-ocr page 1-
kb HBvJ Vmm L45BH UB9I M9EV ftCSfli UOBJ ■Bal aeaV HEÉOT
■aBVSflBVlBnBHBHBBKB
-ocr page 2-
•* \'35?
I\'
r
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
DE SCHIPPERSJONGEN,
OF
LEIDEN IN STRIJD EN NOOD.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
-ocr page 8-
Ra ^
BjfeèL"8 V..
H^*
v/H:\'
* ^ jSfll
ilf
-ocr page 9-
DE SCÏÏIPPERSJONGEN,
OF
LEIDEN IN STRIJD EN NOOD.
GESCHIEDKUNDIG VERHAAL VOOR OÜD EN JONG NEDERLAND.
DOOR
\'t
F. LOUWERSE.
Derde, geheel omgewerkte Druk.
i
LEIDEN. — A. "W. SIJTHOFF.
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
A06000021971118B
2197 1118
-ocr page 10-
„Hier was het onze fiere, geduldige en standvastig volhardende burgerij,
die den vreemden huurling en plunderaar het stalen voorhoofd onver-
schrokken bood."
(Dr. W. J. F. Nuyens, „Gesch. v/d opstand in de Nederlanden".)
„Het opbreken van het beleg van Leiden besliste het lot van Holland."
(L. J. J. Van dek Vynckt, „Nederlandsc/ie beroerten\'\'.)
„Altijd zal daarom ook ons oog met welgevallen en zelfvoldoening op die
bladzijde onzer geschiedenis staren, die van Leidens kloeke volharding en
welverdiend ontzet aan den nazaat blijken doet.
(J. Van Vloten, „Leidens belegering en ontzet".)
-ocr page 11-
VOOKBERICHT.
Hier is de derde druk van „De Schlppersjongen", of
„Leiden in strijd en nood." — Een nieuw boekje is het niet,
maar er is toch zóó veel in veranderd, dat ik op den titel
„geheel omgewerkt" durfde zetten. — Het veranderen der school-
boeken bij eenen nieuwen druk, heeft een groot bezwaar, omdat
men dan de verschillende drukken niet naast elkander gebruiken
kan. Dit bezwaar vervalt bij boekjes, als dit, echter geheel; men
leest zulk een boekje alleen.
Maar waartoe die groote verandering?
In den eersten en tweeden druk vertelde ik alleen van Leidens
tweede beleg met het daarop gevolgde ontzet. Het eerste beleg
hing echter zoo nauw samen met het tweede beleg, dat ik
mijne hoofdpersonen telkens van het verleden moest laten vertellen,
en waar ik dat niet deed, moest ik door noten ophelderingen
geven. Die gesprekken over hetgeen gebeurd was, gaven echter
aan den inhoud wat stroefs en het invlechten van ophelderingen
brak het verhaal te vaak af. Nu meende ik die gebreken weg
te nemen door mu\'n verhaal kort na het eerste beleg te beginnen.
Deze bijvoeging van nieuwen tekst maakte op vele plaatsen in
den oorspronkehjken tal van wijzigingen noodzakelijk, zoodat
het boekje vrij wa* grooter geworden is.
-ocr page 12-
VI
VOOEBEEICHT.
Een der jongenshelden van mijn verhaal is de schippersjongen
gebleven, doch ik heb hem nu den naam gegeven, welken hij
werkelijk droeg. Hü heette Cornelis Joppensz. — Ik gaf hem tot
belooning eene marktschuit, doch waarschijnlijk heeft hü wel
niets gekregen, want den negentienden Januari 1588 leverde hij
een verzoekschrift in aan de Stads-regeering om op zijne beurt
op Amsterdam te mogen varen geljjk de andere gildebroeders.
Ophelderingen genoeg. Mocht de Uitgever genoegen beleven van
deze derde uitgave, dan zal ik tevreden zün, daar ik dan weet,
dat „De Schippersjongen" op zyne derde reis door Nederland
nog een welkom onthaal vond.
\'s-Gravenhage.
P. LOUWERSE.
-ocr page 13-
INHOUD.
Eerste Hoofdstuk.
Bladz.
Een weinig geschiedenis................. 1
Tweede Hoofdstuk.
Dat is weer gebeurd..................12
Derde Hoofdstak.
Echte leeuwen op den weg................26
Tierde Hoofdstak.
Eendeneieren en nieuws.................88
Vijlde Hoofdstak.
Er broedt verraad en onweder...............46
Zesde Hoofdstak.
Twee, die vroeg op pad zijn...............55
Zevende Hoofdstak.
Aan doovemans-deur geklopt...............64
Achtste Hoofdstak.
Waar moet het heen?..................74
Negende Hoofdstak.
Mislukt Zondags-werk..................86
Tiende Hoofdstak.
Een duur slaapje...................99
Elfde Hoofdstak.
Zonneschijn en regen..................111
-ocr page 14-
VIII                                                                     INHOUD.
Twaalfde Hoofdstuk.
Blaiiz.
Godt behoede Leyden!.................125
Dertiende Hoofdstuk.
Medicijn voor den Prins.................135
Veertiende Hoofdstuk.
Wat zal van Leiden worden?...............146
Vijftiende Hoofdstuk.
Samenzweerders beluisterd................155
Zestiende Hoofdstuk.
Wat zal het nog worden?................160
Zeventiende Hoofdstuk.
Onder de Watergeuzen.................170
Achttiende Hoofdstuk.
Om brood bij den vijand.................182
Negentiende Hoofdstuk.
Burgemeester van der Werft\'................191
Twintigste Hoofdstuk.
Noodwest! Noordwest!.................198
Eenentwintigste Hoofdstuk.
Watergeuzen en Spanjaarden...............208
Tweeëntwintigste Hoofdstuk.
Overwonnen!.....................217
Drieëntwintigste Hoofdstuk.
Oude kennissen..............,.....228
-ocr page 15-
EERSTE HOOFDSTUK.
Een weinig geschiedenis.
In dit boekje wil ik u het merkwaardige tweede beleg
en het daarop gevolgde ontzet van Leiden vertellen.
Een verhaal telkens afbreken om eenige opheldering te
geven aangaande de geschiedenis of den toestand van het
land of de stad, is niet aangenaam. Om dat zooveel moge-
lijk te voorkomen, wil ik, eer ik begin te vertellen, u een
en ander mededeelen van den toestand van ons land en het
eerste beleg van Leiden, zonder daarom u nog de verzekering
te geven, dat ik er in het verhaal nu in het geheel niet
meer over spreken zal, want aan die belofte zou ik mij
stellig niet kunnen houden. Dit stukje geschiedenis, dat het
verhaal voorafgaat, dient alleen om die ophelderingen en
verwijzingen naar het eerste beleg midden in het verhaal
zoo weinig mogelijk te maken.
Den dertienden Juli 1573 had Haarlem, na eene roemrijke
en schitterende verdediging, het hoofd in den schoot moeten
leggen en zich bijna onvoorwaardelijk aan Don Fadrique of
Don Frederik, zoon van Alva, moeten overgeven.
De dapperheid en de onbezweken trouw der Haarlemmers
hadden dus niets gebaat, naar het scheen.
Niets gebaat? Waarom niet? Omdat de stad zich toch
moest overgeven?
DE SCHIPPERSJONGEN.                                                                                                       1
-ocr page 16-
•I
EEN WEINIG GESCHIEDENIS.
"Wat de Haarlemmers aangaat, hebt gij gelijk, maar niet
wat het land betreft; want de Haarlemmers hebben het
heele land, door hunnen moed en hunne toewijding, mis-
schien wel voor Spanje doen verloren gaan.
Euim zeven maanden heeft dat beleg geduurd en Alva
had in dien tijd niet minder dan vijfduizend manschappen
zien sneuvelen en ruim zevenduizend aan ziekten, die ge-
volgen waren van koud weder, vermoeienissen en ontberingen,
zien sterven. Dat was een verlies van twaalfduizend man,
en in al dien tijd moest hij geduldig toezien, dat men, het
geheele land door, gebruik maakte van de gelegenheid dat
er geene Spanjaarden waren, om de plannen van den Prins
van Oranje ten uitvoer te brengen.
„Zonder geld geene Zwitsers," zeide eens de lijfwacht van
eenen Pranschen Koning, maar Alva had reeds toen kunnen
zeggen: „Zonder geld geene soldaten."
Zoolang hij in de Nederlanden geweest was, had Koning
Filips hem met geldgebrek laten worstelen. Dit was oorzaak
geweest, dat Alva zijne toevlucht wel had moeten nemen
tot het heffen van de nieuwe belasting, die onder den naam
van „tienden penning" Roomsch en Onroomsch verbitterde
en tegen hem in het harnas joeg.
En welke schatten gelds had dat langdurige beleg van
Haarlem hem niet gekost!
De belegering had zijne berooide geldmiddelen uitgeput
en hem ten einde raad gebracht.
En wat volgde er?
Dat Don Fadrique, die na de inneming van Haarlem zich
naar Alkmaar begaf, daar, na een kort beleg, zóó afgeslagen
en teruggedreven werd, dat de Alkmaarders toen reeds joel-
den en juichten: „Van Alkmaar begint de victorie!"
Alsof dat alles nog niet genoeg was, zag Alva zijne
vloot, onder Bossu, door de Noord-Hollandsche "WatergeuzenT
onder Cornelis Dirksz. van Monnikendam, geheel vernietigen.
Van alle kanten, zelfs vanwege den Koning, dien hij met
-ocr page 17-
3
EEN WEINIG GESCHIEDENIS.
onbezweken trouw, hoewel dikwijls zeer eigendunkelijk, ge-
diend had, tegengewerkt, en zóó verarmd, dat hij de reke-
ningen voor zijn huishouden te Amsterdam zelfs onbetaald
moest achterlaten, vertrok hij naar Spanje.
Zijn opvolger was Don Louis de Eequesens y Q\'uniga,
Groot-Kommandeur van Kastilië.
Deze Requesens was een even goed Legerhoofd als Alva,
doch hij was niet wreed, en zocht aanvankelijk meer te
winnen door onderhandelingen dan door het zwaard. Zijn
lastbrief, hem door Koning Filips medegegeven, luidde echter
niet anders dan die, welken Alva mede gekregen had.
Daarom moest hij, toen hij zag, dat de kans verkeken was
om door onderhandelingen de Nederlanden weer aan Spanje
te onderwerpen, vanzelf het zwaard ter hand nemen, en dat
deed hij niet minder goed, en enkele malen zelfs met gun-
stiger uitslag, dan Alva het gedaan had.
Den achttienden Februari 1574 ging Middelburg, dat zich
onder Mondragon vijf maanden lang tegen de Zeeuwsche
Watergeuzen verdedigd had, tot de zijde van den Prins over,
nadat Requesens met eigen oogen had moeten toezien, dat
zijne kostbare vloot, onder Romero en Glimes bij Romers-
waal door de Watergeuzen geheel verslagen werd. Deze
overwinning bracht den Nederlanders niet weinig hoop, en
men meende dat het land nu heel spoedig aan het Spaansch
geweld zou ontworsteld zijn. Die hoop werd nog meer ver-
sterkt, toen men vernam, dat Graaf Lodewijk van Nassau
in zijne onderhandelingen met het Fransche Hof geslaagd
was, en Van Koning Karel IX niet minder dan honderddui-
zend rijksdaalders ontvangen had om een leger te werven.
Spoedig begon Graaf Lodewijk nu in Duitschland krijgsbenden
te verzamelen, doch het duurde evenwel tot in Februari
1574 eer hij instaat was, handelend op te treden. Aan het
hoofd van een leger, dat uit bijna zesduizend man voet-
volk, drieduizend ruiters en tweeduizend Franschen bestond,
sloeg hij zich tusschen Aken en Maastricht neder met het
-ocr page 18-
4
EEN WEINIG GESCHIEDENIS.
oogmerk om Maastricht in te nemen en dan in het Bra-
bantsche te vallen.
Zoodra Requesens hiervan bericht kreeg, begon deze van
zijne zijde ook een leger te verzamelen om Graaf Lodewijks
bedoelingen te verijdelen, en vrij spoedig kon Don Sanchio
D\'Avila, die als Bevelhebber der vloot zoo ongelukkig ge-
weest was, aan het hoofd van een leger, dat uit achtduizend
Duitsche ruiters, vierduizend Zwitsers en tweeënveertig
Spaansche vendels bestond, Lodewijk te gemoet trekken.
Een der laatste bevelen van Alva was geweest, Leiden
te belegeren en hieraan was gevolg gegeven. Sedert den
eenendertigsten October 1573 was Leiden door de Span-
jaarden, onder Francesco Valdez belegerd, doch de Leide-
naars weerden zich dapper, zoowel tegen het zwaard, als
tegen den honger en hadden zich nog niet overgegeven
toen Requesens aan Valdez het bevel zond om het beleg
op te breken teneinde zich met zijne benden bij het leger
van D\'Avila aan te sluiten.
Graaf Lodewijk en de Prins van Oranje schijnen elkander
niet goed begrepen te hebben, want Lodewijks plan werd
door den Prins zóó weinig goedgekeurd, dat deze laatste
zich uitliet: „Ik wenschte Lodewijk en zijn leger wel hon-
derd mijlen ver."
Toch stelde Graaf Lodewijk zich in beweging om te han-
delen, en misschien was zijn grootste drijfveer wel geld-
gebrek. Gedurende geruimen tijd zulk een aanzienlijk leger
onderhouden, ging boven zijne krachten, hoe hij ook door
Frankrijk gesteund mocht worden. Hij scheen dus van mee-
ning te zijn, dat snel handelen het eenige was, wat er
gedaan kon worden, en de Prins dit ziende, verzamelde
metterhaast zesduizend man, waarmede hij zich in den
Bommelerwaard wierp, teneinde Lodewijk tegemoet te trek-
ken en D\'Avila tusschen twee vuren te brengen.
Maar had D\'Avila getoond een slecht Admiraal te zijn,
nu zou hij bewijzen, dat hij een uitnemend Generaal was.
-ocr page 19-
6
EEN WEINIG GESCHIEDENIS.
Hij wachtte Lodewijk niet af, maar trok hem met versnelde
marschen tegen, en eer Graaf Lodewijk op de Mookerheide
gereed was om den vijand af te wachten, werd hij door
hem aangevallen en geheel verslagen, den veertienden April
1574. Graaf Lodewijk en zijn broeder Hendrik moeten in
dien slag gesneuveld of op eene andere wijze omgekomen
zijn, want geen der twee werd na den slag gevonden.
Dat was voor Prins Willem een ontzettend verlies; Graaf
Lodewijk, zijne rechterhand in alles, was hem meer dan
een leger.
En welk eenen nadeeligen invloed zou die nederlaag niet
uitoefenen op de gemoederen der Nederlanders, die op ver-
scheidene plaatsen door Eequesens\' staatkunde toch al aan
het wankelen gebracht waren?
De toekomst was verre van rooskleurig; ze was zeer
donker. En nog eer een enkel lichtstraaltje doorbrak, werd
de toekomst nog donkerder toen de mare door heel Neder-
land ging: „De Spanjaarden hebben Leiden alweer belegerd.
Ze vonden de schansen, gedurende het eerste beleg opge-
worpen, zóó ongeschonden, dat zij er zich terstond in neer-
slaan konden. Bovendien waren de Leidenaars op een tweede
beleg niet voorbereid, zoodat honger er weldra het scherpste
zwaard zou zijn."
Het was een treurig bericht.
De slag op de Mookerheide verloren; de Graven Lodewijk
en Hendrik van Nassau dood; de Prins van Oranje worste-
lende met geldgebrek; Leiden andermaal belegerd.
Als Leiden nu viel, spoedig viel, wat dan?
Waarlijk, Requesens was in den korten tijd van zyn be-
stuur verder gekomen dan Alva in bijna vijf jaar tijds.
Jan Van Hout, de wakkere Secretaris van Leiden, schreef
eenmaal in zijne stadsrekening, dat Leiden den drieëntwin-
tigsten Juni 1572 „tjock der slaverniën, daerinne zij bij den
Hertoge van Alva ende synen aenhang was gehouden van
-ocr page 20-
6
EEN WEINIG GESCHIEDENIS.
hem werpende," Oranjes zijde gekozen had. Dit was dus
al heel kort na de inneming van Brielle.
Dat zulk een overgang niet met goedvinden van alle inge-
zetenen geschiedde, is natuurlijk, en vooral binnen Leiden
was dit het geval, want de vele kloosters, die er waren,
bewezen dat een groot deel van Leidens inwoners van de
nieuwe leer niets weten wilde en dus Roomsen was. Bij de
Roomschen, die voor den Prins waren, gaf stellig de heffing
van den tienden penning wel voor een voornaam gedeelte
den doorslag. Trouwens, nog bijna niemand dacht er toen
nog aan om de trouw aan Koning Filips op te zeggen. Men
was alleen tegen zijne staatkunde gekant, en als hij deze
slechts richten wilde naar de oude Privilegiën, en Alva met
zijne Spanjaarden het land liet ontruimen, dan zou men
Koning Filips, als Graaf, wel onderdanig willen zijn. Alle
besluiten dan ook, welke genomen werden in steden, die de
zijde van den Prins kozen, werden uitgevaardigd in naam
van Koning Filips, Heer der Nederlanden en diens Stadhou-
der Willem, Prins van Oranje. — Het heette dus niets
anders dan een zich verzetten tegen de dwingelandij van
Alva, zooals Van Hout dan ook duidelijk liet uitkomen.
De stad Leiden was in dezen tijd reeds meer dan eene
eeuw lang, de tweede of derde stad in Holland. Hertog
Filips I van Bourgondië liet in 1426 Haarlem vijfduizend,
Leiden en Delft ieder vijfendertighonderd, Amsterdam drie-
duizend, Hoorn tweeduizend, Rotterdam twaalfhonderdvijftig
en Enkhuizen zeshonderdvijfentwintig schilden betalen aan
de soldij van vijftienhonderd gewapende mannen. Het is
duidelijk dat de grootte der bede berekend werd naar de
en de meerdere of mindere welvaart dezer steden. In 1468
werd door Karel den Stouten, die niet minder dan vijfhon-
derd tweeëndertigduizend achthonderd schilden noodig had,
om dat geld eene bede uitgeschreven en weer werden Leiden
en Delft voor een zelfde bedrag het eerst na Haarlem ge-
noemd.
-ocr page 21-
EEN WEINIG GESCHIEDENIS.
Nu, de bevolking, die waarschijnlijk uit omstreekt twin-
tigduizend zielen zal bestaan hebben, was dan ook vrij wel-
varend. Die welvaart had de stad in de eerste plaats te
danken aan „het reeden en drapieren van verscheyden soor-
ten van Coopmanschappen, als Baeyen, Saeyen, Greynen,
Laeckenen, ende andere dinghen meer" en in de tweede
plaats aan den in-, uit- en doorvoer van de voortbrengselen
der vruchtbare omstreken, „waer mede niet alleen de Bor-
geren en de Inwoonderen deser Stede, alhoewel deselve een
groote menichte zijn, ende veel behouven, maer alle de
omleggende Steden ende Plaetsen, ryckelicken van deselve
versien ende ghespyst werden met allerley Suyvel, als Boter,
Kase ende Vleesch van verscheyden gheslachten."
Dat er welvaart heerschte bleek ook uit: „Rondomme
becingelt zijnde met ontelbare Lust-hoven ofte Thuynen, de-
welcke een oneyndelicken Schat waerdich zijn, vermits
\'t merendeel van dien rijckelicken versien zijn met schoone
Speel-huyskens, Fruyt-Boomen, costelicke Bloemen ende
andere lieflickheden." Verder vond men er achttien „Heeren
Huysen en Slooten, al te samen int\' ronde de alderverste
wat meer als een Myle weechs van deser Stede gheleghen."
Denkelijk zal echter het fabriekswezen zoowel als de han-
del door de Spaansche onlusten wel geleden hebben, zoodat
er in 1574 niet die welvaart heerschte, welke men ervóór
en na dien tijd vond.
Hoe de stad bestuurd werd, dient hier ook met een paar
woorden gezegd te worden.
Natuurlijk stond aan het hoofd der Regeering de Graaf
van Holland, doch daar deze slechts in enkele gevallen kon
tegenwoordig zijn, werd hij vertegenwoordigd door eenen,
die den titel had van Schout. Met dien Schout bestond het
bestuur uit acht Schepenen en vier Burgemeesters, en van
deze dertien Regeerders gingen alle bevelen, besluiten en
bekendmakingen uit. De Schout, ook wel Officier of Hoofd-
officier genoemd, stond aan het hoofd der Schepenen en
-ocr page 22-
8
EEN WEINIG GESCHIEDENIS.
vormde met dezen de Stedelijke Rechtbank of vierschaar. —
Om altijd het voldoende aantal Burgemeesters en Schepenen
te hebben, kozen de burgers eene Vroedschap van veertig
personen, die daarom meestal „De Veertigen" genoemd wer-
den. Uit die Vroedschap koos men voor eenen bepaalden
tijd de Burgemeesters en Schepenen, doch de leden der
Vroedschap zelven werden voor onbepaalden tijd gekozen.
Verder werd Leiden verdeeld in zeven Bonnen of Kwartieren,
en aan het hoofd van elke Bon stonden vier mannen, die
„Bonmeesters" heetten. Deze „Bonmeesters" moesten zorgen
dat er bij brand terstond bluschmiddelen kwamen, dat er
bij winterdag bijten in het ijs gehakt werden, en dat ze
voor het aandeel der bon de stadswallen en versterkingen
hielpen onderhouden. Elke Bon was bovendien nog verdeeld
in Buurten of Gebuurten. De Stadsregeering benoemde voor
zulk eene wijk een „Heer der Gebuurte". De burgers uit
die Gebuurte kozen hunne Raden en dezen moesten nu al-
weer onder voorzitting van den „Heer der Gebuurte" zorgen
dat de vrede bewaard bleef, dat er niet gestolen werd, dat
de dooden eerlijk begraven en dat de bevelen van de Regee-
ring, ook wel Magistraat geheeten, ten uitvoer gelegd werden.
In het geheel had men in dien tijd niet minder dan zeven-
enzeventig Gebuurten binnen Leiden. Waren die „Heeren
der Gebuurte" die „Bonmeesters" met hunne „Raden" nu
allen eensgezind, dan was de Regeeringstaak van Schout,
Burgemeesters en Schepenen niet zwaar, doch waren de
gevoelens verdeeld, dan werd die taak verbazend zwaar.
Die verdeeldheid bestond reeds na den overgang aan de zijde
van den Prins, en veel meer nog tijdens de eerste en tweede
belegering. Juist in het volharden en in het volbrengen van
die moeielijke en buitengewoon zware taak, bestaat de grootste
verdienste van den Zeemtouwer, Pieter Adriaensz. Vermeer,
bijgenaamd „van der Werff\', die, na vijf jaar, als balling
rondgezworven en de zaak van den Prins met voorbeelde-
looze trouw en verachting van alle gevaren gediend te heb-
-ocr page 23-
EEN WEINIG GESCHIEDENIS.                                         9
ben, door zijne medeburgers eerst tot Lid van de Vroed-
schap en kort daarop tot Burgemeester gekozen werd in
het begin van 1573 of het einde van 1572. Wanneer we
nagaan hoe deze man, krachtig gesteund door den wakkeren
Secretaris Jan Van Hout en den Stedelijken Bevelhebber den
moedigen en geleerden Jonker Johan van der Does, niet
alleen blootstond, zooals Schotel schrijft „aan de vijanden
van buiten, die dan eens met het zwaard in de vuist, dan
met een sirenenzang op de lippen de stad tot overgaaf wil-
den dwingen of verlokken," maar ook aan „zijne Spaansch-
gezinde ambtgenooten, een groot deel der burgerij, die in
het geheim het vertrouwen der welgezinden ondermijnden,
het zaad der tweedracht uitstrooiden, tot verzet en oproer
aanspoorden," en bovendien aan „de leeraren, die zijne vader-
landsliefde en godsdienstzin miskenden en hem bij de bur-
gers verdacht maakten," dan kunnen we dien man alleen
bewonderen, doch hem begrijpen onmogelijk. Waarlijk, die
eenvoudige zeemtouwer of touwslager, wiens Vader, een
Vermaner of Leeraar der Doopsgezinden te Haarlem, in 1537
om zijn geloof ter dood gebracht werd, en die, juist om het
geloof zijns Vaders, door de Calvinistische predikanten van
Leiden verdacht werd gemaakt, verdient zijn standbeeld ten
volle. Het is wel meest altijd gekheid om te zeggen: „Als
dit of dat niet gebeurd was, dan zou dit of dat anders zijn."
Maar geene gekheid is het te beweren, dat Spanje misschien
wel gezegepraald zou hebben, zoo Pieter Adriaensz. niet
dien onwrikbaren moed, dien helderen geest en die onkreuk-
bare trouw bezeten had.
Een der laatste bevelen van Alva was geweest, we zeiden
het reeds, om Leiden te gaan belegeren, en dat wel, nadat
deze stad gedurende het langdurig beleg van Haarlem heel
wat geleden en gedaan had terwille der moedige Haar-
lemmers. Nu eens was zij de verzamelplaats der benden,
die beproeven zouden, Haarlem te ontzetten, dan weer was
zij het eerste veilige toevluchtsoord, dat de soldaten be-
-ocr page 24-
10                                       EEN WEINIG GESCHIEDENIS.
reikten, wanneer ze door de Spanjaarden verslagen waren
geworden, of op eene andere wijze hun plan mislukt zagen.
Op balddadige wijze konden de soldaten huishouden. Na de
nederlaag van Lumey op het Manpad bij Haarlem, den
twaalfden December 1574, kwamen, volgens de aanteeke-
ningen van Jan Van Hout, minstens twaalf vendels binnen
Leiden, die daar bleven tot het laatst van December en
door de burgers moesten gevoed en geherbergd worden.
Niet zoo licht tevreden waren die ruwe mannen, en om
vrede met hen te houden, waren de inwoners genoodzaakt
hen telkens, ten koste van zichzelven, op bier te onthalen.
Na den val van Haarlem begrepen de Prinsgezinde Leden
van den Magistraat, dat het meer dan zaak was om nu
ook Leiden te gaan versterken, daar de Spanjaard dit niet
rustig zou laten liggen. De Prins gaf daartoe reeds den dag
na Haarlems val bevel, en voegde er meteen bij, dat „yegelyck
alle \'t sout, turf, tacken, ende hout, suyvel ende fouragie,
dat binnen twee mylen rontsomme gevonden werd, binnen
die stadt Leyden brenghen soude."
Met alle man ging men aan den slag om ook het graan,
zoodra het maar rijp was, binnen te halen en in de kerken
te bergen. Toch ging alles nog lang niet, zooals het gaan
moest. De aftocht der Spanjaarden van Alkmaar en hunne
nederlaag op de Zuiderzee maakten de nijvere handen wel
wat traag, en zij, die Spaanschgezind waren, sloegen nu
hunnen slag. Er was immers geen gevaar voor een beleg?
Wat zou een verslagen vijand kunnen doen? Waarom nu
al dat werken aan versterkingen, dat zich oefenen in den
wapenhandel en dat opbergen van levens- en krijgsvoorraad ?
Het was immers nergens toe noodig? Vooral als het op
het geld aankomt, zijn er tal van menschen, die zich gauw
laten overhalen om het een of ander te laten of te doen,
als het hun maar oogenblikkelijk voordeel geeft.
Den laatsten October 1573 kwamen de Spanjaarden om
Leiden, en nu bleek het al heel spoedig, dat de Magistraat
-ocr page 25-
EEN WEINIG GESCHIEDENIS.                                      11
niet te veel gezorgd had, want reeds zes dagen later was
men genoodzaakt bekend te laten maken, dat men matig
moest zijn in het gebruik van spijs en drank, en de brou-
wers kregen bevel, het bier niet sterker te brouwen dan
de Magistraat voorschreef. Erger was het nog, dat zij, die
groote inkoopen gedaan hadden, nu hunne waren met schan-
delijk veel winst van de hand trachtten te zetten. Ook dit
moest verboden worden, en ieder moest verkoopen naar
eene zetting, die door den Magistraat bepaald werd. Enkele
kwaadwilligen trachtten hierop sommige graanpakhuizen of
korenschelven in brand te steken. De uitgaven der stadskas
waren in het laatste jaar zóó groot geweest, dat weldra
de bodem der geldkist te zien was, en daarom liet de Stads-
regeering, met goedkeuring van den Prins, papieren nood-
munten slaan, om deze in te wisselen, als er weer geld zou
zijn. Als spreuk voor het papieren geld koos de Regeering
„Haec libertatis ergo", dat zeggen wil: „Ter wille van de
vrijheid". Hierover waren de Predikanten zeer verbolgen,
want ze meenden, dat de spreuk moest zijn: „Ter wille
van den godsdienst". Of men hierdoor de Roomsehen ergeren
zou, achtten zij minder. In de kerk, waar Burgemeester Pieter
Adriaensz. en de Secretaris Van Hout onder het gehoor
waren, schold een Predikant de Magistraat-leden voor „Epi-
curische zwijnen", hetgeen Van Hout aan den Burgemeester
vragen deed: „Wil ik hem van den kansel schieten?" —
Ik haal dit voorbeeld alleen aan om u te doen begrijpen,
welk eene hoogst moeielijke taak de Regeering had, waar
ze tusschen twee partijen moest doorzeilen. Één geluk kwam
nog bij alle ongelukken. Valdez had de stad niet zóó nauw
ingesloten, of men kon nog door middel van schuiten eeni-
gen leeftocht binnenbrengen, zoodat de duurte der levens-
middelen niet zoo boven mate steeg, of de eenvoudige bur-
ger kon zich die nog aanschaffen. Daar evenwel alle hand-
werken stilstonden, vervielen de werklieden, die buiten
verdiensten waren, tot bittere armoede. Nu werd er besloten,
-ocr page 26-
12
DAT IS WEER OEBEUKD.
dat eenige deftige burgervrouwen, aan wier hoofd de huis-
vrouw van Bartels, eene zekere Anna Sandelyns, stond, aan
de huizen der gegoede burgers giften zouden verzamelen,
en toen het bleek niet veel te geven, liet men het collec-
tanten-werk door mannen verrichten. Langzamerhand echter
werd de stad nauwer ingesloten en het gebrek nam aller-
wegen toe, zoodat het er voor de belegerden zeer duister
begon uit te zien. De ontevredenen begonnen weer ijverig
verdeeldheid te zaaien, terwijl de soldaten der bezetting tot
de gewone balddadigheden oversloegen en hier en daar van
hunne drieste roof- en plunderzucht blijk gaven. Zoo drongen
zij het "VVitte-nonnenklooster binnen, en namen van daar
alles mede, wat hun aanstond. Sommigen der burgers volg-
den dit voorbeeld, zoodat het roggebrood, dat voor de be-
deelden gebakken en in de Steenschuur bewaard werd, zelfs
niet langer veilig was.
Gelukkig kwam er aan dien onhoudbaren toestand spoedig
een einde, omdat Valdez bevel kreeg, het beleg op te bre-
ken, ten einde zich met zijne benden te scharen onder de
vaandels van D\'Avila.
Donderdag den vijfentwintigsten Maart was de laatste
Spanjaard vertrokken en ademde Leiden weer vrij met ge-
opende poorten en neergelaten bruggen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Dat is weer gebeurd.
In eene der drukste en gezelligste buurten van Leiden
stond een net en vrij groot huis, waarvan een gedeelte
ingericht was tot eene werkplaats en eenen winkel voor
eenen goud- en zilversmid. Verreweg het grootste gedeelte
van dat huis was echter bestemd tot herberg, wat dan ook
-ocr page 27-
13
DAT IS WEEË GEBEUBD.
wel te zien was aan het groote uithangbord, dat boven de
deur hing, en waarop met groote letters geverfd was, dat
de dorstige burger „In den Wissel" bij Cornelis Claesz.
Van Aecken, zooveel wijn, bier en brandewijn kon koopen,
als hij maar lustte. Vreemd mocht het echter in dien tijd
heeten, dat de herbergier of waard het mes van twee kan-
ten liet snijden, want een ander bord boven dezelfde deur
vertelde, dat Mr. Cornelis Claesz. Van Aecken meteen goud-
en zilversmid en stempelsnijder was.
"Wel was, na het openen der poorten en het neerlaten
der bruggen, weer veel leven en vertier binnen de stad
gekomen, vooral vanwege de boeren en boerinnen, die hunne
eerste eieren en hunne boter en kaas aan den man zochten
te brengen, doch in de stad zelve was nog lang niet alles,
zooals het geweest was. Er heerschte eene zeer ongeregelde
drukte en bij velen ook ontevredenheid, die door Spaansch-
gezinden niet weinig aangewakkerd werd.
Zoo had de Eegeering, zelfs nog in de laatste week van
het beleg, besloten om het papieren noodgeld alweer te
doen vervangen door klinkende munt. Men zou dan zilver-
geld slaan van minder zilver-gehalte, doch den Prins van
Oranje verlof vragen om dat slechtere geld in alle dorpen
en steden, die aan zijne zijde waren, voor goed geld te
mogen uitgeven, tot de stadskas instaat zou zijn om het
weer tegen munt van bepaald gehalte in te wisselen. De
afkondiging van dit besluit geschiedde Zondag den eenen-
twintigsten Maart.
Zoodra het beleg opgeheven was, zette men dat plan
door, en Zijne Excellentie de Prins van Oranje stond toe,
dat die van Leiden guldens en kwartjes zouden mogen slaan
van minder zilver, doch naar het fatsoen en den vorm van
de papieren noodmunt. Nu begon de Regeering met kracht
aan het inwisselen, doch stuitte op tegenstand bij de burgerij,
wat geen wonder was. Men had de verzekering gekregen,
dat de papieren noodmunt later zou ingewisseld worden
-ocr page 28-
14                                         DAT IS WEEË ÖEBEUKD.
tegen echte munt van onvervalschte waarde, doch nu men
munt in den handel bracht, die met minder gehalte dezelfde
waarde zou hebben, als echte munt, zoo vertrouwde men
de zaak niet, en de meesten, die niet gedwongen waren
door gebrek aan goed geld zich het noodige aan te schaffen,
hielden de papieren munt onder zich, en waren niet tot
inwisselen te bewegen, zoodat tot driemalen toe het besluit
der Eegeering moest herhaald worden.
Zoo was het twee weken na het openen der poorten, dus
Donderdag den achtsten April, dat de vrij groote gelagkamer
van „de "Wissel" des avonds nog druk bezocht was, en
wel met velen, die met den gang der zaken niet tevreden
waren.
Tot de ergste ontevredenen behoorde een schipper, die,
als het met de schipperij niet vlotte, ook zijn brood als
zoetelaar verdiende. Hij heette Pieter Van Wezel en had,
hetzij het hem aangeboren was, of dat hij het door zijne
slinksche en bedriegelijke handelingen gekregen had, zulk
een terugstuitend en weerzinwekkend voorkomen, dat men
hem den bijnaam gegeven had van „Pieter Quaet-Gelaet."
Wie om de eene of andere oorzaak op het Stadsbestuur
of de Regeering van den Prins ontevreden was, vond in
Pieter Van Wezel terstond eenen aanhanger, doch altijd in
het verborgen, als hij zeker wist, dat er geen gevaar bij
was. Een lafaard was hij, als elke huichelaar, doch gedu-
rende het winterbeleg had hij het met al zijne slimheid toch
niet zoo ver kunnen brengen, dat de Magistraat er niet
achter gekomen was, dat hij tot die geheime Spaanschge-
zinden behoorde, welke men in Haarlem ook had gekend
en daar den naam van „Glippers" had gegeven. Meer dan
iemand anders hadden de Prinsgezinden hem dan ook in
het oog gehouden, en geenen vinger kon hij in de asch
steken of men wist het.
Nu evenwel was het beleg opgeheven en kon hij ten op-
zichte van de stad, als verrader, zoo goed als niets uitrich-
-ocr page 29-
DAT IS WEEK ÜEBEÜBD.                                           15
ten, en daarom liet men hem ook gaan en komen waar hij
wilde, zonder hem langer na te gaan.
Het beleg had hem weinig voordeel gebracht, hiervoor
had de Magistraat gezorgd. Daardoor was Pieter dan ook
zeer ontevreden, en welk besluit Schout, Burgemeesters en
Schepenen ook mochten nemen, Pieter had er het zijne van
te zeggen, en wat hij er van zeide, was nooit goed.
„Hoe zit gij daar zoo stil, Pieter?" vroeg hem Floris
Hendricksz, de hoefsmid, en plaatste zich met zijne kan bier
naast Van Wezel, die, in zichzelven gekeerd, zich in eenen
hoek van het vertrek bij zijnen brandewijn of „brangdemoris"
had neergezet.
„Het is er, bijlo, ook een tijd naar om vroolijk en opge-
wekt te zijn," luidde een brommend antwoord.
„Hei, hei, nu toch beter tijd dan een veertien dagen ge-
leden. Toen hadt gij dat niet kunnen krijgen."
Floris Hendriksz. wees op het bijna ledige roemerken
brandewijn.
„Ik heb nooit behoefte aan brangdemoris gehad, Floris,
en dat ik ze nu drink is alleen om mijne zinnen wat te
verzetten."
„Een slecht middel, Pieter! Brangdemoris is een gemeen
goedje. Het windt een inensch een oogenblik op om hem
daarna, als een natgeregende zoutzak, in elkander te laten
zakken. Drink liever bier, het is weer echt Delftsch brouwsel."
„Schande genoeg, dat de Magistraat toelaat, dat die van
Delft tot schade van onze eigen brouwers, bier mogen in-
voeren."
„Maar kom, is dat doorslaan! Geen enkele brouwer in
onze goede stad is immers instaat, om binnen acht dagen
bier te leveren, zooals dit is? Neen, man, nu zijt gij al
zeer onbillijk."
Pieter dronk zijn roemerken ledig en riep: „Vullen, Van
Aecken!"
Van Aecken, die, als het in de herberg wat druk liep,
-ocr page 30-
16
DAT IS WEEË GEBEUKD.
zijnen winkel en gereedschappen verliet om vrouw en dochter
in het bedienen te helpen, keek bij Pieters geroep op, en
toen hij dezen zijn roemerken omhoog zag houden, kwam
hij met de brandewijnflesch naar den hoek, waar de twee
zaten en vulden het roemerken tot even beneden den rand.
„Nog niet genoeg verdiend gedurende het beleg om uwen
gasten halfvolle roemerkens te geven voor het geld van volle ?"
Meester Van Aecken, die eigenlijk eenen ekel aan Pieter
had en liever zag, dat hij „De Wissel" voorbijging dan dat
hij er intrad, sprak geen woord en wilde zich verwijderen.
„Hei," riep Pieter, „geef gij het soms voor niemendal?"
„Wat geeft gij voor niemendal ?" vroeg Van Aecken norsch.
„Ik? Liever niets, maar ze dwingen arme schippers en
zoetelaars wel om tegen hunnen zin en tot hunne groote
schade, al te dikwijls wat voor niemendal te geven."
„Het zal best met Pieter Van Wezel schikken," zeide
Van Aecken en wilde weer heengaan.
„Neen, neen," riep Pieter. „Hier is geld!"
Meteen wierp hij eenen papieren gulden op de tafel.
„Niet gangbaar meer," zeide Van Aecken en liet het
papieren muntstuk eenvoudig liggen.
Pieter Van Wezel wist zeer goed, dat reeds den achten-
twintigsten Maart bekend was gemaakt, dat ieder, die vóór
„sonnen-onderganck" de papieren Munt niet ter bestemder
plaatse had ingewisseld, daarvoor later geene vergoeding
zou krijgen. Met opzet nu had hij dat niet alleen nagelaten,
maar heel in stilte had hij zelfs bij enkelen, die dit ver-
geten hadden te doen, die papieren Munt voor eene kleinig-
heid afgekocht. Toch hield hij zich, alsof hij er in geloopen
was, en eenen handvol papieren guldens en kwartjes uit
den buidel halende, wierp hij die driftig op de tafel en
zeide: „Niet gangbaar? Niet gangbaar? Wat moet ik er
dan mede doen?"
„Bewaar ze als rariteiten Van Wezel," riep Hendricksz.
vroolijk lachend uit.
-ocr page 31-
17
DAT IS WEER GEBEUED.
„Zeker ter eere van hem daar," — hij wees op Van
Aecken, — „die de stempels van deze vodden gesneden
heeft. De man wist, wat hij deed. Stempelsnijder en beurzen-
snijder was bij hem één stiel (ambacht)."
Hendricksz. verschrikte van dat brutale gezegde en keek
Van Aecken vragend aan.
Van Aecken echter glimlachte en zeide: „Denkt gij, Hen-
dricksz., dat ik er mij iets van aantrek ? Mets man! Glippers
mogen mij alles verwijten; een fatsoenlijk mensen schaamt
er zich voor om er ook maar een oogenblik naar te luisteren."
„Ik een Glipper?!" riep Pieter en sprong zoogenaamd
woedend op. „Een schelm, die dat durft zeggen! Maar weet
gÜ, wie hier in Leiden dadelijk Glipper heet? Dat is ieder-
een, die maar wat durft aanmerken op hetgeen Mijne Heeren
van den Gerechte of van den Magistraat believen te besluiten.
Ziedaar, hier op tafel ligt eene ronde som van vieren-
twintig gulden aan papieren munt. Staande het beleg heb
ik ze aangenomen, als een burger, die het oprecht meent
met stad en land. Ik vertrouwde er op, ze later te kunnen
inwisselen tegen goede, klinkende munt."
„Dat hebt ge toch al veertien dagen lang kunnen doen,
nietwaar?"
Met deze woorden mengde zich Schipper Gijsbert Cornelisz.
Van Schaeck in het gesprek, nadat hij het al dien tijd met
aandacht gevolgd had, doch zich hield, alsof het hem niet
aanging. Hij was eenvoudig vrachtschipper van Leiden op
Utrecht, maar stond bij dat deel der bevolking en van den
Magistraat, dat Prinsgezind was, hoog aangeschreven, terwijl
zelfs al de anderen gaarne met hem te doen hadden, om-
dat hij onkreukbaar eerlijk en buitengewoon oprecht was.
Iedereen wist, wat men aan hem had, en niemand achtte
er hem te minder om, dat hij zulk een ijveraar was tegen
den Hertog van Alva en al wat Spanjaard was. Hijzelf zou
ook niemand minder achten, als hij Roomsch of Spaansch-
gezind, of wel Geus en Hervormd was.
DE SCHIPPERSJONGEN.                                                                                                          2
-ocr page 32-
18
DAT IS WEER GEBEUHD.
„Elk mensch moet vrij zijn om te denken, wat hij wil,"
zeide hij altijd. „En als ik nu graag zie, dat niemand het
mij euvel duidt, dat ik met hart en ziel tegen Alva en zijnen
aanhang gekant ben, dan moet ik het een ander ook niet
euvel duiden, als hij tegen den Prins is. Zóó behoort het.
Maar.... eerlijke wapenen, man, eerlijke wapenen! Niets
zijn in het verborgen, om dan rond te sluipen bij nacht en
ontij als eene kat, die naar eene prooi zoekt."
Zoo redeneerde Schipper Van Schaeck, en dat wist even
goed de Spaanschgezinde Jonkheer van Mathenesse, als de
Prinsgezinde Jonkheer Johan van der Does, — dat wist
even goed de Calvinistische Predikant Petrus Cornelius als
de Eerwaarde Immetgen Ruelen, de Mater of Abdis van de
Nonnekens in het „Graeuwe Sustershuys", en toch was Van
Schaeck altijd en bij allen de graag gewilde Schipper.
Heel anders was het met Pieter Van Wezel, die Roomsch
en in stilte Spaanschgezind was. Zelfs zijne geloofsgenooten
en zij, die evenals hij, den Spanjaard dienden of achtten,
lieten hem, als Van Schaeck kwam, links liggen, en die
van de tegenpartij keken in het geheel niet naar hem om,
dan om hem gedurende het beleg in zijn doen en laten na
te gaan.
Dit griefde Van Wezel, die ook van Leiden op Utrecht
voer, niet weinig, en daarom kon hij Van Schaeck niet
lijden.
Toen dan Van Schaeck zoo zeide dat er al veertien dagen
lang gelegenheid bestaan had om het papieren geld tegen
klinkende munt in te wisselen, stoof Pieter op en riep:
„Inwisselen voor valsch geld? Nooit! Die van den Gerechte
en den Magistraat mogen het voor zichzelven verantwoorden
kunnen, dat ze valsche munters zijn, mijn geweten is zoo
ruim niet om het aan te nemen of uit te geven. Zeg nu
ook eens wat, als gij kunt."
Deze uittartende vraag gold onzen Van Schaeck en deze
zeide heel leuk: „Gij hebt gelijk, Van Wezel, uw geweten
-ocr page 33-
19
DAT IS WEER GEBEURD.
is zoo ruim niet, want gij hebt er in het geheel geen."
Op dit scherp gezegde ontstond onder de aanwezigen een
luid gelach.
„Verdraaid, Gijs, wat zijt gij scherp uitgevallen," klonk
nu eene andere stem. Het was die van Barend Cornelisz.
Van Keulen, zetschipper op de marktschuit van Leiden op
Utrecht en niet alleen een oud bekende, maar ook een goed
vriend van Van Schaeck.
Van Schaeck keek hem even aan en zeide: „Scherp maar
waar, Barend!"
„Nu, waar, waar, er is zooveel waar, maar daarom moet
ge niet alles zoo zeggen. En bovendien ik zeg dat onze
Pieter Van Wezel wel een geweten heeft!"
„Hoort gij dat?" riep Pieter triomfantelijk en liet zich
het roemerken nog eens vullen.
„Maar een geweten, dat alles doorlaat zooals een eiernetje
het water," vervolgde Van Keulen, „en dan, dan het is zóó
een piepertje van een gewetentje." Hij wees een stukje nagel
van zijne pink aan.
Pieter die zich eerst zoo verheugd had, werd nu woedend,
en zeide: „Ja, al wie tegen eenen aap durft zeggen, dat
zijne jongen leelijk zijn, die deugt niet. Zoo gaat het altijd.
Maar ik tart iedereen om te weerleggen, of het den eenvoudigen
werkman lijkt, als de Magistraat zoo willekeurig omspringt
met het geld. Nu de coman in zijne comeny wat zou kun-
nen yerdienen, zoo hij de zetting mocht houden, die de
Magistraat tijdens het beleg verordend heeft, is het dadelijk
na het beleg: „Ieder, die comanschap drijft, is vrij zoo duur
en zoo goedkoop te verkoopen als hij wil." "Weg zijn de
verdiensten, die toch wel gebruikt zouden kunnen worden.
En of dat alles niet genoeg is, legt de Magistraat tot groot
ongerief en nadeel van de burgeren gedurende zes maanden
eene belasting op alle eet- en drinkwaren. Ik vraag waartoe
dit noodig is?"
„Om de stadskas, die nu schoon ledig is, weer wat aan
-ocr page 34-
20
DAT IS WEEË GEBEURD.
te vullen," sprak Jan Van Hout, de wakkere Secretaris.
„Er is geen geld in kas om ook maar eenen zak rogge te
koopen!"
„De Magistraat koopen," schreeuwde Pieter. „De Magis-
traat heeft niets te koopen en allerminst koren. Wat zou
er mede gedaan worden?"
„U en allen Leidenaars er brood van geven, als de stad
alweer belegerd wordt," antwoordde Van Hout.
Pieter begon luidkeels te lachen en riep : „Alweer belegerd!
Een gek, die dat gelooft! Maar van Secretaris Van Hout,
die, geholpen door zijnen vriend Pieter Adriaensz., den
Burgemeester, wil doordrijven dat de verlaten Spaansche
schansen geslecht en tot eigen gebruik nieuwe aangelegd
worden, kan men zoo iets verwachten."
Hierop wendde zich Pieter tot eenen boer, die wel tot
de bewoners van Leiden behoorde, maar toch buiten de
stad woonde, en zeide: „Dat is nu de man, Gerrit, die
niet wil hebben, dat gij uw houten huis en evenmin uwe houten
schuur, die ge op bevel van den Magistraat bij het beleg
moest afbreken, in steen opbouwt. Gij moogt hem wel
eene kaas tot dank aan huis bezorgen. Hij woont bij het
Wolhuis en is met zijn negenen. Hij kan dus best een
kaasje gebruiken."
Alsof hij de grootste aardigheid gezegd had, begon hij
luid te lachen en zijnen buurman Hendricksz. aanstootende
zeide hij tot dezen: „Die is raak, hé? Als hij eenen goeden
zak heeft, kan hij hem vullen."
Enkelen waren er, die ook medelachten, doch de meesten
lieten een afkeurend gemompel hooren en Frans Franszoon,
de brouwer uit de Donkersteeg, sprong op Pieter toe, greep
hem bij den strot en riep: „Slik die lasterlijke woorden in,
Glipper, of ik wring je de keel toe."
„Het was m ■ maar gek • heid," bracht Pieter er met moeite
uit, terwijl hij bloedrood werd.
„Laat dat, Frans," zeide Jan Van Hout. „De man heeft
-ocr page 35-
21
DAT IS WEER GEBEURD.
te veel brangdemoris of courage-water gedronken, en hij
weet niet, wat hij zegt."
„Maar waarom wilt gij niet, dat ik huis en schuur in
steen opbouw?" vroeg nu Gerrit.
„Huisman, wat denkt gij toch weinig na! Hoe zou ik,
die maar Secretaris van Leiden ben, zoo iets kunnen tegen-
houden? Mijn goede vriend, ik heb niets te gebieden of te
verbieden."
„Nu, dan verbiedt de Magistraat het, en waarom doet
hij dat?"
„Omdat de octrooien van Leiden het verbieden, Gerrit!
Meer kan ik er niet van zeggen."
„Dan moet de Magistraat die octrooien afschaffen," meende
Gerrit. „Het is niets anders dan plagerij."
„Alweer mis, Gerrit! De Magistraat mag op eigen hand
die octrooien niet afschaffen. Dat is het werk van de Staten
en van den Prins. Leg er u dus bij neer, man!"
„Maar waarom mag dat niet?" vroeg Gerrit.
„Omdat de vijand zich bij eene belegering daarin zou
kunnen nestelen. Maar laat ik nu maar over deze zaak
zwijgen en wat anders vertellen. De Magistraat heeft be-
sloten om de schans te Valkenburg met spoed te versterken,
want werkelijk, wij vreezen dat de vijand terugkomen zal."
„Dat geloof ik niet," klonk hier en daar eene stem. „De
Spanjaard heeft aan dat beleg van vijf maanden zóó zijne
bekomst, dat hij zich wel aan geen tweede wagen zal.
Let op mijne woorden: wij blijven vrij!"
„Pieter Van Wezel knikte met eene kleine beweging van
het hoofd toestemmend en bromde: „Dat heb ik al zoo lang
geleden gezegd en niemand gelooft mij."
„Als gij nooit iets anders dan waarheid gesproken hadt,
Pieter," zeide Van Hout nu weer, „dan zou iedereen u ge-
looven. Maar ik heb toch wat voor u!"
„En dat is?" \'
„Gy hebt de Heeren van de Gerechte en den Magistraat
-ocr page 36-
22
DAT IS WEKE GEBEUED.
geviaagd om onder de Engelschen, die in de schans te Val-
kenburg liggen, te mogen zoetelen. Hier is het bewijs, dat
gij moogt. Ik wensch u eene goede comanschap!"
„En hoeveel spionnen zal men mij nazenden?" vroeg
Pieter driest.
„Wel, man, niet éénen! Gij staat hier in Leiden bij hoog
en laag zóó goed aangeschreven, dat iedereen u gerust zijn
laatste grootje in bewaring zou durven geven," sprak Van
Hout lachend.
„Ei, de laatste koperen grootjes zeker, die ook al ingewis-
seld werden om door slecht geld van valsche munters ver-
vangen te worden."
„Is dat mensch nu nog dronken, Van Hout?" riep Van
Keulen en stond al gereed om den lasteraar, die bovendien
geen sterk en kloek gebouwd man was, bij den kraag te vatten.
„Zeker, Van Keulen, hij is dronken en niet recht goed
bij zinnen! Breng den goeden man naar huis en leg hem te
bed, anders verslaapt hij morgenochtend zijnen tijd en een
ander zoetelaar doet hem achter het net visschen. Ik wensch
u allen eenen goeden avond."
Van Hout door verscheidene anderen gevolgd verliet de
herberg waar Pieter Van Wezel alleen met zijne vrienden
achterbleef.
Onder die achterblijvers behoorden ook enkele soldaten, die
met hun vendel dienst gedaan hadden in de afgeloopen be-
legering. Reeds kort na het opbreken van het beleg hadden
de verschillende vendels bevel gekregen om naar Woerden,
Delft, Brielle of andere plaatsen heen te gaan. Verreweg de
meesten hadden hieraan voldaan en, waren tot groote vreugde
der burgerij, de stad uitgetrokken. De anderen waren tot
heden onder allerlei voorwendsels in de stad gebleven en
leefden ten koste der burgers, die hiertegen niet weinig
morden, want ze meenden dat ze zoowel door het beleg
van Haarlem, als door hun eigen beleg, nu al lang genoeg
die vreemdelingen binnen de poorten gehad hadden. Nog altijd
-ocr page 37-
■23
DAT IS WEEË GEBEUBD.
heeft de groote menigte wat tegen de soldaten en beschouwt
ze eigenlijk als een bijzonder soort van menschen, die niet
zoo goed en minder te vertrouwen zijn dan gewone burgers.
Dat is stellig in onzen tijd zeer verkeerd gezien, doch in
die dagen was het maar al te zeer waar. Wie te lui of te
onverschillig was om in het eene of andere gilde een am-
bacht te leeren, verhuurde zich als soldaat aan dat land.
dat het meeste betaalde of aan dat Legerhoofd, dat de meeste
plunderingen toeliet. Daarom werd er bij de overgave van
eene stad aan den vijand ook eene zekere som gelds gege-
ven om de plundering af te koopen. Had de overwinnende
vijand die som niet betaald, en wilde hij van geen afkoopen
weten, dan waren de overwinnaars nauwelijks in de stad
of ze drongen, zonder daartoe verlof te vragen, alle huizen
binnen, namen mede wat van eenige waarde was, vernielden
het overige en bedreven met de bewoners de wreedste bald-
dadigheden. En zulke ruwe gasten moesten ook door de
burgerij binnen de stad genomen worden, als ze belegerd
zou worden. Kazernen had men in dien tijd niet, zoodat ze
bij de burgers tegen eene kleine vergoeding ingekwartierd
werden. Het was dus geen wonder, dat die van Leiden met
vreugde hoorden dat de soldaten vertrekken moesten en
met leedwezen zagen, dat enkelen er wat op gevonden had-
den, te blijven. Dat dezen niet vriendelijk behandeld werden,
spreekt vanzelf.
Nauwelijks waren Van Hout en zijne vrienden heengegaan
of de Bevelhebber van de afdeeling Leidsche vrijwilligers,
die met hun allen slechts zesentachtig man uitmaakten, trad
binnen en bracht den soldaten het bevel, dat ze kort en
goed te zorgen hadden, dat ze binnen de vierentwintig uren
de stad verlaten hadden.
„Jawel," bromde een soldaat, „we mogen hier wel zijn
om lijf en leven te wagen, als de nood aan den man is,
maar is de nood voorbij, dan kunnen we een heenkomen
zoeken."
-ocr page 38-
\'24
DAT IS WEER GEBEURD.
„Het ergste nog niet," liet een ander zich hooren. „Lijf
en leven in een eerlijk gevecht wagen, bah, een lafaard,
die er tegen opziet. Maar honger lijden, dat men er scheel
van wordt en vechten bovendien, ja, dan zijn we goed, dan
zijn we „goeman" voor en „kompeer" achter. Doch zijn de
vetpotten er weer en is de vijand weg, dan zou ieder burger
wel eenen bezemsteel willen nemen en ons, onder het ge-
schreeuw van: „Pak je weg, gespuis," de poorten willen
uitjagen."
„Mij krijgen ze de stad niet uit," zeide een derde. „Ik
zou wel eens willen weten, wie het wagen zou, mij met
geweld de poorten uit te jagen. Dat zou ik willen weten !*\'
Hij sloeg met den harden lederen handschoen zóó hevig
op de tafel, dat de bierkannen er van opwipten.
„Het is mij om het even of gij wilt of niet, man," zeide
Meester Andries Albertsz., de Bevelhebber. „Inplaats van
Cornelis Adriaensz., den trommelslager, dien gijlieden niet
schijnt te verstaan of te hooren, want hij is verscheidene
reizen te vergeefs geweest, kom ik zelf het bevel van den
Magistraat brengen. Ik weet nu dat gij mij verstaan en
gehoord hebt. Wilt gij nu niet vrijwillig uittrekken, wacht
dan de gevolgen af. Goeden avond!"
Meester Andries Albertsz. was geen man om er mede te
spotten, en waar een ander zich nog door eenig gevaar liet
weerhouden, daar wist hij van geene vrees en hij deed wat
er te doen was. Dat wist Pieter Van Wezel ook wel, doch
de deugniet had er een bedoeling mede om de soldaten in
hunne koppigheid te stijven, en daarom zeide hij, zoodra de
Bevelhebber wegwas: „Zou men niet zeggen, dat die Meester
Andries voor Veldheer in de wieg gelegd is? Één ding is
jammer."
„Wat is jammer?" vroeg een soldaat.
„Dat de Prins hem niet aanneemt om, inplaats van Graaf
Lodewyk, die nu eens hier dan daar is, aan het hoofd van
een leger te staan. Hij heeft nu met alles en alles slechts
-ocr page 39-
DAT IS WEER GEBEURD.                                          25
zesentachtig man onder zijne bevelen, en als gij," — hij
tikte den soldaat, die zoo dapper met zijnen handschoen
kon slaan, op den schouder — „eenvoudig zegt: „Komt eens
nader, als gij durft," dan loopen ze alle zesentachtig met
den Bevelhebber aan het hoofd, zoo gauw weg als ze maar
kunnen. Het is eene bende koekbakkers, en ik, al ben ik
maar een eenvoudig schipper op eene tentsnebbe of, zooals
nu, zoetelaar, ik wil wel zeggen dat ik ze sta, en allemaal
tegelijk ook."
Toen Pieter dat zoo zeide, trok hij een heel dapper ge-
zicht, doch geheel dat krijgshaftig voorkomen was in een
oogenblik verdwenen, toen Meester Van Aecken, de waard,
hem bij den kraag greep en met de woorden: „Geene op-
hitserij hier, manneke," buiten de deur zette. Hierop keerde hij
terug en zich tot de negen of tien soldaten wendende, zeide
hij: „Mag ik u verzoeken mijne herberg te verlaten, mannen ?"
„En als wij nu niet willen, gij, wijn-en biervervalscher?"
zeide de dappere handschoen-man, terwijl hij uittartend de
beide beenen op tafel legde en brutaal lachend Meester Van
Aecken aankeek.
Meester Van Aecken zeide niets, doch de deur naar zijne
werkplaats openende, riep hij: „Toe, jongens, komt me eens
even een handje helpen om windbuilen op straat te gooien!"
„Goed, Meester," klonk het, en bijna op hetzelfde oogen-
blik traden vier forsche gezellen, met een schootsvel voor,
in de gelagkamer.
„Ik neem dien man met de beenen op tafel voor mijne
rekening," zeide Meester Van Aecken. „De anderen zijn
voor u."
Pas was dit gezegd of de handschoen-held spartelde als
een paling in de ijzeren vuisten van den goudsmid en, eer
de dappere man er aan dacht, lag hij al op straat, waar
hij gevolgd werd door al de anderen. Meester Van Aecken
sloot de deur en zeide : „Dank u, mannen! Dat is weer gebeurd."
-ocr page 40-
26                                   ECHTE LEEUWEN OP DEN WEG.
DERDE HOOFDSTUK.
Echte leeuwen op den weg.
De soldaten, niet veel meer of beter dan de herberg
uitgegooid, waren woedend en wilden hunne wraak al gaan
koelen op de vensterluiken en ramen van „De Wissel"
toen ze de burgerwacht zagen naderen, en al bestond die
ook nu, volgens Pieter Van Wezel, uit acht „koekbakkers"
toch besloten ze om maar niet in aanraking met hen te
komen en heen te gaan.
„Gaat met mij mede, mannen," zeide Pieter, die opeens
te voorschijn trad, „ik weet nog wel eene taveerne waar
de waard weet, wat een soldaat toekomt."
„En verkoopt die brangdemoris ?" vroeg een soldaat.
„Verkoopen? Ja, en duur ook aan domme mannen, die
het met de Regeering houden. Maar soldaten rekent hij geen
grootje voor eene mingel."
De soldaten keken hem ongeloovig aan en dat was, waar-
lijk, geen wonder. Eene mingel was bijna eene halve kan
en kostte ongeveer twaalf stuivers. En zooveel zou hij geven
voor nog minder dan een grootje of halven stuiver? Gek-
heid, als er zulk eene taveerne of herberg was, dan hadden
ze het immers al lang geweten?
Pieter keek hen lachend aan en zeide: „Nu ja, voor
eenen enkelen keer geeft hu\' het om niet. Er zijn hier
tweeëntwintig herbergen of taveemen in de stad, maar de
Magistraat weet er maar van eenentwintig. Die eene is er
in stilte, en de waard Jurrie Thysz., ook een schipper, is
een heel goed vriend van me. Hij weet den brangdemoris
stilletjes binnen de poort in huis te krijgen, en betaalt er
geene stadsbelasting voor. Ik heb dan ook bjjna al mijn
brangdemoris, waarmede ik morgen ga zoetelen, van hem.
Op die manier zit er voor een arm man, als ik ben, nog
wat winst op."
-ocr page 41-
27
ECHTE LEEUWEN OP DEN WEG.
