-ocr page 1-
V.
mumemutmmtBm
Vak 160
-ocr page 2-
^^ /3i^<7
-ocr page 3-
f $*"^,-.,.-
,
;                                ■ , .
\'f./fcaO**^?
-ocr page 4-
-ocr page 5-
foArUo
&3
GEDICHTEN
i ,
i C. W. STARING,
MET EENE INLEIDING
UITGEGEVEN DOOK
NICOLAAS BEETS.
VOLKSÜITGAVE.
Compleete, zorgvuldig herziene 7e druk
-**&..........W£-
ZÜTPHEN,
W. J. T HI E M E & Cie.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
Gelderland is onder de nederlandsche gewesten in dichters
niet vruchtbaar geweest; doch het heeft zijnen Staring gehad,
en deze weegt vele anderen op. (ieldersman, zoowel door hart
en inborst, als door geboorte, inwoning, grondbezit, heeft hy,
in menige betrekking en door velerlei arbeid, maar vooral door
z|jne poëzy, voor de eer van dat gewest uitnemend zorg gedragen.
Zjjne geboorte valt in de tweede helft der verleden eeuw. In
hetzelfde jaar waarin Jan Frederik Helmers ter ware ld
kwam, zag ook Antoni Christiaan Wynandt Staring
het levenslicht (1767). Zjjn eerste optreden als dichter was in
het jaar 178G. Uellamy was dat jaar, Lanoy drie jaren vroe-
ger overleden; Bilderdjjk was in zjjn opgang; Feith in
z{jn kracht; Tollens een zesjarig kind. Nog klonk de harp
van Van Alphen; en op nieuw de lier van Van Haren.
Indien ik zeg dat Starings optreden van het jaar 178Gdag-
teekent, reken ik dit van het in \'t licht verschijnen zijner Eerst?
Proeven in Poëzy.
Ken jaar vóór zijne bevordering tot Meester
in de Rechten aan de tieldersche hoogeschool, werden deze
door den negentienjarigen student uitgegeven. Ik had hooger
kunnen opklimmen. Aan baardelooze priesters heeft het den
baardeloozen Apol, in spijt van geparuikte beoordeelaars, nooit
ontbroken. De jonge Staring had reeds in zn\'n vroegste jeugd
latijnsche , en ook nederduitsche gedichten gemaakt; en reeds
vóór zjjne inschrijving als student, had het Dichtlievend Kunst-
genootschap in de Hofstad, onder de zinspreuk: Kunstliefde
spaart geen vljjt, den zestienjarigen knaap, niet alleen door
het goedkeuren van een paar zijner gedichten, ter plaatsing in
de sedert 1775 jaarlijks verschijnende genootschapsbundels,
maar ook door z{jn benoeming tot Medelid, zjjn gunstig wel-
gevallen doen blijken. In dit opzicht spaarde Kunstliefde ook
geen Haast. De stukken waren zwak. maar toonden aanleg;
inzonderheid dat, hetwelk de Aardhering te Messina bezong.
De Eerste Proecen in Poi\'si/ verschenen onder het motto:
(Jui Pytliia cantat
Tibicen. didlcit prins, extimuitque magistrum :
en in de bescheidene Voorrede gaf „de Maaker" zich te kennen
als „een nauwlyks negentienjarig Jongeling, in eenen kring
-ocr page 8-
INLEIDING.
IV
levende, waarin hy aanmoediging, goeden raad en berisping
miste, en die zijne eerste proeven alleen in het licht gav , om
om uit het gunstig of ongunstig oordeel van het publiek te zien
wat hem te doen stond." De verzameling was klein en behelsde
niet meer dan een veertiental stukjens, waarvan drie Eomances,
en verscheidene Erotiesch. A dolf en Emma, Ada en Rijnoud;
het laatste naar aanleiding van Goldsmith\'s vermaard Turn,
gentle hermit nf the vale;
zjjn in hun eersteD, ruwen vorm reeds
hier te vinden, met menig ander stuk, hetwelk zich de Dichter
ook in de laatste verzameling zijner gedichten (1836, 37) niet
geschaamd heeft, en daaronder ook de zoo uitnemende coupletten
Na i-cue zware krankle. Do zachte gewaarwordingen van een
jong, rein , godsdienstig en verliefd gestemd gemoed spreken ons
van bladzijde op bladzjjde toe. Er is weekheid, maar niet naai-
de mate der Julia1» en der Fanny\'s. Taal en Dicht, ofschoon
onder .Starings oog en hand, als later gebleken is, voor groote
verbetering vatbaar, onderscheiden zich reeds in menig opzicht
loffelijk boven vele voortbrengselen van dien tijd. Het bundeltjen
wordt besloten met een Wensch die nimmer herdrukt is, maar
waarvan de Lezer oordeelen mag , in hoever hy vervuld is ge-
worden , terwjjl hy hem tevens in de gelegenheid stelt te zien ,
hoever de negentienjarige het in het behandelen der dichterlijke
luit had gebracht, en welk een geest hem bezielde:
Ach, hoort het Lot mijn\' wensch, vertederd door mijn smarte ,
Dan biede ik u mijn vlijt., eenvouwig Landvolk, aan;
\'k Zal dan , in \'t vreedzaam veld , voor u alleen mijn harte
Met zoete zorg helaan.
Daar zal geen schittrende Fer mij blinden met heur straalen , —
Daar zal geen gloeiend goud mij lokken door zijn\' schijn:
Gij bosschen van mijn erv , gij akkers zult de paaien
Van mijn begeerte zijn.
Mijn Lier, daar zult ge alleen voor \'s Landmans ooren toonen ,
Tot roem van Dien, Die \'t ooft den vruehturen boomgaard schenkt,—
Van Dien, wiens gunsten \'t veld met schuddende airen kroonen, —
Wiens dauw de velden drenkt.
Kn zó \'k erkentnis dan zie gloeien op zijn wangen, —
\'t Naar God geslagen oog eens heiige traanen schreit. —
Dan sterv\' met mij mijn lied! — dan gun ik andre zangen
De kroon der eeuwigheid !
Aldus zong de Dichter in 1786. Met groote welwillendheid
schjjnen zjjne Eerste Proeven niet opgenomen te zijn geworden.
Hen der kunstrechters van die dagen betitelde ze met den naam
van „onrype vruchten". Staring deed er zijn voordeel mede, en
betuigde, als hy vijfjaren later met een nieuw bundeltjen op-
trad, niet veel van dit harde oordcel te verschillen.
-ocr page 9-
IHLEIDIKO.
V
Het nieuwe bundeltjen droeg den titel van Dichtoeffening en
op den titel het motto :
Die nooit wil kwalijk doen, die slaape nacht en dag.
(HulDEKOI\'Eltj.
Dit motto en drie aanhalingen uit J. J. R o u s s e a u , ter
plaatsvulling op de inhoudsopgave volgende, en welke „sommige
lezers vriendelijk verzocht werden niet over te slaan" toonen
dat de na vierentwintigjarige jonge man nog niet geheel over
de onvriendelijkheden zjjner vroegere berispers heen is. Doch
het geheel is eene schoone wrake. Alles getuigt niet alleen van
oefening , maar van vordering, aanrüping, uitbreiding van ge-
zichtskring en toeneming in kunstvaardigheid. Inderdaad, geheel
de toekomstige Staring komt hier te voorschijn ; de Dichter,
,by voorkeur, van Vertellingen, Zangen, Puntdichten ; want dit
zjjn de rubrieken der nieuwe verzameling, die, hoewel grooter
dan de vorige, toch; ook dit is karakteristiek ; nog altijd klein
is. De Verteller dien wy hier zien optreden , heeft ook later de
zelfkennis nimmer verloochend , die reeds hier in de keuze van
zftn motto van Jerraingham spreekt:
By others. biest with genius\'s rays,
Let noble acts be told.
While I, content with humbler praise,
A siinple tale nnfold .\'
Hy heett Cats gelezen en herlezen, en weet hem meesterlijk
in zjjn toon en trant, by eigen zout en geest, na te bootsen.
Hy heeft van hem geleerd een Sinakeiyk verteller te worden ;
maar voor Catsiaansche langwjjligheid zal hem ten allen tijde
die Starings natuur behoeden , welke hem, in het Puntdicht
niet alleen, op dien Huygens gelijken doet, wiens
Een kleine Hamer, snelgedreven, heeft meer macht
Dan een zwaar IJzer, dat maar op den bout gelegd wordt,
uit zjjne ziel geschreven is.
In de Zangen begroet men met vreugde den Nederlander, die,
al heeft hy ook in den vreemde gereisd en by vreemden ter
school gegaan, geen schade geleden heeft aan zuiverheid van
moedertaal of vaderlandslievend gemoed; den Geldersman , die
„de bosschen en akkers van zjjn erf" thands in bezit heeft ge-
nomen en voor geldersche ooren geldersche liederen wenscht
aan te heffen: den Muzikalen dichter, wien het niet onbekend
is welke schatten van welluidendheid schuilen in de spraak van
dat volk, hetwelk, geljjk in de meeste andere opzichten , ook
in zang en toonkunst de andere volkeren van Europa is vóór
geweest; wiens hoogste eerzucht het altijd geweest is, fransche
-ocr page 10-
INLEIDING.
VI
en hoogduitsche liederen, door echt nederlandsche van de lippen
der natie te verdrijven, en die, zoo hy in zinrijkheid minder
van H u y g e n s gehad had , wellicht door zangerigheid de
Béranger van Nederland had kunnen worden. Dat hy ook
alzoo altijd een Nederlandsche Béranger zou geweest zijn,
daarvoor strekt de reine, strengzedeljjke geest, uit welken u de
hier reeds onder den titel van Tegen het Equivoque voorkomen-
de Jamben gevloeid zijn, ten nooit verloochenden waarborg.
Doch ook verraadt zich reeds in deze Dichtoeffening de zoo by
uitstek keurige Staring, dien men later heeft leerenkennen;
de man van wien men in de Nieuwe Gedichten (1827) lezen zou:
Pegiiasjen , hou\' eens stil!
Ik ben geen vriend van vitten:
Ik zuiver slechts, uit goeden wil,
Uw sehoone manen van de klitten,
En lees de noppen uit uw staart:
Laat Pluto \'t haavloos kinhnar zitten,
Apollo scheert zijn baard.
Immers onder menig stukjen komen hier twee jaartallen voor,
„waarvan", zegt de Dichter in zjjne voorrede, „het eerste aan-
duidt wanneer het is opgesteld , het tweede wanneer het over-
gezien, uitgebreid of wel geheel hergoten is".
Behalve Vertellingen, Zangen, Puntdichten en het Hekeldicht (of
wilt gy met Bilde rd ijk de Zedelijke Gisping) tegen het Equi-
voque ,
in rijmlooze Jamben, vindt men in deze Dichtoeffentng,
als proeve van oefening in ondicht, een tweetal Brieven. Zy
geven ons den indruk van grootendeels, om den wil der inge-
laschte fragmenten in diclitmaat, geschreven te zijn , maar zjjn,
behalve om den geest en luim waarvan zy getuigenis dragen ,
reeds als proza van 1787 en 1790 allermerkwaardigst.
Zoo wel als deze Brieven zijn, is het meerendeel der Ge-
dichten in dit bundeltjen voorkomende, in latere verzamelingen
herdrukt. Ten opzichte van andere, welke de Dichter deze eer
onwaardig gekeurd heeft, is het ons niet altijd gelukt de over-
wegingen na te gaan waarin dit vonnis zjjn grond had. Wil men
een proeve zien van wat onze Dichter reeds vóór 1790 op het
punt van dictie en versificatie leveren konde, men sla in de
tegenwoordige uitgave de dichterlijke schildering van den Water-
val op, die in den Tweeden Brief voorkomt. De herziening van
1830 heeft slechts één, één enkel woord aan haar te veranderen
gevonden.
Maar de dichterlijke jongeling had in de Dichtoeffening geens-
zins den gantschen inhoud van zjjn portefeuille uitgestort. Meer
dan één uitnemend stukjen, dat latere bundels versiert, was in
-ocr page 11-
Vil
IM.KlKIMi.
1790 reeds geschreven, en wachtte 0|i nadere beschaving om de
stof te helpen uitmaken voor een „Vervolg" dat in de Voorrede
beloofd werd, maar — dertig jaren uitbleef.
Het was niet voor het jaar 1820 dat twee groote octavo boek-
deelen, naar den goeden styi van die dagen „op best schrijf
mediaan" en met den gegraveerden titel Gedichten van
A. C. W. Staring, hun plaats en rang kwamen innemen onder
hunne talrijke gelijken van Bilderdjjk en Kchtgenoote, Feith,
Kinker, Tollens, Loots. De Dichter, nu reeds een man van
meer dan rijpen leeftijd, drie-en-vijftig jaren oud, had in de dertig
jaren die sedert de uitgave zijner Dichtoeffening verloopen waren,
in veelvuldige betrekking. z\\jn Vaderland en meer bijzonder het
Gewest zijner inwoning door zjjn kunde en deugd gediend; hy
had zich als man van wetenschap en landhuishoudkundige doen
kennen en eeren , maar was als dichter op den achtergrond ge-
raakt. Want een Lied ran Nederland., op de wijze van het
Wilhehnturiied in 1816 in het licht gezonden, en de tekst eener
Cantate by de viering, te Lochem, van het Ilervormingsfeest
in 1817 , door hem geschreven en uitgegeven , waren wel niet
voldoende om de aandacht op hem te vestigen in een tjjd, waarop
ten volle toepasselijk was wat zestien jaren later gezongen werd :
Nnauw zijn «Ie persen
Koud van een bundel poëzy.
Daar gaan werr verschen
Ter drukkerij.
De dichter zelf scheen , tegenover dezen overvloed, min of
meer door een gevoel van armoede gedrukt te worden. Althands
hjj gevoelde behoefte om zich in een vierregelig dicht, tevens
verklaring van zijn titelvignet, deswegen te verschoonen. Dit
titelvignet vertoonde een krans van dennenloof, korenairen en
lauwerblad, doorvlochten van een lint, waarop de woorden Aan
het Vaderland gelezen werden. Het byschrift luidde aldus:
Is \'tweiuig DichterlooCs, wat ik te zaam mogt gaaren.
(jij Velden om mij heen, (bedwongen Woestenij!)
Vlecht pijngroon in den krans, en Ceres gouden aren:
Dat hij mijn Vaderland een waardig ulier zij.
Trouwens, indien zijne bescheidenheid het had toegelaten,
de Dichter had zich op nog andere diensten aan het Vaderland
kunnen beroepen dan die hy het door ontginningen en water-
afleidingen in den omtrek van zijnen beminden Wildenborch
bewezen had ; en onder deze niet het minst op de vorming van
een viertal zonen , allen bestemd dat Vaderland van nut te zyn
en tot eer te verstrekken, maar die daartoe tot op hun veer-
-ocr page 12-
INLEIDING.
VIII
tiende jaar geen andere onderwjj/.ers dan hunne ouders hadden
gehad of behoefd. En om de geheele waarheid te zeggen, wy
kunnen niet gelooven , dat al hadden deze wettige verschooningen
hem ontbroken , de Dichter 7.00 heel beschaamd zou geweest zjjn
over zijn „weinig Dichterloofs". Daartoe was hy te zeer de man
van het Non multa sed multum der Ouden en van zyn eigen
epigram Aan een te zedigen Schrijver:
Waarom uw Boek aan \'t licht onttogeu ?
\'t Verschijn gerust, al is \'t niet groot :
Wordt Eikenschors bij \'t pond gewogen ,
Men weegt Kaneel bij \'t lood.
Volgens het „Voorberigt", kwamen de nieuwe Hundels in
het licht om de Eerste Proeven en de Dichtoeffening te ver-
vangen. In de eerste plaats behelsden zy daaruit eene , edoch
zeer herziene en dikwijls nog weder geheel „hergotene" bloem-
lezing , waardoor tevens het vonnis van „onrijpheid\'\' of „ge-
heele verwerpelijkheid" over al het niet opgenomene geveld
werd Het overige, een tachtigtal grootere en kleinere stukken,
was de keur der vruchten van een dichterlijken arbeid in dertig
jaren, waarvan naauwelyks een enkel in poëzy geheel on-
vruchtbaar was geweest.
Het Kerkgezang bij de viering van het derde Eeuwfeest der
Hervorming
is in de Gedichten niet opgenomen. Alleen vindt men
in de inhoudsopgave een enkel couplet van het schoone Andante :
Eenvoud siert weer \'t Huis des Heereu.
Demoed zoekt en vindt daar licht,
\'t Oog van die daar troost begeeren
Is op God alleen gerigt.
Geen gelofte baart meer rouwe —
Bijgeloof geen dwaze vrees;
\'t Vrij gemoed kweekt vaster trouwe ,
Dan uit dwang en knechtschap rees.
Eigenkwellings iedel pralen
Wraakt geen spijs en plengt geen bloed.
Dien zijn zwakheid af doet dwalen
Valt met tranen God te voet.
Maar de goede uitvoering dezer Cantate had den voor toon-
kunst niet minder dan voor dichtkunst blakenden Zanger, en
die „de gezameljjk uitgesprokene godsverheerlijking, gunst-
afsmeeking, dankzegging of schuldbelijdenis; dat is: het Gezang!
voor het plegtigste van de eigenlijke Godsdienst in de kerken
der Protestanten hield, tot het schrijven van een viertal andere
aangespoord, om by de hooge Kerkfeesten te dienen; en deze
vinden hier haar plaats. Ongaarne zou men ze missen , al ware
-ocr page 13-
INLEIDING.
rx
het alleen om den wil der kernachtige, diepgevoelige regelen ,
waarmede de van heiligen ernst doordrongen Vader deze stuk-
ken aan het Zevental opdraagt, dat, met de verwachting van
een achtste pand, z\\jn vaderhart verblijdt; een „liefdeteeken\'\'
voor dit Kroost niet minder vereerend dan voor den Vader, en
waarvan liet distychon :
God blijve uw schild! uw paden rigte Hij,
Het dreigend en tiet lokkend Kwaad voorbij.
onvergetelijk is.
Maar ook, deze Kerkgezangen zelve hebben zeer veel schoons.
Het Zangkoor op het Kerstfeest, „.Inden slaapt" met de tref-
fende regels
Hij komt; nuuir, ach! het ijdel zelfbedrog
Vindt Jezus Kribbe, en zoekt den Heiland nog!
is voortreffelijk ; maar het echt Vondeliaansche
Gods paleis ontsluit zijn deuren;
in het Zanystnk voor het Kerkfeest van Jezus Hemelvaart is
verrukkelijk en alleen een bundel waard. Wy moeten de waar-
deering van gedichten als deze uit een toonkundig oogpunt, aan
toonkundigen overlaten. Zy alleen kunnen beoordoelen in hoe
verre Staring al of niet aanspraak heeft op den lof door
Sismondi aan Metastasio gegeven: „de evenredigheid der
gedachten met den zang is zoo kunstig bewaard, dat nimmer
een beeld, een gevoel aan den toonkunstenaar aangeboden wordt,
hetwelk niet geschikt is om door den zang te worden ontwik-
keld , en niet volkomen welluidend\'\'; maar zeker vinden wy In-
den Italiaan geen heerlijker verzen dan deze, en evenmin komen
zy voor in de Cantate van den achtenswaardigen vaderland-
schen Zanger
die zong »hoe \'s Hemels Heir
Zich spiegelde in het ellen meir" :
schoon deze ontegenzeggelijk de verdienste heeft in dit vak den
weg gewezen en een voorbeeld gegeven te hebben, hetwelk
zonder twijfel, reeds in zijn jeugd, op Staring indruk hadee-
maakt. Nog drie ongewjjde Cantaten, Ariadne, Voor het Na-
tuurkundig yezelschap te Zutphe»
, en De Zee komen desgelijks
in deze dichtverzameling voor; laatstgenoemde hier nog in haar
eigenlijken Cantatevorm , dien zy onder nadere herziening, by
groote veranderingen, ook wat den inhoud betreft, met een oog
veeleer op declamatie dan zang, grootendeels verloor.
De rubriek Verhalen is in deze bundels rjjk. Merkwaardig zijn
-ocr page 14-
INI.BIDIHO.
X
onder degenen die hier voor \'t eerst voorkomen, om den gekozen
Idyllenvorm, De Vorstin in het dorp en De Tuchtiging der
Algerijnen,
het laatste in liet Hoeren Zntfensch, en een mees-
terstuk van naïviteit. Onder de Romancen schittert de Zutfensche
Vertelling Het Vogelschieteu, waardige, ja my dunkt overtreffende
wedergade van Bellamy\'s vermaarde Zeeuwsche vertelling ,
uit; doch zeer belangwekkend is ook De I \'erjaar dag , onder de
leuze ,sermoni propiora". Hier werd voor Nederland een nieuw
gebied betreden ; het gebied eenigermate van de Lutiise van Voss
en G ö t h e s Herman en Dorothea ; het gebied van het heden-
daagsche huisseljjk tafereel sedert in Messcherts voortreffelijke
Gouden Bruiloft zoo zeer tot eere gekomen. .Staring koos hier
echter noch den klassieken Hexameter, noch den rjjmenden
Alexandrijn, maar de rjjmlooze vjjfvoetige .lamben, zonder twijfel
oordeelende dat hunne soberheid best in overeenstemming was
met het zedige van het onderwerp. Kit voorzeker, hier kon
.eene teekening met niet meer dan drie tinten gewasschen" de
voorkeur verdienen boven eene kleurige schildery.
I n het Mengeldicht, dat ongeveer een derde van deze Bundels
inneemt, zien wy den gelukkigen Kchtgenoot en Vader, den
kundigen én bezigen lïuitenman, den warmen Vaderlander,
gullen Geldersman, vriend van zang en gezellige vreugde, den
man van verstand, karakter, algemeene kennis en helder door-
zicht , dien de drieëntwintigjarige jongeling beloofd had, zich
geheel afspiegelen. Nier zjjn vaderlandsche zangen zonder luid-
ruchtigheid ot valschen ophef, liefdetonen zonder weekheid,
huisseljjke liederen zonder gemaaktheid of zoetsappigheid; hier
hoort men , van elke bladzjjde, den man die voor „zijn leven
en zjjn lied\' geen anderen tooi dan dien der „Eenvoudigheid"
begeerd heeft. Het stukjen waarin deze wensch uitgedrukt wordt,
en dat reeds van het jaar 170;! dagteckent, is hier een der
schoonste (Aan de Eenvoudigheid), met Herdenking , Aan mijne
Gade, De Israëlitische Looverhut, De Winter.
In verzen als
Aan Favonius, Zefir en Chloris weet men niet wat meer te
bewonderen de onvergelijkelijke melodie der klanken, of de
fijnheid en bevalligheid der uitdrukking. In bet gedicht: Aan
mijne Dennen
zien wy de naauwkeurigste kennis met de dich-
terljjkste opvatting gepaard. Hetzelfde mag men zeggen van het
stukjen getiteld De Haarrook <de Vcenrook); maar om dit ge-
heel te kunnen genieten, heeft de lezer de bygevoegde Aan-
teekening te veel noodig; een bezwaar hetwelk ook op het vol
genot van menige Romance drukt, waarvan het onderwerp aan
de oude geschiedenis van Gelderland ontleend is. Niemand heeft
ooit den Herfst, tegelijk met losser, juister en minder trekken ,
-ocr page 15-
INLEIDING.
XI
plastischer voorgesteld dan Staring in het hier voorkomend
echt Horatiaansche lied Aan Spandaw :
Zie, zie Iicm <>p de heuveltoppen ,
Omglansd van tijdig ooft!
De lok , bezwaard met neveldroppen ,
Daalt aehtloos van zijn hoofd.
Zijn blik daait op de vlakte neder.
Waarover\'t veldhoen trekt:
lïeeds grijpt zijn hand de pijlen weder,
Daar hem de jagtlust wekt.
Ziedaar regels, wel geschikt eenen Phydias of Thorwaldsen
te doen grjjpen naar den beitel!
De twaalf jaren, welke op de uitgave der twee Deelen Gedich-
ten
volgden, schijnen voor Staring de vruchtbaarste in poézy,
of althands die levensjaren geweest te zijn, waarin hy zich
meer dan vroeger aan har8 beoefening wijden kon. Immers
leverden zy de stof voor even zoo vele dichtbundels als zjjn
gantschc vorige leven, (ieen wonder. De opvoeding van zijn
achttal was voltooid of voltooide zich; de kring der openbare werk-
zaamheden begon zich in te krimpen; het Huis en de gronden van
den \'Wildenborch behoefden nog wel steeds het waakzaam oog
des meesters, maar vereischten niet meer zooveel werkzaamheid
en inspanning als, tot hunne herschepping, vroeger. In het jaar
1827 verscheen een bundel Nieuire Gedichte», in 1832 Winter-
Joof, Poê\'zi/van
A. C. W. Staring. In beiden was de auteur tot
het zedig en beknopt formaat zijner eerste Dichtproeven terug-
gekeerd ; en inderdaad, dit stemde veel meer met zijne eigenaar-
digheid overeen. Starings Gedichten in 1820uitgegeven,schij-
nen geenszins dat onthaal gevonden te hebben, waarop hunne
innerlijke voortreffelijkheid ze aanspraak gaf; maar het was
waarschijnlijk zijne grootere bedrijvigheid op het gebied der
fraaie Letteren, welke hem kort na de uitgave van de Nieuwe
Gedichten,
op zjjn zestigste levensjaar, het lidmaatschap van de
Leidsche Maatschappij, en drie jaren na die van zjjn Winter-
li>of,
den achtenzestigjarigen grjjzaart dat van de Tweede klasse
van het Instituut
(voorwaar! vrjj wat bedachtzamer dan weleer
Kunstliefde spaart geen vlijt) deed verwerven ! De Redacteur
van den Muzenalmanak had zjjne beeltenis reeds in 1825, naast
die van Kink er, in zijnen Zevenden Jaargang geplaatst.
De Nieuwe Gedichten bestonden wederom voor het grootste
gedeelte uit nieuwTe Verhalen, hetzij i" den vorm der Romance,
hetzij \'n dien der Vertelling. Onder de eersten muntte Nichtje
Rijk
door Moncrifsche naïviteit, onder de laatsten De twee Bul-
tenaars
door de geestigste schildering, boeiende trant en luimige
-ocr page 16-
XII
IXi.KlhlNi;
wendingen uit. Misschien hebben wy hier, in dit vak, Sta-
ring s meesterstuk voor ons. De afdeeling Mengeldicht is niet
zoo r{jk en schoon als in de Gedichten, doch,
In \'t gedruis des winde veiloren:
Over \'t woelig ruim der zee.
Laat zirli Ada\'s harptoon booren:
en de laatste vijf coupletten van de zachtweemoedige klacht der
vorstelijke achttienjarige, behooren tot het keurigste dat ooit uit
de pen van dezen Dichter is gevloeid. En wie heeft aan het
graf van Feith een schooner, gevoeliger hulde gebracht dan de
nu zestigjarige man, die het niet vergeten heeft dat het de hand
van dezen Dichter was die, voor veertig jaren,
<le Citer hulprijk spande,
Die \'t stil genot van [zyne] Jonkheid \\v;is,
en in wiens geest, by dit graf, de tijden weder opkomen dat de
Zanger van den Messias hem de grootste der Zangers scheen ?
De rubriek Puntdichten heeft in de Xieuire Gedichte?» meer
actualiteit dan in vorige verzamelingen, en de geest van Stari ng
raakt hier met dien van Bilderdjjk in botsing. Die Op zijn
Koemer Visscherach
zjjn de minste niet. .De Ster, op de borst van
den Braven Man," doet ons denken hoe wel die op de borst
van Staring zou gevoegd hebben, en hoe gemakkelijk hy die
kon ontberen.
J3IA.NCO tl. MKNTII TOCIIKIi" I.F. CORDE USATE
(\'k Zal grijs van kin \'t versleten snaartuig tokkelen;
stond in een krans van altjjd groenen klimop op den titel van Win-
terloof\'
(,1832) te lezen. Het motto was van Metastasio, een
dichter die oin zjjn by uitnemendheid muzikaal gevoel aan Sta-
ring byzonder lief moest z(jn, en die, hoewel in de zeventiende
eeuw geboren, oud genoeg geworden was om nog vijttien jaar
gelijktijdig met hem te leven. Tegen de grijze kin viel ook by
Onzen (lichter niet te praten, by „een levenskerfstok" die nu
z(jn „krappen" reeds achter „zes kruisen" te lezen gaf; maar
tegen de zedigheid, die ook by hem de snaren versleten noemde
mocht men opkomen. De snaren waren nog gaaf en glad, die
tonen van zich konden geven zoo malsch en vol als Adeline verbeid
in het Mengeldicht, en hem niet begaven by een Verhaal als
Marco, eene Komance als Hertog Arnoud. Het blijkt uit dezen
Bundel dat de Avond des levens den Dichter in de gelegenheid
stelt tot nieuwe studie. Beide af deelingen, Verhalen en Mengel-
dicht,
behelzen proeven eener meer opzettelijke kennismaking
niet het gebied der Noordsche Godenleer en de zangen der
Skalden, en de eerste ook dit, dat er, meer dan vroeger, tijd en
-ocr page 17-
IXJ,EID1N<V.                                               XIII
rust is tot een Lang gedicht. Van langwyiigheid bljjl\'t echter de
grjjzaart even ver als de jongeling, en dat het hem, op zijne jaren,
nog geenszins aan levendigheid van verbeelding begint te ont-
breken, daarvan getuigt, by de groote verscheidenheid van tafe-
reelen en toestanden, in de hier geleverde verhalen,altjjd dezelf-
de frischheid van kleur en juistheid van teekening; het zij een
vastende Heilig door de malsche reepjens van een voorgesneden
hoen getenteerd wordt, een tooverheks „drie vingren, schraal en
krom als kelderspinnebeenen" in een zalf bus doopt, een italiaan-
sche cavaliero by zijn bezwijmde schoone nedergeknield „haar
koelte met de slippen van zijnen mantel toewuift" of de „los-
gegierde staart" van den vreesljjken slang .lormungandor. door
Thora Vischhoek gevangen, boven water verschijnt. Dat ook nu
nog het hart des Dichters, met het zachtste gevoel, herinnering
heeft van de schoonste oogenblikken van jeugd en liefde, wat is
er meer noodig om het te bewjjzen dan de voorstelling, zoo
echt hollandsch, zoo kloppende van leven en natuurlijkheid, eener
ontmoeting als de volgende ?
Hij kwam , na \'t derde jaar,
Tot Man gerijpt terug: hier zocht, hier vond hij haar!
Maar \'t knopje werd ten roos: een Jonkvrouw stond nu daar —
In al den luister van haar schoonheid opgerezen —
En toefde zijnen groet; de vreugd door zedigheid
Getemperd op\' het blozend wezen.
»Ach , Suze !" meer werd niet gezeid:
Doch, wat de ziel bewoog was uit het oog gelezen! —
Men denkt aan Das Lied von der Gloêke en aan „die .lung-
frau
In der Jugend prangen ,
Wie ein Gebild aus Hinimelshohn ,
Mit züchtigen , verschamten Wangen" n. s. w,
maar men gevoelt hoeveel dieper nog de poëzy der eenvoudigste
werkelijkheid het hart aandoet dan die der min of meer geïdea-
liseerde.
Onder de epigrammen munten de kernachtige Opschriften
voor de begraafplaatsen te Vorden en te Lochem uit.
Na de uitgave van het Winterloof in 1832, schynt toch de
grijze Dichter de snaren niet veel meer getokkel te hebben.De
nieuwe, volledige Uitgave van zjjn dichtarbeid , in 1836 en 1837
in vier stukken in \'t licht verschenen , behelst slechts een vijf-
tal Verhalen , een paar Gelegenheidsgedichten, en een negental
1\'untdichten , die in geen vroegere bundels voorkwamen , docli
waarvan het onzeker is of zy allen na 1832 geschreven zijn.
-ocr page 18-
m.Kiiuvi.
XIV
Deze Uitgave was merkwaardig. \'Ay verscheen zonder eenig
voorbericht, maar de titel verkondigde haar als eene verbeterde.
Metterdaad blijkt het dat de Dichter met de grootste zorg al zijn
vroegeren en lateren arbeid heeft herzien , en zijn Pegasus van
alles willen zuiveren, wat in zijn oog nog min of meer nop of
nopsgelfjke was. Ken paar niengelstukjens en eenige puntdichten,
in de Gedichten voorkomende, zijn uitgeschoten. Sommige stuk-
ken zjjn aanmerkelijk gewijzigd of bekort; by anderen bepaalt
zich de verbetering tot het verduidelijken van den zin , het ver-
vangen van eene, dikwijls reeds zeer juiste , uitdrukking door
eene nog juistere, of de keuze van een welluidender woord ot
klank. Van de oudere stukken zjjn weinige onaangeroerd geble-
ven. Wat de voortreffelijke zanger der Ars Poëtica van een
rechtschapen en scherpziend kunstvriend verwacht, dat heett
hier de kunstenaar met de uiterste gestrengheid van zichzelven
gevergd:
versus repreliendet inerte» ;
Culpabit duros : incomptls allinet atrum
Transverso calamo signum ; ambitiosa recidet
Ornamenia : parum claris lucem dnre coget:
Arguet ambigue dictuin.
Het loont de moeite, en zou als aesthetische oefening groote
nuttigheid kunnen hebben, de vroegere en latere uitgaven naast
elkander te leggen en den bedachtzamen, t\'ijn gehoorigen , meer
en meer geoefenden dichter in dezen zijnen arbeid op den voet
te volgen. Doorgaans, schoon niet altijd met een volkomen hart,
kan men zich by zijne verbeteringen nederleggen ; dikwijls heeft
men reden ze te bewonderen, ook om de zelfverloochening die
zy hebben gekost. Verlangt men een enkele proeve, wy kiezen
die in de reeds in haar eerste gedaante zoo keurige Herdenking,
een stukjen dat ook by vergelijking met een ander, in de Eer-
He Proeven
, onder hetzelfde opschrift een zelfde oogenblik be-
handelende , allergeschiktst is om een denkbeeld te geven van
de reuzenschreden door den Dichter sedert 17.SG gemaakt. De
Herdenking nu luidt in de Gedichten in 1820 uitgegeven letter-
lijk aldus:
Wij schuilden ander drupplend Loover,
Gedoken aan den plas:
De Zwaluw glipte \'t weivlak over,
Eu speelde otu \'t zilvren gras ;
Ken koeltjen Mies, niet geur belaan .
Het leven door de wilgenblaau.
Nu zwegen knelte en lentedroppen :
Geen vogel zwierf meer om:
Da daauw trok langs de heuveltoppen,
-ocr page 19-
INLEIDING
XV
Waarachter \'t westen glom :
Daar zong de Mei zijn avendlied!
Wij hoorden \'t, en wij spraken niet.
Ik zag haai\' aan, en . diep bewogen ,
Smolt ziel met ziel in een.
O tooverblik der minlijke oogen ,
Wier flonkring op mij scheen !
O zoet gelispel van dien mpnd ,
Wiens adem de eerste kus verslond !
Wat was \'t, dat in mijn horst ontwaakte,
Als ze aan de hare joeg?
Een kracht, die de arendsvlenglen slaakte,
En mij ten hemel droeg!
Een moed\', bij ramp noch dood ontzet,
Klom slechts haar heil! stond zij gered.
Ons dekte vreedzaam wllgenloover;
De scheemring wns voorbij ;
Het duister toog de velden over:
En dralend rezen wij.
Leef tang in blij herdenken voort.
Gewijde stond! geheiligd oord!
Gy hebt geene aanmerkingen, en ik evenmin. Maar als ik
zie dat in de nieuwe uitgave de vierde Stanza onbarmhartig ge-
streken is, dan, ofschoon geen honderd Peerlkampen myzou-
clen bewogen hebben haar als onecht te schrappen, begin ik toch,
met het wantrouwen, dat des Dichters correctie ruy geeft, haar
herlezende, min of meer te gevoelen wat hy ook zelf waarschijn-
lijk gevoeld heeft, namelijk dat zy, hoe schoon ook op zich zelve,
de stille, zachte harmonie van het geheel door een zekere hef-
tigheid van uitdrukking stoort, en schoon \'t my aan \'t hart ga,
ik begrjjp de beweging van het schrapmes.
Wij «i-huilden onder drupplend loover,
De regel is onberispelyk : maar in de nieuwe uitgave heeft de u
in drupplend voor eene o plaats gemaakt. Zekerlijk, haar klank
hielp, in verband met het voorafgegane onder, het eentonige
der van tijd tot tijd. nedervallende regendroppelen beter uitdruk-
ken; en wy erkennen den man, die in het „Voorberigt" zijner
GedicJtten, eenstemmig met Laharpe, vroeg: „kan men klanken
te veel hebben, wanneer men het gehoor streelen wil, en zjjn
dichters en redenaars ontevreden als zjj kiezen mogen V\'
Nog \'ééne verandering onderging het gedicht. In plaats van:
Nu zwegen koelte en lentedroppen,
in den aanvang der tweede stanza, lezen wy nu:
\'t Werd stiller: \'t groen liet af van droppen.
-ocr page 20-
INLEIDING.
XVI
De uitdrukking is juister; dit bemerkt by vergelijking ieder-
een. Ja; maar het dichterlijk oor gevoelt daarenboven de uit-
werking van de twee tempo\'s, waarin de voorstelling nu verdeeld
is, en geheel de beteeken is van het punctcomma.
De Verbeterde Verzameling van S t a r i n g s gedichten, in 183(ï
en 183" in \'t licht verschenen, heeft zonder eenigen twijfel in
de tot hiertoe veel te wenschen overlatende waardeering van
den Dichter verbetering gebracht; niet zoo zeer als verbeterde
verzameling, maar door de welkome gelegenheid welke zy den
te dienzelfden tijd optredenden Gids verstrekte om in een aan-
tal artikelen zjjne groote verdiensten in een helder lichttestel-
len, en uit den volledigen schat de schoonste paarlen onder de
oogen te brengen van een nieuw geslacht.
Doch ook op de „lauweren, welke de jeugd gaarne in zjjn
kroon gevlochten had" sliep de Dichter niet in. Een exemplaar
zjjner Verbeterde Verzameling was gedurig in zjjne hand; en
die hand rustte niet van zuiveren en polijsten, vóór eene korte
en zachte dood haar, na een welbesteed driënzeventigjarigleven,
voor altjjd verstijven deed. Het is naar dit door haar met pen
en potlood, vooral wat de eerste drie Stukken betreft, van bladzijde
tot bladzjjde bewerkïexemplaar dat de Uitgave, welke mitsdezen aan
het Algemeen wordt aangeboden, naauwkeurig is afgedrukt Sedert
de vorige is nu wederom een nieuw geslacht opgestaan en ont-
loken, en wy stellen het in de gelegenheid Starings Gedichten
te leeren kennen in die gedaante, waarin hy zelf ten laatste
wenschelijkst geacht heeft dat de nakomelingschap ze vond en
beoordeelde. Zooveel is zeker dat deze tot nog toe het zegel niet
drukt op zijne eigene voorspelling in 1815 :
Mi.in handvol kranke lieidetiloemeu
Zal ras na mij vergaan!
Wat ons betrelt, wy gelooven dat de zoo juiste Staring zich
nimmer onjuister heeft uitgedrukt dan in deze twee regelen.
Zijne bloemen zijn niet krank, en het zijn geen bloemen der
heide; zy zjjn op een goeden, welbereiden grond, in schoone
verscheidenheid gegroeid, gekweekt en wel verzorgd. Eigenschap-
pen, welke deze poê\'zy ongeschikt maken voor de Algemeene
toejuiching van haren, van eenigen tijd, waarborgen haar de
bewondering van Kenners in alle tijden.
Het eerste dat ons by dezen Dichter treft is zjjne Zelfstan-
digheid.
Deze is het Zedelijk geheim van die overal tastbare
oorspronkelijkheid, die onbekommerde vrijheid van gedachte en
uitdrukking, en dat waas van frischheid welke de eigenaardige
bekoring van zjjne Gedichten uitmaken. Staring is onder geenen
-ocr page 21-
INLEIDING.
XVII
invloed. Keeds züiie eerste pogingen hebben iets sui juris, en
gemakkelijk erkent men het werk van den zestien-, zeventien-
jarigen jongeling, te midden der Proeven van poëtische Mengel-
stoffen
van het Kunstgenootschap, voor het zjjne; niet, gelijk
die van Bilderdjjk, door de ongelijk grootere volkomenheid in
den vorm, maar door den eigen toon en geest; en schoon Feith,
dien hy hoog acht en bewondert, „zijnen citer hulprijk spant,"
het bljjft de Zijne, en zonder dat, zou hy „het stil genot zjjner
jonkheid" niet kunnen uitmaken. Van de Ouden doorvoed, met
Horatius vervuld biytt Staring een Nieuwere. Meer dan de
meesten in de letterkunde der beschaafde volkeren van Europa, die
van de zuidelijke schiereilanden niet uitgesloten, te huis, blijft
hy Nederlandsch. Omringd van een drom van vaderlandsche
dichters, meer dan hy deelende in de gunst des Volks; tusschen
Bilderdjjk, volgens hem „onzen dichter by uitnemendheid\'\'
en Tollens, wien een weinigjen na te zingen den zekeren en
veelbetreden weg tot toejuiching baant, blijft hy Staring.
Hy is en bljjft het; ook waar hy den trant van Vader Cats
of het kreupelrijm der oude Rethorykers en den stijl van
Roemer Visscher overneemt, met Bellamy of Borger
oin den prijs dingt, een zelfde onderwerp met zijn boven velen
geliefden Poot (Vulcaniis Wraak,) bezingt, en rijkelijk zjjn
voordeel doet met de veelvuldige lezing van Hooft en Tluy-
gens. Oie opzijn tweeëntwintigste jaar schreef:
Aleest, wilt gij den Zangberg op?
Zoo rijd een eigen paard; geen huurknol haalt den top.
heeft levenslang een eigen paard gereden, en zou metterdaad
groot ongelijk gehad hebben een ander te zoeken en groote
moeite een beter te vinden.
Starings zelfstandigheid heeft geen nood zich op den doolweg
der zonderlingheid in dwaze grillen te verloopen. Zy gaat met
Degelijkheid gepaard ; degelijkheid van karakter, oordeel, kunde,
smaak by degelijke vorming en degelijke oefening. Alles wat
deze Dichter voortbrengt, ook het kleinste zijner voortbrengse-
len, is doordacht, doorwrocht, afgewerkt. Van stuk tot stuk,
kan hy zoo wel den vorm als den inhond verandwoorden. Hy
waagt zich aan geen vlucht, waarvoor hy geen wieken heeft;
hy begeeft zich op geen gebied dan waarop hy te huis is. By
Staring geen anachronismen, geen anagrammen, geen van die
jammerlijke vergissingen, waarover een man van wetenschap,
geen van die dichterlijke vrijheden, waarover het gezond ver-
stand het hoofd schudt. By Staring noch hoogdravende onzin
noch week geteem; by Staring noch valsch vernuft, noch nage-
-ocr page 22-
INLEIDING.
XVIII
jaagde geestigheid; geen holle klanken, geen praatzieke uit-
drukkingen, en eerder te weinig woorden dan een enkel woord
teveel. Zjjn lied aan Ac Eenvoudigheid, zjjne puntdichten Aan W.,
Op zijn Koemer Visscherscli, Aan Pegasus, Aan een\'Beginnend
Dichter,
drukken beginselen uit, die hy nooit heeft verloochend.
Starings degelijkheid heeft ongetwijfeld hare schaduwzijde;
en eene zulke die geheel geschikt is hem van populariteit uit
te sluiten. Om geheel gewaardeerd, dadelijk en recht verstaan
te worden, onderstellen vele zijner gedichten eene grootere mate
van kennis en nadenken dan men aan het Algemeen mag toe-
schrijven; en wy mogen de weinigheid in woorden van den zin-
en zaaknjksten onzer dichters niet overal van eenige stroefheid
en gedwongenheid, de schielijkheid zijner wendingen niet altijd
van onduidelijkheid vrijpleiten. Staring is de man niet voor
vluchtige, oppervlakkige lezers. Zjjne verzen zjjn geen muziek
om van \'t blad te spelen. Zy vereischen eene oplettendheid, die
zy ten volle waardig zijn en by elke herlezing met de ontdek-
king van nieuwe schoonheden beloonen. Maar deze schoonheden
zjjn schoonheden van détail, waarover de gewone lezer henen-
glipt, en die door de verwaarloozing van een rustteeken, de ver-
plaatsing van een accent, het niet acht geven op een hoofdletter
verloren gaan of in zoo vele duisterheden veranderen. Over het
geheel is hy meer geschikt een geoefenden smaak, dan een alle-
daagsch gevoel te streelen. Xaar den droom zijner jeugd de
Zanger van het „eenvouwig Landvolk\'\' te worden, lag zoo min
in zjjn natuurlijken aanleg, als het door zijne classieke vorming
bevorderd werd. Veeleer liet „Odi profanun vulgus et arceo."
Staring behoort tot die dichters, die by uitnemendheid gezegd
kunnen worden hunne taal meester te zjjn. Hy kent haar beide
door studie en door gebruik; het is echt, het is zuiver, het is
eigenaardig nederduitsch, het is de Moedertaal die hy te lezen
geeft, en waarmede hy doet wat hy wil. De kring, waarin zjjn
dichtgeest zich beweegt, vereischt niet dat hy daarin al haar
pracht en rijkdom ten toon spreide; maar meer dan by iemand
, anders, ziet men haar by hem in al haar naauwkeurigheid, net-
heid, \'naïveteit. Toovert B i 1 d e r d jj k met haar woorden-Schat,
Staring met hare woord-Voeging. En niet minder danBilder-
djjk heeft hy een oor voor hetgeen zy beide aan kracht en wellui-
dendheid bezit. Men heeft in Nederland nooit iets geschreven
dat in zoetvloeiendheid zjjn Herdenking, zijn Zefir en Chloris,
zjjn Oogstlied, zjjn Adeline verbeid overtreft; of in kracht en
kern zune rjjmlooze Jamben tegen het Equivoque, of zjjne ge-
rijmde Aan de stad Parijs.
In stukken als deze ziet men dat hy den versbouw niet min-
-ocr page 23-
INLEIDING.
XIX
der dan de taal in zijn macht heeft. Maar dit ziet men overal.
Saamgedrongen verzen mag hy geschreven hebben, stootende
niet; wanluidende niet; nog minder krachtelooze.
Over \'t geheel schittert Staring niet door stoutheid van denk-
beelden ot\' vlucht van verbeelding. Zijne gedichten geven ner-
gens dep indruk van brandende geestdrift; maar nog veel minder
van eenige eerzucht om die voor te doen. Staring kentzichzel-
ven. Hy heeft geest, hy heelt smaak, hy heeft luim, by een te
gelijk levendig en sterk gevoel; hy heeft het hart, het oog, het
oor van een dichter; wat zijne oogen zien, kan zjjne dichterlijke
teekenpen (zijn houtskool noemt hy het) schetsen.
De wending van zjjn geest, de maat zjjner gave, zijn muzi-
kale sympathirn, de kring waarin hy leeft en waarvoor hy in
de eerste plaats dicht, bepalen hem tot het Epigram, het Lied,
het Verhaal. Vooral in het laatste, en het liefst onder zjjn een-
voudigste vormen, Romance en Vertelling, kiest hy zijn stand-
punt. In de Romance is hy overtroffen, maar in de Vertelling
blijft hy zonder wederga. Hier dient hem de gantsche schat
zjjner rijke belezenheid en naauwkeurige kennis; hier ontplooit
hy al de gaven van geestige scherts en onuitputtelijke luim;
hier toont hy hoe rjjk eene verbeelding zjjn kan, die tot geen
hooge vlucht roeping heeft, hoeveel aanschouwlfjkheid en juist-
heid van voorstelling met „losheid van trek en vlakheid van
koloriet" kan gepaard gaan. En altijd is hy belangwekkend, en
nooit valt hy uit den goeden toon.
Huisseljjk geluk, hartelijke liefde voor echtgenoot en kroost,
vriendschap en gezellige vreugde, oprechte liefde voor het vader-
land, innige vereering van deugd en reine zeden, het belang der
godsdienst en de groote oogenblikken der Godsopenbaring in
Christus hebben aan Starings lier tonen ontlokt, die zijn hart alle
eer aandoen; en geen enkelen regel heeft hy geschreven, die er
den geringsten vlek op werpt. Overal ziet men den man van
eer, den man van hart, den rechtschapen man. Zijn luim is goed-
hartig ; zjjn vernuft, ook in de Puntdichten, van hatelijkheid
vrij. De heerschende toon zijner poëzy is die eener zachte, wel-
willende vrolijkheid. Tragische onderwerpen trekken hem niet
by voorkeur aan; en, ofschoon in het laatste gedeelte zijns levens
menigmaal zwaar beproefd, van eigen smart zwjjgt hy. Toch
breekt hier en daar de weemoedige onderstroom zjjner gedachten
door de kalme, de speelsche oppervlakte heen, en verraadt op
aandoenljjke wjjze de diepte van een leedgevoel, dat ook door
zwijgen welsprekend wezen kan.
Htrecht 1861.                                    Nicolaas Beets.
-ocr page 24-
V E R H A L E N,
-ocr page 25-
-ocr page 26-
WICHARD VAN P O N T. 1)
800—1000.
I.
Verschrikking heerschte in Zutjjfiens muur;
De bleeke burgerschaar
Lag. weenend hij der priestren zang.
Voor Walburgs kerkaltaar.
»Ach, Heiligste, zoo vast betrouwd!
Met zoo veel danks vereerd!
Wat misdrijf heeft uw waakzaam oog
Dus van uw volk gekeerd?
Waar doolde \'t, toen onze eèlste jeugd,
Tot \'s JN\'ahuurs hulp gesneld,
Een prooi van \'t gruwzaamst Monster werd,
In Ponthis bloedig veld?
Al strijdt de brakenmuil met vuur;
Zijn klaauw met tijtrerkracht;
Uw enkle wil, en \'t lielsche Dier
Was, als een lam, geslagt!"
Zoo kermt de schaar; zoo jammert zij,
0 Wichard, die gij mint!
De jeugdige Erv\' van \'t Zutphensch land.
Graaf Hermans dierbaar Kind.
Zij ligt... neen, zwakke citer, zwijg
Hoe zij daar biddend lag!
Neen, zwijg, hoe Margareta\'s oog
Door Englentranen zag!
1) Zie aant. I.
-ocr page 27-
4
WICHARD VAN PONT.
Uoor tranen, die baars minnaars ziel
Van \'t lieflijk aanschijn dronk;
Daar, om hem. volk en heiligdom
In schemernacht verzonk.
Nog wanklend. siddrend van den gloed.
Die hem in \'t harte voer.
Beklom hij \'t outer; zag op haar;
En vatt\'e \'t kruis, en zwoer:
»De Hemel wil \'t. ik zal \'t bestaan!
Geen slaap, die mij verkwikk\'.
Tot Pontbis Vloek mijn arm beproeft;
En \'t Schrikdier sneeft, of ik!"
De Brave zwoer \'t, en rent van daar.
Wijl \'t nuchter veld nog douwt.
En rust niet. tot het volgend licht
Den grooten kamp aanschouwt.
«Voor God en Haar" is al \'t gebed;
Met springt hij stout van \'t ros;
\'t Vizier gaat digt. het .slagzwaard uit.
De held op \'t monster los.
Hij nadert, door een\' eik gedekt.
Waaraan zijn vijand ligt;
Langs beenderstapels nadert hij.
En stuift hein voor \'t gezigt.
Geduchte strijd! Gewaagde kans!
Daar klaauw, en tand, en vuur. ..
Daar \'t Vloekdier dubble wapens voegt
Bij dubble kracht ten stuur.
Vergeefs dat Wicbards ridderkling
De vaart des bliksems tart;
Geen zwaerd. of\' \'t stuit van schelpen op,
In \'s al\'gronds poel gehard!
-ocr page 28-
3
WICHABD VAN l\'ONT.
Geen scheidt er van den kronkelstaart
De gift vlijm, tuk op moord;
Terwijl zij. \'t harnas doorgedrild;
Tot diep in \'t leven boort!
«Zwicht Wichard!" neen! hij grijpt den dolk,
Zijn ongekenden schat.
Die \'t al. waaraan de zege hangt,
Naar \'s noodlots eisch, bevat;
Een scherp, dat driemaal negenmaal
Vererl\'de in d\' eigen stam;
Dat, nooit het regt ten smaad misbruikt.
Van neef op neven kwam;
Dat Gelder zwaaide, in Varus Slag,
En, bij den Lippevliet,
Gestruikeld aan der Bruktren spits.
Het nakroost overliet.
Hij grijpt dat scherp! Het ijzer dringt
Tot \'s vijands ingewand!
Daar spert het Dier zijn kaken op,
Van felle smart vermand!
Het schreeuwt, terwijl in \'s Ridders hart
Eene eerste ontzetting rijst;
Het schreeuwt, en \'t is een inenschenstem,
Die uit zijn gorgel krijscht!
Hoort: «Gelder!" schreeuwt het »Gelder!" hoort,
De heuvlen galmen \'t rond;
Luid klinkt het uit het zwerk terug;
Dol bromt het door den grond.
Zoo spilt de Plaag haar kracht; zij stort;
Zij knakt den eikenstam;
En \'t llelspook, dat den romp verlaat,
Keert weer van waar het kwam.
-ocr page 29-
6
W1CHARD VAN PONT.
Doch Wicbard zingt geen zegezang;
Zijn palm behuort der min!
Hij slaat het spoor ter naaste burg
Bescheiden zwijgend in.
Ga, edel Krijger! brandt een gift
Verraadlijk in uw wond;
De Hemel hoort het smeekgebed.
Uit der verlosten mond!
Gewis, gij leeft, gij bouwt uw Stad,
Van Wije en Niers gedrenkt;
Hier, waar zij \'s Monsters lesten kreet,
Uws Stamheers Naam, gedenkt!
Een Naam, die ook mijn Vaderland
Aan \'t vorstlijk voorhoofd blinkt!
Een Gelder, dat, na duizend jaar,
Nog over de aarde klinkt!
WICHARD VAN PONT.
II.
Wie is die Grijsaard, kloek van leest?
Wie is die frissche Maagd?
Vanwaar dit edel ruiterpaar,
Zoo schittrend opgedaagd?
Ik zie een drom van staatsgevolg,
Van jonkvrouw, heer en knecht;
En wagens, met het Zutphensch schild,
Aan beider spoor gehecht.
De sleep genaakt het gastvrij dak,
Waarin, na \'s Monsters dood,
De vriendschap, tot de vierde zon.
Mijn Held verpleging bood.
-ocr page 30-
7
WICHARD VAN PONT.
Zij naakt, van wondren voorgegaan!
Die gistren kwijnend lag.
Rees op, en blonk van manlijk schoon.
Gelijk de vroege dag:
Geheeld, herschapen, brengt hij rneè
Het ■welkom aan den stoet;
En minlijk treedt, op \'s Grijsaards wenk,
De Jonkvrouw hem te moet;
De bruid, gekroond met geurend groen.
Dat haar een speelnoot las:
Margrete! of; is \'t Margrete niet;
Het waardigst dat zij \'t was!
Straal, dichtzon, op dien twijfelnacht!
Triomf! gij straalt! gij straalt!
O aanblik, die, door \'t seheemrend oog.
Tot in mijn innigst daalt!
O liefde, die mijn Wichards borst.
Met al uw stroomen drenkt!
0 kus. waarin Margretes mond
Hem trouw voor eeuwig schenkt!
«Doch nu dat achtbre zil verhaar?"
\'t Siert Herman. Zutphens Graaf!
Hij acht zijn Telg, als Wichards loon.
Nog veel te klein een gaaf,
«Verwinnaar, die, in \'s Ondiers muil,
Den vuurgloed hebt gedoofd;
Wiens redding mij een Hemelstem
Voorzeggend had beloofd;
Ik schenk u, bij uw zegepalm,
Mijn Kind tot gemalin:
Het duurst wat Vorst en Vader heeft;
Doch voor zijn hart te min!"
-ocr page 31-
8
WICHARlt VAN PO>T.
Dus spreekt hij; ziet omhoog; en stort
Op \'t Paar, dat voor hem knielt,
De volheid van zijn zegen uit,
Door heilig vuur bezield.
Onzigtbaar juicht hem Walburg toe;
Gelijk ze onzigtbaar stond,
Als heelster, waar, op \'t veege bed,
De smart haar prooi verslond.
Gelijk ze, in Margaretes borst.
De vlam der hoop ontstak,
En troostend, in den droom des nachts.
Tot \'s Grijsaards ooren sprak.
Thans raakt wat onder \'t slotdak woont
Luidruchtig op de been.
Men slaaft, men draaft voor \'t huwlijksfeest;
Men wemelt ondereen.
De burgkapel ontsluit haar koor;
Daar breidt de drakenhuid,
Reglanst van dankbaar ofïerlicht,
Haar bonte schelpen uit.
Zij vlecht er, om een pijlerschaft,
Als of zij leven had,
Den scherpgepunten kronkelstaart,
Met \'s Ridders bloed bespat.
Het wijde land viert mee den dag:
\'t Komt al, van haard en veld,
De omkranste deuren woelig in-,
De trappen opgesneld.
Doch zie, zie daar die \'t Monster sloeg!
Met hem de schoone Maagd,
Wier hart zich beurtlings fier verheft,
En beurtlings weer versaagt.
-ocr page 32-
WICHARD VAN PONT.
Op eenmaal keert de rust: geen klank
Verdooft het plegtig ja.
Margrete spreekt het blozend uit;
Haar minnaar is haar mr\\!
Hij is \'t! hij is \'t! bij cimbelschal;
Rij zang van stem en snaar;
Bij hoornendrenn , bij paukgehom ,
Weergalmt de blijde maar!
Een feestiïj volgt, op \'t maatgeluid ,
Het bruidspaar in de zaal,
En schaart zich om den gulden pronk
Van \'t vorstlijk eeremaal.
De Huiswaard deelt het paauwgeregt;
Zijn nabuur aan den disch,
De wakkre Graal\', heeft andre zorg:
Hem gaat geen beker mis!
Hoe kleurt zijn voorhoofd . als de roos
In Margareta\'s kroon
Hij zingt, dat ieder welfsel klinkt,
Op groven krijgsmanstoon .
Van daden uit. den ouden tijd ;
Van strijden , en van min;
En de eedle rijnwijn schuimt alweer
Ten blanken horen in.
Zoo wordt het heuglijk feest gevierd;
Zoo leidt de middernacht
In \'t eind de Liefde naar \'t vertrek ,
Waar de Onschuld op haar wacht. I)
1791.
1) [De uitgave van 1836 had: Waar zedige Onschuld wacht.]
-ocr page 33-
L EN O RA. 1)
Gij eischt een zang , getrouwe Kring ,
Die , aan mijn haard gezeten ,
De vrijheid met een landman deelt;
De steêzorg wilt vergeten.
Hoor toe ! Hier aan dit vredig oord,
In deze zeilde muren,
Zag woester eeuw Lenora\'s jeugd
Te fel een storm verduren.
Lenora, Hermans liefde ontscheurd,
Aan \'t sterfbed van een Moeder,
Werd Zweders min ten prooi geslagt,
En vond , als wees , geen hoeder:
Geen hoeder in dien Bruidegom ,
Uit kindschen pligt ontvangen;
Geen strijder voor haar maagdenkroon,
Ten kampprijs opgehangen.
Waar toeft gij , Zweder ? Snood geweld
Begrimt Lenora\'s wallen:
De voorburg viel voor Diebalds magt;
De burg kan morgen vallen.
Schiet toe ! Verhul dat glanzig blond;
Die gladgescheelde lokken:
De helmveêr past bij \'t manlijk zwaard;
Uw pronk bij \'t weerloos rokken.
Vergeet ge uw Bruid! Zij reikt voor \'t eerst
Een hand , door dwang verkregen .
Zij reikt ze. in \'t prangen van den nood,
Haar helper willig tegen.
1) Zie aant. 2.
-ocr page 34-
LENORA.                                                  11
Ai zie haar, hoe ze. in angst en nacht.
Van steile torentransen .
Den blik op \'t zilvreu heivlak hecht,
Waarin uw schild moest glansen !
Zie . zie . ten veegen slotwal uit.
De noodmijt vonklend smoken !
Eilaas, slechts Diebald merkt de leus;
Zij is voor hem ontstoken.
»0|>" roept hij »\'t geldt de Burgheerin
AVien kan de prijs behagen ?
Zij wacht, het oog op hulp gerigt;
De vrees om \'t hart geslagen.
Op . wakkre jeugd ! Met heldenwerk
Den 1\'risschen dag begonnen !
Die Zwedei\'s echtring meester wordt,
Heelt Zweders Bruid gewonnen !"
Zoo roept hij , wijl de dageraad
Aan Barchems hoogten donkert,
En voert zijn schaar den slotweg op,
Door grijs geboomt verdonkerd.
Hij dringt. spijt Hits en bouten , door;
En huwt beleid aan krachten:
Een woud van rijzers baant zijn pad.
En dempt het naauw der grachten.
Thans helpt geen verre steenworp meer,
Uit hooggeplante slingers
\'t Verengde perk eischt worstelstrijd,
Van weerders en bespringers.
Er volgt een wilder krijgsgerucht;
Nu schild aan schilden klettert;
De helbaard op kurassen treft;
De heerknots helmen plettert.
-ocr page 35-
12
I.E.NOKA.
Gewoel, verwarring wijd en zijd!
Hier geldt het logge deuren ,
Met moker en rammei gebeukt,
Dat harre en posten scheuren;
Ginds tast een stormleer wagglend om,
Langs digtbezette tinnen;
Daar poogt zij , ijlens opgerigt,
Een weerloos ruim te winnen!
Geen nood! Laat vrij oneedle togt
Zijns Vijands moed verhoogen;
De Burgtling heelt het schuttend zwaard
Voor de Onschuld uitgetogen !
Een dankwoord uit dien schoonen mond,
Die nimmer sprak dan zegen ;
Een toelach van Lenora\'s oog
Als trouwheidsloon, verkregen.
Dit sterkt zijn hart, in dood en strijd!
Laat vrij de poorten kraken ;
De brandpijl, talloos aangesnord ,
Het steile dak doen blaken ;
Geen nood! tot eensklaps wanhoop heerscht.
En aller knieën trillen ;
En aller arm , door angst verlamd,
Geen wapen meer kan tillen!
Van daar, waar, tegen \'t rijzend veld ,
De voorburg schijnt te leunen ,
Laat onweerstaanbaar oorlogstuig
Zijn groven donder dreunen !
Een ijzer komt den hollen tromp ,
Door sulfer, uitgeschoten;
Rotst neer, en springt. en sist in \'t bloed,
Aan \'t slotgordijn vergoten !
-ocr page 36-
LENORA.                                                 13
De Jonkvrouw zwijmt! Maar hoe ? de schrik
Viel mee in \'s Vijands rangen !
De bleekheid van Lenora\'s wang
Ontverwt ook Diebalds wangen !
Wat spelt dit ? Onschulds zegepraal!
Verderf op \'s Roovers benden .
Welhaast met wisser tref bereikt.
In de ongedekte lenden !
Het rustloos krijgstuig vlamt en rookt.
En mengelt slag in slagen !
\'t Is bliksem . uit een onweersbui.
Die plotslijk op komt dagen.
Een vale stofwolk rijst bij \'t vuur;
Zij vult het heuvlig westen .
En kondigt rassche ruiters aan .
Ontzetters voor de vesten.
De vlugtkreet berst om Diebald uit;
Doch nu grijpt moed: «Gevloden
Neen!" schreeuwt hij «Welkom, dubble roem.
Mijn\' Dappren aangeboden!
Ter Voorburg heen ! \'t gezameld puin.
Van de onvermelde weren .
Den Helper op de kruin gestort;
Om zeegrijk hier te keeren !"
Zij volgen hem ; zij naadren reeds;
Maar \'t is te laat geweken !
De Hulptroep jaaut den Voorburg langs,
Om op hen in te breken.
Een fiere Leidsman stuift vooruit,
Aan riddertooi te kennen;
Nog meer aan \'t zwaerd, vergeefs weerstaan,
En door geen vlugt te ontrennen.
-ocr page 37-
14                                            LE.N0RA.
Leer, Diebald! leer uw «Dappren" nu
«Beloofden roem vergaaren!"
0 lafheid! \'k zie dien enklen man
Hun digte spits ontscharen!
Zijn wakkre hoop verruimt de bres,
Met lossen toom gewonnen!
Niet lang, en \'t is geen strijden meer!
De slagting is begonnen!
De slagting, die , door eeuwen heen ;
Schoon ook, bij spade neven,
De Blokhuismuur 1) een Stulpmuur wordt; 2)
Het Bloedperk \'S) naam zal geven.
\'t Viel alles! Diebald stort het lest,
Van \'s Ridders vuist verslagen ;
En \'t juichend slotruim ziet den Held
Zeeghaftig binnenjagen !
Daar zit hij af, ontbloot van \'t zwaerd ,
Op \'s Roovers kruin gebroken;
Maar \'t schild nog aan den forschen arm,
En \'t helmvizier geloken.
De ontroerde Burgheerin schiet toe;
Zij drukt hem de ijzren regte :
«Verlosser, die mijn hangen kamp
Door wonderdaden slechtte !
Beschermer van mijn have en eer,
Neem, met uw dappre vanen,
Het otter der erkentnis aan ,
In deze vreugdetranen!
1)  De Voorbuigsmuur.
2)  Dit gebeurde in de zestiende eeuw.
3)  Doodenkamp.
-ocr page 38-
1
LE.NORA.
Verberg u niet! ik voel \'t verwijt!
Toon mij \'t ontfronste wezen!
De wantrouw had mijn borst doorknaagd,
\'t Is waar! maar \'k ben genezen!
Vergeet het, Zweder ! zoo \'k te lang
Uw dienst, uw prijs miskende;
Zoo vriendschap, die mijn kindschheid sloot,
Mijn zin naar elders wendde !
Vergeef, zoo \'k vaak uw minnend hart
Door stuursche koelheid griefde!
Ontvang nu \'t mijn , mijn Bruidegom !
Vol dank , berouw , en liefde!"
Zoo stamelt zij. Haar redder toeft,
Maar doet geen antwoord hooren :
Hij slaakt, met matte kracht, den helm,
Waarin zijn zuchten smoren:
\'t Is Herman! »Herman!" roept Lenoor\'.
»Gij , Herman, mijn behouder!
Lig daar dan , boei! mij aangesmeed ,
Door een bedrogen ouder !"
Zij roept het; werpt den huwlijksring ,
Van Zweders hand ontvangen ,
Met smaad in \'t slijk , en blijft verbleekt
Aan Hermans boezem hangen.
Wildenborch. In Louwmaand, 179a.
-ocr page 39-
D E Z W A R ï E V R O ü W. 1)
Vervolg der vertelling Lenora.
»0 we mir — — — ! nu ist dir doch din schilt
mit swerten niht verhövven: du bist ermorderot."
Das Nibelungenlied. Stanz: 4061.
Lenoor\' stond , uit haar nood gered,
Van Hermans arm omvangen ;
Gij juichtet toe; \'t gordijn viel neer;
Mijn vrienden ! laat het hangen !
Wat kwelt gij mij . met gullen dwang,
Om ook dat Lied te zingen ,
Weleer gedicht, aan d* oeverkant.
Daar \'t lest haar paden gingen;
Daar \'t hutje school , op vreemden grond,
Herbergzaam haar gegeven ! —
Mijn vrienden ! ach , gij eischt dat lied ?
Zoo zij \'t dan aangeheven !
1793.
De avond daauwde om Staavrens Burg,
Als, met tragen schred. een Vrouwe
Binnen de ijzren poorten reed,
Doodschverhuld in weduwrouwe.
Moe van togt en zielsbezwaar,
Trad zij wankend in den toren.
Voor de grijze slotvoogdes;
Waar zich dus haar klagt liet hooien:
1) Zie aant. 3.
-ocr page 40-
17
DE ZWAKTE TROUW.
Eedle Vrouw ! of past het mij ,
Op genoten gunst te roemen ?
Durft eene arme z wervel ing
U , als eertijds . Moeder noemen ?
\'k Vraag het gastregt in deez\' vest;
Waar geen leed mijn kindschheid deerde;
Waar me een Vorst 4) der voute onthief;
Een Vorstin 2) haar naam vereerde.
\'k Ben Lenoor\'; maar Moei en blos
Zijn, gelijk mijn staat, geweken.
0, de rozen van \'t geluk
Wist verdriet zoo ras te bleeken !
Moeder ! ween . ja . ween om mij :
Korts met rijken tooi beladen;
Hermans liere bruid en gaa ;
Nu zijn weêuw, in treurgewadeii!
\'k Heb den kelk van \'t lot geleegd!
Tot den droesem uitgedronken ;
Als ik , over \'t bloedig lijk ,
In mijn jammer , lieengezonken .
bij een laatsten wederkus.
Bij een blik mijn wensch bepaalde;
En zijn oog geen blik meer had,
En \'t gevoel zijn lippen faalde !
Weerloos; tot de jagt gerust, ,
Was mijn Herman uitgetogen:
Plotslijk kwam een schelmsch gespuis
Veldwijks heuvlen omgevlogen !
1)    Keinoud, in 1339 eerste Hertog van Gelre; gehuwd met
2)   Eleonora van Engeland.
Staring, Gedichten.                                                2
-ocr page 41-
It<
DE ZWARTE VIIOLW.
Zweder voerde \'t moordrot aan
Ach! omringd van zijn vassallen;
Zonder roem , als zonder strijd ,
Moest de Kroon der Dappren vallen !
Kuglings van een lans doorboord,
Liet hij toom en jagtspriet glippen,
Kn mijn naam, ten jongsten groet,
Met de ziel zijn horst ontslippen.
Zweder was \'t! Door eedler echt
Van mijn hand en erf verstoken ,
Brouwde \'t onmensen zwart verraad.\'
\'t Heelt te trouw zijn leed gewroken !
\'k Zag weldra (geen ander licht
Kon uit zulk een duister klimmen !) —
\'k Zag den Moorder voor mijn burg;
Krijg van rondom mij begrimmen.
\'k Zag, na tien paar dagen strijds,
\'t Hongerzwaerd in \'t slot gedrongen;
Rassche vlugt. of hard verdrag,
\'t Moedig dienst volk afgedwongen.
Schreijend week het van dien grond ,
Dien het Lijk bleef\' aanbevolen ;
Diep . aan schaarsbezochten oord ,
Tegen Zweders haat verscholen.
\'k Moest hen volden! liange stond;
Toen ik sluiks terug kwam jagen ,
Naai\' dat graf, met nacht bedekt,
Daar ik Herman heen zag dragen !
Roekloos sprong ik van den zaal,
Om door \'t warlig ruig te naadren,
En , eilaas ! een handvol aard\'
Aan zijn ruststede op te gaadren!
-ocr page 42-
I>K ZWARTE VROUW.
En nu vlood ik ! Onverzeld;
Over \'t scheeinrend ruim der heide ,
Zwierf mijn spoor; doch feilde niet;
Dank mijn Engel. die \'t geleidde!
Hier verstomt Lenora\'s klagt.
In \'t geboomte aan Staavrens muren,
Schuilt nog puinval van haar kluis;
Blijft haar naam tien tijd verduren.
Op een eiland vond zij daar
\'t Plekjen , door geen Hoop beschenen,
Waar ze, in heilige eenzaamheid,
Korte dagen weg ging weenen.
\'t Gras , dat, op lenora\'s pol ,
Aan den krommen oever fluistert,
Zucht nog vaak de Droeve na ;
Van den wandlaar bang beluisterd.
Dikmaal ook, bij starreiilicht,
Komt haar geest, met losse haren,
In een slepend weduwkleed ,
Hermans grafplaats ommewaren.
Knielend gaart zij \'t zand bijeen
Steeds gedachtig aan haar lijden.
\'t Landvolk , spaa van \'t veld gekeerd
Zoekt de zwarte vrouw te mijden.
1787.
17\'JI.
2 *
-ocr page 43-
ADOLF kn EMMA. i)
H60.
\'t Was vrede in \'t eind . en Adolf keerde .
Van roem verzaad .
Waar Linge en Waal zijn erfgrond dekten,
Voor Folperts 2) haat.
Hij ziet zijn burg, die \'s Vijands woede
Van verre tart;
Maar \'t schuilend dak . in "ïndsehe abeelen .
Trekt meer zijn hart!
Ach . derwaarts vloog. bij \'t zwaerdgekletter.
Zijn wensch vooruit.
Daar bleef de ontroostbare Emma kwijnen,
Zijn lieve Bruid.
Hoe snelt. van jeugdig minverlangen
En trouw gespoord ,
Op wegen . door haar voet geheiligd,
De Ruiter voort!
Genoegen siert met tooverkleuren
Het landtooneel.
Geen schooner werd Milanens velden
Van \'t lot ten deel.
Milanen . waar, aan \'s Keizers 3) regie .
Graal Hendrik vocht;
1)    Zie aant. 4.
2)    Folpert van Arkel, Heer van Haestrecht, en van Leerdam,
waarbij lijn slot TerLede gelegen was.
3)    Keizer Frederik Barburossa, welke, in liet jaar 1160, bij de be-
legering van Milanen, vergezeld werd door Hendrik den eersten, Graaf
van Gelder, met zijne Leenmannen, onder welke Adolf gesteld wordt
zich te hebben bevonden.
-ocr page 44-
21
ADOLF E.N EMMA.
Waar Adolf\' tusschen bruiloftsrozen
Den lauwer vlocht.
Hij naakt, en voelt zich meer bewogen,
Op eiken schrecl.
Hier heeft de liefde , aan duizend oorden ,
Haar merk gezet.
Een kus, in deze beemd geweigerd ,
Werd daar beloofd
En , bij dien heuvel, half geschonken ,
En half geroofd.
Maar de eedle beuk , den veldweg nader,
Is hoogst gewijd !
Zijn stam kan Emma\'s ja getuigen,
En noemt den tijd.
„Haast zal" zoo juicht hij »op zijn schorsen
üe trouwdag staan !
De dorpjeugd, onder \'t breede lommer,
Ten reije gaan !"
0 zoete droom , dien \'t bangst ontwaken
Te ras verdreef!
Geen welkom klinkt, daar \'s Minnaars harte
Bij \'t scheiden bleef!
»Een bode, op Adolfs naam gezonden,
Bedroog de wacht.
Zijn bruid is in TerLedes muren!
In Folperts magt!"
Zoo dreunt de rampmaar hem in de ooren.
Hij vraagt niet meer.
Reeds waadt hij door de Lingeplassen,
Met snellen keer.
Reeds is hij \'t volgend oog ontronnen,
Aan \'t andre boord ;
-ocr page 45-
22                                           ADOLF EN EMMA.
Als droeg een stormwind, langs de weiden .
Den klepper voort.
De grensdijk 1) zwicht, en Arkels vesten
Beheerschen \'t land.
Hier wringt hij, moedig afgesprongen,
Zijn speer in \'t zand.
Geen valbrug weert hem door te dringen;
Geen slotgezin.
Hij stapt, de kling ter wraak getogen.
Het roofnest in.
Hij zoekt; hij wacht; hij roept; geen leven.
Dat antwoord geelt!
\'t Is weergalm, inomplend omgedreven,
Wat antwoord geelt.
\'t Gekraak van schone vensterharren;
Van deur en poort;
\'t Gestamp, waarmee zijn ros van verre
De stilte stoort;
Meer hoort hij niet. en snelt de zalen
Vast in en uit;
Tot spoor van bloed. hij \'t rustloos waren,
Zijn schreden stuit.
Hij volgt het. de enge kronkeltrappen
Eens kerkers al\'.
De Dood licht voor. waar \'t zonlicht nimmer
Zijn schijnsel gaf:
Een dwaal vuur stijgt, uit grafspelonken,
Met valen gloor.
Het komt, en lekt. voor Adolf henen,
Het bloedig spoor.
1) De bekende Diefdijk.
-ocr page 46-
ADOLF EN EMMA.                                         23
Het stuurt zijn tred, langs nare wegen,
Op hollen grond.
Zijn voetstap bonst de kromme gangen
Verdubbeld rond.
Nu drukt een welfsel, ruig van schimmel,
\'t Verengde pad;
De vlam drijft trager tusschen wanden.
Door moord bespat!
Zij staat; zij rijst; en lekt niet langer
Het purpre slijk.
Wat ziet hij, bij haar sornbre stralen? —
Een Maagdenlijk!
Hij staart het aan. met scheemrende oogen;
Herkent zijn Bruid!
En ademt, op haar koude lippen.
Het leven uit.
F O L P E R T VAN A R K E L. *)
SAMENHANGEND MET DE BALLADE
ADOLF EN EMMA.
In Haestrechts wal, voor \'t grijze slot,
Nabij den lindenstam,
Die \'t burgplein, als de middagzon
Den rug der hooge daken won,
In zijn beschutting nam;
In Haestrechts wal zat Folpert aan,
Met menig spiesgezel;
En wat daar op den schenkdisch blonk
1) Zie aant. 5.
-ocr page 47-
24                                     FOLPEUT VAN AUKEL.
Was goud, dat eens de godsvrucht schonk
Aan klooster en kapel.
En \'t Maal. den woesten hoop bereid,
Werd met geen jok gekruid :
Bij \'t razen van den bekerstrijd
Vaart spot, die \'t heilig driest ontwijdt,
Hun ruige lippen uit.
Toch slaakt de tong van llaestrechts Heer
Alleen een spaarzaam woord:
De stuiptrek om zijn hleeken mond
Verraadt, welk beeld weer voor hem stond;
Welk jammren hij nog hoort.
Maar eindlijk meè door \'t vuur ontgloeid,
Waarvan zijn gastiïj blaakt.
Herleeft in Arkels ijzrcn borst
De kracht, die lagenend bloedschuld torscht,
En menschlijkheid verzaakt.
«Hebt dank. Getrouwen!" heft hij aan
»Met wie zoo menig keer
Mijn zwaard een vetten kiïjgsbuit won,
Dien Priesters-banvloek redden kon\',
Noch Mannen-tegenweer.
Hebt dank. die willig aan mijn disch
Als om mijn vaan verscheent!
Te lang reeds had geen nieuwe togt —
Geens berkemeijers lavend vocht
Ons broedertal vereend.
Ik lag van zwoele minnekoorts
Onroemelijk vermand :
Het grillig Wicht, dat Adolfs trouw
Op \'t tieldersch Vreêfeest 1) kroonen zou\'.
Was stookster van mijn brand.
1) In \'t jaar 1160; na den velUtogt in ltaliën.
-ocr page 48-
FOLPERT VAN AltKEL.
Zij bood mij trots, en deze dolk
Had haar dien trots betaald :
Ziet daar, van \'t nitheemsch oorlogsveld,
Den Bruidegom terug gesneld.
Waar nu de Bruiloft faalt!
Door wraaklust naar Ter Leè genoopt
Rent hij zijn schaar vooruit:
»»De Held — wiens faam de Po verkondt! —"
Waagt zich alleen op Arkels grond;
Niets roert zich wat hem stuit!
Zijn pluimtop woei van ver te zien;
Ik veinsde schrik en vlugt.
En volgde \'t schuilend burggezin
De donkre kluis eens torens in,
Op \'t naadrend hoefgerucht.
Lang dreunt zijn zoeken boven ons;
Nu klonk het ons voorbij;
Wij sluipen achter hem aan \'t licht,
En \'t staal houdt eiken uitgang digt;
Maar vruchtloos waakten wij :
Hij zocht, hij vond het kerkerwelf,
En keerde niet van daar!
De beker schuimt voor hem niet meer! —
Vul, tot de kim, den mijnen weer —
En doe \'t nog vijftig jaar!
»Vul aan, nog eens!" De schenker draalt,
En Folpert wendt zich om;
En die des schenkers plaats vervult,
Een Onbekende, in zwart gehuld,
Treedt toe, en maakt hem stom.
Zijn kleed is niet ten dienst geschort;
Geen kruik is in zijn hand;
Zijn borstlig haar stijgt woest omhoog;
-ocr page 49-
26
FOI.I\'F.UT VAN AltKEL.
De norscbe wenkbraauw drukt zijn oog.
Dat diep verholen brandt.
Hij komt! het gras welkt voor zijn voet;
Det loof rilt boven hem;
En, als hij nu voor Folpert staat.
Grijnst tygergrim op zijn gelaat;
Brult hij met holle stem:
»Ik ben \'t!" — Moorddadig klaauwenscherp
Strekt hij naar Arkel uit;
Verscheurend slaat hij \'t in zijn leen;
En. door \'t ontvlamde luchtruim heen,
Verzwindt hij met zijn buit.
A D A EN R IJ N O ü D >)
»Die geboden dienst versmaadt,
Wensclit er wel om, als \'t is te laat."
P. C. Hooft.
Granida.
Eens leefde er. in den ouden tijd.
Een Meisje, schoon en jong;
Wier zoet gelaat het teeder hart
Des eêlsten Ridders vong.
Reeds had haar Rijnoud, even trouw,
Drie jaren lang bemind;
Doch Ada sloeg, drie jaren lang.
Zijn zuchten in den wind.
Hij bleef haar, als haar schaduw, bij;
Niets trof de wreede Maagd!
Zij zag, met spot, den frisschen bloei
Zijns levens weggeknaagd.
1) Zie aant. 6.
-ocr page 50-
AHA EX KMNOUD.                                             27
Dat leven, eerst door vrome daan
Beroemd in \'t gansche land.
Sloop ledig weg. en .schild en kling
Hong roestend aan den wand.
Het trof haar niet! en Rijnoud vlood,
In \'t eind vertwijflend, heen;
En doolde in \'t veld, op Gods genaa;
En niemand wist. waarheen.
Als Ada zulks ter ooien kwam.
Zoo deed haar \'t harte zeer;
Zij dacht zijn deugd en trouw terug.
En wenschte Rijnoud weer.
Zij zingt, zij jokt wel, als voortijds;
Het veinzend aanzigt lacht;
Doch rustloos woelt haar kranke geest.
En maalt op een gedacht.
Haar Balling volgt haar overal;
Zij hoort zijn tred. zijn stem;
Met zoeter toon lokt ieder dag;
Lokt ieder stond tot hem !
»Niet langer, neen!" De fierheid zwicht;
De liefde wint den strijd!
Zij zweert, hem. dien zij trotsch verstiet,
Te zoeken wijd en zijd.
Fluks hult ze. in ijzren wapentuig.
Haar boezem van albast.
En gespt een wigtig oorlogszwaard
Om \'t ranke middel vast.
Maar floers verbergt den gulden riem,
En wappert van haar lans;
Haar helm is zonder vederbos;
Haar harnas zonder glans.
-ocr page 51-
28
ADA ES RIJNOUD.
En op het dolle ridderschild
Schrijft zij, met treurig zwart:
»Of vond ik , wat ik dolend zoek ;
01\' stierf ik aan mijn smart."
Zoo trok de Maagd . berg op, berg af;
De wijde waereld in.
Hoe hard het staal haar drukken mogt.
Onwrikbaar stond haar zin.
Des middags trol\' haar \'t zoniievuur;
Des nachts de kille douw.
Zij achtte douw noch zonnevuur;
Zij voelde slechts haar rouw.
Nu had zij, drie paar maanden lang,
Op vruclitelooy.cn togt,
Zijn spoor bevraagd en nagerend,
Gemist en weèrgezocht;
Wanneer haar ros, om d\' avendtijd ,
Een mast woud binnentrad ;
Daar wolf en beer, de plaag der streek
Zijn nare woonplaats had.
De Schoone , mijmrend voortgesneld ,
Bemerkt haar dwalen niet,
Tot reeds de zon , ter kim gedaald ,
Een bleeker Hikkring schiet —
Het roofgediert\', door \'t bosch verspreid.
Reeds hongrig huilt naar buit;
En \'t pad haar, over zwellend mos,
Terug wijst noch vooruit.
Doch eer de leste schemering
In vollen nacht verdwijnt,
Ontwaart ze een vromen kluizenaar,
Die bij een rots verschijnt.
-ocr page 52-
29
ADA ES RIJNOUD.
„0 vrome Kluiznaar. hoor mij toch !
Hoor mij meêdoogend aan !
En laat een armen zwerveling
Geen menschenhulp ontgaan!\'
Zoo smeekt ze. Een stem . die hulp belooft,
Klinkt vrolijk haar te moet.
Hij komt; hij leidt haar schreden voort,
Met jeugdig wakkren spoed.
Zij volgt hem . waai\' ze in \'t klipgewelf
L)e haardsteê glinstren ziet;
Terwijl een voordak \'t moede ros
Beschut en leger biedt.
Een korfjen . aan den hazelaar.
Vol wilde vrucht gegaard ;
Een moesgerigt. uit houten kop .
Is \'t welkom van den waard.
De honig staat er feestlijk bij .
En zijn begraven schal ,
De wijnkruik , die . tot dezen stond .
Geen gast ontzegeld had.
Voor \'t rijsvuur, dat hun spaarzaam licht.
Zet hij den kleinen disch ;
En vangt nu aan: »Hoe ver uw burg
Van deze wildernis ?"
Het antwoord is een diepe zucht.
Wat moet, wat durft de Maagd !
Verloochnen ? Waar een heilig man .
Haars levens redder , vraagt ?
Bekennen ? \'t Geen zijn strenge tucht
Slechts laakbren mistred heet!
Als boetling schaamrood voor hem staan
In \'t onjonkvrouwlijk kleed!
-ocr page 53-
30
AHA EN\' HUNOUD.
De zelfütrijd perst haar boezem saam.
Zij wendt het duister oog
Beproevend op den kluizenaar;
Met smeeking weer omhoog.
In \'t lest, vertrouwen slaakt haar tong,
Door kille vrees beklemd;
En \'t antwoord breekt de lippen uit.
Terwijl ze in tranen zwemt :
o Ach. Vader, \'k ben niet, wat gij waant!
Vergeel\' mijn valschen schijn!
Een sluijer moest mijn tooi, dit zwaard
Niet aan mijn gordel zijn.
Eilaas, ik ben een zwakke maagd;
Die hooploos omuiedwaalt;
Die, treurend om verbeurd geluk.
Door heel de waeield dwaalt!
Te veel geroems, te slaal\'sch gevlei
Bedierf allengs mijn aard :
Het zoet der Helde werd mij niets —
De glorie alles waard!
Een ridder kwam, en bood mij trouw;
Hij was de bloem van \'t land!
Maar ik, door ijdlen trots bedwelmd,
Verwierp ook Rijnouds hand."
»»Hoe, Ada! Ada! zie mij aan!
Wat sloot ons oog en oor!
\'k Ben Bijnoud! Dit gefolterd hart
Stond nog zijn wanhoop door.
\'t Bleef u verpand! Maar gij! hoe smolt
Uw lange al\'keeriglieid?
Kon \'t spot met Rijnouds jammer zijn;
Gij hadt zijn dood bereid!
-ocr page 54-
31
AUA F.N RIJNOUD.
Gij — mijn?"" Zij prangt hem aan haar borst;
Haar ziel zweelt op haar mond;
»Voor eeuwig!" snikt ze, en de eerste kus
Bezegelt hun verbond.
En nu, gij Meisjes, blond en bruin;
De sier van onzen tijd
Ik predik met gebogen knie;
Des hoort mij zonder spijt!
Houdt vast, wanneer een Rijnoud komt
Houdt vast zoo duur een vrind!
Te menig, die met Ada zoekt,
En niet met Ada vindt.
HET V 0 G E L S C H I E T E N. *)
Eene Zutphensche Vertelling.
De Herfstmaand had haar taak voleind;
De vreugd was in TerBorg:
Daar at men koek bij \'t kermisbier,
En droomde van geen zorg.
Daar werd het beste doek gespreid,
Op onbekrompen disch;
Geen suiker voor den brij gespaard;
Geen boter tot de visch.
Daar ging de strijkstok hoog en laag;
De jeugd sprong op de maat;
En als een vrijer zoenen wou\'.
Dan wist de speelman raad.
1) Zie aant. 7.
-ocr page 55-
32
HET VOUELSCHIETES.
Daar zwierde \'t aardig Mijntje rond;
Een Bruid van achttien jaar!
Een Jager was haar Bruidegom;
Men zag geen schooner paar.
Zij danste, in ellen bruin gedost;
Dat staat de blanken goed.
Haar Hendrik pronkte in groen gewaad;
Met pluimen op den hoed.
En ieder, die ter kermis kwam.
Gunt Hendrik *t zoete Kind :
Had elk het aardig Mijntje lief;
Hij werd als zij bemind.
Zijne ouders waren grijs en arm;
Zij leerden van zijn loon :
Als dienaar was de vlijt zijn roem;
L)e dankbaarheid als zoon.
Uat won zijn brave Bruidjes hart!
Ook zij droeg trouw haar deel :
Zij paste een kranke moeder op;
En \'t scheen haar nooit te veel.
Wat hragt zij vaak den winternacht
Aan \'t zorglijk leger door!
Maar. las men \'t op haar bleek gelaat.
Zij gal\' iets anders voor.
De Herfstmaand was haar loop ten eind;
\'t Was kennis in TeiHorg:
Men at, men dronk, men sprong in\'t rond;
De speelman had de zorg!
En buiten aan een grazig vlak,
Beperkt van \'t IJsselbed.
Werd l\'eestlijk, op een steileu mast.
Een houten duif gezet.
-ocr page 56-
HET V0GELSCH1ETEN.
Het jonge manvolk trok daarheen.
Gewapend ging de schaar;
Want, die den vogel nederschoot,
Was Koning voor een jaar;
En zocht dan, in triomf geleid,
Een meisje naar zijn zin;
En voerde \'t naar een herberg heen,
Begroet als Koningin.
Zoo trekt dan nu de Jeugd te veld!
De Bruigom is daarbij :
Geen schutter vond men heinde of veer,
Die wisser trof dan hij.
Een bonte sleep komt woelig na :
\'t Zijn meisjes uit de stee.
Ook Mijntje (\'t was haar moeders wil)
Gaat naar de Ioopplaats mee.
Het spel begint! De voorste man
Bigt ernstig zijn geweer :
Hij denkt aan vrijster, kroon en roem!
Waar beefde een hart om meer!
Een tweede vat. met losser zwier,
Het steile doel in \'t oog;
Maar de eerste raam viel al te laag;
De leste rees te hoog.
Zoo slippen kans op kans voorbij;
En Hendrik komt te gang.
Straks toont de duif haar kwetsbaarheid:
Zij zwenkt op de ijzren stang.
«Braaf!" roept de Drost hem vrolijk toe
»Dat heet zijn kunst verstaan!
Slechts help de Bruid den Bruigom zien;
Dan zal \'t nog flkscher gaan!"
Starikg\'s, Gedichten.
-ocr page 57-
34
HET V0GEL8CH1ETEN.
Met dwingt men \'t blozend Meisje voort,
Tot aan haar\' Hendriks zij\':
De beurten wisslen andermaal;
Die volgen moet, is hij.
Hij loert; zet af\'; nikt Mijntje toe,
En kust haar op den mond;
Gejoel en lach en handgeklap
Loopt door de kijkers rond.
En nu! . . Noodlottige oogenblik!
Rampzalige ommekeer!
Het roer, zoo menigwerl\' beproefd,
Verraadt in \'t end zijn heer.
Het ijzer wijkt voor \'t persend vuur;
liet berst, met tellen slag;
En, uit twee bleeke lippen, volgt
Een zieldoorborend ach!
Verpletterd staat de schaar rondom.
\'t Gold Mijntjes schuldloos hoofd!
Zij zijgt ter aard, de slaap misverwd;
Het oog van glans beroofd.
De ronde wenkbraauw trok te zaam;
Het wit der kaken blaauwt;
Bij droppen vloeit het kille zweet,
Waarvan haar voorhoofd daauwt.
En houdt het jeugdig aangezigt
Nog spoor van lieilijkheid —
Als \'tbloemtje, dat, denstam ontscheurd,
Doch niet vertreden leit —
De klamme hand wordt koud als ijs,
En staakt haar mat getril;
\'tGegolf des boezems heeft gedaan;
De pols — het hart — staan stil.
-ocr page 58-
38
HET VOGELSCHIETEN.
Een zachte snik ... zij is niet meer !
Vergeefs zijn kunst en klagt!
Geen morgen straalt, met wekkend licht,
Op \'t rustbed , dat haar wacht.
Maar gij , die , aan haar droevig eind,
Een traan van deernis wijdt,
Gevoelt ook , wat haar Bruidegom ,
Ach , boven sterven , lijdt!
Ontroostbre wanhoop dreef hem voort;
Zijn blik stond flaanw en strak;
En Mijntjes naam was \'t eenig woord,
Dat sinds zijn tong nog sprak.
Zoo zwierf hij , tot de ontboeide ziel,
Na zijnen jongsten stond .
Het hemelsch «Welkom!" hooien mogt,
Uit Mijntjes englenmond.
Een zelfde palnistruik, aan den muur,
Beschaduwt beider graf.
De steèjeugd eert den grijzen stam ,
En plukt geen loovers af.
ELEONORA VAN ENGELAND, i)
GEMALIN VAN REINOTJD DEN TWEEDEN,
EERST GRAAF, DAARNA HERTOG VAN GELDERLAND.
1332—1342.
«Steek vanen uit van iedren top ,
Gij Burgstad aan de Waal!
Reeds flonkert, langs uw heuvlenrij ,
De Hoogtijdsmorgenstraal.
1) Zie aant. 8.
3 *
-ocr page 59-
36                            ELEONORA VAN ENGELAND.
Het waslicht in uw Slotkapel,
Met d\'ochtendglans vereend.
Blink\', weèrgekaatst van de altaarpracht,
Op \'t grijze muurgesteent\'!
Tooi\' Frissche palm de Ridderzaal.
Die Cezars voetstap heugt!
Verkondig\' helder klokgeklep
Uws Graven Bruilol\'tsvreugd!
De schoone Eleonora komt;
Aan Reinouds min verpand:
De Koningszuster — Koningstelg!
De trots van Engeland!"
Zoo klonk het! en de stoet verscheen,
0 Burgstad . voor uw wal:
Door \'t poortwelf opwaart, toog hij in ,
Begroet van blij geschal!
Het Valkhof juicht; de Looverzaal
Hernieuwt het wellekom;
Van grover feestklokgalmen dreunt
Sint Stevens Heiligdom;
En murmlend baauwt de Slotkapel
Het toongedommel na ,
Tot zegen volgt. aan \'t Echtaltaar ,
Op \'t onherroeplijk Ja.
Nu draalt de Jonglingschap niet meer!
Met schutterlij ken pronk ,
Verzelt hun Schaar den Eerewijn —
Des Graven Bruiloftsdronk.
En achter hen, den Burgtweg langs,
Volgt tromgeraas en lluit:
Ontelbaar krielt een kindsche jeugd
Met vlaggenzwier vooruit.
-ocr page 60-
37
ELEONOHA VAN ENGELAND.
De Gild-os zet, in \'t woelig spoor,
Zijn loomen waggeltrat.
Aan hoef en lioornen siert het goud
De Huldegift der Stad;
Der Stad. die haars Gebieders vreugd
Als eigen vreugd geniet;
En de Armoede ook, het Paar ter eer,
Geen laafnis derven liet.
Feest was \'tin Reinouds Hofzaal! Feest
Was \'t onder schamel dak
\'t Gejoel ging op, bij fakkelglans,
Toen \'t hemellicht ontbrak.
Het zwerk, met nieuwen avondgloed
Bepurperd door dien schijn,
Gaf Leonora\'s bruiloftspraal
Te zien aan ^[aas en Itijn.
En tweemaal kroonde \'t wisslend jaar
Den onvergeetbren Dag;
Daar tweemaal in den moederschoot
Ken Zoon van Gelder lag.
En tienwerf spreidde een audre Mei
\'t Herboren gras ten toon ;
En Reinoud, vriend van Lodewijk,*)
Droeg nu een trotscher kroon :
Als Hertog zat hij in zijn Burg;
Om hem zijn grijze Raad;
Het peinzen in den strengen blik
Den rimpel op \'t gelaat.
En. zie ! daar kwam — (den voorhof op ;
Ter burgt waar Reinoud zat)
1) Lodewijk van Beijeien, keizer van Duitschland.
-ocr page 61-
38
ELEONOBA VAN ENGELAND.
Een moeder kwam. wie te eiker hand
Ken Kind — een Zoontje trad.
Zij, die — met nieuwen blos gesierd —
Van \'t bed der smart ontboeid —
Versmaad werd door een wnl\'ten gaa.
Wiens hart van sluikmin gloeit.
Ach — zij ! op wie een lasterpijl
Te schaamtloos was gewet:
»Als heelde ze onder \'t hoezeinkleed
Een ongeneesbre smet.\'\'
Zij kwam daar met haar ïelgenpaar
Ter hooge raadzaal in —
De Moeder! schooner door haar smart!
\'s Lands eedle Hertogin !
Verward springt Vorst en Raadskring op!
