ik.
»Wel weet gij het niet ?" zeide Sir John, zijne sigaar
uit den mond nemend.
»Is er dan iets om te weten ? Ik ben vreemd in deze
streken."
»0, juist.-\' Hij nam zijne sigaar weer op. »Wel, tot
verleden jaar was Swalecliffe eene gevangenis."
Ditmaal schrikte ik werkelijk.
»Wel, wat is er ?" zeide hij lachend; *gij schijnt dat
niet aardig te vinden."
»Dat doe ik ook niet," zeide ik, beproevende, maar
te vergeefs, ook te lachen. Hier was een tweede samen-
loop van omstandigheden, op zichzelf onnatuurlijk vreemd.
»Wel, het was te koop en niet duur. Mooie ligging,
gebouwen en bouwmateriaal voor elk doel. De rivier
overstroomde het land dikwijls en daarom en om andere
redenen is de gevangenis overgebracht naar Soutbury,
tien mijlen verder. Parker heeft het land er om heen
gekocht, en zal het moeras droogleggen, dus is het een
goed ding voor iedereen in den omtrek. Maar gij kunt
er niet overheen komen, zie ik."
»Eene gevangenis !" herhaalde ik. »Er ligt iets akeligs
in die gedachte."
»Kom," zeide sir John, philosophisch, »men kan niet
-ocr page 159-
153
zoo kieskeurig zijn omtrent het verleden van een huis,
even alsof het een mensch was. Misschien kan Swale-
cliffe beter een onderzoek doorstaan dan enkele andere
oude bezittingen. Het was in elk opzicht eene model-
inrichting."
Ik was mijzelf weer meester geworden. »Laat ons
dan hopen, dat het niet bezocht wordt door sombere
verschijningen."
»Er is ergens eene spookkamer, geloof ik," zeide mijn
metgezel lachend, »maar wie de ondernemende inbreker
is, die hier zijn oud beroep komt uitoefenen, is meer
dan ik weet."
Wij lieten dit onderwerp nu rusten. Maar hoewel
overtuigd, dat niet éene spookgeschiedenis van de dui-
zend het waard is, onderzocht te worden, zeide ik tot
mijzelf, dat deze het was. Ik moest Parker ondervragen.
Niet vandaag, eerst na het bal. Ik beken, dat het mij
niet speet, dat het bal werd voortgezet tot klaarlichten
dag. Toen eerst keerde ik terug naar mijne kamer,
waarvoor ik den grootsten tegenzin had opgevat. Ik
stond bijtijds op, daar ik na het ontbijt zou vertrekken.
Parker verscheen niet. Een lichte aanval van jicht dwong
hem in zijne kamer te blijven, ik ging daar heen om
hem vaarwel te zeggen en vond hem hartelijk en vroo-
lijk als gewoonlijk.
»Ik zal altijd blij zijn u te Swalecliffe te zien, denk
er aan. Wij hebben er eene fatsoenlijke plaats van ge-
maakt, nietwaar ?"
»Indien het mogelijk was," antwoordde ik met na-
druk, »sombere herinneringen te bezweren, moest het
u gelukt zijn."
-ocr page 160-
154
»Indien ? Kom, zeg maar, dat het gebeurd is," drong
hij opgewekt aan.
»Hebt gij nooit zenuwachtige menschen hier pijnlijk
door iets aangedaan gezien ? Ik heb eene reden voor
die vraag."
»Wat bedoelt gij ?" zeide hij scherp.
»Geen terneerdrukkende invloed of onpleizierige ver-
halen, die u of uwe gasten kwellen ?"
Geërgerd, mompelde hij: »Het zijn die verwenschte
bedienden. Heeft die oude dwaas David —"
sHij maakte toespelingen op iets," zeide ik, »waar-
over ik niet verder gedacht zou hebben, was het niet,
dat ik vier uur eerder, toen ik voor \'t eerst die kamer
binnentrad, eene vreemde, zonderlinge gewaarwording
had — hallucinatie zoo gij wilt —, die, bij zijne opmer-
king gevoegd, mijne vraag rechtvaardigt."
Hij veranderde van houding met blijkbaar ongeduld,
zeggende:
»Nu, meneer Milford, gij zijt een verstandig man;
zeg mij, wat gij zaagt of meendet te zien."
»Ik ben een verstandig mensch, hoop ik, maar ik
geloof, dat ik uwe goede meening zou verliezen, als ik
het u vertelde."
Hij verried geen nieuwsgierigheid, slechts meerdere
ergernis bij mijn verhaal. »Als dat zoo voortgaat, moet
ik dien vleugel omver halen — was het maar alleen
om de menschen den mond te stoppen."
»Als wat voortgaat ?"
»Ik heb er zelf eene week lang iederen nacht gesla-
pen en heb niets bemerkt."
»Heeft iemand behalve ik ooit iets gezien?"
-ocr page 161-
155
De bedienden zien iederen nacht iets anders. Wat ?
Zwarte honden, witte vrouwen, geharnaste mannen, een
geraamte met rammelende ketenen — klaarblijkelijk onzin."
»Is er eene geschiedenis verbonden aan die — cel,
veronderstel ik, dat het was ?"
»Waarde heer, denk niet, dat ik daar ooit naar ge-
vraagd heb. Indien er verhalen rond gaan, vermijd ik
zorgvuldig ze te hooren. Maar ik zal u de eenige om-
standigheid mededeelen, waarvoor ik kan instaan met
betrekking tot deze zaak.