De soldaten geloofden hem en volgden hem naar de buurt
waar die Jurrie Thysz. woonde, en dat was bij de Coebrugs-
graft, niet ver van de Zijlpoort.
Terwijl dit op straat vóór „De Wissel" gebeurde en
Meester Van Aecken nog bezig was de deur te sluiten,
trad door de achterdeur een jong Edelman met een vrien-
delijk voorkomen binnen, en zoodra hij Meester Van Aecken
zag, zeide hij: „Ik ben maar dadelijk achter op het erf ge-
reden en heb mijn paard aan den stalknecht overgegeven.
Gij hebt zeker voor dezen nacht nog wel eens logies voor me ?"
Hij, die daar binnentrad en die woorden sprak, was Jonker
Johan van der Does, Heer van Noordwijk en in Leiden zeer
goed bekend, daar hij er ook eene woning had, welke hij
met zijn gezin des winters betrok. Nauwelijks echter was
April in het land of hij en de zijnen gingen te Noordwijk
wonen om daar van het buitenleven te genieten. Op het
oogenblik van ons verdaal was hij nog geen negenentwintig
jaar oud.
Meester Van Aecken maakte eene beleefde buiging en
zeide: „Zeker, Heer van Noordwijk! De tijden zijn nog niet
zóó, dat al mijn slaapkamers bezet zijn; maar ik dacht dat
uw huis hier in de stad al klaar was."
„Ja, het is klaar. Zoodra we naar buiten gingen, dat was
dadelijk na het beleg, is het werkvolk al gekomen, doch
nu is er geverfd en ik slaap niet graag in een vertrek waar
de verf nog niet bestorven is. Maar, hoe komen die solda-
ten daar op straat? Ik dacht dat ze allen weg waren. De
Magistraat heeft er toch bevel toe gegeven?"
„Ja, Uwe Edelheid, dat is zoo; maar dat zijn ontevreden
achterblijvers, die van alles bedenken om toch maar niet
naar hun vendel terug te keeren. Zoo even is Kapitein
Andries Albertz. echter hier geweest en heeft hun gelast
binnen een etmaal te vertrekken."
„Maar wat voeren ze nu uit? Ze scmjnen het op uw huis
verzien te hebben?"
-ocr page 42-
28
ECHTE LEEUWEN OP DEN WEG.
„Ik heb ze de deur uitgeworpen, Uwe Edelheid! Ze be-
leedigden den Magistraat en dat kan ik niet hooren."
„Maar welk afschuwlijk leelijk man spreekt daar met hen?"
De waard keek op straat en zeide: „Dat is Pieter Van
Wezel, Edele Heer! Hij is bijgenaamd „Pier Quaet-Gelaet."
„Ha. de beruchte Glipper?"
„Ja, Uwe Edelheid! En nu doet de schelm niets anders
dan verdeeldheid zaaien."
„Zie, hij neemt de mannen mede! Ik gaf wel wat, als
ik wist waar ze heengaan."
„Daar is kans op, Uwe Edelheid! Ik zie daar twee jongens
aankomen, die er als voor geknipt zijn. De een is Cornelis
Joppensz., een arme wees, die van zijne eerste kinderjaren
liefderijk verpleegd is ten huize van Barend Van Keulen,
meesterknecht op de marktschuit van Leiden op Utrecht.
Hij noemt zijne Pleegouders Vader en Moeder en hij kon
het bij eigen Ouders waarlijk niet beter hebben. De ander
is Gerrit Verlaen, die knecht is op de schuit van Gijsbert
Cornelisz. Van Schaeck. Beide jongens varen al jaren mede
en de schippers hebben wel gezorgd, dat ze echte Prinsge-
zinden zijn."
„Ze zijn tenminste in goede handen. Ga, stuurt hen er
op uit en laten ze dan hier komen om te zeggen, wat ze
gezien hebben. Maar, beveel hen voorzichtigheid aan, hoort
ge? Die Glippers zijn meestal uitgeslapen vogels."
Meester Van Aecken begaf zich naar de voordeur en kort
daarop zag men twee jongens de soldaten en Van Wezel
voorzichtig nasluipen.
„Geen nieuws in de stad sedert verleden week?" vroeg
Van der Does aan Van Aecken toen deze binnengekomen
was en eene kan wijn voor zijnen gast had nedergezet.
„Neen, Uwe Edelheid! De Magistraat is nog altijd ver-
deeld in twee partijen. De sterkste is die, welke, öf uit op-
zet, of uit onkunde volhardt, in het geloof, dat de Spanjaarden
zich aan geen tweede beleg zullen wagen."
-ocr page 43-
29
ECHTE LEEUWEN OP DEN WEG.
„Laat men daarom de schansen van den vijand onaange-
roerd? Mij dunkt dat het noodzakelijk is dat ze geslecht
worden."
„Zoo denken Burgemeester Pieter Adriaensz. en Secretaris
Van Hout er ook over, doch ze ontvangen te weinig steun
om de zaak door te zetten."
„En het geschil over het koopen van koren?"
„Nog in het geheel niet bijgelegd. Er is trouwens ook te
weinig geld in de stadskas om veel koren te koopen."
„De nieuwe munt schijnt in Holland niet gewild te zijn,
al heeft Zijne Excellentie er ook hare goedkeuring aan ge-
schonken."
„Wat zal ik u zeggen, Uwe Edelheid? Als mannen, zoo-
als Pier Quat-Gelaet, de onnoozele Leidenaars weten te be-
praten om de papieren munt niet tegen het nieuwe geld te
laten inwisselen, dan zeggen ze daar buiten: „Als de Leide-
naars zelven die munt niet vertrouwen, waarom zouden wij
het dan doen?"
„Dus gij denkt, dat nog niet al het papieren geld inge-
wisseld is?"
„Nog lang niet, Uwe Edelheid! Pier Quaet-Gelaet had er
nog eenen buidel vol van en zeide dat hij het niet verkoos
in te wisselen."
„Die jammerlijke opruiers toch! Als die er niet waren,
zouden de zaken heel anders loopen."
„Maar heeft Uwe Edelheid nog al wat vertrouwen op de
Fransche hulp?"
„Niet veel, Van Aecken! Frankrijk kijkt Engeland, en En-
geland kijkt Frankrijk naar de oogen. Beiden hebben den
mond vol van de schoonste beloften, maar als het op krach-
tige hulp aankomt, dan blijkt het dat beloven en doen twee is."
„Uit Frankrijk heeft Graaf Lodewijk toch nog al geld
medegebracht, Uwe Edelheid!"
„Zeker! Maar hoe-groot die som ook wezen moge, ze is
niet meer dan eene boon in den brouwketel. Zijne Excellentie
-ocr page 44-
30                                  ECHTE LEEUWEN OP DEN WEG.
kan zelf zoo goed als niets bijzetten. Hij was eens een rijk
Prins; hij is nu een arm Vorst."
„Als Graaf Lodewijk in het begin maar wat geluk heeft,
dan zal het met dat geld wel schikken. De soldaten zullen
dan door plundering hunne achterstallige soldij wel krijgen."
„Ja, als Graaf Lodewijk een plunderaar van beroep was,
maar dat is hij niet. Wel is hij, als de beroemde Fransch-
man, Pierre du Terrail, Chevalier de Bayard, een Ridder
zonder vrees of blaam, maar al wie Alva of Requesens met
eenige vrucht beoorlogen wil, moet nog iets meer zijn dan dat."
„Die Requesens schijnt dan toch niet te zijn, die hij lijkt?"
„Dat laat nog al wat te wenschen over, Van Aecken!
Trouwens de lastbrief, dien Requesens mede kreeg, luidt
niet anders dan die van Alva. Ik vermoed zoo, dat Requesens
niet uit liefhebberij beulenwerk zal laten verrichten, doch
dat hij, uit menschlievendheid de Nederlanders zachter be-
handelen zal, dat geloof ik ook niet."
„Toch liet hij het standbeeld, dat Alva zich tot eigen
eer oprichtte, neerhalen."
„Dat zegt zoo goed als niets. Alva heeft in Spanje mach-
tige vijanden, en Requesens kan even goed een vijand van
hem zijn, en die vijandschap kan oorzaak zijn van het
neerhalen van het beeld."
„Hij deed er toch velen Nederlanders evenwel een groot
genoegen mede."
„Juist, en hierop zal Requesens ook wel gerekend hebben.
En als iemand ons een genoegen doet, dan willen we wel
eenige zijner gebreken over het hoofd zien. Zoo wordt de
heele neerhaling van het beeld niet veel anders dan eene
staatkundige daad."
„De druppel honig om de vliegen te vangen?"
„Ja, of nog beter, het schelvischken, dat men uitwerpt
om eenen kabeljauw te vangen."
„Ziet u de toekomst dan donker in, als ik Uwe Edelheid
vragen mag?"
-ocr page 45-
ECHTE LEEUWEN OP DEN WEO.                                   31
„Donker en donker is twee, Van Aecken! Toen de "Water-
geuzen Brielle hadden ingenomen, waren er enkelen, die
dat de „dageraad der Vrijheid" noemden. Ik vind dat het
nog schemert en dat de schemering verbazend lang duurt."
„Veel zal afhangen van hetgeen Graaf Lodewijk met zijn
leger uitvoert."
„Dat zal het ook, doch ik vrees, dat het met die onder-
neming niet te best zal afloopen. Zijne Excellentie zelve
moet er niet veel van verwachten."
„Maar als de onderneming, wat we waarlijk niet hopen,
toch mislukt, Heer van Noordwijk, wat zouden dan de ge-
volgen zijn?"
„Van Aecken, ik geloof zoo, dat gij mij naar den beken-
den weg vraagt. Gij denkt over alles, zooals ik en wilt
alleen maar meer zekerheid voor uw geloof hebben. Gij
denkt, en ik denk het ook, dat Leiden dan alweer zal
belegerd worden. Gij hebt weinig hoop op de hulp met
Fransch geld, en ik ook, en zoo gelooven wij beiden, dat
binnen betrekkelijk korten tijd Leiden, ten tweeden male,
zal belegerd worden."
„Uwe Edelheid, het is zoo. Ik weet het bijna zeker, dat
we eenen bangen tijd tegemoet gaan, en het is zoo waar
als ik hier voor u sta, dat „Pier Quaet Gelaet" en zijne
vrienden nu al aan het werk zijn. Zij doen alles, wat ze
kunnen, om de zorgeloosheid te doen toenemen."
„Hoe leggen ze dat aan?"
„Ze doen niets dan kallen over het feest, dat plaats zal
hebben bij gelegenheid van de monstering en den „omme-
gang" der schutters en de daarop volgende vrije jaarmarkt.
Zij beloven gouden bergen van dat feest, en, lacie, het licht-
geloovige volk gaat zich op eenen vreugdedag voorbereiden,
inplaats van op dagen, weken en maanden van strijd en
nood. Ze .... maar daar zijn de jongens terug. Zal ik heit
hier laten komen of zal Uwe Edelheid zelve naar de voor-
deur gaan."
-ocr page 46-
32                                  ECHTE LEEUWEN OP DEN WEG.
„Laat de jongens hier komen, Van Aecken! Ik wil wel
eens wat met hen praten. Jongens durven overal komen,
en ze zien en hooren veel meer dan wij wel denken. Geef
hun ieder eene kan bier!"
Van Aecken liet de beide jongens in de gelagkamer komen,
waar ze stellig Jonkheer Van der Does niet gewacht had-
den te zien.
Jonkheer Van der Does keek gedurende eenige oogenblikken
de beide forsch gebouwde knapen aan, en blijkbaar deed hij
dat met welgevallen.
Gerrit Verlaen, die zoo ongeveer zestien of zeventien jaar
oud kon zijn, was slank van gestalte, doch wat hij ook aan
kracht mocht missen, scheen hij door vlugheid meer dan
goed te kunnen maken. Zijne oogen stonden hem helder en
flink in het hoofd en hadden iets over zich dat terstond
aan wat uittartends denken deed. Geen spelletje, zoo ge-
vaarlijk, of Gerrit waagde het; geen boom zoo hoog of hij
klom tot in het topje: geen sloot zoo breed of hij durfde
er over springen, en juist, als men dacht: „nu zal hij zijne
waaghalzerij toch met een ongeluk moeten betalen," wist
hij zich door zijne voorbeeldelooze vlugheid uit den brand
te helpen. Het was vooral daarom, dat Gerrit onder zijne
makkers den bijnaam had gekregen van „Leeuwke".
Cornelis Joppensz., even oud als „Leeuwke," was niet zoo
lang, doch veel sterker van lichaamsbouw, en wat deze aan
vlugheid miste, zou hij stellig door kracht vergoeden. Dat
getuigden de breede schouders, de dikke nekspieren en de
volle kloeke handen. Zijn oogopslag was niet guitig en slim,
zooals van „Leeuwke", maar eer brutaal en driest. Men kon
het hem aanzien, dat hij zich nimmer aan daden wagen
zou, waarbij behendigheid noodig was, maar dat hij altijd
te vinden zou zijn, daar, waar met moed en kracht wat te
bereiken viel.
„Zet u jongens, en laten we eens een oogenblik met elk-
ander praten," zeide Jonkheer Van der Does, en zoodra
-ocr page 47-
33
ECHTE LEEUWEN OP DEN WEG.
ze gezeten waren, vroeg hij hun vriendelijk: „Van waar
kwaamt gij samen toen Meester Van Aecken u aanriep?"
„Wel, Uwe Edelheid, morgen ga ik met Vader alweer
met de schuit naar Woerden of Utrecht, en mijn vriend
Gerrit gaat er ook heen, maar met Schipper Gijsbert Cor-
nelisz. Van Schaeck. Daar de reis wel lang duren zal, zoo
wilden Gerrit en ik nog wel eens een paar verlaten schansen
zien vóór we vertrekken; later komt er misschien niet van."
„En waarom zou de reis lang duren, vriendje? Zoo veel
te laden?"
„Dat ook wel, Uwe Edelheid," antwoordde Gerrit, „want
er is hier van allerlei noodig, en iedereen wil het eerst ge-
holpen zijn. Maar daarom duurt de reis zoo lang niet. Er
is gauw wat geladen."
„Wat is dan de oorzaak?"
„Te Alfen hebben ze eene akelige brug over den Rijn,
Uwe Edelheid! In het voorjaar, als het water hoog is, kun-
nen de schuiten er niet door en moeten ze soms dagen
blijven liggen eer ze naar Leiden kunnen doorvaren."
„Dat alles is Zijne Edelheid bekend, manneke," zeide Van
Aecken. „Of weet gij niet dat de Heer van Noordwijk Dijk-
graaf en Hoogheemraad van Rijnland is?"
„Neen," antwoordde Cornelis, „dat wist ik niet."
Jonkheer Van der Does hoorde dit alles bedaard aan, doch
welk eene vrij groote macht hij ook, als Dijkgraaf en Hoog-
heemraad, bezitten mocht, aan het veranderen van die brug
kon hij niet veel doen, daar de belangen van het heele
waterschap soms heftig konden tegengewerkt worden dooi-
de belangen van de talrijke Heerlijkheden, die men in Rijn-
land vond. Hij zeide er dus niets op, maar vroeg: „En hoe
zijt gij in die schansen gekomen?"
„Wij hebben de boot gevraagd van Cornelis Jansz., die op
de „Hogewoert" woont, en deze zelf is met ons medegegaan."
„Ja, en onderweg hebben we Mees nog opgenomen. Deze
zat te peuëren, doch ving niets," sprak Gerrit.
DE 8CHIFFEB9JONGEN.                                                                                                          3
-ocr page 48-
34
ECHTE LEEUWEN OP DEN WEG.
„Welke Mees?" vroeg Van Aecken.
„Mees, de klapperman, die op „Marendorp" woont."
„En wat „heeft die heldhaftige krijgsman wel gezegd?"
vroeg Jonkheer van der Does met een spotachtig glimlachje.
„Hij heeft ons alles uitgelegd, Uwe Edelheid! Want, ziet
u, die oude Mees weet van oorlogen af. Hij heeft onder
Keizer Karel gediend en is, zegt hij, zelfs in Rome geweest
om den Paus gevangen te nemen. Kan dat waar zijn, Uwe
Edelheid ?"
„Dan diende hij onder eenen anderen Karel, en wel Karel
van Bourbon en het is moeielijk uit te maken of die ge-
vangenneming geschiedde met goedvinden van Keizer Karel
ja of neen."
„Dat zei Mees ook, Uwe Edelheid, en dan zal hij ook wel
dien Karel van Bourbon bedoeld hebben. Maar later ging
hij toch in dienst van den Keizer en van Koning Filips,"
zeide nu Gerrit. „Hij werd in den slag bij Saint Quentin
gewond en kwam toen, na dertig jaar lang soldaat geweest
te zijn, in Leiden."
„En hoe zien de schansen er van binnen uit?" vroeg
Jonkheer van der Does nu. „Hebben ze niet veel door weer
en wind geleden?"
„Wel neen, Uwe Edelheid," hernam Gerrit. „Mees zei:
Als de Spanjaarden terugkomen, zullen ze de Leidenaars
niet voor „Schansenschenders" schelden. Hij vond maar één
ding jammer."
„En wat was dat dan?"
„Wel, hij vond het jammer, dat de Leidenaars niet afge-
maakt hebben, wat de Spanjaarden er onvoltooid aan lieten.
Mees meende dat dit wel zoo mooi zou geweest zijn."
„Die oude Mees kan ondeugend wezen," sprak van dei-
Does. „Maar vertel me nu eens, weet gij waar Pieter Van
Wezel met de soldaten heengegaan is?"
„Ja, Uwe Edelheid, ze zijn met hun allen in het huis
van Jurrie Thijsz. gegaan. Jurrie Thijsz. de schipper, weet
-ocr page 49-
ECHTE LEEUWEN OP DEN WEG.                                   35
u, die op de „ Coebrugsgraft" woont. Die houdt een
sluikertje."
„Een sluikertje? Wat is dat?"
„Hij verkoopt in stilte aan het soldaten-volk brangdemoris,
Uwe Edelheid!"
„Kom, hoe zoudt gij dat weten?"
„Wij hebben wel eens op den loer gestaan en de lui er
heel raar vandaan zien komen."
„Maar waarom noemt gij dat een sluikertje?"
„Omdat hij den brangdemoris binnen de stad brengt zonder
er belasting voor te betalen."
„Kom, jongen, gij verzint maar wat?"
„Neen, Uwe Edelheid, het is waar! Nietwaar, Cornelis?"
„Ja, Uwe Edelheid, dat is zoo! En er zijn hier in de stad
nog meer sluikertjes. Maar ieder, die een sluikertje houdt,
is een glipper of zal een glipper worden."
„En denkt gij dat die soldaten daar nu zijn om brangde-
moris te drinken?" vroeg van der Does.
„Ja, Uwe Edelheid, maar ook om kwaad van den Magi-
straat te spreken, want Pieter Van Wezel is medegegaan,
en die is al een even groote Spanjaardsvriend, als Jurrie
Thijsz. Maar Jurrie Thijsz. is veel slimmer dan „Pier Quaet-
Gelaet." Deze is leelijk ondeugend, maar erg dom."
„Kom, jongen, dat kunt gij niet weten! Gij zijt daartoe
veel te jong!"
„Ja maar, Uwe Edelheid, Mees zeide het vanmiddag, en
toen liet Cornelis Jansz. er op volgen, dat Pier nog wel
eens in de val loopen en zich dan leelijk branden zou."
„Gij moet niet met zulke oude menschen omgaan, jongens!
Dat deugt niet, want gij wordt dan veel te wijs voor uwe
jaren. Maar hebt gij niets meer vernomen?"
„Neen, Uwe Edelheid, anders niet," zeide Gerrit.
„Nu, luistert dan beiden naar dat, wat ik u zeg. Aan
Schipper Van Keulen moogt gij alles vertellen, Gerrit! En
gij, Cornelis moogt alles aan uwen Pleegvader zeggen, maar
-ocr page 50-
36
ECHTE LEEUWEN OP DEN WEG.
voor het overige moet gij zwijgen. Begrijpt gij dat die man-
nen kwaad doen?"
„Ja, Uwe Edelheid, dat begrijpen wij wel."
„Hoor nu, als ze er achter komen, dat wh\' hunne streken
weten, dan worden ze voorzichtiger, en wij kunnen hen dan
niet meer straffen. Hier, dat is voor uwe moeite!"
Jonkheer van der Does gaf ieder een verreltje, dat was
een vierde gulden, en beide knapen snelden verheugd heen.
„Wat denkt gij ervan, Van Aecken? Zouden de jongens
ons niets wijs hebben gemaakt? Gij kent het volk hier
beter dan ik," zeide van der Does toen de beide knapen
weg waren.
„Het spreekwoord zegt: „kinderen en dronken lieden zeg-
gen de waarheid," Uwe Edelheid!"
„Met spreekwoorden moet men voorzichtig zyn, Van Aecken!
Als dat waar was, dan zouden alle waarden welgestelde
lieden moeten zijn, want een spreekwoord is er, dat luidt:
„Der en is ghien weert so arm, hij can eenen gaste een
maeltijt broots borghen."
„Uwe Edelheid heeft gelijk, maar met deze twee jongens
kan toch wel een onderscheid gemaakt worden. Beiden varen
al van hun tiende jaar af, en gaan daardoor altijd met
oudere lieden om. U kan bovendien verzekerd zijn, dat beide
schippers, als het jagertje de schuit trekt en er dus aan-
boord niets te doen is dan te sturen, heel wat met de jon-
gens bepraten, dat eigenlijk nog niet voor kinderen geschikt
is om besproken te worden."
„Gij meent dus dat Pieter Adriaensz. mij niet uitlachen
zal, als ik hem mijne vermoedens mededeel?"
„Och, Uwe Edelheid, ik houd het er voor, dat hij, zoo
wel als Van Hout, reeds alles weet."
„Hoe zouden ze dat te weten gekomen zijn?"
„Jonker Morsch is er ook nog, Uwe Edelheid! En wat
Jonker Morsch niet weet, dat weet Willem Cornelisz.
Speelman."
-ocr page 51-
37
ECHTE LEEUWEN OP DEN WEG.
„Dien laatste ken ik goed. Ik heb hem indertijd toen hij
mij vertelde, dat hij duiven had, die hij niet zoo ver kon
wegbrengen of ze kwamen altijd terug, aangeraden van die
duiven aan te kweeken, omdat ze misschien bij een beleg
van dienst zouden kunnen zijn. Zou hij die duiven nog hebben?"
„Of hij die duiven heeft, kan ik Uwe Edelheid niet zeg-
gen, maar duiven, die hij buiten en binnen de stad laat
vliegen, heeft hij."
„Dan zullen het de duiven wel zijn, die ik bedoel. Maar
wie is Jonker Morsen?"
., Jonker Morsch of de Leidsche Piero zal u toch wel ken-
nen? Hij heet Pieter Cornelisz. Van der Morsch en is
stadsbode."
„O, is het die man? De nar van de Kamer van Retho-
rijken „De Witte Acolijen!" Dat is een slim en uitgeslapen
man. Met zijne snaaksche uitvallen en guiterijen is hij overal
gezien en weet hij dingen, die een ander niet hoort. Maar,
zoo veel te beter, als Burgemeester Adriaensz. het weet.
Als ik het hem dan ook nog eens zeg, zal hij er stellig
zijne schouders nog wel meer onder zetten om alles te doen,
wat in het belang der stad is."
,,Hh\' kan niet meer doen dan hij reeds doet, Uwe Edel-
heid ! Al zijn pogen stuit af op den onwil van een groot
deel van den Magistraat, dat gesteund wordt door Spaansch-
gezinden of door eenvoudige mannen, die zich door de gladde
tongen van mannen als „Pier Quaet-Gelaet" en Jurrie Thijsz.
alles laten wijsmaken."
„Nu, Meester Van Aecken, we willen hopen, dat we kal-
veren, die in de weide loopen, voor leeuwen hebben aan-
gezien. Ik wenschte nu ter ruste te gaan en morgenochtend
om halfzes gewekt te worden. Ik heb morgen veel te doen."
De Heer van Noordwijk nam zijn licht en ging naar zijne
kamer, doch eer hij insliep, schudde hij het hoofd en mom-
pelde: „Het zijn wel degelijk leeuwen, die ik zie."
„Ook Meester Van Aecken ging, na zich verzekerd te
-ocr page 52-
38
EENDENEIEEEN EN NIEUWS.
hebben, dat alles gesloten en gegrendeld was, slapen, en
eene van zijne laatste gedachten van dien dag was: „Geen
kalveren zijn het, maar echte leeuwen zijn er op den weg".
VIERDE HOOFDSTUK.
Eendeneieren en Nieuws.
Vriendelijk keek de zon op Maandag, den tienden Mei,
in het jaar onzes Heeren 1574, op het aardrijk neer, en
liet hare levenbrengende stralen flikkeren op den effen water-
spiegel van den Ouden Rijn, die zich, als altijd, droomerig
en traag tusschen zijne nauwe bedding voortbewoog.
Aroor de oude steenen brug van het toenmaals reeds voor-
name dorp Alfen lagen eenige flinke riviervaartuigen naast
vele kleine vrachtschuitjes, tentsnebben geheeten, te wachten
tot de waterstand in den Rijn wat lager werd, om zich
door de nauwe brugopening te kunnen wringen, en de reis
naar Leiden te vervolgen, als zij, die aan de andere zijde
lagen, dat althans niet belett\'en!
En, wel was er haast bij, dat ze met hunne kostbare
lading, die voor een groot deel uit turf, boter, kaas en graan
bestond, trachtten zoo spoedig mogelijk zich voor eenen
overval van de Spanjaarden te hoeden, door binnen Leiden
te komen. Sinds een paar dagen toch had zich het gerucht
verspreid, dat de Staatschen, ergens in het Limburgsche,
door de Spanjaarden geslagen waren geworden. Ja, alsof het
verlies van dat gevecht nog niet genoeg was, werd er ook
bij verhaald, dat de drie broeders van Prins Willem van
Oranje, de Graven Jan, Lodewijk en Hendrik van Nassau,
op eene ellendige wijze waren omgekomen. Men vertelde,
onder anderen, voor vaste waarheid, dat Graaf Jan in een
moeras gesmoord en door de hoeven van de paarden der
-ocr page 53-
39
EENDEXEIEREX EX NIEUWS.
Spaansehe ruiterij letterlijk vertreden was geworden. Graaf
Hendrik was, toen de Spanjaard de overhand kreeg, in eene
boerenwoning gevlucht; maar door den vijand ontdekt. Deze
stak het huis in brand, en de jeugdige held werd eene prooi
der vlammen. Het gerucht ging verder met te vertellen,
dat Graaf Lodewijk, om zijnen onstuimigen moed, zijne dap-
perheid en zijn edelaardig karakter, algemeen bemind, ge-
wond tusschen de lijken gevallen was. Toen de vijand zich
verwijderd had, kroop hij over het slagveld naar de Maas
om zijne wonden uit te wasschen, doch door eenige lijkbe-
roovers ontdekt, werd hij onbarmhartig vermoord, niettegen-
staande hij een hoog losgeld voor het behoud van zijn leven
en zijne vrijheid aanbood.
Nog anderen wisten te verhalen, dat het geheele leger
der Staatschen in de pan gehakt was, en dat er van de
zesduizend manschappen niet één was overgebleven om aan
Prins Willem, die met zijn leger in de Bommelerwaard lag,
en plan had zich met zijne broeders te vereenigen, de nood-
lottige tijding over te brengen. Nu was Prins Willem in den
waan gebracht, dat zijne broeders hooger op, dan hun plan
was, de Maas waren overgetrokken, waarom hij getracht
had hen op te sporen. Hierdoor was hij evenwel in den
strik geloopen, welken de Spaansche bevelhebber Don Sanchio
D\'Avila hem gelegd had. Ook hij was verslagen en had te
nauwernood zijn dierbaar leven kunnen redden. Thans had
de Spanjaard de handen vrij en kon hij komen, waar hij
wilde. De weg was hem overal gebaand.
Iedereen begreep, dat er onder al die berichten weer veel
overdrevens liep; maar dat er iets gebeurd was ten nadeele
der onzen, dat werd door allen geloofd.
Dat geloofde ook onze schipper Van Schaeck, die, leunende
op het roer zijner tentsnebbe, onverschillig en onbeweeglijk
op het zacht kabbelende water van den Rijn stond te kijken.
„Arm volk," zuchtte hij, „zal dan al het vergoten bloed
te vergeefs gevloeid zijn? Zijn Egmond en Hoorne met zoo-
-ocr page 54-
40
EENDENEIEREN EN NIEUWS.
vele andere Nederland sche Edelen daarom onder de bijl van
den rooden man gevallen ? Heeft de Prins van Oranje daarom
al zijne bezittingen opgeofferd, en zichzelven met lichaam
en ziel aan de belangen der Nederlanden gewijd ? Zijn daarom
al die menschenlevens en schatten verspild, om ten slotte
toch te bukken voor het geweld, en machteloos zich te onder-
werpen aan de willekeurige handelingen van een tiranniek
Vorst? Bij Sint-Andries, wèl mag men van den nieuwen
Landvoogd Eequesens den mond zoo vol hebben, en zijne
edele hoedanigheden ten hemel verheffen! Als die man
edel is, ben ik vast een heilige of, op zijn minst genomen,
zoo rein en deugdzaam als een Zusterke van Nazareth!"
„ Hei, wat snapt ge daar van een Zusterke van Nazareth ?
Hebt gij altemet een vrachtje voor de eerwaarde Abdisse
van dat Convent?"
De aangesprokene zag op en keek in het grijnzende gelaat
van schipper Jurrie Thijsz., die met zijne snebbe vlak naast
hem lag.
„Neen," zeide Van Schaeck, „ik heb geene kloostervracht."
„Anders, het kon wel, want de Eerwaarde vrouwe duikt
niet onder hare huive, als ze een knap schippers-gezel te
zien krijgt. Hi, hi, hi!" grinnikte Thijsz.
„Wat gij daar zegt van de Abdisse staat u wonder-mooi,
Jurrie! Ware ik in uwe plaats, dan zoude ik die zoutelooze
aardigheden maar laten varen, en die aanvallen niet richten
op de deugd van Zusterkens, in wier schaduw gij niet staan
kunt. Ge deedt dus verstandig hierover te zwijgen. Want,
of gij meent niet, wat ge zegt, of ge wilt mij de tong los
maken, öf ge zijt een spotter!"
„Zijt gij dan geen Calvinist?" vroeg Jurrie, en zijn ge-
laat vertoonde weer dien valschen, leelijken grijnslach.
„Zoodra ik u tot mijnen biechtvader heb aangesteld, zal
ik u opbiechten van welk geloof ik ben," duwde Van
Schaeck hem korzelig toe, en sprong meteen aan den wal.
Hier stonden eenige mannen met Heer Foy Van Broeck-
-ocr page 55-
4L
EENDENEIEREN EN NIEUWS.
hoven, den Baljuw van Alfen, te praten en blijkbaar waren
ze in een zeer ernstig gesprek gewikkeld.
„Hebt gij ruzie met uwen buurman, Van Schaeck?" vroeg
de Baljuw schertsend.
„Bewaar me, Heer Baljuw, ruzie! Als ik ruzie maak, dan
moet het met iemand zijn, die het waard is, er ruzie mede
te hebben," antwoordde Van Schaeck lachend, „en om u
de gulle waarheid te zeggen: de heele Jurrie Thijsz. acht
ik te min om er maar ééne minuut van mijn leven boos
op te wezen."
„Brrr, brrr, dat is toch wat al te bar, schipper! Maai-
ben ik waard dat ge ruzie met mij maakt?"
„Ja, Heer Baljuw, en ik heb er zelfs grooten lust toe.
Zeg u me toch eens wanneer het den Alfenaren believen zal
om die nare brug af te breken en de vaart hier wat uit
te diepen?"
„Ja, die brug is eene plaag," sprak een andere schipper.
„En wanneer zullen wij zoo gelukkig zijn, hier een jaagpad
te zien? Wij, schippers, groeien allemaal scheef van het
gestadig duwen met den schuif boom!"
„Nu," antwoordde de Baljuw, „naar mijne meening zouden de
Leidenaars beter gedaan hebben, zoo ze tweeënveertig jaar
geleden, die van Alfen uitgenoodigd hadden, hunne eigene
brug en vaart te herstellen, inplaats van het metselwerk
aan de Vischbrug te helpen bekostigen."
„Maar Alfen kreeg hierdoor eene eigene vierschaar en
dat is toch ook wat waard, zou ik gelooven, Heer Baljuw,"
liet een der omstanders zich hooren.
„Ik houd het met den Heer Baljuw," sprak Van Schaeck,
„want zie eens aan. Ik lig hier nu al drie dagen lang voor
dezen steenen brug te kijken, als een hond op eene halve
deur; Jurrie ligt er nog langer. Waar zou het heen moeten,
zoo Leiden eens opnieuw en onvoorziens belegerd werd, en
vóór dien tijd, met den meesten spoed, van levensmiddelen
moest voorzien worden?"
-ocr page 56-
42                                       EENDENEIEREN EN NIEUWS.
„Nu, mij dunkt dat hiervoor geen gevaar meer bestaat,"
zeide Jurrie, die zich ook onder het gezelschap gemengd
had. „Valdez heeft het beleg immers opgeheven? Laat zien,
het is gisteren al zeven weken geleden, dat hij met de
zijnen is vertrokken. De Magistraat van Leiden kan er ge-
rust op zijn, dat Valdez het niet opnieuw beproeven zal, onze
veste te belegeren. Hij heeft in die vierentwintig weken en
drie dagen van dat beleg al genoeg kunnen zien, dat hij de
stad toch niet krijgt. En, als ik iets in den Magistraat te
zeggen had, zou ik ook niet dulden, dat de pakhuizen zoo
met koren beladen werden. Het is eene uitgave, die groot
is, die op de burgerij drukt en die ten slotte niemand eenig
voordeel bezorgt!"
„Zou men niet zeggen dat onze Jurrie klerk geweest is?"
riep Van Schaeck. „Hij spreekt als een Minnebroeder uit
het Hoogewoerds-convent. Maar dat is zeker, dat de Magistraat
wèl zal doen, zoo hij zich aan de praatjes van zulke lui
wat minder stoort. Hoe is het verleden jaar gegaan? Waren
er toen niet van die verraders binnen de stad, die de
Regeering wisten te bewegen, geenen levensvoorraad in te
nemen, en die in stilte met den Spanjaard heulden? Mij
dunkt, de Leidenaars deden wél, zoo ze doof bleven voor
dergelijk gekal. Het ware beter, zoo ze toonden geleerd te
hebben, de verraders en Spaanschgezinden te onderscheiden
van hen, die het goed met den lande meenen!"
„Gij ziet mij bijgeval toch niet voor zulk eenen lagen
verrader aan?" schreeuwde Jurrie, zich zeer verontwaardigd
aanstellende.
„En als ik nu eens „ja" zeide, wat dan?"
„Dan sloeg ik je zoo fijn als boonenmeel," brulde Jurrie,
en begon reeds de vuisten te ballen.
„Jij, zou jij dat doen?" sarde Van Schaeck. „Je bent er bij
Sint-Felten, me juist het manneken van moppendeeg voor!"
„Misschien zou het tusschen het schippersvolk tot klap-
pendeelen gekomen zijn, had niet de Baljuw de kibbelende
-ocr page 57-
4:!
EENDENEIEHEN EN NIEUWS.
partijen weten te bevredigen en verzocht dat ieder zijns
weegs zou gaan.
De Baljuw had gezag genoeg onder de schippers om terstond
gehoorzaamd te worden. Van Schaeck ging aanboord zijner
tentsnebbe, Jurrie ging de Bruggestraat in en de anderen
verspreidden zich hier en daar.
„Ik zou wel eendeneieren willen gaan zoeken, schipper,"
zeide Gerrit toen Van Schaeck aanboord kwam. „Al gauw
haal ik voor vandaag het kostje op. Ik kan hier met dat
hooge water nu toch niets doen."
„Mijnentwege, ga! Maar tegen den middag terug, verstaat
ge? Anders vindt gij den hond in den pot."
„Dat beloof ik," zeide Gerrit, en eenen lichten schuifboom
als polsstok, of zooals men toen zeide, als verrejager, mede-
nemende, was hij weldra buiten de kom van het dorp. Hij
sprong de eene sloot na de andere over, en kwam eindelijk
aan een soort van eilandje, dat geheel met hakhout en
braamstruiken begroeid was. „Hier," dacht hij, „zal ik toch
zeker wel eendennesten vinden, of ze zijn er in het geheel niet!"
De kleine plek gronds was spoedig doorzocht en het zoeken
was niet vergeefsch geweest; want in eenen bruinen doek,
die naast hem lag, had hij in betrekkelijk korten tijd, vier-
entwintig goede eieren gepakt.
Na zulk eenen rijken oogst, had hij gemeend wel een
weinig te mogen uitblazen, en daarom was hij aan de luwe
zijde van het eilandje, achter eenen braamstruik, wat gaan
liggen rusten.
Nog niet lang had hij daar gelegen toen hij meende iets
te hooren. Het kwam hem voor, dat het een regelmatig geplas
in het water was. Opeens hield dat geluid op en reeds wilde
Gerrit gaan onderzoeken, wie daar in eene roeiboot gekomen
was, toen hij aan de andere zijde van het eilandje eene zware
mannenstem hoorde vragen: „Zijn we hier voor elk bespiedend
oog en luisterend oor veilig, schipper?"
De taal waarin die vraag gedaan werd was die, welke in
-ocr page 58-
44
EEXDENEIEEEX EN NIEUWS.
dien tijd veel in Holland en overal waar Spanjaarden lagen,
gesproken werd. Het was een soort van Spaansch-Nederlandsch
of Nederlandsch-Spaansch. Even als onze meeste visschers en
matrozen ter koopvaart een soort van Engelsch leeren door
ondervinding, zoo leerden onze eenvoudige Voorouders, en
vooral de varensgezellen, een soort van Spaansch. Men zegt
zelfs dat het taaleigen van het Spaansch in onze tegen-
woordige taal nog zeer merkbaar is. De aanzienlijken leerden
toen de Spaansche taal, zooals ze nu de Fransche leeren.
Onze Gerrit had al lang genoeg gevaren om zich ook met
eenen Spanjaard te kunnen onderhouden, zoodat hij de ooren
spitste om elk woord, dat gesproken werd, op te vangen.
Hij, die deze vraag gedaan had, was stellig een Spanjaard,
en het antwoord, dat gegeven werd, luidde: „Zoo goed, als
in uw eigen kasteel, Senor!"
Gerrits oogen tintelden van vreugde, want hij kende die
stem. Het was de valsche Jurrie Thh\'sz. die daar sprak en
nu besloot hij om nog scherper toe te luisteren.
„Uitnemend," zeide nu de Spanjaard, en vervolgde: „Hebt
gij, sinds ik u het laatst sprak, ook gezorgd te weten te
komen, of de Magistraat van Leiden gebruik gemaakt heeft
van de gelegenheid, de stadskorenschuren van het noodige
te voorzien?"
„Ja, Senor, ik weet zoo goed als zeker, dat er op het
oogenblik niet veel meer dan honderd last koren voorhanden
is, en dat men er volstrekt niet aan denkt, dat de Spanjaard
terug komen zal!"
„Bij San-Jago, dat zullen we hen laten zien! Maar kunt
ge me ook eenigszins bepalen hoeveel inwoners de stad op
het oogenblik telt?"
„Wanneer men de onnutte monden wegzendt, zal het aantal
inwoners omstreeks veertienduizend zijn, Senor!"
„En de bezetting?"
„Eene Staatsche bezetting is er niet, Senor! Maar bijeene
belegering zullen de Engelschen, die hier in de schansen
-ocr page 59-
45
EENDENEIEREN EN NIEUWS.
aan de Gouwesluis, te Alfen en te Valkenburg liggen, binnen
de stad komen!"
„Geene Staatschen dus? Zooveel te beter! En hebt ge
waarlijk volstrekt geen vermoeden, dat men in Leiden op eene
nieuwe belegering verdacht is?"
„De meesten denken er in de verte niet aan, Senor! En
zij, die er wel aan denken, zijn zóó in de minderheid, dat
ze niets in te brengen hebben. Men belacht en bespot hen."
„Goed, ik reken op uwe trouw aan onze goede zaak. De
Koning zal u later rijkelijk beloonen voor alles, wat ge voor
hem doet!"
„En als het verkeerd uitkomt, Senor, wat dan? Ik ben
een arm schipper op eene kleine tentsnebbe. Ik heb eene
ziekelijke vrouw en vijf kinderen, als Uwe Edelheid . .. ."
„Houd op, ellendige bedelaar! De eer iets voor uwen
wettigen Vorst te mogen doen, moest u belooning genoeg zijn!"
„Van eer eet men hier te lande niet, Senor," antwoordde
Jurrie Thijsz. op onbeschaamden toon.
„Hier, armzalige schooier," antwoordde de Spanjaard, „hier
is geld op voorschot! Voor geld zoudt ge, geloof ik, uwe
Ouders aan de galg brengen. Ellendig bedelpak!"
Zoodra Jurrie de zilverstukken maar in eigen zak hoorde
rammelen, werd hij weer de nederigheid en voorkomenheid
zelve. Wat er verder echter nog besproken werd, kon de
luisterende knaap niet verstaan. Alleen meende hij een paar
keeren den naam te hooren noemen van Pieter Van Wezel,
wat onzen Gerrit volstrekt niet bevreemde. Spoedig daarop
klonken de riemslagen weer en door het dunne loover van
het hakhout glurende, zag hij dat Jurrie achter een boschje
den Spanjaard, die als een marskramer gekleed was, aan
wal zette, waarop deze met zijne mars het pad naar den
hoogen Rijndijk opliep, terwijl Jurrie verder voortroeide.
Nauwelijks waren de beide mannen van elkander gescheiden
en ver genoeg verwijderd om hem niet meer te ontdekken,
of Leeuwke nam den verrejager op, stak zijne eieren, in
-ocr page 60-
46                             ER BKOEDT VERRAAD EN ONWEDER.
den doek geknoopt, over de vaart en sprong er toen zelf
over. Zoo hard hij loopen kon, begaf hij zich naar Alfen
om daar Van Schaeck verslag te geven van hetgeen hu\'
gehoord had.
De schipper hoorde hem met belangstelling aan, doch ver-
zocht hem aan niemand er iets van te laten blijken. Zoodra ze
in Leiden kwamen, zouden ze samen naar eenen der Burge-
meesters, het liefst naar Pieter Adriaensz., gaan en dezen
van een en ander in kennis stellen.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Er broedt verraad en onweder.
Intusschen waren nog een paar schippers den Rijn komen
afzakken om, als wind en waterstand zulks toelieten, de
brug door te komen. Onder de laatst aangekomenen was
ook de schipper van Leiden op Utrecht, die, zelf meestal
niet aanboord was, en alles overliet aan zijnen meesterknecht
Barend Cornelisz. Van Keulen, dien we vroeger reeds noemden.
De man had een moeielijk bestaan, want niet alleen dat
hij voor zijne vrouw, Willempje Jansdochter, en voor negen
kinderen, vier zoons en vijf dochters te zorgen had, had hij
Cornelis Joppensz. ook in huis. En hoe lang al! Toen hij
pas gehuwd was, stierf zijne buurvrouw, de weduwe van
eenen "Watergeus. Ze liet een kind van anderhalf jaar geheel
onverzorgd achter. Barend en Willempje hadden zich het
lot van het weesje aangetrokken en het zelfs, toen ze eigen
kinderen kregen, niet minder liefde betoond. Schipper Barend
kon wel eens ruw zijn, maar Moeder Willempje was de
zachte en weldoende liefde in persoon, zoodat Cornelis ziels-
veel van haar hield. Hij was al vroeg van school gegaan
om zijnen Pleegvader te helpen, en geen uurtje had hij ver-
-ocr page 61-
47
ER BROEDT VERRAAD EN ONWEDER.
loren laten gaan, waarin hij zich in lezen, schrijven en
rekenen oefenen kon, want die kennis had hij als schippers-
knecht hard noodig. Was hij eenmaal te Leiden aan den
wal, nu, dan werd er nog wel eens gespeeld\' of een guiten-
streek uitgehaald, en zijn beste en trouwste kameraad daarbij
was ons Leeuwke, wiens Moeder eene weduwe was, die,
behalve voor hem, nog voor vijf kinderen te zorgen had.
Zoodra Cornelis de snebbe van schipper Van Schaeck zag
liggen, was hij er dadelijk aanboord gegaan om naar zijnen
kameraad te vragen, en toen hij vernam dat deze uit eieren
zoeken was, besloot hij hem op te sporen en was ook weldra
verdwenen in de richting die Gerrit, volgens Van Schaeck
genomen had. Kort daarop kwam Gerrit thuis om zijnen
schipper alles te vertellen, en toen beiden het middagmaal
genomen hadden, ging de schipper een dutje doen en Gerrit,
zijnen vriend vergetende, zocht zich aan den wal te verzetten.
Omstreeks vier uren kwam Van Keulen bij Van Schaeck
aanboord.
„Weet ge het nieuws al?" vroeg hij dadelijk aan Van
Schaeck. „Het is eene nare tijding."
„Gij bedoelt den veldslag, die door Graaf Lodewijk moet
verloren zijn? Zou het waar zijn?"
„Maar al te waar, kompeer! Heel het leger van Graaf
Lodewijk is verslagen, en de Graaf, zoowel als zijn broeder
Hendrik, moeten gesneuveld zijn."
„En Graaf Jan?"
„Die schijnt den dans ontsprongen te zijn."
„En de Prins van Oranje?"
„Deze lag reeds in de Bommelerwaard toen hij de tijding-
van de nederlaag ontving. De Prins was verpletterd van
droefheid, want in Graaf Lodewijk verliest hij ontzettend veel."
„Ja, en hij niet alleen, maar heel het land; want wie
zal nu de onderhandelingen met vreemde Vorsten voeren?
Heer van Marnix zit gevangen en de Graaf is dood. De toekomst
wordt donker, Van Keulen!"
-ocr page 62-
48
EB BROEDT VERRAAD EN ONWEDER.
„Dat wordt ze, goede vriend," sprak deze zuchtend.
„Maar zou het wel waar zijn? Een kwaad gerucht wordt
altijd vergroot."
„Ik kom van Utrecht en daar is een ijlbode bij den Bevel-
hebber der bezetting gekomen."
„Durfdet gij het wagen naar Utrecht te gaan? Toen ik u
niet te Woerden vond, dacht ik dat ge naar Gouda gevaren
zoudt zijn."
„Utrecht is, zoo lang als het duurt, wel te genaken, want
de Graaf De la Koche, die nu op het slot Vredenburg het
bevel voert, schijnt werkelijk een man te zijn, die het met
de arme inwoners van Utrecht nog al wel meent."
„Ja, die Utrechtenaars, hoe goed Spaansch ook, moeten
zoo nu en dan nog al eens wat van hunne zoogenaamde vrienden
geleden hebben."
„Wat geleden, Van Schaeck? Wat? Neen, ontzettend veel.
Ik heb er nu eens alles haarfijn van vernomen. De kaas-
kooper, bij wien ik vroeger altijd mijne kaas bracht, bezocht
ik nu weer. Ik had hem in geen anderhalf jaar gezien, en
toen ik hem het laatst zag, was hij een welvarend man.
Nu is hij straatarm."
„Door de Spanjaarden?"
„Ja, door niemand anders. Gij weet niet hoe ze daar huis
gehouden hebben. Hij was begonnen met twee Alferessen
(Vaandrigs) in kwartier te krijgen, arme slokkerds, wier
Ouders misschien in Spanje loopen bedelen. Hier stelden zij
zich aan als groote Heeren, en eischten eene Kapiteins-be-
diening."
„Wat is dat?"
„Eene afzonderlijke kamer, iederen avond drie dikke kaarsen
op tafel en een groot vuur aan den haard, eiken dag een
schoon tafellaken en twee schoone servetten, benevens schoon
ondergoed, dat ze niet hadden, maar eenvoudig aan lappen
uit de winkels wegnamen en voor niemendal lieten naaien.
Zij hielden ieder twee bedienden en twee honden, en die allen
-ocr page 63-
49
ER BKOEDT VEBEAAD EN ONWEDEB.
moesten onderhouden worden. Voor de Alferessen was het
beste eten nog niet goed genoeg. In anderhalf jaar tijds is
de goede man op die manier niet minder dan drieduizend
gulden kwijtgeraakt en zijne zaak is geheel verloopen."
„Deden ze dat soms, omdat hij een Ketter is?"
„Hij is geen Ketter. Hij is goed Roomsen en den Koning
onderdanig als de beste. Maar juist de aanzienlijkste ge-
slachten in Utrecht, die allen den Koning getrouw en op-
recht Roomsen zijn, worden het meest afgezet. De Spanjool
weet dat daar wat te halen is, want liederlijke ledigloopers
gaan naar de Dons en vertellen daar voor eenig drinkgeld,
wie de rijksten der stad zijn. En wat doen dan die deug-
nieten? Dan sturen ze naar zulk eenen Heer de boodschap,
dat er een Kapitein of Alferes in kwartier zal komen, doch
dat ze hiervan verschoond kunnen blijven, als ze twintig
gulden, zoogenaamde „servicio-gelden" aan hen uitbetalen.
Dat wordt meestal gedaan en dan steken ook die schelmen
de twintig gulden elke maand in den zak, want ze hebben
die Capitano\'s en Alferessen maar uit hunnen duim gezogen."
„Dat is schandelijk. Maar klagen de Utrechtenaren dan
niet?"
„Zeker! Ze hebben rechtstreeks eene aanklacht bij den
Koning ingediend, doch deze vroeg inlichtingen aan Duc d\' Alv
en het einde van de zaak was, dat ze er niets bij wonnen.
Eerst na het vertrek van Duc d\' Alv zijn de zaken ver-
beterd, doch voor velen was het toen al te laat. — Maar nu
verteld hoe ik het groote nieuws vernomen heb. Toen
Requesens hoorde, dat Graaf Lodewijk eenen inval in het
zuiden des lands zou doen, liet hij, dat weten we, Valdez
het beleg van ons goede Leiden opbreken. Eer Valdez zich
evenwel met D\' Avila vereenigd had, was Graaf Lodewijk
met de zh\'nen op de Mookerheide den vorigen dag verslagen,
zoodat Valdez, die niet zoo erg tuk op krijgsroem schijnt
te zy\'n, wel voor Leiden had kunnen blijven liggen. D\'Avila
stuurde hem ten minste heen, en nu kwam hg eergisteren
DE SCHIPPEHSJONGEK.                                                                                                          i
-ocr page 64-
50                             EB BKOEDT VERRAAD EN ONWEDER.
met al zijne benden voor Utrecht, waar hij aan den Graaf
De la Roche vergunning vroeg om binnen de stad te trek-
ken om daar met zijne soldaten uit te rusten. Maar dat was
een tegenvallertje voor den baas. Graaf De la Roche liet
hem weten, dat hij in de stad mocht komen, doch dat zijn
volk buiten moest blijven. Enkelen van zijne soldaten moch-
ten, maar dan alleen met hun zijdgeweer (zwaard of degen)
gewapend, binnen de poorten treden om een en ander te
koopen. En wat heeft hij toen gedaan? Hij heeft beproefd
om de Wittevrouwen-poort te overrompelen, doch de Magistraat
was er met de burgers aanwezig, en heeft onzen braven
man zoo netjes tusschen de poort en de hamei ingesloten,
dat hij daar zat als een vink in de slagkooi. Nu werd hij
woedend en gaf eenen der Magistraats-leden eenen slag
in het aangezicht en dreigde door het kasteel heen binnen
de stad te komen. Toen liet de Gouverneur alle mannen
onder de wapenen komen, en zoo zag baas Valdez zijn heele
plan mislukken."
„En waar is hij nu?"
„Nog in de omstreken van Utrecht waar zijn volk zoo
schandelijk huishoudt, dat het met geene pen te beschrijven
is, en ik mag van geluk spreken, dat ik met mijne kost-
bare lading ongehinderd tot hier gekomen ben. Maar weet
gij, wien ik voor Utrecht gezien heb?"
„Hiernaar is moeielijk te raden. Wien?"
„Den aartsschelm Pier Quaet-Gelaet heb ik er gezien. Hij
liep onder de Spanjaarden te zoetelen, en scheen met eenen
Alferes op eenen zeer goeden voet te staan. Mij heeft hij
niet gezien."
„En waarheen zal Valdez nu gaan?"
„Misschien naar Amsterdam om daar uit te rusten."
Van Schaeck schudde het hoofd en zeide: „Neen, maat,
hij zal voor Leiden uitrusten, let op, wat ik voorspel."
„Dan hoop ik vóór dien tijd nog de twee ladingen rogge
te kunnen halen, die ik daar gekocht heb op last van
-ocr page 65-
ER BROEDT VERRAAD EN ONWEDER.                              51
Burgemeester Pieter Adriaensz. De eene last, dien ik nu
brengen zal, helpt niet veel. Maar waarom gelooft gij nu
zoo vast en zeker dat de Spanjaarden weer naar Leiden
komen? Mij dunkt dat Valdez, als hij binnen Utrecht wilde
uitrusten, en dat is vast waar, wel aan rust, maar niet
aan belegeren denkt. Alleen die „Pier Quaet-Gelaat" zou
mij ongerust kunnen maken."
„En ik heb ook redenen meer voor mijne ongerustheid,"
zeide Van Schaeck en deelde zijnen vriend nu mede, wat
Gerrit te weten was gekomen.
Zoo bleven ze nog eenigen tijd met elkander praten en het
was al laat in den middag toen Van Keulen heenging.
Gedurende dit gesprek was Gerrit niet aanboord geweest.
Hij had geholpen om eene vrij kleine tentsnebbe door de
brug te wringen en was daartoe met zooveel jongens aan-
boord gegaan, dat de kleine schuit bijna zonk. Hun werk
was vergeefsch geweest en de schipper lag weer voor de brug.
Na het gewone avondeten wilden Van Schaeck en Gerrit
reeds naar de kooi gaan toen Schipper Van Keulen nog
eens kwam om te vragen of Cornelis hier ook was.
„Neen," zei Van Schaeck. „De jongen is voor den middag
reeds hier geweest en toen uitgegaan om Gerrit te zoeken,
maar Gerrit is al lang thuis en heeft Cornelis niet gezien.
„Dan zoekt hij me zeker nog, schipper! Er zit nu niets
anders op dan dat ik op mijne beurt hem ga opzoeken. Hu\'
kon wel eens een ongeluk gekregen hebben."
„Dat is goed, jongen, maar als gij hem om twaalf uren
nog niet gevonden hebt, dan moet gij naarboord terugkeeren,
zult gij? Anders gaat Cornelis u weer zoeken, en dan komt
er nooit een einde aan."
„Goed, Schipper," sprak Gerrit en was weldra in het
duister verdwenen. Eerst meende hij in de richting van het
eilandje te gaan, waar hij het gesprek had aangehoord; doch
hij bedacht zich en geloofde dat hij hem wel ergens anders
vinden zou. Hij sloeg derhalve den weg in naar de schans
-ocr page 66-
52                              ER BROEDT VERRAAD EN ONWEDER.
waarin eenige Engelschen lagen om den Spanjaarden te
beletten uit Utrecht hunnen weg langs den Rijn te nemen
en zoo Holland binnen te dringen. Eene dergelijke sterkte
had men ook aan de Gouwesluis.
Donker staken de wallen der kleine schans, die te midden
van laaggelegen, vlakke weilanden was opgericht, tegen den
kalen omtrek af. Men had hier niet, zooals om Leiden, voor
het eerste beleg, alle gebouwen doen afbreken en alle boomen
doen uitroeien om den vijand geene schuilplaats te ver-
schaffen. Het was vanzelf vlak en onbebouwd geweest.
Leeuwke was er nog een goed eind van verwijderd toen
hu\' onverwachts uit eenen slootkant hoorde roepen: „Sst,
buk u, ga in het gras liggen!"
„Zijt gij dat dan, Cornelis?" vroeg Gerrit op zachten toon
en wel wat verschrikt door het onverwachte geluid.
„Ja, dat ben ik; maar doe nu wat ik zeg!"
Leeuwke bukte zich en kwam bij zijnen vriend aan den
slootkant; maar vroeg natuurlijk waartoe die grappen toch
moesten dienen.
„Het zijn geene grappen," antwoordde Cornelis, „daar
ginds in of bij de schans gebeurt iets, dat niet goed is. Ik
heb binnen Utrecht eenen zekeren Spanjaard, Don Martin
D\'Ayala leeren kennen, en dien heb ik vanmiddag, toen
ik u ging zoeken, hier als een gewoon poorter, die in linnen
handelt, zien ronddwalen. Ik ben hem overal nageslopen,
doch dat ging zoo gemakkelijk niet, want hij gaf zijnen
oogen goed den kost. Toch heeft hij mij niet gezien en toen
het goed en wel donker was, heeft hij den heerweg ver-
laten en is naar de schans gegaan. Hij is daar nu binnen.
Kom bij me, dan kruipen we voorzichtig langs den kant
zoover we kunnen komen. Ik weet, dat deze sloot uitkomt
in de gracht, die om de schans ligt. "Wie weet, wat we
hooren, en waarmede we den lande van dienst kunnen zijn!"
De twee jongens kropen nu achter elkander en bereikten,
zonder door den schildwacht gezien te worden, de gracht.
-ocr page 67-
53
EB BROEDT VERRAAD EN ONWEDER.
Reeds meer dan een half uur hadden ze daar gelegen en
reeds wilde Leeuwke, die van dat luisteren des middags al
genoeg genoten had, en bovendien lang zoo veel geduld niet
bezat als zijn vriend, zich verwijderen, doch Cornelis wist
hem te beduiden, dat de Spanjaard nog niet weg was en
dat hy hier dicht voorbij moest komen. Leeuwke beloofde
nog vierhonderd tellens te wachten; maar dan ging hij heen,
vast en zeker heen.
Eer hij echter tot tweehonderd gekomen was, hoorden de
beide knapen voetstappen naderkomen en een fluisterend
gesprek voeren. Ongelukkig konden de knapen niet verstaan
wat er gezegd werd; want die twee spraken te zacht om
zoo ver gehoord te worden. Alleen bij het scheiden hoorden
ze elkander bij den naam noemen, en duidelijk verstonden
beiden de woorden: „Don D\'Ayala" en „Swift."
„Ziet ge wel, dat ik gelijk had, Gerrit? Ik wist wel dat
die Spanjaard hier was, en ofschoon wij niet verstaan kon-
den, wat ze met elkander spraken, toch is het meer dan
genoeg, dat we weten, dat die Swift in het geheim een
vriend van den Spanjaard is!"
Het brandde Leeuwke op de tong zijnen makker ook te
vertellen, welk avontuur hij den verloopen middag had
gehad, en dat hij dienzelfden Spanjaard reeds in vrij goed
verstaanbaar Nederlandsch, een gesprek had hooren voeren
met dien gluiperigen Jurrie Thysz. Maar hij dacht aan de
vermaning van Van Schaeck om er met niemand een woord
over te spreken en daarom zweeg hij.
Het was al over elven toen beide knapen, erg opgewonden,
aanboord terugkeerden.
Reeds stond Van Keulen gereed den zwendelaar, zooals
hij hem noemde, een paar oorvijgen toe te dienen, toen
Leeuwke uitriep: „Sla hem niet, schipper! Sla Cornelis niet!
Wij zijn beiden zoo laat aanboord, omdat we in den dienst
van den lande uit geweest zijn!"
„Wel, hoor me zulk een haan-kuiken eens kraaien," riep
-ocr page 68-
54                             ER BROEDT VERRAAD EN ONWEDER.
Van Keulen. „En mag ik van de helden weten, hoeveel
Spanjolen ze in het stof hebben doen bijten?"
„Wij hebben niet gevochten, Vader," zeide Cornelis;
„maar wij hebben een gesprek, dat we niet verstaan konden,
afgeluisterd!"
„Komaan, dat vordert, zei Bestje van Katwijk en ze spande
eene padde voor eene prikslee! En noemt gij dat nu in
dienst van den lande werkzaam zijn?" vroeg Van Schaeck.
„Ja, zeker," hernam Cornelis op vrijmoedigen toon. „De
een was Don D\'Ayla uit Utrecht, en de andere Swift, een
van de Engelsche bezetting uit de schans!"
„Mogelijk zijn ze van vroeger met elkander bekend en
was het slechts eene vriendschappelijke bijeenkomst," merkte
Van Keulen aan.
„Het kan zijn," riep Leeuwke, die nu opeens vergat, dat
hij van het voorgevallene van den verloopen middag zwijgen
moest, „het kan zijn, maar die Spanjaard is dezelfde, dien
ik even na den noen in gesprek gehoord heb met Jurrie
Thijsz.!"
„Hebt gij hem dan beide keeren zoo goed gezien?" vroeg
Van Keulen.
„Neen, gezien niet, maar ik kon hem goed hooren," was
het antwoord.
Terwijl Leeuwke dit zeide, stond Cornelis te kijken, alsof
hij eenen klap van den molen had gehad, en onvoorziens
trok hij zijne vriend opzijde en snauwde hem toe: „En
waarom hebt gij me dat daar straks alles niet verteld?"
„Omdat ik het niet vertellen mocht," zeide Gerrit.
„Goed dat ik het weet, dat gij geheimen voor me hebt,"
bromde Cornelis en ging heen.
Van Keulen en Van Schaeck spraken nog met elkander
af, om van een en ander, zoodra ze in Leiden gekomen
waren, den Magistraat in kennis te stellen en na elkaar een
„wel te rusten" toegewenscht te hebben, gingen ze ter kooi.
Middernacht was al voorbij toen, al vreesde ze gehoord
-ocr page 69-
55
TWEE, DIE VROEG OP PAD ZIJN.
of ontdekt te worden, eene zwarte gedaante langs de huizen
der Bruggestraat liep en voorzichtig aanboord eener snebbe
stapte.