Kleonoor houdt stand :
Ze onttrekt, van spraakloos wee geschokt
Zich aan der Kindren hand ;
Zij rukt het hullend sluijerkleed.
Met tieren smaad in \'t oog.
Ten ongevlekten boezem af.
Dien lastertaal beloog!
Straks dekt verdubbeld floers haar weer.
En de angst van \'t hart breekt uit,
Als nu haar bleekbestorven mond
Ter Godspraak zich ontsluit.
»Hoor" spreekt zij «wispelturig Man,
Die mij zoo wreed verstiet!
Mijn woord tot u verkondigt straf! —
\'t Is God, die \'t mij gebiedt!
Hoor, Gelder! Met uw Tweetal gaat
Die Naam. die Stam voorbij.
-ocr page 62-
39
ELE0N0HA VAN ENGELAND.
Wier voortdiuir hing aan \'t Meerdertal.
Dat gij verwierpt! in Mij !
Hoor. Gelder! \'t snoer der Liefde brak
Uw trouwvergeetle hand :
Dit Kroost, hij lmistwist opgewiegd.
Scheurt eens den Broederband.
In dubble heerschaar staat het Volk
Naast hen ten strijd onteend ;
En \'t jammer, dat al \'t Land vervult.
Gaart vloek op uw gebeent\'!
Zoo dreigt Gods roê\' Maar gij... ons Bloed!...
Bidt mèt ons! bidt genaè !
Aan \'tsmeeken van uwe onschuld hangt.
Dat zij meêdoogend sla."
Hier zweeg ze, en ging. Ben Hertog vloeit
Het doodzweet van \'tgezigt;
En siddrend.buigt zijn knie voor Hem.
Die slaaf en koning rigt.
ARNII.EM VERRAST;!)
DEN 21sten MAART 1514.
De Molenkar kwam Arnhem in,
Doch bragt er thans geen graan :
»Leev\' Gelder!\'\' bromt de man bij \'t paard,
En spoedt zijn vracht te ontlaan.
Wat sleepte in \'t witte doek verstopt
De kroesbol naar de stad ?
Ruw volk, dat, /.weetend saamgehurkt,
Elk tot zijn Heilig bad;
1) Zie aant. 9.
-ocr page 63-
40
A UMI KM VERRAST.
Maar, naauw van zak en angst verlost,
Geen boon geelt om den Sant,
En \'t «kortaf!\'* op de lippen heeft —
Het toeslaan in de hand.
\'t Werd nacht: Bourgonjes knechten staan
Op ravelijn en wal —
Vergeefs ! vanbinnen is \'t bereid
Wat d\'Arend 1) vangen zal.
Daar, waar de Beek, ten vestmuur in,
Door ijzren spijlen vloeit —
Vanbinnen ! dreigt te meer gevaars,
Hoe meer het duister groeit;
Hoe meer, om \'t vierde morgenuur,
Het luchtruim wolken gaart,
En \'t noorden over \'t walgeboomt
Onstuimig henenvaart.
Daar komt de kar-vol sture Maats
Met naakte zool getreên ;
Van \'t wapen dat een krijgsman voert
Bleef hun de Dolk alleen.
De riem, waarin hun schoeisel klemt,
Voor d\'uittogt afgelegd.
Verheelt een witte roos, als Leus
Op \'s kolders bruin gehecht.
Het kleine Rot genaakt het Diep,
Met brcektuig in de vuist;
Klimt af; en waadt naar \'tspijlwerk voort,
Aan ijskil nat ombruist.
Het rilt, en hijgt, en kleppertandt;
Maar, onverkleumd van hart,
1) Het wapen van Arnbem is een Arend.
-ocr page 64-
41
ARNHEM VERRAST.
Bestookt het ras het ijzren schut,
Met ijzren boom verspard !
Intusschen voerde \'t snellend zwerk
Na vlagen vlagen aan .
En liet, bij \'t haehlijk stuk , zijn hulp
Den Dappren niet ontstaan :
De koevoet knars\', de hamer bonz\',
Nog luider giert de wind ,
Die schor geknars en hol gebons
Voor \'s wachters oor verslindt!
Slechts buiten , in de bolwerksgraeht,
Volgt, door \'t gekreukte lisch ,
Een Tweede schaar het dof gerucht,
En dwaalt heur doel niet mis !
De witte Roos is meè haar Leus;
Doch grooter is haar tal;
En \'t hoofd des Aanslags gaat haar voor,
Ten ondermiiurden wal.
Thans paart de dubble schaar heur kracht;
Rondom hen dreunt de kluis!
Wat buigen kan geeft krommend na;
Wat brijzlen kan wordt gruis !
»Tsa, Makkers!" is het woord weldra
»Den lesten torn gewaagd;
Terwijl \'t nog buldert boven ons ,
En \'taan de kim niet daagt,
Den lesten torn !" — Men zwoegt op nieuw;
Men ramt en rukt vereend;
En \'t schut laat met zijn harren los
Van \'t brokklig booggesteent!
Verweldigd is het! Hand in hand
Staan weer de krijgers saam ,
-ocr page 65-
i-2
ARNHEM VERRAST.
Wie nooit een naam zoo vorstlijk klonk ,
Als Hertog Karels naam;
Wier koenheid Venloos wal behield ,
Voor Gelders heerschappij ;
Wier kloekheid Muydens slotvoogd bleek ,
En Weesops Burgerij.
Ze ontstijgen \'t Wed. Langs Anholts Hof
Streeft alles zwijgend voort.
Niet lang! hun loopplaats is bereikt:
De Viersprong aan den Oord.
Nu schikt men ze ijlens op een reeks.
En telt ze in hoopen af;
Wat vindt men ?... een man staat er meer
Dan \'t Krijgshoofd Leuzen gaf!
Hij zelf komt — telt — hertelt — en draaft
Al momplend op en neer;
Doch . of hij teil\', hertelle , en draav\'.
Die éene blijft er meer !
»Een spie verbergt zich in den troep !"
» »Een spie ? .. wie kon ?. . . wie dorst?..." "
Tien stemmen roepen \'t — tien met een:
» «Dij God! waar schuilt de borst?""
»Hier !" schatert Hertog Karel uit!
Hier ! galmt de Janspoort weer !
Mèt breekt het zwerk — \'t is dag — zij zien \'t!
Held Karel is \'t! hun Heer!
»0p, Burgers, zege! Burgers op!
Jaagt voort de vreemde pest!
Bourgoi.jen onder ! Gelder leev\'!
Held Karel won de vest!\'\'
Zoo gilt nu \'t krijgsvolk door de stad !
Zoo juicht men wijd en zijd.
-ocr page 66-
«
ARNHEM VERRAST.
\'t Raakt al in roer; Bourgonje zwicht.
En Arnhem is bevrijd.
HET SCHIP V A N HO M M E L. 1)
I5H.
Heft dolle Tuimelzucht de Muitvaan op —
Ontvlamd, voor \'t geen zij morgen weer verschopp\' —
Zoo grijpt het zwaard, gij Goden onder God :
Bedwingt met strengen arm het smaadlijk Rot!
Maar ! gordt een Heldenschaar zich aan , ten pleit
Om wettig erf. te wrevel haar ontzeid ,
Dan vlei geen iedle trots den Dwingeland;
Het Zwaard des Regts blinkt vruchtloos in zijn hand !
Hij, die zijns boezems inspraak schuldloos kent —
Die \'t oog naar grooter goed dan \'t leven wendt —
Die tart dat zwaard — voor hem geen Regtzwaard meer !
En vat gelaten \'t zijn, ter tegenweer.
Getuigt het vijftig jaar van onheilsnacht.
Toen Gelder, kampend met Bourgonjes Magt,
Vertrapt lag. wijl \'t aan Eigen Heldenbloed
Het trouwe hart schonk . bij den Vorstenhoed !
O achtbaar Hoofd van Heusden ! terging was \'t —
Geen afschrik ! dat ge, aan \'t steile schandhout vast.
Van Bommels Slotmuur neèrzaagt in die stad.
Die in uw wijsheid eens haar steun bezat.
•Wraak!\'\' roept van de Burginuurtinnen
Heusdens bleeke mond.
Wraak ! die Bommels Poortren zweren .
Met al \'t Land in \'t rond.
•1) Zie aant. 10.
-ocr page 67-
44
HET SCHIP VAN BOMMEL.
»Zou\' \'t Bourgonjesch Kruis nog pronken,
Naast dat eerlijk Hoofd!
Zou\' \'t nog zwieren van die wallen ,
Aan hun Heer ontroofd ?
Neen ! Voor \'t uitheemsch Wachtwoord , dreune
Karels Veldgeschreeuw !
Voor dat Kruis, met schand beladen ,
Wappre Gelders Leeuw !"
Haeften dacht het — Haeften zwoer het —
Maar in \'t innig hart
\'t Kalm gelaat geeft niets te lezen,
Wat een vijand sart.
Groet zijn Blik een Medestander —
Haeftens Woord is koel.
Onuitvorschlijk zijn zijn gangen,
Ten verborgen doel.
Luttel Volks (genoeg ter zege ! —
Helden , een van ziel!)
Koos hij uit zijn Dorpelingen —
Bood hem \'t strijdbaar Tiel.
Naar een schip, aan Waalstrooms oever,
Slopen paar bij paar.
Rijshout werd omhoog geladen —
Onder zat de schaar.
Haeften , in een pij gedoken ,
Sloeg de hand aan \'t roer ;
Lustig fluitend , lustig zinsend ;
Of hij spelevoer.
Over Echtelds Burgtin zuisde
\'t Oosten langs het vlak.
Vóór hem blaauwde , op lager zoomen
Balvrens gastvrij dak. T)
1) Bij Dreumel, op oude kaarten.
-ocr page 68-
48
HET SCHIP VAN BOMMEL.
Die stroomaf wedijvrig volgen.
Biedt hij sullen kout,
Tot hij, lijwaarts, tusschen de olmen,
Rossems Vest aaiischouvvt.
Die hem worstlend tegenloeven.
Roept hij kortswijl toe ;
Tot hij landt aan Bommels muren —
Pij en helmstok moê.
»Holla! hei! \'t Klinket ontsloten!
\'k Breng bestelde vracht.\'\'
En de Steeman is verschenen.
Waar de Schipper wacht.
»«Vriend, wat brengt gij?" »Rijs!\'\' roept Haeften.
Plotslijk rijst zijn Vracht!
Hek- en Poortslot geeft de Vrager
Siddrend in hun magt:
Voor de sleutels — die vanbuiten —
Zorgden achter hem, —
Voor de sleutels koopt hij \'t leven; —
En ontsnapt den klem !
Vrij is Bommel, dat de handen
Aan zijn Redders biedt;
Daar \'t, met hen, den Burg 1) omsingelt.
Die de stad bespiedt!
Vruchtloos dreigt het roer van boven,
Op hun schaar gerigt :
Zaag en aks begint te sloopen.
Waar de Veldbrug ligt.
\'t Geldt den af\'weg. die ten zuiden
Helpren ingang schonk ;
Of den Burgtling uit zou\' laten,
Als hem \'t hart ontzonk.
1) Het Blokhuis.
-ocr page 69-
46
HET SCHIP VAM BOMMEL.
Hoort het rustloos ijzer klinken!
Juichtoon. wijd en zijd
Op \'t gedaver aangeheven,
Tot Bourgonjes spijt!
Hoort het bruggebindte kraken !
Ziet het neêrgerukt!
Hulp en vlugt werd afgesneden;
En de Vijand hukt!
Maar, de Feestkiok moog het galmen,
Langs de onthoeide Waal,
Haeften treedt den sloünuur binnen,
Zonder wapenpraal.
Om hem trotst geen pluimgewemel;
Spreidt het staal geen gloed:
Needrige Eenvoud gaf haar stayer
Aan zijn kleinen stoet;
Priesters zijn "t! Uw Hoofd, o Heusden,
Daalt van \'t smaadhout af!
Zwijgend wacht van ver \'t Geleide ;
Gaat de togt naar \'t Graf.
Gelders Vaan voorop ! ISourgonjes
Komt, gesleept in \'t stof,
Waar het Koor, dat Nassau wijdde.
Dreunt van \'s Heeren lof.
Onder Karels Leeuwbaniere —
Voor het Hoogaltaar.
Ligt nu op lluweel de schedel
Van den Martelaar.
»Dat hem rust na \'t strijden loone,"
Smeekt der zangren stem :
Diepe weemoed paart zijn snikken
Aan het requiem.
-ocr page 70-
47
Klir.Mili VAN GELDER.
EDUAR1) VAN GELDER, l)
BRUIDEGOM VAN CATHAR1NA VAN BEIJEREN.
1371.
\'t Is vreugde aan Ruwaard Albrecbts Hof;
In Hollands palen vreugd.
Hoogf\'eestlijk staat de zaal gesierd,
Waar Catharijn heur huwlijk viert,
Omstuwd van eedle jeugd.
Zij, \'teelste bloemtjen dat daar prijkt,
Wies op voor Eduard:
Een vorstlijk echtsnoer knoopt den naam
Van Beij\'ren en van (leider saam\';
Naar wensen van Albrechts hart.
»De Leeuw van Holland staart niet meer
Vergramd naar \'t Veluwsch woud!
Waar Broeder tegen firoeder stond,
Verkeert dit heuglijk Trouwverbond
Een ijzren tijd in goud !
He roof\'pest is uit stad en dorp —
Uit burgt en stulp gevloón.
Van Guliks rijzende akkers aan ,
Tot daar de zilte baren gaan ,
Oogst vreedzame arbeid loon !"
Dit spelt de Hoop aan \'t juichend volk!
Maar met zijn jubelgalm
Vermengt zich aaklig wangeluid .
Dat krijschend op gewelven stuit,
Vervuld met kerkerwalm.
Wie is \'t, die daar de stonde vloekt,
Waar Eduard naar haakt —
1) Zie aant. U.
-ocr page 71-
48                                      EDUARD VAN GELDER
De Vrouw, die hem haar moorder heet —
Nu diep gebukt zit onder \'t leed —
Nu weer van woede blaakt ?
\'t Is Hezes jeugdige Echtgenoot:
Het oog van \'tArnhemsch hof
Tot pronk haar ellen tooi verving —
Tot ze aan Verleiders lippen hing,
Gelokt door valschen lof —
Die eindlijk pligt en eed vergat, —
Een buit van Eduard! —
Zijn afzijn liet haar weerloos staan ;
Daar greep de wraak des Mans haar aan,
Zoo wuft tot wraak gesard !
Hij stiet haar, onder kloosterdak ,
Ten diepen kerker af.
Het knagen van heur zielenwond —
De wroeging, die haar bloei verslond,
Acht hij te min een straf.
»0 leven , dra ten eind gesneld ,
Wat blonk uw morgen schoon !
\'k Genoot tevreên de gunst des lots:
\'tDezit van Heze was mijn trots!
Hij zag in mij zijn kroon ! —
Ons Dorpje gold me een Koningserf.
\'k Had aan geen hoogheid lust.
Tot weldoen was mijn hand gereed.
Mijn dag >ras steeds naar pligt besteed —
Mijn nacht verdiende rust.
En \'k heb dat heil voor u verzaakt.
Wiens staf een roofgoed is!
Die d\'oproerstander hebt geplant,
En greept. met een bebloede hand ,
Üws Droeders erfenis!
-ocr page 72-
t\'J
EDUARI» VAN GELDER.
En strafloos had me uw snood gevlei
Geluk en eer ontrukt!
Op rozen ging uw weg ten Trouw ;
Terwijl uw offer jamm\'ren zou\'.
In \'t stol\' der smaad gedrukt!"
Zoo kermt zij nog, met flaauwe stem ,
Ileur derden , laatsten nacht.
Zij roerde aan waterkelk noch hrood :
\'t Is naar den beker van de Dood ,
Dat zij verlangend smacht.
Dien dronk ze ! — Kn aan dat woelig strand —
Tooneel van vreugde en praal —
Waar Hollands schittrende Adelstoet
Des Ruwaards Telg als Bruid begroet,
In Kloris Ridderzaal —
Daar landt een ruiter spoorslags aan !
Hij naakt den Bruidegom :
»IIeer Hertog, red uws Zwagers erf!
De magt van Braband spreidt verderf\',
Door \'t Guliksch Vorstendom !"
Dit fluistert hij. — Naar \'t strak gelaat
Des Hertogs oogt de Bruid;
Oogt Albrecht met zijn gastenschaar :
Hun oor verneemt de ontvangen maar;
En \'t feestgewoel heeft uit.
De bruilof\'tsdisch wacht vruchteloos.
Hem die ten zadel springt;
Dien ras. bij wild trompetgeschal .
Een roembeseeiïg heldental
Op Guliks grens omringt.
Niet lang! de grens week achter hen :
De Landzaat, aan hun zij\',
Toog welgemoed ten strijde voort;
Staring, Gedichten.                                                    4
-ocr page 73-
50
EDL\'AKD VAN GELDER.
Gehinnik werd door \'t bosch gehoord;
De Vijand was nabij!
Miet lang! vermengeld veldgeschreeuw
Klonk langs de hemels weer:
De schaal, aan \'t zwaard gehangen. woog ;
En steeg voor Willem 1) naar omhoog,
En zonk voor Wentsel 2) neer !
Maar. zwichtte, in \'t bloedig worstelperk,
De Vorst van \'t Guliksch Land.
Zijn helper 3) week, maar zwichtte niet!
Hij wrong, waar \'t bosch aan \'t slagveld stiet,
De heervaan weer in \'t zand.
"Terug nu!\'\' dreunt zijn roep «terug,
Met scherper kling en speer!
Geen woeui.nge.n — geen oude blaam
Kleev\' morgen nog op Gelders naam!
(\'■een eerschuld drukke ons meer!"
En zie ! van nieuws geschaard, in \'t woud,
Dat knecht en ros verborg,
Hervatten zij op eens \'t gevecht! —
En Uraband waande \'t pleit beslecht,
En joelde, zonder zorg:
Men snoefde, bij den vollen kroes
Te saamgeschoold in \'t wild;
Men spot met Gulik, spot met Hem —
Die plotslijk aanstormt! op wiens stem
De schrik een antwoord gilt!
Het krijgsvolk, bij den wijn verrast,
Grijpt noode weer zijn zwaard:
Ontbloot van hulp, schiet Kuyk te kort—
Ligt Brussels Steêvoogd neergestort —
Zijgt ook Sint Pol ter aard\'!
i) Gulik. 2) Braband. 3) Gelder.
-ocr page 74-
EDUARD VAN GELDER.                                     31
Vergeefs houdt Rrabands Hertog moed,
Waar zulk een Drietal (\'aalt!
Aan \'t eind van te ongelijk een strijd,
Is Wenceslas de vrijheid kwijt —
De schuld van eed betaald.
Geen vijand meer! \'t Werd al verstrooid,
Of wentelt in zijn bloed.
En Eduard treedt af van \'t ros;
Zit neer, en gespt den helmriem los,
Door \'t vuur des kamps in gloed.
Zijn manschap is ver achter hem:
Zij draalt nog bij den buit.
Hèm lokte met haar groenend dak
De haageik. die, alleen op \'t vlak,
Het zonneblaakren stuit.
En nu, wiens loerend oog hem volgt,
Komt plotsling vóór hem staan:
Hij vonnisde een trouwlooze Gaa —
Vloog herwaarts heur Verleider na —
Staat daar — en blikt hem aan!
Een heerknots trilt in Hezes vuist:
„Echtbreker, sterf!" is \'t woord!
De knots vaart neder, als hij \'t spreekt;
En strafbren vorstenmoedwil wreekt
Een strafbre vorstenmoord.
HERTOG ARNOUD, IN DEN KERKER. »)
1409.
De herfstnacht luistert ademloos.
Om \'t hooge slot Te Buren:
Drie grachten over, klinkt een stem;
Men antwoordt van zijn muren.
1) Zie aant. 12.
4 *
-ocr page 75-
32                      HERTOG ARNOUD IN DEN KERKER.
Zij riep de derde wachtpoort uit,
Die Arnoud in zijn kerker sluit.
Gij, Arnouds Zoon en onderdaan,
En dubbel pligtvergeten !
En gij, naast Gelders Ilertogsstoel,
Als Hertogin, gezeten!
Wat sloegt ge uw handen, al te snood,
Aan Vader. Vorst, en Echtgenoot!
Wat hitstet ge eêl en oneêl saam\'.
Dat, van de Zwalmstroomboorden,
Tot daar \'t vertragend IJsselnat
Zijn loopbaan rigt op \'t noorden.
Al \'t Land van zijnen Meester week;
Roermonde alleen standvastig bleek !
De nachtlamp spreidt een Haauwend licht
In Burens Kerkertoren:
Daar laat de grijze Kloostervrouw
Gods Woord aan Arnoud hooien.
Daar leest zij »van dat klippig pad.
Dat david eens als hu betrad."
»Zij leest »van \'t zwaard, op Jesse\'s Telg
Tot zijn verderf getogen;
Was Michals trouw, was Jonathans
Niet reddend toegevlogen." 1)
En, als ze ontroerd de lippen sluit,
Berst Arnouds innig lijden uit :
»Ach!" klinkt zijn jammren «bittre wrok
Sloeg mij nog dieper wonden;
En \'k heb geen Michal, in mijn druk —
Geen Jonathan gevonden!
Mijn BOEMEN braken list noch kracht,
Schoon \'t vierde jaar zijn loop volbragt;
1) i Samuel XIX.
-ocr page 76-
HERTOG ARNOUÜ l.N DEN KERKER.                      53
Het vierde! sinds dat schriklijk uur,
Toen maan- en starlicht taalde;
Alleen de toorts liet spieglend ijs
Met dotten gloed bestraalde,
En, \'t Maaswed óver, voor mijn treên,
Langs \'t pad ... naar dezen kerker! scheen."
Zoo klaagt hij luid. De Non rijst op:
Zij spreekt met zacht gefluister;
Dat welf\'selreet, noch holle wand,
Verraadlijk haar beluister\':
»Uw dienstmaagd. Heer; hoe zwak in schijn;
Zal Jonathan, zal Michal zijn.
Vlie! strekke u deze kloosterdosch
Ten schuts voorbij den wachter;
Ik blijf, met ongesluijerd hoofd
Hier voor u biddend, achter.
Al dreigde doodstraf in zijn blik,
Uw Absalon baart mij geen schrik.\'\'
»0. meer dan Michal! loone u God
Wat Hij alleen kan loonen! —
Maar — Bruid des Heilands! \'t eergroen waard
Der paradijspalmkroonen! —
Maar — wat me uw trouw te hopen gaf,
Wijst deze handdruk dankend af.
Stond daar de pligt van gade en vriend —
Mijn pligt staat hier te lezen: 1)
Die David. mij in lot gelijk.
Moet ook mijn voorbeeld wezen!
Hij was \'t »die \'t Nat voor God vergoot,
Toen Bethlêms Put hem laafnis bood."
Hem volg ik na! den kelk hek hoop
Zal ik den Heere wijden: —
Ik stort hem uit! Gij kocht te duur
1) 2 Samuel XXIII: 15, 16 en 17.
-ocr page 77-
34                     HEItTOIi ARNOUD IX DES KERKER.
Mijn slakiiii« voor uw lijden,
En laaddet nieuwe schuld op \'t hoofd.
Van die mij stal\' en vrijheid rooft.
Doch, breekt, wie alle kluisters breekt.
De Dood haast deze banden,
Mijn graf zij. waar gij \'t aardsch gewoel
Ontvloodt in Kloosterwanden;
Waar Geertes 1) oor zich luistrend nijgt.
Als \'t oll\'er van uw lippen stijgt.
Laat daar uw heilig overschot
Zijn rust naast mij erlangen.
En sluimren. tot het Groot Gerigt
Vergeldend aan zal vangen;
Gods Engel met bazuingeschal
Het dor gebeente wekken zal !
Heeft dan. helaas! mijn oog geen Zoon —
Geen Zoon! — of Gaa! — te ontmoeten;
U, Edelhartige! u zal *t zien;
Mijn iuichstem zal u groeten;
Den duizenden, die om mij staan.
Verkondend : dit heeft zij gedaan :
Toen ik, van Kroost en Echtgenoot
En trouwlooze Onderzaten —
Ik. Grijzaard! — smaadlijk voortgesleurd.
Geboeid was. en verlaten.
Toen sprak ze: »ik zal. hoe zwak in schijn,
Een Jonathan, een Michal zijn !"
Zoo antwoordt Arnoud. Schoone strijd
Van weigrcn en van dringen.
Moge eenmaal u een ander lied
Dan \'t mijn naar waarde zingen!
En zij, bij \'t laatste nageslacht.
Dien strijd verdiende roem gebragt!
1) St. Geertruid; de Patrones van haar Klooster.
-ocr page 78-
G E R A R D VAN HIEROP,1)
IN HET BLOKHUIS , TE IJPESLOOT
BEGONNEN AAN TE LEGGEN VÓÓR, EN VOLTOOID Ni\'l DAT AMSTER-
DAM, DOOR EEN\' PRIESTER, NAMENS HERTOG KAREL
VAN GELDER WAS OPGEEISCHT.
1507.
»Ter regte Diemens golvend Meer;
Ter linke \'t bruischend IJ;
Een Blokhuis, dat den selieidani spert;
Een dubble Kielenrij; —
Genoeg beschuts voor de Amstelvest!"
»»Keer\' nu, wie toegang vraag\' —
Wiens Tossenkruin een monnikskap.
Of blanken storinhoed draag\',
Kome andermaal de Geldersman
Met bidkrans of trompet.
Als boodscbapbrenger van zijn Heer.
Die Weseps wal bezet.
Verschijn\' de kreegle Hertog zelf!
Vermeestre woest geweld
Den Voorburgsleutel, in de vuist
Van Mierop vastgekneld.\'\'"
Dus klonk het, elke dag en uur;
No"; bitser menigwerf!
En eindlijk rende, dolgesard .
De Vijand in \'t verderf!
Zijn woest geweld bestond den kamp!
Doch Mierop wenkt: de lont
Drijft van rondom hun \'t welkom toe.
Uit ijzren mond bij mond.
1) Zie aant. 13.
-ocr page 79-
56
CEKAHD VAN HIEROP.
Verpletterd tuimelt heel een schaar
Den smallen dijkrug af;
Ten prooi van \'t bloedig wed ! beroofd
Van leven en van graf.
Maar stort verderf, ten Blokhuis uit,
Op hunnen schedel neer; —
Maar vlamt en treft het scheepsgeschut
Om beurt, uit u en Meer; —
Vergeefs! hun rijen dringen aan:
Hoe vaak van nieuws gesloopt.
Eerst wijkend bij den derden roep ,
Die hen ten aftogt noopt.
Naar \'t ledig Wesep keerden zij,
Als wolven naar hun kuil!
En of men \'t weer ten strijde daag\',
Thans houdt het broed zich schuil:
\'t Veinst onmoed; tot de zomernacht
Met dubbel nevelkleed
De baren dekt. en \'t zwerkgordijn
Zich voor de maan verbreedt.
Nu wordt een andre kans beproefd;
Een andre baan gezocht:
«Misschien dat snege list verschalkt,
Dien kracht niet overmogt!"
Een smaldeel bootjes volgt elkaar,
Bemand uit Weseps muur.
De ligte roeischup klieft het nat,
En strekt voor riem en stuur.
In \'t eigen enge kielzog vaart
Een roekloos krijgertal,
Waarvan het koeltjen over \'t Meer
De leidsman wezen zal.
-ocr page 80-
GEHARD VAN M1ER0I\'.
Zij kronklen langs den duistren plas
Bedachtzaam sluipend voort :
Geen klotsend golfstaat] voor den boeg;
(\'■een rinklend staal aan boord.
Zoo zweeft, met schaarsbewogen vlerk ,
De stootvalk jagend om.
Zoo is de leeuw , die \'t hert bespiedt.
Tot hij zijn buit grijpt, stom.
Zij komen onbemerkt geroeid;
Al nader. nader bij;
Waar IJpesloot aan \'t water paalt,
Met onbeveste zij\'.
Het windje, dat hun koers bestiert,
Yerflaauwt niet onder \'t land;
En leidt hen . door de schepen heen ,
Ten steilen oeverkant.
Doch hij . wien \'t iiogmaal gelden zal .
Hoeft andermaal geen spoor:
Hij waakt! Zijn hand is aan \'t musket —
Aan \'t open luik zijn oor.
Zocht vruchteloos zijn vlammend oog
Wat hem \'t gerucht verried .
Als \'t ritslend langs de ruigte schoof —
Als \'t op de schoeijing stiet —
Nog tuurt dat oog: en \'t rond der maan
Vertoont zich weer in \'t blaauw;
En \'t flikkrend spits van helm bij helm
Doorboort den neveldaauw.
De brave Mierop telt ze niet!
»Dourgonje!" roept hij luid.
«Bourgonie !" schreeuwt hij naar omlaag ,
Ten Blokhuisvenster uit.
-ocr page 81-
88
I.KllAKIl VAN HIEROP.
Straks berst een dondreiide echo los!
Een dubble vlugt van lood
Kruist achter \'t Blokhuis door elkaar: —
Wie voortdringt ijlt ter dood !
Ter dood ! door weerwraak niet verzoet!
Kn , wie de dood ontgaat.
(leen pad meer langs het smokend diep .
Dat voor hem openstaat!
De kerker toeft den Vlugteling.
Onredbaar algesneèn!
Men loert van Weseps torentrans;
Maar derwaart keert er geen.
TEN GELEIDE.
AAN\' MIJNKN BEHX\'WDBROEDER Mr. I. N\'. .1. VAN\' HIEROP, LID
VAN" DEN STEDEL1JKEN RAAD VAN ROTTERDAM.
\'t Zij Vrede tusschen ons! \'k Had Rossems daan vermeld.
Kn \'t Mnvder Slot. met Wesep in \'t geweld
Van Gelders legermagt gevallen ;
Maar \'t bloed van broeders vloot in \'t roemloos oorlogsveld,
Kn \'k liet geen honend io schallen.
Ken angel had nogtans uw Ifollandsch hart gewond.
Dat Poederoijens Gryp. aan \'t kustdiiin neergestreken ,
Zoo straffeloos zijn prooi verslond!
Dat hertog Karels zegeteeken
Zoo ver op koning Karels grond —
Zoo digt bij d\'Ainsteloever stond !
Neem des den Balsem, u in Vriendschap aangeboden:
\'k Vertoonde, als Tegenstuk. de kans des krijgs gekeerd;
Door uwen Stamgenoot de Phinderschaar geweerd;
Kn Gelder . op zijn roep . gevloden !
-ocr page 82-
DE VORSTIN IN HET DORP1).
,,\'AAA\' "St, Tto\'\'fMrkfsuo\'j — Ax£e5.
Ba^aes — GxTÓfi&xi--------Tan /Jao-iAfCira!;."
0EOKP. EifcAA. tê.
HENDRIK.
Kom. Albert. span vast aan ; de Vrouw is in de kleéren;
\'t Wordt tijd !
Wel. Zwaan. wel. Kind! Dat hiet den feestdag eeren!
(lij ziet er kostelijk van top tot teenen uit,
En , ongelogen, nog zoo jeugdig als een bruid.
Wanneer de jjoè Vorstin ons Dorpjen in komt trekken.
Zal ze onder \'t volk de Vrouw van \'t Zuidbosch ras
ontdekken;
Zij knikt u mooglijk toe, maar droomt er wis niet van.
Dat Zwaan vier spruiten om haar disch vertoonen kan;
Noch, dat ze twintig jaar met Hein het juk moest dragen,
Zoo \'t onze koster noemde, als hij zijn nood kwam klagen;
Gestreeld van Jakomijn. Hij oogstte, naar de vrucht.
Die hij had uitgezaaid! God dank. dat ons geen zucht
Naar geld en goed den knoop van onze trouw liet sluiten!
De vrede woonde in huis en de onvreê stond er buiten.
Het reikte krapjes om. te met! Ken enkel paard;
Twee koeijen; \'t akkertuig geen twintig daalders waard.
En mij door Tijs-oom van zijne armoe meegegeven!
(De brokken borg ik weg, uit dank) maar. wat wij dreven
Had eendragt tot begin ; Gods gunst zag op de vlijt;
En \'sLandheers voordeel ging het mijne staag ter zijd\',
ZWAANTJE.
En. Hein! Die zoo veel goeds ons mildlijk zond van boven,
Verschoonde ook \'t Zwakke Vat. dat wankelde in \'t gelooven.
1) Zie aant. 14.
-ocr page 83-
60
DE VORSTIN l.N IIKT DORP.
Bij vroeger kommer: toen mijn Kerstling hooploos lag,
In \'t schamel wiegje; \'t zaad, geknikt door hagelslag,
(leen derde gal\', en ons. als \'t jaar ten einde neigde,
De kleine huurschuld maande, en dan de honger dreigde.
Zoo stond het toenmaals! — thans!— wij overzien het niet!
Heel \'t Zuidbosch, met de Dreef\', die langs de pachthoef
[schiet.
Zijn \'t onze: en in den stal vijl\'Vriezen, puik van loopers!
Ons Horenvee, wat slag! \'k Heb voor mijn aanlok koopers,
Te kust\'en keur; veeltijds het ronde jaar vooruit,
En denk ons Kindertal, dat, schoon \'t de som besluit,
Aan hun hart en aan \'t uw het dierst is! Buigzaam, zedig,
Goedhartig, en opregt; van \'t spelboek al\' nooit ledig.
De Jongens als een wolk! Ons Stijntje net een roos!
Maar Ida....! (\'k durf het u bekennen. Hein) ik bloos
Somwijl van stille vreugd, wanneer mij \'t englenwezen
Van \'t vleijend Wicht zoo treft.
Doch hoor! ... ik zou haast vreezen
Dat Albert ....
HENDRIK.
Ja, hij wacht, en Bles, gelijk gij weet,
Staat niet geduldig stil.
ZWAANTJE
Wel aan; ik ben gereed.
HENDRIK.
Nu. Albert. zoo gezeid! Blijf gij het huis bewaren.
(\'■ij hoort, van a tot z, geheel ons wedervaren.
En—als de Vrouw misschien den Joodschen kramer sprak—
Zij kent dien halsdoek, die u lest in de oogen stak —
Wie weet! . . .
Ho, Bruintje-maat! Wij gaan geen houtvracht halen!
De koers leit regts, naar \'t Dorp. Daar zal \'t aan voer
Tsa, spoed u wakker!                              [niet falen!
ZWAANTJE.
Lieve Hendrik, wat gejoel,
Daar langs den hoogen weg! Ik weet niet wat ik voel,
-ocr page 84-
DE VORSTIN IN\' HET DOM\'.                                61
Als ik zoo velen zich om éene zie verhlij\'en !
HENDRIK.
\'t Gaat mij daarmee als u; maar \'k liet me ook nooit ontstri j\'en,
Door boeken of door praat, dat hij, die Eerste hiet.
Spijt al zijn zorgen, toch een deerlijk lot geniet;
En, zoo \'k geen Bouwman was. ik wou\' wel de Eerste wezen;
Kreeg ik verstand met een ! Die zorg ? - \'k Weet ook van
[vreezen!
Denkt hu aan oorlog , ik heb angst voor hagelslag.
Maar \'t ons bereide loon scheelt meer dan nacht en dag,
Wanneer het goede lukt. waarnaar wij beide streven !
Mij danken, naast mijn deur, een brave ziel. zes, zeven ;
Hem honderdduizenden, verpligt dooi\' èène daad !
Hoe draagt hij toch de vreugd? Ik gun hem pronk en staat;
Maar. ja! zijn magt!.. daar valt een hemel ipeê te winnen;
Dat \'s mijn dunk.
Zachter, Dies! zoo dol het Dorp niet binnen.
Een weinig stemmigheid voegt mij, als Ouderling.
Wat zegt gij, Zwaan? Die naam klinkt tegen Vorst gering,
\'t Schoolmeesterlijke bloed, dat mij en u door de aders
Kwam vloeijen, wederzijds, door moeders en door vaders.
Maakt dit alleen wat goed — niet waar ?
Nu afgestapt!
Hier maar, voor d\'eersten stal; daar Alberts zwager tapt.
\'t Loopt ginder voor de Zon te drok.
Wel, das een leven!
Daar is geen ploeg te gang, geen schup aan \'t werk gebleven.
En Meisjes, groot en klein! Maar \'k zocht naar onze Twee?
ZWAANTJE.
Die vond ik al : zij staan voor \'t raam bij Domenee ;
En daar de Jongens ; met hun snaphaan zou\' ik meenen!
HENDRIK.
Manhafte schutters, Kind!
Gaan wij nu deez\' zij\' henen.
Door \'t achterwegje naar \'t Kasteel; (de Landvrouw heeft
Ons gistren nog op nieuw doen nooden. zoo beleefd
Of ze ons gelijke was) dan kunnen we, aan de trappen.
-ocr page 85-
62
IIË VORSTIN l.N HET DORP.
Haar Hoogheid van digtbij den wagen uit zien stappen.
Hoort gij de klokken! Welk gejuich! Zij nadert vast!
Gelukkig zijn we aan honk. Het had ons haast verrascht.
ZWAANTJK.
Nu, dat is kostlijk ! Dat staat heerlijk, moet ik zeggen !
Die eerboog ginder aan de straat, en aan de heggen,
Den huisweg langs, die bloemenslingers, links en regts !
En dat portaal hier voor de stoep is ineè wat echts!
Als hardsteen gansch en al. En daar omhoog! hoe zwaaijen
De vendels, die den top en eiken hoek verfraaien !
DE LANDHEER.
Weest welkom, Vrienden. Reeds verloren wij den moed,
Zoo laat kwaamt ge opgedaagd; maar\'t overleg was goed:
\'t Is juist tijd !
DE LANDVROUW.
Welkom, Zwaan ! Nu, gij volgt mee naar binnen,
Haar Hoogheid na. Zij weet eens ieders hart te winnen,
Zoo vriendlijk is ze, en sul; dat ziet eens van nabij.
Tot straks!
HENDRIK.
Hm! — Zwaantje, regts! Die met heur star is Zij.
Al minzaamheid ! \'k erken \'t! —
Hoezee ! Hoezee ! Gods zegen
Op onze Landsvorstin!
ZWAANTJE.
\'k Heb hier een plaats gekregen;
Ga maar niet verder, Hein; het bragt mij van mijn stuk,
Als zij ons aankeek.
Wel, wat heeft ze \'t danig druk
Met onze Landvrouw! Doch zij schijntdaarietsteontdekken,
Nabij het venster, dat hare aandacht al\' komt trekken ?
Och, onzen Invalied ! Zij merkt, hoe de oude bloed
Het bevend ligchaam met zijn krukjen schragen moet,
En wijst hem, uit de verf, den leunstoel aanzijn zijde !
-ocr page 86-
6:5
1>E VORSTIN IN HET IIOIU\'.
HENDRIK.
Gelukkig Volk, dat God met een Vorstin verblijdde.
Die op het grijze haar een blik van eerbied slaat!
ZWAANTJE.
En stemmig is zij ook ! — Dat mensch, zoo krom van praat,
Hier vóór ons, welk een zwier bij haar ! hoe weinig kwikken
Heeft zu op \'t hoofd; en aan liaar kleed geen bonte strikken.
Maar net en kostbaar is ze, en das de regte trant.
Met ligte vodden sluipt het geld maar uit het Land.
\'t Wordt in dit huis ook voor de Kindren dus begrepen;
Dat lieve Drietal, nu, zoo \'k gis, van angst benepen,
Om \'t hier verschijnen! Ameli\' wordt vijftien jaar;
Die zal zich redden; kan de zoete Stans het maar;
Zij is eerst zes! Alix behoeft niet veel te wijken
Voor de oudste, doch heur aard laat meerder schroomte
Zijn zu dat daar?
                                           [blijken.
HENDRIK.
Zij zijn \'t! En... houd uw hart maar vast!
Zij brengen makkers meè; waarbij een kleine gast,
Die ons raakt....
ZWAANTJE.
Ida? Ja, onze Ida, al haar leven!
Maar zulk een pronk ? Dien heeft de Landvrouw haar gege-
Wie anders toch? En wij zijn daarom hier genood, [ven!
\'t Is of een daauw van schoon op d\' Engel nedervloot!
Ook Stansje gluurt haar aan, met innig welbehagen;
Terwijl zij, \'k weet niet wat, dat blinkt, te zainen dragen.
HENDRIK.
\'t Scheen haast een zilvren mand, waarin een ruiker lei\'.
ZWAANTJE.
Alix en Ameli\', die voorgaan, allebei\'
Een speeltuig in den arm! En zoo veel blonde kopjes.
Die volgen; welgeschaard, en in haar beste nopjes;
Met maagdepalm bekranst!
-ocr page 87-
64
DE VORSTIN IS IIKT DORP.
Zij naadren de Vorstin.
Hoe flonkert haar gelaat! Men leest er spoedig in.
Dat zij ook Moeder is.
\'t Hangt rondom aan hare oogen;
Die onschuld! — Ida staat, in \'t kleine hart bewogen,
Niet anders of ze bidt; zij knielde uit ootmoed neer;
Indien zij dorst.
Zie gij; ik kan \'t slechts duister meer;
Zoo roert het mij de ziel.
HENDRIK.
De bloemen zijn ontvangen.
En met een kus betaald.
ZWAANTJE.
Dat klappen Ida\'s wangen!
Nu tinkt een speeltuig. Arme Aliije, houd nu moed!
Zij glimlacht; \'k ben gerust; zij maakt het zeker goed.
amelia en ai.ix (zingend).
Ontvang uit kinderlijke hand.
Vorstin, dit needrig liefdepand!
Neem aller heilgroet aan!
En juicht, na \'t schaatrend volkshoezee.
De weerklank onzer citers meê,
Ach, wil ze niet versmaan!
Uw naam. op moeders schoot geleerd.
Wordt hier van \'t staamlend wicht vereerd; —
Klinkt in zijns vaders lied;
Als \'t vrolijk veld de halmen gaart.
Weldadig door den staf bewaard.
Die ons in rust gebiedt.
Geen bloed bevlekt dien herdersstaf!
Gij dwongt geen kroost den oudren af,
En dreeft het naar den strijd.
Geen gaa, die aan uwe eerzuil treurt.
-ocr page 88-
68
DE VERJAARDAG.
De weezen hebt gij opgebeurd;
üe droeve weèuw verblijd.
Eilaas, als eens die Sterke naakt,
Die \'t snoer van liefde en leven slaakt! —
Wij zwichten; — oogst uw loon! —
Maar zie op ons. bij \'t afscheid, neer,
En geef uw volk uzelve weer.
Verjongd in uwen zoon !
ZWAANTJE.
Ja , lieve Zangsters, ja ! Wie zou dien wensch niet deelen,
En kan zijn tranen bij uw zoeten galm verhelen!
Zij glippen der Vorstin als ons ten oogen uit.
Terwijl zij beurtelings u in hare armen sluit!
Doch, Hendrik, volgen wij de kleinen nu. \'t Verlangen.
Om Ida even zoo aan \'t inoederhart te prangen,
Weersta ik langer niet! Ook las ik \'t zoete Wicht
Begeert\' naar mij en u. in \'t heengaan, op \'t gezigt.
DE VERJAARDAG.1)
„Sermoni iiropiora."
Een telg, vol jonite vrucht. bood Edelard
Zijn schaduw, \'t Hofvertrek hield achter hem ,
Met dubble deur en nederhangend doek ,
Het licht nog buiten ; dat geen middaggloed
De zeekaart trof, die , aan den ellen wand,
Veelverwig pronkte: Wilhelmines zorg!
Haars Vaders oogenlust. De Grijzaard had
Met eigen hand de baan daarop gestipt,
Die vaak zijn Houtschip hield. Een zilvren punt
Begon en sloot de lijn. \'t Penseel had ook
1) Zie aant. 15.
Staring, Gedichten.                                                5
-ocr page 89-
DE VERJAARDAG.
Naast leerrijk schrift, elk open ruim vervuld:
Het perk der golven lag wijd uitgebreid.
Voor Neêrlands Wapendaden. Zegerijk
Heesch Tromp zijn wimpel op, in Duins. Het bloed
Hes achtsten Evertsens — ook \'t uwe vloot,
Gij «Held der Maas!" in gruwzaam schutgevaart!
Zoo sprak liet Diep van Ons. Des Vreemdlings was
Het Droog. Waar lucht en grond Keerweêr 1) gebiên,
Stond heel het Noorden om een klip geschaard:
Mensch, dier, en plant. Haar wees de vinger heen.
Bij \'t reisverhaal; wanneer de Dorpsbailluw,
Met Schout en Doctor, onzen Edelard
Het lengend uur des avends korten hielp.
Nu zat hij peinzend, aan den appelboom,
Dien eens zijn Martha plantte, \'t Boonenbed
Zond hem zijn geuren uit. de verte toe,
Wedijvrig met de rozen; zeisenklank
Liep vrolijk in het naaste hooiveld om;
En op den voetweg ging de schel des rams,
Aan \'t hoofd zijns harems stappend: wijd vermaard,
Door Spaanschen afkomst, en beproefden moed.
En droomen van \'t verleedne zweelden hem
In scheemring voor den geest: zijn blijde jeugd,
Zoo snel gewelkt! zijn joiiglingsehap, al ras,
Bij harde tucht, gerijpt tot manlijkheid.
\'t Gevaar van storm, en rots, en klemmend ijs,
Door wondren op zijn kiel gestuit. De dag,
Die hem met Martha paarde, \'t Loonend zoet,
Na zoo veel bitters, aan die hand gesmaakt,
Die op zijn levensweg geen distels liet.
\'t Vaarwel, hier toegeroepen, aan \'t gewoel
Der steden, als het eerste jaar den hof
Zijn tooi had al\'geborgd, en weêrgebragt,
En steeds Tevredenheid hun slaaplied zong.
Een naam op de westkust van Groenland.
-ocr page 90-
67
DE VERJAABDAG.
Maar ook de smart der scheiding: als zij nu.
Die hem reeds engel scheen, een engel werd !
Het bange zwijgen om de legerstee.
Waarop haar doodskamp eindde ; t kindsch gevlei,
Dat hem uit wanhoops mijmren wakker riep.
De naam van vader, die zijn morrend hart
Weer danken leerde. »Ja ! L* dankt mijn ziel!"
Verzucht de grijsaard, onbewust, dat hij
De handen samenvouwt »U dank ik. God!
(ielijk uw zon. daagt ook de blijdschap weer,
Na \'t ondergaan ; en. in den holsten nacht,
Straalt toch de Maan der Hoop den stervling toe."
Zoo fluistert hij ; en glans van hemelvreè
Ligt op zijn aangezigl, terwijl hij rijst;
Indachtig aan zijn huiswet. en aan \'t uur.
Dat hein ter tafel noodt. Doch eensklaps, zie.
De deur naar buiten springt, aan \'t hoi\'vertrek,
Luidkrakend open. \'t Neergelaten web
Stijgt tellens langs de breede ramen op;
Kn van den drempel komt de Dorpsbailluw,
In statig ambtsgewaad hem tegentreèn :
•Het feestlijk maal wordt koud!" Zoo vangt hij aan
»En Schout en Doctor; deze, voorgelicht
hooi\' zijn ervaren Huisbezorgster; die,
Door \'t jeugdigst Moedertjen uit onze buurt;
Zien. wachtend, reeds de beste stukken uit.
Verlies geen tijd !"
Bevreemd ging Edelard
Den spotter na, en staarde \'t vijftal rond,
Met vragende oogen; tot het hoofdgeregt
Zijne aandacht trof: een baksel, uit de bloem
Van tarw. door Wilhelmines hand gevormd !
De ronde boord omgaf het kroonswijs; vlak
Was \'t middelperk, dat \'s Grijsaards jarental
En naam vermeldde. Lagenend riep bij toen :
»Wee ieder, die op Eva\'s dogtren bouwt!
Der vroomsten zelfs kleeft wat bedrieglijks aan !
ii\'
-ocr page 91-
68
I>K VERJAARDAG.
Neem dit tot troost. Bailluw, wanneer u \'t kruis
Der huisbestiering drukt; of \'t eenzaam dons
Vaak al te koud schijnt, om driekoningen.
\'k Roep heden ochtend, uit mijn schrijlcel: »»Kind!
Is \'t niet de zesde?"" »»\'t Moet de vijfde zijn!\'"\'
Kucht Wilhelmine ; mijn geboortedag
Met snel bezin verloochnend. Niet genoeg !
Zij troont mij; om haar gasten en haar taart
Hier heen te sluiken ; naar mijn appelboom.
Een bloemstruik, dien haar Volkert schonk (zoo\'k meen,
Nahusia gedoopt) was juist ter hand.
Tot lokaas! Maar, onze Ondeugd faalt hier nog ? —
Zij komt!" Zij kwam ; heurs Volkerts gezellin;
En dartle vreugd gaf\' nieuwe tooverkracht
Aan haar bevalligheid. Doch, als de Maagd
Den Grijsaard nader trad; zijn zeegnend oog —
Het toeven van zijne open armen zag;
Zoo wischte de ernst een korte poos den gloed
Van beide wangen weg; haar mond vergat
Zijn voorbereiden heilwensch; zwijgend zonk
Zij aan haars vaders borst, en hooger taal
Sprak daar haar zielsgebed door tranen uit.
Hoe waardig was zij, dat, op \'s levensbaan,
Die Jongeling eens haar leidsman wierd\'. die nu,
Bij \'t kussen van haar hand, het natbeschreid
Gelaat van zijn vriendin verborg! Op Hem
Als vlekloos voorbeeld, wezen vaders hun
Gestruikeld kroost. Van Volkert tuigden zij.
Wier grijze ervarenis hem \'t heiligdom
Van wetenschap en wijsheid opensloot.
Ach! al te vroeg stond hij, van schuts beroofd,
Aan \'t ouderlijke graf! Zijn erfdeel, straks
Met valsche list hebzuchtig aangerand.
Werd ïhemis gouden zorg vertrouwd, en bleef
Als kampprijs hangen voor den regterstoel.
Maar de eedle Wees, door \'t lot beproefd; vergeefs
-ocr page 92-
69
DE VERJAARDAG.
Naar \'t opgaan hakend van zijn bruiloftsdag,
Zoolang hij niet aan eigen haardsteê zat;
Verborg zijn smarten, en vergat ze hier;
Geen vreugdestoorder. in den trouwen kring.
Thans sloot de meikers, bij \'t gevorderd maal,
Met de aardbes en den tros van struik geplukt,
Een cirkel om \'t bespaarde hoofdgeregt.
Het Jonge Vroirwtjen had (bij \'t warm gesprek
Der mannen, over krijg en peis\' verteld:
Hoe reeds haar zuigeling op moeders stem
Opmerkzaam was. en lagcheud, uit de wieg.
Zijns vaders beeldtenis had aangestaard.
Huishoudelijk bragt haar Vriendin daarna
Het tuingewas ter baan ; zijn frisschen groei,
Na \'t milde dropplen van een enklen nacht,
Tevrede schildrend. Wilhelmine vlocht
Op \'t laatst de bloemen in \'t gesprek, en kwam
Tot heur Nahusia, wanneer onze Arts
Haar plotslijk stoorde! »Regts gezien, lief Kind!
Het geldt uw handen werk. dat smakelijk
Zijn binnenst door getrokken letters toont!
Doch eer \'t vernielend mes dit kunstgewrocht
Waagt aan te tasten, zij mijn arm gestrekt!
Of leeft het schoone glas niet meer. verguld
Aan voet en deksel ? En de Bremerwijn ?
Is die. te kwistig, ook op minder feest
Verbruikt ?" Hij sprak nog, toen bokaal en wijn,
Den wakkren Schout, als ganimeed. gereikt.
Zijn woord reeds volgden; en nu klonk weldra
Het luide vivat, na een gullen wensch.
Den Grijsaard toegebragt. Maar als het glas.
Bij \'t omgaan, den Railluw werd aangeboon,
Begon hij dus: «Mijn Vrienden, naar de maat
Van deze teug, en van al \'t goede, dat
Op mijn gebed dit huis verhul]\', dient meer
Gesproken dan mijn schorgehoeste keel
Verdragen zou\'. Ik bie\' den Gastheer dies
-ocr page 93-
70
DE VERJAARDAG.
Voor wookden schrift aan." Hier ontvouwde hij
\'t Gestempeld blad. dat hem. een wijl geleèn.
Zijn dienaar bragt. De Grijsaard nam. en las;
En zag. met schittrende oogen, nu zijn Vriend.
Dan Wilhelmine, dan weer Volleert aan.
In \'t einde sprak hij dezen toe: «Geluk,
Gij brave Telif eens Vaders, die veelligt
Ku zeegnend uit den hoogen op ons ziet!
Verscheurd is \'t weefsel van bedrog; ontmoiiid
De snoode hebzucht: door zich zelv\' verraan.
Erkende zij haar wanbedrijf, uw regt!
Het lange Pleit heeft uit! geluk, mijn Zoon !
Aanvaard met dankbaarheid uw oudererf;
En klaag niet, dat de das» zoo spaa verschijnt!
Een Wijze Hand heeft, in beproevings perk .
Uw jeugd gevormd. Met zorg en leed bekend.
Zoo naauw! zoo vroeg! zal u eens broeders ramp
Steeds heilig zijn. En, Wilhelmine. gij !
Ku deelgenoote van zijn vreugd, als eens
Van zijn bekommernis; wat toeft mijn mond
Het woord te spreken! \'k zag dil uur vooruit!
Der waereld hoort gij toe. niet mij alleen.
Uw taak reikt verder, dan de kleine kring
Van \'t ouderlijke dak. Zou\' eigenbaat
Mijn hart verkoelen, dat ik treurig zweeg.
Daar. aan den scheiweg. u een ruim verschiet
Blij tegenlacht? (!ij zijt mij dierbaar. Kind!
Mijne eenige! Mijn alles, sinds de dag
Dier Brave kwam. wier levend beeld gij zijt!
Uw stem nas mij de weerklank van dien toon,
Die eens elk oproer in mijn borst bedwoiis.
En nu! — Doch gaat. mijn Kindren! \'k wil van ver
Mij zonnen, in de stralen van uw heil!
Verlieugnis. boren al \'t gesmaakte goed.
Zal nog uw liefde voor mijn grijsheid zijn!
Zoo hoor\' de Algoedheid, wat een vader smeekt!
Zij geve u, wat de trouwste Gaa. voor mij.
-ocr page 94-
DE HOOFDIGE BOER.                                  71
Ten hoogen al\'bad ; — meerder schenk\' zij u.
Dan ons gewerd : vereenden ouderdom !
En slaat gij. moegeleefd , het wenschend oog
Daarhenen. waar de Hoop aanschouwen zal ,
Zij spare u \'t best geschenk : in d\' eigen stond
Haar oproep !\'\' Hier. van beider arm omkneld .
Gedankt door beider staamlen . brak hij af;
En Gods nabijheid drong door aller ziel.
DE HOOFDIG E BOER. l)
Eono Zutphensche Vertelling.
w—BWervlog from our father\'s rules
Is calling all our fathers fools."
Elk weet. waar \'t Almensch Kerkje staat.
En kent de laan . die derwaart gaat.
Een duiker perst daar. onder \'t spoor.
Zijn schuim tot in de Heikel door:
Al golft rondom de wintervloed,
Men komt ter preek met droogen voet.
Eens was het anders hier ter stee ,
Wanneer een voord 9) den weg doorsnee .
En \'t brugje. naast die voord geleid .
Den smaad droeg van zijn nieuwigheid.
Ik vond een boek . dat meldt daarvan .
Wat volgen moet. zoo \'t rijmen kan.
De voord. dan min dan meerder diep.
Naar sloot en scheigrep stond of liep .
Was Almens gansche tempelschaar —
Vooral de Meisjes ! tot bezwaar :
Met schade aan dure feestkleedij
Kwam menig aardig kind niet vrij ;
Men raakte in \'t zweet op \'t lange pad;
Men vatte koude in \'t modderbad;
1)   Zie aant. 16.
2)   Waadbare plaats.
-ocr page 95-
DE HOOFDIGE BOER.
En de ijver om ter kerk te gaan
Bragt buikpijn en geen stichting aan.
Kortom die voord was elks verdriet,
In Almens needrig dorpsgebied;
Van toen de Meid , l) per bezemstok ,
Den schoorsteen uit daar overtrok ,
Tot, na verloop van eeuw en dag,
De Tooverkunst begraven lag;
Wanneer een Kerkedienaar kwam ,
Die \'t oud gebrek ter harte nam ,
En , op een morgen . na \'t sermoen ,
Zijn woord aldus begon te doen :
"Mijn Vrienden, in mijn prillen tijd,
Ten herder van dit oord gewijd ,
Zwom ik, met onbezweken trouw,
Mijn kudde voor, naar \'t kerkgebouw.
Ook heden nog, hoe grijs van kin,
Schoot ik getroost den slibkuil in;
Maar \'t wil niet meer, en blijft het dus,
Zoo heet ik ras emeritus.
Met droogen hoest en jicht bezocht,
Verlaat mij kracht en ademtogt.
Nog tweemaal als van daag doorweekt,
Eilaas, dan heb ik uitgepreekt!
Een Brug, op \'t smalste , naast de voord,
Uit planken van \'t geringste soort,
Ziet daar mijn wensch ! Vergeet toch niet,
Wat ge in dien poel al schoenen liet!
Denkt aan uw kostlijk zondagsgoed,
Bedorven door dien moddervloed!
Ligt vindt gij , eer het werk verjaart,
Uw uitschot dubbel ingespaard;
En ik behoef dan baai noch drop,
En luik weer als een arend op !"
"Das papen maget van Almen" om tooverij verbrand, in 1472.
Hasselt, Geld. Maandiverk , deel I. blz. 480.
-ocr page 96-
73
DE HOOFDIGE BOER.
Uier zweeg de Man. Zijn aanspraak had
De luidjes bij hun zwak gevat.
Het stuk kwam ernstig op \'t tapijt;
En wat men hoorde . wijd en zijd ,
Was. viermaal dertig dagen lank.
Slechts palen , balken, rib en plank ;
En . driemaal dertig andermaal,
Slechts planken, ribben, balk en paal!
Ja . \'t scheen, zoo ver de Berkel vloeit,
Zou\' ieder boord met hout beschoeid;
01\' dat een reuzenzoldering
Den ganschen stroom verdekken ging.
Doch, met Aprilmaands lesten dag,
Moest blind zijn, die de brug niet zag!
Nog blinder, die met Julij kwam,
En niets van \'t groen portaal vernam,
Ter dankbetoonende onerrand,
Door \'t Maagdengild daarop geplant!
\'t Dad reden! want, hoe kerksch men was,
De vlierpot bleef\' nu in de kas;
Kalmink noch sergie liep gevaar;
En schoenloos werd geen wandelaar.
Zoo groeide een wijsgegeven raad
Ten milden oogst van zegenzaad!
En toch , dat werk, met roem bedekt,
Had Scholte Stugginks gal gewekt!
Daar kwam hij ! Zonder ba of boe ;
Gelaarsd, tot aan de heupen toe;
Een knubbelstok in iedre hand ,
Kwam onze Paai. en stak van land ,
Zoo vaak de preekklok werd gehoord,
De brug bezijden , in de voord !
Het vroegre kerkvolk, droog daarnaast,
Was van dit vreemd bedrijf* verbaasd,
En \'t vragen keek uit elk gezigt;
Doch ieder hield zich wijslijk digt:
-ocr page 97-
74
DE HOOFDIGE KOER.
De troep kwam later op liet pad,
Waar Scholte Stuggink praat voor had:
Zijn makkers, uit den truiden tijd,
Dien vlieger, tol en bal verblijdt.
\'t Waarom en \'t hoe bleef dus gespaard.
Tot Wolter. naar den eisch bejaard.
Door gunstig toeval, juist van pas
Getuige van \'t spektakel was.
»In Goos naam. zeg ons, Scholtebuur"
Hief\' Wolter aan »wat raarder kuur!
Hoe plompt gij ons zoo dol voorbij?
Geloof, de brug draagt u en mij\'.\'"
»Ja\'\' klonk het uit de moddeiv.ee
»De Scholtebuur en gij zijn twee!
Gelooft hij niet wat gij gelooft:
Zoo menig inensch. zoo menig hoofd.
Zie daar ! al werd uw brug van steen.
Toch zal ze Stuggink nooit betreên!
Wie eere geeft krijgt eer weerom:
Onze ouders waren ook niet dom!
Een brug valt ligt in een te slaan ;
Onze ouders hebben \'t nooit gedaan;
Zij gingen, waar nu Stuggink gaat.
Eeuw in eeuw uit. de modderstraat.
Al welen wij de reden niet;
\'t Is vast op goeden grond geschied;
En hebt. gij hier een brug gemaakt.
Zoo hebt ge uw\' ouders eer geraakt!
Laat dit genoeg zijn. Wolterbuur;
De klok houdt op; \'t is negen uur.
Douwt gij een brug om droog te gaan?
Ik kom er ook. met laarzen aan I"
-ocr page 98-
HET VERSCHIJNSEL. !)
»lbiint obscuri, sola sub nocte, pei- umbram."
VIRGILIUS.
\'t Werd nacht; de kim betrok; geen vogel zong aan \'t pad
Waar langs een Reizend Man het wijde woud doortrad.
Holrommlend komt het oost het westen tegenrukken;
Een bui schijnt, zaaingepakt. der eiken top te drukken;
Zij scheurt; het luchtruim brandt; en. onderstoringehnd,
Berst gure regen over dal en heuvlen uit.
Waar zal de Wandelaar, waar zal hij redding vinden!
De hemel gloeit alleen, om hem nog meer te blinden!
Verbijsterd tast hij rond. naar zijn verloren baan;
Dan spoort de hoop zijn treên, dan houdt hem wan-
hoop staan;
Zie daar op eens een lamp. die in de diepte flikkert.
En. over zwalpend nat, met breeder stralen blikkert!
Omringd van puinval schraagt een toren, bij den vloed.
De kluis der needrigheid. het hutjen aan zijn voet.
Hier kwam de helle glans verrassend uitgeschenen.
Hoe moedig worstelt nu, door kreupelrnig en steenen.
De vreemdling naar de stulp, als naar een haven, voort!
Doch hij bereikt ze naauw. of ziet zijn vreugd verstoord!
Hij vindt het klein gezin, met doodsverw op de kaken.
Een muurhol ingevlugt, het dwarlend licht bewaken ;
De schaamte rietkap aan \'t geknakte bint ontroofd.
En de overstelpte vlam der haardstede uitgedoofd.
0 a\' \'e harde keus uit even bange nooden!
t Gevaar hier binnen grimt hem toe. gelijk\'t ontvloden!
01\' zal hij. ligt te stout! niet Iuistren naar \'t vermaan
^an huiswaard en waardin, en wagen \'t op te gaan,
Langs de enge kronkeltrap; vernachten in den toren;
In \'t zwarte slaapvertrek, waar \'t Spooksel zich laat hooien?
Het leger staat bereid, wijl \'t vaak hun heer gelust.
Dat hij den burg bezoekt, en daar van \'t jagen rust;
1) Zie aant. 17.
-ocr page 99-
76                                       HET VERSCHIJNSEL.
Maar \'t strekt bij dag alleen; het duister doet hem vlugten;
Dan krijgt deGeest hjer magt! Men hoort een treurig zuchten;
Een vreemd gestommel, dat onrustig gaat en komt,
En eindigt met een galm, die onder de aarde bromt,
Als rouwgelui. Een steen, vol schrift uit vroeger dagen,
Draagt heugnis van een Gast, in \'t oud kasteel verslagen;
Meldt, hoe zijn gouden pronk de rool\'zucht had bekoord;
En noemt den burgheer zelv\'als dader van den moord.
De nacht verborg het feit; de helle dag zou\' \'t wreken!
Hij rees! de stroom zwol bruizend aan ; de dammen weken;
Het land vloot weg, en \'t slot. dat om den toren stond,
begroef den onverlaat, die \'t heilig gastregt schond!"
Zoo spreekt het grijze paar, en laat, in \'t eerlijk wezen,
Den angst voor \'t spook rumoer, ten borg der waarheid, lezen.
De vreemdling, na \'t verhaal, peinst lang. en blijkt ontzet.
Doch nooddrang werkt ais moed: hij zoekt, met rasschen
Het eenzaam leger op; strekt afgemat zijn leden; [schred,
En slaapt ten lesten in, bij \'t momplen van gebeden.
En.\'s middernachts. wordt voor den slaper\'t stormgerucht
Grafstil. Doch nu...wat komt—staag nader!—Zucht op zucht
Komt hartdoorsnijdend uit den zwarten muur gevaren,
Waaraan het lamplicht blaauwt. Als fluistering van blaaren.
Door herfstwind saamsejaagd, is \'t ridslen in den wand.
Hij loert er angstig heen. en eene ontvleeschde hand
Breekt uit den steen, en wenkt, met opgestoken vinger.
Zij wenkt nog eens; nog eens! Daar zwiert, met wild geslinger,
De lamp teraarde, en straalt op bloed, aan \'t bed geplengd!
Een Doodsrif staat er bij! »Hijs. dien mij\'t noodlot brengt,
Om aan mijn dor gebeent\'. vermoeid van om te zweven,
Een beter grafplaats in gewijden grond te geven!
Eens lag ik daar, als gij; maar een verrader hield
Meêdoogloos staal bereid; \'k sliep in, en was ontzield!
Dit bloed, op de aard gestort, zal, voor ik rust, nietdroogen,
Hijs op! mijn stonde vliedt!" Nier grijpt met alvermogen
Het spook den hoorder aan, en laat niet los. en dwingt
Hem dreigend naar den muur, die voor hen open springt.
-ocr page 100-
HOOI\' VERLOREN ; TROUW BEWAARD.                       77
Hij volgt, onmagtig om de beenderhand te ontsnappen.
Zijn leidster in den nacht, van trappen voort tot trappen.
Den sluipweg af. dien \'t lest de Moordenaar, alleen
Met zijn geweten, ?\'no- Een nkelig gesteen
Steent uit de diepten op. waarin zij nederdalen,
\'t Wordt klank! \'t zyn galmen, met geen woorden af te malen!
\'t Is \'t rouwgelui, de schrik van dit verlaten oord.
Dat. om hen zwoegend, door het sombre donker boort.
Doch eindlijk heeft het Paar,\'t gedreun der burgtontronnen.
Langs afgestorte bres. het open veld gewonnen.
De vloed rolt achter hen zijn nevel tusschen \'t riet.
Het perk der akkers is doorloopen; het gebied
Der wouden ingetreên. De braambosch dringt de reten
Eens hoogen steenwands uit. De schuifuil knert. gezeten
In \'t riekend groen. Nu daalt de smalle holweg af.
Naar laagten, die \'t geruisch der popels leven gaf.
Met eenmaal klimt hij weer. door nederhangend loover.
De steile schuinte van een heuvel glibbrig over.
Zoo voert hen \'twisslend pad tot aan \'t geheime dal.
Waar. midden op een beemd, hun loopbaan einden zal.
Intusschen klaarde \'t zwerk; de maan verving het duister;
En \'t hol geraamt houdt stand, doorschenen van haar luister.
»Hier is \'t! Ga heen. en slaap. Maar. als de morgen licht.
Gedenk mijn langen nood. en uwen duren pligt\'"
Dus spreekt het. en verzinkt. Met wildgerezen haren.
Blijft nog zijn Togtgezel op \'t ellen grasveld staren:
»Hoe teekent hij den plek. voor\'t hem bevolen werk?
\'t Ontberelijkst gewaad verstrekk\' hem tot een merk!"
Hij leut het af; met een is ook zijn droom geweken;
Het grasveld wordt de vloer; \'t gevallen dek zijn teeken.
HOOP VERLOREN; TROUW BEWAARD. *)
(De trant van Cats gevolgd)
Daar rijst, uit Veluws zand. omtrent de Zuiderbaren.
O Zie aant. 18.
-ocr page 101-
78                      HOOI\' VERLOREN ; TROUW BEWAARD.
Een stad, vol rappe maats, die t zilte diep bevaren;
All\' Peters Gildebroêrs. de schrik van \'t stom gediert\',
Dat. sinds den vijfden dag, in \'t ruim der golven tiert.
Hiei\' was nog \'t vensterglas, ook zonder luiken, veilig;
De huishaan, op zijn rek. voor linksche grijpers heilig;
Geen ander nachtrumoer dan \'t buldren van Kool\';
En waarom meer gezeid? hier was geen llooge School.
En nogtans evenwel was hier de Dloem der Maagden ;
Een brein, vol wetenschap, waarvan geen scholen waagden!
En wat geen spits vernuft met zuren arbeid vond.
Dat kwam het schoone Kind gevallen uit den mond.
Zij wist van oud en nieuw; zij wist, uit alle talen —
Zij wist, uit ernst en jok, het innigst merg te halen ;
En bragt het zonder dwang, als zonder trots, te pas;
En won \'t den sneegsten af, of\'t enkel speelwerk was.
Maar leert hier, wie gijzijt; leert hier, hoe wijze boeken.
Noch strafgezinde tucht de looze Min verkloeken !
Het Boefje kwam in \'t spel, en ziet. een zoete smart
Drong, uit Leanders oog. tot in Jozindes hart!
Zij voedde stil die vlam. Haar Vader had voordezen,
Op hooger echt bedacht, den Vrijer afgewezen.
En meende, slecht beman, als lag de Heidebrand.
Op zijnen wenk alleen, in beider hart vermand.
Nogtans \'t inwendig vuur en liet niet af\' te blaken ;
Arglistigheid zag kans. om toch haar doel te raken :
Een taal van teekens bood haar hulp aan sluikerij.
En stond de drokke pen met vreemde knepen bij.
Zoo groeiden evenstaag uit vonden nieuwe vonden ;
Tot schele nijd verried, hoe hier de zaken stonden;
Hoe kwaad tot erger werd, en de ongefnuikte lust
Ook zonder tonge spreekt, ook zonder lippen kust.
Alardus gloeit van spijt: Jozinde moet te wagen !
Hij zendt haar onvoorziens naar ver verhuisde Magen;
En als nu \'t arme Wicht vast schreijend henen spoedt,
Zoo is het. dat hij fluks Leander komen doet.
• Wat drijft u. jonge Laf, mijn grijze kruin te honen?
-ocr page 102-
HOOP VERLOREN J TROUW BEWAARD.                      7\'J
Wat zoekt gij \'t waardste pand een Vader aftetroonen;
En slaat zijn streng bevel versmadend in den wind;
En hengelt, hem ten trots, omtrent zijn Eenig Kind ?
Wil vrij met aar bejag uw wulpsche drilt en vieren;
\'t En past geen vale tor, om geestig ooit te zwieren;
Haar aas is \'t slechte gras; ga, zoek dat in het slijk;
Mijn dogter is geen spijs voor u en uws gelijk!"
Zoo dondert over hem Jozindes gramme Vader,
En weidt nog verder uit, en komt zijn harte nader,
En zweert: hoe nooit zijn Kind zal keeren in de stee,
Voor dat Leander zij geweken over zee;
01\' dat een wakkren Man, tot hoogen slaat geboren,
Jozindes regterhand mag wettig aangehooren;
En, op haar prijs geschat, de paerel zich vertoon\',
Niet in een schaamlen krans, maar in een gulden kroon.
Denkt, hoe de Minnaar stond, als hem die raauwe woorden,
Als hem dit droeve slot het innigst merg doorboorden!
0 al te bittre nood ! o al te linksch beleid,
Dat door de Liefde zelv\' de teèrc Lieven scheidt!
De jongling moest van daar; hij moest als balling leven,
Om van zijn zuivre min een regte blijk te geven;
Hij moest van haard en erf. en lijden \'t zwaarste kruis,
Opdat de zoete Maagd mogt keeren tot haar huis.
Na vier paar dagen tijds. zoo ging Leander dolen,
En, waar hij henen voer, dat bleef zijn lief verholen,
Vermits de vvakkre Alard\', die op den handel past,
De wegen heeft versperd, de boden heeft verrast.
Doch wat de Grijsaard zocht, dat mogt hem niet gelukken!
Waar regte liefde zaait, daar spruiten wondre nukken;
Daar is het Lief de zon, in haren zomerstand,
Die, hoe zij verre week, hoe zij geduchter brandt.
Jozinde kwijnt en smelt; zij is niet, die voor dezen
Gelijk een milde bron van zoetheid plagt te wezen :
Haar vinding faalt de kracht; haar oordeel \'t overleg ;
Ook \'t purper van haar wang vloot in haar tranen weg.
Wat dat de Droeve denk\', zijn beeld staat voor haar ziele;
-ocr page 103-
80                      HOOP VERLOREiN ; TROUW BEWAARD.
Het zij ze sluimrend ligge , of biddend nederkniele,
Het beeld , het treurig beeld houdt haren geest bezet,
En wekt baar uit den slaap, en stoort haar in \'t gebed.
Wat dat de Droeve sehrijv\', den naam van haar Beminde
Dien zet zij op \'t papier; dien snijdt zij op de linde;
Dien maalt zij op \'t paneel; dien grift zij in den wand;
Dien stikt zij in het doek ; dien trekt zij in het zand.
En is er soms een lied nog uit haar mond gekomen,
En heeft zij, als voorheen , de citer opgenomen,
\'t En had geen regten aard, maar, met een doffen klank,
Zoo kwam er meerder niet dan deze tortelzank:
Gij llloemtjes, in een woud gegroeid,
Waar nooit de dartle jonkheid stoeit;
Die daar uw zuivre kelken
Geeft, ongeplukt, terug aan \'t slijk ;
Mijn leven zij uw bloei gelijk!
Mijn sterven uw verwelken !
Het roerde Alardus niet! hij kwam haar alle dagen;
Hij kwam haar evenstaag met sehampre reden plagen;
En wat er in het land van eedle jonkheid is,
Dat trekt hij aan zijn huis, dat noodt hij aan zijn disch.
Zij hunkien om de Maagd, met honderd wulpsche zwieren,
En, mits \'t haar Vader wil, zij moet de lekkers vieren;
Moet hooren hun geklap, en zien hun laf gebaar,
Als of zoo dom een spel haar innig wenscben waar.
Doch even als de Zwaan, gereed haar aam te geven.
En aan Meanders boord allengskens aangedreven,
Niet luistert naar \'t gekwak der vorsehen in den vliet,
Terwijl ze een sterfsteê zoekt, en peinst op \'t laatste lied,
Zoo deed haar eedle geest! Ook ziet Alard\' in \'tende,
Hoe niets de trouwe ziel van haar Leander wendde;
Hij ziet, hoe staage dwang haar jeugdig leven bluscht,
En laat de vrijers gaan, en geeft der vrijster rust.
Dit baat de teêre Duif, en nu ze vrij mag zuchten.
Zoo schijnt de felle Dood weer van haar af te vlugten;
Het roosjen evenzelf, dat op haar wang verschoot,
-ocr page 104-
hoop verloren; trouw bewaard.                81
Herwon met eiken dag iet van zijn eerste rood.
Haar boezem lijkewel en liet de trouw niet varen:
2ij bleef dezelfde nog, na zeven bange jaren;
En schoon zij vake schertst, of ook bijwijlen lacht,
\'t En is maar vliegend vuur; een weêrlicht in den nacht!
Het was nu om den tijd. waarin de dagen lengen.
Vis, aan Alardus huis, een buur de maar kwam brengen:
»Dat, in zijn gulden koets, de Fransche Staatsgezant
Van uit het Ilofverblijf ter stee was aangeland."
!lij sprak \'t, en spoedde weg, toen, zonder prohkvertooning,
L)e Haagsche Gast verscheen omtrent Alardus woning.
En. door een edelknaap den Huisheer aangediend.
Straks minzaam binnentrad, als tot een ouden vriend.
«Alardus. waardig man!\'\' dus klinkt zijn heusche rede
•Wat mij hier henen brengt en is geen slechte bede;
Doch zoo een stout verzoek uw toeslag hopen dorst,
Gu wont er eere door. ik gunste bij mijn Vorst.
Ik heb in mijn gevolg de Kroon der Edelingen.
Die. in hel groot Parijs, mijns Ileeren troon omringen.
Het manvolk prijst zijn moed, de jufferschap zijn leest;
Doch wat hem \'t schoonste siert, dat is zijn wakkre geest!
Dat is zijn blanke trouw, in een gevecht gebleken,
loen \'s Konings ruiterwacht lafhartig was geweken,
Wanneer Renalde alleen, in spijt van slaif en schoot.
Het dierbaar Vorstenhoofd ging redden uit den nood!
Het is de riddernaam; het zijn de gulden orden,
Door \'s Prinsen milden dank den Held ten loon geworden;
Het is zijn needrig hart, dat, in den adelstand.
Geen stugge nukken voedt, geen oude heuschheid bant.
)och, hoor een zeldzaam werk! Die geest, vol wondre schat-
3at hart, waarop nog nooit verdoolde lusten vatt\'en; [ten;
Dat harte, naar den schijn, te kloek voor \'t mingeweld,
Is, sinds hij herwaarts kwam, te bijster vreemd ontsteld!
t En is geen aardig wit. geen gloor van roode wangen;
t En zijn de strikken niet. die losse wulpen vangen.
Staking, Gedichten.
-ocr page 105-
82                nooi\' verloren; trouw bewaard.
Wat \'s Ridders zin verwart: een ziel, een schoone ziel,
Al kent hij \'t ligchaam niet, is \'t, wat Renald\'geviel!
Een Dicht, aan \'t Haagsche Hol\' ter tafel opgelezen;
Een vrucht uit maagdenbrein, voor mannenwerk geprezen;
Een zoet geslingerd schrift, een vlugge vedersprong,
Die vongen \'trap Vernuft, dat nog geen schoonheid vong.
Want, zie, van stonden aan als hij de verzen raakte,
Zoo scheen het, of een vuur uit killige asch ontwaakte;
Zoo kwam een vreemde zucht gerezen in zijn bloed,
Die als het felst venijn omtrent zijn harte woedt.
Ik zag zijn lijden aan; ik zag hem stil verkwijnen;
Ik peilde tot den grond de bronwel van zijn pijnen;
\'k Verraste \'t vreemd geheim, dat in zijn boezem was,
En zocht de Heelster op, die zijne kwaal genas.
Uw Dogter, achtbaar Man; want waar toe meer gesproken;
Jozinde heeft dien brand in \'s Ridders borst ontstoken!
Het pogen sta hem vrij, dat hij haar gunst gewinn\',
En fiere maagdlijkheid doe zwichten voor de min.
Dit is \'t waarom ik taal." »0 Pronk van Frankrijks staten !"
Begon Alard\' daarop „Wal kan uw gunst mij baten !
Mijn Dogters dwaas bedrijf; Jozindes stusr gemoed
Treedt, met baars A\'aders roem. haar eigen met den voet.
Zij waar Renald\' gegund ; een Zoon. zoo uitgelezen,
Door zulk een hand geboön, door zulk een mond geprezen.
Waar \'t siersel van mijn huis en van dit grijze hoofd;
Was slechts Jozindes oor niet voor mijn stem verdoofd !
Eilaas, \'t is zeven jaar ..."
Hier bleef zijn klagte steken,
Want, ziet, Jozinde zelv\' kwam in de zaal gestreken;
Het oog vol zoete vreugde, al blijkt de wang beschreid ;
En \'t is ... Leander is \'t, die \'t schoone Kind geleidt!
Renalre en nu zijn èèn ! Geen waarheid heeft ontbroken.
Aan wat er tot zijn roem door Vriendschap werd gesproken:
Verdichting had niets meer haar in den mond gelegd,
Dan \'t geen van \'t Haagsche Hof misleidend werd gezegd.
-ocr page 106-
DE SCHAT.                                          83
Nog eens: i.ea.nder is \'t! De Held. zoo hoog geprezen,
En door Alardus zelv\' ten schoonzoon uitgelezen;
De Redder van een Vorst; het schild van Frankrijks eer
Knielt, aan Jozindes hand. in haar i.eander neer.
Lig hier, mijn radde Pen ! wat hoeft er meer heschreven ?
\'t Gescheiden is hervoegd; mijn taak is afgeweven.
Wie maalde \'s Vaders vreugd! wie maalde \'t blijde Feest!
Die hier het diepste zwijgt, die zeit het allermeest.
Doch Gij nog, zoete Jeugd ! in de eigen Vest geboren,
Waarin dit loüijk Paar het leven was beschoren,
Wees trotsch op de eedle Twee, en roem voorHarderwijck:
Waar had een Zusterstad Gelieven, die gelijk ?
En ziet gij Veluws Haak omtrent het Kerkhof\' rijzen,
Daar kan een grijze steen u nog hun gral\'plaats wijzen.
Hij duidt op beider Trouw, een spiegel eventhans;
Een spiegel, in de min, voor vrouwen ende mans.
1787.
17«t0.
DE SCHAT, i)
»Il n\'est rien qiïon ne conté en diverses facons.«.
De La Fontaine.
In zeker Hol, (men twist nog, waar)
Sloot zeker oude Tooveraar
Zijn spaarbutl weg. Het rammlen van de schijven
Kon slecht verborgen blijven :
Geld klinkt te luid ! en niet te min ,
Het was in \'t hol, en \'t bleef er in ;
1) Zie aant. 19,
6*
-ocr page 107-
84
DE SCHAT.
Dank aan den bolster, die hel kostlijk pit omkleedde:
Een Kei!
Zoo rees er uit de Drentsche hei\'
Geen tweede !
Ten leste toch , het puik der Ridders kwam,
Om deze noot te kraken,
En dan. op nieuw krediet, weer nieuwe schuld te maken,
Naar \'t erl\'gebruik bij zijn doorluchten stam.
Verheven boven mindre stervelingen —
Vijl\' trappen hoog — hield eens de Bankroetier,
Met onvoldane rekeningen .
Het vuur te gang. waarvoor een sprot, drie, vier.
Gespit aan zijn rapier.
Te braden hingen.
Wat wil \'t geval ! De nieuwe stadscourant
Beschreef de zaak . en kwam . sinds weinig dagen .
Door lezers en door spellers voortgedragen .
In \'t naaste winkelhuis te land.
Hier werd zij om de visch gewikkeld,
En steeg trapop.
Schoon vrij nieuwsgierig van natuur.
Voelt onze Man , in \'t etensuur,
Zijn weetlust doorgaans min geprikkeld;
Doch. zie! het weggeworpen blad
Vertoont van ver. met grooter letter,
Het woordken schat !
»Wat staat daar !« roept de Kok, en zet er
Zijn spit bij at\' »een Schat! dien zocht ik juist! —
Een Tooveraar; — een Steen, waarin een Spaarpot
[huist; —
Geen Reus! geen Lindworm! — neen! De kans is dus
[te wagen!
-ocr page 108-
80
DE SCHAT.
En, wat mij regt geeft...» »om, met ridderlijke hand,
Die prooi te ontvoeren, aan een boozen Nekromant?««
Zoo heil\'g een roof..? hielp mij Sint Stoffel dragen!«
Genoeg! de werftrom raakt te werk.
Een bende , zeven gasten sterk ,
Wordt, onder valschen naam, in \'sRiddersdienstgenomen;
Met hamers toegerust; ter wandling g\'equipeerd;
Voorts... »Hou\'« roept iemand »dit zijn droomen!
Waar kreeg hij \'t Geld?« Het Geld — zou\' uit den
[Spaarbuil komen :
Daarop was alles ge\'assigneerd.
Maak plaats! zij gaan.
Hoe, vaak , in woeste velden ,
\'t Onzeker spoor
Hen voor moerassen bragt — zich tusschen \'t ruig
[verloor;
Hoe, beurteling, hen dorst en honger kwelden;
Hoe, soms, op \'t looverbed, in \'t onherbergzaam diep
Van \'t woud gespreid, de storm hen wakker riep;
Hoe lang de weg hun viel; hoe zij de dagen telden ;
Daar zwijg ik van; wij zien de Grot; met een
Den Troep, verzameld om den steen!
Hun Leidsman schijnt zoo half en half te hopen,
Dat. wat ten koffer strekt, als koffer is te sloopen.
Gewapend met zijn bril, draait hij om \'t keiblok heen.
Hij tuurt omhoog, omlaag; hij krabt, aan alle hoeken,
Naar voeg of reet; maar, ziet, hij vindt er geen!
Een wig drong nergens in; de moker dient te zoeken,
Waar \'t bersten wil, door blind geweld alleen.
Het dolst rumoer doet nu de bergkluis trillen!
Moog vrij
De Held , met zijn Cyclopenrij ,
Den tijd op diamant verspillen ,
Hun moed houdt vol! \'t Uitzinnig razen groeit
-ocr page 109-
86
DE SCHAT.
Al aan, al aan! Een stroom van zweet besproeit
Elk rimplend voorhoofd; de adem gloeit
In iedre borst; tot. na tien duizendtallen
Van slagen, de eerste slag \'t verborgen teeken raakt.
Welks deugd den steen onkwetsbaar maakt!
Victoria! de hamers vallen
Van stonden aan niet vruchtloos meer!
Een regenbui van gruis komt neer!
Victoria! dat hol en veld weêrschallen !
Het lijkt wel, naar den dunk van onzen Paladijn.
Met dezen drup geen enkle jok te zijn ; —
\'t Lijkt ernst, wat. op zijn kruin, denscherpsten keizelregen
Juist aan dien oord te samen drijft.
Waar Doctor Gall de kwade zestien1 schrijft:
Doch ernst of jok . dit maakt hem niet verlegen ;
Hij heeft den Schat. en nog iets toe gekregen.
Eerst wordt de spaarbeurs onderzocht: —
Rond afgepast, in gladde pistoletten ,
De kosten van den Togt!
En , wat voor Toegaat\' strekt, een pint Schiedammer
Om schramp en kneuzing mee te betten.
            (vocht,
\'t Mislukt veeltijds, door onbezuisde kracht
Fortuin haar gaven af te dwingen.
Waar stille vlijt geduldig op haar wacht,
Kiest zij haar gunstelingen.
1) De welving van de steelzucht wordt door dat nommer aangeduid ,
op de bekende cranioskopische gipslioofden.
-ocr page 110-
VULCANÜS WRAAK.1)2)
"Mars en Venus ick nomen sal —
Ghevangen, in Vulcane net."
Liedeken van Andries Crijnen VerVeen ,
Prince der Goudtsbloemen; ten jare 1620.
Viel \'t Mulciber wat zuur.
voor \'t vuur,
In Lemnos winkelholen .
Zoo liet hij vaak , op rust bedacht.
Het korten van Vrouw Venus nacht
Den Droomgod aanbevolen.
Zijn Wederhelft verbeet
haar leed.
Getroost om stil te bukken.
Slechts had zij , in een dennenwoud ,
Naar stijl, der Maan iets toebetrouwd.
Van Manliefs wondre nukken.
En jonkvrouw Maan verried
haar niet.
Zij kon van oudsher zwijgen. 8)
Dat Mars haar snood beluisterd had.
Toen ze in zich zelv\' te praten zat,
Was haar niet aan te tijgen.
Veel minder wat de Guit
hier uit,
Ten eigen onheil. brouwde ;
1)   Uit hoofde van Lidmaatschap, ingezonden ter Kamer van Rheto-
rica, genaamd de goudsbloemen, daar men schrijft: uit jonste
BEGREPEN.
2)  Zie aant. 20.
3)  Silentia Lunae.
-ocr page 111-
VULCANUS WRAAK.
Wanneer hij aan vrouw Lemnia
De schuld van een te plompen gaa
Handtastelijk ontvouwde.
Haar Hinkvoet liet eens wijd
en zijd
Zich hooren met zijn hamer,
Als Mavors, zonder oorlogstrom,
Een digten nevelmantel om,
Kwam strijken in haar kamer.
Ligt maalde hier \'t penseel
te veel;
Mijn Zangster laat het glij\'en!
Genoeg, dat Sol *) zijn ronde deed,
En, loerend door een vensterreet,
Het weeldrig volk zag vrijen;
En wie, en wat hij vond
terstond
Den Smid in \'t oor ging lluiten;
En \'t narigt met den raad besloot,
Om, eer zijn kruin meer takken schoot,
Die sluikerij te stuiten.
»Dat wil ik, Vriend ! Hoe bars
Held Mars
Zijn pluimkasket moog\' zetten;
Hoe zeer in schalkheid uitgeleerd,
Hij zal, van dezen togt gekeerd,
Geen zegedeun trompetten.
Ik blijf\'; klief c.u ter vlugt
de lucht,
En noodig hier de Goden !
De Zon.
-ocr page 112-
Mi)
VULCANTS WRAAK.
Uoch Jovis breng\' wat vuurwerk meê :
De schemering bij Cythereê
Heeft ligt die hulp van nooden."
Sol ging. Nu gordt Vulkaan
zich aan ! —
Hij toont zijn kunstvermogen :
Uit smedig ijzer wrocht zijn hand
Een Met. voor Herkies kracht bestand —
Te fijn voor Lynceus oogen !
»Op, Ma vors! op! Rijs, Pa-
phia!\'\' —
Zij luistren niet! Zij slapen ! ■—
Dien hen zal wekken is niet ver:
Sleepvoetend nadert Mulciber,
Met zijn verraadlijk wapen.
Vergeefs weerstaat het slot
een God;
Vergeefs is \'t nacht daar binnen :
De Visscher komt, bedaard en koel;
Vischt; vischt; onmerkbaar voor \'t gevoel;
En \'t Paar beweegt geen vinnen.
Daar schiet het, met een zet,
in \'t net;
Van tusschen dons en deken!
De treklijn, om de vleet gesjord,
Is fluks ten dubblen knoop geschort;
Hun leste kans verkeken!
Zoo wordt de dartle lust
gebluscht!
Wat schrik ! wat jammerstemmen !
»Twee Goon" roept Mars, met lange lip.
»Twee Goön, als baarzen in den knip;
En, ach, gedoscht tot zwemmen!
-ocr page 113-
!>()
VDLCANl\'S WRAAK.
Help, Joris!\'\' Jovis hoort,
op \'t woord:
De scheemring zwicht! hij is er! —
Een stoet van Goón verzelt Jupijn ;
Neemt meê de vangst in oogenschijn;
En schatert: »Leev\' de Visscher !\'\'
„\'t Is tuwer instructie, ghy Amoureuse scholieren
Die naer ghehoude Vroukens haect."
i. B. Holwaekt , Handel der
Amoureusheit. 1621.
-ocr page 114-
TOELICHTING.
VOOK HET VOLGEND STUKJE.
a en ö, in daar, gelogen, enz. spreke men in dit stukjen
uit als de fransche
au, in Paul; ö, in volle; enz. gelijk
de hoogduitsche
ö, in töpt\'e, door een\' Nedersaksch wordt
uitgesproken;
ae, in waerglas. enz. als de fransche è in
père; ïï, in smllt. enz. als de fransche i, in lit; üü, in
flut, enz. als de fransche u, in hit. Men zal dan, ten naas-
tebij, goed lezen. Als klemteeken gebruik ik (\').
Be spelling van het Westphaalsche Bovenschrift vond ik
min verkieslijk, en de aardigheid van het oude Boekje,
waaruit ik hetzelve genomen heb, te grof, om den algemee-
nen titel te noemen.
Be ineensmelting of samentrekking van woorden, en weg-
werping van lettergrepen en letters heb ik, op het voorbeeld
van onze Ouden, onaangeduid laten blijven; ten einde het
oog niet door de menigte der teekens te verbijsteren; want
de Zutphenaar, plat sprekende, is een groote vriend van
verkorten.
Be Algemeene Nederlandsche Taal tegenover den bijzon-
deren Tongval geplaatst, zijnde, worden daar door de duis-
terheden (al moest het dan ook door eene ongelijke en stijve
overbrenging geschieden) voldoende opgehelderd.
»Smïït oe dale\'\' (ook smïït oe van de benen) is een
boertige zegswijze, voor
»ga zitten." Dale is neder, in \'t
algemeen; ook in H Platduitsch: b. v.
«settet ju daal\'\'
set u neder.
Opzigtelijk de Uitspraak, had ik. bij den eersten druk
van de Tuchtiging der Algerijnen te veel toegegeven aan
een\'1 Criticus, in het Zutphensche wonende, maar een stedeling,
en daarenboven in Overrijssel geboren en groot geworden ; van
daar de tegenwoordige afwijking van het vroeger uitgegevene.
Het plat, door mij gebezigd, heeft de meeste overeenkomst
met hetgeen omstreeks
Vorden en Locheni wordt gehoord.
Boch eene enkele Spreektaal, gelijk deze, weifelt zoo zeer
op de tongen, dat men, dezelve Schrijvende, uit den aard
der zaak, Niemand Volkomen kan voldoen.
-ocr page 115-
DE TUCHTIGING
DER
ALGERIJNEN,
OP DEN 27 VAN OOGSTMAAND 1816.
In Boeren Zutphensch.
„i>au diepe Waurde suntet nicht, dat die Koster —
daarom behoive toe kommen.1"
Vojaoik van een Westpheelschen
Buerensoon. Bldz. 20.
Engbert, Gartjan,
Engbebt. {buiten deurs)
Heila !
Gabtja.n. (binnen \'s huis)
Komt r in!
Engbert. {binnentredend)
Goen dag! Daar huk weer.
Gartjan.
Engbert, zun i dat! wel noe volg er meer!
"Schepers Engbert is veur Algiers ehleven\'\'
Ston. zo de praat gink, in de Krante beschreven.
Engbert.
In den Almenak vin i de waarheid, Gartjan !
De Krante en \'t Waerglas bedrug alleman.
Kans hawwi van bliven ; das ongelogen!
Daar het kogels genogt deur de locht evlögen;
(Te Algiers, wik zeggen) en èèn öflt den hoop . ..
Zo hak al te volle! Maar k zun er goekoop
Af\'ekommen.
Gartjan.
Dat böi! smïït oe dale ;
Vertel mi wat van oelu daden; ik male
-ocr page 116-
DE TUCHTIGING\')
DER
ALGERIJNEN,
op den 27 van Oogstmaand 1816.
OVERZETTING
VAN HET HIERNAAST STAANDE
Boer en-Zutpb ensch.
Eg bert . Gerrit-Jan.
Egbkht. (buiten deurs)
Heila i
Gerrit-Jan, (binnen\'s huis)
Kom binnen!
Eg bert, (binnentredend)
Goeden dag ! Daar hen ik weer.
Gerrit-Jan.
Egbert, ben\' jij dat! wel nu volgen er meer!
•Egbert, de zoon van Scheper, is voor Algiers gebleven"
Werd, zoo de spraak ging, in de Courant geschreven.
Egbert.
In den Almanak vindt ge de waarheid, Gerrit Jan !
De Courant en \'t Weerglas bedriegen alle menschen.
Kans hadden wij van blijven; dat is ongelogen!
Daar zijn kogels genoeg door de lucht gevlogen;
(Te Algiers wil ik zeggen) en èèn uit den hoop...
Zoo had ik al te veel! Maar ik ben er goedkoop
Afgekomen.
Gebbit-Jan.
Dat ben\' je! Plak je daar neer;
Vertel mij wat van uwlieder daden; ik maal
1) Zie aant. 21.
-ocr page 117-
5)4                         ME TUCHTIGING IIEK ALGERIJNEN.
Op niks anders. Et zit er nog in, dat ik mee
An den bak scheepskost hebegetten, enjaar of twee.
ENGBERT.
Noe dan ; heur toe!
Die Algierse venters
Had sestig... (k leut\' meer!) kristemensen an flenters
Ehakt. fiiit baren meudwil; ook gink
Eur olde staelen weer an; ze gal\' urn gèèn dink!
En onzen Kónnink dorst ze öök an te blekken!
Den was dat, köi denken, in den krop bliven stekken.
Ook duurde \'t niet la\'nge, of daar hait! de Ammeraal
Van de Capellen mos tot urn. «Miinhaer de Ammeraal"
Zei de Kónnink »ik mot oe es vragen :
Zol dat Dievengespüüs van Algiers os plagen,
Noe het Franse, met Gods hulpe, klein is einaakt?
Dan waar \'t Land üüt den raegen in den druperaakt!"
»Reg zo, Oe Hoogheid!" zei de Ammeraal »en geen viven
En zessen meer mèt eur! — \'t help ze maar stiven.
In eur kwaa nukken; daarum —■ kort en goed:
Schaf\' i kogels, wi —- schiet ze eur raak op de hoet."
»Genogt" zei de Kónnink.
Klaar was \'t! wi mos vechten;
Met den Engelsman saam; die zol \'t alles beregten,
NS wize en tïïd.
Veur algiers trok Lort Exmouth veurüüt:
En schip as en karke! En een Miinschip vol krttflt:
Hawwe öök; en bomkettels zatter; en neimoodsche pilen,
Met hels tuug, om \'t Nest tot den grond te vernielen.
Daar raasde \'t hen; of et Jongste Gerigte begost!
An wal doch ze vast. dat wi niks en kost,
En bleef, op en hoop, as ezels staan kiken.
Tot et losbarstte. Doe wist de Heiens van striken!
(Die de ribben nog heel had, verstaat zik.) De Stad
Gaf van klinktem bescheid; en, bi dit en dat,
-ocr page 118-
93
DE TUCHTIGING DER ALGERIJNEN.