Niet lang geleden hadden wij hier eene dame. Zij
kwam om mijne dochters teekenlessen te geven — eene
bekwame kunstenares, maar van een zenuwachtig, gril-
lig, hysterisch gestel. Daar ik dat wist, wenschte ik de
oorspronkelijke bestemming van ons kasteel voor haar
verborgen te houden, maar op de een of andere wijze
moet het geheim zijn uitgelekt. De timmerlieden waren
nog aan \'t werk, en wij waren verplicht haar dat ka-
mertje te geven. Op zekeren nacht kwam zij bij mijne
dochters binnenvliegen in waanzinnigen angst en opge-
wondenheid over iets, dat zij zeide gezien te hebben.
Zij slaagden er in haar tot bedaren te brengen, maar
niets kon haar bewegen dat vertrek binnen te gaan.
Evenmin wilde zij ons eerst zeggen, wat zij daar gezien
had. Zij was gevoelig en zag, dat wij geneigd waren
haar schrik belachelijk te maken. Later zeide zij, dat
zij het voor ons wilde schilderen, en zij heeft woord
gehouden."
*Hebt gij de teekening bewaard ?" vroeg ik gretig.
»Toevallig heb ik dat. Ik wilde ze vernietigen, maar
legde ze terzijde en vergat het."
-ocr page 162-
156
Ik smeekte dringend ze te mogen zien. Eindelijk gaf
hij toe met blijkbaren tegenzin. Hij opende eene wand-
kast en haalde er een groot doek uit.
»Het is een knap stuk sensatie-schilderwerk — thea-
traal — maar geen goede teekening van een geest,"
merkte hij op, terwijl hij het in \'t licht plaatste.
De uitwerking van deze teekening op mij was zoo
geweldig, dat het mij slechts door de grootste zelfbe-
heersching gelukte niet een ontroering te verraden, die
mij in de oogen van mijn gastheer voor altijd tot een
krankzinnige of geestenziener zou hebben gestempeld.
Tot in de kleinste bijzonderheden werd mijn indruk in
dien nacht teruggegeven ! De voorwerpen in de kamer
onduidelijk, sommige geheel in de schaduw, andere dui-
delijk te onderscheiden in het maanlicht, het open raam
met de gescheiden gordijnen recht voor u, en daartus-
schen die onheilspellende gedaante in de zonderlinge
kleeding met het verborgen gelaat.
»Gij ziet," zeide Parker nu, »hoe gemakkelijk iemand,
wiens hersenen over het verleden van Swalecliffe heb-
ben gepeinsd, zulk een visioen kan oproepen."\'
Zij had echter niets geweten van het verleden van
het kasteel.
»Wel," besloot hij, »ik zal het nu vernietigen. Ik stel
geen belang in zulke zinsbegoochelingen.\'\'
»Wilt gij het mij geven ?" vroeg ik. »Ik stel wel be-
lang in deze zinsbegoochelingen. Ik beloof u geene
dwaze verhalen in omloop te brengen of de teekening
thuis te laten zien."
»Zooals gij wilt," zeide hij onverschillig. »Maar hoe
ter wereld wilt gij eene schilderij van die grootte meenemen ?"
-ocr page 163-
i57
»Gemakkelijk," zeide ik. Ik nam mijn mes, sneed het
doek uit de lijst en maakte er eene rol van, die ik ge-
makkelijk in de hand kon dragen.
Deze omstandigheid was zoo onverwacht, zoo onbe-
grijpelijk vreemd, dat ik tijd noodig had mij te herstel-
len van de eerste verbazing, die zoo groot was, dat ik
aan mijn eigen waarnemingsvermogen twijfelde.
-ocr page 164-
IV.
„Heilige Joe."
Ik miste den trein te Londen, dineerde aan het sta-
tion, en bereikte Croos Hills eerst na negenen in plaats
van om zes uur. Mijn valies liet ik achter om den vol-
genden morgen door den voerman te worden bezorgd
en ik begaf mij op weg door het land. Het voetpad,
dat ik had ingeslagen, bracht mij op een landweg gren-
zende aan de afsluitingshaag rondom onze bezittingen
tegenover eene poort, waarvan ik den sleutel in mijn
zak had Deze poort leidde naar een boschje waar op
geringen afstand een rustiek koepeltje stond, dat ik in
bezit genomen had als eene prettige plaats om te rooken
en te luieren — stevig gebouwd, bedekt met heide,
bekleed met matten en voorzien van eene eenvoudige
tafel, rustbank en stoelen. Na mijne terugkomst had ik
reeds eenige boeken, couranten en schrijfbenoodigdhcden
daarheen gebracht, die het een gezelliger aanzien gaven.
Ik ging er binnen met het doel om er de geestentee-
kening in veiligheid te brengen, want de koepel was
-ocr page 165-
1,59
gesloten en werd slechts door mij bezocht. Had ik het
doek naar huis gebracht, dan zouden de bedienden of
mijne moeder het zeker ontdekt hebben, en ik had den
ouden Parker geheimhouding beloofd. Ik stak eene
lantaarn aan en ontrolde de teekening, die wat gekreukt
was. Om de vouwen er uit te krijgen, stak ik kleine
spijkertjes door de vier hoeken en maakte haar zoo op
het bekleedsel van den wand vast. Groote goedheid!
Wat was het een afschuwelijk, spookachtig ding! Ik
voelde mij gedwongen er naar te staren, hoewel ik het
verschrikkelijk vond. Hoe juist beantwoordde het aan
mijne hallucinatie ! Of was het slechts mijne opgewekte
verbeelding, die mij parten speelde ? Nu begon ik het
verlangen van den ouden Parker te begrijpen
om er van ontslagen te worden. Ik zou het nu hier
vernietigd hebben, indien dit eene gemakkelijke zaak
was geweest. Toch besloot ik het te bewaren, tenmin-
minste tot het geheim was opgehelderd. Nog dienzelf-
den avond wilde ik aan den directeur van Southbury
schrij ven en een onderzoek instellen.