Het was Jurrie Thijsz., die zijne vrienden in Alfen had
opgezocht, om met hen een groot deel van zijn verradersloon
in bier of brangdemoris door de keel te jagen.
ZESDE HOOFDSTUK.
Twee, die vroeg op pad zjjn.
Men zou zich zeer vergissen, zoo men het Leiden van
1574 wilde gelijk stellen met het Leiden van onze dagen.
Voorzeker is er na dien tijd menige straat verbreed, menig
huis afgebroken en weer opgebouwd en menige gracht ge-
dempt of gegraven. Maar behalve al deze veranderingen was
het Leiden van toen nog heel wat kleiner in omvang dan heden.
Gedurende de belegering was de Oude-Vest de gracht, die
om de wallen der stad lag, en wanneer men van de Zijlpoort
af voorbij het oude Ziekenhuis ging en dus de Oude-Vest
aan de rechterhand liet liggen, dan kon men loopen tot aan
het einde der Paardestraat zonder aan de overzijde der gracht
iets anders te zien, dan het lage weiland in den omtrek en
de torens van Eijnsburg, Warmond en Sassenheim in de
verte. Neemt men nu nog in aanmerking, dat men in dien
tijd eene bijzondere vergunning noodig had om aan den
buitenkant der stad steenen woningen te bouwen, zoodat er
dan ook maar zelden gebruik van gemaakt werd, dan kunnen
mijne lezers, voor zoover ze in Leiden wonen of daar goed
bekend zijn, als ze die buiten-gebouwen, die er in den laatsten
tijd gebouwd zyn, afrekenen, zich een tamelijk denkbeeld
vormen van Leiden tijdens de belegering.
-ocr page 70-
56                                 TWEE, DIE VROEG OP PAD ZIJN.
We verzoeken hun nu, eenen dag na de monstering en
den omgang der schutterij, een huis binnen te gaan, dat op
het Rapenburg staat. Het is gebouwd in den smaak dier
tijden en de hooge voorgevel eindigt trapsgewijze in een
punt, waarop een verroeste windwijzer zijn knarsend geluid
laat hooren. Hier woont Andries Allertsz., de „opperste"
Hoofdman der Burger-vendels, en het is van binnen te zien,
dat hij ook een der meest welgestelde burgers is.
Het is Maandag, de vierentwintigste Mei.
De verschillende geruchten, die er geloopen hebben aan-
gaande een nieuw beleg der Spanjaarden, beangstigen de
burgers niet meer, niettegenstaande mannen als Pieter
Adriaensz., Van Hout, Bronkhorst, Speelman, Van Aecken,
Van Keulen, Jonkheer van der Does, de Schout Hendrick
Van Broeckhoven en vele anderen, hunne medeburgers en
den Magistraat gedurig aanmanen, toch niet zorgeloos in te
dommelen, maar een waakzaam oog te laten gaan op hetgeen
er buiten Leiden zoo al voorvalt. Daarentegen doen mannen,
als Pier Quaet-Gelaet, Jurrie Thijsz., ja, zelfs vele Leden van
den Magistraat, die voor een deel Spaanschgezind is, hun
uiterste best om iedereen gerust te stellen. En ze kunnen
dat goed ook; want ze voeren redenen aan, die voor de licht-
geloovigen klinken als eene klok.
Had gisteren nog bij het verlaten der kerk Pier Quaet-
Gelaet niet met nadruk gewezen op de muiterij der Spaansche
soldaten, die om hunne soldij schreeuwden? En wat was
er met oproerige manschappen te beginnen, tegen eene stad,
als Leiden, die gedurende vierentwintig weken en drie dagen
getoond had, dat ze voor de goede zaak pal stond? Valdez
was een te ervaren Veldheer en te zeer op zijne eer, als
Veldoverste, gesteld, om nogmaals onverrichter zake te moeten
aftrekken. Het was immers meer dan dom, nu nog te gaan
gelooven en te vreezen, dat de vijand zou terugkomen, en
nog dommer was het, levensmiddelen op te koopen, de pak-
huizen er tot het dak mede te vullen en de burgers, die duur
-ocr page 71-
57
TWEE, DIE VEOEG OP PAD ZIJN.
te laten betalen om ze naderhand, ten deele bedorven, voor
eenen appel en een ei van de hand te doen.
„Neen, maar hoor eens," riep een dikke bierbrouwer,
„onze Pieter Van Wezel spreekt als een boek, en ze kallen
als de oude wijfkens uit het Sint-Elisabeths-gasthuis, die
van een nieuw beleg spreken!"
„Er zijn toch altijd nog verstandige koppen, die verder kijken
dan hun neus lang is," dus klonk nu de stem van Jurrie
Thijsz., die natuurlijk hier ook te vinden was. „Ik zeg: het
is meer dan schande!"
„Wat is er meer dan schande, schipper?" vroeg Neeltgen
Dirksdochter, de warmoesvrouw, die overal te vinden was
waar men aan het vechten, razen of schelden was.
„Dat men eerlijke lieden, die met de penningen der arme
burgerij, die gedurende dezen winter zooveel geleden heeft,
zuinig wil zijn, verdenkt van heulen met den Spanjaard.
Zoo wordt de arme Pieter Van Wezel, die nu als zoetelaar
een armzalig stuk broods verdient, door die opmakers van
het geld, als een schelm, nagewezen en van allerlei booze
dingen beticht."
Pieter Van Wezel, die gemaakt had, dat hij ook bij dit
oploopje was, zette een onnoozel gezicht en zeide zuchtend:
„Het is zooals Jurrie Thysz. zegt, menschen! Ze vertellen
dat ik met den Spanjaard heul en disschen allerlei grove
leugens van mij op. En ik vraag allen of er iemand meer
redenen heeft om den Spanjool te haten en te verwenschen
dan ik. Ik had een spaarduitje voor den ouden dag en nu
moet ik zoetelen voor mijn brood en mijn geld is op. Dat
is de schuld van den Spanjool en daarom roep ik, misschien
nog welgemeender dan die wederdooper van eenen Pieter
Adriaensz., die hemel en aarde beweegt om de duiten te
mogen opmaken: „Weg met den Spanjool! Leve de vrijheid!"
„Weg met den Spanjool! Leve de vrijheid," brulde de
menigte hem na.
„Nu hoort gijlieden het van den man-zelven," riep Jurrie
-ocr page 72-
58                                 TWEE, DIE VROEG OP PAD ZIJN.
Thijsz., „van welk geloof hij is. En zooals hij is, ben ik
ook. Maar gij moet weten, waarom ik hier zoo stout spreek.
De Spanjaard kan geen beleg voor onze stad slaan, omdat
al de vendels aan het muiten zijn. Sommigen hebben zich
reeds eenen Electo gekozen . . .."
„Wat is dat voor een man?" vroeg een uit den hoop.
„Dat is een Keur-overste, dien de soldaten zelven kiezen
uit hun midden, als ze oproermaken om de achterstallige soldij."
„Zulk eenen Electo hebben ze te Utrecht wel gekozen,
nu een paar jaar geleden, doch in den laatsten tijd heb ik
er niets van gehoord," zeide Cornelis Otten, die boterkruier
van beroep was.
„Och, man, waarvan zoudt gij hooren?" vroeg Jurrie Thijsz.
„Gij komt immers nooit verder dan de Boterwaag? Wat
ik zeg is waar, want... ."
„Is niet waar," herhaalde Otten, wien het verveelde, dat
Jurrie Thijsz. daar onwaarheden stond op te disschen.
De omstanders stoorden zich echter niet aan die tegen-
spraak en riepen: „Ga verder, Jurrie! Stoor u niet aan iemand,
die door Van Hout betaald wordt om ons nog armer te
maken dan wij al zijn."
„En behalve dat," vervolgde Jurrie, „is er twist tusschen
Valdez en Graaf de la Roche, zoodat iedereen, die maar
een aasje gezond verstand heeft, begrijpen kan, dat de Land-
voogd dien twist tusschen twee Legerhoofden eerst bijleggen
moet eer hij aan eene belegering denken kan."
„Glipper! Glipper! Heeft Don D\'Ayala je al die leugens
te Alfen verteld?" klonk opeens eene jongensstem. „Gij zijt
een verrader, Jurrie!"
„Wie durft me daar voor verrader schelden?" galmde
Jurrie Thijsz. „Ik roep allen tot getuigen of ik mijn Vader-
land en Leiden niet lief heb. Hn\', die dat roept, is zelf een
verrader!"
„Ja, ja, een verrader," joelde het volk en toen allen reeds
zwegen, klonk de machtige stem van den dikken bierbrouwer
-ocr page 73-
00
TWEE, DIE VROEG OP PAD ZIJN.
nog boven al het gegons der menigte uit: „ja, ja, een verrader!"
Ge zult zeker wel al begrepen hebben, dat het Gerrit
Verlaen was, die den huichelenden poorter zulk eene brutale
vraag deed. Doch toen hij zag, dat de volksgeest ten voordeele
van den woordvoerder was, haastte hij zich een goed heen-
komen te zoeken; want bleef hij, dan liep hij groot gevaar
met eene goede dracht slagen bedeeld te worden.
Dit nu was gisteren bij gelegenheid van den optocht en
de blijde feesten, die er mede vergezeld gingen, voorgevallen,
en daarom vinden we Van Schaeck en Van Keulen in de
voorkamer van den Burger-Kapitein om met dezen middelen
te beramen, teneinde die Spaanschgezinde woordvoerders in
hun doen en laten wat na te gaan en in toom te houden.
„Het is, eilaci, maar al te waar, dat vele leden der Regeering
slapen of heulen met de Spanjaarden," klaagde Allertsz. met
eenen diepen zucht. „Waar is het, dat de nieuwe Landvoogd
veel doet om het volk te behagen. Maar waarom doet hij dat ?
Omdat hij een zoo nobel en vroom karakter heeft? Neen! Omdat
hij een wit voetje aan het Hof van Koning Filips wil krijgen ?
Neen! Maar weet ge waarom ? Weet ge waarom hij bemid-
deling zoekt tusschen den Koning en de Nederlandsche burgers ?
Waarom hij het standbeeld van Duc d\'Alv heeft laten omver
halen? Omdat hij geen geld heeft om zijne soldaten te be-
talen, en de Koning vooreerst geen plan schijnt te hebben
aan de billijke eisenen van Requesens te voldoen. Maar let
wel, zoodra hij zijnen muitenden troepen de handen kan
vullen, en hij daardoor vrijer spel heeft, dan zult gij zien,
dat hij de slapers op eene geduchte wijze wekken zal!"
„Maar is er dan toch niets aan te doen, Heer Kapitein,
om den Magistraat tot andere gedachten te brengen? Zou
Burgemeester Pieter Adriaensz....."
„Wat zal ik u zeggen? Deze wil wel, maar hij kan niets,
Van Schaeck! Heeft hij er in de afgeloopen week nog niet
andermaal op aangedrongen, dat men stadswerkers zou uit-
zenden om de schansen te slechten, opdat de Spanjool, mocht
-ocr page 74-
60                                 TWEE, DIE VROEG OP PAD ZIJN.
hij wederkomen,, de gebraden visschen voor zijn avondmaal
niet gereed zoude vinden ? Maar, het was om niet; de Vroed-
schap laat zich om den tuin leiden door de zuinige inge-
zetenen, die op hunne beurt weer door enkele verraders
zich laten bepraten. O, het is om dol te worden!"
„Maar de Prins, zou die niet te bewegen zijn iets in deze
te doen?" vroeg Van Keulen.
„Ja, de Prins wil ook wel; maar gij weet toch, dat hij
nog altijd met de afdeeling krijgsvolk, waarmede hij zijne
broeders wilde bijstaan, in de Bommelerwaard vertoeft?
Maar toch wil ik me morgen derwaarts op reis begeven,
dan zal ik hem beter van een en ander op de hoogte kunnen
brengen, dan dat ik zulks schrijf. Daarenboven is zulk een
bericht aan geenen brief toevertrouwd. Wees daarom zoo
goed, Van Keulen, en zeg uwen Cornelis, dat hij mij morgen
ochtend vóór drie uren wekt, dan ga ik met de Rotter-
damsche tentschuit mede!"
Nadat Van Keulen beloofd had, dat hij er voor zorgen
zou dat Cornelis hem kwam wekken, gingen de beide
mannen heen.
Zij namen hunnen weg langs de Breede-straat en wilden
juist de Maarsman-steeg ingaan, toen ze voor het stadhuis
eenige burgers zagen staan.
„Daar heb je Barend Comelissen," riep er een uit den
hoop, „die zal ons zeggen, wat hij raadzaam en oorbaar
acht. Zullen we de schansen slechten en levensvoorraad
innemen, öf wel de schansen in wezen en de pakhuizen
meer dan half ledig laten?"
„Dat behoeft men mij niet te vragen," antwoordde de
aangesprokene. „Gijlieden weet, dat ik met hart en ziel voor
het eerste ben, omdat ik vrees, dat de Spanjaard zal terug-
komen op een oogenblik, dat we hem het minst verwachten!"
„Ei, hoor me daar zulk eenen geleerden bol eens aan!
Een schippersknecht op eene tentsnebbe, die aan brandhout
geen papieren gulden waard is, verbeeldt zich den Magistraat
-ocr page 75-
TWEE, DIE VBOEG OP PAD ZIJN.                                 61
en der Overheid wetten te mogen stellen," liet sarrend een
zich hooren.
„Ik stel geene wetten," riep Van Keulen. „Gijlieden vraagt
mijn gevoelen, en dat zeg ik u, open, rond en onbewimpeld.
Maar onthoud, wat ik u zeg! Eens zal de dag komen, de
Heer gave, dat ik onwaarheid mochte spreken, dat ge zeggen
zult: „De schippersknecht van eene ellendige tentsnebbe
heeft op zijne reizen van Leiden tot Utrecht en terug, ooren
en oogen den kost heeft gegeven. Maar als gij een dwaas
antwoord hebt verwacht, waarom vraagt gij mij dan wat?"
„Schippers zien altijd spoken en vreemde gezichten," riep
de bierbrouwer luid lachend. „Wij wilden maar eens weten
welk spook gij nu alweer gezien hebt."
Het gelaat van Van Keulen nam eenen vreeselij ken ernst
aan en onheilspellend klonk zijne stem door de menigte: „Gij
hebt gelijk! Ik zag een spook. Het zweefde over Leiden en
droeg een zwart vaandel en daarop stond in witte letters:
pestilentie, honger en dood. Het was het hongerspook."
Hoe spotachtig men gezind was, de bijgeloovige menigte
ontroerde bij die woorden, en het kostte den Spaanschgezinden
heel wat moeite om door grappen en kwinkslagen de ont-
roering te verdrijven, en nog waren ze hiermede druk bezig
toen die beide mannen ernstig en nadenkend hunnen weg
vervolgden. Het volk bleef intusschen wachten op het besluit
van de Vroedschap en dat was: „Het slechten der schansen
is voorloopig uitgesteld tot eene volgende bijeenkomst."
Tot eene volgende bijeenkomst! Hoe weinig vermoedden
die Vroede mannen, dat eene volgende bijeenkomst zou ge-
houden worden in eene rondom ingeslotene veste\'
Ondertusschen verliep de Maandag en onze Cornelis Van
Keulen was vroeg ter kooi gekropen om op de gestelde uren
in den nacht de burgers te gaan wekken, die hem zulks
bevolen hadden.
Een donkere, bewolkte nacht was het toen hij zich op
straat begaf. Geheel Leiden lag nog in zoete rust en nergens
-ocr page 76-
62
TWEE, DIE VBOEG OP PAD ZIJN.
was eenig leven te ontdekken dan hier en daar honden of
katten, die men vergeten had in te laten.
„Nu zal ik eerst Kapitein Allertsz. gaan wekken," fluis-
terde hij in zichzelven, „en dan ga ik den naasten weg
langs de Achtergracht, door de Nonnensteeg voorbij het
Convent van de Witte Nonnekens, dan ben ik er gauw!"
Eensklaps hoorde hij in de verte achter zich den driftigen
tred van eenen man, die haast scheen te hebben.
„Ik wil weten wie er zoo vroeg uit de veeren gekropen
is," mompelde de jongen en ging achter eene steenen bank
liggen. Weldra was de voetganger hem voorbij geloopen,
doch hij liep zóó snel op zijne teenen voort, en het was
zóó donker, dat Cornelis niet onderscheiden kon wie het was.
Langzamerhand kreeg de liefhebber van eenen mondvol
frissche morgenlucht minder haast en liep in bedaarden
tred verder.
Cornelis besloot hem zoo dicht mogelijk op de hielen te
blijven. Eindelijk bleef de man voor het vervallen Convent
der Witte Nonnekens staan, en liet zoo zacht mogelijk den
klopper op de hoofddeur vallen.
„Ge komt vroeg, kompeer," zei de man, die eindelijk
opendeed.
„Toch niet te vroeg om Don Martin D\'Ayala te ver-
zoeken zoo spoedig mogelijk met mij mede te gaan om hem
buiten de poort te brengen; want enkele luiden staan hier
vroeg op," was het antwoord van den klopper, die door
Cornelis dadelijk herkend werd, als Pier Quaet-Gelaet.
Een paar minuten later begaven twee mannen zich op
weg in de richting van de Steenschuur op den voet gevolgd
door den wakkeren schippersjongen. Bij het Convent Schagen,
achter Maredorp niet ver van de Marepoort, scheidden ze
van elkander.
„En kan ik mijne vrienden des gerust stellen, Senor?"
„Ik heb u immers gezegd, dat we morgenochtend om
dezen tijd voor de stad zullen liggen! Een Spaansch Edel-
-ocr page 77-
63
TWEE, DIE VEOEG OP PAD ZIJN.
man liegt niet en is geen verrader, ellendige poorter," was
het antwoord van den trotschen Don, die den verrader ge-
bruikte om zijn doel te bereiken, maar hem inwendig haatte.
Pier Quaet-Gelaet ging heen en floot van nijdigheid een
geuzenliedje, en een zacht geplas aan de overzijde van den wal
bewees, dat de Spanjaard buiten de stad en in veiligheid was.
Thans wist Cornelis genoeg en ziende, dat Pier naar zijn
huis ging, besloot hij, door een paar straatjes om te loopen,
hem onverwachts tegen te komen. Dit gebeurde dan ook.
„Goe-morgen, Van Wezel! Al zoo vroeg op pad?*\' vroeg
Cornelis hem op sarrenden toon.
„Dat zie je; maar wie ben je?"
„Ik? Wel, ik ben Cornelis Joppensz. en ik ga de luiden,
die vroeg op moeten zijn, wekken!"
„Kan ik je dan zoo even niet hebben hooren kloppen in
de Jan-Vossen-steeg ?" vroeg Pier, om zoodoende te weten
te komen, of de jongen hem en den Spanjaard misschien
ook gezien had.
„Neen, dat niet, ik kom zoo uit de Donkersteeg waar ik
Van Schaeck gewekt heb," antwoordde de jongen. „Maar
wat hadt ge zoo vroeg op de Mare te scharrelen?"
„Ik? Wel nu nog mooier? Zou ik je ook moeten zeggen,
jonge borst, waar ik vannacht geweest ben?"
„Ik wil het niet weten, Van Wezel! Het is zoo maar
eene onnoozele vraag, meer niet!"
„Nu, maar je moogt het wel weten ook. Ik kom van
mijnen broeder, die te Warmond woont en erg ziek is!"
„Zoo! En wie heeft de poort dan opengedaan? Of zijt gij
altemet door de vest gezwommen?"
„Er is toch een portier, dunkt me! Maar weet gij wat,
ga de luiden wekken, anders komt gij overal veel te laat
en gij geraakt uwe prachtige broodwinning kwijt!" Dit ge-
zegd hebbende ging Pier door en toen hij ver genoeg was
om den jongen niet meer te kunnen inhalen, zoo hh\' er lust
toe gevoelde, riep Cornelis:
-ocr page 78-
64
AAN DOOVEMANS-DEUK GEKLOPT.
„Van Wezel! Van Wezel!"
„Hei, wat is het?" klonk het uit de verte.
„Als gij soms iemand noodig hebt om de luiden in het
Convent der Witte Nonnekens te wekken, denk dan eens om
me, zult gij ?"
„Ho, kat-aas!" schreeuwde Pier, „dat zal je berouwen,"
en meteen zette hij den sarrenden knaap na; doch deze
had gezorgd ver genoeg uit de voeten te zijn om niet inge-
haald te kunnen worden, zoodat Pier het dan ook eindelijk
opgaf, en den knaap verwenschende, naar huis ging.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Aan do o veman s-deur geklopt.
Het was meer dan tijd, dat Cornelis naar het Rapenburg
ging om Meester Albertsz. te gaan wekken, want het was
dichter bij halfvier dan bij drie uren.
Toch maakte hij niet zoo bijzonder veel haast, want hij
begreep zeer goed dat er, als hij alles verteld had, van
Meester Albertsz.\' op reis gaan naar de Bommelerwaard
niets komen zou. Dat men hem mogelijk niet zou willen
gelooven, hieraan dacht hij geen oogenblik. Hij vertelde toch
waarheid ?
Toen hij den klopper op de deur liet vallen, werd er een
bovenraam geopend en riep eene stem: „Gy komt laat,
manneke, zeer laat! Ik ben al op en gekleed 1 Zorg nader-
hand beter voor uwe zaken!"
Juist wilde Allertsz. het raam weer sluiten toen Cornelis
riep: „Heer Kapitein, u zou goed doen, zoo ge niet naar
den Prins gingt!"
„Wat raast gy, jongen? Wat hebt gy daar mede te
maken ?"
-ocr page 79-
65
AAN DOOVEMANS-DEUE GEKLOPT.
„Niets, Heer Kapitein, maar ge moet me een oogenblik
te woord staan. Ik heb u wat te vertellen."
„Nu, wat zal dat zijn?"
„Ja, maar u moest beneden komen; ik mag het zoo hard
niet schreeuwen."
„Bij Sint-Felten, jongen, wat hebt ge veel noten op uwen
zang! Ik kom beneden, wacht maar wat!"
„Het raam werd gesloten, voetstappen kwamen de trap
af en de deur werd ontgrendeld.
„Wat hadt gij me nu te zeggen?" vroeg Allertsz., eenigszins
barsch en ontevreden.
Cornelis vertelde hem, wat hij gehoord en gezien had,
en zoodra had hij niet verteld, wat Don Martin D\'Ayala bij
het heengaan zeide, of Allertsz. schudde den knaap bij de
schouders heen en weer en beet hem toe: „Knaap, gij spreekt
onwaarheid! Dat kan niet waar zijn! Dat is onmogelijk!
Zoo slecht is Pier Quaet-Gelaet niet!"
„En toch is het waar," antwoordde Cornelis en trachtte
zich uit de ijzeren vuisten van den Hopman los te wringen.
„Bengel, ik zeg nogmaals, dat gij mij grove leugens wilt
wijsmaken," hernam Allertsz. nogmaals.
„Ik heb u al gezegd, Heer Kapitein, dat ik heusch niets dan
waarheid, zuivere waarheid spreek," klonk het half snik-
kende. „Waarlijk, het is stellig zoo! Ik bid u, geloof me toch."
„Knaap, ik zal u gelooven! Maar wee u, zoo er één woord
van al, wat ge me gezegd hebt, blijkt geene waarheid te
zijn! Dan laat ik u de poort uitjagen om er nooit meer
binnen te komen. Ga heen, en zeg uwen Vader, dat ik niet
naar Botterdam ga, en dat hy te acht uren bij mjj
zijn moet!"
„U kan er staat op maken, dat ik waarheid sprak, en
mijn Vader zal komen, daar kan u op rekenen!"
„Goed, en zeg dat hij Van Schaeck en Pieter Cornelisse
Van der Morsch ook mee brengt! Maar wee u, knaap, zoo
ge gelogen hebt!" klonk het nogmaals.
DE SCHIPPERSJONOEN.                                                                                                       5
-ocr page 80-
66
AAN DOOVEMANS-DEUR GEKLOPT.
De deur van Meester Allertsz. viel toe en de schippers-
jongen vervolgde zijnen weg om de andere luiden te wekken.
Wat hem echter nooit gebeurd was, hij vergat er dezen
morgen twee, die er nog al op aangedrongen hadden, dat hij
hen toch vooral niet later dan vier uren roepen zou.
Het waren twee schippers, die vertrekken moesten. Ze
zouden er echter niets bij verzuimen; want juist op het
uur van afvaart hadden ze zulke vreemde geruchten opge-
vangen, dat ze besloten dien dag niet af te varen.
Te acht uren waren Van Schaeck, Van Keulen en Van
der Morsch bij Allertsz. om middelen te beramen, die er
aangewend moesten worden om den Magistraat en velen
der burgerij, was het dan ook te elfder ure, de oogen te
openen voor het dreigende gevaar.
Van der Morsch sprak het voornemen uit eens naar
Petrus Cornelius, den Predikant zijner gebuurte, te gaan.
Hij wist dat deze een man was, die de onverschilligheid
van den laatsten tijd met leedwezen had aanschouwd. De
Predikant zou vast en zeker ingang bij de burgers vinden;
want hij was geliefd bij iedereen.
Allertsz. zelf zou de twee Jonkers van der Does en Burge-
meester Pieter Adriaensz. opzoeken om met behulp van
dezen op de gemoederen der vermogende wevers te werken.
Kon men dan ook al het verzuimde niet inhalen, men kon
dan toch nog intijds eenige maatregelen zien te nemen, die
in het welbegrepen belang der burgerij waren.
Maar wat de goedgezinden ook deden, de luiden weigerden
geloof te slaan aan de geruchten, die in omloop waren. Het
is waar, niemand kon zeggen, dat hij Cornelis Joppensz. ooit
op eene leugen betrapt had; maar een knaap was dan toch
maar een knaap. Men kon niet weten om welke redenen
hij zich op Pier wilde wreken.
„Laten wij toezien, wat er gebeurt, mannen," zeide de
dikke bierbrouwer. „Immers als het uitkomt, zooals die
Cornelis Joppensz. verteld heeft, dan zien we morgen ochtend
-ocr page 81-
(37
AAN DOOVEMANS-DEUR GEKLOPT.
den Spanjool weer uit zijne oude schansen kijken, als eene
kraai uit haar nest."
„Ja, laten wij toezien, mannen! De brouwer spreekt ver-
standig! Morgen ochtend zal het uitkomen of de knaap
waarheid gesproken heeft, ja ofte neen!" riep een tweede.
„Bij mijne ziel, gij zijt verstandige koppen! Het gaat u
allen als de schol, die zich wel eens gekookt wilde zien en
dan weer wilde wegzwemmen. Begrijpt ge dan niet dat het
morgen te laat kon zijn," liet Van der Morsch zich hooren.
„Ei, hoort dien Jonker Morsch, den rederijker, eens aan!
Zou men niet wanen den Weleerwaarden Petrus Cornelius
te hooren? Man, gij hadt Hagepreeker, Dominé of Monnik,
inplaats van Stadsbode en Kamernar moeten worden!"
„Ja, spot en lacht maar, vrienden! Als het jaar één dag
ouder is, zullen we elkander wel nader spreken," antwoordde
de Rederijker, die van Dominé Cornelius kwam. Misschien
zou hij nog wel meer gezegd hebben, zoo er op het oogen-
blik onder de menigte niet eenige beweging ontstaan was.
Die beweging gold niemand anders dan Cornelis Joppensz.,
die naar huis ging.
Nadat hij des morgens was thuis gekomen en gegeten
had, was hij de stad ingegaan in de meening, dat er hier
of daar wel wat te verdienen zou zijn.
Nog altijd denkende aan hetgeen hij in den vroegen morgen
gehoord en gezien had, liep hij droomerig straat in straat
uit, en kwam ten laatste op de Maredorps-Achtergracht bij
het huis en de zeemtouwerij van Burgemeester Pieter
Adriaensz.
Hij had reeds meermalen voor den Burgemeester bood-
schappen in de stad verricht, en hopende, dat er mogelijk
nu weer wel wat zou te doen vallen, meende hij den winkel
in te gaan, toen hij onverwachts bij zijnen naam geroepen
werd. Hij keek om en zag in het open en eerlijk gelaat van
zijnen vriend Gerrit, die naar hem toe kwam en zeide:
„Zoo, Cornelis! Zie ik je weer eens? Hoe komt het toch,
-ocr page 82-
68                                 AAN DOOVEMANS-DEUR GEKLOPT.
dat ge mij sedert een paar dagen geregeld uit den weg loopt ?"
„Omdat ik niets meer met je te doen wil hebben! Gij zijt
geen goed vriend!"
„Ik niet? Wat heb ik dan gedaan?"
„Wat gij gedaan hebt? Vraagt ge dat nog? Hebt ge mij
die ontmoeting op het eilandje te Alfen niet verzwegen, alsof
ik een Spanjool of vriend van Pier Quaet-Gelaet was? Heb
ik ooit iets voor u verzwegen?"
„Maar ik mocht niets zeggen, Cornelis! Heusch, ik mocht
niet. Schipper Van Schaeck had het mij verboden!"
„Hé, Gerrit, mocht-je niet? Och, wat zijt ge toch een
eerhjke, beste jongen! Schade, dat ik je niet meer gebruiken
kan! Ga maar andere vrienden zoeken!"
„Gij wilt dus niet meer met me omgaan, Cornelis?"
„Neen, ga maar weg! Ik heb uwe diensten niet van noode!
Ik kan je missen als kiespijn," en dit zeggende ging Cornelis
de zeemtouwerij van den Burgemeester voorbij en den weg
op naar de Hooglandsche kerk.
„Dwarskop, die hij is," mompelde Gerrit, en liep hem
langzaam achterna. „Hij kan me missen als kiespijn! Best,
ik kan hem missen als eene dracht slagen\' Wat verbeeldt
hij zich wel? Denkt hij dan, dat ik hem moet naloopen en
hem al mijne geheimen aan den neus hangen. Dat kan hij
aan zijn hart voelen! Dat doe ik nooit!"
Ondertusschen was Cornelis bij het hoopje lediggangers
gekomen, die hunnen kostbaren tijd aan eenen hoek van de
Hooglandsche kerk stonden te verbeuzelen met over de
onmogelijkheid van een nieuw beleg te spreken, omdat —
nu ja, al de „omdats" op te noemen, gaat niet. Van den oudste
tot den jongste wist men zooveel van den toestand der Span-
jaarden te vertellen, dat het wel scheen, dat allen zoo uit
de Spaansche kwartieren, waar ze dagen lang omgezworven
hadden, terugkwamen.
Zoodra de bierbrouwer onzen Cornelis in het oog kreeg,
riep hij luidkeels uit: „Ho, hier hebben we den Jobsbode!
-ocr page 83-
AAN DOOVEMANS-DEÜE GEKLOPT.                                 69
Hier, knaap, klim op dit bankje, en vertel ons eens vaardig,
wat ge vanmorgen gehoord en gezien hebt!"
„Dat zal ik," riep de jongen verheugd, en was in een oogenblik
op de bank, doch aan het gewoel en geschreeuw der menigte,
die allengs aangroeide, scheen maar geen einde te zullen
komen.
„Houdt dan toch den snater, eeuwige babbelaars, of ik
smijt eenen ketel kokend mout over uwe hoofden! Laat dien
schippersjongen zijn wedervaren van dezen nacht vertellen!
Bijlo, jongen, ge staat daar als een Franciskaner, die de passie
preekt! Komaan, toon uwe kunsten en laat ieder hooren welke
kostelijke leugens gij uit de mouw weet te schudden!"
Nadat de bierbrouwer dien stroom van woorden meer uit-
gebulderd dan gesproken had, ontstond er stilte en kon de
knaap beginnen.
Zoodra hij echter begon te vertellen, dat Pieter Van Wezel,
en niemand anders, eenen Spanjaard uit het Convent der
Witte Nonnekens naar de Marepoort gebracht had, begonnen
eenigen te schreeuwen:
„De bengel verkoopt ons grove leugens!"
„Dat is niet waar," riep Cornelis. „Wat ik zeg is waarheid,
en „Pier Quaet Gelaet", die daar achter Neeltgen Dirks-
dochter, de warmoesvrouw, zich verscholen houdt, mag mij
tegenspreken als hij kan."
Brutaal trad Pieter Van Wezel te voorschijn, hield de
vuist voor Cornelis\' gelaat en riep: „Hier ben ik, schavuit!
Zeg nu nog eens, als ge durft dat ik „Pier Quaet-Gelaet"
heet en verraders-streken uithaal! Zeg op, wat ben ik?"
„Een glipper en verrader," klonk de stem van Cornelis,
doch juist toen „Pier" hem eenen stomp in het aangezicht
wilde geven, sloeg Cornelis die vuist neer en do volle hand
kwam in zulk eene aanraking met Piers wang, dat de slag
luid weerklonk.
„Smijt hem naar beneden!" riep de een.
„Geef den leugenaar een pak ransel," schreeuwde een ander.
-ocr page 84-
70
AAN DOOVEMANS-DEUR GEKLOPT.
„In de Hooigracht! In de Hooigracht met dien kwaad--
spreker," barstte een derde los.
Reeds had een zwaar gebouwde turfdrager met een gemeen
uiterlijk, den jongen bij het wambuis gevat om hem van de
bank, waarop hij stond, af te smijten, toen Gerrit, die door
den volkshoop heengedrongen was, uitriep:
„Blijf van mijn kameraads lijf, versta-je! Ik zeg, blijf er af!"
en zonder af te wachten, of de ruwe man den jongen zou
loslaten, nam hij eenen zwaren keisteen op en smeet dien
den turfdrager naar het hoofd. Oogenblikkelijk tuimelde de
groote man achterover en viel zoo goed als dood neer.
„Sla dood, den gemeenen moordenaar!" schreeuwden weer
enkelen, doch alvorens Gerrit de hulpvaardigheid, waarmede
hij zijnen vroegeren makker bijstond, met den dood, of een
pak slaag moest bekoopen, kwam de burgerwacht onder
bevel van Dirk van Bronkhorst aan.
„Zal men dan hier voor den satan op klaarlichten dag
eenen moord begaan?" riep Bronkhorst. „Ho mannen, de
eerste, de beste, die eene hand naar dien knaap uitsteekt,
zal ik eene blauwe boon te slikken geven, die hem levens-
lang dwars in de maag.ligt!"
De burgerwacht schaarde zich in het gelid en hield de
brandende lonten gereed.
„Pakt aan die twee knapen, en brengt ze naar het Stad-
huis," beval hij twee zijner onderhoorigen, die terstond aan
dat bevel gevolg gaven.
„En thans, gaat gijlieden naar huis en beproeft het nog
eenmaal hier een leven te schoppen, als eene Katwijksche
visschersbende aan de Vischbrug! Of meent ge, dat Leiden een
Spaansch legerkamp is, waar ge naar hartelust aan het muiten
kunt slaan ? Voort, voort! Een ieder ga naar zijne woning!"
„Wij zijn niet begonnen, Hopman," dus sprak Van "Wezel.
„Een van die twee bengels schold mij voor glipper en ver-
rader. Ik laat mij zoo iets niet aanleunen."
„En de ander heeft dezen turfdrager met eenen kei-
-ocr page 85-
71
AAN DOOVEMANS DEUR GEKLOPT.
steen bijna doodgegooid," liet de bierbrouwer zich hooren.
„Zoo die beide jongens aan eenig kwaad schuldig zijn, zul-
len ze ervoor gestraft worden," sprak van Bronkhorst bedaard.
„Doch hoe het zij, gijlieden gaat allen heen of ik jaag u met
geweld uit elkander."
De dreigende houding had uitwerking en de menigte ging,
hoewel morrend, uiteen.
„Gelukkig dat de knapen niet geroepen werden zich te
verdedigen, anders had het er slecht voor ons uit gezien,
Jurrie!" sprak de bierbrouwer.
„En zoo ze gesproken hadden, wat dan ? Zijn wij in Leiden
niet machtig genoeg, de zaken naar onzen zin te krijgen?"
„Wel, wat zijt ge een vreemdeling in Jeruzalem! Weet
ge dan niet, dat we te midden van dien grooten hoop van
oud en jong, niet veel sterker dan tien personen waren?"
„En het meerendeel riep: „sla dood!" Hoe is dat dan
mogelijk?" vroeg Jurrie.
„Dat is zóó mogelijk," antwoordde de bierbrouwer, „door
op een gegeven teeken te schreeuwen: „De bengel verkoopt
ons grove leugens," schreeuwden de anderen ook mee. Het
volk denkt niet door, Jurrie! Het handelt naar den indruk
van het oogenblik. Maar juist daarom kunnen we er niet
op rekenen. Nu zijn ze onze beste vrienden, en een half
uur later onze bitterste vijanden."
„Gemeene luiden toch, veranderlijk als de wind," zeide
Jurrie, en er klonk wat minachtends in zijne stem.
„Ja, maar goedgezinden, die zich laten betalen voor de
goede\' gezindheid zijn toch nog gemeener, zou ik zoo meenen,"
zeide de brouwer, die oprecht Spaanschgezind was, doch
daarom nog geen man was, die voor geld alles kon zijn.
Menschen, zooals die brouwer er een was, waren er zeer
veel, in Leiden en wanneer we later van hen hooren, dat
ze niet op de hand der Regeering waren, dan is het ver-
keerd om hen terstond van kwaadwilligheid of verraad te
verdenken. Zy meenden het eerlijk, als ze den Koning en
-ocr page 86-
72
AAN DOOVEMANS DEUR GEKLOPT.
diens Landvoogd getrouw bleven, en het was hunne vaste-
overtuiging, dat ieder, die het met den Prins hield, op den
dwaalweg was. Daardoor kwam het, dat de brouwer Jurrie haatte,
en toen deze riep: „Zeg dat nog eens, als ge durft," hem
brutaal toesnauwde: „O, nog twintigmaal, wanneer ge dat
zoo verkiest. Als men in het veen is, ziet men immers op geen
turf je!"
„Maar weet ge dan niet, Florisz., dat ik u aan de galg
kan brengen ? Hoe zou het u aanstaan, als ik den Magistraat
eens kennis gaf, wie er hier in de stad briefwisseling met
Valdez houdt?"
„En als men dan vroeg: „Hoe weet ge dat?" Zoudt ge dan
zeggen: „omdat ik de brieven bezorgd heb!" Maar, weet
gij dan niet, man, dat gij stellig, als vreemdeling, nog veel
gauwer aan de galg zoudt hangen spartelen, dan ik, die een
geboren Leidenaar ben?"
„Hoor eens, brouwer, als ge mij nog eens sart, bij alle
Heiligen, ik bezweer het u, dan zal ik alles bij de Vroed-
schap aanbrengen!"
„En dus leven tegen leven stellen? Och, ik ben daarom-
trent gerust, dat durft gij niet! Daartoe bezit gij den moed
toch niet! Maar laten we liever instede van elkander de huid
vol te schelden, op middelen zinnen om zelf intijds uit de
stad te komen of den Spanjaard in de stad te brengen!"
Hierop begonnen deze twee een gesprek en besloten samen,
om in den eersten tijd zich over niets uit te laten en de
kat uit den boom te kijken.
Zoodra ze echter van elkander gescheiden waren en hunne
woningen opzochten, bromde Jurrie: „Met dien brouwer is
het kwaad kersen eten. Hij gooit met de pitten en is zoo trotsch,
als die verwaande Don Martin D\'Ayala, die mij durfde
zeggen, dat ik een „ellendige bedelaar" of een „armzalige
schooier" ben. Maar ze moeten voorzichtig zijn met Jurrie
Thijsz., die er niet om geeft, wien hij dient, als er maar
geld gegeven wordt. Biedt die wederdooper Adriaensz., of
-ocr page 87-
AAN DOOVEMANS-DEUR GEKLOPT.                                 73
een ander mij meer, dan word ik zoo goed Prinsgezind als
er maar een is. Ha, ha, geld is de ziel van alle zaken!"
„De lage huurling," bromde Florisz., de brouwer, zoodra
hij alleen was. „O, konden we maar met open vizier strijden,
man tegen man! Maar daartoe zijn we in Leiden te zwak;
we moeten onszelven wel met listen inlaten. Maar dien
Jurrie en dien Pier, ja, ik haat ze en keer hun den rug toe,
waar ik Pieter Adriaensz. nog oprecht de hand druk. Hij,
Van Hout en Jonker van der Does en zoovele anderen zijn ten
minste oprechte tegenstanders, die niet veil zijn voor een
handvol gelds."
Zoo was het avond geworden.
En daar, in een donker hol van het stadhuis, een hol
waarin slechts een weinig licht door een vensterke van een
span in het vierkant viel, zaten twee knapen, die geen uur
geleden tegen elkander gezegd hadden: „Ik kan je missen,"
en „je bent mijn kameraad niet meer!"
Ja, dat hadden ze wel gezegd, maar gemeend toch niet;
want zonder elkaar iets te zeggen, hadden ze, zoodra ze
maar alleen waren, elkander de hand gegeven, en het ver-
bond van vriendschap vernieuwd.
Onbegrijpelijk was het intusschen, dat het meerendeel der
burgers en ook een groot deel van den Magistraat, niette-
genstaande dat, wat Cornelis verteld had, toch nog maar
altijd bleef gelooven, dat de Spanjaard niet terug zou komen,
gerust en vol vertrouwen de toekomst te gemoet gingen.
„Ik ga zien, dat ik wat slaap," zeide Cornelis.
„Dat is goed, want gij hebt vandaag een zeer moeielijk
werk gedaan, Cornelis," zeide Gerrit.
„Welk moeielijk werk dan?"
„Gij hebt aan eene doovemans-deur geklopt, Cornelis, en
dat werk is zwaar, want als men de knokkels op de eiken
paneelen ontveld heeft, dan heeft nog niemand geroepen:
„Ja, ik hoor! Kom binnen!"
-ocr page 88-
74
WAAR MOET HET HEEN?
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Waar moet het heen?
Dinsdag, de zesentwintigste Mei, was haast voorbij, want
het liep naar het uur van middernacht. In langen tijd was
er zoo laat in den nacht, niet zooveel volk op de been
geweest.
Het heette, dat de een den ander aangaande de geruchten,
die geloopen hadden, kwam gerust stellen; maar eigenlijk
was het bij de meesten een zekere angst, die hen naar de
wallen dreef om te luisteren, of er ook iets in den omtrek
gehoord werd.
„Wonderlijk," zeide Willem Cornelisz. Speelman tot een
ander, „wonderlijk toch, dat nergens iets te zien is van den
dikken brouwer en zijne kornuiten, Pier Quaet-Gelaet en
Jurrie Thijsz. Zouden die zich hebben . . . ."
„Verstoken ?" vroeg de ander. „Neen, dat geloof ik niet.
Ze zullen, als de voorspelling van de Prinsgezinden moest
uitkomen, de woede des volks niet hebben willen afwachten
en gevlucht zijn naar Jonker van Mathenesse de Wybisma,
die er roem op draagt het met Spanje eens en met Valdez
bevriend te zn\'n."
„Maar gelooft gij dan toch werkelijk, dat de Spanjaarden
terugkomen en onze stad belegeren zullen, Meester?"
„Ja, ik voor me-zelven houd het voor vast waar, dat ze
komen zullen. Maar dan behoede God ons Leiden! Waarvan
de burgerij alsdan leven moet, zoo het beleg wat lang moest
duren, dat weet ik niet! De Vroedschap heeft in deze zaak
kwalijk gehandeld!"
„Het kan zijn; maar het onbrak haar ook aan geld om
koren te koopen. Gij zult toch ook wel weten, dat ze reeds
den zesden van Wintermaand des vorigen jaars, order ge-
geven heeft tot Rotterdam koren te koopen met belofte, de
-ocr page 89-
WAAR MOET HET HEEN?                                    75
eene helft dadelijk te betalen en de andere bij het ontschepen
aan de kade!"
„Ik weet dat alles zeer goed. Maar al had de Regeering
honderd zulke orders gegeven, het is uit alles blijkbaar,
dat ze aan geen tweede beleg gelooft. Maar stil, hoe maakt
dat hoopken volks ginder zulk eene beweging?"
Het tierende troepje kwam al nader en nader. Voorop
gingen Cornelis Joppensz. en Gerrit Verlaen, ons Leeuwke,
die op voorspraak van Allertsz., op vrije voeten waren ge-
steld geworden. Nu togen ze in alle eer door de straten
heen en zongen beiden een welbekend spotliedje van die
dagen, waarvan het refrein van ieder versje:
Ons Patroon van Alven,
Sal u met sijner salven,
Bestrijcken also wel\'."
telkens door de menigte werd uitgegalmd.
„Ei zie," zeide Speelman op dit gezicht, „ei zie, hoe
wispelturig het volk is! Nog dezen middag wilde het beide
jongens van het leven berooven, en nu trekt men onder
woest getier met die jonge borsten door Leiden heen! Zóó
is het volk, veranderlijk als de wind bij een onweder."
Plotseling zweeg de menigte midden in het refrein en
klonk het gejaagde geroep van: „Waar zijn ze? Vanwaar
komen ze?" onheilspellend door de straat.
„Ze zijn hoogstwaarschijnlijk in karveelen over het Haar-
lemmermeer van Amsterdam hier gekomen. Maar hoe sterk
ze zijn en wie de Bevelhebber is, kan men niet onder-
scheiden," sprak de man, die het woeste gezang met zulk
eene slechte tijding kwam verstoren.
In een oogenblik waren de straten, grachten en pleinen
ledig. Wat loopen kon, spoedde zich naar den wal tusschen
de Zijl- en Hoogewoerdspoorten. Ieder meende wat te zien,
of te hooren, en allen wenschten, dat de dageraad maar
mocht aanbreken. Doch de uren verliepen niet sneller dan
-ocr page 90-
WAAR MOET HET HEEN?
76
anders en naar den algemeenen zin, maakte de dageraad
aan het martelend ongeduld der nieuwsgierigen al te laat
een einde.
Toen het helder dag was geworden zag ieder Leidenaar
tot zijn leedwezen te laat, dat de veste, die zoo slecht van
levens- en krijgsvoorraad voorzien was, voor de tweede maal
zou belegerd worden.
Het geleek, kort na het bekend worden van de komst
der Spanjaarden, wel eene dwaze onderneming van die dertig
burgers, onder bevel van den Kapitein Allertsz., om de be-
wegingen des vijands meer van naderbij te gaan verkennen.
Maar Allertsz. achtte het plicht van alles op de hoogte te
zijn, en het was hem niet genoeg in de duisternis te staan
gapen en zich tevreden te stellen met dat, wat de een zeide
gehoord en de ander vertelde gezien te hebben. Hij rekende
ook op den donkeren nacht, en al had hij over eene krijgs-
macht van zooveel duizenden manschappen, als er nu tien-
tallen waren, kunnen beschikken, hij kon niet met meer
moed de stad verlaten hebben dan nu. Onder hen, die aan
den gevaarlijken tocht deelnamen, waren ook Van Schaeck
en Van Keulen, die uit belangstelling voor de goede zaak
medegingen; want ze waren niet in een vendel ingelijfd.
Het is natuurlijk dat de menigte, na zich overtuigd te
hebben, dat de Spanjool teruggekeerd was, de moedige mannen,
die bij de duisternis uitgetrokken waren, met het oog trachtte
te volgen.
Ze behoefden echter niet lang te zoeken; want weldra
hoorde men duidelijk de schoten der haakschutters knallen,
een bewijs, dat de dertig mannen in eene heete schermut-
seling met eenige goed gewapende Spanjaarden waren. De
drift vee, die de dapperen hadden willen meevoeren, moest
prijs gegeven worden, en zonder eenig voordeel behaald te
hebben, kwamen vijfentwintig man terug. Onder de gevallenen
behoorde ook de moedige Bevelhebber Andries Allertsz.
Daar stond nu de menigte! Thans was het beslist, dat
-ocr page 91-
WAAK MOET HET HEEN?
77
men andermaal een beleg te gemoet ging, hetwelk door de
zorgeloosheid van den Magistraat en het krachtig drijven der
Spaanschgezinden uitgelokt was. De magazijnen ledig of half
vol, de krijgsvoorraad verre van toereikend, geene bezetting,
de Overste al gesneuveld, Spaanschgezinden mogelijk nog in
groot aantal in de stad, — ja, wèl was het niet te ver-
wonderen, dat de groote menigte verslagen en hopeloos de
bewegingen des vijands aanschouwde.
Zie, ginds gaan reeds drie vendels goed gewapende en in
den oorlog ervaren mannen, onder bevel van Don Louis
Gaetan, van Leiderdorp door de Weipoort naar Zoeterwoude!
Thans zien de Leidenaars hoe dwaas ze geweest zijn, de
schansen niet te slechten. De Spanjaard heeft ze maar binnen
te trekken, even als een burger een ledig huis. Het is om
radeloos te worden! Nu eerst wordt de Regeering wakker,
nadat zij zich inslaap heeft laten sollen door de voorwendsels
en redeneeringen van „Pier Quaet-Gelaet" en zijne vrienden.
In allerijl worden boden uitgezonden naar Den Haag, Delft,
Rotterdam en Dordrecht, in welke laatste stad, naar een
bericht dien dag ontvangen, de Prins van Oranje zich ophield,
nadat hij uit de Bommelerwaard terug gekomen was.
Het bericht, dat de uitgezondenen medebrachten, was verre
van geruststellend. De Prins liet hun weten, dat ze moesten
beproeven de belegering drie maanden vol te houden, dan
zou hij in dien tusschentijd naar krachtige middelen uitzien
om de stad te ontzetten. Om met den aanwezigen leeftocht
langer toe te komen, achtte hij het ook wenschelijk, dat de
Regeer ing de onnutte monden verwijderde, en, om de kleine
bezetting, die uit de burgerij en eenige vrijbuiters bestond,
te versterken vóór de stad geheel ingesloten was, gaf hij
bevel, de Engelschen, die te Alfen en te Gouwesluis lagen,
in te nemen.
Wat het verwijderen der onnutte monden betrof, hierin
besloot de Regeering eene wijziging te brengen, en gaf alleen
vrouwen en meisjes benevens jongens beneden de zestien
-ocr page 92-
78                                        WAAR MOET HET HEEN?
jaar verlof om zich naar andere plaatsen te begeven, zoo ze
dit wenschten. Weinigen schijnen van dat verlof gebruik te
hebben gemaakt, want op eene bevolkingslijst, die in de
eerste week van Augustus door de Bonmeesters opgemaakt
werd, komen meer vrouwen en kinderen voor dan er mannen
waren.
Inmiddels kwam uit Utrecht Don Martin D\'Ayala met
eene sterke afdeeling voetvolk en ruiterij het leger van Valdez
versterken. De bezetting Engelschen aan de Gouwesluis,
sloeg, onder aanvoering van hare dappere Bevelhebbers Ghens-
fort en Van der Laan, de bestormers driemaal af, doch toen
de ruiterij van den vijand het voetvolk telkens voorwaarts
drong, moest Ghensfort eindelijk de verdediging opgeven en
de schans voor de Spanjaarden ontruimen. Waren die van
Alfen niet zoo traag geweest, hunne makkers te hulp te
komen, misschien zou Ghensfort stand hebben kunnen houden;
doch toen de Alfenaars zich op weg begaven, hoorden ze
dat de schans al over was en keerden terug om wat later
op hunne beurt, zonder veel strijds, hunne sterkte prijs te
geven en alzoo den weg van Utrecht tot Holland voor den
Spanjaard open te stellen.
Met de verdediging van de sterkte te Valkenburg ging
het ook slecht. Wel werd er veel geschoten, doch van weers-
zijden vielen volstrekt geene dooden, zoodat de Leidenaars,
niet ten onrechte, vermoedden, dat de Engelsche troepen,
die ze op last van den Prins moesten innemen, met den
vijand heulden.
Toen na dit onbeduidende gevecht de Engelschen het op
een loopen zett\'en, weigerden die van Leiden hen binnen
te laten. Men liet hen buiten de wallen blijven, doch ver-
zekerde hun meteen, dat ze daar van alles zouden voorzien
worden. Deze ontvangst beviel den mannen zeer slecht,
waarom ze terstond tot den vijand overliepen, die hun eerst
alle mogelijke eer bewees; maar reeds den volgenden dag
dwong aan de schansen te arbeiden. Slechts een dertigtal
-ocr page 93-
79
WAAR MOET HET HEEN?
hunner was niet zoo laag, zich zoo aan den Spanjaard over
te geven, en verzocht nogmaals binnen de stad gelaten te
worden, hetgeen hun ook nu niet langer geweigerd werd.
Zóó ging Leiden zijne belegering te gemoet. Maar niet-
tegenstaande dat alles, bestond er vooreerst geen gevaar.
Men zag maar al te wel, dat de Spanjaard, wetende dat er
zoo bitter weinig levens voorraad in de stad was, besloten
had, de veste zoo lang te belegeren, tot de burgers door
den honger genoodzaakt zouden worden, de stad over te
geven. Men hoopte dus op den tijd, die komen zou, en
tegelijk op de hulp door den Prins van Oranje beloofd. En,
Leiden had nóg iets waardoor het sterk was. Zij, die het
met den Spanjaard hielden, of er mede heulden, waren, met
uitzondering van enkelen, uit de stad gevlucht. Het grootste
deel der bevolking, sprak met minachting over die glippers
en wierp al de schuld op hen, doch hunne eigen lichtge-
loovigheid brachten ze niet in rekening.
Zoo werd het Vrijdag, de achtentwintigste Mei.
Tengevolge der belegering stonden handel en nering bijna
geheel stil. De weverijen waren zoo goed als geheel gesloten
en de brouwerijen hadden nog minder dan half werk. Het
was derhalve geen wonder, dat iedereen tijd had, om overal
bij te zijn, waar iets aan de hand was, of dat de mannen
zich verzamelden om door allerlei gesprekken den ledigen
tijd te dooden.
„Hebt gij het al vernomen, Cornelis?" vroeg Gerrit zijnen
vriend, terwijl ze elkander op de Breestraat ontmoetten.
„Wat moet ik vernomen hebben?"
„Wel, dat er bij den Magistraat een brief van twee glippers
ingekomen is?"
„Neen, dat wist ik niet! En wie zijn er de schrijvers van?"
„Ja, voor vaste waarheid wil ik het u niet vertellen. Men
zegt, dat de brief afkomstig is uit Haarlem van Jan Adriaensz.
De Wilde en Ewout Arent Gerritsz., die daar nu veilig
onder Spaansche bescherming zijn."
-ocr page 94-
80                                         WAAR MOET HET HEEN?
„Ei, ei! Of ze slib zullen vangen die luiden! Wisten-ze
maar half hoe al de glippers tegenwoordig hier in een slecht
blaadje staan, ze zouden gewis tijd en moeite besparen en
niet schrijven. Doch ik heb ook iets! Weet gij al wie onze
Overste zal worden?"
„Neen, maar ik kan gauw namen noemen. Is het Jan
van Duivenvoorde, Andries Schot, Bart Havicksz., Nicolaas
Dircksz. van Montfoort, Jonker Jacob van der Does of zijn
neef Jonker Johan van der Does?"
„De laatste is het!"
„Maar is dat wel waar? Hij is nog zoo jong! Hij is vast
de jongste van al de Hoplieden! Zou hij wel al dertig jaar
oud zijn?"
„Hij is nog maar achtentwintig; maar wat beteekent het
of hij jong of oud is ? Jonker Jacob van der Does wilde het
op zijnen vergevorderden leeftijd niet meer zijn. Hij zag er
tegen op, en zeide, dat hij niet gehard was tegen den arbeid,
daaraan vast, om bij nacht en bij ontijde langs de straat
en op de vesten, waar de nood roept, de voorste te wezen.
En heeft hij geen groot gelijk? Vader zegt ook, dat we een
jong, krachtig, vroed en dapper man moeten hebben. En dat is
Jonker Johan van der Does, die de kaas niet van zijne boterham
zal laten halen; want hij heeft op zijn musket laten graveeren:
„Laet ons noch houden de wapenen in handen,
Opdat de naem van Vrije Landen,
Niet en gedie tot grooter schanden."
Morgen, zal hij verkozen worden. Maar stil, daar moeten
we bij zijn!"
Dit zeggende zett\'en de beide knapen het op een loopen
naar het stadhuis, waar eene groote menigte elkander voor
de pui stond te verdringen.
„Laat hooren wat de glippers schrijven," riepen de onge-
duldigsten uit den hoop.
„Ja, lees op, opdat we hooren welke schoone beloften ze
-ocr page 95-
81
WAAR MOET HET HEEN?
ons komen brengen en welke gouden bergen ze beloven,"
klonk het van elders.
„Stilte dan, mannen, als ge zoo raaskalt dan kunt ge hier
wel staan tot de Rijn droog geloopen is, zonder dat ge iets
hoort," riep Van Hout, die zich belast had met den inhoud
van den brief bekend te maken.
De nieuwsgierigheid legde allen het zwijgen op en daar
klonk het:
„Mijn heer en, die sonderlinghe affectie ende liefde die wij
dragen tot onse vaderlicke Stad, geaccompaigneert met eene
groote verschricktheyt en leedtwesen, is oorsake geweest u lnyden
te adverteren, te weten, dat wy versien dat myn Heeren ge-
schapen zijn in de extreme calamtie te vallen. .. ."
„Houd op, wij verstaan van dien poespas niets! Zeg
maar waar al dat geleuter op neerkomt," lieten velen
zich hooren.
„Welnu dan, eerzame burgers der vroede stad Leiden,"
hernam Van Hout, „de geheele zaak komt hierop neer, dat
zij ons aanmanen, ons aan den goedertieren Koning van
Spanje te onderwerpen, daar we uit gebrek aan leeftocht,
vroeg of laat, ons toch zullen moeten overgeven. Verder
hebben ze een goed woordje voor ons gedaan bij Mvjnheere
van Licques een seer beleeft, discreet en verstandich Heere,"
en ze eindigen met den wensch: „Biddende God den Heere,
dat hem gelieve u E. te inspireren svjne Goddelicke gratie,
teneynde ghy mocht hebben \'t gerechte verstant om alsiücken
uyre, die u tot deser tvjdt so avantagieus is, niet te willen met
quade perseverantie laten passere!"
„Daar moet een antwoord op gegeven worden, dat klinkt
als eene klok," zei Van Keulen, zoodra Van Hout zich
verwijderd had, en bijna ieder was het met hem eens. Maar
waarin ze het niet eens waren, dat was in den tijd van
verzending van het antwoord. Deze wilde het op staanden
DE SCHIPPEKSJONGEN.                                                                                                           6
-ocr page 96-
82                                         WAAR MOET HET HEEN?
voet, die stelde voor er eens rijpelijk over na te denken, «n
gene meende, het had al den tijd.
Zóó regeerde het volk op zijne manier mede, en hoewel,
vooral gedurende de belegering, de Magistraat zich wel eens
richtte naar de algemeene wenschen van het volk, nu had
hij reeds een besluit genomen, want spoedig werd het bekend,
dat de Regeering besloten had, reeds den volgenden dag
den brief te beantwoorden en wel zoo, dat de Glippers
begrijpen zouden, dat men binnen de stad niet naar hunnen
raad beliefde te luisteren.
Hiermede was bijna iedereen tevreden en na nog een en
ander met elkander besproken te hebben, ging de menigte
uiteen en verstrooide zich in de straten.
Reeds vroeg op den Zaterdagmorgen was men weer op
de been om den nieuw gekozen Overste, zoodra deze van
het stadhuis zou komen, te begroeten.
Maar instede van Jonker van der Does naar buiten te zien
komen, kwam Van Hout door eene der hoofddeuren op de
pui te voorschijn.
„Geef acht," riep de reeds meermalen genoemde Willem
Cornelis Speelman, „daar komt reeds het antwoord aan de
Glippers!"
„Ei, hoor me dien stoethaspel eens aan," zeide een, die
naast hem stond. „Neen, Meester, gij slaat den bal heelemaal
mis, man! Maar zeg, hebt gij nog duif kens te koop, van die
briefdragerkens, meen ik! Ik wilde . . . ."
„Och, houd toch den snater over duif kens en briefdrager-
kens ! Luister, liever wat ons medegedeeld zal worden, daar
hebben we meer belang bij," zeide Van der Morsch.
„Goede en lieve burgers der vroede stad Leiden," riep
Van Hout, „de huidige dag bracht ons andermaal eenen brief!"
„Laat hooren, laat hooren," joelde de menigte.
Langzamerhand werd de woelende menigte bedaard. Het
gegons, gebrom en geschuifel verminderden, en toen alles
stil was, klonk het:
-ocr page 97-
WAAE MOET HET HEEN?
83
Aen den Burgher-Meesteren, Regenten en de Raedt der
Stad Legden.
Lieve ende seer beminde Heeren ende Vrunden, ick gebiede
mijn t\' uwer liefden, \'t selve adverterende dat ick een brieve
bestelt hebben ter handen van Cousyn Gerrit Jansz. Be Man,
den welken ik . .. ."
Hier werd de lezer genoodzaakt te zwijgen door het ver-
vaarlijk geschreeuw van:
„Een Glipper! Een nieuwe Glipper! Aan de galg met hem!"
Van Hout maakte allerlei bewegingen om het volk tot
bedaren te brengen, en eindelijk schreeuwde hij, zoo hard
hem zulks mogelijk was: „Hij is geen Glipper, want zelf
heeft hij den brief ongeopend den Magistraat terhand
gesteld."
„Zeg ons van wien en vanwaar de brief komt," riep
er een.
„De brief komt uit Leiderdorp en is van Gerrit Hooch-
straten. Hij schrijft ons, dat hij op bevel van de Spaansche
Hopluiden ons den voorslag doet, de stad over te geven.