Op niets anders. Het zit er nog in, dat ik meê
Aan den bak scheepskost heb gegeten, eenjaar of twee.
EgBERT.
Nu dan; hoor toe !
Die Algiersche karels
Hadden zestig.... (ik geloof meer!) christemenschen aan
Gehakt, uit enkel moedwil; ook ging
              [flenters
Hun oude stelen weer aan; zij gaven om niets !
En onzen Koning dorsten ze öök aan te blaffen.
Dien was dat, kunt ge denken, in den krop blijven steken.
Ook duurde \'t niet lang, of daar had ge \'t! de Admiraal
Van de Capellen moest bij hem komen. «Mijnheer de Ad-
Zei\' de Koning «ik moet u eens vragen: (miraal\'\'
Zal dat Dievengespuis van Algiers ons plagen,
Nu het Fransche, met Gods hulp, klein gemaakt is ?
Dan was het Land uit den regen in den drop geraakt!"
«Juist, Uw Hoogheid!" zei\' de Admiraal «en geen vijven
En zessen meer met hen! — het helpt ze maar stijven
In hunne kwade nukken; daarom — kort en goed :
Bezorg gij kogels, wij — schieten ze hun raak op de huid!"
«Genoeg!" zei\' de Koning.
Klaar was het! wij moesten vechten ;
Met den Engelschman samen, die zou \'t alles beschikken,
Naar wijze en tijd.
Voor Algiers, trok Lord Exmouth vooruit :
Een schip als een kerk! En een Mijnschip vol kruid
Hadden we ook; en bomketels in menigte; en nieuwmo-
dische pijlen,
Met helsch tuig, om het Nest tot den grond toe te vernielen.
Daar raasde \'t heen: of het Laatste Oordeel begon !
Aan den wal meenden zij zeker, dat wij niets konden ;
En bleven, op een hoop, als ezels staan kijken,
Tot het losberstte. Toen wisten de Heidenen van loopen!
(Die de ribben nog heel hadden, begrijpt zich.) De Stad
Gaf van klink bescheid; en, bij dit en dat,
-ocr page 119-
96                         DE TUCHTIGING DER ALGERIJNEN.
Heit ze t helden, et zunt geen mensen,
Die zoone praek niet an den nazegen wensen
Ook knikten de knieën mi allebot,
Of mi de kolde in de benen schot.
Dat duurde, zo k denke, goe tien minuten
Maar de haze, in iniin harte, stak gèèn öór der buten :
k Brog miin stuk in de rigting, met al miin verstand;
En den negensten kogel akkraat te land
Naast en schietgat: kabaal\'! de muur van mekander!
Twee kanons üöt de rige! en en moorse stander
Die er bi ston, mee deur de piiiin rondumme geflaerd!
«Geluk — geen wiisheid!\'\' zeik. «t Is en daalder waerd!"
Riep ons Kaptein «daar heim!\'\' en he wol niet lüüstren,
Wak praatte.
Van toeversan begos t noe te dflflstren.
Deur den damp. en wi klaard ons wark op de gis.
Wol \'t niet best raken ? geduld ! dan was t mis.
Maar, ik wil t oe beloven! al vlógg ze in den blinden,
Mannig kogel wis ziin we<r te vinden ;
En kostte t heurlu. t kostte ook oslu bloed ! ■—
Et slimste toch verjrink t et Morenbroed :
De vonken weid üöt de Stad naböven.
Van eersten af an: ze brien, krek as en oven !
Eure Vlote in korten nie minder. En noe sloeg
t Krüötschip an spaanders! Hol klokte os dezee veurde
[boeg;
De vlamme schot torenslank op! Maar, die \'t zoog gebeuren
Kon. in \'t groezaani rumoer, van den slag niks heuren.
Zo gink t er af. Man! zes uur an een stuk! Eur Nest
Was schoonegloid as ne pipe ; — al de pest
Jog de locht in. Dat liet we os deftig betalen.
En de Kristenslaven te hope halen .
Das ze , vri van ransoen. met os gink. En bult geld
Het ze os ook, veur de Napelsen. toeëteld,
Wie dat nog toekwam. Ook wordde er beschreven.
-ocr page 120-
97
DE TUCHTIGING DER ALGERIJNEN.
Heeten zij \'t helden , het zijn geen menschen ,
Die zulk een preek niet aan den nazegen wenschen.
Ook knikten de knieën mij telkens ,
Als of mij de koorts in de beenen schoot.
Dat duurde, zoo ik denk . een goede tien minuten ;
Maar de haas, in mijn hart schuilend, stak ergèèn óór buiten:
Ik bragt mijn stuk inderigting, met alle zorgvuldigheid
En den negenden kogel net afgepast te land
Naast een schietgat. Pat\'! de muur uit malkander!
Twee kanonnen uit de rij ! en een moorsche stander
Die er bij stond , meè door de puin omgesmeten !
«Geluk — geen wijsheid!" zeide ik. »\'t Is een daalder waard!"
Riep onze Kaptein »daarhebtge hem !\'\' en hij wilde niet
Wat ik praatte.                                             (luisteren ,
Allengs begon het nu duister te worden ,
Door den damp . en wij klaarden ons werk op de gis.
Wilde \'t niet te best raken ? geduld ! dan was \'t mis.
Maar , ik verzeker u ! al vlogen ze in den blinde ,
Menig kogel wist zijn\' weg te vinden ;
En, kostte \'t hunlieden, \'t kostte aan ons ook bloed ! —
Het ergst nogtans verging \'t het Moorenbroed :
De vonken woeijen uit de Stad naar boven ,
Van eersten aan: zij brandde, even als een oven!
Hunne Vloot weldra niet minder. En nu sloeg (den boeg;
Het Kruidschip aan spaanders! Hol klotste ons de zee voor
De vlam schoot torenshoog op! Maar, die \'t zagen gebeuren,
Konden, in \'t gruwzaam rumoer, niets van den slag hooien.
Zoo ging het er toe. Man! zes uur achter een! Hun Nest
Was schoon uitgebrand als een tabakspijp; —al de pest
Joeg de lucht in. Dat lieten we ons deftig betalen,
En de Christenslaven te samen halen ,
Dat zij, vrij van rantsoen, met ons gingen. Een hoop geld
Hebben zij ons ook voor de Napelschen uitgeteld,
Welken dat nog toekwam. Ook werd er bepaald,
Staring, Gedichten.                                                       7
-ocr page 121-
98
DE TUCHTIGING DER ALGERIJNEN.
Zwart op wit, dasze veurtaan niks en bedreven
Tegen t reg van de völke (zo t heit; maar daar hek
Geen verstand af). Genogt, dat de schoelies eur nek
Mos bugen, en (prakkezeer et es na!i dat onz schepen
Mee bi den dans waar!
Hoe hield ze os beknepen.
Die lelleke Fransen; pas twee jaar verleen !
Hoe wist enre dartig miljoen os üüt te kleen —
Os! handvol mensen ! t Lans geld. amnisie. tugazie.
Schepen, matrozen, soldaten mos weg! De koerazie
Liet ze os allenig, om, wasze, in eur euvermoed schond
En vernieldet, in Goos naam. van n\'n\'s. üüt den grond
Weer op te halen. Ook hield wi. diep in onz zakken
En spaarpennink vast: of\' he neer mog smakken.
Die daar, op t hoogste van t rad van fortuun
Ston te kreien !
In t end lag he dale; en et gruun
Van d Oranjenboom sloeg, as de Lelies daar ginter
Hier üüt den wortel op . naa n twintigjarigen winter.
Knap spronk ze toe . die wat kost en wat had !
Waterloo het on/e kiuigsiiaeh zien vechten — de Stad
Algiers onze vlote ! En — meug ze andren ook prizen
Van onz Provincies — wi durf op Gelderland wizen!
Viif Lanslu hawwe. bi t zeuvental opperste , an boord
Van de Melampes!
Gaiitjan.
Ik wet wel! en zei et al voort:
»üe onzen zunt met!« Onder Zoutman hewwi de moppen
Ook niet ontzeen !
Kom an! noe mowwi es stoppen,
t Is goen tabak, maar de zilveuen deuze is vort! —
k Wol mee onz gekwesten bedenken... en kwam te kort!
Weg gink de deuze, om miin schat te vermeeren.
Engbert.
Bazig! oe harte , miin Vrind , zol en könnink eren.
-ocr page 122-
99
DE TUCHTIGING BEU ALGERIJNEN.
Zwart op wit, dat zij voortaan niets zouden bedrijven
Tegen \'t regt van de volken (zoo\'t heet; maar daar heb ik
Geen verstand van). Genoeg, dat de schoeljes hun nek
Moesten buigen, en (denk het eens na!) dat onze schepen
Mede bij dien dans waren !
Hoe hielden ze ons benepen.
Die lelijke Franschen ; pas twee jaar geleden !
Hoe wisten hunne dertiu Millioenen ons uit te kleeden —
Ons! handjenvol menschen! \'s Lands geld, ammunitie.
[tuiijaadje .
Schepen, matrozen, soldaten moesten weg! De koeragie
Lieten ze ons alleen, om, wat zij, in hunnen overmoed.
[schonden
En vernielden, in Gods naam, van voren af aan, uit den grond
Weer op te halen. Ook hielden wij, diep in onze zakken
Een\' spaarpenning vast: of hij neer mogt smakken ,
Die daar, op het hoogste van \'t rad van fortuin
Stond te kraaijen !
In \'t eind lag hij ter neder; en het groen
Van den Oranjeboom sloeg, als de Lelies daar ginder.
Hier uit den wortel weer op. na een\' twintigjarigen winter.
Knap sprongen zij toe. die wat konden en wat hadden!
Waterloo heeft onze armee zien vechten — de Stad
Algiers onze vloot! En — mag men ook andere prijzen
Van onze Provinciën — wil durven op Gelderland wijzen !
Vijf Landsluiden hadden wij, bij het zevental Officieren.
Van de Melampus!
                                      [aan boord
Geruit-Jan.
Dat weet ik wel! en zei\' het aanstonds:
»De onzen zijn er bij!" Onder Zoutman hebben wij de kogels
Ook niet ontzien !
Kom aan! nu moeten wij eens stoppen,
\'t Is goede tabak, maar de zilveiien doos is weg! —
Ik wou\' de gekwetsten mede bedenken... en kwam te kort!
Weg ging de doos, om mijn gaaf te vermeerderen.
Egbekt.                      [eer zijn.
Braaf gedaan! uw hart. mijn Vriend, zou\' een\'koning tot
7*
-ocr page 123-
E M MA VAN OUD-H A A R L E M. i)
EEN VERTELSEL UIT DE MIDDELEEUWEN.
Aan een Meisje.
\'k Reloofde. voor mijn Pand. een Sprookje te vertellen;
Me tekstbepaling stond n vrij; —
Ik vroeg daarom; — een Raadsel zondt ge mij:
»Het Haarlemsch maatje!\'\' — Meendet gij.
Alweer dien kleinen vriend te kwellen —
Zoo onafscheidlijk als de werkbufl, u ter zij\'? —
Dat hikt u niet. Stout Kind! ik spring zijn kleinheid bij;
Dooi\' u. wat Emma deed, ten spiegel voor te stellen.
Kort zal mijn sprookje zijn: wie mij gebiedt te snellen,
Verlangt een schets, geen schilderij.
Oud-Haarlems Heer was bijster klein van stuk;
Mij dorst nogtans de rijzige Emma vragen:
\'t Scheen jok — \'t was ernst! en goed geluk
Bekroonde \'t roekloos wagen.
Geen jaar verliep, of Emma zat
Gekluisterd aan de bakermat.
.Maar toen ze, als zoogster. van haar diensten was ontslagen,
En nu de Jonge Vrouw
Ten derde maal. na \'t vieren van haar trouw,
Den boomgaard lijpe vrucht zag dragen,
                  .
Kwam dolle strijdzucht. onverwacht,
Oud-Haarlems vredig erf\' belagen.
Een vijand dringt, bij middernacht.
Tot aan de slotbrug door! — \'t wordt ochtend: pijlen
Vuur dwarrelt zuizend door de lucht,           [snorren;
En steenen bersten, vlugt op vlugt,
Uit schrikbaar krijgstuig.
1) Zie aant. 22.
-ocr page 124-
101
EMMA VAN ULO-HAARLEM.
Om de zijnen aan te porren,
Is kleine Kocnraad overal:
Wat scheure, of waggle. of krakend nedervall\',
Men ziet zijn helmplnizn langs te tinnen
Haar ronde steeds van nieuws beginnen !
Door hein bezield , staan zoo de zijnen pal —
Drie bange dagen. Maar de krachten
Des Burgtlings Ilaauwen meer en meer :
Hij moet ze kvristen , en geen rust herstelt ze weer.
He slaap drukt, zwaar als lood , het oog der wachten.
En. schoon geen wond hem trol\', zijgt vaak een strijder
[neer.
Inmiddels gaart de Vijand , onverdroten ,
Wat, bij \'t bestormen . hem de baan
Tot aan den muurvoet oopne. Treurig gaan .
Daarbinnen, hand in hand. de jeugdige Echtgenooten ;
En rondom grimmen hen de bressen dreigend aan.
«Helaas! de schaar ligt moedloos al\'sestreden .
Die \'t veege slot bescherm\'! die \'t saamgedragen puin
Ten wapen keere en slingre op \'sVijands kruin!«
Zoo zuchtte Koenraad . en hij volgt met loome schreden
Zijne Emma, waar de krib van hunnen Eerstlingstaat.
Weemoedig zien ze op hem bij weer gepleegden raad ;
Haar stoort hen een trompet! zij neigen luistrende ooien.
En een Heraut laat deze boodschap hooien :
»Vrouwe Emma, met haar spruit, verlate \'t slot in vree .
En drage een korfvol van haar kostbaarst veilig meè.
Sint Aagtens l Kapellaan heeft deze gunst verkregen.
Voor haar. die \'t outer steeds pligtvaardig heeft bedacht.
Zij ga! — wie blijft, zie, voor den tweeden nacht.
Storm van rondom op deze Veste tegen.»
Hij spreekt het, en spoedt heen.
Door Emma\'s tranen lacht
Een schalksche blik , langs Koenraad afgezegen ,
Terwijl zij roept: «Gelukt mijn daad.
1 Aagtenkerk, thans de Beverwijk.
-ocr page 125-
102                              EMMA VAN OUD-HAARLEM.
Oud-Haarlem, en de Man, voor wiens beknopte maat,
Mijn Draagkorf ruimte had, blijft lang nog onvergeten.
Ik wil voor niets geen Emma heeten !
Droeg mijn Gênant* haar Eginhard — mijn Koen
Draag ik —: en zal \'t dit gastjen teffens doen.--------
Spijt uw gestribbel, Koen, viiu wordt gij! deze muren —
Niet langer houbaar door uw moed —
Redt uw beleid , in weinig uren ,
Als Assendelft hier met u henen spoedt; —
\'k Betrouw zijn broederhart!«
Heur woord — vaak afgebroken
Bij zoeten twist — had Emma dus gedaan ,
En won het pleit.
In vrouwentooi verstoken,
Wordt haar de Sluikvracht opgelaan ;
Het wicht heeft in haar arm zijne oogjes toegeloken;
De brug daalt; en zij gaat.
Wie onder \'t welf bleef staan,
Was Hans, de Dwerg. Zijns Meesters dosch vermomde
Den guit. Hij hield zijns Meesters rol,
Ook na \'t gebaarspel van een treurig scheiden, vol,
En zag, tot Emma\'s weg zich tusschen puinen kromde,
Haar van den drempel na.
Zij treedt het leger uit,
Door hand noch tong gekrenkt, maar houdt niet op te sagen,
Om \'t Pand, als roof den Burg ontdragen,
En stolt tot ijs, op \'t minst geluid.
In \'t eind nogtans bereikt zij de Elzendreven —
De haven van haar hoop ! Het groen heeft haar omgeven;
Haar kostbre Last is neergezet; —
Haar Koenraad is gered! —
Zij bukt zich tot zijn kus; en, schoon\'t getrappel nader\'
Van vlugge hoeven — schoon het flonkre door \'t geblader,
Van lans en schild — hen dreigt geen nieuw gevaar! —
1 De mandragende Maagd van Vader Cats.
-ocr page 126-
103
!>E ZITBANK.
Neen! welkom, welkom zijn de tuigen,
Ter regter stond verzaamd, waar zich de takken buigen
En mede siddren, als van vreugde, boven \'t Paar!
Groothartige Assendelft, met zijn Vasallenschaar,
Kwam beider bede voor!
De Vijand kent zijn Stander,
Van ver: het middaglicht bestraalde \'t zilvren paard,
Op \'t wapprend karmozijn!\'t werd doodbleek aangestaard;
En straks, in èène vlugt gemengeld door elkander,
Bergt hopman zich en knecht. Het toebereide maal
Blijft, wie \'t begeert, ten prooi gelaten!
Be Burgtling spaart dien buit, zijn Gasten tot Onthaal,
(leen matheid drukt hem meer: door juichende onderzaten
Ziet Koenraad Emma\'s baan met eerepalm gespreid.
Naar tent bij tent, tot disch bij disch geleid,
Zit alles aan. en laat zijn blijdschap hooien,
In stee van schorren wapenklank.
Rondom galmt Emma\'s Naam! Rondom\'t gezang der koren,
Wier lof zich paart aan Koenraads stillen dank!
DE Z I T B A N K. »)
Anekdote.
Het landvolk trad, belust op y.eekre pacht.
Ter herberg in. Een disch en schrijftuig zijn gebragt;
De Schrijver komt; Hans Gurgel volgt, wien \'t kraaijen
Bij \'t afslaan toestaat; maar de spil, die \'t al moet draaijen,
Gaat stroef! \'t is de Intendant. Herr Grob.
(Wij staan op Uuitschen grond, merkt ge in \'t voorbij-
(gaan op.)
Groh wist zijn naadje met zijn Jonkers zij\' te naaijen.
En toonde, waar hij kon\', het klimmen van zijn moed,
Bij \'t meerdren van zijn goed.
1) Zie aant. 23.
-ocr page 127-
104                                   SINT MK0LAAS.
Ook heden deed hij zulks! Het peinzend oog naar boven —
De uhlaner.muts op \'t linker oor geschoven —
De lippen met een pijp, als een mortier, bezwaard —
Gesteveld en gespoord (voor zijn toekomstig paard) —
Spanseert hij op en al\', en schijnt een wandlende oven.
En, zie, daar stapt een Roertjen op hem aan :
»Heer Intendant, ik kom wat ver gegaan ;
Is hier geen zitbank voor vermoeide lui\' te krijgen ?"\'
Het antwoord was een smaadlijk zwijgen.
En \'t Boertje wendde zich met schoudertrekken om:
Op \'t eigen pas bewijst Herr Grob hem, dat hij stom,
Maar geenszins lend\'loos, is. door een gevoelig teeken —
Een schop ! juist aangelegd op \'t wit,
En treffend, waar den mensen, die zit,
Een bloedvin smartlijk pleegt te steken.
«Ga daar op zitten, vlegel!" klinkt het woord.
Dat na den schop volgt - en Herr Grob spanseert weer voort.
Het werk ving eindlijk aan; \'t liep af; het volk druipt henen;
En \'t Boertjen is, in de atmosfeer
Van Grobs pijp, andermaal maar achterbaks —verschenen:
«Hou\' daar uw zitbank weer.
Herr Grob!" zegt Klaus — en schopt hem van de beenen.
SINT N I K O L A A S.
Een Sprookje.
Komt hier eens, Kinders, en let op;
\'k Vertel van Sinter-Klaas,
En van een braven Ambachtsman,
Den armen Huibert-baas.
De goede Sinterklaas was oud;
Hij droeg een witten baard;
En aan zijn witten mantel was
Het laken niet gespaard.
-ocr page 128-
ioa
SINT MKOLAAS
En als hij van zijn hooge stoep
Den weg nam door de stad.
En dan zoo deftig met dien baard
En met dien mantel trad.
Dan wisten ook de kinders al.
Naar welken kant hij ging.
En waarom weer dat breede zeil
Hem van de schouders hing:
Dan hield de goede man een pak
Voor \'t volk op straat verstopt.
En bragt het naar eene arme buurt.
Met kinders opgepropt.
Daar sloeg hij dan zijn mantel los.
En \'t was: «Dit is voor Jan,
Die daaglijks. als de meester roemt.
Zijn les het beste kan.
Dit is voor Keetje, die zoo vroeg
Het breijen al verstaat;
En dit voor Hein. die niet meer dwingt.
En zich gezeggen laat.
En hier komt. voor dien zieken bloed.
Daar ginder in den hoek.
Een peperhuis met vijgen aan.
En — kijk ! — een prenteboek."
Zoo stapte hij, deur in, deur uit,
Van steeg tot steegje voort;
Maar als hij op zijn schimmel zat.
Dan ging het uit de poort!
Dan reed hij naar de buitenlui\'.
En schimmel had zijn vracht.
Want ieder kind. een uur in \'t rond.
Dat arm was. werd bedacht.
-ocr page 129-
SIM MKOLAAS.
Maar in de stad van Sinter-Klaas
Was ook een Ambachtsman,
Die at droog brood, en schaamde \'t zich,
En sprak er niemand van.
Hij maakte schoenen al zijn best;
Hij werkte laat en vroeg,
En voor tien kinders en een vrouw
Was \'t nog al niet genoeg.
Doch Sinter-Klaas vernam in \'t lest.
Wat nu niet weten wou\':
Hij zoekt, bij nacht, zijn woning op,
Spijt duisternis en kou\'.
Hij trekt het winkelvenster los.
Dat met geen grendel sluit;
En \'t glasraam laat zijn goudbeurs in,
Door een gebroken ruit.
En \'sandrendaags zet Huibert-baas
(Gij weet — die Ambachtsman !)
Zich bij de lamp reeds aan zijn taak,
Zoo wakker als hij kan :
Daar valt hem, van den driestal, juist
Een kleine schoen in \'t oog;
En, zie, die schoen bewaarde \'t geld
Getuimeld van omhoog !
Nu denkt, wat vreugd bij man en vrouw.
En kindren alle tien ! —
Wie, om een hoekjen, van nabij
Hun vreugde eens had gezien ! —
Nogtans hun vreugd was kort van duur,
Want Huibert riep : «Houdt stil!
\'t Gevondene is geen oortje waard,
Voor die niet stelen wil !
-ocr page 130-
SIST MKOLAAS.
\'t Hoort zeker aan dien vreemden Heer,
Van gistren arend laat:
Hij stond, toen hij zijn riemen kocht,
Omtrent waar Antje staat;
En, naast haar, in die kinderschoe.
Lag net de beurs met goud! —
De Burgemeester weet misschien.
Waar zich die Heer onthoudt:
Daar is mijn schort! ik moet er heen!
\'k Wil loopen wat ik kan !
Zoo sprak Huib, en. gelijk hij sprak.
Zoo dèèd de brave man.
Maar — wat de Burgemeester deed ? —
Hij ging naar Sinter-Klaas;
Want i>ie toch schonk, naar hu \'t begreep,
Het geld aan Huibert-baas.
Bas haalt men lluibert. Huibert komt —
Zijn meettuig in de hand :
De goede ziel kreeg Sinter-Klaas
(Gelijk hij dacht) tot klant.
Maar Sinter-Klaas sprak : »Huibert-baas,
Ik ben de man van \'t geld :
Het rond zijn weg door \'t vensterglas.
En hoefde geen geweld.
De beurs is in een kinderschoe
Gevallen, naar ik hoor ?
Breng mij het paar. en hou\' de beurs;
Ik geel\' ze er gaarne voor."
En Huibert wischte met de mouw
De tranen uit zijn oog,
Zei snikkend dank, en ging, en trad
Zoo luchtig of hij vloog.
-ocr page 131-
408                                  LOCHEM BEHOUDEN.
En, als nu vrouw en kind het wist.
Liep Huib weer op een draf —
Kocht leer in, bij zijn broeders weèuw —
En dong de sloof\' niet af.
En spoedig wist de gansche stad,
Hoe braaf baas Huibert was.
En praatte van de kinderschoe.
Waar \'t geld in viel, door \'t glas :
»Een kinderschoe bragt Huib geluk :
Dat blijv\' zoo!\'\' riep elk een;
»k Bestel er bij geen ander meer —
Baas Huibert maak\' ze alleen.\'\'
En Huib nam. van zijn jongenstroep.
Twee gasten tot zijn hulp,
En brak naar grooter woning op.
Van uit zijn enge stulp;
Maar \'t raam aan straat verhuisde mee,
Voor alle schaa bewaard;
En \'t bleef, ter eer van Sinter-Klaas,
Bij \'t kleinkind nog gespaard.
LOCHEM BEHOUDEN. \')
in 1590.
Portiehs Ja> voerde daags de jongens aan.
Naar Lochems school, en naar de kegelbaan.
\'s Nachts was het stroopens tijd! Als beurteling
Zijn weg, dan oost, dan west, door \'t jagtveld ging,
Draalde onze Nimrod voort, op \'t scheemrig pad,
Of \'t Molen- of Bagijnstraat, in de stad.
Bij klare zon was.
1) Zie aant. 24.
-ocr page 132-
iO\'J
LOCHEM BEHOUDEN.
Doch, om haas noch hoen.
Slechts om \'t gevaarlijk spel was \'t hèm te doen !
Een spreeuw, een uil te ontnestlen, in den muur
Van \'t leegstaand klooster, was geen avontuur
Zijns moeijens waard! zijn weg ging steiler op:
Den raaf na, in een mossig\' eikentop.
Maar nu was Jan verbluft! De Spanjaard zat
En loerde uit Zutphens wal; Jans Moederstad
Vroeg angstig hulp; Dallochi bragt ze ; en, ziet,
Zijn strengheid duldt het nachtlijk zwerven niet;
Het krijgsvolk speelt den meester op de baan;
Uit heeft de jagt! het keeglen is gedaan!
«Eilaas, wat raad! — Korts ook, van school, volleerd
Naar huis gestuurd! — hoe leêggaans last geweerd!"
Zoo zucht Jan. en hij druilt den Berkelkant
Diepmijmrend langs:
«Ik neem de spaa ter hand!"
Staat eindlijk bij hem vast. Zijns vaders hof
Ligt woest; daar zet hij \'t werk op, om den lof
Van Baas-Tuinier te winnen : hem genoegt
Niets kleins! Ook drijft hij \'t spitten, dat hij zwoegt;
En vangt steeds met »Wilhelmus\'\', in de vroegt\',
Luidruchtig aan.
Zoo deed hij zeekren dag,
En had, van voor de poort die bergwaart zag,
D\'ontheinden weg in \'t oog. En, breedgelaan
Kwam, door de kloof des bergs, een hooivracht aan.
Nog een! nog een! — «Hooi! hooi!" roept onze gast;
«Hier dient op \'t voordeel van de koe gepast:
Het plukken is een regt, dat bij de poort,
In oorlogstij\'en als in vree. behoort.
Dat handhaaft Jan ! Kijkt toe !\'\'
De wagen kwam;
Die, \'t voorst van driên, den weg naar \'t stadje nam,
En wrikt het valhek binnen.
-ocr page 133-
HO
LOCHEH BEHOUDEN.
Jan is klaar:
Hij plukt — hij plukt — vijl\', zes keer na elkaar —
En vat in \'t lest.....twee voeten ! en «Verraad!
Moord! Spanjaards! Spanjaards!" gilt hij door de straat.
En snel, als jong en oud te wapen rent,
Stuift ook de vijand krijschend overend ■—■
De wagens af\' — de wacht in — en de Dood
Hen na! — Geen ponjaard mist zijn doel—geen lood.—
Toch staat de kleine hoop der weerders pal.
Wond wordt met wond vergolden — val kost val.
Maar \'t ruime veld in klonk het strijdgedruis;
Te steêwaart vliegt, wat nog van snood gespuis
Zich achterhield, en hukte in grehbe en haag!
Zij komen! \'t rot der helpers groeit gestaag
Aan \'s vijands zij ! Of\' leeuwenmoed de schaal
Des worstelkamps in wanhoop ett\'en haal\' —
Ze ontsnapt weldra aan te ongelijk een magt —
De strijd houdt op — de dappren zijn geslagt !
Nu schiet, van bloed verzadigd — niet van buit!
Des toelegs Hoofd en Raadsman \'t moordhol uit.
Het spoor langs, dat naar \'t hart der vest geleidt.
Naakt hij, waar \'t krommend zich ten tweesprong scheidt.
Slechts èèn, wiens spaa zijn krijgstuig werd, schuilt daar
De Jongling ziet en kent hem, den barbaar:
Zijns namaags beul, toen Alva\'s zoon gebood.
En *t ijs voor Zutphens poorters zich ontsloot, i)
Hij kent hem, en roept grimmig: »Lig daar, schelm!"
En plettert hem de breinschaal met den helm !
Verbijsterd staan zijn volgers in hun loop,
Als achter hen Ballochis wakkre hoop
Aanstormt! Pansier en pijrok, bijl en zwaard.
Lansknecht en burger, jong en oud gepaard!
I) De Moord van Zutphen, in 1572.
-ocr page 134-
DE LEERLING VAN PANKUATES.
De vijand scheurt een open in dien drom,
Maar wrekend staal valt op hem van rondom :
Wat doorbreekt waagt geen rugtred! Alles vliedt.
Tot waar de poort een weerbare engte biedt
Aan de ingestonken schaar. Hier vastgeperst,
Wendt zij haar spits. Te koen! het lontroer berst
Verdelgend los! \'t geschut, eens bolwerks kruin
In wed-ren afgesleept, bestelpt met puin.
Wat door geen ijzer valt! zijn kracht beslist!
Triomf! triomf! de laatste kogel sist
Den vijand na! de feestklok en de stem
Des orgels roept het juichend volk tot hem
Die uitkomst gaf!
Ballochi zoekt den Held,
Wiens regte den verrader heeft geveld.
En gespt hem, voor elks oog. den degen om ;
En vaandrig Jan trekt op naar \'t Heiligdom.
DE LEERLING VAN PANKRATES. \')
De Kunst ten halve slechts aan Meesters af te
En voor volleerd zich in hun rij te zetten,
Loopt op beschaming uit! Zoo een bewijs of tien
Te weinig scheen, zou\' niets mij letten.
Dat ik er twintig gaf.
Vertrouw dit op mijn zeggen af,
En houd u, om u zelv\' en mij den tijd te sparen,
Bescheidenlijk met èèn.
Geboekt door Luciaan\', te vreên.
Na Trismegist; het blijkt niet hoeveel jaren;
Was al de wijsheid van Egypte saamgevaren
1) Zie aant. 25.
-ocr page 135-
112                       DE LEERLING VAN 1\'ANKKATES.
In \'t kale hoofd van Pankrates,
Professor Hyperphysices
Te Memphis. Doch alleen die reeds adepten waren
Bragt Pankrates op Kennis hooger baan :
Den grenspaal ver voorbij, waar Lavoisier bleef stuiten,
ving hij zijn cursus jaarlijks aan ;
De Kleine Sleutel van den grooten Majorkaan 1)
Hehoeft zijn jongrental geen Voorhof meer te ontsluiten;
De ziLVitEN poorten zijn zij door;
Maar hier verslindt de nacht het minbetreden spoor,
Tot dat de Leeraar wenk\'. Hij wenkt! een vloed van stralen
Spreidt glans, waarbij geen zon kan halen;
Wat Paracels\', wat Helmont nimmer zag.
De Tempel van \'t Geheim staat llikkrend in dien dag,
Kn goud is \'t breed portaal! Goud zijn de binnenzalen!
\'t Was niet genoeg! Wie, drie jaar achtereen,
Met zijn Minerval 2) ter bepaalde stond verscheen,
En\' (wat den leerling, onder \'t kwalinen der retorten,
Vaak zuur viel!) nooit zijn hulp bij \'t onderwijs liet schorten;
Dien gaf\' Professor Pankrates
Iets van de Tooverkunst ten beste, in de afscheidsles.
»De Tooverkunst!" Hier spitst Ergdenkendheid hare ooren!
Doch laat geen valsch begrip haar zielenrust verstoren:
Ik meen de Kunst 3), door Adam uitgedacht;
In Noachs Ark gered, voor \'t late nageslacht;
Door grijze Magiërs, door Salomo gedreven;
Maar thans, helaas, niet meer in leven !
Kort was het onderwijs: «Twee enkle woorden maar,
Op zijn toon punktlijk nagesproken.
Zoo bondt gij en onthoudt de Geestenschaar!
Gesteld: een taak viel u te zwaar;
Gij wenschtet hulp; welnu! een stok, in\'t lang gestoken
1)   De clavicula van den Alchvmist Raymundus Lulius van Majorka.
2)   Schoolgeld. 3i Cahbala.
-ocr page 136-
113
UK LEERLING VAN I\'ANKItATES.
Door \'t buisjen van een slaaf, en abraca gezeid :
Men zag als knecht te voorschijn springen.
Die stok en buisje was. En, bleef de magerheid
Van \'t hout hem bij. gevat op alle dingen.
Stond hij tot iedre dienst bereid."
Dus sprak Professor. Een student, Eukraat geheten,
.Noteert dit half recept: «Meer heb ik niet te weten"
Denkt hij ; ontsluipt het auditorium,
En speelt straks, bij een huislijk publicum.
Den wonderman. Juist bleek zijn hospita verlegen,
Om water voor een badkuip: «Anders niet! — —
In Isis \') onbeperkt gebied.
Komt alle kracht den wenk des Wijzen tegen.
Een wandelstaf, en slavenkleed,
Zijn \'t «enigst hier vereischt." Men brengt ze hem, hij
Een tred zes zeven aan een zijde;
                  (treedt
Verbiedt, na magistraal gehem,
Met rimpels op \'t gelaat, en met vergroofde stem,
liet luistren eiken ongewijde;
Bromt abraca; en \'t lukt! de Pop. die voor hem staal,
Wordt Mensch!«Draag water indie badkuip,kameraad!"
De Kameraad vat straks twee emmers op. en gaat —
Brengt water - gaat — keert — gaat; de kuip zou over-
(stroomen.
Bij meer. «Houd op, vriend!" zeit Eukraat.
De Vriend .. werkt voort. «Een rare potentaat!
Hij schijnt van \'t soort dat wandlend pleegt te droomen.
Vent. hoor je niet\' houd op!" De Vent... werkt voort.
Een molenbeek stort kleurend van den boord
Der badkuip. Alles drijft. — Men poogt hem weg te jagen,
Die \'t onheil sticht; met schoppen en met slagen
Begroet men hem; — vergeefs! — Daar valt Eukraat een
(J\'i.jl
Omtrent den haard in \'t oog; hij grijpt die in der ijl:
1) De Natuur.
Staring, Gedichten.                                                 8
-ocr page 137-
114
HET CESEZEND MAAL.
«Voor \'t lest; laat blijven, doove kinkel!"
Vergeefs!--------Krak vliegt de schareminkel
Doormidden ! En wat volgt ? — O wee!
Verdubbeld springt hij op ; de Dragers zijn nu Twee !
Vier emmers vullen zich. en lozen
Hun vloeibren inhoud! \'t wordt een zee ;
Een zee ; en springtij zonder poozen !
Het schuimt de woning uit — de straat op; — zitbank.
(disch.
Kas, kist raakt vlot! ■— De Huisbestierster is
Voorlang gevlugt; Eukraat op \'t punt van vlugten;
Wanneer professor komt! «Wat speelt men hier voor
(kluchten ?"
Roept hij — bromt «acarba1\'1 en. ziet.
Een stok. in tweên gekapt, ligt daar; geen emmer giet
Meer water uit, de zundvloed is verloopen ;
En, met een langen neus, Eukraat naar honk gedropen.
Il ET GENEZEND M A A L.
\'t Zat Klaas in d\' onderbuik : hij wou\' gedurig sterven!
Maar \'t liep in \'t achtste jaar,
Hij kwam er niet mee klaar,
En Neefje niet aan \'t erven.
Zijn vrienden lagchen : ongestoord
Gaat hij terwijl met sterven voort;
Tot eindlijk slaagt (voor \'t minst naar zijn gedachten) .
Waarop hij ze al zoo lang liet wachten.
Eens ochtends luijert hij; men komt aan \'t bed:»Wel, Man.
Hoe is \'t?" «Gedaan! — \'k ben dood!" »Dit van uzelv\'
(te hooien
Geeft troost! — ge ontbijt toch mee ? — Een lijk.
(dat spreken kan ,
Heeft wis ook de eetlust niet verloren!"
«Ontbijt! —toen \'k leefde, had ik boeken, vol van\'t geen
De Dooden spraken! 1) — dat zij eten? noem er een
1) De sprekende Dooden,
-ocr page 138-
HS
HET GENEZEND MAAL.
Waarin dat slaat! mij kwam het nooit te voren.
Dus — weg, Verleider! \'k wil een Doó met eere zijn."
Hij zegt het; houdt het vol; hiet Vrind en Doctor zwijgen ;
En kost, noch drank , noch medecijn
Is onzen Klaas in \'t lijf te krijgen.
Begraven moet men hem; dit eischt hij met geweld.
Wat zou\' men doen? een klein vertrek werd toegesteld.
Gelijk een Grafgewelf. Drie Kisten langs de wanden,
Waarop men naam en sterfdag leest,
Verkonden , wie er eerder zijn geweest
En sluiinren. hij den schijn van lampen die daar branden.
Intusschen was . met een bedeesd gezigt.
De droeve mare aan Klaas berigt.
Dat vroeger reeds de Dood naar andere offers tastte .
En elk onthutst is van het plotslijk sterfgeval
Dier tafelvrienden . drie in tal .
Waarmee hij zich. een week voor hem zijn eind verraste.
Nog op een Mosseltjen. in \'i Zeeuwsche Jagt, vergastte.
»Die Mossels! ja! daar hebje \'t al!
Die deden \'t ons !"
»Het kon\' ligt wezen !
Wij gisten \'t meê , en spraken af.
Dat. daar u \'t zelfde Lot hier wegnam , ook nadezen
Eenzelfde Graf
U saam vereenen zou\'. Gij maakt dus nog op heden
Het Viertal vol , met hen , die u zijn voorgetreden."
De nacht kwam aan. en Klaas werd, naar zijn wensen.
gebragt.
Waar reeds in iedre Kist een Levende op hem wacht.
Stil was \'t. een klein halfuur; daar slaat de stadsklok negen;
Met èèn begint Vriend Dirk zich te bewegen :
»\'t Is etenstijd; waar of de Koster blijft!"
Gromt hij. als in zichzelv\'. Een echo volgt — van woorden
Uit Heins en Jaspers Kist: »Ik wed, SintVelten drijft
8*
-ocr page 139-
ik;
DE TWEE BULTENAARS.
Hem weer zijn kroegen langs!" »»De Grafprovisors \'hoorden
Zoon lap te ontzetten, als hij Dooden hongren laat!""
»Vergiffnis, Heeren !" spreekt hijzelf\', die binnen staat.
Hij brengt een tafel tjen ; hij dekt het: uit den oven
Snikheet geland, zendt een Pastei haar walm naarboven —
Haar geur in \'t rond; een smaaklijk Toebehoor
Oinri ngt ze, en, wek t zij dorst, daar staat de Lank hals voor.
Dirk, Hein en Jas hun Kist uit! «Welkom, Klaasje!
Gij óèk hier, na die Mossels? — \'k drink een glaasje
Te meer deez\' avond, op ons weerzien, oude Vrind! —
Maar hoe zoo roerloos ? toch niet blind ? —
Kijk! ik ben Dirk — die Hein — en die Jas! — Opdebeenen!
Uit uw maag zijn de Mossels vast verdwenen,
(ielijk uit de ónze . toen wij , boven . zijn gekist.
Het Maal wacht; kom!"
»Dat \'s meerder dan ik wist"
Zegt Klaas »dat Dooden eten!
Maar, als het zijn moet. \'k heb het kaauwen niet vergeten,
En, bleet\' ik weigerig. om \'t, na mijn eind, te doen,
Ik hield, als Doó , zoo \'k meende, mijn fatsoen."
Zij zitten aan ; zij legen bord en beker;
En \'t einde spreekt vanzelf: voor Klaas was door d\'apteker
Ken spiritus bezorgd, die, in zijn glas geplengd
Met handigheid, hem tot bezinning brengt-------
En radikaal geneest! — Helpt Eskulaap de zieken
Prozaïsch traag — zijns Vaders 1) hulp heeft wieken!
DE TWEE BULTENAARS. I)
EEN VERHAAL,
in do eerste helft der vijftiende eeuw geplaatst.
Twee wakkre Bultenaars; Graaf Ot, die\'t pak van voren.
1)    Apollo\'s.
2)    Zie aant. 26.
-ocr page 140-
117
DE TWEE BULTENAAIIS.
Graaf Freedrik, die \'t van achtren droeg ;
Begeerden Klara\'s hand . en vrijden drok genoeg,
Maar Jonkvrouw Klara had geen ooren.
Eergierigheid hing juist met Liefde in evenwigt,
Bij Ot; en die, op \'t zien van zijn volhardend jagen,
Begrepen, dat de minneschicht
Hem erg trof, keken mis!
Dorst Freedrik zacht te klagen.
Dan was \'t van dieper smart. Hetzij een klein gedicht.
Haar in de hand gespeeld, de Maagd zijn trouw bleef toonen;
Hetzij , naar oudren wijs . bij nacht,
Zijn stem en luit haar, onder \'t venster, hulde bragt.
Ots wierook brandde voor de schoonste van de schoonen;
Op wie de vreemdling . \'t hof, de stad.
Bij ieder feest , de blikken had.
Frits bidt het Meisjen aan, dat. in den kring gevangen.
Waarbinnen \'t ledig volk naar schijnvermaken rent.
Het oog onwrikbaar houdt gewend ,
Naar vreugd van echter keur. Dat in geen strik blij ft hangen.
Dien vleijerij den hoogmoed spant;
En, uit den dwang van Arnhems pronk, naar \'t land
Terughaakt; tot de nachtegaal zijn zangen
Herhaalt; de boord der Grift 1) haar weer \'t genot bereidt
Van hof- en veldbestier; na bezigheid.
Wat Ot van Freedrik onderscheidt
Ontsnapt het Meisje niet. Ja! in haar binnenst fluistert
De vriendschap vaak een meegaand woord ,
Voor die, als Dichter, die, als Zanger, haar bekoort;
Naar wien de Jeugd zoo gretig hoort,
En die. waar Grijsheid spreekt, zelf luistert.
Maar \'t licht van hooger gunst wordt staag voor hem
(verduisterd;
l) Aan de oostzijde der Veluwe , in gelijke rigting met den IJssel
vloeijende.
-ocr page 141-
118
IIE TWEE BULTENAARS.
Bij wijze van eklips ! —naauw gaat het op. of\'t schuilt
Weer achter \'t bultgebergt, dat uit zijn ruggraat puilt.
»«Vrouw van een Graaf te zijn?"" »A1 kwamen dubble
(Graven ;
Al kwamen Prinsen ; en zij stalden zoo veel gaven
Als titels uit. en daverden van \'t goud ;
Met een mishakken Man wordt Klara nooit getrouwd!"
Dit was, verzacht, het slot. toen Klara, moe gedrongen,
Gesmeekt, gedicht, geciterd , en gezongen,
tri \'t eind baloorig werd.
Daar zat nu \'t Vrijerpaar;
Bijzonder Frits; de hand in \'t haar!
Maar grijze Boel, de trouwe Achaat van dezen ;
Die zoo zijn Heer en Pleegkind zitten zag;
Begon . o]) zeekren dag :
«Graaf Fritsje . kan het wezen .
Vertrouw mij dan . waar \'t schort;
Eer \'t erger wordt!
Gij zwijgt? Welnu, dan ga ik weer aan \'t raden; —
Soms lukt mij dat!
Was Jonkvrouw Klara niet
Zoo regt. zoo scheutig als een riet ;
01\' — beter!— waren wij ontladen
Van dat verwenscht teveel; (dat hij toch naauwlijks ziet.
Die ons als kind op de armen heeft gedragen!)
Misschien dat dan... zich - van den tijd — iets hopen liet!—
Dit dénkt gij. Fritsje. Ik zèg: dan had het uur geslagen—
Zoo dadelijk! — Gij meent, dat ze ons niet lijden mag? —
Verkeerd ! Al word ik oud . ik heb dat waargenomen ;
Niet eens, maar meermaals; dag op dag :
Haar stemmigheid sprak even duidlijk als haar lach.
Wij — zorgen slechts, om van de toemaat af te komen,
Die ons postuur ontving! De kans daartoe staat schoon!"
»"Voorzeker , Rudolf! en de Meester eischt geen loon
-ocr page 142-
HE TWEE BULTENAARS.                              119
Die mij cureeren zal — de Dood !\'"\'
»Zacht! zacht! wij steken ,
Indien gij \'t waagt, van land . niet op een lijkbaar aan,
Maar op de bruidkoets.
Hoor! zit onze Kapellaan
Bij t\' , hij zal van geen mirakels spreken ,
Want daadlijk komt gij met spitsvindigheid ter baan.
Doch , wat hij mij vertelde . die mijn oordeel,
Zoo \'t past, gevangen geel\', verneem dat. tot uw voordeel.
Geen sprookjes zijn \'t, die ik verhalen zal;
behalve man en paard, noem ik n huis en stal.
Hoor! Wil uw twijllarij van wondren doen niets weten ,
Te Hedcl aan de .Maas leeft een eerwaardig Man,
Die u beschamen kan.
Die Man hiet Wolf; hij woont, naar \'t oog gemeten,
Vier kruisboogscheuten ver van \'t Dorp ; links al\'.
Hij droeg zijn zoon en vrouw naar \'t graf;
Maar wat hem (»»Kort, Doel, kort!"")... wat. in zijne
Hem overschoot.                                     [oude dagen ,
IJat is een Dochter. als geen oogen schooner zagen.
(»»A1 verder!"" Van jongs af was Wolfs devotie groot,
Voor Kufus. die de martelstraf moest lijden ,
bij \'t volk van bacherach , in Keizer Xero\'s tijden.
Hij werd ... de Man werd in een wijnpers doodgeplet.
Omdat hij \'t outer van God bachus had geschonden.
(«..Wel\'foei ! en Wolf?"") Lag eens te bed
Graaf Fritsje? Ren amerij uw drift nog ingebonden! —
Wolf lag. en sliep; een maand geleèn;
Wanneer de Martelaar hem in een droom verscheen;
En sinds... geef acht nu! sinds... vermag Wolf vleesch
[en been,
Gelijk week was, in eiken vorm te kneden!
Geen twee-, geen drietal, neen! voor t minst een twaleftal
Ervoer \'t! Een sukkel, overal
bij boer en hond bekend , als bedelaar; van leden
Verdraaid genoeg, om vooreen schildpad door te gaan.
Kwam gistren , regter dan een outerkaars, hier aan.
-ocr page 143-
120
DK TWEE BULTENAARS.
Een die hem kruipen zag, den tijd van dertig jaren.
Vond hem . sprak hem . en zal \'t verklaren !
Daar is hij juist — de Kapellaan!"\'
En nu. mijn Lezer, dat Frits ging is ligt te ramen.
Mogt u . hij wintertij . een springtogt over Kijn
En Waal . zoo min als hem en mij , bedenklijk zijn .
Welaan . dan siaan wij allen samen.
\'t Beijin wekt. dunkt mij. hoop: \'t aartsvaderlijk gelaat
Van Wolf heeft niets, dat naar \'t hedriegen staat.
Geen boetmoin hangt hij vóór; zijn kost en drank verstrekken
Daar tuigen van. De wijn van Baeherach.
Geschonken uit een kruik . waarop het staal de trekken
(\'■raveerde van den Man, die onder \'t persblok lag.
Is alles wat den Droom . en \'s grijsaards Wondergaven
Gedenkt. Hij vraagt naar \'t hol\' — naar \'t heer; — hij
(weet van \'s Graven
Geplukte lauwers. «Die den angst der zee ontkwam"
Zegt hij «beschouwt nog graag heur tuimling uit de haven."
Zoo rekt hun kout. terwijl de haardsteèvlain
Verkwikking spreidt. De Hoi\'lacht, door de vensterstaven.
Schoon arm aan bloei, toch met zijn palmrandgroen.
Het rood koraal der hulshaag. en \'t festoen
Van klimmer langs den muur, den Gast toe. Doch naar
(\'t wezen
Van Haar. wier weefstoel ginds heur kunst getuigt en vlijt.
Keert staag zijne aandacht: «Neen ! \'t werd niet te hoog
(geprezen
Dat schoon gelaat, waarop , in zoeten strijd ,
Gevoel en geest om beurt met tooverlachjes zweven !
Gelukkig Vader, wien dat Pand nog is gebleven!
Gelukkig ik! als zóó. die mij verstiet.
Haar stille zorg voor mij eens waken liet;
Met zachte hand dat huis bestierde,
Waarin ik eenzaam treuren moet!
Daar met bescheiden tooi \'t geen enkel <;oed was sierde;
Daar Orde schonk aan d\' Overvloed."
-ocr page 144-
121
HE TWEE BULTENAARS.
De Minnaar dacht het, en verzuchtte. Rudolfs oogen
Had vriendentrouw gescherpt; van elders kwam\'t vermogen.
Dat Wolf den boezem van zijn Gast
Doorzien liet. Ernstig rijst de Grijsaard , en betast
Zijn schouderblaan . terwijl een heimlijk trillen
Hem door \'t gebeente vaart. »Neem , edel Jongeling.
Wat zij, wier beeld. als engel, met u ging,
U willig schenken zou\', was haar de magt bij \'t willen
Verleend , die mij gewerd !"
De Grijsaard sprak, en \'t hoofd
Des Graven rigt zich op. Zijn blonde lokken zweven
Langs ellen rug; geen moedeloosheid dooft
Zijn blikken meer; zijn borst wordt krachtvol opgeheven.
Niet eedler schiep. o Gabriël ,
Uw beitel; schooner niet uw kunstpenseel, Apell\'
Van Uree, den Argonaut, het doel zijns togts genaderd.
En \'t vlokkig Goud bereikend in \'t gebladert\'.
Niet schooner en niet eedler dan hij staat:
De traan der vreugd op \'t mannelijk gelaat!
Ik maal zijn dank niet af; dit waar een ijdel pogen!
Wij volgen hem , die, in gepeinzen opgetogen,
Na korte nachtrust, langs den vloed
Der Waal, weer huiswaart henenspoedt.
Doch wie komt ginder als een wervelwind gevlogen !
Geen ander dan Graaf Otto. Wat voert hu
In \'t schild? — Om dit te ontraadslen keeren wij.
En gaan zijn gangen na.
Ei ziet! op Hedels toren
Is \'t mee bij hèm gemunt. Ook Otto had twee ooren
(Zoo \'t schijnt) voor \'t Nieuws, dat Arnhem op deed hooren
Met Velp en Oosterbeek. De kromme Bedelaar
Verkneed te Hedel. bragt den Tweeden Bultenaar
Als d\'Eersten op zijn hengst.
Hij landt aan \'s Grijsaards woning.
Doch vindt den Huisheer niet; een winterzonneschijn
Heeft hem naar \'t veld gelokt.
-ocr page 145-
122
1(E TWEE BULTENAARS.
Met gulle pligtbetooning
Vervangt, terwijl hij toeft, zijn Dochter hem. Den Wijn
Van Bacberach genaakt zij met de lippen,
En biedt zij haren Gast. Hij vindt dien meer clan goed;
Ook stolde \'t guur noordwest zijn bloed;
Hij laat dies andermaal een kroesvol binnenslippen.
Maar, ras doortinteld van verraderlijken gloed,
Begint de Vlinder nu om \'t Roosjen heen te zweven ,
Dat schuldloos lokkend vóór hem staat;
En heeft straks toornende ernst het maagdlijk zacht ver-
(dreven,
En vonkelt fierheid uit Agnetes schoon gelaat,
ïe schooner dunkt zij hem !
«0 , die de purperboorden
Van dezen mond...\'\' Een knellende arm omsluit
Haar middel . als deze aanhef wordt gestuit;
Daar Wolf komt!
Lijkbleek , zonder woorden ,
Vast in den vloer geworteld, staart Graaf Ot
Hem aan !
Op \'s Grijsaard wezen straalde
Dooi\' gramschaps donkren nacht een llikkerschiju van
«lieer Graaf" zegt hij »wie zóó vooruit betaalde, (spot:
Wat ik te geven hel), dient niet gelijk gesteld
Met andren! zwaar gewigt weegt hein, voor t ligte geld.
Mijn hand toe." Deze hand vaart Otto, onder\'t spreken.
Langs beide schoüdren; \'t vleesch komt óp, gelijk door
\'t wecken
Een spons, of meel beslag door kracht van gisting, zwelt.
Klaar is de Paddestoel ! vóór kogelrond en achter.
De Lijder blijft geboeid aan voeten en aan tong:
Dat hij de ontbarsting van zijn grimmigheid bedwong.
Was dus geen wonderdaad.
Iets zachter.
Vervolgt nu Wolf: »Ga heen, Graaf Ot, en keer
Een jaar na dezen (doch . let wel, gebeterd !) weer.
Graaf Freedrik — krèèg hulp, — ü mag ik ze dan verkonden."
-ocr page 146-
123
DE TWEE BULTENAARS.
Ots voeten laten los. Zijn paard staat aangebonden ,
Nabij de huisdeur, maar \'t herkent zijn Meester niet;
Ook had de Ruiter nog den stand niet uitgevonden ,
Waar thans zijn bovenvracht zich best in dragen liet!
Hij wurmt dies vruchtloos om den wildvang te beschiïjden,
Tot Agnes — (meent gij. dat hem \'t Meisje niet bespiedt?)
Tot Agnes eindelijk geen langer weerstand biedt,
Aan de inspraak van haar medelijden.
Zij komt en helpt, waar, zonder hulp, de Bloed
Het vliegen even ligt gedaan kreeg als het rijden.
Heeft ze (eer de Graal\' met beugelvasten voet
Op Beyaart zat) heur lagchen slecht verbeten —
\'t fling achter \'t scherm ; hij kwam het niet te weten :
Geen wrange druppel viel in \'t zoet,
Dat haar meêdogendheid hem troostend gal\' te smaken;
Doch waar zijn tong van zwijgen moet;
Deez\' liet zich nog, hoezeer hij wrong, niet slaken!
En wat vangt Ot nu aan , dat hij den spot ontduik\'.
Die zijn postuur bedreigt, zoodra \'t zich durft vertoonen
Dij maag of kennis ?
In \'t gebergt\', niet ver van Luik,
Bezit hij een kasteel; daar beèvaart hij , ter sluik,
Woud in woud uit heen, om er \'t strafjaar te verwonen.
Hij kan niets beters doen , en blijv\' dus in balans
Daar hukken. Wij gaan zien, wat Freedrik heelt gewonnen
Bij \'t Hedelsch Reisje
Veei! naar \'t floukreu van den glans
Der gunst uit Klara\'s »tweelingszonnen."
Ook is, in stee, \'t gesnap der moei/.ucht al begonnen:
Na veertien dagen, meldt u \'t kleinste kind op straat
Wanneer zij trouwen. Met der daad ,
Acht weken later... heeft de Maagd haar woord gegeven.
Nu heet het: «Plotslijk is de sluijer opgeheven!
Aanstaanden herfst zal \'t in Sint Maartens Kerk 1)
1) Sedert 1453 St. Sebis.
-ocr page 147-
12\'*
1)E TWEE BULTENAARS.
Hier te Arnhem wezen; met een zwier om van te beven.
De kanteinaaksters zijn te Brussel drok aan \'t werk ;
Te Gent is \'t laken voor de staatsielivereijen
Besteld." .Maar. wat gebeurt ? De wei\'en
Aan \'t bed der Grilt zijn met haar lentegroen
Na Klara\'s komst gesierd ; daar wordt, in \'t needrig Oen.
De kleine Kerk van Dionys ontsloten ;
De priester stapt er heen ; de heldre dorpklok luidt;
Nieuwsgierig komt het landvolk aangeschoten ;
En nu! een Stoet genaakt: \'t is Klara! \'t is de Bruid!
Zij steunt op Freedriksarm, en heelt dien steun van nooden:
Haar knieën trillen, en haar adem schijnt gevloden.
Maar als de Man-Gods vraagt; als \'t lotverbindend Ja
Luid klinkt uit Freedriks mond, spreekt Zij het moedig na.
Zij zijn gepaard , en \'k geel\' u in bedenken .
Gij Schoonen . die mij leest, om thans
Het goede Meisje daar te Bedel óók den Krans,
Die \'t hoofd der Bruiden siert, te schenken ?
Gij gunt haar zulks (vertrouw ik) even graag ,
Als ge aan uzelv\' den mirtentooi zoudt gunnen !
Zij huwt dus; dit gaat vast! wij staan slechts voorde vraag:
Aan wiet] wij Agnes geven kunnen ?
Ken Bidders-dochter aan een lompen boerenkloen ,
Te Heel ? \'k pluis niet te naauw, maar dit had geen fatsoen\'.
»Een Bidders-dochter!" vraagt ge — ik antwoord: trots
[de beste!
Geboren in een slot. aan Hollands oeverduin.
Sleet Wol f zij u Kindschheid daar. Hij hield, als Man, zijn Veste
Te leen van Oostervant 1). Den ondoorbreekbren Tuin
Om \'t sterke Hagestein vlocht nu mee 2), toen een bode
Van ramp hem huiswaart dreef: «dezelfde krankheid doodde
Den eigen dag zijn Gade, met den Zoon .
1; Willem de VI, in 1403 Graaf van Holland.
•2) Wagenaar , V. H. 3 D. 373.
-ocr page 148-
DE TWEE BULTENAARS.                                l25
Op wien, naast hem, alleen de naam zijns stams berustte."
Een Dochter hield hij nog als paerel aan zijn kroon;
Zij was \'t, wier zoet gevlei zijn eerste wanhoop suste.
En van zijn bleeke wang de spade tranen kuste.
Maar deze Burgt in rouw, hier van een woeste zee
Omsingeld — daar van harre klingen .
Wekt, staag op nieuw en steeds verscherpt, zijn wee !
Hij voelt door vaderpligt tot zelfbehoud zich dringen ;
Ontrukt zich dezen oord vol doodsche mijmeringen;
En redt zich, voor zijn Kind! Waar. op heur korte baan,
Oe Maas en Dieze, pas versmolten , samengaan;
In \'t luw van Hedels popeldreven ;
Wijdt hij aan haar zijn diepverborgen leven.
De jaren vlieden, en zijn smarten zijn verzacht;
De zorg vervangt ze! »Wie, ach wie, na mijn verscheiden.
Beschermt mijn Wees! Wie zal haar jonkheid leiden!"
Zoo denkt hij vaak; zoo had hij weer gedacht,
Ku herdacht. duizend — duizend werven;
Tot dit jaar öök allengs zijn tooisel stond te derven;
Tot nu. . . (triomf! wij zijn. waar uw geduld ons bragt!)
De Bruiloftskroon van verre onze Agnes tegenlacht.
De Herfst is dus in \'t land; daar komt, met matte schreden,
Een oude Pelgrim. Wolf laat daadlijk, ongebeden ,
Hem binnengaan , maar leest op zijn gelaat.
Terwijl "s Mans oog een blik in \'t ronde slaat;
Nog meer, zoo ras het opgeheven
Den Hol\' doorloopt, en Agnes aan komt zweven ;
Verbazing: »Is het waarheid? Is \'teen droom?
\'k Zag dit Vertrek, dien Hof. ter plaats vanwaar ik koom:
In \'t Lui ksch gebergt\'. Daar koos een Jonge Graaf zgnwoning:
Voor allen omgang schuw. Men gist van tweeën èèn:
Hij kwijne aan zielsverdriet, of schaam\' zich der vertooning
Van zijn wanstalligheid. Een jaar op \'t hoogst geleèn,
Schiep hij, wat ik hier weèrvinde . om zich heen,
En gij; in een tafreel aldaar Agniet geheeten ;
-ocr page 149-
12f)                                 DE TWEE BULTENAARS.
In wit gewaad bij een wit lam gezeten ;
Volsehoone Maagd, versiert, door zijn bestel,
Het altaar van de nieuwe burgkapel."
De Pelgrim sprak. Hij heelt den leliebloei in rozen
Verkeerd op \'t voorhoofd van zijn Hoordster; en de lach
Ilaars Vaders wekt van nieuws haar blozen.
»Dat zocht de Reiziger" (\'t wordt Agnes heldre dag!)
«Dien ze op haar weg. dien ze in de dorpkerk zag.
Hij kwam, voor zijn paneel, haar wezenstrekken stelen.
Hen draal\' zelv\' kon\' dit Huis ligt in\'t geheugen spelen:
Het Huis. waar hij een feil beging,
Die strenge straf van rassche hand ontving!"
Dit denkt Agneet; en (\'t blijft tot ü gesproken.
Gij Schoonen) zoude uw torengloed,
Hoe billijk en hoe fel hij was ontstoken .
Niet dooven , had een Man zijn misgreep zóó geboet.
Als onze Kluizenaar\'\' en badt gij dien geen goed
l\'it vollen boezem toe. al zat zijn hoofd verzonken
In kemelbogchels. die uw beeld
Een plaats op \'t Outer had geschonken ;
Daar. waar \'t in gulden glans, van wierookwalm omspeeld.
Den neêrgeknielden trof, dat hij de ontsloten lippen
Bewondrena stilhield, en geen bidkraal meer liet slippen.
Gewis, gij werdt verzoend; gij boodt hem welverdiend.
Als Agnes deed , ten minste rang van Vriend.
Doch , wat bragt Otto\'s geest aan \'t malen,
En liet hem Heel. zoo\'t leefde, en groende, en stond.
Naar zijn Kasteel, in \'t Luiksch gebergte halen ?
Erinnert u , hoe Wolf den Lijder henenzond,
En deez\', ter sluik, bosch in bosch uit ging dwalen.
Dit traag laveeren gaf tot dweepig mijinren tijd!
De Schrap (ontvangen, toen hem \'t kusje niet gebeurde,
Werd tot een Wond, die Ot al dieper scheurde.
Frits is zijn Bult, en hij is Klara kwijt:
-ocr page 150-
HE TWEE BULTENAARS.                             \'127
De plaats van Klare aan Agnes te verschenken...
Beminlijk hoven Klara zelv\'!... zijn spijt
Alleen had straks aan zöö iets kunnen denken !
Doch spijt behoeft liier niet: de zoete zedigheid .
Gelijk een sluijer over Agnes schoon verbreid;
Ileur eedle trots; heur hart. dat zich onthulde .
Terwijl zij bijstand gaf, aan die \'t met smart vervulde:
Ziedaar wat reeds genoeg Agneets triomf bereid !
Wolf—schenkt vergiffenis, van \'t geen Graal Ot verschuldde!
»Dit loon" zei\' Wolf »is den Bekeerling wetifjelegd."
(lts Pak wordt dus, zoo ras zijn (\'aaltree zal verjaren.
Hein afgeligt; daarna geen hand hem meer ontzegd.
Om zijn misvormd postuur; — en \'t eindigt met een Echt!
Maar! — Wolf? — is Wolf! — en Ot, wiens Vaadren, ging \'t
maar regt.
Zoo goed als Gulik I), reeds een eeuw lang Vorsten waren...
Ot — Schoonzoon van dien Man ?
Laat alles mooglyk zijn, \'t is klaar dat dit niet kan!
Doch even min kan Ot Agnete laten varen!
De Liefde en Hoogmoed, in zijn borst,
Staan weêrzijds even schrap !
Wat heider tweekamp schorst.
Is eindlijk dit ontwerp : Ot zal Platonisch minnen :
»De hand van Klara moog de blonde Freedrik winnen;
Een schoon, waarbij zelfs Klara\'s achterstaat,
Zal HM aanbidden ! \'t slijk ontrezen ,
Gelijk Vaucluses Zwaan 2) — door Agnes lieHijk wezen
Van ver bestraald smaakt hij wat grove lust
Niet geven kan!"
Nu was zijn Graallijkheid gerust\'.
1) Keinoud de vierde, sedert 1402 Hertog van Gelder, uit den stam
van Gulik,
2> Petrarca.
-ocr page 151-
128
IIE TWEE BULTENAARS.
Zoo wel \'t penseel als schup en hamer streefde
Wedijvrig hem ten dienst; een Pellegiïm lei\' aan,
Waar Plato bij de sfeeren zweelde;
Vertrok weer; klapte; en, als de zilvren maan
Sinds voorde tweede maal haar kring was rondgegaan.
Rrak Otto, met een hart, dat meer aan\'t stoflijk kleefde
Dan hij zelf\' wist, naar \'t regtdoend Hedel op.
Hij volgt de sporen van zijne eerste kronkelgangen ;
.Maar \'t eindigt stapvoets wat begon met een galop :
\'t Beslissend uur genaakt! en Otto voelt zich prangen ,
Door vrees, dat Wolf misschien geen echte beetiïng ziet,
In de offers, die zijn hart thans aan Agnete biedt
(De Vaders zijn wat raar!) — dat dan zijn pak blijft hangen ,
Op rug en borst! of, liep dit gunstig meê .
Dat bij Agnete geen vergeving is te erlangen !
Zoo plaagt hij zich , tot Heel toe ; waar hem vree
Op Wolfs gelaat ontvangt! Wat voorviel schijnt vergeten.
Uit andre Kruik, dan die van Kufus, vliet
Een teug, die hem \'t verschoonend welkom biedt.
Alleen de schenkster faalt!
Ot durft en kan niet vragen.
Hij zucht naar Agnes, en hij siddert dat zij koom!
Dan scheen hem plotslijk vuur, dan eenslags weer
[een stroom
Van ijskoud nat, door de aders rond te jagen.
Zijn Bult vergat hij gansch ! Maar, die de wond geslagen
En heeling had beloofd. Wolf dacht er om : hij schonk
Aan Otto duhble gaal\'. Zijn mijterheuvel slonk ;
En, waar geen Freedrik was, kon\'Otto , bij de mannen ,
Voortaan de kroon der schoonheid spannen.
Zoo ziet hij zich in \'t spiegelend metaal.
Waarmee de huiswand pronkt. Dat uit Agnetes oogen
Thans óók een blik verholen op hem daal\',
Wiens betering zich zwijgend laat betoogen;
-ocr page 152-
121»
DE TWEE BULTENAARS.
Op hèm , die nu veelligt, insteê
Van afkeer of van mededoogen,
Een zoet verwondren wekt! en zij dan binnentreê —
Dezelfde als toen zij hem groothartig hulp kwam geven —
Dit wenscht geheel zijn ziel, terwijl ze, in eens ontheven
Van \'t geen haar twalef maanden drukt.
Besluit: »De Bloem wordt mijn! geen anderdie haarplukt!
Tot welk een razernij had trotschheid mij gedreven!
De glorie van een Heilig siert het hoofd
Diens Vaders, dien ik zinloos dorst verachten!
Het schittren van mijn Stamboom wordt verdoofd
Van dezen glans! —"
Dat steil beklimmen Ots gedachten!
Inmiddels laat zijn Dank den grijzen Wolf niet wachten:
Hij tuigt, met handdruk en met mond —
Uit de allerdiepste diept\' van zijnen hartengrond —
Erkentlijkheid; en — (Wolf drong op geen toeven)
En — \'t oogenblik van afscheid is nu daar! —
Is — zonder Agnes daar ! Geen pleurend martelschroeven
Heeft Kufus zoo gefolterd ! Ieder haar
Van d\' armen Ot hangt met een droppel zweet beladen.
»Uw Graaf is mal! \'k Wil hem ten beste raden:"
Spreekt iemand hier »hij zij beleefd; hij vraag
jNaar Agnes, bij Papa. Hij zeg hem, dat hij graag,
Berouwend wat hij deed, voor haar zijn knie zou\' buigen,
En, nu hij \'t kan, haar zijnen dank betuigen.
Zoo loopt het los!"
Gij hebt gelijk , goê Vrind,
En kondt, in Ots geval, zoo spreken ,
Want gij hebt nooit, of niet als Ot, bemind.
Zijn liefde maakt hem blooder dan een kind,
En \'twoordjen Agnes blijft, bij hem, geweêrhaakt steken!
In \'t lange leste wordt, met blozen en met bleeken,
Dat woordje toch geslaakt, en om de hand der Maagd
Staring, Gedichten.                                                    9
-ocr page 153-
430
DE TWEE BULTENAARS.
In forma door Graaf Ot gevraagd.
Maar onmeêdoogend kwelt het nederig bedenken
Haars Vaders hein : »Zon\' Ot een Meisje zonder naam
Den Grafelijken Trouwring schenken?
Het Geitje woont niet met het eedle Hert te saam;
De Sperwer is op \'t nest des Arends niet te vinden ;
Gelijken moet het Echtsnoer binden!
Zoo werd het bij Natuur en Maatschappij verstaan!"
Wolf sprak het. Niets kreeg Ot te weten
Van \'s Grijsaards Ridderstand, en vrome wapendaan.
Bedreven toen \'s Mans jeugd in \'t harnas werd gesleten;
Hij vangt zijn repliek dus, als pleiter, deftig aan .
Met Vader Wolf een Sant te heeten.
En hem, voor \'t minst, den rang van Koning toe te meten.
Vergeefs wordt de aanspraak op een plaats in d\'almanak
Door Wolf beleefdlijk afgewezen ;
Vergeefs zet hij \'t gezigt, bij nieuwen aandrang, strak :
»\'t Is louter needrigheid !" Ot laat zich niet belezen.
Dat hij de stralenkroon van Wolf verloren geev\':
»Sint Kufus groet hem, of hij wil of nikt wil, Neef;
En, waardig, door haar Deugd, om op een Troon te prijken.
Hoeft Agnes, in Geboorte, ook geen Vorstin te wijken !
Dit staat onwrikbaar vast!"
Gij — of ik langer schreef —
Gij , wier opmerkzaamheid mij nog ter zijde bleef.
Hebt reeds acces verleend !
Wolf gaf het ook. De lippen
Van minlijke Agnes spraken uit,
Wat, vóór haar, Klara\'s mond liet glippen ;
En Heel zag nooit een schooner Bruid.
-ocr page 154-
NICHTJE R IJ K. 1)
EEN VERTELLING VOOR VRIEND EYTSE,
DIE, REEDS BEJAARD, NOG AAN HUWEN DACHT.
»Dy Iteyn kin dy eack bedrippe"
Gusu. japiks Nysgier. Jolle.
Wop schonk aan Luitske, jong van jaren,
Zijn dorre hand.
En bragt ze, uit vrees voor Stadsgevaren,
Naar \'t eenzaam Land.
»Geen Bal zou\' daar heur bloed ontsteken;
Romanslektuur
Geen sprankels bij haar uit doen breken
Van zorglijk vuur.
Daar gaf haar de omslag der bestiering
Een heilzaam drok:
De pot, de melkerij , de vliering,
Het hoenderhok."
Zoo dacht Wop , en hij zwoegde Buiten .
Aan Luitskes zij ;
En hield , op beenen , dun als fluiten ,
Haar schred niet bij ;
En , na drie weken huwlijksleven ,
Kreeg Wop een brief!
Hij moest van honk — zijn post begeven
Bij Luitskelief.
»Gu heengaan? — ik alleenig blijven? —
Onmogelijk!"
Roept Luitske »Wat ik doe? \'k wil schrijven
Aan Nichtje Rijk.
1) Zie aant. 27.
9*
-ocr page 155-
132                                    .NICHTJE HUK.
Die was, op school, mijn best Kornuitje ;
Wij sliepen saam;
En \'k heb beloofd . ons eerste spruitje
Kreeg vast haar naam."
»»Fiat!"" Wop ging; men schrijft; de wagen
Met Nicht komt aan ;
En elk ontwaart, dat beide Magen
Zich wèl verstaan.
Zij hokken saam, van vroeg tot spade —
Van spaa tot vroeg.
Blijft Manlief uit, zijn Jonge Gade
Heeft troost genoeg.
Zij is, gestrekt aan Rijkjes zijde.
Dij nacht niet bang ,
En vindt, of \'t weer geen uitgaan lijde ,
Den dag nooit lang.
Ook houdt zij \'t woord aan Wop gegeven :
»Wie toegang vraagt,
Niet t\'huis!" is ernstig voorgeschreven
Aan knecht en maagd.
Wop nogtans, na beredde zaken ,
Trof haar alleen :
»IIet nichtjen, om hem plaats te maken,
Reed \'s morgens heen."
» »Zoo had ik Lieuwerd, op mijn reisjen,
Vergeefs bezocht;
En nog een Kanten Muts voor \'t Meisjen
In haast gekocht?
Dat niet! gij moet ze straks weer vragen ,
Al ben ik hier.
\'t Logeerbed zal nu opgeslagen ,
Voor mijn plezier!""
-ocr page 156-
133
IIEItTOt; WILLEMS BEDEVAART.
Wop sprak het; maar de Huismeid fluistert
Haar Heer in \'t oor:
»Mijn Heer, graag had ik , onbeluisterd ,
Een kort gehoor.
Uw Nicht, Mijn Heer, — schoor alle dagen
Heur koonen glad —
En heeft... bij nacht... geen muts gedragen.
Die strooken had !"
Dit Liedjen hoorde een Kaal kruin zingen ,
Mispaard als Wop ;
Hij kon\' zijn zuchten slecht bedwingen ,
En zei\' er op :
Wie zonder Vrouw weet huis te hou\'en
Mijdt veel verdriets:
De Onnoozelste is maar half te trouwen; —
Een slimme niets!
HERTOG WILLEMS BEDEVAART1)
in 438\'J.
Is \'t Guliks Erfgenaam , is \'t Gelders Heer.
Die daar. als Pelgrim, zwerft aan \'tBaltisch Meer?
Hij is \'t! hij trekt door \'t wilde Pommerland .
En nam voor \'t Zwaard den Beêvaartstaf\' ter hand.
Een klein Gevolg trekt meê, in de eigen mom;
Stad. dorp, en slot. maar nooit een herberg om.
Mits, onder \'t voordak , zich haar uithangkroon
(Het teeken van nieuw brouwsel) frisch vertoon\'.
Die zeilsteen werkt: de kan klept; lustig schuimt
De berkemeijer; teug op teug verruimt
1) Zie aant. 28.
-ocr page 157-
134                       HERTOG WILLEMS BEDEVAART.
Allengs het hart; de Vreugde dringt er in;
\'t Vertrouwen sluipt haar na! Bij waard, waardin,
En drinkgezel herkaauwt men weer dien Togt,
«Toen, aan de Barnsteenkust, Held Ëylar vocht;
Toen \'t Biland deed, voor \'t zwartgekruiste Gild 1),
Dat ridderlijk de Heidnen doopt en drilt! —
JNü zal \'t de Pool misgelden!" Iedereen
Is van \'t geheim. Nogtans beklapt er geen ,
Dat, onder Willems dosch , zich \'t Hermelijn
A\'erbergt. Als Pommrens Hertog vraagt, wie \'t zijn,
Waarvan \'t gerucht spreekt? «Vreemden" is het woord —
]Niets meer! Maar \'t is, voor hèm, genoeg gehoord!
De schuts des Grondheers door een uitheemsch broed
Versmaad te zien ; — Door dollen overmoed
Zijn grens ontheiligd ! — Schroomlijk bruist de gal
Van Wratislaw: nGUck in den Hunnestal
Met eer" "i) gebiedt hij ; doch bedenkt daarna ,
Dat best het vatten vóór het straffen ga;
En «Eggard 3) zal ze vatten."
»»Als hij kan." "
Bedingt de Heer van Demewold ■— een man
Van overleg: dit blijkt! Hij brengt een troep
Van helpers samen , of er moordgeroep
l\'it ieder huis klonk. Weg en onweg staan
Vol wachten; kar en kruikar houdt hij aan;
De leègen meê ! Elk scheurtjen, elke reet
Beneuzelt hij: »Een Fin kruipt in een spleet"
Meent hij «waarin geen vlieg kan; en wie weet!
Ligt dat het Finnen zijn !"
Drie dagen ging \'t
Dien gang; de kreits van Eggards jagers dringt
Al voorwaarts; wordt al enger; — plots! ziedaar
1)   De Orde der Duitsclie Heeren (vroeger Broeders); Kruisheeren;
Porte-Croicc; Bidders van de Maagd Maria.
2)   »Terstond in \'t hondengat met hen." Platduitsch.
■i)
Eggard van Demewold.
-ocr page 158-
135
HERTOCi WILLEMS BEDEVAART.
Het wild verschalkt! omsingeld heel de Schaar!
Een pelgrimshoed , bij rozenkrans en stok ,
Kleedt Willem even weinig als zijn rok
Van grove pij ; — elk zag dat; niet te min
Wou\' \'t Eylars kregel hoofd, noch Bilands in,
En \'t Kluchttooneel raakt, door den driesten moed
Van \'t krijgerpaar, te tragisch roodbebloed!
Barsch noemen zij hun Hertog ; maar de schijn
Wekt ongeloof: »Een schooijer mag hij zijn
Dien gij zoo heet!"
Naauw was het I\'ommersch woord
Geslaakt, of heider stal\' vaart in akkoord
Den schendtong op den kop ; — en . ach! — \'t geweer
Van twintig Wrekers treft! — Het Paar zijgt neer! —
Wond , val, en dood , in d\'eigen oogenhlik !
Men staart elkander aan; verstomd van schrik —
En als nog luistrend naar hun jongsten snik ;
Tot Willem roept: «Kent, laffe Hoorders ! kent
En èèrt me, als Gelders Hertog! — Die u zendt
Is niet meer Vorst dan ik !"
Terwijl hij spreekt,
Getuigt de traan, die van zijn wangen leekt
Op \'t aanzigt der Verslaagnen. dat bedrog
Ver van zijn lippen is.
\'t Blijft Eggard toch
Bedenkelijk: «Heer Hertog" vangt hij aan
»Als \'t Hertog zijn moet! èènen weg te gaan;
Tot ons Stettijn hier wijsheid doe verstaan;
Is raadzaamst voor ons allen.
Deze Twee
Gaan — tot mijn spijt — in uw gevolg niet meê;
Maar ik bezorg hun plaats in gindsche kerk ,
En maak van doodkist, klok , en zielmis werk.
Gij , en de rest van deze brave lièn .
Komt ons Kasteel van Valkenborch bezien.
Het is er stil; verwacht dus aan dien oord
-ocr page 159-
136
HERTOG WILLEMS BEDEVAART.
Geen straatgerucht. dat uw devotie stoort.
Vindt gij er ligt de keuken wat te schraal ,
\'k Acht, dat aan Gelders Vorst het Geld niet faal\';
En daar, als elders, heeft, wie Geld bezit,
Bij echte Malvasie Gebraad aan \'t spit."
Met dezen kwinkslag breekt hij al\'."
Het eind —
Is zeilen, naar de sterkre voorman seint!
\'t Werd avond; Valkenborch hiel\'statig voor hunne oogen
Zijn torens op. die \'t mos. sinds eeuwen, had betogen.
Een dubble kring van grachten sluit het ruim
Der muren in. bedekt met drabbig schuim
Kromt zich haar gapende afgrond. Aan haar boorden
Ontzegt geboomte en struik zijn schutsel tegen \'t Noorden.
Dat over paalloos vlak alhier zijn geesel zwiert.
En slechts de heistruik duldt, die op den veengrond tiert.
Rij \'t naadren van de schaar, dringt uitde voorpoorttinnen
Een heesche horenklank. De grendel knarst daarbinnen.
Geraas van ketens volgt. Nu bonst de valbrug neer.
En \'t open burgplein galmt met hollen nadreun weer.
Noch slotvoogd, noch gezin, treedt toe met eerhetooning.
Geen eedle Jonkvrouw biedt den Gasten, in deez\' woning.
Een welkomstteug. De huisdienst wordt verligt
Door grijze krijgslièn. Traag ten langontwenden pligt
Verschijnen zij . en oopnen doodsche zalen ,
Slechts spaarzaam, aan \'t gewelf, beglansd van daglicht-
stralen :*
Het naakt verblijf, onwaardig hem bereid,
Wien, bij zijne eene kroon, de tweede nog verbeidt.
Hoe zweeft gij daar voor zijn gedachten ,
Op \'t slaaploos bed , in lange kerkernachten ,
O weerzien , daar zijn hart naar brandt.
Van \'t bloeijend Rozendaal — van Gelders Lustwarand!
-ocr page 160-
Ytf
HERTOG WILLEMS BEDEVAART.
Gij Bergen !... Heuvels acht de Faam ,
Bij vriend en vreemd. te klein een naam.
Voor Heerschers over meer verschiet.
Dan eigen erf\' den landzaat biedt! —
Gij Bergen ! van \'t gewolde vee
Beweid , en van \'t gehorend ree !
Gij vruchtbre Dalen, waar de zon
Haar schichten koelt in bron aan bron ;
Waar \'t veldgebloemte vroegst ontluikt,
En langst aan winters magt ontduikt;
Waar Echo , als de meimaand keert,
Den zang van duizend vogels leert!
Gij Bosschen , die daar tusschen \'t graan,
Wanneer de sikkels veldwaarts gaan.
Op nieuw versierd met lenteblad,
Smaragd gelijkt, in goud gevat!
Gij Beken : eeuwigvloeijend glas ,
Dat snelt naar Rijn- en IJsselplas.
Maar toeft, aan \'t scheiuunt van hun val.
Onzeker wien het volgen zal,
En. beurt om beurt, door \'t schoon verleid
Zoo mild langs ieders boord gespreid !
Gij Paradijs ! van \'t morgenland
Aaar \'t golventemmend west verplant;
Hoe kwelt hem daar uw tooverbeeld,
Als \'t vriendlijklonkend vóór hem speelt!
En, ach, waarheen gestaard, om reddingslicht te ontdekken!
Gespt, tusschen Roer en Zee 1) de heerlooze onderdaan
Misschien het zwaard tot zijn bevrijding aan ?
Zal, hem tot hulp, een Vader \'t lemmer trekken —
Een gramme Vader, wiens vermaan
Hij wut\'tlijk heelt gesmaad ? Rukt uit Aleides banden
1) De Zuiderzee,
-ocr page 161-
138                          HERTOG WILLEMS BEDEVAART.
De Graaf van Holland zich met krijgers fierheid los,
En zet zich, voor een Schoonzoon, weer te ros ?
Zou Wentsels Majesteit ontbranden
In ijver, voor een roekeloozen Maag:
De Duitsche Sultan van zijn Praag,
Zijn Tafel en zijn Harem scheiden,
Om de aadlaarsvlugt voor Willem uit te breiden ?
De Pelgrim — thans door nooddwang kloosterling —
Zat maanden lang vergeefs op dezer hulp te beiden!
Doch . eer de wanhoop hem beving
Riep, nog van pas, Sint Jan zijn Helden 1)
In Slages muren op. Ze ontcijfren , wien de zorg
Van Demewold verstak in \'t eenzaam Valkenhoren,
En ijlen Willems ramp naar \'t Pruissenland te melden.
Maria\'s Ridders 2) zijn niet flaauw
In \'t handlen tot zijn best! Een brief aan Wratislaw
Dringt vriendnaburelijk. Een tweede maant wat luider.
Een derde spreekt op \'t mes, en hoeft geen raadselduider!—
Nu zwicht de Pommersman. Al doet hij \'t met een graauw,
Hij geeft tot slaking last.
Dra ziet de Beêvaartganger
De grendels wijken aan de stramgeroeste poort;
En binnen \'t uur is heel \'t gezelschap voort....
Zoo \'t gaat naar Eggards wensch! — maar \'t afscheid duurt
(iets langer :
»0p Willems eerkwetsuur zal Eggards eigen hand
Een pleister leggen , ten vaarwel uit Pommerland;
En, wijl de Patiënt voor knoeiwerk schijnt te vreezen,
Moet Pruissens Ridderdom hierbij getuige wezen."
Dit eischt de Hertog — die nu \'t Zwaard
Weer voor den Palster heeft aanvaard !
1)    De Orde van Sint Jan Baptist van Jeruzalem.
2)    De, bij den aanvang, genoemde Duitsche Heeren.
-ocr page 162-
139
HERTOG WILLEMS REDEVAART.
De Heer van Demewold is pijnelijk verlegen!
»\'t Omvatten van een knie"—met stillen wensch gepaard,
Dat, die \'t hem vergt. den Droes op weg bejegen\' —
Dit pleistren stond hem minder tegen :
Hij kwam, zoo doende, van \'t verwenscht cipieren vrij!
Was maar zijn ergernis— het Kruis vol kl — daar niet bij!
Doch met geen praat, hoe schoon, blijkt Willem te bewegen:
»Het moet!" en \'t zal dan ook! nadat
Op \'t vorstlijk hart door Eggard werd verkregen ,
Wathem voorleed beschut: »Slechtstotaan\'tbreedeWad\'
In \'t bed der Grensrivier, zal hij den troep geleiden,
En \'t zeer daar zalven, binnen \'t Pommersch grondgebied:
Al blijft de Stroom hem van de Ridders scheiden.
Op meerder afstand zelfs ontging \'t hun blikken niet,
Wanneer bij soms aan \'t Werk iets haapren liet!"
Nu steeg men in den zaal. De togt — blij aangevangen —
Werd vrolijk voortgezet; — en tot het Wad volbragt; —
Dat heet: tot zwarigheid, niet bij \'t akkoord bedacht,
Zich opdeed!
Een gelei\' van Ridders staat en wacht
Aan d\'overkant; maar wilde struiken hangen
Omlaag, omhoog. langs \'t enge kronkelpad ;
En, schoon men arenclsoogen had ,
En reigerhalzen uit kon\' rekken,
Men zag de Pruissen niet, noch was door hèn te ontdekken!
Hoe gaat het nu met de afgesproken cuur
Van Hertog Willems eerkwetsuur ?
Wat hier ten goede van den Poinmer uit kan groeijen
Doorziet zijn brein, en straks heeft hij een voorstel reê:
ȟe Hertog zal naar d\'andren oever spoeijen;
Daar wacht hij , aan een open stee,
Tien pas ver, van zijn Ridderstoet omgeven.
Tot Eggard , boven \'t ruig op deze Wilg verheven,
(Hij wijst ze, en klimt al!) in\'t vizier der kijkers zij;
-ocr page 163-
140                                          IIE D1ECHT.
Dat hij zich kwijte van den pligt hem voorgeschreven.
Door handgebaar."
» «Hij kwam wat \'maklijk vrij ; —
\'t Was waar ! — maar zat paraat""— men lachte — en
[\'t bleef er bij.
Mijn Lezer merkt, de Cuur werd nu magnetiseeren!
Zoodra de Hertog ginds verscheen .
Deed Eggard met gesticuleeren
(leen klein geweld ; de Aanschouwer was tevreên ,
En wendde \'t oost-, gelijk hij westwaart heen.
DE BIECHT. 1)
A n o k d o t e.
\'t Werd Paschen; alles ging ter biecht,
In , \'k weet niet welke, stad;
Waar Pater, \'k weet niet wie, den trek
Der meeste Meisjes had.
«Mijn Vader" hief Thereesjen aan
»Ik draag nu \'t haar gekapt,
En heb mij sedert, dag aan dag,
Op de eigen fout betrapt.
\'k Hoor overal hoe schoon ik ben !
Dit brengt mijn hoofd op hol;
\'t Weerstond den hoogmoed vruchteloos,
En draait mij als een tol."
» »Foei. foei! Maar, zeg eens: bent ge rijk ?" "
«Och neen; als ieder weet.
Mijn jonger zuster is \'t allèèn;
Die erfde van haar Peet."
1) Zie aant. 29.
-ocr page 164-
HET MYSTIEKE TESTAMENT.                             141
»»Wel nii, zoo heb geen zorgen meer:
Uw hoogmoed zal vergaan ,
Wanneer men om uw Zuster komt,
En U, schoon Kind, laat staan."
HET MYSTIEKE TESTAMENT1).
EEN VERHAAL UIT
PITAVALS „CAUSES CÉLÈBRES" (T. 3, p. 376),
VKIJ BEHANDELD.
De Louwmaand had de Mei getrouwd :
Een Fransche Markgraaf, leelijk , oud.
En gierig als het graf, het puikje van de Schoonen.
Verdiende zij \'t ook zevenvoud ,
Geluk kon zulken echt niet kroonen!
De scherts, die op haar lippen plagt te wonen,
Zwond, voor het jaar ten eind liep, heen;
De schittervonk in \'t geestig oog verdween ;
Een doodlijk gif kwam door heure aadren sluipen ;
En \'t Roosje liet weldra zijn leste blaadjes druipen.
Daar trad de Vrek aan \'t eenzaam bed,
Waarop zijn otter lag: «Mevrouw, bezorg uw zaken!"
Spreekt hij »Gij bukt weldra voor de algemeene wet,
En dient een Testament (het best Mystiek) te maken.
Uw boeltje dus, zoo gij uw pligt bevroedt,
Wordt mij."
»IIet kom\'" zucht zu «aan die het erven móét!
\'k Zal, door gemisbruikt Regt, een Zuster niet ontrooven
\'t Geen billijkheid haar geeft, en haar mijn liefde gunt."
1) Zie aant. 30.
-ocr page 165-
142
HET MYSTIEKE TESTAMENT.
Eer ze uitheeft, staan (gelijk gij denken kunt)
Reeds Manliefs knevels, als een Turksche maan, naar boven;
En een orkaan barst los! —waarvoor dan ook, in \'tlaast.
De Kranke zwicht.
Haar Beul roept, met der haast,
Zijne acht Vertrouwden in. Beklonken naar de wetten.
Lag, sinds een maand, het Testament gereed,
En met dateeren was \'t kompleet:
Die zijlings toezag . had alleen haar naam te zetten.
Zij schrijft, bij \'t flaauwe licht, dat voor haar leger brandt;
Touwt; zegelt; stelt het Blad den Ambtenaar ter hand;
En sterft.
Een regtzaak bragt de Tabbaardsliên te samen:
\'t Ontzeeglen toefde kort!
De droeve zuster komt.
(Waar reeds de Markgraaf— waar zijne acht Vertrouwden
kwamen)
En tegenover haar, die , onder \'t leed gekromd,
Elks mededoogen wekt, zou\' schijn van rouw betamen !
Alleen, de Weduwman blijft schaamtloos onvermomd!
Zijn tergend lagchen — \'t hoofd. trotsch in den nek
gesmeten,
Laat daadlijk aan de onterfde weten:
»Ik erf!"
Zij droogt nogtans haar bittre tranen niet!
Het zusterhart. gebroken door \'t verdriet,
Is, tot zijn jongsten slag, met haar vereend gebleven!
Daaraan heeft zij genoeg — het andre schenkt zij hem.
Thanswerd, wat heimlijk binnen \'t roofhol was geschreven.
Door een Griffier aan elk met klare stem
Verkondigd: los en vast blijkt aan den Man gegeven;
Plaats, dagen uur zijn juist; het naamschrift onder\'t stuk
Is de eigen hand der Markizin; — men spelde
-ocr page 166-
143
HE VERJONGINGS-CUUR.
Slechts, waar \'t hèür naam moest zijn, een andren! —
(Vruchtloos kwelde
De Lezer zich; daar stond, en bleet\'staan ... »Habakuk."
DE MAKKIES.
»VVat! — Habakuk? — Help meê zien. Heer Notaris!"
DE GRIFFIER.
»\'>Zie, Heer Markies, door eigen oog, of \'t waar is:
Het Stuk is nul!""
DE MARKIES.
»Eu \'t Goed ?!"
DE GRIFFIER.
»»Mejuffrouw vaardt het aan.""
Den Heer Markies laat mijn Auteur nu gaan —
Heelhuids — als was er niet misdaan ! —
Hij zal . bij mij , verdiende straf ontvangen !
Ik jaag hem . in zijn wanhoop . naar een bosch ;
Daar laat ik hem zich aan een boom verhangen;
En — zeker snijdt geen Vrouw hem los.
DE V E R J O N G IK G SC ü ü R. 1)
Annet was beeldmooi — zei\' haar spiegel; en Mama
Zei\' \'t met Mamzel. den spiegel vlijtig na.
Geen haai lijk Buiten hield de Schoone meer verborgen:
Zij spilde aan \'t jagervolk niet langer haar toilet
En geestigheid; een afgebeden morgen
Rees uit de kim ; de Puikbloem werd verzet
In \'t luw der Stedelijke Muren;
1) Zie aant. 31.
-ocr page 167-
144
DE VEJtJONC.lNC.S-CUin.
Het kennersoog; kwam haar begluren :
En jonkvrouw Faam stak lustig haar trompet.
Verscheen voor de eerste maal Annet,
Als Dorpeling. met hooggekleurde wangen
Op \'t Cercle, en zat ze er stom — na weinig zuchten werd
Haar keursje ruim genoeg; haar tong vrij. Op \'t Concert
De week daaraan.... was Rlooheid reeds vervangen
Door Spraakzaamheid. En op een Thé,
Dat volgde.... was het Babblen . zonder ende.
Ook kreeg elk Pronkertje vandaag eenschampstootmeè,
Terwijl zij. regtsen links, heur naaldscherpnebjewendde.
Hun Strooijenhoedskostum leed last! — Het Hielbeslag—
\'t Lorgnetglas aan een koord ischijnblindheids ridder-
[teeken !) —
De Snuifdoos — geen der Kwikken van den dag.
Waarin geen pijlspits van Annets vernuft bleef steken !
Zoo was een ieglijk nu haar klein Talent gebleken.
Doch , wat men niet betwijllen zal :
Tot haar Vervolgpreek liep een telkens mindrend tal;
\'t Planetencorps. door haar. als zon , beschenen ,
Zwierde uit d\'attraktiekreits; en., \'twas in \'t ruim verdwenen!
Het derde wintertij had sinds den herfst verjaagd;
De wiek des Tijds had uitgevaagd .
Wat, bij de waereld . van Annet stond aangeschreven;
En , als voordeze , kwam een Hofstoet haar omgeven.
Maar thans was \'t rijper Jeugd, aan \'t schip van staat vertuid,
Door ambtszorg; door de zucht gedreven ,
Om onder eigen dak te leven;
En op een Huisbestierster uit.
Thans vond Annet ook raadzaam om te zwijgen.
Hoe dringend eene Amie bad ,
(Die graag, bij vakatuur, haar troon bestegen had!)
Aan \'t recenseeren was Annet niet meer te krijgen.
Maar wijslijk wikken bij haarzelve mogt ze toch !
Dat mogt ze ! en zat, op Kersdag, te bedenken;
-ocr page 168-
ItE VERJONG INGS-CUUR.                            145
En, op Sint Nikolaas daarna, bedacht ze nog ,
Hoeveel er schortte aan elk van die zij \'t Jazon\'schenken.—
A? was Klein Duimpje; B? de Sparewouwer Reusl);
C ? was een jool; D ? had een scheeve neus.
Dus liep zij *t alphabet dóór en wèèr döör— en wou niet! -
Of, woii ze dan — tóch — wèl !
Dan was het gistren I. vandaag K, morgen L.
L zou\' het eindlijk zijn! — Maar . . . „Neen , Heer L !
Wij hebben tijd !"                                 (zoo gouw niet
Bij slot: (want, om regtuit te spreken.
De walg begint me , als u , van dit getalm te steken !)
Vokaal en Konzonant — zij raakte \'talles kwijt;
En , zelve vrijend, sloot, die eertijds werd gevrijd,
Haar vijf en vijftigst jaar! Toen ... «Ging zij zeker trouwen.
Met Hans, haar Lijl\'knecht?" Neen! »Dan liet ze een Hofje
Betrok het zelve, met een oude best (bouwen —
Of wat?..." Neen! Nèèn alweer! het lest
Zoo min als \'t eerst. »Wat dan?" Ja, lieve Vrinden,
(jij zult het ongelooflijk vinden !
Toen ! reisde een hooggeleerd Doktoor,
Van Jemen 2) uit, de waereld door.
Waar nu kwam , vloden alle kwalen :
De exkreuplen dansten , in de leêge hospitalen !
Ontbrak er ligcbaamsscboon? zelfs daar was middel voor
Bij onzen Eskulaap te halen:
Zijn Kosmetiek liet blankheid aan den Moor
Noch gladheid aan de Pokputtronies falen.
Tot Haarzalf toe verkocht men in zijn kraam :
Werd daar een Munnikskruin naar \'t voorschrift meê ge-
Eer ge om kondt zien , was Pater Steven
         (wreven,
Prins Absalon!
1)  Klaas van Kieten, van Spaarnewoude. Vondels Gijsbr. v. Amstel.
2)  Gelukkig Arabië.
Staring, Gedichten.                                              10
-ocr page 169-
146                             DE VERJONGIKUS-CUUR.
Doch. wat Alhamis naam
Ten hoogen hemel droeg ! hij wist een geest te trekken
Uit Krekelmerg 1); hiervan iets op de tong
Van een krom grootje, zoo begon \'t zich regt te strekken ,
Sliep — en ontwaakte Jong!
De Middelzee voorbij , was nog geen proef genomen
Van \'s Arabiers Verjongingscnur :
Alhamis hield zijn waar te duur!