Maar ik kon het daar niet tegenover mij zien han-
gen. Ik zocht een oud blad van de Times en hing dat
er over; toen nam ik de lantaarn en keerde mij om
om door het bosch naar huis te gaan.
Op dat oogenblik hoorde ik een bons, als of het
lichaam van een mensch over de afsluiting in het gras
viel. Ik verborg de lantaarn en beproefde door eene
reet in den koepel den omtrek te verkennen. Waarom
zou iemand hier op dit uur rondsluipen ? Gemakkelijk
te raden. De poelierswinkel in de naburige stad werd,
zooals algemeen bekend was, door anderen voorzien^
-ocr page 166-
i6o
dan die het recht hadden te jagen. De maan was om-
sluierd. maar er was licht genoeg, dat ik de gedaante
van een man kon onderscheiden, die door het boschje
nader sloop. Ik was geen streng handhaver van de
jachtwetten, maar was niettemin begeerig te weten, wie
mijn strooper was. Het kon zijn, dat hij voor eene
vrouw en zes hongerige kinderen een oneerlijken stuiver
verdiende; maar ik zou het gaarne weten. Toen hij
door het kreupelhout drong, viel er een lichtstraal op
hem, voldoende om hem te herkennen.
Bij al wat schijnheilig is, de bekeerde dronkaard, de
ex-colporteur, de voorbeeldige orgeltrapper, Heilige Joe !
De schelm verdween weer midden in het boschje,
waar hij ongetwijfeld zijn strik gespannen had. Hier
waren geen medeplichtigen of vuurwapens, en ik was
niet bang Joe Murphy te grijpen. Terwijl hij bezig was
met den strik sloop ik te voorschijn, verschanste mij
zoo, dat hij niet naar de omheining kon ontsnappen,
en juist toen hij zich omkeerde om met zijn buit weg
te gaan, sprong ik op hem toe en greep hem bij den
kraag.
»Laat los, gij verwenschte opzichter," brulde hij, »of
ik zal zweren, dat ik u er op betrapt heb voor uwe
eigen rekening te jagen, \'t Is waarschijnlijk genoeg,
dat gij dien vogel gevangen hebt. Laat los," en met
eene woeste krachtsinspanning schudde hij mij werke-
lijk van zich af. »Neem dat — en dat," (naar rechts en
links slaande) en toen ik dichter op hem aandrong,
vocht hij woest als een struikroover en ontwikkelde
eene kracht, die mij verbaasde. Gedurende een oogen-
blik moest ik mij verdedigen, toen volgde eene hevige
-ocr page 167-
i6i
worsteling, eindelijk sloeg ik hem met een welgemik-
ten slag tegen den grond, waar hij bleef liggen kermen.
Zijn moed was uitgedoofd en hij huilde, dat ik hem bijna
gedood had en dat nu alles uit was met »Heilige Joe."
»Sta op," zeide ik, vermoedende, dat hij mij bedroog.
Hij schudde het hoofd. Nu kende hij mij en zag mij
verwijtend aan, zeggende, dat ik alle beenderen in zijn
lichaam gebroken had en dat alles om een arm, klein
vogeltje, dat hij had gedood om het uit zijne ellende
te helpen. Hij kon het lijden van arme, stomme dieren
nooit aanzien! Ik haalde de lantaarn en liet het schijn-
sel op zijn gelaat vallen. Het was wit en vertrokken. Ziende
dat hij zich niet zonder hulp kon of wilde bewegen,
trok ik hem in den koepel. Spoedig zou ik weten, of
hij werkelijk gekwetst was — ik kon hem wel harder
geslagen hebben dan ik van plan was — of dat, zooals
ik geloofde, hij niets meer gekregen had dan de flinke
afranseling, welke hij rijkelijk verdiend had voor zijn
misdrijf. Ik zette hem in een stoel en stak eenige kaar-
sen aan. Hij was bleek en beefde, of het van vrees,
pijn of zenuwachtigheid kwam, kon ik niet zeggen.
»Meneer Milford," kondigde hij eindelijk plechtig aan,
»ik ben stervende."
«Stervende." ? Allemaal gekheid, man," antwoordde
ik. «Behalve een paar builen hebt gij geen letsel ge-
kregen. Ik weet genoeg van de dokterskunst om u dat
te zeggen. Waarom vloogt gij op mij aan als eene
wilde kat ? Ik had nooit gedacht, dat gij zoudt vechten,"
bekende ik.
»Ik was altijd een duivel als men mij aanviel," zeide
hij met belachelijke waardigheid. »Meer dan een heeft
Een stom stuk.                                                                                    II
-ocr page 168-
IÓ2
de zwaarte hiervan gevoeld," (hier toonde hij eene slappe
vuist) »tot ik rheumatiek kreeg — door die lange uren
in die vochtige kerken."
Maar terwijl hij sprak, viel mijn oog op de oorzaak
van dit alles — van zijne plotselinge kracht en snelle
instorting — op den hals van eene flesch brandy, die
uit zijn zak te voorschijn kwam. Ik trok ze er uit en
hield ze hem voor.
«Rheumatiek, gij bedriegelijke schurk! Zoo versterkt
gij u voor een rooftocht op mijn grond. Gij waart half
dronken, toen ik u Zaterdag ontmoette — gij, die den
smaak van sterken drank vergeten waart, die nooit een
droppel meer proeföet."
»Als geneesmiddel," zeide hij ernstig, sluw knipoo-
gende. »Op bevel van den dokter. Gij hebt gezegd, dat
gij zelf zoo wat een dokter waart. Nu gij mij half ge-
dood hebt, meneer, is het minste, dat gij kunt doen, mij
het geneesmiddel terug te geven."
»Neen," zeide ik, overtuigd, dat hij meer dan genoeg
had gehad. »Indien gij u flauw gevoelt, hier is water."