Verder zegt hij nog, dat de Drossaard van Wedden en
Gerard van Sighem op hand en tand beloofd hebben, dat
er niet meer dan twee vendelen knechten in de stad zullen
komen, en dat wij, zoo we geene Spanjaarden begeeren,
Duitschers kunnen krijgen. De Drossaard presenteert zijn
eigen persoon te stellen tot uwer verzekerheid. Maar onze
nieuwe Overste heeft hierop heel eenvoudig geantwoord:
„Fistula dulce canit, volucrem dum decipit auceps", dat
beduidt: „De vogelaar lokt het vogelken met zoet gefluit".
„Dat is mooi gezegd en kort ook! Bij Sint Pieter, die
Jonker van der Does is een man naar ons hart," riepen
een paar stemmen.
„Leve van der Does!" klonk het hierop uit Van Schaecks
mond, en het volk herhaalde dien juichkreet.
Toen het volk vernomen had van welken inhoud de
-ocr page 98-
84
"WAAR MOET HET HEEN?
brieven der Glippers waren en wat men daarop geantwoord
had, gingen velen naar de Cloveniers-doelen om daar in
handen van Meester Diederick van Bronckhorst, die door
den Prins tot Stadvoogd benoemd was, en van Schout,
Burgemeesters en Schepenen, den eed van getrouwheid af
te leggen. Men schijnt hiertoe gekomen te zyn, omdat men
vreesde, dat het volk al heel spoedig tot ontevredenheid
zou overslaan, daar het niet lang zou duren of er zou
honger geleden worden. Vandaar is het mogelijk wel, dat
velen weigerden dien eed te doen, en dat de Regeering de
oproeping herhalen moest, met bedreiging van straf, als
men er nu nog geen gevolg aan gaf. Om de ontevredenheid
der minderen geen voedsel te geven, werden al de weilanden,
die in den naasten omtrek van de stad lagen tot algemeen
gebruik verklaard en al het vee moest des avonds in de
stad gebracht en overdag door wachters beschermd worden
tegen eenen overval der Spanjaarden, die al zeer dicht
onder de wallen lagen. Voor dat weiden van vee moest
men, al had men zelf eigen weiland erbij, geld betalen en
iedere veehouder was verplicht op het stadhuis aan te geven
hoeveel koeien, kalveren, paarden, geiten of varkens hij had.
De prijzen van melk, boter, kaas, rogge-, gerste- en tarwe-
brood werden vastgesteld en niemand mocht zijne handelswaren
onder of boven die prijzen verkoopen. Was er verder reeds
vóór het beleg besloten om eene burgerwacht te paard op
te lichten, teneinde als ruiterij bij eenen uitval dienst te
kunnen doen, nu werd er aan dat besluit gevolg gegeven,
hoewel er niet ten onrechte zeer velen waren, die niet
begrepen, wat zulke onervaren ruiters zouden kunnen doen.
Het bleek dat de twijfelaars gelijk hadden, want de ruiterij
heeft niets gedaan dan gedurende eenige dagen de wacht
houden in de straten. Van meer belang was het dat men
iederen Leidenaar, die de wapenen dragen kon, als verdediger
der veste bij eene afdeeling schutterij indeelde, terwijl men
de varensgezellen eene afdeeling vrijbuiters liet uitmaken.
-ocr page 99-
WAAR MOET HET HEEN?
85
Gerrit Verlaen of Leeuwke liet zich als schutter in een
der vendels inschrijven, doch Cornelis Joppensz. bleef bij
zijnen Pleegvader, die liever vrijbuiter wilde zijn. Het duurde
echter niet lang of schutters en vrijbuiters deden, al naar
het zoo uitkwam, denzelfden dienst.
„Er wordt toch heel wat gedaan, Vader," zeide Cornelis
toen hij des avonds met zijne Pleegouders, broeders en
zusters aan de tafel zat om het avondmaal, dat bestond
uit roggebrood in de wei gekookt, te nuttigen.
„Ja, jongen, heel wat," sprak de Vader. „Één ding is
maar jammer."
„Wat, Vader?"
„Dat het mosterd na den maaltijd is. Hadde men terstond
na het eerste beleg gedaan, wat men nu doet, dan zouden
de acht- of negenduizend Spanjaarden, die nu de stad bijna
geheel insluiten, jaar en dag kunnen belegeren zonder de
stad te krijgen. Maar nu? Neen, Cornelis, nu voorzie ik
onuitsprekelijke ellende of— Leidens val, waarop dan Hollands
ondergang volgt."
Terwijl de Vader dit zoo zeide, zuchtte de Moeder luid,
en zwak klonk hare stem: „En alles is zoo duur en niets
wordt verdiend. Wat er nog opgehaald werd tusschen
Maart en Mei is schoon weggegaan met het betalen der
schulden in het eerste beleg gemaakt. Hier hebben we
half genoeg voor ons allen en toch voor meer geld dan
veertien dagen geleden. Waar moet het heen?"
„Waar moet het heen?" werd in alle wijken, in alle straten,
in alle huizen vernomen. Men hoorde den rijke zoowel als
den arme telkens met eenen diepen zucht die vraag doen
en nog eens doen: „Waar moet het heen?"
-ocr page 100-
8(5                                          MISLUKT ZONDAGSWEEK.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Mislukt Zondags-werk.
Het was een verrukkelijk schoone zomernacht. De maan
was zoo even opgekomen en wierp haar zacht licht dooi-
de straten van Leiden en over de schansen der belegeraars.
Op de wallen werd eene scherpe wacht gehouden, en zoo
vinden we in den voornacht tusschen den derden en vierden
Juni, tusschen de Hoogewoerds- en Koepoort, een jong mus-
ketier heen en weer loopen, nu en dan eens stilstaande
om naar buiten te kijken. Hij moest toch zorgen, dat de
vijand niet in alle stilte onverhoeds de wallen beklom.
Die jonge musketier was Leeuwke, en dat hij wat moest
zien, bleek uit zijn staren in de richting tusschen de Jaep-
Claesz-schans en de half voltooide Lammenschans, die reeds
bij het eerste beleg opgeworpen was aan den water-vier-
sprong, gemaakt door de ontmoeting van de Eoomburger
watering en de Zoeterwoudsche vaart, die beide daar ter
plaatse in eenen sterken bocht van den Vliet vielen. Was
deze schans eenmaal voltooid en bezet, dan zou de voor-
naamste waterweg van Leiden naar het zuidelijk deel van
Holland, dat nog niet aan de Spanjaarden onderworpen
was, gesloten zijn. Aan de vaarten en wateringen naar het
Haarlemmermeer had men zoo goed als niets, omdat Haar-
lem en Amsterdam in de macht der Spanjaarden waren.
De stilte, waarbij Leeuwke in de verte getuurd had,
werd eensklaps afgebroken door zijn gefluister: „Bedriegen
mijne oogen mij nu, of zie ik daar werkelijk wat tusschen
het gras der hooiweiden bewegen?"
Hij keek nog wat scherper en mompelde toen: „Neen,
nu zie ik het duidelijk, het is een man, die voortschuifelt."
De man naderde steeds meer en bevond zich weldra aan
de overzijde bij de gracht.
„Wie daar?" riep Leeuwke.
-ocr page 101-
MISLUKT ZONDAGSWEBK.                                          87
„Goed volk," antwoordde een man.
„Goed volk, goed volk! dat zei de dief ook, en haalde
Krelis Louwens\' hammen uit den schoorsteen. Wie zijt gij?
en van waar komt gij ?"
„Nu, het mag gezegd wezen, dat ge wakker op uwen
post staat, Leeuwke! Laat me maar gauw binnenkomen
eer de Spanjaard me nog terug komt halen!"
„Maar wie zijt ge dan toch?"
„Voor den satan, jongen, kent gij dan Jan Claesz. Boon
niet meer?"
„Ha! zijt gij die? Hadt me dat maar dadelijk gezegd!
En vanwaar komt ge?"
„Ik kom rechtstreeks van den Prins en heb goede tijding,
die Leiden opvroolijken zal! Maar het is kunst en vlieg-
werk de Spaansche wachten voorbij te komen! Die kerels
hebben kattenoogen en hondenneuzen!"
Leeuwke riep nu hierop iemand van de wacht, die onzen
bode de Koepoort zou openen.
Nauwelijks was Boon in de stad, of hij liep, wat hij loo-
pen kon, naar de Hooglandsche Achtergracht en liet den
klopper op de deur van Pieter Adriaensz.\' huis vallen.
Het duurde vrij lang eer hem werd opengedaan.
„Is de Burgemeester nog te spreken, vrijster?" vroeg luj.
„Jawel, maar op dit uur? Ik geloof, dat...."
„Ik geloof dat, als ge zegt, dat Jan Claesz. Boon in de
stad terug gekomen is met brieven van den Prins en eene
goede tijding op den koop toe, dat ik oogenblikkelijk binnen
mag komen!"
De meid ging heen en het was, zooals Boon gedacht had.
De Burgemeester stond hem terstond te woord. Ja, hij
deed meer dan dat. Onverwijld zond hij Boon naar een
paar andere Leden van den Magistraat, den Secretaris Jan
Van Hout en naar Jonker van der Does om hen op het
stadhuis te ontbieden.
Toen dezen verschenen waren, werden eerst de brieven
-ocr page 102-
88                                          MISLUKT ZONDAGSWERK.
van den Prins gelezen en vervolgens het goede bericht.
„Laat de klok luiden!" riep Pieter Adriaensz. „Vannacht
nog zal de burgerij weten, wat er in Zeeland gebeurd is!"
Dat gelui klonk vreemd in het midden van den nacht.
Verschrikt stonden de menschen op en vroegen of er
brand was.
„Neen, geen brand!" riep een, terwijl hij al vast voort-
liep. „Boon is met brieven van den Prins en nog eene
goede tijding in de stad aangekomen!"
Half aangekleed stond het volk zich voor het stadhuis
te verdringen, en toen Van Hout op de pui verscheen, be-
gon er al ras gevaar te bestaan, dat velen onder den voet
zouden komen, zoo trachtte ieder toch van nabij te ver-
staan welke die goede tijding was.
Juist was Leeuwke afgelost toen het klokgelui begon en,
zijn musket in eenen hoek van het wachthuis zettende en
de lont uitdoovende, liep hij, eigenlijk tegen het bevel in,
terstond de Hoogewoerd op en kwam, buiten adem, eindelijk
voor het stadhuis toen er bijkans nog niemand was. Daar-
door was hij een van de voorsten en kon hij uitmuntend
verstaan wat Van Hout bekend maakte.
„Goede lieden," dus begon hij, „zoo even is Jan Claesz.
Boon in de stad terug gekomen met brieven van den Prins.
Zijne Vorstelijke Genade betuigt daarin haren dank, dat gij,
zoo vol vertrouwen op het recht der goede zaak, besloten
hebt, deze, uwe veste te verdedigen. Al wat in het ver-
mogen van den Prins is zal hij doen om de Spanjaarden
te noodzaken, het beleg op te breken."
Een ontevreden gemor ontstond, want voor eene herhaling
van wat men wist, was het toch niet noodig, de menschen
uit hun bed te luiden.
„Maar er is nog beter nieuws," vervolgde Van Hout.
„Den dertigsten der vorige maand hebben die van Vlissingen
eene schitterende overwinning op de Spanjaarden behaald.
Op Zondagmorgen van den Pinksterdag heeft van Boisot met
-ocr page 103-
S9
MISLUKT ZONDAGSWERK.
zijne Geuzenvloot de Spaansche schepen, onder den Vice-
Admiraal Adolf van Heemstede, bij Antwerpen aangetast.
De Geuzen hebben wonderen van dapperheid verricht. Van
de tweeëntwintig schepen des vijands zijn er slechts acht
overgebleven, de overigen zijn verbrand of prijs gemaakt,
ja, men heeft den Vice-Admiraal zelfs gevangen genomen!
Ge ziet, burgers, de vijand is niet onoverwinnelijk, en de
onzen toonen, dat ze den Spanjaard niet meer behoeven te
vreezen! Houdt moed, burgers, God zal met onze goede
zaak zijn! Wij zullen zegevieren! Zoekt thans weder uwe
slaapsteden op en droomt van Leidens kloeke volharding
in dagen van strijd en nood!"
„Wat zegt ge daar nu van, Cornelis?" vroeg Leeuwke,
die zijnen vriend weldra gevonden had.
„Wat ik daarvan zeg, Gerrit? Ik zeg er dit van: „Laten
die malle Glippers nu voortaan maar zwijgen, en niet meer
zeggen, dat wij ons moeten overgeven, omdat de Spanjaar-
den toch zooveel sterker zijn dan wij! Mijne hand jeukt,
als ik denk hoe de Watergeuzen onder die Spanjolen heb-
ben huisgehouden! Ware ik er ook eens bij geweest, wat
ik dapper zou mee gedaan hebben!"
„Nu, ik ook! Maar wil ik u nog eens wat nieuws ver-
tellen? Jonker van der Does heeft een goed oogje op mij
en hij heeft mij vanmiddag gezegd, dat ik, als er eens
boodschappen buiten de stad moeten gedaan worden, ook
wel eens zal mogen gaan. En weet gij waaraan ik dat
meevallertje te danken heb?"
„Neen! Hoe zou ik dat weten?"
„Hu\' heeft me eens buiten met andere knapen slootje
zien springen en toen heeft hij verbaasd gestaan, dat ik
voor niet ééne sloot staan bleef, maar over alle heensprong,
met een loopje zoowel als met eenen verrejager (polsstok)."
„Ei, dan komt het toch te pas, wat gij geleerd hebt, al
zeide Meester Pieter Willemsz., de barbier ook eens: „Aap
van eenen jongen, gij wordt nog eens verdronken thuisge-
-ocr page 104-
00
MISLUKT ZONDAGSWEEK.
bracht." Ik zou ook wel graag boodschappen buiten de stad
willen doen. Ik vind het daar buiten in het vrije veld toch
prettiger dan altijd in de stad."
„Nu, wacht uwe beurt maar af; we zijn de Spanjaarden
nog lang niet kwijt. Nog iederen dag worden er nieuwe
schansen aangelegd en uit alles blijkt het, dat Valdez
de stad door uithongeren tot de overgave dwingen wil.\'\'
„Het is waarlijk niet te hopen, want nu reeds begint bij
sommigen, en ik durf gerust zeggen bij ons ook, Schraalhans
keukenmeester te worden. Wordt de belegering lang volge-
houden, dan sterft de halve stad van honger."
„Maar daar heb ik geen plan op," antwoordde Leeuwke.
„Ja, geen plan, geen plan! Als er niets te schransen
valt, dan moet men wel vasten."
„Ik vasten? Maar gij begrijpt toch levendig, dat ik dat
niet doe! Als er geen eten meer in de stad is, ga ik het
bij den Spanjool halen?"
„Ei, ei, hoe moedig! We zullen zien, als het zoo ver
komt, wat gij dan doet, kameraad! Maar ik ben hier vlak
voor mijn huis en daar ik vrij-man ben, ga ik nog wat
slapen! Dag, schutter!\'\'
„Wel te rusten, slaapbol," riep Leeuwke vroolijk en zocht
zijn wachthuis weder op.
Nauwelijks was hij aangekomen of hij vernam, dat Jonker van
der Does er geweest was, en dat die naar hem gevraagd had.
„En heeft hij geene boodschap achtergelaten?" vroeg
Gerrit, die eigenlijk wel wat in den knoei zat.
„Ja, hij heeft gezegd, dat ge na afloop van de wacht eens
bij hem aan huis moest komen," was het antwoord.
Met brandend ongeduld wachtte de knaap het uur af,
dat hij vertrekken kon, en toen dat geslagen was, haastte
hij zich om te vernemen, wat zijn Overste hem te zeggen
kon hebben, waarbij, naar het scheen, zulk eene haast was.
„Zoo, Gerrit, zijt gij daar? Dat is goed, jongen! Ik heb
iets heel gewichtigs te vragen. Zijt gij gauw bang?"
-ocr page 105-
MISLUKT ZONDAGSWERK.                                           91
„Voor alles, wat vleesch en beenderen heeft, niet, Overste;
maar voor geesten . . .."
„Met geesten zult ge niets te maken hebben! Ge weet
dat door het onverwachte beleg verscheidene burgers, die
op reis waren, buiten de stad gesloten zijn, niet waar?"
„Dat weet ik, Overste! Daar heeft men onder anderen
Thijsz. den goudsmid, Liefkens den wever uit de Baaihal,
Geert Soet den timmerman . . . ."
„Juist, om Geert Soet is het te doen. We hebben van
Geert bericht gekregen, dat hij van plan is om te Ter
Gouw eenige schepen uit te rusten, ten einde ons hiermede
van leeftocht te voorzien. Nu heeft hij gevraagd of wij hier
uit de stad hem wilden doen weten, wanneer wij gereed
zouden zijn, hem te helpen. Hij zou de Spanjaarden bij de
schans te Zwieten aanvallen, terwijl wij met de schepen
onzer vrijbuiters den Rijn zouden opvaren om hem bij te
staan. Zoudt ge nu naar Ter Gouw durven gaan en hem
de boodschap brengen, dat wij op Zondag, dus overmorgen,
met den noen zullen vertrekken?"
„Graag, Overste; maar zal Geert Soet mij gelooven?"
„Hij kent Leeuwke," antwoordde van der Does. „Doch
om nu zeker te zijn, dat alles goed uitkomt, zal ik u een
briefken meegeven. Wanneer wilt gij vertrekken?"
„Ik ben gereed als Uwe Edelheid beveelt," antwoordde
de knaap vol moed en ongeduld.
„Durft ge dat tochtje overdag ook beproeven?" vroeg
hierop van der Does.
„Overdag nog beter dan des nachts, Overste! Des nachts
houdt men mij voor een spion en is de wacht scherper;
maar overdag is dat het geval niet zoo erg!"
„Dat geloof ik ook. Doch waar zult ge dan het briefke
verbergen? Gij begrijpt, dat moet niemand bij u kunnen
vinden."
„Wel, Overste, ik moet toch eenen verrejager mede-
nemen. Als het briefje nu niet te groot was en in een
-ocr page 106-
92
MISLUKT ZONDAGSWEEK.
naaldenkoker kon, dan zou ik den verrejager van onder uit-
boren, daarin den naaldenkoker met het briefje steken en
dan de opening van onder met pek dicht maken. Het kon
dan niet nat worden en de Spanjaard vindt het nooit, al
krijgt hij den polsstok in handen."
„Dat is slim bedacht, knaap! Ga nu naar huis en zorg
dat gij over een uurtje met eenen verrejager hier zijt. Het
briefje zal ik klein genoeg maken om het in eenen niet al
te grooten naaldenkoker te steken."
Op den bepaalden tijd, het kon zoo omstreeks drie uur
in den middag zijn, was Gerrit bij Jonker van der Does
terug. Het briefken werd, opgerold in den ijzeren naalden-
koker, die schroefvormig sloot, geborgen en daarna in de
opening onder aan den polsstok geschoven, waarna alles
met pek gesloten werd. Wanneer de stok maar een paar
keeren met de modder in aanraking was geweest, zou de
slimste man er niets van kunnen zien.
Na den moedigen knaap aangemaand te hebben toch
vooral voorzichtig te zijn, liet van der Does hen ver-
trekken.
Later zullen we wel zien hoe Leeuwke zich van zijne
taak kweet. Wij volgen liever Cornelis, die Leeuwke tot
aan van der Does\' woning vergezeld had, op zijnen weg
naar huis. De knaap was ontevreden dat er voor hem zoo
weinig te doen viel, en hij meende dat hij, als hij zich
ook maar bij de Schutter-vendels had laten inschrijven, nu
mogelijk wel inplaats van Gerrit met die boodschap buiten
de stad belast zou zijn geworden.
„Goed dat gij thuiskomt, Cornelis," zeide zijn Pleegvader.
„Er is werk aan den winkel. Aanstaanden Zondag zullen we
met eenige plempen of tentsnebben eenen uitval doen om
eene korenvloot uit Ter Gouw binnen te loodsen."
„Zondag, Vader? Hoe komen ze juist aan dien dag?"
„Ik denk dat de Magistraat zóó geredeneerd heeft: „De
Calvinisten vieren den Sabbat streng, dat weten de Span-
-ocr page 107-
MISLUKT ZONDAGSWERK.                                          93
jaarden en daarom zullen ze juist op dien dag geenen
uitval verwachten. Ze zullen minder waakzaam zijn en
onze kans van slagen wordt er grooter door." Het is te
hopen, dat alles gelukt, want dan kan onze stad het een
heel poosje tegen den Spanjaard vol houden. Kom, ga mee,
we moeten onze schuit gereed maken voor — oorlogsschip.
Wel, wel, wie had dat ooit van mijn eenvoudig scheepken
durven denken?"
Pleegvader en zoon verlieten terstond hunne woning en
begonnen met allen, die zich als vrijbuiter aangemeld hadden,
alles voor den uitval gereed te maken.
Heel Leiden was vol hope en zag de graanzolders reeds
tot instortens onder den last gevuld.
Het liep tegen den Zondagmiddag.
"Wat vrijbuiter was of schippersgezel, was in beweging.
Allerwegen zag men levendige belangstelling in hetgeen
ondernomen stond te worden; want men gevoelde het, dat
het in aller belang was, dat deze tocht met eenen goeden
uitslag mocht bekroond worden.
Nauwelijks waren de kerken uit en hadden de belegerden
God gedankt voor de overwinning der Zeeuwen bij Antwerpen,
en gebeden om Zijnen zegen op het werk, dat ondernomen
stond te worden, of allen begaven zich naar het oude
Schuitenveer bij de Hoogewoerdspoort, om de plempen en
schouwen, waarmede men die van Ter Gouw ter hulp zou
komen, te zien vertrekken.
„Hoe staat ge daar en kijkt, alsof ge Vader en Moeder
vermoord hebt, Meester ?" vroeg een man aan eenen kloeken
zestiger, die Deken van het smidsgilde was.
De Deken schudde in antwoord op die vraag het hoofd
en zeide: „Het gaat niet! Het kan niet gaan!"
„Wat gaat er niet? Meent gij dat de tocht niet goed
bestuurd wordt ? Ho, man, heb daarvoor geene vrees! Barend
Comelissen Van Keulen is er bij en Van Schaeck ook. En
als die er maar bij zijn, dan . .. ."
-ocr page 108-
94
MISLUKT ZONDAGSWERK.
„Dan mislukt de tocht nog, als Gods zegen er niet
op rust I"
„En we hebben in de kerk . . . ."
„We hebben in de kerk om Zijnen zegen gebeden, wilt
ge zeggen! Ja, dat weet ik wel! Maar denkt gij dan,
Moerman, dat een dief verhoord zal worden, als hij in het
gebed aan God vraagt, of Hij hem helpen wil in zijn boos
bestaan ?"
„Dat zou dwaas zijn! Maar zij wij dan dieven? Hebben
die van Ter Gouw niet alles eerlijk gekocht? Ontrooven
wij het den Spanjool? Heeft bovendien de Eerwaarde Petrus
Cornelius ook niet met lof over deze onderneming ge-
sproken?"
„Zeker, zeker! Maar Peter Cornelius is ook een mensch.
De booze heeft zijn harte bekoord, zoodat hij ziende niet
ziet en hoorende niet hoort!"
„Maar, man, ge raaskalt! De onderneming zal gelukken!"
„Ze zal niet gelukken," riep nu de smid. „Wij zijn
dieven, ja, eerlooze dieven van den rustdag. Wij zijn
Sabbat-schenders en doen te kort aan het gebod: „Gedeckt
den Sabbatdag, dat gij denselven heylight!"
„Ho, ho, Meester! Gij drijft de zaak te ver, veel te ver.
Zoo gij dezen morgen in de kerk geweest waart, dan. . . ."
„Ik ben er geweest, man, ik ben er geweest! Maar ik
bedroef mij als ik zie, hoe zelfs onze Leeraren het voorbeeld
van den Prins van Oranje volgen, en hem nastreven om
er even luchtig over heen te loopen, als hijzelf. Neen, dat
zou onze volijverige Petrus Dathenus u anders zeggen!
Maar wat praat ik tegen dooven! Gij zult het zien, Moerman,
niet alleen op dezen tocht zal het ons tegenloopen, maar
alles wat de Leidenaars voortaan ondernemen, zal verkeerd
uitkomen!"
Na dit gezegd te hebben schudde de oude man diep
zuchtend nog eens het hoofd, beschouwde nog eenmaal het
gewoel op het water en aan den kant en ging toen heen.
-ocr page 109-
95
MISLUKT ZONDAGSWERK.
Het was twaalf uren en de schuiten werden van den
wal losgemaakt.
De voorste was die van den Utiechtschen beurtman,
waarop Barend Cornelissen Van Keulen en Cornelis Joppensz.
de hoofdpersonen waren.
Onder het luid gejuich der bevolking staken ze van wal.
Aller oogen zagen hen na, zoover ze konden en in bijna
aller hart rees de wensch, dat ze spoedig, rijk-geladen en
in grooter aantal, mochten terugkomen.
De woelende massa verspreidde zich hierop door de stad
om weldra weer eens naar het Schuitenveer terug te komen,
ten einde te zien of er nog geene plempen of schouwen
waren wedergekeerd.
Men liep den ganschen middag op en neer, en zoo ongeveer
des avonds te negen uren, stond de heele kade vol volks.
Men had geen schieten gehoord en zij, die op den stadhuis-
toren geklommen waren, hadden bericht, dat zij niets van
een gevecht ontdekt hadden.
Eindelijk vertoonde zich eene schouw, vervolgens nog eene,
nog eene, en nog eene! Men telde het aantal en... . er
kwamen evenveel terug, als er uitgegaan waren.
Zoo ver mogelijk liep men ze tegemoet, en zoodra er
berekend werd, dat de vrijbuiters verstaan konden, wat er
geroepen werd, begonnen ze te vragen:
„Waar zijn die van Ter Gouw?"
„Ze zijn niet gekomen! De tocht is mislukt," luidde het
antwoord.
Dat was eene tijding, die de hoopvolle harten ineens
ontmoedigde. Men wist nu genoeg. Wat ging het de menigte
aan, of ze ook te weten kon komen tot hoe ver de vrij-
buiters geweest waren; wat de mogelijke oorzaak kon zijn,
dat Geert Soet zijne beloften niet gehouden had? De
plempen en schouwen kwamen ledig terug, en Leiden
zou mogelijk aan den hongersnood prijs gegeven worden!
Wee! Wee!
-ocr page 110-
96                                         MISLUKT ZONDAGSWEEK.
„Gelooft ge me nu nog niet, Moerman?" vroeg de smid.
„Weg, ongelukskraaier, weg," riep deze, maar kon toch
de gedachte niet van zich zetten: „zoo de man eens waar-
heid gesproken hadde! Arm Leiden dan!"
Bij het vastsjorren der plempen en schouwen waren
slechts enkelen tegenwoordig en onder deze was ook van
der Does.
„Dat is dan bijster slecht afgeloopen, Cornelissen!"
„Ja, Overste, dat is het. Maar wat in het vaatje is ver-
zuurt niet. De Spanjolen hebben ons uitgelachen zoo hard
ze konden; maar al moest ik er alleen op uit, en al ver-
gezelde mij niemand, ik zal het hun met bebloede koppen
betaald zetten! Bijlo, dat zal ik, of mijn naam is niet
Barend Cornelissen Van Keulen."
„Dat is gemakkelijk te zeggen, maar te doen? Jongen,
de Spanjool is geene kat om zonder handschoenen aan
te vatten!"
„Al ware hij Satan in persoon, Overste, eer het jaar
twee dagen ouder is, zult gij vernemen, dat ik een man
van mijn woord ben!"
„Nu goed, goed! Maar zeg, zoudt gij ook half de be-
rekening kunnen maken, hoe het komt, dat Geert Soet en
de zijnen zich te vergeefs hebben laten wachten?"
Barend haalde de schouders op, sjorde zijne schuit veel
steviger vast dan noodig was en zeide: „Dat is onmogelijk
juist te bepalen. Men kan alleen zoo wat naar de waarheid
gissen!"
„Nu ja, het spreekt vanzelf, dat we de waarheid eerst
later te weten zullen komen. Het zou dwaas van mij zijn,
die van u te willen weten! Maar wat vermoedt gij dan,
dat de oorzaak van dezen mislukten tocht is?"
„Ik denk dat Leeuwke de boodschap niet goed heeft
overgebracht, of wel, dat hij door den Spanjaard is opgelicht!
En, duid me deze vrijmoedigheid niet ten kwade, Overste,
maar de Magistraat, zoowel als Uwe Edelheid, was wel wat
-ocr page 111-
MISLUKT ZONDAGSWEBK.                                          97
onvoorzichtig zulk eene gewichtige boodschap te laten ver-
richten door een groot kind!"
Cornelis vond het niet prettig, dat zijn Pleegvader over
Gerrit zoo min dacht, want hij, Cornelis, was ervan ver-
zekerd, dat Gerrit zijne boodschap goed gedaan zou hebben,
of, in handen van den vijand gevallen was. Hij trachtte
zijnen vriend dan ook van alle schuld vrij te pleiten, doch
Van Schaeck, baloorig en nijdig, dat de vrijbuiters als
kwajongens teruggekeerd waren zonder iets uitgevoerd te
hebben, gaf Cornelis zulk eenen uitbrander, dat de knaap
stellig zijn „goed woordje" voor Gerrit wel zou ingehouden
hebben, zoo hij geweten had, dat Vaders muts zóó ver-
keerd stond. Het ergste was wel, dat zyn Vader hem
verweet, dat hij nog een wicht was, dat het stroo van
de wieg nog achter de ooren had zitten. En dat in tegen-
woordigheid van Jonker van der Does! En dat tegen hem,
die met trots een koperen half maantje op de muts droeg
ten teeken, dat hij een "Watergeus was! Waarlijk, het was
al te erg, en bij nader inzien zou Van Keulen begrijpen,
dat hij iets gezegd had, dat hij niet verantwoorden kon.
De tranen sprongen Cornelis in de oogen en hij ver-
wijderde zich schaamrood zoo spoedig hij kon. Hij sloop
naar de wallen, waar hij niet komen mocht, omdat de
Magistraat bevolen had, dat geen enkel burger, die geene
schuttersdiensten deed, op de wallen mocht verschijnen.
Dat bevel was noodig geweest, want de vrije burgers hadden
menigmaal zonder daartoe vergunning te hebben, ja, zonder
iets van de behandeling van het gebrekkige geschut af te
weten, een doelloos schot op den vijand gelost. Dat was
kruit vermorsen geweest, en tegelijkertijd had men den
vijand getart tot wat anders dan belegeren. Neen, honger-
lijden vond men in alle gevallen verkieselijker, dan dat er
storm geloopen werd, want als dat gebeurde zou de vijand
denkelijk wel overwinnen, omdat hij tegen ongeoefende
mannen te strijden had.
DE SCHIPPERSJONOEN.                                                                                                          7
-ocr page 112-
98                                          MISLUKT ZONDAGSWERK.
Zonder door iemand weerhouden te zijn, kwam hij echter
op den wal en zijne blikken naar het vijandelijk kamp
slaande, balde hij de vuist en bromde: „Leelijke Spanjool,
gij zult ondervinden dat Vader mij genoemd heeft een
wicht met wiegstroo achter het oor. Gij zijt er de schuld
van, maar betaald zetten, zal ik het!"
Erg opgewonden liep hij nu naar huis, en hij was zóó
boos, dat hij zelfs weigerde te eten en zoo naar bed ging,
om daar zijn hart, in alle stilte, in tranen lucht te geven.
In het eerst kon hij den slaap maar niet vatten, en toen
hij eindelijk afgemat van het woelen, de oogen sloot, begon
het in zijnen droom: dwars door de vest en rechtuit-
rechtaan op eene schans! Twintig soldaten stonden gereed
hem dood te slaan; maar met Leeuwke\'s verrejager gewapend,
sloeg hij links en rechts om zich heen. Al de Spanjaarden
gingen op de vlucht, en hij wilde ze achtervolgen. Hij
voelde dat hij vallen zou, — hij zag de soldaten met hunne
lansen in de hoogte hem nu afwachten! Ho, daar viel hij,
een geweldige schreeuw en .... hij tuimelde uit het bed en
lag op den grond.
„Wat doet ge, Cornelis?" riep Moeder Willempje verschrikt,
terwijl ze haar hoofd buiten de bedstee-gordijnen stak. „Word
wakker!"
„W-w-wel-die-die Spanjolen, die Span-Spanjo-jo-len!"
„Cornelis, Cornelis! Word wakker!" riep zij nog eenmaal.
Cornelis was half slaapdronken op de been gekomen en
smeet nu in het duister eenen stoel om.
„Maar, zeg, jongen, wat zoekt ge dan toch?" riep zij nu
in drift uit.
„Niets, niets, Moeder! Ik dacht dat de Spanjolen,-ik-ik-ga
al naar bed; maar ze hebben me toch niet-ge-gevangen,-ze-
heb-ben-misge-ge-stoken!"
En half droomende stapte hij weer in het bed.
„Bemoei u niet met den jongen, vrouw," zeide Barend;
„hij droomde. Maar hij ligt nu weer voor anker."
-ocr page 113-
EEN DUUR SLAAPJE.                                             99
Thans viel Comelis werkelijk in eenen diepen slaap, tot
hij tegen het aanbreken van den morgen wakker werd.
Even als vóór het beleg, stond hij op, kleedde zich aan en
ging de straat op.
Daar klinkt een voetstap, hij ziet op en ... .
„Zoo, Comelis, al wakker?"
„Ja, Gerrit, maar waar komt ge vandaan ?"
„Daartoe heb ik nu geenen tijd om het te vertellen. Is
uw Vader al op?"
„Neen, nog niet. Hij zegt dat hij, als hij op is, zich
loopt vervelen."
„Nu, roep hem dan! Er is voor jelui vandaag wat te doen !"
„Voor jelui? Dus voor mij ook?"
„Als gij ten minste niet bang zijt, ja zeker!"
„Nu, kom dan zoolang maar in de gang, dan zal ik
Vader roepen!"
De beide jongens traden binnen en, terwijl de Vader
opstaat en zich aankleedt, hebben wij tijd om met den
moedigen Leeuwke de heen- en terugreis van Leiden tot
Ter Gouw te maken.
We willen dat liever zoo vertellen, alsof wijzelven den
tocht met Gerrit mede gemaakt hebben, inplaats dat we
naar Gerrit luisteren, die zijnen tocht op zijne manier aan
Comelis verhaalt.
TIENDE HOOFDSTUK.
Een duur slaapje.
Het was Vrijdag, den vierden Juni, omstreeks zes uur
in den namiddag, dat we langs den Hoogen-Rijndijk, tusschen
de Eidderhofsteden Swieten en Rhinenburg, eenen stoeren,
flinkgebouwden jongen zien loopen. Hij heeft eenen polsstok
-ocr page 114-
100                                           EEN DUUR SLAAPJE.
of zoogenaamden verrejager in de hand en vervolgt, een
deuntje fluitende, zijnen weg.
Van den kant van Rhinenburg ziet hij een paar Spaansche
Officieren aankomen, en het hart popelt hem van onrust,
als hij denkt, dat deze, nu hij zoo gelukkig tusschen de
vijandelijke schansen tot hier gekomen is, hem zullen
ophouden of, erger nog, hem in het verhoor zullen nemen.
Hij heeft echter reeds vooraf een plan gemaakt, wat hij
in dat geval doen zal en zet bij voorbaat een jammerlijk
gezicht, terwijl hij eene hand voor het hoofd houdt.
Mijne lezers hebben zeker Leeuwke herkend.
Daar zijn de Officieren bij hem en, hen heel nederig
groetend, wil hij voorbij gaan.
„Ho, knaap," zei de een, „kunt gij niet spreken, als gij
menschen groet?"
„Jawel, Senor!"
„Zoo, en waarom doet gij het dan niet?"
„Ik heb zulk eene hevige hoofd- en kiespijn, Senor,"
was Leeuwkes antwoord en hij zette er zulk een onnoozel
en dom gezicht bij, dat de Officier, die hem aangesproken
had, uitriep: „Die jongen is niet wel bij het hoofd!"
„Of een volleerde deugniet, die ons praatjes wijsmaakt
en mogelijk wel uit Leiden komt," sprak de ander.
Leeuwke verstond hem zeer goed en vroeg nu met nog
onnoozeler gezicht aan den eerste: „Wat zegt Uwe Edelheids
kameraad, Senor?"
De vraag was zóó leuk en het: gezicht zóó dom, dat
beide Officieren in eenen luiden lach uitbarstten.
„Hoe heet gij, bengel?" vroeg de eerste alweer.
„Ik heet Hannes Hannesz, zooals mijn Vader heet en ik
kom uit Voorschoten. Mijn Vader is daar ketelboeter en
mijne Moeder wascht voor het volk van Capitano Carion.
Hi-hi, ze maken veel goed vuil die mannen. Moeder zegt
dat ik veel schooner ben, ja, zeker, dat zegt ze."
„En wat moet gij hier doen als gij te Voorschoten woont ?"
-ocr page 115-
-ocr page 116-
EEN DUUR SLAAPJE.                                           101
„Ik ga naar Hasaertswoude, Senor! Daar woont eene
vrouw, die helpt alle menschen van de kiespijn af door
wrijven, en ik wil naar die vrouw!"
„Maar dan maakt gij eenen grooten omweg, jongen!"
Dat was waar, maar Gerrit liet zich zoo gauw niet van-
gen en zeide: „Ik had voor den trompetter uit Don Carions
vendel eene boodschap aan den Vaandrig van den Drossaart
van "Wedde, die te Leiderdorp ligt, Senor!"
„En uw Vader is ook soldaat ?"
„Neen, Senor, Vader is ketelboeter!"
„Wat is dat: een ketelboeter?"
„Ja, ziet u, Senor, als Uwe Edelheid eenen kapotten
ketel heeft, dan zet Vader er een lapje op, of hij soldeert
het gaatje. Dat doet hij wat goed, dat zeggen de soldaten
van Don Carion ook, maar ze betalen niet."
„Och kom, ga maar meê, Diala," zeide de ander. „Die
knaap is niet recht wijs! Wat staat ge met dat bedelpak
te snappen?"
„Hij kan toch wel degelijk een spion of overlooper uit
Leiden zijn," merkte de ander aan.
„Denkt ge dan, bij San-Jago, dat die uit Leiden een kalf
zullen overzenden? Als ik u was, nam ik den knaap mee,
en bracht hem bij Valdez in de legertent! Wie weet welk
eene belooning er op zat!"
„Als de Heeren nu soms eenen ketel mochten hebben, die
gelapt moet worden, willen ze het dan maar laten weten?
Dan kom ik zelf hem halen! Zoo waar als ik zeg, Duitsche
Pier lapt ook ketels, maar die komt ze niet halen en hij is
ook veel duurder dan ...."
„Loop met heel je ketellappers-famielje naar de ga
bengel!" zeide Diala en volgde zijnen vriend, die reeds
heen gegaan was.
„Dat is weer door eenen zuren appel gebeten," dacht
Leeuwke en vervolgde zijnen weg.
Dicht bij Rhinenburg lag een bierhuis waar de schippers
-ocr page 117-
102                                            EEN DUUK SLAAPJE.
dikwijls aanlegden tot het afgeven van pakjes en ook wel
eene kan bier dronken. De tavernier was een geheim aan-
hanger van den Prins en reeds stond Leeuwke gereed om
daar binnen te gaan vragen, hoe hij veilig verder kon gaan,
toen hij in de gelagkamer vier Spaansche soldaten en „Pier
Quaet-Gelaet" zag. Deze herkende hem ook terstond en
riep, terwijl hij opsprong: „Op, mannen, vat dien bengel!
Dat is een spion uit Leiden!"
Leeuwke had de woorden van den Glipper niet meer
verstaan, want hij was terstond op den loop gegaan en
snelde, zoo vlug als zijne beenen hem dragen konden, de
naburige hofstede Rhinenburg op.
Daar vond hij eenen nieuwen vijand in eenen grooten
wachthond, die hem blaffend te gemoet sprong. De Span-
jaarden volgden met veel geschreeuw; maar toen dacht de
hond zeker, dat de grootste schreeuwers ook de grootste
kwaaddoeners waren, en Leeuwke latende loopen, keerde
het dier zich om en vloog eenen Spanjaard naar de keel.
Deze, op zulk eene vreemde ontvangst niet voorbereid,
tuimelde achterover, en zou zeker door den hond van kant
gemaakt zijn, indien zijne kameraads hem niet in allerijl
waren komen helpen.
Het kostte moeite den van pijn schreeuwenden Spanjaard
van den woedenden hond te bevrijden en, toen het razende
dier eindelijk dood aan hunne voeten nederlag, was Leeuwke
in het bosch, dat achter de huizinge lag, en tot aan het
Galgeveld zich uitstrekte, ontkomen.
Maar, waar nu heen?
Den weg opzoeken, dat was te gevaarlijk! Hij wist
immers niet of de Spanjaarden daar in den omtrek kruisten,
"Waren er ook geene Spanjaarden in het dorp?
Zoo besluiteloos in het hem onbekende bosch heen en
weer loopende, telkens vreezende, dat hij den eigenaar of
iemand van het huis ontmoeten zou, die hem misschien
wel voor eenen dief, of iets ergers nog, zou aanzien, begon
-ocr page 118-
103
EEN DUUR SLAAPJE.
hij te denken, dat hij, eenmaal hier zijnde, nu maar wach-
ten moest tot het vallen van den avond. Hier in het bosch
tusschen het hout, zou men hem niet gemakkelijk vinden,
meende hij.
Dat was de knaap van weinig ondervinding, die zoo han-
delde; want hij had toch lichtelijk kunnen begrijpen, dat
de aanval van den hond en de achtervolging van vier Span-
jaarden en eenen Glipper de aandacht op hem moest laten
vallen.
Maar gelukkig voor Leeuwke was het, dat de Heer van
Rhinenburg niet thuis was, en dat de Spanjaarden te veel
met hunnen kameraad te doen hadden, om den vluchteling
in het geboomte op te sporen. Daardoor kwam het dat hij
ongestoord in het bosch blijven kon, tot het donker genoeg
was om te wagen verder te gaan.
Zh\'n eerste werk was nu uit het bosch te komen. Op
goed geluk ging hij rechtuit en kwam eindelijk aan eene
vaart, die te breed was om er over te springen. Daar lag
aan de andere zijde eene baggerschouw, en zonder zich
lang te bedenken, ging hij de vaart door naar den over-
kant. Ze was dieper dan hij vermoed had; want in het
midden begon hij plotseling te zakken. Leeuwke gaf onwille-
keurig eenen schreeuw en begon allerlei bewegingen in het
water te maken. Eindelijk was hij, waar hij zijn wilde;
maar hoe hij er gekomen was, dat wist hij niet! Hij rilde
van de koude, en gaarne zou hij ginder op een van de
huisjes, waarin hij licht schemeren zag, afgegaan zijn, om
zich bij een goed vuur te warmen en een stuk brood te
vragen; maar hij durfde niet.
Goede raad was duur; wat moest hij nu doen?
„In vrede," dacht hij, „maar dwars de weilanden over."
Hij stapte dus voort, doch kwam weldra weer aan eene
breede wetering, die hij waagde over te springen. Hij nam
echter den sprong te kort en kwam dicht bh\' den kant
andermaal in het water terecht.
-ocr page 119-
104                                            EEN DUUR SLAAPJE.
„Ho, jongen, wat doet gij daar? Hoe komt gij hier? Wie
zijt gij ?" riep eensklaps een man, die daar te visschen
stond en Leeuwke uit het water op den kant hielp.
Het was een oud man en zijne stem had zoo vriendelijk
geklonken, dat de knaap zich geen oogenblik bedacht, maar,
het was onvoorzichtig genoeg, alles zeide, wat hem op het
hart lag.
„Ik heb medelijden met uwe jaren, knaap, en ik zal u
niet verklikken; maar weet, dat Klaas Koot den opstand
tegen onzen wettigen Vorst verfoeit, en dat hij der Moeder-
kerk is trouw gebleven. Maar ik bleef ook mensen, jongen,
en daarom zal ik u helpen, al ben ik overtuigd, dat ik
door dat te doen, de zaak van Willem van Oranje bevoor-
deel en de mijne kwaad doe. Gij vraagt naar Spanjaarden,
nietwaar? Nu, ze zijn in mijn huis en het is voor hen, dat
ik op mijnen ouden dag, in den laten avond, nog uit vis-
schen ga. Ik heb nu nog al eene tamelijke zoö en kan dus
ophouden! Ik ga vooruit en een kwartier daarna klopt gij
aan. Dan ben ik uw Oom Klaas en gij zijt?"
„Gerrit, goede man!"
„Best, neef Gerrit, die naar Boskoop moet om mijne
zuster te zeggen, dat uwe Moeder ziek is! Begrepen ? De
Heere vergeve me deze leugens. Maar het is zooals ik zeg,
ik heb medelijden met u, ik wil u niet ongelukkig maken!
Dus, zooals afgesproken is!"
De oude man pakte zijn vischtuig bij elkander en ging
heen, een oogenblik later door Gerrit gevolgd.
Wel keken de Spanjaarden vreemd op toen een jongen,
van onder tot boven bemodderd en doornat, binnentrad.
Maar zij geloofden het sprookje, dat hij opdischte en lieten
hem zelfs vrij goeden Spaanschen wijn uit hunne Messenen
drinken, om ook van binnen wat warm te worden. En dat
was hard noodig, want Leeuwke rilde en beefde zoo, dat
hij haast op de beenen niet kon blijven staan, en zijne
tanden klapperden, alsof hij eene harde koorts kreeg.
-ocr page 120-
105
EEN DUUR SLAAPJE.
De oude Koot had spoedig een vuur gebouwd, alsof er
een os op gebraden moest worden en zeide: „Nu, neefje,
gij weet den weg! Daar hangen mijne Zondagsche kleeren !
Gij trekt die natte uit, die kunnen dan hier drogen. Onder-
wijl eet gij met ons van den baars mede, en als dan uwe
kleeren weder droog en in orde zijn, gaat gij maar dadelijk
naar Boskoop; want zuster Mina zal er vast van opzien,
als ze het hoort!"
Leeuwke had zich spoedig in de veel te ruime kleeding
van zijnen zoogenaamden Oom Klaas gestoken en diens
vrouw, „Meu Sientje," die hem nog droog ondergoed gegeven
had bovendien, zeide toen hij weer in het vertrek kwam:
„Toe, neefje-jongen, eet maar! Gij zult ervan opknappen,
dat zult gij!"
Leeuwke liet zich niet tweemaal noodigen en daar hij
Roomsen was, verried hij zich ook niet bij het gebed, dat
hij vooraf deed. Hij at als een delver en dronk als een
tempelier, terwijl de Spanjaarden gul genoeg waren hem
de beste visschen en de grootste boterhammen te laten.
Een paar uren later ging Leeuwke heen en nog nimmer
had hij meer welgemeend, dan op dit oogenblik, gezegd:
„God vergelde het u!"
Nu was er voor hem geen gevaar meer. Hier aan deze
plas, De Cat geheeten, was de uiterste wachtpost der bele-
geraars.
Met vernieuwden moed vervolgde hij zijnen weg midden
door het dorp. Niemand hoorde hem daar; want alles was
er reeds in diepe rust.
"Wel had hij gaarne naar den weg gevraagd, maar daar
hij nergens eenig leven ontdekte, ging hij, toen hij het
dorp uit was, op goed geluk altijd maar rechtuit.
Na een half uurtje geloopen te hebben, kwam hij bij de
eerste huizen van Boskoop aan. Eenmaal daar zijnde, wist
hij goed den weg; want hij had de Gouwe dikwijls genoeg
bevaren.
-ocr page 121-
106
EEN DUUR SLAAPJE.
Zonder ergens gestoord geworden te zijn, kwam hij mid-
den in den nacht in Ter Gouw.
Gelukkig wist hij waar Geert Soet vertoefde, en onbe-
schroomd den klopper op de deur latende vallen, stond hij
op de stoep te wachten tot hem zou worden opengedaan.
Dat duurde nog al lang en terwijl hij daar zoo stond,
begon hij na te denken over alles, wat hem den verloopen
dag gebeurd was. En de slotsom was?
„De Spaanschgezinden kunnen toch ook hartelijk en braaf
zijn en de Spanjaarden zijn ook menschen, die het zoo
kwaad niet meenen!"
Arme jongen, hoe spoedig zou hij ondervinden, dat dan
toch vast niet alle Spanjaarden zulke goedige menschen
waren, als die welke hij bij Klaas Koot ontmoet had.
Eindelijk werd de deur even geopend en toen hij op de
vraag, vanwaar hij kwam en wie hij was, geantwoord had,
dat hij uit Leiden kwam en Gerrit Verlaen heette, werd
hij terstond binnengelaten.
Zoodra men uit het medegebrachte briefje, dat geheel
ongeschonden was, vernam, dat ze Zondag tegen den noen
eerst te Leiden verwacht werden, behoefde er niet zulke
eene haast gemaakt te worden, en daarom maakte Leeuwke
een gretig gebruik van het verlof om gerust te gaan slapen.
Het is waar, de jongen lag maar op eenen stroozak en
onder een paar paardendekens, doch dat voelde hij niet,
want nauwelijks had hij zich uitgekleed en zijne moede
leden op het harde bed uitgestrekt, of hij sliep! Of hij
droomde, ja, ziet ge, dat weet ik zoo juist niet te zeggen;
maar dat is zeker, dat Geert Soet, toen hij hem des mor-
gens te acht uren kwam wekken, in den slaap hoorde zeg-
gen: „God vergelde het u!"
Waar het hart vol van is, daarvan loopt, in den slaap
zelfs, de mond vaak over.
Er was handen vol werks; want de buiten-geslotenen
wenschten zooveel binnen de stad te brengen, als hun maar
-ocr page 122-
EEN DUUH SLAAPJE.                                           107
mogelijk was. Dertig schuiten werden volgeladen met aller-
hande levensmiddelen benevens eenigen voorraad van kruit
en lood.
Het zou natuurlijk onmogelijk geweest zijn met deze be-
zending voorbij de Gouwesluis of Alfen te komen, en daarom
had men naar andere wegen uitgezien.
De Baljuw van Hasaertswoude, een man aan de zijde van
den Prins, had aangeboden om de vaartuigen, mits ze niet
te breed en te lang waren, langs eene binnenvaart, den Span-
jaarden onbekend, uit de Gouwe in den Rijn te brengen.
Hy kwam des avonds te Ter Gouw aan en zeide, dat hij
twee mannen besteld had, die hen nu verder zouden voort -
helpen. De een zou vooruitgaan en de Koppieren-kade door-
steken, terwijl de andere achter zou blijven om hun den vol-
genden morgen den weg te wijzen.
Een oogenblik later kwamen de beide mannen aan.
„G\'n avond, Heer Baljuw! Mooi weertje, hè, al zeg ik
het zelf," zeide de een.
„Ja, Schooneman, dat is het. Verdient gij nog al graag wat ?"
„Dat zou ik gelooven, Heer Baljuw, hoe meer hoe liever,
al zeg ik het zelf!"
„Nu best, dan moet ge vannacht de Koppieren-kade bij
het Rietveld doorsteken!"
„Ai, Heer Baljuw, als ze me snappen, dan ben ik er bij,
gloeiend bij ook, al zeg ik het zelf!"
„Ze zullen je niet snappen, Schooneman, ga maar gerust
uwen gang! Het is immer de Baljuw zelf, die het u beveelt."
„Ja, maar Heer Baljuw, hoeveel----nu, de Heer Baljuw
begrijpt me wel!"
„Gij verdient er drie stuivers per uur aan, en ge blijft
er, tot hier uw kameraad met deze schuiten aankomt."
„Dat is goed, Heer Baljuw, maar hoeveel verdient mijn
kameraad Touw, als ik weten mag ?"
„Daar hebt gij immers niemendal mee te maken, Schoo-
neman?"
-ocr page 123-
108                                            EEN DUUR SLAAPJE.
„Dat is te zeggen, niemendal mee te maken? Als Touw
precies zooveel verdient, als ik, dan wil ik wel hier blijven
en morgen dezen luiden den weg wijzen. Al zeg ik het
zelf, ik ben niet voor ruzie! Hi-hi-hi!"
„Nu, wees maar gerust, Schooneman! Uw kameraad Touw
verdient maar twee stuivers in het uur! Hoe denkt gij er
over? Gauw hoor, niet of wel!"
„Wel, dan zal ik maar gaan, Heer Baljuw! Voor drie
stuivers per uur wil ik graag een pak ransel oploopen, al
zeg ik het zelf!"
Schooneman ging heen om zijn werk te verrichten. Om-
streeks middernacht kwam hij aan de genoemde Koppieren-
kade en begon ijverig te werken. Tegen acht ure hiermede
klaar zijnde, keek hij op; maar nog kwamen de schuiten niet.
„Weet-je wat, ik ga een tikkie doen! Zoo den heelennacht
in de kousen, neen maar, een mensch is een mensch, een
paar uurtjes slapen en dan toch tweemaal drie, dat is zes
stuivers verdienen, — goed dagwerk!"
Na dit bij zichzelven gezegd te hebben stond hij op en
ging een eind van den dijk af in een boschje liggen slapen.
Het was negen uren en daar kwam Touw met de schui-
ten aan. Ja, de Koppieren kade was doorgestoken, maar,
waar was Schooneman?
„Schooneman! Schooneman!!!"
Geen antwoord.
Nog eens, maar veel harder: „Schooneman!!!"
Nog geen antwoord.
„Zou de zaak aan de Spanjaarden verraden zijn? Zouden
ze den arbeider gevangen hebben genomen?"
Ja, niemand wist hierop wat te zeggen.
Er werd gezocht, hier, daar en overal, behalve in het
boschje, dat een paar minuten verder lag en waarin de lui-
wammes lag te slapen, dat hij ronkte.
De schuitenvoerders belegden nu raad en eindelijk besloot
de meerderheid, dat men zou terugkeeren.
-ocr page 124-
EEN DUUR SLAAPJE.                                           100
Touw ontving zijn geld en ging naar huis in de gedachten,
dat Schooneman, zeker al lang thuis zou zijn of, bij den
Spanjaard achter de tralies zou zitten kijken.
Tegen den middag werd de slaper wakker. Hij stond op,
keek naar de zon, zette een strootje, als zonnewijzer tus-
schen de vingers en zei: „Twaalf uur, jongens, dat is een
voordeeltje. Ik reken van gisteren-avond zeven uur. Vijf en
twaalf is zeventien, dat is zeventien keer drie.... eenen-
vijftig stuivers! En nog zijn de schuiten er niet! Dat heet
ik nog eens de kaas snijden, al zeg ik het zelf!"
Zijn slaap was over en hij begon heen en weer te loopen;
maar hoe graag hij ook drie stuivers voor het uur kreeg,
toch begon het nu te lang te duren. Eindelijk nam hij zijn
strootje weer te baat en rekende uit, dat het al zes uur was.
Hij wachtte nog een uur en ging toen heen, natuurlijk
rechtstreeks naar het huis van den Baljuw om te zeggen,
dat ze niet gekomen waren en of hij vierentwintig maal drie,
dat is tweeënzeventig stuivers mocht hebben.
„Wat?" bulderde de Baljuw. „Jij tweeënzeventig stuivers!
Pak je weg, lummel! tweeënzeventig stokslagen, ja! Waar
zat-je toen de schuiten kwamen?"
„De schuiten zijn er niet geweest, Heer Baljuw! Ik ben
tot van avond zes uur aan de Koppieren kade geweest!"
„En van morgen om negen uur waren de schuiten er al!
Hebt gij dan geslapen?"
„Hé ja, Heer Baljuw, ik heb wel een tikkie gedaan, al
zeg ik het zelf, maar___"
„Ongeluksvogel, die je bent," bulderde de Baljuw, „jij met je
tikkie! Kom hier, dan zal ik je tweeënzeventig tikkies geven!"
„Als het geene stuivers zijn, houd ze dan zelf maar, Heer
Baljuw!" zeide Schooneman en liep zoo hard, als zijn luie
beenen hem dragen konden, naar huis.
„Dat was een duur tikkie," bromde hij, „maar nooit meer
zulke baantjes, hoor! Daar zal ik geene vette soppen mee
weeken!"
-ocr page 125-
110
EEN DUUR SLAAPJE.
Door de verregaande onvoorzichtigheid van dezen huisman,
was dus de geheele onderneming in duigen gevallen.
Leeuwke kon niet verdragen, dat men hem misschien ver-
denken zou van zijne boodschap niet goed gedaan te heb-
ben, en daarom ging hij, hoe men er ook op aandrong, dat
hij blijven zou, tegen den avond, in eenen Spaanschen wacht-
mantel gedoken, op pad naar Leiden. In zijnen stok had hij
nu weer een briefje en hierin werd gemeld dat de schuld
niet aan hem lag, maar dat door eenen boeren arbeider, die
was gaan slapen, inplaats van wakend op zijnen post te
blijven, de onderneming geheel en al mislukt was.
„In den donker zijn alle katjes grauw," zegt men wel
eens en daar vandaan zal het dan ook wel gekomen zijn,
dat hij onderweg door eenen Waal, uit het leger van Valdez,
als Spaansch soldenier, werd aangesproken.
Van dezen vernam hij, dat den volgenden dag van Am-
sterdam over het Haarlemmermeer een nieuwe voorraad
levensmiddelen voor het Spaansche leger zou aankomen, en
de Waal wist er zoo veel van te vertellen, en hij zeide alles
zoo zonder erg, dat Leeuwke begreep, dat het vast waar
moest zijn.
Sluipend tusschen het lange gras en met zijnen verrejager
over de slooten springende, kwam hij gelukkig de wacht-
posten door en voor de Koepoort aan.
Natuurlijk was zijn eerste gang naar Pieter Adriaensz.
van der Werff, den Burgemeester, en toen naar Jonker van
der Does. Beiden hadden hem gezegd, dat hij eens bij Van
Keulen moest aanloopen om hem een en ander te vertellen,
en vooral het laatste niet te vergeten, en, omdat hij nu een
paar dagen lang aan zoovele vermoeienissen was blootge-
steld geweest, gaf van der Does hem dezen dag en den
volgenden nacht vrij van den dienst.
Hoe hij dien vrijen dag gebruikte, zullen we in het vol-
gende hoofdstuk zien.
-ocr page 126-
111
ZONNESCHIJN EN REGEN.
ELFDE HOODSTUK.
Zonneschp en regen.
Maandag, de zevende van Zomermaand, zou voor de be-
legerden een heldere, zonnige dag zijn.
Weer popelden de harten, ja, weer werden de oogen
vochtig, toen van het Utrechtsche veer andermaal eene
menigte schouwen, plempen en tentsnebben zich in bewe-
ging stelde.
Dat was eene vloot, eene oorlogsvloot binnen Leiden!
Wie had het ooit kunnen denken, dat die eenvoudige
vrachtschuiten nog eenmaal in kleine oorlogsbodems zouden
herschapen worden, en dat de traag-stroomde Eijn eene
kleine vloot, met vrijbuiters bemand, op zijnen rug zou
dragen ?
En wie waren de voorsten van den tocht?
Die daar met zijne breede schouders, zijn dik behaard aan-
gezicht en den hoed met breeden rand op het hoofd, is
Vader Van Keulen. Dat kleine, dikke kereltje, wiens oogen
als twee kooltjes vuur van onder de borstelige wenkbrau-
wen komen kijken, is Van der Morsch en naast hem staat
Van Schaeck, die in kordaatheid en lichaamskrachten voor
zijne andere twee makkers niet onderdoet. De beide vrien-
den Cornelis en Leeuwke, staan bij het roer en aan den
glans, die op hunne blozende aangezichten ligt, is het te
zien, dat zulk een tocht een kolfje naar hunne hand is.
Langzaam gleden de kleine vaartuigen langs het water
en kwamen ongemerkt voorbij de Spanjaarden, die te Lei-
derdorp lagen, om een weinig verder, en wel bij de Does-
brug de Does op te varen.
Alles ging naar wensch en op het Haarlemmermeer ont-
moetten ze de vijandelijke schepen. Aan het vermeesteren
van dezen buit was niet veel eer te behalen; want de schip-
-ocr page 127-
112                                       ZONNESCHIJN EN REGEN.
pers, die allerlei levensvoorraad aan de Spanjaarden moesten
brengen, waren gedeeltelijk daartoe eenvoudig gedwongen,
daar zij aan de zijde van den Prins van Oranje waren en
alleen uit vrees den Spanjaard gehoorzaamden. De overige
schippers, die het met de Spanjaarden hielden, hadden op
geenen overval gerekend, en zoo kwam het, dat bijna alles,
zonder bloedvergieten in handen der vrijbuiters viel. Bij het
terugkeeren zou hun moed echter op eene zware proef ge-
steld worden. Bij de Doesbrug gekomen, gaven ze het af-
gesproken teeken aan de Leidenaars, dat dezen zich gereed
zouden houden tot eenen uitval.
En het was wel noodig ook; want de Spanjaarden hen
met den roof ziende aankomen, begonnen hen heftig te be-
stoken.
Onder hen, die de Spanjaarden dapper bijstonden, behoorde
ook „Pier Quaet-Gelaet."
„Leeuwke, Leeuwke!" schreeuwde Cornelis, „daar hebt
ge dien verrader, dien akeligen Glipper! Toe laten wij samen
hem zijne bekomst eens geven!"
„Dat is goed," riep Leeuwke, „dien schelm nemen wij
voor onze rekening, en als het maar een weinig meeloopt,
dan kan hij zijn testament wel schrijven ook!"
„Voor den Satan, daar is de ketelboeters-jongen van Voor-
schoten!" schreeuwde een Spaansch Hopman. „Vangt hem,
mannen, levend of dood!"
„Hoort ge het, Keesje, ze willen me vangen, als een
spreeuw! Hier pak aan je lootje, en als gij niet genoeg
hebt, opperbest, man, dan kunt gij nog meer krijgen," riep
Leeuwke en sloeg den naderenden Spanjaard eenen haak op
het hoofd.