Doch bij Erl\'tante Annet was naauw berigt gekomen .
Dat hem de buurt wacht, of haar paerels liggen klaar
Zij leent er geld op . bij een rijken schagcheraar;
En \'t lukt haar. vóór den nacht, dat zij een dubble do/.is
Van \'s Mans Arcanum , met een zegen , die niet voos is.
Naar huis brengt.
«Knap mijn slaapjak aan .
Francijn, en dit goed uit!" Zoo spreekt zij. Een vermaan
Volgt, onder \'t werk: »Lief Kind, uw dienstbare overbodig.
Zoo lang mijn rust duurt. Gij begrijpt toch. wat ik meen\'
Mijne OudejuH\'erschap vare onbekeken heen!
Als \'t morgen wordt, en eer niet, zij ge er noodig.
Welaan . de Druppels ! —
» »Elf\'\' " juist elf? — iets min pedant
Hiet dit een Lepeltjen , in \'t Kristenland !*\'
Zij slikt haar Lepeltjen ; zij slaapt; en \'t Kameniertje
Verdwijnt. Het voelde wel een zieltje
Nieuwsgierigheid; maar neemt. dat Gijna keek ,
En dat haar Juffrouw» slaap voor een sekonde week.
En zij betrapt werd? Neen! zij durft het niet te wagen!
Reeds zit zij in haar cel, waar \'t martlend ongeduld
Haar zelfs geen dutje gunt! Daar zit ze, en telt de slagen
Der klok , van uur tot uur. Den tusschentijd vervult
Een overslag van haar profijten . als het Vrijers,
Gelijk zij vast stelt, bij Schoone Antje reegnen zal :
1) De Fabel kent eeuwige Jeugd aan den Krekel toe.
-ocr page 170-
147
I>E VEItJ(»GlXGS-ClUH.
Kommissies en zesthalven zonder tal;
Van \'t eerste Bod aan, tot de luide Toeslag vall\'.
En nu de zegen stroomt met halve en heele rij\'ers!
Inmiddels is \'t zoo ver nog niet!
Het werd vooreerst maar dag, en (lijntje komt — en ziet!
Zij ziet! — Wat ziet zij ? — Raad eens even
Voor de aardigheid ;
Tenware u , \'t geen zij zag. door andren wasgezeid\'
Zij ziet... hier hulp vandoen, die zij niet weet te geven;
Ziet.. geen schraal oortje meer, waarvan haar knipheurs
(zwelt;
En , ach ! als Kamenier zich haar ontslag voorspeld!
11 »E1I\' droppen" " stond op \'t etiket geschreven ;
De Lepelmaat... was rijklijk tweemaal zeven !
En Droppels golden . hij de Krekelmergstinktuur!
Slechts veertig jaren wou Annette jonger wezen ;
Van vijftien jaren inèèr bevond zij zich genezen ; —
En lag. als Zuigeling, te wachten naar een Luur!
Hier kon\' het punctum staan! maargins verneem ik ooren.
Die, na het laatste woord, graag nog een laatster hooien!
Annet zóög best! Annet wies op ;
En eer de Hing haar weer ontsnapte,
Ging nu het vrijen in galop ;
De Vischhoek lokte — \'t Vischje hapte!
Zij schonk blind weg een Zot haar trouw ,
En stierf aan haar berouw.
10*
-ocr page 171-
IVO. !)
OF AKEN VERMEESTERD,
DOOR WILLEM DEN TWEEDEN, GRAAF VAN HOLLAND, VERKOREN
ROOMSCH-KONING.
1248.
Vond Ivo, sinds een jaar, zijn eenzaam huis te ruim,
Ten leste scheen hein ook de lucht, bij \'t ademhalen,
Te zwaar in Vrieslands vochte dalen.
             (verzuim."
Hij dacht: »\'k Heb vrouw noch kind, noch zaken, die \'k
En liet zijn moorkop tot een uitlandsch togtje zaaien.
De lente te gemoet, zou \'t regt op \'t zuiden aan,
Vooreerst naar Akens veste gaan :
Daar wou\' de Jonge Vries den Held zijn dank betalen,
Die \'t Vriesche Volk de Vrijheid gaf\',
En waslicht o Uren aan het Keizerlijke Graf.
Wat taal den weg langs werd gesproken ,
Hu sprak zijn snitsch; maar bragt, den geldbuil in de hand.
Elk, tot in Aken toe, zijn meening aan \'t verstand.
Hier had hij nu een kaars voor C.harlemagne ontstoken;
Twee vaamen lang, en dik naar advenant;
Tot Vrieslands eer was zij allengs verbrand.
En de Offeraar thans opgebroken,
Had niet de Min een plan gesmeed,
Waar tegen \'t reisplan schipbreuk leed.
In Juta\'s oog, dat Ivo\'s hart doorstraalde,
Las en herlas hij wat hem faalde,
Toen hem zijn mis zoodoodsch. de vaderlandschelucht
Zoo drukkend scheen: \'t was liefde! •—• Smartlijk zucht
De Jongling naar dat mus te keeren;
Weer, in die licht , de koelte, langs de Meren
Van \'t groenend Westergoo, te smaken: — doch met haar!
1) Zie aant. 32,
-ocr page 172-
149
IVO.
Met haar — en anders niet! — »AI waren ook de weiden,
En \'t graanveld, en \'t geboomte, en heeldestinzenschaar,
Van \'t Roode-klif aan tot het Bilt toe, hem bescheiden;
Mits dan een ander haar ten outer zou\' geleiden !
Al moest hem, aan haar zij\', een stulp in \'t Gaasterland,
En \'t karig deel eens akkermans verbeiden;
Hij greep den ploeg , en Juta \'s hand !"
Zoo ernstig meende hij \'t! en \'t puik van Akensschoonen
Weerstaat den flukschen Ruiter niet —
Op \'t kitteloorig paerd, waar \'t volk zijn lust aan ziet!
Hu zet den mond naar \'t hmnsch; zij buigt, om dit te loonen,
De tong weldra naar \'t vriesch. Als \'t vaak te krom
(geschiedt,
Is \'t moedwil! \'t Oolijk Meisje biedt
De munt, waarin zij weer haar strafgeld moet belalen,
Gedwee in kusjes aan , terwijl de nachtegalen
Een io zingen, uit het wieglend lenteloof,
Dat voor \'t geheim der min een dunnen voorhang school\'.
Gelukkig Paar! drink, drink, met volle teugen,
Het rein genot uit Liefdes eersten kelk !
Of ook de jeugd verga, of ook de schoonheid welk\'.
Zijn laafnis zal uw ouderdom nog heugen.
Keer weg den blik van \'s waerelds dwaas gewoel.
Vergeet dat Rijn en Donau zich bekrijgen:
Dat Willems eerzucht staat uaarDuitschlandsKeizerstoel,
Dien Freedrik weigert af te stijgen.
Vergeet het, Ivo! — Sluit het oor!
Dat niets den hemelvreê, waarin gij ademt, stoor\'!
Doch Mooc.Tgijdit? — eenVries! dit, zonder pligtverzaken?—
Helaas, gij moogt het niét! — De krijgstrompetten slaken
Een toon van raauw bevel. Uw Landsheer, IlollandsGraaf,
GraafWillem eischtuw dienst, en \'tgeldthetmoedigAken,
Dat volhoudt, hem ten trots, met schild en zwaard te waken,
Voor Romes Koningskroon: »Voor de onverbeurde gaaf,
Die\'t Regt aan Freedriks Zoon, aan Koenraad, heeft gegeven:
-ocr page 173-
150
ivo.
Een Kroon, dieschittrenmag, noch zal, op Willemshoofd!"
Hu , van den Koningsnaam beroofd ,
Heet, wat zijn glorie fnuikt, rebellig wederstreven.
Hij heeft de strafroede opgeheven ; —
\'t Geldt Aken , Ivo ! en de trouwring u beloofd . . .
«Durft de uwe niet meer zijn!" (Laat zich een Moederhooren)
»Wat Vriendschap won . heeft Vijandschap verloren !"
0 , al te wrang een proef van \'s Noodlots onbestand!
Het uur der scheiding slaat, en Jnta reikt de hand
Voor \'t laatst aan Ivo toe. Zij eert zijn dure pligten !
Maar wijst haar linke hem, waarheen geen huwlijksband
Haar mèt hem henen trekt! beveelt haar mond het zwichten
Voor ij/.ren dwang; haar regte ontslipt de zijne niet!
Haar schreyend oog verzacht het wreede «vlied!";
Het straalt hem enkel liefde en trouw toe, door de tranen,
i}J^ yloeüen op haar bleek gelaat,
A!s hij, den ki\'Cet f!e!\' smart bedwingend, vóór haar staat,
En spreekt: »Ifet morgenlicht moog tanen.
Mijn Juta, dat zoo blij voor onze min verrees;
De wolk verzwindt weldra !.. maar bleef ze ook eeuwig
Moest nooit mijn trouw haar prijs erlangen ; (hangen;
Deze arm u nooit als (iade omvangen ,
Mijn Juta ! boven hoop en vrees
Rezweer ik ons verbond ! de Dood alleen zal \'t breken!"
Hij zegt het, scheurt zich los, en is haar oog ontweken.
De maan heeft sinds ten vijfde maal
Haar /.ilvren schijf gerond, \'t Is krijg om Akens wallen.
Krijg is \'t doch zonder strijd; geen poorters zijn gevallen;
Het werptuig rust, gelijk het snijdend staal;
Op Veldheer Willems last: dat niet zijn Koningspraal
Door rouw ontluisterd zich der volken oog vertoone!
Maar, of het oorlogszwaard de omschansteVestverschoone,
Daarbinnen groeit allengs de nood!
De Honger nadert vast! Ze ontrukt het laatste brood
-ocr page 174-
lot
IVO.
Weldra den zwakkre; en schupt de wet, die \'t wraakt, met
Toeten!
En toch , onbuigbaar blijft — èèn met haar overheid —
De Burgerij, door valsche hoop misleid,
Dat ze eerlang Koenraad als ontzetter zal begroeten.
Het hart vol kommer, zwerft intiisschen Ivo rond;
De paden langs, zoo vaak aan Juta\'s zij* betreden;
Toen alles groende en geurde, en uit haar rozenmond
Een lied hem voorsmaak gaf van \'s hemels zaligheden.
Waar bosch en haag nu staan geplunderd van sieraad;
Het dorgetrapte veld geen groen weer spruiten laat,
En \'t legervolk zijn schorre zangen
Ten spot zingt, van die\'t hoofd in stomme smart laat hangen.
Hij straft, hij merkt het niet! Zijn ziel zweeft om den schat.
Dien hij te spade vond. te kort als zijn bezat!
«Die ... Hemel. neen! gij kondt dit jammer niet gedoogen!
Die schat wordt de aarde niet onttogen !
\'t Verderf, als \'t Juta\'s huis genaakt.
Zal zwichten, op den wenk eens Helpers uit den hoogen,
Die voor zijn Zuster— hieraan \'tstof gekluisterd — waakt!"
»Doch moest Zij .. . moest Zij eens van zijn hand uitkomst
(wachten,
Naar \'s Hoogsten raadbestel?" Hij antwoordt op de stern.
Die \'tin zijn binnenst spreekt: »0, schenk mij lichten
(krachten,
Dat ik haar redding breng\'!" Hij smeekte, en\'twasofhein
Een vinger wees op t nat. ten vestmuur uitgevloten,
En. door een heuvelklool, naar \'t lagere afgeschoten.
Hij ziet den milden stroom in enge sleuf geprangd;
Hij ziet den kleiboord. die er topzwaar over hangt.
Door eeneonzigtbre kracht in \'tschuimenddiepgestooten ;
Peinst na op wat zijn oogen boeit;
En Jota\'s redding is besloten!
Terwijl \'t gestuwde wed ten breeden spiegel groeit,
Eer \'t ruischend van de klonters neder vloeit,
-ocr page 175-
152
ivo.
Is Vrieslands Kust voor Ivo\'s geest verschenen:
Een Kust vergeefs door d\'oceaan begrimd,
Wanneer hij boven \'t land met zwarte golven klimt.
En voor de dammen stuit, die \'t veiligheid verleenen.
»\'t Past u ook" is zijn woord, »\'t past ü ook, kleine Vliet,
Te staan, als u een Vries het verder gaan verbiedt! —
Doe meer! Als hij uw waterwellen
Leert tegen \'t ijlen van haar afloop in te zwellen ,
Worde uit uw stroom een zee! dat Aken, op \'t gezift.
Door vrees bezwijke, en niet door honger zwicht\'."
Hij sprak ; en ging ; maar keert, vóór \'t avonddonker .
Aan Veldheer Willems zij\'; en als het stargeilonker
Des andren uchtends flaauwt, roert zich het gansche heer:
Houweel en schup en spade zijn \'t geweer;
\'t Hoog breidt zich uit naar\'t hoog, door snelgerezen wallen.
Op \'t overschot van bosch en hage vallen
Meêdoogloos honderd bijlen aan.
Gespitste palen, rijs, en schans- bij schansbos hoopen
Zich saam\', waar \'t woelig nat in \'t loopen
Nog van de brokkling stort. De bodem dreunt, bij \'t slaan
En stampen; hierom \'t ruw der kluiten glad te slechten;
Daar om op \'t naakte schuin een twijgen dek te hechten.
Reeds is de laatste vonk van \'t zonnevuur gesmoord.
En de arbeid, niet te min , gloeit voort.
In even digte drommen rukken
De dijkers aan en af: de nacht
Vat straks de taak op, waar het nijvre licht haar bragt!
Zoo wisslen beurt met beurt; tot grootsch gelukken
Het zwoegen loont! tot nu op eens \'t geweld
Van duizend armen met onwrikbren dam de baren
Pal zet, en plots terug doet varen —
Den stroom te moet, die door de Vesten afwaart snelt!
Zij klimmen! staag al breeder, tegen \'t hangen
Des rijsberms; waar \'t Beleid den vloed heeft opgevangen.
-ocr page 176-
ivo.                                    153
En bij zijn teugel dwingt te stijgen uit zijn kil!
Straks wentlen ze over \'t veld, naar eigen. woesten wil,
Dofbruischend voort! Het Raadsel. drie paar dagen
Vergeefs erkaaimd, is aan de steêliên uitgelegd:
Het drooge wordt allengs een zee, die \'t strand bevecht.
Door Ivo\'s zorg onkwetsbaar voor haar slagen.
Ten prooi aan \'t martlend ongeduld.
Telt hij voortaan de slepende uren ;
Zet hij zijn wacht nog voort, al ligt de plas verhuld
In duister; sinds tot Akens muren
Met dreigend evenhoog de vloên zijn voortgerukt.
Maar eindlijk is het uur dat hem vergeldt, gekomen!
De Burgerschaar, van dubblen angst gedrukt.
Riep luid om dadiging. Door Ivo \'t vroegst vernomen ,
Waagt zich , ten vesten uit, een bootjen op de stroomen.
Dat grijzen Otbert draagt — den Steêvoogd.
Waar hij landt.
Is Willems vaan op \'t hoog des dijks geplant;
Hijzelf niet ver. Een krijgshoop, fluks vergaderd,
Neemt, in een dubble kreits, terwijl de Grijsaard nadert,
Om \'t beidend Legerhoofd zijn stand ;
En — «Leeft Zij!" vraagden \'s Minnaars oogen;
Daar hem, in \'tstaatsgevolg, \'t ontzag de spraak verbood.
Het antwoord heeft zijn geest ten hemel opgetogen!
Die \'t voor hem eischte was de Graaf, als deelgenoot
Van Ivo\'s mingeheim. Hij , zelf een jongling, sloot
Zijn boezem niet voor \'s Jonglings teedre zorgen;
En hij bereidt, bij Otbert, in \'t verborgen,         (woord.
Vreugd aan den trouwen Vries, door een gefluisterd
Waarbij \'t genoegen op den wang des Steêmans gloort.
Luid klonk het, wat vooraf de kring, in \'t veld geslagen,
Tesaam met Otbert had gehoord:
»Den Krans, dient \'t Overwinnaars voegt te dragen,
Biede Aken mij ter zoengave aan,
-ocr page 177-
154
ivo.
Eer \'t Romes Kroon mij op het hoofd zie staan."
Dus klonk het i.rin bevel , dat, binnenstents vervangen
Door hensche minzaamheid, geen wrok het hart laat prangen
Des Grijsaards, als hij vestwaart keert.
Men joelt en wuift hem na. terwijl reeds elk zich weert,
Dat de uitgestroomde Vliet terugsnelle in zijn palen.
1 lier mogten Ivo\'s raad en Ivo\'s hulp niet falen!
Zijn drift vervroegt de stond, waarop het schuimend nat
Met hol gerommel door \'t gesloopte rijswerk spat ,
Kn voor zich heen zijn losgereten boeijen
Ontwaardigd tiiimlen doet, en bed en oever scheurt.
En als het naaste hoog zich uit de golven beurt —
Als \'t bloemgewas. dat nog de herfst liet groeijen ,
Ten steêmuur af gestrooid, op \'t hellend watervlak
Veelkleurig drijft, en kronklend aan komt spoeijen,
Kn vreiigdetuigend landt, waar \'t meir den stuwdam brak;
Als iedre tong daar zwijgt. maar alle harten gloeijen
Met ivo\'s hart . treedt Willem toe: »Wat loon ,
0 Ivo, wat kon\' ü mijn gouden armoe geven! —
Geen rouwklagt paart zich ginds met onzen zegetoon!
Halssterrigheid is \'t lot des hongerdoods ontvloon.
Uit schrik voor nader nood; en uw naam blijft geschreven
In der geredden borst\'.-Doch worde u deze stond
Herinnerd; worde uw Daad verkond
Aan \'t nageslacht, door deze Ridderketen!
Z{; was mijns darren Vaders tooi,
A\'.S de ijverzucht hem op \'t Corbysch tornooi
Het leven nam; ?.ij week, na hein door mij bezeten,
Nooit van mijn hals voor andren pronk.\'\'
Hij sprak; omarmt hem, op wiens borst nu\'t Kleinood
(blonk ,
Voor \'t oog van duizenden ; en \'t oog van geen benijder
Misgunt de welverworven eer
Den Jongeling; en daar hij . naast zijn Heer,
-ocr page 178-
lob\'
IVO.
De Vesten binnentoog — alleen in naam bestrijder ,
behouder met de daad! —zag jong en oud slechts hem;
Thans Ivo\'s nos niet meer ! tot, in zijn mannren wanden,
\'t Paleis den sleep ontving.
Toen hier de verre stem
Der menigte gedoofd — toen in de handen
Des Graven de eed van trouw gezworen was, zie daar
Een achtbaar tal genaakt! de keur der Burgerschaar\'
Een Maagd is aan hun spits, met moederlijk geleide ,
En speelgenooten — neven haar
Steeds waard, dat óók een blik in hare schoonheid weide l
\'t Is Juta! Liellijker blaakt zij van schaamtegloed,
Terwijl een citergalm gedempt haar welkom groet.
Ja , Ivo! ja , zij is \'t! Zoo zagen Edens dreven,
Bij maatgezang uit hooger trans
Soms Englen, aangestraald van \'t rood des avonds, zweven!
Gesierd met heilig\' onschuldglans
Komt zij , en draagt, op purpren sprei, een Krans,
Van Lauwerloof, dat paerels sawenstrikken.
Onafgewend houdt zij de schuchtre blikken
Gehecht aan \'t haar betrouwde Pand.
Toch nadert zij den Vorst, te midden zijner grooten:
Haar stuur en steunsel is de trouwe moederhand,
Die zacht de lokken drukt, op haren gordelband
Van de elpen schouders neèrgevloten.
Graaf Willem draalt niet meer; hij grijpt met gullen lach,
Zijns Ivo\'s regte; leidt hem de eedle Jonkvrouw tegen;
En vat de Kroon ! en als, die ze aanbood, op hem zag,
En zag op Ivo! daar, bij \'t innig zielsbewegen,
Haar hoofd zich weder neigt, bekranst hij \'t!
»Draag, als bruid"
Spreekt hij «Volschoone! draag den Lauwer mij gegeven!
Dat zinnebeeldig zich de wensch mijns boezems uit\':
-ocr page 179-
156
DE VAHPYR.
De Krans der eere zij voor \'t Feest der tkouw geweven.
En \'t hart des Volks, geen Oorlogsroem, mijn buit!"
Hier voegt hij Juta\'s hand met Ivo\'s hand te samen.
Geen Moederzegen laait; en alles fluistert amen.
DE VAMPYR. d)
Een Landhuis stond aan de Arn\'. 2) Het mag er nóg
(wel staan!
Een Brug lag daar drie honderd pas vandaan,
Verscholen achter \'t wilgenloover.
Op korte scharrelbeenen ging
De Heer van \'t Huis, Pandolf\', meest eiken dag daarover.
Nadat hij eerst zijn middaguiltjen ving.
Wat derwaarts heen zijn wandeling
Bepaalde , was een Wei\', met runders, wier gelijken
In heel den omtrek niemand had.
Zijn lust was naar dat vee te kijken ,
Terwijl hij op een heuvel zat,
Tot dat het licht begon te wijken.
En stapte een reizend man voorbij —
Ontdekte hij
Den kogelronden dwerg . in bruine dorpskleedij
Gezeten op zijn troon — hij dacht, bij die vertooning
In d\' avondschijn ,
Voor \'t naast: het moest de Koning
Der Egelvarkens zijn.
Pandolf dan was een dwerg ! — Van\'t slag, uitridderboeken
Bekend, waarbij men niets dan ondeugd heeft te zoeken.
Zoo taamlijk in gelijke maat
Verdraaid naar ligchaam en naar ziel! voorts opgegeten
Van jaloezie, sinds hij een weinig laat
Bedacht had , om Papa te willen heeten;
1)    Zie aant. 33.
2)    De Arno in Italië; niet de Arne in Walcheren.
-ocr page 180-
157
DE VAMPÏR.
En, spijt zijn kale kruin, een piepjong Vrouwtje nam:
De Koop , waaraan hij voor zijn oude schijven kwam.
Iets vroeger dan Pandolf zich meldde,
Had Carlo zich bij Nichtjen Izabel
Om \'t ja vervoegd. Zijn zaken stonden wèl
In \'t boek der Schoone; alleen heurs Vaders »holla!« stelde
Zich tusschenbeide, met onwrikbren eigenzin.
Slechts èèn gebrek was \'t, maar alle andre sloot het in,
\'t Gebrek dat Carlo had ! Fortuin liet hem ontberen.
Wat schooijers uit het slijk verheft tot heeren —
Wat, zonder krijgsrumoer , Gibraltars nemen kan !
Vier letters spreken\'t uit: Geld! Geld ontbrak den Man.
GF.i.n had pandolf ; en dat zou\' Bella krijgen :
«Mits hij verkoos vöör haar in Charons boot te stijgen."\'
Zoo wou\' \'t Natuur! doch wat de Kunst vermogt
Deed onze Dwerg, om \'t blad te keeren ,
En, vroeger dan de Zeisman hèm bezocht,
De Martlares zichzelv\' door leed te doen verteren.
Heur Carlo was ontroostbaar weggevloön:
»Bij \'t leger, dat voor Piza\'s wallen
Verzameld stond, had hij zich aangeboón ,
En \'t zwaard deed hem met eere vallen ,"
Naar \'t zeggen van de faam.
Maar onverganklijk bleef zijn naam
In Izabella\'s hart geschreven.
Dat wist Pandolfo al te goed !
En \'t werd haar straks, bij \'t koken van zijn bloed.
Met giftschuim op de lippen toegedreven —
Scheen slechts heur peinzend oog
Voor een minuut in \'t leeg te staren ,
Of welde iets uit haar borst omhoog,
Dat naar een zucht leek! — Geen bedaren
Was dan aan zulk een storm!
-ocr page 181-
158
DE VAMPYR.
Die blies weer zeekren dag.
Terwijl de middagsprei nog op de tafel lag.
Pandoïf was in gevaar van smoren ,
Zoo perste gramschap hem de kloppende aders vol.
Hij stuift de huisdeur uit, als dol;
En \'t uur van zijn siësta gaat verloren,
Eer hij tot adem keert. De reis ter weide heen
Wordt des op heden zonder slaapjen aangetreèn.
Druiloorig gaat het voort; maar eindlijk, in de boomen
Verzwonden , heeft Pandolf zijn brug
Berekenhaar een eindweegs in den rug,
Als een paar Speellui\', om het bosch naar \'t Huis gekomen.
Zich melden , met gitaar en tamborijn.
Laurette heeft ze \'t eerst vernomen —
De Kamenier. Het Kwikje meent te droomen .
Als \'t ben ontwaart: gestalte en kleeding zijn
Pandolfo op een haar! Dra berst zij uit met lagchen ,
IJlt heen, en weet zoo goed bij haar Meestres te pragchen.
Dat deze. in \'t laatst, met schoudeitrekken zwijgt.
En zij haar Dwergen binnenkrijgt.
Hun spel vangt aan . en uit Laurettes oogen
Schiet dartle vreugde schicht op schicht;
Maar Izabella houdt een blik vol ernst gerigt,
Te brugwaart; en heur hart werd niet bedrogen.
Door ijdel voorgevoel: Pandolf komt aangetogen !
Hij keerde balveiwegs.
En waar de Dwergen nu
Voor \'t spiedend oog des Huistirans verstoken ?
De nood dringt! —
Lezer, ja! — doch nimmer bleek het u.
Dat. in den nood. iikzin aan vrouwen heeft ontbroken!
Laurettes vindinggeest betoont zich ook niet zoek!
Twee kleederkisten, in een hoek
Piabij het bed van haar Meestres. bewaarden
Op dit pas niets dan kleinigheid:
-ocr page 182-
DE VAMPYIt.                                            15\'J
Dus was de schuilplaats voor het Dwergenpaar bereid.
!n iedre kruipt er èèn , en als \'t de broeders klaarden
Verschijnt Pandolf! Op harde kost,
Tot wier verduwing hem het uurtjen slaap bleef falen.
Zoo ver te gaan , vond hij te zwaar een post.
Hij keerde des naar huis. om nog de rust te halen
Die hem ontbrak ,
En sluit in \'t voorvertrek van Bella\'s slaapgemak
Zich daadlijk af.
Wie kon\' hier de angsten malen
Van Izabelle en van Laurette! — Maar
Door luid gesnork werd spoedig openbaar,
Dat haar vooreerst nog geen gevaar
Van nazoek dreigt. Toch zaten zij op kolen;
Tot Hij , die van de lont, hem zoo nabij verscholen ,
Geen reuk vernam , de koers weer derwaart zet,
Waarheen te steevnen hem zijn loomheid had belet.
Straks vliegt Laurette naar heur kisten! — zij gaan open —
En wat ontdekt het Kind, terwijl haar tong verstijft! —
Doodkisten zijn \'t geworden ! lang ontlijfd
Door luchtgebrek zijn beide Speellui\'! paarsbeloopen
Vertoont zich hun gezigt! —
Op geen herwekken van \'t gebluschte levenslicht.
Door wrijldoek of lancet, is blijkbaar meer te hopen!
\'t Geen hier nog dienst kan doen is enkel goede raad :
Hoe , in der ijl, het Meisje zich ontslaat
Van \'t Gastenpaar; waarbij, helaas, geen nopen
Tot afscheidnemen baat!
»Weg moeten zij!" roept ze uit; doch voelt zich\'t hart
En krijgt een kouden ril ;
                       (versagen .
Becijfrend , wat het zeggen wil,
Die Vracht ten huize uit — en waarheen? waarheen? te
(dragen!
Het wordt haar onder \'t boezemgaas te bang.
-ocr page 183-
160                                          I)E VAMPYR.
Zij staat met neergeslagen oogen —
Een groote traan op elke ronde wang —
En wekt in \'t eind het Lot tot mededoogen.
Een knuppel zwaaijend; zijn bonnet naar èène zij\'
Geschoven ; komt een Vreemdling \'t huis voorbij ,
En draagt, als bandelier, een leègen zak.
\'t Bedenken
Was bij Laurette kort. Hij nadert op haar wenken :
»Goê Vriend!" zoo spreekt ze »uw uitkijk zegt het mij,
Dat r.u de man waarnaar ik zoek moet wezen ! —
Voor twee sekijnen had men graag iets prompt verrigt:
Een Doo — al is hij zoo beknopt als mooglijk — ligt
Ons hier tot hinder; men verlangde hem geborgen
In \'t wed der Arno — niet in de aard\' !
Hij kleurt te veel als een vampyb ; wij zorgen,
Dat hem geen Graf sekuur genoeg bewaart."
»»Ik ben uw man!"" is \'t antwoord »«juistgeraden! —
\'k Vraag op de hand maar èèn sekijn.
Mijn Zak komt als besteld , om in te laden
Dien \'k op uw woord vertrouw geen goliath te zijn.""
Hij bleek klein davidjen; het geld werd aangenomen;
En nu de Dwerg gezakt,
Geschouderd, en in de Arno neêrgesmakt.
Maar toen de Sjouwer. bij Laurette weèrgekomen,
Haar thans om de andre helft van \'t loon vroeg, keek
(zij hem
Verlegen aan . en zei\' met een bedeesde stem:
»Hij bleef toch dood?" »»Wel ja!"" »En zonk hij?"
(»»Dat zou \'k meenen!\'"\'
«Mirakel! — Daar ter stee is hij dus nat verdwenen —
En hier! — Al zag ik met geen oog
Hoe \'t ging — hier wist de schelm kurkdhoog
Weer binnenshuis te «raken ,
En speelt de rol van Lijk op nieuw, met stijve kaken!"
-ocr page 184-
DE VAMPYR.                                             101
Zij brengt den Man , terwijl zij \'t zegt,
Waar zij den Tweeden Dwerg paraat heeft neergelegd.
Onthutst bij \'t eerst gezigt. maar straks daarop van \'t blaken
Der gramschap vuurrood , staat de knecht :
• Wat!*\' schreeuwt hij ■>een Vampyr durft zulke kluchten
(spelen,
Eer\'t middernacht sloeg?-------Hoor! Hij duikt nog eens!
en dan —
Indien hij \'t weer ontloopt—meen ik hem zóó te streelen,
Dat hij \'t de derde reis niet kan."
Hij sprak ; en Krielhaan Twee werd in den zak geschoven,
En weggetorscht, als llus zijn Kameraad.
Slechts keert nu , die hem droeg , vrij laat.
Hij is er eindlijk : »Mijn sekijn ! en daarenboven
Een zoen, lief Kind— dien \'k extra heb verdiend!\'\'
Zoo roept hij »Denk maar eens! ik slinger onzen vriend
De brug af in den stroom ; ben honderd stappen
Of daaromtrent teruggegaan .
En blijf een poosjen staan,
Om naar wat frissche lucht te snappen,
Vermoeid van mijn karwei; wat zie ik daar? weer grappen!
De brug af komt Signor heel deftig aan ,
Als was er niets gebeurd ! maar ik ... met beide handen
Eeg ik hem, van ter zij\', mijn knuppel op den kop!
Bof valt de Bromtol! en ik stop ,
Niet lui! ten derde maal hem in mijn zak — de banden
Wat stevig knopend! Keert hij nu —
Ofschoon, met zak met al, in grandioos diep gesmeten—
Zoo heeft de Heer Vampyr, daaronder, lang gezeten ,
Om eerst mijn werk te ontfutslen ; zweer ik u!"
Welk licht sing op , bij deze woorden ;
Eerst voor Laurette , en toen voor Izabell\'! —
Pandolf is dood ! het Vrouwtjen uit de knel!
Maar onder hen. die \'t voorval hoorden ,
Had niemand scherper oor, dan Hij, van wien \'t gerucht
Staring, Gedichten.
                                               11
-ocr page 185-
il>2
THOR , ALS VISSCUEU.
Geen waarheid sprak ; Neef Carlo ! Mettervlugt
Kwam hij springlevend aan. De Paus gal\' dispensatie,
En, na elf maanden, zag het Huis een Bruiloftstatie.
THOR.
ALS VISSCHER. i)
Nog zwierf de Godenschaar van \'t Noorden,
Tot strijd gerust of jagend , om.
De visscherij vermaakte \'t Reuzendom ,
Gehuisd aan Thules woeste boorden ;
Maar Jormungandur, in den afgrond van den plas ,
Lag werkeloos, zoo lang en log hij was.
Een slang heeft dezen naam gedragen,
Die (\'k weet niet hoe) een Wolf tot Broeder had.
Met dezen Broeder wolf zal ik u thans niet plagen;
Van Broeder slang vertel ik wat.
Hij lag daar, als een hoep om d\'aardbol heengebogen:
Van onzen kant , West-Groenlands kust voorbij —
Kaap Horen langs , van df. andre zij\';
En had zich, jaar en dag, min dan een lijk bewogen:
Op eens slaat hij de tanden in zijn staart;
Hij trekt dien aan zich; en wat volgde? Met een vaart
Begint de sneeuw der polen neer te storten ;
Daar \'t valsche Dier, bij \'t wringen van zijn leen,
De waereldspil acht mijlen ruim deed korten!
Hoe slonken, boven als beneên ,
Tot gruizeling verbrokkeld, ijs en steen!
Wat magt van waatren kwam op ieder Aspunt horten.
Wier kapgewelf sinds plat verscheen.
De kregelste der Goon—Thor—sliep, als dit gebeurde.
En \'t kraken van onze As zijn trommelvliezen scheurde.
Een runenspreuk 2) maakt snel zijn Godenstand
1)    Zie aant. 34.
2)    Tooverwoorden.
-ocr page 186-
THOR . ALS VISSCIIKI!.                                       iG\'3
Onkennlijk voor elks oog, en hij betreedt het strand_
Reus Hymer, in zijn vischschuit. peurde
Hier flus, op zijn gemak ; nu heeft hij iedre hand
Vol werks bij \'t slingrend stuur, zoo roeren zich de baren!
Maar \'t keerend evenwigt brengt alles tot bedaren .
En Thor schreeuwt: »Hei-------Heer Reus. leg even
Ik breng den Puitaal, daar beneden,                 aan! —
Eer hij van nieuws begint. tot reden :
\'t Is met een kleinigheid gedaan !
Vergun mij slechts als Visscher meè te gaan.
De Reus kwam. Juist had ook een dwalende os zijn treden
Naar d\'oever heengewend. Thor knot hem, met een ruk.
Het hoofd van \'t lijf, en slaat, in Hymers boot gezeten,
Dit brokjen aan zijn hoek : een Dregge, moet gij weten
Verstrekt daarvoor.
Weldra laat nu, met goed geluk.
De Hengelaar \'t gehorend lokaas dalen :
\'t Wekt Jormungandurs lust; hij bijt; en Thor aan\'t halen! —
De slang nogtans (geen puitaal bleek de kwant!) —
De Slang daar tegen in! Kracht tegen kracht gekant!
Een nieuw rumoer begint! en — moog de kunst mij falen.
Die boven \'t schetsen gaat — dit eischt een tafereel —
Eischt verwengloed. om \'t af te malen !
\'k Leg des mijn houtskool neer, en waag mij aan \'t
penseel.
Zie! zie! ten bodem toe beweegt zich \'t ongemeten
Des oceaans: de losgegierde staart
Der Slang verschijnt! Rots wordt naast rots gespleten.
Rij iedren kronkelslag. Luidsissend in heur vaart.
Schiet nu de vlijmspits hemelwaart
En kleurt met bloedig schuim de wolken;
Nu boort zij weer in de eeuwig donkre kolken.
\\\\\'
-ocr page 187-
iCti         IIE M00RD8CHE GODEN EN HUN BOUWMEESTER.
Een heir gedrochten, uit d\'onpeilbren kloof verjaagd,
Komt wild dooreen naar boven dringen ;
Is langs de klippen opgedaagd;
En poogt (elkaar ten schuw!) haar kruinen te bespringen.
Maar Thor gaat voort het Monster te bedwingen;
\'t Afgrijslijkst wat de holle nacht
Des dieps verborg! — Als of, bij Ileekla\'s donder,
De klipgrond voor der dampen overmagt
Te hersten scheurde, en rommlend rees, van onder
Het ziedend meer, zoo stijgt de ongure kop
Van Jormungandur op.
Hij stijgt! en dreigt vergeefs met vlammig rollende oogen;
Snuift vruchtloos pestwalm naar den hoogen ;
Thor grijpt zijn Hamer!1 Een gehuil,
Gelijk het huilen van hyeenen, vaart den muil
Des Ondiers uit. Daar komt de Reus gevlogen!
Doodbleek van schrik
Snelt Hvmer toe !..
En ik
Vat hier mijn houtskool weer: hij komt; den dolk getogen;
Springt Thor voorbij ; en snijdt de vischlijn af! —
Zijn straf volgt! maar wat hielp zijn straf!
De hoop des Visschers bleef bedrogen.
DE NOORDSCHE G 0 D E N 2)
EN IIU.N BOUWMEESTER.
Slaat Hooge magten gaa: \'t zijn zeldzaam goede Buren!
Dat kon\' in Vader Odins tijd
li Zijnen strijd hamer: Miolner.
2) Zie aant. 35.
-ocr page 188-
DE NOORDSCHE GODEN EN\' HUN BOUWMEESTER           165
Alreeds niet anders zijn : men zag, om Asgards Muren,
\'t Geslacht der Reuzen met het Godendom in strijd.
De Goden leden last! Al gaf de Twist respijt.
Die voortging onder \'t Kroost van Dergelmer te branden.
Zij raakten \'t heft. bij slot. gelijk zij vreesden, kwijt.
Nogtans behielden Zij \'t in handen !
Een Architect bood juist van pas zich aan.
Hij vroeg drie maanden slechts, om hun een Burcht te
»Wat oorlogsmagt daar vóór kwam staan. [stichten:
Zij zou\' voor gèène zwichten!"
»En wijl ter dezer uur misschien"
Zoo gaat hij voort »een leger arbeidslièn
Bekommring bij u op mogt wekken :
Of \'t ook ten voorhoede aan een Reuzenheir kon\' strekken!
Terwijl uw Hoogheên boven dien
Verlangen zullen, om hun Vesting te betrekken.
Staat dit paalvast: dooi- mij en door mijn Paard —
Uitsluitend door ons tweèn — wordt deez\' karwei aan-
vaard.
Zoo ras de Schutter zich verbergt voor \'tSteenboksteeken
Is onverwijld de schijf van \'t werk gesnaard ;
En, als dan voor den Ram de Visschen zijn geweken,
Staat, met den klokslag, ook de kroon
Op ons voltooid Gebouw, of ik verbeur mijn loon.
Maar nu dat loon? — dat loon — zij uwer waard. Mijn"
Heeren !
Gaaf dient men \'t geen ik eisch mij te accordeeren:
Weet, dat ik kou\'lijk ben; en toch, voor\'t guur sezoen
Het noodig Brandhout op te doen.
Verzuimde ik menigmaal! Om nu, een jaar na dezen ,
Op \'t stuk van Warmte uit alle zorg te wezen.
Krijg ik van u — de zon.
Das primo. Ik eisch meer !
\'k Ben vaak, om Walvischtraan voor\'tLamplicht, even zeer
-ocr page 189-
Kif»         IIE NOORDSCHE GODEN E.N HUN BOUWMEESTER.
Als om den Winterbrand verlegen:
Secundo krijg ik des — de maan.
Voorts randt mij, soms, bij nacht, het spook Verveling aan:
Gij geeft mij, tertio, daar óók een Middel tegen :
Dat appelrond Gezigtje daar;
\'k Meen Freya , met henr krullend haar;
Dreef zeker, door mijn Maan op \'t zachte dons beschenen,
Het nare Spooksel daudlijk henen.
Ik vraag daarom, gij Heeren Goón ,
De blonde Freya tot een Toebaat bij mijn Loon."
Hij sprak; hij ging; en beidde, in\'t voorvertrek gezeten,
Tot dat de Godenraad hem neen of ja liet weten.
De man zat wachtend ; om hun tafel zaten zij :
Zoo veel beteuterden als neuzen in de rij :
Eèn neus niet meè geteld, die Kemphaan Thor behoorde!
Tot tweemaal toe begon hij ; tweemaal smoorde
De grimmigheid zijn stem. eer ze uitborst: »Welk een
schand!
De Zon , de Maan, en Freya eischt de kwant!
Fn wij ! naar \'t heet nog Goden ! overleggen,
Wat ons tot antwoord past te zeggen!
Ik wil hem...\'\' »Rlijfi" roept Loke «niet te ras!
Het is der Goden zaak, min liere taal te voeren,
Terwijl zich \'t Reuzendom zoo onversaagd durft roeren.
Thans komt er zeemanschap te pas.
Dien Timmerbaas voor \'t hoofd te stooten,
Ontraad ik u. \'t Kontrakt zij veeleer fluks gesloten,
En \'t Loon met handslag — eed — met wat hij wil,
verborgd.
Rooit hij \'top dag en uur—die dan lèèft, die dan zórgt—"
Men deed naar Loke sprak, \'t Werd Wintermaand; en
(\'t bouwen
Regon. Maar welk een Paard verscheen,
En bood zijn rug, om ijzer, hout, en steen ,
-ocr page 190-
DE .NOOKDSCIIE GODEN EN HUN BOUWMEESTER.          167
Dij ladingen als bergen , aan te sjouwen!
\'t Bedrieglijk Paard van Ilion
(\'t Gevaart\', dat door geen poorten kon\')
Was voor een ezeltjen te hou\'en ,
Geleek men \'t bij den Hengst, die onzen Architekt
Ten Helper strekt!
En deez\' betoonde zich zoo braaf een helper waardig!
Met bonken. trots de klip waarop Czaar Peter staat,
Vervordert hij zijn arbeid vroeg en laat.
Men kon\' \'t met klinkers niet zoo vaardig!
üit bleek ter zijner tijd. De Lente meldt zich aan ;
\'t Beslissend uur. op èèn na, hoort men slaan;
Maar ook ! men ziet de Burgt in volle glorie staan !
Aan \'t geen haar sterkte geeft is nergens faal te ontdekken.
Moet hier of ginds nog wat voor \'t Uiterlijk gedaan ,
Ken klein hall\' uur kan \'t gansche Werk voltrekken :
Vaarwel dan , Freya! en vaarwel dan , Zon en Maan!
»0 wee!\'\' beginnen thans de Goden
»0 wee! hoe zal \'t nu gaan!" En Loke wordt ontboden.
»Hoe \'t nu zal gaan,
Is mijn zaak. Laat uw brein zich, bid ik, niet verhitten.
Elk blijv\' bedaardelijk bij kroes en schaakbord zitten"
Zei\' Loke , en trok weer heen. En wat verzon de fielt?
Hij dreef het Merriepaard, dat zich, in zeekre weide,
Niet ver van \'t nieuw Kasteel, onthield,
De bergscheur in. die tot aan \'t mastbosch leidde,
Waar langs de Werkhengst nog een vracht —
Zijn laatste! — naar de bouwstee bragt.
Als kwam een nevelwolk, ziet deze door de boomen
De Zilverwitte Lokster komen :
Hij geeft met schel gehinnik acht;
Het bloed vangt aan te koken in zijne aadren;
En rommlend stort zijn last ter aard\'.
Terwijl hij — wat hem keer\'-—haar hittig poogt te naadren!
-ocr page 191-
108         DE NOORDSCHE GODEN EN HUN BOUWMEESTER.
De Merrie wendt heur pijlgezwinde vaart
Inmiddels weer van \'t hooge nederwaart.
Ter steenklove uit is hij ze nagedrongen;
Maar Lokes tooverkunst heelt ze, in gestalte en sprongen
Den hengst gelijk gemaakt: zet deze \'t sleuf en vliet
En hagen over, zij verliest den wedloop niet.
Heel de omkring siddert van den hoefslag, tot, verloren
In \'t paalloos ruim, \'t gedaver zweeg voor de uoren
Des Armen Architekts, die, beurtling, hijgend liep,
En luistrend aam schepte, en vergeefs den vlugtling
Vergeefs, ten einde toe! —                                (riep —
Daarmee was \'t uur verstreken ;
Zijn liurg staat onvoltooid; en spottend wordt hem \'t loon
Geweigerd hij de Goön !
»Aan mijn drie maanden vlijts bleef èène stonde ontbreken:
De Kroon faalt op het Werk!-------doch ligt de schuld
(aan mij —
Spreekt!\'\' brult «e reis. (Een Reus werd Hij
Die vóór hen trad, en plots de grove leden
Van schijn ontdeed!) «Vervult gij dus uwe eeden ?
Is dit regtschapenheid ? Durft gij de Menschen nog
Bestraffen ? gij ! om meineed ? om bedrog ? —
Spreekt!"
«Spreken\'!\' — Ik doe meer!" scheeuwt Thor
«Baas Paardenvanger.
\'k Heb u verschoond, maar doe het nu niet langer!
Ga! zoek in hel a\'s poel het Loon. u hier beloofd !
Thors Hamer treft bij \'t woord, en plet den Keus het hoofd.
Een bravo schaterde, als hij neerviel, door de zalen
Van Gladheim; Maar! zou\' stralloos \'t Godendom
Verdienst met zulk een munt betalen? —
Dat zou\' het niet! Een onweer, van rondom ,
Hoe trager zoo geduchter, saamgedreven,
-ocr page 192-
1G«>
I»E SCHAKING.
Berst eindlijk boven Odins troon
Vergeldend los. en Thor, en al de Goön
Met hem en Loke sneven.
D E S C II A K I N C. \')
Was heinde en veer Scheich Ihrahiin vermaard .
Hij dankte \'t enkel aan zijn Dogter en zijn paard.
Arabiën had niets, daarmee te vergelijken ;
Van Tor tot Bassora !
De Kooplui\' kwamen kijken ;
De Vrijers trokken op, als tot een bedevaart:
Maar vruchtloos werd er geld voor \'t edel Ros geboden;
I>e Scheich was rijk. en had geen geld van nooden.
En vruchtloos gal\' de schoone .lemima
Den Hinken Zobar in heur hart het willig ja;
De Scheich had eenslajjs uitgevonden.
Dat Zo hars over-bestevaar
En zijn Heer Grootpapa. voor circa honderd jaar.
Malkander niet te best verstonden ;
En harde scheiding trol\' het welgevoegde Paar!
Een maand — een dag kroop, na die scheiding, henen —
Plus nog een trage nacht: diens uchtendlicht brak door:
Daar drong een kreet den Scheich in \'t oor:
»0p . Ibrahim! uw Merrie is verdwenen!"
Verdwenen was ze! en \'t bleef bij dezen onspoed niet:
Gelijk bij ons. zoo loopt de wereld allerwegen!
Hebt ge eenen ramp in \'t huis gekregen .
Zijn broeder klopt reeds aan !
Den derden morgen . ziet!
Een Ruiter komt! snel afgestegen
Omvat hij Jemima. die voor beurs Vaders tent
1) Zie aant. 36.
-ocr page 193-
170
JAR0M1R TE PRAAG.
Een kuijer doet; beurt haar te zaal; en rent
Woestijnwaart, met geslaakten teugel.
Zijn klepper heeft, door stem en beugel
Genoopt, het ranke lijf gestrekt.
Dat \'s Meisjes hangend kleed een spoor door\'t zandmul
trekt; —
Hij heeft den afstand tot het klippig hoog verzwolgen .
En , onverlaan van dubble vracht,
Haar tegen \'t bergsteil opgebragt;
Als Ibrahirn zich omkeert van \'t vervolgen.
Luid klaagt hij ; daar hij moedloos zwicht ,
Maar nog een blik terug naar \'t hooge rigt:
»Bij Allah!\'\' klaagt hij »die mijn Jemima kwam rooven,
Zat op mijn merriepaard of op den Boozen Geest!\'\'
Gelukkig voor den Scheich! \'t was op het paard geweest:
Men wou\' \'t den Ruiter graag gelooven ,
Toen \'s aridren daags zijn hort verscheen :
De Dief, van \'t Paard en Jemima , bleek èèn
Met Zohar. Buiten pijn en banden .
Erkende hij \'t. Van nieuws vroeg hij den naam van zoon;
Teruggaaf van het paard werd daarvoor aangeboon ;
En Ibrahim greep toe , met beide handen.
I.
JAROMIRTEPRAAG. i)
Een Oud-Student, dien \'k Jaromir zal noemen :
Een Theoloog; befaamd aan Karels 2) School te Praagj
Voor twee paar eeuwen; mogt zich roemen
Van een gezonde maag ;
Maar , ach zijn beurs lag ziek! De Wissel veertien daag
Ontbrekend, was \'t crediet verdwenen.
Bij Schagcher-Ephraïm , zijn welbeklanten buur;
Het, anders lokkend, etensuur
1)    Zie aant. 37.
2)    Keizer Karel IV, in 1348 derzelver stichter.
-ocr page 194-
171
JAROMIlt TE PRAAti.
Dreef Jaromir \'t Boheemsche Athenen
Als een verstootling uit; en bergwaart sloop hij voort;
Op \'t eenzaam pad in de overlegging niet gestoord:
Hoe met een platten buil een maaltijd te vereenen.
De reiszak , dien hij wandlend droeg,
Was ligt genoeg ,
En kon\' hem weinig hinder baren:
Een Plautus en \'t Studenten-zangboek waren
Het meest omslagtig deel van \'t pak ,
Dat in \'t herbergzaam juchtleer stak.
Hij zweette niet te min !—de rommlende ingewanden,
Schoon bol van enkel wind ,
Bezwaarden onzen Vrind! . . . /
In \'t lest tot flaauwens toe! aWover de akkerlanden,
Zich \'t avondkoeltje, net van pas,, vermeijen ging,
En hij \'t, met open borst, op dorre lippen ving.
Dus nieuwgesterkt, jaagt weer zijn blik/ den kring
Rondom hem zoekend af.
Een Dorp verheft zijn daken ,
Regts, tusschen ooftgeboomt\'. Links, breidt zich aan den
Een perk uit, voor de leuze omsingeld meteen heg: (weg,
Die hier zijn handwerk drijft, vaart best, wanneer de zaken
Der boeren slechter gaan, en droes of runderpest
Haar zetel in hun stallen heeft gevest.
Dan is hij daaglijks hier als anatoom te vinden ,
En pleegt de kraaijen aan zijn mildheid te verbinden.
Hiel valt thans Jaromir, nabij de heg, in \'t oog
Wat fluks het radertuig van zijnen geest bewoog,
En zijn verbeelding spande: »0 schat, waarmede een
Mij redding biedt!                                              (Heilig
Gespijsd, gelaafd voor niet! voor niet
Gekoesterd als een prins, rust ik, den nacht door, veilig,
In gindsche herberg!" riep hij uit.
-ocr page 195-
-172                               JAB0M1R TE PRAAG.
«Wat vond hij dan V\'
Iets wat, bij u of mij, de hebzucht niet zou\' tergen !
Twee Paardenvoeten en een Koestaard vond de Man.
Hij spoedt ze bij zijn Plautus weg te bergen .
En stapt nu. trotscher dan een haan ,
Op \'t uithangbord der «Zeven Slapers\'\' aan.
«Heer waard, een goede schotel eten!
Maar geen getalm! ik val wat haastig. moet ge weten.
De wijn — van \'t beste vat — begrijpt gij !\'\'
In dien toon
Houdt Jaromir het vol; eet, drinkt, dat elk zich wondert;
Schimpt, scheldt er tusschen, met een basstem of het
En snaauwt nu : «Wijst me een bed.\'\'\'          (dondert;
Het loon
Van die, bij \'t nachttoilet, zich naar zijn laarzen bukte.
Voorkwam hel dienstbewijs: een tree.
Van klink ! waarmee
De ongure (!ast, wiens zool zijn lenden drukte.
Te kooi sprong.
\'t Magtwoord; «Grijp!" besloot hierop de klucht,
Terwijl de laarzen, als twee zwaluwen, de lucht
Doorscheerden; en \'t gordijn viel neder.
Den andreu morgen rees het weder,
Met d\'aangebroken dag. Een schrikkelijk rumoer
Van trapplend klossen op den vloer;
En «Laarzen! laarzen!\'\' tot men aamloos komtgeloopen.
«Gaan de ezelsooren hier te negen uur eerst open?"
Die vraag gold d\'eigen hals van gistren. WTit als krijt.
Staat hij, en gaapt, met mond en oogen even wijd.
De laarzen laat hij slippen: uit de deken
Van \'t veldbed, waar de bulderbas,
Na zijn gemaakt alarm weer ingedoken was,
Zag Jochem een ontzettend voorwerp steken !
En keerde, in \'t volle zweet dat hij van angst vergoot.
-ocr page 196-
473
JAItOMIIl TE PRAAG.
i\'Helpe ons Sint Nepomuk! wat is mij ■wedervaren!\'\'
Berst hij in \'t einde los. »Ik kom.. daar kijkt een poot—
Ken paardenpoot, met lange . zwarte haren ,
Kijkt uit het bed van onzen Gast!"
»»Loop naar de pomp, en drink n nuchtren, kwast!\'\'"
Voegt hem zijn Meester toe; maar naadrend. om de kamer
Van Belzebub, op zijn.beurt, in te traan .
Vergeet hij niet, een kruis te slaan;
En, bleef hij op den drempel roerloos staan;
Begon hem óók het hart te kloppen als een hamer;
\'t Had dubblen grond! Niet een—twee hoeven staken \'t bed
Thans uit! — Hij komt terug, onmagtig dat hij stamer\'
Van \'t geen hij zag, en zwijgt geheel verplet.
Toch moest een Derde nog gaan kijken !
Een Invalied , naar \'t land in rust verzet. /
Zijn knevels streek hij op; zijn kuit\'rees, zonder strijken.
Vaiizelve omboog , zoodra hij binnenkwam ,
En , bij twee hoeven , nog een langen staart vernam.
Ine kwisplend heen en weder speelde.
Weg liep ook nommer drie ! en \'t scheelde
De Waard alleen, zoo liep het huis leeg. Voor\'t ontbijt
Bezorgd , laat Jaromir aan hem geen vlugtenstijd.
Met huivrende angst gediend, roert deze nu zijn kaken
Van nieuws; tot hij beveelt, de reekning op temaken.
De Waard , bij dit gebod . voelt zijn bevrozen bloed
Straks weder tintlend slaan in de aaien :
Daar \'t blijkt, dat, zonder hem, de Vijand heen zal varen.
Hij wil erkentlijk zijn ; ook valt hem in : \'t Was goed
Zich daar beneden , voor den nood, wat gunst te sparen."
Dus antwoordt hij: «Genadig Heer!
Dat kost en drank alhier tot uw beschikking waren
Is pligt geweest; en \'t strekte mij tot eer.,
Bleef deze kleinigheid de vriendschap onderhou\'en."
-ocr page 197-
174
JAROMIK TE LOCHEH.
»»Goed!"" spreekt de Gast »»het zij.-------Dit zal u
(eens niet rouwen .
Heer Waard ! Wij zien elkander weer.\'"\'
II.
JAROMIR TE LOC HEM. 1)
l)e kennis werd gemaakt; gij kondt een beetre maken
Dan met Vriend Jaromir , maar. Lezer, \'t was voor mij
De beste : ik kom daardoor van een Prefatie vrij ,
En heb een naam, waaraan \'t geen volgt is vast te haken.
Of Jaromir zijn rol van Lucifer
Meer speelde . bleek mij niet; doch. na zijn Onheilster,
Was Voorspoeds Daglicht op den horizon verschenen :
Gehuld in Sint Franciscus dos,
Zat, die eens wandlen moest, parmantig op een ros.
En spaarde dus, bij \'t Missiewerk, zijn beenen.
\'t Was reizen links en regts! noord; zuid; en oost; — in
Ook west;                                                           (\'t lest
Dwars over \'t Munstersch heivlak henen ;
Tot daar. op Gelders grond ,
Thans nog de dubble stoel van Graaf en Hertog stond.
Hoe had een monnikspij den Prager Borst herschapen !
Wat kracht deed in den Man \'t aldwingend kwispelwapen.
Sinds jaren, door zijn hand, ten schrik der hel gezwaaid;
De naam van Heilig, hem bij groot en klein geschonken;
De Biechtstoel, die zijn heersch-gelijk zijn hebzucht paait!
Doch , Onbeproefden , zoo gij soms hier zege kraait,
Ziet toe! ons zwaklijk hoofd wordt vaak van minder dronken.
De Klucht, gespeeld in zijn studententijd,
Met koeijenstaart en paardenpooten.
Was Jaromir voorhing uit zijn geheugen kwijt.
HAT LIGT DEZE APERIJ DEN ZWARTEN HAD VERDROTEN .
1) Zie aant. 38.
-ocr page 198-
17a
JAKOMIK TE LOCIIEM.
Zulks kwam hem nimmer in den zin !
Die aisgel zat eis met te min ,
En werd steeds giftiger, als. bij \'t exorciseeren .
Een Geest, van \'t nonnenplagend slag .
Zich onvoorwaardlijk moest verneèren,
Voor Jaromirs gezag.
Summa summarum : Heintje Pik lag op zijn luimen ,
Om , met acht vingers en twee duimen .
De kans, hem vroeg of laat geboón .
Krachtdadig bij haar vlecht te pakken.
En onzen driesten Muzenzoon
Een kool te bakken.
Deze , onbewust van \'t hem bedreigend kwaad .
(Den os gelijk : »weldra, voor ai>is. aangebeden"
Gelijk hij droomt! maar die aan \'t slagthuis staat!)
Was Lochems poorten ingereden.
En blikt hoogwaardig van den zadel naar beneden.
Op eens! de straat loopt vol; men joelt; de klokken gaan!
»Ter eer van zulk een Gast.\'\' vertelt hem de Eigenwaan.
En \'tplooit zijn mond noj meer in \'t deftige; als een jongen.
Van uit de herberg, naar den Ruiter komt gesprongen;
»Net afgepast, Heer Pater! Hoor
Die nieuwe klokken eens! niet waar? das trant! Zij hongen.
Daar veertien dagen lang doodstom: bij d\'ou\' Pastoor
Van Lochem. mogt er zelfs geen pover kleppen door!
«"Waartoe ze omhoog gehijscht. vóór \'t wij\'en?
Dat wordt alnog vereischt. eer ik \'t geweld zal lij\'en."
Zoo zei Pastoor — en ging van honk —
En — \'tjonge volk zijn gang! Maar, nu \'tzoo deftig klonk.
Moest dat de zondaars toch van penitentie vrij\'en?\'\'
»Hoe, deugniet! Welk schandaal! Is dit een Christenland
Neen, de Antichrist heeft hier zij noproervaan geplant! —
En de aarde splijt nog niet?! Nog valt geen zwavelregen?!"
Dus stortte zich de galblaas van den Sant,
(Zijn ruin inmiddels afgestegen)
-ocr page 199-
170
JAKOMIII TE l.MCHKM.
Op dit gekakel uit. \' Mans hevig blaken is
Min ijvergloed, meer ergernis,
Om d\'al teslinksehen trek, dien hem de hoogmoed speelde.
Hij stapt, als of hij meè in \'t Erf van Petrus deelde.
En Schepterdragers zonen hiet,
Te midden van een schaar, die naar \'t gebombarn luistert;
En schreeuwt: «Heeft razernij hier ieders brein verduisterd!
Daar \'t Kerkwet en Pastoor verbiedt,
Met Ongedoopte Klokken benglen !
Bij Sint Michjel en zijn tienduizend englen ,
Geen piuestek zou\' hij zijn . die zoo iets glippen liet!
Vloek treil" dat Kloppenpaar, dat onbevoegd durft klinken!
Wat hoog steeg zal te lager zinken :
Ik geel\' ze beiden in Satans magt!\'\'
Daar had de Booze hem gewacht!
Zijn Klokken nam hij ?>eet: ten leidak uitgebroken,
Verschijnen ze in de lucht, met klagend nagebrom.
Maar — van de klepels had de Schenker niet gesproken.
En lleintjen wil voortaan geen Kerkeneigendom
Dan met bewijslijk regt verkrijgen !
Hij rukt de Klepels, onder \'t pijlsnel opwaart stijgen,
De Klokken uit, en smakt ze naar beneên ! —
Op welk een hoofd ? — helaas, op een . . .
Geschoren kruin*,— de toiigdesStral\'prol\'eets moet zwijgen!
Dood! —■ of /istminder erg — dan schier
Zoo goed als dood ligt Pater Jaromir!
De Klokken middlerwijl voltrekken
Haar aangevangen reis. Twee Waterpoelen strekken
(Een kuijer ver van Lochems Veldgemeent\')
Ten badplaats aan de snaatrende eend —
Ten spiegel aan de bonte wolken:
\'t Was derwaarts dat 0113 tweetal trok;
In elk der Kolken plompt een Klok —
En \'t zijn voortaan de duivelskolken.
Zoo vaak het jaar weer Kerstijd bragt,
Kwam , sedert, puncto middernacht,
-ocr page 200-
177
JAKONIR TE ZLTl\'IIEN.
De llelvoogd op /.ijn Klokken trommen;
01\' hier een stoute vrijgeest lacht,
Wie scherp van oor is, hoort ze brommen.
III.
J A R 0 M I R TE Z U T P II E N. i)
»Alweer van Jaromir?" Ik kan \'t niet helpen, Lezer!
Hij liep, ten derde maal. mij klakloos voor den voet;
Kn of mijn Held aan Mol da u of aan Wezer
Gefokt zij; of hij mij de derde reis ontmoet.
Of de eerste, en Monnik zij of Heiden ;
Hij is mij onbekeken goed :
Verstaat hij slechts, wanneer mijn rijmkoorts woedt,
He ziektestof genezend af te leiden.
Laat Jaromir u dus zijn platgeschoren bol
JNog eens zien, heb geduld! het zal aan mij niet schorten.
Dat hij uw leegen tijd naar krachten poog\' te korten,
liij \'t spelen van zijn nieuwe rol.
Welaan dan, ik begin! »Hou\'slechts uwe aandacht vol!
Heeft iemand van den Booze wat te vreezen.
Hij ga niet ver om hulp; zijn man is Sint Michiel.
Kort voor het tweetal Klepels viel,
Met Lochems Klokken eerst ten hoogen opgerezen .
Moest Jaromir hem juist indachtig wezen.
»lhj Sint Michiel !" roept met ontplooiden mond
De Pater, dat het kerkhof dreunt in \'t rond
De Heilig hoort; kijkt uit; ziet slingrend zich verheffen
Wat straks verraderlijk hem die daar schreeuwt zal treffen ;
Kn staat reeds, maar verhuld voor \'t inenschlijk oog,
beneên.
Het schild is aan zijn arm; niet voor den pronk alleen :
\'t Heeft. met een zwenk , op weg de vaart gebroken
Van \'t neêrgesmakt metaal —des niet te min vrij zwaar
Op \'sMonniks hoofd beland! Vriend Jaromir ligt daar,
1) zTe aaiit. 39.
Staring, Gedichten.                                                       12
-ocr page 201-
178                               JAU0M1H TE ZUTPHEN.
Als had de Dood zijne oogen reeds geloken.
Zijn longen zijn van ademtogt verstoken ,
Terwijl het bloed hem langs de slapen vliet.
Nogtans de levensvonk ontsnapt het ligchaam niet!
Een arm — een heen . dat aanvangt zich te rekken —
Doen blijken, dat Michiel geen lijk heel\'t op te wekken.
Het kost hem slechts een schrupeltjen bewijs
Van Balsem uit het paradijs
Om, binnen weeks verloop, wat gaapt weer digt te kleven ;
En Hij, wien \'t in een droom is g\'openbaard.
Wat Heilig hem onzienlijk heeft bewaard ,
Verspreekt. door pligtbesef gedreven,
»Eèn dingsdag van de twèè te vasten, hein ter eer.
Tot zijn Getij de aanstaande herfstmaand keer\'."
Dit woord was tnsschen hein en zijn Patroon gebleven :
In petto gaf hij \'t. op \'t bedaarde ros geheven ,
Dat, als convalescent, hem aan vervelingspest
Ontdraagt, en redt naar Zutphens grijze vest.
Daar wil hij hij de Wijsheid les gaan nemen .
Die, in een Kerkgewelf, befaamder dan te Breinen
De Grafcel, eeuwen tijds aan boei gelegen heeft,
En — Proteus wedergaa — geketend antwoord geeft.
Zijn ijver baarde gunst! men laat hem niet verlegen .
Schoon hij ter scheemring toe zjjn drokke studies rekk":
Een dubble Sleutel wordt van Kerk en Boekvertrek
Hem toebetrouwd ; de Koster hoeft zijn wegen
Slechts hulpzaam over dag, maarniet, bij \'t henengaan.
Des avonds, gaa te slaan.
Wat, onder \'t werk , \'s namiddags onzen Pater
Tot sterking dient, daar waakt een oud Begijntje voor.
Pas opent hij de deur, of \'t hengelmandje staat er:
De Custos komt er meê; hij zet het aan een schoor
Van \'t welf, eerbiedig groetend, neder,
En gaat.
Zoo kwam en ging, wie hem verzorgde, weder.
-ocr page 202-
179
J.YHOMIIt TE ZUTPHEN.
\'t Was de eerste keer \'s Mans extra-vastendag ;
Doch had de Non , die in zijn Vesperbrood voorzag.
Van zijn Gelofte niets vernomen ;
En toen zijn spijsuur was gekomen ,
En \'t korljen openging, bleek, wat het bovenst lag.
Een hoen te zijn. \'t Vereisehte geen ontleden ;
Reeds was het, naar de kunst, den eter voorgesneden.
Zijn tanden waatren ! Evenwel hij doet zijn pligt.
En dwingt het at\'gewend gezigt
Op Vader Augustijns Confessies neer te kijken.
Dit middel geeft allengskens baat!
Hij vat steeds meer en meer den zin van \'t geen erstaat—
Peinst op \'t geleezne — en voelt de kwaa begeerte wijken;
Als... hoor! —daar valt iets! «klink ! — klinkklank!" Wat
(mag het zijn ? —
De Sleutels waren \'t der twee deuren. Augustijn
Of de elleboog had schuld ; ten minste naarden schijn.
Snel bïikt do Lezer. zonder zien , om ze op te rapen .
Maar de open hand — dwaalt af— en vindt het Hoen! —
En nu die hand niet toe te doen ;
\'t Gegrepen Boutje , plots. gelijk een schorpioen
Te laten vallen; of druiloorig aan te gapen,
Als waar\' het uit een knol gesneên !
Het niet te proeven ! — Van die reepjes óók geen èèn —
Geen twèè ! tot ongemerkt het halve Hoen verdween !
Hadt gij \'t gekund ? Indien gij ja zegt, ik zeg nèèn!
Ik had, helaas, met Jaroinir gegeten;
Maar \'t had mij ook, met hèm, tot in mijn hart gespeten.
Daar zit hij nu, en schudt het diepgebogen hoofd.
Zijn jmngsiiagsvasten was den Heilig duur beloofd.
Ondankbare als hij is! »Waar zal ik uitkomst vinden!
Wie kan mij van mijn schuld ontbinden !"
Zoo kermt hij ; en te valscher smuilend loert
Zijn oude Vijand, die, wat hij een toeval waande,
Met schelmschen klaauw heeft uitgevoerd,
12*
-ocr page 203-
180                             JAROMIR TE ZITPHEN.
En door verzoeking lieni den weg tot struiklen baande!
Te meerder kittelt zich die Onverlaat, die daar
De Sleutels van den lessenaar
Geworpen heeft, als korts de Klepels uit de wolken:
De Klokkenist van Lochems Waterkolken;
Wiens keelgat thans het uiterst van zijn kracht
In woudreu doende werking bragt,
Om Jaromirs provisies op te slokken;
Waartusschen. als bedeesd, het halve Hoen nog schuilt!—
Het masker van een hond is door hem aangetrokken.
Dit voegt bij zijn exploot.
De Pater hoort hem schrokken —
En ziet hem nu ! zijne oogen uitgepuild ,
Door \'t langzaam glijden van de grof gekaau wde brokken ;
De haren piekregt langs den rug omhoog gezet! —
Zoo ziet hij hem . en springt te been ! een tred
Terzij\'; doch onderwijl zich pogend te bezinnen
Op \'t kwaad latijn, dat ieder Helspook kan verwinnen.
Zijn cast, die \'t argwaant, hapt, eer \'t hem de Ban belet,
De sleutels weg; is door den wand gevlogen,
Kn staat, een mijl vandaar , aan elk gevaar onttogen.
"Maar zijn die sleutels min dan klepels Kerkengoed ?
En waarom die genaast, en deze weggesmeten ?"
Zoo vraagt ffij. Lucifer. gelieft gij des te welen,
Kweet met de Sleutels, op hun beurt, zijn teer gemoed:
Mij bragt ze weder. Die de Doekcel kwam ontsluiten ,
Vond ze aan den ring der deur. Daar hingen zij, vanbuiten;
En , ach , vanm.nnen , zat, tot aan de Vroege Mis,
De Zondaar in \'t cachot.
Eerst meent hij nog te droomen ;
Alleen , uit deze Spijsben is - -
Zulks voelt hij al te zeer ! — niets in zijn maag gekomen ,
Dan \'t halve Hoen ; en leeg is zij !
\'t Verdw ijnen van de Sleutels komt daar bij ;
En, eindlijk spreekt te luid dat spook van ho.nde.nstappen.
-ocr page 204-
JAROMIR GEWROKEN.                                   4«I
Waarmee de Vloer \'t gebeurde aan \'t nageslacht zal klappen.
In werkelooze wanhoop gaat
Het licht voor hein te bed ; en , eer van Walburgs toren
])e wachter driemaal zijn getoet heeft laten hooren .
Brengt hem de nacht geen goeden raad.
Kwam deze traas; genoeg, \'t was toch niet al te spaad.
Ook luistert hij daarna . met bei\' zijn hangende ooien :
De Rozekrans wordt straks zijn toeverlaat.
Het honderdste amen sluit het honderdst paternoster,
Als zijn bevrijder komt — de Koster.
Thans is zijn eenigst wit, dat hij. door boete doen.
Den Heilig weer verzoen\'.
Hoe streng kastijdt hij zich, om vrij te zijn van \'t prangen
Des zeü\'verwijts! Waar trekt hij, met gebeên
En litaiiijcu , niet al heen .
En biedt zijn holgevaste wangen
Te schouw, aan Sint Michiels, op doek ten toon gehangen —
Aan Sint Michiels van hout en steen.
Hem na te reizen zult ge intusschen niet verlangen.
Gij, die dit geeuwend leest, en geeuwend lezen hoort;
Ik spoed mij daarom eindwaarts voort;
Laat Jaromir zijn schuld in zak en asch berouwen .
En zeg, tot slot, dit enkel woord :
Zich buiten vijashs scheut te hou\'en
Is raadzaam; raadzaam ook. dat gij geen vriend verstoort.
IV.
JAROMIR GEWROKEN, i)
\'t Werd geeuwen links en regts! en de arme Jaromir.
Op dit signaal, moest, hall\'gejaagd. gaan dwalen.
Om over d\'Apennijn, driehonderd mijl van hier.
Pardon bij Sint Michiel te halen.
1) Zie aant. 40.
-ocr page 205-
182                                  JAR0M1R GEWROKEN.
\'k Zeg over d\' Apennijn! van beê- tot bedehuis
Laveerend ; vaak in \'t scherpe keizelgruis
Ken bloedig merk met naakte voetzool drukkend;
Vaak, af\'gemarteld , onder \'t kruis
A\'an honger, koude of hitte hukkend.
Dat zeg ik ! en mijn vraag is nu :
Gesteld eens, Vrienden , dat ik u
Niets meer van onzen Man berigtte ?
Dat ik den Leelijkert, die zoo veel onheil stichtte —
Den Klepelsmijter! — den Verleider ! — zonder iet
Wat naar correctie leek victorie packe.n liet ?
Kon\' dat misschien ontknooping heeten ?
Was dat het ftegt bediend, naar \'t Wetboek der Poëten ?
(lij stemt mij toe : dat kón\' — dat was het niet!
En , praat ik weder, zulks aan keuvelzucht te wijten
Misbillijkt gij: van \'t geen mij dubble pligt gebiedt
Moet ik mij , blijkbaar, pratend kwijten.
Daar, waar Garganus bergkruin ziet
Naar \'t golvend zuid . geviel \'t. voor lange jaren ,
Michiel. d\' Archangel, zich een Heilig te verklaren.
\'t Luidt vreemd; maar voor dengeen. wien \'t aan geloof
(ontbreekt,
Bestaat de Grot, waaruit de Heilig spreekt —
Eertijds ten minste sprak! als nu, voor \'s Pelgrimsooren.
De schuldvergiffnis, na de boete, zich liet hooren.
Zij galmde nog door \'t vreêverkondend Hol,
Toen , om \'t mirakel te voltooijen,
De fletse wang des Boetlings eenslags bol
En rood werd, als voorheen; zijn buik weer uit de plooijen
Ten statelijken cirkel zwol.
Hij keert dus; maar volhardt, uit demoed, in \'t voeteeren;
En , stapt hij, ook , om zijn herkregen vet
Niet, roekloos , weer door zweeten te verteren ,
Met priesterlijk bedaarden wandeltred,
-ocr page 206-
JAK0M1R GEWROKEN.                                183
Toch daagt, ter zijner tijd, de stompgedakte toren
Van \'t Stadjen op , waar thans
Een onverwelkbre lauwerkrans
Zijn schedel toeft, die daar tevoren
Een bluts ontving.
Doch, eer hij verder stapt, is \'t noodig dat wij hooren,
Wat, aan dien oord, sinds hij ter beèvaart ging,
Sjeur Tenterkwaad begon.
\'t Was straks na \'t medcvieren
Der Kersnacht, op zijn wijs, dat hij incognito.
Vermomd als katuil, boven Lochem rond kwam zwieren.
\'t Hoog spaandak naast de kerk doorborend, loerde zoo
Zijn blik ten leste ook in een slaapsteè. Die daar woelde—
De Kapellaan, gehuisd bij d\' ou\' Pastoor —
Smeet, of een mierenschaar hem over \'t lijf krioelde,
Zich, onder diep gezucht, van \'t een op \'t ander oor.
Wie had de schuld? De f\'rissche Leonoor!
Doch zonder dat zij \'t wist. De goê begijntjes noemden
Het Meisje Zuster, en beroemden.
Van afgunst vrij, zich op den kostbren schat,
Dien \'t arm Konvent in \'t vlijtig Kind bezat.
Maar, wat haar binnensmuurs een eerkroon had geschonken,
Stond op de cedel der verdiensten niet gemeld,
Die onzen Kapellaan te klaar in de oogen blonken.
Hij had de Non, zelfs in verbeelding, nooit verzeld,
Als haar de huisorde of de Mater riep tot pligten,
Waarvoor straks eigen wil bij Leonoor moest zwichten;
Doch naarstig had hij ze, uit zijn vliering-cel, bespied,
Wen ze in den moestuin zich somwijlen kwam vertreden.
Was ellen Grijs heur dragt. haak bleek een dragt te kleeden,
Die \'t zachte van heur blos onoverschitterd liet.
De zwarte Keuveltimp, zich op heur voorhoofd krullend.
Verhief heur blank nog meer. Twee spelden (naar de wet.
Door zuster Hill\' — van kuif wat höög blond — ingezet),
Ileur bruine vlecht in lijnwaadplooisel hullend,
-ocr page 207-
I8i
.1 MiciMll\', GEWROKEN.
Verwekten spijl; maar \'t schoon van Nora\'s voetjes won.
Hij \'t streng gebod, dat hun denschoepronk I) van die dagen
Ontberen liet. En op die voetjes werd de Xon
Zoo zwevend ligt daarheen gedragen,
^ Oi\' ze. als \'t gewed was, vliegen kon\'.
Steeds koortsiger, nam uit zijn sterretoren
De Vriend dit alles waar; ook klonk, te middernacht.
IFem weer, bij \'t Kersgezang, die tooverstein in de ooren.
Waarmee het lieve Kind elk hart in oproer bragt!
»Ach, had geen henlenhand mijn schedel plat geschoren!
En stond mij \'t vrijen vrij! en dat ik uit de horst
Haar wat mij pijnigt klagen dorst! —
Dat Zij, bewogen door mijn heden.
Mij kroonde met haar gunst!"
Hier was het jaminrend »ach"
Des aanhefs ook het slot; en, die naar onder zag.
Door \'t steile huisdak, schiet, oiitkatuild, naar beneden! —
•Help, Heeroom, help!\'\'—Eilaasial \'thelpen kwam te Iaat:
De Kapellaan blijft — overheerd doorïenterkwaad —
Een voorwerp om in \'t gasthuis te besteden !
Hij kruipt te negen uur de dekens preevlend uit.
(leen vaderonze, waar zijn mond zich mede ontsluit :
Half schijnt het de engelgroet; doch, eer men \'t voluit hoore,
Is \'t beter doof te zijn! MARIA groet hij met;
Maar »Ave, ave, Leonore!"
Herhaalt hij. tot gebrek aan asem \'t hem verbiedt.
Geknield voor \'t venstertjen, dat in den Moestuin ziet.
Ten laatste, hij kwam af; slof — slof; het hoofd gebogen.
Als of hij langs den Berg naar Diamanten zocht.
Lenoor, met licht bekleed, stond voor zijn brein; ointogen
Met digten nevel stond al \'t andre voor zijne oog en.
1) Hoog opstaande Snebben, genoeg In oude boeken, en bepaald in
Cats, als zottenuitrusting, met en zonder bellen afgebeeld.
-ocr page 208-
185
JAROMIR GEWROKEN.
Hoe luid een strafpreek op zijn oorvlies trommlen mogt.
Doof bleef hy! slechts vernam zjjngeesthetstadigweemlen
Van \'t Kersnachtlied, dat hem verrukt deed heemlen.
En \'t kluchtspel, dus vertoond, was niet met èèns gedaan:
Zijn kwaal liet door reliek noch klysma zich verjagen !
Zelfs teelde \'t voorjaar nog hij de oude nieuwe plagen.
Me buurten rond zwierf thans de Kapellaan —
Keek stijf in zijn brevier—en hief een deuntje aan:
«Leonoret, schoon rozekijn\'\' begon het.
Wanneer \'t een jongenstroep, van ver hem nagegaan.
Meê blaarde, zijn crescendo won het
En zong \'t alleen ten einde — tot den dag.
Dat Jaromir hem hoorde en zag.
Straks werd hij stom! en hukkende in de struiken
Dacht hij de naadrende, als het hoen den wouw te ontduiken.
Bedrogen hoop! \'t instinct, gescherpt door wraaklust, had
Den Pelgrim reeds gediend! Het leidt regtweegszijn schreden
Naar \'tboschje; en waarom hem, met sidderende leden,
Ue Liedjeszanger tegentrad ? —
Die in hem siddert heeft den aanvang reeds vernomen
Van d\'onweêrstaanbren Ban! den Ban, dien hij ontkwam.
Toen hij zijn vlugt dooi\' Zutphens kerkmuur nam.
Doch, in dit uur, niet zou\' ontkomen !
Het magtig Formulier werd des van woord tot woord.
Al tandeknersend door den Booswicht aangehoord;
En, uit den Kapellaan met huid en haar geweken.
Steeg hij (afschuwlijk in zijn helgestalt\') naar\'t hoog;
Toen daar de Schildwacht Sint Michiel hem tegenvloog !
Plots heeft de luchtreis uit; zijn spierkracht is bezweken;
Hij tuimelt neer, en booptnu, \'t hoofd omlaag, in de aard;
Maar de Exorcist, die hier den pas bewaart.
Grijpt toe; houdt bij den slingerstaart
Het halve lijf terug ; en \'t koord, dat om \'s Mans lenden
Geknoopt hangt, weet zijn vuist kastijdend aan te wenden.
Met zulk een klem, als nimmer menschenvleesch
-ocr page 209-
m;
DE TOOVF.IUVIJNSTOK.
Verduren moest, van knoet of bullepees.
De Lijder slaat, zijn molgat in . aan \'t huilen ,
Dat de antipoden zich ontzetten! dat de zuilen
Van \'t Pandemonium als zwakke rieten staan
Te beven. Jaromir geeft weinig om dat piepen !
Vergeefs vangt klaauw en horen staag weer aan
Met wroeten, om den weg naar \'t onderaardsch te diepen !
De pestkwalm. van den Schreeuwer uitgegaan.
Spreidt vnucHTLOOS een bedrieglijk duister :
Geen slag die misvalt, van tweehonderd, wel geteld ;
Waarmee bediend, de (luit werd vrijgesteld.
Z66 stapt de Pater, overstraald van zegeluister.
Door Lochems Poort! Zóó lag voor onzen Held
Zijn trotsche Weèrpartij geveld !
De Straf\'plaats heet. van dien dag af tot dezen.
Naar dat gestaarte deel, waarop het gordeltouw
De wraak van Jaromir in striemen gaf te lezen.
»En nu de Kapellaan? —" Die keek sinds naar geen
Of \'t moest een bes van tachtig wezen.
              [Vrouw,
DETOOVERWI .1 N S T O K. 1)
Albertus Magnus — (was hij \'t niet,
Dan was \'t een ander, dien \'k zoo hiet:
Oók Tooveraar van zijn bedrijf;
En óók dood, sinds een eeuw. vier, vijf) —
Albertus, of die andre, zat
Kens meè aan, waar de Duitsche Keizer at.
Ter regter zij\' van \'t Eergestoelte praalt
Hofmaarschalk Max, die naast zijn Heer nooit faalt;
Dehalve daar, waar man staat tegen man,
1> Zie iiant. 41,
-ocr page 210-
DE TOOVERWIJXSTOK.                                   1^7
En \'t bloote zwaard moet toonen wat men kan.
Staag krom van run;; van hart en kuiten valsch;
Groot in \'t salet; in \'t raad vertrek een hals.
Onrustig waart zijn oog thans om den disch :
Dat \'s Vorsten mond geen smaaklijk beetje miss\'!
Het keuren valt hem zwaar! de tafel zucht.
Belaan met cijns van water, aarde en lucht;
Met wat Germanje, uit zegenvollen schoot,
Van Maas tot San aan zijn Beheerscher bood !
Toch flaauwt \'s Mans ijver niet! terwijl de vreugd\'
Allengskens groeit; daar Bachus \'t hart verheugt,
De luitsnaar trilt, en \'t schaatren der trompet
Heel d\'omtrek meè in vrolijk oproer zet.
Nu treên de Spelers binnen : snaaksche klucht
Bereidt de schaar der Gasten nieuw genucht.
Hun Heer alleen zit (al te vaak gestreeld!)
Aan \'t oor van ligchaam en van geest vereelt.
En smaakt geen vreugd\'.
Hofmaarschalk Max weet raad :
Hij nikt, als \'t Kamerspel ten einde gaat,
Albertus toe: »0p. Meester! dat uw Kunst
Den Keizer eek bewijze — ons allen gunst."
Albertus is gereed. Hij zwaait den staf.
Dien een onzigtbre hand hem vliegens gaf:
Kèn — tweemaal deed hij \'t; bij de derde keer
Verscheen een wolk; gebloemte en loof zeeg neer;
De balsemgeur der lente faalde niet;
En, met geruisch, gelijk van wieglend riet,
Verzwond het dischsieraad in \'t glanzig blad.
Gehuwd aan keur uit Flora\'s bonten schat.
En traliewerk van zilver sloeg een kring.
Die, wijdgestrekt, het lustig perk omving;
En harpklank jubelde; en, door \'t schittrend blank
-ocr page 211-
188
ItE RADJA S DOGTER.
Van \'t eèl metaal, vlocht zich een Wijngaardrank ;
Maar, voor den Keizer, breidde een Perzikspruit.
Op \'t maatgetoon. haar purpre loten uit.
Niet lang, of bloeisel pronkt, aan rank en lot;
\'t Wordt ooft; \'t wint verw! Mèt klinkt het luid gebod
Des Meesters door de zaal: «Aan eiken gast
behoort een tros: alsamen toegetast.
En \'t nies gevat! — doch wacht een nader woord ;
En blijft de druif verschoonen, tot gij \'t hoort!\'\'
Hij sprak. Den steel van eiken tros bedreigt
Het scherp ; als, zie! de perzikspruit zich neigt.
En de appelvrucht, aan \'t buigend rijs gehecht.
Zich willig in de hand des Keizers legt.
Terwijl beloert de Hoovling Max zijn tros:
»Waar wacht ik naar? hij heeft zijn vollen blos!
Ik bie\' hem staandevoets den Keizer aan.
En laat den eersten dank mij niet ontgaan !"
Hier snijdt hij toe ... en schendt hij zijn gezigt! —
Hoe? blijkt terstond! De zinsbegoochling zwicht:
Ver van den wijngaardrank houdt ieder gast
Zijn eigen neus met spitse vingers vast.
En \'t mes daarop! — Max heeft verdiende straf;
De Keizer lacht hem uit; en hij trekt af.
DE RADJA\'S DOKTER. 4)
»Alla-oed-dien" Een stroeve Koningsnaam.
Vriend Lezer ! maar ik zorg, voor u en mij tesaam.
Dat ons dit hottentotsch niet verder zal bezwaren.
De Koning, dus genoemd, hield, op de Paauwentroon
Van Dehli, zijn gemak. Ofschoon
1) Zie aaiit. 42.
-ocr page 212-
DE RADJA\'S DOGTER.
181»
Bij \'t kaauwen van zijn pinang, sedert jaren,
Ontwerpen van veel doen \'s Mans geestvermoeijing waren.
Thans stond er evenwel èèn plan uit honderd vast!
Dat zon\' volvoerd ! Tweeledig was \'t :
Het krijgszwaard in de vuist de waereld te overwinnen;
Rn dan de Leer van Mahomet
Daar uit te bonzen, door een nagelnieuwe Wet,
Die met een Vrijbrief\' voor de Drinkers zou\' beginnen
Maar onontberelijk. bij de Alexandersrol,
Scheen hein, aan (Ie eerste plaats, een Tha\'is. blank van
Tot f\'akkelzwaaister, waar hij \'t branden
              (handen,
Meergrootsch dan\'t sloopen vond. Hij had een Harem vol
l\'niks puik; tesaamgezocht tot in de verste landen;
Zijn Thaïs-ideaal was nogtans daar niet bij :
Dat was een Radja\'s Kind; ten minste meende hij.
Op hooren zeggen af, geen ander kon\' het wezen.
Alleen — wie ondernam \'t, den Vader te belezen.
Dat hij zijn Dogter gal\', tot honderd vijfde vrouw
Aan ali___. et cetera? — Den appel zijner oogen.
Dat hij dien goedschiks geven zou\' —
Mij ! Prins, naar rang, en Koning, naar vermogsn ;
Die daar in \'t rotsgebergte een vest
Ten zetel had, fielijk een ab.ENDSNE.st ! —
Wie zoo iets hopen dorst vond zich gewis bedrogen!
Wat raad? ja! goede is duur; maar kwade — inzonderheid
Aan \'t hof -- kost niets, gelijk men zeit;
En naar een kwaden vroeg de Dehlische Alexander!
• tok bleek de botste domoor schrander,
In dit c«s; even als de traagste talm bereid,
Zich met het plegen van een snoodheid te belasten.
De Radja, wist men, dreef het valken-wei-spel graa<^
In \'t vlak: gewapenden, die op zijn gangen pasten.
Besprongen hem, van uit hun hinderlaag;
-ocr page 213-
DE RADJA\'S DOGTER,
190
En, ziet, de Jager kreeg — „edoch met leedbetooning.
Dat zorg voor \'s Rijks belang den Koning
Tot dit extreem gedwongen had" —
In Dehlis welbeinuurde stad
Een welgegrendeld huis tot woning.
Straks ging er nu een hooge kemelvracht
Geschenken naar \'t gebergte, en door twee Eergezanten
Werd. na \'t ontpakken van hun paerels, diamanten.
En goudstof en borduiirselpracht.
Het Huwlyksvoorstel bij het Meisjen aangebragt.
"Ontving zij \'t met genegen ooren,
Zoo werd haar vrijhijd voor den Radja toegezworen."
Na woord en wederwoord, die \'k u niet verg te hooren.
Nam \'t lieve Kind hun Boodschap in beraad;
En wat verstaanbaar uit haar rozeniippen gaat,
Als \'t uur van wilsbepaling slaat.
Komt neder, op voldoen aan \'t vorstelijk verlangen ;
»Mits" klinkt het slot. in vasten toon.
»Mits, door haar Vader zelv\' den Koning aangeboön.
De Dogter plegtig worde ontvangen."
Ten vierde male was de dag sinds aangelicht:
Hij ziet, terwijl in \'t west zijn laatste llikkring zwicht.
Een langen sleep van bonte palankijnen
Met \'s Konings Druid voor Dehlis muur verschijnen.
Slavinnen. Dienaars, op wier pronk
Een gloed van honderd fakkels blonk
Die de avondschaduw deed verdwijnen
Het talrijk Staatsgevolg dat zijn Meestres omgaf),
Treên mèt haar onder \'t dak van \'s Radja\'s woning af.
En \'s andren daaiis... was \'t Bruiloft, zoudt gij meenen !
Doch gluurt,mijn vinger langs, eens naar dien bergtop henen:
Wat wemelt daar? — \'t Zijn Paarden, in den nacht.
Uit \'s Radja\'s ake.ndsnest tot voor de Stad gebragt!
De Maagd — de Radja zijn \'t\' van dat Gevolg omgeven.
-ocr page 214-
191
S1GK0R ANELLO
Waarop het toortslicht blonk. Alleen, Slavinnendragt
Vermomt geen Krijger meer. en wapenloos gebleven
Is slechts de Maagd. Het zwijgend uur der rust
Had Dehlis vest in diepen slaap gesust;
Daar traden ze uit! het staal geheven,
Dat onder spreijen schuilde, of\'t kostbre lijfstooi waar\';
Aan deur, noch poort, weerstond de wachterschaar;
En, ijlens vast in zaal en beugel,
Ging \'t bergwaart met gevierden teugel !
Maar een, die, \'t hoofd op zij\', zich achter de ooren krabt.
Is de Alexander, wien zijn Thaïs daar ontsnapt:
Van spijt verzegt hij "t nu, de waereld te overwinnen.
En zet het Wetboek uit zijn zinnen.
SI G NOR ANELLO. 1)
Urocha, Nanicht van Lodippe 2), nam de wijk
Naar \'t bloeijend Napels, toen loniën verschraalde,
En daar, als in Schach Abbas Rijk,
Het volkjen al te deun haar Zwarte Kunst betaalde.
Eens zat ze, in \'t nieuwe Hol, dat zij tot woning had.
Rij \'t heksen-keukenwerk met klevig roet bedropen ;
En »aller padden moer" 2) de onsterfelijke Pad!
Zat op haar schoot. Daar ging de deur zacht open :
Signor Anello kwam. Hij ziet het schriklijk Wijf
(Na snellen oogslag weer verdiept in haar bedrijf)»
En groet en boodschap blijven steken;
Tot eindlijk, als de Kol zich vragend hemwaart keert,
Het stomme beeld begint te spreken.
Jaloersheid is \'t, wat „onzen Gekskap deert!
Op zijn Francesca\'s deugd verklaart hij vast te bouwen ;
1) Zie aant. 43
\'2) Cats, Spookliefde.
-ocr page 215-
192                             sir.Non anello.
Nogtans ! wanneer zij eens door anclren wordt gekust,
(OF \'t ooms of zwagers zijn) het stoort hem in zijn rust:
Maar zoentjes wenscht hij öök voor zich alleen te hou\'en.
Vervulling van dien wensch was alles wat hij vroeg.
»\'t (!aat moeilijk*\' zegt de Feeks »hier mouwen aan te
(zetten! —
\'k Beschenk uw weèrhelft, om dit zoenen te heletten,
Voor vijftig soudis, met een Neus-tip, lang genoeg,
Dat de opgekromde Kin zich daarmee samenvoeg\';
Alleen, zoon Hangslot - zou\' \'t een gragen lekker stuiten —
Sloot r niet min dan andren buiten !
Gij geeft des honderd, en ik vraag den (leest om raad,
Die mijn\'gehoon ten dienste staat:
Hij zal mij \'t geen u helpt in dezen Spiegel toonen.
»S.iei> barsjamoot\'\' begon \'t nu; maar \'t verschoonen
Van uw oor, en mijn long.
Vriend Lezer, eischt alhier een sprong;
Het raauw Hebreeuwsch voorbij, dat ze uit haar gor-
(gel wrong.
De Heks heeft dus met haai1 Bezweren
Gedaan, en zit nu in \'t kristal te speeuleeren.
Doch als ten laatste Vriend Anell\'
Zich weer haar tronie toe ziet keeren.
Strekt, eer zij spreekt, een wenk hem tot bevel
Dat hij haar jura voor den spiegel nedertell\'.
Daarna vangt ze aan :
»Mjjn Zoon, ga onbekommerd henen !
Is van de naaste nacht de leste schaauw verdwenen,
Dan vindt zich aan uw pink een bloedkorale.n ring :
Hij blijve er aan, en u rest niets te vreezen!
Wie stroopend in uw jagtveld dring\',
Francesca\'s mond zal niet te kussen wezen.\'\'
Dus sprak zij ; en Anello ging,
-ocr page 216-
193
MAItCO.
Hij slaapt een hazenslaap aan zijn Francesca\'s zijde;
Staafi hopend, dat de Ring hem aan den vinger glijde;
Ken Droom (Urocha\'s werk!) bedwelmt hem, met den dag;
Onrustig woelt de droomende op zijn sponde;
Zijn hand vaart uit het dek; hij tast er meê in\'t ronde:
Voelt... voelt den Ring! — en roept straks wee en ach!
Wat was die Ring? Wat deed Anello schreeuwen?
Zijn Redgenoot lag neven hem te geeuwen,
Nog van geen dag bewust; in \'t eigen oogenblik
Zweeft boven haar de hak» ; die hand genaakt naar lippen ;
Plots komt. uk pink er binnen slippen !
En Vrouwtjelief bijt toe van schrik.
MAR CO. I)
I.
.long, welgemaakt, van edel bloed, schatrijk,
Vond Marco niemand zijns gelijk
Hij Napels Jeugd. Hij kon\' het puikje vragen
Uit heel de maagdenrij.
Hie Koning Manl\'reds 2) heerschappij
Ten sieraad bloeide, en wierd niet afgeslagen:
Hij zelf, aan de eerste plaats, was daar verzekerd van.
Kn scheen toch ongezind om Hymens juk te dragen.
Te veel voorkomendheid, zoo \'t gaat! bedierf den Man.
Hat hu ! — het eenig doel. op \'t welk zich honderd
Uit honderd oogen vlammend rigten,
              (schichten
Als Parthenopes 3) Dogtrenschaar
Bij bolleest of tornooi elkaar
Hen voet wedijvrig poogt te ligten ; —
Dat hij zijn jonge hersens daar
Voor duizlen zou\' behoèn, was naauwlijks te verwachten.
1)    Zie aant. 44.
2)    Mantïed zat in de dertiende eeuw op den troon van Napels,
3)    Napels.
Staring, Gedichten.                                              13
-ocr page 217-
1«»4
MARCO.
Ook deed hij \'t niet ! De Ridder werd alras
Verliefd op zijn persoon, nog meer dan\'t iemand was.
Gelijk het rad draait om den as.
Zoo draaijen rustloos zijn gedachten
Om \'t centrum van zijn dierbaar ik :
Waar Marco gaat of staat, hij beeft, elk oogenblik .
Met Marco iets te doen. Een spiegel moge ontbreken .
Waarin hij gluur\', geen nood! de baard wordt gladgestreken;
Het net beloop van knit en voet bekeken ;
Het mantelsnoer verknoopt! een scheefgevallen plooi —
Ken \'k weet niet wat verholpen aan zijn tooi.
Kortom: Narcissus Geest; die als een spook bleef waren.
Nadat zijn lijf. in \'t stille nat,
Aan eigen mooi zich doodgekeken had ;
Narcis, met spot geweerd uit de elizeesche scharen .
Was in \'t Bedorven-Kind der Meisjes komen varen:
De schaapjes braken nu te laat
Het hangend hoofd met rneerbezonneii raad !
Haar Sekse nogtans werd. ten zoen van \'t Regt. gewroken.
Door Julia, een bloem op \'t eenzaam veld ontloken.
Als gast genood bij \'t winter-stadsvermaak .
Landt zij in Napels aan. Wat oogen heeft roept wonder!
Geen harten, of zij brengt ze, als door betoovring, te onder;
En dat men. voor haar schoon, naai\' ridderwijze, blaak\'
Verklaart de Jonglingschap een staatswet, niet te schenden.
Door wie voortaan nog man van smaak
Wil heeten, in den kring van zijn bekenden.
Vriend Marco neemt dus mee de leus aan van Galant.
Maar. als hij merkt, dat zijn vereerende offerand
Het Kind niet meer tot wedergunst doet nijgen ,
Dan zulks een mindre doet; en. steeds in vaste hand.
Ileur waagschaal tusschen dalen blijft en stijgen; —
Als hij. bekwikt. bestrikt, ontdekt.
Dat zich een glimlach om haar aardig mondje trekt.
