-ocr page 1-
-ocr page 2-
f^n WöT^
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
Martelrozen en Zegepalmen
UIT
DE FHANSCHE REVOLUTIE
•
-ocr page 6-
I                                                                                 Ij
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000029504929B
2950 492 9
.
-ocr page 7-
lof!
Martten en Zegepalmen
UIT
DE FRAtfSCHE REVOLUTIE
DOOR
Br. florentius
N IJ M E G E N
C. G. MALMBERG
1895
-ocr page 8-
-ocr page 9-
.
_5\\an
Pr. ^August jSnieders
WOEDEN
op z\\\\ïi ste foceboortefeest
DEZE BLADZIJDEN
UIT
©preekte 3CoogacKting en \\\\ALarme \'Vriendschap
EERBIEDIG OPGEDRAGEN EN TOEGEWIJD
den ^Schrijver.
-ocr page 10-
£v.-vVV.\'\'.j::i^.
-ocr page 11-
INHOUD.
Bladz.
Inleiding.........................        i
Df. goede Herder.....................     23
Zonder Vrees of Blaam..................    111
Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap............    183
-ocr page 12-
.\'.;.*.>.: ...■
.
-ocr page 13-
TER INLEIDING
-ocr page 14-
-ocr page 15-
c^i_n.n_T3 n_n_ri-n o nrirLn,n-p n in.n-n.o_n n_p n.o n_nn-nri-n.n n n=o_Qj____jv9
et goddelijk strafgericht, over het land van
den Heiligen Lodewijk voltrokken, en onder
den naam van de groote Fransche Revolu-
tie in de geschiedenis bekend, heeft menig
romanschrijver ten achtergrond verstrekt van hetgeen
hij in beeld wilde brengen; was menig geschied-
vorscher een tijdperk, dat hem onweerstaanbaar aan-
trok, zoowel om zijne geweldige diepingrijpende gebeur-
tenissen als om de oorzaken daarvan, en niet minder
om de groote gevolgen, welke daaruit voortsproten.
Maar ook hier werden waarheid en verdichting me-
nigmaal samengesmolten tot onkenbaar wordens toe,
zelfs dan, als de zuivere historie de vierschaar heette
te spannen. Hoe vaak is de geschiedenis verkracht
ter wille van lievelingsdenkbeelden en vooroordeelen!
Nog leefden tallooze ooggetuigen van het huivering-
wekkende drama, toen reeds de fantasie vaardig werd
over schrijvers van talent, die niet schroomden,
onwederlegbare bewijsstukken ongebruikt te laten of
hun inhoud te vervalschen. Voor hen geldt het scherpe,
-ocr page 16-
45
-ocr page 17-
TER INLEIDING.
;
maar juiste woord van Louis Veuillot: „Om partijbe-
lang moest de geschiedenis ten offer gebracht."
Geen wonder, dat hun tafereel overgoten wordt met
den gouden glans der klimmende vrijheidszon! De
roode gloed, over Frankrijk gespreid, mag bij hen
niet herinneren aan het bloed van duizenden schulde-
looze slachtoffers, gevallen door de guillotine, of op
andere wijze bezweken voor het brutaal geweld, dat
„Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap" in zijn vaandel
schreef, maar die fraaie leuze op zijne manier verklaarde
en huldigde.
Neen, hij mag niets anders zijn dan het lieflijk
morgenrood van den dag der bevrijding, die eindelijk
aanlichtte voor het Fransche volk, voor de geheele
menschheid.
De kreten, die uit den schoot der natie opgaan, zijn
voor hen evenmin het eindeloos jammergeschrei der
vermoorden als het heesch gebrul van den bloeddorst.
Zij zijn alleen de echo van den juichtoon, door de
verlosten geslaakt, bij het vallen der slavenketenen;
een weergalm van de zegezangen der overwinnaars,
die van het bloedig oorlogsveld, naast de geplukte
lauweren, de palmen der algemeene verbroedering met
zich voeren en boven hunne hoofden zwaaien.
Bij hen wordt het satanisch karakter der Revolutie
geheel op den achtergrond geschoven; al het licht valt
op enkele gunstige uitkomsten, op toevallige maat-
schappelijke verbeteringen, die zij, ondanks haar zelve,
bewerken mocht.
-ocr page 18-
TER INLEIDING.
5
„Alles is billijk in mijne beoordeeling van de misdaad
der Republiek tegen Lodewijk XVI. Eene enkele
zinsnede echter kwetst mij : Dat schavot verkreeg nu
eene onheilspellende macht. Zij toch bevat eene leu-
genachtige toegeeflijkheid voor de historische school
der Revolutie, welke een gunstig gevolg toeschreef
aan eene verfoeilijke oorzaak, en beweren durft, dat
het Schrikbewind het vaderland gered heeft. Schande
over mij voor deze inschikkelijkheid!
Ik werd boos op mij zelven, toen ik dezen morgen
de laatste lyrische bladzijde over de Girondijnen herlas,
en ik bezweer de lezers haar te verscheuren, evenals ik
ze verscheur voor God en voor de nakomelingschap." *)
Aldus de dichterlijke geschiedschrijver der Girondij-
nen, de zanger, die met zijne „Harmonies," met zijne
„Méditations poétiques" etc. al wat Fransch verstond
tot luisteren dwong naar de zoete, welluidende tonen
zijner lier, gelijk hij ons thans nog door zijne bekoor-
lijke melodieën verrukt.
Hoevelen, in dezen schuldiger dan Alphonse de
\') Tout est juste dans mon jugement sur Ie crime de la Républiquc
a 1\'égard de Louis XVI.
Une seule phrase m\'y blesse: 11 y eut une puissance sinistre dans
eet échafaud,
concession menteuse a cette école historique de la Révo-
lution qui a attribué un bon effet a une dètestable cause et qui pretend
que la Terreur a sauvè la patrie.
Honte sur moi pour cette complaisance! J\'ai été indigné contre moi-
même en relisant ce matin Ia dernière page lyrique des Girondins, et je
conjure les lecteurs de la déchirer eux-mêmes comme je la déchire devant
Dieu et devant la postérité.
-ocr page 19-
6
TER INLEIDING.
Lamartine, hebben zijn voorbeeld gevolgd? Zijne „His-
toire des Girondins" moge, bij de verdediging der
rechtmatige volkseischen, de misdaad niet voldoende
gebrandmerkt, te veel licht geworpen hebben op per-
sonen, wien het voor de eer van het menschdom best
is, dat zij blijven wegschuilen in het duister; zij moge
hem ten volle het verwijt doen verdienen, dat hij het
schavot verguld heeft; die nederige bekentenis, die
manhaftige herroeping zijner dwaling doet zijn hart eere.
Zij dwingen ons vele zijner fouten met den mantel
der liefde te bedekken.
Hoeveel hooger staat hij dan zijn geniale land- en
tijdgenoot, eveneens de lieveling der Muzen!
Van het voetstuk, waarop zijne schitterende gaven
hem plaatsten, daalde deze neer en kromde zich in het
stof, om de voeten van het gemeen te kussen, naar
welks toejuichingen hij dorstte. Kon hij anders dan
wierook branden voor de oude en nieuwe afgoden zijner
verachtelijke aanbidders ?
Maar \'t ligt geenszins in ons plan, den lezer te wijzen
op de feilen van een Lamartine, een Victor Hugo, een
Thiers of wie daar verder over de Revolutie geschreven
hebben en der historische waarheid geweld deden, \'t
Lust ons evenmin, hem een portret te schetsen van
sommige beruchte personen uit de Fransche omwen-
teling, die eene schande der menschheid zullen blijven
tot het einde der tijden.
Aan anderen de onverkwikkelijke, maar nuttige taak,
om de glorierijke feiten der revolutie-mannen tot hunne
-ocr page 20-
TER INLEIDING.
7
juiste waarde te herleiden, en duidelijk aan te toonen,
wat er is van hun hoog opgevijzelden roem, waaraan
wij echter ook eenige regels wijden zullen nu en dan.
Ons het genot van in deze bladzijden zonneklaar te
bewijzen, dat de ware heldenmoed ook hier aan de
zijde der verdrukten en vervolgden was.
Priesters en kloosterlingen van beiderlei geslacht,
waaronder zoowel afgeleefde grijsaards als teedere
maagden, zullen wij eene zielegrootheid, eene doods-
verachting, eene bovenaardsche deugd ten toon zien
spreiden, welke ons vervullen met bewondering; edelen
en lieden uit het volk zien wedijveren in grootsche
zelfopoffering, in een dulden en lijden waardoor zij
blijk gaven in waarheid de leerlingen te zijn van Hem,
Die allen, Zijn kruis dragende, is voorgegaan.
En durven wij niet beslissen, wie de grootste is
onder deze roemrijke schaar van bloedgetuigen, hun
handel en wandel zal ons ten minste een heerlijk voor-
beeld zijn en een prikkel tevens, om hen, zij \'t ook van
verre, na te volgen, en als zij met moed en volharding
den goeden strijd te strijden.
De Heer kent hen allen. Hij heeft hen reeds naar
de maat hunner verdiensten beloond. "Waren zij eens
de smaad der menschen, de speelbal der goddeloozen,
thans heerschen zij in eeuwigheid met den Koning der
Martelaren, Wiens barmhartigheid ons moge doen
deelen in de heerlijkheid, waarmede Hij hen kroonde.
Het nu volgende van „Ter inleiding" heeft alleen
tot strekking, om het geheugen van sommige lezers
-ocr page 21-
8
TER INLEIDING.
op te scherpen, en de later te vermelden feiten daar-
door meer begrijpelijk te maken.
Wat de hoofdoorzaak der Fransche Revolutie was?
Ongetwijfeld het p hilosophismus, dat alles aanwendde,
om het oude in godsdienst, staatsinstellingen enz. neer
te halen. Een zijner machtigste bondgenooten was de
bourgeoisie.
De bourgeoisie, dagelijks meer terrein veroverend
op adel en geestelijkheid, welke soms al te bereid-
willig medehielpen, om de bolwerken te slechten, waar-
achter zij in de ure des gevaars uitkomst gevonden
zouden hebben en redding.
*) „De koning en de bevoorrechten (adel en gees-
*) Roi et privilegies, ils n\'excellent qu\'en un point, Ie savoir-vivre, Ie
bon gout, Ie bon ton, Ie talent de représentcr et de recevoir, Ie don de
causer avec grüce, finesse et gaieté, Part de transformer la vie en une
fête ingénieuse et brillante, comme si Ie monde était un salon d\'oisifs
délicats oü il suffit d\'être spirituel et aimable, tandis qu\'il est un cirque
oü il faut étre fort pour combattre, et un laboratoire oü il faut travailler
pour être utile.
Par cette habitude, cette perfection et eet ascendant de la conversation
polie, ils ont irnprimé a 1\'esprit francais la forme classique, qui, combinée
avec Ie nouvel acquis scientifique, produit la philosophie du dix-huitième
siècle, Ie discrédit de la tradition, la prétention de refondre toutes les institu-
tions humaines d\'après la raison seule, Papplication des methodes
mathématiques a la politique et a la morale, Ie catéchisme des droits
de 1\'hommc, et tous les dogmes anarchiques et despotiques du Contrat
social.
Une fois que la chimère est née, ils la rccueillent chez eux comme un
-ocr page 22-
TER INLEIDING.
9
telijkheid) muntten slechts in één opzicht uit: in savoir-
vivre, in goeden smaak en goeden toon; het talent
van voorstellen en ontvangen; de gave van bevallig,
fijn en opgewekt te keuvelen ; de kunst, om het leven
te herscheppen in een vernuftig, schitterend feest, als
ware de wereld een salon van verfijnde leegloopers,
passe-temps de salon ; ils jouent avec lc monstre tout petit, cncorc innocent,
enrubané comme un mouton d\'églogue; ils n\'imaginent pas qu\'il puisse
j a mais devenir une béte enragée et formidable; ils Ie nourrissent, ils
Ie flattent, puis, de leur hotel, ils Ie laissent descendre dans la ruc.
La, chez une bourgeoisie que Ie gouvernement indispose en com-
promettant sa fortune, que les privileges heurtent en comprimant ses
ambitions, que l\'inégalité blesse en froissant son amour-propre, la
theorie révolutionnaire prend des accroissemcnts rapides, une apreté
soudaine, et, au bout de quelques années, se trouve la maitresse incon-
testée de 1\'opinion.
A ce moment et sur son appel, surgit un autre colosse, un monstre
aux millions de têtes, une brute aflarouchée et aveugle, tout un peuple
pressuré, exaspéré et subitement déchainé contre Ie gouvernement dont
les exactions Ie dépouillent, contre les privilegies dont les droits 1\'afiament,
sans que, dans ces provinces pliées a la centralisation mécanique, il reste
un groupe indépendant, sans que, dans cette société désagrégée par Ie
despotisme, il puisse se former des centres d\'initiative et de résistance,
sans que, dans cette haute classe, désarmée par son humanité même,
il se trouve un politique exempt d\'illusion et capable d\'action, sans que
tant de bonnes volontés et de belles intelligences puissent se défendre
contre les deux ennemis de toute liberté et de tout ordre, contre la
contagion du rêve démocratique qui trouble les meilleures têtes et contre
les irruptions de la brutalité populacière qui pervertit les meilleures lois.
A 1\'instant oü s\'ouvrent les Etats-Généraux, Ie cours des idees et des
événements est, non seulement déterminè, mais encore visible.
D\'avance et a son insu, chaque génération porte en elle-même son
avenir et son histoire; a celle-ci bien avant Tissue, on eüt pu annoncer
ses destinées."
-ocr page 23-
TER INLEIDING.
IO
waar het voldoende is geestig en lief te zijn, terwijl
zij integendeel een worstelperk is, waar men sterk dient
te wezen voor den strijd, en een laboratorium, waar
men werken moet, om nuttig te zijn.
Door die gewoonte, die volmaaktheid en dat over-
wicht van den beschaafden spreektoon hebben zij
den Franschen volksgeest den classieken vorm inge-
prent, die, gevoegd bij de nieuwe wetenschappelijke
aanwinst, de i8de eeuwsche philosophie in het leven
roept, tegelijk met de verachting van alle volks-
overleveringen, de verwaandheid om alle menschelijke
instellingen te hervormen volgens de rede alleen, de
toepassing der mathematische methoden op politiek en
moraal, op den katechismus van de rechten des men-
schen en op alle anarchistische en despotieke leerstel-
lingen van het Maatschappelijk Verdrag.
Is aan de hersenschim eenmaal het leven geschonken,
dan wordt ze als eene tijdpasseering ontvangen in de
salons.
Zij spelen met het kleine monster, nog onschuldig en
met linten getooid als het schaap uit een herderszang;
zij kunnen zich niet verbeelden, dat het eenmaal een
razend, verschrikkelijk dier worden kan; zij voeden,
streelen het, en sturen het dan de straat op.
Daar, bij eene burgerij, die gebeten is op een
bestuur, dat haar geluk in de waagschaal stelt; wie
de voorrechten tegen de borst zijn, welke hare eerzucht
aan banden legt; die zich gekrenkt voelt door de
ongelijkheid (der standen), kwetsend voor hare eigen-
-ocr page 24-
TER INLEIDING.
I I
liefde, daar neemt de revolutionnaire theorie snel toe,
stijgt plotseling tot vinnigheid en binnen eenige jaren
heerscht zij onbeperkt over de publieke meening.
Tezelfdertijd en op hare stem verschijnt een andere
kolossus, een draak met millioenen koppen, woest,
blind dier: geheel een uitgezogen en verbitterd volk,
plotseling losgelaten tegen een bestuur, welks knevela-
rijen het uitplunderen; tegen de geprivilegieerden, wier
rechten het graag maken, zonder dat op deze slag-
velden, door hunne natuurlijke beschermers verlaten,
zich een enkel overlevend gezag opdoet; zonder dat
in deze provinciën, tot eene werktuigelijke centralisatie
gebracht, eene groep onafhankelijk blijft; zonder dat
zich in deze door despotismus verdeelde maatschappij,
centra kunnen vormen tot initiatief en verweer; zonder
dat in die hooge klasse, ontwapend door hare eigen
menschlievendheid, een staatsman te vinden is, vrij van
begoocheling en bekwaam tot daden; zonder dat zoo-
velen, van goeden wil en helder van geest, zich kun-
nen verdedigen tegen de twee vijanden van alle vrijheid
en orde: tegen de besmetting van het democratische
droombeeld, dat de helderste hoofden in verwarring
brengt, en tegen de uitbarstingen van het onbeschofte
gepeupel, dat de beste wetten bederft.
Bij het openen der Staten-Generaal is de gang der
ideeën niet enkel aangegeven, maar zelfs zichtbaar.
Onbewust draagt ieder geslacht zijne toekomst en
zijne geschiedenis met zich rond; dit geslacht had men
lang vóór den ondergang zijn lot kunnen voorspel-
-ocr page 25-
TER INLEIDING.
12
len." — (H. Taine. Les Origines de la France Contem-
poraine, Tomé I pag. 523, 524.)
De bourgeoisie zette den adel tegen den Koning op,
trachtte, met Jansenisten en Gallicanen broederlijk ver-
bonden, de geestelijkheid af te trekken van Rome en
aldus te berooven van haren hechtsten steunpilaar.
Dit alles met geen ander doel dan om zich zelf te
verheffen. Iedere nederlaag der bevoorrechte standen
was eene overwinning voor haar.
Een volkssenaat, eene onaantastbare vergadering
moesten hare gedeputeerden vormen. Daartoe moest de
macht van het koningschap gefnuikt, dienden adel en
geestelijkheid ten onder gebracht.
De goddeloosheid en de vrijdenkerij zaten reeds
lang- in de lucht. Het philosophismus verhief haar door
de Encyclopedie tot een stelsel, \'t welk wiskundig zeker
de fondamenten der oude maatschappij ondergroef.
Voltaire randde den godsdienst en zijne bedienaren
aan. Hij zaaide in de harten dien onverzoenbaren haat,
welke een licht doet opgaan bij het verklaren van som-
mige menschonteerende gruwelen der revolutie.
Eindelijk kwam Jean Jacques Rousseau, die in zijn
„Contrat Social" voor den ouden regeeringsvorm, reeds
jaren beknibbeld en ondermijnd door zijne eigene vrien-
den en natuurlijke beschermers, een nieuwen bracht.
De eerste aanvallen, tot 1746 bijna uitsluitend theolo-
gisch, werden gevolgd door de meer philosophische
die aanhielden tot op 1770 ongeveer. Na dien tijd trad
de politiek meer op den voorgrond.
-ocr page 26-
TER INLEIDING.
13
„De Jesuieten en de Jansenisten verscheuren elkan-
der; laten ze elkaar gerust verpletteren," zei Voltaire
in 1762. In 1764 moesten de roemrijke zonen van Sint
Ignatius het land ruimen. Het Jansenisme, d. i. de revolutie,
vierde toen zijne eerste zegepraal.
Den ioden Mei 1774 stierf Lodewijk XV te Versailles
aan de kinderpokken. Hij was de achterkleinzoon van
Lodewijk XIV en bereikte den leeftijd van 64 jaar.
Gedurende 59 jaren was hij Koning. Lodewijk XVI,
die na hem den troon besteeg, was zijn kleinzoon. Den
2_jston Augustus 1754 geboren, telde hij dus nog geen
twintig jaar, toen hij tot den troon geroepen werd. Hij
was den i6den Mei 1770 gehuwd met Marie Antoinette
Zij was een jaar jonger dan haar gemaal en de dochter,
van Keizerin Maria Teresia. Terecht betuigden beiden,
dat ze te jong waren voor de regeering. En dan in
zulk een tijd]
Turgot Controleur-generaal van financiën. Hij wil
adel en geestelijkheid doen deelen in de belastingen.
De bevoorrechten verwekken een storm van veront-
waardiging daarover. Turgot in Mei 1776 ontslagen.
Necker, de vriend der philosofen, wordt benoemd in
zijne plaats. Hij kan evenmin orde brengen in den
chaos der geldmiddelen. In 1781 af. Het algemeen
duizendjarig rijk van vrijheid, gelijkheid en broeder-
schap, waarvan Jean Jacques in zijn Contrat Social
droomde, is op til, meent men.
-ocr page 27-
TER INLEIDING.
\'4
Amerikaansche-Engelsche oorlog (April 1775). Frank-
lin en andere agenten der Amerikanen te Parijs. In
Frankrijk veel sympathie voor den opstand. In Februari
1778 verdrag. Fransche vrijwilligers onder Lafayette
naar het oorlogsterrein. Vrede met Engeland te Ver-
sailles (20 Januari 1783).
Calonne krijgt in November 1783 het beheer over
de geldmiddelen. Hij sluit leening op leening. Ten
einde raad roept hij in 1787 de notabelen bijeen, om
met hen over nieuwe belastingplannen te beraadslagen.
Alles verworpen, Calonne ontslagen.
In 1788 (6 Nov.—12 Dec.) worden de notabelen
door Necker, die in Augustus zijn vroegeren post weer
aanvaardde, opnieuw samengeroepen.
Er werd beraadslaagd over de Staten-Generaal en
wel hoofdzakelijk hierover op wat wijze zij zullen ver-
gaderen. Het brandpunt van alle quaesties was: Zal
de derde stand eene dubbele vertegenwoordiging heb-
ben? Alles bleef onafgedaan.
Daardoor de gisting in de gemoederen te heftiger.
A°. 1789.
In Januari beginnen de nieuwe verkiezingen en ver-
schijnt de Revolutie voor goed. De nieuwe Staten-
Generaal komen in Mei bijeen. De derde stand, voor-
namelijk geleid door Mirabeau, wenscht het roer in
handen te hebben.
-ocr page 28-
TER INLEIDING.                                  15
Hij zal „werkeloos" blijven, tot adel en geestelijk-
heid zich bereid verklaren in zijne plannen te treden.
De werkeloosheid duurt 7 weken, tot groote vreugde
der natie, tot ontsteltenis van het Hof en van Necker.
De koning komt tusschenbeiden. Zaterdag 20 Juni
wordt de vergaderzaal gesloten.
De afgevaardigden van den derden stand vergaderen
nu in „De Kaatsbaan," en zweren den eed: niet uit-
eengaan, vóór Frankrijk eene grondwet heeft.
Maandag 22 Juni nieuwe vergadering; de koning
verschijnt. Hij verklaart onder meer: „Zoo de drie
standen het niet eens kunnen worden, dan zal ik alleen
het geluk mijns volks voltooien!"
Hij beveelt, dat allen uiteengaan. Adel en geeste-
lijkheid gehoorzamen; derde stand blijft. Het gansche
rijk komt in be.weging. De koning bezwijkt voor dien
aandrang.
De bevoorrechten sluiten zich op verzoek van den
vorst bij den derden stand aan. Deze zegepraalt nu
in alles.
De Staten-Generaal herdoopt in Nationale Vergade-
ring, of wel Constitueerende Vergadering, wijl het hare
taak is de langverwachte Constitutie te ontwerpen.
Overal vrees en wantrouwen. Vooral te Parijs.
Den 12™ Juli Necker andermaal ontslagen. De hoofd-
stad daarover in opschudding, \'twelk tot het zooge-
naamd beleg der Bastille leidt, welke den i4en Juli
bezwijkt. Frankrijk grijpt naar de wapens. De gansche
bevolking schijnt eene Nationale Garde, in \'t geweer
-ocr page 29-
l6                                  TER INLEIDING.
------------------------------------------------------------------------
gekomen, ter bestrijding van de vijanden der Consti-
tutie. De kasteelen in brand gestoken en vernield.
In Augustus en September nemen schrik en wan-
trouwen hand over hand toe. Op het diner van den
3en October, \'twelk den officieren van het regiment
„Vlaanderen" werd aangeboden, hebben anti-constitu-
tioneele en monarchale demonstraties plaats. Geruchten
-
hieromtrent te Parijs. Den 5en October trekken 10.000
vrouwen, gevolgd door eene ordelooze massa, naar
Versailles, waar het Hof verblijft.
De oproerige menigte weet te bewerken, dat de
koninklijke familie en de Nationale Vergadering zich
vestigen in de hoofdstad. Deze van nu af het middel-
punt der Omwenteling.
Gedurende de laatste maanden (October-December)
emigreeren eenige leden van den hoogen adel en prin-
sen van den bloede. Heftige strijd om de kerkelijke
goederen. Maury tegen Mirabeau. In November volgt
de verbeurdverklarincf.
A°. 1790.
Den 4en Februari bezoekt de koning de Constitu-
eerende Vergadering. Algemeene eedsaflegging. Groote
moeielijkheden bij het maken der grondwet. Het sol-
datenoproer. Mirabeau heeft een geheim onderhoud
met de koningin. Hij poogt het koningschap te redden.
De dood verijdelt al zijn plannen.
-
•
^liitM^t:
-ocr page 30-
TER INLEIDING.                                 17
A°. 1791.
Mirabeau sterft den 2en April. Om beter de Revo-
lutie te kunnen leiden en minder afhankelijk te zijn,
besluit de koninklijke familie Parijs te verlaten. Vlucht
naar Varennes den 20en Juni. Vijf dagen later als ge-
vangenen naar Parijs teruggevoerd.
Den i4en September wordt de nu voltooide Consti-
tutie door den koning aangenomen.
De Constitueerende Vergadering verklaart, dat hare
zittingen geëindigd zijn (30 September), en wordt den
ien October vervangen door de Wetgevende Vergade-
ring.
De republikeinsche geest heeft in deze de overhand.
Zij telt weinig mannen van talent en mist alle parle-
mentaire ondervinding. Aanhoudende veranderingen
in de ministeries. Vrees voor de inmenging van vreem-
de mogendheden.
Ao. 1792.
De emigratie neemt bij het begin van 1792 meer
en meer toe. Keizer Leopold en de koning van Prui-
sen sluiten den yen Februari een openlijk verbond.
Verschillende Staten schijnen het met deze twee eens.
Den 20en April verklaart de Wetgevende Verg. aan
keizer Leopold den oorlog. De regeering wordt met
den dag radeloozer.
2
-ocr page 31-
18                                 TER INLEIDING.
Den 20™ Juni groote optocht van de georganiseerde
Parijsche bevolking door de straten. Zij naderen de
Tuileriën. Toegang geweigerd. De poorten worden
open geloopen.
Onderhoud met den koning, die blijken geeft van
groote tegenwoordigheid van geest, van hoogen moed,
maar geenszins van het besef zijner waardigheid. Het
hermelijn door het volk onder den voet getrapt.
De Pruische oorlogsverklaring van 24 Juli. Manifest
van den Hertog van Brunswijk, uitgevaardigd namens
den keizer en den koning van Pruisen. Daarin wordt
Frankrijk met eene militaire strafoefening bedreigd,
zoo de koninklijke familie eenigen overlast lijden mocht.
Groote verontwaardiging in het gansche rijk. De opwin-
ding neemt voortdurend in hevigheid toe.
De gewapende bevolking van Parijs komt den
1 oen Augustus tot een algemeenen opstand. De koning
en zijn gezin zoeken eene schuilplaats in het gebouw
der Wetg. Verg. De Tuileriën door het gemeen
bestormd en ingenomen. Moord op de Zwitsers.
Den 13™ Augustus wordt de koninklijke familie
naar den Tempel gebracht „als gijzelaars," gelijk het
heet. De Wetg. Verg. besluit, dat er eene Nationale
Conventie, d. i. een parlement met absolute macht
moet gekozen. Deze komt bijeen den 2 2en September.
De Republiek wordt dien dag afgekondigd.
Inmiddels zijn op het laatst van Augustus de vreemde
troepen en de emigranten Frankrijk binnengedrongen.
Groote gisting te Parijs. Van Zondag 2 tot Donderdag
-ocr page 32-
TER INLEIDING.
IL»
6 September moord op groote schaal, de zoogenaamde
Septembermoorden.
De revolutionnaire strooming te Parijs en in geheel
\'Frankrijk wordt steeds onstuimiger.
Den koning wordt een proces aangedaan. Verhoor
van den koning (van Donderdag 11 December tot
Zondag den i6en).
A°. 1793.
Na drie stemmingen (15 tot 17 Januari) wordt de
koning ter dood veroordeeld. Vonnis mag niet uitge-
steld. Voltrokken op Maandag 21 Januari, omstreeks
10 uur in den morgen.
Oorlogsverklaring aan Engeland en Holland. Dumou-
riez verovert de Oostenrijksche Nederlanden binnen
eene maand.
Den 21 en Januari werd ook het Comité van Alge-
meen Welzijn ingesteld. Begin van den opstand in
•de Vendée, 10 Maart. Geëindigd in \'t begin van \'96.
Partijtwisten in de Conventie. Worsteling van de Giron-
dijnen tegen de Bergpartij. Deze twisten hebben ten
gevolge, dat verscheidene Girondijnen binnen hunne
eigen woning in arrest worden gesteld (2 Juni). Den
2en Mei was de wet van het maximum afgekondigd;
«d. w. z., er was een vaste prijs gesteld op de levens-
.middelen. Hongersnood en gebrek dreven daartoe.
Opstand in die departementen, welke de Girondijnen
-ocr page 33-
ZO                                     TER INLEIDING.
aanhangen. Een burgeroorlog, door dezen beproefd,,
loopt dood.
Den 13"! Juli wordt Marat vermoord door Charlotte
Corday. De twee en twintig Girondijnen gearresteerd.
Het schrikbewind.
Den 170 September wordt „de Wet der Verdachten"
uitgevaardigd. Lyon ingenomen. Besloten tot de ver-
woesting dier stad.
Woensdag 16 October valt het hoofd der ongeluk-
kige Marie Antoinette. Den 3ien derzelfde maand de
twee en twintig Girondijnen omgebracht. Het Schrik-
bewind in volle werking. De godin der Rede op 10
November in de Conventie; kerken ontheiligd en
geplunderd.
Op \'t eind van dit jaar Carrier te Nantes.
A°. 1794.
Den 3en April worden Danton, Camille Desmoulins
e. a. geguillotineerd. Geheime samenspanning der
Bergpartij tegen Robespierre. Hij sterft met de zijnen
den 2 8en Juli op het schavot. Einde van het Schrik-
bewind. De Club der Jacobijnen wordt gesloten.
(November). Pichegru en zijne 70.000 manschappen
trekken over de bevroren wateren Holland binnen.
A°. 1795.
Het sansculottismus verliest meer en meer van zijn
invloed; raakt in discrediet. Nog tweemaal tracht het
-ocr page 34-
TER INLEIDING.                                      21
zich in de hoogte te werken. Fouquier-Tinville\'s hoofd
valt den 8en Mei. Den 2oen Mei laatste stuiptrekkingen
van het sansculottismus. Voor goed gebreideld. Nieuwe
grondwet ontworpen.
Het Directoire en de Consuls. Opstand van 13 Ven-
-démiaire (5 October). Door Napoleon onderdrukt.
En de gevolgen, de gelukkige uitkomsten, de zege-
ningen der Revolutie? Zij zijn overbekend, even bekend
als de waarheid, dat de omwenteling voor Frankrijk
eén groote, eene bijna onherstelbare ramp was.
Zij vernietigde het oude, in stede van alleen het
gebrekkige te verbeteren, dat het aankleefde. Zij bleek
onmachtig, om op de puinhoopen eener vroegere maat-
schappij, die betrekkelijk gelukkig heeten mocht, eene
andere te stichten, welke in de schaduw kon staan
van hare voorgangster.
Zij onteerde de vrijheid, en deinsde niet terug voor
de verachtelijkste middelen, zoo ze leidden tot haar
•doel. De volgende bladzijden zullen het leeren.
-ocr page 35-
-ocr page 36-
il iiSlt illillï.
-ocr page 37-
-ocr page 38-
I.
„Zij (de geestelijken) hadden zich laten berooven;
zij lieten zich verbannen, kerkeren, ter dood bren-
gen, martelen als de Christenen uit de eerste
eeuwen der Kerk. Door hunne onverwinlijke
zachtmoedigheid zouden zij als de eerste Chris-
tenen de woede hunner beulen afmatten, de ver-
volging uitputten, de openbare meening veranderen,
en aan de overlevenden der i8<le eeuw zelfs de
bekentenis afdwingen, dat zij geloovige, verdien-
stelijke, onversaagde mannen waren." \')
H. Taine. Les Origincs de la Francc con-
temporaine.
T. IV, p. 415 et 416.
e Revolutie had haren sluwen toeleg jam-
merlijk zien mislukken. Zij had verwacht,
dat de priesterschap, zoo niet in haar ge-
heel, dan ten minste grootendeels haar de
helpende hand reiken en krachtig medewerken zou aan
*) lis s\'étaient laissé dépouiller; ils se laissaient exiler, emprisonner,
supplicier. martyriser, comme les Chrétiens de 1\'Eglise primitive ; par
leur invincible douceur ils allaient, comme les Chrétiens de 1\'Eglise
primitive, lasser 1\'acharnement de leurs bourseaux, user la persécution
transformer 1\'opinion et faire avouer, même aux survivants du dix-hui-
tième siècle qu\'ils étaient des hommes de foi, de mérite et de coeur.
-ocr page 39-
2 6
DE GOEDE HERDER.
het grootsche plan, waarnaar zij voorgaf te streven.
De gevreesde Jesuieten, die het Jansenisme ontmas-
kerd en den „god VoltaireB jarenlang van machteloo-
ze woede hadden doen schuimbekken, waren door het
toedoen eener schaamtelooze vrouw uit het land ver-
dreven.
Dat was een goed begin en een gelukkig voorteeken.
De grootste hinderpalen waren uit den weg geruimd.
En toch, het zoet gefluit der vogelaars vond doove
ooren.
De geestelijkheid toonde over het algemeen scherper
van blik te zijn dan vele edelen, die in hunne ver-
blindheid vol geestdrift het hunne bijdroegen, om de
grondslagen der maatschappij nog dieper te onder-
mijnen, niet bewust, dat zij zelven in de eerste plaats
zouden bedolven worden onder hare puinhoopen.
Lieten ook sommige priesters zich verschalken door
de huichelachtige vriendschap der omwentelingsge-
zinden, de meesten en de besten ontdekten van het
begin onder het beminlijk masker den duivelachtigen
grijnslach van Voltaire.
Gebelgd over deze nederlaag, sloegen de revolutie-
mannen weldra den gewonen weg in: dien van ver-
drukking en vervolging.
De bedienaars van den godsdienst waren niets an-
ders dan staatsambtenaren, redeneerden zij.
De broodkorf moest hen dwingen tot volstrekte af-
hankelijkheid van, tot onvoorwaardelijke gehoorzaam-
heid aan hem, den staat, wiens brood zij aten. Bis-
-ocr page 40-
DE GOEDE HERDER.                            27
schoppen en pastoors, door de kiezers benoemd, zou-
den van dezen jurisdictie ontvangen.
Den Paus hadden zij geheel buiten spel te laten, de
grondwet te eerbiedigen, hoe zij ook wezen mocht.
Joden, Calvinisten en Lutheranen kregen bij de ver-
kiezingen van nieuwe herders dus een woordje mee te
spreken. Erger nog: op sommige plaatsen bestond het
gros der kiesgerechtigden uit geslagen vijanden van
het Katholicisme, van iederen godsdienst, welken ook.
Onder ingeving van hun heiligen geest, die in wijn-
damp en tabakswalm tot hen kwam, zouden zij de
waardigsten, dat wil zeggen, de meest geschikten in
het oog der revolutionnairen, wel weten te vinden.
Aan leeken stond het uitspraak te doen over de leer
der bisschoppen. .
„Wij zullen Frankrijk onkatholiek maken," had
Mirabeau zich laten ontvallen. Was men nader geko-
men tot dit doel? Gelukkig neen.
Eene nieuwe nederlaag wachtte de haters van den
godsdienst. Zij durfden zich vleien, dat onder de hon-
derdduizend geestelijken van het Fransche rijk, zij die
met Gallicanisme of Jansenisme besmet waren, niet
aarzelen zouden toe te treden, en, trots de veroordeeling
des Pausen, den eed op de Constitutie af te leggen.
Niet minder rekenden zij op de eenvoudige, heilige
zielen, welke vreesden, tot groot nadeel der hun toe-
vertrouwde kudde, door onwaardige opvolgers vervangen
te worden, en derhalve niets onbeproefd zouden laten,
om te kunnen blijven, waar zij waren.
-ocr page 41-
28                             DE GOEDE HERDER.
Was de Kerk eene menschelijke instelling, de ge-
slepenheid der sansculotten hadde stellig over haar
gezegevierd. Nu leed zij schipbreuk.
Honderd zeven en twintig bisschoppen weigerden
den eed. Vier slechts gehoorzaamden, onder welke
Talleyrand, Jarente en Loménie, die reeds lang de
schande waren van hunnen heiligen staat. Met de lagere
geestelijkheid wilde het evenmin vlotten.
Zij schaarde zich vol geestdrift om hare overheid,
ten einde met haar schande en smaad te dragen. Het
klein gedeelte, dat den gevorderden eed aflegde, deed
het nog onder voorbehoud, en toen de uitspraak van
Jesus\' Stedehouder op aarde omtrent dien eed bekend
werd, herriepen hem velen hunner openlijk, met gevaar
van hun leven.
Er waren helaas! ook afvalligen, die de Revolutie
geheel ter wille waren. Zij vormden het uitvaagsel en
toonden naderhand door hunne daden, hoe laag zij
gezonken waren, en hoezeer zij verdienden, uit de han-
den van joden, hugenoten en godloochenaars de vol-
macht te erlangen, aan het hoofd eener parochie te
staan.
Zij waren hunne meesters waardig. Geschuwd en
verlaten, veracht door alle wcldenkenden, leefden zij
in slaafsche onderworpenheid aan haar, die, naar het
zeggen van den afgevaardigde Maury, onder het masker
der vrijheid het geweldigst despotisme bracht.
In den drank en het zingenot poogden zij meestal
de wroeging te smoren, die hunne ziel doorknaagde,
-ocr page 42-
DE GOEDE HERDER.
29
de minachting te vergeten, waaraan zij blootstonden,
van den kant hunner beschermers evenzeer als van
dien hunner vijandiggezinde parochianen, welke het
den huurlingen van den staat menigmaal zoo lastig
maakten, dat zij, spijt de helpende bajonnetten der
sansculotten, er hunne standplaats aan gaven, en ver-
klaarden, liever te sterven dan naar die hel — hunne
parochie — terug te keeren.
Neen, ze wandelden niet op rozen, die apostaten!
Wil men een enkel staaltje van de zaligheid, welke
zij in het revolutionnaire paradijs smaken mochten ?
Ziehier. „Gisteren," schrijft een hunner, „dreven eenige
koewachtsters haar vee in mijn boomgaard en begonnen
hem met hare schaamtelooze viervoeters onbarmhartig
te plunderen.
Toen ik naar buiten kwam, om de brutale indring-
sters van mijn erf te jagen, werd ik ontvangen met
de kreten: „„Weg met den dollen hond, den schelm,
den aartsdeugniet!" "
Zoo ik mij niet tijdig binnen de pastorie terugge-
trokken had, het saam gestroomde volk zou me gestee-
nigd hebben.
Ik koos de wijste partij, want de marteldood voor
de Constitutie lachte mij niet aan."
In sommige dorpen vond de beëedigde priester niet
eens eene kerk. Zoodra zijne komst was aangekon-
digd, braken de landlieden met eigen hand hun bede-
huis af, wijl zij niet gedoogen wilden, dat een andere
Judas den drempel van het heiligdom overschrijden
-ocr page 43-
DE GOEDE HERDER.
3<>
en bezoedelen zou. In zijn „Ce que c\'est qu\'un Curé" heeft
L. Veuillot ons op even meesterlijke als aandoenlijke
wijze den zielestrijd, de kwellingen naar lichaam en
geest afgeschilderd van den trouwen herder, gefolterd
door de wreedheid zijner afgedwaalde kudde.
Al dat lijden was vaak het deel dezer afvalligen.
Zij hadden bovendien echter het smartelijk bewustzijn
dat zij leden, niet om de gerechtigheid, maar om de
boosheid, wier werktuigen zij waren. Is dat alleen geen
hellepij n ?
De Jacobijnen zagen weldra in, dat hunne bereke-
ningen andermaal faalden. Op medewerking en steun
der geestelijkheid in het algemeen viel niet te bouwen.
Zij dienden het over eenen anderen boeg te wenden.
Duchtten zij, dat de verderfelijke ideeën der philosofen
nog niet diep genoeg doorgedrongen waren; dat bij
den storm van verontwaardiging, welken eene open-
lijke vervolging kon doen opsteken, het nog niet ste-
vig gewortelde boompje der vrijheid ras ter aarde lig-
gen zou?
Niet te veel mocht op één worp gezet. In het geniep,
langzaam, doch zeker werd de weg afgebakend, dien
de weerbarstigen bewandelen zouden. Hij voerde, voor
wie niet bezweken op zijne tallooze kronkelingen, recht
naar de guillotine.
De strijd om de goederen der Kerk welke men door
dien slag te ruïneeren zocht, was spoedig in haar
nadeel beslist.
De Eerwaarde Heer Maury, afgevaardigde ter Consti-
-ocr page 44-
DE GOEDE HERDER.
31
tueerende Vergadering, is een te roemrijk kampvechter
in deze worsteling geweest, dan dat we den lust zouden
weerstaan, om een bladzijde aan hem te wijden.
\'t Is waar, zijn einde als Kardinaal-Aartsbisschop van
Parijs vormt een pijnlijke tegenstelling met deze zijne
eervolle periode als afgevaardigde.
De alvermogende Napoleon deed ook hem, den onbuig-
zame, voor zich bukken en bracht hem zelfs zoo ver,
dat hij zijne Moeder de H. Kerk tot op zekere hoogte
verried, om den overheerscher te behagen.
Dit staat intusschen vast: Maury moge de vlekke-
looze deugd van velen zijner ambtgenooten hebben
gemist, hun moed bezat hij in de hoogste mate. Onver-
schrokken stond hij in de eerste jaren der omwenteling
pal voor de rechten van altaar en troon.
Bij den aanslag op de geestelijke bezittingen vierde
zijne welsprekendheid, die in zijne grondige kennis
eene machtige bondgenoote vond, menige luisterrijke
overwinning. Met forsche hand verscheurde hij het
weefsel van de sofismen zijner tegenpartij en toonde
aan de gansche wereld, dat de mantel der eerlijkheid
en der vaderlandsliefde, waarmede het Jacobinisme zich
omhing, in zijne plooien de schreeuwendste onrechtvaar-
digheid verborg.
O \'t heeft niet aan hem noch aan zijn machtig woord
gelegen, dat het bestaan van sommige grove misbruiken
de afgrond werd, waarin de schatten der Kerk voor immer
verdwenen! Dagen achtereen bepleitte hij de zaak van
het goede recht tegen de aanvallen der lage roofzucht.
-ocr page 45-
DE GOEDE HERDER.
32
Vruchteloos beproefden derevolutionnairen den geduch-
tcn kampioen door den glans van het goud te verlok-
ken. Daarna trachtten zij hem tot zwijgen te doemen
door een stortvloed van schotschriften, straatliedjes en
spotprenten over zijn hoofd te doen gaan. Vergeefs !
Gelijk eene rots, waartegen de schuimende golven
telkens en telkens weer den aanval wagen, maar die
ook telkens zegevierend haar kruin boven de heenstui-
vende wateren verheft, zoo stond hij onwrikbaar te
midden zijner razende vijanden.
Mirabeau, de titan der revolutionnaire welsprekendheid,
dreigde hem bij zekere gelegenheid in een vicieuzen
cirkel te sluiten. „Let wel, mijne heeren," riep de onver-
stoorbare Maury, „de Mirabeau gaat me omhelzen!"
„Gij zijt de grootste schurk van het rijk!" duwde
Mirabeau hem een anderen dag niet erg parlemen-
tair toe.
„Pardon, mijnheer de Mirabeau," klonk het door dé
zaal, „maar dan telt ge u zei ven zeker niet mee." En
de grofheid voelde zich met hare eigen onedele wapens
geslagen.
\'t Zal niemand verwonderen, dat de sansculotten hunne
handlangers onder het laagste gemeen tegen den moedi-
gen priester opzweepten en hen aanvuurden, om hem
van kant te maken.
„ Heden kegel ik met zijn kop! " brulde eens een
der „dapperen" uit de voorstad Saint Antoine, doch
Maury\'s hoofd bleek toen en later vaster te staan dan
\'s man\'s bloeddorstig voornemen.
-ocr page 46-
DE GOEDE HERDER.
33
Tallooze malen verkeerde de onversaagde geeste-
lijke in doodsgevaar. Door hem om het middel te grij-
pen en snel in het gereedstaande rijtuig van den
aartsbisschop van Arles te werpen, redde een bevriend
pastoor hem eens het leven.