Terwijl ik naar de plank ging om de kruik te krijgen,
sprong Joe, die plotseling het gebruik zijner ledematen
scheen te herkrijgen, op, greep de flesch, die ik onvoor-
zichtig op de tafel had laten staan, en ledigde ze alsof het in-
derdaad water was geweest. Toen viel hij weer achterover
in zijn stoel met een onverstaanbaren uitroep van geluk.
»Schelm ! Schaamt gij u niet ?" zeide ik woedend en
hulpeloos, «onderstand te krijgen van de gemeente en
voor onthouder door te gaan terwijl ge in \'t geheim
brandy verzwelgt, genoeg om een nijlpaard te dooden.
Dronkaard en dief nog bovendien !"
-ocr page 169-
163
Hij keek mij aan met eene hopelooze, onverstoorbare
kalmte. Hij gaf om goden noch menschen gedurende
dat éene oogenblik van onuitsprekelijke tevredenheid.
De drank had zijn gekrenkten geest gegalvaniseerd tot
snelle, werkzaamheid. Zijne tong raakte los. Daar was
nooit veel voor noodig.
»Kom, er zijn dieven en dieven,"\' begon hij. «Sommi-
gen rijden te paard en anderen durven niet over eene
heg kijken. Zie eens dien jongen schelm, Mick —"
»Ja, die vagebond," viel ik in — want zijn naam
zelfs maakte mij nu woedend. »Gij en hij zijt een pas-
send paar."
»0, hebt gij hem gezien ?\'" vroeg Joe, wiens nieuws-
gierigheid door mijne drift werd opgewekt. »Waar,
meneer ? Zich badend in weelde, durf ik wedden, ter-
wijl eerlijke, hardwerkende lieden zoo als Joe Murphy
van broodkorsten leven. Ik zou daar wel verandering
in brengen, als hij ooit terugkwam," voegde hij er bij.
»Zulke goede maats als gij met elkaar waart,\'" zeide
ik, getroffen door zijn wraakgierigen toon. Joe, die
praatziek werd, babbelde door.
»\'t Is even prettig goede maats te zijn met hem als
met eene schaar. Als die uwe vingers pakt, snijdt zij
ze af. Zeg mij, waar hij is, meneer. Als ik het wist,
zou ik hem wel krijgen, hij, die zijn ouden makker laat
zwoegen en ten laste der gemeente komen, terwijl een
enkel woord van mij hem de politie op het dak zou
zenden als dief en roover."
»Dat zou net zijn verdiende loon zijn," voegde ik er
bij. Mijne gevoelens jegens Mick waren zoo, dat ik het
niet onaangenaam vond, de lijst zijner bekende ver-
-ocr page 170-
164
grijpen te zien vermeerderen, en ik beproefde Joe —
wiens geest meer en meer beneveld werd — aan te
moedigen om zijn gedachtenloop te volgen.
»Ik was een gek, dat ik den bedelaar liet gaan en
op zijn woord vertrouwde," zeide hij ; toen mompelde
hij onduidelijk in zich zelf: »Sampson wist het, Samp-
son wist het!"
»Dat Mick een roover was," viel ik in, maar te snel.
Het deed Joe op zijne hoede zijn.
»Xeen," en hij schudde het hoofd met een ziekelijken
glimlach. »Dat heb ik niet gezegd."
»Maar het was zoo," hervatte ik, nu geheel in de rol
komend, die ik wilde spelen. «Waarom heeft de oude
man hem anders onterfd ?"
Dit argument, aangehaald alsof het onweerlegbaar
was, scheen Joe door zijne logica te overtuigen.
»Natuurlijk, waarom hem te onterven ? Leer om leer.
Het neefje bestal oom, waarom zou oom dus het neefje
niet bestelen ! Ha, ha! Als Sampson gekund had, zou
hij meer gedaan hebben. Geen bewijs ; dat kon ik slechts
geven, \'k Wou, dat ik het gedaan had. Waarom zou
ik barmhartiger voor Mick zijn dan zijn eigen vleesch
en bloed ? Antwoord daar eens op."
»Gij en hij waart een paar helsche deugnieten," riep
ik uit, mijzelf vergetend.
Joe\'s verwarde uitingen wezen naar allen schijn op
de een of andere welgelukte poging om zich uit de
geldkist van den ouden Sampson te bedienen — een
zeer waarschijnlijk voorval. Mijn gevoel van rechtvaar-
digheid kwam er tegen in opstand, dat deze schelmen
ongedeerd zouden ontsnappen, terwijl de arme Jem de
-ocr page 171-
«65
volle straf van zijne noodlottige, maar billijke woede
moest dragen.
»Indien ieder kreeg, wat hij verdiende," ging ik voort,
»weet ik wel, waar gij nu zoudt zijn en Mick met u."
Hij schudde het hoofd en stamelde met een dronken
glimlach : »Beter een levende hond dan een doode leeuw,
zegt het spreekwoord."
»Gij hebt dus Mick\'s oom voor hem bestolen," her-
nam ik bedaard, »en gij en hij hebt den buit gedeeld ?"
Maar nu was zijn wantrouwen geheel opgewekt. Van
zijn stoel opstaande, zeide hij op eene wijze, die mij
toonde, dat ik niets meer uit hem zou krijgen :
»Beproef maar niet Joe Murphy beet te nemen. Ik
zie, wat gij wilt. Maar ik verzeker u, dat ge zulk een
slimmen vogel niet maar zoo in den val lokt. Ik ga naar
huis."
»Weg dan," antwoordde ik, de verzoeking weerstand
biedende hem er uit te schoppen, »en onthoud het, als
ik u een tweeden keer betrap op het jacht maken op
mijne patrijzen, dan laat ik u gevangen nemen, zoo
zeker als mijn naam Milford is. Wel, goede hemel, man,
wat is er nu ?"