Die eer kritiek dan approbatie teekent,
Wordt zulks het Nufje streng in debet aangerekend !
-ocr page 218-
MARGO.                                                  49\')
/
Zij zal er aan ! «Geen,man, van mijn figuur. ,
Van mijn rang. van mijn geld, wanneer hij \'t schijnt te
(meenen .
En op den trouwring, wijst, valt de overwinning zuur.
Sint Januarius heeft hier geen hulp te leenen;
Het loopt van zélf los!-------En!
Wanneer het wespje nu omsponnen
Hangt in mijn web. als ik nu koning hen .
En zu slavin is; als, in \'t heimelijk\' begonnen,
He toestel tot haar bruidgewaad
Bij dag. bij nacht, voor haar verbeelding staat .
ban laat zich misverstand uit de eerste stroowisch draaijen.
En \'k tree gebelgd terug, met tranen niet te paaijen.*\'
De Bidder, na dit zelfgesprek,
ïijt Huks aan \'t werk. Hoe 7 blijv\' hier onbeschreven.
Genoeg : geen enkle wezenstrek
A\'an Julia verraadt, dat zij hem voet wil geven.
Hoe welbedacht hij \'t spel hebbe aangeleid ,
Men laat het jegens hem bij heusche minzaamheid.
Als jegens elk. Het onderscheid
Misschien, ja, bij tiaauw toezien, op te merken.
Is dit: dat haar kritiek ; somwijl onschampren jok
Bij \'t lachje voegend, dat weer schalks haar mond ver-
Alleen tot hem zich blijft beperken.
                       (trok ;
Zoo was het; hij zag wel; en let nu wat gebeurt
Stond Marco eens van gramschap rood gekleurd.
Wanneer Miss Julia hem —d\'Afgod van de schoonen! —
Als was hij nog een kind, met kouden spot dorst honen.
Thans kleurt genoegen zijn gelaat.
Dat Julia hem blijkbaar gade slaat:
Genoegen, dat uit zuivre bronaar vloeide !
Geen booze treek, waarop zijn gramschap langer broeide!
De boog. die sluiks op \'t wild gspannen stond .
Had. dwalend .met haai- pijl. den jager zelv\' gewond.
En van die pijl — van zorg. die al zijn rust verslond.
Gefolterd, gaat nu Marco dolen ;
-ocr page 219-
I!)<i                                                              MARGO.
01\' liever, rijdt hij in\' gepeinzen over \'t veld.
liet nijdig lot heelt hem zijn Uulcinee ontstolen!
Een oude Moeder "door wat jicht, zoo\'t heet, gekweld!"
Heeft onvoorziens haar Julia bevolen.
Dat ze uit het vrolijk stadsgedruisch
Terugkeere, en bij haar zich opsluite in een kluis.
Deez\' eigen morgen is de llonkerster verdwenen,
Die aan den trans van Napels heeft geschenen! —
"Helaas !"
Bij dit helaas voelt Mareo\'s rosinant
Hen scherpen prikkel van zijn sporen
Zich onverdiend aan iedren kant
Ken halven duim in \'t weeke boren —
Wordt dol, gelijk zijn Meester schijnt —
Vliegt over heg en hek - zet over groeve en grachten —
En meet de ruimt\' met onuitputbre krachten !
De stad, het dorp, het akkerland verdwijnt;
De wildernis vangt aan ; geboomte en struiken naadren
Elkaar al digter en al digter. \'t Hollend Dier
Houdt vol te runnen! tot in \'t leste met een gier
De Ruiter nederploft.
Ken bed van dorre blaadren
Ontving hem, en hij rijst met ongekrenkte leen.
Maar \'t paard vlood uit het oog! alleen
Met paalloos hout bleef staan, in welks geheimenissen
De honger, of een scheurziek wolvenbroed
Van Marco\'s einde zal beslissen !
Dit schriklijk denkbeeld jaagt hem \'t bloed
Al saam terug naar \'t hart. Hij blijft nogtans bezonnen:
De Hoop blaast lieverlee het vonkje van zijn moed
Ten vlam, en \'t pogen is begonnen,
Om regtdoor \'t onherbergzaam woud
Te klieven : of ter andre zijde
De grenzen ligtlijk aan een Wachter zijn vertrouwd,
Wiens gastvrij huisdak hem verblijde.
-ocr page 220-
i(»7
MARCO.
Twee uren zwoegt liij voort, en de uitgang bleef verspard:
Daar treft hein een gevaart\' van klippen, naakt en zwart.
Met huivering! \'t Geboomt\' houdt, als teruggestooten.
Den barren steenkloinp op een afstand ingesloten.
Een mengeling van kruid, ten spijt van \'t jaargetij\'
Met bloei gesierd — met zaad of bes beladen —
Vervult het open; maar \'t gevogelte ijlt voorbij:
"t Vond hier geen aas! Geen beet mag hier het ree verzaden.
Al wat hier wast is gif: \'t bedrieglijk akoniet.
Dat door den scheerling heen zijn blaauwe trossen schiet;
De dorenappel. met de bilzenplant vereenigd
Pest walmend door de lucht; het doodkruid. vandemenigt\'
Der glimmervrucht gekromd: aan dezes is \'t gebied
Uitsluitend ingeruimd.
De wind sliep in; men ziet
Hetgeen daar groent nogtans met vreemd geritsel beven:
\'t Zijn schorpioenen, \'t zjjn tarantlen. \'t is een broed
Van adders, wriemlend aan den voet
Der stronken, of door \'t loof onrustig omgedreven !
En welke is nu de onkwetsbre hand.
Die hun venijn braveert ? die hier van plant bij plant,
(!een uur geleèn, als blijkt! een buit kwam plukken?
Wie is \'t, die. langs dit slingrend pad
Zoo korts, ten klipwand heen. met naakte voetzool trad\'\'
De Zwervling waagt, met schroom,het open spoor te drukken.
Dat naar den steenklomp wijst. De deur, waaraan het stuit.
Verbergt een Hol. Schoon haar geen grendel sluit,
Heur dorpel, door \'t betreên, diep uitgeschuurd. zegt luid:
Het klipgewelf heelt een bewoner.
Zij laat de lucht voor hem door spleet bij spleten in;
En boven haar bloeit, op de steile tin
Derklip, een rozenstruik: geen meimaand teelde achooner.
Hij bloei je daar. mijn Hoorders! Ik verlaat
Een poos den keifvelstoel. want ik ben moègepraat.
-ocr page 221-
MAR C O.
II.
Eer aan den Ouden Tijd, e» weg met de eeuw der rede!
Vivant de Dooden! roep ik mede !
Zij deden wonderen — wij doen \'t geen wonder schijnt!
Ons vliegen lijkt wat groots, maar, wel bezien, verdwijnt
Het gansch mirakel! een ballon, van lucht gezwollen,
Draagt ons omhoog!— Wanneer, in \'tStoomland, wagens
(hollen.
Al loopt er paard, noch paardsgelijke, voor: —
De Ketel met zijn toebehoor
Vervangt het rennend span! — 01\', gaat er een te water —
Zinkt vijf\', zes vaamen diep — en staat er
Te metsten? — Die het doet huist in een Duikerklok!
Armhartig kruimelwerk ! Een ebbenhouten Stok
lvon in des Wijzen hand, voorheen het zwerk regeeren.
Een enkel Woord kon berg tot dal vernèeren.
Zóó vèr ging Wetenschap! Maar nu ging ze achter uit —
(lelijk al t Goede ! en liet haar droessem tot een buit
Aan snoodheid. om, misbruikt, een nageslacht te plagen.
Onwaard het heilgenot der Zalige Oude Dagen!
Wie ondervond zulks meer dan Marco, die bleef staan
Voor een doorluchte Deur!
Met. handen niet te raken .
Hing boven hem een Rozengloed te blaken:
Hij schouwt dien met verbazing aan,
En voelt zijn hart van nieuwe vrees bekruipen:
"Neen, \'t is voorzigtigheid, geen blooheid, heen te sluipen!\'\'
Doch, zonder eerst door deze deur te gluipen,
Den weg naar \'t bosch weer in te slaan —
Nieuwsgierig als hij is — hoe zou\' hij zulks vermogen!
Hij staat des voor een reet, met strakgevestigde oogen;
-ocr page 222-
I<»«)
MARCO.
En \'t geen ze ontwaren ... is de booze Tooverkol
Urocba! 1) zigtbaar bij het licht, dat in haar hol
Door \'t welfsel valt. Zij is \'t\'.
Terwijl, met innig beven ,
Die haar bespiedt op henr bedrijven staart.
Ontsluit ze een zall\'bus — èèn van zeven
Geleken, in een kring geschaard.
Drie vingren, schraal en krom als kelderspinnebeenen.
Doopt zij daarin; bestrijkt haar voorhoofd... en verdwenen
Is \'t Wijf! Zij werd een Kraai, en vloog het open uit,
Waardoor het spookhol van den middag wordt beschenen.
Weg rent ook Marco, eer zijn aftogt wordt gestuit!
Hij trouwt het heksen niet! — Doch, vöör in \'t bosch
\'gekomen,
Hoort hij een lladdren door de boomen,
De Kraai, teruggesneUL schiet, langs den rozelaar
Onstuimig gierend, naar beneden.
Met een geplukte bloem; zij scheurt die uit elkaar;
Slikt ze op; en \'t Wijl\' hernam haar menschelijke leden!
Waartoe? — om met een vaart te keeren in haar grot.
En kort daarop, uit d\'eigen pot
Destreken, zich van nieuws in vogeldoseh te kleeden.
Daar vliegt de Kraai weer heen! maar, bij hervatte vlugt.
Draagt zij een voorwerp, llus.zoo \'t schijnt, in \'t hol vergeten,
Een talisman, als vracht meè door de lucht.
Dat ziet hij die daar staat, (leen tijd hoeft meer^sesleten
Met raadslaan ! kenlijk is \'t wat ijlens moet gedaan:
Hij worde ook Vogel; plukke een Roos; vlieg\' west-
(waard aan,
Naar \'t strand; en heeft hij daar zich weer ten Mensch
(gegeten.
Dan blijkt de Stad misschien eer\'t nacht is te begaan.
1) In de voorafgaande Vertelling, signor ankllo, den Lezer bekend
gemaakt.
-ocr page 223-
200                                              MARCO.
Zoo dacht hij. en de moed deed al zijne aders zwellen.
Hij draalt niet om naar \'t hol te snellen;
Hij grijpt de Zalfbus, die de Heks greep, naar \'t hem
Hesmeert zich mild ; en krast met een
           (scheen;
Victorie... mits hij slaag\'! maai\' kiust hij. Hoorders?
(— neen !
Hij werd een ezel. en hij kalkt! — Genomen
Uit een verkeerden pot, is \'t iVIaiïiesch Liniment .
Zoo \'t spreekwoord zeit. den Patiënt
(ielijk den hond de worst hekomen.
En, ach zijn kleinte reikt tot gindschen bloemstruik niet :
Hij blijft hetgeen hij is. en vliedt.
Hij vlood! en \'t woud dat hem geen open wilde gunnen.
Zoolang hij op twee voeten ging.
Begint zich. voor den viervoet, straks te dunnen ;
Tot aan de koningsbaan, olijf de beuk verving.
Een avontuur stond Langoor hier te wachten.
Geschreeuw van moord <;aat op! waarbij een vrouwen-
Ter wyl ze erbarming smeekt, klinkt deze hein (stem:
Als Julia\'s! Hij loopt ter hulp. uit alle krachten;
Vergetend wat hij is, en Man in zijn gedachten.
Daar ziet hij \'t arme Kind! Het lastdier dat haar droeg
Ligt. als haai\' leidsman, zonder leven.
Het Rooverpaar, welks boosheid hen versloeg.
Schijnt spottend aan de Jonkvrouw moed te geven.
Versteend schouwt dit de onweerbre Marco aan .
En een der guiten ziet hem staan —
Springt toe ! en heeft hem vast bij de ooren .
Eer zijn bezinning keert. — Wat lot is hem beschoren?
De zadel, van zijn dooden stamgenoot
Naai1 \'t uiterlijk, wordt op zijn rug geladen .
En Julia, die gaarne weerstand bood .
\'t Bestijgen van bet dier met blanken dolk geraden.
De togt gaat nu. langs heimlijk spoor.
De naaste heuvlen in. Eerst was het ijlens vlugten ;
-ocr page 224-
MAItCO.                                                201
Maar —■ een valei met ruigt\' bewassen door —
Schijnt eindelijk \'t geboel\'t\' geen volgers meer te duchten,
En een gesprek vangt aan. terwijl /.ij \'t vlietend zweet.
Van \'taanzigt wisschen. «Onze Hoofdman staat gereed.
Zoo \'k denk, om \'t restjen van zijn goudbutl te besteden.
Voor zulk een Vangst" zegt de een. »»De Hoofdman,
(dat ge \'t weet.
Roert aan dit Kluitje niet!\'\'" zegt de andre. »»\'t Hooit
(met reden
Aan mij ! Ik hield haar aan\' — Ik stiet den Schreeu-
wer neer.
Die naast haar draalde — en i;u... \'t ontsnappend Dier!
(Niets meer
Was uw bedrijf! — De gouden keten.
Daar aan beur hals. u toe te meten .
Kan gaan, doch haar persoon, goê vriend .
Is juist wat. mij uitsluitend dient.
De Hoofdman . .. neem. voor zijn pistolen .
Den Graauwen, zoo \'t hem lust." "
Een gloed van helsche kolen
Blaakt uit het oog van hem tot wien hij \'t zegt,
En \'tschelmenpaar begint een woedend tweegevecht.
Ȇ, red mij nu. goed beest!" zucht Julia. Haar handen
Aanvaardden bij die zucht zijn vrijgelaten toom;
Doch, eer dat stuur beveelt, is reeds de gast niet loom
Met wenden ! Als begon de grond vooruit te branden.
Stormt hij terug langs \'t verschbetredexi pad.
De Roovers volgen ! maar, ter dood toe afgemat.
Verzaken zij \'t weldra, \'t Lukt Julia te landen.
Waai\' thans de koningsweg meer veiligheid belooft.
Zij vest een natten blik, op die van \'t licht berooid
Daar achterblijven moet. en op het dier — verslagen
Met hem. Kilaas. geen menschenmagt
Die hier meer helpen kan! en \'t moordgespuis te ontjagen
Dringt nog te sterker, daar de nacht
-ocr page 225-
202
MARGO.
Allengskens naakt. Zij spaart des nutloos klagen,
Om onverwijld haar dier te nopen, werwaarts heen
Haar reis ging. — Moederlijk werd ze aan dien oord
(ontvangen ,
Toen juist de dag van Somma\'s I) top verdween.
Ik zwijg van \'t wederzien ; zwijg hoe Klvira\'s wangen
Bestierven, bij \'t verhaal van \'t geen haar Dogter leed;
Kn hoe Mama, door geen da capo te verzaden ,
Twee dagen aan \'t erkaauwenswerk besteedt.
Den derden vinden wij Vriend Marco, voor zijn daden.
Lijf-ezel van zijn Julia verklaard ;
Doch vrij. gelijk de hond die \'t huis bewaart:
»Martino>" (\'t werd zijn naam) »Martino, zoo bescheiden,
Zoo wezenlijk ! verdiende \'t regt van weiden .
Naar onbepaalden wil.\'\' Kn hij misbruikt het niet.
Als zijn .Meestres verschijnt, het blijkt dat hij haar ziet;
Men ganschen dag; hoe vroeg, hoe spaa \'t inoog\'wezen;
Kluks hulde doende aan haam, wier trouwe knecht hij
(hiet.
Ileur zins verandering betoont hij klaar te vreezen ,
Wanneer ze een woord slechts van een ridje vallen liet:
Hij draaft zijn tuig te moet! Haar meening kan hij lezen,
Zelfs uit een enklen blik; zoo goed als hein haar taal
Verstaanbaar is. Men vindt, hem telkenmaal
Waar zij zich heen begaf. Hij volgt, bedaard beur schreden;
Toeft als zij toeft; strekt digt bij haar zijn leden ,
Als \'t Meisje nederzit; en —welk een School doorloopt
He (licisbee . in twalef weken,
Dat hij\'zoo doet! Hoe duur hij ook de bessen koopt.
Die hij ontvangt, geen offer komt, geleken
liij haar waardij.
Den prijs dier Lessen bij.
1) Monte dl Somma, een berg met den Vesuvius samenhangend.
-ocr page 226-
M A R C O.
III.
Van lessen sprak ik; doch (om misverstand te weren)
Van vooRBEELDSLESSE.N was \'t. Door deze nog te leeren
\'t Geen vroeger werd verzuimd, viel onzen Held ten deel.
Hij wordt van \'t Lot gekweld, maar ook het schenkt hem
Hij mogt het labirint waarin hij zwierf ontkomen, (veel!
Gewenkt door Julia!
Zij wijdt aan bezigheid
Haar dag. Ileur naam wordt op de tong vernomen
Van heel "t gezin, terwijl zij alles leidt:
Stil. nogtans. als de veer. in \'t uurwerk, door haar drijven
De wijzernaald heur cirkel doet beschrijven ;
Niet met luidruchtig onbescheid.
Gelijk de beek op \'t rad eens molens neer komt stooten.
Hoe zedig wordt de schat van haar verstand ontsloten,
Als eenvoud raad begeert! Hoe heimlijk wrocht haar
Het goede, aan oud en arm bewezen !
                   (hand
En wie toch zou\' de Heilig, opgerezen
Van voor het bed der smart, waaraan zij troostend zat.
In \'t Meisje groeten, dat. gastvriendlijk onder \'t loover
Gekeerd bij haar vriendin, een luit heelt opgevat.
Zij stemt ze op nieuw, en speelt het lied weer over
Dat ze onvolspeeld gelaten had.
Te diepbeschamend tuigt het leven
Van Marco tégen hem. daar \'t hare, zöö besteed,
Zich aan zijn oog vertoont. Wat nuts heeft hij bedreven ?
Hij wekschte vaak genoeg, dat hij iets lollijks deed\';
Hij wenschte stad of staat, naar burgerpligt, te schragen;
Maar \'t willen rijpte nooit! Aamechtig van zijn jagen
Naar schijrigenot — met zich en elk te onvreên —
Sloop, iedren spaden nacht, de Ledigganger heen —
Verzwoer \'t vervelingsjuk, en ving \'t weer aan te dragen,
Bij \'t volgend licht!
-ocr page 227-
204
MAIK\'.O.
Uit zelfverwijt
Liet Dimmer af van aan zijn hart te knagen.
liet goede zaad. in zijn verdwazingstijd
Aan Julia\'s doordringend oog gebleken
Te schuilen in dat hart, en dat al vroeger teeken
Van kiemen gaf! sproot nu geworteld op.
«Waarom gedraald, o Mei ! schenk deze streken
Uw volle gunst! Laat ook de rozenk.nop
Van uw bevruchtend\' adem zwellen :
Laat eindelijk Martino zich herstellen —
Ten Marco! — Ja! — maar die het beetre thans verkoor .
En. na gedragen kruis, zich blij genot durft spellen !"
Zoo zucht hij menigmaal, sinds heldre lentegioor
Natuur verjongen deed ; de vlieten zijn geslonken ;
En \'t gras den beemd, het loof aan \'t bosch is weêr-
(geschonken.
Zoo zucht hij. tot. in \'t lest. de Roos bloeit ! —
Spits van ooi\'
Ileloert hij ze in den hof, en eet ze al met zijne oogen!
liet verdergaan wou\' \'t lathek niet gedoogen ! —
Daar trad de Maagd, van uit de woning, struikwaart
Zij zag de bloemen, plukte er een.
                   (heen :
Stak ze aan haar keursje vast, en trad door \'t hek naar
(buiten ;
Doch om het ras weer voor den Gluiper toe te sluiten.
Die, door haar komst, gelijk zij meent, verrast.
liaarblijklijk voorhad, om zijn regt van overweiden
Ook tot den hofgrond uit te breiden .
En op de jonge groente vlast.
Wat zal hij doen ? Hij laat zijne ooien hangen .
En volgt, verdiept in zwaar gepeins, haar gangen.
\'t Gaat weer ter boschkapel; hij heeft tot peinzen tijd.
»Die Hoos" peinst hij »haar met geweld te ontrukken? —
Zou\' ik zulks doen! —- Maai1 ligt raakt zij ze wand-
(lend kwijt!"
-ocr page 228-
20:;
NAHCO.
Hij houdt ze dus in \'t oog! — »of — (honderd zal ze er
(plukken,
En meerder, eer \'t sezoen verloop\'!) —
Een andren dag vervult een andre bloem zijn hoop
Dan maakt hij met zijn buit zich vliegens op de beenen—
Het bosch in ! en een hap, zoo is het vel verdwenen,
Dat hem de foltiïng lijden deed
Van Herkules. gedoscht in Nessus kleed."
Dit was zijn plan. Maar \'t Lot, schoon \'t hem zijn gunst
(wil toonen,
Doet zulks 0[) eigen wijs: een dagelijksch geval.
Hij \'t rustloos op en neer van \'t sublunarisch dal.
Waar de onverzaadbre wenschers wonen.
De Maagd heelt nu het kleine Heiligdom,
Als ze iedren ochtend doet, betreden.
Kn stort daar knielend haar gebeden.
Wat de afgoon heelt behoord, ruim duizend jaar geleden.
Hoort nu Madonna toe. Oud muurwerk rijst alom
.Nabij de Hidplaats. en getuigt, dat hier voordezen.
Eer Roines glans moest ondergaan.
Een Land paleis de zetel plagt te wezen
Van praal en overvloed. Nog ziet men zuilen staan:
He Tijd sloeg, op haar schacht, reeds zeis bij zeis te stukken;
Haar zusters zijn vergruisd — zu wisten van geen bukken ;
Maar \'t rankend eiloof kleeft er aan ,
En aller kapiteel is van zijn vracht ontlaan.
Vond Marco, als hij \'t wederkeeren
Van Julia, na \'t vroom vereeren
Her Heilige, hier toefde, op \'t groene mos gestrekt.
Zich menigwerf tot onderzoek gewekt :
Wat heldenstam hier vooimaals mogt regeeren ;
En rees hij op, en zocht naar \'t geen hem \'t puin kon\'
\'t Was sprakeloos                                             (leeren ;
Thans is \'t geen zokke.ns tijd :
Pas had hij zich geduldig neergevlijd.
-ocr page 229-
2(K>                                                  MARGO.
Waar \'t bosch aan bouwval stuitte, als voor zijn glurende
Iets raadselachtigs zich, in duistre well\'selbogen, (oogen
Van ver bewoog.
Bij \'t licht, dat door een muurbres schiet.
Blijkt hem, ten langen lest, het voorwerp, dat hij ziet.
Ken paard te wezen, \'t Staat gezadeld aangebonden.
»Waar mag de Ruiter zijn?" — Zie ginds! hij is gevonden!
Een Guit, bij ons bekend, die uit de Bidplaats stool\'.
Begaat aan Julia ten tweede maal een roof\'! —
Zij worstelt gillend in zijne armen
Martino, dubbel, door jaloersheid en erbarmen
Gespoord, heur Schaker na! en eer hij \'t well\'gewint/
Bereikt hein zijn gebit, en baalt hem rugglinks neder.
Doch, snel, met blooten dolk, rijst de Overmande weder;
De hand van Julia steeds meester — hoe het Kind
Zich were! Alleen, van diersch instinct gedreven,
Wendl zich Martino ; doet geweld
Met de achterhoeven ; mikt op \'t leven
Des Roovers; en. schoon zelf\'niet zonder wond gebleven.
Is hij verwiniiaar, en de wjaiul ligt geveld.
Zijn Julia, die eerst het wondenbloed zag stroomen ;
Die nu al de aakligheid des bangen doodkamps ziet.
Van hem, wien ze, als bij wonder, is ontkomen ;
Bezwijmt.
Uit oogenblik wordt ijlens waargenomen.
Door onzen Held : de Boos verliet
In \'t moedig weèrstandbiên, de borst der Sehoone niet:
Hij vat ze met zijn ruige lippen ;
Hij slaat ze binnen; en met een
Zwindt de ezelshuid! — Reeds knielt de Marco van voor-
iSaast Julia, en waait haar koelte met de slippen
          (heen
Van zijnen mantel toe. Haar naam klinkt in haar oor.
Met liefdes zoelsten toon, en dringt ten laatste door
Tot daar \'t bewustzijn schuilt, dat meer en meer zijn banden
Verbreekt. Ze ontsluit haar oog. Zij trekt uit Marco\'s handen
Bevreemd baar regte. En waar begon
Waai eindigde ik. zoo ik v malen wilde en kox\',
-ocr page 230-
DE VERLOOFDEN.                                      207
U, schoon tooneel van twijtting — van gelooven ■—
Van duurbezworen gloed, dien tjjdnoch lotzou\'dooven! —
Van zedig-staamrend dankhetoon.
Mat Marco\'s trouw erkent; al wordt de stond verschoven.
Die blijken doe. ol\' \'t hoogste minneloon
Hem zal gebeuren, wien het tweewerf mogt gelukken.
Zijn Julia aan wis verderf te ontrukken.
Dat Julia dit loon hem niet te laim betwist.
Getuigen traan op traan, die ze Uit hare oogen wischt.
Terwijl nu Marco met haar sluijer wordt verbonden:
«Voor haar behoud ontving hij. in \'t gevecht.
Die wond. waarop zij heclkruid heeft gelegd —
Het heilig teeken maakt — en driemaal ave zegt!"
Kon\' ooit ieen Minnaar zich op beetren titel gronden! —
Hoog\' dan ons Paar alsnog geen Bruigom zijn en Bruid.
Schatrijk aan hoop. spreek ik mijn dixi uit.
ÜE VERLOOFDEN. 1)
He Weduw van (dit van welluidend in te vullen
Staat eiken Lezer vrij) — de Weduw van bezat
Een Buiten, en verliet daarvoor de Stad.
Ken Dogter had zij. die wij Suze heeten zullen ;
Zij had. tot Neef. den jongen Boudewijn ;
Tot Tuinman. Kees. den man van zieke Catharyn;
En — om er dien ook bij te sommen —
Den netgepruikten Heer Fransijn.
Tot haar Notaris praktizijn.
Daar hebben we onze Akteurs: èèn sprekende en vijf
Mijn Pythagorisch personeel.                    (stommen.
Kon\' scbittrender! Maar \'t sttk beteekent ook niet veel.
\'k Erken zulks, eer \'t begint! Blijft dus een Kijker zitten
1) Zie aunt. 45.
-ocr page 231-
20K                                       DE VERLOOFDEN.
Voor \'t opgehaald gordijn, na dit vermanend woord,
Kn is hetgeen hij ziet en hoort
Vliegwerk noch hemel val, hij duistre zulks niet voort;
Laat staan dan , dat hij luid zou\' vitten.
(ling \'t ergens naar de klok — bij onze Weduwvrouw
(iing \'t naar den dag met een. In haar salon nam\'t stoken
Nooit einde of aanvang, naar de trap van hitte of kou\':
\'t Ontzet vanLeyden i) bragt er d\'eersten turf aan \'tronken,
Eu de Oude Mei 2) een bloempot in de schouw.
Was\'t beestenmarkt te Lis? 3) Haar hoofd vol zinkingstoffen
Mogt bersten van de pijn, men hoorde de emmers poffen:
\'t Gescbrob ving aan. bij bonzend klompgeklos!
Kortom, \'t was al in roer — de schoonmaaksnikker los.
Ook \'t alledaagsche liet zijn wetten,
Zoo min als \'t geen naar beurtkeer ging. verzetten:
Had \'s ochtends boven \'t huis, ten kleinen toren uit,
Het dwingelandsch half\'acht geklonken.
Straks lei Mama de hand op een beschuit,
Kn \'t eerste kopje thee werd voor haar ingeschonken,
De twalef maanden door. Al kwam, bij wintertijd,
Het goede Suusje vaak, niet al te regt geregen.
Niet zeer in \'t evenwigt geboekeld. aan \'t ontbijt.
Zij moest er zijn ! geen prentten hielp er tegen.
Haar zat dan menigmaal de plaaggeest lloudcwijn ;
He aanstaande Schoonzoon! (\'t geen gij wijslijk hebt
(geraden!)
Die reeds zijn Bucephaal door slijk of sneeuw liet waden.
Om op \'t hall\' acht present te zijn.
Dien ook somwijl de pleitzorg zóó lang slaakte.
Dat, onder èèn dak, \'t minnend Paar
Ken etmaal tijds. of meer. het zoet des omgangs smaakte.
Meesmuilend zat hij dan. en schoot, nu hier. nu daar,
Ken blik op \'t Meisjen, en haar hand begon te trekken,
Aan wat geen trekken hoefde, om schuilend blank te dekken.
1) 3 October. 2) 10 Mei.         3) 22 April.
-ocr page 232-
209
HE VERLOOFDE*.
Mama intusschen at, eti breidde, las een stuk
Van \'t Woord, ten slot voor, uit een ouden Bijbeldmk
In folio, en vatt\'e, als \'t negen sloeg, de kruk
Der Keukendeur.
Kees was thans óók verschenen ,
Kn \'t ging, na \'t huisbestel, met dezen tuinwaarts henen;
Zoo niet naai- melkerij of bosch. \'t Gezande pad,
Waar langs liet ging. moest, eiken avend.
Van meet aan met de klouw gehavend,
In \'t goed seizoen; tenzij het wolkennat
Den trouwen Knelis van zijn taak ontheven had.
Ilit booze pad hield Suzes gangen
Nu reeds vier dagen in bedwang, terwijl haar Vrind.
Met groot verlof van veertien, \'t lieve Kind
Gezelschap hield. »Na \'t harken — hoe \'t verlangen
Maar trekk\' — geen wandeling!" \'t Is beter de avendkou\'
Te mijden, sprak Mama; en wat sprak uit de Vrouw?
\'t Malmoedertjen? o neen! Daar inogt vrij nevel hangen;
Of \'t zoel zuidwest door \'t kille noorden zijn vervangen;
Ken luchtbad werd voorheen het Meisje nooit ontzegd,
Kn \'tb\\eekprobatum aan haar l\'risscbe rozen wangen.
De knoop zat hier: het Kind moest Bruid zijn, volgens
(regt.
Kn is \'t nog niet! — Het Ampt is al te ras gevonden,
Waaraan, voor Neef. de Bruiloft werd gebonden!
»\'t Wierd daarmee herfst\'\' dacht Tante — endeAmp-
(tenaar
Kn Bruigom aspirant, staan reeds met rloeimaand klaar!
«Neen ! volle twee en twintig jaar
Was ik, en dat zal Suze, als zij ter kerk gaat, wezen.
Ik neem mijn woord terug, en laat mij niet belezen.
Te herfst is \'t Bruiloft: ik geef toe. den eigen dag
Dat Suze weer verjaart; maar. Vriendje Bouw, geen ach
\'M\' wee zal uwen Echt vervroegen."
Staking, Gedichten.                                                     14
-ocr page 233-
5M0
DE VERLOOFDEN.
Zoo klonk liet, en de hoorder inoesl zich roegen
Naar \'t harde woord — en naar nog meer :
Naar wantrouw in \'t gedoogen van \'t Verkeer!
Want, zie, \'t arrest van Suze is ook den dag van lieden
Haar aangezegd : hij \'t heerlijkst, lenteweer
Is \'t eenzaam wandlen uit, terwijl Mama heur schreden
Gerigt heeft naar de kranke Catharijn.
Vergeefs hlinkt nu, voor \'tl\'aar.de vriendlijkeavendschijn
Dooi\' \'t loover; Filomeel\' heeft vruchtloos, in de dreven,
Het voorspel van haar nacbtkoor aangeheven ;
En onbezocht blijf nu de kuis. met riet gedekt.
Wier bank van donzig mos den moeden wandlaar trekt!
De Kluis! aan \'s heuvels voet. waar \'I beekjen langs komt
(schieten.
Ten breeden vijver in; zacht inurmleud bij zijn val.
Waai\' nog hun ouderdom met lust gedenken zal.
Aan \'t zoet, dat hier hun kindschheid mogt genieten!
Waar \'teerst viooltje, omtrent den vliet, te vinden was;
Het eerst gerote] van de vorschen in den plas
Zich hooien liet,; de tortel tijdigst landde;
En onverwelklijk loof den guren winter bande.
Waar vroeg de Min hun lessen gaf.
Terwijl zij lagehend op den schoot der Onschuld zaten.
Waar \'t afscheid werd geweend, toen lioudewijn den staf
Als .longling greep, om de oorden te verlaten.
Zoo dierbaar aan zijn hart. — Hij kwam. na \'t derdejaar.
Tof Man gerijpt terug: hier zocht, hier vond hij haar!
Maar \'t knopje werd ten roos: een Jonkvrouw stond
(nu daar —
In al den luister van haar schoonheid opgelezen —
En toefde zijnen groet; de vreugd door zedigheid
Getemperd op het blozend wezen.
»Ach, Suze!" meer werd niet gezeid;
Doch. wat de ziel bewoog was uit het oog gelezen ! —
-ocr page 234-
211
DE VERLOOFDES.
Hier! — in dit Heiligdom!—-had eindlijk beider mond
Het woord gefluisterd, dat voor \'t leven hen verbond!—
Kn derwaarts mogen zij geen avondbeèvaart rigten! —
Viermaal heelt, na die wet, de nacht den dag doen zwichten;
\'t Bezoek aan \'t krankbed is de vijfde keer herhaald.
En \'t Paar heelt weder bij de t\'huiskomst niet gefaald.
Hun tijdverdrijf ontwaart men zonder vragen :
Het Nichtje knoopte — en Neef? een hoek ligt opgeslagen-—
Hij las. Zoo deden ze! en\'t was gistren geen kwansi\'ls
Thans ? . .. kleefde eraan een sjerp een vlok verraadlijk
(pluis :
Mos — mos ontdekt Mama! echt rakkhos uit de kluis!
«Kan \'t mooglijk zijn ! (leen andre stappen.
Dan van haarzelve en Boudewijn . vernam
Haar blik op \'t mulle pad, tot raaklings aan de trappen
her deur. waardoor hij binnenkwam.
Wat in haar boezem woel\', niets laat ze er van ontsnappen.
Doch \'s andren daags heeft, daar het avond wordt.
He Krankentroosteres haar liefdewerk bekort;
Zij gluuroogt dooi\' een heg, of Neef komt aangetreden;
En uit het bosch komt neef — met afgepaste schreden —
En doktertje op zijn rug\' —
Staat moeder overstort
Van koude schrik , zij is weldra bekomen ;
Heeft daadlijk haar besluit genomen ;
Keert naar de Zieke; en veinst dat ze iets vergat :
«Een boodschap . die de Baas te brengen had.\'\'
De Heer Fransijn komt, op die boodschap, uit de stad;
En \'t einde... »kan men nu in ieder Dlijspel lezen!\'\'
Roept menigeen; doch. met dat al.
Kon\' \'t Eind\' hier even goed een Treurspelakte wezen! —
Indien men tranen storten zal?
H*
-ocr page 235-
212
DB VERLOOFDEN.
Hoor toe: dan kreeg de Weeiïw een overloop
(van gal.
Den Heer Kransijn laat zij de Wet doorblaaren.
Daar haalt hij uit, wat Oudren wapens geeft.
Als wrevel Kroost luin magt weerstreeft
(leen tusschenspreking brengt de /.aken tot bedaren;
Ken storm berst los. waar \'thuis van beeft.
Het Huwlijk raakt glad al\'. Maar Suzes raam gaat open,
Hij duistre nacht; de Minnaar wacht, beneên.
Op \'t afgedwaalde Kind; \'t is in zijn arm gegleên —
Vooruit de weg — en \'t Daar ontloopen ! —
Straf volgt hen op de voet; de kleine schat verdween,
Die, in de reismaal meegedragen,
De Liefjes onuitputlijk scheen;
Verbeurd is alle hulp van magen;
(ieen andre keus rest lloudewjjn,
Dan krijgsman, voor een mondvol brood, te zijn!
Nu komt een kogel aangevlogen —
Verbrijzelt hem een arm — en maakt hem bedelaar!
Sinds kruist, ten einde raad. het Tweetal met elkaar
Door \'t land. Ken Wichtje, van \'t gebrek hol uitgezogen,
is \'t wat elk hunner torscht. Zij naadren — diepgebosren! —
Zij naadren___welk een oord? — Wie is\'t die vóór hen
(treedt.
En. dooi hun jammer tol milddadigheid bewogen,
Niet gist. aan wie heur aalmoes wordt besteed?-------
Voltooi het schilderij, zoo \'t u vermaak kan geven,
Mijn Lezer, om verzierde ellend\'.
Tot kwelling Aan uw naaste, saam te weven.
De waereld heeft, tot aan haar uiterste end.
(leen mangel aan waarachtig lijden;
Ik dicht er graag zoo weinig bij
Als mogelijk! en. staat het hier aan mij.
Of de UITKOMST TREDBEN Zljll Zal . of VERBLIJDEN
Zoo maak ik Douw en Suze blm.
Met een vervroegde Trouw!
-ocr page 236-
213
GRIETMAN S41T.K VAN Bl\'RMAKlA.
De Weeüw liad (!ats gelezen:
Bij de al\'geneusde klucht verscheen haar voor den geest
Ȇe Nichte van Pepijn" die draagster was geweest.
Aan Suze viel te beurt, dat zij de vracht moest wezen;
Uit gal\' hetwerk meer voeg! maar »des al niet te min"
Mama had in dit spel geen zin.
En schikte zich. voor \'t eerste van haar leven.
Ueed zij verkeerd? — mij dunkt haast neen !
Haar veto\'s werden dies genadig opgeheven.
"Om redenen van staat," en \'t Bruiloftsfeest gegeven.
Eer Meimaands laatste dag verscheen.
GRIETMAN SJÜCK VAN BURMANIA,
DOOR MUITERS IN ZIJN LANDHUIS BEDREIGD. 1)
Historische Anekdote.
De Muiters waren voor de gracht;
Aan de overzij\' stond Sjuck;
Hij wees den Volkshoop met de Lont
Op een geladen Stuk.
Kn sprak: »zijn orde en wet van kant.
Hebt nog respekt voor dezen kwant.
Uw ballen krijgt gij warm terug;
Wij staan gereed; speelt op!
Maar beter bragt ge iets anders t\'huis.
Dan een bebloeden kop:
(Iaat, haalt een Roes in \'t Zwarte Hoen
\'k Zal morgen uw gelag voldoen.
Vecht nu, of zuipt! 2) Gij hebt de keur."
Dit sprak de Grietman Sjuck;
1)    Zie aant, 46.
2)    Tjuechte oef siuvpje sey Sjuck bleef sinds een Vriescli spreekwoord.
-ocr page 237-
214
HET MIIIAKI-I..
En, zie, zijn Lont bleef ongebruikt —
Onafgebrand /.ijn Stuk :
Het Zwarte Hoen weergalmt weldra
Van «Vivat Sjuck Burmania !"
Hij leev\'! Hij leve in eere voort!
Dat, bij den laatsten neef.
Zijn Naam, gelijk zijn manlijk Woord.
Nog op de tongen zweev\'
En, stak ons öök de Muitpest aan.
Zijn voorbeeld leer\' de Braven staan.
HET Ml RA K EL.
Anekdote.
(loert volgde Homes Leer. maar Prnissens Oorlogsvaan :
Hij vond Maria\'s beeld in Breslaus Domkerk staan,
Met paerels opgesmukt, wier glans aanloklijk straalde;
En \'t bleek, dat èèn daarvan naar \'s Krijgsmans zak
(verdwaalde.
(loert nogtans handhaaft dus zijne onschuld voor\'t Gerigt:
«Wat mijn Beklager zegt. is half waar. half verdicht.
DiePaerel—ja! die plagt op \'t kleed der Maagd te pronken;
Doch — vond men ze in mijn zak — zij heeft ze mij
(geschonken !
Zou\' ik haar plunderen, aan wie \'k, van kindsbeen af,
Tot tweemaal daags toe. op mijn knieën eere gaf?
Ik! — neen! — maar zij! groot in miraaklen! zij vereerde
Mij, met haar eigen hand — wat tot mijn onheil keerde!"
De zaak komt voor den Vorst. Die vraagt den Kapellaan
Van \'s Keizers Afgezant: «Neemt gij als mooglijk aan,
Dat met zijn houten hand een Beeld iets weg kan geven ?"
» »De Woudreu, Sire, zijn bij ons niet opgeheven."\'
-ocr page 238-
21»
!ii: Hnnlll\'.MlANS.
«Pardon dus! — Maar, betoont een Beeld hein andermaal
Zijn gunst, dat (loert ze weigre, of ze aan de galg betaal\'."
DE 1)0 0DENDANS. I)
Een Sprookje.
\'t Sloeg twalef. Als de volle dag
Scheen de onbewolkte maan;
En Imivrend zat de Torenwacht
Kn staarde een Wonder aan :
De Kerkhof roert zich ; graf\' bij graf.
Wier diep zich openspert :
\'t Is iTrcwNs.NAciiT voor eiken Doo.
Die lot geraamte werd.
Zij springen van hun leger op.
En zijn. met rasschen loop,
Weldra, nabij het Kerkgebouw,
Vergaard tot èènen hoop.
\'t Gezelschap buigt, en nijgt, en steekt
De holle hooiden saam\';
En maakt gebaar, of \'t krijg of vree
In overlegging naam\'.
\'t Bleek ligter zorg! Bij paren geelt
De troep elkaar de hand,
En neemt, ten afgesproken Dans.
In dubble rij zijn stand.
(leen speelman wordt er bijgehaald.
Als \'t op een walsen gaat:
Het beengeklepper rept zich luid :
Elk slaat zich zelv\' de maat.
1) Zie aant. 47.
-ocr page 239-
216
lil. DOODEKDANS.
Zoo zwiert men lustig om de Kerk;
Itan uit. dan in \'t gezigl;
Men scharrelt langs een graf—en ziet!
Iets flonkrends kwam aan \'t licht.
•Wat blijft daar tintlen op den grond?
Ken glans als diamant! —•
Werd niet Sibyl, voor twintig jaar.
Begraven naar dien kant\'. —
Wie weet! misschien nam de Ijdeltuit
Wat Pronks meê in de Kist\';\' —
Die Buit was altoos IiuIqiis waard .
Indien men \'t zeker wist!
Doch waarom twijHen? \'k Loop er heen;
Dan blijkt het iet of niet.
Staat weer de kerkmuur tnsschen ons,
(leen spooksel, dat mij ziet."-------
En als de Kans weer kwam en zwond.
Doorvliegt. met diefschen haast
De Wacht, die \'t sprak, de smalle ruimt\'—
Kn heelt den Pronk genaast:
Sibylles Koot! 1 Hij raadde juist. —
Hoe brandt nu onze Man.
Dat hij ze. als \'t Bal gesloten wordt.
In rust begluren kan!
Zijnwenseh, naar \'tsehijnt. wordt dra verhoord
Het Dansfeest liep ten end;
De Dansers keeren tot hun Graf,
Na \'t afscheidskompliment.
Doch Vrouw Sibyl toont kwade luim.
Terwijl ze om \'t hare dwaalt.
1) Halesiernad.
-ocr page 240-
!>K nOODE.NDANS.                                           217
En boot, nocli boots gelijk ontdekt.
Hoe zeer \'t aan licht niet faalt.
In \'t eind, haar stompneus rook de lont:
"Den Dief zal regt geschiên!"
Zij laat hein, dreigend, van omlaag.
Haar knekelviiisten zien —
En naar de kerkdeur stormt zij heen!
Maar met dat koopreu Kruis,
Ten sleutelplaat op \'t hout gehecht.
Was \'t voor geen spook hier pluis!
Dies wendt ze \'t naar den torenvoet;
En — luttel klimmenstijd —
Droog zit ze! daar zij. hal verhoogt\'.
Op de omgangsleuning rijdt.
Thans wierp, in stervensangst, de Wacht
Zijn roof van hoven neer:
Vergeefs! een muurbloem ving dien op;
En \'t Spooksel klontert weer:
\'t Zag, van omlaag, door \'t ruig belet,
Den val der Halshoot niet;
En nu ook. van ter zij\', geen glans
Die wat er schuilt verried.
Zoo streeft Sibyl \'t Juweel voorbij —
Steeds onvermoeibaar vlug:
Zij klimt, gelijk de spanrups klimt.
Met hoogen bogchelrug :
Zij haakt (om \'t lijstwerk buigend) zich
Aan al wat uitsteekt vast;
Tot dat zij \'t raam van \'s Wachters cel
Met dorre hand betast.
Ras volgt het hoofd! — De mond gaapt wijd!
Het ledig oogbol vlamt!
-ocr page 241-
HET BEZOEK VAX t\'OHI.
En roerloos zijgt de Wachter neer:
De schrik heeft hem verlamd.
Nu komt de lange kranenhals.
Waar \'t kale hoofd mee bukt —
De beenderknie, waarmee \'t Gespens
Den vensterdorpel drukt; —
Twee armen strekken, \'t welfsel in ,
Zich naar den Roover uit;
Terwijl de vleermuis luider piept;
Terwijl de lijk-uil fluit; —
Tien spitse vingers naadren ; — Daar . ..
Valt — hom ! de klokslag èèn !
De Spooken-Viertijd is voorbij,
En Vrouw Sibyl verdween.
HET BEZOEK VAN F O Hl. 1)
Daar reisde een Man ; (\'t is wijd van hier
Voor jaar en dag gebeurd)
Zijn rug was krom. zijn baard sneeuwwit,
Zijn schaamle rok gescheurd.
Door \'t avondduister liep zijn baan
Op \'t liiiljeii van een Weduw aan.
Behoefte woont daar bij de Vlijt;
Maar gastvrij is \'t onthaal:
Geen laafnis faalt den Reiziger —
(ieen krachtherstellend maal;
En \'t leger, voor hem toebereid .
Heelt, die \'t hem bood, zichzelve ontzeid.
Zij waakt, en zorgt voor \'t nieuwe kleed.
Hem mildlijk toegedacht.
De Weefster neemt het van een web,
Zie aant. 48.
-ocr page 242-
211)
1IKT IIEZ0KK VAN FOHI.
Die op den koopman wacht.
Kn legt het, eer het donker zwicht ,
Ter sluik, waar \'t afgedragen ligt.
Zijn afscheidsgroete brengt haar Gast,
Zoo dra de morgen blinkt.
«God loone u!" spreekt hij; maar daar volgt,
Wat als een raadsel klinkt:
Het luidt; »En \'t geen gij eerst begont
Dat hou niet op, voor de avendstond."
De Weèuw staat peinzend op dit woord —
Doch ledig blijft zij niet :
Zij meet, wat van haar Webbe nog
Tot koopwaar overschiet; —
Kn \'t Web . . . golft zonder eind haar toe!
En eindloos meet ze — en wordt niet moe!
Kn bergswijs hoopt het Doek zich op ,
Kn maakt steeds plaats voor meer;
Kn, rees een stapel tot het dak ,
Ken nieuwe rijst alweer:
Als de avenclzon het west verguldt.
Is \'t hutjen van een Schat vervuld.
»Dank, Fohi!" stamelt zij, geknield.
Die nu eerst knielen kan. —
Ja! Fohi! zelf bezocht haar stulp ,
Vermomd als Reizend Man:
Weldadige Armoe loonde hij ,
De Vlijt is van haar zorgen vrij !
Doch ras vernam een rijke Weeuw
Het Wonder hier geschied.
Al is zij rijk. zij gunt dien Schat
Aan zijn bezitster niet :
Zij meent, van \'t hare ging het af
Wat Fohi goeds aan andren gaf.
-ocr page 243-
III\'. I IIEZOEK VAN I onI.
De Grijsaard, dringend aangezocht.
Keert thans tot harent in.
Waar iherkoop Weefsel op hein wacht.
Opdat zij meer gewinn\'
Haar dienares doorwaakt den nacht,
En \'t zedig reiskleed zwindt voor pracht!
En. vroeg, gelijk in de arme hut.
Bereid ten verdien togt.
Herhaalt heur Gast het afscheidswoord,
Dat zulk een Wonder wrocht :
Hij haar wordt mee ten slot gehoord
» Wat ge aanvangt duur\' tot d\' avond voort.\'\'
Zij staat reeds, waar zij \'t overschot
Van \'t weii geborgen heeft;
Maar slaat, vergramd, door\'t spinneweb,
Dat voor de bergplaats zweeft;
En \'t eerste werk, door haar gedaan.
Houdt straks — met eindloos hagen — aan!
Hoog stapelt zich het goedkoop web,
En maakt steeds plaats voor meer;
En, roert een hoop den zolder aan.
Een nieuwe klimt alweer;
En \'t Rag berst, als de kim zich sluit.
De Raagster na, heur woning uit.
Geen Fohi geeft, in onzen tijd.
Aan Deugd of Ondeugd loon.
Men ziet geen groeijend Wonderweb,
En geen vermomde (loon.
Maar Hebzucht, die zichzelv\' bedroog.
Vertoont zich daaglijks voor ons oog.
-ocr page 244-
MENGELDICHT.
„Les Muses sont des Abeilles volages."
("resskt.
(! R O E T E,
AAN HARE KONINKLIJKE HOOGHEID,
MEVROUW l>H PRINSES WEDUWE VAN ORANJE-NASSAU ,
BIJ HARE TERUGKOMST IN NEDERLAND,
LOCHEM DOORREIZENDE; 1) DES 8 JANUARU 1814.
Zijt welkom! ■—■ zij \'t uw telg met U.
Op haar geboortegrond!
Hij kaatst (weer vrij!\' ons feestgejuich
Langs al /.ijn dalen rond!
Zijt welkom, als ons de engel was.
Die voor n henen ging!
Als \'t wichtje, daar, met \'s moeders oog.
Ons zeegnend hart aan hing!
O weerzien, na een scheidingsnacht,
Van tien paar jaren duur!
O berg oj) bergen tusschen ons.
Geslecht door Gods bestuur!
Mog blijft zij uit de wolk gestrekt.
De Hand, die \'t Wonder deed! —
Haar weegschaal wikt; — Hij valt te ligt,
Wiens trots naast de Alinagt treedt!
1) Met wijlen Mevrouw de Hertogin Weduwe van Brunswijk-Luneburg ;
twee dagen na de Souvereine Vorstin (thans Hare Majesteit de Koningin*
en de driejarige Prinses Marianne.
-ocr page 245-
222                                  AAN DE STAII PARIJS.
Haast hoort de heldre Vreugdezon
De laatste neevleii door!
Zij streelde uw Jeugd, zij koestert ook
Uw Grijsheid met haar gloor.
Dat zoo de Spruit der Hope groei\'.
Ten wortelvasten Boom!
Europe, in schaduw van zijn kruin.
Weldra te l\'eeste koom\'!
Dat zoo des Hemels gunst op I\'.
O KOMMiszLSTKK. daal\';
En \'s waerelds twist in vree verkeer\',
Opregt als onze taal!
AAN DE STAD PA KUS. 1)
In Maart 1815.
Waart gij hel niet. die. hreinloos uitgespat.
Den mijter en de kroon in \'t slijk vertradt;
Die \'I zaad des oproers zaaide), wijd en breed;
Die voor den Korzikaan in \'t bloedperk si reedt;
Tot de Overwinning, daar uw trots van zong.
Snel rugwaart in uwe eigen muren drong ?
dij waart het! Gij! En als gij, bleek en bang.
Nu \'t vonnis toei\'det van uw ondergang.
Doorsneed het staal, tot uw verderf ontbloot.
Den band, waarin \'t Geweld uw vrijheid sloot ;
Behieldt <ie uw Prooi, vergaderd van alom;
Het siersel van paleis en heiligdom ;
Vergode Kunst, te schendig saamgehaald :
Een krijgstrol\'ee, waaraan de lauwer laait !
En gij .. ? Des Waerelds Hoofdstad , in uw waan !
Hebt ge iets, uit dank. voor \'s waerelds heil gedaan?
1) Zie aant. 49.
-ocr page 246-
22;$
AA.> l>E STAD l\'AIUJS.
Uw moed, eens blind misbruikt, herleefde hij.
Tot steunsel der verjongde maatschappij ?
Viel, op uw Konings wenk. de Dwingeland,
Met diefsche list gekeerd van Elba\'s strand ?
Laaghartige ! — verschoond dooi- zwaard en dolk.
Toog hij — toog, neven hem. dal oorlogsvolk —
Aan spade en spoel, aan orde en rust ontwend —
L)at. zonder wet, alleen zijne aadlers kent!
Zoo huldt gij dan, van nieuws, tot overheer
Uen Afgod, I) die zijn wagentroon weleer
Zag voortgesleept, door eene ontzinde schaar.
Toen Dweepzucht in henr bloed smoorde, achter haar;
Toen, omgevoerd op alverplettende as,
De wreevle Grijns een schrik der Menschheid was? —
Europa staarde weer dien gruwel aan ? —
Dit hoopt gij ? — \'t Zal den Afgod nederslaan !
Zijn Pristerdom, van \'t vet der offïen zat,
Met Hem! en deelen zijner Templen schat!
Droom\' vrij een Onverlaat, die redding vond.
Waar — (boven Moskows puin !) — Gods Engel stond.
En tot het zwerk en tot de waatren sprak:
«Verdelgt!" Waar angst, noch smart, noch dood ontbrak.
Al zwierf de lans ver af, al sliep de kling;
En minst rampzalig scheen, wie vroegst verging!
Hij droome, daar Hij *s Regters wraak belacht,
Van meerder zegepronk, u toegedacht,
Lutetia!2) — Zie ginds — zie rondom uit;
Wat vindt uw oog. als \'t aan den grenskring stuit? —
(leen legers — neen! \'t zijn volken! opgestaan
Van d\' eenen tot den andren oceaan.
Zie duizend duizenden ! hun schrikbaar tal !
En ... \'t is hè heek, die hen geleiden zal!
1)  Men lierinnere zich den Indisclien, ln\'j onzen W, Schouten afgebeeld :
3 Boek, 11 Hoofdst,
2)  Parijs.
-ocr page 247-
F E E S T Z A N G ,
VOORGELEZEN AAN DE PLEOTIOB MAALTIJD, BIJ DE INWIJDING
VAN HET GELDEKSCHE ATHENEUM, TE HARDERWIJCK;
DEN 23 VAN LOUWMAAND 1816.
vJuvcntiui consiüere, ferorum mores emollire. omniaquc ad
priscum aureae aetati slatum redigere.
Jüsti Vijgii, Toparcb. in Isendoorn. Acad.
Curat. Prim. de Erig. Acad. caus. Praef.
hab. die Apr. duod. anni. 1648.
De feestkelk blinkt; een Lied zij aangeheven,
Uit vrije borst — met blij gelaat!
Mogt Academus Perk niet langer schaduw geven;
Athenes Leerschool staat!
Ken milde hand zal \'t licht des Bakens voeden.
Dat weer aan \'t Geldersche oever glanst.
Den stoel der Wetenschap zal \'t zwaard des Delds behoeden.
Dien Schelde en Iber kranst.
Geen (lauler zal op nieuw ons smaad doen hooien.
Geen Omar, in Augustus schijn.
Drijft plundrend andermaal de Wijsheid uit haar koren,
En roemt zich Groot te zijn.
Geen storm, (gelijk aan die zoo loomloos gierde!)
Die weer, daar I) Zwedens Plinius.
Daar Neêrlands Hippokraat\' eens de achtbre Tabbaard
(sierde,
Het vlammend Outer bluss\'.
f) Linnaeus en Roerhaave, beiden te Harderwijck gepromoveerd.
-ocr page 248-
225
FEESTZANG.
Het vlamt; de wierook geurt; den reinen Tempel
Vervult een heiige Priesterschaar!
Zij roept «Kom, Jooglingschap! kom nader, van den
Zoek leering bij \'t altaar!
                  (drempel;
Veredel \'t hart, door \'t Goede en \'t Schoone tevens;
Word ingewijd. uit liefde en pligt;
<■ri.jp aan, met mannenmoed, de groote taak des levens,
J)ie wachtend voor u ligt!" —
Zij volgen \'t woord met vaderernst gesproken ,
En jeugdige ijver spoort hun treên.
Ile zegels der ,\\atuur zijn voor hen opgebroken ;
Der tijden nacht verdween.
Mun Leerzucht weidt langs de Iduineesche stranden;
Zij gaart gebloemte in \'t Attisch Veld;
Het roemrijk Kalium ontsluit hun zijn waranden ,
Daar gouden ooit in zwelt.
Zoo vormden Venema\'s en Hijnkershoeken
Mun jonkheid; zoo wies Hemsterhuis
En Zwieten op; zoo sleep zich \'t brein der Mussehen-
llet fijn vernuft van Ruysch !
          (broeken —
Gij, Gaaf eens Gods, met onzen druk bewogen —
O koning , zie van uwen troon !
Aanschouw in Hen—in \'t nut van hun erkentlijk pogen —
Uw Weldaad . en uw Loon !
Staring, Gedichten.
15
-ocr page 249-
DE GRONDLEGGING
VAK
RÜSLANDS ZEEMAGT.1)
FEESTELIJK GEVIERD, DOOR PETER DEK GROOTEN,
OP DEN 23 VAN OOGSTMAAND 1723. 2)
Ziet Vorsten knielen aan im troon.
Veroveraars; werpt schepterstaven
Daarheen, als krijgsbuit voor uw slaven;
Geen krans wordt n door mij gehoon.
Maar hem, die Neva\'s dood moeras
Des levens helle stem deed hooien ;
Die. in barbaarschheids nacht geboren.
Verlichter van zijn volken was;
IIicm Leeraar, Priester. Refter. Held!
Hem groet ik ! Dij zijn zegepralen,
(flanst ieder oog van vreiigdestralen;
Ts \'t vreugd waar ieder hart van zwelt.
1)    Zie aant. 50.
2)    fNog in de uitgave van 1837 luidde de aanhef van dit schoone
dichtstuk als volgt.
Hoe lang zal Heersclizucht veinzerij
Met onuitdelgbie bloedschuld paren ,
En dankpligt huichlen aan de altaren,
Als stond Gods gunst iieur snoodheid bij !
Hoe lang; daar ploeg en sikkel roest:
Daar wetenschap en kunsten sneven :
Zal \'t heer, ter slagtbank weggedreven ,
Aanbidden , die het vloeken moest!
O zegeroem , op erts en rots .
Gij blinkt me als Babels Wandschrift tegen!
\'t Heelal hebbe aan uw kniên gelecen,
Veroveraars , ik smatie uw trots !
Voor deze drie coupletten stelde de Dichter later alleen het nu Eerste
in de plaats.]
-ocr page 250-
I»E GRONDLEGGING VAN Itl\'SI.A.NHS ZEEMAGT. 227
Een Bootje, met de palm der eer
Bekroond in \'s Makers jongliiigsdajjeii,
Werd feest verkondend aangedragen.
En daalde op t huivrend zeevlak neer.
Ue Stamheer is \'t der grootsche schaar.
Wier kielen ginds het diepste peilen ;
Wier duhhle reeks de onmeetbre zeilen
Verbreedt, aan \'t spoor, dat hu bevaar\'!
Het Bootje komt! en \'t stuur regeert
De maker . dien . van Zeinla\'s rotsen .
Tot daar de Eiuijnsche baren klotsen .
Een waereld als haar Meester eert.
Hij ziet naar u. zijn Schepping! heen :
Naar u. zijn Heerkracht op de plassen —
Zijn Burg. zoo hoog aan \'tslihbe ontwassen!
Maar \'t beidend volk ziet. Hem alleen!
Het Bootje komt! — Van plecht en mast
Eert ieder wimpel zijn banieren.
En kust. in \'t statig nederzwieren .
Be xee. hoovaardig op haar last.
Het »leve!" klinkt, uit mars en wand,
Dat Kxoonslot davert, met zijn wallen!
En trominlen en trompetten schallen;
En \'t antwoord klatert weer, van \'I land!
Be donder der kartouwen bromt ;
Be rook verhult het vlaggewemel;
Uw schaatrend io stijgt ten hemel .
Gij Keizerstad! — liet Bootje komt!
Doch Hij, die \'t kleine roer bestiert.
Verbleekt; ontzetting treft zijn leden.
Van uit den troon der zaligheden .
Blikt <!od op hem die zegeviert!
-ocr page 251-
DE GRONDLEGGING VAN HISI.ANIIS ZEEMA6T.
De wenk der Almagt sterkt zijn oog;
\'t Erkent de Toekomst: door haar duister ,
Verschijnt, in ai.exandeks luister .
De /.on zijns roeins op \'t middaghoog!
«Des grondslags pijlers zijn beproefd,
Waaraan hij \'t zwoegend leven wijdde !
01\' de overmoed een Kijk hestiïjde .
Dat slechts zich zeil\' ten steun behoeft —
Of. buldrend voor dit klipgevaart\'.
De vloèn van \'t west zijn voet bestoken —
Zij dwarlen. op arduin gebroken ,
Als ijdle damp weer achterwaart:
Ken talloos Volk, in vredes glans,
Ulij ft peters grooten Kerdag vieren !
Zijn nazaat reikt, om mem te sieren .
Zijns eigen schedels burgerkrans. (1803)
I) Of \'t zwaard, van Oost- tot Middelzee
Op \'t wenken eens Tirans getogen.
Den hels bestrij\', \'t vermetel pogen
Haalt, voor lauwrieren. schande en wee:
Van Don tot Ntmen stroomt het bloed
Der afgevochten plunderscharen !
Uw vleugelkracht, o Adelaren.
Werd mede een prooi van Hoskows gloed! (1812)
Kn durft toch Machmouds blinde waan
Van nieuws den Onverwinbren trotsen ,
De Ilemus neigt zich met zijn rotsen ,
Held mkoi.aas ten zege haan." 1828)
Dit ziet zijn oog. daar de Almagt wenkt.
Mij kan \'t verhoogd gevoel niet toornen .
er volgen twaalf regels later bijvoegsel.
-ocr page 252-
229
NA KK.NK ZWARE KI1A.NKTK.
Eu -worstelt vruchtloos niet de stroomen .
Waarmee de vreugd zijn boezem drenkt :
Hij zwijmt! maar klemt eens vrienden ham» !
Maar ligt aan \'t hakt eens vuiemis gezegen !
»Wie is hij?" — Wie? —■ Ik juich u tegen:
\'t Is cruvs! een telg vau Nederland.
A A N Ü E E E N V O l\' D I G II E I IJ.
Breng mij, zachte Eenvoudigheid .
Waar de stulp uw schreden beidt,
Die de wijnstok hall\' omvangt;
Daar de bloeitak over hangt.
Leid mij tot uw klein gezin .
Als een trouwen jonger , in ;
Doe mij . luistrend naar uw mond .
Waarheids echte leering kond.
Dat mijn oor geen woest geschal
Boven eedlen zang gevall\',
Noch mijn oog een bont vertoon .
Meer dan oudheids zedig schoon.
Waag ik eens de lier te slaan ;
Spoort mij pligt tot handlen aan ;
Schoone Nimf\'! ontsta mij niet:
Tooi mijn lieven en mijn Lied.
1793.
NA EENE Z W A R E KKANK T E.
Daar stond een teedre Bloem .
Van God op de aard\' geplant,
Om tot zijne eer te bloeijen.
De vruchtbre morgendaauw
-ocr page 253-
NA BENE ZWAIIE KltANKTlO.
Droop mildlijk op haar neer.
En deed haar welig groeijen.
De wandlaar , die haar zag ;
Die hare scheuten zag;
Gal\' dikmaal haar zijn zegen:
»Groei\'\' sprak hij »Bloemtjen, groei,
Voor zeis en storm bevrijd ;
Gedrenkt met milden regen.\'\'
Doch "ijlings kwam een bui
In \'t huilend noorden op .
Met schrikbaar ijs geladen ;
De losgeborsten wolk
Hing donker hoven haar,
En kletterde op henr bladen.
Hier viel het jeugdig looi\',
Van haar gebogen steng
Wreeclaardig aïgereten !
Daar lag haai\' groene knop .
Die vrolijk zich verhief\',
In \'t stuivend zand gesmeten !
Maar Hij , die \'t waakzaam oog:
Op haar verdelging hield,
Gebood den storm te wijken ;
De blijde zon kwam weer;
Zij stond , gelijk voorheen .
Met loof en knop te prijken.
Mn stijge dankbre geur
Uit haren kelk omhoog.
Om Gode roem te geven !
Het zwerk toog saam; \'t werd nacht!
Der bergen ceder viel !
Een Bloeintjen hield liet leven !
17*5.
-ocr page 254-
231
HET KLEINE VEILIGST.
E R i) ENK! N C.
Wij schuilden onder dropplend loover,
Gedoken aan den plas;
De zwaluw glipte \'t weivlak over.
En speelde om \'t zilvren gras;
Een koeltjen blies, met geur belaan,
Het leven door de wilgenblaan.
\'t Werd stiller; \'t groen liet af van droppen;
Geen vogel zwierf meer om ;
De daauw trok langs de heuveltoppen,
Waar achter \'t westen glom ;
Daar zong de Mei zijn avendlied!
Wij hoorden \'t, en wij spraken niet.
Ik zag haar aan, en, diep bewogen.
Smolt ziel met ziel in een.
O tooverblik dier minlijke oogen,
Wier llonkring op mij scheen!
0 zoet gelispel van dien mond,
Wiens adem de eerste kus verslond!
Ons dekte vreedzaam wilgenloover;
De scheemring was voorbij ;
Het duister toog de velden over;
En dralend rezen wij.
Leef lang in blij herdenken voort,
(lewijde stond ! geheiligd oord !
HET KLEINE VEILIGST.
Vergaaren de grimmige wolken haar magt;
Doorkruisen haar pijlen den donkeren nacht;
Outworsllen de stormen van \'t noorden hun band;
Bezwijken de wouden, voor de eeuwen geplant ?
Laat grimmige wolken zich scharen in \'t perk;
l>aat vliegen de pijlen van \'t kampende zwerk ;
l^aat storten de wouden, als .\'t Noorden ontwaakt:
-ocr page 255-
-2A"2
AAN MIJNE RAKE.
(!een kommer die \'t nederig lintje genaakt!
Staan bloedige helden van eere berooid;
Zien vorsten den glans van hun troonen gedoold ;
Ontvaren den rijke, met ijlende vlugt.
De schatten, daar angstig een waereld naar zucht?
Laat bloedigen helden de lauwer ontstaan;
De glans van den zetel der vorsten vergaan ;
En vlieden de schatten, daar \'t alles om zwoegt:
Wat heeft hij te zorgen, dien \'t Kleine genoegt!
AAN MIJNE GADE: 1)
JOHANNA ANDREA CHARLOTTE VAN
DER MUELEN.
Het llonkrend Poolgesternle scheen.
Door \'t groen der olmentoppen heen.
En \'k hield mijn blik omhoog gerigt.
En staarde op \'t lieHijk lleinellicht.
Maar \'t Koeltje schoot, met stille vlerk.
Naar onder, uit het kalme /.werk ;
Een blaadiïg Lootjen boog zich neer.
En \'k zag den schoonen glans niet meer.
Toch bleef mijn oog daarheen gewend.
Vanwaar het tintlend firmament
Zijn stralen, uit het blaauwe rond.
Door \'t lenteloover tot mij zond ;
En, zie! \'t onrustig Koeltje week,
Al zuizlend. naar eene andre streek :
\'t Gekromde Telgjen rees weer op;
En \'t Licht doorscheen weer d\' olmentop!
1) Zie aant. 51,
-ocr page 256-
DE ISRAËLITISCHE LOOVEHHÜT.                         233
Vriendin ! ons daagde een heilrijk Lot,
Een Dubbel Viertal schonk ons God;
Een Achttal, dat uw borst genoot;
Bij eendragt, welstand, rust en brood!
Vriendin ! wanneer een klein Verdriet
Somwijl dien Heilglans tanen liet.
Versage ons hart. noch weene ons oog.
Om \'tLootjen, dat de wind bewoog!
DE I S U \\ Ë L 1 T I S C 11 E L 0 O V E R II ü T.
Wie smalend tot Uw Hutje kwam —
Niet ik, t>ij Kind van Abraham !
Ik schenk, uit een opregt gemoed .
Den drempel mijnen vredegroet!
Gij viert uw Feest, en zit getroost.
Te midden Aan uw talrijk kroost .
In schaduw van uw loovertent,
Als Mo/.es ii heeft ingeprent.
Judea\'s wijnstok groent hier niet ;
Olijf, noch vijg teelt ons gebied ;
Gij gaardet hier. iu raauwer lucht.
Min weeldrig blad. min zoete vrucht;
En toch, gij zit, uw lot getroost,
Te midden van uw talrijk kroost;
Uw Feesthut staat bij ons geplant,
Als eens in \'t Palestijnsche Land.
Drieduizend malen kwam de zon
Terug, waar zij uw jaar begon .
En nog bouwt gij uw loovertent,
Als Mozes u heeft ingeprent.
Jeruzalem ligt diep verneêrd;
Des Tempels grondslag omgekeerd ;
Verduisterd blijft die gloriedag,
-ocr page 257-
234                                EEN GELDEHSCH 1.IEK.
Toen Isrel bèïder grootheid zag;
Maar eeuwig jong herrijst uw test,
Hij aller volken tal gekend;
Zoo vaak de schaal, aan \'s hemels boog,
Der dagen maat weer ellen woog.
Wu — tasten rond, in \'t. ongewiss\';
Op onze wieg ligt duisternis;
De stond, dat ons Gods wil hier bragt,
Bleef ongevierd; werd niet gedacht!
Maar i: heugt, dertig eeuwen dooi\'.
Dat u Jehova uitverkoor;
Dat, als \'t geweld u vlugten deed.
Een reddend spoor het diep doorsneed;
Dal, zonder hnisdak, levenslang.
Uw schaar zwierf, op haar kronkelgang;
Waar Vuur- en Rook-zuil voor haar toog,
En \'t Man haar spijsde van omhoog.
Gu viert het, tot op dezen tijd.
Dat zoo Gods arm u heeft bevrijd.
Dies breng ik, met opregt gemoed.
Uw Hutje mijnen vredegroet.
Wie smalend tot den drempel kwam; ■
Niet ik, gij Eind van Abraham!
EEN GELDERSCH LIED. r
Ik ben uit Geldersch bloed ;
Geen vleitoon klinkt mij zoet;
Mijn volksspraak , luttel rond ,
Geeft nog den klank terug,
Uit onzer vaadren mond.
11 Zie aant. 52.
-ocr page 258-
HE MIN.
Hij de eiken . aan den top
Keus heuvels . wies ik op.
In heiden /.onder baan .
Leerde ik , ter jagt geschort,
Mijne eerste treden gaan.
Mijn arm is \'t wild geducht:
Den reebok helpt geen vlngt.
Het zwijn geen scherpe tand .
Als, in mijn dreigend roer,
Een snelle dood ontbrandt.
Ik smaa den lauwer niet.
Dien \'t koor des Vredes biedt.
Maar schat een andren meer!
De krans. door \'t zwaard verdiend ,
Is ook een krans der Eer!
En gesp ik \'t harnas aan .
Ik volg geen vreemde daan :
0(i Rossems heldenspoor.
Zweelt mij , in stralend licht,
Het beeld der zege voor.
Ik ben uit lleldersch bloed !
Opregt is mijn gemoed ;
Aan eenvond heb ik lust:
Met pracht en weeld komt zorg;
Genoegzaamheid baart rust.
1789
D E M I .N.
(jij moeders ,
(lij hoeders
Der bloeijende jeugd .
Wat mort gij , wat noemt gij
De spijtigheid deugd!
-ocr page 259-
ü;«;
AAN FAVOMIS.
Wat keert gij
Kn weert gij
De listige Min
Van rijpende boezems?
Hij raakt er toch in !
De kruiper.
De sluiper
Houdt ijverig wacht ;
Hij ligt op zijn luimen.
Rij dage. hij nacht
Al sluiten
Hem buiten .
Met grendel en boom ,
Henagelde poorten ;
Al dreigt hem een stroom ;
Twee achjes .
Twee lachjes ,
Hij \'s binnen . de (luit!
En duizend sermoenen . . .
Hij is er niet uil!
A A N F A V O N IUS. <)
Wilde Kazer.
Holle Blazer.
Chloë sluimert — wek haar niet!
Andre kusten —
Ver gebied,
Moge uw storm ontrusten.
Laat dien toren
Schrikbaar hooien .
1) De Westenwind.
-ocr page 260-
UK BRUIDEGOM AAN AURORA.                             237
Waar Geweld liet vonnis strijkt;
Waar der Manen
Luister wijkt,
Voor l\'olemkins vanen.
Knak de lansen ,
Die daar glansen;
Blus de lont, verdool\' de trom;
llnil den naren
Moordroep stom;
Schei\' de dolle scharen.
Wekt geen kermen
Maar ontfermen;
Bruids, noch kinds, noch moeders klant!
Zwijgt de Rede,
Woest verkracht —
Roep dan iiomirf.mi »Vrede!"
17!>0.
DE BRUIDEGOM AAN AURORA.
Blonde Auroor, uw Tithons jeugd
.Moest voor lang vergrijzen ;
De eenzame echtkoets baart geen vreugd;
Kn gij toeft te rijzen !
Heeft een droom u afgemat.
Op uw kille rozen ?
Hield uw arm Cephaal gevat?
Leer , hij Zeus ! leer bloozen !
\'k Zwijg; gij naakt! — \'t Is Amors schuld ,
Zoo \'k uw rust kwam storen.
Nimmer zal mijn ongeduld
Weer dien toon doen hooren.
Morgen , als hier \'t kuisch gordijn
Hymens kus ontsluiert,
-ocr page 261-
238                                   DE OOMEVA ABS.
Zal mijn prijs te grooter zijn.
Hoe gij langer luijert.
1788
DE ü O IJ E V A A R S. !)
(De trant van Cats gevolgd.)
Wanneer de Vorst een Werk begeert,
Dat nog geen Burger heeft geleerd;
Het zij een nuttig ambacht faal\'.
Waaruit de Steeman winsten haal\' ;
Het zij den stuurliên van den Ploeg
Niet langer de oude sleur genoeg\';
\'t Zij woelend zand , of holle baar
Het trage volk te magtig waar\'.
En d\' akkergrond in duin verkeer\'.
01\' \'t weivlak in een golvend meer;
Men doet de weet. aan alle kant;
Men spreidt de mare . in \'t verste land
Verhopend . dat de vreemde man .
Misschien \'t gebrek beregteti kan.
Ik achtte dit een wijs bestaan.
En heb \'t, in \'t mijne nagedaan!
Mij deerde hier, op \'t vrije veld .
Een hinder. die geen steelui kwelt:
Een dier, dat, voor de zon vervaard .
Als bergman huishoudt onder de aard;
Een spitsgeneusd , breedhandig dier .
Erfvijand van de naakte pier.
Dat groeide tot een legerinagl ;
Dat viel mij aan . met alle kracht;
En hoog en laag werd omgewroet,
Als waar\' mijn erf zijn eigen goed.
1) Zie aant. 53.
-ocr page 262-
2;w
I>K OOIJEVAAHS.
De Bouwknecht raasde heel den dag;
De Melkmaagd kwam. niet heur beklag:
Zij sprak de Huisvrouw krijtend aan ,
En riep: »och arm! hoe zal \'t hier gaan!
Waar klaver wies en vrolijk gras ,
Rijst aard- hij aardhoop . op dit pas!
Het groen daartusschen staat verschroeid;
Zoo dat de koe van honger loeit;
En , ol ik schoon mijn zweet vergiet.
Heur schrale melk en botert niet.\'\'
Kortom ! het stuk moest aangevat...
Opdat mijn huis weer vrede hadd\';
Opdat de gramme Bouwknecht zweeg\',
En onze karn goed zuivel kreeg\'!
Fluks werden knippen zonder tal.
En menig scherpgepinde val,
En ik en weet niet wat gekocht.
Dat hier ter zake dienen mogt.
Ook had men vrind en buur bevraagd.
Wien soms een middel was geslaagd ;
En ging bij boek aan boek te raa ;
En toog ten strijd , met schup en spaa.
Verloren geld ! Vergeefsch gezwoeg !
Dies wendde ik \'t op een andren boeg:
Ik maakte kond . omhoog in \'t zwerk :
«Bereisde Vliegers, zoekt gij werk?
Gij , die door Nijl en IJssel waadt .
En \'t vangen uit den grond verstaat
Van ongediert\', voor \'t oog bedekt .
Dat rustloos wroetend schaa verwekt!
Zoo komt tot ons!\'\'
Het vliegend Volk
Verstond mijn meening. zonder tolk.
Een boomkruin , van een rad voorzien,
Sprak klaar genoeg voor deze liên.
-ocr page 263-
240
IIK 00MEVAARS.
Uit Memphis , met der vaart. geland ,
Verscheen een raukgebeende Kwant;
En, eer de Maart ten einde ging.
Een Wijl\', dat mei hem Mollen ving.
Dit Wildbraad was hun staag gerigt.
Van ochtend- tot aan avendlicht;
Hun kortswijl . of hun drok bejag;
Naar \'t viertij\' was, of werkendag.
Zij dwaalden alle weiden rond ;
Zij zwierven om mijn akkergrond;
Zij grepen . met een lellen bek .
Het zwart gebroedsel bij den nek;
En . joiiii of oud , ontleed of heel.
Het glipte door hun lange keel.
Doch , als de laatste Mol verdween .
Wat toen ? zij wendden \'t grachtwaart heen !
Zoo slechts een Vorsch naar adem hapt,
Hij wordt er daadlijk uitgesnapt.
Men polste tot den modder na ;
En \'t rikkikkikken zweeg weldra !
Ik was — voldaan van zulk een vlijt —
Voor e\'e\'ne Plaag, een dubble kwijt;
Maar \'t Eiis» (zoo \'t oude spreekwoord zegt)
Bekroont ekn wehk , en \'t Kind ... was slecht!
He Gracht werd stil; de Grond kreet! rust;
Doch onverzaad bleef de etenslust !
Dies zet nu \'t Paar zich in postuur,
En wandelt naar de Hijeiiscliuur,
En jaagt, eilaas , het halve rot
Der Ilonigmaakslers door den strot.
\'t. Was niet genoeg! daar volgde meer!
Zij vlogen op; zij streken neer;
Juist waar een Huishoen, onvermoeid ,
Zijn goudgeel Kroost had uitgebloeid;
-ocr page 264-
BEDE AAN MAVOItS.                                     2\'l-l
Het vratig Tweetal zag het Jong ,
Dat piepend om de Moeder sprong:
Met weinig pikken was \'t gedaan !
De sloof bleet\' zonder kindren staan.
•>(laat, Fielten!" riep ik, gansch verstoord,
Kn joeg de maagre schrok kers voort,
«(laat, Fielten ! Doet i> afuika
De Fransche Staatshervormers na !\'\'
BEDE AAN MA V 0 R S. h
«Boe blijft — — — t/et doenlijk-i ongedaen,
Ikier Eer, en Voordeel, en Vermaeck te samen yaen?"
Coxst. Hdyoeks.
Zeestraet.
\\ien Dichter, maar wat schuw voor\'t Hippokrener Nat;
Met Nereus Volk bevrind, doch vijand der Najaden,
Knielt bij een outer neer, dat schuilt in lauwerbladen,
Aan Bergens Duin met bloed bespat. 2)
• Üj luistert. Mavors, ja gij luistert naar mijn smeken!
Ik ben, door Phebus dienst, uw gunstige aandacht waard:
De vreègezinde Lier is, als het Ooi logszw aard,
Aan \'t hemelweH\' een sterreteeken!
Zoo help, zoo red mij dan. die hopend lot u vlood !
Ik /.ie geen diefschen tros hier in de bosschen loeren;
Mij dreigt geen vork of zeis, \'t geweer van dolle boeren;
Jlet ergste dreigt mij ! Watersnood!
In \'t hart der heuvels, die mijn worstlend Erf bezoomen.
Verborg de Poelgod, ons ten Dwingland opgeleid,
Zijn kruik, uit leem gekneed, en laat onvruchtbaarheid
Naar de overstelpte Vlakte stroomen.
1) Zie aant. 54.
\'-) Den 19 van Herfstmaand 17!W; na de Landing dei\' Engelschen.
Staring, Gedichten.                                                                 16
-ocr page 265-
242                               SPOOR AAN HEN KANEEF.
Een krachtdie graanzou\'voên, wordt door de bies verslokt!
De kruipwilg rooft een gunst, waarvan ons ooft zou gloeijen!
Het welig zuiglain kon in malsche beemden stoeijen.
Waar nu de vorsch in modder wrokt!
Wie waagt den Halfgod onze grenzen uit te dringen! (eer:
Gij waagt het, Mars. en strijdt, niet slechts voor ons en de
Een Vest, u toegewijd, i) bescherm\' zich door dat Meer.
Dat ons verdervend kwam bespringen.
ISelang van Vrede en Krijg! te schaars vereend belang!
Hoe godlijk is de magt. die u te saam zal paren !
Triomf! de Vloed krimpt weg! \'t Moeras teelt nikkende aren!
Het poelgeschreeuw wordt veldgezang!
Ginds jaagt nu \'t loome nat; o Berkel, met uw plassen.
Wanneer de Nood gebiedt, aan \'t eigen perk gestuit;
En breidt, om Zutpnens Muur, zich in de kolken uit.
Die zijn bespringren tegenwassen.
Ja. \'k zie de Toekomst reeds vanWondren zwaar! De stroom
Laat \\lot en vrachlboot, op zijn spiegel, veilig wiegen.
Ik zie, door \'t bruin der hei\', de blanke zeilen vliegen.
Genoeglijk schouwspel ! Gouden Droom !
Vervul hem, Juno\'s Telg! Zoo dichters waarheid spreken.
En \'t minnewekkend schoon n zoet in de oogen speelt?
Geen Voorspraak boven haar, die mijn verlangen deelt!
De blonde Ceres helpt mij smeeken!
1801.
SPOOR AAN DEN N A N E E E.
AANHANGSEL VAN DE
BEDE AAN MA VORS.
\'k Riep Mavors aan, te lang gesard ;
Den Poelgod sloeg de vrees om \'t hart;
1) Zutplien.
-ocr page 266-
AAN MIJNE DENKEN.
Hij week uit onze dalen !
Hij kwam den IJzren Wreker voor!
De hand der Onmagt dolf zijn spoor.
Bekneld in enge palen.
O, had hij voor \'t verrneesterd veld
Zich kampend in de bres gesteld !
Hij moest, als nu, ook wijken;
Maar liet, door Hemelkracht betemd.
In minder slaafschen bloei geklemd.
Nog Godenafkomst blijken !
Wee hem. dien Zwakheid overmogt!
Hoe rekt hij daar zijn kronkeltogt
Aamechtig door de zanden !
Zoo had geen Mavors hem verneèrd !
Een Held wordt door een Held vereerd.
Al klonk hem \'t Lot in banden.
Wee hem ! geen zeil. in top gezet.
Mag, spelend op zijn bogtig wed.
Eens landmans oog verheugen !
(leen buit, dien \'t rijpe woud ons gal\'.
Vlot ooit zoo schaamlen ondiep al\';
Mijn Houden Droom werd leugen!
Maar (Jij, als nu de Ilooijer juicht —
Het logge Rund zijn weelde tuigt.
Waar eens de baren gingen —
Als \'t koude Leembed Oogsten draagt.
En \'t Veenslijk ruischende Eiken schraagt.
Dan kroont mijn Werk. Nakomelingen!
1804.
AAN MIJNE DENNEN. 1)
Vloot oudtijds aan der eiken tronk
Geheiligd druivensap;
1 Zie aant. 55.
itr
-ocr page 267-
2H                                     AAN MIJNE DESSEN.
Tleel gij, o Pijnboom, mijnen dronk
Uit ongewijde nap!
j\'Uw deugd bepaalt dit eerbewijs;
(leen Luim. die \'t nieuwe preekt;
Die nu \'t Milaansche Popelrijs;
Die dan \'t Atheensche kweekt.
IJ hongert naar geen weeldrig land:
(!ij kleedt het naakte duin.
En houdt om Zwedens poelen stand.
Als om der Alpen kruin.
\'t Zij schip of roei bark op den plas;
(lij biedt ze uw diensten aan.
(üj helpt, als wiek. de snorrende as
Van duizend raders gaan.
De toren heft zich op naar \'t zwerk.
Gestevigd door uw kracht,
(jij schoort, in \'t slib. zijn metselwerk.
; En overleeft uw Macht.
(!ij wekt de ontslapen haardsteêvlam,
En \'s winters guurheid zwicht.
Der vondiïjke Armoe\' schenkt uw stam
Ken toorts, die voor haai\' licht.
• Waar gulle vreugd de citer stemt;
Waai- harptoon ons verrukt.
Wordt i:u aan \'t inaagdenhart geklemd
Van maagdenkniêii gedrukt.
Met Noorden, door uw schors gevoed
1 e Brengt u. den Redder, dank.
Het Westen huwt, met blijder moed.
Uw geuren aan zijn drank.
Wanneer \'t vijandig jaarsezoen
Het lied der velden smoort;
-ocr page 268-
24
AA> MIJNE DENKEN.
js Bc kraai, oj> \'t jeugdig nkkergroen.
Alleen het zwijgen stoort;
Hoe pronkt dan. tusschen \'tweeklijk kroost
Van \'t afgebladerd wond.
Uw heldemïj, het ijs getroost,
//, En met den storm vertrouwd !
Hoe strekt gij dan. in tieren stand.
Den onverwelkbren tak :
Bij windvlaag ons ten luwen wand ;
Bij sneenwvlaag ons ten dak !
Bat wild gerang en stekelrnig
In andre hosschen tier\';
Het moeilijk pad in kronkels buig\';
Voor \'t naauwe doorzigt zwier\';
Gij bant elk hindrend warrelnet
Uit nw gewijden kring;
Gij spaart den voet bezorgden tred ;
Het oog verbijstering;
Gij spreidt, in uwe ontelbre schaar.
Ken grootsch geheel ten toon.
En boeit den stillen wandelaar
Boor hartvereedlend schoon.
Zoo rigt dan, rigt nw zuilen op —
Breidt uit uw schadnwnacht.
O Pijnen, om een lieuveltop.
t* Die mijn gebeenten wacht\'!
Geen ijdle trots verhoog\' den zerk.
Noch sparre d\'opgang toe.
Het Landvolk ruste er van zijn werk.
Als ik van \'t leven doe.
-ocr page 269-
2i(» OP HET UKZIUT VAN TREKKENDE KRAANVOGELS.
OP HET GEZIGT VAN TREKKENDE
KRAANVOGELS. 1)
(De trant van Cats gevolgd.)
Laatst, als ik, op mijn eenzaam pari.
Door Wijiimaands bleeke loovers trad,
Zoo kwam van ver een vreemd gerucht;
Zoo kwam een lange Kranenvlugt.
En hield naar \'t wijkend avendlicht
Het spitse van heur schaar gerigt.
Ontging ze \'t volgend oog weldra.
Zij liet me een diep gepeinzen na.
Ik dacht: wat hier omlaag geschiedt, -
Hes kreunt zich ginds de Vogel niet.
Of bergen siddren op hun voet,
Door \'tworstlen van den sulfergloed;
Of stroomen steigren uit hun boord ;
De Vogel zweelt gelaten voort.
Hem trekt zijn doel, naar \'t eind der baan,
Door \'t vredig zwerk, staag westwaart aan.
Hoe lang zijn togt ook duren mag .
Hij roert de vleugels dag aan dag;
Hij vult de lucht met blij geschal .
Gedenkend waar hij rusten zal!
Mijn ziel, raap wijsheid uit dit werk:
Streel\' hooger dan dit aardsche perk.
01\', hier beneèn, de waereld woel\'.
Blijf gij gedachtig aan uw doel!
Staar, vrolijk juichend, naai\' de Kust,
Waar aller Zorgen woeling rust;
Waar Smarte knaagt, noch Twistvuur brandt,
Noch Zinbekoring strikken spant!
Mijn Ziel — daar is uw Vaderland!
J818.
1) Zie aant. 56.
-ocr page 270-
HE VEENROOK.                                     247
DE V KEN ROOK. I)
Wat droevig zwart misverwt den hemel dus ?
Werd Locbems Berg verkeerd in een Vesuvius?
Of zijn de Dooden
her groote slagting 2i baas. aan \'t Stygisch Wed?
Komt Pluto, door de muiters nagezet,
Met dezen kwalm den afgrond uitgevloden ?
<!een zonnestraal schiet koestrend naar beneên !
In \'t voelbaar donker, is de Louwmaand op haar schreèn
Teruggeslopen.
Het trage vocht stolt in den loovertak ;
\'t Genot, dat ons Pomona\'s gunst versprak.
Ligt voor ons oog de telgen afgedropen.
liet Meigewaad van Flora heeft geen kleur.
Zij poogt ons vruchteloos met haar syringengeur
Nog bij te springen ;
Wij slepen \'t levenspak mismoedig voort!
Ue Nachtegaal, half door den damp gesmoord,
Bezwijkt met ons, en krast in stee van zingen.
Wie laadt dien ramp, ons op\'t onschuldig hoofd? —
Ik zie \'t! de •hebzucht is \'t, die ons van licht berooft
En lentezegen.
\'t Is boerenwerk ! — Een Salamanderbroed
Ontkroop den poel; en, uit zijn turfaschgloed.
Paart dit Geslacht geen beê met de onze. om regen.
O Middeleeuw ! de Kruistogtsrazernij
Voerde u naar \'t Heilig Land; gij gingt er Lazarij
En Boekweit halen:
\'t Een was verderf; —■ het ander scheen gewin;
Maar \'t bragt den Twentenaar zijn Veenbrand in den zin,
l\'n laat wat Koekebak ons al te duur betalen!
II Zie aant. 57.
\'-) Bij den Franschen Aftogt uit Rusland; in den winter van 1812.
-ocr page 271-
DE WINTER.
DE WINTER.
De Winter heelt, hoe "rijs van kin.
Een kleur als melk en bloed.
Hij tafelt lang ; schenkt naarstig in;
En \'t maal bekomt hem goed.
Hij ploegt, hij delft, hij snoeit, hij plant.
Door huldervlaag, noch sneeuw vermand ;
En zorgt voor \'t bloembed zoo getrouw.
Of Flora\'s kus hein loonen zou\'.
Als \'t ijs den tragen plas houdt staan.
Ontsluit hem de Eer haar spoor:
Hij zweeft kunstkeurig op de baan
De sehaatsenrijders voor;
Of schuift een Meisjen in de slee.
En zwiert er als een veder me»1:
Het lacht, en tart tot sneller vaart.
Haar speel noot achter \'t rinklend paard.
Zijn haardsteè lokt de jeugd bijeen ;
Zij wemelt om zijn stoel.
Hij pleegt terwijl zijne oude leen.
En schatert in \'t gejoel.
Een sprong in \'t ronde mag hij wel.
Doch voegt zich liefst bij zang en spel;
Of kort den nacht met gul gejok.
En heeft geene ooren voor de klok.
Omsingle \'t West. met slibbe en plas.
Zijne ongenaakbre stulp.
De Tijd gaat met geen trager pas;
Dank zij der Muzen hulp!
Gemis wordt in genot verkeerd.
Als \'t Oosten op zijn beurt regeert;
De vorst het grondloos pad bestraat,
En vriendschap weer uit buren gaat.
-ocr page 272-
AAS 1>E.\\ IIEKH, MR. A. II. SPAS KA W.                  2VJ
Wie dan den Winter lastren mag.
Wij roemen \'t geen hij doet!
Zijn langen nacht, zijn korten ilau
Besteedt de Grijsaard goed.
Hein /.ij. bij oss. tot eerbetoon.
Een krans van palmgroen aangebodn;
En klank van gouden snaren zweev\'
Door \'t feestgeroep: »De Winter leev\'!"
AAN DEN HEEK, Mn. A. H. SPANDAW. V
Ja. Spandaw, \'k wil niet lust genieten.
Wat ieder Jaartij schenkt;
Tot \'s levens leste teugjes vlieten.
Eu de Onverbidbre wenkt.
«Laat Kus en Jok de zorg verpoozen ;
De Druil\' ons vreugde bièn !
Uraaia doen wij niet blozen;
Minerv\' niet donker zien."
Zoo zongt ge! Ik ben niet traag gebleven
In \'t handlen naar dien raad;
Maar r als Dichter na te streven
Eischt kunst, die mij ontstaat.
Weergalmt mijn Lier, zij leent heur snaren
Tot geen vermeetlen kamp !
Als Phebus opsteeg uit de baren,
Doolde Epicteet zijn lamp.
Mms handvol kranke lieidebloemen
Zal ras na mij vergaan !
Gij mengt op oogst van lauwers roemen.
Die aan den tijd weerstaan.
1) Antwoord op den Meizang, in deszelfs Gedichten, uitgegeven
\'en jnre 1815: herdrukt in 1836.
-ocr page 273-
2Ü0
TEN GELEIDE VAN EEN HAAS.
Onthul, van nieuwen gloed gedreven.
Het schoon van nieuwe stof:
(lij hebt der Lente een krans geweven,
Schenk ook den Herfst zijn lof!
Zie, zie hem oj» de heuveltoppen »
Omglansd van wijngaardooft!
De lok. bezwaard met neveldroppen,
Daalt achtloos van zijn hoofd.
Zijn blik staart op de vlakte neder.
Waarover \'t veldhoen trekt:
Hij grijpt weldra zijn pijlen weder;
Daar hem de jagtlust wekt.
Verhel\' zijn prijs, met stoute toonen !
Wij luistren naar hun klank.
Zing. Dichter! Meer dan onze kroonen —
Zijn Nektar geelt u dank !
Septbr. 1815.
ï EN (1 E L E I D E V A N E E N\' H A A S, I)
AAN EE.NEN VRIEND GEZONDEN, OP ZIJ.n\' VEIMAAHDAI\'..
Rhetorijckelijc ghecomponeert, den neghentienrien van Wintermaent.
Neemt dees Ghifte. als gheen versmaedere,
\'t Is een Ilaesken, ghejaegt met honden snel;
Twee daghen gheleden; verstaedij wel?
Doe de bosschen, ontreet van groen ghebladere ,
Ruvschten van winden en reghen fel.
Een paer sijner maeghschap weit mee ghegrepen.
Springoelen en sluperkens, bijster wreet.
En het brackengheslachte, scherp van beet,
1) Zie aant. G&
-ocr page 274-
AAN I.UNA.                                        2:)l
Terden hun proye, en janckten en pepen .
Als des jaeghers correctie hun swichten deet.
Ook moeste daer struycklen in sijn l)loede
Reijnart, die gluypere, getroffen saen.
At hij de hoenderkens onghebraen.
Ons Gaerdenier, met grimmigen moede.
Wees sijner schalckheyt het danckloon aen.
Maer Ghij, gheseten op den stoel van Justitiën ,
Bedwingt, in stee, de menschlijcke malitiën.
(Jhij viert er u jaerghetij met jolijt.
Des winters tempeesten en vloèn ten spijt.
Treckt vaecken u herte tot melodijen .
(!hij hoort er liedekens, waermee u verblijen
Berthe of Ulricke. vrientsaemïgh en jent;
En \'swerelts beroeringhe turbeert u een twent!
Reckt langhe noch, onghestoort van sinnen .
Het draedeken dat u de Parcen spinnen.
Weest noch op u leste iaerdaghsieest
Ghesont van maeghe en verfraeyt van gheest.
»Van een — Goübloetnken i uit jnnsten" reyn
Neemt dit in dancke verstandiyhe sinnen,
Al ist yliestelt, slecliteïijc na der konsten vtreyn,
Vrientschap heeft alznlcx doen beginnen."
Van Ghistklb. De 12 Boeken Aeneas,
ghenaemt int Latijn Aeneidos. 160J.
A A N L U N A.
NA 1)E BESCHOUWING VAN EE.n\' LUCHT8TEEN. 2)
Viiouw Maan! (of moest het jonkvroi w zijn,
Trots Latmus wildernissen ?)
Vrouw Maan! de lamp heeft schij.ns genoeg;
Men kan uw weerschijn missen.
1)  Zie de noot, onder aan blndz. 87
2)  Zie aant 59.
-ocr page 275-
2Ü2
AAN UNA.
Spaar vrij die ongevergde gunst —
Üat malsch gelonk voor andren ;
Ik hoor, sinds ik uw parten ken,
iNiet tot uw medestandren.
Iliet dit een vreed/aan.i hemelbiuir.
Naar voeg en pligt. bejeefriien.
Wanneer uw moedwil keijen gaart.
Die ge op ons erf laat reegnen ?
Gij moogt dan mikken — al of niet;
Een blinde smeet kon raken;
En steenproefd weet men. hier te land.
Geen vilten hoed te maken.
Kortom, de maat is boordevol.
Dit had ik u te melden.
La lande slaat als schildwacht nit; —
Nog eens. dan zal \'t u gelden !
Hij spreekt, en Po en Rhone zwoegt.
Om luchtballons te weven.
Men stormt naar Vlootvoogd Gahsebin,
Uit lust van mee te zweven.
Daar schuimt en dampt het zwavelzuur.