Een ander maal, dat hij de kopstukken der Revo-
lutie door zijne stoute taal tot zwijgen had gebracht,
werd hij bij het einde der zitting door eene dreigende
menigte omsingeld.
„Aan de lantaarn!" krijschte een der heethoofden.
En in koor herhaalde de gansche bende: „Maury aan
de lantaarn!"
Zonder een spier te vertrekken overzag de priester
met kalmen blik zijne belagers en sprak: „Beste
luidjes, denkt ge beter te zullen zien, als de arme
Maury aan de lantaarn bengelt?"
De menigte brak in een langen schaterlach uit en
wilde den man, wien zij even te voren naar het leven
stond, in triomf ronddragen.
Eenigen tijd later had hij, welsprekend als immer,
over de drogredenen zijner tegenstanders gezegevierd.
Zich niet bekommerend over het gemor, dat van de
openbare tribune als de aankondiging eener naderende
uitbarsting zijne ooren trof, wilde hij zich huiswaarts
spoeden.
„Steek deze zakpistolen bij u," sprak een zorgzame
vriend, die het ergste voor hem vreesde van den kant
van het opgeruide grauw.
„Wat wil ik met dat speelgoed?" lachte hij, maar
3
-ocr page 47-
DE GOEDE HERDER.
34
stak op het aanhouden van zijn vriend de wapenen
toch bij zich. En gelukkig"! want spoedig verdrong
zich een boevenschaar om hem. Een woesteling met
uitgetogen zwaard riep hem toe:
„Duivelsche Maury, ik zal u ter helle zenden, dan
kunt ge daar de mis lezen!"
Bliksemsnel haalde de geestelijke zijne pistolen voor
den dag, en antwoordde vastberaden : „Pak aan, kerel,
zoo je hart hebt, want dan zult gij me als koorknaap
dienen, en wel met deze pullen!" De sansculotte stond
verstomd en droop met spot overladen af, terwijl
Maury onder geestdriftige bijvalskreten zijns weegs
ging-
Hoe jammer dat deze man, die zoo vaak voor eer,
plicht en geweten zijn leven veil had, zich later, door
de schijngrootheid der aarde verblind, zoo treurig ver-
gat. Wij meenden desniettegenstaande deze weinige
bijzonderheden uit zijne toen nog smettelooze loopbaan
niet onvermeld te mogen laten.
In naam der vrijheid werd inmiddels alle vrijheid
onder den voet getreden, en begon de heimelijke
tirannie, die zich nog niet in het volle daglicht ver-
toonen durfde of wilde. De hongerquaestie prijkte
boven aan de lijst.
„We zullen u niet dwingen," luidde het heel ge-
moedelijk, „maar wie den eed weigert, rekene op geen
salaris." Daarna volgde als de natuurlijkste zaak ter
wereld: „De bezoldigden alleen mogen openbare gods-
dienstoefeningen leiden."
-ocr page 48-
DE GOEDE HERDER.                             35
Hingen die twee niet innig samen? Werd de eene
bepaling niet heel logisch uit de andere afgeleid ? Men
ging altoos verder. De gemoedelijkheid echter lei het
spoedig af.
Geen wonder! Is er grooter onding dan zij denk-
baar bij zulk eene omwenteling?
Wie preeken wilde of biecht hooren, moest eerst de
grondwet bezweren. Aalmoezeniers, rectors van religi-
euze gemeenten, broeders van het Christelijk onder-
wijs, weldra ook leeken-onderwijzers, werden verplicht
tot den eed. Ras kwamen tooneelen, die een voorspel
te zien gaven van hetgeen volgen zou.
Op den dag, voor het afleggen van den eed bepaald,
stormde het gemeen vaak de kerken binnen en liet
den aanwezigen geestelijken de keus tusschen onmid-
dellijk bezweren van de Constitutie of hangen.
Weigerden zij den eed, dan werd de bedreiging
meestal wel niet door de uitvoering er van gevolgd,
maar men mishandelde hen, sleurde ze op onwaardige
wijze langs de straten en bracht ze daarna over de
grenzen hunner parochie, na hun de dringende ver-
maning op het hart gebonden te hebben, van er niet
terug te keeren, zoo zij hun leven liefhadden.
De godgewijde maagden hadden het niet minder
hard te verantwoorden dan de priesters. Hare kloos-
ters werden geplunderd, zij zelven onder het gejubel
van het saamgestroomde grauw, dat haar met slijk en
steenen wierp, voor den magistraat gebracht, die wist
welke gedragslijn hij te volgen had.
-ocr page 49-
36
DE GOEDE HERDER.
Ten einde dien kuischen zielen bij de lichamelijke,
de grootere smart van het gekwetst schaamtegevoel
aan te doen, werden ze menigmaal veroordeeld tot de
publieke geeseling. De beulen verstonden hun edel
handwerk!
Had men, na het sluiten der kerken en openbare
bedehuizen, het houden van godsdienstoefeningen in
de woning van particulieren oogluikend toegelaten,
spoedig was die glimp van vrijheid verdwenen. Meer
dan eens gebeurde het, dat mannen en vrouwen, ver-
dacht van in stilte de H. Mis bijgewoond te hebben,
op weg naar huis gruwelijk mishandeld, zelfs dood
geslagen werden onder het oog van hen, die zorgen
moesten voor de algemeene veiligheid.
De gewelddaden dezer lafaards bleven niet enkel
ongestraft, zij werden bovendien door de overheid ter-
sluiks aangemoedigd.
De lieden, die Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap
op de lippen, niet in het hart droegen, lagen op de loer,
waar zij wisten, dat een kind ter wereld komen moest.
Was de kleine burger of burgeres het leven ingetre-
den, oogenblikkelijk maakten zij zich van hem of haar
meester, opdat een beëedigd priester het H. Doopsel
zou toedienen.
Zij ontzagen zich niet, de sterfhuizen binnen te drin-
gen en sleepten de overledenen, trots de smeekingen,
de tranen en de jammerklachten der treurende bloed-
verwanten, onder spottend hoongelach weg, om ze eene
begrafenis te geven gelijk de Revolutie die verlangde.
-ocr page 50-
DE GOEDE HERDER.                             37
Toen de Constituante hare taak volbracht had, hoorde
de Wetgevende Vergadering, die haar verving, Gen-
sonné weldra verscherping vragen van de maatregelen
tegen de wederspannige geestelijkheid.
Een decreet van den 2C;Sten November (1791) ver-
oorloofde het houden van godsdienstoefeningen alleen
aan beëedigde priesters.
Wanneer er troebelen ontstonden in de parochie van
een geestelijke, die den eed had durven weigeren,
moest hij zonder vorm van proces op straat gezet.
Dat was een geduchte stap verder op de baan der
verdrukking en men begrijpt, dat de Revolutie niets
onbeproefd liet, om door middel van eenige belhamels
op vele plaatsen de rust te verstoren. Die rustversto-
ring kwam dan natuurlijk voor rekening van den her-
der der plaats, al was hij er even onschuldig aan als
een pasgeboren kind.
De vervolgers leden met dat al opnieuw eene neder-
laag, en waren gedwongen te bekennen, dat hunne
bepalingen nu evenmin hout sneden als vroeger. Zij
zonnen daarom rusteloos op andere middelen.
De gevangenis met hare tallooze kwellingen en ver-
schrikkingen zou meer en beter uitwerken, meenden ze.
De priesters, die het gebrek verkozen boven het
brood der eerlooze plichtsverzaking, werden als vuige
misdadigers geboeid, aan de raderen der wagens of
de staarten der paarden vastgebonden, in het aange-
zicht gespuwd, geslagen en daarna in den kerker
geworpen.
-ocr page 51-
38                              DE GOEDE HERDER.
Wat zij in die holen te verduren hadden, kan men
zich gemakkelijk voorstellen.
In het Wetgevend Lichaam raasde men middelerwijl
voort tegen „het ongedierte."
Den 6den April (1792) werden de religieuze gemeen-
ten opgeheven en het dragen van het geestelijk gewaad
ten strengste verboden.
Frankrijk, dat grootheid en macht, kennis en bescha-
ving aan de noeste vlijt van kloosterlingen en geeste-
lijken dank te wijten had, was het domein der philoso-
fen geworden, en wat ging het dezen aan, dat de
duurste verplichtingen, de heiligste rechten met voeten
getreden werden!
Het „verpletter den eerlooze" van Voltaire bleef de
leus, en niets was hun heilig dan de haat, de onver-
zoenlijke haat, dien zij van den vader der goddeloos-
heid hadden overgeërfd.
Vruchteloos verhieven zich duizenden stemmen ten
gunste van de verfoeide kloosterlingen.
Nog berusten vele verzoekschriften, die tallooze
handteekeningen dragen in de nationale (Fransche)
archieven.
Met roerende welsprekendheid wordt daarin om het
behoud der religieuzen gesmeekt. Hier zijn het arme
landbouwers, wier schoone verwachtingen op een rijken
oogst door hagelslag in rook opgingen, en die, door
de kloosterlingen gesteund en geholpen, nu ten beste
komen spreken voor „hunne vaders en beschermers
in allen nood"; daar de notabelen eener gemeente,
-ocr page 52-
DE GOEDE HERDER.
39
welke het klooster van de plaats hunner inwoning de
ark des Heeren noemen, binnen welke dagelijks twaalf-
tot vijftienhonderd armen eene schuilplaats vinden en
brood.
Elders worden de religieuzen „de vaders der armen,
de toevlucht der ongelukkigen" geheeten; „hun heen-
gaan zou een onherstelbaar verlies zijn voor duizenden
behoeftigen."
Dus klinkt het voort in denzelfden toon uit alle
streken van het groote Fransche rijk.
En men bedenke wel, dat het hier niet de liefde-
zusters geldt, die engelen van barmhartigheid, voor wie
vaak de goddeloosheid zelf sympathie gevoelt en den
handschoen opneemt; maar de wreed belasterde man-
lijke kloosterorden.
En verdienden zij, die gedurende den vreeselij ken
hongersnood van 1784 het brood uit hun eigen mond
spaarden, ten einde de noodlijdenden te kunnen spijzen,
niet ten volle de lofspraak van het dankbare volk?
Hadden zij, die ontelbaren in hunne ellenden bijstonden,
niet alle recht op de erkentelijkheid der gansche natie ?
De kloosterlingen zelf zaten ook niet stil, om het onheil,
dat hen dreigde, af te keeren.
„Misgun ons de afzondering niet," smeekten de god-
gewijde maagden in 1790 de Nationale Vergadering.
„Wij allen, zonder uitzondering, willen liever het leven
verliezen, dan ontrouw worden aan onzen heiligen
staat.
Wilt gij, in naam der vrijheid, aan edelmoedige zielen,
-ocr page 53-
DE GOEDE HERDER.
40
die alles verlieten, om den evenmensch nuttig te zijn,
de vrijheid benemen, wel te doen ter liefde Gods?
Wij hebben weinig omgang met de wereld, weshalve
ons geluk haar verborgen blijft. Daarom is het ech ter
niet minder groot en hecht.
Voorrechten en onderscheidingen zijn onder ons niet
bekend; voor- en tegenspoed dragen wij samen.
Wij verklaren voor God en de menschen, dat geen
macht ter wereld de liefde tot onze verbintenissen uit
onze harten kan rukken. Wij gevoelen ze thans inniger
dan ooit, en vernieuwen ze met meer vuur dan op den
heuglijken dag onzer professie."
Heldhaftige taal in den mond van zwakke vrouwen!
Zij drong, helaas! niet door tot het hart harer ver-
drukkers, die hoorende doof bleken. Wat deerde het
hun ook, dat 37.000 vrouwelijke kloosterlingen tegen
wil en dank het haar dierbare heiligdom verlaten
moesten; dat duizenden rampzaligen, door wreede
ziekten op het krankbed geworpen, den troost, de hulp
dier engelachtige wezens zouden derven !
Zij vroegen niet, wat er van de arme vondelingen
worden zou, die in haar de liefde vonden, welke
ontaarde moeders dien hulpeloozen kleinen ontzegden.
De helden der Revolutie wisten zeer goed, dat al
de wonden, der arme menschheid geslagen, door de
zachte hand der zusters, zoo niet geheeld, ten minste
naar best vermogen verzorgd, en door de meest onbaat-
zuchtige liefde gebalsemd werden.
Maar de haat, de eenige liefde der Omwenteling,
-ocr page 54-
DE GOEDE HERDER.
41
bleef doof voor de noodkreten der ongelukkigen en
voor die hunner voorsprekers, gelijk hij de ooren
stopte voor de stem der billijkheid, voor dè smeekingen
der heldinnen, die afstand gedaan hadden van de
voorrechten, welke jeugd, schoonheid en hooge geboorte
velen harer schonken, ten einde haren Bruidegom en
Koning in zijne lijdende ledematen te dienen.
Bij monde van Legendre eischten de Jacobijnen niets
meer of minder dan het scheep brengen van al de
geestelijken: de zee zou hen wel voor goed weten te
bergen in haar schoot.
Vergniaud de woordvoerder der Girondijnen, stelde
eene langzame doodstraf boven het korte moordplan
van den Jacobijnschen slager. Hij pleitte uit naam zijner
partij voor eene bespoedigde deportatie.
De nieuwe teleurstellingen, welke hun telkens werden
bereid, dreven de vijanden der Kerk tot wanhoop. Smaad,
boeien noch kerker brachten de priesters aan het wan-
kelen.
Zij bleven trouw aan hun plicht en achtten zich zalig,
nu het hun gegeven was te lijden om de rechtvaardig-
heid. Ten einde raad over zooveel onverzettelijke
wilskracht, wierp de Revolutie het masker geheel af.
„Alleen door haar te verpletteren, zullen wij over de
geestelijkheid zegevieren!" riep de afgevaardigde Lojosne
in de Wetgevende Vergadering.
Deze woorden waren den meesten leden uit het hart
gesproken. Het Christendom, volgens Voltaire door
eenige botteriken gesticht en verbreid, bleek èn den
-ocr page 55-
DE GOEDE HERDER.
42
geleerden philosofen èn hunnen waardigen discipelen
te sterk.
De Kerk van Jesus doorstond moedig alle aanvallen,
en waggelde niet op hare grondzuilen, nu zoo min als
vroeger, toen de „vijf of zes talentvolle mannen" tegen
haar het hoofd te pletter liepen.
Een decreet van den 2oen Mei beval onder meer:
„Een priester, die den eed op de grondwet weigert,
wordt verbannen, ingeval twintig kiezers dien maatregel
op hem willen zien toegepast."
De koning, die het lot van eiken der duizenden
geestelijken niet in handen geven wilde van een twin-
tigtal ellendelingen, maakte gebruik van het schemer-
schijntje van gezag, \'t welk hem gelaten was, en sprak
over deze wetsbepaling zijn veto uit.
Hij voorzag wel, hoe duur hem dit zou komen te
staan; dat het hem wellicht troon en leven kosten zou.
Doch, hoe wankelmoedig en zwak hij anders wezen
mocht, ditmaal hield hij voet bij stuk.
Waarom trad hij, van het begin af, niet even kracht-
dadig op? Waarom behaalde de hem aangeboren
goedhartigheid bijna altoos de overwinning op zijne
wijsheid, op zijn doorzicht, op de heilzame raadgevin-
gen zijner bloedverwanten en vrienden ? Waarom ver-
smaadde hij de middelen, waardoor hij, als een andere
Hercules, den draak der Revolutie tijdig den kop had
kunnen verpletten? Waarom?
Voor Frankrijk scheen de tijd der goddelijke barm-
hartigheid verstreken, het uur der vergelding aange-
-ocr page 56-
DE GOEDE HERDER.
43
broken. Gods lankmoedigheid, sedert eeuwen getergd,
was uitgeput, en niets bleek meer bij machte, de pijlen
Zijner verbolgenheid af te wenden. En wie kan zich
Lodewijk XVI in de leeuwenhuid van den reus der
fabelleer voorstellen, zonder aan een verscheurend lam
te denken?
Had zijn zedelooze voorganger op een vulkaan ge-
danst met het „wie dan leeft, dan zorgt" op de lippen,
hij, de deugdzame, maar zwakke opvolger, die bij de
gedachte alleen, dat hij eenmaal de kroon dragen
moest, reeds in onmacht viel, was er de man niet
naar, om de uitbarsting te voorkomen en het rijk zijner
vaderen van volslagen ondergang te redden.
„Geen geloof meer, tenzij aan de republikeinsche
deugd!" werd sinds den ioen Augustus 1792 de leus.
De tijd voor het „maskers af!" brak voor goed aan.
Men zou het gif, in den boezem der natie besloten,
meer en meer uitspuwen; m. a. w., de geestelijken,
die weigerden in de schaduw van den vrijheidsboom
te gaan rusten, en zijn wasdom beletten, dienden uit-
geworpen.
Breeder en dichter werden altoos de rijen van pries-
terlijke geloofshelden, die ver van den vaderlandschen
grond het bittere brood der ballingschap moesten gaan
eten.
Hartverscheurend zijn de bijzonderheden van het
lijden, dat deze beklagenswaardigen doorstonden. Hon-
derden bezweken langs den weg van vermoeienis en
uitputting; honderden anderen kwamen om ten gevolge
-ocr page 57-
DE GOEDE HERDER.
44
van de mishandelingen, waaraan zij hadden blootge-
staan.
Maar waren zij, die reeds op Franschen bodem de
martelkroon verwerven mochten, niet zalig te prijzen,
vergeleken bij de duizenden, welke hun leven konden
redden? In een vreemd land, te midden van ketters
vaak, bezwijkend van honger en dorst, meestal zonder
middelen van bestaan, dat was hun lot. Het geld, dat
zij bij zich hadden, werd hun, vóór zij de grenzen
over gingen, door de sansculotten ontnomen, bezorgd
als dezen waren, om in zich zelven het vaderland met
nog meer onrechtvaardig goed, met nog meer gesto-
len goud te verrijken.
De handen die dagelijks het Heilige der heiligen had-
den aangeraakt, waren thans verplicht, zich tot de ver-
achtelijkste bezigheden uit te strekken, ten einde het
hoog noodige te winnen en niet van gebrek om te
komen.
Het decreet van den *6en Augustus had den pries-
ters veertien dagen verleend, om hunne zaken te rege-
len en zich gereed te maken tot de ballingschap.
Te Parijs werden die veertien dagen tot vier en twin-
tig uren ingekrompen, en toen de geestelijken der
hoofdstad een paspoort kwamen vragen, schonk men
velen hunner gelegenheid om er op te wachten in de
gevangenis.
Wat toch was het geval ? \'t Was reeds vastgesteld,
dat er aan de nationale vrijheid een offer, een bloedig
menschenoffer zou gebracht.
-ocr page 58-
w
B
g
O
Pd
o
\'
-ocr page 59-
DE GOEDE HERDER.                             45
Het voorstel tot uitroeiing der geestelijkheid, vroe-
ger door den afgevaardigde Lejosne als het meest af-
doende middel geprezen, zou nu voor het eerst op vrij
groote schaal worden aangewend. „De een raadt u dit,
de ander dat, riep Danton zijnen geestverwanten toe,
„ik zeg u alleen: Jaagt den koningsgezinden schrik
aan!"
Deze raad vond bijval. In koelen bloede werden de
noodige maatregelen getroffen voor het welslagen van
het helsche plan, door Danton in de verte aangeduid.
Het derde kanonschot, dat op den middag van den
2en September door de straten der hoofdstad voort-
dreunde, was den bezoldigden moordenaars het sein,
dat zij hunne bloedige dagtaak konden beginnen. Zij
wisten, wat ze voor iederen vermoorde ontvangen zou-
den, en dat zij recht hadden op de kleeren der slacht-
offers.
Wil men weten, hoe hoog deze schurken een men-
schenleven schatten? Zij, die gespaard bleven, wijl
hunne armelijke plunje niets begeerlijks had, kunnen
het ons leeren.
Ruim twee honderd priesters, waaronder grijsaards,
van diep in de tachtig, kwamen om door het staal
der Septembriseurs.
Het zien om hals brengen dier onschuldigen was
voor het harteloos gemeen een verrukkelijk schouwspel.
Mannen en vrouwen verdrongen elkander, om getui-
gen te zijn van dit Kannibalenfeest. Men hoorde de
dames burgeressen zich beklagen, dat zij de hoofden
-ocr page 60-
46                              DE GOEDE HERDER.
der veroordeelden niet meer konden onderscheiden,
toen de duisternissen van den avond eindelijk een
sluier wierpen over zooveel gruwelen.
Het klinkt wellicht ongelooflijk, maar de beste bewijs-
stukken zijn voorhanden, de rekening namelijk der
leveranciers, tot staving der waarheid; er werden lam-
pions gekocht, opdat de oogen dier laaggezonken wezens
te gast konden gaan op de folteringen en de doodssmar-
ten der gevangenen, al weigerde de dag zijn licht.
De met rede en verstand begaafde mensch toonde ook
hier in deze furiën der Revolutie, dat hij soms lager
staat dan het redelooze dier.
Als men bemerkte, dat de dood al te spoedig intrad,
dat de bloeddorstige pret al te gauw een einde nemen
zou, werden middelen beraamd, om ze langer te doen
duren. Men schaarde zich in twee rijen, waartusschen
de slachtoffers werden voortgedreven.
Slechts met het plat van sabel of piek mocht gesla-
gen; alleen de laatsten der rij genoten het voorrecht
van het scherp te mogen gebruiken voor den gena-
deslag.
Toen er te Parijs voorloopig geen priesters of aris-
tocraten meer te vermoorden vielen, werden tachtig
boeven, met den titel van Commissaris, naar de ver-
schillende departementen gezonden, ten einde daar de
tooneelen der hoofdstad op kleiner schaal te herhalen.
Roland, die naderhand (den i6en November\'93) door
zelfmoord een einde maakte aan zijn leven, „wijl hij
niet langer op eene aarde blijven wilde, door zooveel mis-
-ocr page 61-
DE GOEDE HERDER.                             47
daden bezwaard"; de eerzame Roland, als verzadigd
van nagemaakte Romeinsche burgerdeugd, schaamde
zich niet, die monsterachtigheden „de uitspattingen van
een altoos billijk volk" te noemen. Hij drong er alleen
op aan, dat de voortzetting van het bloedbad zou
worden gestaakt.
Robespierre en Danton juichten over den triomf des
volks. De laatste, minister van Justitie, gaf aan alle
steden kennis van hetgeen te Parijs was voorgevallen.
Hij spreekt in zijn circulaire van „woeste samen-
zweerders, opgesloten in de gevangenissen, en door
het volk omgebracht." En verder: „zonder twijfel zal
de geheele natie, na de lange reeks van verraderijen,
die haar op den rand van den afgrond gevoerd heb-
ben, dit voor het algemeen welzijn zoo noodzakelijk
middel ten spoedigste aanwenden. Al de Franschen
zullen met de Parijzenaars uitroepen: Wij trekken
tegen den vijand op, maar we zullen geen roovers
achterlaten, om onze vrouwen en kinderen te vermoorden.
Zoo Danton niet reeds lang het blozen verleerd had,
moet bij het neerschrijven dier lage leugens het rood
der schaamte zijn gelaat hebben gekleurd!
Hij paste zijn „Onversaagdheid, Onversaagdheid!"
. ook in het liegen toe, zoo we ten minste „audace"
niet liever door „onbeschaamdheid" vertolken willen.
Waren de haat en de bloeddorst thans bevredigd?
Verre van daar! Het eerste bedrijf was slechts afge-
speeld van het monsterachtig drama, \'t welk de Revo-
lutie zou opvoeren.
-ocr page 62-
48
DE GOEDE HERDER.
Het spreekt vanzelf, dat de onverlaten, welke zooveel .
moorden op hun geweten hadden, niet mochten be-
moeilijkt. Zij waren immers werktuigen in de handen
van de hoogste rechtvaardigheid geweest!
Het eene decreet volgde op het andere, \'t Eerste
was nauwelijks afgekondigd, of het tweede was reeds
in aantocht. Dat van den i4e" Februari (1794) beloofde
100 francs aan wie een priester uitleverde. Dat van
den i8cn Maart deszelfden jaars beval iederen burger
de geestelijken aan te klagen, welke het durfden wagen
in Frankrijk weder te keeren, en gebood de benoeming
van gezworenen, die binnen vier en twintig uren het
doodvonnis over die vermetelen moesten uitspreken.
De wet van den 2 3en Maart veroordeelt iederen
priester of kloosterbroeder. die den eed blijft weigeren
tot deportatie naar Sint Vincent.
De iqc en 21° October brengen verscherping van
al deze decreten. Wie aan een priester schuilplaats
verleent, wordt naar eene strafkolonie vervoerd.
De verkoop van kruisen, medailles en andere gods-
dienstige voorwerpen wordt ten strengste verboden.
De beelden der H. Maagd moeten van de hoeken der
straten verdwijnen. In plaats van de Gezegendste der
vrouwen zal de buste van het gedrocht Marat de
ledige nissen vullen en den voorbijgangers de revo-
lutionnaire deugden prediken.
Het banvonnis, over alle priesters geveld, was niet
aan alle voltrokken. Ouden van dagen en zij, die met
ziekte en groote lichaamsgebreken te kampen hadden,
-ocr page 63-
DE GOEDE HERDER.
49
waren voorloopig verschoond gebleven en gezamenlijk
gekerkerd in de hoofdplaatsen der departementen.
Toen de omwenteling ook het minste schijntje van
menschelijkheid ontberen en zich onbeschroomd in hare
ware gedaante vertoonen kon, verwees zij deze onge-
lukkigen ter deportatie naar Fransch-Guyana.
We hebben reeds met een enkel woord melding
gemaakt van de weergalooze ellenden, waaraan de
vroeger verbannen priesters ter prooi waren. Veel
harder lot was dezen gedeporteerden voorbehouden.
Zij toonden hun heldenmoed door geduldig te lijden,
wat de wreedheid hunner vijanden bedenken kon, en
te hunnen opzichte bleek de haat niet minder vin-
dingrijk dan de liefde in het algemeen pleegt te zijn.
Op deze geloofsgetuigen is het fiere legendaire woord;
„De garde sterft, maar geeft zich niet over!" ten volle
toepasselijk. Zij vormden inderdaad de oude garde van
den Koning der koningen. In den strijd voor Hem
konden zij wel omkomen tot den laatsten man, doch
ontrouw worden aan de vanen van Jesus Christus en
Zijne Bruid, de H. Kerk, dat konden zij niet.
Volgen wij in den geest een gedeelte van de moe-
dige helden, welke naar vier verschillende zeehavens
werden overgebracht, om van daaruit naar de plaats
hunner bestemming te worden ingescheept.
Wij zullen dat gedeelte kiezen, \'t welk uit 827 man
bestond en op het einde van November den weg naar
Rochefort insloeg.
Oneer, honger, dorst, koude, ontberingen van allerlei
4
-ocr page 64-
DE GOEDE HERDER.
5 o
aard waren hun deel. Niets van al wat hen kwellen
of grieven kon, werd hun • gespaard. De leerlingen der
philosofen, in wier hart de grimmige haat tegen den
godsdienst en zijne bedienaren reeds overvloedige vruch-
ten droeg, beschaamden hunne meesters niet. De schim
van den vader der goddeloosheid behoefde niet onrustig
rond te waren. Hij kon grinniken van genot, zoo hem
de lust daartoe nog niet vergaan was,. en juichen over
die kinderen, welke het evenbeeld bleken van hem,
hun vader. Toen reeds had een rampzalig dichter hem
kunnen toezingen, dat zijne mannen, de mannen naar
zijn hart, geboren waren.
Te Limoges werden de verkleumde grijsaards — de
jongsten onder hen telden meer dan zestig jaren —
bij den ingang der stad opgewacht door eene joelende
menigte, welke hare voltairiaansche geestigheid eens
den vrijen teugel vieren zou.
Zij had allerlei dieren meegebracht, die getooid waren
met kerkelijke gewaden. Iedere priester werd aan een
dier gekoppeld, en zoo, voorafgegaan door een zwijn,
dat de tiare droeg met het opschrift Paus, ging het
processiesgewijze de straten door.
Wat een triomf, de meest achtenswaardige grijsheid
aldus te beschimpen en door het slijk te halen!
Wie een woord van troost, een blik van deernis
overhad voor die rampzaligen, boette dit blijk zijner
menschelijkheid met den dood. Te Saintes o. a. werden
drie dienstboden ter guillotine verwezen, wijl zij het
durfden onderstaan, dien ongelukkigen eene bete broods
-ocr page 65-
DE GOEDE HERDER.                                 $1
te reiken, en zoo de edele plannen der Revolutie tegen
te werken, welke het aanlegde op het uitroeien der
Calottins, die het veldwinnen der nieuwe denkbeelden
in den weg stonden.
                 »
Na onbeschrijflijke ellenden bereikte de deerniswaarde
stoet Rochefort, waar zij met de galeiboeven dezelfde
gevangenis moesten deelen. Als hun goddelijke Meester
werden zij aan Barabbas gelijk, neen, beneden hem
gesteld.
Het uitvaagsel der samenleving ontving hen met
vloeken en godslasteringen, met al den weerzin van
de diepste verdorvenheid tegen de bewonderenswaar-
digste deugd.
Wanneer zij eindelijk (Januari 1794) zullen inge-
scheept worden, klinkt het hun als welkomstgroet uit
den mond van een der scheepsbevelhebbers tegen:
„Schurken, er is bovenmenschelijke deugd noodig, om
je bestaan te dulden!"
En die brave republikein bezat de gevorderde boven-
menschelijke deugd: hij maakte zijne gevangenen niet
onmiddellijk af.
Niets welsprekender dan de cijfers, om het lot dier
arme geestelijken begrijpelijk te maken. Waren er 827
onder zeil gegaan, binnen tien maanden was hun getal
geslonken tot 285.
Ontzettend zijn de bijzonderheden, welke soms tot
ons komen, over de behandeling der arme Zwarten,
door hartelooze slavenjagers van hunne haardstede
weggerukt, om in den vreemde gelijk redeloos vee
-ocr page 66-
52 •                          DE GOEDE HERDER.
verkocht te worden. Ons hart krimpt ineen, als we
lezen, hoe zij, als koopwaren op elkander getast in de
benauwde ruimte tusschendeks, vaak weken en maanden
aan de grootste ellenden ter prooi zijn.
Toch is de gouddorst voor de eigenaars dezer slaven
altoos een machtige prikkel, om, wel niet uit mensche-
lijkheid, maar enkel uit berekening, eenige zorg te
dragen voor hunne lading. Dat „ebbenhout" immers
vertegenwoordigt eene zekere waarde, en met ieder
lijk, dat den vraatzuchtigen haaien ten buit wordt, gaat
een gedeelte van de winst over boord.
Bij het overbrengen dezer gedeporteerden gold een
prikkel van geheel tegenovergestelden aard. Men diende
te zorgen, dat de markt te Guyana niet overvoerd werd
met het artikel „onbeëedigd priester." Daarom werd
de les van den jacobijn Legendre niet vergeten!
De luttele kleeding, welke men den ongelukkigen
gelaten had, was spoedig in lompen overgegaan. Zij
konden zich niet beveiligen tegen de brandende hitte,
zich niet beschutten tegen de snerpende koude, die
het trage bloed deed verstijven in hunne aderen.
Klonk \'s morgens het ruwe bevel: „De gevangenen
boven!" dan konden zij er op rekenen, dat ze den
geheelen dag moesten doorbrengen binnen eene ruimte,
zóó beperkt, dat het hun onmogelijk was zich een oogen-
blik neer te zetten.
Blootgesteld aan de zengende stralen der zon, of w et
geteisterd door de plagen van het gure weder, stonden
de hulpelooze grijsaards daar opeengedrongen tot het
-ocr page 67-
DE GOEDE HERDER.                              53
bevel zich deed hooren, \'t welk hun gebood, af te dalen
in het scheepshol.
Tien uren moesten zij doorbrengen binnen zijne nauwe
wanden. De versche lucht, die hun door eene kleine
•opening toestroomde, werd nog vaak afgesneden, door-
dat de verfijnde wreedheid deze eenige opening dicht-
stopte, om de reeks hunner kwellingen te vermeerderen.
Geen plaats voor hen, dan om zich op de zijde uit
te strekken; de bloote grond was hun rustbed; het
noodige dek, ter vrijwaring tegen de nijpende koude,
ontbrak geheel.
„Zoo men een hond, gedurende één nacht, in deze
verpeste atmosfeer opsluit, zal hij dood of razend zijn!"
riep een scheepsdokter uit, die, met inachtneming van
de noodige voorzorgsmaatregelen, even den neus binnen
deze hel durfde steken. Toch brachten honderden gevan-
genen er maanden in door, zonder dat iemand naar
hen omzag.
En wat voedsel gaf men hun ? Hun maaltijd bestond
doorgaans uit bedorven eten, \'t welk hun bovendien
zoo karig werd verstrekt, dat zij smeekten om het
overschot van het voeder, den zwijnen van den kapitein
voorgeworpen. Deze gunst (!) werd natuurlijk geweigerd.
Ook de troost, welken anderen door smarten en lijden
gefolterden mogen smaken, was hun ontzegd.
Wie zich verstoutte een enkel woord te spreken tot
een nog rampzaliger lotgenoot, werd in de ijzers gesloten,
■en wie voor eenigen tijd tot deze straf veroordeeld
werd, vernam zijn doodvonnis.
-ocr page 68-
DE GOEDE HERDER.
54
Er heerschte eene akelige grafstilte, slechts afgebro-
ken door de verwenschingen en vloeken der matrozen,
het naargeestig krijschen der stormvogels en het een-
tonig bruisen der zee. Soms ook klonk de afscheids-
kreet aan het leven uit den mond van een der vele
stervenden.
Geen boek, geen voorwerp van godsdienstige ver-
eering werd geduld. Al wat de ziel kon opbeuren,
wat eenige verkwikking brengen kon, was uitge-
sloten.
O, wel ware het eene hel geweest voor deze zwaar-
beproefden, die enkel zee en lucht, beulen en slacht-
offers om zich heen zagen, indien het woord van den
Apostel in hun binnenste den kreet der natuur niet had
overstemd. De oogen ten hemel geslagen en juichend
in hunne boeien, herhaalden ze met Paulus: „Het lijden
van dezen tijd is niet te vergelijken bij de heerlijk-
heid, die in ons zal geopenbaard worden!"
Met die woorden op de lippen, met die gevoelens in
het hart droegen zij met engelengeduld het ondraag-
lijke.
De jaarboeken der Kerk vermelden ons, hoe vele
martelaren, door de tanden der wilde dieren verscheurd
en vermalen werden, onder het handgeklap eener bar-
baarsche menigte.
Meer dan een dezer roemrijke bloedgetuigen stierf
smartelijker dood dan zijn voorgangers in de eerste
eeuwen des Christendoms. Velen hunner toch werdea
levend verslonden door het ongedierte.
-ocr page 69-
DE GOEDE HERDER.
55
Heeft men een begrip van zulk een sterven ? Kan
men zich een mensch voorstellen, in het volle bezit
zijner geestvermogens, ter prooi aan zulke vijanden,
zonder dat zijne machteloos geworden hand ook maar
eene enkele poging vermag aan te wenden, om er
zich van te bevrijden?
Hij voelt, hij ziet zijn vleesch wegteren; bemerkt,
hoe ieder uur nieuwe kwellingen teelt en het heirle-
ger van die kleine, onverdelgbare moordenaars ver-
menigvuldigt, en toch, hij is niet in staat leniging, veel
minder uitkomst en redding aan te brengen.
Huiveringwekkende gedachte, die ons hart met
afgrijzen en deernis vervult!
. Werd er een ernstig ziek en was zijn dood zoo
goed als zeker, hij kreeg eene plaats in het zooge-
naamde hospitaal. Dat men zich door den fraaien klank
van dat woord niet van de wijs late brengen! Het
hospitaal, door deze onmenschen voor de kranken
bestemd, was eene ellendige sloep.
Ze waren daar \'aan hun lot overgelaten, zonder
matras, zonder een handvol stroo zelfs; zonder dek-
king, zonder de minste verlichting. Geneesmiddelen
werden niet verstrekt, geen dokter zag naar hen om.
In de uiterste verlatenheid konden zij er het uur der
ontbinding afwachten.
De dooden bleven tusschen de levenden liggen, tot
het den kapitein gelegen kwam, bevel te geven, tot
het in zee werpen der gestorvenen. Bezweken er niet
genoeg g,an ziekten en ontberingen van allerlei aard,
-ocr page 70-
56
DE GOEDE HERDER.
dan had de gruwzaamheid andere middelen bij de hand,
om eene opruiming- te bewerken. Door verstikking
stierven er soms tientallen in het uur. Dat werd door
die beulen de kunstbcwerking der groote schoonmaak
geheeten.
Zullen wij hier ook nog gewagen van de vierhon-
derd priesters, die weken, ja maanden lang ten anker
lagen op de reede van het eiland Aix?
Matelooze ellende was ook hun deel. Al wat zij van
deze wereld zagen, was het dorre zand van Oléron,
het uitspansel boven hunne hoofden en de wateren
der rusteloos woelende zee om hen. Lompen, afzich-
telijke lompen dekten hun vermagerd lijf, pestwalm
omzweefde hen in het hol, waar zij bijna voortdurend
opgesloten zaten. Als het walgelijk voedsel hun werd
voorgeworpen schaarden zij zich in groepen van twaalf,
en nuttigden het met vinger en duim.
Men vraagt zich met verwondering af, hoe de recht-
vaardige God zooveel gruwelen kon gedoogen; hóe
het mogelijk is, dat de zee niet openscheurde en die
revolutionnaire monsters levend verslond!
Was het lot van hen, die op bevel van Carrier —■
een bloeddorstige, die van Frankrijk een groot kerkhof
wilde maken — bij menigte direct in de Loire verdronken
werden, menschelijkervvijze gesproken niet te benijden?
Een enkel oogenblik en zij waren uit hun lijden
verlost, terwijl de gedeporteerden, onder onnoemlijke
pijnen, vaak weken en maanden tusschen leven en
dood zweefden.
-ocr page 71-
DE GOEDE HERDER.                              57
Maar niet allen kwamen om. Sommigen hunner
brachten er het leven af. Op schier wonderdadige
wijze zegevierde hun gestel op de wreedheid en de
moordzucht hunner beulen.
Ongelukkigen! gij waart bevoorrecht te noemen,
zoo uw lichaam de prooi was geworden der roofvis-
schen tijdens de lange bange reis, of thans voortge-
dreven werd, koud en levenloos, door de baren van
den Oceaan.
Wat wacht u ginds op Guyana met zijn gevloekt
klimaat en zijne schrikwekkende natuur?
Des daags eene brandende zon, die u doet versmach-
ten ; des nachts meestal eene geweldige koude, die het
bloed in uwe aderen stolt. Nevels en moerasdampen
zullen u omhullen als met een giftig kleed; slangen
en monsterachtige padden u doen sidderen van angst.
Een heirleger van muskieten, door verstikkende
rookwalmen niet te verdrijven, zal u de nachtrust onmo-
gelijk maken, en u pijnigen zonder duur.
De huidworm, tegen wiens aanvallen het beste schoei-
sel u niet beschutten kan, zal zich nestelen in uwe
voeten, onder de nagels uwer teenen zijne eieren leg-
gen en u folteren dag en nacht.
Kortom, al de plagen dezer aarde zullen u te ge-
lijk kiezen tot hare prooi en uw afgetobd lichaam
duizend dooden doen sterven.
Van den kant der menschen geen troost, geen hulp
of opbeuring. Slechts koude onverschillige gezichten
om u heen.
-ocr page 72-
DE GOEDE HERDER.
Erger nog: dikwijls zal de haat u volgen met zijn
duivelschen grijnslach en uwe ooren teisteren met zijne
vloeken en godslasteringen.
Wanneer het bruisen der zee tot u doordringt, en
als een verre groet uit Europa, uit het dierbaar ge-
boorteland u tegenklinkt, dan zult gij tevens herinnerd
worden aan den onmetelijken afstand, die u scheidt
van wat is samengegroeid met uw hart.
Met tranen in de oogen, de kwellingen van het
knagende heimwee in de kranke borst zult gij de han-
den uitstrekken naar het onbereikbare, tot de Heer in
zijne eindelooze barmhartigheid den draad uws levens
afsnijdt, en ook u, levend begravene, rampzaligste der
stervelingen, oproept tot zijne heerlijkheid.
Dien dag zal er een juichtoon zijn op uwe lippen,
want gij zult hem den schoonsten prijzen van uw be-
staan! Ziedaar het lot der gedeporteerden, niet in al
zijne schrille kleuren, maar naar ons zwak vermogen
en naar waarheid afgeschilderd.
Men heeft de fouten en de misslagen der Fransche
geestelijkheid breed uitgemeten; men heeft niets ver-
zwegen of vergeten, van wat haar als smaad kon wor-
den aangewreven. De schande van enkele harer leden
heeft men doen terugvallen op het gansche lichaam.
Zullen wij protest aanteekenen tegen deze schreeu-
wende onrechtvaardigheid? Laat ons liever vragen: Is
het lijden dezer grijsaards alleen niet voldoende, om
de afdwalingen uit te vvisschen van hen, die zich ver-
gaten ?
-ocr page 73-
DE GOEDE HERDER.
59
Doen de glansen van de martelkroon, welke straalt
om den zilveren schedel dezer zeeghaftige bloedgetui-
gen niet het schandmerk vergeten, dat lauwheid en
plichtverzuim, zucht naar aardsch genot, wereldzin en
het afwijken van den rechten weg op het gezalfde
hoofd van sommigen drukte?
Het meest doorslaande bewijs, dat het bederf der
eeuw niet zoo diep was doorgedrongen in den boezem
der geestelijkheid, als de vijanden van onzen heiligen
godsdienst boudweg beweren, is juist de standvastigheid
dezer duizenden martelaars, die het heerlijke woord van
den grooten Pius de VIIdc : „De kerk van Frankrijk
schenkt meer bloedgetuigen aan den Hemel dan geheel
het overig Europa", wisten te staven.
Waren de Fransche priesters wezenlijk zoo bedorven
geweest, als men voorgeeft; waren zij met zulk eene
ongeneeslijke blindheid geslagen geweest, voor al wat
het hemelsche betrof; hadden zij slechts meer oog ge-
had voor het aardsche en de kortstondige vreugde
dezer wereld, zij hadden niet kunnen verduren, wat zij
verduurd hebben. Zij zouden geen slachtoffers van,
maar willooze werktuigen in de handen der volksmen-
ners geworden zijn.
Men had ze zien optreden als machtige bondgenooten
van het leger der goddeloosheid, om Frankrijk sneller
en met meer zekerheid neer te storten in den afgrond,
op welks boorden het gebracht was door de philosofen
en hunne leerlingen.
Zou de Heer aan onwaardige en trouwelooze die-
-ocr page 74-
60
DE GOEDE HERDER.
naren, die slechts acht sloegen op hetgeen bloeit in den
tijd en het heiligdom ten oneer verstrekten, zoo heerlijk
-eene martelkroon hebben willen schenken?
Neen, een dood als de hunne kon niet de echo zijn
van een slecht leven. Wie van deze geestelijken inder-
daad bedorven was, sloot zich bij de Omwenteling aan
•en werd een harer huurlingen, zooals Chabot, Lebon,
Roux, Bernard, enz.
Hij zonk weg in den poel der bedorvenheid als een
Bernard, die eenmaal in de Nationale Vergadering
durfde reppen van „de erfsmet des priesterschaps, welke
hem aankleefde."
Wie zich door lichtzinnigheid en aardschgezindheid
had laten verleiden, om tot op zekere hoogte twee
heeren te dienen: God en de wereld, hem werden door
de vervolging de oogen geopend, en hij keerde met
•een rouwmoedig hart terug tot zijn plicht.
In den smeltkroes van het lijden werd hij gezuiverd
van den roest der ondeugden en afdwalingen, en bracht
met de velen, die de heiligheid van hunnen staat immer
hoog gehouden hadden, den Heer edelmoedig het offer
zijns levens.
Dus, meenen wij, is de zuivere waarheid, die door
haat en vooroordeel wel een wijl verduisterd worden
kan, maar daarna te schitterender de nevelen der dwa-
ling en des lasters verscheurt, en stralen blijft in on-
.gevlekten luister de eeuwen door.
-ocr page 75-
P\'O-i i_o *■ i t i-firi-riri-n n-n.n o. n.o iid.ij >, j ruiwit n-u n_t ju o-ii nw.n-oxxxï ong
fctJtf U"U \'.TXJtrTJTJ-tJTJTJ U~U O U t < i \' ■> f \'t \'i rr\'"> i\' \'"\' \' * t i r i f i T ) ~T> ZTTTD CFÏfTJXXV?
TI.
iet enkel in hare duizenden martelaren, die-
door de guillotine, den kogel of op andere
wijze het leven lieten voor plicht en gewe-
ten, wist de Kerk van Frankrijk onwelkbare
lauweren te winnen.