Intusschen was Van Schaeck op het voorste gedeelte van
zijne schuit aan den slag. Zijn eenig wapen was een ouder-
wetsch, verbazend groot slagzwaard, doch dat wist hij zoo
goed te hanteeren, dat de Spanjaarden hem niet aan het
lijf konden komen.
-ocr page 128-
113
ZONNESCHIJN EN KEGEN.
„Frisch op, jongens!" riep hij. „Cornelis, gij levert van-
daag uw proefstuk, verstaat gij ? Dan is Vader Van Keulen
tevreden."
„Dat zal ik," antwoordde Cornelis, terwijl hij met de
kolf van zijn musket de vijanden niet alleen van zich af-
hield, maar hen zelfs met wonden deed terugdeinzen.
Daar klonk het schot van eene veldslang langs het water,
en onder de Spanjaarden begon eenige verwarring te ontstaan.
Zoodra de Leidenaars het afgesproken teeken gezien had-
den, werd er terstond alarm geklept en eenige oogenblikken
later werd er een uitval gedaan aan de Hoogewoerds- en
de Zijlpoort.
Toch was de worsteling hevig en vooral op de schuit van
Van Keulen.
Cornelis had zijn musket weggesmeten en even als Leeuwke
eenen haak genomen.
Daar haakte hij eenen vijand in de kleeren en deze tuimelde
in den Rijn, doch kwam onder het vallen los.
„Het is Pier!" riep Cornelis en springt overboord. De
worsteling van die twee was niet gelijk, doch Cornelis hing
den Glipper letterlijk met hand en tand om den hals.
„Wacht, Keesje, ik zal een handje helpen," riep Leeuwke en
zijnen haak in Piers wambuis slaande, zeide hij : „Al zachtjes
aan, dan breekt het lijntje niet! Kom een beetje dezen kant
op, beste jongen!"
„Bengels, laat me los en ik geef ieder zooveel geld als
gij maar hebben wilt," schreeuwde Pier.
„Ik heb geld genoeg, man, al leef ik geen half uur meer!
Kom hier, engel, ik heb een kostelijk appeltje met je te
schillen," riep Leeuwke.
Hoe Pier ook tegenspartelde, hij moest het opgeven en
voor de twee koene jongens zwichten.
Daar tuimelde de laatste Spanjaard door Van Schaecks
zwaard doodelijk getroffen, in het water.
„Wacht jongens, ik zal dat katvischje eens even aanboord
DE SCHIPrERSJONOE.V.                                                                                                           8
-ocr page 129-
114                                       ZONNESCHIJN EN EEGEN.
helpen halen! Dat is eene mooie vangst, zei.de jongen en
hij haalde eene waterrat uit de fuik. Kom aan, een-twee-drie!
welkom aanboord, Pier! Nog welvarende sedert den laatsten
tijd, dat we elkander gezien hebben? Maar man, wat zit
het haar verward! Het lijkt wel een braambosch. Hier
Leeuwke, pak hem bij den kop, en jij, Cornelis, houd zijne
voeten vast, dan zal ik hem eens even den pols voelen en
naar zijne gezondheid vragen," spotte Van Schaeck.
Pier deed, wat hij kon, om zich uit het geweld dezer drie
te verlossen en mogelijk zou het hem gelukt zijn ook, als
Van der Mosch en Van Keulen niet toegeschoten waren.
Thans zat er voor den Glipper niets anders op dan zich te
laten knevelen, en met gejuich werd hij met den rijken buit,
door de Leidenaars ontvangen.
Zoodra Cornelis aan wal was, liep hij, zoo vlug zijne ver-
moeidheid hem dit toeliet, naar huis. Hij smeet de deur open
en vloog zijne Moeder om den hals.
„Dat is eerst een dag geweest, Moedertje!" riep hij. „We
hebben den Spanjool tarwe, rogge, honderdvijftig vaten boter,
driehonderd hammen, honderd vaten bier, vijftien veldstuk-
ken en nog wat kruit en lood op den koop toe, ontnomen!"
„Kind, kind, is het wel waar? En wilt ge mij niet blijde
maken met eene doode musch?"
„Neen, Moeder, het is waar, heusch en warempel waar!
En dan hebben we nog wat! We hebben „Pier Quaet-Gelaet,"
den Glipper, ook! Dag, Moeder!"
„Waar gaat gij dan nu weer heen, kind?"
„Ik moet toch zien, wat er met Pier gebeurt," riep Cor-
nelis en was al op straat.
„Naar den Blauwen-steen, mannen, naar den Blauwen-
steen," hoorde Cornelis roepen toen hij op de Breedstraat
kwam, waar honderden mannen en vrouwen zich van den
Glipper hadden meester gemaakt en zich niet stoorden aan
de bevelen van enkele Hoplieden, die zeiden, dat het uit-
oefenen van het recht aan den Magistraat toekwam.
-ocr page 130-
ZONNESCHIJN EN REGEN.                                        115
Eindelijk wist Jonker van der Does met zijne schutters
de razende menigte tot staan en Pieter Van Wezel in
handen te krijgen. Hij zag echter zeer goed in. dat het
volk tot oproer zou kunnen overslaan, zoo men aarzelde
den Glipper terstond zijn verraad met den dood te doen
bekoopen. Hij liet dus den Magistraat zoo spoedig mogelijk
roepen en midden op straat bij den Blauwen Steen werd
de Glipper eerst ontpoorterd en daarna op eene buitengewoon
wreedaardige wijze terdood gebracht.
Die Blauwe Steen lag in de Breedstraat tegenover de
Maarsmansteeg en werd altijd tot dat doel gebruikt.
Toen men den volgenden dag zag, dat de vijand weer
druk in de weer was om de Lammenschans te voltooien,
werd het volk, opgewonden door het krijgsgeluk op het
Haarlemmermeer en op den Rijn, overmoedig en het meende,
dat men even goed, zoo niet gemakkelijker, eene schans
kon vernielen, als eene vloot met levensmiddelen binnen
brengen. De Magistraat helde ook tot dat gevoelen over, en
daarom werd er besloten om met zes plempen eenen uitval
te doen om het voltooieen van die schans te beletten. Weer
vochten onder hen, die den uitval deden, Van Keulen, Van
Schaeck, Van der Morsch en de beide jongens als leeuwen;
maar ze werden genoodzaakt met verlies van vijf man en
vier hunner plempen terug te trekken.
Dat was de eerste donkere dag der belegering, en, er
zouden er nog meer komen.
Tot nog toe hadden de Leidenaars hunne kool- en war-
moestuinen, die buiten de Rijnsburger-poort lagen, door
eene schans bij de Poelbrug tegen den vijand beveiligd,
doch op Dinsdag, den vijftienden Juni, namen de Span-
jaarden, die van Voskuyl kwamen, de schans in, zoodat de
belegerden thans voor een groot gedeelte van versche
groenten verstoken waren.
Het begon er dus voor hen, die daar binnen waren, met
den dag al donkerder en donkerder uit te zien, en niet-
-ocr page 131-
■ 116
ZONNESCHIJN EN REGEN.
tegenstaande de Prins van Oranje en de Staten des Lands
gedurig middelen wisten te bedenken om binnen de belegerde
stad bericht te brengen, dat er allerlei pogingen werden
aangewend om den vijand, die zich zoo aan alle zijden van
de stad genesteld had, te verjagen, en zoo het beleg te
doen ophouden, werd de moed der arme burgers daardoor
niet zeer aangewakkerd. Een nauwkeurig onderzoek deed
uitkomen, dat de heele voorraad koren slechts honderdtien
last bedroeg, en daar de Regeering weinig geloof sloeg aan
de goede uitkomsten van de pogingen, die tot ontzet werden
aangewend, besloot zij de burgerij op rantsoen te moeten
stellen. Ieder, die op wacht moest, kreeg iederen dag een
pond brood en zij, die daarvan bevrijd waren, moesten zich
met een half pond tevreden stellen. Van hen, die voor
meer dan veertien dagen leeftocht in huis hadden, kocht
men de eetwaren op. Weldra ontstond er ook gebrek aan
munt-specie, en hoewel men niet, evenals in het eerste
beleg, tot het slaan van papieren geld zijne toevlucht nam,
ging men er toch toe over geld te slaan naar het model
van den stempel, die bij het eerste beleg gediend had om
de papieren munt te maken. Aan de eene zijde stond weer
trots den tegenstand der Predikanten bij het eerste beleg,
„Haec Libertatis ergo" en aan de aan de andere zijde was
het stadswapen, om hetwelk de letters N. O. V. L. S. G.
J. P. A. C. stonden. Het waren de aanvangletters van
eenige Latijnsche woorden, die beteekenen: Penning, geslagen
in de belegerde stad Leyden onder het bestuur van den Dow-
luchtigen Prins van Oranje.
In den buitenrand stond: Godt
behoede Leyden.
Deze munt was achtentwintig stuivers waard.
Op een kleiner muntstuk, dat veertien stuivers waarde had,
stond een leeuw met een zwaard in den eenen en het
wapen der stad in den anderen klauw en in den rand de
spreuk: „Pugno pro Patria," dat is: ik strijd voor het vaderland.
Aan de keerzijde stond Lugdunum Batavorum, welke naam
men in het Latijn aan Leiden geeft. Behalve deze, had men
-ocr page 132-
117
ZONNESCHIJN EN REGEN.
ook nog koperen stukken met het omschrift: Heere ontfermt
Holland ende salight Leyden.
De gevolgen der insluiting openbaarden zich hoe langer
hoe meer, zoodat men besloot om opnieuw eenen bode naar
den Prins te zenden. De koene Leeuwke had zich andermaal
tot dien gevaarvollen tocht beschikbaar gesteld, en gewapend
met zijnen verrejager ging hij op Maandag, den vijfden Juli,
op weg.
„Wat zijt gij toch gelukkig, dat gij altijd zulke bood-
schappen moogt doen, Gerrit," zeide Cornelis, die zijn
vriend weer naar de wallen bracht. „Vader beschouwt mij
nog altijd als een kind, en hoe ik hem ook vlei om eens
te mogen uitgaan, het is al om niet! Als straks de be-
legering gedaan is, zal ieder den mond vol hebben van
Leeuwke, en ik, die eveneens wil doen zooals gij doet, ik
zal vergeten worden!"
„Hei, hei, wat ge vandaag niet doen moogt, dat moogt
ge misschien morgen, Cornelis! Geloof me, kameraad, er
is nog meer dan genoeg voor het mes. Maar zeg, als ik
eens niet terugkwam, en de Spanjaard mij gevangen nam
en doodde, zoudt gij dan mijnen dood willen wreken, Cornelis ?
En ... . ja, zoudt gij dan ook voor mijne lieve Moeder en
de anderen willen zorgen? Voor Moeder en zus Gonda
vooral!"
„Ja, zeker zou ik dat! Twintig Spanjolen voor één Leeuwke!
Maar ge zijt veel te slim en te vlug om in hunne handen
te vallen! Dat zal niet gebeuren," antwoordde Cornelis.
„Slimheid en vlugheid doen wel veel, Cornelis, maar
niet alles, en het spreekwoord zegt niet ten onrechte: „Een
vlieghe die vlocht soe langhe om die keerse, datsie daer
ten lesten een mael in valt." Het kan dus best gebeuren
dat ik op eenen keer niet meer terugkom en die keer kan
nu zijn. Maar kom, onnoodige zorgen maken vischgraten.
Ik ga er van door! Dag, Kees!"
Dit zeggende liet de koene knaap zich het klinket van
-ocr page 133-
118                                       ZONNESCHIJN EN REGEN.
de poort openen en was daarop weldra tusscheh de schansen
verdwenen. Reeds meende hij in veiligheid te zijn, toen
eenige Spanjaarden, die achter het hooge gras in hinderlaag
lagen, te voorschijn sprongen en den moedigen knaap
belett\'en verder te gaan.
„Halt! Waar moet dat heen, manneke?" vroeg thans een
der soldaten.
Hoe gevat Leeuwke in andere gevallen ook op een ant-
woord was, nu wist hij niet, wat hij zeggen moest en ver-
sprak zich telkens.
Mogelijk had hij er zich nog met eene leugen kunnen
uitredden, doch daar kwam een der twee Officieren aan,
die hij op zijnen eersten tocht misleid had en door wien
hij te Leiderdorp herkend was geworden.
„Bij mijne zaligheid, dat is de knaap, die zulk eene
hoofd- en kiespijn had," zeide Diala zoodra hij den knaap
in het oog kreeg. „Gij verbeurt het leven, kerels, als gij
hem laat ontkomen! Brengt hem in mijne tent!"
Don Diala, die bevel voerde over de schans bij Zoeterwoude,
ging vooruit en pas was hij gezeten, of ze brachten den
sidderenden knaap voor hem.
„Waar gaat gij heen, knaap?" vroeg hij.
„Naar Hasaertswoude, Edele Heer!"
„Leugens en verzinsels," riep de Spanjaard. „Zeg de
waarheid! Of meent gij dat ik mij weer door uwe uitvluchten
met een kluitken in het riet zal laten sturen?"
Nog zweeg Leeuwke, doch toen Diala begon te dreigen,
hem te zullen laten ophangen, als hij niet sprak, verbrak
de knaap het stilzwijgen, en antwoordde op alle vragen,
die hem gedaan werden.
„Het schijnt dat de touwslagers-dochter den tongriem
losgemaakt heeft, kwajongen," zeide de Spanjaard, met
dat „touwslagers-dochter" de galg bedoelende. — Na eenige
woorden met een ander Officier gesproken te hebben ver-
volgde hij luid lachend en op spottenden toon: „En zeg eens,
-ocr page 134-
ZONNESCHIJN EN REGEN.                                        119
hoe gaat het met uwe kiespijn ? Is die al beter ? En is uwe
hoofdpijn ook al genezen, ja?"
Leeuwke zweeg.
„En met de ketelboeterij van uwen Vader? Altijd nog
goede zaken, ja?"
Leeuwke barstte nu in tranen los, en op de knieën val-
lende bad hij om genade.
„En waarom zijt gij zoo bang voor de galg?" vroegDiala.
„Ik heb nog eene Moeder, Edele Heer, en ik-ik-ben nog
zoo-zoo-jong!"
„Als het anders niet is, dan zal het wel schikken, manneke!"
was het antwoord en zich omkeerende ging hij heen.
„Wat moet er met den knaap gedaan worden, Senor?"
vroeg een der soldaten, die Leeuwke gevangen hadden
genomen.
„Wat er met hem gedaan moet worden?"
„Ja, Senor!"
„Kerel, spreek ik dan hondentaal, dat gij mij niet verstaat ?
Ziet gij daar dien boom op dat weiland?"
„Ja, Senor!"
„Dat is zijne galg! Gij weet nu, wat ik wil!"
„Genade! Genade, Edele Heer! Ik ben nog zoo jong!"
kermde Leeuwke. Maar Diala verwaardigde zich zelfs niet
eens hem aan te zien en ging door.
„Genade, genade!" gilde Leeuwke nu weer, en vatte
eenen soldaat om de knieën, doch deze was even wreed,
als zijn Bevelhebber en kon hem ook geene genade geven,
omdat hij dan ongehoorzaam zou zijn aan de bevelen van
zijnen meerdere, en volbrengen moest wat deze beval.
De soldaten grepen hem aan en niet tevreden met hem
naar den boom te sleuren, mishandelden zij hem op eene
beestachtige wijze. Tot op het laatste oogenblik smeekte
hij om genade, doch de hardvochtige soldaten waren even
onmenschelijk ten opzichte van hem, als de woedende
Leidenaars waren toen ze „Pier Quaet Gelaet" in hunne
-ocr page 135-
120
ZONNESCHIJN EN REGEN.
macht hadden. Gelukkig maakte nu de dood spoedig een
einde aan zijn martelend lijden.
Gerrit zou dus niet terugkomen en Cornelis kon den
dood zijns makkers wreken; maar had hij geweten welk
eenen dood men hem had doen sterven, hij zou geroepen
hebben: „Honderd Spanjolen voor één Leeuwke!"
Thans wachtte hij de komst van zynen vriend af, en
toen deze niet kwam en er in de brieven van den Prins
volstrekt niet van eene boodschap, die Leeuwke mede ge-
kregen had, gesproken werd, begreep de knaap, dat hij zou
gehouden zijn aan dat, wat hij Leeuwke beloofd had : „Twintig
Spanjolen voor één Leeuwke!"
Twee dagen later liet Valdez de stad door eenen trom-
petter opeischen, doch kreeg ten antwoord, dat de Leidenaars
nog liever den linkerarm van honger zouden opeten om
met den rechterarm te kunnen vechten, dan de stad over
geven.
Zoo verliepen weder eenige dagen onder toenemend gebrek
en meerderen nood. De stad werd langzamerhand steeds
nauwer ingesloten, ja, den achttienden van Hooimaand
wierpen de Spanjaarden in de nabijheid van de Rijns-
burgschepoort een schansje op om den Leidenaars geheel
te beletten, zoo nu en dan nog eenige groenten uit de
nabij gelegen tuinen te halen. Het was de laatste der
tweeëntwintig, — niet tweeënzestig, zooals men vaak leest, —
schansen door de Spanjaarden gelegd om de stad zóó in
te sluiten, dat men niet dan met levensgevaar er uit of in
kon komen.
„Hei, Cornelis, gaat ge mede?" riep Barend Van Keulen.
„Er is gelegenheid om den dood van uwen vriend te wreken!
Heer Dirk van Bronkhorst en de Regeering hebben prijzen
uitgeloofd aan hen, die het eerst de Spaansche schans buiten
de Rijnsburgsche-poort beklimmen. De eerste krijgt zes, de
tweede vijf en de derde en vierde vier gulden! Hallo, knaap,
denk aan Leeuwke!"
-ocr page 136-
ZONNESCHIJN EN BEGEN.                                        121
De aanval was verwoed en de dertig Spanjaarden kregen
het weldra te kwaad.
„Ik ben de eerste!" schreeuwde Pauwels Vliechuyt.
„En ik de tweede!" galmde Cornelis en de kolf van zijn
musket viel dreunend op het hoofd van eenen Spanjaard.
„Dat is er al één!" bromde hij en zette zijne vervol-
ging voort.
In de stad gekomen, stelde van Bronkhorst den moedigen
knaap zijne belooning ter hand.
„Geef dit geld liever aan Leeuwkes Moeder, Kapitein,"
zeide Cornelis. „Ik heb den dood van mijnen vriend te
wreken! Twintig Spanjolen voor één Leeuwke! En ik heb
er nog maar twee!"
Er was een tijgeraard in den knaap gekomen. Anders
altijd goedlachs, sprak er nu uit zijne oogen een zucht naar
wraak, dien men allerminst bij eenen jongen man zou zoe-
ken, die slechts kort geleden de kinderschoenen uitgetrokken
had. Het was zoo iets van dat, wat Hooft zeggen deed: „De
soldburgers van Leyden leerden vast soldaten te zijn."
De edele van Bronkhorst zag met medelijden dat dierlijke
in Cornelis, doch de omstandigheden hadden ook zijn ge-
moed verhard, en half aanmoedigend zeide hij nu, terwijl
hij Cornelis op den breeden schouder klopte: „ Wacht maar,
mijn jongen, de Spanjaard ligt nog lang genoeg om de
stad, en er zal nog meer dan genoeg te doen vallen."
Die woorden zouden niet lang op vervulling wachten.
Elf dagen later werd er weer aangekondigd, dat een
gelijke belooning, als die van Zondag den achttienden Juli
werd uitgeloofd aan hen, die de eersten zouden zijn bij het
bestormen van de schans te Boshuyzen.
Cornelis stelde zich onder het bevel van Hopman Gerrit
van der Laan, den wakkeren zoon van Burgemeester van
der Laan uit Haarlem, die zich in eene goed met geschut
voorziene galei inscheepte. Deze galei droeg den naam van
„het schietvrije schip," omdat het „seer dick ende sterck
-ocr page 137-
122
ZONNESCHIJN EN EEGEN.
gemaeckt was, also, dat het genoech voor een musquet-
scheut vrij was." Die galei was opzettelijk gemaakt om
bij uitvallen gebruikt te worden en beantwoordde ook ge-
heel aan dit doel. Onze knaap was met een musket ge-
wapend, terwijl Van Keulen zich aansloot bij de bende, die
onder bevel stond van Jonker Jan van Duivenvoorde. Zijn
wapen was thans een knoestige, dikke knuppel van esschen-
hout, dien hij van onder uitgehold en met lood gevuld had.
Des morgens te drie uren stelde men zich in beweging,
en zonder eenig gedruisch te maken ging het bedaard vooruit.
De Spanjaarden waren evenwel op hunne hoede en een
hunner zijn musket afschietende, trof eenen der burgers.
„Dood aan al, wat Spanjaard heet! Vooruit!" schreeuwden
thans de Leidenaars en stormden onder een vervaarlijk
geschreeuw voorwaarts.
Het gevecht was hevig; want de bezetting, die uit onge-
veer zestig man bestond, verdedigde zich dapper.
„Voor Leiden!" klonk het hier.
„Voor Valdez!" klonk het daar.
„Dat is er drie!" bromde Cornelis en laadde zoo spoedig
mogelijk weder het musket, waarmede hij zoo even eenen
Spanjaard had dood geschoten.
Terwijl het gevecht op het hevigst was, kwamen er enkele
burgers uit de stad. Ze droegen Messenen, — kruitflesschen
namelijk, — met buskruit en zwavel gevuld, bij zich, en, na er
eene brandende lont aan vastgemaakt te hebben, wierpen
zij de flesschen in de schans.
„Victoria!" schreeuwde Filip Dirksz. en sprong op den
wal der schans.
„Goê-morgen, kameraad," viel Van Keulen, die hem
nagesprongen was, daarop in, en zijn vreeselijk wapen be-
schreef suizend eenen kring door de lucht en viel met
zijne ontzettende zwaarte op de Spanjaarden neer.
Daar staat Cornelis en nauwelijks heeft Van Keulen zijnen
pleegzoon in het oog of hij roept: „Heidaar, jongen! Hoeveel?"
-ocr page 138-
ZONNESCHIJN EN REGEN.                                       123
„Nog maar vijf, Vader!" is het antwoord.
„Goed, jongen! Op, op, voor Leiden! Hier, lange slungel
van eenen vogel-verschrikker, pak aan je lot!"
Een Spanjaard valt met eenen gil op den grond en een
schaterlach, akelig om te hooren, is het antwoord, dat Van
Keulen daarop geeft.
De strijd is voor de Spanjaarden niet langer vol te hou-
den. Zij werpen hunne wapens weg, vallen voor de Leide-
naars op de knieën en schreeuwen:
„ Misericorde! Misericorde!\'\'
„Ik heet niet Misericorde!" roept Van Keulen met den-
zelfden wreeden lach. „Ik heet Barend Cornelissen Van Keu-
len!" en andermaal wordt de knuppel opgeheven.
„Misericorde! Misericorde!" klinkt het ginds uit den mond
van eenen Onder-hopman.
„Dat is er zes van de twintig!" bromt Cornelis en schiet
den man, die om genade smeekt, dood.
De Leidenaars gaan vreeselijk te werk! Geene genade
wordt gegeven! Ze smijten de Spanjaarden in het vuur en
laten hen verbranden, of steken ze in koelen bloede dood,
als ze het „Misericorde!" nog op de lippen hebben.
Het voorname doel, het slechten van de schans werd
evenwel niet bereikt, want de pioniers aan wie het werk
was opgedragen, kwamen te laat, daar ze door de Span-
jaarden bij de Poelbrug waren opgehouden. Zij, die de
schans hadden ingenomen, waren te veel tijger geweest
om aan het doel hunner onderneming te denken, en toen
hunne woede bekoeld was, werden zij door de Spanjaarden,
die van alle kanten kwamen opdagen, aangevallen en tot
den terugtocht genoodzaakt.
Wel werd een tamelijk goede buit aan eetwaren en wapenen
medegevoerd; maar er was weinig gedaan voor zooveel
vergoten bloed. Daarenboven ontstond er twist onder de
lieden, die behoord hadden tot hen, die het eerst de schans
beklommen hadden. Er waren er niet minder dan negen-
-ocr page 139-
124                                       ZONNESCHIJN EN REGEN.
tien, die beweerden de eerste, tweede of vierde te zijn ge-
weest. De Magistraat beval, toen men hun het uitgeloofde
geld geven zou, het eenvoudig onder elkander te verdeelen.
Ook kregen een zekere Amersfoort en Kobert Engelschman
twee pond en acht schellingen, omdat ze twee hoofden van
de vijanden, door hen in het gevecht afgeslagen, binnen de
stad gebracht hadden. Wie had ooit verwacht dat een eer-
zame, deftige Magistraat zulk een loon voor zulke daden
uitkeeren zou?
Met oogen, die van genoegen straalden, was Cornelis
thuis gekomen. Hij had thans zeven Spanjaarden gedood
en wie er hem naar vroeg, kon er altijd nog bij vernemen:
„En de dertien andere krijg ik ook nog, dat zult gij zien!"
Bijna iederen dag zag men hem in de weiden, die om de
stad lagen en waarin het vee, door sterk gewapende en
talrijke wachters bewaakt, nog graasde, omdwalen en iedere
Spanjaard, die onder het bereik van zijn musket kwam,
moest het meestal met den dood bekoopen.
Toch vorderde zijne wraak hem te langzaam naar den
zin, en daarom besloot hij op zekeren dag met Vliechuyt
en Dirksz. den vijand van naderbij te bestoken. De drie
waaghalzen werden echter onverwachts aangevallen. Wel
schoot Cornelis eenen Spanjaard neer en hoorde men hem
juichen: „Dat is er tien, Leeuwke!" doch eer hij tijd had
zijn musket opnieuw te laden, sloeg een Spanjaard hem
met de kolf van zijn roer op het hoofd. Cornelis tuimelde
op den grond en zeker zou hij den vijand in handen ge-
vallen zijn, zoo zijne makkers hem niet opgenomen en
vluchtende hem naar de stad hadden gebracht.
Een paar dagen daarna werd bij klokslag aan de inge-
zetenen bekend gemaakt, dat dergelijke schermutselingen
voortaan door de Vroedschap verboden werden. Ook had
men nog noodzakelijk bevonden eene andere bepaling in
het leven te roepen. Het was toch gebleken, dat de lieden,
die bij de poorten de wacht hadden, sommige boden, die,
-ocr page 140-
GODT BEHOEDE LEYDEN!                               125
vanwege Valdez met eenig bericht kwamen, eenvoudig weg-
gestuurd hadden, zonder er den Magistraat kennis van te
geven. Ja, het was ook voorgekomen, dat men hen had
gescholden en slecht behandeld. Hieraan moest een einde
komen, en daarom werd bepaald, dat iedereen, die vanwege
Valdez met eenig bericht kwam, buiten de poort moest
blijven wachten tot de Eegeering antwoord had gegeven op
het voorstel, dat Valdez gedaan had, en zij, die deze lieden
onverhoord durfden wegzenden, of kwalijk bejegenen, zouden
gestraft worden.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Godt behoede Leyden!
Het begon er in Leiden bitter treurig uit te zien.
Reeds in het begin van Juli had de pest haren intocht
binnen de belegerde stad gedaan en welke maatregelen de
Regeering ook nam, telkens eischte zij nieuwe slachtoffers.
Scheen het nu eens, dat ze wijken zou, dan weder trad ze
met vernieuwde hevigheid te voorschijn.
Toch was de pest het ergste niet.
De levensvoorraad begon met den dag te minderen en
de strengste bepalingen werden gemaakt omtrent het voed-
sel, dat ieder in zijn eigen huis in voorraad had en van
hetgeen nog in enkele pakhuizen bewaard werd. Groot en
klein, rijk en arm werd op rantsoen gesteld, en dat rant-
soen was zoo klein, dat een werkman, die nog niet eens
groot van eten was, in éénen keer kon opeten, wat hem
voor eenen heelen dag moest dienen. Het hongerspook
waarvan Van Keulen zoo akelig geprofeteerd had, vertoonde
zich naast zijne zuster de Pest.
Toch was ook nog het Hongerspook het ergste niet.
-ocr page 141-
126                                  GODT BEHOEDE LEYDEN !
Neen, in den boezem van de Regeering bestond verdeeld-
heid. Van der Werff, die voorzittend Burgemeester was,
stond alleen tegenover de drie andere Burgemeesters: Cor-
nelis Van Noorde, Cornelis Brouwer en Jan Jansz. Boers-
dorp, bijgenaamd „Half-Leyden." Die bijnaam beduidde
veel, want een groot deel van het volk was op zijne hand.
En dat waren nu juist niet allen Spaanschgezinden. We
zouden hen liever „kleinmoedigen" noemen, die niet tegen
den honger konden strijden. Zelfs enkele woeste vrijbuiters,
mannen, die tot zinspreuk hadden: „Liever Turksch dan
Paapsch," wilden wel vechten, vechten met alle soorten
van wapenen tegen den vijand, maar honger en gebrek
lijden, dat wilden ze niet. Ze sloegen tot oproer over en
toen ze hunnen zin niet kregen, verlieten ze de stad, waar
een wreede dood wel spoedig een einde aan hunnen honger
zal gemaakt hebben. De Spaanschgezinden, die nog in vrij
groot aantal in de stad waren, doch die aanvankelijk uit
vrees zich stilgehouden hadden, staken nu het hoofd op en
porden de ontevredenen aan tot tegenstand, die bij den
Magistraat steun vond. Waarlijk, al de geestkracht, al de
moed, al de toewijding, al het verstand was noedig om
Burgemeester van der Werff met Jonker van der Does,
Jan Van Hout, van Bronkhorst, Jonker Jacob van der
Does en enkele andere aanzienlijken, den storm, die dreigde,
te laten bezweren.
De Prins van Oranje beloofde ontzet, maar zelfs van
der Werff geloofde er niet aan; hij wist al te goed in
welke groote geldelijke verlegenheid de Prins verkeerde.
En toch wilden die moedigen volharden, hoe dan ook. Twee
mannen waagden herhaalde malen hun leven om brieven
en boodschappen naar den Prins te brengen. Het waren
een zekere Bakker en Roos. Maar als ze terugkeerden
brachten ze voor al de gevaren, die ze doorstaan hadden,
oude beloften mede, zoodat het volk er niet meer nieuws-
gierig naar was.
-ocr page 142-
GODT BEHOEDE LEYDEN!
127
Toch was er blijkbaar op Maandag den vijfden Augustus
iets buitengewoons gebeurd; er was weer meer leven in
het volk, dat den vorigen dag nog traag en lusteloos door
de stille straten toog, of zich in huis zat te vervelen aan
eenen ledigen disch.
In het eenvoudige huisje van schipper Van Keulen zat
het heele gezin in eene sombere stemming bijeen, zich bezig-
houdende met het voeren van allerlei gesprekken over het
beleg, de verdeeldheid, den honger, de ziekte en allerlei
akeligheden meer, toen opeens de deur openging en Van
Schaeck, Van der Morsen en Bakker met veel beweging
binnen traden, terwijl op hun gelaat stond te lezen, dat ze
de brengers van eene goede boodschap waren.
„Wat is er aan de hand, mannen, dat ge zoo opgewekt
mij overvalt?" vroeg Van Keulen.
„Wij komen met eene goede tijding, man! De Prins van
Oranje heeft bondgenootschap gesloten met eene Mogendheid,
die reuzenmacht heeft, en deze zal den Spanjaard verstrooien,
als kaf voor den wind, en Leiden ontzetten," zeide Bakker.
„Wat!?" riep het geheele gezin van Van Keulen, bijna
tegelijk en vol verbazing uit.
„Het is zoo," verklaarden Van Schaeck en Van der
Morsch. „Er komt ontzet!"
„Maar wie is dan toch die machtige bondgenoot?" vroeg
Van Keulen opgewonden.
„Het water, schipper, het water is die bondgenoot, en
wat het water kan, dat hebben de Spanjaarden voor Brielle
ondervonden," zeide Bakker.
Van Keulen keek hem verwonderd aan en vroeg: „Het water?"
„Luister," hernam Bakker, die met zijne vrienden gezeten
was. „Gij weet Roos en ik zijn weer met brieven naar
den Prins geweest."
„Dat weet ik," zeide Van Keulen, „en gij zijt zóó lang
weggebleven, dat we al vermoedden, dat gij beiden in het
lot van Leeuwken gedeeld hadt."
-ocr page 143-
128
GODT BEHOEDE LEYDEN!
„Gelukkig niet, goede vriend! Toen de Prins onze brieven
gelezen had, vroegen wij wanneer wij antwoord konden
krijgen. De Prins bleef eenen geruimen tijd in gedachten
zitten, doch eindelijk stond hij op en zeide: „Hoort eens,
mannen, de Magistraat van Leiden is zelf de schuld van
den ellendigen toestand der stad. Trots al mijne raadgevin-
gen heeft hij de schansen niet geslecht, en niet gezorgd,
dat er koren en andere levensvoorraad binnen de stad
kwam. Zorgeloos vierde men zelfs feest bijna met den
vijand voor de wallen. De handelingen van den Magistraat
zijn onverantwoordelijk geweest. Maar nu maakt het volk
met een klein deel der Regeering alles goed. Ik heb niets
over dan bewondering voor mannen, als Pieter Adriaensz.,
Jonker van der Does, Jan Van Hout en zoovele anderen,
die met eene zelfopoffering, nooit door anderen te evenaren,
trouw aan de goede zaak blijven. Maar vele honden zijn
der hazen dood, zóó kunnen ze het niet volhouden; er
moet wat gedaan worden, dat die trouwen eenen steun
brengt. Gij blijft hier tot ik in overleg met de Staten ge-
handeld heb." Zoo sprak de Prins en — wij werden er
warm van onder onzen kolder. Eenige dagen later moesten
wij voor de Staten verschijnen en toen wij daar kwamen,
zeide de Prins: „Mannen, deelt den Heeren, volgens plicht
en geweten, den toestand mede waarin het benarde Leiden
verkeert."
Wij deden dit naar de zuivere waarheid en toen wy uit-
gesproken hadden, vroeg de Prins: „ "Wat dunkt u, Heeren,
moeten de Leidenaars niet geholpen worden? Kan ons één
offer te groot zijn?"
„Wat stelt Uwe Doorluchtigheid dan voor?" vroeg de
Advocaat van Holland, Meester Paulus Buys.
„Gij kent mijn voorstel, Heeren," zeide de Prins. „De
Maas- en IJseldijken moeten doorgestoken en het land onder
water gezet worden. Het water moet onze bondgenoot wor-
den; wij hebben geenen anderen."
-ocr page 144-
GODT BEHOEDE LEYDEN!                                   129
„Ik heb berekend," sprak nu een Lid, „dat dit aan ons
gewest eene som van niet minder dan zevenmaal honderd
duizend gulden zal kosten. Dat gaat boven onze krachten,
Uwe Doorluchtigheid!"
„Alle onkosten zullen ponds-pondsgewijze door heel Hol-
land betaald worden."
„Maar al het land wordt door het water bedorven, Uwe
Doorluchtigheid," sprak weer een ander.
„Beter bedorven dan verloren land, Heeren," antwoordde
de Prins.
„Toegegeven," zoo sprak nu een derde, „maar Rijnland
ligt hooger dan Schieland en Delfland. De Landscheiding bij
Zoetermeer houdt het water tegen."
„Dat kan niet tegengesproken worden, Heeren, maar ook
de Landscheiding moet doorgestoken worden."
„Alsof Valdez geduldig zal toekijken, als dat gebeurt.
Wij hebben geen leger om den vijand te wederstaan,"
bromde een vierde.
„Wij hebben in Zeeland Watergeuzen, en als deze aan-
gevoerd worden door eenen man als Louis van Boisot, dan
gelden ze voor meer dan een leger."
Een der Heeren, die nog niet gesproken had, lachte en
zeide: „Zijn de Watergeuzen dan vogels geworden? Hoe
zouden ze met hunne schepen, die zelfs te veel diepgang
hebben voor onze weteringen, die toch vrij diep zijn, by
de Landscheiding komen? Voor al wat Uwe Doorluchtigheid
voorstelt willen mijne vrienden en ik onze toestemming
geven, doch het bezwaar, dat ik aangevoerd heb, valt niet
te wederleggen en met dat bezwaar valt het heele plan."
De slimmerd meende stellig den Prins nu overwonnen
te hebben, doch deze wederlegde dat bezwaar.
„Kom," riep nu Van Keulen, „hoe kon hij dat? Ik zou
er geene kans toe zien."
„De Prins wel," vervolgde Bakker. „Er kwam een ge-
lukkig lachje over zn\'n ernstig gelaat en hn\' zeide: „Dan
DE SCHIPPERS JON GEN.                                                                                                           9
-ocr page 145-
130
GODT BEHOEDE LEYDEN!
is het voorstel, dat ik deed, aangenomen, Heeren! Admi-
raal van Boisot, dien ik daarover geraadpleegd heb, zal met
zijne onverschrokken Watergeuzen op platboomde schuiten,
goed gewapend en van leeftocht voorzien, het werk aan de
Landscheiding verrichten, en — het zal, het moet gelukken."
Thans was er geene tegenspraak meer mogelijk en er
werd besloten, dat de dijken van Maas en IJsel zouden
doorgestoken worden.
„Besluiten is nog geen doen," sprak "Van Keulen, die nog
geen enkel blijk gegeven had, dat hij nu ook hoop op ont-
zet had.
„Wel, ongeloovige Thomas, hoe komt gij toch zoo zwaar-
moedig?" vroeg Bakker.
„Omdat ik al van zooveel genomen besluiten gehoord
heb zonder er wat van te zien. Kallinghe is mallinghe, doen
is een ding, zegt het spreekwoord."
„Bah, wat zou een spreekwoord zeggen?"
„Veel, Bakker, heel veel!"
„Niets, Van Keulen, want het besluit is volbracht. Eer-
gisteren, dus Zaterdag, is de Prins met Meester Paulus
Buys en eenige Leden van de Staten naar Kapelle aan den
IJsel gegaan, en daar is, onze eigen oogen hebben het gezien,
want wij waren er bij, onder toezicht van de Jonkers van
Palensteyn en van Wijngaarden, de dijk doorgestoken. Van
Kapelle tot over IJselmonde zijn nu zestien gaten in den
dijk, en de Maasdijk is doorgestoken tusschen Rotterdam en
Delfshaven. De sluizen te Rotterdam en te Schiedam staan
niet alleen open, maar de vijf sluizen bij Vlaardingen ook.
Het water stroomt nu over het land en — Holland wordt
eene binnenzee. Wat zegt gij nu?"
Ontroerd stond Van Keulen op en Bakkers hand drukkend,
zeide hij: „Leiden doet veel, maar Holland doet niet onder.
Ik zal niet meer morren, maar het hoofd omhoog houden,
dat beloof ik, dat zweer ik bij al wat heilig is!"
Moeielijk zou het zijn den indruk weer te geven, welken
-ocr page 146-
GODT BEHOEDE LEYDJSN !                                      131
dat blijde bericht maakte op de heele bevolking. Het liet
zelfs de heftigste ontevredenen zwijgen en legde een slot
op hunnen mond, of, om eene uitdrukking van die dagen
te gebruiken, het liet „de tong in den lomberd brengen."
De toegang tot de wallen was wel verboden aan ieder,
die niet met de wapenen de stad diende, doch men zag
het nu door de vingers, dat elk oogenblik nieuwsgierigen
kwamen om het wassen van het water te zien. want hier-
van hing het ontzet geheel af. Die toeloop verminderde
evenwel met eiken dag, want, was het water wel iets hoo-
ger dan het gewone zomerpeil, toch was er geene sprake
van dat de weilanden onder stonden. Helaas, het doorsteken
der dijken had niet gebaat, omdat bij de noordoosten-, oosten-
en zuidoostenwinden het zeewater niet hoog genoeg kwam
om het peil in Maas en IJsel op te voeren.
En onverdroten zwaaide het Hongerspook den schepter.
De pest nam ook weer toe. De wakkere Bronckhorst, die
met zulk eene vaste hand, in naam van den Prins, de Stads-
voogdij uitgeoefend had, stierf en werd opgevolgd door
Jonker Johan van der Does, dien men wel als Bevelhebber
der verdedigers had leeren kennen, doch wiens daden, als
Stadsvoogd, men nog afwachten moest.
„De tongen werden weer uit den lomberd gehaald" en
de tegenstand begon opnieuw. Sterker dan ooit traden de
Spaanschgezinden op en schreeuwden op straat de anderen
toe: „G-aat nu op den toren, gij Geuskens, en ziet het
Maaswater te gemoet!"
Valdez, wetende dat het in troebel water goed visschen
is, zond bode op bode om de Regeering tot overgave der
stad te bewegen, en de Glippers hielden ook niet op de
mooiste brieven te schrijven.
De strijd van Burgemeester Pieter Adriaensz. met de zijnen
werd van dag tot dag heftiger, en dat gevoelden niet alleen
de aanzienlijken, die hem steunden, dat gevoelden ook een-
voudigen, zooals Van Schaeck en Van Keulen.
-ocr page 147-
132                                  GODT BEHOEDE LEYDEN !
Deze had zijn laatste geldstuk in de handen en bekeek
het nauwkeurig. Het was een achtentwintiger, eene noodmunt,
zooals die het laatst geslagen was. Met aandacht las hij het
omschrift: „Godt behoede Leyden."
„Als dit geld op is," zeide hij met eenen diepen zucht,
„en het zal gauw genoeg op zijn, want alles is even duur,
wat dan? Dan moet ik mij bij onzen Bonmeester aanmelden
voor de bedeeling. Voor de bedeeling, ik, die zulk een trotsch
vrijbuitershart heb en die nog altijd, hoe de nood ook aan
den man mocht komen, geenen penning van een ander vroeg!"
Diep zuchtend stak hij den achtentwintiger in den buidel
en ging de deur uit om, zooals hij zijne vrouw zeide, eens
naar het water te zien. Hij kwam nog tijdig genoeg om
eenen troep vrijwilligers, die eenen aanval op de Poelschans
gewaagd hadden, doch afgeslagen waren, te zien terugkeeren.
Het eenige, wat ze er bij gewonnen hadden was een paar
maaltjes erwten en boonen.
Zoo liep de maand Augustus ten einde en nog altijd bleef
het water even laag. De ellende binnen de stad steeg en
de ontevredenheid en tegenstand namen hand over hand
toe. En wat het ergste was, de Prins van Oranje lag ge-
vaarlijk ziek te Delft.
Moedeloos liepen Van Keulen en Van Schaeck langs de
Breedstraat, toen ze Bakker en Roos tegenkwamen, die ver-
telden, dat ze weer naar den Prins moesten, want dat het
zoo niet langer kon gaan. Er moest verandering komen.
De twee vrienden wenschten den moedigen boodschappers
goede reis en behouden wederkomst, doch haalden de schou-
ders op en dachten: „Wat zal het anders geven dan
beloften?"
„Of het bevestigen van het gerucht dat de Prins dood is,"
zeide Van der Morsch, die hen inhaalde en hunne verzuchting
gehoord had.
„Dat verhoede God, want dan is het werk der bevrijding
vergeefsch geweest," klaagde Van Schaeck.
-ocr page 148-
GODT BEHOEDE LEYDEN !                                 133
De beide boden bleven eene week lang weg en pas Don-
derdag den vijfden September kwamen ze terug met het
bericht, dat ze den Prins niet gesproken hadden, omdat hij,
bijna door iedereen verlaten, aan eene besmettelijke ziekte
lag. Toch brachten ze eene tijding mede, die weer nieuwen
moed gaf, en dat was dat de Zeeuwsche Geuzenvloot Dinsdag
en Woensdag den derden en vierden September te Rotter-
dam aangekomen was en dat men terstond de platboomde
vaartuigen, die reeds gereed lagen, gewapend en bemand
had. De "Watergeuzen waren achthonderd in getal, maar
telden elk wel voor vijf man. Ze hadden er enkelen gezien
en ze waren er van geschrikt. Men kon het dien lieden
aanzien, dat ze den dood niet vreesden en bij voorkeur de
grootste gevaren opzochten. Bij de Spanjaarden waren ze
niet minder, maar nog meer gevreesd.
De vreugde over de komst der Watergeuzen was echter
van korten duur, want zij brachten wel den wil mede om
wat te doen, doch het water hooger doen stijgen, konden
ze niet, en evenmin konden ze den wind veranderen.
„Eer kan men met de handen aan den hemel reiken, eer
Leiden ontzet wordt," heeft de Spanjaard geroepen.
Het is erg genoeg!
De kinderen verhongeren; de vrouwen vermageren; de
mannen verzwakken!
Maar neen, — nog is er een weinig koren, nog is er
wat mout! Nog heeft men enkele magere koeien en paarden!
Nog zwerven er op straat katten en honden! Nög groeit
op de wallen en op de ledige en doodsche straten tusschen
de keien gras! Nög dragen de boomen bladeren en nög
hebben ze wortels! Nög leven in de riolen ratten en in de
ledige korenmagazijnen muizen!
Bah! katten, honden, gras, boombladeren, boomwortels,
muizen en ratten, dat is geen voedsel!
Geen voedsel, jawel, zeker, zeker! Dat alles zullen de
Leidenaars eten en gegeten hebben, eer ze zich overgeven!
-ocr page 149-
ÜODT BEHOEDE LEYDEN!
1.-J4
O, dat de Prins het wist, het zou hem in zijne ziekte
zeker goed doen!"
„Laat mij naar Delft gaan! Ik zal het den Prins zeggen,
dat Leiden zich niet overgeeft," zeide Cornelis Joppensz.
tot Burgemeester Pieter Adriaensz., die bij Van Keulen
gekomen was om met dezen te onderzoeken of er nog niet
eens wat door de Leidsche vrijbuiters zou kunnen gedaan
worden.
„Roos en Bakker wagen het niet meer," sprak de Bur-
gemeester. „De stad is te nauw ingesloten en in den
laatsten tijd houdt men veel scherper wacht. Zoudt gij het
dan durven wagen, jongen?"
„Ja, Burgemeester! Vader heeft bij het gevecht te Lei-
derdorp eenen Spanjaard gedood en zijne kleederen buit-
gemaakt. Ze passen me, alsof ze voor mij gemaakt zijn.
Met de Spaansche taal kan ik mij goed behelpen en ik wil
zoo graag ook wat doen, Burgemeester!"
Pieter Adriaensz. keek Van Keulen aan en deze zeide:
„Laat den knaap gaan, Burgemeester! Moest hij in handen
van den vijand vallen en sterven, och, wat nood, hier bin-
nen de stad gaan we den hongerdood te gemoet."
„Nu goed dan, het zij zoo," sprak van der Werff. „Over
een uurtje wacht ik u voor den tocht geheel gereed op
het stadhuis, om nogmaals eenen brief naar den Prins te
brengen."
Na dit gezegd te hebben, vertrok de Burgemeester.
Een uur later is Cornelis klaar en wil gaan.
Daar valt Moeder Willempje Jansz. haren lieven Pleegzoon
om den hals en bergt hare betraande wangen in de bruine
lokken van den jongen, dien ze toch ook zoo innig, innig
liefhad.
„Nu, ga met God, mijn jongen," zeide Van Keulen, en
hield zich groot. „Geef uwe Moeder en uwe zusters eenen
kus, mij en uwe broeders eene hand!"
Diep bewogen voldeed Cornelis hieraan en snelde daarop
-ocr page 150-
MEDICIJN VOOR DEN PRINS.                                    135
de deur uit, doch nauwelijks was hij buiten, of daar voelde
hij eene meisjeshand de zijne drukken.
Het was de hand van blonde Gonda, Leeuwke\'s zuster.
„Dag, Cornelis," zeide ze en eenen traan uit hare oogen
pinkende, bracht ze er nog met moeite uit: „Denk aan
Gerrit, Cornelis! God behoede u!"
„Amen!" zeide Van Keulen, die Cornelis op straat ge-
volgd was, en voegde er in stilte bij: „Godt behoede Leyden!"
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Medicijn voor den Prins.
De avond was reeds lang gevallen toen men op den weg
tusschen het slot Endegeest en Rijnsburg, een jonge, Spaan-
sche musketier stevig door zag stappen.
Hij had zeker haast; want zonder de voorbijgangers te
groeten, ging hij maar altijd door en alleen, als hij een
Overste, Hopman of Onderhopman der belegeraars tegen-
kwam, groette hy beleefdelijk.
„Hei, kameraad, waar moet dat met zulk eene vaart
heen?" vroeg hem onverwachts een Luikenaar, die onder
het bevel van Jan de Nester stond en nu op weg was naai-
de Poelschans, om eene boodschap van zijnen Meester aan
Don Marion over te brengen.
„Ik? Wel, ik moet naar Den Haag!"
„Zoo, naar Den Haag! En voor wien dat?"
„Ge zijt nieuwsgierig, kameraad, erg nieuwsgierig ook!
Maar als ge het zoo graag weet, wil ik het wel zeggen. Ik
moet voor onzen Bevelhebber naar Den Haag en naar den
Heer Pastoor van de Sint Jacob!"
„Wat? Moet ge naar den Eerwaarden Vincentius Hugo?"
De aangesprokene, die blijkbaar niet wist, dat de Pastoor
-ocr page 151-
136                                    MEDICIJN VOOB DEN PBISS.
van die kerk zoo heette, zeide kortaf: „Ja, is dat zoo
vreemd?"
„Vreemd? Welneen, Don Valdez komt daar dikwijls. Hij
is met zijn Eerwaarde zeer bevriend! Maar ik wilde wel
in uwe plaats zijn om die boodschap te doen!"
„Wandelen is vermakelijker dan op post staan; maar de
wandeling is toch wel wat ver, kompeer! En, we werken
ons hier toch ook niet dood!"
„Hoor eens, vriendje, al was de wandeling nog driemaal
zoo ver, ik deed ze met pleizier. Kent ge „Bruine Sanne?"
„Bruine Sanne? Neen! Wie is dat?"
„Die dient bij den koster van de Sint Jacob en ze heeft
zooveel als een goed oogje op me, vat ge?"
„Ha, waait de wind uit dien hoek? Nu, wat te belasten
soms?"
„Belasten, belasten! Neen! Ja toch! Wilt ge ook wat
voor me doen ?"
„Zeker, met alle genoegen!"
„Kiik," zeide de Luikenaar, terwijl hij uit een beursje
een klein ringetje haalde, „kijk, dat ringetje is van mijne
lieve Moeder! Toen die stierf zei ze: „Jean, neem dit ringetje
en draag het, of geef het aan een, die het verdient te
dragen. Nu was ik eene week of vier geleden in Den Haag,
maar ik durfde het haar niet geven. Wilt gij nu voor my
vragen, of ze het ter gedachtenis aan mij dragen wil?"
De jonge musketier, in wien ge misschien reeds onzen
Cornelis zult herkend hebben, had volstrekt geen plan in
Den Haag ergens aan te loopen. Hij had dat praatje van
die boodschap bij den Eerwaarden Heer Pastoor maar ver-
zonnen om niet aangehouden te worden. Nu die soldaat
evenwel blijk gaf van hem te gelooven, en tevens liet zien,
dat in zijn hart ook nog voor heel wat anders plaats was
dan voor wreede gedachten, besloot hij terstond dien man
van dienst te zijn, en daarom zeide hij: „Wel zeker, kom-
peer, wel zeker! Maar als ik nu eens dat ringetje aannam,
-ocr page 152-
MEDICIJN VOOR DEN PRINS.                                     137
het niet aan „Bruine Sanne" bracht en voor mijzelven ver-
kocht, wat dan? Gij kent mij toch niet!"
„Aan uwe spraak hoor ik, dat gij een Hollander zijt, en
nu zou ik wel willen vragen, of de Hollanders geene Moe-
ders gehad hebben, en zoo ja, of zij dan den wil van die
Moeder niet hebben leeren eerbiedigen, ja, zelfs den wil van
eene goede Moeder van eenen hunner makkers?"
Cornelis\' oog schoot op die teedere woorden van den
ruwen, gebaarden krijgsknecht vol tranen en hem de hand
toestekende, zei hij : „Jean, ik heb geene Moeder meer. Ik
heb haar nooit gekend. Maar ik heb eene trouwe, brave
Pleegmoeder, die ik zielslief heb. Geef hier uw ringetje.
„Bruine Sanne" zal het aannemen en u ter gedachtenis
dragen, of gij krijgt het terug!"
„Ziet ge wel, dat ik mij niet bedroog! Maar hoe heet gij ?"
Cornelis kon vrij zijnen naam noemen, daar de Luikenaar
dien toch nooit zou gehoord hebben en daarom verzweeg
hij hem ook niet.
„Goed, Cornelis, goed, hier is de ring! Ga nu! God en
de Heilige Maagd behoeden u! Maar — als zij het nu niet
eens aanneemt?"
„Dan kom ik het overmorgen terugbrengen, of ik laat het
u bezorgen. Ziet gij mij nu niet, of ontvangt gij niets, dan
heeft „Bruine Sanne" den ring, reken daarop. Maar, dat is
waar ook, ik vergat het wachtwoord aan de schans te Val-
kenburg, hoe is dat ook?"
„Kort van memorie, kameraad, kort van memorie! Het
wachtwoord is anders gemakkelijk genoeg voor een Hollan-
der te onthouden, het is: „Haarlem en Leyden!"
„Lomperd, die ik ben, dat is waar ook! Maar zeg, wjj
staan onzen tijd hier te verbabbelen en we vorderen niet.
Ik ga er van door, hoor! Morgen met den noen zal uwe
„Bruine Sanne" den ring hebben. Maar van wien moet
ik zeggen, dat hij komt? Hoe heet ge nog meer dan
Jean?"
-ocr page 153-
138                                    MEDICIJN VOOR DEN PRINS.
„Ik heet Jean Lebon en ben musketier in het vendel van
Jan de Nester!"
„Goed, ze zal het weten! Goeden avond, kameraad!"
„Als ge me noodig hebt en ik kan u ook eens eenen
dienst doen, dan wil ik u graag helpen! God geleide u!"
De twee krijgers drukten elkander de hand en gingen
ieder hunnen weg,
Of de schildwachten aan de schans te Valkenburg slie-
pen, dan wel of er aan de zijde van Rijnsburg geene ston-
den, wie zal dat zeggen, maar zooveel is zeker, dat Cornelis
het wachtwoord volstrekt niet noodig had, en dat hij zonder
iemand ontmoet te hebben, ongestoord in het holle van den
nacht in het dorp aankwam.
Het was duidelijk te zien, dat hij meer in dat dorp ge-
weest was; want zonder nauwkeurig rond te kijken, of hij
wel op den rechten weg was, ging hij een klein steegje in
en stond eindelijk voor een vervallen, armoedig huisje stil.
„Ja, het is wel laat; maar ik zal toch maar eens aan-
kloppen," fluisterde hij en gaf er onmiddellijk gevolg aan.
Het duurde nog al eene geruime poos eer hij eenige be-
weging hoorde.
„Heeft er iemand geklopt?" vroeg een man achter de deur.
„Ja, ik heb geklopt," antwoordde Cornelis en vroeg met-
een: „Woont hier Jan Leendertsz, Verlaen nog?"
„Jawel, die ben ik zelf! Maar wie zijt gij? Wat moet gij
hebben?"
„Doe maar open, ik moet u even spreken!" zeide Cornelis.
„Ik doe midden in den nacht niet open, of ik moet eerst
weten, wie er klopt! Ik heb u gevraagd wie gij zijt en wat
gij moet, en zoolang ge mij geen antwoord geeft, doe ik
niet open," klonk het antwoord daar binnen.
Cornelis keek door het duister van den nacht in het rond
en toen hij niemand zag of hoorde, zeide hij, maar niet
harder dan dringend noodig was: „Ik ben Cornelis Joppensz., de
pleegzoon van schipper Van Keulen en ik kom uit Leiden!"
-ocr page 154-
139
MEDICIJN VOOR DEN PRINS.
Aanstonds ging de deur open.
„Wel, Keesje, ben jij hier?" vroeg de man, die een Oom
van Leeuwke was, en de beide vrienden dikwijls bij zich
had gehad. „Waar moet dat heen?"
„Ik moet brieven naar Delft bh\' den Prins brengen, en
nu kom ik hier mijn Spaansch soldatenpakje uittrekken, om
dan verder te gaan," antwoordde Cornelis.
„Doe dat, mijn jongen, doe dat! Maar zeg, hebt gij het
ook al gehoord, hoe ongelukkig mijn aardige Gerrit aan zijn
einde gekomen is?"
„Neen, Oom Jan, dat weet ik niet! Wij hebben wel ver-
moed, dat hij dood is, en ik heb zh\'nen dood ook al half ge-
wroken. Maar zeg, hoe is hij omgekomen?"
„Allerellendigst, Kees, allerellendigst," antwoordde de
oude man en vertelde hierop hoe alles toegegaan was.
„Is dat waar, Oom Jan?" vroeg Cornelis en zijne stem
beefde van aandoening en van kwaadheid.
„Ja, dat is zeker, miin jongen!"
„Honderd Spanjolen voor één Leeuwke!" klonk het uit
den mond van Cornelis. „Een musket, Oom Jan, een musket!"
„Stil, stil, jongen, gij vergeet uwe boodschap en denkt er
niet aan, dat de muren van mijn huisje niet dik zijn!"
„Maar moet ik dan Leeuwke niet wreken, Oom Jan? Toe,
toe, een musket of zinkroer, eene handspaak of een verre-
jager, het is mij onverschillig; maar wat hebben moet ik!
Honderd Spanjolen voor één Leeuwke!"
„Gij weet niet wat ge zegt, jongen! Wees bedaard en
wreek mijnen besten Gerrit zoo goed als ge kunt; maar nu
niet, want gij hebt eene boodschap aan den Prins! Ga die
doen en komt gij langs hier terug, dan zal ik u zeggen,
wat ik denk dat ge doen moet om uwen vriend te wreken!"
„U heeft gelijk, Oom Jan, nu mag ik niet," zeide Cor-
nelis, die zich eindelijk tot bedaren liet brengen.
„En hoe houdt Gerrits Moeder er zich onder met hare
kinderen? Is ze altijd nog ziekelijk? En Gonda, is dat nog
-ocr page 155-
140                                    MEDICIJN VOOR DEN I-RINS.
zulk een trouwhartig zieltje? Lijden ze niet veel gebrek?"
„Gebrek lijden we allen, Oom Jan! Gij weet niet, wat er
al gegeten wordt. Zelfs de rijken hebben het niet beter dan
wij, want wat er nog is, wordt eenvoudig verdeeld. In het
begin van Augustus heeft ieder aan zijne Bonmeesters moe-
ten opgeven, waar hij woont, hoe het hoofd van het gezin
heet en uit hoeveel personen dat gezin bestaat, en dan mag
men voor zooveel personen brood laten halen. Nu hebben
de Bonmeesters van onze buurt Gerrit\'s naam als hoofd
van het gezin op de lijst geplaatst, omdat er alleen maar
vermoed wordt, dat hij dood is en niemand er bericht van
gekregen heeft. Zoo kan Gonda nu voor zeven inplaats van
voor zes man brood halen."
„Maar hebben sommigen de Bonmeesters niet bedrogen,
door het gezin grooter te noemen dan het is?"
„Ja, zeker, Oom Jan! Ze hebben zelfs geene aangifte ge-
daan van de dooden, en daarom is er eene strenge straf gezet
op die bedriegerij."
„Wat een ellendige toestand toch!"
„Ja, wel ellendig, Oom Jan! En als er nu geen brood
of vleesch meer is, wat dan? Van honger sterven of aan
de pest! Vreeselijk!"
„Ja, vreeselijk, jongen. Doch als het nu zóó erg wordt
en ge zijt dan weer in Leiden terug, belooft ge mij dan,
Cornelis, dat gij bij mijne Zuster helpen zult?"
Cornelis beloofde het gaarne en meende reeds heen te
gaan, toen Oom Jan naar de spinde ging en er brood en
spek uithaalde.
„Hier, jongen, eet zooveel als gij lust," zeide de goedige
oude. „Ik zal mij onderwijl wat aankleeden en dan breng
ik u door de duinen langs den naasten weg naar Wasse-
naar! Als ge daar maar zijt, dan is er geen gevaar meer!"
Volgaarne nam Cornelis het aanbod van Oom Jan aan en
at met eene graagte, die bewees, dat hij zulk eenen maal-
tijd in langen tijd niet gedaan had.
-ocr page 156-
MEDICIJN VOOR DEN PRINS.                                     141
Toen beiden gereed waren gingen ze op weg en bereikten
tegen het aanbreken van den dag Wassenaar.
Hier namen ze afscheid van elkander en Cornelis beloofde,
dat hij, terugkomende, weer zijnen weg over Rijnsburg
nemen zou.
Het was een prachtige morgen toen Cornelis te \'s-Graven-
hage, dat toen lang zoo groot en voornaam niet was als
tegenwoordig, binnenkwam.
De menschen stonden in dien tijd wat vroeger op dan
thans het geval is, zoodat we ons niet al te zeer verwon-
deren moeten, dat alles reeds in beweging was.
„Wel, vrindschap, kunt ge me ook zeggen, waar de Eer-
waarde heer Pastoor Vincentius Hugo woont? Ik heb eene
boodschap aan hem te doen," zeide Cornelis zich met deze
woorden tot eenen hoefsmid wendende, die al druk bezig
was eenige paarden te beslaan.
„Jawel, jonkman! Maar Zijn Eerwaarde zal nog niet op
zijn! Het is nog wel wat vroeg!"
„Ja, maar bij Zijn Eerwaarde moet ik eigenlijk ook niet
zijn! Ik moet bij den koster wezen!"
„Bij den koster? Dat treft ge! Mijne dochter is daar
dienstmeid en gaat er zoo op het oogenblik heen! Stil, daar
is ze al! Sanne, die borst moet bij den koster zijn en weet
den weg niet!"
„Wel, Vader, dan kan hij met me meegaan! Kom maar
hier, jonge vriend, ik ga er heen! Of kan ik misschien de
boodschap zelf niet doen?"