Joe scheen niet te hooren ; zijn gelaat werd doods-
bleek, zijne oogen staarden strak en uitpuilend in de
verte, zijn lichaam kromp ineen, hij hurkte neer door
een vreeselijken schrik bevangen, met bevende hand
voor zich uit wijzend en stamelend op een toon zoo
vol vrees en schrik als ik nog nooit gehoord heb. »Goede
God, wat is dat ?"
Ik dacht, dat hij ijlde. Toen ik omkeek, bemerkte ik,
dat de courant van de geestenschilderij gevallen was.
-ocr page 172-
i66
De lichtstralen vielen er zoo op, dat die eenzame, zon-
derlinge, vreemd gekleede gedaante met de wollen muts
over het gezicht getrokken schrikwekkend spookachtig
uitkwam. Het kon eene verschijning van de andere
zijde van het graf zijn. Op Joe was de eerste uitwer-
king verschrikkelijk. Zijne leden, zijne tong scheen ver-
lamd. Hij wilde spreken, toen hij wankelde, bevend
als door eene beroerte getroffen, en ontsteld op de
knieën viel.
»Het is King, het is Tijger King — dood in de ge-
vangenis, zooals ik hem heb gezien des nachts als ik
wakker lag. Dood, en teruggekomen om mij mede te
nemen naar de hel. Kom niet bij mij!" en hij sloeg
woest in de lucht. »Ga naar Mick, die booswicht. Ik wil
gehangen worden, als ik ooit tegen je getuigd heb.
Genade voor onze zielen!" Hij bedekte zijne oogen,
en keek dan weer vol vrees, half krankzinnig en wan-
hopig uitroepende. »Sta daar niet te slingeren, alsof....
Neem je muts af — laat ons je gezicht zien." Toen met
een gil, die het bloed in mijne aderen deed verstijven
en terwijl hij ineenkromp, niet in staat zijne oogen van
de gedaante af te wenden. »Het is een doodshoofd, dat
weet ik. Zoek Mick, zeg ik je; den meineedigen slim-
men schurk ! Men is niet verplicht zichzelf te beschul-
digen. Dat is de Britsche wet overal. Ik had niets tegen
je, Jem, dat zweer ik. Maar wat idioot zou eene aan-
klacht tegen zichzelf indienen, als hij vrij kon blijven
slechts door zijn mond te houden — eene soort zelf-
moord — en dat is eene misdaad." Hij drukte zich
tegen den muur aan en terwijl blikken en woorden
steeds woester werden, hijgde hij. »Ik heb je nooit
-ocr page 173-
167
beschuldigd, ik ben onschuldig als een pasgeboren kind.
De politie deed het. Zoo Mick zwoer, dat gij het ge-
daan hadt, dat was zijne zaak. Jou zaak was je onschuld
aan te toonen, als jij dat kondt. Ga weg, of ik sla je
de hersenen in, wat je ook bent, geest of mensch. Kom
hier en ik zal met jou doen, wat ik ook deed met —"
hier begaf hem de stem, hij wankelde en viel bewuste-
loos neer.
Voor een oogenblik stond ik verstijfd, verstomd en
vol schrik over deze onthullingen, toespelingen op een
verschrikkelijk geheim op den achtergrond. De vrees,
dat hij nu zou sterven en met hem alle hoop op verdere
opheldering verdween, bracht mij tot mijzelf. Ik liep op hem
toe, maakte zijn kraag los en legde hem achterover op de
rustbank. Toen bevestigde ik snel weer het stuk papier
over de schilderij, \'t Was maar eene lichte flauwte en
binnen een paar minuten opende hij zijne oogen. On-
middellijk richtten zij zich op den muur achter mij.
»Weg," mompelde hij, richtte zich vervolgens op,
keek rond en zuchtte. »Bange droomen maken de
moedigste menschen tot lafaards." Hij wachtte even
en toen begon hij met eene veranderde uitdrukking,
zijne oogen op mij gevestigd op denzelfden half dron-
ken toon als eerst. «Meneer, ik ben stervende. Gij hebt
mij gedood, \'t Is uit met Heilige Joe."
Hij was evenmin stervende als ik. Die ziekelijke in-
beelding was uit de brandy ontstaan. Hij kon echter
wel zooveel gedronken hebben, dat hij op den rand
van delirium tremens en daaruit voortvloeiende moge-
lijke stompzinnigheid was.
»Als dat zoo is, Joe," zeide ik bedachtzaam, »zou ik
-ocr page 174-
i68
als eerlijk man willen sterven en alles bekennen van
de misdaad, die gij en Mick samen hebt gepleegd."
»Die ellendeling!" riep Joe vol wrok. »Hij heeft mij
zoover gebracht. Vroeger was ik een onschuldige knaap.
Ik hield van een glaasje des Zondags, maar wat be-
teekent^ dat ? Hoe beter dag, des te beter drank, ha!
ha! \'t Was^Mick, die mij er toe aanzette in zijn belang,
en toen zou hij mij nog met het geld bedrogen hebben
— mij, die alle moeite en verantwoordelijkheid had."
»Hij liet u Sampson\'s geldkist voor hem bestelen,"
zeide ik, door de omstandigheden gedwongen voor de-
tective te spelen. Maar ik was slechts een beginner en
Joe\'s gezicht vol onschuld en verbazing toen hij vroeg,
wat ik bedoelde, bewees, dat hij nog verstand genoeg
had om strikvragen te verijdelen.
»0, dat is eene oude geschiedenis," zeide ik onver-
schillig. »Sampson wist het."
»Neen, neen — vermoedde het," verbeterde Joe mij.
»De politie zei, dat het inbrekers waren. En de kist
werd nooit gevonden."