Honderden harer kinderen hadden alles veil, om
hunne broeders te troosten en te sterken. Gelijk Paulus
moeite noch gevaren ontzag en zijn leven aanhoudend
in de waagschaal stelde, ten einde velen voor Chris-
tus te winnen, zoo gingen onderscheidene priesters van
huis tot huis, van wijk tot wijk, van stad tot stad. Zij
brachten met gevaar van leven en vrijheid, enkel en
alleen gedreven door hun zucht tot redding der zielen,
vrijgekocht door Jesus\' Bloed, heul en troost aan de
schapen, welke, zonder herder, aan duizend verzoe-
kingen waren blootgesteld.
Zij vormden de keurbende, die, met de wapenrusting
Gods bekleed, onbeschroomd den vijand tegemoet trad-
-ocr page 76-
02
DE GOEDE HERDER.
Zelfs gedurende de heftigste periode van het Schrik-
bewind toefden op verschillende plaatsen religieuzen
van beider geslacht.
In het geheim volgden zij hunnen regel. De decre-
ten der godsdiensthaters konden wel door eene enkele
bepaling vijftig duizend kloosterlingen van hunne recht-
matige bezittingen berooven en hen op straat werpen, zij
vermochten niet, spijt het heirleger van spionnen en
handlangers, de schoone bloem der kloosterorden uit
den vruchtbaren Franschen bodem te rukken. Zij kon
vertrapt en vertreden, niet vernietigd worden.
De vrome lofzangen der. Gode toegewijde maagden
klommen evenzeer als vroeger in de gelukkigste, rus-
tigste dagen ten hemel.
Dat wisten de vervolgers zeer goed. Maar zij ston-
den onmachtig tegenover dezen, welke alleen gewa-
pend waren met het gebed.
Wie weet, of het niet op de smeekingen dier reine
zielen was, dat Frankrijk niet dieper afdaalde in den
afgrond der zedeloosheid en barbaarschheid. Wie weet,
of de barmhartige God, altijd geneigd tot ontferming,
die ter wille van eenige rechtvaardigen Sodoma en
Gomorrha zou gespaard hebben, ter wille van haarde
jaren van verschrikking en ellenden niet bekort heeft!
Meer dan bovenmenschelijke moed en geestkracht
werden in dien tijd van den priester gevorderd, die
aan de zaligheid zijns naasten wilde arbeiden.
Niet minder werden doodsverachting en onthechting
van het aardsche geëischt van ieder, die een bedienaar
-ocr page 77-
DE GOEDE HERDER.                              63
van den godsdienst schuilplaats wilde verstrekken en
onderhoud. Verraad toch gold in dit geval voor eene
burgerdeugd.
Wie een geestelijke in de handen zijner vervolgers
overleverde, mocht niet enkel op de vastgestelde pre-
mie rekenen, hij kwam bovendien in hooge gunst bij
hen, die naar willekeur over dood en leven beschikten.
Als schimmen slopen de spionnen voortdurend om
de woningen der verdachten. Dag en nacht, lagen zij
in hinderlaag, en namen alle middelen te baat, om de
een of andere prooi machtig te worden en zoo het
Judasloon te Avinnen.
Dienstboden verrieden hunne meesters, bloedverwanten
hunne bloedverwanten. Naast treffende voorbeelden
van trouw en gehechtheid zag men de laagheid vaak
in hare gansche verachtelijkheid optreden.
Plotseling meestal drongen de sansculotten de hui-
zen binnen en doorsnuffelden alle hoeken en kasten.
Werd er niets gevonden, dat stof tot eenige aanklacht
opleverde, zij wisten zich schadeloos te stellen voor de
Vergeefsche moeite door hunne verniel- en hebzucht
den vrijen teugel te vieren.
Doch al de gevaren, waaraan hij zich blootstelde,
konden in de borst van den priester het apostolisch vuur
niet dooven, zoomin als zij den Katholieken konden be-
letten hem hunne gastvrije woningen te ontsluiten.
In kelders en verborgen kasten, in duiventil en hoen-
derhok, in geheime vertrekken en tusschen dubbele
wanden, overal hielden zich priesters schuil.
-ocr page 78-
64                             DE GOEDE HERDER.
De vindingrijke liefde was onuitputtelijk in het schep-
pen van de vreemdsoortigste schuilhoeken.
Laten wij trachten, door het vermelden van eenige
bijzonderheden uit het roemrijk apostolaat van eenige
geestelijken een denkbeeld te geven van de zelfopoffe-
rende naastenmin, welke zoo menig onversaagd pries-
ter dreef, om zijne veiligheid er aan te wagen, en te mid-
den van de grijpende wolven, wier offer hij zonder twijfel
den een of anderen dag worden moest, de verstrooide
kudde van Jesus Christus te weiden en te beschermen.
Ons geloof zal versterkt worden, als wij het heerlijk
voorbeeld zien van hen, die zoo dikwijls, in strijd met
de waarheid, werden afgeschilderd als nietswaardigen,
alleen bedacht op het bijeenscharen der hun toeko-
mende tienden; als ellendelingen, zonder hart voor de
nooden des volks.
Wat velen hunner volbrachten in de ure des gevaars,
maakt de lasterlijke aantijgingen te schande van hen,
die de geestelijkheid naar het hoofd slingerden, dat zij
enkel schenen te leven, om zich vet te mesten met het
zweet en het bloed der rampzaligen, wier eenig voed-
sel bestond uit een walgelijk mengsel van zemelen en
zand, gelijk zij zeggen.
Aan hunne vertelling ontbreekt alleen nog het
sprookje, dat de nooit volprezen Revolutie den nimmer
verwezenlijkten wensch van Hendrik IV een feit deed
worden en door haar toedoen iedere Franschman des
Zondags altoos eene kip in den pot stopte.
Onder allerlei vermomming doorkruisten de priesters
-ocr page 79-
65
DE GOEDE HERDER.
het land. Ieder departement, iedere stad, ieder dorp
dikwijls had in zijn midden één of meer geestelijken,
die alles veil hadden, om hier de pasgeborenen in het
bad der wedergeboorte te reinigen, daar den huwe-
lijkszegen uit te spreken over een echtpaar, ginds den
stervenden den overgang tot beter vaderland te verge-
makkelijken en hen ter zijde te staan in den laatsten
beslissenden strijd.
Nu als marskramer, dan als landbouwer gekleed;
hier verschijnend in het nederig werkmanspak, elders
het uiterlijk aannemend van een soldaat der republiek,
wien snorren, blinkend wapentuig en martiaal voorko-
men slechts dienden, om de zegeningen van den God
des vredes te brengen in de harten van zooveel onge-
lukkigen, die van den kant der menschen niets meer
te verwachten hadden dan hoon en dood.
De christelijke liefde was den haat te sterk. De
sluwe organisatie van het duivelachtigst verradersstelsel
moest de vlag strijken voor de vrome listen van den
godsdienstigen ijver. Hij verkloekte de meest geslepen
boosheid.
Het duizendarmig monster, dat overal rondgreep, en
over
allerlei hulpmiddelen kon beschikken, moest
knarsetandend zijne onmacht "erkennen tegenover zoo-
veel moed en doodsverachting.
Onder de menigte voorbeelden, welke voor het grijpen
liggen, kiezen wij er eenige. Zijn zij weinige, ze kunnen
ten minste een denkbeeld geven van wat onvermeld
moest blijven in deze bladzijden.
5
-ocr page 80-
66                             DE GOEDE HERDER.
Wij zullen enkele oogenblikken de schreden volgen
van sommige onversaagde priesters, die, met de sanscu-
lotten op de hielen, de woningen binnengingen, om
hun heilig ambt uit te oefenen.
De mannen der Omwenteling plunderden de geschie-
denis van Grieken en Romeinen, om fraai klinkende
namen te vinden; de gansche Oudheid betaalde onder
dat opzicht tol aan de nieuwbakken heldenteelt.
Schoenlappers en verdere vertegenwoordigers van
dit of dat min geacht handwerk, die meestal van
beruchte dronkaards en straatberoemdheden in volijverige
dienaars der heilige Republiek waren verkeerd, tooi-
den zich met de namen van de grootste mannen uit
de historie.
Het wemelde van Miltiadessen en Pausaniassen, van
Aristidessen en Leonidassen; de Brutussen, Publicola\'s,
Cincinnatussen en Regulussen schitterden daarneven.
De echtgenobten en de dochters der nieuwe groot-
heden wilden bij hare vaders of echtgenooten niet
achterblijven. De Tullia\'s, Portia\'s, Clelia\'s en Cornelia\'s
waren verre van schaarsch. Het behoeft zeker niet
gezegd, dat ook de naam Lucretia opgeld deed. De
eerzame burgeressen toch, schoon niet naijverig op de
deugd der bekende Romeinsche dame, wilden ten minste
den schijn bewaren.
Op den klank der namen afgaande, zou men gezworen
hebben, dat al wat „de Oudheid grootsch en roemrijkst
had", ten tijde der Revolutie duizendvoudig herleefde.
Maar wij weten, waarin de roem en de grootheid
-ocr page 81-
DE GOEDE HERDER.                             67
van deze weidsche titelsvoerende lieden bestond. Wij
kennen hunne glorierijke wapenfeiten, het vermoorden
van schuldelooze priesters, wier eenig verdedigings-
middel het gebed was; van vrouwen en kinderen, die
weerloos stonden tegenover gewapende beulen zonder
menschelijkheid.
Zoekt men voorbeelden van echten heldenmoed, die
schande en dood trotseert, die nooit van wijken weet,
als de vervulling van een plicht tot volharding spoort
en doorzetten, dan vindt men deze in de eerste plaats
bij de gehoonde geestelijkheid. Zij herdoopten zich niet
in Scaevola etc. etc, maar door hunne daden stelden
zij meermalen de Scaevola\'s van alle tijden in de
schaduw.
Pater Séguin, de apostel van Picardië, was een der
grootsche typen van de helden onder de Fransche pries-
ters tijdens de Omwenteling.
In het nijpendst doodsgevaar verloor hij niets van
zijne tegenwoordigheid van geest. Door een vroolijken
zet redde hij meer dan eens zijn voor anderen zoo
kostbaar leven.
Een verrader bracht zekeren dag aan den hoofdman
eener bende sansculotten de tijding, dat de zwartrok,
op wien reeds zoo lang vergeefs jacht gemaakt was,
zich in de nabijheid ophield.
Dadelijk riep de ijverige aanvoerder zijne mannen
I •
-ocr page 82-
68
DE GOEDE HERDER.
samen, en deelde hun in weinig woorden mede, wat
het doel zou zijn van den tocht. Allen zwoeren plechtig,
dat de prooi hun ditmaal niet ontsnappen zou. De ge-
gevens omtrent des paters signalement en schuilplaats
waren bovendien te zeker, dan dat men zich daarin
vergissen kon.
Voorwaarts ging het in den versnelden pas, met een
licht hart, want de looze vos, die vroeger aan alle
stroppen en strikken wist te ontkomen, zou thans buiten
twijfel vanzelf in het net loopen. Men scheen zich
inderdaad niet bedrogen te hebben. Spoedig was men
het wild op het spoor.
De pater, die slechts eenige seconden behoefde, om
zijne kansen te berekenen, en het hachelijke van zijn
toestand duidelijk inzag, verzon onder het loopen een
list, waarop niemand, en allerminst zijne vervolgers,
verdacht waren.
In plaats van het dorp te ontwijken, dat hem de
republikeinsche speurhonden op de hielen zond, en ver
van die plaats een goed heenkomen te zoeken, ging
hij er, na een kleinen omweg, regelrecht op aan.
Als wist hij van den prins geen kwaad, stapte hij
met bedaarden tred door de kom der gemeente, en
trad de woning van den hoofdman der hem nazittende
Jacobijnen binnen, die vruchteloos met zijne bende den
ganschen omtrek afjoeg.
Tegen den avond kwam de man, natuurlijk met
ledige handen, buiten adem en geheel bezweet te zijnent
terug. Met eene hartgrondige vervloeking aan het adres
-ocr page 83-
DE GOEDE HERDER.                              69
der calottins in het algemeen, en aan dat van dezen
in het bijzonder, die hem voor de zooveelste maal te
slim was, wierp hij zich geheel gekleed te bed.
En de pater? Neen, ik vertel geen sprookje, maar
de zuivere waarheid, de pater zat verborgen — onder
de legerstede van den afgetobden sansculotte.
Hij verliet, toen deze door zijn luid gesnork te kennen
gaf, dat een weldadige slaap hem de vermoeienissen
en teleurstellingen van den dag deed vergeten, onge-
hinderd het huis.
Een anderen keer bestond de pater een niet minder
stout stuk. Met eene groote zweep in de hand en als
voerman gekleed, trad hij de woning van den burge-
meester van zeker dorp op klaarlichten dag binnen.
Hij moest een paar strengen touw koopen, maar ver-
giste zich — dwalen is menschelijk! — in het rechte
nummer van het huis.
Eerst toen hij op vrij stumperige manier zijn ver-
langen geuit had, bemerkte hij zijne misvatting.
De duizend en één verontschuldigingen, welke hij
aanvoerde, mochten niet baten. Mijnheer de maire, die,
in theorie wel te verstaan, druk offerde aan de alge-
meene gelijkheid, was niet weinig uit zijn humeur, dat
zoo\'n domme voerman hem, een der hechte steunpilaren
der Revolutie, voor een ellendig touwslager verslijten
dorst.
Hij stortte de fiolen zijner gramschap over den bot-
terik uit, en wees hem, onder een vloed van grove
scheldwoorden, het juiste adres.
-ocr page 84-
DE GOEDE HERDER.
7o
Geheel uit het veld geslagen en sidderend over al
zijne leden, wendde de onnoozele voerman zijne schreden
naar de aangeduide woning, wier drempel hij betrad,
God dankend voor het welslagen zijner pogingen.
Wat toch was het geval? Nu was hij veilig, waar
zijne geestelijke hulp dringend gevorderd werd: in het
huis namelijk van een stervende, wiens laatste biecht
hij kon hooren, en die, vóór een uur verstreken was,
gesterkt en gelukkig in zijne armen den laatsten adem
uitblies.
Wie kon pater Charles Roland, van de orde der
ongeschoeide Carmelieten, iets ten laste leggen? Hij
zelf was zoo volkomen van zijn onschuld overtuigd,
dat hij zijnen vrienden en bloedverwanten, die hem
rieden Salon, zijne geboorteplaats, te verlaten had ge-
antwoord : „ Wat zou ik vreezen ? Ik heb niemand leed
gedaan!"
Alsof het verspreiden van den goeden geur van
Christus, het uitmunten in weldoen en reine godsvrucht
geen redenen te over waren voor de sansculotten,
om iemand, die bovendien priester-kloosterling was,
te haten uit het diepste hunner zwarte ziel!
Toch liet hij zich door het dringend aanhouden zijner
dierbaren, welke den waren aard der revolutionnairen
beter kenden, eindelijk bewegen, naar veiliger woon-
stede om te zien. Te laat, helaas!
-ocr page 85-
DE GOEDE HERDER.
71
In den morgen van den 2oen Februari (1793) zou hij
vertrekken. Met zijn brevier, den eenigen reisgezel,
waaraan hij behoefte gevoelde, ondernam hij den tocht.
Ongeveer duizend schreden kon hij afgelegd hebben,
toen hij overvallen werd door een bloeddorstige bende,
die, op welke wijze doet niets ter zake, van zijn heen-
gaan kennis droeg, en zich in hinderlaag gelegd had,
om hem te grijpen.
Hij werd onbarmhartig gekneveld en naar Salon
teruggevoerd. Eer er drie kwartier verloopen waren,
zuchtte hij in de gevangenis van het stadje, tot groote
verslagenheid van bijna al de bewoners.
Dien dag werden drie leeken van dezelfde plaats
bij hem opgesloten. Traag kropen voor de gekerker-
den, die zich geen van allen iets te verwijten hadden,
tenzij de halsmisdaad van deugdzaam te zijn, de lange
bange uren voorbij.
Zij hoorden, hoe hunne familieleden en kennissen bij
het gemeentebestuur met luid geroep hunne invrijheid-
stelling vorderden, welke verdaagd werd tot den vol-
genden ochtend.
Tegen half elf \'s avonds kwam de hoofdman der
bende, die hen gevangen nam, hun gebieden, van
onmiddellijk met hem en zijne manschappen op weg
te gaan naar Marseille, waar zij voor de rechtbank
moesten verschijnen.
Zwijgend en met de grootste behoedzaamheid gingen
de gewapenden met hunne gevangenen, wier beulen
zij weldra zouden worden, door de eenzaamste wijken
-ocr page 86-
DE GOEDE HERDER.
72
van het sluimerend Salon, dat geenszins verdacht was
op eene gruweldaad, als in het eigen uur volbracht
zou worden.
Even buiten het stadje verhief zich eene kapel, toe-
gewijd aan de H. Maagd. Bij dit heiligdom van de
Moeder des Heeren maakten de booswichten halt en
beraadslaagden een oogenblik over het volvoeren hun-
ner helsche voornemens. Want sinds den morgen stond
het reeds bij hen vast, dat er schijn noch schaduw van
rechtsgeding zou zijn voor dezen Calottin en zijne drie
gezellen. Zonder vorm van proces moesten zij om hals
gebracht.
Een paar der ellendelingen verwijderden zich en
kwamen spoedig terug met eenige stevige koorden.
\'t Was den pater geen raadsel, waartoe die zouden
dienen. „Mijne vrienden", sprak hij tot zijne lotgenooten
„het gewichtigst uur van ons bestaan is daar. Beveelt
uwe zielen den barmhartigen God aan, Die ons voor
een kortstondig lijden zal tooien met eene onvergan-
kelijke kroon!"
Men gunde hem geen tijd, om zijne toespraak te
vervolgen. Voort ging het in vliegende vaart. Sabel-
en stokslagen dreven de slachtoffers tot spoed, en
weldra was men op de plek, welke getuige zou zijn
van den moord, op schuldeloozen gepleegd. Hier ver-
hief zich een reusachtige moerbezieboom, wiens takken
voor galg bestemd waren.
Terwijl de pater voortging, onder de beschimpingen
en de smaadredenen der beulen, zijne lotgenooten tot
-ocr page 87-
DE GOEDE HERDER.                             73
christelijke onderwerping aan te manen, en hun moed
insprak door te wijzen op beter leven, begonnen de
sansculotten de gevangenen van hunne kleederen te
ontdoen.
Een der drie leeken, Louis Mile, kleermaker van
beroep, beantwoordde in geenen deele aan de voor-
stelling, welke men zich van de leden van dit nuttig
gilde pleegt te vormen.
Groot, zwaar gebouwd, forsch gespierd, scheen hij
door de natuur eer aangewezen tot het heffen van den
wichtigen voorhamer dan tot het hanteeren der nietige
naald.
In de volle kracht des levens zich als een lam ter
slachtbank te laten voeren, was te veel gevorderd van
zijne deugd, of hoe men het noemen wil.
Toen twee der bandieten hem ontdaan hadden van
zijn jas, gaf hij beiden onverwachts zóó de volle laag,
dat zij half dood ten gronde tuimelden. Gebruik makend
van de algemeene verwarring, door zijn plotselingen
uitval ontstaan, verdween hij ras in de olijfbosschen
van den omtrek.
E enige geweerkogels, op goed geluk af den on ver-
saagden kleermaker in het duister nagezonden, deerden
slechts enkele twijgen.
Woedend over het ontsnappen van één hunner
slachtoffers, putten de beulen hunne wreedheid uit op
den armen pater.
Werden zijne twee gezellen zonder meer opgehangen,
hem kerfden en verscheurden zij onder het uitbraken
-ocr page 88-
74                             DE GOEDE HERDER.
van de afschuwelijkste verwenschingen en godslaste-
ringen. Levend sneed men hem duim en voorsten
vinger af, om hem te straffen, naar men zei, dat hij
daarmede vroeger de H. Hostie had durven vast-
houden.
Zonder een kreet te slaken doorstond de vrome
martelaar al deze folteringen. Met een „Vader, vergeef
het hun" op de lippen, gaf hij den geest.
De mantel alleen van den pater, \'s anderendaags op
de plaats van den moord teruggevonden, toonde de
sporen van 72 sabelhouwen. Ook hier vierde de mon-
sterachtige haat tegen den godsdienst en zijne dienaren
weer een schoonen triomf! Doch ook hier strengelden
Gods Engelen onwelkbare kransen om het hoofd van
drie zalige bloedgetuigen.
De Eerwaarde Heer Passenaud was een weinig hoog
in de schouders, aan welk lichaamsgebrek hij, gelijk
al zijne lotgenooten in het Zuiden van Frankrijk, den
bijnaam van „prins" dankte.
Evenals de meeste bultenaars was hij bovendien klein
van postuur. Tijdens de Omwenteling droeg hij voort-
durend de uniform van de nationale garde en was
wijd en zijd bekend als „de grenadier".
Deze kleine gebochelde priester, zoo stiefmoederlijk
door de natuur bedeeld, beschikte over eene onuit-
puttelijke dosis geestigheid, welke menig rechtgaande
-ocr page 89-
DE GOEDE HERDER.                             75
hem benijden mocht. Van zijne wanstaltigheid bediende
hij zich, om de republikeinen openlijk te verschalken.
Honderden, die op weg waren naar het schavot,
begroetten in den misvormden, dwergachtigen grena-
dier een Engel des Heeren, welke hun de laatste
schreden op den pijnlijken levensweg verzoette, hun
heimelijk de H. Absolutie schonk en de poorten des
hemels ontsloot. Zijne verschijning alleen was voor de
ongelukkigen een lichtstraal uit den hooge, welke hun
hart vervulde met blijde hoop en frisschen moed.
Er brak eene besmettelijke ziekte uit, die geweldig
om zich heen greep, vele slachtoffers maakte en den
kleinen priester handen vol werk gaf.
Met de H. Ciborie in de patroontasch spoedde hij
van het eene huis naar het andere. De nood, waarin
de lijdenden verkeerden en zijn brandende zielenijver
deden hem de gewone voorzichtigheid uit het oog
verliezen.
Te veel vertrouwend op zijne uitstekende vermom-
ming, gaf hij geen acht op de sansculottten, die zijne
gedragingen bespiedden en zijn gaan en komen vol
wantrouwen gadesloegen. Vóór hij er op verdacht kon
zijn, bevond hij zich bij het verlaten eener woning
plotseling te midden eener bende republikeinen, welke
hem niet zeer kameraadschappelijk verwelkomden.
Uitmuntend kwam hem de aangeboren gevatheid
nu te stade. In een oogwenk had hij zijn toestand
overzien en de te volgen gedragslijn afgebakend.
Hij behield zijne kalmte en gewone goede luim, en
-ocr page 90-
/6
DE GOEDE HERDER.
riep, vóór hem eene enkele onbescheiden vraag
kon gesteld, op luchtigen toon: „Uit den weg, uit den
weg! Al heeft de republiek allen voorrechten den nek-
slag gegeven, het privilege der bultenaars bleef in
eere. Daaraan heeft zij heel wijselijk niet getornd en
zal zij ook in de toekomst niet tornen. Plaats dus
voor den prins, vrienden! \'t Is de grenadier, die het
u beveelt!"
Een uitbundig gelach steeg uit de hem omringen-
den op. De dreigende blikken en gebaren waren als
bij tooverslag verdwenen; de vroolijkheid werkte zoo
aanstekelijk, dat het in geen enkel hoofd meer op-
kwam den kleinen, oolijken snaak verder te onder-
vragen. Onder potsierlijk eerbetoon gunde men „den
prins" een doortocht, die, links en rechts buigend, vei-
lig het wespennest ontkwam, en elders de troostmid-
delen der H. Kerk ging brengen.
Waardig sluiten de twee volgende voorbeelden zich
bij het voorgaande aan. De Eerwaarde Heer Trouil-
lard was, terwijl hij zijne herderlijke bediening waar-
nam, in de strikken zijner vijanden geloopen.
De woeste bende, welke hem in haar midden voort-
sleurde, was samengesteld uit hardvochtige en bloed-
dorstige krijgers.
Reeds twintigmaal hadden zij op het punt gestaan,
den priester aan sabel of bajonet te rijgen, doch \'t was
-ocr page 91-
DE GOEDE HERDER.
77
telkens bij de bedreiging gebleven. Daar komen ze
een dorp binnen, en de altoos dorstige sansculotten
doen zich weldra te goed aan den wijn, dien zij bij de
voornaamste ingezetenen lieten opeischen.
„Hier, zwartrok! neem ook een glas", riep een
der zwelgers, bij wien de wijndampen de gemoede-
lijkheid deden bovendrijven, en hij bood met onvaste
hand den priester zijn glas, gevuld tot den rand.
„Drink niet daaruit, Calottin," schreeuwde een an-
dere van den troep, want de kerel lijdt aan eene be-
smettelijke huidziekte."
„Op uwe gezondheid, vriend," sprak de geestelijke
kalm tot den dronkaard, en ledigde rustig het glas.
Zich daarop met lachend gelaat tot den bezorgden
raadgever wendend, vervolgde hij: „Beste man, de
kwaal van uw vriend zal zich moeten haasten, zoo ze
mij plagen wil."
Hij sprak als ziener, want denzelfden dag nog viel
de onverschrokken apostel onder het staal zijner vij-
anden.
Een ander pastoor werd door eene bende republi-
keinen in het open veld nagezet. Hij beschikte echter
over een paar zoo stevige en vlugge onderdanen, dat
hij al zijne vervolgers, op ééne uitzondering na, ver
achter zich liet. Eén soldaat bleef hem met de grootste
hardnekkigheid volgen, zelfs toen zijne makkers reeds
lang den koop opgegeven hadden. Hij moest en zou
het opgejaagde zwarte wild vangen, naar het scheen.
De priester komt aan eene snel vlietende beek,
-ocr page 92-
78
DE GOEDE HERDER.
welke door de aanhoudende regens tot eene kleine
rivier gezwollen was.
Met een forschen sprong bereikt hij den tegenover-
gestelden oever, maar terwijl hij den zoom van een
herbergzaam woud nadert, hoort hij achter zich een
benauwd hulpgeschrei.
Hij wendt het hoofd, en ziet den ijverigen dienaar
der Revolutie in wanhopige worsteling met het wie-
lende nat. De man is verloren, zoo er niet onmiddellijk
hulp wordt geschaft. De priester bedenkt zich geen
oogenblik. Hij ijlt terug op zijne schreden, springt te
water, en brengt zijn vervolger op het droge.
De sansculotte is binnen weinige minuten bekomen.
„Hoor eens, vriend," zegt de pastoor, „ik vorder geene
dankbaarheid voor dezen kleinen dienst. Flink door-
stappen is ons beiden noodig, willen we ons de koorts
van het lijf houden.
Wees echter billijk en zet me niet na, eer ik mijn
vroegeren voorsprong herwonnen heb."
Met deze woorden liet hij den verbluften soldaat alleen.
Maakte het bewonderenswaardig gedrag van den
edelen priester, die de les van den goddelijken Heiland
„Doe wel, aan wie u haten," zoo heerlijk in toepassing
bracht, indruk op het hart van zijn gezworen vijand ?
We weten het niet. Tot eer der menschheid dient
echter gezegd, dat ook de sansculotte den stormpas
aannam, maar dat zijne richting de tegengestelde van
die des pastoors was.
-ocr page 93-
DE GOEDE HERDER.                              79
Toen de storm, tegen de geestelijken, welke den
eed op de Constitutie weigerden, steeds heviger werd,
en deze trouwe herders eindelijk dwong hunne dier-
bare kudden vaarwel te zeggen, hadden een achttal
priesters zich teruggetrokken in het nederige dorpje
Naves (Ardèche).
De orkaan, die over Frankrijk heenvoer, dreigde
hen niet met verderf en dood in deze stille afzondering.
Vergeten door de menschen, leefden zij er in de eenzaam-
heid met God, hunne uren verdeelend tusschen het gebed
en de studie.
Het verraad, dat overal rondsloop, en alle booze
driften en hartstochten in zijn dienst had, ontdekte
helaas! al te spoedig de prooi, welke voor de sans-
culottische moordenaars ook hier te bemachtigen viel.
„Een spion heeft al uwe gangen gadegeslagen, en
u verraden. Weest op uwe hoede, want uwe vervolgers
slapen niet!" dus werd hun op zekeren morgen ge-
meld. Zij handelden volgens dien raad en waren op
hunne hoede.
Door trouwe vrienden gewaarschuwd, als het minste
gevaar dreigde, verscholen zij zich in eene grot, die
door ruwe steenklompen, welke er om heen verspreid
lagen, en een gordijn van levend groen, waarmede zij
omhangen was, ongenaakbaar en tevens onvindbaar
heeten mocht. Al deze voorzorgen baatten niets!
De vijand wist de waakzaamheid hunner bescher-
mers te verschalken, en terwijl de niets kwaads ver-
moedende priesters in het stille vreedzame dorpskerkje
•
-ocr page 94-
8o                            DE GOEDE HERDER.
hunne getijden lazen, stormden de republikeinen eens-
klaps met vervaarlijk geschreeuw naar binnen.
Zonder tegenstand lieten de geestelijken zich in
boeien slaan en opsluiten in het raadhuis der gemeente.
De rechter, die uitspraak doen moest in het rechts-
geding, hun aangedaan, was een zeer bezadigd man,
wiens eigen broeder met eere het geestelijk gewaad droeg.
Wat legde men den gevangenen ten laste ? Zij hadden
hunne parochie verlaten, achtten den eed op de Constitutie
in strijd met de uitspraken van het hoogste kerkelijk
gezag op aarde; weigerden gehoorzaamheid in datgene,
wat ze voor ongeoorloofd hielden. Verdienden zij des-
wege den dood?
De rechter weigerde het „schuldig" over hen uit te
spreken, al druischte dat in tegen het verlangen der
moordlustige republikeinen, die niets liever wenschten,
dan hunne wreedheid aan deze schuldeloozen den
vrijen teugel te vieren.
Maar de invrijheidstelling volgde evenmin als het
doodvonnis. Hoe dat kwam? Vóór daartoe kon over-
gegaan, had een hooger rechterlijk ambtenaar, met
beter republikeinsch bloed in de aderen zijne intrede
gedaan in het dorp. Hij wilde van geen loslaten hooren,
doch deed evenwel ook geen uitspraak naar het hart
der bloeddorstige menigte. De man der wet reisde
naar elders, de priesters bleven gekerkerd en brachten
in de grootste spanning eenige treurige dagen door.
Wat zal ons lot zijn ? vroegen zij zich af, en de nabij-
heid der sansculotten, die dag en nacht om hunne
-ocr page 95-
DE GOEDE HERDER.                              8l
gevangenis slopen als hongerige wolven om de schaaps-
kooi, spelde weinig goeds.
Omstreeks den middag van den 14°" Juli schoolde
eene woeste menigte voor het raadhuis samen en eischte
onder moordgeschrei de uitlevering der Calottins.
Toen aan hunne vordering geen gehoor werd gege-
ven, liepen zij de deuren open, stormden de gang in,
en stonden weldra voor het vertrek, dat den priesters
tot kerker diende. De Eerwaarde Heer Bravard, die
onmiddellijk voorzag, wat het einde wezen zou, trad
op zijne lotgenooten toe en sprak: „Lieve vrienden,
ons laatste uur slaat. Laten we ons voorbereiden tot
sterven!"
Die voorbereiding moest kort zijn en kon dat geluk-
kig wezen, wijl zij reeds maanden lang de overtuiging
met zich omgedragen hadden, dat het ieder oogenblik
voor hen klinken kon: „Zie, de Bruidegom komt!"
en zij als de wijze maagden gereed waren.
Toen de laatste hinderpaal uit den weg was geruimd
en het republikeinsche grauw zich meester zag van het
terrein, door het wettig gezag onverdedigd gelaten, wer-
den de geloofshelden naar buiten gesleurd.
De eerste drie, welke aangegrepen werden, waren
de Eerw. Heeren Claudius Bravard, Lejeune en Clé-
menceau de la Bouillerie.
Onder scheldwoorden, vloeken en allerlei onwaar-
dige behandelingen dreef men dit drietal voort naar
eene open plaats, ongeveer vijftig schreden van het
raadhuis verwijderd.
6
-ocr page 96-
82
DE GOEDE HERDER.
Deze plaats was voor de uitvoering van het vonnis
bestemd.
Een der beulen spuwde den Eerw. Heer Bravard,
een grijsaard van 70 jaren, in het eerbiedwaardig
gelaat.
Met een glimlach antwoordde de ouderling op dezen
menschonteerenden smaad en verdroeg gelaten, wat
zijn goddelijk Voorbeeld eenmaal zwijgend en onder-
worpen had doorstaan. Kalm bad hij voort aan zijn
rozenkrans, tot de marteldood zijne tong deed verstij-
ven. De ellendeling, die hem den genadeslag toebracht
getuigde later, door wroeging verscheurd: „O, de mijne
(mijn slachtoffer) ging recht naar het Paradijs."
De Eerwaarde Heer Lejeune ontving van een der
soldaten een kaakslag. Jonger en vuriger van aard dan
zijn metgezel Bravard, vergat hij zich een oogenblik
en slingerde dien beulsknechthet woord „ellendeling!"
naar het hoofd.
Maar weldra herinnerde ook hij zich den Man van
smarten, Die zich als een lam ter strafplaats voe-
ren liet.
De blos der verontwaardiging week van zijne wan-
gen, de gloed des toorns in zijn oog verglom en met
stille onderwerping, verduurde hij zijne vele kwel-
lingen.
De Eerw. Heer Clémenceau zakte weldra stervend
ineen. Zijn gansche lichaam was slechts ééne wonde.
Door een sabelhouw was zijn hoofd nagenoeg in
tweeën gespleten. Eene bede tot God om vergiffenis
-ocr page 97-
DE GOEDE HERDER.                              83
voor zijne beulen was de jongste zucht, die zijne borst
ontwelde.
De vijf overige geestelijken, de E.E. H.H. Bonyol,
Montagnon, Faure, Dröme en Nadal stierven niet min-
der treffend. Wat beproefde die ellendige apostaat,
welke aan hunne zijde voortschreed, hen tot het afleg-
gen van den constitutioneelen eed te brengen ?
Zij antwoordden hem geen enkel woord, maar staar-
den met den lach der gelukzaligen om de lippen naar
■den hooge. Zagen zij, als de eerste Bloedgetuige, de
hemelen open gaan en Jesus Christus, den Koning der
Martelaren, staande aan de rechterhand der kracht Gods ?
Pater Joannes Ignatius Lessus was een heilig priester
van de orde der Karthuizers.
Jaren had hij reeds met de beschouwing van het
hemelsche doorgebracht, toen de omwenteling ook hem
evenals zoovelen anderen in naam der vrijheid gebood
te gaan, waar hij niet wilde. Zij dwong hem, terug te
keeren in eene wereld, wier stormen hij zoo gelukkig
ontkomen was, en van welke hij niets vroeg of be-
geerde.
Wat zou de vrome dienaar Gods doen ? Gelegenheid
om uit te wijken en elders de rust te zoeken, welke
de geboortegrond hem weigerde, was er te over.
Doch in zijn hart klonk eene stem, welke hem riep
tot geheel andere dingen. „Geen rust, maar zvvaren
-ocr page 98-
84                             DE GOEDE HERDER.
arbeid ; geen hemelsche beschouwingen, maar moeizaam
slaven in den wijngaard des Heeren, vraag ikvanii."
Dus sprak God, en de gehoorzame dienaar verkoos-
den gevaarlijken werkkring van den zwervenden volks-
missionaris boven de veiligheid in vreemde gewesten.
Met een grootmoedig hart bracht hij den Hemel bij
voorraad het offer zijns levens en begon onversaagd,
doch met de uiterste voorzichtigheid zijne netelige
zending.
Geheel Franche-Comté was zijn arbeidsveld en het
tooneel zijner heldendaden tevens. Geen gevaar was
hem te groot, waar de zaligheid eener ziel op het
spel stond. Zijn moed grensde vaak aan roekeloosheid.
Als marskramer gekleed, met een grooten korf koop-
waren op den rug klopte hij eens tegen het vallen
van den avond bij den maire van zeker dorp aan,
wiens grimmige haat, tegen al wat den godsdienst
betrof, overbekend was.
De naam des Allerhoogsten alleen was in staat hem
te doen schuimbekken als een dolle hond.
In een halven roes zat die dorpsgrootheid zich te
verkwikken aan een gedeelte der provisie, welke de
kelder zijner slachtoffers hem kosteloos had verschaft.
Spijt de werking van den wijn, geschapen om het
hart der menschen te verheugen, was hij in eene nurk-
sche stemming.
En geen wonder! De brief, die nog geopend vóór
hem op tafel ligt, behelst het tegenovergestelde van
een pluimpje voor zijne schranderheid, zijnen dienstijven.
-ocr page 99-
S5
DE GOEDE HERDER.
Onomwonden wordt daarin gezegd, dat men het
niets aardig van hem vindt, dat hij pater Lessus onge-
straft laat rondloopen, en niet slim genoeg is, om diens
sluwheid te verschalken.
Juist had hij met een kwaadaardigen zwaai zijne
snorren opgestreken en gemompeld: „Als die ezels
den doortrapten Lessus kenden gelijk ik hem ken, ze
zouden wel anders spreken!" toen er bedeesd, doch
goed hoorbaar aan zijne deur getikt werd, en onze
marskramer binnentrad.
Men begrijpt, met wat vriendelijk gelaat hij welkom
werd geheeten.
De man bemerkte er niets van, en bood met het
onnoozelste gezicht der wereld zijne snuisterijen te
koop, terwijl hij op temenden toon hare deugdelijkheid
opvijzelde en jammerklachten aanhief over de slechte
tijden.
Neen, hij had geen oog voor de gramschap, de woede
van den beschonken revolutie-man, die hem met fon-
kelende oogen aanstaarde!
Langzaam en droomerig zong hij den lof zijner
koopwaren, tot de getergde dronkaard, zich zelven
niet langer meester, hem in eene vlaag van razernij bij
den kraag greep en de deur uitwierp met de lieflijke
woorden : „Vervloekte wauwelaar, martel anderen met
je vodderijen!"
Met bevende hand raapte de gewaande marskramer
zijne negotie uit de modder, en spoedde zich op een
sukkeldrafje verder. Waarheen? Naar de hut eens
-ocr page 100-
86
DE GOEDE HERDER.
armen, honderd schreden ongeveer van de woning des-
burgemeesters verwijderd.
Ongestoord kon hij de biecht hooren van den kranke
en hem het Brood der sterken uitreiken, vóór hij de
gewichtige reis naar de eeuwigheid aanvaardde.
De sansculotten, die getuigen geweest waren van
het ongelukkig verloop van den handel des marskra-
mers, en het hadden uitgeschaterd bij \'t zonderling
avontuur, vermoedden niet, hoe de priester juichte in
zijn hart over het welslagen van een list, welke het
eenig mogelijke middel bood, om tot den in doodsstrijd
liggenden man te kunnen doordringen.
Een anderen dag werd hem door een vertrouwd
persoon bericht, dat in zekere naburige plaats iemand
gevaarlijk ziek lag, en met aandrang om de laatste
H.H. Sacramenten verzocht.
De vervolging was op haar hevigst en de speurhon-
den der Conventie, die de lucht gekregen hadden van
den toestand des lijders, dachten niet ten onrechte, dat
zich nu eene goede gelegenheid voordeed, om een
zwartrok in handen te krijgen.
Dag en nacht lagen zij in hinderlaag. De woning,
waar de kranke verbleef, werd voortdurend scherp
bewaakt.
De heer des huizes, een welgezeten burger, was
een oprecht vriend der noodlijdenden. Wie hunner
zich bij hem aanbood, ging niet ongetroost heen.
Van deze omstandigheid dacht de moedige priester
partij te trekken.
-ocr page 101-
87
DE GOEDE HERDER.
Hij liet zich niet afschrikken door het kwade fortuin
van een kloek ambtgenoot, die het ook gewaagd had
den zieke te naderen, maar onverrichterzake moest
heengaan en slechts met de grootste moeite aan zijne
vervolgers ontkomen kon. In eene armelijke plunje
gestoken mengde zich de pater onder de behoeftigen,
die zich voor de deur van hunnen weldoener ver-
drongen.
Gelijk iederen Zondag werd op het gestelde uur de
toegang ontsloten en kregen de armen de voor hen
bereide soep, welke de dochter van den edelen man
hun met eigen handen toedeelde.
De pater vroeg niet om zijne portie, bleef onopge-
merkt en onderging het gewone lot der al te groote
bescheidenheid: hij kreeg in het geheel niets.
De maaltijd der nooddruftigen was geëindigd; de
een verdween na den ander.
Wat zou pater Lessus doen ? Hij wist, dat tientallen
van vijandige oogen hem begluurden, en durfde dus
taal noch teeken geven, om zich bekend te maken.
Hij verliet het vertrek, doch zoo heengaan, neen,
dat was te veel gevergd van zijn priesterlijk hart.
Besluiteloos verwijlde hij een oogenblik op den drempel.
De weldoenster der armen, die hem daar zag staan, be-
zag hem oplettend, en herinnerde zich hare onachtzaam-
heid, welke oorzaak was, dat zij dien blooden bedelaar
vergat. Zij snelde naar hem toe, bood hem hare veront-
schuldigingen aan, en noodigde hem vriendelijk uit —
in het bijzijn der omstanders — zijne schade te ver-
-ocr page 102-
SS
DE GOEDE HERDER.
halen op het overschietende. Dankbaar werd het voorstel
aangenomen.
Toen de bedelaar tien minuten daarna den terugweg
aannam, steeg van het ziekbed een blijde lofzang ten
Hemel, Die den stervende de H. Teerspijs had doen uit-
reiken, waarnaar hij smachtte met brandend verlangen.
Hoe voortreffelijk pater Lessus zich wist te vermom-
men, blijkt wel hieruit, dat zijn eigen vader, die hem
nog kort te voren "gezien had, eens op het punt stond,
hem aan de deur te werpen. Hij beschouwde hem als
een landlooper, die met kwade bedoelingen heel vrij-
postig zijn drempel overschrijden dorst.
Eerst toen het vroolijk gelach van den zoon weerklonk,
zag de vader zijne dwaling in, en omhelsde met aan-
doening zijn onversaagd kind, dat met blij en kalm
hart dood en verschrikking te gemoet ijlde.
Men meene niet, dat de moedige geestelijke alleen
het kleed der armoede droeg. Het tegendeel is waar.
Zijne gewone kleeding was die van gendarme. Als een
echte ijzervreter, wiens bovenlip geweldige snorren
sierde, trad hij menigmaal gelaarsd en gespoord de
gevangenissen binnen.
Niemand dacht, dat de man met de militaire hou-
ding en de lange sleepsabel, die kletterend langs de
steenen vloog, een Engel des vredes was.
Hoevelen, die in den kerker smachtten naar een en-
kel woord van troost, gelijk eene kwijnende bloem naar
den frisschen zomerregen, wist hij verschen moed in te
storten.
-ocr page 103-
DE GOEDE HERDER.                               89
Dezen bracht hij opbeuring, genen wekte hij op tot
onthechting van het aardsche; anderen weder wees hij
op beter vaderland, waar, voor de kwellingen van kor-
ten duur, vreugde wachtte zonder eind.
Honderden, die hem met angstig kloppend hart za-
gen binnenkomen, als een bode des doods, hun gezon-
den, om het over hen gevelde vonnis aan te kondi-
gen, staarden hem na, de oogen vol dankbare tranen,
als hij hun kerker verliet, waar hij den balsem der hemel-
sche verkwikking achterliet en de hoop op beter leven.
De dienaars van de Republiek, die volkomen op de
hoogte waren van de waagstukken des paters, doch
hem, trots hunne ijverige pogingen, maar niet in han-
den konden krijgen, waren buiten zich zelven van spijt.
Als zij hem hier zochten en zeker waren van hem
te vangen, was hij menigmaal reeds uren verderop.
Zoo hadden zij hem zekeren dag de woning eener
zieke zien binnensluipen, en omsingelden ijlings met
man en macht het huis, waarin hij zich bevond.
Zij doorsnuffelden alle hoeken en kanten, maar von-
den niets.
Even vóór zij aankwamen, had de geestelijke langs
een dakvenster de belaagde plek verlaten, was op han-
den en voeten, vlug als een kat, over den achterkant
van eenige daken geklauterd, en zat reeds hoog en
droog tusschen eene partij brandhout op den zolder
van iemand, die voor geen schatten een calottin ver-
borgen zou hebben, toen men hem bij de kranke dacht
te vangen.
-ocr page 104-
DE GOEDE HERDER.