Cornelis had haar nooit gezien, doch hy ontdekte spoedig,
dat het meisje, dat zoo driftig naast hem trippelde, niemand
anders dan „Bruine Sanne" was.
„Ik heb eigenlijk den koster niet te spreken," zeide Cornelis,
nadat ze een eindweegs voortgegaan waren.
„Niet? Houdt ge me dan voor den gek?" vroeg ze.
„Wel neen! Maar ik heb eene boodschap aan u!"
„Aan mij? Waar komt gij vandaan?"
-ocr page 157-
142                                    MEDICIJN VOOR DEN PRINS.
„Uit het leger van Don Valdez en Jean Lebon is mijn
kameraad!"
Het meisje kleurde en zeide niets.
„En ik heb eene boodschap van Jean aan u," vervolgde
Cornelis en reikte haar meteen den ring over, zeggende:
„Hij heeft me verzocht u dit te geven. Het is een ringetje
van zijne lieve Moeder zaliger, en hij vraagt of gij het hem
ter liefde aannemen en aan den vinger dragen wilt."
Blozend nam Sanne het ringetje aan en vroeg wanneer
hij weer naar het leger dacht terug te keeren.
„Ja, dat kan vandaag en dat kan morgen zijn," antwoordde
Cornelis.
„Als het nu eens morgen was, dan zou ik misschien iets
van de bestorming van Leiden kunnen zeggen; want morgen
komt Don Valdez hier op het jaarfeest van Zijn Eerwaarde.
Mijn Meester moet dan dienen, en zal lichtelijk wat hooren
van de bestorming van Leiden. En daar hij nog al babbel-
achtig is, kom ik zeker er wat van te weten!"
Cornelis stond verwonderd te kijken, dat er van eene
bestorming van Leiden sprake was, en besloot nu het meisje
geheel uit te hooren.
Het scheen echter, dat zij er zelve op het oogenblik
niets meer van wist dan dat, wat ze gezegd had, en daar
Cornelis het in het belang der Leidenaars rekende, zoo hij
met den terugtocht tot den anderen dag wachtte, zeide hij:
„Hoor eens, ik moet naar Rotterdam, en nu zal ik het
wel zoo weten aan te leggen, dat ik morgen eerst naar
huis kan. Wanneer denkt gij, dat ik komen kan?"
„Wel, laat zien! Met den noen komt Don Valdez en dan
zal het maal om drie uur zeker wel al afgeloopen zijn, en
de koster alles aan zijne vrouw en mij verteld hebben. Ik
zal tegen vier uur aan de deur staan, en als ik er niet
ben, dan klopt ge maar en ge vraagt naar Sanne van den
hoefsmid!"
„Maar als Don Valdez me dan eens zag!"
-ocr page 158-
MEDICIJN VOOR DEN PBINS.                                    143
„Don Valdez komt alléén en, als hij hier is, dan heeft
lüj wel wat anders te doen, dan door het raam te kijken,
wie er klopt! Maar zeg eens, gij zijt toch geen Geus of
overlooper?" vroeg Sanne, eensklaps wantrouwend wordende.
„Een Geus? Evenmin als uw Vader, vrijster!"
„Mijn Vader? Ja, beroep u daar maar zoo hard niet op;
want al zegt hij het mij niet, ik zie toch wel, dat hij
Geus in zijn hart is. Maar waarom hebt gij geen wapen-
rok aan?"
Die vraag kwam zoo onverwachts en het meisje keek
hem zoo strak in de oogen, dat Cornelis, die toch nog geen
leugenaar van beroep was, gevoelde dat hij rood werd.
Hij begreep echter terstond, dat hij er dapper door heen
moest slaan, wille hij geen gevaar loopen de half behaalde
voordeelen prijs te geven.
„Wie is er veiliger op den heerweg, de Spaansche
musketier, de Staatsche soldenier, of de schippersgezel ?"
vroeg hij.
„Bijlo, ge zijt een slimme vogel," antwoordde Sanne.
„De Spaansche musketier en de Staatsche soldenier gaan
den schippersgezel onverschillig voorbij! Ge zijt slimmer dan
Jean, want die zou nooit op die geachte gekomen zijn!"
„Hij is anders een dood-goeie jongen," merkte Cornelis aan.
„Wel, hij is een kalf, zeg dat! Maar van slimme kal vers
heb ik toch nooit gehoord," hervatte Sanne.
Het gesprek had thans lang genoeg geduurd en daar ze
juist bij het huis van den koster waren aangekomen, be-
loofde Cornelis, dat hij den volgenden dag te vier uren
weer hier terug zou zyn, en, van het vriendelijk knipoogende
meisje afscheid nemende, ging hij heen.
Zoo ongeveer te tien uren in den morgen kwam hij te
Delft aan.
Het scheen, alsof de geheele stad treurde; want de man,
die zooveel voor het land gedaan had, lag, zoo zeide men
algemeen, met den dood te worstelen.
-ocr page 159-
144                                     MEDICIJN VOOR DEN PEINS.
Slechts uit de verte bekeek men het Prinsenhof; want
iedereen schuwde het uit vrees der besmetting.
Zelfs de schildwachten, die voor de deur stonden, hadden
zich zoo ver mogelijk verwijderd, en zonder door dezen
tegen gehouden te worden, trad hij binnen.
Na lang in het voorhuis gewacht te hebben, kwam er
eindelijk een bediende, die hem in het ziekenvertrek bracht,
nadat hij vernomen had vanwaar de jongen kwam.
„Is daar iemand?" klonk eene zwakke stem, die uit een
bed kwam.
„Er is hier iemand uit Leiden, Uwe Doorluchtigheid,"
zeide de knecht.
„Durft gij me naderen, man of knaap?" vroeg de Prins
nu aan Cornelis.
Cornelis naderde, zachtjes en vol vrees om voor zulk een
voornaam man te komen, de bedstede.
De Prins keek met groote moeite Cornelis aan en zeide:
„Uit Leiden? Heeft de stad zich overgegeven?"
„Neen, Uwe Doorluchtigheid, nog niet! Maar de nood is
hoog. Burgemeester Pieter Adriaensz. en Jonker van der
Does zenden u dezen brief."
Met moeite verbrak de Prins het zegel en las toen zoo
goed als zijne verzwakte oogen hem die toelieten den
bondigen, echt Vaderlandschen brief, waaruit hij vernam
dat de keurbende van Leidens ingezetenen besloten had om
de stad niet over te geven.
„Gy brengt mij de kostelijkste medicijn, knaap," zeide
de Prins. „Ga in het naaste vertrek en zeg aan mijnen
hellebaardier, die u hier binnen bracht, dat hij hier bij me
komen moet. Kom dan morgenochtend terug, dan zal ik u
meteen ook eene boodschap aan mijne trouwe Leidenaars
medegeven."
Cornelis groette beleefd en ging heen, doch vroeg aan
den knecht, of hij hier wel zoo lang mocht blijven tot deze
terugkwam, want dat hij in Delft den weg niet wist.
-ocr page 160-
MEDICIJN VOOB DEN PRINS.                                    145
„Goed, jongen," zei Hans Van Bruggen, die, waar bijna
allen den Prins ontvlucht waren, trouw bij zijnen Meester
gebleven was. „Blijf hier gerust, ik zal u terecht helpen."
Hans was weldra terug en eer hij nog in het vertrek
was, riep hij al: „Jongen, gij zijt een wónder-dokter en
hebt de beste medicijn voor mijnen armen Meester gebracht.
Ik herkende Zijne Doorluchtigheid bijna niet meer. Zonder
hulp had hij het bed verlaten en zat reeds aan de schrijf-
tafel met het oude vuur in de oogen. Dat moet heel Delft
weten, wacht maar even."
Hans liep nu naar den wachthebbenden soldaat en beval
dezen, het heugelijk nieuws aan den Bevelhebber der wacht
over te brengen. In eenen ongelooflijk korten tijd liep het
nu als eene blijde mare door heel Delft: „De Prins is
plotseling beter geworden. Een jongen heeft bericht uit Leiden
gebracht, dat ze daar volharden zullen!"
Toen Hans weer bij Cornelis teruggekomen was, zeide
hij: „ Gij blijft vannacht hier in het Prinsenhof. Ik heb het
Zijne Doorluchtigheid gevraagd en deze heeft gezegd: „Goed
Hans, en laat hem dan maar alles vertellen van Leiden,
wat hij weet. Gij kunt het mij dan later wel verhalen.
Mijn hoofd is nog te zwak om er veel van te vragen."
Dat zei hij en daarom, als gij gegeten hebt, maar flink aan
den slag."
Cornelis had er natuurlijk niets tegen, en hij vertelde
zóó veel en zóó lang, dat het zelfs vrij laat was, eer hij
in den slaap nieuwe krachten voor het werk van den
volgenden dag ging garen.
DE SCHIFPERSJOKOKN
-ocr page 161-
146                              WAT ZAL VAN LEIDEN WORDEN?
VEERTIENDE HOOFDSTUK\'.
Wat zal van Leiden worden?
Reeds vroegtijdig was Cornelis den anderen morgen
ontwaakt en daar de Prins nog eerst eene samenkomst
moest hebben met den Advokaat van Holland, en zelfs nog
niet eens opgestaan was, zoo besloot Cornelis, eene wandeling
door Delft te maken, dat toen binnen de wallen niet veel
kleiner was dan tegenwoordig.
Welk een verschil met gisteren!
Toen scheen het, alsof ieder treurde en den dood vreesde
van eenen Vader of Moeder. De aangezichten stonden bedrukt
en zelfs de smid, die bij de Haagsche poort woonde, liet
droomerig en lusteloos den zwaren hamer op het aanbeeld
vallen.
En nu? De aangezichten stonden opgewekt en hier en
daar klonk zelfs een vroolijk liedeken, waarin een Duc d\'Alv
of Koning Filips het zwaar te verantwoorden had. De smid
bij de Haagsche poort liet nu, met forsche en snel volgende
slagen, den hamer zoo zwaar op het gloeiende ijzer vallen,
dat de vuur vonken sissend door de smidse tot op straat
vlogen.
Scheen de Prins van Oranje na eene zware krankte tot
een nieuw en krachtig leven gewekt, elke Delftenaar scheen
dat met hem.
En te midden van al die vroolijke bedrijvigheid lette
niemand op den jongen man, die de boodschap uit Leiden
had overgebracht, hoewel hij hier en daar toch wel een en
ander uit de verschillende uitroepen en gesprekken opving.
Vooral gaf hij zijnen ooren den kost, als er over de
Watergeuzen, de vloot of over het water gesproken werd.
Op de Voorstraat komende, vond hij voor de brouwerij
„De Flapcan" het werkvolk in druk gesprek met eenen
man, die er al heel akelig uitzag. Geene gedroogde schol
-ocr page 162-
WAT ZAL VAN LEIDEN WOEDEN?                                  147
was ooit zoo gekorven, als deze man het in zijn gelaat
was. Hij had maar één oog en het stompje vleesch en
been, dat zich tusschen de twee oogen bevond, geleek al
bitter weinig op eenen neus. Aan de linkerhand ontbraken
twee vingers, en ooren waren bij hem niet te vinden. Voor
het overige was hij een man als een boom. Daardoor stak
hij boven alle andere mannen uit en viel ieder in het oog.
Op het hoofd droeg hij eene wollen muts met een zilveren
halve maantje.
Hij was een Watergeus, die onder het algemeene gelach
der omstanders vertelde, dat hij, als eene rat, in eene
Spaansche klem had gezeten, doch dat hij gedaan had, als
de vossen, die liever gehavend vrij komen dan ongeschonden
doodgeslagen worden.
Op de vraag hoe het met de vloot ging, vertelde hij dat
men bitter weinig vorderde uit gebrek aan water. De meeste
vaartuigen hadden drie en eenen halven voet diepgang en
op de weilanden stond nog maar één voet water. De plaatsen
waardoor men in de vaarten zou kunnen komen, waren
sterk bezet en de Spanjaarden waren „lompe" menschen,
want niet één was er onder, die zei: „Ga door, goeman!"
Integendeel, ze schoten, sloegen en hakten er op in, dat
een fatsoenlijke Watergeus er nog een lesje in had kunnen
nemen. Zoo was de toestand, zie, zóó, en niet anders.
„Maar zou de vloot dan wel ooit tot Leiden kunnen
komen ?" vroeg een uit den hoop, en hu\' voegde er bij:
„Ik heb altijd gezegd, dat die doorstekerij niet veel meer
dan gekkenwerk is geweest."
De Watergeus lachte luid en zeide: „Pas op, die springt
nog uit mekaêr van geleerdheid. Ik zeg ja, maar, de
Leidenaars moeten nog wat geduld hebben. Wij zijn hier
nu eenmaal in Holland en we gaan er niet uit vóór we
de stad van de „Leidsche kaas" van binnen gezien hebben.
„En als het water nu niet hooger komt?" vroeg dezelfde.
„Wat dan?"
-ocr page 163-
WAT ZAL VAN LEIDEN WORDEN\'?
148
„Als het water niet hooger komt, dan neemt onze ad-
miraal van Boisot een mes tusschen de tanden, een mus-
ket in de eene en eene schop in de andere hand. Dat doen
we hem allen, allen na. Niet één van de achthonderd Water-
geuzen, die thuis blijft om op zusje te passen. Elk musket
zal eenen vijand treffen; elk mes eenen Spanjaard vinden.
Dan hebben we ruim baan en we graven eene wetering,
eene vaart, eene rivier of eene zee, zeg maar, wat je heb-
ben wilt en — wij komen er met vlag en wimpel, des-
noods met van Boisots Admiraalsschip. Maar Leiden moet
Holland blijven. En nu, brouwt bier en gaat aan het werk!
Ik wil je groeten!"
De Watergeus ging heen, doch niet één uit den hoop, die
staan bleef, of hij dacht: „Ze zullen er komen! Wat een volk!"
Ook dat dacht Cornelis, die, zelf vrijbuiter zijnde, zich
bij dezen Watergeus al bitter klein gevoelde. Maar als hij
weer in Leiden mocht komen, dan zou hij daar met gloed
en vuur de woorden van den echten Watergeus herhalen,
en dat zou helpen om zelfs den vreesachtigste moed en de
wanhopendste hoop te geven.
Te elf uren ging Cornelis naar de woning van den Prins
terug en na de twee brieven alweer, op dezelfde manier
als Gerrit gedaan had, in eenen dikken stok gestoken te
hebben, begaf hij zich op weg naar \'s-Gravenhage, waar hij
omstreeks één ure aankwam.
Daar het nog veel te vroeg was om „Bruine Sanne" op
te zoeken, trad hij de eerste taveerne de beste binnen om
daar onder eene kan bier zijnen tijd af te wachten.
Alsof de waard van „De witte Valk" hem al jaren lang
gekend had, ontving hij Cornelis met eenen gullen uitroep
van: „Welkom, kameraad! Dorstig weer, hè?"
„Ja, wel wat! Geef mij eene kan bier!"
„Graag, maat, graag! We zullen klinken op het gezicht
van zeven dagen slecht weer van je weet wel wien!"
„Neen, dat weet ik niet. Wien bedoel je?" vroeg Cornelis.
-ocr page 164-
WAT ZAL VAN LEIDEN WOEDEN?                              149
„Klaar als de dag. Ik bedoel dien ijzegrim Valdez!"
Cornelis wantrouwde den dikken, luidruchtigen waard
terstond en zeide: „Gij bedoelt zeker Don Valdez, onzen
Veldheer, nietwaar? Dat hij een ijzegrim moet wezen, wist
ik nog niet. Ik vind hem een nobel en flink man, en daarom zal
ik hem nooit uitschelden, maar hem altijd noemen Don Valdez."
„Nu, laat dat Don er maar af! Zeg maar Valdez! Hebt
gij hem gezien?"
„Neen, ik kom zoo over Delft uit Rotterdam. Eene heele
wandeling!"
„Uit Delft? Jongen, eene pint van mijn beste bier geef
ik, als gij me zegt, of het waar is, dat het gevaar van
Zijne Doorluchtigheid geweken is!"
„Ja, als ge den Prins van Oranje met dat „Zijne Door-
luchtigheid" bedoelt, dan kan ik u zeggen, dat het waar
is," zeide Cornelis, die op raad van Hans Van Bruggen
hier in Den Haag, waar de Spanjaard nog geheel meester
was, bijzonder voorzichtig was in hetgene hij zeide en
daarom den Spaanschgezinde uithing.
„Papperlepap, keek daarom die Valdez zoo leelijk op
zijnen neus, als eene dolle kat op eene doode muis! Ha!
ha! Nu begrijp ik het! Daar kan eene pint oud bier op
staan! Drinkt gij mee, manneke ?"
„Ja, ik wil uw bier wel drinken; maar om dat te doen
op de gezondheid van . . . ."
„Van den Prins, wilt gij zeggen, hé? Durft gij dat niet?
Ha, ha, ik wel! Al waren er duizend Spanjolen bij! Maar
daarom moet gij dat nog niet doen! Ieder mensen is hier
zoo vrij als een vischje in het water! Gij hebt dus Valdez
niet gezien, zegt ge?"
„Ik heb immers al gezegd dat ik hem niet gezien heb,
dat wil zeggen, vandaag niet. In het kamp zie ik hem
dikwijls genoeg, als ik hem de visch breng, die ik dikwijls
voor hem moet gaan vangen. Hij houdt wat veel van water-
baars en, hij betaalt goed!"
-ocr page 165-
-ocr page 166-
WAT ZAL VAN LEIDEN WOKDEN?                               151
Zoo redeneerde de kastelein, doch bedroog zich niet weinig.
Om eenen jongen vrijbuiter onder zijn net te krijgen, was
hij toch niet slim genoeg geweest.
Het was nog wel veel te vroeg om naar „Bruine Sanne"
te gaan, doch daar Valdez toch weg was, meende hij niet
verkeerd te doen met een uurtje vroeger te komen dan de
afspraak was. Hij zocht dus het kostershuis op en liet den
klopper op de deur vallen.
„Gij komt vroeg," zei „Bruine Sanne," die open deed en
op de stoep bij hem kwam.
„In „De witte Valk" hoorde ik dat Don Valdez terug
gereden was en dus niet meer hier kon zijn," sprak Cornelis.
„En wat is uwe boodschap aan Jean?"
„Geene andere dan dat hij maken moet Vaandrig te zijn,
als hij weer in Den Haag bij mij komt."
„Dat zal hij wis worden, als de bestorming maar door-
gaat," zeide Cornelis.
„De bestorming, vriendschap? Nu, maar dan kan hij lang
wachten! Van die bestorming komt niemendal. Valdez zelf
heeft het aan onzen Pastoor gezegd, waar de koster bij
was. En waarom hij dat doet? Weet ik het? Ik geloof dat
hij bang is voor de woede van hongerlijders, die vechten
zullen als wolven, die in geene dagen gegeten hebben. En
als hij moest afdeinzen, dan zou hij zich dat tot ééne
schande rekenen. Hij moet nu plan hebben, de menschen
in Leiden eenvoudig door den honger te dwingen, zich over
te geven. De Pastoor heeft wel gezegd, dat hij dan lang
wachten kan, want dat een Hollander zoo gauw den moed
niet opgeeft, maar daarop luidde het antwoord van Valdez:
„Heer Pastoor, ik heb den tijd, en Leiden zal zich over-
geven, zich overgeven, door het scherpe zwaard van den
honger gedwongen." Zoo sprak Heer Pastoor, en wat denkt
gij er van, vriendje? Gij zijt toch ook een Hollander, niet-
waar?"
„Zou uw Vader het doen, Sanne?"
-ocr page 167-
152                              WAT ZAL VAN LEIDEN WORDEN?
„Vader? Vader?! Wel neen hij! Dat zei hij gisteren nog:
„eer ik mij door den honger aan eenen vijand overgaf, zou
er meer moeten gebeuren!"
„Nu, Sanne, ik ben ook een Hollander; ik zou het ook
niet doen. En daarom vrees ik, dat we komende jaar op
dezen tijd nog voor Leiden liggen, als ... ."
„Wat, als?"
„Als het water ons ten minste niet verjaagt. Ze hebben
dan toch de dijken maar op verschillende plaatsen doorge-
stoken, weet ge! Het moet maar wat uit het noordwesten
gaan waaien, een springtij zijn, en . . . ."
„Wat, water? Dat komt nooit zoo hoog, dat gij in het
legerkamp er last van hebt! Doch één ding is maar jammer!"
„En dat is?"
„Wel, we dachten allemaal dat de groote Ketterbaas er
het leven bij inschieten zou, en kijk, vanmorgen liep het
gerucht, dat hij beterde! Een jongen uit Leiden moet hem
genezen hebben!"
„Nu maar, als er in Leiden zulke knappe jongens zijn,
dan mogen ze die wel in eere en binnen de wallen houden,"
spotte Cornelis, „want iemand, die zóó knap is, zal ook
wel een middeltje tegen honger weten!"
„En dan hebben ze zeker wèl gedaan zoo ze hem niet
uit Delft lieten gaan; want Don Louis Gaëtan heeft overal
schildwachten uitgezet om hem te snappen, en „Gladde
Peer" uit „De witte Valk" heeft ook bevel gekregen, hem
op te sporen, en die vindt hem zeker; want die is me
wat mans!"
„Ei! Maar hebt gij nu niemendal voor uwen bruidegom?"
vroeg Cornelis.
„Mijn bruidegom?" zeide Sanne. „Als hij Vaandrig- is,
dan mag hij het zijn, zeg hem dat!"
„Ik zal het doen!" antwoordde de knaap en het meisken
groetende ging hij heen.
Het eischte voorzichtigheid om de schildwachten van Don
-ocr page 168-
WAT ZAL VAN LEIDEN WOKDEN?                              153
Gaëtan mis te loopen, en daarom besloot hij naar Scheveningen
te gaan en dan het strand te houden tot op de hoogte van
Wassenaar. Kon hij maar tot zoover komen, dan was hij
althans hier weer buiten gevaar.
„Die leelijke „Gladde Peer," bromde hij. „Ik dacht het
wel, dat hij de rechte broer niet was! Hij liet zich veel
te onvoorzichtig uit voor iemand, die te midden van Span-
jolen en Spaanschgezinden leeft! Maar ik zal toch blij zijn,
als ik weer in Leiden ben, en in mijn eigen bed wat uit-
rusten kan!"
Onder dergelijke gedachten kwam hij ongehinderd te
Scheveningen en aan het Wassenaarsche Slag. Zoo snel hij
nu maar loopen kan, liep hij door de duinen naar Rijnsburg
en het was nog helder dag toen hij er aankwam.
Oom Jan had hem al heel den dag verwacht en onthaalde
hem weer op spek en brood. Tegen den avond trok Cornelis
het pak van den Spaanschen musketier weer aan en wilde
onder duizend dankbetuigingen heen gaan.
„Wacht jongen," zeide Oom Jan, „berg dit stuk brood
in uwe zakken en steek er die homp spek ook bij. Gij hebt
nu eenen goeden maaltijd gedaan, laat Zuster met hare
kinderen het ook eens doen! Maar behalve dat, geef ik u
nog wat anders, en dat is het wachtwoord. Ik ben er toe-
vallig achter gekomen toen ik een der schildwachten, die
afgelost werd, voorbijging. Het is tot van avond tien uren:
Honger.\' Na dien tijd krijgen ze een ander! Maak nu maar
dat ge voort komt, anders zijt ge er te laat bij I"
Nadat ze van elkander hadden afscheid genomen, ging
Cornelis stoutmoedig op weg. Zoo brutaal mogelijk ging hij
voorbij elke schans, want nu hij het wachtwoord wist, kon
niemand hem den doortocht beletten en was hij langs on-
gebaande wegen gegaan, dan zou men hem mogelijk nog
wel nader ondervraagd hebben. Zonder eenige ontmoeting
van aanbelang, kwam hij nog lang vóór tien uren voor de
Witte poort aan. Hij werd aanstonds binnen gelaten, en
-ocr page 169-
154                               "WAT ZAL VAN LEIDEN WORDEN?
nadat hij zijne brieven bezorgd en een en ander verteld
had, ging hij naar huis, waar hij met blijdschap ontvangen werd.
„En raad nu eens wie we in huis hebben genomen,
Keesje?" vroeg zijne Pleegmoeder.
„Ja, dat weet ik niet," antwoordde hij.
„Nu, ik zal het u maar zeggen: Gerrits Moeder. Drie
van hare kinderen zijn van den honger gestorven. De overigen
kinderen hebben wij, buren, onder elkander gedeeld, en nu
is Gonda bij ons in huis. Wij hopen dat de goede God op
dat werk der barmhartigheid Zijnen zegen zal geven! Dat
is zeker, het meisken kon het nergens beter hebben I"
„Ge zijt toch eene goede Moeder," vleide Cornelis en gaf
haar eenen kus.
Onder het vertellen van alles, wat hem overkomen was,
vlogen de uren om en was het reeds over middernacht, eer
men er aan begon te denken, dat het bed al lang gewacht had.
„Oost, west, thuis best," dacht Cornelis en sliep weldra in.
Den volgenden morgen aten allen van Gonda\'s brood en
spek mede, behalve Cornelis, die er niets van wilde hebben,
omdat hij den vorigen dag zich verzadigd had.
De tijdingen, die Cornelis medebracht, waren evenwel
niet zeer bemoedigend.
Niet dat men in Leiden zich onverschillig aanstelde bij het
bericht, dat de Prins van Oranje thans zoo het scheen buiten
gevaar was. Integendeel, menigeen dankte er voor; want
op den Prins was hunne hoop gevestigd, en als hij viel,
dat wist iedereen, viel alles, ■— ook Leiden! — Maar dat het
water zoo weinig rees en maar al door voor de Landschei-
ding bleef staan, en dat er toch geen andere weg tot uit-
komst openstond dan juist dat water, zie, dat bracht naast
den blijden trek van blijdschap op het gelaat bij het bericht:
„Zijne Doorluchtigheid wordt beter!" toch dadelijk den droeven
trek, die iedereen deed lezen: „Wat zal van Leiden worden?"
-ocr page 170-
1(55
SAMENZWEERDERS BELUISTERD
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Samenzweerders beluisterd.
Het was een donkere, drukkend heete nacht in het begin
van September.
In het huis van Barend Cornelissen Van Keulen lag alles
in diepe rust, behalve Cornelis, die de wacht op de wallen had.
Ééne echter kon niet slapen, en die eene was de vijftien-
jarige Gonda.
Het meisken woelde zich op haar strooleger om en om,
doch kon den slaap niet vatten.
Wat was er dan gebeurd, dat ze zoo onrustig was?
Ze had in den afgeloopen avond een gesprek aangehoord
tusschen Barend Cornelissen en zijne vrouw. Ze had ge-
hoord, dat de leeftocht in Leiden was opgeteerd en dat er
alleen nog eenige magere koeien te slachten waren over-
gebleven. En als die ook eens op waren, wat dan?
En dan het gesprek van den afgeloopen avond!
Had niet Barend Cornelissen zelf gezegd, dat er nog veel
zwaarder, nog veel droever, ja, vreeselijke dagen voor de
arme Leidenaars stonden aan te breken! Had niet zijne
vrouw met tranen in de oogen op hare kinderen gezien en
gezegd: „God, Barend, als dat gebeuren moest, wat zal er
dan van deze arme schepseltjes worden?"
En diezelfde kinderen, hadden die heel den dag al niet
van honger geweend, en dat mi nog, terwijl er nog een paar
koeien konden geslacht worden en er dus nog vleesch was!
Was niet Cornelis, stellig onder voorwendsel, dat hij hoofd-
pijn en geenen eetlust had, zonder iets te gebruiken naai-
de wallen gegaan?
O, ze had het wel gezien, dat hij onwaarheid sprak, dat
hij geene hoofdpijn en wèl eetlust had, en toen ze dat zag,
bleef haar het vleesch, taai als zoolleder, als eene prop in
de keel steken en had ze ook genoeg!
-ocr page 171-
156
SAMENZWEERDERS BKLUISTERD.
Ja, dat had ze gezien en ze had gedacht- aan haren Vader
en hare Moeder, die heen waren gegaan, en aan den goed-
hartigen Leeuwke, die het lekkerste en beste altijd voor
zijne Gonda bespaarde, en toen was ze naar bed gegaan,
niet om te slapen, maar om het hoofd in een kussen te
verbergen en eens uit te weenen!
Omtrent middernacht stond zij op en een raam openende,
stak ze haar verhit hoofd naar buiten.
Het was stil, doodstil. Geen zuchtje werd gevoeld. Geen
enkel blaadje bewoog zich. Niets was er te hooren. Het
scheen, dat de heele stad uitgestorven en zij alleen over-
gebleven was.
Onderwijl ze daar echter zoo door het venster lag, hoorde
ze iemand voorzichtig langs de straat sluipen en een oogen-
blik later tegen het raam van eenen der overburen tikken.
Er werd oogenblikkelijk geopend, en de man, die getikt
had, vroeg:
„Zijt gij gereed, Martensz.?"
„Jawel," antwoordde deze, „maar hebt ge „Roode Jaap"
en Jaspersz. ook al gewekt?"
„Ja," zeide de ander weer, „ze zijn door de Molensteeg
naar het rondeel van de Koepoort gegaan!"
„Naar de Koepoort?" werd er verwonderd gevraagd. „Ik
dacht dat we in het wachthuis bij de Rijnsburgerpoort bij
elkander zouden komen."
„Ja, dat zou ook gebeurd zijn; maar Cornelis Joppensz.,
die albedril, staat daar op wacht, en die nare jongen is
mans genoeg om heel de zaak aan den dag te brengen."
„Dat geloof ik ook," werd er weer geantwoord. „Wacht
maar even, ik ga zoo aanstonds mee."
„Ik zou zulks gaarne willen doen," zeide de ander weer;
„maar ik moet den besten van allen nog wekken."
„Meester Jakobsz., het Lid van de Vroedschap?"
„Ssst, de muren hebben soms ooren, Martensz.! Ja, hij
is er ook bij. Komt gij dan?"
-ocr page 172-
SAMENZWEERDERS BELUISTERD.                                157
„Ik zal er zijn," was het antwoord. Het venster werd
gesloten; de man verwijderde zich en het bovenraam van
Barend Cornelissen werd ook voorzichtig toegedaan.
Een oogenblik later ging Martensz. op weg, doch werd
op een twintig schreden afstands gevolgd door Gonda, die
zich in eene zwarte falie gewikkeld had.
Onder duizend angsten sloop zij voort, doch bereikte, een
weinig na Martensz., gelukkig en zonder door iemand gezien
te zijn, den rand van het bedoelde rondeel.
Hier zette zij zich op de hurken in den donkersten hoek
neer, en beluisterde het gesprek der mannen, die hier veilig
meenden te zijn en dus geene voorzorgen genomen hadden,
en ook geene moeite deden zachter dan anders te spreken.
„Hoor eens, Jaspersz.," begon er een, die een gesprek
scheen voort te zetten, dat hij onderweg reeds aangevangen
had, „ik zeg, als er geene verandering komt, dat we allen
van den honger zullen sterven. Vertel ons eens, als gij
kunt, wat is er gedaan om ons te ontzetten?"
„De Maas- en IJseldijken zijn doorgestoken."
„Dat zijn ze; maar daarmede is men al begonnen op het
einde van Hooimaand! Nu hebben we den vierden van Herfst-
maand, en waar is het water?"
„Ja, nog altijd staat het voor de Landscheiding."
„En waar zijn de schepen der Zeeuwsche vrijbuiters en
de platboomde vaartuigen der andere plaatsen, die ons brood
zouden brengen en den vijand uit zijne schansen jagen?"
„Ze wachten op het wassen van het water."
„En waar is „de Arke van Delft", dat reuzenschip, waar-
over ze een geschreeuw gemaakt hebben, alsof de Span-
jaarden voor dat enkele hebbeding aan den haal zouden gaan ?"
„Ja, dat schip ligt nog altijd in Delft. Er is geen water
genoeg voor eene ledige pont, dus nog minder voor zulk
een gevaarte."
„Gansbloed, ik moet zeggen, dat vordert hard! En wat
heeft de Prins van Oranje nog meer laten doen?"
-ocr page 173-
158                                SAMENZWEERDERS BELUISTERD.
„Hij heeft door de vrijbuiters van Tergouw den Hildam
op zeven plaatsen laten doorsteken."
„En?"
„En den anderen dag zijn die zeven gaten door de Span-
jaarden met hooi en takkenbossen weer gestopt."
„En wie eten er brood met boter en kaas?"
„De Leden van den Magistraat en de voorname Bevel-
hebbers !"
„Neen, mannen, dat is niet waar," zeide hierop een ander.
„Ik zelf ben Lid van den Magistraat en ik eet evenmin
brood met boter en kaas als gij. Ik weet ook, dat geen der
andere leden het doet, doch wat de Bevelhebbers betreft,
daar sta ik niet voor in!"
„Als gij dat niet weet, dan kan ik daar wat van zeggen,"
bromde eene zware mannenstem.
„Stil jongens, „Roode Jaap" zal ons hierover een boeksken
open doen. Hij zal ons zeggen hoe die Heeren de kaas snijden,
terwijl wij honger lijden," riep de eerste spreker.
„Welnu," zeide „Roode Jaap," „ik kan u zeggen, dat ik
onzen Bevelhebber van der Does met smaak op eenen oud-
bakken moutkoek heb zien kauwen, en, vanmiddag gaf hij
zijn aandeel vleesch voor een groot deel aan Teunisz., wiens
vrouw en kinderen ziek liggen."
„Nu goed, de Magistraat eet geen brood met boter en
kaas, en de Bevelhebbers hebben het niet beter," zeide de
woordvoerder weer. „Maar als die Heeren besloten hebben,
den hongerdood te sterven, moeten wij dan maar zeggen:
„Goê-man, dat doe ik ook?"
„Neen, dat behoeft niet," hervatte het Magistraatslid,
„dat behoeft niet, vriendschap! Maar de Vroedschap, van
der Does en Van Hout zullen toch niet altijd doof blijven,
hoop ik. Eindelijk zullen hunne oogen wel eens opengaan!"
„Opengaan, ja, wanneer? Als het te laat is, soms?"
vroeg Martensz., zoo nijdig en spijtig, als hij maar kon.
„God beware ons daarvoor," zeide Meester Jacobsz. „En
-ocr page 174-
SAMENZWEERDERS BELUISTERD.                                159
daarom heb ik besloten om morgen in onze vergadering,
wanneer de drie brieven, die gij vanavond ontvangen hebt,
Jaspersz., zullen voorgelezen zijn, er ernstig op aan te
dringen, dat de stad worde overgegeven."
„En als al uwe woorden eens niet helpen, Meester Jacobsz. ?
Wat dan? Wij hebben toch maar al te zeer ondervonden,
dat die van der Werff een stijfkop is."
„Dan ontmoeten we elkander hier morgen nacht om elf
uur weer om te overleggen welken weg wij zullen inslaan
om een einde aan onze ellende te maken."
„En, zoo waar als ik hier sta, dat moet en dat zal
gebeuren! Ik wil mij niet langzaam laten doodhongeren,"
zeide dezelfde man, die Martensz. had gewaarschuwd en die
ook het meest ontevreden was.
De mannen gingen hierop behoedzaam en langs verschil-
lende wegen naar huis, en nauwelijks waren ze henengegaan,
of Gonda richtte zich uit haren schuilhoek op, en sloop
naar huis.
Zij wierp zich te bed, en of het nu door overmatige in-
spanning was, dan wel of de natuur eindelijk hare rechten
liet gelden, nauwelijks had ze zich neergevlijd, of ze viel
in eenen diepen en gerusten slaap.
„Gonda, Gonda!" riep vrouw Van Keulen den volgenden
morgen, zoo luid zij kon.
„Wat belieft u, Moeder!" gaf Gonda ten antwoord, want
sedert zij bij Van Keulen in huis was, noemde zij de Pleeg-
ouders van Cornelis, evenals hij, Vader en Moeder.
„Kind, blijft ge vandaag heel den dag slapen? Kom, het
is meer dan tijd om op te staan! Het is bijkans negen uren!"
„Ik kom," antwoordde Gonda en stond weldra in de
woonkamer, waar ze, zonder iets van haar nachtelijk avon-
tuur te laten blijken, hare Pleegmoeder aan de huiselijke
bezigheden medehielp.
-ocr page 175-
160                              WAT ZAL HET NOS WORDEN?
ZESTIENDE HOOFDSTUK.\'
Wat zal het nog worden?
Sinds eenigen tijd werd het weinige vee, dat nog in de stad
was, onder toezicht der Regeering geslacht en in het Koor
der Sint-Pieterskerk uitgedeeld of verkocht. Zij, die rijk
waren, konden evenwel niet méér koopen, dan de minver-
mogende burgers of de armen kregen; er werd eerlijk ge-
deeld. Ook Barend Cornelissen was er heen geweest om
zijne portie te halen. Zwijgend zette hij het taaie vleesch
neder en begaf zich naar den wal om daar op zijne beurt
de wacht waar te nemen. Wie hem had zien heensloffen,
want gaan kon het niet heeten, zou in die trage gestalte
met gebogen hoofd, den wakkeren schipper van eene maand
of drie geleden niet meer herkend hebben.
Cornelis, die te zes uren thuis gekomen was, lag gerust
te slapen. Jongens op dien leeftijd kunnen veel verdragen.
Tegen den middag stond hij op en daar er nog niets te
eten viel, begaf hij zich op straat, waar veel leven en be-
weging heerschten.
„Er zijn weer brieven gekomen, Cornelis! Weet gij het
al?" zeide Van der Morsch.
„Van den Prins?" vroeg Cornelis.
„Neen van Valdez, van Jonker van Mathenesse en van
Don Ferdinand de Lanoy!"
„Zeker weer alle drie heel lief en aardig?"
„Ja, dat weet ik niet. De Magistraat is vergaderd om
over die brieven te spreken, en daar ik kennis op het Stad-
huis heb, zullen ze ons wel binnensmokkelen en een plaatsje
geven, waar wij alles zien en hooren kunnen, zonder dat
men ons ziet of hoort."
„Top, dat doe ik! Dan zal ik mijne maag maar eens vullen
met te kijken naar de leelijke gezichten der Spaanschgezinden,
als er besloten wordt, te wachten op het beloofde ontzet!"
-ocr page 176-
WAT ZAL HET NOG WOEDEN?                             161
Weldra bevonden beiden zich dicht bij de zaal waar de
Regeering hare vergadering hield. Ze konden ieder Lid zien
en alles verstaan.
Juist werd de brief van Jonker van Mathenesse voorge-
lezen.
„Ziet gij wel, Comelis, welk een valsch-lachend, leelijk
gezicht die Meester Jacobsz. zet ?" fluisterde Van der Morsch.
„Of ik," antwoordde Comelis. „Maar hoort gij wel, dat
het weer schering en inslag het oude liedje is: „Gij hebt
geen eten; — gij zult ziek worden; — gij zult van den hon-
ger sterven; — gij moet de stad overgeven; — Valdez en
Requesens zullen u geen kwaad doen; want ze zijn de
goedheid zelve. Als gij de stad niet overgeeft, en we krij-
gen haar vroeger of later toch, dan zullen wij het u inpe-
peren, dat gij ons zoo lang getart hebt. Och, lieve Jonker,
gij hadt pen, inkt en perkament kunnen sparen, we...,"
„Stil, Kees, daar beginnen ze aan den tweeden brief!"
Cornelis zweeg stil en luisterde met de anderen wat er
nu volgen zou, en daar begon de secretaris te lezen:
Para el Magistrado .y Pueblo de Leyden.
„Obstinados Leidenses contra Dios, y contra vuestro Bey
y Senor Aunqui no es digna de mesericordia buestro grande
obstinacion...."
„Wacht even, Heer Secretaris," sprak van der Werff.
„Natuurlijk verstaan wij wel zooveel Spaansch, dat we den
brief van het begin tot het einde begrijpen zullen. Doch dat
houdt zoo op. Zeg ons liever den korten inhoud. Als een
van de Heeren de brieven soms lezen wil, ze blijven hier
tot hunne beschikking. Waarop komt alles neer?"
„Hier op, Heer Burgemeester!" antwoordde Van Hout.
„Wanneer we de stad overgeven, zal het leven van ons allen
gespaard blijven, zelfs dat van u, van den Heer van der Does,
van andere tegenstanders en van mij! Valdez geeft ons tot
DE SCHIPPEESJONQEN.                                                                                                        11
-ocr page 177-
162                          WAT ZAL HET NOG WORDKN ?
Maandag den zesden van deze maand tijd van bedenking,
en gedurende dien tijd kunnen we tot eene onderhandeling
zenden, wie we willen. Hij zal ons eerlijk behandelen en
wil onze vriend zijn, en staat voor een en ander met zijn
Ridderwoord in. Maar, zoo we volharden in ons boos voor-
nemen, dan moeten wij het scherpe mes der Justitie pas-
seeren!"
„Wij danken u, Heer Van Hout voor de bereidwilligheid
waarmede ge Valdez\' schrijven vertolkt hebt, en verzoeken
u den inhoud van den derden brief mede te deelen. Van
wien komt dat schrijven?"
„Dit is een brief van den Edelen Heere Ferdinand de
Lanoy, Grave van Roche, enz., Stadhouder van Artois,
Holland, Friesland en Utrecht, Overste-kapitein over het
krijgsvolk van Zijne Koninklijke Majesteit liggende in Hol-
land en Utrecht."
„Wij kennen hem en niemand onzer zal zeggen, dat de
brief niet van een voornaam personage komt. Men doet ons
eenvoudigen poorters, waarlijk al te veel eer aan. En wat
schrijft hij ?" vroeg van der Werff.
Van Hout keek den brief eens in en zeide: „Hij klopt
alleen met eenen anderen hamer hetzelfde ijzer op hetzelfde
aanbeeld, als Valdez en de Jonker van Mathenesse. Maar er
is nog een vierde brief, die is onderteekend door tien glip-
pers, en___"
Van der Werff viel met eenig ongeduldig gebaar den
Secretaris in de rede en zeide: „Al genoeg. De vier brieven
blyven hier en kunnen door ieder Lid van den Magistraat
later gelezen worden. Wij moesten de zaak nu maar dade-
lijk in rondvraag brengen. Wie voor de overgave is en dus
in den geest van deze brieven gehandeld wil zien, hij sta
op en spreke."
Het werd plotseling doodstil in de zaal en in gespannen
verwachting, wat er gezegd en daarna besproken zou worden,
zagen allen in het rond.
-ocr page 178-
WAT ZAL HET NOG WOEDEN?                                 163
Daar stond Meester Jacobsz. op.
De oude man beefde, en, nu het hooge woord er bij hem
uit moest, was hij gansch niet op zijn gemak.
„Als Lid van de Vroedschap der stad Leiden," begon hij,
„heb ik den eed gedaan voor het heil en welvaren der
burgerij werkzaam te zijn. Dien eed zal ik houden, zoolang
ik leef. Ware onze goede stad zoo ruim van levensmiddelen
voorzien, als er nu gebrek aan is, zie, dan zouden mijne
stramme ledematen mij niet beletten, om den eerste den
beste, die van overgave sprak, overhoop te steken. Maar
nu de honger door onze straten waart, de pest ons aan-
grijpt, ellende de wangen der burgeren verbleekt en het
krachtigste lichaam tot een geraamte dreigt te maken, nu
ben ik ook door mijnen eed gebonden, niet langer den Span-
jaard te weerstreven! Ik ben vóór de overgave. Ik mag
geene oorzaak zijn van den dood van zoovele menschen!"
„Heeft Meester Jacobsz. uitgesproken?" vroeg van der
Werff, op kalmen toon, alsof Meester Jacobsz. over de on-
schuldigste zaak ter wereld gesproken had.
„Ja, Burgemeester," hernam deze.
„En heeft iemand nog iets aangaande deze zaak in het
midden te brengen?" werd er andermaal gevraagd.
Allen zwegen. Geen der Leden van den Magistraat wilde
blijkbaar thans meer spreken.
„Welnu," hernam daarop van der Werff, „dan heb ik
wat te zeggen. Toen ik verleden jaar in onze goede stad
tot Burgemeester werd aangesteld, heb ik óók eenen eed
gezworen, en dien eed zal ook ik niet verbreken; maar hem
houden. Ik wil met den armsten onzer poorters hongerlijden,
ja, met den hongerdood kampen en dien sterven! Ik wil
tot mijne laatste oogenblikken onze stedelijke belangen be.
hartigen. Maar de stad overgeven, neen, dat nooit, dat nooit!
Ziet, half Holland is reeds onder water gezet; duizenden
guldens zijn daartoe tot ons behoud opgeofferd; de arme
weduwe heeft er haar laatste penningske, en de Edelvrouw
-ocr page 179-
WAT ZAL HET NOG WOEDEN?
164
hare sieraden voor afgestaan! Heel Holland heeft het oog
op ons gevestigd en offert zich op voor ons behoud.
Zullen wij ons al die offers en die hoop onwaardig maken?
Ja? Welnu, geeft de stad dan over aan de Spanjaarden en
ondergaat het lot van die van Naarden, Zutfen, Mechelen
en Haarlem! Stelt dan al wie in den Spanjaard eenen vijand
ziet, op de bitterste wijze teleur! Maar van mij moge de
Spanjaard het zelfs weten, ik doe aan die overgave niet mede."
Van der Werff ging zitten. Zijne warme taal had bij velen
weerklank gevonden en zij, die toch niet door hem over-
tuigd waren, aarzelden hunne stem tot de overgave te geven,
juist omdat er in heel Holland reeds zooveel opgeofferd was.
Niet alleen Leiden streed met tallooze opofferingen voor
zichzelf, maar heel Holland streed mede.
Een oogenblik was er stilte. Toen stond Meester Jacobsz.
weer op en zeide, doch nu wat minder hortend en stootend
dan de eerste maal, dat hij sprak: „Laten wij dan eenen
middelweg kiezen. Gelooft mij, ik ben even goed een vijand
van den Spanjaard, als onze voorzittende Burgemeester, en
stellig verwacht ik van den Spanjaard bij het brood een
zwaard en bij het vleesch eene galg. Laten we den toestand
waarin we verkeeren nog eenige dagen rekken door onder-
handelingen. Misschien zendt de goede God inmiddels uit-
komst."
Die woorden brachten de voorstanders der overgave tot
andere gedachten, zoodat er besloten werd, voorloopig tot
onderhandelingen over te gaan om zoo tijd te winnen.
Toen van der Werff pas van de vergadering thuis geko-
men was, kwam Barend Cornelissen, aan wien Gonda de
geheime bijeenkomst verteld had, den Burgemeester hiervan
kennis geven.
„Wij zullen vannacht samen gaan luisteren, schipper,"
zeide hij. „Maar ik denk wel, dat alles beter afloopt dan
gij vermoedt. De ontevredenen hebben hunnen grootsten
steun verloren in Meester Jacobsz."
-ocr page 180-
WAT ZAL HET NOG WOEDEN ?                          165
„Is Meester Jacobsz. dan van gedachten veranderd, Bur-
gemeester?"
„Ja, schipper! Na het lezen van de brieven sprak hij
een warm woord voor de overgave, doch toen ik hem ge-
antwoord had en vooral had gewezen op de groote opoffe-
ringen, die de Hollanders, buiten Leiden, voor ons over
hebben gehad, zag ik aan zijn goedig gelaat, dat hij van
gedachten veranderde, en toen ik vroeg wie er nu nog voor
de overgave was, stond Meester Jacobsz. op en zeide, dat
hij er eenen middelweg op bedacht had. Hij stelde voor met
Valdez in onderhandeling te treden om zoo tijd te winnen.
Van zijne zijde is het gevaar dus voorloopig bezworen."
„En wat heeft „Half Leyden" gezegd, Burgemeester?"
Ofschoon Burgemeester van der Werff zeer goed wist,
wie bedoeld werd, hield hij zich, terwille van den eerbied
verschuldigd aan de Overheid, alsof hij het niet wist, en
vroeg eenigszins ontevreden: „Wien bedoelt gij, schipper?"
„Burgemeester Jan Jansz. Baersdorp bedoel ik. U zal toch
wel weten dat dit zijn bijnaam is?"
„Mij noemt men „Mennonieten Stijf kop", doch het liefst
heet ik Burgemeester van der Werff. In den Magistraat
geven we elkander geene bijnamen, schipper! Burgemeester
Baersdorp staat niet aan mijne zijde, doch hij zegt niet veel.
Hij doet meer dan hij zegt en van zijn standpunt handelt
hij loffelijk. Onze taak is het, schipper, zooveel mogelijk te
zorgen, dat wij ook meer doen dan wij zeggen, dan kunnen
onze tegenstanders, die gelukkig onder het volk nog in de
minderheid zijn, niet zooveel kwaad doen. En hierin zult
gij een loffelijk voorbeeld geven, dat weet ik. Intusschen
van avond om tien uren zal ik bij u zijn om met u naar
de plaats te gaan waar de ontevredenen zullen bijeenkomen.
Tot vanavond dan."
Toen Barend Comelissen weer op straat was, mompelde
hij: „Toch een nobel man, die van der Werff. Zelfs voor
zijne felste tegenstanders heeft hij nog een woord van lof
-ocr page 181-
WAT ZAL HET NOG WOEDEN?
166
over. "Waren allen als hij, onze goede stad zou niet in dezen
ellendigen toestand gekomen zijn."
Met wat te loopen lanterfanten werd de dag weer door-
gebracht en met genoegen hoorde Barend de klok van tien
slaan en pas was de laatste slag gevallen of van der Werff
klopte aan. Hij was evenwel niet alleen, want Van Hout
en van der Does waren ook bij hem. Zoodra ze op die af-
gesproken plaats, waar het zeer donker was, gekomen waren,
verscholen ze zich en wachtten de komst der ontevredenen af.
Jaspersz., Martensz., Jop de Snijder, die de overbuur van
Barend was, en „Roode Jaap" verschenen het eerst en
begonnen onder elkander al dadelijk te schelden op dien
flauwhartigen Meester Jacobsz., die zoo gauw bakzeil ge-
haald had. Volgens het oordeel van „Jop de Snijder" was
hij geenen knip voor den neus waard.
Pas had Jop dit gezegd of Meester Jacobsz. verscheen.
Hij had alles verstaan, naar het scheen, en zeide: „Hier is
de man, die geenen knip voor den neus waard is, maar
zou ik van „Jop de Snijder" mogen weten of Baersdorp,
die hem hier gestuurd heeft, dan beter is dan ik."
„Zeker!" riep Jop. „Burgemeester Baersdorp is een man
uit één stuk, die weet wat hij wil."
„En is dus zeker wel eenen knip voor den neus waard?"
vroeg Meester Jacobsz. zoo leuk, dat de luisteraars moeite
hadden om niet in den lach te schieten.
„Maar zulk eenen knip waard of niet waard," vervolgde
Meester Jacobsz., „ik heb dit te zeggen. Eer sterf ik van
honger eer ik Leiden help overgeven. Zie, heel Holland, ja,
alles, wat tegen Spanje strijdt, houdt het oog op ons gesla-
gen. Voor duizenden en duizenden schats ligt om onzent-
wille onder het water bedolven. Hij is een lafaard, die den
moed niet heeft tegen den vijand te strijden."
„ Geen moed hebben?" riepen „Roode Jaap" en Martensz. tege-
lyk. „Dat heeft de Spanjool vroeger voor Haarlem ondervonden
waar we als leeuwen gestreden hebben, maar zonder honger."
-ocr page 182-
WAT ZAL HET NOG WOEDEN?                              167
„Wie het stalen zwaard van den vijand niet vreest, vreeze
ook het hongerzwaard niet. Te vallen, na eenen dapperen
en wanhopigen strijd met het stalen zwaard in de hand,
wie dat kan, is een held; maar grooter held is hij, die valt
onder het hongerzwaard; hij sterft onoverwonnen. En dat nu
moet onze leuze zijn; we zijn het aan het Vaderland en
aan de onzen verschuldigd. Wat ik in de vergadering van
den Magistraat voorgesteld heb, dat weet ge, maar wat ik
daar voorstelde, zegt niet veel. De onderhandelingen met
Valdez zullen tot niets leiden, dat weet ik vooruit. Doch
als die onderhandelingen wat gerekt worden, dan — wie
weet keert de wind in dien tijd niet, dat de vloot der Water-
geuzen onze veege stad kan naderen. Maar in alle gevallen,
van heden af is er bij mij geene sprake meer van overgave,
er gebeure, wat wil. En als ge van mij een waarschuwend
woord wilt hooren, dan is het dit: „Denkt aan Haarlem,
dan weet ge wat het woord eens Spanjaards is."
„En als wij daaraan nu niet denken willen?" vroeg
„Roode Jaap".
„Dan verraadt de oude paai ons," riep „Jop de Snijder."
„Menschen, als hij er een is, zijn tot alles instaat."
„Hierop heb ik geen antwoord dan: zooals de waard is
vertrouwt hij zijne gasten," klonk het fier.
„Weet gij wel, dat er geen haan naar kraaien zal, als
wij je hier op dit plekje voor altijd het zwijgen opleggen,
zeg weet je dat?" beet „Jop de Snijder" den ouden man toe.
„Gij hebt te lang met ons onder één hoedje gespeeld, man!
Ge kunt, om uzelven te redden, ons aan de galg brengen.
Mannen, wij moeten hem niet laten gaan, voor hij ...."
„Krombeen, laat los! Laat los," klonk opeens eene stem
en eer de vier luisteraars, die gereed stonden den ouden
Jacobsz. te helpen, voor den dag traden, sprongen twee
mannen te voorschijn, die „Jop de Snijder" met knuppels
te lijf gingen.
Die twee waren Van der Morsch en onze Comelis.
-ocr page 183-
168                                 WAT ZAL HET NOG WOKDEN ?
„Jop de Snijder", Martensz. en -Jaspersz. gingen terstond
aan den haal. Alleen „Boode Jaap" bleef staan, doch daar
hij meende in de nabijheid eene verdachte beweging te
hooren, koos ook hij het hazenpad.
„Ik dank u, mannen, voor uwe hulp," zeide Jacobsz.
„Maar hoe wist gij dat er hier eene bijeenkomst was?"
„Mijne pleegzuster vertelde het mij, Meester, toen ik om
halfelf van de wacht thuis kwam. Ik ben toen naar Van
der Morsch gegaan, maar veel hebben we niet gehoord,"
antwoordde Cornelis.
„Kom, Burgemeester," zeide Van der Morsch, „wij zullen
u thuis brengen. De glippers zijn tot alles instaat."
Zoodra de drie zich verwijderd hadden, traden de luister-
aars ook te voorschijn.
„Een kranige jongen, die pleegzoon van u, schipper,"
sprak van der Werff. „Ik wilde u wel voorstellen om hem
morgen weer eens de stad uit te sturen, zoodra wij aan
het onderhandelen zijn. Hebt ge er tegen?"
„Neen, Burgemeester, als de jongen het wil doen, is het
mij goed. Maar wat is die Meester Jacobsz. mij mede gevallen."
„Zoo zijn er meer, schipper! Ze meenen het in den grond
van de zaak zoo kwaad niet, als ze zich voordoen. Maar,
hier zijn we op een punt, waar we scheiden moeten, anders
ziet een van die lieden ons. Wel te rusten, allen! Tot
morgen, schipper!"
Alle vier verspreidden zich langs verschillende wegen
door de donkere straten der worstelende stad.
Wat ieder dacht kan ik niet zeggen, doch stellig zal het
betrekking gehad hebben -op de belegerde stad, en met de
gedachte daaraan zullen ze wel zijn gaan slapen. Iedereen
immers sliep er mede in en stond er mede op? Men had
geene andere gedachte meer; de honger dwong ieder om
aan hetzelfde te denken. Alleen zij, die van de samenzwe-
ring wisten, dachten misschien er nog bij: „Wat zal het
nog worden?"
-ocr page 184-
WAT ZAL HET NOG WORDEN\'?                                 169
Den volgenden morgen was Burgemeester van der Werff
al vroeg bij schipper Van Keulen om Cornelis bekend te
maken met de boodschap, die hij buiten de stad te doen had.
Cornelis, die er reeds alles van wist, zeide: „Graag,
Burgemeester! Ik wil dadelijk er op uit. Geef u me de
boodschap maar!"
„Best, jongen! Maar ge gaat ditmaal niet alleen uit! Gij
zult gezelschap hebben! Nóg houdt de Spanjaard niet zulk
eene scherpe wacht, of, met beleid en voorzichtigheid is er
altijd nog wel kans, dat men des nachts buiten de schansen
komt. Gij weet den weg beter dan eenig ander, omdat ge
hem al eenmaal hebt afgelegd, en daarom heb ik gemeend,
dat gij de wegwijzer moest zijn voor drie onzer mede-bur-
geren, die zich aangeboden hebben, brieven naar den Prins
en van Boisot te brengen! Hebt ge er nu nog lust toe?"
„Ik ging liever alleen, Heer Burgemeester! Één man wordt
zoo gauw niet gezien als vier mannen," antwoordde Cornelis
vrijmoedig.
„Dat is ook zoo, jongen; maar waar het op een vechten
aankomt, daar kunnen vier mannen toch meer dan één
vriendje! Hoe denkt ge er over?"
„Ik zal het doen, Heer Burgemeester! Wanneer gaan
we heen?"
„Vanavond als het donker is! Maar er is nog wat! Ge
krijgt nog meer gezelschap op uwen weg."
„Nog meer, Heer Burgemeester?"
„Ja, nog acht stuks! Kent ge Willem Cornelisz. Speelman ?"
„De man, die honger lijdt om zijne duiven toch maar in
het leven te houden ?"
                  e
„Dezelfde! Hij zal eene kevie met acht zijner duiven
medegeven, waarvan ge er vier bij den Prins en vier bij
Admiraal van Boisot moet brengen!"
„Duiven, Heer Burgemeester?" vroeg Cornelis met een
gezicht waarop de grootste verwondering te lezen stond.
„Wat moeten die duiven bij den Prins en van Boisot?"
-ocr page 185-
170                                     ONDEK DE WATEEGEUZEN.
„Dat zijn briefdragers, jongen! Weldra zal de stad zoo
nauw ingesloten zijn, dat er geene muis meer uit kan, of
de Spanjaard ziet het, en, als het zóó ver gekomen is, dan
zullen de duiven onze boden zijn!"
„Ik begrijp er niets van, Heer Burgemeester, maar ik
zal het doen," antwoordde Cornelis.
„Goed," zeide van der Werff, „ik weet, dat ik op u
rekenen kan. Vanavond tegen acht uren verwachten wij u
bij Speelman!" en na nog een en ander met Vader Van
Keulen afgesproken te hebben, ging hij heen.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
Onder de Watergeuzen.
Op het bepaalde uur traden vier mannen behoedzaam de
Eijnsburgsche poort uit. Het waren Jan Treek, Lubbert De
Ketelboeter, Joris Slot en Cornelis Joppensz.
Met verrejagers gewapend, sprongen ze van de eene weide
op de andere en kwamen langs vele omwegen, ongeveer te
één ure te Rijnsburg aan, waar Cornelis, even als den
vorigen keer, Leeuwke\'s Oom opklopte.
De oude man was aanstonds weer met zijn brood en spek
voor den dag gekomen en de vier mannen sloegen er een
geducht gat in.
Toen Cornelis alle vragen beantwoord had, die Oom Jan
betrekkelijk Gonda en alles, wat Leiden aanging, deed,
meende hij heen te gaan, doch de man riep hem even ter-
zijde en vroeg hem: „Hebt gij er nooit\'eens over gedacht,
welken weg ik u wilde aanwijzen om u het best op den
Spanjool te kunnen wreken? Ik beloofde het u te zullen
zeggen, toen ge de laatste maal bij me waart en naar Delft
gingt!"
-ocr page 186-
ONDEE DE WATERGEUZEN.                                      171
„Ik had er waarlijk niet meer aan gedacht," antwoordde
Cornelis, „maar ik wenschte het toch graag te weten; want
daar er sinds dien tijd geene uitvallen meer gedaan zijn,
en het schermutselen met den vijand is verboden, zoo zie
ik geene kans meer om eenen Spanjaard in het gras te
laten bijten!"
„Dat is ook de rechte weg niet, jongen! Ge gaat nu
naar van Boisot! Zeg hem, dat hij de Landscheiding laat
doorgraven tusschen Wilsveen en Reguliersdam! Wel zullen
ze daar met den Spanjool eene harde noot te kraken heb-
ben ; maar het is de beste plaats, hiervan ben ik zeker,
daar ik jaren lang te Zoetermeer heb gewoond. Is de Land-
scheiding eenmaal doorgestoken, dan komt men aan den
Voorweg, waarmede hetzelfde moet worden aangevangen.
Is men hier maar eenmaal door, dan is men op den besten
weg om tot Leiden te komen, want door eene vaart is er
dan gelegenheid in den Zoetermeerschen plas te geraken!"
„Maar, Oom Jan, dan moet men de brug voorbij, en ik
heb gehoord, dat hier niet meer of minder dan dertig ven-
dels Spanjaarden liggen!"
„Al lagen er honderd vendels, zonder moeite krijgt men
niets gedaan. Geloof me, beste jongen, ik spreek uit onder-
vinding, en laat dit nu uwe wraak zijn, dat ge van Boisot
hiertoe tracht over te halen; want ik zeg u, als dat gedaan
wordt, en de wind komt eens uit dien noordoosten hoek,
waarin hij wel vastgevroren schijnt te zijn, in het noord-
westen, dan staan in een paar dagen alle polders om Leiden
blank, en zal er water genoeg zijn voor de schepen om
verder te komen!"
Cornelis beloofde, dat hij dit aan van Boisot zeggen zou
en begaf zich, met de drie anderen, op weg langs het naaste
pad door de duinen naar Wassenaar.