In honderd duizend tonnen !
De Maanarmee verlaat den grond.
Bij \'t, baldren der kanonnen.
Zij klimt; zij is het zwerk al door.
Waarin uwe Etna\'s branden ;
Om plotslijk, aan de Nektarzee. 1)
Met drooge keel te landen.
Buig, Keijenraapster, buig den nek ;
Laat straks uw vivat hooien ;
En zet. als wij, de kaars voor \'t glas —
Het vendel op den toren !
1804.
1) Mare Nectaris, op de Mnankanrten.
-ocr page 276-
II KT STOOMT UMI. I)
Te lang genoegde \'t ons, het Hos tot dienst te dwingen;
Den stroom van Lucht of Nat te keeren te onzer baat:
liet Vocht, dooi\' Vuur bezield, schonk zwakke Stervelingen
Kracht boven aller krachten maat.
Itie Kracht, nooitwerkeiismoè, beheerschtontembre wellen,
En rukt, uit peilloos diep, der Mijnen schat aan\'t licht.
Gedreven door zichzelv\'. mag ginds de Wagen snellen ,
Ku de afstand als verslonden zwicht.
Het scheprad gonst — de Kiel komt over \'t Wad gevlogen —
Van zeil en riem ontbloot — getij en wind te moet
Veel vingiïgKtinsttuig spint.— doord\'eigen Damp bewogen.
Die logge Hamers smeden doet.
2) Genie het, Nederland! en, zeewaart afgegleden.
Ruimt slibbe en zand den weg, waar langs uw vloeden
(gaan.
Gebie! de Plassen in zal zich uw Erf verbrceden.
En waar zij golfden wiegt het graan.
\'t Eenzelvig spoor ten eind. dat Waan en Sleur betraden.
Klom zóó \'t Vernuft bergroji — gewon het trans na trans,
Kn vlocht, aan \'t rijzend pad, onwelkbre iauwerbladen
Ken Wondereeuw ten gloriekrans.
Zóó streeft het vóórt! dat Hoog met iedre poging nader,
Waar Kenvouds Godspraak in haar stillen tempel woont.
Ach, werd — eer \'t graf mijne asch bij dierbare asschen
Volhardings eedle moed geloond! gader\' —
Werd zienlijk voor mijn oog, wat nog der Toekomst duister
In zwangren schoot verheelt! Werd vol de groote Üag,
Wiens Ochtendschemering — wiens blijden Morgenluister
Ik, met aanbiddend hopen . zag.
1) Zie aam. 60.
21 Eene toelichting van dezen en de drie volgende regels is in aant.
*>0 te vinden.
-ocr page 277-
LOÜRENS JANSZOON KOSTER. 1)
1823.
■nSaeculo festas referent e luces
-----.—-----ii Carmen."
          .f
Het Io klonk uit Haarlems muur!
Na honderd jaren keerde op nieuw het plegtig uur!
Viert»wat geen Jeugd weer ziet; geen Grijsheid zag;"
Viert kosters Jubeldag.
Ja, komt uit aller Volken naam,
G ij Feestgezanten ! Vloeit tot Haarlems Eeuwtij saam !
Dat Griekens lof den Eersten Kadmus loon\';
1
           Heel de Aard\' den Tweeden kroon\'!
Het zwerk ontsloot zich, waar hij stond,
Wiens hand de Boekstaaf van den Beukenstam ontbond.
Een hemelglans omscheen de looverkruin,
En trof het siddrend duin.
Zóó werd. dat .heerlijk Licht voorspeld,
Dat stralen zon\' van \'t Werk des Vinders; dat geweld,
Noch list zou\' dooven ! trots der eeuwen vloed,
Een onuitblusbre gloed.
Dat Licht! het ruim der waeveld door,
Naar \'sHoogsten wil verbreid, om, als de Morgengloor,
Elks vreugde; niet, alsschaamleNachtlampschijn,
Eens enklen heul te zijn.
Zöö kwam Gods Geest op Hem, die \'t Schrift
Met scheidbre Teekens prentte, en \'t ruwe Letterstift
Ter erve aan Mentz liet: Haarlems roemgenoot___
Benijdster.... en min groot.
O Wetenschap! bij \'t Voorgeslacht
Gegriffeld in Paneel;,met trage Vederschacht,
1) Zie aant, 61.
-ocr page 278-
arir»
LOUREN\'S JAKSZOON K08TEU.
Door Kloostervolk aan \'t Pergament betrouwd;
Slechts veil voor Koningsgoud !
O Wetenschap ! uu daalt gij zelfs
Tot arme slaven, in het diep eens mijngewelfs.
0 Wijsheid! o Vernuft! waar schuilt het oord.
Dat nog uw stern niet hoort ?
Hoe zonk vergeetle nacht weleer
(ielijk op \'s Meesters naam, zoo op zijn arbeid neer!
Wat viel er bloeis. die hoop op vruchten gaf.
Voor \'t smachtend Menschdom af!
\'t Verloor den Pijl van Abaris :
Het Luchtschip, welks bestuur der tijden raadsel is;
Het spieglend Kits, dat op Marceflus vloot
Zijn bliksems nederschoot.
Vraag de Oudheid af: vanwaar de Naald,
(lids van den Scheepling, als gestarnte en oever faalt?
He (liter, die de taal der englen spreekt.
En ijzren harten breekt V
Vanwaar zijn zij ? Wiens vindingkracht
Heeft Spade en Kouter, heeft den Weefstoel uitgedacht?
liet antwoord faalt! Zij werden vóór den dag.
Die koster wórden zag.
Vuur sloopte, en Zee, en Krijgsgeweld,
Wat Priem of Schrijfriet van hun oorsprong had gemeld.
Eer de eedle Kunst door Haarlem was gebaard.
»Die de andre saam bewaart."
Thans blijft wat is! Thans welkt geen lof!
• hans sterft geen daad meer, binnen hut noch vorstenhof!
De Zigtbre Spraak voert ze om langs\'t wijde rond.
En zwijgt ter geener stond.
-ocr page 279-
2S()                    TER f#Wfo»ING VAN EEN LANDHUIS.
Het heilig snoer der Kennis bindt,
Wat afgrond scheidde en berg; \'t Oost, met het West bevrind,
Staat kampend tegen Leugens dwinglandij ,
En strijdt de Waarheid vrij.
Dat heil heeft koster voorbereid!
Hij schreef een grens om \'t rijk van drieste Onwetendheid;
Toen \'t Kruis van Konstantijn moest ondergaan,
Voor Mekka\'s Halve Maan.
Hij , wiens Gedachtniszuil dit Oord ;
\'t Geschenk van wiens Vernuft den Aardkreits toebehoort.
Wiens Geest, omhoog, zich in zijn werk verheugt,
Bij onze Jubelvreugd.
Komt! Schaart dan, Feestgezauten — schaart
U mèt ons binnen \'t Koor, waar lourens blik op staart!
Hier schuilt geen wrok! Hierspreidt ook gij uw glans,
Gij EEREKROON VAN MENTZ , IiaaSt KONINGS BURGERKRANS.
VOORLEZING.
BIJ HET MAAL, TER INWIJDING VAN EEN
NIEUWGEBOUWD LANDHUIS,
gegeven door den Stichter, op den 22ste» julij 1820.
Om Zangsters en Poëten los te krijgen.
Daar hoort somwijlen heel wat toe!
Doch, hebt ge ze eens te gang, en zij t gij \'tluistrenmoê —
Geen mondslot (zegt men) brengt dat volkje weer tot
[zwijgen;
Zij brommen voort, en tot den laatsten drop
Van uw geduld moet op!
\'t Kan waar zijn, Vrienden, maar altoos waar is het niet!
Bestond reeds Toon- en Zang-en Dichtkunst utestreelen—
Apollo zweeg te ras — te ras der Muzen lied;
En ik zal Comus, op mijn beurt, geen tijd ontstelen.
-ocr page 280-
TEII INWIJDING VAN EEN LANDHUIS.                    2:>7
In deez\' bespraakten Kring—hij zulk een goeden Wijn —
Verstaan hel Zangstcrs en Poëten, kort te zijn.
Aan al wat leeft, is \'t Houwen ingeschapen ! —
Daar zijn excepties : menig Uier
Verlangt. uit deur noch vensterraam, te gapen;
"t (ïeet\'t om kombuis, of bottlerij. geen zier ;
Kn hoeft verdek, noch wand, om, als een roos, te slapen !
Maar \'t grootst getal maakt ook den regel hier.
hes: al wat leeft, dat bouwt.
Zoo bouwen
Kn bouwen nu maar \'t zelfde was !
Ken Otter duikelt. door den plas.
Zijn huis in. Spreekt, wie zou\' voor halfwijs hou\'en.
Die hein . als architect. zijn werk ging aanbetrouwen !
De Reiger, met zijn maats, laat, op een hoogen tak.
Zich dronken wiegen, en geen dak
lieschermt zijn broed . bij onweèrvlagen.
Grimbaard, li de Das, is ook geen bol!
Hij zorgt voor lucht, noch licht, in \'t hol.
Waar hij zijn eikels zit te knagen.
Wij Menschcn — maken \'t. voor de rest,
Niet beter:
Ken vlottend huis heet goed, in Sina. Menig weet ei\'
Niets raarders op, dan dat hij ook zijn nest
laat schommlen. tusschen \'t groen; of, als de Samojeden,
hen Das volgt, op zijn kruiptogt naar beneden.
\'t Rouw-meesterlijke Handwerk blijft
Dan eere waard, schoon elk het drijft,
\'■een beunhaas mag het roemrijk Effen
Der Kunst, ten hoon van \'t Gilde, treflen,
1) De Naam van den Das, in Reintjc «Ie Vos.
Staring, Gedichten.                                                 17
-ocr page 281-
2"J8                     TKIt INWIJDING VAN BEN LANDHUIS.
Kn billijk groeten wij. met zegenwensen en lof\'.
Den Stichter van dit Huis, die juist dat Efl\'en trof.
Hier vreest een zwaklijk hoofd geen draaijen ;
Het stroomend vocht, dat Sinte Griet
Nu tot den derden dag van boven neder giet,
Raakt ons zoo min. als \'t boomenschuddend waaijen; —
Den podagrist bedreigt, van onder op, geen nat; —
De long en de oogen krijgen zat
Tot hun behoef; — ook ligt men niet te zwaaijen.
Voor de ankers, op zijn Sneesch; noch vindt zich. in
Van A naar B of C verbragt.
                     (den nacht.
En. Dischgenooten. let eens even,
Moe Rouw- en Gastheer zich de hand,
Als broeders, in deez\' Woning geven :
De Keuken — waar het haardvuur brandt —
Het Kelderwell\' — dat alle vuur verbant —
Waar \'t hoort, gescheiden in hun palen —
En hier — in zulk een ruimt\'! — vereend om ons te onthalen!
Is \'t alles goed — dat is nog \'t allerbest;
Naar mijn smaak !
Maar! — wat zei\' er lest
Een gek ? — »Per arabier" zei\' die »kan veel gelukken!
Zelfs Meesterwerk slaagt, voor en na, aan krukken ;
Doch. wordt de proef herhaald, zij gaan hun lauwren
kwijt! —
\'t Is goed getimmerd! goed! roep ik mee — zonder nijd:
Alleen - \'t geen Toeval deed, kan hij zoo niet verrukken.\'\'
Stop. wie dus praat, den mond. Vriend Rouwheer. —
(Spreek uw kisi
Nog èèns aan ! üood is toch de Twist.
Zoo ver Europa strekt. Uit Denemarken. Zweden —
Uit Rusland, Oostenrijk — welhaast uit Spanje mee —
Kortom! van Noord en Zuid — van over Land en Zee —
Komt rente op renten naar uw zakken toegegleden !
-ocr page 282-
AHA VA.N HOLLAM).                                     2*)\'.»
liesteed daar wat van, aan een Tweede Meesterstuk ;
Kat zich de kroon der eer vast op uw lokken drukk\'.
Nog èèns aan \'t bouwen ! —
»Waar?" vraagt gij :
Ja___HiEii,... is \'t vol! — maar ik heb plaats, bij mij! -
Gij Geld ! — ik Plaats! — dat past. als saaingegroeide
schelpen. —
Ziet toch, hoe \'t eene tnensch het andre weet te helpeni
(iij houwt des — of verbouwt; — het staat u billijk vrij.
Den pot naar eigen smaak te koken.
Ken punt slechts wordt er afgesproken :
Ik krijg, in stee van .mijn Kajuit,
De bis van dit Vertrek, waarin men aam kan scheppen.
Hu de ellebogen met het mondstuk tevens reppen.
Uw Beeld (dat spreekt per se!) zet ik, ten voeten uit —
Van steen naar uw begeeren —
Gelijk mijn pligt eischt, in de Nis
Wier schoon model hier ledig is.
d\' Inwijdingsdag. gij Dames en gij Meeren.
Berigt ik u.
Uw bijzijn, hoop ik. zal mijn Zaal dan óók vereeren —
De Vreugd ook met ons zijn, als nu.
ADA VAN HOLLAND, I)
ALS GEVANGENE 01\' TEXEL.
in 1203.
In \'t gedruis des winds verloren ;
Over \'t woelig ruim der zee.
Laat zich Ada\'s harptoon hooren;
.lammert dus haar hulploos wee:
1) Zie aant. 62.
17*
-ocr page 283-
260                                    ADA VAN HOLLAM).
Feestlicht, aan de toorts ontstoken,
Die mijns Vaders Lijk bescheen;
Echt, van morrend Volk weersproken,
Van verbitterd Bloed beslreên,
\'k Draag uw schuld! In Moederhanden
Blonk de Bruidstooi, mij ten val:
\'k Sleep een boei, aan ïexels stranden....
\'k Was Gravinne, in Dordrechts wal!
Ach, dit hart! (aan Hem ontreten —
Mijn genoot in \'t kort gezag —
Nu op \'swaerelds vloên versmeten,
Waar mijn trouw niet volgen mag!)
Ada\'s hart, doorboord van wonden,
Kweekt geen aardsche wenschen meer;
\'t Voelt zijn laatste kracht verslonden,
En geen balsem heelt het weer.
Zwaait niet langer, Krijgsbanieren,
Voor de Gaa van Lodewijk.
Willems vaan blijv\' zegevieren !
Dat ze op Leydens Burgtin prijk\'
Vloei\', neen! vloei geen bloedstroom weder,
Om mijn regt, op Hollands grond,
\'k Leg den Stal\' gewillig neder,
Die me op zooveel tranen stond.
Groent voor andren, Eikenkruinen;
Hagen, bij dat Graaflijk Slot,
Waar, in \'t luw der witte duinen,
\'t Roosje met den winter spot.
Lustoord van mijn kindsche dagen!
Heuvel, aan den Vijverkant;
Zwanen, op den plas gedragen,
En gespijzigd uit mijn hand ;
-ocr page 284-
2<H
A.V.N MIJNE GADE.
Duifjes, die mij plagt te omzweven.
Daar ik in mijn Bloemhof zat.
01\'. in schaauw der hooge dreven.
Zingend langs den oever trad ;
Uurtjes, als de maan kwam lonken.
Op de stille Maagdencel :
Viertijd aan de Vlijt geschonken.
Hij gejok en snarenspel ;
Andren moog\' de vreugd ver/.aden.
Die gij eens mijn jonkheid bood !
Andren zij. op \'s levens paden.
Zoete hoop ten togtgenoot !
Vreugde, Doop is mij ontvareu.
Uitgespeeld de droeve rol.
Maak. o Dood. mijne achttien jaren
Met het uur der slaking vol!
A A N M IJ X E <; A D E. I
den 22ste" jri.i.i \\X"2.l.
De Tijd ontdroeg ons \'t vijlde vijftal jaren.
Chablotte. sinds gij naast mij stondt —
Het zedig inaagdenoog gekluisterd aan den grond —
De Bruidspal in in de blonde haren !
Toen ik \'t heelal vergat, om slechts op u te staren —
Toen ons het .la verbond !
Wij zijn \'t niet meer. die leed noch last deed sagen;
Voor wie \'t gezellig levenspad
(\'■een klimmend hoog te steil, geen boet te kronklig had:
De Grijsheid nadert met haar plagen !
Zij nadert! en de Vreugd — de Lust van vroeger dagen...
Sluipt heen. met stillen trat !-------
•1) Zie aant. 63.
-ocr page 285-
2f>2                                      AA.N MIJNE GADE.
Neen, mijn Gaa ! Charlotte, neen !
Zeven kinders.... (faalt er een ; —
Rust ook \'t Kindskind aan een harte.
Nog verscheurd van Weduwsmarte; —
\'k Zie voorbij den sombren zerk,
Kielde staan .... de Dood te sterk !)
Zeven Kinders .... (voert de Zee
Kenen van drie Broeders mee ; —
Hoort hij Scylla\'s branding klotsen; —
Ciod gebie\'.... waar zijn de rotsen ! —
Lengt zijn togt op \'t Uiterst Meer; —
God gebie\'... . wij zien hem weer!)
Zeven Kinders dulden \'t niet.
Dat de Vreugde van ons vliedt —
Dat de Lust van vroeger dagen
Zwicht voor wyfelmoedig klagen !-------
Alles roove \'t ongeval.
Blijft ons slechts dat zevental !
Was de zorg van \'t kweeken zoet,
Toen ons \'t kinderlijk gemoed
Enkel Hloesern gal\' te plukken —
O ! wij zaainlen, met verukken.
d\' Oogst van rijper levenstijd.
Nu ons de eedle Vrucht verblijdt —
Nu ons teedre erkentnis loont:
Eène ziel in Zeven woont.
Om ons pad met heil te kransen ;
En de Deugd haar heldre glansen
Op die rij van Telgen spreidt! —
Dit, r.HAiaoTTE, is zaligheid !
Moeder — die voor geene zwicht!
Gade — trouw in eiken pligt!
Hlijv\' het beste van dien zegen
Cw gewin! \'t is wel verkregen.
-ocr page 286-
W.i
IN EEN VIUEMIE.NHOL.
Praal met uw verdiende Kroon !
Hoven Bruidspalm blinkt haar schoon!
Laat dat schoon uw Keesttooi zijn !
In zijn zachten stralenschijn
Dronk het hart staag jeugdig leven,
Dat. met blijdschap u gegeven.
Ulij terugdenkt aan den stond,
Toen het Ja ons zamenbond.
Liefdegroet van Kind bij Kind —
Wenschen, Scherts van Maag en Vrind
Doen het kloppen, doen het jagen ....
Gloeijen als in priller dagen !
Wakkre Zorgster, Moeder, Vrouw,
Neem mijn hand, op Nieuwe Trouw.
IN EEN V R 1 E N D E N R O L
1823.
Elk zoekt Geluk; maar talloos zijn de paden.
Waarlangs wij zoekend grafwaarts gaan.
De zucht naar Goud, naar Weeld\', naar Magt, naarLau-
Kiest onderscheiden baan.
            (werbladen.
Op ónzen weg zweeft, lokkend, voor ons henen
Der Kunsten en der Muzen Koor.
Met ons kwam Liefde zich, als togtgenoot, vereenen —
Houdt Vriendschap \'t eigen spoor.
In milden glans ontluikt voor onze treden
Een bloei, des nijvren plukkers waard.
Wiens oog niet. afgedwaald, voorbij \'t Genoeg van Heden
Op \'t Veel van Morgen staart.
Dat zóó — mijn Vriend! —dat zóó ons heil moog\' duren!
Dat ons erkentlijk o Her geur\';
-ocr page 287-
204
Zll.VEHK.N-llfiril.OKTSIHCHT.
Tot eens de jongste koom\' van de ons bescheiden uren,
Ku de aardsche voorhang scheur\'!
ZILVER EN-BIU\' [LOFTSDICHT;
01\' EE.N I.ANMIIIS VOORGELEZEN.
«In alten BrudlaclUen dat ilrüddc Gericht
/./.< n\'islilc ecu Hochtijd-gcdicht".
LAUnENIIERG.
Huwt oud met jong — huwt oud niet oud —
Na vijl\' en twintig jaar. wat kan zulk brodwerk geven\'\'
De Paren, die hun Zilvren Feest beleven.
Zijn wederzijds, of — erger ! —■ hall\' ijskoud.
Moge ons een ellen Paar een eerst exempel schenken !
Neemt aan ; Bejaard bleef met Bejaard
Een vierel eeuws in droomig\' echt vergaard.
En wil zijn Trouwdag, naai\' der vaadren wijs, gedenken.
Met onze hulp is hun xoupé gebragt
Tot over elf: daar merkt ge een hei ml ijk wenken.
Bij \'t Grijze span. en fluistert: »Zie de kracht
Der Zilvren-Bruiloftsvreugd!" Al zacht, goè Liên! al zacht!
\'k Leg u dat wenken uit: de sabbatschoenen drukken
De kromme Bruid, die aan de voetjicht lijdt!
En \'s Bruigoms heldendaad wou ook niet best gelukken.
Om slaapmuts en japon te ontberen over tijd —
Te weten \'t punkllijk uur. dat hij. van \'t krantenlezen
En \'t Whist, pleegt thuis te zijn! De spijt
Haalt eindlijk duimendiep beur voren op zijn wezen;
\'t Onthutst Gezelschap druipt uit een ;
Phileinon sloft met Baucis heen;
En \'tloome »Goeden nacht" geeuwtMorpheusaankomst
tegen-
-ocr page 288-
y.ii.YKUK.N-nmii.onsiiicitT.                           2(>">
Zie daar
Onze Oudjes! — Is er èèn van \'t Paar —■
De Bruid misschien —• al nog van zessen klaar P
\'k Meld onbeziens, hoe dan, na \'t legen
Van \'t afseheidsglas, het Tweetal met elkaar
De vreugd herkaauwt: Paai Bram — is van vermoeid-
heid gaar:
Hij snorkt reeds eer hij slaapt, en snorkt door tot hal f negen;
Spijt al het woelen van zijn Monde Saar!
liet Vrouwtje uioog hezorgd naar zijn gezondheid vragen.
En hoe \'t lang tafelen zijn zwakke maaut bekwam ?
Plat als een molensteen ligt Bram.
En antwoord boe noch ba.
Wat wilt <>ij meer-\' De plagen
Zijn dito soort, als. omgekeerd.
Vrouw Saar op krukken balanceert.
En Bram nog schaatsenrijdt! Dan staat de conversatie
Ook. na een Feest als dit, bot stil. of heeft geen gratie.
Kortom : huwt oud met oud — huwt ouderdom met
jeugd —
De Zilvren-Bmiloft baart, noch tijdverdrijf, noch vreugd!
Maar hier!... \'k Wed zeven van mijnspaarpotsdukatonnen!
Dat alles hier heel anders gaat —
Ten einde toe! — Ons Paar heeft, vroeg, zich wijs bezonnen.
En \'t ingaan tot de Knik van d\' Echlenstaat
Is. naar den eisch. van wederzijds, begonnen.
De Herfst loont wat de Lente wrocht!
fij. die gelijke kracht in tijds tesamenspanden,
Hoe liellijk rusten zij, na welbesteden togt;
Daar \'t Hulkjen, hun vereende handen
Betrouwd in voor- en tegenspoed.
Zijn Feestdagswimpel nu mag luchten, op den vloed:
\'aar Blijdschap nu de Zorg in zoeten slaap mag zingen.
Terwijl ze, aan \'t stille roer. op bloemen ligt gestrekt;
-ocr page 289-
2(»(i                            ItK IUIICT TK nilO.NCKHOnST.
Haar nu een Vrientlenschaar, de wakkre Schepelingen
Begroetend, hunnen geest nog meer tot blijheid wekt!
(• kalm terugzien, langs de baren,
Doorkruist in vijfmaal vijl\' tesaamgesleten jaren !
0 zoet bepeinzen van uw effen lot.
Gelukkig Paar! — 0 meer dan jeugdsgenot!
hen schoonen Doom van eer en welstand (opgeschoten
l\'it vasten wortel l\\ die met bloesemrijke loten
En lommer, u verheugt — dien boom heeft beider zorg
Geplant en opgekweekt! — De heldre zon verborg
Somwijl haar licht; — door \'t stormweer afgereten.
Viel soms wat loofs ter aard! Gij hebt dat leed vergeten;
Maar wat gij, een van zin. en \'t eigen doel in \'t oog.
Bestondt, werd tot een band, die enger samentoog
Wat reeds de Liefde hield verbonden.
En vestte uw huwlijksrnin op onverwrikbre gronden !
Dlijv\'. blijv\' nog lang. in elk sezoen.
De frissche Telg van uwen Voorspoed groen !
Viert — waar dit Dak, dat Veld uw wijs beleid verkonden —
Viert daar nog menigwerf, van \'s levens kommer vrij,
Ken Ifuislijk Feest, met Vrienden, trouw als Wij.
DE BÜRGT TE BRONCKHORST
AFGEBROKEN, IJl 182\'k 1)
tt\'ür zcrtrümmerte Qrlisne das hohe Gefülil
Es ist aus ilcm Leben verschivunden:
JJtr Vortheil ist nur das einziye Ziel.\'\'
KÖRNER.
Gij Muren, die \'t geweld van zoo veel storms moest dragen;
Die zoo veel eeuwen bleeft weerstaan;
1) Zie aant. Gi.
-ocr page 290-
267
I>K liriK\'.T TF. BRONCKHORST.
Uw eerkroon ligt vertrapt — het vonnis werd geslagen —
I-In gij /.nlt ondergaan !
Wat strekt mijn hand üich uit! zij kan nw val niet keeren;
Slechts grijpsn naar fle /.wakke Lier;
Ue lang ontspannen snaar alleen een trenrtoon leeren.
Waarmee ze uw uitgang vier\'.
Moe statig reest gij daar, met breede torentinne,
[Tit rotsgelyken grondslag op !
Hoe flonkerde, aan den stroom, de Vaan der Banheerinne
Van haren heuveltop !
Hoe willig huldigde u der Burgten schaar in \'t ronde
(\'t Min edel kroost van later dag!),
Kn gal\' uw grijsheid eer, die aller wordingstonde —
Die veler omkeer zag.
t Herinrend woord desTyds klonk van uwe achtbre transen;
Door \'t loover van uw olmenkring:
i Sprak vaak den wandlaartoe, wanneer in deavondglansen.
Zijn pad lang\'i d\'oever ging.
Weldra — uw praal is puin! gij laat dien Klank verstommen!
Maar — nög verrijst ge in majesteit.
I\'.n ziet, in \'tblaauwena west,een Heuvel langs het krommen
Van \'t Waalbed uitgebreid :
Daar plagt ook grijs gesteent dat blikkrend Hak te schoren.
Waaronder Barbarossa 1) sliep;
"aar liet ook, aan den Vloed, weleer een Stem zich hooren.
Die luid »(\'.ivilis!\'\' riep.
Uier Muren kracht zwond meè! die Stern heelt ïneê ge-
zwegen !
(Ach, dat de schuld mijn leeftijd drukt!)
\'\' Op de Burgt te Nijmegen, in 1797 gesloopt, vertoefde Keize:- Frede-
Cl|s Barbarossa menigmaal; ook werd zijn Zoon en Opvolger in 1164
"daar geboren.
-ocr page 291-
5Jf»8                        BIJ IIKT G.BAF VAN HIIIJ.NVIS I KITII.
Gij — is er troost voor leed in \'s broeders ramp gelegen —
Zie derwaart, als gij bukt!
KM IIKT (IRAK VAN Hlll.lNYÏS TKITII.
Ontslapen Hard. ik strengel geen laurieren.
Om \'t .Marmer op uw Graf:
Ken Waardiger moge uw Gedenksteen sieren!
Wie ben ik. dat ik V een eerkrans gaf!
Laat mij mijn Dank. ter schuldige offerande.
Betalen bij uwe Aseh.
<• gij, wiens hand de (liter liulprijk spande.
Die \'t stil genot van mijne Jonkheid was.
Te vaak. uit pligt. mismoedig weggehangen;
Te vaak mij wreed ontrukt.
Verwierf zij schaars het loon van grootseher zangen;
De Palm des Roeins, op stellen top geplukt.
Maar \'t eigen Schoon, dat uwe Hunnen prezen,
Gal\' zij ook haren lof;
Kn achtte nooit een dichtklank rein te wezen:
Die braven griefde, of wereloo/.en trof.
Door U gewenkt, heb ik haar niet verbroken ;
Niet, in mijn smart, vertreèn;
Toen Overmoed het vonnis had gesproken!
Toen Neêrlands Taal met Neêrlands Naam verdween.
Gij hoordet mij haar toon naar duwen stemmen,
Als weör, op vrijen grond.
De klaauw des Leeuws zich om zijn Zwaard mogl klemmen:
En \'t Nieuwe snoer zijn Pijlen vaster bond.
Zij bleef gespaard, om u nog dank te geven.
Nu gij verheerlijkt blinkt.
-ocr page 292-
26\'J
AAN l)K.N WINTKII.
Waar Thirza\'s Geest uw Geest temoet kwam zweven ;
Eloa\'s Harp hij uw Gezangen klinkt.
A AN DEN WINTER. I
dl\' DES KKHSTKN SNEKl WIIAI", . IN DECEMBER I*27.
Ha, oude Kennis! weer in \'t land\'\'
Ontzie een Koudkieum, zoo \'t kan wezen:
Mijn levenskerfstok geelt u dra
Zes kruisen met een krap te lezen.
En ; deed mijn jeugd, min kil van hloed.
He citersnaar uw roem gewagen;
Gij hebt het loon thans in uw hand —
lietaal het aan mijne oude dagen:
Een Feest, vergoê, hij \'t. slot van \'t jaar.
Wat ons zijn aanvang liet verduren :
Moog\'. door uw hulp. de Waterloo 2
Het eind zien van heure avonturen.
Schenk — schenk ons haast dien zoon terug —
Hen zeeman, daar ons hart voor saagde ;
Toen — menig zwarten stond ! — de dood
Zoo menig dierbaar hoofd belaagde!
Toen \'t groeijend ijs. het dreigend Kil\'.
En de onbetrouwbre luim der winden
He schaar, vermoeid van \'t werk des dags.
I» banger nacht geen rust liet vinden !
I) Zie aant. 65.
(1 7/ Dit Oorlogsschip, in Januarij 1827, bij deszelfs vertrek uit Texel da-
k 1 door storm beloopen, kwam, na masteloos ankeren voor liet Bor-
"iinM" •\'""\' enz\'! te Sheernes aan: werd aldaar hersteld ; en zettede
"e\'yk in Mei zijne reis naar Batavia voort.
-ocr page 293-
2/0                     TEIt BRUILOFT VAK KK.N DOGTKR.
\'t Zuidwesten vuile, op uw bestel.
Het zeildoek aaii de Britsche masten,
Geplant in \'t Neêrlandscli zeekasteel.
Dat Sonda\'s golven sinds omplasteu.
Dat ras de loots, voor Hollands wal
Ken boe», die huiswaart ziet, bejegen\'!
Dan toeft u hier eene eerekrans.
Als onzen Zwervling de ouderzegen.
TER BRUILOFT VAN EEN ÜOGTER.
DEN ll<ien JULIJ 182*. 1)
Verhel\' een Maagd niet, om haar deugd .
Met schelle loftrompet;
(leen kroon, die aller blikken trekt .
Zij haar op \'t hoofd gezet:
Beschaduwt de Eik , van ver te zien .
Het stormentergend hoog;
\'t Viooltje schuile in \'t veilig dal .
En waehte een zoekend oog.
Maar ! viel het lotbeslissend ja ,
Gesproken door de umi in .
En trad ze . aan \'s Jonglings hand . den kriiw
Van haar gespelen uit;
En werd baars levens lentetijd
Niet beuzelend verkwist —
Het regte spoor , hoe smal gebaand .
Niet door haar voet gemist;
Dan volg\' haar prijzend juublen na .
Tot iu der vrouwek rij !
Dat dan haar Eerepalin de trots
Van baren Echtvriend zij!
I) Zie Aant. 66.
-ocr page 294-
TKIt BRUILOFT VAN EE.N UUGTEK.                       271
Mijn uouter ! zeegnend vlecht ik u.
Door \'t Bruiloftsmirteblad .
Die palm — met dank aan God geplukt —
Van oiidertranen nat.
Ik schenk ze nw kinderlijke deugd —
Uw zusterlijke trouw —
(Jij Raadster, Helpster, Troosteres,
Beproefd in druk en rouw !
Gij! Pleegster, Leidster van dat Kroost.
Na u , aan de eigen borst
Met moederlijke zorg gekweekt —
Op d\' eigen arm getorscht.
Ik schenk ze uw Viiendenharl, door nijd.
Noch eigenbaat onteerd !
Dat hart, dat steeds eens anders vreugd
Gedeeld heelt en vermeerd ;
Dat. steeds ontsloten voor Natuur
(Gelijk \'t opmerkzaam oog),
Den Schepper zocht, in \'t groenend veld.
Kn aan den hemelhoog.
Blijf zóó in eiken pligl bestand !
Boei zóö uw gades min !
Kn leid met u \'t verdiend Geluk
Ter zijner woning in.
Dat zóó ilws levens herfsttij nog
Des braven liefde loon\'!
Dat eens liet zilver dezen Dag
Kn de Ouderwenschen kroon\'!
»AU angel now, —
-----thegarlcmd.twined todeckthyhair,
Ba hung upun thy hearse.\'"
w. scott. The hord of the Isles.
-ocr page 295-
\'J72
HIJ BES lllU\'il.OKT.
BIJ BEN MM UI LOKT.
1827.
De Frunschjes zijn aan \'t Kloosters bouwen ,
Kn lokken weer van nieuws de Meisjes in de val,
Of kruipen zelven in La Trappes Munnikskouwen.
(!een Kapucijn preekt ons zoo mal
Wij blijven trouwen.
Bedenkt: als adam eens in \'t Klooster was gegaan,
En \'t. Eerste Paar de waereld leeg had laten staan?—
Ken mooi stuk! dat wij nu geen Bruiloft kouden hou\'en.
Dat. naast een wakkren Bruigom, daar
Geen Bruidje zat; van oogen en van baar
(ielijk gekleurd; een Bruidje — rood van wangen —
En blank ! . . . daar komt geen lelie bij!
Een Bruidje , waard . uit Hymens Loterij
De hoogste prijs te erlangen.
Neen ! Lol\' zij Adam . dat hij tkoi\'wdk ! Dank en lol
llèm , wiens vernuft dit uitvond ; toen zijn Hol\'
Eu Kluiznaarsleven hein ten leste minder smaakte;-—
Wien (als hij aan den l\'hrat uit diepe rust ontwaakte)
De Koningin van \'t Scheppingrijk verscheen.
Zu — sprak zijn hart — zij— van zijn vleesch en been!
En door verschil te meerder een
Met die haar in zijn armen drukte ,
En voor den eersten kus den eersten weèrkus plukte.
Vermits dien dubbleii kus
Was dus
De baan ten huwlijk straks gebroken:
Vast lag hun trouwknoop, eer de Maan werd opgestoken;
En l\'eestloos was hij niet gelegd :
De Leeuwerik bleef kwinkeleerend waken.
Al hield het zonlicht, aan de Westkim. op met blaken:
De Nachtegalen zongen tutti, bij hun Echt.
-ocr page 296-
275
I1KT KAMELEON.
Zij zongen ! en van toen af heeft het zingen —
hij groot en klein — hij stede- en dorpelingen ■—
Zich onafscheidbaar aan de Bruiloftsvreugd gehecht.
Dies: wie er meer. na mij . mogt praten ;
Schoon \'t allerzinrjjkst uit het zinrijkst wierd gezegd;
Men moet het veld , hij slot. den Muzikanten laten!
Kn reppen mag hij zich. wie vóór dat slot. in dicht
Of proza , nog een vracht. die hem op \'t harte ligt.
Alhier ontladen wil! Reeds zijn de citersnaren
Gestemd; een Lied. om aan haai\' klank te paren,
Zweeft oj) mijn Buurtjes lippen! Ik . . .
Hen van \'t komplot! Nop een klein oogenblik
Voor sprekers!—spreekt dan!—spreekt!------niet langer!
Wie talmde zwyge. of vrage een heurl als zanger !
II KT KA M KL KON. I)
„Think otliers sec, as well as ijou."
MKI1R1CK.
Ken Vreemdlinu; wandelde aan de kust.
Waar de asch van \'tgroot Carthago rust:
Kaar kwam een Tweede hem te moet,
Als landsman kenlijk . hij zijn groet.
Men zet zich neer, en \'t lijdt niet lang,
Of \'t reisverhaal is drok te gang :
Kik brengt wilvaardig voor den dag.
Wat raars of schoons hij zwervend zag.
Tot A. begint: „Het koddigst Dier,
Mij ooit hejegend . huisvest hier:
Van maaksel schier een hagedis;
Zijn staart — lang tien duim. naar ik gis;
1) Zie aniit. 07.
Startno, Gedichten.
18
-ocr page 297-
274                                      HET KAMELEON.
De tong voor mug ea vlieg te gaauw ;
En nu de kleur ? — denk ! hemelsblaauw ."\'
„„Blaauw! blaauw!"" smuiltB.....\'k Herken uw Heest;
Maar, Vriend, dat is nooit blaauw geweest.
Men hiet het een Kameleon.
Ik vond het, schuilend voor de zon
In \'t lommer van een dadel bosch ;
Daar kroop het, net zoo groen als \'t mos!" "
..Noch boom, noch struik, een mijl in\'t rond,
Waar ik het mij.nk kruipen vond :
Ginds; aan dien naakten puinhooptop.
Het volle daglicht scheen er op ;
Geen mooglijkheid tot oogbedrog;
En \'t Beest was blaauw; dat zeg ik nog !"
,, ..Groen ! groen ! geloof mij!\'\' " ,,\'k Zeg u blaauw!"
,. ..Groen!\'"\'..Blaauw!\'\'Zoo gaat het; snaauw opsnaauw.
Men stampvoet, blikoogt. vloekt, en zweert:
Be vriendschap was in grim verkeerd !
Als, zie. een Berde Wandlaar kwam.
Bie reeds van ver hun twist vernam !
Zijn woord is: ..Heeren , kiest in mij
Uw Scheidsman ! \'k Hoor tot geen partij.
Bij \'t lamplicht, ving ik . heden nacht.
Het Bier. dat u aan \'t kijven bragt.
En draag \'t. in dit servet geknoopt,
Naar Tunis. of \'t er iemand koopt.
Ik weet naauwkeurig wat ik ving:
Zwart! gitzwart is het leelijk Bing!
Is \'t blaauw . of\' groen , dan sta ik klaar.
Eu eet het op, met huid en haar!"
Uier slaakt hij \'t. en. voor zwart als git.
Vertoont zich \'t arme schepsel WIT! —
-ocr page 298-
<;OI>-SKR.\\PIS K.N DE ROOVEH.                            27\'»
Gèèn sprak er , dan \'t Kameleon ;
■luist van een ras. dat spreken kón\'.
Het sprak : „Goè Lnidjes, hoort hoe \'t is :
Elk had gelijk . en elk had mis!
De kleur, bij dieren van mijn slag.
Verwisselt zesmaal op een dag.
Doch laat mij nu in vrede gaan !
\'k Bied u een raad . als losgeld . aan :
Schijnt andren wat u krom scheen regt.
Heet niemand daadlijk dom of slecht.\'\'
H A N S E N L O ü W.
,,L)e (lekken zijn der Wijzen plaag\'\'
Die waarheid blijkt ons alle daag ;
Maai\' \'t Bijgeloof zorgt. nu en dan. dat (lekken
Zich onderling ten plaag verstrekken.
De Schoorsteenveger Hans , en Louw de Molenaar
Doorkruisten \'s nachts het veld; tien schreden van elkaar:
Allengskens dunt de wolk. die \'t maanlicht kwam bedekken;
Daar wordt Hans Louw, en Louw wordt Hans gewaar!
..Een Spook !" denkt de een ; „De Droes !\'\' denkt de ander;
Het Tweetal, weèrzijds even schrander.
Stond stijl\' op \'t wit en \'t zwart te zien ;
(leen voet dorst, hier noch ginds, bewegen;
Tot, eindlijk aan de kim gestegen.
Hun \'t morgenlicht zijn hulp kwam bièn.
GODSERA PIS EN DE ROOVKH.
NAAR DE ANTHOI.OGII\'.
Door \'t muurgewelf, waarin een Boover sliep.
Klonk God-Serapis stern, die luidvermanend riep:
Onzaalge. berg uw leven!"
18*
-ocr page 299-
27<>                                     OlllSS HKI.A-VAAHT.
Ue ontwaakte vlugt. en \'t welf stort achter hem tot puin!
Der (loden gunst beschut mijn kruin !
Ilenkt de onverlaat; en pas is \'t licht aan de aard\' hergeven
01\' met een offerand knielt hij hij de outers neer.
Op zijn misbruikten dag volgde eindlijk de avond weer —
En nacht, en slaap — als. voor de tweede keer,
Tiet woord van (iod-Serapis werd vernomen:
»(Iij waant dan. booswicht!" klonk het nu
«Ken Godheid, waant irij. zorgt voor u !
.Neen! Iloordetgij mijn stem. en zijtjjeeen dood ontkomen.
Die. plotseling en smartloos. even goed.
Den Brave treilen kon\', zoo was \'t. opdat uw bloed
Aan \'t kruis, dat uij verdient, tnoog stroomen."
O II I N S II E L \\ - V A A R T. I)
IICD-NOORDS0I1E POËZIE, VRIJ VERTAALD.
Odin verhief zich —
De Koning der menschen !
Hij besteeg zijn ros .
En reed naar beneden.
.Naar llela\'s Rurgt;
En llela\'s Wachter.
De Hond sprong hem tegen.
Zijn borst was bebloed;
En hij sperde den muil op.
En baste hem aan.
Afzigtig van zwadder
Was zijn gebit
En Odin verwijlt niet;
En de aarde siddert!
Daar Stygt voor zijne oogen
De Burgtin van Hela.
En hij wendt zich ten opgang.
1) Zie aant. 68.
-ocr page 300-
OIHNS IIEI.A-VAAHT.
Naar Hela\'s poort;
Waar diepbegraven
De Zienster ligt.
En toovergezang.
Dat dooden kan wekken.
Begint hij te zingen.
Naar \'t noorden gekeerd.
En met Runen bezweert hij
De Grafbewoonster.
Tot zij toornend rjjst.
En antwoord murmelt :
»Wie is de .Man.
Die mijn rust kwam stooren !
Ik ken hem niet.
Ik lag zoo lang.
Onder ijs bedolven —
Van vlietenden regen —
Van daanw besproeid.\'\'
Een Zwerver ben ik ;
Eens Krijgsmans Zoon.
Tk kom. en meld u
Wat daarboven geschiedt;
Meld gij mij de dingen
Van Hela\'s Rijk.
Voor wien slaat die Zetel
Van goud bereid ?
Op wien toeft ginder
Dat gouden Ded ?
»Met een schild bedekt.
Wacht hier op Raider
De Honigdrank.
Haast zullen om Balder
De (loden tremen.
-ocr page 301-
278
0II1NS HELA-VAART.
Gedwongen sprak ik,
Kn eisch weèr rust."
Ik weiger u rust!
Ik vraag nog meerder,
Kn hou\' niet op,
Tot ik alles weet:
Wie is \'t die Balder
Van \'t licht berooft ?
.\'t Is Hoder! — Hij is \'t.
Wiens hand zijn Kroeder
Den dood doet smaken!
Die \'t Licht zal ontrooven
Aan Odins Telg.
Gedwongen sprak ik.
Kn eisch weèr rust."
Ik weiger u rust!
Kn vraag nog meerder,
Kn hou\' niet op.
Tot ik alles weet :
Zeg, wie zal Hoder
Zijn daad vergelden.
Kn Balders Moorder
In \'t graf doen storten?
•>In \'t west zal Odin
Ken Zoon uit den schoot
Van Rinda gewinnen,
Die, pas geboren.
De wapens zal grijpen ;
Zijn hand niet zal wasschen
Zijn lokken niet scheelen ;
Tot hij Halders Moorder
In \'t graf doet storten.
Gedwongen sprak ik.
Kn eisch weèr rust."
-ocr page 302-
279
OIII.NS HKI.A-VAART
Ik weiger u rust!
Ik vraag nog meerder,
Kn hou niet op .
Tot ik alles weet :
Wat .Maagden zijn \'t,
Die weenend haar sluijers
Ten hemel zwaaijen ?
Dit vraag ik u nog.
Ker gij rust erlangt.
»<) gij — geen zwerver,
Zoo \'k dwalend vertrouwde! —
(!ij zijt nni.N zelf.
De Koning der menschen!"
En cm — geen Maagd .
Die de toekomst ontraadselt.—
Ueen jonkvrouw zijt ge !
Drie Reuzen hebt gij
Als moeder gezoogd.
»Vlie, Odin ! vlie heen! —
Heroem u , in Asgard .
Dat r.i.1 verkreegt
Wat hier geen Vrager
Na u erlangt.
Tot Lokes woede
Zijn handen breekt,
En de Cioden vallen ! —
Tot de Waereld vergaat,
Eu de .nacht begint."
-ocr page 303-
HET WEEFGEZANG DER WALKYREN. 1)
OUO-NOORDSCHE POËZIE. VKIJ VERTAALD.
\'t Wordt rundurn duister:
Pylwolken hangen
En breiden zich uit.
Onweerverkondend.
liet regent bloed !
Aan lansen hechten
De Keurgodinnen
llela\'s Weh .
Bloedrood van inslag
Randwer ten dood !
De lokken van krijgers,
Die \'t scherp versloeg .
Strekken tot Schering --
Bloedige Spiesen
Den Weefstoel tot Treden.
Een rusting heklcedt
De wevende Zusters.
Haar Spoelen zijn Pijlen ;
Zij slaan met Zwaarden
Het Zegeweh vast.
Ilildur. Hiorthrimul .
Sangrida , Swipul
Kwamen, en weven
Met blanke /.waarden !
Eer het zonlicht daalt.
Worden schilden gekheid .
En pansers doorboord ;
1) Keurgodinnen. Zie aant. 6it.
-ocr page 304-
HET WEEFGKZANG DEB WAI.KYBEN.                    281
En \'t staal vaart neder .
Op klinkende helmen.
»Wij weven , wij weven
De Webbe des Slags!
Dit Zwaard droeg voormaals
Een Koningszoon.
IJlt heen . ijlt heen ,
In de rij der krijgers.
Waar de onzen alreeds
Van \'t strijd vuur gloeijen.
Wij weven , wij weven
De* Webbe des\' Slags !
Gunnur en Gondula, \\)
IJlt! ijlt heen,
Den Koning ter hulpe!-------
Ziet gij haar ijlen ? —
De Koning is reeds
Gedekt met lieur schilden !
Wij weven . wij weven
De Webbe des Slags!
IJlt heen , ijlt heen .
Waar wapens klettren .
En Helden kampen! —•
Wij laten de dood
Den Koning niet treilen :
Over leven en dood
Gaat ons beschik
Het Volk. dat daar zwiert\'
In woest gebergte .
Zal \'t vlakke beheerschen ! —
Verneem , o Koning,
De mare u verkondigd :
0 Ook namen van Keurgodinnen.
-ocr page 305-
HET WKEFGEZAMi DER WALKYREN.
Ken Hits kwam gevlogen;
Uw Vijand sneeft.
Ontroostbaar zitten
De Zonen van Erin,
En plegen rouw.
En \'t Weh is volweven :
Het breede slagveld
Met bloed geverwd.
Maar twist blijft woeden.
Van land tot land;
\'t Is al verschrikking,
Waarheen wij zien!
Bloedige wolken
Vliegen rondom,
liet zwerk is bespat
Met krijgersbloed;
Voorspellend wat nog
Naar ons woord geschiedt.
Nu zingen wij Zusters
Een Zegelied.
Heil zij den Koning !
Ook valle ons Zusteren
Heil te beurt!
En \'t Lied dat wij zongen,
Hat zing, die \'t beluistert,
Gekeerd tot de zijnen.
Den Krijgeren voor."
Zoo zongen de Zusters,
En stegen te ros.
Hoog door de lucht,
Met blikkrende zwaarden
Reden zij heen.
-ocr page 306-
.1. «:. .1. VAN SPEYK.
5 FEI1RUAHI.I 1831.
\'t Noordwesten joeg, bij wilde vlagen,
De golven op de Scheldestad.
Waar \'t Muitgespan te wrokken zat.
Getuchtigd met verdiende .slagen. Il
Waar nog, ten ijzren hurginuur af,
Ken liere Grijsaard 2) wetten gaf.
Toch rustte \'t zwaard! Het Vredeteeken
Siert ginds, als hier, der masten top ;
En vreemde en landzaat trouwt daarop,
Ter haven in tien storm ontweken.
Maar \'t oog gehecht op Neèrlands Vloot,
Wie de ovebkust geen schuilhoek bood.
En daar! door wind en stroom aan \'t gieren.
Scheidt zich een Krijgsbool van \'t getal.
Drijft weg van Vlaandrens hooger wal,
En blijkt door zeil noch roer te stieren ! —
Een leste vlaag — de steven kraakt —
Zij heeft der muitren grond geraakt!
\'t Was Vree; de weg terug stond open ;
Aan rappe manschap faalde \'t niet.
En \'t is van SPEYK die hen gebiedt:
Hun hart wordt van geen vrees bekropen —
1) Het Bombardement van Antwerpen, op den 27sten October 1830.
, \'-) De Luiten. Gener. Dav. Hendr. Baron Chassé, als Bevelhebber
"er Citadel.
-ocr page 307-
28\'f                                    J. C. J. VAN SPEYK.
\'t Vertrouwt op hem, wiens mannlijk woord
Den moed met hoop van redding spoort.
Maar Vreêbestand, noch Regt mag baten,
Waar \'t graauw ten troon geheven zit!
Op werelooze prooi verhit,
Besteeg een schaar van onverlaten
Den bodem die daar worstlend lag.
En dreigt, en schreeuwt: »Haalt neer de Vlag\'"
Men strijkt ze niet !--------Nu wagen \'t handen —
Onwaardig ieders braven druk !
Nu wagen zij \'t, met driesten ruk —
Zij wagen \'t heilige aan te randen !
En woest getier en hoongelach
Verkondt den smaad van Neèrlands Vlag.
Wie wreekt haar? — Zie! zij is gewroken!-------
Van speyk, (lij stral\'tet \'t vuige rot!
Een blik beval uw ziel aan God ;
De Scheepsmijn vlamt; de golven rooken !
De Vijand werd met u verplet ;
En Neèrlands Vlag voor schand gered!------
Stijg! Stijg verheerlijkt! Bij dat dreunen
Eens Donderslags, van oord tot oord
Verbreidend door \'t getergde Noord :
»0p welk een trouw zijn Vorst mag steunen !"
En meldend aan \'t verbijsterd Zuid :
»Waar \'t perk staat, dat zijn hollen stuit!"
Vaar, in triomf\', vaar op ten hoogen;
Getoefd met prijzend wellekom,
Bij Neèrlands digten Krijgerdrom.
U hemelwaart vooruitgetogen !
Wij, onvergeetbre! wijzen hier
Ons laatste kroost op uw lauwrier.
Wij stichten u een Eereteeken,
-ocr page 308-
UK VELDTOCHT TKOKN l>K BELGEM.                    28:>
In de IJstad die r \'t leven gaf.
Aan \'t bruischend Diep. uw statig graf,
Blijft Egmonds Baaklicht van Hem spreken .
Wiens Daad der Vaadren Heldentijd
Ken Spiegel bood in Onzen Strijd.
Waarheen ook Neêrlands stevens zwieren :
Gedragen langs d\'onmeetbren kolk
Volgt hen uw roem! — het verste volk
Staart op naar onze mastbanieren,
Kn leest daar met ontzag uw Naam .
Geschreven door de hand der Kaam.
DK VELDTOGT TEGEN DK BELGEN. Ij
TOT HERINNERING VOOR DE MIJNEN.
OOÜST- EN HERFSTMAAND 1831.
brie Zonen had ik nog . en had er Drie gegeven ,
Mijn Vaderland, voor u ten kamp bereid:
Ach. èènen riep de Dood. eer \'tanker was geheven
Van de oorlogski el . vertrouwd aan zijn beleid !
Kèn. binnen wal en gracht2) door harden pligt gekluisterd;
Op Gelders zoom bij. \'t wachtrental gesteld ;
Zag treurig heen naar \'t Zuid. en daar zijn hoop verduisterd.
Als (niet voor hèm!) het «voorwaarts !\'" klonk door
(\'t veld.
-Maar dij, die. Pallas tempelmuren
"ntvloon , na Leydens trouw vaarwel .
liij \'t llakkren van de legervuren
l\'e lamp vergat der arbeid-cel ;
(\'■ij! Zoon — dien vroeger \'t palmlool\' kranste
\'n ander dan Bellona\'s perk —
\\) Zie aant. 70.
-I Te Nijmegen.
-ocr page 309-
28<>                      1»E VELDTOGT TEGEN l>K BELGEN.
Gelukkig Gij! Een lichtschijn glanste,
Waar gij atondt, door \'t gebroken zwerk.
Hij blonk op \'t pad des roems, ontsloten
Voor Neêrlands jonge krijgerschaar.
Maar dunkt den Belg een straal, geschoten
Uit wolken van verdelging zwaar!
Itlèèk staart hij op Oranjes vanen .
Langs de overschreden grens ontrold :
Vergeefs is \'t, hem ten strijd te manen .
Wien \'teerloos bloed in de aadren stolt!
Hij mikt, in grebbe en struik verscholen ;
Door pijnwoudsdonker sluipt hij aan ;
Doch eischt mèèr schuts: in kelberholen —
Op Brussels daken moet hij staan !
Hieii deinst — hjeb vlugt hij! — Vijl\' paar dagen,
Kn, zie! op wieken van haar moed
Werd Nassaus heerkracht voortgedragen ,
Kn legert aan den Dijlevloed.
Gij óók , mijn Zoon . mogt Hasselts vesten
Als overwinnaar binnengaan;
Gij — \'t oor gekeerd naar \'t starloos westen —
Het dal der Velpe 1) gadeslaan.
Gij hebt ook daar — ook daar gestreden .
Waar \'s Veldheers ros ter aarde zonk ,
Kn. werd uws Konings regt vertreden .
Zijne eek met nieuwen luister blonk.
Ook Gij ! gij zaagt de vaandels zwieren .
Bij Hollands luiden welkomgroet —
Uw schedel ook "met krijgslauwrieren
Getooid door Leydens Maagdenstoet!
1) Tusschen Tienen en Boutersem. Den nacht voor de slag van Leuven-
-ocr page 310-
DICHTREGELS.                                          2*7
O afzu.ns-nacht , vol zwarte zorgen .
Wat kroopt gij traaglijk voor ons heen ! —
Maar nu ! — o blijde weerziens-morgen .
Die \'t ouderlijke dak bescheen !
Verdool ik vaak , met schreiende uogen .
In raadsels, die geen brein ontwart;
Kn klaag . om \'t viertal mij onltogen ;
Nog kent gij vreugd . mijn vaderhart!
1) I C 11 T R K (i K L S. I)
TEN SLOT EENER VOORLEZING BINNEN LOCHEM C1TOBSPROKEN ,
OP EENEN FEE8TELIJKEN OEDENKDAO.
Kn nu, vereerde Schaar, wier heusche gunst bleef luistren
Naar te onbespraakt een tong, de dichtkunst eischl het
(woord :
Zij poogt uwe aandacht met geen woordenpraal te kluisden;
Haar spreken is gebed! ■— Het zij van God verhoord !
Hij plante \'t goede hier; en dal hij. \'t kwade werend.
Den Vaadren wijsheid leen\' — den Zonen volgzaamheid.
Dat hier de Maagd, haar pligt van \'s Moeders voorgaan
(leerend.
Ten kroon strekke aan den Man. die haar ten outer leidt.
Kigt hier, om daaglijksch brood, een blik zich naarden
(hoogen.
De band des bidders zink\'nooit Baauwend in den schoot;
Dan zal de wortel van zijn voorspoed niet verdrongen ;
Dan wast hier klein begin onmerkbaar aan tot groot.
Dan dringt der biirgren tal uit de overvolkte muren.
Kn, bloeijend schoon, omkranst een Jonger Stad hun
(gracht;
Dan ziet, ten bergrug al\', het oog den ploeg besturen,
1) Zie aant. 71.
-ocr page 311-
28*                                     DICHTREGELS.
Waar nu het. eenzaam veld noit op het meetsnoer
(wacht. 1)
(leen toomèlooze Vloei), die clan meer (ooms behoeven. 2)
(\'■een eiïen ITeerbaan faalt, tot (liensl van Weelde en
(Vlijt.
Zoo moge een weidscher I\'eest hel talrijk Nakroost toeven !
Zoo pronk\', naastLochems Vest, de Meerdere 3) onbenjjd!
1)   Woestliggende Gemeentsgrond aan de Stad uelioorend.
2)   Deze en de volgende regels doelen op plaatselijke behoeften.
3)   Deze Meerdere is Zutphen.
,
-ocr page 312-
B R I E V E N. 1)
i.
„o Lover of the desart, hail!
Say , in wltat deep and pathless vale
,
Or on wliat hoary mountam\'s side
—-----------you reside! etc.
II.
Teil me the path , sireet Wand\'rer, teil,
To thy unknown sequester\'d cell
,
Where woodhines cluster ronnd the door,
Where shells and moss o\'erlay the floor ! etc.\'"
Warton\'s Ode to Fancy.
BRIEF, AAN EENEN VRIEND, -2)
IN IIKT MUNSTEBSCHE.
(\'■ij vraagt mij »ol\'ik. eergisteren nacht thuis komende,
nog, zoo mijn voornemen was, aan liet lezen der Kluize-
naars-légenden van uwen Oom den Kanunnik hen begon-
nen ? Of mij die wèl bekwamen, op hetgeen gij mij uit
Veil Weher had medegedeeld? En, eindelijk, of er wat
van mijnen inval geworden is, om. met de noodige vrij-
heid, een dier koolzwarte Vertelsels in nieuwen stijl over
tt\' gieten ?"
Deze vragen kan ik alle drie. meer of min. met ja be-
antwoorden.
Als ik, om hall\'een. onder de Tracht van mijn Legenden-
noek zuchtend, van u scheidde, liep mijn weg onvermijde-
lijk over den grooten Kerkhof\' der Barvoeters. Zulk eene
"ilgeslrektheid, geheel met grafteekens bezaaid . maakt
I) Zie aant. 72.
\'-» Zie aant, 73.
Staring, Gedichten.                                                19
-ocr page 313-
2\'.K)
BBIEF AAS EEN EN VRIE.M).
reeds, op lielderen dag, onder het gewoel der menschen.
eenen zekeren indruk; en nu overzag ik dezelve, bij het
licht der maan. en eene stilte, die mij duidelijk het heen-
en wedergaan van den slinger, ja. zelfs het kraken der zak-
kende gewigten aan het uurwerk liet vernemen; terwijl ik.
enkel oor en oog, op den deurdrempel van den toren zal.
Niets stoorde het diepe zwijgen, dan, voor en nu. hel
ritselend klatergoud van eenen lijkkrans, of een bij nacht
zwervend dier. in het rommelend beenderhuis.
De gezellige lamp straalde niet meer uit de verre wo-
ningen. Slechts enkele glimwormen donkerden, tot vergoe-
ding, hier en ginds tusschen het bilzenkruid, aan den voet
Tan den kerkmuur, liet was aan de zijde, daar wij, voor
drie of vier weken, een praatje maakten, met den zonder-
lingen Doodgraver, wiens geleden tegenspoeden ons zoo
veel belangstelling inboezemden. Ik herinnerde mij weer.
hetgeen hij ons van zijn lot verhaalde: en wat hij ons
verder nog. in uitdrukkingen ver boven zijnen stand, me-
dedeelde; het gesprek, namelijk, dier twee Vrienden, on-
bemerkt door hem aangehoord, terwijl de eene hier. mei
smartelijke aandoening, een graf bezocht.
De schoone Zon . die daagde voor mijn jeugd .
In \'t zoet genot van onvermengde vreugd;
Als nog de Trouw aan mijne zijde ging;
De Liefde mij met zacbten arm omving ;
Die schoone Zon ... wanneer, wanneer
Bestruult haar licht mijn duistre paden weer!
\'k Zie rustloos uit. en vraag de doodsche kim.
Of ook op nieuw dat Heilgesternte klinun\' ?
Of ook de nacht,\'waarin \'t zijn glans verloor.
Ten leste wijk\' voor heldren ochtendgloor?
Vergeefs ! vergeefs ! ach , nimmermeer
Bestraalt het licht mijn duistre paden weer !
Gij . die. met mij , eens treurdet aan dit graf.
De hand des Tijds wischte üwe tranen af;
-ocr page 314-
2tM
IIIIIKI AAN KK.NKN VIIIKMI.
De Blijdschap keerde in uw vergetel liart,
Dat laaf\'nis zucht. en heeling voor zijn smart!
Mij lokt. mij streelt geen Blijdschap meer;
En rust naast haak is al wat ik begeer!
Ik zag , dunkte mij , ter zeilde plaats onzen Man iioü
staan. Zijne taak was afgewerkt; en nu zoughy, in eene
zwaai moedige houding, van zijne spaa gestut, de woorden,
die ik , op HEM denkende , gemaakt heb. Gij kent ze .
naai\' de eerste lezing. Naderhand zijn zij iti s door mij
veranderd :
Graven — rondom graven !
Onder \'t angstig slaven .
Van \'t Verderf bespied !
Armoès zwoegend zweeten;
Armoês wrange beten —
Maar haar zielsvreè niet!
Galmend klokgedommel,
Met het dol\' gerommel
Van een kist vereend !
Waar mijne oogen waren .
Aakliii zwarte baren .
Treurend lijkgesteent\'!
Gindsche groene zoden
Schonk ik lieven dooden :
Ouders . vrouw , en kind !
Wat ik \'t laatste minde.
Ligt aan deze linde :
Ach . een eenig Vrind !
Graven — rondom graven!
Armoès angstig slaven .
En haar zielsvreè niet!
Strijd met duizend nooden ;
Tot ge ook inij . mijn Dooden .
\'t Broederwelkom biedt.
19*
-ocr page 315-
2\'J2                             BRIEF AAN KK.NEN VRIEND.
.No»; was de naklank van de treurige wijs, op deze
woorden gaande, niet volkomen uit mijnen geest geweken,
toen ik op mijne kamer kwam, en den Foliant begon te
doorbladeren.
Koe meer ik las. des te meer wakkerde de lust aan, om
uiijn\' vlugtigen inval metderdaad werkstellig te maken; en,
uit de heelden, mij, door het lezen, en door het beschou-
wen der houtsneèplaatjes, voor den geest gehragt, vormde
zich ongemerkt een samenhangend schilderstuk, dat een
der helden van mijnen schrijver gevoegelijk als hoofd-
figuur kon stofferen. Ik schetste ook onverwijld eene en
andere partij, met ruwe trekken, al\'; gelijk, bij voorbeeld:
De nors, in \'t Lybisch zand,
Ten doel der zon geplant;
Daar , waar geen lente bloeit;
Geen vriendlijk koeltje stoeit;
Maar treurig mos alleen
Verschrompelt aan den steen ,
Wanneer de Wind ontwaakt.
Die uit het zuiden blaakt, 1)
En . met de Dood bevracht,
Des kerneis ijl veracht.
Het hol, waarbinnen \'t licht
Voor tastbaar duister zwicht;
Dat diej), naar \'t hart der aard ,
In bogten nedeivaart;
Waar \'t piepend nachtgespuis,
De vale vledermuis,
Aan wand en hogen kleeft;
De pad haar schuilplaats heeft;
De kille hagedis
Dij d\' ingang wachter is.
1) De Egyptische Kamsin.
-ocr page 316-
IIII IE E AAN EENEN VIIIEMi.                              SJ\'.Ci
.Maar. toen ik nu mijne Kandidaten tot het kluizenaar-
schap begon te monsteren, bragt hetgroote aantal, waaruit
ik te kiezen had. mij in verwarring, en ik begreep eindelijk,
dat de taak minder overijld zou\'dienen aangeval te wor-
den. Nogtans wilde ik van mijne tegenwoordige luim ge-
bruik maken! Ik wendde dezelve, ten koste van wat
slapens, aan. tot het voltooijen van eenen arbeid, dien ik,
sedert lang reeds, op stapel had; te weten: de omwerking
van mijne Balladen ejima e.n adole . en koi.pert van
ahkei. Zij gaan te zamen hierbij. I) (lij zult u daar
mede . voor als nog , moeten vergenoegen.
Onder mijne goede vrienden, tusschen Houten Doller t,
zouden deze stukjes geen\' bijzonderen opgang maken. In
de eerste plaats . omdat wij, door zeer vruchtbare Engel-
sche schrijvers en schrijfsters, van Fransche vertalers
bijgestaan, sinds eenigen tijd. wat al te rijkelijk met prozaï-
sche voortbrengsels zijn voorzien, waarbij het «Alt. ma
Bonne, j\'ai grand •peur!\'\'\'
ons telkens moet invallen; en
ten andere: omdat de Vindex nodi der ongestrafte boos-
heid, in Folpert van Arkel optredende, bij ons niet meerals
een ernstig personaadje wordt geleden, in letterkundige op-
stellen, welke geene, zoomen\'t heet. gewijde stof behan-
delen; en wij denzelven slechts op den kansel hooien noe-
men. Doch, tot u went, schijnt, oost- en zuidwaarts op. het te-
gengestelde leene verhuizing van dien Vindex uit de preek
naar de boeken) plaats te hebben gehad, en, over het
algemeen, het volksvehschiukkelijke, met veel toege-
vendheid, in sommige voortbrengsels der Dichtkunst, van
liet publiek te worden geduld. Vermoedelijk, dat cu dan ook
jinjiie Balladen zult kunnen verduwen.—01\'bedrieg ik mij\'
Zijtgij.als P.,in weerwil van eene zoo lange afwezigheid, uvan
onx\' volk"
gebleven? Zoo ja, dan zijn uwe oogen bestand te-
gen het geflakker van de toortsen derwestersche Wraakgo-
\'linnen, met haar slangenhaar; maar niet tegen de vurige
verschijning van den oosterschen Booze. die. als een Pro-
1) Dezelve komen voor onder de VERHALEN, UI. 20—2o.
-ocr page 317-
-2\\)i
TWEEDE BRIEF.
teus, allerlei gedaanten aanneemt. Gij kuntmetdegrieksche
Heroën, en niet met de onze, uit den Riddertijd, (wel met
ecnen Tbeseus. b. v., maar met geeiieu Bireno) te
regt komen, (lij hebt vrede met eene tooverende Circe—
met den peest van CreOsa — maar niet met eene hek-
sende Lodippe — niet mei tiet s|)ooksel van Colma\'s
Geliefde, He Sirenen zijn hall\' meisje half\' visch voor n,
doch on/.e .Meerminnen slechts vrouwelijke patiënten,
die . met. schaf\'anders aan , het. zeebad gebruiken. Gij
spaart uwe toegevendheid alleen voor de oude verzin-
sels . «elke der Heidenen bijgeloof opsmukten ; welke
het elektrische licht op de scheepsmasten de tegen-
woordigheid van (!oden lieten aankondigen; en gij ont-
zegt den nieuweren dichter. nu en dan ook de stof te
bearbeiden . die hein het bijgeloof van Christenen aan-
biedt ; een licht om de plaats te laten zweven, waar
een misdadige moeder het bewijs van hare schuld in
de aarde verborg, enz. Summa summarum: »Dat ik dan
ook mijne Balladen terug neme?" Ver vandaar! ik blij I\'
dan evenwel mijn woord gestand doen. maar gij stuurt
den plaatsvervanger van Folperts Schenker, met Folpert
/.elven . . . waarheen <*\\\\ wilt. Vaarwel.
17X7
is..
T \\Y E E D E B R 1 E F, I
AAN DENZELFDEN.
Gij hebt het vreesselijk met mij verbrod. Heer frede-
mk ! Aan uwe Zuster te gaan verraden . dat ik mij op
die rampzalige Legenden wil te broejjen zetten! (Gij
ziet. tusschen twee haakjes , dat ik voor onderhand-
sche verstandhouding zorge !) Wat zal de Vrouw wel
van mij denken ! Voor welken naargeestigen suffer en
zwartgalligen boetpreker zal zij mij beginnen aan te zien!
Geloof\' bet toch niet.,
11 Zie annt. 74.
-ocr page 318-
TWEEDE BRIEF.                                        295
MEVROUW !
dat ik, in ernst, de Biograaf meende te worden, van een\'
ot\' anderen Hermilphus. Grimhaldus; of\'wat harder namen
die Bullebakken, met hunne haren rokken en schrik-
verwekkende tuchtgordels. mogen gedragen hebben. Ge-
loof het toch niet. bij alle meer mensehelijke Heiligen !
Ik mag niet ontveinzen, dat de Verhalen, uit den
Foliant van den lieer Kanunnik, meer of min beweging
in mijne sclnïj (\'zenuwen hebben gebragt, en dat ik. binnen
weinige dagen, eene Kluizenaarslegende van eigen opstel
hoop neder te leggen; geenszins in den Doolhof van Frede-
riks Hoeken- en Geweerkamer, op eene der zeven volle
tafels; maar aan uwe voeten. Mevrouw! iu de kleine,
nette Zaal. door uwe bloemen bewierookt, en bestraald
door het afschijnsel der heerlijke .Madonna, te Florence
voor u nageschilderd. Doch, ten einde ü te overtuigen,
hoe weinig kans ik heb, om, voor dien arbeid, met het
llistoiïeschiïjverschap van mijne lieve buren , de Bar-
voeters, vereerd te worden, behoef ik slechts eenen
enkelen trek hier en daar uit mijn gemaakt ontwerp te
ligten . en voorloopig aan U mede te deelen.
Mijn llermiet zal Dié\'go heeten. en zijne Kluis moet
in Andaluzie\' slaan. Zulke namen laten iets goeds ver-
wachten! ja. ik twijfel niet. Mevrouw, of uwe levendige
verbeelding ziet reeds, in Diëgo\'s naam alleen, den
minsternstigen Spanjaard, die ooit zijn\' gluiphoed voor
eene pij kap heeft verwisseld. Jeugdig en schoon als een
Apollo, en met een citer in de hand, welke de plaats
van eenen rozenkrans vervult. En . . . An-da-luzié\'!
t Was immers onmogelijk , dat een plek op de aarde ,
met zulken naam gedoopt, geen Land van belofte wezen
zoude! Maak ook staat, dat ik dit gunstig vooroordeel,
ui mijn Legende, dubbel zal pogen te billijken.
Ik wil den Man een\' boomgaard geven , die Adams
"of, in Miltons Verloren Paradijs, naar de kroon steekt.
Hier zwelt llesperisch ooft;
Dezelfde telg belooft
-ocr page 319-
290                                   TWEEDE BRIEF.
Kn geeft een gouden dragt!
Van tusschen dorens, lacht
Ken blozende (iranaat
De Amandels toe, die \'t glinstrig dons verraadt
Aan zachtgewiegde twijgen.
Daar schuilen, groen in groen, de nederige vijgen.
Het wijnloof. in \'t verschiet, bekleedt der olmen stam.
enz.
Doch, ik heb hem nog meer toegedacht! Ik meen ook
alles, wat voor padde of hagedis kan gelden, en slechts
in eenige betrekking tot dezelve staat, om uwent wille,
Mevrouw, uit zijn erf te verbannen. Het Giftlooze Guern-
sey zoude u geen veiliger wandelingen kunnen opleveren,
dan ik voorheb hem te schenken.
De woning durf ik. om het costume, niet wel anders.
dan in een\' klipsteen aanleggen; maar ik wil deze klip op
eenen kleinen heuvel, te midden van een helder water,
zetten. Voorts houw ik dezelve, in plaats van uit die
treurige, graauwe platen, die ons te Spa zoo mishaagden.
uit eene zuiverwitte of schoongeaderde kalkrots; en eene
brug van keijen, hoven \'t water opstekend, zal er henen
leiden. Ook wil ik de ruimte binnen de rots geen Hol.
maai\' een Grot genoemd hebben ! [Haar ingang is met
welig klimop bezoomd. Voor een zijdelingsche opening
wiegt het koeltje de bloeijende struiken, en spreidt hun-
nen lentegeur door de ruimte daar binnen. Ken vloer-
tapijt van donzig mos bekleedt den grond. Doven wemelt
de zonneglans. dien de rimpelende plas terugkaatst.
Als Diëgo zijne woning in bezit komt nemen,
Verschijnt, om hem met zang te ontvangen
De zwaluw, uit haar nestje, aan \'t welfsel opgehangen.] I
4) De tusschen [] gestelde proza- en dichtregels zijn door S. In de plaats
gesteld voor de volgende schoone verzen in de vroegere uitgaven :
Een vloer van donzig mos; de doorgang wild gesierd
Met geitenblad; het veil, dat aan de wanden zwiert,
En, in een spelend licht, gebroken op de phisgen,
-ocr page 320-
5>!>7
TWEEDE BRIEF.
Ook \'t nijvrc bijenvolk. dat buiten in den steen
Zijn schuilplaats heelt, komt op en dwarrelt om hem heen.
Haar vrolijk brommen heet hem welkom in zijn woning,
En noodt hem op \'t geregt van verschgegaarden honing.
Zóó veel van het verblijf, dat de Kluizenaar heelt te
«achten.\' En begeert trij. Mevrouw, om. ook. bij voor-
raad, iets van den naasten omtrek te weten? Volgen wij
dan den Waterloop, die met de kom samenhangt, waar-
mee het kleine Lampeduze van onzen Vriend omgeven is !
Nu baant zich \'t Nat
Keu hcimlijk pad .
En tjilpt en fluistert.
In bloem en blad
Voor \'t oog- verduisterd.
Nu dartelt vrij.
Op gouden zanden .
He stroom voorbij.
Hij .schuurt zijn randen
Allengskens uit.
Kn sleept den buit
Van kleiner vlieten
(ieweldig voort;
En golven schieten .
Van ver gehoord .
Langs \'t rotsig boord.
Nu vangt een dal
Hen Waterval.
Een srlinstrend kleed
Met heller veiwe blinkt: \'t lacht al, bij \'t zoetst verrussclien,
Den moeden Pelgrim toe ! Een zwaluw, die aan \'t rond
Van \'t hoog gewelf haar vredig nest verbond,
Ontglipt haar kroost, om op een groene rank te springen,
En haren Gastvriend blij haar groete toetezingen.
Aant. van den Uitg.
-ocr page 321-
1>1)8
TWEEDE BRIEF.
Ligt stil verbreed ,
In \'t nieuwe perk.
Het loofgewemel ,
Het bonte zwerk ,
Ite blaauwe hemel,
Zien .statig neer
O]» \'tellen Meer.
Wat nu de bezigheden van mijnen Kluizenaar aanbe-
treft: deze mag hij, in de bewerking van zijn\' tuingrond,
naar genoegen zoeken. Ik laat het arbeiden, zoo wel als
de ave\'s en het vleeschdooden, zijner bescheidenheid
over. .Maar neemt bij. tot tijdverdrijf, zijne citer op, dan
zal ik mijnen invloed weten te gebruiken; want bij diende
ons geene te droefgeestige litaniën daarbij aan te heffen.
Eischt de afwisseling, nu en dan. wat treurigs, dan zij
het iets. gelijk het »\\Vreedgeseheiden" van feitii . of
bei.i.amijs »llier ligt mijn llamon ;" en eer hij liet te
lang maakt, komt een vriendelijk duifje, niede\'inwoonstei\'
van de gastvrije klip. hein op de knieën zitten; vervolgt,
al |)ikkend. zijne vingers langs de snaren ;
En stremt, met schuldloos spel. zijn tranen en zijn lied.
Tegen \'t «bang vervelen" zal Diëgo een ruimen voor-
raad herinneringen uit de waereld medenemen. Men kan.
naar de stof van zijne ernstige zangen, berekenen . tot
welk eene klasse zij het meest behooren zullen.
Hoe was ook, op zijne jaren, met zijn voorkomen,
eene aantrekking te vermijden geweest, welke door de
geheele ruimte der schepping werkt, en zelfs het wildste
gedierte haren invloed laat getuigen.
Per Leeuwen muil. in Barea\'s zanden.
Leert gij. o Liefde , dolle klagt!
Door u ontwaakt, met zachter zinnen .
De Beer uit Uslands winternacht!
Uw lokstem roept van de alpentoppen ,
-ocr page 322-
299
TWKEIIK RHIKF.
En de Aadler volgt in \'t /.werk zijn gaa !
De Zeewolf bruischt, door u gedreven.
Zijn weèrhelft in den afgrond na !
Of waarom moest een gevoel hem onbekend gebleven
zijn, dat. in ons veredeld, zoo veel schoons, zoo veel
wonders baart? Alles toch vermag de Genius der Liefde!
-------— Hij zendt zijn koestrend licht.
En bloemen spruiten op , in \'t kleumde brein
Des Rendiermenners. Zijnen beker dankt
De Zwakheid krachten . dat haar willige arm
Den last van bergen torscht Met hem braveert
Een teedre maagd de golven ; zij beklimt
Der rotsen top met hem . en \'t nachtgehuil
Der wouden hoort zij niet! Sta ver. o Roem !
Sta ver. met uw bedwelming. Heerschappij!
De Liefde wenkt, en Alexander ijlt
Zijn zcgewagen vol verlangen al\'!
De hand des Halfgods voert het zwaard niet meer;
Zij streelt een elpen hals.
Dat is, (met Vader Maerlant, eenvoudig en kort. in
vijfhonderdjarig rijm , gezegd)
Alrehande edel fruut
roemt van minnen vut en vut,
die novt dorper en kinde. I)
En gesteld, dat onze jeugdige Pachomius . dooi\' het
lokaas van zijn herinneringen werd verleid ; — dat hij
allengs weer naar de booze waereld terug getogen werd!
\'■esteld, dat zidks gebeurde, hoe fraai wij zijne woning
inogten opgeschikt hebben; hoe rijkelijk zijn hof door ons
van vruchten voorzien, en uüt sprak van zelf!) zijne
Waterkom, voor de vasten, met forellen als Zalmen
ware bevolkt geworden! Gesteld, dat hij, in een aan-
ll Het Zutphensclie Handschr. Fol. 207.
-ocr page 323-
300
TWEEDE IIII1EK.
val van gezelligheid, zijne rol vergat, en op een\' goeden
dag begon uit te roepen:
Ken luien, voor de vreugd geschapen.
Is. ongedeeld, een woestenij !
Geen nood ! laat hij het roepen, en zijne plunje ten
al\'togt in gereedheid brengen. Hij behoeft toch met geen
grooter kracht van geest te pronken, dan bij een\' en ander\'
Vorst is waargenomen: vrijwillig stapten zij van hunne
verheven zetels, maar vonden weldra de leuningstoelen
op gelijken grond min gemakkelijk, en zagen naar de
hooger staande met een oog vol spijt terug.
Kortom: wij houden den rijken schat van \'s Kluize-
naars geheugen voor geene sluikwaar, en zijn onbezorgd
over de gevolgen. Ja; wat meer is! de Vizioenen ; bij
zijne professie niet te ontberen, en waarvan wij hein.
in den slaap ten minste, belmoren te voorzien; deze
Vizioenen, zeg ik, zullen, zoo weinig mogelijk, zweemen.
naai\' de hersenschimmen van wijlen zijne dikbloedige
voorgangers, in de Thebaïsche Wildernis. Het zullen
Verschijningen zijn. ten naaste bij als die der eerste
helft van Huons Droom, in Wielands Oberon: eene
Cecilia ....
Vergun mij hier, mevrouw, dat ik weder tot uwen
Heei\' Broeder terugkeere; van wien ik niet als onvriend
scheiden mag!
Bene (lecilia,
KltlTS,
bij den klank van engelenharpen extatisch verrukt...-
Neen! — Liever de wreede Belisa; die wij. in der haast,
aannemen, zijne jongste liefde te zijn geweest, en hem
tot eenen Tweeden Rijnoud I) gemaakt te hebben ! —
Zij is. op haiie beurt, zoo goed als Ada. verteederd.
1) Zie de Ballade Ada en Rijnoud.
-ocr page 324-
301
TWEEDE BKIEK.
en gaat, als /.ij. mede op het zoeken van haren lialling
uit. Doch harnas en lans zijn, hij onze Dofia. een korte
mantel, met schelpen bezet, en een lange staf, «aaraan
een kalabasllesch hangt.
Dus uitgerust, begint zij de reis. San Iago. in Galicië,
is het voorgewende doel van haren togt; maar weldra
is zij niet ver meer van San Dié\'go I), in Andaluzië.
De laatste dagstraal verwt ten top
Der klippen; de dartele mug danst uit haarschuilhoek op;
De zangers in \'t geboomt verstommen ;
De kever snort in \'t rond; de logge vlinders brommen;
en haar Minnaar heelt, bij gebrek van vlugger afgezant,
juist eenen van de laatstgenoemde gasten een Spaansch-
galante boodschap aan zijne Onverbiddelijke toebetrouwd.
»Di" zuchtte hij... ja! het mooi van Queredo zon\'
dooi\' mijne, naar de lamp ruikende, vertolking te looi\'
gaan ! Zie eens wat gij er zeil\', met Sobrino\'s 2 hulp,
van kunt maken ; en laat dit Pensum de straf zijn van
uw klappen. Ik bepaal het, uit genade, tot vier regels.
»l)i, que vive entre las penas,
porque en lo duro la imitan ;
y que por esso las besa
mas veces que otros las pisan."
Dus verzuchtte hij; en wat wil \'t geval! De Beêraarts-
gangster, hem zoo nabij niet vermoedende, is. op geen
vier treden afstands. bezig, om een klein toilet te maken,
aan de Deek, langs welker oever ik de eer heb gehad,
«>rn Mevrouw uw Zuster een\' arm te mogen bieden. De
verrassching bij \'thooren van zijne stem; — misschien
<>ok het hartverbrijzelende van Diè\'go\'s uitboezeming.
legen zijnen gevleugelden estafttte! vermeestert de
\'• In het spaansch beteekent Diëgo, zoo wel als Iago, JücoIi.
\'-) Een Woordenboek.
-ocr page 325-
302
TWEEDE BRIEF.
zinnen van het arme Kind; doch de uitroep, haar, bij
het nederzijgen, ontsnapt, doet Vriend Diëgotoeschieten!
Hij ziet zijne Helisa !
Het maagdlijk schoon, waaraan de slnijer faalt,
Een zilvren wolk gelijk, door Phebe\'s licht bestraald;
Het jeugdig hoofd, op eenen arm gebogen.
Die in haar vlechten schuilt; de zacht geloken oogen;
En nu die lach. die \'t keerend leven meldt;
Dat rozenbloed. dat langzaam weer in de aaien zwelt.
En tusschen wintersneeuw de lente doet ontluiken!
Drooms genoeg, om den Kluizenaar, ook eens builen
toedoen van zijne muggen, wakker te maken! «eiihein
dadelijk zijne valies te laten pakken" hoor ik u mom-
pelen. Wel nu! hij weet. dat de weg langs zijne keibrug
open ligt! Doch verkiest hij af te trekken . zoo begeer
ik zijn huisbewaarder niet te zijn. en maak mij bij tijds
uit het voetzand.
Vaarwel! enz.
1787.
18—,
-ocr page 326-
KERKGEZANGEN. 1)
»£»e insteller van onzen heiligstcn godsdienst heeft — de Itcmelsche
vreugde ook onder zulke beelden voorgesteld, waarin de muzyk geen ge-
ringe plaats bekleedt, en waarom zonden wij dan ook deze kunst in
al hare krachten aan den godsdienst hier op aarde niet toewijden?*
Van Alphkn.
OPDRAGT DER KERKGEZANGEN,
AAN
Wl.NA.NHA MATHILDE .
CAROLINE SOIMIIA .
HÜCO KAREL .
MALH1TS ETERARI) HUGO ,
WINAMl CAREL HÜCO .
CHAIILOTTE KVEIUMNA WINANHA .
WILLEM CONSTANTUN ARNOLII .
MIJNE LIEVE KINDEREN.
(Geschreven in Sprokkelmaand 1819.)
Mijn zevental; (zoo lang geen achtste Pand 2
De Kroon siert, die uw moeders hoofd omspant;
Zoo lang geen Nieuwe Zorg het Hart belast .
Aan \'t uwe en \'t mijn met duhble snoeren vast)
Mijn zevental, ik wij\' u deze Blaan !
Moos\' hier. na mij. dit Liefdeteeken staan.
Verdorr\' mijn Krans, maar spreke nog dit Woord
Uw Grijsheid toe. en zij \'t van God verhoord !
»Goi> hlijve uw schild ! Uw paden rigte Hij .
»Het dreigend en het lokkend Kwaad voorbij.
1)    Zie aant 75
2)    Constantia ehnestine THEODOaA, aan ons gegeven den twee-
den April 1819.
-ocr page 327-
30i                                      JEZUS GEBOORTE.
»Hij veste uw oog, door \'s waerelds neevlen heen ,
»Op \'t eindperk, dat, na \'t scheiden, ons hereen\'.
»Is ii geen Hooge Staat, geen Weeld\' bereid.
»Zijn Vaderhand geve u Genoegzaamheid.
»Zij geve u rust na zwoegen ; kalmte in leed ;
»En. prangt de Nood, een Vriend tot hulp gereed,
»Zij schenke, uit al het aardsche, ii \'t lieste Goed:
»Eess de oudervreugd, die gij mij smaken doet!"
KERKGEZANG.
VOOR HET
FEEST VAN JEZUS GEBOORTE.
nxGKo o ii.
I.
Jezus kwam als Mensch op aarde:
Menschdom , \'t is uw schoonste Feest!
(lij Geringen, kent uw waarde:
Armoede is zijn deel geweest!
Kindren . juicht met ons te zaam :
Die u liet\' had , droeg ook uwen naam !
II.
Judea slaapt; der Wijzen oog alleen
Ontwaart de ster. die aan de kim verscheen.
Door Bethlehem weergalmt een hemelsch lied;
Judea slaapt, en hoort de zangen niet.
\'t Is zegepraal — \'t is waereldsche opperinagt
Wat Israël van zijn Messias wacht!
Hij komt; maar, ach, het ijdel zelfbedrog
Vindt Jezus Kribbe, en zoekt den Heiland nog!
-ocr page 328-
305
JEZUS GEBOORTE.
\'t Voorspelde aan .Abraham zien wij vervuld !
Geen waan , die ons met twijflings nacht omhult!
Een Christenschaar knielt naast de Herders neer:
"Maria\'s Zoon is Gods Zoon, onze Heer!\'\'
III.
Ja , Christnen . y.inge ook uwe stem
Den Lofzang . boven Hethlehem
De wolken uitgedrongen !
Al straalt Gods licht het zwerk niet door,
Gelijk het straalde . om \'t heilig koor,
Toen duizend Englen zongen ;
Hij schenkt toch Bethlems Lied gehoor!
Zingt! Prijst, met dankbre tongen!
GEMEENTE.
IV.
(Evangel. gez. Nr. 117.)
Halleluja! looft den Heer!
Hoogste heemleu geel\'t Hem eer!
Halleluja! loof Hem . aard!
God geel\'t zijnen Zoon aan d\'aard ;
God heeft in den mensch behagen.
Vrede op aarde , Jezus leeft!
Alles loov\' wat adem heeft:
God heeft in den mensch behagen.
(E E R S T E li L\' S T.)
ZANGKOOR.
V.
Zoon des Menschen . vreugde en vree
Hragt u komst den volken meê.
\'t Juk der Wet zoudt r.u verbreken;
Licht voor onzen voet ontsteken;
Staring, Gedichten.
•20
-ocr page 329-
306
JEZUS GEBOORTE.
Eenen band van broedermin
Strenglen om heel \'t aardsch gezin.
In uw wandel , vrij van smet.
Werd een voorbeeld ons gezet;
Door uw Leer een God verkondigd —
Eindloos goed. waar zwakheid zondigt —
Liefde, ontferming zonder peil —
Aller hoop . en aller heil!
Telg van Juda , zaligheid
Was uw Moeder toebereid !
Moest een zwaerd haar ziel doorsnijden ;
.lesse\'s Dogter kent geen lijden ,
Als haar Zoon — haar Zoon herleeft!
Als de Leeuw verwonnen heeft!
VI.
Voor ons zal ook een dag van blijdschap gloren!
Wij zullen eens des Vaders Uitverkoren.
In \'t stof der needrigheid met ons geboren .
Op \'s hemels wolken zien !
Hem, die. gekweekt in Armoês schaamle woning.
Versmading oogstte, en smart, voordeugdsbelooning-
Hem zullen wij — ja. Hem ! der eeuwen Koning!
Als de Englen hulde bièn !
(JKMEKNTE.
VIL
(Evangel. gez. Nr. 18!). vs. (>.)
Die hoop moet al ons leed verzachten.
Komt, reisgenooten . \'t hoofd omhoog !
Voor hen, die \'t heil des Heeren wachten .
Zijn bergen vlak . en zeeën droog!
0 zaligheid , niet aftemeten !
-ocr page 330-
M)7
JE/CS (ll\'.IIOOHTK.
0 vreugd, die alle smart verbant!
Daar is de vreemdlingschap vergeten .
En wij . wij /.ijii in \'t Vaderland.
(t w e e i) k ït v s t.)
ZANGKOOR.
VIII.
Gij Feest, gevierd door \'t juichend Christendom;
(!ij Feest van Bethlems Nacht!
(ïij Lied. des Danks. die naar den hemel klom .
Voor \'t Heil ons toegebragt!
Bind gij eens \'s waerelds volken saam;
Van op- tot ondergang!
Zij Jezus Komst. en Jezus Naam
Eens aller Feestgezang!
\\)e ster gelijk . die . boven Ephrata .
Ten Wonderteekeu stond .
Blink\' Waarheids glans, dat ieder tot Hem ga,
En luistre naar zijn mond.
Dat, wie daar twijfelt, koine en zie.
En spreke: »iw juk is zacht!\'\'
Dat Liefde als hoogste wet gebiè ,
Rij Adams Nageslacht.
Daal zoo de (ieest op al uw Kindren neer .
0 Vader! wek dat licht! —
Voltooi uw werk; ontsluit elks oor. o lieer,
En open elks gezigt! —
Roepe een altaar de Volken saam;
Van op- tot ondergang !
Zij Jezus Komst, en Jezus Naam
Het GROOTE FEESTGEZANG !
20 *
-ocr page 331-
KERKGEZANG,
VOOR HET
EEEST VAN JEZUS OPSTANDING.
ZANGKOOR.
I.
Schoon ii *t gezang hkii heemeen pryz\' —
Ons aardsub in zonde en zwakheid rij/.\' —
Versmaad, o God , het offer niet.
En heilig door nw (leest ons Lied.
II.
Jezus Schaar , in \'t Stof gezeten ;
\'t Hart van jammer opgereten ;
Klaagt het Lijk des Heeren na,
Haar het rust. bij liolgotha;
Ziet van nieuws den nacht verzwonden ;
En geen balsem zalft haar wonden.
GEMEENTE.
III.
(Evangel. gez. N\'. 24 , vs. 1.1
Als de nacht van bange zorgen
\'t Uitzigt uwer hoop bedekt.
Als de lichtstraal van den morgen
Ons uit dezen nacht van zorgen
Slechts tot nieuwe zorgen wekt:
Ach! wie geeft dan nog voor menschen
Troost in zulk een bitter lot?
Ja. aan d\'eindpaal uwer wenschen ,
Christen! staat er hulp voor menschen.
Staat uw Vader en uw God.
ZANGKOOR.
IV.
Hoopt! gij die hem sterven zaagt;
Die zijn Lijk in \'t Graf zaagt dalen:
-ocr page 332-
JEZUS OPSTANDING.                                       3011
\'s Vaders woord, noch \'t zijn , zal talen!
Hoopt! De Derde Morgen daagt!
V.
(iods Engel komt! Een stralengloed
Omschijnt de rotsspelonk ;
Het aardrijk beel\'t, dat Jezus bloed —
Het bloed der Onschuld dronk !
Ite grafsteen wijkt voor Hemelkracht;
De bleeke wachters vliên.
Daar rijst hij . uit der dooden nacht.
Die geen verderf zou\' zien !
Triomf! bij won de zegekroon;
Hij heeft den Dood vermand !
Haast praalt. in \'t eeuwig licht, de zoon ,
Aan \'s vaders regterhand !
ik E ït s t E it r s t.)
ZANGKOOR.
VI.
Des Heeren voet, doorboord bij \'t sinadig lijden.
Verlaat het graf. het eindperk van zijn strijden.
En om hem juicht de morgenstond.
De nevel slinkt; hij ziel den Kruisberg glimmen ;
Waar nu geen smart, geen wreevle haat meer grimmen;
Waar kalmte heerscht, en vrede in \'t rond.
Hoe zou\' hem daar — hoe zou\', met feestgezangen,
\'t Verzameld Koor der Englen hem ontvangen .
Die \'t Rijk des Afgionds zwichten deed!
Maar toevend slaat de Helper Vol (ienade
Haar. die hem zoekt. in heur bedruktheid. gade .
En stilt met blijden troost beur leed.
-ocr page 333-
310                                     JEZUS OPSTANDING.
vn.
Kent Magdaleen\' — ivoor allen nitgekoren,
Dat zij van \'t Wonder tuignis gaf!)
Kent Magdaleen\', in droeven rouw verloren.
De stem niet, die daar vraagt bij \'t Graf:
«Maria !" spreekt Hij zacht; zij kent hein weder;
Daar boezem voedt geen twijfel meer!
Zij valt ontroerd aan Jezus knieën neder.
Staart op , en noemt hem haren Heer!
VDI
Al zwijgt voor ons die Lieldetoon .
Wanneer wij twijflend sagen;
Zijn oog blijft, van den eeretroon,
Op Adams Kroost geslagen.
Mij toeft de Zijnen , ongezien ,
Nabij de Doodsspelonken:
Daar zal hij ons het Leven biên; —
\'t Is ons, in Hem . geschonken.
Moog\' de aardbol wentlen uit zijn baan;
Die hem volgt, zal niet dwalen!
Moge aller zonnen glans vergaan;
Ons Licht zal eeuwig stralen!
GEMEENTE.
IX.
(Evangel. gez. Nl\'. 137 , vs. ;i.)
Jezus leeft, dit is gewis ;
Waar ons pad ook heen moog leiden;
Zelfs geen magt der duisternis.
Niets zal ons van Jezus scheiden:
\'t Steunen op zijn mogendheên ,
Dit is onze troost alleen.
-ocr page 334-
JEZUS OPSTANDING.                                     Mi
(T W E E II E It II S T.)
ZANGKOOR.
X.
Hoe wordt een treurend hart bewogen,
O Jongren, als \'t uw vreugd gedenkt!
Hij staat verrezen voor uwe oogen,
Wiens liefde boven bidden schenkt!
De Mond der Waarheid laaide niet;
\'t Is Jezus, dien gij wederziet.
Wat heil, de Dierbren weer te aanschouwen
De Dierbren, ons vooruitgegaan,
Waarop, in weêrspoed, ons vertrouwen ,
Gelijk in voorspoed, vast mogt staan!
Wier danklied mede in \'t onze klonk;
Wier wijsheid ons ten leidstar blonk !
GEMEENTE.
XI.
(Evangl. gez. N\'\\ 182. vs. 4.)
Vrome, vroeggestorven vrinden!
Slechts zijt gij mij wat vooruit;
\'k Zal u allen wedervinden ,
Als ons Jezus \'t graf ontsluit;
Eerlang zal ik met u rusten ,
\'k Rijp al vast voor d\'eeuwigheid.
\'k Staar vast op die blijde kusten,
Daar mij \'t hoogst geluk verbeidt.
ZANGKOOR.
XII.
Kroont eens eindloos heil daarboven
\'t Moedig strijden — \'t vast gelooven; —
Toeft ons eindloos heil daarboven,
-ocr page 335-
312
JEZUS IIEMKLVAAItT.
Hier op aarde, iu hoop verbeid.
Is \'t, bij voorsmaak, zaligheid !
Stijg\' dan \'t Feestlied aller volken !
Uit de wolken
Galme weer:
Roem en dank zij onzen lieer!
Halleluja! <!od\' zij eer!
GEMEENTE ES ZANGKOOR.
XIII.
Ja! het klinke uit hart en mond!
\'t Lied van Aarde en Hemel stijge !
Hel\' het aan, gij Uchtendstond!
Dat geene Avendscheemring zwijge!
Juich, o Nacht, den Dag te moet:
fiod zij eere! God is goed!
KERKGEZANG,
VOOII HET
FEEST VAN JEZUS HEMELVAART.
GEMEENTE.
I.
(Evangel. gez. N1\'. 1i(i. vs. 1.)
Triomf, Halleluja! triomf!
Ja, tot in eeuwigheid triomf!
O glorie aller dagen !
Halleluja ! Halleluja !
Wij staan niet meer op Golgotha.
-ocr page 336-
313
.JEZUS HKMKI.VAAItT.