9o
De kansen stonden echter met den dag hachelijker
voor den pater. Wat te voorzien was, gebeurde ein-
delijk. De sansculotten kregen hem in hun macht.
Hij had zich bij een molenaar te Chaffoy verbor-
gen, toen de Blauwen zijne schuilplaats ontdekten. In
triomf werd de geloofsheld naar de gevangenis ge-
sleept,
                                                                   r
Al wat de Revolutie een warm hart toedroeg juichte
over de vette vangst. De man, die den pater had dur-
ven herbergen, Javaux genaamd, deelde met zijne broe-
ders en zusters diens lot: zij allen werden met hem
gekerkerd.
Op genade viel niet te rekenen. Den 2^a Augus-
tus 1794 werd over den onverschrokken priester het
doodvonnis uitgesproken. Met eene hemelsche kalmte,
die slechts het hart der Heiligen in zulke omstandig-
heden kent, bereidde hij zich voor tot den beslissen-
den stap, ofschoon zijn gansche leven, vooral de laat-
ste maanden, eene gestadige voorbereiding tot den
dood was.
Hij scheen de aarde reeds vergeten, toen de zorg
voor het heil der zielen hem voor een wijl van het
hoogere aftrok.
Javaux, die eveneens ter dood veroordeeld was, en
die tot nu een moed getoond had, welke bewonde-
renswaardig heeten mocht, voelde zich eensklaps be-
angst en kleinhartig.
Het vlijmend mes der guillotine vervulde hem met
schrik en ontzetting, tooneelen van bloed en moord
-ocr page 105-
DE GOEDE HERDER.
91
pijnigden zijne overspannen verbeelding en gunden
hem geen kwartier rust.
„Blijf kalm, mijn vriend," sprak de pater, terwijl
hij de hand van den sidderenden molenaar in de zijne
klemde. „Aan mij wordt één dag vóór u het dood-
vonnis voltrokken, en zoo ik iets vermag bij den
goeden God, zult gij sterven, eer de valbijl zich met
uw bloed verven kan: de Heer zal zich vergenoegen
met uw oprechten wil en de begeerte, die gij hebt,
om Hem uw leven te offeren."
Zich tot de overige gevangenen wendend sprak hij
met ontvlamd gelaat: „Vaartwel, lieve vrienden!
Beschreit mij niet! Ik verlaat deze ellendige wereld voor
de heerlijkheid van ons waarachtig vaderland.
„Daar zullen wij spoedig hereenigd worden. Schat de
dingen dezer aarde op hun rechten prijs. Ze zijn niets.
Gedenkt, dat de smarten, welke men ons doet onder-
staan, hoe vreeselijk ze mogen schijnen, zoet en aan-
genaam worden, wanneer wij ze lijden voor God.
„Weest sterk in het geloof, want wie volhard zal
hebben ten einde toe, hem wacht de kroon der on-
sterfelijkheid! Gedenkt mijner; bij God zal ik u niet
vergeten!"
Allen barstten in tranen uit en ook de pater zelf
was diep geroerd. Luide baden ze nu gezamenlijk de
gebeden der stervenden. Een straal van hemelschen
troost drong binnen de sombere kerkermuren en
maakte dit oord van verschrikking voor deze uitver-
korenen tot een paradijs.
-ocr page 106-
DE GOEDE HERDER.
92
„Bravo! zoo moeten die ellendige wederspannige
.zwartrokken behandeld," riep een onverlaat, toen pater
Lessus met lichten tred het moordschavot besteeg.
De priester, die met opgeheven hoofd, de oogen
smeekend ten hemel gericht, voortschreed, was doof
voor de stem der boosheid; hij hoorde reeds het zege-
lied der Engelen, die hem jubelend te gemoet snelden
met de martelkroon.
Wat hij bij den Heer vermocht bleek spoedig. Javaux
was als bij tooverslag geheel en al veranderd. De
kleinmoedige had het sterke hart der heilige bloed-
getuigen bekomen. Onversaagd zijne lotgenooten tot
volharding aansporend, reed hij kalm en gelukkig ter
strafplaats. Geen zweem van angst, van ontroering zelfs
was op zijn gelaat te lezen, toen hij de noodlottige
ladder beklom.
Bij het verlaten der bovenste trede viel hij dood
neer. De Hemel had zich inderdaad vergenoegd met
zijn goeden wil.
Het nederig graf van den roemrijken pater Joannes
Ignatius Lessus is tegen den muur van de kerk te
Pontarlier. Lieflijker dan de geur der rozen, die zijne
laatste rustplaats omkransen, is deze zijner heilig-
heid, welke sinds jaren duizenden daarheen doet stroo-
men, om door de voorbede van den kloekmoedigen
martelaar genade en zegeningen van den hemel af te
smeeken.
-ocr page 107-
DE GOEDE HERDER.                              95.
Een ander geloofsheld vraagt thans onze aandacht:
de eerwaarde Heer Blanchard.
Hij was de zoon van een behoeftigen daglooner. In
zijne jeugd genoot hij slechts het gewone onderwijs
van dien tijd, en, hoe gaarne hij zich ook geheel en
onverdeeld aan de studie gewijd had, de geldelijke
nood zijner ouders veroorloofde het niet. Hij moest
aan den arbeid.
Maar de Heer, Die hem riep tot den dienst Zijner
altaren, Die hem uitverkoren had, om veel voor Hem
te werken en nog meer voor Hem te lijden, deed hem de
middelen aan de hand, noodig om zijn doel te bereiken-
De weinige stuivers, welke de jongeling kon over-
leggen van zijn karig loon, werden aan boeken besteed.
Daaruit leerde hij, zoo goed en zoo kwaad het ging,,
de beginselen van het Latijn.
Bij de gewone moeilijkheden kwam voor hem die
van zonder leermeester en eerst na het volbrengen
der zware dagtaak, den weg te kunnen zoeken in het
dorre veld der spraakkunst.
Toch werkte hij met onbezweken moed en prijzens-
waardige volharding voort. Op den leeftijd van twin-
tig jaren legde hij aan een vroom priester zijn hart
bloot, en vertrouwde hem het dierbare geheim, \'twelk
hij tot nu in het diepst zijner ziel besloten hield.
Zonder stoornis, zonder zijnen ouders den zwaren strijd
om het bestaan nog zwaarder te maken en op geregelde
wijze kon hij zich nu voorbereiden tot het priesterschap.
Na het eindigen zijner studiejaren werd hij gewijd-
-ocr page 108-
DE GOEDE HERDER.
94
Wij vinden hem, die op het seminarie een voorbeeld
van ijver en oprechte godsvrucht was voor zijne mede-
studenten, eenige jaren later terug als pastoor van
Viraux.
De Revolutie brak uit en zond al heel spoedig hare
trawanten naar het dorp Viraux, om „burger Blanchard"
aan te manen den eed af te leggen.
Gelijk te verwachten was, weigerde hij volstandig
te doen, wat plicht en geweten hem ten strengste ver-
boden. Vleitaal noch bedreigingen konden hem doen
wankelen in zijn besluit.
Den i6en Maart (1792) verschenen de gendarmen
voor de pastorie, deden den jongen herder de hand-
boeien aan, en voerden hem met zich naar Auxerre.
Het was nog niet de periode, dat binnen vier en
twintig uren of minder tijd het lot der gevangenen be-
slist was. Men toonde nog een weinig eerbied voor
rechtsformaliteiten. Het proces, dat tegen burger Blan-
chard gevoerd werd, vorderde langzaam, uiterst lang-
zaam.
Doch waarvan kon men hem ook beschuldigen,
wiens eenige misdaad in het weigeren van den eed
bestond? Alles werd op de lange baan geschoven.
Zekeren morgen ziet de pastoor zijne zuster binnen-
komen, die hem schreiend omhelst en tegelijkertijd een
kluwen bindgaren tusschen zijn kleederen stopt. De
cipier, die in last had, beiden geen oogenblik uit het
oog te verliezen, werd door eene toevallige omstan-
digheid even afgeleid, en de zuster fluisterde nu haren
-ocr page 109-
DE GOEDE HERDER.                              95
broeder in: „\'t Zal een sombere avond zijn; tegen den
nacht is een geweldig- onweder door bekende weer-
kundigen van ons dorp aangekondigd. Laten we van
deze gunstige omstandigheid gebruik maken, \'t Is wel-
licht de eenige kans, die u rest, om aan uwe moor-
denaars te ontkomen.
Tegen elf uur ben ik onder uw venster. Laat dan
dit garen zakken. Ik zal er een stevig koord aan vast-
binden, trek het op en red u."
Broeder en zuster omhelsden elkander nogmaals,
knielden op de vloer des kerkers neer, baden samen
een Wees gegroet, en de priester was weder alleen
met zijne gedachten.
De avond viel, en maakte de voorspellingen der
weerprofeten niet te schande. Het was stikdonker in
de verlaten straten, die door den regen blank stonden.
Geweldige rukwinden deden de huizen op hunne
grondvesten trillen. Bliksemflitsen, die voor een oogen-
blik alles in een rossen gloed zetten, en krakende
donderslagen volgden elkander bijna zonder tusschen-
poozen op.
Het sloeg elf uur. De priester hief zich in het kruis-
venster op, maar poogde vruchteloos het duister te
doorboren.
Beneden zich ontwaarde hij niets dan een peilloozen
afgrond, zwart als de hel. Hij kende den moed en de
ijzeren wilskracht zijner zuster. Al zagen zijne oogen
haar niet, hij wist dat zij er was. Zijn hart zegde
het hem.
-ocr page 110-
96
DE GOEDE HERDER.
Hij liet het kluwen af, trok het weder langzaam op
en was in het bezit van een stevigen kabel, van het
eene einde tot het andere vol knoopen.
Er dreigde evenwel onraad. Boven het brullen van
den wind, het kletteren van den neerstroomenden
regen en het geratel der donderslagen hadden de ooren
van den wachthond der gevangenis een verdacht geluid
opgevangen.
Het waakzame dier begon een aanhoudend verwoed
geblaf. De pastoor, die met rustig gemoed nog zoo
menig gevaar trotseeren zou, beefde als een riet, beducht
als hij was voor het lot zijner heldhaftige zuster.
Het hart klopte hem in de keel, en het kostte hem
ongelooflijk veel inspanning en al het zelfbeheer, waar-
over hij beschikken kon, om de noodige kalmte te
herwinnen.
Of het gebas van den hond door het gedruisch van
het noodweer overstemd werd, dan wel of de gevan-
genbewaarders er zich niet aan stoorden, binnen bleef
alles rustig en als uitgestorven.
Na een kort, vurig gebed maakte de gevangene
het koord stevig vast, en slingerde zich naar buiten.
Schier bewusteloos en met bebloede handen bereikte
hij den bodem.
Broeder en zuster lagen in elkanders armen, en dankten
God voor Zijne zichtbare bescherming.
Daarop spoedden zij zich naar de woning eener
brave vrouw, die beiden, met gevaar van haar eigen
leven, gedurende acht dagen gastvrijheid verleende.
-ocr page 111-
DE GOEDE HERDER.
97
Na verloop van dezen kleinen rusttijd, begon de
pastoor voor goed zijne apostolische werkzaamheden.
Hoe innig hij overtuigd was, van hetgeen hem boven
het hoofd hing, bleek duidelijk uit de woorden, die hij
tot zijne bekommerde ouders richtte.
„Uw lot is inderdaad harder dan het mijne. De
sansculotten zullen mij grijpen en guillotineeren. Ik zal
sterven als martelaar in den dienst des Heeren. Benij-
denswaardig voorrecht! Waarom mij dan beklaagd?"
Vooral zijne moeder schreide bitter bij die woorden.
Haar teer gemoed werd verscheurd van droefheid bij
de gedachte, dat haar onschuldig kind door beulshan-
den zou omgebracht worden. De Christin was echter
sterker dan de natuur.
Zij bracht met een groot hart en vol blijde onder-
werping het offer harer liefde, en snikte, terwijl zij hem
schreiend aan haren boezem drukte: „Mijn kind, als
gij voor den goeden God uw leven hebt gelaten, bid
Hem dan voor ons, die u zoo vurig beminden."
De Heer was menigmaal blijkbaar met Zijnen dienaar
en redde hem vaak op wonderdadige wijze uit de strik-
ken zijner vervolgers, die alle krachten inspanden,
om hem te vangen.
Hoe grievend was het voor den dienaar Gods aan
het hoofd der bende, welke het huis omsingelde, waar
hij eenen zieke de laatste H.H. Sacramenten bracht,
een vollen neef van hem te zien, die de schandelijke
rol van Judas speelde.
De sansculotten, zoo lang en zoo dikwijls in hunne
7
-ocr page 112-
08
DE GOEDE HERDER.
verwachtingen bedrogen, putten thans hunne duivel-
achtige wreedheid uit, om den armen priester te kwellen.
De weg, dien zij volgen moesten, om de naburige
stad te bereiken, was rotsachtig en kronkelde voort
tusschen dichte doornenhagen. Zij ontdeden den pas-
toor van zijn schoeisel en dwongen hem blootsvoets het
scherpe pad te bewandelen.
Nu en dan wierpen zij hem te midden der doornen,
en verlustigden zich in de folteringen van hun slacht-
offer.
Zijne kleederen waren spoedig in narden gescheurd,
zijn geheele lichaam was slechts ééne wonde; stof,
zweet en bloed maakten zijn aangezicht onkenbaar.
In dien deerniswaardigen staat werd de geloofsheld
door de straten van het stadje gesleurd.
Het gemeen jouwde hem uit en wierp hem met
steenen; de ontaarde jeugd danste onder het uitgalmen
van schaamtelooze liederen om hem heen, de furiën
der straat scholden en dreigden hem met de vuist.
Zijne ouders, welke hem daags na zijne gevangen-
neming bezochten, wilden de doornen uittrekken, die
nog van alle kanten in zijn vleesch staken.
„Spaart u die moeite," sprak hij met een hemelschen
glimlach. „Die pijnen hebben niets te beduiden en zullen
spoedig geleden zijn."
Het rechtsgeding, dat thans tegen hem begon, vor-
derde sneller dan de eerste maal.
Er traden twee getuigen tegen hem op. De eerste
bezwaarde den pastoor door te verklaren, dat hij hem
-ocr page 113-
DE GOEDE HERDER.
99
op zekere hoeve brood en kaas had zien eten; de
tweede, door te getuigen, dat hij gezien had, hoe de
priester in het naburig bosch ijverig in de weer ge-
weest was, om eenige kinderen het kruisteeken te lee-
ren maken. Ziedaar al wat men hem ten laste leggen kon.
Toch spraken de rechters zonder blikken of blozen het
doodvonnis uit over zoo vreeselijk een booswicht, die zich
niet schaamde, als de honger hem plaagde, brood en
kaas te eten, en die, om de maat der ongerechtigheid
vol te meten, de kleinen daarenboven bijgeloovigheden
leerde, waarvan de Revolutie gruwde. Dit geschiedde
den 3 en Juni 1793.
Laten wij een oogenblik ons hart verkwikken aan
de treffende regelen, waarmede kde Eerwaarde Heer
Blanchard afscheid nam van allen, die hem dierbaar
waren op aarde. Zij zullen ons geloof versterken, onze
hoop verlevendigen, onze liefde doen aangroeien.
„Beminde vader, dierbare moeder, broeders, zusters,
bloedverwanten, vrienden en gij allen, die deelneemt in
mijn lot, ik vraag u vergiffenis voor het verdriet, dat
ik u heden onvrijwillig aandoe.
De Voorzienigheid heeft het aldus gewild. Wij heb-
ben enkel onzen plicht te vervullen en mogen in niets
te kort schieten, wat haar welbehaaglijk is. God be-
schikt over ons leven, dat in Zijne hand berust. Be-
schouwt den dood, dien ik sterf, toch niet als eene
schande.
Ook gij moet strijden en uw leven zelfs ten offer
brengen, indien de Heer dit van u vraagt. Ik ben niet
-ocr page 114-
DE GOEDE HERDER.
IOO
beter dan de Heilige Bloedgetuigen en gij evenmin.
Ik bid mijne broeders en zusters, dat zij altoos door
de liefde vereenigd blijven. Dat zij gehoorzaamheid
weigeren aan de Constitutie in datgene, wat strijdig
is met de leer van de katholieke, apostolische, room-
sche kerk.
Laat u niet vervaren door de macht, die op het
oogenblik alles voor zich doet sidderen. Zij is broos en
vergankelijk.
Maar geeft wel acht, dat ge niet noodeloos de open-
bare rust verstoort. Ik laat geene bezittingen achter.
Indien mijne brieventasch teruggevonden wordt, weet
dan, dat zij 46 francs bevat, die bestemd zijn voor de
armen.
Ik smeek u, dengenen, die mij kwaad willen, of het
mij reeds aandeden, in mijn naam te verzekeren, dat
ik voor hen bidden zal in het hemelsch paradijs, dat ik
door \'s Heeren barmhartigheid weldra hoop te betreden.
Vaart allen wel!"
Dus luidde zijn testament, \'t welk tot ons gekomen
is als een kostbaar erfstuk, dat heldhaftige deugd aan
alle eeuwen vermaakte.
De mannen der Omwenteling hadden de verregaande
onDeschaamdheid van den moedigen geloofsgetuige,
naar het schavot te doen vergezellen door een afval-
ligen capucijn.
Dorsten zij hopen, dat de drogredenen van een ver-
loopen monnik op zoo groot en sterk een hart invloed
zouden oefenen? Verwachtten zij, dat hij, die smaad
-ocr page 115-
DE GOEDE HERDER.
IOI
en boeien, kwelling en ellenden verduurd had om
Jesus en Zijne leer, schromen zou voor het brengen
van het offer zijns levens?
Wie zal het zeggen? De ongelukkige beproefde
werkelijk, den pastoor aan het wankelen te brengen,
en hem te schokken in zijne overtuiging.
Een medelijdende blik, eene hartroerende vermaning,
om weder te keeren tot zijn plicht, dien hij met voeten
trad; tot den God, Die hem, den verloren zoon, met
open armen ontvangen zou, was al wat de martelaar
hem antwoordde.
Aan den voet van het schavot wendde hij zich nog-
maals tot den apostaat en zeide kalm maar ernstig:
„Pater, ik heb u vermaand op den rechten weg terug
te keeren. Mijne woorden hebben geen indruk gemaakt
op uw hart. Ik daag u binnen veertig dagen voor den
rechterstoel des Heeren. Daar zullen wij desgevorderd
onzen woordenstrijd hervatten."
Onder het uitspreken eener bede om vergiffenis voor
zijne beulen vloog de ziel van den bloedgetuige ten hemel.
En de rampzalige Capucijn ? Helaas, hij bleef doof
voor de stem der genade, welke door den mond van
pastoor Blanchard tot hem had gesproken voor de
laatste maal. Juist veertig dagen na diens roem vol
einde, vond men den afvallige dood onder zijne tafel
liggen. Eene beroerte had paal en perk gesteld aan
zijn ergerlijk leven.
-ocr page 116-
DE GOEDE HERDER.
102
Een tooneel, welks wedergade misschien niet te vin-
den is, bood de terechtstelling van den eerwaarden heer
de Fénélon.
Uit medelijden met de arme Savoyaards, die ver van
het dierbare ouderhart, ver van de geliefde bergen,
waar hun wiegje stond, in den vreemde een weinig
geld trachtten te winnen, had de vrome geestelijke te
Parijs eene stichting in het leven geroepen voor die
kleine zwervers.
De Revolutie haatte den man, wiens lange leven
eene aaneenschakeling was van goede werken. Zij deed
hem in boeien slaan.
Daar vernemen de Savoyaards op zekeren dag, dat
hij, die hunne aardsche Voorzienigheid heeten mocht,
ter dood veroordeeld is.
Die treurmare gaat van mond tot mond, en stort in
aller hart bitteren rouw. Op den morgen, voor het vol-
trekken van het vonnis bepaald, is Parijs getuige van
een ongewoon schouwspel.
Honderden kleinen, wier landaard, kleeding en gelaat
verraden, trekken door de straten en spoeden zich zwij-
gend voort, om bij de Conventie het leven af te smee-
ken voor hun vader en weldoener.
Hunne smeekende gebaren, de taal, uit hunne harten
opgeweld en nog welsprekender gemaakt door hunne
tranen, roeren de Conventie.
Alleen de onvermurwbare Billaud-Varennes blijft
koel en onbewogen. Hij roept hoonend uit: „Zijt gij
zelf kinderen geworden, dat ge u door tranen vertee-
-ocr page 117-
DE GOEDE HERDER.
103
deren laat? Zoo ge heden aan \'t schipperen valt met
de gerechtigheid, zullen de aristocraten u morgen om-
brengen, zonder medelijden."
Die woorden misten hunne uitwerking niet, het dood-
vonnis werd verdaagd noch herroepen.
Omstuwd door zijne schreiende kinderen reed de
8ojarige priester ter strafplaats. Uit hoofde zijner hooge
jaren vermocht hij niet zonder hulp de treden der lad-
der te bestijgen.
Toen hij boven was gekomen, smeekte hij den beul
hem de handen te ontboeien, opdat hij ze nog eenmaal
uitstrekken mocht naar zijne dierbare kleinen.
Diep bewogen voldeed de beul aan zijn ver-
langen.
Als de priester de handen, bevend van ouderdom,
opheft, vallen de Savoyaards op de knieën en buigen
het hoofd, om den jongsten zegen van den martelaar
te ontvangen.
Doch niet enkel die kleinen, al de omstanders vallen
ter aarde als zij en storten tranen, bij het rollen van
zoo eerbiedwaardig een hoofd.
\'t Is in den morgen van den 31 en October 1793.
Vijf karren, de bekende wagens der veroordeelden,
rollen door de straten van het woelige Parijs.
De menigte, anders weinig talrijk bij een schouw-
spel zoo alledaagsch als eene terechtstelling in die tijden,
-ocr page 118-
DE GOEDE HERDER.
104
golft als een breede stroom voort en verdringt zich
rond de guillotine.
Het zijn ook geen gewone slachtoffers, welke de beul
heden wacht. Het woord van Vergniaud, dat de Revo-
lutie, als Saturnus, achtereenvolgens al hare kinderen
zal verslinden, moet op dit uur voor hem zelf en een
gedeelte zijner vrienden in vervulling gaan: de bijl
ligt gereed voor het schuldig hoofd van 21 levende
Girondijnen en voor dat van den 22», Valazé, die zich
met een dolk zelfmoordde.
Het bloed van den Koning-martelaar komt thans over
hen, die uit partijbelang en karakterloosheid hem lever-
den in de klauwen der moordlustige bergpartij.
Daar staat Brissot, die wel in God en de onsterfe-
lijkheid der ziel gelooft, maar geen lust gevoelde,
zooals velen zijner lotgenooten, zich op den rand der
eeuwigheid met zijnen beleedigden Rechter te verzoe-
nen door eene rouwmoedige schuldbekentenis, esne
nederige bede om vergiffenis.
Hij zal sterven op eene hem waardige manier:
zorgvol gekleed, met verlakte laarzen aan de voeten.
Ginds verheft zich de trotsche gestalte van Vergniaud,
die zonder omwegen verklaarde, dat in de nieuwe
grondwet de Heer van hemel en aarde veilig kon ge-
mist worden.
De kracht der welsprekendheid leek hem wapen
genoeg, bloot menschelijk genie, of vermeend genie,
voldoende, om de domme, botte volksmassa in toom
te houden en te breidelen.
-ocr page 119-
DE GOEDE HERDER.                            105
Maar de radde tong weigerde hem straks in de be-
slissende ure (den 2en Juni) haren dienst.
Toen Lanjuinais eerst den eerloozen Chabot ver-
pletterde met zijn vlijmend: „Ik zeg tot den priester
Chabot: In de Oudheid zag men de slachtoffers wel
met bloemen en linten tooien, maar de priester, die ze
offeren moest, beschimpte ze toch niet" ; daarna den
slager Legendre als een gestraften bulhond deed afdrui-
pen met het niet minder scherpe woord:
„Er worde eerst verklaard, dat ik een os ben, dan
kunt gij, Legendre, mij ombrengen", toen zat Ver-
gniaud sprakeloos.
Onbeholpen, als met stomheid geslagen, stond de
anders altoos vaardige spreker tegenover vijanden zon-
der talent, maar met den steun der gewapende menigte
in den rug.
Thans zal de hoogmoedige, die voorheen weigerde
de knie te buigen voor zijnen Schepper, moeten knie-
len voor den god der Revolutie: het mes der guil-
lotine.
Maar wij willen deze veroordeelden niet één voor
één beschouwen.
Hoor! daar galmen zij luid en krachtig de tonen
der Marseillaise uit.
Aan stervensmoed mangelt het dezen Girondijnen
dus geenszins. Onverschrokken zullen zij den dood
onder de oogen zien, niet sidderen, al voelen zij reeds
het scherp der valbijl op de keel.
De beulen vangen hunne taak aan. De eerste
-ocr page 120-
ioó
DE GOEDE HERDER.
hoofden rollen, maar het zingen wordt voortgezet
Als eindelijk alleen Vergniaud nog het hoofd op de
schouders draagt, klinkt het over de saamgepakte
menigte :
„L\'étendard sanglant de la tyrannie!" de jongste
kreet der eertijds zoo machtige factie.
Wat zegt ons gevoel bij dergelijk schouwspel? Blijft
het niet in tweestrijd met het koele verstand, dat de
bewondering het stilzwijgen gebiedt, en de onverschrok-
kenheid, de doodsverachting dezer lieden op rekening
wil schrijven van het savoir-mourir, toen evenzeer in
de mode als het savoir-vivre?
Van de lippen eens schuldigen — en wie zal deze
koningsmoorders en geloofsvervolgers vrijpleiten van
schuld ? — vernemen wij liever eene hartroerende bede
om ontferming tot God dan het
„Contre nous de la tyrannie
L\'étendard sanglant est leve,"
of welken anderen regel uit het lied der Revolutie!
Doch waarom het uiteinde dezer Girondijnen hier
geschetst ?
Ten einde er als pendant een ander tafereeltje
naast te hangen, den tol onzer eerbiedige bewon-
dering duizendmaal meer waardig dan het vaak zoo
hoog opgevijzelde sterven dezer politieke gelukzoe-
kers.
Verplaatsen wij ons in den geest onder de me-
-ocr page 121-
DE GOEDE HERDER.
107
nigte, die op zekeren dag om het moordschavot ge-
schaard is.
Weer rollen de sombere karren langzaam aan. Zes-
tien Carmelitessen van Royal-Lieu (bij Compiègne)
moeten thans den Moloch der Omwenteling in de armen
geworpen.
Welke is hare misdaad? Dat zij, in het grove habijt,
op den vloer harer naakte cel nedergeknield den He-
mel dag en nacht geweld deden voor de afgedwaal-
den; dat zij zonder ophouden den wierook harer vrome
beden opwaarts zonden om ontferming en uitkomst
voor het verdwaalde en verdrukte volk; dat zij, ver
van alle goddeloosheid, onder boetplegingen van aller-
lei aard, haren Bruidegom trachtten na te volgen.
Ook uit haren mond galmt een gezang. De antiphone
Salve Regina ruischt van hare kuische lippen, zóó
hemelsch schoon en zoet, dat zelfs de bloeddorstige
drom, die getuige van haren dood wilde zijn, zich
ontroerd gevoelt en luistert in ademlooze stilte.
De eerste bestijgt de ladder, eene andere volgt en
verdwijnt als hare voorgangster. Zwakker en zwakker
wordt het koor, en eindelijk is de laatste toon wegge-
storven.
In den hemel, bij den troon van het Lam, waar de
Engelen haar kronen met een krans van leliën en
purperen martelrozen, zullen Jesus\' reine bruiden den
lofzang voleindigen, op aarde begonnen, de Koningin
der Maagden ter eer.
Zwijgend en als huiverend van eerbiedige vreeze
-ocr page 122-
io8
DE GOEDE HERDER.
gaat de menigte uiteen, dezelfde menigte, die anders
het rollen der hoofden met een triomf kreet of eene
schaamtelooze aardigheid begroet.
Roept het sterven der Girondijnen het sierlijk sne-
ven der Romeinsche zwaardvechters in het geheugen,
dat van deze religieuzen, welke vrij bleven van de
besmetting der wereld, voert ons terug naar denzelf-
den tijd, en herinnert ons aan den roemrijken dood
der eerste Martelaren, wien sterven om Christus\' Naam
gewin was.
Er is heldenmoed en heldenmoed. Den Christelijken,
den eenig waren in zulke omstandigheden, te toonen,
vermogen slechts zij, die den Gekruiste gedurende hun
leven in het hart droegen.
Laten wij deze regelen, gewijd aan de roemruchtige
Fransche priesterschap tijdens de bange revolutie-dagen
besluiten met de heerlijke woorden van De Tocqueville,
in dezen een even onverdacht getuige als Taine, aan
wien wij ons motto ontleenden.
„Alles wel beschouwd weet ik niet, of er, ondanks
de misslagen van eenigen harer leden, ooit ter wereld
eene merkwaardiger geestelijkheid bestond dan de
Katholieke Fransche op het oogenblik, dat de Revo-
lutie haar heeft verrast. Of er ooit eene meer verlichte,
meer volksgezinde geestelijkheid leefde; eene, die min-
der verschanst was binnen de louter huiselijke, beter
toegerust met algemeene deugden en tevens zoo rijk
aan geloof.
Vol vooroordeelen tegen haar ben ik de studie der
-ocr page 123-
DE GOEDE HERDER.                            109
oude maatschappij begonnen, jegens haar met eerbied
vervuld heb ik ze voleind." *)
*) Je ne sais, si, a tout prendre et malgré les vices de quelques-uns
de ses membres, il y eut jamais dans Ie monde un clergé plus remar-
quable que Ie clergé catholique de France, au moment ou la Révolu-
tion 1\'a surpris, plus éclairé, plus national, moins retranché dans les
seules vertus privées, mieux pourvus de vertus publiques, et en même
temps, de plus de foi. .. J\'ai commencé 1\'étude de 1\'ancienne société
plein de préjugés contre lui, j\'en suis sorti plein de respect.
De Tocqueville „L\'ancien Régime et la
Révolution" pag. 169.
-ocr page 124-
-ocr page 125-
ZONDER VREES OF BLAAM.
-ocr page 126-
■.
-ocr page 127-
w%
ss-iss»^
^
Tm&&3k\\
vtf
■■
r\':
jHBggBgë^ses
£*P§£
■■:
f \'ïöWl
f-ïvP"fe.S?f\'
-ocr page 128-
J.XTU\'iruUTJ U~U "U~L7U U 0~Ü~~U L) U Lï U\'O U O U JUUUU C_TLT U O V U*U (_J~U U~LTïi
I.
„Men zou zich deerlijk vergissen, wanneer men,
alleen het oog vestigend op de schitterende zede-
loosheid van de oppervlakte, dacht, dat de oude
godsdienst, de oude eer, de oude ernst der
Christelijke maatschappij geheel en al uit de
harten waren gebannen van die schitterende
edellieden, die fiere en schoone vrouwen, welke
de achttiende eeuw versieren; dat Voltaire on-
verdeeld heerschte en het Evangelie geheel en
al reeds had vertrapt."
Dr. W. J. F. Nüyens. „De Wachter."
2de jaargang, 2de deel, blz. 199.
a de geestelijkheid heeft de haat der philosofen
en van hunne waardige kinderen, de Jaco-
bijnsche pamfletschrijvers, niets zwaarder be-
\' lasterd dan den adel. Zoo men zich in zijn
oordeel liet leiden door hunne gegevens, door hunne
beschuldigingen tegen dien stand, men zou het in zeker
opzicht bejammeren, dat de guillotine niet het laatste
exemplaar van dat verfoeilijk „adellijk ongedierte"
heeft uitgeroeid.
Dan ook verdienen de Septembermoor ders, de Carrier\'s,
8
-ocr page 129-
ZONDER VREES OF BLAAM.
H4
de Collot\'s, de Fréron\'s, de Le Bon\'s noch de Fouquier-
Tinville\'s en de andere tijgers in menschengedaante,
welke de Fransche omwenteling in haar gevolg voerde,
geenszins den vloek der eeuwen.
Veeleer hebben zij aanspraak op de erkentelijkheid
van het geheele menschdom, \'twelk zij aan zich ver-
plichtten, en dienden hunne standbeelden de openbare
pleinen te sieren.
Wat ons de revolutionnaire partijdigheid van de
priesterschap mededeelde, werd echter in de schaal
der waarheid reeds te licht bevonden.
Dat volstaat, om ons ook in dezen tot de grootste
voorzichtigheid aan te sporen, en ons te vermanen,
niet lichtzinnig vonnis te vellen op de onbewezen aan-
klachten van vijanden, door hartstocht verblind.
En waren er verwoeder vijanden van het ancien
régime, van koningschap, geestelijkheid en adel dan
Voltaire en de zijnen ? Wilde men de Encyclopedisten
gelooven, dan was de gansche adel van dien tijd de
belachelijkste onnatuur, welke men zich verbeel-
den kan.
Hersenlooze pronkers, zedelooze modepoppen, die
het doel van hun bestaan meenden bereikt te hebben,
zoo zij in den glans van het wufte hofleven een tijdje
konden schitteren, hunnen lagen driften den teugel
vieren, en alles genieten, wat de meest verfijnde zin-
nelijkheid den mensch kan doen smaken, ziedaar vol-
gens hen den adel.
Moet deze hunne getuigenis op zijn minst genomen
-ocr page 130-
ZONDER VREES OF BLAAM.
115
ons niet een weinigje verwonderen? Of beschuldigen
zij niet hunne beste vrienden ?
De heeren philosofen vonden nergens beter bereide
aarde voor het zaad der goddeloosheid dan in den
boezem van den grooten adel.
Daar tierde welig de geestigheid, niet van goeden
huize, die in hare ergerlijke onkunde en beklagens-
waardige verblindheid het heiligste bespotte en de han-
den vermetel uitstrekte naar het verhevenste, dat de
mensch bezit: God en godsdienst.
Niet de edelen, welke op hunne bezittingen hunne
eigene belangen en die hunner onderhoorigen behar-
tigden, of in het leger zich verdienstelijk maakten
voor het vaderland, waren ontaard. Aan het hof, waar
bijna alles in den zwijmelroes van het vermaak zorge-
loos van den eenen dag in den anderen leefde, waar
eene reine bloem als prinses Elisabeth, zuster van
Lodevvijk XVI, eene lelie te midden der doornen hee-
ten mocht, moeten de bastaards van den waren adel
gezocht.
Daar werd in fijne vormen over het bestaan of niet
bestaan van God geredetwist, en het nieuwe evangelie,
door Jean Jacques gepredikt, vond daar vooral zijne
geestdriftige aanhangers.
De overgevoelige discipelen van den sentimenteel-
zinnelijken Rousseau oefenden er zich in de algemeene
menschenliefde door dezen of genen belangwekkenden
bedelaar, liefst op eene wijze, die in het oog loopen
moest, uit het slijk op te richten.
-ocr page 131-
u6
ZONDER VREES OF BEAAM.
Dat duizenden op hunne erfgronden vertreden werden
en vertrapt; dat zij in éénen nacht dikwijls de vruch-
ten van het zweet en het bloed van honderden hunner
onderhoorigen in den afgrond van het vermaak wier-
pen, zij dachten er niet aan, of bleven er, door eigen
schuld, onkundig van.
Als een sprinkhaanzwerm streken hunne zaakgelas-
tigden op hunne domeinen neer.
Met voorbeeldelooze strengheid gingen zij te werk,
schoren alles kaal en pleegden ongestraft de grofste
onrechtvaardigheden.
Wie den meester, die bijna altoos onzichtbaar bleef,
de zwaarste geldsommen overmaakte — de eigen bui-
del werd daarom niet vergeten! — was het puik, de
parel der dienaren.
Hij had aanspraak op de erkentelijkheid van zijn heer,
wien het lot van pachters en boeren niet aan het harte
lag; die enkel bedacht was op eigen genot en het op-
houden van zijn hoogen staat.
Men ziet de gevolgen hiervan. Afpersingen van
allerlei aard waren aan de orde van den dag. Zoolang er
nog één droppel te garen viel, lieten de gewetenlooze
bloedzuigers hunne prooi niet los.
Aan het jachtvermaak werden de welvaart en het
geluk van pachters en landbouwers opgeofferd.
Het leven van een dier ging boven dat van een na-
tuurgenoot. In menige vruchtbare streek lag de grond
braak, wijl de bewoners reeds al te dikwijls ondervon-
den hadden, dat de vruchten van hetgeen zij in het
-ocr page 132-
ZONDER VREES OF BLAAM.
117
zweet huns aanschijns gezaaid hadden, door het jacht-
wild meedoogenloos vernield en verslonden werd.
Hazen en konijnen deden zich straffeloos te goed, aan
hetgeen de arme boer voor zich en de zijnen behoefde.
\'t Was hem ten strengste verboden, een zijner vraat-
zuchtige vijanden te vangen of te dooden. Geen wapen
mocht hij in zijn bezit hebben.
Gedurende den zomer was het hem niet geoorloofd,
zijn akker te zuiveren van onkruid; hij mocht hem
zelfs niet eens betreden, uit vrees, dat hij het wild
verjagen zou, \'twelk den landeigenaar eenige vroo-
lijke dagen moest geven.
Hoevele vrouwen waren treurende weduwen, hoevele
kinderen dierven hun vader, wijl hij ter wille van haas
of konijn het leven verloor!
De houtvesters kenden geen genade voor wie zich
vergreep aan de bevoorrechte lievelingen hunner mees-
ters.
Zonder dat er een haan naar kraaide, schoten zij den
op heeter daad betrapte ter plaatse dood. Vijandschap,
haat en andere booze hartstochten gebruikten vaak het
stroopen tot voorwendsel om een ongelukkigen pach-
ter of landbouwer uit den weg te ruimen.
Hard was het lot van vele landlieden, wraakroepend
de behandeling, welke zij menigmaal ondergingen,
maar laten we niet vergeten er thans reeds bij te voe-
gen : Werden ze nu met roeden gegeeseld, de revolutie
zou het weldra doen met schorpioenen. Zij voerde
hen van kwaad tot erger.
-ocr page 133-
Il8                       ZONDER VREES OF BLAAM.
In sommige gemeenten waren de bewoners gedwon-
gen gedurende een halfjaar dag en nacht hunne akkers
met de uiterste zorg te bewaken, wilden zij de renten
hunner vlijt niet onherroepelijk verloren zien gaan.
Is het wonder, dat de boeren, door de trawanten van
zulke meesters tot wanhoop gedreven, bij de eerste
gelegenheid, welke zich daartoe aanbood, de sterkten
hunner hartelooze gebieders en uitzuigers tegen den
grond wierpen?
Hunne aanvoerders bij die ondernemingen waren de
stroopers, die door de jachtopzieners rusteloos waren
vervolgd, maar die nu zelf de klopjacht bestuurden,
waarbij de verdrukker en zijne huurlingen het begeerde
wild waren.
Brandstoffen lagen in menigte opgestapeld ; één vonk
was voldoende, om alles in lichte laaie te zetten.
Wat ging den landbouwer het vermeende recht aan
van een heer, die niet, als zijne voorzaten, de natuur-
lijke beschermer zijner boeren was; wiens eenige ver-
plichting ten opzichte van zijne goederen en hunne
bewoners scheen te bestaan in afpersingen en schreeu-
wende onrechtvaardigheden.
Hij kende hem nauwelijks van aanzien. Hoe wilden
liefde en aanhankelijkheid voor hem wortel schieten in
zijn hart?
Maar naast deze edelen, welke veelal niets van de
deugden en goede eigenschappen van hunnen stand
meer bezaten; wier twijfelachtige grootheid enkel maar
bestond in het voeren van een roemrijken naam, dien
-ocr page 134-
ZONDER VREES OF BLAAM.
119
zij vaak onteerden, leefden ontelbare andere, die het
schild en de nagedachtenis hunner vaderen onbesmet
hielden. In den ondergang der ontaarden werden zij
medegesleept, tot hun eigen verderf en tot dat hunner
onderhoorigen.
Laten wij zien, wie de edelman was, die, ver van
het woelige hof, vergeten leefde op zijne erfgoederen.
Zich buitensporige weelde veroorloven kon hij niet,
om de eenvoudige reden, dat zijne geldmiddelen daar-
toe ontoereikend waren. Maar al hadden zijne finan-
ciën het hem toegelaten, hij zou er zich allerwaarschijn-
lijkst toch van onthouden hebben.
Op enkele min loffelijke uitzonderingen na, was hij,
wat allen hadden moeten zijn: de vaderlijke vriend
zijner onderhoorigen.
Geen zweem van hooghartigheid of misplaatste adel-
trots in zijn omgang met hen. Veeleer eene zekere
familiariteit, gelijk een populair krijgsoverste in het
verkeer met zijne minderen menigmaal toont.
Hij schikte zich naar de beschaving en de gebrui-
ken der omgeving, zonder daarom zijn rang uit het
oog te verliezen.
De geschiedenis meldt ons wel, dat zeker edelman
de bijzondere vriend van den dorpshoefsmid was, en
dat beiden buitengewoon goede kennissen der herberg
waren. Deze verlaging gold echter niet als regel.
Scheen de kasteelbewoner de eerste onder zijne gelij-
ken, in werkelijkheid was hij de heer en gebieder, wiens
wil in vele dingen wet was.
t
-ocr page 135-
120                       ZONDER VREES OF BLAAM.
Geen wonder, dat de fijne menschenkenner Burke
zoo warm den lof zingt van een stand, die, waar hij
niet verbasterd was — en dat behoorde geenszins tot
de uitzonderingen, ja was in menige streek regel —
hem, den onpartijdigen ooggetuige, bewondering af-
dwong, op den vooravond der Revolutie.
Als onvoorziene rampen dezen of genen troffen,
immer waren die edelen, wier geluk van dat hunner
onderhoorigen afhankelijk was, bereid met raad en daad
hulp te schaffen.
Dikwijls namen zij aan de openbare volksfeesten deel,
en verheugden zich in de onschuldige, landelijke ver-
maken hunner pachters.
Niet als levenlooze poppen eener mislukte idylle,
maar als goede, ronde vrienden des volks, welks vreugde
hunne vreugde was.
Zij stichtten scholen voor de kinderen hunner boe-
ren, en zonden er ook hun eigen kroost heen, om er
hetzelfde onderricht te ontvangen.
Rezen er geschillen tusschen de pachters onderling,
zij ontboden beide partijen ten hunnent, onderzochten
met nauwgezetheid de punten van geschil en spraken
dan recht zonder aanzien des persoons.
Zoo werden twist en tweedracht uit de wereld ge-
holpen, bijna onuitroeibare veeten voorkomen, terwijl
de spaarpenningen der boeren niet verdwenen in den
geldzak der pleitbezorgers, een bodemloozen afgrond,
waarin reeds menig fortuin onredbaar verloren ging.
Wie zoo met zijne onderhoorigen verkeerde, geen
-ocr page 136-
ZONDER VREES OF BLAAM.
121
wonder is \'t, dat zij hem aanhingen met geheel hun
hart, dat hij enkel vrienden had uren in het rond,
dat zij hem beschouwden als hun vader en beschermer.
Dus had bijvoorbeeld de graaf van Brienne met
zijn volk geleefd, en \'t zal ons daarom niet verwon-
deren, dat, toen de Omwenteling hem in boeien sloeg,
dertig dorpen zijne invrijheidstelling kwamen afsmeeken
bij de Conventie.
Dat soort van edelen was niet aangetast door de
ziekelijke philanthropie a la Jean Jacques.
Zij hielden als hunne vaderen eenvoudig vast aan
het gebod der liefde, door den Godmensch gegeven
en door Hem de vervulling der wet geprezen.
Toen de Revolutie haar fakkel in hunne burchten
wierp, en de geblakerde muren der uitgebrande eeuwen-
oude sterkten onder den voet haalde, ging de welvaart
en het levensgeluk van vele kleine luiden tevens in
rook op.
De gulden eeuw, door de omwentelaars aangekon-
digd, bleek hun eene ijzeren te zijn, vol verschrikking
en ellenden, rijk aan smarten en beproevingen van
allerlei aard.
Er schuilt geen overdrijving in de woorden, welke
Veuillot zijn graaf Albericus in den mond legt: „Hoe
vele ongelukkigen zijn verpletterd door den val der
aristocratie, verstikt onder hare puinen, geruïneerd
door haren ondergang. Hoevele hutten zijn ingestort
en vernield bij het nederploffen onzer onschuldige
kanteelen!"
-ocr page 137-
122                  ZONDER VREES OF BLAAM.
Doch laten ook hier de feiten spreken! Beter dan
woorden zullen zij getuigen, dat ook onder den adel
niet alle goud verduisterd was; dat de groote hoeda-
nigheden, de Christenmoed en de Christendeugd, sinds
eeuwen erfelijk in zoo menig geslacht, niet uitgestor-
ven waren in de eeuw der zegevierende goddeloosheid.