»Die hebt gij zoo goed verborgen,\'" deze opmerking
waagde ik om de uitdrukking van zijn gelaat, »dat ze
wel altijd kunnen blijven zoeken."
»Zoeken tot den Dag des Oordeels," zeide hij. »Mick
zelf weet het niet. Maar hij hield het geld, op tien pond
na. Wij zouden gelijk op gedeeld hebben."
»Wat eene afzetterij," viel ik in, »u het werk te la-
ten doen en u te bedriegen met de belooning!"
»Wel, ik wist niet, waar Sampson zijn geld bewaarde.
Mick vertelde mij van de brandkast in den muur en
hoe ik de sleutel kon machtig worden. Zoo eenvoudig
-ocr page 175-
i6q
als het A B C. En Sampson mistte hem eerst na drie
dagen."
»Knap gedaan," zeide ik, »zoo ver ging het goed."
Joe vervolgde:
»Toen op dien avond — denzelfden avond, toen Mick
dat standje had met Jemmy King in de «Cricketers",
kwamen wij, zooals afgesproken was, samen bij den
ouden kastanjeboom in Elmer\'s veld. En er was slechts
half zooveel geld als wij dachten te vinden. Toen wilde
Mick, die gauwdief! alies in handen hebben. Ik wist,
dat ik dan nooit een penning er van zou zien. Hij zwoer
mij in de gevangenis te brengen, als ik klapte. Wie zou
het woord van een armen duivel als ik tegenover hem
gelooven ? Maar ik heb het hem dien avond betaald
gezet."
Ik was geen acteur. De opgewondenheid deed mij
alle zelfbeheersching verliezen en te vergeefs beproefde
ik de aandoening te bedwingen, die Joe\'s slapend in-
stinct van voorzichtigheid zou doen ontwaken.
»En gij, Joe Murphy, hebt gij den moorddadigen aan-
val gepleegd, waarvan Jem werd schuldig verklaard ?"
»Wat, wat is dat voor een verhaal ?" zeide hij op
veranderden toon.
Maar mijn billijke toorn veroorloofde mij niet te vein-
zen. Ik vertrouwde er op hem door de ontdekking te
overbluffen en in verwarring te brengen.
»Klaar als de dag. Gij vocht met Mick, die u niet durfde
aanklagen wegens den aanval uit vrees dat gij alles zoudt
bekennen en hem in den diefstal zoudt betrekken."
Maar Joe\'s slimheid had hem niet geheel in den steek
gelaten.
-ocr page 176-
170
»Gij zijt een slim heer," zeide hij, »maar Joe is nog
slimmer als hij u met zijne verhalen voor den gek ge-
houden heeft."\'
Ik zag mij overbluft, mijne hoop vernietigd. Ieder
weet, welke waarde men kan hechten aan de zelfbe-
schuldigingen van een dronkaard. Ik had slechts woor-
den, geen enkel bewijs om mij op te verlaten. Misschien
was zijn verhaal slechts de vrucht van eene verwarde
verbeelding.
»Nu, alles is voorbij," hervatte ik weer. »En Sampson
is dood, dus is er van dien kant niets te vreezen. Nu
is er nog slechts één ding: wat is er gebeurd met de
geldkist?"
Maar Joe, die zich er nu van bewust was, dat ik be-
proefde hem uit te hooren kon niet misleid worden.
»Geldkist?" herhaalde hij verwonderd. »Wel, gij wilt
toch niet zeggen, dat gij geluisterd hebt naar de ver-
halen van een armen, dwazen man ? Ik ben ze reeds
vergeten."
Tot het uiterste gedreven, nam ik mijne toevlucht
tot eene bedreiging en zeide streng:
»Als gij mij nu niet antwoordt, zal ik u morgen voor
het gerecht laten brengen en laten opsluiten als stroo-
per en onverbeterlijken landlooper."
Die bedreiging had geene uitwerking.
»Het zijn christelijke heeren," antwoordde hij, die een
armen duivel zooals ik ben niet hard zullen vallen. Ik zal
het er op wagen, meneer."
Ten einde raad wilde ik hem laten gaan, toen er plotse-
ling eene gedachte bij mij opkwam. Met eene snelle bewe-
ging van de eene hand nam ik de courant van de schilderij.
-ocr page 177-
i;i
Joe, die dit niet gezien had, bevond zich weer eens-
klaps tegenover, wat hij blijkbaar voor eene verschij-
ning hield. De uitwerking was plotseling. Met angstigen
blik klemde hij zich aan mij vast, woest gillende:
»0, meneer, zie — daar is hij weer."
»Waar — wat ?" zeide ik, rondziende. »Wat meent
gij, wat ziet gij ?"
»Daar ginds, Jemmy King, in zijn gevangenispak —
zie maar, — hij wil mij worgen. Trek hem weg. Hij
komt op mij af," en hij vloog op de deur toe. Ik had
ze gesloten.
»Murphy, lafaard, uw geweten spreekt," riep ik, »dat
komt van uwe onoprechtheid en uwe leugens. Uwe
schuldige verbeelding doet u die schrikbeelden zien.
Zeg de waarheid en zij zullen geene macht meer over
u hebben. Gij en Mick hebt den ouden Sampson Glo-
ver bestolen en om het geld gevochten. En de geld-
kist — gij zult hier blijven, tot gij het mij zegt."
» Verborgen," hijgde hij eindelijk overwonnen, »in
Elmer\'s veld, bij den ouden kastanjeboom, drie meter
ten Noorden, heel diep in den grond. Zoo, nu, in \'s he-
melsnaam — hulp — laat mij gaan."\'
Ik wierp de deur open. Het gezicht met de han-
den bedekkende, vloog hij weg. Maar zijn hoofd was
duizelig, hij strompelde een paar meter verder en
zonk toen neer op het gras, blijkbaar niet in staat ver-
der te gaan.