Maar hij den zegewagen.
Die onzen Vorst, met blij geschal,
Door lucht en wolken voeren zal.
Ver boven duizend zonnen.
Om, ons tot heil, voor God te staan.
En zijnen vrienden voor te gaan.
Die hier den strijd begonnen.
ZANGKOOR.
II.
Den kelk der smart had Jezus uitgedronken ;
Verraad omgaf hem. in den nacht;
Met smaad bedekt werd hij aan \'t kruis geklonken;
Hij neigde \'t hoofd, en \'t was volbragt!
Zoo klom zijn baan door rotsen op ten hoogen!
Niet lang behield de Dood haar b)it:
De ontslaapne rijst; hij zweeft, voor aller oogen,
Den grenskring van \'t verganklijke uit!
GEMEEKTE.
III.
(Evangel. gez. N\'\'. \\ \'«-3. vs. 1.)
Aarde, zucht niet meer.
Kom den hemel nader.
Zing uws Redders eer:
Hij. de Vorst der aard.
Jezus Christus vaart
Tot zijn\' God. zijn\' Vader.
(eerste n u s t.)
ZANGKOOR.
IV.
Gods paleis ontsluit zijn deuren ;
\'t Voorhof zendt zijn wierookgeuren.
-ocr page 337-
[4
JEZl\'8 HEMELVAART.
Bij der englcn vreugdegroet,
Hein, die stierf en leeft, te moet.
Talloos vloeit de schaar hem tegen ;
Heilig palmloof dekt zijn wegen ;
Beurtlings dreunt bazuingeschal —
Trill de harp , in Salems wal.
Ziet, hij nadert! Starend knielen
Serafs, Cherubs, Mensohenzielen ;
Harpklank en bazuingalm zwijgt.
Daar hij Sions kruin bestijgt!
"s Ileeren buigt verheft zijn tinnen;
Hij, die stierf en leeft, gaat binnen;
Op zijn paden stroomt het licht
Van zijns Vaders aangezigt \'
GEMEENTE.
V.
(Evangel. gez. N1\'. Ii;>. vs ±)
Des hemels Heer, des Menschen Zoon
Stijgt in triomf op \'s Vaders Troon,
Nu juichen alle Troonen :
»llij komt, de Heer der heerlijkheid!
Hij komt, bekleed met majesteit,
Om eeuwig hier te wonen !"
ZANGKOOR.
VI.
Hoe drong die juichtoon door de wolken !
Nog kaatst zijn galm op aaide weer;
Maar \'t lofgezang van \'s waerelds volken
(leeft Jezus als verlosser eer!
-ocr page 338-
:m
JEZUS HEMELVAART.
Het Jlenschdom durft hein droedeu heeten,
\\1 volgde \'t luistrend zwerk zijn stem:
Toen \'t. hoven hem . werd opgereten,
En dienstbaar neerboog. onder hem.
Ja , \'t Menschdom durft u hiiokhkm heeten ,
(lij Vorst van \'t rijk der zaligheid !
Nabij den stoel . door n bezeten,
Heelt ons uw liefde een plaats bereid.
GEMEENTE.
VII.
(Evang. gez. Nr. 143. vs. 7 en K.)
Schoon geen oog hem ziet
(Wat zou\' \'t zien hier baten!)
Hij vergeet mij niet.
Schoon \'k zijn bijzijn mis.
Voor den Godmensch is
\'t Heengaan geen verlaten.
Ueed hij aan het kruis
Ons zijn liefde blijken .
In zijns Vaders huis,
Waar hij \'t heil voltooit,
Zal zijn liefde nooit,
Nooit weer van ons wijken.
(t w e e ii E n i st.)
ZANGKOOR.
vin.
Poogt Hem een lied te danken,
Wiens gunst den Redder zond;
-ocr page 339-
316                                     JEZIS HEMELVAAHT.
Te zwak zijn onze klanken .
En te onrein hart en mond.
Doch wijdt uw Naam de toonen ,
Gij , die in \'t stof kwaamt wonen,
Zoo schenkt des Vaders oor
Het prijzend lied gehoor.
Laat dan een lied hem danken .
Wiens gunst den Redder zond;
Al Haauwen ook de klanken ;
Al reilen hart en mond.
Laat blijvereende wijzen
Des Vaders goedheid prijzen ;
En aller stemmen koor
Klimm\' l\'eestlijk tot zijn oor!
GEMEENTE.
IX.
(Kvaiigel. gez. Xr. 4. vs. 1, 7 en 8.)
De Heer is God, en niemand meer!
Verheerlijkt hem . gij Vromen !
Wie is, als aller scheps\'len Heer,
Zoo heerlijk , zoo volkomen ?
Ue Heer is groot, zijn naam is groot,
De luister zijner deugden groot,
Oneindig groot zijn wezen.
Gij zijt regtvaardig . heilig . goed ;
Bij reinen wilt gij wonen.
Hem, die uw\' wil met vreugde doet,
Zult g\' ook met vreugde kroonen.
Gij hebt d\' onsterflijkheid alleen.
Hoogst zalig zijt g\'in eeuwigheên,
O rijke Bron van vreugde!
-ocr page 340-
JEZUS HEMELVAART.                                    317
Of zou\' de gloed dier majesteit
Mij zondaar ook verteren ?
Neen ! nu \'t geloof uw heerlijkheid
In Christus mag vereeren ,
Nu klimt mijn lied: De Heer is groot!
De Heer is onuitspreek\'lijk groot!
Oneindig groot in liefde !
-ocr page 341-
ZANGSTUKKEN. 1)
» Wer hebt das Herz , wie du, Harmonia -
Wer r\'ührt das Her: , wie du —"
Ebeling.
A R I A D N Iv
De koningsdogter neigt het hool\'d;
Zij sluimert in , van smart verdoold ,
Op \'t zand aan Naxos kust;
Maar ach , een droom hernieuwt, te wreed .
De l\'oltring van \'t gedragen leed ,
En gunt haar ziel geen rust!
Verbeelding sleept haar weg; zij hijgt nog eens.
Door \'t wilde diep der wouden, Theseus na;
Hangt luistrend over iedre steilte; roept
In alle bergspelonken «Theseus! Theseus! —
Ontschaakte uwe afgunst mij mijn Bruidegom ,
0 Nimfen? Trol\' een zwijn, met scherpen tand.
Des Jagers zij\' ? Verkortte een slangenbeet
Zijn jeugdig leven?" Argwaan, jammer, wanhoop
Doorvlijmen beurtlings haar den boezem ; drijven
Haar aainloos voort naar \'t meer. Zij ijlt het langs;
Den rotshoek om; en ziet; en staart; en ziet. . .
Een deinzend schip! — De Trouwelooze . . . vliedt!
Dat. wie daar vlood (de Trouwelooze !), beve!
De Man. wiens trots den pligt te onroemlijk vond -~
Den pligt des danks, waaraan een Maagd hem bond
la, siddre hij. dat hem \'t geluk begeve.
Die Menschlijkheids en Liefdes wetten schond.
1) Zie aant. 76.
-ocr page 342-
319
AHMDNE.
Zou\' hem eens Vaders welkom beiden;
Een Feestrei zingend tegengaan;
En hier, van \'t gansch heelal gescheiden ,
Zijn Redster zelfs een graf ontstaan ?
iNeen , Theseus , neen ! De star zal tanen .
Die gunstrijk neerzag op uw vaart ;
Maar \'t loon voor Ariadne\'s tranen
Heelt haar een God . een God ! gespaard.
Hij nadert onveuzeld ,
Des Hemels Lust, de sterke Held.
Die Rhetus wreevle schaar kon stuiten;
Die tucht en wet aan \'t ruw geslacht,
0 Indus . op uwe oevers bragt.
Kn naast uw rieten graan deed spruiten.
Hoe lacht zijn vriendlijk oog! hoe glanst
Zijn aangezigt van onverwelkbre jeugd ! —
Zijn linke draagt de spies met veil bekranst;
Zijn regie houdt de schaal der vreugd.
Hulpzaam liet het Paphisch Wicht
Vocht uit Lethe . van zijn schicht.
Di den Wijnteug droppen.
Niet vergeefs! de Slaapster voelt.
Als \'t nat haar dorren mond bekoelt.
Geen smart meer in heur boezem kloppen;
Slechts blijft de min ! Doch Theseus beeld
Versmolt in Libers wezenstrekken;
Om schooner vlam — om toovergloed te wekken;
Wiens wederschijn ook op \'t verleedne speelt!
O zoet bedrog! gekust van \'s Minnaars lippen.
Ontwaakt ze, en groet een Godals Bruidegom.
Haar treft geen vrees, al rankt, aan de oeverklippen,
Op eens de milde wijngaard om.
-ocr page 343-
320
AIUAICSK.
Door haar gelokt, verschijnt, van tussehen \'t loover.
Het tijgerspan. Zij stijgt ten wagen in,
(Lyaens Bruid!) en draaft de stranden over ;
Kaar \'t woelt van naadrend hofgezin.
\'t lo klinkt! Bachaiiten springen.
Onder \'t zingen .
Voor den gouden wagen uit.
Io roept, met wild geschater,
Faun en Sater;
Roept. Sileen\', die d\' optogt sluit.
Triton huwt zijn kronkelhoren
Aan hun koren.
Pan, op \'t galmend duin, blaast meê.
\'t Io klinkt! Bachanten zingen ,
Onder \'t springen :
Io , Evan , Evofc\'!
Nu rinklen de hommen ,
In \'t vreugdegeschal.
Nu dreunen de trommen.
Nu davert het dal,
Waar de Telg van Dione
De Minnenden beidt ,
En het leger der Schoone
Met rozen bespreidt.
\'t Io klinkt! Bachanten springen.
Onder \'t zingen ,
Naar de omkranste grot vooruit.
-ocr page 344-
.521
CANTATE.
lo roept, met wild geschater,
Faun en Sater.
Als de grot het Paar besluit.
Nu lïiiklen de bommen .
In \'t vreugdegeschal !
Nu dreunen de trommen !
Nu davert liet dal!
GA NT ATB.
VOOIl HET .NAI\'l\'IHKIMlll\'. CKZEI.SCII.AI\' TK ZITI\'HE.N
(IMIEIl IIK SI\'IIEIK :
NUT IS ONS DOEL. 1)
lle vogel dartele op den lak .
Met glanzend ooft belaan;
Het lam spring\' vrolijk over \'t vlak.
Getooid met spruitend graan ;
liet lam , de vogel acht liet niet .
Vanwaar, of hoe de zegen vliet\'.
Tot hooger stand heeft ons Gods gunst verheven!
Ken rijker gave is ons gegeven !
Het licht, dat gij. o Rede. spreidt.
Beschijnt Natuur; geen duisterheid
Verbergt meer \'t wonder van haar raders;
En \'t hart erkent de gunst eens Vaders.
Die al wat ademt heil bereidt.
Welk een grootheid . Mensch te wezen
I) Zie aant. 77.
Staring, Gedichten.                                              -21
-ocr page 345-
;*22
CANTATE.
En waardgekeurd. en toegerust
Met kracht en lust.
Om. in \'t verbazend al. des Makers roem te lezen!
(leen afgrond zinkt te diep; de wetenschap
l\'eilt zijn verborgenheid. Geen grenspaal wijkt
Te ver de heeinlen in : zij reikt er bij.
Het wriemlend leven, in een waterdrop.
Slaat ze als Satiirmis wentling gaa. Het vuur
Ontleedt ze, en weegt de lucht. Een Chladni «rijpt
Haar tooverstaf\', en de oogen zien geluid.
He Kunstvlijt laat heure aandacht weiden.
In \'t veld. waar Baco\'s eerzuil rijst;
Zij leert den schicht der wolken leiden ;
Zij smeedt de naald, die \'t noorden wijst.
Het zwarte zwerk rukt voort.
Met aaklig wit omboord;
Het komt; de vuurHits schiet.
Door \'t dondrencl ruim; al \'t schepsel vliedt!
Wij staan alleen, en vreezen niet.
Moog\' zon noch maan.
Op cl\' oceaan.
De kiel bestralen;
Een wenkend spits
Verhoedt, als gids.
Haar spoorloos dwalen.
Al heelt de zee
Geen licht of palen,
Zij vindt de reê.
Hebt ge ook vaak voor ons gezigt
Hier uw sluijer al\'geligt .
o Natuur! erkenden wij
-ocr page 346-
:<*•.
I)K ZEE.
Hoe weldadig groot Hij zij.
Die, ten hoogsten zetel al\'.
Door een blik u \'t aanzijn gal\';
Joeg ons hart van dankgevoel;
Niet vergeefs was nut ons doel.
DU ZEE. 1)
Moog\' hij \'t zalig veld bezingen .
Die de Mei ontwaken zag;
\'t Groen der heuvlen zag ontspringen.
Hij haar eersten zegenlach.
Di bepeinzing opgetogen .
Staarden wij van de ellen reê:
\'t Ongemeten hoeide onze oogen —
Kn ons lied /.ijl gij. o zee!
Hoe liellijk is uw rust.
Als de avondstilte uw baren sust;
Het keerend tij uw spiegel naauw doet kroken ;
De heldre lamp der maan .
Aan \'t blaauw gewelf\' ontstoken .
Den visscher toeglanst op zijn haan !
Uw ruim verbreedt zich niet,
Waar \'t ons geen gouden oogsten biedt, 21
Van \'t weemlig vlak tot in de diepste kolken.
Gij draagt des waerelds schat!
1)   Zie aam. 78.
2)    [Op een los blaadtjen vond ik by dit gedicht de volgende regels:
Der velden oogst, der mijnen schat
Draagt gij van strand tot stranden.
Kn, waarschijnlijk als variant voor de eerste twee regelen van dezelfde
strofe :
Zoo ver op uw gebied
Het oog dor starren nederwiet,]
\'21
-ocr page 347-
:m
UK ZKK.
hoor ii is \'t heer der volken
Al samen burger te eener stad !
He schare komt, van Zuid en .Noorden ,
Uw paden langs. Van Nijl en Rijn ;
Van Zilvervloeds 1) en Indus hoorden;
Rij vredes niilden zonneschijn.
Herbouwt, breidt uit. met l\'eestgezangen .
De muren door hun vlijt bezocht!
Ach, vrede, vrede leidt hun gangen,
Kn blijde welvaart sluit dien togt!
Oe schare komt, van Zuid en Noorden,
Ter haven in; van Nyl en Rijn;
Van Zilvervloeds en Indus boorden :
Rij vredes inilden zonneschijn !
Laat hun dank den Redder prijzen .
Rie de orkanen bond!
Wiens sterke hand de kiel deed rijzen .
Roven bank en slibbergrond.
Laat hun dank den Redder prijzen !
Menig zag het land verrijzen,
Waar zijn lijk slechts berging vond.
1) I)e Kio de la Plat», in Amerika.
-ocr page 348-
325i
DE ZEE.
Hoort, liet murmelt luider in de touwen.
En al woester zwalpt liet toornig meer.
De oever, .straks zoo lieflijk aan te schouwen.
Kaatst den golfslag onheilspellend weer.
Terug, vermeetlen ! In de branding loert
De Dood . van \'t steil der klippen. Roven haai\'
Ontvlamt de donderwolk. Terug!
Kilaas,
Reeds huilt, de stormwind ; de oceaan verhef!
Zijn waalren . met gebulder; duisternis
Omhult het diep; het raadend zwerk verdooft
Des scheeplings angslgejauimer; toomloos vliegt
De kiel ten hemel; schiet ten afgrond neer;
Hotst krakend tcïen *t rif: en is niet meer!
Der Tijden Jeugd zaü dus zich \'t oproer paren
Van wolken en van baren :
Vergeefs stond duin naast duin geplant;
De Zee. haar grenzen uitgevaren.
Verzwolg ze , en scheurde \'t ellen land;
Kn \'t rotsig Hoog werd langs haar baan ten strand.
Getuige er van dat woelig Rreed.
Dat Meerland scheidt van Albion : 1)
Het perk , waarin DB ruyteb streed;
De moed van tromp lauwrieren won;
En zoi\'tma.ns glorie blijken deed .
Dat rust ons niet verbastren kon\'.
1) Het Kanaal, geacht te zijn ontstaan, door liet indringen der Zee
tussclien het tegenwoordige Frankrijk en Engeland.
-ocr page 349-
:m
HE ZEE.
Bedwing een kracht die met vernieling dreigt,
O Zee! Blijf staag beschermend ons geneigd.
In uw kring wijke, al teistert Twist het land .
De schepter nooit uit Eendragts regterhand.
Onschendbaar zweev\', zoo ver nw palen staan,
De Mastbanier van Neêrland af en aan;
En \'t heilig erfgoed van haar eer
Behoev\' geen wreker meer.
-ocr page 350-
KLEINE LIEDEREN.
K R IJ G S L 1 E IJ.
In December 1813.
Wij zwaaijen , met ontboeide hand ,
liet krijgsstaal boven \'t hoofd ;
Niet langer meer van Vaderland,
Van eer en naam beroofd !
De glorie . daar ons hart naai- haakt.
Ontstak der vaadren ziel .
Toen Willem ons heeft vrijgemaakt,
Hij , die voor Neêrland viel.
Wij «•aan. waarheen ons God verzelt!
Zijn arm ontsloot de haan.
Ken Willem 1 iep ons weer in \'t veld!
Oranje riep ! Wij gaan !
Wiens voet nog angstig wijden mag,
Gedenke aan kroost en gaa;
Aan \'t ijzren juk . dat op ons lag:
Aan Woerdens ongenaa !
Wat hoopt hij van dat tijgerbroed ,
Dat wraakziek henen vlood !
\'t Ziet dreigend om ; het hijgt naar bloed!
De keus is «vrij of dood!"
W I L H E L M U S.
DISCHLIED I)
«Wilhelmus van Nassouwe"
Gij waart dei\' Vaadren zang:
Een band van liefde en trouwe
Zie aant. 79.
-ocr page 351-
VOLKSGICOKT.
Bleelï gij sinds. eeuwen lang!
Waar onze Wimpels zweren —
Ons Vaandel staat geplant.
Wordt gij steeds aangeheven .
(lij lied van Nederland !
Het beeld van vroeger dagen
Treedt vóór ons op uw stem :
Toen willem \'t al dorst wagen .
En Held bij Held met hem;
Toen , stralend van den lioogen .
De Dag blonk door den Nacht.
En de Eeudragt klein vermogen
Tot Groei en Grootheid bragt.
Paar gij dan ook uw tonnen
Aan \'t klinken der bokaal;
Weergalm voor Neêrlands Zonen .
Als feestvreugd heerscht bij \'t maal!
«Wilhelmus van Nassouwe"
t!ij waart der Vaadren zang;
(iij waart een Baud van Trouwe;
Blijf gij \'I nog eeuwen lang!
VOLKSGROET.
AAN DEN KON ING. \')
Zweve aller harten zegeugroet
Den Koning met gejuich te moet!
Hij keer\' verwelkomd tot ons in ,
Een Vader bij zijn Huisgezin !
Hij leev\' f Hij leev\' !
Dat Neêrlands Koning leev\'!
Wat Naam de tong der Volken noem\'.
Den Naam van Nassau zij de roem !
Hij klink\', met dankbre trouw gevierd .
aant. SO.
-ocr page 352-
829
SLAli HIJ WATKlil.no.
Zoo wijd de Vlan van Neèrland zwiert.
Hij leev\'! Hij leev\'!
Uw Naam . o Koning\'. leev\'!
TER EERSTE VIERING
VA IS DEN
SLAC BIJ WAT KRLOO. !)
in een n Vriendenkring op het land gezongen;
den 18 van Zomermaand 1816
<!ij Heidenschaar, in \'t eigen perk gevallen,
Waar Nassaus Telg zijn bloed vergoot.
Kn \'1 woelig Hoofd van Frankrijks duizendtallen
De leste maai. \'t vergeldend zwaerd ontvlood !
Wat klaagden wij . dat u geen eerkrans loon en .
Geen juichend lied ontvangen mogt?
Niet onze ham) — zij zelve moest u kroonen .
llie ongezien aan uwe spitse vocht.
Ruiseht golvend graan ons. waar gij sluimert, tegen.
Dien grond . eens daavrend hij uw strijd.
Heeft, van omhoog . des Derden Willems zegen —
Heeft Marlborough — heelt Freedrik ingewijd.
I w stem . den duistren grafkuil uitgedronken .
Zal spreken tot ons Nageslacht;
Als \'t Vaderland, door nieuwen krijg hesprongen.
Zijn redding weer van u gelijken wacht!
1) Zie aant. 81.
-ocr page 353-
ALC1KRS C K STRAFT. 1)
Itnoii in: \\ i:i!i:kmi;kk
RRITSCHE EN NEDERLANDSCHEVLOOT.
op den 27sten van Oogstmaand 181 (i.
Wie donderde op uw schuldig strand ?
Brittanje was \'t en Nederland,
Onmenschlijk Africa!
Laat los uw Prooi — dat Slavental,
Wier keten \'t roest verteren zal; —
Juiche Atlas uit het verste dal .
Hun «vryheid! vrijheid!" na!
Hoe blinkt . in \'t licht der gloriezon ,
\'t Heldhaftig Kroost van Albion ,
Ku Bato\'s eedlen grond !
Wat Hebzucht hrouwe. of Tijd verkeer\'.
De nieuwe band scheurt nimmermeer —
De hechte band van moed en eer .
Die hen zoo schoon verbond.
Eendragtig (als der kielen schaar
Vereend, bij \'t grjjnzen van \'t gevaar,
In \'t enge kampperk streed !)
Wordt Kxmoiiths — wordt Capellens naam
Gevoerd op vleugels van de Faam ,
Kn snelt, met steile vlugt. te saam,
Zoo wijd zich \'t zwerk verbreedt.
Het IJ. te lang van tooi beroofd .
Omlauwert weer, op \'tstatisi hoofd,
Den gulden Keizerhoed.
Naauw brak de boei, of \'t greep naar \'t zwaard —
Hetoont zich straks der vrijheid waard .
Kn koopt ze . aan de achtbre Theems gepaard .
Voor andren , met zijn bloed.
1) Zie aant. 82.
-ocr page 354-
331
VKHLAMiK.N.
Zoo wast de roem van Waterloo!
De Palm des Viersprongs I) meerdert, zoo,
Door snelgedijend zaad !
Zoo brult de Leeuw ook langs de Zee !
En dwingt de wrokkende Afgunst meê
Te juichen , bij zijn kiïjgstrofee —
Te zwijgen van zijn smaad.
Vaar nu, o Scheepling, rustig door!
(leene Ontrouw, die den vrede stoor\';
Der Roofstad heugt haar brand !
Vier lees tl ijk . vier alom den dag,
Die \'t laatste Juk verbrijzlen zag.
(\'.roet dankend . na Riïttanjes Vlag ,
De Vlag van Nederland.
V K R L A N I\'. E M. 2)
Wat toeft gij. die, in \'t eenzaam duister.
(!elijk een engel voor mij zweeft!
Wat toeft gij , die me een zacht gelluister
Als mij bestemd verkondigd heeft!
Ik reik , van zoeten waan bedrogen .
Mijne armen naar uw beeldtnis uit;
Zij deinst terug ; zij is vervlogen .
En laat me alleen . der smart ten buit!
Wat toeft gij, dat een vruchtloos haken .
Als middagbrand . mijn bloei verzeng\'.
Zal nooit... ach, nooit\', de stond genaken.
Die u mijn\' wenschen tegenbreug\' ?
Genees het hart, aan u geschonken ;
Eer \'t in zijn duldloos wee verkwijn\';
En laat, uit uwe hand gedronken .
Mij \'s levens kelk tot vreugde zijn!
•) Quatrebras.
2) Zie si iiu t. 83.
-ocr page 355-
VERTROUW EN. I)
Gefolterd hart. o staak uw angstig jagen !
Eens komt het uur van \'t juichend wederzien:
De scheidingsnacht zal met zijn kommer vlicn;
Ons morgenrood in luister dagen !
Maar trouw staat vast; en zou\' de mijne falen?
Des hemels as wierd eer haar wentlen moe!
Wal grimt ons dan \'I vijandig Noodlot toe?
In \'t eind moet Liefde zegepralen !
\'t Is weinig slechts, wat ons de Tijd kan rooven!
Opregte Min versmaadt zijn kort gebied.
Schoon \'t leven hier ook in gemis vervliet\'.
Zij slaat een moedig oog naar hoven !
II K ï C E L ü E.
■•bic hem laet ghenotif/lien in dat hij héift,
Kn ilc rijckstr man die ter waereid lèift."
Andr. van de:i Muelen:
Een ziiverl. Bouc.xk. enz. 1543.
Fol. 38 vso.
Wat haat den stervling al zijn zwoegen?
Wat. noopt de waan hem vroeg en spaa?
Wat klimt hij \'t lokkend sehijngenoegen.
Van rots tot rots. aainec htig na ?
In \'t eind op hachlijk steil verheven .
O arme vreugd! hij staart in \'t rond.
Om lluks\' weer naar een kruin te streven.
Gezien van hreeder horizont.
Een Dwaze hang\', met gierige oogen .
Aan roem. of magt. of goud. of eer;
Tevreên in \'t lot haai\' toegewogen.
Knielt stille Wijsheid dankend neer.
1) Zie aant. 84.
-ocr page 356-
3.5;{
IIOOSJK.
\'t Geluk is veil voor /.weet noch zorgen;
\'t Ontvlugt hein. die naar hooger staat;
Maar toeft, in \'f schuilend dal verborgen.
Als huisgenoot, hij Middelmaat.
r o o s .1 i<;.
Een Liedjen uit den Riddertijd.
9 W\'nt wit den ooghen is, is liaest vergheten."
Coli.in van Ri.issele:
Spieghel der Minnen.
Held Diediïk nam. de Min ten spijt.
Zijn slagzwaard . van den Paus gewijd ;
Zwoei\' trouw in Roosjes handen .
Kn trok. langs zee en zanden ,
Voor Acris muur, ten strijd.
Zijn Liefje kreet hare oogeu rood:
De bronwel van haar tranen vloot.
Twee nachten en drie dagen !
Toen zeeg zij. mat van klagen ....
Ken trooster in den schoot.
Ten laatste op zoeter krijg belust,
Komt IJiedrik weer van de Ooster Kust:
Hij vindt hel ja gesproken ;
Het Roosjen afgebroken;
En gaat alleen te rust !
Ciij .longers uit. de school der Min .
Let wel ! mijn zang heeft leering in :
(ieen smart kan eeuwig duren !
Ken logt voor Acris muren
Kost menig zijn vriendin !
-ocr page 357-
A A X I» li M A A N.
Toon ons uw luister, o zilveren Maan.\'
Rijs uit liet meer.
Lach den zwervenden scheepliiig aan.
Straal. op \'s wandelaars donkere baan .
In uw lieflijkheid neer
Waar zonder hoop de Verlatene smacht,
Schemere uw gloor.
Waar . na troostelooze afscheidsklagt.
Blij hereenen de Minnenden wachl.
Breke uw glinstering door.
Schoon is de Dag. als zijn purpere gloed
Vorstelijk stijgt; —
Als hij zingenh de ontwaakten groet!
Maar i w komst is den peinze.nden zoet.
(lij. die flonkert — en zwucjt!
ZEFIR EN Cll LO KIS. i)
Zelii\' lag ontsluimerd ueèr.
Hij den gloed der iniddagstralen;
\'t Avendlied der nachtegalen
Wekt den slaper weer.
Zachtkens wiegt de berk haar kruin ;
Fluistrend staan de popeldreven .
Als hij vrolijk aan komt zweven .
Langs het scheemrig duin.
0. hoe geurt het van rondom;
Nu zijn vlugt in \'t boscli blijft hangen !
Chloris lokt. vol zoel verlangen,
Haren Bruidegom.
1) De Bloemgodin.
-ocr page 358-
333
mkiza.ni;.
Zie . daar zweeft hij \'t loover uit!
Door de .struiken al\'gezegen.
PIe11iit hij dartiend bloesemregen
In den schoot der Bruid.
1814.
A DEL INE V E RBEIÜ. I)
Schoouer pralc uw milde lentezegen .
Bloemrijk oord . langs Adelines wegen.
Nachtegalen, juicht haar «welkom!" toe.
Als zij nadert. wie ik hulde doe.
Paart uw lied aan \'t lied der lilomeeleii.
Minder zangkoor, uit de hooge abeelen.
Laat het ineigroen met het beekkristal
Sainenruischen , hij den waterval.
Moge uw schaar , gij zefirs in de hagen .
Balsemgeur haar oH\'reud tegendragen.
Toeft niet langer! Adeline komt!
Zwevend naakt zij. en mijn zang verstomt.
M E l Z A N G.
\'t Is Lente ! Lente !
Hel leestgeschal
Van «Lente ! Lente !\'\'
Klinke overal !
Hoe geurt de wasem
Der berkenspruit!
Hoe zacht is de asein
Van \'t rriendlijk zuid !
De bijtjes dragen
Weer honig aan ;
De tortels klagen ;
De wachtels slaan.
1) Zie aant. 85.
-ocr page 359-
le.ntezam;.
In weide en dieven —
In vliet en poel —
Zwiert vrolijk leven —
Is blij gewoel.
Was \'t meerder weelde ,
Dan lentevreugd.
Die Adam streelde ,
In Ëdens jeugd ?
01\' breidde de aarde ,
Toen de Eerste Bruid
Haar bniidkrans gaarde.
Zich schooner uit?
L E N T E Z \\ N (;.
vFerreu* ext. ehcu, qiiisqvix in urbe manel
TlBULLUS.
(ieen nevelig duister
Bedekt meer liet veld;
(!een blinkende kluister,
Die \'t beekje meer knelt;
Het stormen is over ;
De buijen zijn been ;
Wat ritselt in \'t loover.
Is zefir alleen
Vol bloeisel van boven ,
Vol bloemen omlaag.
Staan velden . en hoven .
En telgen . en haag!
De vrolijkheid dartelt,
In klaverrijk Gras ;
Zij wemelt , zij spartelt,
In vlieten en plas.
De wouden herhalen
Kun feestelijk lied ;
-ocr page 360-
:ï.n
oiiilSTI.IËIi.
Ook zwijgt, in de dalen ,
IV Leeuwerik niet.
Van Echo vervangen ,
Hij \'t rijzen der maan,
Heft gij uog uw zangen.
0 Nachtegaal , aan!
Geen nevelig duister
lledekt meer het \\eld ;
Geen blinkende kluister,
Die \'t beekje meer knelt!
Ontvlngt nu de steden .
Wie vreugde begeert!
Ontvlugl ze nou heden —
l)c Lente regeert!
OOG STL I KI).
Sikkels klinken ;
Sikkels blinken ;
Ruischend valt het uraan.
Zie de bindster gaaren !
Zie . in lange scharen .
Garf bij garven staan !
\'t Heeter branden
Op de landen
Meldt den middagtijd;
\'l Windje, moê van \'t zweven,
Heeft zich schuil begeven ;
Kn nog zwoegt de vlijt!
Illijde Maaijers ;
Nijvre Zaaijers,
Die uw loon untvingt!
Zil nu rustig neder;
Galm\' het mastbosch weder.
Als gij juichend zingt.
STARING, Gedichten.                                                      22
-ocr page 361-
:m
OOGSTLIED.
Slaat uwe oogen
Naar den hoogen :
Alles kwam van daar !
Zachte regen daalde.
Vriendlijk zonlicht straalde
Mild op halm en aar.
-ocr page 362-
DE WINTERROOS.
Versliept gij \'t zoet der Lentedagen ,
Traag Roosje, dat gij nu nog waakt\'
Uw Zusters toefde , in hof en hagen .
Een rust, die gij alleen niet smaakt!
Moge u de storm ten Zefir wezen .
Arm Bloemtje , spreek. wat wint ge er hij ?
\'t Genot der vreugd, hoe uitgelezen.
Is. ongedeeld, van geen waardij.
ZANG BIJ DEN II A A H D.
Welkom. Winter! kraakt uw ijs?
Vult uw sneeuw de dalen?
\'k Heb hier dooi weer aan den haard .
En geen brand te halen.
Blaast gij storm, door \'t vliegend zwerk?
Muur en dak kan \'t lijden.
Giet gij vocht in stroomen neer?
\'t Valt mijn glas bezijden.
Krimpt de dag? te minder nood.
Om bij licht te gapen.
Rekt de nacht? het komt hein wel,
Die gepaard mag slapen.
Laat de hol\' geen sappig ooft
Op mijn tafel blinken?
Drooge spijs teert even goed.
Bij wat ruimer drinken.
Plas dan. Winter, met uw nat;
Storm en vries daar buiten;
Jaag uw ligte vlokken rond.
Voor mijn digle ruiten;
-ocr page 363-
340 EEN NIEUW LIED VAN EEN MEISJEN EN EEN\' SCHIPPER.
Geel\' ons hall\' rantsoen van dag.
En een schotel minder;
Welgemoed, bij zang en wijn.
Klaag ik van geen hinder.
E EN NIE U W L I E D . \')
VAN EEN MEÏSJEN EN EEN" SCHIPPER.
Stem nis \'t begint,
fop KEN BRUILOFT GEZONGEN.)
\'t Was ochtend ; een Meisje ging wandlen aan strand
Een Bootje . dat vlagde, lef ree ;
En straks was de vriendlijke Schipper ter hand ,
Die sprak: «Schoon Kind! wilt gij meê ?
\'t Is het regte getij om te varen .
Nu de morgen zon glanst op de haren.
Grijp moed. Schoon Kind. en vaar meê!\'\'
Het Meisje, met blosjes op voorhoofd en wang,
Stond peinzend aan \'t ruim van de zee;
Daar klonk uit den hoogen een ïoovergezang;
Daar murmelde \'t zacht langs de ree :
»(ïa varen . Lief Kind! ga varen !
De morgenzoii glanst op de baren :
Gij voert het Geluk met u ïneê!\'"
Maar tranen bedauwden een moederlijk oog:
Det scheiden . het missen doet wee!
En troostend begon weer de Zang van omhoog,
En blijder herhaalde de ree:
Laat varen \'t Jong Paai\'! laat varen !
Gelijk van gemoed en van jaren,
Doorkruist het een veilige zee !"\'
Wat deed nu het Meisjen ? Het waagde de kans;
En luid riep de Schipper «hoezee!"
i Zie aant. 83
-ocr page 364-
341
EEN NIEUW LIED
Kn de golfjes droegen, met vrolijken dans.
Umi Bootje van de ett\'ene ree.
Blijf varen, Jong Paar; blijf varen;
Gewiegd op de hiipplende baren ,
In \'t Zonlicht van Voorspoed en Vree !
-ocr page 365-
ENCOMIÜM PATRIAE. l)
LUI MOIIOS CAKT1LËNAE «TANTA .SIJNT GAUDIA.")
I\'aii\'iiim caniinus;
Inclytam plandimus,
Hheni , Scaldis , Isalae ,
Vasti Maris accolae;
Sursus ad prospera
Vecti per ardua;
Proavita juncti copula.
Masculae
Krisiae
Nomen quod exsuperet;
Uatavo coinpai\' nomen quis insultans celebret?
(Jtraque Laurea,3
Palladis Olea
Nostra circum virent tempora!
Orbis a termino
Resonat ultimo
Vo.v bona precantum ;
Kxsurgit orantum .
Hoc nostro cum Choro :
Grescas , o Patria !
Sit, bene merita ,
Dos tibi per aevum gloria!
1)    Zie aant. 87.
2)    Martis et Apollinis.
-ocr page 366-
DE LOF DES VADERLANDS, 1)
VOOR
N E 1)ERLANDERS.
VERTALING VAN MIJN TEGENOVERSTAAND LATIJN.
Wij verheffen zingend
Ons roemrijk Vaderland;
Wij . aan den Kijn . aan Schelde en IJssel,
Kn aan den breeden Oceaan gezeten ;
Tot voorspoed opgeklommen
Langs \'t pad van tegenspoed ;
Itoor voorouderlijken hand tesaam verknocht.
Wie zal ons trotsen . door een naam te prijzen ,
Die uitsteek\' hoven dien
her manhafte Vriezen ;
Die den naam der Bataven gelijk zij?
Ke dubhele Lauwerkrans "2)
Kn de Olijf van Pallas
Sieren groenend onze slapen.
Van de uiterste
(!reuzen der aarde
Gaat een heilwensen op —
Paart zich eene zeegnende stem
Met dit ons Koorgezang:
0 Vaderland , uw voorspoed groeije !
Moog\' welverdiende roem
Uw deel zijn . alle tijden door!
1)    Zie aant. 88.
2)    Van Mars en van Apollo.
-ocr page 367-
GEBED VOOR DEN KONING. \')
KERKGEZANG,
op voorgeschreven Koraalmuziek.
Sta gij. o Heer, aan \'sKonings zij\'.
Wees hem met trouwen raad nabij.
Werp neder die zijn troon belagen.
Uw goedheid sla
De Zijnen gaa .
En kroon\' met vreugd zijn levensdagen.
Dat zoo zijne eer —
Zijn lijk venneer\'!
Dat voorspoed om zijn zetel wone;
Erkenthjkheid zijn zorgen loone;
En hij in vree regeer\'.
O, dat, op al zijn wegen .
Uw regterhand hem zegen\'!
Uw vaderhand den Koning zegen\'!
H ET VA D fi R L A N D.
EEN FEESTELIJK LlEf».
(Üj Erf, vergeefs van zee en vloed
Vijandig aangerand;
Ciij Grond, besproeid met Willems bloed.
Bevrijd door Maurits hand ;
(lij Naam . bij \'t Namental genoemd
Daar \'s Waerelds oog op staart :
0 Nederland . wees hoog geroemd ;
Gij zijt ons loflied waard!
De zon van \'t regt bestraalt de kroon.
Die \'t hoofd uws Konings draagt.
1) Zie aant. 89.
-ocr page 368-
WAPENKOKP.                                            3-45
Voor omkeer veilig staat zijn troon .
Van aller trouw geschraagd.
Kendragtig houdt zijn Volk liet spoor ,
Gebaand bij \'t Voorgeslacht:
Den weêrspoed kampt het moedig door.
Kn won. steeds, worstlend kracht.
Bloei\' voort dat heil ! woon\' hier die deugd.
Tot \'s aardrijks laatsten stond !
Worde eindloos Nassaus Stam verjeugd .
Kn heersche op Neêrlands grond!
Hij heersche in Vree! maar woelt de nijd —
Valt snood geweld ons aan —
Vaarwel dan. Must. en welkom. Strijd!
Geen schand dreigt osze vaan.
W A P K N H O K I\'. I i
1830.
Blink\' het /.waard . voor het Krf onzer Vaadren ;
Voor ons Regt; voor Nassouwe; en voorde Ker!
\'t Neèrlandsch bloed, onvervalscht in onze aadren.
Lij\' geen hoon van verwatenen meer !
Ziet het slagveld strijdenden vallen;
Krimpt de schaar op daavrende wallen ;
Hlijk" »l)ood boven schand\'!"
In ons hart geplant.
Als de Leus van uw Telgen, o Vaderland!
Stond Hij niet. Die regeert in den hoogeii.
Ons, als Helper, door de eeuwen ter zij\'\'
Welk een duister de kim had omtogen .
Dreef de nacht op zijn woord niet voorbij ?
Van zijn troon zal licht voor ons stralen :
Dreigt de nood, geen hulp zal ons Falen!
Vergaat . wie daar . stout.
Kigen kracht vertrouwt.
Hij bestaat, die op iik.m den o.nwanki.kn bouwt.
\'t) Zie aant. 90.
-ocr page 369-
LIED !)
VOOK DK
E D EL H A B T I O E JONGELINGSCHAP
ONZER AKADEMIËN EN ATHENAEUMS,
in 18Ü0 vrijwillig tot Jen krijgsdienst 2) overgegaan.
Minerva greep haar oorlogsspeer;
ȕen strijde !" was haar kreet.;
Een Konings-hand gaf ons \'t geweer;
Wij zwoeren Krijgsmans-eed :
Wij zwoeren Vorst, en Orde, en Wet
Eene onverbreekbre trouw .
En hebben \'t leven opgezet ,
Voor Neêrland en Nassouw\'.
Heft aan, gij horens! Galme uw koor
Ken antwoord op ons lied :
Het galme een valscli gespuis in \'t oor ,
Dat loerend op ons ziet.
Wie zijn \'t die daar vijandig staan ?
Zij dragen \'t merk der sehand\'! —
Met eer ontrolt zich onze vaan ,
Voor \'t Hegt en \'t Vaderland !
Het snoer dat muiters samenbindt.
Die taal en oorsprong scheidt.
Fs plunderzucht; hun trouw verzwindt
In \'t uur van tegenheid ;
Maar verwe ons bloed hel slagveld rood ;
Maar grijnze alom \'t gevaar;
Vereend staan wu ! in nood en dood
lüen trouwe Broederschaar.
1)    Zie aant. 01
2)    Grootendeels tot liet wapen der Jagers en Flankeurs.
-ocr page 370-
W KL K OM, \')
l\'OEGEZONGEN AAN DE SCHUTTERS DEI! STAD ZUTPHEN
DEN VELDTOGT TEGEN UE BELGEN WEDERGEKEERD.
Wij paren juichend .stem aan stem.
Kn groeten i: . en danken hk.m ,
Dien gij dankt . eedle Schaar !
Die krijgsmoed in uwe aadren goot.
En — loerde uit woud en haag de dood —
Uw schild bleek in \'t gevaar.
Eendragtig stond uw mindertal
Aan Limburgs heuvlen strijdend pal ,
Ku \'s Vijands kreet was »vliedt !"
Wat hier der jaren roest verderv\';
Wat naam in Zutphens palen sterv\';
Uw namen sterven niet.
Hoe zagen ouders, kind en gaa
In tranen u bij \'t afscheid na!
Hoe was elks hart te moè ! —
Thans keerde! «rij. met roem gekroond ;
De Zege heeft uw trouw geloond ;
Kn \'t io galmt u toe !
Blink\' haast de vreugde in al haar glans !
Haast vlechte zich ten hoogtykrans
Olijf\' om \'t sluimrend zwaard !
Doch stoort de wrok zijn sliiimring weer.
\'t Ontwaak\' van nieuws tot (leiders eer.
En blijf steeds laiiwren waard !
1) Zie iuint. \'J2.
-ocr page 371-
JAMBEN, i)
i\'— mitrttim nihil e*t —
Xou matrona laris, non liliu virgo."
JUVKKAMS.
Hoe slaat gij dus. Geregtigheid, en huwt.
Aan ons gelijk, den blinddoek met het /.waard!
(Jij straft den man, die. van \'t Geweld vertreên.
Zich door een gif kelk wreekt; en. zie. gij spaart
Den booswicht, die. uit moedwil, zielen moordt!
Ilie de Ontucht voor \'t jonkvrouwlijk oog vertoont.
In \'t schemerlicht der Dubbelzinnigheid.
Dien spaart gij\' Hij heeft meer dan gifgeinengd!
Her \'t Vaderland den zwier van uitheemse!] volk
Voor eigen zeden koos; toen blijder jeugd,
bij rondgezang en dansen, wars van kunst.
Nog kortswijl vond; toen eerbre vrijheid nog
Den jongling kluisterde aan een maagdenrij.
Waar tusschen gulle Vreugd, als speelnoot, zat;
Toen schond geen koene hand de leliekroon.
Die de Onschuld sierde !
Xn heeft pronkende Ernst
Den stoel der blijdschap in. Zij zit en schudt
Haar kaartspel vaakrig door; of staart, bedwelmd.
Als de eerste steenworp, aan de dobbelbank
Haar geldloop slecht.
Die strijd behaag\' den Man!
De Jongling. die alleen het goud waardeert.
Wanneer \'t hem faalt; die vreugd bejaagt, geen winst:
Vliedt morrend weg van al te lal\' een spijs.
Hij hooger kringen voor hem toejierigt.
Hij zoekt verzadiging, waar ruw Vermaak.
In lage sferen, om een wijnkruik tiert.
Hij zoekt, en vindt! Maar \'t is het voedsel niet.
Dat beetre meuschheid past! Mij keert van daar.
Ontadeld, naar den geest. Door vuile scherts
1) Zie iiant. \'M. Jx . ,, ■ > , *-* / •
-ocr page 372-
JAMBEN.                                                 :H5)
Aan oor en hart bedorven, aarzelt hij,
Ten man gewassen,- naar dien stand terug.
Dien hij uit walg verliet, uit dwang herneemt.
Nu werpt zijn Boert. aan grof gemeen zoo vaak
Te afzigtig naakt vertoond, op \'t nieuw tooneel
Ken sluijcr om, het Coïsch lloers iielijk.
Dun voor den tast geweven, ijl voor \'l oog!
Met lippen, dorgeschroeid van heilloos vuur.
Verschijnt de Onwaardige! Zij jaagt heur aam
Der Kuischheid in het glorend aangezigl:
Zij kittelt stout hare onueraakte leèu;
Ku houdt niet op. dan als de laatste roos
Der schaamt\', tot asch gezengd, op \'t aanzigt bleekt —
liet laatste strafwoord der Gevoeligheid
Stikt in vergevend lagchen!
Poos, niijn Zaiiiïl
Ai. poos hier.\' Laat mij treuren op een graf.
Waarbij (iods Knglen weenend naast mij staan:
Op \'t graf der Onschuld!
Ja! \'t bederf ging uit
Van r. Verdoolden! Maar van Dezen ook.
Die een ligtzinnig Volk. niet handgeklap,
Iten wjjsgeersütel. en den lauwer schonk!
Zij noemen Tucht een roest van plornper eeuw;
l>en blos der Schaamte een lokaas, voorgezet
Aan de Onervarenheid. Als Philips Zoon.
In \'t veeg Persepolis, zoo slingren zij
Ontstoken fakkels rond! De vlam gaat op!
De pijlers, die \'t üelnk van duizenden
Door wentlende eeuwen schraagden, staan in gloed!
Ontvangt bet licht, die nog in \'t duister tast;
llie min en vriendschap, in een teedre ziel.
Te samen smolt! (Jij. die den eed tier trouw
Ken\' gade toezwoert, en \'t gezwoorne houdt.
Ziet heller, bij den brand, door hen ttesticht!
-ocr page 373-
S\'M
JAMBES.
«Werpt al\' uw ketens! Vrijheid zij de leus!
Bedriegt, en wordt bedrogen. Wekt het hart.
Waar \'t ergens in een blanken boezem slaapt.
De man, die stout met woorden spelen durft!
Vindt geen Lucretia\'s! Verbeelding is \'t.
Die u den weg ter zege banen zal.
Help haai- aan \'t hollen ; en verrasch uw buit !"
Zoo leeren zij ! Hoe zwaar klaagt Dezen ook
Uw wreevle schennis aan. o Eerbaarheid!
Een basterdkroos! haalt lessen in hun school,
En acht zich vroeggerijpt. als \'t maagdlijk schoon
Niet meer zijn eerbied, slechts zijn togten wekt.
Nog haardloos treedt een jonge Grammoot I) op.
Vol zelfvertrouwen. Spits van oor. zoo ras
Ken argvrij hart zich jokkend hooren laat,
Vangt hij elk vlugtig woord, en kaatst het weer.
Bestempeld door den geest, die in hein woont.
\'t Geliefkoosd doel van zijn verguizing is
Ken moeder, bij wier uaadren de achtbre schaar
Der grijzen oprijst.
Kracht, vermaken, rust...
Zij had het alles voor haar dogter veil !
Heur dag was èène lange zorg; heur nacht
Werd vaak in angsten, in gebed, doorwaakt!
Zoo kweekte zij, van God gezien, de spruit .
In \'t luw\' des huisdaks, tot zij bloeisel gaf
En vruchten . Edens velden waard !
Maar hij -
Hij acht het niet! Zijn wuftheid smaadt
Het heilig offer, dat een moeder bragt!
Hij Huisterl spottend zijn geleend vernuft
Der jonkvrouw toe. Hij maalt, met ligten trek .
Haar nagepeinzeu dartle beelden voor!
En gij. te werelooze. duldt dien hoon ?
Laat eedle gramschap, en geen schaamte alleen.
1) Hamiltons Mömnires dit Comte ile Cirammont zijn algemeen bekend-
-ocr page 374-
JAMBE*.
Uw wangen verwen! Is uw binnenst rein?
De spiegel van uw ziel nog onbezwalkt ?
Zoo wandelt gij , omstraald van hemelglans!
Wie is hij , die, uws ondanks, in den kreits
Waagt door te dringen ? Onschuld, duld het
Hef op die oogen. die ter aarde zien!
Hef op die oogen ! Voor hun fleren blik
Verzinkt de Lafaard in zijn nietigheid!
-ocr page 375-
PUNTDICHTEN.
17 . . — 1*20.
lyEen kleinen Hamer, snel gedreven, heeft meer niaeUr
Dan een zwaer Yzer dat. mae.r op den bont ueleght tuerdt".
Hl\'YGKNS.
GEENE ONTDEKKING VAN IIERSCHEL.
(HKT FHANSCH VAN PARDMLLAN VKBKORT.)
«Weer mkiiwk Maan\'" riep Jochem »\'k «m\'i wat geven,
Zon me iemand zei\', waar al die oiwk.n bleven !\'\'
Dat \'s klaar genoeg!" sprak Koster Jan
»Ze slaan er starren van."
I7\'.K).
\\ A N \\ llltA ST.
Wat zwiert en tiert gij langs de straat;
Dat ieder van uw kuren praat?
ülijl\' thuis . of druk . als andren doen .
Ken steekhoed op uw zotskaproen.
WO O R DS PEL.
Klip heeft er. voor grol\' geld, den regier vleugel staan;
Nu moet er links een dito aan :
Thans vleugels aan zijn Huis—laatst vleugels aan zijn Stal!
Doe schoon dat alles vliegen \\) zal.
17X«).
1) Voor schuld.
-ocr page 376-
:m
PUNTDICHTEN.
HUISKRAKEEL.
Piet Fop was mei de Vrouw aan \'t kijven.
Zij smeet hem, naar den aard der wijven.
De sleutels naai\' den kop !
Piet nam ze lagenend op.
En sprak: «mijn Kind. zal ik nade/.en
De sluiter in dit Dolhuis wezen?\'\'
1789.
SPREKENDE KOOK.
(ARISTOPHANES , DE WESPEN : VS. 130 ENZ.)
Jaloersche (leurt kwam thuis, waar Jasper \'t uur vergat,
Kn malziek, aan den haard, hij \'tsnoepig Klaartje zat.
(.een schuilhoek . links noch regts! .las door den nood
(gedreven .
Beklimt de schoorsteenplank, op Klaartjes rug verheven;
Maar \'t is te laat! (leurt komt! hij wordt de lont gewaar,
Vliegt toe. en schreeuwt met eenen:
«Voor duizend\'\'... (en zoo voorts) »wie daar!\'\'
»De book!"roept Jasper — wint het hoog —en is verdwenen.
HEIN.
Wat onze Hein van goeden smaak zal vinden
Behoeft de voorproef van zijn vrinden.
»Als Hein trouwt" zei\' een spreeuw
«Zoo trouwt hij vast een weêuw."
i) E D * V K R T 0 0 >\' D.
(UIT HET FRANSCH ONTLEEND.)
\'t Was kermis. in den Haag. en een gelapte guit
Riep, voor een tent. met ijzren longen uit:
Acht .stuivers maar! hier moet het al voor wijken —
Pinetti. Olivier en Philadelphia !
Staring, Gedichten.
                                                23
-ocr page 377-
3U
PUNTDICHTEN.
Hier is — wie zag ooit wedergaü !
De D* in persoon te kijken!"
Naauw zweeg de snaak, als oud en joug —
Als hol\' en burgerij zich in den tent verdrong;
Tot eindlijk stoel noch bank meer ledig was te vinden.
Nu komt de Meester! — elk verbleekt!
Hij trekt zijn geldbeurs—zucht—en spreekt:
»lk heb ze leeg!—dat is de D*. Vrinden!\'\'
MYRONS KOPEKEN KOK.
(VRIJ NAAR DE ANTHOLOGIE.)
Wat loopt gij dreigend op mij toe .
Als hoorde ik bij uw vee ?
Neen. Herder! ik ben Myrons Koe.
En wil met u niet mee.
ONDER HET BEELD VAN AMOK.
(NAAH EEN FRANSCH BIJSCHRIFT.)
Geel\' Dezen—wie gij zijn moogt—eer :
Hij wordt eens. is . of was uw Heer.
V R I E N D E N.
[UIT ENGEIJSCH ONDICHT.)
Neen, \'t viel niet zwaar, zijn leven -
Voor eenen Vriend te geven !
Maar ligt viel \'t zoeken zwaar .
Om . onder duizend Vrinden .
Dien eenen Vriend te vinden .
Die \'t offer waerdig waar.
1790.
-ocr page 378-
3;i;>
PUSTDICBTEK.
A A N K.
Is L. uw Vriend? Dat zulks toekomstig blijk\'!
Hij klimme in rang . <»t\' worde rijk.
4790.
OP KEN E KWAADSPREEKSTER.
(Gevolgd.)
Met oosten , die als kolen branden.
Sluipt Gudel rond . en spuwt venijn.
Niets faalt haar, om een Slang te zijn,
Dan gladder vel, en nieuwe tanden.
A A N V R O ü W ENSMADER S.
Laat af. die \'t Zwak Geslacht met bittre gal bespat.
Of gij verdiendet niet. dat gij een Moeder hadt.
OP HET BEELD VAN EENE SCHOONE VROUW ,
DOOR HAAR ZELVE IN (.LAS GESNEDEN.
(naak huygeks.)
C.harlotte. weggerukt, in \'t bloeijen van haar leven .
Sneed dus haar lief gelaat in glas :
Het eigen Reeld zou\' ons te kennen geven .
Hoe kunstrijk . schoon . en broos zij was.
1789,
T E GEN A DA M.
Wat klaagt gij uw Mannin, als uw Verleidster. aan X
Hij volgt te schandelijk, wiens pligt was voor te gaan.
23*
-ocr page 379-
356                                    PUNTDICHTEN,
HANS TONKA\'S ZOON.
Hans Tonka\'s fiere Spruit kwam, van \'tBataafsche strand,
Schatrijk terug in Zwabenland —
En kocht een Adelsbrief, \'t Waar beter nooit geschied!
De helm, op \'t Wapen van den Kinkel,
Herinnert elk. die \'t ziet,
Den snuifpot, voor zijn Vaartjes Winkel.
1*88. /f-r~6J^ ;j!---r^{p c~* V«—..\' *X**~>~ «s_*^~ \'Ji
K L E A N l/
Kleant is een Genie ! wat meer respect, Mijn Heeren !
Gelooft gij \'t niet ? hij zal \'t graag zelf bezweren.
AAN E E IN\' VRIEND.
Houd op, ons eindloos ernst en waarheid voor te zingen!
Uw Lier heeft lang genoeg aan Thebens muur gebouwd!
Laat Amalthea\'s kroost eens op haar toonen springen.
En \'t kopervoetig hert, uit Griekens tooverwoud.
f                  AAN EEN\' NAVOLGER.
?
Alcest, wilt gij den Zandberg op ?
Zoo rijd een eigen paard; geen huurknol haalt den top.
1789.
»            BEKROMPEN OORDEEL.
Jaap ziet mijn werk, en bromt,
Als/Cerberus! »Het wil hem niet behagen!\'\'
\'k Geloof den Man! \'t is op geen leest geslagen .
Die uit zijn winkel komt.
"             HET LANGE PUNTDICHT.
Een Boertig Heldendicht ? ja! Rijmen zonder fout;
En, aan \'t gestolen slot, het eerste graantjen zout!
Herdrukt den Titel, om geen koopers meer te vangen:
Voor HELDENDICHT, Stelt PUNTDICHT ... IN TIEN jZANC.EN.
-ocr page 380-
•Aliï
PUNTDICHTE*.
i                            AA N X.
Wat e smaakt hoeve ik niet te weten.
Heer Zoïlus ! gij hebt een kwade maag
Wat, bij gezonde liên, goè" mondkost wordt geheeten.
Üat is \'t. waarnaar ik vraag.
UU1S ï E R II E I U.
Krijn las. en zei\', zoo tusschen waken
En dutten in: "dat — kon — wel — klaarder zijn!\'\'
Voor die half slapen, lieve Krijn,
Kan \'t een. die droomt, slechts duidlijk maken.
H O M E R IS C HE V E R M A NIN G.
(Ilias: Zang 1 ; vs. 197.)
Dwaalt mijns geluk, ik zie \'t lankmoedig aan :
Geene oogen, die op o.ns. als op een voorbeeld, staren!
Maar zwiert een kloek vernuft moedwillig van de baan.
En lokt zijn Volgers uit. 0111 blindlings mee te gaan.
Ik trok het graag terug — al was \'t ook bij de haren !
OP ORIiO N.
Heer Orgon heelt een wondre gaaf.
Om, wat een ander dicht. in eisen rijm te wringen.
Gelukt het Orgon niét. met Phebus zwaan te zingen .
Hij steelt, voor \'t minst, met Phebus raaf.
478».
O VOORZIGTIGHEID.
Kies geen Partij .
01\' maak vooraf Bedingen.
Schaars houdt Verdedigd Regt zich gansch van Onregt vrij!
Nooit werdt er Leer verbreid, of. bij haar Volgelingen.
Schoot soms de drift haar doel voorbij.
-ocr page 381-
ViX
PUNTDICHTEN.
C OP C00. DEN REFORMATEUR. 1)
Coo smulde, tot liij hongren moest;
Zijn keukenreesehap staat en roest!
Dit deert hem niet. in \'s volks vertrouwen :
Men zweert bij zijn specificum ,
»Dat warring weert uit staatsgebouwen"
Kn die geen spit te gang kon hou\'en .
Knoeit vrij aan \'t Planetarium.
17—
ZUCHT VAN EEN\' BOKR.
TER GELEGENHIED VAN ZEKERE PUBUCAT1E , IN 1800.
MeiischenkeonsmtnnD\'bij »rust", dan zijn de lleerenschran-
Want die het eerste mist. kan dood zijn methetander. [der;
GE EN E VERKLARING. 2)
Ken Vrager zat en vroeg — ik bragt mijn doen alleen.
Maar fjeeii iiedachten voor een re^tstoel. hier beneên!
\'t Was ver van Coa. — ver van Spanjes Quemadoren; 3)
Kn gij, wien . op uw beurt. dezelide Vrager vraagt,
Zoo gij een zelfde »neen\'\' laat hooren ,
Komt ge ongebraden vrij, al is \'t niet ongejaagd. 4)
A A N A. B. G. E S Z. 5)
Hebt gij een Vaderland, zoo kleef niet aan een ander!
Wees Gal noch Brit — wees Nederlander.
DOOP T E G E N D O O P.
AAN DE BRITTEN.
Gij noemt hein Camperduin, die, voor \'t Bataafsche strand,
Ken mindre magt deed wijken.
1)    Zie aant. 94.
2)    Zie aant. 95.
3)    Fornuizen, ter CHRISTELIJKE strafoefening, aan ketters.
4)    »Iiico" uit de Nation, Vergad,
5)    Zie aant. 96.                                   t
-ocr page 382-
PUNTDICHTEN.                                 359
Wij noemen uiuBBENdam , die . uit het Berger zand ,
Voor mindre magt ginir strijken.
17\'.»».
VKÜ BODEN TRIOMF.
Eischt harde pligt. dat gij een Vriend bevecht.
Verwin! — maar geen trofee blijv\' tergend opgeregt.
TOOH EEN AFBEELDSEL VAN DEN SCHEEPSBEVELHEBBEB
.1. A. BLOIS VAN TRESLONG. I)
ik heb geen hand , om lauwreu in te dragen ,
Gelijk een ander deed.
Mijn Regter heeft een kogel weggeslagen ,
Op \'t worstlend schip, dat ik den Brit ontstreed!
De Linker moet. als rusten volgt op hollen.
Voor \'t Nageslacht mijn Vonnis2 openrollen.
MART EN VAN ROSSEM. 3)
\'t Was deez\' toch. die een buit aan Hollands Leeuw ont-
llet Sticht gebreideld hield; Parijs versagen deed; [streed;
En B rabands overmoed met wrekend vuur betaalde ?
Zoo rijz\' dan. Betuwers, een teeken voor den Held!
Of zwijgt, dat op nw grond hem \'t eerste licht bestraalde ,
En blijv\' zijn Wapenroem door iw mond onvermeld !
AAN W.
(lij doet den menschen wel, en ondank is nw Loon?
Getroost het n! gij deelt het met de (loon.
f              S CII O ONE S M A R T.
O gij. die zongt »hoe \'s Hemels Heir
Zich spiegelde in het effen ineir"
t) Zie Aant. 97.
2)  Vernietigd . onder den Koning van Holland.
3)  Zie Aant. 98
-ocr page 383-
,{6(1
PUNTDICHTEN.
Zie Chloë\'s minlijke oogen stralen .
Door tranen , die heur hart vergiet.
En grijp de lier , en durf herhalen :
»De Starbewoners weenen niet!\'\'
Ü E D 0 0 II.
(DE GEEST VAN GAMBEKUCC1S SONNET »LA MOKTE.";
O stervling . \'t eerste graf werd mij ten wieg gegeven !
Geen Slaaf — ontduikt, geen Vorst — tart mijner pij-
tien kracht.
Mijn naam wordt üooii genoemd! maai\', hebt gij deugd
(betracht.
Zoo heet ik dus voor u : de gids na ah schoo.ner leven.
V E K D H A \\ G Z A A M II E 11».
Van \'s Ueeren Woord, iu mensuhentaal geschreven.
Is t regt verstand den mensch verbleven.
Wie aan dat Woord den besten uitleg gaf.
Onthult eens de andre zij\' van \'t graf;
Maar die zich grondde op\'t Woord, en Broeders van zich stiet.
Gewislijk . die begreep het niet.
HOLLAND.
Gods Almagt wenkte van den troon.
En schiep elk volk een land ter woon ;
IIiKit vestte zij een grondgebied .
Dat zij ons zelven scheppen liet.
\\ 790.
BUS C H R I F T .
VOOR .MIJNE GEDICHTEN , IN 182(1 UITGEGEVEN.
Is \'t weinig Dichterloofs, wat ik tesaam inogt gaaien.
Gij Velden om mij heen (bedwongen Woestenij !)
Vlecht pijngroen in den krans, en (leres gouden aren;
Dat hij mijn Vaderland een waardig offer zij.
-ocr page 384-
PUNTDICHTEN.
1820—1827.
HET VROEGE KIEVITSEI. 1)
Piet Smul (rad in de Schuit van Levden op den Haag,
En toefde hij het roer, terwijl een Maartsche vlaag
Verkeerde in zonneschijn; daar kwam een Knaapgeloopeu:
»Eeu Kievitsei! wie wil \'t voor twee zesthalven koopen!"
» »\'t Is vróèg" " zei\' Smul » »ik neem \'t — voor èèn
(zesthalf." " »Ze<>\' twee.
Mijn Heer; ik geel\' u \'t Ei \'m \'t Mandje mee!"
Ue koop lukt. en de Schuit wordt van den wal gestooten;
Met roept de Knaap:»Mijn Heer, haast was mij iets ontschoten:
Het vuur dient voor uw Ei niet al te hard gestookt;
Ons Grootje heeft het al verleden jaar gekookt."
N A A R B E A IJ M A R C II A I S. 2)
(ïoo. gek van jaloezie, kreeg eindlijk wat hij zocht:
Een waaksenen Hond. Het heest valt \'s nachts in \'t honderd
Op ieder aan , de Vrijer uitgezonderd ,
Die Sultan heeft verkocht.
HET KA NON TE LI MA. 3)
Men kwam in \'t koflijhuis te praten ,
Van zeker groot Kanon. Bereisde Roel nam \'t woord.
En sprak: »ïk zaiï weleer een Monster van dat soort!
Zwol met zijn Lange Griet 4) moest daar de kroon aan laten!
Dit stuk (het hiette de Olifant)
Lag op den wal te Lima. \'t Is verdwenen ,
1)  Zie aant. 99.
2)  Zie aant. 1<KI.
3)  Zie aant. 101.
4)  AiT.hemsche Oudheden, IV. D, S2.
-ocr page 385-
\'Mi-2                                            PUNTDICHTEN.
Sinds ik dien hoek doorkeek. De grond heel\'t in dat land
Nooit rust. en slokte \'top. (lij moest steen blaaspijp meenen.
Aan zes Palm diameter! Zes
Goé Ellen was de ruimt\'! Verbeeldt n slechts. Mijnheereii :
Keus liet er de Pikeur mijn Nonnandijsche Bles
In traverseeren !
»Sterk — zeersterk!\'\'riephierFop »maarik kan\'tattesteeren:
Bles kwam voorin -en ik — was achterin juist druk
Aan \'t meten van ons stuk !
liet tramplen nadert en bedreigt mijne eksteroogen; —
(\'■aan loopen is hier zaak — doch buiten injjn vermogen —
Als langs een vreemden wei;! Ik maak. mei ras besluit.
Den meetstok tot mijn pols. en wip het zundgat uit.
II ET HOND ENG KV ECHT.
Bereisde Roel zag op zijn togten
Geweldig veel! Twee Bullebijters vochten .
Voor \'t wijnhuis . in een kleine Poolsche stad .
Terwijl bij juist aan \'t venster zat:
»Zulk vechten. .Mensehen! — — Zij verslonden
Malkander letterlijk ! Met iedren hap. ging oor
01\' poot er af\' — en glad als vet er dóór.\'
(Jus scheiden kwam te laat! wij vonden
Het restjen : — op mijn eer.
De staarten . en niets meer."
JOB GIL. V
De Methodist, .lob Gil. stond op een vat te preken:
Hij blaakt, dat hij een ziel voor Wesleys hemel winn\'.
En stampt van drift; maar. ach, twee hoepelszijn geweken —
De bodem zakt — hij schiet het okshoofd in !
\'s Mans laatste woord werd middendoor gebroken ;
Zijn rede niet! .lob hield den leidraad vast.
En \'t geen hij boven . tot verklaring. heeft gesproken .
Wordt straks beneên . dooi \'t bomgat. toegepast.
Zie mint. 102.
-ocr page 386-
:w.\\
I\'l VriMCHTKN.
H E T S T E R R E N S C III E T E N.
Hein Simpel zag cl\' Oudstuurman Zweer.
Op zeekren arend . met een Sextant in de weer.
Ilij rroeg hein wat hij deed: »Ik wasaan\'tSterrensehieten.\'\'
»»Hoe? niet dat koopren ding?"" »Ja; kijk; hier loert
(men door.\'\'
Hein — \'t oog aan \'t glas! Een ster verschoot er voor.
En hij horst uit: »»Mag dat geen kaerlswerk hieten?
(iw . die \'t verstaat. troft nietmetal ! en ik
Schiet raak met de eerste mik !\'\' "
A A N G E B R A N I).
Aagt Morsebel nam kleinen Piet
In kost. en als het kind, te middag aangezeten.
Haar soms zijn walging merken liet:
Me vieze bijsmaak van heur knoeisels werd geweten.
Aan kaarsvet, roet, noch snuif; \'t was altoos:» Lekkertand,
Wat zou\' het zijn , als aangebrand ?"
Nu kwam er eens een schotelvol groen eten
Te voorschijn , die Kok Aagt spinazie had geheten :
Hiervan kreeg kleine Piet zijn deel op \'t bord gesmakt;
Hij roert er in ; hij vindt twee achterpooten
Van \'d armen kik vorsch, onder\'t warmoes kort gehakt,
En legt, met de oogen hall\' gesloten ,
Zijn eetvork neer. terwijl hij vraagt :
»Heeft aangebrand ook voetjes, moeder Aagt?"
.1 A A P S L A A ï S ï E W 0 O R I).
----------------video meliorn , próboque;
Deteriora sequor.
Jaap lag en stierf; de Zoon, meer naauwgezet
Dan zijn Papa, stond ernstig neren \'t bed:
«Denk, Vader, aan de Preek, die ik met n nog hoorde!
Denk aan den vuurpoel. waar de Rijke Man in smoorde .\'
-ocr page 387-
304
PUNTDICHTEN.
Wat zejrt sjij — \'t nieuw perceel, daaraan de steenen
[brug —
Gewonnen... met dien Eed... geeft ge onzen Neef terug ?"
»»Gij hebt gelijk, Jan! \'t kwam mg ook al in gedachten;
Zulk Zweren heelt «reen bon te wachten ! —
Maar zulken Land ! het puikje van de klei —
En voor ons melkvee juist de naastgelegen wei\' —
Dat kroontje van den boel, dien \'k in mijn rustarm leven
Voor ii heb saamgewroet, goedschiks weer al\'te geven ! —
(lij voelt het zelf — dat gaat niet. lieve Jan ! —
Hou" wat uïj hebt — \'k zal lijden wat ik kan.""
Z 0 N N E V L E K K E N.
1824.
Een regen zonder eind verkeert al \'t land in plassen.
Gij vraagt er de oorzaak van: de Zon. werdt ons berigt,
Kreeg Vlekken in \'t gezigt,
En is , zoo \'k denk . aan \'t wasschen.
WOORD AAN EEN\' Ü I E E.
Üe Weleerwaarde Jan ; \'k gis Jani Filius:
(De een biet hem zóó en de andre zus)
Stond op een dorp en had berookte Preken .
En Einders geen ijebrek ; maar \'t groot artikel Geld
Was vaak bij Juni schraal gesteld !
Wat beurt er op een nacht: een Dief poogt in te breken\'
De Iluisheer merkt het, en roept luid. door\'t bedgordijn:
Gij doet mijn slapers noodloos hinder.
Goê Vriend! Vind ik hier niets bij vollen middagsctuiju- !
Gij vondt er, zonder licht, nog minder.
COED OVERLEG.
In zeker Scheepsberigt stond veel van Waterhalen:
»Welk tijdverlies" riep Jan »om niet die sloep te dwalen!
-ocr page 388-
PUNTDICHTEN.                                             3<>;i
Zoo \'k Reeder was, ik zond geen .schip in zee.
Of \'t kreeg een Put. in plaats van ballast. ineê.\'\'
ASSESSOR X.
Schout Y. ging reizen; een Assessor deed het werk —
Trouw in Diana\'s dienst, maar met de Pen min sterk,
\'t WasHnberts-dag; men jaagt; men schiet —links! - regts!
(Twee knollen .
Die \'t braakveld ploegen . op de loop!
De Assessor overhoop !
Hij trekkebeent naar huis. van boosheid blaanwgezwollen.
En schrijft een order, tot maintien van zijn respekt:
(ieen Paard zal zich verstouten weer te hollen.
.Na pnblikatie ! in- noch nit-direkt!"
GRAFSCHRIFT VOOR SANDER ONRUST.
Hier ligt een man. die altoos voorwaarts runde:
Zijn leven was bedrijf—regeeren al zijn lust!
Wat hij zichzelv\' en ons niet gunde
Zij met zijne asschen — Rust.
R A A D.
Gij hebt verdienste, en wenschtet voor uw Loon
Eer, of profijt? — Schreeuw! schreeuw luidkeels! Met zwijgen
Mijn beste Maat, is niets te krijgen .
Rij Opper- noch bij Ondergoön
P ü N T DI C II T E N
^             OP ZIJN ROEMER VISSCHERSCH.
I.
Met haasten en reppen is Keesjen een Vent!
Eer ik halfweg ben . vliegt nu aan \'t end.
-ocr page 389-
:$(\'»(\'»                                                     PUNTDICHTEN.
Maar. door spoedig alleen wint de kok geen gunst\'
Spoedig en Lekker Ij eischt de kunst.
II.
Aller eeuwen verstand heelt Louwtjen in pacht.
Over \'t laag en \'t. hoog moet zijn wijsheid /.weven :
Pas kan hij \'t zijn doode Mama vergeven .
Dat zij . buiten zijn raad . hem ter Waereld bragt.
III.
Koel Kras-pen titelt zich Advokaat:
Gaauwdief en slniker ontkomt door zijn raad ;
Maar hij pleegt dien, voor appel noch ei, te rerkoopen.
Want cijferen kan hij! dat zon\' hij hopen !
Hij zoekt »oin te denken" de stilte in \'t kantoor;
Slaapt; wordt wakker; zet een schuifraam open ;
En schrijft er vier vakaties voor.
IV.
De Ster, op de horst van den Draven Man .
Moest door de wolk van zijn needrigheid stralen .
En. wat geen zilver. geen goud mogt betalen ,
Daar spreekt de Gunst des Konings van.
Zöö strekt de Hra\\e ten baak voor ons allen!
Maar de Ster. op den rok van een Gek of een Guit.
bokt het regteiiijk oog van de Menigte uit:
Dat schande en spot verplettrend op hem vallen.
AAN EEN\' SCHRIJVER.
Het strekke uw moed ten sboor, doch/mag uw Kroon niet
Aan Seine . aan Teems , aan Rijn . [wezen:
Vertaald te zijn.
Maak dat u. Onvertaald, Frank. Brit, en Duitscher lezen.
1) De naam van een Gebak.
-ocr page 390-
PUNTDICHTEN.                                           ,i((7
T DE LETTEREEÜWEN.
\'t Was de Eeuw van Goud toen Vondel Heins verrong —
\'t Was de Eeuw van goud, toen Smits met Hoogvliet zong —
En \'t is weer de Eeuw van Goud. waar op wij thans braveeren!
Maar... Goud! Goud! Goud! — tot driemaal toe, MynheerenV
Een lijnregt front, waarin Drie Eeuwen staan! —
Niet zóó! — De Paarlen Eeuw brak na de Gouden aan;
En nu; ten spijt van Schoolpedanteti.
Vol koud Latijn en heete gal;
Nu zingen we enkel hemel val .
En juublen in de Diamanten !
TAAN P E G A S ü S.
Pegaasjen . hou\' eens stil!
Ik hen geen vriend van vitten ;
Ik zuiver slechts, uit goeden wil.
Uw schoone manen van de klitten .
En lees de noppen uit uw staart:
Laat Pluto \'t haavloos kinhaar zitten
Apollo scheert zijn baard.
f POLIJSTEN.
(\'■ij zonen van Apol , die min doldriftig ijlt.
En \'t warmgesmede Vers bedachtzaam koelt en vijlt.
Gedenkt: schoon \'t Beerenjong bij Moeders lekken winti1
Als \'t lieve Leven laait, dat lekt geen tong er in.
•f AAN EEN BEGINNEND DICHTER.
Zulk roHelwerk zou\' onverganklijk leven ?
Neen . Vriend ! Geschoeid, won Bilderdijk
Het steil der Kunst; maar achter hem in \'t slijk
Blijft gij met uw Pantoffels kleven.
"\' \'<■• -\'• * • •          v w W 1 V * < \'t . ■ •
-ocr page 391-
MIK                                      PUNTDICHTEN.
HOERA. 1)
»Is \'t hóèra ? is \'t hoera?" 2)
Wat drommel kan \'t u schelen ?
Brul, smeek ik , geen Kozakken na!
Als Freedriks batterijen spelen —
Als Willems trommen slaan —
Ulijv* Neêrlands oorlogskreet »valaan !\'\'
Waar jong en oud de vreugd der overwinning deelen —
Rij Quatrebra\'s Trofee —
Rlijve óns Gejuich «hoezee!\'\'
j.                   OPPLAGIARIUS..- 6.^\'\'V
Heer Plagiarius vent zijn geroofden buit
Voor eigen goed; en, blijft de schelmerij verholen,
\'t (laat zóó toe : die hij schrijvend heeft bestolen.
Maakt hij bij elk voor zotten uit.
1) E L A N G 1) R A J) I G E P R E E K.
Ik ging bij A. ter preek; Z., onder \'s Mans gehoor
Meè luisterend , begint mij aan te stooten .
En mompelt: «Goede kost. maar met lang nat begoten!
Men dient ze best op een vergiettest voor."
DE L E E R D E H U L ï RA\'S. 3)
Rij Licht, en vrije Tong, schroomt Willem geen Verraders.
»Das mis!" weergalmt het, in de Buurt
»De Bron van \'t Licht dient toegemuurd ;
He Troon bewaakt, door . . .." stomme Heksenbraders.
1)  Zie aant. 103.
2)  De Duitscliers zijn , zoo goed als wij, onzeker, hoe liet accent te
plaatsen.
3)  Zie aant. 104.
-ocr page 392-
3fi9
PUNTDICHTEN.
LICHT, VRIJE PEN EN VRIJE TONG. I)
»Xeen"
KREKELZANGEN.
■Tal Licbl — voor Vorst en Volk! maar geen verkleurde
[stralen,
Van Frankrijks Ultra\'s, noch van Krankrijks Liberalen.
Ja! Vrije Pen! maar — schrijft ze hij dat licht —
hun tot gehoorzaamheid aan Neêrlands Wet verpligt.
Ja.\' Vrije Tong! maar in bescheiden mond,
Niet sijflend als een slang, niet blaffend als een hond.
HET PAARD VAN NA PELS
in 1821.
De kolder steeg den Ruin
Van Napels in de kruin;
Men ging een Dokter halen :
\'t Cauterhim 2) werd g\'ordonneerd ;
Dat Middel kon\' niet (\'alen !
De naam alleen heelt Schimmel gecureerd.
HET PAARD VAN NAPELS
in 1825.
liet Paard van Napels was door enklen schrik genezen :
Tom ging het wonder zien, en gromde: »wat zou \'t wezen!
Zulk doktren brengt de Kunst geen eer :
Zijn Kolder is vergaan — zijn Slaapziekte is ei\' weer."
0 HE T GEREDDE SPA N J E 3)
in 1825.
Laat waaijen de vlaggen van toren en plecht!
Het duister in Spanje begint al te klaren:
1; Zie aant. 105
2j 11e Brandpijlen . bij liet Bezettingsleger tier Oosten rijkers.
8) Zie aant. lOii.
Staring, Gedichten.                                              24
-ocr page 393-
370
PUNTDICHTEN.
\'t Geloot zal er heerschen ! Wat pli«t zij , of regt
Wat waarheid of leugen — Toledo beslecht!
De galg te Madrid zal den wrok doen bedaren ;
De Heilige Kas weer den Spaarpot bewaren ;
En , wordt aan \'t Officie de Brandpaal ontzegd.
Dan blijft toch een christelijk Bullengevecht
Steeds Nut met Verlustiging paren.
VERS C BILLENDE UI T L E G.
Een van dat Gild, dat blindlings knielen preekt:
Van \'t Godlijk Regt der Vorsten spreekt;
Kn sluiks hun aanzien poogt te ontwrichten;
Een van dat Gild stond in den kring .
Waar Karels hoofd de Wonderzalf ontving .
Ku vlammend was de zon deed zwichten: 1)
Gejuich gaat op ; een Vlugt van Duiven is geslaakt!
Doch zij vangt aan zich naar den Gloed te rigten.
En wordt er smartlijk door geblaakt!
"Ziedaar" zegt onze Man «ziedaar het Volk, en\'t voordeel.
Dat Licht en Vrijheid geeft!\'\' »»De Tekst heeft, naar mijn
Een andren zin\'"\'\'                                       (oordeel .
Is \'t weerwoord van zijn Buur »»ik vind er dezen in :
Licht, Vrijheid zijn de kostlijkste aller panden!
Maar zie. hoe \'t ons vergaat, wanneer we, in kerkerwandi-n
Bekneld, de vleugels slaan, en ons verbijsterd ooi»,
Van \'t Zonlicht af. naar \'t schijnsel toog.
Waarmee valsch Kaarslicht staat te branden." "
1) Hij de Krooning te Rheims , den 29 Mei 1825.
-ocr page 394-
PUNTDICHTEN.
I«27- 1«3;>.
UIT HËSIODUS.
Ken Dwaas begeert liet gansche! een Wijze weet. hoeveel
De Helft het wint van \'t Heel.
V E K T AALD E G N 0 M E.
Thyrsus-dragers hij de vleet!
Weinig die men Bachus heet.
HET HOEN. 1)
.NAAK l»E ANTHOLOGIE.)
De Broedden warmde "t pluimloos kieken ;
Een langen nacht den guren sneeuw getroost;
Tot dat daar \'t vinnig snerpend oost
Het leven nam . hij \'t ochtendkrieken.
Bloos, Procne. bloos, Medeê, als ge aan Cocytus boord
Van deze Moeder hoort.
BEDE AAN PERSÈPHONE. 2)
(.\\AAH DE ANTHOLOGIE.)
\'k Verloor Theonoë. Zij liet heur droeven gaa,
Tot troost. haar evenbeeld, een minlijk Zoontje na.
Het onbarmhartig Lot heeft me ook dat pand onttogen !
Maar gij , Persephone, betoon uw mededoogen
Den Vader en den Echtgenoot:
Leg zachtkens \'t lieve Wicht zijn Moeder in den Schoot.
1)   Zie aant. 107.
2)  Zie aant, 108.
24*
-ocr page 395-
372                                     PUNTDICHTEN.
OPSCHRIFT VOOR DEN GEDENKSTEEN,
GEPLAATST IN HET KERSPEL VORDEN WAAR DE LINDENSCHE
KAPEL, TEN JARE 1837. ALS BOUWVAL WF.ltll GESLOOPT.
Verheft zich hier geen Bidplaats meer,
\'t Heelal is Tempel voor den Heer.
OPSCHRIFTEN VOOR BEGRAAFPLAATSEN*
I.
VOOR DIE TE VORDEN.
Uit nacht rijst morgenrood :
Het leven uit de dood.
II.
VOOR DIE TE LOCHUM.
Boven den ingang , van buiten.
Verheft uw oog . wie aan een grafstee schreit :
Keert stof tot stof, de ziel erft de eeuwigheid.
Boven den ingang van binnen.
Geen afschrik hare u wat gij ziet:
Den Dood vreest hij die God vreest niet.
V E R M A A N.
Roep smeekend God aan, in uw nooden,
Maar voeg ook Daden bij \'t Gehed :
Geen trage strijder wordt gered ;
Den sagenden geen krans geboden.
De Helper uit den hoogen staat
Naast die zich zelven niet verlaat.
KENNIS EN WIJS II E I D.
\'t Is Naarstigheid . die vroege Kennis gaart;
Ervaring is \'t, die spade Wijsheid baart.
-ocr page 396-
373
PUNTDICHTEN.
D A G E L IJ K S C H D O E N.
De rijpe Kennis hoort;
De onrijpe neemt het woord.
M E E S T E R E N L E E R L I N G.
De Meester. in zijn Wijsheid. gist.
De Leerling, in zijn Waan . beslist.
V R I J H E 11).
\'k Was jong, en vroeg : wie is de Vrije Man ? —
Een Grijsaard antwoordde op mijn vragen:
\'t Is Hij , die . zonder morrend klagen ,
Het onverkrijgbre missen kan.
- AAN EEN\' TE ZKDIGEN SCHRIJVER.
Waarom uw Boek aan \'t licht onttogen ?
\'t Verschijn\' gerust, al is \'t niet groot:
Wordt Eikenschors hij \'t pond gewogen .
Men weegt Kaneel bij \'t lood.
f D E ONMISBARE L E I D S M A N.
Verbeeldingskracht en Geestdrift hiet ik veel !
Maar hebt gij voor . daarmee Parnassns op te streven.
En is Gezond Verstand n niet tot Gids gegeven ,
Gij dwaalt. den Berg voorbij , naar Geel.
4 BIJ DE TERUGZENDING VAN EEN DICHTSTÜK.
Gij noemt dit hehelval ? Ik acht het ledig schallen ;
Maar keur nogtans den titel goed:
Ja! \'t komt den hemel uitgevallen —
Zoo als het Sterrensnnitsel doet.
-ocr page 397-
37 \'t-
I\'C.NTIIICHTKN.
HOOP EN VREES.
De stem des Tijdgenoots, die Dichters laakt of prijst,
Velt menig vonnis, dat de Naneef anders wijst :
Eens klonk de roembaznin Jan Vos. Daand\'Amstel, tegen!
Eens heeft zij, aan de Theems, van Miltons lied gezwegen.
DE DOOD E N D A N S.
(De Vriend des Vaderlands 1833 No. 1 lil. 20.;
Als Göthe, in \'t spookgewoel dat langs den kerkhof zweeft,
Aan lijkgeraamten Ilembden geeft.
Heet dit natuurlijk , hij zijn vrinden.
Ik zal \'t met hen natuurlijk vinden,
Zoodra de Britsche kunst, op hooger trap geraakt,
Na \'t water-proefde Vilt ook rot-proefd Linnen maakt.
A ANC Ö T II E. 2)
Springt gij van \'t regte spoor, ik weiger meè te springen,
0 (lothe ! Maai\', hoe grootsch uw eerzuil staat geplant —
Op onbereikbaar hoog, ten spijt van volgelingen \' —
Dat wees mij met zijn Uzren Hand
Vóór vijftig jaar reeds (ïütz van Rerlicbingen.
KNIEDICHT. :j)
\'k Ben oud , maar zal \'t niet lang meer zijn !
\'k Heb van de Bron der Jeugd gedronken:
Papa Jerooms Bourgonjcwijn ,
Mij door zijn Dogter ingeschonken.
VERKEERD B E J A G.
Ik hits de Levenden verkettiend aan elkaar :
Ik trek de Dooden in hun grafstee nog bij \'t haar.
En ga gerust langs straat; mijn arbeid is verloren!
li HuvUecoper, Proeve van T. en D. I. Boel; V. 568.
2)  Zie"amit 109.
3)  Zie aant. 110.
-ocr page 398-
PUNTDICHTEN.                                           375
Och, menschen, sloeg mij toch een heldre klink aan de ooien.
Ten lange leste Martelaar!
stoomrijtuk; op een uzerbaan.
I.
Per Stoomkoets tien uur wegs in èèn uur al\' te leggen,
Slaagde op een IJzerbaan .
Aan gindszij van \'t Kanaal. Een lei mogt daar wel zeggen:
Kon\' \'t, met Sint Patrick, nog een ziertjen radder gaan.
Dan kwam men eer men afreed aan.
II.
»ln èèn uur tien uur wegs!" Naar evenredigheid
Dient de Aardbol uitgeleid :
Gij Wachters met uw teleskopen .
Zoo ge een Komeet wat digt voorbij ziet loopen,
Eilieve , houdt den gast.
I**>().
              En brugt ei\' ons aan vast.
II E T C. A S L I C II T-M I K R 0 S K 0 O P.
Een schaar boerinnen trok naar \'t Gaslicht-Mikroskoop,
En keek zich de oogen uit: vrouw Neel stond bij den hoop.
Doch van verwonderini"\' droeg haar gezigt geen blijken.
Ze erkende : ja ! — \'t was mooi;
Maar als men nu , in plaats van mijt of vlooi.
Haar vette varken eens met zulk een ding liet kijken .
f835.
          Hoe groot zou\' dat niet lijken!
DE DIEP-EGGE. 1)
AAN DEN HOERDUK VEItl.OKEN , NAGEBMEFD . 2) E.N ZOEK
GEBLEVEN.
Toen. onder Brabands wal. de Diepeg was verzwonden.
En haar een steekbriel\' nagezonden ,
Hief Dis 3) zijn knikker als een drijfton uit het nat.
li Zie aant. 111.
2) In de Haarl, Cour. van 16 Apr. en Staatscour. van 1 Mei 1830.
3 Dezelfde als Plnto.
-ocr page 399-
37fi                                           PUNTDICHTEN.
Hij keek een hoop rond. rlie het drok met zoeken had .
Kn sprak : Houdt op. goê Hén. te polsen en te haken.
Dat Sleepgerei. door de Onverschilligheid
Verwaarloosd . eer zijn Proef was afgeleid .
Heb ik benaderd, om den weg weer schoon te maken.
Voor Charoos boot, die dreigde grond te raken ;
En — is de Vinding in zichzelv\'misschien niet kwaad\'
Of, dat het niti.MMis (mijn Factotum voor die dingen)
Geviel, bij \'t haspelwerk dienstvaardig toe te springen\'
Genoeg! de Veerman zeit: »het gaat!\'\'
WEÊRSTl\'IT. 1)
I.
(ll. <:. I.ICIITE.NHEIK.S IHEË.N VON <i. JÜItltENS. S. 172.)
Hans-Worst van Hessen riep (als iu de Leinestad
Het markttooneel nog stond, waar hij patent voor hadi:
»Een Paard, getranslateerd in \'t Hollandscb!\'\' riep Hans-
En
\'t was een ezel. üie\'t zich aantrok wees den borst (Worst
Op een kalkoen, en sprak: »zoo mijn gezigt niet dwaalt.
Pronkt hier een Paauw. in uw lloog-ttuitsch vertaald.\'-
II.
I.ICHTE.NHERG\'s IHEE . IN EEN DER STIKKEN VAN l>K llllll.in-
THÈQLE INIVEltSELI.E V00I1 1830 MEDEGEDEELD.
Vanwaar, dat Frankrijk meê. wat Jördens uitschreef, leest ?
Een Duitsche plompheid scheen den plompen Zwitsergeest.
vlnfeli.T eorum ignorantia, qui en damnant
quae non inteUigunt "
I.
D E V ü l\'RDKRG E N. 2)
» Wenn der Wasscrtropfen voi.i.kr; LEBRNSKRfiFTK isl.
mussen auch die Sonnen
u. s. w. i.kbknd se;/n."
Volgt goeden raad, stokblinde Geologen :
Strijkt WAc.ENEits Probate Zalf\' aan de oogen.
1)    Zie aant. 112.
2)    Zie annt. 11»
-ocr page 400-
PUNTDICHTE».                                          1577
Eu geelt dan acht. als de Ktna zijn getier
Weer hooren laat. Die pot aan \'t overkoken
Is middagklaar een Steenpuist, doorgebroken
Op \'tligchaam van \'t groot waerelddier.
II.
ÜE MAAN.
tUnsere Erde pflunzt sich fort, in ihi\'em pöTUS,
Mond ftenannt."
»L)e Maan een Kind van de Aarde?" — Ik hou zulks voor gewis!
Kn dat het arme schaap zoo traag in *t groeijen is —
Zoo bleek en lustloos zit te droomen —
Zou\' dat niet van de Wormen komen ?
I Kt>«»                                                         ----------------------
I) E K H U G S G E V A N (1 E X E N.
I.
Vijl\' man, aan èèuen hoop, nam ik alleen gevangen!
Ik, moederziel alleen ! Gij zult misschien verlangen
Te weten, hoe dat ging?-Met wat beleid, hèèlglud:
Ik eischte ze op, toen ik ze omsingeld had.
II.
»Kaptein!" »»Waar zit je\'\' kom! dit bosch is niet te
(trouwen." "
»\'k Heb twee Gevangnen!\'\' »«Breng ze meê.\'\'"
•>lk word door beide vastgehou\'en.
En kan niet van de stee."
DE BELG ISC HE STER-ORDE. 1)
1831.
Eek orde va.n de ster! Hoe wel bedacht. Mijnheeren!
dy maakt daar. naar uw wijsheid , dan
(lelijk het hoort, een staart-steh van :
Hit Beeld van uw Bewind laat gij in staal graveeren.
En wie. als gij. den schop aan alle braafheid gal.
Dien drukk\' men \'t. rood gegloeid, op \'t schaamtloos
(voorhoofd al\'.
li Zie wint. 114.
-ocr page 401-
37*
i\'i\'.vrmoiiTE.N.
DE IJK LI] AAN DEN NEDERLANDER.
1831.
Ondankhre leugenaars, eedbreukigen, verraders
Kn moorders noemt irij ons. 1) Al hadt gij groot gelijk.
Ue kortste weg ten doel ging door een beetje slijk !
Na tachtig jaren strijds erlangden eerst uw vaders
Den vrijheidshoed : de zon ging èènen jaarkring rond .
Kn op \'t gloorjeuze v11ïI staat onze troon gegrond.
D E 1.1 Z K R E \\ L E E (J W V A N W A T E R L O 0.
DOOM DE INGEROEPEN KRAN8CHEN UESCHONUEN.
1831
Waar \'t laatste glorielieht voorde Aadlerschaar verdween.
Daar trol\' den Leeuw , die over \'t slagveld brulde .
Smaad van een rransche bandlWie noem ik laagst van tweên:
He laagheid die hein schond, of die de schending duldde ?
F H A N S C II E CHRIS T E N l K K H.
1831.
«[./• Christianisme vient d\'affranchir la Grèce, et
de mcttre en liberté les Pays-Bas.\'
Essnyc li istoi-. pur ne CHATEacbbiand Préf.
• De ghristenleer heelt Belgenland
Geslaakt van Koning Willems keten."
Zoo galmde lest Chateaubriand .
Kn \'t werd. in frankrijk, voor orakeltaal versleten.
HiKK . mag de christen... huichelaar.
Noch troiiwverkraehterzijn, noch dief. nog moordenaar.
1) Zie aant 115.
-ocr page 402-
:m>
i\'i.vrmcirrE.N.
I) UIT S C H E SCHRIJVERS. I)
MET FKANSCH-ENGELSCHE BRILLE!*.
Door Ventiirini en door Pölitz aangeklaagd .
Als ware \'t mes bij ons gescherpt op Belgische ooien,
Krijgt \'s Gravenhaag een st ra (\'sermoen te hooren:
Dra komt de Roetgfizant uit üuitschland opgedaagd.
Ik zie hem reeds vol viïïir de grenzen overstappen.
Hij meent het goed met u ! vergeld dit. Hagenaar:
Kn lukt het hem, te Delft i) aan \'t (iek ken huis te ontsnappen,
Heb gratis Nieskruid voor hem klaar.
I.
A A N D E BRIT T E N. 3)
Uw hebzucht, Britten , en uw afgunst zijn voldaan :
Maar, Vrienden, ziet gij nu. langs open waterbaan ,
("w koopmanschap elks grenzen binnenstoomen .
Of tolvrij . over \'t glad van mzken sporen , gaan ;
Ziet iïi.j. waar de eerestoel der Nassaus heeft gestaan.
Uw Spediteur tot Koning aangenomen ;
Ei, ziet ook , op de Schelde/.oomen,
Het Nest \'0 klaar voor den Fransehen liaan.
II.
A A N D E N E ü E R L A N D E R S. 5)
Er staat een spreuk gegrift, in Utrechts wal,
I (aar, waar een arm van steen dreigt met een steene.n bal: (»J
«Bedreigen is geen treilen" staat er; —
Ook hem ten troost, wien ijzer dreigt of water.
1) Zie annt. 116.
2l Als op den weg naar den Haag liggend.
ai Wijzen en braven niet te na gesproken
4)  Zie aant. 117,
5)  Zie aant. 118.
6)  In PausliLiizcn.
-ocr page 403-
380
PUNTDICHTEN.
VAN SPEYK.
BK00ttltKKI.lt DOOK GR. KKI.IX Hl. MKHOIIK.
1831.
Te pronken met van speyk? Daarvoor zie ik geen reden!
\'f Is klaar. dat hij te diep in \'t glas gekeken liad.
Een nuchtren mensch doet aks wij Delgen deden :
Eer \'t ernst wordt geeft hij \'top, of kiest het hazenpad.
IJK rmiTSCHK EN FRANSCHE ZEEMAGT
TEGEN NEDERLAND VEREEMGD.
(ja. Vlag van Albion . een Zuster krijg verkonden,
Weleer voor \'t snood Algiers aan uwe zijde ontwonden!
Ga . voer de Britten aan. dat. hun misbruikte moed
In eigen ingewand . gelijk in \'t onze . wroet\'.
Laat. pronkend voor u uit. de Pransche Wimpel zweven:
Waar \'t Regtsverkrachting geldt. zij de eerplaats haar
(gegeven !
Ga - Neêrland, zonder r . heelt nog dien Bondgenoot
Die. als ge op \'t ruim verscheent, zijn bliksem neder-
(schoot. 1)
.1 A N C A l< E L .1 O S E PII V A N SPEYK
ES
O TT O CLANT. 2)
:i KERK. 18.11—17 JAN. 1;)«(\'..
Uien eedle trotschheid voege . u voegt zij. Nederland •\'
Van Speyk stierf voor uw Vlag. en voor uw Vaan stierf Clant.
1) De Southnmpton werd, bij het in zee steken der Vereenigde Vloot,
op den 5 Novlir. 1832, door den bliksem getroffen,
2) Zie aant. 119.
-ocr page 404-
AANTEEKENINGEN.
1. WICHARI) VAN POST.
Dit stuk heeft, zoo het eerst was aangelegd, tenjare 1793, een
plaats gevonden in de Bijdragen van Feith en Kantelaar. Wat men
van het behandelde onderwerp, b(j Slichtenhorst (Tooneel des
l.ands van Gelder, Kap. :S6 enz.) kan lezen, en mij dienstig was,
bepaalt zich tot het volgende: „\'t Is eene verouderde dwaling,
dat Gelderland weleer door zeker gruwzaam Dier is geplaagd
geweest; hetwelk, onder eenen eik schuilende, de velden rondom
woest en onveilig zoude gemaakt hebben, en menschen en vee
of verscheurd , of met zijnen adem gedood. Welk Ondier, door
Wichard, Heer van Pont, doorstoken zjjnde, heeft deze Held, naar
het laatste gehnil van het Beest, dat stervend; Gelder! Gelder!
had uitgeroepen, eene stad, die door hem aan de samenvloeiende
stroomtjes de Niers en de Wije gesticht werd, tot eeuwige heu-
genis, (ielder genoemd.