Zij zullen ons leeren, dat er nog deugdzame edel-
vrouwen waren, rein in handel en wandel; ridderlijke
edellieden, niet bedorven door genotzucht, niet ontze-
nuwd door het wufte hofleven; edelen van beiderlei
geslacht die duizend dooden trotseerden bij het ver-
vullen van hun plicht, koen en onverschokken ter
strafplaats togen, vol geloof en Christelijke onder-
werping.
w
-ocr page 138-
k.ojo_o^o_o n.<xr> o.o 0.0 .O-O o o O-O 00 nnn-n. ri_nrLon o.o..p_n.p_o.o_r)_o_Tr>
.\'.•uu u O <ru cru ï5~u\\j-v~\\r\\5 ü\'Xi U u J\'CJ\'ö\'U o u o o u ~u u xj o uu o\'jJ cjruuTja
II.
treiFende episode uit het leven van de
rampspoedige, maar energieke Maria Teresia
is algemeen bekend. Van alle kanten bene-
pen door haar roofzieken buurman, den koning
van Pruisen, verschijnt zij te midden van de fiere
Hongaarsche Magnaten.
Zij legt haar toestand bloot, schildert in levendige
kleuren de rampspoeden, welke haar troffen, de geva-
ren, die haar overal dreigen.
Zij doet een beroep op hare trouwe Hongaren, en
haar woord vindt weerklank in de harten dier dap-
peren.
Hun zwaard springt uit de scheede, bliksemt door
de lucht, en als één man herhalen zij vol geestdrift:
„Moriamur pro rege nostro!" Sterven wij voor onzen
koning! (de Hongaren kennen geene koning/;?.)
Een dergelijk oogenblik nagenoeg heeft hare onge-
lukkige dochter, Marie Antoinette, gekend.
Zij, die de laaghartigste boosheid verzadigd heeft
-ocr page 139-
ZONDER VREES OF BLAAM.
I24
met smarten, overladen met den smadelijksten hoon,
gefolterd in het dierbaarste, dat het moederhart lief-
heeft, smaakte menigmaal te midden harer naamlooze
kwellingen den zoeten troost der zelfopofferende aan-
hankelijkheid en trouw.
Als een wilde zee golfde den ioen Augustus 1792
de opgezweepte volksmenigte om de Tuileriën. Bij het
vernemen van het gevaar, dat hun koninklijken mees-
ter dreigt, zijn tweehonderd edellieden toegesneld.
De oude geest van heldenmoed en ridderdeugd vlamt
in deze benauwde dagen nog eenmaal in volle kracht
op. Deze vertegenwoordigers van oude, roemrijke ge-
slachten, waaronder grijsaards en jongelingen, pas den
kinderschoenen ontwassen, zullen hunnen vorst een
bolwerk maken van hun lichaam.
Zij smeeken de koningin, dat zij hunne wapenen
zegene en kussen hare hand. De geestdrift is algemeen.
Zij sprankelt uit de oogen en geeft zich lucht in het
machtig geroep: „Leve onze koning!" Vrij brulledaar
buiten het Sansculottendom, zij zweren, terwijl ze den
kleinen dauphijn in hunne armen nemen, te sterven tot
den laatsten man voor hunnen vorst.
Onder deze laatste verdedigers van de koninklijke
familie, welke voor hare weldaden ondank, voor hare
liefde afkeer en haat inoogstte, bevond zich ook de
maarschalk de Noailles-Mouchy. Thans zat hij gevangen
in het Luxemburg.
Vergrijsd in \'s lands dienst, na een eervolle militaire
loopbaan van ruim zestig jaren was hij door de dank-
-ocr page 140-
ZOXDER VREES OF BLAAM.                       125
bare Revolutie in den kerker geworpen, wijl hij eenige
arme menschen had durven spijzen.
De menschlievende Omwenteling had een afkeer van
het weldoen. De oude krijgsman, die zich daaraan niet
gestoord en het gebod van naastenmin des oppersten
Leermeesters had vervuld, werd ter dood veroordeeld.
Het eerbiedwaardige grijze hoofd, dat het moordend
lood en de sabelhouwen des vijands hadden verschoond
bij zoo menigen veldslag en beleg, zou heden vallen
door het mes van den beul. Dat was het loon, door
de revolutionnaire erkentelijkheid dezen veteraan voor-
behouden.
Vol edele waardigheid maakte hij zich bereid voor
zijn jongsten gang. „Mag ik u verzoeken, alle onnoodig
gedruisch te vermijden," sprak hij tot degenen, die
hem wegvoerden, „want mijne kranke echtgenoote
slaapt nog."
„Zij slaapt nog?" riep de cipier met de grootste ver-
wondering uit. „Maar ook haar naam staat op deze
lijst; ook zij moet sterven. Ik zal haar onmiddellijk
gaan waarschuwen!"
„Sta!" beval de maarschalk op gebiedenden toon.
„Zoo zij behoort tot de veroordeelden van dézen dag,
dan zult niet gij haar daarvan verwittigen. Dat is mijne
taak."
En terwijl de dienaar der Omwenteling nog sprake-
loos stond, klom de grijsaard van bij de tachtig weder
naar boven, wekte zijne sluimerende, niet minder hoog-
bejaarde echtgenoote en sprak: „Ontwaak, mevrouw!
-ocr page 141-
I2Ó                       ZONDER VREES OF BLAAM.
De revolutionnaire rechtbank heeft ons ter dood ver-
wezen. God wil het alzoo. Laten wij in ootmoed zijne
raadsbesluiten zegenen. Gij zijt Christin. Ik zal uw reis-
genoot zijn op dien tocht en u geen oogenblik verlaten!"
Niet zonder grond sprak hij: „Gij zijt Christin!" Zij
toonde metterdaad, dat zij het was, door de gelate nheid
en de zielskalmte, waarmede zij zich onderwierp aan
het onrechtvaardig vonnis, \'twelk eenige booswichten
over haar en haren onschuldigen echtgenoot hadden
geveld.
Met algeheele overgeving aan de Goddelijke Voor-
zienigheid maakte zij zich gereed.
En bevend, niet van angst of vrees voor de guillo-
tine, maar van den last der jaren, die hunne schoude-
ren drukte, toog het grijze paar, om wiens achtbaren
schedel de ouderdom zoo schitterend een aureool sloeg,
op weg naar het schavot.
Met tranen in de oogen werden zij nagestaard door
hunne medegevangenen. Wie zou ook niet geroerd
worden door zulk een schouwspel? Een der geker-
kerden kon zich niet weerhouden van te roepen:
„Houd moed, Maarschalk!"
En de grijsaard, wiens knieën knikten onder het
wicht des levens, voelde het bloed naar zijne slapen
stijgen bij dien uitroep.
De oude veteraan, die op den rand der eeuwigheid
het aardsche reeds vergeten scheen, alleen meer aan
het hemelsche dacht, voelde zich gekwetst door die
welgemeende woorden.
-ocr page 142-
ZONDER VREES OF BLAAM.                     127
Durfden zijne vrienden denken, dat hij, die zoo me-
nigmaal den dood had getrotseerd, toen het leven
voor hem nog zooveel bekoorlijks had, thans op zijn
ouden dag, nu sterven eene uitkomst heeten mocht,
zou versagen?
Hoe was dat mogelijk? Hij richtte zich met opge-
heven hoofd tot den spreker, en voegde hem toe,
kalm en fier: „Toen ik vijftien jaren telde, ging ik op
ten stormloop voor mijn koning; nu ik de tachtig
nader, zal ik het schavot bestijgen voor mijn God!"
Hij en zijne deugdzame echtgenoote bestegen het
ook dien dag met de edele kalmte van de smettelooze
deugd, met den ongebroken moed van den geloovi-
gen Christen, die de zekerheid der verrijzenis met zich
omdraagt.
Onder degenen, die den Maarschalk de Noailles-
Mouchy ter dood hadden zien leiden, behoorde ook de
hertogin d\'Ayen.
Zij was met hare moeder en hare dochter, de Vi-
comtesse de Noailles, opgesloten in eene kamer van
het Luxemburg, vlak boven die van den Maarschalk
gelegen.
Dezen vertegenwoordigsters van drie geslachten kon
men alleen verwijten, dat zij aristocraten en de echt-
genooten van geëmigreerden waren. Die misdaden ver-
dienden natuurlijk de doodstraf.
-ocr page 143-
128
ZONDER VREES OF BLAAM.
Niet lang verbleven deze drie vrouwen in het tot
gevangenis ingerichte paleis. De revolutie-mannen had-
den te veel gekerkerden; al de voormalige abdijen
en paleizen zaten vol en nog altoos groeide het getal
verdachten aan, die van links en rechts werden over-
gebracht naar Parijs.
Het mes der guillotine hing te lang, bij te groote
tusschenpoozen werkeloos. Er moest iets op gevonden.
Spoedig hadden de mannen der Conventie een middel
bij de hand, om de overvolle gevangenissen te ledigen
en plaats te maken voor nieuwe slachtoffers. Zij slo-
ten bij de gevangenen eenige spitsboeven van hunne
soort op, die wisten, welke rol zij te spelen hadden.
Ras volgde nu eene openbare beschuldiging tegen
de honderden gevangenen, eene aanklacht zoo klaar-
blijkelijk valsch, dat iedere rechtbank, uitgenomen
eene revolutionnaire, er mee verlegen gezeten zou
hebben, en zich ten einde raad zou hebben afgevraagd:
„Hoe daarop een vonnis, en nog wel een doodvonnis
te vellen?"
Doch hoe zouden zulke lui in verlegenheid kunnen
komen ? Daarvoor was hunne boosheid te vindingrijk,
hunne eerloosheid te groot. De gekerkerden, zoo
luidde de beschuldiging, hadden in stilte samengezwo-
ren, om het Comité van Algemeen "Welzijn van kant
te helpen en de Republiek voor immer te vernietigen
door een stouten slag.
Ook de hertogin d\'Ayen en hare dochter hoorden
zich beschuldigen van met generaal Dillon te hebben
-ocr page 144-
ZONDER VREES OF BLAAM.
129
saamgespannen, om onder de gevangenen een oproer
te verwekken, en dan de bekende moordplannen tegen
het Comité ten uitvoer te leggen.
Of de moeder al aanvoerde, dat generaal Dillon,
met wien zij een complot gesmeed zou hebben, reeds
zes weken vóór hare inhechtenisneming was geguillo-
tineerd, het mocht niet baten.
Zij hoorde zich met hare dochter ter dood verwijzen.
Niemand beter dan de rechters kenden de schreeuwende
onrechtvaardigheid van dat vonnis, maar wat deerde
hun het recht, als zij de macht in handen hadden en
hun doel bereikten?
Als het moedige christinnen betaamt, vernamen zij,
wat haar te wachten stond. Maanden, ja, jaren had de
Revolutie haar in spanning gehouden, omtrent haar
eigen lot en dat harer dierbaren.
Duizend doodsangsten hadden zij reeds doorstaan, al
het kwellend leed der folterende onzekerheid kenden
zij bij ervaring.
De guillotine zou nu de ontknooping brengen, voor
haar ten minste. De echtgenoot van de Vicomtesse de
Noailles verbleef sinds eenigen tijd in Engeland, hare
drie jeugdige kinderen, aan goede handen toevertrouwd,
vertoefden in het bloedige Parijs.
Welk een toestand voor de achtentwintigjarige!
Zonder afscheid moest zij allen en alles verlaten, voor
immer.
De edele vrouwen bevalen met een grootmoedig
hart den Heer de belangen der haren aan. Het tijdelijke
9
-ocr page 145-
ZONDER VREES OF BLAAM.
130
werd op den achtergrond geschoven door de ernstige
gedachten aan de eeuwigheid, welke zij weldra zouden
ingaan.
Zij hoopten, en baden met vurigheid, dat deze hoop
niet beschaamd worden mocht, op de belofte van den
vromen en kloeken pater Carrichon, die haar vóór hare
opsluiting in het Luxemburg zijne geestelijke hulp had
toegezegd in de beslissende ure.
„Als gij naar de guillotine gaat, zal ik u vergezel-
len, zoo God er mij de krachten toe schenkt, en u dan
de H. Absolutie geven. Aan mijn blauwe jas en rood
buis of vest," voegde hij er bij, „zult ge mij onder de
menigte herkennen."
Deze belofte had hij haar meermalen herhaald, en hij
was er de man niet naar om zijn woord te breken.
Maar hoe vele gevaren waren voor hem aan de
uitvoering van dat voornemen verbonden! Wie weet,
of hij zelf niet reeds door het rondsluipend verraad in
de handen zijner gezworen vijanden was gevallen; of
boeien en kerker hem niet beletten, zich aan de afspraak
te houden en zijne belofte te volbrengen!
Den 2 2en Juli (1794) tegen vijf uren in den namiddag
rollen de karren der veroordeelden aan.
De eerste is welhaast gevuld en zet zich in beweging.
De tweede, waarop mevrouw d Ayen en hare dochter
zich bevinden, volgt spoedig.
De priester is werkelijk op zijn post: voor het tralie-
hek der gevangenis heeft hij eene standplaats gekozen.
De Vicomtesse de Noailles draagt een wit kleed,
-ocr page 146-
ZONDER VREES OF BLAAM.
131
treffend beeld van de reinheid harer ziel, van de smet-
teloosheid haars harten. Wat haar gewaad betreft,
herinnert zij aan de vrouw, die in November van het
vorige jaar, ook den laatsten gang deed naar het
schavot: Mevrouw Roland.
Ook deze immers had zich in \'t wit gekleed. Maar
zullen wij beiden moedig den doodelijken slag zien
afwachten, hoe verschillend is haar sterven.
Zij, die de ziel was der Girondijnen, stierf als eene
heidin, na even te voren eene bevallige buiging ge-
maakt te hebben voor de „galleuse", de schurftige,
een beeld der vrijheid, bij de guillotine geplaatst en
dus genoemd, wijl weer en wind het in een afschuwe-
lijken staat hadden gebracht.
„ O, vrijheid, wat al misdaden worden er in uw naam
bedreven!" was haar jongste schietgebed.
De hertogin d\'Ayen en hare dochter hadden zich
vast bij elkander aangesloten; zij zouden ook nu
vereenigd blijven tot in den dood.
Het oog der vicomtesse dwaalt zoekend over de
menigte. Zal zij den priester ontdekken? Hij staat in
de voorste rijen en doet al het mogelijke, opdat zij
hem gewaar worde.
Helaas! zij schijnt hem niet op te merken, al heeft
hij zich in de kleeding gestoken, waaraan zij hem
herkennen moesten.
Met al de teekenen van smartelijke teleurstelling
buigt zich de jonge vrouw tot hare moeder over, en
fluistert haar eenige woorden in het oor. Beiden
-ocr page 147-
ZONDER VREES OF BLA.AM.
132
schouwen nu nog eens vorschend rond. Andermaal
vergeefs! \'t Is, of een ondoordringbare sluier den pater
voor hare blikken verbergt.
De kar, waarop zij gezeten zijn, rijdt den geestelijke
rakelings voorbij. Hij houdt zich gereed tot het geven
der H. Absolutie, maar blijft ook thans onopgemerkt.
Aarzelend toeft hij een oogenblik op die plek, en
overweegt, wat hem nu te doen staat. Spoedig is zijn
besluit genomen. Met haastigen tred snelt hij eenige
straten en stegen door, en bereikt langs een omweg
eene brug, waarlangs de droeve stoet moet komen.
Hij plaatst zich dusdanig, dat hij noodwendig ge-
zien moet worden. Nieuwe bittere teleurstelling! De
karren dommelen uit de verte aan, gaan hem weder
rakelings voorbij; de ter dood gewijden zoeken hem
opnieuw, maar zien hem weer niet.
Wil dan de Heer niet, dat hij de vrijspraak zal
doen hooren over de hoofden dezer slachtoffers?
De priester, vermoeid van den langen tocht, dien
hij reeds achter den rug heeft, staart moedeloos de-
veroordeelden na.
Neen, waarlijk, hij ziet geen kans, om zijn edel-
moedig plan ten uitvoer te leggen. Hij is uitgeput
van het rusteloos heen en weer loopen, afgetobd door
de zenuwachtige spanning, waarin hij sinds den mor-
gen verkeert.
Geheel ontmoedigd prevelde hij binnensmonds: „God
schijnt het anders te beschikken; Zijn wil geschiede!"
Toch wil hij nog eene uiterste poging wagen. Zijn
-ocr page 148-
ZONDER VREES OF BLAAM.                    133
hart mag hem later niet verwijten, dat hij niet alles
beproefde, wat hij kon. Zoo snel zijne vermoeide
voeten het toelaten, spoedt hij weer langs straten en
steegjes, en bereikt, vóór de aankomst der karren de
rue St. Antoine. Zal hij slagen ?
Eene vurige bede stijgt op uit zijn priesterlijk hart.
Geheel beheerscht als hij is door de gedachte aan de
zending, welke hij verlangt te vervullen, heeft hij
geen acht geslagen op de groote verandering, welke
inmiddels heeft plaats gegrepen in de natuur.
De zon was schuilgegaan achter een heirleger van
aschgrauwe donderwolken, die somber en dreigend
den blauwen zomerhemel overdekten.
Eene nare duisternis viel over de straten. Felle
bliksemstralen doorploegden weldra van twee tegen-
gestelde richtingen het zwoegende zwerk, waaruit de
regen bij stroomen neerplaste.
De menigte, die de karren vergezelde, door de
dreunende donderslagen verschrikt, verdween in de
huizen.
Alleen de voertuigen der veroordeelden, geëscorteerd
door de gendarmen, rolden zwijgend voort door de
eenzame straten.
Was het geweldig natuurverschijnsel den bloeddor-
stigen toeschouwers vijandig, den priester was het eene
uitkomst. Hij schepte nieuwen moed en wanhoopte niet
langer aan den goeden uitslag zijner pogingen. Onver-
schrokken mengde hij zich onder de soldaten, die genoeg
aan zich zelven hadden en geen acht sloegen op den
-ocr page 149-
134                    ZONDER VREES OF BLAAM.
voetganger, welke zich door het booze weer niet van
zijn plan liet afbrengen.
De hemel zij geprezen! Thans wordt hij door moe-
der en dochter, die hem een dankbaren blik toewer-
pen, onmiddellijk opgemerkt.
Zijn hart springt op van vreugde; alle vermoeienis
is in een oogwenk vergeten. Hunne oogen ontmoeten
elkander en een hemelsche glimlach overstraalt het
gelaat der beide vrouwen.
Zwijgend stapt de priester voort vlak naast de kar.
Wat er gebeure, deze gelegenheid zal hem niet
ontsnappen. Zijne ziel, waarin zich straks voor een
oogenblik de kleinmoedigheid kwam nestelen, denkt
thans niet meer aan vrees.
Onversaagd zal hij zijn plicht doen, sterk in Hem,
die Zijne dienaars niet verlaat.
De donder rommelt intusschen voort. De bui hangt
juist boven de stad, de slagen worden iedere minuut
zwaarder en volgen elkander sneller op. Hevige wind-
stooten en een nijdige slagregen teisteren de geboei-
den en hun edelmoedigen tochtgenoot.
Bij de voorstad St. Antoine meent de priester de
meest geschikte plaats gevonden te hebben.
Terwijl de hemel als in vuur staat, geeft de pater
aan beide veroordeelden een teeken. Zij begrijpen
hem, en buigen vol deemoed het hoofd rouwmoedig
op de borst.
Zegenend heft hij de hand, en spreekt langzaam en
duidelijk het gansche formulier der Absolutie, zonder
-ocr page 150-
ZONDER VREES OF BEAAM.                     135
dat een der soldaten er acht op slaat. Hebben de
woorden der vrijspraak ooit in treffender omstandig-
heden geklonken?
Voort gaat de stoet. De priester, schoon zijne belofte
vervuld, zijne heilige taak voleindigd is, kan niet be-
sluiten heen te gaan. Den hoed diep in de oogen
gedrukt, over zijn geheele lichaam doorweekt van den
regen, strompelt hij naast de kar verder.
Uit den mond der Vicomtesse de Noailles vangt hij,
tot in het diepst zijner ziel geroerd, de volgende
woorden op: „Ons offer is voltrokken. Ach, hoeveel
dierbaren moeten wij achterlaten! De Heer roept ons
in Zijne barmhartigheid. Wij zullen hen nimmer ver-
geten. Belast u met onze teedere afscheidsgroeten aan
hen en aanvaard onzen dank.
Jesus Christus, die voor ons het leven liet, is onze
kracht. Mogen wij in Hem sterven! Vaarwel! Dat we
elkander in den hemel wederzien!"
Ademt deze taal de reinste godsvrucht, doet zij ons
een blik slaan in dat Christelijk hart, ook de houding
der jeugdige veroordeelde predikte berusting en engel-
achtig geduld. De bui nam allengskens in hevigheid
af en was eindelijk geheel overgedreven.
De menigte die zich hier en ginds een schuilhoek
had gezocht, kwam weder te voorschijn. Ook zij werd
getroffen bij het zien der schoone jonge vrouw, die
reeds op haar gelaat als een weerschijn vertoonde van
de hemelsche gelukzaligheid.
„Hoe vergenoegd is zij," spraken de bewogen om-
-ocr page 151-
136
ZONDER VREES OF BLAAM.
standers. „Wat slaat zij de oogen ten hemel! Hoe
vurig bidt zij! Doch wat kan het haar baten?"
De zon brak weder door de wolken, toen de ver-
oordeelden het schavot bereikten.
De beulen hadden geen tijd te verliezen en begon-
nen onverwijld hunne taak.
Met de rustige gelatenheid eener vrome Christinne,
die bevroedt, wat het zeggen wil, den Heer het offer
haars levens te brengen, bestijgt de hertogin d\'Ayen
de ladder en legt het hoofd op hare beurt onder de
bloedige bijl.
• De dochter zal haar volgen.
Maar vóór zij zich op de plank uitstrekt, heeft zij
nog een plicht van edele naastenliefde te vervullen,
eene ziel te redden, indien zij dat vermag.
Een jonkman, in den bloei der jaren, behoort tot
hare lotgenooten.
Moet hij thans reeds dat leven, \'twelk voor hem nog
niets van zijne illusies verloren heeft, vaarwel zeggen?
Zal binnen weinige oogenblikken zijn hoofd vallen,
terwijl hij zich geene misdaad bewust is. Rampzalig
lot! En eene verwensching, een gesmoorde vloek wordt
uit zijn mond gehoord.
De Vicomtesse de Noailles heeft de woorden van den
wanhopigen jongeling vernomen, en deernis vervult
hare ziel, bij de gedachte, hoe hij de eeuwigheid zal
ingaan.
Met den eenen voet op de ladder wendt zij zich
tot hem, en zegt met smeekenden blik en met iets
-ocr page 152-
ZONDER VREES OF BLAAM.                     137
in den toon der stem, dat haar verzoek onweerstaan-
baar maakt: „Ik bid u, mijnheer, zeg: „„Vergiffenis,
mijn God!""
Dat was haar laatste woord. Weldra rolde haar on-
schuldig hoofd in de mand. O, roemrijke, benijdens-
waardige dood, hoe stelt gij het sterven in de schaduw
van Madame Roland, de geëmancipeerde vrouw, welke
in hare gedenkschriften de waardige leerlinge van
Voltaire en de philosofen toont te zijn; die op de
grenzen der eeuwigheid zich nog de beroemde man-
nen van Plutarchus herinnert en geen hoogere eerzucht
kent dan kalm en vol zelfbeheersching den „eeuwigen
slaap" in te gaan!
Wat een ontwaken bij het verschijnen voor den
rechterstoel van den levenden God, Dien de savante
hoonde en loochende, schoon Hij haar in hare schoone
kinderjaren, toen het gif der goddeloosheid hare ziel
nog niet verpest had, het rein genot had doen sma-
ken, \'twelk Hij dezen schenkt, die Hem met een op-
recht gemoed zoeken en dienen!
Laten wij thans het \'oog vestigen op eene geheel
andere persoonlijkheid uit de Fransche Omwenteling;
op een man, die wel niet als martelaar stierf, of in de
beproeving getuigenis aflegde van zijn geloof, maar
die bij het volbrengen van zijn plicht in de ure des
gevaars een heldenmoed, eene doodsverachting ten
-ocr page 153-
138                    ZONDER VREES OF BLAAM.
toon spreidde, welke ons met bewondering vervullen.
Een koelbloedig man, vol onverzettelijke wilskracht
moet deze zijn, roepen we onwillekeurig uit bij het
aanschouwen zijner beeltenis.
Die koene, gebiedende blik, die lippen, met zooveel
vastberadenheid gesloten, die trekken om den forschen
neus zullen niet in tegenspraak blijken met het karakter
van den markies de Bouillé, uit wiens loopbaan tijdens
de Revolutie wij eenige feiten willen mededeelen.
Men schrijft 1790. Is er allerwegen gisting in de
gemoederen, ook in het leger is het verre van rustig.
„Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap" is de leus, maar
de krijgstucht, meenen de soldaten, laat hun al heel
weinig van die vrijheid genieten. Gelijkheid is in hunne
rangen niet te vinden.
Op officiersplaatsen hebben alleen aristocraten aan-
spraak, en dan nog aristocraten, die een adel kunnen
toonen van minstens vier geslachten.
Men moge zich in den oorlog onderscheiden, zich
krijger toonen in den vollen, in den besten zin des
woords, van bevordering geen sprake, zoo men geen
adelbrieven overleggen kan.
Broederschap is er genoeg. Allen toch offeren aan
de algemeene verbroedering, en zijn het hierover eens,
dat de promotie onder hen met alle eischen der bil-
lijkheid spot; dat de regeering een goed werk deed,
zoo zij eindelijk eens de achterstallige soldij, niet in
klinkende woorden, waarop niemand crediet geeft,
maar in klinkende munt wilde uitbetalen.
-ocr page 154-
FKAN(,:OIS CLAUDE AMOUR MARKIES DE BOUILLÉ.
-ocr page 155-
ZONDER VREES OF BLAAM.
139
Te lang immers reeds wachtten zij op hun geld.
Over troepen in zulk eene stemming had de Bouillé
het opperbevel. De oudgediende, die in den zeven-
jarigen oorlog door zijne dapperheid den kolonelsrang
verwierf, en gedurende den Amerikaanschen vrijheids-
oorlog den Engelschen menig benauwd oogenblikje
deed doorleven, was in geene aangename positie.
In den stormloop, in het kiezen van maatregelen
tijdens het gevecht was hij veel beter thuis, dan in het
schipperen en het door hem hartgrondig verfoeide
transigeeren.
Hij hakte veel liever met zijn beproefd zwaard den
knoop kort en goed door. Maar wat wilde hij ? De
omstandigheden waren ook hem te sterk.
De hoogste militaire gezagvoerders waren reeds over
de grenzen gegaan. De bodem van het Fransche rijk
werd hun te warm onder de voeten; de schokken en
de rommelingen kondigden met iederen dag duidelijker
aan, dat eene geweldige uitbarsting op handen was.
Maar heengaan, terwijl het wankelende koningschap
den felsten kamp te strijden heeft met het oproer, dat
dagelijks driester den kop verheft, lijkt de Bouillé
eene schandelijke lafheid, een verraad aan zijne be-
ginselen.
Blijven zal hij, zoolang zijn dienst gevorderd wordt,
zoolang nog eene enkele ster van uitkomst hoopvol
flikkert boven zijn hoofd.
Hij is doof voor het morren der soldaten en als het
regiment Picardië te luidruchtig wordt, en in zijne
-ocr page 156-
ZONDER VREES OF BLAAM.
140
luidruchtigheid zich vergrijpt aan de krijgstucht, komt
het bevel van naar het plein der groote kazerne op
te rukken.
De generaal verschijnt en houdt een lang niet mal-
sche militaire strafpredikatie, die de beschaamde sol-
daten tot inkeer brengt, tot berouw stemt en hun de
belofte afperst van beterschap.
Maar die beterschap was van korten duur; ras waren
al de schoone beloften vergeten en begon het spel
opnieuw.
Zekeren Augustusdag wordt den bevelhebber de
tijding gebracht, dat het heele garnizoen van Metz,
dat hem als zijn opperhoofd eerbiedigt, met gela-
den geweer in slagorde geschaard voor de kazerne
staat.
Spoedig bevindt hij zich te midden van het rumoer,
dat hand over hand toeneemt. Hij dringt tusschen de
muiters, en spreekt hen aan, maar zijn woorden vin-
den slechts een echo in bittere klachten en dreigend
gemor.
Zij vorderen eenstemmig de achterstallige soldij.
Wat zal Bouillé doen ? Zwichten voor den aandrang
van die tienduizend, wier vertoogen niets onbillijks
hebben; die slechts op min eerbiedige wijze het hun
toekomende vorderen en thans allen één lijn trekken ?
Dat nooit! Zij zullen buigen, of hij zal breken, doch
toegeven? Daarvan kan geen sprake zijn.
Hij wendt zich tot het Duitsche regiment Salm,
\'twelk nog eenige hoop op gehoorzaamheid geeft Ver-
-ocr page 157-
ZONDER VREES OF BLAAM.
I4I
geefs! Ook hier gaat de kreet op om geld, dat zich
altoos laat wachten.
Vóór de bevelhebber er op verdacht is, schouderen
juist deze manschappen het geweer, maken rechtsom-
keer en stappen in militairen pas naar de woning van
hun generaal.
Zij willen zich zelven recht verschaffen en uit de
krijgskas de hun verschuldigde som nemen, want
krijgen blijft tot de vrome wenschen behooren.
Bouillé staat een oogenblik verbluft, doch ook maar
een oogenblik. Hij heeft hun plan doorgrond, en in
den stormpas marcheert hij met de hem trouw blijvende
officieren naar zijn bedreigd huis.
Als Salm aankomt, ziet het zijn generaal omringd
door de mindere officieren, met uitgetogen zwaard op
de buitentrap zijner woning staan.
Dat was eene min aangename verrassing, en op
hunne beurt blijven ze eenige seconden besluiteloos.
Het oproerig element is een oogenblik bij hen in twee-
strijd met hun plicht, doch houdt de overhand.
Als woedende golven stuwen zij elkander voort,
maar de Bouillé, de eenige hindernis, die hun den weg
verspert, staat pal en onverwrikt.
Zijn bevel aan de dragonders om op de muitende
benden in te hakken, heeft geen ander gevolg dan dat
de bevelhebbers de sabel trekken en een charge com-
mandeeren, maar... de ruiterij verkiest werkeloos toe-
schouwer te blijven en weigert gehoorzaamheid.
Moordkreten en wraakzuchtig geroep doen zich hoo-
-ocr page 158-
ZONDER VREES OF BLAAM.
142
ren; het gemeen sluipt tusschen de gelederen der sol-
daten en vuurt ze aan, om hun bevelhebber over hoop
te schieten.
Maar de enkele, die het waagt aan te leggen, ziet
onmiddellijk door zijn nevenman het vuurwapen in
de hoogte slaan, en kan zijn bloeddorstig plan niet
ten uitvoer leggen.
Als uit brons gegoten staat de onverschrokken
Bouillé zoo twee volle uren voor zijn huis. Waagt het
een der heethoofden op hem aan te leggen, geen zweem
van ontroering vertoont zich op het gelaat van den
bedreigde.
Doré geeft ons in de door hem geïllustreerde „Geschie-
denis der Kruistochten" den dood te aanschouwen van
Jacques Maillé, maarschalk van den Tempel.
Zijne teekenstift doet ons den fleren Kruisvaarder
zien, links en rechts doorstoken met de pijlen zijner
belagers, evenals zijn stervend krijgsros. Majestueus
-en schrikwekkend tot in den dood, dwingt hij den
Muzelmannen ontzag af.
Hij is het middelpunt van den moordenden cirkel,
welken de vijand om hem heentrekt, doch niemand\'
der Turken durft het wagen, een strijd met hem aan
te gaan man tegen man.
Uit de verte zenden ze hem hunne schichten toe,
bevreesd als ze zijn voor de woede van den sterven-
den leeuw.
Dus rees de Bouillé, terwijl duizend dooden hem
•dreigden, voor zijne muitende soldaten op, kalm en
-ocr page 159-
ZONDER VREES OF BLAAM.
143
vastberaden. Hij wist, wat hij wilde. Niet dan over
zijn zielloos overschot zouden de oproerigen hun doel
bereiken, er mocht gebeuren, wat wou.
Hoe de ontknooping van deze weergalooze worste-
ling geweest zou zijn, indien de maire met het stede-
lijk bestuur niet tusschenbeide getreden ware, is moei-
lijk uit te maken.
Dat de Bouillé voet bij stuk gehouden zou hebben,
staat buiten allen twijfel. De muitelingen stemmen er
eindelijk in toe, dat zij zich voorloopig tevreden zullen
stellen met de helft der onbetaalde gelden, \'s anderen-
daags te voldoen.
De maire belooft hun op zijn eerewoord, dat hun
de gevorderde som op den bepaalden tijd zal worden
uitgekeerd. De rust keert in de gemoederen terug, de
troepen rukken in en betrekken weder hunne kazer-
nen, alsof er niets gebeurd was.
De maire deed den volgenden dag zijn woord gestand
en het oproer was gedempt. Zoo wist Bouillé door
zijne onwrikbare standvastigheid, door zijne bewonde-
renswaardige koelbloedigheid allen in bedwang te
houden. Ware hij er niet geweest, wie weet, welke
betreurenswaardige uitspattingen de historie geboekt
zou hebben van het soldaten oproer te Metz.
De taak van de Bouillé was hiermede niet voleind.
Hem was nog neteliger zending voorbehouden. Om
de gisting onder de soldaten te doen ophouden, hunne
grieven te onderzoeken en de achterstallige soldij uit
te betalen, waren er eenige inspecteurs aangesteld.
-ocr page 160-
144                    ZONDER VREES OF BLAAM.
Die, welke in last had om in dezen voor het onrus-
tige Nancy te zorgen was de heer de Malseigne, een
streng man, niet gewoon voor dwang te buigen, als
hij meende, dat hij het recht aan zijne zijde had. De
bezetting van Nancy had op haar gemor en hare eischen
om directe uitbetaling nul op het request gekregen.
De inspecteur wenschte eerst alles haarfijn te onder-
zoeken, te overwegen en dan..... Het geduld der
opgeruide krijgslieden was echter uitgeput. Eene gewel-
dige uitbarsting volgde op de weigering. Men wilde
niet langer alles op de lange baan geschoven zien.
De Malseigne bulderde, dreigde, stormde zelfs op
de muiters in, doch, niet bestand tegen de overmacht,
moest hij weldra zijn heil zoeken in eene overhaaste
vlucht.
Hij reed spoorslags naar Luneville. Maar ook te
Nancy zat men niet stil. Een escadron van de ruiterij
zat haastig op, sloeg eveneens den weg naar Luneville
in, en vorderde de uitlevering van de Malseigne. Na
veel over en weer praten werd de inspecteur in hunne
handen gesteld en gevankelijk naar Nancy terugge-
voerd, waar hij spoedig met Denoue, den komman-
dant der stad, den kerker mocht deelen.
Dag noch nacht was er meer rust binnen de woelige
veste. Soldaten en burgers, allen verloren het hoofd,
\'t "Werd hoog tijd, dat er paal en perk gesteld werd
aan die beroeringen, wilde men niet dat geheel Lotha-
ringen werd medegesleept. De Bouillé was daarvoor
de aangewezen man.
-ocr page 161-
ZONDER VREES OF BLAAM.                     145
Na dien vreeselijken Augustusdag hadden zijne troe-
pen, welke hij in verschillende streken, buiten Metz,
had verspreid, zich over \'t algemeen goed gehouden.
"Wel moest hij een en ander door de vingers zien,
\'t welk hij in gewone omstandigheden niet geduld zou
hebben, maar alles te zamen genomen, waren er redenen
tot tevredenheid.
Bouillé trekt zoo snel mogelijk zijne verstrooide
krijgers samen, \'t Is helaas een klein legertje, dat
bovendien in zijne gelederen nog menig soldaat telt,
op twee ideeën hinkend, en in lichten graad aangetast
door de zoo besmettelijke insubordinatie.
Maar wat het getal der krijgslieden en de wan-
kelmoedigheid van sommigen hunner opweegt, is de
bekende onversaagdheid, de ontembare wilskracht van
den aanvoerder.
Sinds Augustus hebben hem zijne mannen eerst
recht leeren kennen, en dragen zij hem om zijn verschil
met hunne meeningen over het algemeen geen goed
hart toe, gehoorzaamheid kunnen zij dezen niet wei-
geren, die hun bewondering afdwong, huns ondanks.
Een korte proclamatie wordt naar Nancy gezonden.
Den heelen Bouillé vindt men er in terug. Scherp en
beslist luidt het: „Onderwerping of strijd zonder genade;
over de keuze kan een etmaal worden nagedacht en
beraadslaagd."
Reeds den volgenden dag tegen den middag verschijnt
eene deputatie uit den stedelijken raad en van de oproe-
rige soldaten, ten einde de onderhandelingen te openen.
10
-ocr page 162-
146                    ZONDER VREES OF BLAAM.
Die afgevaardigden slaan echter zoo\'n hoogen toon
aan, dat het den schijn heeft, of zij den onbuigzamen
Bouillé de wet komen stellen, en meenen, dat hij met
zijne manschappen naar hun pijpen zal moeten dansen.
„Laat ze hangen, de schaamteloozen!" roepen Bouillé\'s
soldaten hem toe.
De generaal wil van dien uitersten maatregel niets
weten. Hij heeft zijne gedragslijn reeds afgebakend, en
geen verwoed geroep zijner minderen, vermag hem daar-
van een vingerbreed te doen afwijken.
Kalm en kordaat stelt hij zijne voorwaarden:
i°. Den heeren Denone en Malseigne de vrijheid
teruggeven; 20. hartelijk berouw toonen over het
voorgevallene, en 30. op het eerste commando van hem,
Bouillé, afmarcheeren naar de door hem aan te wijzen
plaats. Dus luidden zijne eischen, welke den afgevaar-
digden volstrekt niet aanlokkelijk voorkwamen, en
aannemelijk evenmin.
De Bouillé had echter geen lust zijn tijd verder met
praten te verspillen. Zoo zij niet in zijne voorstellen
treden kunnen, raadt hij hun ten sterkste aan van
zoodra mogelijk huns weegs te gaan, daar hij niet van
plan is langer te dralen. Spoedig, belooft hij hun, zal
hij de heethoofden met zijne troepen op minder zachte
manier tot rede weten te brengen. Gaarne bracht hij
den vrede; wilden zij liever het zwaard, dat was hun
zaak. Zij mochten toezien.
Dat het hem ernst was met deze woorden, bleek
spoedig. Pas waren de onderhandelaars uit het gezicht,
*
-ocr page 163-
ZONDER VREES OF BLAAM.
147
of het tromgeroffel gaf het sein, om naar Nancy op
te marcheeren.
De Bouillé ontveinsde zich het hachelijke van zijn
toestand geenszins. Met ruim 3000 man, van het ons
bekende gehalte, stond hij tegenover 10.000. Doch
kon hij anders? Moet hij niet zijn plicht doen, ook al
schijnt de worsteling wanhopig en misschien in zijn
nadeel beslist te zullen worden ? Geen weifeling! Voort
gaat het en tegen half drie is hij met zijne troepen
nog op een half uur afstand van Nancy.
Eene nieuwe deputatie komt hem te gemoet. Er
wordt nog één uur uitstel gevraagd, een weinig tijds
tot beraad.
„Toegestaan!" zegt de Bouillé. Maar als het uur
verstreken is, en noch Malseigne, noch Denone op-
dagen, dan roffelen de trommen opnieuw, het legertje
zet zich weder in beweging, en weldra staat de onver-
zettelijke vlak voor de poorten der stad.
De bevelen klinken; de kanonnen worden geladen,
de manschappen in positie gesteld. De lonten zijn
reeds ontstoken, maar vóór het sein tot den eersten
aanval gegeven wordt, waait van de oproerige wallen
de witte vlag, Denone en Malseigne rijden frank en
vrij ter poort uit, de muitzieke benden zijn bereid aan
de opvordering van den ijzeren Bouillé te voldoen.
De hoofdmacht der oproerige soldaten staat weldra
buiten Nancy ordelijk in het gelid. [Geen gemor is
meer op hunne lippen; de grieven, schoon niet weg-
genomen, schijnen niet meer te bestaan. Het gezicht
-ocr page 164-
148                    ZONDER VREES OF BLAAM.
van Bouillé doet wonderen. Hij mag zich geluk wen-
schen. Alles gaat opperbest, maar de plooien om zijn
stroeven mond verraden de aandoeningen zijns harten
niet. Uiterlijk is hij dezelfde van voor eenige uren, al
heeft de onderneming eene wending genomen, welke
hij niet dorst verhopen.
Terwijl hij zich een oogenblik van zijne manschap-
pen verwijdert, om in vertrouwen eenige woorden te
wisselen met de bevrijde militaire hoofden, lost het
opgeruide gemeen een kanonschot op Bouillé\'s dapperen.
Een half honderdtal hunner betaalt deze verraderlijke
lafheid met den dood. Door die losbranding schijnen
alle booze hartstochten, door Bouillé zooeven geketend,
hunne boeien te verbreken en vangen het werk des
verderfs aan.
Daar staat de arme bevelhebber, die op vreedzame
wijze het gezag meende hersteld te hebben, en wordt
eensklaps uit dien zoeten waan gebracht.
Zijne soldaten wachten het teeken tot den aanval
niet af. „Dood aan de verraders!" galmt het uit hunne
rangen, die vuur braken op de trouwelooze menigte.
De straten zijn spoedig schoongeveegd. Daarmee is
echter de worsteling niet beslist. Uit vensters en deuren,
van muren en daken regent het kogels op Bouillé\'s
soldaten, die als verwoede duivels doorsteken en neer-
schieten, wat zich vertoonen durft.
Een wanhopig straatgevecht, een strijd tusschen
soldaten en burgers, tusschen soldaten onderling, is
ontbrand. Doch vóór de zon haar loop in het Westen
-ocr page 165-
ZONDER VREES OF BLAAM.
149
voltrekt, is de Bouilé meester van het terrein, niet
zonder zware offers evenwel. Veertig zijner officieren,
vijfhonderd minderen vonden te Nancy een roemvol
graf. De verliezen der tegenpartij worden op drie dui-
zend geschat. Andermaal had de wakkere Bouillé
gezegevierd over het oproer.
\'t Is eene nuttelooze, maar natuurlijke vraag: „Wat zou
het verloop der Revolutie geweest zijn, ingeval de Broglie
in de schoenen van Bouillé gestaan hadde ?" Zou het
intusschen niet verstandig en tevens Christelijker zijn,
zoo we haar dus stelden: „Wat zouden de geschied-
rollen over het Frankrijk der i8en en ioen eeuw ver-
melden, zoo de onmiddellijke voorgangers van Lode-
wijk XVI, in stede van de ergerlijkste zedeloosheid
naast zich ten troon te verheffen, zich den naam van
„ Allerchristelijksten koning" hadden waardig getoond ?
Indien Voltaire en de zijnen hun stroom van god-
deloosheid niet over het ongelukkige rijk hadden doen
gaan? Indien Jean Jacques Rousseau... doch de feiten
nemen geen keer, al mag het opsporen hunner oor-
zaken eene dankbare, leerzame taak heeten.
Nog eenmaal gedurende de Omwenteling zien we
de Bouillé verschijnen: in den tijd van de ongeluk-
kige reis naar Varennes, ongelukkig door de schuld
van hen zelf, die het meeste belang hadden bij het
welslagen; eene reis vol raadselachtige gebeurte-
nissen, welke misschien nooit geheel ontsluierd zullen
worden.
De Bouillé, die zooveel van den dag der ontvluch-
-ocr page 166-
150                    ZONDER VREES OF BLAAM.
ting dorst hopen, werd wreed teleurgesteld. De akelige
werkelijkheid spotte met zijne schoone verwachtingen.
De trouwe dienaar mocht zijn vorst niet redden.
Toen hij de koninklijke familie den terugweg naar
Parijs zag aanvaarden, ging ook voor hem de laatste ster
van hoop onder. Hij stierf te Londen het eerste jaar
dezer eeuw, ons in zijne gedenkschriften de bijzonder-
heden uit zijn werkzaam leven achterlatend.
De oude kolonel de Lavergne-Montlaurier lag ziek
en schier buiten kennis in de gevangenis. Zijne edele
echtgenoote, die zijne onschuld kende en wist, dat hij
spoedig voor de revolutionnaire rechtbank moest ver-
schijnen, wendt zich tot het Comité de Sureté, ten
einde voor hem een uitstel te bekomen.