Ik ging naar de poort in de haag en floot lang, het-
welk mij na eenigen tijd hulp verschafte van de nabu-
rige hutten en eenige van onze eigen arbeiders.
»Breng dezen man naar het dorpsziekenhuis," zeide
-ocr page 178-
172
ik, »ik heb hem op stroopen betrapt, maar laat dat
gaan; \'t is goed, dat de dokter eens naar hem ziet, dat
heeft hij noodig."
»Laat hem morgen alles ontkennen," dacht ik. »Ik
zal nu weten, wat er van zijn verhaal waar is."
-ocr page 179-
Besluit.
Het was een koude Octobermaand, vier weken later.
Mijne moeder moest wel denken, dat ik krankzinnig
was om de rusteloosheid, die mij steeds naar buiten
dreef, daar ik niet bedaard binnen kon blijven. In die
weken was er genoeg- gebeurd om eene rots te doen
wankelen. Eerst de vreemde bekentenis van Joe\'s lip-
pen en de resultaten van het geheime onderzoek, dat
ingesteld was, die King*s volkomen onschuld aan het hem
ten laste gelegde bewezen. Nog iets vreemders was aan het
licht gekomen en ik alleen wist het allerzonderlingste.
Nu werd ik gekweld door de steeds toenemende
vrees, dat deze ontdekkingen te laat waren gekomen.
Ik had naar de »Cambria" geseind, maar het antwoord,
in persoon of per brief, waarop ik nu al acht dagen
gehoopt had, kwam niet. Mijn telegram kon hem niet
bereikt hebben, daar hij waarschijnlijk onder een ande-
ren naam reisde — het kon te laat gekomen zijn, of
Jem kon van voornemen veranderd zijn, kon een ander
schip genomen hebben en nu buiten ons bereik zijn ;
en erger en somberder mogelijkheden kwamen mij
somtijds voor den geest.
-ocr page 180-
*74
Wel honderdmaal was ik naar het station gegaan
onder ijdele voorwendsels, tot ik zwoer er niet meer
heen te gaan. Mijne wandeling voerde mij dezen avond
langs Shooter\'s Hill. Ik dacht er over oproepingen te
zenden aan de Amerikaansche bladen. De overal op-
komende herfstnevels deden het vee bijzonder groot
schijnen, de boomen reuzen, de maan eene zon, men-
schelijke gedaanten monsters. Ik zie iemand den weg
afkomen en, wat ik ook doe, mijn pols klopt sneller.
Deze laatste week heb ik wel een honderd Jemmy
Kings in de verte gezien, en het bleek altijd een voer-
man, een marskramer of de melkboer te zijn. Van avond
weet ik zeker, dat de persoon in de verte Jem niet is
— en toch is er omstreeks dit uur een trein, en zijne
onnatuurlijke grootte kan eene uitwerking zijn van den
mist. Ik wil hem niet haastig tegemoet snellen en weer
teleurgesteld worden. Ik wacht en als hij nader komt,
herken ik met eene rilling eerst zijn ouden voetstap,
dan — terwijl mijn hart van genoegen opspringt —
zie ik hemzelf — niet zooals toen wij onlangs op dezen
grond afscheid namen, maar gezonder en gebronsd door
den arbeid op zee, versterkt door herlevende hoop, een
zekerder geneesmiddel dan de bries van den Atlanti-
schen oceaan.
Daar wij Engelschen zijn, geven wij elkaar de hand
zonder eén woord te spreken. Eindelijk merk ik veel-
beteekenend op:
»Ditmaal zal je niet weigeren met mij mee te gaan,
Jem."
Plotseling zijne hand wegtrekkend, vroeg hij met twijfel
en achterdocht, die spoedig verdween, bijna ruw:
-ocr page 181-
175
»Is alles waar, wat uw bericht mij mededeelde ?
Indien gij het alleen deedt om mij over te halen terug-
te keeren hoewel met eene vriendelijke bedoeling —
is dit het grootste en wreedste onrecht, dat gij ooit in uw
leven deedt. Voor ik een stap verder ga, zeg mij rond-
uit, hoe het staat."
»Jemmy," zeide ik, »je onschuld is bewezen. Joe
Murphy, de ware schuldige, heeft bekend."
•» Murphy," stamelde hij verbaasd — *Mick\'s eigen
vriend."
»Zeg liever medeplichtige bij den diefstal —Joe, die
gedronken had tot hij bijna hopeloos stompzinnig was
en overtuigd, dat hij zou sterven, anders zou hij het
nooit bekend hebben, hadden Sampson Glover besto-
len, en vochten dien nacht om het geld. Mick durfde
Murphy niet in moeilijkheden brengen door hem als zijn
aanvaller te noemen. Er was eene sterke verdenking
op jou gevallen — de bevestiging ontbrak nog slechts.
Mick gaf die en koelde zoo zijn wrok."
»En vloek over zijne schurkerij, die mij naar de ge-
vangenis zond om te verkwijnen !" viel Jem opgewon-
den in
■ ■S\'.Stil," zeide ik, »Mick is nu buiten het bereik van
den vloek van een sterveling."
»Dood ?" stamelde Jem, met onverminderde vijande-
lijkheid. »Dood — ongestraft ?"
»Hij verliet Eversfold en woonde in Londen onder
een aangenomen naam. Hij voegde zich bij eene bende
afzetters en werd twee jaar later met hen overtuigd van
vervalsching en kreeg eene zware straf — maar onder
zijn aangenomen naam, daar zijn werkelijke onbekend
-ocr page 182-
176
bleef. Ook zouden wij onkundig van zijn lot gebleven
zijn zonder eene vreemde omstandigheid. Een portret,
dat mij toevallig gezonden werd met een antwoord op
enkele vragen, die ik gelegenheid had te doen aan de
directeurs van de gevangenis te Southbury, deed zien,
dat hij de gevangene in kwestie was. Hij heeft zich
opgehangen in zijne cel, achttien maanden geleden."