De Zeenwsche Tjjdschrijver Jan van Rejjgersberg zegt, dat
Gelderland in die tijden Ponthis zoude hebben geheeten. —
Wichard trouwde de Dogter van Herman, Graaf van Zutphen.—
De Hoofdkerk der Stad Zutphen was, van onheugelijke tijden
af, aan de Heiligen Peter en Walburg toegewijd.\'\' — „Ponthis."
Ik lees bjj niü, in Boxhorns Chronjjk van Johan van Reygers-
bergen, II. 5. „Pont." — „De Hemel wil \'t.\'\' In 1095 riep men
ook, op het Concilie van Clerniont: Diex el volt! — „Driemaal
negemnaal." Van de eerste tot ruim aan het midden der negende
eeuw. Wichard bestuurde het Land van (ielder. van den jare
•S7S> tot 910, volgens Slichtenhorst, den Vertaler van Pontanus.
Teschemacher wjjst aan zijn\' Draak het jaar !>90 toe. — „Gel-
der." Men stelle zich Gelder voor, als èénen persoon met Geltar,
wiens naam alleen in het elfde tooneel van Klopstocks Hermanns-
Schlacht en nergens elders wordt genoemd. Etymologisten, uit
de school van den Schrjjver der Képnblique des Cliamps Elysées,
H. de Grave, zullen den naam van Geltar, of Gelder, ook nog
erkennen, in dien van (Teister, een Dorp gelegen in Gelderland,
Kwartier Zutphen, waar de Kleine Brukters plagten te wonen.
— „Vorst." Van Spaen, Inl. tot de Hist. van Gelder!. II. 130.
-ocr page 405-
;>82                                        AANTEEKEM.NCK.N.
2 LENORA.
„Sulfer." Het gebruik van het Buskruid, in den oorlog, kwam
op in de veertiende eeuw. — „Het Bloedperk." De Doodenkainp
is hier bedoeld. De oorsprong van dezen uaam wordt anders,
door de overlevering, gebragt tot later tjjd; te weten tot het
begin der zestiende eeuw, toen een aantal manschappen, in een
werk, tegen het Huis Ter Wildenborch opgeworpen, over de
kling werd gejaagd. Zie Slichtenhorst; bjj wien, zeer verkeer-
delijk, de herhaalde ontzetting van gemelde Huis eene Belege-
ring door Koelof van Anhalt wordt genoemd, en löOti en 1507
door één verward zijn geworden. Wagenaar heet gezegden Anhalt
min nauwkeurig „Anholt.\'\' — Het „Blockhuys vur den Wilden-
burch" komt, onder anderen, voor, in een stuk van het begin
der zestiende eeuw, zjjnde de „Reeckenscappen Henderiek van
Twyckells,\'" wien, voor den Wildenborch, een paard werd dood-
geschoten. „De Scholtz von Lochem,\'\' door wien hjj „verschre-
ven" was, gaf hem een\' ouden schimmel in de plaats: „dairvur
dede nijj Derick van Iveppel sjjnen olden grawen, die nyet half
soe guet en was." — Overstichtsche en Spaansche Munt, van
goud en zilver, is in den omtrek van gezegd Blokhuis gevonden.
De eerstgenoemde getuigt waarschijnlijk van de Belegering door
die van Overijssel, in 14\'.t0.
8, DE ZWAKTE VKOUW.
„Staavren." Staveren of Staverden is een Adeljjk <!oed en
Landhuis op de Veluwe; by Slichtenhorst „de Vlekke Staver-
den." Van Spaen, H. v. Uelderl. I 331 enz. — Achter de hoven
van het Huis schuilt een Eilandje, van oudsher Eleonores Pol
genoemd. De overlevering wil, dat hier een Kluizenaar gewoond
hebbe, en men heelt er oud metselwerk opgedolven, dat de grond-
slag van een klein gebouw scheen geweest te zjjn. — „Zweder
Rodebaard" komt bjj Slichtenhorst T d. E. 93, in een Verdrag
van 1372 voor, als toeinalig Bezitter van den Huis en Goede ter
Wildenborch." Naar mijn Verhaal was dit bezit onregtmatjg. In
ondicht evenwel houde ik Zweder voor een\' zoon van Wisch.
en weet geen kwaad van hem. — Binnen den „Kring Wilden-
borch" zagen scherper oogen dan de mjjne, toen ik jonger was,
nog een Vrouwelijk Spooksel „de Zwarte Jutter" des nachts
omgaan. Bü onregtzinnigen, die de Bewoonsters van den Witte-
wijvenkuil, in den naburigen Lochemschen Berg, met haar ver-
warden, werd z\\j de Witte Jutter genoemd, en wel eens een
hulstbosvh, in \'t maanlicht blinkend, voor haar genomen.
4. ADOLF EN EMMA.
Omtrent deze en de volgende Ballade is het noodige aangemerkt
in mijn\' Eersten „Brief aan eenen Vriend in het Munstersche "
-ocr page 406-
383
AANTKEKKNl.MiK.N.
6. FOLPEKT VAN AltKKI..
De Ballade, in de Cied. van 1820 staande, overgewerkt. Men
kan, bjj Slichtenhorst, (Goudhoeven, enz.) ernstig genoeg ver-
haald vinden : dat Folpert van Arkel, wiens „galgerjj" God ten
laatste verdroot, en wraak riep tot den Hemel, te Haestrecht op
den helderen dag, en in \'t gezigt van zjjne „Kamerraeden, met
een vlucht" werd opgenomen, en „sinds niet meer gezien is;"
alleen „droppelen bloeds" op de plaats van zjjne verdwijning
overblijvende. Heda zegt, dat Folpert „met wjjn overladen" de
locht in werd weggehaald: ebrins in aSrem raptus. Zie ook De
vita et gest. Dom. De Arkel, Matthaei Anal. ed. sec. V. 212. —
6.     ADA EK RIJNOUD.
Goldsmiths schoone „Kdwin and Angelina\'\' gaf nijj, ruim vjjt\'tig
iaar geleden, aanleiding tot het vervaardigen van deze, sinds veel
veranderde, Ballade. Onze dichter, bjj uitnemendheid, heeft de
Engelsche aan de Nederlandsche Lezers door zjjne Vertaling
geheel doen kennen. Zie Mengelp. van Bilderdjjk; Blz. 202.
7.     HET VOGELSCHIETEN.
Het tweede viertal regels bedoelt liet gebruik, in een groot
gedeelte van het Kwartier Zutphen, voornamelijk den Boeren-
stand eigen, om, bjj feestelijke maaltijden, Kjjstenbrjj en !Stok-
visch op tafel te zetten. — Door de vioolsnaren boven den kam
te strijken, noodigt de boerenspeelman de jonge luiden tot kussen
uit. Hierop doelen de regels 11 en 12.
8.     ELEONORA. VAN ENGELAND.
„Alianora\'\' in een stuk van \'t jaar 1333 (No. 2:122), uit het
Archief der Rekenkamer van Gelderland. Zjj huwde met Reinoud,
in 1332. Het treffend tooneel, in de Raadzaal op den Burg te
Nijmegen, en eene Voorspelling, door Eleonora, geljjk men wil,
daar bjj uitgesproken, heeft de (ieschiedenis op het jaar 1343
geboekt. Zie Pontanus, p. 241. I. 50. Slichtenh. G G. 130. Rei-
noud verliet deze waereld binnen het jaar, na het gebeurde.
Zjjne Weduwe zag, in 1350, den jammerlijken twist uitbersten,
tusschen hare zonen ; met welke de Mannelijke Stam van Gelder
uitstierf. — De Kapel (Coupl. 2.") nog van den Xjjmeegschen
Burg overgebleven, is voor Romeinsch gehouden. — Karel van
Bourgonje, Njjmegen in 1473 belegerend, verbood het schieten op
den Burg, als achtende denzelven door Julius Caesar (die zoo
véél bruwde!); Coupl. 3; gesticht. — liet geschenk, in het acht-
ste en de twee volgende coupletten, werd ook, door de .Stad
Doesborgh, in 1538, den Opvolger van Hertog Karel aangeboden,
b(j zjjne Huldiging.
-ocr page 407-
384
A A>TEEK EN1NT.EN.
9.     ARNHEM VERKAST.
De Verrassing van Arnhem, in 1514, vindt men bjj 1\'ontanus,
p. 32 en 650; breeder bjj Slichtenh. (J. G. 332. T. d. L. 39;
kortst bjj Hoogstraten, op het woord Arnhem. Zie ook (i. v.
Hasselt, Arnh. Oudh. II. 89 en 122; Kron. v. Arnh. 79.—
Karel. Hertog van Gelderland, levenslang worstelend, tegen de
aanmatiging der huizen van Bourgonje en van Oostenrijk, aan
wier gezag het Graafschap Holland onderworpen was, voerde
deswegens ook met dat Landschap een\' gedurigen strijd. Van-
daar, dat hjj zich van Muyden en Weesp meester maakte. —
Venlo werd, voor de zaak van zjjnen wettigen Heer, Hertog Karel,
manmoedig door Swartsenburg verdedigd. — „een witte roos,
als Leus." Dit was lang geschreven , eer ik wist dat er een Dag
van de Roos was (dat is; van een gouden roos, die de Paus
jaarlijks op den vierden zondag in de vasten pleegt te wijden),
en ik denzolven, in een\' Almanak van 1819, juist op den 21 Maart
aangeteekend ontdekte. Mijne Leus op den 21 Maart 1514 is
fictie. Ken gemaakte roos, als de bloem , die in \'t Fransen en
Kngelsch den naam van Geldersche Koos draagt: de Balroos;
Vibernum opulus roseuni; zweefde mjj voor den geest.
10.     HET SCHIP VAN BOMMEL.
Robbert van Heiisden, Burgemeester van Bommel, boette, met
eenen smadelijken dood, de hem uitgepjjnigde, doch ongegronde
bekentenis van het verraden der zaak van Bourgonje, door huwe-
lijk de zaak van Oostenrijk geworden. De sneling van Dirk van
Haef\'ten, Heer van Gameren, met het woord rijs is door de
Geschiedenis opgeteekend. — Ten jare 1304 werd de Hoofdkerk
te Bommel ingewijd, door Gerhard van Nassau, Schatmeester
van het Sticht van Utrecht. — Zie Pontanus , (545; Slichtenh.
G. G. 330 en T. d. L. 46.; Wagenaar, IV. 366.
11.     EDÜARD VAN GELDER.
Albrecht van Bejjeren was eerst Bestuurder van het Graafschap
Holland „Ruwaard," toen Graaf. De strijd tusschen hem en
Kduard van (ielder werd bijgelegd, met bepaling, dat Kduard in
den Echt zou\' treden met Alhrechts Dogter, Catharina: wanneer
zjj twaalf jaren oud zoude zjjn. De rampzalige twist tusschen
Kduard en zjjn\' ouder\' Broeder, Reinoud den Derden, Hertog
van Gelderland, eindigde, in 1361, met een\' veldslag bij Thiel,
het gevangen zetten van Keinoud, en Kduards vermeesteren van
de teugels der regering. — Het Guliksche bepaalde langen tijd
het zuidoostelijke Gelderland, gelijk de Zee Holland tegen het
westen begrenst. — Herman Bier van Heze hield het met Rei-
noud, den regtmatigen Hertog van Gelderland, en was eerst na
-ocr page 408-
:ï»:i
AAN\'TEEKENINGEN.
diens val Eduard gevolgd. Hen kan over hem en zijne Bedge-
noote naslaan: Slichtenh. G. G. 148; Pontan. Hist. 291; en
Teschmacheri Annales, waarin Herman geen Bier van Heze wordt
genoemd, maar, p. 899, Hermannus a Leers, en, p. 517, Her-
inannus Leers ex Heeso pago. — De eenige bronnen, door rnjj
gebruikt, zjjn op de aangewezen plaatsen te vinden. Uit nog een
aantal andere is door den Heer Xyhofl\' geschept, en, bjj slot, een
zeer waarschijnlijk verslag van het gebeurde in het Guliksche
opgemaakt, dat eenigzins van het mijne afwijkt. Zie Gedenkw.
uit de (Jesch. v. (ielderl. II. CXIV. — Floris de Vjjfde, Graaf
van Holland, was voltooijer van „het Grnafljjk Hof\' in \'sGra-
venhage, met zjjne groote „zaal"; waarvan het bouwen door zjjn\'
Vader, Willem den Tweeden, Koomsch Koning, werd begonnen.
In den „.Slag (van Bazeweiler), tusschen de Brabanders en Gu-
likers, in 1371 voorgevallen," werden de eersten aangevoerd door
hunnen Hertog, Wenceslaus, die, in \'t begin des gevechts, den
Hertog van Gulik gevangen kreeg. — Keinoud de Eerste, Her-
tog van Gelderland, viel, ten jare 1288, den Brabanderen ge-
kwetst in handen, bjj den Slag van „Woeringen" (\\Yoeronc, in
v. Veldhems Spiegel-Hist. Derde B.): van Spaen. 11. v. (ielderl.
I. 302 enz.; Nijhoft\', Gedenkw. I. 11, enz. —Hendrik van Kuyk,
Jan Bedelgem (Schoutet van Brussel) en Guido de Ligne.Graat\'
van .Saint Paul (Sint Pol, ook Simpol bjj verbastering) staan
onder de aanzienljjksten en dappersten, aan de zjjde van Braband
bij Bazeweil strijdende, opgeteekend.
12.     HERTOG ARNOUD.
Wat, bij Pontanus en .Slichtenh., aangaande het hier verhaalde
geboekt staat, bepaalt zich tot dit weinige: Arnoud, Hertog van
Gelderland, werd, in 14(>r>, door z(jn\' Zoon Adolf, en door zjjn
Vrouw, diens Moeder, Catharina van Kleef, naar het vaste slot
van Buren met geweld weggevoerd, en aldaar opgesloten. Een
Begjjn, uit het „Gertruden Begijnen Klooster te \'s Hertogen-
bosch ," welke hem, gedurende zijne hechtenis, telkens bezocht
en troostte, sloeg hem voor, zich door vermomming in haar
geestelijk gewaad te redden. Arnoud weigerde zulks, om haar
niet in \'t ljjden te brengen ; doch , als hjj , naderhand op vrjje
voeten gesteld, te Grave overleed, beval hjj , de hem bewezen
trouw steeds gedachtig, dat zijn hart te \'s Hertogenboscli in het
voormelde Klooster bijgezet zoude worden. Zijn lijk werd te
Grave in de Sint Elisabeths Kerk ter aarde besteld.
13.     OERARD VAN MIEROP.
Wagenaar Vaderl. H. IV. 354—356. — „Poederoijens Grjjp."
Maarten van Kossem ; genoeg plunderaar, om zulk een\' naam
Staring, Gedichten.                                                         25
-ocr page 409-
38fi
AANTEEKEMNGEN.
te verdienen. — „Hertog Karel; Koning Karel." Karel, Hertog
van Gelderland; Karel, Koning van Spanje, Graaf van Holland:
als Keizer onder den naam van Karel V beroemd geworden. —
B(J Pontanus en Slichtenh. vindt men niets, IJpesloot betreffend,
aangeteekend; zoo veel te meerder bjj Guil. Hermannus: Hol-
landiae Gelriaeque Bellnm; in Matth. Anal. T. I.; welk boek.
zoo wel als Wagenaar, door mjj geraadpleegd had moeten wor-
den. Hermannus spelt I.Tpersloot.
14.     DE VORSTIN IN HET DOR1\'.
„Kleed u aan, en laat ons (de Vorstin) i/aan zien." Denk-
beeldige personen , plaatsen en omstandigheden.
15.     DE VERJAARDAG.
„De dayelijksche ivijs van spreken nabijkomende" „Nahusia."
Een tjjd lang werd de Fuchsia bjj de Utrechtsche Tuinlieden
dus genoemd.
16.     DE HOOFDIGE BOEK.
„De iret der vaadren niet bewaren Heet ze al te saam voor
zot verklaren."
De plaatselijke gesteldheid te Almen is, sedert
dit stukje door mjj gemaakt werd, geheel veranderd. — „Voord"
Engelsch Ford; Hoogduitsch Furth; bjj Kiliaan als oud opge-
teekend, doch in het Zutphensehe nog zoo levend als de namen
van plaatsen met dit woord samengesteld, gelijk Ligtenvoorde,
Breede voort, Montfoort, Voorthuizen. In het Xederd. Taalk.
Woordenb. is Voord niet te vinden. — „Scholte"\' is, sedert lang.
een bloote titel van eer, welken sommige oude en grootere land-
hoeven, in het Kwartier Zutphen , aan derzelver eigenaars ot
bruikers, uit den boerenstand, mededeelen. Iets wezenlijks,
onder mijne oogen voorgevallen, deed mjjn\' Hoofdigen Hoer ont-
staan. Of bjj het Engelsch Vertelsel „the Miry Way" waaraan ik
het bovenschrift en de geheele kleur van mjjn stukje schuldig
ben, ook eenige waai-heid tot grond is gelegd, durf ik niet te zeggen.
17.     HET VERSCHIJNSEL.
„Zij traden eenzaam door de duistere schaduw van den nacht.\'1\'
Die het onderwerp op eene andere wps behandeld verkiest te
lezen , kan , in het Fransch , Le Sage\'s Bachelier de Salamanque.
in het Engelsch, de Gedichten van Gay; en , ten overvloede,
in het Hoogduitsch, v. Hagedorns Poëtische Werke naslaan.
18.     HOOP VERLOREN ; TROUW BEWAARD.
Het Steenschrift, waarvan de vier laatste regels dezer Ver-
telling spreken , was in 1787 te Harderwjjck nog, buiten aan de
Kerk, in den voet van eenen pilaar vastgemetseld, en letterlijk
dit: Anno 1647. Spygelt v hier an vrow ende man. Prozaïsche
-ocr page 410-
387
AASTEKKEMNGKN.
overleveringen wilden , dat de Steen niet dit opschrift, van voor
een afgebroken knekelhuis naar zjjne latere standplaats verhuisd
was. M(jn Lezer weet, waaraan hfj zich te houden hebbe. —
„Veluws Baak" de Harderwjjcker Kerktoren, is ingestort, den
•28 van Louwmaand , 17(17.
19.     de schat.
„Niets i* er of het wordt op onderscheiden irijs verhaald.\'" —
Pfeffels „Der Schatz" waarin „Le Tresor" van La Motte verwerkt
is, gaf aanleiding tot deze Vertelling. — „Nekromant" Zwart
konstenaar. -- „.Sint Stoffel"; „Die heremjjt seide (tot Cristoffel)
om dattu groot biste van maecsel ende stare van leden wilstu
daer sitten bi die riviere, ende allen luden overdragen so sal
die conink" enz. „Die Legende van Sinte Cristoffels" in de Gul-
den Legende.
20.     VULCANUS WUAAK.
De Rederi)kkainer, genaamd „de Goudsbloemen" werd, in of
kort vóór 1437, binnen Gouda opgerigt, en hernieuwd in 178(1.
21.     DB TUCHTIGING DER ALGERIJNEN.
Men zal het Vriend Lngbert wel ten goede honden, dat hl) de
Moordenaars van Bona te Algiers plaatst, waar naderhand het
getal der Christen-slaven, onder het bombardementgeslagt, zich
tot twee en dertig bepaalde; dat hij van den Koning een\'Prins
maakt: de Mohametanen voor Heidenen uitscheldt; enz. enz. —
„de moppen" de kogels, dus figuurlijk, door de matrozen genoemd.
Huygens heet ze „boonen , die na den blixem rieeken."
22.     EMMA VAN OUD-HAARLEM.
De Lezer dient zich, uit het Verhaal van Hadr. Junius (Bata-
via, 42f>), niets anders, bjj het mijne, te herinneren, dan de om-
standigheid, dat Oud Haarlem belegerd werd, en de Vrouw haren
Man daaruit droeg, als het kostbaarste dat zjj had. - .Het
Haarlemsch Maatje" vindt men ook, b(j Langendjjk, als Kleine
Maat van Ligchaamsgestalte beteekenend. met deze woorden :
„Waarom besloot Kajaan in Haarlems stad te woonen ? De
Haarelemmer Maat kon best zjjn langte toonen." Ged. IV. 352.
— De Overlevering van Oud-llaarlem onderscheidt zich, aan de
eerste plaats, daarin, zóó van de Duitsche „AVeiber von Weins-
berg" als van „König Grünewald" en „Nidda" (Deutsche Sagen
I. 148, en II. 3G2) dat hier het kostbaarste „ter sluik" gered
wordt.
23.     DE ZITBANK.
Geheel anders en meer breedvoerig verteld te vinden, in Ghoix
de Fabliaux, par Imbert; I. 256.
23*
-ocr page 411-
388
AANTEEKENINCEN.
24.     LOCHUM BEHOUDEN.
Historiesch waai- zijn, in dit Verhaal, de Krjjgslist der Hooi-
wagens, geleid door den Waagmeester van Zutphen, die zulks met
zjjn leven boette; het regt, om, bjj het doorrijden der stadspoort
te Lochem, hooi uit geladen Hooiwagens te plukken, van \'s Por-
tierswege uitgeoefend, met de ontdekking daarop gevolgd; de
Hinderlaag; het lot der manschappen in de Wacht; en FranQois
Ballochi, die aan het hoofd der Bezetting weder meester werd.
/ie Halma, op het woord Lochem, en Van Meteren, V., 363. —
Een soortgelijk voordeeltje, als waarop de Portier te Lochem
regt had, was oudtjjds tot over het Kanaal bekend: waar de
Portier van \'t Paleis van Koning Howel van Wallis, in 948
gestorven, van ieder binnenkomende vracht hout een blok mogt
nemen; mits het lastpanrd niet ophoudend ; en van iedere troep
buitgemaakte zwijnen één stuk; mits hetzelve, met de hand,bji
de borstels, ter knies hoogte optillend. Het Wetboek van Howel,
waarin men deze bepalingen vindt, werd in Engeland, ten jare
1823, in liet licht gegeven.
25.     DE LEERLING VAN PANKRATES.
Luciaan niet te trouw gevolgd. Merkwaardig is het, hoe het
hoofddenkbeeld van soortgelijke sprookjes, als dit, zich menigmaal,
op verschillende wjjs ingekleed, wjjd en breed over de aarde
verspreid heeft. Men denke bij 1\'ankrates aan den Knuppel in
den zak, en den Brjjpot, die men ook in de .Kinder- und Haus-
marchen der Brüder Grimm\'\' kan vinden.
26.     DE TWEE BULTENAARS.
Het gronddenkbeeld ben ik verschuldigd aan „Ulrich mit dem
Biihel" in „Musiiiis\' Volksmarehen der Deutsclicn." — Den
Griek „Kufus" zoude men vergeefs in de Gulden- of eenige andere
Legende zoeken. — „Gabriël" De bekwame Hollandsche Beeld-
houwer P. J. Gabriël. — „Van Bree" Het kiezen tusschen de
twee Antwerpsche Broeders, Matth. en Phil. Jac. staat vrjj. Men
kan ook Twee Bultenaars; waarvan de een ontladen de andere
dubbel bevracht; vinden in de .Irische Elfenmarchen" der Br.
Grimm, Seile 12 en in de Volksverhalen van Kobidé van der
Aa. I. D.
27.     NICHTJE HUK.
„Die regen kon\' u óók bedruipen." —Op waarheid gegrond.—
„Nichtje K(jk" De voornaam Rjjk wordtin Vriesland zoo wel aan
Vrouwen als aan Mans gegeven.
28.  HERTOG WILLEMS BEDEVAART.
Willem, oudste Zoon van den Hertog van Gulik, werd, in
1372, Hertog van Gelder, onder de Voogdjj van zjjn\' Vader. In
-ocr page 412-
AAKTEEKEN1NGEN.                                      ■iHS)
1389, uit woelzueht, de Duitsche Kidders (of Heeren : Vermees-
teraars van Pruissen), eerst tegen de „ongeloovigen" bijgestaan,
en voorts nog een\' aanval op Polen met dezelve beraamd heb-
bende, trok h(j, van weinige der zijnen vergezeld, in pelgrims
dosch door Poinnieren. Op last van Wratislaw, Hertog van dat
land, werd lij) aangehouden, door Eggard van Demewold; bjj
welk voorval Diderik van Kylar en Peter van Biland omkwa-
men : en hjj moest eenige maanden, als gevangen, op het slot
Valkenborch doorbrengen. Ue Pruisische Kidders bewerkten zjjne
Blaking; maar Willem weigerde heen te gaan, voor en aleer
Demewold openlijk erkend had, zich aan zijne persoon te hebben
vergrepen. De Pommersman kweet zich van deze genoegdoening,
op een\' bQom zittende, dien hjj, uit vrees voor de Pruissen, be-
klommen had, dezerzijds de grensrivier, welke reeds door Willem
was overgetrokkon. Zie Pontanus, 381; Slichtenh. 167. Hit deze
Schrijvers had ik geput, )>jj het opstellen van mijn dichterlijk
Verhaal. Twaalf jaren nadat hetzelve voor het eerst was uitge-
geven, verscheen het Derde Deel der Merkwaardigheden uit de
Geldersche Gesch. Men vindt in dezelve, op bldz. LXXV en
LXXVI, meer historische nauuwkeurigheid dan bjj Pontanus en
Slichtenhorst, opzigteljjk het door mü behandelde onderwerp. —
Hertog Willem stond in betvekking van Neef tot den beruchten
Keizer Wenceslaus (of Wentsel\'i, en van Schoonzoon tot Albrecht
van liejjeren, eerst Ruwaard, toen Oraaf, van Holland: verslin-
gerd, als Weduwenaar, op Aleid van Poelgeest. -- „Pin" De
Pinnen werden van oudsher voor duivelskunstenaars gehouden.—
„Stettjjn is de zetel geweest van de Pominersche Hertogen. —
„Rozendaal" bjj Arnhem, was dikmaal het verblijf der Hertogen
van Gelderland. — „Slage" een stad in Pommeren, binnen welke
eene commanderjj van de .lohanniter Orde bestond, Gedenkw.
uit de Gesch. v. Geld. III Dl. 76.
■_".). DE BIECHT.
Dat de Biecht van Thereesje niet niet inachtneming van de
gebruikelijke vorm wordt afgelegd, erken ik.
30.     HET MYSTIEKE TESTAMENT.
Een naam, bjj de oude Fransche wetten reeds bekend. Het
Achttal, door m(j vermeld (de Notaris met zeven Getuigen), en
het openen bjj de Kegtbank, behoorden tot het Textament
Mystique,
zooals Pitaval het beschrijft.
31.     DE VERJONQINOSCUÜR.
„Heine", Die Romantische Schule 43. (Uitgave van Binger
bl. 26) „De Sparewouwer Reus" zie Matthaei Anal. ed. sec. II,
606, en Kabinet van Nederl. en KI. Oudh. tweede uitg. II, 20.
-ocr page 413-
390
AANTEEKK.NIMGE.N.
:!•_». ivo.
Willem de Tweede, Graaf van Holland en Heer van een deel
van Vriesland, was de zoon van Kloris den Vierden, die, in
12:i4, op een steekspel te Corbië in Pikardlfe, door den Graal\'
van Clermont uit jaloersheid werd oiugebragt. — Keizer Frederik
II; wiens zoon, Koenraad, sedert 1237 Koomscli-Koning was;
in 1239 b(j herhaling door den Paus in den ban gedaan, en van
het rijk vervallen verklaard zijnde, werd Graaf Willem, in 1247,
door eenige Duitsche Bisschoppen en Graven tot Koomsch-Ko-
ning verkozen; doch Aken, waar de Kroning plaats moest heb-
ben, weigerde den Graaf binnen zijne muren toe te laten, en
moest door hem belegerd worden. „De stad"\' zegt Wagenaar
werd zoo naauw besloten gehouden, dat men er eindelijk ge-
brek aan leeftogt kreeg. Ook ondernamen de Belegeraars, het
water, dat door Aken loopt, benedenwaarts te stoppen: van
\'t welk de uitvinding aan de Friezen], onder Willems vanen
dienende, werd toegeschreven. Ruim een derde van de stad werd
daardoor ondergestuwd. liet een met het ander bewoog de Be-
legerden tot de overgave, die den achttienden van w\\jnmaand
in het jaar 1248 geschiedde." Zie Wagenaar, Vaderl. Hist. II.
384. Focke Sjoerds, O. en N. Friesland, I D. Ie St. 396, en Fr.
Jaarb. III, 29. — Aangaande de „Vrjjheid" welke Karel de
(•roote den Vriezen zou\' hebben verleend, kunnen ook worden
nageslagen : O. en N. Friesl. I D. Ie .St. .\'J88, en Fr. .Jaarb. I,
448. — „Waslicht" een aan twijfel onderworpen offergaaf,want
in \'t begin der dertiende eeuw waren de waskaarsen nog geheel
onbekend. — „Snits" is de land-vriesche naam van Sneek. —
Het land-vriesch „Stins" beteekent een steenen huis of slot. —
Het „Paleis" der Frankische Koningen te Aken is sedert de
veertiende eeuw het Kaadhuis — Beninga maakt in zijne Hist.
van Oostfriesland (Matth. Anal. IV.) geen gewag van een water,
bij de belegering van Aken opgedamd.
;!.\'!. DE vampyk.
Vampier is de naam van een soort van Vleermuis, maar be-
teekent ook een Lijk, waarvan, elders, het bijgeloof beuzelt, dat
hetzelve des nachts znn graf verlaat, om levenden te kwellen,
en hun het bloed weg te zuigen. Een doode, die voor Vampyr
dreigt te spelen , behoudt meer kleur dan lijken plegen te heb-
ben, en is aan geen verrotting onderworpen. Deze superstitie
heerscht algemeen bjj de lager volksklassen, in Polen, Hunga-
rijen, Illyrië, Napels en Turkije. Men kan nopens het Vanipy-
rismus inlichting vinden in „l.a Gurla; ou choix de Poésies
Illyriques, Paris 1827." In de Opera „Der Vampyr" is de wer-
king van het helsche geestendom daarmede verbonden, en werd
-ocr page 414-
391
AAST BEKERINGEN.
hetzelve tevens naar Schotland overgeplant; weshalve ik te
minder in bedenking heb genomen, om deze bygeloovigheid voor
te stellen, als niet vreemd aan Toskane, dat haren eigenlijken
zetel zoo veel nader ligt. — De grond van ïnün Vertelsel is een
oud Fransen. Fabliau, in de Verzameling van Le Grand. Nicolaï
heeft het ook, onder den titel „Die Buckligen", in het lloog-
duiisch behandeld. Zie het Maandsehr. Europa, 1840. N. I. p. 8.
34. THOR, ALS VISSCHKK.
In de Xoordsche Mythologie geeft de Slang .lormungandur,
Broeder van den grooten \'Wolt Fenris, door geen platdrukken
van de Polen, noch op eenige andere wijs, onmiddellijk aanlei-
ding tot het visschen van Thor, met zijnen verleidelijken ossen-
kop, en tot de bedreiging met den „strjjdhanier."— Thor wierp,
bjj den slechten afloop zjjner visscherjj, den reus llymer met
een\' vuistslag over boord, en zijnen hamer het ontsnappend
Monster na. — Het oude „Thule\'\' was vermoedelijk IJsland.
Walter Scott schjjnt, in zjjnen „I\'irate", als ontwijfelbaar te
hebben gesteld, dat Main-land, het grootste der S6 Sehetlandsche
Filanden, het oude Thule is. — „West-Groenlands kust voorbij.
„Men leert hieruit, dat .lormungandur de Noordwestpassage ont-
dekt had.
ito. DE ROORDSCHE GODEN EN HUN BOUWMEESTER.
„Odin" was het Hoofd der Noordsche (ioden; „Asgard" eene
stad, door de Goden in het middelpunt der waereld gebouwd;
„Bergeliner" de Stamvader van het Tweede Heuzengeslacht;
„Freya" een Godin. — „Thor" volgde in rang op Odin. „De
Werphamer" dien Thor als wapen droeg, werd bfj de Penzen
zeer gevreesd. — „Loke", alleen om zijne loosheid bjj de (ioden
toegelaten, stak vol kwaad en was een aartsbedrieger. — „De
Kroes der Goden" werd met Meê gevuld.-- „De Poel van Hela"
is Niflheim (plaats der pijnen; de Hel), waarin Hela (de Doodï
door Odin werd verstooten. — „Gladheim" (Vreugdeheim) is de
Vergaderplaats der Goden, in Asgard; „het verdelgend Dn weer"
de Godenverduistering: Kagnarockur, in „Odins Hela-vaart"aan
het slot vernield. — Weinig Lezers, die niet weten zullen, dat,
te Petersburg, het standbeeld van Peter den (irooten op „een
klip" (een\' granietklonip) staat, waarvan de hoogte die van een
klein huis evenaart: de zwaarste last, ooit door menschen be-
wogen; tot het driemaal zwaarder Steenblok, voor de Gedenk-
zuil van Keizer Alexander bestemd, te Peterlaxe aan de Fin-
landsche Golf bewogen werd.
.\'16. DB SCHAKING.
Bjj deze Vertelling ligt waarheid ten grondslage. Men vindt
-ocr page 415-
392
AANTKKKE.NINIJE.N.
den trek in (Malcolms) „(Sketches of Persia." Dezelve is in No.
1 der Boekzaal voor 182!» geplaatst. — Het maaksel van de
„stijgbeugels\'\' der Arabieren laat toe, dezelve als sporen te ge-
bruiken. Dit heeft ook plaats bjj de (\'ircassiërs.
37.     JAKOMIH TB PRAAG.
Het eerste denkbeeld van de Klucht, door den Student gespeeld,
ben ik verschuldigd aan eene recensie in „the Monthly Review
tor June 1X27." — Jochem loopt met zijnen „.SintXepomuk" de
J\'auseljjke Heiligverklaring van 1721 profetisch vooruit.
38.     JAKOMIB TE LOCHEM.
De Traditie, eene min naauwkeurige Vertelster, zegt enkel:
in vroeger dagen kwam een Pastoor van eene andere parochie
te Lochem: juist werd er geluid; zijn tijn gehoor merkte on-
raad: de Klokken waren niet met behoorlijken Doop gewjjd!
en, door ijver gedreven, strafte hu derzelver onbevoegde luid-
ruchtigheid met het anathema. Dadelijk werden zjj door den
Booze weggevoerd, die ze nu „doopte" op zjjne wjjs: dezelve
ieder in een\' afzonderlijken waterkolk werpend. Van daar de
naam van „Duivelskolken," welke den beide wateren tot den
huidigen dag te meer moest blijven aankleven, dewijl Lucifer
jaarlijks den Kersnacht met de menschen meê pleegt te vieren,
door zyne, nog steeds aanwezige, Klokken, om twaalf uur, onder
water te luiden. — De gouden en bijzonder heilige Klok van
Portenhagen, die bij Dassel in een\' grondeloozen poel te zoeken
is, werd door den Booze „uit njjd\'\' daarin geworpen. Heide
plaatsen belmoren tot Xedersachsen : Deutsche Sagen üer Brüder
Griram, I, 277. — Misschien was de laatste, plegtige Klokken-
doop. in Gelderland plaats gehad hebbende, die te Doetincheni,
1530: Bij dr. voor Vaderl. Gesch. en Ondh. door Is. An. Xjjhoff, 1, 74.
:!9. JAROMIR TE ZOTPHEH.
„Den Aartsengel en Heilig Miehacl" plegen penseel en beitel
met een schild gewapend te vertoonen. — „De Graf kelder onder
de Domkerk te Bremen\'\' is vermaard, wjjl dezelve Lijken voor
het vergaan beveiligt. — „De gewelfde Boekerij in de Hoofd-
kerk van Zutphen" heeft dit merkwaardige: dat de boeken
aldaar, uit den ouden tjjd her, aan ketens zijn blijven liggen,
(ieketende Boeken vond men ook in Engeland, in de 14e eeuw.
(The Eiterary (iazette tbr August 18;S7. p. 509.) — „Een (in
vroeger dagen suspect verklaard) Hondenspoor" staat er afge-
drukt in de roode vloertegels. — „Balsem uit het Paradijs"
vindt men in de Historie van Valentjjn en Ourson, Cap. XIX. —
„Proteus\'", uit de Mythologie, moest men eerst binden, zou\' h|j
profeteeren. — In de Zntphensche Kerkbibliotheek ligt toevallig
-ocr page 416-
;{«.»;j
AANTEEKE.NINGEN.
een „Augustinus\'\' met der daad ter juiste plaats waar hy alleen
liggen konde, indien hjj overeen zou\' stemmen met het Sprookje
van Jaromir te Zutphen ; en dit had de Verteller geheel uit den
duim moeten zuigen, dewijl hem geene bruikbare omstandigheden,
het Hondenspoor betreffende, als Legende bekend waren. De
vermelde toevalligheid ontdekte zich niet vroeger, dan toen er
een Teekening voor \'t Verhaal ontworpen zoude worden, ten
dienste van den Almanak voor het Schoone en (Joede. van 182\'J.
Het oogenblik, dat zich, bjj het opslaan van een geketend Hoek,
ter vereischte plaats liggende, de woorden „Liberconfessionum"
plotseiyk boven aan het blad vertoonden, en de verbaasde Lezer,
met den luiden uitroep: „Denkt! denkt eens! Augustinus in
persoon!" het boek omwierp, om het titelblad te zien, had zoo
goed een Teekening kunnen opleveren, als dat, waarin de Kran-
ciskaan zijnen ruigen Gast ontwaart.
40. .IAROMIR (iEWUOKKN.
„Uarganus" thans Monte di S. Angelo in het Xapelsche. —
„voor lange jaren\'\' In het jaar 390; toen Michai:l, volgens de
Legende, zich het eerst, in een „Hol" als plaatseljjken .Schuts-
heilig openbaarde. — „stompgedakt" liet stompe dak is histo-
riesch veel jonger. -- „Tenterkwaad" Ken der Vyanden (booze
geesten) in Margaretha van Limburgh; dat VIII Capittel. —
„Begijntjes" Zusters van \'t Geineene Leven genoemd. Zie Lin-
debom, Cap. 13, par. 2. — Wat men, in Dumbars Kerkel. en
Wereltl. Deventer, bladz. 556, van derzclver Kleeding vindt,
komt hier op neder: deze Kleeding mogt zjjn wit, donker van
verw, of gr{js. De Hoofddoeken waren eenvoudig, en volgens
de inzetting van Zuster Ilille Vriesen, overleden in 1421, achter
en voor slechts met óéne spel vastgestoken. „De Co velen had-
den nier eene tjjmpe, bi nae al so dunne als een vjjnger: ende
want het alsoe recht dunne was, soe plachtze tendens oinme te
cruinmen als ol\'t een verkensteert geweest hadde.\' Dat is: de
Kovels (Kappen) hadden slechts een tip (op het voorhoofd) bijna
zoo smal als een vinger, en door de groote smalte plagt dezelve
zich te krommen als of het een varkenstaart geweest ware. —
Voorts waren de Schoenen der Zusters ook niet gesnebd, maar
vanvoren rond en van dezelfde kleur als het gewaad. — „Leo-
noret, schoon enz." is de aanvang van een oud Liedjer. in een
Ridderboek. — „knoet" Russiesch straftuig, gelijk de bullepees
aangewend. — „Pandemonium" Miltons groote Raadzaal der
Booze Geesten; hier ondersteld verplaatst te zijn naar onze
Volks-Hel, in \'t middelpunt der aarde. — „De Strafplaats" Ken
Weide, bjj Locheni, op den regter Berkeloever, heet van oudsher
de Duivelsaars. Geen de minste prozaïsche overlevering, den
-ocr page 417-
394
AANTKEKENIMIEN.
oorsprong van dien /.ouderlingen naam betreffend, was op te
speuren. — Onder het Kerspel Lochern heeft men, in de Baar-
schap Barchem, ook een stuk Akkergrond, den naam van Dui-
vels-Helt (Heuvel) dragende. Zeer waarschijnlijk is het,datonze
vaderen, onder het heidendom, de voormelde plaatsen, bn wier
namen thans de Hooze wordt gedacht, anders genoemd, en de-
zelve heilig gehouden hebben.
41.     DK TOOVERWIJXSTOK.
Albertus Magnus is met zijn\' Wijnstok te vinden bjj den Klerk
uit de Lage Landen : bij Lodew. van Velthem ; bjj Heka; en in
Musiius\' Volksmiihrchen. Mephistopheles niet den zijnen in Göthes
Faust. In de Deutsche Sagen, II, 189, vergast Albertus den Keizer
Willem van Holland, zonder w(jnstok. In dezelfde Sagen, 1,340,
vindt men den Wjjnstok, zonder Albertus en zonderden Keizer.—
Mjjn vertelsel komt in weinig punten overeen met hetgeen in
de aangehaalde boeken te lezen staat.
42.     DE RADJA\'S DOKTER.
Men vindt in het Engelsche Werk „Rise of the Mahomedan
Power in India" het artikel Koning Alla-ood-deen betreffende,
dat aanleiding tot deze Vertelling gaf. — „Radja\'s" zijn mindere
Hindostansche Vorsten. — „De Paauwentroon te Dehli" werd
dus geheeten, omdat de rug van dezen troon den uitgespreiden
staart van een paauw vertoonde, in zjjne natuurlijke kleuren
met edelgesteenten nagebootst. Zijne waarde werd op veelmeer
dan honderd twintig millioenen van ons geld geschat.— „Thaïs"\'
was de bijzit van Alexander; en, toen Persepolis in asch gelegd
werd, aandrjjfster en helpster, zoo men wil. — „Valken-wei-
spel" jagt met den valk — „Palankjjnen" Indische draagzetels.
43.     SIONOR ASEI.I.O.
De naam „Anello" aan sommige Lezers een, niet te vertalen,
Satire van Ariosto zullende herinneren , spreekt mij vrjj van
plagiaat. Deze naam was anders hier, wegens zjjne beteekenis
(een ring» verkeerd gekozen. — „Schach Abbas Rijk" Perziè\' —
„Schedt Barschanioth" heet Geest (Daemon), Zoon der geesten;
namelijk der Maangeesten; een slag van Wezens bji de .Magie
uitgebroeid.
44.     MARCO.
Mjjn „Ezel" heeft niet den schaamteloozen (jlriekschen van
Lucianus weinig anders gemeen, dan dat hem een tooverzalf
van mensch in dier. en een gegeten roos weer van dier in mensch
verandert. Ook is er slechts een zeer geringe overeenkomst tus-
schen hem en den Engelschen, in het Kindersprookje „The
enchanted Ass" van „The Christmas Box, for 1828\'\' — „Janu-
-ocr page 418-
393
AA.NTKKKKNI.NOKN.
arius" Beschermheilig van Napels. — „Akoniet; scheerling;
dorenappel; bilzenplant; doodkruid" Aconitum; conium; datura;
hyoscyamus; atropa. — „Ken ebben houten Stok" wordt doorgaans
aan Tooveraars in de hand gegeven.
45.    de verloofden, (of de Manneljjke Kinma.)
Ontstaan als de Emma van Oud-Haarlein. „Voltooi het schil-
derij" enz- Wïelands Leben. 3 Th. BI. 358.
46.     GRIETMAN SJUCK VAN BÜRMANIA.
Friesch Jierboekjen t\'oar it jier 1830. „de Muitpest" Geschre-
ven in \'t voorjaar van 1832.
47.     DE DOODENDANS.
Göthe heeft hetzelfde, bekende onderwerp, in eene Ballade
van geheel andere kleur behandeld, „geiyk de spanrups" ge-
raamten, die niet spoken, liebben min buigbare ruggrateii.
48.     HET BEZOEK VAN KOHI.
Fohi" De vergodc stichter van eene Godsdienst, welke zich,
in de eerste eeuw van onze tijdrekening, door Sina verspreidde.—
IJjj „Het Bezoek van Fohi \' ligt ten grondslag een Sineesche
Legende, voorkomende in de „Volksmiihrchen der Frau Naubert."
Toen ik mijn stukje vervaardigde, was zij m(j enkel bekend door
onvolledige aanhaling, uit het derde deel van de Kinder- und
Uaus-mahrchen der Briider Grimni; zw. Aufl 154. Later vond
ik nog, dat een soortgelijke Vertelling staat in „Horace Walpole\'s
Sketches etc." Kohi is daar een Protestantsche Heilig, en het
Wonder gebeurt in Engeland.
40. AAN DE STAD PARIJS.
„Undtque concurrunt agitatae in praelia Gentes. (Jonjurantque
tuam, barbare Galle, neceni." Petr. Francius: In bellum comm.
ab univ. Enr. gent. contr Gall. suscept. — „den Korzikaan"
Mad. de IStael noemt hem „Ie C\'orse\', in haar Geschrift over de
Fransche omwenteling. — „den Afgod" In de noot had ook
kunnen gewezen worden op den Wagen van Jaggernaut afge-
beeld in de Berigten van het Zendeliugsgenootschap voor 1820,
en op de onderzoekingen naar den toestand des Kristendoms in
Azië, door Buchanan, 1814; waar, bladz. 35, wordt gesproken
van den Tempel van Jaggernaut (Moloch) in de I\'rov. Orissa.
50. DE GRONDI.EOGINO VAN RUSI-ANDS ZEEMAGT.
Peter had zjjne Nieuwe Hoofdstad aau de Neva gesticht, en
eene Krjjgsvlo :t gebouwd, waarvan het gedeelte, niet hetwelk
hjj zelf, in 1723, ais Admiraal, in de Oostzee verscheen, bestond,
uit twintig Schepen van Linie, veertien Fregatten, en honderd
Galejjen. Hjj wilde de schepping zijner Zeemagt, in het bjjzon-
-ocr page 419-
;w<
AANTEKKKMNCJEN.
der. feestelijk vieren. Wedstrijdend met onzen Alkmaarder Arriën
Meetje, had hjj, jaren geleden, eene Jol getimmerd; deze werd,
tot het bedoelde einde, van Moskow, in stateljiken optogt, naar
Kroonstad overgebragt. Hü noemde dit Vaartuig, met alle regt
„den kleinen Grootvader van vele groote Kleinkinderen;" een
woord, waarop het „stamheer\' in het vjjfde koppelvers doelt.
De Jol stond op het dek van een Galjoot (vermoedelijk het schip
Amsterdam.) Ten bestemden dage werd z(j over boord gezet,om
zegepralend, tusschen zeven en twintig oorlogschepen door, naar
de Keizerlijke Hoofdstad op te varen. De Groote Vlag van het
Rjjk steeg omhoog, aan den kleinen mast, en zij ontving eene
groete uit drie duizend stukken gesehut. Door twee sloepen werd
de Jol voortgetrokken. Peter hield het roer. De Admiraal-Gene-
raal, Graat\' Apraxin, was Kwartiermeester. De Admiraal Cornelis
Cruys, met de Viee-Adniiraals Sievers. Gordon, en Menzikof.
zaten aan de riemen. Kik oorlogsschip, dat voorbij werd gevaren,
streek op z|)n beurt de vlag, onder \'t luide hoezee der vlotelin-
gen ; onder \'t roeren van de trommen, het steken der trompet-
ten, en het losbranden der stukken. Toen men nader aan de
Stad kwam, ging ook het. vreuguegejuich op van de haven, waar
de Keizerin, met den geheelen Hofstoet, zich in een rijkversierde
galerij en in prachtige tenten bevond. Eindelijk was het scheepje
ter z(jner stamvaderlijke eerplaats aangekomen, naast de Linie-
schepen. Een nieuwe Rijksbanier werd geheschen; het kanon
der schepen en der batterijen liet, op dit teeken, andermaal zjjne
drie duizend monden hooren ; en hij, dóór wien en óm wien
dat alles was, zeeg zijnen hartevriend Cruys bezwijmd in de
armen. Men leze dit meer uitvoerig in den „Peter de Gronte"
van den te vroeg ons ontrukten Scheltema, II, 95—103. „Bur-
gerkrans" Een Penning, met de Burgerkroon gestempeld, op de
Kist van Peter gelegd, bjj het Eeuwfeest der Stichting van
St. Petersburg, gevierd door Keizer Alexander, den 16 van
Bloeimaand 1803. — „Den Reus" De Reus van het Noorden is
een titel aan het Russische R(jk door schrjjvers gegeven.
51.     AAN MIJNE GADE.
„De moedervreugd, de rang van vader! De hoogste gunst,die.
uit Gods volste bron, op de echtkoets stroomen kon." Tollens
Ged. III, 109.
52.     EEN OEI.DEKSCH I.IED.
De zangwijs (van den heer J. W. Willems) staat in den Gel-
derschen Volks-Almanak, voor 1839. Tusschen dit en het volgend
Vers is een klein stukjen uitgelaten, getiteld Zang bij de
Weende, en gemaakt, ten jare 1788, aan de plaats zelve waar
-ocr page 420-
M)7
AANTEEKENJNGEN.
de Beek van dien naam, in een engbeperkt maar bekoorlijk dal,
niet ver van (iöttingen z(jn oorsprong neemt. Deze kleinigheid
was minder dan eenige andere waard om herdrukt te worden;
al behelsden deze slotregels waarheid:
Wien Neèrlands grond het leven gat\'
Gedenkt alom dien zegen ;
Hjj draagt niet lang den pelgrimstaf
Of zucht het weerzien tegen.
H(j snelt terug naar \'t klein gebied,
Waarin hji wieg en erve liet,
En Eden zelf betreurt hu\' niet.
53 DE ooi.ievaars.
AVat hier den Oo|)evaren wordt ten laste gelegd, wordt hun
ook door schrijvers over de Dierenkunde nagegeven.
54.     BEDE AAN MAVORS.
Deze Verzen werden door mjj gerigt aan een\' Man, van in-
vloed bjj het krügswezen en bjj den Waterstaat, ten einde, door
hooger rugsteuning, de vrijheid tot het ondernemen van een
belangrijk werk te verkrijgen. Hetzelve kwam, zonder die hulp,
min volmaakt tot stand, dan de alleszins goede en hoogst ge-
meennuttige bedoeling was.
55.     AAN MIJNE PENNEN.
„\'t. Milaansche en Atheensche Popelr(js" 1\'opulus pyramidalis
(Horkhausen) et gra;ca. — Van het vierde tot het achtste kop-
pelvers ziet dit stukjen op het nut, dat van het geslacht der
1\'ijnen wordt getrokken, door de aanwending van derzelver
hout en andere deelen, tot den Scheepsbouw; tot het maken
van Roeispanen, Molenwieken en Snaarspeeltuigen: tot Dak-
sparren, Heipalen, Brandhout en Kienlicht: ja, eindelijk ook tot
bereiding van Brood en van Bier.
56.     DE KRAANVOGELS.
„Wat ons moet troosten, komt van boven ; Rampzalig hjj, die
niet gelooft!" B. H. Lulofs. — De Kraan is, als Herfsttrekvogel
in het Zutphensche zeer bekend; de heldere dagen, van welke
hjj tot zjjn overvliegen gebruik maakt, heet men den Kranen-
zomer.
57.     DE VEENROOK.
De Rook, van de veengronden opgaande, die door vuur tot de
bezaaijing met Boekweit voorbereid worden. De Zutphenaar ont-
vangt den Veenrook, uit de eerste hand, van Rjjssen, Quartier
Twenthe, in Overn\'sel. •— „Lazarjj en Boekweit."Ik volg hier het
gevoelen: dat de Boekweit, eertijds Frumentum Saracenieum,en
-ocr page 421-
«W8                                       AANTKKKKMNCEN.
bü Ue Franschen nóg Sarrasin genoemd, ons, zoo wel als
de Melaatschheid, uit het Oosten, door de Kruisvaarders is aan-
gebragt De verdienstelijke J Beckmann heeft, in zijne Beytriige
zur Gesch. der Erlind , over de herkomst van dit Zaadgewas
gehandeld. Omtrent de aanspraak, welke Jan van Gestel (van
Ghistelles), in de kerk van Zuiddorp in Vlaanderen begraven,
zoude hebben, op de invoering der Boekweit in de Nederlanden
(Teg St der Ver. Xederl. 11, 538), heeft Wijlen de heer Staatsr.
van der Korch van Verwolde mjj eene briefwisseling met den
Hoogleeraar .1. W Te Water medegedeeld Volgens laatstge-
noemden werd Jan van Gestel in 1436 begraven. Is het dan
waar, dat h\\j de Boekweit herwaarts heeft gebragt, zoo moet
de verspreiding van dat Zaadgewas bjjzoiider langzaam zijn
voortgegaan, want M. Sehook, door Beckmann aangehaald, in
1601 schrijvende, zeide: „Frumentum hoc vix centum annos
notum fuit Belgio. (Beckm. Beytr II, 533). In een\'Platduitschen
Bybel van löï\'2 komt evenwel reeds de Boekweit voor: Beekm.
Beytr. IV, 310. Ik vond in Schützes Holstein. Idiotik I, 127,dat
de waarschijnlijk bedoelde Bjjbel in het .jaar 1520 te Halberstad
zou\' gedrukt zjjn
58 TB» GELEIDE VAX EEN\' HAAS.
„Springoelen en sluperkens\' behooren tot de Jagtmuit, in
„Dat II Kapittel der Schoone Historie van Margarcta des Her-
togen Dogter van Liinburgh."
59.     AAN LUNA.
„Luchtsteen\'\' Volgens La Lande (en korts nog Berzelius), uit
dat Vuurgebergte van de Maan afkomstig, waaraan, van zijnen
kant, Dr. Olbers de mogelijkheid \'van bestaan meende te moeten
ontzeggen — „Garnerin" de Luchtvaarder
60.     HET STOOMTUIG.
„Wie kent de grenzen van het menscheljjk vernuft?" H. C\'.
van Hall, Inw. Redev. 95. — „ruimt slibbe en zand" Dit doelt
op een voorstel, aan de Hoogste Magt gedaan, om eene grondige
en min kostbare verbetering van onze Rivieren te beproeven,
met werktuigen, geschikt tot losmaking van hinderende aan-
hoopingen, in bepaalde rigting, door Stoonischepen langs derzel-
ver bodem te laten voorttrekken. — „De Plassen in". Ik duide
op het zoo loffelijk bekende Werk over het Haarlemmer Meer,
van den Heer Baron van Lijnden van Hemmen, en deszelfs
voorslag om schepraden door stoom te drijven. — „Aanbiddend
hopen" Vereenvoudiging van het werktuig, waarmede de damp
kracht doet; een minder kostbaar middel, om water tot den
staat van damp te brengen; êèn of ander ligtverkrljgbaar gas.
-ocr page 422-
399
AANTEEKEN1NGEN.
tot vervanging van don stoom; dit (en nog meer) zijn dingen,
niet hoven bereik van het genie, en uit welke het menschdom
voordeden van het allerhoogste belang konde trekken.
01. I.OURENS JANSZOOS KOSTElt.
BP(J1 van Abaris — spieglend erts." De Pjjl van den Scyth
en de spiegels van den .Syracnser, schoon zeer problematiek,
schenen mjj hier, dichterlijk, de plaats te kunnen bekleeden van
een aantal Kunstgeheimen, in wier bezit de Ouden blijkbaar
zijn geweest, en welke verloren gingen, om den nakomeling
nog te laten zoeken ; of (gelijk b. v. het harden van Koper en
kleuren van Marmer), na eeuwen, zich eenen gelukkigen Vinder
weder aan te bieden.
62. ADA VAN HOLLAND.
Romance Heerschzucht bewoog de Moeder van Ada, om de-
zelve, na den dood baars vaders, wiens Luk nog onbegraven
stond, in \'t geheim, en tegen dank, zoo wel van het gansene
Land, als van haren Vaderlijken Oom, Willem, Graaf van Oost-
Vriesland, binnen Dordrecht, te doen trouwen, met Lodewjjk,
Graaf van Loon Het .jonge Paar was het slagtoffer van dit roe-
keloos bedrjjf. Willem liet zijne Nicht Ada, welke liff in de
Burgt van Leyden gevangen kreeg, naar Texel voeren; hjj ver-
dreef Lodewtyk, en werd gehuldigd als Graaf van Holland. —
„Hagen" vóór het jaar 1200 plagten reeds de HollandscheOraven
zich in den Haag op te houden.
(53. aan MIJNE OADE.
„faalt er één" Onze brave oudste Zoon. den 16 April 1823,
door den dood van ons weggenomen. — „Weduw \' onze oudste
Dogter, Weduwe J. ISrants, had in haar drieëntwintigste levens-
jaar het gemis van een\' geliefden Echtgenoot te betreuren. Zü
werd zelve, drie jaren later, van deze aarde opgeroepen.
Eersteling, die God ons gaf;
Tweede, die het duister grat
Had verslonden;
Korte Lust van \'t ouderoog;
Als een Engel van omhoog
Ons verschenen — en verzwonden!
O, hoe ledig was het nu —
Hoe verlaten, zonder u,
Om ons henen!
Welk een nevel aan dien trans,
Waar de zachte zonneglans
Van uw blik had uitgeschenen!
-ocr page 423-
4<M)                                        VANTEEKENINGEN.
Het 1\'Ubi.iek dulde dit stukje, met de aan teeken in gen op het-
zelve, voor enger cirkel alhier geplaatst.
04 DE BURGT TE BBONCKHORST AFGEBROKEN,
„lianheerinne". De oude titel van Bronckhorst was Graafschap
en Hannery.
65. AAN DEN WINTER.
Dit stukjen neemt, met het volgende, en met den „Veldtogt
tegen de Belgen" te weinig plaats weg. om mjj niet andermaal
op verschooning te laten hopen, dat hier weder verzen, hoewel
bepaald voor den huisseljjken kring bestemd, buiten denzelven
gedrukt verschijnen, met het doel, dat zü herinneringen, die mjj
dierbaar zjjn, bjj Magen en deelnemende Betrekkingen helpen
levend houden. — „Den Zeeman" Onzen Zoon Maurits Kverard
Hugo; toen Adelborst.
06.     TBR BRUILOFT VAN EEN DOUTER.
Caroline Sophia. Gehuwd met den Heer Ant. Branta. — „All
angel now etc." Gü, nu gansch hemeling! de krans, hier voor
uw hoofd gestrengeld, worde aan uw baar gehecht: 29 Octo-
ber 1820.
07.     HET KAMELEON.
De hoofdzaken ontleend aan het Engelsch van Merrick. —Le
Cainéléon van La Motte is door Pfeffel in \'t Hoogd. verwerkt.
Ken taalgenoot van dezen, de beide Dichters beoordeelend, waar-
schuwde zijne lezers, dat uitwendige voorwerpen de kleur van
het Kameleon niet veranderen, geljjk zulks La Motte en Pfeffel
zeggen. B(j óns zjjn, door de zeevaart, de Proza-Kameleons ge-
noeg bekend. De Kameleons der Poëzie hebben, geljjk draken,
spoken, heksen, de Booze der volkssprookjes, enz. enz. hunne
verjaarde regten, die zjj door geen gezag van natuurkennis, of
eenig ander, zich laten ontnemen.
68. ODINS HEI.A-VAART.
Ik ben, in deze en de volgende Vertaling, hier en daar afge-
weken van degene, welke de Heer Westendorp, voor deszelfs
bekroonde Verhandeling over de Noordsehe Mythlogie, wel van
mjjne hand had gelieven aan te nemen. Graten overzetting van
het Weefgezang, mjj later door de vriendschappelijke heuschheid
van den Heer Hoogleeraar Lnlofs medegedeeld, maakte mjj den
arbeid der Weefsters duidelijker, dan dezelve mjj bjj Herder en
(Iray was voorgekomen. Ook werd ik door Griiter versterkt in
mjjn begrip, dat het rjjmlooze, afgebrokene en wilde, in deze
beide Skaldenliederen, de voorkeur verdiende boven sierlijke
netheid ; hoe hoogverdiensteljjk deze bjj Gray in zichzelve wezen
-ocr page 424-
AA.NTEKKEMSGE.V                                       401
mogt. Nogtans heb ik nijj binnen zekere palen gehouden, en ook
mijne verzachting in liet derde vijftal regels van het Weefgezang
laten bestaan: het iïngelseh heeft hier getrouwer:
See the grisly texture grow :
"Cis of hnman entrails made;
And the weights, that play below,
Kach ii gasping warriour\'s liead.
Men kan over de beide stukjes voormelde I\'rjjsverhandeling na-
slaan, op bladz. 41! — 7—-48, en 576—588. Van Odins Hela-vaart
en het hier onmiddellijk volgende Weefgezang (beide uit Bartho-
linus genomen) vindt men tweederlei Vertaling door Herder uit-
gegeven : de eene in zjjn „ITeber deutsche Art und Kunst," de
andere in zjjne „Stiiiiinen der Völker in Liedern."
lil). HET WEEFGEZANG DER WALKYREN.
Zie het aangeteekende bjj Odins Hela-Vaart. Het Noordsche
„wal" heet een hoop verslagenen ; waarvan het Hoogd. Wahl-
platz, on.s Slagveld. — „Kyria" is hetzelfde als ons keuren. De
Walkyren kozen, uit de sneuvelende Helden op het slagveld,
diegenen, welke zich de vreugd van Walhalla waardigst hadden
gemaakt.
70.     ÜE VELin\'OGT TEGEN I>E BELGEN.
„\'t palmloot" eene Medaille bjj de (ientsche Akadeniie aan
hem toegewezen.
71.     DICHTREGELS, TEN SLOT EENEK VOORLEZING.
Uitgesproken in eene Vergadering van Leden der Maatschappij
tot Kut van \'t Algemeen, Departement Lochem : op den lt> van
Hooiinaand 183.\'i. De gehouden Voorlezing had als toen mede
gestrekt, om den Zesden Honderdjarigen Gedenkdag der Ver-
heffing van Lochem tot eene .Stad, met een aanzienlijk getal
genoodigde (lasten van beide kunnen, feestelijk te helpen vieren.
72.     BRIEVEN.
I. „Laat inö u groeten, Vriendin der Woestijne! Schuilt gn°
diep in een verwilderd dal, of in het hangen van rotsig gebergte?
II. Wijs mjj den weg, bekoorlijke Zwerfster! den weg naar uw
verborgen kluis; waar het geitenblad om den ingang zwiert, en
schelpen en mos den vloer bedekken.*\' Wartons Ode aan de
Verbeelding.
73.     EERSTE BRIEF.
„Bireno" bjj Ariosto, en bjj O. Brandt den Jongen. „Lodippe"
bjj Cats. „Colma" bjj Feith. „een licht" bij Burger.
Staring, Gedichten.                                                     26
-ocr page 425-
402
AAXTEEKEMNGEN.
74.     TWEEDE BRIEF.
Op het eiland Guernsey worden, zoo men wil, geen giftige
dieren gevonden. — „Ijampeduze" MJjne meeste Lezers zullen,
uit het Aanhangsel, achter de Fransche Vertaling der Brieven
v. Milady Montague, dit eiland kennen, als het verblijf\' van een\'
Kluizenaar, die zich door middel van twee offerlampen ; de eene
voor de regt- de andere voor de wan-geloovigen; dubbele aal-
moezen en veiligheid wist te verschaffen. — „Di, que vive etc."
Zeg haar, dat ik tusschen klippen leef, alleen omdat zjj even
hard zjjn als zij, en ik ze daarom ook nog meer met kussen
bedek, dan anderen dezelve met voeten treden.
75.      KERKGEZANGEN.
De goede uitvoering van eene Cantate, voor het Derde Keuw-
getfj der Hervorming, door nijj gemaakt, en te Lochem, op den
•2 Novbr. 1817, gezongen, strekte mij tot een\' spoorslag, om de
volgende Kerkgezangen te dichten, welke, na genoeg zoo als zjj
hier verschijnen, te Nijmegen en te Zutphen zjjn gebruikt ge-
worden. In Zangstukken van dien adem, scheen mjj de afwisse-
lende medewerking der (iemeente noodzakelijk, om de aandacht
levend te houden.
Moge, ten lange leste, eene algemeen op te leggen verpligting
tot grondig Zangonderwijs, in de scholen, door hare gevolgen,
der openbare Godsdienst, bij alle Gezindheden, luister geven, en
bijzonder ook den Protestanten het middel aanbieden, om de
gezamenlijk uitgesprokene goasverheerlfjking, gunstafsmeeking,
dankzegging of schuldbelijdenis; dat is: het Gezang! — het
plegtigste van de eigenlijke godsdienst in hunne kerken —
zulk eene treffende statigheid bjj te zetten, dat bjj dezelve niet
meer gedacht worde, om te roeren aan hetgeen ik, in mijne bo-
ven aangehaalde Cantate, op het oog had, met deze regels:
Eenvoud siert weer \'t Huis des Heeren.
Demoed zoekt en schenkt daar licht,
\'t Oog van die daar troost begeeren
Is alleen op God gerigt.
„Musik von Noth wegen in den Schulen" schreef ook Luther!
Dat zij er bü ons wordt verwaarloosd is een jammerlijk gebrek,
hetwelk zich geenszins alléén in onze Kerken laat gevoelen;
want toch onze htiisiyke en gezelschappeljike omgang; onze
openbare vermaken; de wjjs waarop onze krjjgsluiden te land
en ter zee hunnen tjjd korten; de uitspanningen van onze jeugd
op de Hooge Scholen: onze letterkundige voortbrengsels; alles
geeft daarvan ook tastbare blijken. — Dit schreef ik, bjj de
eerste uitgaaf van de Kerkgezangen ; eene groote verbetering is
sedert begonnen.
-ocr page 426-
io:i
AANTEEKEM.NGEN.
76.      ARIA DN K.
Om te zingen, ot\' toonkunstig op te zeggen. — „Waar deTei
van Dione." Er stond „waar Dione.\'\' Dione, in de plaats va
Diontea, was navolging van een misbruik.
77.     CANTATE, VOOR IIBT NATÜUBK. ÜEZ\\ TE ZUTl\'llEX.
Uit Zangstuk werd, niet eenige afwyking van het hier gedrukte,
binnen Zutphen uitgevoerd. — „Het vuur ontleedt ze" Ik be-
doelde de onderscheiding van het licht en wanntestof.
78.      DE ZEE.
Om te zingen, ot\' toonkunstig op te zeggen.
7!». WILHELMUS.
Zingbaar, op de w(js van het oude Volkslied ; mits de zin-
gende, na het laatste woord van den vyfden en zesden regel,
eenige nooten aan een speeltuig overlate. Dit moet geschieden
bh\' alle mij bekende Wilhelmussen.
80.  VOLKSGKOET, AAN DEN KONING.
Ik maakte deze Oroet te eenvoudiger, naar mate zjj voorgroo-
ter en gemengelder schaar bestemd was. Dit zjj ook van \'tOebed
voor den Koning op bladz. 344 gezegd.
81.     TER EERSTE VIERING VAN DEN SLAG lil.) WATERLOO.
„Derde Willem" Neder!. Stadhouder en Gr. Britt. Koning. —
„Freedrik" De Tweede, Koning van Pruissen.
82.      ALGIERS GESTRAFT.
„Keizerhoed." Het Amsterdamsche Wapen moest denzelven,
onder Buonaparte, afleggen.
83.      VERLANGEN.
Op voorgeschreven Zangwjjs.
84.      VERTROUWEN.
Op voorgeschreven Zangwjjs.
H5. ADELINE VERBEID.
Kan gezongen worden op Nageli\'s wjjs, gemaakt voor „Die
.Sehlummemde," dat kleine meesterstuk van zoetvloeiendheid en
bevalligheid, door den onsterfeljjken Dichter Voss reeds in 1774
aan de Dnitsche Taal geschonken.
8(1. EEN NIEUW LIED.
Te zingen op de wu\'s van „Der Kitter von Rosen ; Musik von
Meltitz."
87. ENCOMIUM 1\'ATRUE.
Met de Zangw\\js uitgegeven door H. C. Steup, te Amsterdam.
De Woorden na 1830 voranderd.
2fi *
-ocr page 427-
404
AACTEEKKSIKGEA\'.
88.     1)E LOF DRS VADERLANDS.
Het Vaderlaiidseh Koorgezang, in de N. (i. 182T op den Lo
des Vaderlands volgende, is hier weggelaten, omdat hetz elvt
gezongen, bij het klinkend latjjn te zeer afstak.
89.     GEBED VOOR DEN KONING.
Zie het aangeteekende b(j de Volksgroet. blz. .-S28.
110. WAPENROEP.
Met de zeer passende Zangwij.s van Gliiser door den Heer
Weygand in "s Gravenhage uitgegeven.
91.     LIED VOOR DE EDELHARTIGE JONGELINGSCHAP ONZER
AKAD. EN ATHKN.
Oorspronkelijk nog korter, als Gezang voor de Leydsche Vrij-
willige .Jagers gemaakt. Hier, ten aandenken, meer om gelezen
te worden.
92.     WELKOM AAN DE SCHUTTERS DER STAD ZUTPHEN.
Te zingen op een wjjs van „J. a. P. .Schultz. Melod. zu dein
Mildh. Lieberb. Gotha, 1817. Seite 313."
93.     JAMBEN.
Opgesteld, als ik, drie en twintig jaren oud, eenige dagen in de
gezelschappen van eoue Hoofdstad verkeerde. De toon , hier
gegispt. was des tjjds aldaar heerschende ; thans zou\' dezelve .
op die plaats, gelijk overal, zeer slecht heeten , doch hij kan ,
als zoo veel anders, terugkomen. (Dit werd in 1820geschreven.)
— „dezen ook" ik bedoelde eenige voorname Lichten van die
Letterkunde, welke. voor het eind der laatstverloopen eeuw, in
Frankrijk bloeide, en zeer grondig beoordeeld werd, in een
klein opstel met O geteekend, dat, onder den titel: „Des progrès
ou de la décadence des Lettres" een plaats vond in de „Ksprit
des Journaux , Novembre 1810.\'\'
94.     OP COO, DEN REFORMATEUR.
„Planetarium" Kunstig Werktuig, de beweging der Hemel-
ligchamen nabootsend.
95.     GEENE VERKLARING.
[In Aug. 1797 werd de Dichter tot Representant voor Zutphen
verkozen in de Tweede Nationale Vergadering. Hy nam echter
geen zitting omdat hy weigerde de Verklaring af te leggen,
welke men van de leden vorderde.
Op deze byzonderheid zinspeelt dit stukjen.
Uitgever.]
-ocr page 428-
105
AANTEEKEN1NCEN.
96. aan a. is. es c. enz.
„Steh zu deinem Volk: es ist dein angeborner Platz. .Schillers
Wilh. Teil."
\'.17. VOOK BEN AFBEELDSEL VAX DEN SCHEEI\'SBEVELII. Bl.OIS
VAN TRKSLONG.
Hjj stierf als Viee-admiraal in Nederl. Dienst, den 20 Jan.
1824. — „een ander\'* Men zie „Gedenkst. v. Neèrl. Heldend, ter
zee, II, 452."
!I8. MARTKN VAN KOSSEM.
Hjj was een Bommelaar. Ik heb de inwoners van het Quartier
Tiel Hetuwers geheeten, zoo als men dé Nederlanders vaak
Hollanders noemt.
99.     HEI\' VROEGE KIEVITSEI.
„gekookt" Bestje had er ongetwijfeld meer aan gedaan.
100.      NA All HEAUMARCHAIS.
\'t Is het vjjfde couplet van de Vaudeville die le mariale DE
FIGARO Sluit.
101.     HET KANON TE LIMA.
„Lange Griet" Haar roem is tot in het Holsteinsehe doorge-
drongen , en aldaar niet verkleind; getuige het bekende plat-
duitsche rijmpje: „Groot Greetj heet ik; Neegen Miei\'\' enz. De
Gendtenaars hadden hunne „Dulle Griete" Bjjdr. der (Jazette
van Kendt, 18;S9 , Blz. 63.
102.     JOB GIL.
„Wesley." Ik ben ver, van den Man, om den overdreven ijver
van vele zjjner volgeren, te smaden.
10"t. IIOEKA
De Duitsche Dichter Burger drukt op de eerste Lettergreep
in zjjn Stukje „Der Bauer:" „Wer bist du dass durch Saat und
Forst — Das Hürrah deiner Jagd niich treibt" en (als Körner
en Weber in het „Schwerdtlied") op de tweede, in zjjne Lenore:
„Graut l.iebchen auch ? Der Mond scheint heil! — Hurrah! die
Todten reiten schnell!" Onze Dagbladen beginnen tot de En-
gelsche Matrozen toe „hurrah\'" als vreugdekreet, inplaats van
het hun met ons gemeene „hussa\' te laten roepen.
104. DE I.EER DER ULTRA\'S.
De vier regels, onder dezen titel, zjjn in den Recensent af-
gedrukt, toen de Nieuwspapieren ons hadden medegedeeld,dat,
in het naburige Frankrijk , een gewaande Heks door onnozele
mensehen op gloejjende kolen was gelegd; en, volgens dezelfde
papieren, aldaar de voorbereidselen werden gemaakt, tot het-
-ocr page 429-
MMi
AANTEEKE.NINCKM.
geen wjj naderliniid zagen ten uitvoer brengen, om de zaak van
Heersch- en Hebzucht, onder glimp van uitsluitende Konings-
gezindheid en (Jodsdienstjjver, te doen zegepralen, en liet op-
komende geslacht niet onverbrekelijke boejjen van vooroordeel ,
bijgeloof, en blinde gehoorzaamheid te kluisteren. Aai. nieuwe
heksenbraders heelt het sedert niet ontbroken ! Even min aan
mirakels bjj het graf van den Heilige Jubin, aan Verschijningen
van Geesten, aan Hezetenen , aan Duivelbanners. aan Wonder-
teekens in de Lucht, aan Waarzeggers en Waarzegsters, die in
Parijs tot een getal van zevenhonderd en zestig aangroeiden .
enz. enz - Het uitleggend ja, op dit puntdicht volgende, werd
mij afgedwongen do"or opgeblazen weerspraak.
105. LICHT. VRIJE PEN EK VRIJE TONG.
Zie de woorden aan het slot der voorafgaande aanteekening.
10l>. HET GEREDDE SPANJE.
„Bullengevecht" Men ziet er nu (.in 1*27) ook in 1\'rankrjik
(te Ninies); naast de Kruisen , door de Missionairen geplant.
107.     het HOEK.
De lezing van den Hoogl. I\'eerlkanip iu den vierden regel
gevolgd. „Bibl. crit. nova, IV, 57."\'
108.     BEDE AAN PERSEPHONE.
De Beheerscheres van het Schimmenrijk: Proserpina.
10S». AAN GÖTHE.
(In de op deze bladzijde aangehaalde plaats uit den „Vr. des
Vad.-\' was de Dichter gegispt, dat hy in zjjn sprookjen „de
Doodendans" Göethe\'s voetspoor verlaten had, door de ver-
vanging van het by dezen voorkomende „doodshemd" door
„Nibylles Boot.\'\'
110.    KNIEDICHT.
Holl. Speet. CV\'III. Vertoog. — „de Bron der Jeugd \' la Fon-
taine de Jouvence; op wier ontdekking men eens in vollen ernst
is uitgegaan.
111.     DE DIEP-EGGE.
Dit Kpigram heeft betrekking tot het. Stukje „Stoomtuig. \' Zn ,
die vermeenen, dat Proeven, om door Krabbelaars, aan Stoom-
vaartuigen vastgehecht, op den bodem der Rivieren te werken,
ontwijfelbaar zeker een noodeloos benioeijen zouden wezen, en,
ten dezen opzigte, in begrip verschillen van den Heer (irave
van Kechteren (Verhandel, over den staat van den Kjjn, enz.
69), zullen, vrees ik, om het gunstig attest van Charon hun ge-
voelen niet opgeven. — Dit schreef ik in 1882. De ondervinding
-ocr page 430-
4(17
aa>tkkkem.n<;kn.
heeft in 1834 bewezen, vrat kan toegegeven worden; dit name-
lijk: dat men Krabbelaars meer onmiddellijk met vaartuigen
moet kunnen verbinden, dan zulks bn de Diep-egge mogelijk
was. dis zal het met zjjne tweede vooronderstelling getroft\'en
hebben.
[Den 6 Maart 1828 had de Dichter een plau tot wegruimen
van de ondiepten op de beneden-rivieren, door middel eener
„Diep-egge" aan de regering aangeboden. By de daarmede van
hooger hand op de Killen bevolene proefneming, ging het werk-
tuig verloren.
                                                                Uitg.]
112.    WEÊRSTUIT. 1. II.
(i. C. Lichtenberg, Professor te (iöttingen, was in het Hessen-
Darmstadsche geboren. Te dikwerf plagt zich dit uitmuntend
Vernuft eene spottende oordeelvelling aan te matigen, over per-
sonen en zaken, hem niet dan oppervlakkig bekend; en züne
snakerfjen voegden nu en dan weinig bij de achtbaarheid van
die, te regt vermaarde, en steeds dankbaar bjj nijj gedachte,
Hooge School, aan welke hjj als Leeraar was verbonden. —
„Beklaaglijk is de onwetendheid, die afkeurt wat zjj niet ver-
staat" — Tot wedergaa van \'s Hoogduitschers plompheid kan
strekken wat een Italiaan schreef. Toen lang reeds Sterren van
de eerste grootte aan den Duitschen Dichthorizon waren opge-
gaan, titelde hü een\' armhartigen verzemaker onder zijne Lands-
lieden „il pin tedesco rimator."
113.     DE VUURBERfiEN.
„Hubertus de Klyn (bewerende) dat Hemelen Aerdeeen Mens,
dat eet, drinkt, enz. zou zyn, gaat al voort zeggende: de bergen
die branden zyn eenige klyne vurige puys.jes der Longe, die dog
alsze geborsten zjjn, ook de een rasser, de ander trager verdwy-
nen. Bladz. 13 der Wederlegging, eindigende met de woorden :
„En hiir mede maak ik nu maar zlegts gedaan, door Gerardus
Steenhoven. Anno 170*.t."
114.     DE BELGISCHE STER-ORDE.
Project gebleven. Xederl. St. Cour. 1881, No. 27. .lourn. de la
Haye.\' 1831, Xo. 80.
115.     DE BELG AAN" DEN NEDERLANDER.
„noemt gjj ons" Versta bepaaldelijk de raddraarjers, en den
blinden hoop, door hen medegesleept, in eenen, als „glorieus"
betitelden. Opstand; die, waar dezelve plaats had, de welvaart
van ontelbare, vlijtige, verlichte, en achtenswaardige menschen
vernietigde; het bestuur van zaken bragt in handen van het
Jezuïtismus; en tevens de zaden van een\' eindeloozen twist
heelt uitgestrooid.
-ocr page 431-
408                                 AASTEEKENINGE.N.
116. DUITSCHK SCHRIJVERS.
Pülitz, in zijn Algem. Neues Repertorium für 183;-!, No. 15,
op den eersten Aug. 1833 het zesde deel van Venturini\'sChronik
recenseerende, schreef daaruit, zonder eenige teregtwjjzing, den
volgenden echt jakobijnschen Leugen en toebehoor af: „In de
meeste voorsteden van den Haag zag men, na den korten Veldtogt
(van tien dagen), ooren en vingers aan de deurposten gespijkerd,
welke van de ligchamen der gesneuvelde Belgen waren afge-
sneden. In bijgevoegde opschriften waren dag en uur vermeld,
waarop deze zegeteekenen veroverd waren. Uit barmhartigheid
stuurt men Zendelingen naar Atrika en Amerika; — zendt ze
liever naar Holland in de nabijheid." — Was het dezen Mannen
om waarheid te doen geweest, dan hebben zjj vóór en tégen
gelezen, en, behalve het schandblad, den Brusselschen Courier,
ook den L>nx en het Journal de la Haye. Sedert 30 Septbr.
1831 stond de weg voor hen open, om zich door laatstgemeld
Papier, No. 234, te laten inlichten.
117.     AAN DE BRITTEN.
,,IIet Nest" Antwerpen, naar het plan van den (r/o/re-naloo-
per en Menschenslagter, die in Frankrijk en elders (Jroot
genoemd is.
118.     AAN l)K NEDERLANDERS.
„Hedreigen is geen treffen staat er met deze I.atjjnschc woor-
den: Non omne quod minatur ferit."
11!». VAN 8PEYK EN CLANT.
De overste Taxis, ten jare 1586 de Spanjaarden bij eenen
stroop door Vriesland aanvoerende, overstelpte, den 17 van
Louwmaand, het Staatsche Volk, dat in minder getal en met
slecht beleid tegen hen was uitgerukt. Eenige Vriezen, waar
bjj de Groninger Vaandrig Otto Clant, hadden zich in de kerk
van het dorp Boxum geworpen. De Spanjaard bood hun lijfsge-
nade; maar Clant versmaadde dezelve en hield vol met strijden,
tot hij eindelijk, geen uitkomst ziende, en „te torsen (zegt Hooft)
om levend van zjjn Vaandel te scheiden," zich in dat Vaandel
wond, en zoo doorstoken nederviel. — Ik heb gepoogd de heu-
genis van den edelen Otto Clant weder levend te maken in
twee stukken van de Vaderl. Letteroefenn. voor het jaar 1832.
Men vindt het gevecht van Boxum en het sneuvelen van Clant
bjj Winsemius, tol. 772 en 733 Strada, het gevecht te Buxum
vermeldende, zwijgt onedelmoedig van Clant.
-ocr page 432-
EEN WOORD TOT BESLUIT
AAN DEN LEZER.
Bij mijne Gedichten, in 1820 uitgegeven, voegde ik een
voorberigt, na genoeg van volgenden inhoud :
»De Gedichten, welke ik hier den toegevenden Lezer waag
aan te bieden, heb ik verzameld en uitgegeven, opdat dezelve
mijne eerste proeven , in 1786, en mijne dichtoefening, in
1791 aan het licht gekomen, zonden verrangen. Allen wat ik,
van het mijne, in deze bladen, niet verkoon te laten dl ukken,
of herdrukken, hield ik voor onrijp, of geheel verwerpelijk.
Het rijmende gedeelte van mijne verzen zal. hoo[> ik. een
paar kleine stukken, waarvan het tireede reeds voor om-
trent dertig jaren is uitgegeven, en eenige weinig bedui-
dende brokken, in vrije vijfvoetige Jamben , genade doen
vinden, bij degenen, die uitsluitend, of ten naaste bij uit-
sluitend , voor het rijmen zijn. Het <>or van Millioenen
wordt door zulk een slag van verzen niet gekwetst, bij onze
ovevzeesche en overrijnsche Taa,lv er wanten. Zij hebben ge-
leerd, daarin vermaak te scheppen, gelijk men leert. ge-
noegen te vinden, in liet muzikale Recitatief: in Teekenin-
gen , met niet meer dan drie tinten gewasschen ; in de
maten der Oden van, Horatins, wanneer men, als school-
knaap, dezelve na de Hexameters van Ovidiusen Virgilius
leert kennen. Wat de Heer Kinker. in het Voorberigt der
vertaalde Treurspelen van Schiller, en de Heer van Kam-
pen, in zijne Medea, over de Jamben hebben gezegd maakt
mijne aanprijzing van dezelve overtollig.
Een spaarzamer gebruik van het teeken van afwending,
in verzen, scheen mij navolging te verdienen. Men zal
daarom, in deze Verzameling,
hun. voor hunnen, zijn,
voor zijnen, enz. vinden.
Wijders heeft de Drukpers mij , over liet algemeen, de
spelling van de Heereu Siegenbeek en Weiland laten vol-
gen. In mijn
schrijven , behelp ik mij anders met minder
letters, en geef den berisper gezag voor gezag terug; daar
toch elders het bezuinigen der schrijfteekens de beschaving
der taal plagt te vergezellen Immers het Latijmche
seedes
is tot sedes gekrompen : het Fransche dist tot dit: liet
-ocr page 433-
MO
i:k.\\ woord tot besluit.
Hoogduitsche llolillarl tof Hott\'art; het Engehche inoiieth
tot month; zoo als. omgekeerd, groten, lieren, sluier.
tuschen, kuisheid. bij ons, tot grooten. lieeren. sluijers.
Uisschen koischheid zijn uitgedijd.
De gepaarde ae lieb ik gezorgd, dat bij kaar eeuwen
heugend regt werd gehandhaafd, waar ik bepaaldelijk den
middelklank, tusschen die twee letters zwevende, wenschte
aan te duiden. Ook zal men
gerigt. douw. daauw. trat,
zwaenl. honing, iedel. nieten, derwaart. saam, regte.
linke maar teven* geregt, dauw, tred, zwaard, honig,
ijdel, heeten. derwaarts, zaain, regterhand. linkerhand .
men zal ging en gong. ving en vong, druk en drok. zoo
wel als
hing en hong bij mij aantreffen. «En waartoe dat
overtollige:! Zie daar de vraag van een\'1 barbaar, zonden de
(ütiKKK.N zeggen! Kan men te veel verscheidenheid van klan-
ken bezitten, wanneer men het gehoor wil streelen? En zijn
Dichters en Bedoiaars ontevreden, als zij kiezen mogen?" l)
Mijn gevoelen, de vrije, vijfvoetige Jamben en onze spel-
ling aangaande. was onveranderd gebleven. sedert het
schrijven van dat Voorberigt. Dit bewoog mij hetzelve hier
mede te laten herdrukken. De Niemve Uitgaaf van mijne
vroegere en latere Poëzie won daardoor ook in volledigheid.
Ik ben thans even weinig spaarzaam geweest als voor
zeventien jaren met het geven van Toelichtingen in de
Bladwijzers en vlei mij dat de meeste welkom zullen zijn.
aan de eerste plaats bij Verhalen uit de Geschiedenis van
Gelderland : welke toch, in hare byzonderlieden, geenszins
algemeen buiten de grenzen dier Provincie ouder ons be-
kend is. De uamtijzing van mijne Bronnen zal, vertrouw
ik. worden goedgekeurd door Lezers, die. vooral bij ge-
dichten van de Epische soort, ook de Vinding niet onop-
gemerkt laten, en genoegen scheppen in na te vorschen :
hoe de Dichter eene stof\', hetzij ruw, hetzij reeds bearbeid
voorhanden, zich te nutte heeft gemaakt, en wat door hem
daar bijgevoegd of daarvan weggelaten is.
1) Woorden van La Harpe. Neêrlands Dichter zegt: strafbaar dui"
zend maal. Wie Dichtkunst banden geeft, of kluisters aan de Taal!"
-ocr page 434-
BLADWIJZER.
Bladz.
INLEIDING. — Loopbaan en kenschets des dichters.      ui
VERHALEN.
Wichard van Pont........          3
Lenora...........        10
De zwarte vrouw.........        16
Adolf en Emma.........        20
Folpert van Arkel........        23
Ada en Rijnoud.........        20
Het vogelschieten.........        31
Eleonora van Engeland . . . ....        35
Arnhem verrast.........        39
Het schip van Hommel ....                                 43
Eduard van Gelder..... . .        47
Hertog Arnoud, in den kerker......        51
(ierard van Mierop, in het blokhnis te Upesloot                       55
Ten geleide aan mjjnen behirwdbroeder Mr. 3. N. J.
van Mierop.........        58
De vorstin in het dorp.......        59
De verjaardag.........        (>5
De hoofdige boer . . ......        71
Het verschijnsel.........        75
Hoop verloren , trouw bewaard......        77
De schat..........       83
Vulcanus wraak .......        87 .
De tuchtiging der Algerijnen ....                .92
Emma van Oud-Haarlem .... .              100
De zitbank..........      10.1
Sint Nikolaas .... ...      104
Lochem behouden........      108
De leerling va" Pankrates.......      111
Het genezend maal........      114
De twee Bultenaars........      11»5
Nichtje Rjjk . ........      131
Hertog Willems bedevaart ......      133
De biecht..........      140
Het mystieke testament.....                .141
De verjongings-cuur........      143
Ivo...........      148
De Vampyr..........      15*5
Thor, als visscher........      lt>2
De Noordsche goden en hun bouwmeester ....      164
De schaking....... . .      169
Jaromir te Praag.........      170
-ocr page 435-
II                                                BLADWIJZER.
Hladz.
Jaromir te Loehein........     174
Jaromir te Zutphen........     177
Jaromir gewroken........     181
De tooverwijnstok........     186
De Radja\'s dogter........     188
Signor Anello.........     191
Marco...... ....     193
De verloofden...... . .     207
Grietman Sjuck van Burmania, door Muiters in zjjn
landhuis bedreigd........     213
Het mirakel..........     214
De doodendans .........     215
Het bezoek van Eohi........     218
MENGELDICHT.
Groete, aan hare koninklijke hoogheid, mevrouw de
prinses weduwe van Oranje-Nassau ....     221
Aan de stad Parijs........     222
Feestzang, voorgelezen aan de plegtige maaltijd, bij de
inwijding van het Geldersche Athenaeuni,teHarderw(jck     224
De grondlegging van Ruslands zeemagt ....     226
Aan de eenvoudigheid........     229
Na eene zware krankte.......     229
Herdenking..........     231
Het kleine veiligst........     231
Aan mijne gade: Johanna Andrea Charlotte van der Muelen     232
De Israëlitische looverhut.......     233
Ken Geldersch lied........     234
De min \'.........     235
Aan Favonius.........     230
De bruidegom van Aurora ......     237
De ooievaars.........     238
Bede aan Mavors.........     241
Spoor aan den naneef........     242
Aan mijne dennen........     243
Op het gezigt van trekkende kraanvogels ....     24fi
De veenrook ..........     247
De winter..........     248
Aan den heer, Mr. A. H. Spandaw.....     249
Ten geleide van een haas, aan eenen vriend gezonden ,
op z\\jn verjaardag ........     250
Aan Lima..........     251
Het stoomtuig.........     253
Lourens Janszoon Koster.......     254
Voorlezing hjj het maal, ter inwijding van een nieuw-
gebouwd landhuis........
     266
-ocr page 436-
BLAÜWIJZEI:.                                                III
Bladz.
Aclii van Holland, als gevangene op Texel . . .      259
Aan mijne gade.........      261
In een vriendenrol....... .      263
Zilveren bruiloftsdicht........      264
De burgt te Uronekhorst afgebroken.....      266
Bü het graf van Khjjnvis Feith......      268
Aan den winter ........      26\'.i
Ter bruiloft van een dogter .... .      270
Bü een bruiloft ........      272
Het kameleon .........      273
Hans en Louw ... .....      275
God Serapis en de roover.......      275
Odins hela-vaart.........      27ti
Het weefgezang der walkyrcn......      280
J. C. .1 van Speyk........      283
J)e veldtogt tegen de Helgen......      285
Dichtregels, ten slot eener voorlezing binnen Lochem
uitgesproken, op eenen feesteljjken gedenkdag . .      287
BRIEVEN.......              289
KERKGEZANGEN.
Opdragt der kerkgezangen.......      303
Kerkgezang, voor het feest van Jezus geboorte . .      304
Kerkgezang, voor het feest van Jezus opstanding . .      308
Kerkgezang, voor het feest van Jezus hemelvaart . .      312
ZANGSTUKKEN.
Ariadne...........      318
Cantate, voor het natuurkundig gezelschap te Zutphen .      321
De Zee...........      323
KLEINE LIEDEREN.
Krijgslied...... ...      327
Wilhelmus, dischlied........      327
Volksgroet, aan den koning......      328
Ter eerste viering van den slag bjj Waterloo . . .      329
Algiers gestraft.........      330
Verlangen..........      331
Vertrouwen ... ......      332
Het geluk ..........      332
Roosje...........      333
Aan de maan.........      334
Zefir en Chloris.........      334
Adeline verbeid,.........      335
Meizang . . -.......      335
Lentezang..........      336
Oogstlied..........      337
De winterroos.........      339
-ocr page 437-
IV                                                        HliADWIJZER.
Bladz.
Zang bü den haard........      839 •
Ken nieuw lied, van een meiden en een schipper . .      840
Eneomium patriae          .                                  ....      342
De lot\' des vaderlands, voor Nederlanders ....      343
Gebed voor den koning.......      344
Het Vaderland.........      344
Wapenroep             .........      345
Lied voor de edelhartige .jongelingschap onzer akadeiniën
en athenaeums........              34(1
Welkom, toegezongen aan de schutters der stad Zutphen.      347
JAMUEN            .........      348
PUNTDICHTEN. 17..—1820.
(ieene ontdekking van Herschel......      352
Aan Adrast..........      352
Woordspel..........      352
Huiskrakeel..........      353
Sprekende rook.........      353
Hein .......... ■.      353
De D* vertoond.........      353
Myrons koperen koe........      354
Onder het beeld van Anior.......      ;>5*
Vrienden .                ........      ;!54
Aan K.........                .      866
Op een e kwaadspreekster.......      366
Aan vrouwensmaders            .......      ;!-r,f>
Op het beeld van eene schoone vrouw, door haar zelve in
glas gesneden.........      366
Tegen Adam..........      355
Hans Tonka\'s zoon ........      :\'56
Kleant...........      356
Aan een\' vriend.........      356
Aan een\' navolger . . . . . . . ■      366
Bekrompen oordeel........      366
Het lange puntdicht........      366
Aan X............      367
Duisterheid..........      357
Homerische vermaning........      3"\'
Op Orgon..........      367
Voorzigtigheid .                         ......      357
Op Coo. den reformateur.......      368
Zucht van een\' boer........      368
(ieene verklaring.........      368
Aan A. B. C. enz.........      358
Doop tegen doop.........      ***
Verboden triomf.........      ;JÖ
-ocr page 438-
BLADWIJZER.                                                V
Bladz.
Voor een afbeeldsel van den scheepsbevelhebber J. A.
Bloia van Treslong........      359
Marten van Rossem........      359
Aan W............      35!»
Schoone smart.........      359
De dood...........      360
Verdraagzaamheid..... . .      360
Holland . .........      300
Bijschrift, voor mijne gedichten, in 1820 uitgegeven. .      360
PUNTDICHTEN 1820—1827
Het vroege kievitsei........      361
Naar Beaumarchais........      361
Het kanon te Lima .... ...      3C>1
Het hondengevecht........      302
Job Gil...........      302
Het sterrenschieten........      303
Aangebrand..........      303
Jaaps laatste woord........      303
Zonnevlekken.........      364
Woord aan een\' dief ... ....      364
(ioed overleg.........      364
Assessor X......... .      360
Grafschrift voor Sander Onrust......      365
Raad...........      305
Puntdichten op zjjn Koemer Visschersch ....      365
Aan een\' sehi\'jjver..... . .      360
De lettereeuwen ... .....      307
Aan Pegasus ... .....      307
Polijsten . ........      307
Aan een beginnend dichter.......      307
Hoera . ........      308
Op Plagiarius..........      308
De langdradige preek . . ■......      308
De leer der ultra\'s........      368
Licht, vrije pen en vrije tong......      369
Het paard van Napels in 1821......      369
Het paard van Napels in 1825......      369
Het geredde Spanje in 1825 . . . . .      869
Verschillende uitleg........      370
PUNTDICHTEN 1827—1835.
Uit Hesiodus.........      371
Vertaalde Gnome . . ......      371
Het hoen..........      371
Bede aan Persephone........      371
Opschrift voor den gedenksteen, geplaatst in het kerspel
-ocr page 439-
VI                                         BLADWIJZER.
Bladz.
Vorden, waar de Lindensche kapel, ten jare 1837, als
bouwval werd gesloopt.......      372
Opschriften voor begraafplaatsen.....      372
Vermaan                 .........      372
Kennis en wijsheid .                ......      372
Dagt\'ljjksch doen . . •......      373
Meester en leerling........      373
Vrjjheid          .                ........      373
Aan een\' te zedigen schrijver ... ...      373
De onmisbare leidsman .... ...      373
Bjj de terugzending van een dichtstuk ....      373
Hoop en vrees .........      374
De doodendans.........      374
Aan (iöthe..........      374
Kniedicht..........      374
Verkeerd bejag.........      374
Stoomrytuig op een jjzerbaan......      375
Het gaslicht miskroskoop......              375
De diep-egge..........      375
Weerstuit.....                ....      37»!
De vuurbergen.........      37t>
De maan.........      377
De krijgsgevangenen.......•      377
De Belgische ster orde.......      377
De Belg aan den Nederlander .                ....      37»
De ijzeren leeuw van Waterloo, door de ingeroepen
Franschen geschonden.......      378
Fransehe C\'hristenleer ...                ....      378
Duitsche schrijvers, met Kransch-Kngelsche brillen . .      37\'.»
Aan de Britten.........      37!»
Aan de Nederlanders.....                 . .      379
Van Speyk. beoordeeld door Gr. Félix de "Mérode             .      380
De Britsche en Fransehe zeemagt tegen Nederland
vereenigd .                 • . .                ....      380
•lan Carel .loseph van .Speyk en Otto Clant . . .      380
ERRATUM.
Men gelieve het Grieksche citaat op bl. 89 Ie lezen
als volgt:
,, AA/. c\'Si, T(>) [tiriyrovsv — Ax£c5.
Biuïc — $x<rófiev<xt — — rixv (3aeriXiww>."
0EOKP. EffwAA. té.