Zij schetste den toestand van haar gemaal, die
thans door krankte en zwakheid buiten staat is te ant-
woorden op de beschuldigingen, welke men tegen
hem zal inbrengen. Onder spotgelach wordt haar de
deur gewezen.
Half radeloos verlaat zij die onmenschen, en terwijl
zij met schreiend hart overlegt, wat haar nu te doen
staat, flikkerde eensklaps een lichtstraal voor haar
geest.
Te goeder ure herinnert zij zich, dat Dumas, de
onder-president der rechtbank, haar geen onbekende is.
Zij heeft hem vroeger eenige malen ontmoet, en
-ocr page 167-
ZONDER VREES OF BLAAM.                   151
hoopt, niet zonder grond, door zijn toedoen te verkrij-
gen, wat haar door de harteloozen, tot wie zij zich de
eerste maal wendde, zoo onbeschoft geweigerd werd.
De kloeke ziel kende de helden der Revolutie niet.
Vol blijde verwachtingen spoed zij zich naar de wo-
ning van Dumas, en legt hem in weinige woorden den
toestand van den kolonel bloot. Met een ironisch lachje
om de lippen, eene flikkering van revolutionnaire gees-
tigheid in het oog, hoort de vice-president haar aan.
Als zij zich van hare taak gekweten heeft met de
welsprekendheid des harten, antwoordt hij : „Wees
toch niet zoo dwaas van u te beklagen. Wees de
Conventie eerder dankbaar, dat zij u, die nog onder
alle opzichten bekwaam zijt, om eenen anderen man
het leven te veraangenamen, verlossen wil van dien
ouden knorrepot.
De edele vrouw stond verstomd bij zooveel schaam-
teloosheid. Op een ellendeling als die daar vóór haar
oprees, had zij hare hoop gebouwd! Een blos van hei-
lige verontwaardiging kleurde haar schoon gelaat.
Fier richtte zij zich op, en terwijl de diepste verach-
ting uit hare oogen lichtte, zegt zij forsch en krachtig:
„Nietswaardige, het spijt mij innig, dat het ooit in mij
opgekomen is, u eene gunst te verzoeken. Als mijn
echtgenoot voor uwe eerlooze rechtbank verschijnen
zal, zult ge mij terugzien. In de gerechtszaal zal ik u
toonen, of ik de schandelijke beleediging verdiende,
welke gij u niet ontzaagt mij aan te doen?"
De oude kolonel werd spoedig voor het tribunaal
-ocr page 168-
152                     ZONDER VREES OF BLAAM.
gedaagd. Gelijk te voorzien was, luidde het ook over
hem: „des doods schuldig!" Toen dat vonnis was voor-
gelezen, riep zijne moedige echtgenoote, dat het door
de gansche zaal weergalmde:
„Leve de koning!" Dat volstond, om haar harte-
wensch vervuld te zien. Zij werd gegrepen en onmid-
dellijk ter guillotine verwezen.
Zij deelde met haren afgeleefden echtgenoot dezelfde
kar. De arme man was zóó ziek, dat hij niet eens
zitten kon. Op een handvol stroo werd hij uitge-
strekt.
Het voertuig hotste voort en deed den kranke niet
weinig leed.
Eén troost mocht hij smaken: hij kon het moede
hoofd wat rust gunnen door het te laten steunen op
de voeten zijner „kruisgenoote", die hem met hare
gebonden handen geene andere verlichting kon bieden
in zijne kwellingen.
Aan den voet van het schavot omhelsden zij elkan-
der, en de moedige vrouw, die waarlijk eene trouwe
hulpe mocht heeten tot in den dood, volgde haar ge-
maal in de eeuwigheid, aan de wereld het voorbeeld
nalatende van de roerendste huwelijksliefde!
Grooter door haar manlijken moed en Christendeugd
dan door hare hooge geboorte, was zij, uit wier leven
wij een paar trekken willen mededeelen. Haar naam
-ocr page 169-
ZOXDER VREES OF BLAAM.
153
luidde Madame de la Trémouille, prinses van Ta-
rente.
Toen de Tuilerieën den ioen Augustus in de handen
van het grauw vielen, was zij daar, te midden van
duizend verschrikkingen, met nog-verschillende andere
voorname dames.
De kreten der overwinnaars, het gebrul van de
bloeddorstige scharen, het kermen der rampzalige over-
wonnelingen, de val der lijken, welke van de balkons
naar beneden werden geworpen, vermeerderden ieder
oogenblik den doodsangst, waaraan de meesten harer
reeds uren ten prooi waren.
„Wat lot zal ons beschoren zijn?" vroegen zij zich
telkens sidderend af.
Eindelijk naderen de moordenaars ook het vertrek,
waar de weerlooze vrouwen zich bevinden. De eenige
verdediger, Diet genaamd, die bij den ingang heeft
post gevat en haar een bolwerk maakt van zijn
lichaam, is weldra neergesabeld, doorkerfd met zwaard
en piek.
De prinses van Tarente opent zelf de deur en be-
vindt zich tegenover de havelooze Marseillanen, van
het hoofd tot de voeten met het bloed hunner slacht-
offers bemorst.
Hun aanvoerder staart vol bewondering eenige oogen-
blikken naar de kloeke vrouw, die hem koen en vast-
beraden in de oogen schouwt.
Terwijl hij nog sprakeloos staat, klinkt het hem
tegen: „Dit meisje" — zij had de jonge Pauline de
-ocr page 170-
ZONDER VREES OF BLAAM.
154
Tourzel aan de hand — „werd mij toevertrouwd door
hare moeder. Tref mij, maar bescherm de eer en het
leven van deze. Zij is een pand, dat ik onder eede
beloofd heb ongeschonden aan de moeder weder te
geven. Schenk haar dus hare dochter terug en neem
mijn bloed."
De ruwe, ontmenschte Marseillanen zijn verteederd.
Over de lijken der verslagenen heen, die overal den
weg versperren, brengen zij al deze vrouwen in vei-
ligheid.
De Septemberdagen met al hunne gruwelen braken
aan. De prinses van Tarente zat toen gevangen in
La Force. Zij werd voor de revolutionnaire rechtbank
geroepen, wat bijna gelijkstond met het vernemen van
het doodvonnis. Men hoopte uit haar eenige getui-
genissen te trekken, welke tot wapen dienen konden
tegen de beklagenswaardige Marie Antoinette.
Bij het vernemen van haar naam maakte de kloeke
vrouw eerbiedig het kruisteeken, en trad vastberaden
voor hare rechters.
Al dadelijk klonk het: „Gij zijt op de hoogte van
de intriges tusschen de koningin en de emigranten;
deel ze ons mee!"
„Ik herinner mij alleen de hooge deugden en de
goedheid der koningin, die gij evenzeer zoudt bemin-
nen als ik, zoo gij haar kendet. Gij beleedigt en ver-
wenscht haar enkel, omdat gij haar niet van nabij kent."
„Geef antwoord op onze vragen! Wist gij van het
complot van den ioen Augustus?"
-ocr page 171-
ZONDER VREES- OF BLAAM.
155
„Er bestond geen complot den ioen Augustus. Men
verdedigde zich."
„Heeft dan de koningin den Zwitsers niet bevolen,
het volk te misleiden en neer te schieten?"
„Men belastert de koningin, als men haar van zoo
iets beticht. Zij bemint het volk en zal het niet ver-
raden. Indien gij haar gezien hadt als ik, zich onledig
houdende met het maken van kleedingstukken, die de
schamelen moesten dekken; hare schatten openend,
om den nooddruftigen het levensonderhoud te schenken,
gij scholdt haar niet de vijandin des volks !"
„Door aldus haren lof te verkondigen verklaart gij
u de vijandin der natie."
„Zeggende, \'t geen gij uit mijn mond vernaamt, ben
ik niet meer dan billijk voor mijne meesteresse; men
heeft u verkeerd ingelicht te haren opzichte."
„Dat die vrouw z wij ge en heenga!" sprak een der
rechters.
„Ja, zwijg en verwijder u!" herhaalden de anderen.
De bloeddorst stond ontwapend bij het zien van zoo-
veel moed, karakter en waarheidsliefde in eene zwakke
vrouw, die de zoo fel gehate „Autrichienne" verde-
digen dorst voor de rechtbank harer grimmigste
vijanden.
De deur van den kerker was nauwelijks achter de
prinses gesloten, of zij viel op de knieën en dankte
God, die haar ten tweeden male zoo goedertieren be-
waard had en beschermd. Toen zij weder opstond,
bemerkte zij dat haar kleed, voorzoover het met de
-ocr page 172-
156                    ZONDER VREES OF BLAA.M.
straatsteenen in aanraking geweest was, droop van
het bloed, \'t Was dat van de offers der teugellooze
volkswoede, \'twelk den omtrek der gevangenis rood-
verfde.
„Honderd goudstukken voor wie tegen den burggraaf
de Favras eene beschuldiging inbrengen kan, welke
leidt tot zijne veroordeeling!"
Zoo luidde het eerlooze aanbod, door de partij ge-
nooten van den ontaarden Philippe Egalité gedaan.
Een schoon lokaas voor allen, die naar geld hun-
kerden, verkregen tot welken prijs ook.
Ras boden zich een paar naneven van Judas aan.
Op listige wijze hadden zij zich in het vertrouwen
van den niets kwaads vermoedenden edelman inge-
drongen, eenige malen een onderhoud met hem gehad,
en toen zij eindelijk de kans schoon zagen, klaagden
zij hem in December 1789 aan bij het Comité des
R echerches
(Commissie der Opsporingen). "Wat dit re-
v olutionnaire rechterlijk lichaam te beduiden had, zal
het vervolg ons leeren.
De Favras werd onmiddellijk in hechtenis genomen.
Naar het Chatelet gevoerd, hoorde hij zich door de
drie valsche getuigen Morel, Turcate en Marquie, schel-
men van het laagste allooi, beschuldigen van het vol-
gende : 1 °. Met 12.000 Zwitsers en een even groot getal
Duitsche troepen wilde hij naar Parijs oprukken; de
-ocr page 173-
ZONDER VREES OF BLAAM.
157
hoofdstad geheel afsnijden van het overige Frankrijk;
de koninklijke familie, gehoond en versmaad in haar
eigen paleis, met zich wegvoeren naar Peronne; Bailly,
Necker en Lafayette eindelijk om hals brengen. Zie-
daar, wat hij in zijn schild voerde, laten wij er bijvoe-
gen, zonder dat hij het zelf wist.
Kalm en bedaard hoorde de Favras deze meineedige
verklaringen aan. Al wat op zijn gelaat te ontdekken
viel, tijdens het verhoor, was een trek van misprijzen,
die nu en dan om zijne lippen speelde, wanneer een
der drie omgekochten tegen hem getuigde.
Met de kernachtige kortheid van den krijgsman,
gehuwd aan de overtuigende welsprekendheid der on-
schuld, verdedigde hij zich.
Had hij troepen willen aanwerven, \'t was geweest
met het oog op eene omwenteling, welke in Brabant
dreigde los te barsten. Dat hij zich bij de Saint-Priest
had aangemeld en paarden had gevraagd uit de konink-
lijke stallen, om met zijne dapperen op de furiën der
Revolutie in te stormen, ten einde haar de kanonnen
te ontnemen, waarmede zij naar Versailles oprukten
tegen den vorst, dien hij liefhad, neen, dat ontkende
hij niet. Hij zou zijn voornemen ten uitvoer gelegd
hebben, ingeval Lafayette met zijne 6.000 manschap-
pen hem deze taak niet uit de hand genomen had.
Moordplannen, tegen wie ook, had hij nooit gekoesterd.
Nu voerde men het getuigenis van zekeren Foucault
tegen hem aan.
„Waar zijn uwe troepen? Welken weg zullen zij
-ocr page 174-
«58
ZONDER VREES OF BLAAM.
volgen bij het binnenrukken van Parijs ? Laat ik u bij
deze onderneming- de helpende hand mogen reiken!"
Dus luidde het in een schrijven van genoemden
Foucault.
„Wie is die man? Dat hij hier verschijne!" verzocht
de Favras.
De briefschrijver was onvindbaar. De rechters wei-
gerden nadere inlichtingen te verstrekken, weigerden
zelfs de getuigen a décharge te hooren.
Toch deed het klemmend betoog van den aange-
klaagde vaak den wankelbaren evenaar der volksgunst
te zijnen gunste overhellen. De woeste menigte, die in
het Chatelet de rechtszitting volgde, werd menigmaal
ondanks haar zelve gedwongen den moed van den burg-
graaf te bewonderen, die telkens zijne beschuldigers in
de engte dreef en in tegenspraak bracht met zich zelven.
Doch in die oogenblikken hieven de handlangers van
Egalité, die in de Favras den broeder des konings
zochten te treffen, een verwoed geschreeuw aan.
„Weg met de Favras! Aan de lantaarn! Weg met
den verrader!" brulden ze, en die uitroep overstemde
telkens ieder beter gevoel bij het moordlustig grauw.
Allen stemden in met den moordkreet en herhaalden
in koor: „Weg met hem! Aan de lantaarn!"
Te midden van zulk een helsch tooneel werd de
vierschaar gespannen! Hoe wilden rechters, sidderend
voor hun eigen leven bij het getier en de dreigende
gebaren van het oppermachtig volk, een vonnis wijzen,
dat niet spotte met alle recht en billijkheid?
-ocr page 175-
ZONDER VREES OF BLAAM.
159
Den 3 oen December werd tegen de Favras geëischt
1 °. Openlijk schuldbekentenis doen vóór de hoofdkerk
20. de doodstraf, door ophanging te ondergaan op het
Grève-plein.
Met de grootste koelbloedigheid vernam de edel-
man, wat hem boven \'t hoofd hing. Deze eisch was
nog wel geen vonnis, maar het verloop der gansche
zitting wees maar al te duidelijk op hetgeen hij ver-
wachten moest.
„Ik beklaag u, die u niet schaamt, op het getuigenis
van zulke ellendelingen een onschuldige te treffen. Ik
zal sterven als het slachtoffer hunner lastertaal!"
Dat was al, wat hij zijnen onrechtvaardigen rechters
toevoegden.
Donderdag den 18en Februari (17 90) volgde de
plechtige veroordeeling. De verklaringen luidden: „De
Favras stond schuldig aan pogingen tot het verwekken
van eene tegenomwenteling enz. enz., en werd diens-
volgens veroordeeld tot de straffen, welke wij boven
aangaven.
De wraakzucht en haar bondgenoot, de bloeddorst,
zegevierden dus.
Vrijdag den ioen Februari om negen uur\'s morgens
werd het vonnis afgekondigd. Er heerschte eene blijd-
schap onder de domme menigte, als ware de Vrijheid
zelve, in stralenden hemelglans, uit de wolken neer-
gedaald.
Maar Camille Desmoulins schreef immers ook, dat
de helden (?) der Bastille wellicht een minder heilrijk
-ocr page 176-
IÓO                      ZONDER VREES OF BLAAM.
werk verricht hadden dan zij, die den onbekenden
kapitein der Zwitsers aan de gerechtigheid overlever-
den. Mocht er dan geen uitbundige blijdschap heer-
schen bij den dood van zulk een gevaarlijk samen-
zweerder en verrader?
De Favras sprak geen woord; hij sloeg den blik ten
hemel, als nam hij den eeuwigen Rechter, die harten
en nieren doorgrondt, tot getuige zijner belasterde
onschuld.
Het gemeen, door allerlei geruchten en kunstgrepen
tot razernij geprikkeld tegen een man, tot nu een
vreemdeling nagenoeg voor de lagere klassen, vulde
al de straten, waar langs het slachtoffer moest ge-
voerd worden.
Pas vertoont de Favras zich op den drempel van
het Chatelet, of een algemeen handgeklap, onstuimig
als eene knetterende hagelbui, vertolkt de vreugde,
welke in de harten wordt verwekt, nu men den gehate
heenleidt ter strafplaats.
Dat tergend geklap duurt voort, tot hij de Notre-
Dame bereikt, waar de schuldbekentenis moet uitge-
sproken.
„Zijn voorhoofd was kalm; geen zweem van ont-
roering viel te ontdekken op zijn gelaat. De blijdschap
van het volk vermocht in hem toorn noch droefheid te
verwekken."
Aldus de onverdachte revolutionnaire ooggetuige
Prudhomme.
Toen hij voor het hoofdportaal der kerk stond, ge-
-ocr page 177-
161
ZONDER VREES OF BLAAM.
steund door den pastoor der Sint-Paulus, zijn vriend,
dien hij ook tot biechtvader had verkozen, riep hij
met krachtvolle stem :
„Luister naar hetgeen ik u ga zeggen!"
Er kwam stilte onder de joelende scharen, die een
oogenblik scheldwoorden vergaten en smaadredenen,
nieuwsgierig als zij waren naar hetgeen hij te zeggen
had.
De Favras nam den griffier het vonnis uit de hand,
en las het zelf ten einde toe voor. Daarop vervolgde
hij: „Ik ben onschuldig. Den God, Die hier (op de
kerk wijzend) woont, neem ik daarvan tot getuige. In
de tegenwoordigheid van denzelfden God, voor wiens
rechterstoel ik ga verschijnen, herhaal ik u: Ik ben
onschuldig.
Door te sterven gehoorzaam ik aan de menschelijke
gerechtigheid. Er is eene andere! Op haar stel ik mijn
vertrouwen!"
Zwijgend hoorde men deze woorden aan. Wel
kampte hier en daar het medelijden met de opgeruide
hartstochtelijkheid, maar de handlangers van Egalité
slopen tusschen de menigte rond, als de farizeën en
schriftgeleerden, toen het Lam zonder vlek, geslacht-
offerd voor onze zonden, het vonnis verbeidde van
den Romeinschen landvoogd.
De overgroote meerderheid bleef koud en onver-
schillig bij deze plechtige verklaringen, en weldra
verhief zich het geschreeuw weder met nog grooter
woede dan te voren.
ii
-ocr page 178-
IÓ2
ZONDER VREES OK BLAAM.
De avond viel, de nacht brak aan, en nog wachtte
de veroordeelde op de voltrekking van het vonnis.
Beproefde men zijne kracht te breken door dit uit-
stel? Zocht men er den duur van zijn lijden door te
verlengen? Wij weten het niet.
De menigte, dorstend naar zijn bloed, dacht niet
aan huiswaarts keeren.
Er werden links en rechts door gedienstige handen
lampions uitgereikt. Was een vreemdeling, onkundig
van het voorgevallene, op het Grève-plein verschenen,
hij zou niet anders gemeend hebben, of er werd een
groot volksfeest gevierd.
Het gansche plein grimmelde van het volk, dat als
eene onstuimige zee om het stadhuis golfde, en on-
verpoosd „Favras! Favras!" uitgalmde.
Het schavot, voor deze gelegenheid veel hooger ge-
timmerd dan anders, zwom in een zee van licht, want
ook daar had men tientallen van lampions aange-
bracht.
En de veroordeelde? Hij liet de duivels in men-
schengedaante, die buiten hun moordkreten uitstieten,
zich heesch schreeuwen, en schreef rustig voort aan
zijne afscheidsbrieven, tot het oogenblik aanbrak,
waarop hij vallen moest als offer der blinde volks-
woede.
Met vasten tred schreed hij voort tusschen de hui-
lende, menigte. De onverstoorbare kalmte, op zijn fier
mannelijk gelaat te lezen, was als de spiegel van die
zijner heldhaftige ziel.
-ocr page 179-
163
ZOXDER VREES OF BLAAM.
Vóór hij het schavot beklom, dicteerde hij eene
verklaring, waarin onder meer de volgende treffende
passage voorkomt:
„Op het punt van voor Gods rechterstoel te ver-
schijnen, vergeef ik aan allen, die, in strijd met hun
geweten, mij dorsten beschuldigen van misdadige
plannen.
Ik beminde mijn koning en zal hem beminnen ten
einde toe. Doch nooit ging ik zwanger van den een
of anderen aanslag, tegen de nieuwe orde van zaken
gericht.
Het volk eischt onder luid geschreeuw mijn leven.
Welnu, ik zij het slachtoffer, \'twelk zijne woede be-
vredigen zal. Beter, dat dé keuze valt op mij dan op
eenen onschuldige, wiens zwakheid hem misschien tot
wanhoop drijven zou op het gezicht van de voor hem
bereide moordtuigen!
Ik ga sterven! Maar ik ga sterven voor misdaden,
die ik nimmer bedreef!"
Dit door den griffier geschreven dictaat las hij aan-
dachtig over, verbeterde zelf de spelfouten, welke er
in voorkwamen, nam afscheid van zijn biechtvader en
de hem omringenden, die allen verbaasd stonden over
zooveel moed en doodsverachting.
„Franschen, ik sterf onschuldig! Bidt God voor mij!"
riep hij tot het volk.
De beul wees hem de ladder. „Ik zie haar wel!"
antwoordde hij en klom naar boven.
Toen hij de vijfde sport bereikt had, keerde hij zich
-ocr page 180-
164
ZONDER VREES OF BLAAM.
opnieuw tot het volk met de woorden: „Christenen,
ik vraag u om de hulp uwer gebeden. Ik sterf on-
schuldig !"
Nogmaals omhelsde hij zijnen biechtvader, die over-
vloedige tranen stortte over het lot van dezen onver-
saagden edelman, zijn vriend.
Ook tot de menigte riep hij nog, en wel zoo luid,
dat allen hem konden verstaan: „Burgers, bidt voor
mij den God van barmhartigheid. Ik sterf onschuldig!"
Dan zich tot den beul wendend, sprak hij: „Komaan,,
doe uw plicht!" De man deed zijn plicht.
En het volk? Was het nu voldaan? Drong er nu
een weinig besef van het groote hart dezes mans in
de verhitte hoofden? Werd aan zijn moed tot in den
dood de rechtmatige hulde gebracht?
Terwijl het lichaam van den manhaftigen de Favras
met den dood worstelde, klapte de hartelooze menigte
in de handen, en dat wel luider bij iedere geweldige
stuiptrekking van het slachtoffer.
Zijn lijk zelfs werd slechts met groote moeite voor
de woede der revolutionnaire kannibalen gespaard.
Fouquier-Tinville, de openbare aanklager der revo-
lutionnaire rechtbank, had het tegen \'t einde van 1793
en het volgende jaar zoo volhandig, dat hij er niet
aan denken kon zich ten zijnent door den slaap te
verkwikken.
-ocr page 181-
ZONDER VREES OF BLAAM.                    165
Hij rustte binnen de muren, die dagelijks getuigen
waren van zijne wreede taak. Inderhaast nam hij van
•dezelfde tafel, waarop hij het doodvonnis van hon-
derden medemenschen teekende, het noodige voedsel
en hervatte dan zijn werk.
Zekeren dag ziet hij iemand voorbrengen, dien hij
vroeger goed gekend heeft, \'t Is Legrand d\'Alleray,
onder het koningschap parlementslid, nu ambteloos.
Met zijne echtgenoote, als hij onder den last der
jaren gebukt gaande, staat hij voor de rechtbank, waar
zij beiden beschuldigd worden van briefwisseling met
hun zoon, wien zij ook onderstand deden geworden,
schoon hij tot de emigranten behoort.
Fouquier geeft den beschuldigde een teeken van
verstandhouding; zijne gelaatstrekken en gansche hou-
-ding beduiden den edelman: „Houd goeden moed: ik
zal u redden!"
„Hier is de brief, die uw aanklager is," zegt hij.
„Maar te dikwijls heb ik in vroegere jaren uw schrift
in handen gehad, dan dat ik er mij in bedriegen zou.
Deze brief is niet van u; men heeft blijkbaar uwe
hand nagemaakt."
„Dat men mij dien brief overreike," zegt de grijsaard.
Hij beschouwt hem eenige oogenblikken aandachtig,
•en spreekt dan: „Gij dwaalt; die brief is buiten allen
twijfel van mij."
Fouquier, wiens hand, ter redding uitgestoken, door
•die woorden als het ware weggeslagen werd, geeft den
moed niet verloren. Hij neemt een ander middel te baat.
-ocr page 182-
l66                     ZONDER VREES OF BLAAM.
„Er is eene wet", zegt hij, „die den burgers verbiedt,,
op doodstraf verbiedt, te correspondeeren met hunne
uitgeweken verwanten, of hun eenige hulp te ver-
strekken. Deze wet kendet gij echter zeker niet!"
„Andermaal vergist gij u", antwoordt d\'Alleray, „ik
kende haar zeer goed. Er is evenwel eene andere
wet, ouder en hooger dan deze; \'t is die, welke allen
vaders en moeders beveelt, het leven veil te hebben,
om hunne kinderen te helpen."
Weer was de hulp afgewezen, maar nog gaf Fou-
quier den koop niet op. Hij legde den aangeklaagde
vijf, zes andere verontschuldigingen in denzelfden trant
op de lippen.
De beschuldigde bleef bij de waarheid, en sprak,
toen hem de bedoeling van zijn ondervrager duidelijk
werd: „Ik ben u dankbaar voor de moeite, welke gij
u geeft voor ons. Wij zouden ons leven echter moeten
koopen voor eene leugen.
Mijne echtgenoote en ik sterven liever dan het leven
te behouden tot dien prijs. We zijn beiden vergrijsd
in het spreken der waarheid; wij wenschen ook thans
niet te liegen. Doe uw plicht, wij volbrengen den
onzen. Wij zullen enkel de wet, niet u aanklagen over
onzen dood."
Al de rechters zaten tot schreiens bewogen. Dat
weerhield hen echter niet, om het doodvonnis te vellen,
over het eerwaardig echtpaar.
-ocr page 183-
-ocr page 184-
167
ZOXDER VREES OF BLAAM.
Joannes Simon de Loizerolles, oud-raadsheer des
konings, was in het jaar 1793 met zijn zoon gevangen
genomen en in St. Lazare opgesloten. Hij was ge-
durende de laatste jaren buiten alle staatkundige aan-
gelegenheden gebleven, maar zijn stand en de voor-
name betrekkingen, vroeger door hem bekleed,
volstonden om hem onder het getal der verdachten te
doen opnemen.
De groote samenzwering der gevangenissen, waarvan
reeds vroeger bij het verhaal van den dood der her-
togin d\'Ayen sprake was, bracht ook den jongen de
Loizerolles op de lijst der veroordeelden.
Den 25en Juli 1794 werd hij opgeroepen om voor
de rechtbank te verschijnen en zijn vonnis te vernemen.
De jongeling sliep den zoeten slaap der onschuld; hij
vernam de stem zijner vijanden niet, welke hem uit
den slaap opriep tot den dood.
De vader had den naam Loizerolles wèl vernomen,
Wat zal hij doen? Spoedig staat zijn besluit vast: de
zoon wordt geroepen, de vader zal gaan.
Hij verschijnt voor Coffinhal, gezworene der revo-
lutionnaire rechtbank, die dadelijk opmerkt, dat deze
grijsaard niet degene is, welke bestemd is voor Tt schavot.
Maar wat deert het? Zoo er slechts een aristocraat
minder op de wereld is, denkt hij, kan de Republiek
gerust zijn. Hij schrapt achter den naam Loizerolles
het woordje „zoon" weg, en den 2jèD Juli rolde het
hoofd van den edelmoedigen vader.
Door den val van de gepoederde tijgerkat Robespierre
-ocr page 185-
l68                    ZONDER VREES OF BLAAM.
ontkwam de jongeling\' aan den dood en vond de
zelfopoffering des grijsaards het vurig begeerde loon.
Een aartssamenzweerder in den goeden zin, wiens
weerga in de geschiedenis van alle andere volken
wellicht niet te vinden is, was tijdens de Omwenteling
Petrus Lodewijk Baron de Batz. Hij was uit een zeer
oud adellijk geslacht gesproten.
De stoutste verbeelding zou vergeefs trachten te
bedenken, wat deze trouwe dienaar des koningschaps
niet alleen bedacht, maar ook met ongeëvenaarde be-
hendigheid en stoutmoedigheid ten uitvoer wist te
leggen.
\'t Was, of hij den weg naar alle gemoederen kende,
of hij een tooverspreuk bezat, voor welke de hechtste
sloten opensprongen, de ontoegankelijkste plaatsen tot
een open perk werden.
Maanden lang heeft de Revolutie met hare beste
speurhonden jacht gemaakt op hem, die openlijk scheen
te spotten met de geslepenheid en de fijne neuzen
zijner vervolgers.
De felste vijanden van gezag en troon dienden zijne
plannen, en nimmer heeft verraad hem in de handen
zijner vijanden kunnen spelen. Overal toch had hij
vrienden en beschermers.
Dat de omwentelingsgezinden hem wat graag in
hunne macht hadden gehad, is gemakkelijk te begrij-
-ocr page 186-
ZONDER VREES OF BLAAM.                     169
pen, als men bedenkt, dat een der papieren, in de
beruchte ijzeren kist van het Louvre ontdekt, door
den ongelukkigen Lodewijk XVI beschreven was met
de volgende woorden: „1 Juli, 1792. Terugkomst en
voorbeeldig gedrag van den heer de Batz, wien ik
e ene som van 512.000 francs verschuldigd ben."
De dankbaarheid en de vereering van zulk een vorst
is in dergelijke omstandigheden voldoende, om den
haat en de woede der kwalijkgezinden tot razernij te
prikkelen.
Reeds tweemaal was de Batz den Franschen bodem
ontweken, toen hij in Januari 1793 eensklaps weder
te Parijs verscheen, ten einde door zijn eerste stoute
stuk van dien aard de machtelooze woede van de
Revolutie te tergen en de rechtmatige bewondering
te verdienen van al de vrienden des koningschaps.
Hij had vernomen, wat den edelen Lodewijk boven
het hoofd hing; hoe spoedig zijne vijanden hem de
laatste schreden wilden doen afleggen op zijn moeilijk
levenspad. Van toen af stond het bij hem vast, dat het
gezalfde hoofd van zijn vorst de valbijl der guillotine
niet gevoelen zou, wilde het door hem gesmede plan
slagen. Onverwijld begon hij zijne werkzaamheden, die
buitengewoon voorspoedig van stapel liepen. Als de
koning ter strafplaats geleid werd, zou hij zijn slag
slaan.
Waren de revolutionnairen beducht voor zulk eene
poging ? \'t Is meer dan waarschijnlijk. De Batz was
intusschen op zijn post. Hij zag de met scherp geladen
-ocr page 187-
ZONDER VREES OF BLAAM.
i7o
kanonnen, de talrijke troepenmacht, te voet en te paard,
die het escorte uitmaakten van den koninklijken mar-
telaar.
Hij tuurde in de zijstraten, welke hem volgens af-
spraak de noodige helpers moesten toevoeren. Zij lagen
eenzaam en verlaten vóór hem. De huizen zijn gesloten
en als uitgestorven.
Eindelijk bemerkt hij twee groepen helpers, welke
de hoop, die hem reeds ontzonk, weder doen herleven.
Twee jongelingen treden vooruit en voegen zich bij
hem. Door hen en zijn secretaris gevolgd, baande hij
zich een weg door de gewapende sansculotten, die
hem zonder bezwaar een doortocht openden.
Alle vier trekken nu de sabel en roepen verschil-
lende malen luid en krachtig:
„Sluit u bij ons aan, Franschen! Voegt u bij ons
gij allen, die uwen koning wilt redden!"
Helaas! die moedige taal vindt geen weerklank in
de gemoederen. De Batz met de zijnen dringt weder door
de tweedubbele rij van soldaten, en zijne partijgangers
vereenigen zich met hem. Zij worstelen een oogenblik
tegen de overmacht, die hen te lijf gaat, maar zijn
dra verplicht hun heil te zoeken in eene overhaaste
vlucht.
De aanlegger van het complot en zijn geheimschrij-
ver kwamen er heelhuids af. Minder gelukkig waren
beide jongelingen, die hen \'t eerst bijsprongen.
Zij poogden zich te redden in een naburig huis.
Doch, \'tzij de bewoners volbloed revolutionnairen waren,
-ocr page 188-
ZONDER VREES OF BLAAM.                   171
\'tzij de vrees voor de verdenking van medeplichtigheid
in den aanslag alle menschelijk gevoel bij hen deed
zwijgen, zij hielden hunne deur gesloten. De twee
dappere jongelingen werden direct zonder genade in
stukken gehouwen.
Dat alles was zoo bliksemsnel in zijn werk gegaan,,
dat de tragische stoet niet het minste oponthoud leed,
en de koning onbewust bleef van het korte drama,
afgespeeld om zijnentwille.
Was deze eerste poging jammerlijk mislukt, Baron
de Batz liet er zich niet door ontmoedigen. Angst
zoomin als moedeloosheid kwamen in zijn woorden-
boek voor.
Hij knoopte in het geheim vriendschapsbetrekkingen
aan met sommige leden der Conventie en der Com-
mune van Parijs.
Zijne radde tong en meer nog zijne altoos welge-
vulde beurs deden daarbij wonderen, want de heeren
revolutionnairen vergaten nimmer hun eigen geldzak.
Had de Batz te Parijs en omstreken verschillende
veilige schuilhoeken, de beste dezer was bij zekeren
Cortey, een kruidenier, die om den geur van burger-
deugd, waarin hij stond, het tot commandant van de
gewapende macht der afdeeling Lepelletier had gebracht.
Wie zou hem ook bij zoo\'n braven republikein
zoeken ? Cortey, die den baron zeer genegen was, had
het vertrouwen zien te winnen van burger Chrétien,
gezworene der revolutionnaire rechtbank, en in zeker
opzicht alvermogend.
-ocr page 189-
172                    ZONDER VREES OF BLAAM.
Aan diens toedoen dankte het Cortey, dat hij onder
de weinige gelukkige bevelhebbers behooren mocht,
wien men de wacht van den toren vertrouwde, wan-
neer zijne manschappen mede dienst hadden in den
Tempel, de gevangenis der koninklijke familie.
Michonis, die alle verdachtmakingen wist te ontze-
nuwen en van zich af te schuiven, bleef, schoon in zijn
hart oprecht koningsgezind, trouw den post van com-
missaris in genoemde gevangenis vervullen. Hij was
spoedig een ander vertrouwde en handlanger van den
onvermoeiden de Batz.
Ras was hij ingewijd in de vermetele plannen van
dezen, welke thans niets meer of minder beoogden
dan het verlossen van al de vorstelijke gevangenen
des Tempels uit de handen hunner vervolgers.
De moeilijkheden, welke daarvoor eerst moesten
opgelost, waren zoo groot en menigvuldig, dat ieder
ander moedeloos de handen in den schoot gelegd zou
hebben met den uitroep: „Onuitvoerbaar!"
                   4
Voor de Batz was de grootte der bezwaren en het
hachelijke der onderneming een prikkel te meer, om
haar te beproeven.
Met de grootste koelbloedigheid, die daarom de
voorzichtigheid niet uitsloot, begon hij zijne taak.
Hij diende noodzakelijk eerst het terrein te verken-
nen en met zorg op te nemen. Van die kennis toch
was het welslagen voor een groot gedeelte afhankelijk.
Cortey, hoewel aan veel gewoon, stond op zekeren
morgen geen beetje verwonderd, toen zijn adellijke
-ocr page 190-
ZONDER VREES OF BLAAM.
173
gast hem het verlangen te kennen gaf, om als een
zijner manschappen bij gelegenheid de wacht te betrek-
ken in den Tempel. Die wensch werd spoedig inge-
willigd. Onder den naam van Forget betrok hij weldra
de wacht, en kon zich nu met eigen oogen vergewissen,
hoe het daarbinnen geschapen stond.
Het viel zijn schrander brein nu niet moeilijk een
volledig plan ter ontvluchting in gereedheid te brengen.
Toen hij daarmede klaar was, diende met de uitvoering
alleen gewacht tot de dienstdag van Cortey met dien
van Michonis samenviel.
De tijd, welke tusschen dien datum verliep, wist hij
zich ten nutte te maken door een dertigtal van Cortey\'s
manschappen op zijne hand te krijgen. De gewenschte-
dag brak eindelijk aan.
Alle voorzorgen waren met de grootste juistheid
genomen. Zij, die dienst hadden op het uur voor de
ontvluchting bepaald, waren allen ingewijden. Sommige
der manschappen hadden bevel gekregen groote kapot-
jassen over hunne uniform aan te doen. Deze jassen
zouden tot vermomming der koningin en der twee
andere prinsessen strekken, die met het geweer op
schouder tusschen eene patrouille, welke den jongen
koning in haar midden nemen moest, de gevangenis
zouden verlaten.
De noodige rijtuigen stonden buiten in gereedheid,
ter opneming der vluchtelingen. Alles was uitmuntend
overlegd en geregeld. De commissarissen, uitgenomen
Simon, de toekomstige beul van den kleinen Lodewijk,.
-ocr page 191-
ZONDER VREES OF BLAAM.
174
•en Michonis, die te waken had in de kamer der prin-
sessen, waren in slaap of vermeiden zich samen in het
spel. Men mocht het beste hopen.
Het geluk scheen ook hier te zijn met den stout-
moedige. Doch waar was de ijverige revolutionnaire
schoenmaker Simon? Hij had sinds een half uur op
geheime wijze den Tempel verlaten.
Plotseling verschijnt hij er weer en beveelt op ruwen,
gejaagden toon, dat al de aanwezige manschappen
onverwijld moeten aantreden.
Als hij Cortey ziet, overstraalt blijdschap zijn taan-
kleurig gelaat. „Hoe gelukkig, dat ik u ontwaar," voegt
hij dezen toe; „nu kan ik ten minste weer een weinig
gerust zijn."
De Batz heeft spoedig gemerkt, dat al zijne schoone
plannen in duigen liggen. Wel voelt hij eene heftige
bekoring, om den republikein, die al zijne hoopvolle
verwachtingen in rook deed opgaan, een kogel door
den kop te jagen, en dan toch zijn slag te slaan.
Maar het gewaagde dezer poging, die den gevangenen
niet nuttig wezen, hem en zijnen vrienden allerwaar-
schijnlijkst zeer noodlottig worden kan, houdt hem
terug.
Onder voorwendsel van poolshoogte te gaan nemen
buiten, in den omtrek van den Tempel, waar zich een
verdacht gedruisch deed hooren, zendt Cortey eene
patrouille van acht man uit, waaronder Forget, die
natuurlijk in gebreke blijft terug te keeren.
Toen Simon het appèl geëindigd had, spoedde hij
-ocr page 192-
ZONDER VREES OF BLAAM.
175
zich naar Michonis, wien hij het bevel overbracht van
dadelijk voor de Commune te verschijnen, welke hem
ter verantwoording riep.
Michonis gehoorzaamde bedaard. In het voorbijgaan
had Cortey even den tijd hem den stand der zaken
mede te deelen. Hoe was alles uitgelekt? Een gen-
darme, naar Simon beweerde, had \'s avonds te negen
uur een papier gevonden, waarop de hand van een
onbekende geschreven had: „Waakt! Michonis zal u
verraden dezen nacht!" .Dit papier had de gendarme
ter hand gesteld aan Simon, een der zes Commissarissen
van dien dag.
Michonis werd scherp ondervraagd. Koel en waardig
wierp hij iedere beschuldiging verre van zich. Waarom
zouden de leden der Commune de aantijging van iemand,
die zijn naam schroomde te noemen, zonder schijn of
schaduw van grond, als een overtuigend bewijs van
verraad beschouwen?
Was Simon, die het complot heette ontdekt te heb-
ben, niet zijn persoonlijke vijand? Waar moest het
heen, als de leden der Commune op de valsche getui-
genis van dezen of genen wraakgierige zoo maar in
het verderf konden gestort ? Wie kon bewijzen leveren
van eenig verraad?
Michonis werd met algemeene stemmen onschuldig
verklaard aan hetgeen hem ten laste gelegd was. Hij
was te braaf een republikein, om zich te verlagen tot
iets dergelijks.
De Batz zelf, zoo gelukkig aan de handen van Simon
-ocr page 193-
176                    ZONDER VREES OF BLAAM.
ontkomen, werd naderhand nog meermalen in allerlei
samenzweringen gewikkeld.
Maar vonden de meesten, welke hem hielpen, den
dood onder de guillotine, hij wist altoos den dans te
ontspringen. Zijne maatregelen waren immer zoo voor-
treffelijk genomen, dat de politie geen vat op hem had.
Als hij, gelijk een paar malen gebeurde, in den kerker
kwam, wist hij alle beschuldigingen valsch of onwaar-
schijnlijk te doen verklaren, of hij was reeds ontsnapt,
vóór het vonnis geveld was.
Hij overleed den 10» Januari 1822 op zijn buiten-
verblijf Chadieu, niet ver van Clermont.
Ridder de la Vernède werd door zijn volk de voor-
zienigheid van het land geheeten. En hij verdiende
dien eeretitel.
Evenals zijne voorzaten reeds tweehonderd jaren
deden, ontgon hij eene antimoniummijn, en zijne arbei-
ders, gelukkig en tevreden in hun werkkring, vereer-
den en beminden hem, wijl hij eer een vader dan een
meester was voor hen.
De revolutie brak uit. Ook in de streek, waar de
la Vernède woonde, raakten de hoofden op hol. De
weldaden, door het adellijk geslacht aan zijne onder-
hoorigen bewezen, kwamen in vergetelheid.
Het ondankbare volk herinnerde zich spoedig niets
meer dan dat de la Vernède een aristocraat was, en
-ocr page 194-
ZONDER VREES OF BLAAM.
\'77
de leuze „Dood aan de aristocraten!" vond ook weer-
klank in die verbasterde gemoederen.
De edele man was genoodzaakt tegen de woede der
menigte eene schuilplaats te gaan zoeken bij den op-
zichter der mijnen.
Spoedig werd hij ontdekt. Het gepeupel schoolde
samen en eischte de uitlevering van den ellendeling
de la Vernède.
De ongelukkige, die door een raam trachtte te ont-
komen, kwetste zich aan het been en had nog juist
kracht genoeg om zich voort te sleepen tot eene na-
burige beek, waar hij zich verstak.
Als een troep wolven overvielen hem zijne vijanden
en sleurden hem in de hoofdstraat van het dorp. Zeven
geweerschoten werden op hem gelost, maar geen enkele
kogel trof hem doodelijk. Gedurende vier en twintig
uren putte de bloeddorstige bende hare wreedheid op
den beklagenswaardige uit, en deed hem de gruwe-
lijkste pijnen onderstaan.
Daarna droegen zij hem op een ladder ongeveer een
kwartier van het dorp, begonnen onder de oogen van
hun slachtoffer een kuil te delven en lieten hem
daarin af.
Zij wierpen zooveel aarde in de groeve, dat alleen
het hoofd nog zichtbaar bleef. De plek, voor de fol-
tering bestemd, lag op eene hoogte, vanwaar men den
ganschen omtrek kon overzien.
Men had haar gekozen, opdat de la Vernède\'s ster-
vende blikken zich nog eenmaal konden vestigen op
12
-ocr page 195-
178                    ZONDER VREES OF BLAAM.
het huis zijner vaderen, op al de plekjes, die hem
dierbaar waren van der jeugd. Nieuwe kwellingen zou
daardoor zijn hart gevoelen, grooter zou de wraak zijn
van zijne vervolgers.
Nu bracht men ballen aan en begon het kegelspel,
waarbij het hoofd van den rampzalige diende tot kegel.
Toen die barbaarschheid lang genoeg geduurd had,
maakte men hem af met bijlslagen.
Zonder eene enkele klacht te uiten, of een gramsto-
rig woord over zijne lippen te laten komen tegen zijne
folteraars, die hij eertijds met weldaden overladen, van
zijne tafel gevoed had, droeg de heldhaftige martelaar
al deze smarten, tot de Heer van leven en dood hem
eindelijk uit zijne ellenden verloste en opriep tot Zijne
eeuwige heerlijkheid.
De vlucht naar Varennes, waarvan zooveel goeds
verhoopt werd voor de toekomst, was jammerlijk
mislukt.
De terugreis naar de hoofdstad, een bange lijdens-
weg, die bij iedere halte nieuwe vernederingen, groo-
ter smaad bracht over de vorstelijke personen, bewees
zonneklaar, welke diepe wortelen de haat tegen het
koningschap reeds geschoten had in vele harten.
Ieder magistraatspersoon, bijna iedere dorpsautoriteit
zelfs schepte er behagen in naar \'t scheen, om de
doorluchtige gevangenen door lastige vragen, kwet-
-ocr page 196-
ZONDER VREES OF BLAAM.                     179
sende vermoedens, stekelige gezegden 200 mogelijk nog
dieper te vernederen.
Met den hoed op \'t hoofd, de botte onbeschaamdheid
op \'t aangezicht, woorden van hoon en misprijzen op
de lippen, verdrongen zich de nieuwsgierigen om het
koninklijk rijtuig.
Wel een treurig, hartverscheurend schouwspel voor
de vrienden van het koningschap, die het vroeger
mochten zien in den verblind enden glans zijner majes-
teit, in zijn vollen luister!