Dicht bij Delft scheidde hij zich van zijne makkers en
ging met vier duiven den weg op naar Rotterdam, waar hij
meende dat de Admiraal was, om eene gunstige gelegenheid
-ocr page 187-
172                                      ONDER DE WATERGEUZEN.
af te wachten, dat hij de Landscheiding kon doorsteken.
Nadat hij bijna een uur geloopen had, begon hij te voelen,
dat eene voetreis van Leiden over Rijnsburg naar Delft en
nog verder, juist geschikt is, om iemand op het laatst zóó
ver te brengen, dat hij niet meer voort kan.
Hij zette zich derhalve op den dijk onder eenen knotwilg
neer om wat van de vermoeienis te bekomen, doch zoodra
hij daar gezeten was, bemerkte hij eerst recht, welk een
genot het was, na zulk eene wandeling, eens even op zijn
gemak te kunnen uitblazen.
Hij zette de duiven naast zich in het gras, vlijde zich zoo
gemakkelijk mogelijk tegen den stam des booms en keek in
het rond.
Overal blank water, behalve op die plaatsen, waar eene
bouwhoeve stond, of waar een dorp, dijk of eene kade lag.
Het gezicht was zeer eentonig en, eer hij er aan dacht
waren de oogen gesloten, het hoofd viel langzaam en telkens
knikkend, op de borst en hij sliep in.
Terwijl hij daar lag te slapen, waren hem, zonder dat
hij het gehoord had, vijf Watergeuzen genaderd en een
hunner maakte den knaap, door hem heen en weer te
schudden, wakker.
Cornelis keek gek in het rond. Hij wreef zich de oogen
nog eens uit, en zag toen, dat hij door een vijftal vreemd
toegetakelde mannen omringd was.
Hij, die hem gewekt had, en hem nog altijd bij den
schouder hield, had geenen neus en maar één oog, en wat
de rosse baard van het aangezicht onbedekt had gelaten,
was vreeselij k gekorven.
De tweede zou er nog al wel uitgezien hebben, zoo hu\'
zijne ooren maar gehad had, doch deze was hij^ kwijt.
De derde had aan de linkerhand maar drie vingers en op
beide wangen groote brandvlekken.
De vierde had geen lichaamsgebrek, doch zag er recht
gemeen uit, terwijl de vyfde maar één goed been had. Het
-ocr page 188-
ONDER DE WATERGEUZEN.                                      173
andere was tendeele door een stuk hout vervangen.
„Waar-waar-ben-ik-ik-toch?" vroeg Cornelis verwonderd.
„Bij Sint-Felten, jongen, waar komt gij dan vandaan, dat
gij ons niet kent?" zei hij, die Cornelis bij den schouder
had beet gehad, doch hem nu losliet en hem zijne wollen
pelsmuts voor de oogen draaide. „Wat staat hier op, manneke ?"
„Een zilveren half maantje," zeide Cornelis.
„Zoo! En als je bij eenen schoolmeester op de banken
gezeten, en daar nog wat anders dan kwaad gedaan hebt,
dan zal je zeker ook wel zien, wat er op te lezen staat!"
„Liever Turcx dan Paus!" was het antwoord.
„Netjes hoor, je verstaat de kunst! En wat staat er op
dit ding?" vroeg dezelfde en haalde de muts van den man
zonder ooren van het hoofd.
„Ende spit de la Messe, man!"
„Precies, of in goed Hollandsch: „En tot spyjt van de
Mis."
"Weet gij nu zoo wat onder welk volkje gij aange-
land zijt?"
„Ik geloof onder de Zeeuwsche vrijbuiters!"
„De jongen is toch nog een beetje verstandiger dan Meu-
Katrijns blinde kat," zeide de ruwe man en vroeg terstond:
„En zijt gij nu niet bang dat wij je levend zullen braden
en opeten?"
„Neen, want mijne boodschap heb ik aan eenen der vrij-
buiters te doen, en, zoo ik er bang voor was, dan zou ik
ze zeker niet op me genomen hebben!"
„Ei-ei! eene boodschap aan eenen onzer! Zoo-zoo! En waar
kom-je dan vandaan?"
„Ik ben gisteren avond te tien uren uit Leiden gegaan!"
„Uit Leiden, knaap? Ha, nu begrijp ik het, dat je sliep
als eene marmot! Het is me dan ook eene gezegende wan-
deling, zou ik meenen! En, voor wien hebt gij eene bood-
schap en waar moet gij die kevie met vier duiven brengen ?"
„Bij Admiraal van Boisot, mannen!"
„Bij onzen Admiraal? En hoe komt gij dan hier?"
-ocr page 189-
174                                 ONDER DE WATERGEUZEN.
„Ik meende naar Rotterdam te gaan!"
„Nu, dan zijt gij onder een gelukkig gesternte geboren,
dat gij hier zoo in slaap zijt gevallen; want van Boisot
is niet meer te Rotterdam! Zie, ginds ligt zijn kromsteven
of galei. Wij zijn op pad om de Landscheiding te gaan
doorsteken!"
„Dat had ik waarlijk niet beter kunnen treffen! Kunt gij
me bij Zijne Edelheid aanboord brengen?"
„Dat zal wel gaan, denk ik," antwoordde de man, die
thans eenen heel anderen toon aansloeg.
„Hier ligt onze boot! Halloh, stapt maar in!"
De vijf mannen plaatsten zich hierop aan de riemen en
roeiden stevig door.
Weldra was nu Cornelis bij van Boisot aanboord.
„Vanwaar komt gij, knaap?" vroeg de Admiraal.
„Ik kom uit Leiden, Heer Admiraal," antwoordde Cornelis
en haalde uit den dubbelen bodem der kevie een paar brie-
ven, die aan van Boisot\'s adres gericht waren.
„Nu," zeide van Boisot nadat hij de brieven gelezen had,
„het ziet er daar binnen Leiden niet al te best uit, man-
neke! Hebt gij ook al leeren honger lijden?"
„Ja, Heer Admiraal, ja! Maar het zal nog wel erger
worden! Vader zei, dat er voor ons vreeselijke dagen op
handen zijn, vooral als de wind niet gauw\' in het noordwes-
ten komt!"
„En is het volk onder al dat honger lijden over het
algemeen nog al goedsmoeds?"
„De meesten wel, Heer Admiraal! Maar er zijn toch on-
tevredenen ook." Hierop vertelde Cornelis van de bijeen-
komst van enkele ontevreden bij de Koepoort.
„Dat is minder fraai," zeide van Boisot toen Cornelis hem
alles gezegd had. „En wanneer gaat ge naar Leiden terug?"
„Ja, Heer Admiraal, ik zou graag eerst dan terug gaan,
als ik er het heugelijk nieuws kon brengen dat de Land-
scheiding doorgestoken is."
-ocr page 190-
ONDER DE WATERGEUZEN.                                      175
„Gij spreekt daar van het doorsteken der Landscheiding,
knaap! Hoe is het u bekend dat dit ons voornemen is?"
„De mannen die mij hierheen brachten, hebben het mij
gezegd, Heer Admiraal! Ook meende Oom Jan, die te Rijns-
burg woont, dat het nu gebeuren moest," antwoordde Cor-
nelis en begon toen meteen te zeggen, op welk eene plaats,
zooals Oom Jan zei, die verscheidene jaren hier gewoond had,
men dien dijk moest doorsteken om het spoedigst Leiden
te kunnen bereiken.
Van Boisot hoorde hem bedaard aan, en toen Cornelis
alles gezegd en zoo goed hij kon uitgelegd had, zeide de
wakkere Admiraal: „Dienzelfden raad hebben Jeroen Cor-
nelisz. van Zoetermeer, Cornelis Willemsz. van Benthuizen
en Leendert Pietersz. van Zevenhuizen mij ook gegeven.
We zullen het dan maar beproeven."
Hierop wendde hij zich tot eenen der Kapiteins en vroeg
dezen: „Dunkt het u ook niet goed?"
„Ik zou in deze geenen raad durven geven, Heer Admi-
raal! Ik ben in deze streken niet bekend. Maar zooals het
nu is, zie ik wel, dat er niets van komt! U zou de andere
Heeren kunnen raadplegen. Misschien zijn er bij, die den
omtrek hebben leeren kennen," was het antwoord.
„Dat is ook mijn plan," sprak de Admiraal. Hierop keerde
hij zich tot een paar matrozen en zeide: „Hei daar, mannen!
In de booten! Gaat Kapitein De Moor zeggen, dat we over
een uur scheepsraad zullen houden. Hij ligt te Nootdorp en
kan vandaar onze vlag niet zien. En gij, Vendrig, hijsch
de Admiraalsvlag!"
Nauwelijks waren de mannen met het bootje op weg om
De Moor te gaan roepen, en wapperde de Admiraals-vlag
lustig van den achtersteven, toen van alle kanten sloepen
werden uitgezet.
De eene Kapitein na den anderen kwam by van Boisot
aanboord, en toen de raad voltallig was, werd Cornelis
in de hut des Bevelhebbers geroepen en verzocht aan
-ocr page 191-
176                                     ONDEE DE WATERGEUZEN.
de Heeren te zeggen, wat ook die boer van Eijnsburg
aangaande het doorsteken van de Landscheiding had aan-
geraden.
„Hoe denken de Heeren over een en ander?" vroeg van
Boisot toen Cornelis uitgesproken en zich verwijderd had.
„Ik meen, dat het een gevaarlijk spel is, dat we spelen
zullen," zeide Kapitein Adriaen Willemsz.
„En ik geloof," merkte Kapitein Cret aan, „dat de Heeren
Ingelanden beter op de hoogte zullen zijn dan die Rijns-
burgsche groentenboer en die andere drie mannen. De
Ingelanden hebben me verzekerd, dat de Landscheiding
eigenlijk niet ééne geschikte plaats oplevert om doorgestoken
te worden; want overal zullen we op de zwarigheid stuiten,
dat Rijnland hooger ligt dan Delfland!"
„Hoor eens, Cret," sprak De Moor, „ik wil gelooven, dat
de Ingelanden gelijk hebben, en dat we overal zwarigheden
ontmoeten zullen; maar men zal mij moeten toegeven, dat
er toch iets gebeuren moet! Wat helpt het den Leidenaars
of het water al tot de Landscheiding staat, maar er niet
door kan komen. Wordt die dijk niet doorgestoken, dan
had men, bij mijne trouwe, de gekheid niet behoeven uit
te halen om de Maas- en Useldijken door te steken. Het
is niet Delft, dat belegerd wordt, het is Leiden!"
„Dat weet ik ook wel," antwoordde Cret eenigszins ge-
belgd, „maar wat nu toch maar niet kan, dat kan ook
niet! Wij vrijbuiters zijn geene halve goden!"
„Eilacie, neen, eer halve duivels dan halve goden," zeide
Willemsz. „Maar ik ben het volkomen met vriend De Moor
eens, dat er geene sprake mag zijn van: „dit kan niet en
dat kan niet! We moeten alles beproeven!"
„Recht zoo, vriend Willemsz.," hernam De Moor, „recht
zoo! Ik ben er voor, dat we den gegeven raad volgen en
de Landscheiding doorsteken op de plaats, die de beste
genoemd wordt. Het zal er warm toegaan, dat is zeker;
maar, als het zijn moet, dan heb ik goed en bloed voor
-ocr page 192-
ONDER DE WATERGEUZEN.                                      177
het Vaderland veil en mijne vrijbuiters ook. We zijn hier
nu eenmaal niet op eene bruiloft!"
Waar het op vechten aankomt, Kapitein De Moor,"
viel Cret weer in, „daar zult ge zien, dat ik ook handen
aan het lijf heb! Het is geene vrees, die mij zoo doet
spreken I"
„We zijn hiervan overtuigd, Heer Kapitein," zeide van
Boisot, „en ik wed dat vriend De Moor de laatste zijn zal,
die aan uwen moed en uwe trouw twijfelt; maar hij is
een weinig driftig uitgevallen !"
„Ho, ho," zeide De Moor lachend. „Hier, mijn waarde,
hier is de hand. Een Vlissingsche zeerob is wat heet ge-
bakerd! Dacht ge, dat ik aan uwen moed twijfelde?"
De gulhartig aangeboden hand van den ronden zeeman
werd door Cret hartelijk gedrukt, en de vrede onder de
Kapiteins was bewaard gebleven.
Nadat nog verscheidene Bevelhebbers het voor en tegen
der zaak besproken hadden, ging men eindelijk tot stemming
over en er werd besloten, dat de Landscheiding op de
genoemde plaats, den elfden van Herfstmaand, zou door-
gestoken worden.
Nauwelijks hadden de Spanjaarden zulks gemerkt, of ze
trachtten het te beletten; maar ze kwamen te laat; — het
werk was reeds verricht.
Thans zat er voor hen niets anders op dan zorg te
dragen, dat de vrijbuiters ook den Groenenweg niet door-
staken. De Spanjaarden hielden daar dapper stand.
„Frisch op, Leidsche hongerlijder, en sta niet te gapen,
als Jut voor het landhek! Help liever een handje mee!"
Die uitroep gold onzen Cornelis, die reeds dapper aan
den slag getrokken was, en thans een klein gebrek aan
zijn musket trachtte te verhelpen.
„Er is een gebrek aan mijn musket, kompeer," ant-
woordde hij.
„Een gebrek, zijt gij razend? Pak het ding bij den loop
DE SCHIPPERSJONGEN.                                                                                                    12
-ocr page 193-
178
ONDER DE WATERGEUZEN.
en sla er met den kolf op in! Komaan, wakker aangevat!
Toon dat gij een hart hebt!"
Cornelis bemerkte alras, dat de Spanjaarden ook geene
katten waren om zonder handschoenen aan te vatten, doch
nadat ze twee aanvallen afgeslagen hadden, gingen ze toch
op de vlucht en gaven aldus den vrijbuiters gelegenheid,
om ook den Groenenweg door te graven.
Weldra was dit gebeurd, doch nu zag men, dat de Inge-
landen de zwarigheden niet te hoog hadden opgevijzeld;
want de vaarten en plassen liepen niet door, met uitzondering
van ééne breede sloot, en deze liep nog door de Zoeter-
meersche brug, die door de Spanjaarden met eene sterke
macht bezet was.
„Valt aan, mannen, valt aan! De Spanjaard moet daar
verdreven worden, of ons werk is hier vergeefsch geweest!
Vooruit, valt aan, valt aan," beval van Boisot.
De vrijbuiters rukten op en deden eenen geweldigen
aanval, doch de Spanjaarden waren er op voorbereid en
sloegen hen terug.
„Nog eenmaal mannen, nog eenmaal! Op, op, voor Leiden
en den Prins van Oranje!" klonk andermaal de forsche stem
des Admiraals.
Met onbesuisd geweld hernieuwden de vrijbuiters den
aanval; maar even standvastig als de eerste maal, hielden
de Spanjaarden stand. Ze wisten van geen wijken en waar
de musketschoten hunne gelederen dunden, daar vulden zij
deze dadelijk weder aan.
„Terug, mannen," riep van Boisot, „dat is hier het
Prinsenvolk op de slachtbank brengen! "We zullen zien of
ons nog geen andere weg openstaat!"
De vrijbuiters niet gewoon krimp te geven, voldeden
morrend aan het bevel en trokken terug om nog verscheidene
dagen achtereen op meer water te liggen wachten en andere
middelen te beramen, teneinde den Spanjaard bij de Zoeter-
meersche brug mis te loopen.
-ocr page 194-
ONDEB DE WATERGEUZEN.                                     179
Den achttienden van Herfstmaand was de wind gelukkig
uit den noordoosten hoek gekropen en woei er, voor een
oogenblik, eene stevige koelte uit het noordwesten.
„Thans hopen wij, dat de ellende spoedig zal geleden
zh\'n, De Moor!" zeide van Boisot.
„Het is te hopen, Heer Admiraal," antwoordde deze,
„doch hoe zullen we verder komen? De raad van dien
Rijnsburgschen groentenboer en de anderen heeft ons niet
veel voordeel aangebracht!"
„Toch houd ik het nog voor den besten raad, die ons
gegeven is; want iedereen had zwarigheden en niemand
zei: doe het hier of doe het daar! Doch weet ge, wat we
vannacht wel konden doen, nu het water een weinig ge-
stegen is?"
„Neen, dat zie ik nog niet in, Heer Admiraal!"
„Luister dan! Ik heb bemerkt, dat de Spanjaard tusschen
Zoetermeer en Benthuizen eene slappe wacht houdt. Dien
weg zullen we vannacht trachten te bezetten en Zoetermeer
innemen!"
„Dat zal strijd en bloed kosten, zou ik meenen!"
„Dat zal het, De Moor, maar het moet, al schoot er de
helft van onze manschap het leven bij in! Nog eens, ik zeg
u, het moet, anders is Leiden verloren en zijn alle kosten
te vergeefs gemaakt!"
En dien nacht werd het waagstuk ondernomen.
De Spanjaard op geene overrompeling bedacht, werd ver-
dreven en de weg tusschen Zoetermeer en Benthuizen door
de vrijbuiters bezet.
Maar heeter was de strijd te Zoetermeer.
Waar het gevaar het dreigendst was, daar was van Boisot,
en zijne machtige stem klonk donderend tusschen het schieten
der gotelingen en het kletteren der wapenen in:
„Houdt stand, mannen! Op, op, voor Leiden en Oranje!"
„Voor Valdez en den Koning!" klonk het van den
anderen kant.
-ocr page 195-
180                                     ONDER DE WATERGEUZEN.
„"Wacht, ik zal je \'reis even „koningen" mooie Don!"
riep Cornelis, en zijn musket aanleggende, schoot hij het
af en een Spaansch Bevelhebber tuimelde op den grond.
„Die kameraad zal onze jutteperen niet meer op-eten,
Leidsche hongerlijder," zeide Eenoog.
„Gij hebt eene vaste hand, vaster dan ik! Hier, hier is
mijn musket, schiet dat af, dan zal ik dat ding van jou
onderwijl laden! Toe dan, knul, kijk, bij dat brandende
huisje staat er een, blaas diens lichtje ook eens zoo
knapjes uit\'"
Cornelis keek naar de aangewezen plaats en herkende
den bedoelden persoon. Het was Jean Lebon!
„Neen, Eenoog, dien man schiet ik niet dood. Dien man
heb ik eens ontmoet, en toen heeft hij mij vertrouwd, niet-
tegenstaande ik hem bedroog!"
„Loop naar den Satan, met je gekwezel! Geef hier, dan
zal ik mijne kunsten eens toonen," schreeuwde Eenoog en
rukte Cornelis het musket uit de handen.
„Jean Lebon, berg-je!" schreeuwde de knaap in eene
vlaag van edelmoedigheid, en Jean, die zulks gehoord had,
was in een oogwenk verdwenen.
„Hier, Lijs Putwater, daar heb-je een presentje van me,"
riep de verbitterde vrijbuiter, en wilde Cornelis met de kolf
van zijn musket op het hoofd slaan; maar, eer dit geschied
was, viel er een schot, en Eenoog lag zoo goed als dood
op den grond uitgestrekt.
In een oogenblik was Cornelis door een achttal Spanjaar-
den omringd en reeds wilden dezen hem afmaken, toen Jean
Lebon riep: „Houdt op, mannen, het is er een van de onzen!"
„Een der onzen? Zijt gij behekst? Hoe zou die tusschen
dat geuzenvolk komen?" vroeg een ander.
„Ja, en hoe komt hij aan die muts met dat halve maantje ?"
klonk het van eenen anderen kant.
„Slaat dood, slaat dood!" riepen weer anderen. „Jean
Lebon is blind!"
-ocr page 196-
ONDER DE WATERGEUZEN.                                     181
Reeds drongen van alle kanten de Spanjaarden op hem
aan, toen eensklaps in hunne nabijheid de verschrikkelijke
stem van den Aanvoerder der vrijbuiters klonk:
„Vooruit, vooruit! Zoetermeer is ons! Op, op, voor Oranje
en Leiden!"
„Voort, voort," schreeuwden de Spanjaarden en gingen op
de vlucht. Jean Lebon werd echter achterhaald, en een der
Fransche soldaten, die onder den Prins dienden, gaf hem
met zijn breed zwaard zulk eenen geweldigen slag op het
hoofd, dat Jean\'s helmkap middendoor geslagen werd en
hij zieltogend op den grond viel.
In een oogenblik was Cornelis den ongelukkige nabij en
hem opnemende, droeg hij hem uit het gedrang.
„Het is te laat, kameraad," zeide Jean.
„Ho, ho! een boom valt niet met éénen slag," antwoordde
Cornelis.
„ Gij hebt me bedrogen! Gij waart geen knecht van Valdez:
maar ge hebt toch woord gehouden!"
„Mijn woord had ik gegeven, Jean, en dat wilde ik niet
breken!"
„Ik zal Sanne niet meer zien," sprak de soldaat, en zwak-
ker en zwakker klonk het: „Vrij-buiter, houd-ook-nu-woord-
en-en-groet-San-San-. . Sa . . ."
Nog eenen enkelen blik sloeg hij op Cornelis, als wilde
hij met de oogen vragen, wat de mond niet meer doen kon.
„Ik zal „Bruine Sanne" uw groeten overbrengen, arme
vriend," sprak Cornelis.
Jean richtte zich nog half op, stamelde: „Ik-k-orn, Moe-
der!" drukte den knaap de hand, en Valdez had een dapper
soldaat, een goed man minder in zijn leger.
„Wel te rusten, Jean," fluisterde Cornelis en ging met
tranen in de oogen heen.
Het gevecht was ten nadeele der Spanjaarden beslist en
Zoetermeer genomen.
Thans liet van Boisot al zijne vaartuigen komen en ver-
-ocr page 197-
182                                    OM BROOD BIJ DEN VIJAND.
volgde, steeds voortroeiende, den vluchtenden Spanjaard tot
op het Noord-Aasche meer.
Nu ook stond de weg naar Leiden voor hem open, als er
maar wat meer water kwam. Maar, weer was de wind in
het noordoosten. Om den belegerden tijding te geven, dat
hij naderde, liet hij zijn geschut lossen en die uit Leiden
dit hoorende, gaven hem op dezelfde wijze antwoord.
„Ga nu naar Leiden terug, knaap! Geef dezen brief aan
den Burgemeester, en dien aan mijnen vriend van der Does,
en, zoo uwe Ouders, of wie dan ook, vragen: „Wanneer
komt nu het ontzet?" zeg dan: „Als God maar wil; de
vrijbuiter is iederen dag gereed," zeide de Admiraal.
Het kostte Cornelis veel moeite eer hij weer in Leiden
was, doch zijne ervarenheid in het zwemmen, gunde hem
eene richting te volgen, waarin de Spanjaard hem niet op-
zoeken zou.
Na eene afwezigheid van een dag of tien kwam hij thans
in de stad terug.
„We dachten, dat gij omgekomen waart, Cornelis," zeide
de man, die de wacht op den wal hield.
„Gelukkig niet," was het antwoord.
„Ik weet niet wat u beter zou geweest zijn, kameraad,"
hervatte de andere, „ginds hangt men u op; hier sterft men
den hongerdood!"
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Om brood by den vijand.
Nauwelijks was Cornelis binnen de stad gekomen, of uit
alle huizen kwamen de nieuwsgierigen te voorschijn.
Bleeke mannen met waggelenden gang; gebaarde vrijbui-
ters met diep liggende oogen en knikkende knieën; rijke
ingezetenen in het fluweelen kleed, dat hun veel te wijd
-ocr page 198-
OM BROOD BIJ DEN VIJAND.                                    183
om de leden zat; weenende vrouwen met schreiende kinde-
ren op de ontvleeschde armen; trage knapen en droomerige
meisjes, die allen kwamen den jongen bode met vragen
van allerlei aard bestormen.
Cornelis kon niet voor- of achteruit; de menigte pakte
zich steeds dichter opeen.
Het werd den knaap hier te eng om het hart; want het
scheen wel, of de uitgehongerden, als dreigende spookge-
stalten om hem heen kwamen staan, om hem te dooden
en zich aan hem te verzadigen! Hij zag er immers zoo
gezond en welgedaan uit!
Kon hij maar wegloopen!
„Wanneer komt nu het ontzet?" schreeuwde er een.
„Waar liggen de vrijbuiters?" vroeg de ander.
„Kijk eens, Cornelis, wat ziet mijn kleine Jan er gezond
uit! Hi-hi! Kijk eens, wat zijn die wangetjes bol en zijne
armpjes dik! Vindt gij het ook niet, Cornelis, zeg? Hi-hi!"
riep eene vrouw, die van honger waanzinnig was, en een
kind op de armen hield, dat daar met den hongerdood lag
te worstelen.
„Laat die vrouw maar loopen, Cornelis, de honger heeft
haar zoo raar gemaakt," hervatte een ander.
„Op zh\'," gilde opeens de arme vrouw. „Daar komt de
broodkist aan! Op zij ! Ruimte I"
Cornelis ging op zijde en liet, wat er aankwam voorbn\'
trekken. Maar het was heel iets anders dan eene broodkist.
Er werd iemand begraven, en achter die nog een, nog een
en nog een!
„Laat me door, luiden, laat me door!" riep Cornelis, die
het hier niet langer uithouden kon. „Sterven dan nu alle
menschen van den honger?"
„En van de pest ook, Cornelis," viel eene bekende stem
hem in de rede.
De knaap keek om en zag in het gelaat van Van der
Morsch.
-ocr page 199-
184
OM BROOD BIJ DEN VIJAND.
„Zijt gij ook ziek geweest, Van der Morsen?"
„Neen, Keesje, ik heb maar tegen Meneer Hongerman
gevochten; maar ik heb het verloren, en nu speelt hij den
baas over mij. Nu eet hij het vleesch van mijne kaken,
steelt het licht uit mijne oogen en plundert mijn geheele
hoofd ledig! In den tijd, dat ge afwezig zijt geweest, heb
ik niet één mopsje kunnen rijmen!"
,,Van der Morsch, man, hebt gij niet een hapje brood
voor me? Om Godswil, maar één stukske, al was het niet
grooter dan het vlakke van mijne hand," riep eensklaps
een man.
„Goede vriend, zoo ik het had, ik zou het met u deelen,
maar ik heb geen brood," antwoordde de rederijker.
„Mijne kinderen, mijne vrouw, ze sterven van den hon-
ger! Brood! brood, brood," klonk het op eene andere plaats.
Thans vlood Comelis heen zoo spoedig hij kon, en nog
een heel eind ver hoorde hij het gegil van den wanhopigen
man: „Brood! brood, brood!"
Eindelijk was hij vrij, en kon hij weer de oogen in het
rond slaan zonder door eene huivering bevangen te worden.
De brieven had hij spoedig bezorgd en thans sloeg hij
den weg in naar huis.
Ouder gewoonte deed hij de deur open, en wilde ze achter
zich in het slot laten vallen, toen er een bleek, mager meisje
in het voorhuis kwam om te zien, wie er aan de deur was.
„Comelis, gij hier? Sst, gooi de deur niet te hard toe,
anders worden ze wakker," zeide ze.
„Zijt gij dat, Gonda? Zijt gij nu ook al ziek geweest?
Slapen Vader en Moeder dan midden op den dag? Wat is
er toch in die tien dagen gebeurd?"
„Te veel om ineens te zeggen, Comelis! Ga maar stil
met mij mede."
Comelis volgde haar, doch eer ze binnen gingen, vatte
hy haar bij de hand en zeide: „Hoor eens, ik kan niet
langer wachten te vragen, wat scheelt er aan, Gonda?"
-ocr page 200-
OM BROOD BIJ DEN VIJAND.                                    185
„Niets!" was het antwoord en ze sloeg de oogen neer.
„ Het is wel waar, Gonda, er scheelt wel iets aan; want
toen ik heenging, zaagt gij er wel bleek, maar niet zoo
zwak uit. Zijt gij ziek?"
„Neen, Cornelis," klonk het weder, doch de tranen, die
in hare oogen kwamen, en die ze tersluiks wilde afdrogen,
werden door Cornelis gezien.
Daar werd het den knaap eensklaps duidelijk.
„Hebt gij dan zulk een honger, Gonda?"
Hierop gaf ze geen antwoord, doch zich op eenen stoel
latende neervallen, verborg ze het gelaat in hare handen
en begon zenuwachtig te snikken.
Thans ging de kamerdeur open en kwam Vader Van
Keulen kijken, wie er toch in huis gekomen was.
„Vader, Vader!" riep Cornelis.
„Zoo, jongen, zijt gij terug, dat is goed! Gij hebt zeker
wel te eten gehad in dien tijd, hè?"
„Ja, Vader, maar . . . ."
„Nu, dat zal ik straks wel hooren. Ik moet nu naar de
wallen! Pas maar op, dat gij uwe Moeder niet doet ver-
schrikken." Na dit gezegd te hebben ging hij heen.
Verwonderd keek Cornelis zijnen Pleegvader na? Was
dat Schipper Van Keulen, dat? Klonk zijn stap vroeger
niet door het heele huis heen, en nu ? . ...
„Vader, gij zult vallen," riep hij, toen hij zag, dat de
onlangs nog zoo krachtige man bij de voordeur begon te
wankelen, en zich aan den muur moest vasthouden.
„Stil, jongen, het is al over; ik struikelde maar," klonk
het antwoord.
Voorzichtig werd de deur gesloten en Cornelis was weer
alleen met Gonda, die nog altijd snikkend op den stoel zat.
„Ik ga naar binnen," zeide hij. „Ik moet weten, wat hier
gebeurd is!"
Hij deed de deur open. Niemand was te zien! Daar hoorde
hij uit eene der bedsteden eenig gekreun en de gordijnen
-ocr page 201-
186
OM BBOOD BIJ DEN VIJAND.
openschuivende, zag hij vrouw Van Keulen te bed liggen.
„Dag, Moeder! Dag, lieve Moeder," fluisterde hij om haar
niet te verschrikken.
„Dag, Cornelis! Dag, lieve, beste jongen," zeide de arme
vrouw en de magere armen hem om den hals slaande, kermde
ze: „o, God, jongen! Komt gij hier ook sterven?"
Dat was te veel voor Cornelis. Iedereen keek hem wan-
gunstig aan, omdat hij er zoo gezond uitzag; ieder vroeg hem
om brood en zijne lieve Pleegmoeder lag langzaam den
hongerdood te sterven.
Hij viel weenend op eenen stoel en de hand der goede
vrouw grijpende, drukte hij er brandende kussen op en be-
vochtigde ze met zijne tranen.
„Wie is daar? Zijt gij daar, Cornelis?" klonk het nu
uit de andere bedstede.
„Ja, Jan, ik ben hier! Zijt gij ook al ziek?"
„Neen, Kees; maar hebt gij niet wat te eten voor me?"
„Honger, honger! Keesje," riep de jongste en begon zoo
droevig te huilen, dat het ruwste hart er door bewogen zou
geworden zijn.
„Ik heb geen brood," antwoordde Cornelis, „maar ik zal
het gaan halen!"
Hierop nam hij een wapen van den wand en wilde de
deur uitgaan.
„Waar gaat gij heen, Cornelis?" vroeg Gonda.
„Ik ga brood halen!" was het antwoord.
„Brood halen bij den Spanjaard? Cornelis, dat kunt ge
immers niet? Ze zullen u ophangen, evenals ze Leeuwke
gedaan hebben!"
„Laten ze me ophangen! Ik ben liever dood, dan dat ik
ze hier allen van honger zie sterven!"
„Neen, Cornelis, doe het niet, och toe, doe het niet! Wat
zal Vader zeggen, als hij van den wal komt en hij ziet,
dat gij alweer de stad uit zijt?"
„Hij zal me niet missen!"
-ocr page 202-
OM BEOOD BIJ DEN VIJAND.                                    187
„Zeker, dat zal hij wel! Neen, Cornelis, doe het niet! Ik
durf hier niet meer alleen bij de zieken blijven!"
„Nu, Gonda, ik zal dan wachten, tot vanavond Vader
thuis is; maar dan ga ik vast en zeker!"
Wat Gonda ook beproefde, hem van zijn voornemen af te
brengen, het hielp niet. Toen de avond gevallen en Vader
Van Keulen thuis was, ging hij de deur uit.
Op de welbekende plek aan de Koepoort liet hij zich
afglijden en zoodra hij buiten was, scheen hij besluiteloos
en stond even stil.
„Wacht," mompelde hij, „naar Oom Jan te Rijnsburg;
hij zal me brood geven."
Zoo voortstappende hoorde hij niet ver van Valkenburg
een woest gezang.
„Die daar, zingen vast niet van den honger," fluisterde
hij, „Ik ga er eens op af. Het is zeker in de taveerne van
„Zwarte Jaap!"
Langs een paadje, dat door eene weide liep en den wan-
delaar aan de achterdeur van het huis bracht, kwam Cor-
nelis eindelijk op het erf van de taveerne.
De luiken aan de achterramen waren maar even gesloten,
zoodat hij alles zien en hooren kon, wat daar binnen voorviel.
Een achttal musketiers uit het vendel van Carion, zat
om eene kleine tafel te dobbelen.
Één echter stond een weinig afgezonderd en scheen niet
zeer op zijn gemak.
„Komt, jongens, staat nu op en gaat mede," zeide hij.
„Gij zijt een vervelend mensch, Juan! Laten we nog
wat spelen!"
„Ja, als ze op de schans niet op het brood wachtt\'en,
dan zou ik ook niet zulk eene haast hebben," antwoordde
de ander.
„Wacht, daar weet ik raad op," riep er een en schreeuwde:
„Zwarte Jaap! Zwarte Jaap!"
„Wat believen de Heeren?" vroeg de waard.
-ocr page 203-
188                                   OM BROOD BIJ DEN VIJAND.
„Hebt gij niet eenen sterken slungel van eenen zoon?"
„Jawel, Heeren!"
„Best, laat hem dan dien zak met brood eens naar de
schans brengen!"
„Tot uwen dienst, Heeren! Hij zal het doen!"
Cornelis had alles gehoord.
Als hij dien Jurrie, dien hij wel kende, eens onverwachts
van achter aanviel en hem eenen doek in den mond stopte
dan___
Daar ging de voordeur open!----
„Wat weegt die zak zwaar, Vader!" zei Jurrie.
„Des te meer brengen we er voor in rekening! Kom,
pak-je maar weg," was het antwoord.
Cornelis sloop hem achterna en daar Jurrie vast bang
was, in den avond alleen te loopen, begon hij op eene vree-
selijke manier een liedje te zingen.
„Zooveel te beter," dacht Cornelis, „zing maar zoo hard
en leelijk gij kunt, oude jongen!"
Toen hij hem dicht genoeg op de hielen was, viel hij als
een tijger den bangen knaap van achter aan, en deze, hierop
niet bedacht, sloeg met zak en al achterover.
In een oogenblik had Cornelis, hem eenen doek in den
mond gestopt.
„Sta op," beval Cornelis en Jurrie gehoorzaamde.
„Gauw naar de Koepoort," beval Cornelis met eene stem
zoo bar, als hij die maar maken kon, „en bij de eerste
poging, die je waagt mij te ontsnappen, zal ik je eene por
met dezen degen geven, dat je het verder gaan heelemaal
vergeet! Vooruit, slungel!"
Jurrie was zoo mak als een lam, en ging op bevel van
den koenen knaap langs eenen heel anderen weg dan dien,
die voorbij zijn Vaders taveerne liep, naar Leiden.
Dicht bij de Koepoort gekomen, beval hij hem den zak
neer te zetten, en nauwelijks had Jurrie dat gedaan, of hij
snelde den weg op. Eerst toen hij ver genoeg was om niet
-ocr page 204-
OM BROOD BIJ DEN VIJAND.                                    189
meer door Cornelis achterhaald te kunnen worden, begon
hij hem uit te schelden voor al wat leelijk was.
Cornelis had intusscheri den zak opgenomen en klom,
hoewel met heel veel moeite, tegen den muur op.
Nog was het geen tien uur toen hij thuis kwam.
..Hier is brood," riep hij.
Vader Van Keulen schudde het hoofd en zeide: „Uwe
Moeder eet geen brood meer, Cornelis! Zij is dood!"
Als een krankzinnige liep Cornelis naar den zak, deed
dien open en met zijn mes een stuk van een brood snij-
dende, ging hij er mee bij het bed van vrouw Van Keulen
staan en riep: „Moeder, hier is brood! Moeder dan toch!
Moeder, Moeder!"
Maar de arme vrouw scheen haar lijden geleden te hebben.
Toch gaf Cornelis den moed niet op. Zoo spoedig hij kon
weekte hij een stuk brood in wat warm water, deed er wat zout
bij, en hield haar hiervan wat tusschen de geopende lippen.
Nog geen teeken van leven.
Cornelis werd schier wild van smart en bijna schreeuwde
hij: „Hier is brood, Moeder! Lieve Moeder, hier is brood!"
„Jongen, zwyg! Uwe Moeder is immers dood," zeide de
Vader en begon als een dier te eten van het brood, dat
zijn zoon medegebracht had.
Nog eenmaal boog Cornelis zich over de dierbare vrouw
heen, toen deze, die slechts in eene hevige flauwte geval-
len was, even een teeken gaf, dat nog niet alle leven uit
haar geweken was.
„Vader, Moeder leeft nog," riep Cornelis nu, en tranen
van blijdschap stroomden langs zijne wangen. „Kijk maar,
Vader, ze beproeft het geweekte brood te eten, kijk maar!"
Thans trad Gonda aan de bedstede en met een engelachtig
geduld begon ze de bijkomende zieke te laven en te voeden.
Tot groote vreugde van het heele gezin, stamelde zij een
paar uur later, terwijl ze Cornelis zwak de hand drukte:
„Dank je, Cornelis, dank je. lieve jongen!"
-ocr page 205-
190                                   OM BEOOD BIJ DEN VIJAND.
Het herstel vorderde evenwel bij gebrek aan versterkende
spijs, zeer, zeer langzaam en zelfs toen de heele stad bij
het ontzet vol vreugde naar de kerken stroomde om daar
God te danken, kon zij niets anders doen, dan op haar bed
de handen vouwen, en daar heel alleen Hem danken, die
ook haar bij het leven gespaard had.
Dag aan dag werden de arme Leidenaars zwakker en
magerder; dag aan dag kwamen er meer zieken; dag aan
dag nam de sterfte toe!
De geroofde voorraad brood was in Van Keulens gezin
bijna verbruikt, en met angst zag men weer den tijd tege-
moet, dat men niets hebben zou, dan het weinige, dat voor
de zieke Moeder moest overblijven.
Half onverschillig voor alles, wat hem omringde, liep Cor-
nelis langs de straten.
Daar ontmoette hem Jonker van der Does.
„Waar gaat gij heen, Cornelis?" vroeg hij hem.
„Ik weet niet waar ik zal heengaan, Edele Heer! Ik loop
maar wat door de stad!"
„Och, wees dan zoo goed en ga eens naar Burgemeester
van der Werff en zeg hem, dat ik vandaag geene gelegen-
heid heb te komen!"
„Ik zal het doen, Edele Heer," antwoorde Cornelis en
ging heen.
Een oogenblik daarna deed de dienstbode van Burgemees-
ter Pieter Adriaensz. hem open.
Bij het ontsluiten der deur echter, kwam een geur van
gebraden vleesch hem tegemoet en onwillekeurig zei hij:
„Hé, gebraden vleesch! Hadden we dat ook eens!"
„Dan zoudt gij het mogelijk nog niet lusten, Cornelis,"
zeide de meid.
„Niet lusten? Nu, ik heb nog zulk eenen honger niet.
Maar de anderen! Laat de Burgemeester het eens even
probeeren of ze nog gebraden vleesch lusten! Hij moest er
de proef maar eens van nemen, dan zou hij het zien."
-ocr page 206-
BURGEMEESTER VAN DER WERFF.                              191
„Nu, als ik u dan eens zeide, dat Joffer Anna vandaag
jarig is, en dat zij al hare kennissen onthaalt op het ge-
braden vleesch van haar schoothondje, dat gisteren geslacht
is? Maar welke boodschap hebt gij?"
„Heer van der Does laat zeggen, dat hij niet komen kan,"
zeide Cornelis en ging heen, mompelende: „Het is ver, heel
ver gekomen."
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
Burgemeester van der Werf f.
Het gerucht dat er bij Burgemeester van der Werff vleesch
gebraden en gegeten was, liep door heel de stad en het
stemde hen, die tot op dit oogenblik nog van geene over-
gave hadden willen hooren, wel wat ontevreden, want dat
men ten huize van den Burgemeester een schoothondje ge-
braden en gegeten had, werd niet algemeen geloofd.
Van die ontevreden stemming onder de goedgezinden
trachtten degenen, die de stad reeds lang geleden hadden
willen overgeven, gebruik te maken. Ze wisten toen reeds
dat het in troebel water goed visschen is.
Onder hen, die daartoe het ijverigst in de weer waren,
bevond zich Mandenmaker.
„Goeden morgen, Bleiswijck," zeide hij den volgenden
voormiddag toen hij dezen op straat ontmoette. „Goeden
morgen, man! Hoe stelt gij het leven, maat? Ik heb u in
langen tijd niet gezien."
„Och, hoe zou het gaan, Mandenmaker? Wie is er tegen-
woordig gezond ? Ik had nooit gedacht, dat hongerlijden zulk
eene vreeselijke ziekte is!"
„Tut-tut, man, gij moet zoo gauw niet klagen! Weet gij,
wat ik gisteren gegeten heb?"
„Neen!"
-ocr page 207-
192                             BURGEMEESTER VAN DER WEBFF.
„"Wijngaardbladeren met zout en stijfsel! Het smaakt voor
een keertje vrij goed. Vanmiddag zal mijne vrouw eens een
potje koken van koolstronken; maar omdat ik niet van kool
houd, krijg ik gestoofde bladeren van eenen pereboom!"
..Maar, Mandenmaker, is dat waar?"
„Zeker, Bleiswijck, zeker! Komt gij vanmiddag mee-eten,
dan kunt gij zelf oordeelen hoe het smaakt."
„Nu, ik geloof, dat uw pot dan nog altijd beter zal zijn
dan de mijne; want mijne vrouw kookt vanmiddag voor de
achtste maal vleeschsoep van een pond paardenvleesch, dat
ik verleden week nog zoo goed als gestolen heb!"
„Jongen, jongen, wat ge zegt! Maar van vleesch gespro-
ken! Hebt gij het ook gehoord, wat ze van Burgemeester
Pieter Adriaensz. vertellen?"
„Dat hij eenen gebraden hond heeft gegeten?"
„Neen, man, ze zeggen, dat hij iederen dag versch rund-
vleesch op tafel heeft! Het is schande om dat van dien
braven, eerlijken en ronden man te vertellen! Maar, al ware
het ook zoo, wat is het dan nog? Een Burgemeester mag
toch wel wat meer hebben dan een gewoon mensen!"
„Met uw verlof, Mandenmaker, als het op stuk van zaken
aankomt, dan is een Burgemeester niets meer dan een ge-
woon poorter, en, als het waar is, dat hij iederen middag
versch rundvleesch eet, dan___"
„Hei, hei, Bleiswijck, dan doet gij nog niets! Maar wees
verzekerd, goede man, dat gij het fijne van de zaak nooit
te weten zult komen. Pieter Adriaensz. is Mennoniet, en
die Mennonieten, daar behoef ik u niets meer van te zeggen,
daar weet gij alles van!"
„Nu, maar Mennoniet of Paapsch, ziet ge, daar maal ik
niet om. Ik wil weten of het waar is, wat gij my daar
verteld hebt!"
„Och kom, goede vriend, gij moet wat door de vingers
willen zien ook! Bedenk, dat de man zooveel voor onze
goede stad gedaan heeft, en dat hij ... ."
-ocr page 208-
BURGEMEESTER VAN DER WERFF.                               193
„Hoor, Mandenmaker, ik wilde wel, dat gij nu maar over
de geheele zaak zweegt! Ik weet, wat ik doen zal en daarmee
uit! Goê-morgen!"
„Goê-morgen," antwoordde de lasteraar en wreef zich
vergenoegd in de handen, dat hij er al vast één het hoofd
had warm gemaakt.
Juist wilde Mandenmaker naar huis gaan, toen Cornelis
Joppensz. aankwam.
„Jongens," dacht de kwaadspreker, „als ik dien vlegel
eens aan mijn snoer kon krijgen, dan had ik veel gewon-
nen! Met eene bende straatjongens doet men soms meer,
dan met een vendel musketiers!"
Zoodra Cornelis onder zijn gehoor was, riep hij al: „Zoo,
Cornelis, gij zijt ook al heel wat opgedund sedert den dag,
dat gij van de vrijbuiters terugkwaamt! Jongen, toen zaagt
gij er zóó goed uit, dat het mij verwonderde, dat men u
ongemoeid langs de straat liet gaan."
„Toch altijd nog dikker dan jij, Mandenmaker! Want jij
kunt haast met de konijnen door de tralies eten!"
„Wacht maar, manneke, die lust tot spotten zal wel
overgegaan zijn, als we een paar dagen verder zijn!"
„Als we dan nog leven, Mandenmaker! Het is tegen-
woordig een bange tijd!".
„Ja, dat is het, Cornelis! Dat beleg zullen we onthouden,
hoor! Ik wil ten minste eerlijk bekennen, dat ik naar het
einde verlang; want waar het heen moet, ik weet
het niet!"
„Ik ken er anders wel, die meer dan eene maand geleden
al beproefd hebben, of ze de stad niet in handen der vijan-
den konden brengen," zeide Cornelis en keek Mandenmaker
vlak in zijn gezicht.
„Is het waar, mijn jongen? Maar dan hadt gij het den
Magistraat moeten zeggen, want zulke dingen mag men
niet zwijgen. Dat is oproer maken. Ik zei het zoo even ook
nog tegen Bleiswn\'ck, die daar ginder gaat. Die man dacht,
DE SCHIPPEESJONGKN.                                                                                                     13
-ocr page 209-
194                              BURGEMEESTER VAN DER WERFF.
dat men van eenen Burgemeester gerust alles kon zeggen,
wat waar is!"
„Dat mag men ook!"
„Ei, moogt gij dan zeggen, dat Burgemeester Adriaensz.
iederen middag versch rundvleesch eet?"
„Neen; want dat is ook eene leugen!"
„Ze zeggen het dan toch maar! Het is schande! En dat
van dien braven man!"
„Weet je, wat je dan doen moet, Mandenmaker, als ze
je dat vertellen?"
„Ik niet! Weet jij er wat op?"
„Wel zeker! Den eersten, den besten, die mij zulke leu-
gens op de mouw wil spelden, zal ik een pak ransel geven,
dat hem alles groen en geel voor de oogen wordt!"
„Zoo, zoo, zou-je dat? Ei, ei!"
„Ik wel, en doe dat ook maar, hoor! Dag, Mandenmaker!"
antwoordde Cornelis en ging verder.
„Die jongen heeft me een beetje te veel snaps! Wij
moesten hem die kunsten eens wat afleeren," bromde de
huichelaar, en, kwaad op zichzelven, dat hij voor zulk eenen
baardeloozen knaap het onderspit had moeten delven, ging
hij zijnen nood klagen bij Jaspersz., „Roode Jaap" en der-
gelijken.
Hier vond hij een gretig luisterend oor en gedienstige
geesten, die overal, waar ze slechts konden, de tweedracht
bevorderden.
„Weet ge wat we doen moesten, „Roode Jaap?" vroeg
Mandenmaker.
„Als ik honger heb, weet ik niet met al. Weet gij wat,
vertel op dan!"
„Dat geloof ik wel. Kijk, er sterven er tegenwoordig zoo-
veel van den honger en het is geen wonder, als men langs
de straat gaat, dat men er hier of daar een vindt liggen,
die dood is. Als we nu vannacht zulk een lijk vinden, dan
zullen we dat tegen de deur van dien van der Werff zet-
-ocr page 210-
BURGEMEESTER VAN DEE WEEFF.                              195
ten. Gij begrijpt, dat zoo iets in de stad heel wat zal te
doen geven!"
„Gij zijt toch rechtaf een slimmerd, Mandenmaker," sprak
Jaspersz. „Dat zullen we doen! En dan zal men zien hoe
de gemeente op onze hand is!"
Na dit afgesproken te hebben, ging men naar huis en
den anderen morgen reeds in de vroegte, liep iedereen
naar de Marendorps-Achtergracht, waar voor de deur van
Burgemeester Pieter Adriaensz. iets vreeselijks te zien was.
Wat nog gaan kon, ging er heen, en die menigte daar,
zich bewegende op de nauwe gracht, leverde een akelig
schouwspel op.
Het was bijna eene verzameling van geraamten!
„Brood! brood!" klonk het hier.
„De Burgemeester moet voorkomen!" klonk het daar.
„We komen hem brood vragen, ja, droog brood!"
„Loopt de deur open! Plundert zijne kelders en haalt
het gebraden vleesch van zjjne tafel! Hij leeft in weelde,
en wij, onze vrouwen en kinderen, sterven van honger!
Loopt open de deur! Brood! Brood!" riep elders eene
schorre stem.
Langzaam deed iemand van binnen de deur open. Het
werd plotseling stil, doodstil!
Ze hadden den Burgemeester uitgedaagd te voorschijn te
komen! Zij hadden hem belasterd, — zy, mogelijk met
hunne honderden!
En daar stond hij nu, kalm, rustig en bedaard, met ver-
magerde en verbleekte wangen.
„Wat beduidt die oploop voor mijne deur, mannen?"
vroeg hij met eene houding vol waardigheid en kalmte,
doch met eenigszins onvastte, ja, bijna trillende stem.
„Er staat een lijk van eenen hongerlijder voor uwe deur.
Burgemeester," zeide Mandenmaker.
„Dan was het uw plicht dat lijk weg te brengen; want
dat behoort hier niet te zijn! Het is hier geen kerkhof!"
-ocr page 211-
196                              BURGEMEESTEB VAN DEK WERFF.
„Maar die man is van den honger gestorven, Burgemees-
ter," riep Jaspersz.
„Hij is de eenige niet. lederen dag sterven er zeer velen.
Onder alle rangen en standen komt de dood zijne offers
eisenen," antwoordde van der Werff bedaard geworden op
waardigen toon.
„Maar dat is uwe schuld, Burgemeester! Gij wilt de stad
niet overgeven! Zie ons aan! Zijn wij mannen ? Oude vrou-
wen zijn we, niets meer! Zie onze vrouwen! Zij sterven
voor onze oogen, en onze kinderen vloeken ons, waar we
hen van honger doen omkomen!"
„Ja, brood, brood moeten we hebben," klonk hierop een
schorre kreet.
„Hebt geduld, goede vrienden! Het ontzet nadert."
„Ja, wij zouden eveneens, als gij geduld hebben, Burge-
meester, als wij ook gebraden rundvleesch te eten hadden!
Met eene volle maag valt het geduld-hebben niet moeielijk!
Geef ons van uwen overvloed, ons en de driehonderd man-
nen en vrouwen uit wier naam wij spreken! Kom met uwe
tafel, die nog van vet druipt, voor den dag!"
„Ja, ja, geef ons van uwen overvloed! Wij sterven van hon-
ger! Brood, brood !" gilde de menigte, die steeds grooter werd.
„Hier, moordenaar!" kreesch eene vrouw en drong zich
door de mannen heen, tot ze vlak voor van der Werff
stond, „hier, moordenaar! Zie, dit kind is heden morgen
mij op den arm gestorven, en zijn laatste woord was: „Hon-
ger, brood, brood!" Dat is jouw schuld! Jij hebt mijn lieve-
ling den weg naar het kerkhof gewezen!"
„Het leven van ons allen is in de hand des Heeren,
vrouw," antwoordde van der Werff weer.
„Houd die zedenpreeken voor je-zelven," riep de vrouw,
van Moedersmart radeloos. „Wij vragen geene preeken!
Wij vragen brood! Brood, verstaat gij?"
„Ja, brood moeten we hebben! Hoort ge, brood," klonk
het weer van alle kanten.
-ocr page 212-
BURGEMEESTER VAN DER WERFF.                              197
„Ik heb het niet," sprak de Burgemeester kalm.
„Geef de stad dan over," schreeuwde Mandenmaker, „dan
hebben wij te eten!"
„Hoort, mannen en vrouwen van Leiden, hoort!" sprak
thans van der Werff\', en zijne stem rolde weer krachtig,
vol en vast over de hoofden der woelende menigte. „Eens
heb ik den eed gedaan aan het Vaderland en deze Stad, en
dien eed zal ik houden, zoolang ik leef! Ik zeide dit reeds
op eenen anderen keer, en ik herhaal het nog eens, dat
gij het allen hoort, dien eed breek ik nooit, hoort gij lieden
het? Nooit, neen, nooit!
Gij vraagt om brood! Ik heb het niet! Ik en de mijnen
lijden zoo goed gebrek, als een uwer! Maar hebt gij honger,
hier is mijn lichaam, deelt het onder u allen en eet het
op. Voor het Vaderland te sterven is schooner, dan er in
schande voor te leven! Hier is mijn degen! Stoot toe! Ik
geef mij aan u over; maar zoolang ik leef, geef ik de stad
Leiden niet aan den Spanjaard!"
Hierop bood hij Mandenmaker zijnen degen aan, doch
deze trad beschaamd terug en met hem het grootste deel
der ontevredenen.
De enkele kreten van: „Brood! brood!" werden verdoofd
door het geroep van: „Neen, neen, we sterven dan van
honger! Wij geven Leiden niet over! Leve de Burgemees-
ter! Leve de wakkere Pieter Adriaensz!"
Maar toch klonk tusschen al dat gejuich van den wuften
hoop, als dierengebrul tusschen mooie muziek, de kreet
van het stervende kind en de zieltogende moeder: „Honger!
honger! — Brood! brood!"
„Hier, vrouw," zeide Cornelis tot eene arme weduwe,
wier man in eenen uitval tegen de Spanjaarden gesneuveld
was, „hier vrouw, hier is brood !"
En de knaap schonk het laatste stuk van zijn aandeel in
den medegebrachten voorraad, helaas, te spoedig op, weg
aan eene, die het naar zijne meening meer noodig had
-ocr page 213-
198                             noordwest! noordwest!
dan hij! Dit geschiedde den twintigsten van Herfstmaand.
Nog twee weken werd dat ontzettende lijden, eiken dag
grooter wordend, geleden! Den hoed af voor zulke helden
en heldinnen!
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Noordwest! Noordwest!
Bij de Marepoort stonden op Dinsdagmiddag, den achten-
twintigsten van Herfstmaand, twee mannen op wacht.
Zij zagen er beiden zeer vermagerd en verzwakt uit en
het kostte hun moeite, het op de beenen te houden.
Daarom hadden ze hunne musketten op den grond gezet
en leunden er op, om het afgematte lichaam nog eenigen
steun te geven.
Hij, die deze mannen in vroegeren tijd gekend had, zou
er thans vast aan twijfelen, of het wel waar was, zoo er
een was, die hem zeide:
„Die daar, met zijnen rossen baard en dat fletse oog is
Gijsbert Cornelisz. Van Schaeck en de andere, die als een
afgeleefd grijsaard, met knikkende knieën en gekromden
rug tegenover hem staat, is de eertijds zoo vroolijke en
spotzieke rederijker, Pieter Van der Morsch!"
En toch is het zoo.
„Die zon hindert me, Van Schaeck! Het is zoo aarde-
donker in mijn hart, dat ik geen licht verdragen kan!"
„Kom, kom, Van der Morsch! Bij mij is het nog altijd
omgekeerd! Het is of ik des nachts den honger nog meer
voel dan over dag. Overdag heb ik wat te doen, maar des
nachts niet. Dan slaap ik zelfs niet eens."
„Ik weet niet wat beter is nacht of dag. Ik ben zoo
vreemd te moede, alsof er wat met me gebeuren zal."
-ocr page 214-
noordwest! noordwest!                               199
Van Schaeck trachtte te lachen, en zeide: „Gij eet te
veel, man! Gisteren is het laatste paard geslacht en nu
hebt gij de maag overladen. Hiervan wordt een mensch
altijd zoo raar. Eet minder!"
„Spot niet, Van Schaeck, en praat me niet te veel van
eten, want dan zou ik den geeuwhonger krijgen!"
„Stil, oude jongen, daar komt Cornelis aan! Die heeft
zeker eene boodschap aan ons."
Het kostte ook nog al eenige moeite om den knaap, die
toch nog zooveel niet geleden had, als de andere stadge-
nooten, te herkennen. Hy had in alle gevallen onder de
vrijbuiters nog eenige goede dagen gehad, en de voorraad
brood, dien hij Jurrie zoo slim had weten te ontfutselen,
was ook nog eene versterkende spijze geweest, die de ande-
ren hadden moeten missen.
„Wel, Cornelis, is er nieuws?" vroeg Van Schaeck toen
de jonge man ook op den wal was.
„Och ja, zooveel als anders in een geheel jaar! Vanmorgen
hebben ze Krelis Louwensz. met zijne vrouw en twee kin-
deren dood in het bed gevonden!"
„Jongens, jongens! Vier weken geleden was die Louwensz.
nog een man als een boom! En nu van den honger gestor-
ven ! Het is wat te zeggen! Waar moet dat toch heen ?"
klaagde Van der Morsch.
„Neen, ze zijn niet van den honger gestorven! Ze hebben
de pestziekte gehad," zeide Cornelis.
„Nu, pest of honger, het is een zusje en een broertje.
Maar stil, daar komt een vogel aan! Mochten we nu maar
vrij schieten, dan had ik vanmiddag vleesch in den pot,"
zeide Van Schaeck. „Ziet gij het dier wel, Morsch?"
„Het is eene duif. Kijk maar! Het is eene duif," riep
Cornelis.
„Zou het een briefdragerke van Speelman zijn, Morsch?"
vroeg Van Schaeck, terwijl hij met alle aandacht naar den
vogel keek.
-ocr page 215-
200                                     NOORDWEST .\' NOORDWEST !
„Dat weet ik niet, Van Schaeck! Maar kijk, hoe ze beur-
telings rijst en daalt! Het is alsof ze wat zoekt! Daar gaat
ze naar beneden!"
„Ja, ja, in de buurt van de Steenschuur, en daar woont
die Speelman. Ik ga kijken, hoor," juichte Cornelis en liep
heen, zoo snel hij nog loopen kon.
„Komt ge ons wat vertellen, als er iets is, Cornelis?"
riepen de beide achterblij venden hem na.
„Ja!" klonk het al van achter het hoekhuis.
De tijding, dat er eene duif met eenen brief gekomen
was, werd spoedig bekend en, even alsof het onnoozele dier
een einde aan de ellende gemaakt had, was op ieders aan-
gezicht vreugde en nieuwsgierigheid te lezen.
De klok werd geluid, en wie nog krachten had zich zoo-
ver voort te sleepen, begaf zich naar het stadhuis.
Daar verscheen Van Hout met een geopend briefje in de
hand.
„Burgers van Leiden!" begon hij, maar met veel zwak-
ker stem dan vroeger, „hier is een briefke van Admiraal
van Boisot! Hij schrijft ons, dat zijne Vorstelijke Genade, de
Prins van Oranje zelf in het leger en op de vloot is ge-
weest om in persoon bevel te geven, aangaande het ont-
zetten onzer goede stad. Hij vraagt ons nog eenen kleinen
tijd uitstel en verzoekt den Magistraat, eenen algemeenen
bededag uit te schrijven, teneinde God om bijstand te
smeeken! Zoodra er wat mede te deelen valt, zal de Admi-
raal ons dadelijk met een der andere briefdragerkens bericht
zenden!"
Het was weer de oude tijding! Uitstel, uitstel en nog
eens uitstel!
Tot hoe lang?
En toch, de ongelukkigen morden thans niet! Zij schik-
ten zich met eene zekere onverschilligheid in hun lot, ter-
wijl anderen vast geloofden, dat er nu toch spoedig uitkomst
komen zou.
-ocr page 216-
noordwest! noordwest!                             201
Was het mogelijk het vreemde van de zaak, dat eene
duif eenen brief gebracht had ? . . . .
Daar gromden en bromden de klokken!
Iedereen wist, wat dat te beduiden had. Men ging, op
verzoek van den Prins, in de kerken God om hulp smeeken!
En Roomsch zoowel als Onroomsch, voldeed er gewillig
aan, en vast is het waar, dat in ieders gebed gehoord werd,
eene bede om verandering van den wind, eenen hoogeren
waterstand en — brood voor den honger.
Toen de kerken uitgingen, keken alle vrome bedevaart-
gangers naar het windvaantje.
"Was de wind onder kerktijd gekeerd?
Hoe wijst het?
„Pal noord-oost!"
„Zou het dan nóg niet geholpen hebben? Nóg niet?"
In het naar huis gaan, herhaalde menigeen nog de bede
van den eenig overgebleven Predikant der Hervormden:
„Heere, behoed ons! Wij vergaan!"
Maar ook de Roomschen baden hetzelfde, doch in hunne
kerktaal: „Domine, salva nos! Perimus!"
De eerste gang van Cornelis was, na de afkondiging van
het bericht, naar de wallen geweest, om Van Schaeck en
Van der Morsch den inhoud van het briefke mede te deelen,
en de tweede naar zijn huis.
„Kom, Gonda, kleed u aan! Wij gaan naar de kerk," had
hij gezegd.
Maar het meiske schudde het hoofd en wees op de bed-
stede waarin de zieke hongerlijders bijkans te sterven lagen.
„Ik kan niet, Cornelis! Ik kan hier niet weg! Ik zou
ook niet naar de Sint-Pieter kunnen loopen! Mijne beenen
zouden mij zoover niet dragen! Maar, als gij naar de kerk
gaat, bid voor mij dan maar mee en — vergeet toch vooral
ons lief en trouw Pleegmoedertje niet!"
Teedere, trouwe ziel! Uit medelijden was ze, als eene
arme weeze in huis opgenomen, en nu de goede Willempje
-ocr page 217-
202                                     NOORDWEST ! NOORDWEST !
Jansz., de brave Moeder, de zorgvuldige huisvrouw nog altijd
aan het krankbed gekluisterd was, nu beproefde zij met
hare zwakke krachten, de zware taak van de zieke op zich
te nemen.