Ik had de uitwerking van dit bericht op Jem niet
voorzien. Xiet alleen bedaarde zijne drift, maar de schok
leidde zijne gevoelens af en toen hij weer sprak, was
het op eene andere wijze alsof hij eene soort berouw
gevoelde.
»Meneer Frank," zeide hij, »ik denk nu aan iets —
iets, dat ik in mijn verdriet uit het oog verloor. Mis-
schien zult gij mij niet zoo hartelijk de hand geven
als ik het u verteld heb — maar ik ben niet zoo on-
schuldig, als gij mij zoudt willen maken."
Hij zweeg als uitte hij zijne gedachte met weerzin,
toen sprak hij met eene sombere hevigheid, die indruk
maakte — ofschoon niet op aangename wijze — en
overtuigend was.
»Ik kon hem dien avond hebben vermoord om zijne
praatjes. Ik hoor hem nu nog lachen en zeggen, uu.
hij wist, dat zij wel op zijne lokstem zou komen, even-
als anderen, die wij kenden — Rose\'s naam met de
zijne te verbinden: Niet de drank, zooals men zeide,
maar de duivel voer toen in mij; ik kon hem toen ge-
dood hebben, maar ze hielden mij terug. Ik zwoer een
eed. »Mijne ziel moge eeuwig verloren zijn, maar gij
zult niet levend thuis kómen." Ik meende het. Ze zetten
-ocr page 183-
177
mij de deur uit, maar ik stond twee uren op hem te
wachten bij den kruisweg, waar hij gewoonlijk voor-
bijging. Ik wilde hem dwingen te vechten, maar er
kon geen eerlijk gevecht zijn tusschen dien gluiper en
mij. Hij kwam niet. Was ik rechtstreeks van de »Cricke-
ters" naar huis gegaan, dan kon ik mijne onschuld ge-
makkelijk bewezen hebben. Maar de een had mij daar
in de duisternis zien staan, een ander zag mij laat
thuiskomen in een vreeselijk humeur. Ik zelf kon geen
duidelijk verslag geven van den tijd daartusschen ver-
loopen; en mijne eigen woorden en daden getuigden
tegen mij. Ik voelde mij verblind, versuft — en ont-
waakte eerst uit dien verschrikkelijken droom te mid-
den van eene bende boeven."
»Arme kerel," zeide ik, »je hebt meer dan geboet
voor je onbezonnen eed, waaraan ik toch betwijfel of
je ze door eene misdaad gestand zou hebben gedaan."
Terwijl wij voortliepen, werdjem weer kalm, en hij
vertelde mij, hoe zijne reis verlengd was door een on-
geluk van het schip.
Ik zeide hem, hoe ik alles geregeld had, dat hij met
mij naar huis zou gaan en daar rustig blijven, tot het
onderzoek was afgeloopen, waarna de feiten openbaar
zouden worden gemaakt.
»Weet men het in het dorp?" vroeg hij.
»Eene weet het," zeide ik, »ik heb het haar gezegd,
Jem, zij wacht je en ziet naar je uit."
Jem\'s pogingen om eene manlijke onverschilligheid
te bewaren mislukten geheel.
»Nog niet getrouwd ?" vroeg hij gedwongen. »Maar
wat gaat mij dat aan ? Zij gaf nooit om mij."
Een stout stuk.                                                                          12
-ocr page 184-
i78
»Zij gaf zooveel om je," antwoorde ik, »dat ze je
gehuwd zou hebben, toen je eene maand geleden uit
de gevangenis kwaamt — had het van haar afgehangen."
„Rosc Evans f"
»Rose Evans — zij heeft het mij toen gezegd. Wat
mij betreft, Jem, ik zou van geen meisje meer vragen."
Jem hield zich stil; wij naderden het park ; onze weg
liep door eene weide, die dicht bij de achterdeur lag,
beplant met vijgeboomen en olmen. Ik hervatte:
»Zij is vandaag op het huis geweest, om wat naai-
werk voor mijne moeder te verrichten. Veronderstel
eens, Jem, dat zij het is, die daar het hek uitgaat ?"
Hij had haar reeds ontdekt. Zij had ons gezien en
bleef staan, onzeker wat te doen. Zelfs op dezen afstand
scheen ik de bekoring te gevoelen van die zachtte volle
lijnen, het heldere blosje op hare ronde wang. Jem was
ook stil blijven staan — \'t was klaarblijkelijk mijne
bestemming de handen dezer verlegen dorpskinderen,
die elkaar beminden te vereenigen.
»Zou ik haar niet te veel doen schrikken ?" stamelde
Jem bevend en zacht als een meisje.
»Het zal geene verrassing zijn," zeide ik. »Drie weken
lang heeft zij er iederen dag naar uitgezien. Ik wan-
hoopte — maar zij nooit."
Onder de olmen liet ik ze achter. Noem niemand
ongelukkig vóór zijn dood.
Nog eenige dagen en het geheele dorp zal over Jem
spreken — nog een poosje en Rosé zal de bruid
zijn. Jem heeft zeker geleden, maar ik voorzie voor
-ocr page 185-
179
hem grooter vergoeding, dan de Secretaris van Staat
kan verleenen.
En het geheim van het kasteel Swalecliffe ? Ik heb
alles verteld, zooals het gebeurde, laat wie wil nu ge-
volgtrekkingen maken. Ik heb één meer bij de lijst
gevoegd van bovennatuurlijke verschijnselen; verhalen,
waarover dwazen lachen en verstandigen nadenken.