Den graaf de Dampierre was de gedachte aan den
smaad, den vorst en zijn gezin aangedaan, onverdraag-
lijk. De rust op zijnen veiligen burcht in Champagne
walgde hem, toen hij vernam, dat zijn gebieder in de
nabijheid zijner woning was, ter prooi aan de versma-
ding van het gemeen. Hij wilde toonen, dat niet in
alle boezems de eerbied voor den gezalfden wettigen
kroondrager gestorven was; dat er nog onderdanen
waren, doordrongen van hunne verplichtingen te zijnen
opzichte.
Het leven moge het hem kosten, maar hij zal de
verguisde grootheid de haar verschuldigde eere bie-
den, in de hoop, dat deze een droppel balsem zij in
den kelk der bitterheid, gemengd door hare vijanden.
Hij beveelt zijn paard te zadelen, zit op en rent
spoorslags naar de plek, waar zijn koning beleedigd
wordt. Wat gaat hem die woeste menigte aan, welke
om het rijtuig samenrot? Doof is hij voor hare kreten.
Hem beheerscht slechts één denkbeeld en dat dringt
-ocr page 197-
180                    ZONDER VREES OF BLAAM.
alle andere op den achtergrond: Den koning zien ;
hem de hulde bieden, aan zijne waardigheid ver-
schuldigd.
Ongedeerd heeft hij zich met zijn ros een weg ge-
baand door de huilende scharen; met ongedekten hoofde
buigt hij zich, spijt de kreten van de koningshaters,
over naar het portier, en smeekt zijn vorst, dat hij
hem den handkus veroorlove.
Diep getroffen over zooveel moed en aanhankelijk-
heid in deze bittere lijdensure, steekt de goedhartige
Lodewijk den trouwen edelman de hand toe.
Maar vóór deze den tijd heeft er eerbiedig de lip-
pen op te drukken, tuimelt hij, door drie kogels getrof-
fen, ter aarde. Zijn bloed bespat de berline, die over
het zielloos overschot van dezen verkleefden dienaar
haren weg vervolgt.
Het misvormde lijk van de Dampierre werd door
de razende menigte letterlijk vaneengereten. Er werd
getwist en gevochten, om een stukje zijner verminkte
ledematen in bezit te krijgen.
Ziedaar enkele voorbeelden van de schitterende
hoedanigheden, van de heldhaftige deugden, ons door
den adel uit den revolutie-tijd nagelaten.
Verre van ons de bewering, dat deze stand over
het algemeen, datgene bezat, \'twelk wij in sommige
zijner leden mochten bewonderen. Laat anderen den
-ocr page 198-
I8l
ZONDER VREES OF BLAAM.
handschoen opnemen voor de geparfumeerde zedeloos-
heid der i8de eeuw!
Duizenden geëmigreerden verspreidden in de landen,
welke hun gastvrijheid verleenden, den pestwalm hun-
ner diepe verdorvenheid, en leerden, wie het nog niet
wisten, wat de hand gewapend had van den wreken-
den God.
Talrijke andere adellijke personen gaven zich in den
kerker, een uur soms, eer zij voor den rechterstoel
des Allerhoogsten verschijnen moesten, nog aan aller-
lei uitspattingen en buitensporigheden over.
Maar \'t gaat met dat al niet aan, allen te begrijpen
in het vonnis, \'twelk slechts op een gedeelte toepas-
selijk is.
"Wordt ons hart van droefheid vervuld bij het zien
der verwoestingen, door de goddeloosheid en het
zedenbederf toen in de harten van zooveel afstamme-
lingen van beroemde geslachten aangericht, de luister
der deugd, de glans der groote hoedanigheden, welke
anderen blijven omstralen te midden der algemeene
besmetting, zijn wel in staat ons daarover te troosten.
-ocr page 199-
-ocr page 200-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN
BROEDERSCHAP.
-ocr page 201-
-ocr page 202-
CfUif^o -O_n.p_o D-XiD-Ci snsi. nnn.nan cxsx c\\ a. ci_t j n-nn n^i ii-O-fi-nrui n_ns
I.
„De lieden, welke de Revolutie van 1789 zoeken
te verheerlijken in hunne geschriften, gaan vluchtig
heen over hare gruwelen. Ik wil ze u vermelden,
opdat het u duidelijk zij, hoe de Omwenteling
het volk weet te herscheppen".
Le Vicomte Walsh.—Journées mémorables de
la Révolution francaise. Tomé 2, pag. 179.
e aartsleugenaar Voltaire, die zijnen vrienden
het „Liegt er maar dapper op aan: er blijft
altoos iets van hangen!" zonder ophouden
toeriep, schreef ergens: „Ik houd meer van
een grooten, fleren leeuw dan van eenige honderden
afzichtelijke kleine ratjes," daarbij doelende op koning-
schap en republiek.
Dat hij toen waarheid sprak, kon het arme volk
getuigen, \'twelk de zegeningen der Revolutie genoot.
Adel en geestelijkheid hadden Frankrijk uitgezogen
en diep ongelukkig gemaakt. Het volk was tot nu
niets anders geweest dan het lastdier, \'twelk, voor al
zijn zwoegen en zvveeten, niet eens eene handvol dis-
-ocr page 203-
l86 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
tels te eten kreeg.. Veranderen zouden de tijden! Dus
preekten de Omwentelingsgezinden.
Met bloedige hand grepen zij „de uitzuigers" naar
de keel, deden ze bij duizendtallen sterven, joegen ze
bij tienduizendtallen de grenzen over — want het volk,
niets geweest, zou thans alles zijn.
Deed de Revolutie haar woord gestand ? Ja en neen!
Alles werd anders, maar helaas! niet in het voordeel
der verdrukte schare.
De gouden bergen, welke men het volk had toe-
gezegd, lieten zich wachten. De ellenden, waaronder
koopman en fabrikant, handwerksgezel en landbouwer
sedert jaren gebukt gingen, werden niet weggenomen,
werden integendeel verzwaard.
Van jaar tot jaar werden de wanhoopskreten der
uitgemergelden en uitgehongerden luider en snijdender.
Duizenden, die honger leden tijdens het ancien régime,
zijn thans niet minder de kinderen der ontbering.
Smaakte men ten minste in Parijs, het middelpunt
der Revolutie een matigen overvloed ? "We zullen
zien.
Het loopt tegen het einde van 1795. Tijd in over-
vloed heeft de Omwenteling gehad, om hare handen
zegenend over het volk uit te strekken. Zij heeft het
gedaan ook. Met welk gevolg?
Honderden zijn verplicht tot vasten, wijl het noodige
voedsel ontbreekt. Tientallen komen dagelijks om van
gebrek. Met de nauwlettendste zorg worden de vuil-
nishoopen doorzocht, en al wat maar eenigszins eetbaar
-ocr page 204-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 187
is, hoe walgelijk het overigens wezen moge, wordt
met graagte verslonden.
In de straten vallen iederen dag mannen en vrouwen
neer van uitputting, de meesten om niet meer op te
staan. Zelfmoord is aan de orde van den dag.
Hier bindt eene moeder hare kinderen met een touw
om haar middel vast en springt met hen te water.
Ginds snijden anderen, die zelfs geen rottende kool-
stronken of het bloed en den walgelijken afval, uit de
slagerijen afkomstig, meer kunnen machtig worden,
zich kort en goed den hals af.
Waarom niet? Zoo de mensch het geloof aan het
bovennatuurlijke verloor, wat zou hem dan beletten de
hand aan zich zelf te slaan, en een leven vaarwel te
zeggen, \'twelk iedere stonde nieuwe jammeren teelt?
Dan is de dood zijne eenige hoop, de laatste uitkomst,
die hem rest.
De lijken in de Seine waren zoo talrijk, dat de lui,
die met het rein houden der wateren belast waren,
handen vol werks hadden.
Dagen achtereen durfden sommige huisvaders niet
bij de hunnen terugkeeren, bevreesd als zij waren, dat
de jammerklachten hunner vrouwen en kinderen, wien
zij geene bete broods konden verschaffen, hen tot wan-
hoop drijven zou.
Tot den arbeid waren de meeste handwerkslieden
niet meer in staat. De honger had hen dusdanig verzwakt,
dat zij zich nauwelijks op de been konden houden.
Hoe zouden ze dan de opgelegde taak afwerken ?
-ocr page 205-
-ocr page 206-
188 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
Razernij maakte zich van velen meester. Onder
woedende gebaren en korte, scherpe klanken, zonder
zin, uitstootend, liep menig eenzaam voetganger langs
de straten.
Wil men nu het „Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap"
in al zijn lieflijke glorie zien schitteren, daartoe is gelegen-
heid te over. Terwijl het arme volk aldus zijn ellendig
bestaan rekte met hetgeen op andere tijden zeer terecht
voor oneetbaar verklaard zou worden, doen zich de
Jacobijnsche gezagvoerders te goed aan al wat den
smaak streelen kan.
Bij Cambacérès, voorzitter van het Comité, is dage-
lijks te vinden, wat men overal elders te Parijs vergeefs
zoeken zou: krachtige bouillon, uitmuntenden wijn,
heerlijk wittebrood.
Daar houdt men open tafel voor de ware vrienden
der Omwenteling. Dezen schijnen echter slechts enkelen
op eenige millioenen uit te maken.
Wat deert het hun, dat de magen van talloozen om een
weinig voedsel schreeuwen ? Zij hebben, wat hun hart be-
geert; de overigen mogen toezien, hoe zij het stellen zullen.
Laat daar buiten eene verhongerde moeder met een
hond vechten om een afgekloven been, \'twelk in de
goot geworpen werd; zij hebben wel wat and ers te doen
dan zich bezig te houden met zulke onbeduidende zaken.
In de overige steden zag het er niet minder treurig
uit. En op het platteland? De boeren betwistten er
elkander het gras der velden, en trokken met vrouw
en kinderen uit, om wilde wortelen te zoeken.
-ocr page 207-
VRIJHEID, GELIJKHEID EX BROEDERSCHAP. 189
Waren ze zoo gelukkig van een plekje te vinden,
\'twelk eenig onderhoud beloofde, dan was hunne hand
vaak krachteloos, om het begeerde voedsel uit den
grond te trekken. ,
Aan het bewerken van den grond, aan ploegen of
zaaien werd niet meer gedacht. „Hoe voor\'t oogenblik
in de ellende te voorzien?" luidde de vraag. Eikels en
zemelen werden als eene lekkernij verorberd. Met het
gras in den mond, \'twelk hij tot stilling der wreede
hongerpijn had gegeten, werd een huisvader dood in
het veld gevonden.
In sommige departementen liep het volk bedelend
rond, strekte met tranen in de oogen de ontvleesde
hand uit en smeekte op hartverscheurenden toon om
eene aalmoes bij natuurgenooten, even rampzalig als zij.
Meer dan een millioen menschen kwamen om van
ontbering. In andere steden waren de bewoners minder
geduldig en lijdzaam. Hun had de ondervinding al te
duidelijk geleerd, dat rekenen op de revolutionnaire
vrijgevigheid, op het Jacobijnsche mededoogen louter
dwaasheid was.
Zij liepen te hoop en trachtten te grijpen, wat op
andere manieren niet te krijgen was. Overal klonk
het wanhopig geroep om brood.
En de moederlijke Republiek voelde hare inge-
wanden ontroeren. Neen, zij gaf haren dierbaren kin-
deren geen steenen voor brood: zij onthaalde hen op
kolfstooten en sabelhouwen. Een afdoend middel voor-
waar, om het al te luidruchtig geroep te doen ver-
-ocr page 208-
190 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
stommen, en den hongerkreet tot zwijgen te brengen.
Ook op andere wijze toonde de Revolutie hare
innige liefde voor het volk.
Eene gewone dwaling, omtrent hare terechtstel-
lingen is deze, dat het meerendeel der geg uillotineer-
den tot den adel of de geestelijkheid behoorde.
Niets is minder waar. Alles te zamen genomen,
waren degenen, die het hoofd verloren onder de val-
bijl, voor het grootste gedeelte vertegenwoordigers
van den derden stand. Mag ons dat verwonderen?
Bijna iedere plaats, hoe klein ook, had hare volbloed
Jacobijnen, telde hare minder ijverige republikeinen,
bezat hare vurige koningsgezinden.
Misschien nooit beter dan tijdens de Omwenteling
werd de waarheid in het licht gesteld van de woor-
den: De onbeschaamden regeeren de wereld. Zelfs
daar, waar zij de kleinste minderheid uitmaakten, speel-
den de sansculotten den baas.
Wie niet dweepte met hunne denkbeelden, ervoer
hunne lage wraakzucht. Wie zal de slachtoffers tellen
uit den minderen stand, die ter dood verwezen werden,
wijl ze te boek stonden als vreedzame, ordelievende
burgers, werkzaam en nauwgezet in handel en wandel?
Zij waren een doorn in het oog der Jacobijnsche dwin-
gelanden, die beschaamd werden door hunne deugden.
Er was slechts één middel, om de gunst der Re-
volutie en harer trawanten te winnen, en dat bestond
daarin, dat men alle edele gevoelens met voeten trad
en verbrandde, wat men vroeger had aanbeden.
-ocr page 209-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. iqi
In het begin van 1794 waren al de gevangenissen
in Frankrijk bijna uitsluitend met landlieden opgevuld.
Twee duizend zaten er te Parijs gekerkerd.
Het scheen, dat de Revolutie gezworen had, van
het land, dat gansch en al in hare macht was, eene
woestijn te maken, bezaaid met de lijken der vroegere
bewoners. Geheele dorpen werden soms uitgeroeid;
huizen, hagen, boomen verdwenen, en alles vertoonde
eene naakte ledige vlakte.
De afstammelingen der oude Basken in de Pyre-
neeën werden aan hun geboortegrond ontrukt, naar
elders gevoerd, en in het hartje van den winter, zon-
der vuur of spijze, in de ontheiligde kerken opgesloten.
Eene kleine twee duizend van die ongelukkigen kwa-
men om, tengevolge van de ontberingen.
Toen in het stadje Bedouin door onbekenden de
vrijheidsboom werd omgehakt en de hoogvereerde
roode muts in het slijk gevonden was, meende de
Omwenteling dien hoon te moeten wreken. Vierhonderd
drie en dertig huizen werden vernield of verbrand,
zestien inwoners vielen onder de guillotine, zeven en
veertig werden gefusilleerd, de overigen, uit hunne
haardsteden verdreven, konden zich eene schuilplaats
gaan zoeken in het gebergte.
De golven der Loire voerden de lijken van heele
geslachten naar zee. Te Nantes werden dagelijks vier-
honderd menschen verdronken; zekeren dag beliep
hun aantal achthonderd. Toch vond Carrier dat getal
nog te gering.
-ocr page 210-
192 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
Hij had afzonderlijke noyades voor vrouwen en kin-
deren bevolen. De onmensch liet soms vijftig a zestig
onschuldige kinderen te gelijk ombrengen. Dus ver-
moordde hij er driehonderd. Toen men hem de
opmerking maakte, of het niet beter zou zijn en nuttiger,
die kleinen groot te brengen, om er naderhand knechten
van te maken voor de goede republikeinen, gaf hij
ten antwoord: „Roeit uit, brengt om hals; \'t is adder-
gebroed!" Zuigelingen zelfs ontkwamen niet aan een
gewelddadigen dood.
Maar welke pen vermag de gruwelen te beschrijven,
door ontmenschte soldaten aangericht ? Wel lezen we
van een dappere, die kort en goed weigerde de
bevelen der Conventie op te volgen, welke het ver-
moorden van alle krijgsgevangenen voorschreef. „Laat
zij zelf doen, wat zij gebiedt," sprak hij. „Laat ze de
gevangenen slachten als de kannibalen, ze roosteren
en braden en ze daarna verslinden als dezen."
Doch tegenover dezen éénen man met een hart,
staan tientallen van monsters, zonder eenig mensche-
lijk gevoel in den boezem. Levend verbrandden zij
mannen, vrouwen, kinderen en grijsaards.
De bajonetten, die moeder en kind met denzelfden
stoot doorboorden, droegen de levenlooze kleinen als
zegeteekenen met zich rond. Bloeddorstige krijgers
wierpen elkander de zuigelingen toe; van de eene
bajonet werden ze door de andere opgevangen.
Kinderen werden in tweeën gehakt, alleen om het
scherp der zwaarden te beproeven. Generaal Aurey
-ocr page 211-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 193
liet de ovens eerst goed gloeiend stoken, en er dan
vrouwen en kinderen levend in werpen „want aldus",
sprak de schurk, „wil de Republiek, dat haar brood
gebakken worde."
De wreedheid ging zoover, dat de beul zelfs er door
ontroerde. Die van Nantes o. a. had op zekeren dag
twintig mannen en drie vrouwen geguillotineerd, toen
vier gezusters naderden, waarvan de jongste nauwelijks
zeventien jaren telde, om door zijne hand dezelfde straf
te ondergaan.
Zij waren als bruiden in het wit gekleed; een lof-
zang was op hare lippen. Alle toeschouwers barstten
in tranen uit bij dat hartroerend schouwspel.
De scherprechter werd zoodanig door het gezicht
dezer vier schuldeloozen en door de omstandigheden
van haren dood aangegrepen, dat hij slechts met de
grootste moeite zijne taak volvoeren kon.
Toen het laatste hoofd in de mand rolde, zakte hij
bewusteloos ineen. De aandoening had hem in die mate
overweldigd, dat hij den volgenden dag een lijk was.
Niet enkel zij, die afkeerig waren van de revolution-
naire overheersching, of door fortuin of positie onder
de verdachten werden gerekend, bracht men om hals.
Meermalen gebeurde het, dat, als de vijanden der
Republiek ontbraken, de wreedheid vrouwen en kin-
deren van eigen partijgenooten tot hare slachtoffers
verkoos.
Pacaud, die, onder meer heldendaden van dien aard,
de vrouw van een Vendeeër levend in het vuur liet
13
-ocr page 212-
194 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
werpen, en de kreten der ongelukkige lieflijk en stree-
lend voor het gehoor noemde, was in den strijd be-
zweken.
Een goeden dag onderging zijne vrouw het lot der
koningsgezinde en haar beulen waren volbloed revo-
lutionnairen. Laten wij nog een paar staaltjes van
onmenschelijkheid aanhalen.
Een vader wordt gevangen genomen. Nu men zich
gereed maakt het vonnis des doods aan hem te vol-
trekken, worden zijne zes kinderen bij hem gebracht.
De kleinen jammeren en klagen op hartverscheurenden
toon. Werd het versteende gemoed der beulen er door
getroffen? Integendeel.
Het tooneel, dat zij aanschouwen brengt hunne repu-
blikeinsche vindingrijkheid in werking. Zij grijpen het
oudste kind, een knaap van twaalf jaren, en gebieden
hem van op handen en voeten te gaan staan. Zoo
vormt zijn lichaam het blok, waarop zij den vader
onthalzen.
Een andere koningsgezinde, een eenvoudig hand-
werksman, wordt gegrepen en ter dood gebracht. Zijne
twee zoontjes, welke zich daags na den moord tot
eene tante willen begeven, die niet ver van daar woont,
worden onderweg herkend door eene bende sansculotten,
welke moordend en plunderend de landstreek afliep.
Als een troep losgelaten duivels stormen zij op hen
los. De oudste knaap, een veertienjarige, groot en
krachtig voor zijn leeftijd, zet zich in postuur en ver-
weert zich zoo goed hij mag.
-ocr page 213-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 195
Door de overmacht verpletterd valt hij echter weldra
stervend neer. Ontelbare bajonetsteken maken hem
af. Het andere kind zinkt op de knieën, vouwt de
handjes en roept schreiend uit: „O God, ze hebben
mijn armen vader vermoord en mijn broeder; thans is
de beurt aan mij!"
Ook hij valt onder de slagen dier ellendelingen. De
aanvoerder der bende gebiedt, beiden jongens het hoofd
af te zagen, en deze als zegeteeken op pieken met
zich ronddragend, trekt de hartelooze menigte verder.
Een jeugdig priester -— hij telde nauwelijks twintig
lentes en had bij dispensatie de H. Wijdingen mogen
ontvangen — werd door de Republikeinen in hechtenis
genomen. „Dadelijk den eed afleggen, of sterven!"
wordt hem toegeroepen. Zonder aarzelen luidt het
vastberaden antwoord: „Dan liever sterven!"
Maar de revolutie-mannen krijgen een ander idee.
Zoo hij de martelkroon verwerven wil, goed! Eerst
zullen zij hem echter eene proef laten doorstaan, welke,
schoon niet vreemd in de geschiedenis der Heilige
Bloedgetuigen, allerwreedst heeten mag.
De vader van den jeugdigen geloofsheld wordt ont-
boden. „Breng uw zoon tot andere gedachten, of zijn
laatste uur is geslagen!" klinkt het hem tegen.
Een korte, geweldige strijd tusschen natuur en plicht
wordt in het binnenste van den ongelukkigen vader
gestreden. Helaas! de eerste houdt het veld. Snikkend
valt hij zijn kind om den hals en spreekt: „Spaar mij
het leven, mijn zoon, door het uwe te redden!"
-ocr page 214-
196 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
„Dat zal ik doen, vader! Ik zal sterven, mijn God
en u waardig. In het Katholieke geloof ben ik door
u opgevoed; ik heb het geluk van priester te zijn.
Uw eigen hart zal u zeggen, dat het zoeter is een
zoon te bezitten, die als martelaar sterft, dan eenen,
die, om het vergankelijk leven niet te verliezen, zich
een laf apostaat toont. In den hemel zien wij elkander
weer!"
Vaster knelt de vader zijn heldhaftig kind aan het
hart, en schreit: „Mijn kind, mijn arm, arm kind!"
De moordenaars beginnen die vertooning allerverve-
lendst te vinden. Zij verliezen het geduld, rukken vader
en zoon uit elkanders armen en herhalen ten laatste
hunnen eisch: „Zweren of sterven!"
„ Sterven!" roept de martelaar even vastberaden als
vroeger, en bezwijkt op hetzelfde oogenblik onder de
sabelhouwen zijner vijanden.
Wil men een ander klein tafereeltje, in zeker opzicht
nog aandoenlijker dan het voorgaande?
Te Orange zijn eenige kinderen ter guillotine ver-
wezen. Zij weten nauwelijks, wat sterven is. Als ze bij
het schavot gekomen zijn, zeggen ze tot den beul:
„Zult ge ons erg veel pijn doen?"
En zij zien hem aan met den innemenden lach der
kindsheid om de lippen, het eenig wapen, dat hun
rest in dien ongelijken strijd. De geschiedenis meldt
ons niet, dat de beul verteederd werd, wel, dat de klei-
nen omkwamen door de bijl.
Guillotine, kogel, zwaard, vuur en water waren in
-ocr page 215-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 197
dienst der Republiek om te verdelgen. Pest en andere
besmettelijke ziekten waren mede hare bondgenooten.
In den kerker liet zij een half millioen menschen ter
prooi aan allerlei ellenden, welke wij hier niet beschrij-
ven willen. Evenmin willen we melding maken van
de barbaarschheden, gepleegd in de Vendée.
Mogelijk vinden we elders gelegenheid daarop meer
uitvoerig terug te komen.
Is het ons in de vorige bladzijden duidelijk gewor-
den, hoe de revolutionnairen het „Vrijheid, Gelijkheid
en Broederschap" voor het gewone Volk in practijk
brachten, in de nog volgende zullen wij het lijden en
den strijd van eenige personen in het bijzonder behan-
delen.
Naast de roemruchtige bloedgetuigen uit den gees-
telijken stand en den adel verdienen deze anderen ge-
plaatst, kinderen des volks, die om hun geloof, om
hunne verknochtheid aan het waar gezag, om hunne
getrouwheid martelkroon en zegepalm wisten te winnen.
Petrus Nicolaas Busson was een eenvoudig onder-
wijzer der jeugd, maar toegerust met al de deugden
van een volmaakt Christen, die door de zorgen des
levens geenszins het hoogere uit het oog verliest.
Hij was uiterst nauwgezet in het vervullen zijner plich-
ten, en in ongekunstelde vroomheid gelijk aan de klei-
nen, bij wie hij met de gronden der aardsche weten-
schap, die der Heiligen wist te leggen.
-ocr page 216-
198 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
Zijne positie, maar vooral zijne deugden en reine
levenswandel gaven hem veel invloed op de inwoners
van Guyans-Vennes. Daardoor was hij echter ook de
natuurlijke vijand der Republiek, welke in de ge-
noemde plaats trotsch mocht gaan op eenige aan-
hangers.
Dezen hadden het reeds eenmaal zoover weten te
brengen, dat Busson voor de rechtbank werd gedaagd.
De beschuldiging, tegen hem ingebracht, als zou hij
namelijk tegen de Conventie in verzet gekomen zijn,
werd valsch bevonden, en de rechters waren hier ten
minste nog eerlijk genoeg, om geen doodvonnis te
vellen over een onschuldige.
Hij werd op vrije voeten gesteld en hervatte zijne
gewone bezigheden tot den 14^ October 1794, toen
hij weder voor de vierschaar werd gedaagd.
Hadden deze revolutionnairen berouw over hun vroe-
gere barmhartigheid, en was \'t ook. hun duidelijk ge-
worden, dat macht recht is?
De zitting werd geopend en binnen weinige minu-
ten volgde de veroordeeling des gedaagden. „Wat
denkt gij van Petrus Busson?" vroeg de rechter.
„Ik geloof, dat hij een allergevaarlijkst persoon is
voor de Republiek," antwoordde een der getuigen.
Dat was meer dan voldoende, om hem ter guillotine
te doen verwijzen.
- Met zeventien andere slachtoffers der revolutionnaire
vrijheid, allen landbouwers, hoorde hij dien dag zijn
doodvonnis lezen.
-ocr page 217-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. IQQ
\'t Behoeft zeker niet gezegd, dat deze arme dorpe-
lingen even onschuldig waren als Busson.
Bij de veroordeeling was de bepaling gevoegd, dat bin-
nen vierentwintig uren de executie moest geschied zijn.
Als moedige Christenen bereidden de gevonnisten
zich voor tot de groote reize. Is het wonder, dat zij al
hun geloof, al hunne eerbiedige onderwerping noodig
hadden, om standvastig en kloek te zijn in die uren?
Ach neen, want de meesten waren huisvader en ofschoon
zij volkomen bereid waren voor God en geweten hun
bloed te storten, de herinnering aan de dierbaren, die
zij in zulke benarde tijden onverzorgd moesten achter-
laten, vervulde hun hart met kommer en bange vrees.
Telkens rees het beeld eener schreiende echtgenoote
en dat van hunne verweesde kleinen weer op voor
hun geest, en stoorde hen in de gedachte aan het
hemelsche.
„Laten wij God om sterkte bidden, mijne vrienden,"
sprak Busson, die zelf eene vrouw met vier jeugdige
kinderen achterliet. Zijn oudste zoon was negen jaar
en de komst van zijn vijfde kind aanstaande.
De aanmaning, tot zijne lotgenooten gericht, vond
weerklank. Luid galmde de bede dier rampzaligen om
uitkomst voor de hunnen, om sterkte voor \'t eigen hart
door de gevangenis. Zij bleef niet onverhoord.
De God van allen troost vervulde hunne ziel met
hoop en moed. Duidelijker dan ooit zagen zij in, dat
de Heer, als zij heengegaan waren naar betere gewesten,
de toeverlaat der vaderloozen wezen zou.
-ocr page 218-
200 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
Vóór hunne gevangenneming waren allen tot de
Heilige Sacramenten genaderd. Zij hadden dus eene
dubbele reden, om den priester, die den eed op de
Constitutie had afgelegd, en den kerker binnentrad,
om hun zijne diensten aan te bieden, te antwoorden,
dat ze zijne zorgen ontberen konden.
Het was den gevangenen veroorloofd, hunnen bloed-
verwanten schriftelijk een laatst vaarwel te doen gewor-
den. Dat van Busson luidde woordelijk als volgt: „Dier-
bare vrouw, ik schrijf u dezen met bevende hand, één uur
voor mijn dood. Bid voor mij. Bedroef u niet, en waak
teeder over den kleine, die weldra den dag begroeten
zal. Omhels al onze arme kinderen.
Bovenal smeek ik u, van zorg te dragen voor hunne
opvoeding, welke thans uitsluitend rust op uwe schou-
ders. Ik omhels u allen en breng, vrij van iedere schuld,
welke ook, het offer mijns levens."
De onderteekening gaf te lezen: „Busson, den laat-
sten dag van zijn bestaan."
Geen rijkdommen liet deze vader den zijnen na, en
toch vermaakte hij hun een schat, kostbaarder dan al
de bezittingen dezer aarde.
Het uur der strafoefening, het vierde van den mid-
dag, naderde met rasse schreden. De sloten knarsten,
de grendels werden weggeschoven, de deur openge-
worpen en de veroordeelden traden twee aan twee
naar buiten.
Op het plein, links van de kerk van Maïche was
het schavot opgeslagen. Bij de verschijning der slacht-
-ocr page 219-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 201
offers weerklonken moordkreten, scheldwoorden, vloe-
ken en gejouw uit den mond van het verzamelde
grauw, \'t welk zeer talrijk was.
De sansculotten toch hadden al de vrienden uit den
omtrek opgeroepen en zij lieten zich niet wachten, nu
er gelegenheid was, om nog eens een revolutionnair
feest mede te vieren.
Het geroep van het gemeen, het gezicht der guil-
lotine schokten de ongelukkigen diep. Tranen welden
op in hunne oögen, maar God zond hun door middel
van den klank der klok bemoediging en troost. Het
sloeg vier uur.
Op dien tijd galmden van den toren in gelukkiger
dagen de tonen van het Angelus. Dat herinnerden zich
de rampzaligen.
Allen knielden neer en baden, ondanks de wreede
spotternijen hunner hartelooze vijanden, tot de Troos-
teresse der bedrukten, die het hun niet ontbreken liet
aan stervensmoed.
Busson ging allen voor in het gebed. Zijne liefde
schonk hem die welsprekendheid des harten, welke zich
een weg te banen weet naar ieder gemoed.
Hij wees hen op den eeuwigen Koning, Wiens heer-
lijkheid zij weldra zouden aanschouwen ; op het onver-
gankelijk loon, dat hen wachtte, zoo zij Hem nog
eenige oogenblikken getrouw bleven en Hem met een
grootmoedig hart het offer huns levens aanboden.
De Heer, de Vader der weezen, zou zich voorname-
lijk ontfermen over het kroost van hen, die alles ten
-ocr page 220-
202 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
offer brachten, die alles veil hadden voor hun heilig
geloof.
Dus klonken zijne woorden. De Jacobijnen bevalen,
dat Busson de laatste van allen ter dood moest gebracht.
De haat gaf hun dit besluit in.
Nu zou de deugdzaamste, behalve eigen lijden, ook
nog de folteringen zijner lotgenooten mede verduren
en de wraak derhalve vollediger zijn.
Zij bevroedden niet, dat ze door zoodanig te hande-
len, het ziels verlangen van den heldhaftigen Busson
vervulden. Thans kon hij immers aan de poorten der
eeuwigheid zelfs het goede beoefenen en zijn branden-
den zielenijver den vrijen teugel vieren.
Het was wel is waar eene treurige taak, welke hij
te vervullen had, maar het sterke hart wankelde niet.
■Hij ging" voort met zijne vrienden te bemoedigen. Wie
de ladder beklom, fluisterde hij eene laatste bede, een
hartelijk tot weerziens in betere gewesten toe.
Als zijne beurt eindelijk kwam, bad hij luide, met
heldere stem een gedeelte van de gebeden der ster-
venden. Een woedend geschrei ging uit het revolution-
nair gepeupel op, toen de martelaar zich naast den
scherprechter vertoonde. Hij was doof voor die kreten
der machtelooze woede.
Toch verduisterde een traan zijn oog bij het vluchtig
staren in de richting zijner woning, waar op het oogen-
blik — zijn hart zei het hem — al wat hem dierbaar
was op aarde, wegsmolt in tranen.
Smeekend hief hij den blik ten hemel, als om de
-ocr page 221-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 2 03
zijnen voor de laatste maal den Heer aan te beve-
len, herstelde zich spoedig en strekte zich uit op
de plank.
De laatste woorden, welke van zijne lippen vloei-
den, waren: „Heer, dat onze woonstede heden zij in
den vrede!"
De nagedachtenis van Petrus Nicolaas Busson is te
Maïche en omliggende gemeenten heilig en dierbaar
als die eens glorievollen martelaars. Zijne brave echt-
genoote vergat den jongsten brief niet.
Dagelijks herhaalde zij aan hare kinderen: „Gedenkt,
dat uw God aan een kruis, uw vader op het schavot
gestorven is."
De kinderen toonden zich allen zulk een vader waar-
dig. De oudste, die schier eiken dag tot den gezaligde
bad: „Goede vader, die ons zoo vurig beminde op
aarde, bemin ons met nog grootere teederheid in den
hemel. Bekom ons de genade, van evenals gij voor
Jesus Christus, voor het geloof en de Kerk ons leven
ten offer te mogen brengen!" werd een priester naar
Gods hart.
Een treffend blijk van kinderlijke liefde gaf een
jeugdig meisje, welks naam niet tot ons gekomen is.
Te voet legde zij honderd mijlen af, naast de kar,
welke haren vader wegvoerde naar de Conciergerie te
Parijs.
-ocr page 222-
3 04 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
Overal waar halt gemaakt werd, deed zij een beroep
op de welwillendheid en het medelijden harer natuur-
genooten. Hare vermoeienissen vergetend, ging zij van
huis tot huis, klopte aan alle deuren, en rustte niet,
eer zij een weinig voedsel, wat stroo en eenig deksel
bekomen had voor den dierbaren gevangene.
Vaak werd zij afgesnauwd, maar meestal mocht zij
bekomen, wat ze met tranen in de stem kwam af-
smeeken. Hoe verschilde haar gedrag van dat van
den jongen republikein, dien men onder het spel kwam
waarschuwen, dat zijn vader ter strafplaats reed.
Deze toch, gevoed met de verderfelijke ideeën der
revolutie, staakte slechts even zijn tijdverdrijf, keek
met onverschillig oog den stoet na, en zette toen, als
ware er niets bijzonders voorgevallen, het onderbroken
spel voort.
De gevangene kwam eindelijk op de plaats zijner be-
stemming aan, en verdween binnen het sombere gebouw.
De dochter keerde niet op hare schreden terug.
Mocht zij haren vader niet volgen in de gevangenis,
dag en nacht, het mocht stormen en regenen, zoo hard
het wilde, hield zij de wacht aan de poorten.
Op zekeren morgen zag zij hem naar de rechtbank
geleiden. Zij volgde hem ook daarheen. De openbare
aanklager maakte bekend, waarvan de ongelukkige
beschuldigd werd.
Tevergeefs bracht deze in het midden, dat men zich
in zijn persoon bedroog. Niet hij, een naamgenoot stond
schuldig aan het ten laste gelegde.
-ocr page 223-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 205
„Zwijg!" riep de onvermurwbare Dumas, die bij de
zitting voorzat. Het ging hem en den overigen rechters
weinig aan, wie er veroordeeld werd, zoo de guillotine
slechts geen offer behoefde te derven.
Dit was in hunne macht en, zooals te verwachten
viel, het doodvonnis werd uitgesproken.
Toen dit voorgelezen werd, klonk een snijdende
kreet door de zaal.
\'t Was de stervenskreet van het meisje, wier min-
nend hart van droefheid brak, toen haar vader ter
guillotine verwezen werd.
Vestigen wij nu onze aandacht op de familie Cazotte,.
en wel het eerst op Jacques Cazotte, den vader, alge-
meen bekend door het moedig gedrag zijner heldhaf-
tige dochter en niet minder door hetgeen La Harpe
omtrent hem verhaalt in zijne nagelaten schriften. Wij
oordeelen deze mededeeling merkwaardig genoeg, om
haar te vermelden.
„\'t Is of het eerst gisteren gebeurde, ofschoon het
reeds in het begin van 1788 plaats had.
Wij waren te gast bij een der medeleden van de
Academie, een voornaam man. Het gezelschap was
talrijk, en alle standen waren er vertegenwoordigd:
hovelingen, raadsheeren, letterkundigen, academici enz.
Men had, zooals gewoonlijk, den welvoorzienen disch
eer gedaan. Bij het nagerecht schonken de malvezij.
-ocr page 224-
2o6 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
en de Kaapsche wijn aan de vroolijkheid van goeden
huize eene soort van vrijheid, welke ook hier de gren-
zen niet wist te eerbiedigen.
In dien tijd mocht men alles zeggen, mits men zorg
droeg de lachspieren der hoorders in beweging te zetten.
Champfort had ons zijne godslasterlijke, zedelooze ver-
halen voorgelezen, en de voorname dames zelfs hadden
daarbij niet gebloosd.
Nu volgde een stroom van spotternijen, gericht tegen
den godsdienst. De een haalde eene passage aan uit
de Puccllc van Voltaire; de andere herinnerde aan de be-
kende uitspraak vanDiderot: „Met de ingewanden van
den laatsten priester wurge men den laatsten koning."
Allen juichten toe. Een derde stond van zijn zetel
op, hief zijn glas en riep uit: „Mijne heeren, ik ben
er evenzeer van overtuigd, dat er geen God is, als
dat de oude Homerus een gek verdient te heeten!"
Het gesprek nam eene ernstiger wending. Men
sprak zijne bewondering uit over de omwenteling, die
Voltaire bewerkt had, en men was het hieromtrent
eens, dat juist daarop zijne grootheid was gegrond.
Hij gaf den toon aan in zijne eeuw; hij werd gelezen
in de zalen der rijken en in de hutten der armen.
Een der genoodigden verhaalde, terwijl hij schaterde
van \'t lachen, dat zijn kapper hem onder het poederen
zeide: „Ik ben maar een arme drommel; toch heb ik
even weinig godsdienst als een ander."
Men kwam tot het besluit, dat de revolutie spoedig
tot rijpheid komen zou; dat het hoog tijd werd, dat
-ocr page 225-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 207
de philosophie de plaats innam van bijgeloof en fana-
tisme. Het mogelijke tijdstip van de heerschappij der
rede en wie van het gezelschap haar zou beleven,
werden berekend.
De bejaarden klaagden, dat zij zich niet met die
zoete hoop dorsten vleien; de jongeren verheugden
zich, wijl zij bijna zeker konden zijn, van haar te
zullen zien. Bovenal verhief men de Academie, daar
zij het groote werk had voorbereid, en de hoofdzetel,
het middelpunt en de drijfveer geweest was der vrij-
heid van denken.
Een enkele der gasten had geen deel genomen aan
deze vroolijke gesprekken; Cazotte namelijk, een be-
minlijk, eigenaardig man, die, jammer genoeg, aan
bovennatuurlijke verlichting geloofde.
Hij nam het woord en sprak op ernstigen toon:
„Weest tevreden, mijne heeren: gij zult allen, de groote
revolutie beleven, naar welke gij zoo verlangend zijt.
Gij weet, dat ik zoo een weinigje ziener ben; als
dusdanig herhaal ik u: gij zult haar beleven."
„Daarvoor hoeft men nu juist geen profeet te we-
ien!" werd hem toegeroepen.
„Dat kan wel zijn," hernam hij, „maar misschien wel
voor hetgeen ik u verder zal mededeelen! Weet gij,
wat deze omwenteling met zich voert? Wat zij voor
u allen, zonder uitzondering, zal wezen? Wat hare
onmiddellijke gevolgen, haar zeker en onloochenbaar
uitwerksel zal zijn?"
„Laat hooren," sprak de Condorcet met zijn ge-
-ocr page 226-
208 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
wonen simpelen, gluiperigen lach, \'t kan een philosoof
niet dan aangenaam zijn een profeet te ontmoeten."
„Gij mijnheer de Condorcet," vervolgde . Cazotte,
„zult den geest geven, uitgestrekt op den vloer van
een kerker. Gij zult sterven aan vergif, door u inge-
nomen, om aan de handen van den beul te ontkomen;
aan vergif, dat gij in die gelukkige tijden altoos bij
de hand zult moeten hebben."
Eerst was men uiterst verwonderd over die woorden,
doch spoedig kreeg de luidruchtige vroolijkheid weder
de overhand. Men herinnerde zich, dat de brave Cazotte
soms wakende droomde.
„Wat heeft dat alles met de philosophie en de heer-
schappij der rede te maken?"
„Dat is \'t juist wat ik beweer, hernam Cazotte; „in
naam der philosophie, der humaniteit en der vrijheid,
zal u gedurende de heerschappij der rede dit alles
overkomen.
Ja, dan zal inderdaad de rede heerschen; zij zal hare
kerken hebben; in geheel Frankrijk zullen geen andere
tempels dan die der Rede worden gevonden."
„Op mijn woord," zeide Champfort, „gij zult geen
priester zijn in een van die tempels."
„Ik hoop het, maar mijnheer Champfort, die wel deze
bediening zal waarnemen en haar ook ten volle waardig
is, zal zich door twee en twintig sneden met zijn
scheermes de aderen openen; eerst eenige maanden
daarna zal hij sterven."
Weer ziet men elkander aan, en schatert het opnieuw
-ocr page 227-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 209
uit. Cazotte stoorde er zich niet aan, en vervolgde:
„Gij, mijnheer Vicq d\'Azyr, zult u zelf de aderen niet
openen; in een aanval van jicht zult gij ze later zes
malen op een dag laten openen, ten einde zeker te zijn
van den goeden uitslag, \'s Nachts daarop zult gij
sterven.
„Gij, mijnheer Nicolaï zult sterven op het schavot;
mijnheer Bailly, op het schavot; mijnheer de Males-
herbes, op het schavot." — „Goddank!" roept de heer
de Roucher uit, „Cazotte schijnt het enkel op de
Academie geladen te hebben; wat eene slachting heeft
hij aangericht onder hare leden! Ik, de Hemel zij ge-
prezen ! .. ."
Cazotte viel hem in de rede met de woorden: „Gij
zult sterven op het schavot!"
„Parbleu! \'t lijkt wel eene weddenschap. Hij schijnt
gezworen te hebben alles uit te roeien."
„Niet ik heb dat gezworen!" klonk het antwoord.
„Zullen wij dan door Turken of Tartaren overheerd
worden?"
„Volstrekt niet! Gij zult dan alleen bestuurd wor-
den door de philosophie en door de rede. Wie u zoo
behandelen, zullen philosofen zijn, zullen aanhoudend
dezelfde taal voeren, welke gij reeds ruim een uur uit-
slaat, zullen al uwe stelregels herhalen en evenals gij
verzen aanhalen uit Diderot en uit de Pticelle."
Men fluisterde elkander in: „Gij ziet wel, dat hij
krankzinnig is. \'t Is overbekend, dat hij onder al zijne
spotternijen iets wonderbaars weet te mengen."
14
-ocr page 228-
2IO VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
„Alles goed en wel," zeide Champfort, „maar rond-
uit gezegd, zijn wonderbaars is niet zeer opwekkend
en riekt te zeer naar de galg."
„Wanneer zal dit alles geschieden?" — „Geen zes
jaren zullen] verloopen, en al wat ik u voorspelde, zal
vervuld zijn!" — „Wonderen in overvloed," zei La
Harpe zelf, „maar over mij zwijgt ge."
„Met u," antwoordde Cazotte, „zal een wonder ge-
schieden, even buitengewoon: gij zult alsdan Christen
zijn!"
„Nu ben ik weer gerust," riep Champfort uit, "„want
zoo we eerst dan zullen omkomen, als La Harpe een
Christen is, zijn we onsterfelijk!"
„Wij, vrouwen," zeide de hertogin van Grammont
daarop, „wij mogen ons gelukkig achten, dat men ons
bij eene revolutie voor niets telt. Dat men ons voor
niets telt, wil daarom niet zeggen, dat wij er ons vol-
strekt buiten houden; maar men valt er ons geslacht
niet hard over."
„Uw geslacht zal u ditmaal niets baten, dames; en
al houdt ge u ook buiten alles, gij zult behandekTwor-
den als de mannen; tusschen u en hen zal in dezen
geen sprake zijn van onderscheid."
„Maar wat spreekt ge toch, Cazotte? Wilt gij ons
het einde der wereld aankondigen?"
„Ik weet het niet. \'k Weet echter wel, dat gij, me-
vrouw de hertogin, en vele andere dames naar het
schavot gevoerd zult worden, de handen op den rug
gebonden en zittende op de vilderskar."
-ocr page 229-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 211
„Ik hoop in dat geval ten minste eene rouwkoets te
hebben."
„Neen, mevrouw! En voornamer dames dan gij zullen
met geboeide handen, op de vilderskar naar het schavot
rijden."
„Voornamere dames? De prinsessen van den bloede
dus?"
„Nog voornamer dames!"