Ja, ze was zelve ziek en ook haar kwelde de honger.
Maar, om door daden te bewijzen, hoe dankbaar zij hare
weldoeners was, vergat ze, èn ziekte, èn honger.
„Gij zijt eene beste Gonda," zeide Cornelis, „en als we
het beleg overleven mogen, en we zijn beiden groot ge-
worden, dan wordt ge mijne vrouw, hoor! Daar kunt ge
vast op rekenen!"
„Ga maar naar de kerk, Cornelis, en bezondig u maar
niet met zulke gedachten. Wie weet of we morgen nog wel
leven," zeide Gonda.
Zoodra de kerk uit was ging Cornelis naar de wallen om
daar de wacht te houden.
Hoe ledig was het wachthuis!
Hij kwam er over zijnen tijd en er was nog niemand.
Wanneer hij een paar maanden geleden wat te laat kwam,
dan vond hij vast zijne negen makkers al op hem wachten.
Dan hoorde hij al van verre hun luidruchtig gesnap, dan
hoorde hij de dobbelsteenen rollen en zag hij den kroes,
gevuld met bier van haverdoppen, rond gaan! En nu?
Er was nog niemand te zien!
Met hun tienen waren ze altijd bij elkander geweest, doch
dat getal was gaandeweg verminderd! Eerst waren er nog
negen, toen acht, later nog zes en nu waren ze slechts met
hun vieren.
De andere zes waren öf aan den honger en de pest ge-
storven, of lagen te huis te vechten tegen eene ziekte, waar-
voor geene andere medicijn was dan voedsel.
En voedsel was er niet!
Zie, daar ginds komt eene vrouw aanstrompelen! Zij heeft
de huik van haren mantel over het hoofd geslagen; want
ze wil niet herkend worden.
-ocr page 218-
NOORDWEST ! NOORDWEST !                                 203
Is ze arm of rijk? Is ze de vrouw van een vermogend
lakenwever of van een behoeftig poorter?
Dat doet er niet toe! Al was ze de armste vrouw uit de
stad, dan is het nog meer dan erg, dat ze daar op de vuil-
nishoopen kruipt, om kool stronken te zoeken, en om die,
als zij ze vindt, rauw op te eten.
Cornelis keerde zich om; dat kon hij niet zien! Dat was
te veel voor hem. Zijn gemoed schoot vol.
Eindelijk kwamen er nog drie wachten aan, doch het
musket, dat ze bij zich hadden, werd meer gesleept dan
gedragen.
Nu het rot toch niet voltallig was, werd er geloot wie
er het eerst naar de wallen zou gaan, en Cornelis kwam
hierdoor het eerst aan de beurt.
In het begin liep hij langzaam heen en weer, doch daar
dit hem weldra te zwaar werd, ging hij er bij zitten.
Het had den heelen dag stevig uit het noord-oosten ge-
waaid, doch tegen den avond was de wind wat gaan liggen.
„Het is of er verandering op til is," dacht hij. „Wind
is er haast niet!"
Weer zat hij eene poos, bijna gedachteloos met de punten
van zijnen mantel te spelen.
Eindelijk het zitten moede, stond hij op en wandelde op
den wal wat heen en weer.
Ginds in de verte zag hij hier en daar kleine lichtjes,
zich van de eene plaats naar de andere bewegen, en dan
telkens weer terug keeren.
Het waren de brandende lonten van de Spaansche sol-
daten, die op de schansen en daar tusschen in, de wacht
hielden.
Nog veel verder, bijna geheel beneden aan de kimmen,
zag hij een tal kleine lichtpunten, die zich niet bewogen.
Dat waren de wachtvuren der vrijbuiters op den Voor weg
tusschen Zoetermeer en Wilsveen.
„Die heb ik daar al dagen lang gezien," bromde hn\',
-ocr page 219-
204                                     NOORDWEST ! NOORDWEST !
„dat is voorwaar geen nieuws! Kwamen ze iederen dag maar
een stap of wat vooruit!"
Weer stond hij stil.
„Het is toch of er meer wind komt," fluisterde hij verder.
„Kon ik nu den windwijzer van de poort maar zien, dan
wist ik het. Maar wacht, de kerk staat oost en west; de
poort ligt dus van hier af ook oost! Zoo, die heb ik nu aan
mijne rechterhand! Het noorden ligt nu voor me en hier
aan mijne linkerhand is het westen! Ik zal mijnen vinger
eens nat maken en in de hoogte steken!"
De vinger ging in den mond en daarna in de hoogte.
„Ik geloof waarlijk, dat de wind in het noord-west geko-
men is; want aan dien kant wordt mijn vinger koud, en
het is juist, of hij daar droger is dan ergens anders!"
Andermaal liep hij eene poos heen en weer.
Daar stond hij weer in dezelfde houding bij de poort, als
zoo even. Juist streek er een windzuchtje voorbij en lichtte
aan de rechterzijde den mantel in de hoogte en drukte hem
aan den anderen kant tegen het lijf.
„Nu weet ik het! Nu weet ik het! Goddank, de wind is
omgeloopen naar het noord-westen," riep hij hardop. „Dat
moeten ze daar binnen weten I"
Zonder er aan te denken, dat hij niet van zijnen post
mocht, liep hij den wal af en het wachthuis binnen, waar
hij zijne makkers door zwakte in slaap gevallen vond.
„Hei, mannen! hei, wordt wakker! Goed nieuws!"
schreeuwde hij zeer opgewonden.
De drie musketiers richtt\'en zich op en vroegen bijna te
gelijkertijd: „Wat is er, Cornelis? Is er onraad?"
„Neen, geen onraad, mannen, geen onraad! De wind is
noord-west!"
„Och, kom, gij raast! Wij gelooven het niet."
„Komt maar mee en voelt zelven het maar!"
Cornelis liep weer naar den wal en de anderen volgden
hem zoo spoedig ze konden.
-ocr page 220-
noordwest! koordwest!                             205
Daar stonden ze alle vier op een zuchtje te wachten.
„Gij hebt het u zeker verbeeld, Cornelis! Er is geen
wind." zeiden ze.
„Neen, neen, niet verbeeld! Ik weet het zeker! Zoo even
was er wèl wind I"
„Loop jongen, gij hebt door den honger uwe zinnen ver-
loren en u blij gemaakt met eene doode musch!"
„Neen, stellig, stellig niet. De wind is noord-west, zoo
waar ik hier sta," was het antwoord.
„Nu hoor, wij gaan heen!"
„Neen, blijft nu nog even, wie weet...."
Weer streek een luchtig koeltje langs de vier mannen.
„Voelt gij het nu, zeg, voelt gij het nu ?" juichte Cornelis.
„Ja, Goddank, de wind is noord-west! Goddank! De bid-
dag heeft geholpen! God heeft ons verhoord! Nu zal het
ontzet spoedig komen. Noord-west! Dank, Vader in den Hemel!
Dank, o, dank!"
De drie mannen liepen thans met rasscher schreden, dan
ze gekomen waren, de wallen af! De blijdschap gaf hun,
als het ware, krachten.
En om heel de stad, bij alle poorten, had men elkander
met tranen in de oogen de handen gedrukt. Overal had men
het aanwakkerende koeltje gevoeld, en uit aller hart rees het
als een dankgebed: „De wind is noord-west! Goede God, heb
dank, heb dank! De ellende zal nu haast geleden zijn!"
Dien nacht was in Leiden een Engel gekomen, die eene
goede boodschap bracht.
Meer en meer stak de wind op.
Huilend floot hij door de kreunende takken, en ruw blies
hij de schildwachten in het aangezicht! Maar wat men anders
liever niet hooren of voelen wilde, dat zocht men nu op.
Zoo vroeg zulks mogelijk was, spoedde men zich van
de wallen in de stad om er de blijde tijding te brengen.
Wie opstond en buiten de deur kwam, hoorde zich door
zijne overburen toeroepen: „Noord-west, hé?"
-ocr page 221-
206                                     NOORDWEST ! NOORDWEST !
„Ja, ja, gelukkig!"
„Zeker, wèl gelukkig! Noord-west! Goddank!"
Twee duiven kwamen er tegelijk in de stad.
„De wind is om de noord naar het noord-westen geloopen;
het water begint een weinig te wassen! Houdt moed!" stond
er in het eene briefke.
„Er waait op zee een storm uit het noordwest! De zee staat
verschrikkelijk hol! Het water is reeds meer dan eene hand-
palm gerezen! Houdt u gereed! Wij komen! Zoodra ik weet
waar wij de stad het gemakkelijkst kunnen binnen komen,
zal ik het u weer laten weten. Van Boisot!" las men in
het andere briefke.
„Hei, Vader, Moeder, broers, zusters, Gonda! De wind is
noord-west! Het stormt op zee! Er zijn al twee brieven
van den Admiraal van Boisot gekomen!"
Met dezen luid aangeheven juichtoon viel Cornelis letter-
lijk met de deur in het huis zijner Pleegouders.
„Wat zegt ge, jongen?" vroeg Van Keulen, die nog op
bed lag.
„Ja, Vader, pal noord-west, zoo pal als een muur! Hoor
maar, hoe hij door de boomen fluit!"
„Komt er nu brood, Cornelis?" klonk het op zwakken
toon uit eene bedstede.
„Ja, jongens, dat komt overmorgen misschien al!"
Vader Van Keulen was opgestaan en zijn eerste werk
was door het venster naar buiten te kijken.
„Gij hebt gelijk, Cornelis! De wind is noord-west! God-
dank," zeide hij.
„Ik wil ook kijken," riepen de twee oudste jongens en
beproefden op te staan, doch werden hierin door Vader ver-
hinderd.
„Geduld, jongens," zei hij, „geduld! De wind is nu wel
goed; maar de schepen met brood en ander voedsel liggen
nog niet voor de kade!"
Ieder ging nu, zoo zijne krachten hem zulks toelieten,
-ocr page 222-
noordwest! noordwest!                             207
naar de wallen om in de verte de vaartuigen hunner ver-
lossers te zien naderkomen.
„We zullen de Leidenaars eens laten hooren, dat wij ko-
men," had van Boisot gezegd en beval, dat men de kanon-
nen zou lossen.
„Hoort gij het, mannen, hoort gij dat?" riepen de bele-
gerden. Van Boisot roept ons toe, dat ze komen! Gauw,
geeft hem antwoord!"
Een oogenblik daarna trilden al de vensterruiten binnen
Leiden! De hongerige gezonden sprongen van schrik op en
de hongerige zieken ontwaakten uit hunnen onrustigen slaap
en vroegen wat er gaande was.
„Wel, buurman, ziet gij het wel," riep men elkander toe,
„hij blijft trouw in zijnen hoek, hé?"
„Ja, ja, hij staat daar stevig, man!"
„En hebt gij het schieten gehoord, zeg!"
„Alsjeblief! De glazen dreunden ervan!"
Den ganschen dag en ook den volgenden verkeerde men
in eene hevige spanning. Zeven duiven waren er al gekomen.
Het water werd gedurig hooger en hooger opgevoerd! De
schansen der Spanjaarden lagen, als kleine eilanden, midden
in het water! De wind bleef noordwest; maar, — brood was
er nog niet, en voor en na stierf de een na den ander den
hongerdood. Toch kwamen de verlossers al nader en nader;
maar,___ de Spanjaard bleef nog steeds op zijne eilandjes.
„Dat zal nog een harde dobber zijn, Van Keulen," zeide
Van Schaeck, en hij wees op den vijand, maar hoofdzakelijk
op de schans Lammen.
„Ja, langs dezen kant zullen ze toch moeten komen;
daar zit niets anders op," was het antwoord.
„En wie weet hoe lang het nog aanloopt! We zijn veel te
vroeg verblijd geweest! Als de wind nog eens keerde, dan —"
„Eene duif, eene duif!" riep men van verscheidene kanten.
„Bracht dat beest ons maar te eten, dan riep ik ook mee:
eene duif!" zeide Van Schaeck op ontevreden toon.
-ocr page 223-
208                              WATERGEUZEN EK SPANJAARDEN.
„Wel, Schaeck, Schaeck, wat zijt ge bar, man! Ik geef
den moed niet verloren," sprak Van Keulen bemoedigend,
en begaf zich op weg om te vernemen, welke tijdingen de
briefdrager weer gebracht had. "Wij zullen later vernemen
welke berichten dat waren. Eerst maken we nog eens een
uitstapje buiten de stad om te zien, wat daar voorvalt.
EENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Watergeuzan en Spanjaarden.
Na het innemen van Zoetermeer en het bezetten en door-
steken van den heerweg naar Benthuizen, was van Boisot
nog altijd werkeloos op Noord-Aasche meertje blijven liggen
en, wat hij ook beproeven mocht, niets baatte; want de
ondiepte van het onder water gezette land, belette hem
verder te trekken.
"Wat echter in den nacht van den achtentwintigsten van
Herfstmaand den belegerden vreugd veroorzaakt had, werd
ook op de vloot waargenomen, en terstond was van Boisot
er op bedacht, de noodige maatregelen te nemen.
Hij liet andermaal de Kapiteins bij zich aanboord komen
en toen ze allen verschenen waren, zei hij : „Eindelijk heeft
het Gode behaagd, dat de wind keeren zou. Thans willen
we het woord houden, dat we dien Leidschen jongen mee-
gaven: „Als God wil: de vrijbuiter is iederen dag gereeed!"
"Wij hebben beproefd, wat we konden, en vriend De Moor
had, omdat alle vaarten voorbij de stad liepen, zelfs al het plan
gevormd om een kanaal te laten graven, teneinde zoo in Leiden
te komen. Dat zal echter nu niet noodig zijn, tenminste,
als mijn vermoeden bewaarheid wórdt, dat de storm, die
thans opgestoken is, vanavond of morgenochtend naar het
zuid-westen loopt; want dan zullen we volop water krijgen.
-ocr page 224-
WATERGEUZEN EN SPANJAARDEN.                              209
Nu is mijn plan aldus:
„Ik zal met vijfentwintig galeien trachten Zoeterwoude,
waar de hoofdmacht der Spanjaarden ligt, te bereiken. De
overige galeien moeten onder bevel van den Vice-Admiraal
zich naar het huis Zwieten wenden. Gij, Heer van Assaliers,
blijft hier, als Commissaris-Generaal der artillerie, met het
geschut en den levensvoorraad achter, en blijft daar tot
wij meester zijn van den Kerkweg. Zoodra dit het geval
is, dan volgt gij ons, en jaagt met uw geschut den Span-
jaard uit de schansen te Zoeterwoude. Zoo een van de
Heeren iets beters weet, dat hij dan spreke!"
Niemand had echter iets tegen het plan van den Admiraal
in te brengen, en weldra bevond ieder zich aanboord zijner
galei, om de ontvangen orders ten uitvoer te brengen.
Gelukkig werd ook het algemeene vermoeden der Water-
geuzen bewaarheid, en liep de wind, die nog altijd hevig
was, naar het zuid-westen.
De Spanjaarden hadden echter wel bemerkt, op welke
plaats de aanval der vrijbuiters het ernstigste zou gemeend
zijn, en hadden daarom in de nabijheid van den Kerkweg
zich sterk verschanst.
Tusschen Vrijdag en Zaterdag van den eersten en tweeden
October stelde de vloot zich in beweging. Vooraan bevond
zich het troepje, dat Cornelis wakker gemaakt had, toen
hy, moede en afgemat onder den knotwilg lag te slapen.
Het vorderde wel langzaam, maar toch ging het vooruit.
„Wie daar?" klonk het van den Kerkweg.
Geen antwoord.
„Wie daar?" riep nog eenmaal een der wachthebbende
Spanjaarden.
Z\\j, die naderden, bleven, op gegeven bevel, in hun stil-
zwijgen volharden.
„Wie daar?" schreeuwde de Spanjaard ten derden male.
„Vuur!" kommandeerde de Hopman der vrijbuiters, en
thans kregen de Spanjaarden zulk een gevoelig antwoord,
DE SCHIPPERS JONGEN.                                                                                                      11
-ocr page 225-
210
WATERGEUZEN EN SPANJAARDEN.
dat zij, na eenen korten tijd weerstand geboden te hebben,
met achterlating van eenige hunner schuiten, ijlings op de
vlucht gingen.
„Eenoog, kijk ze eens loopen! Kijk ze eens beenen maken,"
riep de man zonder ooren.
„Denkt gij dan, dat ik het niet zie? Ha, ik zal ze die
pil van Zoetermeer betaald zetten? Ha-ha! Wat dachten
ze wel, dat ze mij zoo maar met éénen musketkogel eens
voor altijd genoeg konden geven?"
„Ja maar, die kogel heeft je toch overdwars in je maag
gezeten," zeide weer een ander.
„Bah, wat zou dat! In mijn been, ja! Maar nu die
Zoetermeersche kattenvilder van eenen dorpsbarbier, dat
ding er zoo netjes uitgehaald heeft, nu ben ik het ventje
weer! En ze zullen het weten ook!"
„Vooruit, mannen, vooruit! Bestormt de Spaansche wach-
ten! Het is nu geen th\'d om over koetjes en kalfjes te
babbelen," riep de Hopman.
„Die man is zeker terstond na zijne geboorte met zijnen
neus in eenen hoop brandnetels gevallen, dat hij zoo warm
gebakerd is," zeide Eenoog tot zy\'ne makkers.
„Kom, kom, geene praatjes, kerel! Vooruit!" beval de
Hopman nog eenmaal.
„Nu ja, verslik-je niet, man, verslik-je niet! Vooruit, mannen,
dat zei de jongen ook, en hij reed met twee oude bakkers
aan een touwtje over den havendijk," spotte Eenoog weer.
Andermaal hielden de Spanjaarden wakker stand, doch
het schrootvuur der Zeeuwen dunde hunne gelederen zoo-
danig, dat ze eindelijk den Kerkweg prijs gaven.
Aanstonds begonnen de vrybuiters op den veroverden
weg twee schansen op te werpen, en toen dit gedaan was,
stak men drie gaten in den weg en hielp de galeien er
door. Van Assaliers met de artillerie en den leeftocht volgde.
Thans roeide van Boisot naar de Meerbrug, doch hh\'
vond zich hier zeer teleurgesteld, daar het water op verre -
-ocr page 226-
WATERGEUZEN EN SPANJAARDEN.                             211
na niet diep genoeg was, om er over heen te komen.
„ Wat ? Nog geen water genoeg?" riep Eenoog. „Toe jongens,
laten wij den Admiraal onze kunsten eens toonen! De
boot uit!"
„En het water in?" vroeg de man met het houten been.
„Neen, de modder in, kameraad," riep Eenoog, hartelijk
lachend.
„En dan?"
„Dan zult gij zien, wat er komt, zei Jansje van Cadsand
en ze zette de kousen op haar hoofd en deed eene keuvel
aan hare voeten!"
„Och, loop, met die malle praat! Zeg wat gij van plan
zijt, of we blijven er allemaal in," sprak Zonderooren.
„Begrijpt gij mij dan geen van allen, kerels? Wij zullen
de boot op onze schouders leggen, en in de Meerbrugschen
polder dragen!"
De anderen volgden dit voorbeeld en met het aanbreken
van den morgen, lagen de schuiten, galeien en booten op
de genoemde plaats.
Zoodra de Spanjaarden dit zagen, begonnen ze bevreesd
te worden, en ziende, dat de vrybuiters hunnen koers niet
naar de stad richtten, maar wel naar de Vrouwenbrug en
het Papenmeer, vermoedden ze niets anders, dan dat hun
plan was, Zoeterwoude te bezetten en in te sluiten.
Valdez liet de diepte van het water peilen en daar er
bevonden werd, dat het in den afgeloopen nacht meer dan
eenen voet gerezen was, ging hij, den vrijbuiters eenen rijken
buit achterlatende, op de vlucht naar Voorschoten.
Het was wel wat laat toen van Boisot hiervan kennis
kreeg, doch de Zeeuwen meenden, dat er nog wel wat
klappen te deelen zouden vallen, vooral, nu Valdez door
Hopman Don Alonzo Lopez Gallio met zeven vendels mus-
ketiers gevolgd werd.
„Vooruit, mannen, vooruit!" schreeuwde Eenoog op zijne
beurt. „Toe maar! Trekt de riemen aan stukken! Zie-je
-ocr page 227-
212                          WATERGEUZEN EN SPANJAARDEN.
de lui daar met dien mooien man voorop naar de Vrou-
wenbrug loopen? Dat hoopje is voor onze rekening! Halloh,
frisch op! Vooruit! Vooruit! Ze zullen er van lusten!"
De kleine afdeeling Spanjaarden was spoedig ingehaald.
„Staat dan, mannen!" riep de dappere Hopman Don
Petrus Ciaccone zijnen moedeloozen en dralenden soldaten
toe, zoodra dezen op de vlucht begonnen te slaan. „Wat
draaft ge, als bezetenen, voor zulk een hoopje rabauwen
en zeeschuimers?
De Spanjaarden stonden stil en de vrijbuiters legden de
riemen binnenboord.
„Let wel, dien snuiter van eenen bonten vogelverschrikker
neem ik voor mijne rekening," schreeuwde Eenoog op den
Hopman wijzende, en eer deze er nog op verdacht was,
had Eenoog hem met eenen haak in de kleederen geslagen
en trok hem omver.
Eenoog dacht, dat hij dien „snuiter" zoo maar in eens
zijne bekomst gegeven had, en viel met zijne makkers op de
anderen aan, die in het water een goed heenkomen zochten.
In een oogwenk waren de vrijbuiters de boot uit en joegen
den vijand na.
Daar stond Don Ciaccone op, en eene bijl, die bij zijne
voeten lag, opnemende, viel hij met het geroep van: „Dood
aan de rebellen!" de vrijbuiters in den rug.
Eenoog lag in een oogenblik met eene diepe wonde in
het hoofd op den modderigen bodem te zieltogen.
„Dood aan de rebellen!" riep Ciaccone andermaal, en
thans gold zijnen slag den man zonder ooren, die dood op
den grond tuimelde.
Weer hief hij het geduchte wapen op; het daalde neer,
en met eenen akeligen gil stortte de vrijbuiter, met de
brandvlekken op het aangezicht, ter neder.
De anderen werden door zijne manschappen, die hem
trouw gebleven waren, afgemaakt en Don Ciaccone hier
geenen vijand meer te bestrijden hebbende, sprong met de
-ocr page 228-
WATERGEUZEN EN SPANJAARDEN.                               213
mannen van zijn vendel in de volgeladen boot der gesneu-
velde vrijbuiters en bracht haar triomfantelijk bij zijnen
laffen Bevelhebber, Don Alonzo Lopez Gallio.
Op andere punten waren de Spanjaarden overal geslagen
en, hunne wapenen wegwerpende, waren ze door Stomp-
wijk gevlucht naar den Leidschendam en Voorburg.
Door deze nederlaag werden zij, die in de schansen Lei-
derdorp en Lammen achtergebleven waren, zeer in het
nauw gebracht. Doch hunne Bevelhebbers waren nog man-
nen uit het Leger van den Hertog van Al va, en besloten
tot eene hardnekkige verdediging.
Van Boisot zag ook in, dat men wel dicht bij Leiden,
maar nog niet in Leiden was, en dat er misschien nog heel
wat tijd verloopen moest, eer zulks gebeurde.
Wat zou hij doen?
De schans stormenderhand innemen?
Maar, dat zou veel volks kosten, en hij had het niet te
missen; want het geheele Staatsche leger bestond uit niet
veel meer dan vijfentwintighonderd man.
Weer werd er scheepsraad belegd en iedereen trachtte
in dit geval eenen goeden raad te geven.
Eindelijk stond Cret op en zeide: „Mijne Heeren! Van
mijne galei af kan ik de hongerige burgers van Leiden op
de wallen zien staan. Hunkerend en watertandend staren
ze ons aan! Zullen we die arme luiden nog langer doen
wachten, omdat ieder onzer zijn leven lief heeft? Dat mag
immers niet, en zulk eene gedachte is den vrijbuiter ook
onwaardig! Neen, mannen, er is maar één aangewezen weg!
En die weg is: de bestorming van Lammen! Ik geef met
vreugde mijn leven voor het uitgehongerde Leiden! Heer
Admiraal, hier ben ik, wat beveelt ge mij ?"
„Neen, Cret, gij zult niet alleen gaan! Wij volgen u en
blijven niet, als lafaards, achter! Lammen zal bestormd
worden," zeide De Moor. „Wij allen gaan met u, niet één
blijft achter!"
-ocr page 229-
214                              WATERGEUZEN EN SPANJAARDEN.
„Mijne Heeren," antwoordde hierop van Boisot, „ge voor-
komt mijnen wensen; want ook ik geloof, dat geen andere
weg ons aangewezen is, dan de schans te bestormen! Ik zal
echter trachten, zooveel mogelijk, onze macht te versterken.
Wij hebben nog ééne duif aanboord, en die zal ik naar de
belegerden sturen met het bericht, dat we morgen ochtend
de schans zullen bestormen. Waar de hongerige om spijze
vecht, daar is zijn strijd een verschrikkelijke. De Spanjaard
zelf vreesde dien strijd voor Haarlem, en daarom zal ik
den Leidenaars verzoeken, dat zij, als wij de bestorming
aanvangen, eenen hevigen uitval moeten doen, dan heeft
de Spanjaard den vijand van alle kanten. Ik twijfel niet,
of gij zult dit goed vinden! Ikzelf zal morgen ochtend het
sein tot den aanval geven! Ieder uwer ga thans naar zijne
galei! Hoede U God in den strijd van morgen! Onze veld-
kreet zal zijn: „Leiden!" Gaat nu, mijne Heeren, en, weest
Gode aanbevolen!"
De een na den ander drukte den moedigen van Boisot
de hand en ging heen.
Toen allen vertrokken waren, zette de Admiraal zich
aan het schrijven. De duif werd binnengebracht en een
oogenblik later steeg de vogel, met het kostelijke bericht
beladen, in de hoogte.
„Houdt goede wacht, mannen," zeide van Boisot tot
zijne schepelingen, „en bij het minste onraad, dat ge ver-
moedt, wekt ge mij! Ik ga wat slapen! Het was een ver-
moeiende dag vandaag!"
De Admiraal ging hierop in zijne kleine hut en weldra was
alles op de vloot in rust. Slechts het kabbelende water tegen
het scheepsboord verbrak de stilte van den helderen nacht.
Het uur van middernacht was reeds geslagen en in het
Spaansche legerkamp te Leiderdorp was ook alles in rust.
Slechts de eentonige voetstap van den schildwacht voor
-ocr page 230-
WATERGEUZEN EN SPANJAARDEN.                              215
de herberg waarin thans Valdez vertoefde, klonk vervelend
door de stilte heen.
In eene binnenkamer van die herberg brandde echter nog
licht, en zat een man, in sierlijk huisgewaad gekleed, voor
eene eenvoudige tafel, waarop een plan van het bezettings-
leger om Leiden lag uitgespreid.
„Zou ik waarlijk het beleg moeten opheffen? Maar dat
zou toch schande zijn! Hadde ik de stad maar bestormd
toen het mijn voornemen was, dan zou Leiden reeds lang
in mijn bezit zijn geweest! En nu! Wat zal Requesens
zeggen? Wat zal de geschiedschrijver van mij boeken?
Maar het is te laat, ik kan. . . ."
Daar werd op de deur getikt.
„Binnen!" riep Valdez.
De deur ging open en Don Marion trad binnen met eene
duif in de eene en een briefke in de andere hand.
„Wat is er, Marion?" vroeg Valdez.
„Senor, deze duif is te Lammen door eenen schildwacht
in den vleugel geschoten en toen ze nederkwam, vond men
dit briefke in hare pooten.
„Geef hier!" beval de Bevelhebber barsch, en Marion
reikte het over.
Het was het gewichtige briefje van den Zeeuwschen Admi-
raal, waarin hij den Leidenaars kennis gaf van hetgene hij
den volgenden dag doen zou.
Het was mogelijk wel een half uur geleden, sinds Valdez
het kleine stukske perkament gelezen en nedergelegd had,
en nog altijd stond Don Marion in eene eerbiedige houding
voor de tafel, terwijl Valdez, met de handen onder het
hoofd, zich over het plan der belegering gebogen had.
Het was hem blijkbaar aan te zien, dat er strijd in zijn
binnenste heerschte.
Eindehjk hief hij het hoofd op en den Onder-bevelhebber
ziende staan, zeide hij: „Zijt gij daar nog, Marion?"
„Jawel, Senor!"
-ocr page 231-
216                              WATERGEUZEN EN SPANJAARDEN.
„Wacht dan nog even, dan zal ik u een bevel medegeven aan
Kolonel Borgia, die zooals ge weet, op Lammen bevel voert!"
Het briefje was gauw geschreven en bevatte slechts deze
woorden:
„De vrijbuiters zullen morgen Lammen bestormen! Spaar
de soldaten en zoek met hen onmiddellijk een goed heenkomen.
Valdez."
Marion nam het bevelschrift aan en verwijderde zich.
Weer was Valdez alleen en, in zwaarmoedige gedachten
verzonken, schreef hij met de pen, die hij nog altijd in
de hand hield, onder het plan der belegering in gebrekkig Latijn:
Vale Civitas, valete Castelli parvi, qui relicti estis propter
aquam, et non per vim inimicorum,"
dat zeggen wil: „Vaar-
teel stad.\' Vaart wel, kleine schansen, die verlaten zvjt om het
icater en niet door de macht der vijanden."
„Marsch, ellendig blad," zei hij eensklaps en frommelde
de kaart tot eenen bal, dien hij in eenen hoek van het
vertrek smeet, en opstaande liep hij naar de deur en riep:
„Alonzo!"
Zijn dienaar verscheen aan de deur.
„Zadel mijn paard," gebood Valdez.
Alonzo verwijderde zich en een half uur later hoorde
men den hoefslag van een paard op den eenzamen weg.
De ruiter, die het bereed, was Valdez, die Kolonel Don
Borgia het bevel achterliet hem met al het volk naar
Utrecht te volgen.
Dat lieten de Spanjaarden zich geen tweemaal zeggen, en
weldra waren ze op weg, om oproer te maken en Valdez
te knevelen. De muitelingen beschuldigden hem, dat hij
door de Leidenaars met geld was omgekocht, en daar de
nieuwe Landvoogd Requesens, door geldgebrek genoodzaakt
was, hunne soldij onbetaald te laten, zoo meenden ze by
Valdez te vinden en te rooven, wat ze van den Koning
met recht konden eischen.
-ocr page 232-
overwonnen!                                       217
Toen later echter de onschuld van Valdez bewezen was,
lieten zij hem vrij. Maar werd hij vrij gesproken van de
beschuldiging met de Leidenaars geheuld te hebben, zijn
naam als krijgskundige had hij bij vriend en vijand verlo-
ren. Door zijne vreemde handelwijze was Leiden voor goed
voor Koning Filips verloren.
Meer dan dat. Het langdurige beleg, dat de Leidenaars
zoo roemrijk doorstaan hadden, was, althans voor het
oogenblik, het behoud van Holland.
Leven we nu nog binnen Leiden de laatste uren van het
beleg mede.
TWEEËNTWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Overwonnen!
„Vader, Moeder, hoort eens! Zoeterwoude is door de
Watergeuzen in brand gestoken en, als ik het wel gehoord
heb, dan zijn de Spanjaarden daar op de vlucht gegaan. Nu
zal er spoedig een einde aan onze ellende komen!"
Met dit bericht, dat eene duif gebracht had, kwam Cornelis
des Zaterdags binnenstuiven.
„Dan ga ik op de wallen kijken," zeide Van Keulen.
„Daar moet ik het mijne van hebben!"
Weldra waren Van Keulen en Cornelis op straat.
„Van Keulen! Van Keulen!" klonk het achter hen.
Barend en Cornelis keken om, en daar kwam Van der
Morsch met de banier van zijne rederijkerskamer aanzeulen.
„Wat gaat ge doen, Morsch?" vroeg Barend.
„Wat ik ga doen? Wel, onze banier op de wallen plan-
ten. Wie maar eene vlag in huis heeft, doe als ik," was
het antwoord.
„Gauw, Cornelis, loop naar huis en haal de nieuwe vlag,
die ik kort voor het beleg voor onze schuit heb laten
-ocr page 233-
OVEEWONNEN!
218
maken, en breng eenen stevigen stok mee," zeide Barend.
„Ik zal den verrejager medebrengen, Vader, dan kan de
Spanjool dat ding nog eens goed bekijken, eer hij aan den
haal gaat!"
„Dat is goed, jongen, doe dat!"
Vlugger dan anders het geval was, gingen de twee vrien-
den te zamen naar den wal, en achterhaalden Van Schaeck,
die uit gebrek aan eene vlag, een beddelaken had genomen
en daar met zwarte verf twee gekruiste sleutels op ge-
klad had.
„Ieder vogeltje zingt, zooals het gebekt is, Morsch." sprak
Van Schaeck toen hij zag, dat de rederijker om zijn vreemd
vaandel begon te glimlachen.
Dat was een leven en een gejoel op de wallen, zooals
er in tijden niet geweest was! De magerste aangezichten
en de ziekelijkste trekken werden door het lachje der hoop,
dat zich om iederen mondhoek genesteld had, nog vriendelijk
en vroolijk gemaakt.
Met zwak gejuich werd iedere nieuwe vlag geplant en
daarna bekeken.
Die van Van Schaeck klapperde en wapperde vroohjk
door de lucht en had vast wel het meeste bekijks.
Maar eensklaps werd het gejuich luider aangeheven.
Ziet, daar klimt Cornelis met de mooie vlag van zjjnen
Pleegvader tegen eene der roeden van den nabijstaanden
molen op.
Het kost moeite boven te komen. De jongen is er door
het honger- en gebreklijden, niet sterker op geworden en
de vracht is tamelijk zwaar; want de verrejager moet
ook mede naar boven.
Eindelijk is hij op den top geklommen.
Met veel moeite sjort hij den verrejager aan de molen-
roede vast, draait hem in het rond, en... . de mooie,
nieuwe vlag van den Utrechtschen veerschipper klappert
hoog in de lucht.
-ocr page 234-
OVERWONNEN !
219
„Gij zijt nog heel wat mans, Cornelis!" sprak Van der
Morsch. „Als ik gegeten heb, zal ik een mooi gedicht op u
maken!"
„Wel ja," zeide Cornelis, „als we zoo laag bh\' den grond
bleven, dan zou de Spanjool nog wel gaan denken, dat we niet
meer klimmen konden. Dat kan hij dan nu toch beter zien!"
Langzamerhand werden de wallen ontvolkt, doch de vlag-
gen bleven wapperen.
„Komt ge mede, Cornelis?" zeide Gonda, die ook eens
was komen kijken.
„Ja, Gon! Mooi, nietwaar?" antwoordde Cornelis op de
vlag van zijnen Pleegvader wijzende.
„Ja, het is mooi, Kees! Och, mocht die goede Gerrit dat
ook nog eens beleefd hebben, dan zou hij zijne vlag wel
op dien anderen molen hebben gestoken," zeide Gonda en
een paar heete tranen rolden langs hare wangen.
„Ge moet nu niet gaan schreien, Gon! Leeuwke is dood
en hij wordt niet levend, al huilt ge een jaar lang! Toe-
wees maar vroolijk! Ge zult het goed bij ons hebben, en
de eerste maal, dat ik uit Utrecht met ons beurtschip terug-
kom, breng ik u van mijne spaarduiten eenen mooien man.
tel meê met eene huik er op, zoo mooi, als die van Burge-
meesters Anna!"
„Och, Cornelis, ik weet wel, dat gij het goed met mij
meent. Mijne Pleegouders houden ook veel van me; maar
Gerrit, ziet ge, Gerrit
„Nu, Gerrit, wat is er van?"
„Ik hield zooveel van hem, omdat hij zooveel van Moeder
en van ons allen hield. Hij was zoo goed, zoo flink!"
„Ja, dat was hij! Maar gij moet er grootsch op wezen,
dat hij, en nog zóó jong, voor het Vaderland en Leiden
gestorven is!"
„Neen, Cornelis, daarop kan ik niet grootsch zijn. Ik
hield veel te veel van hem," hernam Gonda en liet opnieuw
aan hare tranen den vrijen loop. .
-ocr page 235-
220                                           OVEKWONNEN !
Cornelis had op zijne manier willen troosten, doch het
was hem slecht van de hand gegaan en daarom verzon hij
wat anders en zei: „Maar, ik heb er toch ook eene heel
vracht Spanjolen voor doodgeschoten, hé? En misschien
nog veel meer laten verdrinken!"
„Brengen die dooden Gerrit. dan terug, Cornelis?"
„Neen, maar.... maar.... Kunt ge nu alleen naar
huis gaan, Gon, dan ga ik eens luisteren, wat er afgelezen
wordt, want ik hoor de stadhuisklok kleppen," zeide Cor-
nelis, die niet meer wist, wat hij zeggen moest.
„Ja, ga maar," was het antwoord.
„Die meid doet ook zulke rare vragen," bromde hij bij
zichzelven, en vervolgde intusschen zijnen weg.
„Is er al wat afgelezen, Vader?" vroeg Cornelis.
„Neen, jongen, nog niet! Maar stil, daar komt Van Hout!"
Het kleppen der klok hield op en Van Hout kondigde het
volgende af:
„Vrome en goede burgers van Leiden! De Magistraat en
de Bevelhebber van Der Does maken bekend:
Ten eerste, dat alle vrouwen, jongens en meisjes, en alle
mannen, die onbekwaam zijn om de wapenen te dragen
niet op de stadswallen mogen komen, en dat al de anderen,
die een hals- en zijdgeweer dragen, op hun hoefslag moe-
ten zijn, of op die plaatsen, waar de Overheid zulks ver-
ordineert.
Ten tweede, dat alle degenen, die den voorleden nacht
gewaakt hebben, dezen nacht weer de wacht moeten betrekken.
Ten derde, dat alle degenen, die de wacht hebben, niet
van de wallen mogen gaan, tenzij zulks door de Overheden
mocht verordineerd worden.
Ten vierde, dat al de schippers en schuitenvoerders zorgen
moeten, dat hunne schepen, schuiten, schouwen en tentsneb-
ben, uit het midden der grachten naar de kanten gebracht
worden, opdat de inkomenden met hunne schepen, schuiten,
schouwen, tentsnebben, galeien en kromstevens den vrijen
-ocr page 236-
OVERWONNEN !
221
doortocht hebben mogen, en de burgerij hen in alles vrije-
lijk kunne helpen!"
Zoodra dit afgekondigd was, verspreidde de menigte zich
in de stad om thans weer zonder pruttelen de bevelen der
Regeering ten uitvoer te brengen.
Dat was overal eene drukte en beweging van belang;
want de hoop gaf krachten.
De avond was reeds gevallen, doch Leiden, dat in ver-
scheidene weken, gedurende den nacht, geene beweging op
straat vernomen had, waakte nu voor een groot gedeelte.
Men kon zoo zien, dat er iets bijzonders stond te gebeu-
ren. Overal werd gefluisterd, gesnapt en gepraat.
Op de wallen was het echter niet woeliger dan gewoon-
lijk; want de schildwachten, die daar den vorigen nacht
ook al gestaan hadden, waren bij den grooten honger, die
hen kwelde, ook afgemat en wakens-moede.
Het was niet erg donker, want nu en dan viel het licht
der maan tusschendoor de wolken.
Tusschen de Hoogewoerds- en Koepoort stond Cornelis
op zyn roer geleund en tuurde onafgebroken in ééne rich-
ting, terwijl hij binnensmonds prevelde: „Jawel, daar is nu
dat nare Lammen nog! Wie weet hoeveel dagen wij er
nog met eene ledige maag en slappe knieën op kijken moe-
ten! Ben ik nu al niet bijna als een oud manneke, krom
van de jicht en zwak als een kind? Hm, hm, dat Lid van
den Magistraat had vanmiddag mooi zeggen: „Mannen, daar
achter die Schans ligt brood! Zullen we het daar laten
liggen en hier van den honger sterven, of zullen we eerst
den Spanjool wegpoetsen en dan eten gaan halen?" Gaan
halen, dat zou zeker die Gillis Jonkert doen, die dadelijk
begon te vertellen, dat hij geresolveerd was om te gaan!
Wel zeker! die Gillis Jonkert met zijne stijve kuiten zou
den Spanjool wegpoetsen! Ze loopen nog al gauw ook, die
heeren Spanjaarden! Maar wacht, daar gaat er een met
een lichtje uit Lammen! Wat zou die moeten gaan zoeken ?
-ocr page 237-
OVERWONNEN!
222
Het is toch nu geen weer om zonder lantaarn den weg
niet te kunnen vinden!"
„Wat bromt gij daar in u zelven?" vroeg op eens eene
stem achter hem. Cornelis keek om en herkende Jonker
van der Does, die de ronde deed.
„Ik praat met me-zelven, Edele Heer, over het gekke
van den Spanjool om in den maneschijn met eene brandende
lantaarn te loopen!"
„Doen ze dat dan?"
„Jawel, Edele Heer! Zoo even zag ik het! Kijk, kijk,
daar gaat er weer een!"
„Och kom, jongen! Ge zijt immers Cornelis Joppensz.,
de pleegzoon van schipper Van Keulen?"
„Jawel, Edele Heer!"
„Nu, dan geloof ik, dat ge ditmaal droomt! De wacht
uitroepen, als er onraad is, hoor! Ik vertrouw de stilte daar
ginds niet!"
Van der Does ging heen.
Al had zijn Bevelhebber hem nu ook al stellig gezegd,
dat hij droomde, toch bleef Cornelis\' blik maar op die don-
kere hoogte, een kwartier uur afstands van de wallen ge-
legen, gevestigd.
„Mishebben en droomen! Kijk, daar gaat er weer een,
nog een, nog een! Wel zes te gelijk! Als dat nu droomen
is, dan weet ik het niet! Keesje, Keesje, — öf de Span-
jaarden krijgen het op Lammen te benauwd en gaan naar
Leiderdorp, öf ze trekken met stille trom af; want ik zie
nu wel, dat het geene lantaarntjes zijn! Het zijn de bran-
dende lonten der musketiers! Kijk maar, af en aan komen
er telkens nieuwe troepjes en niet een komt weerom!"
Eindelijk werd Cornelis afgelost en mocht hij het wacht-
huis binnengaan. Hij had natuurlijk aan zijnen plaatsver-
vanger gezegd, wat hij wel een uur lang gezien had, doch
daar er op het oogenblik der aflossing niets meer van dat
alles te ontdekken was, geloofde men hem niet.
-ocr page 238-
OVERWONNEN !
223
Des morgens vroeg reeds kwamen enkelen op de wallen
om te zien of er niets bijzonders gebeurd was, en aan ieder
vertelde Comelis het geval met de lichtjes, die hij voor
lonten hield.
Zij, die dat gehoord hadden, repten zich om het in de
stad ruchtbaar te maken en weldra was de wal vol nieuws-
gierigen.
„Waar is de jongen, die dat verteld heeft?" vroeg een
rijke goudsmid.
„Ja, waar is de jonge borst, die al dat moois weet uit
te kramen?" schreeuwde een lange magere kuiper.
„De booze is in zijn harte gevaren en heeft hem leugenen
te spreken gegeven," zeide de Deken van het smidsgilde.
„Ik zeg u, en denk aan mijne woorden, die ik op Zondag,
den zesden van Zomermaand, sprak: Alles wat de Leidenaars
voortaan ondernemen, zal verkeerd uitloopen!"
„Cornelis, ge wordt gezocht!" riep Van Schaeck.
„Heidaar, wie roept me?" gaf Cornelis ten antwoord.
„Ik, Keesje, ik, Gysbert Cornelisz. Van Schaeck! Ik zeg,
dat ze je zoeken!"
„Wie zoekt me dan?" liet Cornelis zich andermaal hooren.
„Ik, jonge borst!" zeide de goudsmid.
„Wat belieft u, Meester?" vroeg de knaap.
„Vertel ons wat ge vannacht meent gezien te hebben!"
Cornelis voldeed aan het verzoek en toen hij had uitge-
sproken, zei de goudsmid: „Ik geef je zes gulden, manneke,
als je naar Lammen durft gaan en daar kijken of de Span-
jool weg is!"
„Top, dat doe ik, Meester, dat doe ik! Zeg maar aan Vader
waar ik heen ben, dan laat ik er geen gras onder groeien!"
„Wacht wat, manneke," zeide een. „Als nu de Spanjool
er nog eens in is, en gij komt daar aan, wat zult ge dan
zeggen?"
„Wel, dan zeg ik, dat ik van den honger de stad uitge-
loopen ben."
-ocr page 239-
224                                                  OVERWONNEN !
„En als zij je dan ophangen?"
„Dat zullen ze niet doen; dat deden ze alleen spionnen;
maar wegloopers hebben ze nu al tweemaal naar de stad
teruggestuurd, dat weet ge wel!"
„Ga maar, hoor, ga maar," zeide de goudsmid. „Het is
u best toevertrouwd!"
„Maar, Meester, als ik nu toch eens niet terug kwam?
Die zes gulden ....?"
„Die zal ik dan aan uwen Pleegvader geven! Dat zeg ik,
dat alle luiden het hier hooren!"
„Best, Meester, best! Daar ga ik!"
In een oogenblik was Cornelis den muur af en op weg naai-
de Lammenschans.
Aller oogen volgden hem, tot ze hem achter de borst-
wering der schans zagen verdwijnen.
Met gespannen aandacht stonden allen te kijken.
„Daar is hij! Daar is hij," riep er een.
„Hij zwaait met den hoed," liet een tweede zich
hooren.
„Ik geloof, dat hij wat roept," merkte een derde aan, en
dit was werkelijk ook het geval; want, nadat hij eene poos
met zijne muts had staan zwaaien, zette hij ze weer op,
en de beide handen voor den mond houdende, schreeuwde
hij : „Ze-zijn-weg! Ze-zijn-weg!!"
„Wie weet of de Spanjool hem niet omgekocht heeft,"
sprak de goudsmid, „om zoodoende ons allemaal tegelijk in
het net te krijgen! Ik vertrouw dat spulletje niet!"
„Dan ga ik er toch op af," liet Willem Paulusz. Toren-
vliet hooren» en eenen verrejager halende, sprong hij ook
van den muur en wipte over de eene sloot na de andere.
Toen hij dicht bij de schans kwam, waar Cornelis nog
altijd stond te schreeuwen en met zijne muts te zwaaien,
hoorde hij zich door den knaap toeroepen: „Waarom komen
de luiden nu niet?"
„Ze denken, dat de Spanjool je omgekocht heeft en achter
-ocr page 240-
OVERWONNEN!                                            225
de borstwering verborgen is! Maar zeg, is er heusch geen
mensch in?"
„Geen mensch," antwoordde Cornelis. „Het is zooals ik van-
nacht al vermoed heb. Ze zijn met stille trom afgetrokken!"
„Dat moet ik zien," antwoordde Torenvliet en kwam de
schans binnen.
„Gij hebt gelijk," zeide hij terugkomende. „Nu ga ik naar
den Admiraal van Boisot om het hem te vertellen! Ga zelf naar
de stad terug en vertel ze, hoe gij het hier gevonden hebt!"
Torenvliet sprong al verder en verder en bereikte einde-
lijk de vloot.
„Lammen is verlaten, Heer Admiraal!" riep Torenvliet
andermaal.
„Wat zegt hij," vroeg van Boisot aan de zijnen, „dat
Lammen verlaten is?"
„Ja, Heer Admiraal!"
„Onmogelijk! Onmogelijk!" was van Boisot\'s antwoord.
Daar kwam de geluksbode aanboord.
„Heer Admiraal, ik verzeker u, dat het waar is! Op Lammen
is geene levende ziel overgebleven! Kom gerust verder; want,
we wachten u met nijpend ongeduld," zeide Torenvliet.
„Lammen verlaten! Goddank! Mannen op, aan het werk!
Twee galeien moeten al vast vooruit! Wij zullen met de
andere schepen onmiddellijk volgen; want, als het eens niet
waar was, dan was misschien alles verloren! Ik kan het
niet gelooven! Hier Gijs, breng dien man in de kombuis, en
geef hem wat te eten; maar niet te veel, hoor! Zijne maag
is het voedsel ontwend, en te veel opeens zou zijn leven
kunnen kosten. En gij, jongens! Op, op! Niet gesammeld!
Gij hebt het gehoord, we worden met nijpend ongeduld ver-
wacht. "Vooruit! Vooruit!"
Zoodra Torenvliet op weg naar de vloot ging, wilde Cor-
nelis ook naar de stad terugkeeren; maar toen hij hiertoe
gereed stond, zag hij, dat er nog eenige anderen naar de
schans kwamen en daarom besloot hij te blijven.
DE SCHIPPERSJOXGEN.                                                                                                     15
-ocr page 241-
22G                                           OVERWONNEN!
Het was Hopman van der Laan met zijne vrijbuiters, waar-
onder Van Keulen. Van der Morsen en Van Schaeck ook waren.
„Cornelis! Cornelis! We komen, jongen, we komen," riep
Van Keulen al uit de verte.
„Met ledige magen en natte kuiten, Cornelis," spotte
Van der Morsch, die zijne oude vroolijkheid scheen terug-
gekregen te hebben.
Daar stapten ze de schans binnen en de een ging hiel-
en de ander daar.
„Ho, ho, ho! Hier, mannen, hier! Komt dan toch! Hui,
mannen, hui!" schreeuwde Van Schaeck en kwam met
eenen ijzeren pot aan.
„Wat hebt gij dan toch, malle brasem?" riep van der Laan.
„Hutspot, Heer Hopman, eenen ketel hutspot! Mensch,
mensch, wat is dat heerlijk!" en terwijl hij dit zeide, was
hij al bezig met zijn mes stukjes vleesch uit den pot te
halen en naar binnen te werken.
„Heidaar, Schaeckje, ik lust ook wel een brokske," riepen
de anderen en vielen op den pot aan, die weldra zoo ledig
was, alsof de knapste keukenmeid hem had schoongemaakt.
„Dien pot neem ik tot eene gedachtenis mede," zeide
Van Schaeck.
Daar steeg een nieuw gejuich op.
De twee galeien, die vooruit gezonden waren, kwamen
aan de schans en de Zeeuwsche vrijbuiters werden door de
Leidsche onder tranen en handdrukken verwelkomd.
De eerste honger was weldra gestild; want vooral op van
der Laans raad, gebruikte men het aangebrachte met mate.
De Aanvoerders der galeien gaven van Boisot het afge-
sproken sein, dat alles in orde was, en de geheele vloot
zette zich in beweging.
De wallen stonden vol mannen en vrouwen, kinderen en
grijsaards.
Zij, die elkander vroeger haast niet gekend hadden, vielen
snikkende elkaêr om den hals.
-ocr page 242-
-ocr page 243-
OVEKWONNEN!                                            227
Te acht uren in den morgen kwam de vloot binnen.
Men sprong van den kant af in het water en liep de sche-
pen te gemoet.
De Zeeuwsche vrijbuiters, zoowel als hunne Bevelhebbers,
kwamen handen te kort om brood en haring uit te reiken,
ja, sommigen wierpen het van de schuit, hun, die op den
kant stonden, maar in de handen.
„Leiden ontzet! Leiden ontzet! God zij geloofd!" juichte
er hier een.
„Leiden ontzet! Haring en brood! God zij geprezen!"
klonk het daar.
„Ha, brood, brood!" kreesch gindsch eene schorre stem,
terwijl de spijze niet gegeten, maar verslonden werd.
„Brood, brood!" hoorde men er weer een door de straten
roepen, terwijl hij zich naar huis spoedde om hem of haar, die
de woning niet kon verlaten, van den overvloed mede te deelen.
„Brood, brood! Leiden ontzet! God zij geloofd!" dat
bruiste, als een verward koor, langs plein en gracht, door
straat en steeg, van poort tot poort.
„Brood, brood! Leiden ontzet! Leve van Boisot! Leve
de Zeeuwsche vrijbuiters! Leve de Prins van Oranje!
Leve
—  Stil, wat is dat? Hoort! de klok luidt! —
—  Is er brand? —
—  Bom-bom; bom-bom! —
Het is de Zondag-kerkklok! Op mannen en vrouwen,
jongen en ouden, op, naar de kerk!
Nog nooit was de Sint-Pieter zóó vol geweest! De vaste
plaatsen werden vergeten; men was tevreden met het kleinste
plekje, als men God maar danken kon.
Daar beklom Petrus Cornelius den kansel!
Hij sprak, hoe God almachtig eene groote en wónder-
volle verlossing aan de benauwde stad geschonken had, dat
hij de vijanden had achterwaarts gekeerd en doen vallen en
vergaan voor Zijn aangezicht!
-ocr page 244-
228                                             OUDE KENNISSEN.
De Leeraar zweeg en de gemeente zong toen eenen psalm.
Maar, dat was geen zingen, dat die schare daar deed!
„Stil, stil, al was het dan ook niet mooi, — Hij, die het
verstaan moest, verstond het toch, tusschen de tranen en
de snikken in."
De kerk was uit; de tranen waren opgedroogd; overal
was vreugde, behalve hier en daar, waar een te gulzige
eter met den dood lag te worstelen.
Vrijbuiters en musketiers, poorters en dorpers, Hervorm-
den en Roomschen, aanzienlijken en geringen, rijken en
armen, alles liep in bont gewoel door elkander.
Nog dienzelfden dag kreeg Prins Willem, terwijl hij in de
kerk te Delft was, het bericht, dat Leiden ontzet was, en
des Maandags-avonds daaraan volgende, was hij reeds bin-
nen de bevrijde stad.
Nadat de Prins den Magistraat gewijzigd en de Leidenaars
tot loon voor hunnen heldenmoed de keus had gegeven
tusschen eene Hoogeschool of eenige jaren vrijdom van
belastingen, verliet hij de stad. De Leidenaars kozen de
Hoogeschool
Maar er werd meer gedaan! Van alle kanten werden liefde-
gaven gezonden, om de behoeftige Leidenaars tegen den
naderenden winter van het noodige te voorzien; want waar-
lijk, heel Nederland had gewichtige redenen om mede te
juichen: „Leiden ontzet! God zij geloofd!"
DRIEËNTWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Oude kennissen.
Het is de derde October van het jaar vijftienhonderd een-
entachtig, dus zeven jaar geleden, dat Leiden ontzet werd.
Weer heerscht overal vreugde en vroolijkheid.
Niet het minst is zulks het geval ten huize van Barend
-ocr page 245-
OUDE KENNISSEN.                                              220
Cornelisz. Van Keulen, die ter belooning zijner goede dien-
sten, door den Magistraat beloond werd met eene vaste
veerschippers-betrekking op Utrecht.
Zie, daar zit hij aan het boveneind van de tafel, waarop
de hutspot staat te dampen, en te wachten op den aanval
der hongerige gasten.
Hij ziet er welgedaan uit, en is in die zeven jaar niet
heel veel veranderd, evenmin als Gijsbert Cornelisz. Van
Schaeck, die vlak naast hem zit en druk met hem keuvelt
over de gebeurtenissen van den bangen zomer van \'vieren-
zeventig.
Tegenover Van Schaeck zit een oud man met lang, grijs
haar en eenen blos van gezondheid op de volle wangen.
Geestigheid en vriendelijkheid kijken hem de oogen uit,
vooral nu hij spreekt met eene flinke, blonde deerne, die
aan tafel zijne buurvrouw is, en die aan hare rechterzijde
een krachtig jonkman als bruidegom naast zich heeft.
„Cornelis, jongen, pas op, dat de oude rederijker u de
kaas niet van uwe • boterham haalt, en met de bruid weg-
loopt," zeide Jonker van der Does, die zich niet te voornaam
achtte, ook hier aan de vreugd deel te nemen.
„Och, Edele Heer, laat vriend Van der Morsch maar be-
gaan," antwoordde de kloeke jonkman, in wien ge onzen
Cornelis wel zult herkend hebben, lachend. „Ik gun den
ouden man zijn geluk!"
„Oude man," schertste Van Schaeck. „Weet ge wel, wat ge
daar zegt? Een rederijker wordt nooit oud, die blijft altijd
jong. Straks zal ik u dat rijmpje eens laten lezen, dat hij
gemaakt heeft op den pot, dien ik in Lammen vond! Het
is prachtig! Vriend Van der Morsch, ik zeg er u nogmaals
dank voor!"
„Dat zegt hij, omdat hij het nog niet heeft," antwoordde
Van der Morsch. „Maar wacht, ik zal het op staanden voet
maken!"
„Och, heb daar even geduld mee, Van der Morsch, tot
-ocr page 246-
230                                         OUDE KENNISSEN.
na den eten! De hutspot staat koud te worden op tafel,"
zeide Van Keulen, en hierop namen de gasten allen plaats.
„Aan alles komt een eind," zeide Torenvliet, na afloop
van het maal, „dat zei de jongen ook, en hij begon met
zijnen drinknap de zee leeg te scheppen! We zijn nu allen
verzadigd, en daarom ben ik er voor, dat Van der Morsch
ons zijn pot-liedeke geven zal!"
„Hier is het al, goede luiden," antwoordde de vroolijke,
oude man en las van een strookje papier, dat hij onder het
eten bekrabbeld had, het volgende voor:
„Doen Godes hand, dreef den Vijand
Bg nacht uit Lammen-schans,
Creegh Schaeek deez Pot, riep aan Boizot,
Gij moocht over Lammen thans!"
„En als ge me nu een pleizier wilt doen, Van Schaeek,
dan moet ge dat versken tot mijne gedachtenis zóó op den
pot laten zetten, dat het er niet uit kan!"
„Dat doe ik," riep Van Schaeek, „maar dan moet ge er
nog een maken, dat ik niet op den pot behoef te zetten!"
„Neem dan dit," zeide Van der Morsch. „Ik meende het
u eerst te geven, maar ik vond het minder mooi.
„Dun Prijs comt Godt, die door Boizot;
Leiden verlost heeft;
En Schaeek deez Pot, in Lammen tot
Teken met Cost geeft."
„Bijlo, ge zijt een rederijker van het bovenste plankske,
Van der Morsch," schertste van der Does.
Nog altijd was er drukte en vroolijkheid op straat; want
overal werd feest gevierd! De zon was reeds ondergegaan
en niemand dacht er nog aan, de feestvreugde te staken.
Maar, waar er ook vreugde was, nergens zeker meer dan
bij onzen vriend Van Keulen, en ook daar zou men voor-
eerst nog aan geen heengaan gedacht hebben; want de wijn,
dien van der Does op het dubbele feest aan zijne nederige
vrienden gegeven had, stemde allen tot vroolijkheid.
-ocr page 247-
231
OUDE KENNISSEN.
Eindelijk stond Jonker van der Does op en zeide: „Eer ik
heenga, wil ik u allen mijnen hartelijken dank brengen voor
het genoegen, dat ik in uw midden smaken mocht! Ik hoop,
dat ik u allen nog menigmaal zoo vroolijk bij elkander mag
zien en, dat het u allen welga! Éénen dronk wil ik echter nog
instellen! Daar straks heeft onze kloeke en vernuftige rede-
rijker, Van der Morsch, ons laten drinken op de gezondheid
en het welzijn van de bruid, de blonde Gonda! En we heb-
ben geklonken, dat de roemers rinkinkelden! Nu echter wijd
ik dezen boordevollen beker op het geluk van den nieuwen
vrachtschipper op Woubrugge! Leve Cornelis Joppensz.!"
„Leve de nieuwe vrachtschipper op Woubrugge," riepen
de anderen hunne bekers ledigende.
Cornelis was verrast; hij had den Magistraat wel om
dat veer gevraagd, doch op zijn verzoek was nog geen
antwoord gekomen.
„Beter laat dan nooit, Cornelis! Bedank den Heer van
der Does," fluisterde Gonda hem in het oor.
Cornelis deed dat en kort daarop was het feestmaal
geëindigd.
Een paar weken later had de nieuwe schipper zijne schuit
even aan den wal bij het Rhinenburgsche bierhuis vastge-
sjord, toen een man aankwam en zeide: „Ik vaar mee!
„Goed, man! Naar Leiden?" vroeg Cornelis.
„Neen, ik ga maar mee tot Leiderdorp. Maar ben-je niet
een nieuwe schipper?"
„Jawel, sedert veertien dagen! Vóór dien tijd was ik bij
schipper Van Keulen, die op Utrecht vaart!"
„Ben-je dan die jongen van de Lammen-schans, die ver-
leden getrouwd is en die dit veer gekregen heeft, om de
diensten aan de stad bewezen, staande het beleg?"
„Ik heb ten minste het veer gekregen en ik ben verleden
week getrouwd ook!"
„Zoo, ja! Men moet maar eenen goeden kruiwagen heb-
ben, al zeg ik het zelf. Ik heb ook veel gedaan voor de
-ocr page 248-
232                                        OUDE KENNISSEN.
stad en ik kreeg niemendal. Ik heb de Koppieren-kade door-
gestoken, en___"
„Zijt gij dan Schooneman?"
„Precies! Maar ik dutte toen ik wakker moest zijn."
„Ja, man, met dutten als men waken moet, komt men
niet ver. Zoo we dat in \'74 niet begrepen hadden, dan
zouden we het nooit zoo ver gebracht hebben," zeide Cornelis.
Zoo pratende kwamen ze eindelijk te Leiderdorp. Schoone-
man ging aan den wal, doch toen de schuit alweer weg-
voer, keek hij ze na en zeide zuchtend: „Gelijk heeft hij,
wie vooruit wil komen, moet niet dutten, als het geen tijd
van slapen is. Die Leidenaars hebben door te waken maar
een stout stuk bedreven, dat is zoo, en al ben ik er ook
slecht afgekomen, toch ben ik er grootsch op, dat Leiden
in mijn Vaderland ligt. Zulke steden zijn er niet veel, al
zeg ik het zelf."