Nu bespeurde men eene groote ontroering bij het
gansche gezelschap; de heer des huizes staarde som-
ber voor zich uit. De scherts werd al te ver gedreven,
oordeelde men.
Om de droefgeestige stemming te verdrijven, kwam
de hertogin de Grammont niet meer op het laatste
antwoord terug, maar vergenoegde zich met op luch-
tigen toon te zeggen: „Gij zult zien, dat hij me zelfs
geen biechtvader vergunnen zal in die ure."
„Neen, mevrouw, gij zult er geen hebben, evenmin
als de anderen. De eenige veroordeelde, wien men er
goedgunstig een zal schenken, zal...." hij aarzelde
en zweeg.
„Welaan," vervolgde zij, „noem den gelukkigen
sterveling, wien dit voorrecht ten deel zal vallen!"
„Het zal \'t eenige voorrecht zijn, \'twelk hem dan
rest: hem, den koning van Frankrijk."
Bij deze woorden sprong de gastheer van zijn zetel
op, waarin alle genoodigden hem navolgden.
„Mijnheer Cazotte," sprak hij op diepbewogen toon,
zich tot dezen wend end, „we hebben meer dan genoeg
-ocr page 230-
212 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
van deze treurige scherts. Gij gaat te ver; gij brengt
u zelven en dit gezelschap in gevaar door uwe
woorden!"
Cazotte bleef het antwoord schuldig en maakte zich
gereed om huiswaarts te gaan, toen de hertogin de
Grammont, die vóór alles wilde beletten, dat de zaak
ernstig werd opgenomen, en bovendien de vroegere
vroolijkheid zoo gaarne wilde zien terugkeeren, op
hem toetrad en sprak:
„Mijnheer de Ziener gij hebt ons aller lot voorspeld,
maar gij zweegt over het uwe."
Zwijgend sloeg hij de oogen neder, en antwoordde
na eene korte pauze:
„Hebt gij in Flavius Josephus het beleg van Jerusalem
gelezen, mevrouw?"
„Zeer zeker, want wie heeft dat niet gelezen? Maar
veronderstel gerust, dat ik het niet gelezen heb."
„Goed, mevrouw! Weet dan, dat gedurende dit beleg
een man zeven dagen lang, in het gezicht van bele-
gerden en belegeraars de wallen der stad rondliep, en
zonder ophouden klagend uitriep: „„Wee aan Jerusalem!
wee Jerusalem!" Den zevenden dag klonken zijne
woorden: „ „Wee Jerusalem! Wee mij!"" Op hetzelfde
oogenblik werd hij verpletterd door een geweldig
grooten steen, uit een der vijandelijke werptuigen."
Nadat hij deze woorden gesproken had, groette
Cazotte de aanwezigen en verwijderde zich.
-ocr page 231-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 213
In 1792 kwam Cazotte in eene briefwisseling met
zijn ouden vriend Puteau op dat gesprek terug. Alle
verschijnselen duidden aan, dat de tijd niet verre meer
was, waarop zijne voorspellingen in vervulling zouden
gaan.
De toestand werd met den dag zorgwekkender, en
Cazotte, die zijn "koning en zijn land oprecht liefhad,
handelde in zijne brieven over de middelen, welke
zijns inziens geschikt waren, om het naderend onheil
te bezweren.
Bij de overweldiging der postkantoren werd deze
zeer compromitteerende correspondentie onderschept.
Cazotte, die er nooit een geheim van gemaakt had,
hoedanig zijne gevoelens waren, ten opzichte van de
nieuwe orde van zaken, verbleef spoedig met zijne
dochter Elisabeth in de gevangenis. Daar moest hij
afwachten, welk vonnis zijne vijanden over hem zou-
den vellen.
De Septemberdagen met hunne verschrikkingen en
gruwelen braken aan. De alarmklok klepte zonder op-
houden, de halfdronken moordenaars, uit het laagste
gemeen gekozen, togen aan den arbeid. De lucht was
vol nood- en moordkreten, Parijs geleek op eene groote
slachtplaats.
Ook Cazotte zag weldra eene bende woestelingen
zijn kerker binnenstormen. Vijf of zes van het bloed-
dorstig gepeupel grepen den eerbiedwaardigen grijs-
aard aan, sleurden hem naar buiten, en hadden hem
zonder den minsten twijfel van het leven beroofd,
-ocr page 232-
214 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
ware de kinderliefde hem niet geworden tot een veilig
bolwerk.
Terwijl het moordstaal boven het hoofd des vaders
zweeft en ieder oogenblik dreigt neer te schieten, snelt
zijne heldhaftige dochter aan.
Zij slaat geen acht op de pieken en zwaarden, nog
druipend van het reeds vergoten bloed; zij siddert niet
op het gezicht van die duivels in menschengedaante,
welke ook haar wellicht niet sparen zullen.
Zij ziet enkel den veelgeliefden grijsaard, wien zij
met hare zwakke armen omstrengelt, terwijl zij vol
edele vastberadenheid uitroept: „Eerst zult gij mijn
hart doorboren, vóór ge dat mijns vaders treft!"
De moordenaars staan verslagen. De menschelijkheid
herneemt voor luttele stonden hare rechten. Vol be-
wondering staren zij op he t moedige meisje, dat haren
vader omsluit en weten niet, wat te beginnen, tot zij allen
eensklaps het merkwaardig tweetal eerbiedig naderen
en hen juichend, onder veilig geleide, naar hunne wo-
ning terugvoeren.
Cazotte was gered. De dood had echter slechts
een oogenblik zijne prooi losgelaten ; spoedig zou hij
haar weder opeischen en dan zonder hoop op verlos-
sing of uitstel. Eenige weken later wordt de grijsaard
opnieuw gegrepen en in de gevangenis geworpen.
Het leed niet lang, of hij stond voor de revolution-
naire rechtbank. Een wondervol schouwspel is \'t, dien
man voor zijne rechters te zien staan en de woorden
op te vangen, welke zijne vijanden hem toespreken.
-ocr page 233-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 215
Aan veel heeft de Revolutie ons doen gewennen,
maar toch durven wij onze ooren nauwelijks vertrouwen,
als we de rechters zelven den lof hooren verkondigen
van den beschuldigde.
„Waarom," vroeg o. a. de openbare aanklager, „vind
ik u schuldig, ofschoon gij levenslang de deugd be-
oefend hebt ? O, dat het volstond een brave zoon, een
teeder echtgenoot, een goed vader te wezen! Maar
men dient, behalve dat, ook te zijn, \'tgeen ik niet
noemen mag: een goed burger !"
Nu werd het doodvonnis geveld en voorgelezen. De
voorzitter van het tribunaal nam daarna het woord
en sprak tot den veroordeelde: „Zie den dood on-
verschrokken onder de oogen. Een man, als gij immer
geweest zijt, kan hij geen schrikbeeld wezen." Zoo
dwong de deugd van dien twee-en-zeventigjarige zijnen
beulen zelfs bewondering af.
Hunne onverdachte lofspraak is de beste getuigenis
voor den adel van zijn hart en karakter.
Cazotte had zonder de minste ontroering zijne ver-
oordeeling gehoord. In stille onderwerping boog hij
het hoofd en ging naar zijn kerker terug, waar hij een
geheel uur alleen bleef met een priester.
Hij regelde zijne eeuwige belangen; bracht zijne
rekening in orde met den oppersten Rechter, Die ge-
breken ziet, daar zelfs, waar het kortzichtig menschen-
oog volmaaktheid meent te bespeuren.
Toen deze voorname zaak was afgedaan, schreef hij
dit vaarwel aan de zijnen:
-ocr page 234-
2l6 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
„Dierbare echtgenoote en kinderen! beweent mij niet,
vergeet mij evenmin. Zijt vooral daarop bedacht, dat
gij God nooit vergramt.".
Een kort woord ongetwijfeld, maar dat in al zijne
kortheid rijk is aan liefde en deugd. Voor zijne beminde
dochter Elisabeth, die zich onsterfelijk maakte door
haar heldhaftig gedrag, stelde hij den priester, die hem
tot de eeuwigheid had voorbereid, eene kostbare ge-
dachtenis ter hand: een zijner zilveren haarlokken.
Daarmee was alles volbracht, wat hem hier nog te
doen stond en rustig, blijmoedig zelfs toog hij ter straf-
plaats. Op het schavot gekomen keerde hij zich tot de
verzamelde menigte en sprak met luider stem: „Ik
sterf, zooals ik geleefd heb: trouw aan mijn God, trouw
aan mijn koning!"
De heldenmoed en de trouw van Jacques Cazotte
waren niet enkel het deel van zijne dochter, wier gedrag
wij daareven mochten bewonderen; ook zijn zoon had
ze overgeërfd.
Toen de koninklijke familie na de mislukte vlucht
naar Varennes, den terugweg op Parijs had aangeno-
nomen, of liever, gévankelijk teruggevoerd werd, riep
Jacques Cazotte — hij vervulde op dat tijdstip den
post van maire te Pierry — zijn zoon bij zich.
„Kniel neder, mijn kind," sprak hij, „opdat ik u
mijn zegen geve." En de zoon knielde neer, en ontving
den zegen.
-ocr page 235-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 217
Daarop vervolgde de grijsaard: „Ga nu heen, tracht
partij te trekken van het voordeel, \'twelk u verschaft
wordt door de uniform, die gij draagt — de zoon was
commandant van de nationale garde van het stadje —
en geve de Hemel, dat gij onzen goeden meester eenige
verlichting moogt aanbrengen."
De zoon begeerde niets vuriger, dan dat de wensch
zijns vaders verwezenlijkt mocht worden, want ook hij
was innig gehecht aan zijn vorst en verlangde van heeler
harte, dat hij hem in een of ander van dienst mocht wezen.
Hij ging met zijne soldaten naar Epernay, dat geheel
van strijdkrachten ontbloot was, doordat de bezetting,
misleid door een loos alarm, naar elders op marsch was.
Hij ontving de opdracht, om met de zijnen de om-
geving van het hotel de Rohan te bewaken.
De moedige aanvoerder had spoedig begrepen, dat
deze dag voor de koninklijke familie niet veel goeds
voorspelde. Hij deed zijne manschappen plechtig trouw
beloven, stelde ze en haic op, en gebood, niemand door
te laten dan de wettige overheidspersonen. Hetgeen hij
om zich heen zag, verplichtte hem tot dezen maatregel,
die waarlijk geen overdreven voorzichtigheid kon ge-
noemd worden.
Nauwelijks had hij de noodige voorzorgen genomen,
de door de noodzakelijkheid geboden maatregelen ge-
troffen, of de logge berline, het onmogelijke voertuig,
waarin de vlucht beproefd was, en een der grootste
medehelpsters om haar te doen mislukken hield stil
voor het hotel de Rohan.
-ocr page 236-
218 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
Als een troep uitgehongerde wolven, die de lucht
eener prooi in den neus kregen, wriemelde eene woe-
dende volksmenigte om het rijtuig. De gevangenen
stegen uit. Prinses Elisabeth, die den jongen Cazotte
kende, kon zich niet weerhouden, misleid als zij werd
door de omgeving, waarin hij zich bevond, hem zacht
verwijtend toe te voegen: „Ook gij hier?"
De jonge aanvoerder, wiens geweten in rust was,
antwoordde met de waardige kalmte van hem, die zich
het goede bewust is: „Ik ben hier, doch enkel om u
te dienen. Daarvoor is het echter allerdringendst noodig,
dat gij den schijn aanneemt van mij niet te kennen!"
Dit alles werd in het voorbijgaan gefluisterd.
Zoodra het portier geopend werd en de rampzalige
koninklijke familie zich duidelijk aan het saamge-
stroomde volk vertoonde, brak er een stortvloed van
scheldwoorden en verwenschingen over de gevangenen
los. Schandelijkhedcn van de gemeenste soort dongen
met het brullen van den bloeddorst om den voorrang.
Cazotte sidderde voor het leven van hen, voor wie
hij het zijne ten pand stelde. En hij had reden tot
sidderen, want menig slecht sujet had dien dag ge-
zworen, dat de gehate Oostenrijksche niet langer het
land ongelukkig maken zou.
Eenige malen zelfs was het moordwapen reeds op
haar gericht. God had haar echter een ander uiteinde
voorbehouden en bewaarde haar thans voor de aan-
slagen harer verblinde vijanden.
Smaadredenen en lage scheldwoorden gingen van
-ocr page 237-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 219
alle kanten tegen haar op. Ook een minder ridderlijk hart
dan dat van Cazotte zou getroffen zijn geworden, door
het zien van deze fiere, jonge koningin, daar het mik-
punt van de giftige pijlen van haat en dolle volks-
woede.
„Verachten sie das, Gott ist über alles!" sprak hij
tot haar, terwijl hij haar met eerbiedige deernis aanzag.
Wie zal zeggen, welk een zoete balsem door die
woorden in dat bloedend vorstinnengemoed werden
gestort? Te midden van het bloeddorstig gehuil der
verdwaasde menigte, die haar met oneer en smaad
overlaadde, klonk haar een woord van medelijden, van
bemoediging toe, en nog wel in de dierbare moeder-
taal. Wat moeten haar op dat oogenblik die klanken
hebben aangegrepen, ruischend als engelenmuziek,
welke de snerpende helsche kreten doet verstommen.
Ja, die Scaevola Cazotte droeg ongetwijfeld het hart
op de rechte plaats. Hij bleek hier vooral de edele
zoon te zijn eens edelen vaders, wiens zielewensch
door dat „Verachten sie das" zoo heerlijk in vervul-
ling ging.
Marie Antoinette zag hem oplettend aan. Geen woord
kwam er echter over hare lippen. Had het gezegde
van Cazotte haar te zeer aangegrepen? Belette de
ontroering haar het spreken ? Wij weten het niet. Hoe
het zij, de jonge man, welke die felbeproefde \'op dat
uur mocht troosten als hij deed, zal in zijne ziel eene
stem gehoord hebben, die hem toeriep: „Gij doet wel!"
Toen de poorten van het hotel achter de gevange-
-ocr page 238-
2 20 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
nen dicht gevallen waren, bedaarde het volk een wei-
nig. Cazotte had het genoegen der koninklijke familie
nog menigen dienst te bewijzen.
De kleine dauphin, die door een der lijfwachten
gedragen werd. begon luid te schreien, toen hij zijne
moeder uit het oog verloor. Cazotte snelde toe, sprak
eenige bemoedigende woorden tot het kind, dat ver-
trouwelijk zijne armpjes om den hals van den jongen
commandant sloeg, die hem weder bij de koningin
bracht.
„Kunt ge mij niemand zenden, om mijn gewaad een ■
weinig in orde te brengen?" vroeg hem deze. In het
gedrang had men op haar kleed getrapt. Beklagens-
waardige! hoe menigmaal zal het volk u nog op het
hart. treden, eer gij het hoofd, door het lijden vóór
den tijd vergrijsd, onder de valbijl legt!"
Ook bij het vertrek uit Epernay bleef Cazotte, al
dreigde hem menigmaal levensgevaar, moedig op zijn
post. Hij geleidde mevrouw de Tourzel, die van de
koninklijke familie was afgeraakt, door het gedrang,
en rustte niet voor allen in veiligheid weder hun weg
vervolgden.
De trouwe dienaar bleef voor de wraak des volks
gespaard. Niemand viel hem lastig, over hetgeen hij
volbracht had. Ook gedurende de bange nog volgende
jaren werd hij niet bemoeilijkt.
De guillotine, die het eerbiedwaardige hoofd van
den vader niet ontzag, spaarde het hoofd van den
zoon. Hij overleed te Parijs den 20en Juni 1853,
-ocr page 239-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 22 1
in den gezegenden ouderdom van negen en tachtig
jaren.
Zijne nagedachtenis, evenals die zijns vaders, zal in
zegening blijven van geslacht tot geslacht.
Vele en trouwe verdedigers heeft het Fransche
koningschap bij zijn ondergang gehad. Eene eereplaats
onder dezen komt toe aan de Zwitsersche garde. Haar
eenige bladzijden te wijden hier, kan niet anders dan
een zoete plicht zijn.
Die helden hadden hunne dierbare bergen verlaten,
om in een vreemd land een vreemden vorst te gaan
dienen, en, onverzettelijk in hunne betaalde trouw als
de reuzige Alpen van hun geboortegrond, offerden zij
grootmoedig hun leven voor de zaak, welke zij zwoeren
te verdedigen.
Ginds, te Lucern, heeft het genie van Thorwaldsen
hun een gedenkteeken gewrocht, hunner evenzeer
waardig als den meester, die het schiep.
Een leeuw, doodelijk getroffen door eene lans, ligt
stervend op een met Fransche leliën overzaaid schild.
Hij strekt den machtigen linkerklauw, als wilde hij een
nieuwen aanval afweren. De halfgesloten oogen in den
forschen kop, ontzagwekkend zelfs nog onder het bui-
gen voor den dood, werpen, eer zij zich luiken, zich
luiken voor immer, een dreigenden blik om zich heen.
Het geheele dier roept voor den geest, wat het ver-
-ocr page 240-
-ocr page 241-
22 2 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
beelden moet: een stervenden held, zich opofferend
voor eene edele zaak.
Ziedaar het monument, \'twelk aan de gesneuvelde
dappere Zwitsers van den ioen Augustus, aan de ver-
moorden van den 3en September 1792 herinnert.
Wat geschiedde den 1 oen Augustus ? De beklagens-
waardige Lodewijk XVI had reeds menigen stap ge-
daan, die het koningschap wis en zeker ten verderve
voeren moest.
Sneller en sneller gleed hij, door eigen schuld, neer
langs het hellend vlak, aan welks uiteinde de dood
hem wachtte. Men zoekt in de geschiedenis tevergeefs
naar een vorst, krachteloos als hij, in de beslissende ure.
Toen de morgen van den 1 oden Augustus doorbrak,
verlichtte hij een schouwspel, schrikwekkend voor al
de vrienden van orde en vrede.
Duizenden pieken en geweren flikkerden in de
ochtendzon; eene woeste menigte, voorafgegaan door
de bloeddorstige Marseillanen, stormde voorwaarts.
Hunne wilde kreten, onverstaanbaar door den grooten
afstand, dringen tot in de Tuilerieën door, waar zij als
de verre donderslagen zijn eener onheilzwangere on-
weersbui, welke snel en zeker het verblijf nadert der
koninklijke familie, wier lot in hoofdzaak van de ge-
beurtenissen van dezen dag afhangt.
Het gevaar bezweren is niet meer mogelijk, en al
wie in het paleis de wapens voeren kan, maakt zich
gereed tot de worsteling.
Wat zult gij brengen, vroege Augustusdag? Wat
-ocr page 242-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 223
bergt gij in uw schoot? Helaas! wat anders dan smaad
en oneer over een vorst, wiens goedheid laakbare zwak-
heid is, waardoor hij zich zelven en de zijnen in het
ongeluk stort.
Hoe wil hij de wielende menschenzee, welke de
Tuilerieën nadert, binnen hare grenzen houden? Be-
sluiteloos ziet hij beurtelings zijne echtgenoote, zijne
zuster, zijne kinderen aan.
O, dochter van Maria Teresia, is het waar, wat
sommige geschiedschrijvers melden, hebt gij waarlijk
uwen weifelmoedigen gemaal toegeroepen: „Nu is het
de tijd, om te toonen, wie gij zijt!"
Ja, hij zal toonen wie hij is. Het vuur in uw oog
doet den doffen glans in het zijne niet verdwijnen,
doet het niet flikkeren als het uwe. Hij zal toonen,
dat hij in lijdzaamheid zijns gelijken niet kent, evenmin
als in wankelmoedige zwakheid.
"Wat kwelling moet dat voor u geweest zijn, zwakke
vrouw, die toch, naar Mirabeau\'s zeggen, de eenige
man waart in de omgeving des konings.
Dat hij uw moed, uwe vastberadenheid, uwe wils-
kracht bezeten hadde en wie weet, of de avond van den
iodeu Augustus het koningschap niet met nieuwen
luister had zien te voorschijn treden uit de vroegere
vernedering.
De onstuimige scharen staan reeds vlak bij het plein
der Tuilerieën. Zal het geschut de dijk zijn, waartegen
de bruisende golven hare kracht verspillen ?\'
Wel zijn de vuurmonden tegen het gepeupel gericht,
-ocr page 243-
224 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
maar de kanonniers werpen hunne lontstokken weg.
Zij maken liever gemeene zaak met de reeds opper-
machtige revolutionnaire raddraaiers, dan pal te staan
voor de naar hun oordeel twijfelachtige rechten van
een vermolmd koningschap.
En Lodewijk? Aan moed mangelt het hem niet.
Dat bewees zijn gedrag van den ioden Juni; dat zal
hij nog meermalen toonen, ook bij zijn dood. Heeft
dan die man geen besef van de koninklijke waardig-
heid ? Zal hij zich zonder tegenweer door het grauw
den reeds half verscheurden koningsmantel van de
schouders laten rukken ?
„Ik neem de laatste lompen van het vorstelijk her-
melijn met mij in het graf!" zuchtte de stervende
Mirabeau. Deze dag zal de waarheid zijner woorden
bevestigen. Hoe verschilt deze heerscher van den Roi-
Soleil! Deze sprak hoog en fier: „De Staat, de Staat
ben ik!" Gene schijnt tot het volk te zeggen: „Ik ben
niet bestand tegen uwe overmacht, doe daarom met
mij naar welgevallen!
En terwijl nog duizenden bereid zijn, hun bloed te
storten voor zijne eer, voor zijne belangen en rechten,
staat hij, na eene korte weifeling op. „Laat ons gaan!"
klinkt het van zijne lippen, en gevolgd door zijne
gemalin en kinderen, verlaat hij de vergulde woning
zijner voorvaderen en begeeft zich „ten einde eene
groote misdaad te voorkomen" naar de Nationale Ver-
gadering.
Kroon en schepter heeft hij heden verloren!
-ocr page 244-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 225
De koning is heen; velen zijner verdedigers zijn
weggegaan als hij. Maar de vorstelijke woning, die
zooveel grootheid en luister, zooveel zonde en onge-
rechtigheid aanschouwd heeft, staat daar nog: de roode
Zwitsers staan daar ook. Wat zullen zij doen? Heen-
gaan als hun vorst ? Waartoe dient het bewaken eener
woning, welke de eigenaars zelven prijsgeven ?
Toch zullen zij blijven, ook al weten zij niet, welke
gedragslijn te volgen. De stem van den plicht in hun
binnenste beveelt hun te blijven en zijne stem klinkt
luider dan de wraakzuchtige kreten uit de scharen, die
om hen wriemelen en dringen.
De koning is weg, maar daarmee is de Revolutie
niet voldaan: hij moet afgezet of vrijwillig afstand doen.
Het grauw, rond het vorstelijk paleis samengeschoold,
weet voor het grootste gedeelte niet eens, dat Lodewijk
en zijne familie de ïuilerieën verlaten hebben.
Men roept de Zwitsers toe in het Fransch, in hun
eigen taal; sprekende gebaren trachten hun het ver-
langen der menigte te vertolken. Vergeefs! Zij begrij-
pen niet, of willen niet begrijpen, dat de ware Souverein
van Frankrijk de havelooze troep is, die luider en
dringender telkens zijne bevelen herhaalt.
De tijd gaat in nutteloos onderhandelen voorbij. En
gebeure wat wil, het blijkt maar al te duidelijk, dat
er van ééne lijn trekken met het oproer geen sprake
is bij deze zonen der bergen. Onbeweeglijk staan zij
in het gelid; met den vinger aan den trekker verrijst
hunne forsche gestalte voor alle deuren en ramen.
15
-ocr page 245-
226 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
Zij wenschen wel te onderhandelen, maar niet in
den geest van de tuchtelooze benden, welke hun den
wil der menigte te verduidelijken poogt
Daar zien zij eenige hunner makkers verraderlijk
neertrekken en meesleuren; het geschuifel van enkele
in het wild geschoten kogels treft hun oor. Wie loste
die schoten ? "Wie gaf dit sein tot het groote bloed-
bad, \'twelk de schaamtelooze Revolutie een nieuwen
smaad aanwreef?
De Marseillanen, beweren onpartijdige rechters, die
niet kunnen^aannemen, dat de Zwitsers tot zulk eene
dwaasheid in staat waren op een oogenblik, dat aan-
vallen voor hen de hachelijkste der kansen heeten
mocht.
Hoe het zij, het geknetter der wapens van de
Zwitsers, de flikkerende vuurstralen uit hunne geweren
geven antwoord op den snooden aanval der tegen-
partij.
Tal van sansculotten uit het Zuiden tuimelen neer,
om niet meer op te staan; anderen liggen stuiptrek-
kend op het plein en worden door hunne makkers en
het Parijsche grauw onder den voet getreden.
Alles vlucht; het Carrouselplein is in een oogwenk
schoongevaagd; de dappere revolutionnairen spoeden
voort, of de dood hen op de hielen zat. De Zwitsers
overmeesteren het geschut, straks door de trouwelooze
kanonniers verlaten, laden het en richten het op de
vluchtende schare, die eindelijk, ver genoeg van de
Tuilerieën, weder tot staan komt.
-ocr page 246-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 227
Het gezicht der dooden, de jammerkreten der
gekwetsten, de schaamte over hunne lafhartige vlucht
zijn als zoovele prikkels voor de volkswoede. „Dood
aan de vreemde verdedigers van den tiran!" wordt de
leuze, en de golvende menschenzee rolt woedend terug
naar het koninklijk verblijf.
Zonder aarzelen worden de Zwitsers opnieuw aange-
grepen.
Van alle kanten snorren de kogels, links en rechts
schuifelt het moordend lood, het gebulder der kanonnen
overstemt nu en dan het woest geschreeuw der menigte
en brengt overal in den omtrek de mare van de wor-
steling.
Wat zou de uitslag geweest zijn van dezen kamp,
zoo de koning geen bode had gezonden, welke den
Zwitsers uit zijn naam beval het vuren te staken?
„Het gepeupel zou de nederlaag geleden hebben,"
verklaarde een ooggetuige, die niemand minder was
dan „de gelukkige soldaat," die straks de Revolutie
breidelen zou: Napoleon Bonaparte.
De Zwitsers, schoon nog van alle kanten beschoten,
staken het vuur. Maar nu de kamp, ter zelfverdedi-
ging begonnen, hun verboden wordt, dienen zij onver-
wijld te denken aan lijfsbehoud.
Een gedeelte der dapperen snelt naar buiten en poogt
zich te redden. Als eene bende losgelaten duivels
springt het woedend gemeen op hen toe, en hakt ze
tot den laatsten man meedoogenloos in de pan.
Een ander gedeelte, ongeveer 300 man sterk, poog-
-ocr page 247-
228 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
de door een uitval in de richting van de Champs
Elysées den weg naar Courbevoye te bereiken, waar
zich hunne gelukkiger makkers bevonden.
Helaas! van alle kanten bestookt, ontbloot van aan-
voerders, weten zij niet juist, wat zij willen. Zij wijken
uit elkander, verspreiden zich in kleine troepen en
pogen zoo een goed heenkomen te zoeken. Bijna allen
bezwijken onder het lood, dat hun van huizen en plei-
nen tegenvliegt.
Een twintigtal hunner hadden zich in de Rue Royale
achter een hoop steenen verschanst, vast besloten hun
leven zoo duur mogelijk te verkoopen.
De sansculotten, die hen op de hielen zitten, voelen
toch wel een weinig ontzag voor de glinsterende geweer-
loopen, die dreigend hier en daar uit de steenen gluren.
Er wordt een oogenblik onder hen beraadslaagd en
een onderhandelaar treedt naar voren. Zoo de Zwitsers
hunne wapens willen uitleveren, wordt hun vrijheid en
leven toegezegd. Dus luidde ongeveer zijne boodschap.
Men ziet elkander vragend aan, en weifelt in de keuze,
want die boeventroniën en het heilig houden eener
belofte schijnen elkander buiten te sluiten.
„Makkers!" riep een der Zwitsers, de jonge Forestier,
„laten wij ons niet overgeven. Ze beloven ons wel lijfs-
behoud, doch zullen ons buiten twijfel om hals bren-
gen, \'t Is beter, als moedige soldaten onzen besprin-
gers het hoofd te bieden, en roemvol met de wapens
in de hand te sneven, dan doodgeslagen te worden
als honden!"
-ocr page 248-
o
c
c
a
ft
p
&
D
«
o
u
o
5
w
o
BS
6
-ocr page 249-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 229
Na deze woorden werpt hij zich te midden zijner
vijanden, waar hij vindt, wat hij zocht: een eervollen
dood. En zijne vrienden ? Zij vertrouwden op het woord
der sansculotten, lieten zich ontwapenen, en werden
toen met hun eigen geweer in stukken gehouwen.
De rest der dappere verdedigers van de Tuilerieën,
zwart van kruitdamp, onkenbaar door zweet en bloed,
werpt zich in den hof, breekt dwars door het vijande-
lijk geweervuur heen, stormt smeekend de Nationale
Vergadering binnen en is gered.
Gered? Ja, voor korten tijd! Als in September e.v.
de alarmklokken luiden en de bezoldigde moordenaars
het slagerswerk beginnen, dan zullen die klanken voor
hen het kleppen der doodsklok zijn.
In de gevangenis 1\'Abbaye zullen die onversaagde
mannen sidderen voor den schandelijken dood, die
hen bedreigt. Oude snorrebaarden onder hen zullen
het mededoogen hunner beulen inroepen, maar dat
woord heeft voor dezen een onbekenden klank. Vree-
selijke dood, weerloos te sterven door zulke handen!
Ook hier echter blonk de heldenmoed. Allen moeten
de gevangenispoort door naar La Force, \'twelk ge-
lijk stond met het doodvonnis. Men aarzelt en schrikt
terug, tot zich een jonge Zwitser (hij was niet ouder
dan dertig jaren) van een kloeke gestalte voor de
anderen plaatst. „Wijst mij den weg!" riep hij den
moordenaars binnen toe. Men ontsluit hem de poort
en een schouwspel, \'twelk zelfs den onversaagdste het
bloed in de aderen zou doen stollen, treft zijn oog.
-ocr page 250-
230 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
Hij weifelt even, maar zich vermannende, werpt hij
zijn hoed achter zich, en stort in de bundels van pie-
ken en zwaarden, gereed gehouden om hem op te
vangen.
Zoo stierf Winkelried bij Sempach, maar in een
eerlijken strijd, niet door beulshanden, en tot heil
zijner strijdmakkers.
Het rijke, welvarende Lyon had geweigerd de repu-
blikeinsche buitensporigheden na te volgen. Het had
den dweepzieken Chalier tot rede trachten te brengen,
en toen hij, gee\'n vrucht trekkend uit de hem toege-
diende lessen, de voornaamste inwoners met de guillo-
tine dreigde, had het hem gevangen doen nemen en
het eerst de scherpte der valbijl beproefd op den
fanatieken sanculotte zelf.
De wraak der Revolutie liet zich niet wachten. Weldra
sloot een talrijk leger de stad van alle zijden in. Précy,
de bevelhebber dien zij zich gekozen had, mocht de
meeste doodsverachting aan de grootste dapperheid en
de hoogste krijgskunst paren, de worsteling bleek al
te ongelijk.
De verdedigers minderden met den dag, de belege-
raars groeiden aan met het uur. De hulp, uit den
vreemde der benarde stad toegezegd, kwam niet opda-
gen. Men gaf daarom den moed niet verloren. Vrouwen
en kinderen zelfs dachten alleen aan den strijd, wijdden
zich geheel aan de goede zaak.
-ocr page 251-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 231
Ze brachten voedsel aan de verdedigers op de wallen,
droegen de gekwetsten weg en verpleegden ze, begroe-
ven de gesneuvelden. Waar een bom der belegeraars
zijn nijdigen boog door de lucht beschreef, oogden ze
hem na. Was hij neergekomen, dan rukten ze, zoo
mogelijk, er de lont uit, en droegen dan het projectiel
naar de wallen, opdat den vijand zijn eigen moordtuig
ten verderve worden zou.
Die vijand was zonder genade. Vaak schoot hij met
vurige kogels. Zelfs het hospitaal, een juweel van
bouwkunst, werd, ofschoon er de zwarte vlag woei,
onbarmhartig beschoten, zoodat de zieken en gekwetsten
menigmaal gedood werden op hunne legerstede.
Wonderen van dapperheid verrichtten de moedige
inwoners. Door uitval op uitval verontrustten zij den
vijand en dan was de worsteling van man tegen man
soms zoo heftig en verwoed, dat de bajonetten afbraken
in het lichaam der strijdenden.
Verstoken van allen toevoer, ter prooi aan al de
kwellingen van de vreeselijke hongerplaag, zelfs het
noodige lood ontberend, om de bespringers te treffen,
zag de arme stad zich weldra tot capituleeren genood-
zaakt.
Précy sloeg met een gedeelte van zijn sterk gedund
legertje door den vijand heen, doch bracht er nagenoeg
alleen het leven af.
Met het republikeinsche leger deden weldra alle
verschrikkingen hare intrede binnen het rampzalige
Lyon. Het bombardement met gloeiende kogels was
-ocr page 252-
232 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
kinderspel bij de gruwelen der toekomst. Het sans-
culottismus had het gezworen: Vreeselijk zou de
wraak zijn.
Collot en Fouché hadden de verwoedste, de wreedste
Jacobijnen uitgezocht om die wraakplannen te dienen.
Gevangenbewaarders van elders hadden ze doen over-
komen, ten einde meer zekerheid, te hebben, dat de
gevangenen geen of weinig kans hadden tot ontsnappen.
Voor Chalier werd een altaar opgericht. Men droeg
zijne overblijfselen in processie door de straten en
knielde er voor neer. „Het bloed der aristocraten
Chalier, zal uw wierook zijn !" riep de beruchte Fouché
als razend uit.
Satanisch noemde Joseph de Maistre de Revolutie.
Zij toonde ook hier de waarheid dezer woorden.
Evangelieboek en kruisbeeld werden in de processie
meegedragen, of liever, - meegesleurd, want men had
deze eerbiedwaardige voorwerpen, dierbaar aan ieder
Christenhart, vastgebonden aan den staart van onreine
dieren. Ze werden vervolgens in den brandstapel gewor-
pen, op het altaar van Chalier ontstoken.
Een ezel liet men uit een der gewijde vaten drin-
ken ; de H. Hosties worden onder den voet getreden;
de kerken ontheiligd door goddelooze liederen en afschu-
welijke dansen vol wulpschheid.
Al wat te Lyon en twintig mijlen in het rond de
wapens voeren kon en al wie zich op eenige wijze
\'t zij door positie, fortuin of geboorte boven het gewone
peil verhief, werd naar den kerker gesleept. De verre
-ocr page 253-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 233
bloedverwanten en kennissen van de verdedigers der
rampzalige stad liepen niet vrij. \'t "Was, of om en in
de veste Gods slaande Engel voorbijgegaan was.
De eenige hoop op bevrijding was de dood, die zon-
der poozen de straten rondging. Toch werkte hij door
middel van de guillotine niet snel genoeg volgens
Fouché en Collot d\'Herbois, die vreesden te Parijs van
halve maatregelen beschuldigd te worden.
De eerlooze Dorfeuille wist raad. Hij zou eene nati-
onale rechtspleging houden, welke de komende eeuwen
met ontzetting slaan zou. Die dag der groote gerech-
tigheid moest eene algemeene feestdag wezen, want
als de misdaad ten grave daalt, herademt de mensch-
heid, en dat is het feest der deugd. Zoo dacht en
sprak hij.
Nu begonnen de terechtstellingen in massa. Vier en
zestig jongelieden uit de eerste familiön werden naar
het stadhuis gevoerd en binnen eenige minuten ter
dood verwezen. Men voerde hen naar den oever der
Rhöne, plaatste ze in eene laan van wilgeboomen,
waar reeds een reusachtig graf gedolven was voor
allen, en ketende ze twee aan twee te zamen.
Vlak voor de veroordeelden gaapten dreigend drie
vuurmonden, geladen met schroot. Links en rechts van
hen stond de ruiterij opgesteld, met getrokken sabel,
gereed tot een charge. Op eene kleine hoogte hier en
daar vertoonden zich de voornaamste republikeinen, die
getuigen wilden zijn van den moord.
De slachtoffers sidderden niet. Ze waren goed voor-
-ocr page 254-
234 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
bereid tot den dood en herhaalden in koor vol geest-
drift het lied, dat hen vroeger bezielde in den strijd,
dat nu hun moed verlevendigde in de beslissende ure.
Daar verheft Dorfeuille de hand, het overeengekomen
signaal, en het geschut dondert los. Slechts twintig
veroordeelden zijn getroffen. De kanonniers laden en
lossen verschillende malen opnieuw. Wat er nu nog
ademt, wordt door de dragonders neergesabeld, of met
pistoolschoten afgemaakt.
Den anderen dag volgden tweehonderd en tien
ongelukkigen den weg der vier en zestig. Op dezelfde
plek, nog doorweekt van het bloed dezer, wordt halt
gemaakt. Een lange kabel was tusschen de boomen
gespannen. Aan dezen werden de gevangenen met
hunne handboeien vastgemaakt. Bij ieder hunner ston-
den op vier passen afstands drie soldaten, die op het
commando van vuur! ieder drie schoten losten op het
hun aangewezen offer. De ruiterij bracht weer de over-
levenden om.
Dus ging het dagen achtereen. De dood heerschte
te Lyon, waar rouwgewaad of een droeve trek om
den mond voor verraad golden en met de guillotine
of den kogel gestraft werden.
Over de gansche stad lag eene doodsche stilte, welke
slechts afgebroken werd door het neerploffen der omver-
gehaalde huizen, het gedommel der karren, die uit de
vijf gevangenissen der stad ter strafplaats reden, het
gebulder der kanonnen en het knetteren van het pelo-
tonvuur, die de veroordeelden wegmaaiden.
-ocr page 255-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 235
Ongeveer acht millioen gulden werden door de
republiek besteed, om hare 20,000 Vandalen te voldoen,
wier taak het was de trotsche gebouwen der stad te
verwoesten.
Maar hadden de beklagenswaardige inwoners tijdens
het beleg tallooze bewijzen van moed en doodsver-
achting gegeven, in deze dagen van matelooze ellenden
deden zij dit niet minder. Een paar voorbeelden ten
bewijs.
Een kind van nauwelijks vijftien jaar wordt te gelijk
als zijn vader naar het schavot gevoerd. Direct na
dezen moet de zoon geguillotineerd worden: „Maak
spoed," zegt de kleine met een vroolijk gelaat, waaruit
echter tevens een heilig ongeduld spreekt: „mijn vader
heeft beloofd, mij in den hemel eene plaats te bereiden.
Laat hem niet wachten op mij!" Een andere knaap,
zestien jaren oud, werd met zijn vader en drie ver-
wanten naar de beruchte wilgenlaan gevoerd. Het ge-
weervuur knalt; de vader zinkt stervend neer, maar
de zoon, gespaard door het medelijden der soldaten,
blijft ongekwetst.
„Genade, genade voor dat kind!" roepen de toe-
schouwers, tot in het diepst der ziel bewogen met zijn
lot. „Laat hem leven: hij kan nog een goed burger,
een goed republikein worden!"
De voltrekkers van het vonnis staan besluiteloos.
„Hij leve!" roept hun aanvoerder.
-ocr page 256-
.
-ocr page 257-
236 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
„Neen, geen genade! Ik wil uwe genade niet! Laat
mij sterven!" roept de knaap, terwijl hij het bloedend
lijk zijns vaders omhelst. Laat mij sterven: ik ben
koningsgezind. Leve de koning!" — Zijn wensch werd
vervuld.
Een jonkman, veroordeeld om met zijn vader den
volgenden dag onthoofd te worden, was met dezen,
een man van tachtig jaren, die het gebruik zijner
beenen bijna geheel miste, in een der kelders gewor-
pen van het stadhuis.
Des nachts ontdekt hij, dat hunne onderaardsche
gevangenis door een riool gemeenschap heeft met de
bedding der rivier. Hij verkent een en andermaal den
weg, en als er geen twijfel meer rest over de zeker-
heid van den uitgang, keert hij ijlings naar zijn vader
terug, en roept vol blijdschap uit: „Sta op, vader, en
volg mij: we zijn gered!"
Met de uiterste inspanning heft de grijsaard zich
op, en volgt zijn zoon. Doch halverwege valt hij neer,
uitgeput van krachten, en zegt: „God zegene u, mijn
kind! Ga heen in vrede; red uw leven en laat mij aan
mijn lot over. De dood staat toch aan mijne deur!"
„Neen", roept de jonkman, terwijl hij hem schreiend
in de armen drukt, „wij zullen óf samen sterven of
samen gered worden en leven!"
Hij laadt zijnen ouden vader op de schouders, kruipt
-ocr page 258-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 237
behoedzaam voort met zijnen dierbaren last, en bereikt
gelukkig den oever der Rhöne, waar hij eene boot
vindt, die hen beide denzelfden nacht wegvoert, verre
van de plek des verderfs.
Een jong meisje, Maria Adrian genaamd, wordt
voor de rechtbank gesleept. Gedurende het beleg gaf
zij zoo hooge blijken van manlijken moed en geest-
kracht, dat Précy haar ten voorbeeld stelde aan zijne
dapperen. De heele stad bewonderde haar, die aan de
zijde harer broeders dag en nacht gewaakt en gestreden
had op de veege wallen. Zedig, doch vol edele fier-
heid stond zij voor hare rechters. „Hoe is uw naam?"
vroeg een hunner, evenzeer bewogen door hare j eugd
als door hare jonkvrouwelijke schoonheid.
„Ik heet Maria," antwoordde de aangeklaagde; „ik
draag den naam van de Moeder des Heeren, voor
Wien ik sterven ga!"
„Hoe oud zijt gij?"
„Ik tel zeventien jaren."
„Hoe hebt gij het durven onderstaan op dien leeftijd
het kanon te richten tegen uw eigen vaderland? —
„\'t Was om mijn vaderland te verdedigen!" —
„Burgeresse," riep een der rechters haar toe, „wij
bewonderen uw moed; wat zoudt gij doen, ingeval wij
u het leven schonken?" —
Stout verhief zij het hoofd en sprak: „Als de beu-
-ocr page 259-
238 VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP.
len van mijn vaderland zou ik u doorsteken." — Met
die woorden sprak zij haar doodvonnis.
Zwijgend, met neergeslagen oogen — de nieuwsgierige
blikken der menigte deden hare maagdelijke schuchter-
heid blozen — besteeg zij het schavot.
De hulp van den beul, die haar ondersteunen wilde,
wees zij van de hand, en tweemaal riep zij met heldere
stem, eer zij het hoofd onder het mes boog: „Leve
de koning! "
We zijn aan het einde onzer taak. De lotgevallen
van slechts enkele priesterlijke geloofshelden, van wei-
nige voorname personen, die meer nog door den adel
hunner deugd en huns gemoeds dan door dien van
geboorte uitblonken; van sommige kinderen uit het
volk, welke zich door moed en deugd bij de nakome-
lingschap onsterfelijk wisten te maken, mochten ons
een wijl bezighouden.
Honderden, wier naam en daden ons bekend zijn,
bleven onvermeld; duizenden anderen, die God alleen
tot getuige hadden van hun lijden en hun strijd, zullen
waarschijnlijk nooit genoemd worden op aarde.
Maar allen, \'tzij martelaars van hun geloof, van hunnen
plicht of van hunne overtuiging, zijn daar om de arme
menschheid te troosten over de afschuwelijkheden der
Revolutie. Jagen de looierijen van menschenhuiden te
Meudon ons een blos van schaamte naar de wangen;
-ocr page 260-
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP. 239
leeren zij ons, wat er te verwachten is van den mensch,
ook van den beschaafden mensch, indien het geloof
aan het bovenzinnelijke in hem sterft, het Christelijk
gemoed zwelt van rechtmatigen trots bij het staren op
duizenden kloeke bloedgetuigen. Op de onversaagde
mannen, de fiere vrouwen, welke in het uur des
doods niet sidderden, doch kalm en onverschrokken,
met de hoop op een beter leven in de borst, de
groote reize aanvaardden! Mogen hunne lessen voor geen
onzer verloren zijn!
*£$*
NASCHRIFT.
Uit de volgende bronnen werd bij het schrijvenvan
dit boek geput:
Les Origines de la France contemporaine, par H.
Taine; La France révolutionnaire, par Charles d\'Héri-
cault; Louis XVII, par de Beauchesne; La Révolution
francaise, par Poujoulat; Histoire des Girondins, par
A. de Lamartine; Journées mémorables de la Révo-
lution francaise, par Ie Vicomte Walsh; Dr. Nuyens\'
Studiën over de Fransche Omwenteling, voorkomende
in „De Wachter".
Kleinere schrijvers, welke hier en daar bouwstoffen
leverden, blijven onvermeld.
sagp?